[{"i":2,"b":"Wet van 22 december 2005 tot aanpassing van en verbeteringen in diverse wetten in verband met de invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen alsmede enkele andere correcties (Aanpassings- en verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) Hoofdstuk 1. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Hoofdstuk 1. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Hoofdstuk 3. Ministerie van Binnenlandse Zaken Artikel XVIII. [Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267) Wijzigt de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. Hoofdstuk 4. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Hoofdstuk 5. Slotbepalingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is diverse wetten aan te passen en te verbeteren in verband met de invoering van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IV. [Arbeidsomstandighedenwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Artikel IVa. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel V. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel VI. [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":14,"b":"Aanwijzing van in buitenland gevestigde werkgever Gelet op [artikel 3, tweede lid, onderdeel b van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=3), [artikel 3, tweede lid, onderdeel b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=3) en [artikel 3, tweede lid, onderdeel b van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van [artikel 3, tweede lid, onderdeel b van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=3), [artikel 3, tweede lid, onderdeel b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=3) en [artikel 3, tweede lid, onderdeel b van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=3) wordt als werkgever aangewezen de werkgever die zich ingevolge [artikel 6, tweede lid, onderdeel b van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=6) als zodanig bij de inspecteur heeft gemeld. Artikel 2 Het Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 september 1991 nr. SZ/SV/W/91/4533 wordt met ingang van 1 januari 1997 ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit met de daarbij behorende toelichting wordt in de Staatscourant geplaatst en treedt op 1 januari 1997 in werking."},{"i":18265,"b":"Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden van 24 augustus 1815 Hoofdstuk 1. Grondrechten Artikel 1 Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. Artikel 2 1. De wet regelt wie Nederlander is. 2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen. 3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven. 4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald. Artikel 3 Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar. Artikel 4 Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen. Artikel 5 Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen. Artikel 6 1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. 2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Artikel 7 1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. 2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending. 3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordel"},{"i":103,"b":"Besluit aanmelding van collectieve arbeidsovereenkomsten en het aanvragen van algemeen verbindend verklaring Gelet op de [artikelen 4, tweede lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987&artikel=4) en 14 van de [Wet op de loonvorming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002698); Besluit: § 1. Aanmelding van collectieve arbeidsovereenkomsten Inhoud van de mededeling Artikel 1:1 1. De mededeling van het sluiten of wijzigen van een collectieve arbeidsovereenkomst, bedoeld in [artikel 4 van de Wet op de loonvorming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002698&artikel=4), wordt ingediend en ondertekend door of namens partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst. Deze mededeling en alle daaropvolgende communicatie geschiedt uitsluitend langs elektronische weg, tenzij naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sprake is van omstandigheden die zich daartegen verzetten. 2. Voor het opzeggen van een collectieve arbeidsovereenkomst, bedoeld in [artikel 4 van de Wet op de loonvorming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002698&artikel=4), is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 3. De mededeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, vermeldt dat een collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten, gewijzigd of opgezegd. 4. De mededeling, bedoeld in het eerste lid, vermeldt: - a. door welke partijen een collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten dan wel is gewijzigd; - b. het tijdvak waarvoor de collectieve arbeidsovereenkomst als geheel is gesloten, dan wel, indien de collectieve arbeidsovereenkomst bepalingen kent met uiteenlopende expiratiedata, de expiratiedatum van de langstlopende bepaling en de expiratiedatum van de bepaling dan wel bepalingen met een kortere looptijd; - c. het aantal werknemers dat onder de werkingssfeer van de collectieve arbeidsovereenkomst valt, met inbegrip van de werkn"},{"i":107,"b":"Besluit van 6 februari 2001, houdende vaststelling van de regels rond het recht op militair arbeidsongeschiktheids- of invaliditeitspensioen voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar (Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 19 februari 1999, nr. P/99000777; Gelet op [artikel 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 27 april 1999, No. W07.99.0082/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 1 februari 2001, nr. P/2001000559; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. militair: de beroepsmilitair, dienstplichtige of reservist; - b. WAO: de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - c. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een uitkering ingevolge de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), de aanspraak op vakantie-uitkering daaronder begrepen; - d. ontslaguitkering: een uitkering ingevolge het Werkloosheidsbesluit defensie-personeel of het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd; - e. pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; - f. berekeningsgrondslag: - 1e. voor de beroepsmilitair: voor zover daarover de verplichting tot premieafdracht in de zin van het pensioenreglement heeft bestaan, de som van de militaire inkomsten uit het jaar voorafgaande aan zijn ontslag; - 2e. voor de reservist en dienstplichtige: het bedrag van de inkomsten die hij in het jaar voorafgaande aan het einde van zijn werkelijke dienst uit hoofde van zijn beroep of bedrijf zou hebben kunnen genieten indien hij niet in werkelijke dienst zou zijn geweest; - g. suppletieregeling: de [Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsong"},{"i":117,"b":"Besluit houdende aanwijzing toezichthoudende ambtenaren ex artikel 25 van de Warenwet Gelet op [artikel 25, eerste lid, onder b, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) worden aangewezen de inspectieambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":120,"b":"Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Wet geneesmiddelenprijzen Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867) bepaalde worden aangewezen: - a. de projectleider en de medewerkers van het project uitvoering [Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867), met uitzondering van de secretariaatsmedewerkers en - b. de ambtenaren, werkzaam bij de afdeling Geneesmiddelenvoorziening van de directie Genees- en hulpmid-delenvoorziening van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met uitzondering van de secretariaatsmedewerkers. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Wet geneesmiddelenprijzen. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":123,"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders UWV Gelet op [artikel 55a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=55a); Besluit: Artikel 1 De onderzoekers handhaving en de senior onderzoekers handhaving van de directie Handhaving van UWV worden aangewezen als toezichthouders, belast met het toezicht op de naleving van in [artikel 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30) en [artikel 32d van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32d) bedoelde wet- en regelgeving en het bepaalde in de [artikelen 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=54) en [55 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=55), voor zover het geen verplichtingen betreft die betrekking hebben op UWV. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders UWV. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":124,"b":"Besluit van 6 oktober 2003, houdende regels met betrekking tot de adviescommissie voor ontslag van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren vanwege ongeschiktheid tot het verrichten van hun taak, anders dan wegens ziekte (Besluit adviescommissie ongeschiktheidsontslag rechterlijke ambtenaren) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 12 augustus 2003, 5233289/03/6; Gelet op [artikel 46l, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=46l); De Raad van State gehoord (advies van 17 september 2003, nr. W03.03.0346/I; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 25 september 2003, nr. 5246794/03/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Er is een adviescommissie ongeschiktheidsontslag rechterlijke ambtenaren, hierna te noemen: de commissie. 2. De commissie adviseert over ongeschiktheidsontslag als bedoeld in [artikel 46l van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=46l). Artikel 2 1. De commissie bestaat uit: - a. een president van een gerecht; - b. een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast; - c. een lid van een gerechtsbestuur, niet zijnde president. 2. Een lid van de commissie kan niet lid zijn van de Hoge Raad of de Raad voor de rechtspraak. 3. De leden, bedoeld in het eerste lid, zijn werkzaam bij verschillende gerechten. 4. De leden, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, worden aangewezen door de Raad voor de rechtspraak. Het lid, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt aangewezen door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. 5. Voor elk lid wordt een plaatsvervanger aangewezen overeenkomstig het eerste tot en met vierde lid, met dien verstande dat indien het lid, bedoeld in het eerste lid, onder c, een rechterlijk lid van een gerechtsbestuur is, als diens plaatsvervanger een niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur wordt aangewezen en indien dat lid een niet-rechterlijk lid van"},{"i":125,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 15 oktober 2015, nummer 2015-0000436097, houdende instelling van de Adviescommissie toepassing en gelijkwaardigheid bouwvoorschriften Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commissie:** Adviescommissie toepassing en gelijkwaardigheid bouwvoorschriften, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037131&artikel=2&z=2025-04-02&g=2025-04-02); - b. **minister:** Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 2 Er is een Adviescommissie toepassing en gelijkwaardigheid bouwvoorschriften. Artikel 3 De commissie heeft tot taak te adviseren over: - a. de gelijkwaardigheid van technische of andere oplossingen ter zake van de technische voorschriften aangaande het bouwen of de staat van bouwwerken gesteld bij of krachtens de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181) of ter zake van de regels over bouwactiviteiten of het in stand houden van bouwwerken gesteld bij of krachtens de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885); - b. de toepassing van de technische voorschriften aangaande het bouwen, gebruiken of de staat van bouwwerken gesteld bij of krachtens de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181) of de regels over bouwactiviteiten of het gebruik en het in stand houden van bouwwerken gesteld bij of krachtens de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), in de in [artikel 4, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037131&artikel=4&z=2025-04-02&g=2025-04-02), genoemde gevallen. Artikel 4 1. De commissie adviseert uitsluitend in geval: - a. daartoe een verzoek wordt gedaan dat betrekking heeft op de toepassing van technische voorschriften als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037131&artikel=3&z=2025-04-02&g=2025-04-02) in het kader van: - 1°. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit; - 2°. een gebruiksmelding; - 3°. aanvullende v"},{"i":138,"b":"Besluit beperking openbaarheid bij de Verklaring van overbrenging archief Raad van Arbeid Breda, 1919–1988 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10). **Besluit:** Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van archief Raad van Arbeid Breda, 1919–1988 Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 97 | 2021 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035092&artikel=1&z=2014-05-07&g=2014-05-07), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Noord-Brabant i.c. het Brabants Historisch Informatie Centrum, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 5 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035092&artikel=1&z=2014-05-07&g=2014-05-07), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Noord-Brabant i.c. het Brabants Historisch Informatie Centrum, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging archief Raad van Arbeid Breda 1919–1988’. **Awb-procedure** Een belanghebbende kan tegen dit besluit bezwaar maken op grond van [artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht]("},{"i":8863,"b":"Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden **Londen, 27 Februari 1953** De Regeringen van België, Canada, Ceylon, Denemarken, de Franse Republiek, Griekenland, Iran, Ierland, Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Noorwegen, Pakistan, Spanje, Zweden, Zwitserland, de Unie van Zuid-Afrika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Verenigde Staten van Amerika en Zuidslavië aan de ene zijde, en De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland aan de andere zijde, Het gewenst achtend, de belemmeringen van een normaal economisch verkeer tussen de Bondsrepubliek Duitsland en andere landen weg te nemen en daardoor een bijdrage tot de ontwikkeling van een welvarende gemeenschap van volkeren te leveren; Overwegende dat de betalingen op Duitse buitenlandse schulden in het algemeen gedurende ongeveer twintig jaar niet in overeenstemming met de contractuele bepalingen zijn geschied; dat van 1939 tot 1945 het bestaan van een staat van oorlog het doen van alle betalingen met betrekking tot vele van deze schulden heeft belet; dat sinds 1945 deze betalingen in het algemeen zijn opgeschort; en dat de Bondsrepubliek Duitsland een einde wenst te maken aan deze toestand; Overwegende dat Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika sinds 8 Mei 1945 economische hulp aan Duitsland hebben verleend, welke wezenlijk tot de opbouw van de Duitse economie heeft bijgedragen, waardoor de hervatting van de betalingen op de Duitse buitenlandse schulden is vergemakkelijkt; Overwegende dat op 6 Maart 1951 een briefwisseling, welke in afschrift in Aanhangsel A van deze Overeenkomst is opgenomen, heeft plaatsgevonden tussen de Regeringen van de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, welke de basis vormt, waarop deze Overeenkomst voor de regeling van de Duitse buitenlandse schulden (met haar Bijlagen) e"},{"i":180,"b":"Besluit van 13 december 2021, houdende de herziening van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 juli 2021, nr. 2021-0000112895, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3), [4, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=4), [5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=5a), [8, eerste lid, onderdeel g en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=11), [17b, eerste en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=17b), [19d, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=19d) en [19g, derde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=19g), [14, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 september 2021, nr.W12.21.0222/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 december 2021, nr. 2021-0000151328, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet arbeid vreemdelingen (toekomstbestendig maken van de wetgeving op het terrein van arbeidsmigratie) in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **verbod:** het verbod, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":250,"b":"Conversieregeling militaire pensioenen Gelet op [artikel 3, vierde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955&artikel=3), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **fonds:** de Stichting Pensioenfonds ABP; - b. **pensioenreglement:** het pensioenreglement van het fonds; - c. **datum van toetreding:** de datum waarop voor de verschillende groepen rechthebbenden ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, van de Kaderwet militaire pensioenen, een recht of uitzicht krachtens het pensioenreglement ingaat; - d. **Amp-wet:** de Algemene militaire pensioenwet zoals die op de datum van toetreding luidde; - e. **nabestaandenreglement:** het Nabestaandenreglement militairen zoals dat op de datum van toetreding luidde; - f. **nabestaandenbesluit:** het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen zoals dat op de datum van toetreding luidde; - g. **diensttijd:** voor zover doorgebracht voor de datum van toetreding, de diensttijd in de zin van de Amp-wet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet; - h. **reservist:** degene die op grond van artikel E3, eerste lid, van de Amp-wet of de daarmee overeenkomende bepalingen in vroegere militaire pensioenwetten in de zin van die wet, recht of uitzicht op pensioen zou hebben gehad indien die wetten niet waren ingetrokken. Artikel 2 1. De op grond van de Amp-wet, de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van die wet, het nabestaandenreglement of het nabestaandenbesluit toegekende of in uitzicht gestelde pensioenen worden, voor zover die uitsluitend naar voor pensioen geldige diensttijd moeten worden vastgesteld en die diensttijd niet kan worden vergolden met een pensioen ingevolge het besluit, te rekenen van de datum van toetreding omgezet in een recht of uitzicht ingevolge het pensioenreglement. 2. De in het eerste lid bedoelde omzetting vindt plaats door het recht of uitzicht krachtens de daar bedoelde regelingen vast te stellen"},{"i":451,"b":"Wet van 29 mei 1963, houdende nadere maatregelen ten aanzien van een Indonesisch pensioen in verband met de samenloop met pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet of pensioen of uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere maatregelen te stellen ten aanzien van een Indonesisch pensioen in verband met de samenloop met een pensioen krachtens de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) of een pensioen of uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Eerste Hoofdstuk Samenloop van Indonesisch pensioen met pensioen krachtens de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - 1. \"overheidsdienaren\": - a. vóór de soevereiniteitsoverdracht in dienst getreden: burgerlijke of militaire landsdienaren van Nederlands-Indië en van Indonesië, ambtenaren van de zelfstandige gemeenschappen, ingesteld op de voet van de artikelen 119, 121 of 123 der Indische Staatsregeling, van de waterschappen, bedoeld in artikel 186 van die staatsregeling en van de zelfbesturende landschappen in Indonesië, pensioengerechtigde leerkrachten bij het gesubsidiëerd onderwijs in Indonesië, ambtenaren van het Beheerskantoor in Indonesië van de voormalige Indische Pensioenfondsen en personeel bij de Lands Landbouwbedrijven in Indonesië; - b. dienst- en reserveplichtigen van het voormalige Koninklijk Nederlands Indisch Leger, aan wie of aan wier nagelaten betrekkingen op grond van de vóór 8 december 1941 gegolden hebbende voorschriften een pensioen is toegekend tengevolge van in en door de dienst bekomen letsel; - c. personen, aan wie krachtens de [Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Ind"},{"i":6319,"b":"Wet tot regeling van het toezicht op krankzinnigen BES § I. Psychiatrische ziekenhuizen tot verpleging en tot voorloopige opneming van psychiatrische patiënten Artikel 1 In de artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Gemeenschappelijk Hof:** Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. **inspecteur:** de bevoegde inspecteur van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; - c. **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - d. **openbare lichamen:** openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - e. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - f. **Rijksvertegenwoordiger:** Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - g. **psychiatrische patiënt:** persoon met een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap; - h. **psychiatrisch ziekenhuis:** een zorginstelling, of onderdeel daarvan, bestemd voor de medische en verpleegkundige verzorging van psychiatrische patiënten. Artikel 1a 1. Onze Minister wijst ten behoeve van de openbare lichamen ten minste één psychiatrisch ziekenhuis aan. 2. Indien en zodra noch door een openbaar lichaam noch van particuliere zijde een op de medische en verpleegkundige verzorging van psychiatrische patiënten uit de openbare lichamen gerichte instelling in stand wordt gehouden, voorziet de Rijksvertegenwoordiger ten laste van de openbare lichamen in de oprichting en het beheer van een psychiatrisch ziekenhuis, dat ten minste toegankelijk is voor die categorie of categorieën van patiënten, waaraan geen bestaand psychiatrisch ziekenhuis toegang verschaft. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden geregeld naast het algemene toezicht, bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028223&paragraaf=II&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01), het bijzondere toezicht op, het bestuu"},{"i":5903,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 23 oktober 2025 nr. IENW/BSK-2025/258966, houdende vaststelling van tijdelijke regels ter stimulering van aanvullende zuiveringstechnieken bij rioolwaterzuiveringsinstallaties (Tijdelijke subsidieregeling stimulering verwijdering medicijnresten tweede tranche) [KetenID WGK 26712] Gelet op de [artikelen 2, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, eerste lid, tweede lid, onderdeel b, en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), en [24, eerste lid, tweede volzin, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **gidsstoffen:** organische microverontreinigingen: Categorie 1: Categorie 2: op basis waarvan het verwijderingsrendement kan worden vastgesteld en die gebruikt worden om de zuiveringsprestaties onderling tussen verschillende vergaande zuiveringstechnieken te vergelijken; - (i). amisulprid (CAS No 71675-85-9), - (ii). carbamazepine (CAS No 298-46-4), - (iii). citalopram (CAS No 59729-33-8), - (iv). clarithromycin (CAS No 81103-11-9), - (v). diclofenac (CAS No 15307-86-5), - (vi). hydrochlorothiazide (CAS No 58-93-5), - (vii). metoprolol (CAS No 37350-58-6), - (viii). venlafaxine (CAS No 93413-69-5); - (i). benzotriazole (CAS No 95-14-7), - (ii). candesartan (CAS No 139481-59-7), - (iii). irbesartan (CAS No 138402-11-6), - (iv). mix van 4-methylbenzotriazole (CAS No 29878-31-7) en 5-methyl- benzotriazole (CAS No 136-85-6), - **functioneel in bedrijf stellen van de installatie:** in werking brengen va"},{"i":6134,"b":"Besluit van 31 mei 1995, houdende regels inzake de etikettering van de materialen, gebruikt in voor de verbruiker bestemd schoeisel Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 7 november 1994, nr. 94077217 WJA/W, gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [richtlijn nr. 94/11/EG](31994L0011) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 maart 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake de etikettering van de in de belangrijkste onderdelen van voor de verbruiker bestemd schoeisel gebruikte materialen (**PbEG** L 100), alsmede op [artikel 8 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8); De Raad van State gehoord (advies van 23 december 1994, nr. W10.94.0679); Gezien het nader rapport van de voornoemde Staatssecretaris van 29 mei 1995, nr. 95020293 WJA/W, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: richtlijn: [richtlijn nr. 94/11/EG](31994L0011) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 maart 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake de etikettering van de in de belangrijkste onderdelen van voor de verbruiker bestemd schoeisel gebruikte materialen (**PbEG** L 100), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 16/94 van 28 oktober 1994 tot wijziging van bijlage II (technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-Overeenkomst (**PbEG** L 325); schoeisel: produkten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de richtlijn met uitzondering van de produkten, bedoeld in de laatste alinea van artikel 1, eerste lid, van de richtlijn. 2. Voor de toepassing van dit besluit worden de als verhandelen aan te merken handel"},{"i":1548,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van successiebelastingen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, enerzijds, en de Zwitserse Bondsraad, anderzijds, Bezield door de wens, zoveel mogelijk dubbele belasting te voorkomen op het gebied van successiebelastingen, Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten, En hebben tot Hun gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden Mr. D. U. STIKKER, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandse Zaken, De Zwitserse Bondsraad De Heer D. SECRÉTAN, buitengewoon Gezant en gevolmachtigd Minister van Zwitserland te 's-Gravenhage, Die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1). Dit Verdrag heeft ten doel bescherming te verlenen tegen de dubbele belasting, die zou kunnen voortvloeien uit de gelijktijdige heffing van Nederlandse en Zwitserse successiebelastingen, in geval van het overlijden van een onderdaan van een van de beide Staten, die zijn laatste woonplaats in Nederland of in Zwitserland heeft gehad. 2). Onder successiebelastingen in de zin van dit Verdrag worden verstaan de belastingen, welke krachtens de Zwitserse of Nederlandse wetgeving terzake van overlijden geheven worden over het geheel of een gedeelte van de nalatenschap of over de erfdelen. 3). Het Verdrag is in het bijzonder van toepassing op: - a. voor zoveel Zwitserland betreft: de belastingen geheven door de Zwitserse kantons, districten, kringen en gemeenten, die de erfdelen of de nalatenschap als zodanig treffen; - b. voor zoveel het Koninkrijk der Nederlanden betreft: het recht van successie en het recht van overgang bij overlijden. 4). Het Verdrag heeft eveneens betrekking op de belastingen van gelijke of gelijksoortige aard, welke in de toekomst aan de in het voorgaande lid genoemde belastingen zullen worden toegevoegd of welke deze vervangen. Het stre"},{"i":7575,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Telecommunicatie en Post vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 5 februari 2009 nr. bca-2008.05120/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit behorende ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Telecommunicatie en Post over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":5638,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA wijnregeling (IB03-SPEC 41, versie 02) De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 48a van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=48a), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA Wijnregeling beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03), de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen van de [Regeling wijn en olijfolie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035180) en heeft specifiek betrekking op de productie van en handel in wijn. Daarom heet deze beleidsregel Specifiek interventiebeleid NVWA Wijnregeling. Olijfolie is geen onderwerp van deze beleidsregel. Overtredingen met betrekking tot de productie van en handel in wijn die de inspecteur/ toezichthouder waarneemt die niet in dit document zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven, teneinde een klasseindeling en een interventie te bepalen. 2. Definities en wettelijke basis 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). **Inspectie:** Elke vorm van controle door een inspecteur van de NVWA om na te gaan of de wet"},{"i":493,"b":"Besluit van 17 juli 1999 tot vaststelling van het tijdstip van aanvang van fase 2 en fase 3 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 juli 1999, directie Arbeidszaken Overheid, nr. AB1999/U76586; Gelet op [artikel 94, eerste en tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267&artikel=94); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig 1. Het tijdstip van aanvang van fase 2 van de [Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267) is 1 januari 2001 voor alle artikelen van die wet waarin naar dat tijdstip wordt verwezen. 2. Het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in [artikel 49 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267&artikel=49) en de artikelen die naar dat artikel verwijzen, is 1 januari 2001 voor de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die: - a. op 31 december 2000 verlof geniet in verband met zwangerschap en bevalling waarvan de vastgestelde duur eindigt na 31 januari 2001; of - b. op 31 december 2000 recht heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte in de zin van de [Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267), waarvan wordt vastgesteld dat het recht ononderbroken heeft doorgelopen tot en met 15 februari 2001; tenzij hij op 1 januari 2001 recht heeft op wachtgeld in de zin van de [Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267). 3. Indien op grond van het eerste en het tweede lid wijziging van hetzelfde artikel, artikellid of artikelonderdeel van een wet ingevolge de [Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267) gelijktijdig plaatsvindt, worden eerst de wi"},{"i":502,"b":"Verdrag betreffende arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden in hotels, restaurants en soortgelijke bedrijven De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau, en aldaar bijeengekomen in haar 78ste Zitting op 5 juni 1991, en In herinnering brengend dat internationale arbeidsverdragen en aanbevelingen waarin zijn neergelegd algemeen toepasbare normen betreffende arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, van toepassing zijn op werknemers in hotels, restaurants en soortgelijke bedrijven, Gelet op het feit dat de specifieke omstandigheden die het werk in hotels, restaurants en soortgelijke bedrijven kenmerken, het wenselijk maken de toepassing van deze verdragen en aanbevelingen in deze categorieën bedrijven te verbeteren en deze aan te vullen met specifieke normen, die erop zijn gericht om de betrokken werknemers in staat te stellen een positie in te nemen die in overeenstemming is met hun rol in deze zich snel uitbreidende bedrijfstak en om nieuwe werknemers hiervoor aan te trekken door verbetering van de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, de opleiding en de loopbaanvooruitzichten, en Gelet op het feit dat collectief onderhandelen een doeltreffend middel is om de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden in deze sector vast te stellen, en Overwegende, dat de aanneming van een verdrag, gepaard gaand met collectief onderhandelen, de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, de loopbaanvooruitzichten en de zekerheid van werk zal verbeteren ten voordele van de werknemers, en Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden in hotels, restaurants en soortgelijke bedrijven, welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de zitting voorkomt, Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm dienen te krijgen van een internationaal verdrag; neemt heden, de vijfentwintigste juni van het jaar negentienhonderdeenennege"},{"i":13036,"b":"Besluit vervanging personeelsdossiers Immigratie- en Naturalisatiedienst Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **selectielijst:** de selectielijst die op 16 augustus 2007 namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Justitie, kenmerk C/S&A/07/1516 is vastgesteld naar [artikel 5, tweede lid onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) (Stcr. 2007, 225); - b. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009 (Stcrt. 2009, 43); - c. **regeling:** de [Regeling digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Justitie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775) (Stcrt. 2010, 9361, gewijzigd bij besluit Stcrt.2011, nr.22848, art.69). Artikel 2 De archiefbescheiden van de Immigratie- en Naturalisatiedienst met betrekking tot de personeelsdossiers, zoals beschreven in de selectielijst, zijn en worden vervangen door reproducties met inachtneming van de regeling. Artikel 3 De selectielijst en de regeling bevat waarborgen met betrekking tot [artikel 2, eerste lid onder c en d van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 4 De digitale reproductie berust bij P-Direkt en is duurzaam opgeslagen. Hierbij geldt, dat indien door voortschrijding van de technologie, dan wel vervanging van de gebruikte technologie, dan wel door achteruitgang van de gegevensdrager, dan wel vermindering van de kwaliteit van de digitaal opgeslagen archiefbescheiden, conversie naar een nieuw bestandsformaat of migratie zal plaatsvinden. Artikel 5 Het document Logistiek Proces Centrale Archiefvoorziening Personeelsdossiers bij de IND (Handboek) is als bijlage bij dit besluit gevoegd en wordt met dit besluit tevens vastges"},{"i":554,"b":"Wet van 6 mei 1971, tot aanpassing van de daglonen, welke aan de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen krachtens de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering ten grondslag liggen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake een aanpassing van de daglonen, welke aan de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen krachtens de [Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002551) ten grondslag liggen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid; - b. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend krachtens de [Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002551). Artikel 2 Ten aanzien van degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is berekend naar een lager dagloon dan het dagloon, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002762&artikel=3&z=2006-01-01&g=2006-01-01), wordt, indien en zolang hij aanspraak heeft op die arbeidsongeschiktheidsuitkering over tijdvakken, liggende na 30 juni 1971, het in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002762&artikel=3&z=2006-01-01&g=2006-01-01) bedoelde dagloon aan zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag gelegd. Artikel 3 1. Met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden wordt overeenkomstig door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te stellen regelen aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag gelegd: - a. voor degene, die op 30 juni 1967 uitkering ontving op grond van een door de bedrijfsvereniging getroffen"},{"i":563,"b":"Wet arbeid vreemdelingen BES Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **werkgever:** - 1. degene die in de uitoefening van een beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten; of - 2. de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten; - c. **tewerkstellingsvergunning:** de vergunning welke de werkgever moet aanvragen bij Onze Minister voor het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling; - d. **verblijfsvergunning:** de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Wet toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=6); - e. **vreemdeling:** een persoon die op grond van de bepalingen van de [Wet toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571) hetzij van rechtswege toelating heeft tot verblijf in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hetzij voor toelating een verblijfsvergunning behoeft; - f. **lokale arbeidsmarkt:** de arbeidsmarkten van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba samen. Hoofdstuk II. De Tewerkstellingsvergunning § 1. Algemene bepalingen Artikel 2 1. Het is een werkgever verboden een vreemdeling arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie tevens een ander als werkgever optreedt, indien die ander beschikt over een voor de desbetreffende arbeid geldige tewerkstellingsvergunning. Artikel 3 Het verbod, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&hoofdstuk=II&paragraaf=1&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling: - a. die ingevolge [artikel 3 van de Wet toelating en u"},{"i":571,"b":"Wet van 23 april 2025, houdende vereenvoudiging van de banenafspraak en de quotumregeling voor mensen met een arbeidsbeperking (Wet banenafspraak) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de arbeidsdeelname van mensen met een arbeidsbeperking te verbeteren en daarbij de regels inzake de banenafspraak en de quotumregeling voor mensen met een arbeidsbeperking te vereenvoudigen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Bepalingen inzake de banenafspraak en quotumregeling voor arbeidsbeperkten Artikel 1. Definities In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. **premieplichtig loon:** het loon, bedoeld in [paragraaf 1 van afdeling 1 van hoofdstuk 3 van de Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&paragraaf=1), waarover op grond van [hoofdstuk 3 van de Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&hoofdstuk=3) premies worden geheven; - –. **quotumregeling:** de regeling waarbij na een activering op grond van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051018&hoofdstuk=I&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) de inclusiviteitsopslag, bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051018&hoofdstuk=I&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van kracht wordt waarbij tevens het loonkostenvoordeel doelgroep banenafspraak, bedoeld in [artikel 2.10 van de Wtl](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037522&artikel=2.10), wordt verhoogd met de banenafspraakbonus, bedoeld in [artikel 2.13, tweede lid, van de Wtl](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037522&artikel=2.13); - –. **uitgeleende werknemer:** - 1°. werknemer die werkzaam is op grond van een uitzendovereenkomst als bedoeld in [ar"},{"i":573,"b":"Wet van 4 oktober 2012 tot wijziging van de Ziektewet en enige andere wetten om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid van vangnetters te beperken (Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) en enige andere wetten aan te passen teneinde ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid van vangnetters te beperken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel II. Wijziging van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel III. Wijziging van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel IV. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel V. Wijziging [Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Artikel VI. Wijziging van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel VII. Wijziging van de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel VIII. Wijziging [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) Wijzigt de Wet"},{"i":17285,"b":"Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 3 oktober 2022, nr. 2022-0000197282, tot vaststelling van controlevoorschriften voor de uitvoering van de volksverzekeringen in Caribisch Nederland (Regeling controlevoorschriften AOV en AWW BES) Gelet op de [artikelen 36a, eerste lid, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=36a) en [14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=14), en [37a, eerste lid, van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=37a); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **AOV:** [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459); - b. **AWW:** [Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387); - c. **Belanghebbende:** degene die een uitkering op grond van de [AOV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) of [AWW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387) ontvangt of daarvoor in aanmerking wenst te komen, dan wel diens wettelijke vertegenwoordiger; - d. **Caribisch Nederland:** de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - e. **Minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - f. **Partnertoeslag:** de toeslag, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de AOV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7a); - g. **RCN-unit SZW:** het organisatieonderdeel van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat zorgdraagt voor de uitvoeringstaken van de minister in Caribisch Nederland; 2. Voor zover van toepassing en noodzakelijk in verband met de uitvoering van de [AOV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) of de [AWW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387), wordt onder belanghebbende als bedoeld in het eerste lid, onder c, tevens verstaan de inrichting of instelling, b"},{"i":16993,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militaire Operatiën vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, arc-2006.03456/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Militaire Operatiën over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Aanvulling BASISSELECTIEDOCUMENT militaire operatiën Vanaf 1945 Minister van Algemene Zaken (AZ) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) Minister van Justitie Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) Pim Fijnheer PWAA/Rotterdam 1. Afkortingen AZ: Algemene Zaken BSD: Basis Selectiedocument BZK: Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties CVSE: Conferentie over veiligheid en Samenwerking in Europa EU: Europese Unie KB: Koninklijk Besluit IAEA: International Atomic Energy Agency KL: Koninklijke Landmacht KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap LNV: Landbouw, Natuurbeheer & Voedselkwaliteit NAVO: Noord Atlantische Verdrags Organisatie OCW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap PCDIN: Permanente Commissie Documentatie Informatieverzorging PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek Stb.: Staatsblad Stcrt.: Staatscourant SZW: Sociale Zaken en Werkgelegenheid VN: Verenigde Naties 2. Definitie van het BSD Een Basis Selectiedocument (BSD) is de vorm waarin een of meerdere selectielijst(en), bedoeld in [artikel 5 van de"},{"i":624,"b":"Wet van 28 april 1994, tot vaststelling van regels met betrekking tot de verevening van pensioenrechten bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed (Wet verevening pensioenrechten bij scheiding) en daarmede verband houdende wijzigingen in andere wetten Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. scheiding: echtscheiding of scheiding van tafel en bed dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, vermissing of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk; - b. tijdstip van scheiding: ingeval van echtscheiding dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, vermissing of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk: de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand; ingeval van scheiding van tafel en bed: de datum van inschrijving van de beschikking in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in [artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=116); - c. uitvoeringsorgaan: de natuurlijke of rechtspersoon, die tot uitbetaling van pensioen gehouden is; - d. pensioen: ouderdomspensioen; - e. werkgever: de werkgever van de tot verevening verplichte echtgenoot; - f. partnerpensioen: weduwen- en weduwnaarspensioen dan wel pensioen ten behoeve van de achtergebleven geregistreerde partner, waaronder begrepen bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen onderscheidenlijk bijzonder pensioen ten behoeve van de achtergebleven geregistreerde partner. 2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt mede verstaan onder - a. echtgenoot: eerdere echtgenoot dan wel geregistreerde partner of eerdere geregistreerde partner; - b. aanspraak op pensioen: uitzicht op pensioen; - c. pensioen: een herberekend arbeidsongeschiktheidspensioen of een uit hoofde van ziekte of gebreken ingevolge de in het vierde lid, onder **d**,"},{"i":625,"b":"Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met stapsgewijze verhoging en koppeling aan de stijging van de levensverwachting van de pensioenleeftijd (Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het, in verband met de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en de noodzaak ook voor toekomstige generaties een solide stelsel van collectieve voorzieningen zeker te stellen, wenselijk is de leeftijd waarop op grond van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) recht op ouderdomspensioen ontstaat met ingang van 2013 stapsgewijs te verhogen naar 66 jaar in 2019 en naar 67 jaar in 2023 en vervolgens te koppelen aan de stijging van de levensverwachting en in samenhang daarmee ook de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel II. Wijziging van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel III. Wijziging van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV. Wijziging van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel V. Tijdelijke delegatiegrond"},{"i":626,"b":"Wet van 2 juni 2014 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de loonbelasting 1964, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet in verband met de aanpassing van het fiscale kader voor oudedagsvoorzieningen (Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het fiscale kader voor pensioenen zodanig aan te passen dat bij 40 dienstjaren ten hoogste een ouderdomspensioen kan worden bereikt van 70% van het gemiddelde pensioengevend inkomen, met overeenkomstige aanpassing van het fiscale kader voor partner- en wezenpensioen, en voorts het pensioengevend inkomen te maximeren op € 100.000 alsmede het fiscale kader voor inkomensvoorzieningen in de inkomstenbelasting op overeenkomstige wijze aan te passen en bijbehorende aanpassingen in de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809), de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) en de [Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020828) door te voeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2014/196 gesteld op 1 januari 2014. Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Het in [artikel I, onderdeel B, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035183&artikel=I&z=2016-01-01&g=2016-01-01), laatstgenoemde bedrag wordt per 1 januari 2015 bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt"},{"i":2967,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 18 oktober 2024, nr. WJZ/ 87149287, houdende aanwijzing nationaal bevoegde instantie en nationaal centraal contactpunt in het kader van de chipverordening Gelet op artikel 31 van de [verordening (EU) 2023/1781](32023R1781) van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 tot vaststelling van een kader voor maatregelen ter versterking van het Europese halfgeleiderecosysteem en tot wijziging van [Verordening (EU) 2021/694](32021R0694) (chipverordening); Besluit: Artikel 1 De Minister van Economische Zaken wordt aangewezen, als: - a. nationaal bevoegde instantie als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van [Verordening (EU) 2023/1781](32023R1781) van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 tot vaststelling van een kader voor maatregelen ter versterking van het Europese halfgeleiderecosysteem en tot wijziging van [Verordening (EU) 2021/694](32021R0694); - b. nationaal centraal contactpunt als bedoeld in artikel 31, derde lid, van [Verordening (EU) 2023/1781](32023R1781) van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 tot vaststelling van een kader voor maatregelen ter versterking van het Europese halfgeleiderecosysteem en tot wijziging van [Verordening (EU) 2021/694](32021R0694). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":627,"b":"Wet van 20 mei 1994, houdende verlaging van de verschuldigde pensioenbijdrage als bedoeld in de Spoorwegpensioenwet geldend tot aan het tijdstip van privatisering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat tot het tijdstip van privatisering van het Spoorwegpensioenfonds de in de Spoorwegpensioenwet genoemde pensioenbijdrage verminderd wordt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Elk inkomen als deelgenoot dat een deelgenoot in een maand heeft ontvangen of geacht wordt te hebben ontvangen vormt een bijdragegrondslag over die maand. De bijdragegrondslag over een jaar wordt gevormd door de som van de bijdragegrondslagen over de maanden van dat jaar. 2. Voor hem die als wachtgelder deelgenoot is, geldt als bijdragegrondslag het inkomen als deelgenoot uit de dienstverhouding waarop het wachtgeld betrekking heeft. Indien de betrokkene als deelgenoot in de dienstverhouding, waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, recht zou hebben gehad op een uitkering ineens die tot het inkomen als deelgenoot zou hebben behoord en deze omstandigheid niet leidt tot verhoging van het inkomen als deelgenoot uit de dienstverhouding waarop het wachtgeld betrekking heeft, wordt laatstbedoeld inkomen als deelgenoot voor de toepassing van de vorige volzin dienovereenkomstig verhoogd. Artikel 2 1. NS is pensioenbijdrage verschuldigd voor iedere in zijn dienst zijnde deelgenoot die de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt of zal bereiken in de uitbetalingstermijn waarop de bijdragegrondslag bedoeld in het tweede lid betrekking heeft. 2. De pensioenbijdrage bedraagt voor het jaar 1991 11,2% en voor de jaren 1992 en 1993 8% van de bijdragegrondslag. In afwijking van de eerste volzin bedraagt de pensioenbijdrage over een bijdragegrondslag betreffende een deeltijdbetrekking het daar genoemde"},{"i":17879,"b":"Besluit van 9 november 2011 tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in verband met een vergoeding voor de beurtelingse verlening van rechtsbijstand in het kader van politieverhoren Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 mei 2011, nr. 5695288/11/6; Gelet op de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=35) en [37 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 juli 2011, nr. W03.11.0173/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 2 november 2011, nr. 5713452/11/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel II Op piketrechtsbijstand, verleend vóór de inwerkingtreding van dit besluit, waarin de eerste verrichting op of na 1 april 2010 is gedaan, zijn van toepassing de regels van de op 26 januari 2010 krachtens [artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23) vastgestelde beleidsregel Vergoeding raadplegen raadsman voorafgaand aan of bij het politieverhoor van de raden voor rechtsbijstand te Amsterdam, Arnhem, Den Haag, ’s-Hertogenbosch en Leeuwarden. Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 november 2011. Indien dit besluit op of na 15 november 2011 in het Staatsblad wordt geplaatst, treedt het in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030627&artikel=II&z=2011-11-15&g=2011-11-15) werkt terug tot en met 1 april 2010. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2885,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2015 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2014 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2013; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2015. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2015."},{"i":4450,"b":"Brochure Instandhoudingssubsidie 2019-2020, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek Nationale Roadmap voor Grootschalige Wetenschappelijke Infrastructuur 2016 Exacte en Natuurwetenschappen Sociale en Geesteswetenschappen Toegepaste en Technische Wetenschappen Zon Mw 2020 1. Inleiding 1.1. Achtergrond De investeringsambities van Nederlandse onderzoekers in grootschalige wetenschappelijke infrastructuur (GWI) zijn aanzienlijk groter dan de beschikbare middelen. Dit betekent dat niet alle initiatieven gefinancierd konden worden in de financieringsronde \"Nationale Roadmap voor Grootschalige Wetenschappelijke Infrastructuur – Tweede ronde Roadmap 2016\". Vandaar dat er naast deze subsidieronde aanvullende middelen beschikbaar worden gesteld voor instandhouding van GWI die een ontvankelijk voorstel hebben ingediend maar niet gehonoreerd zijn. De RvB heeft de Permanente Commissie Grootschalige Wetenschappelijke Infrastructuur (PC-GWI) gevraagd te adviseren over de inzet van deze middelen, alsmede over de voorwaarden waaronder deze kunnen worden verstrekt. Ontvankelijke aanvragers worden uitgenodigd om een kort voorstel in te dienen. De middelen zijn daarbij specifiek bedoeld voor GWIs die in de Tweede ronde Roadmap 2016-ronde niet zijn gehonoreerd, en waarvan verwacht wordt dat door deze afwijzing hun voortbestaan ernstig in gevaar komt. Uitgangspunt voor de inzet van middelen is dat de bij de GWI betrokken instellingen ook een bijdrage leveren aan de oplossing van het/de knelpunt(en) ten aanzien van het voortbestaan van de GWI. 1.2. Beschikbaar budget Voor toekenning van Instandhoudingssubsidie in de ronde 2019-2020 is M€ 2 beschikbaar. 1.3. Deadline indienen aanvragen De deadline voor het indienen van aanvragen is **14 januari 2020**, om 14:00 uur CE(S)T. 2. Doel 2.1. Doel van het programma De instandhoudingssubsidie is bedoeld om bij te dragen aan het voorbestaan van GWI's die in de financieringsronde \"Nationale Roadmap Grootschalige Wetenschappelijke Inf"},{"i":18433,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 maart 2015, nr. 2015-0000162798, houdende vaststelling van bepalingen inzake de door ambtenaren van politie van het korps politie Bonaire, Sint Eustatius en Saba te ontvangen toelage bij een tijdelijke verandering van werkgebied (Regeling toelage bij tijdelijke verandering werkgebied korps politie BES) Handelende in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op [artikel 81, vijfde lid, van het Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=81); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie die op grond van [artikel 81, eerste lid, van het Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=81) zijn functie, dan wel een andere functie dan waarin hij geplaatst is, tijdelijk dient te vervullen binnen een ander werkgebied; - b. **bevoegd gezag:** de korpschef van het korps politie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. **ander werkgebied:** het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, niet zijnde het werkgebied waarbinnen de plaats van tewerkstelling als vermeld op de akte van aanstelling is gelegen. Artikel 2 1. De ambtenaar wordt een daggeldvergoeding toegekend van USD 55,00 per dag. 2. De vergoeding wordt toegekend vanaf de dag dat de ambtenaar van politie afreist naar het andere werkgebied tot en met de dag waarop hij na beëindiging van de tewerkstelling binnen het andere werkgebied terugreist naar het oorspronkelijke werkgebied. De vergoeding wordt slechts toegekend voor de dagen dat de ambtenaar van politie daadwerkelijk verblijft in het andere werkgebied. 3. De vergoeding wordt maandelijks volgend op de maand dat de vergoeding is genote"},{"i":628,"b":"Wet van 6 oktober 2005, houdende nieuwe regeling voor verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling (Wet verplichte beroepspensioenregeling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met modernisering van de pensioenwetgeving, de [Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002830) in te trekken en te vervangen door een nieuwe wet ter zake; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsgebied Artikel 1. Definities 1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. aanspraakgerechtigde: persoon die begunstigde is voor een nog niet ingegaan pensioen; - –. accountant: een accountant als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393); - –. afkoop: iedere handeling waardoor pensioenaanspraken en pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen, behoudens in geval van toepassing van de [artikelen 66, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&hoofdstuk=5&artikel=129&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of [214a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&hoofdstuk=8&artikel=214a&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of van [artikel 3A:85 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:85); - –. arbeidsongeschiktheidspensioen: een geldelijke uitkering, die vastgesteld of variabel is, wegens arbeidsongeschiktheid van de beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot, waarop recht bestaat nadat de arbeidsongeschiktheid 104 weken heeft geduurd of, in"},{"i":629,"b":"Wet van 21 december 2000, houdende nieuwe regeling voor verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met modernisering van de pensioenwetgeving, de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds in te trekken en te vervangen door een nieuwe wet ter zake; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Definities Artikel 1. Definities In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen; - b. de Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.; - c. pensioen: het pensioen, bedoeld in [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1); - d. werkgever: de werkgever, bedoeld in [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1); - e. werknemer: de werknemer, bedoeld in [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1); - f. bedrijfstakpensioenfonds: het bedrijfstakpensioenfonds, bedoeld in [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1); - g. deelnemer: de deelnemer, bedoeld in [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1); - h. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens; - i. verplichtstelling: de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&pa"},{"i":630,"b":"Wet van 20 december 2001, houdende regels met betrekking tot de positionering van de reïntegratiediensten van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (Wet verzelfstandiging reïntegratiediensten Arbeidsvoorzieningsorganisatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorafgaand aan de voorgenomen totstandbrenging van een nieuwe structuur voor de uitvoering van werk en inkomen voorwaarden te scheppen met het oog op de uitvoering door een privaatrechtelijk bedrijf, in concurrentie met derden, van de thans aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie opgedragen taken ten behoeve van de reïntegratie van moeilijk plaatsbare werkzoekenden en daarmee samenhangende dienstverlening; dat daartoe gedurende een overgangsfase de reïntegratiedienstverlening in opdracht van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt uitgevoerd door een naamloze vennootschap, tegen een vergoeding die tijdelijk wordt bekostigd uit de daarvoor bestemde, in omvang afnemende, rijksbijdrage en andere inkomsten van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie; dat het voorts wenselijk is bij wet in verband met de oprichting van die naamloze vennootschap die reïntegratiediensten verricht, waaraan de Staat der Nederlanden bij de oprichting deelneemt als aandeelhouder en waarin vermogensbestanddelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden ingebracht, enkele aspecten van de overgang te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Arbeidsvoorzieningsorganisatie: de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, bedoeld in de [Arbeidsvoorzieningswet 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008367); - b. de naamloze vennootschap: de naamloze vennootschap, die namens de Staat der Nederlanden is o"},{"i":4658,"b":"Besluit van 11 mei 2020 tot wijziging van onder meer het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 en het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 ter implementatie van richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PbEU 2018, L 156) (Implementatiebesluit wijziging vierde anti-witwasrichtlijn) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 8 januari 2020, 2019-0000195748, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Gelet op de [artikelen 23c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=23c), [23h, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=23h), en [23j, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=23j), en [31, eerste en tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=31), [artikel 15, derde en vierde lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041548&artikel=15) en [artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 5 februari 2020, nr. W06.19.0429/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 19 februari 2020, 2020-0000034603, directie Financiële Markten, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Implementatiewet wijziging vierde anti-witwasrichtlijn in werking treedt. Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. Artikel II Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel III Wijzigt het Beslu"},{"i":631,"b":"Wet van 27 november 1968, houdende voorziening met betrekking tot de pensioenen van de Administrateur en het personeel van het Kroondomein Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een voorziening te treffen met betrekking tot de pensioenrechten van de Administrateur en het personeel van het Kroondomein; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Een aanvulling van de in artikel 1 van de wet van 27 juli 1960 (**Stb.** 314) bedoelde overeenkomst tussen het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en de Stichting tot Verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau, welke aanvulling die overeenkomst te rekenen van 1 januari 1966 of een latere datum, onder daarbij nader te stellen voorwaarden, mede van toepassing verklaart op de Administrateur en het personeel van het Kroondomein, wordt aangemerkt als een wijziging bedoeld in artikel 2 van die wet. Artikel 6 van de in de vorige volzin genoemde wet is van overeenkomstige toepassing op de Administrateur en het personeel van het Kroondomein. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**, waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":632,"b":"Wet van 21 november 2015 tot wijziging van de Participatiewet in verband met de bescherming van lijfrenteopbouw en de vrijlating van inkomsten uit arbeid en wijziging van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met de bevordering van vrijwillige voortzetting van pensioenopbouw (Wet vrijlating lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid en bevordering vrijwillige voortzetting pensioenopbouw) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid deels vrij te laten voor de personen die een beroep doen op algemene bijstand op grond van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) en de termijn te verlengen waarin deelnemers aan een pensioenregeling kunnen kiezen voor vrijwillige voortzetting daarvan; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel II. Wijziging van de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) Wijzigt de Pensioenwet. Artikel III. Wijziging van de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel IV. Wijziging van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel V. Wijziging van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfsta"},{"i":633,"b":"Wet van 13 december 2017 tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet in verband met waardeoverdracht van klein pensioen en enige andere wijzigingen inzake waardeoverdracht (Wet waardeoverdracht klein pensioen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is afkoop van kleine pensioenaanspraken te vervangen door waardeoverdracht zodat de pensioenbestemming behouden blijft en enige andere wijzigingen inzake waardeoverdracht door te voeren; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Pensioenwet. Artikel II Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel III Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet. Artikel IIIa Wijzigt de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel IV Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040435&artikel=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [artikel II, onderdeel J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040435&artikel=II&z=2019-01-01&g=2019-01-01), van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet waardeoverdracht klein pensioen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":634,"b":"Wet van 10 november 2005, houdende bevordering van het naar arbeidsvermogen verrichten van werk of van werkhervatting van verzekerden die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn en tot het treffen van een regeling van inkomen voor deze personen alsmede voor verzekerden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om werknemers die gedeeltelijk arbeidsgeschikt worden deel te laten blijven nemen aan het arbeidsproces alsmede om een inkomensverzekering te regelen voor deze werknemers en voor werknemers die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn geworden en in verband daarmee een nieuwe wet vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 2. De verzekering Hoofdstuk 3. De wachttijd en de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting Artikel 23. De wachttijd 1. Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken. 2. Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt. 3. Bij het bepalen van de wachttijd worden de volgende perioden in aanmerking genomen: - a. perioden waarin recht bestaat op ziekengeld als bedoeld in de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) en de daarop berustende bepalingen worden in aanmerking genomen en worden samengeteld, indien zij: - 1°. elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of - 2°. direct voor"},{"i":635,"b":"Wet van 8 december 2011 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en andere wetten in verband met wijziging van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) de dag waarop het ouderdomspensioen ingaat te stellen op de dag waarop de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en andere wetten daarop aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel II. Wijziging van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. Wijziging van de [Liquidatiewet ongevallenwetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002553) Wijzigt de Liquidatiewet ongevallenwetten. Artikel IV. Wijziging van de [Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007891) Wijzigt de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria. Artikel V. Wijziging van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VI. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel VII. Wijziging van de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel VIII. Wijziging van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandig"},{"i":636,"b":"Regeling tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de vaststelling van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 Handelende na overleg met de Ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Verkeer en Waterstaat, Gelet op de [artikelen 16, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16), [30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=30), en [31, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=31), artikel 10, derde lid, onder d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1994 en [artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006317&artikel=11); Voorts gelet op de [artikelen 1.5a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5a), [1.5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5b), [1.5e, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5e), [2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.1), [2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.8), [4.7, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.7), [4.9, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.9), [4.42, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.42), [4.50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.50), [4.68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.68), [6.16, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=6.16), [7.19, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=7.19), en [7.29, negende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=7.29); Besluit: Artikel I Wijzigt de arbeidsomstandighedenregeling. Artikel II. Overgangsbepalingen Vervallen Artikel III W"},{"i":637,"b":"Wijziging financiële arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari 1997 «Circulaire aan de ministers» Inleiding/managementinformatie Deze circulaire op het terrein van de financiële arbeidsvoorwaarden van het personeel van de sector Rijk betreft de hieronder genoemde aangelegenheden. Voor de ambtenaar die reeds in het IPA-salarissysteem is opgenomen, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. Daar waar betalingen op basis van declaratie plaatsvinden zal uw eigen personeelsadministratie de desbetreffende wijzigingen dienen aan te brengen. Dit laatste betreft onder meer de wijzigingen vermeld onder A.3 (bedragen inzake dienstreizen binnenland). A. Aanpassing van diverse bedragen en percentages 1. [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel Maximumverrekeningsbedrag inwoning](onbekend) Voor diegenen voor wie de berekeningsbasis gelijk is aan of lager dan het voor 23-jarigen en ouderen geldende bedrag van het minimumloon, zal het verrekeningsbedrag voor genot van inwoning, bedoeld in [artikel 2, tweede lid](onbekend), van genoemd besluit ingaande 1 januari 1997 worden gewijzigd van f 231,00 in f 241,00 per maand. De ministeriële regeling waarin bovengenoemd bedrag is opgenomen, wordt in de Staatscourant gepubliceerd. 2. [Verplaatsingskostenregeling 1989](onbekend) **a. Wijziging bedragen verband houdende met het woon/werkverkeer** De aanpassingen per 1 januari 1997 houden het volgende in: van meer dan 20 km tot en met 30 km: f 300,83 van meer dan 30 km tot en met 40 km: f 354,17 van meer dan 40 km tot en met 50 km: f 442,50 van meer dan 50 km tot en met 60 km: f 484,17 van meer dan 60 km tot en met 70 km: f 531,67 van meer dan 70 km tot en met 80 km: f 552,50 van meer dan 80 km: f 558,33 (maximaal uit te betalen vergoedingsbedragen voor reiskosten woon/werkverkeer voor verhuisplichtige ambtenaren die naar het oordeel van de minister werkzaam zijn op plaatsen van tewerkstelling die niet per openbaar vervoer zijn t"},{"i":639,"b":"Wijziging financiële arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari 1999 Circulaire aan de ministers Inleiding/managementinformatie Deze circulaire op het terrein van de financiële arbeidsvoorwaarden van het personeel van de sector Rijk betreft de hieronder genoemde aangelegenheden. A Aanpassing van diverse bedragen, te weten: B Overige mededelingen, te weten over: Voor de ambtenaar die reeds in het IPA-salarissysteem is opgenomen, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. Daar waar betalingen op basis van declaratie plaatsvinden zal uw eigen personeelsadministratie de desbetreffende wijzigingen dienen aan te brengen. Dit laatste betreft onder meer de wijzigingen vermeld onder A.3 (bedragen inzake dienstreizen binnenland). A. Aanpassing van diverse bedragen 1. [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](onbekend) Voor diegenen voor wie de berekeningsbasis gelijk is aan of lager dan het voor 23-jarigen en ouderen geldende bedrag van het minimumloon, zal het verrekeningsbedrag voor genot van kost en inwoning, bedoeld in [artikel 2, tweede lid](onbekend), van genoemd besluit ingaande 1 januari 1999 worden verhoogd van f 249,00 en f 250,00 in onderscheidenlijk f 255,00 en f 259,00 per maand. De overige bedragen krachtens dit besluit, vermeld in de ministeriële regeling van 9 juni 1998, zijn niet gewijzigd. De ministeriële regeling waarin het gewijzigde bedrag is opgenomen, wordt in de Staatscourant gepubliceerd. 2. [Verplaatsingskostenregeling 1989](onbekend) De wijzigingen in de [Verplaatsingskostenregeling 1989](onbekend) per 1 januari 1999 houden het volgende in: a. Wijziging bedragen verband houdende met het woon/werkverkeer (maximaal uit te betalen vergoedingsbedragen voor reiskosten woon/werkverkeer voor verhuisplichtige ambtenaren die naar het oordeel van de minister werkzaam zijn op plaatsen van tewerkstelling die niet per openbaar vervoer zijn te bereiken). Het bedrag van f 0,30, bedoeld in [artikel 11,"},{"i":638,"b":"Wijziging financiële arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari 1998 Circulaire aan de Ministers Inleiding/managementinformatie Deze circulaire op het terrein van de financiële arbeidsvoorwaarden van het personeel van de sector Rijk betreft de hieronder genoemde aangelegenheden. Voor de ambtenaar die reeds in het IPA-salarissysteem is opgenomen, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. Daar waar betalingen op basis van declaratie plaatsvinden zal uw eigen personeelsadministratie de desbetreffende wijzigingen dienen aan te brengen. Dit laatste betreft onder meer de wijzigingen vermeld onder A.3 (bedragen inzake dienstreizen binnenland). A. Aanpassing van diverse bedragen 1. [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632) Voor diegenen voor wie de berekeningsbasis gelijk is aan of lager dan het voor 23-jarigen en ouderen geldende bedrag van het minimumloon, zal het verrekeningsbedrag voor genot van inwoning, bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=2), van genoemd besluit ingaande 1 januari 1998 worden verhoogd van f 241 tot f 250 per maand. De overige bedragen krachtens dit besluit, vermeld in de ministeriële regeling van 17 juni 1997, zijn niet gewijzigd. De ministeriële regeling waarin het gewijzigde bedrag is opgenomen, wordt in de Staatscourant gepubliceerd. 2. [Verplaatsingskostenregeling 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004633) De wijzigingen in de [Verplaatsingskostenregeling 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004633) per 1 januari 1998 houden het volgende in: a. Wijziging bedragen verband houdende met het woon/werkverkeer van meer dan 20 km tot en met 30 km f 330,83 van meer dan 30 km tot en met 40 km f 389,17 van meer dan 40 km tot en met 50 km f 486,67 van meer dan 50 km tot en met 60 km f 532,50 van meer dan 60 km tot en met 70 km f 581,67 van meer dan 70 km tot en met 80 km"},{"i":640,"b":"Wijziging financiële arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari 2000 Inleiding/managementinformatie Deze circulaire op het terrein van de financiële arbeidsvoorwaarden van het personeel van de sector Rijk betreft de hieronder genoemde aangelegenheden. Voor de ambtenaar die reeds in het IPA-salarissysteem is opgenomen, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. Daar waar betalingen op basis van declaratie plaatsvinden zal uw eigen personeelsadministratie de desbetreffende wijzigingen dienen aan te brengen. Dit laatste betreft onder meer de wijzigingen vermeld onder A.3 (bedragen inzake dienstreizen binnenland). A. Aanpassing van diverse bedragen 1. [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](onbekend) De wijzigingen in het [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632) per 1 januari 2000 houden het volgende in: De overige bedragen krachtens dit besluit, vermeld in de ministeriële regeling van 28 juni 1999, zijn niet gewijzigd. De ministeriële regeling waarin het gewijzigde bedrag is opgenomen, wordt in de Staatscourant gepubliceerd. 2. [Verplaatsingskostenregeling 1989](onbekend) De wijzigingen in de [Verplaatsingskostenregeling 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004633) per 1 januari 2000 houden het volgende in: De ministeriële regeling waarin de wijzigingen zijn opgenomen wordt gepubliceerd in de Staatscourant. 3. [Reisregeling binnenland](onbekend) De wijzigingen van de [Reisregeling binnenland](onbekend) per 1 januari 2000 houden het volgende in: In [artikel 5, eerste lid](onbekend), worden de vergoedingen wegens verblijfkosten als volgt gewijzigd: De bedragen van de vergoedingen per kilometer voor een motorvoertuig (f 0,60 resp. f 0,19), bromfiets (f 0,21 resp. f 0,19) en fiets (f 0,12) zijn niet gewijzigd. De ministeriële regeling waarin de wijzigingen zijn opgenomen wordt in de Staatscourant gepubliceerd. B. Overige mededelingen"},{"i":641,"b":"Wijziging financiële arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari 2001 Inleiding/managementinformatie Zoals gebruikelijk doe ik u aan het eind van het kalenderjaar toekomen de circulaire op het terrein van de financiële arbeidsvoorwaarden van het personeel van de sector Rijk betreffende de hieronder genoemde aangelegenheden. Voor de ambtenaar die reeds in het IPA-salarissysteem is opgenomen, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. Daar waar betalingen op basis van declaratie plaatsvinden zal uw eigen personeelsadministratie de desbetreffende wijzigingen dienen aan te brengen. Dit laatste betreft onder meer de wijzigingen vermeld onder A.3 (bedragen inzake dienstreizen binnenland). A. Aanpassing van diverse bedragen 1. Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel De wijzigingen in het [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632) per 1 januari 2001 houden het volgende in: a. Maximumverrekeningsbedragen kost en inwoning Voor diegenen voor wie de berekeningsbasis gelijk is aan of lager dan het voor 23-jarigen en ouderen geldende bedrag van het minimumloon (f 2.544,50 per 1 januari 2001), zal het verrekeningsbedrag voor genot van kost en inwoning, bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=2), van genoemd besluit ingaande 1 januari 2001 worden verhoogd van f 261,00 respectievelijk f 268,00 in onderscheidenlijk f 263,90 en f 278,00 per maand. b. Restitutiebedrag kost Het in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=2), van genoemd besluit bedoelde restitutiebedrag voor kost wordt per 1 januari 2001 gewijzigd van f 8,25 in f 8,50 per dag. De overige bedragen krachtens dit besluit, vermeld in de ministeriële regeling van 29 juni 2000, zijn niet gewijzigd. De ministeriële regeling waarin de gewijzigde bedragen zijn opgenomen, wordt in de Staatscourant gepubliceerd. 2. Verp"},{"i":642,"b":"Wijziging financiële arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari 2002 Inleiding/managementinformatie Zoals gebruikelijk doe ik u aan het eind van het kalenderjaar toekomen de circulaire op het terrein van de financiële arbeidsvoorwaarden van het personeel van de sector Rijk betreffende de hieronder genoemde aangelegenheden. Voor de ambtenaar die reeds in het IPA-salarissysteem is opgenomen, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. Daar waar betalingen op basis van declaratie plaatsvinden zal uw eigen personeelsadministratie de desbetreffende wijzigingen dienen aan te brengen. Dit laatste betreft onder meer de wijzigingen vermeld onder A.3 (bedragen inzake dienstreizen binnenland). A. Aanpassing van diverse bedragen 1. Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel De wijzigingen in het [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632) per 1 januari 2002 houden het volgende in: De ministeriële regeling waarin de gewijzigde bedragen zijn opgenomen, wordt in de Staatscourant gepubliceerd. 2. Verplaatsingskostenregeling 1989 De wijzigingen in de [Verplaatsingskostenregeling 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004633) per 1 januari 2002 houden het volgende in: De ministeriële regeling waarin de wijzigingen zijn opgenomen, wordt gepubliceerd in de Staatscourant gepubliceerd. 3. Reisregeling binnenland De wijzigingen van de [Reisregeling binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005912) per 1 januari 2002 houden het volgende in: In [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005912&artikel=5), worden de vergoedingen wegens verblijfkosten als volgt gewijzigd: De bedragen van de vergoedingen per kilometer voor een motorvoertuig van € 0,27 resp. € 0,09, voor een bromfiets van € 0,10 resp. € 0,09 en voor een fiets van € 0,05 zijn niet gewijzigd. De ministeriële regeling waarin de wijzigingen zijn opgenomen, wordt in de Sta"},{"i":643,"b":"Wijziging financiële arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari 2003 Inleiding/managementinformatie Zoals gebruikelijk doe ik u aan het eind van het kalenderjaar toekomen de circulaire op het terrein van de financiële arbeidsvoorwaarden van het personeel van de sector Rijk betreffende de hieronder genoemde aangelegenheden. Voor de ambtenaar die reeds in het IPA-salarissysteem is opgenomen, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. Daar waar betalingen op basis van declaratie plaatsvinden zal uw eigen personeelsadministratie de desbetreffende wijzigingen dienen aan te brengen. Dit laatste betreft onder meer de wijzigingen vermeld onder A.3 (bedragen inzake dienstreizen binnenland). A. Aanpassing van diverse bedragen 1. [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632) In de [circulaire van 14 juni 2002, nr. AD2002/U72034, inzake aanpassing voorschriften ingevolge het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013774) is reeds vermeld dat in de sector Rijk geen ambtenaren meer voorkomen waarvoor een inhouding geldt voor door het Rijk verstrekt genot van kost en inwoning en dat het [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=2) daarom zal vervallen. Vooruitlopend daarop worden de bedragen voor de inhouding van kost en inwoning en het verschuldigde bedrag voor kost bij afwezigheid niet meer aangepast. 2. [Verplaatsingskostenregeling 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004633) De wijzigingen in de [Verplaatsingskostenregeling 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004633) per 1 januari 2003 houden het volgende in: a. Wijziging bedragen verband houdende met het woon/werkverkeer (maximaal uit te betalen vergoedingsbedragen voor reiskosten woon/werkverkeer voor verhuisplichtige ambtenaren die naar het oordeel van de minister werkzaam zijn op plaatsen van tewerkstelling die n"},{"i":12969,"b":"Besluit verdere vrijgave van de ruwe GNSS-data in bestandsvorm Gelet op [artikel 3, eerste lid, onder c en j van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Met inachtneming van de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 29 september 2017, met kenmerk IENM/BSK-2017/230900, waarin de Minister instemming hiervoor geeft en tevens na afstemming hierover met Rijkswaterstaat, gaat het bestuur van de Dienst over tot verdere vrijgave van de ruwe GNSS-data, met ingang van één jaar na publicatie van dit besluit. Artikel 2 1. De verdere vrijgave van de ruwe GNSS-data, met een waarnemingsinterval van één seconde, zal in bestandsvorm plaatsvinden. 2. De verdere vrijgave van de ruwe GNSS-data vindt plaats om niet. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12962,"b":"Besluit van 24 april 1981, houdende vaststelling van de vormgeving van het Verzetsherdenkingskruis Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Directoraat Generaal Binnenlands Bestuur, Afdeling Kabinetszaken, van 13 april 1981, nr. BK81/U493, mede namens Onze Ministers van Defensie en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk; Gelet op artikel 5 van Ons besluit van 29 december 1980, **Staatsblad** 715, houdende instelling van het Verzetsherdenkingskruis; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig Het in artikel 1 bedoelde versiersel bestaat uit een vierarmig kruis, lang en breed 40 mm, uitgevoerd in gebrand zilver. Op de voorzijde van de verticale armen van het kruis bevindt zich een geheven ontbloot zwaard waarop aangebracht, komende vanuit het gevest, een aantal vlammen. Onder de greep van het zwaard zijn onder elkaar aangebracht de jaartallen 1940 en 1945. Het geheel gedekt door een Koninklijke kroon. Op de horizontale armen bevindt zich een banderol waarop de tekst \"De Tyranny Verdrijven\". Op de keerzijde bevindt zich in het midden van het kruis de klimmende leeuw uit het Rijkswapen. In het bovenste gedeelte van de verticale armen is het jaartal 1980 aangebracht, zijnde het jaartal van instelling. Op de horizontale armen bevinden zich de uiteinden van de banderol. Het kruis is door middel van een ring verbonden aan een lint van 27 mm breed met in het midden de banen rood, wit en blauw, elke baan ter breedte van 3 mm, en een baan oranje van 9 mm breed, het geheel geflankeerd door banen zwart, ieder 4,5 mm breed. Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Defensie en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk zijn, ieder voor zover hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Kanselier der Nederlandse Orden."},{"i":12963,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 november 2015, kenmerk 870012-144118-WJZ, houdende vaststelling van het vrijstellingsbedrag inkomsten uit vermogen ingevolge de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen per 1 januari 2016 Gelet op de [artikelen 12a van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12a), [12 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=12), [17 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=17), [18, achtste lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=18) en [27 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=27); Besluit: Artikel 1 De bedragen, genoemd in de [artikelen 12, tweede lid, onder c, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12), [11, tweede lid, onder c, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=11), [16, tweede lid, onder b, ten derde, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=16), [19, vijfde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=19) en bedoeld in [artikel 28, vierde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=28), worden als volgt herzien: - a. Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers en de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet. - b. Wijzigt de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945. - c. het vrij te laten bedrag, bedoeld in [artike"},{"i":13074,"b":"Besluit vrijstelling zendmachtiging overheidsinstanties BES Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469). Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 15, tweede lid, onderdeel b, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=15). Artikel 2 Als overheidsinstanties die zijn vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor het aanleggen, aanwezig hebben en gebruiken van een radio-elektrische zendinrichting worden aangewezen: - a. de Koninklijke Marine (Commandement der Zeemacht in het Caraïbisch gebied); - b. de Kustwacht voor de openbare lichamen, Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - c. het Ministerie van Verkeer en Waterstaat voor activiteiten in de luchtvaart mobiele banden. Artikel 3 De aanwijzing van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028427&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) geldt uitsluitend voor de in [hoofdstuk III van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&hoofdstuk=III) bedoelde inrichtingen bestemd voor telecommunicatie die worden gebruikt voor de uitoefening van de taken die aan deze overheidsinstanties zijn opgedragen, met dien verstande dat zulks voor wat betreft de artikel 2, onderdeel c, genoemde overheidsinstantie is beperkt tot radiocommunicatie met luchtverkeersbegeleidingscentra die eveneens deelnemen aan het MEVA-project (Mejoras al Enlace de Voz de Air Traffic Services) dat geëntameerd is door de Internationale Burgerluchtvaart Organisatie. Artikel 4 Onze Minister wijst de frequentiebanden aan, die de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028427&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) aangewezen overheidsinstanties nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Artikel 5 Indien een of meer toegewezen frequenties of frequentiebanden in het kader van een doelmatige uitoefening van de taken, die aan die overheidsorganen zijn opgedragen niet meer no"},{"i":700,"b":"Wet van 19 mei 1994, tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (onder andere ter zake van inhoudingen op het inkomen en gelijke franchise voor de pensioenberekening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gevolgen voor de materiële rechtspositie van het overheidspersoneel die voortvloeien uit de [Wet financiële voorzieningen privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211) overeenkomstig neerslag te doen vinden in de materiële rechtspositie van de politieke ambtsdragers; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Met ingang van de inwerkingtreding van deze wet worden: - a. het inkomen van een politiek ambtsdrager als bedoeld in de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691), als zodanig, alsmede het inkomen van degene die een functie vervult ter zake waarvan die wet van overeenkomstige toepassing is verklaard, uit die functie, - b. de laatstelijk genoten wedde dan wel de berekeningsgrondslag, waarvan is afgeleid een uitkering ter zake van ontslag of aftreden als politiek ambtsdrager dan wel een overeenkomstige uitkering ter zake van ontslag of aftreden uit een functie als bedoeld onder **a**, in beide gevallen inbegrepen een zodanige wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering, aangepast overeenkomstig de aanpassing van de salarissen ingevolge [artikel 34 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=34). 2. De in het eerste lid bedoelde aanpassing is geen algemene bezoldigingswijziging als bedoeld in de [artikelen 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=105) en [157 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsd"},{"i":702,"b":"Wet van 14 juni 2001 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (pensioenopbouw, waarde-overdracht en waarde-overname alsmede enige andere onderwerpen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) te wijzigen op het punt van de pensioenopbouw en in verband met die wijziging voorzieningen op te nemen op de voet van de voor deelnemers aan een pensioenregeling waarop de [Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089) van toepassing is bestaande voorzieningen, ter zake van afkoop van pensioenaanspraken op verzoek van een gewezen deelnemer, voorts de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) aan te passen aan voor [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) relevante wijzigingen in andere wetten en in verband met die wijzigingen regels te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Art. I, onderdelen B2, K2 en V2, werkt terug tot en met 1 juli 1966. Art. I, onderdeel J, werkt terug tot en met 1 januari 1997. Art. I, onderdelen A, B1, C, K1, L, T, U, V1, W en DD, werkt terug tot en met 1 januari 1998. Artikel I Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel II 1. De maximering van een pensioen of een verhoging van een pensioen, tot 70 percent van het bedrag waarover dat pensioen of die verhoging wordt berekend, op grond van bepalingen van de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) zoals die luidden vóór de wijziging ervan bij deze wet, blijft gelden voor een pensioen of een verhoging van een pensioen voor zover berekend over tijd vóór de inwerkingtreding van deze wet. 2. D"},{"i":703,"b":"Wet van 11 mei 2007 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers in verband met de wijziging van de algemene voor pensioenfondsen en deelnemers aan pensioenregelingen geldende bepalingen inzake waardeoverdracht van pensioenaanspraken Artikel I Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel II Tot het tijdstip waarop het bij koninklijk boodschap van 20 december 2005 ingediende voorstel van wet, houdende regels betreffende pensioenen ([Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809)) (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 2) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, wordt bij de toepassing van de [artikelen 107](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=107), [108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=108), [160a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=160a) en [160b van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=160b): - a. voor «[Besluit reken- en procedureregels recht op waarde-overdracht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006867)» telkens gelezen: [Besluit reken- en procedureregels waardeoverdracht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017995); - b. voor «artikelen 8, 9 en 12» telkens gelezen: artikelen 8, 10 en 12. Artikel III 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat: - a. indien het bij koninklijk boodschap van 20 december 2005 ingediende voorstel van wet, houdende regels betreffende pensioenen ([Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809)) (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 2) nadat het tot wet is verheven, op een later tijdstip in werking treedt, [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021985&artikel=I&z=2007-06-06&g=2007-06-06) op datzelfde tijdstip in werking treedt, of - b. indien het bij koninklijk boodschap van 20 december 2005 ingediende vo"},{"i":6248,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot samenvoeging van de gemeenten Aalburg, Werkendam en Woudrichem Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Aalburg, Werkendam en Woudrichem samen te voegen tot de nieuwe gemeente Altena; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en grenswijziging van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Aalburg, Werkendam en Woudrichem opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Altena ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Aalburg, Werkendam en Woudrichem, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Altena wordt de op te heffen gemeente Werkendam aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Aalburg, Werkendam en Woudrichem wordt de nieuwe gemeente Altena aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorzie"},{"i":758,"b":"ACM Beleidsregel ontheffingen codes voor gas en elektriciteit gelet op de [artikel 3.124 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.124), alsmede [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **Aanvrager:** degene die bij de ACM een aanvraag indient om een ontheffing; - –. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - –. **Code:** de door ACM goedgekeurde methoden of voorwaarden op grond van [artikel 3.121, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); - –. **Ontheffing:** een ontheffing van de codes als bedoeld in [artikel 3.124, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.124); - –. **Systeembeheerder:** systeembeheerder als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1). Artikel 2. Ontheffing van de codes De ACM verleent op aanvraag alleen een tijdelijke ontheffing, indien naar haar oordeel onverkorte toepassing van de codes in individuele gevallen of onder specifieke omstandigheden een ongewenste uitwerking heeft. Artikel 3. Aanvraag 1. De ACM stelt op haar website een aanvraagformulier ter beschikking voor het indienen van een ontheffingsaanvraag. 2. De ACM neemt de aanvraag in behandeling als de aanvrager het onder het eerste lid genoemde aanvraagformulier volledig ingevuld en ondertekend heeft en heeft voorzien van alle gevraagde informatie en relevante stukken genoemd in het aanvraagformulier. 3. De ACM zendt binnen vijf werkdagen na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging, onder vermelding van de dag van ontvangst. Artikel 4. Procedure De ACM past de in [afdeling 3.4 Algemene wet best"},{"i":775,"b":"Wet van 15 december 2005, houdende wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2006) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IIIA Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel V Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIIa Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VIIb Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting. Artikel VIII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IX Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel X Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XI Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XII Wijzigt de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel XV Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XVI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XVII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XVIII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XIX Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel XX Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel XXI Wijzigt de Ziektewet. Artikel XXII Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel XXIIa Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel XXIII Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel XXIV Wijzigt de Wijzigingswet Wet op belastingen van rechtsverkeer, de Natuurschoonwet 1928, de Wet op de loonbelasting 1964, enz. Artikel XXV Wijzigt het Belastingplan 2004. Artikel XXVI Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en Wet inkomstenbelasting 2001 (impl"},{"i":777,"b":"Wet van 20 december 2007, houdende wijzigingen van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IX Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel X Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel Xa Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel XI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIII Vervallen Artikel XIV Vervallen Artikel XV Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XVI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XVII Vervallen Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XVIIIa Vervallen Artikel XIX 1. [Artikel 16a, eerste en tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=16a) is van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen ingevolge [artikel XVIII, onderdelen B tot en met F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023144&artikel=XVIII&z=2011-01-01&g=2011-01-01). 2. [Artikel XVIII, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023144&artikel=XVIII&z=2011-01-01&g=2011-01-01), vindt geen toepassing ten aanzien van personenauto’s die vóór 1 februari 2008 voor het eerst in gebruik zijn genomen. 3. [Artikel XVIII, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023144&artikel=XVIII&z=2011-01-01&g=2011-01-01), vindt geen toepassing ten aanzien van personenauto’s die vóór 1 april 2008 voor het eerst in gebruik zijn genomen. Artikel XX Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel"},{"i":1058,"b":"Heffing van omzetbelasting ten aanzien van verenigingen voor vreemdelingenverkeer De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Dit besluit is een herziene versie van het besluit van 7 juni 1977, nr. 27-604692. Het besluit is herzien in verband met de vervanging van de gulden door de euro per 1 januari 2002. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in onderdeel b de verwijzing naar artikel 15, eerste lid van de Wet op de omzetbelasting 1968 te actualiseren. Verder wordt na punt b een verwijzing toegevoegd naar het besluit van 30 december 1999, nr. VB 1999/2649 (Mededeling 69, heffing van omzetbelasting met betrekking tot cadeaubonnen). Naar mij is gebleken geeft de heffing van omzetbelasting ten aanzien van verenigingen voor vreemdelingenverkeer in de praktijk aanleiding tot vragen met betrekking tot de mate waarin over de inkomsten van dergelijke verenigingen omzetbelasting dient te worden voldaan en de mate waarin die verenigingen de hen in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek kunnen brengen. Teneinde in dezen tot een gelijke wetstoepassing te komen, ontmoet het bij mij geen bezwaar dat bedoelde verenigingen met betrekking tot de omzetbelasting als volgt handelen: Volledigheidshalve merk ik op dat voor de heffing van omzetbelasting bij de verstrekking van VVV-geschenkbonnen het bepaalde geldt zoals neergelegd in het besluit van 30 december 1999, nr. VB1999/2649 (opgenomen als Mededeling 69 in het boekwerk Omzetbelasting). Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002 Vervallen besluit Het besluit van 7 juni 1977, nr. 27-604692 vervalt per 1 januari 2002."},{"i":1051,"b":"Heffing van omzetbelasting met betrekking tot het beheren van kantines De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten."},{"i":831,"b":"Besluit van het Productschap Tuinbouw van 27 november 2002, houdende de vaststelling van de bedragen van de bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2003 (Besluit 2003/1 PT bijzondere heffing fruit en champignons 2003 (hoog tarief)) gelet op [artikel 4 , tweede lid, van de Verordening PT bijzondere heffing fruit en champignons 2003 (hoog tarief)](onbekend); gehoord de sectorcommissie Groenten en Fruit d.d. 7 november 2002; BESLUIT: Artikel 1 Voor de volgende, in het [eerste lid van artikel 4 van de Verordening PT bijzondere heffing fruit en champignons 2003 (hoog tarief)](onbekend) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2003 als volgt vastgesteld: | Groep | Omschrijving | Bedrag | | --- | --- | --- | | 32 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van appelen | € 72,26 per ha | | 33 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van peren | € 107,15 per ha | | 34 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van klein fruit | € 296,35 per ha | | 35 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van overige pit- en steenvruchten | € 162,74 per ha | | 36 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van akkerbouwmatig geteeld fruit | € 32,05 per ha | | 60 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt onder glas van fruit | € 7,42 per are | | 75 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt van champignons | € 1,64 per m2 teeltoppervlakte | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie en werkt terug tot en met 1 januari 2003. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2003/1 PT bijzondere heffing fruit en champignons 2003 (hoog tarief). Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie"},{"i":7151,"b":"Rijkswet van 9 maart 1967, houdende bijzondere voorzieningen aangaande de plaats van vestiging van naamloze vennootschappen en andere rechtspersonen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op artikel 38, vierde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk, wenselijk is de in de wet van 26 april 1940 (**Stb.** 200) vervatte regelen in zake zetelverplaatsing van rechtspersonen te vervangen door een herziene regeling bij rijkswet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Algemene bepaling Algemene bepaling 1. Onder «vennootschap» wordt in deze Rijkswet verstaan de naamloze vennootschap alsmede, voor wat Nederland betreft, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en, voor wat Nederland, Curaçao en Sint Maarten betreft, de besloten vennootschap. 2. De overbrenging van de plaats van vestiging van een naar Nederlands, Arubaans, Curaçaos of Sint Maartens recht bestaande vennootschap naar een ander land van het Koninkrijk der Nederlanden brengt mee dat zij de staat verkrijgt van een naar het recht van dat land bestaande vennootschap, in het geval van overbrenging naar Nederland, Curaçao of Sint Maarten van het in de gewijzigde akte van oprichting bepaalde type. Afdeling 1. Overplaatsing van vennootschappen naar een ander deel van het Koninkrijk Artikel 1 1. Door desbetreffende wijziging van de akte van oprichting kan de plaats van vestiging van een in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten gevestigde vennootschap worden overgebracht naar een ander deel van het Koninkrijk der Nederlanden. 2. Bevoegd tot deze wijziging van de akte van oprichting zijn het bestuur der vennootschap en de algemene vergadering van aandeelhouders. 3. Eveneens zijn tot deze wijziging bev"},{"i":839,"b":"Besluit van het Bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 6 mei 2003, houdende de vaststelling van de nadere omschrijving van diverse bepalingen uit de Verordening PT bloembollen leverbaar 2003 (Besluit 2003/3 PT vakheffing bloembollen leverbaar 2003) gelet op het bepaalde in de [Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013849); gehoord de Sectorcommissie voor bollen knollen en wortelstokken van bloemgewassen d.d. 1 april 2003; BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit worden de begripsbepalingen van de [Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013849) overgenomen. Artikel 2 1. De aangifte beplante oppervlakte, als bedoeld in [artikel 4, vijfde lid, van de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013849&artikel=4), dient te geschieden op een vanwege het productschap te verstrekken formulier en uiterlijk op de in dit formulier vermelde datum. 2. De aangifte moet ook worden gedaan, wanneer er in het desbetreffende voorjaar of najaar geen teelt voor eigen rekeningen risico plaatsvindt. 3. Bij de aangifte van de beplante oppervlakte moet een onderscheid gemaakt zijn naar geslacht en per geslacht naar variëteiten. 4. Als de beplante oppervlakte wordt aangemerkt het 94/100 gedeelte van de aan het telen dienstbaar zijnde oppervlakte, waaronder verstaan de werkelijk beplante oppervlakte, vermeerderd met de oppervlakte van een strook van 30 cm breedte, gelegen rondom de werkelijk beplante oppervlakte. 5. Bij kasteelt wordt als de beplante oppervlakte aangemerkt de gehele kasoppervlakte, inwendig gemeten. Artikel 3 Eenieder die bloembollen-leverbaar, afkomstig uit eigen kraam, aanwendt ten behoeve van de teelt van hyacinten, lelies, narcissen en/of tulpen, is verplicht aangifte te doen van het aantal gebruikte bloembollen-leverbaar op een vanwege het productschap te verstrekken aangifteformulier, met inachtneming van de da"},{"i":1037,"b":"Erfbelasting, fictieve verkrijging, levensverzekering en derdenbeding, premiesplitsing De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **In dit besluit is het besluit van 18 juli 2008, nr. CPP2008/1425M geactualiseerd naar aanleiding van de herziening van Successiewet 1956 per 1 januari 2010. De wijzigingen (in de terminologie) per 1 januari 2010 zijn verwerkt. Door de herziening is onderdeel 9 (premieaftrek) vervallen. Dat wordt nader toegelicht in onderdeel 1 onder Wijzigingen per 2010. Onderdeel 11 (Heffing van erfbelasting en inkomstenbelasting bij ongevalsuitkeringen ineens) is niet meer opgenomen in dit besluit. Dat onderdeel is in het besluit over vrijstellingen opgenomen.** 1. Inleiding Dit besluit bevat het beleid over de toepassing van [artikel 13 van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=13). Verkrijgingen krachtens levensverzekering of derdenbeding als gevolg van of na het overlijden van een persoon gelden civielrechtelijk niet als erfrechtelijke verkrijgingen. Ze zijn materieel gezien wel gelijk te stellen aan erfrechtelijke verkrijgingen. Deze verkrijgingen worden als fictieve erfrechtelijke verkrijgingen in de heffing van erfbelasting betrokken (artikel 13 van de Successiewet). In het kader van de herziening van de [Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226) is [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=13) gewijzigd. [Artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=23) (premieaftrek) is vervallen per 1 januari 2010. Vanaf 2010 geldt voor artikel 13 het uitgangspunt dat een verzekeringsuitkering door overlijden van de erflater, is belast voor zover de verkrijging kan worden toegerekend aan een onttrekking aan het vermogen van de erflater. De uitwerking wordt toegelicht aan de hand van het voorbeeld van een echtpaar dat is gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen. De echtgenoten hebben een levensverzekering gesloten die uitkeert bij"},{"i":6939,"b":"Regeling van 20 november 2006, nr. FM 2006-02609 M, Directie Financiële Markten, houdende vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden als bedoeld in artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2007: | Categorie 1 | € 95,25 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | € 31,75 | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | € 95,25 | voor autobussen en vrachtauto's; | | Categorie 4 | € 95,25 | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 5 | € 190,50 | voor trekkers met opleggers; | | Categorie 6 | € 31,75 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 31,75 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 31,75 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13053,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 8 december 2021 inzake volginnovatie 2020 Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 2.2.2. eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.2.2), [2.10.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.10.2), [3.2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.2), [3.2.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.9), [3.4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.2), [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.4), [3.4.15 onderdeel b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.15), [3.4.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.20), [3.7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.7.2), [3.8.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.8.2), [3.9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [3.10.2, eerste lid, 3.10.2, tweede lid, 3.10.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.2), [3.10.12 onderdeel b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.12), [3.11.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.11.2), [3.19.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.19.2), [3.22.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.22.2), [3.24.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.24.2), [4.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":899,"b":"Besluit tot verlening mandaat, volmacht en machtiging in algemene juridische zaken Belastingdienst (Besluit mandaat, volmacht en machtiging algemene juridische zaken Belastingdienst), d.d. 28 augustus 2025 Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gelet op [artikel 5 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=5); Gelet op [artikel 7 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=7); Gelet op [artikel 4 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&artikel=4); Gelet op de [artikelen 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051411&artikel=4), en [5, tweede lid van het Besluit ondermandaat Wet open overheid directoraat-generaal Belastingdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051411&artikel=5): Besluit: Artikel 1. Mandaat Aan het (waarnemend) Afdelingshoofd van de afdeling Juridische zaken van de Concerndirectie Fiscale en Juridische Zaken van het Directoraat-Generaal Belastingdienst wordt ondermandaat verleend voor het namens de bewindspersoon van Financiën nemen van besluiten die verband houden met algemene juridische zaken. Artikel 2. Volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van (onder)mandaat gelijkgesteld de verlening van: - a). (onder)volmacht: de bevoegdheid om namens de bewindspersoon, daaronder begrepen namens de bewindspersoon voor de Staat of de Staat der Nederlanden, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - b). (onder)machtiging: de bevoegdheid om namens de be"},{"i":900,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 april 2024, nr. IENW/BSK-2024/117441, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau voor de uitvoering van enkele artikelen van de Wet vrachtwagenheffing (Besluit mandaat, volmacht en machtiging CJIB voor de uitvoering van de Wet vrachtwagenheffing) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau van 3 april 2024, kenmerk 24UO203658; BESLUIT: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **Centraal Justitieel Incassobureau:** Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **Secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - **wet:** [Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082). Artikel 2. (bevoegdheid dwangbevel) Aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau wordt mandaat en machtiging verleend tot: - a. het uitvaardigen van het dwangbevel, bedoeld in [artikel 16, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=16) en het verrichten van feitelijke handelingen die daarmee verband houden; en - b. het verwerken van de persoonsgegevens voor de uitvoering van de in onderdeel a bedoelde werkzaamheden. Artikel 3. (privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen) Aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau wordt volmacht en machtiging verleend voor: - a. het opmaken en ver"},{"i":1057,"b":"Heffing van omzetbelasting ten aanzien van veerdiensten De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Inleiding In het Besluit van 14 september 1972, nr. B72/4253, is aangegeven dat veerdiensten die door provincies en gemeenten worden geëxploiteerd, in een aantal gevallen niet in de heffing van omzetbelasting worden betrokken op grond van de gedachte dat hierbij mogelijk sprake zou kunnen zijn van het uitvoeren van een overheidstaak. In verband hiermee is in vorenbedoeld Besluit goedgekeurd, dat alle exploitanten van veerdiensten vanaf 1 oktober 1972 voor de door hen geëxploiteerde veerdiensten buiten de heffing van omzetbelasting blijven, onder voorwaarde dat zij terzake afzien van het recht op aftrek of teruggaaf van omzetbelasting. De gedachte dat provincies en gemeenten ter zake van de exploitatie van veerdiensten optreden als overheid, is gelet op de inmiddels door het Hof van Justitie van de EG gewezen jurisprudentie * [1]http://kluwerportal.rijksweb.nl/cl2/sf7_rss_doc.jsp?&listSLOT.offset=0&gc=WKNL-KL-PNP-10069749&scenario=zoeken_SF7&resultSessionName=SF7_resultSession_WKNL-KL-PNP-10069749_cl2#VNUITLEG-N129#VNUITLEG-N129 achterhaald. Provincies en gemeenten treden bij het tegen vergoeding exploiteren van veerdiensten onder dezelfde juridische voorwaarden op als reguliere ondernemers, zodat zij voor deze activiteit buiten het overheidshandelen vallen. Bovendien is in nr. 5 van Bijlage D bij de zesde BTW-Richtlijn personenvervoer (één van de vormen van vervoer die door exploitanten van veerdiensten worden aangeboden) aangewezen als een activiteit waarvoor publiekrechtelijke lichamen als ondernemer zijn aan te merken. In verband met het vorenstaande dienen de in het hiervoor genoemde Besluit gegeven richtlijnen met betrekking tot de heffing van omzetbelasting bij veerdiensten te worden aangepast. Richtlijnen vanaf 1 januari 2003 Met ingang van 1 januari 2003 geldt voor de heffing van omzetbelasting te"},{"i":903,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 18 juli 2021, nr. IENW/BSK-2021/199859, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Dienst Wegverkeer voor de uitvoering van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging RDW voor de uitvoering van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de Dienst Wegverkeer van 12 juli 2021, kenmerk JBZ 2021-3109; BESLUIT: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **Dienst Wegverkeer:** Dienst als bedoeld in [artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4a); - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - **wet:** [Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517). Artikel 2. (bestuursrechtelijke bevoegdheden) Aan de Dienst Wegverkeer wordt mandaat en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met: - a. het vastleggen van gegevens van motorrijtuigen met een locatiegebonden technisch hulpmiddel, bedoeld in [artikel 4a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517&artikel=4a); - b. het tot stand brengen van een testomgeving en het vastleggen van gegevens van motorrijtuigen ten behoeve van het testen van een locatiegebonden technisch hulpmiddel, bedoeld in [artikel 4b, eerste en twe"},{"i":1163,"b":"Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Letse belasting op dividenden, interest en royalty’s en sommige andere soorten van inkomsten, genoten door inwoner van Nederland Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Artikel 1 Aan het op 14 maart 1994 tussen Nederland en Letland gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en het Protocol bij dat Verdrag (Trb. 1994, 83 en 166), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van het Verdrag en onderdelen van het Protocol: - a. vermindering tot 15 percent van de Letse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Letland is aan een inwoner van Nederland, die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b); - b. vermindering tot 5 percent van de Letse belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Letland is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het onmiddellijk ten minste 25 percent beheerst van het kapitaal van het Letse lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel a); - c. algehele vrijstelling van de Letse belasting op uit Letland afkomstige interest, indien deze wordt betaald aan de Staat der Nederlanden, een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, de Nederlandsche Bank (centrale bank), een financiële instelling die eigendom is van of wordt beheerst door de Regering van Nederland, daaronder begrepen de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan (artikel 11, derde lid, onderdeel b); - d. algehele vrijstelling van de Letse belas"},{"i":949,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 11 november 2008, houdende de vaststelling van de tarieven genoemd in de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2008 (Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2008) gelet op [artikel 2 van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024348&artikel=2); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen d.d. 30 september 2008. Besluit: Artikel 1 1. De heffing als bedoeld in [artikel 2 derde lid, van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024348&artikel=2), bedraagt voor het oogstjaar 2008 voor iedere onderneming waarin de teelt wordt uitgeoefend van tulpenbollen: € 0,32 per are. 2. Bedragen lager dan € 10,00, worden niet opgelegd. Artikel 2 Uitgezonderd van de areaalheffing als genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025212&artikel=1&z=2008-11-30&g=2008-11-30), zijn: | a. | opgeplante bloembollen voor de bolproductie, afkomstig van afbroei uit het meest recente broeiseizoen; | | --- | --- | | b. | bloembollen, die voor de bolproductie in Nederland, in het eerste teeltjaar, volgend op het jaar van import, waren/zijn opgeplant en afkomstig waren/zijn van import. | Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2008. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":1056,"b":"Heffing van omzetbelasting ten aanzien van rechtswinkels De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Dit besluit is een herziene versie van het besluit van 28 april 1977, nr. 07 600252. Het besluit is herzien in verband met de vervanging van de gulden door de euro per 1 januari 2002. Tevens is in punt 4, onderdeel a, het maximaal toegestane bedrag van de vergoeding verhoogd van f 5 naar € 5. Punt 5 heeft zijn belang verloren en is vervallen. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Vervallen besluit Het besluit van 28 april 1977, nr. 07-600252 vervalt per 1 januari 2002."},{"i":1204,"b":"Omzetbelasting, omzetbelasting en compensatie van omzetbelasting bij publiekrechtelijke lichamen **De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit vervangt het besluit van 25 januari 2012, nr. BLKB 2012/175M.** **De wijziging betreft onder meer een aanpassing vanwege de arresten van de Hoge Raad van 10 juli 2020, nr. 18/03223, en 19 juni 2020, nr. 18/01712, en aan het arrest van het HvJ EU van 25 juli 2018, zaak C-140/17 (Gmina Ryjewo).** **In § 2.3.2.1 vervalt de passage over de integratieheffing, aangezien die heffing is vervallen.** **De in paragraaf 2.5 opgenomen goedkeuring dat aan lichamen en samenwerkingsverbanden herziening van omzetbelasting wordt verleend die vóór 1 januari 2003 op grond van goedkeuringen buiten de heffing van omzetbelasting konden blijven, heeft zijn belang verloren en wordt ingetrokken. In § 3.1 is verwerkt dat de uitsluiting van compensatie niet geldt voor goederen en diensten die worden verstrekt aan raadsleden en statenleden ten behoeve van de uitoefening van hun functie.** **In ‘ad 1’ onder § 3.1 worden cursussen die worden verstrekt onder de Wmo 2015 niet meer genoemd, omdat deze zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Compensatie van omzetbelasting is dan uitgesloten ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het BTW-compensatiefonds.** **De in § 3.2.1.5 opgenomen aanwijzingen voor de brandweerzorg in verband met de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s per 1 oktober 2010 hebben hun belang vanaf 1 januari 2014 verloren en zijn daarom ingetrokken.** **Daarnaast zijn tekstuele wijzigingen aangebracht.** 1. Inleiding Dit besluit behandelt de toepassing van de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) en de [Wet op het BTW-compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817) bij publiekrechtelijke lichamen. Hoofdstuk 2 van dit besluit gaat over de heffing van omzetbelasting. Ieder publiekrechtelijk lichaam kan met deze heffing in"},{"i":1248,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Helleense Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Helleense Republiek, De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a). voor Nederland: (hierna te noemen: ,,Nederlandse belasting”); - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, - -. de dividendbelasting, - -. de vermogensbelasting, - b). voor Griekenland: (hierna te noemen: ,,Griekse belasting”). - -. the income and capital tax on natural persons (de inkomstenbelasting en vermo"},{"i":1253,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Korea tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Republiek Korea, De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. De belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken zijn: - a). voor Nederland: - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, - -. de dividendbelasting, (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - b). voor Korea: - -. de inkomstenbelasting (the income tax), - -. de vennootschapsbelasting (the corporation tax), - -. de belasting die van inwoners naar het inkomen wordt geheven (the inhabitant tax), (hierna te noemen: „Koreaanse belasting”). 2. De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die in de toekomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht, mede. HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 3. Algemene begripsbepalingen 1. In deze Overeenkomst, tenzij het zinsverband anders vereist: - a). betekent de uitdrukking „Staat” Nederland of Korea, al naar het zinsverband vereist; betekent de uitdrukking „Staten” Nederland en Korea; - b). omvat de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gel"},{"i":1255,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Turkije, De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totaalbedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a). in het geval van Turkije: - -. de inkomstenbelasting (gelir vergisi); - -. de vennootschapsbelasting (kurumlar vergisi); - -. de heffing ten behoeve van het fonds voor de ondersteuning van de defensie-industrie (savunma sanayii destekleme fonu); (hierna te noemen; „Turkse belasting”). - b). in het geval van Nederland: - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de netto winsten behaa"},{"i":1273,"b":"Overgangsbeschikking omzetbelasting 1968 Gelet op [artikel 54, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=54) (Stb. 329); Besluit: Artikel 1 Deze beschikking verstaat onder: Artikel 2 1. Voor zover met betrekking tot leveringen en diensten die na 31 december 1968 worden verricht, vóór 1 januari 1969 een factuur is uitgereikt, de vergoeding is ontvangen of is overeengekomen dat de vergoeding vóór die datum zal worden voldaan, wordt de omzetbelasting in afwijking van [artikel 13 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=13) verschuldigd op 1 januari 1969. 2. Teruggaaf wordt verleend van de belasting die ingevolge artikel 19 van de Wet op de Omzetbelasting 1954 is voldaan met betrekking tot leveringen en diensten, die na 31 december 1968 worden verricht. ‘De teruggaaf geschiedt bij wijze van verrekening met de in het eerste lid bedoelde omzetbelasting. Artikel 3 Met betrekking tot leveringen en diensten, welke vóór 1 januari 1969 zijn verricht, wordt de belasting uiterlijk op 31 december 1968 verschuldigd. Artikel 4 De levering na de aanvang van 1 januari 1969 van vóór dat tijdstip ingevoerde goederen aan degene voor wie de goederen bij de invoer zijn bestemd, wordt steeds geacht binnen het Rijk te zijn verricht. Artikel 5 Teruggaaf van belasting op grond van de artikelen 27, eerste lid, letter **a**, en 28 van de Wet op de Omzetbelasting 1954 wordt niet verleend voor goederen waarvoor op grond van de Teruggaafbeschikking omzetbelasting 1968 (**Stcrt.** 169) teruggaaf van belasting wordt verleend. Artikel 6 Voor de toepassing van [artikel 18 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=18) (**Stb.** 423) worden als bij de aanvang van 1 januari 1969 aanwezige goederen beschouwd de goederen waarvoor aanspraak op teruggaaf van belasting op grond van [artikel 43 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artike"},{"i":1274,"b":"Overgangsbeschikking omzetbelasting 1978 Gelet op artikel II van de wet van 28 december 1978 (Stb. 677). Besluit: Artikel 1 Deze beschikking verstaat onder: Artikel 2 1. Ten aanzien van onroerende goederen welke de ondernemer vóór 1 januari 1979 is gaan bezigen, vinden met betrekking tot de herziening van de aftrek toepassing de bepalingen zoals die luidden vóór genoemde datum, met uitzondering van [artikel 6, vijfde, zesde en zevende lid, van de uitvoeringsbeschikking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002634&artikel=6). 2. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde goederen blijft tot het einde van de termijn waarin de aftrek wordt herzien, van toepassing [artikel 11, letters a en r, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11), zoals die bepalingen luidden vóór 1 januari 1979. Artikel 3 Ten aanzien van de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen en de verhuur van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen vindt de uitzondering op de vrijstelling van omzetbelasting voor de verhuur van onroerend goed, vervat in [artikel 11, eerste lid, letter b, 3°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11), geen toepassing, ingeval deze verhuur betrekking heeft op een periode welke niet langer is dan één jaar en aanvangt vóór of op 1 januari 1979. Artikel 4 Ingeval de termijn gedurende welke de ondernemer op zijn verzoek ter zake van de verhuur van onroerend goed omzetbelasting is verschuldigd, is aangevangen vóór 1 januari 1979, behoeft het verzoek voor de toepassing van [artikel 11, eerste lid, letter b, 5°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) niet mede door de huurder te zijn gedaan. Artikel 5 Voor het verlenen van toegang tot muziekuitvoeringen en toneelvoorstellingen (opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues en cabarets daaronder begrepen) welke plaatsvinden vóór 1 januari 1980, bedraagt de omzetbelasting 4 percent, ingeval vóór 1 januari 1979 een factuur is uitgereikt of d"},{"i":1275,"b":"Overgangsbeschikking omzetbelasting Gelet op artikel 11 van de wet van 15 december 1983 (Stb. 624), Besluit: Artikel 1 Voor leveringen en diensten, verricht na 31 december 1983, is het tarief van toepassing dat geldt op het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht. Artikel 2 1. Ingeval de ondernemer de omzetbelasting berekent op de in [artikel 16, onder l van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968](onbekend) (Stb. 423) omschreven wijze handelt hij na afloop van het jaar 1983 als volgt: - a. de omzetbelasting over 1983 wordt afgerekend overeenkomstig letter g van dat onderdeel. Zoals die bepaling luidt voor 1 januari 1984. - b. de in voorraad zijnde goederen worden gerekend tot de goederen die in het eerste belastingtijdvak van 1984 zijn ingekocht tegen de in dat tijdvak geldende tarieven. Bij de bepaling van de winkelwaarde van deze goederen wordt rekening gehouden met de belastingverhoging. 2. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing in het geval, bedoeld in [artikel 17 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=17). Artikel 3 1. Ingeval een ondernemer ingevolge een vóór 1 januari 1984 gesloten overeenkomst na 31 december 1983 een onroerend goed levert of een werk in onroerende staat oplevert tegen een vergoeding welke vervalt in termijnen naar mate het werk vordert, blijft ten aanzien van het gedeelte van de vergoeding dat gelijk is aan de som van de termijnen die op grond van die overeenkomst vóór 1 januari 1984 zijn vervallen, de verhoging van de omzetbelasting van 18 tot 19% buiten toepassing. 2. Ingeval een ondernemer na 31 december 1983 in de zin van [artikel 3, eerste lid, letter h, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3) (Stb. 329) een onroerend goed levert dat ingevolge een vóór 1 januari 1984 gesloten overeenkomst in opdracht onder terbeschikkingstelling van stoffen, waaronder grond is begrepen, is vervaardigd, b"},{"i":1276,"b":"Overgangsregeling accijns van bier 1992 Gelet op de [artikelen XVIII, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005346&artikel=XVIII), [XIX, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005346&artikel=XIX) en [XX, vijfde lid, van de Invoeringswet Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005346&artikel=XX) (Stb. 1991, 740); Besluit: Artikel 1 Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen XVIII, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005346&artikel=XVIII), [XIX, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005346&artikel=XIX) en [XX, vijfde lid, van de Invoeringswet Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005346&artikel=XX) (Stb. 1991, 740). Artikel 2 Deze regeling verstaat onder: Artikel 3 Op daartoe gedaan verzoek bepaalt de inspecteur dat het tarief, vermeld in [artikel XVIII, tweede lid, van de invoeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005346&artikel=XVIII), reeds bij de aanvang van het kalenderjaar toepassing vindt, mits: - a. de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waar het bier wordt vervaardigd ten genoegen van de inspecteur aannemelijk maakt dat de totale jaarproduktie in dat kalenderjaar niet meer zal bedragen dan 90 000 hectolitergraden wordt; - b. de totale jaarproduktie in het voorafgaande kalenderjaar, indien de accijnsgoederenplaats waar het bier wordt vervaardigd in dat jaar in werking is geweest, niet meer heeft bedragen dan 90 000 hectolitergraden wordt; - c. de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waar het bier wordt vervaardigd verklaart dat indien de totale jaarproduktie in het kalenderjaar meer heeft bedragen dan 90 000 hectolitergraden wordt, hij het bedrag aan accijns, voortvloeiende uit een herrekening op basis van het tarief van [artikel XVIII, eerste lid, van de invoeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005346&artikel=XVIII) uiterlijk tien dagen na daartoe gedane uitnodiging zal voldoen. Artikel 4 1. De hoeveelheid v"},{"i":1277,"b":"Overgangsregeling loonbelasting 1984–1985 Gelet op artikel X, tweede lid, van de Wet van 20 december 1984 houdende wijziging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting; derde fase tweeverdieners (Stb. 1984, 649); Besluit: Artikel 1 1. Voor zover de inhoudingsplichtige in het eerste kwartaal van het kalenderjaar 1985 niet in staat is tijdig rekening te houden met de door de werknemer op grond van artikel 53a van de Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972 (Stcrt. 253) in te leveren loonbelastingverklaring, wordt de werknemer ingedeeld in de tariefgroep waarin hij bij het einde van het jaar 1984 was ingedeeld. Alsdan wordt geen rekening gehouden met het recht op de aanvullende arbeidstoeslag of met een wijziging in het recht op de aanvullende alleenstaande-ouder-toeslag. 2. Op verzoek van de inhoudingsplichtige kan de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden afwijkende regelen geven met betrekking tot de in het eerste lid opgenomen overgangsregeling. 3. Voor zover uit de toepassing van de vorige leden voor- of nadelen voortvloeien, herstelt de inhoudingsplichtige deze door middel van afrekening in de eerste helft van het jaar 1985. Artikel 2 Voor de toepassing van [artikel 9, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=9) (Stb. 202) is voor de heffing van de loonbelasting van een in de onderneming van zijn ouder werkzaam kind over het kalenderjaar 1984, in afwijking in zoverre van [artikel 24 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=24) (Stb. 521), beslissend de toestand bij het einde van het kalenderjaar 1984. Artikel 3 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1985. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Overgangsregeling loonbelasting 1984–1985."},{"i":1278,"b":"Overgangsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 Gelet op [artikel XIII van de Wet van 24 december 1993 tot wijziging van een aantal belastingwetten en van de Wet Infrastructuurfonds in het kader van het belastingplan 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006376&artikel=XIII) (Stb. 1993, 760); Besluit: Artikel 1 Voor een motorrijtuig waarvoor motorrijtuigenbelasting is betaald over een tijdvak waarvan een gedeelte valt na een tijdstip waarop ingevolge de [Wet van 24 december 1993 tot wijziging van een aantal belastingwetten en van de Wet Infrastructuurfonds in het kader van het belastingplan 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006376) een verlaging van het tarief van de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002534) voor dat motorrijtuig in werking treedt, wordt over dat gedeelte van het tijdvak teruggaaf verleend voor het verschil tussen het tarief dat geldt onmiddellijk voorafgaande aan dat tijdstip en het tarief dat geldt vanaf dat tijdstip. Bedragen van f 10 en minder worden niet terugbetaald. Artikel 2 1. Voor een motorrijtuig waarvoor ingevolge de Wet van 24 december 1993 tot wijziging van een aantal belastingwetten en van de [Wet Infrastructuurfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006001) in het kader van het belastingplan 1994 een verhoging van het tarief van de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002534) in werking treedt, en waarvoor vóór 16 januari 1994 motorrijtuigenbelasting is betaald over een tijdvak waarvan een gedeelte valt na 15 januari 1994, is over het gehele tijdvak motorrijtuigenbelasting verschuldigd naar het tarief dat met betrekking tot dat motorrijtuig gold bij de aanvang van dat tijdvak. 2. Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot een motorrijtuig waarvoor de motorrijtuigenbelasting is betaald na 15 september 1993 over een tijdvak van twaalf of van drie maanden tenzij: - a. het in het eerste lid, bedoelde tij"},{"i":1279,"b":"Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Pakistaanse belasting op dividenden, interest, royalty's en sommige andere soorten van inkomsten, genoten door inwoners van Nederland Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: **Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Pakistaanse belasting op dividenden, interest, royalty's en sommige andere soorten van inkomsten, genoten door inwoners van Nederland.** Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 24 maart 1982 tussen Nederland en Pakistan gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 1982, nr. 63), en het Protocol bij die Overeenkomst, kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst en onderdelen van het Protocol: - a. Vermindering tot 20% van de Pakistaanse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Pakistan is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b)). - b. Vermindering tot 10% van de Pakistaanse belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Pakistan is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het Pakistaanse lichaam dat de dividenden betaalt, en het voorts ter zake van deze dividenden geen Nederlandse vennootschapsbelasting is verschuldigd (artikel 10, tweede lid, onderdeel a) en onderdeel IV van het Protocol). - c. Algehele vrijstelling van de Pakistaanse belasting op uit Pakistan afkomstige interest, indien deze wordt betaald aan de Nederlandsche Bank N.V. of indien deze ter zake van"},{"i":1280,"b":"Regeling inzake vermindering van Poolse belasting op dividenden, interest en royalty's uit Poolse bron, genoten door Inwoners van Nederland Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Besluit: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 20 september 1979 tussen Nederland en Polen gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en het Protocol bij die Overeenkomst (Trb. 1979, nr. 168), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst en onderdelen van het Protocol: - a. Vermindering tot 15% van de Poolse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Polen is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid). - b. Algehele vrijstelling van de Poolse belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Polen is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het Poolse lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, derde lid). - c. Algehele vrijstelling van de Poolse belasting op interest, afkomstig uit Polen en betaald aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 11, eerste lid). - d. Algehele vrijstelling van de Poolse belasting op culturele royalty's (vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap, daaronder begrepen bioscoopfilms), afkomstig uit Polen en betaald aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde d"},{"i":1281,"b":"Protocol tot wijziging van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, met Protocol De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada, Geleid door de wens de op 27 mei 1986 te Den Haag ondertekende Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, met Protocol (hierna te noemen “de Overeenkomst”, respectievelijk “het Protocol”), te wijzigen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Wijzigt de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, s-Gravenhage, 27 mei 1986. Artikel II Wijzigt de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, s-Gravenhage, 27 mei 1986. Artikel III Wijzigt de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, s-Gravenhage, 27 mei 1986. Artikel IV Wijzigt de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, s-Gravenhage, 27 mei 1986. Artikel V Wijzigt de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, s-Gravenhage, 27 mei 1986. Artikel VI Wijzigt de Overeenkomst"},{"i":1282,"b":"Referentietarief Binnenlands Vrachtautovervoer 1985 Besluit: Artikel 1 1. De in de bijlagen van deze regeling vermelde tarieven alsmede de daarbijbehorende voorwaarden dienen voor verladers en vervoerders als richtsnoer voor het vaststellen van de overeen te komen vrachtprijs. 2. De tarieven zijn gebaseerd op de gemiddeld waargenomen kosten, waaronder begrepen alle kosten, die voortvloeien uit wettelijke verplichtingen of uit overeenkomsten. Artikel 2 Voor het binnenlands vervoer met vrachtauto's in de uitoefening van een vrachtautodienst of een afhaal- en besteldienst, alsmede voor het ongeregeld vervoer het vervoer van zendingen tot een betalend gewicht van 2000 kg, dient als richtsnoer het tarief en de bijbehorende toelichting, vermeld in bijlage 1 bij deze regeling. Artikel 3 1. Voor het binnenlands algemeen ongeregeld vervoer met vrachtauto's dient als richtsnoer het tarief en de bijbehorende toelichting, vermeld in bijlage 2 bij deze regeling. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid dient als richtsnoer het tarief en de bijbehorende toelichting, vermeld in bijlage 3 bij deze regeling, wanneer in één rit voor één opdrachtgever meer dan één zending wordt vervoerd en de laadplekken dan wel de losplekken van deze zendingen niet in dezelfde agglomeratie liggen. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid dient als richtsnoer voor het ongeregeld vervoer van afval/vuil-containers alsmede voor het vervoer met kippers het tarief en de bijbehorende toelichting, vermeld in bijlage 4 bij deze regeling. Artikel 4 1. Het tarief wordt zonder de bijlagen in de Nederlandse Staatscourant geplaatst en treedt in werking met ingang van 1 augustus 1985. De bijlagen worden ter inzage gelegd ten kantore van de Directeur-Generaal van het Verkeer. 2. Afschrift van de bijlagen liggen voor een ieder ter inzage ten kantore van iedere Rijkshoofdinspecteur van het Verkeer, ten kantore van de Nationale Organisatie voor het Beroepsgoederenvervoer Wegtransport, van de Koninkl"},{"i":948,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 13 november 2007, houdende de vaststelling van de tarieven genoemd in de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2007 (Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2007) gelet op [artikel 2 van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022144&artikel=2); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen van 23 oktober 2007 Besluit: Artikel 1 1. De heffing als bedoeld in [artikel 2 derde lid, van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022144&artikel=2), bedraagt voor het oogstjaar 2007 voor iedere onderneming waarin de teelt wordt uitgeoefend van tulpenbollen: € 0,50 per are. 2. Bedragen lager dan € 22,50, worden niet opgelegd. Artikel 2 Uitgezonderd van de areaalheffing als genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023222&artikel=1&z=2007-12-09&g=2007-12-09), zijn: | a. | opgeplante bloembollen voor de bolproductie, afkomstig van afbroei uit het meest recente broeiseizoen; | | --- | --- | | b. | bloembollen, die voor de bolproductie in Nederland, in het eerste teeltjaar, volgend op het jaar van import, waren/zijn opgeplant en afkomstig waren/zijn van import. | Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2007. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":1283,"b":"Regeling aangiftebiljet heffing industrielawaai 1986 Gelet op artikel 7, tweede en derde lid, van de Tijdelijke heffingwet industrielawaai (Stb. 1983, 685) juncto de [artikelen 6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6) en [7, derde lid van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=7) (Stb. 1959, 301). Besluit Artikel 1 Als formulier van het aangiftebiljet voor het heffingtijdvak van 1 januari 1986 tot en met 31 december 1986 wordt vastgesteld het formulier waarvan het model is opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Degene die een heffing als bedoeld in de Tijdelijke heffingwet industrielawaai (Stb. 1983, 685) verschuldigd is geworden en aan wie niet reeds een aangiftebiljet is uitgereikt, is verplicht voor het tijdstip waarop de heffing moet worden betaald, een schriftelijk verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet in te dienen bij de directeur Geluid van het directoraat-generaal voor de Milieuhygiëne van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 3 1. Deze regeling wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt en in afschrift gezonden aan de Algemene Rekenkamer. 2. Zij treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst Artikel 4 Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling Aangiftebiljet heffing industrielawaai 1986"},{"i":1284,"b":"Regeling aanwijzing ambtenaren rijksbelastingdienst invordering kentekenbewijs Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=39), [aanhef en onderdeel b, van het Kentekenreglement](onbekend); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren der rijksbelastingdienst, bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=39) worden aangewezen: - a. de ambtenaren, bevoegd inzake douane; - b. het hoofd van de fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst en de onder hem ressorterende ambtenaren, voor zover zij zijn belast met werkzaamheden op het gebied van de douanerecherche, en - c. de ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324) en van de [Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806). Artikel 2 Wijzigt deze regeling. Artikel 3 Wijzigt deze regeling. Artikel 4 De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 september 1974, nr. RVW 65717, houdende aanwijzing van de ambtenaren, bedoeld in [artikel 22, eerste lid onder b, van het Reglement kentekenregistratie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002938&artikel=22) ([aanwijzing ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003687) Rijksbelastingdienst) (Stcrt. 192), wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing ambtenaren rijksbelastingdienst overgifte kentekenbewijs."},{"i":1350,"b":"Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting voor investeringen in stedelijke herstructurering Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onderdeel n, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15); Besluit: Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 15, eerste lid, onderdeel n, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15). 2. Deze regeling verstaat onder: - a. wet: [Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740); - b. herstructureringsgebied: gebied waarin een activiteit plaatsvindt in het kader van stedelijke vernieuwing als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1); - c. toegelaten instelling: een instelling als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=19); - d. fonds: een in Nederland gevestigde landelijk werkende toegelaten instelling die geen winstoogmerk heeft, die hoofdzakelijk tot doel heeft de aankoop van woningen van toegelaten instellingen die daadwerkelijk uitvoering geven aan stedelijke herstructurering en de verkoop van deze woningen aan natuurlijke personen, en die als zodanig is aangewezen door de Minister voor Wonen en Rijksdienst; - e. investeren: de feitelijke besteding door de toegelaten instelling van middelen ten behoeve van de stedelijke herstructurering in een herstructureringsgebied. Artikel 2 De vrijstelling is van toepassing indien: - a. de buiten een herstructureringsgebied gelegen woningen door het fonds worden verkregen van een toegelaten instelling die onroerende zaken in eigendom heeft in een herstructureringsgebied; - b. de toegelaten instelling de bij de verkoop van woninge"},{"i":3600,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën 11 januari 2022 (2021-261153) houdende de instelling van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel en het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeuren-generaal van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel Gelet op [artikel 11, eerste lid, van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=11) en [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1. Tijdelijk programmadirectoraat-generaal Herstel 1. Er is een tijdelijk programmadirectoraat-generaal Herstel. 2. Het tijdelijke programmadirectoraat-generaal staat onder leiding van de directeur-generaal Herstelbeleid. 3. De directeur-generaal legt verantwoording af aan de secretaris-generaal. 4. Het tijdelijke programmadirectoraat-generaal heeft de volgende taken: - a. regie op herstelbeleid en parlementaire zaken; - b. regie op de uitvoeringsketen en opdrachtgeverschap. Artikel 2. Directeur-Generaal Herstelbeleid 1. De directeur-generaal Herstelbeleid is verantwoordelijk voor de programma- en organisatieonderdelen van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal, bestaande uit: - a. de programmadirectie Herstelbeleid en Parlementaire Zaken, bestaande uit een team Herstelbeleid en een team Parlementaire Zaken; - b. het team Control; - c. het team Staf; - d. het team Schulden; - e. het team Herijking; - f. het team Emotioneel Herstel; - g. het Procesbureau Ketenregie. 2. De programmadirectie Herstelbeleid en Parlementaire Zaken staat onder leiding van een programmadirecteur en het team Schulden staat onder leiding van zowel een programmadirecteur als een programmamanager. 3. De teams Herstelbeleid en Parlementaire Zaken staan onder leiding van het afdelingshoofd Herstelbeleid en Parlementaire Zaken. 4. De teams Control en Staf staan ieder onder leiding van een afdelings"},{"i":1375,"b":"Tariefbesluit Centrale Commissie Dierproeven per 18 december 2014 De Centrale Commissie Dierproeven besluit als tarieven, als bedoeld in [artikel 3 lid 4 van de Dierproevenregeling 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&artikel=3), vast te stellen:"},{"i":7179,"b":"Wet van 5 november 2014 tot uitvoering van de Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PbEU 2012, L 201) (Uitvoeringswet Verordening erfrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat wetgeving nodig is ter uitvoering van de Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PbEU 2012, L 201); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van de [artikelen 2 tot en met 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035741&paragraaf=1&artikel=2&z=2015-08-17&g=2015-08-17) van deze wet wordt verstaan onder «de verordening»: de verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PbEU 2012, L 201). Artikel 2 1. Een erfgenaam kan op grond van artikel 13 van de verordening een verklaring als bedoeld in [artikel 191 lid 1, eerste volzin, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid."},{"i":1648,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 24 maart 2009, houdende de vaststelling van een bijzondere heffing groenten en fruithandel 2009 (Verordening PT bijzondere heffing handel groenten en fruit 2009) § 1. Begripsbepalingen § 1. Begripsbepalingen § 3. Grondslag en hoogte Artikel 3 1. Aan de ondernemer wordt de heffing opgelegd naar de grondslag “aankoopwaarde handel”. Aan de ondernemer die groenten en fruit bewerkt wordt de heffing ook opgelegd naar de grondslag “aankoopwaarde handel”. Indien groenten en fruit zijn aangekocht uit derde landen dient gebruik te worden gemaakt van de CIF-waarde. De heffing wordt uitgedrukt in een percentage van de aankoopwaarde en bedraagt 0,03%. 2. In afwijking van het eerste lid, wordt de heffing voor de handel in uien opgelegd over het aantal aangekochte netto kilogrammen. De heffing bedraagt € 14,15 per 100 ton aangekochte uien. § 4. Oplegging en inning § 3. Grondslag en hoogte gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 24 februari 2009. Besluit: Artikel 1 1. Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | aankoopwaarde handel | : | bedrag van de door de handelaar aangekochte groenten, fruit en noten ongeacht herkomst met uitzondering van aankopen uit de EU; | | afzetorganisatie/bemiddelaar | : | natuurlijke of rechtspersoon die, voor zover niet voor eigen rekening en risico, in opdracht van of ten behoeve van telers de door hen geteelde groenten en fruit ver"},{"i":3606,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 24 januari 2017, nr. 1119820, tot intrekking van toezichtkaders onder vaststelling van Onderzoekskaders 2017 Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=13); Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 15 december 2016; Besluit: Artikel 1 De volgende onderzoekskaders worden vastgesteld: - 1. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op de voorschoolse educatie en het primair onderwijs (bijlage I); - 2. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs (bijlage II); - 3. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs (bijlage III); en - 4. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs (bijlage IV). Artikel 2 De volgende beleidsregels worden ingetrokken: - 1. [Beleidsregel Financieel toezicht po en vo 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030680) (Stcrt. 2011, 21154); - 2. Signaalgestuurd VVE-Toezicht (Stcrt. 2010, 12822); - 3. Toezichtkader PO/VO 2012 (Stcrt. 2012, 12749); - 4. Toezichtkader 2012 speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (Stcrt. 2012, 21805); - 5. Toezichtkader VO 2013 (Stcrt. 2012, 26249); - 6. Besluit van de Inspecteur-generaal van het Onderwijs, van 1 september 2015, nr. 4617506, tot wijziging van het Toezichtkader VO 2013 in verband met technische aanpassingen van het daarin opgenomen waarderingskader (Stcrt. 2015, 34562); - 7. Beleidsregel van de Inspecteur-generaal van het Onderwijs van 5 juni 2014, nr. 4160445, houdende het instellen van een beslisregel bij het Toezichtkader VO 2013 en het van toepassing verklaren van het Toezichtkader VO 2013 op scholen als bedoeld in artikel 56 Wet op het voortgezet onderwijs (Stcrt. 2014, 17582); - 8. TOEZICHTKADER BVE 2012 (Stcrt. 2011, 18890); - 9. Addendum Toezichtkader bve 2012 (Stcrt. 2012, 5757); - 10. Beleidsregel van de Inspecteur-genera"},{"i":1651,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 14 november 2011, houdende de vaststelling van een bijzondere heffing handel groenten en fruit 2012 (Verordening PT bijzondere heffing handel groenten en fruit 2012) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 3 november 2011; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | aankoopwaarde handel | : | bedrag van de door de handelaar aangekochte of geïmporteerde groenten en fruit; | | afzetorganisatie/bemiddelaar | : | natuurlijke of rechtspersoon die, voor zover niet voor eigen rekening en risico, in opdracht van of ten behoeve van telers de door hen geteelde groenten en fruit verkoopt; | | bewerken | : | handelingen waardoor van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | derde land | : | een land dat geen lid is van de Europese Unie; | | groenten en fruit | : | producten als bedoeld in [artikel 3, vierde lid, onder a en b, van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=3); | | handelen | : | aankopen of importeren van vers of bewerkt fruit (met uitzondering van slaggrondnoten en kopra) en groenten (met uitzondering van zaden van groenten) en het verkopen daarvan; | | noten | : | amandelen, cashewnoten,"},{"i":4037,"b":"Besluit van 17 april 1959, houdende voorschriften ter voorkoming en opheffing van omroepstoringen door verbrandingsmotoren Overwegende, dat de veelvuldige storingen van de ontvangst van de Nederlandse omroepzenders, werkende op frequenties tussen 40 en 240 megahertz, door elektrische ontstekingsinrichtingen, welke dienstbaar zijn aan verbrandingsmotoren, nopen tot het geven van voorschriften ter voorkoming en opheffing van die storingen; Op voordracht van Onze minister van Verkeer en Waterstaat van 2 september 1958 nr. (580828 : 1), Centrale Directie der PTT; Gelet op artikel 3**quinquies** van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (**Stb.** 7) en op het Radiostoringsreglement 1951 (**Stb.** 547); Gezien het advies van de Radiostoringscommissie van 20 november 1957 nr. 114; De Raad van State gehoord (advies van 30 september 1958 nr. 57); Gezien het nader rapport van Onze minister van Verkeer en Waterstaat van 13 april 1959 nr. (590410 : 1), Centrale Directie der PTT; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. \"Onze minister\", Onze minister belast met de zorg voor de zaken van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie; - b. \"directeur-generaal\", de directeur-generaal der Posterijen, Telegrafie en Telefonie; - c. \"radiostoringscommissie\", de commissie bedoeld bij artikel 13 van het Radiostoringsreglement 1951; - d. \"radio-omroepontvangst\", de ontvangst van de Nederlandse omroepzenders, werkende op frequenties tussen 40 en 240 megahertz; - e. \"omroepstoring\", de storing, welke veroorzaakt wordt in de radio-omroepontvangst door een aan een verbrandingsmotor dienstbaar zijnde elektrische ontstekingsinrichting, welke op een afstand van 10 meter een stoorveldsterkte opwekt van 50 microvolt per meter of meer. Artikel 2 Voor de toepassing van dit besluit wordt met radio-omroepontvangst gelijkgesteld de ontvangst van de Nederlandse beeldomroepzenders, werkende op frequenties tussen 40 en 240 megahertz. Artikel 3 Het hebben of gebru"},{"i":4623,"b":"Handhavingsbeleid fysieke illegale kansspelen 1. Inleiding De Kansspelautoriteit (hierna: Ksa) heeft op grond van [artikel 33b van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33b) (hierna: Wok) onder andere de taak om verboden kansspelaanbod (kansspelaanbod zonder vergunning) te bestrijden. In het fysieke domein varieert het daarbij van het exploiteren van speelautomaten, bingo’s of loterijen zonder vergunning, het zonder vergunning organiseren van poker tot de door de georganiseerde criminaliteit aangeboden sportweddenschappen via laptops en andere mobiele devices (ook wel bekend als gokzuilen). Omdat de Ksa in de bestrijding van het fysieke illegale aanbod verantwoordelijk is naast andere partijen (gemeenten en politie), doet zij dit door integraal samen te werken met onder andere de Regionale Informatie- en Expertise Centra (hierna: RIEC’s), ondersteuning te leveren aan partners van de RIEC’s zoals politie en gemeenten en in bepaalde situaties zelfstandig onderzoek te doen en handhavend op te treden. De missie van de Ksa is ‘Veilig Spelen’. De consument staat hierbij centraal. De Ksa wil meer zichtbaar zijn in het fysieke domein en een grotere bijdrage leveren aan het tegengaan van ondermijning die met het aanbod van fysiek illegale kansspelen gepaard gaat. De Ksa doet dit, omdat veilig spelen bij illegale kansspelen niet gegarandeerd is. Ook ligt er gokverslaving op de loer omdat er geen toezicht is op eventueel bovenmatig gokken en bestaat bovendien het risico van witwassen van geld. Omdat de Ksa meer zichtbaar wil zijn in het fysieke illegale domein en een actievere en zelfstandigere rol wil vervullen hierin, is besloten om dit handhavingsbeleid op te stellen. Met dit handhavingsbeleid wil de Ksa bovendien meer duidelijkheid verschaffen aan haar partners op basis van welke criteria de Ksa ondersteuning levert aan de integrale aanpak van fysiek illegale kansspelen en onder welke criteria de Ksa zelfstandig optreedt. Daarnaas"},{"i":7370,"b":"Wet van 26 januari 1995, tot vaststelling en invoering van titel 15 (Het luchtvaartuig) van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is titel 15 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek vast te stellen en in verband daarmee de Wet teboekgestelde Luchtvaartuigen in te trekken en wijzigingen aan te brengen in het Burgerlijk Wetboek, het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827), het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854), alsmede in enige andere wetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII De inwerkingtreding van [artikel 624, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=624), zoals dat is vastgesteld bij deze wet, heeft geen gevolg voor de bevoegdheid van de rechter aan wie voordien de in artikel 3, vierde lid, van de Wet teboekgestelde Luchtvaartuigen bedoelde goedkeuring is gevraagd, dan wel aan wie voordien de in artikel 4, tweede lid, van de Wet teboekgestelde Luchtvaartuigen bedoelde machtiging is verzocht. Artikel XIV De Wet teboekgestelde Lu"},{"i":7117,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 16 november 2012, nr. 313723 houdende indexering van de griffierechten van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Regeling indexering griffierechten burgerlijke zaken 2013) Gelet op [artikel 2 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel II Ten aanzien van de griffierechten die verschuldigd zijn geworden vóór de datum van inwerkingtreding van deze regeling of die rechtsgeldig zijn aangezegd op grond van de [artikelen 111, tweede lid, onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=111) of [276, tweede lid, Rv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=276) voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling, blijft het griffierecht zoals het vóór die datum gold, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel IV Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indexering griffierechten burgerlijke zaken 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6135,"b":"Besluit van 17 februari 2016, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 en wijziging van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten (Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 2015, nr. 2015-0000309188; Gelet op [richtlijn nr. 2014/34](32014L0034)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor het gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen (herschikking) (PbEU 2014, L 96), alsmede op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7), [7a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7a), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 januari 2016; nr. W12.15.0460/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 februari 2016, nr. 2016-0000017870 Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepaling 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **richtlijn:** [richtlijn nr. 2014/34](32014L0034)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor het gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen (herschikking) (PbEU 2014, L 96"},{"i":1655,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2004, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2005 (Verordening PT bijzondere heffing teelt fruit en champignons 2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Sectorcommissie voor hovenierswerkzaamheden, d.d. 24 juni 2004; § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1)en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | het productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | het bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | de voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | de onderneming | : | onderneming waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. | de ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming drijft; | | f. | het braakland | : | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld, alsmede niet beteelde gronden, waarop in juli of augustus in enig oogstjaar aardbeien zullen worden geplant en waarvan in het daaropvolgende jaar zal worden geoogst; | | g. | de cultuurgrond | : | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in artikel 4 genoemde gewassen of producten kunnen worden geteeld, of ten tijde van het tijdvak als bedoeld in de Regeling Landbouwtelling, nog niet bet"},{"i":3779,"b":"Besluit van 11 oktober 2002 op grond van de Sanctiewet 1977, inzake het melden van transacties die zouden kunnen duiden op de financiering van terrorisme Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken, van 13 juni 2002, nr. WJB 2002-672 M, Centrale directie wetgeving, juridische en bestuurlijke zaken; Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 7 augustus 2002, nr. W06.02.0275/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 7 oktober 2002, FM 2002-1283 M; uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Meldpunt: het meldpunt, bedoeld in [artikel 12 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=12); - b. Lijst: de opsomming van personen, groepen en entiteiten, neergelegd in: - 1°. de bijlage, behorende bij de artikelen 1 en 4 van het Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PbEG L 344); - 2°. de lijst, vastgesteld op grond van artikel 2, derde lid, van [verordening (EG) nr. 2580/2001](32001R2580) van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344); of - 3°. bijlage I bij [Verordening (EG) nr. 881/2002](32002R0881) van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkingen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa'ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking"},{"i":7368,"b":"Wet van 2 juli 1997 tot wijziging van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot hulpverlening en daarmede verband houdende wijziging van enige andere wetten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met het op 28 april 1989 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake hulpverlening, 1989 (**Trb.** 1990, 109) wenselijk is nieuwe regelen te stellen met betrekking tot hulpverlening en in verband daarmee het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de strandvonderij. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet aansprakelijkheid olietankschepen. ARTIKEL V Op een hulpverlening die vóór het in werking treden van deze wet is aangevangen, is het vroegere recht van toepassing. ARTIKEL VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5225,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 22 januari 2015, nr. WJZ / 15000929, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2015 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [43a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=43a), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=45), [47, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47), [48, derde, vierde, vijfde, en zevende lid]"},{"i":7369,"b":"Wet van 22 maart 2017, houdende wijziging van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uitvoering van het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012) (Trb. 2013, 72) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op bekrachtiging van het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012) (Trb. 2013, 72) noodzakelijk is enige wijzigingen aan te brengen in [Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 8. Artikel II Deze wet is slechts van toepassing ten aanzien van aansprakelijkheid voortvloeiende uit ongevallen die zich na de inwerkingtreding van deze wet hebben voorgedaan. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7537,"b":"Besluit gegevensverstrekking ongebruikelijke transacties BES Artikel 1 Uit het register van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties kunnen gegevens of inlichtingen worden versterkt aan van overheidswege aangewezen meldpunten in of buiten het Koninkrijk die een vergelijkbare taak hebben als het Meldpunt en die eveneens de bevoegdheid hebben tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen aan het Meldpunt. Artikel 2 Voor de gegevensuitwisseling met meldpunten binnen het Koninkrijk, wordt tussen de bij de uitwisseling betrokken meldpunten een overeenkomst tot stand gebracht, waarin nadere voorwaarden en bepalingen worden opgenomen met het oog op een behoorlijke gegevensuitwisseling. Artikel 3 De gegevens of inlichtingen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028352&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), worden niet verstrekt indien naar het oordeel van de beheerder van het register, bedoeld in [artikel 4 van de Wet melding ongebruikelijke transacties BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028598&artikel=4), de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, alsmede het rechtmatig gebruik van de verstrekte gegevens, niet is gewaarborgd. Artikel 4 1. De gegevens of inlichtingen worden steeds verstrekt onder de algemene voorwaarden dat: - a. deze slechts zullen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt; - b. de verstrekte gegevens of inlichtingen in het ontvangende land niet kunnen dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of bewijs ter zake van een telastelegging wegens het witwassen van geld of een daaraan ten grondslag liggend misdrijf door de instelling die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt dan wel de persoon, werkzaam voor die instelling; - c. de bescherming ingevolge [artikel 15 van de Wet melding ongebruikelijke transacties BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028598&artikel=15) ook in het ontvangende land geboden wordt. 2. De beheerd"},{"i":1973,"b":"Wet van 21 juni 1989, tot aanpassing van de Wet individuele huursubsidie naar aanleiding van de voorstellen van de commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet individuele huursubsidie aan te passen naar aanleiding van de voorstellen van de commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Op het over de jaren 1990 tot en met 1993 ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel **e**, van de Wet individuele huursubsidie in aanmerking te nemen bedrag van het minimumloon wordt, alvorens de in genoemd onderdeel, onder **c**, aangeduide vermenigvuldigingsfactor toe te passen, een vermeerdering aangebracht, vast te stellen door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, ter grootte van de bij het hierbedoelde minimumloon behorende overhevelingstoeslag, bedoeld in artikel 1 van de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies. 2. Op het over de jaren 1994 tot het laatste jaar waarin de overhevelingstoeslag, bedoeld in artikel 3 van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies, bestaat, ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel **e** , van de Wet individuele huursubsidie, zoals dat luidt met ingang van 1 juli 1995, in aanmerking te nemen bedrag van de belastbare bijstandsnorm wordt, alvorens de in genoemd onderdeel aangeduide vermenigvuldigingsfactor toe te passen, een vermeerdering aangebracht, vast te stellen door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, ter grootte van de bij de hierbedoelde belastbare bijstandsnorm behorende overhevelingstoeslag, bedoeld in artikel 3 van de Wet aa"},{"i":6565,"b":"Besluit van 7 augustus 2006, houdende wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met de wijziging in de procedure betreffende de aanvraag en afgifte van rijbewijzen Artikel I Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel II Wijzigt het Wijzigingsbesluit Reglement rijbewijzen, enz. (implementatie [richtlijn 91/439/EEG](31991L0439))(Stb. 2004/483). Artikel III [Artikel 49, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=49), zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel II, sub 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020142&artikel=I&z=2006-10-01&g=2006-10-01), van dit besluit, blijft van kracht ten aanzien van rijbewijzen, afgegeven voor inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen B tot en met D, E, sub 1 tot en met 4, F tot en met J, L, N, sub 1 tot en met 3 en 5, O tot en met R, T, U, sub 1, W, sub 1 tot en met 3, X, Y, AA, CC, EE, GG, HH, II, sub 2 en 3, JJ tot en met LL, NN, OO, sub 1, 3 en 5, PP tot en met BBB, DDD tot en met CCCC, EEEE tot en met PPPP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020142&artikel=I&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [artikel II, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020142&artikel=II&z=2006-10-01&g=2006-10-01), van dit besluit. Artikel IV De met de afgifte van rijbewijzen belaste autoriteiten dienen de voorraad blanco rijbewijzen, fotostanstangen en lamineerfolie na inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen B tot en met D, E, sub 1 tot en met 4, F tot en met J, L, N, sub 1 tot en met 3 en 5, O tot en met R, T, U, sub 1, W, sub 1 tot en met 3, X, Y, AA, CC, EE, GG, HH, II, sub 2 en 3, JJ tot en met LL, NN, OO, sub 1, 3 en 5, PP tot en met BBB, DDD tot en met CCCC, EEEE tot en met PPPP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020142&artikel=I&z=2006-10-01&g=2006-10-01), [artikel II, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020142&artikel=II&z=2006-10-01&g=2006-10-01), van dit besluit op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen tijds"},{"i":5825,"b":"Subsidiereglement Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 2018 Het Subsidiereglement Stimuleringsfonds Creatieve Industrie is van toepassing op het aanvragen, beoordelen, verlenen en vaststellen van subsidies bij het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Aanvullend op dit reglement zijn deelregelingen opgesteld. Daarin stelt het bestuur nadere formele, financiële, inhoudelijke, kwalitatieve en kwantitatieve eisen alsmede uitzonderingen vast. gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit Artikel 1. Taakopvatting van het Stimuleringsfonds 1. Dit reglement is van toepassing op aanvragen voor projecten, programma's of anderszins in een deelregeling benoemde activiteiten op het gebied van digitale cultuur, vormgeving en architectuur en alle mogelijke crossovers tussen en binnen deze disciplines. 2. Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie verstrekt, in overeenstemming met zijn statuten en overeenkomstig de bepalingen vastgesteld in de wet, het onderhavige reglement, deelregelingen en, voor zover van toepassing, uitnodigingen tot het indienen van projecten, subsidies voor de uitvoering van projecten die bijdragen aan het bevorderen van hoogwaardige kwaliteit, ontwikkeling en professionalisering van de hedendaagse Nederlandse creatieve industrie. Artikel 2. Algemene doelstellingen Stimuleringsfonds Het Stimuleringsfonds hanteert bij het verlenen van subsidies de volgende doelstellingen: - a. bevorderen van experimenten en crossovers; - b. stimuleren van onderzoek, analyse en reflectie; - c. bevorderen van talentontwikkeling en artistieke kwaliteit; - d. bevorderen van maatschappelijk engagement en publieksactiviteiten; - e. versterken van de internationale positie van de ontwerpsectoren; - f. bevorderen van de professionalisering van de ontwerppraktijk en voorbeeldig opdrachtgeverschap. Artikel 3. Begripsomschrijvingen In dit reglement en deelregelingen wordt verstaan onder:"},{"i":1676,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2002, houdende de vaststelling van aan telers van bloembollen op te leggen heffing ter bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci (Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw](onbekend); gehoord de sectorcommissie bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 4 juni 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 2](onbekend) en [3 van de Instellingverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw, | | --- | --- | --- | --- | | b. | het bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | de voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | bloembollen | : | gele krokussen, tulpen en narcissen; | | e. | heffingsplichtige | : | degene die krachtens deze verordening heffing verschuldigd is. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De teler van bloembollen is na een daartoe strekkend besluit van het bestuur een heffing aan het productschap verschuldigd over het jaar 2003, ten behoeve van de bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, niet inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. 3. Uiterlijk voor 1 december 2003 neemt het bestuur, met inachtneming van [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013844&paragraaf=3&artikel=4&z=2003-01-01&g=2003-01-01) een besluit of en tot welk bedrag een heffing al"},{"i":6309,"b":"Wet van 2 juli 1998 tot gemeentelijke herindeling van de gemeenten Deventer, Diepenveen en Bathmen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling van de gemeenten Deventer, Diepenveen en Bathmen te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Deventer en Diepenveen opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Deventer ingesteld zoals aangegeven op de bij de wet behorende kaart. Artikel 3 De nieuwe gemeente Deventer bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Deventer en Diepenveen, met dien verstande dat de grenzen van de nieuwe gemeente komen te lopen zoals aangegeven op de bij de wet behorende kaart. Paragraaf 2. Grenswijzigingen van een gemeente die niet wordt opgeheven Artikel 4 De grenzen van de gemeente Bathmen worden gewijzigd als aangegeven op de bij de wet behorende kaart. Paragraaf 3. Overige bepalingen Artikel 5 Voor de nieuwe gemeente Deventer wordt de op te heffen gemeente Deventer aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen bedoeld in dat artikel. Artikel 6 Voor de op te heffen gemeenten Deventer en Diepenveen wordt de nieuwe gemeente Deventer aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https:/"},{"i":5815,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 4 april 2024, nr. OVO/44663863, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan prioriteitsscholen voor het verbeteren van de basisvaardigheden met bewezen effectieve interventies (Subsidieregeling verbetering basisvaardigheden voor prioriteitsscholen 2024) Gelet op [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71), [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11), [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71), en [artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **achterstandsscore:** - a. voor wat betreft een vestiging van een basisschool: achterstandsscore zonder drempel, zoals gepubliceerd op 7 oktober 2024 door het Centraal Bureau voor de Statistiek, op basis van de onderwijsscores van de leerlingen die op 1 februari 2024 zijn ingeschreven op een basisschool als bedoeld in [artikel 18 van het Besluit bekostiging WPO 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=18); - b. voor wat betreft een vestiging van een school voor voortgezet onderwijs: achterstandsscore zonder drempel, zoals gepubliceerd op 24 december 2024 door het Centraal Bureau voor de Statistiek, met dien verstande dat voor een vestiging voor praktijkonderwijs waar op 1 oktober 2023 meer dan 50% van de leerlingen praktijkonderwijs volgt de achterstandsscores voor praktijkonderwijs worden gehanteerd en voor overige vestigingen voor voortgezet onderwijs de achterstandsscores voor het vmbo, havo of vwo; - **basisvaardigheden:** vaardigheden op het gebied van taal, rekenen of wiskunde, en burgerschap of digitale geletterdheid; - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://w"},{"i":1684,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 30 maart 2010, houdende de vaststelling van aan telers van bloembollen op te leggen heffing ter bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci, voor het oogstjaar 2010 (Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2010) gelet op de [artikelen 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 16 maart 2010; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [paragraaf 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | bloembollen | : tulpen en narcissen; | | --- | --- | --- | | b. | oogstjaar | : de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 mei 2011. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De teler van bloembollen is na een daartoe strekkend besluit van het bestuur een heffing aan het productschap verschuldigd over het oogstjaar 2010, ten behoeve van de bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. 3. H"},{"i":4670,"b":"Besluit van 18 februari 2022, houdende onder meer nadere regels over de inrichting van het onderwijs aan scholen in het primair onderwijs (Inrichtingsbesluit WPO) Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 2 december 2021, nr. WJZ/30567133 (12549) directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 4c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=4c), [9, lid 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=9), [10a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=10a), [15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=15), [18a, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=18a), [40a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=40a), en [43, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=43); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 januari 2022, nr. W05.21.0361/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 15 februari 2022, nr. WJZ/31276810 (12549), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **basisschool:** school als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - **bevoegd gezag van volgens de wet bekostigde scholen:** voor wat betreft: - a. een openbare school: - 1°. college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit besluit, met inachtneming van door hem te stellen regels; - 2°. krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan; - 3°. openbare rechtspersoon, bedoeld in [artikel 47 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=47); dan wel - 4°. stichting, bedoeld in [artikel 17](https://wetten.overheid."},{"i":6895,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 maart 2022, nr. HO&S/30932387, houdende de intrekking van een aanwijzing en tot aanwijzing van personen belast met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 Gelet op [artikel 9.1a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=9.1a); Besluit: Artikel I De personen die werkzaam zijn bij Pro-tact B.V. te Berlicum zijn met ingang van 1 januari 2022 niet langer belast met het toezicht op de naleving als bedoeld in [artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5). Artikel II De personen die werkzaam zijn bij Pro-Inn B.V. te Waalwijk zijn met ingang van 1 januari 2022 belast met het toezicht op de naleving als bedoeld in [artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5). Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2022. Dit besluit zal worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":3021,"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders Wet ruimtevaartactiviteiten Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=13); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=13), zijn belast de ambtenaren met de functiebenamingen coördinerend/specialistisch inspecteur, senior inspecteur en inspecteur/medewerker toezicht van de directies Apparatuur, Infrastructuur en Digitale Weerbaarheid van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4168,"b":"Besluit van 16 december 1998 tot vaststelling van de overhevelingstoeslag 1999 Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 november 1998, Directie Algemeen- en Sociaal-Economische Aangelegenheden, nr. ASEA/LIV/98/36774; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006353&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 10 december 1998, no. W12.98.0553); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december 1998, directie Algemeen- en Sociaal-Economische Aangelegenheden, nr. ASEA/LIV/98/40394; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De overhevelingstoeslag over het jaar 1999 is gelijk aan 2,2% van het loon van de werknemer, met een maximum van f 1 830,=. 2. In afwijking van het eerste lid is de overhevelingstoeslag over het jaar 1999 gelijk aan 5,5 % van de uitkering, met een maximum van f 4576,=., indien het betreft: - a. een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding, als bedoeld in [artikel 11, vierde lid onder a, van de Wet op de loonbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11), gedaan door een lichaam of persoon als bedoeld in artikel 11b van die wet, door het Rijk of door een lager publiekrechtelijk lichaam, indien deze reeds voor 1 januari 1999 werd verstrekt, of - b. een uitkering ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet op de loonbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11), welke ten laste komt van het Rijk of de Stichting Pensioenfonds ABP, behoudens voor zover krachtens [artikel 30 van de Wet Financiële voorzieningen Privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=30) over die uitkering een inhouding inzake arbeidsongeschiktheid plaats heeft gevonden, indien deze reeds voor 1 januari 1999 werd verstrekt, of - c. een door een werkgever verstrekte aanvulling op ee"},{"i":1856,"b":"Wet van 15 december 2011 tot wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Overige fiscale maatregelen 2009 in verband met de dwangsomregeling van de Algemene wet bestuursrecht (Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen met betrekking tot de toepassing van de dwangsomregeling van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) op inkomensafhankelijke regelingen uitgevoerd door de Belastingdienst/Toeslagen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Overige fiscale maatregelen 2009. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel III 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. 2. In afwijking van het eerste lid, treedt [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030847&artikel=II&z=2013-01-01&g=2013-01-01) in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":2992,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 10 februari 2006, nr. DGB2006/556M, houdende aanwijzing van ambtenaren belast met het toezicht als bedoeld in artikel 43 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Besluit aanwijzing toezichthouders Awir) Gelet op [artikel 43, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=43); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) zijn belast, voor zover het betreft inkomensafhankelijke regelingen waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen, de ambtenaren van de Belastingdienst die daartoe zijn aangewezen door de voorzitters van de managementteams van de onderdelen van de Belastingdienst, genoemd in [artikel 3, lid 1, letter a, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=3) (regiokantoren), de Belastingdienst/Centrale Administratie en de Belastingdienst/Toeslagen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Awir. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1720,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d 3 juli 2007, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van hoveniersbedrijven (Verordening PT heffing hoveniersbedrijven 2007) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor hovenierwerkzaamheden, d.d. 11 april 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2) van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw. 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1) en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT Algemene Bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | hovenierswerkzaamheden: | het aanleggen, het aanbrengen van wijzigingen in en het onderhouden van siertuinen, begraafplaatsen, groenstroken, parken, plantsoenen, landgoederen en openbaar groen in stad en landschap, inclusief werkzaamheden op sportterreinen en in bossen, met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, met inbegrip van de voorbereidende en grondwerkzaamheden; | | --- | --- | --- | | b. | leveringen: | de bij de werkzaamheden horende levering van levende en dode materialen; | | c. | ondernemer: | natuurlijke of rechtspersoon die een onderne"},{"i":3544,"b":"Besluit van 19 september 1996, houdende wijziging van de grens tussen de gemeenten Meppel en Staphorst, tevens provinciegrens tussen Drenthe en Overijssel Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, A. G. M. van de Vondervoort, van 12 juli 1996, nr. BW96/U1353, Directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Gelet op [artikel 12 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 26 augustus 1996, nr. W04.96.0294.); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, A. G. M. van de Vondervoort, van 13 september 1996, nr. BW96/U1647; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling wordt de grens tussen de gemeenten Meppel en Staphorst, tevens provinciegrens tussen Drenthe en Overijssel, gewijzigd als aangegeven op de bij dit besluit behorende kaart. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Kaart behorende bij het besluit houdende wijziging van de grens tussen de gemeenten Meppel en Staphorst, tevens provinciegrens tussen Drenthe en Overijssel Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":1750,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 26 april 2005, houdende de vaststelling van een aan telers van en handelaren in bloembollen (leverbaar) op te leggen heffing voor het oogstjaar 2005 (Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2005) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en[2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | bloembollen: | bollen of knollen van bloemgewassen | | --- | --- | --- | | b. | bloembollen leverbaar: | soorten en variëteiten bloembollen die in de lijst, welke als bijlage bij deze verordening is gevoegd, zijn vermeld en waarvan de maat ligt op of boven de daarachter vermelde minimummaat, alsmede alle andere bloembollen, ongeacht de maat | | c. | factuurbedrag: | het bedrag van de factuur, exclusief behandelingskosten en exclusief kosten kleinverpakkingsmateriaal | | d. | veiling: | de veilingen c.q. bemiddelingsbureaus: Hobaho BV., Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale (b.a.), en Floralia | | e. | koopseizoen: | de periode van 1 juni 2005 tot en met 31 mei 2006 | | f. | oogstjaar: | de periode van 1juni 2005 tot en met 31 mei 2006 | | g. | verkoopwaarde: | de waarde van bloembollen leverbaar vastgesteld op basis van de gemiddelde verkoopprijzen in het betreffende oogstjaar. | 4. Deze verordening is niet van toepassing indien het betreft: - a. bl"},{"i":1751,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 25 april 2006, houdende de vaststelling van een aan telers van en handelaren in bloembollen (leverbaar) op te leggen heffing voor het oogstjaar 2006 (Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2006) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | bloembollen: | bollen of knollen van bloemgewassen; | | --- | --- | --- | | b. | bloembollen leverbaar: | soorten en variëteiten bloembollen die in de lijst, welke als bijlage bij deze verordening is gevoegd, zijn vermeld en waarvan de maat ligt op of boven de daarachter vermelde minimummaat, alsmede alle andere bloembollen, ongeacht de maat; | | c. | factuurbedrag: | het bedrag van de factuur, exclusief behandelingskosten en exclusief kosten kleinverpakkingsmateriaal; | | d. | veiling: | de veilingen c.q. bemiddelingsbureaus: Hobaho B.V., Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale (b.a.), en Floralia; | | g. | koopseizoen: | de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 mei 2007; | | f. | oogstjaar: | de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 mei 2007. | | g. | verkoopwaarde: | de waarde van bloembollen-leverbaar vastgesteld op basis van de gemiddelde verkoopprijzen in het betreffende oogstjaar. | 4. Deze verordening is niet van toepassing indien het betreft"},{"i":1760,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 25 april 2006, houdende de vaststelling van aan telers van en handelaren in bloembollen op te leggen heffing voor het oogstjaar 2006 (Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2006) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | bloembollen: | bollen of knollen van bloemgewassen; | | --- | --- | --- | | b. | bloembollen plantgoed: | 1. soorten en variëteiten van bloembollen die in de lijst, welke als [bijlage](onbekend) bij de [Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018240) is gevoegd, zijn vermeld voor zover deze beneden de daarachter genoemde minimum-maten zijn verhandeld; | | | | 2. afgebroeide bloembollen; | | | | 3. geholde en gesneden hyacinten; | | | | 4. eenjarige bollen van geholde en gesneden hyacinten, voor zover verhandeld per bed of per mand; | | | | 5. bollen van hyacinten, die zijn verkocht onder uitdrukkelijke voorwaarde dat deze zullen worden gebruikt als werkbollen, in welk geval deze voorwaarde op het koopbriefje dient te worden vermeld; | | | | 6. groen te velde per bed of per mand voor 15 juni van het kalenderjaar waarin het koopseizoen aanvangt verhandelde hyacinten, gepla"},{"i":7062,"b":"Overeenkomst inzake wettiging door huwelijk De Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, Verlangende door het aanvaarden van eenvormige regels de wettiging van natuurlijke kinderen, alsmede de erkenning en de publikatie van in het buitenland tot stand gekomen wettigingen, te bevorderen, Zijn het volgende overeengekomen: TITEL I Artikel 1 Indien volgens de bepalingen van intern recht van de nationale wet van de vader of van de moeder hun huwelijk de wettiging van een natuurlijk kind ten gevolge heeft, is deze wettiging geldig in de Overeenkomstsluitende Staten. Deze regel is zowel van toepassing op wettigingen, welke bij de huwelijksvoltrekking zelve tot stand komen, als op die welke nadien uit kracht van een rechterlijke beslissing zijn komen vast te staan. Artikel 2 Iedere Overeenkomstsluitende Staat kan zich evenwel bij de ondertekening, de kennisgeving bedoeld in artikel 11, of de toetreding het recht voorbehouden de wettiging niet als geldig te aanvaarden: - a). indien vaststaat dat het kind niet is geboren uit degenen die het hebben gewettigd; - b). indien zijn wet de geldigheid van het op zijn grondgebied voltrokken huwelijk niet erkent; - c). indien zijn wet de geldigheid van het huwelijk van zijn onderdaan niet erkent; of - d). indien het kind geboren uit een van zijn onderdanen, ten opzichte van deze overspelig is. Dit recht kan niet worden uitgeoefend in het geval dat de interne wet van deze Staat de wettiging niet verbiedt. Artikel 3 De geldigheid van een wettiging overeenkomstig de bepalingen van intern recht van de nationale wet van de vader of van de moeder mag niet worden ontkend, zelfs niet met een beroep op de openbare orde wegens andere dan de in artikel 2 genoemde gronden. Artikel 4 Op beslissingen in gedingen, welke op grond van artikel 2 zijn aangespannen, kan slechts een beroep worden gedaan op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Staat waar zij zijn gegeven. Artike"},{"i":6496,"b":"Besluit van 25 februari 2021 tot wijziging van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 27 november 2020, nr. IENW/BSK-2020/122064, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikel 10.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 december 2020, no. W17.20.0435/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 18 februari 2021, nr. IENW/BSK-2021/3742, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen. Artikel II De vrijstelling die op grond van [artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009093&artikel=2) is verleend voor het buiten een inrichting op of in de bodem brengen van avi-bodemas, blijft voor avi-bodemas dat als IBC-bouwstof als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=1) moet worden aangemerkt, van kracht tot 1 januari 2022, als het avi-bodemas zich op 1 juli 2021 in Nederland bevond en als bouwstof wordt gebruikt in een werk waarvan de aanleg voor die datum was aangevangen. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2021. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1811,"b":"Wet van 22 december 2021 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet op de dividendbelasting 1965, de Wet bronbelasting 2021, de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft de maatregel om mismatches door een omgekeerde hybride tegen te gaan (PbEU 2017, L 144/1) (Wet implementatie belastingplichtmaatregel uit de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353), de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672), de [Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515), de [Wet bronbelasting 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952), de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) en de [Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042934) aan te passen in verband met de implementatie van de maatregel om mismatches door een omgekeerde hybride tegen te gaan uit de [Richtlijn (EU) 2017/952](32017L0952) van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van de [Richtlijn (EU) 2016/1164](32016L1164) wat betreft hybridemismatches met derde landen (PbEU 2017, L 144/1); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel III Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel IV Wijzigt d"},{"i":1776,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2008, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Tuinbouw ressorterende ondernemers in de sector boomkwekerijproducten op te leggen heffing (Verordening PT vakheffing boomkwekerijproducten 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor boomkwekerijproducten, d.d. 8 mei 2008; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT Algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verder verstaan onder: | a. voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | --- | --- | | b. boomkwekerijproducten: | winterharde en half-winterharde houtgewassen, welke niet vervroegd of verlaat zijn, alsmede delen daarvan en voorts vaste planten en wortelstokken; | | c. kweken van boomkwekerijproducten: | het ter verkrijging van een oogst van boomkwekerijproducten brengen, hebben of houden in al dan niet overdekte grond van boomkwekerijproducten of van zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan, alsmede het ter bevordering van het verkrijgen v"},{"i":1793,"b":"Wet van 18 december 2024 tot wijziging van de Wet minimumbelasting 2024 in verband met een aantal technische wijzigingen (Wet aanpassing Wet minimumbelasting 2024) Artikel I Wijzigt de Wet minimumbelasting 2024. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 31 december 2024, met dien verstande dat: - a. [artikel I, onderdelen A, B, C, D, onder 1 en 3, E, F, G, H, I, K, onder 1 tot en met 4 en onder 6, L, N, O, P, Q, R, S, T, Ta, U en V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050585&artikel=I&z=2024-12-31&g=2024-12-31), terugwerkt tot en met 31 december 2023 en voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2023; - b. [artikel I, onderdeel D, onder 2, onderdeel J, onderdeel K, onder 5, en onderdeel M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050585&artikel=I&z=2024-12-31&g=2024-12-31), voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2024. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpassing Wet minimumbelasting 2024. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! Doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om aanpassingen te doen in de [Wet minimumbelasting 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111) met het oog op de internationaal afgesproken administratieve richtsnoeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1818,"b":"Wet inkomstenbelasting BES, eigen woning; aftrek van kosten als persoonlijke lasten **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat goedkeuringen waardoor de aftrek als persoonlijke lasten onder voorwaarden ook geldt voor de eigen woning die is bestemd als toekomstig hoofdverblijf en voor de woning in aanbouw.** 1. Inleiding In dit besluit is een uitbreiding opgenomen van het begrip eigen woning als bedoeld in [artikel 4 van de Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=4). Daarnaast is een uitbreiding opgenomen met betrekking tot de aftrek als persoonlijke lasten van de kosten die verband houden met de eigen woning die de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat ingevolge [artikel 16, eerste lid, onderdeel h, van de Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=16). 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Eigen woning In [artikel 4 van de Wet IB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=4) is opgenomen wat onder een eigen woning wordt verstaan. Als eigen woning wordt aangemerkt een woning: 2.1. Woning in aanbouw Als een woning in aanbouw is, kan deze nog niet worden aangemerkt als eigen woning. Ik vind dit ongewenst. Daarom keur ik het volgende goed met toepassing van [artikel 8.19 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.19) (hardheidsclausule). Ik keur onder de volgende voorwaarde goed dat een woning in aanbouw of een bouwkavel wordt aangemerkt als eigen woning. Voor deze goedkeuring geldt de voorwaarde dat er concrete stappen zijn gezet voor het in gang zetten van de bouwkundige werkzaamheden voor de realisatie van een eigen woning. Bij een nieuwbouwwoning is sprake van een woning in aanbouw vanaf het moment van sluiten van de koop-/aannemingsovereenkomst. Bij een bouwkavel wordt aangenomen dat als de bouwkundige werkzaamheden zijn gestart, de concrete stappen in ie"},{"i":5978,"b":"Besluit van 14 oktober 2021 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, en in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1129 en Richtlijn (EU) 2019/1937 (PbEU 2020, L 347) (Uitvoeringsbesluit verordening Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 10 september 2021, 2021-0000180236, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2020/1503](33403R2020) van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging van [Verordening (EU) 2017/1129](33029R2017) en [Richtlijn (EU) 2019/1937](32019L1937) (PbEU 2020, L 347), de [artikelen 1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [1:87, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:87), [1:94, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:94), en [4:3, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:3) en [artikel 15, derde lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041548&artikel=15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 september 2021, nr. W06.21.0278/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 12 oktober 2021, 2021-0000201780, directie Financiële Markten; H"},{"i":6285,"b":"Wet van 14 juli 2021 tot samenvoeging van de gemeenten Landerd en Uden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Landerd en Uden samen te voegen tot de nieuwe gemeente Maashorst; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en rechtsopvolging Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Landerd en Uden opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Maashorst ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Landerd en Uden, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Maashorst wordt de op te heffen gemeente Uden aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Landerd en Uden wordt de nieuwe gemeente Maashorst aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. § 2. Wijziging andere wetten Artikel 5 Wijzigt de Meststoffenwet. Artike"},{"i":6647,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 juni 2013 tot wijziging van de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien), ESF EQUAL en de Subsidieregeling ESF-3 in verband met de bewaartermijnen betreffende ESF stukken en tot verstrekking van een tegemoetkoming voor bewaarkosten Subsidieregeling ESF-3 Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3); Besluit: Artikel I. Wijziging [Subsidieregeling ESF-3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012598) Wijzigt de Subsidieregeling ESF-3. Artikel II. Wijziging [Subsidieregeling ESF-EQUAL 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016640) Wijzigt de Subsidieregeling ESF-EQUAL 2004. Artikel III. Wijziging [Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313) Wijzigt de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien). Artikel IV. Tegemoetkoming 1. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan op aanvraag van de begunstigden van subsidies, op grond van de [subsidieregeling ESF-3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012598), een tegemoetkoming verstrekken voor de extra kosten van het bewaren van administratieve bescheiden ten gevolge van de wijziging, bedoeld in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033609&artikel=I&z=2013-07-01&g=2013-07-01) van deze regeling. 2. De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, wordt voor subsidies voorvloeiend uit de [subsidieregeling ESF-3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012598), vastgesteld op basis van het totale subsidiebedrag per begunstigde van de subsidie, dat is opgenomen in de vaststellingsbeschikkingen. Deze vergoeding bedraagt per project een vast bedrag van € 50,–, vermeerderd met een variabel tarief van € 6,– per € 20.000,– aan vastgestelde subsidie, met dien verstande dat het te verstrekken bedrag ten minste € 250,– bedraagt. 3. De verstrekking van de tegemoetkoming geschiedt bij directe vaststelling. 4. D"},{"i":6861,"b":"Besluit van 25 februari 1994, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van het bepaalde in Titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, als vastgesteld bij wet van 14 oktober 1993, Stb. 555 Op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 19 oktober 1993, stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr 401184/93/6; Gelet op de artikelen 16d, 17c, 18, derde lid, 18c, 19j, tweede lid, onder b, 20d, 21, derde lid en 24b, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, als vastgesteld bij wet van 14 oktober 1993, Stb. 555; De Raad van State gehoord (advies van 8 februari 1994 nr W03.93.0690); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 22 februari 1994 stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr 426987/94/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand, de registers van de burgerlijke stand, de akten en de dubbelen, de latere vermeldingen, de afschriften en uittreksels en de in verband met het opmaken van bepaalde akten te verstrekken gegevens en over te leggen bescheiden afdeling Eerste. De ambtenaar van de burgerlijke stand Artikel 1 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand en de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand verrichten hun ambtsbezigheden in het gemeentehuis. 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand en de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand kunnen ook elders binnen de gemeente ambtsbezigheden verrichten voor zover daartoe gewichtige redenen bestaan. Artikel 2 Burgemeester en wethouders wijzen, voor zoveel nodig, de ambtenaar van de burgerlijke stand aan die belast is met de leiding van de dienst. Artikel 3 De gemeente verschaft de ambtenaren van de burgerlijke stand kantoorruimte alsmede alle materiële voorzieningen welke voor een behoorlijke uitoefening van hun taak vereist zijn. Het salaris van het personeel, nodig om de ambtenaren van de burgerlijke stand bij te staan, komt ten laste van de gemeente. Artikel 4 Na overleg met de ambtenaren va"},{"i":1897,"b":"Besluit van 25 maart 1994, houdende Invoeringstermijn identificatieplicht voor de loonbelasting Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 12 november 1993, nr. WDB93/331, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Gelet op [artikel 33 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=33) en artikel 66**b**, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; De Raad van State gehoord (advies van 25 november 1993, nr. W06.93.0743); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 22 maart 1994, nr. WDB93/418, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 3 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juni 1994. 2. [Artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006545&artikel=1&z=1995-06-01&g=1995-06-01) vervalt met ingang van 1 juni 1995. 3. [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006545&artikel=2&z=1995-06-01&g=1995-06-01) werkt terug tot en met 1 januari 1994. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":3010,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 december 2023, tot aanwijzing van toezichthouders die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet (Besluit aanwijzing toezichthouders Omgevingswet) Handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister voor Natuur en Stikstof, de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op de [artikelen 18.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.6), en [18.7 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.7); Besluit: Hoofdstuk 1. Aanwijzing van toezichthouders § 1.1. Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1 1. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), waarvoor op grond van [paragraaf 18.1.1 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&paragraaf=18.1.1) de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, worden aangewezen de directeur-generaal in wiens taakpakket die wet valt of diegenen die door hem worden aangewezen. 2. In afwijking van het eerste lid worden als personen belast met het toezicht op de naleving van regels over het energielabel, gesteld in [afdeling 6.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&afdeling=6.4) of [paragraaf 5.1.2 van de Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528&paragraaf=5.1.2), met uitzondering van [artikel 5.14 van die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528&artikel=5.14), aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor de Inspectie Leefomgeving en Transport. § 1.2. Minister van Economische Zaken en Klimaat"},{"i":3613,"b":"Besluit van 10 mei 1993, houdende bepalingen voor de balans, de winst- en verliesrekening en de toelichtingen daarop van banken Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie, mede namens Onze Minister van Financiën, van 29 januari 1993, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 303967/93/6; Gelet op de [richtlijn nr. 86/635/EEG](31986L0635) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (**PbEG** L372), alsmede op [artikel 417 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=417); Gezien het advies van De Nederlandsche Bank N.V.; De Raad van State gehoord (advies van 15 april 1993, no. W03.93.0058); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 29 april 1993, nr. 363307/93/6; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Voorschriften omtrent de balans en de toelichting daarop Artikel 1 1. Onder de activa worden afzonderlijk opgenomen: - a. de kas, de tegoeden op girorekeningen en de onmiddellijk opeisbare tegoeden bij centrale banken in landen waar de bank een vestiging heeft; - b. de waardepapieren uitgegeven door publiekrechtelijke lichamen met een oorspronkelijke looptijd van ten hoogste twee jaar, die herfinancierbaar zijn bij de centrale bank; - c. de vorderingen; - d. de verhandelbare, uitgegeven waardepapieren met een vaste of van de rentestand afhankelijke rente; - e. de aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren; - f. de deelnemingen; - g. de immateriële activa, op overeenkomstige wijze als bepaald in [artikel 365 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=365); - h. de materiële vaste activa; - i. de overige activa; - j. de van aandeelhouders opgevraagde stortingen; - k. de overlopende activa. 2. Onder de passiva worden afzonderlijk opgenomen: - a. de schulden, al dan niet in verhandelbare schuldbewijzen belic"},{"i":3942,"b":"Besluit van de voorzitter van het Productschap Tuinbouw, d.d. 31 oktober 2003, houdende regels met betrekking tot de mandatering van het hoofd van de afdeling juridische en bestuurlijke zaken van het Productschap Tuinbouw (Besluit PT mandaat hoofd juridische en bestuurlijke zaken) gelet op [artikel 107 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=107); gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) (hierna: Awb); BESLUIT: Artikel 1 Aan het hoofd van de afdeling juridische en bestuurlijke zaken wordt mandaat verleend voor de beantwoording van aan de voorzitter gerichte brieven, het werkterrein van zijn afdeling betreffende, voor zover het antwoord zich beperkt tot een beschrijving van vigerend beleid en niet van politieke betekenis is, mits overigens uit de aard en inhoud van de desbetreffende brieven niet voortvloeit dat de beantwoording door de voorzitter dient te worden ondertekend. Artikel 2 Aan het hoofd van de afdeling juridische en bestuurlijke zaken wordt mandaat verleend om namens de voorzitter besluiten op bezwaarschriften te nemen welke zijn gericht tegen een beschikking, in de zin van [artikel 1:3, tweede lid van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3), van het Productschap Tuinbouw, genomen: - a. krachtens enige verordening en/of een besluit van het Productschap Tuinbouw, dan wel - b. in de uitoefening van, op grond van de [Overdrachtsregeling bevoegdheden Landbouwwet 1966 Algemeen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002543), medebewindstaken in het kader van Europese regelgeving en/of in verband daarmee aanvullende verordeningen en/of besluiten van het Productschap Tuinbouw. Uitgezonderd zijn de gevallen als bedoeld in [artikel 10:3, tweede lid van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3). Artikel 3 Aan het hoofd van de afdeling juridische en bestuurlijke zaken wordt man"},{"i":3065,"b":"Besluit van 19 juni 2018, nr. 2017001795, houdende regels over de Auditdienst Rijk (Besluit Auditdienst Rijk) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 13 oktober 2017, nr. 2017-0000195198; Gelet op [artikel 4.20, vierde lid, aanhef en onder b, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 november 2017, no.W06.17.0353/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 12 juni 2018, 2017-000195198; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen De begrippen van [artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=1.1) zijn van overeenkomstige toepassing op dit besluit. § 2. Organisatie, taakuitvoering en kwaliteitsbeheersing Artikel 2. Organisatie, taakuitvoering en kwaliteitsbeheersing 1. Onze Minister van Financiën draagt er zorg voor dat de directie van de Auditdienst Rijk in meerderheid bestaat uit accountants als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393). 2. Onze Minister van Financiën draagt er zorg voor dat de Auditdienst Rijk een stelsel van kwaliteitsbeheersing opzet en implementeert dat voldoet aan de bij of krachtens de wet bepaalde voorschriften, waarin begrepen de gedragsregels inzake onafhankelijkheid. § 3. Het onderzoek naar de verantwoording en het beheer van het Rijk Artikel 3. Taken met betrekking tot het onderzoek naar de verantwoording en het beheer van het Rijk 1. Onze Minister van Financiën draagt aan de Auditdienst Rijk de taak op om jaarlijks onderzoek uit te voeren naar: - a. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen, bedoeld in de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=1.1) en [2.31 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.31); -"},{"i":3852,"b":"Besluit van de directeur Bestuurlijke en Politieke Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 20 december 2018, nr. 18325123, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Bestuurlijke en Politieke Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2019 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Bestuurlijke en Politieke Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2019) Gelet op [artikel 10 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=10); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur:** de directeur Bestuurlijke en Politieke Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **de MT-leden:** de leden van het managementteam van de directie Bestuurlijke en Politieke Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met uitzondering van de directeur; - c. **het MT-BPZ:** het collectief van de onder a en b bedoelde functionarissen; - d. **het bedrag:** het bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW). § 2. Taakverdeling tussen de directeur en de onder hem ressorterende functionarissen Artikel 2 Aan de directeur is voorbehouden het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden: - a. onderwerpen waarover binnen het MT-BPZ geen overeenstemming bestaat; - b. onderwerpen die aan hem zijn voorbehouden; - c. het afwijken van de voor financiële faciliteiten bestaande criteria; - d. onderwerpen, ten aanzien waarvan hij mededeling heeft gedaan, dat zij door hem zullen worden behandeld. Artikel 3 1. Aan de MT-leden wordt, ieder voor zich, ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op zijn werkterrein met dien"},{"i":3258,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 22 april 2025 nr. BOACAT2025/119, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Het Hogeland Gelezen het verzoek van de gemeente Het Hogeland van 26 maart 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050990&artikel=2&z=2025-04-30&g=2025-04-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving in dienst van gemeente Het Hogeland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij"},{"i":4219,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 februari 2026, WJZ/61827267, houdende vaststelling van de subsidieplafonds voor de aanvraagrondes van 2026 en 2027 op grond van de Subsidieregeling grote restauratieopgaven niet-woonhuisrijksmonumenten Gelet op [artikel 5, eerste lid, van de Subsidieregeling grote restauratieopgaven niet-woonhuisrijksmonumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052307&artikel=5); Besluit: artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Subsidieregeling grote restauratieopgaven niet-woonhuisrijksmonumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052307&artikel=5), bedraagt: - a. voor de aanvraagronde van 2026: € 22.500.000; en - b. voor de aanvraagronde van 2027: € 22.500.000. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4344,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 29 juni 2017, kenmerk 10389, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van de totalisator (Vergunning totalisator 2017–2022) Op grond van de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=24) en [25, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=25) (hierna: de wet) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan Sportech Racing B.V., een besloten vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Rijswijk met KvK-nummer 27144447 (hierna: de vergunninghouder), vergunning tot het organiseren van de totalisator voor de periode van 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2022. Aan deze vergunning zijn de navolgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de vergunde kansspelen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Vergunde kansspelen B. Afdracht C. Bescherming van kwetsbare groepen D. Bescherming van consumenten E. Betrouwbaarheid en integriteit F. Controle, rapportage en toezicht G. Overig"},{"i":4470,"b":"Circulaire Adresonderzoek BRP Deze circulaire vervangt de circulaire Adresonderzoek BRP, opgesteld door het Ministerie van BZK, ingangsdatum 1 november 2018, kenmerk 2018-0000266452 1. Waarom deze circulaire? 1.1. Het belang van adreskwaliteit Het adresonderzoek is een instrument voor gemeenten om de verantwoordelijkheid voor de juiste bijhouding van de basisregistratie personen (BRP) te vervullen. Deze circulaire gaat in op het uitvoeren van een adresonderzoek en de verantwoordelijkheid van de gemeente en de burger. Daarnaast worden er specifieke aandachtspunten beschreven voor elke onderzoekstap. Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor een actuele, juiste en betrouwbare registratie van persoonsgegevens van ingezetenen in de BRP. Om de kwaliteit van de adresgegevens in de BRP zo hoog mogelijk te houden is het van belang dat de gemeente hoge prioriteit geeft aan het adresonderzoek. Een hoge kwaliteit van de adresgegevens van ingezetenen in de BRP is ook van belang voor de gemeente zelf. Denk bijvoorbeeld aan het bieden van voorzieningen afgestemd op de woonsituatie, handhaving bij brandveiligheid, een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de sociale woonruimte en het tegengaan van woonfraude. 1.2. Wijziging [Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715) in verband met de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit Per 15 mei 2023 is de [Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715) gewijzigd ten behoeve van de structurele inbedding van de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA). Met de wetswijziging worden regels gesteld over de gegevensverwerking bij LAA, waaronder de inzet van risicoprofielen.1H2, Afdeling 1, paragraaf 4a Wet BRP. Bij LAA worden signalen van mogelijk onjuiste adresgegevens geselecteerd. Gemeenten ontvangen deze signalen om nader te onderzoeken of de adresgegevens inderdaad onjuist zijn. Het LAA-signaal is daarmee een van de aanleidingen om een adresonderzoek te starten. In deze circulaire wordt tevens"},{"i":2030,"b":"Zuid-Afrikaanse uitvoeringsvoorschriften belastingovereenkomst Nederland-Zuid-Afrika Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Regeling inzake vermindering of vrijstelling van Zuid-Afrikaanse belasting op dividenden, interest, royalty's pensioenen en lijfrenten, genoten door inwoners van Nederland. Artikel 1 Aan de op 15 maart 1971 tussen Nederland en Zuid-Afrika gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 1971, nr. 72), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. beperking tot 15% van de Zuid-Afrikaanse belasting op dividenden (daaronder begrepen uitdelingen op winstdelende obligaties), betaald door een lichaam dat inwoner van Zuid-Afrika is ( artikel 10, tweede lid, onderdeel b)); - b. verdere vermindering tot 5% van de Zuid-Afrikaanse belasting op dividenden, indien de genieter van de dividenden een Nederlands lichaam is dat onmiddellijk of middellijk ten minste 25 percent van het totale aantal stemmen in het lichaam dat de dividenden betaalt, beheerst ( artikel 10, tweede lid, onderdeel a)); - c. beperking tot 10% van de Zuid-Afrikaanse belasting op interest, afkomstig uit Zuid-Afrika ( artikel 11, tweede lid); - d. algehele vrijstelling van de Zuid-Afrikaanse belasting op royalty's, afkomstig uit Zuid-Afrika ( artikel 12, eerste lid); - e. algehele vrijstelling van de Zuid-Afrikaanse belasting op pensioenen, betaald vanuit Zuid-Afrika ( artikel 19), met uitzondering van overheidspensioenen ( artikel 20, eerste lid); - f. algehele vrijstelling van de Zuid-Afrikaanse belasting op lijfrenten, afkomstig uit Zuid-Afrika ( artikel 23). De in de onderdelen a tot en met d van dit artikel bedoelde beperkingen, vermindering en vrijstellingen zijn niet van toepa"},{"i":2043,"b":"Aanpassing vergoeding materiële instandhouding (MI) basisscholen als gevolg van groei (2004) 1. Inleiding De vergoeding materiële instandhouding (MI) voor het kalenderjaar 2004 wordt berekend op basis van het aantal leerlingen op de reguliere teldatum 1 oktober 2003. Als een school echter op 1 maart 2004 aanzienlijk meer leerlingen heeft dan op 1 oktober 2003, bestaat het recht om de vergoeding voor de materiële instandhouding met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 te laten aanpassen. Hiervoor moet de school middels een telformulier het aantal leerlingen op 1 maart 2004 opgeven. Bij het opgeven van de leeftijd van de leerlingen op het telformulier dient te worden uitgegaan van de leeftijd van deze leerlingen op 1 oktober 2003. Het telformulier is ten opzichte van het voorgaande schooljaar niet veranderd en is vastgesteld in het Gele Katern nummer 2/3 van 5 februari 2003 (kenmerk: CFI/GEG 2003/19283N). Met ingang van schooljaar 2002 - 2003 is de groeidrempel voor de 1 maart-telling verlaagd. De berekeningswijze om te beoordelen of uw school voldoet aan de groeidrempel is hieronder in paragraaf 3.1 opgenomen. 2. Doelgroep Deze regeling is bedoeld voor basisscholen waarbij op 1 maart 2004 aanzienlijk meer leerlingen daadwerkelijk schoolgaand en ingeschreven zijn dan op 1 oktober 2003. Vanaf het schooljaar 2000 - 2001 is de voorwaarde vervallen dat u in de periode tussen 1 oktober en 1 maart van het lopende schooljaar aanspraak gemaakt moet hebben op verhoging van de personele formatie. 3. Procedure Hieronder wordt de procedure geschetst die leidt tot een hernieuwde vaststelling van de vergoeding voor materiële instandhouding 2004. 3.1. Indienen telformulier Een school heeft recht op toekenning van extra vergoeding voor de materiële instandhouding als het aantal leerlingen op 1 maart 2004 met tenminste 13 leerlingen is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op 1 oktober 2003 verhoogd met 3 procent, welk getal naar beneden wordt afgerond op een heel getal"},{"i":3937,"b":"Besluit van 23 juni 2025 tot wijziging van het Kiesbesluit in verband met de Wet programmatuur verkiezingsuitslagen Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 10 maart 2025, nr. 2025-0000084054; Gelet op de [artikelen Ea 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ea_2), [Ea 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ea_3),[Ea 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ea_4), [Ea 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ea_5),[Ea 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ea_6), [Ea 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ea_9) en [Ea 11 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ea_11); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 mei 2025, nr. W04.25.00054/I; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 juni 2025, nr. 2025-0000329588; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Kiesbesluit. Artikel II Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit programmatuur verkiezingsuitslagen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2860,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 10 oktober 2006, nr. 5445876/06/6, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2007 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2007) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2007 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1.8. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2007. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5974,"b":"Besluit van 23 december 1994, tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 9 november 1994, nr. WV 94/498M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken Van de Vondervoort; Gelet op [artikel 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=20); De Raad van State gehoord (advies van 12 december 1994, nr. W06.94.0695); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 21 december 1994, nr. WV 94/601U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken Van de Vondervoort; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan [artikel 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=20). 2. In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119). Artikel 2 Bij ministeriële regeling wordt een instructie vastgesteld waarin regels zijn neergelegd voor de onderbouwing en de uitvoering van de waardebepaling van onroerende zaken op de voet van de wet. Artikel 3 De instructie bevat richtlijnen voor het rapporteren door de colleges van burgemeester en wethouders aan de Waarderingskamer over de stand van zaken, de planning en de voortgang van de werkzaamheden in het kader van de [Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119), alsmede over de kwaliteit van die werkzaamheden. Artikel 4 De instructie bevat richtlijnen voor het verzamelen, analyseren en registreren van objectgegevens en marktgegevens die ten grondslag liggen aan de waardebepaling. Artikel 5 De instructie bevat richtlijne"},{"i":5629,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA tatoeëren, piercen en tatoeagekleurstoffen (IB03-SPEC 59, versie 03) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA tatoeëren, piercen en tatoeagekleurstoffen beschrijft de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen in het toezichtdomein tatoeëren, piercen en tatoeagekleurstoffen en geeft daarmee invulling aan het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. Begrippen 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). 2.2. Gebruikte afkortingen AIB [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03) NL Nederland OW Officiële Waarschuwing SPEC Specifiek interventiebeleid RvB Rapport van Bevindingen VWS Ministerie van Volksgezo"},{"i":2137,"b":"Aanwijzing directie als centrale autoriteit Overwegende dat artikel 4, eerste lid, van de Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, uitvoering van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, alsmede algemene bepalingen met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van ontvoerde kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan (Stb. 202), voorschrijft dat Onze Minister van Justitie bij in de Nederlandse Staatscourant openbaar te maken besluit de onder zijn Ministerie ressorterende dienst aanwijst, welke wordt belast met de taak van centrale autoriteit, bedoeld in artikel 2 van het Europese verdrag en in artikel 6 van het Haagse verdrag en tevens met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst; Besluit: Artikel I De Directie Preventie, Jeugd en Sanctiebeleid, stafbureau Juridische Zaken, wordt aangewezen als centrale autoriteit, belast met de uitvoering van de in het Europese verdrag en het Haagse verdrag bedoelde taken en tevens met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst. Artikel II Dit besluit werkt terug tot 1 januari 1998. Met ingang van datzelfde tijdstip vervalt het besluit, kenmerk [511387/95/JR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007520), van 23 augustus 1995. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":3419,"b":"Besluit van 22 augustus 1997, houdende regels inzake de deskundigheid van de heilgymnast-masseur (Besluit deskundigheidsgebied heilgymnast-masseur) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 mei 1997, CSZ/BO-976968; Gelet op [artikel 108, derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=108); De Raad van State gehoord (advies van 30 juni 1997, No. W13.97.0281); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 augustus 1997, CSZ/BO-9711594; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251). § 2. Deskundigheid Artikel 2 1. De tot het gebied van deskundigheid van de heilgymnast-masseur te rekenen handelingen, bedoeld in artikel 108, derde lid, van de wet, omvatten het: - a. onderzoeken van de patiënt op de aanwezigheid van een belemmering of bedreiging van diens bewegend functioneren en de mate waarin daarvan sprake is, en op basis van de verkregen gegevens opstellen van een behandelplan; - b. behandelen van de patiënt door het toepassen van bewegingstherapie en massagetherapie, strekkende tot het opheffen, verminderen of compenseren van stoornissen of beperkingen van het steun- en bewegingsapparaat en van de daarbij betrokken organen en regelsystemen, alsmede het normaliseren van het houdings- en bewegingsvermogen; - c. geven van heilgymnastisch advies aan de betrokken patiënt. 2. De bewegingstherapie, bedoeld in het eerste lid, onder **b**, omvat het door de heilgymnast-masseur uitvoeren van bewegingen aan de patiënt of doen uitvoeren van bewegingen door de patiënt, al dan niet met daartoe strekkende hulpmiddelen of apparatuur. 3. De massagetherapie, bedoeld in het eerste lid, onder **b**, omvat het methodisch toepassen van specifieke handgrepen aan het"},{"i":4197,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 18 mei 2020, nr. IENW/BSK-2020/83940 houdende vaststelling van het subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling VeiligheidNL voor het jaar 2020 Gelet op [artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8) en [artikel 4, tweede lid, van de Subsidieregeling VeiligheidNL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040088&artikel=4); BESLUIT: artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Subsidieregeling VeiligheidNL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040088&artikel=4) wordt voor de periode vanaf 1 juni 2020 tot en met 31 december 2020 vastgesteld op € 95.000,– voor het doen van onderzoek en € 105.000,– voor het geven van voorlichting. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2149,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 november 2023, kenmerk 3712418-1055833-PZo, inzake het experiment zinnig en simpel verantwoorden in de langdurige zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 25 september 2023 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II**2022/23, 29 515, 489) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld in de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). Artikel 3. Opdracht experiment 1. De zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2024, met toepassing van [artikel 58 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58), in regelgeving voor een experiment inzake zinnig en simpel verantwoorden. 2. Op grond van dit experiment krijgt een zorgaanbieder de mogelijkheid om af te wijken van de beleidsregels en nadere regels van de zorgautoriteit ten aanzien van de verantwoording. 3. De zorgautoriteit stelt als voorwaarde dat de aanvraag voor het experiment door de zorgaanbieder en Wlz-uitvoerder gezamenlijk wordt ingediend. 4. De zorgautoriteit kan het aantal experimenten alsmede de experimentonderwerpen met het oog op de uitvoerbaarheid en beheersbaarheid beperken. Artikel 4. Uitgangspunten experiment De zorgautoriteit neemt bij de vaststelling van de regelgeving voor het experiment als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":2160,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 7 augustus 1997 tot aanwijzing van het identiteitsbewijs geprivilegieerden als document voor de vaststelling van de identiteit van personen Gelet op [artikel 1, tweede lid, van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1); Besluit: Het identiteitsbewijs geprivilegieerden als bedoeld in de regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 augustus 1997, nr. DJZ/BR 902/97, wordt aangewezen als een document voor de vaststelling van de identiteit van personen."},{"i":2189,"b":"Aanwijzing pre-opsporing, opsporing en vervolging van maritieme strafbare feiten Samenvatting Deze aanwijzing bevat beleids- en werkafspraken voor pre-opsporing en opsporen en vervolgen van strafbare feiten, die: Achtergrond Op 1 januari 2007 is het [Besluit instelling Kustwacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020546) (verder te noemen BiK) van 17 november 2006, Stcr. Nr. 229 d.d. 23 november 2006, in werking getreden. Omdat dit besluit geen duidelijke taakverdeling voor het OM bevat, hetgeen in de praktijk als een gemis wordt ervaren, is besloten om de vervallen Aanwijzing opsporing en vervolging van strafbare feiten op de Noordzee nieuw leven in te blazen. De handhavingsactiviteiten worden uitgevoerd door de Kustwacht Nederland3Kustwacht Nederland, internationaal aangeduid als Netherlands Coastguard. De Kustwacht is beheersmatig ondergebracht te Den Helder bij het Commando Zeestrijdkrachten van het Ministerie van Defensie. De Kustwacht beschikt over een Kustwachtcentrum, op welke plaats de handhavingcoördinatie plaatsvindt.(verder te noemen de Kustwacht) en gecoördineerd door de Permanente Kontaktgroep Handhaving Noordzee (verder te noemen PKHN). De binnen de kustwacht werkzame opsporingsambtenaren – zowel algemene als buitengewone of bijzondere opsporingsambtenaren – worden Koa’s genoemd. Het werkgebied van de Kustwacht omvat ([artikel 6 BiK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020546&artikel=6)): Ter nakoming van internationale afspraken kan het werkgebied van de Kustwacht verder uitgebreid worden. De Kustwacht voert dienstverlenende, toezichthoudende en opsporingstaken uit. Het Kustwachtcentrum (hierna KWC) is gevestigd in Den Helder. Bij de Kustwacht werken een aantal diensten van verschillende ministeries samen. De instelling en besturing van de Kustwacht is geregeld in het [BiK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020546)4Besluit instelling Kustwacht, 17 november 2006/nr. STG 2006/1961 Rijkswaterstaat, Staatscourant 23 november 2006, nr."},{"i":2926,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 december 2021, nr. 3668776 houdende aanwijzing van het bestuursdepartement van het Ministerie van Justitie en Veiligheid als algemene bewaarplaats van protocollen in verband met de verplichting protocollen die ouder zijn dan vijfenzeventig jaar, met uitzondering van de akten betreffende uiterste willen, en die in een algemene bewaarplaats berusten en de akten betreffende uiterste willen die ouder zijn dan honderd jaar over te brengen naar een rijksarchiefbewaarplaats Gelet op [artikel 57, eerste lid, van de Wet op het Notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=57); Besluit: Artikel 1 Het Bestuursdepartement van het Ministerie van Justitie en Veiligheid te Den Haag wordt aangewezen als algemene bewaarplaats van protocollen als bedoeld in [artikel 57, eerste lid, van de Wet op het Notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=57). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie daarvan in de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 december 2021. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3981,"b":"Besluit Rendementen gesubsidieerde woningbouw november 2012 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984. Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2012, doch niet later dan 15 december 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,617 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2012 en eindigende met 15 december 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassin"},{"i":4346,"b":"Besluit van 19 december 2024, houdende regels met betrekking tot het verplicht elektronisch indienen van verzoeken en mededelingen in zaken betreffende curatele, beschermingsbewind en mentorschap voor professionele wettelijke vertegenwoordigers (Besluit verplicht elektronisch communiceren professionele wettelijke vertegenwoordigers) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 7 oktober 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5822653; Gelet op [artikel 33, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=33) en de [artikelen 383, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=383), [435, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=435), en [452, achtste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=452); De Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 november 2024, nr. W16.24.00282/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken van 16 december 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5942201; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Verzoeken en mededelingen en de indiening en verzending van andere stukken in zaken betreffende curatele, onderbewindstelling en mentorschap als bedoeld in [titels 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=16), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=19) en [20 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=20) en de uitwisseling van overige berichten met en door de kantonrechter worden elektronisch gedaan. 2. Het eerste lid is van toepassing op personen die ten behoeve van drie of meer personen curator, bewindvoerder of mentor zijn als bedoeld in de [artikelen 383, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=383),"},{"i":2948,"b":"Besluit van de Inspecteur-Generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister voor Medische Zorg van 16 juli 2020, TRCVWA/2020/2753, tot aanwijzing van grenscontroleposten en controlepunten, als bedoeld in verordening (EU) 2017/625 voor dieren, dierlijke producten, levensmiddelen en fyto (Besluit aanwijzing grenscontroleposten en controlepunten officiële controleverordening dierlijk, levensmiddelen en fyto) Gelet op: artikel 59, eerste lid, van verordening (EU) 2017/625 van het Europees parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), (EU) [nr. 1151/2012](32012R1151), (EU) [nr. 652/2014](32014R0652), (EU) [2016/429](32329R2016) en (EU) [2016/2031](32031R2016) van het Europees parlement en de Raad, de Verordeningen [(EG) nr. 1/2005](32005R0001) en [(EG) nr. 1099/2009](32009R1099) van de Raad en de Richtlijnen [98/58/EG](31958R0098), [1999/74/EG](31974R1999), [2007/43/EG](31943R2007), [2008/119/EG](32019R2008) en [2008/120/EG](32020R2008) van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen [(EG) nr. 854/2004](32004R0854) en [(EG) nr. 882/2004](32004R0882) van het Europees parlement en de Raad, de Richtlijnen [89/608/EEG](32508R0089), [89/662/EEG](32562R0089), [90/425/EEG](32325R0090), [91/496/EEG](32396R0091), [96/23/EG](31923R0096), [96/93/EG](31993R0096) en [97/78/EG](31978R0097) van de Raad en Besluit [92/438/EEG](32338R0092) van de Raad (verordening officiële controles) (PbEU 2017 L 95); artikelen 7 en 8 van uitvoeringsverordening (EU) 2019/1014 van de Commissie v"},{"i":2653,"b":"Beleidsregels voor de uitvoering van artikel 7A van de Woningwet Deze beleidsregels geven uitvoering aan [artikel 7a, eerste lid van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7a). Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: **de Minister,** de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM); **dubo-voorzieningen,** voorzieningen waarvan het bewezen milieurendement hoger is dan dat van conventionele voorzieningen; **de bouwkosten,** de stichtingskosten verminderd met de grondkosten; **de meerkosten,** het verschil in prijs tussen enerzijds conventionele voorzieningen en anderzijds dubo-voorzieningen; en **ontheffing,** toestemming van de Minister als bedoeld in [artikel 7a, lid 2 en 3 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7a). Artikel 2. Reikwijdte In deze beleidsregels wordt onder een project verstaan de op bepaalde percelen nieuw te bouwen bouwwerken of het op een bepaald perceel nieuw te bouwen bouwwerk óf de te verrichten werkzaamheden aan bouwwerken op bepaalde percelen of aan het bouwwerk op een bepaald perceel, waarvoor door burgemeester en wethouders een aanvraag om ontheffing bij de Minister is ingediend. Artikel 3. Inhoudelijke voorwaarden verkrijgen ontheffing Een ontheffing kan slechts door de Minister worden verleend indien is voldaan aan de volgende inhoudelijke criteria: - a. een project komt zonder ontheffing niet tot stand, gezien het te verwachten economische rendement in verhouding tot het risico en het milieubelang; - b. de in het project toegepaste dubo-voorzieningen zijn voor de categorie waartoe het bouwwerk behoort nog onvoldoende toegepast, zodat nog onvoldoende inzicht is verkregen in - 1°. de milieuwinst die met de toegepaste dubo-voorzieningen wordt bereikt of - 2°. de consequenties van deze voorzieningen voor kosten, uitvoering of beheer; - c. het project kent geen grotere omvang dan nodig is om inzicht te krijgen in de milieuw"},{"i":4328,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 juli 2025, nr. 2025-0000023492, houdende een verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het Instituut Mijnbouwschade Groningen aangaande aangelegenheden op het gebied van de Archiefwet 1995 Gelet op het [Tijdelijk besluit mandaat, volmacht en machtiging herstel schade en versterking Groningen van 14 november 2024 II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050393), BESLUIT: Artikel 1 Aan het Instituut Mijnbouwschade Groningen wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vervangingsbesluiten te kunnen nemen voor aangelegenheden op het gebied van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376). Artikel 2 Het Instituut Mijnbouwschade Groningen kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051331&artikel=1&z=2025-07-30&g=2025-07-30), ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan een of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 3 Ondertekening van besluiten en stukken op grond van mandaat vindt plaats op de volgende wijze: ‘De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, namens deze,’ gevolgd door de functieaanduiding, naam en handtekening van de gemandateerde, gevolmachtigde of gemachtigde functionaris. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2318,"b":"Aanwijzingsregeling Koninklijke Marechaussee ex artikel 60, tweede lid WIV 2002 Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 60, tweede lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013409&artikel=60), Besluit: Artikel 1 Voor de feitelijke uitvoering van en het toezicht op de werkzaamheden ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst worden bij de Koninklijke Marechaussee aangewezen: - a. de Directeur Operaties, - b. het Hoofd van het Cluster Intelligence, - c. het personeel van de Bijzondere Dienst, en - d. het personeel van de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten. Artikel 2 De [Aanwijzingsregeling bijzondere dienst Koninklijke marechaussee van 1 november 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012947) (Stcrt. 2001, nr. 218) wordt ingetrokken. Artikel 3 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2013. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzingsregeling Koninklijke Marechaussee ex artikel 60, tweede lid WIV 2002. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2336,"b":"Algemene salarisverhoging sector Rijk per 1 oktober 1996 «Circulaire aan de ministers» Inleiding/Managementinformatie In mijn [circulaire](onbekend) van 22 september 1995, kenmerk AD95/U915, kondigde ik onder meer aan dat ik bij afzonderlijke circulaire nog nadere informatie zou verstrekken over de salarisverhoging per 1 oktober 1996 ter grootte van 0,75% en over de wijzigingen in het beloningsbeleid per 1 januari 1997. Bij deze voldoe ik daaraan met betrekking tot de salarisverhoging per 1 oktober aanstaande. Tijdig voor 1 januari 1997 zal ik u nader informeren over de wijzigingen in het beloningsbeleid per 1 januari 1997. De salarisverhoging per 1 oktober 1996 houdt een algemene aanpassing in van de salarisbedragen met de gebruikelijke doorwerking daarvan naar de van het salaris afgeleide of daaraan gerelateerde bedragen. De algemene salarisverhoging wordt centraal in het geautomatiseerde IPA-salaris-systeem aangebracht. Dit betekent dat voor de verwerking van deze maatregel in het algemeen – behoudens ten aanzien van een eventuele aanpassing van bepaalde toelagen: zie daarvoor onder punt A.2.a – geen afzonderlijke maatregelen door het management behoeven te worden getroffen. A. Salarisverhoging per 1 oktober 1996 1. Inpassingstabellen per 1 oktober 1996 In verband met de salarisverhoging van 0,75% komen de (schaal-)salarisbedragen voor volwassenen per 1 oktober 1996 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008229&bijlage=I&z=1996-10-01&g=1996-10-01) gevoegde inpassingstabel. De als [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008229&bijlage=II&z=1996-10-01&g=1996-10-01) bijgevoegde inpassingstabel vermeldt de zogenaamde ’tussen’-bedragen; dit zijn in het verleden gegarandeerde salarisbedragen die niet meer voorkomen in de [bijlagen van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=A) (BBRA 1984), maar waarvan het niet i"},{"i":2344,"b":"Besluit van 16 december 2005, houdende vaststelling van regels voor het inventariseren van asbest en het verwijderen van asbest in het algemeen en uit een bouwwerk in het bijzonder en in verband hiermee een wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Asbestverwijderingsbesluit 2005) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 april 2005, nr. MJZ2005029056, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op artikel 7 van [richtlijn nr. 87/217/EEG](31987L0217) van de Raad van 19 maart 1987 inzake voorkoming en vermindering van verontreiniging van het milieu door asbest (PbEG L 85), artikel 1, onderdelen 11, 13 en 14, voor zover het betreft artikel 12 ter, van [richtlijn nr. 2003/18/EG](32003L0018) van het Europees Parlement en de Raad van 27 maart 2003 (PbEU L 97) tot wijziging van [richtlijn nr. 83/477/EEG](31983L0477) van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling van asbest op het werk, de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=24), [35, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=35), en [39, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=39), de [artikelen 8, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=8), juncto [8, tweede lid, onderdelen d en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=8), en [120 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120) voorzover het betreft [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019316&paragraaf=4&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01), alsmede de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":2360,"b":"Wet op de dividendbelasting 1965, Wet bronbelasting 2021. Uitleg hybride-entiteitenbepalingen (Beleidsbesluit hybride-entiteitenbepalingen) De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit verduidelijkt voor een specifieke casuspositie de toepassing van artikel 4, negende lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 alsmede artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, gelezen in samenhang met het vierde lid, onderdeel a, van de Wet bronbelasting 2021 in lijn met de uitleg van de hybride-entiteitenbepaling in (artikel 24, vierde lid, van) het Belastingverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika (of daarmee inhoudelijk overeenkomende verdragsbepalingen). Het besluit van 19 maart 1997, IFZ/204M heeft zijn belang verloren en wordt via dit besluit ingetrokken.** 1. Inleiding In [artikel 4, negende lid, Wet DB 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=4) en [artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&artikel=2.1), in samenhang met artikel 2.1, vierde lid, onderdeel a, Wet BB 2021 alsmede in (een groot aantal) geldende belastingverdragen zijn bepalingen opgenomen die zien op inkomen dat wordt ontvangen door of via hybride entiteiten. De genoemde bepalingen in de [Wet DB 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515) en [Wet BB 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952) regelen hoe de dividendbelasting en bronbelasting uitwerken bij betalingen aan een hybride entiteit, waarbij vanuit Nederlandse fiscale optiek een buitenlandse entiteit als zelfstandig belastingplichtig wordt aangemerkt en het inkomen wordt toegerekend aan deze entiteit, terwijl de staat waarvan de achterliggende participant(en) in de hybride entiteit inwoner is (zijn) het inkomen fiscaal toerekent aan die participant(en) (als inkomen van een of meer inwoner(s)). In de praktijk bestaat bij de hierna beschreven specifieke casuspositie onduidelijkheid – met name in structuren in relatie tot d"},{"i":3338,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 5 september 2023 nr. BOACAT2023/057, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Westerkwartier Gelezen het verzoek van gemeente Westerkwartier van 18 augustus 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048606&artikel=2&z=2023-09-13&g=2023-09-13). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Westerkwartier, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de ["},{"i":3983,"b":"Besluit Rendementen gesubsidieerde woningbouw september 2012 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984. Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2012, doch niet later dan 15 oktober 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,698 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2012 en eindigende met 15 oktober 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassi"},{"i":3657,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 maart 2024, nr. 2024-0000058892 tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport ten behoeve van de Autoriteit woningcorporaties, de handhaving van de Woningwet wat betreft het toezicht op toegelaten instellingen en de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector, alsmede de aanwijzing van ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport als toezichthouders op de naleving van de Woningwet en de naleving van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector en tot wijziging van enkele andere besluiten (Besluit mandaat Autoriteit woningcorporaties en aanwijzing toezichthouders Woningwet en WNT) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), [artikel 22, zevende lid van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=22), de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.1), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.5) en [5.6 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.6) en [artikel 61, vijfde lid van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=61), Gezien de schriftelijke instemming van de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport 28 februari 2024. Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **autoriteit:** Autoriteit woningcorporaties, bedoeld in [artikel 60, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=60); - b. **besluit:** [Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015](https://wet"},{"i":2475,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 1 mei 2013, nr. ILT-2013/15952, inzake verlening van ontheffing van de eis een chauffeurskaart in het bezit te hebben en te gebruiken, ten behoeve van de deelname aan een leer-werk-traject (beleidsregel ontheffing leer-werk-traject taxi) Gelet op onderdeel e van het eerste lid van [artikel 79 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=79) en [het negende lid van artikel 83 van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **besluit:** [Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982); - b. **chauffeurskaart:** chauffeurskaart als bedoeld in [artikel 1, onderdeel i, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=1); - c. **ontheffing:** ontheffing van de eis een chauffeurskaart in bezit te hebben en te gebruiken in het kader van een leer-werk-traject, als bedoeld in [artikel 83, negende lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=83); - d. **LWT-contractvervoer:** taxivervoer waarbij gedurende een periode van minimaal negen maanden meermalen taxivervoer wordt verricht volgens een schriftelijke overeenkomst, die een vervoerplicht inhoudt voor het vervoeren van meerdere passagiers niet zijnde de opdrachtgever, tegen in die overeenkomst vastgelegde tarieven, alsmede vervoer als bedoeld in het eerste lid van [artikel 6 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=6); - e. **gezamenlijke verklaring:** verklaring van de aanvrager en de vervoerder, bedoeld in [artikel 1, onderdeel k, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1), die taxivervoer verricht, waaruit blijkt dat de aanvrager gedurende het leer-werk-traject uitsluitend LWT-contractvervoer voor de vervoerder zal verrichten. - f. **CBR:"},{"i":3956,"b":"Besluit van 24 januari 2005, houdende enkele rechtspositionele voorschriften ten aanzien van leden van de Raad van State en de Algemene Rekenkamer Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2004, 2004-000004426845, CZW Gelet op [artikel 3a, derde lid, van de Wet op de Raad van State](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=3a) en [artikel 74, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=74); De Raad van State gehoord (advies van 23 december 2004, nr. W04.04.0607/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 januari 2005, nr. 2004-0000050661; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Op de vice-president, de leden van de Raad van State en de staatsraden, zijn van toepassing [hoofdstuk 3, met uitzondering van de artikelen 30 en 31, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&hoofdstuk=3), betrekking hebbende op de regels inzake arbeidsgezondheidskundige begeleiding en voorzieningen in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid die van toepassing zijn op voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren en het [Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826), met dien verstande dat wordt gelezen voor: - a. «Onze Minister»: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. «functionele autoriteit»: vice-president van de Raad van State. Artikel 2 Op de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer zijn van toepassing [hoofdstuk 3, met uitzondering van de artikelen 30 en 31 en de regels inzake herplaatsing, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&hoofdstuk=3), betrekking hebbende op de regels inzake arbeidsgezondheidskundige begeleiding en voorzieningen in verband met z"},{"i":2477,"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 maart 2022, nr. WJZ/ 22101854, tot vaststelling van de gronden waarop ontheffing verleend wordt van de verboden, opgenomen in artikel 8, eerste lid, van het Reglement voor de Binnenvisserij 1985 en artikel 29, eerste lid, onderdeel g, en tweede en derde lid, van de Uitvoeringsregeling visserij, ten behoeve van cultuurhistorische visserij (Beleidsregel ontheffing vergunningsplicht IJsselmeer voor cultuurhistorische visserij) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 11 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=11) en [artikel 33, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=33); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **aalhoekwantnacht:** aaneengesloten periode van maximaal 24 uur, waarin een aalhoekwant van maximaal vijfhonderd meter lang mag worden ingezet; - **cultuurhistorische visserij:** zeilende visserij met traditionele vaartuigen dan wel met een niet-gemotoriseerde sloep ten behoeve van het, middels een demonstratie aan een groep of een evenement, demonstreren en levend houden van de traditionele visserij; - **demonstratie aan een groep:** demonstratie bedoeld voor groepen bestaande uit ten minste vijf personen; - **evenement:** evenement bedoeld voor ten minste vijftig bezoekers; - **fuik:** grote fuik of schietfuik binnenvisserij; - **fuik of kubnacht:** aaneengesloten periode van maximaal 24 uur, waarin een fuik of kub mag worden ingezet; - **kub:** kleine fuik zonder vleugels, die wordt opengehouden door hoepels en twee horizontaal geplaatste stokken, met de inzwemopening aan één van beide uiteinden en minimaal twee inkelingen; - **minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - **netnacht staand net:** aaneengesl"},{"i":2478,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister voor Klimaat en Energie van 21 juni 2022 nr. WJZ/22228374 tot vaststelling van het beleid tot afwikkeling van aanvragen tot ontheffing van het verbod van artikel 5 duodecies Verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (Beleidsregel ontheffingen Minister van EZK en Minister voor KE verbod artikel 5 duodecies Verordening (EU) nr. 833/2014) Gelet op de artikelen 5 duodecies en 6 van Verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PbEU L 229 van 31 juli 2014); Gelet op [artikel 2, negende lid, van de Sanctieregeling territoriale integriteit Oekraïne 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034955&artikel=2); Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **De minister:** de Minister van Economische Zaken onderscheidenlijk de Minister voor Klimaat en Energie; - **Gesanctioneerde opdracht:** opdrachten als bedoeld in artikel 5 duodecies, eerste lid, aanhef van Verordening (EU) nr. 833/2014; - **Russische entiteit:** een Russisch onderdaan of in Rusland gevestigde natuurlijke persoon, rechtspersoon of lichaam als bedoeld in artikel 5 duodecies, eerste lid, onderdeel a, b of c, van Verordening (EU) nr. 833/2014; - **Verordening (EU) nr. 833/2014:** [Verordening (EU) nr. 833/2014](32014R0833) van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PbEU 2014, L 229); - **Verordening (EU) nr. 269/2014:** [Verordening (EU) nr. 269/2014](32014R0269) van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beper"},{"i":2479,"b":"Beleidsregel ter uitvoering van artikel 3.21 van de Wet luchtvaart met betrekking tot MLA's (Beleidsregel ontheffingen MLA's) Gelet op [artikel 3.21 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.21); Besluit: Artikel 1 1. Ontheffing van het verbod als bedoeld in [artikel 3.8, eerste lid, onder b, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.8) kan, teneinde binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam vluchten uit te voeren, worden verleend aan de houder van een niet in Nederland geregistreerde MLA, dat niet is voorzien van een standaard-BvL, wanneer bij de aanvraag, welke schriftelijk dient te geschieden, daartoe de volgende bescheiden zijn gevoegd: - a. een document als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, onder a, van de Regeling MLA's](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015237&artikel=3); - b. een bewijs van inschrijving in het luchtvaartuigregister in het land van registratie; - c. een bewijs, afgegeven door de bevoegde autoriteit van het land van registratie, waaruit blijkt, dat de uitoefening van de luchtvaart met het betrokken MLA in dat land is toegestaan; en - d. een bewijs, waaruit blijkt, dat de houder van het MLA in voldoende mate verzekerd is tegen wettelijke aansprakelijkheid. 2. Indien een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, wordt deze eenmaal per jaar verleend voor één of meer periodes van één of meer aaneengesloten dagen met een maximum van 28 dagen per jaar. 3. Een ontheffing wordt slechts aan de houder van een niet in Nederland geregistreerde MLA verleend, indien door de autoriteit die het bewijs, bedoeld in het eerste lid, onder c, heeft uitgegeven, verklaart dat vluchten over buitenlands grondgebied zijn toegestaan, mits schriftelijke toestemming van de desbetreffende autoriteit verkregen is. Artikel 2 1. Ontheffingen van het verbod, bedoeld in [artikel 3.8, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.8)"},{"i":2483,"b":"Beleidsregel ontheffingverlening ten behoeve van de proef met langere of langere en zwaardere vrachtautocombinaties (Beleidsregel ontheffingverlening LZV) Gelet op [artikel 4 van de Regeling ontheffingverlening Dienst Wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008130&artikel=4); Besluiten: Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op vrachtautocombinaties waarvoor door de Ambtelijke adviescommissie LZV een positief advies, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098&artikel=4), is gegeven of ingetrokken. Artikel 2 1. Op basis van een positief advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098&artikel=4), keurt de Dienst Wegverkeer de vrachtautocombinatie overeenkomstig de in de bijlage opgenomen eisen. 2. Van deze keuring wordt schriftelijk bewijs geleverd. Artikel 3 1. De Dienst Wegverkeer verleent naar aanleiding van een positief advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV en het bewijs van keuring als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016099&artikel=2&z=2003-12-20&g=2003-12-20), van deze beleidsregel een ontheffing: - a. als bedoeld in [artikel 149, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) voor wegen in beheer van het Rijk; - b. als bedoeld in [artikel 149, eerste lid, onder b, c en d, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149), voor zover het mandaat dat door overige wegbeheerders aan de RDW is gegeven, daartoe strekt. 2. De Dienst Wegverkeer verleent ondersteuning bij de aanvraag voor ontheffingverlening bij de in [artikel 149, eerste lid, onder b, c en d, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149), genoemde bevoeg"},{"i":2484,"b":"Beleidsregel openbaarmaking handhavingsbesluiten, Woo-besluiten en beslissingen op bezwaar Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (Awb), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot een haar toekomende of onder haar verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheid. 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: 2. Doel van de beleidsregel De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is op grond van de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) (Wmg) en de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) (Woo) bevoegd om besluiten die zij neemt openbaar te maken. Deze beleidsregel geeft weer op basis van welke overwegingen en op welke wijze de NZa overgaat tot openbaarmaking van de besluiten die zijn genoemd in artikel 3. 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op de besluiten tot actieve openbaarmaking door de NZa van: 4. Algemene uitgangspunten openbaarmaking 5. Handhavingsbesluiten Aanwijzing ex [artikel 76 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (aanwijzing naleving Wmg) 6. Woo-besluiten 7. Beslissingen op bezwaar 8. Wijze van openbaarmaking 9. Intrekken oude beleidsregel Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregel wordt de beleidsregel ‘Openbaarmaking handhavingsbesluiten, Wob-besluiten en beslissingen op bezwaar’, met kenmerk AL/BR-0033, ingetrokken. 10. Toepasselijkheid voorafgaande beleidsregel De beleidsregel ‘Openbaarmaking handhavingsbesluiten, Wob-besluiten en beslissingen op bezwaar’, met kenmerk AL/BR-0033, blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die beleidsregel en die betrekking hebben op de periode waarvoor die beleidsregel gold. 11. Inwerkingtreding en citeertitel Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 mei 2022. Indien de Staatscourant waarin de beleids"},{"i":2485,"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 november 2025, kenmerk 4248897-1090174-GMT, over de verlening van Opiumontheffingen (Beleidsregel Opiumontheffing 2026) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=8), [8h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=8h) en [8i van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=8i); Besluit: Vastgesteld wordt de navolgende beleidsregel voor de beslissing op aanvragen voor Opiumontheffingen. Deze bevat een uitwerking van de in de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) genoemde criteria die worden gehanteerd bij de beslissing op een aanvraag voor een Opiumontheffing. Tevens is aangegeven welke beperkingen en voorschriften aan een Opiumontheffing (kunnen) worden verbonden. Ook worden de tarieven genoemd, die verbonden zijn aan het verkrijgen van een Opiumontheffing. Uitgangspunt bij een aanvraag voor een Opiumontheffing is dat de noodzakelijkheid van deze Opiumontheffing wordt aangetoond. Hierbij geldt dat indien er alternatieve mogelijkheden zijn – dat wil zeggen dat het doel redelijkerwijs kan worden bereikt zonder gebruik te maken van Opiumwetmiddelen – de noodzaak in beginsel niet aangetoond is. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen 1. Criteria verbonden aan de doeleinden genoemd in [artikel 8, eerste lid, van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=8) De criteria die worden gehanteerd bij de beslissing op een aanvraag voor een Opiumontheffing zijn de volgende: Opiumontheffingen in het belang van de volksgezondheid kunnen enkel worden verleend aan partijen die namens of op verzoek van een overheidsorganisatie handelingen met Opiumwetmiddelen uitvoeren. Opiumontheffingen in het belang van de gezondheid v"},{"i":2491,"b":"Beleidsregel Prioritering van handhavingsonderzoeken door de Autoriteit Consument en Markt 2023 1. Inleiding De missie van de ACM is om markten goed te laten werken voor mensen en bedrijven, nu en in de toekomst. In goedwerkende markten concurreren bedrijven eerlijk met elkaar en benadelen zij niemand met misleidende of agressieve praktijken of door misbruik van marktmacht. Concurrentie is daarbij een economisch proces dat het bereiken van bepaalde maatschappelijke doelen bevordert. Het is voor de ACM geen doel op zich, maar een middel om een gezonde economie en welvaart in brede zin te bevorderen en bij te dragen aan het vertrouwen in een overheid die mensen en bedrijven beschermt tegen het falen van markten. De focus van de werkzaamheden van de ACM als markttoezichthouder is dan ook niet gericht op het bevorderen van marktwerking **per se**, maar vooral op het voorkomen en bestrijden van marktfalen, binnen de regels die door de overheid voor de markten zijn gesteld. De ACM houdt toezicht op de naleving van een groot aantal wetten op het gebied van consumentenbescherming, energie, mededinging, post, telecommunicatie en vervoer. De ACM beschikt bij de uitvoering van deze taak over ruimte om te kiezen welke handhavingsonderzoeken wanneer worden opgestart. De ACM ontvangt meer verzoeken om handhaving en signalen over mogelijke overtredingen dan zij gelet op haar onderzoekscapaciteit in onderzoek kan nemen. Daarom moet de ACM prioriteiten stellen. Dit doet de ACM in het licht van haar missie op basis van haar prioriteringsbeleid. Dit beleid vormt een houvast op basis waarvan prioriteiten worden aangebracht in de keuze van handhavingsonderzoeken. Het prioriteringsbeleid maakt inzichtelijk waarom de ACM in het ene geval wel en in het andere geval geen handhavingsonderzoek uitvoert. 2. Verzoek om handhaving of signaal Zowel een verzoek om handhaving als een signaal van mensen of bedrijven kan aanleiding zijn een handhavingsonderzoek te starten. Onder een verzoek om handha"},{"i":3853,"b":"Besluit van de directeur Bureau Bestuursraad van 11 maart 2019, nr. 19067296, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Bureau Bestuursraad van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Bureau Bestuursraad van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019) Gelet op [artikel 19 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=19); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur:** de directeur Bureau Bestuursraad; - b. **de MT-leden:** de leden van het managementteam van de directie Bureau Bestuursraad, niet zijnde de directeur; - c. **het MT-Bureau Bestuursraad:** het collectief van onder a en b bedoelde functionarissen; - d. **het bedrag:** het bedrag inclusief verschuldigde omzetbelasting (BTW). § 2. Taakverdeling tussen de directeur en de onder hem ressorterende functionarissen Artikel 2 Aan de directeur is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende: - a. onderwerpen waarover binnen het MT-Bureau Bestuursraad geen overeenstemming bestaat; - b. aangelegenheden: - 1°. ten aanzien waarvan de directeur in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of - 2°. die door een lid van het MT-Bureau Bestuursraad aan de directeur ter afhandeling worden voorgelegd. Artikel 3 1. Aan de MT-leden wordt, ieder voor zich, ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor de aangelegenheden op zijn werkterrein met dien verstande dat het aangaan van financiële verplichtingen een bedrag van € 50.000 per verplichting niet te boven gaat. 2. Aan de MT-leden wordt voorts, ieder voor zich, voor de onder hen ressorterende medewerkers, tevens ondermandaat, v"},{"i":4078,"b":"Besluit van 13 augustus 1985, houdende voorschriften omtrent de bekostiging van scholen voor kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst, van 7 juni 1985, nr. 6359/2326, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op artikel 115 van de Wet op het basisonderwijs (**Stb**. 1984, 2); Gehoord de Onderwijsraad (advies van 10 oktober 1984, nr. O.R. III/99815LO); De Raad van State gehoord (advies van 23 juli 1985, nr. W05.85.0299/12.5.29); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst, van 2 augustus 1985, nr. 6640/2326, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Titel A. Algemeen Artikel A 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: **wet**: [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); **school**: een basisschool als bedoeld in de [titels B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833&titeldeel=B&z=2022-04-01&g=2022-04-01) en [C van dit besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833&titeldeel=C&z=2022-04-01&g=2022-04-01), tenzij het tegendeel blijkt; **schooljaar**: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend voor zover in dit besluit niet anders is bepaald. Artikel A 2. Afwijking van bepalingen en van overeenkomstige toepassing zijnde bepalingen van de WPO 1. [Artikel 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=4) is niet van toepassing op een school als bedoeld in dit besluit. [Artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=2) is niet van toepassing op de school, bedoeld in [titel C van dit besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833&titeldeel=C&z=2022-04-01&g=2022-04-01). 2. De [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=8), [10 tot en met 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":6558,"b":"Besluit van 24 juni 1992, houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de integratie van de raden van beroep/Ambtenarengerechten en de arrondissementsrechtbanken, en in verband met de vereenvoudiging van de regelingen voor de vorming en bezetting van de kamers Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 29 april 1992, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 205659/92/6; Overwegende, dat het noodzakelijk is in verband met de Wet van 3 juni 1992 (**Stb.** 278) tot wijziging van de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830), de [Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947) 1929, de [Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170) en enkele andere wetten (integratie raden van beroep/Ambtenarengerechten en arrondissementsrechtbanken; vereenvoudiging regelingen vorming en bezetting kamers het Reglement I, het [Beroepsreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002228), het Besluit van 3 oktober 1956 (**Stb.** 497), betreffende rechtspraak in ambtenarenzaken en enkele andere besluiten aan te passen, alsmede enkele besluiten in te trekken; Gelet op de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=19), [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=72), zevende lid, en [73, zevende lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=73), de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170&artikel=1), tweede lid, [30**a**](onbekend) en [40**d** van de Beroepswet](onbekend), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=4), tweede lid, [22**b**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=22b) en [23**c** van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=23c) 1929 en [artikel 117**a** van de Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955&artikel=117a); De"},{"i":3787,"b":"Besluit van 23 december 1983 tot vaststelling van modelschema's voor de inrichting van jaarrekeningen Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 10 november 1983, nr. 615/683; Overwegende dat ter uitvoering van de vierde richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake het vennootschapsrecht modellen moeten worden vastgesteld voor de inrichting van jaarrekeningen; Gelet op [artikel 363 lid 6 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=363); De Raad van State gehoord, advies van 21 december 1983, nr. W03.83.0578/05.3.52; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 22 december 1983, nr. 678/683; Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht; Hebben goedgevonden en verstaan: Datum inwerking treding 1 januari 1984 Artikel 1 1. De balans van een naamloze of besloten vennootschap moet zijn ingericht overeenkomstig [model A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003648&bijlage=A&z=2015-11-01&g=2015-11-01) of [model B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003648&bijlage=B&z=2015-11-01&g=2015-11-01), de winst- en verliesrekening overeenkomstig [model E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003648&bijlage=E&z=2015-11-01&g=2015-11-01) of [model F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003648&bijlage=F&z=2015-11-01&g=2015-11-01). Deze modellen zijn als bijlage bij dit besluit gevoegd. 2. Is [artikel 396 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=396) van toepassing, dan kan de vennootschap voor de balans ook model C of model D kiezen en voor de winst- en verliesrekening model I of model J. Deze modellen zijn bij dit besluit gevoegd. 3. Dit besluit is niet van toepassing op een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 395a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=395a). Artikel 2 Vervallen Artikel 3 De posten worden afzonderlijk, overzichtelijk in een of meer kolommen ingevuld. Zo veel mogel"},{"i":4372,"b":"Besluit van 19 september 2023 houdende regels ter uitvoering van de Wet vrachtwagenheffing (Besluit vrachtwagenheffing) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 11 juli 2023, nr. IENW/BSK-2023/180775, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=3), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=8), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=14), [21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=21), en [22, eerste lid, van de Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=22); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2023, nr. W17.23.00200/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 11 september 2023, nr. IenW/BSK-2023/239437, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **statusgegevens:** gegevens, geregistreerd met boordapparatuur in een vrachtwagen, die betrekking hebben op het in- en uitschakelen en het functioneren van die boordapparatuur; - **verplaatsingsgegevens:** coördinaten, geregistreerd met boordapparatuur in een vrachtwagen; - **wet:** [Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082). Hoofdstuk 2. Voorwaarde ontheffing van de vrachtwagenheffing Artikel 2. (voorwaarde ontheffing) De op grond van [artikel 3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=3) verleende ontheffing is niet overdraagbaar. Hoofdstuk 3. Voertuigdocumenten voor sluiten dienstverleningsovereenkomst Artikel 3. (over te leggen voertuigdocumenten) De voertuigdocumenten, bedoeld in [artikel 8, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=8), die de h"},{"i":4274,"b":"Besluit vergunning Samenwerkende Non-profit Loterijen 2017–2021 **Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 6 december 2016, kenmerk 10293, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van een gelegenheid als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de kansspelen.** Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan de Stichting Samenwerkende Non-profit Loterijen, een Stichting naar Nederlands recht gevestigd te Tilburg met nummer 17229423 (hierna: de vergunninghouder), vergunning voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021. Aan deze vergunning zijn de navolgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de loterijen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Vergund kansspel B. Afdracht ten behoeve van het algemeen belang C. Bescherming van kwetsbare groepen D. Bescherming van consumenten E. Betrouwbaarheid en integriteit F. Controle, rapportage en toezicht G. Overig Bijlage A Niet opgenomen."},{"i":2647,"b":"Beleidsregels van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit inzake vergunningen voor het op afstand organiseren van kansspelen 2026 (Beleidsregels vergunningverlening kansspelen op afstand 2026) gelet op [artikel 30k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30k), [31a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a), [31c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31c), [31g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31g), [31h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31h), [31i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31i), [31k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31k), [31l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31l), [33g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33g), [33h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33h) en [35d van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=35d), [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=2.1), [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=3.1), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=3.2), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=3.3), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=3.4), [3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=3.5), [3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=3.6), [4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=4.1), [4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=4.3), [4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=4.5), [4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=4.6), [4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=4.7), [4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=4.8), [4.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=4.12), [4.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":7365,"b":"Wet van 4 juni 2014 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte in verband met de modernisering en vereenvoudiging van de werkwijze van de huurcommissie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) en de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315) te wijzigen in verband met de modernisering en vereenvoudiging van de werkwijze van de huurcommissie; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV 1. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij de huurcommissie aanhangige verzoeken worden met toepassing van het vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende recht behandeld door de huurcommissie. 2. Op een verzoek aan de huurcommissie als bedoeld in [artikel 7:260 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=260) dat betrekking heeft op kosten voor de nutsvoorzieningen met een individuele meter en de servicekosten waarvoor de verhuurder voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan de huurder een overzicht van de kosten voor de nutsvoorzieningen met een individuele meter en de servicekosten heeft verstrekt binnen de gestelde termijn van zes maanden als bedoeld in [artikel 7:259, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=259), is het vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende recht van toepassing. 3. In geschillen die op de dag van inwerkingtreding van"},{"i":6945,"b":"Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit van 6 november 2012 tot vaststelling van het formulier voor het indienen van een aanvraag ter beoordeling van het voorgenomen grensoverschrijdend personenvervoer per spoor als bedoeld in artikel 19a, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 Gelet op [artikel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4); Besluit: Artikel 1 Het formulier voor het indien van een aanvraag ter beoordeling van het voorgenomen grensoverschrijdend personenvervoer per spoor als bedoeld in [artikel 19a, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=19a), wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 2 Dit besluit zal met de toelichting en bijlage in de Staatscourant worden geplaatst. Bijlage. formulier áanvraag beoordeling voorgenomen grensoverschrijdend personenvervoer per spoor - 1. **Gegevens betreffende de Aanvrager (vereist bij Aanvraag)** Vermeld - 1.1. naam en – indien anders – handelsnaam, en rechtsvorm; - 1.2. adres, telefoon- en telefaxnummer en eventueel elektronisch postadres; - 1.3. naam van de contactpersoon, het adres en het telefoonnummer waarop deze bereikbaar is. - 2. **Gegevens betreffende de toetsingsaanvraag (vereist bij Aanvraag)** Vermeld - 2.1. of de aanvraag het vaststellen van internationaal passagiersvervoer als Hoofddoel van het voorgenomen grensoverschrijdend vervoer beoogt; - 2.2. of de aanvraag het vaststellen van het in gedrang brengen van het Economisch evenwicht door het voorgenomen grensoverschrijdend vervoer beoogt. - 3. **Gegevens over de betrokken ondernemingen (vereist bij Aanvraag)** Vermeld de naam en een beschrijving van de Concessie(-s) waarvan het Economisch evenwicht mogelijk in gedrang is. - 4. **Onderbouwing aanvraag (vereist bij Aanvraag)** Geef een schriftelijke onderbouwing waarom het voorgenomen grensoverschrijdend vervoer nie"},{"i":8064,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Openbare en bijzondere academische ziekenhuizen vanaf 1985 (Erasmus Medisch Centrum (EMC)) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 oktober 2006, nr. arc-2006.03203/5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Erasmus Medisch Centrum (EMC) en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Openbare en bijzondere academische ziekenhuizen over de periode vanaf 1985](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van de academische ziekenhuizen van openbare universiteiten, vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, kenmerk nr. MMA/Ar/1015 BAZ 831759 d.d. 16-01-1986 en AZ/RA/CAB 11.085 d.d. 16-01-1986 (gepubliceerd in Staatscourant 1986, 74), laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, kenmerk nr. 94.252.EJK/EIB d.d. 09-03-1994 (gepubliceerd in Staatscourant 1994, 78)’ wordt ingetrokken, uitsluitend voor de periode vanaf 1985. De ‘[Selectielijst neerslag handelingen Academisch Ziekenhuis Rotterdam op het beleidsterrein openbare en bijzondere academische ziekenhuizen over de periode 1985–2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015687)’ kenmerk nr. C/S/03/2349 (gepubliceerd in Stcrt. 2003, 208 d.d. 29 oktober 2003) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [s"},{"i":8065,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Ouderenbeleid vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 oktober 2007, aca-2007.04045/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Ouderenbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8066,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Politie 1945–1993 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 september 2007, aca-2007.03991/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Politie over de periode 1945–1993’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument voor het beleidsterrein ‘politie’, 1945–1993 **Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van het handelen van de zorgdragers** Minister van Justitie, Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Minister van Algemene Zaken, Minister van Buitenlandse Zaken, Minister van Financiën, Minister van Defensie, Minister van Economische Zaken, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Minister van Verkeer en Waterstaat, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op het beleidsterrein ‘politie’ in de periode 1945–1993 **Versie SDU** **Oktober 2007** Ministerie van Justitie Project Wegwerken Archiefachterstanden (PWAA) in samenwerking met Nationaal Archief Lijst van afkortingen Ab 1995: [Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748) ACW: Adviescentrum Wagenparkbeheer Politie AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur APB: Algemeen Politieblad ARA: Algemeen Rijksarchief ARBARP: Ambtenarenreglement voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie ARRP: Ambtenarenreglement voor het korps rijkspolitie ARGP: Ambtenare"},{"i":8081,"b":"Besluit verpakte geneesmiddelen BES Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze algemene maatregel van bestuur bepaalde wordt verstaan onder: - **wet:** de [wet op de geneesmiddelenvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028486); - **importeur:** ieder, die verpakte geneesmiddelen invoert en krachtens een vergunning, als bedoeld in het [eerste lid onder d van artikel 3 der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028486&artikel=3), aflevert; - **bereiden:** iedere bewerking, welke wordt toegepast om zelfstandigheden in de vorm van een verpakt geneesmiddel te brengen, waaronder mede wordt begrepen het verdunnen, het vermengen, het verdelen van grotere eenheden in kleinere, het verpakken, het etiketteren en het bijvoegen van geschriften; - **fabrikant:** ieder die krachtens een vergunning als bedoeld in [artikel 3 lid 1 onder d van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028486&artikel=3) verpakte geneesmiddelen bereidt en aflevert; - **groothandelaar:** ieder die krachtens een vergunning als bedoeld in [artikel 3 lid 1 onder d van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028486&artikel=3) verpakte geneesmiddelen aflevert. Artikel 1a Dit besluit berust op de [artikelen 5, vierde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028486&artikel=5) en [6 van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028486&artikel=6). Artikel 2 1. Het in [artikel 5 lid 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028486&artikel=5) vervatte verbod tot invoer van ongeregistreerde verpakte geneesmiddelen geldt niet: - a. indien ten genoegen van de Inspecteur aangetoond wordt dat het geneesmiddel uitsluitend bestemd is voor eigen gebruik; - b. indien de invoer als monster geschiedt ten behoeve van een verzoek tot inschrijving in het register of ten behoeve van een apotheker, geneeskundige, tandheelkundige, vroedvrouw of importeur mits op het monster duidelijk zijn bestemming als m"},{"i":8094,"b":"Regeling van de Minister voor Primair- en Voortgezet Onderwijs van 21 juni 2024, nr. PO/FenV/46649158, houdende aanpassing van de bedragen voor bekostiging primair onderwijs voor het kalenderjaar 2024 en het vaststellen van de bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs kalenderjaar 2024 (Definitieve regeling bekostiging WPO en WEC 2024) Gelet op de [artikelen 116, zesde en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=116), [119, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119), [121, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=121), [122, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=122), en [124, derde en vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=124), de [artikelen 114, zesde en tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=114), [117, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117), en [119, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=119), [artikel 5.15, derde en vijfde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.15), de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=5), [13, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=13), [14, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=14), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=15), [16, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=16), [17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=17), [18, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=18), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=19), [20, derde lid](https://wetten.over"},{"i":8120,"b":"Internationale Gezondheidsregeling (2005) DEEL I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN, DOEL EN REIKWIJDTE, BEGINSELEN EN VERANTWOORDELIJKE AUTORITEITEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van de Internationale Gezondheidsregeling (hierna de „IGR” of „Regeling”) wordt verstaan onder: „getroffen” personen, bagage, vracht, containers, vervoermiddelen, goederen, postpakketten of stoffelijke overschotten die geïnfecteerd of besmet zijn, of die infectie- of besmettingsbronnen bij zich dragen, en derhalve een volksgezondheidsrisico vormen; „getroffen gebied” een geografische locatie waarvoor de WHO ingevolge deze Regeling specifieke gezondheidsmaatregelen heeft aanbevolen; „luchtvaartuig” een luchtvaartuig dat een internationale reis maakt; „luchthaven” een luchthaven waar internationale vluchten aankomen of vertrekken; „aankomst” van een vervoermiddel: - a. waar het een zeeschip betreft, aankomst of voor anker liggen in het vastgestelde gebied van een haven; - b. waar het een luchtvaartuig betreft, aankomst op een luchthaven; - c. waar het een binnenvaartuig betreft dat een internationale reis maakt, aankomst bij een plaats van binnenkomst; - d. waar het een trein of wegvoertuig betreft, aankomst bij een plaats van binnenkomst; „bagage” de persoonlijke bezittingen van een reiziger; „vracht” goederen die met een vervoermiddel of in een container worden vervoerd; „bevoegde autoriteit” een autoriteit die verantwoordelijk is voor de implementatie en toepassing van gezondheidsmaatregelen ingevolge deze Regeling; „container” een bij vervoer gebruikt hulpmiddel: - a. van duurzame aard en derhalve sterk genoeg om herhaalde malen te kunnen worden gebruikt; - b. speciaal ontworpen ter vergemakkelijking van het vervoer van goederen door een of meer vervoermiddelen zonder tussentijds opnieuw te worden geladen; - c. uitgerust met apparatuur waardoor het gemakkelijk kan worden gehanteerd, men name bij het overbrengen van het ene vervoermiddel naar het andere; en - d. zo ontworpen"},{"i":8174,"b":"Regeling referentieprijslijsten geneesmiddelen Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Als algemeen aanvaarde prijslijsten bij de vaststelling van maximumprijzen voor geneesmiddelen worden respectievelijk voor België, Noorwegen, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk aangewezen: - a. de prijslijst genaamd ‘Tarief voor Specialiteiten’, uitgegeven door de Algemene Pharmaceutische Bond (A.P.B.) te Brussel, en, wat ziekenhuisgeneesmiddelen betreft, de prijslijst genaamd ‘bijlage I van het K.B. van 21.12.2001’, uitgegeven door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, te Brussel; - b. de prijslijst genaamd ‘Price- and reimbursement list’, uitgegeven door de Norwegian Medicines Agency, te Oslo; - c. de prijslijst genaamd ‘DATASEMP’, uitgegeven door Vidal S.A., te Parijs; - d. de prijslijst Dictionary of Medicines and Devices uitgegeven door de National Health Service te Londen. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling referentieprijslijsten geneesmiddelen. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8265,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 februari 2011, nr. GMT-VDG 3050840, houdende wijziging van de Regeling referentieprijslijsten geneesmiddelen Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling referentieprijslijsten geneesmiddelen. Artikel II De in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029661&artikel=I&z=2011-03-03&g=2011-03-03) bedoelde prijslijsten zullen worden gebruikt met ingang van de 28e herijking van de maximumprijzen van geneesmiddelen. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8285,"b":"Aanpassing wetgeving inzake gemeenschappelijke bepalingen voor hef- en verladingsapparatuur SZW – Uitvoering EEG-richtlijnen Overwegende, dat ter uitvoering van de Richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 september 1984 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-staten inzake gemeenschappelijke bepalingen voor hef- en verladingsapparatuur (84/528/EEG, PbEG L 300/72) en betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-staten inzake liften met elektrische aandrijving (84/529/EEG, PbEG L 300/86), een instantie moet worden aangewezen, die belast is met het verrichten van het EEG-typeonderzoek en van de EEG-controle met betrekking tot onderdelen voor liften met elektrische aandrijving als bedoeld in laatstgenoemde richtlijn alsmede van de daarmede samenhangende werkzaamheden; dat de Stichting Nederlands Instituut voor Lifttechniek (Liftinstituut) te Amsterdam voldoet aan het bepaalde in bijlage II van eerstgenoemde richtlijn, Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. ‘**Richtlijn**’: de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 september 1984 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-staten inzake gemeenschappelijke bepalingen voor hef- en verladingsapparatuur (84/528/EEG, PbEG L 300/72); - b. ‘**bijzondere Richtlijn**’: de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 september 1984 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-staten inzake liften met elektrische aandrijving (84/529/EEG, PbEG L 300/86); - c. ‘**Liftonderdelen**’: de in bijlage II van de bijzondere Richtlijn genoemde onderdelen voor liften met elektrische aandrijving als bedoeld in artikel 1 van die Richtlijn; - d. ‘**EEG-typeonderzoek**’ **en** ‘**EEG-controle**’: hetgeen de Richtlijn en de bijzondere Richtlijn daaronder verstaan; - e. ‘**het Liftinstituut**’: De Stichting Nederlands Instituut voor Lifttechniek (Liftinstituut), genoemd in artikel 2. Artik"},{"i":8313,"b":"Aanvullend Protocol bij het Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa De Regeringen, welke het [Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781), ondertekend te Parijs op 2 September 1949 (hierna te noemen „het Verdrag”), hebben ondertekend, Verlangend de bepalingen van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781) aan te vullen, Komen overeen als volgt: Artikel 1 Elk tegenwoordig of toekomstig lid van de Raad van Europa, dat het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781) niet heeft ondertekend, kan toetreden tot dit Verdrag en tot dit Protocol door nederlegging van zijn akte van toetreding tot beide instrumenten bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die van deze nederlegging kennis geeft aan de Leden van de Raad. Artikel 2 a). De bepalingen van [Titel IV van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781&titeldeel=IV) zijn van toepassing op de vertegenwoordigers, die vergaderingen van de Plaatsvervangers der Ministers bijwonen. b). De bepalingen van [Titel IV van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781&titeldeel=IV) zijn van toepassing op de vertegenwoordigers (met uitsluiting van de vertegenwoordigers in de Raadgevende Vergadering), die vergaderingen bijwonen welke bijeengeroepen zijn door de Raad van Europa en gehouden worden buiten de zittingen van het Comité van Ministers en van de Plaatsvervangers der Ministers; de vertegenwoordigers, die deze vergaderingen bijwonen, kunnen echter deze immuniteit niet doen gelden bij aanhouding of gerechtelijke vervolging volgend op ontdekking op heterdaad. Artikel 3 De bepalingen van [artikel 15 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781&artikel=15) zijn eveneens van toepassing — of de Raadgevende Vergadering al of niet zitting heeft — op de vertegenwoordigers in de Vergadering alsmede op hun plaatsvervangers, t"},{"i":4225,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 26 januari 2023, nr. MINBUZA-2023.339797, tot vaststelling van subsidieplafonds op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006, en tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 8 maart 2018, nr. minbuza-2018.385214, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 21 juni 2022, nr. MINBUZA-2022.504564, tot vaststelling van subsidieplafonds op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieplafonds OKP 2023 en wijziging beleidsregels OKP) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7) en [10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=10); Gelet op de [artikelen 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.4) en [6.5 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.5); Besluit: Artikel 1 1. Voor subsidieverlening in het kader van het [OKP 2018–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040712)1Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 8 maart 2018, nr. minbuza–2018.385214, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Orange Knowledge Programme 2018–2022), Stcrt. 2018, nr. 14630. geldt voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2023 een subsidieplafond van € 35.000.000,–. 2. Het voor 2023 beschikbare bedrag is als volgt verdeeld over de verschillende so"},{"i":8377,"b":"Arbitrageverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Vereenigde Staten van Amerika; Besloten om, voor zoover het in hunne macht ligt, elke onderbreking in de vreedzame betrekkingen, die altijd tusschen de beide volkeren hebben bestaan, te voorkomen; Wenschende opnieuw tot uiting te brengen, dat zij als richtlijn van hunne staatkunde beschouwen alle geschillen, die vatbaar zijn voor rechterlijke beslissing, welke tusschen hen mochten rijzen, te onderwerpen aan onpartijdige beslissing; en Verlangende door hun voorbeeld niet alleen te doen uitkomen, dat zij oorlog als een werktuig van nationale politiek in hunne wederkeerige betrekkingen veroordeelen, maar ook het tijdstip te verhaasten, waarop internationale overeenkomsten tot vreedzame regeling van internationale geschillen een zoodanigen graad van volkomenheid zullen hebben bereikt, dat voor altijd de mogelijkheid van oorlog tusschen welke mogendheden der wereld ook, zal zijn verdwenen; Hebben besloten een nieuw arbitrageverdrag te sluiten, waardoor het te Washington op 2 Mei 1908 geteekende arbitrageverdrag, dat door tijdsverloop op 25 Maart 1930 afloopt, in strekking en daarin vervatte verplichtingen wordt verruimd, en hebben voor dat doel onderscheidenlijk als hunne gevolmachtigden aangewezen: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Dr. J. H. VAN ROYEN, Hoogstderzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister in de Vereenigde Staten van Amerika; De President van de Vereenigde Staten van Amerika: JOSEPH P. COTTON, waarnemend Secretaris van Staat van de Vereenigde Staten; die, na elkander hunne volmachten te hebben medegedeeld en in goede en behoorlijke orde bevonden, omtrent de volgende artikelen zijn overeengekomen: Artikel I Alle geschillen betreffende internationale aangelegenheden, welke tusschen de Hooge Verdragsluitende Partijen mochten rijzen als gevolg van eenen door de eene Partij aan de andere"},{"i":7052,"b":"Overeenkomst betreffende de afgifte van een verklaring van huwelijksbevoegdheid De Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, verlangend gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen betreffende de afgifte van een verklaring van huwelijksbevoegdheid aan hun onderdanen met het oog op de huwelijkssluiting in het buitenland, indachtig de aanbeveling betreffende het huwelijksrecht, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand op 8 september 1976 te Wenen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Iedere Overeenkomstsluitende Staat verbindt zich tot het afgeven van een verklaring van huwelijksbevoegdheid die overeenkomt met het aan deze Overeenkomst als bijlage toegevoegde model, wanneer een van zijn onderdanen zulks met het oog op zijn huwelijkssluiting in het buitenland verzoekt en hij volgens de wet van de Staat die de verklaring afgeeft, aan de voorwaarden voor het sluiten van dit huwelijk voldoet. Artikel 2 Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden met onderdanen van een Overeenkomstsluitende Staat gelijkgesteld vluchtelingen en staatlozen wier persoonlijke staat door de wet van die Staat wordt beheerst. Artikel 3 Alle in de verklaring op te nemen gegevens worden geschreven in Latijnse drukletters; zij kunnen bovendien worden geschreven in de lettertekens van de taal van de autoriteit die de verklaring afgeeft. Artikel 4 1. De data worden geschreven in Arabische cijfers; zij geven achtereenvolgens aan onder de symbolen Jo, Mo en An, de dag, de maand en het jaar. De dag en de maand worden aangeduid door twee cijfers, het jaar door vier cijfers. De eerste negen dagen van de maand en de eerste negen maanden van het jaar worden aangeduid door de cijfers 01 tot en met 09. 2. De naam van iedere plaats vermeld in de verklaring wordt gevolgd door de naam van de Staat waarin deze plaats is gelegen, telkens wanneer deze Staat niet de Staat is waa"},{"i":7086,"b":"Overeenkomst tussen Nederland en Italië tot regeling van bepaalde kwesties betreffende de industriële eigendom welke voortvloeien uit maatregelen genomen uit hoofde van de oorlogstoestand De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Italiaanse Republiek, verlangend artikel 12 ten uitvoer te brengen van de Overeenkomst tussen Italië en Nederland, op 15 Juni 1951 te Rome ondertekend, tot regeling van bepaalde kwesties welke voortvloeien uit de economische bepalingen van het Vredesverdrag tussen de Geallieerde en Geassocieerde mogendheden en Italië, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De industriële eigendomsrechten, die hebben toebehoord aan de Italiaanse Staat of aan diens onderdanen (natuurlijke of rechtspersonen) en die, ingevolge de Nederlandse wetgeving betreffende het vijandelijk vermogen, rechtens overgegaan zijn op de Staat der Nederlanden, zullen aan de Italiaanse Staat of aan bovengenoemde Italiaanse onderdanen of aan hun rechthebbenden worden teruggegeven in overeenstemming met het bepaalde in de volgende artikelen. Artikel 2 De rechten vermeld in artikel 1 zullen worden teruggegeven in de staat, waarin zij zich bevinden op het tijdstip van het in werking treden van deze Overeenkomst, voor zover deze rechten niet vervallen, tenietgegaan of gewijzigd zijn na dit tijdstip uit hoofde van de Nederlandse wetgeving op de industriële eigendom. De Stichting Beheer Vijandelijke Octrooien en Merken te 's-Gravenhage zal niet gehouden zijn tot enige maatregel om bovengenoemde rechten te handhaven, maar het zal de belanghebbenden op de hoogte stellen, door tussenkomst van het Centraal Octrooibureau bij het Italiaanse Ministerie van Handel en Nijverheid te Rome, van de maatregelen nodig om deze rechten te handhaven. Artikel 3 Teruggave zal plaats vinden na een aanvraag gericht tot het Beheersinstituut te 's-Gravenhage, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van het Centraal Octrooibureau te Rome. Deze aanvragen moeten het Beheersinst"},{"i":8393,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 29 oktober 2013, nr. DJZ/BR/0672-13, houdende aanwijzing van het hoofd van het begeleidingsteam als bedoeld in artikel 15 van de Wet Verdrag Chemische Wapens BES Gelet op [artikel 15 van de Wet Verdrag Chemische Wapens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028248&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Als hoofd van het begeleidingsteam, bedoeld in [artikel 15 van de Wet Verdrag Chemische Wapens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028248&artikel=15) wordt aangewezen de algemeen directeur Douane, bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing hoofd begeleidingsteam Wet Verdrag Chemische Wapens BES. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7534,"b":"Besluit van 28 juni 2019 ter uitvoering van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven en tot wijziging van het Besluit politiegegevens in verband met de verstrekking van politiegegevens aan de Passagiersinformatie-eenheid (Besluit gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 15 mei 2019, nr. 2600040; Gelet op de [artikelen 10, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=10), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=12), en [14, vierde lid, van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=14); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 juni 2019, nr. W16.19.0119/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 25 juni 2019, nr. 2629629; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Dienst landelijke intelligenceorganisatie:** de dienst, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=3), en de dienst, bedoeld in artikel 3, derde lid, onder f, van het Besluit beheer politie; - **wet:** de [Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301). Artikel 2 1. De in [artikel 10, eerste, tweede en vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=10), bedoelde verstrekking van passagiersgegevens, onderscheidenlijk verwerkingsresultaten die, met bijbehorende passagiersgegevens, overeenkomstig [artikel 8, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=8) aan de bevoegde instanties zijn doorgegeven, kan worden geweigerd of aan beperkende voorwaar"},{"i":8398,"b":"Besluit van 21 november 2003, houdende aanwijzing van een verdrag als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 10°, van de Wet havenstaatcontrole Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 oktober 2003, nr. HDJZ/SCH/2003–2119, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 2001/106/EG](32001L0106) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 december 2001 (PbEG 2002, L 19), houdende wijziging van [richtlijn nr. 95/21/EG](31995L0021) van de Raad van de Europese Unie betreffende de naleving, met betrekking tot de schepen die gebruikmaken van havens in de Gemeenschap en varen in de onder de jurisdictie van de lidstaten vallende wateren, van internationale normen op het gebied van de veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord (havenstaatcontrole) en [artikel 1, onderdeel b, onder 10°, van de Wet havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=1); De Raad van State gehoord (advies van 24 oktober 2003, nr. W09.03.0422/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 2003, nr. HDJZ/SCH/2003-2577, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als verdrag als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, onder 10°, van de Wet havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=1) worden aangewezen: - a. het op 27 november 1992 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie (Trb. 1994, 229), alsmede de daarbij behorende Nederland bindende protocollen, bijlagen en aanhangsels; - b. het op 5 oktober 2001 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de beperking van schadelijk aangroeiwerende verfsystemen op schepen (Trb. 2004, 44); - c. het op 13 februari 2004 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedime"},{"i":8416,"b":"Besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 10 november 2004 betreffende de voorrechten en immuniteiten die aan het Europees Defensieagentschap en zijn personeel worden verleend De vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, Overwegende hetgeen volgt: Op 12 juli 2004 heeft de Raad Gemeenschappelijk optreden 2004/551/GBVB betreffende de oprichting van het Europees DefensieagentschapPB L 245 van 17.7.2004, blz. 17. („het agentschap\") vastgesteld.PB L 245 van 17.7.2004, blz. 17. („het agentschap\") vastgesteld. Opdat het agentschap zijn werkzaamheden kan aanvatten, moeten aan dit agentschap van de Europese Unie en zijn personeel uitsluitend in het belang van het agentschap en van de Europese Unie de daartoe vereiste voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden verleend, Besluiten: Artikel 1. Immuniteit van rechtsvervolging en vrijstelling van huiszoeking, beslaglegging, vordering, verbeurdverklaring of iedere andere vorm van dwangmaatregel De lokalen en gebouwen van het agentschap zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening. De eigendommen en bezittingen van het agentschap kunnen niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuurlijke of gerechtelijke aard. Artikel 2. Onschendbaarheid van archieven De archieven van het agentschap zijn onschendbaar. Artikel 3. Vrijstelling van belastingen en rechten 1. Het agentschap, zijn bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen. 2. Telkens wanneer hun dit mogelijk is, treffen de regeringen van de lidstaten passende maatregelen tot kwijtschelding of teruggave van het bedrag der indirecte belastingen en van belastingen op de verkoop, welke een deel vormen van de prijs van onroerende of roerende goederen en van diensten, wanneer het agentschap voor officieel gebruik ter vervulling van zijn opdr"},{"i":8862,"b":"Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen Artikel 1 In de Bijlage bij deze Overeenkomst wordt het doel van het meten van binnenvaartuigen en van andere bij de vaart op de binnenwateren gebruikte vaartuigen, alsmede de wijze waarop dit geschiedt, beschreven. In bedoelde Bijlage wordt eveneens het model beschreven van de meetbrief die voor elk overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst gemeten vaartuig wordt afgegeven. Artikel 2 1. Elke Overeenkomstsluitende Partij vaardigt, zodra de Overeenkomst op haar grondgebied van toepassing wordt, voorschriften uit voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze Overeenkomst en de Bijlage. 2. Elke Overeenkomstsluitende Partij stelt elke andere Overeenkomstsluitende Partij op haar verzoek in kennis van de voorschriften die zij heeft uitgevaardigd overeenkomstig het eerste lid van dit artikel. 3. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wijst elke Overeenkomstsluitende Partij op haar grondgebied de dienst(en) of instelling(en) - hierna te noemen bureaus van meting - aan, die zijn belast met het afgeven van meetbrieven. Elk bureau van meting wordt met bepaalde letters of met bepaalde cijfers en letters aangeduid, waarbij de laatste letter(s) de Overeenkomstsluitende Partij aanduidt(duiden) op wier grondgebied het bureau is gevestigd. Artikel 3 Elke Overeenkomstsluitende Partij neemt de verplichting op zich de vaartuigen bedoeld in artikel 1 van deze Overeenkomst op haar grondgebied te doen meten of hermeten, indien de eigenaar van het vaartuig of degene die namens hem optreedt daarom verzoekt. Artikel 4 1. De geldigheidsduur van een meetbrief is ten hoogste vijftien jaar; op iedere meetbrief staat de datum vermeld waarop hij vervalt. 2. Een meetbrief verliest zijn geldigheid, ongeacht de daarin vermelde vervaldatum, indien het vaartuig zodanige veranderingen ondergaat (herstellingen, veranderingen, blijvende beschadigingen) dat de in de meetbrief vermelde gegevens, de waterverplaatsing bij bepaalde inzinkinge"},{"i":5301,"b":"Regeling beperking openbaarheid archiefbescheiden Kabinetsarchief Binnenlands Bestuur 1933–1955 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief overgebrachte archiefbescheiden van het Kabinetsarchief Binnenlands Bestuur 1933–1955, de volgende beperking gesteld: - 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 3055, 3059, 3068, 3074–3082, 3086, 3087, 3095, 3099–3109 en 3113 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Nationaal Archief gehanteerde **Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven**; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. Het formulier is tevens via het Internet te benaderen op de site van het Nationaal Archief. - 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft tot inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Nationaal Archief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, in overeenstemming met het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepa"},{"i":5525,"b":"Regeling vergunningprocedure bijzondere medische verrichtingen Gelet op [artikel 6, tweede en derde lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=6); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 Deze regeling heeft betrekking op de vergunning, bedoeld in [artikel 2 van de Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=2). § 2. Vergunningprocedure Artikel 2 1. Op de aanvraag om een vergunning beslist de Minister binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag, behoudens het tweede en derde lid. 2. Indien de Minister advisering over de aanvraag noodzakelijk acht, vraagt hij advies binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag. Hij stelt de aanvrager hiervan in kennis en beslist binnen dertien weken na ontvangst van de laatste der gevraagde adviezen. 3. De Minister houdt de beslissing op een aanvraag om een vergunning tevens aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het uitvoeren van de verrichting een bouwvergunning als bedoeld in [artikel 6 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=6) vereist is. De Minister neemt in dat geval omtrent beide vergunningen in samenhang een beslissing, daarbij gelden bovendien de termijnen zoals gesteld in de [WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753). § 2. Gegevensverstrekking bij vergunningaanvraag Artikel 3 De aanvrager van een vergunning legt bij de aanvraag de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009846&bijlage=1&z=1998-08-29&g=1998-08-29) bedoelde gegevens over. § 3. Periodieke gegevensverstrekking Artikel 4 De houder van een vergunning dient jaarlijks bij de Minister de in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009846&bijlage=2&z=1998-08-29&g=1998-08-29) bedoelde gegevens in. § 4. Slotbepalingen Artikel 5 Het Besluit procedures voor bijzondere functies [Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":5782,"b":"Subsidieregeling Sport- en Beroepsbinnenvisserij (SSB) overwegende, dat het in het kader van de maatregelen ter bevordering van de binnenvisserij gewenst is in daarvoor in aanmerking komende gevallen subsidies toe te kennen ten behoeve van een duurzame verbetering van het viswater en de visstand door middel van planmatig en zo mogelijk integraal beheer alsmede ter bevordering van de visserijmogelijkheden. Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: **bestuur:** het Bestuur van de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij; **subsidie:**de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033046&artikel=2&z=1997-02-07&g=1997-02-07) bedoelde subsidie; **maatregelen:** de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033046&artikel=3&z=1997-02-07&g=1997-02-07) bedoelde plannen en maatregelen; **binnenvisserij:** de sport- en beroepsvisserij in wateren waarin op grond van de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416) de binnenvisserij kan worden uitgeoefend; **visrechthebbende:** rechthebbende op het visrecht overeenkomstig het bepaalde in [artikel 1 lid c van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=1); **visstandbeheerscommissie:** een representatief samenwerkingsverband van (organisaties van) sport- en beroepsbinnenvissers die met betrekking tot een bepaald water of meerdere wateren de verantwoordelijkheid voor het visstandbeheer tot taak heeft. Artikel 2. Subsidies Op de voet van de volgende bepalingen kan ter zake van het duurzaam verbeteren van de binnenvisserij door het Bestuur een subsidie worden toegekend. Artikel 3. Voor subsidies in aanmerking komende maatregelen Een subsidie kan worden toegekend voor: - a. het opstellen van plannen ten behoeve van een duurzame verbetering van het viswater, de visstand en het visserijkundig gebruik; - b. de uit een onder a. genoemd plan voortkomende, noodzakelijke beheersen inrichtingsmaatregelen; - c. ande"},{"i":6039,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland inzake de export en handhaving van socialeverzekeringsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland, Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens betrekkingen op het gebied van de sociale zekerheid tot stand te brengen, Geleid door de wens de samenwerking tussen de twee Staten te regelen ter waarborging van de handhaving van de wetgeving van het ene land in het andere, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Vervallen Artikel 2. Materiële werkingssfeer Vervallen Artikel 3. Personele werkingssfeer Vervallen Artikel 4. Export van uitkeringen Vervallen Artikel 5. Identificatie Vervallen Artikel 6. Verificatie van aanvragen en betalingen Vervallen Artikel 7. Geneeskundig onderzoek Vervallen Artikel 8. Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en uitspraken Vervallen Artikel 9. Terugvordering van onverschuldigde betalingen en administratieve boetes Vervallen Artikel 10. Weigering te betalen, opschorting, intrekking Vervallen Artikel 11. Bescherming van persoonsgegevens Vervallen Artikel 12. Uitvoering van het Verdrag Vervallen Artikel 13. Taal Vervallen Artikel 14. Beslechting van geschillen Vervallen Artikel 15. Inwerkingtreding Vervallen Artikel 16. Territoriale toepassing Vervallen Artikel 17. Wijziging en beëindiging Vervallen TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend. GEDAAN te Tallinn, op 17 juni 2003, in tweevoud in de Nederlandse, de Estse en de Engelse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. In geval van verschil in interpretatie is de Engelse tekst doorslaggevend. **Voor het Koninkrijk der Nederlanden** (w.g.) J. M. P. F. VAN VLIET **Voor de Republiek Estland** (w.g.) MARKO POMERANTS"},{"i":5676,"b":"Subsidieregeling Activiteiten amateurkunst 2004 Deze regeling vervangt per 1 september 2003 de regeling Activiteiten amateurkunst 2003. 1. Doel van de subsidieregeling De subsidieregeling Activiteiten amateurkunst 2004 heeft tot doel een bijdrage te leveren aan de kwaliteitsontwikkeling van en de diversiteit in de amateurkunst. Het Fonds subsidieert activiteiten die vernieuwend of op een andere manier bijzonder zijn ten opzichte van andere (reguliere) activiteiten. Omdat het Fonds een landelijk fonds is, subsidieert het activiteiten die het lokale en regionale belang overstijgen. Onder een amateurkunstenaar verstaat het Fonds iemand die uit liefhebberij, dat wil zeggen niet beroepsmatig, actief is op het terrein van de kunsten (podiumkunsten, literatuur, beeldende en audiovisuele kunst en nieuwe media), met in begrip van de sector volkscultuur. 2. Aard van de aanvragen Een bijdrage kan worden verstrekt in de kosten die in Nederland gevestigde amateurkunstenaars, groepen, ensembles, verenigingen en amateurkader maken voor het uitvoeren van amateurkunst activiteiten, zoals: Lokale en regionale activiteiten kunnen alleen voor subsidiëring in aanmerking komen indien zij zich in artistiek of methodisch opzicht duidelijk onderscheiden van reguliere amateurkunstactiviteiten. Om budgettaire redenen kan aan deze categorie van activiteiten een lagere prioriteit worden toegekend. De activiteiten worden grotendeels in Nederland uitgevoerd door in Nederland gevestigde kunstenaars of gezelschappen. Activiteiten zijn openbaar toegankelijk en/of vinden binnen het basis- of voortgezet onderwijs plaats. Let wel: Activiteiten die plaatsvinden binnen of gericht zijn op het primair, voortgezet en hoger onderwijs, alsmede reguliere activiteiten van kunsteducatie-instellingen komen niet voor subsidiëring in aanmerking. Operette Binnen deze subsidieregeling is door het Ministerie van OCenW voor de periode 2002-2004 een apart budget beschikbaar gesteld ter bevordering van de operette, dat w"},{"i":6255,"b":"Wet van 18 juli 2009 tot samenvoeging van de gemeenten Arcen en Velden en Venlo en een deel van het grondgebied van de gemeente Bergen Lb Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Arcen en Velden en Venlo samen te voegen en dat het wenselijk is dat een deel van de gemeente Bergen Lb wordt toegevoegd aan de nieuw te vormen gemeente Venlo; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Arcen en Velden en Venlo opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Venlo ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Arcen en Velden en Venlo en een deel van het grondgebied van de gemeente Bergen Lb zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Venlo wordt de op te heffen gemeente Venlo aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Arcen en Velden en Venlo wordt de nieuwe gemeente Venlo aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen"},{"i":5547,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 9 juli 2013, nr. IenM/BSK-2013/129725, tot voortzetting van het experiment met de regels voor het strikt geluidspreferentieel baangebruik volgens het nieuwe normen- en handhavingstelsel voor de luchthaven Schiphol Gelet op [artikel 8.23a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.23a), [8.27, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.27), en [8.28, vierde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.28); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **LVB:** het [Luchthavenverkeerbesluit Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330); - b. **het experiment:** het experiment met het nieuwe normen- en handhavingstelsel voor de luchthaven Schiphol; - c. **gebruiksjaar 2013:** de periode van 1 november 2012 tot en met 31 oktober 2013; - d. **Schiphol:** N.V. Luchthaven Schiphol. Artikel 2. Doel De regeling heeft tot doel te borgen dat het vliegen volgens de regels van het strikt geluidspreferentieel baangebruik voortgang kan vinden en niet leidt tot ongewenste stuurmaatregelen in de operatie van Schiphol om de kans op overschrijdingen van de grenswaarden voor de geluidbelasting in handhavingspunten te minimaliseren. Artikel 3. Grenswaarden 1. In plaats van de grenswaarden genoemd in [bijlage 2 van het LVB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&bijlage=2) gelden tijdens dit experiment voor het gebruiksjaar 2013 vanaf 15 juli 2013 voor de in de onderstaande tabel genoemde handhavingspunten de volgende grenswaarden: | Grenswaarden handhavingspunten etmaal Lden [dB(A)] | Grenswaarden handhavingspunten etmaal Lden [dB(A)] | Grenswaarden handhavingspunten etmaal Lden [dB(A)] | Grenswaarden handhavingspunten etmaal Lden [dB(A)] | Grenswaarden handhavingspunten etmaal Lden [dB(A)] | | --- | --- | --- | --- | --- | | Puntnummer | X-coörd | Y-coörd | Grenswaarde | Maxim"},{"i":6057,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 19 december 2012, met kenmerk 00.005.593, inzake verlening van vergunning tot het organiseren van de postcodeloterij (Vergunning Nationale Postcode Loterij 2013/2014) Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de kansspelautoriteit) aan de Nationale Postcode Loterij N.V., gevestigd te Amsterdam met KvK-nummer 41183598 (hierna: de vergunninghouder), een vergunning voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014. Aan deze vergunning zijn de volgende voorschriften verbonden: A. Bestuursstructuur B. Aangeboden kansspel C. Afdracht ten behoeve van het algemeen belang D. Bescherming van consumenten E. Toezicht en controle F. Rapportage en verslaglegging G. Overig"},{"i":8446,"b":"Complementair Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije in verband met de toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Gemeenschap Zijne Majesteit de Koning der Belgen, De President van de Bondsrepubliek Duitsland, De President van de Franse Republiek, De President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, voor de Staten die Verdragspartijen zijn bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „oorspronkelijke Lid-Staten” te noemen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, De President van Ierland, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, voor de Staten die toetredende Partijen zijn bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, hierna „nieuwe Lid-Staten” te noemen, welke Staten allen Verdragspartijen zijn bij het op 22 januari 1972 te Brussel ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „Toetredingsverdrag” te noemen, en de Raad van de Europese Gemeenschappen, enerzijds en de President van de Republiek Turkije, anderzijds, hebben besloten in gemeenschappelijk overleg de aanpassingen vast te stellen van de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, hierna „associatieovereenkomst” te noemen, alsmede van het aanvullend protocol en het financieel protocol, welke aanpassingen noodzakelijk zijn in verband met de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Economische Gemeenschap, en hebben daartoe als hun gevolmachtigden aangewe"},{"i":2578,"b":"Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 21 juni 2022, nr. WJZ/ 22087356, houdende beleidsregel inzake de wijziging van de vergunningen windenergie op zee voor de kavels VI en VII Hollandse Kust (west) (Beleidsregel wijziging van de vergunningen windenergie op zee voor kavels VI en VII Hollandse Kust (west)) Gelet op [artikel 17, vierde lid van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **aanvraag:** aanvraag om wijziging van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17); - **kavel VI:** kavel VI als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling vergunningverlening windenergiegebied Hollandse Kust (west) kavel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046407); - **kavel VII:** kavel VI als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling vergunningverlening windenergiegebied Hollandse Kust (west) kavel VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046405); - **Minister:** Minister voor Klimaat en Energie; - **wet:** [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op de aanvraag voor een wijziging van een vergunning die overeenkomstig [artikel 25b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=25b) is verleend voor [kavel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046407) of [kavel VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046405). Artikel 3 1. Een aanvraag gaat vergezeld van toelichting die inzichtelijk maakt wat de invloed van de beoogde wijziging van de vergunning is op: - a. de locatie van de productie-installatie; - b. het geïnstalleerde vermogen van de productie-installatie; - c. de mate waarin wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in [artikel 14, e"},{"i":8520,"b":"Europees Verdrag inzake nationaliteit Preambule De Lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Indachtig de talrijke internationale akten met betrekking tot nationaliteit, meervoudige nationaliteit en staatloosheid; Erkennende dat, in aangelegenheden betreffende nationaliteit, zowel met de legitieme belangen van Staten als met die van individuele personen rekening moet worden gehouden; Geleid door de wens de gestage ontwikkeling te bevorderen van juridische beginselen inzake nationaliteit, alsmede de aanneming daarvan in de nationale wetgeving en geleid door de wens, voor zover mogelijk, gevallen van staatloosheid te voorkomen; Geleid door de wens discriminatie in aangelegenheden betreffende nationaliteit te voorkomen; Zich bewust van het recht op respect voor het familie- en gezinsleven, bedoeld in [artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=8); Gelet op de uiteenlopende benadering van de Staten van het vraagstuk van de meervoudige nationaliteit en erkennende dat elke Staat vrij is te beslissen welke gevolgen hij in zijn nationale wetgeving hecht aan het feit dat een onderdaan een andere nationaliteit verkrijgt of bezit; Overeenstemming bereikt hebbende over de wenselijkheid dat er passende oplossingen worden gevonden voor de gevolgen van meervoudige nationaliteit en in het bijzonder inzake de rechten en plichten van onderdanen met meervoudige nationaliteit; Overwegende dat het wenselijk is dat personen die de nationaliteit bezitten van twee of meer Staten die Partij zijn, hun militaire dienstplicht slechts ten aanzien van een van die Partijen hoeven te vervullen; Overwegende de noodzaak de internationale samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor nationaliteitsaa"},{"i":4590,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 27 oktober 2008, nr. WJZ/8141254, tot vaststelling van een beleidsregel inzake het beëindigen van het verstrekken van financiële bijdragen ten behoeve van de vervaardiging, verwerving of uitzending van omroepprogramma’s (EZ-beleidsregel beëindiging verstrekking financiële bijdragen aan omroepprogramma’s) Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **omroepprogramma:** een programmaonderdeel als bedoeld in [artikel 1, onder g, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=1); - b. **financiële bijdrage:** een geldelijk bedrag op grond van een privaatrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in [artikel 32, eerste lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32), dan wel een subsidie als bedoeld in [artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:21). Artikel 2 Met het oog op de vervaardiging, verwerving of uitzending van een omroepprogramma wordt geen financiële bijdrage verstrekt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: EZ-beleidsregel beëindiging verstrekking financiële bijdragen aan omroepprogramma’s. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8619,"b":"Wet van 6 december 2017 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PbEU, L 326) (Implementatiewet richtlijn pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van [Richtlijn 2011/83](32011L0083)/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van [Richtlijn 90/314/EEG](31990L0314) van de Raad (PbEU, L 326) in nationale wetgeving om te zetten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel IV Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel V De [Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586) zoals die luidde tot de inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op overeenkomsten die voor het inwerkingtreden van deze wet zijn gesloten. Artikel VI Deze wet treedt in werking op 1 juli 2018. Wordt het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst later uitgegeven dan 30 juni 2018, dan treedt zij in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsb"},{"i":8653,"b":"Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Indachtig de doelstellingen en beginselen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van goed nabuurschap, vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten, Ernstig bezorgd over de toename over de gehele wereld van daden van terrorisme, in al zijn gedaantes en verschijningsvormen; In herinnering brengend de Verklaring van 24 oktober 1995 ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Verenigde Naties, vervat in resolutie 50/6 van de Algemene Vergadering van 24 oktober 1995; Tevens in herinnering brengend alle relevante resoluties terzake van de Algemene Vergadering, waaronder resolutie 49/60 van 9 december 1994 met als bijlage de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme, waarin de lidstaten van de Verenigde Naties opnieuw plechtig hun ondubbelzinnige veroordeling bevestigen van alle terroristische daden, methoden en praktijken als misdadig en ongerechtvaardigd, ongeacht waar en door wie zij zijn begaan, met inbegrip van daden die de vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten en volkeren schaden en de territoriale integriteit en veiligheid van Staten bedreigen; Vaststellend dat de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme Staten tevens aanmoedigt het toepassingsgebied van de bestaande internationale wettelijke bepalingen inzake de preventie, bestrijding en uitbanning van terrorisme in al zijn gedaantes en verschijningsvormen spoedig te herzien teneinde een volledig wettelijk kader te scheppen dat alle aspecten van terrorisme omvat; In herinnering brengend resolutie 51/210 van de Algemene Vergadering van 17 december 1996, derde alinea, onderdeel f., waarin de Vergadering alle Staten opriep om stappen te ondernemen voor het,"},{"i":8654,"b":"Internationaal Verdrag ter bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen, zoals gewijzigd door het Protocol van 12 november 1947 Zie voor een opsomming van Staatshoofden de Engelse tekst. Bezield met den wensch op meer volledige wijze de bestrijding van den handel in vrouwen en kinderen te verzekeren; Kennis genomen hebbende van de aanbevelingen, vervat in het rapport van het Comité inzake den handel in vrouwen en kinderen aan den Volkenbondsraad nopens de werkzaamheden van zijn twaalfde zitting; Besloten hebbende, door een nieuw verdrag de Regeling van 18 Mei 1904 en de Verdragen van 4 Mei 1910 en van 30 September 1921 betreffende de bestrijding van den handel in vrouwen en kinderen aan te vullen, Hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: Zie voor de Lijst van Gevolmachtigden de Engelse tekst. Welke, na elkander hun in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Het oorspronkelijke verdrag is tot stand gekomen op 11 oktober 1933 (Stb. 1935/598) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 19 november 1935 (Trb. 1961/104). Artikel 1 Gestraft wordt ieder, die, ter voldoening van eens anders lusten, eene meerderjarige vrouw of meisje, zelfs met haar goedvinden, met het oog op het plegen van ontucht in een ander land, heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen, die de bestanddeelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn. De poging is eveneens strafbaar. Hetzelfde is het geval, binnen de grenzen der wet, met voorbereidende handelingen. In den zin van dit artikel omvat het woord „land” de koloniën en protectoraten van de desbetreffende Hooge Verdragsluitende Partij, evenals de gebieden, welke onder haar suzereiniteit staan en die, waarvoor haar een mandaat is toevertrouwd. Artikel 2 De Hooge Verdragsluitende Partijen, wier wetgeving op dit oogenblik nog niet voldoende is tot"},{"i":8655,"b":"Internationaal Verdrag ter bestrijding van de handel in vrouwen en kinderen, zoals gewijzigd door het Protocol van 12 november 1947 Albanië, Duitschland, Oostenrijk, België, Brazilië, het Britsche Rijk (met Canada, Australië, Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland en Indië), Chili, China, Columbia, Costa-Rica, Cuba, Estland, Griekenland, Hongarije, Italië, Japan, Letland, Lithauen, Noorwegen, Nederland, Perzië, Polen (met Dantzig), Portugal, Roemenië, Siam, Zweden, Zwitserland en Tsjecho-Slowakije, Bezield met den wensch om op meer volledige wijze de bestrijding van den handel in vrouwen en kinderen te verzekeren, welke in de considerans van de regeling van 18 Mei 1904 en van het verdrag van 4 Mei 1910 wordt aangeduid onder den naam van „den zoogenaamden handel in vrouwen en meisjes”; Kennis genomen hebbende van de aanbevelingen neergelegd in de slotakte van de Internationale Conferentie, die bijeengeroepen was door den Raad van den Volkenbond en te Genève is bijeengekomen van 30 Juni tot 5 Juli 1921; en Besloten hebbende een verdrag te sluiten ter aanvulling van bovengenoemde regeling en verdrag; Hebben te dien einde als haar gevolmachtigden benoemd: Zie voor de namen van de gevolmachtigden de Engelse tekst. die, na mededeeling van hunne volmachten welke in goede orde zijn bevonden, het volgende zijn overeengekomen: Het oorspronkelijke Verdrag is tot stand gekomen op 30 september 1921 (Stb. 1923/526) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 19 september 1923 (Trb. 1961/103). Artikel 1 De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, voorzoover zij nog geen Partij zijn bij de bovenvermelde regeling van 18 Mei 1904 en het verdrag van 4 Mei 1910, zoo spoedig mogelijk en op de wijze voorzien in bovenbedoelde regeling en verdrag, haar bekrachtigingen van genoemde akten of haar toetredingen tot genoemde akten over te leggen. Artikel 2 De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, alle maatregelen te nemen tot het opsporen en straffen van personen, die zi"},{"i":8696,"b":"Langlopende Overeenkomst inzake de ontwikkeling van de economische, industriële en technische samenwerking tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Polen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Polen geleid door de wens de vriendschapsbanden tussen hun beider volken te verstevigen, verlangend de zich reeds ontwikkelende economische, industriële, landbouwkundige en technische samenwerking voort te zetten en te versterken en zich bewust van de zeer belangrijke rol die deze speelt in hun wederzijdse betrekkingen, overtuigd van het belang van het scheppen van de gunstigste voorwaarden ten einde deze samenwerking te vergemakkelijken, verlangende de mogelijkheden die de economische ontwikkeling van hun landen biedt te benutten ten einde deze samenwerking hechter te doen zijn, gezien de Overeenkomst inzake economische, industriële en technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Polen, ondertekend te Warschau op 22 augustus 1967, verwijzend naar de Langlopende Handelsovereenkomst tussen de Benelux Economische Unie en de Volksrepubliek Polen, ondertekend te ’s-Gravenhage op 25 november 1971, alsmede naar de deelname van hun landen aan de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, erkennende het nut van het aannemen van bepalingen op lange termijn die uitzicht dienen te bieden op een stabiele en duurzame samenwerking, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen blijven streven naar het scheppen van gunstige voorwaarden voor de dynamische en harmonische ontwikkeling van de economische, industriële en technische samenwerking en nemen hiertoe met de grootste welwillendheid, in overeenstemming met hun internationale verbintenissen, in het bijzonder de in de inleiding van deze Overeenkomst genoemde, alle nuttige maatregelen. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen zijn het erover eens dat het van belang is"},{"i":8702,"b":"Memorandum houdende een schikking tussen de Nederlandse Regering en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot aanspraken van de Nederlandse Regering op geroofde effecten Done at Washington, in duplicate, this nineteenth day of January, 1951. **For the Government of the Netherlands:** (s.) J. H. VAN ROYEN. **For the Government of the United States of America:** (s.) DEAN ACHESON."},{"i":8704,"b":"Memorandum van Overeenstemming tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de gezamenlijke bouw en de gezamenlijke exploitatie van de Europese Transsone Windtunnel De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna te noemen: ,,de Deelnemende Partijen”), Overwegend dat in internationaal overleg de behoefte in Europa aan een transsone windtunnel met een hoog getal van Reynolds is vastgesteld; Overwegend dat gedurende een projectontwerpfase overeenstemming is bereikt met betrekking tot de technische specificaties van een cryogene transsone windtunnel; Bevestigend de „Grondbeginselen voor Fase 3, de bouw en de exploitatie van de ETW”, omschreven in de Bijlage bij het Memorandum van Overeenstemming betreffende de fase van het definitieve ontwerp van de voorgestelde Europese Transsone Windtunnel; Hebben als volgt besloten: Artikel 1. Onderwerp van het Memorandum van Overeenstemming 1. De Deelnemende Partijen komen overeen gezamenlijk een transsone windtunnelinstallatie met een hoog getal van Reynolds, hierna te noemen: „de ETW” (Europese Transsone Windtunnel), te bouwen en te exploiteren, welke installatie dient te voldoen aan de eisen van onderzoek en ontwikkeling op het gebied van de lucht- en ruimtevaart in de komende decennia. De belangrijkste kenmerken van de ETW worden beschreven in Bijlage I bij dit Memorandum van Overeenstemming (hierna te noemden: „dit MvO”). 2. Ten einde de gezamenlijke bouw en de gezamenlijke exploitatie van de ETW te verwerkelijken, wordt een afzonderlijke samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de „Deutsche Forschungs- und Versuchsanstalt für Luft- und Raumfahrt e.V.” (DFVLR), het „Office Natio"},{"i":8707,"b":"Multilateraal Verdrag inzake de exploitatie van het Caribische Centrum voor Epidemiologie Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2007/18 gesteld op 31 december 2007. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2008/66 gesteld op 31 december 2009. PART I. MISSION Vervallen PART II. FUNCTIONS Vervallen PART III. PROGRAMME Vervallen PART IV. ORGANISATIONSZowel „organisation” als „organization” komt in de tekst voor. AND ADMINISTRATION Vervallen PART V. FINANCIAL SUPPORT Vervallen PART VI. FACILITIES, PRIVILEGES & IMMUNITIES Vervallen GENERAL PROVISIONS Vervallen IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized, have signed one original copy of this Agreement in English, on the dates and places indicated below."},{"i":8708,"b":"Multilaterale Overeenkomst betreffende \"en route”-heffingen De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Oostenrijk, Het Koninkrijk België, Spanje, De Franse Republiek, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Ierland, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Portugese Republiek, De Zwitserse Bondsstaat, hierna te noemen ,,de Overeenkomstsluitende Staten”, De Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart, hierna te noemen „EUROCONTROL”, Overwegende dat door de wijziging van het [Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart „EUROCONTROL”](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004802) van 13 december 1960 de overeenkomsten welke door Europese Staten met het oog op de inning van „en route”-heffingen met EUROCONTROL zijn gesloten, vervangen dienen te worden; Erkennende dat de samenwerking op het gebied van de vaststelling en de inning van de „en route”-heffingen in het verleden doeltreffend is gebleken; Geleid door de wens, de tot stand gebrachte samenwerking voort te zetten en te verstevigen; Vastbesloten om met inachtneming van de door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie aanbevolen richtlijnen een uniform Europees „en route”-heffingensysteem toe te passen dat voor zo veel mogelijk Europese Staten toegankelijk is; Ervan overtuigd zijnde dat zulk een uniform systeem tevens het overleg met de gebruikers zal kunnen vergemakkelijken; Overwegende dat het gewenst is dat de aan het EUROCONTROL systeem van „en route”-heffingen deelnemende Staten de bevoegdheden van de Organisatie op het stuk van het in rechte vorderen van de heffingen verruimen; Erkennende dat een dergelijk systeem een nieuwe rechtsgrond vereist; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. De Overeenkomstsluitende Staten komen overeen een gemeenschappelijk beleid vast te stellen op het gebied van de „en route”-heffingen voor vluchten in het luchtruim van de onder hun bevoegdheid ressorterende vlucht"},{"i":8715,"b":"Noord-Atlantisch Verdrag De Partijen bij dit Verdrag bevestigen opnieuw haar vertrouwen in de doeleinden en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en hun wens om in vrede te leven met alle volken en alle Regeringen. Zij zijn vastbesloten om de vrijheid, het gemeenschappelijk erfdeel en de beschaving van hun volken, welke zijn gegrondvest op beginselen van democratie, persoonlijke vrijheid en rechtsorde, veilig te stellen. Zij zullen zich beijveren de stabiliteit en de welvaart in het Noord-Atlantisch gebied te bevorderen. Zij zijn besloten haar krachten te verenigen voor de gemeenschappelijke verdediging en voor het behoud van vrede en veiligheid. Derhalve sluiten zij dit Noord-Atlantisch Verdrag. Artikel 1 De Partijen nemen op zich om, gelijk is geregeld in het Handvest van de Verenigde Naties, alle internationale geschillen waarin zij mochten worden gewikkeld langs vreedzame weg te beslechten op zodanige wijze, dat internationale vrede en veiligheid en gerechtigheid niet in gevaar worden gebracht en om zich in haar internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld op enige wijze, welke onverenigbaar is met de doeleinden van de Verenigde Naties. Artikel 2 De Partijen zullen bijdragen tot een verdere ontwikkeling van vreedzame en vriendschappelijke internationale betrekkingen door haar vrije instellingen te versterken, door een beter begrip te wekken voor de grondslagen waarop deze instellingen berusten en door stabiliteit en welvaart te bevorderen. Zij zullen trachten tegenstellingen in haar internationale economische politiek uit de weg te ruimen en zij zullen economische samenwerking aanmoedigen tussen enige of alle Partijen. Artikel 3 Ten einde de doeleinden van dit Verdrag beter te verwezenlijken zullen de Partijen, ieder voor zich en tezamen, haar individueel en collectief vermogen om een gewapende aanval te weerstaan handhaven en ontwikkelen, door voortdurend en op doelmatige wijze zich zelf te versterken en elkand"},{"i":8725,"b":"Notawisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Zwitserland inzake privileges en immuniteiten voor verbindingsofficieren die door Zwitserland bij Europol te ’s-Gravenhage gedetacheerd worden 1. Begripsomschrijvingen In dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „verbindingsofficier’’, elke functionaris die in overeenstemming met artikel 14 van het Samenwerkingsverdrag bij Europol wordt geplaatst; - b. „Regering’’, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden; - c. „autoriteiten van de gastheerstaat’’, autoriteiten van de centrale of gemeentelijke overheid of andere autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden, naar gelang het geval is, in het kader van en in overeenstemming met de wetten en gebruiken die in het Koninkrijk der Nederlanden van toepassing zijn; - d. „zendstaat’’, Zwitserland; - e. „archief van de verbindingsofficier’’, alle dossiers, correspondentie, documenten, manuscripten, computer- en mediagegevens, foto’s, films, video- en geluidsopnamen die toebehoren aan of in het bezit zijn van de verbindingsofficier, alsmede enig ander soortgelijk materiaal dat naar het unanieme oordeel van de zendstaat en de Regering deel uitmaakt van het archief van de verbindingsofficier. 2. Voorrechten en immuniteiten 1. Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag genieten de verbindingsofficier en de gezinsleden die deel uitmaken van zijn huishouding en niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, in en ten aanzien van het Koninkrijk der Nederlanden dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke worden verleend aan de leden van het diplomatieke personeel door het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer. 2. De immuniteit die aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde personen wordt verleend, strekt zich niet uit tot: - i. civiele vorderingen van derden wegens schade, met inbegrip van lichamelijk letsel of overlijden ten gevolge van verkeersongevallen die door deze personen zijn veroorzaakt; of - ii. strafrechteli"},{"i":8761,"b":"Overeenkomst betreffende de rechtspositie van het personeel van de staten van herkomst dat is verbonden aan een internationaal militair hoofdkwartier van de NAVO in de Bondsrepubliek Duitsland Het Koninkrijk België, Canada, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en de Verenigde Staten van Amerika zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 (1). In deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a). „NAVO-Statusverdrag”: het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten; - b). „Aanvullende Overeenkomst”: de op 3 augustus 1959 te Bonn ondertekende Aanvullende Overeenkomst bij het NAVO-Verdrag nopens de rechtspositie der krijgsmachten betreffende de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten, met Protocol van ondertekening; - c). „Protocol”: het op 28 augustus 1952 te Parijs ondertekende Protocol nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag; - d). „Hoofdkwartier”: ieder krachtens het Noord-Atlantisch Verdrag in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigd internationaal militair hoofdkwartier van de NAVO; - e). „staat van herkomst”: een der Overeenkomstsluitende Partijen, met uitzondering van de Bondsrepubliek Duitsland. (2). Behoudens waar in de artikelen 2 en 3 wordt verwezen naar in het NAVO-Statusverdrag en in de Aanvullende Overeenkomst gebruikte termen, betekent in dit Verdrag de term: - a). „krijgsmacht”: het personeel behorende tot de land-, zee- of luchtstrijdkrachten van een staat van herkomst; - b). „civiele dienst\": het burgerpersoneel in dienst bij de land-, zee- of luchtstrijdkrachten van een staat van herkomst, met uitzondering van staatloze personen, of onderdanen van een Staat welke niet partij is bij het Noord-Atlantisch Verdrag, of onderdanen van de Bondsrepubliek"},{"i":8762,"b":"Overeenkomst betreffende de toepassing van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen De Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, verlangende de justitiële samenwerking tussen deze Staten in de strijd tegen gewelddaden te versterken, in afwachting van de bekrachtiging zonder voorbehoud van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, ondertekend te Straatsburg op 27 januari 1977, hierna te noemen „het Europees Verdrag”, door alle Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, hierna te noemen „de Lid-Staten”, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Deze Overeenkomst is van toepassing op de betrekkingen tussen twee Lid-Staten waarvan ten minste één geen partij is bij het Europees Verdrag of wel partij is bij dat Verdrag, maar een voorbehoud heeft gemaakt. Artikel 2 1. Op de betrekkingen tussen twee Lid-Staten die partij zijn bij het Europees Verdrag, maar waarvan ten minste één een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van dat Verdrag, wordt het Verdrag toegepast met inachtneming van de bepalingen van deze Overeenkomst. 2. Op de betrekkingen tussen twee Lid-Staten waarvan ten minste één geen partij is bij het Europees Verdrag, zijn de artikelen l tot en met 8 en artikel 13 van het Europees Verdrag van toepassing, behoudens de bepalingen van deze Overeenkomst. Artikel 3 1. Elke Lid-Staat die van het bij artikel 13 van het Europees Verdrag toegestane voorbehoud gebruik heeft gemaakt, verklaart of hij voor de toepassing van deze Overeenkomst gebruik wenst te maken van dit voorbehoud. 2. Elke Lid-Staat die het Europees Verdrag heeft ondertekend, maar niet bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd, verklaart of hij voor de toepassing van deze Overeenkomst gebruik wenst te maken van het bij artikel 13 van dat Verdrag toegestane voorbehoud. 3. Elke Lid-Staat die het Europees Verdrag niet heeft ondertekend, kan verklaren of hij zich het recht voorbehoudt uitlevering wegens een delict genoemd in artikel 1 van he"},{"i":8763,"b":"Overeenkomst betreffende de uitvoering van Deel XI van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 De Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst, Erkennend de belangrijke bijdrage van het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee](onbekend) van 10 december 1982 (hierna te noemen „het Verdrag”) aan de handhaving van vrede, gerechtigheid en vooruitgang voor alle volken ter wereld, Opnieuw bevestigend dat de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht (hierna te noemen „het Gebied”), alsmede de rijkdommen van het Gebied, het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid zijn, Indachtig het belang van het [Verdrag](onbekend) voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu en indachtig de groeiende bezorgdheid over het mondiale milieu, Bestudeerd hebbend het rapport van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties over de resultaten van het van 1990 tot 1994 tussen Staten gevoerde informele overleg inzake nog niet geregelde kwesties betreffende [Deel XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&deel=XI) en de daarmee samenhangende bepalingen van het [Verdrag](onbekend) (hierna te noemen „Deel XI”), Kennisnemend van de politieke en economische veranderingen, waaronder de marktgerichte benaderingen, die van invloed zijn op de uitvoering van [Deel XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&deel=XI), Geleid door de wens de universele deelneming aan het [Verdrag](onbekend) te vergemakkelijken, Overwegend dat een overeenkomst betreffende de uitvoering van [Deel XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&deel=XI) het beste middel is om dit doel te bereiken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Uitvoering van [Deel XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&deel=XI) 1. De Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst nemen de verplichting op zich [Deel XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&deel=XI) uit te voere"},{"i":8773,"b":"Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) De Overeenkomstsluitende Partijen, Verlangend de veiligheid van het internationale wegvervoer te verhogen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 In deze Overeenkomst verstaat men - a). onder „voertuigen”: motorrijtuigen, gelede voertuigen, aanhangwagens en opleggers, zoals deze zijn omschreven in [artikel 4 van het Verdrag nopens het wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005415&artikel=4) van 19 september 1949, met uitzondering van de voertuigen welke toebehoren aan de krijgsmacht van een Overeenkomstsluitende Partij of welke zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van die krijgsmacht; - b). onder „gevaarlijke goederen”: de stoffen en voorwerpen waarvan de [Bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006433&bijlage=A&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006433&bijlage=B&z=2025-01-01&g=2025-01-01) het internationale vervoer over de weg verbieden of slechts onder bepaalde voorwaarden toelaten; - c). onder „internationaal vervoer”: alle vervoer dat wordt verricht op het grondgebied van tenminste twee Overeenkomstsluitende Partijen met voertuigen zoals hierboven onder **a** omschreven. Artikel 2 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in [artikel 4, lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006433&artikel=4&z=2025-01-01&g=2025-01-01), mag geen internationaal vervoer plaats hebben van gevaarlijke goederen waarvan [Bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006433&bijlage=A&z=2025-01-01&g=2025-01-01) het vervoer verbiedt. 2. Internationaal vervoer van andere gevaarlijke goederen is slechts toegelaten, indien zijn vervuld: - a). de voorwaarden welke [Bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006433&bijlage=A&z=2025-01-01&g=2025-01-01) stelt ten aanzien van de goederen in kwestie, met name ten aanzien van hun verpakking en etikettering, en - b). de voorwaarden welke [Bijlage B](https://we"},{"i":8774,"b":"Overeenkomst betreffende kwaliteitstarwe DONE at Geneva this twenty-ninth day of March 1962, in the English and French languages, both authentic."},{"i":8777,"b":"Overeenkomst betreffende samenwerking en een douane-unie tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek San Marino, anderzijds Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland, De President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, De President van de Franse Republiek, De President van Ierland, De President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, De President van de Portugese Republiek, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, wier Staten partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en De Raad van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en De Republiek San Marino anderzijds, Vastbesloten de reeds nauwe betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek San Marino te versterken en uit te breiden, Overwegende dat het wenselijk is de banden tussen beide partijen met name op commercieel, economisch sociaal en cultureel gebied te versterken door een samenwerkingsverband in te stellen tussen de Republiek San Marino en de Europese Economische Gemeenschap voor alle kwesties van gemeenschappelijk belang, Overwegende dat het vanwege de situatie van San Marino en zijn huidige integratie in het douanegebied van de Gemeenschap, noodzakelijk is een douane-unie tot stand te brengen tussen de Republiek San Marino en de Europese Economische Gemeenschap, Komen het volgende overeen: Artikel 1 Krachtens deze Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek San Marino wordt een douane-unie tussen beide partijen tot stand gebracht. De overeenkomst heeft tot doel een algemene samenwerking tussen deze partijen te bevorderen ten einde bij te dragen tot de economische en sociale ontwikkeling van de Republiek San Marino en de versteviging van"},{"i":8782,"b":"Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie De Hoge Verdragsluitende Partijen bij deze overeenkomst, lidstaten van de Europese Unie, Onder verwijzing naar de akte van de Raad tot vaststelling van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie; Wensend de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten van de Unie te verbeteren, onverminderd de regelingen ter bescherming van de individuele vrijheid; Wijzend op het gemeenschappelijk belang van de lidstaten om ervoor te zorgen dat de wederzijdse rechtshulp tussen de lidstaten snel en doeltreffend plaatsvindt, op een wijze die verenigbaar is met de fundamentele beginselen van hun nationale recht en in overeenstemming is met de individuele rechten en de beginselen van het Europees [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000), ondertekend te Rome op 4 november 1950; Uitdrukking gevend aan hun vertrouwen in de structuur en de werking van elkaars rechtsstelsels en in het vermogen van alle lidstaten om een eerlijke procesgang te waarborgen; Vastbesloten het [Europees Verdrag van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001009) en andere geldende verdragen op dit gebied aan te vullen met een overeenkomst van de Europese Unie; Erkennende dat de bepalingen van die verdragen van toepassing blijven op alle aspecten die niet onder deze overeenkomst vallen; Overwegende dat de lidstaten belang hechten aan versterking van de justitiële samenwerking, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel; Eraan herinnerend dat deze overeenkomst de wederzijdse rechtshulp in strafzaken regelt, op basis van de beginselen van het [Verdrag van 20 april 1959](https://wett"},{"i":8825,"b":"Overeenkomst inzake economische en technische samenwerking tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Ivoorkust De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Ivoorkust, bezield door de wens hun traditionele vriendschapsbanden aan te halen, hun economische betrekkingen op basis van gelijkheid en tot wederzijds voordeel te ontwikkelen en uit te breiden, en met het oog op de toepassing van de bepalingen der Associatie-overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de met deze Gemeenschap geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar, zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. De Overeenkomstsluitende Partijen nemen de verplichting op zich samen te werken en overeenkomstig hun wetgeving en zoveel als in hun vermogen ligt, elkaar wederzijds bijstand te verlenen ten behoeve van de ontwikkeling van hun landen, met name op economisch en technisch gebied. 2. Op de basis en binnen het raam van deze Overeenkomst kunnen op het gebied van de technische samenwerking bijzondere overeenkomsten worden gesloten. Artikel 2 1. Ter verwezenlijking van de in deze Overeenkomst genoemde doelstellingen, is de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden bereid aan Nederlandse ondernemingen die een verzoek daartoe indienen, vergunning te verlenen voor het leveren tegen betaling in termijnen van kapitaalgoederen aan Staatsondernemingen en particuliere ondernemingen van Ivoorkust. 2. De Overeenkomstsluitende Partijen nemen de verplichting op zich zoveel als in hun vermogen ligt de verwezenlijking te bevorderen van een multilateraal systeem om de particuliere investeringen te verzekeren tegen niet-commerciële risico's. Indien het niet mogelijk zou blijken een dergelijk systeem binnen een redelijke tijd in te voeren, zal de mogelijkheid worden bestudeerd op bilaterale grondslag maatregelen te nemen op dit gebied. 3. Van haar kant stelt de Regering van de Republiek Ivoorkust de nodige zekerheden voor het telke"},{"i":8826,"b":"Overeenkomst inzake economische en technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Arabische Republiek Egypte De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Arabische Republiek Egypte, Geleid door de wens hun van oudsher bestaande vriendschapsbanden te verstevigen, Bevestigend hun belang bij het aanmoedigen, versterken en vergemakkelijken der economische en technische samenwerking tussen hun beider landen, op voet van gelijkheid en tot wederzijds voordeel, Geleid door de wens de voorwaarden voor het ontwikkelen van deze samenwerking te verbeteren, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen stimuleren en bevorderen de economische en technische samenwerking tussen hun onderscheiden landen, binnen het kader van hun wetten en voorschriften en met inachtneming van hun internationale verplichtingen. Artikel II 1. De Overeenkomstsluitende Partijen moedigen in het bijzonder initiatieven aan die kunnen leiden tot het sluiten van contracten en het treffen van regelingen inzake economische en technische samenwerking tussen ondernemingen en organisaties in het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds en ondernemingen en organisaties in de Arabische Republiek Egypte anderzijds. 2. Zij vergemakkelijken, voor zover mogelijk, de uitvoering van zulke contracten en regelingen op basis van wederzijds voordeel. Artikel III 1. De Overeenkomstsluitende Partijen erkennen dat binnen het kader van deze Overeenkomst samenwerking onder andere kan omvatten: - (i). uitvoering van projecten en werken van gemeenschappelijk belang, waaronder de bouw van installaties op het gebied van industrie en landbouw en de uitbreiding van bestaande installaties; - (ii). oprichting van gezamenlijke ondernemingen in beide landen, alsmede in derde landen, op het gebied van industrie, landbouw, handel en verbindingen; - (iii). uitwisseling van technische kennis en technisch documentatie en informatiemateriaal, en samenwerking op het gebied van"},{"i":8828,"b":"Overeenkomst inzake economische samenwerking tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Marokko De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Marokko, Bezield door de wens hun traditionele vriendschapsbanden nauwer aan te halen, hun economische betrekkingen te ontwikkelen en uit te breiden en investeringen op de grondslag van gelijkheid en tot hun wederzijds voordeel te bevorderen, Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Voor voorlopige toepassing zie ook Trb. 1973/11 en Trb. 1974/8. Voor voorlopige toepassing zie ook Trb. 1973/11 en Trb. 1974/8. Artikel I Voor de toepassing van deze Overeenkomst: - a). wordt onder de term „onderdanen” mede verstaan de overeenkomstig de wetgeving van een Overeenkomstsluitende Partij opgerichte rechtspersonen welker voornaamste vestiging binnen het grondgebied van die Overeenkomstsluitende Partij is gelegen; - b). wordt onder de term „rechtspersoon” mede en onder voorbehoud van eerbiediging van de op hem ingevolge de in het gastland van kracht zijnde wetgeving rustende verplichtingen verstaan de overeenkomstig de wetgeving van een Overeenkomstsluitende Partij opgerichte rechtspersoon welke binnen het grondgebied van die Overeenkomstsluitende Partij is gevestigd, ten aanzien waarvan toestemming is verleend of overeengekomen is dat hij, wegens het overwegend belang daarin van een onderdaan van de andere Overeenkomstsluitende Partij, voor de toepassing van de onderhavige Overeenkomst als een onderdaan van die laatste Overeenkomstsluitende Partij wordt beschouwd; - c). wordt onder de term „investeringen” meer in het bijzonder doch niet uitsluitend verstaan: - i). roerende en onroerende goederen, alsmede alle andere zakelijke rechten zoals hypotheek, voorrechten, pand, vruchtgebruik en soortgelijke rechten; - ii). aandelen of andere belangen in vennootschappen; - iii). geldelijke vorderingen of elk recht op een verrichting die economische waarde heeft; - i"},{"i":8831,"b":"Overeenkomst inzake een uitgebreide politieke regeling van het Kambodjaconflict De Staten die deelnemen aan de Conferentie van Parijs inzake Kambodja, te weten Australië, Brunei Darussalam, Canada, de Volksrepubliek China, de Republiek der Filipijnen, de Franse Republiek, de Republiek India, de Republiek Indonesië, Japan, de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, Kambodja, de Democratische Volksrepubliek Laos, Maleisië, de Republiek Singapore, het Koninkrijk Thailand, de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Verenigde Staten van Amerika en de Socialistische Republiek Vietnam, In aanwezigheid van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, Met het oog op de handhaving, bescherming en verdediging van de soevereiniteit, onafhankelijkheid, territoriale integriteit en onschendbaarheid, neutraliteit en nationale eenheid van Kambodja, Geleid door de wens de vrede in Kambodja te herstellen en te handhaven, de nationale verzoening te bevorderen en de uitoefening van het recht op zelfbeschikking van het Kambodjaanse volk door middel van vrije en eerlijke verkiezingen te waarborgen, Ervan overtuigd dat alleen een uitgebreide politieke regeling van het Kambodja-conflict rechtvaardig en duurzaam zal zijn en zal bijdragen aan de regionale en internationale vrede en veiligheid, Verheugd over het Kaderdocument van 28 augustus 1990, dat door de Kambodjaanse Partijen in zijn geheel werd aanvaard als grondslag voor de regeling van het Kambodja-conflict en dat daarna unaniem werd goedgekeurd in resolutie 668 (1990) van 20 september 1990 van de Veiligheidsraad en resolutie 45/3 van 15 oktober 1990 van de Algemene Vergadering, Wijzend op de oprichting in Jakarta op 10 september 1990 van de Hoge Nationale Raad van Kambodja als het enige wettige orgaan en de bron van gezag in Kambodja waarin, gedurende de overgangsperiode, de nationale soevereiniteit en eenheid zijn belichaamd en die Kambodja naar buiten"},{"i":3626,"b":"Besluit van 13 maart 2000, houdende regels ter uitvoering van artikel 24a van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie alsmede inwerkingtreding van dat artikel (Besluit klachtencommissie vergunninghouders interlandelijke adoptie) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 25 oktober 1999, Directie Wetgeving, nr. 798026/99/6; Gelet op [artikel 24a, eerste lid, tweede volzin, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=24a), de [artikelen 9:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:13) en [9:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14) en [artikel 17, eerste lid, van de Wet van 14 mei 1998 tot uitvoering van het op 29 mei 1993 te 's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie en, in verband daarmee, wijziging van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen en enige andere wetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009614&artikel=17) (Stb. 302); De Raad van State gehoord (advies van 5 januari 2000, nr. W03.99 0531/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 6 maart 2000, Directie Wetgeving, nr. 5006821/00/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de commissie: de klachtencommissie, bedoeld in [artikel 24a, eerste lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=24a). Artikel 2 1. De commissie is belast met de behandeling van en de advisering over klachten over gedragingen die een vergunninghouder als bestuursorgaan heeft verricht. [Afdeling 9.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=9.3) is van toepassing. 2. [Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) en het eerst"},{"i":9010,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen betreffende de zetel van het Fonds The Government of the Kingdom of the Netherlands and the Common Fund for Commodities, Recalling that, during the United Nations Negotiating Conference on a Common Fund under the Integrated Programme for Commodities, the Government of the Kingdom of the Netherlands proposed Amsterdam as a suitable location for the Headquarters of the Common Fund for Commodities and that, at the First annual Meeting of the Governing Council of the Common Fund for Commodities in 1989, the Government of the Kingdom of the Netherlands gave certain undertakings regarding the provision and financing of office space for the Fund's Headquarters, conference facilities for its meetings and the costs of setting up the Headquarters, Considering that the Governing Council of the Common Fund for Commodities decided to accept the offer of the Government of the Kingdom of the Netherlands to locate the Headquarters of the Fund in Amsterdam, Bearing in mind that the Agreement Establishing the Common Fund for Commodities contains in its Articles 40 to 50 certain provisions regarding the legal status, privileges and immunities of the Fund in its Member States, Taking into account that the establishment of the Headquarters of the Common Fund for Commodities in the territory of the Kingdom of the Netherlands makes further provisions desirable, Have agreed as follows: Article 1. Definitions In this Agreement: - a). the \"Agreement of 1980\" means the Agreement Establishing the Common Fund for Commodities, adopted at Geneva on 27 June 1980; - b). \"this Agreement\" means the Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the Common Fund for Commodities concerning the Headquarters of the Fund; - c). \"Member\" means a State or an Intergovernmental Organization party to the Agreement of 1980; - d). \"the Fund\" means the Common Fund for Commodities; - e). \"the Government\" means"},{"i":9022,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Land Noordrijn-Westfalen inzake de samenwerking van de hogescholen van het Koninkrijk der Nederlanden met de Fachhochschulen van het Land Noordrijn-Westfalen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Land Noordrijn-Westfalen zijn, geleid door de wens de samenwerking tussen de Fachhochschulen van het Land Noordrijn-Westfalen en de hogescholen van het Koninkrijk der Nederlanden te bevorderen en voor de studenten uit beide Staten de studie in de respectieve andere Staat te vergemakkelijken, het volgende overeengekomen: 1 Voor het gehele hoger beroepsonderwijs wordt gestreefd naar samenwerking resp. vergemakkelijking van de uitwisseling van studenten, voorzover aan de hogescholen van beide Staten overeenkomstige studierichtingen worden aangeboden. De Overeenkomst is niet van toepassing op studierichtingen in de sectoren - -. lerarenopleidingen - -. kunst1)„Design\" behoort niet tot de sector „kunst\"en muziek - -. paramedische opleidingen - -. studierichtingen van het Nederlandse „kort hoger beroepsonderwijs\", die in Nederland tot het hoger beroepsonderwijs behoren, omdat in deze sectoren in Noordrijn-Westfalen geen studierichtingen aan Fachhochschulen worden aangeboden. Indien door de Fachhochschulen in Noordrijn-Westfalen in de toekomst studierichtingen worden aangeboden in deze sectoren (b.v. op het gebied van de verpleging), is de Overeenkomst tevens van toepassing op deze opleidingen. 2 De Overeenkomst heeft, overeenkomstig de hieronder genoemde nadere bepalingen, betrekking op 2.1. studenten die een studie in een door een Fachhochschule en een hogeschool gemeenschappelijk in het leven geroepen studierichting willen opnemen en voltooien, 2.2. studenten die in het kader van uitwisselingsprogramma's tussen hogescholen gedeelten van de studie aan de partnerhogeschool willen volgen, 2.3. individuele studenten („free movers\") die buiten uitwisselingsprogramma's of gemeenschappelijke stud"},{"i":9065,"b":"Protocol betreffende handelsbetrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en Japan, anderzijds IN WITNESS WHEREOF, the undersigned representatives have signed the present Protocol. DONE at Tokyo, in triplicate in the English language, this thirtieth day of April, nineteen hundred and sixty three."},{"i":9092,"b":"Protocol bij het Noord-Atlantisch Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Finland De Partijen bij het op 4 april 1949 te Washington ondertekende [Noord-Atlantisch Verdrag](onbekend), Ervan overtuigd dat de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied door de toetreding van de Republiek Finland tot dat Verdrag verhoogd zal worden, Komen als volgt overeen: Artikel I Bij de inwerkingtreding van dit Protocol zal de Secretaris-Generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie uit naam van alle Partijen aan de Regering van de Republiek Finland een uitnodiging doen toekomen tot het [Noord-Atlantisch Verdrag](onbekend) toe te treden. In overeenstemming met [artikel 10 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760&artikel=10) wordt de Republiek Finland Partij op de dag waarop het een akte van toetreding nederlegt bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika. Artikel II Dit Protocol treedt in werking wanneer elk van de Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](onbekend) aan de Regering van de Verenigde Staten van Amerika mededeling hebben gedaan dat zij het Protocol aanvaarden. De Regering van de Verenigde Staten van Amerika stelt alle Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag in kennis van de datum van ontvangst van iedere mededeling van aanvaarding en van de datum van inwerkingtreding van dit Protocol. Artikel III Dit Protocol, waarvan de Engelse en de Franse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt in het archief van de Regering van de Verenigde Staten van Amerika nedergelegd. Naar behoren gewaarmerkte afschriften worden door die Regering aan de Regeringen van alle Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](onbekend) toegezonden. IN WITNESS WHEREOF, the undersigned plenipotentiaries have signed the present Protocol. SIGNED at Brussels on the fifth day of July 2022."},{"i":9093,"b":"Protocol bij het Noord-Atlantisch Verdrag betreffende de toetreding van de Slowaakse Republiek De Partijen bij het op 4 april 1949 te Washington ondertekende [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), Ervan overtuigd dat de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied door de toetreding van de Slowaakse Republiek tot dat [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) verhoogd zal worden, Komen als volgt overeen: Artikel I Bij de inwerkingtreding van dit Protocol zal de Secretaris-Generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie uit naam van alle Partijen aan de Regering van de Slowaakse Republiek een uitnodiging doen toekomen om tot het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) toe te treden. In overeenstemming met [artikel 10 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760&artikel=10) wordt de Slowaakse Republiek Partij op de dag waarop zij een akte van toetreding nederlegt bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika. Artikel II Dit Protocol treedt in werking wanneer elk der Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) aan de Regering van de Verenigde Staten van Amerika mededeling heeft gedaan dat zij het aanvaardt. De Regering van de Verenigde Staten van Amerika stelt alle Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag in kennis van de datum van ontvangst van iedere mededeling van aanvaarding en van de datum van inwerkingtreding van dit Protocol. Artikel III Dit Protocol, waarvan de Engelse en de Franse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt in het archief van de Regering van de Verenigde Staten van Amerika nedergelegd. Naar behoren gewaarmerkte afschriften worden door die Regering aan de Regeringen van alle Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) toegezonden. IN WITNESS WHEREOF, the undersigned plenipotentiaries have signed the present Protocol. SIGNED at Bruss"},{"i":9094,"b":"Protocol bij het Noord-Atlantisch Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek De Partijen bij het op 4 april 1949 te Washington ondertekende [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), Ervan overtuigd dat de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied door de toetreding van de Tsjechische Republiek tot dat Verdrag verhoogd zal worden, Komen als volgt overeen: Artikel I Bij de inwerkingtreding van dit Protocol zal de Secretaris-Generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie uit naam van alle Partijen aan de Regering van de Tsjechische Republiek een uitnodiging doen toekomen, tot het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) toe te treden. In overeenstemming met [artikel 10 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760&artikel=10) wordt de Tsjechische Republiek partij op de dag waarop zij een akte van toetreding nederlegt bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika. Artikel II Dit Protocol treedt in werking wanneer elk der Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) aan de Regering van de Verenigde Staten van Amerika mededeling heeft gedaan dat zij het Protocol aanvaardt. De Regering van de Verenigde Staten van Amerika stelt alle Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag in kennis van de datum van ontvangst van iedere mededeling van aanvaarding en van de datum van inwerkingtreding van dit Protocol. Artikel III Dit Protocol, waarvan de Engelse en de Franse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt in het archief van de Regering van de Verenigde Staten van Amerika nedergelegd. Behoorlijk gewaarmerkte afschriften worden door die Regering aan de Regeringen van alle Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) toegezonden. IN WITNESS WHEREOF, the undersigned plenipotentiaries have signed the present Protocol. SIGNED at Brussels on the 16th day of December 1997."},{"i":17416,"b":"Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 24 juni 2024, nr. WJZ/ 59263981, houdende regels voor het verstrekken van eenmalige specifieke uitkeringen in verband met de uitvoering van het Uitvoeringsprogramma Natuur (Regeling specifieke uitkering Programma Natuur 2e fase) Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **apparaatskosten:** kosten van provincies en partners, die samenhangen met de regievoering van voorbereiding en uitvoering van het Provinciaal Uitvoeringsprogramma; - **goede staat:** staat van een natuurgebied waarin de condities aanwezig zijn voor een duurzaam behoud van de voornaamste kenmerken van de daarin gelegen habitattypen of leefgebieden van soorten, zodanig dat het natuurgebied bij kan dragen aan het bereiken of behouden van een gunstige staat van instandhouding voor een habitat of een soort als bedoeld in artikel 1, onder e en i, van [Richtlijn 92/43/EEG](31992L0043) van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 372) of een niveau van instandhouding als bedoeld in artikel 2 van [Richtlijn 2009/147/EG](32009L0147) van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20); - **herstelstrategie:** pakket aan maatregelen dat ertoe moet leiden dat de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied op termijn worden gehaald; - **minister:** Minister voor Natuur en Stikstof; - **Natura 2000-gebied:** gebied als bedoeld in de [bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet](onbekend) en waar stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten voorkomen; - **natuurdoelanalyse:** ecologische (ex ante) beoordeling op basis van beschikbare informatie met als doel te bepalen of de te verwachte stikstofreductie voor een specifiek natuurgebied"},{"i":19464,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 17 maart 2015, nr. IenM/BSK-2015/51943, houdende verlening van vrijstelling van artikel 31 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 voor het op de openbare weg krijgen of geven van rijonderricht in het besturen van een voorrangsvoertuig Gelet op de [artikelen 147, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=147), en [150, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=150); BESLUIT: Artikel 1 De bestuurder die op de openbare weg rijonderricht krijgt of geeft in het besturen van een voorrangsvoertuig als bedoeld in [artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=1) is onder de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036428&artikel=2&z=2015-10-02&g=2015-10-02), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036428&artikel=3&z=2015-10-02&g=2015-10-02) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036428&artikel=4&z=2015-10-02&g=2015-10-02) genoemde voorwaarden vrijgesteld van [artikel 31 van dat reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=31). Artikel 2 1. Degene die het rijonderricht, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036428&artikel=1&z=2015-10-02&g=2015-10-02), geeft: - a. is in het bezit van het diploma, genoemd in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025890&artikel=14) respectievelijk [artikel 15 van de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025890&artikel=15) en als rijinstructeur werkzaam bij het Ministerie van Defensie onderscheidenlijk de politie, of - b. is door een daartoe door een of meer van de diensten, genoemd in het tweede lid, aangewezen instantie, gecertificeerd volgens het competentieprofiel, bedoeld in het tweede lid. 2. De politie, brandweer en diensten voor spoedeisende medische hulpverlening s"},{"i":12983,"b":"Besluit van 16 april 2026 tot wijziging van het Besluit toezicht accountantsorganisaties in verband met de verhoging van de grens voor de status van organisatie van openbaar belang (Besluit verhoging grens status organisatie van openbaar belang woningcorporaties) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 13 januari 2026, nr. 2025-0000708172, gedaan mede namens Onze Minister van Financiën; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 februari 2026, nr. W04.26.00009/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 10 april 2026, nr. 2026-0000143144, uitgebracht mede namens Onze Minister van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit toezicht accountantsorganisaties. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verhoging grens status organisatie van openbaar belang woningcorporaties. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":9153,"b":"Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 De partijen bij dit Protocol, Erkennend dat het [Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241), aanzienlijk kan bijdragen tot de bescherming van het mariene milieu tegen verontreiniging door schepen, Tevens erkennend de noodzaak om het voorkomen en het bestrijden van verontreiniging van de zee door schepen, in het bijzonder door olietankschepen, verder te verbeteren, Voorts erkennend de noodzaak om zo spoedig mogelijk en op een zo ruim mogelijke schaal uitvoering te geven aan de in [Bijlage I bij bedoeld Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=I) vervatte voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door olie, Evenwel inziend de noodzaak om de toepassing van [Bijlage II bij bedoeld Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&bijlage=II) uit te stellen totdat bepaalde technische problemen op bevredigende wijze zijn opgelost, Overwegend dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Protocol bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Algemene verplichtingen 1. De Partijen bij dit Protocol verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van: - (a). dit Protocol en de Bijlage daarbij, die een integrerend deel van dit Protocol vormt; en - (b). het [Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241) (hierna te noemen „het Verdrag”), behoudens de wijzigingen en aanvullingen vermeld in dit Protocol. 2. De bepalingen van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241) en dit Protocol worden te zamen beschouwd en uitgelegd als een en dezelfde akte. 3. Iedere verwijzing naar dit Protocol vormt tevens een verwijzing naar de Bijlage daarbij. Artikel II. Uitvoer"},{"i":9170,"b":"Protocol van ondertekening tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Denemarken en de Bondsrepubliek Duitsland inzake het continentaal plat I (1). Het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Denemarken en de Bondsrepubliek Duitsland hebben op basis van het arrest van het Internationale Gerechtshof van 20 februari 1969 trilaterale onderhandelingen gevoerd inzake de begrenzing van het continentaal plat onder de Noordzee. Tijdens deze onderhandelingen zijn in gezamenlijk overleg de beide heden ondertekende Verdragen opgesteld, te weten: - (a). Verdrag tussen het Koninkrijk Denemarken en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de begrenzing van het continentaal plat onder de Noordzee, - (b). Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de begrenzing van het continentaal plat onder de Noordzee. Deze Verdragen stemmen zover overeen als onder de gegeven omstandigheden mogelijk is. (2). Erkennend dat de beide Verdragen samen de configuratie en de omvang van het Duitse deel van het continentaal plat onder de Noordzee bepalen en derhalve nauw samenhangen, zijn de Regeringen van de drie Ondertekenende Staten voornemens de akten van bekrachtiging van beide Verdragen op een en dezelfde dag te Bonn uit te wisselen, ten einde een gelijktijdige inwerkingtreding mogelijk te maken. II De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Denemarken stellen vast, dat de Overeenkomst van 31 maart 1966 tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Denemarken inzake de begrenzing van het tussen deze landen gelegen continentaal plat onder de Noordzee door de heden ondertekende, onder I genoemde Verdragen buiten werking treedt, zodra een dezer Verdragen in werking treedt. III Het Duitse deel van het continentaal plat onder de Noordzee, waarvoor op basis van het arrest van het Internationale Gerechtshof door de beide onder I genoemde Verdragen grenzen zijn vastgesteld, grens"},{"i":9173,"b":"Protocol van toetreding van het Koninkrijk der Nederlanden tot de Overeenkomst van 16 december 1988 betreffende de bouw en de exploitatie van een Europese installatie voor synchrotronstraling De Regeringen van het Koninkrijk België; van het Koninkrijk Denemarken; van de Bondsrepubliek Duitsland; van de Republiek Finland; van de Franse Republiek; van de Italiaanse Republiek; van het Koninkrijk Noorwegen; van het Koninkrijk Spanje; van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland; van het Koninkrijk Zweden; van de Zwitserse Bondsstaat die de [Overeenkomst betreffende de bouw en de exploitatie van een Europese installatie voor synchrotronstraling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002889) (hierna te noemen \"de Overeenkomst\") hebben ondertekend te Parijs op 16 december 1988, enerzijds, en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden anderzijds, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, Overwegende dat, naar aanleiding van de officiële verklaring die de Regering van het Koninkrijk België op 16 december 1988 heeft afgelegd bij de ondertekening van de Overeenkomst, de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden op 12 november 1990 te Brussel een Overeenkomst hebben gesloten betreffende hun gezamenlijke deelname aan de bouw en de exploitatie van een Europese installatie voor synchrotronstraling (ESRF), met dien verstande dat de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden optreden als één Overeenkomstsluitende Partij; Overwegende dat het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden daartoe in het kader van de Overeenkomst van 12 november 1990 een consortium hebben gevormd, genaamd Benesync; Overwegende dat de Regeringen die de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002889) van 16 december 1988 hebben ondertekend, tijdens de bijeenkomst van de Raad van de ESRF gehouden op 20 december 1988 te Grenoble unaniem hun instemming hebben betuig"},{"i":6258,"b":"Wet van 19 juni 2008 tot samenvoeging van de gemeenten Bennebroek en Bloemendaal Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Bennebroek en Bloemendaal samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Bennebroek en Bloemendaal opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Bloemendaal ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Bennebroek en Bloemendaal, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Bloemendaal wordt de op te heffen gemeente Bloemendaal aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Bennebroek en Bloemendaal wordt de nieuwe gemeente Bloemendaal aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektric"},{"i":9344,"b":"Verdrag betreffende betaald scholings- en vormingsverlof De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen in haar negenenvijftigste zitting op 5 juni 1974; Gelet op het feit dat volgens [artikel 26 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008&artikel=26) een ieder recht heeft op onderwijs; Gelet bovendien op de bepalingen vervat in de bestaande internationale arbeidsaanbevelingen betreffende de vakopleiding en de bescherming van de vertegenwoordigers van de werknemers en betreffende het tijdelijk vrijaf geven van werknemers of het toekennen van vrije tijd om hen in staat te stellen deel te nemen aan vormings- of opleidingsprogramma's; Overwegende dat de behoefte aan permanente vorming en opleiding, afgestemd op de wetenschappelijke en technologische ontwikkeling en op het veranderende patroon van de economische en sociale betrekkingen vraagt om passende regelingen voor scholings- en vormingsverlof, ten einde tegemoet te komen aan nieuwe verlangens, behoeften en doelstellingen van sociale, economische, technologische en culturele aard; Overwegende dat betaald scholings- en vormingsverlof moet worden beschouwd als een van de middelen om tegemoet te komen aan de werkelijke behoeften van iedere werknemer in de hedendaagse maatschappij, Overwegende dat betaald scholingsverlof moet worden gezien in het licht van een op permanente vorming en opleiding gericht beleid dat geleidelijk en doeltreffend moet worden uitgevoerd; Besloten hebbende bepaalde voorstellen aan te nemen betreffende betaald scholings- en vormingsverlof, welk onderwerp als vierde punt op de agenda der zitting voorkomt; Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal verdrag zullen krijgen, neemt heden, de vierentwintigste juni 1974, het volgende verdrag aan dat kan worden aangehaald als „Verdrag betr"},{"i":9379,"b":"Verdrag betreffende de voorkoming en de beperking van de beroepsrisico’s veroorzaakt door kankerverwekkende stoffen en factoren die dit proces beïnvloeden De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen in haar negenvijftigste zitting op 5 juni 1974; Gelet op de bewoordingen van het [Verdrag Beveiliging Stralen 1960](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004950) en de bijbehorende Aanbeveling en van het Benzeenverdrag 1971 en de bij behorende Aanbeveling; Overwegende dat het wenselijk is internationale normen op te stellen voor de bescherming tegen kankerverwekkende stoffen of factoren; Rekening houdende met het werk dat op dit gebied reeds is verricht door andere internationale organisaties, met name de Wereldgezondheidsorganisatie en het Internationale Instituut voor Kankeronderzoek, waarmee de Internationale Arbeidsorganisatie samenwerkt; Besloten hebbende bepaalde voorstellen aan te nemen betreffende de voorkoming en de beperking van de beroepsrisico's veroorzaakt door kankerverwekkende stoffen en factoren, welk onderwerp als vijfde punt op de agenda der zitting is geplaatst; Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag; neemt heden, de 24ste juni 1974, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als „Verdrag Beroepskanker, 1974”. Artikel 1 1). Ieder Lid dat dit Verdrag bekrachtigt, stelt regelmatig vast aan welke kankerverwekkende stoffen en middelen de werknemers niet mogen worden blootgesteld of waaraan zij wel mogen worden blootgesteld op voorwaarde dat hiervoor toestemming is verkregen of dat hierop controle wordt uitgeoefend en op welke kankerverwekkende stoffen of middelen andere bepalingen van dit Verdrag van toepassing zijn. 2). Ontheffing kan slechts worden verleend door middel van een schriftelijke verklaring waarin voor ieder afzonderlijk geval wordt aangegeven"},{"i":9410,"b":"Verdrag en Statuut nopens het Internationale Spoorwegregime Duitschland, Oostenrijk, België, Brazilië, Groot-Britannië (met Nieuw-Zeeland en Britsch-Indië), Bulgarije, Chili, Denemarken, de Vrije Stad Dantzig, Spanje, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië, Japan, Letland, Lithauen, Noorwegen, Nederland, Polen, Portugal, Roemenië, Salvador, Koninkrijk der Serven, Kroaten en Slovenen, Siam, Zweden, Zwitserland, Tsjechoslowakije en Uruguay, Wenschende de vrijheid van verkeer en doorvoer te verzekeren en in stand te houden en te dien einde de ontwikkeling van de internationale samenwerking inzake de organisatie en de regeling van het spoorwegverkeer te bevorderen; Eveneens wenschende in het internationale spoorwegregime de toepassing van het beginsel van een rechtvaardige behandeling van den handel te verzekeren; Overwegende, dat de beste wijze om het voorgestelde doel te bereiken is het sluiten van een algemeen verdrag, waartoe later een zoo groot mogelijk aantal Staten zal kunnen toetreden; Erkennende, dat het internationaal overleg inzake het spoorwegverkeer reeds het onderwerp is geweest van vele bijzondere overeenkomsten tusschen Staten en tusschen spoorwegadministraties en dat juist door middel van zoodanige bijzondere overeenkomsten, waarbij beginselen, neergelegd in een algemeen verdrag, in onderdeelen worden uitgewerkt, internationale samenwerking op dit gebied het meest doelmatig kan worden bevorderd; Overwegende echter, dat zonder de vrije ontwikkeling van deze bijzondere overeenkomsten of de rechtstreeksche betrekkingen en het rechtstreeksch overleg tusschen de spoorwegadministraties te belemmeren en zonder inbreuk te maken op de rechten van souvereiniteit en gezag der Staten, integendeel door de uitwerking van een bondige en stelselmatige regeling van de internationale verplichtingen, die inzake internationaal spoorwegverkeer worden erkend, aan de beginselen, die reeds tusschen zekere Staten of tusschen zekere administraties gelden, de"},{"i":9429,"b":"Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de overige Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; De waarde erkennende van het bevorderen van samenwerking met de andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag; Overtuigd van de noodzaak om bij voorrang een gemeenschappelijk strafrechtelijk beleid na te streven, gericht op de bescherming van de samenleving tegen strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, onder andere door het invoeren van passende wetgeving en het bevorderen van internationale samenwerking; Zich bewust van de ingrijpende veranderingen die zijn teweeggebracht door de digitalisering, de convergentie en de voortschrijdende mondialisering van computernetwerken; Bezorgd over het risico dat computernetwerken en elektronische informatie eveneens kunnen worden gebruikt voor het begaan van strafbare feiten en dat het bewijs met betrekking tot dergelijke strafbare feiten door middel van deze netwerken kan worden opgeslagen en overgedragen; In het besef van de noodzaak van samenwerking tussen Staten en privé-ondernemingen bij het bestrijden van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken en van de noodzaak van bescherming van legitieme belangen bij het gebruik en de ontwikkeling van informatietechnologie; Van mening dat voor een doeltreffende bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken een versterkte, snelle en goed functionerende internationale samenwerking in strafzaken vereist is; Ervan overtuigd dat dit Verdrag noodzakelijk is ter afschrikking van handelingen gericht tegen de vertrouwelijkheid, de integriteit en de beschikbaarheid van computersystemen, netwerken en computergegevens, en ter afschrikking van misbruik van deze systemen, netwerken en gegevens, door te voorzien in strafbaarstelling van derge"},{"i":6230,"b":"Wet van 14 mei 2014 tot herindeling van de gemeenten 's-Hertogenbosch, Maasdonk en Oss Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeente Maasdonk op te heffen en door grenswijzigingen toe te voegen aan de gemeenten ’s-Hertogenbosch en Oss; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en grenswijziging van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling wordt de gemeente Maasdonk opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de op te heffen gemeente Maasdonk toegevoegd aan de gemeenten ’s-Hertogenbosch en Oss door grenswijzigingen van de gemeenten ’s-Hertogenbosch en Oss, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de op te heffen gemeente Maasdonk wordt de gemeente ’s-Hertogenbosch aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=44), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen; - d. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas; - e. [artikel 48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=48), in verband met de verschuldigde uitkeringen aan het ri"},{"i":6490,"b":"Besluit van 27 maart 2000, houdende wijziging van het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 december 1999, kenmerk GZB/C&O/2022018; Gelet op de [artikelen 1, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=3), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=6), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=10), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=12), en [24 van de Wet op de Gevaarlijke Werktuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=24); De Raad van State gehoord (advies van 28 januari 2000, nr. W13.99.0611/III); Gezien het nader rapport van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 maart 2000, nr GZB/C&O/2047004; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen. ARTIKEL II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel I, onder B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011259&artikel=I&z=2003-09-01&g=2003-09-01), dat voor voorzieningen met betrekking tot het zich te water begeven als bedoeld in de Wet hygiëne en veiligheid zweminrichtingen die reeds in gebruik zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, in werking treedt met ingang van de eerste dag van de twaalfde kalendermaand na de datum van uitgifte van voornoemd Staatsblad. De [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008223&artikel=6), [7 derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008223&artikel=7), [8 tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008223&artikel=8), en [14 eerste lid, van het Warenw"},{"i":5739,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 februari 2024, nr. IB/38530442, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ter ondersteuning van onderwijsmobiliteit binnen het Koninkrijk der Nederlanden (Subsidieregeling Koninkrijksbeurzenprogramma) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **associate degree-opleiding:** bestaande opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a); - **bacheloropleiding:** opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a); - **CAFY:** Caribbean Academic Foundation Year aangeboden door een gesubsidieerde onderwijsinstelling in Sint Maarten; - **gesubsidieerde onderwijsinstelling in Aruba:** door Aruba gesubsidieerde onderwijsinstelling University of Aruba, Colegio EPI of Instituto Pedagogico Arubano; - **gesubsidieerde onderwijsinstelling in Curaçao:** door Curaçao gesubsidieerde onderwijsinstelling University of Curaçao, waaronder mede begrepen de lerarenopleiding locatie Bonaire, Nilda Pinto SBO, Frater Aurelio SBO, Maris Stella SBO, SBO Eligia Martier, Rooms-Katholiek Middelbare Technische School of Instituto pa Formashon den Enfermeria; - **gesubsidieerde onderwijsinstelling in Sint Maarten:** door Sint Maarten gesubsidieerde onderwijsinstelling Nati"},{"i":4665,"b":"Besluit van 4 november 1994, houdende nadere regels met betrekking tot de vaststelling van het maandinkomen, bedoeld in de artikelen 31e, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, 28e, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers en 35a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Inkomensbesluit wetten buitengewoon pensioen) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 september 1994, DVVB/WUP/U-941166; Gelet op de [artikelen 31**e**, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31e), 28**e**, tweede lid, van de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035) en 35**a**, tweede lid, van de [Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968); Gezien de adviezen van de Pensioen- en Uitkeringsraad, de Stichting 1940-1945, de Stichting Pelita en de Commissie Indisch Verzet; De Raad van State gehoord (advies van 12 oktober 1994, no. W13.94.0568); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 oktober 1994, nr. DVVB/WUP/U-941415; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de gepensioneerde: een persoon als bedoeld in de [artikelen 31e, eerste lid, onder a, b en c, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31e), [28e, eerste lid, onder a, b en c, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28e) en [35a, eerste lid, onder a, b en c, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=35a); - b. de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.o"},{"i":18280,"b":"Instellingsbesluit Commissie Decoraties Defensie Besluit: Artikel 1. Instelling Er is een Commissie Decoraties Defensie, hierna te noemen: de commissie. Artikel 2. Taken De commissie heeft de volgende taken: - a. het adviseren van de Minister van Defensie en de Commandant der Strijdkrachten over het departementale decoratiebeleid, de uitvoering hiervan, de draagwijze van decoraties, het decoratiestelsel Defensie, alsmede over de onderlinge verenigbaarheid van het militaire en het civiele decoratiestelsel; - b. het periodiek evalueren van het uitgevoerde decoratiebeleid omtrent zijn verenigbaarheid met de praktijk van de krijgsmacht. Artikel 3. Samenstelling 1. De commissie bestaat uit: - −. een externe voorzitter, die beschikt over aantoonbare affiniteit met de defensieorganisatie; - −. een secretaris, aangewezen door de Chef Kabinet van de CDS; - −. een lid namens het CZSK; - −. een lid namens het CLAS; - −. een lid namens het CLSK; - −. een lid namens de KMar; - −. een lid namens het BSG; - −. een lid namens het Kabinet van de CDS; - −. een lid namens de HDP; - −. een lid namens de DJZ; - −. een lid namens het DOSCO, afdeling Decoraties; alsmede - −. de krijgsmachtadjudant. 2. De commissie kan bij de uitvoering van haar taken de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, het Nederlands Instituut voor Militaire Historie, de Traditie Commissie Krijgsmacht, de Directie Communicatie, alsmede de voorzitter van het Veteranenplatvorm raadplegen met het oog op hun specifieke deskundigheid. 3. De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan. Artikel 4. De voorzitter 1. De voorzitter wordt door de Minister van Defensie op voordracht van de Commandant der Strijdkrachten benoemd voor ten hoogste vijf jaar. Herbenoeming kan ten hoogste eenmaal plaatsvinden. 2. De voorzitter wordt op eigen verzoek door de Minister van Defensie ontslagen. Hij kan voorts door de Minister van Defensie worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere"},{"i":19317,"b":"Wijzigingsregeling Aanwijzingsregeling boeteopleggers arbeidstijden vervoer Gelet op [artikel 10:5, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:5); Besluiten: Artikel I Wijzigt de Aanwijzingsregeling boeteopleggers arbeidstijden vervoer. Artikel II De [Aanwijzingsregeling boeteopleggers arbeidstijden vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018341) zoals die luidde voor 1 januari 2010, blijft van toepassing op het opleggen en afwikkelen van bestuurlijke boeten, die een gevolg zijn van overtredingen die voor genoemde datum zijn geconstateerd door de daartoe op grond van de [Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011673) aangewezen ambtenaren. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2010. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18907,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 5 februari 2018 nr. BOACAT2018/009, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Regionale eenheid Oost-Brabant Gelezen het verzoek van de korpschef van 3 januari 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040608&artikel=2&z=2018-04-13&g=2018-04-13). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Oost-Brabant. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eers"},{"i":18452,"b":"Regeling vaststelling systeem functiewaardering Nederlandse politie Gelet op [artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Als systeem van functiewaardering voor de Nederlandse politie worden het als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006789&bijlage=1&z=2005-07-06&g=2005-07-06) bij deze regeling opgenomen technische functiewaarderingssysteem het als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006789&bijlage=2&z=2005-07-06&g=2005-07-06) opgenomen referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie en het als [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006789&bijlage=3&z=2005-07-06&g=2005-07-06) opgenomen vernieuwde referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie vastgesteld. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1994. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Bijlage 1 Ligt ter inzage bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bijlage 2 Ligt ter inzage bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bijlage 3 Ligt ter inzage bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties."},{"i":18910,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 18 augustus 2025 nr. BOACAT2025/164, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Oost-Brabant, afdeling meldkamer Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Oost-Brabant van 12 augustus 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051406&artikel=2&z=2025-08-26&g=2025-08-26). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2) en die werkzaam zijn in de functie van generalist meldkamer, senior meldkamer en operationeel expert meldkamer die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Oost-Brabant. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke"},{"i":9655,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Belarus inzake internationaal vervoer over de weg Het Koninkrijk der Nederlanden en De Republiek Belarus, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, de ontwikkeling te bevorderen van het vervoer van goederen en personen over de weg in, naar en vanuit hun landen en in doorvoer over hun grondgebied, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Toepassingsgebied 1. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op het internationaal vervoer van goederen en personen over de weg tegen betaling of voor eigen rekening tussen de Verdragsluitende Partijen, in doorvoer over hun grondgebied, naar of van derde landen, en op het vervoer van goederen en personen binnen het grondgebied van een van beide Verdragsluitende Partijen, hierna te noemen cabotage, verricht door vervoerders met voertuigen zoals omschreven in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001202&artikel=2&z=1996-01-01&g=1996-01-01). 2. De Verdragsluitende Partijen waarborgen de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit eventueel tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Belarus te sluiten verdragen. Dit Verdrag doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen die voortvloeien uit andere internationale verdragen waarbij zij partij zijn, met inbegrip van de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd of aangevuld. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „vervoerder\": een persoon (met inbegrip van een rechtspersoon) die in een der Verdragsluitende Partijen gevestigd is en die overeenkomstig de desbetreffende nationale wetten en voorschriften in het land van vestiging wettig is toegelaten tot de markt voor het internationaal vervoer van goederen of personen over de weg tegen betaling of voor eigen rekening; - 2. „voertuig\": een motorvoertuig of comb"},{"i":17371,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 juni 2014, nr. 528293, houdende vaststelling van het normenkader met eisen voor het uitvoeren van jeugdbescherming en/of jeugdreclassering (Regeling normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering) Gelet op [artikel 3.4, vierde lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=3.4); Besluit: Artikel 1 Het normenkader bedoeld in [artikel 3.4, vierde lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=3.4), wordt vastgesteld overeenkomstig Hoofdstukken 9 en 10 van de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering. Bijlage. Regeling normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering Certificatieschema voor toetsing van het kwaliteitsmanagementsysteem van uitvoerende organisaties voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering versie 1.0 Waarin opgenomen het normenkader ten behoeve van certificering van uitvoerende organisaties voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, versie 1.0 Inhoud 1. Aanleiding en verantwoording 1.1. Inleiding, doel van het normenkader Vanaf 1 januari 2015 is de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) van kracht. Deze wet vervangt de [Wet op de Jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637) uit 2005. De vernieuwing betekent zowel een transitie, verplaatsing van verantwoordelijkheden, rollen en bevoegdheden, als een transformatie, een inhoudelijke verbeterslag. De vervanging van de wet heeft onder andere tot doel een verdere professionalisering van jeugdhulp waarin kwaliteitsborging een prominente plek inneemt. Ook beoogt de Jeugdwet een substantiële vermindering van bureaucratie voor alle betrokken instanties. Uitvoering van de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR003"},{"i":9705,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Georgië inzake internationaal vervoer over de weg Het Koninkrijk der Nederlanden en Georgië, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, de ontwikkeling te bevorderen van het vervoer van goederen en personen over de weg in, naar en vanuit hun landen en in doorvoer over hun grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Werkingssfeer 1. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op het internationaal vervoer van goederen en personen over de weg tegen betaling of voor eigen rekening tussen de grondgebieden van Nederland en Georgië, in doorvoer over hun grondgebieden, naar of van derde landen, en op cabotage, verricht door vervoerders die voertuigen gebruiken zoals omschreven in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001595&deel=I&artikel=2&z=2003-09-01&g=2003-09-01) van dit Verdrag. 2. Dit Verdrag laat de rechten en verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen voortvloeiend uit andere verdragen onverlet. 3. De toepassing van dit Verdrag doet geen afbreuk aan de toepassing door het Koninkrijk der Nederlanden, als lidstaat van de Europese Unie, van het recht van de Europese Unie. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing en uitvoering van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „Vervoersondernemer”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen geregistreerd is en die overeenkomstig de vereisten van de nationale wetgeving die de toegang tot het beroep van vervoersondernemer en tot de markt regelt, tegen betaling of voor eigen rekening personen of goederen vervoert. - 2. „Voertuig” een motorvoertuig: - *. zelfstandig of een combinatie van voertuigen; - *. bedoeld voor het vervoer van personen of goederen over de weg, en dat c.q. die uit hoofde van eigendom of door middel van een huur- of leasecontract ter beschikking van"},{"i":9706,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitse Rijk betreffende de ophoging van de Oude Rijnmond bij Lobith Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden eenerzijds en Zijne Majesteit de Duitsche Keizer, Koning van Pruisen, namens het Duitsche Rijk, dat ten deze het Koninkrijk Pruisen ingevolge deszelfs opdracht vertegenwoordigt, anderzijds, geleid door den wensch om de afstrooming van den Rijn te verbeteren, zijn overeengekomen de in het Grenstractaat van 7 October 1816 voorkomende bepalingen over den Ouden Rijnmond bij Lobith te wijzigen, en hebben te dien einde tot gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den Heer W. A. F. Baron Gevers, Hoogst Derzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te Berlijn, en Zijne Majesteit de Duitsche Keizer, Koning van Pruisen: den heer Paul von Hintze, Hoogst Deszelfs Staatssecretaris van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken, die na wederkeerige overlegging hunner in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten, omtrent de navolgende bepalingen zijn overeengekomen: Par. 1 De Nederlandsche Regeering verkrijgt het recht den Ouden Rijnmond bij Lobith hoogwatervrij af te sluiten. Par. 2 Alle voor eene geheele of gedeeltelijke afsluiting van den Ouden Rijnmond op Nederlandsch grondgebied noodige werken zullen door de Nederlandsche Regeering uitsluitend volgens haar eigen inzicht en uitsluitend voor hare rekening worden uitgevoerd. Par. 3 De Nederlandsche Regeering is verplicht, binnen 2 jaren na de bekrachtiging van dit verdrag, den Ouden Rijnmond zoodanig op te hoogen dat het Rijnwater niet door den Ouden Rijn kan afvloeien bij waterstanden lager dan 15 M. boven Amsterdamsch peil (N.A.P.) in het midden van den Ouden Rijnmond, dat is dus ongeveer 6 M. boven Emmeriksch peil. Met de hoogwatervrije afsluiting mag op zijn vroegst 5 jaar na de bekrachtiging van dit verdrag worden begonnen. Par. 4 Wanneer in Pruisen de dijkbocht bij Bimmen achteruit gelegd wordt, is de Nederlandsche Regeer"},{"i":9723,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko betreffende de status van strijdkrachten Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, hierna te noemen „de partijen”, Gelet op de vriendschapsbanden die Marokko en Nederland met elkaar verbinden, Geleid door de wens de militaire samenwerking tussen hun strijdkrachten te verdiepen, Verlangend de rechtspositie vast te stellen van hun strijdkrachten wanneer deze in het kader van onderling overeengekomen samenwerkingsactiviteiten op het grondgebied van elk van de partijen verblijven, en de organisatiewijze van deze activiteiten nader aan te duiden, Onder toepassing van artikel 4 van de Kaderovereenkomst inzake militaire samenwerking, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Onder „strijdkrachten” wordt verstaan, de militaire en civiele eenheden en onderdelen van de defensieorganisatie van een van de partijen. 2. Onder „personeelsleden” wordt verstaan, niet alleen het personeel van de strijdkrachten van de ene partij dat in het kader van dit Verdrag op het grondgebied van de andere partij aanwezig is, maar ook het door de defensieorganisatie van de ene partij aangestelde burgerpersoneel dat zich, overeenkomstig dit Verdrag, voor diensttaken op het grondgebied van de andere partij bevindt en dat ingezetene van de zendstaat is. 3. Onder „zendstaat” wordt verstaan, de staat waartoe de personeelsleden die zich op het grondgebied van de andere partij bevinden, behoren. 4. Onder „ontvangende staat” wordt verstaan, de staat op het grondgebied waarvan de personeelsleden van de zendstaat zich bevinden. 5. Onder „gemeenschappelijke activiteiten” wordt verstaan, de in onderlinge overeenstemming afgesproken militaire samenwerkingsactiviteiten die gezamenlijk of door een van de partijen op het grondgebied van een van de partijen worden uitgevoerd. Artikel 2 1. In het kader van dit Verdrag zijn de strijdkrachten en personeelsleden van de zendstaat, met instemming van de ontvangende staat, bevoeg"},{"i":9758,"b":"Verdrag tussen Nederland en Siam tot beslechting van geschillen door rechtspraak en verzoening HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN en ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SIAM, verlangende de vriendschapsbanden, die Siam en Nederland verbinden, nauwer aan te halen en overeenkomstig den geest van het Volkenbondsverdrag de vreedzame beslechting te bevorderen van geschillen, die tusschen beide landen mochten rijzen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten tot beslechting van geschillen door rechtspraak en verzoening en hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer FRANS BEELAERTS VAK BLOKLAND, HoogstDerzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; Zijne Majesteit de Koning van Siam: Zijne Doorluchtige Hoogheid Prins VARNVAIDYA, HoogstDeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; die, na elkander hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 De Hooge verdragsluitende Partijen verbinden zich wederkeerig om in geen enkel geval anders dan langs vreedzamen weg de oplossing te zoeken van de geschillen of conflicten, die tusschen haar mochten rijzen. Artikel 2 Behalve, indien Partijen zijn overeengekomen een geschil op andere wijze tot oplossing te brengen, erkennen de Hooge verdragsluitende Partijen als verplicht, voor den duur van dit verdrag, de rechtspraak van het Permanente Hof van Internationale Justitie volgens het Statuut van het Hof voor alle rechtsgeschillen, die tusschen haar mochten rijzen en die niet langs diplomatieken weg binnen redelijken tijd opgelost mochten kunnen zijn en in het bijzonder alle geschillen, welke tot onderwerp hebben: - a). de uitlegging van een verdrag; - b). ieder punt van internationaal recht; - c). het bestaan van ieder feit, dat, wanneer het werd vastgesteld, de schending zou inhouden van eene internationale verbintenis;"},{"i":9801,"b":"Verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen Zijne Majesteit de Keizer van Duitsland, Koning van Pruisen; de President van de Verenigde Staten van Amerika; de President van de Republiek Argentinië; Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk, Koning van Bohemen enz. en Apostolisch Koning van Hongarije; Zijne Majesteit de Koning der Belgen; de President van de Republiek Bolivia; de President van de Republiek van de Verenigde Staten van Brazilië; Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins van Bulgarije; de President van de Republiek Chili; Zijne Majesteit de Keizer van China; de President van de Republiek Colombia; de voorlopige gouverneur van de Republiek Cuba; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken; de President van de Dominicaanse Republiek; de President van de Republiek Ecuador; Zijne Majesteit de Koning van Spanje; de President van de Franse Republiek; Zijne Majesteit de Koning van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland en de Britse overzeese gebieden, Keizer van Indië; Zijne Majesteit de Koning der Hellenen; de President van de Republiek Guatemala; de President van de Republiek Haïti; Zijne Majesteit de Koning van Italië; Zijne Majesteit de Keizer van Japan; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hertog van Nassau; de President van de Verenigde Mexicaanse Staten; Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins van Montenegro; Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen; de President van de Republiek Panama; de President van de Republiek Paraguay; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; de President van de Republiek Peru; Zijne Keizerlijke Majesteit de Sjah van Perzië; Zijne Majesteit de Koning van Portugal en de Algarven, enz.; Zijne Majesteit de Koning van Roemenië; Zijne Majesteit de Keizer aller Russen; de President van de Republiek El Salvador; Zijne Majesteit de Koning van Servië; Zijne Majesteit de Koning van Siam; Zijne Majesteit de Koning van Zweden; de Zwitserse Bondsraad; Zijne Majesteit de Keizer van de Ottomanen;"},{"i":9815,"b":"Veterinaire Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken Verlangende de samenwerking op het gebied der diergeneeskunde tussen hun beide landen zoveel mogelijk te vergemakkelijken; Verlangende de onderlinge handel in dieren en dierlijke produkten te ontwikkelen, met volledige veiligstelling van hun levensbelangen, in het bijzonder van de gezondheidstoestand der dieren; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De Overeenkomstsluitende Partijen zullen samenwerken bij de invoer, uitvoer en doorvoer van dieren, van produkten en grondstoffen van dierlijke oorsprong en van veevoeder, teneinde te voorkomen, dat besmettelijke ziekten van het grondgebied van de ene Overeenkomstsluitende Partij worden overgebracht naar het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij. 2. De invoer, uitvoer en doorvoer van dieren, van produkten en grondstoffen van dierlijke oorsprong en van veevoeder geschiedt, nadat daartoe toestemming is ontvangen van de bevoegde centrale organen der Overeenkomstsluitende Partijen. Artikel 2 1. De bevoegde centrale organen der Overeenkomstsluitende Partijen zullen in gezamenlijk overleg de veterinair-sanitaire voorwaarden bepalen voor de invoer, uitvoer en doorvoer van het grondgebied van de ene Overeenkomstsluitende Partij naar, vanuit of over het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij. 2. De bevoegde centrale organen der Overeenkomstsluitende Partijen kunnen, indien nodig, in de in het voorgaande lid bedoelde voorwaarden veranderingen of aanvullingen aanbrengen. Artikel 3 De centrale veeartsenijkundige diensten der Overeenkomstsluitende Partijen zullen regelmatig door middel van veterinaire bulletins statistische gegevens uitwisselen over besmettelijke dierziekten, alsmede andere publikaties en informatie die voor beide diensten van belang kunnen zijn. Artikel 4"},{"i":7435,"b":"Wet van 21 december 2000 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (adoptie door personen van hetzelfde geslacht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling van adoptie en de daarmee samenhangende bepalingen in [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) te wijzigen in verband met de invoering van de mogelijkheid van adoptie door personen van hetzelfde geslacht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II. Overgangsbepaling 1. Het voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende recht blijft van toepassing op procedures met betrekking tot adoptie of herroeping daarvan waarin het inleidende verzoekschrift is ingediend voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 2. Wijzigt deze wet. 3. Wijzigt deze wet. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6257,"b":"Wet van 8 maart 2017 tot samenvoeging van de gemeenten Bellingwedde en Vlagtwedde Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Bellingwedde en Vlagtwedde samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Bellingwedde en Vlagtwedde opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Westerwolde ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Bellingwedde en Vlagtwedde, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Westerwolde wordt de op te heffen gemeente Vlagtwedde aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Bellingwedde en Vlagtwedde wordt de nieuwe gemeente Westerwolde aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5 Wijzigt"},{"i":6326,"b":"Wet van 16 juli 2001 tot samenvoeging van de gemeenten Castricum, Akersloot en Limmen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Castricum, Akersloot en Limmen samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Castricum, Akersloot en Limmen opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Castricum ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Castricum, Akersloot en Limmen, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Castricum wordt de op te heffen gemeente Castricum aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Castricum, Akersloot en Limmen wordt de nieuwe gemeente Castricum aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5 1. Voor de nieuwe gemeente Castricum wordt een tussentijdse raadsverkiezing als bedoeld in [artikel 52, tweede lid, onderdeel a,"},{"i":9814,"b":"Veterinaire Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Republiek Roemenië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Socialistische Republiek Roemenië, Verlangende de samenwerking op het gebied der diergeneeskunde tussen de beide landen zoveel mogelijk te vergemakkelijken; Verlangende de onderlinge handel in dieren en dierlijke produkten te ontwikkelen, met volledige veiligstelling van hun levensbelangen, in het bijzonder van de gezondheidstoestand der dieren; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De invoer, uitvoer of doorvoer van in deze Overeenkomst genoemde levende dieren en produkten van dierlijke oorsprong, kan aan de grens aan een veterinaire controle worden onderworpen. 2. De grensposten, havens en luchthavens waar de veterinaire controle plaatsvindt, evenals de dagen en uren van openstelling daarvan, worden door de bevoegde autoriteiten van ieder der Partijen vastgesteld en ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij. Artikel 2 1. De in deze Overeenkomst met betrekking tot dieren voorgeschreven certificaten van oorsprong en gezondheidscertificaten moeten de verklaring inhouden dat de dieren van het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen afkomstig zijn. Genoemde certificaten en de veterinaire gezondheidscertificaten voor vlees en andere produkten van dierlijke oorsprong moeten door een officiële dierenarts van het uitvoerende land worden afgegeven. 2. Genoemde certificaten worden in de Franse taal gesteld overeenkomstig door de centrale veeartsenijkundige diensten van beide Partijen in onderling overleg vast te stellen modellen. Artikel 3 1. Eenhoevige dieren, herkauwers, varkens en pluimvee moeten, om voor invoer te worden toegelaten, vergezeld zijn van een certificaat van oorsprong en van gezondheid, inhoudende de verklaring: - a. dat de dieren op het grondgebied van het land van uitvoer zijn geboren of zich ten minste de laatste"},{"i":9819,"b":"Vierde Protocol bij de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten De Leden van de Wereldhandelsorganisatie (hierna te noemen „de WTO”) van wie de Lijsten van specifieke verbintenissen1)[Red: De lijsten liggen ter inzage bij het Export-informatiecentrum van het Ministerie van Economische Zaken, bij de parlementaire documentatiedienst van de Tweede Kamer te Den Haag, bij de Staten van de Nederlandse Antillen te Willemstad en bij de Staten van Aruba te Oranjestad.] en Lijsten van uitzonderingen1)[Red: De lijsten liggen ter inzage bij het Export-informatiecentrum van het Ministerie van Economische Zaken, bij de parlementaire documentatiedienst van de Tweede Kamer te Den Haag, bij de Staten van de Nederlandse Antillen te Willemstad en bij de Staten van Aruba te Oranjestad.] van de toepassing van artikel II van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten inzake basistelecommunicatie als Bijlage bij dit Protocol zijn gevoegd (hierna te noemen de „Betrokken Leden”), Na onderhandelingen onder de voorwaarden van het Ministeriële Besluit betreffende onderhandelingen over basistelecommunicatie, aangenomen te Marrakesh op 15 april 1994; Gezien de Bijlage bij de onderhandelingen over basistelecommunicatie; Komen het volgende overeen: 1 Bij de inwerkingtreding van dit Protocol wordt de Lijst van specifieke verbintenissen en de Lijst van uitzonderingen van de toepassing van artikel II ten aanzien van een Lid aangevuld of gewijzigd door de als bijlagen bij dit Protocol gevoegde Lijst van specifieke verbintenissen en Lijst van uitzonderingen van de toepassing van artikel II inzake basistelecommunicatie ten aanzien van dat Lid, overeenkomstig de daarin genoemde voorwaarden. 2 Dit Protocol staat open voor aanvaarding, door ondertekening of op andere wijze voor de betrokken Leden, tot en met 30 november 1997. 3 Het Protocol treedt in werking op 1 januari 1998 mits alle betrokken Leden het hebben aanvaard. Indien dit Protocol op 1 december 1997 niet is aanvaar"},{"i":9826,"b":"Vredesverdrag met Japan Aangezien de Geallieerde Mogendheden en Japan besloten zijn, dat hun betrekkingen voortaan die zullen zijn van naties, welke als souvereine en gelijkgerechtigde mogendheden vriendschappelijk samenwerken om hun gemeenschappelijk welzijn te bevorderen en de internationale vrede en veiligheid te handhaven, en daarom verlangend zijn een Vredesverdrag te sluiten ter regeling van vraagstukken, welke nog steeds onopgelost zijn ten gevolge van de tussen hen bestaande staat van oorlog; Aangezien Japan van zijn kant het voornemen kenbaar maakt een verzoek te zullen indienen om te worden toegelaten als lid van de Verenigde Naties en onder alle omstandigheden te zullen handelen in overeenstemming met de grondbeginselen van het Handvest van de Verenigde Naties; er naar te zullen streven de doelstellingen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens te verwezenlijken; te zullen trachten binnen Japan toestanden van duurzaamheid en welzijn te scheppen als omschreven in de Artikelen 55 en 56 van het Handvest van de Verenigde Naties, waarmede de Japanse wetgeving na de overgave reeds een aanvang heeft gemaakt; en om zich zowel in de particuliere handel, als de handel van overheidswege, te houden aan internationaal aanvaarde eerlijke gebruiken; Aangezien de Geallieerde Mogendheden de in de voorgaande alinea vermelde voornemens van Japan toejuichen; Hebben de Geallieerde Mogendheden en Japan derhalve besloten dit Vredesverdrag te sluiten en hebben dienovereenkomstig de ondergetekende gevolmachtigden aangewezen, die, na overlegging van hun volmachten, in juiste en behoorlijke vorm bevonden, overeenstemming hebben bereikt over de volgende bepalingen: HOOFDSTUK I. Vrede Artikel 1 (a). De staat van oorlog tussen Japan en elk der Geallieerde Mogendheden wordt beëindigd met ingang van de datum, waarop dit Verdrag tussen Japan en de betrokken Geallieerde Mogendheid in werking treedt als bepaald in Artikel 23. (b). De Geallieerde Mogendheden erkennen de volle"},{"i":9828,"b":"Vriendschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname De Regering van de Nederlandse Antillen, handelend namens het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van de Republiek Suriname, Verlangend de hartelijke betrekkingen tussen de Nederlandse Antillen en de Republiek Suriname opnieuw te bevestigen, alsmede de historische vriendschapsbanden tussen de volken van deze beide landen nauwer aan te halen, Overtuigd van het belang een effectieve samenwerking tussen beide landen en volken tot stand te brengen, in het bijzonder op het gebied van de economie, industrie, techniek en cultuur, hebben besloten daartoe een vriendschaps- en samenwerkingsovereenkomst tot stand te brengen en zijn daarbij het volgende overeengekomen: ALGEMEEN Artikel 1 De Nederlandse Antillen en de Republiek Suriname zullen de onderlinge samenwerking tussen de beide landen zowel in de publieke als in de particuliere sector naar vermogen ontwikkelen en bevorderen, in het bijzonder op het gebied van de economie, industrie, techniek en cultuur. ECONOMISCHE, INDUSTRIËLE EN TECHNISCHE SAMENWERKING Artikel 2 Uitgaande van de beginselen van wederkerigheid en wederzijds belang verbinden de Nederlandse Antillen en de Republiek Suriname zich de ontwikkeling van de economische, industriële en technische samenwerking in alle sectoren van het economisch leven te bevorderen - vooral op het gebied van de handel, de industrie, de landbouw, de visserij en de dienstverlening. Artikel 3 Met inachtneming van hun nationale wetgeving en internationale verplichtingen zullen de Nederlandse Antillen en de Republiek Suriname adequate maatregelen treffen ter verwezenlijking van de voorgenomen samenwerking op de volgende gebieden: - a. economische projecten die gunstig zijn voor hun bilaterale betrekkingen, waaronder de oprichting van gezamenlijke ondernemingen; - b. de bevordering van de samenwerking tussen de bevoegde organisaties op het gebied van handel en industrie; - c."},{"i":6108,"b":"Vreemdelingencirculaire 2000 (D) D1. De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen 1. Inleiding In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in [artikel 45a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45a) aanvragen. De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de [artikelen 45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45a), [45b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45b), [45d Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45d). 2. Beleidsregels De IND wijst de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen af als in ieder geval één van de in [artikel 45b Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45b) genoemde gronden zich voordoet en de [artikelen 3.124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.124), [3.125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.125) en [3.126 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.126) hierop geen uitzondering maken. 2.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland De IND beslist conform [artikel 7:10, eerste en derde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) binnen zes weken op een bezwaarschrift tegen de afwijzing van een aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Deze beslistermijn kan met maximaal zes weken worden verlengd. 2.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland De IND wijst een aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen niet af op grond van [artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45b), als de vreemdeling direct voorafgaande aan het moment van het nemen van het besluit vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft. De IND neemt aan dat sprake is van een verblijfsrecht van"},{"i":9865,"b":"WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging **Preambule** De Partijen bij dit Verdrag, Vastbesloten prioriteit te verlenen aan hun recht de volksgezondheid te beschermen, Erkennend dat de verbreiding van de tabaksepidemie een mondiaal probleem is met ernstige gevolgen voor de volksgezondheid, dat vraagt om een zo breed mogelijke internationale samenwerking en de participatie van alle landen in een doeltreffend, passend en allesomvattend internationaal antwoord, Uitdrukking gevend aan de bezorgdheid van de internationale gemeenschap over de verwoestende wereldwijde gezondheidseffecten en sociale, economische en milieugevolgen van tabaksconsumptie en blootstelling aan tabaksrook, Ernstig bezorgd over de toename van de wereldwijde consumptie en productie van sigaretten en andere tabaksproducten, in het bijzonder in ontwikkelingslanden, alsmede over de last die dit legt op gezinnen, armen en de nationale stelsels van gezondheidszorg, Erkennend dat wetenschappelijk bewijs onomstotelijk heeft aangetoond dat tabaksconsumptie en blootstelling aan tabaksrook dood, ziekte en arbeidsongeschiktheid veroorzaken, en dat er geruime tijd ligt tussen de blootstelling aan roken en andere gebruikswijzen van tabaksproducten en het begin van tabaksgerelateerde ziekten, Tevens erkennend dat sigaretten en sommige andere producten die tabak bevatten zodanig worden bewerkt om verslaving te bewerkstelligen en in stand te houden, en dat veel van de stoffen die ze bevatten en de rook die ze voortbrengen farmacologisch actief, giftig, mutageen en carcinogeen zijn, en dat tabaksverslaving in belangrijke internationale ziekteclassificatiesystemen als een afzonderlijke stoornis wordt geclassificeerd, Erkennend dat er duidelijk wetenschappelijk bewijs is dat prenatale blootstelling aan tabaksrook schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van kinderen, Ernstig bezorgd over de wereldwijde toename van roken en andere vormen van tabaksconsumptie door kinderen en jongeren, in het bijzonder het rok"},{"i":9891,"b":"Wet van 10 december 2009 tot wijziging van de Mediawet 2008 en de Tabakswet ter implementatie van de richtlijn Audiovisuele mediadiensten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is bij wet regels te stellen ter uitvoering van [richtlijn nr. 89/552/EEG](31989L0552) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PbEG L298), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij [richtlijn nr. 2007/65/EG](32007L0065) van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 (PbEG L332); dat deze regels onder meer betrekking hebben op verlichting van het reclameregime, het recht van toegang tot korte fragmenten van evenementen van groot belang en de introductie van mediadiensten op aanvraag; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel II Wijzigt de Tabakswet. Artikel III In afwijking van [artikel 3.29b, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29b) kan een commerciële media-instelling die op de dag van de inwerkingtreding van dat artikel een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt, de desbetreffende melding van de aanvang van die mediadienst doen tot twee maanden na de dag van de inwerkingtreding van dat artikel. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI Wijzigt de Wijzigingswet Mediawet 2008 (erkenning en financiering publieke omroep). Artikel VII Wijzigt de Wijzigingswet Mediawet 2008 (erkenning en financiering publieke omroep). Artikel VIII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschille"},{"i":9982,"b":"Besluit aanwijzing KMCGS ex artikelen 11.1 en 11.3 Wet luchtvaart Gelet op [artikel 11.1, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.1), en [artikel 11.3, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.3); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren in de zin van [artikel 11.1, eerste lid, onder c, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.1), worden aangewezen de commandant en de controleurs van het Korps militaire controleurs gevaarlijke stoffen van de Koninklijke Marechaussee. Artikel 2 Met de opsporing van de in [artikel 11.9, eerste lid, onderdeel a, onder 6°, Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.9) strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141), belast de commandant en de controleurs van het Korps militaire controleurs gevaarlijke stoffen van de Koninklijke Marechaussee. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de [artikelen 179 tot en met 182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=179) en [184 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=184), voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: [Besluit aanwijzing KMCGS ex artikelen 11.1 en 11.3 Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015023). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10005,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 19 mei 2016 met kenmerk 16068366, tot beperking in toegankelijkheid van gebieden ex artikel 20 Natuurbeschermingswet 1998, gelegen binnen Natura 2000-gebied Duinen Goeree & Kwade Hoek Handelende in overeenstemming met de minister van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 20, eerste en tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641&artikel=20) (hierna te noemen: Nb-wet 1998); Besluit: Artikel 1 1. Voor het gehele Natura 2000-gebied ‘Duinen Goeree & Kwade Hoek’, met uitzondering van hieronder genoemde deelgebieden, is de toegang gedurende het gehele jaar verboden voor: - a. burgerluchtvaartverkeer, met uitzondering van burgerluchtvaartverkeer vliegend boven 1000 voet (circa 300 meter) conform de ‘Gedragscode verantwoord vliegen’, tenzij wordt voldaan aan de in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038002&artikel=5&z=2016-08-01&g=2016-08-01) genoemde voorwaarden. - b. honden, ook aangelijnd. 2. Het is verboden op een zodanige wijze modelvliegtuigen/modelluchtvaartuigen (drones (UAS of RPAS) inbegrepen) te besturen dat deze zich bevinden in of boven het Natura 2000-gebied, tenzij wordt voldaan aan de in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038002&artikel=5&z=2016-08-01&g=2016-08-01) genoemde voorwaarden. 3. Een uitzondering is er voor twee deelgebieden: het strand aan de oostzijde en de slufter. Deze beide deelgebieden zijn gedurende het gehele jaar vrij toegankelijk. Artikel 2 Voor de binnen het Natura-2000 gebied ‘Duinen Goeree & Kwade Hoek’ gelegen deelgebieden ‘noordoostelijk schor’ en ‘de punt’, zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende kaart als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038002&artikel=6&z=2016-08-01&g=2016-08-01), is de toegang gedurende het hele jaar voor een ieder verboden, behoudens de volgende uitzondering: - •. wandelen in de periode van 16 augustus tot en met 14 maart Arti"},{"i":18340,"b":"Rangenbesluit rijksbrandweerpersoneel Overwegende, dat het in verband met de invoering bij koninklijk besluit van 1 november 1983, Stb. 572, van het [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) gewenst is een nieuwe regeling te treffen voor de aan de rijksbrandweerambten te verbinden rangen; Besluiten: Artikel 1 1. Het lid van het rijksbrandweerpersoneel, als zodanig aangewezen door de minister van Binnenlandse Zaken dan wel – voor zover het rijksbrandweerpersoneel betreft dat valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Defensie – de minister van Defensie, dat is aangesteld in een ambt waaraan een salarisschaal is verbonden als genoemd als eerste kolom van de bij dit besluit behorende bijlage, voert de achter die salarisschaal in de tweede kolom vermelde rang. 2. Het lid van het rijksbrandweerpersoneel, dat is aangesteld in een ambt waaraan salarisschaal 8 van het [BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) is verbonden, voert op aanwijzing van de minister van Binnenlandse Zaken, respectievelijk de minister van Defensie de rang van brandmeester dan wel adjunct-hoofdbrandmeester. 3. De volgorde van de in de tweede kolom van de in het eerste lid bedoelde bijlage genoemde rangen is zodanig, dat een eerdergenoemde rang lager is dan een latergenoemde. Artikel 2 Het vorige artikel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de leden van het rijksbrandweerpersoneel, die in dienst zijn genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Artikel 3 De cursisten, van wie de opleiding tot beroepsbrandweerofficier ingevolge [artikel 15, twee lid, van de Brandweerwet 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=15) (Stb. 87) geschiedt vanwege de minister van Binnenlandse Zaken, voeren de rang van adspirant-officier. Artikel 4 Het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 30 juli 1964, nr. E64/U2595, (Stcrt. 1964, 157), wordt ingetrokken. Artikel 5 Dit besluit t"},{"i":10023,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 29 maart 2017 nr. BOACAT2017/026, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Ministerie van Economische Zaken, DG Agro en Natuur/beleidsdirectie Natuur en Biodiversiteit/Waddenunit Gelezen het verzoek van de Middenmanager van het Ministerie van Economische Zaken, DG Agro en Natuur/beleidsdirectie Natuur en Biodiversiteit/Waddenunit van 22 maart 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039450&artikel=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Waddenbeheer, Inspecteur, medewerker toezicht in dienst van het Ministerie van Economische Zaken, DG Agro en Natuur/beleidsdirectie Natuur en Biodiversiteit/Waddenunit, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend"},{"i":10092,"b":"Besluit van de directeur-generaal van Rijkswaterstaat van 11 maart 2013, met kenmerk RWS/SDG-2013/12895, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijkswaterstaat 2013) Gelet op [artikel 23, tweede en derde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=23), respectievelijk [artikel 3 van het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=3) en [artikel 3, eerste en tweede lid, van het Besluit mandaat en machtiging directeur-generaal Rijkswaterstaat inzake erkenningen bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032328&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt onder Rijkswaterstaat Bestuursstaf, regionale en centrale organisatieonderdelen, programmadirecties en projectdirecties verstaan: organisatieonderdelen van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat als bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=2). Artikel 2. Mandatering plaatsvervangend directeur-generaal, chief financial officer en chief operations officer 1. De aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat verleende bevoegdheden worden gemandateerd aan de plaatsvervangend directeur-generaal, de chief financial officer en de chief operations officer. 2. Aan de in het eerste lid genoemde chief operations officer worden geen bevoegdheden verleend in HRM-aangelegenheden. Artikel 3. Bevoegdheden voorbehouden aan de directeur-generaal, de plaatsvervangend directeur-generaal en de chief financial officer Aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat, de plaatsvervangend directeur-generaal en de chief financial officer blijft voorbehouden de bevoegdheid tot het opstellen van circulaires die een verzoek, gericht tot een groep van personen of instanties buiten de rijksoverheid, om med"},{"i":10115,"b":"Besluit van de directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van 17 januari 2019, nr. 19008742, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Bedrijfsleven en Innovatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Bedrijfsleven en Innovatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019) Gelet op [artikel 19 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=19); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur-generaal:** de directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - b. **de directeuren:** de directeuren van het directoraat-generaal Bedrijfsleven en Innovatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - c. het hoofd Algemene Zaken: het hoofd Algemene Zaken van het directoraat-generaal Bedrijfsleven en Innovatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - d. de Chief Analyst: de hoofdanalist van het directoraat-generaal Bedrijfsleven en Innovatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - e. het MT-B&I: het collectief van de onder a tot en met d genoemde functionarissen; - f. het MT-lid van een directie: een lid van het managementteam van een directie met uitzondering van de directeur; - g. **de coördinator Economische Zaken en Klimaat bij de Rijksdienst Caribisch Nederland:** de coördinator Economische Zaken en Klimaat bij de Rijksdienst Caribisch Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - h. **het hoofd BTI:** het hoofd Bureau Toetsing Investeringen van het directoraat-generaal Bedrijfsleven en Innovatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - i. **de regioambassadeurs:** de regioambassadeurs van het directoraat-generaal Bedrijfsleven"},{"i":10145,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Afghanistan 2002–2014» aan de Koninklijke Luchtmacht Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016445, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van de Koninklijke Luchtmacht wordt toegevoegd het opschrift «Afghanistan 2002–2014» in verband met het geïntegreerde helikopteroptreden, de inzet van jacht- en transportvliegtuigen en de inzet van het luchtmachtpersoneel van de Explosieven Opruimingsdienst. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10146,"b":"Besluit toezicht luchtvaart BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit landsbesluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **AIS (Aeronautical Information Services):** vluchtvoorlichtingsdienst die is belast met het geven van luchtvaartinlichtingen, die nodig zijn voor een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer vòòr de vlucht en het in ontvangst nemen daarvan na de vlucht; - **baan:** een al dan niet verhard gedeelte van het landingsterrein uitsluitend bestemd voor het opstijgen of landen van luchtvaartuigen; - **bij nacht:** op enig tussen zonsondergang en zonsopgang gelegen tijdstip; - **clearway:** een aangegeven hindernisvrij rechthoekig gedeelte boven grond of water in het verlengde van de baan, zodat het mogelijk is dat een vliegtuig in het beginstadium van de stijgvlucht tot een voorgeschreven hoogte komt; - **drempel:** het begin van het voor het landen bestemde gedeelte van een verharde baan; - **houder:** degene die recht van gebruik heeft van een luchtvaartuig, anders dan ingevolge een hem in dienstverband verstrekte opdracht; - **instrumentenbaan:** een baan, welke is uitgerust met elektronische hulpmiddelen ten dienste van het opstijgen of landen van luchtvaartuigen; - **instrumentweersomstandigheden:** weersomstandigheden, die uitgedrukt in termen van zicht, afstand tot wolken en wolkenbasis, minder zijn dan de voorgeschreven minimumwaarden voor zichtweersomstandigheden; - **kunstvlucht:** een vlucht, waarbij met opzet bewegingen worden uitgevoerd, welke een plotselinge verandering in de stand, een abnormale stand of een abnormale verandering in de snelheid van het luchtvaartuig medebrengen; - **platform:** een gedeelte van het luchtvaartterrein dat bestemd is voor het opstellen van luchtvaartuigen, met het doel passagiers te laten in- of uitstappen, post te laden of te lossen, brandstof in te nemen, te parkeren of eenvoudige onderhoudswerkzaamheden te verrichten; - **rijbaan:** een al dan niet verhard g"},{"i":13007,"b":"Besluit van 21 november 2021, nr. 2021002215, houdende verlening van een concessie als genoemd in artikel 2.19 van de Mediawet 2008 aan de Stichting Nederlandse Publieke Omroep voor de periode 2022–2031 Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 16 november 2021, nr. 30261708, directie Media en Creatieve Industrie; Gelet op [artikel 2.19 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.19); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig Aan de Stichting Nederlandse Publieke Omroep, gevestigd te Hilversum, wordt voor een periode van tien jaar een concessie verleend voor de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau als genoemd in [artikel 2.19 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.19). De concessie treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10177,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor de periode vanaf 2026 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor de periode vanaf 2026 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt afgesloten per 31 december 2025: - •. [Selectielijst van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu voor de waardering en selectie van archiefbescheiden vanaf de periode 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039418), Staatscourant 2017, nr. 18128 De volgende basisselectiedocumenten (BSD’s) worden afgesloten voor het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat per 14 oktober 2010: - •. BSD 003 – Oorlogsgetroffenen, Staatscourant 2007, nr. 98 - •. BSD 004 – Telecommunicatie en Post, Staatscourant 2009, nr. 48 - •. BSD 018 – Rijksdienst voor het Wegverkeer (oud), Staatscourant 2005, nr. 234 - •. BSD 018 – Rijksdienst voor het Wegverkeer (nieuw), Staatscourant 2012, nr. 150 - •. BSD 019 – Belastingheffing, Staatscourant 2005, nr. 102 - •. BSD 041 – Volksgezondheid en Milieu en Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne, Staatscourant 2005, nr. 79 - •. BSD 067 – Toezicht op het verzekeringsbedrijf, Staatscourant 2008, nr. 63 - •. BSD 108A – Prijsbeleid, Staatscourant 2007, nr. 205 - •. BSD 178 – Drinkwatervoorziening, Staatscourant 2005, nr. 79 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10178,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur vanaf 1 januari 2024 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot en met 1 juli 2024) vanaf 1 januari 2024 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijsten worden ingetrokken: - •. De Selectielijst Coördinatie, handhaving en crisisbestrijding Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 1945. - •. [Selectielijst voor de archiefbescheiden van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en taakvoorgangers vanaf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041240) Staatscourant Nr. 44941, 9 augustus 2018 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/archiveren/kennisbank/vastgestelde-selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13045,"b":"Besluit voeren van de vlag der Koninklijke marine-reserve Besluit: Artikel 1 Een officier of een gewezen officier van de Koninklijke marine-reserve met de rang van luitenant ter zee der 2e klasse of een hogere rang die is aangesteld als gezagvoerder van een Nederlands koopvaardijschip mag, mits hem daartoe op verzoek door de Minister van Defensie vergunning is verleend, op dat schip als natievlag voeren de vlag der Koninklijke marine-reserve, omschreven in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005195&artikel=3&z=1991-09-10&g=1991-09-10). Artikel 2 Een vergunning als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005195&artikel=1&z=1991-09-10&g=1991-09-10) wordt in beginsel slechts verleend indien het desbetreffende schip een bruto inhoud heeft van ten minste 500 registertonnen. De vergunning geldt tevens ten aanzien van andere schepen waarover de betrokken officier als gezagvoerder wordt aangesteld en die toebehoren aan dezelfde rederij, waartoe het schip, waarvoor de vergunning was verleend, behoorde. Artikel 3 De vlag der Koninklijke marine-reserve is de Nederlandse vlag, waarvan het midden van de witte baan half-cirkelvormig is verbreed tot halverwege de rode en de blauwe baan, op welke verbreding met zwart garen is geborduurd een onklaar anker, gedekt door een kroon. Artikel 4 De gezagvoerder van een koopvaardijschip dat de vlag der Koninklijke marine-reserve voert is verplicht, indien hij met dat schip in het buitenland vertoeft, aan de commandanten van de Nederlandse oorlogsschepen en aan de Nederlandse diplomatieke of consulaire ambtenaren op hun verzoek inzage te verlenen van het besluit waarbij de vergunning tot het voeren van die vlag is verleend. Artikel 5 Ingetrokken wordt het ministeriële besluit van 18 januari 1991, nr. P 82, houdende het Besluit voeren van de vlag der Koninklijke marine-reserve. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van ondertekening en werkt terug tot en met 27 april 1991. Art"},{"i":10196,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militair materieel vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, arc-2006.03456/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Militair materieel over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument **Voor wat betreft de zorgdragers minister van Defensie, minister van Binnenlandse Zaken; minister van Buitenlandse Zaken, minister van Economische Zaken, minister van Financiën, minister van Justitie en de minister van Verkeer en Waterstaat, 1945–** Rijswijk, 2004 Versie september 2006 **Algemene inleiding** **Ten geleide** Archiefbescheiden kunnen verschillende functies vervullen. Overheidsorganen kunnen archiefbescheiden opmaken of gebruiken voor de bedrijfsvoering, om zichzelf te verantwoorden of een ander ter verantwoording te roepen en als bewijsmiddel. Voor burgers is het belang van archiefbescheiden gelegen in het streven naar democratische controle (de burger moet de overheid ter verantwoording kunnen roepen), in de mogelijke functie van archiefbescheiden als bewijsmiddel en in het feit dat archiefbescheiden deel uitmaken van het cultureel erfgoed en voor historisch onderzoek van belang zijn. Vanuit het bedrijfsvoerings- en verantwoordingsbelang van archiefbescheiden geredeneerd, kan elk archiefstuk vernietigd worden op het moment dat het voor het archiefvormend orgaan niet meer nuttig is. Het historisch belang van bepaalde bescheiden kan echte"},{"i":10480,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Republiek Vietnam inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden Het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Republiek Vietnam, partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten met het doel geregelde luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in deze Overeenkomst en de Bijlage daarbij de volgende begrippen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag” wordt verstaan: het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig [artikel 90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=90) van het Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of het Verdrag overeenkomstig de [artikelen 90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=90) en [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=94) daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten” wordt verstaan: voor de Socialistische Republiek Vietnam, de autoriteit voor de burgerluchtvaart van het ministerie van Vervoer en Verbindingen van Vietnam; voor het Koninkrijk der Nederlanden, de Minister van Infrastructuur en Milieu; of in beide gevallen een persoon die of lichaam dat bevoegd is tot uitvoering van alle taken die thans worden uitgevoerd door bovengenoemde Minister of organisatie; - c. onder „aangewezen luchtvaar"},{"i":10486,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake luchtvervoer De Regering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, en De Regering van Zijne Majesteit de Koning van Marokko, Geleid door de wens de ontwikkeling van het luchtvervoer tussen Nederland en Marokko te bevorderen en zoveel mogelijk te streven naar internationale samenwerking op dit gebied; Geleid door de wens met betrekking tot dit vervoer de beginselen en bepalingen toe te passen van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944, hierna te noemen „het Verdrag”, Hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: De Regering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden Z.E. de heer Henderik Goemans, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden in Marokko De Regering van Zijne Majesteit de Koning van Marokko de heer Georges Berdugo, Chef van de Directie Handelsverdragen en -overeenkomsten bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken die, na uitwisseling van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, het volgende zijn overeengekomen. HOOFDSTUK I. Algemene Bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst: - a). zal de uitdrukking „Luchtvaartautoriteiten” betekenen: - -. voor wat betreft Nederland, de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst; - -. voor wat betreft Marokko, het Ministerie van Openbare Werken, Afdeling Luchtvaart; - b). zal onder de uitdrukking „Grondgebied” worden verstaan: - -. het grondgebied in Europa, wat betreft Nederland, - -. het grondgebied in de zin van artikel 2 van het Verdrag, wat betreft Marokko; - c). zal de uitdrukking „Aangewezen maatschappij” betekenen een luchtvaartmaatschappij, welke één der Overeenkomstsluitende Partijen schriftelijk zal hebben aangewezen overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 als de maatschappij welke gemachtigd is de in het raam van deze Overeenkomst overeengekomen diensten te exploiteren; - d). zu"},{"i":10545,"b":"Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 4 juli 2023, nr. WJZ/33366590, houdende aanwijzing van de territoriale wateren en de exclusieve economische zone rond Bonaire, Sint Eustatius en Saba als natuurpark voor zeezoogdieren, haaien en roggen (Regeling aanwijzing Yarari-reservaat als natuurpark) Gelet op artikel 4 van het op 18 januari 1990 te Kingston getekende protocol betreffende de bijzondere beschermde gebieden en de in de natuur levende dieren en planten, met bijlagen (Trb. 1990, 115), behorende bij het op 24 maart 1983 te Cartagena de Indias gesloten Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch gebied (Trb. 1983, 152); Gelet op het op 2 december 1946 in Washington D.C. ondertekende Internationale Verdrag tot Regeling van de Walvisvangst (Trb. 1951, 26); Gelet op het memorandum van overeenstemming over de instandhouding van trekkende haaien onder artikel IV van het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten, 23 juni 1979 (Trb. 1980, 145 en Trb. 1981, 6); Gelet op de [artikelen 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=2a), en [8d, eerste lid, van de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=8d); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Uitvoeringsbesluit Wgnb BES in werking treedt. Artikel 1 1. De territoriale wateren en de exclusieve economische zone rond de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba worden onder de naam Yarari-reservaat aangewezen als natuurpark als bedoeld in [artikel 2a van de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=2a). 2. Het natuurpark, bedoeld in het eerste lid, omvat het gebied zoals aangegeven op de kaarten opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing Yarari-reservaat als natuurpark. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking op het"},{"i":10601,"b":"Regeling luchtvaarteenheden BES Artikel 1 1. Het gebruik van meeteenheden met betrekking tot lucht- en grondoperaties in de burgerluchtvaart, die zijn neergelegd in Bijlage 5 van het Verdrag geschiedt met inachtneming van de voorschriften zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. 2. Op deze regeling zijn van toepassing de begripsbepalingen zoals neergelegd in de bij deze regelingbehorende bijlage. 3. Een wijziging van Bijlage 5 bij het Verdrag geldt vanaf het moment waarop van deze wijziging mededeling in het Tractatenblad is gedaan. Artikel 2 1. Bij de lucht- en grondoperaties in de burgerluchtvaart wordt gebruik gemaakt van de standaard meeteenheden (SI Units) zoals neergelegd in tabel 20-4 van de, bij deze regeling behorende bijlage. 2. In onderstaande gevallen worden de niet standaard meeteenheden (non SI units) zoals neergelegd in tabel 20-3 van de bij deze regelingbehorende bijlage gebruikt totdat conform hoofdstuk 20.3 van de bij deze regeling behorende bijlage het gebruik hiervan beëindigd wordt op de data vastgesteld door de Raad van de ICAO: - a. afstand gebruikt gedurende navigatie en positiemeldingen; - b. de verticale afstand gemeten vanaf gemiddeld zeeniveau tot een vlak, een punt of een als een punt te beschouwen voorwerp (altitude); - c. de verticale afstand gemeten vanaf gemiddeld zeeniveau tot een punt of een vlak op of bevestigd aan de aardoppervlak (elevation); - d. de verticale afstand gemeten vanaf een referentievlak tot een vlak, een punt of een als een punt te beschouwen voorwerp (height); - e. horizontale snelheid; - f. verticale snelheid. Artikel 3 De regeling wordt aangehaald als: Regeling luchtvaarteenheden BES. Artikel 4 Deze regeling berust op [artikel 2a van het Besluit toezicht luchtvaart BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028721&artikel=2A). Bijlage Civil aviation regulations **CONTENTS** **PART 20** **UNITS OF MEASUREMENT TO BE USED IN AIR AND GROUND OPERATIONS** 20.1 General 20.1.1 Applicability 20.1.2 D"},{"i":10614,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat houdende regels omtrent het registreren en verstrekken van milieu-informatie over het luchthavenluchtverkeer van de luchthaven Schiphol Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op de [artikelen 8.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.27), [8.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.28), [8.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.29) en [8.30 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.30); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Hoofdstuk 2. Het registreren en verstrekken van gegevens Artikel 2.1 1. De LVNL registreert de in [paragraaf 2.1, 2.2 en 2.3 van bijlage 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014722&bijlage=8&z=2025-11-01&g=2025-11-01) aangegeven gegevens en verstrekt de in [paragraaf 2.1 en 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014722&bijlage=8&z=2025-11-01&g=2025-11-01) bedoelde gegevens binnen 24 uur aan de exploitant. 2. De exploitant van de luchthaven registreert de in [paragraaf 2.4 van bijlage 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014722&bijlage=8&z=2025-11-01&g=2025-11-01) aangegeven gegevens. 3. De exploitant van de luchthaven voert de bewerkingen uit als bedoeld in [paragraaf 3.1 onder a, c, e en f van bijlage 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014722&bijlage=8&z=2025-11-01&g=2025-11-01). 4. De LVNL voert de bewerkingen uit als bedoeld in [paragraaf 3.1 onder a, b en d van bijlage 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014722&bijlage=8&z=2025-11-01&g=2025-11-01). Artikel 2.2 1. De exploitant van de luchthaven registreert de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014722&bijlage=1&z=2025-11-01&g=2025-11-01) aangegeven gegevens, over de daarbij aangegeven tijdvakken en overeenkomstig de daarbij aangegeven paragrafen"},{"i":10623,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 juni 2017, nr. IENM/BSK-2017/128532, houdende algemene regels inzake de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (Regeling nucleaire veiligheid kerninstallaties) Gelet op [Richtlijn 2014/87](32014L0087)/Euratom van de Raad van 8 juli 2014 tot wijziging van [Richtlijn 2009/71](32009L0071)/Euratom tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PbEU 2014, L 219) en de [artikelen 15c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15c), [18a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=18a), [21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=21), en [67, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=67), in samenhang met [artikel 76, vierde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=76); Besluiten: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (onderwerp en toepassingsgebied) Deze regeling heeft betrekking op de nucleaire veiligheid van kerninstallaties. Artikel 2. (begripsomschrijvingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - **abnormale werking:** van de normale werking afwijkend operationeel proces dat zich naar verwachting ten minste één keer tijdens de levensduur van een kerninstallatie voordoet, maar gelet op de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften inzake het ontwerp van de kerninstallatie geen significante schade berokkent aan onderdelen die belangrijk zijn voor de veiligheid of geen omstandigheden creëert die tot een ongeval leiden; - **ernstige omstandigheden:** omstandigheden, die ernstiger zijn dan de omstandigheden waarin zich gepostuleerde begingebeurtenissen als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=1) voordoen, en die het gevolg kunnen zijn van een meervoudi"},{"i":10650,"b":"Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 21 april 2025, nr. WJZ/ 97453641 tot vaststelling van de definitieve correcties voor de stimulering van duurzame energieproductie en klimaattransitie in het jaar 2024 (Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie en klimaattransitie 2024) [KetenID WGK 27593] Gelet op de [artikelen 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [31, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [39, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=39), [47, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47), [54, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=54), [55i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=55i), en [55p, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=55p); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **basisbedrag:** basisbedrag als bedoeld in de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), en [55f, eerste lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=55f); - **Besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - **regeling 2008:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - **regeling 2009:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - **regeling 2010:** [Regeling aanwijzing categorieën"},{"i":10658,"b":"Regeling vergoedingen luchtverkeersdienstverlening BES Gelet op [artikel 22a, vierde, vijfde en zesde lid, Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=22a); Besluit: Ook gepubliceerd in Stcrt. 2010/15885. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **vergoedingen:** vergoedingen voor luchtverkeersdienstverlening als bedoeld in [artikel 22a, eerste lid, Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=22a); - **verleners van luchtverkeersdiensten:** rechtspersonen zoals aangewezen overeenkomstig [artikel 70, eerste lid, van Besluit luchtverkeer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028639&artikel=70). Artikel 2 Vergoedingen worden aan de hand van een door de minister voor een periode van maximaal 5 jaren vast te stellen eenheidstarief berekend op basis van de formule opgenomen in de bij deze regeling behorende: - a. [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028801&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) voor zover het betreft luchtverkeersdiensten aan ‘en route’-verkeer, - b. [Bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028801&bijlage=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) voor zover het betreft luchtverkeersdiensten aan naderings- en terminalverkeer. Artikel 3 1. De verleners van luchtverkeersdiensten dragen zorg voor de bekendmaking van de hoogte van het eenheidstarief van vergoedingen. 2. De bekendmaking vindt plaats in de luchtvaartpublicaties, bedoeld in [artikel 70, eerste lid, onderdeel f, Besluit luchtverkeer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028639&artikel=70). Artikel 4 Vergoedingen worden voldaan in USD. Artikel 5 De verleners van luchtverkeersdiensten dragen zorg voor de inning van vergoedingen. Artikel 6 Betaling van vergoedingen geschiedt aan de verlener van luchtverkeersdiensten of aan de door de verlener aangewezen gemachtigde door: - a. contante betaling van het verschuldigde bedrag, - b. overmaking van het verschuldigde bedrag. Artikel 7 Vergoedingen worden bet"},{"i":10660,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 24 oktober 2012, nr. IENM/BSK-2012/202154, houdende vaststelling van de Regeling verklaring stortverbod afvalstoffen 2013 Gelet op [artikel 7 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=7); Besluit: Artikel 1 Degene die de stortplaats exploiteert, verstrekt bij een verzoek als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=6) de volgende gegevens aan gedeputeerde staten: - a. de categorie van afvalstoffen of deel van deze categorie en de bijbehorende euralcodes waarvoor geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is dan storten; - b. een omschrijving van aard en samenstelling van de afvalstoffen; - c. informatie over de oorsprong van de afvalstoffen en het proces waarbij de afvalstoffen zijn ontstaan; - d. de hoeveelheid van de te storten afvalstoffen; - e. de ontdoener van de afvalstoffen; - f. de periode waarvoor de verklaring wordt aangevraagd; - g. de reden dat de afvalstoffen niet op andere wijze te beheren zijn dan door storten; - h. een overzicht van de initiatieven die zijn ondernomen om de betreffende afvalstoffen op andere wijze te beheren; - i. stukken van bedrijven waarvan mag worden aangenomen dat zij de betreffende afvalstoffen kunnen verwerken, waarin zij verklaren dat zij de betreffende afvalstoffen niet gedurende de periode waarvoor de verklaring wordt aangevraagd kunnen accepteren en de reden van deze weigering. Indien er meer dan één aanbieder is van één bepaalde verwerkingstechniek, is het voldoende bewijsstukken te leveren dat tenminste twee van deze aanbieders, niet behorend tot hetzelfde bedrijf, de afvalstof niet kunnen verwerken. Artikel 2 Degene die de stortplaats exploiteert en, met toepassing van de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=5) of [6 van het Besluit stortp"},{"i":10671,"b":"Wet van 10 december 2014, inhoudende herstel van wetstechnische gebreken alsmede andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetten op of in verband met het terrein van infrastructuur en milieu (Reparatiewet infrastructuur en milieu 2014) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is in een aantal wetten op het terrein van infrastructuur en milieu technische verbeteringen en andere wijzigingen van ondergeschikte aard aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Binnenvaartwet. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 8. Artikel IV Wijzigt de Drinkwaterwet. Artikel V Wijzigt de Gemeentewet. Artikel VI Wijzigt de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt. Artikel VII Wijzigt de Kadasterwet. Artikel VIII Wijzigt de Loodsenwet. Artikel IX Wijzigt de Onteigeningswet. Artikel X Wijzigt de Organisatiewet Kadaster. Artikel XI Wijzigt de Scheepvaartverkeerswet. Artikel XII Wijzigt de Spoedwet wegverbreding. Artikel XIIa Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel XIII Wijzigt de Tracéwet. Artikel XIV Wijzigt de Waterschapswet. Artikel XV Wijzigt de Waterwet. Artikel XVI Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel XVII Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Artikel XVIII Wijzigt de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels. Artikel XVIIIa Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel XIX Wijzigt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Artikel XX Wijzigt de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot. Artikel XXI Wijzigt de Wet geluidhinder. Artikel XXII Wijzigt de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Artikel XXIII Wijzigt de Wet lokaal spoor. Artikel XXIV Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel XXIVa Wijzigt de Wet milieubeh"},{"i":10757,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst handelingen beleidsterrein Welzijn over de periode 1945-1996, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, arc-2002.4317/2; Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Welzijn over de periode 1945–1996](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10759,"b":"Vaststellingsregeling Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Geo-informatie over de periode vanaf 1945 (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2004, nr. arc-2003.6426/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Geo-informatie over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van de onder het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ressorterende Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers en van de onder deze dienst ressorterende organen, commissies en ambtenaren’ (vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, nr. 202.831 d.d. 18-02-1980 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 1980/69)) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10760,"b":"Verdrag betreffende de internationale erkenning van rechten op luchtvaartuigen OVERWEGENDE, dat de Internationale Burgerluchtvaartconferentie, gehouden te Chicago in november en december 1944, heeft aanbevolen, dat op korte termijn een Verdrag betreffende de eigendomsoverdracht van luchtvaartuigen zal worden aangenomen; OVERWEGENDE, dat het in het belang van de toekomstige uitbreiding van de internationale burgerluchtvaart zeer gewenst is, dat rechten op luchtvaartuigen internationaal worden erkend; ZIJN DE ONDERGETEKENDEN, behoorlijk gemachtigd, in naam van hun onderscheiden Regeringen OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT: Artikel I (1). De Verdragsluitende Staten verbinden zich te erkennen: - (a). het eigendomsrecht op luchtvaartuigen; - (b). het recht van de houder van een luchtvaartuig tengevolge van een koopovereenkomst de eigendom daarvan te verkrijgen; - (c). het recht een luchtvaartuig te gebruiken op grond van een huurovereenkomst, gesloten voor een termijn van tenminste zes maanden; - (d). de hypotheek, de „mortgage” en elk soortgelijk recht op een luchtvaartuig krachtens overeenkomst gevestigd tot zekerheid voor betaling van een schuld; mits zodanige rechten: - (i). zijn gevestigd overeenkomstig de wet van de Verdragsluitende Staat, in welks nationaliteitsregister het luchtvaartuig tijdens die vestiging was ingeschreven, en - (ii). op regelmatige wijze zijn ingeschreven in het openbaar register van de Verdragsluitende Staat, in welks nationaliteitsregister het luchtvaartuig is ingeschreven. De regelmatigheid van de opeenvolgende inschrijvingen in verschillende Verdragsluitende Staten wordt beoordeeld naar de wet van de Verdragsluitende Staat, in welks nationaliteitsregister het luchtvaartuig is ingeschreven ten tijde van elke inschrijving. (2). Geen bepaling van dit Verdrag belet de Verdragsluitende Staten op grond van hun nationale wet de geldigheid te erkennen van andere rechten op luchtvaartuigen. De Verdragsluitende Staten zullen echter geen recht, hetwelk voorra"},{"i":19318,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 11 december 2020, nr. WJZ/ 19217067, tot wijziging van de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met verduidelijking van de systematiek van erkenning van bedrijven en instellingen die onderzoek doen naar de werking van gewasbeschermingsmiddelen, verruiming van regels over het verstrekken van een bewijs van vakbekwaamheid en wijzigingen in de bestuurlijke boetes Gelet op de [artikelen 28, eerste lid, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=28), en [37, vierde en vijfde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=37), en [17, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=17), [30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=30), en [33a van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=33a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Artikel II Besluiten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling zijn genomen op basis van [artikelen 4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022545&artikel=4.6) (oud) en [4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022545&artikel=4.7) (oud), worden geacht te zijn genomen op basis van [artikel 4.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022545&artikel=4.1a). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021, met uitzondering van [artikel I, onderdelen I en K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044625&artikel=I&z=2021-04-01&g=2021-04-01), die in werking treden met ingang van 1 april 2021. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10773,"b":"Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen De Verdragsluitende Partijen bij dit Verdrag, Erkennende dat het mariene milieu en de daarvan levende organismen van uitzonderlijk gewicht zijn voor de mensheid en dat de gehele mensheid er belang bij heeft dat dit milieu zodanig wordt beheerd dat zijn eigenschappen en zijn bronnen niet worden aangetast; Erkennende dat het vermogen van de zee afval op te nemen en onschadelijk te maken en haar mogelijkheden om het leven van de natuurlijke bronnen te hernieuwen niet onbegrensd zijn; Erkennende dat de Staten, krachtens het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en de beginselen van het volkenrecht, het soevereine recht hebben hun eigen bronnen te exploiteren volgens hun eigen milieubeleid en dat het hun plicht is er op toe te zien dat de binnen hun rechtsmacht of onder hun controle uitgeoefende werkzaamheden geen schade berokkenen aan het milieu van andere Staten of van buiten hun nationale rechtsgebied gelegen gebieden; Herinnerend aan Resolutie 2749 (XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties inzake de beginselen die van toepassing zijn op de buiten de nationale rechtsmacht gelegen zee- en oceaanbodem en de ondergrond daarvan; Vaststellende dat de verontreiniging van de zee talrijke oorzaken heeft, zoals het storten en het lozen via dampkring, rivieren, estuaria, open afvoeren en pijpleidingen, en dat het van belang is dat de Staten de daarvoor het meest in aanmerking komende middelen aanwenden ter voorkoming van zodanige verontreiniging en produkten en methoden ontwikkelen die de hoeveelheid te vernietigen schadelijk afval beperken; Ervan overtuigd dat internationale maatregelen onverwijld kunnen en moeten worden genomen ten einde de verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten te bestrijden, maar dat dit een onderzoek van maatregelen ter bestrijding van andere bronnen van verontreinigin"},{"i":10775,"b":"Verdrag inzake het Bureau van de Europese Burgerluchtvaart Conferentie (ECAC) De staten die partij zijn bij dit Verdrag, hierna te noemen de “partijen”; Erkennende de rol, het mandaat en de strategische doelstellingen van de Europese Burgerluchtvaart Conferentie zoals omschreven in haar Statuut en Reglement van orde; Erkennende de rol van het Secretariaat van de Europese Burgerluchtvaart Conferentie bij het ondersteunen van de activiteiten van de Conferentie en het waarborgen van de uitvoering van de besluiten van de directeuren-generaal van de burgerluchtvaart van de lidstaten van de Europese Burgerluchtvaart Conferentie; Erkennend dat het Secretariaat van de Europese Burgerluchtvaart Conferentie rechtspersoonlijkheid moet hebben om zijn rol met betrekking tot de Europese Burgerluchtvaart Conferentie efficiënt te kunnen vervullen; Vastbesloten een Bureau met rechtspersoonlijkheid op te richten om de rol van het bestaande Secretariaat van de Europese Burgerluchtvaart Conferentie op zich te nemen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „Organen van de Conferentie”, de plenaire conferentie in de vorm van driejaarlijkse zittingen en bijzondere plenaire zittingen; de vergaderingen van de directeuren-generaal van de burgerluchtvaart; en groepen die van tijd tot tijd door directeuren-generaal van de burgerluchtvaart zijn opgericht om specifieke taken in het kader van het werkprogramma uit te voeren. - b. „De Conferentie”, de Europese Burgerluchtvaart Conferentie, bestaande uit de ECAC-lidstaten. - c. „Het Statuut”, het Statuut en het Reglement van orde van de Europese Burgerluchtvaart Conferentie, voor het eerst aangenomen in 1975 (eerste versie van ECAC.CEAC Doc Nr. 20), zoals van tijd tot tijd gewijzigd door de ECAC-lidstaten, overeenkomstig het Statuut. - d. „Coördinerend comité”, het comité van de Conferentie dat bestaat uit de voorzitter, de vicevoorzitters en de andere leden en"},{"i":10853,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 december 2006, nr. KvI2006327794, houdende regels voor de subsidiëring van nieuwe gemeentelijke en provinciale projecten, gericht op CO2-reductie (Vervolgsubsidieregeling BANS klimaatconvenant 2007) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. uitvoeringskosten: kosten voor personeel, onderzoek en communicatie; - b. Prestatiekaart gemeenten: het in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020852&bijlage=1&z=2010-10-01&g=2010-10-01) bij deze regeling opgenomen overzicht van thema's en doelstellingen, onderscheiden in een actief, voorlopend en innovatief niveau, die zijn gericht op CO2-reductie; - c. Prestatiekaart provincies: het in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020852&bijlage=2&z=2010-10-01&g=2010-10-01) bij deze regeling opgenomen overzicht van thema's en doelstellingen, onderscheiden naar niveaus, die zijn gericht op CO2-reductie; - d. basispakket: pakket van ten minste twee, door de gemeente of provincie aan de Prestatiekaart gemeenten onderscheidenlijk de Prestatiekaart provincies ontleende doelstellingen of ten minste twee door de gemeente of de provincie zelf gedefiniëerde doelstellingen met daarbij behorende projecten, ter uitvoering van het gemeentelijk onderscheidenlijk provinciaal klimaatbeleid; - e. pluspakket: pakket van ten minste vier, door de gemeente of provincie aan de Prestatiekaart gemeenten onderscheidenlijk de Prestatiekaart provincies ontleende doelstellingen of ten minste vier door de gemeente of de provincie zelf gedefiniëerde doelstellingen met daarbij behorende projecten, ter uitvoering van het gemeentelijk onderscheidenlijk provinciaal klimaatbeleid; - f. grondoppervlak: oppervlakte aan land dat binnen de gemeente- of provincie"},{"i":10921,"b":"Besluit van 12 december 1995, houdende wijziging Besluit vergoedingen luchtverkeersbeveiliging Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 juli 1995, nr. JBZ/L 95.005338, Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën; Gelet op de [artikelen 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=45), vierde en vijfde lid, en [46, vierde lid van de Wet Luchtverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=46); De Raad van State gehoord (advies van 22 augustus 1995, nr. W09.95.0362); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 6 december 1995, nr. JBZ/L 95.008910, Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Voor de periode van drie jaren na inwerkingtreding van dit besluit wordt voor luchtvaartuigen met een MTOW tot en met 2 ton, met uitzondering van de luchthaven Schiphol, jaarlijks een tarief vastgesteld dat gelijk is aan de vergoeding die in het jaar 1995 verschuldigd was vermeerderd met: - a. een vierde gedeelte voor het jaar 1996, - b. twee vierde gedeelte voor het jaar 1997, - c. drie vierde gedeelte voor het jaar 1998, van het verschil tussen de in het jaar 1995 verschuldigde vergoeding en de vergoeding, die ingevolge artikel 6, onderdeel **b**, voor die luchtvaartuigen verschuldigd zou zijn. 2. In afwijking van artikel 6**a** wordt de verschuldigde vergoeding bedoeld in artikel 6**a** in 1996 vastgesteld op fl 100,-. Dit bedrag wordt jaarlijks verhoogd met € 22,69 totdat de vergoeding overeenstemt met de vergoeding bedoeld in artikel 6**a**. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1996. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden a"},{"i":11010,"b":"Wet van 7 juli 2021 tot wijziging van de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie in verband met beperking van de CO2-emissie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is de CO2-emissie van kolencentrales op korte termijn terug te dringen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie. Artikel Ia Wijzigt de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie. Artikel Ib Vervallen Artikel II 1. De [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045514&artikel=I&z=2024-06-28&g=2024-06-28) en [IB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045514&artikel=Ib&z=2024-06-28&g=2024-06-28) treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. [Artikel IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045514&artikel=Ia&z=2024-06-28&g=2024-06-28) treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de Wet van 14 juni 2024 tot wijziging van de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie en de Wet van 7 juli 2021 tot wijziging van de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie in verband met beperking van de CO2-emissie (vroegtijdige intrekking productiebeperking, wijziging delegatiegrondslag kolenfonds en drie verbeteringen uitvoering productiebeperking) (Stb. 2024, 192) wordt geplaatst en werkt terug tot en met 21 juni 2022. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11025,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 20 april 2017, nr. 1230279, houdende voorwaarden en beperkingen voor verlening van de bevoegdheid tot het geven van onderwijs door personen die in het bezit zijn van een buitenlands bewijsstuk waarmee de bekwaamheid en bevoegdheid in het betreffende land wordt aangetoond (Beleidsregel bevoegdheid basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs voor buitenlandse diploma’s) Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Wet op primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=3), [artikel 3, derde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=3), en [artikel 3, derde lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **basisschool:** school voor basisonderwijs als bedoeld in [artikel 1, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - **DUO:** Dienst Uitvoering Onderwijs; - **inspectie:** inspectie als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), en [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **Nuffic:** Netherlands Universities Foundation For International Cooperation; - **school:** school waar basisonderwijs wordt gegeven als bedoeld in [artikel 1, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **school voor speciaal basisonderwijs:** school voor speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"i":15133,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie van 3 november 2020, nr. 2020-0000611095, houdende nadere regels met betrekking tot enkele aspecten van de werkwijze inzake de verdere verwerking van bulkdatasets verworven door de AIVD en MIVD op grond van de Wiv 2017 (Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017) Gelet op [artikel 16 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=16); Besluiten: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bulkdataset:** een omvangrijke gegevensverzameling waarbij het merendeel van de gegevens betrekking heeft op organisaties en/of personen die geen onderwerp van onderzoek zijn van een dienst en dat ook niet worden; - b. **AIVD:** Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - c. **MIVD:** Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - d. **bijzondere bevoegdheid:** een bevoegdheid als bedoeld in [paragraaf 3.2.5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&sub-paragraaf=3.2.5); - e. **team:** een team of afdeling waaraan een teamhoofd van de AIVD onderscheidenlijk een teamleider dan wel bureauhoofd van de MIVD leiding geeft; - f. **unithoofd:** een leidinggevende bij de AIVD ressorterend onder een directeur met uitzondering van het Nationaal Bureau Verbindingsbeveiliging, de Centrale Staf en de Chief Information Officer; - g. **afdelingshoofd:** een leidinggevende bij de MIVD ressorterend onder het hoofd van de dienst; - h. **teamhoofd:** een leidinggevende bij de AIVD ressorterend onder een unithoofd; - i. **teamleider dan wel bureauhoofd:** een leidinggevende bij de MIVD ressorterend onder een afdelingshoofd. Artikel 2. Toepassingsbereik regeling Deze regeling is van toepassing op de verdere verwerking van door de diensten verworven bulkdatasets met uitzondering van de gegevens verworven onder toepassing van de bevoegdheid als bedoeld in [artikel 48 van de we"},{"i":6244,"b":"Wet van 1 oktober 2014 tot aanpassing van de Advocatenwet en enige andere wetten in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde en herziening van het toezicht op advocaten (Wet positie en toezicht advocatuur) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093) en enige andere wetten te wijzigen in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde en herziening van het toezicht op advocaten, alsmede om enkele andere wijzigingen in de Advocatenwet door te voeren; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Advocatenwet. Artikel II Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel III De [Wet tarieven in burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001852) wordt ingetrokken. Artikel IIIa Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel IV De [artikelen 29 tot en met 40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001852&artikel=29) en [artikel 38, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=38), zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op geschillen over het door de advocaat aan de cliënt berekende salaris, in gevallen waarin de rekening van de advocaat is begroot door de raad van toezicht vóór het tijdstip waarop deze wet in werking treedt. Artikel IVa De [paragrafen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&paragraaf=4), [4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&paragraaf=4a) en [4b van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&paragraaf=4b), zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op klachten die tegen advo"},{"i":13135,"b":"Call for proposals Take-off fase 1 – Haalbaarheidsstudies TO2 – Ronde 1 – Najaar 2017 1. Inleiding 1.1. Achtergrond **Het programma Take-off TO2 richt zich op het faciliteren en stimuleren van bedrijvigheid en ondernemerschap vanuit de Nederlandse TO2 instellingen. Het gaat daarbij om het creëren van innovatieve nieuwe bedrijvigheid die volgt op kennisontwikkeling en -benutting door onderzoekers aan deze kennisinstellingen.** Take-off TO2 is een wetenschaps-breed programma dat open staat voor aanvragen uit alle wetenschapsgebieden (bèta/techniek, life sciences en alfa/gamma). Medewerkers van NWO-Domein TTW (TTW), NWO-domein SGW en ZonMw zijn betrokken bij de uitvoering. Het Take-off programma bestaat uit twee onderdelen: fase 1 – haalbaarheidsstudies en fase 2 – vroegefasetrajecten. In deze call for proposals wordt fase 1- haalbaarheidsstudies- toegelicht. Het onderdeel fase 1 – haalbaarheidsstudies wordt via de RvB NWO gefinancierd door de Minister van Economische Zaken1Voor deze call betreft het EZ financiering voor fase 1: haalbaarheidsstudies. Zie voor meer informatie de publicaties in de Staatscourant. 2014, 20679 en Stcrt. 2017, 20743. en wordt door NWO-domein TTW in mandaat uitgevoerd. Aanpassingen van [Titel 3.16 in de regeling Nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&titeldeel=3.16) geeft de mogelijkheid tot het uitvoeren van Take-off haalbaarheidstudies voor TO2-innovatieve starters. 1.2. Doelstelling Take-off fase 1 – haalbaarheidsstudies Het Take-off TO2 programma, onderdeel haalbaarheidsstudies, verstrekt subsidies met een maximale omvang van € 40.000 aan TO2 innovatie starters2Een TO2 innovatieve starter is gedefinieerd als een innovatieve starter, van wie de economische activiteiten rechtstreeks en onmiddellijk voortkomen uit onderzoek van een TO2-instelling. Het betreft proof-of-principle-/proof-of-concept-financiering waarbij het gaat om commerciële toepassing van innovatieve kennis en de start van bedrijvigheid op bas"},{"i":12600,"b":"Besluit van 14 december 2005, houdende tijdelijke herindeling van ministeriële taken in geval van een terroristische dreiging met een urgent karakter Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 7 december 2005, nr. 05M480139; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Veiligheid en Justitie is belast met de taken en de uitoefening van de daaruit voortvloeiende bevoegdheden die ingevolge de in de bijlage bij dit besluit genoemde bepalingen toekomen aan een andere minister, voorzover de onverwijlde uitoefening daarvan noodzakelijk is om maatregelen te nemen ter voorkoming van een terroristisch misdrijf als bedoeld in [artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83) of om op voorhand de gevolgen daarvan te beperken en indien overleg of overeenstemming over die maatregelen tussen Onze Minister van Veiligheid en Justitie en die andere minister niet mogelijk is binnen de beschikbare tijd. Artikel 2 1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie stelt Onze Minister-President en Onze Minister wie het aangaat onverwijld in kennis van zijn voornemen [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019262&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) toe te passen. 2. Indien de beschikbare tijd waarbinnen de maatregelen genomen moeten worden toepassing van het eerste lid niet toelaat, stelt Onze Minister van Veiligheid en Justitie, onverwijld nadat hij de maatregelen heeft genomen, Onze Minister-President en Onze Minister wie het aangaat daarvan in kennis. 3. Zodra de omstandigheden dit toelaten, beëindigt Onze Minister van Veiligheid en Justitie de toepassing van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019262&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en stelt hij Onze Minister-President en Onze Minister wie het aangaat daarvan onverwijld in kennis. Artikel 3 I"},{"i":13610,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 6 juni 2025, nr. WJZ/87069873, tot instelling van de Raad van Advies organisatieontwikkeling NVWA (Instellingsbesluit Raad van Advies organisatieontwikkeling NVWA) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **staatssecretaris:** Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - b. **Staatssecretaris van VWS:** Staatsecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **secretaris-generaal van het Ministerie van LVVN:** Secretaris-Generaal van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - d. **secretaris-generaal van het Ministerie van VWS:** Secretaris-Generaal van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur - e. **inspecteur-generaal:** Inspecteur-Generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - f. **directieteam:** directieteam van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, bestaande uit directeuren van de directies en de inspecteur-generaal; - g. **Raad van Advies:** Raad van Advies organisatieontwikkeling NVWA, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051125&artikel=2&z=2025-06-23&g=2025-06-23). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Raad van Advies organisatieontwikkeling NVWA. 2. De Raad van Advies heeft tot taak het directieteam op onafhankelijke wijze gevraagd of ongevraagd te adviseren over de uitvoering van wettelijke taken, strategische organisatievraagstukken, de organisatie en het kwaliteitsbeleid van de NVWA en de maatschappelijke impact van het toezicht. De Raad van Advies functioneert tevens als klankbord voor het directieteam. Artikel 3. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De Raad van Advies bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vijf andere leden. 2. De voorzitter en de an"},{"i":14064,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 17 november 2020, nr. 3083491, tot vaststelling van een reglement inzake de organisatie en het beheer van het archief van de commissie belast met het onderzoek naar interlandelijke adoptie in het verleden (Reglement archief Commissie Onderzoek Interlandelijke Adoptie in het verleden) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister voor Rechtsbescherming; - b. **commissie:** de door onze minister ingestelde commissie belast met het onderzoek naar interlandelijke adoptie in het verleden; - c. **archief:** het archief dat door de commissie is overgedragen aan de minister; - d. **betrokkene:** degene waarmee de commissie in het kader van haar onderzoek naar interlandelijke adoptie heeft gesproken waarvan het gespreksverslag in het archief van de commissie is opgenomen; - e. **gespreksverslag:** alle gegevens in het archief die betrekking hebben op hetgeen een betrokkene aan de commissie heeft verklaard als bedoeld in artikel 4 van het Informatieprotocol Commissie Onderzoek Interlandelijke Adoptie in het verleden; - f. **gemachtigde:** degene die namens een betrokkene schriftelijk is gemachtigd om namens hem/haar een verzoek tot inzage in het gespreksverslag bij het ministerie van Justitie en Veiligheid in te dienen; - g. **feitelijk beheerder van het archief:** het Dienstencentrum van het ministerie van Justitie en Veiligheid; - h. **informatieprotocol:** het protocol als bedoeld in [artikel 7 van het Instellingsbesluit Commissie Onderzoek Interlandelijke Adoptie in het verleden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042154&artikel=7); - i. **beoordelaar:** de contactpersoon van de Directie Bestuursondersteuning als bedoeld in artikel 1 lid 1 van het Informatieprotocol Commissie Onderzoek Interlandelijke Adoptie in het verleden. Artikel 2. Doel van de regeling Deze regeling heeft tot doel het stellen van interne regels voor het onderzoek naar informatie i"},{"i":14029,"b":"Regeling van 15 december 2006, nr. 2006-0000405012, houdende de organisatie van aanhoudings- en ondersteuningseenheden en bepalingen over de samenwerking tussen speciale eenheden (Regeling aanhoudings- en ondersteuningseenheid en samenwerking speciale eenheden) Gelet op [artikel 46, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=46) en [artikel 60, tweede lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=60) en [artikel 8, tweede lid, van het Besluit beheer regionale politiekorpsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006560&artikel=8); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanhoudings- en ondersteuningsteam:** een team als bedoeld in [artikel 11, onder a, van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=11). - b. aanhoudings- en ondersteuningseenheid van de Koninklijke marechaussee: aanhoudings- en ondersteuningseenheid die is ondergebracht bij de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten van de Koninklijke marechaussee; - c. **de bijzondere bijstandseenheid:** de bijzondere bijstandseenheid, bedoeld in [artikel 2 van de Regeling Dienst speciale interventies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026381&artikel=2). Artikel 2 Vervallen Artikel 3 1. Een aanhoudings- en ondersteuningsteam bestaat uit twee secties, een eenheidscommandant en een ondersteunend medewerker. 2. Een sectie bestaat uit elf leden en twee sectiecommandanten. Artikel 4 Vervallen Artikel 5 1. De ambtenaar van politie die deel uitmaakt van een aanhoudings- en ondersteuningsteam, voldoet aan de kwalificaties van een door de Minister van Justitie en Veiligheid aan te wijzen politieopleiding. 2. De korpschef draagt er zorg voor dat de kennis en vaardigheden van de ambtenaar van politie die deel uitmaakt van een aanhoudings- en ondersteuningsteam worden onderhouden op minimaal het niveau van de kwalificaties, bedoeld in het eerste lid. Artikel 6 Vervallen A"},{"i":13582,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 8 september 2020, nr. IENW/BSK-2020/168657, tot instelling van een Nationale Adviesgroep Cabinelucht (Instellingsbesluit NAC) BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **adviesgroep:** Nationale Adviesgroep Cabinelucht; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 2. Instelling en kerntaken 1. Er is een Nationale Adviesgroep Cabinelucht (NAC). 2. De adviesgroep heeft tot taak om de Minister te adviseren over de vermeende relatie tussen gezondheidsklachten van vliegend personeel en de blootstelling aan chemische stoffen via de cabinelucht, in het bijzonder over - a. relevante ontwikkelingen, waaronder nieuw onderzoek; - b. de wenselijkheid van additioneel (internationaal) onderzoek; en - c. de Nederlandse inbreng in de Europese onderzoekstrajecten. 3. De adviesgroep rapporteert jaarlijks over de in het tweede lid genoemde onderwerpen. 4. De adviesgroep heeft voorts tot taak kennis te delen en indien van toepassing informatie te verspreiden aangaande de in het tweede lid genoemde onderwerpen. Artikel 3. Samenstelling 1. De adviesgroep bestaat uit een voorzitter en andere leden, die worden afgevaardigd. 2. De voorzitter wordt door de Minister benoemd voor een termijn van vier jaar. 3. De voorzitter is herbenoembaar. 4. De voorzitter kan door de Minister worden geschorst en ontslagen. 5. De andere leden worden afgevaardigd door de betrokken luchtvaartmaatschappijen, onderzoeksinstituten en werknemersorganisaties. 6. Als voorzitter wordt benoemd mevrouw drs. M.H. de Groot. 7. Vertegenwoordigers van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Sociale Zaken en Werkgelegenheid nemen deel als waarnemer. Artikel 4. Taken voorzitter 1. De voorzitter van de adviesgroep heeft tot taak om de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044105&artikel=2&z=2020-09-22&g=2020-09-22) genoemde taken te coördineren en ervoor zorg te dragen dat er minim"},{"i":13014,"b":"Besluit van de directeur Eenheid Secretariaten Tuchtcolleges en Toetsingscommissies van 21 september 2017, kenmerk 1129617-163472-ESTT, houdende de verlening van ondervolmacht aan de secretariaatsmedewerkers van het bedrijfsbureau Gelet op [artikel 16, tweede lid, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16); Besluit: Artikel 1 De secretariaatsmedewerkers van het bedrijfsbureau ESTT hebben ondervolmacht ten aanzien van afhandeling van declaraties en vacatiegelden tot een bedrag van € 2.500 inclusief BTW. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12650,"b":"Besluit van de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad van 27 mei 2010 tot intrekking van de instellingsbesluiten van de bedrijfscommissies in de marktsector Gelet op de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=37), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=38) en [43 van de Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=43); Gelet op [artikel 5 van de Instellingsverordening Bestuurskamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024271&artikel=5); Gehoord de naar het oordeel van de Bestuurskamer voor het desbetreffende deel van het bedrijfsleven representatieve organisaties van ondernemers en van werknemers; Besluit: Regeling ook gepubliceerd in Pbo-blad 2010/31. Artikel 1 - 1. Het [besluit van 24 oktober 2000 tot instelling van een bedrijfscommissie voor Gesubsidieerde Arbeid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011730) (RE 11/2000) wordt ingetrokken. - 2. [Besluit van 22 december 1999 tot instelling van een bedrijfscommissie voor de Welzijnssector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011040) (RE 32/1999), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 december 2003 tot wijziging van het besluit van de Bestuurskamer van 22 december 1999 tot instelling van een bedrijfscommissie voor de Welzijnssector (RE 10/2003), wordt ingetrokken. - 3. Het [besluit van 6 juni 2001 tot instelling van een bedrijfscommissie voor de Zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012539) (RE 15/2001) wordt ingetrokken. - 4. Het Besluit tot instelling van een bedrijfscommissie genaamd Algemene Bedrijfscommissie (ABC), besluit van 24 oktober 1986 (RE 7/1986), wordt ingetrokken. - 5. Het [besluit van 24 oktober 2000 tot instelling van een bedrijfscommissie voor de Dienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011729) (RE 10/2000), gewijzigd bij besluit van de Bestuurskamer van 17 april 2001 (RE 13/2001), wordt ingetrokken. - 6. Het [besluit van 22 december 1999 tot instelling van"},{"i":11116,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 februari 2020, 20935100, houdende routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden (Besluit routinematige digitale vervanging archiefbescheiden Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) Besluit: Artikel 1 Over te gaan tot routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden: - a. die zullen worden ontvangen of opgemaakt vanaf de datum van[instelling van de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (HO&S/BS/2009/119774)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026019), geplaatst in de Staatscourant van 29 juni 2009, nr. 117; - b. volgens de specificaties, vastgelegd in de bij dit besluit horende bijlage ‘handboek routinematige digitale vervanging CDHO’; Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit routinematige digitale vervanging archiefbescheiden Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs. Bijlage Handboek routinematige digitale vervanging CDHO Versie1.1 **Inhoud** Inleiding Op 1 juli 2009 is de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (hierna ook: CDHO) ingericht ([Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 juni 2009, nr. HO&S/BS/2009/119774, tot het instellen van een Commissie doelmatigheid hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026019) (Instellingsbesluit Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs). De CDHO werkt sinds haar oprichting met een dubbel archief; op papier en digitaal. Per 1 maart 2020 zal de CDHO verhuizen naar een pand waarin de opslag van papieren documenten niet meer mogelijk is. Om die reden, en omdat de CDHO over wil gaan op volledig digitaal werken, wil de CDHO de archiefbescheiden structureel vervangen door een digitale reproductie en de papieren versie vervangen. [Artikel 7 van de Archiefw"},{"i":13764,"b":"Klachtenregeling BFT 2021 gelet op [hoofdstuk 9 van de Algemene wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9), BESLUIT Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **het BFT:** het Bureau Financieel Toezicht; - b. **de klager:** degene die een klacht indient en/of diens gemachtigde; - c. **de aangeklaagde:** degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft; - d. **klacht:** een klacht die betrekking heeft op een gedraging jegens de klager; - e. **afdeling JZH:** afdeling Juridische Zaken en Handhaving van het BFT; - f. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Paragraaf 2. Doel Artikel 2 Het doel van de regeling is het geven van een interne procedure voor de behandeling van klachten ter uitwerking van de klachtenregeling opgenomen in [hoofdstuk 9 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9). Paragraaf 3. Indiening klacht Artikel 3 Een ieder heeft het recht om over de wijze, waarop het BFT of personen die werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van het BFT, zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of jegens een ander hebben gedragen, een klacht in te dienen bij het BFT. | **Toelichting:** **Onder een ‘gedraging’ is mede begrepen een nalaten.** **Klachten over beleid of beleidsuitvoering in het algemeen voldoen niet aan het vereiste van een bepaalde aangelegenheid. Zij vallen buiten het bereik van deze Klachtenregeling en zullen niet als klacht in behandeling worden genomen.** | | --- | Artikel 4 Klachten kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden ingediend. | **Toelichting:** **Bij een mondelinge klacht is geen formele procedure nodig.** | | --- | Artikel 5 - 1. Indien een schriftelijke klacht betrekking heeft op een gedraging jegens de klager en voldoet aan de vereisten zoals vermeld in het tweede lid van dit artikel, zijn de hierna volgende [artikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045244&pa"},{"i":11119,"b":"Besluit van het college voor Toetsen en Examens van 8 juni 2020 nummer CvTE – 20.01006, houdende regels inzake de uitslag van het staatsexamen voortgezet onderwijs BES in het examenjaar 2020 (Besluit staatsexamens VO BES 2020) Gelet op [artikel 116, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=116) en de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029981&artikel=20) en [34 van het Staatsexamenbesluit VO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029981&artikel=34); Overwegende dat ter bestrijding van de uitbraak van het coronavirus Covid-19 de Minister voor medische gezondheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport respectievelijk op 17 en 23 maart aanwijzingen hebben doen uitgaan op grond van [artikel 7, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=7) als gevolg waarvan onderwijsinstellingen voor voortgezet onderwijs gesloten zijn; Overwegende dat als gevolg van deze aanwijzingen een onvoorziene omstandigheid is opgetreden die een goede voorbereiding van leerlingen op het centraal examen en afname daarvan op de reguliere wijze verhindert; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen Vervallen Artikel 2. Afgelasting centrale examens in 2020 Vervallen Artikel 3. Afronding college-examen Vervallen Artikel 4. Vakken staatsexamens Vervallen Artikel 5. Eindcijfer (deel)staatsexamen Vervallen Artikel 6. Vaststelling uitslag Vervallen Artikel 7. Uitslag staatsexamen leerwegen vmbo Vervallen Artikel 8. Uitslag staatsexamen vwo en havo Vervallen Artikel 9. Herkansing Vervallen Artikel 10. Rechtsverwerking herkansing Vervallen Artikel 11. Cijferbepaling bij herkansing Vervallen Artikel 12. Diploma en cijferlijst Vervallen Artikel 13. Voorschriften judicium cum laude Vervallen Artikel 14. Certificaat en cijferlijst deelstaatsexamen Vervallen Artikel 15. Gegevensverstrekking Vervallen Artikel 16. Geldigheid en toepassing van cijfers na 2020 1."},{"i":13146,"b":"Compensatieregeling Coronacrisis Meerjarige Kunstpodia Vierde Steunmaatregel Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en op de [Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043634). Besluit: Artikel 1. Definities In de regeling wordt verstaan onder: - 1. **het fonds:** het Mondriaan Fonds, - 2. **het bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds, - 3. **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de bijzondere gemeentes Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. - 4. **eigen inkomsten:** de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening: Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten: - a. publieksinkomsten; en - b. overige inkomsten, zijnde: - 1. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten; - 2. indirecte opbrengsten; en - 3. overige bijdragen. - a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; - b. overige bijdragen uit publieke middelen; - c. rentebaten; - d. bijdragen in natura; - e. kapitalisatie van vrijwilligers; - f. waardering vrijkaarten; en - g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap. - 5. **reserves:** vrij besteedbaar vermogen, behorende tot: - a. de algemene reserve; en - b. het stichtingskapitaal. Artikel 2. Doel Het fonds kan subsidie verstrekken in de vorm van een bijdrage aan instellingen die tot primair doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren en die als gevolg van COVID-19-maatregelen worden geconfronteerd met inkomstenderving als een gedeeltelijke tegemoetkoming in deze gederfde inkomsten. Artikel 3. Doelgroep Subsidie voor instellingen waaraan in de jaren 2021-2024, waaronder in elk geval in 2021, voor tenminste twee aaneengesloten jaren op basis van een positief advies va"},{"i":11120,"b":"Besluit van het College voor Toetsen en Examens van 18 mei 2020, nummer CvTE – 20.00936, houdende regels inzake de uitslag van het staatsexamen voortgezet onderwijs in het examenjaar 2020 (Besluit staatsexamens voortgezet onderwijs 2020) Gelet op [artikel 60, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=60) en de [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011538&artikel=22) en [36 van het Staatsexamenbesluit VO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011538&artikel=36); Overwegende dat ter bestrijding van de uitbraak van het coronavirus Covid-19 de Minister voor medische gezondheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport respectievelijk op 17 maart, 23 maart en 24 april 2020 aanwijzingen hebben doen uitgaan op grond van [artikel 7, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=7), als gevolg waarvan onderwijsinstellingen voor voortgezet onderwijs gesloten zijn; Overwegende dat als gevolg van deze aanwijzingen een onvoorziene omstandigheid is opgetreden die een goede voorbereiding van leerlingen op het centraal examen en afname daarvan op de reguliere wijze verhindert; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen Vervallen Artikel 2. Afgelasting centrale examens in 2020 Vervallen Artikel 3. Afronding college-examen Vervallen Artikel 4. Vakken staatsexamens Vervallen Artikel 5. Eindcijfer (deel)staatsexamen Vervallen Artikel 6. Vaststelling uitslag Vervallen Artikel 7. Uitslag staatsexamen leerwegen vmbo Vervallen Artikel 8. Uitslag staatsexamen vwo en havo Vervallen Artikel 9. Herkansing Vervallen Artikel 10. Rechtsverwerking herkansing Vervallen Artikel 11. Cijferbepaling bij herkansing Vervallen Artikel 12. Diploma en cijferlijst Vervallen Artikel 13. Voorschriften judicium cum laude Vervallen Artikel 14. Certificaat en cijferlijst deelstaatsexamen Vervallen Artikel 15. Gegevensverstrekking Vervallen Artikel 16. Geldigheid en toe"},{"i":13000,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 3 juni 2014, nr. IENM/BSK-2014/117255 tot wijziging van de periode waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit betrekking heeft (besluit verlenging NSL) Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Gelet op [artikel 5.12, eerste lid, juncto tiende lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=5.12); Gelet op de voorschriften 2.1a en 4.2 van [bijlage 2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&bijlage=2); Gelet op de Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 april 2009 (C(2009)2560); Gelet op de [artikelen 2 tot en met 5 van het Besluit derogatie (luchtkwaliteitseisen)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026308&artikel=2); Gelet op de ten aanzien van het ontwerpbesluit ingediende zienswijzen; Gehoord de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal; Besluit: Artikel 1 De periode waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit betrekking heeft wordt verlengd tot en met 31 december 2016. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13062,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 24 april 2019, nr. 4062112 houdende regels inzake volmacht en machtiging aan de Toetsingscommissie inzet bevoegdheden Gelet op [artikel 32 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=32), Gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister-President, Minister van Algemene Zaken; - b. **voorzitter:** de voorzitter van de commissie; - c. **de commissie:** de voorzitter en de leden van de Toetsingscommissie inzet bevoegdheden, als bedoeld in [artikel 32 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=32); - d. **volmacht:** de bevoegdheid om privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. **machtiging:** de bevoegdheid om op basis van [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) handelingen te verrichten die noch een publiekrechtelijke rechtshandeling, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Volmacht Aan de voorzitter wordt volmacht verleend, voor zover die rechtshandelingen voortvloeien uit de taakverdeling en bedrijfsvoering van de commissie en passen binnen het voor de commissie beschikbare begrotingsbedrag zoals opgenomen in de begroting van het ministerie van Algemene Zaken. Artikel 3. Machtiging Aan de voorzitter wordt machtiging verleend ten behoeve van de uitvoering van de taak waarvoor de commissie verantwoordelijk is. Artikel 4. Vervanging Bij afwezigheid of verhindering van de voorzitter wordt, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheden tot het verrichten van de volmacht of machtiging uitgeoefend door één van de leden van de commissie. Artikel 5. Secretaris"},{"i":11138,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Flora en Fauna vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2006, arc-2006.03456/10); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Flora en Fauna over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11140,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Goederenvervoer vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007, arc-2007.03635/7); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Goederenvervoer over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13765,"b":"Klachtenregeling Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek De Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (hierna te noemen: CCMO), overwegende dat het wenselijk is dat er een regeling is die een behoorlijke behandeling van klachten waarborgt, gelet op [hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) (Awb), heeft besloten de volgende klachtenregeling vast te stellen: I. Algemene bepalingen Artikel 1. Klachtrecht 1. Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop de CCMO zich in de uitoefening van haar bevoegdheden jegens hem/haar of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij de CCMO. 2. Een gedraging van een persoon die werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de CCMO wordt aangemerkt als een gedraging van de CCMO. Artikel 2. Behoorlijke behandeling De CCMO draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten. Artikel 3. Schriftelijke klachten 1. Deze regeling is van toepassing op de behandeling van schriftelijke klachten die betrekking hebben op een gedraging jegens de klager en die voldoen aan de eisen genoemd in [artikel 6, eerste lid, en onder a tot en met d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043441&artikel=6&z=2020-04-30&g=2020-04-30). 2. Een klacht die per e-mail wordt ingediend wordt als een schriftelijk ingediende klacht afgehandeld. Artikel 4. Mondelinge klachten 1. Bij de behandeling van mondeling ingediende klachten dan wel klachten die betrekking hebben op een gedraging jegens een ander dan de klager, neemt de CCMO in ieder geval de vereiste zorgvuldigheid in acht. 2. De CCMO wijst de klager die een mondelinge klacht heeft ingediend op de mogelijkheid een schriftelijke klacht in te dienen. Artikel 5. Geen beroep/bezwaar Tegen een beslissing van de CCMO inzake de behandeling van een klacht over een gedraging als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043441&artikel=1&z=2020-04-30&g=2020-04-30) kan geen beroep of bezwaar"},{"i":12949,"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Deelcommissie programma samenwerking opkomende markten – Economische Zaken Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 - a. De voorzitter van de Deelcommissie programma samenwerking opkomende markten – Economische Zaken ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. - b. De andere leden van de Deelcommissie programma samenwerking opkomende markten – Economische Zaken ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van projectvoorstellen op grond van het Programma Samenwerking Opkomende Markten – Economische Zaken ontvangen alle leden van de Deelcommissie programma samenwerking opkomende markten – Economische Zaken jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een voorbereidingstijd van twaalf uur per vergadering voor de voorzitter en van acht uur per vergadering voor de andere leden. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11143,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 06-12-2007, nr. aca-2007.04114/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11148,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein onderwijs vanaf 1992 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 december 2008, nr. bca-2008.05120/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein onderwijs over de periode vanaf 1992.’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13070,"b":"Besluit van het bestuur van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers tot vrijstelling en teruggaaf kadastraal recht meting restperceel (Besluit vrijstelling en teruggaaf kadastraal recht restperceel) Gelet op [artikel 82, lid 5 van de Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=82); Besluit:"},{"i":12421,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 22 juli 2014, ACM/DJZ/2014/203962, tot intrekking van het Besluit instelling Adviescommissie bezwaarschriften ACM Gelet op [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13); Besluit: Artikel I Het [Besluit instelling Adviescommissie bezwaarschriften ACM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033207) (Stcrt. 2013, nr. 9714) wordt ingetrokken. Artikel II Bezwaarschriften gericht tegen beschikkingen omtrent het opleggen van een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom als bedoeld in [artikel 56 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=56) die zijn genomen voor 1 augustus 2014, worden behandeld op basis van het [Besluit instelling Adviescommissie bezwaarschriften ACM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033207). Artikel III Dit besluit treedt in werking op 1 augustus 2014. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12036,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 1 oktober 2025, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Costa Rica (1953) 1955–2013 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 26 september 2025, met kenmerk 52901266; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van archiefbestand, nummer 2.05.358 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 16 | 2071 | | 62 | 2074 | | 68 | 2076 | | 74 | 2068 | | 75 | 2065 | | 91 | 2053 | | 95 | 2072 | | 111 | 2074 | | 132 | 2070 | | 134 | 2077 | | 159 | 2076 | | 188 | 2073 | | 202 | 2076 | | 226 | 2074 | | 236 | 2078 | | 253 | 2071 | | 255 | 2069 | | 256 | 2068 | | 257 | 2058 | | 259 | 2060 | | 260 | 2063 | | 261 | 2063 | | 263 | 2078 | | 273 | 2059 | | 274 | 2058 | | 287 | 2077 | | 288 | 2062 | | 327 | 2088 | | 331 | 2079 | | 342 | 2079 | | 349 | 2107 | | 387 | 2070 | | 398 | 2082 | | 422 | 2074 | | 423 | 2078 | | 462 | 2081 | | 477 | 2081 | | 483 | 2083 | | 484 | 2069 | | 495 | 1087 | | 498 | 2088 | | 505 | 2085 | | 507 | 2088 | | 514 | 2077 | | 518 | 2086 | | 519 | 2086 | | 526 | 2072 | | 551 | 2088 | | 575 | 2087 | | 582 | 2083 | | 584 | 2082 | | 588 | 2085 | | 595 | 2088 | | 599 | 2089 | | 600 | 2089 | | 619 | 2088 | | 620 | 2089 | | 674 | 2083 | | 682 |"},{"i":11169,"b":"Bewijs van bekwaamheid voor toelating examens l.o.-akten Gerekend van 1 januari 1968 zijn aangewezen als bewijs van bekwaamheid, dat toelating verleent tot de examens ter verkrijging van de akte van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in de vakken lichamelijke oefening, Franse taal, Duitse taal, Engelse taal, Spaanse taal, Friese taal, Esperanto, wiskunde, handelskennis, handenarbeid, landbouwkunde en tuinbouwkunde: - 1. de bewijzen van bekwaamheid tot het geven van onderwijs, genoemd in de bijlage, bedoeld in hoofdstuk 1 van titel VI van de Overgangswet W.V.O. onder de nummers 1 t/m 65, 67 t/m 131, 151 t/m 156, 160 t/m 175, 185, 192 t/m 194, 199 t/m 203, 207, 208 en 225 t/m 229, 275 en 276; - 2. de akte van bekwaamheid als hoofdleidster bij het kleuteronderwijs en de daarmede gelijkgestelde akten."},{"i":11170,"b":"Briefwisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO) betreffende de tiende zitting van de intergouvernementele coördinatiegroep van de Intergouvernementele Oceanografische Commissie (IOC) voor het waarschuwingssysteem voor tsunami's en andere kustbedreigingen voor de Caribische en aangrenzende regio's (ICG/CARIBE EWS-X), Philipsburg, Sint Maarten, van 19 tot 21 mei 2015 UNITED NATIONS EDUCATIONAL, SCIENTIFIC AND CULTURAL ORGANIZATION Agreement between the United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO) and the Kingdom of the Netherlands, on behalf of Sint Maarten, concerning the tenth session of the Intergovernmental Oceanographic Commission (IOC) Intergovernmental Coordination Group for the Tsunami and other Coastal Hazards Warning System for the Caribbean and Adjacent Regions (ICG/CARIBE EWS-X), Philipsburg, Sint Maarten, from 19 to 21 May 2015 Sir, I have the honour to refer to the kind offer made by the Government of Sint Maarten, made through its representative at the ICG/CARIBE EWS-IX Session in St Thomas, US Virgin Islands, to host the tenth session of the Intergovernmental Coordination Group for the Tsunami and Other Coastal Hazards Warning System for the Caribbean and Adjacent Regions (ICG/CARIBE EWS-X) of Intergovernmental Oceanographic Commission (IOC) in Sint Maarten (hereunder referred to as the “Meeting”). I wish to express once again my sincere thanks to the Government of Sint Maarten for this offer, which I accept on behalf of UNESCO. Whereas the UNESCO aims to promote international collaboration on the assessment and monitoring of global changes and natural hazards, including droughts and floods and geohazards, as well as tsunamis, as indicated in the 37 C/4 Medium Term Strategy (2014-2021) approved by the 37th General Conference of UNESCO, Whereas the ICG/CARIBE EWS is a subsidiary body"},{"i":12939,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 9 mei 2022, kenmerk 4003321, tot vaststelling van de vergoeding inzake de reis- en verblijfskosten van gedetineerden tijdens verlof en strafonderbreking op basis van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010171&artikel=13) Besluit Artikel 1. Vergoeding inzake de vervoerskosten 1. Aan de gedetineerde aan wie kortdurend of langdurend re-integratieverlof, incidenteel verlof, eindverlof of strafonderbreking is verleend, wordt op aanvraag een tegemoetkoming in de reiskosten verleend indien hij gebruik maakt van het openbaar vervoer. 2. Met uitzondering van eindverlof wordt de tegemoetkoming uitbetaald na overlegging van een bewijsstuk van de gemaakte reiskosten. 3. De tegemoetkoming is gelijk aan de tarieven van de goedkoopste tarieven van het openbaar vervoer tussen de inrichting en het verlofadres vice versa, voor zover deze kosten een bedrag van € 17,93 te boven gaat. 4. In afwijking van het derde lid wordt voorafgaand aan het eindverlof een bedrag van € 17,93 aan reiskosten uitbetaald aan de gedetineerde aan wie eindverlof is verleend voor een periode tussen de één tot en met zeven dagen en een bedrag van € 35,86 voor een periode tussen de acht tot en met veertien dagen. Artikel 2. Vergoeding inzake de verblijfkosten 1. De gedetineerde aan wie re-integratieverlof of eindverlof is verleend wordt een tegemoetkoming in de verblijfkosten die aan het verlof zijn verbonden ter hoogte van € 12,55 per etmaal toegekend. 2. De tegemoetkoming wordt zoveel mogelijk tegelijk met de vergoeding van de reiskosten uitbetaald. De tegemoetkoming in geval van re-integratieverlof wordt achteraf uitbetaald. De tegemoetkoming in geval van eindverlof wordt vooraf uitbetaald. 3. Indien het verlof een deel van een etmaal omvat, wordt over die periode de vergoeding naar verhouding toegekend. 4. De gedetine"},{"i":12997,"b":"Besluit Verlenging inschrijving in het Rbtv Gelet op: de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); [artikel 8 van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=8) (Stb. 2007, 375); [artikel 11 van het Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=11) (Stb. 2008, 255); [artikel II, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043737&artikel=II) en [artikel IV van het Besluit van 24 juni 2020 tot wijzing van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, het Besluit beëdigde tolken en vertalers en het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met het instellen van minimumtarieven en het borgen van de kwaliteit en integriteit van beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043737&artikel=IV) (Stb. 2020, 220); de [Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 januari 2011 tot wijziging van de Regeling houdende aanwijzing tot bewerker en verlening van mandaat en machtiging van de Minister van Justitie aan de Raad voor de Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch betreffende het register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993), (Stcrt. 19 januari 2011, 1030); het advies van het Kwaliteitsinstituut van 31 juli 2019; stelt de Raad voor Rechtsbijstand ter vervanging van het [Besluit verlenging inschrijving Rbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033056) (Staatscourant 2013, 8336) de voor de uitvoering van de voorwaarden die gelden voor de verlenging van de inschrijving in het Register beëdigde tolken en vertalers (hierna: het Rbtv) de hiernavolgende nadere regels vast: Het verzoek tot verlenging Artikel 1 1. De tolk of vertaler dient het verzoek tot verlenging van de inschrijving in het Rbtv via de door de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: de Raad) ter beschikking gestelde beveiligde persoonlijke digitale omgeving of via een andere door de Raad voorgesc"},{"i":11181,"b":"Elektronische ondertekening praktijkovereenkomst (pok) door Kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven (voorheen landelijke organen) Afsluiten praktijkovereenkomst De landelijke organen (zij noemen zich thans Kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven) en instellingen werken samen bij het vinden van leerbedrijven waar deelnemers beroepspraktijkvorming kunnen opdoen. Dit is een belangrijke taak van beide organisaties, evenals het afsluiten van de praktijkovereenkomst wanneer het plaatsen van een deelnemer is gelukt. Bij het afsluiten van een praktijkovereenkomst voor een deelnemer in de beroepsbegeleidende leerweg wordt de praktijkovereenkomst mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum. Het bestuur verklaart daarmee dat het een erkend leerbedrijf is en dat de gronden voor erkenning nog steeds aanwezig zijn. DualGate Onder regie van Colo, de vereniging van de Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven is een drietal kenniscentra gestart met een pilot van het systeem ”DualGate”. DualGate is een gemeenschappelijk hulpmiddel voor zowel de instellingen als de kenniscentra om de administratieve last rondom de uitwisseling en ondertekening van de praktijkovereenkomsten (POK) aanzienlijk te verminderen. Een elektronische uitwisseling én elektronische ondertekening van de POK betekent voor alle partijen voordelen. De onderwijsinstellingen krijgen via DualGate een actueel inzicht in de erkende leerbedrijven. Daarnaast kan de afhandeling van de ondertekening binnen 24 uur geschieden indien sprake is van een reeds erkend leerbedrijf. De kenniscentra krijgen beter inzicht welke leerbedrijven bezocht worden en kunnen daarmee gerichter de kwaliteitszorg inrichten: het aanbod van leerbedrijven kan beter afgestemd worden op de vraag. Voorwaarden Met Colo is overleg gevoerd over de voorwaarden waaraan het systeem moet voldoen. Deze voorwaarden zijn: De hiervoor door Colo gemaakte procedureafspraken en getroffen maatregelen zijn voor onder"},{"i":11189,"b":"Gewijzigde opzet van de carrièrepatronen voor het onderwijs ondersteunend personeel (OOP) en de aanpassingen in het RPBO in verband met de uniformering van de systematiek van de carrièrepatronen per 1 maart 2001 Inleiding In de publicaties PO/PJ/016480, [verbeteringen beloning schoolleiding per 1 maart 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012246), en AB/A&A/2000/38079, financiële arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2001 en 1 maart 2001, respectievelijk gepubliceerd in Gele katern nr. 5/6 (2001) en nr. 29 (2000) bent u geïnformeerd over de wijzigingen van de carrièrepatronen voor leraren en schoolleiding Primair Onderwijs (PO). Met de werkgevers- en de werknemersorganisaties in de sector onderwijs is overeengekomen dat de systematiek van de carrièrepatronen zoals die per 1 maart 2001 is gaan gelden voor de leraren en de directieleden ook voor het onderwijsondersteunend personeel (OOP) in het PO gaat gelden per 1 maart 2001. De uniformiteit houdt in dat een groot aantal artikelen in het [Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003771) (RPBO) kan komen te vervallen dan wel kan worden vereenvoudigd, hetgeen de leesbaarheid van het [Rpbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003771) ten goede komt. In deze publicatie zal ik nader ingaan op de OOP-carrièrepatronen en vooruitlopend op de aanpassing van het [Rpbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003771) zal ik aangeven wat de uniformiteit in grote lijnen betekent voor verschillende zaken die in het [Rpbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003771) geregeld zijn. Aanpassing carrièrepatronen OOP met De aanpassing van de carrièrepatronen OOP betekent dat er vanaf 1 maart 2001 alleen nog maar sprake is van één bepaald patroon per functie dat niet meer afhankelijk is van een aanloopschaal of een maximumschaal. De aanpassing heeft zowel op het moment dat de wijziging ingaat als in het verloop van het carrièrepatroon geen (nadelige) financiële gevolgen voor het be"},{"i":11984,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse zaken van 23 april 2005, nr. DDI/ST/reg 005 /2005, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het gezantschap te Japan (Tokio) (1880) 1923–1941 (1942) en de diplomatieke vertegenwoordiging te Japan (Tokio), 1946–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het gezantschap te Japan (Tokio) (1880) 1923–1941 (1942) en de diplomatieke vertegenwoordiging te Japan (Tokio), 1946–1954, de in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom van deze tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | Gezantschap (1880) 1923–1941 (1942) | | | 82 | 2017 | | 256 | 2017 | | Diplomatieke vertegenwoordiging 1946–1954 | | | 317 | 2026 | | 319 | 2027 | | 324 | 2027 | | 325 | 2027 | | 427 | 2032 | | 430 | 2029 | | 431 | 2029 | | 433 | 2029 | | 498 | 2030 | | 520 | 2024 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018230&artikel=1&z=2005-05-01&g=2005-05-01) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel"},{"i":11222,"b":"Lijst van te gebruiken instrumenten voor de indicatiestelling voor leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en praktijkonderwijs (pro) schooljaar 2003 - 2004 1. Inleiding Op 1 augustus 2002 is een wijziging van de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) in verband met de invoering van het regionale zorgbudget en de indicatiestelling voor leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs in werking getreden. Vooruitlopend op deze wijziging is op 12 december 2001 in Uitleg Gele Katern nr. 30 de [Regeling regionale verwijzingscommissies en zorgbudget voortgezet onderwijs 2002 - 2003](onbekend) gepubliceerd. Komend jaar zal deze vervangen worden door een Algemene Maatregel van Bestuur. Daarin wordt de uitwerking van nieuwe zorgwetgeving -de indicatiestelling en het regionaal zorgbudget - voor de komende schooljaren geregeld. Vooruitlopend op deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt nu alvast de lijst met te gebruiken instrumenten voor de indicatiestelling met betrekking tot het schooljaar 2003 -2 004 bekendgemaakt. Op het moment dat de Algemene Maatregel van Bestuur gepubliceerd is, zal de lijst voor het schooljaar 2003-2004 - zoals die is opgenomen in deze voorlichtingspublicatie - in een regeling wordenvastgesteld. Vanaf volgend schooljaar zal de nieuwe lijst met te gebruiken instrumenten jaarlijks in oktober in een regeling worden gepubliceerd. 2. Vaststelling lijst van te gebruiken instrumenten 2003-2004 Jaarlijks wordt vóór 1 oktober een overzicht gemaakt van screenings- en testinstrumenten, die in het kader van de indicatiestelling voor leerwegondersteunend onderwijs (LWOO) en praktijkonderwijs (PrO) als deugdelijk worden aangemerkt. Deze lijst wordt door het ministerie van OCenW in overleg met de voorzitters van de regionale verwijzingscommissies VO vastgesteld ([artikel 6 Regeling regionale verwijzingscommissies en zorgbudget voortgezet onderwijs 2002-2003](onbekend)). De opname in de onderstaande lijst van een instrume"},{"i":11981,"b":"Besluit van het Ministerie van Economische Zaken te Den Haag van 17 mei 2010, nr. DBV/10062025, houdende beperking van de openbaarheid van het archief Directoraat-Generaal voor de Buitenlandse Economische Betrekkingen (1949) 1976–1983 (1986) (als bedoeld in artikel 10 van het archiefbesluit 1995) - 1. Met het oog op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen dan wel van derden worden, op grond van [artikel 15, eerste lid, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van DG Buitenlandse Economische Betrekkingen, (1949) 1976–1983 (1986) de volgende beperkingen gesteld: Inventarisnummer 2452 is niet openbaar voor 1 januari 2055, inventarisnummer 2453 is niet openbaar voor 1 januari 2058, inventarisnummer 2454 is niet openbaar voor 1 januari 2057 - 2. Raadpleging van de onder 1 genoemde archiefbescheiden, is, gelet op [artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de algemene rijksarchivaris en na ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier na het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. Voordat hij toestemming verleent, beoordeelt de algemene rijksarchivaris het verzoek. - 3. Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van documenten uit de dossiers, waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn, zonder toestemming van de algemene rijksarchivaris. De algemene rijksarchivaris kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. - 4. Publicatie van gegevens uit de ter inzage gegeven archiefbescheiden is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijk verkregen toestemming van de algemene rijksarchivaris. De algemene rijksarchivaris kan aan publicatie zijn goedkeu"},{"i":12990,"b":"Besluit van Directeur DUS-I van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 april 2021, kenmerk 2350232-1007503, betreffende het verlenen van een ondervolmacht aan de afdelingshoofden van DUS-I Gelet op [artikel 16, tweede lid, onder b, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan de hoofden van Team A, Team B, Team C, Kwaliteitsborging en Expertiseunit, wordt de bevoegdheid verleend om op het werkterrein van de functie namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten tot een maximum van € 100.000 exclusief BTW per handeling. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2021. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11353,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 29 april 2022, nr 32542757, houdende regels voor de selectie van voorlopers voor het programma Rijke Schooldag (Regeling selectie voorlopers Rijke Schooldag) Gelet op de [artikelen 4 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=1); - **lokale coalitie:** groep van lokale partijen, bestaande uit ten minste een bevoegd gezag van een school, een college van burgemeester en wethouders en een lokale partij, die gezamenlijk betrokken zijn bij de ontwikkeling en uitvoering van het programma rijke schooldag, en die vertegenwoordigd wordt door een bevoegd gezag; - **lokale partij:** organisatie die opereert in de fysieke omgeving van een school, zoals zorgpartijen, bibliotheken, sociaal werk, welzijnsorganisaties, sportverenigingen en cultuurinstellingen en buitenschoolse opvang; - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **programma Rijke Schooldag:** activiteitenprogramma van een lokale coalitie dat is gericht op de uitvoering van activiteiten buiten het verplichte lesprogramma, voor leerlingen op scholen met relatief veel leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand; - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet"},{"i":11302,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juni 2008, nr. HO&S/CBV/2008/5214, houdende vaststelling van nadere regels vanwege financiering in het hoger onderwijs (Regeling financiën hoger onderwijs) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op de [artikelen 4.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.9), [4.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.10), [4.17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.17), [4.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.19), [4.20, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.20), [4.23, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.23), [4,25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.25), [4.26, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.26) en [4.27, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.27), [artikel 7 van het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming academische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008151&artikel=7) en de [artikelen 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=3.3), [7.43, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.43), [7.50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.50), [7.51, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.51) en [7.52, vijfde lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.52); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - accreditatieorgaan: de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, bedoeld in artikel 1 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de V"},{"i":13755,"b":"Kavelbesluit VI windenergiegebied Hollandse Kust (west), Ministerie van Economische Zaken en Klimaat I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3) en gelet op de [Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552), besluit de Minister van Economische Zaken en Klimaat in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit als volgt: ’s-Gravenhage, 26 november 2021 Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat – Klimaat en Energie D. Yeşilgöz-Zegerius II. Toelichting kavelbesluit VI windenergiegebied Hollandse Kust (west) 1. Inleiding 1.1. Nut en noodzaak Nederland voert al enige kabinetsperiodes lang een klimaatbeleid dat binnen de Europese Unie is afgestemd met de andere lidstaten. Hierbij gaan het streven naar het sterk verminderen van de uitstoot van broeikasgassen (met name CO2), het besparen op energieverbruik en het ontwikkelen van bronnen van duurzame energie hand in hand.1Bij het akkoord over het Klimaat- en Energie Beleidsraamwerk voor 2030 is een Europees bindend doel van 27 procent hernieuwbare energie afgesproken. Zie Kamerstukken II, 2014/15, 21 501-20, nr. 922. Doel is het beperken van de opwarming van de atmosfeer tot 2 graden Celsius om ernstige maatschappelijke en economische gevolgen van klimaatverandering af te wenden. Nevendoel is het minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen, met name die uit politiek instabiele regio’s afkomstig zijn. Het Energieakkoord voor duurzame groei2Energieakkoord voor duurzame groei, Kamerstukken II, 2012/13, 30 196, nr. 202. (hierna: Energieakkoord) bevat afspraken tussen de overheid, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties over het aandeel duurzame energie in 2023. Windenergie op zee speelt daarin een prominente rol. Specifiek voor windparken op zee is afge"},{"i":11403,"b":"Regionale Overeenkomst inzake de erkenning van studies, diploma’s en graden op het gebied van het hoger onderwijs in Latijns-Amerika en in het Caraïbische gebied Preambule De staten die partij zijn bij deze Overeenkomst, Overwegend de nauwe banden van saamhorigheid die hen verbinden en die op cultureel en onderwijsgebied tot uitdrukking komen in de vele bilaterale, sub-regionale en regionale overeenkomsten die zij met elkaar hebben gesloten, waaronder de [Regionale Overeenkomst inzake de erkenning van studies en diploma’s op het gebied van het hoger onderwijs in Latijns-Amerika en in het Caraïbische gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003920) uit 1974; Indachtig het bepaalde in het [Handvest van de Verenigde Naties uit 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008), het [Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten uit 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001016), het [Verdrag nopens de bestrijding van discriminatie in het onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005155) uit 1960, het Verdrag inzake technisch en beroepsonderwijs uit 1989, het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002) uit 1951 en het Protocol daarbij uit 1967; Gelet op de Aanbeveling inzake wetenschap en wetenschappelijk onderzoekers uit 2017, de Aanbeveling inzake de erkenning van studies en kwalificaties in het hoger onderwijs uit 1993, de Aanbeveling inzake de status van onderwijzend personeel in het hoger onderwijs uit 1997, de Verklaring van Cartagena inzake vluchtelingen uit 1984 en de Richtsnoeren inzake ontheemding in eigen land uit 1998; Herinnerend aan de beginselen vervat in de Verklaring van Buenos Aires uit 2017 en in de Overeenkomsten van Cochabamba uit 2018, aangenomen tijdens de eerste en tweede regionale bijeenkomst van de ministers van Onderwijs ui"},{"i":13723,"b":"Wet van 18 juni 2012 tot aanpassing van de wetgeving aan en invoering van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering te regelen van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht en in verband daarmee de wetgeving aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Ministerie van Justitie Artikel I.1 Wijzigt de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht. Artikel I.2 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel I.2a Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel I.3 Wijzigt de Wet tot vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek (kst. 28746)(ingetrokken). Artikel I.3a Wijzigt de Wet tot vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek (kst. 28746)(ingetrokken). Artikel I.4 Wijzigt de Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek Boek 2 (aanpassing regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen). Artikel I.5 Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel I.6 Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel I.7 Wijzigt de Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap. Artikel I.8 Wijzigt de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen. Artikel 1.9 Wijzigt de Faillissementswet. Hoofdstuk II. Ministerie van Financiën Artikel II.1 Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II.2 Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel II.3 Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Hoofdstuk III. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Artikel III.1 Wijzigt de Pensioenwet. Artikel III.2 Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. Artikel III.3 Wijzigt de Wet rol werknemers bij Europese rechtspersonen. Hoof"},{"i":11433,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 30 augustus 2023, nr. 39090731 houdende regels over het verstrekken van subsidie aan de voorlopers van de onderwijsregio’s (Subsidie voorlopers onderwijsregio’s) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Bevoegd gezag:** - a. bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - b. bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); of - c. instellingsbestuur als bedoeld [artikel 1.1 onder j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) van een instelling die een of meer lerarenopleidingen verzorgt; - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **hoger onderwijs:** wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 1.1, onder b en d van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - **kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **lerarenopleiding:** op basis van de [WHW](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":13013,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 juli 2020, kenmerk, 1722709-208223-OBP, houdende het verlenen van een ondervolmacht aan de programmadirecteur van de programmadirectie Realisatie Digitale Ondersteuning COVID-19 tot het aangaan van detacheringsovereenkomsten Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Aan de programmadirecteur van het programma Realisatie Digitale Ondersteuning COVID-19 wordt voor de duur van het programma ondervolmacht verleend tot het aangaan van detacheringsovereenkomsten ten behoeve van medewerkers die werkzaam zullen zijn bij het programma. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2020. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12980,"b":"Besluit vergoedingen NIWO Gelet op [artikel 4.6, tweede en zesde lid, van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.6); Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Vergoedingen aan de NIWO 1. Ter dekking van de kosten van uitvoering van de bij of krachtens [artikel 4.1, eerste lid, van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.1) aan de NIWO opgedragen werkzaamheden, is de aanvrager aan de NIWO een vergoeding verschuldigd voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot: - a. verlening of verlenging van een communautaire vergunning; - b. verlening of verlenging van een bestuurdersattest; en - c. verlening van een CEMT-vergunning of van een ritmachtiging. 2. De aanvrager voldoet elke ontvangen factuur binnen 30 kalenderdagen na verzending van het betalingsverzoek. 3. Aanvragen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel worden niet eerder in behandeling genomen dan nadat de daarvoor verschuldigde vergoeding is ontvangen. Artikel 2. Jaarlijkse heffing 1. De houder van een communautaire vergunning of een binnenlandse vergunning is jaarlijks een vergoeding aan de NIWO verschuldigd. 2. Voor de betaling van de jaarlijkse heffing, bedoeld in het voorgaande lid, wordt elke zes maanden een betalingsverzoek aan de vergunninghouder gedaan ter voldoening van de helft van het tarief van voornoemde heffing. Artikel 3. Ministeriële goedkeuring tarieven vergoedingen 1. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft bij besluit van 7 november 2025 goedkeuring verleend aan het tariefvoorstel voor de vergoedingen aan de NIWO. 2. De bij dit besluit vastgestelde tarieven van de vergoedingen aan de NIWO gelden met ingang van 1 januari 2026. Artikel 4. Tarieven vergoedingen De tarieven zijn als volgt vastgesteld: | Soort product of document | Tarieven per 1 januari 2026 | | --- | --- | | Behandeling aanvraag Eurovergunning | € 255,00 | | B"},{"i":11441,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 24 augustus 2022, nr. PO/32407496, houdende regels voor de subsidieverstrekking als tegemoetkoming in de opleidingskosten van instromende schoolleiders die de opleiding tot schoolleider gaan volgen (Subsidieregeling instroom schoolleiders po van buiten) Gelet op de [artikelen 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71), [71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71) en [67 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **adjunct-schoolleider:** adjunct-directeur als bedoeld in [artikel 32 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=32), [artikel 29 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=29) of [artikel 31 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=31); - **begeleidingskosten:** door het bevoegd gezag te maken kosten voor de begeleiding van een instromer tijdens diens opleiding; - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), voor zover het een school voor speciaal onderwijs betreft, of [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **instromer:** persoon die, - a. een opleiding volgt om schoolleider te worden van een school; en - b. werkzaam is in de fun"},{"i":12919,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Veturo B.V. voor de periode vanaf 2001 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Veturo B.V. over de periode vanaf 2001 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten afgesloten en/of ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11521,"b":"Verordening examen Nederlands recht en examen gedrags- en beroepsregels Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5), [19, tweede lid, aanhef en onderdeel l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19) en [54, eerste lid, aanhef en onderdeel c en d, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=54) en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032724&artikel=3) en [5 van het Besluit accountantsopleiding 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032724&artikel=5); Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **accountant:** een accountant als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - –. **accountantspraktijk:** accountantspraktijk als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - –. **CEA:** Commissie eindtermen accountantsopleiding, bedoeld in [artikel 49, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49); - –. **examen gedrags- en beroepsregels:** examen als bedoeld in [artikel 54, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=54); - –. **examen Nederlands recht:** examen als bedoeld in [artikel 54, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=54); - –. **examens:** examen gedrags- en beroepsregels en examen Nederlands recht; - –. **kandidaat:** degene die een verzoek of een aanvraag heeft gedaan als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033788&hoofdstuk=6&artikel=8&z=2022-01-01&g=2022-01-01); - –. **wet:** [Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573). Hoofdstuk 2. Inhoud van de examens A"},{"i":13715,"b":"Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 14 december 2025, nr. WJZ/99470189, tot regeling van overgangsrecht en intrekking en wijziging van regelingen voor de invoering van de Energiewet (Invoeringsregeling Energiewet) Gelet op [richtlijn (EU) 2018/2001](32018L2001), [richtlijn (EU) 2019/943](32019L0943), [richtlijn (EU) 2023/1791](32023L1791), [richtlijn (EU) 2024/1788](32024L1788), [verordening (EU) 2019/944](32019R0944), [verordening (EU) 2024/1366](32024R1366) en [verordening (EU) 2024/1789](32024R1789) en de [artikelen 2.46, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.46), [2.58, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.58), [2.61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.61), [4.5, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=4.5), [4.6, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=4.6), [4.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=4.7), [4.8 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=4.8), [4.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=4.9), [4.16, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=4.16), [4.17, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=4.17), [5.15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=5.15), [6.13, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=6.13), [7.52, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=7.52), en [7.53, vijfde lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=7.53), [artikel 6a, zevende lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=6a), de [artikelen 4.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051745&artikel=4.19) en [5.7 van het Energiebesluit](h"},{"i":13006,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 december 2023, kenmerk 3726654-1057154-VGP, houdende verlening van bijzonder ondervolmacht aan de Nationaal Rapporteur Verslavingen (Besluit bijzonder ondervolmacht Nationaal Rapporteur Verslavingen) Gelet op [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17); Besluit: Artikel 1 Aan de Nationaal Rapporteur Verslavingen, bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit Nationaal Rapporteur Verslavingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047491&artikel=2), wordt bijzonder ondervolmacht verleend om namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten tot een bedrag van € 250.000 inclusief btw, voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van de Nationaal Rapporteur Verslavingen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11552,"b":"Wet van 15 juni 2022 tot wijziging van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013 in verband met de toebedeling van wettelijke taken op het gebied van internationalisering binnen het onderwijs (Wet wettelijke taken internationalisering onderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de internationale dimensie van het onderwijs van grote waarde is voor de Nederlandse kenniseconomie, het onderwijs en de wetenschap, en dat het om die reden wenselijk is om taken op het gebied van internationalisering wettelijk te borgen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162) Wijzigt de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013. Artikel Ia Onze Minister zendt binnen zes jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens uiterlijk iedere zes jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over het functioneren van Stichting Nuffic. Artikel Ia* Wijzigt de Wet register onderwijsdeelnemers. Artikel II. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel III. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet wettelijke taken internationalisering onderwijs. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":12921,"b":"Besluit vaststelling selectielijst VWS voor Algemene wetenschappelijke voorbereiding regeringsbeleid 1945– Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 februari 2009; bca-2009.05148/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ‘Algemene wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":9633,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Arabische Republiek Egypte inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Arabische Republiek Egypte, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens hun van oudsher bestaande vriendschapsbanden te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen” verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen, al dan niet rechtstreeks in het bezit of onder zeggenschap van een onderdaan van een van beide Verdragsluitende Partijen, en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en know-how; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. omvat de term „onderdanen” met betrekking tot elk van beide Verdragsluitende Partijen: - i. natuurlijke personen die de nationalitei"},{"i":11600,"b":"Wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en enkele andere onderwijswetten in verband met decentralisatie van de wachtgelduitgaven (Regeling decentralisatie wachtgelduitgaven bve) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in het veld van de educatie en het beroepsonderwijs de wachtgelduitgaven te decentraliseren en dat het tevens wenselijk is de vermindering van de rijksbijdragen op grond van de [Tijdelijke wet arbeidsbemiddeling onderwijs](onbekend) stop te zetten in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en in het veld van de educatie en het beroepsonderwijs en dat het met het oog daarop noodzakelijk is onder meer de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I. WIJZIGING [WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. ARTIKEL IA. TIJDELIJKE MINISTERIËLE REGELING VERMINDERING RIJKSBIJDRAGE 1. Tot het tijdstip waarop de algemene maatregelen van bestuur op grond van de [artikelen 2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.1) en [2.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.4.1) in werking treden, wordt binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, jaarlijks de toevoeging aan de rijksbijdrage en de vermindering van de rijksbijdrage in verband met de kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel als bedoeld in de [artikelen 2.2.1, derde lid, onder i, respectievelijk vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.1), [2.2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007"},{"i":12914,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stimuleringsfonds voor de Journalistiek vanaf 2009 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek vanaf 2009 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Stimuleringsfonds voor de Pers, voorheen het Bedrijfsfonds voor de Pers op het beleidsterrein media, letteren en bibliotheken over de periode vanaf 1974](onbekend), gepubliceerd in de Staatscourant nr. 60 d.d. 6 januari 2010 wordt afgesloten per 31 december 2008. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Niet opgenomen. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12915,"b":"Vaststelling selectielijst TNO over de periode vanaf 1932 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de handelingen van de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) in de periode vanaf 1932 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11621,"b":"Wet van 15 december 1993, houdende wijziging van het stelsel van stichtingsnormen en opheffingsnormen in de Wet op het basisonderwijs en van het huisvestingsstelsel in de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het stelsel van stichtings- en opheffingsnormen in de Wet op het basisonderwijs te wijzigen teneinde een evenwichtiger verdeling van middelen in een goed gespreid basisonderwijs te bereiken en de beheersbaarheid van het huisvestingsstelsel in de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: In opdracht van artikel LV-3 van Stb. 1998/228 zijn de in considerans en in de artikelen III, IV en V voorkomende verwijzingen naar artikelen van de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs omgezet naar de daarmee overeenkomende verwijzingen van artikelen van de Wet op het primair onderwijs en Wet op de expertisecentra. Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Vervallen Artikel V Vervallen Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Vervallen Artikel VIII Vervallen Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Vervallen Artikel XI Vervallen Artikel XII Vervallen Artikel XIII Vervallen Artikel XIV Vervallen Artikel XV Vervallen Artikel XVI Vervallen Artikel XVII Vervallen Artikel XVIII Vervallen Artikel XIX Vervallen Artikel XX Vervallen Artikel XXI Vervallen Artikel XXII Vervallen Artikel XXIII Bevat wijzigingen in andere r"},{"i":12955,"b":"Besluit houdende vaststelling vergoeding voorzitter en leden Verificatiecommissie monitoring en evaluatie Programma Near Shore Windpark Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Verificatiecommissie monitoring en evaluatie programma Near Shore Windpark ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van de Verificatiecommissie monitoring en evaluatie programma Near Shore Windpark ontvangt de voorzitter per vergadering een vergoeding van € 1000,00. Artikel 2 1. De andere leden van de Verificatiecommissie monitoring en evaluatie programma Near Shore Windpark ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. 2. Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van de Verificatiecommissie monitoring en evaluatie programma Near Shore Windpark ontvangen alle leden per vergadering een vergoeding van € 1000,00. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12971,"b":"Besluit van het Dagelijks Bestuur tot vaststelling van de vergoeding van de Bemiddelaar en adviseurs Vrijstellingsregeling Wet Bpf 2000, 15 februari 2019 (Besluit Vergoeding Bemiddelaar en adviseurs Wet Bpf 2000, 15 februari 2019) Gelet op artikel 7 lid 1 van het Besluit Bemiddelaar Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000, 15 februari 2019 Besluit de vergoedingsbedragen voor de Bemiddelaar en de adviseurs als volgt vast te stellen: Artikel 1. Definitie Met de Geldende Verordening in dit besluit wordt bedoeld de betreffende Verordening vergoedingen van leden van de Raad, het dagelijks bestuur en de commissies die geldt op het moment dat de bemiddelaar en/of adviseurs deelneemt/deelnemen aan een bespreking en/of hoorzitting en dientengevolge recht heeft op een vergoeding op grond van dit besluit. Artikel 2. Vacatievergoeding De Bemiddelaar en de adviseurs ontvangen voor het bijwonen van besprekingen en hoorzittingen een vacatievergoeding. De vacatievergoeding is gelijk aan de vacatievergoeding genoemd in de Geldende Verordening, inclusief de volgens de daarbij gehanteerde systematiek, met dien verstande dat voor de bemiddelaar een hoorzitting wordt aangemerkt als drie afzonderlijke dagdelen. Artikel 3. Reis- en verblijfkostenvergoeding De Bemiddelaar en de adviseurs ontvangen per dag waarop zij een of meer besprekingen of hoorzittingen hebben bijgewoond, een vergoeding voor reis- en verblijfkosten conform de Geldende Verordening. Artikel 4. Slotbepalingen Het [besluit van de Raad tot vaststelling van de vergoeding van de Bemiddelaar vrijstellingsregeling Wet Bpf en adviseurs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012838) d.d. 21 september 2001 wordt ingetrokken. Artikel 5. Inwerkingtreding Dit Besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 6. Citeertitel Dit Besluit wordt aangehaald als Besluit Vergoeding Bemiddelaar en adviseurs Wet Bpf 2000, 15 februari 2019."},{"i":12927,"b":"Besluit vaststelling taakomschrijving Staatssecretaris van Defensie Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951 (Stb. 24), houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002068&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Defensie, de heer D.G. Boswijk, is binnen de grenzen van het door de Minister van Defensie vastgestelde beleid belast met het behartigen van de aangelegenheden betreffende het Ministerie van Defensie voor zover het gaat om: - •. Personele en materiële gereedstelling krijgsmacht (nationaal en internationaal) - •. Industriebeleid en innovatie gericht op realisatie bestaand en nieuw materieel - •. Ruimtelijke ontwikkeling, regionale ontwikkeling en vastgoed - •. Bevorderen van de weerbaarheid van Nederland regionaal - •. IT/digitalisering (nationaal en internationaal) - •. Integraal veiligheidsbeleid en duurzaamheid - •. Diversiteit Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 23 februari 2026. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11650,"b":"Wet van 29 mei 1991, houdende wijziging van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, de Wet op het hoger beroepsonderwijs en de Wet op de studiefinanciering, in verband met verhoging van het collegegeld en compensatie van de verhoging in het studiefinancieringsbudget Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de collegegelden te verhogen in verband met dekking van de meeruitgaven ter zake van de uitvoering van de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) (**Stb.** 1988, 336) en de verhoging van het collegegeld te compenseren in het studiefinancieringsbudget; dat in verband hiermee wijziging van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (**Stb.** 1986, 414), de Wet op het hoger beroepsonderwijs (**Stb.** 1986, 289) en de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) noodzakelijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV 1. In afwijking van artikel 32**a**, tweede lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs bedraagt het collegegeld voor in voltijdse vorm verzorgde studierichtingen dan wel opleidingen van de tweede fase: - a. wat het studiejaar 1991-1992 betreft f 1850; - b. wat het studiejaar 1992-1993 betreft f 1950; - c. wat het studiejaar 1993-1994 betreft f 2050; - d. wat het studiejaar 1994-1995 betreft f 2150. 2. In afwijking van artikel 32**a**, vierde lid, bedraagt het collegegeld voor auditoren: - a. wat het studiejaar 1991-1992 betreft f 2590; - b. wat het studiejaar 1992-1993 betreft f 2730; - c. wat het studiejaar 1993-1994 betreft f 2870; - d. wat het studiejaar 1994-1995 betreft f 3010. Artikel V 1. In af"},{"i":13725,"b":"Wet van 22 mei 2008 tot aanpassing van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening alsmede regeling van overgangsrecht (Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, ter bevordering van een goede inwerkingtreding van de [Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449) wenselijk is een aantal wetten aan te passen, de [Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449) op onderdelen aan te vullen, waaronder het hoofdstuk over Intergemeentelijke samenwerking in stedelijke gebieden, de vestigingsgrondslagen van het voorkeursrecht in de [Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391) te vereenvoudigen, alsmede te voorzien in overgangsregels; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1.1 Wijzigt de Gemeentewet. Artikel 1.2 Wijzigt de Provinciewet. Artikel 1.3 Wijzigt de Wet algemene regels herindeling. Hoofdstuk II. Economische Zaken Artikel 2.1 Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Hoofdstuk III. Financiën Artikel 3.1 Wijzigt de Wet Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen. Hoofdstuk IV. Justitie Artikel 4.1 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 4.2 Wijzigt de Onteigeningswet. Artikel 4.3 Wijzigt de Pachtwet. Artikel 4.4 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel 4.5 Wijzigt de Wet op de economische delicten. Hoofdstuk V. Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Artikel 5.1 Wijzigt de Boswet. Artikel 5.2 Wijzigt de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën. Artikel 5.3 Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998. Artikel 5.4 Wijzigt de Reconstructiewet concentratiegebieden. Artikel 5.5 Wijzigt de Wet agrarisch grondverk"},{"i":11661,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 19 april 2022, nr. IENW/BSK-2021/329303, houdende vaststelling van regels voor subsidie ter stimulering van de aanschaf van nieuwe emissieloze vrachtauto’s (Aanschafsubsidieregeling zero-emissie trucks AanZET) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onder b en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanschaf:** verkrijging van de eigendom, bedoeld in [artikel 3:84, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=84) krachtens koop of financial leasing, als bedoeld in [paragraaf 3.2 van het Besluit Omzetbelasting. Leasing](onbekend) van 25 januari 2007, nr. CPP2006/2847M, Stcrt 2007, nr. 24; - **aanvrager:** onderneming of non-profitinstelling, niet zijnde een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid, een provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als bedoeld in de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740), die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, met een vestiging in Nederland en die een subsidie aanvraagt op grond van deze regeling; - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); - **bakwagenchassis:** motorvoertuig als bedoeld in voertuigcategorie N2 of N3 volgens [verordening (EU) 2018/858](32758R2018) waarop een laadmogelijkheid gecreëerd kan worden; in ieder geval wordt als bakwagenchassis aangemerkt een voertuig"},{"i":11669,"b":"Addendum bij Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland voor High End Series & Single Episodes Annex to the Netherlands Film Production Incentive Scheme (‘Scheme’) for High End Series & Single Episodes Artikel a Ten behoeve van aanvragen voor televisieseries worden aan [artikel 1 van het Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035122&artikel=1) de volgende definities toegevoegd: - **animatieserie:** een televisieserie die een kunstmatige techniek hanteert waarbij door het na elkaar afspelen van verschillende stilstaande beelden de illusie van beweging ontstaat, met een netto duur van tenminste 100 minuten, verdeeld over meerdere afleveringen van elk tenminste 10 minuten met een doorlopend verhaal en in een beperkte (seizoen)reeks, dan wel van tenminste 3 minuten in het geval van een serie voor kinderen van zes jaar of jonger; - **documentaireserie:** een non-fictie televisieserie van cinematografische kwaliteit met een netto duur van tenminste 120 minuten, verdeeld over meerdere afleveringen van elk ten minste 40 minuten met een doorlopende verhaallijn en in een beperkte (seizoen)reeks, die een aspect van de werkelijkheid belicht waarbij de eigen visie van de regisseur wordt vormgegeven met creatieve gebruikmaking van filmische middelen in een persoonlijke stijl; - **dramaserie:** een televisieserie van cinematografische kwaliteit in het genre fictie die door zijn productiewaarde en artistieke kwaliteit het aanbod van series verrijkt en primair bestemd is voor televisie-uitzending met een netto duur van tenminste 120 minuten verdeeld over meerdere afleveringen van elk ten minste 40 minuten, met een doorlopend verhaal en in een beperkte (seizoen)reeks, dan wel van tenminste 10 minuten in het geval van een serie voor kinderen van 12 jaar of jonger; - **minutenprijs:** productiekosten per uitzendminuut; - **single episode:** Eén (1) afzonderlijke aflevering die onderdeel uitmaakt van één (1) uit meerdere afleveringen bestaande seizoenreeks v"},{"i":12968,"b":"Besluit van 17 augustus 1935, tot vaststelling van een wachtgeldregeling voor officieren behoorende tot de Koninklijke Landmacht Op de voordracht van Onze Ministers van Defensie en van Binnenlandsche Zaken van 4 April 1935, VIIIe Afdeeling, nr. 129 en van 12 April 1935, nr. 489II, Afdeeling Pensioenen en Wachtgelden; Gelet op Art. 12 van de [Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952); Overwegende, dat het wenschelijk is Ons Besluit van den 21 Februari 1923 (**Staatsblad** nr. 48) tot vaststelling van een wachtgeldregeling voor officieren, behoorende tot de Landmacht, zooals dat besluit laatstelijk is gewijzigd en aangevuld bij Ons Besluit van 4 Februari 1931 (**Staatsblad** nr. 44), in te trekken en opnieuw vast te stellen; Den Raad van State gehoord (advies van 14 Mei 1935, nr. 30); Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Defensie en van Binnenlandsche Zaken van 30 Juli 1935, VIIIe Afdeeling, nr. 1, en van 7 Augustus 1935, nr. 489III, Afdeeling Pensioenen en Wachtgelden; Hebben goedgevonden en verstaan: A. in te trekken Ons Besluit van 21 Februari 1923 (**Staatsblad** nr. 48) tot regeling van de toekenning van wachtgeld aan officieren behoorende tot de landmacht, zooals dit Besluit bij verschillende Besluiten is gewijzigd en aangevuld, laatstelijk bij Besluit van 4 Februari 1931 (**Staatsblad** nr. 44); B. te bepalen: Artikel 1 1. Dit besluit verstaat onder \"officieren\" de officieren der landmacht, niet behoorende tot het verlofspersoneel. 2. Aan den officier, wien op eigen aan Ons gedaan verzoek eervol ontslag is verleend, hetzij nadat hem was te kennen gegeven, dat hij in de termen viel, om ingevolge art. 70, 3°. of 4°., der Be[vorderingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002393) voor de landmacht 1902 op nonactiviteit te worden gesteld, hetzij terwijl hij ingevolge het evengenoemd punt 3°. of 4°. op nonactiviteit was gesteld, wordt op zijne aanvrage ten laste van het Rijk wachtgeld toegekend op den voet van"},{"i":11769,"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. over de wijze waarop zij in het toezicht de naleving beoordeelt in hoeverre trustkantoren het risico beheersen op betrokkenheid van het trustkantoor of zijn medewerkers bij handelingen die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in het trustkantoor of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad (Beleidsregel maatschappelijke betamelijkheid trustkantoren) gelet op [artikel 14, eerste, tweede en vierde lid, onderdeel a, subonderdeel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=14) en [artikel 41, derde lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=41) en [artikel 4:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) juncto [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3); met inachtneming van de proportionele toepassing van onderstaande uitgangspunten waarin met aard, omvang en inrichting van trustkantoren rekening wordt gehouden; en van het feit dat DNB in deze beleidsregel geen oordeel zal vellen over welke handelingen van trustkantoren of hun werknemers al dan niet maatschappelijk betamelijk zijn, maar dat DNB zich richt op het toezicht op de invulling van het beleid, en het inregelen van processen en procedures bij trustkantoren die dienen te leiden tot maatschappelijk betamelijk handelen van deze trustkantoren; Besluit: § 1. Definities Artikel 1. Definities In deze regeling/beleidsregel wordt verstaan onder: - **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - **Cliënt:** cliënt als bedoeld in [artikel 1, eerste lid van de Wtt 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=1); - **Incident:** een incident als bedoeld in [artikel 20, vierde lid van de Wtt 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=20); - **Trustkantoor:** een trustkanto"},{"i":13068,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 28 mei 2013, nr. 2013-0000314852, houdende de instelling en werkwijze van de Voorselectiecommissie ABD-topmanagementgroep (Besluit Voorselectiecommissie ABD-topmanagementgroep) Overwegende dat het wenselijk is ten behoeve van selectie van kandidaten voor functies als bedoeld in [artikel 7, vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=7), een commissie voor de voorselectie van deze kandidaten in te stellen; Besluit: Artikel 1 Er is een ‘Voorselectiecommissie ABD-topmanagementgroep’, hierna te noemen de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak de directeur-generaal voor de Algemene Bestuursdienst (ABD), ressorterend onder de minister voor Wonen en Rijksdienst (W&R), te adviseren over de voorselectie van benoembare kandidaten voor een van de functies van de ABD-topmanagementgroep, als bedoeld in [artikel 7, vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=7). Artikel 3 1. De commissie bestaat uit vijf leden. 2. De voorzitter van de commissie, tevens lid, is niet werkzaam bij een van de ministeries en wordt voor een periode van drie jaar benoemd door de minister voor Wonen en Rijksdienst. Herbenoeming is eenmaal aansluitend mogelijk. 3. De overige leden van de commissie worden benoemd door de minister voor Wonen en Rijksdienst voor een periode van in beginsel drie jaar. Herbenoeming is aansluitend mogelijk. 4. De secretaris-generaal van het ministerie waar de vacante functie zich voordoet wordt als informant door de commissie gehoord. Betreft het de vacature van secretaris-generaal, dan kan door de betrokken minister een directeur-generaal van het vacaturehoudende departement als informant worden aangewezen. In het geval een vacature zich voordoet, niet zijnde de vacature van secretaris-generaal, bij een ministerie waarbij een van de vaste leden werkzaam is, dan wordt dat lid als inf"},{"i":12978,"b":"Besluit van 1 april 2015, houdende regels omtrent de aan bijzondere rechters toekomende vergoedingen BES Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 25 februari 2015, nr. 619058; Gelet op [artikel 12, zevende lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 maart 2015, nr W03.15.0047/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 27 maart 2015, nr. 628488; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De hoogte van de vergoeding die wordt toegekend aan bijzondere rechters, bedoeld in [artikel 11, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=11), is gelijk aan de hoogte van de vergoeding die wordt toegekend aan een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg op grond van [artikel 10, derde lid, van het Rijksbesluit rechtspositie Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028548&artikel=10). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 oktober 2010. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":14131,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 december 2010, nr. WJZ/258717 (8308), ter uitvoering van artikel 2, vijfde lid, van het Besluit bevoegdheidsverklaring leraren BES (Regeling bevoegdheidsverklaring leraren BES) Gelet op [artikel 2, vijfde lid, van het Besluit bevoegdheidsverklaring leraren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028647&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De verklaring, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit bevoegdheidsverklaring leraren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028647&artikel=2), wordt opgesteld overeenkomstig het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 oktober 2010 om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bevoegdheidsverklaring leraren BES. Bijlage behorende bij de Regeling bevoegdheidsverklaring leraren BES Gelezen: het verzoek van ..... te ..... ; Overwegende: dat voor het voortgezet onderwijs in het vak ..... geen bewijs van bekwaamheid is aangewezen; Gelet op: [Artikel 36, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=36); Gezien: het advies van de inspectie; V E R K L A A R T: dat te rekenen van ..... De heer/mevrouw ....., geboren ..... te ..... geacht wordt in het bezit te zijn van een bewijs van bekwaamheid tot het geven van voortgezet onderwijs in de/het vak(ken) ..... aan de in de bijlage, bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=36), met het/de codenummer(s) ..... aangeduide soort(en) van onderwijs, en tevens geacht wordt in het bezit te zijn van een bewijs van pedagogische en didactische voorbereiding. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12123,"b":"Besluit van 13 oktober 2020, houdende het binnen het Wapen der Cavalerie van de Koninklijke Landmacht samenvoegen van het Regiment Huzaren Van Sytzama, het Regiment Huzaren Prins Alexander en het Regiment Huzaren Prins van Oranje tot het Regiment Huzaren Prinses Catharina-Amalia Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 7 oktober 2020, nr. BS2020019453, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het Regiment Huzaren Van Sytzama, het Regiment Huzaren Prins Alexander en het Regiment Huzaren Prins van Oranje worden met ingang van 20 november 2020 samengevoegd tot het Regiment Huzaren Prinses Catharina-Amalia. 2. Het Regiment Huzaren Prinses Catharina-Amalia neemt de tradities van de in het eerste lid genoemde regimenten over en zet deze voort. 3. Tot aan de uitreiking van de eigen standaard voert dit regiment de standaard van het Regiment Huzaren Van Sytzama met daaraan gehecht: - a. een cravate met de benaming van de nieuwe eenheid; - b. een cravate met de benaming en de standaardopschriften van het Regiment Huzaren Prins Alexander; en - c. een cravate met de benaming en de standaardopschriften van het Regiment Huzaren Prins van Oranje. Artikel 2 Het Regiment Huzaren Prinses Catharina-Amalia ressorteert onder het Wapen der Cavalerie van de Koninklijke Landmacht. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 20 november 2020. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan een afschrift zal worden gezonden aan Onze Adjudant-Generaal, tevens Chef van Ons Militaire Huis."},{"i":11841,"b":"Beleidsregels openbaarmaking informatie over vergunningen en vergunninghouders Kansspelen op afstand (Beleidsregels openbaarmaking VVKOA), kenmerk 01.243.714 gelet op [artikelen 31a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a), en [31d, eerste en tweede lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31d) en [artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=8), besluit de volgende beleidsregels vast te stellen: Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - –. **raad van bestuur:** raad van bestuur als bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - –. **vergunning:** vergunning als bedoeld in [artikel 31a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a); - –. **wet:** [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2. Openbaarmaking 1. De raad van bestuur maakt openbaar: - a. de vergunning en de wijziging van de vergunning, waaronder mede wordt verstaan de intrekking en schorsing van de vergunning; - b. de bij de vergunning behorende aanvullende voorschriften en wijzigingen daarvan; - c. de bij de vergunning behorende domeinnamen, merknamen en applicatienamen. 2. De raad van bestuur maakt de motivering van de bij de vergunning behorende aanvullende voorschriften niet openbaar. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsregels worden met de toelichting gepubliceerd in de Staatscourant en treden in werking op de dag na bekendmaking. Artikel 4. Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels openbaarmaking VVKOA."},{"i":13008,"b":"Besluit van 17 november 2025, houdende verlening van een concessie als bedoeld in artikel 2.60k van de Mediawet 2008 aan de Stichting Regionale Publieke Omroep voor de periode 2026–2035 Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 november 2025, nr. WJZ/55019643 (ID28490); Gelet op [artikel 2.60k van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.60k); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig 1. Aan de Stichting Regionale Publieke Omroep wordt voor een periode van tien jaar een concessie als bedoeld in [artikel 2.60k van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.60k) verleend. 2. De concessie wordt verleend met ingang van 1 januari 2026. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12381,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 januari 2019, nr. 2019-0000037204, houdende instelling van de Commissie van onderzoek inzake de procedure van werving, selectie en benoeming van de voorzitter van het Huis voor klokkenluiders Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commissie:** commissie, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041864&artikel=2&z=2019-02-01&g=2019-02-01); - b. **Minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **ministerie:** Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een onafhankelijke Commissie van onderzoek inzake de procedure van werving, selectie en benoeming van de voorzitter van het Huis voor klokkenluiders. 2. De commissie heeft tot taak om: - a. onderzoek te doen naar het verloop van de procedure van werving, selectie en benoeming van de huidige voorzitter van het Huis voor klokkenluiders, in het licht van het vermoeden van een misstand in de zin van [artikel 1, onder d, van de Wet Huis voor klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=1), dat bij het ministerie is gemeld; - b. een oordeel te geven over deze procedure en de wijze waarop deze in dit geval is uitgevoerd, mede in het licht van de specifieke eisen die aan het voorzitterschap worden gesteld in [artikel 3c van de Wet Huis voor klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3c); - c. een weging te maken van haar bevindingen, mede in relatie tot de uitkomst van de procedure. 3. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen te doen. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. 2. De voorzitter en de"},{"i":12996,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 17 december 2021, nr. 3702066, houdende verlenging van de geldigheidsduur van de toets geweldsbeheersing, de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden, de toets schietvaardigheid en de toets specialistische geweldsvaardigheid in verband met maatregelen rondom bestrijding van COVID-19 Gelet op [artikel 2, tiende tot en met twaalfde lid, van de Regeling toetsing geweldsbeheersing politie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044623&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Verlengen geldigheidsduur toets geweldsbeheersing en toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden Op grond van [artikel 2, tiende lid, van de Regeling toetsing geweldsbeheersing politie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044623&artikel=2), geldt gedurende een jaar dat de ambtenaar voor de duur van een kalenderjaar geoefend is in het gebruik van de in artikel 2, eerste lid, van die regeling bedoelde geweldsmiddelen, indien hij de toets geweldsbeheersing en de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar met voldoende resultaat heeft afgelegd. Artikel 2. Verlengen geldigheidsduur toets schietvaardigheid Op grond van [artikel 2, elfde lid, van de Regeling toetsing geweldsbeheersing politie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044623&artikel=2), geldt gedurende een half jaar dat de ambtenaar voor de duur van een kalenderhalfjaar geoefend is in het gebruik van het in artikel 2, tweede lid, van die regeling bedoelde vuurwapen, indien hij de toets schietvaardigheid in het tweede daaraan voorafgaande kalenderhalfjaar met voldoende resultaat heeft afgelegd. Artikel 3. Verlengen geldigheidsduur toets specialistische geweldsvaardigheid Op grond van [artikel 2, twaalfde lid, van de Regeling toetsing geweldsbeheersing politie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044623&artikel=2), geldt gedurende een jaar dat de ambtenaar voor de duur van een kalenderjaar geoe"},{"i":14135,"b":"Regeling van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 17 november 2014, MinBuza-2014.665397, houdende een verlaagd bezoldigingsmaximum voor topfunctionarissen in de sector Ontwikkelingssamenwerking (Regeling bezoldiging topfunctionarissen OS-sector) Gehoord de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 2.6, eerste lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.6); Besluit: Artikel 1 In afwijking van [artikel 2.3, eerste lid, van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.3) komen partijen bij rechtspersonen als bedoeld in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&bijlage=1), bedoeld in [artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.3), onder het opschrift ‘Ministerie van Buitenlandse Zaken’, indien deze rechtspersonen een subsidie ontvangen ten laste van de rijksbegroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp en niet elders zijn vermeld in deze bijlage, geen bezoldiging overeen die voor het kalenderjaar 2026 meer bedraagt dan € 241.000. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bezoldiging topfunctionarissen Ontwikkelingshulp-sector. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14127,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 mei 2021, nr. IENW/BSK-2021/135014, houdende nadere regels voor de veiligheid van aanbieders van essentiële diensten inzake de netwerk- en informatiesystemen in de sectoren vervoer en drinkwater (Regeling beveiliging netwerk- en informatiesystemen IenW) Gelet op [artikel 3a, tweede lid, van het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041520&artikel=3a); BESLUIT: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **AED:** aanbieder van een essentiële dienst; - **besluit:** [Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041520); - **ISMS:** Information Security Management System als bedoeld in [artikel 3, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045163&paragraaf=3&artikel=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01); - **risicoanalyse:** risicoanalyse als bedoeld in onderdeel 1 van de [bijlage bij artikel 3a, eerste lid, van het besluit](onbekend). Paragraaf 2. Reikwijdte Artikel 2. Reikwijdte 1. Deze regeling is van toepassing op iedere AED in de sectoren drinkwater en vervoer, voor zover het de netwerk- en informatiesystemen betreft die gebruikt worden voor de essentiële dienst. 2. Bij het nemen van de maatregelen, opgenomen in onderdelen 1 tot en met 5 van de [bijlage bij artikel 3a van het besluit](onbekend), past de AED de [paragrafen 3 tot en met 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045163&paragraaf=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01) toe. Paragraaf 3. ISMS en risicoanalyse Artikel 3. ISMS 1. De AED hanteert een ISMS. 2. Het ISMS stelt de AED in staat om maatregelen te nemen, uit te voeren en waar nodig bij te stellen met als doel op een structurele wijze risico’s terug te brengen tot een acceptabel niveau. 3. Het ISMS omvat omschrijvingen van het beleid, de processen en procedures, gericht op de maatregelen, bedoeld in de [paragrafen 4"},{"i":14103,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/AL/05/102785, houdende regels tot bepaling van de eerste werkdag (Regeling bepaling eerste werkdag) Gelet op de [artikelen 23, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=23), [19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=19), [7, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=7) en [29, derde lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=29); Besluit: Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: **Wet WIA**: [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); **WAO**: [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); **WAZ**: [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656); **ZW**: [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888). Artikel 2. Eerste werkdag Voor de toepassing van de [artikelen 23, tweede lid, van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=23), [artikel 19, eerste lid, van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=19), [artikel 7, eerste lid, van de WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=7) en [artikel 29, derde lid, van de ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=29) wordt als werkdag aangemerkt: een dag waarop door de verzekerde gewoonlijk wordt gewerkt. Artikel 3. Eerste werkdag in bijzondere gevallen 1. In gevallen waarin de eerste werkdag niet met toepassing van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019301&artikel=2&z=2005-12-29&g=2005-12-29) kan worden vastgesteld, omdat niet"},{"i":14120,"b":"Regeling bescherming persoonlijke levenssfeer geautomatiseerde bezoldigingsadministratie militair personeel 1986 Gelet op de [Aanwijzingen van de minister-president van 7 maart 1975 (Stcrt. 50) inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de geautomatiseerde systemen, waarin personeelsgegevens zijn opgenomen, bij de rijksoverheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002958); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen Artikel 2. Doelstelling der registratie De doelstelling van de registratie is het systematisch vastleggen, opslaan en ter beschikking stellen van de gegevens ten behoeve van de berekening, betaalbaarstelling en verantwoording van de bedragen en tevens het voorzien in de informatiebehoefte van diverse beleidsbepalende en uitvoerende instanties, die aan de geregistreerde toekomen op basis van: - de ‘Regeling inkomsten militairen land- en luchtmacht 1969’; - het ‘Voorlopig Voorschrift Koninklijke Marine’ 13 en 16. Artikel 3. In de registratie opgenomen gegevens De registratie kan omtrent de geregistreerde ten hoogste de registratieve gegevens van de geregistreerde en de daaruit resulterende financiële gegevens bevatten, die zijn opgenomen in de bij deze Regeling behorende bijlage. Artikel 4. Verwijdering van gegevens 1. De financiële gegevens worden verwijderd zes maanden nadat de berekening heeft plaatsgevonden waarop die gegevens betrekking hebben gehad. De financiële gegevens welke in het jaarwerk worden opgenomen, worden verwijderd na afloop van het kalenderjaar waarop deze gegevens betrekking hebben gehad. 2. De registratieve gegevens worden bewaard tot het einde van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar, waarin de geregistreerde de dienst verlaat c.q. wanneer het recht op de noodbetaalpas komt te vervallen. 3. De verwijderde gegevens worden op magneetband voor controledoeleinden nog vijf jaren bewaard. Artikel 5. Functionering registratie 1. De houder en/of de daarvoor in aanmerking komende instanties binnen de defensie"},{"i":12913,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Mediaproducties (Mediafonds) vanaf 1988 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 september 2009, nr. bca-2009.05401/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Mediaproducties (Mediafonds) op het beleidsterrein Media, letteren en bibliotheken over de periodevanaf 1988’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13017,"b":"Besluit Vervanging Archiefbescheiden Autoriteit Consument en Markt 2017 Gelet op: de regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr.WJZ/466161 (10 265), tot wijziging van de Archiefregeling in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; [artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). Besluit: Artikel 1 1. Alle inkomende papieren documenten en alle getekende uitgaande en interne papieren documenten die in het informatiesysteem DOX zijn geregistreerd vanaf **1 juni 2017** worden vervangen door digitale reproducties. Uitzonderingen zijn genoemd in het Handboek vervanging Archiefbescheiden ACM. 2. reproductie geschiedt zoals beschreven in het Handboek Vervanging Archiefbescheiden ACM, geregistreerd in PerfectView met registratienummer ACM/DBV/2017/203085. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit Vervanging Archiefbescheiden Autoriteit Consument en Markt 2017"},{"i":13314,"b":"Wet van 8 juni 2000, houdende goedkeuring van de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst opgesteld op grond van Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake het gebruik van informatica op douanegebied (Trb. 1995, 287); van het op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Akkoord betreffende de voorlopige toepassing tussen een aantal Lid-Staten van de Europese Unie van de op basis van Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie opgestelde Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied (Trb. 1995, 288); en van het op 29 november 1996 te Brussel tot stand gekomen Protocol, opgesteld op grond van Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied (Trb. 1997, 39) (Goedkeuringswet DIS-Overeenkomst) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst opgesteld op grond van Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake het gebruik van informatica op douanegebied, van het op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Akkoord betreffende de voorlopige toepassing tussen een aantal Lid-Staten van de Europese Unie van voornoemde Overeenkomst en het op 29 november 1996 te Brussel tot stand gekomen Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied, ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeven, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,"},{"i":11886,"b":"Besluit van 27 februari 1998 tot aanvulling van opschriften op vaandels van regimenten van de krijgsmacht Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 23 februari 1998, nr. 97/442, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving; Gelet op het koninklijk besluit van 7 augustus 1896, nr. 41, houdende opschriften op vaandels en standaarden binnen de Nederlandse krijgsmacht, alsmede op het koninklijk besluit van 12 maart 1977, nr. 101, houdende de vaststelling van bepalingen inzake rangschikking, oprichtingsdata en genealogieën van eenheden der Koninklijke landmacht; Gezien het advies d.d. 3 februari 1998 van de Traditiecommissie Krijgsmacht, nr. 00698; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het vaandel van het Regiment Limburgse Jagers wordt aangevuld met de opschriften« VENLO 1940» en «ZUTPHEN 1940». Artikel 2 Het vaandel van het voormalige 6e Regiment Infanterie wordt aangevuld met het opschrift «ROERMOND 1940». Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Adjudant-Generaal, tevens Chef van Ons Militaire Huis."},{"i":15539,"b":"Wet van 11 december 2019 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alsmede enkele wetten van andere ministeries (Verzamelwet SZW 2020) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enige wijzigingen aan te brengen in de wetgeving van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en enkele andere ministeries; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Aanpassingswet Wnra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042210) Wijzigt de Aanpassingswet Wnra. Artikel Ia. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Algemene ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IIIa. [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV. [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel IVa. [Arbeidswet 2000 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028202) Wijzigt de Arbeidswet 2000 BES. Artikel IVb. [Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel V. [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel Va. [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) Wijzigt de Pensioenwet. Artikel VI. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel VII. [Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-we"},{"i":14422,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 12 december 2013 nr. 460559 houdende de vaststelling van het legitimatiebewijs voor beëdigde tolken en vertalers (Regeling legitimatiebewijs beëdigde tolken en vertalers 2014) Gelet op [artikel 15, tweede lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=15); Besluit: Artikel 1 De Minister van Veiligheid en Justitie stelt een legitimatiebewijs vast volgens het model en de specificaties als bedoeld in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 1. Het legitimatiebewijs bevat aan de voorzijde: de voorletters, tussenvoegsels, achternaam, een foto van de houder, het Wbtv-nummer waaronder de beëdigd tolk of vertaler is geregistreerd in het register en een datum waarop de geldigheid van het legitimatiepas vervalt. 2. Het legitimatiebewijs bevat aan de achterzijde: de handtekening van de houder en het adres waarnaar de pas retour gezonden kan worden. 3. Het legitimatiebewijs is uitgevoerd in de kleuren wit en paars en bevat aan de voorzijde het logo van de raad voor rechtsbijstand en van het Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers. Artikel 3 1. Beëdigde tolken en vertalers die na inwerkingtreding van deze regeling worden ingeschreven in het register, ontvangen na overlegging van hun akte van beëdiging als bedoeld in [artikel 13, tweede lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=13) van de raad voor rechtsbijstand een legitimatiebewijs als bedoeld in de deze regeling. 2. Beëdigde tolken en vertalers die voor de dag van inwerkingtreding van deze regeling nog in het bezit zijn van een legitimatiebewijs als bedoeld in de Regeling legitimatiebewijs beëdigde tolken en vertalers, ontvangen van de raad voor rechtsbijstand een legitimatiebewijs als bedoeld in deze regeling. 3. Legitimatiebewijzen als bedoeld in de [Regeling legitimatiebewijs beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":14252,"b":"Regeling experiment verlenging nachtprocedures Gelet op [artikel 8.23a, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.23a); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **LVB:** het [Luchthavenverkeerbesluit Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330); - b. **het experiment:** het experiment ‘Verlenging gebruiksduur nachtelijke vertrek- en naderingprocedures’; - c. **gebruiksjaar 2010:** de periode van 1 november 2009 tot en met 31 oktober 2010. Artikel 2. Doel Het experiment beoogt door het langer gebruik maken van de nachtelijke vertrek- en naderingsprocedures en routes per saldo het aantal slaapverstoorden en ernstig gehinderden te verminderen, teneinde een gunstig effect op de hinderbeleving te bewerkstelligen. Artikel 3. Luchtverkeerwegen Voor de duur van het experiment wordt dagelijks voor de periode tussen 6.00 uur en 6.45 uur vrijstelling verleend van de [artikelen 3.1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&artikel=3.1.1), en [3.1.3, eerste lid, van het LVB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&artikel=3.1.3), met betrekking tot de luchtverkeerwegen die zijn aangewezen op de kaarten 5/21 en 19/21 van [bijlage 1 van het LVB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&bijlage=1). Artikel 4. Grenswaarden 1. In plaats van de grenswaarden, genoemd in [bijlage 2 van het LVB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&bijlage=2) gelden tijdens dit experiment voor het gebruiksjaar 2010 vanaf 1 november 2009 voor de in de onderstaande tabel genoemde handhavingspunten de volgende grenswaarden: | Puntnummer | X-coördinaat | Y-coördinaat | Grenswaarde | Maximum grenswaarde in geval van buitengewone weersomstandigheden | | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | 97.325 | 470.400 | 56,00 | (57,00) | | 2 | 100.475 | 472.525 | 57,68 | (58,68) | | 3 | 104.150 | 474.925 | 58,72 | (59,72) | | 4 | 106.325 | 477.125 | 58,26 | (59,26) | | 5 | 108.87"},{"i":14222,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 7 december 2021, nr. WJZ/ 21139932, houdende regels met betrekking tot de energie-audit en tot wijziging van de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie (Regeling energie-audit) Gelet op artikel 8 van [richtlijn nr. 2012/27](32012L0027)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van [Richtlijnen 2009/125/EG](32009L0125) en [2010/30](32010L0030)/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen [2004/8/EG](32004L0008) en [2006/32/EG](32006L0032) (PbEU 2012, L 315) en [artikel 5 van het Besluit energie-audit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045194&artikel=5); Besluit: Artikel I In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **energiebeheersysteem:** een energiebeheersysteem als bedoeld in artikel 2, onder 11, van [richtlijn 2012/27](32012L0027)/EU; - –. **milieubeheersysteem:** beheersysteem dat een energie-audit omvat die berust op de minimumcriteria welke voldoen aan bijlage VI van [richtlijn 2012/27](32012L0027)/EU; - –. **wet:** [Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672). - 1. Aan de verplichting, bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672&artikel=18) kan door een grote onderneming geheel of gedeeltelijk invulling worden gegeven door het toepassen van een energiebeheersysteem dat voldoet aan NEN-EN-ISO 50001:2018. - 2. Aan de verplichting, bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672&artikel=18) kan door een grote onderneming geheel of gedeeltelijk invulling worden gegeven door het toepassen van een milieubeheersysteem dat voldoet aan NEN-EN-ISO 14001:2015 in combinatie met NEN-EN-ISO 14051:2011. - 1. Aan de verplichting, bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672&artikel=18) kan"},{"i":14243,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 oktober 2021, nr. WJZ/20222966, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021) Gelet op: [verordening (EU) 2021/1058](32958R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (PbEU 2021, L 231); [verordening (EU) 2021/1059](32959R2021) van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling ‘Europese territoriale samenwerking’ (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten (PbEU 2021, L 231); [verordening (EU) 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231); [verordening (EU) 2021/1139](33039R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van [Verordening (EU) 2017/1004](32904R2017) (PbEU 2021, L 247); [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); [artikel 6 van de Uitvoeringswet EFRO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034784&artikel=6); Besluiten: Hoofdstuk 1. Algemene"},{"i":14221,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 13 december 2016 nr. WJZ/16133629, houdende nadere regels in verband met elektromagnetische compatibiliteit van uitrusting (Regeling elektromagnetische compatibiliteit 2016) Gelet op [richtlijn nr. 2014/30](32014L0030)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit (herschikking) (PbEU 2014, L 96), [artikel 10.1, vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=10.1) en de [artikelen 1, onderdeel n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038913&artikel=1), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038913&artikel=13), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038913&artikel=15), [16, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038913&artikel=16), en [17 van het Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038913&artikel=17); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Telecommunicatiewet i.v.m. de implementatie van richtlijn 2014/30/EU en richtlijn 2014/53/EU in werking treedt. Artikel 1 De overeenkomsten bedoeld in [artikel 1, onderdeel n, van het Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038913&artikel=1) zijn: - a. de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika (PbEG 1999, L 31); - b. de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en Canada (PbEG 1998, L 280); - c. de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling, certificaten en markeringen tussen de Europese Gemeenschap en Australië (PbEG 1998, L 229); - d. de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland (PbEG 1998, L 229); - e. de Overeenkomst inzake wederzi"},{"i":14261,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Staatssecretaris van 7 juli 2023, nr. WJZ/39418351, houdende vaststelling van een nieuw financieel handboek voor het Commissariaat voor de Media (Regeling financiële verantwoording Commissariaat voor de Media 2023) Gelet op [artikel 7.8 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.8); Besluit: Artikel 1. Vaststelling handboek Op het financieel verslag van het Commissariaat voor de Media zijn de inrichtingseisen en het accountantsprotocol als opgenomen in de bij deze regeling gevoegde bijlage van toepassing. Artikel 2. Intrekking oude verantwoordingsregeling De [Regeling financiële verantwoording Commissariaat voor de Media 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043740) wordt ingetrokken, met dien verstande dat die regeling van toepassing blijft op de verantwoording over het jaar 2022. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling financiële verantwoording Commissariaat voor de Media 2023. Bijlage. bij de Regeling financiële verantwoording Commissariaat voor de Media 2023 **Handboek financiële verantwoording Commissariaat voor de Media 2023** A. Financiële verantwoording Commissariaat voor de Media Het Handboek financiële verantwoording Commissariaat voor de Media 2023 (Handboek) is een nadere uitwerking van de verantwoordingsvoorschriften voor het Commissariaat voor de Media (Commissariaat), dat op grond van de [artikelen 2.146, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.146), en [7.6 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.6) bijdragen van het Rijk ontvangt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van het financieel versla"},{"i":14206,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 16 december 2014, nr. WJZ / 14185449, houdende regels inzake het door de ACM ten laste brengen van kosten aan marktorganisaties (Regeling doorberekening kosten ACM) Gelet op de [artikelen 6a, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=6a), en [8 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=8), de [artikelen 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035712&artikel=4), [10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035712&artikel=10), [12, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035712&artikel=12), en [12a, vierde en negende lid, van het Besluit doorberekening kosten ACM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035712&artikel=12a), [artikel 2.13, tweede lid, van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=2.13), de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012621&artikel=2), en 4, eerste lid, van het Besluit kostenverhaal energie en de artikelen [3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=3), 4, derde lid, [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=5), 5a, eerste lid, 5b, derde lid, en [7 van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=7), artikel 65, eerste lid, van de Postwet 2009 en artikel 14 van het Postbesluit 2009; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder besluit: [Besluit doorberekening kosten ACM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035712). § 2. Bedragen die ter vergoeding van de kosten van beschikkingen worden doorberekend aan de marktorganisatie aan wie de beschikking is gericht of die de aanvraag heeft gedaan Artikel 2 1. De bedragen ter vergoeding van de kosten van de beschikkingen, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdee"},{"i":14248,"b":"Regeling Experiment kousenhulpmiddelen De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), Gelet op de [artikelen 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg); Heeft de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1. Algemeen a. Deze nadere regel is van toepassing op de deelnemende zorgaanbieders, zoals genoemd in de bijlage, en op de ziektekostenverzekeraars. b. De termijn waarvoor deze regeling geldt, loopt tot en met 30 juni 2009. Artikel 2. Bepalingen 2.1 De aan het experiment deelnemende partijen dienen alle benodigde gegevens, zoals genoemd in de vragenlijst experiment kousenhulpmiddelen ten behoeve van tussentijdse toetsing, monitoring en de evaluatie zoals genoemd in de artikelen 2.6 en 2.7 van de Beleidsregel experimentkousenhulpmiddelen aan de NZa te verstrekken. 2.2 De zorgaanbieders die meedoen aan dit experiment zijn gehouden om de administratie zo in te richten dat bij het beëindigen van het experiment de gegevens die noodzakelijk zijn ten behoeve van de toepassing van de voor alle zorgaanbieders geldende Wmg-beleidsregels direct beschikbaar zijn voor controle. Artikel 3. Slotbepaling De regeling kan worden aangehaald als ‘Regeling experiment kousenhulpmiddelen’. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Met de inwerkingtreding van deze regeling wordt de Regeling experiment kousenhulpmiddelen met nummer CA/NR-100.037 beëindigd."},{"i":14238,"b":"Regeling erkenning scholings- en trainingsprogramma Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=3) en [artikel 2, vierde lid, van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&artikel=2); Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële kinderbescherming van 1 februari 2001 nr. 5078699/01/TH/rb; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **derde-organisatie:** een instelling op het terrein van maatschappelijke hulp- en dienstverlening of opleiding en scholing of een vrijwilligersorganisatie op het terrein van hulpverlening; - b. **werkgever:** het bedrijf waar de deelnemer arbeid verricht. Artikel 2 1. De Minister kan een scholings- en trainingsprogramma erkennen. 2. De directeur, de reclassering, de gezinsvoogdij-instelling of een derde-organisatie kan een voordracht voor erkenning van een scholings- en trainingsprogramma doen aan de Minister. Artikel 3 Voor erkenning kan worden voorgedragen: - a. een standaardprogramma; - b. modules, die onderdeel uit maken van een scholings- en trainingsprogramma. Artikel 4 1. De erkenning geschiedt voor de periode van maximaal drie jaren. 2. De erkenning kan door de Minister worden ingetrokken indien: - a. voor het erkende standaardprogramma of de module geen doelgroep meer bestaat; - b. de voorwaarden, die bij de erkenning zijn gesteld, niet worden nageleefd; - c. de gegevens, die in het kader van de aanvraag tot erkenning zijn verstrekt, zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanvraag een ander besluit zou zijn gevolgd indien ten tijde van de beoordeling van de aanvraag de juiste en volledige gegevens bekend zouden zijn geweest; - d. de werkgever niet bonafide blijkt te zijn. 3. Indien de erkenning niet is ingetrokken wordt deze geacht, na ommekomst van drie jaar, stilzwijgend verlengd te zijn voor de periode van drie jaar. Artikel 5 1. Het standa"},{"i":14241,"b":"Regeling erkenning werkplaatsen boordcomputer taxi Gelet op [artikel 79, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=79), en [artikel 83, eerste, zesde en achtste lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=83); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **activering:** activering als bedoeld in de [Regeling specificaties en typegoedkeuring boordcomputer taxi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027945); - **erkenning:** erkenning als bedoeld in [artikel 79, achtste lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=79); - **erkenninghouder:** houder van een bewijs als bedoeld in [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030525&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=3&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - **fabrikant:** houder van een geldige typegoedkeuring als bedoeld in [artikel 32, eerste lid, van de Regeling specificaties en typegoedkeuring boordcomputer taxi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027945&artikel=32); - **inrichting:** bedrijf of bedrijven waarin een erkenninghouder van een mobiele activeringseenheid werkzaamheden als bedoeld in deze regeling verricht; - **mobiele activeringseenheid:** voertuig van de voertuigcategorie M of N, niet zijnde een taxi, als bedoeld in [artikel 1.1 van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=1.1) waarmee een erkenninghouder afwisselend, al dan niet in verscheidene inrichtingen, werkzaamheden als bedoeld in deze regeling mag verrichten; - **testen:** door de fabrikant uitgevoerde werkzaamheden ten behoeve van de voorbereiding van de afgifte van een typegoedkeuring en programmatuurrevisie als bedoeld in de [Regeling specificaties en typegoedkeuring boordcomputer taxi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027945) en voor boordcomputers waarvoor een certificaat van onmogelijkheid va"},{"i":14247,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg en de Minister van Justitie en Veiligheid van 12 mei 2020, kenmerk 1681487-204740-VGP, houdende regels in verband met het experiment met een gesloten coffeeshopketen (Regeling experiment gesloten coffeeshopketen) Gelet op de [artikelen 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=7), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=11), [15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=15), [18, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=18), [28, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=28), [29, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=29), [32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=32), en [33, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=33); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet experiment gesloten coffeeshopketen in werking treedt. Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - −. **aanvrager:** degene die een aanvraag om aanwijzing als teler heeft ingediend; - –. **batch:** groep hennepplanten van dezelfde hennepvariëteit die gelijktijdig zijn geoogst; - −. **besluit:** [Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738); - −. **eindproduct:** door een aangewezen teler geproduceerde hennep of hasjiesj in de vorm waarin deze door hem voor de verkoop wordt aangeboden aan coffeeshophouders en waarin al dan niet tevens ingrediënten van andere oorsprong zijn verwerkt; - −. **hennepplant:** plant van het geslacht Cannabis; - −. **hennepvariëteit:** soort hennepplant met een eigen chemisch profiel waarin onder meer het THC en CBD gehalte besloten ligt; - –. **mengbatch:** een samenstel"},{"i":14276,"b":"Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten Gelet op de [artikelen 73, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=73), [79, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=79), [80, derde tot en met zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=80), [82, eerste lid, onderdeel d, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=82), en [83, zesde tot en met achtste lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=83), en [artikel 2.4:2, tweede lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=2.4:2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel L, van het Wijzigingsbesluit Besluit personenvervoer 2000, enz. (invoering boordcomputer taxi, afschaffing vergunning collectief personenvervoer, elektronisch vervoerbewijs) in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **Besluit:** [Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982); - **erkenninghouder:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die beschikt over een erkenning als bedoeld in [artikel 79, achtste lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=79); - **lwt-kaart:** chauffeurskaart, verstrekt in het kader van een leer-werktraject; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **pincode:** persoonlijk identificatie nummer aan de hand waarvan de boordcomputer de houder van een boordcomputerkaart authenticeert; - **pukcode:** pin unlock key aan de hand waarvan de boordcomputer de houder van een boordcomputer authenticeert en in staat stelt om de pincode te wijzigen. Artikel 2 De boordcomputerkaart is eigendom van de Staat der Nederlanden. Artikel 3 Op een aanvraag om een boordcomputerkaart wordt binnen drie weken na ontvangst van een volledig ingevuld en onderteken"},{"i":14210,"b":"Regeling eerstelijnsverblijf Gelet op [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) en [artikel 40 lid 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van eerstelijnsverblijf. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **zorgaanbieder:** - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent; - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - **AGB-code:** unieke Algemeen Gegevensbeheer (AGB) code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **beleidsregel:** de [Beleidsregel eerstelijnsverblijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051279). - **eerstelijnsverblijf:** zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg zoals huisartsen die plegen te bieden, al dan niet gepaard gaande met verpleging, verzorging of paramedische zorg. - **psychologische zorg binnen eerstelijnsverblijf:** zorg verleend door gedragsdeskundigen aan patiënten tijdens het eerstelijnsverblijf, passende bij de indicatie eerstelijnsverblijf, op verzoek van de huisarts of specialist ouderen"},{"i":14272,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 februari 2021, nr. WJZ/ 20040426, tot vaststelling van bepalingen voor de implementatie van fytosanitaire uitvoeringsbesluiten (Regeling fytosanitaire uitvoeringsbesluiten) Gelet op Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/213, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees parlement en de Raad tot intrekking van de [Richtlijnen 69/464/EEG](31969L0464), [74/467/EEG](31974L0467), [93/85/EEG](31993L0085), [98/57/EG](31998L0057), [2000/29/EG](32000L0029), [2006/91/EG](32006L0091) en [2007/33/EG](32007L0033) van de Raad (PbEU 2016, L 317) en [artikel 9 van de Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=9); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - **uitvoeringsverordening 2019/2072:** Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 690/2008](32008R0690) van de Commissie en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019 van de Commissie (PbEU 2019, L319); **wet**: [Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194). Artikel 2 1. In dit artikel wordt verstaan onder: - **schadelijk organisme:** Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al; - **uitvoeringsbesluit 2011/787:** Uitvoeringsbesluit 2011/787/EU van de Commissie van 29 november 2011 tot machtiging van de lidstaten om tijdelijk noodmaatregelen te nemen tegen de verspreiding van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al., wat Egypte betreft (PbEU 2011, L"},{"i":14250,"b":"Regeling experiment routewijzigingen Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 8.23a, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.23a); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. LVB: het [Luchthavenverkeerbesluit Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330); - b. het experiment: het experiment waarbij vijf routewijzigingen worden doorgevoerd; - c. gebruiksjaar 2008: de periode van 1 november 2007 tot en met 31 oktober 2008; - d. CROS: Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in [artikel 8.34 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.34); - e. KLM: Koninklijke Luchtvaart Maatschappij; - f. LVNL: Luchtverkeersleiding Nederland; - g. Schiphol: N.V. Luchthaven Schiphol; - h. SID: Standard Instrument Departure, vertrekprocedure die de piloot middels een code in de boordcomputer invoert waardoor het vliegtuig die procedure volgt vanaf de startbaan, ook wel: uitvliegroute; - i. gebruiksjaar 2009: de periode van 1 november 2008 tot en met 31 oktober 2009; - j. gebruiksjaar 2010: de periode van 1 november 2009 tot en met 31 oktober 2010. Artikel 2. Doel Het doel van dit experiment is het optimaliseren van vijf routes van vertrekkend vliegverkeer teneinde een gunstig effect op de hinderbeleving te bewerkstelligen. Het betreft de volgende routes: - a. De uitvliegroutes van de Buitenveldertbaan (09), de Kaagbaan (06) en de Schiphol-Oostbaan (04) ter hoogte van IJmuiden (GORLO en BERGI route); - b. de uitvliegroute van de Kaagbaan (06) en Schiphol-Oostbaan (04) ter hoogte van IJmeer (ANDIK route); - c. de uitvliegroutes van de Oostbaan (22) ter hoogte van Abcoude (ANDIK en ARNHEM route); - d. de uitvliegroute van de Polderbaan (36L) ter hoogte van IJmond (BERGI en GORLO route); - e. de uitvliegroutes van de Polderbaan (36L) ter hoogte van Amsterdam W"},{"i":14219,"b":"Regeling eisen pasfoto’s Gelet op de [artikelen 111, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111), en [113, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=113), alsmede op de [artikelen 33, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=33), [55, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=55), [59, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=59), [160, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=160), en [197, derde lid, onderdeel b, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=197), Besluit: Artikel 1 De ingevolge de [artikelen 33, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=33), en [59, eerste lid, onderdeel d, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=59) over te leggen pasfoto’s voldoen aan alle acceptatiecriteria zoals die zijn opgenomen in de bij de [Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012811) behorende fotomatrix. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2000. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eisen pasfoto’s. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14220,"b":"Regeling houdende vaststelling van de eisen rijgedrag (Regeling eisen rijgedrag) Gelet op [richtlijn nr. 2000/56/EG](32000L0056) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 14 september 2000 tot wijziging van [richtlijn nr. 91/439/EEG](31991L0439) van de Raad betreffende het rijbewijs (PbEG L 237) en de [artikelen 111, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111), [131, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131), en [134 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=134) en [artikel 136, tweede lid, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=136); Besluit: Artikel 1 Bij het onderzoek naar de rijvaardigheid als bedoeld in [artikel 134a van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=134a) dient betrokkene blijk te geven kennis en inzicht te bezitten van de volgende voorschriften: - a. voor de rijbewijscategorie A: de eisen genoemd in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015603&artikel=3) en [4 van de Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorie A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015603&artikel=4); - b. voor de rijbewijscategorie B, respectievelijk de rijbewijscategorie E bij B: de eisen genoemd in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015600&artikel=3) en [4 van de Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën B en E bij B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015600&artikel=4); - c. voor de rijbewijscategorie C, respectievelijk de rijbewijscategorie E bij C: de eisen genoemd in [onderdelen 3.1, 3.2, 3.3, 4.1 en 4.2 van de bijlage bij de Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën C en E bij C](onbekend); - d. voor de rijbewijscategorie D, respectievelijk de rijbewijscategorie E bij D: de eisen genoemd in onderdelen 3.1, 3.2, 3.3, 4.1 en 4.2 van de [Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën"},{"i":14207,"b":"Regeling duurzaam veilig Gelet op [artikel 185, eerste lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=185); Gelet op [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=16) en [17 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Gelet op [artikel 2, derde lid, van het Besluit Infrastructuurfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006264&artikel=2); Gezien het convenant Startprogramma Duurzaam Veilig, gesloten op 15 december 1997 tussen Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, en de Unie van Waterschappen. Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Provincies, gemeenten en waterschappen kunnen een aanvraag voor de vaststelling van een subsidie indienen voor het treffen van fiets- en bromfietsmaatregelen. 2. Waterschappen kunnen een aanvraag voor de verlening van een subsidie indienen voor de uitvoering van een of meer 60 km-projecten. 3. Provincies en gemeenten kunnen een aanvraag voor de verlening van een subsidie indienen voor: - a. de uitvoering van een of meer 30 km-projecten; - b. de uitvoering van een of meer 60 km-projecten voorzover zich, naar het oordeel van de aanvrager, bijzonder verkeersonveilige situaties voordoen. 4. Ten behoeve van een 30- of 60 km-project wordt slechts subsidie verstrekt voorzover: - a. het een project betreft dat blijkens een verkeersbesluit wordt voltooid tussen 1 juli 1997 en 31 december 2002 en waarvoor niet reeds subsidie is verleend op grond van [paragraaf 2 tot en met 7 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006264&paragraaf=2); en - b. het wegen betreft die op 1 juli 1997 reeds opengesteld waren voor verkeer met motorvoertuigen op meer dan twee wielen. § 2. Het subsidiebedrag Artikel 3 1. Het subsidieplafond bedraagt in totaal € 88.487.142,00 waarvan: - a. € 27.226.813,00 voor het tr"},{"i":14264,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 juli 2023, nr. WJZ/39417978, houdende vaststelling van een nieuw handboek financiële verantwoording voor het Stimuleringsfonds voor de journalistiek (Regeling financiële verantwoording Stimuleringsfonds voor de journalistiek 2023) Gelet op [artikel 8.9 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.9); Besluit: Artikel 1. Vaststelling handboek Op het financieel verslag van het Stimuleringsfonds voor de journalistiek zijn de inrichtingseisen en het accountantsprotocol als opgenomen in de bij deze regeling gevoegde bijlage van toepassing. Artikel 2. Intrekking oude verantwoordingsregeling De [Regeling financiële verantwoording Stimuleringsfonds voor de journalistiek 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043765) wordt ingetrokken, met dien verstande dat die regeling van toepassing blijft op de verantwoording over het jaar 2022. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling financiële verantwoording Stimuleringsfonds voor de journalistiek 2023. Bijlage. bij de Regeling financiële verantwoording Stimuleringsfonds voor de journalistiek 2023 Handboek financiële verantwoording Stimuleringsfonds voor de journalistiek 2023 A. Financiële verantwoording Stimuleringsfonds voor de journalistiek 1. Inleiding Dit Handboek financiële verantwoording Stimuleringsfonds voor de journalistiek 2023 (Handboek) is een uitwerking van [artikel 8.9 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.9). Deze wettelijke bepaling houdt in dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld over de inrichting van de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole. Dit Handboek geldt voor de f"},{"i":14208,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 12 december 2014, kenmerk: FM 2014/1237 M, directie Financiële Markten, houdende regels met betrekking tot de door personen als bedoeld in de artikelen 3:8, eerste lid, 3:17b, eerste en tweede lid, 4:9, eerste lid, en 4:15a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht af te leggen eed of belofte (Regeling eed of belofte financiële sector 2015) Gelet op de [artikelen 3:8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:8), [3:17b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17b), [4:9, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9), en [4:15a, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:15a); BESLUIT: Artikel 1 1. Personen als bedoeld in de [artikelen 3:8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:8), [3:17b, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17b), [4:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9), en [4:15a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:15a), leggen binnen drie maanden na aanvang van hun werkzaamheden voor de onderneming een eed of belofte af, indien mogelijk ten overstaan van een persoon in een hogere functie. 2. Onder persoon in een hogere functie wordt verstaan: - a. een beleidsbepaler in een hogere functie, indien de persoon die de eed of belofte aflegt de functie van beleidsbepaler uitoefent; - b. de voorzitter van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, indien de persoon die de eed of belofte aflegt de hoogste functie binnen de onderneming uitoefent; - c. de voorzitter van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, indien de persoon die de eed of belofte aflegt een lid van dat orgaan is; - d. he"},{"i":14265,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 januari 2015, houdende vaststelling van kosten als bedoeld in artikel 1, onderdeel bb, van het Besluit zorgverzekering (Regeling flankerend beleid risicoverevening 2015) Gelet op [artikel 1, onderdeel bb, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); Besluit: Artikel 1 De kosten met betrekking tot het vereveningsjaar 2015 waarmee bij het opstellen van de Regeling risicoverevening 2015 ten onrechte rekening is gehouden, bedraagt € 133 miljoen, waarvan - a. € 37 miljoen in mindering wordt gebracht op de kosten van verpleging en verzorging; - b. € 96 miljoen in mindering wordt gebracht op de vaste zorgkosten. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling flankerend beleid risicoverevening 2015. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2014, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14239,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 augustus 2018, nr. IENW/BSK-2018/173672, tot erkenning van het Aerodrome flight information service officer license van St. Maarten voor de BES Gelet op artikel 32 van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, H 165), [artikel 2.8 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.8), en de Service Level Agreement for the provision of air traffic services on Saba and Sint Eustatius; BESLUIT: Artikel 1 Sint Maarten wordt aangewezen als staat zoals bedoeld in [artikel 2.8, onderdeel a, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.8). Artikel 2 1. De Minister erkent als geldig bewijs van bevoegdheid voor het verstrekken van vluchtinformatie en het bedienen van luchtvaartstations het door de bevoegde autoriteit van Sint Maarten afgegeven document Aerodrome flight information service officer license, bedoeld in bijlage a, deel 2, onderdeel 2.9, van de Regeling luchtvaartpersoneel van Sint Maarten. 2. De in het eerste lid bedoelde erkenning geldt uitsluitend voor de uitvoering van werkzaamheden op Saba en Sint Eustatius. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14271,"b":"Regeling functioneringsgesprekken BES Artikel 1 Het functioneringsgesprek is een formeel gesprek tussen de leidinggevende en de functionaris waarin, naast de samenwerking en de werkrelatie, enerzijds het functioneren van de functionaris in de voorgaande periode, maar tot maximaal een jaar terug, wordt besproken en anderzijds voor de voorliggende periode afspraken worden gemaakt. Artikel 2 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **formulier:** het formulier, bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028784&artikel=5&z=2011-10-09&g=2011-10-09), dat voor de vastlegging van het functioneringsgesprek dient te worden gebruikt; - b. **leidinggevende:** de chef van een functionaris die hiërarchisch direct boven de functionaris staat, direct verantwoordelijk is voor het functioneren van deze functionaris en als zodanig het functioneringsgesprek met de functionaris voert; - c. **functionaris:** de ambtenaar of daarmee gelijkgestelde in dienst van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius en Saba met wie de leidinggevende het functioneringsgesprek voert. 2. Waarin deze regeling de mannelijke woordvorm wordt gebruikt, wordt daarbij eveneens de vrouwelijke woordvorm begrepen. Artikel 3 1. Iedere leidinggevende is verplicht om tenminste eenmaal per kalenderjaar met de onder hem vallende functionaris(sen) een functioneringsgesprek te voeren. 2. Een functionaris is verplicht gevolg te geven aan de uitnodiging voor een functioneringsgesprek en daaraan deel te nemen. 3. Een functionaris heeft het recht om een functioneringsgesprek te verzoeken. Alsdan zal de leidinggevende er voor zorgdragen dat dat functioneringsgesprek binnen tien werkdagen wordt gevoerd. 4. De leidinggevende houdt een functioneringsgesprek, anders dan het gesprek, bedoeld in het derde lid van dit artikel, uiterlijk drie maanden voordat de beoordeling van een functionaris wordt gemaakt. Artikel 4 1. Het als bijlage aan deze regeling gevoegde formulier is het door de staat"},{"i":13452,"b":"Regeling van de Minister van Financïen van 10 januari 2006 tot instelling van de baten-lastendienst Domeinen Roerende Zaken Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Aan Domeinen Roerende Zaken te Apeldoorn wordt de status van baten-lastendienst als bedoeld in [artikel 10, eerste lid van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10), verleend. 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: Domeinen Roerende Zaken. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastendienst Domeinen Roerende Zaken. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12002,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 februari 2008, nr. DDI/ST/reg. 005/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse ambassade in Argentinië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse ambassade in Argentinië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 57 | 2024 | | 61 | 2028 | | 63 | 2024 | | 64 | 2021 | | 69 | 2023 | | 80 | 2012 | | 81 | 2015 | | 83 | 2019 | | 86 | 2024 | | 91 | 2034 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023503&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023503&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel"},{"i":11363,"b":"Regeling van het College voor examens van 16 april 2013, nummer Cve-13.01219, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het v.w.o., h.a.v.o. en v.m.b.o. 2015, initiële vaststelling toetswijzer rekentoets VO 2014, tevens nadere vaststelling van enkele syllabi 2014 (Regeling syllabi centrale examens VO 2015) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 8 mei 2013, kenmerk 510166; Besluit: Artikel 1. Syllabi 2015 Vervallen Artikel 2. Initiële vaststelling toetswijzers rekenen 2014 Vervallen Artikel 3. Nadere vaststelling enkele syllabi 2014 Vervallen Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt: - 1. betreffende [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033463&artikel=1&z=2016-01-01&g=2016-01-01): per 1 januari 2016; - 2. betreffende [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033463&artikel=2&z=2016-01-01&g=2016-01-01): per 1 januari 2015; - 3. betreffende [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033463&artikel=3&z=2016-01-01&g=2016-01-01): per 1 januari 2015. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling syllabi centrale examens VO 2015. Artikel 6. Bekendmaking 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De syllabi als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033463&artikel=1&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033463&artikel=2&z=2016-01-01&g=2016-01-01) worden bekend gemaakt op www.examenblad.nl. Bijlage 1a. bij de Regeling syllabi centrale examens VO 2015, van 16 april 2013, nummer Cve-13.01219 Vervallen Syllabi v.w.o. 2015 Voor de centrale examens v.w.o. 2015 worden syllabi voor"},{"i":14445,"b":"Regeling van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport van 14 november 2024, kenmerk 3993036-1074684-WJZ, houdende regels over maatschappelijke ondersteuning BES (Regeling maatschappelijke ondersteuning BES) Gelet op de [artikelen 1.3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050401&artikel=1.3), [2.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050401&artikel=2.5), [2.20, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050401&artikel=2.20), [2.22, vierde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050401&artikel=2.22), [2.23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050401&artikel=2.23), en [artikel 6.2 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning en bestrijding huiselijk geweld en kindermishandeling BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050401&artikel=6.2); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanbieder van maatwerkvoorzieningen:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die een maatwerkvoorziening levert; - **besluit:** [Besluit maatschappelijke ondersteuning en bestrijding huiselijk geweld en kindermishandeling BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050401); - **calamiteit:** niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van een maatwerkvoorziening en die tot de dood van een cliënt of een ernstig schadelijk gevolg voor een cliënt heeft geleid; - **elementaire woonfuncties:** activiteiten die vallen onder het normale gebruik van een woonruimte of buitenruimte die aan een woonruimte is verbonden; - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 1.2 Vreemdelingen die in afwachting zijn van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in [artikel 12a van de Wet toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=12a), omdat de vreemdeling slachtoffer is g"},{"i":12972,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 29 juli 2016, nr. DGAN-PAV/16103970, houdende vaststelling van de vergoeding voor de leden en plaatsvervangende leden van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Besluit vergoeding leden en plaatsvervangende leden van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) Handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu; Gelet op de [artikelen 14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14) en [5, zevende lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Aan de voorzitter van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld overeenkomstig het maximum van schaal 18 als overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn en de arbeidsduurfactor op 0,5. Artikel 2 Aan de andere leden van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld overeenkomstig het maximum van schaal 18 als overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn en de arbeidsduurfactor op 0,2. Artikel 3 Aan de plaatsvervangende leden van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld overeenkomstig het maximum van schaal 18 als overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambten"},{"i":13724,"b":"Wet van 23 november 2000 tot invoering van de Vreemdelingenwet 2000 en daarmee verband houdende wijziging van diverse wetten alsmede intrekking van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in verband met de invoering van de Vreemdelingenwet 2000 bepalingen in diverse wetten te wijzigen, de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf in te trekken alsmede enige overgangsrechtelijke voorzieningen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking als de Vreemdelingenwet 2000 in werking treedt. (Stb. 2000/495) Hoofdstuk 1. Ministerie van Algemene Zaken artikel Enig Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Hoofdstuk 2. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1 Wijzigt de Gemeentewet. Artikel 2 Wijzigt de Kieswet. Artikel 3 Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.: Artikel 4 Wijzigt de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf. Artikel 5 Wijzigt de Wet inburgering nieuwkomers. Artikel 6 Wijzigt de Wet inburgering nieuwkomers. Artikel 7 Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel 8 Wijzigt de Remigratiewet. Hoofdstuk 3. Ministerie van Buitenlandse Zaken artikel Enig Wijzigt de Sanctiewet 1977. Hoofdstuk 4. Ministerie van Financiën artikel Enig Wijzigt de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993 . Hoofdstuk 5. Ministerie van Justitie Artikel 1 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2 Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 3 Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 4 Wijzigt de Politiewet 1993. Artikel 5 Wijzigt de Wet op de identificatie"},{"i":12909,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting Skal en rechtsvoorganger vanaf 1985 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 07 maart 2011, nr. bca-2010.06083/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Skal en rechtsvoorganger op het beleidsterrein Landbouwkwaliteit en voedselveiligheid en kwaliteit van het uitgangsmateriaal, over de periode vanaf 1985’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.archief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14196,"b":"Regeling Digitale cultuur 2025–2028 Het bestuur van de stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit vast te stellen de navolgende regeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidies aan makers en partijen voor de uitvoering van projecten ter bevordering van de kwaliteit van de creatieve industrie. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen De in deze regeling gebruikte begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597). Specifiek binnen deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **aanvrager:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon die op grond van deze regeling een subsidieaanvraag doet bij het Stimuleringsfonds; - 2. **adviescommissie:** een onafhankelijke, door het bestuur aangestelde commissie van externe deskundigen; - 3. **beschikking:** de brief waarmee het bestuur formeel besluit over het al dan niet toekennen van de subsidie; - 4. **beschikkingsdatum:** de datum zoals vermeld op de beschikking; - 5. **beschouwer:** een schrijver, programmamaker of curator wiens werkzaamheden zich verhouden tot het vakgebied digitale cultuur; - 6. **bestuur:** de directeur-bestuurder van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, als bedoeld in [artikel 5 van de statuten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047849&artikel=5); - 7. **cofinanciering:** aanvullende financiering in de vorm van een andere subsidie, sponsoring, investering, eigen inkomsten uit bijvoorbeeld kaartverkoop of een bijdrage van een externe partij, naast de voor het project gevraagde subsidie van het Stimuleringsfonds. Eigen bijdragen in de vorm van investeringen of doorberekende kortingen worden niet gerekend tot cofinanciering; - 8. **creatieve industrie:** het werkterrein van de disciplines vormgeving, architectuur en digitale cultuur inclusief mog"},{"i":14507,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 augustus 2020, 2020-0000036179, tot uitvoering van het Besluit onderstand BES (Regeling onderstand BES) Gelet op de [artikelen 12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=12), [18a, tweede lid, onderdeel d](onbekend), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=37) en [40 van het Besluit onderstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=40); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit onderstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595); - **maatregel:** het verlagen van de onderstand, bedoeld in [artikel 12, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=12); - **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hoofdstuk 2. Opleggen van een maatregel Paragraaf 2.1. Algemene bepalingen ten aanzien van een maatregel Artikel 2. Het opleggen van een maatregel 1. Indien de belanghebbende naar het oordeel van de minister tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit het [besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595) voortvloeiende verplichtingen niet of niet voldoende nakomt, wordt overeenkomstig deze regeling een maatregel opgelegd. 2. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Artikel 3. Berekeningsgrondslag 1. De maatregel wordt toegepast op de berekeningsgrondslag, die wordt bepaald door het basisbedrag van de algemene onderstand en de voor belanghebbende geldende toeslagen waarmee het basisbedrag van de algemene onderstand wordt verhoogd. 2. Voor de toepassing van [artikel 19 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=19) wordt de onderstand in aanmerking genomen"},{"i":14518,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 december 2009, nr. WJZ/9226789, houdende nadere regels ten aanzien van het antenneregister (Regeling openbaar antenneregister) Gelet op [artikel 20e van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=20e); Besluit: Artikel 1 1. Aanbieders van mobiele terrestrische netwerken die op basis van [artikel 24, tweede lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=24) gehouden zijn gegevens te verstrekken, verstrekken deze gegevens één keer per maand, met dien verstande dat er tussen de opeenvolgende momenten waarop de gegevens worden verstrekt niet meer dan 30 kalenderdagen verstreken zijn. Voor het eerst worden de gegevens uiterlijk op 30 januari 2010 verstrekt. 2. Anderen dan aanbieders als bedoeld in het eerste lid, die op basis van [artikel 24, tweede lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=24) gehouden zijn gegevens te verstrekken, verstrekken deze gegevens voor het eerst uiterlijk op 30 januari 2010 en vervolgens binnen 30 kalenderdagen na de dag dat een wijziging in de verstrekte gegevens is opgetreden. 3. Diegenen die op basis van [artikel 25, tweede lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=25) gehouden zijn gegevens te verstrekken, verstrekken deze gegevens voor het eerst uiterlijk op 30 januari 2010 en vervolgens binnen 30 kalenderdagen na de dag dat een wijziging in de verstrekte gegevens is opgetreden. Artikel 2 1. Aanbieders als bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027031&artikel=1&z=2013-03-15&g=2013-03-15), verstrekken de gegevens digitaal aan de Minister. 2. Degenen bedoeld in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027031&artikel=1&z=2013-03-15&g=2013-03-15), verstrekken de gegevensschriftelijk aan de Minister. 3. Degenen bedoeld in [artikel 1, derde li"},{"i":14528,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en van de Minister van Defensie, van 25 mei 2019, nr. IENW/BSK-2019/95910, tot vaststelling van de organisatie van de Kustwacht voor Nederland (Regeling organisatie Kustwacht Nederland) Handelende in overeenstemming met de Ministers van Justitie en Veiligheid, van Financiën, van Economische Zaken en Klimaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44), de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037162&artikel=5), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037162&artikel=17), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037162&artikel=23) en [36, eerste lid, van de Wet bestrijding maritieme ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037162&artikel=36) en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), en [10:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6), Richtlijn nr. 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten en tot intrekking van [Richtlijn 2002/6/EG](32002L0006) (PbEU L 283), Hoofdstuk V, Voorschrift 19-1, van het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157), en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen (SOLAS-verdrag), Richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332), Richtlijn nr. 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zees"},{"i":14551,"b":"Regeling productiekosten bijzondere uitgaven gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **algemeen reglement:** [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735); - **bestuur:** het bestuur van het Letterenfonds; - **het Letterenfonds:** Stichting Nederlands Letterenfonds; - **uitgave:** een op de Nederlandse markt uitgebracht literair boek in het Nederlands, het Fries en in gebarentaal waarvoor aanvrager een uitgave-overeenkomst heeft afgesloten; - **uitgave-overeenkomst:** een overeenkomst tussen uitgever en auteur en de vertaler betreffende de exploitatierechten op een uitgave met minimaal de bepalingen over het royalty-percentage en de licentie, zoals geregeld in het Modelcontract van de Literaire Uitgeversgroep en Auteursbond voor de uitgave van een literair werk of een vertaling; - **uitgeverij:** een in Nederland gevestigde rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit ten behoeve van de uitgave van literair werk; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden; - **subsidie:** subsidie in de productiekosten van een uitgave. Artikel 2. Toepasselijkheid Deze regeling is van toepassing op subsidie die het bestuur verstrekt aan uitgevers voor de productiekosten van een uitgave die zich onderscheidt van het reguliere aanbod, en van belang is voor de verbreding van de kwaliteit en diversiteit van het literaire aanbod in Nederland. Artikel 3. Vereisten aanvrager De aanvrager is een uitgeverij. Artikel 4. Algemene vereisten en weigeringsgronden 1. Subsidie kan slechts worden verstrekt voor een uitgave die zich"},{"i":14567,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 7 juli 2020, nr. 24938080, houdende regels met betrekking tot de rechtspositie van de voorzitter en leden van het Commissariaat voor de Media en de leden van het bestuur van het Stimuleringsfonds voor de journalistiek (Regeling rechtspositie Commissariaat voor de Media en Stimuleringsfonds voor de Journalistiek) Gelet op de [artikelen 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=12), en [14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14) en de [artikelen 7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.2) en [8.2 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.2); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Commissariaat:** Commissariaat voor de Media; - b. **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. **Stimuleringsfonds:** Stimuleringsfonds voor de journalistiek. Hoofdstuk 2. Commissariaat voor de Media § 2.1. Bezoldiging en overige arbeidsvoorwaarden voorzitter en leden Artikel 2. Bezoldiging 1. De leden van het Commissariaat worden als volgt bezoldigd: - a. de voorzitter volgens het hoogste salarisnummer behorende bij schaal 18 als vermeld in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren, op basis van een volledige werkweek; - b. de overige leden volgens het hoogste salarisnummer behorende bij schaal 17 als vermeld in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren, op basis van een volledige werkweek. 2. De bezoldiging wordt aan de hand van de arbeidsduur, bepaald in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043929&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=3&z=2020-10-01&g=2020-10-01), naar evenredigheid vastgesteld. 3. Als uit de collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren een aanpa"},{"i":14573,"b":"Regeling registratie koeriersdiensten BES Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken; - b. **vervoerder:** de vervoerder, bedoeld in [artikel 12, tweede lid, onder a, 2°, van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=12); - c. **registratie:** registratie als bedoeld in [artikel 12, tweede lid, onder a, 2°, van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=12). Artikel 2 Registratie geschiedt door de minister. Artikel 3 1. Een verzoek tot registratie wordt schriftelijk ingediend bij de minister met gebruikmaking van het formulier overeenkomstig het model opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028682&bijlage=1a&z=2010-10-10&g=2010-10-10) behorende bij deze regeling. 2. Een verzoek om registratie waarbij geen gebruik gemaakt is van het in het eerste lid bedoelde formulier wordt niet in behandeling genomen. 3. Van de registratie wordt een verklaring afgegeven overeenkomstig het model opgenomen in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028682&bijlage=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) behorende bij deze regeling. Artikel 4 Jaarlijks vóór 1 maart verschaft de geregistreerde vervoerder een overzicht van de tarieven alsmede de wijzigingen in de verstrekte gegevens aan de minister. Artikel 5 De registratie van een vervoerder kan worden beëindigd indien: - a. de vervoerder niet voldoet aan [artikel 12, tweede lid, onder a, 1° en 2°, van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=12); - b. de vervoerder handelt in strijd met de gegevens die hij op het formulier heeft opgegeven; - c. de vervoerder niet voldoet aan het vereiste, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028682&artikel=4&z=2010-10-10&g=2010-10-10). Artikel 6 De vergoeding, bedoeld in [artikel 12, vierde lid, onder b, van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=12) bedraagt NAF. 2.50"},{"i":14585,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 18 juni 2024 houdende regels inzake het gebruik van de risicoindicatoren bij het berekenen van risicoscores van banken ten behoeve van het depositogarantiestelsel (Regeling risicoindicatoren bijdragen depositogarantiestelsel Wft 2024) Gelet op [artikel 29.12, vierde lid, van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&artikel=29.12); Na het raadplegen van de betrokken representatieve organisaties; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit depositogarantie 2024 in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **bank:** bank als bedoeld in [artikel 29.01, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&artikel=29.01); - **besluit:** [Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414). Artikel 2 1. De risicoscore van een bank, bedoeld in [bijlage C van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&bijlage=C), wordt berekend aan de hand van de waarde op toetsmoment (t) van de volgende indicatoren, bedoeld in die bijlage, alsmede de indicatoren, genoemd in het tweede lid: - a. voor de dimensie kapitalisatie: hefboomratio; - b. voor de dimensie kwaliteit van de activa: risicogewogen activa gedeeld door totale activa; - c. voor de dimensie bedrijfsmodel en management: rendement op activa; - d. voor de dimensie potentiële verliezen voor het depositogarantiestelsel: de mate van activabeklemming alsmede de gegarandeerde deposito’s gedeeld door totale activa. 2. Voor de dimensie liquiditeits- en financieringsprofiel worden als indicatoren gebruikt: de liquiditeitsbuffer gedeeld door totale activa alsmede de liquiditeitsbuffer gedeeld door gegarandeerde deposito’s. 3. Voor de toepassing van de indicatoren, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt verstaan o"},{"i":14599,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 3 juli 2013, nr. IENM/BSK-2013/40752, houdende vaststelling van een regeling met betrekking tot routeringssystemen voor schepen op volle zee voor de Nederlands kust (Regeling routerings- en meldingssystemen voor schepen in volle zee voor de Nederlandse kust) Gelet op [artikel 2 van het Besluit routerings- en meldingssystemen voor schepen in volle zee voor de Nederlandse kust](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008956&artikel=2); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **MARPOL-verdrag:** het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met protocollen en bijlagen met aanhangsels (Trb. 1975, 147), en met het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen protocol bij dat verdrag met bijlage en aanhangsels (Trb. 1978, 188); - b. **SOLAS-verdrag:** het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen; - c. **olietankschip:** een tankschip als bedoeld in voorschrift 1.5 van bijlage I, behorend bij het MARPOL-verdrag; - d. **chemicaliëntankschip:** een tankschip als bedoeld in voorschrift 1.16.1 van bijlage II, behorend bij het MARPOL-verdrag; - e. **NLS-tankschip:** een tankschip als bedoeld in voorschrift 1.16.2 van bijlage II, behorend bij het MARPOL-verdrag; - f. **gastankschip:** een tankschip als bedoeld in voorschrift 3.20 van hoofdstuk II-1 van het SOLAS-verdrag; - g. **GT:** de maateenheid bruto-tonnage waarin de totale inhoud van een schip wordt uitgedrukt, vastgesteld overeenkomstig het op 23 juni 1969 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de meting van schepen (Trb. 1970, 122); - h. **gevaarlijke stoffen:** stoffen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel k, van de Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen](h"},{"i":11973,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 maart 2007, nr. DDI/ST/reg. 006/2007, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het consulaat-generaal te Kaapstad (Zuid-Afrika) 1938–1956 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het consulaat-generaal te Kaapstad (Zuid-Afrika) 1938–1956, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventaris- nummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 72 | 2025 | | 144 t/m 167 | 2032 | | 170 | 2019 | | 181 | 2029 | | 186 | 2019 | | 190 | 2027 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021526&artikel=1&z=2007-03-22&g=2007-03-22), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021526&artikel=1&z=2007-03-22&g=2007-03-22), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt g"},{"i":18886,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 1 september 2025 nr. BOACAT2025/169, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Amsterdam Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Amsterdam van 26 augustus 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051459&artikel=2&z=2025-09-09&g=2025-09-09). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2) en die werkzaam zijn in de functie van generalist meldkamer, senior meldkamer en operationeel expert meldkamer die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Amsterdam. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de [bijlag"},{"i":14850,"b":"Regeling vergoeding vervoermiddelen 1950 BES Artikel 1 1. Voor het gebruik van een eigen auto of motorrijwiel ten behoeve van de dienst wordt aan de ambtenaren in dienst van de staat, niet zijnde de ambtenaren, genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028781&artikel=3&z=2018-10-01&g=2018-10-01), kilometergeld vergoed: voor de eerste 500 km of minder per maand | auto | motorrijwiel | | --- | --- | | USD USD 0,37 per km | USD 0,03 per km | | daarboven per maand | | | auto | motorrijwiel | | USD 0,18 per km | USD 0,02 per km | 2. Indien de exploitatiekosten terzake het gebruik ten behoeve van de dienst van een eigen auto door het voor de dienst vervoeren van voorwerpen, voor een goede dienstuitvoering noodzakelijk, meer dan normaal geacht kunnen worden, kan een, in elk geval afzonderlijk toe te kennen toeslag op de vergoeding worden verleend tot ten hoogste vijf en twintig ten honderd van die vergoeding. Artikel 2 Vervallen. Artikel 3 Voor het gebruik van een eigen auto ten behoeve van de dienst genieten de navermelde ambtenaren een vaste jaarlijkse vergoeding naar reden van de daarbij vermelde bedragen: | Godsdienstleraar bij de Anglicaanse Gemeente op Saba | USD 435,75 | | --- | --- | | Predikant bij de Protestantse gemeente op Bonaire | USD 2258,38 | | R.K. Geestelijke op Saba | USD 1423,46 | Artikel 4 Vervallen. Artikel 5 Vervallen. Artikel 6 1. Onder het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028781&artikel=1&z=2018-10-01&g=2018-10-01) bedoelde gebruik van een eigen auto of motorrijwiel ten behoeve van de dienst wordt niet verstaan het vervoer van de ambtenaar van woonhuis naar kantoor en/of werkplaats en omgekeerd. 2. De vergoeding voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028781&artikel=1&z=2018-10-01&g=2018-10-01) bedoelde gebruik van een eigen auto of motorrijwiel ten behoeve van de dienst wordt niet toegekend indien in het vervoer kan worden voorzien vanwege de dienst. Artikel 7 1. De uitbetaling"},{"i":4781,"b":"Leerlingentelling voor groeiformatie basisscholen 1. Inleiding Om voor groeiformatie in aanmerking te komen moet de school een leerlingentelling laten plaatsvinden. Groeiformatie wordt toegekend als het aantal leerlingen van een school volgens daartoe vastgestelde normen is toegenomen. Deze publicatie geeft informatie over de procedure rond de te houden telling, alsmede de vereiste toename van het aantal leerlingen om voor groeiformatie in aanmerking te komen. Het telformulier heeft ten opzichtevan het schooljaar 2001-2002 geen wijzigingen ondergaan. Een voorbeeld van het telformulier is te vinden in het Gele Katern nummer 18 van 27 juni 2001 (kenmerk: IGP/2001/60124). 2. Doelgroep Deze publicatie is bedoeld voor basisscholen die op basis van [artikelen 15c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005441&artikel=15c) en [15c2 van het Formatiebesluit WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005441&artikel=15c2), zoals gepubliceerd in het Staatsblad 2000 nr. 179, aanspraak willen maken op (bijzondere) groeiformatie. Om dit te bereiken moet voor de school een zogeheten ”telformulier voor groeiformatie van basisscholen bij toename van het aantal leerlingen” worden ingediend. 3. Hoogte groeidrempel en omvang groeiformatie Hieronder wordt informatie gegeven over de hoogte van de groeidrempel en de omvang van de groeiformatie bij de leerlingentelling voor (bijzondere) groeiformatie. 3.1. Vereiste toename aantal leerlingen Als in de periode 1 augustus tot en met 31 maart van het schooljaar het aantal leerlingen (fors) is gestegen, kan de school mogelijk aanspraak maken op groeiformatie. Indien in de periode 1 april tot en met 31 mei van het schooljaar het aantal leerlingen (extreem) is toegenomen kan mogelijk aanspraak worden gemaakt op bijzondere groeiformatie. Nieuw gestichte basisscholen kunnen de eerste telling voor groeiformatie indienen nadat zij voor het eerst een 1oktobertelling hebben ingediend. Hieronder wordt ingegaan op de exacte toename in het aantal leer"},{"i":14879,"b":"Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen Gelet op artikel 10 van [Richtlijn 94/55/EG](31994L0055) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG 94 L 319), op artikel 10 van [Richtlijn 95/50/EG](31995L0050) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 oktober 1995 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L 249), op [artikel 4b, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b) en op [artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: a. Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu; b. bevoegde autoriteit: 1°. Minister, 2°. een in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3&z=2026-03-15&g=2026-03-15) bij deze regeling erkende instantie, of 3°. een met toepassing van de [Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026901) erkende instantie; c. richtlijn nr. 2008/68/EG: richtlijn nr. 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PbEU L 260); d. [richtlijn EU 2022/1999:](31995L0050) [richtlijn (EU) 2022/1999](32022L1999) van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (codificatie) (PbEU 2022, L 274). 2. De in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1&z=2026-03-15&g=2026-03-15) opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing op de [bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=2&z=2026-03-15&g=2026-03-15), [3](http"},{"i":14903,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 mei 2023, nr 2023-0000244781, houdende regels met betrekking tot het gebruik van publieke identificatiemiddelen en de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet digitale overheid (Regeling voorzieningen Wdo) Gelet op [artikel 10, tweede lid, van de Wet digitale overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048156&artikel=10) en [artikel 20, vijfde lid, van de Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=20); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **afnemer:** een bestuursorgaan als bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048156&artikel=2) dat, of een aangewezen organisatie die voor elektronische berichtenverkeer met en informatieverschaffing aan natuurlijke personen, ondernemingen en rechtspersonen gebruik maakt van MijnOverheid of voor elektronische dienstverlening gebruik maakt van DigiD respectievelijk DigiD Machtigen; - –. **betrouwbaarheidsniveau laag, substantieel en hoog:** betrouwbaarheidsniveau als bedoeld in artikel 8 van de [Verordening (EU) nr. 910/2014](32014R0910) van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van de [Richtlijn 1999/93/EG](31999L0093) (Pb EU 2014, L 257/73); - –. **DigiD:** een via de DigiD-voorziening aan gebruiker verstrekt publiek identificatiemiddel voor de toegang tot elektronische dienstverlening, waarbij kan worden onderscheiden tussen de betrouwbaarheidsniveaus laag, substantieel en hoog; - –. **DigiD Machtigen, MijnOverheid:** hetgeen onder deze voorzieningen wordt verstaan in het Besluit digitale overheid; - –. **DigiD-voorziening:** de voorziening voor uitgifte of activatie van publieke identificatiemiddelen, waarbij onderscheiden kan worden tussen"},{"i":14913,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 17 oktober, nr. 4218030 houdende regels met betrekking tot de vrijstelling van griffierechten voor gedupeerde ouders herstelregelingen kinderopvangtoeslag in procedures in verband met het herstel van gezag (Regeling vrijstelling griffierechten voor gedupeerde ouders herstelregelingen kinderopvangtoeslag) Gelet op [artikel 4, derde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Van een ouder als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.1) die als gedupeerde is aangemerkt in het kader van de herstelregelingen kinderopvangtoeslag bij Belastingdienst/Toeslagen wordt geen griffierecht geheven voor de indiening van een verzoek- of verweerschrift in het kader van een procedure in verband met het herstel van het gezag als bedoeld in de [artikelen 1:277](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=277), [1:278](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=278) en [1:274, tweede en derde lid, van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=274). Artikel 2 1. Om als gedupeerde ouder, als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047361&artikel=1&z=2024-12-19&g=2024-12-19), te worden aangemerkt legt de ouder een kopie van de beschikking van de Belastingdienst/Toeslagen over waaruit dit blijkt. 2. Indien de ouder op het moment van heffing van griffierecht nog geen beschikking als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, legt de ouder een kopie van de bevestiging van de aanmelding bij de Belastingdienst/Toeslagen over. In dat geval wordt geen griffierecht geheven mits de beschikking alsnog wordt overgelegd voordat de rechter einduitspraak heeft gedaan. 3. Indien in een procedure als bedoeld in artikel 1 reeds griffierecht is geheven en de ouder legt alsnog de beschikkin"},{"i":14968,"b":"Reglement Commissie voor Bezwaar RvR in aanmerking nemend [artikel 8 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8), de [Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993) (Stcrt. 2008, nr. 250) en de [Regeling verlening mandaat raad voor rechtsbijstand betreffende verlenen van subsidies en vaststellen van beleidsregels dienaangaande](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026208) (Stcrt. 2009, nr. 11554), in aanmerking nemend de bepalingen over bezwaar van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), in het bijzonder de [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=7), Besluit: Een adviescommissie in te stellen voor de behandeling van bezwaarschriften alsmede de samenstelling en werkwijze van deze Commissie voor Bezwaar als onderstaand vast te stellen. Artikel 1 1. Er is een Commissie voor Bezwaar, verder te noemen de commissie. De commissie heeft tot taak het bestuur te adviseren betreffende ingediende bezwaarschriften behoudens de gevallen waarin het bezwaar kennelijk wordt afgedaan of aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad ([artikel 7:3, onder a, b, en e Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:3)). 2. Het bestuur benoemt en ontslaat de leden van de commissie. 3. De commissieleden die niet in dienst zijn van de Raad voor Rechtsbijstand, worden benoemd voor een periode van vier jaren. Deze periode kan tweemaal met nog eens vier jaren worden verlengd. 4. Het bestuur benoemt een voorzitter en een vice-voorzitter. 5. Voor hun werkzaamheden ontvangen de commissieleden vacatiegeld en een reiskostenvergoeding zoals vastgesteld in de [Vergoedingenregeling Raad voor Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":13618,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 maart 2022, nr. DOB/32058971, inhoudende de instelling van de Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (Instellingsbesluit Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **minister:** Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap; - –. **Nationaal Actieplan:** meerjarig actieplan van doelen en maatregelen om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld effectief te bestrijden alsmede een jaarlijks voortgangsbericht; - –. **Regeringscommissaris:** Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Artikel 2 1. Er is een Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. 2. De Regeringscommissaris is onder verantwoordelijkheid van de minister belast met het versterken van de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en het aanjagen van de noodzakelijke cultuurverandering. 3. De Regeringscommissaris rapporteert aan de minister en diens ambtsgenoot van Sociale Zaken en Werkgelegenheid die namens het kabinet de centrale regie voeren van een gecoördineerde aanpak van seksueel overschrijdend gedrag en seksueel geweld. 4. De [Vaststellingsregeling Aanwijzingen externe contacten rijksambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044590) is niet van toepassing. Artikel 3 De Regeringscommissaris heeft de volgende taken: - a. De Regeringscommissaris adviseert gevraagd en ongevraagd het kabinet bij de totstandkoming en uitvoering van de integrale en gecoördineerde aanpak. - b. De Regeringscommissaris ondersteunt bij de totstandkoming en uitvoering van het Nationaal Actieplan dat onder de regie van het kabinet wordt opgesteld. - c. De Regeringscommissaris is een herkenbaar, onafhankelijk en toegankelijk boegbeeld van de cultuurveran"},{"i":12922,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, over de periode vanaf 2012 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 december 2012, nr. aca-2012.06628/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de archiefbescheiden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid op het beleidsterrein algemene wetenschappelijke beleidsvoorbereiding, opgemaakt of ontvangen vanaf 2012’, wordt vastgesteld, met inbegrip van de daarbij behorende toelichting. Artikel 2 De ‘[Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid vanaf 1972](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009664)’, vastgesteld bij beschikking van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (kenmerk RAD/B&T/98.12/CZ, d.d. 2 juni 1998) en gepubliceerd in Staatscourant 1999, nr. 22, is niet van toepassing op de archiefbescheiden, ontvangen of opgemaakt na 31 december 2011. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12004,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 februari 2008, nr. DDI/ST/reg. 003/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse ambassade in Egypte van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse ambassade in Egypte van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 104 | 2040 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023507&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023507&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage"},{"i":11960,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 mei 2007, nr. DDI/ST/reg. 011/2007, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de ambassade van Brazilië te Rio de Janeiro, later het consulaat-generaal van Brazilië te Rio de Janeiro en het consulaat-generaal van Brazilië te Sao Paulo, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de ambassade van Brazilië te Rio de Janeiro, later het consulaat-generaal van Brazilië te Rio de Janeiro en het consulaat-generaal van Brazilië te Sao Paulo, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 59 | 2040 | | 60 | 2045 | | 61 | 2050 | | 68 | 2040 | | 69 | 2040 | | 70 | 2043 | | 71 | 2050 | | 73 | 2038 | | 74 | 2034 | | 75 | 2042 | | 76 | 2050 | | 77 | 2035 | | 116 | 2040 | | 117 | 2050 | | 120 | 2050 | | 128 | 2016 | | 456 | 2050 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021979&artikel=1&z=2007-06-02&g=2007-06-02), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wet"},{"i":4098,"b":"Besluit van 24 maart 2022 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met Verordening (EU) 2019/1238 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) (PbEU 2019, L 198) (Besluit uitvoering PEPP-verordening) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 16 december 2021, 2021-0000248522, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) nr. 2019/1238](33138R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) (PbEU 2019, L 198) en de [artikelen 1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:50a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:50a), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), en [1:94, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:94); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 februari 2022, nr. No.W06.21.0375/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 22 maart 2022, 2022-0000093749, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 22 maart 2022. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 21 maart 2022, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering PEPP-verordening. Lasten en"},{"i":12474,"b":"Besluit minimumtarieven koeriersdiensten BES Artikel 1 1. Het tarief bedoeld in [artikel 12, tweedelid, onder a, 1° van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=12) bedraagt per brief tenminste: - a. Voor het vervoer op en tussen het grondgebied van de openbare lichamen USD 6. - b. Voor het vervoer naar overige landen USD 11. 2. In deze bedragen zijn de eventueel door anderen dan de houder van de concessie verschuldigde heffingen en belastingen niet inbegrepen. Artikel 2 Dit besluit berust op [artikel 12, tweede lid, onder a, 1°, van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=12). Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit minimumtarieven koeriersdiensten BES."},{"i":13057,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 18 maart 2026 inzake volginnovatie 2025 Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 2.10.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.10.2), [2.16.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.16.2), [2.25.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.25.2), [3.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.2), [3.4.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.5), [3.4.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.20), [3.5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.5.2), [3.6.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.6.2), [3.7.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.7.2), [3.8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.8.2), [3.9.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [3.10.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.2), 3.10.2, tweede lid, 3.10.2, derde lid, [3.10.12b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.12b), [3.16.7 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.16.7), [3.16.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.16.12), [3.19.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.19.2), [3.22.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.22.2), [3.25.2"},{"i":3268,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 juli 2022 nr. BOACAT2022/049, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Katwijk Gelezen het verzoek van gemeente Katwijk van 6 juli 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046974&artikel=2&z=2022-11-17&g=2022-11-17). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Opsporingsambtenaar Openbare Ruimte in dienst van gemeente Katwijk, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten"},{"i":17472,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 23 oktober 2006, nr. 5448573/06/DIRR, Directie Instrumentatie Rechtspleging en Rechtshandhaving, Afdeling Financiële Advisering en Control, tot vaststelling van de normbedragen voor voorschotverlening in 2007 op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3), en [35, tweede en vierde lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Besluit: Artikel 1 1. Het normbedrag dat geldt voor de bepaling van de hoogte van het voorschot dat in elk kwartaal wordt verstrekt aan door de raad ingeschreven advocaten wordt vastgesteld op € 688,–. 2. Het kwartaalvoorschot bedraagt niet meer dan € 42.500,–. 3. Het kwartaalvoorschot wordt op nihil gesteld, indien minder dan tien toevoegingen zijn afgegeven in de referentieperiode, bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2007 Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tot vaststelling van de normbedragen voor voorschotverlening in 2007 op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18410,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 januari 2021, nr.3152870, houdende regels met betrekking tot de hoogte van de pikettoelage rechterlijke ambtenaren (Regeling pikettoelage rechterlijke ambtenaren 2020) Gelet op [artikel 6f van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=6f); Besluit: Artikel 1 1. De hoogte van het vaste bedrag aan pikettoelage als bedoeld in [artikel 6f, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=6f) bedraagt op weekbasis: - a. Voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020: € 312,37; - b. Voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021: € 322,83; - c. Voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022: € 329,29; - d. Voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023: € 338,33; - e. Met ingang van 1 januari 2024: € 351,85. 2. Indien de piketdienst van de rechter-commissaris in strafzaken of piketofficier een deel van de week duurt, wordt het vaste bedrag aan pikettoelage op weekbasis naar evenredigheid toegekend. Artikel 2 Het vaste bedrag aan pikettoelage op weekbasis wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van de in het voorgaande kalenderjaar gerealiseerde contractloonmutatie op jaarbasis in de sector Rechterlijke Macht. Artikel 3 1. In aanvulling op het vaste bedrag aan pikettoelage op weekbasis als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044751&artikel=1&z=2024-09-27&g=2024-09-27), ontvangt de rechterlijk ambtenaar een bedrag voor de tijdens onderstaande uren daadwerkelijk verrichte piketwerkzaamheden, bestaande uit een percentage van het normbedrag als genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Regeling toeslag rechterlijke ambtenaren avonduren, zaterdagen, zondag en feestdagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038425&artikel=2) per gewerkt uur, namelijk: - a. 20% voor de uren op maanda"},{"i":15226,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 20 januari 2005, nr. WJZ 4081042, tot vaststelling van regels over tegemoetkoming van de elektriciteitsproductiesector (Uitvoeringsregeling Overgangswet elektriciteitsproductiesector) Gelet op [artikel 8, eerste lid, van de Overgangswet elektriciteitsproductiesector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012088&artikel=8); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Economische Zaken; - b. wet: [Overgangswet elektriciteitsproductiesector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012088); - c. rechtspersoon: rechtspersoon als vermeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017925&bijlage=1&z=2009-07-01&g=2009-07-01) bij deze regeling. 2. Onder de overige in deze regeling gebruikte termen wordt verstaan hetgeen daaronder verstaan wordt in de [Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755). § 2. Tegemoetkoming Artikel 2 1. Aan een rechtspersoon wordt een tegemoetkoming verstrekt in de kosten die voortvloeien uit de overeenkomsten met betrekking tot stadsverwarmingsprojecten als bedoeld in [artikel 7, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012088&artikel=7). In [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017925&bijlage=1&z=2009-07-01&g=2009-07-01) bij deze regeling zijn de in de eerste volzin bedoelde projecten per rechtspersoon vermeld. 2. De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend aan de hand van de in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017925&bijlage=2&z=2009-07-01&g=2009-07-01) bij deze regeling opgenomen formule. 3. Op de tegemoetkoming worden in mindering gebracht: - a. het in het voorafgaande jaar verkregen batig saldo van een stadsverwarmingsproject, en - b. te verstrekken of verstrekte subsidies of fiscale maatregelen ten behoeve van de kosten, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3 De hoogte van de tegemoetkoming als bedoeld in"},{"i":15227,"b":"Uitvoeringsregeling plaatsgebonden consignatie KLPD Gelet op: – het [Besluit algemene rechtspositie politie, artikel 12, lid 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=12); – de [Regeling in verband met plaatsgebonden consignatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009959) van 23 oktober 1998, kenmerk EA98/U520139; – het [Besluit bezoldiging politie, artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=21); – de Collectieve overlegregeling arbeids- en rusttijden KLPD en – de bereikte overeenstemming met de Commissie Klpd d.d. 3 oktober 2006 en 20 december 2006; Besluit: Artikel 1. Definities Tenzij anders is vermeld, wordt voor de toepassing van de Uitvoeringsregeling plaatsgebonden consignatie landelijke eenheden verstaan onder: - 1. medewerker: de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - 2. plaatsgebonden consignatie: een aaneengesloten tijdruimte van ten hoogste 24 uren waarin de medewerker, zo nodig naast het verrichten van de bedongen arbeid, verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten; - 3. bevoegd gezag: de korpschef. Artikel 2. Toepassing 1. Het bevoegd gezag kan plaatsgebonden consignatie opdragen. 2. Indien een Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden (SGBO) is ingesteld, kan tevens het hoofd van een dienst in mandaat een medewerker plaatsgebonden consignatie opdragen. 3. Voor of bij aanvang van de plaatsgebonden consignatie, als bedoeld in de leden 1 en 2, wordt de locatie bepaald. 4. Voor Dienst koninklijke diplomatieke beveiliging van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie geldt dat de volgende planningsmogelijkheden beschikbaar zijn: - a. in N"},{"i":15229,"b":"Uitvoeringsregeling registratie akten BES Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikelen 7:23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=7.23) en [7.24 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=7.24); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Belastingwet BES in werking treedt. Treedt in werking om 0:00 in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 5:00 in het Europese deel van Nederland. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 7.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=7.23) en [7.24 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=7.24). 2. Het bepaalde in de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=1.3) en [7.1 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=7.1) is op deze regeling van toepassing. Registratie Artikel 2 1. Onder registratie wordt verstaan de ambtelijke inschrijving in een register van de gehele of van de zakelijke inhoud van akten. 2. De registratie is opgedragen aan de inspecteur. 3. De registratie van op de BES eilanden opgemaakte akten geschiedt op het oorspronkelijk stuk; die van buiten de BES eilanden opgemaakte akten, hetzij op het oorspronkelijke stuk, hetzij op een afschrift of uittreksel. 4. Op de akten, die zijn geregistreerd, stelt de Inspecteur ten bewijze daarvan een ondertekende verklaring, vermeldende het nummer en de dagtekening van de registratie; de dagtekening wordt voluit in letters gesteld, het jaartal kan in cijfers worden uitgedrukt. Artikel 3 Onder akten worden niet alleen verstaan stukken, opgemaakt om tot bewijs te dienen, maar ook huiselijke papieren, brieven, kaarten, tekeningen en andere geschriften. Artikel 4 De volgende akten, met uitzondering van de akten genoemd in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":15280,"b":"Wet van 29 mei 2009 tot uitvoering van verordening (EG) Nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (Pb EU L 399) (Uitvoeringswet verordening Europese betalingsbevelprocedure) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [Verordening (EG) 1896/2006](32006R1896) van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (Pb EU L 399) moet worden uitgevoerd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder verordening: verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (Pb EU L 399). Artikel 2 1. Een verzoek om een Europees betalingsbevel als bedoeld in artikel 7 van de verordening wordt gedaan aan de rechtbank Den Haag. 2. Wordt een verzoek, als bedoeld in het eerste lid, ingediend bij een andere rechtbank dan de rechtbank Den Haag, dan verklaart de rechter zich ambtshalve onbevoegd en verwijst hij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Den Haag. De griffier zendt een afschrift van de beschikking, alsmede de op de procedure betrekking hebbende stukken aan de griffier van de rechtbank Den Haag. Artikel 3 1. De stukken voor aanvulling en correctie van het verzoek als bedoeld in artikel 9 van de verordening, voor wijziging van het verzoek als bedoeld in artikel 10 van de verordening en voor afwijzing van het verzoek als bedoeld in artikel 11 van de verordening alsmede het uitvoerbare Europees betalingsbevel als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de verordening worden aan de eiser toegezonden per gewone post. 2. Een mededeling als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van de verordening wordt aan"},{"i":15284,"b":"Wet van 29 mei 2009 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (Pb EU L 199) (Uitvoeringswet verordening Europese procedure voor geringe vorderingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om wettelijke voorzieningen te treffen ter uitvoering van de verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (Pb EU L 199); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **verordening:** [verordening (EG) nr. 861/2007](32007R0861) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (Pb EU L 199), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 (PbEU 2015, L 341/1); - b. **Europese geringe vordering:** vordering in grensoverschrijdende burgerlijke zaken en handelszaken met een waarde van ten hoogste € 5.000 als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de verordening. Artikel 2 1. Zaken betreffende Europese geringe vorderingen worden behandeld en beslist door de kantonrechter. 2. Tegen een beslissing van de kantonrechter in de Europese procedure voor geringe vorderingen staat overeenkomstig de [eerste tot en met derde afdeling van de zevende titel van het Eerste Boek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&afdeling=Derde), hoger beroep open, met dien verstande dat het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag van de beslissing. 3"},{"i":15306,"b":"Vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 1989 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20) (Stb. 1984, 269); Besluit: 1. Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering beloopt voor het jaar 1989: - Categorie 1: f 70,00 voor vierwielige personenauto's, bestelauto's; - Categorie 2: f 14,00 voor aanhangwagens bij auto's behorend tot categorie 1; - Categorie 3: f 82,00 voor autobussen, vrachtauto's; - Categorie 4: f 78,00 voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorend tot categorie 3; - Categorie 5: f 190,00 voor trekkers met oplegger; - Categorie 6: f 12,00 voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 t m 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen - Categorie 7: f 12,00 voor landbouwwerktuigen; - Categorie 8: f 12,00 voor rijwielen met hulpmotor. 2. Deze regeling wordt in de Nederlandse Staatscourant geplaatst."},{"i":4358,"b":"Besluit van 5 juni 1996, houdende vaststelling van nadere regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 oktober 1995, nr. G5/V525203, Directoraat-Generaal voor het Vervoer; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=3), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=6), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=12) en [61 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=61); De Raad van State gehoord (advies van 15 januari 1996, nummer W09.95.0579); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 24 mei 1996, nr. WJZ/V-622587, Directoraat-Generaal voor het Vervoer; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606); - b. ADR: Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route; - c. ADN: Accord Européen relatif au Transport International des Marchandises Dangereuses par voie de Navigation; - d. RID: Règlement concernant le transport international ferroviaire des marchandises dangereuses. Artikel 2 1. Overeenkomstig het ADR, het ADN, het RID dan wel anderszins ter uitvoering van verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties, worden bij ministeriële regeling gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen aangewezen ten aanzien waarvan het verrichten van handelingen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=2) met daarbij aangewezen vervoermiddelen: - a. niet is toegestaan; of - b. is toegestaan mits daarbij gestelde regels in acht zijn genomen. 2. Een regeling als bedoeld in het eerste lid kan aanvullende voorschriften bevatten. § 2. Bijzondere be"},{"i":12902,"b":"Besluit vaststelling selectielijst SKH B.V. voor de periode vanaf 26 augustus 1996 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van SKH B.V. voor de periode vanaf 26 augustus 1996 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten afgesloten en/of ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Staatssecretaris van Cultuur en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13078,"b":"Besluit werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen ZW Gelet op [artikel 63a, zevende lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=63a); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ZW:** de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); - b. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - c. Wfsv: de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745). Artikel 2. Toetsing voorstellen voor beslissingen 1. De eigenrisicodrager legt een voorstel voor een beslissing aan het UWV voor. 2. De eigenrisicodrager bereidt de beslissing op zorgvuldige wijze voor, waarbij het voorstel wordt gedragen door de onderliggende feiten. 3. De eigenrisicodrager doet zijn voorstel voor een beslissing op een door het UWV daartoe beschikbaar gesteld formulier en stuurt zo spoedig mogelijk nadat hij redelijkerwijze had kunnen weten dat het UWV een beslissing moet nemen en via een beschikking bekend moet maken, dit formulier aan het UWV. 4. Met het in het eerste lid bedoelde voorstel voor een beslissing worden alle op de zaak betrekking hebbende stukken meegezonden. 5. Het UWV verzekert zich ervan dat de voorbereiding van de beslissing door de eigenrisicodrager op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat het voorstel wordt gedragen door de onderliggende feiten. 6. Indien de eigenrisicodrager het voorstel naar het oordeel van het UWV niet of niet voldoende zorgvuldig heeft voorbereid, wordt de eigenrisicodrager in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen een hem door het UWV gestelde termijn. 7. Indien de eigenrisicodrager binnen de gestelde termijn het verzuim niet of niet voldoende heeft hersteld, verricht het UWV de werkzaamheden als bedoeld in [artikel 63a, eerste lid, van de ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=63a), of onderdelen daarvan. 8. Het UWV maakt de beschikking zo spoedig mogel"},{"i":19371,"b":"Wet van 28 september 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het treffen van een regeling inzake het verhoor van afgeschermde getuigen en enkele andere onderwerpen (afgeschermde getuigen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede in het licht van de bestrijding van het terrorisme, wenselijk is te bevorderen dat inzake het horen van afgeschermde getuigen aanvullende regels worden getroffen en dat te dien einde ook overigens enkele wijzigingen worden aangebracht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II De wijziging, bedoeld in [artikel I, onderdeel J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020366&artikel=I&z=2006-11-01&g=2006-11-01), van deze wet, is niet van toepassing in strafzaken waarin het onderzoek op de terechtzitting gesloten is op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Wijzigt de Wijzigingswet Wetboek van Strafrecht en Wetboek van Strafvordering (Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken). Artikel IVa Onze Minister van Justitie zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17983,"b":"Wet van 11 juni 1998 tot wijziging van de Ziektewet, de WAO, de WW en enkele andere wetten in verband met het wegnemen van belemmeringen in sociale verzekeringswetten bij het opnemen van onbetaald verlof Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bestaande belemmeringen in sociale verzekeringswetten bij het opnemen van onbetaald verlof weg te nemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I. WIJZIGING [ZIEKTEWET](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. ARTIKEL II. WIJZIGING [WET OP DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. ARTIKEL III. WIJZIGING [WERKLOOSHEIDSWET](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. ARTIKEL IV. WIJZIGING [ZIEKENFONDSWET](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460) Wijzigt de Ziekenfondswet. ARTIKEL V. WIJZIGING [ALGEMENE BIJSTANDSWET](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333) Wijzigt de Algemene bijstandswet. ARTIKEL VI. WIJZIGING [WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE WERKLOZE WERKNEMERS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers . ARTIKEL VII. WIJZIGING [WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE GEWEZEN ZELFSTANDIGEN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. ARTIKEL VIII. WIJZIGING [TOESLAGENWET](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. ARTIKEL IX. OVERGANGSBEPALING [ZIEKTEWET](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) 1. De [artikelen 29](https://wett"},{"i":15396,"b":"Vaststellingsregeling percentage bedrag ex artikel 7e, eerste lid, Wet op de kansspelen en omzetting bedragen in euro Gelet op artikel 7e, eerste lid, van de Wet op de kansspelen; Overwegende dat het consumentenprijsindexcijfer (reeks werknemers laag) per 30 september 2001 meer dan tien procent afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1996; Overwegende dat in verband met de introductie van de euro als wettig betaalmiddel de bedragen, genoemd in de artikelen 7b en 7c, Wet op de kansspelen, zoals deze nader zijn gewijzigd bij beschikkingen van 8 november 1999, nummer 803261/DBZ/99 en 22 november 1996, nummer 592877/DBZ/96, aanpassing behoeven; Gelet op artikel 7e, derde lid, van genoemde wet, Besluit: Artikel 1 Het percentage waarmee de bedragen, genoemd in artikel 7c, lid 1, van de Wet op de kansspelen, zoals dat laatstelijk werd gewijzigd bij beschikking van 22 november 1996, nr. 592877/DBZ/96, wordt verhoogd, wordt vastgesteld op 14,9%, waardoor deze bedragen komen op respectievelijk € 350,- (driehonderd vijftig euro) en € 1.400,- (eenduizend vierhonderd euro). Artikel 2 De hoogte van het bedrag genoemd in artikel 7b, vierde lid, van de Wet op de kansspelen, zoals dat laatstelijk werd gewijzigd bij beschikking van 8 november 1999, nummer 803261/DBZ/99 bedraagt € 10.700,- (tienduizend zevenhonderd euro). Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2002 en zal worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant."},{"i":15398,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst handelingen beleidsterrein Welzijn over de periode 1945-1996, Economische Zaken Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, arc-2002.4317/2; Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Welzijn over de periode 1945–1996](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15401,"b":"Vaststellingsregeling wijze van verlenging geldigheidsduur van vliegbewijzen en bewijzen van bevoegdheid Artikel 1 Voor de verlenging van de termijn van geldigheid van bewijzen van bevoegdheid en de daarin gestelde bevoegdverklaringen moet de houder, op de wijze als aangegeven in de bij deze regeling behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009488&bijlage=1&z=2006-07-09&g=2006-07-09), aantonen dat hij zijn bekwaamheid heeft behouden. Van deze verplichting kan door de Minister van Verkeer en Waterstaat ontheffing worden verleend. Artikel 2 1. Proeven van bekwaamheid moeten steeds worden afgelegd binnen een termijn van twee maanden voorafgaande aan de datum, waarop de termijn van geldigheid van het bewijs van bevoegdheid eindigt. 2. De proeven van bekwaamheid moeten volgens een door de Minister van Verkeer en Waterstaat vast te stellen programma worden afgelegd ten overstaan van een door hem daartoe aangewezen persoon of instelling. 3. De proeven van bekwaamheid moeten worden afgelegd op een type vliegtuig, aangegeven op het bewijs van bevoegdheid. Zijn meer dan één type vermeld, dan moeten de proeven worden afgelegd op het type met de grootste startmassa. 4. Vlieguren worden slechts in beschouwing genomen, voorzover deze uren zijn gevlogen als eerste bestuurder of als tweede bestuurder in de functie van eerste bestuurder. Artikel 3 Als personen zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 2 van deze regeling worden aangewezen: 1. voor de proeven van bekwaamheid voor verlenging van het beperkt vliegbewijs A en het vliegbewijs A: - a. de chef-instructeur van vliegopleidingen, die zijn erkend in de zin van [artikel 39 van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=39); - b. leden van de examencommissie voor privé-vlieger voor zover zij zijn aangewezen voor het afnemen van praktische examens; - c. nader door de Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen personen. 2. Voor de proeven van bekwaamheid i"},{"i":15441,"b":"Besluit ingevolge artikel 18, tweede lid, Wet politiegegevens, van de Minister van Veiligheid en Justitie, kenmerk 598167, 18 december 2014, houdende verlenging van het Wpg-machtigingsbesluit RIEC’s/werkproces integrale casusanalyse waarbij aan de korpschef van het landelijk politiekorps en de verantwoordelijken voor de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten van het ministerie van Financiën en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toestemming is gegeven tot het verstrekken van politiegegevens aan de partners in de Regionale Informatie en Expertisecentra (RIEC’s) ten behoeve van het verrichten van integrale casusanalyses voor het bepalen van gezamenlijke interventiestrategieën en het uitvoeren daarvan (Verlenging Wpg-machtigingsbesluit RIEC’s/werkproces integrale casusanalyse) In overeenstemming met De Minister van Defensie De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid De Staatssecretaris van Financiën Overwegende: Dat met de verlening van het machtigingsbesluit met kenmerk 330633/13 d.d. 13 maart 2013 (Stcrt. 2013, nr 6711) een grondslag is gecreëerd voor de verstrekking van politiegegevens die worden verwerkt op grond van [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=9) en [10 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=10), aan de partners in de RIEC’s ten behoeve van de aanpak van georganiseerde criminaliteit, door het verrichten van integrale casusanalyses ten behoeve van het bepalen van gezamenlijke interventiestrategieën en het uitvoeren daarvan door de partners in de RIEC’s; dat hiermee een zwaarwegend algemeen belang wordt gediend en dat deze verstrekking voor dit doel ook noodzakelijk is; Dat met dit machtigingsbesluit vooruit werd gelopen op een voorstel tot aanpassing van het [Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086); Dat die aanpasing voorziet in een structurele verstrekking van de desbetreffende politiegegevens aan de daa"},{"i":15442,"b":"Verlening bevoegdheid aan SAIP tot toepassing samenloopregelingen Besluit: Artikel 1 De Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP) wordt de bevoegdheid verleend om namens de Minister van Binnenlandse Zaken besluiten te nemen over de toepassing van de zogenoemde samenloopregelingen bij de uitvoering van: - a. de [Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002507) (Nieuw-Guinea), - b. de [Samenloopregeling Indonesische Pensioenen 1960](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002414), - c. de Wet van 25 april 1985, houdende aanpassing van de overheidspensioenregelingen aan de invoering van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de [AOW-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221), - d. de [Toeslagregeling pensioenen Suriname en de Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002574) en - e. de Overbruggingsregeling Surinaamse pensioenen. Artikel 2 De SAIP wordt de bevoegdheid verleend om namens de Minister van Binnenlandse Zaken te beslissen op bezwaarschriften, ingediend tegen beslissingen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006894&artikel=1&z=1994-10-01&g=1994-10-01). Artikel 3 De SAIP wordt de bevoegdheid verleend om namens de Minister van Binnenlandse Zaken in rechte op te treden, indien tegen een beslissing als bedoeld in de voorgaande artikelen beroep worden ingesteld bij de rechter. De Raad van Beheer van de SAIP wijst daartoe schriftelijk de personen aan die namens de Minister van Binnenlandse Zaken, als gemachtigde, kunnen optreden. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15470,"b":"Verordening op de kostenvergoedingen Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5) en [19, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 1. De leden van het bestuur ontvangen jaarlijks een vaste vergoeding. 2. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid bedraagt op jaarbasis voor: - a. de voorzitter € 125.000,–; en - b. de overige leden van het bestuur € 19.246,– waarbij geldt dat in het geval de plaatsvervangend voorzitter de voorzitter voor meer dan één maand vervangt, de plaatsvervangend voorzitter voor de volledige vervangingsperiode naar rato de vergoeding ontvangt die toekomt aan de voorzitter in plaats van de vergoeding voor de plaatsvervangend voorzitter. 3. Een lid van het bestuur heeft niet langer recht op een vaste vergoeding indien en voor zover het lid langer dan drie maanden niet betrokken is geweest bij de uitoefening van de taak van het bestuur, tenzij van het lid in de bedoelde periode geen betrokkenheid is verlangd. 4. Het derde lid wordt toegepast naar rato van de periode waarin een bestuurslid gedurende een kalenderjaar langer dan drie maanden niet betrokken is geweest bij de uitoefening van de taak van het bestuur. 5. De toepassing van het derde lid wordt beëindigd nadat het lid zijn betrokkenheid bij de uitoefening van de taak van het bestuur heeft hervat. Bij de hervatting van de uitbetaling van een vaste vergoeding worden te veel ontvangen bedragen verrekend. 6. Het bestuur kan aan de voorzitters, de plaatsvervangend voorzitters of de leden van commissies of overige gremia een jaarlijkse vaste vergoeding toekennen. Artikel 2 1. Een lid van het bestuur, met uitzondering van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter, heeft recht op presentiegeld als hij op verzoek van het bestuur deelneemt aan andere bijeenkomsten dan de vergaderingen van het bestuur tenzij hij: - a. werkzaam is bij"},{"i":15496,"b":"Vervanging openbare registers door microfoto's (Kadaster Zwolle, Rotterdam) Gelet op [artikel 9 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=9), Besluit: Artikel 1 De inhoud van het register van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, gehouden aan het kantoor van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te Zwolle, wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van microfoto's, voor zover het betreft: - a. de tot en met 7 juni 1986 verschenen delen (tot en met deel 3349) van het register Hypotheken 3 voor de inschrijving van stukken inzake hypotheken en beslagen, alsmede inzake alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die betrekking hebben op hypotheken en beslagen; - b. alle bestaande delen van het register Hypotheken 3 voor de inschrijving van stukken inzake hypotheken en beslagen, alsmede inzake alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die betrekking hebben op hypotheken en beslagen, inzake de voormalige kantoren van de hypotheken en het kadaster te Almelo en Deventer. Artikel 2 De inhoud van het register van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, gehouden aan het kantoor van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te Rotterdam, wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van microfoto's, voor zover het betreft de van 30 december 1989 tot en met 5 januari 1993 verschenen delen van het register Hypotheken 4, zijnde de delen 10874 tot en met 12572. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 februari 1994 en wordt opgenomen in de Staatscourant."},{"i":2686,"b":"Beschikking Commissie Gewetensbezwaren Immunisatie Militairen Overwegende, dat het ter uitvoering van [artikel 5 van de Wet immunisatie militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117&artikel=5) gewenst is over te gaan tot het instellen van een commissie tot het onderzoek naar en het uitbrengen van advies omtrent gewetensbezwaren met betrekking tot de immunisatie van militairen, alsmede ter zake van de werkzaamheden dezer commissie enige regelen te stellen, Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: „de Minister”: de Minister van Oorlog of de Minister van Marine, al naargelang het betreft een onderzoek van gewetensbezwaren tegen immunisatie van een militair van de landmacht dan wel van de zeemacht; „gewetensbezwaren”: gewetensbezwaren, als bedoeld in [artikel 5 van de Wet immunisatie militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117&artikel=5). Artikel 2 Tot het uitbrengen van advies bij de beslising omtrent de erkenning van de in een verzoekschrift naar voren gebrachte gewetens bezwaren wordt een commissie ingesteld. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten minste vier leden. 2. De commissie wordt in haar werkzaamheden bijgestaan door een secretaris of een secretaresse. 3. De voorzitter, de leden en de secretaris of secretaresse worden als zodanig benoemd door de Ministers, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002121&artikel=1&z=1953-11-18&g=1953-11-18). Artikel 4 1. De voorzitter regelt de werkzaamheden van de commissie. 2. De voorzitter roept de commissie bijeen zo dikwijls hij zulks in verband met de werkzaamheden nodig acht. 3. Hij bepaalt de plaats, waar de commissie zitting zal houden. Artikel 5 De commissie kan zitting houden, indien ten minste drie leden aanwezig zijn. Artikel 6 De commissie kan ter zake van een haar om advies gezonden verzoekschrift een voorlopig onderzoek doen instellen door één of meer, al dan niet uit haar midden daartoe aan te wijzen pers"},{"i":3637,"b":"Besluit van 23 augustus 2017 tot het stellen van eisen aan de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk (Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 mei 2017, nr. 2017-0000080440; Gelet op de [artikelen 1.45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.45), [1.49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.49), [1.50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.50), [1.51a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.51a), [1.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.56), [1.56b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.56b), [2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.2), [2.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.5), [2.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.6) en [2.9a, vijfde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.9a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 juni 2017, nr. W12.17.0150/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2017, 2017-0000133405; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen dagopvang en buitenschoolse opvang Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen dagopvang en buitenschoolse opvang Artikel 19a. Vrijstellingen De [artikelen 6, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039936&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=6&z=2024-07-01&g=2024-07-01), [9, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039936&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=9&z=2024-07-01&g=2024-07-01), en [15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039936&hoofdstu"},{"i":3607,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 23 juni 2017, nr. 1201114, tot intrekking van toezichtkaders onder vaststelling van de beleidsregels Onderzoekskaders NBO PO 2017 en NBO VO 2017 Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=13); Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 2 juni 2017; Besluit: Artikel 1 De volgende beleidsregels worden vastgesteld: - 1. Onderzoekskader NBO PO 2017 (bijlage I); en - 2. Onderzoekskader NBO VO 2017 (bijlage II). Artikel 2 De volgende beleidsregels worden ingetrokken: - a. Toezichtkader 2008 niet bekostigd primair onderwijs (Stcrt. 2008, 66); - b. Handelwijze bij het uitbrengen advies primair onderwijs (Stcrt. 2008, 66); - c. Toezichtkader 2008 niet bekostigd voortgezet onderwijs (Stcrt. 2008, 66); en - d. Handelwijze bij het uitbrengen advies voortgezet onderwijs (Stcrt. 2008, 66). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2017. Onderzoekskader NBO PO 1. Inleiding [Artikel 13 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=13) (WOT) bepaalt dat de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) haar werkwijze voor een kwaliteitsonderzoek als bedoeld in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=11), vastlegt in een of meer onderzoekskaders. Het maakt het handelen van de inspectie transparant voor scholen; de inspectie is hiermee aanspreekbaar op het ‘wat’ en het ‘hoe’ van haar werk. Hoofdstuk 2 schetst het wettelijk kader en hoe dit zich vertaalt naar het toezicht. In Hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de werkwijze die de inspectie bij haar toezicht hanteert. Hoofdstuk 4 gaat dieper in op het waarderingskader en de normering. Dit onderzoekskader niet bekostigd primair onderwijs is tot stand gekomen na overleg met het onderwijsveld. Het is door de staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vastg"},{"i":15622,"b":"Warenwetregeling Extractiemiddelen handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op de [richtlijn nr. 88/344/EEG](31988L0344) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1988, betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het gebruik van extractiemiddelen bij de produktie van levensmiddelen en bestanddelen daarvan (PbEG L 157)1Laatstelijk gewijzigd bij [Richtlijn nr. 92/115/EEG](31992L0115) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 (PbEG L409).; Gelet op [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=15), jo. [artikel 8, onder a en c, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8) (Stb. 1988, 360) en [artikel 6 van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005758&artikel=6); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **extractiemiddel:** een oplosmiddel dat tijdens de bewerking van grondstoffen, eet- of drinkwaren, componenten of bestanddelen daarvan wordt gebruikt voor extracties en vervolgens wordt verwijderd, maar dat de onbedoelde, doch technisch onvermijdelijke aanwezigheid van residuen of derivaten in het eet- of drinkwaar of bestanddeel tot gevolg kan hebben; - **oplosmiddel:** elke stof die een eet- of drinkwaar of enig component daarvan kan oplossen, met inbegrip van elke contaminant die in of op dat eet- of drinkwaar aanwezig is. 2. Deze regeling is niet van toepassing op extractiemiddelen die: - a. worden gebruikt voor de productie van levensmiddelenadditieven, vitaminen en andere voedingsadditieven, behalve indien deze levensmiddelenadditieven, vitaminen en andere voedingsadditieven voorkomen op een van de lijsten in bijlage I van [richtlijn 2009/32/EG](32009L0032); - b. zijn bestemd voor uitvoer uit de Europese Unie. Artikel 2 Bij de bereiding van eet- of"},{"i":15632,"b":"Warenwetregeling Monsterneming Overwegende, dat uit oogpunt van rechtszekerheid, regels met betrekking tot het nemen van monsters van waren ten behoeve van de uitvoering van het toezicht gewenst zijn; Overwegende, dat tevens uitvoering moet worden gegeven aan de Richtlijn van de Commissie tot vaststelling van communautaire bemonsteringsmethoden voor de officiële controle op residuen van bestrijdingsmiddelen in en op groenten en fruit (79/700/EEG) (PbEG L 207); Overwegende, dat tevens uitvoering moet worden gegeven aan bepalingen in de Richtlijn van de Raad betreffende het gebruik van bepaalde conserveermiddelen voor de oppervlaktebehandeling van citrusvruchten alsmede betreffende de controlemaatregelen voor de opsporing en de kwantitatieve bepaling van conserveermiddelen in en op citrusvruchten (67/427/EEG) (PbEG, nr. 148), voor zover het betreft de in dat verband voorgeschreven monsterneming; Overwegende, dat de Nederlandse regelgeving die uitvoering gaf aan vorengenoemde richtlijnen inmiddels van rechtswege is komen te vervallen vanwege de inwerkingstelling van de Wijzigingswet 1988 Warenwet; Overwegende, dat uitvoering moet worden gegeven aan de Eerste Richtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van communautaire methoden voor chemisch onderzoek met het oog op de controle op verduurzaamde melkprodukten (897/524/EEG) (PbEG L 306); Gelet op [artikel 26, derde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=26) (Stb. 1988, 360); Besluit: Paragraaf 1. Monsterneming in het algemeen Artikel 1 1. Bij elke monsterneming geldt in het algemeen, dat het monster zo nauwkeurig mogelijk de gemiddelde samenstelling van de bemonsterde partij dient weer te geven. Te dien einde wordt, waar dit mogelijk is, de te bemonsteren voorraad goed dooreengemengd, waarna een gedeelte als monster wordt genomen. 2. In de gevallen waar de grootte van de partij, de wijze van verpakking of de aard der te bemonsteren waar een dergelijke"},{"i":15647,"b":"Warenwetregeling Vrijstelling doorstralen van verpakkingen en gebruiksartikelen handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikel 16, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=16) (Stb. 1988, 360); Besluit: Artikel 1 Vrijstelling wordt verleend van [artikel 5, eerste en tweede lid, van het Warenwetbesluit Doorstraalde waren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005465&artikel=5), voor zover het betreft de daar opgenomen gemiddelde geabsorbeerde stralingsdoses van 10 kGy onderscheidenlijk 25 kGy waarmee verpakkingen en verpakkingsmaterialen voor eet- of drinkwaren onderscheidenlijk gebruiksartikelen voor eet- of drinkwaren slechts behandeld mogen worden. Artikel 2 1. Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling Vrijstelling doorstralen van verpakkingen en gebruiksartikelen. 2. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 1993. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15648,"b":"Warenwetregeling Vrijstelling gekoeld bewaren in kantines en restaurants handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikel 16, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=16); Gezien het advies van de Adviescommissie [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) van 9 juni 1994 met nummer 14759/(4/6)5; Besluit: Artikel 1 Ten aanzien van eet- en drinkwaren die in kantines van instellingen of in restaurants voor directe consumptie door de eindverbruiker voorhanden wordt gehouden, wordt vrijstelling verleend van [artikel 15, eerste lid, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005758&artikel=15), voor zover het de temperatuur betreft waarbij de daar bedoelde eet- of drinkwaren ten hoogste in voorraad mogen worden gehouden, onder de volgende voorschriften: - a. de desbetreffende waar wordt gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twee uur aangeboden voor directe consumptie door de eindgebruiker; - b. voor zover het een voorverpakte eet- of drinkwaar betreft, wordt de desbetreffende waar voorafgaand aan de onder a bedoelde periode van ten hoogste twee uur van een onuitwisbaar en als zodanig herkenbaar merkteken voorzien; - c. de exploitant van de desbetreffende gelegenheid neemt ter zake een daartoe opgestelde procesbeschrijving in acht: - 1°. waarin ten minste is aangegeven op welke wijze de met het toezicht of de opsporing belaste ambtenaren achteraf kunnen vaststellen dat steeds het van toepassing zijnde voorschrift, bedoeld onder a of b, in acht is genomen; en - 2°. die voldoet aan de bijlage; en - d. de registratielijst, bedoeld in de bijlage, wordt door de onder c bedoelde exploitant gedurende ten minste één jaar bewaard in de onderneming en desgevraagd terstond ter beschikking gesteld van de met het toezicht of de opsporing belaste ambten"},{"i":3136,"b":"Besluit bestuursrecht Toeslagen 1. Inleiding Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) besluit Dienst Toeslagen het [Besluit bestuursrecht Toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041450) (2020-246270) zoals laatst gewijzigd op 16 December 2020 in te trekken en te vervangen door dit besluit. 1.1. Toepassingsbereik Deze beleidsregel (hierna: beleidsbesluit) ziet op de formeelrechtelijke aspecten van de uitvoering van inkomensafhankelijke regelingen door de Dienst Toeslagen. Beleidsregels van de Dienst Toeslagen over procesrechtelijke aspecten van de uitvoering van de hersteloperatie toeslagen zijn vastgelegd in [Besluit procesrecht herstel toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049945). 1.2. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: 2. Beleidsregels 3. Procesvertegenwoordiging 3.1. Procesvertegenwoordigers 3.2. Aanwezigheid ter zitting 3.3. Bijstand 3.4. Achterwege blijven van de mondelinge behandeling De procesvertegenwoordiger kan op voorstel van de rechtbank of Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State instemmen met het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. De procesvertegenwoordiger stemt in als de feiten en omstandigheden voldoende vaststaan (er is sprake van een zuivere rechtsvraag) en een mondelinge behandeling geen toegevoegde waarde heeft. De procesvertegenwoordiger stemt zijn besluit af met de vaktechnisch coördinator. In hoger beroepszaken wordt het besluit tevens afgestemd met monitoring hoger beroep. 3.5. Monitoring hoger beroep Monitoring hoger beroep publiceert – als zij daartoe aanleiding ziet – onderschriften in gevallen waarin wordt afgezien van het instellen van hoger beroep tegen een uitspraak van een rechtbank die in het nadeel is van Dienst Toeslagen. 4. Vaststellingsovereenkomst 5. Herziening buiten de vijfjaren termijn In het kader van de rechtszekerheid bevat [artikel 5a, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoerin"},{"i":2804,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2008 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,875 procent; en voor het rendement in de maand augustus 2008 als volgt te lezen: ‘Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,875 procent, in plaats van 4,75 procent.’ Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de bere"},{"i":4255,"b":"Besluit van den 13den Februarij 1815, no. 60, omtrent de vereischten en voorregten van den Adelstand binnen de Vereenigde Nederlanden Ten gevolge der voordragt door Ons ontvangen van den Hoogen Raad van Adel, in dato 12 October 1814, no. 49; En daarop gehad hebbende het advies van den Raad van State, in dato 13 Januarij ll., no. 5; Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen, zoo als bij deze bepaald wordt: Artikel 1 Dat tot den Adelstand in de onderscheidene Provinciën gerekend zullen worden te behooren, zoo wel de genen die door Ons in de ridderschappen of edelen dier Provinciën respectivelijk benoemd en geädmitteerd zijn of verder tot op het in werking komen der reglementen, vermeld bij art. 77 der grondwet, benoemd en geädmitteerd worden zullen, benevens hunne wettige afstammelingen, als alle die genen welke bij vervolg door Ons in den Adelstand zullen worden erkend, ingelijfd of verheven, insgelijks met hunne wettige afstammelingen; Artikel 2 Dat in alle publieke en particuliere documenten, ten aanzien der personen tot den Adelstand behoorende en voor zoo verre door Ons aan dezelve geenen anderen of meerderen titel mogt zijn toegekend of verleend, zal worden gebezigd de titulature van **Jonkheer** en **Hoog Welgeboren**; Artikel 3 Dat dezelve personen zullen bevoegd zijn tot het openlijk voeren en gebruiken van een erkend adelijk wapen; en Artikel 4 Dat een edelman in de geheele Provincie, alwaar hij woonachtig is, tot de jagt is gekwalificeerd, zonder aan eenig vereischte van betaling eener zekere somme in 's lands lasten of van gegoedheid onderworpen te zijn. Reserverende Wij Ons, om wanneer de door de Provinciale Staten aan Onze goedkeuring te onderwerpen reglementen voor de Hoog-Heemraadschappen, in deliberatie zullen komen, nader te statuëren, of, en in hoe verre in de zamenstelling dier kollegiën, naar gelang van ieders bijzondere omstandigheden aan de leden van de ridderschappen of edelen eenig aandeel behoort te worden toegekend. En zal deze kopijelijk w"},{"i":13693,"b":"Besluit van 15 december 2004, houdende instemming met de landsverordening van de Nederlandse Antillen van 16 september 2004 tot wijziging van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen Op de voordracht van Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 13 december 2004, 2004-0000046628, CZW/WSG; Gelet op [artikel 44 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=44); [Artikel 10 van het Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=10) voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Met de landsverordening van 16 september 2004 tot wijziging van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen wordt ingestemd. Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen zal worden geplaatst."},{"i":11953,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 juni 2018, houdende de beperking van de openbaarheid van een aantal inventarisnummers van het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Tsjechoslowakije/Tsjechië, Ambassade Praag (1956-) 1975–2013 (Besluit beperking openbaarheid ambassadearchief Praag) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, b en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de nationale rijksarchivaris d.d. 22 mei 2018, nr. 1252353; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Opheffing beperking per 1 januari: | | --- | --- | | 75 | 2087 | | 97 | 2085 | | 98 | 2071 | | 99 | 2071 | | 100 | 2087 | | 101 | 2071 | | 103 | 2072 | | 104 | 2073 | | 105 | 2024 | | 106 | 2044 | | 107 | 2055 | | 109 | 2078 | | 110 | 2086 | | 111 | 2074 | | 113 | 2079 | | 114 | 2082 | | 115 | 2080 | | 116 | 2083 | | 117 | 2085 | | 118 | 2088 | | 119 | 2086 | | 120 | 2088 | | 121 | 2088 | | 336 | 2070 | | 337 | 2088 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Opheffing beperking per 1 januari: | | --- | --- | | 21 | 2040 | | 240 | 2052 | | 241 | 2056 | | 331 | 2052 | | 332 | 2053 | | 333 | 2082 | | 334 | 2085 | | 341 | 2043 | | 349 | 2045 | | 352 | 2045 | | 353 | 2045 | | 354 | 2045 | | 358 | 2044 | | 361 | 2044 | | 362 | 2044 | | 401 | 2044 | Artikel 3 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen o"},{"i":14268,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 februari 2017, nr. WJZ/17023701, houdende invoering van de verplichting tot betaling van een geldsom (Regeling fosfaatreductieplan 2017) Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=13) en [artikel 2 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **houder:** houder als bedoeld in [artikel 1 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=1) van runderen, die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking; - b. **I&R-systeem:** I&R-systeem rund als bedoeld in [artikel 14, onderdeel a, van de Regeling identificatie en registratie van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014538&artikel=14); - c. **rund:** vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar, vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd of rund dat ten minste eenmaal heeft gekalfd, waarbij onder rund wordt verstaan een dier als bedoeld in [artikel 1, onderdeel n, van de Regeling identificatie en registratie van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014538&artikel=1), met uitzondering van runderen die behoren tot de soorten Bison bison en Bubalus bubalus, en dat is geregistreerd in het I&R-systeem; - d. **referentieaantal:** aantal runderen van de houder dat op 2 juli 2015 in het I&R-systeem is geregistreerd verminderd met 4%, behoudens het bepaalde in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=7&z=2020-01-01&g=2020-01-01) en [9, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=9&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - e. **doelstellingsaantal:** aantal runderen dat overeenkomt met het aantal runderen van de houder dat op 1 oktober 2016 in het I&R-systeem is geregistreerd verminderd met het krachtens [artikel 3](https://wetten.overh"},{"i":15701,"b":"Wet van 27 februari 1992, houdende bepalingen inzake de beëdiging van de ministers, de staatssecretarissen en de leden van de Staten-Generaal bij de aanvaarding van hun ambt Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge [artikel 47 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=47) (**Stb.** 1985, 453) de ministers, de staatssecretarissen en de leden van de Staten-Generaal alvorens hun betrekking te aanvaarden, een eed of belofte van trouw aan de Koning en het Statuut afleggen en dat voorts ingevolge de [artikelen 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=49) en [60 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=60) (**Stb.** 1987, 458), de wet dient te bepalen de wijze waarop de ministers, de staatssecretarissen en de leden der Staten-Generaal bij de aanvaarding van hun ambt een eed dan wel verklaring en belofte afleggen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Bij de aanvaarding van hun ambt leggen de ministers en de staatssecretarissen ten overstaan van de Koning de volgende eden of verklaringen en beloften af: \"Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot minister (staatssecretaris) te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840). Ik zweer (beloof) dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal vervullen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig!\" (Dat verklaar"},{"i":15738,"b":"Wet van 6 december 2023, houdende regels inzake de coördinatie ten aanzien van terrorismebestrijding en de bescherming van de nationale veiligheid ten behoeve van het verhogen van de weerbaarheid tegen dreigingen en risico’s (Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke grondslag te bieden voor de coördinatie ten aanzien van terrorismebestrijding en de bescherming van de nationale veiligheid ten behoeve van het verhogen van de weerbaarheid tegen dreigingen en risico’s en daarbij de nodige waarborgen op te nemen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Definities In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie en Veiligheid; - –. **Visumcode:** [verordening 810/2009/EG](32009R0810) van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (PbEU 2009, L 243). Artikel 2. Coördinatietaak 1. Onverminderd de taken en bevoegdheden van betrokken overheidsorganisaties op grond van de op hen toepasselijke wetgeving, coördineert Onze Minister de samenhang en effectiviteit van het beleid en de door overheidsorganisaties te nemen maatregelen in het kader van terrorismebestrijding en de bescherming van de nationale veiligheid, met het oog op het verhogen van de weerbaarheid tegen dreigingen en risico’s, het beschermen van de nationale veiligheidsbelangen en het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting. 2. De in het eerste lid bedoelde taak ziet op: - a. het bevorderen van de samenwerking tussen betrokken overheidsorganisaties en maatschappelijke organisaties; - b. het bevorderen van de"},{"i":15739,"b":"Wet van 17 december 2009 tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot invoering van een procedure voor deelgeschillen ter bevordering van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade (Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) aan te passen ter bevordering van de buitengerechtelijke afhandeling van letselen overlijdensschade; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IV Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel V Onze Minister van Justitie zendt binnen vier jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027833&artikel=I&z=2010-07-01&g=2010-07-01) van deze wet in de praktijk. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade. Artikel VII Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15740,"b":"Wet van 21 december 2022 tot wijziging van de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten tot invoering van een grondslag voor het niet in rekening brengen van invorderingsrente in specifieke gevallen (Wet delegatiebepaling geen invorderingsrente in specifieke gevallen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een grondslag in te voeren in de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) op grond waarvan bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in specifieke gevallen geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht in verband met uitzonderlijke omstandigheden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel II Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel III Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel IIIa Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de in [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047705&artikel=II&z=2023-01-01&g=2023-01-01) opgenomen wijziging van [artikel 28 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=28) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wijziging in de praktijk. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet delegatiebepaling geen invorderingsrente in specifieke gevallen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15741,"b":"Wet van 22 januari 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering tot verbetering van de regeling van de positie van de deskundige in het strafproces (Wet deskundige in strafzaken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is aanvullende bepalingen op te nemen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) ter verbetering van de regeling van de positie van de deskundige in het strafproces; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als de Wet deskundige in strafzaken. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15748,"b":"Wet van 21 december 2022 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Invorderingswet 1990 ter bestrijding van belastinguitstel en -afstel als gevolg van excessief lenen bij een eigen vennootschap (Wet excessief lenen bij eigen vennootschap) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is fiscale maatregelen te treffen ter bestrijding van het door middel van het aangaan van leningen tussen de aanmerkelijkbelanghouder en zijn vennootschap uitstellen en afstellen van de heffing en invordering van inkomstenbelasting; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet excessief lenen bij eigen vennootschap. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15749,"b":"Wet van 13 november 2019, houdende regels inzake een uniform experiment met teelt en verkoop van hennep en hasjiesj voor recreatief gebruik in een gesloten coffeeshopketen (Wet experiment gesloten coffeeshopketen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om te voorzien in wet- en regelgeving ten behoeve van een uniform experiment met het telen van hennep en hasjiesj voor recreatief gebruik met als doel om te bezien of en hoe op kwaliteit gecontroleerde hennep en hasjiesj gedecriminaliseerd aan de coffeeshops in een gesloten coffeeshopketen kunnen worden afgeleverd en wat de effecten daarvan zijn; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **hennep:** hennep als bedoeld op lijst II bij de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941); - **hasjiesj:** hasjiesj als bedoeld op lijst II bij de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941); - **coffeeshop:** coffeeshop als bedoeld in [artikel 6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=6a&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **gesloten coffeeshopketen:** een keten waarin de teelt van hennep of hasjiesj voor recreatief gebruik en de aflevering aan en verkoop daarvan in een coffeeshop, dan wel enige andere in dat verband verrichte handeling, bedoeld in [artikel 3, onderdelen B en C, van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=3), plaatsvindt; - **Onze Ministers:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 2 Er vindt een experiment plaats met op kwaliteit gecontroleerde teelt van hennep en hasjiesj voor recreatief gebruik en de aflevering aan en verkoop daarvan in een coffeeshop in een"},{"i":15750,"b":"Wet van 7 juli 1994, houdende vaststelling van de Wet explosieven voor civiel gebruik Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan [richtlijn nr. 93/15/EEG](31993L0015) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (**PbEG** L 121); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij:** aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van [verordening 2019/1020](32920R2019); - **accreditatie:** accreditatie zoals gedefinieerd in artikel 2, tiende lid, van verordening (EG) nr. 765/2008; - **beveiliging:** voorkoming van het illegale gebruik van explosieven; - **bijzondere explosieven:** explosieven die onverpakt of in pompwagens worden vervoerd en geleverd om rechtstreeks in het schietgat te worden gelost en explosieven die worden vervaardigd op de plaats waar zij tot ontploffing worden gebracht en die, nadat zij geproduceerd zijn, onmiddellijk worden geladen; - **CE-markering:** markering waarmee de fabrikant aangeeft dat het desbetreffende explosief in overeenstemming is met alle toepasselijke eisen van de harmonisatiewetgeving van de Europese Unie die in het aanbrengen ervan voorziet; - **distributeur:** natuurlijk of rechtspersoon in de toeleveringsketen, anders dan de fabrikant of importeur, die een explosief op de markt aanbiedt; - **essentiële veiligheidseisen:** essentiële veiligheidseisen als bedoeld in bijlage II bij richtlijn 2014/28/EU; - **EU-conformiteitsverklaring:** verklaring als bedoel"},{"i":15751,"b":"Wet van 3 februari 2005 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met een regeling over de behandeling van klachten over bestuursorganen door een ombudsman, alsmede daarmee samenhangende wijziging van de Wet Nationale ombudsman, de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wet extern klachtrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het, gelet op de [artikelen 78a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=78a), en [107, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=107) wenselijk is de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) aan te vullen met bepalingen inzake de behandeling van klachten door een ombudsman, alsmede dat het wenselijk is te voorzien in een landelijk dekkend stelsel van externe klachtvoorzieningen en in verband daarmee wijzigingen aan te brengen in de [Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372), de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416), de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645), de [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108) en de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Wet Nationale ombudsman. Artikel III Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IV Wijzigt de Provinciewet. Artikel V Wijzigt de Waterschapswet. Artikel VI Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel VIa Wijzigt de Wet algmene regels herindeling. Artikel VIb Wijzigt de Wet aanvulling Algemene wet bestuursrecht met een regeling over de behandeling van klachten door bestuursorganen. A"},{"i":15752,"b":"Wet van 22 november 1972, houdende regeling van het financieel statuut van het Koninklijk Huis Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge artikel 22 in samenhang met additioneel [artikel VIII van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=VIII), de wet regels dient te stellen ter zake van de uitkeringen die de Koning jaarlijks ten laste van het Rijk ontvangt en dient te bepalen aan welke andere leden van het Koninklijk Huis uitkeringen worden toegekend, waarbij deze uitkeringen dienen te worden geregeld, terwijl het mede met het oog daarop noodzakelijk is voorzieningen te treffen met betrekking tot de opheffing van het Kroondomein, bedoeld in de Wet van 1 mei 1863, **Stb.** 43; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De Koning en de na te noemen andere leden van het Koninklijk Huis ontvangen jaarlijks de volgende geldelijke uitkeringen: de Koning € 4 757 359 de echtgenote van de Koning € 821 946 de vermoedelijke opvolger van de Koning, te rekenen vanaf de leeftijd van 18 jaar € 1 281 313 de echtgenote of de echtgenoot van de vermoedelijke opvolger van de Koning € 578 077 de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan € 1 288 730 de echtgenoot of de echtgenote van de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan € 492 918 vermeerderd of verminderd in elk jaar waarover de uitkering wordt genoten: - –. voor het gedeelte van de uitkering dat betrekking heeft op het inkomensbestanddeel, vermeld onder A van de in het tweede lid opgenomen tabel, in de verhouding waarin de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State in dat jaar afwijkt van de bezoldiging in het jaar 2007; - –. voor de helft van het gedeelte van de uitkering dat betrekking heeft op personele en materiële kosten, vermeld onder B van de in het tw"},{"i":15753,"b":"Wet van 25 maart 1994, houdende nieuwe regels inzake de financiële betrekkingen met het buitenland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in verband met de totstandkoming van de Europese Unie, nieuwe regels inzake de financiële betrekkingen met het buitenland vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. ingezetenen: - 1. natuurlijke personen, die hun woonplaats in Nederland hebben en in de bevolkingsregisters zijn opgenomen; - 2. rechtspersonen, vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen die in Nederland zijn gevestigd of kantoor houden, alsmede rechtspersonen, vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen die niet in Nederland zijn gevestigd doch wel vanuit Nederland worden bestuurd, voor zover de Bank zulks bepaalt; - 3. in Nederland gevestigde filialen, bijkantoren en agentschappen, voor zover niet reeds vallende onder 2; - 4. natuurlijke personen van Nederlandse nationaliteit, voor zover niet vallende onder 1, die op hun verzoek door Onze Minister als ingezetene zijn aangewezen; - b. niet-ingezetenen: natuurlijke personen, rechtspersonen, vennootschappen, filialen, bijkantoren, agentschappen en bedrijven, niet vallende onder de omschrijving \"ingezetenen\"; - c. Gemeenschap: de Europese Gemeenschap; - d. lid-staat: een staat die lid is van de Gemeenschap; - e. derde land: een staat die geen lid is van de Gemeenschap; - f. Verdrag: het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; - g. de ECB: de Europese Centrale Bank bedoeld in artikel 4a van het Verdrag; - h. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; - i. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V.. Artikel 2 1. Onze Minister kan aan de Bank algemene richtlijnen geven, di"},{"i":15754,"b":"Wet van 1 december 2011, houdende regels met betrekking tot de financiële markten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het toezicht op die markten (Wet financiële markten BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede met het oog op een functionele inrichting van het toezicht, wenselijk is om de bij de staatkundige hervorming als wetten van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba overgenomen landsverordeningen betreffende het toezicht op financiële ondernemingen te vervangen door een op de openbare lichamen toegesneden algemene wet voor het toezicht op de financiële markten, met bijzondere aandacht voor de positie van de consument; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. **Inleidende bepalingen** Artikel 1:1. (begripsbepalingen) In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: - **aanbieden:** het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk: - a. doen van een voldoende bepaald, tot een consument of cliënt gericht voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst inzake een financieel product dan wel aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst; - b. doen van een voldoende bepaald, tot meer dan een persoon gericht voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst tot het kopen of anderszins verkrijgen van effecten dan wel een uitnodiging tot het doen van een aanbod op effecten; - **adviseren:** het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aanbevelen van één of meer specifieke financiële producten of effecten aan een bepaalde consument of cliënt; - **adviseur:** degene die adviseert; - **Autoriteit Financiële Markten:** Stichting Autoriteit Financiële Mark"},{"i":15758,"b":"Wet van 30 juli 1953, houdende een regeling met betrekking tot de toekenning van vergoedingen aan publiekrechtelijke en met een publiekrechtelijk lichaam gelijkgestelde lichamen terzake van schaden tengevolge van de op 31 januari/1 februari 1953 plaats gehad hebbende stormvloed Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om een wettelijke regeling te treffen met betrekking tot de toekenning van vergoedingen aan publiekrechtelijke en met een publiekrechtelijk lichaam gelijkgestelde lichamen terzake van schaden tengevolge van de op 31 Januari/1 Februari 1953 plaats gehad hebbende stormvloed; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder stormvloedschade: elke schade, welke binnen Nederland als gevolg van overstromingen tengevolge van de op 31 Januari/1 Februari 1953 plaats gehad hebbende stormvloed is toegebracht aan goederen, met dien verstande, dat daaronder niet wordt begrepen schade, welke zich openbaart na een door Ons voor een gebied vastgesteld tijdstip. Dit tijdstip zal tenminste vijf jaar na het droogvallen van het desbetreffende gebied liggen. Artikel 2 Voor de vergoeding van schaden tengevolge van de op 31 Januari/1 Februari 1953 plaats gehad hebbende stormvloed is de [Wet Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002068) van overeenkomstige toepassing, behoudens de volgende afwijkingen: - a. waar in die wet wordt gesproken van oorlogsschade wordt hiervoor gelezen stormvloedschade; - b. [artikel 1, sub **a,**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002116&artikel=1&z=1953-08-19&g=1953-08-19) en de artikelen 11 tot en met 13, 16 en 17 dier wet zijn niet van toepassing; - c. in artikel 14 dier wet wordt in plaats van de woorden \"schaden tengevolge van de oorlo"},{"i":15761,"b":"Wet van 8 november 2001, houdende regels betreffende terbeschikkingstelling en gebruik van foetaal weefsel (Wet foetaal weefsel) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen omtrent de voorwaarden waaronder terbeschikkingstelling en gebruik van foetaal weefsel toelaatbaar is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. menselijke vrucht: resultaat van de samensmelting van menselijke geslachtscellen; - c. foetaal weefsel: bestanddelen die deel uitmaken van een na een zwangerschapsduur van minder dan vierentwintig weken levenloos ter wereld gekomen dan wel binnen vierentwintig uur na de geboorte overleden menselijke vrucht of van delen daarvan; - d. vrouw: de vrouw uit wie de menselijke vrucht ter wereld is gekomen. 2. Deze wet is niet van toepassing op het bewaren en gebruiken van foetaal weefsel voor pathologisch-anatomisch onderzoek ten behoeve van de vrouw. Artikel 2 1. Het bewaren en gebruiken van foetaal weefsel is slechts toegestaan ten behoeve van: - a. geneeskundige doeleinden, medisch- of biologisch-wetenschappelijk onderzoek of medisch- of biologisch-wetenschappelijk onderwijs, of - b. de opsporing en vervolging van een misdrijf als bedoeld in de [artikelen 241](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=241), [243](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=243) en [245 tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=241), dat vermoedelijk heeft geleid tot de zwangerschap waarvan het foetaal weefsel afkomstig is. 2. Gebruik van foetaal weefsel is niet toegestaan voor geneeskundige behandeling van door de vrouw aangewezen personen. Art"},{"i":15762,"b":"Wet van 21 december 1995, houdende instelling van een Fonds economische structuurversterking Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter financiering van investeringsprojecten van nationaal belang waarmee beoogd wordt de economische structuur te versterken, een begrotingsfonds in te stellen, waarin een deel van de aardgasbaten afzonderlijk zal worden beheerd, en dat op grond van [artikel 2 van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=2) (**Stb.** 1992, 351) de instelling van een begrotingsfonds bij de wet dient te geschieden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een Fonds economische structuurversterking, hierna te noemen: het fonds. 2. Het fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in [artikel 2.11, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.11). 3. Onze Ministers van Economische Zaken en Klimaat en van Financiën beheren de begroting van het fonds. Artikel 2 1. De ontvangsten van het fonds worden gevormd door: - a. 41,5 procent van de niet-belastingontvangsten van de staat, verkregen uit de winning van koolwaterstoffen; - b. het bedrag dat overeenkomt met de rentelasten die bespaard worden als gevolg van het in mindering brengen op de staatsschuld van de in het derde lid omschreven opbrengsten; - c. inkomsten van de staat voortvloeiend uit of verbandhoudend met de aanleg of de exploitatie van de Betuweroute en de HSL-Zuid, tot ten hoogste het nominale bedrag uit het Fes dat is besteed voor de voorfinanciering van de geraamde private bijdragen in de aanleg; - d. andere door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat in overeenstemming met Onze Minister van Financiën voor het fonds te bestemmen inkomsten van de staat voortvloeiend uit of"},{"i":15763,"b":"Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van regels omtrent de franchiseovereenkomst (Wet franchise) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels vast te stellen betreffende franchise ter versteviging van de positie van de franchisenemer jegens de franchisegever; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel IIa Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de effecten van deze wet op de groei van de franchisesector, de ruimte voor innovatie en de samenwerking binnen die sector. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet franchise. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15764,"b":"Wet van 2 oktober 2013, houdende regels met betrekking tot het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer en in het rechtsverkeer (Wet gebruik Friese taal) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een taalwet de positie van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer en in het rechtsverkeer te verankeren en de gelijke rechten van de Nederlandse taal en de Friese taal binnen de provincie Fryslân te waarborgen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De officiële talen in de provincie Fryslân zijn het Nederlands en het Fries. Artikel 2a Gelet op de gezamenlijke verantwoordelijkheid en zorgplicht voor de Friese taal en cultuur maken het Rijk en de provincie Fryslân periodiek bestuursafspraken ter uitwerking van de verantwoordelijkheid inzake de Friese taal en cultuur. Vanwege de internationale verdragsafspraken op dit terrein kunnen de bestuursafspraken ook voor de Friese taal en cultuur relevante beleidsterreinen omvatten die liggen buiten het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer en in het rechtsverkeer. Hoofdstuk 2. Gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer Artikel 3 1. Een ieder kan de Friese taal gebruiken in het verkeer met bestuursorganen, voor zover deze in de provincie Fryslân zijn gevestigd, alsmede met de onder hun verantwoordelijkheid werkzame personen. 2. Het eerste lid geldt niet indien het bestuursorgaan heeft verzocht de Nederlandse taal te gebruiken op de grond dat het gebruik van de Friese taal tot een onevenredige belasting van het bestuurlijk verkeer zou leiden. Artikel 4 1. Bestuursorganen en de onder hun verantwoo"},{"i":15774,"b":"Wet van 30 juni 2011 tot goedkeuring van ministeriële regelingen tot aanpassing van wetten van Nederlands-Antilliaanse oorsprong voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet goedkeuring ministeriële regelingen BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge [artikel 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=19), en [artikel 20, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=20) de Regeling wijziging IBES-lijst BES, de Aanpassingsregeling BES-wetten, de Tweede aanpassingsregeling BES-wetten, de [Regeling internationale kinderontvoering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029041) en de [Regeling interlandelijke adoptie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028793) zijn vastgesteld en dat ingevolge [artikel 21, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=21) deze ministeriële regelingen bij wet dienen te worden goedgekeurd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De volgende ministeriële regelingen worden goedgekeurd: - a. de Regeling wijziging IBES-lijst; - b. de Aanpassingsregeling BES-wetten; - c. de Tweede aanpassingsregeling BES-wetten; - d. de Regeling internationale kinderontvoering BES; - e. de [Regeling interlandelijke adoptie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028793); - f. de [Regeling internationale kinderbescherming BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029041) en - g. de Regeling tot aanpassing van een aantal BES-wetten. Artikel 2 Deze wet wordt aangehaald als: Wet goedkeuring ministeriële regelingen BES. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met inga"},{"i":15775,"b":"Wet van 29 juni 1978, houdende goedkeuring en uitvoering van de op 1 september 1970 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst inzake het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (ATP), met Bijlagen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de op 1 september 1970 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst inzake het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (ATP), met Bijlagen, ingevolge [artikel 60, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=60) de goedkeuring der Staten-Generaal behoeft alvorens te kunnen worden bekrachtigd; dat zodanige bekrachtiging het stellen van regelen ter uitvoering van de Overeenkomst vereist; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De op 1 september 1970 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst inzake het internationaal vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (ATP), met Bijlagen, waarvan de Engelse en Franse tekst en de vertaling in het Nederlands in **Tractatenblad** 1972, 112 zijn geplaatst, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. \"Overeenkomst\": de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=1&z=1998-01-01&g=1998-01-01) genoemde Overeenkomst; - b. \"aan bederf onderhevige levensmiddelen\": de in de Bijlagen 2 en 3 van de Overeenkomst genoemde levensmiddelen welke kennelijk bestemd zijn voor menselijke consumptie; - c. \"grensoverschrijdend vervoer\": vervoer van goederen waarbij tenminste de grens tussen twee landen wordt overschreden van de plaats van inlading t"},{"i":15776,"b":"Wet van 9 januari 1985, houdende vaststelling van de grenzen van de territoriale zee van Nederland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het bijzonder voor de veiligheid van de scheepvaart voor onze kust en voor de bescherming van het zeemilieu van belang is dat Nederland zijn territoriale zee tot twaalf zeemijlen uitbreidt; Dat het tevens wenselijk is ter gelegenheid van deze uitbreiding preciseringen aan te brengen in de grens tussen de binnenwateren en de territoriale zee van Nederland; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De territoriale zee van Nederland strekt zich uit tot de lijn, waarvan elk punt gelegen is op een afstand van twaalf internationale zeemijlen, zijnde tweeëntwintig kilometer en tweehonderd vierentwintig meter, gemeten zeewaarts vanaf het dichtstbijgelegen punt van de laagwaterlijn langs de kust, met dien verstande dat, waar geheel of gedeeltelijk binnen deze afstand van deze laagwaterlijn een natuurlijk gevormde, bij eb droogvallende bodemverheffing is gelegen, die bij hoogtij onder water komt, gemeten wordt vanaf het dichtstbijgelegen punt van de laagwaterlijn van die bodemverheffing. 2. De laagwaterlijn is de dieptelijn van nul meter, zoals aangegeven op de grootschalige Nederlandse zeekaarten, uitgegeven vanwege de Minister van Defensie. Artikel 2 1. De laagwaterlijn langs de kust vormt, met de in het tweede en vierde lid genoemde basislijnen, voor zover deze zeewaarts daarvan zijn gelegen, de grens tussen de binnenwateren en de territoriale zee van Nederland. 2. Basislijnen worden getrokken door de bogen van de grootcirkels die over de kortste afstand de hierna te noemen punten verbinden: - a. In de mond van de Westerschelde: Punt A, snijpunt van de Nederlands-Belgische landgrens met de laagwaterlijn, voor de toepassing va"},{"i":15785,"b":"Wet van 28 november 2018 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten in verband met de herziening van het kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars (Wet herstel en afwikkeling van verzekeraars) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars te herzien; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel IV Wijzigt de Faillissementswet. Artikel V Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VI Wijzigt de Pensioenwet. Artikel VII Wijzigt de Wet giraal effectenverkeer. Artikel VIII Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel IX Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel X Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel XI Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Artikel XII Wijzigt de Mededingingswet. Artikel XIII Wijzigt de Bankwet 1998. Artikel XIV 1. Op de opvang van een levensverzekeraar op grond van [artikel 3:151 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:151) zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van [Artikel I, onderdeel U](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041732&artikel=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), die in werking is gesteld voor het tijdstip van de inwerkingtreding van Artikel I, onderdeel U, blijven de bepalingen van toepassing zoals die golden voor dat tijdstip. 2. Op een overdrachtsplan als bedoeld in [artikel 3:159c van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:159c) zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van [Artikel I, onderdeel U"},{"i":15786,"b":"Wet van 29 oktober 1992, tot herverdeling van het wegenbeheer over Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen en daarmee samenhangende herziening van de financiering van de wegenzorg Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, zowel voor een efficiëntere organisatie van de wegenzorg als in het licht van het streven naar decentralisatie, wenselijk is wijziging te brengen in de verdeling van openbare wegen over Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen, dat bovendien het verschaffen van de in de Wet Uitkeringen Wegen (**Stb.** 1966, 367) geregelde uitkeringen moet worden beëindigd, en dat het wenselijk is in samenhang hiermee wijziging te brengen in de financiële verhouding tussen deze overheden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. overgangsdatum: de krachtens [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005697&hoofdstuk=III&artikel=10&z=2024-01-01&g=2024-01-01), van deze wet vastgestelde datum; - c. brug: een civieltechnisch bouwwerk dat een weg door middel van een overspanning met daarop de wegverharding of het wegdek leidt over een weg of een oppervlaktewater; - d. tunnel: een civieltechnisch bouwwerk waarmee een weg door of onder een weg of een oppervlaktewater wordt geleid of waarmee een oppervlaktewater door of onder een weg wordt geleid, mits dit bouwwerk niet tevens een weg door middel van een overspanning met daarop de wegverharding of het wegdek leidt over een weg of een oppervlaktewater. Artikel 2 1. De wegen onderscheidenlijk bruggen in de zin van deze wet zijn alleen de wegen onderscheidenlijk bruggen die in beheer zijn bij het Rijk, een provincie, een ge"},{"i":15788,"b":"Wet van 25 juni 2014 tot wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet op het kindgebonden budget, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet studiefinanciering 2000 en enige andere wetten in verband met hervorming en versobering van de kindregelingen (Wet hervorming kindregelingen) Hoofdstuk 1. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Artikel 01. [Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018471) Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel I. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IV. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel V. [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel VI. [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel VII. [Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751) Wijzigt de Wet op het kindgebonden budget. Artikel VIIa. [Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Artikel VIII. [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Wet werk en bijstand. Hoofdstuk 2. Ministerie van Financiën Hoofds"},{"i":15794,"b":"Wet van 18 juli 2019 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van enige andere wetten in verband met de herziening van het stelsel van partneralimentatie (Wet herziening partneralimentatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het stelsel van partneralimentatie te herzien en dat daarvoor het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten wijziging behoeven; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel III Wijzigt de Participatiewet. Artikel IV Onze Minister voor Rechtsbescherming zendt binnen acht jaren na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V 1. De [artikelen 157](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=157) en [401](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=401), zoals deze artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op een uitkering tot levensonderhoud, die voor dat tijdstip door de rechter is vastgesteld of tussen partijen is overeengekomen. 2. De [artikelen 157](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=157) en [401](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=401), zoals deze artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op een verzoek tot vaststelling of wijziging van een uitkering tot levensonderhoud, indien het inleidende verzoekschrift is ingediend voor dat tijdstip. 3. Op een uitkering tot levensonderhoud die vóór 1 juli 1994 door de rechter is vastgesteld of door partijen is overeengekomen, is [artikel II van de Wet van 28 april 1994"},{"i":15819,"b":"Wet van 15 mei 2013 tot intrekking van de Wet op de Raad voor de Wadden en de Wet op het Waddenfonds Artikel I De [Wet op de Raad voor de Wadden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014072) wordt ingetrokken. Artikel II De [Wet op het Waddenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020858) wordt ingetrokken. Artikel III Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IIIa Wijzigt de Wijzigingswet Wet ruimtelijke ordening, enz. (voorzien in wettelijke grondslag voor provinciaal medebewind en mogelijkheid tot afwijking van algemene regels). Artikel IV 1. De [artikelen I tot en met III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033474&artikel=I&z=2014-11-01&g=2014-11-01) treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en werken terug tot en met 1 januari 2012. 2. [Artikel IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033474&artikel=IIIa&z=2014-11-01&g=2014-11-01) treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel 2.2.1, onderdeel F, van het bij koninklijke boodschap van 30 december 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033316&artikel=2.2.1) (33 135) in werking treedt. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Waddenfonds te decentraliseren naar de provincies Fryslân, Groningen en Noord-Holland en de Raad voor de Wadden niet langer als afzonderlijk adviescollege te laten voortbestaan; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren die"},{"i":15820,"b":"Wet van 4 oktober 2017 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enkele andere wetten met het oog op het omvormen van het Associate degree-programma tot zelfstandige opleiding en het toevoegen van het niet-bekostigd onderwijs aan het diplomaregister (Wet invoering associate degree-opleiding) Artikel I. Wijziging van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel II. Wijziging van de [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel III. Wijziging van de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393) Wijzigt de Wet studiefinanciering BES. Artikel IV. Wijziging van de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel V. Wijziging van de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel VA. Wijziging van de [Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066) Wijzigt de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Artikel VB. Wijziging van het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel VI. Samenloopbepalingen Wijzigt deze wet. Artikel VII. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld en kan ten aanzien van [artikel II, onderdeel P](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040090&artikel=II&z=2018-01-01&g=2018-01-01), terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip. Artikel VIII. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet invoering associate deg"},{"i":15822,"b":"Wet van 14 november 2018 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten in verband met het geboorteverlof en het aanvullend geboorteverlof teneinde bij te dragen aan de ontwikkeling van de band tussen de partner van de moeder en het kind en tevens de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt te vergroten alsmede uitbreiding van het adoptie- en pleegzorgverlof (Wet invoering extra geboorteverlof) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het recht op verlof van de partner van de moeder bij de geboorte van een kind uit te breiden teneinde de ontwikkeling van de band tussen hen te bevorderen en tevens de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt te versterken en het adoptie- en pleegzorgverlof uit te breiden; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel II Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Artikel III Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel IV Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel V Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel VI Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel VII Wijzigt de Ziektewet. Artikel VIII Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041646&artikel=I&z=2020-07-01&g=2020-07-01), van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IX 1. De uitbreiding van het recht op verlof in verband met adoptie of het opnemen van een pleegkind, bedoeld in [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041646&artikel=I&z=2020-07-01&g=2020-07-01), van deze wet, is van toepassing, indien de feitelijke opneming ter"},{"i":15824,"b":"Wet inzake bevolen of toegelaten vrijheidsbeneming BES Artikel 1 Tot vrijheidsbeneming bij wettelijke voorschriften bevolen of toegelaten kan, met uitzondering van eene woning, waarvan de toegang door den bewoner wordt geweigerd, elke plaats waar de te vatten persoon zich bevindt, worden betreden door de tot aanhouding bevoegde openbare macht. Artikel 2 Tot vrijheidsbeneming in de zin van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028584&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) kan, buiten de gevallen als bedoeld in het [Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681), de tot aanhouding bevoegde openbare macht zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner slechts binnentreden in een woning, waarin de te vatten persoon zich bevindt of verondersteld wordt zich te bevinden, dan met overeenkomstige toepassing van [Titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&titeldeel=X), met uitzondering van [artikel 155, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=155), [156, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=156), [157, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=157), en [artikel 158, eerste lid, laatste zinsnede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=158). Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 Tot vrijheidsbeneming in de zin van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028584&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) kan, behalve in het geval van ontdekking op heterdaad, niet worden binnengetreden: - a. in de vergaderruimten van een van de eilandsraden, gedurende de vergadering; - b. in de ruimten bestemd voor godsdienstoefeningen of bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, gedurende de godsdienstoefeningen of bezinningssamenkomst; - c. in de ruimten waarin terechtzittingen worden gehouden, gedurende de terechtzitting. Artikel 4a Op vrijheidsbenemi"},{"i":15825,"b":"Wet van 4 december 1997, houdende regelen met betrekking tot de organisatie van de bloedvoorziening (Wet inzake bloedvoorziening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet inzake bloedtransfusie te vervangen door een Wet inzake bloedvoorziening in verband met het instellen van één landelijke organisatie voor bloedvoorziening; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALING Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. Bloedvoorzieningsorganisatie: de krachtens [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2023-10-05&g=2023-10-05), aangewezen rechtspersoon; - c. rechtspersonen die producten niet gebruiken voor toediening aan de mens: rechtspersonen: - 1°. die producten uitsluitend gebruiken ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, educatie of het valideren van diagnostische of medische hulpmiddelen, - 2°. die producten niet gebruiken voor toediening aan de mens, en - 3°. die enkel producten afleveren of afgeleverd krijgen voor zover het belang van een doelmatige voorziening in de behoefte aan producten daardoor niet wordt geschaad; - d. donor: persoon die een deel van zijn bloed of een bestanddeel van een deel van zijn bloed afstaat voor gebruik in het kader van de geneeskundige behandeling van andere personen, ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of ten behoeve van rechtspersonen die producten niet gebruiken voor toediening aan de mens; - e. inzamelen van bloed: het werven, oproepen en keuren van donoren en het bij donoren afnemen van bloed, bloedcellen of bloedplasma; - f. product: menselijk bloed, alsmede daaruit afgescheiden bestanddelen, waaraan al dan nie"},{"i":15826,"b":"Wet inzake erkenning rechtspersoonlijkheid vreemde vennootschappen BES Artikel 1 De wetgeving van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba neemt niet de werkelijke zetel in aanmerking, als bedoeld in artikel 2 van het op 1 juni 1956 te ’s-Gravenhage gesloten Verdrag nopens de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van vreemde vennootschappen, verenigingen en stichtingen. Artikel 2 [vervallen] Artikel 3 Deze wet wordt aangehaald als: Wet inzake erkenning rechtspersoonlijkheid vreemde vennootschappen BES."},{"i":15828,"b":"Wet van 26 februari 1998 tot uitvoering van het op 1 maart 1991 te Montreal tot stand gekomen Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan (Wet inzake het merken van kneedspringstoffen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van het op 1 maart 1991 te Montreal tot stand gekomen Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan (Trb. 1991, 127, en 1992, 80); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. het verdrag: het op 1 maart 1991 te Montreal tot stand gekomen Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan; - b. binnenkomen en uitgaan: het binnen het grondgebied van Nederland komen, respectievelijk het verlaten van het grondgebied van Nederland. 2. De in deze wet voorkomende uitdrukkingen hebben dezelfde betekenis als in het verdrag. Artikel 2 Het is verboden springstoffen, die niet zijn gemerkt met een bij regeling van Onze Ministers van Justitie en van Defensie aangewezen opsporingsmiddel: - a. te vervaardigen; - b. te doen binnenkomen of te doen uitgaan; - c. op te slaan, te gebruiken, over te brengen of te verhandelen. Artikel 3 Indien daartoe een erkenning als bedoeld in [artikel 17 van de Wet explosieven voor civiel gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803&artikel=17) is verleend, is [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009407&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) niet van toepassing met betrekking tot springstoffen in beperkte hoeveelheden, uitsluitend voor: - a. onderzoek naar, ontwikkeling van of het doen van proeven met nieuwe of gewijzigde springstoffen; - b. opleidingen in het opsporen van springstoffen en ontwikkeling v"},{"i":15837,"b":"Wet van 24 juli 2010 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, de Leegstandwet, en enige andere wetten in verband met het verder terugdringen van kraken en leegstand (Wet kraken en leegstand) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is kraken en leegstand verder terug te dringen en daartoe het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854), de [Leegstandwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403) en enige andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt de Leegstandwet. Artikel III Wijzigt de Huisvestingswet. Artikel IV Wijzigt de Wijzigingswet Huisvestingswet (mogelijkheid van bestuurlijke boete voor enkele overtredingen). Artikel V Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel VI Wijzigt de Uitleveringswet. Artikel VIA Onze Minister van Justitie zendt in overeenstemming met Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel VIII Deze wet wordt aangehaald als: Wet kraken en leegstand. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15839,"b":"Wet van 24 september 2025, houdende wijziging van de Kieswet, houdende regels over taken van de Kiesraad met het oog op de bevordering van de kwaliteit van de uitvoering van het verkiezingsproces (Wet kwaliteitsbevordering uitvoering verkiezingsproces) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de bevordering van de kwaliteit van de uitvoering van het verkiezingsproces noodzakelijk is om de Kiesraad een belangrijke ondersteunende, instruerende en beoordelende rol in het verkiezingsproces te geven met bijpassende taken en bevoegdheden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kieswet. Artikel II Wijzigt deze wet. Artikel III Wijzigt de Kieswet. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet kwaliteitsbevordering uitvoering verkiezingsproces. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15848,"b":"Wet van 13 januari 1983, houdende machtiging tot deelneming door Nederland in de Eerste Aanvulling der Middelen van het Internationale Fonds voor Agrarische Ontwikkeling (IFAD) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, ten laste van 's Rijks schatkist voor het Koninkrijk der Nederlanden bij te dragen in de Eerste Aanvulling der Middelen van het Internationale Fonds voor Agrarische Ontwikkeling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister voor Ontwikkelingssamenwerking wordt gemachtigd om het nodige te verrichten, opdat ten laste van 's Rijks schatkist voor het Koninkrijk der Nederlanden - -. voor een totaal bedrag van f 98 230 000 (acht en negentig miljoen tweehonderd en dertig duizend gulden) wordt bijgedragen in de Eerste Aanvulling der Middelen van het Internationale Fonds voor Agrarische Ontwikkeling. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15852,"b":"Wet maritiem beheer BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - b. **gezagvoerder:** de kapitein van een schip of degene die hem als zodanig vervangt; - c. **scheepsbeheerder:** degene die het beheer over een schip heeft, hetzij hij eigenaar, reder of boekhouder van de rederij van het schip is, hetzij het schip hem in rompbevrachting of anderszins in gebruik is gegeven; - d. **schip:** elk vaartuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als middel van vervoer te water, met inbegrip van een zeevissersschip, een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een drijvend platform, een verplaatsbare boorinstallatie, een baggermolen, een drijvende kraan, een ponton en elk ander drijvend werktuig, drijvend voorwerp of drijvende inrichting van soortgelijke aard, gedurende de tijd dat het drijft; - e. **bestuurscollege:** bestuurscollege van een openbaar lichaam; - f. **luchtvaartuig:** elk vaartuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als middel van vervoer door de lucht; - g. **bouwwerk:** elk bouwsel door menselijk toedoen tot stand gebracht in de zin van artikel 60, eerste lid, van het VN-Zeerechtverdrag, geen schip zijnde; - h. **offshore-installatie:** elk vast of drijvend bouwwerk dat zich bevindt in de territoriale wateren of de exclusieve economische zone rond de eilanden Bonaire, Sint Eustatius of Saba, en wordt gebruikt ten behoeve van de exploratie, exploitatie of productie van aardgas of aardolie, dan wel het laden of lossen van aardolieproducten; - i. **maritiem archeologisch erfgoed:** alle onder water gelegen, vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde alsmede terreinen welke van algemeen belang zijn vanwege de daar aanwezige voornoemde zaken; - j. **zee:** al"},{"i":15855,"b":"Wet van 30 november 2006, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot medezeggenschap op scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs (Wet medezeggenschap op scholen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet medezeggenschap onderwijs 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746) te vervangen door een nieuwe wet, aangezien het, in het belang van het goed functioneren van de school, bedoeld in de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) en de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399), wenselijk is het overleg met en de vertegenwoordiging van het personeel en de ouders en leerlingen van de school te verbeteren mede in het licht van de vergroting van de autonomie van besturen van die scholen, dat het tevens wenselijk is de medezeggenschap bij centrale diensten als bedoeld in genoemde wetten en regionale expertisecentra als bedoeld in de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) zoveel mogelijk dienovereenkomstig te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Deze wet verstaat onder: - a. «Onze Minister»: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. «school»: een school als bedoeld in de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549), de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) en de [Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":15862,"b":"Wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de versterking van de positie van de referent in het reguliere vreemdelingenrecht en versnelling van de vreemdelingenrechtelijke procedure (Wet modern migratiebeleid) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de positie van de referent in het reguliere vreemdelingenrecht te versterken en de reguliere vreemdelingenrechtelijke procedure te versnellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel III Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel IV Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel V Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel VI Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel VII Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel VIII Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel IX Wijzigt deze wet. Artikel X Wijzigt deze wet. Artikel XI 1. Op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt als referent in de zin van [artikel 2c van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2c) erkend de onderneming of rechtspersoon waarmee Onze Minister voor de inwerkingtreding van deze wet een convenant met betrekking tot de uitvoering van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) heeft gesloten, voor zover in de periode van een jaar direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet ter uitvoering van dat convenant een machtiging tot voorlopig verblijf of een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) is verleend. 2. Met Onze Minister gesloten convenanten al"},{"i":15865,"b":"Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen (Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen te moderniseren teneinde een gelijk speelveld te bevorderen en zodoende zo veel mogelijk ongewenste verstoringen van de concurrentieverhoudingen te voorkomen tussen enerzijds private ondernemingen en anderzijds daarmee concurrerende directe overheidsondernemingen (ondernemingen die worden gedreven door publiekrechtelijke rechtspersonen) of indirecte overheidsondernemingen (volledig door publiekrechtelijke rechtspersonen beheerste privaatrechtelijke lichamen); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel V Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VI Wijzigt de Wijzigingswet enkele belastingwetten c.a. 1998 (fiscale milieuversterking). Artikel VII In afwijking van [artikel 8e, derde lid, eerste volzin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8e) wordt het verzoek, bedoeld in artikel 8e, tweede lid, van die wet, indien het eerste boekjaar waarover het lichaam de toepassing van artikel 8e, eerste lid, van genoemde wet achterwege wil laten vóór 1 januari 2018 aanvangt, uiterlijk achttien maanden na afloop van dat eerste boekjaar gedaan. De eerste volzin is van overeenkomstige t"},{"i":16153,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 maart 2010, nr. WJZ/176918 (8276), houdende wijziging van de Regeling behandeling bezwaarschriften OCW in verband met het samengaan van CFI en de IB-Groep tot de Dienst Uitvoering Onderwijs alsmede wijziging van de Regeling vaste vergoeding voorzitters Commissie voor bezwaarschriften OCW Gelet op de [artikelen 7:2 tot en met 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10), [artikel 4, eerste lid, van het Besluit vergoedingen adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279) en [artikel 6 van de Regeling behandeling bezwaarschriften OCW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023195&artikel=6); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling behandeling bezwaarschriften OCW. Artikel II Wijzigt de Regeling vaste vergoeding voorzitters Commissie voor bezwaarschriften OCW. Artikel III [Artikel 1, tweede lid, van de Regeling vaste vergoeding voorzitters Commissie voor bezwaarschriften OCW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026035&artikel=1), zoals dat artikel luidde op 31 januari 2010, blijft van toepassing met betrekking tot de afhandeling van betalingsverplichtingen die voor die datum zijn ontstaan. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat: - a. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027459&artikel=I&z=2010-04-01&g=2010-04-01) in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, en daarbij terugwerkt tot en met 1 januari 2010; en - b. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027459&artikel=II&z=2010-04-01&g=2010-04-01) in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, en daarbij terugwerkt tot en met 1 februari 2010. Deze regeling zal met de toel"},{"i":16230,"b":"Wet van 21 april 1988, tot wijziging van de Warenwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de in de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) vervatte voorzieningen te verruimen ten behoeve van een doeltreffender bewaking van de goede hoedanigheden van waren, alsmede van een grotere duidelijkheid voor de afnemer en met name een goede voorlichting van de consument en tevens de bemoeienis van de besturen der gemeenten, onderscheidenlijk de besturen der provincies met betrekking tot de keuring van waren te doen vervallen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Warenwet. Artikel II Vervallen Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Wijzigt de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. Artikel V Wijzigt de Wet Gevaarlijke Stoffen. Artikel VI Wijzigt de Kernenergiewet. Artikel VII Wijzigt de Vleeskeuringswet. Artikel VIII Wijzigt de Diergeneesmiddelenwet. Artikel IX De tekst van de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) wordt door Onze Minister van Volksgezondheid Volksgezondheid en Cultuur overgebracht in de wettelijke spelling, van een doorlopende nummering voorzien en door Onze Minister van Justitie in het Staatsblad geplaatst. De in de wetten genoemd in de [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040825&artikel=III&z=2018-11-17&g=2018-11-17), [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040825&artikel=IV&z=2018-11-17&g=2018-11-17), [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040825&artikel=V&z=2018-11-17&g=2018-11-17), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040825&artikel=VI&z=2018-11-17&g=2018-11-17), [VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040825&artikel=VII&z=2018-11-17&g=2018-11-17), en [VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040825&artikel="},{"i":16518,"b":"Administratief Accoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 28 October 1952 te 's-Gravenhage ondertekende Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek inzake sociale verzekering, voor wat betreft de mijnwerkers Voor de toepassing van artikel 31 van het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek inzake sociale verzekering, ondertekend te 's-Gravenhage op 28 October 1952 (hierna genoemd „het Verdrag”), hebben de hoogste Nederlandse en Italiaanse administratieve autoriteiten, vertegenwoordigd door: **van Nederlandse zijde:** de Heer J. G. Suurhoff, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, **van Italiaanse zijde:** de Heer Ezio Vigorelli, Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg, in gemeen overleg de navolgende regels vastgesteld met betrekking tot de wijze van toepassing van dat Verdrag op de mijnwerkers. TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 Dit Accoord bevat nadere voorschriften met betrekking tot de wijze van toepassing van het Verdrag op de Italiaanse of Nederlandse onderdanen, die arbeid verrichten of verricht hebben in de mijnen van het ene of van het andere land, alsmede op hun rechtverkrijgenden en op de Italiaanse of Nederlandse onderdanen, die achtereenvolgens of om beurten werkzaam zijn geweest in de mijnen van het ene en van het andere land, alsmede op hun rechtverkrijgenden. Artikel 2 Het Algemeen Administratief Accoord van 11 Februari 1955 met betrekking tot de wijze van toepassing van het Verdrag is van toepassing op de arbeiders, bedoeld in artikel 1 en op hun rechtverkrijgenden, onder voorbehoud van de bepalingen van dit Accoord. Artikel 3 Voor de toepassing van het Verdrag worden als mijnen beschouwd de Italiaanse ondernemingen, die onderworpen zouden zijn aan de Nederlandse bijzondere regeling inzake het pensioenstelsel der mijnwerkers indien zij in Nederland gevestigd waren, te weten: - 1). de steenkolenmijnen; - 2). de fabrieken van bij-producten van"},{"i":16667,"b":"Beleidsregels van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 september 2011, nr. CZ-3082275, ter uitvoering van artikel 6, derde lid, van de Tijdelijke wet ambulancevoorziening Gelet op [artikel 6, derde lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Tijdelijke wet ambulancezorg in werking treedt. Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 Ten behoeve van de aanwijzing als Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 6, eerste en tweede lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6) worden naast de eisen in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg, de eisen gehanteerd, zoals voor een Regionale Ambulancevoorziening opgenomen in de hierna volgende artikelen. Artikel 2 In de hierna volgende artikelen wordt verstaan onder: - a. **A1-rit:** een spoedeisende rit in opdracht van de centralist in geval van acute bedreiging van de vitale functies van de patiënt of in het geval dit gevaar pas na beoordeling door het ambulanceteam ter plaatse kan worden uitgesloten; - b. **ambulancebijstandsplan:** protocol inzake de organisatie van de bovenregionale bijstand van ambulances; - c. **directeur publieke gezondheid:** de directeur publieke gezondheid, bedoeld in [artikel 14 van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=14); - d. **gewondenspreidingsplan:** overzicht van de medische behandelcapaciteit van ziekenhuizen; - e. **partners in de zorgketen:** huisartsen, verloskundigen, GGZ-instellingen en ziekenhuizen, inclusief de traumacentra, in de regio; - f. **referentiekader spreiding en beschikbaarheid:** referentiekader spreiding en beschikbaarheid als bedoeld in de bijlage bij deze beleidsregels; - g. **ROAZ:** het Regionaal Overleg Acute Zorg, ingesteld ingevolge [artikel 4 van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":19079,"b":"Reclasseringsbesluit 1953 BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **instelling of reclasseringsinstelling:** de in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde, rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging of stichting, wier statuten, stichtingsbrieven of reglementen het aanwenden van reclasseringspogingen voorschrijven of gedogen voor zover ze een bereidverklaring overeenkomstig [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028398&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2010-10-10&g=2010-10-10) heeft afgelegd en deze door Onze Minister is aanvaard; - **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie; - **Raad:** de Raad voor de rechtshandhaving bedoeld in [artikel 2 van de Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028075&artikel=2); - **gestichtshoofd:** het hoofd van de betreffende strafgevangenis of het betreffende huis van bewaring; - **voorwaardelijke veroordeling:** de veroordeling waarbij de straf, tenzij de rechter later anders beveelt, geheel of gedeeltelijk niet zal worden ten uitvoer gelegd; - **voorwaardelijk veroordeelde:** de veroordeelde bij zodanige veroordeling. 2. Dit besluit berust op de [artikelen 17d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=17d) en [20 van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=20) en [artikel 15 van de Gratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004257&artikel=15). Artikel 2 1. Onze Minister draagt er zorg voor dat reclasseringswerkzaamheden worden uitgevoerd. 2. Met het oog op deze taak kan Onze Minister steun aan particuliere bemoeiingen geven. Hoofdstuk II. De particuliere bemoeiingen Artikel 3 1. De steun aan particuliere bemoeiingen bestaat in: - a. het treffen van maatregelen ter bevordering van de reclassering; - b. het verlenen van subsidies ter tegemoetkoming in de kosten van de reclassering. 2. Voor deze steun komen uitsluitend instellingen in aanmerking"},{"i":16668,"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2009 Gelet op de [artikelen 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=33) en [34 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34) en [Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3) en [Hoofdstuk 3 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&hoofdstuk=3); Gelezen de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 september 2008 Z/F-2880603; Heeft in zijn vergadering van 23 maart 2009 besloten: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. **college:** het College voor zorgverzekeringen; - b. **risicoklasse naar leeftijd en geslacht:** een een- of meerjarige leeftijdsklasse, verdeeld naar geslacht, overeenkomstig [tabel B4.1 van Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4), [tabel B5.1 van Bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5), [tabel 6.1 van Bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6) en [tabel 7.1 van Bijlage 7 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=7); - c. **aard van het inkomenklasse:** een klasse gebaseerd op de aard van het inkomen en de leeftijd van een verzekerde, overeenkomstig [tabel B4.4 van Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4), [tabel B5.4 van Bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5), [tabel 6.4 van Bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6) en [tabel 7.2 van Bijlage 7 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=7); - d. **regioklasse:** een klasse gebaseerd op de postcode van het adres waar een verze"},{"i":12035,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 juni 2018, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van het consulaat in Basel, Zwitserland, 1946–1973 (Besluit Beperking Openbaarheid consulaat Basel, Zwitserland) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algmene rijksarchivaris d.d. 22 mei 2018, kenmerk nr. 1355514; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing openbaarheid beperking per 1 januari van het jaar | | --- | --- | | 19 | 2050 | | 20 | 2045 | | 21 | 2040 | | 22 | 2028 | | 23 | 2036 | | 24 | 2029 | | 25 | 2024 | | 26 | 2024 | | 27 | 2028 | | 28 | 2025 | | 29 | 2031 | | 30 | 2028 | | 31 | 2024 | | 32 | 2023 | | 33 | 2025 | | 34 | 2022 | | 35 | 2028 | | 36 | 2033 | | 37 | 2029 | | 39 | 2024 | | 40 | 2030 | | 41 | 2023 | | 42 | 2033 | | 46 | 2025 | | 48 | 2033 | | 49 | 2041 | | 50 | 2044 | | 52 | 2024 | | 54 | 2028 | | 70 | 2024 | | 71 | 2033 | | 95 | 2023 | | 102 | 2022 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041080&artikel=1&z=2018-06-28&g=2018-06-28), is tot openbaring uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. (De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging van de inventarisnummers volgens de procedures die gelden voor inzage in archieven met (bijzondere) persoonsgegevens). Artikel 3 He"},{"i":16713,"b":"Aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 oktober 2012, MC-U-3138396 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering prestatiebekostiging in de forensische zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) en [artikel 7a van het Besluit van 27 maart 2012 tot wijziging van het Interimbesluit forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029333&artikel=7a) (Stb. 2012, 134); Na op 15 juni 2012 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 32 398, nr. 16) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gezien het verslag van een schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 24 september 2012 (Kamerstukken II 2012/13, 32 398, nr. 17); Gezien het verslag van een schriftelijk overleg van 18 oktober 2012 van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken I 2012/13, 32 398, nr. B); Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **Interimbesluit forensische zorg:** [Interimbesluit forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029333) (Stb. 2010, 875), gewijzigd bij Besluit van 27 maart 2012 tot wijziging van het Interimbesluit forensische zorg (Stb. 2012, 134); - e. **forensische zorg:** forensische zorg in strafrechtelijk kader als bedoeld in [artikel 2 van het"},{"i":16792,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 augustus 2016 nr. BOACAT2016/053, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen in het domein Werk, Inkomen en Zorg Gelezen het verzoek van de directie Handhaving van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen van 19 juli 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038461&artikel=2&z=2016-11-01&g=2016-11-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van ‘Themaonderzoeker’ in dienst van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, kunnen worden aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, als genoemd in [onderdeel 10.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsam"},{"i":18138,"b":"Besluit herinneringsmedaille vrijwillige politie 1948-1998 In overeenstemming met de Minister van Justitie, overwegende dat de Vrijwillige Politie en zijn voorgangers, de Reserve Rijkspolitie en de Reserve Gemeentepolitie, in 1998 vijftig jaar bestaan en dat het wenselijk is ter gelegenheid daarvan een herinneringsmedaille uit te geven; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 De medaille wordt toegekend aan: - a. degene die in 1998 vrijwillig ambtenaar van politie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder d, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007321&artikel=1), is of is geweest; - b. degene die betrokken is bij de organisatie van het jubileum van de vrijwillige politie in 1998. Artikel 3 De medaille wordt toegekend en uitgereikt door of namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, danwel: - a. de korpsbeheerder aan de onder hem ressorterende personen als bedoeld in [artikel 2, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009643&artikel=2&z=1999-02-28&g=1999-02-28); - b. het hoofdbestuur van de Landelijke Organisatie van Politie Vrijwilligers aan personen als bedoeld in [artikel 2, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009643&artikel=2&z=1999-02-28&g=1999-02-28). Artikel 4 1. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de korpsbeheerder of het hoofdbestuur van de Landelijke Organisatie van Politie Vrijwilligers dient een aanvraag voor de medaille, de op naam gestelde oorkonde alsmede de baton als bedoeld in [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009643&artikel=5&z=1999-02-28&g=1999-02-28), in bij de Kanselarij der Nederlandse Orden. 2. In de aanvraag wordt vermeld naam, geslacht, woonplaats, geboortedatum en geboorteplaats van de persoon aan wie de medaille wordt toegekend. 3. De Kanselarij der Nederlandse Orden verstrekt de uitreikende instantie de medaille, de oorkonde en de baton. 4. De verstrekking ge"},{"i":17042,"b":"Besluit van 3 oktober 2022, houdende regels met betrekking tot verplicht elektronisch doen van verzoeken en mededelingen en de indiening en verzending van processtukken inzake een kinderbeschermingsmaatregel en jeugdhulp Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 11 juli 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4097194, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op het [artikel 33, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=33); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 31 augustus 2022, nummer W16.22.00093/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 28 september 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4221451, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Verzoeken, mededelingen en de indiening en verzending van processtukken inzake een kinderbeschermingsmaatregel en jeugdhulp als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1) worden elektronisch gedaan, tenzij technische belemmeringen dit tijdelijk onmogelijk maken. 2. Dit besluit is van toepassing op de rechtbanken, de raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen, bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verplicht elektronisch procederen inzake een kinderbeschermingsmaatregel en jeugdhulp. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17121,"b":"Instellingsbesluit agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Aan het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg wordt de status van agentschap, als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10), verleend. 2. De tenaamstelling van het agentschap komt te luiden: agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2003. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18087,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, voor deze de secretaris-generaal van het ministerie van Algemene Zaken, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor deze de Algemene Rijksarchivaris, d.d. 18 januari 2010, houdende beperking van de openbaarheid van bescheiden uit het in 2003 naar het Nationaal Archief overgebrachte archief van het Ministerie voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk (1942–1946), het Kabinet van de Minister-President (1946–1947) en het Ministerie van Algemene Zaken, Kabinet van de Minister-President (1947–heden), over het tijdvak (1924)1942–1979 (1989) Overwegende dat de bij [Besluit van 10 februari 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014689), nr. 03M449318, Stcrt. 42, met het oog op de bescherming van het belang van de staat en zijn bondgenoten gestelde beperkingen aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief overgebrachte archiefbescheiden welke geborgen zijn onder inventarisnummer 7049 van het Archief van het Ministerie voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk (1942–1946), het Kabinet van de Minister-President (1946–1947) en het Ministerie van Algemene Zaken, Kabinet van de Minister-President (1947–heden), over het tijdvak (1924) 1942–1979 (1989) zijn komen te vervallen; Overwegende dat het betreffende inventarisnummer documenten bevat waarin gegevens zijn opgenomen die met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen verdere beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 3 van het eerder genoemde besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014689&artikel=3) van 10 februari 2003; Gelet op het feit dat de Minister van Algemene Zaken een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de expiratiedatum van de beperkende bepalingen van inventarisnummer 7049; Gelet op het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 12 januari 2010; Gelet op [artikel 15, eerste en tweede lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":17296,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 maart 2023, nr. WJZ/37384724 (ID14608), houdende regels voor het verstrekken van eenmalige specifieke uitkeringen aan gemeenten en eenmalige subsidies aan provinciale ondersteuningsinstellingen ten behoeve van het realiseren van toekomstbestendige lokale bibliotheekvoorzieningen (Regeling eenmalige specifieke uitkeringen en subsidies lokale bibliotheekvoorzieningen) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) en [artikel 21 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=21); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en doel van de regeling Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **afhaalpunt:** al dan niet bemande locatie waar geen collectie van werken aanwezig is en waar het publiek fysieke werken kan afhalen; - **beperkte bibliotheekvoorziening:** servicepunt, mini-servicepunt, bibliobus, zelfbedieningslocatie of afhaalpunt; - **bibliobus:** mobiele bus of vrachtwagen waarin een collectie van werken aanwezig is en die op vaste tijden op een of meer locaties in een gemeente staat voor het aanbieden van bibliotheekdiensten; - **bibliotheekvestiging:** vestiging van een lokale bibliotheek waar een collectie van werken aanwezig is, die de functies genoemd in de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=5) en [8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=8) verricht en die meer dan vijftien uur per week bemand geopend is; - **bibliotheekvoorziening:** bibliotheekvestiging of beperkte bibliotheekvoorziening; - **lokale bibliotheek:** organisatie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=1); - **mini-servicepunt:** locatie waar een collectie van werken aanwezig is en die ten minste één en ten ho"},{"i":16841,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 24 oktober 2016 tot het verlenen van mandaat en volmacht aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om namens de Minister van Financiën enkele handelingen te verrichten die voortvloeien uit de Wet van 21 April 1955, houdende vaststelling van een regeling, als bedoeld in artikel 89a van de Comptabiliteitswet (Stb. 1927, No. 259), ten aanzien van de ‘Stichting tot verzorging en afwikkeling van pensioensaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen’ Gelet op [afdeling 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=10.1); Besluit: Artikel 1 Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt mandaat en volmacht verleend voor: - a. de goedkeuring van de ontwerpbegroting van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de wet van 21 April 1955, houdende vaststelling van een regeling, als bedoeld in artikel 89a van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002180&artikel=3) (Stb. 1927, No. 259), ten aanzien van de ‘Stichting tot verzorging en afwikkeling van pensioensaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen’; - b. de goedkeuring van wijzigingen in de samenstelling of werkzaamheden van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, zoals omschreven in [artikel 3 van de bijlage](onbekend) (Stb. 189, 1955) van bovengenoemde wet; - c. het wijzigen van de statuten dan wel opheffen van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen conform [artikel 8 van de bijlage](onbekend) (Stb. 189, 1955) van bovengenoemde wet; - d. de goedkeuring van het jaarverslag, de balans, de rekening van baten en lasten en de kapitaalsrekening, zoals omschreven in artikel 7 lid 2 zoals omschreven in de statuten van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen van"},{"i":16894,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2015 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op 6,00%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2015. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":3405,"b":"Besluit van 4 november 2020, houdende regels met betrekking tot de compensatie van de transitievergoeding bij beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming vanwege pensionering of overlijden van de werkgever (Besluit compensatie transitievergoeding bij beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 april 2020, nr. 2020-00050219; Gelet op [artikel 673e, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673e); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 mei 2020, no. W12.20.0111/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 november 2020, nr. 2020-0000126424 Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **compensatie:** vergoeding als bedoeld in [artikel 673e, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673e); - **compensatie vanwege pensionering:** vergoeding als bedoeld in [artikel 673e, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1°, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673e); - **compensatie vanwege overlijden:** vergoeding als bedoeld in [artikel 673e, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 3°, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673e); - **directeur-grootaandeelhouder:** hetgeen daaronder wordt verstaan krachtens [artikel 6, vierde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=6), [artikel 3:17, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:17), [artikel 6, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&ar"},{"i":19280,"b":"Wet beginselen gevangeniswezen BES Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie; - b. **gedetineerden:** de personen, ingesloten in een gevangenis, een huis van bewaring of in een door Onze Minister aangewezen instelling; - c. **onveroordeelden:** de personen, niet krachtens veroordeling tot straf of maatregel, ingesloten in een van de gestichten, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01). Hoofdstuk II. Indeling der gestichten Artikel 2 De gestichten of afdelingen van de gestichten worden onderscheiden in gevangenissen, huizen van bewaring en door Onze Minister aangewezen instellingen. Artikel 3 1. Onze Minister wijst de gestichten of afdelingen van gestichten aan, die bestemd zijn voor gevangenis, huis van bewaring en een door Onze Minister aangewezen instelling. 2. Voor de opneming van vrouwelijke gedetineerden worden afzonderlijke gestichten of afdelingen van gestichten aangewezen. 3. Onze Minister kan huizen van bewaring en in bijzondere gevallen andere gestichten aanwijzen, waarin zowel mannen als vrouwen worden opgenomen. In die gevallen worden mannen en vrouwen gescheiden ondergebracht. Artikel 4 1. In de gevangenissen wordt, behoudens het bepaalde in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&hoofdstuk=III&artikel=11&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en het bepaalde in [artikel 29 van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=29), uitsluitend de gevangenisstraf ten uitvoer gelegd. 2. In bijzondere gevallen kan Onze Minister hechtenis en militaire detentie, vervangende hechtenis en militaire detentie daaronder begrepen, in een gevangenis ten uitvoer doen leggen. Artikel 5 1. De huizen van bewaring zijn bestemd: - a. tot opneming van hen, die de straffen van hechtenis of van militaire detentie moeten ondergaan; - b. tot opnem"},{"i":18485,"b":"Besluit van 27 september 2010, houdende regels ter uitvoering van de Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijksbesluit rechtspositie leden openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 13 juli 2010, nr. 5656891/10/6; Gelet op de [artikelen 18, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028072&artikel=18), [26 van de Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028072&artikel=26); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 12 augustus 2010, nr. W03.10.0357/II/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 22 september 2010, nr. 5666928/10/6; De bepalingen van het [Statuut van het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt. Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze algemene maatregel van rijksbestuur en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **volledige arbeidsduur:** het aantal uren dat bij volledige vervulling van de functie per week gewerkt wordt; - **rijkswet:** [Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028072); - **salaris:** het bedrag waarop de leden van het openbaar ministerie in verband met het vervullen van het ambt van procureur-generaal, advocaat-generaal, hoofdofficier van justitie, officier van justitie of substituut-officier van justitie, met i"},{"i":17144,"b":"Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Overwegende, dat, overeenkomstig de in het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) verkondigde beginselen, erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld, Erkennende, dat deze rechten voortvloeien uit de inherente waardigheid van de menselijke persoon, Erkennende, dat, overeenkomstig de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008), het ideaal van de vrije mens, vrij van vrees en gebrek, slechts kan worden verwezenlijkt indien er omstandigheden worden geschapen, waarin een ieder zijn economische, sociale en culturele rechten, alsmede zijn burgerrechten en zijn politieke rechten kan uitoefenen, Overwegende, dat, krachtens het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), de Staten verplicht zijn de universele eerbied voor en de inachtneming van de rechten en vrijheden van de mens te bevorderen, Zich ervan bewust dat op de individuele mens, uit hoofde van de plichten die hij heeft tegenover anderen en tegenover de gemeenschap waartoe hij behoort, de verantwoordelijkheid rust te streven naar bevordering en inachtneming van de in dit Verdrag erkende rechten, Zijn overeengekomen als volgt: DEEL I Artikel 1 1. Alle volken bezitten zelfbeschikkingsrecht. Uit hoofde van dit recht bepalen zij in alle vrijheid hun politieke status en streven zij vrijelijk hun economische, sociale en culturele ontwikkeling na. 2. Alle volken kunnen ter verwezenlijking van hun doeleinden vrijelijk beschikken over hun natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen, evenwel onverminderd eventuele verplichtingen voortvloeiende uit internationale economische samenwerking, gegrondvest op het beginsel van wederzijds voordeel,"},{"i":19430,"b":"Besluit van 16 maart 2005 tot vaststelling van regels omtrent de verstrekking, berekening en verantwoording van de brede doeluitkering verkeer en vervoer (Besluit BDU verkeer en vervoer) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 december 2004, nr. HDJZ/S&W/2004/3108, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017828&artikel=4), [5, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017828&artikel=5), [10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017828&artikel=10), en [artikel 25 van de Wet BDU verkeer en vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017828&artikel=25), [artikel 9, eerste lid, van de Wet Infrastructuurfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006001&artikel=9), de [artikelen 82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=82) en [117 van de Wet Personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=117), [artikel 16, vijfde lid, van de Kaderwet bestuur in verandering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006620&artikel=16) en [artikel 17, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); De Raad van State gehoord (advies van 8 februari 2005, nr. W09.04.0619); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 maart 2005, nr. HDJZ/S&W/2005-756, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet BDU verkeer en vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017828); - b. uitkeringsontvanger: het openbaar lichaam dat een uitkering ontvangt als bedoeld in de wet. Hoofdstuk 2. Verstrekking van de uitkering Artikel 2. Verstrekking van de uitkering Onze Minister verstrekt uiterlijk in december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar de uitkering aan de uitkeringsontvanger. Art"},{"i":18390,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 26 juni 2023, nr. 2023-0000366768, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van het uitvoeren van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (Regeling kansrijke wijk) Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit van 29 oktober 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2), houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving (Stb. 2022, 452); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **alliantieoverleg:** een structureel overleg tussen een gemeente en andere publieke en private organisaties, onder aanvoering van de burgemeester, gericht op het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid in een stedelijk focusgebied; - **college:** college van burgemeester en wethouders van een ontvangende gemeente; - **gemeente:** een gemeente waarin een stedelijk focusgebied ligt; - **hoofdthema:** beleidsthema als bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048340&artikel=2&z=2023-10-01&g=2023-10-01); - **lokale coalitie:** groep van lokale partijen die gezamenlijk betrokken zijn bij de ontwikkeling en uitvoering van een lokaal programma met activiteiten buiten de reguliere onderwijstijd van een school, aangeboden ten behoeve van leerlingen op scholen met relatief veel leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand. Tot deze groep behoren tenminste de ontvangende gemeente, een school binnen die ontvangende gemeente en een lokale organisatie; - **Minister:** Minister voor Volkshuisvesting en Rui"},{"i":17502,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2009, nr. Z/VV-2973800, houdende vereenvoudiging van de administratieve procedures van de regeling voor gemoedsbezwaarden in de Zorgverzekeringswet Gelet op [artikel 70, tiende lid, Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=70); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel III 1. Verzoeken tot het doen van uitkeringen als bedoeld in [artikel 6.4.1 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.4.1), die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze regeling, komen ten laste van het saldo van de rekening van het jaar waarin de kosten zijn gemaakt. 2. Verzoeken tot het doen van uitkeringen als bedoeld in [artikel 6.4.1, vijfde lid, van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.4.1), die betrekking hebben op 2009 en die zijn ingediend na inwerkingtreding van deze regeling maar voor 1 april 2010, komen ten laste van het saldo van de rekening van het jaar 2009. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19528,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 27 maart, nr. IENM/BSK-2012/21437, houdende vaststelling van de eisen voor de praktijkexamens voor de rijbewijscategorieën C1, E bij C1, C en E bij C (Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën C1, E bij C1, C en E bij C) Gelet op richtlijn nr. 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PbEU L 403) en [artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A tot en met L, van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994, enz. (implementatie derde rijbewijsrichtlijn) in werking treedt. § 1. Eisen voor de praktijkexamens voor de rijbewijscategorieën C1 en E bij C1 Artikel 1 De eisen waaraan de aanvrager van het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie C1 en E bij C1 moet voldoen, zijn nader uitgewerkt in de bij deze regeling behorende bijlage Toetsmatrijs praktijkexamen C1, E bij C1, C en E bij C. § 2. Eisen voor de praktijkexamens voor rijbewijscategorieën C en E bij C Artikel 2 De eisen waaraan de aanvrager van het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie C en E bij C moet voldoen, zijn nader uitgewerkt in de bij deze regeling behorende bijlage Toetsmatrijs praktijkexamen C1, E bij C1, C en E bij C. § 3. Overige bepalingen Artikel 3 Het CBR draagt er zorg voor dat het resultaat van het examen aan de aanvrager bekend wordt gemaakt. Bij een onvoldoende examen wordt tevens aangegeven aan welke exameneisen de aanvrager niet heeft voldaan. Artikel 4 De [Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën C en E bij C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015606) wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel I, onderdelen A tot en met L, van de wet van 26 januari 2012 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993"},{"i":16956,"b":"Besluit van 27 september 2021 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2021 worden uitgegeven ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van het NOS Jeugdjournaal Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 22 september 2021, nr. 2021-00000186664, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van het NOS Jeugdjournaal zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en face, met de tekst «KONING DER NEDERLANDEN» langs de bovenzijde en «WILLEM-ALEXANDER» langs de onderzijde, ter linkerzijde het jaartal «2021», en ter rechterzijde het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt en het teken van de Muntmeester; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden een wereldkaart in perspectiefprojectie, en met de tekst «40 JAAR NOS JEUGDJOURNAAL» langs de bovenzijde en de tekst «10 EURO» respectievelijk «5 EURO» langs de onderzijde. 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in artikel 1. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 20 oktober 2021. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17691,"b":"Vaststelling selectielijst handelingen beleidsterrein Sociale Verzekeringen over de periode vanaf 1941 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2004, nr. arc-2003.6517/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Silicose Oud-Mijnwerkers en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Sociale Verzekeringen over de periode vanaf 1940’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst van de Stichting Silicose Oud-Mijnwerkers voor het beleidsterrein sociale verzekeringen, vanaf 1940 1. Inleiding Het PIVOT-rapport **Verstrekkende Zekerheid. Een institutioneel onderzoek op het beleidsterrein sociale zekerheid ten aanzien van de sociale verzekeringen, 1940–1997** vormt de grondslag voor deze selectielijst. Dit rapport institutioneel onderzoek (RIO) beschrijft de handelingen van de rijksoverheid op het deelterrein sociale verzekeringen van het beleidsterrein sociale zekerheid en geeft een overzicht van de actoren die zich op dit (deel)beleidsterrein bewegen. In het eerste deel van het institutioneel onderzoek sociale zekerheid werden reeds de handelingen en actoren opgenomen die het deelterrein sociale voorzieningen vormen. Het resultaat was het RIO **Sociale Voorzieningen. Een institutioneel onderzoek op het beleidsterrein sociale zekerheid ten aanzien van de sociale voorzieningen, 1940–1996.** De selectielijst is de verantwoording van het bewaar- en vernietigingsbeleid van archiefbescheiden door de Stichting Silicose Oud-Mijnwerkers. In de selectielijst is aan iedere handeling een waardering gegeven voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die betrekking hebben op die"},{"i":16957,"b":"Besluit van 4 oktober 2017, houdende vaststelling van diverse decentralisatie- en integratie-uitkeringen aan gemeenten en provincies voor het uitkeringsjaar 2015 en wijziging van het Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen (Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015) § 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten en provincies § 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten en provincies § 3. Wijziging van het [Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027383) Artikel 4 Wijzigt het Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen. § 2. Integratie-uitkeringen aan gemeenten Bijlage 1. behorend bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040102&paragraaf=1&artikel=1&z=2017-10-26&g=2014-01-01) van het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2. behorend bij [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040102&paragraaf=1&artikel=2&z=2017-10-26&g=2014-01-01) van het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 3. behorend bij [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040102&paragraaf=2&artikel=3&z=2017-10-26&g=2014-01-01) van het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 1 In het jaar 2015 ontvangen de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040102&bijlage=1&z=2020-10-20&g=2020-10-20) genoemde gemeenten de in die bijlage genoemde decentralisatie-uitkeringen. Artikel 2 In het jaar 2015 ontvangen de in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040102&bijlage=2&z=2020-10-20&g=2020-10-20) genoemde provincies de in die bijlage genoemde decentralisatie-uitkeringen. § 2. Integratie-uitkeringen aan gemeenten Artikel 3 In het jaar 2015 ontvangen de in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":18165,"b":"Besluit van 22 juni 2012, houdende de ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 juni 2012, 2012-0000332132, Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op [artikel 64 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=64) en [artikel F 2 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=F_2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ontbonden op donderdag 20 september 2012 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Artikel 2 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vindt plaats op dinsdag 31 juli 2012. Artikel 3 De eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer vindt plaats op donderdag 20 september 2012 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18903,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 2 augustus 2022 nr. BOACAT2022/054, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Noord-Holland, Team Buitengerechtelijke Afdoening Gelezen het verzoek van de Regionale Eenheid Noord-Holland van 22 juli 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047045&artikel=2&z=2024-07-17&g=2024-07-17). Artikel 2 1. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), werkzaam bij de afdeling Regionale Coördinatie Taken, Team Buitengerechtelijke Afdoening, in de functie van Assistent Intake en Service, medewerker Intake en Service, senior Intake en Service, generalist Intake en Service die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Noord-Holland. 2. Als buitengewoon o"},{"i":18453,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 9 november 2011, nr. 5715475/11/6, houdende vaststelling van de wettelijke rente voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba Gelet op [artikel 120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028749&artikel=120) en [artikel 1 van het Besluit wettelijke rente BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028339&artikel=1); Besluit: Artikel 1 De wettelijke rente als bedoeld in [artikel 120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028749&artikel=120) bedraagt 3%. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18454,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 20 juli 2005 inzake de vanwege de Staat uit te schrijven veiling van benzinestations langs rijkswegen (Regeling veiling benzinestations langs rijkswegen) Gelet op [artikel 5, derde lid, van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447&artikel=5); Besluit: § 1. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Wet: [Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447); - b. Domeinen: de dienst Domeinen van het Ministerie van Financiën; - c. De directeur Domeinen: de directeur van de regionale directie Domeinen West te Leiden; - d. Locatie: locatie als bedoeld in [artikel 1, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447&artikel=1); - e. Huurrecht: het recht als bedoeld in [artikel 5, eerste lid van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447&artikel=5) om met de Staat een huurovereenkomst als bedoeld in [artikel 3 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447&artikel=3) te sluiten; - f. Deelnemer: een partij die op grond van **Regeling toelating veiling benzinestations langs rijkswegen** is toegelaten tot de veiling; - g. Veiling: de openbare verkoop bij inschrijving van een afzonderlijk huurrecht; - h. Biedboek: informatie als bedoeld in [artikel 5, lid 4, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447&artikel=5), over locaties waarop de te veilen huurrechten betrekking hebben. § 2. Algemene bepalingen over de veiling Artikel 2. Onderwerp van de veiling Geveild worden één of meer huurrechten. Artikel 3. Veilingsystematiek Indien meer dan één huurrecht wordt geveild worden de huurrechten elk afzonderlijk en opeenvolgend geveild. De deelnemers zijn gerechtigd per huurrecht één bod in een gesloten envelop uit te brengen. Artikel 4. De veilingmeester 1. De directeur Domeinen wijst een veilingmeester aan. 2. De veilingmees"},{"i":19353,"b":"Wet van 9 juli 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Penitentiaire beginselenwet (plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de aanpak van stelselmatige plegers van misdrijven te verbeteren, te voorzien in een regeling inzake de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor deze plegers en de regeling inzake de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden daarin op te nemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel IV Onze Minister van Justitie zendt binnen vier jaren na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17078,"b":"Controleprotocol nacalculatie-opgave 2023 Wlz-zorgaanbieders **Aanpassingen in het kort** In dit protocol zijn ten opzichte van vorig jaar de volgende aanpassingen gedaan: Versie 1, december 2023 Artikel 1. Inleiding Zorgaanbieders die [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917)-zorg in natura leveren, moeten aan de NZa gegevens en inlichtingen verstrekken, waaronder een nacalculatie-opgave, zoals bedoeld in de [Regeling declaratievoorschriften, administratievoorschriften en informatieverstrekking Wlz 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048217). De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat een accountant een uitspraak doet over de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de aan de NZa verstrekte gegevens en inlichtingen. Dit controleprotocol stelt eisen aan het door de accountant uit te voeren onderzoek naar het met de geldende beleidsregels en regelingen van de NZa in overeenstemming zijn van de (Geconsolideerde) Totaal financieel gerealiseerde productie en de (Geconsolideerde) Totaal financiële realisatie overige onderdelen 2023. De accountant hanteert het controleprotocol als kader voor zijn werkzaamheden. Daarnaast voert de accountant zijn controle uit in overeenstemming met het Nederlands recht, waaronder de [Verordening gedrags- en beroepsregels accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635) (VGBA), de geldende beroepsvoorschriften van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA), de [Nadere Voorschriften Controle en Overige Standaarden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047740) (NV COS, bij verwijzingen aangeduid met ‘Standaard’). De controle van de nacalculatie-opgave 2023 is een controleopdracht van een specifiek element van een financieel overzicht (Standaard 805). Het doel van dit controleprotocol is niet om de aanpak van de controleopdracht voor te schrijven. De accountant is zelfstandig verantwoordelijk voor het uitvoeren van voldoende werkzaamheden ter verkrijging van voldoende controle-informatie dat de"},{"i":17036,"b":"Besluit verlenen mandaat en volmacht APG Service Partners B.V. (uitvoering bovenwettelijke uitkeringsregelingen en wachtgeldregelingen) Gelet op de [artikelen 10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:12 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Minister** :Minister voor Wonen en Rijksdienst; - **Opdrachtnemer:** APG Service Partners B.V.; - **Opdrachtgever:** De Staat der Nederlanden, in casu, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directoraat-Generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk, Directie Organisatie en Personeelsbeleid; - **Uitkeringsregelingen:** [Rijkswachtgeldbesluit 1959](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002326), [Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008114). Artikel 2 1. Opdrachtnemer is bevoegd om namens de Minister al die besluiten te nemen die Opdrachtgever bij of krachtens de Uitkeringsregelingen bevoegd is te nemen. 2. Opdrachtnemer is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de Uitkeringsregelingen namens de Minister te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. 3. Opdrachtnemer is bevoegd om inzake de uitvoering van de Uitkeringsregelingen namens de Minister in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie. Indien het een zaak betreft met een kennelijk aanmerkelijk financieel of rechtspositioneel belang, oefent Opdrachtnemer deze bevoegdheid niet uit dan na verkregen instemming van de Minister en in voorkomend geval de ex-werkgever van de wederpartij in de desbe"},{"i":18347,"b":"Besluit van het Presidium van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 23 september 2020 tot vaststelling van regels voor het archief- en informatiebeheer van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Regeling Archief- en Informatiebeheer TK 2020) Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14) Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt begrepen onder: - **Afgehandelde informatieobjecten:** informatieobjecten voortkomend uit een afgehandelde taak of afgerond project, die niet meer actueel zijn en in principe onveranderlijk. Deze informatieobjecten worden overgedragen aan de archiefbeheerder en opgeslagen in een archiefsysteem; - **Archiefvormende organisatieonderdelen:** een organisatieonderdeel van de Tweede Kamer, namelijk een directie, (staf-)dienst, stafbureau, griffie commissies, tijdelijke commissie, enquêtecommissie, functionaris (Griffier/beveiligingsambtenaar/CISO) en programmaorganisatie; - **Archief- en informatiebeheer:** de inrichting en uitvoer van het opslaan, het bewaren en beheren, het ontsluiten en ter beschikking stellen, en waar nodig, het overbrengen, verplaatsen, verwijderen of vernietigen van informatieobjecten met als doel de vindbaarheid, toegankelijkheid, authenticiteit en betrouwbaarheid van de informatieobjecten te waarborgen zolang als dat conform wet- en regelgeving nodig is; - **Archiefbeheerder:** de Dienst Informatie en Archief, verantwoordelijk voor de inrichting en uitvoering van het archiefbeheer; - **Deze regeling:** Regeling Archief- en Informatiebeheer Tweede Kamer der Staten-Generaal; - **Digitaal archiefsysteem/ record management applicatie:** een applicatie voor het duurzaam beheren (opslaan, bewaren, toegankelijk houden, vernietigen, overbrengen) van digitale informatieobjecten. Een informatiesysteem kan ook de functionaliteit van een archiefsysteem bevatten; - **Griffier:** het hoofd van de ambtelijke organisatie van"},{"i":16966,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 5 maart 2025, nr. IENW/BSK-2025/31098, houdende vaststelling van het plafond voor bijzondere uitkeringen 2025 op grond van de Regeling bijzondere uitkering water-, haven-, en luchtvaartinfrastructuur BES Gelet op [artikel 5, tweede lid, van de Regeling bijzondere uitkering water-, haven-, en luchtvaartinfrastructuur BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048694&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 Het plafond voor bijzondere uitkeringen, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Regeling bijzondere uitkering water-, haven-, en luchtvaartinfrastructuur BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048694&artikel=5) wordt voor het jaar 2025 vastgesteld op € 5.296.000,– Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19168,"b":"Richtlijn voor strafvordering strafrechtelijke aansprakelijkheid voor verstrekken passagiersgegevens door luchtvaartmaatschappijen op basis van wet Passenger Name Records (PNR-wet) Deze richtlijn wordt gelijktijdig gepubliceerd met de inwerkingtreding van de [PNR-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301). De luchtvaartmaatschappijen wordt vanaf de datum inwerkingtreding van de [PNR-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301) een gewenningsperiode van 4 maanden gegund. Dit betekent dat pas tot vervolging zal worden overgegaan voor feiten gepleegd na 1 november 2019. Hieronder volgt een uiteenzetting van het vervolgingsbeleid ten aanzien van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=4) juncto [24 van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=24) (PNR-wet), betreffende de verplichting voor luchtvaartmaatschappijen om een aantal passagiersgegevens door te geven, Met deze wet is de EU-[richtlijn 2016/681](32016L0681) geïmplementeerd. Een luchtvaartmaatschappij wordt, indien zij niet of gebrekkig voldoet aan haar leveringsverplichting, in eerste instantie hierop aangesproken door de Passagiersinformatie-eenheid. Indien ook na herhaaldelijk rappelleren door de luchtvaartmaatschappij als gevolg van het nalaten van de passagiersinformatieplicht geen, onvolledige of onjuiste gegevens zijn verstrekt of niet tijdig zijn verstrekt, wordt tegen de betreffende luchvaartmaatschappij proces-verbaal opgemaakt. De volgende typen overtredingen worden onderscheiden: Overtredingen kunnen worden bestraft met een geldboete van de vierde categorie of hechtenis van zes maanden. Voor het sanctieregime wordt aangesloten bij het regime dat geldt bij de verplichting van de luchtvaartmaatschappijen om API-gegevens aan te leveren op grond van [artikel 4 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&ar"},{"i":18248,"b":"Besluit van 7 november 1952, houdende wijziging van de naam van het Departement voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen in die van Departement van Overzeese Rijksdelen en overdracht van een gedeelte van de taak van dit Departement aan andere Departementen Op voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister zonder Portefeuille, Mr J. M. A. H. Luns, en Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, van Financiën, van Economische Zaken, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, dd. 6 November 1952, nr 33328; Gelet op [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79); Hebben goedgevonden en verstaan: onbenoemd I. Aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken over te dragen de zorg voor alle aangelegenheden betreffende de Nederlands-Indonesische Unie en de overige niet op de Overzeese Rijksdelen betrekking hebbende aangelegenheden, waarmede Onze Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen is belast, met uitzondering van de zorg voor: - a. de door Nederland overgenomen verplichting tot betaling van weduwenpensioenen en wezen-onderstanden aan nagelaten betrekkingen van Overheidspersoneel van Indonesië, welke aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken wordt overgedragen; - b. de culturele betrekkingen tussen het Koninkrijk en de Republiek Indonesië, alsmede het Nederlands onderwijs in Indonesië, welke aan Onze Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen wordt overgedragen; - c. de financiële betrekkingen tussen het Koninkrijk en de Republiek Indonesië, welke aan Onze Minister van Financiën wordt overgedragen; - d. de economische betrekkingen tussen het Koninkrijk en de Republiek Indonesië, welke aan Onze Minister van Economische Zaken wordt overgedragen; II. te bepalen, dat bij de onder I sub **b**, **c,** en **d** vermelde aangelegenheden Onze Minister van Buitenlandse Zake"},{"i":17681,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, beleidsterrein Volkshuisvesting 1945–1996 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 april 2005, nr. arc-2005.02131/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Volkshuisvesting over de periode 1945–1996’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. BASISSELECTIEDOCUMENT **Beleidsterrein Volkshuisvesting, periode 1945–1996** **Voor de zorgdragers:** Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) & Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Minister van Financiën Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit dr. J.A.A. Bervoets (Nationaal Archief) drs. P. Sierdsma (Ministerie VROM). 1. Inleiding **1.1. Verantwoording van het onderzoek** Dit basisselectiedocument is gebaseerd op het rapport institutioneel onderzoek: dr. J. Bervoets, Volkshuisvesting, Een institutioneel onderzoek naar de handelingen van de actoren betrokken bij het beleidsterrein volkshuisvesting van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over de jaren 1945–1994, PIVOT-rapport nr.136, Den Haag, 2003. Met het rapport institutioneel onderzoek (RIO) en het basisselectiedocument (BSD) implementeren de algemene rijksarchivaris en de vertegenwoordigers van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu de afspraken die bij convenant van 25 juni 1995"},{"i":17187,"b":"Overeenkomst betreffende de internationale samenwerking op het gebied van administratieve bijstand aan vluchtelingen De Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, Verlangend, met het oog op de toepassing van [artikel 25 van het op 28 juli 1951 te Genève ondertekende Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002&artikel=25), te komen tot internationale administratieve samenwerking ter vaststelling van de identiteit en de burgerlijke staat van vluchtelingen, met verwijzing overigens naar het bepaalde in de op 15 maart 1978 te Straatsburg ondertekende Europese Overeenkomst inzake het verkrijgen in het buitenland van inlichtingen en bewijsmateriaal in administratieve zaken, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Met het oog op de afgifte van documenten of verklaringen overeenkomstig [artikel 25 van het op 28 juli 1951 te Genève ondertekende Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002&artikel=25), kan de Overeenkomstsluitende Staat op het grondgebied waarvan een vluchteling, in de zin van het hiervoor bedoelde [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002) en van het Protocol van 1967 betreffende de status van vluchtelingen, rechtmatig verblijft, zich wenden tot iedere andere Overeenkomstsluitende Staat op het grondgebied waarvan betrokkene eerder heeft verbleven, ten einde gegevens te verkrijgen omtrent de identiteit en de burgerlijke staat waarmee hij in die Staat is toegelaten of ingeschreven. 2. In geen geval mag een dergelijk verzoek worden gericht aan de Staat van herkomst van betrokkene. Ten aanzien van iedere andere Staat onthoudt de Staat van verblijf zich ervan een dergelijk verzoek te doen wanneer hierdoor de veiligheid van de vluchteling of van zijn familieleden in gevaar zou kunnen worden gebracht. 3. De verzoekende Staat mag de op grond van deze Overeenkomst verstre"},{"i":16970,"b":"Besluit vaststelling selectielijst College Bouw Zorginstellingen 2000–2010 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 14 februari 2011, nr. bca-2010.06057/2; Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het College Bouw Zorginstellingen over de periode 2000–2010’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.archief.nl De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18963,"b":"Besluit van 5 september 2022, houdende uitvoering van de artikelen 570, tweede lid, en 575, van het Wetboek van Strafvordering (Besluit innovatie strafvordering) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming en Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 30 juni 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken; nr. 4082944; Gelet op de [artikelen 570, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=570), en [575 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=575); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 juli 2022, No.W16.22.00079/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming en Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 25 augustus 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken; nr. 4147459; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid als onderdeel van de verslaglegging en als wettig bewijsmiddel Artikel 1 1. Voor wat betreft de verslaglegging van hetgeen door opsporingsambtenaren ter opsporing is verricht of bevonden vindt toepassing van de [artikelen 560](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=560), [561](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=561), [563](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=563), [565](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=565), [567](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=567) en [569 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=569) slechts plaats in: - a. het arrondissement Noord-Holland en het ressort Amsterdam; en - b. het arrondissement Overijssel en het ressort Arnhem-Leeuwarden. 2. Voor wat betreft de verslaglegging van het onderzoek op de terechtzitting vindt toepassing van de [artikelen 559](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=559), [562](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=562), [564](https://"},{"i":18841,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 juli 2023 nr. BOACAT2023/042, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed Gelezen het verzoek van Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, afdeling Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed van 23 juni 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Landelijk Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048484&artikel=2&z=2023-12-20&g=2023-12-20). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van inspecteur in dienst bij de afdeling Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De ops"},{"i":17718,"b":"Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand ten behoeve van de juiste toepassing van de douanewetgeving en de voorkoming, opsporing en bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Macedonische Regering De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Macedonische Regering, hun Staten hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en andere belastingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving van verboden, beperkingen en controlemaatregelen; Overwegende dat inbreuken op de douanewetgeving de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de volksgezondheids- en handelsbelangen van de Verdragsluitende Partijen schaden; Overwegende dat de grensoverschrijdende handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, gevaarlijke stoffen, bedreigde diersoorten en giftig afval een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennende de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van de douanewetgeving van de Verdragsluitende Partijen; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van duidelijke wettelijke bepalingen; Gelet op de van belang zijnde instrumenten van de Internationale Douaneraad, in het bijzonder de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand van 5 december 1953; Tevens gelet op verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten, in het bijzonder het [Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001103) van 20 december 1988; zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 Voor"},{"i":17237,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2025, kenmerk 4315206-1091945-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het experiment bekostiging van regionale eerstelijns samenwerkingsverbanden Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 10 november 2025 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal **(Kamerstukken I: 178824, Kamerstukken II:****33 578-168****)** als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen om een experiment te starten voor de bekostiging van activiteiten van regionale eerstelijns samenwerkingsverbanden die bijdragen aan de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg in de eerste lijn; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a). **Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b). **RESV-activiteiten:** de activiteiten van regionale eerstelijns samenwerkingsverbanden met inbegrip van de activiteiten van hechte wijkverbanden; - c). **uitwerking regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden:** uitwerking zoals opgenomen in de bijlagen 1206455 en 1206456 bij Kamerstukken II, 2024-2025, 33 578, nr. 162; - d). **Visie eerstelijnszorg 2030:** visie eerstelijnszorg 2030 zoals opgenomen in de bijlage 1125526 bij Kamerstukken II, 2023-2024, 33 578, nr. 113; - e). **vrij tarief:** tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - f). **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - g). **zorgaanbieder:** - i. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef"},{"i":18303,"b":"Rijkswet van 13 juli 2016, houdende aanpassing van Rijkswetten in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie alsmede in verband met de uitbreiding van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad (Invoeringsrijkswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht wenselijk is de invoering te regelen van de [Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038329) en van de [Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038331) en in verband daarmee een aantal rijkswetten aan te passen, alsmede voor de gerechten in het Caribisch deel van het Koninkrijk de mogelijkheid tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te regelen en andere technische aanpassingen aan te brengen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Consulaire Wet. Artikel II Wijzigt de Paspoortwet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Wijzigt de Rijksoctrooiwet 1995"},{"i":19255,"b":"Besluit van 6 januari 1992, ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 17 oktober 1991, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 158757/91/6; Gelet op [artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=437); De Raad van State gehoord (advies van 17 december 1991, nr. WO3.91.0581); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 20 december 1991, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 175875/91/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De handelaren, bedoeld in [artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=437), zijn opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, metalen, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. 2. In het eerste lid wordt onder metalen mede verstaan: legeringen en metalloïden. Artikel 2 1. Indien de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005381&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01) aangewezen handelaar de koopprijs van koper en koperlegeringen in contant geld voldoet, controleert hij de identiteit van de aanbieder aan de hand van een identiteitsbewijs in de zin van [artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1). 2. De handelaar, aangewezen in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005381&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van dit besluit, voldoet aan de verplichting ingevolge [artikel 437, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=437) tot het aantekening houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij heeft verworven of voorhanden heeft indien hij een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewa"},{"i":18086,"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden ministerie van Algemeene Oorlogsvoering van het Koninkrijk (1942–1946), het Kabinet van de Minister-President (1946–1947) en het ministerie van Algemene Zaken, Kabinet van de Minister-President (1947–heden) over het tijdvak (1942) 1942–1979 (1989) Gelet op [artikel 15, tweede lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 10 februari 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014689) (Stcrt 2003, 42), houdende beperkingen van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het ministerie van Algemeene Oorlogsvoering van het Koninkrijk (1942–1946), het Kabinet van de Minister-President (1946–1947) en het ministerie van Algemene Zaken, Kabinet van de Minister-President (1947–heden) over het tijdvak (1942) 1942–1979 (1989). Besluit: Aan het archiefstuk 733613, behorende tot inventarisnummer 457, wordt een beperking aan de openbaarheid gesteld met het oog op de veiligheid van de staat en zijn bondgenoten ([artikel 15, eerste lid, sub b van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)). De beperking eindigt op 1 januari 2040. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":17242,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 november 2007, nr. MC-U-2807691, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake taakstelling ziekenhuizen 2008 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 21 september 2007 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2007/08, 29 248, nummer 43); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg waarop in 2008 de budgetsystematiek van toepassing is, te weten: algemene en categorale ziekenhuizen (inclusief long/astmacentra), academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra en dialysecentra, verder te noemen ziekenhuizen. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 Aan ziekenhuizen wordt per 1 januari 2008 een taakstelling van structureel € 160 miljoen (prijspeil 2007) opgelegd. Artikel 3 Voor de verdeling van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023042&artikel=2&z=2007-12-18&g=2007-12-18) vermelde taakstelling over de ziekenhuizen gelden de volgende uitgangspunten: - 1. De toedeling van het macro taakstellingsbedrag naar het niveau van de individuele ziekenhuizen dient te geschieden op basis van het aandeel van de individuele ziekenhuis in het macrobudget in het basisjaar. - 2. Het basisjaar waarop het macrobudget en de budgetstanden van de individuele ziekenhuizen betrekking hebben en de daarbij te hanteren peildatum worden door de zorgautoriteit nader vastgesteld. - 3. Het macrobudget en de budgetstanden van de individuele ziekenhuizen hebben betrekking op het A-segment. - 4. Het macrobudget en de budgetstanden van de individuele ziekenhuizen worden geschoond voor loonkosten medisch specialist"},{"i":19281,"b":"Wet van 2 december 2004 tot wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen in verband met invoering van bestuursrechtelijke handhaving (Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het omwille van de rechtshandhaving in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen wenselijk is te komen tot invoering van bestuursrechtelijke handhaving; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Artikel I Wijzigt de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Onze Minister zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV De straffen gesteld op de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) juncto [artikel 1, onder 40, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1) strafbaar gestelde feiten waarvoor ingevolge deze wet slechts een bestuurlijke boete kan worden opgelegd en die begaan zijn voor de dag van inwerkingtreding van deze wet blijven van toepassing. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan [artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012701&artikel=16). Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand"},{"i":18384,"b":"Regeling informatiebeheer Defensie 2015 Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14) en op [artikel 1 van het Koninklijk besluit van 18 oktober 1988, Stb. 499, 1988, houdende regeling functie en verantwoordelijkheid van de Secretaris Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004419&artikel=1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **informatiebeheer:** werkzaamheden om informatieobjecten in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende informatieobjecten; - b. **informatieobjecten:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - c. **Chief Information Officer:** Chief Information Officer als bedoeld in [artikel 1, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746&artikel=1), en [artikel 8 van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746&artikel=8); - d. **defensieonderdeel:** de Koninklijke Marine, de Koninklijke Landmacht, de Koninklijke Luchtmacht, de Koninklijke Marechaussee, het Defensie Ondersteuningscommando, het Commando Materieel en IT dan wel de Bestuursstaf; - e. **Minister:** Minister van Defensie; - f. **organisatie-eenheid:** eenheid bij een defensieonderdeel; - g. **persoonsbescheiden:** informatieobjecten die betrekking hebben op een Defensiemedewerker; - h. **Secretaris-Generaal:** Secretaris-Generaal van Defensie; - i. **vervanging:** reproductie van informatieobjecten met het doel tot vernietiging van de oorspronkelijke informatieobjecten over te kunnen gaan; - j. **vervangingsbesluit:** besluit als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); - k. **zorg:** bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het informatiebeheer, als be"},{"i":17177,"b":"Regeling Muziek in ieder kind [vastgesteld door het Bestuur van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie op 9 december 2009] Gelet op [artikel 10 vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 15 december 2009; Besluit: 1. Ondersteuningsmogelijkheden Het bestuur van het fonds ondersteunt onder de noemer ‘Muziek in ieder kind’ twee soorten projecten: - a). projecten waarbij actieve muziekeducatie op vernieuwende dan wel voorbeeldstellende wijze beter toegankelijk wordt gemaakt voor kinderen, in het bijzonder voor hen die vanwege sociaal maatschappelijke drempels nu nog weinig tot niets aan muziekbeoefening doen; - b). flankerende projecten gericht op kennisvermeerdering, kennisverspreiding, reflectie, promotie en debat over actieve muziekeducatie aan kinderen in het primair onderwijs. 2. Ontvankelijkheid en indieningtermijn 1. Aanvragen kunnen worden ingediend door organisaties zonder winstoogmerk met een culturele doelstelling die rechtspersoonlijkheid bezitten en gevestigd zijn in het Koninkrijk der Nederlanden. Het hiervoor benodigde formulier kan via de website van het fonds www.cultuurparticipatie.nl worden gedownload. 2. Voor toekenning van subsidie aan projecten zoals genoemd in [artikel 1 onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026927&artikel=1&z=2009-12-24&g=2009-12-24) wordt gebruik gemaakt van een tender. In beginsel gelden er twee indieningrondes. De termijn voor indiening van aanvragen voor de eerste ronde eindigt op 1 maart 2010 en voor de tweede ronde op 1 mei 2010. De uitvoering van dit soort projecten mag niet starten voor aanvang van het schooljaar. 3. Projecten zoals genoemd in [artikel 1 onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026927&artikel=1&z=2009-12-24&g=2009-12-24) kunnen vanaf 1 maart 2010 tot en met ultimo 2012, zo lang het subsidieplafond niet is bereikt, worden ingediend mits de"},{"i":19181,"b":"Richtlijn voor strafvordering voorbereiding/bevordering synthetische drugs (art. 10a Opiumwet) Beschrijving Van de productie van synthetische drugs gaat een ontwrichtende en ondermijnende werking uit. Het productieproces gaat gepaard met grove veronachtzaming van de maatschappelijke effecten, zoals de schade voor de gezondheid en milieu en gevaar voor de samenleving. Deze richtlijn is mede daardoor ingegeven. De strafbaarstelling van de productie van synthetische drugs valt uiteen in het voorbereiden en/of bevorderen van die productie ([art. 10a Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=10a), strafmaximum zes jaar) en het daadwerkelijke vervaardigen en/of bewerken/verwerken ([art. 2 ahf/b/d Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=2), strafmaximum acht jaar). De in deze richtlijn voorgeschreven straffen zijn gebaseerd op de voorbereidings-/bevorderingsfase en het daarvoor geldende strafmaximum van zes jaar. Die voorbereidings-/bevorderingsfase valt weer uiteen in twee deelfases, te weten: **Fase I**: de enkele opbouw- en/of voorbereidingsfase van een productielocatie, dat wil zeggen zonder enige vorm van productie en **Fase II**: de fase waarin wel wordt geproduceerd zonder dat het geproduceerde onder de lijsten van de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) valt. Denk bij dat laatste bijvoorbeeld aan de omzetting van een preprecursor in een precursor. Deze tweede deelfase valt niet onder de vervaardigingsfase, maar is wel strafverzwarender dan enkel het eerste opbouwmoment omdat dit een extra wilsbesluit vergt. Om die reden wordt er tussen beide fases onderscheid gemaakt in deze richtlijn. N.B. Ook de afbouw/afbraak/schoonmaakfase valt onder Fase II. **Bijzonderheden:** De gevangenisstraf is een reactie op de (in potentie) veroorzaakte schade voor gezondheid en milieu en het (potentiële) gevaar voor de samenleving. De gevangenisstraf als enige strafmodaliteit is evenwel niet toereikend omdat verda"},{"i":18693,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, kenmerk nr. ILT-2025/3336, over de toepassing van artikel 18 van de Wet pleziervaartuigen 2016 (Beleidsregel bestuurlijke boete Wet pleziervaartuigen 2016) Gelet op [artikel 4:81 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 18 van de Wet pleziervaartuigen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546&artikel=18); Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **omzet:** omzet in het kalenderjaar voorafgaand aan de datum van overtreding; - **wet:** [Wet pleziervaartuigen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546). Artikel 2. Toepassingsgebied 1. Deze beleidsregel is van toepassing op alle overtredingen waarvoor op grond van [artikel 18, eerste lid, van de Wet pleziervaartuigen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546&artikel=18) een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. 2. In de bijlage bij deze beleidsregel staan de normbedragen die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het opleggen van een bestuurlijke boete. Artikel 3. Marktdeelnemers 1. Het normbedrag, bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050783&artikel=2&z=2025-02-20&g=2025-02-20), wordt voor marktdeelnemers vermenigvuldigd met de bij de omzetcategorie van de marktdeelnemer behorende factor. 2. De omzetcategorie-indeling, bedoeld in het eerste lid, luidt als volgt: | Omzetcategorie I | Marktdeelnemers met een omzet van minder dan 100.000 euro | Factor 0,25 | | --- | --- | --- | | Omzetcategorie II | Marktdeelnemers met een omzet van ten minste 100.000 maar minder dan 250.000 euro | Factor 0,50 | | Omzetcategorie III | Marktdeelnemers met een omzet van ten minste 250.000 maar minder dan 400.000 euro | Factor 0,75 | | Omzetcategorie IV | Marktdeelnemers met een omzet van 400.000 euro of meer | Factor 1,0 | Artikel 4. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsr"},{"i":18521,"b":"Rijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) te wijzigen, in het bijzonder op het punt van de bepalingen betreffende de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Rijkswet op het Nederlanderschap. Artikel IA Wijzigt de Rijkswet op het Nederlanderschap. Artikel IB Wijzigt de Wet conflictenrecht namen. Artikel IC Wijzigt de Wet betreffende de positie van Molukkers. Artikel II 1. De intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), werkt niet verder terug dan tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze Rijkswet, indien het Nederlanderschap voor dat tijdstip is verleend. 2. Voor de toepassing van [artikel 6, eerste lid, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), en [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), wordt hij wiens Nederlanderschap is ingetrokken op grond van [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), juncto het eerste lid van dit artikel, niet geacht het Nederlanderschap te hebben bezeten. Artikel III De [artikelen 14, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), en [16, tweede lid, onder a, b, c en d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.ove"},{"i":18749,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief betreffende beleid inzake gratie op doodstraffen van het Ministerie van Justitie, 1945–1977, toegang nr. 2.09.71 (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen dossiers betreffende het beleid inzake gratie op doodstraffen van het Ministerie van Justitie (1945–1977), de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":17730,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Filipijnen inzake de export van sociale verzekeringsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Filipijnen, Wensend de rechtmatige betaling van hun uitkeringen terzake van sociale zekerheid in elkaars landen toe te staan, Zijn derhalve het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „verdragsluitende partijen”, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Filipijnen; - b. „grondgebied”, met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa, en met betrekking tot de Republiek der Filipijnen: het grondgebied zoals omschreven in de Grondwet van 1987; - c. „wetgeving”, de wetten, voorschriften en bestuursrechtelijke regelingen die betrekking hebben op de in artikel 2 genoemde stelsels van sociale zekerheid; - d. „bevoegde autoriteit”, met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland, en met betrekking tot de Republiek der Filipijnen: de President-Directeur van het socialeverzekeringsstelsel; - e. „bevoegd orgaan”, met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de wetgeving bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel A, onder i, ii en iii](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001480&artikel=2&z=2015-07-01&g=2015-07-01): het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/a Gak Nederland BV of zijn rechtsopvolger, en betreffende de wetgeving bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel A, onder iv en v: de Sociale Verzekeringsbank; met betrekking tot de Republiek der Filipijnen: het socialezekerheidsstelsel voor de werknemers in de private sector en het verzekeringsstelsel voor de overheidsdienst voor werknemers in de publieke sector; - f. „instantie”, elke organisatie die betrokken is bij de uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van het bevolkingsregister, de belastingautoriteiten"},{"i":19504,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de gemeenschappelijke informatie en begeleiding van de scheepvaart in de Eemsmonding door middel van walradar- en hoogfrequent-radio-installaties Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland overwegende dat het wenselijk is de reeds tussen beide Overeenkomstsluitende Partijen bestaande samenwerking in de Eemsmonding uit te breiden en te verstevigen zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt verstaan: - -. onder „informatie”, het verstrekken van inlichtingen die voor een veilige scheepvaart van belang zijn, met inbegrip van inlichtingen over weersomstandigheden en getijden, over storingen in de bebakening en over werkzaamheden aan en in het vaarwater; - -. onder „begeleiding” het verstrekken van inlichtingen over de op een bepaald ogenblik bestaande verkeerssituatie en de positie van de afzonderlijke schepen, alsmede het geven van adviezen ten behoeve van de navigatie; deze begeleiding vindt plaats bij verminderd zicht, bij andere ongunstige weersomstandigheden of op verzoek; - -. onder „Eemsmonding”, het gebied van de Eems buiten de havens, dat wordt bestreken door de walradarinstallaties waarop deze Overeenkomst betrekking heeft. Het bereik van de walradarinstallaties is in bijlage A beschreven en in bijlage B op een kaart aangeduid. De bijlagen vormen onderdeel van deze Overeenkomst. De grenzen van het bestreken gebied ten opzichte van de havens worden in de administratieve maatregel volgens artikel 5 vastgelegd; - -. onder „Eems-Dollardverdrag”, het op 8 april 1960 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding gesloten Verdrag met bijlagen en slotprotocol; - -. onder „bevoegde autoriteiten”, de autoriteiten waaraan ingevolge het nationale recht van elk der Overeenkomstsluitende Partijen de uitvoering en uitoefening van de taken en bevoegdhede"},{"i":16999,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Prijsbeleid, vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 september 2007, nr. aca-2007.03991/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Prijsbeleid, over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17844,"b":"Wet van 22 november 1972, houdende regelen betreffende de verlening van uitkeringen aan de slachtoffers van vervolging Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen betreffende de verlening van uitkeringen aan de slachtoffers van vervolging tijdens de oorlogsjaren 1940-1945; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); - c. de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6). Artikel 1a 1. Voor de toepassing van deze wet wordt gelijkgesteld met: - a. huwelijk: het geregistreerd partnerschap; - b. gehuwd: als partner geregistreerd; - c. echtgenoot of echtpaar: de geregistreerde partner of het geregistreerde paar; - d. weduwe of weduwnaar: de achtergebleven partij bij het geregistreerd partnerschap; 2. In deze wet en de daarop rustende bepalingen: - a. worden als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt, ongehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht, die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat; - b. wordt als ongehuwd mede aangemerkt degenen die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 3. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid kan slechts sprake zijn indien"},{"i":18460,"b":"Regeling vertrouwelijke stukken Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. vertrouwelijke stukken: aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden schriftelijke stukken of ander materiaal dat gegevens bevat, die na ontvangst een Kamerstuknummer worden toegekend en die door de afzender op enigerlei wijze zijn aangemerkt als zijnde vertrouwelijk; - b. Parlis: het Parlementair informatiesysteem; - c. embargo: door de afzender aangegeven vertrouwelijkheid met een beperkte tijdsduur; - d. commissie: een commissie als bedoeld in [hoofdstuk 7 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&hoofdstuk=7). Paragraaf 2. Vertrouwelijke stukken Artikel 2. Registratie van vertrouwelijke stukken 1. De Griffie plenair registreert vertrouwelijke stukken in Parlis. 2. In Parlis worden van een vertrouwelijk stuk de volgende gegevens geregistreerd: - a. de afzender; - b. de datum van ontvangst; - c. het onderwerp, tenzij het onderwerp tevens is aangemerkt als zijnde vertrouwelijk. 3. Indien door de afzender is aangegeven dat op het stuk een embargo rust, wordt het einde van het embargo door de Griffie plenair aangegeven op het stuk. Na afloop van het embargo doet de Voorzitter mededeling van de ontvangst van het stuk. De Griffie plenair draagt vervolgens zorg voor de openbaarmaking van het stuk. Artikel 3. Openbaarmaking registratie, ter inzage legging en bewaring van vertrouwelijke stukken 1. Na de registratie in Parlis worden in ieder geval de geregistreerde gegevens van een vertrouwelijk stuk openbaar gemaakt. 2. Het vertrouwelijke stuk wordt vervolgens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatie Punt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. 3. Vertrouwelijke stukken worden ter Griffie plenair dan wel ter Centraal Informatie Punt bewaard in een afgesloten ruimte, waarvan de sleutel berust bij de Griffie plenair dan wel het Centraal Informatie Punt. Ar"},{"i":18604,"b":"Wet van 17 mei 2010, houdende regels met betrekking tot de financiële functie van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hun bevoegdheid tot het heffen van belastingen en hun financiële verhouding met het Rijk (Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de financiële functie van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hun bevoegdheid tot het heffen van belastingen en hun financiële verhouding met het Rijk; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland. Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **Onze Ministers:** Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën; - c. **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - d. **Rijksvertegenwoordiger:** Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - e. **College financieel toezicht:** College financieel toezicht Bonaire, Sint Eustatius en Saba, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2023-01-01&g=2023-01-01); - f. **geconsolideerde schuld:** de gezamenlijke schulden van de collectieve sector van een openbaar lichaam in de vorm van leningen en kredieten, met uitzondering van de onderlinge schulden binnen de desbetreffende collectieve sector; - g. **rentelast:** de uitgaven aan rente toerekenbaar aan een begrotingsjaar over de geconsolideerde schuld van de collectieve sector van e"},{"i":17015,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting DBC-Onderhoud periode 2004–2017 en Nederlandse Zorgautoriteit periode vanaf oktober 2006 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van de Stichting DBC-Onderhoud voor de periode 2004–2017 en de Nederlandse Zorgautoriteit voor de periode vanaf oktober 2006 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt ingetrokken: - •. [Selectielijst van de Stichting DBC-onderhoud voor de periode vanaf 2004 en de Nederlandse Zorgautoriteit voor de periode vanaf oktober 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042572), Staatscourant 2019, nr. 52785. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18003,"b":"Wet van 6 december 2001 tot aanpassing van diverse wetten aan de modernisering van de rechterlijke organisatie en de instelling van een bestuur bij de gerechten (Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is diverse wetten aan te passen aan de wijzigingen in de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830)en de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365) in verband met de modernisering van de gerechtelijke organisatie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Algemene Zaken artikel Enig Wijzigt de Noodwet rechtspleging. Hoofdstuk 2. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1 Wijzigt de Algemene wet gelijke behandeling. Artikel 2 Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel 3 Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel 4 Wijzigt de Wet op de Parlementaire enquête. Artikel 5 Wijzigt de Wet op de Raad van State. Hoofdstuk 3. Ministerie van Buitenlandse Zaken artikel Enig Wijzigt de Wet van 12 juni 1909 tot uitvoering van het op 17 juli 1905 te 's-Gravenhage gesloten verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Stb. 141). Hoofdstuk 4. Ministerie van Defensie Artikel 1 Wijzigt de Militaire ambtenarenwet 1931. Artikel 2 Wijzigt de Wet gewetensbezwaren militaire dienst. Hoofdstuk 5. Ministerie van Economische Zaken Artikel 1 Wijzigt de Handelsregisterwet 1996.. Artikel 2 Wijzigt de Mededingingswet. Artikel 3 Wijzigt de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten. Artikel 4 Wijzigt de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997. Artikel 5 Wijzigt de Wet op de Registeraccountants. Hoofdstuk 6. Ministerie van Financiën Artikel 1 Wijzigt de Algemene"},{"i":18476,"b":"Rijkswet van 7 juli 2010, houdende Reglement voor de Gouverneur van Curaçao Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, in verband met het verkrijgen van de hoedanigheid van land in het Koninkrijk door Curaçao, uitvoering te geven aan het bepaalde in [artikel 2, tweede en derde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=2); Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. afdeling Eerste. **Benoeming en ontslag van de Gouverneur** Artikel 1 1. De Gouverneur is vertegenwoordiger van de Koning in diens hoedanigheid van hoofd van de regering van Curaçao. Hij is tevens vertegenwoordiger van de regering van het Koninkrijk. 2. De Gouverneur wordt bij koninklijk besluit voor de tijd van zes jaren benoemd. Bij het verstrijken van deze termijn kan hij eenmaal worden herbenoemd voor de tijd van ten hoogste zes jaren. 3. De Gouverneur kan te allen tijde bij koninklijk besluit worden ontslagen. 4. Bij algemene maatregel van rijksbestuur wordt zijn materiële positie geregeld. 5. Het pensioen van de Gouverneur en zijn nagelaten betrekkingen wordt bij rijkswet geregeld. 6. Alle uitgaven, verband houdende met de uitoefening van het ambt van Gouverneur, komen ten laste van het land Nederland, behoudens de verrekening bedoeld in [artikel 35 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=35). Artikel 2 De Gouverneur legt in handen van de Koning of van degene, door de Koning hiertoe aangewezen,"},{"i":18130,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 19 april 2019, met nummer 4053106, tot digitale vervanging archiefbescheiden ministerie van Algemene Zaken (Besluit digitale vervanging ministerie van Algemene zaken) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **digitale vervanging:** routinematige vervanging van archiefbescheiden door digitale reproducties, die volledig de plaats innemen van de oorspronkelijke archiefbescheiden; - b. **minister:** de Minister-President, Minister van Algemene Zaken; - c. **ministerie:** het Ministerie van Algemene Zaken; - d. **zorgdrager:** degene die bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) belast is met de zorg voor de archiefbescheiden. Artikel 2. Reikwijdte 1. De digitale vervanging heeft betrekking op papieren archiefbescheiden van de organisatieonderdelen die vallen onder het verzorgingsgebied van de minister, die: - a. deel uitmaken van de werkprocessen van de bewindspersonen van het ministerie en die, op grond van de geldende selectielijsten voor de daaronder ressorterende organisatieonderdelen, voor vernietiging dan wel voor permanente bewaring in aanmerking komen; en - b. en archiefbescheiden die zijn opgenomen in het documentmanagementsysteem van het ministerie. Artikel 3. Periode - a. De digitale vervanging heeft betrekking op papieren archiefbescheiden die zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, en zaken betreffen die nog niet zijn afgedaan; of - b. zullen worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met tien jaar na inwerkingtreding van dit besluit. Artikel"},{"i":17872,"b":"Besluit van 16 januari 2004, houdende wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 15 december 2003, nr. 5261054/03/6; Gelet op de [artikelen 34, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34), en [37, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37); De Raad van State gehoord (advies van 8 januari 2004, nr. W03.03.0535/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 12 januari 2004, nr. 5264839/04/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel II Op 1 januari 2005 wordt het basisbedrag vermeerderd met een bedrag dat ontstaat door € 3,61per 1 juli 2004: € 3,66 te vermenigvuldigen met de norm, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3). Artikel III Wijzigt het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand. Artikel IV 1. Indien voor het moment van inwerkingtreding van dit besluit een afgifte van een toevoeging heeft plaatsgevonden of rechtsbijstand is verleend in een piketzaak, wordt bij de vaststelling van de vergoeding uitgegaan van het basisbedrag, genoemd in [artikel 3, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3), zoals dat gold ten tijde van de afgifte van de toevoeging. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de afgifte van een toevoeging of de verlening van rechtsbijstand in een piketzaak voor 1 januari 2005. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2004. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18885,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 11 mei 2022 nr. BOACAT2022/038, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de regionale eenheid Amsterdam Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Amsterdam van 10 mei 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046684&artikel=2&z=2024-07-18&g=2024-07-18). Artikel 2 1. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Amsterdam. 2. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de vrijwillig ambtenaren van politie bedoeld in [artikel 2, onder c, van de Polit"},{"i":18450,"b":"Regeling vaststelling regels politiespeurhonden en politiesurveillancehonden Besluit: Artikel 1 De [Regeling politiespeurhonden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010333) is van overeenkomstige toepassing op het Korps landelijke politiediensten met dien verstande dat: - a. [artikel 1, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010333&artikel=1), luidt: hiervoor toestemming is verkregen van de korpschef van het Korps landelijke politiediensten; - b. [artikel 5 onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010333&artikel=5) luidt: ambtenaar van politie, werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten zijn, en; - c. in [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010333&artikel=12), ‘korpsbeheerder’ wordt vervangen door: korpschef van het Korps landelijke politiediensten. Artikel 2 De [Regeling politiesurveillancehonden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010333) is van overeenkomstige toepassing op het Korps landelijke politiediensten met dien verstande dat: - a. [artikel 1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010333&artikel=1), luidt: **geleider**: de ambtenaar van het Korps landelijke politiediensten die toestemming heeft van de korpschef van het Korps landelijke politiediensten om politiedienst te doen met een politiesurveillancehond; - b. in [artikel 1, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010333&artikel=1), ‘een politieregio’ wordt vervangen door: het Korps landelijke politiediensten. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 1994. Deze regeling zal in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden geplaatst."},{"i":17542,"b":"Reglement Kwaliteitsraad van Zorginstituut Nederland gelet op [artikel 59b van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=59b), [artikelen 11b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=11b), [11f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=11f) en [11j van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=11j) hierna (Wkkgz) en [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035079&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035079&artikel=9), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035079&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035079&artikel=12) en [13 van het Bestuursreglement Zorginstituut Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035079&artikel=13), heeft in zijn vergadering van 12 oktober 2022 besloten: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Dit reglement verstaat onder: - a. **het Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. **Kwaliteitsraad:** de Adviescommissie Kwaliteit bedoeld in [artikel 59b van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=59b); - c. **Raad van Bestuur:** de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland; - d. **leden:** de leden van de Kwaliteitsraad, bedoeld onder b; - e. **voorzitter:** de voorzitter van de Kwaliteitsraad, bedoeld onder b; - f. **secretaris:** de secretaris dan wel plaatsvervangend secretaris van de Kwaliteitsraad, bedoeld onder b; - g. **kwaliteitsstandaard:** kwaliteitsstandaard als bedoeld in [artikel 1, lid 1 van de Wkkgz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=1); - h. **meetinstrument:** meetinstrument bedoeld in [artikel 1, lid 1 van de Wkkgz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=1); - i. **openbaar register:** het openbare register als bedoeld in"},{"i":19354,"b":"Wet van 7 september 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten omtrent de straf van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte (taakstraffen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen ten aanzien van de straf van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Gratiewet. Artikel IV Wijzigt de Wet justitiële gegevens. Artikel V De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VI Deze wet heeft geen gevolgen ten aanzien van strafzaken die voor de inwerkingtreding daarvan bij wege van verkorte dagvaarding, oproeping of dagvaarding aanhangig zijn gemaakt. Deze wet heeft eveneens geen gevolgen ten aanzien van voor de inwerkingtreding van deze wet veroordeelden tot de straf van het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte. De artikelen 22b tot en met 22j, zoals deze luidden voor het moment van inwerkingtreding van deze wet, blijven in dezen van toepassing. Hetzelfde geldt voor beslissingen waarbij gratie is verleend onder de voorwaarde van het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, genomen voor de inwerkingtreding van deze wet. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18989,"b":"Besluit van 5 december 2018 tot vaststelling van nadere regels voor het vastleggen en bewaren van kentekengegevens op grond van artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering door de politie Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 18 juli 2018, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2318700; Gelet op [artikel 126jj, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126jj) en de [artikelen 17, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=17), [17a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=17a), en [33, vijfde lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=33); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 oktober 2018, nr. W.16.18.0228/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 30 november 2018, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2421936; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); - b. **126jj-gegevens:** de gegevens, bedoeld in [artikel 126jj, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126jj); - c. **camera:** een technisch hulpmiddel als bedoeld in [artikel 126jj, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126jj); - d. **geautoriseerde opsporingsambtenaar:** de geautoriseerde opsporingsambtenaar, bedoeld in [artikel 126jj, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126jj); - e. **verwerkingsverantwoordelijke:** - 1°. bij de politie: de korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); - 2°. bij de Koninklijke marechaussee: Onze Minister van Defensie. Paragraaf"},{"i":18855,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 30 mei 2018 nr. BOACAT2018/026, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Landelijke Eenheid, Dienst Speciale Interventies Gelezen het verzoek van de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27) van 23 mei 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Landelijk Parket en de korpschef als bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034062&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36) en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040981&artikel=2&z=2018-06-09&g=2018-06-09). Artikel 2 Het personeel afkomstig van de krijgsmacht, te werk gesteld bij de Landelijke Eenheid, Dienst Speciale Interventies, belast met de opsporing van strafbare feiten, is aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste li"},{"i":18913,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 11 augustus 2025 nr. BOACAT2025/160, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Oost-Nederland, afdeling meldkamer Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Oost-Nederland van 1 augustus 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051390&artikel=2&z=2025-08-20&g=2025-08-20). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2) en die werkzaam zijn in de functie van generalist meldkamer, senior meldkamer en operationeel expert meldkamer die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Oost-Nederland. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Gen"},{"i":19331,"b":"Wet van 13 april 2000 tot wijziging van de Sanctiewet 1977 en van de In- en uitvoerwet tot vereenvoudiging van de implementatie van internationale verplichtingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296) en de [In- en uitvoerwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002376) aan te passen met het oog op een adequate implementatie van verplichtingen op grond van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Sanctiewet 1977. Artikel II Wijzigt de In- en uitvoerwet. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bestaande sanctieregelingen op grond van [artikel 7 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=7) die - a. uitsluitend strekken ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties en - b. waarin geen gebruik is gemaakt van de bevoegdheid om in een bestaand sanctiebesluit vervatte regels buiten werking te stellen gelden als ministeriële regelingen op grond van [artikel 2, tweede lid, van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), zoals deze bepaling bij inwerkingtreding van deze wet komt te luiden. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18978,"b":"Besluit betreffende het opheffen van de beperkingen gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Justitie, Verenigingenregister, (1820)1874–1976, toegangsnummer 2.09.12.01, en het Archief van het Ministerie van Justitie, Stichtingenregister, 1957–1976, toegangsnummer 2.09.12.02 Gelet op [artikel 15, derde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op: Het proces verbaal van overdracht van de ‘dossiers Verenigingen’ van 26 februari 1952; De verklaring van overbrenging van de ‘dossiers Verenigingen’ van 07 juni 1982, De verklaring van overbrenging van de ‘dossiers Stichtingen’ van 07 juni 1982, De verklaring tot wijziging van de verklaring van overbrenging van de ‘dossiers Verenigingen’ van 15 augustus 1996, De verklaring tot wijziging van de verklaring van overbrenging van de ‘dossiers Verenigingen’ van 15 augustus 1996, (N.B. Geen van bovenstaande overeenkomsten en besluiten is gepubliceerd. De wijzigingen van 1996 betroffen de openbaarheid van de genoemde bestanden.) Gehoord de Minister van Justitie en Veiligheid, Besluit: Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden berustende in het archief van het Ministerie van Justitie, Verenigingenregister (‘dossiers Verenigingen’), (1820)1874–1976, toegangsnummer 2.09.12.01, en het Archief van het Ministerie van Justitie, Stichtingenregister (‘dossiers Stichtingen’), 1957–1976, toegangsnummer 2.09.12.02, zijn opgeheven. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":17655,"b":"Uitvoeringsvoorschriften werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd Gelet op [artikel 6 van het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007212&artikel=6): Besluit: Artikel 1 Voor de vaststelling van de mate van werkloosheid in een kalenderweek worden telkens aan het begin en aan het einde van de maand eventuele gebroken weken gelijkgesteld met hele weken. Artikel 2 1. Het dagloon, bedoeld in [artikel 4 van het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007212&artikel=4), wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het Besluit van de Sociale Verzeke-ringsraad van 19 juni 1987, nr. 87/3909, Stcrt. 1987, 130, tot vaststelling van de dagloonregels als bedoeld in [artikel 43, tweede, derde en zesde lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004046&artikel=43), laatstelijk gewijzigd bij Besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 18 oktober 1990, nr. 90/9017585, Stcrt. 1990, 241. 2. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt betrokkene voor de vaststelling van het dagloon geacht voor het intreden van de werkloosheid in zijn beroep als militair werkzaam te zijn geweest tegen een wedde, die was vastgesteld op een vast bedrag per maand, met inbegrip van een vlieg- of artsentoelage, indien daarop aanspraak bestond. Artikel 3 Het aantal weken, dat betrokkene met behoud van zijn recht op uitkering ingevolge [artikel 2 van het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007212&artikel=2) vakantie mag genieten, wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het Besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 23 januari 1992, nr. 92.342, Stcrt. 1992, 19, tot vaststelling van regels als bedoeld in artikel 19, zesde lid, van de Werkloos-heidswet, met dien verstande dat in afwijking van het bepaalde in [artikel 3, onder a](https://wetten.o"},{"i":17032,"b":"Besluit van 21 december 1999 tot vaststelling van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 23 september 1999, nr. 78770/99/6; Gelet op de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=39) en [41 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=41); De Raad van State gehoord (advies van 30 november 1999, nr. WO3.99.0493/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 16 december 1999, nr. 5000238/99/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. procedure: - 1. een zaak die aanhangig is gemaakt bij een bij wet ingesteld tuchtrechtelijk college alsmede een zaak op het terrein van het burgerlijk of bestuursrecht die aanhangig is gemaakt bij: - –. de burgerlijke rechter, - –. de bestuursrechter, - –. een bij verdrag met rechtspraak belast internationaal college of een daarmee vergelijkbaar internationaal college, - –. het bestuursorgaan dat in administratief beroep oordeelt, - –. het bestuursorgaan dat op grond van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) oordeelt over een bezwaar, - –. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of een commissie als bedoeld in [artikel 671a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a) in het kader van voorafgaande toestemming om een arbeidsovereenkomst op te zeggen, - –. de huurcommissie die oordeelt in het kader van de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315), - –. de instantie die oordeelt over een geschil dat is onderworpen aan arbitrage of bindend advies, - –. de instantie die oordeelt in een wettelijk geregelde klachtproced"},{"i":18010,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 1 oktober 2011, nr. 5707854/11, houdende bepalingen rondom het verrekenen van extra inkomsten bij gebruikmaking van de PAS voor rechterlijke ambtenaren (Anticumulatieregeling PAS Rechterlijke Macht) Gelet op [artikel 8d, tiende lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=8d), Besluit: De datum van ondertekening ligt na de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **rechterlijk ambtenaar:** de rechterlijk ambtenaar wiens werktijd met toepassing van [artikel 8d van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=8d) is teruggebracht; - b. **salaris:** het salaris van de rechterlijk ambtenaar na de korting overeenkomstig het zesde lid van [artikel 8d van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=8d). Artikel 2 1. De inkomsten die de rechterlijk ambtenaar geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, voor zover niet reeds ter hand genomen voorafgaand aan het tijdstip waarop de arbeidsduur overeenkomstig [artikel 8d, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=8d), is teruggebracht, worden met het salaris verrekend, tenzij de rechterlijk ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten of die vermeerdering van inkomsten dan wel een gedeelte daarvan geen verband houden met verhoogde werkzaamheid. 2. Inkomsten uit arbeid of bedrijf als bedoeld in het eerste lid die op één maand betrekking hebben of geacht kunnen worden te hebben, worden in mindering gebracht op het salaris over die maand. De vermindering bedraagt niet meer dan het verschil tussen de inkomsten van de rechterlijk ambtenaar en het salaris dat hij zou hebben genoten indien zijn arbeidsduur zou zijn teruggebracht met eenzelfde percentage als zijn werktijd overeenkomstig [artikel 8d,"},{"i":17370,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 13 december 2012, nr. 330705, houdende regels voor de technische specificaties van nazorgmiddelen (Regeling nazorgmiddelen pepperspray) Gelet op [artikel 15, derde lid, van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=15); Besluit: 1. Eisen inzake het nazorgmiddel Artikel 1 1. Gebruik van het nazorgmiddel moet snel leiden tot verlichting van het sterk branderige gevoel en pijn aan oogleden en huid en tot het weer kunnen openen van de ogen. 2. Het nazorgmiddel mag geen geneesmiddel zijn als bedoeld in [artikel 1 van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1). 2. Eisen ter zake van schadelijke bijwerkingen van het nazorgmiddel: Artikel 2 1. Het nazorgmiddel mag op zichzelf geen schadelijke bijwerkingen, zoals irritatie, op huid, ogen, luchtwegen en andere delen van het lichaam hebben. Onder niet schadelijk wordt verstaan: niet carcinogeen, teratogeen of mutageen en niet giftig of irriterend voor huid of ogen. Als richtlijn voor de giftigheid dient een letale dosis (LD50) van > l gram per kg lichaamsgewicht, ongeacht de toedieningsroute. 2. Als richtlijn voor irritatie van de ogen en huid dient een milde reactie in dierproeven bij een expositie van enkele dagen in hoeveelheden van 50 mg of groter. 3. Het eerste en tweede is ook van toepassing op het oplosmiddel. De toegepaste oplosmiddelen dienen van een zodanige kwaliteit te zijn dat het totale oplosmiddelmengsel niet meer dan 0,5 gewichtsprocent bevat van relatief ongevaarlijke verbindingen, zoals butanol of methanol. Het gebrek aan gevaarlijke eigenschappen dient aantoonbaar te zijn middels een veiligheidsblad. Artikel 3 1. Het nazorgmiddel mag niet zodanig met pepperspray reageren dat daardoor een ander schadelijk middel ontstaat. 2. Bij het gebruik van het nazorgmiddel, inclusief eventueel oplosmiddel, mag het nazorgmiddel op zichzelf geen blijvend persoonlijk letse"},{"i":18252,"b":"Besluit van 31 Oktober 1894, tot vaststelling van een bijzonder reglement van politie voor de krachtens de wet van 26 Januari 1883 (Staatsblad n°. 4) in aanleg zijnde rivier de Maas, voor zoover die voor het openbaar verkeer is of zal worden opengesteld, en het Heusdensch kanaal Op de voordracht van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid van 18 Juni 1894, La. B, afdeeling Waterstaat; Gezien de wet van 28 Februari 1891 (**Staatsblad** n°. 69) en art. 1 van het Algemeen Reglement van politie voor rivieren, kanalen, havens, sluizen, bruggen en daartoe behoorende werken onder beheer van het Rijk, vastgesteld bij Ons besluit van 13 Augustus 1891 (**Staatsblad** n°. 158) en gewijzigd bij Ons besluit van 17 April 1894 (**Staatsblad** n°. 57); Den Raad van State gehoord (advies van 7 Augustus 1894, n°. 42); Gelet op het nader rapport van voornoemden Minister van 26 October 1894, n°. 93, afdeeling Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan, vast te stellen het navolgende Bijzonder reglement van politie voor de krachtens de wet van 26 Januari 1883 (**Staatsblad** n°. 4) in aanleg zijnde rivier **de Maas**, voor zoover die voor het openbaar verkeer is of zal worden opengesteld, en **het Heusdensch kanaal**. Artikel 1 Voor de toepassing van dit en van het Algemeen Reglement worden de tot lossen en laden bestemde inrichtingen in de rivier **de Maas** met havens gelijkgesteld. Artikel 2 Vaartuigen mogen alleen geladen en gelost worden op de daartoe bestemde of door de kanaalbeambten aangewezen plaatsen. Artikel 3 Bij het laden of lossen van vaartuigen mogen de wegen en bermen niet versperd worden. De schippers der naast elkander liggende vaartuigen zijn verplicht ten gerieve van elkander de noodige ruimte te maken tot het bezigen van lichters en tot het verhalen. Artikel 4 De schipper van een vaartuig, liggende bij eene aanlegplaats, moet gedoogen, dat een ander vaartuig ter zijde van het zijne komt en daarover gemeenschap met den wal hebbe, mits niet om te laden of t"},{"i":17987,"b":"Wet van 2 december 2015 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet en de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet in verband met verbetering van de maatregelen bij niet-betalen van de premie en de bestuursrechtelijke premie en enkele andere wijzigingen (verbetering wanbetalersmaatregelen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de maatregelen bij niet betalen van de premie en de bestuursrechtelijke premie voor de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) te verbeteren en de termijn in [artikel 2.1.9 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.1.9) te schrappen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel Ia Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet. Artikel Ib Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Wijzigt de Wet forensische zorg (kst. 32398). Artikel III Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VII De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. In dat besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan [artikel 12 van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=12). Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtena"},{"i":19438,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende het herkenningsteken dat motorvoertuigen in een uitvaartstoet van motorvoertuigen voeren (Besluit herkenningsteken uitvaartstoet van motorvoertuigen) Gelet op [artikel 13, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=13) en [artikel 30c van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30c); Besluit: Artikel 1 1. Het herkenningsteken, bedoeld in [artikel 30c van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30c), bestaat uit twee zwarte vlaggen in de vorm van een gelijkbenige driehoek, waarbij, zoals weergegeven in figuur 1: - a. de gelijke zijden anderhalf keer zo lang zijn als de ongelijke zijde; - b. de ongelijke zijde minimaal 22 centimeter is; - c. de randen voorzien zijn van een witte retroreflecterende streep van anderhalve centimeter breed; en - d. loodrecht op de ongelijke zijde drie witte retroreflecterende strepen staan afgebeeld, elk van één centimeter breed en op één centimeter afstand van elkaar. De middelste van de drie strepen deelt de vlag in twee gelijke delen. 2. De vlaggen worden, met de ongelijke zijde verticaal geplaatst, gevoerd aan de linker- en rechterzijde van het voertuig. 3. De vlaggen zijn deugdelijk bevestigd aan het voertuig. 4. De vlaggen steken, op de plek waar zij geplaatst zijn, geheel boven het voertuig uit. 5. De vlaggen zijn zo geplaatst dat het zicht van de chauffeur niet wordt belemmerd. 6. De vlaggen zijn zo vervaardigd dat zij zowel bij stilstand als rijdend voldoende zichtbaar zijn voor andere weggebruikers. Figuur 1. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2010. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Besluit herkenningsteken uitvaartstoet van motorvoertuigen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19124,"b":"Richtlijn voor strafvordering diefstal voertuigen Beschrijving Deze richtlijn is van toepassing op diefstal van diverse soorten voertuigen en/of aanhangers, opleggers of caravans. De richtlijn ziet niet op transportdiefstallen, die vaak in georganiseerd verband plaatsvinden. Basiscasus/delict Diefstal van één voertuig, alleen gepleegd. Legenda GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036337)."},{"i":18779,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 2 mei 2024, kenmerk 5283140, houdende beperking van de openbaarheid van de Politiearchieven en restbestanden 1915–1975 (1977) van het Ministerie van Justitie Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. **30 april 2024**, met kenmerk **140282**. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de Politiearchieven en restbestanden 1915–1975 (1977) van het Ministerie van Justitie. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventaris-nummer | Per 1 januari | | --- | --- | | 23 | 2032 | | 24 | 2032 | | 25 | 2032 | | 26 | 2032 | | 27 | 2032 | | 28 | 2032 | | 29 | 2032 | | 83 | 2032 | | 84 | 2032 | | 85 | 2026 | | 113 | 2025 | | 117 | 2025 | | 122 | 2025 | | 123 | 2025 | | 126 | 2026 | | 131 | 2025 | | 132 | 2056 | | 133 | 2030 | | 134 | 2029 | | 140 | 2047 | | 141 | 2036 | | 142 | 2031 | | 143 | 2031 | | 144 | 2029 | | 145 | 2030 | | 146 | 2028 | | 148 | 2034 | | 149 | 2028 | | 150 | 2036 | | 151 | 2028 | | 152 | 2028 | | 153 | 2031 | | 154 | 2028 | | 155 | 2030 | | 156 | 2031 | | 174 | 2065 | | 175 | 2058 | | 176 | 2053 | | 177 | 2053 | | 178 | 2054 | | 179 | 2030 | | 180 | 2034 | | 181 | 2037 | | 182 | 2041 | | 183 | 2047 | | 184 | 2057 | | 185 | 2061 | | 186 | 2064 | | 192 | 2054 | | 193 | 2054 | | 194 | 2054 | | 195 | 2054 | | 196 | 2054 | | 197 | 2054 | | 198 | 2054 | | 199 | 2054 | | 200 | 2054 | | 201 | 2054 | | 202 | 2054 | | 203 | 2054 | | 204 | 2054 | | 205 | 2054 | | 206 | 2054 | | 207 | 2054 | | 208 | 2054 | | 209 | 205"},{"i":18858,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 juni 2017 nr. BOACAT2017/038, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Leisurelands B.V Gelezen het verzoek van Leisurelands B.V. van 14 juni 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039704&artikel=2&z=2017-06-21&g=2017-06-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van regiobeheerder, regiomedewerker of onderhoudsmedewerker in dienst van Leisurelands B.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggi"},{"i":18084,"b":"Besluit van 3 mei 2011, CDC/IVENT/DCDI/SSA nr. 2011009302, van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden van de collectie archieven van het Bureau Onderscheidingen, de Commissie voor Militaire Onderscheidingen en overige archiefvormers op het gebied van (militaire) onderscheidingen van het Ministerie van Defensie, (1922) 1940−1986 (1998), bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de **collectie****archieven van het Bureau Onderscheidingen, de Commissie voor Militaire Onderscheidingen en overige archiefvormers op het gebied van (militaire) onderscheidingen van het Ministerie van Defensie, (1922) 1940 1986 (1998),** beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 643 | 2021 | | 672–839 | 2056 | | 1131 | 2021 | | 1132 | 2021 | | 1138 | 2021 | | 1143 | 2021 | | 1144 | 2021 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029965&artikel=1&z=2011-05-15&g=2011-05-15), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029965&artikel=1&z=2011-05-15&g=2011-05-15), is, tot openbaarwording, slechts mogel"},{"i":18780,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het semi-ambtelijk archief van de minister van Justitie, I. Samkalden (1940) 1956–1966 (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen semi-ambtelijk archief van de minister van Justitie, I. Samkalden, bevattende de hierboven genoemde archieven, de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":17313,"b":"Regeling geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg Gelet op [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=65) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg. Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen - **Acute-ggz-historie:** Patiënt heeft op enig moment in de 365 dagen voorafgaande aan het typeringsmoment een interventie door of namens een GMAP-regievoerder acute zorg. - **AGB-code regiebehandelaar:** De AGB-code op persoonsniveau van de **regiebehandelaar** onder wiens verantwoordelijkheid de zorg geleverd en in rekening gebracht wordt. - **AGB-code verwijzer:** De AGB-code van de verwijzende zorgverlener of zorgaanbieder. - **AGB-code zorgaanbieder:** De AGB-code op instellings- of praktijk-niveau van de **zorgaanbieder** waar de zorg geleverd is. - **AGB-code zorgverlener:** De AGB-code op persoonsniveau van de zorgverlener die de zorg geleverd heeft. - **Audittrail:** Vastlegging van het spoor van gegevens van basisgegeven naar eindgegeven en omgekeerd. - **Consult:** Direct, ononderbroken en zorginhoudelijk **contact** tussen zorgverlener en (forensische) patiënt en/of naaste(n) van de patiënt. Met ononderbroken wordt bedoeld dat het niet is toegestaan om zonder zorginhoudelijke reden consulten op te delen. - **Contact:** Een zorginhoudelijk en ononderbroken interactie. Een contact kan zowel ‘face-to-face’, telefonisch, ‘screen-to-screen’ als ‘bit-to-bit’ plaatsvinden. - **Contractnummer (FZ):** Het contractnummer dat is uitgegeven bij d"},{"i":18033,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Centraal Planbureau van het Ministerie van Economische Zaken, (1945) 1990–1995 (1996) Inventaris CPB Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 en het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 14 november 2023 met kenmerk 42369744. Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, als bedoeld in [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. De archiefbescheiden bevatten gewone persoonsgegevens. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 704 | 2053 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050070&artikel=1&z=2024-07-27&g=2024-07-27), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de algemene rijksarchivaris heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050070&artikel=1&z=2024-07-27&g=2024-07-27), is, tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan haar toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de arc"},{"i":18127,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 18 december 2020, nr. 4169072, tot vaststelling van een kader houdende de organisatie-inrichting van het BVA-stelsel binnen de Rijksdienst (Besluit BVA-stelsel Rijksdienst 2021) Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Rijksdienst:** de kerndepartementen en de daaronder ressorterende dienstonderdelen; - b. **Dienstonderdeel:** een onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende minister ressorterende directie, afdeling, instelling, dienst of bedrijf; - c. **Ambtelijke leiding:** hoogste ambtenaar van het ministerie, organisatieonderdeel; - d. **BVA Rijk:** Beveiligingsautoriteit Rijk, bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044617&paragraaf=3&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01); - e. **BVA:** Beveiligingsautoriteit, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044617&paragraaf=2&artikel=3&z=2021-01-01&g=2021-01-01); - f. **BVC:** Beveiligingscoördinator, bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044617&paragraaf=2&artikel=6&z=2021-01-01&g=2021-01-01); - g. **CIO Rijk:** Chief Information Officer Rijk, bedoeld in [artikel 10, eerste lid van het Besluit CIO-stelsel Rijksdienst 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&artikel=10); - h. **CIO:** Chief Information Officer, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&artikel=3), en [artikel 9, eerste lid van het Besluit CIO-stelsel Rijksdienst 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&artikel=9); - i. **CISO Rijk:** Chief Information Security Officer Rijk, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van het Besluit CIO-stelsel Rijksdienst 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&artikel=10); - j. **CISO:** Chief Information Security Officer, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&artikel=6), en [artikel 9, derde lid van het Beslu"},{"i":19303,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 oktober 2013, nr. 430393, houdende wijziging van het Besluit Adviescollege Verloftoetsing tbs in verband met een aanpassing van de benoemings- en herbenoemingstermijn van de voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit Adviescollege Verloftoetsing tbs. Artikel II. Overgangsbepaling In afwijking van [artikel 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022548&artikel=2), kan de Minister de voorzitter of een lid, waarvan de herbenoemingstermijn van drie jaar verstrijkt, voor een tweede maal aansluitend herbenoemen voor een periode van ten hoogste één jaar. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18178,"b":"Besluit van 26 oktober 1945, houdende vaststelling van het Besluit politieke delinquenten 1945 Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van 4 October 1945, no. 1120; Overwegende, dat het wenschelijk is eenige regelen vast te stellen met betrekking tot politieke delinquenten; Den Raad van State gehoord (advies van 16 October 1945, no. 18); Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 22 October 1945, 6e Afdeeling, no. 1101; Hebben goedgevonden en verstaan: Afdeeling I. Opsporingsambtenaren Artikel 1 1. Met de opsporing van de strafbare feiten, waarop het [Besluit Buitengewoon Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002006) van toepassing is en van de gedragingen, genoemd in [artikel 1 van het Tribunaalbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002009&artikel=1), zijn belast de ambtenaren, bedoeld in [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141), alsmede de daartoe door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aan te wijzen ambtenaren van politie. 2. Zij richten zich bij de uitvoering van hun taak naar de bevelen, hun bij uitsluiting gegeven door of vanwege den procureur-fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof, binnen welks ressort zij standplaats hebben. Artikel 2 Onze Minister van Veiligheid en Justitie stelt uit de door hem ingevolge [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002015&afdeling=I&artikel=1&z=2015-01-01&g=2015-01-01) aan te wijzen ambtenaren van politie hoofden van politieke recherche aan, die elk in hun ambtsgebied belast zijn met de leiding van de opsporing der in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002015&afdeling=I&artikel=1&z=2015-01-01&g=2015-01-01) bedoelde feiten en gedragingen, alsmede met de hun bij of krachtens dit besluit opgedragen werkzaamheden. Het [tweede lid van artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002015&afdeling=I&artikel=1&z=2015-01-01&g=2015-01-01) is van toepassing. Afdeeling II. Offici"},{"i":18072,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 oktober 2008, nr. DDI/ST/reg. 037/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Ambassade en Consulaten in Canada van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade en Consulaten in Canada van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet toegankelijk. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 159 | 2039 | | 160 | 2039 | | 172 | 2048 | | 173 | 2044 | | 174 | 2044 | | 175 | 2039 | | 733 | 2039 | | 734 | 2048 | | 907 | 2044 | | 1012 | 2044 | | 1013 | 2048 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade en Consulaten in Canada van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 232 | 2039 | | 233 | 2050 | | 236 | 2036 | | 291 | 2050 | | 649 | 2039 | | 651 | 2050 | | 1054 | 2050 | | 1079 | 2040 | | 1252 | 2039 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024616&artikel=2&z=2008-10-19&g=2008-10-19), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier"},{"i":18750,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief betreffende Oorlogsmisdadigers ressorterend onder het Ministerie van Justitie 1950−1980 (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archief Oorlogsmisdadigers ressorterend onder het Ministerie van Justitie, 1950–1980 bevattende de hierboven genoemde archieven, de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":18237,"b":"Besluit vaststelling taakomschrijving Staatssecretaris van Defensie Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951 (Stb. 24), houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002068&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Defensie, de heer D.G. Boswijk, is binnen de grenzen van het door de Minister van Defensie vastgestelde beleid belast met het behartigen van de aangelegenheden betreffende het Ministerie van Defensie voor zover het gaat om: - •. Personele en materiële gereedstelling krijgsmacht (nationaal en internationaal) - •. Industriebeleid en innovatie gericht op realisatie bestaand en nieuw materieel - •. Ruimtelijke ontwikkeling, regionale ontwikkeling en vastgoed - •. Bevorderen van de weerbaarheid van Nederland regionaal - •. IT/digitalisering (nationaal en internationaal) - •. Integraal veiligheidsbeleid en duurzaamheid - •. Diversiteit Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 23 februari 2026. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17386,"b":"Regeling registratieonderzoek eerstelijnsverblijf en Wlz crisiszorg vv Gelet op de [artikelen 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van eerstelijnsverblijf en Wlz crisiszorg vv. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **zorgaanbieder:** als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent; - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°, - **eerstelijnsverblijf:** zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg zoals huisartsen die plegen te bieden, al dan niet gepaard gaande met verpleging, verzorging of paramedische zorg. - **psychologische zorg binnen eerstelijnsverblijf:** zorg verleend door gedragsdeskundigen aan patiënten tijdens het eerstelijnsverblijf, passende bij de indicatie eerstelijnsverblijf, op verzoek van de huisarts of specialist ouderengeneeskunde of arts verstandelijk gehandicapten. Deze zorg valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw)-prestatie ‘zorg zoals klinisch psychologen die plegen te bieden’, en wordt geleverd aan patiënten met (een vermoeden van) gedragsmatige en/of cognitieve problematiek, en niet zijnde (specialistische) geneeskundig"},{"i":17176,"b":"Mogelijkheden financiële bijdrage voor kunstprojecten in de zorg Circulaire aan de instellingen in de intramurale gezondheidszorg die onder de [WZV](onbekend) vallen, exclusief de academische ziekenhuizen Aanleiding vervolgcirculaire In vervolg op mijn circulaire van 15 februari 1994 (kenmerk FBP/AFB/EP 9419), waarin ik u informeerde omtrent mijn beleid inzake de mogelijkheden van een financiële bijdrage voor kunst in de gezondheidszorg, deel ik u het volgende mede. Het in die circulaire vermelde beleid zet ik voort, zij het dat ik daarbij een aantal inhoudelijke en procedurele wijzigingen aanbreng. In het kort komen deze wijzigingen op het volgende neer. Het blijft mogelijk dat een financiële bijdrage wordt toegekend voor kunstprojecten in verband met nieuw- of verbouwprojecten die vergunningplichtig zijn binnen het kader van de [WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753). Per verklaring die aan de vergunning voorafgaat, kan in het kader van deze regeling slechts éénmaal een financiële bijdrage worden toegekend. De beslissing voor die bijdrage is afhankelijk van de hoogte van het totaal van de goedgekeurde investeringskosten, opgenomen in één of meer vergunningsbeschikkingen, deeluitmakend van dezelfde verklaring. De financiële bijdrage wordt opgenomen in de brief waarin de vergunning wordt verleend. In de vorige circulaire had ik aan de goedgekeurde investeringskosten twee ondergrenzen verbonden van f 20 mln. en f 100 mln., waarbij maximumbijdragen konden worden toegekend van respectievelijk f 50.000,- en f 100.000,-. Ik heb thans aan de goedgekeurde investeringskosten ex [WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753) één ondergrens van f 20 mln. verbonden, met een bijdrage van minimaal f 50.000,- en maximaal f 100.000,-, zijnde 50% van het maximaal toe te kennen bedrag van f 200.000,-. Thans worden de WZV-vergunningen nog verleend door mij. In het kader van de [Wet uitvoeringsorganen zorginstellingen](onbekend) (WUV) zal de vergunningverlening"},{"i":19397,"b":"Wet van 22 november 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) regels te stellen voor het vastleggen en bewaren van kentekengegevens; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel Ia Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel II 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. [Artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126jj) vervalt drie jaar na inwerkingtreding van de wet, tenzij bij koninklijk besluit anders wordt bepaald. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 3. De Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Het verslag bevat in ieder geval een onderzoeksrapportage met zowel casuïstiek als cijfers over de doeltreffendheid en de effecten van het vastleggen en bewaren van kentekengegeven door de politie. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11813,"b":"Beleidsregel van de Kiesraad van 10 maart 2008 inzake de schrijfwijze van aanduidingen die op grond van artikel G 1 van de Kieswet bij de Kiesraad in de hoedanigheid als centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, Eerste Kamer en Europees Parlement worden geregistreerd Gelet op [artikel G 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=G_1) jo. [artikel Y 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Y_2), en [artikel Q 6 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Q_6) en [artikel 1:3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3), jo. [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Ten aanzien van de schrijfwijze van aanduidingen die in het register van aanduidingen ten behoeve van de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, Eerste Kamer en Europees Parlement worden geregistreerd, het volgende beleid te hanteren en [artikel G 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=G_1) jo. [artikel Y 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Y_2) en [artikel Q 6 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Q_6) als volgt te interpreteren: - a. een aanduiding bestaat uit letters, eventueel aangevuld met cijfers of andere tekens; - b. aanduidingen worden op een gelijke wijze en met hetzelfde lettertype weergegeven; - c. een aanduiding bestaat uit hoofd- of kleine letters of een combinatie van beide; - d. een aanduiding wordt in steilschrift geregistreerd; - e. tekens in combinatie met letter(s) en/of cijfers worden geregistreerd, mits de tekens functioneel zijn in relatie tot de rest van de aanduiding; - f. logo’s, beeldmerken, plaatjes of emoticons in een aanduiding worden niet geregistreerd. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Deze beleid"},{"i":19564,"b":"Regeling vaststelling model controle-certificaat verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet Gelet op [artikel 8, vierde lid, van het Besluit verklaringhouders Scheepvaart-verkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007513&artikel=8); Besluit: Artikel 1 Voor het certificaat, bedoeld in [artikel 8, vierde lid, van het Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007513&artikel=8), wordt het model vastgesteld dat is opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 1995. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling model controle-certificaat verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19565,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 december 2005, LMV 2005 208198, houdende vaststelling van het subsidieplafond sanering verkeerslawaai 2006 en criteria voor subsidieverlening Gelet op [artikel 15.13, eerste, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13) en [artikelen 12, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&artikel=12), [13, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&artikel=13), en [16, derde en vierde lid, van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Het tijdvak voor de subsidieverstrekking als bedoeld in deze regeling wordt vastgesteld voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006. Artikel 2 Het subsidieplafond voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019134&artikel=1&z=2006-07-20&g=2006-07-20) vastgestelde tijdvak ten behoeve van de sanering van verkeerslawaai als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019134&artikel=3&z=2006-07-20&g=2006-07-20) wordt vastgesteld op: € 22 911 000,00. Artikel 3 1. In het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019134&artikel=1&z=2006-07-20&g=2006-07-20) genoemde tijdvak komen voor subsidie als bedoeld in [hoofdstuk 2, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&afdeling=2), en [afdeling 3, paragrafen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&paragraaf=3.1), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&paragraaf=3.3), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&paragraaf=3.4) en [3.5, van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&paragraaf=3.5) in aanmerking: - a. projecten waarvoor eerder verleende subsidie wordt verhoogd en die zijn geplaatst op een voor 1 januari 2006 in de Staatsco"},{"i":19566,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 december 2006, nr. LMV 2006 335399, houdende vaststelling van het subsidieplafond sanering verkeerslawaai 2007 Gelet op [artikel 15.13, eerste, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1 Het tijdvak voor de subsidieverstrekking ten behoeve van sanering van verkeerslawaai als bedoeld in de [Subsidieregeling sanering verkeerslawaai](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020731) wordt vastgesteld voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007. Artikel 2 Het subsidieplafond voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020914&artikel=1&z=2007-01-01&g=2007-01-01) vastgestelde tijdvak ten behoeve van de sanering van verkeerslawaai wordt vastgesteld op: € 24 055 000,00. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19567,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 december 2007, nr. LMV 2007 125725, houdende vaststelling van het subsidieplafond sanering verkeerslawaai 2008 Gelet op [artikel 15.13, eerste, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1 Het tijdvak voor de subsidieverstrekking ten behoeve van sanering van verkeerslawaai als bedoeld in de [Subsidieregeling sanering verkeerslawaai](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020731) wordt vastgesteld voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008. Artikel 2 Het subsidieplafond voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023084&artikel=1&z=2008-01-01&g=2008-01-01) vastgestelde tijdvak ten behoeve van de sanering van verkeerslawaai wordt vastgesteld op: € 22.753.000,00. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19568,"b":"Regeling van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 december 2008, nr. LOK 2008.119864, houdende vaststelling van het subsidieplafond sanering verkeerslawaai 2009 Gelet op [artikel 15.13, eerste, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1 Het tijdvak voor de subsidieverstrekking ten behoeve van sanering van verkeerslawaai als bedoeld in de [Subsidieregeling sanering verkeerslawaai](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020731) wordt vastgesteld voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009. Artikel 2 Het subsidieplafond voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024953&artikel=1&z=2009-01-01&g=2009-01-01) vastgestelde tijdvak ten behoeve van de sanering van verkeerslawaai wordt vastgesteld op: € 19.100.000,00. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19569,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 juli 2009, nr. DGR/LOK 2009046537, houdende vaststelling van het subsidieplafond sanering verkeerslawaai 2009 Gelet op [artikel 15.13, eerste, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1 Het tijdvak voor de subsidieverstrekking ten behoeve van sanering van verkeerslawaai als bedoeld in de [Subsidieregeling sanering verkeerslawaai](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020731) wordt vastgesteld voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009. Artikel 2 Het subsidieplafond voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026125&artikel=1&z=2009-07-18&g=2009-07-18) vastgestelde tijdvak ten behoeve van de sanering van verkeerslawaai wordt vastgesteld op: € 31.100.000,00. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19570,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 17 december 2009, nr. DGR/LOK 2009 066089, houdende vaststelling van het subsidieplafond sanering verkeerslawaai 2010 Gelet op [artikel 15.13, eerste, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1 Het tijdvak voor de subsidieverstrekking ten behoeve van sanering van verkeerslawaai als bedoeld in de [Subsidieregeling sanering verkeerslawaai](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020731) wordt vastgesteld voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010. Artikel 2 Het subsidieplafond voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026995&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) vastgestelde tijdvak ten behoeve van de sanering van verkeerslawaai wordt vastgesteld op: € 17.459.000,–. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19571,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 30 november 2010, nr. BJZ2010031185, houdende vaststelling van het subsidieplafond sanering verkeerslawaai 2011 Gelet op [artikel 15.13, eerste, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1 Het tijdvak voor de subsidieverstrekking ten behoeve van sanering van verkeerslawaai als bedoeld in de [Subsidieregeling sanering verkeerslawaai](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020731) wordt vastgesteld voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011. Artikel 2 Het subsidieplafond voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029049&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01) vastgestelde tijdvak ten behoeve van de sanering van verkeerslawaai wordt vastgesteld op: € 18.100.000. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19572,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 21 november 2012, nr. IENM/BSK-2012/222248, houdende vaststelling van het subsidieplafond sanering verkeerslawaai 2013 Gelet op [artikel 15.13, eerste, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1 Het tijdvak voor de subsidieverstrekking ten behoeve van sanering van verkeerslawaai als bedoeld in de [Subsidieregeling sanering verkeerslawaai](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020731) wordt vastgesteld voor de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013. Artikel 2 Het subsidieplafond voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032243&artikel=1&z=2014-02-21&g=2014-02-21) vastgestelde tijdvak ten behoeve van de sanering van verkeerslawaai wordt vastgesteld op: € 19.859.000,–. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19573,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 1 november 2013, nr. IENM/BSK-2013/244731 houdende vaststelling van het subsidieplafond sanering verkeerslawaai 2014 Gelet op [artikel 15.13, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1 Het tijdvak voor de subsidieverstrekking ten behoeve van sanering van verkeerslawaai als bedoeld in de [Subsidieregeling sanering verkeerslawaai](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020731) wordt vastgesteld voor de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014. Artikel 2 Het subsidieplafond voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034171&artikel=1&z=2014-12-17&g=2014-12-17) vastgestelde tijdvak ten behoeve van de sanering van verkeerslawaai wordt vastgesteld op: € 19.508.000,–. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19648,"b":"Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika Het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, verlangend de banden van vrede en vriendschap, welke van oudsher tussen hen bestaan, te versterken en nauwere economische en culturele betrekkingen tussen hun volkeren aan te moedigen, en zich bewust van de bijdragen welke te dien einde kunnen worden geleverd door overeenkomsten welke wederzijds voordelig handelsverkeer bevorderen, beleggingen tot wederzijds voordeel aanmoedigen en wederzijds rechten en voorrechten vastleggen, hebben besloten een Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart te sluiten, waaraan in het algemeen de beginselen van het wederzijds toekennen van nationale behandeling en van onvoorwaardelijke meestbegunstiging ten grondslag liggen, en hebben te dien einde benoemd als hun Gevolmachtigden: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Z.E. Mr. J. W. Beyen, Minister van Buitenlandse Zaken, en Z.E. Mr. J. M. A. H. Luns, Minister zonder Portefeuille, en de President van de Verenigde Staten van Amerika: Z.E. de Heer H. Freeman Matthews, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur van de Verenigde Staten van Amerika te 's-Gravenhage, die, na elkander hun volmachten te hebben overgelegd, welke in orde werden bevonden, als volgt zijn overeengekomen: Artikel I 1. De ene Partij zal te allen tijde de onderdanen en vennootschappen van de andere Partij, alsmede hun eigendommen, ondernemingen en andere belangen, behoorlijk en rechtvaardig behandelen. 2. Tussen de grondgebieden van de twee Partijen zal, in overeenstemming met de bepalingen van het onderhavige Verdrag, vrijheid van handel en scheepvaart bestaan. Artikel II 1. Het zal onderdanen van de ene Partij zijn geoorloofd, het grondgebied van de andere Partij te betreden en daarbinnen te verblijven: **(a)** ten einde handel te drijven tussen de grondgebieden van de twee Partijen en zich bezig te houden met daarmede same"},{"i":19647,"b":"Verdrag van scheepvaart en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk van Zweden en Noorwegen Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden van de eene zijde, en Zijne Majesteit de Koning der vereenigde Koningrijken van Zweden en Noorwegen van de andere zijde, de betrekkingen van scheepvaart en handel, tusschen hunne Staten, op eene wederkeerig voordeelige wijze, wenschende gemakkelijk te maken en uittebreiden, zijn met die bedoeling overeengekomen in onderhandeling te treden, en hebben daartoe tot hunne gevolmagtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, den heer James Albert Hendrik De La Sarraz, commandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, ridder der militaire Willems-orde, 3de klasse, en der orden van den witten Adelaar, van St. Anna 1ste klasse en van St. Stanislas 1ste klasse, ridder grootkruis der orde van Leopold van Belgie, ridder van den Rooden Adelaar 2de klasse, officier der Koninklijke orde van het Legioen van eer, luitenant-generaal, Hoogstdeszelfs adjudant en minister van buitenlandsche zaken, en Zijne Majesteit de Koning van Zweden en Noorwegen, den heer Axel baron van Wahrendorff, Hoogstdeszelfs kamerheer en zaakgelastigde bij de Hoven van Nederland en van Belgie, ridder der orde van de Poolster, commandeur der orde van de Eikenkroon en van die van Leopold van Belgie, officier der orde van het Legioen van eer van Frankrijk; dewelke, na uitwisseling hunner in goede en behoorlijke orde bevonden volmagten, de volgende artikelen hebben vastgesteld. Art. I De Nederlandsche schepen, welke, van waar ook komende, in ballast of geladen in de havens van een der Vereenigde Koningrijken in Europa kinnen komen, zullen zoowel bij het in- als bij het uitgaan, behandeld worden op denzelfden voet als de nationale schepen, wat betreft de haven-, tonne- baken- en loodsgelden, alsmede alle andere regten of lasten, van welken aard of benaming ook, welke ten voordeele der kroon, van steden of van eenige bijzondere instellinge"},{"i":4275,"b":"Besluit vergunning SnapChance 2020–2025 **Besluit van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit van 9 april 2020, kenmerk 12813, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van een gelegenheid als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de kansspelen** Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) verleent de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit (hierna: de Ksa) aan SnapChance.nl B.V., een besloten vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Amsterdam met KvK-nummer 69364087 (hierna: de vergunninghouder), een vergunning voor de periode vanaf 9 april 2020 tot en met 9 april 2025. Aan deze vergunning zijn de navolgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de loterijen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. Algemeen Kenmerken van de loterij(en) Afdracht ten behoeve van het algemeen belang Consumentenbescherming Transparantie Meldplicht Rapportage"},{"i":4774,"b":"Besluit van 19 oktober 1989, houdende vaststelling van nieuwe voorschriften ter uitvoering van de Kieswet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 29 augustus 1989, nr. CW89/1/U9, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627); Gezien het advies van de Kiesraad van 5 april 1989, nr. 4129; De Raad van State gehoord (advies van 10 oktober 1989, nr. W04.89.0517); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 16 oktober 1989, nr. CW89/1/U13 Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Afdeling I. Algemene bepalingen Hoofdstuk A. De Kiesraad Artikel A 1 Vervallen Artikel A 2 Vervallen Artikel A 3 Vervallen Afdeling II. De verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten en van de gemeenteraden Hoofdstuk D. De registratie van de kiesgerechtigdheid Artikel D 1 Burgemeester en wethouders ontlenen aan de basisregistratie personen de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de kiesgerechtigdheid van de personen die als ingezetene hierin zijn ingeschreven. Artikel D 1a Vervallen Artikel D 2 1. Ten aanzien van personen die hun werkelijke woonplaats in de gemeente hebben, niet zijnde personen als bedoeld in [artikel D 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004632&afdeling=II&hoofdstuk=D&artikel=D_1&z=2025-08-01&g=2025-08-01), en die als kiesgerechtigd in de gemeentelijke administratie worden opgenomen, registreren burgemeester en wethouders de volgende gegevens: - a. de geslachtsnaam; - b. de voornamen of voorletters; - c. de geboortedatum; - d. het adres; - e. de nationaliteit. 2. Burgemeester en wethouders schrappen de registratie van de kiesgerechtigdheid van de in het eerste lid bedoelde personen indien aan hen omstandigheden bekend worden op grond waarvan de desbetreffende persoon niet als kiezer behoort te zijn geregistreerd. Artikel D 3 Op verzoek van burge"},{"i":4797,"b":"Mandaat Commandant Maritieme Middelen Koninklijke marine Den Helder Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=5), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=7), en [8 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=8); Besluit: Artikel 1 De bevoegdheden van het bevoegd gezag, bedoeld in de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=5), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=7), en [8 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=8), worden voor de scheepvaartwegen genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007130&artikel=2&z=1995-01-01&g=1995-01-01), gemandateerd aan de Commandant der Maritieme Middelen van de Koninklijke Marine te Den Helder. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007130&artikel=1&z=1995-01-01&g=1995-01-01) bedoelde scheepvaartwegen zijn: Schulpengat, Molengat, Rede van Den Helder, de havens te Den Helder voor zover in beheer bij het rijk, en de in de Waddenzee gelegen scheepvaartroutes, alle voor zover gelegen binnen het gebied dat aan de westzijde wordt begrensd door een lijn door de punten: - 1º. 52°52'.90 NB, 04°42'.95 OL (lichtopstand ‘Grote Kaap’); - 2º. 52°52'.95 NB, 04°38'.80 OL; - 3º. 52°54'.70 NB, 04°34'.80 OL; - 4º. 52°56'.80 NB, 04°33'.90 OL; - 5º. 53°00'.30 NB, 04°35'.45 OL; - 6º. 53°03'.65 NB, 04°39'.35 OL; - 7º. 53°03'.80 NB, 04°43'.45 OL (paal 15, Texel); en aan de oostzijde wordt begrensd door een lijn door de punten: - 8º. 53°01'.45 NB, 04°48'.75 OL; - 9º. 53°00'.75 NB, 04°50'.80 OL; - 10º. 52°59'.75 NB, 04°52'.35 OL; - 11º. 52°59'.30 NB, 04°52'.65 OL; - 12º. 52°58'.28 NB, 04°50'.00 OL; - 13º. 52°57'.90 NB, 04°48'.18 OL. Artikel 3 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007130&artikel=1&z=1995-01-01&g=1995-01-01) genoemde Commandant der Martieme Middelen"},{"i":4171,"b":"Besluit van 10 oktober 2024, houdende vaststelling van het te heffen recht voor de behandeling van nadeelcompensatieaanvragen door bestuursorganen van de centrale overheid (Besluit vaststelling recht nadeelcompensatie bestuursorganen centrale overheid) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 28 juni 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5576271, gedaan mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 4:128, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:128); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 augustus 2024, nr. W16.24.00174/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 7 oktober 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5767137, uitgebracht mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Van de aanvrager van een vergoeding op grond van [artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:126), kan door een bestuursorgaan van de centrale overheid een recht van € 300 worden geheven voor het in behandeling nemen van de aanvraag. 2. De aanvrager betaalt het verschuldigde recht binnen vier weken na de indiening van de aanvraag. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling recht nadeelcompensatie bestuursorganen centrale overheid. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4699,"b":"Instellingsbeschikking werkgroep ’Fiscale opties bij herstructurering op bedrijfsniveau in de land- en tuinbouw’ Overwegende dat het wenselijk is de werkgroep ’Fiscale opties bij herstructurering op bedrijfsniveau in de land- en tuinbouw’ in te stellen; Besluit: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een werkgroep ’Fiscale opties bij herstructurering op bedrijfsniveau in de land- en tuinbouw’. Artikel 2 1. De werkgroep heeft tot taak om de opties voor het wegnemen van eventueel bestaande fiscale belemmeringen, met het oog op bespoediging van de gewenste herstructurering op bedrijfsniveau in de land- en tuinbouw, te inventariseren en te beoordelen. Indien de uitkomsten daartoe aanleiding geven doet de werkgroep in aanvulling hierop concrete aanbevelingen voor aanpassing van de regelgeving. 2. Bij deze taak neemt de werkgroep de volgende aspecten in haar beoordeling mee: - de inpasbaarheid van de opties in het Nederlandse fiscale stelsel, dit betekent onder meer dat de voorstellen zorgvuldig moeten worden gewogen op hun uitvoeringstechnische aspecten en hun handhaafbaarheid; - de inpasbaarheid van de opties in de Europese context; - het aspect van de administratieve lasten en uitvoeringskosten. § 2. Samenstelling en werkwijze Artikel 3 1. Tot lid, tevens voorzitter van de werkgroep wordt benoemd: drs. W.J. Vossers. 2. Tot lid, tevens secretaris van de werkgroep wordt benoemd: drs. P.G.M. Adriaansen. 3. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: mr. R.J.M. Coopmans ir. F.H. Germs mr. H.J. van den Kerkhof mr. D.J. de Korte drs. G.G. van Leeuwen drs. A. van der Meer ir. L.S. Rietema mw. mr. G.M.H. Rutten-Neijnens drs. J.J. Urselmann Artikel 4 Ter uitvoering van haar taak kan de werkgroep zich rechtstreeks tot derden wenden voor het verkrijgen van inlichtingen en hen zo nodig ter vergadering uitnodigen om hun mening nader uiteen te laten zetten. Artikel 5 De werkgroep legt haar uitkomsten en eventuele aanbevelingen voor aanpassing van de regelgeving vóór 1 mei 1999 aan d"},{"i":4586,"b":"Wet van 18 november 2020 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht naar aanleiding van de evaluatie van de regeling over bestuursrechtelijke geldschulden (Evaluatiewet bestuursrechtelijke geldschuldenregeling Awb) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het naar aanleiding van de evaluatie van de regeling over bestuursrechtelijke geldschulden in [titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.4) wenselijk is hierin een kwijtscheldingsbepaling op te nemen en enkele wijzigingen van technische aard aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Op een beschikking tot invordering van een dwangsom die is gegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Evaluatiewet bestuursrechtelijke geldschuldenregeling Awb. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":2924,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 juni 2015, inzake beschikbaarheidbijdrage voor acuut ambulancevervoer per ambulancehelikopter vanaf de Friese Waddeneilanden Gelet op grond van [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 4 mei 2015 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2014/15, 34 000, nr. 109); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wjzigingsbesluit Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG in verband met acuut ambulancevervoer per ambulancehelikopter voor de Friese Waddeneilanden en enige andere besluiten in verband met medische vervolgopleidingen (Stb. 2015/446) in werking treedt. Artikel 1 De Nederlandse Zorgautoriteit kan, op grond van onderdeel B, sub 16, van de [bijlage behorende bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](onbekend), een beschikbaarheidbijdrage verlenen voor acuut ambulancevervoer per ambulancehelikopter vanaf de Friese Waddeneilanden. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking op de dag dat het besluit houdende wijziging van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG in verband met acuut ambulancevervoer per ambulancehelikopter voor de Friese Waddeneilanden en enige andere besluiten in verband met medische vervolgopleidingen in werking treedt. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing met de toelichting in de Staatscourant."},{"i":4339,"b":"Besluit van de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van 17 november 2022, kenmerk 94b1cd73-or1-1.0, houdende verlening van ondermandaat aan een unithoofd van de dienst ten aanzien van verzoeken om technische en andere vormen van ondersteuning als bedoeld in artikel 95, tweede en derde lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Besluit verlening ondermandaat ten aanzien van verzoeken om technische en andere vormen van ondersteuning 2022) Gelet op [artikel 4.7, eerste lid, van het Mandaatbesluit BZK 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046217&artikel=4.7) en [artikel 2, tweede lid, van het Mandaatbesluit AIVD](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045668&artikel=2) ten aanzien van verzoeken om technische en andere vormen van ondersteuning 2021; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **AIVD:** Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - b. **hoofd van de dienst:** de directeur-generaal van de AIVD; - c. **unithoofd:** een leidinggevende bij de AIVD ressorterend onder een directeur met uitzondering van het Nationaal Bureau Verbindingsbeveiliging, de Centrale Staf en de Chief Information Officer; - d. **wet:** [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896). Artikel 2 Aan een unithoofd wordt ondermandaat verleend om namens het hoofd van de dienst een verzoek te richten aan de Minister van Justitie en Veiligheid dan wel de Minister van Defensie tot het verlenen van technische en andere vormen van ondersteuning bij de uitvoering door de AIVD van diens taak door een of meer landelijke eenheden van de politie onderscheidenlijk de Koninklijke Marechaussee, voor zover het verzoek betrekking heeft op de uitoefening van de bevoegdheid op grond van de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=40), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=42), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":4874,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 17 september 2008, nr. DGR2008092452, na overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging ter uitvoering van de Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds (Mandaatbesluit LNV Dienst Landelijk Gebied Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds) Gezien de schriftelijke instemming van de directeur van de Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 28 augustus 2008 met kenmerk DLG.2008/44348; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van de Dienst Landelijk Gebied wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer omtrent aangelegenheden, betreffende de bevoegdheden bedoeld in de [Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022174), met uitzondering van de bevoegdheden bedoeld in de [artikelen 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022174&artikel=1.2) (subsidieplafond), [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022174&artikel=1.5) (aanvraagperiode), [1.7 lid, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022174&artikel=1.7) (melding grote projecten aan Europese Commissie) en [1.9 (beoordeling) van de Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022174&artikel=1.9). Artikel 2 Aan de directeur van de Dienst Landelijk Gebied wordt volmacht en machtiging verleend tot het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en uitvoering van de besluiten bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024528&artikel=1&z=2008-09-28&g=2008-09-28). Artikel 3 De directeur van de Dienst Landelijk Gebied kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024528&artikel=1&z=2008-09-28&g=2008-09-28) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":2870,"b":"Beschikking van de Minister van Veiligheid en Justitie van 27 oktober 2016, Directie Wetgeving en Juridische Zaken nr. 2006929, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2017 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2017) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2017 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2,1. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2017. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3362,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 7 maart 2023 nr. BOACAT2023/009, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant Gelezen het verzoek van de omgevingsdienst Midden- en West-Brabant van 2 maart 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Zeeland West-Brabant en de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047962&artikel=2&z=2023-04-04&g=2023-04-04). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder repressief en BOA domein II in dienst van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, b"},{"i":2815,"b":"Beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende toekenning van frequeties aan MT 2 Mobiele Communicatie B.V. als houder van een vergunning voor GSM Gelet op de artikelen 13e en 13l van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen; Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. wet: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen; - b. minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - c. GSM: het systeem voor openbare paneuropese digitale cellulaire mobiele telecommunicatie te land, zoals omschreven in de bijlage bij aanbeveling nr. 87/371/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1987, inzake de gecoördineerde invoering van openbare paneuropese digitale cellulaire mobiele telecommunicatie te land in de Gemeenschap (PbEG L 196); - d. CEPT: Conférence Européenne des Postes et des Télécommunications; - e. vergunning: de aan MT 2 Mobiele Communicatie B.V. (Vodafone Libertel B.V.) krachtens artikel 13a, eerste lid, van de wet verleende vergunning voor GSM; - f. vergunninghouder: MT 2 Mobiele Communicatie B.V. (Vodafone Libertel B.V.) als de houder van de onder e genoemde vergunning; - g. actieve SIM-kaart: een chipkaart met informatie die toegang tot GSM diensten geeft; - h. drukste uur: het klokuur waarin de hoeveelheid verkeer het grootste is; - i. frequentie-economie: teller/noemer, waarbij de teller is het aantal actieve SIM-kaarten aan het eind van het jaar X het verkeer tijdens het drukste uur per actieve SIM-kaart (in Erlangs) X het gemiddelde totale verkeer (in Erlangs), en de noemer is het aantal GSM-kanalen (2x200kHz) X het totale verkeer tijdens het drukste uur (in Erlangs); - j. 900 MHz band: frequentiebereik van 880–915 MHz en 925–960 MHz; - k. 1800 MHz-band: frequentiebereik van 1710–1785 MHz en 1805–1880 MHz; - l. transitiedatum 900: de dag na de datum waarop alle vergunningen, bedoeld in [artikel 20.2 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&a"},{"i":4734,"b":"Intrekking beleidsregels voor uitgifte locaties ter vestiging wegrestaurants langs rijkswegen Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 1. Het beleid voor de uitgifte van locaties ter vestiging van wegrestaurants langs rijkswegen wordt beëindigd. 2. Ter uitvoering van het in het eerste lid bedoelde beleid vastgestelde richtlijnen worden ingetrokken. 3. Het eerste en tweede lid vinden toepassing met dien verstande dat bestaande richtlijnen van toepassing blijven op wegrestaurants waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit locaties tot vestiging zijn uitgegeven. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Het besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3037,"b":"Besluit tot aanwijzing vervoersdienst waarvoor het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel en het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein In overeenstemming met het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel en het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe; Gelet op [artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20); Besluit: Artikel 1 1. Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel is bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdienst, die de daarbij aangegeven stations verbindt: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Zwolle-Gramsbergen, als onderdeel van de vervoersdienst Zwolle–Emmen | Zwolle, Dalfsen, Ommen, Mariënberg, Hardenberg, Gramsbergen | 2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid heeft betrekking op het openbaar vervoer per trein na 8 december 2007. Artikel 2 1. Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe is bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdienst, die de daarbij aangegeven stations verbindt: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Gramsbergen–Emmen, als onderdeel van de vervoersdienst Zwolle–Emmen | Gramsbergen, Coevorden, Dalen, Nieuw-Amsterdam, Emmen Bargeres, Emmen | 2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid heeft betrekking op het openbaar vervoer per trein na 8 december 2007. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19650,"b":"Verkeersregeling Defensie Handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44) en [artikel 4, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4), Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **civiel defensievoertuig:** personenauto of bedrijfsauto zoals genoemd in [artikel 1.1 van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=1.1), niet bedoeld voor specifiek militair operationeel gebruik, die wordt gebruikt ten behoeve van Defensie; - **civiel rijbewijs:** rijbewijs als bedoeld in [artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=107); - **commandant:** de commandant als bedoeld in [artikel 2 van het Mandaatbesluit Personele Bevoegdheden Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039990&artikel=2); - **defensievoertuig:** een voertuig toebehorende aan of ingezet door Defensie; - **defensieterrein:** terrein dat in gebruik is bij het Ministerie van Defensie en niet openstaat voor openbaar verkeer; onder terrein wordt ook begrepen de daarop liggende wegen, paden, de daarin liggende bruggen en duikers, de tot de wegen behorende paden en bermen of zijkanten, en parkeerplaatsen; - **militair rijbewijs:** een door de Commandant Opleidings- en Trainingscentrum Rijden en Bergen afgegeven rijbewijs; - **militair motorrijtuig:** defensievoertuig dat wordt gebruikt ten behoeve van de Nederlandse strijdkrachten, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders, met uitzondering van fietsen met trapondersteuning of bromfietsen; - **militair oefenterrein:** een terrein dat gebruikt wordt voor oefeningen door D"},{"i":3940,"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende prudentiële regels voor financiële ondernemingen die werkzaam zijn op de financiële markten (Besluit prudentiële regels Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 juni 2006, nr. FM 2006-01567 M; Gelet op de [artikelen 3:9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:9), [3:10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:10), [3:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:18, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:18), [3:29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:29), [3:36, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:36), [3:40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:40), [3:41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:41), [3:42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:42), [3:43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:43), [3:47, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:47), [3:48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:48), [3:52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:52), [3:53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:54, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:54), [3:55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:55), [3:57, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:59, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:59), [3:62, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:62), [3:63, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:63), [3:67, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:67), [3:71, tweede lid](https://wetten.overheid."},{"i":2522,"b":"Beleidsregel van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) inzake toepassing van regels van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur op de toetsing van vergunningen beroepsgoederenvervoer (Beleidsregel toetsing vergunningen beroepsgoederenvervoer aan de Wet Bibob) Gelet op het bepaalde in de [Wet bevordering integriteitsbepalingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798), de [artikelen 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=3.2), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=3.4), [4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.1) en [7.2 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=7.2) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **betrokkene:** de aanvrager van een communautaire vergunning, de houder van een communautaire vergunning of de houder van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer; - b. **Bibob-advies:** het advies als bedoeld in [artikel 9 van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=9); - c. **Bibob-vragenformulier:** het formulier als bedoeld in [artikel 7a van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=7a); - d. **eigen onderzoek:** het onderzoek door de NIWO waarbij wordt beoordeeld of er redenen aanwezig zijn om de aanvraag van een communautaire vergunning te weigeren, respectievelijk de communautaire vergunning of de vergunning voor binnenlands beroepsvervoer in te trekken, daaraan voorschriften te verbinden dan wel een Bibob-advies bij het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur aan te vragen; - e. **Landelijk Bureau Bibob:** het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur als bedoel"},{"i":4218,"b":"Besluit vaststelling Subsidieplafonds 2025 Stichting Nederlands Fonds voor de Film Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904), en gelet op [artikel 3 van de Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050650&artikel=3); Besluit: Artikel I Het subsidieplafond van de [Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050650) voor 2025 is € 19,3 miljoen voor filmproducties, verdeeld over 4 aanvraagrondes per jaar (€ 4,8 miljoen per aanvraagronde). Voor de tweede, derde en vierde aanvraagronde is € 1,45 miljoen per ronde extra beschikbaar door de toevoeging van resterende subsidiemiddelen uit de vorige beleidsperiode. Per aanvraagronde worden als eerste alle internationale coproducties gehonoreerd tot maximaal 70% van het budget. Artikel II Het subsidieplafond van de [Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050650) voor 2025 is € 9 miljoen voor high-end series, verdeeld over 3 aanvraagrondes per jaar (€ 3 miljoen per aanvraagronde). Voor de tweede en derde aanvraagronde is € 1,9 miljoen per ronde extra beschikbaar door de toevoeging van resterende subsidiemiddelen uit de vorige beleidsperiode. Artikel III Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst en treedt na plaatsing direct in werking."},{"i":19651,"b":"Verklaring betreffende de aanleg van internationale hoofdverkeerswegen De ondergetekenden, behoorlijk gemachtigd, Vergaderd onder de auspiciën van de Economische Commissie voor Europa, Zich bewust van de noodzakelijkheid het internationale wegverkeer in Europa te ontwikkelen, Overwegende, dat het voor het nauwer aanhalen van de betrekkingen tussen de Europese landen van groot belang is een gecoördineerd plan op te stellen voor de aanleg of verbetering van wegen, die aan de eisen van het internationale verkeer zijn aangepast, A. NORMEN VOOR DE INTERNATIONALE HOOFDVERKEERSWEGEN I. Algemeen De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. II. Wegen De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. III. Aansluitpunten en kruispunten De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. IV. Omleggingen om steden en dorpen en lintbebouwing De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. V. Bruggen, tunnels, galerijen, enz. De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. VI. Landschapszorg De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. B. HULPDIENSTEN DONE at Geneva, on the sixteenth day of September, nineteen hundred and fifty, in a single copy, in the English and French languages, the two texts being equally authentic."},{"i":4039,"b":"Besluit van 20 oktober 2008, houdende regels over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen (Besluit tijdelijk huisverbod) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 8 april 2008, Directie Wetgeving, nr. 5539022/08/6, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024649&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 9 mei 2008, nr. W03.08.0130/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 13 oktober 2008, nr. 5559357/08/6, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet tijdelijk huisverbod in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder huisverbod: huisverbod als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Wet tijdelijk huisverbod](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024649&artikel=1). Artikel 2 1. Bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd, betrekt de burgemeester uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden. 2. De in het eerste lid bedoelde feiten en omstandigheden hebben betrekking op: - a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen; - b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en - c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven. 3. Onder de feiten en omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder a, worden mede begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens behoeft in het kader van de afweging, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3 Dit besluit treedt i"},{"i":4174,"b":"Besluit vaststelling selectielijst gemeentelijke en intergemeentelijke organen vanaf 1 januari 1996 actualisatie Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 april 2012, nr. bca-2011.06209/4; Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van gemeentelijke en intergemeentelijke organen over de periode vanaf 1 januari 1996 (actualisatie)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld voor de in Bijlage 1 bij de selectielijst genoemde gemeentelijke organen en in Bijlage 3 bij de selectielijst genoemde intergemeentelijke organen (zijnde gemeenschappelijke regeling zonder openbaar lichaam en privaatrechtelijke intergemeentelijke organen). Artikel 2 De ‘[selectielijst gemeentelijke en intergemeentelijke organen over de periode vanaf 1 januari 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019086)’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. C/S&A/05/2376 d.d. 21 november 2005 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 247 d.d. 20 december 2005)) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":3721,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, van 20 augustus 2025, nr. 2025-0000493616, houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het bestuur van de Huurcommissie ten aanzien van de administratieve ondersteuning van de huurcommissie (Besluit mandaat, volmacht en machtiging bestuur huurcommissie 2024) Gelet op de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315), Gelet op de [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 4.6, eerste en tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6); Gelet op de instemming van het bestuur van de huurcommissie overeenkomstig [artikel 10:4, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ministerie:** het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - b. **minister:** de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - c. **wet:** de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315); - d. **huurcommissie:** de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - e. **bestuur:** het bestuur van de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - f. **voorzitter:** de voorzitter van de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - g. **plaatsvervangend voorzitter:** de plaatsvervangend voorzitter van de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - h. **zittingsvoorzitter:** een zittingsvoorzitter van de huurcommissie, bedoeld"},{"i":2806,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2010 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2010, doch niet later dan 15 oktober 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,307 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2010 en eindigende met 15 oktober 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overh"},{"i":4254,"b":"Besluit van 28 november 2012, houdende regels ter uitvoering van artikel 36 van de Politiewet 2012 (Besluit verdeling sterkte en middelen politie) Op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 18 oktober 2012, nummer 312645; Gelet op [artikel 36 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=36); De Raad van State gehoord (advies van 2 november 2012, nr. W03.12.0431/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 22 november 2012, nummer 324461; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788); - b. **operationele sterkte:** het aantal fulltime-equivalent werkzaam in een operationele functie bij de politie en de bij de politie aangestelde aspiranten, bedoeld in [artikel 1, onder b, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1), en de bij de politie aangestelde ambtenaren in opleiding, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van het Besluit algemene rechtspositie politie; - c. **begroting:** de begroting, bedoeld in [artikel 34 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=34); - d. **begrotingsjaar:** het kalenderjaar waarvoor de begroting dient. Artikel 2 Bij ministeriële regeling worden de krachtens [artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=6) vastgestelde functies bij de politie aangewezen die onderdeel uitmaken van de operationele sterkte. Artikel 3 1. Onze Minister bepaalt jaarlijks de door de korpschef in het begrotingsjaar te realiseren operationele sterkte van de politie. 2. Onze Minister bepaalt op basis van de in het eerste lid bedoelde operationele sterkte van de politie de omvang van de in het betreffende begrotingsjaar te realiseren operationele sterkte voor de land"},{"i":6138,"b":"Besluit van 7 november 1972, houdende vaststelling van het Glasartikelenbesluit Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 8 september 1972, Directoraat-Generaal van de Volksgezondheid, Hoofdafdeling Voedingsaangelegenheden, no. 106624, en van de Staatssecretaris van Economische Zaken; Overwegende, dat regelen moeten worden gesteld ter uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1969 voor de onderlinge aanpassing der wetgevingen van de Lid-Staten inzake kristalglas (69/493/ EEG) (**Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen** no. L 326 van 29 december 1969); Gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) en [14a van de Warenwet](onbekend) (**Stb.** 1935, 793); Gezien het advies van de commissie bedoeld in [artikel 17, zevende lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=17), door de Sociaal-Economische Raad ingesteld op grond van [artikel 43 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=43) (**Stb.** 1950, K 22); De Raad van State gehoord (advies van 27 september 1972, no. 26); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 24 oktober 1972, Directoraat-Generaal van de Volksgezondheid, Hoofdafdeling Voedingsaangelegenheden, no. 107474, en van de Staatssecretaris van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan onder: - a. glas: - 1°. niet-gekristalliseerd materiaal, verkregen door het smelten van kwartszand met natrium- of kaliumhoudende en calcium- of loodhoudende grondstoffen, al dan niet vermengd met andere metaaloxyden; - 2°. materiaal dat geheel of gedeeltelijk gekristalliseerd is door opwarming en afkoeling van niet-gekristalliseerd materiaal, verkregen door het smelten van kwarts- en aluminiumhoudende grondstoffen met lithium- of ma"},{"i":2881,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2009 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 september 2008 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 september 2007; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 3,9. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Aruba. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2009. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2009."},{"i":3236,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 18 november 2015 nr. BOACAT2015/061, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Ermelo Gelezen het verzoek van gemeente Ermelo van 22 juni 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037245&artikel=2&z=2017-10-14&g=2017-10-14). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving III in dienst van de gemeente Ermelo, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen- verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel 4 Op grond van dit besluit kunnen m"},{"i":2564,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 februari 2026, nr. PO/55067900, houdende regels voor een vervolgexperiment ten behoeve van onderzoek naar een andere dag- en weekindeling in het primair onderwijs (Beleidsregel vervolg andere dag- en weekindeling) Gelet op [artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718&artikel=2), [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71) en [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1) of [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **G5-gemeenten:** gemeente Amsterdam, gemeente Almere, gemeente Den Haag, gemeente Rotterdam en gemeente Utrecht; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **professionals:** personen, die worden ingezet op een school en die niet in het bezit zijn van een bevoegdheid bedoeld in [artikel 3 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=3) of [artikel 3 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=3); - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) of [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **WEC:** [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - **WMS:** [Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":14106,"b":"Regeling beperking geluidhinder militaire helikopters die gebruik maken van de oefen- en schietfaciliteiten van het Artillerie Schietkamp te Oldebroek (Regeling beperking geluidhinder militaire helikopters boven Artillerie Schietkamp Oldebroek) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 2 van het Besluit van 21 mei 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003404&artikel=2), Stb. 1981, 343, houdende vaststelling van enige regels ter beperking van geluidhinder door luchtvaartuigen; Besluit: Artikel 1. Algemeen Met betrekking tot het uitvoeren van vluchten met militaire helikopters die gebruik maken van de oefen- en schietfaciliteiten van het Artillerie Schietkamp te Oldebroek gelden de volgende regels ter beperking van geluidhinder: - a. vluchten worden niet uitgevoerd tussen 00.00 uur lokale tijd en het aanbreken van de uniforme daglichtperiode; - b. vluchten worden niet uitgevoerd op vrijdagen na 16.00 uur, noch op zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen; - c. vluchten worden niet uitgevoerd in formaties van meer dan twee helikopters. Artikel 2. Vluchtprocedures helikopters 1. Bij het vliegen van de naderings- en vertrekroutes met de helikopters van en naar het Artillerie Schietkamp worden de woonkernen rondom het Artillerie Schietkamp zoveel mogelijk vermeden. 2. De helikopters maken voor het oefenen en schieten gebruik van circuitpatronen die zijn gelegen boven het Artillerie Schietkamp. 3. Hoveren met helikopters vindt plaats boven het Artillerie Schietkamp gedurende hoogstens twee oefensessies per dag met maximaal twee helikopters per sessie. Per oefensessie wordt maximaal 40 minuten per helikopter gehoverd. Artikel 3. Geluidsbelasting 1. De geluidsbelasting vanwege de activiteiten genoemd in [artikel 2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035658&artikel=2&z=2012-07-24&g=2012-07-24), op de vastgestelde referentiepunten nabij de woonkernen Nunspeet, ´t Harde, ´t"},{"i":14129,"b":"Regeling bevoegde en regionale autoriteiten Loodsplichtbesluit 1995 Gelet op [artikel 1, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=1), en [artikel 2, derde lid, van het Loodsplichtbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=2), en op [artikel 1, onderdeel a, van het Voorschriftenbesluit registerloodsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004394&artikel=1); Besluit: Artikel 1 De bevoegde autoriteit, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Loodsplichtbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=1) is: - a. voor zover het betreft scheepvaartwegen in beheer bij het Rijk: - 1°. de Commandant der Maritieme Middelen Den Helder, dan wel de officier die hem als zodanig vervangt, voor de scheepvaartwegen Schulpengat, Molengat, Rede van Den Helder, de Marinehaven Willemsoord, de Rijkszeehaven het Nieuwe Diep en de Veerhaven van Den Helder, waarvan de westelijke begrenzing wordt gevormd door een lijn door de geografische punten: en waarvan de oostelijke begrenzing wordt gevormd door een lijn door de geografische punten: - 1°52°52’.90 NB, 04°42’.95 OL (licht-opstand ’Grote Kaap’); - 2°52°52’.95 NB, 04°38’.00 OL; - 3°52°54’.70 NB, 04°34’.80 OL; - 4°52°56’.80 NB, 04°33’.90 OL; - 5°53°00’.30 NB, 04°35’.45 OL; - 6°53°03’.65 NB, 04°39’.35 OL; - 7°53°03’.80 NB, 04°43’.45 OL (paal 15, Texel); - 8°53°01’.45 NB, 04°48’.75 OL; - 9°53°00’.75 NB, 04°50’.80 OL; - 10°52°59’.75 NB, 04°52’.35 OL; - 11°52°59’.30 NB, 04°52’.65 OL; - 12°52°58’.28 NB, 04°50’.00 OL; - 13°52°57’.90 NB, 04°48’.18 OL; - 2°. de havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V., voor zover het betreft de scheepvaartwegen in beheer bij het Rijk benedenstrooms van kilometerraai 991,7 van de Nieuwe Maas en benedenstrooms van kilometerraai 998 van de Oude Maas; - 3°. de Rijkshavenmeester Westerschelde, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van het Scheepvaartreglement Westerscheld"},{"i":12974,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 2008, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/BR/07/42258, houdende de vergoeding voorzitters en leden Nationaal Thematische Netwerken ESF EQUAL Gelet op het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317); Besluit: Artikel 1 Aan de leden en voorzitters van een Nationaal Thematisch Netwerk als bedoeld in [artikel 2, eerste tot en met vijfde lid, van het Instellingsbesluit Nationaal Thematische Netwerken ESF-EQUAL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016623&artikel=2) wordt voor het bijwonen van een door een Nationaal Thematisch Netwerk georganiseerde bijeenkomst een vergoeding voor reiskosten toegekend volgens de regels van het [Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889). Artikel 2 1. Aan de leden en voorzitters van een Nationaal Thematisch Netwerk, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023406&artikel=1&z=2008-02-01&g=2008-02-01), wordt voor het bijwonen van een door een Nationaal Thematisch Netwerk georganiseerde bijeenkomst vacatiegeld toegekend op basis van het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317). De Nationaal Thematische Netwerken worden aangemerkt als een zware commissie in de zin van dat besluit. Vacatiegeld zal voor maximaal 15 bijeenkomsten per jaar worden toegekend. 2. Twee of meer bijeenkomsten op dezelfde dag gelden als één bijeenkomst. Artikel 3 Dit besluit treedt in de plaats van het [besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 januari 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019461), Directie AM/ESM/05/95656, dat hiermee wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14153,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 juni 2012, nr. CZ-3115695, houdende regels ten aanzien van het verlenen van vergunningen voor het toepassen van celtransplantatie (Regeling celtransplantatie 2012) Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=5) en [6, tweede lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=6); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt onder celtransplantatie verstaan hetgeen [artikel 1, eerste lid, onder d, van het Besluit aanwijzing bijzondere medische verrichtingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022191&artikel=1) daaronder verstaat. Artikel 2 De wijze waarop in de behoefte aan celtransplantatie kan worden voorzien, is neergelegd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031689&bijlage=1&z=2012-07-01&g=2012-07-01). Artikel 3 De voorwaarden waaraan een vergunningaanvraag dient te voldoen, zijn neergelegd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031689&bijlage=2&z=2012-07-01&g=2012-07-01). Artikel 4 De [Regeling celtransplantatie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030112) wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2012. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling celtransplantatie 2012. Bijlage 1. Wijze waarop in de behoefte kan worden voorzien De vergunningplicht voor celtransplantatie ingevolge de [Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974) (Wbmv) moet worden gezien als een vangnet voor mogelijke initiatieven van personen of instellingen die met celtransplantatie willen starten, maar waarbij de [Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505) en de [Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408) (WMO) niet van toepassing zijn. In de praktijk is het niet geheel uit te sluiten dat deze situati"},{"i":11986,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 1 december 2008, nr. DDI/ST/reg. 072/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het gezantschap te Tsjechoslowakije (Praag) 1919–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het gezantschap te Tsjechoslowakije 1919–1954, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 80 | 2026 | | 86 | 2022 | | 87 | 2023 | | 136 | 2021 | | 137 | 2027 | | 142 | 2025 | | 143 | 2025 | | 144 | 2025 | | 145 | 2026 | | 180 | 2025 | | 181 | 2025 | | 182 | 2026 | | 185 | 2024 | | 193 | 2029 | | 194 | 2030 | | 197 | 2030 | | 199 | 2030 | | 202 | 2030 | | 222 | 2028 | | 224 | 2027 | | 237 | 2028 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024842&artikel=1&z=2008-12-13&g=2008-12-13), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024842&artikel=1&z=2008-12-13&g=2008-12-13), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan"},{"i":6246,"b":"Wet van 2 november 1990, houdende regeling provincie- en gemeentegrenzen langs de Noordzeekust van de gemeente Den Helder tot en met de gemeente Sluis en wijziging van de Financiële-Verhoudingswet 1984 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat wettelijke regeling dan wel aanpassing nodig is van de provincie- en de gemeentegrenzen langs de Noordzeekust van de provincies Noord-Holland, uitgezonderd de kust van de gemeente Texel, Zuid-Holland en Zeeland en dat in verband daarmee een wijziging gewenst is van de Financiële-Verhoudingswet 1984; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - -. coördinaten: coördinaten in het verschoven stelsel van rijksdriehoeksmeting; - -. koppen van hoofden: de verst in zee gelegen punten van strand-, paal- dan wel havenhoofden, voor zover boven water bij laag-laagwaterspringtij; - -. hoofdenlijn: de lijn die de koppen van een reeks naast elkaar gelegen hoofden met elkaar verbindt. Artikel 2 De grens van de gemeente Den Helder in de Noordzee wordt in dier voege gewijzigd dat de nieuwe grens als volgt komt te lopen. Zij begint in het meest westelijke punt van de bestaande grens tussen de gemeenten Den Helder en Texel en volgt in ongeveer zuidelijke richting een rechte lijn tot het punt met de coördinaten x = 104 000; y = 545 000. Vanaf dat punt volgt zij in ongeveer oostelijke richting een rechte lijn tot het noordwestelijke hoekpunt van het perceel, kadastraal bekend gemeente Noordzee III, sectie A, nr. 8 en vervolgens de noordgrens van dat perceel tot de grens met de gemeente Zijpe. Artikel 3 De grenzen in de Noordzee van de hierna te noemen gemeenten worden bepaald op de noordelijke dan wel westelijke dan wel zuidelijke grenzen van kadastraal bekende percelen in dier voege dat: van de kadastrale gemeente"},{"i":13011,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 november 2016, kenmerk 1025876-155862-WJZ, houdende verlening van machtiging aan het CAK voor de afgifte van schriftelijke verklaringen als bedoeld in artikel 6a van de Opiumwet Gelet op [artikel 6a van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=6a); Besluit: Artikel 1 Als het bestuursorgaan, bedoeld in [artikel 6a Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=6a), wordt aangewezen het CAK, genoemd in [artikel 6.1.1. van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2016. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13060,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 26 juni 2020, nr. WJZ/20125234, houdende regels inzake de verlening van volmacht en machtiging voor het Instituut Mijnbouwschade Groningen (Besluit volmacht en machtiging IMG 2020) Gelet op [artikel 3:60 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=60); Gezien de schriftelijke instemming van het Instituut Mijnbouwschade Groningen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - −. **CAO Rijk:** de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren, werkzaam binnen de sector Rijk; - −. **minister:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - −. **Instituut:** het Instituut Mijnbouwschade Groningen; - −. **P&O-aangelegenheden:** aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget. Artikel 2 Aan het Instituut wordt op het werkterrein van het Instituut volmacht en machtiging verleend voor het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen en voor de daarmee samenhangende handelingen, waaronder begrepen de P&O-aangelegenheden van het Instituut. Artikel 3 1. In afwijking van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043770&artikel=2&z=2024-11-12&g=2024-11-12) geldt voor de volgende P&O-aangelegenheden dat deze slechts in overeenstemming met de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat kunnen plaatsvinden: - a. het opleggen van straffen als bedoeld in hoofdstuk 15 van de CAO Rijk, aan medewerkers voor wie salarisschaal 1 tot en met 14 geldt; - b. het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van sociaal flankerend beleid. 2. In afwijking van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043770&artikel=2&z=2024-11-12&g=2024-11-12) geldt de volmacht en de machtiging niet voor de volgende P&O-aangelegenheden: - a. de mogelijkheid van hoofdstuk 2 van de CAO Rijk om tijdelijke arbeidsovereenkomsten in zeer bijzondere s"},{"i":12906,"b":"Besluit vaststelling Selectielijst Stichting Hobéon SKO Certificatie vanaf 1 maart 2008 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van Stichting Hobéon SKO Certificatie vanaf 1 maart 2008 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten afgesloten of ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12594,"b":"Besluit ter uitvoering van art. 7, eerste en vierde lid, van de Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES Artikel 1 Als havens, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028453&artikel=7) worden voor het in ontvangst nemen van olierestanten en oliehoudende mengsels afkomstig van schepen aangewezen: In Bonaire: - –. de haven van Kralendijk - –. de Bopec Oil Terminal In Sint Eustatius: - –. de Haven van Oranjestad - –. de Statia Oil Terminal In Saba: - –. Fortbaai Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 7, eerste lid, van de Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028453&artikel=7). Artikel 2 Als havens, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028453&artikel=7) worden voor het in ontvangst nemen van vuilnis afkomstig van schepen, aangewezen de havens bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028345&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10). Artikel 3 1. De beheerder, of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar, van een ingevolge [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028345&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) of [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028345&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) aangewezen haven wijst personen aan die over voorzieningen beschikken voor het in ontvangst nemen van de stoffen bedoeld in de artikelen 1 en 2. 2. Het is een persoon die niet is aangewezen verboden om de stoffen, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028345&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028345&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), in ontvangst te nemen. 3. Het is verboden om de stoffen, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028345&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10)"},{"i":13076,"b":"Besluit WACC warmteleveranciers **Uitwerking van de methode van het redelijk rendement (WACC) voor warmteleveranciers over de periode 2018–2022 en 2023–2025 ten behoeve van de rendementstoets warmte** 1. Samenvatting 2. Inleiding 3. Uitgangspunten van de WACC 4. Kostenvoet eigen vermogen 4.1. Risicovrije rente 4.2. Marktrisicopremie 4.3. Systematisch risico 4.4. Conclusie 5. Kostenvoet vreemd vermogen 5.1. Methode 5.2. Gebruikte gegevens 5.3. Berekening kostenvoet vreemd vermogen 5.4. Conclusie 6. Gearing en belastingvoet 6.1. Gearing 6.2. Belastingvoet 7. Vaststelling van de hoogte van de WACC 8. Dictum Bijlage 1. Samenvatting en reactie zienswijzen 1.1. Inleiding 1.2. Ontvankelijkheid 1.3. Zienswijzen 1.4. Zienswijzen op de WACC 1 Zoals hierna in deze paragraaf wordt toegelicht hebben deze zienswijzen geleid tot een wijziging in de [Beleidsregel van de rendementstoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048573). 1 Zoals hierna toegelicht hebben deze zienswijzen geleid tot een wijziging in de [Beleidsregel van de rendementstoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048573)."},{"i":13716,"b":"Wet van 10 april 2008, houdende bepalingen houdende regeling van de inwerkingtreding van de Binnenvaartwet (Invoeringswet Binnenvaartwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de invoering van de [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009) te regelen, alsmede een aantal wetten waarin wordt verwezen naar de [Binnenschepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003443), de [Wet vervoer binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005319) en de [Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006029) aan te passen aan de [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Overgangsbepalingen Artikel 1 Een geldig certificaat van onderzoek, afgegeven op grond van de [Binnenschepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003443), geldt als certificaat van onderzoek als bedoeld in [artikel 9 van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=9). Artikel 2 Een kennisgeving als bedoeld in [artikel 7 van de Binnenschepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003443&artikel=7), gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 11 van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=11), geldt als een kennisgeving als bedoeld in [artikel 11 van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=11). Artikel 3 Een geldige ontheffing als bedoeld in [artikel 5a, tweede lid, van de Binnenschepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003443&artikel=5a) geldt als ontheffing als bedoeld in [artikel 13, tweede lid, van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=13). Artikel 4 Op grond van [a"},{"i":13039,"b":"Besluit vervanging personeelsdossiers Schadefonds geweldsmisdrijven Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) en gelet op [artikel 3 onder e van de Regeling digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Justitie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **selectielijst:** de selectielijst die op 16 augustus 2007 namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Justitie, kenmerk [C/S&A/07/1516](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869) is vastgesteld naar [artikel 5, tweede lid onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) (Stcr. 2007, 225); - b. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362) (Stcrt. 2009, 43); - c. **regeling:** de [Regeling digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Justitie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775) (Stcrt. 2010, 9361) Artikel 2 De archiefbescheiden van het Schadefonds Geweldsmisdrijven met betrekking tot de personeelsdossiers, zoals beschreven in de selectielijst, zijn en worden vervangen door reproducties met inachtneming van de regeling. Artikel 3 De selectielijst en de regeling bevat waarborgen met betrekking tot [artikel 2, eerste lid onder c en d van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 4 De digitale reproductie berust bij P-Direkt. Artikel 5 Het Handboek Digitale Vervanging voor het Schadefonds Geweldsmisdrijven is als bijlage bij dit besluit gevoegd en wordt met dit besluit tevens vastgesteld. Bijlage. Handboek Digitale Vervanging voor het Schadefonds Geweldsmisdrijven Ligt ter inzage bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Dit besluit wordt in"},{"i":14005,"b":"Raamwerk Nascholingscursussen Code 95 en ADR (1 januari 2020) Hoofdstuk 1. Het Raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde cursussen mogen nascholing voor de code 95 verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificering af te geven. Ook registreert het CBR verklaringen van nascholing voor chauffeurs die aan de nascholingsplicht hebben voldaan. Tot slot houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de nascholingscursussen. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR een Raamwerk nascholingscursussen en ADR opgesteld. Dit Raamwerk is een document zoals wordt bedoeld in [artikel 156s van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het Raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de nascholing daadwerkelijk aan deze eisen houdt. Is dit niet het geval? Dan legt het CBR een sanctie op. De verschillende sancties en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep vindt u in dit Raamwerk terug. Het is toegestaan om bij de nascholing gebruik te maken van e-learning en simulatoren. De eisen die hierbij gelden zijn opgenomen in dit Raamwerk. Tot slot is in dit Raamwerk een overzicht met minimumeisen per nascholingscursus opgenomen. Het CBR wijzigt het Raamwerk maximaal twee keer per jaar: op 1 januari en op 1 juli. Wijzigingen worden afgestemd met de opleidingsbranche en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en actief naar alle erkende opleiders gecommuniceerd. Worden de minimumeisen in het Raamwerk aangepast en zijn de wijzigingen van invloed op de certificering van een nascholingscursus? Dan wordt dit expliciet vermeld en moeten opleidingsinstituten hun opleidingsplannen b"},{"i":12917,"b":"Besluit vaststelling selectielijst TÜV SÜD Nederland B.V. voor de periode vanaf 25 juli 2000 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van TÜV SÜD Nederland B.V. over de periode vanaf 25 juli 2000 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt ingetrokken: - •. [Selectielijst van TÜV SÜD Nederland B.V. vanaf 25 juli 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046992), Staatscourant 2022, nr. 19838 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12970,"b":"Besluit vergelijkend onderzoek celmateriaal BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **het wetboek:** het [Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681); - **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie; - **vergelijkend onderzoek:** het onderzoek, bedoeld in [artikel 79, eerste lid, van het wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=79); - **tegenonderzoek:** het vergelijkend onderzoek, bedoeld in [artikel 79b, eerste lid, van het wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=79b); - **referentie-materiaal:** celmateriaal waarvan bij de monsterneming bekend is van wie het afkomstig is; - **sporenmateriaal:** met het oog op het vergelijkend onderzoek verzameld celmateriaal, niet zijnde referentiemateriaal; - **bloedafname:** het afnemen van een hoeveelheid bloed ten behoeve van het vergelijkend onderzoek; - **afname van wangslijmvlies:** het afnemen van een hoeveelheid wangslijmvlies ten behoeve van het vergelijkend onderzoek; - **afname van haarwortels:** het afnemen van een hoeveelheid haarwortels ten behoeve van het vergelijkend onderzoek; - **opsporingsambtenaar:** een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 184 van het wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184); - **profiel:** de gecodeerd weergegeven uitkomst van een onderzoek naar kenmerken van celmateriaal. 2. Dit besluit berust op de [artikelen 79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=79), [79a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=79a), [79b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=79b), [79c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=79c) en [79d van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=79d). Hoofdstuk 2. Sporenmateriaal Artikel 2 1. Van het verzamelen van sporenmateriaal wordt door de opsporingsambtenaar proces-verbaal opgemaakt. 2."},{"i":13024,"b":"Besluit vervanging archiefbescheiden Justid Gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6); [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); Besluit: Onder verwijzing naar de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) over te gaan tot vervanging van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040168&artikel=1&z=2017-11-09&g=2017-11-09) van dit besluit beschreven stukken zolang de uitvoering van dit proces op de in het handboek digitaliseren dossiers afdeling PKI vastgestelde wijze geschiedt. De vervanging vindt plaats door middel van reproductie, dat wil zeggen het omzetten van analoge stukken naar digitale stukken en vervolgens het vernietigen van de analoge stukken. Artikel 1 1. De digitale vervanging heeft betrekking op: - a. het archief van de PKIo (Public Key Infrastructure overheid) waarvan de afdeling PKI van Justid de Registration Authority (RA) is en KPN de Certification Service Provider (CSP). De bewaarplicht van deze dossiers berust onder de Justitiële Informatiedienst en blijft onder toezicht van KPN en een externe auditor; - b. het archief van JEP3 (Justitie Extranet Portal) waarvan de afdeling PKI van Justid de CSP is en waarvan het toezicht en de bewaarplicht volledig bij de Justitiële Informatiedienst berust; - c. van de centraal en decentraal op papier inkomende post, geregistreerd in Regis en/of DMS voor alle afgedane, lopende en nieuwe aanvragen die vallen onder JEP3, met inbegrip van alle informatie van ondersteunende processen zoals bevoegde aanvragers en certificaatbeheerders, waarvoor de Justiële Informatiedienst de CSP is en waarvan het t"},{"i":15157,"b":"Wet van 6 oktober 2020, houdende tijdelijke bepalingen in verband met de inzet van een notificatieapplicatie bij de bestrijding van de epidemie van covid-19 en waarborgen ter voorkoming van misbruik daarvan (Tijdelijke wet notificatieapplicatie covid-19) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat wettelijke waarborgen worden opgenomen ter voorkoming van misbruik van een bij de bestrijding van de epidemie van covid-19 mogelijk in te zetten notificatieapplicatie dan wel van enig ander vergelijkbaar digitaal middel; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet publieke gezondheid. Artikel II 1. Met ingang van drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet vervallen [artikel 6d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=6d), [artikel 64bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=64bis) en [artikel 67a van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=67a). 2. Bij koninklijk besluit kan voor de in het eerste lid genoemde bepalingen of onderdelen daarvan worden bepaald dat zij op een eerder tijdstip vervallen. 3. Bij koninklijk besluit kan voor de in het eerste lid genoemde bepalingen of onderdelen daarvan worden bepaald dat zij op een later tijdstip vervallen, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste drie maanden na het tijdstip ligt waarop die bepalingen of onderdelen zouden vervallen. 4. De voordracht voor het koninklijk besluit als bedoeld in het tweede of derde lid, wordt niet eerder gedaan dan een week nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel"},{"i":13016,"b":"Besluit vervanging aanvragen inzake de toelating, registratie en doorhaling van de uitoefening van de diergeneeskunde 1992 – 2010 Gelet op [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) en [23 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=23) en [artikel 6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6); Besluit: Artikel 1 De aanvragen, bedoeld in [hoofdstuk 4 van het Besluit diergeneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&hoofdstuk=4), inzake de toelating, registratie en doorhaling van de uitoefening van de diergeneeskunde over de periode van 1992 tot 1 juli 2010 worden vervangen door digitale reproducties. Artikel 2 1. Het digitaal vervangen van de aanvragen met bijbehorende bewijsstukken geschiedt met overeenkomstige toepassing van het ‘Handboek vervanging aanvragen DIRIS 1992 – 2010’ van het CIBG. 2. Het ‘Handboek aanvragen vervanging DIRIS 1992–2010’ ligt ter inzage bij het Agentschap CIBG, Rijnstraat 50 in Den Haag. Artikel 3 1. De originele, vervangen aanvragen worden vernietigd in overeenstemming met ‘Handboekboek aanvragen vervanging DIRIS 1992–2010’. 2. De digitale reproducties worden in goede, geordende en toegankelijke staat beheerd en bewaard alvorens te worden vernietigd. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14141,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 mei 2025, kenmerk 4103610-1081657-PZO, houdende regels ten aanzien van het verlenen van vergunningen voor bijzondere neurochirurgie (Regeling bijzondere neurochirurgie) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=5) en [6, tweede lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=6); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bijzondere neurochirurgie:** neurochirurgie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Regeling aanwijzing bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035311&artikel=1); - b. **stereotactische radiotherapie:** ablatieve dosis radiotherapie toegediend in één tot vijf fracties onder stereotactische geleiding aan intracraniële laesies of laesies gerelateerd aan de schedelbasis, inclusief goedaardige, vasculaire en neuro-functionele aandoeningen; - c. **epilepsiechirurgie:** hersenoperatie ter behandeling van epilepsie; - d. **diepe hersenstimulatie (dbs):** behandeling waarbij door middel van implantatie van elektroden bepaalde delen van het centrale zenuwstelstel selectief worden gestimuleerd; - e. **kinderneurochirurgie:** de neurochirurgische zorg voor kinderen en jongeren onder de 18 jaar met aandoeningen aan de hersenen en het zenuwstelsel, inclusief belendende structuren (schedel en wervelkolom); - f. **wet:** [Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974). Artikel 2 1. De minister kan een vergunning verlenen voor het uitvoeren van bijzondere neurochirurgie en één of meer van de volgende specifieke verrichtingen op het gebied van bijzondere neurochirurgie: - a. stereotactische radiotherapie, met uitzondering van de behandeling van intracraniële laesies of laesies gerelateerd aan de schedelba"},{"i":18665,"b":"Wet van 27 juni 2018 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten in verband met de uitbreiding van de mogelijkheden om ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren disciplinaire maatregelen op te leggen en tevens andere maatregelen te treffen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de mogelijkheden om disciplinaire maatregelen ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren op te leggen te verruimen en enkele andere maatregelen te kunnen treffen, alsmede een verklaring omtrent het gedrag als verplicht vereiste voor benoeming in een rechterlijk ambt te introduceren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel II Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel III Wijzigt de Advocatenwet. Artikel IV Wijzigt de Beroepswet. Artikel V Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2017/139. Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001. Artikel VI Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet. Artikel VII Wijzigt de Loodsenwet. Artikel VIII Wijzigt de Militaire Ambtenarenwet 1931. Artikel IX Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel X Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel XI Wijzigt de Wet College voor de rechten van de mens. Artikel XII Wijzigt de Wet gewetensbezwaren militaire dienst. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel XV Wijzigt de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XVI Wijzigt de Wet dieren. Artikel XVII Wijzigt de Wet op h"},{"i":17372,"b":"Regeling omtrent overbruggingsuitkeringen voor betaalde voetbalspelers De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Hierbij deel ik u mede, dat ingevolge een door de Koninklijke Nederlandsche Voetbalbond (KNVB) in overleg met de tot het betaalde voetbal toegelaten lichamen en de zgn. contractspelers een algemene regeling is getroffen ingevolge welke de deelnemende contractspeler jegens de Stichting ‘Contractspelersfonds KNVB’ te ’s-Gravenhage aanspraak heeft op het ontvangen van overbruggingsuitkeringen na het duurzaam beëindigen van zijn loopbaan als contractspeler. Met toepassing van artikel 10, letter h, van de Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1965 heb ik bij beschikking, dragende dagtekening en nummer dezes, vorenbedoelde aanspraken op uitkeringen aangewezen als aanspraken op uitkeringen welke niet tot het loon behoren."},{"i":18440,"b":"Regeling uitrusting Defensie Gelet op: [artikel 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=117) en [134 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=134), [artikel 71 van het Burgerlijk ambtenaren reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=71) Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Betekenis van uitdrukkingen 1. Voor de toepassing van deze regeling wordt, voor zover niet anders blijkt, verstaan onder: - a. **de Commandant van het Operationeel commando:** - 1. de Commandant Zeestrijdkrachten voor het Commando Zeestrijdkrachten. - 2. de Commandant Landstrijdkrachten voor het Commando Landstrijdkrachten; - 3. de Commandant Luchtstrijdkrachten voor het Commando Luchtstrijdkrachten; - 4. de Commandant van het Commando Koninklijke Marechaussee voor het Commando Koninklijke Marechaussee; - b. **defensiemedewerker:** de militair als bedoeld in [artikel 1, eerste en tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1) dan wel de ambtenaar in de zin van [artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=1); - c. **gelegenheidskleding:** - 1. het avondtenue (tropen) Koninklijke landmacht; - 2. het geklede tenue Koninklijke marechaussee; - 3. het klein avondtenue Koninklijke luchtmacht; - 4. het blauwe- en de witte kleine avondtenue Koninklijke Marine - d. **het Hoofd Defensieonderdeel:** - 1. de Secretaris-Generaal voor de Bestuursstaf - 2. de in onderdeel a bedoelde functionarissen - 3. de Commandant van het Commando Dienstencentra voor het Commando Dienstencentra - 4. de Directeur van de Defensie Materieelorganisatie voor de Defensie Materieelorganisatie - e. **het KPU-bedrijf:** het kleding en persoonsgebonden uitrustingbedrijf van de Defensie Materieelorganisatie; - f. **militair i"},{"i":17958,"b":"Wet van 2 april 2009 tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet werk en bijstand in verband met het verstrekken van een uitkering aan mantelzorgers Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031) te wijzigen in verband met het verstrekken van een uitkering aan mantelzorgers; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning. Artikel II In afwijking van [artikel 10:15 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:15) zijn door de Sociale verzekeringsbank, bedoeld in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6), voor de inwerkingtreding van deze wet genomen besluiten tot het verstrekken van een uitkering als bedoeld in [artikel 19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031&artikel=19a), rechtsgeldig. Artikel III Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en kan terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19262,"b":"Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, Onder erkenning van het belang van het versterken van de samenwerking met de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overtuigd van de noodzaak om als prioriteit een gezamenlijk strafrechtelijk beleid te voeren gericht op de bescherming van de maatschappij tegen corruptie, met inbegrip van het aannemen van gepaste wetgeving en adequate preventieve maatregelen, Onderstrepend dat corruptie een bedreiging vormt voor de rechtsstaat, de democratie en de rechten van de mens, de principes van behoorlijk bestuur, billijkheid en sociale rechtvaardigheid ondermijnt, concurrentie vervalst, economische ontwikkeling belemmert en de stabiliteit van democratische instellingen en de zedelijke grondslagen van de maatschappij in gevaar brengt, Van mening dat een doeltreffende corruptiebestrijding een nauwere, snelle en goed functionerende internationale samenwerking in strafzaken vereist, Recente ontwikkelingen verwelkomend die bijdragen aan het verbeteren van de bewustwording en samenwerking op internationaal niveau bij de bestrijding van corruptie, met inbegrip van het optreden van de Verenigde Naties, de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldhandelsorganisatie, de Organisatie van Amerikaanse Staten, de OESO en de Europese Unie; Gelet op het Actieprogramma tegen Corruptie dat in november 1996 is aangenomen door het Comité van Ministers naar aanleiding van de aanbevelingen van de 19e Conferentie van Europese Ministers van Justitie (Valletta, 1994); In dit verband herinnerend aan het belang van de deelname van niet-lidstaten aan het optreden van de Raad van Europa tegen corruptie en hun waardevolle bijdrage aan de uitvoering van het Actieprogramma tegen Corruptie verwelkomend; Voorts"},{"i":17487,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 oktober 2009, nr. MEVA/BO-2919631, houdende vaststelling van de vacatiegelden voor personen die lid, plaatsvervangend lid of plaatsvervangend secretaris zijn van een tuchtcollege als bedoeld in artikel 47, derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Regeling vacatiegelden tuchtcolleges voor de gezondheidszorg 2009) Gelet op [artikel 62, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=62); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. tuchtcollege: regionaal tuchtcollege of het centrale tuchtcollege; - c. **eindbeslissing:** een schriftelijke uitspraak van een tuchtcollege waarmee: - 1. de bij het tuchtcollege ingediende klacht wordt afgedaan, daaronder niet begrepen een beslissing na intrekking van de klacht; - 2. een op de terechtzitting bereikte minnelijke oplossing tussen de klager en de aangeklaagde schriftelijk wordt vastgelegd; - 3. de behandeling van de klacht wordt gestaakt in verband met de intrekking van de klacht op of na de terechtzitting; - 4. een wrakingverzoek wordt afgehandeld, of - 5. wordt beslist op een verzoek tot herziening op grond van [artikel 52 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=52); - 6. wordt beslist op een ingesteld verzet als bedoeld in [artikel 73b, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=73b); - 7. een beslissing wordt genomen op een voordracht als bedoeld in [artikel 79, eerste en tweede lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=79). Artikel 2 1. Aan de leden van een tuchtcollege wordt vacatiegeld toegekend. 2. Het vacatiegeld bedraagt voor het bijwonen van een of meerdere terechtzittingen van het tuchtcollege per eindbesl"},{"i":17253,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 juni 2025, kenmerk 4141183-1084694-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de verstrekking van de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen voor de jaren 2026 en verder Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 27 mei 2025 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II**, 2024–25, 29 282, nr. 605) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen om een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit inzake de verstrekking van de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2026 en verder; Gezien het schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 3 juni 2025; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a). **beschikbaarheidbijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - b). **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - c). **Bijlage:** [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](onbekend); - d). **opleidende zorgaanbieder:** - –. zorgaanbieder die als zodanig is erkend door de voor de desbetreffende opleiding relevante registratiecommissie, voor zolang deze erkenning niet is ingetrokken of vervallen; of, - –. ten aanzien van de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut, zorgaanbieder die een samenwerkingsovereenkomst heeft met een door de minister in het kader van de [Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) (BIG) aangewezen ople"},{"i":18431,"b":"Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie Gelet op [artikel 69a, zesde lid, van het Besluit algemene rechtspositie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=69a) en [artikel 22a, zesde lid, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007321&artikel=22a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - b. **tegemoetkoming:** de tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp, bedoeld in [artikel 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=69a); - c. **bestuurlijke strafbeschikking:** straf opgelegd in het kader van de [wet OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074). Artikel 2 1. De tegemoetkoming bestaat naar keuze van de ambtenaar uit: - a. het toevoegen van rechtskundige hulp aan de ambtenaar door tussenkomst en op kosten van het bevoegd gezag; - b. vergoeding van de kosten van rechtskundige hulp, door de ambtenaar aangezocht zonder tussenkomst van het bevoegd gezag; - c. vergoeding van de kosten van rechtskundige hulp, aan de ambtenaar verleend op grond van zijn lidmaatschap, door een centrale of een vereniging als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006518&artikel=2), of - d. vergoeding van de eigen bijdrage, indien de ambtenaar aanspraak maakt op door de overheid gefinancierde rechtsbijstand op grond van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368). 2. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, bedraagt per uur niet meer dan het bedrag van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, maar ten minste het basisbedrag zoals vastgesteld op grond van [artikel 3, eerste lid,"},{"i":19041,"b":"Besluit van de programmadirecteur-generaal Ondermijning van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 1 januari 2026, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de programmadirecteur-generaal ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit DGO Ministerie van Justitie en Veiligheid 2026) Gelet op [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1), [artikel 3, tweede lid van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3), [artikel 3.3 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=3.3) en paragraaf 1.3 van de CAO Rijk; Besluit: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters van Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de programmadirecteur-generaal Ondermijning verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel of programma betreffen ondermandaat verleend aan de programmadirecteuren DGO. 2. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters van Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de programmadirecteur-generaal Ondermijning verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=5), ondermandaat verleend aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken. Artikel 2 Als bevoegd gezag als bedoeld in paragraaf 1.3 van de CAO Rijk, worden aangewezen de functionarissen, genoemd in kolom 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052269&bijlage=1&z=2026-02-06&g=2026-02-06) bij dit besluit, voor zover het betreft de uitoefening"},{"i":19036,"b":"Besluit van de directeur Advisering en Ondersteuning van het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 19 augustus 2024, nr. 5435843 houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het hoofd van de onder de directie ressorterende afdeling (Mandaatbesluit DAO Justitie en Veiligheid 2024) Gelet op [artikel 1, eerste lid, van het Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=1) en [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel c, van het Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=1) aan de directeur Advisering en Ondersteuning verleende mandaat wordt aan het hoofd van de afdeling Financiën ondermandaat verleend ten aanzien van de aangelegenheden die diens afdeling betreffen. Artikel 2 De [Mandaatregeling FBC Veiligheid en Justitie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034014) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 9 mei 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit DAO Justitie en Veiligheid 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18852,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 juli 2023 nr. BOACAT2023/038, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Koninklijke Marechaussee bewaken en beveiligen Gelezen het verzoek van de directeur directie Operaties Koninklijke Marechaussee van 19 juni 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de commandant Koninklijke Marechaussee; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048448&artikel=2&z=2023-08-15&g=2023-08-15). Artikel 2 De personen, werkzaam in de bewakings- en beveiligingsfuncties van junior medewerker DNB, junior medewerker HRB, junior medewerker GPT, junior medewerker BEVTKN en medewerker BEVTKN in dienst van de Koninklijke Marechaussee, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare"},{"i":17456,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 april 2020, kenmerk 1665225-201979-LZ, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor de realisatie van aardbevingsbestendige zorg in Groningen (Regeling subsidies aardbevingsbestendige zorg) Gelet op [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **aardbevingsgebied Groningen:** de gemeenten Delfzijl, Appingedam, Loppersum, Het Hogeland, Midden-Groningen, Oldambt en Groningen, voor wat betreft het grondgebied van de plaats Ten Boer; - **bouwteam:** een projectgebonden samenwerkingsverband tussen een opdrachtgever en één of meerdere personen waarbinnen wordt samengewerkt aan het ontwerp van de te realiseren nieuwbouw en het realiseren van nieuwbouw, bedoeld in [artikel 4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043386&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-01-23&g=2026-01-23), van deze subsidieregeling; - **bouwteamovereenkomst:** een overeenkomst van het bouwteam waarin prijsafspraken zijn vastgelegd voor het realiseren van nieuwbouw, bedoeld in [artikel 4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043386&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-01-23&g=2026-01-23), van deze subsidieregeling; - **CBS tabel bouwkosten nieuwbouwwoningen:** de tabel ‘Nieuwbouwwoningen; inputprijsindex bouwkosten 2021=100’ van het Centraal Bureau voor de Statistiek; - **Definitief ontwerp:** het document waarin de initiatiefnemers van een nieuwbouwproject het uiteindelijke ontwerp van de nieuwbouw, een visie op de daar te leveren zorg en de wijze waarop dit zal worden georganiseerd vastleggen; - **dagbestedingsplaats:** een plaats die wordt gerealiseerd binnen een zorglocatie, die toe te rekenen is aan één cliënt en waar begeleiding in groepsverband wordt geboden aan meerder"},{"i":19005,"b":"Besluit van 14 oktober 2000, houdende regels omtrent de hoogte van op te leggen administratieve boeten op grond van enkele socialezekerheidswetten alsmede het tijdstip van inwerkingtreding van enkele wettelijke bepalingen (Boetebesluit socialezekerheidswetten) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 4 juli 2000, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/UB/00/42726; Gelet op de [artikelen 14a, zevende lid, van de Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=14a), [17, zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009344&artikel=17), [20a, zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=20a), [20a, zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=20a), [27a, zevende lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=27a), [45a, zevende lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=45a), [29a, zevende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=29a), [48, zevende lid van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=48), [40, zevende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=40), [14a, zevende lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=14a), [17c, zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=17c), [39, zevende lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wet"},{"i":18259,"b":"Wet van 16 december 2010 tot derde aanpassing van wetten in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland (Derde Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat met de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overeengekomen dat zij een staatsrechtelijke positie krijgen binnen het Nederlandse staatsbestel en het in verband hiermee wenselijk is wetten en de Nederlands-Antilliaanse regelingen, die ingevolge de [Invoeringswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063) als wet van toepassing blijven in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die nog niet zijn meegenomen in het voorstel voor de [Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028129) (Kamerstukken II, 2008/09, 31 959, nr. 2), aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05.00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel I Wijzigt de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel II Wijzigt de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel III Wijzigt de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel IV Wijzigt de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel V Wijzigt de Veiligheidswet BES. Artikel VI Wijzigt de Kieswet. Artikel VII Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel VIII Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel IX Wijzigt de Wet privatisering ABP. Artikel X Wijzigt de Wet merken BES. Artikel XI Wijzigt de Wet post BES. Artikel XII Wijzigt de Wet telecommunicatievoorzieningen BES. Artikel X"},{"i":18348,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 21 november 2017, houdende regels over de adviesorganen met betrekking tot audit- en bedrijfsvoeringsaangelegenheden van het Rijk (Regeling audit committees van het Rijk) Gelet op [artikel 4.20, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **audit committee:** het adviesorgaan van een ministerie met betrekking tot audit- en bedrijfsvoeringsaangelegenheden; - **directeur van de Auditdienst Rijk:** een persoon die deel uitmaakt van de directie van de Auditdienst Rijk; - **directeur FEZ:** de persoon die binnen een ministerie leiding geeft aan het centrale dienstonderdeel dat belast is met financieel-economische aangelegenheden; - **externe leden:** de personen die niet bij of voor het betrokken ministerie werkzaam zijn; - **Minister:** de Minister die het aangaat. 2. De begrippen van [artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=1.1) zijn van overeenkomstige toepassing op deze regeling. § 2. Instelling, samenstelling en organisatie Artikel 2. Instelling De Minister die belast is met de leiding van een ministerie stelt een audit committee in. Artikel 3. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. Het audit committee bestaat uit: - a. personen die behoren tot de ambtelijke leiding van het betrokken ministerie; - b. ten minste twee onafhankelijke externe leden. 2. In afwijking van het eerste lid kan het audit committee uitsluitend uit externe leden bestaan. 3. De Minister benoemt uit de leden de voorzitter van het audit committee. 4. De Minister benoemt de externe leden op voordracht van de voorzitter. 5. De benoeming van de externe leden geschiedt voor de duur van maximaal vier jaren. Zij kunnen voor de duur van maximaal vier jaren worden herbenoemd. 6. Aan de externe leden wordt op eigen verzoek d"},{"i":18996,"b":"Besluit vervanging archiefbescheiden (penitentiaire dossiers) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Na machtiging van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 december 2008, nr. C/S&A/08/2769; Besluit over te gaan tot routinematige, digitale vervanging archiefbescheiden, die niet voor vernietiging in aanmerking komen: De op grond van de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709) gevormde penitentiaire dossiers - a. die: - 1. zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, en zaken betreffen die nog niet zijn afgedaan; of - 2. zullen worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit; - b. overeenkomstig de eisen, opgenomen in de [bijlage van de Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](onbekend) (Stcrt 2008, 21); en - c. met inachtneming van de waarde en het belang, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel c onderscheidenlijk d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2), alsmede wat daarover is bepaald in [artikel 4, tweede en derde lid, van de Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023395&artikel=4) (Stcrt 2008, 21). De vervanging vindt plaats door middel van een digitale kopie. De originele papieren archiefbescheiden zullen aansluitend worden vernietigd. De digitaal opgeslagen archiefbescheiden zullen gedurende de vastgestelde bewaartermijnen in goede, geordende en toegankelijke staat worden bewaard. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":18609,"b":"Wet van 29 september 1815, houdende instelling van de orde van de Nederlandse Leeuw Alzoo Wij in aanmerking genomen hebben, dat het uitdeelen van vereerende onderscheidings-teekenen aan hen, die door beproefde vaderlandsliefde, bijzonderen ijver en trouw in het volbrengen hunner burgerpligten of buitengewone bekwaamheid in wetenschappen en kunsten, zich eene billijke aanspraak op de algemeene achting, en Onze erkentenis verworven hebben, eenen heilzamen invloed oefenen kan op de aankweeking van deugd en kennis; ZOO IS HET, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg van de Staten-Generaal, goedgevonden hebben te bepalen en te statuëren, gelijk Wij bepalen en statuëren bij deze: Artikel 1 1. Er wordt ingesteld een Orde, strekkende ter vererende onderscheiding van Onze onderdanen die bewijzen geven van beproefde vaderlandsliefde, bijzondere ijver en trouw in het volbrengen hunner burgerplichten of buitengewone bekwaamheid in wetenschappen en kunsten. 2. Deze Orde zal in bijzondere gevallen ook aan vreemdelingen kunnen gegeven worden. Artikel 2 Deze Orde zal de naam dragen van Orde van de Nederlandse Leeuw. Artikel 3 1. Wij verklaren Ons te zijn Grootmeester dezer Orde. 2. Het Grootmeesterschap van dezelver zal onafscheidelijk aan de kroon der Nederlanden verbonden zijn. Artikel 4 1. De Orde van de Nederlandse Leeuw zal bestaan uit drie graden. 2. De Ridders van de eerste graad dragen de naam van Ridder Grootkruisen, die van de tweede graad dragen de naam van Commandeurs, die van de derde graad dragen enkel de naam van Ridders. Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Alle benoemingen bij de Orde geschieden door de Grootmeester. Artikel 7 1. Het versiersel der Orde zal bestaan in een wit geëmailleerd kruis met een gouden W tussen elk der armen van hetzelve, hebbende aan de ene zijde in het midden een blauw geëmailleerd rond, waarop in gouden letteren geschreven zijn de woorden **Virtus Nobilitat** en aan de tegenzijde de Leeuw zoals hij in het wapen van het Rijk voo"},{"i":18180,"b":"Besluit van 21 maart 1994, houdende enkele rechtspositionele voorschriften ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren Op de voordracht van Onze Minister van Justitie a.i. van 19 november 1992, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 263321/92/6; Gelet op de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=12), vijfde lid, [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=14), derde lid, [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=15), vijfde lid, en [16, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=16); De Raad van State gehoord (advies van 26 januari 1993, nr. W03.92.0584); Gezien het nader rapport van de Minister van Justitie van 14 maart 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 428976/94/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **AAOP-uitkering:** ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen als bedoeld in hoofdstuk 11 van het Pensioenreglement; - **AOW-gerechtigde leeftijd:** de leeftijd, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a), waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat; - **arbeidsduur:** het aantal uren gedurende welke een rechterlijk ambtenaar zijn ambt gemiddeld per week vervult op basis van een aanstelling of aanwijzing als bedoeld in [artikel 5f van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=5f); - **arbeidsduurfactor:** een breuk waarvan de teller bestaat uit de voor de rechterlijk ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36; - **arbeidsongeschikt:** arbeidsongeschikt als bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=18) of volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als bedoeld in [artikel 4 van de WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=4) of gedeeltelijk arbeidsg"},{"i":18344,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 23 januari 2023, nr. 4381549, houdende regels omtrent het aanstellen van politieambtenaren (Regeling aanstellingseisen politie 2023) Gelet op [artikel 7, eerste lid, onderdelen b, c en d, en tweede lid, onderdelen b, c en e, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=7); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **ambtenaar in opleiding:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **aspirant:** de aspirant, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **bevoegd gezag:** de korpschef; - **cognitieve capaciteiten:** abstracte, verbale en numerieke redeneervermogen; - **NLQF:** Nederlands kwalificatieraamwerk gebaseerd op het European Qualifications Framework, het Europees raamwerk van de Europese Unie waarin alle kwalificaties van diploma’s en certificaten onderverdeeld zijn in het kader van leven lang leren; - **politieopleiding:** politieopleiding als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=1); - **politieopleidingen op een vergelijkbaar mbo-niveau:** opleidingen gericht op de uitoefening van de politietaak, waarvoor in de kwalificatiestructuur, bedoeld in [artikel 87 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=87), de kwalificaties zijn vastgesteld en ten bewijze waarvan na een met goed gevolg afgelegd examen een diploma wordt uitgereikt ten bewijze van de behaalde kwalificatie op een niveau dat overeenkomt met een niveau als bedoeld in [artikel 7.2.2, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&art"},{"i":17533,"b":"Reglement Adviescommissie Pakket Zorginstituut Nederland 2025 Gelet op [artikel 59a, eerste lid van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=59a) en [artikel 8, derde lid, van het Bestuursreglement Zorginstituut Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035079&artikel=8); heeft in zijn vergadering van 11 maart 2025 besloten: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. begripsbepalingen Dit reglement verstaat onder: - –. **adviescommissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 59a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=59a); - –. **beheersmaatregel:** maatregel ter waarborging van advisering zonder vooringenomenheid; - –. **leden:** de leden van de adviescommissie; - –. **onderwerp:** rapport, signalement, dossier, advies of agendapunt waar de adviescommissie over vergadert; - –. **persoonlijk belang:** ieder belang dat niet behoort tot de belangen die de adviescommissie uit hoofde van de haar opgedragen taak behoort te behartigen; - –. **plaatsvervangend secretaris:** de plaatsvervangend secretaris van de adviescommissie; - –. **plaatsvervangend voorzitter:** de plaatsvervangend voorzitter van de adviescommissie; - –. **Raad van Bestuur:** de Raad van Bestuur van het Zorginstituut; - –. **secretaris:** de secretaris van de adviescommissie; - –. **voorzitter:** de voorzitter van de adviescommissie; - –. **het Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58). Hoofdstuk 2. Taak van de adviescommissie Artikel 2.1. Taak 1. De adviescommissie heeft tot taak: - a. het voorbereiden van rapporten en signalementen als bedoeld in [artikel 66 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=66); - b. het adviseren aan de Raad van Bestuur, in samenspraak met de Kwaliteitsraad, over de doelmatigheid van kwaliteitsstandaarden die mogelij"},{"i":17541,"b":"Reglement Klachtencommissie rechtsbijstand asiel en vreemdelingenbewaring In aanmerking nemend [artikel 8 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8), Besluit: Een commissie in te stellen voor de behandeling van klachten en het doen van ambtshalve onderzoek betreffende de rechtsbijstandverlening door individuele rechtsbijstandverleners aan asielzoekers en vreemdelingen in bewaring alsmede het naar aanleiding hiervan geven van advies tot het treffen van een maatregel. In het aangehechte reglement is de samenstelling en de werkwijze van de KRAV geregeld. De Commissies Rechtsbijstand Asiel (en Vreemdelingenbewaring) worden opgeheven met ingang van de inwerkingtreding van dit reglement. De op deze Commissies betrekking hebbende reglementen en andere regelgeving wordt bij gelijke datum ingetrokken. Bijlage Klachtencommissie rechtsbijstand asiel en vreemdelingenbewaring (KRAV) A. Algemene bepalingen Artikel 1 Mede ter uitvoering van [artikel 8 van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8) heeft het bestuur van de Raad voor de Rechtsbijstand (hierna: de Raad) een Klachtencommissie Rechtsbijstand Asiel en Vreemdelingenbewaring (hierna te noemen: KRAV) ingesteld. De KRAV zetelt te Utrecht. Artikel 2 De KRAV kan naar aanleiding van een klacht, dan wel ambtshalve, besluiten om op grond van concrete feiten of omstandigheden een onderzoek in te stellen naar de taakuitoefening van rechtsbijstandverleners die ten tijde van de gewraakte gedraging zijn toegelaten tot de verlening van rechtsbijstand aan asielzoekers en vreemdelingen in bewaring. In de daarvoor in aanmerking komende gevallen adviseert de KRAV de Raad tot het treffen van een maatregel. Artikel 3 Onder asielrechtsbijstand wordt verstaan de door een toegelaten rechtsbijstandverlener in het kader van een asielaanvraag en de daarmee verband houdende procedures verleende juridische bijstand, alsmede in dit kader verrichte advieswer"},{"i":18037,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 27 april 2009, nr. DDI/ST/reg. 014/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Decoratiecommissie uit de Raad van Minister van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1946–1995 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Decoratiecommissie uit de Raad van Minister van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1946–1995, tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | --- | | 60 | 2011 | 2056 | | 61 | 2012 | 2057 | | 62 | 2014 | 2059 | | 63 | 2015 | 2060 | | 64 | 2017 | 2062 | | 65 | 2019 | 2064 | | 66 | 2020 | 2065 | | 67 | 2021 | 2066 | | 68 | 2022 | 2067 | | 69 | 2024 | 2069 | | 70 | 2025 | 2070 | Artikel 2 Met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom tot 1 januari van het jaar, genoemd in de derde kolom, zijn de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025853&artikel=1&z=2009-05-22&g=2009-05-22) na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief te raadplegen. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste"},{"i":17288,"b":"Regeling dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg Gelet op [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de forensische zorg. Leeswijzer In Hoofdstuk 3 van deze nadere regel zijn de regels met betrekking tot de diagnose-behandel-beveiligingscombinaties (dbbc’s) weergegeven. In hoofdstuk 4 staan de bepalingen met betrekking tot de zorgzwaartepakketten (zzp’s) genoemd. Meer uitgebreide informatie over het hele registratieproces (registreren-valideren-afleiden), voorbeelden, nadere toelichting en stroomschema’s staan vermeld in [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045705&bijlage=1&z=2021-09-01&g=2021-09-01): **Toelichting op de nadere regel**. Sinds 2017 wordt voor nieuwe zorgtrajecten de diagnose geclassificeerd in DSM-5. De DSM-5 diagnose wordt geconverteerd naar een bijbehorende DSM-IV diagnose. De registratie en bekostiging vinden nog conform DSM-IV plaats. De [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045705&bijlage=1&z=2021-09-01&g=2021-09-01) maken integraal onderdeel uit van deze nadere regel. Inleiding Deze nadere regel is van toepassing op zorgaanbieders die forensische zorg in strafrechtelijk kader, als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1), verlenen. Het doel van deze nadere regel is het stellen van voorschriften voor de forensische zorg (fz) op het gebied van registratie, validatie, declaratie en informatie, die zorgaanbieders in acht moeten nemen bij én voorafgaand aan het declareren va"},{"i":17201,"b":"Overgangsregeling Besluit beheer sociale-huursector Gelet op de artikelen 19, 22, 23, 24, 26, 28, tweede lid, van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting (Stb. 1976, 469) alsmede op de artikelen 3, 5, derde lid, onderdelen b, en en f, 7 en 14 van het Besluit geldende steun volkshuisvesting (Stb. 1976, 472), Besluit: Artikel 1 De Regeling inzake de overdracht van premiecorporatiewoningen aan de bewoners (Stcrt. 1991, 186) wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 1993. Artikel 2 De Regeling inzake de overdracht van woningwetwoningen aan de bewoners (Stcrt. 1991, 186) wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 1993. Artikel 3 De Beschikking algemene bedrijfsreserve toegelaten instellingen (Stcrt. 1977, 81) wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 1993. Artikel 4 De Beschikking belegging algemene bedrijfsreserve en fondsen toegelaten instellingen (Stcrt. 1977, 81) wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 1993. Artikel 5 1. De Beschikking leningen toegelaten instellingen (Stcrt. 1977, 81) wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 1993, behoudens het bepaalde in het tweede lid. 2. Op leningen die voor 1 januari 1993 zijn verstrekt, blijft de in het eerste lid genoemde regeling van toepassing zoals zij op het tijdstip van het besluit van de gemeenteraad tot verstrekking daarvan luidde. Artikel 6 1. De Beschikking inrichting administratie toegelaten instellingen (Stcrt. 1977, 81) is met ingang van 1 januari 1993 niet meer van toepassing op toegelaten instellingen. 2. De in het eerste lid genoemde regeling wordt ingetrokken met ingang van het tijdstip, bedoeld in [artikel 60, tweede lid, van het Besluit beheer sociale-huursector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686&artikel=60) (Stb. 1992, 555). Artikel 7 1. De Beschikking regelen exploitatie toegelaten instellingen (Stcrt. 1987, 52) is met ingang van 1 januari 1993 niet meer van toepassing op toegelaten instellingen. 2. De in het eerste lid genoemde regeling wordt ingetrokken met ingang van he"},{"i":18935,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 30 mei 2023 nr. BOACAT2023/031, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Staatstoezicht op de Mijnen Gelezen het verzoek van Staatstoezicht op de Mijnen van 17 mei 2023, en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de Inspecteur-generaal der Mijnen; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048238&artikel=2&z=2023-06-07&g=2023-06-07). Artikel 2 De personen werkzaam het Staatstoezicht op de Mijnen, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de bijlage bij de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland inclusief het Nederlandse deel van het continentaal plat en de exclusieve economische zone (EEZ), voor z"},{"i":18853,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 16 april 2024 nr. BOACAT2024/032, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Koninklijke Marechaussee OPSCENT Gelezen het verzoek van Directie Operaties van de Koninklijke Marechaussee van 19 maart 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049589&artikel=2&z=2024-04-24&g=2024-04-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie Sr Centralist, Centralist, Sr Mdw KCC en Mdw KCC in dienst van de Koninklijke Marechaussee, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporin"},{"i":18043,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Hoofdingenieur-directeur voor de Landinrichting, Grond- en Bosbeheer Limburg, Ministerie van LNV, (1943) 1955-1985 (1991) Inventaris 07.F24 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van het Nationaal Archief van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is inventarisnummer 16 beperkt openbaar tot 1 januari 2040 Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045620&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de algemeen rijksarchivaris heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045620&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045620&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de algemeen rijksarchivaris. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten."},{"i":17956,"b":"Wet van 8 juni 2016 tot wijziging van de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet en de Zorgverzekeringswet Artikel I Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel II Wijzigt de Jeugdwet. Artikel III Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel IV Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel V Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel Va Indien voor een verzekerde in de zin van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat hij aanspraken, rechten en verplichtingen als bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onderdelen a, onder 2, en e, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) heeft, heeft hij met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de [artikelen I, onderdelen Ha en Hb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038259&artikel=I&z=2016-10-01&g=2016-10-01), en [III, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038259&artikel=III&z=2016-10-01&g=2016-10-01), van deze wet jegens het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, de aanspraken, rechten en verplichtingen met betrekking tot het tot gelding brengen van de aanspraak op zorg bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdelen a, onder 2, en e, van de Wet langdurige zorg die aan het indicatiebesluit waren verbonden. Artikel Vb Wijzigt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Artikel VI De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, waarbij de [artikelen I, onderdelen A, C, E, G, H en I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038259&artikel=I&z=2016-10-01&g=2016-10-01), en [II, onderdelen A en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038259&artikel=II&z=2016-10-01&g=2016-10-01), kunnen terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip. In dat"},{"i":18142,"b":"Besluit houdende vaststelling Veiligheidsmanagementsysteem Defensie Besluit: Artikel 1 Als Veiligheidsmanagementsysteem Defensie wordt vastgesteld het geheel van procedures en afspraken op het gebied van het veiligheidsmanagement, zoals beschreven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit houdende vaststelling Veiligheidsmanagementsysteem Defensie. Bijlage Ligt ter inzage bij de Directie Voorlichting en communicatie te Den Haag. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage, die ter inzage ligt bij de Directie Voorlichting en communicatie bij de afdeling publieksvoorlichting, Binckhorstlaan 135 in Den Haag. Dit besluit zal met de toelichting en de bijlage in de Ministeriële Publicatieserie worden geplaatst."},{"i":17446,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 5 juli 2025, nr. 2025-0000394063, houdende regels met betrekking tot verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten in de Metropoolregio Eindhoven ten behoeve van het versnellen van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving (Regeling specifieke uitkering woningbouwversnelling Metropoolregio Eindhoven) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2), en [3 van het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=3) (Stb. 2022, 452); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **afgebakend projectgebied:** gebied dat zich kenmerkt door ten minste twee van de volgende onderdelen: - a. financiële samenhang; - b. geografische samenhang; en - c. organisatorische samenhang; - **betaalbare koopwoning:** voor verkoop bestemde woonruimte met een koopprijs van ten hoogste het bedrag, bedoeld in [artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=7); - **betaalbare woning:** sociale huurwoning, middenhuurwoning of betaalbare koopwoning; - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **middenhuurwoning:** voor verhuur bestemde zelfstandige woonruimte met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13), en ten hoogste de maximale huurprijs behorende bij het puntenaantal, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel="},{"i":17775,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Nieuw-Zeeland inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en Nieuw-Zeeland, hierna te noemen de verdragsluitende partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid, openbare orde en handel van de verdragsluitende partijen; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen, bedreigde dier- en plantensoorten, gevaarlijke stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen wettelijke bepalingen; Gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand, de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand (Verklaring van Cyprus), de Resolutie inzake veiligheid en facilitatie van de internationale logistieke keten, aangenomen door de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisatie, in respectievelijk december 1953, juli 2000 en juni 2002, en het Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie over de passende bescherming van persoonsgegevens in Nieuw-Zeeland van 19 december 2012 C (2012) 9557; Gelet op internationale overeenkomsten die verbo"},{"i":18583,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijsten neerslag handelingen beleidsterreinen Energiebeleid en Energiedelfstoffen vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 april 2005, nr. arc-2005.02052/3 en arc-2005.0205/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijsten voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op de beleidsterreinen Energiebeleid en Energie Delfstoffen over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Basisselectiedocument energiedelfstoffen vanaf 1944 Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Minister van Defensie Minister van Economische Zaken Minister van Financiën Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Minister van Verkeer en Waterstaat Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Minister van Volksgezondheid, Sport en Welzijn Ministerie van Economische Zaken Nationaal Archief 1. Lijst van afkortingen OECD: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling A&R: Aanwijzingen en richtlijnen SodM AER: Algemene Energie Raad Amvb: Algemene maatregel van bestuur ARBO: Arbeidsomstandigheden (Wet) AW: Archiefwet AWB: Algemene Wet bestuursrecht AZ: Algemene Zaken (Minister/Ministerie van) BEB: Buitenlandse Economische Betrekkingen (Directoraat-Generaal voor de –) BIG: Buisleiding Industrie Gilde BiZa: Binnenlandse Zaken (Minister/Ministerie van) BSD: Basis-Selectiedocument BSEG: Bureau voor de Statistiek van de Europese Gem"},{"i":18883,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 29 april 2024 BOACAT2024/038, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Recreatie Noord-Holland N.V Gelezen het verzoek van Recreatie Noord-Holland N.V. van 19 april 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049675&artikel=2&z=2024-07-07&g=2024-07-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van boswachter, buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van Recreatie Noord-Holland N.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opge"},{"i":19477,"b":"Wet van 13 oktober 2021 tot goedkeuring en uitvoering van de op 7 juli 2020 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Regering van de Franse Republiek, de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot wijziging en aanvulling van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland met betrekking tot het treinverkeer tussen België en het Verenigd Koninkrijk via de vaste kanaalverbinding met protocol, gedaan te Brussel op 15 december 1993 (Trb. 2020, 67, Trb. 2020, 107 en Trb. 2020, 128); Goedkeuring en uitvoering van de op 10 juli 2020 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden met betrekking tot grenscontroles op het treinverkeer tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk via de vaste kanaalverbinding (Trb. 2020, 69 en Trb. 2021, 62) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de op 7 juli 2020 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen de regering van de Franse Republiek, de regering van het Koninkrijk België, de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot wijziging en aanvulling van de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België, de regering van de Franse Republiek en de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland met betrekking tot het treinverkeer tussen België en het Verenigd Koninkrijk via de vaste kanaalverbinding met protocol, gedaan te Brussel op 15 december 1993 en de op 10 juli 2020 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen de regering van het Verenigd"},{"i":17090,"b":"Europese Code inzake Sociale Zekerheid (herzien) De Lidstaten van de Raad van Europa die deze (herziene) Code hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn Leden tot stand te brengen ten einde, met name, hun sociale vooruitgang te bevorderen; Overwegende het belang van harmonisatie van zowel de bescherming die wordt gewaarborgd door sociale zekerheid als van de lasten die hieruit voortvloeien overeenkomstig gemeenschappelijke Europese normen; Opmerkend dat de nationale wetgeving inzake sociale zekerheid zich in de meeste Lidstaten van de Raad van Europa verder heeft ontwikkeld sedert de Europese Code inzake Sociale Zekerheid en het Protocol daarbij op 16 april 1964 voor ondertekening werden opengesteld; Van oordeel zijnd dat deze ontwikkeling herziening van die akten op alle daarvoor in aanmerking komende punten noodzakelijk maakt ten einde, enerzijds, deze aan te passen aan de huidige aspiraties en mogelijkheden van de Europese samenleving en, anderzijds, de bescherming van sociale zekerheid uit te breiden tot de gehele bevolking, te zamen met sociale rechten voor iedere persoon, en discriminatie uit te bannen, in het bijzonder discriminatie op grond van geslacht; Het nut erkennend van verbetering en versoepeling van de in de Europese Code inzake Sociale Zekerheid en het Protocol daarbij vervatte normen en van het opnemen van nieuwe normen in een herziene code die de Code en het Protocol van 16 april 1964 geleidelijk moet vervangen, Zijn de volgende bepalingen overeengekomen, die zijn opgesteld met medewerking van het Internationale Arbeidsbureau: DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van deze (herziene) Code: - a. wordt verstaan onder „het Comité”: het Directie-Comité voor Sociale Zekerheid van de Raad van Europa of elk ander Comité dat door het Comité van Ministers belast is met de uitvoering van de taken die krachtens de bepalingen van deze (herziene) Code aan het Comité zijn opgedragen;"},{"i":18370,"b":"Regeling tot aanwijzing van de Defensie Duikschool als certificerende instelling (Regeling duikopleidingen Defensie 2014) Gelet op [artikel 6.1, derde lid, onder b, van de Arbeidsomstandighedenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=6.1) en [artikel 14 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=14); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **certificaat:** een certificaat als bedoeld in [artikel 6.14a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=6.14a), [6:16, derde, zesde dan wel zevende lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=6.16) en [artikel 6.5 van de Arbeidsomstandighedenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=6.5); - **bewijs van bekwaamheid:** certificaat, diploma, brevet of getuigschrift; - **opleidingscentrum:** de Defensie Duikschool van de Koninklijke Marine; - **werkveldspecifieke certificatieschema:** het op de specifieke opleiding van toepassing zijnde Werkveldspecifieke certificatieschema als bedoeld in [artikel 6.5 van de Arbeidsomstandighedenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=6.5). Artikel 2 1. Het opleidingscentrum verzorgt binnen het Ministerie van Defensie: - a. de opleidingen tot duikerarts, duikploegleider, duiker en duikmedisch begeleider; - b. de militaire opleidingen op overige arbeid onder overdruk. 2. Het opleidingscentrum neemt het examen af, behorend bij een opleiding genoemd in het eerste lid, en reikt het bewijs van bekwaamheid uit. 3. Op een opleiding, genoemd in het eerste lid, onder b, op het vervolgens af te nemen examen en op het af te geven bewijs van bekwaamheid zijn de generieke paragrafen 4.3. en 5.2. uit de werkveldspecifieke certificatieschema’s voor het persoonscertificaat Duikerarts, Duikmedisch begeleider, Duikploegleider en Duiker van overeenkomstige toepassing. Artikel 3 1. De opl"},{"i":19156,"b":"Richtlijn voor strafvordering opruiing Beschrijving Deze richtlijn ziet op het in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opruien tot een strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Basiscasus/delict Opruiing alleen gepleegd door een first offender. ¹ Let op het taakstrafverbod ([art. 22b Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22b)) Legenda **Afkortingen** GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036337)."},{"i":18164,"b":"Besluit van 18 maart 2010 betreffende de ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 maart 2010, 2010-0000138229, Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op de [artikelen 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=64) en [137, derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=137) en [artikel F 2 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=F_2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ontbonden op donderdag 17 juni 2010 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Artikel 2 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vindt plaats op dinsdag 27 april 2010. Artikel 3 De eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer vindt plaats op donderdag 17 juni 2010 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de nota van toelichting in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17374,"b":"Regeling van de Minister van Justitie (nr.430244/594/NE) houdende bijstand van de militairen van de Koninklijke marechaussee ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op [artikel 58 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=58); Besluit: Artikel 1 1. Indien de Minister van Justitie en Veiligheid, in overeenstemming met de Minister van Defensie, bepaalt dat op het verzoek van het gezag, bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=12), bijstand wordt verleend, wordt door de officieren, onderofficieren en de door de Minister van Justitie en Veiligheid, in overeenstemming met de Minister van Defensie, aangewezen andere militairen van de Koninklijke marechaussee bijstand verleend aan de politie voor het gezamenlijk optreden met de politie ter opsporing van strafbare feiten. 2. De procureur-generaal heeft het mandaat, in overeenstemming met de commandant van het Wapen der Koninklijke marechaussee, daartoe personen als bedoeld in het eerste lid aan te wijzen. Artikel 2 1. In gevallen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006568&artikel=1&z=2023-01-01&g=2023-01-01) worden niet meer dan drie van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006568&artikel=1&z=2023-01-01&g=2023-01-01) genoemde militairen aangewezen, steeds voor de duur van een met name genoemd onderzoek. 2. Van elke aanwijzing op grond van deze regeling stelt de procureur-generaal, de Minister van Justitie en Veiligheid onverwijld in kennis. De commandant van het Wapen der Koninklijke marechaussee stelt de Minister van Defensie van elke aanwijzing onverwijld in kennis. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen meer dan drie van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006568&artikel=1&z=2023-01-01&g=2023-01-01) genoemde militairen aangewezen worden indi"},{"i":18401,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 15 april 2008, nr. 5526399/08, houdende nadere regels betreffende de eisen met betrekking tot de kennis van en het inzicht in het strafrecht waaraan moet worden voldaan voor benoeming als rechterlijk ambtenaar bij het openbaar ministerie in geval van toepasselijkheid van artikel 38c, vierde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Regeling nadere beroepsvereisten rechterlijke ambtenaren bij het openbaar ministerie) Gelet op [artikel 38c, vijfde lid, van Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=38c); Besluit: Artikel 1 In geval van toepasselijkheid van [artikel 2a, vierde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=2a) dient voor een benoeming als rechterlijk ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, onder 5° tot en met 7°, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=1), kennis van en inzicht in het strafrecht, met inbegrip van het strafprocesrecht, te zijn verkregen door het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voor de volgende door een universiteit als bedoeld in de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682), aangeboden: - a. onderwijseenheden op het gebied van het strafrecht met een studielast van in totaal tenminste 10 studiepunten als bedoeld in [artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4), en - b. onderwijseenheden op het gebied van het strafprocesrecht met een studielast van in totaal tenminste 10 studiepunten als bedoeld in [artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1"},{"i":18054,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 oktober 2008, nr. DDI/ST/reg. 041/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Ambassade in de Duitse Democratische Republiek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1973–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade in de Duitse Democratische Republiek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1973–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 41 | 2050 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024618&artikel=1&z=2008-10-19&g=2008-10-19), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het [Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 juli 2008, nr. DDI/ST/reg. 030/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Ambassade in de Duitse Democratische Republiek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1973–1974](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024215), wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit zal met de toelichting en de daarbij behorende bij"},{"i":18510,"b":"Rijkswet van 2 december 2004, houdende instelling van een Onderzoeksraad voor veiligheid (Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een algemene onafhankelijke raad in te stellen voor het onderzoek van rampen, ongevallen en incidenten teneinde de oorzaken of vermoedelijke oorzaken van het voorval of de categorie voorvallen en van de omvang van hun gevolgen vast te stellen en daaraan aanbevelingen te verbinden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking behoudens ten aanzien van het onderzoek naar ongevallen en incidenten met een zeeschip dat niet in gebruik is bij Onze Minister van Defensie of een buitenlandse krijgsmacht. Treedt ten aanzien van de bepalingen over onderzoek naar ongevallen en incidenten met een zeeschip dat niet in gebruik is bij Onze Minister van Defensie of een buitenlandse krijgsmacht in werking op 1 januari 2010 (Stb. 2009/563). Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid van Nederland; - b. de raad: de Onderzoeksraad voor veiligheid, genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=2&z=2022-05-01&g=2022-05-01); - c. de leden van de raad: zowel de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2022-05-01&g=2022-05-01), als de buitengewone leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2022-05-01&g=2022-05-01); - d."},{"i":18539,"b":"Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein staatkundige verhoudingen en samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk der Nederlanden over de periode (1993) 1996-1997 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 februari 2000, nr. arc-99.1668/2), Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde 'selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein staatkundige verhoudingen en samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk der Nederlanden over de periode (1993) 1996-1997' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument **Den Haag, mei 2000.** § 1. Inleiding § 1.1. Ten geleide Archiefbescheiden kunnen verschillende functies vervullen. Overheidsorganen kunnen archiefbescheiden opmaken of gebruiken voor de bedrijfsvoering, om zichzelf te verantwoorden of een ander ter verantwoording te roepen en als bewijsmiddel. Voor burgers is het belang van archiefbescheiden gelegen in het streven naar democratische controle (de burger moet de overheid ter verantwoording kunnen roepen), in de mogelijke functie van archiefbescheiden als bewijsmiddel en in het feit dat archiefbescheiden deel uitmaken van het cultureel erfgoed en voor historisch onderzoek van belang zijn. Vanuit het bedrijfsvoerings- en verantwoordingsbelang van archiefbescheiden geredeneerd, kan elk archiefstuk vernietigd worden op het moment dat het voor het archiefvormend orgaan niet meer nuttig is. Het historisch belang van bepaalde bescheiden kan echter v"},{"i":18277,"b":"Instellingsbesluit Bovenregionaal Advies College management development politie in overeenstemming met de Minister van Justitie; Besluit: Artikel 1 Er is een Bovenregionaal Advies College management development politie, hierna te noemen: BRC. Artikel 2 Het BRC heeft als taak aan de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie te adviseren over: - a. de verdere ontwikkeling, implementatie, evaluatie en bijstelling van het landelijk en interregionaal management development beleid ten behoeve van de Nederlandse politie; - b. de aansluiting van het regionale en interregionale management development op het landelijk management development door onder meer het ontwikkelen van landelijk gedragen criteria voor functies binnen de politieorganisatie; - c. de ontwikkeling en invoering van instrumenten om dit gezamenlijke beleid te ondersteunen; - d. de selectie van kandidaten voor het landelijk management development bestand van strategische functies binnen de politieorganisatie; - e. de periodieke toetsing en registratie van de individuele ontwikkelingen van de geselecteerde kandidaten. Artikel 3 Ter uitvoering van zijn taken stelt het BRC tweejaarlijks een werkplan op en zendt dit ter goedkeuring aan de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie. Artikel 4 1. Het BRC is als volgt samengesteld: - a. de heer drs. H.J. Meijer, korpsbeheerder van het regionale politiekorps IJsselland, voorzitter; - b. de plaatsvervangend directeur-generaal Veiligheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, lid; - c. mevrouw mr. H.W. Samsom-Geerlings, hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Utrecht, lid; - d. mevrouw A.J. Brink-Grootoonk, korpschef van het regionale politiekorps Noord-Holland-Noord, lid; - e. de heer P.J. van Zunderd, korpschef van het Korps Landelijke Politiediensten; - f. de heer J.J. Hoogendoorn MPA, korpschef van het regionale politiekorps Noord- en Oost-Gelderland, lid; - g. de"},{"i":17141,"b":"Interim-Akkoord tussen de bevoegde Nederlandse autoriteit en de bevoegde Marokkaanse autoriteit betreffende het verlenen van medische zorg in Marokko De bevoegde Nederlandse autoriteit, te weten: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en de bevoegde Marokkaanse autoriteit, te weten: de Minister van Werkgelegenheid en Sociale Zaken, Gezien punt 2 van het Slotprotocol van het op 14 februari 1972 te Rabat ondertekende Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Voor de toepassing van dit Interim-Akkoord - a. wordt onder „Verdrag\" verstaan het op 14 februari 1972 te Rabat ondertekende Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko; - b. wordt onder „Administratief Akkoord\" verstaan het Administratief Akkoord van 3 november 1972 met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 14 februari 1972 te Rabat ondertekende Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko; - c. hebben de andere in dit Interim-Akkoord gebruikte begrippen de betekenis die eraan wordt toegekend in het Verdrag of het Administratief Akkoord. Artikel 2 Voor de toepassing van artikel 12 en 13, tweede en derde lid, van het Verdrag worden beschouwd als verstrekkingen krachtens de Marokkaanse wettelijke regelingen de verstrekkingen die worden verleend in overheids- en semi-overheidsziekenhuizen en -instellingen voor gezondheidszorg. Artikel 3 Voor de toepassing van artikel 12 en 13, tweede, derde en vierde lid, van het Verdrag worden beschouwd als gezinsleden krachtens de wettelijke regeling inzake de ziekteverzekering (verstrekkingen) in Marokko: - a. de niet gescheiden echtgenoot, mits: - –. deze niet zelf onder een verplichte verzekering valt; - –. deze niet voor rekening van de verzekerde of een derde een beroep uitoefent, op grond waarvan hij aangesloten is bij een"},{"i":17280,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 2 oktober 2023, nr. IENW/BSK-2023/269257, houdende regels voor het verstrekken van een bijzondere uitkering ten behoeve van verbetering van water-, haven- en luchtvaartinfrastructuur (Regeling bijzondere uitkering water-, haven- en luchtvaartinfrastructuur BES) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdelen a, c en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5), [artikel 2, eerste en derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2) en [artikel 92, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=92); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - **activiteiten:** activiteiten als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048694&artikel=3&z=2024-06-26&g=2024-06-26); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **kaderwet:** [Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789); - **kaderbesluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381); - **bijzondere uitkering:** bijzondere uitkering als bedoeld in [artikel 91, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=91). Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderbesluit subsidies I en M De [artikelen 4, aanhef en onderdelen a tot en met h en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, eerste, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [10, vierde lid](https://wetten.overheid."},{"i":10,"b":"Aanwijzing bewijs van bekwaamheid voor toelating examens akte handenarbeid l.o Gerekend van 1 januari 1968, zijn aangewezen als bewijs van bekwaamheid, dat toelating verleent tot de examens ter verkrijging van de akte van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in het vak handenarbeid: - 1. de akten van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in het vak tekenen, genoemd in de bijlage, bedoeld in hoofdstuk I van titel VI van de Overgangswet w.v.o., onder de nrs. 135, 179, 180 en 181; - 2. de akte van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in het vak vrouwelijke handwerken, genoemd in de onder 1 bedoelde bijlage, onder nr. 145; - 3. de akten van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs in het vak huishoudkunde, genoemd in de onder 1 bedoelde bijlage, onder de nrs. 146 en 184."},{"i":6604,"b":"Besluit van 22 december 2009 houdende wijziging van de Wet toezicht accountantsorganisaties (aanpassing bijlage) Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 7 december 2009, nr. BJZ2009062622, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 1, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1); De Raad van State gehoord (advies van 16 december 2009, nr. W08.09.0525.IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 18 december 2009, nr. BJZ2009067049, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel II De [bijlage bij artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](onbekend) is van toepassing op de verslaglegging, bedoeld in de [artikelen 70c, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=70c), en [71g, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=71g), over een boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2009. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3683,"b":"Besluit mandaat en machtiging Kiwa N.V. (I) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de overeenkomsten tussen de Staat der Nederlanden en Kiwa N.V. d.d. 10 juli 2009 en 27 mei 2010; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. **de staatssecretaris:** De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; - c. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, besluiten te nemen; - d. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, rechtshandelingen te verrichten; - e. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, handelingen te verrichten die een publiekrechtelijke noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - f. **de overeenkomsten:** overeenkomsten overdracht taken van de Inspectie Verkeer en Waterstaat aan Kiwa N.V. aangegaan tussen de Staat der Nederlanden en Kiwa N.V. d.d. 10 juli 2009 en 27 mei 2010. Artikel 2 De voorzitter van de directie van Kiwa N.V. is gemandateerd om: - a. besluiten te nemen ten aanzien van de in de [bijlage A1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027827&bijlage=A1a&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bij dit besluit genoemde bevoegdheden; - b. de in onderdeel a. genoemde besluiten te schorsen of in te trekken als niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die bepalend zijn voor de afgifte van de vergunningen; - c. de bij de afzonderlijke ministeriële regelingen vastgestelde tarieven te heffen met betrekking tot de in de [bijlage A1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027827&bijlage=A1a&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bij dit besluit genoemde bevoegdheden. - d. besluiten te nemen die een directe relatie hebben met het besluitvormingsproces van hetg"},{"i":3116,"b":"Besluit beperking openbaarheid archieven Consulentschappen provincie Limburg, Ministerie van LNV, 1932–1992 Inventaris 07.F23 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van het Nationaal Archief van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 56 | 1-1-2043 | | 98 | 1-1-2030 | | 172 | 1-1-2027 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045618&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de algemeen rijksarchivaris heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045618&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045618&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de algemeen rijksarchivaris. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaats"},{"i":3429,"b":"Besluit van de directeur van de directie Uitvoerings- en Handhavingsbeleid van 14 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden binnen de directie wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":18948,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 23 oktober 2023 nr. BOACAT2023/068, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Werkorganisatie BUCH Gelezen het verzoek van de Werkorganisatie BUCH en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048806&artikel=2&z=2023-11-01&g=2023-11-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving II en medewerker handhaving III in dienst van Werkorganisatie BUCH en zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage"},{"i":17109,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2013 krachtens de Wet op de Rechtsbijstand Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad) kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsterreinen. Deze inschrijvingsvoorwaarden zijn algemeen verbindende voorschriften. De Raad stelt als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de [Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) dat het verzoek om inschrijving door de Raad volledig is behandeld en is ingewilligd. De Raad kan op grond van [art. 16 Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=16) uitsluitend in bijzondere gevallen een niet-ingeschreven advocaat toevoegen. Dit is het geval indien een rechtzoekende uitdrukkelijk en gemotiveerd om toevoeging van de niet-ingeschreven advocaat verzoekt of indien voor de verlening van rechtsbijstand op een bepaald rechtsterrein onvoldoende advocaten met de desbetreffende specialistische deskundigheid zijn ingeschreven. Het verstrekken van een toevoeging aan een niet-ingeschreven advocaat dient een uitzondering te blijven. Een advocaat die op grond van art. 16 Wrb vaker dan sporadisch een verzoek om toevoeging indient dient zich op grond van de [Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) te laten"},{"i":17737,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken **Preambule** Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië, hierna te noemen de verdragsluitende partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid, openbare orde en handel van de verdragsluitende partijen; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen, bedreigde dier- en plantensoorten, gevaarlijke stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen wettelijke bepalingen; Gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand, de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand (Verklaring van Cyprus) en de Resolutie inzake veiligheid en facilitatie van de internationale logistieke keten, aangenomen door de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisatie, in respectievelijk december 1953, juli 2000 en juni 2002; Gelet op internationale verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Tevens gelet op de [Universele Verkl"},{"i":58,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 maart 2009, nr. Directie GOB/DIV/2009/5301, houdende een beperking van de openbaarheid voor de inventarisnummers 29 tot en met 59, 62, 86 tot en met 104 en 108 tot en met 133 uit het archief van de Emigratievertegenwoordiging in het buitenland van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de periode 1952-1992 (Archiefregeling III voor de archieven op het beleidsterrein Arbeidsvoorziening van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden uit het historische bestand van personeelsleden van het Ministerie de in het volgende lid genoemde beperking gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 29 tot en met 59, 62, 86 tot en met 104 en 108 tot en met 133 is slechts mogelijk na voorafgaande toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van het verzoek geschiedt door invulling en ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven’. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. 3. De bescheiden van de hierboven genoemde inventarisnummers worden openbaar op: - –. inventarisnummer 29 op 1 januari 2041 - –. inventari"},{"i":139,"b":"Besluit beperking openbaarheid MH17-archief Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 23-2-2023, met kenmerk 35599192. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het MH17-archief, periode 2014–2017, van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de derde kolom. | Inventarisnummers | Procesinformatie | Geheel openbaar met ingang van januari | | --- | --- | --- | | 2 | Stopzetten van de uitkering van slachtoffers van de vliegramp | 2090 | | 6 | Behandelen van een uitvoeringsvraagstuk over de bejegening van nabestaanden door UWV | 2090 | | 9 | Verzorgen van de communicatie richting de nabestaanden van uitkeringsgerechtigden | 2090 | | 11 | Correspondentie met uitkeringsgerechtigden | 2090 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers 2, 6-9 en 11 genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049607&artikel=1&z=2024-04-26&g=2024-04-26), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden.” Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgd onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overh"},{"i":140,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden archieven BZK Zuivering Ambtenaren (2.04.67), Nederlandse gezantschappen te Zweden en Finland (2.05.219), BZK Bureau Invordering (2.04.77) en Militair Gezag Zuid-Holland (3.09.34) Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het besluit van: de Minister van Binnenlandse Zaken van 10 november 1998, de Minister van Buitenlandse Zaken van 23 maart 2007, de [Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 november 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011783) (Staatscourant 2000, nr. 233), de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 4 december 2013 (Staatscourant 2013, nr. 34781), houdende de beperking op de openbaarheid. Besluit: Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken: Zuivering Ambtenaren en Nederlandse Orden, (1940) 1945–1959 (1984), nummer archiefinventaris 2.04.67, die in de bijlage worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van de archieven van de Nederlandse gezantschappen te Zweden (Stockholm) (1868) 1910–1946 (1948) en te Finland (Helsinki) 1919–1940, nummer archiefinventaris 2.05.219, die in de bijlage worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 3 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken: Bureau Invordering, (1942) 1945–1960 (1976) nummer archiefinventaris 2.04.77, die in bijlage in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 4 De openbaarhei"},{"i":141,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 31 oktober 2002, nr. 5191531 tot bevoegd verklaren ambtenaar ten overstaan van wie in buitengewone omstandigheden een uiterste wil kan worden opgemaakt Gelet op artikel 102 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Als ambtenaar ten overstaan van wie in buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 102 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek een uiterste wil kan worden opgemaakt, wordt bevoegd verklaard: een officier van de gemeentelijke of regionale brandweer. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2003. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":404,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 november 2014, 2014-0000158553, houdende vaststelling van consumentenprijsindexcijfers voor 2015 voor Caribisch Nederland en op basis daarvan wijziging van bedragen van tegemoetkomingen en uitkeringen, van het wettelijk minimumuurloon en het bedrag genoemd in de Regeling Pensioenwet BES, alsmede van premiepercentages van werknemersverzekeringen en volksverzekeringen, van het maximumdagloon voor de Wet ziekteverzekering BES en de Wet ongevallenverzekering BES en de schadeloosstelling voor de bemiddelaar, bedoeld in de Arbeidsgeschillenwet 1946 BES In overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de [artikelen 8a, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=8a), en [27 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=27), [12a, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=12a), en [30 van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=30), [13, eerste, tweede en derde lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=13), [7, vierde lid, van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=7), [5, negentiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=5), [8, derde lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=8), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5), en [8, vierde lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8), [21, eerste, derde en vierde lid, van het Besluit onderstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=21), [7b, derde en vierde lid, van de Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=7b), en [15](https:"},{"i":5778,"b":"Subsidieregeling Rechtwijzer gelet op [artikel 37b van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b), Besluit: de volgende regeling vast te stellen, Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Rechtwijzer:** het bijzondere project opgezet door het bestuur, HiiL en Modria ten behoeve van online geschiloplossing; - b. **De wet:** de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - c. **Het besluit:** Het [Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277); - d. **De Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - e. **Het bestuur:** het bestuur van de Raad, bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - f. **Gebruiker:** de rechtzoekende overeenkomstig [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1); - g. **Initiator:** de gebruiker die via Rechtwijzer start om zijn geschil op te lossen; - h. **Uitgenodigde:** de gebruiker die door de initiator wordt uitgenodigd om via Rechtwijzer hun geschil op te lossen; - i. **Dienstverlener:** de bemiddelaar, beslisser of reviewer met wie het bestuur een overeenkomst als bedoeld in [artikel 13, eerste lid aanhef en onder a. van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=13) is aangegaan ten behoeve van dienstverlening via Rechtwijzer en op wie de deelnamevoorwaarden voor Rechtwijzer van toepassing zijn; - j. **Dienstverlening:** de werkzaamheden verricht door een dienstverlener; - k. **Bemiddelaar:** de advocaat die op verzoek begeleiding en advies biedt bij het maken van afspraken; - l. **Beslisser:** de deskundige die op verzoek een redelijke beslissing neemt, wanneer partijen het niet eens worden over één of meerdere punten - m. **Reviewer:** de advocaat die alle gemaakte afspraken"},{"i":504,"b":"Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau te Genève bijeengeroepen en aldaar bijeengekomen op 5 juni 1957 in haar veertigste zitting; Het vraagstuk der gedwongen arbeid overwogen hebbende, welk onderwerp vervat is in het vierde punt van de agenda der zitting; Kennis genomen hebbende van de bepalingen van het Verdrag betreffende gedwongen of verplichte arbeid (1930); Ervan kennis genomen hebbende, dat het Verdrag inzake de slavernij (1926) bepaalt dat alle noodzakelijke maatregelen dienen te worden genomen om te voorkomen dat verplichte of gedwongen arbeid ontaardt in met slavernij vergelijkbare toestanden, en dat het Aanvullend Verdrag inzake de afschaffing van de slavernij, de slavenhandel en met slavernij gelijk te stellen instellingen en praktijken (1956) voorziet in de algehele afschaffing van pandelingschap en lijfeigenschap; Ervan kennis genomen hebbende, dat het [Verdrag betreffende de bescherming van het loon](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005519) (1949) bepaalt, dat lonen regelmatig uitbetaald dienen te worden, en betalingsmethoden verbiedt, welke de arbeider in feite de mogelijkheid ontnemen zijn dienstverband te beëindigen; Besloten hebbende tot het aanvaarden van verdere voorstellen met betrekking tot de afschaffing van bepaalde vormen van gedwongen of verplichte arbeid, welke een inbreuk vormen op de rechten van de mens zoals bedoeld in het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en vermeld in de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008); Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag; Neemt heden, de 25ste juni 1957, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957”: Artikel 1 Elk L"},{"i":512,"b":"Verdrag betreffende de bescherming van het vakverenigingsrecht en procedures voor het vaststellen van arbeidsvoorwaarden in de openbare dienst De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau, en aldaar bijeengekomen in haar vierenzestigste Zitting op 7 juni 1978; Gelet op de bepalingen van het [Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005545) (1948), het [Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005525) (1949), en het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003710) en de Aanbeveling betreffende de bescherming van de vertegenwoordigers van de werknemers in de onderneming en de hun te verlenen faciliteiten (1971); In herinnering brengende dat het [Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005525) (1949), niet van toepassing is op bepaalde categorieën werknemers in openbare dienst en dat het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003710) en de Aanbeveling betreffende de bescherming van de vertegenwoordigers van de werknemers in de onderneming en de hun te verlenen faciliteiten (1971), van toepassing zijn op de vertegenwoordigers van werknemers in de onderneming; Gelet op de aanzienlijke uitbreiding van de taken van de overheid in vele landen en de behoefte aan goede arbeidsbetrekkingen tussen de overheid en de organisaties van overheidspersoneel; Rekening houdende met de grote verscheidenheid in politieke, sociale en economische stelsels in de Lidstaten en de verschillen in praktijk in die Staten (bijvoorbeeld voor wat betreft de onderscheiden functies van centrale en plaatselijke overheid, van federale, staats- en provinciale overheden, en van ondernemingen die overhei"},{"i":562,"b":"Wet van 16 november 2001 tot vaststelling van regels voor het tot stand brengen van een nieuw evenwicht tussen arbeid en zorg in de ruimste zin (Wet arbeid en zorg) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen, waarin een nieuw evenwicht tot stand wordt gebracht tussen arbeid en zorg in de ruimste zin; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen De begrippen werkgever en werknemer Artikel 1:1 Tenzij anders is bepaald, wordt voor de toepassing van deze wet verstaan onder: - a. werkgever: degene die een ander krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid laat verrichten; - b. werknemer: de ander, bedoeld in onderdeel a. Het begrip loon Artikel 1:2 1. Tenzij anders is bepaald, wordt voor de toepassing van deze wet verstaan onder loon: de naar tijdruimte vastgestelde vergoeding die de werkgever aan de werknemer verschuldigd is voor de bedongen arbeid. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt, indien het loon op andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld, als loon beschouwd het gemiddelde loon dat de werknemer, wanneer hij geen gebruik had gemaakt van een door deze wet gegeven recht op verlof, gedurende die tijd had kunnen verdienen. Overige begrippen Artikel 1:3 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: - a. Arbeidsongeschiktheidsfonds: het fonds, bedoeld in [artikel 112 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=112); - b. Algemeen Werkloosheidsfonds: het fonds, bedoeld in [artikel 93 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=93); - c. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen"},{"i":605,"b":"Wet van 24 april 1997 tot wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere wetten in verband met premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) te wijzigen zodat op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) te heffen premies gedifferentieerd worden en werkgevers de mogelijkheid krijgen het risico van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van hun werknemers bepaalde tijd zelf te dragen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK 1. WIJZIGING VAN DE WET OP DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. HOOFDSTUK 2. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN ARTIKEL II 1. Onder de uitkeringen, bedoeld in [artikel 76d, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=76d), worden mede verstaan: - a. de op grond van [artikel 13, eerste of tweede lid, eerste volzin, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267&artikel=13) toegekende uitkeringen; - b. de op grond van [artikel 13, tweede lid, tweede volzin, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267&artikel=13) bij wijze van voorschot toegekende uitkeringen; - c. de op grond van [artikel 23, eerste lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000926"},{"i":18946,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 28 oktober 2021 nr. BOACAT2021/055, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen Gelezen het verzoek van UWV van 21 januari 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045769&artikel=2&z=2023-09-01&g=2023-09-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Onderzoeker Handhaving en Senior Onderzoeker Handhaving in dienst van UWV, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede v"},{"i":612,"b":"Wet van 3 juni 2023 tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere wetten in verband met herziening van het pensioenstelsel, standaardisering van het nabestaandenpensioen, aanpassing van de fiscale behandeling van pensioen en enige andere wijzigingen ten aanzien van pensioen (Wet toekomst pensioenen) Artikel I. Pensioenwet Wijzigt de Pensioenwet. Artikel II. Wet inkomstenbelasting 2001 Onderdelen A t/m W: Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Onderdeel X: Het in artikel II, onderdeel E, onderdeel 2, onder b, genoemde bedrag en het in onderdeel Ea, eerstgenoemde bedrag worden vóór toepassing van die onderdelen vervangen door andere bedragen. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de ingevolge [artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1) aan het begin van het kalenderjaar 2023 toegepaste inflatiecorrectie op die bedragen, genoemd in [artikel 3.127, tweede en derde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.127). Onderdeel Y: Het in artikel II, onderdeel Ea, als tweede genoemde bedrag wordt vóór toepassing van dat onderdeel vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door de aan het begin van het kalenderjaar 2023 geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in [artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9), vermeerderd met de vakantietoeslag, te vermenigvuldigen met de factor 100/75. Artikel III. Wet op de loonbelasting 1964 Onderdelen A t/m V: Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Onderdeel W: Het in artikel III, onderdeel B, in [artikel 18a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18a), genoemde bedrag wordt vóór toepassing van dat onderdeel vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door de aan het begin van"},{"i":614,"b":"Wet tot inschrijving van arbeidskrachten 1945 BES Artikel 1 In deze wet wordt verstaan: - –. onder **werkgever**, ieder natuurlijk of rechtspersoon, die anderen in dienst heeft. Voor de toepassing van deze wet worden de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, als ook de Nederlandse regering als werkgever in de zin van dit artikel aangemerkt en wordt voor de werkgever, die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba arbeiders in dienst heeft, doch elders woont of gevestigd is, diens vertegenwoordiger of agent in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als werkgever beschouwd; - –. onder arbeider, ieder die in dienst van den werkgever tegen loon werkzaam is. Voor de toepassing van deze wet worden, hoewel zij geen loon ontvangen, als arbeider beschouwd: volontairs, leerlingen en dergelijke personen, die in verband met hun opleiding nog geen loon ontvangen. - –. Niet als arbeider worden beschouwd: - a. thuiswerkers, - b. personen, die in aangenomen werk voor den werkgever arbeid verrichten en daarbij aangemerkt worden zelf werkgever te zijn; - c. Hoofden of Bestuurders van een bedrijf of onderneming, echtgenooten, ouders en inwonende kinderen van den werkgever, die uitsluitend voor zijn rekening arbeid verrichten, - d. schepelingen, - e. militairen, - f. geestelijken, ordebroeders en religieuzen, - g. personen, wier jaarlijks in geld vastgesteld arbeidsinkomen tienduizend gulden of meer bedraagt; - –. onder arbeid, alle werkzaamheden, verricht in dienst van den werkgever; - –. onder loon, elke uitkeering, welke de arbeider als vergoeding voor zijn arbeid van den werkgever ontvangt, uitgezonderd overwerk- en premiegelden; indien het loon geheel of gedeeltelijk bestaat in huisvesting, verstrekkingen in natura of wel in beide, wordt de geldswaarde geschat; als loon volgens deze wet gelden tevens alle ontvangsten in geld van derden, welke verband houden met ten behoeve van den werkgever verrichten arbeid. Artikel 2 1. De bepalingen van de"},{"i":615,"b":"Wet van 2 juli 1923, tot regeling van de pensioenen voor de reserve-adjudanten-onderofficier van de landmacht, die op grond van de door hen bekleede betrekking geacht worden voortdurend in werkelijken dienst te zijn of geweest te zijn, alsmede voor hunne weduwen en weezen Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben dat het wenschelijk is, afzonderlijke bepalingen te treffen ten aanzien van de pensionneering van de reserve-adjudanten-onderofficier van de landmacht, die op grond van de door hen bekleede betrekking geacht worden voortdurend in werkelijken dienst te zijn of geweest te zijn, alsmede ten aanzien van de pensionneering van hunne weduwen en weezen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Ten aanzien van de reserve-adjudanten-onderofficier, die op grond van de door hen bekleede betrekking geacht worden voortdurend in werkelijken dienst te zijn of te zijn geweest, worden van toepassing verklaard de bepalingen van de Pensioenwet voor de landmacht (**Staatsblad** 1922 n°. 66). De tijd, gedurende welken zij in bedoelde betrekking zijn werkzaam geweest, wordt beschouwd als onder de wapenen te zijn doorgebracht. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001917&artikel=1&z=1927-02-06&g=1927-02-06) bedoelde onderofficieren worden beschouwd als vrijwillig dienende militairen in den [zin van artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001917&artikel=2&z=1927-02-06&g=1927-02-06) der Militaire Weduwenwet 1922, ook al zouden zij reeds als gepensionneerd militair voor hunne weduwen en weezen aanspraak op pensioen hebben op grond van voormelde wet. 2. Onderofficieren, als in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001917&artikel=1&z=1927-02-06&g=1927-02-06) bedoeld, die in het tijdvak van 1 Januari 1918 tot 1 Juli 1922 als zoo"},{"i":18011,"b":"Anticumulatieregeling RPU Politie Gelet op [artikel 13a van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=13a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Inkomsten die de ambtenaar geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf en aangevangen met ingang van of na de dag waarop de arbeidstijd is teruggebracht, worden in mindering gebracht op het RPU-salaris, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten, dan wel een gedeelte daarvan geen verband houden met verhoogde werkzaamheid. 2. Inkomsten uit arbeid of bedrijf als bedoeld in het eerste lid die geacht worden op één maand betrekking te hebben of geacht kunnen worden te hebben, worden in mindering gebracht op het RPU-salaris over die maand. De vermindering bedraagt niet meer dan het verschil tussen het RPU-salaris en het deeltijdsalaris. 3. Inkomsten uit arbeid of bedrijf waarvoor reeds in verband met verleend buitengewoon verlof een inhouding plaatsvindt op de bezoldiging van de ambtenaar of een verlaging van de bezoldiging van de ambtenaar geldt zijn, tot het bedrag van die inhouding of verlaging, geen inkomsten uit arbeid of bedrijf als bedoeld in het eerste en tweede lid. Artikel 3 1. De ambtenaar is verplicht vanaf het moment waarop de arbeidstijd overeenkomst [artikel 13a van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=13a) is teruggebracht, opgave te doen van de inkomsten als bedoeld in [artikel 2 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009185&artikel=2&z=2025-04-01&g=2025-04-01). 2. Indien de inkomsten niet vooraf kunnen worden vastgesteld, doet de ambtenaar maandelijks, voorafgaand aan de salarisbetaling, opgave van de inkomsten die hij sinds de vorige opgave heeft genoten. 3. Indien de inkomsten slechts over een langere termijn kunnen worden vastgesteld, doet de ambtenaar dienovereenkomstig opgave en wordt het RPU-salaris met een"},{"i":12365,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, van 7 mei 2024, kenmerk DGBI 53135835, houdende de instelling, benoeming en vergoeding van de speciaal gezant nationaal versterkingsplan van microchip-talent Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **speciaal gezant:** De speciaal gezant nationaal versterkingsplan van microchip-talent. - b. **convenant:** Het ‘Convenant Rijk en regio investeringen in ondernemingsklimaat microchipsector’ dat als bijlage is opgenomen bij Kamerstukken II 2023/24, 33 009, nr. 141. Artikel 2 Er is een speciaal gezant nationaal versterkingsplan van microchip-talent. Artikel 3 Te rekenen vanaf 22 april 2024 tot 1 september 2024 wordt de heer ir. J.J. de Jong, te Eindhoven, benoemd tot speciaal gezant nationaal versterkingsplan van microchip-talent. Artikel 4 De speciaal gezant heeft als opdracht om een nationaal versterkingsplan van microchip-talent te ontwikkelen conform de afspraken die daarover zijn gemaakt in het convenant en mede invulling te geven aan de verdere uitwerking van het nationaal versterkingsplan. Artikel 5 De speciaal gezant zal zijn werk verrichten in nauwe samenwerking met de directeur-generaal Hoger onderwijs, beroepsonderwijs, wetenschap en emancipatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de directeur van de directie Ondernemingsklimaat en de directeur van de directie Topsectoren en industriebeleid van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en de directeur van Brainport Development. Artikel 6 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de speciaal gezant geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de speciaal gezant bewaard in het archief van dat ministerie. Artikel 7 Van 1 januari 2025 tot en"},{"i":655,"b":"Besluit van 14 november 2024 tot vaststelling van een eenmalige uitkering in juli 2022 en een bijzondere beloning in maart 2023 en tot wijziging van enige besluiten in het kader van hoofdstuk 1 van het arbeidsvoorwaardenakkoord voor de sector Defensie over de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023 en een aantal andere wijzigingen (Wijzigingsbesluit arbeidsvoorwaardenakkoord 21–23) Hoofdstuk 1. Formalisering van een eenmalige uitkering in 2022 aan het defensiepersoneel Hoofdstuk 1. Formalisering van een eenmalige uitkering in 2022 aan het defensiepersoneel Hoofdstuk 3. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2019 Artikel 3 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Hoofdstuk 4. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2021 Hoofdstuk 3. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2019 Hoofdstuk 6. Wijzigingen met ingang van 1 juli 2022 Hoofdstuk 4. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2021 Hoofdstuk 8. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2023 Hoofdstuk 5. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2022 Hoofdstuk 6. Wijzigingen met ingang van 1 juli 2022 Artikel 4.1 Wijzigt het Besluit personenchauffeurs defensie. Artikel 4.2 Wijzigt het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 4.3 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Artikel 4.4 De [Voorziening Tijdelijke Toelage Loongebouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044293) wordt ingetrokken. Hoofdstuk 7. Wijzigingen met ingang van 1 september 2022 Hoofdstuk 5. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2022 Hoofdstuk 6. Wijzigingen met ingang van 1 juli 2022 Hoofdstuk 7. Wijzigingen met ingang van 1 september 2022 Artikel 5.1 Wijzigt het Besluit personenchauffeurs defensie. Artikel 5.2 Wijzigt het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 5.3 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Hoofdstuk 8. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2023 Hoofdstuk 6. Wijzigingen met ingang van 1 juli 2022 Hoofdstuk 7. Wijzigingen met ingang van 1 september 2022 Artikel 6.1 Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenr"},{"i":691,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 september 2025, nr. 2025-0000169519, houdende de wijziging van de Regeling SUWI en de Regeling Wfsv in verband met regels voor UWV omtrent het hosten van CompetentNL [WKG027465] Gelet op [artikelen 32d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32d), [45, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=45), en [49, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=49) en de [artikelen 99, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=99), [100, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=100), en [121a van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=121a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling SUWI. Artikel II Wijzigt de Regeling Wfsv. Artikel III De Minister evalueert binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze regeling de doeltreffendheid en de effecten van de regeling in de praktijk. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051506&artikel=II&z=2026-01-01&g=2026-01-01), dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":692,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 april 2018, 2018-0000072475, tot wijziging van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking) (PbEU 2016, L 132) Gelet op de [artikelen 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=5), en [22 van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=22), en [artikel 3.39, onderdeel d, van het Vreemdelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.39); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 en enige andere besluiten in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking) (PbEU 2016, L 132) in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014. Artikel II Een geldige tewerkstellingsvergunning die is afgegeven op grond van [paragraaf 33 van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034945&bijlage=I) voor de inwerkingtreding van deze regeling, wordt aangemerkt als een tewerkstellingsvergunning die is afgegeven na de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking op het moment waarop de Wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 en enige andere besluiten in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad va"},{"i":693,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 augustus 2019, nr. 2019-0000122747, tot wijziging van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 in verband met de tewerkstelling van koks ten behoeve van de Aziatische horeca Gelet op de [artikelen 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=10), en [22 van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=22); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014. Artikel II 1. De voorschriften die op grond van [paragraaf 19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034945&bijlage=I) zoals dat luidt na de inwerkingtreding van deze regeling worden verbonden aan tewerkstellingsvergunningen of gecombineerde vergunningen, zijn van toepassing op tewerkstellingsvergunningen of gecombineerde vergunningen die zijn verleend op grond van paragraaf 19a zoals die paragraaf luidde op de dag voor de inwerkingtreding van deze regeling. 2. Ten aanzien van aanvragen die zijn ingediend voor 1 november 2019, is de verplichting om de beschikbaarheid van een arbeidsplaats ten minste drie weken voor het indienen van de aanvraag aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te melden niet van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2019. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":694,"b":"Tijdelijke regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 september 2014, tot wijziging van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 in verband met het vervallen van de toets op aanwezig prioriteitgenietend aanbod voor aanvragen van de Aziatische horeca Gelet op de [artikelen 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=9) en [22 van de Wet arbeid vreemdelingen](onbekend); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014. Artikel II Een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning als bedoeld in [artikel 1 van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=1), verleend op basis van [paragraaf 19a van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034945&bijlage=I), zoals deze paragraaf luidde op 30 september 2016 geldt, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149), gedurende maximaal een jaar na de datum van afgifte van de vergunning. Artikel III Deze regeling treedt, met uitzondering van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035585&artikel=I&z=2016-10-01&g=2016-10-01), in werking met ingang van 1 oktober 2014. Artikel I, onderdeel B, treedt in werking met ingang van 1 oktober 2016. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst"},{"i":695,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 november 2008, nr. ARBO/P&G/08/26086, tot wijziging van de SZW-subsidieregeling financiële ondersteuning arbeidsmiddelen (beëindiging) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de SZW-subsidieregeling financiële ondersteuning arbeidsmiddelen. Artikel II 1. De [SZW-subsidieregeling financiële ondersteuning arbeidsmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017586) vervalt met ingang van 1 januari 2010. 2. In afwijking van het eerste lid blijft de [SZW-subsidieregeling financiële ondersteuning arbeidsmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017586), zoals die luidde onmiddellijk voor de datum waarop deze vervalt, van toepassing op de afwikkeling van de subsidie van de Minister aan de subsidieontvanger. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17814,"b":"Wet van 21 April 1955, houdende vaststelling van een regeling, als bedoeld in artikel 89a van de Comptabiliteitswet (Stb. 1927, No. 259), ten aanzien van de \"Stichting tot verzorging en afwikkeling van pensioensaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen\" Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op artikel 9 van het Besluit MC II/C II/26 van de Tweede Ministersconferentie, nodig is een regeling te treffen, als bedoeld in [artikel 89**a** van de Comptabiliteitswet](onbekend) (**Stb.** 1927, No. 259), zoals deze wet sindsdien is gewijzigd, ten aanzien van de \"Stichting tot verzorging en afwikkeling van pensioensaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen\"; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De overeenkomst, waarvan de inhoud overeenstemt met de in afdruk bij deze wet gevoegde tekst, voor en namens het Rijk gesloten door Onze Ministers voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, van Financiën en van Binnenlandse Zaken met de Raad van Beheer der \"Stichting tot verzorging en afwikkeling van pensioensaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen\", wordt goedgekeurd. 2. Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën worden gemachtigd met de Stichting overeenkomsten tot uitvoering van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst, alsmede tot wijziging daarvan, aan te gaan. 3. Ministers, Hoofden van Departementen van Algemeen Bestuur, kunnen in samenwerking met Onze in het vorige lid genoemde Ministers overeenkomsten met de Stichting aangaan. 4. Door de zorg van Onze Minister van Binnenlandse Zaken zullen wijzigingen in de statuten van de Stichting zomede nieuwe overeenkomsten en wijzigi"},{"i":17630,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 2 mei 2024, nr. IENW/BSK-2024/133084, houdende vaststelling van de tijdelijke regels inzake uitkeringen voor bodemsaneringen voor de periode 2024 tot en met 2030 (Tijdelijke regeling uitkering bodem 2024–2030) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5, onderdelen a tot en met h, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) juncto [17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) en op [artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2); BESLUIT: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **andere niet genormeerde stoffen:** niet genormeerde stoffen niet zijnde PFAS, drugs of aan drugsproductie gerelateerde stoffen; - **bevoegd gezag Wbb:** provincie of gemeente als bedoeld in de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) of gemeente als bedoeld in het [Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011935) zoals die luidden voor de datum waarop de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) in werking is getreden; - **bevoegd gezag Ow:** bevoegd gezag voor de bodem als bedoeld in de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) voor de taken in het kader van de aanpak van bodem- of grondwaterverontreiniging; - **budgetpost:** - a. historische spoedopgaven; - b. diffuus verspreid lood; - c. PFAS en andere niet genormeerde stoffen; - d. buitenproportionele opgaven categorie B; - e. oude afspraken; of - f. toekomstbestendig omgaan met nazorg; - **buitenproportionele opgave categorie A:** buiten"},{"i":17551,"b":"Reglement Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs 2024 Preambule In 1992 richtten de sociale partners in het onderwijs de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs op. Het doel van het Vervangingsfonds is het bieden van waarborgen aan aangeslotenen voor de kosten van vervanging bij afwezigheid van gewezen personeel en het invoeren en in stand houden van bedrijfsgezondheidszorg in het primair onderwijs, alsmede het bevorderen en bewaken van die zorg. Het bestuur stelt, conform het bepaalde op grond van [artikel 188, vierde lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=188) juncto [artikel 167, vierde lid van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=167), het Reglement Vervangingsfonds vast. In dit reglement wordt bepaald welke rechten de aangeslotenen in het kader van de taakuitoefening van de stichting, als hierboven genoemd, jegens de stichting kunnen doen gelden en tot welke verplichtingen de aangeslotenen jegens de stichting zijn gehouden. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2024. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - 1. **Bedrijfsgezondheidszorg:** de dienstverlening van het Vervangingsfonds ter voorkoming en terugdringing van ziekteverzuim en de verbetering van arbeidsomstandigheden. - 2. **Bekostiging:** de bekostiging van vervanging door en ten laste van het Vervangingsfonds. - 3. **Bestuur:** het bestuur van de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs. - 4. **Bevoegd gezag:** een bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wec](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of een samenwerkingsverband passend onderwijs als bedoeld in [artikel 18a van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=18a). - 5. **Bovenbestuurlijke verva"},{"i":17453,"b":"Regeling structurele aanlevering gegevens Zorgverzekeringswet 2017 gelet op de [artikelen 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=89) en [90 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=90); na overleg met de Nederlandse Zorgautoriteit; heeft in zijn vergadering van 6 juni 2017 besloten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Zorgverzekeraar:** zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - b. **Zvw:** [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - c. **Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - d. **NZa:** de Nederlandse Zorgautoriteit genoemd in [artikel 3, eerste lid van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - e. **DBC:** diagnose behandeling combinatie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=1); - f. **add-on:** een door de NZa beschreven overig zorgproduct op het terrein van de intensive care, dure geneesmiddelen of weesgeneesmiddelen, bestaande uit zorgactiviteiten behorende bij een dbc-zorgproduct; - g. **HKC:** het verrekenen met het Zorgverzekeringsfonds van een bij ministeriële regeling te bepalen percentage van de kosten van verzekerden met betrekking tot in dit besluit aangewezen deelbedragen, voor zover zij uitgaan boven een bij ministeriële regeling te omschrijven drempel; - h. **formats:** schematische voorstelling van de verdeling van kosten over de verschillende prestaties [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en de verschillende jaren; - i. **record lay-out:** schematische voorstelling van de kosten per verzekerde; - j. **declaratiegegevens:** alle declaraties die d"},{"i":18075,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 oktober 2008, nr. DDI/ST/reg. 044/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Nederlands Gezantschap, later de Ambassade in Peru van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Nederlands Gezantschap, later de Ambassade in Peru van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 129 | 2026 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024614&artikel=1&z=2008-10-19&g=2008-10-19), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024614&artikel=1&z=2008-10-19&g=2008-10-19), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het [Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 juli 2008, nr. DDI/ST/reg. 029/2008, houdende beperking van de"},{"i":17817,"b":"Wet van 7 oktober 2015, houdende regels ter bevordering van de kwaliteit van zorg en de behandeling van klachten en geschillen in de zorg (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg) Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **accommodatie:** een door een zorgaanbieder voor het leveren van zorg bestemde ruimte; - –. **acute zorg:** zorg in verband met een ervaren of geobserveerde mogelijke ernstige of een op korte termijn levensbedreigende situatie als gevolg van een gezondheidsprobleem of letsel dat plotseling is ontstaan of is verergerd; - –. **Adviescommissie Kwaliteit:** Adviescommissie Kwaliteit, genoemd in [artikel 59b, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=59b); - –. **Algemene verordening gegevensbescherming:** [Verordening (EU) 2016/679](32579R2016) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (PbEU 2016, 119); - –. **alternatieve-zorgaanbieder:** een solistisch werkende, niet-geregistreerde zorgverlener die andere zorg levert, dan wel een instelling die uitsluitend door niet-geregistreerde zorgverleners andere zorg doet verlenen; - –. **andere zorg:** handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=1), niet zijnde Wlz-zorg of Zvw-zorg, alsmede handelingen met een ander doel dan het bevorderen of bewaken van de gezondheid van de cliënt; - –. **burgerservicenummer:** burgerservicenummer als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=1); - –. **calamiteit:** een"},{"i":18380,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid, van 22 juni 2020, kenmerk 2944128, houdende de hoofdlijnen van beleid en beheer met betrekking tot de meldkamers, waaronder de multidisciplinaire sturing en de beleids- en beheercyclus voor de vaststelling van het beleids- en bestedingsplan (Regeling hoofdlijnen beleid en beheer meldkamers) Gelet op [artikel 23a, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=23a); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **beheer:** facilitaire dienstverlening, huisvesting, inrichting, onderhoud en ontwikkeling van gemeenschappelijke ICT-voorzieningen ten behoeve van de meldkamers en het ICT- beheer ten behoeve van de meldkamerfuncties; - b. **beleids- en bestedingsplan:** een jaarplan en een bestedingsplan inclusief meerjarig financieel kader op basis van de hoofdlijnen van beleid en beheer, bedoeld in [artikel 23a van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=23a); - c. **partijen:** de Minister voor Medische Zorg en de Regionale Ambulancevoorzieningen voor zover het de ambulancezorg betreft, de besturen van de veiligheidsregio’s voor zover het de brandweertaak, de rampenbestrijding, de crisisbeheersing en de geneeskundige hulpverlening betreft, de Minister van Defensie voor zover het de Koninklijke marechaussee betreft, de Minister van Justitie en Veiligheid en de politie; - d. **jaaraanschrijving:** de jaaraanschrijving, bedoeld in [artikel 45 van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=45). - e. **Landelijke Meldkamer Samenwerking:** het onderdeel van de politie waar het beheer van de meldkamers, bedoeld in [artikel 25a van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25a), is ondergebracht; - f. **gebied:** het werkgebied van een meldkamer, zoals aangewezen in artikel 1 van het Besluit aanwijzing meldkamers. Artikel 2. Beleidsdoelen"},{"i":18385,"b":"Regeling informatiebeveiliging politie Gelet op de [artikelen 38, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=38), [artikel 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=46) en [48, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=48); Gezien het advies van de korpsbeheerders, kenmerk 0113\\1235\\EMd’H, d.d. 17 december 1996, en van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten, d.d. 25 oktober 1996; Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Deze regeling is van toepassing op het gehele proces van informatievoorziening en de gehele levenscyclus van informatiesystemen, ongeacht de toegepaste technologie en ongeacht het karakter van de informatie. 2. De korpschef is verantwoordelijk voor informatiebeveiliging, hetgeen een onderdeel van de kwaliteitszorg voor bedrijfsprocessen en de ondersteunende informatiesystemen vormt. 3. Bij de uitwisseling van gegevens tussen de politie en andere instanties, worden afspraken gemaakt over de betrouwbaarheid van de informatiesystemen en van de informatie daarin en de wijze waarop zekerheid wordt verkregen over de realisatie daarvan. Artikel 3 1. De korpschef stelt het informatiebeveiligingsbeleid vast in een beleidsdocument en draagt dit beleid uit. Indien het informatiebeveiligingsbeleid mede betrekking heeft op informatiesystemen ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten, stelt de korpschef dit beleidsdocument vast na overleg met de hoofdofficier van justitie. 2. Het document omvat tenminste: - a. de strategische uitgangspunten en randvoorwaarden die de politie hanteert ten aanzien van informatiebeveiliging, met name de inbedding in en afstemming op het algemene beveiligingsbeleid en het informatievoorzieningsbeleid; - b. de organisatie van de beveiligingsfunctie, waaronder het toedelen van verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden; - c. de eenduidige en volledige indeling van informatievoorzieningsfacilitei"},{"i":18271,"b":"Instelling Commissie RVU Onderzoek Defensie Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** Staatssecretaris van Defensie; - b. **Commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044639&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie Onderzoek Regeling vervroegde uittreding (RVU) militairen. 2. De commissie heeft tot taak: een onderzoek uitvoeren waarin wordt bezien op welke wijze de vervroegde-uittredingsregeling van militairen, in relatie tot de bijzondere positie van de militair, past in de financiële wet- en regelgeving. 3. Als opdrachtgever in de zin van dit besluit fungeert de Hoofddirecteur Personeel. Artikel 3. Samenstelling commissieleden 1. De commissie heeft één lid. 2. De leden van de commissie worden benoemd, geschorst en ontslagen door de Staatssecretaris. 3. Tot Lid, tevens voorzitter van de commissie wordt benoemd: - a. De heer drs. P.R. Heij 4. De commissie laat zich door andere onafhankelijke personen bijstaan ter vervulling van haar taak. 5. De commissie kan, te allen tijde, materiedeskundigen oproepen. Artikel 4. Instellingsduur De commissie wordt ingesteld met ingang van december 2020 en wordt opgeheven acht weken nadat het eindrapport is uitgebracht. Oplevering van het rapport is voorzien in april 2021. Artikel 5. Secretariaat Het secretariaat van de commissie wordt verzorgd door het Ministerie van Defensie. De secretaris van de commissie is voor de inhoudelijke uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de voorzitter van de commissie. Artikel 6. Klankbordgroep 1. Door zorg van de Hoofddirectie Personeel (HDP) wordt ten dienste van de commissie een klankbordgroep ingericht, bestaande uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Defensie. 2. De klankbordgroep zal periodiek geïnformeerd worden over de"},{"i":18082,"b":"Besluit tot het stellen van een beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden van de Eerste Kamer over het tijdvak 1986–2002 Gelet op [artikel 15, tweede lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op de verklaring van overbrenging van 13 april 2015 van het archief van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, nummer toegang 2.02.25; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de veiligheid van de staat en zijn bondgenoten wordt een beperking gesteld aan de openbaarheid van de archiefstukken met de griffienummers 115682 en 123311.1. De beperking vervalt op 1 januari van het jaar in de laatste kolom. | Griffienummer | Inventarisnummer | Openbaar per 1 januari | | --- | --- | --- | | 115682 | 2707A | 2036 | | 123311.1 | 3099A | 2025 | Artikel 2 Met het oog op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden wordt een beperking gesteld aan de openbaarheid van het archiefstuk met het griffienummer 118646.1. De beperking vervalt op 1 januari van het jaar in de laatste kolom. | Griffienummer | Inventarisnummer | Openbaar per 1 januari | | --- | --- | --- | | 118646.1 | 2835A | 2021 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037178&artikel=2&z=2015-11-14&g=2015-11-14) is, tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Verzoeken tot raadpleging of gebruik kunnen alleen schriftelijk worden ingediend en dienen met redenen omkleed te zijn. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":17822,"b":"Wet van 7 juli 2006, houdende regels inzake marktordening, doelmatigheid en beheerste kostenontwikkeling op het gebied van de gezondheidszorg (Wet marktordening gezondheidszorg) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen inzake de ontwikkeling en ordening van markten op het gebied van de gezondheidszorg en het toezicht daarop, mede met het oog op een doelmatig en doeltreffend stelsel van de zorg en de beheersing van de kostenontwikkeling van de zorg, en dat het tevens wenselijk is in verband met de informatieachterstand van de consument en het machtsverschil tussen partijen in de zorg, de positie van de consument te beschermen en te bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. zorg: - 1°. zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - 2°. individuele gezondheidszorg als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=1), voor zover uitgevoerd, al dan niet onder eigen verantwoordelijkheid, door personen, ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) of door personen als bedoeld in [artikel 34 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34) en voor zover die handelingen niet zijn begrepen onder 1°; - c. zorgaanbieder: - 1°. de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verl"},{"i":17729,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Costa Rica inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Costa Rica, hierna te noemen de verdragsluitende partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid, openbare orde en handel van de verdragsluitende partijen; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen, bedreigde dier- en plantensoorten, gevaarlijke stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen wettelijke bepalingen; Gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand, de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand (Verklaring van Cyprus) en de Resolutie inzake veiligheid en facilitatie van de internationale logistieke keten, aangenomen door de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisatie, in respectievelijk december 1953, juni 2000 en juni 2002; Gelet op internationale overeenkomsten die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Tevens gelet op de [Universele Verk"},{"i":18396,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 21 november 2017, houdende regels over het materieelbeheer van roerende zaken bij het Rijk (Regeling materieelbeheer roerende zaken van het Rijk) Gelet op [artikel 4.20, tweede lid, aanhef en onder c en d, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **Domeinen Roerende Zaken:** het dienstonderdeel van het Ministerie van Financiën dat belast is met het beheren van overtollige roerende zaken van het Rijk en van derde partijen in beslag genomen roerende zaken; - **Minister:** de Minister die het aangaat; - **overtollige roerende zaken:** roerende zaken die niet voor de bedrijfsvoering nodig zijn; - **roerende zaken:** stoffelijke zaken die niet aard- en nagelvast zijn verbonden aan een onroerende zaak als bedoeld in [artikel 3 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=3). 2. De begrippen van [artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=1.1) zijn van overeenkomstige toepassing op deze regeling. 3. Deze regeling is niet van toepassing op: - a. de archieven van het Rijk; - b. het beheer van rijkscollectie, bedoeld in [hoofdstuk 2, van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiering museale instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037533&hoofdstuk=2). § 2. Beheer van roerende zaken Artikel 2. Beheer 1. De Minister of het college draagt zorg voor een deugdelijk beheer en gebruik van de roerende zaken. 2. De Minister of het college stelt voor het materieelbeheer van roerende zaken die hij beheert of gebruikt een risicoanalyse op en neemt indien noodzakelijk maatregelen ter voorkoming of beperking van de geschatte risico’s. Artikel 3. Administratie 1. De Minister of het college houdt een adequate administratie bij van het gevoerde materieelbeheer van de roerende z"},{"i":18191,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 oktober 2015, houdende de toepassing van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten vanaf 10 oktober 2015 Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 oktober 2015 (kenmerk 2015-0000516706); **Overwegingen** Overwegende dat: Ingevolge [artikel 33, eerste lid, van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=33) is bepaald dat de raad van ministers van het Koninkrijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet besluit of en, zo ja, met ingang van welk tijdstip een van de landen of beide een of meer verplichtingen op grond van deze wet blijvend niet meer behoeft na te komen; Een dergelijk besluit wordt genomen nadat aan de raad van ministers van het Koninkrijk een advies is uitgebracht door een evaluatiecommissie; Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties conform [artikel 33, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=33), op 10 april besloten heeft tot het instellen van de evaluatiecommissie Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten; Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 23 juli 2015 het advies van de evaluatiecommissie heeft ontvangen; De evaluatiecommissie oordeelt dat Curaçao en Sint Maarten niet in de drie achtereenvolgende jaren 2012, 2013 en 2014, zoals door de [Rijkswet financieel toezicht Curacao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132) en de memorie van toelichting daarbij vereist, geheel en zelfstandig hebben voldaan aan de normen in [artikel 15 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=15). De evaluatiecommissie oordeelt dat er geen niet aan Curaçao en Sint Maarten te wijten omstandigheden waren die het voldoen aan de normen in de weg hebben gestaan. De evaluatiecommissie oordeelt dat de toepassing van de normen genoemd in [arti"},{"i":18091,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 oktober 2008, nr. DDI/ST/reg. 040/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van het Nederlands Consulaat (1953–1962) en de Ambassade (1962–1974) in Ivoorkust van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van het Nederlands Consulaat (1953–1962) en de Ambassade (1962–1974) in Ivoorkust van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum is het dossier onder dit inventarisnummer niet toegankelijk. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 50 | 2039 | Artikel 2 Het [Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 juli 2008, nr. DDI/ST/reg. 019/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van het Nederlands Consulaat (1953–1962) en de Ambassade (1962–1974) in Ivoorkust van het Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024227), wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van de archieven van het Nederlands Consulaat (1953–1962) en de Ambassade (1962–1974) in Ivoorkust van het Ministerie van Buitenlandse Zaken’."},{"i":17925,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 23 november 2017, kenmerk 1259373-170386-Z, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met de wanbetalersbijdrage Gelet op de [artikelen 34a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a), en [38, tweede en derde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=38); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II 1. Op de bijdragen, bedoeld in [artikel 34a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a), waarop het CAK in het kalenderjaar 2017 voorschotten heeft verstrekt blijft [artikel 6.5.4 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.5.4) van toepassing zoals deze luidde op 31 december 2017. 2. [Artikel 6.5.4, vierde lid, van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.5.4) is voor het eerst van toepassing op het uitvoeringsverslag over het kalenderjaar 2018. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018 nadat het in artikel I van de Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 december 2016 houdende wijziging van de [Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715) in verband met de wanbetalersbijdrage ten behoeve van zorgverzekeraars (Stcrt. 2016, 69126) opgenomen [artikel 6.5.4, derde lid, onderdelen e en f, en tiende lid, van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.5.4) in werking is getreden. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17831,"b":"Wet van 16 juni 2005, houdende regels inzake de aanspraak op een financiële tegemoetkoming in de premie van een zorgverzekering vanwege een laag inkomen (Wet op de zorgtoeslag) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat personen voor wie de premie voor een zorgverzekering in verhouding tot hun inkomen een te zware last vormt, een financiële tegemoetkoming kunnen krijgen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is geregeld, verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. zorgverzekering: de schadeverzekering, bedoeld in [artikel 1, onder d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - c. verzekerde: de persoon, bedoeld in [artikel 1, onder f, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1), de persoon die een bijdrage als bedoeld in [artikel 68b, vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=68b) verschuldigd is, of de persoon, bedoeld in [artikel 69 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69), steeds vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin hij achttien jaar wordt, met uitzondering van de verzekerde, bedoeld in [artikel 24, eerste of derde lid,van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=24); - d. premie: een premie als bedoeld in [afdeling 3.3.1 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&afdeling=3.3.1); - e. zorgtoeslag: een tegemoetkoming in een premie dan wel in een bestuursrechtelijke premie als bedoeld in [artikel 18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&"},{"i":17647,"b":"Uitvoeringsregeling artikel 13 Rijkswet administratieve bijstand douane (Nederland) Gelet op [artikel 13, tweede lid, van de Rijkswet administratieve bijstand douane](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010576&artikel=13); Besluit: Artikel 1 Deze regeling: - a. neemt voorzover nodig de definities over van de [Rijkswet administratieve bijstand douane](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010576); - b. verstaat hierna onder rijkswet: de [Rijkswet administratieve bijstand douane](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010576). Artikel 2 Indien aan de douane-administratie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten bijstand wordt verleend bij de daadwerkelijke invordering van een in Aruba, Curaçao of Sint Maarten ontstane douanevordering, geschieden de betekening van de executoriale titel, het bevel tot betaling en de tenuitvoerlegging in Nederland overeenkomstig de regels die te dezen bij of krachtens de [Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003270) gelden voor schuldvorderingen die zijn ontstaan in een lidstaat van de Europese Unie en verband houden met, respectievelijk, de in [artikel 1, onderdelen c, d en e, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003270&artikel=1) bedoelde rechten op de in- en uitvoer, omzetbelasting en accijnzen. Artikel 3 De Minister van Financiën kan in daartoe aanleiding gevende gevallen bij de beslissing, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010884&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) van deze regeling in verbinding met [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003270&artikel=11), [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003270&artikel=15) of [artikel 30 van de Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003270&artikel=30), uitdrukkelijk bepalen dat de in [artikel 1, onderdee"},{"i":18286,"b":"Instellingsbesluit commissie werktijdenmodaliteiten sector Politie Gelet op [artikel 12a, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=12a); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Minister: de Minister van Veiligheid en Justitie - b. Ministerie: het Ministerie van Veiligheid en Justitie; - c. commissie: commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021965&artikel=2&z=2022-12-01&g=2022-12-01). Artikel 2 Er is een commissie werktijdmodaliteiten sector politie. Artikel 3 1. De commissie is paritair samengesteld en bestaat uit drie leden. Een vertegenwoordiger op voordracht van de Minister, een vertegenwoordiger op voordracht van de centrales toegelaten tot de CGOP en een onafhankelijk voorzitter op voordracht van zowel de Minister als de centrales toegelaten tot de CGOP. 2. De Minister en de centrales toegelaten tot de CGOP zijn ieder bevoegd tot aanwijzing van vier plaatsvervangende leden van de commissie. Artikel 4 1. De Minister benoemt een secretaris van de commissie. 2. De secretaris is uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de commissie. 3. De secretaris maakt geen deel uit van de commissie. Artikel 5 De commissie stelt een reglement omtrent haar werkwijze vast en brengt dit ter kennis van de Minister. Artikel 6 1. De commissie heeft tot taak advies uit te brengen aan het bevoegd gezag in de gevallen bedoeld in [artikel 12a, vierde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=12a). 2. Gelijktijdig met het uitbrengen van haar schriftelijke advies aan het bevoegd gezag stelt de commissie de betrokken ambtenaar die de aanvraag heeft ingediend schriftelijk in kennis van haar advies. Artikel 7 1. Het beheer van de archiefbescheiden van de commissie geschiedt door het secretariaat met inachtneming van de terzake geldende bepalingen van het beheersreglement van het Ministerie. 2. Bij"},{"i":18199,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 17 maart 2025, nr. 4446866 houdende vaststelling van de Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het uitvoeren van diensten 2025 (ARVODI-2025) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Besluit: Artikel 1 Vastgesteld worden de bij dit besluit gevoegde Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het uitvoeren van diensten 2025 (ARVODI-2025). Artikel 2 Het [besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 2 mei 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040889), nr. 3219106 (Stc. 2018, 26414), wordt alleen voor het deel dat betrekking heeft op de [Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van diensten 2018 (ARVODI-2018)](onbekend) ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het met de bijbehorende bijlage wordt geplaatst. Algemene rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het uitvoeren van diensten 2025 (ARVODI-2025) **Vastgesteld bij besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 17 maart 2025, nr. 4446866** Artikel 1. Begrippen In deze algemene voorwaarden worden de volgende begrippen met een beginhoofdletter gebruikt. Onder deze begrippen wordt verstaan: Artikel 2. Toepassing Artikel 3. Eisen aan de Diensten De uit te voeren Diensten moeten voldoen aan de in de Overeenkomst vastgelegde eisen, zijn geschikt voor het beoogd gebruik zoals dat uit de Overeenkomst voortvloeit en moeten op vakbekwame wijze worden uitgevoerd. Artikel 4. Vervanging personen die belast zijn met het uitvoeren van de Diensten Artikel 5. Gebruik van zaken van Opdrachtgever Partijen kunnen overeenkomen dat Opdrachtnemer bij het uitvoeren van de Diensten zaken die eigendom zijn van Opdrachtgever in bruikleen krijgt. Aan deze bruikleen kan Opdrachtgever voorwaarden verbinden. Artikel 6. Onde"},{"i":18102,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 27 april 2009, nr. DDI/ST/reg. 016/2009, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van de Stichting Nationale Voorlichting en Bewustwording Ontwikkelingssamenwerking (NCO) en taakvoorganger van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1969) 1970–1990 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Stichting Nationale Voorlichting en Bewustwording Ontwikkelingssamenwerking (NCO) en taakvoorganger van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1969) 1970–1990, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 85 | 2039 | | 114 | 2039 | 2. Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Stichting Nationale Voorlichting en Bewustwording Ontwikkelingssamenwerking (NCO) en taakvoorganger van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1969) 1970–1990, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum is het dossier onder dit inventarisnummer niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 263 | 2013 | Artikel 2 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Stic"},{"i":696,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 februari 2004, nr. ABG/GA/2004/2684 tot wijziging van de Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken 10.000 ID-banen en de Tijdelijke aanvullende stimuleringsregeling regulier maken 10.000 ID-banen in verband met de verlenging van de termijn waarop aanvragen voor subsidie kunnen worden ingediend Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken 10.000 ID-banen. 6. De termijn van 20 weken alsmede de datum van 1 december 2004, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is ook van toepassing op aanvragen die vóór 1 januari 2004 door de minister zijn ontvangen en waarop door de minister op grond van [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014717&artikel=5), nog niet is beslist. Artikel II Wijzigt de Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken 10.000 ID-banen. Artikel III Wijzigt de Tijdelijke aanvullende stimuleringsregeling regulier maken 10.000 ID-banen. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2004. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bij deze regeling behorende bijlagen 1 tot en met 7 worden met ingang van 1 maart 2004 ter inzage gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag"},{"i":17733,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Filipijnen inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Filipijnen, hierna te noemen de verdragsluitende partijen; Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en andere belastingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving van verbods-, beperkings- en controlemaatregelen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving hun economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid en handel schaden; Overwegend dat de grensoverschrijdende handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, gevaarlijke stoffen, bedreigde dier- en plantensoorten en giftig afval een gevaar voor de samenleving vormt; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen een gevaar voor de samenleving vormt; Overwegend dat zowel het bedrijfsleven als de douaneadministraties zullen profiteren van de bevordering van de facilitatie en veiligheid van de internationale logistieke keten; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van duidelijke wettelijke bepalingen; Gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand en de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand (Verklaring van Cyprus), aangenomen door de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Wereld-douaneorganisatie, in respectievelijk december 1953 en juni 2000; Tevens gelet op internationale verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met bet"},{"i":18103,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 25 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 071/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers in Bangladesh, Bolivia, Brazilië, Ivoorkust, Nigeria en Peru van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1968–1981 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers in Bangladesh, Bolivia, Brazilië, Ivoorkust, Nigeria en Peru van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1968–1981, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 9 | 2050 | | 10 | 2051 | | 11 | 2051 | | 14 | 2054 | | 16 | 2052 | | 19 | 2053 | | 20 | 2054 | | 29 | 2049 | | 30 | 2050 | | 37 | 2057 | | 38 | 2052 | | 39 | 2051 | | 40 | 2052 | | 41 | 2051 | | 42 | 2049 | | 63 | 2050 | | 64 | 2050 | | 65 | 2052 | | 66 | 2052 | | 68 | 2052 | | 69 | 2051 | | 70 | 2051 | | 79 | 2051 | | 81 | 2052 | | 96 | 2052 | | 101 | 2052 | | 103 | 2051 | | 104 | 2052 | | 111 | 2051 | | 112 | 2053 | | 115 | 2054 | | 116 | 2050 | | 117 | 2052 | | 131 | 2052 | | 132 | 2052 | | 133 | 2052 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024768&artikel=1&z=2008-12-03&g=2008-12-03), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voor"},{"i":17842,"b":"Wet van 10 juni 2020, houdende regels in verband met de uitbreiding van het toezicht op nieuwe zorgaanbieders (Wet toetreding zorgaanbieders) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat elke nieuwe zorgaanbieder zich meldt voordat hij aanvangt met de zorgverlening, zodat het toezicht op nieuwe zorgaanbieders effectiever kan worden vormgegeven en wordt gewaarborgd dat de zorgaanbieder vooraf kennis heeft genomen van de eisen die gelden vanaf het moment waarop hij zorg gaat verlenen en voorts dat het wenselijk is dat bepaalde zorgaanbieders die een instelling zijn een vergunning aanvragen waarbij, naast eisen omtrent de bedrijfsvoering en de bestuursstructuur, ook gekeken wordt naar voorwaarden voor een goede kwaliteit van zorg; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **instelling:** rechtspersoon die bedrijfsmatig zorg verleent of doet verlenen, organisatorisch verband van natuurlijke personen die bedrijfsmatig zorg verlenen of doen verlenen of natuurlijk persoon die bedrijfsmatig zorg doet verlenen, met uitzondering van een instelling die binnen het kader van de binnen een andere instelling verleende zorg een deel van die zorg verleent; - –. **medisch specialistische zorg:** bij ministeriële regeling aangewezen zorg die door een arts wordt verleend en valt binnen de bijzondere deskundigheid van artsen aan wie de bevoegdheid toekomt tot het voeren van een wettelijk erkende specialistentitel als bedoeld in [artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; -"},{"i":697,"b":"Wet van 26 juni 1991, tot nadere wijziging van een aantal sociale zekerheidswetten (wijziging uitkeringsgrondslag) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met een systeemfout bij de berekening van de uitkeringen wenselijk is de uitkeringsgrondslag van een aantal sociale zekerheidswetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V 1. De daglonen die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet ten grondslag liggen aan uitkeringen op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) (**Stb.** 1987, 89), de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) en de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002822) (**Stb.** 1972, 313), worden verlaagd met 0,38%, indien deze daglonen zijn vastgesteld op grond van een vast loon per maand of per jaar als bedoeld in artikel 7 van de dagloonregels bedoeld in [artikel 14 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=14) en artikel 7 van de dagloonregels bedoeld in [artikel 34 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004046&artikel=34) (**Stb.** 1987, 94). 2. De in het eerste lid bedoelde verlaging vindt per 1 juli 1992 plaats. 3. Voor de toepassing van [artikel 87, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=87) wordt een op grond van dit artikel genomen be"},{"i":14807,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 27 juni 2005, nr. 5354834/505, houdende vaststelling van een gewijzigd model van een schriftelijke machtiging tot binnentreden (Regeling vaststelling model machtiging tot binnentreden) Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Het model van een schriftelijke machtiging, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2), wordt vastgesteld zoals het is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 2 De [regeling van de Minister van Justitie van 23 juni 2004, nr. 5293138/504/EY, houdende vaststelling van het model machtiging tot binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016906) (Stcrt. 2004, 123) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling model machtiging tot binnentreden. Bijlage Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14787,"b":"Regeling vaststelling formulieren register buitenlandse kinderopvang Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 november 2018, nr. 2018-0000162135, tot vaststelling van de formulieren in gebruik bij het register buitenlandse kinderopvang De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Gelet op [artikel 10a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030892&artikel=10a), en [artikel 10c, tweede lid, van het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030892&artikel=10c); Besluit: Artikel 1 Als aanvraagformulieren voor inschrijving van een kinderopvangvoorziening (dagopvang of buitenschoolse opvang) in het register buitenlandse kinderopvang en voor inschrijving van een voorziening voor gastouderopvang in het register buitenlandse kinderopvang, worden vastgesteld de bij deze regeling gevoegde [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041600&bijlage=1&z=2023-11-30&g=2023-11-30) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041600&bijlage=2&z=2023-11-30&g=2023-11-30). Artikel 2 Als formulier voor het doorgeven van wijzigingen in de gegevens van de kinderopvangvoorziening of de voorziening voor gasthouderopvang in het register buitenlandse kinderopvang door een ouder, wordt vastgesteld de bij deze regeling gevoegde [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041600&bijlage=3&z=2023-11-30&g=2023-11-30). Artikel 3 Het [Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december 2011, tot opname in het Register buitenlandse kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030946) (Stcrt. 2011, 23480) vervalt. Artikel 4 Het [Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 april 2012, tot opname in het register buitenlandse kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031456) (Stcrt. 2012, 6980) vervalt. Artikel 5 Het [Besluit van de Minister va"},{"i":14805,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 januari 2008, nr. WJZ/2008/2011 (1603), houdende vaststelling van de lijst van gereglementeerde beroepen, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties (Regeling vaststelling lijst gereglementeerde beroepen) Gelet op [artikel 27, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=27); Besluit: Artikel 1. Vaststelling lijst De lijst van gereglementeerde beroepen, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=27), wordt vastgesteld conform de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling lijst gereglementeerde beroepen. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023396&artikel=1&z=2021-01-01&g=2021-01-01) | Minister met de beleidsverantwoordelijkheid voor de reglementering van het desbetreffende beroep | Gereglementeerd beroep | | --- | --- | | Economische Zaken | bedrijfsvoerder gewasbescherming | | Economische Zaken | beheerder van een inrichting | | Economische Zaken | distributeur van gewasbeschermingsmiddelen | | Economische Zaken | toepasser van gewasbeschermingsmiddelen | | Economische Zaken | toepasser van gewasbeschermingsmiddelen voor de bestrijding van mollen en woelratten | | Infrastructuur en Milieu | bestrijder houtrotverwekkende schimmels | | Infrastructuur en Milieu | bootman | | Infrastructuur en Milieu | noordzeeloods | | Infrastructuur en Milieu | distributeur van gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen en biociden | | Infrastructuur en Milieu | gasmeetdeskundige | | Infrastructuur en Milieu | gassingsleider | |"},{"i":3964,"b":"Besluit van 6 mei 2013, houdende regels ten aanzien van het landelijk parket en het functioneel parket, alsmede ten aanzien van het mandateren van bevoegdheden van de officier van justitie Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 15 maart 2013, nr. 363215; Gelet op [artikel 126, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=126) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=2), en [9, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=9); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 april 2013, nr. W03.13.0070/11); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 2 mei 2013, nr. 379352; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De officier van justitie bij het landelijk parket is belast met de vervolging van: - a. misdrijven die gezien hun ernst of frequentie dan wel het georganiseerd verband waarin deze worden gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken en voor de bestrijding waarvan een hoge mate van gespecialiseerde deskundigheid noodzakelijk is; - b. misdrijven die in nationaal of internationaal verband worden gepleegd en waarvoor vervolging door het landelijk parket in aanmerking komt, gezien de taakverdeling tussen de regionale eenheden van de politie en een dienst van een landelijke eenheid van politie die tot taak heeft: - 1°. het binnen vooraf door het bevoegd gezag vastgestelde aandachtsgebieden verrichten van onderzoeken naar zware en georganiseerde criminaliteit die naar aard of organisatie een landelijk of internationaal karakter hebben en die de rechtsstaat in ernstige mate bedreigen; - 2°. het afhandelen van gecompliceerde internationale rechtshulpverzoeken op de door het bevoegd gezag aangewezen aandachtsgebieden van de betreffende dienst van een landelijke eenheid van politie en van gecompliceerde rechtshulpver"},{"i":698,"b":"Wet van 13 december 2000 tot wijziging van de Algemene militaire pensioenwet (doorvertaling akkoord nabestaandenpensioen overheidspersoneel en enige andere wijzigingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een recht op bijzonder ouderdomspensioen in het leven te roepen, alsmede enige andere maatregelen te treffen op het terrein van het militaire ouderdomspensioen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I, onderdelen A, B en D werken terug tot en met 1 juli 1999. Artikel I Wijzigt de Algemene militaire pensioenwet. Artikel II 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 1999 voor wat betreft de [onderdelen A, B en D van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011956&artikel=I&z=2001-01-31&g=2001-01-31). 2. Voor de toepassing van [onderdeel D van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011956&artikel=I&z=2001-01-31&g=2001-01-31) wordt, indien betrokkene kiest voor uitruil, en overigens aan de voorwaarden van artikel R 15a is voldaan, vooruitlopend op het in werking treden van deze wet, bij de berekening van het ouderdomspensioen rekening gehouden met de verhoging die het gevolg is van deze uitruil. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":699,"b":"Wet van 23 oktober 1993, tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet (wijziging in de verhouding van ouderdomspensioen en toeslag) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) een andere verhouding tussen ouderdomspensioen en toeslag vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. De bepalingen van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221), zoals die wet luidde vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven ook op en na die datum van toepassing op de pensioengerechtigde die vóór die datum recht heeft op ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde van wie de echtgenoot jonger is dan 65 jaar, zolang deze echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a), nog niet heeft bereikt. 2. Het eerste lid vindt geen toepassing meer indien op een datum op of na de inwerkingtreding van deze wet, het huwelijk van de pensioengerechtigde met de in het eerste lid bedoelde echtgenoot geëindigd is. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":701,"b":"Wet van 6 juni 1996 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (invoering partnerpensioen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling in de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) van het nabestaandenpensioen zich mede te doen uitstrekken tot anderen dan weduwen en weduwnaars; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt, m.u.v. artikel 1, onder H, T en EE, terug tot en met 1 juli 1994. ARTIKEL I Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. ARTIKEL II 1. De [artikelen 22**b**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=22b), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=67)**b**en [145**b** van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=145b), zoals die artikelen luidden op de dag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op een nabestaandenpensioen waarop recht is ontstaan voor dat tijdstip. 2. De bepalingen van de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) met betrekking tot het recht op wezenpensioen, zoals die bepalingen luidden op de dag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op een wezenpensioen waarop recht is ontstaan voor dat tijdstip. ARTIKEL III Ten aanzien van een aanmelding als bedoeld in het bij deze wet in de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) ingevoegde artikel 2**a**, die wordt gedaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723), wordt de man of vrouw met wie degene"},{"i":704,"b":"Wet van 23 november 1992, tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers in verband met invoering van een weduwnaarspensioen op dezelfde voet en voorwaarden als het weduwenpensioen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het thans in de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) bestaande onderscheid tussen mannen en vrouwen ongedaan te maken wat betreft de rechten die bij hun overlijden bestaan voor hun nabestaanden en aldus de beperkende voorwaarden op te heffen die thans zijn verbonden aan het recht op weduwnaarspensioen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Alle pensioenen toegekend krachtens de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=16) of [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=44) dan wel [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=61) of [88 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=88), zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden, voor zover zij op dat tijdstip worden genoten, met ingang van dat tijdstip geacht te zijn toegekend krachtens artikel 15 dan wel artikel 60 van de genoemde wet. Artikel III 1. Geen recht op pensioen ingevolge deze wet ontstaat, indien op de datum van overlijden van de vrouwelijke politieke ambtsdrager, gewezen politieke ambtsdrager of gepensioneerde politieke ambtsdrager in een overeenkomstig geval geen recht op weduwenpensioen of bijzonder weduwenpensioen zou zijn ontstaan ingevolge het overlijden van een mannelijke politieke ambtsdrager, gewezen politieke ambtsdrager of gepensioneerde politieke ambtsdrager. 2."},{"i":17632,"b":"Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling Geacht college/bestuur, Inleiding In de brief van 20 december 1999 aan de Tweede Kamer heb ik mede namens Staatssecretaris Vliegenthart van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangekondigd dit jaar te komen met een regeling ter stimulering van innovatieve projecten. Een regeling gericht op degenen die, om (langer) zelfstandig te kunnen functioneren in de maatschappij, zorg en/of dienstverlening behoeven. De [Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling](onbekend), hierna te noemen de regeling, met een toelichting en de bijbehorende aanvraagformulieren doe ik u hierbij toekomen. De [regeling](onbekend) treedt in werking op 1 oktober 2000 en is van kracht tot 1 oktober 2003. De verlening van een subsidie voor de ontwikkeling en de uitvoering van innovatieve projecten vindt op aanvraag plaats door middel van een tendersysteem, waarvan de bekendmaking in de Staatscourant plaatsvindt. De opening van de eerste tender is op 1 oktober 2000. Het tendersysteem is niet van toepassing voor aanvragen op het gebied van kennisverzameling en kennisoverdracht inzake innovatieve projecten. Hiervoor kunnen de initiatiefnemers de aanvragen vanaf 1 oktober 2000 indienen, deze zullen op volgorde van binnenkomst worden afgehandeld. Hierna ga ik in op het doel, de reikwijdte en de beschikbare middelen van de [regeling](onbekend), de hoofdlijnen van de subsidieverlening, het overleg dat heeft plaatsgevonden en waar nadere informatie is te verkrijgen over de [regeling](onbekend). Doel, reikwijdte en beschikbare middelen van de [regeling](onbekend) Op basis van de [regeling](onbekend) is een subsidie mogelijk met als doel het realiseren van innovatieve projecten met een goede samenhang tussen wonen, zorg en dienstverlening, ter bevordering van het langer zelfstandig functioneren van burgers die daarvoor op zorg of begeleiding zijn aangewezen. Het innovatieve heeft betrekking op: Hoofdlijnen van de subsidieverlening De subsidie is geen exploitatiebijdrage maar"},{"i":705,"b":"Wet van 30 november 2006, houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en enige andere wetten in verband met het vergroten van de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het arbeidsomstandighedenbeleid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het, in het belang van goede arbeidsomstandigheden in de onderneming wenselijk is de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het arbeidsomstandighedenbeleid te vergroten, de regelgeving zoveel mogelijk te beperken, te vereenvoudigen en te verduidelijken en daartoe de [Arbeidsomstandighedenwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Artikel II Indien voor het tijdstip waarop [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020772&artikel=I&z=2007-01-01&g=2007-01-01) in werking treedt, een eis tot naleving is gesteld, een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete is gegeven, een beschikking tot toepassing van bestuursdwang is gegeven dan wel een last onder dwangsom is opgelegd wegens overtreding van het bij of krachtens de [Arbeidsomstandighedenwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) bepaalde, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van een zodanige beschikking geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop die beschikking onherroepelijk is geworden. Artikel III Wijzigt de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Artikel IV Wijzigt de Arbeidstijdenwet. Artikel V Wijzigt de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel VI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel VII Wijzigt de Wet medezeggenschap onderwijs 1992, de Wet financiering sociale verzekeringen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet op de ondernemingsraden, d"},{"i":709,"b":"Wet van 30 juni 1994, tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten (wettelijk recht op waarde-overdracht en enige andere maatregelen op het aanvullende pensioenterrein) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijk recht op waarde-overdracht in het leven te roepen, alsmede enige andere maatregelen te treffen op het aanvullende pensioenterrein. Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Overgangsbepalingen Artikel X 1. Het bestuur van een bedrijfspensioenfonds zorgt dat de deelnemers, die zijn toegetreden vóór de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006782&artikel=I&z=2002-01-01&g=2002-01-01), binnen een jaar na dat tijdstip schriftelijk op de hoogte gesteld worden van de inhoud van de in [artikel 17, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=17) bedoelde statuten en reglementen. 2. De Verzekeringskamer stelt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet de in [artikel 29, derde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=29) bedoelde beleidsregels vast. 3. [Artikel 32, zesde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=32) vindt voor het ee"},{"i":711,"b":"Wet van 23 augustus 1991, tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet (gelijke behandeling van slapers en gepensioneerden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is op korte termijn wettelijke maatregelen te nemen teneinde te waarborgen dat degenen met premievrije aanspraken op ouderdomspensioen alsmede de daarvan afgeleide aanspraken en rechten bij het verlenen van toeslagen gelijk worden behandeld als de gepensioneerden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II. Overgangsbepaling De statuten, reglementen en overeenkomsten van de instellingen die bij de uitvoering van pensioenaanspraken zijn betrokken, moeten binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan het in deze wet bepaalde voldoen. Artikel III 1. Deze wet treedt in werking met ingang van het tweede kalenderkwartaal na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. 2. Drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet stelt Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een onderzoek in naar de wijze waarop de bepalingen van deze wet zijn toegepast. In dat onderzoek wordt in ieder geval betrokken het niveau van de verleende toeslagen, bedoeld in [artikel 8, zevende en achtste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=8). Het verslag van het onderzoek wordt aan de Staten-Generaal gezonden. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":715,"b":"Wet van 23 april 2012 tot wijziging van de Pensioenwet met betrekking tot een evenwichtige samenstelling van en de medezeggenschap in pensioenfondsbesturen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enkele wijzigingen in de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) aan te brengen met name om een evenwichtige samenstelling van de besturen van pensioenfondsen te bevorderen en daartoe de medezeggenschap van de belanghebbenden in de pensioenfondsbesturen beter te regelen alsmede voor de toekenning van een beroepsrecht aan minderheden van deelnemersraden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Pensioenwet. Artikel II De statuten, reglementen en overeenkomsten van pensioenfondsen voldoen binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet aan het bepaalde in deze wet. Artikel III 1. Indien een ondernemingspensioenfonds een schriftelijke raadpleging heeft gehouden als bedoeld in [artikel 100, tweede lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=100), zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, en dit heeft niet geleid tot vertegenwoordiging van pensioengerechtigden in het bestuur, past het fonds na de inwerkingtreding van deze wet artikel 100, tweede lid, van de Pensioenwet toe. 2. Indien de termijn voor het indienen van beroep door een deelnemersraad, bedoeld in [artikel 217, tweede lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=217), is aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen het recht, zoals dat gold vóór dat tijdstip, van toepassing. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. La"},{"i":742,"b":"Wet van 11 september 2008, tot wijziging van de Ziektewet, van het Burgerlijk Wetboek en van enkele andere wetten in verband met het meldingsproces van een werknemer bij de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid en de sanctie voor de werkgever bij niet naleving van zijn verplichtingen in dit proces Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten te wijzigen ten aanzien van de wijze van aangifte door de werkgever aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid van de werknemer en ten aanzien van de sanctie voor de werkgever in het geval van niet naleving van zijn verplichtingen in dit proces; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel II. Wijziging van het Burgerlijk Wetboek Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III. Wijziging van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel IV. Wijziging van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel V. Wijziging van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel VI. Wijziging van de [Wet verbetering poortwachter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013063) Wijzigt de Wet verbetering poortwachter. Artikel VII. Overgangsrecht 1. De [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), het Burge"},{"i":1128,"b":"Instellingsbeschikking commissie cultuur en belastingen Overwegende dat het wenselijk is een commissie cultuur en belastingen in te stellen; Besluiten: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een commissie cultuur en belastingen. Artikel 2 1. De commissie heeft tot taak de Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen te adviseren over de verschillende aspecten van belastingheffing in relatie tot het terrein van cultuur en ontwikkelingen op dit gebied. De commissie betrekt in haar werkzaamheden de plannen om te komen tot een belastingherziening in het kader van de 21 2. De commissie besteedt bij haar werkzaamheden aandacht aan internationale aspecten. § 2. Samenstelling en werkwijze Artikel 3 1. Tot lid, tevens voorzitter van de commissie wordt benoemd: mevrouw C. Habbema. 2. Tot lid, tevens secretaris van de commissie wordt benoemd: mevr. mr. E.A. Starke 3. Tot leden van de commissie worden benoemd: - E. Burgers AA; - mevr. mr. J. Kamp; - P.L.M. Kamphuis FB; - mr. H. Mobach; - drs. J. Riezenkamp; - mevr. drs. M.E.J. Schuit; - mr. J.P. van der Stap; - mr. D.E. Witteveen. Artikel 4 Ter uitvoering van haar taak kan de commissie ‐ mede gezien de breedte van het onderwerp ‐ zich rechtstreeks tot derden wenden voor het verkrijgen van inlichtingen en hen zo nodig ter vergadering uitnodigen om hun mening nader uiteen te laten zetten. Artikel 5 De commissie brengt voor 1 oktober 1999 advies uit aan de Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. § 3. Overige bepalingen Artikel 6 De leden van de commissie, voor zover geen ambtenaar, ontvangen vacatiegelden alsmede een vergoeding voor de reis- en verblijfkosten volgens de bestaande rijksregelingen, voor zover niet uit anderen hoofde een vergoeding van deze kosten wordt verleend uit ’s Rijks kas. Artikel 7 Een ieder die betrokken is bij de werkzaamheden van de commissie en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij he"},{"i":825,"b":"Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigen belasting 1984 Gelet op [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) (Stb. 1962, 17). Besluit: Artikel 1 1. de gecorrigeerde groeivoet als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 0,7 percent. 2. Gelet op het voor 1983 geldende maximum aantal te heffen opcenten van 25,8 en de bovenvermelde gecorrigeerde groeivoet bedraagt het door de provincies te heffen aantal opcenten in 1984 derhalve ten hoogste 26,0. Artikel 2 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1984."},{"i":726,"b":"Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 I – Arbeidsmarkt en inkomensbeleid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2002 wenselijk is maatregelen te treffen inzake het arbeidsmarktbeleid, de bestrijding van de armoedeval alsmede het beloningsbeleid; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikelen I, onderdeel Ca, III, onderdeel Ga en VA werken gedeeltelijk terug tot en met 1 januari 2001. Hoofdstuk 1. Fiscale wetgeving Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IA Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IIA Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Hoofdstuk 2. Sociale zekerheidswetgeving Artikel IV Wijzigt de Wet inschakeling werkzoekenden. Artikel V Wijzigt de Wet sociale werkvoorziening. Artikel VA Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen. Artikel VB Vervallen Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen Artikel VI. Overgangsrecht inkomstenbelasting Voor het kalenderjaar 2002 worden voor de toepassing van [artikel 6.24, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.24) bij ministeriële regeling regels gesteld inzake welke gegevens van het kalenderjaar 2000 in aanmerking moeten worden genomen voor de toepassing van genoemd [artikel 6.24, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.24). Artikel VIA. Overgangsrecht inkomstenbelasting De in [artikel 8.21, eerste en tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.21) bedoelde toetreder"},{"i":869,"b":"Besluit benoeming en vergoeding leden Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen De Staatssecretaris van Financiën besluit, gelet op – [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) – [artikel 5, derde lid, van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045876&artikel=5) (hierna: ‘Instellingsregeling’), als volgt. 1. Benoeming voorzitters en andere leden Met ingang van 7 juli 2020 zijn voor de duur van de adviescommissie, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a van de Instellingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045876&artikel=2), tot lid benoemd: Met ingang van 1 december 2021 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: Met ingang van 1 januari 2022 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: Met ingang van 1 juni 2022 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: Met ingang van 1 augustus 2022 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: Met ingang van 1 september 2022 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: Met ingang van 1 oktober 2022 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: Met ingang van 1 december 2022 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: Met ingang van 1 augustus 2023 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: Met ingang van 1 oktober 2023 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: Met ingang van 1 november 2023 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: Artikel 2 Met ingang van 1 april 2024 is voor de duur van de commissie tot lid benoemd: Met ingang van 1 mei 2024 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: Met ingang van 1 juni 2024 is voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: Artikel 2. Vergoedingen Met ingang van 1 september 2024 zijn voor de duur van de adviescommissie tot lid benoemd: Met ingang van 1 s"},{"i":870,"b":"Besluit van de Minister van Financiën d.d. 18 februari 2008, nr. BenC 2008-373 M, tot beperking van de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen aanvulling op het verbaalarchief van de Administratie der Belastingen en het Directoraat-generaal der Belastingen (1934) 1936–1975 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gezien het advies van het Nationaal Archief d.d. 18 januari 2008 nr. C/SA/07/2178; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de door het Project Wegwerken Archief-achterstanden bewerkte aanvulling op het verbaalarchief van de Administratie der Belastingen en het Directoraat-generaal der Belastingen (1934) 1936–1975, met de inventarisnummers zoals opgenomen in de bijlage, de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld voor een termijn van vijfenzeventig jaren gerekend vanaf het jaar van de datering van de archiefbescheiden. Artikel 2 Raadpleging van de in het [vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023620&artikel=1&z=2008-03-14&g=2008-03-14) genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruik gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Bijlage | Inv.- nr. | sluitings- jaar inv.nr. | aantal jaren beperkt | beperkt tot 1 januari | | --- | --- | --- | --- | | 424 | 1934 | 75 | 2009 | | 425 | 1935 | 75 |"},{"i":874,"b":"Besluit van 4 november 2021, houdende de grondslag voor en regels omtrent de vaststelling en de betaling van de bijdrage van de Koninklijke Bibliotheek voor het gebruik van housingdiensten van het rekencentrum van de Belastingdienst (Besluit bijdrage Koninklijke Bibliotheek aan Overheidsdatacenter Belastingdienst) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 augustus 2021, nr. 2021-0000447317; Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën, Gelet op [artikel 21b, derde en vierde lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 september 2021, nr. W04.21.0276/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 oktober 2021, nr. 2021-0000498955; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - −. **bijdrage:** jaarlijkse bijdrage die aan de Koninklijke Bibliotheek in rekening wordt gebracht voor de kosten van de dienst; - −. **dienst:** de voorziening, als bedoeld in [artikel 21b van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21b), toegespitst op de housing van servers die eigendom zijn van en geëxploiteerd worden door de Koninklijke Bibliotheek; - −. **Koninklijke Bibliotheek:** De Koninklijke Bibliotheek, bedoeld in [artikel 1.5, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.5), die als zelfstandig bestuursorgaan dat ingevolge een besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als bedoeld in [artikel 21a van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21a) gebruikmaakt van de voorziening; - −. **Onze Minister:** Onze Minister van"},{"i":7182,"b":"Unieverdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, herzien te Brussel op 14 december 1900, te Washington op 2 juni 1911, te 's-Gravenhage op 6 november 1925 en te Londen op 2 juni 1934 De President van het Duitse Rijk; de President van de Bondsstaat Oostenrijk; Zijne Majesteit de Koning der Belgen; de President der Verenigde Staten van Brazilië; de President der Republiek Cuba; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken; de President der Republiek Spanje; de President der Verenigde Staten van Amerika; de President der Republiek Finland; de President der Franse Republiek; Zijne Majesteit de Koning van Groot-Brittannië, van Ierland en van de Britse overzeese gebiedsdelen, Keizer van Indië; Zijne Doorluchtige Hoogheid de Regent van het Koninkrijk Hongarije; Zijne Majesteit de Koning van Italië; Zijne Majesteit de Keizer van Japan; Zijne Doorluchtige Hoogheid de Vorst van Liechtenstein; Zijne Majesteit de Sultan van Marokko; de President der Verenigde Staten van Mexico; Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; de President der Poolse Republiek (in naam van Polen en van de Vrije Stad Danzig); de President der Portugese Republiek; Zijne Majesteit de Koning van Zweden; de Bondsraad van de Zwitserse Bond; de President der Tsjechoslowaakse Republiek; Zijne Hoogheid de Bey van Tunis; de President der Turkse Republiek; Zijne Majesteit de Koning van Zuidslavië, het dienstig geoordeeld hebbende het internationale verdrag van 20 Maart 1883, waardoor in het leven is geroepen een internationale Unie tot bescherming van de industriële eigendom en dat herzien is te Brussel op 14 December 1900, te Washington op 2 Juni 1911 en te 's-Gravenhage op 6 November 1925, in enige opzichten te wijzigen en aan te vullen, hebben tot Hun gevolmachtigden benoemd, te weten: (Zie de namen der gevolmachtigden in de Franse tekst van het verdrag.) die, na elkander mededeling te hebben gedaan van hun wederzijdse volmachten, welk"},{"i":1218,"b":"Opheffing commissies toelating architecten, stedebouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten Gelet op [artikel 40 van de Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=40); Besluit: Artikel 1 De commissies voor de toelating van architecten, stedebouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten, bedoeld in [artikel 33 van de Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=33), worden opgeheven. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, A. Nuis, aan de Algemene Rekenkamer en aan de voorzitters, plaatsvervangende voorzitters en overige leden van de commissies voor de toelating, wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":1307,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2002 Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222), Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 2002 tot en met 31 maart 2003 bedraagt ten hoogste 84,8. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2002. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2002. De regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1363,"b":"Schenk- en erfbelasting, waardering **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 20 april 2015, nr. BLKB2015/488M en bevat het beleid voor de schenk- en erfbelasting over de waardering op grond van artikel 21 van de Successiewet 1956. De onderdelen 2, 3, 4 (nu 5) en 5 (nu 6) zijn geactualiseerd en wat betreft formulering aangepast. De onderdelen 4, 7 en 8 zijn nieuw.** 1. Inleiding In dit besluit is het beleid opgenomen over de waardering op grond van [artikel 21 Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21). In het nieuwe onderdeel 4 wordt toegelicht hoe voor de [Successiewet](onbekend) bij de waardering wordt omgegaan met een quasi-wettelijke verdeling. Het nieuwe onderdeel 7 behandelt de waardering van een woning die is overgedragen tegen een lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer of tegen schuldigerkenning van de koopsom met (gedeeltelijke) kwijtschelding. In het nieuwe onderdeel 8 wordt naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3491, ingegaan op de waardering van een legaat van een woning tegen inbreng van de waarde. De goedkeuringen in dit besluit zijn gebaseerd op [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63) (de hardheidsclausule). 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Waardering onderbedelingsvordering en overbedelingsschuld ontstaan krachtens OBV-testament of krachtens WV Onder het erfrecht dat tot 1 januari 2003 gold, kon een erflater een testament met een OBV maken. Sinds de wijziging van het erfrecht ([Boek 4 van het BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761)) per 1 januari 2003 is het maken van een OBV-testament niet meer mogelijk. De op 1 januari 2003 bestaande OBV-testamenten worden op grond van het overgangsrecht geëerbiedigd, ook als de nalatenschap na 2002 is opengevallen. Een OBV-testament brengt met zich mee dat de nalatenschap zo kan worden verdeeld dat de waarde"},{"i":1583,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Republiek Argentinië inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Republiek Argentinië Geleid door de wens een verdrag te sluiten inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006297&artikel=9&z=2014-05-31&g=2014-05-31). 2. De uit hoofde van de wetten of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing. De aangezochte partij stelt alles in het werk teneinde te waarborgen dat de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig wordt belet of vertraagd. 3. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht De aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing i"},{"i":1584,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Tsjechische Republiek inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Tsjechische Republiek, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006533&artikel=9&z=2016-08-01&g=2016-08-01). De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen in de Tsjechische Re"},{"i":1582,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van de Caymaneilanden zoals gemachtigd krachtens de volmacht van 1 september 2009 van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van de Caymaneilanden, Geleid door de wens hun onderlinge betrekkingen te versterken door middel van samenwerking bij fiscale aangelegenheden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004161&artikel=8&z=2011-12-01&g=2011-12-01). De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waa"},{"i":1585,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Verenigde Staten van Amerika inzake de uitwisseling van informatie met betrekking tot belastingen Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Verenigde Staten van Amerika, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie met betrekking tot belastingen te vereenvoudigen, erkennend het grote belang van de wederzijdse uitwisseling van informatie teneinde misbruik van hun onderscheiden belastingwetgeving te voorkomen en vastbesloten samen te werken bij de voorkoming van financiële misdrijven en terrorisme te bestrijden door het delen van informatie, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel en reikwijdte van het Verdrag 1. De Verdragsluitende Partijen zijn elkaar behulpzaam teneinde de juiste vaststelling en heffing van belastingen te waarborgen, belastingfraude en belastingontduiking te voorkomen en betere informatiebronnen voor belastingaangelegenheden te ontwikkelen. De Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de krachtens artikel 4 toegestane uitwisseling van informatie en de daarmee samenhangende maatregelen die de bevoegde autoriteiten ingevolge artikel 5 overeen kunnen komen. 2. Informatie wordt ten behoeve van de uitvoering van dit Verdrag uitgewisseld ongeacht of de persoon op wie de informatie betrekking heeft of die de informatie bezit een inwoner of onderdaan van een Verdragsluitende Partij is, mits de informatie zich binnen het grondgebied van de aangezochte Partij bevindt, of zich in het bezit of onder de macht bevindt van een persoon op wie haar rechtsmacht van toepassing is. 3. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag alleen van toepassing op Aruba. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op de volgende belastingen die worden geheven door of namens een Verdragsluitende Partij: - a. wat de Verenigde Staten van Amerika betreft, de volgende belastingen: - i. fe"},{"i":1586,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en Grenada inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van Grenada, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005867&artikel=9&z=2012-06-21&g=2012-06-21). De uit hoofde van de wetten of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing. De aangezochte partij stelt alles in het werk om te garanderen dat deze rechten en waarborgen niet worden toegepast op een wijze die de doeltreffende uitwisseling van informatie onnodig belemmert of vertraagt. 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het"},{"i":7778,"b":"Wet van 19 juni 2024 tot regels omtrent gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden) Allen, die deze zullen zien of horen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijk kader te scheppen voor de gezamenlijke verwerking van gegevens door bepaalde samenwerkingsverbanden ten behoeve van een doelstelling van zwaarwegend algemeen belang en daarbij de nodige waarborgen op te nemen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **bijzondere categorieën van persoonsgegevens:** de categorieën van persoonsgegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming; - –. **deelnemers:** als deelnemers van een samenwerkingsverband aangewezen overheidsinstanties, overheidsorganen en private partijen als bedoeld in [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&hoofdstuk=1&artikel=1.3&z=2025-07-05&g=2025-07-05); - –. **geautomatiseerde gegevensanalyse:** bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van analyse van persoonsgegevens die worden verricht zonder menselijke tussenkomst; - –. **gegevens:** persoonsgegevens en andere gegevens; - –. **handhavingsknelpunt:** door de deelnemers van een Regionaal Informatie- en Expertisecentrum aangewezen personen, groepen van personen, gebieden of branches, waarover bij de deelnemers van een Regionaal Informatie- en Expertisecentrum dusdanige aanwijzingen zijn dat de vigerende wet- en regelgeving structureel niet wordt nageleefd, dat dit duidt op verschijningsvormen van georganiseerde criminaliteit; - –. **persoonsgegevens van strafrechtelijke aard:** persoo"},{"i":7909,"b":"Regeling houdende regels als bedoeld in artikel V, vijfde lid, van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen en artikel 99 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Gelet op [artikel V, vijfde lid, van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008658&artikel=V) en [artikel 99 van de Wet op de arbeids-ongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=99); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: § 2. Overgangsregeling gewezen vrijwillig AAW-verzekerden Artikel 2. Verzoektermijn Een verzoek als bedoeld in [artikel V, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008658&artikel=V), wordt gedaan voor 1 juli 1998. Het verzoek wordt ingewilligd met ingang van 1 januari 1998. Artikel 3. Wijze van vaststelling van dagloon Het dagloon wordt voor elk jaar, vanaf het jaar 1998 tot en met het jaar 2002, berekend volgens de volgende formule: [ (AW - L) x a/b ] + L waarbij: Artikel 4. Dagloonvaststelling bij tussentijdse wijziging van het loon 1. Bij een wijziging in het loon van de belanghebbende wordt de berekening, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009438&paragraaf=2&artikel=3&z=2002-02-23&g=2002-02-23), met inachtneming van dat loon, toegepast, tenzij als gevolg van die wijziging de berekening [ (AW - L) x a/b]+ L, genoemd in dat artikel, in het eerste jaar waarin het gewijzigde loon in aanmerking wordt genomen, tot een uitkomst leidt groter dan of gelijk aan het dagloon van het daaraan voorafgaande jaar, in welk geval, wat de dagloonvaststelling betreft, [artikel V, tweede en derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008658&artikel=V) en [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009438&paragraaf=2&artikel=3&z=2002-02-23&g=2002-02-23) geen toepassing meer vinden. 2. Indien een wijziging in het loon optreedt in de"},{"i":7681,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 30 maart 2005, nr. WJZ 5017828, houdende regels inzake de vaststelling en vergoeding van kosten, bedoeld in artikel 13.6, tweede lid, van de Telecommunicatiewet (Regeling kosten aftappen en gegevensverstrekking) Gelet op [artikel 13.6, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.6); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. aanbieder: aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een openbare telecommunicatiedienst; - c. aftap- of informatieverstrekkingsactiviteit: de werkzaamheden die een aanbieder verricht om te voldoen aan een bijzondere last of een bevel op grond van het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) dan wel een opdracht op grond van de [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896) als bedoeld in [artikel 13.2, eerste en tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.2), dan wel de werkzaamheden die een aanbieder verricht om te voldoen aan een vordering of een verzoek als bedoeld in [artikel 13.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.2a) of [artikel 13.4, eerste of tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.4); - d. declarabele kosten: de door een aanbieder gemaakte administratiekosten en personeelskosten die rechtstreeks voortvloeien uit het uitvoeren van aftap- of informatieverstrekkingsactiviteiten, zoals nader aangeduid in de bij deze regeling behorende bijlage, onderdeel I; - e. opdrachtgever: de autoriteit die de aanbieder een bijzondere last, bevel, toestemming, vordering of verzoek heeft gegegeven onderscheidenlijk gedaan om een aftap- of informatieverstrekkingsactiviteit te verrichten. Artikel 2 1. De aanbieder doet aan de opdrachtgever"},{"i":7906,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 oktober 2004, nr. SV/A&L/04/59729, tot vaststelling van het in artikel 8, elfde, twaalfde en dertiende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen bedoelde bedrag alsmede tot wijziging van enige regelingen in verband met de Wet einde toegang verzekering WAZ Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 8, elfde, twaalfde en dertiende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=8), [artikel 17, eerste en zesde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002126&artikel=17) en [artikel 42, tweede lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=42); Besluit: Artikel I. Vaststelling van het bedrag als bedoeld in [artikel 8, elfde, twaalfde en dertiende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=8) Het bedrag, bedoeld in [artikel 8, elfde, twaalfde en dertiende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=8) wordt gesteld op € 146,05. Artikel II. Wijziging van de [Regeling gemoedsbezwaarden Sociale verzekeringswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004678) Wijzigt de Regeling gemoedsbezwaarden Sociale verzekeringswetten. Artikel III. [Regeling fondsbelasting Wet REA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009691) Wijzigt de Regeling fondsbelasting Wet REA. Artikel IV. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7785,"b":"Wet overeenkomsten langs elektronische weg BES Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **certificaat:** een bevestiging, afkomstig van een derde, gericht aan de ontvanger van langs elektronische weg verzonden informatie, dat die informatie van een bepaalde natuurlijke persoon of rechtspersoon afkomstig is; - b. **certificatiedienstverlener:** de natuurlijke of rechtspersoon die certificaten afgeeft of andere diensten in verband met elektronische handtekeningen verleent; - c. **commerciële communicatie:** alle vormen van aanbieden en aanprijzen van zaken, diensten, bedrijven en personen, waaronder reclame en direct marketing, langs elektronische weg vanuit of gericht op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, direct of indirect gericht op het tot stand brengen van overeenkomsten; - d. **cryptografie:** technieken voor het versleutelen van elektronisch opgeslagen gegevens met het oogmerk dat die gegevens slechts door bepaalde personen te ontsleutelen zijn; - e. **dienstenaanbieder:** de natuurlijke of rechtspersoon die diensten aanbiedt strekkende tot het faciliteren van informatie langs elektronische weg; - f. **informatie:** alle vormen van data, tekst, beeld, geluid, codes, computerprogramma’s, software en databestanden; - g. **langs elektronische weg:** het overbrengen of opslaan van gegevens, die daartoe worden omgezet in reeksen elektronische, radio-elektrische, elektromagnetische of optische signalen; - h. **minister:** de Minister van Justitie; - i. **persoonsgegevens:** gegevens betreffende een bepaalde natuurlijke of rechtspersoon, daaronder zowel begrepen informatie die de identiteit bepaalt, met inbegrip van adresgegevens, telefoonnummer, faxnummer en elektronisch postadres, alsook bijzonderheden met betrekking tot die persoon zoals koopgedrag en preferenties. - j. **elektronische handtekening:** elektronische gegevens die zijn vastgehecht aan of logisch geassocieerd z"},{"i":7783,"b":"Wet van 7 april 2021 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie richtlijnen elektronische handel) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de wetgeving inzake omzetbelasting aan te passen overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van Richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) en [Richtlijn 2009/132/EG](32009L0132) wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (PbEU 2017, L 348) en overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/1995 van de Raad van 21 november 2019 tot wijziging van [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) wat betreft de bepalingen inzake afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen van goederen (PbEU 2019, L 310); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie richtlijnen elektronische handel. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7784,"b":"Wet van 7 november 2002 tot wijziging van de regels betreffende de verwerking van justitiële gegevens en het stellen van regels met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in persoonsdossiers (Wet justitiële gegevens) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is nieuwe regels met betrekking tot het verwerken van justitiële gegevens en het stellen van regels met betrekking tot de verwerking van justitiële gegevens in persoonsdossiers en de verklaring omtrent het gedrag vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel 1. Definities Artikel 1 In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. justitiële gegevens: bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon inzake de toepassing van het strafrecht of de strafvordering, die in een gegevensbestand zijn of worden verwerkt; - b. strafvorderlijke gegevens: persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon die zijn verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek en die het openbaar ministerie in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg in een gegevensbestand verwerkt; - c. persoonsdossier: een gestructureerd dossier waarin zijn opgenomen de aan rechterlijke autoriteiten uitgebrachte rapporten over onderzoeken naar het gedrag of de levensomstandigheden van een natuurlijk persoon in verband met tegen hem aanhangige strafzaken, de tenuitvoerlegging van aan hem opgelegde straffen of maatregelen of zijn reclassering; - d. tenuitvoerleggingsgegevens: persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon inzake de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, die in een dossier of een ander gegevensbestand zijn of worden verwerkt; - e. gerechtelijke strafgegevens: persoonsgegevens of gegevens over een r"},{"i":7630,"b":"Privacy-regeling centrale registratie tuchtrechtelijke gegevens Koninklijke Marine 1985 Gelet op de Aanwijzingen van de minister-president van 7 maart 1975, (Stcrt. 1975, 50) en van 16 juli 1982, (Stcrt. 1982, 156) inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de Rijksoverheid; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beschikking wordt verstaan onder: Artikel 2. Doelstelling en gebruik 1. Het doel van de registratie is het vervaardigen van overzichten ten behoeve van het nemen van rechtspositionele- en justitiële beslissingen en het uitoefenen van controle op de juiste wetstoepassing. 2. De in de registratie opgenomen gegevens worden voor geen andere doeleinden gebruikt dan die met de in het eerste lid omschreven doelstelling verenigbaar zijn. Artikel 3. In de registratie opgenomen gegevens De registratie kan ten hoogste bevatten de gegevens die in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003866&bijlage=A&z=1986-09-19&g=1986-09-19) zijn vermeld. Artikel 4. Functioneren van de registratie 1. De bewerker ontvangt de desbetreffende opgemaakte formulieren, vertaalt een aantal verbale gegevens in code en controleert de ingevulde rubrieken op volledigheid. De bewerker verzorgt de omzetting van de aangeboden formulieren naar een machinaal leesbare gegevensdrager en draagt deze over aan de uitvoerder. De uitvoerder handelt overeenkomstig de voorschriften die de houder na overleg met hem opstelt. 2. De uitvoerder draagt zorg voor de verwerking van de mutaties. Hij handelt hierbij overeenkomstig de voorschriften die de bewerker na overleg met hem opstelt. De bewerker draagt zorg voor een verantwoorde controle, zowel op de nauwkeurigheid van de mutaties als op de verwerking daarvan in het bestand. 3. De gestrafte wordt bij het uitreiken van het desbetreffende straffenformulier gewezen op het recht van kennisneming en van correctie als bedoeld in de [artikelen 7](https:/"},{"i":7768,"b":"Wet van 5 maart 2007, houdende wijziging van de Kadasterwet, de Organisatiewet Kadaster en enige andere wetten in verband met de aanwijzing van de kadastrale registratie, de kadastrale kaart en het geografisch bestand als basisregistraties en enkele andere wijzigingen (Wet basisregistraties kadaster en topografie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is als onderdeel van de invoering van een stelsel van basisregistraties de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541), de [Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463) en enige andere wetten te wijzigen in verband met de aanwijzing van de kadastrale registratie, de kadastrale kaart en het geografisch bestand als basisregistraties en de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541) op enkele onderdelen te vereenvoudigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kadasterwet. Artikel II Wijzigt de Organisatiewet Kadaster. Artikel IIA Wijzigt de Belemmeringenwet privaatrecht. Artikel IIB Wijzigt de Gemeentewet. Artikel III Wijzigt de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën. Artikel IIIA Vervallen Artikel IIIB Wijzigt de Interimwet stad- en milieubenadering. Artikel IV Vervallen Artikel V Wijzigt de Luchtvaartwet en deze wet. Artikel VI Wijzigt de Monumentenwet 1988. Artikel VII Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998. Artikel VIII Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Artikel IX Wijzigt de Onteigeningswet. Artikel IXA Vervallen Artikel X Wijzigt de Reconstructiewet Midden-Delfland. Artikel XI Wijzigt de Waterschapswet. Artikel XII Wijzigt de Waterstaatswet 1900. Artikel XIIA Wijzigt de Wet aansprakelijkheid olietankschepen. Artikel XIIB Wijzigt de Wet agrarisch grondverkeer. Artikel XIII Wijzigt de Wet bodem"},{"i":7621,"b":"NL accreditatie-vereisten voor organen die toezicht houden op de AVG-gedragscode De Autoriteit Persoonsgegevens (hierna te noemen: AP), Overwegende dat in artikel 41, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) 2016/679 van 26 april 2016 wordt gesteld dat toezicht op de naleving van goedgekeurde gedragscodes uitgeoefend kan worden door een onpartijdig toezichthoudend orgaan dat over de passende deskundigheid met betrekking tot het onderwerp van de gedragscode beschikt en daartoe door de bevoegde toezichthoudende autoriteit is geaccrediteerd; Overwegende dat in artikel 41, derde lid, AVG, wordt gesteld dat de bevoegde toezichthoudende autoriteit de ontwerpcriteria voor accreditatie van een in het eerste lid van artikel 41 bedoeld orgaan voorlegt aan het Comité overeenkomstig het in artikel 63 en artikel 64, eerste lid, onderdeel c, bedoelde coherentiemechanisme; Overwegende dat in artikel 57, eerste lid, aanhef en onder p, AVG, wordt bepaald dat elke toezichthoudende autoriteit verantwoordelijk is voor het opstellen en het bekendmaken van de vereisten voor de accreditatie van een orgaan voor het toezicht op gedragscodes op grond van artikel 41 van de AVG; Overwegende dat in [artikel 6, tweede lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=6) (hierna: UAVG) wordt bepaald dat de AP de toezichthoudende autoriteit is, als bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de AVG; Overwegende dat het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) **Guidelines 1/2019 on Codes of Conduct and Monitoring Bodies under Regulation 2016/679**, heeft aangenomen, en met name paragraaf 60 daarvan; Overwegende dat in deze richtsnoeren een aantal vereisten wordt genoemd waaraan het voorgestelde toezichthoudend orgaan moet voldoen om accreditatie te krijgen, waarbij met name aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan: Met dit besluit wil de AP de ontwikkeling van gedragscodes voor kleine, midd"},{"i":7813,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 26 maart 2014, met nummer P_500195/9.O93 tot vaststelling van het formulier voor het indienen van een aanvraag voor geschilbeslechting op grond van artikel 51 van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 19 van de Gaswet (ACM Formulier geschilbeslechting energie) Gelet op [artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4); Besluit: Artikel 1 Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor geschilbeslechting op grond van [artikel 51 van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=51) of [artikel 19 van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=19) wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage. Dit formulier is ook op de website van de Autoriteit Consument en Markt beschikbaar. Artikel 2 Het Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit van 15 november 2011 tot vaststelling van het formulier voor het indienen van een aanvraag voor geschilbeslechting op grond van artikel 51 van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 19 van de Gaswet (Stcrt. 2011, nr. 21241) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: ACM Formulier geschilbeslechting energie. Bijlage. Bij ACM Formulier geschilbeslechting energie Aanvraagformulier geschilbeslechting Energie 1. Gegevens van de aanvrager Naam....... 0 Man 0 Vrouw Postadres ....... Postcode....... Plaats....... Telefoon (.......) ....... Fax (.......) ...... E-mail....... EAN- code1EAN-code is de unieke code van uw aansluiting elektriciteit of gas. Deze kunt u vinden op uw jaarafrekening of opvragen bij uw energieleverancier of netbeheerder........ 2. Gegevens van de (eventuele) gemachtigde **Tijdens de geschilprocedure bij ACM kunt u er voor kiezen u te laten vertegenw"},{"i":7812,"b":"ACM beleidsregel indiening codevoorstel voor gas en elektriciteit Gelet op de [artikel 3.121, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Paragraaf 1. – Algemeen Artikel 1. – Definities In deze richtsnoeren wordt verstaan onder: - –. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingwet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - –. **Code:** de door ACM goedgekeurde methoden of voorwaarden op grond van [artikel 3.121, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); - –. **Codevoorstel:** een voorstel voor of aanvulling of wijziging van methoden of voorwaarden van de gezamenlijke systeembeheerders als bedoeld in [artikel 3:120, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.120). Paragraaf 2. – Het codevoorstel Artikel 2. – In behandeling nemen codevoorstel 1. Naar het oordeel van ACM bevat een codevoorstel voldoende informatie om in behandeling genomen te worden, indien uit het codevoorstel gemotiveerd en afdoende blijkt: - a. op welke wijze het codevoorstel rekening houdt met belangen genoemd in [artikel 3.121, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121), - b. met welke representatieve organisaties overleg heeft plaatsgevonden over het codevoorstel, - c. welke representatieve organisaties op het codevoorstel hebben gereageerd, - d. wat de inhoud is van de onder c bedoelde reacties en op welke onderdelen van de code deze reacties betrekking hebben, - e. welke gevolgtrekkingen verbonden zijn aan de reacties die de representatieve organisaties naar voren hebben gebracht en welke overwegingen tot deze gevolgtrekkingen hebben geleid. Indien geen gevolgtrekkingen worden"},{"i":7904,"b":"Regeling van de Ministers van Financiën, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Infrastructuur en Milieu van 5 december 2013 houdende de vaststelling van regels ter uitvoering van het verplicht schatkistbankieren voor decentrale overheden (Regeling schatkistbankieren decentrale overheden) Gelet op [artikel 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=2), en [artikel 2b, tweede en derde lid, van de Wet financiering decentrale overheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=2b); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet financiering decentrale overheden (verplicht schatkistbankieren) in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **actuele marktwaarde:** de waarde die wordt berekend op basis van de actuele rente behorende bij de resterende looptijden van de toekomstige kasstromen (rente en aflossing) van een deposito; - **Agentschap:** het Agentschap van de Generale Thesaurie van het ministerie van Financiën; - **basispunt:** een honderdste van een procent (0,01%); - **deposito:** het creditbedrag op een aan de rekening-courant gekoppelde depositorekening van de schatkist van het Rijk, waarover een vooraf vastgestelde rente wordt vergoed en waarover gedurende een vooraf vastgestelde periode door het openbaar lichaam niet vrij beschikt kan worden; - **daggeldrente:** de dagelijkse vaststelling door de Europese Centrale Bank van de Euro Short Term Rate (€STR), zijnde de rente waartegen gemiddeld genomen overnight en zonder onderpand liquiditeiten zijn geleend in de eurogeldmarkt (afgerond op 2 decimalen); - **intradaglimiet:** het maximum bedrag dat gedurende de dag rood mag worden gestaan op de tussenrekening; - **rekening courant:** de rekening die een openbaar lichaam bij de schatkist van het Rijk aanhoudt; - **tussenrekening:** de rekening die het openbaar lichaam aanhoudt bij een bank via welke de zero-balancing plaatsvindt; - **de wet:** de ["},{"i":7795,"b":"Besluit van 19 februari 2005, houdende wijziging van het Kentekenreglement en het Reglement rijbewijzen in verband met de bescherming van persoonsgegevens en enige andere wijzigingen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 december 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-3025, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=38), [42, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=42), [43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=43), [44, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=44), [126, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=126), [127, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=127), [128, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=128), en [142, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=142); De Raad van State gehoord (advies van 6 januari 2005, nr. W09.04.0618/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 februari 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-188, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Kentekenreglement. Artikel II Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel III De [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=14) en [15 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=15) zoals deze luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit blijven ten aanzien van organisaties die de belangen van de automobielbranche behartigen als bedoeld in [artikel 9, onderdeel d, van dat reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=9) en die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit als zodanig zijn aangewezen, van toepassing tot 1 maart 2007. Ten aanzien van gegevens die voor 1 maart 2007 zijn verstr"},{"i":7769,"b":"Wet van 17 mei 2010, houdende regels inzake de bescherming van persoonsgegevens van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet bescherming persoonsgegevens BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is dat met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitvoering wordt gegeven aan [artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=10); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Deze wet is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **persoonsgegeven:** elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; - b. **verwerking van persoonsgegevens:** elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens; - c. **bestand:** elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen; - d. **verantwoordelijke:** de natuurlijke persoon, rechtspersoon of ieder ander die of het bestuursorgaan dat, alleen o"},{"i":7809,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666229 op grond van artikel 3.121 van de Energiewet, en artikel 12f van de Gaswet juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet over aansluitpunten van de TSB gas (Aansluitcode gas TSB Aansluitpunt) De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f) en [artikel 3.121 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); Besluit: 1. Algemene bepalingen 2. Gasinstallatie 3. Aansluitpunt 4 **[Vervallen]** 5. Meten 6. Samenwerking 7. Bijzondere bepalingen 8. Slotbepaling Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7810,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666207 op grond van artikel 3.121 van de Energiewet, en artikel 12f van de Gaswet juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet over aansluitingen op het transmissiesysteem voor gas (Aansluitcode gas TSB) De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f) en [artikel 3.121 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); Besluit: Aansluitcode gas TSB 1. Algemene bepalingen 2. Gasinstallatie 3. Aansluiting 4. Omgeving van de aansluiting 5. Meten en regelen 6. Samenwerking 7. Bijzondere bepalingen 8. Slotbepaling Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7623,"b":"Overeenkomst inzake het uitwisselen van gegevens met betrekking tot het verkrijgen van nationaliteit De Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat, en de Turkse Republiek, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, Verlangende door samenwerking te komen tot uitwisseling van gegevens met betrekking tot het verkrijgen van nationaliteit door hun onderdanen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Indien onderdanen van een Overeenkomstsluitende Staat de nationaliteit van een andere Overeenkomstsluitende Staat hebben verkregen door naturalisatie of optie of deze nationaliteit hebben herkregen, verbindt deze Staat zich hiervan opgave te doen aan de eerstbedoelde Staat. Artikel 2 Deze opgave geschiedt door middel van een formulier waarvan een model bij deze Overeenkomst is gevoegd en waarop dienen te worden vermeld: - 1. de geslachtsnaam en de voornamen van de betrokkene; - 2. de plaats en de datum van zijn geboorte; - 3. zijn tegenwoordige verblijfplaats en zijn laatst bekende verblijfplaats in de Staat waarvan hij de nationaliteit bezat; - 4. de wijze waarop de nationaliteit is verkregen, alsmede de datum waarop de verkrijging ingaat; - 5. eventueel de aard, het nummer en de datum van het bewijsstuk van de vorige nationaliteit. Artikel 3 Indien de verkrijging van nationaliteit zich van rechtswege uitstrekt tot de echtgenoot of de minderjarige kinderen, dienen op het formulier, bedoeld in het vorige artikel, tevens te worden vermeld de geslachtsnaam, de voornamen, de datum en de plaats van geboorte van die echtgenoot en die kinderen. Artikel 4 Het formulier wordt binnen drie maanden te rekenen van de datum waarop de verkrijging van de nationaliteit ingaat rechtstreeks overgemaakt. Iedere Overeenkomstsluitende Staat wijst bij de ondertekening, de kennisgeving"},{"i":7820,"b":"Beleidsregel criteria voor afwijkingen EU Aansluitverordeningen gelet op artikel 61 van Verordening (EU) 2016/631, artikel 51 van Verordening (EU) 2016/1388 en artikel 78 van Verordening (EU) 2016/1447, alsmede gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **EU Aansluitverordeningen:** Verordening (EU) 2016/631, Verordening (EU) 2016/1388 en Verordening (EU) 2016/1447, - b. **afwijkingsverzoek:** een verzoek voor afwijking van één of meerdere eisen van de bepalingen in de EU Aansluitverordeningen, - c. **de ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2). Artikel 2. Criteria voor het toestaan van afwijkingen - a. Bij de beoordeling van een afwijkingsverzoek zal de ACM onder andere rekening houden met de volgende eigenschappen van de installaties, systemen of verbruikseenheden zoals bedoeld in de EU-Aansluitverordeningen waarop het afwijkingsverzoek betrekking heeft: - ○. de aard (en het type) van de installaties, systemen of verbruikseenheden, - ○. het spanningsniveau op het aansluitpunt, - ○. de maximumcapaciteit. - b. Bij de beoordeling van een afwijkingsverzoek zal de ACM onder andere de volgende criteria hanteren: - ○. de mogelijke impact op de operationele veiligheid en stabiliteit van het netwerk, - ○. de mogelijke impact op de grensoverschrijdende handel, - ○. de mogelijke negatieve gevolgen en de risico’s voor andere marktdeelnemers, - ○. de mogelijke impact op de belangen van consumenten. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel criteria voor afwijkingen EU Aansluitverordeningen. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal"},{"i":7796,"b":"Besluit van 14 mei 2001 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken met betrekking tot de verrekening van de waarderingskosten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 5 april 2001, nr. WDB2001-202 M, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 3 van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 26 april 2001, nr. W06.01.0180/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 8 mei 2001, nr. WDB 2001–00275 M, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken. Artikel II 1. De rekening, bedoeld in [artikel 6, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=6), die de afnemers ontvangen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002, is, in afwijking van [artikel 2, tweede lid, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=2), gebaseerd op een aandeel in het bedrag van de kosten van de waardering voor het Rijk van 44 percent, voor de waterschappen van 10 percent van dat bedrag voorzover betrekking hebbend op de gebieden die volgens de provinciale verordeningen, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=2), in waterschapsverband gelegen zijn en voor de gemeenten het restant. 2. [Artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=2), zoals dit artikellid"},{"i":7780,"b":"Wet van 19 december 2018 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de wetgeving inzake omzetbelasting aan te passen overeenkomstig artikel 1 van Richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) en [Richtlijn 2009/132/EG](32009L0132) wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (PbEU 2017, L 348); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7789,"b":"Wet van 22 april 2020 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met het via een centraal elektronisch systeem geautomatiseerd ontsluiten van identificerende gegevens alsmede enkele andere gegevens door banken en andere betaaldienstverleners (Wet verwijzingsportaal bankgegevens) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels te stellen over het via een centraal systeem geautomatiseerd verstrekken van identificerende gegevens alsmede gegevens over de uiteindelijk belanghebbende en de begin- en einddatum van een rekening of kluis door banken en andere betaaldienstverleners, zodat deze verstrekking efficiënter verloopt en dat het stellen van regels daarnaast noodzakelijk is ter implementatie van Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de [Richtlijnen 2009/138/EG](32009L0138) en [2013/36](32013L0036)/EU (PbEU 2018, L 156); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet verwijzingsportaal bankgegevens. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7624,"b":"Overeenkomst terzake van de geheimhouding van gegevens betreffende diepzeegebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van Canada, de Regering van de Republiek Italië en de Regering van de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken, hierna te noemen de „Partijen”, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De Partijen nemen de nodige maatregelen in het kader van bestaande wetgeving om geheimhouding te verzekeren van zowel de coördinaten van diepzeegebieden, als van andere door eigendomsrechten beschermde of geheime informatie betreffende deze gebieden, ontvangen van de andere Partijen op basis van geheimhouding. 2. In het bijzonder nemen de Partijen de nodige maatregelen ter verzekering dat rechtspersonen en natuurlijke personen onderworpen aan de toepasselijke rechtsmacht die toegang hebben tot deze informatie, de geheimhouding bewaren. Artikel 2 1. De Partijen verzekeren de geheimhouding van de coördinaten, bedoeld in artikel 1, voor de duur van twee jaar vanaf de datum van ontvangst van deze coördinaten. 2. De Partijen verzekeren de geheimhouding van andere informatie, bedoeld in artikel 1, voor de duur van vijf jaar vanaf de datum van ontvangst van deze andere informatie. 3. Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel, blijven de verplichtingen, vervat in artikel 1, bestaan na verloop van de in deze leden vastgestelde perioden, voor de periode overeengekomen in overeenstemming met het vierde lid van dit artikel, indien de Partij die de coördinaten of andere informatie heeft verstrekt, alle andere Partijen meedeelt, voor het verstrijken van de toepasselijke tijdsperiode, dat deze coördinaten of andere informatie uit commercieel oogpunt belangrijke gegevens blijven vormen. De Partij die deze mededeling doet, zal een bepaalde periode voorstellen voor de verlenging van de desbetreffende tijdsperioden genoemd in het eerste of tweede lid van dit artikel. 4. De verplichtinge"},{"i":7788,"b":"Wet van 5 april 2001 tot wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in aanvulling op het voorstel van [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) de [Richtlijn nr. 95/46/EG](31995L0046) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG van 23 november 1995, L 281) te implementeren in de overige Nederlandse wetgeving en deze wetgeving eveneens voor zover nodig aan te passen aan het voorstel van [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468); Gelet op [artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=10); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Algemene Zaken Artikel 1 Wijzigt de Wet openbaarheid van bestuur. Hoofdstuk 2. Ministerie van Justitie Artikel 1 Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel 2 Wijzigt de Wet politieregisters. Artikel 3 Wijzigt de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. Artikel 4 Wijzigt het Wetboek van Koophandel. Artikel 5 Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 6 Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens. Hoofdstuk 3. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Wijzigt de Ambtenarenwet.. Artikel 3 Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel 4 Wijzigt de Wet van 30 maart 2000 tot wijziging van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel 5 Wijzigt de Wet Nationale ombudsman. Hoofdstuk 4. M"},{"i":7770,"b":"Wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Telecommunicatiewet en de Wet op de economische delicten in verband met de implementatie van Richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de bewaring van gegevens die zijn verwerkt in verband met het aanbieden van openbare elektronische communicatiediensten en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG (Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) te wijzigen in verband met implementatie van [Richtlijn nr 2006/24/EG](32006L0024) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 februari 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn verwerkt in verband met het aanbieden van openbare elektronische communicatiediensten en tot wijziging van [Richtlijn 2002/58/EG](32002L0058) (PbEG L 105); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Na de inwerkingtreding van deze wet berust: - a. het [Besluit verstrekking gegevens telecommunicatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011123) op de [artikelen 13.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.1), [13.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.2), [13.4, vierde lid van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.4); - b. het [Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013213) op de [artikelen 3.10, vierde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":7772,"b":"Wet van 12 december 2007, houdende wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de Wet werk en bijstand, de Werkloosheidswet en enige andere wetten in verband met eenmalige gegevensuitvraag aan burgers (Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter verbetering van de dienstverlening aan burgers gewenst is het wettelijk mogelijk te maken dat in de keten werk en inkomen gegevens gezamenlijk worden verwerkt en slechts eenmaal aan burgers worden gevraagd en dat er op het terrein van de informatievoorziening enige deregulering kan plaatsvinden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel II. Wijziging van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel III. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel IV. Wijziging van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel V. Wijziging van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel VI. Wijziging van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel VII. Wijziging van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel VIII. Wijziging van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wet"},{"i":7774,"b":"Wet van 8 mei 2003 tot aanpassing van Boek 3 en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, de Telecommunicatiewet en de Wet op de economische delicten inzake elektronische handtekeningen ter uitvoering van richtlijn nr. 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (PbEG L 13) (Wet elektronische handtekeningen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het Burgerlijk Wetboek, de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) moeten worden aangepast aan [richtlijn nr. 99/93/EG](31999L0093) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (PbEG L 13); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Boek 3 en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel III Wijzigt de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit. Artikel IV Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet elektronische handtekeningen. Artikel VI Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7814,"b":"Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit van 2 september 2008 tot het vaststellen van uitvoeringsregels omtrent het verkort afdoen van concentratiemeldingen Gelet op de [artikelen 3:48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:48) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) jo. [paragrafen 1 tot en met 3 van hoofdstuk 5 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&paragraaf=1); Besluit:1Een voorstel voor dit besluit is gedurende een consultatieperiode van een maand op de website van de NMa bekend gemaakt. Artikel 1 Dit besluit regelt wanneer de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) de in [artikel 34 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=34) bedoelde concentratiemelding verkort kan afdoen door overeenkomstig [artikel 3:48 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:48) vermelding van de motivering bij de mededeling die op de melding volgt, achterwege te laten. Artikel 2 De ACM zal vermelding van de motivering van de in [artikel 37 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=37) bedoelde mededeling in beginsel achterwege laten indien de mededeling inhoudt dat voor het tot stand brengen van de gemelde concentratie geen vergunning is vereist, en geen van de volgende omstandigheden zich voordoet: - a. de mededeling is gedaan onder voorwaarden als bedoeld in [artikel 37, vierde lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=37) of is het gevolg van een wijziging van de melding; - b. de mededeling wijkt af van een door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) met betrekking tot de gemelde concentratie aan de ACM uitgebrachte zienswijze of van een door het Commissariaat voor de Media aan de ACM uitgebracht advies; - c. bij de behandeling van de gemelde concentratie is geblek"},{"i":7775,"b":"Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Bekendmakingswet, enz. (elektronische publicatie van algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen (Wet elektronische publicaties)) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels over elektronische overheidspublicaties te concentreren in de [Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287) en uit te breiden met regels over de elektronische publicatie en ontsluiting door bestuursorganen van mededelingen en kennisgevingen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. [Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287) Artikel 1.1. [Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287) Wijzigt de Bekendmakingswet. Hoofdstuk 2. [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Artikel 2.1. [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2.2 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk 3. Organieke wetten Artikel 3.1. [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) Wijzigt de Gemeentewet. Artikel 3.2. [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) Wijzigt de Provinciewet. Artikel 3.3. [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108) Wijzigt de Waterschapswet. Artikel 3.4. [Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142) Wijzigt de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 3.5. [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Hoofdstuk 4. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 4.1. [Crisis- en herstelwet](h"},{"i":1656,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 28 juni 2005, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2006 (Verordening PT bijzondere heffing teelt fruit en champignons 2006) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 7 juni 2005; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. het braakland | : | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld, alsmede niet beteelde gronden, waarop in juli of augustus in enig oogstjaar aardbeien zullen worden geplant en waarvan in het daaropvolgende jaar zal worden geoogst; | | --- | --- | --- | | b. de cultuurgrond | : | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018503&paragraaf=3&artikel=4&z=2007-09-30&g"},{"i":1658,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2007, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2008 (Verordening PT bijzondere heffing teelt fruit en champignons 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95),[100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 19 juni 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | het braakland: | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld, alsmede niet beteelde gronden, waarop in juli of augustus in enig oogstjaar aardbeien zullen worden geplant en waarvan in het daaropvolgende jaar zal worden geoogst; | | --- | --- | --- | | b. | de cultuurgrond: | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.over"},{"i":5270,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 juni 2019, nr. IENW/BSK-2019/129612, tot aanwijzing van speciaal beschermd Antarctisch gebied ten behoeve van niet-wetenschappelijke activiteiten met als doel het bezoeken van een historische plaats of een historisch monument Gelet op [artikel 9, tweede lid, van de Wet bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009449&artikel=9); BESLUITEN: Artikel 1. (aanwijzing gebieden) Onderstaande speciaal beschermde Antarctische gebieden worden ten behoeve van niet-wetenschappelijke activiteiten met als doel het bezoeken van een historische plaats of een historisch monument aangewezen als gebieden waarvoor bij vergunning kan worden afgeweken van het verbod van betreding bedoeld in [artikel 6, tweede lid, onder g, van de Wet bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009449&artikel=6): - •. ASPA 155 (Ross Island); - •. ASPA 157 (Ross Island); - •. ASPA 158 (Ross Island); - •. ASPA 159 (Cape Adare); - •. ASPA 162 (Cape Denison). Artikel 2. (voorwaarden) Het betreden van de speciaal beschermde Antarctische gebieden, aangewezen in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042336&artikel=1&z=2019-07-01&g=2019-07-01), is niet toegestaan indien: - a. uit de periodieke toetsing van het Beheersplan, bedoeld in artikel 5 van bijlage V van het Protocol, door de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica blijkt dat actualisatie van het beheerplan noodzakelijk is, of - b. een geactualiseerd Beheersplan toegang ten behoeve van niet-wetenschappelijke activiteiten uitsluit. Artikel 3. (inwerkingtreding) Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2019. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5663,"b":"Subsidieplafondbesluit Aangepast Lezen Instellingssubsidies 2023 Gelet op [artikel 5 van de Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877&artikel=5); BESLUIT: I Voor het jaar 2023 de volgende subsidieplafonds ter zake Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026 vast te stellen: - A. Het subsidieplafond voor de in [artikel 3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877&artikel=3), vermelde activiteit ‘de verzorging van de eerstelijnsvoorziening voor het publiek’ is voor het jaar 2023 vastgesteld op € 2.100.000,–. Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026 de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen uitvoerden. - B. Het subsidieplafond voor de in [artikel 3, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877&artikel=3), vermelde activiteiten ‘productie en levering’ is voor het jaar 2023 vastgesteld op € 9.589.000,– en onderverdeeld in twee deelplafonds: Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877), de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen uitvoerden. - 1. € 1.774.000,– voor de ‘productie en levering’ als bedoeld in [artikel 7, derde lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877&artikel=7); - 2. € 7. 815.000,– voor de ‘productie en levering’ inclusief de veilige opslag en back-up van de bestanden voor de productie van aangepaste leesvormen als bedoeld in [artikel 7, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877&artikel=7). II Dit besluit treedt in werking op de dag na de dag van bekendmaking."},{"i":5818,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 3 augustus 2022, nr. PO/32243538, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan scholen voor het verbeteren van de basisvaardigheden met evidence informed interventies (Subsidieregeling verbetering basisvaardigheden) Gelet op de [artikelen 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71), [5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11), [71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71), [127e van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=127e) en [67 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5), en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **basisteam:** door de minister aangewezen entiteit die gespecialiseerd is in het ondersteunen van scholen met betrekking tot het onderwijskundig beleid; - **basisvaardigheden:** vaardigheden op het gebied van taal, rekenen of wiskunde, burgerschap en digitale geletterdheid; - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **evidence informed interventie:** aanpak op b"},{"i":5779,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 oktober 2019, nr. WJZ/ 19237719 , tot vaststelling van een regeling voor de verstrekking van subsidie voor het saneren van varkenshouderijlocaties in verband met geurhinder (Subsidieregeling sanering varkenshouderijen) Gelet op de [artikelen 2a, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2a), en [3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **concentratiegebied:** concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost zoals aangegeven in [bijlage I bij de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&bijlage=I); - –. **dierenverblijf:** een overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden; - –. **geurgevoelig object:** een in de Basisregistratie adressen en gebouwen opgenomen verblijfsobject met een woonfunctie, dat niet een bedrijfswoning is van een landbouwondernemingvoor het houden van landbouwhuisdieren en dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in [artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.1), een inpassingsplan als bedoeld in [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.26) of [3.28 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.28) daaronder mede begrepen, de beheersverordening, bedoeld in [artikel 3.38 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.38), of, indien met toepassing van [artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.12) van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=1.1), mag w"},{"i":1692,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van maart 2007, houdende de vaststelling van aan importeurs van bloembollen op te leggen heffing voor de export van bloembollen naar Japan, voor het oogstjaar 2007 (Verordening PT heffing bloembollen naar Japan oogstjaar 2007) § 1. Begripsbepalingen § 1. Begripsbepalingen § 3. Grondslag en hoogte Artikel 4 1. De heffing die is verschuldigd wordt opgelegd naar de grondslag hoeveelheid product ten behoeve van de export naar Japan. 2. De heffing, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor: | a. | amaryllis, hyacint, lelie, narcis en tulp: | € 0,48 per 1000 stuks leverbaar; | | --- | --- | --- | | b. | gladiool en overige bloembollen: | € 0,10 per 1000 stuks leverbaar; | | c. | plantgoed van iris, lelie en tulp: | € 9,53 per 1000 kg; en | | d. | narcis-tonnegoed: | € 4,76 per 1000 kg. | § 4. Oplegging en inning § 5. Slotbepalingen Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); Gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, 13 februari 2007. Besluit: Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de artikelen 1 en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1) en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: - a. bloembollen: boll"},{"i":1706,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 11 november 2009, houdende regels ter zake van de aan ondernemers, die groenten en fruit naar Japan exporteren, op te leggen heffing voor het jaar 2010 (Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan 2010) gelet op de [artikelen 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit d.d. 20 oktober 2009; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1 :1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3). § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van groenten en fruit is over de door hem naar Japan uitgevoerde groenten en fruit aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het kalenderjaar 2010, ten behoeve van de financiering van controles van groenten en fruit die naar Japan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. Artikel 3 1. Ter uitvoering van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027563&paragraaf"},{"i":1707,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2002, houdende regels ter zake van de aan ondernemers, die groenten en fruit naar Japan en Taiwan exporteren, op te leggen heffing voor het jaar 2003 (Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de sectorcommissie Groenten en Fruit, d.d. 20 juni 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 2](onbekend) en [3 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening wordt verstaan ander: | a . | het productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | de voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | c . | het bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | e. | de heffingsplichtige | : | degene die ingevolge deze heffingsverordening heffing is verschuldigd. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van groenten en fruit is over de door hem naar Japan en Taiwan uitgevoerde groenten en fruit aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het kalenderjaar 2003, ten behoeve van de financiering van controles van groenten en fruit die naar Japan en Taiwan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. Artikel 3 1. Ter uitvoering van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013842&paragraaf=2&artikel=2&z=2003-01-01&g=2003-01-01) doet de exporteur van groenten en fruit aangifte bi"},{"i":3148,"b":"Besluit van 16 maart 1994, houdende vaststelling van regels ten aanzien van de bezoldiging van de politie Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 16 november 1993, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA93/U3219; Gelet op [artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50); De Raad van State gehoord (advies van 7 februari 1994, nummer WO4.93.0763; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 11 maart 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA94/419; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **ambtenaar:** de aspirant, de ambtenaar in opleiding, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de ambtenaar van de rijksrecherche en de vakantiewerker; - **ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), met uitzondering van de aspirant gedurende het theoretische opleidingsdeel en de ambtenaar in opleiding gedurende het theoretisch opleidingsdeel, waarbij voor de toepassing van dit besluit de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gelijk wordt gesteld aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012; - **ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet"},{"i":7157,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 5 oktober 2020, nr. IENW/BSK-2020/186839, houdende vaststelling van een specifieke uitkering in verband met implementatie van ERTMS in materieel voor regionaal personenvervoer per trein (Tijdelijke regeling specifieke uitkering ERTMS regionaal personenvervoer per trein 2020–2031) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17),[artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdelen a en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5), [artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2) en [artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet Infrastructuurfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006001&artikel=8); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **ERTMS:** European Rail Traffic Management System; - **ERTMS-programmakaders:** de programmabeslissing ERTMS en de besluiten van de stuurgroep ERTMS; - **implementatieplan:** het plan dat een provincie opstelt met een regionale concessiehouder ter implementatie van ERTMS; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **ontvanger:** een provincie in haar hoedanigheid van concessieverlener voor regionaal personenvervoer per trein; - **PSO-Verordening:** [Verordening (EG) Nr. 1370/2007](32007R1370) van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad. Artikel 2. Toepasselijkheid [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381) Op deze regeling z"},{"i":1708,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2003, houdende regels ter zake van de aan ondernemers, die groenten en fruit naar Japan en Taiwan exporteren, op te leggen heffing voor het jaar 2004 (Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2004) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=15) en [19 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](onbekend); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 26 juni 2003; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | het productschap: | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | de voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | c. | het bestuur: | het bestuur van het productschap; | | d. | de heffingsplichtige: | degene die ingevolge deze heffingsverordening heffing is verschuldigd. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van groenten en fruit is over de door hem naar Japan en Taiwan uitgevoerde groenten en fruit aan het productschap een heffing verschuldigd . 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het kalenderjaar 2004, ten behoeve van de financiering van controles van groenten en fruit die naar Japan en Taiwan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. Artikel 3 1. Ter uitvoer"},{"i":1717,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 1 juli 2003, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van hoveniersbedrijven voor het jaar 2004 (Verordening PT heffing hoveniersbedrijven 2004) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de Sectorcommissie voor hovenierswerkzaamheden, d.d. 16 april 2003; Besluit: Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | hovenierswerkzaamheden | : | het aanleggen, het aanbrengen van wijzigingen in en het onderhouden van siertuinen, begraafplaatsen, groenstroken, parken, plantsoenen, landgoederen en openbaar groen in stad en landschap, inclusief werkzaamheden op sportterreinen en in bossen, met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, met inbegrip van de voorbereidende en grondwerkzaamheden; | | --- | --- | --- | --- | | b. | leveringen | : | de bij de werkzaamheden behorende levering van levende en dode materialen; | | c. | ondernemer | : | natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin hovenierswerkzaamheden worden verricht; | | d. | omzet | : | het bruto-omzetbedrag van hovenierswerkzaamheden en leveringen over het jaar 2003. | Artikel 2 1. De ondernemer is in 2004 een heffing aan het Productschap Tuinbouw verschuldigd ten behoeve van promotionele en marketingactiviteiten, economische aangelegenheden, kwaliteitsaangelegenheden, technisch o"},{"i":5667,"b":"Subsidieplafonds Regelingen Internationalisering Ontwerpsector en Artistic & Design Research for Immersive Experiences besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begrippen - 1. **subsidietijdvak:** de periode waarbinnen op grond van deze regeling een aanvraag kan worden ingediend; - 2. **subsidieplafond:** het maximaal voor subsidies beschikbare bedrag binnen een subsidietijdvak. Artikel 2. Regeling Internationalisering Ontwerpsector 2025–2028 1. De subsidietijdvakken van de [Regeling Internationalisering Ontwerpsector 2025–2028](https://www.stimuleringsfonds.nl/subsidies/regeling-internationalisering-ontwerpsector) in 2025 zijn: - –. Ronde A: 10 april tot en met 29 april 2025 - –. Ronde B: 1 september tot en met 2 oktober 2025 2. De subsidieplafonds bedragen: - –. Ronde A: € 300.000,00 - –. Ronde B: € 300.000,00 3. Een eventuele onderbesteding uit Ronde A wordt toegevoegd aan het subsidieplafond van Ronde B. Artikel 3. Regeling Artistic & Design Research for Immersive Experiences 2025–2029 1. De subsidietijdvakken van de [Regeling Artistic & Design Research for Immersive Experiences 2025–2029](https://www.stimuleringsfonds.nl/subsidies/regeling-adrie) in 2025 zijn: - –. Ronde 1A: 6 mei tot en met 23 mei 2025 - –. Ronde 1B: 6 oktober tot en met 7 november 2025 2. De subsidieplafonds bedragen: - –. Ronde 1A: € 250.000,00 - –. Ronde 1B: € 6.500.000,00 Artikel 4. Inwerkingtreding 1. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst en treedt met terugwerkende kracht in werking per 1-4-2025."},{"i":5706,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 oktober 2015, nr. 2015-0000612713, houdende regels voor de subsidiëring van het Europees Instituut voor Bestuurskunde te Maastricht (Subsidieregeling Europees Instituut Bestuurskunde 2016) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdeel f, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), en [18, eerste lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=18); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **Instituut:** de Stichting Europees Instituut voor Bestuurskunde. Artikel 2 1. De minister verstrekt aan het Instituut een subsidie ten behoeve van de realisering van de doelstelling van het Instituut zoals opgenomen in de statuten van het Instituut. 2. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 3 De subsidie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037114&artikel=2&z=2015-11-01&g=2015-11-01), bedraagt ten hoogste het bedrag dat uit de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties blijkt. Artikel 4 Het Instituut dient de aanvraag tot subsidieverlening uiterlijk in op 30 november voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft. Artikel 5 1. De minister verstrekt op de subsidie een voorschot van 100 procent van de voor dat jaar verleende subsidie. 2. Het voorschot wordt binnen zes weken na de beschikking tot subsidieverlening in één keer uitbetaald. Artikel 6 1. Het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 mei 1997, nr. AB96/1462, wordt ingetrokken. 2. Een subsidie die is verleend krachtens het beslui"},{"i":1831,"b":"Wet van 14 september 1961, houdende regelen inzake de belastingheffing met betrekking tot kansspelen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de belastingheffing met betrekking tot kansspelen nader te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Belastingplicht Artikel 1 Onder de naam kansspelbelasting wordt een belasting geheven van: - a. de houder van een vergunning als bedoeld in [artikel 27g, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27g), ten aanzien van de onder die vergunning aangeboden casinospelen, en degene die opbrengst geniet van zonder een vergunning als bedoeld in artikel 27g, eerste lid, van de Wet op de kansspelen aangeboden casinospelen in Nederland, niet zijnde kansspelen op afstand; - b. de houder van een vergunning voor de exploitatie van speelautomaten als bedoeld in [artikel 30h, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30h), ten aanzien van de onder diens vergunning in Nederland geplaatste fysieke speelautomaten waarop een kansspelautomatenspel wordt gespeeld; - c. degene die opbrengst geniet van zonder een vergunning als bedoeld in onderdeel b in Nederland geplaatste fysieke speelautomaten waarop een kansspelautomatenspel wordt gespeeld; - d. de houder van een vergunning als bedoeld in [artikel 31a, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a), ten aanzien van de onder die vergunning aangeboden kansspelen op afstand, en degene die opbrengst geniet van het tijdelijk zonder een vergunning als bedoeld in artikel 31a, eerste lid, van de Wet op de kansspelen aangeboden kansspelen op afstand; - e. de houder van een vergunning als bedoeld in [artikel 15, eers"},{"i":1832,"b":"Wet van 16 december 1964, houdende vervanging van het Besluit op de Loonbelasting 1940 door een nieuwe wettelijke regeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Besluit op de Loonbelasting 1940 door een meer overzichtelijke en op verschillende punten herziene wettelijke regeling te vervangen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Belastingplicht Artikel 1 Onder de naam 'loonbelasting' wordt van werknemers of hun inhoudingsplichtige, van artiesten, van beroepssporters, van buitenlandse gezelschappen en van bij of krachtens deze wet aan te wijzen andere personen een directe belasting geheven. Artikel 2 1. Werknemer is de natuurlijke persoon die tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat of van een inhoudingsplichtige loon geniet uit een vroegere privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking van hemzelf of van een ander, dan wel uit een bestaande privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking van een ander. 2. Degene die van een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon loon geniet uit een dienstbetrekking tot een niet-inhoudingsplichtige dan wel loon in de vorm van premies voor werkaanvaarding ten behoeve van uitkeringsgerechtigden, wordt geacht tot die rechtspersoon in dienstbetrekking te staan. 3. Tenzij werkzaamheden zijn of worden verricht in een functie van bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam, dan wel in dienstbetrekking bij een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon of in het kader van een uitzending op grond van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, is het eerste lid niet van toepassing op personen die niet in Nederland wonen, met betrekking tot een geheel buiten Nederland vervulde dienstbetrekking."},{"i":4502,"b":"Circulaire Norm verantwoorde werktoedeling van toepassing op de Raad en DJI Bij de uitvoering van jeugdhulptaken als bedoeld in de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) dienen alle wettelijke voorschriften te worden nageleefd die bij of krachtens deze regelgeving zijn opgesteld en die zien op de norm van verantwoorde werktoedeling, als ware zij van overeenkomstige toepassing op de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) en op de onder de Dienst Justitiële Inrichtingen ressorterende rijks justitiële jeugdinrichtingen (rijks JJI’s)1Op grond van artikel 3b, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen zijn de bepalingen in de Jeugdwet voor wat betreft de verantwoorde werktoedeling van overeenkomstige toepassing op de particuliere JJI’s. Deze circulaire ziet niet op de particuliere JJI’s omdat zij al op grond van de geldende regelgeving juridisch aan deze normen zijn gebonden.. De hoofddirecteur DJI dient ervoor zorg te dragen dat de rijks JJI’s werken conform een Kwaliteitskader voor de JJI’s, dat voldoet aan de bepalingen bij of krachtens de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) en dat aansluit bij het “Kwaliteitskader jeugd; toepassen van de norm van verantwoorde werktoedeling in de praktijk” (hierna: Kwaliteitskader jeugd).2Het Kwaliteitskader jeugd is onder leiding van de stuurgroep Ontwikkeling Kwaliteitskader Jeugd opgesteld door een projectgroep waarin beroepsverenigingen, brancheorganisaties, gemeenten (VNG) en cliëntenorganisaties zitting hadden. Het kwaliteitskader is door de staatssecretaris van VWS, mede namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bij brief van 8 december 2014 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer toegezonden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, 31 839, nr. 428). De Algemeen Directeur van de Raad dient er voor zorg te dragen dat bij de uitvoering van de taken van de Raad de uitgangspunten van het Kwaliteitskader jeugd worden toegepast. De [circulaire ‘norm verantwoord"},{"i":5902,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 23 augustus 2017, nr. IENM/BSK-2017/195936, houdende de subsidieverstrekking aan Stichting Rocov Fryslân ten behoeve van consumenteninspraak inzake de uitvoering van de concessies voor de Friese Waddenveren over de jaren 2017 tot en met 2021 (Tijdelijke subsidieregeling Stichting Rocov Fryslân inzake consumenteninspraak Friese Waddenveren 2017–2021) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdelen e en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), en [24, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **concessies voor de Friese Waddenveren:** concessie Friese Waddenveren West en concessie Friese Waddenveren Oost; - **consumenteninspraak:** het door het Consumentenplatform Friese Waddenveren voeren van overleg met en uitbrengen van advies aan de concessiehouders over het jaarlijks op te stellen vervoerplan en andere veerdienst gerelateerde zaken; - **minister:** de Minister van Infrastructuur en Milieu; - **Stichting Rocov Fryslân:** Stichting Rocov Fryslân, Aronskelk 1, 8935 RH Leeuwarden, KVK 01102361. Artikel 2. Doel van de subsidie De minister kan Stichting Rocov Fryslân jaarlijks ged"},{"i":7457,"b":"Wet van 17 juni 1998 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en van enige andere belastingwetten in verband met de fiscale begeleiding van de overgang van vermogen onder algemene titel bij rechtspersonen op de voet van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de invoering van de mogelijkheid van splitsing van rechtspersonen wenselijk is regels te geven voor de fiscale begeleiding daarvan en voorts de fiscale begeleiding van de juridische fusie op eenzelfde wijze vorm te geven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. ARTIKEL V Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. ARTIKEL VI Indien voor de heffing van de vennootschapsbelasting een dochtermaatschappij op de voet van [artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) een eenheid vormt of heeft gevormd met een moedermaatschappij, de samenstelling van het vermogen van de dochtermaatschappij ten gevolge van transacties binnen die eenheid is gewijzigd en ingevolge [artikel 14a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14a), of [artikel 14b, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14b) bij een splitsing onderscheidenlijk een fusie, aan die eenheid een einde komt, wordt voor de toepassing van de krachtens [artikel 15 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) gestelde voorwaarde met betrekking tot transacties die binnen die eenheid hebben plaatsgevonden, de tegenwaar"},{"i":7320,"b":"Besluit van 23 december 2009 tot wijziging van het Besluit personenvervoer 2000 in verband met de invoering van concessies voor het personenvervoer van en naar de Waddeneilanden Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 1 juli 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/772, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 23 juli 2009, nr. W09.09.0229/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 21 december 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/1482, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit personenvervoer 2000. Artikel II 1. Het openbare-dienstcontract inzake het vervoer tussen het vaste land en het betreffende Waddeneiland dat bestaat tussen Onze Minister, gemeente Vlieland, gemeente Terschelling, gemeente Ameland of gemeente Schiermonnikoog en de betreffende reder vervalt op het moment dat op grond van [artikel 7a van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=7a) onherroepelijk een concessie is verleend voor het personenvervoer tussen het vaste land en dat betreffende Waddeneiland. 2. In afwijking van [artikel 7a Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=7a) geldt het in [artikel 19, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=19) bedoelde verbod niet voor het in artikel 7a, eerste lid, Besluit personenvervoer 2000 bedoelde personenvervoer tot het moment dat op grond van artikel 7a van dat besluit onherroepelijk een concessie is verleend voor het personenvervoer tussen het vaste land en dat betreffende Waddeneiland. 3. Van het moment dat op grond van [artikel 7a Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":7419,"b":"Wet van 19 juni 1996 tot wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte, de Wet op de huurcommissies en de Wet individuele huursubsidie in verband met de zogenaamde huursombenadering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aantal wijzigingen aan te brengen in de [Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221), de [Wet op de huurcommissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003222) en de Wet individuele huursubsidie teneinde de in 1993 ingevoerde grotere flexibiliteit voor de marktpartijen met betrekking tot de jaarlijkse huuraanpassingen uit te breiden tot alle overeenkomsten van huur en verhuur waarop de [Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221) van toepassing is, alsmede in de [Wet op de huurcommissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003222) een wijziging aan te brengen in verband met afstemming op de [Huisvestingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005674); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Huurprijzen woonruimte. Artikel II Wijzigt de Wet op de Huurcommissies. Artikel III Wijzigt de Wet individuele huursubsidie. Artikel IV 1. [Artikel I, met uitzondering van onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008111&artikel=I&z=2000-07-01&g=2000-07-01), is niet van toepassing op woonruimte waarvoor: - a. vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldelijke steun in de zin van [artikel 9 van de Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221&artikel=9), zoals dat luidde onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, is toegekend en - b. op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet het tijdstip was aangebroken, waarop de huurprijs kon worden gewijzigd ingevolge [artik"},{"i":6675,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 november 2015, kenmerk 870579-144154-III-LZ, houdende wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling extramurale behandeling in verband met het wijzigen van het subsidiebedrag en de tarieven voor 2016 Gelet op [artikel 11.1.5 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.1.5); Besluit: Artikel I Wijzigt de Tijdelijke subsidieregeling extramurale behandeling. Artikel II In afwijking van [artikel 2.1, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregeling extramurale behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036018&artikel=2.1) wordt een aanvraag ten behoeve van 2016 uiterlijk ontvangen binnen vier weken na publicatie van deze regeling in de Staatscourant. Artikel III In afwijking van [artikel 4.1 van de Tijdelijke subsidieregeling extramurale behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036018&artikel=4.1) kan het Zorginstituut na ontvangst van de aanvraag ten behoeve van 2016 ambtshalve voorschotten verstrekken. Artikel IV De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":716,"b":"Wet van 15 april 1992, tot wijziging van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 en van de Pensioenwet voor de landmacht 1922 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te bepalen dat een verloren gegaan recht op pensioen ingevolge de vroegere pensioenwetten hersteld kan worden, indien dit recht ingevolge de Algemene militaire pensioenwet (**Stb.** 1988, 284) niet verloren zou zijn gegaan dan wel hersteld zou kunnen worden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. De gewezen militair, voor wie op grond van artikel 4 van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 of artikel 4 van de Pensioenwet voor de landmacht 1922 een recht op pensioen verloren is gegaan, wordt behoudens in het geval dat dit recht verloren is gegaan of verloren had kunnen gaan als gevolg van de omstandigheden omschreven in artikel I 1 van de Algemene militaire pensioenwet op zijn daartoe schriftelijk aan Onze Minister gericht verzoek in dat recht hersteld. 2. Indien aan het eerste lid toepassing wordt gegeven, bestaat recht op pensioen: - a. vanaf het tijdstip waarop een belanghebbende de leeftijd van 60 jaren heeft bereikt, indien hij met terzijdestelling van het bedoelde artikel 4 recht op pensioen zou hebben verkregen op grond van artikel 2, eerste lid, onder 4**e.c** van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 of artikel 2, eerste lid, onder 4**e.b** van de Pensioenwet voor de landmacht 1922 voor zover dat recht op 1 januari 1966 niet zou zijn vervallen of - b. vanaf het tijdstip waarop een belanghebbende de leeftijd van 65 jaren heeft bereikt indien hij met terzijdestelling van het bedoelde artikel 4 aan artikel Y 11 van de Algemene militaire pensioenwet recht op pensioen kan ontlenen. 3. Een ingevolge het eerste en tweede lid toe te"},{"i":1905,"b":"Besluit van 4 december 1992, tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (vrijstellingen prestaties van onderwijskundige aard en van sociale of culturele aard) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 19 december 1991, nr. WV91/443, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Gelet op artikel 11, eerste lid, aanhef, onderdeel **f** en onderdeel **o**, 2°, en [artikel 39 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=39) (**Stb.** 329); De Raad van State gehoord (advies van 15 mei 1992, nr. WO6.91.728); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 2 december 1992, nr. WV 92/194, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV [Artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005748&artikel=I&z=1993-07-01&g=1993-07-01), vindt op verzoek geen toepassing ten aanzien van prestaties van onderwijsinstellingen, voor zover ter zake van onderwijsprestaties vóór 1 juli 1993 een overeenkomst is gesloten voor een tijdvak dat is aangevangen vóór 1 juli 1993 en dat niet langer is dan één jaar. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van de [artikelen I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005748&artikel=I&z=1993-07-01&g=1993-07-01), en [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005748&artikel=IV&z=1993-07-01&g=1993-07-01), die in werking treden met ingang van 1 juli 1993. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Ra"},{"i":5014,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 maart 2025, kenmerk 4061871-1079001-Z, houdende vaststelling van een nadere aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2025 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2025) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2025 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 47,185 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050486&artikel=1). Artikel 2 Het bedrag, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050875&artikel=1&z=2025-03-26&g=2025-03-26), is bestemd voor de Sociale verzekeringsbank. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2025. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4724,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 oktober 2004, nr. DPenO 2521244, houdende de instelling van de Raad van Toezicht Nederlands Vaccinatie Instituut Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 1. De minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS); 2. Het NVI: het Nederlands Vaccin Instituut; 3. De Raad: de Raad van Toezicht, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017373&artikel=2&z=2004-11-12&g=2004-11-12); 4. De Directie: de Directie van het NVI; 5. SVOP: Strategisch Vaccin Onderzoek Programma. Artikel 2 Er is een Raad van Toezicht voor het NVI. Artikel 3. Taken van de Raad van Toezicht 1. De Raad heeft tot taak toezicht te houden op de beleidsvorming en de beleidsuitvoering aangaande de wetenschappelijke kwaliteit van het SVOP en de technische infrastructuur van het NVI. 2. De Raad staat de Directie met raad terzijde, adviseert, stimuleert en ondersteunt de Directie inzake relatiebeheer en politiek-bestuurlijke netwerkvorming. Bij de vervulling van zijn taak richt de Raad zich naar het belang van het NVI. Artikel 4. Samenstelling van de Raad van Toezicht 1. De Raad bestaat uit tenminste 3 leden en ten hoogste 5 leden waaronder een voorzitter. De leden van de Raad kunnen slechts natuurlijke personen zijn. 2. De voorzitter en de leden van de Raad worden benoemd en ontslagen door de minister. 3. De benoeming van de leden van de Raad vindt plaats door de minister op voordracht van de Raad, de Directie van het NVI gehoord hebbende. 4. De werving en selectie vindt plaats aan de hand van een door de Raad, de Directie van het NVI gehoord hebbende, vast te stellen profielschets. 5. De leden dienen aantoonbare deskundigheid te bezitten op één of meer beleidsterreinen die voor de werkzaamheden van de Raad van belang zijn. 6. Leden van de Raad kunnen niet zijn: - a. minderjarigen; - b. ambtenaren werkzaam bij het NVI. Artikel 5. Benoeming van de voorzitter 1. De voorzi"},{"i":4065,"b":"Besluit tot het verlenen van mandaat ter zake van de toepassing van paragraaf 11c van het Sociaal Beleidskader Defensie 2012–2016 aan de Commandant Divisie Personeel en Organisatie Defensie Gelet op het [Algemeen Organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746) en het [Besluit toedeling uitvoerende personele bevoegdheden Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039990), Besluit: Artikel 1. Mandaatverlening Aan de Commandant Divisie Personeel en Organisatie Defensie wordt mandaat verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de toepassing van paragraaf 11c van het Sociaal Beleidskader Defensie 2012–2016. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Besluit tot het verlenen van mandaat ter zake van de toepassing van paragraaf 11c van het Sociaal Beleidskader Defensie 2012–2016 aan de Commandant Divisie Personeel en Organisatie Defensie."},{"i":2558,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 30 mei 2016, nr. ILT-2016/16814, voor het verlenen van ontheffingen voor micro- en minidrones Gelet op de [artikelen 2.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.1), en [3.21, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.21) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Ontheffing voor vluchten met RPA’s van niet meer dan 4 kg (minidrones) Op aanvraag wordt ontheffing verleend voor vluchten met een RPA als bedoeld in [artikel 10a, eerste lid, van de Regeling op afstand bestuurde luchtvaartuigen](onbekend) (Roabl), onder de in dat lid bedoelde beperkingen, van: - a. het verbod, bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.1) om een luchtvaartuig te bedienen zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of geldige bewijs van gelijkstelling, mits de aanvrager: - 1°. de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, en - 2°. kan aantonen te beschikken over voldoende bekwaamheid als bedoeld in de bijlage bij deze beleidsregel, om op een veilige manier deel te nemen aan het luchtverkeer met het op afstand bestuurde luchtvaartuig bedoeld onder b; - b. het verbod, bedoeld in [artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.8) om een vlucht uit te voeren met een luchtvaartuig dat niet is voorzien van een bewijs van luchtwaardigheid, mits met een bewijs van inschrijving als bedoeld in [artikel 3.1 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.1) wordt aangetoond dat de maximum toegelaten totaalmassa niet meer is dan 4 kg; - c. het verbod, bedoeld in [artikel 3.19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3"},{"i":2769,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2005 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 maart 2005, doch niet later dan 15 april 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,633 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2005 en eindigende met 15 april 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":3629,"b":"Besluit van 19 december 2016, houdende regels inzake het ten laste brengen van kosten hercontroles Metrologiewet (Besluit kosten hercontroles Metrologiewet) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 16 november 2016, nr. WJZ / 16174191; Gelet op [artikel 29 van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=29); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 november 2016, nr. W15.16.0377/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 15 december 2016, nr. WJZ /16191489; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **hercontrole:** aangekondigde, herhaalde controle van meetinstrumenten ter uitvoering van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&hoofdstuk=5) en [artikel 39 van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=39), waaronder eventueel noodzakelijk laboratoriumonderzoek, nadat bij een eerste controle een overtreding van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 5 en artikel 39 van de Metrologiewet is geconstateerd. Artikel 2 Voor hercontroles worden kosten ten laste gebracht van degene ten behoeve van wie deze werkzaamheden worden verricht. Artikel 3 De bedragen die Onze Minister ter vergoeding van de kosten van hercontroles in rekening brengt, en voor zover van toepassing de wijze van berekening daarvan, worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Artikel 4 Bij de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039114&artikel=3&z=2017-07-01&g=2017-07-01) bedoelde regeling wordt de hoogte van de door te berekenen kosten van de hercontroles vastgesteld op basis van de werkelijke kosten. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2017. Artikel 6 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kosten hercontroles Metrologiewet. Lasten en bevelen dat dit besluit met d"},{"i":1962,"b":"Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van enkele belastingwetten (herstel van enige onjuistheden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en enige daarmee samenhangende wetten, enige onjuistheden te herstellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 januari 2001. Artikel VIII werkt terug tot en met 30 december 2000. Artikelen IX, X en XI werken terug tot en met 1 juli 2001. Artikel I Wijzigt de Wet Inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel V Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VI Wijzigt de Wet ondernemerspakket 2001. Artikel VII Wijzigt de Wet van 14 december 2000, Stb. 568, tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Tariefwet 2001). Artikel VIII Wijzigt de Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IX Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel X Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XI Wijzigt de Douanewet. Artikel XII De [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011354&hoofdstuk=2) en [3 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011354&hoofdstuk=3) zoals die luiden na de wijzigingen ingevolge de wetten die voor 1 januari 2002 in het Staatsblad zijn of worden gepubliceerd, worden in het Staatsblad geplaatst. Artikel XIII 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001, met uitzondering van [artikel VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012898&artikel=VI"},{"i":1965,"b":"Wet van 8 november 2001 tot wijziging van de Vleeskeuringswet en de Warenwet inzake de heffing van retributies Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Vleeskeuringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001896) en de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) te wijzigen teneinde een wettelijke basis te scheppen voor het doorberekenen van de kosten van bepaalde keuringen en controles die krachtens verdragen of deze wetten worden verricht, alsook teneinde Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de bevoegdheid te verlenen instanties te belasten met de beoordeling van eet- of drinkwaren en andere daarmee samenhangende werkzaamheden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vleeskeuringswet. Artikel II Wijzigt de Warenwet. Artikel III Vervallen Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1966,"b":"Wet van 23 december 2009 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de afschaffing van de vliegbelasting Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168) te wijzigen in verband met de afschaffing van de vliegbelasting; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel Ia Voor bedragen die de exploitant van een luchthaven bij een luchtvaartmaatschappij in rekening heeft gebracht ter zake van door die exploitant verschuldigde vliegbelasting, blijven [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=78) en de daarop gebaseerde bepalingen van toepassing. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1967,"b":"Wet van 18 december 2003, houdende wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet op de accijns (implementatie richtlijn Energiebelastingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168) en de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) in overeenstemming te brengen met de [Richtlijn nr. 2003/96/EG](32003L0096) van de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEG L 283); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel II Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel III 1. [Artikel 37a van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=37a) vindt geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2004, voorzover het betreft de aanpassing van de bedragen vermeld in de [artikelen 25, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25), [36i, eerste, derde, vierde, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=36i), en [36l, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=36l). 2. [Artikel 27a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a) vindt geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2004. 3. [Artikel 84a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84a) vindt geen toepassing op de in [artikel II, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016210&artikel=II&z=2004-01-01&g=2004-01-01), bedoelde verhoging van de accijns"},{"i":4207,"b":"Besluit vaststelling subsidieplafond voor subsidiëring ex Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904), en gelet op [artikel 3 van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035122&artikel=3); Besluit: Artikel I Het subsidieplafond van het [Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035122) voor high – end TV- series is per 1 oktober 2017 € 10.000.000,– (zegge: tien miljoen euro). Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 oktober 2017."},{"i":2061,"b":"Besluit van 30 september 2019, houdende aanpassing van besluiten in verband met de invoering van de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren (Aanpassingsbesluit Wnra) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 juli 2019, nr. 2019-0000364482, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op de [artikelen 44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44), [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=72), en [89 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89), de [artikelen 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=9), en [22 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=22), [artikel 4.20, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20), [artikel 8 van de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060&artikel=8), de [artikelen 44, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=44), [66, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=66), [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=79) en [95, vierde lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=95), [artikel 5 van de Instellingswet W.R.R.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003043&artikel=5), de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003986&artikel=16) en [17 van de Intrekkingswet BB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003986&artikel=17), de [artikelen 12, onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12), en [12quater, eerste lid, onderdelen e en f, van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12quater), [artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":3038,"b":"Besluit tot aanwijzing vervoersdienst waarvoor het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein In overeenstemming met het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland; Gelet op [artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20); Besluit: Artikel 1 1. Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland is bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdienst, die de daarbij aangegeven stations verbindt: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Dordrecht – Geldermalsen | Dordrecht – Dordrecht Stadspolders – Sliedrecht – Hardinxveld-Giessendam – Gorinchem – Arkel – Leerdam – Beesd – Geldermalsen | 2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid heeft betrekking op het openbaar vervoer per trein na 9 december 2006. Artikel 2 1. Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland is bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdienst, die de daarbij aangegeven stations verbindt: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Gouda – Alphen aan den Rijn – Leiden | Gouda – Waddinxveen – Waddinxveen Noord – Boskoop – Alphen aan den Rijn – Leiden Lammenschans – Leiden | 2. Het eerste lid laat onverlet de rechten als bedoeld in artikel 2, van de concessie bedoeld in [artikel 69d, tweede lid van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=69d), voor het hoofdrailnet, als bedoeld in [artikel 69b van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=69b) tussen de stations Alphen aan den Rijn en Leiden. 3. De in het eerste lid bedoelde"},{"i":7164,"b":"Besluit van 27 november 1996 ter uitvoering van artikel 755, tweede lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 februari 1996, Directie Wetgeving, nr. 537925/96/7; Gelet op artikel 755, tweede lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek; De Raad van State gehoord (advies van 21 maart 1996, nr. W03.96.0056); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 20 november 1996, Directie Wetgeving, nr. 589125/96/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid uit hoofde van titel 7 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek voor de in het eerste lid van artikel 755, aanhef en onder **b**, bedoelde vorderingen kan worden beperkt, bedraagt voor schepen, die blijkens hun constructie uitsluitend of in hoofdzaak zijn bestemd tot het vervoer van personen en waarvan de tonnage niet groter is dan 300, 100.000 rekeneenheden. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking tegelijk met de wet van 31 oktober 1996, **Stb**. 548. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":6613,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 3 oktober 2025, nr. IENW/BSK-2025/136310, tot wijziging van de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk in verband met het reduceren van risico’s bij de opslag van consumentenvuurwerk [KetenID WGK027841] Gelet op [artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=2.1.1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk Artikel II Consumentenvuurwerk dat reeds in het bezit was van een particulier voordat deze regeling in werking trad, blijft aangewezen als consumentenvuurwerk tot 1 februari 2026. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 december 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6581,"b":"Besluit van 7 juni 1994, tot intrekking van enige tegemoetkomingen, wijziging van het vakantieverlof van dienstplichtigen en houdende een ontberingstoelage alsmede een uitbreiding van de tegemoetkoming in reiskosten Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 9 februari 1994, nr. PAV 6070/94003290; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) en artikel 2 van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen; De Raad van State gehoord (advies van 11 mei 1994, nr. W07.94.0080); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 27 mei 1994, nr. PAV 6070/94013924; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Het Besluit havenvergoeding militairen zeemacht wordt ingetrokken. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Voor dienstplichtigen die voor 1 januari 1994 voor eerste oefening in dienst zijn gekomen voor wie de duur van de eerste oefening 11 maanden of meer bedraagt, blijven de bepalingen van het Reglement rechtstoestand dienstplichtigen zoals die golden tot het moment van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing voor de duur van hun verblijf in werkelijke dienst voor eerste oefening. Artikel VII Dit besluit treedt in werking: - -. voor wat betreft [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006716&artikel=I&z=1994-07-08&g=1994-07-08), IV, onderdeel A, en VI met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1994; - -. voor wat betreft [artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006716&artikel=V&z=1994-07-08&g=1994-07-08) met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt voor dienstplichtigen van de Koninklijke landmacht en de Koninklijke luchtmacht voor"},{"i":5594,"b":"Rulingbeleid ten aanzien van BV1/BV2 structuren De Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken deelt namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende mede. Voor zeer aanzienlijke bedragen is zekerheid vooraf gevraagd ten aanzien van de fiscale consequenties van overnames en reorganisaties in Europa door het Amerikaanse bedrijfsleven. De structuur is zodanig vorm gegeven dat het betrokken Amerikaanse lichaam een overname of reorganisatie financiert met extern aangetrokken vreemd vermogen. Dit vermogen wordt volgens de volgende structuur doorgesluisd naar de houdstervennootschap in het land waar de overname plaatsvindt. Allereerst wordt het geld door het Amerikaanse lichaam doorgeleend aan haar 100% dochtermaatschappij BV1. BV1 brengt het geld als eigen vermogen in, in haar 100% dochtermaatschappij BV2. BV2 leent het geld vervolgens uit aan de houdstervennootschap in het land waar de overname plaatsvindt. Tussen BV1 en BV2 wordt in Nederland een fiscale eenheid aangevraagd. Binnen deze fiscale eenheid valt de rentebate van BV2 nagenoeg geheel weg tegen de rentelast van BV1. Er wordt een doorstroomfinancieringsruling gevraagd ter bepaling van het verschil tussen het rentepercentage op de ingeleende gelden en het rentepercentage op de uitgeleende gelden dat als winst in Nederland moet worden aangegeven. Ook wordt zekerheid vooraf gevraagd ten aanzien van de kapitaalsbelastingconsequenties. Op grond van geldende wetgeving in de Verenigde Staten (de zogenoemde Entity classification rules: check-the-box-regulations) bestaat in de Verenigde Staten de keuze om BV1 als transparant lichaam te laten aanmerken voor de wetstoepassing in de Verenigde Staten. Als BV1 als transparant lichaam wordt gekwalificeerd, dan wordt in de Verenigde Staten alleen de met eigen vermogen gefinancierde deelneming in BV2 herkend. In Nederland wordt een besloten vennootschap altijd als een niet transparant lichaam gekwalificeerd. Dit kwalificatieverschil leidt er bij de voorgelegde structuren toe dat"},{"i":2455,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 november 2015, nr. DGAN-PDJNG 15151244, houdende vaststelling van beleidsregels over de kwaliteit van de opvang van beschermde inheemse diersoorten, beschermde uitheemse diersoorten en diersoorten die niet zijn opgenomen (beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten) Gelet op [artikel 75, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640&artikel=75), en [79, eerste lid, van de Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640&artikel=79) en op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 1. Deze beleidsregel geldt voor opvangcentra die dieren van van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten of van niet van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten opvangen of gaan opvangen, ten aanzien waarvan over het vangen of onder zich houden regels zijn gesteld in [afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&afdeling=11.2), of die dieren opvangen van soorten of categorieën die ingevolge [artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2) verboden zijn om te houden, en heeft betrekking op: - a. het verlenen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in [artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onderdeel g, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), in samenhang met de [artikelen 11.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.46), [11.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.47) en [11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.54); - b. het stellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in [artikel 11.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.31) in samenhang met de [artikelen 1"},{"i":5780,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 22 maart 2022, nr. IENW/BSK-2022/51482, houdende vaststelling van regels ter bevordering van de aanschaf, ombouw en innovatie van schoon of emissieloos bouwmaterieel dat wordt gebruikt in de bouw (Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onder b en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanschaf:** verkrijging van de eigendom, bedoeld in [artikel 3:84, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=84) krachtens koop, of ‘financial leasing’, bedoeld in [paragraaf 3.2 van het besluit Omzetbelasting, leasing](onbekend) van 25 januari 2007, nr. CPP2006/2847M; - **aanvrager:** onderneming, niet zijnde een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid, een provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als bedoeld in de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740), die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, met een vestiging in Nederland en een subsidie aanvraagt op grond van deze regeling; - **Algemene groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); - **alternatieve energiedragers:** energiebronnen die dienen als vervanging van fossiele bronnen en die ertoe kunnen bijdragen dat de energievoorziening koolstofvrij wordt en de milieuprestaties van de bouwsector verbeteren; - **bouwsector:** se"},{"i":5833,"b":"Subtaak- en ondermandaatbesluit NSA gelet op de NATO Security Policy (Security Within the North Atlantic Treaty Organization, CM(2002)49-REV1), gelet op de Agreement between the Member States of the European Union, meeting within the Council, regarding the protection of classified information exchanged in the interest of the European Union (2011/C 202/05), gelet op de Council Decision on the security rules for protecting EU classified information (2013/488/EU), gelet op de Commission Decision on the security rules for protecting EU classified information (2015/444), gelet op de Regulations of the European Space Agency, Security Regulations (ESA/REG/004, rev.2), gelet op het [Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033507) (VIRBI), gelet op het [Besluit BVA-stelsel Rijksdienst 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044617), gelet op de door het Koninkrijk of het Ministerie van Defensie afgesloten General Security Agreements en Memoranda of Understanding inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde informatie, gelet op [artikel 27, eerste lid, onder f, van het Algemeen organisatiebesluit defensie 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=27), gelet op het [Algemeen mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit Defensie 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046551), Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - **DCSA:** Delegated Competent Security Authority; - **DSA:** Designated Security Authority; - **GSA:** General Security Agreement; - **Koninkrijk:** grondgebied van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - **mandaat of ondermandaat:** de bevoegdheid om in naam"},{"i":5777,"b":"Subsidieregeling projectopdrachten Bve-sector Gelet op [artikel 2.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.7) Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen Vervallen Artikel 2. Doel Vervallen Artikel 3. Toepasselijke voorschriften Awb ( 4:58) Vervallen Artikel 4. Begeleiding Vervallen Artikel 5. Voorafgaande toestemming rechtshandelingen Vervallen Hoofdstuk 2. Subsidieverstrekking Artikel 6. Boekjaar Vervallen Artikel 7. Subsidieverlening en voorwaarden Vervallen Artikel 8. Projectleider van het project Vervallen Artikel 9. Intellectuele eigendom Vervallen Artikel 10. Gegevens en resultaten van het project Vervallen Artikel 11. Publieke bekendheid projectopbrengst Vervallen Artikel 12. Gebruik van projectresultaten Vervallen Artikel 13. Overdracht van eigendom Vervallen Artikel 14. Betaling 1. Het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 4:31, eerste lid, van de Awb, wordt in twee gelijke gedeelten bij wijze van voorschot betaald. 2. 2. Indien in de beschikking tot subsidieverlening is vastgesteld dat het boekjaar een kalenderjaar is, geschiedt dit in het tweede en vierde kwartaal van het boekjaar. 3. Indien in de beschikking tot subsidieverlening is vastgesteld dat het boekjaar een studiejaar is, geschiedt dit in het eerste en derde kwartaal van het boekjaar. Artikel 15. Egalisatiereserve Vervallen Artikel 16. Vaststelling subsidie voor twee of meer boekjaren 1. De minister stelt de subsidie voor twee of meer boekjaren jaarlijks binnen dertien weken na ontvangst van de daartoe verstrekte periodieke gegevens, bedoeld in het tweede lid, ambtshalve vast. 2. De ambtshalve vaststelling van de subsidie geschiedt op basis van de aan de minister verstrekte periodieke gegevens, bedoeld in artikel 4:67, tweede lid, van de Awb. 3. Het leveren van periodieke gegevens gaat minimaal eenmaal per boekjaar vergezeld van een verklaring van de accountant als bedoeld in het derde lid van artikel 4:78 van de Awb. Artik"},{"i":5813,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 12 oktober 2017, nr. IENM/BSK-2017/230864, houdende regels voor verstrekking van subsidie aan de Stichting VeiligheidNL (Subsidieregeling VeiligheidNL) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4) en [5, onder b, f en h, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 4, onder b, f en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), en [23, vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu. Artikel 2. Activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt 1. De Minister kan aan de Stichting VeiligheidNL subsidie verstrekken voor: - a. het doen van onderzoek met betrekking tot vuurwerkletsel; - b. het geven van voorlichting ter voorkoming daarvan. 2. Geen subsidie wordt verstrekt voor zover de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn te kwalificeren als economische activiteiten. Artikel 3. Subsidiabele kosten Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven worden gehanteerd: - a. berekening op basis van integrale kostensystematiek; - b. berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of - c. een forfaitair vastgesteld uurtarief. Artikel 4. Subsidieplafond 1. Het subsidieplafond voor 2017 bedraagt: - a. € 44.500 voor het doen van onderzoek; - b. € 77.924 voor het geven van voorlichting. 2. De Minister stelt het subsidieplafond voor de jaren na 2017 vast en ma"},{"i":7593,"b":"CBP richtsnoeren: beveiliging van persoonsgegevens Samenvatting Verantwoord omgaan met persoonsgegevens valt of staat met een adequate beveiliging van de gegevens. In de praktijk blijkt dat de aandacht voor beveiliging nogal eens tekortschiet. In de media zijn vrijwel dagelijks berichten te vinden over datalekken door onvoldoende beveiliging, waardoor persoonsgegevens op straat liggen. Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) ontvangt ook regelmatig signalen over tekortschietende beveiliging en de kwalijke gevolgen ervan. Beveiliging van persoonsgegevens is een van de speerpunten van het handhavingsbeleid van het CBP. Het CBP houdt toezicht op de naleving van de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) (Wbp). [Artikel 13 van de Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=13) eist dat bedrijven en overheden die persoonsgegevens verwerken, ‘passende technische en organisatorische maatregelen’ nemen om persoonsgegevens te beveiligen. Voldoen aan de wettelijke normen Wanneer zijn beveiligingsmaatregelen nu ‘passend’ zoals de [Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) eist? Deze richtsnoeren leggen uit hoe het CBP bij het onderzoeken en beoordelen van beveiliging van persoonsgegevens in individuele gevallen de beveiligingsnormen uit de Wbp toepast. De richtsnoeren vormen de verbindende schakel tussen enerzijds het juridisch domein, met daarbinnen de eisen uit de Wbp, en anderzijds het domein van de informatiebeveiliging, waarin de noodzakelijke kennis en kunde aanwezig is om daadwerkelijk aan die eisen te voldoen. Dat betekent dat de richtsnoeren in samenhang moeten worden gebruikt met algemeen geaccepteerde beveiligingsstandaarden binnen de praktijk van de informatiebeveiliging, zoals de Code voor Informatiebeveiliging of de ict-beveiligingsrichtlijnen voor webapplicaties van het Nationaal Cyber Security Centrum. Op tijd beginnen Het uitgangspunt om tot een passende beveiliging te komen is dat"},{"i":2460,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 11 september 2012, nr. IenM/BSK-2012/162839, met betrekking tot het verstrekken van locatiegegevens bij de aanvraag om een vergunning voor een veldproef met een genetisch gemodificeerd gewas, en enige aan de vergunning te verbinden voorschriften (Beleidsregel locatie veldproef gg-gewassen) Gelet op [artikel 9.2.2.1, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), [9.2.2.3, eerste en vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.3) alsmede [artikel 23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004703&artikel=23), en [artikel 24, eerste lid, van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004703&artikel=24), Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Attenderingszone:** het gebied dat is gelegen rondom de buitenste begrenzing van het kadastrale perceel waarop een veldproef plaatsvindt en wordt begrensd door de grootte van de isolatieafstand; - b. **Besluit:** [Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004703); - c. **Bloeiperiode:** de periode vanaf het moment waarop de eerste genetisch gemodificeerde plant op het proefobject de eerste bloeiwijze vormt tot het moment waarop de laatste bloeiwijze is afgestorven; - d. **Categorie 1, categorie 2, categorie 3:** Categorie 1, categorie 2 onderscheidenlijk categorie 3 als bedoeld in advies CGM/081125-02 van 25 november 2008 van de Commissie genetische modificatie; - e. **Gg-gewas:** genetisch gemodificeerd gewas; - f. **Grootte van de aangevraagde locatie:** de aangevraagde maximale omvang van het proefobject; - g. **Isolatieafstand:** de afstand vanaf de buitenste begrenzing van het proefobject waarbinnen geen commerciële teelt van hetzelfde, niet genetisch gemodificeerde, gewas mag voorkomen;"},{"i":4726,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Financiën van 5 september 2005, nr. WJZ 5051172, houdende vervanging van het Instellingsbesluit agentschap Inspectie Verkeer en Waterstaat/Divisie Telecom in verband met instelling van het Agentschap Telecom Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Er wordt een agentschap ingesteld, waarvan de naam komt te luiden: Rijksinspectie Digitale Infrastructuur. 2. Aan de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur wordt de status van baten-lastendienst als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10), verleend. Artikel 2 Het [Instellingsbesluit agentschap Inspectie Verkeer en Waterstaat/Divisie Telecom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012689) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 22 juli 2002. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Rijksinspectie Digitale Infrastructuur. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10094,"b":"Besluit van 7 oktober 2004, houdende regels met betrekking tot de afgifte, de ontvangst en het vervoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 april 2004, nr. MJZ2004039319, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 10.41 tot en met 10.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.41) en [10.44, derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.44), [artikel 21.8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.8) voorzover het betreft de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017294&paragraaf=4&artikel=8&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017294&paragraaf=4&artikel=9&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017294&paragraaf=5&artikel=10&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en [artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=24) voorzover het betreft [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017294&paragraaf=3a&artikel=7&z=2025-07-01&g=2025-07-01); De Raad van State gehoord (advies van 28 juni 2004, nr W08.04.0159/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 oktober 2004, nr. MJZ 2004093834, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de wet**: de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245); - b. **afvalstoffenlijst**: afvalstoffenlijst als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Regeling Europese afvalstoffenlijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013546&artikel=1); - c."},{"i":2156,"b":"Aanwijzing handhaving Telecommunicatiewet (hoofdstukken 3 en 10) Samenvatting De [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) (Tw) kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. Deze aanwijzing beschrijft in welke gevallen en op welke wijze een overtreding van de Tw strafrechtelijk wordt gehandhaafd. De aanwijzing onderstreept het belang van een integrale aanpak voor een effectieve handhaving van de Tw en geeft aan wat dit concreet betekent. Deze aanwijzing geeft regels voor de opsporing en vervolging bij de overtreding van de strafrechtelijk te handhaven bepalingen in de [hoofdstukken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&hoofdstuk=3) en [10 van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&hoofdstuk=10). De aanwijzing schetst hoe wordt opgetreden bij geconstateerd gebruik van **jammers** (blokkeerzenders van onder meer mobiele-telefonie- en GPS-signalen). Daarnaast geeft de aanwijzing regels voor de strafrechtelijke aanpak bij een verstoring van frequentieruimte. De aanwijzing maakt hierbij onderscheid tussen illegaal gebruik van omroepfrequenties en illegaal gebruik van overige frequenties (bijvoorbeeld door gebruikers van een marifoon, mobilofoon, portofoon zonder registratie of vergunning). Ten slotte bespreekt de aanwijzing wanneer strafrechtelijk wordt opgetreden bij het aantreffen van uitrusting1Uitrusting is in artikel 1.1 Tw gedefinieerd als: elk apparaat of vaste installatie. Een vaste installatie is een specifieke combinatie van verschillende soorten apparaten en eventuele andere inrichtingen, die samengebouwd, geïnstalleerd en bestemd zijn voor permanent gebruik op een van te voren vastgestelde locatie. of (radio)apparaten2Een radioapparaat wordt in artikel 1.1 Tw gedefinieerd als: een elektrisch of elektronisch product data.doelbewust radiogolven uitzendt of ontvangt ten behoeve van radiocommunicatie of radiodeterminatie, ofb.moet worden aangevuld met een accessoire om doelbewust rad"},{"i":7158,"b":"Tweede Protocol waarbij aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bepaalde bevoegdheden worden toegekend inzake de uitlegging van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), Overwegende dat het [Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003771), ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, hierna „het Verdrag van Rome inzake verbintenissen\" te noemen, in werking treedt na het nederleggen van de zevende akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; Overwegende dat de eenvormige toepassing van de bij het [Verdrag van Rome inzake verbintenissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003771) ingestelde regels de invoering van een regeling vereist die de eenvormige uitlegging daarvan waarborgt en dat daartoe aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de nodige bevoegdheden dienen te worden verleend, nog voordat het Verdrag van Rome inzake verbintenissen ten aanzien van alle Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap van kracht is, Hebben besloten het onderhavige Protocol te sluiten en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Paul de Keersmaeker Staatssecretaris voor Europese Zaken en Landbouw, toegevoegd aan de Minister voor Buitenlandse Betrekkingen Hare Majesteit de Koningin van Denemarken: Knud Erik Tygesen Staatssecretaris de President van de Bondsrepubliek Duitsland: Irmgard Adam-Schwaetzer Adjunct-Minister van Buitenlandse Zaken de President van de Helleense Republiek: Théodoros Pangalos Onderminister van Buitenlandse Zaken Zijne Majesteit de Koning van Spanje: Francisco Fernandez Ordoñez Minister van Buitenlandse Zaken de Presid"},{"i":5078,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juli 2011, nr. C/2011/12042, houdende de inrichting van de organisatie van de directie Communicatie alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Communicatie (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Communicatie 2011) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024991&artikel=3), en [11 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit secretaris-generaal SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024991&artikel=11); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **ministerie:** het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **directie Communicatie:** de directie Communicatie van het ministerie; - c. **directeur:** de functionaris die leiding geeft aan de directie Communicatie. § 2. Organisatie Artikel 2 Onder de directeur ressorteren de volgende afdelingen: - a. de afdeling Woordvoering en Publiciteit; - b. de afdeling Strategische Communicatie; - c. de afdeling Creatie en Publieksinformatie; - d. de afdeling Omgevingskennis en Responsiviteit. Artikel 3 Elk van de afdelingshoofden is verantwoordelijk voor: - a. het op orde hebben van de administratieve organisatie en informatiebeveiliging van de eigen afdeling; - b. het formuleren van het directieplan ten aanzien van de eigen afdeling; - c. het rapporteren aan de directeur over de uitvoering van het directieplan betreffende de eigen afdeling; - d. het opstellen van de begroting met betrekking tot de taken van de afdeling; - e. het bewaken van de voortgang en uitputting van het afdelingsbudget en andere budgetten waarvan zij de budgethouder zijn; - f. het zorgdragen voor de administratieve en financiële voorbereiding van het factuur afhandelingsproces; - g. het zorgdragen voor de binnen de eigen afdeling vastgelegde mandaten; - h. het behandelen van klachten als"},{"i":5101,"b":"Besluit van 15 mei 2015, houdende vaststelling van de zetel en de organisatie van de raad voor de kinderbescherming (Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming 2015) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 3 april 2015, nr. 630828, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 238, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=238); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 april 2015, nr. W03.15.0101/II; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 mei 2015, nr. 640555, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De raad voor de kinderbescherming is gevestigd te Den Haag. 2. De raad staat onder leiding van een algemeen directeur, die wordt bijgestaan door vier directieleden. Zij vormen gezamenlijk de landelijke directie. 3. De algemeen directeur wordt, waar nodig, vervangen door een van de in het tweede lid bedoelde directieleden. De vervanging wordt in onderling overleg bepaald. Artikel 2 1. De raad heeft een landelijke staforganisatie en is werkzaam in tien gebieden, waarbinnen meerdere locaties de wettelijke taken van de raad uitvoeren. De landelijke staforganisatie heeft tot taak de landelijke directie en de gebieden te ondersteunen bij de uitvoering van hun wettelijke taken. 2. De gebieden en locaties, bedoeld in het eerste lid, zijn: - a. Noord-Nederland met de locaties Leeuwarden en Groningen; - b. Oost-Nederland met de locaties Zwolle, Almelo en Arnhem; - c. Midden-Nederland met de locaties Lelystad en Utrecht; - d. Amsterdam met de locatie Amsterdam; - e. Noord-Holland met de locaties Alkmaar en Haarlem; - f. ’s-Gravenhage met de locatie ’s-Gravenhage; - g. Rotterdam met de locatie Rotterdam; - h. Zeeland-West-Brabant met de locaties Middelburg en Breda; - i. Oost-Brabant met de locaties ’s-Hertogenbosch en Eindhoven, en - j. Limburg met de lo"},{"i":5089,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juli 2019, nr. 2019-0000097652, houdende de inrichting van de directie Kinderopvang, alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Kinderopvang (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit KO 2019) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042435&artikel=3), en [15 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directeur-generaal Werk 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042435&artikel=15); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directie:** de directie Kinderopvang van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **directeur:** de directeur Kinderopvang; - c. **plaatsvervangend directeur:** het afdelingshoofd Stelsel, Toegankelijkheid & Kennis. § 2. Organisatie en taken Artikel 2 1. De directie bestaat uit de volgende afdelingen: - a. Afdeling Kwaliteit, Toezicht & Veiligheid; - b. Afdeling Stelsel, Toegankelijkheid & Kennis - c. MT-lid herziening financieringsstelsel kinderopvang. 2. De directeur, de afdelingshoofden en het MT-lid herziening financieringsstelsel kinderopvang vormen tezamen het Managementteam (MT) van de directie. 3. De directie werkt met een flexibele structuur. Afhankelijk van de beleidsopgaven waarmee de directie zich geconfronteerd ziet, kan het MT een directiestructuur hanteren die past bij deze opgaven. Hierbij kan bijvoorbeeld gewerkt worden met clusters, projecten, programma’s en/of teams. Artikel 3 De directeur, de afdelingshoofden en het MT-lid herziening financieringsstelsel kinderopvang zijn verantwoordelijk voor: - a. het uitvoeren van programma’s en projecten zoals toegewezen door de directeur of vermeld in het jaarplan van de directie; - b. het algemeen beheer, coördineren en implementeren van wet- en regelgeving op het gebied van de kwaliteit en de veiligheid van de kinderopvang; - c."},{"i":5095,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 januari 2024, nr. 2024-0000013768, houdende de inrichting van de Rijksschoonmaakorganisatie alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur van de Rijksschoonmaakorganisatie (Organisatie-, Mandaat- en Volmachtbesluit RSO) Gelet op de [artikelen 3, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=3), [7, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=7) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=8), van het Organisatie-, Mandaat- en Volmachtbesluit plaatsvervangend Secretaris-Generaal 2009 SZW; Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 1. In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de directie:** de directie Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) van het Ministerie SZW; - b. **de directeur:** de directeur van de Rijksschoonmaakorganisatie; - c. **het afdelingshoofd:** de functionaris die leidinggeeft aan een afdeling; - d. **de clustermanager:** de functionaris die rechtstreeks ressorteert onder een afdelingshoofd en die leidinggeeft aan het aan hem toegewezen cluster; - e. **de dienstverleningsmanager:** de functionaris die rechtstreeks ressorteert onder het afdelingshoofd Operatie en die leiding geeft aan de aan hem toegewezen verzorgingsregio. 2. In afwijking van het eerste lid, onder d, ressorteert de manager Human Resources Ondersteuning rechtstreeks onder de manager Human Resources. § 2. Organisatie Artikel 2 1. De directie bestaat uit de volgende afdelingen: - a. de afdeling Operatie; - b. de afdeling Bedrijfsvoering & Bestuursondersteuning (BV& BO). 2. Aan het hoofd van iedere afdeling staat een afdelingshoofd. 3. De afdeling Operatie bestaat uit de volgende organisatieonderdelen: - a. het cluster Dienstverlening, met aan het hoofd de manager Dienstverlening; - b. het cluster Verzorgingsregio’s, met aan het hoofd van iedere verzorgingsregio een dienstverleningsmanager (DVM"},{"i":4980,"b":"Model jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording 2020 Bestuurlijke verantwoording 2020 1. Algemeen 1.1. Inleiding Het CAK is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het CAK is belast met het uitvoeren van uit wetten en regelingen voortvloeiende publiekrechtelijke werkzaamheden. Het CAK dient zich over het jaar 2020 te verantwoorden over de uitvoering van de taken die worden gefinancierd vanuit verschillende domeinen. Hierbij treft u het Model jaarverslaggeving CAK aan, ten behoeve van de door het CAK op te stellen bestuurlijke verantwoording over het jaar 2020. In dit model worden de criteria aangegeven waaraan de bestuurlijke verantwoording moet voldoen. Dit hoofdstuk beschrijft de verantwoordingsplicht van het CAK over de uitvoering van de [Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) (Wtcg)1Afgeschaft per 1 januari 2014., de Ouderbijdrage [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) (ObJw)2Afgeschaft per 1 januari 2016., de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ)3Afgeschaft per 1 januari 2015., de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz), de [Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031) (Wmo),de Compensatieregeling eigen risico (CER)4Afgeschaft per 1 januari 2014. als onderdeel van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), hierna samen benoemd als de ‘wettelijke taken’. Het CAK is belast met het uitvoeren van publiekrechtelijke werkzaamheden. De wettelijke taken bestaan uit 13 specifieke taken en regelingen. Hiervan is een aantal reeds afgeschaft en vindt enkel nog de afwikkeling plaats door het CAK. Dit betreft als volgt: **Aflopende taken en regelingen:** **Doorlopende taken en regelingen:** Ook beschrijft dit hoofdstuk welke verantwoordingsdocumenten het CAK v"},{"i":5038,"b":"Ondermandaat, -volmacht en -machtigingsbesluit Defensie Materieel Organisatie 2013 Gelet op [artikel 3, eerste lid, van het Ondermandaat, -volmacht en -machtigingsbesluit SG Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034185&artikel=3); Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a). **bewindspersoon:** de Minister van Defensie, onderscheidenlijk de Staatssecretaris van Defensie; - b). **hoofd van een organisatie-eenheid:** degene die is belast met de leiding over een organisatie-onderdeel als bedoeld in artikel 1 van het Subtaakbesluit Defensie Materieel Organisatie 2013; - c). **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon besluiten te nemen; - d). **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e). **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. Bij afwezigheid van de Directeur Defensie Materieel Organisatie wordt het aan hem verleende mandaat, volmacht en machtiging verleend aan zijn waarnemer. 2. Aan het hoofd van een organisatie-eenheid, dan wel (bij diens afwezigheid) zijn waarnemer, wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van andere handelingen ter uitvoering van de taken die ingevolge de artikelen 2 tot en met 9 van het Subtaakbesluit Defensie Materieel Organisatie 2013 tot zijn werkterrein behoren. 3. De verlening van bevoegdheden als bedoeld in het eerste en tweede lid, is niet van toepassing op: - •. de bevoegdheid tot het beslissen op een bezwaarschrift indien degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, het besluit krachtens mandaat heeft genomen; - •. stukken bestemd voor de Nationale Ombudsman; - •. voordrachten voor onderscheidingen; - •. beslissingen en stukken over onderwerpen met een principieel beleidsmatig of een mogelijk gevoelig karakter. Artikel 3 Het On"},{"i":4725,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 november 2023, nr. 2023-0000653070 tot instelling van de regeringscommissaris Omgevingswet (Instellingsbesluit regeringscommissaris Omgevingswet) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1. (Begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **regeringscommissaris:** regeringscommissaris [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048940&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01). Artikel 2. (Instelling) 1. Er is een regeringscommissaris [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885). 2. De regeringscommissaris is onder verantwoordelijkheid van de minister belast met advisering over de kwaliteit, eenheid en doorontwikkeling van het wettelijk stelsel van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885). 3. De regeringscommissaris wordt ingesteld tot 1 januari 2029. De minister kan de instellingsduur eenmalig met ten hoogste vijf jaren verlengen. 4. De regeringscommissaris ressorteert rechtstreeks onder de secretaris-generaal. Artikel 3. (Taken) De regeringscommissaris heeft de volgende taken: - a. gevraagd en ongevraagd adviseren van de minister en de ministers die het mede aangaat over en het doen van voorstellen voor de kwaliteit, eenheid of doorontwikkeling van het wettelijk stelsel van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885); - b. signaleren en agenderen van belangrijke ontwikkelingen rondom het wettelijk stelsel van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885); en - c. bij de uitvoering van de taken onder a en b: zorgen voor verbinding met de uitvoeringspraktijk, bestuur, wetenschap en rechterlijke macht. Artikel 4. (Ondersteuning) De regeringscommissaris wordt voor de werkzaamheden ondersteund door de dir"},{"i":2184,"b":"Aanwijzing opsporing en behandeling militaire zaken Samenvatting Deze aanwijzing beschrijft eerst de doelstellingen en uitgangspunten met betrekking tot de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, voor zover die door Nederlandse militairen wordt geschonden. Daarna wordt ingegaan op de prioriteiten bij de opsporing. Verder wordt ingegaan op de verhouding tussen het (militair) strafrecht en het militair tuchtrecht. Vervolgens wordt stilgestaan bij de verhouding tot en afwijkingen van Aanwijzingen ten behoeve van militaire zaken. Tenslotte worden meer praktische aanwijzingen gegeven ten aanzien van de consultatie door de hulpofficier van Justitie van de officier van Justitie, ten aanzien van transigabele feiten c.q. feiten die met een strafbeschikking kunnen worden afgedaan en ten aanzien van inhoud en inzending van processen-verbaal. Achtergrond [Artikel 2 Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=2) (MSr) bepaalt dat het gemene strafrecht toepasselijk is op de niet in dat wetboek omschreven strafbare feiten, behoudens de afwijkingen bij de wet vastgesteld, begaan door Nederlandse militairen of daarmee gelijkgestelde personen. Voor de leesbaarheid van deze Aanwijzing zal verder over militairen worden gesproken. Met [artikel 2 MSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=2) heeft de wetgever geenszins beoogd het militaire strafrecht als **lex specialis** te zien ten opzichte van het commune strafrecht.1HR 23 december 1980, **MRT** 1981, p. 300. Militairen kunnen van feiten verdacht worden waar hun militaire status vanuit strafvorderlijk oogpunt van geen of geringe betekenis is. Dat zal in beginsel het geval zijn als strafbare feiten buiten diensttijd worden gepleegd. Als strafbare feiten tijdens diensttijd worden gepleegd, dan kunnen de militaire status van de verdachte en de ‘militaire omstandigheden’ vanuit strafvorderlijk oogpunt wel degelijk relevant zijn en zowel strafverzwarend als strafverminde"},{"i":2185,"b":"Aanwijzing opsporing en vervolging ambtelijke corruptie in Nederland Samenvatting Deze aanwijzing geeft de kaders waarmee rekening moet worden gehouden bij de opsporing en vervolging van ambtelijke corruptie in Nederland en heeft als doel interne regels te stellen voor de wijze van opsporing en vervolging van ambtelijke corruptie in Nederland. De aanwijzing ziet zowel op de omkopende partij (burgers/bedrijven) als op de omgekochte partij (ambtenaren). 1. Opsporing Onderzoek naar ambtelijke corruptie in Nederland wordt in beginsel door de rijksrecherche1Taken en inzet van de rijksrecherche zijn geregeld in de Aanwijzing taken en inzet rijksrecherche. uitgevoerd. De rijksrecherche kan op grond van [artikel 60 Politiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=60) bijstand ontvangen van de nationale politie. De rijksrecherche kan gelet op haar bijzondere expertise bijstand verlenen aan andere opsporingsdiensten en/of deelnemen aan gecombineerde onderzoeksteams. Onderzoeken naar ambtelijke corruptie richten zich zowel op de omkoper als op de omgekochte ambtenaar. Financieel rechercheren is in de regel een vast onderdeel van elk corruptieonderzoek, enerzijds ten behoeve van een eventuele ontnemingsprocedure, anderzijds omdat financieel onderzoek waardevolle gegevens kan opleveren voor de bewijsvoering in de corruptiezaak zelf. 2. Procedure In alle gevallen waarin in een lopend onderzoek of nog te starten onderzoek inzet van de rijksrecherche gewenst is, informeert de (rijks)rechercheofficier van het betreffende OM-onderdeel de landelijk coördinerend officier van justitie rijksrecherche (LOvJ RR). De LOvJ RR neemt – in afstemming met de stuurgroep opsporing, de directie of de piketfunctionaris van de rijksrecherche – een voorlopige beslissing over de inzet van de rijksrecherche. De LOvJ RR informeert de Coördinatiecommissie Rijksrecherche (CCR). De CCR bepaalt of de inzet van de rijksrecherche inderdaad aangewezen is. Het besluit met betrekking tot de eve"},{"i":6498,"b":"Besluit van 16 april 1992, houdende wijziging van a de Bezoldigingsregeling militairen zeemacht 1947, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 november 1947, nr. 45 b het Besluit herziening bezoldiging militairen zeemacht 1954 (Stb. 50) c de Regeling inkomsten militairen land- en luchtmacht 1969 (Stb. 1968, 523) d het koninklijk besluit van 15 september 1988 (Stb. 435) en intrekking van het koninklijk besluit van 24 januari 1955 (Stb. 48), houdende bepalingen betreffende de geldelijke inkomsten van geestelijke verzorgers bij de strijdkrachten, in verband met wijziging van de financiële rechtspositie van militairen per 1 mei 1992 Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 31 januari 1992, Afdeling arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. PAV 92/6160/1742; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) (**Stb.** 519), [artikel 125 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) 1929 (**Stb.** 530) en artikel 2 van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen (**Stb.** 1971, 231); De Raad van State gehoord (advies van 30 maart 1992, nr. W07.92.0052) Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 13 april 1992, nr. PAV 92/6160/10072; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI. Overgangsmaatregel Aan de militair die op 30 april 1992 aanspraak had op bezoldiging volgens de schaal dan wel weddegenietend was, wordt op 1 mei 1992 een diensttijd toegekend, overeenkomend met: - 1. indien hij jonger is dan 22 jaar: zijn leeftijd en de letter J; - 2. indien hij 22 jaar of ouder is: zijn diensttijd geldende voor bezoldiging of voor wedde per 30 april 1992, vermeerderd met één dag. Artikel VII Dit besluit treedt in we"},{"i":6942,"b":"Besluit vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 2010 (ex artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen) Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2010: | Categorie 1 | € 60,00 | voor vierwielige personenauto’s en bestelauto’s | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | € 20,00 | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1 | | Categorie 3 | € 60,00 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers | | Categorie 4 | € 60,00 | voor aanhangwagens en opleggers bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3 | | Categorie 6 | € 20,00 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 4, 7 of 8 behorende motorrijtuigen | | Categorie 7 | € 20,00 | voor landbouwwerktuigen | | Categorie 8 | € 20,00 | voor rijwielen met hulpmotor | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7863,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2022 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op 9,20%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045942&artikel=1&z=2022-01-01&g=2022-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op 7,95%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2022. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7862,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2021 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op 9,20%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044399&artikel=1&z=2021-01-01&g=2021-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op 7,95%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2021. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":2202,"b":"Aanwijzing speciale beschermingszones; Bargerveen Besluit: Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) wordt het volgende gebied aangewezen: het op de bijlage bij deze regeling op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Bargerveen’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een bij deze regeling behorende toelichtende nota. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de Staatscourant."},{"i":2203,"b":"Aanwijzing speciale beschermingszones; De Deelen Besluit: Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) wordt het volgende gebied aangewezen: het op de bijlage bij deze regeling op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘De Deelen’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een bij deze regeling behorende toelichtende nota. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de Staatscourant."},{"i":2204,"b":"Aanwijzing speciale beschermingszones; Deurnese Pelen Besluit: Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) wordt het volgende gebied aangewezen: het op de bijlage bij deze regeling op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Deurnese Peelgebieden’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een bij deze regeling behorende toelichtende nota. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de Staatscourant."},{"i":2205,"b":"Ministeriële regeling inzake de aanwijzing van de Stichting Toezicht Effectenverkeer als bedoeld in artikel 21, derde lid, van Richtlijn 89/298/EEG Gelet op artikel 21 van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 april 1989 tot coördinatie van de eisen gesteld aan de opstelling van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat moet worden gepubliceerd bij een openbare aanbieding van effecten (89/298/EEG); Besluit: Artikel I De Stichting Toezicht Effectenverkeer wordt aangewezen als de instantie bedoeld in artikel 21, derde lid, van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 april 1989 tot coördinatie van de eisen gesteld aan de opstelling van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat moet worden gepubliceerd bij een openbare aanbieding van effecten (89/298/EEG). Artikel II Deze regeling wordt in de Staatscourant geplaatst. Deze regeling treedt in werking met ingang van 20 juni 1991."},{"i":2206,"b":"Aanwijzing Stichting Denktank in de Autobranche (Stidenda) als organisatie die de belangen van de automobielbranche behartigt Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=44) en [artikel 9, onderdeel d, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=9); Besluit: Artikel 1 1. Als organisatie die de belangen van de automobielbranche behartigt, aan welke gegevens uit het kentekenregister kunnen worden verstrekt, wordt aangewezen: de Stichting Denktank in de Autobranche. 2. De verstrekking van de gegevens uit het kentekenregister heeft geen betrekking op: - a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens; - b. overige direct aan de geregistreerde natuurlijke persoon gerelateerde informatie. Artikel 2 De verstrekking van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011948&artikel=1&z=2000-12-21&g=2000-12-21) bedoelde gegevens aan de Stichting Denktank in de Autobranche geschiedt slechts voor zover de Stichting Denktank in de Autobranche deze gegevens behoeft voor de volgende doeleinden: - 1. wetenschappelijk onderzoek en statistiek, en - 2. het beheer van de volgende voertuiginformatiesystemen van de Stichting Denktank in de Autobranche of van derden ten behoeve van de automobielbranche: - a. veiligheids- en milieu-inspecties; - b. systemen voor de controle van kilometerstanden van voertuigen; - c. systemen voor het overschrijven van de motorrijtuigenbelasting; - d. systemen voor het bevragen van gegevens omtrent de belasting van voertuigen; - e. systemen waarin productinformatie, technische gegevens en prijzen van voertuigen zijn opgenomen; - f. systemen die gericht zijn op het aanmelden van uit te voeren onderhoud en reparaties alsmede het monteren van banden aan voertuigen; - g. systemen die gericht zijn op het completeren van voertuiginformatiesystemen; - h. systemen die gericht zijn op het in de bedrijfsvoorraad nemen en uit de bedrijfsvoorraad halen e"},{"i":2207,"b":"Aanwijzing strafvorderlijk optreden met betrekking tot journalisten Samenvatting Deze aanwijzing beschrijft de normen die het openbaar ministerie (OM) of de onder het gezag van het OM opererende opsporingsdiensten in acht moeten nemen bij strafvorderlijk optreden met betrekking tot een journalist of publicist. Omwille van de leesbaarheid wordt in deze aanwijzing verder alleen gesproken van journalisten en wordt daar steeds de hele groep personen mee bedoeld die recht op bronbescherming of een afgeleid recht op bronbescherming heeft. Verder wordt in deze aanwijzing met het toepassen van dwangmiddelen tevens bedoeld de inzet van opsporingsbevoegdheden. Ook ziet deze aanwijzing op internationale (waaronder Europeesrechtelijke) strafrechtelijke samenwerking, voor zover die betrekking heeft op journalisten. Voorop staat dat het in beginsel ongeoorloofd is om tegen een journalist dwangmiddelen in te zetten om de identiteit van een bron te achterhalen. Dat geldt ook als een dwangmiddel niet wordt ingezet met als doel om de identiteit van de bron te achterhalen, maar wel voorzienbaar is dat bronbescherming in het geding komt. Indien uitzonderlijke omstandigheden de inzet van een dwangmiddel in een dergelijk geval noodzakelijk kunnen maken, dan is vereist dat de hoofdofficier van justitie heeft ingestemd met toepassing van het dwangmiddel in het concrete geval en dat het College van procureurs-generaal tevoren in kennis is gesteld. Sinds de wetswijziging van 1 oktober 2018 is bij de toepassing van bepaalde dwangmiddelen een machtiging vooraf door de rechter-commissaris vereist indien de vordering betrekking heeft op een journalist. Deze aanwijzing schetst het juridisch kader van de journalistieke bronbescherming, geeft de reikwijdte van de begrippen ‘journalist’ en ‘bronbescherming’, gaat in op de uiteenlopende situaties waarin journalistieke bronbescherming aan de orde kan zijn en besteedt aandacht aan een aantal specifieke dwangmiddelen en aan verzoeken en bevelen in het k"},{"i":2208,"b":"Aanwijzing taken en inzet rijksrecherche Samenvatting Deze aanwijzing beschrijft met welke zaken de rijksrecherche is of kan worden belast en op welke wijze de besluitvorming betreffende de inzet van de rijksrecherche plaatsvindt. 1. Algemene uitgangspunten bij de inzet van de rijksrecherche De rijksrecherche is van oudsher een opsporingsinstantie met een speciale taak. Zij richt zich op de opsporing van door ambtenaren/overheidsfunctionarissen gepleegde misdrijven. Niet alle door deze functionarissen gepleegde misdrijven worden echter door de rijksrecherche onderzocht. Haar taken en inzet zijn afgebakend. Het doel van deze aanwijzing is dan ook ervoor te zorgen dat de rijksrecherche met name opereert op het terrein van die strafbare feiten die in ernstige mate de integriteit van de rechtspleging en het openbaar bestuur raken. De rijksrecherche wordt in beginsel niet belast met disciplinaire (integriteits)onderzoeken. De rijksrecherche voert oriënterende onderzoeken, feitenonderzoeken als bedoeld in [artikel 511a Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=511a) en opsporingsonderzoeken uit. Voor de oriënterende onderzoeken geldt dat het moet gaan om onderzoeken naar gedragingen, feiten en omstandigheden waaraan een strafrechtelijk aspect kleeft. Feitenonderzoeken zoals bedoeld in [artikel 511a Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=511a) zijn onderzoeken gericht op de vraag of het door een opsporingsambtenaar toegepaste geweld in overeenstemming is met de geweldsinstructie. Bij een oriënterend onderzoek kunnen geen opsporingsbevoegdheden of dwangmiddelen worden ingezet, bij een feitenonderzoek als bedoeld in [artikel 511a Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=511a) kan dat wel. De opsporingsonderzoeken die de rijksrecherche doet richten zich op de opsporing van misdrijven; voor (uitsluitend) overtredingen wordt de rijksrecherche niet in"},{"i":7360,"b":"Wet van 22 maart 2006 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de wijziging van bepalingen voor de financiële verslaggeving door verzekeringsmaatschappijen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Burgerlijk Wetboek te wijzigen met het oog op de verbetering van de kwaliteit en de transparantie van de financiële verslaggeving door verzekeringsmaatschappijen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II 1. De artikelen van deze wet zijn van toepassing op jaarrekeningen die worden opgesteld over de boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari volgend op de datum van de inwerkingtreding van deze wet. 2. Indien het bij Koninklijke Boodschap van 3 augustus 2004 ingediende voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht) (29 708) tot wet is verheven en in werking is getreden in een boekjaar dat is gelegen na de datum van de inwerkingtreding van deze wet, is in afwijking van het eerste lid artikel I, onderdeel C, vierde lid, van toepassing op jaarrekeningen die worden opgesteld over de boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari volgend op de datum van de inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":3192,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 juli 2025 nr. BOACAT2025/140, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Almere, Werk, Inkomen en Zorg Gelezen het verzoek van de gemeente Almere van 27 juni 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051241&artikel=2&z=2025-09-16&g=2025-09-16). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van sociaal rechercheur/toezichthouder [Wmo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) en [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) in dienst van gemeente Almere, afdeling Werk & Inkomen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambte"},{"i":2209,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid voor de orthodontisten Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14) (Stb. 1980, 646), laatstelijk gewijzigd bij wet van 20 november 1991 (Stb. 584); Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (advies van 24 juni 1994, vastgesteld in de vergadering van 20 juni 1994); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 26 juli 1994); Besluiten: Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: het Cotg) stelt ten behoeve van de personen en instellingen die in [artikel 1, onder B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006877&artikel=1&z=1994-08-27&g=1994-08-27), nummer 4, onderscheidenlijk [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006877&artikel=1&z=1994-08-27&g=1994-08-27), nummer 32 in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen voor zowel voor de ziekenfondspraktijk als de particuliere praktijk zodanige richtlijnen vast dat een neerwaartse aanpassing van de maximumtarieven een opbrengst van f 17 mln. voor 1994 bewerkstelligt. Uitgaand van ongewijzigd beleid en van het toegestane volume 1992 en een toegestane volumegroei 92–94, zou het totaal in rekening te brengen tarieven voor 1994 f 17 mln. meer bedragen dan het (exclusief definitieve loon- en prijsbijstellingen) voorlopige aanvaardbare niveau ad f 225 mln. 2. Tenzij het Cotg op voorstel van representatieve organisaties van organen voor gezondheidszorg en van ziektekostenverzekeraars anders besluit, neemt het Cotg generieke tariefmaatregelen. 3. In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg, bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gew"},{"i":2210,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 oktober 2017, kenmerk 1223404-167183-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake tarifering diagnostiek voor zeldzame visuele aandoeningen Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 4 juli 2017 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) om voor diagnostiek voor zeldzame visuele aandoeningen een maximumtarief vast te stellen (Kamerstukken II 2016/17, 29 248, nr. 305); Gezien de Besluitenlijst van de procedurevergadering van 13 september 2017 van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **maximumtarief:** bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat ten hoogste als tarief voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - –. **medisch specialistische zorg:** zorg als bedoeld in [artikel I.1 van de aanwijzing inzake invoering integrale tarifering medisch specialistische zorg en kaakchirurgie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035137&artikel=I.1)1Staatscourant 2014, 14914; - –. **prestatiebeschrijving:** prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2 1. De zorgautoriteit stelt ter uitvoer"},{"i":2213,"b":"Aanwijzing tbs bij vreemdelingen Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor het vorderen van tbs bij vreemdelingen, zie hiervoor met name hoofdstuk 2. Bij vreemdelingen ten aanzien van wie vaststaat of aannemelijk is dat zij niet rechtmatig in Nederland kunnen verblijven na afloop van de maatregel tot terbeschikkingstelling (tbs) wordt afgezien van het vorderen van tbs, mits dat gelet op het belang van de veiligheid van de samenleving verantwoord is. Als bij deze vreemdelingen toch een tbs-maatregel aangewezen is, dan zal dat in de regel een tbs met verpleging van overheidswege zijn1Zie ook § 2.2 onder Strafvordering hierna. In deze aanwijzing zal verder met ‘tbs’ steeds gedoeld worden op tbs met verpleging van overheidswege.. Tevens geeft deze aanwijzing in hoofdstuk 3 regels voor de executie van de tbs bij vreemdelingen. Uitgangspunt bij de executie van tbs bij vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf is dat, waar mogelijk, wordt ingezet op een snelle en veilige repatriëring naar het land van herkomst. 1. Achtergrond De tbs heeft primair de beveiliging van de maatschappij tot doel en subsidiair, voor zover mogelijk, de behandeling van de terbeschikkinggestelde (tbs-gestelde), gericht op het wegnemen danwel toereikend verminderen en beheersen van het recidivegevaar. In een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) wordt toegewerkt naar een veilige en verantwoorde terugkeer in de maatschappij. De tbs wordt opgelegd voor de duur van twee jaar en kan worden verlengd zo lang de veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid voor personen of goederen dat eist. Door middel van (gecontroleerde) verloven worden stapsgewijs steeds meer vrijheden verleend.2Dit verlof verloopt in opeenvolgende stappen met verschillende gradaties van toezicht en beveiliging:beveiligd en begeleid verlof; onbegeleid verlof; transmuraal verlof (verblijf buiten de kliniek); proefverlof. Daarmee kan worden getoetst of de tbs-gestelde nog steeds een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen"},{"i":2214,"b":"Aanwijzing tbs met voorwaarden en voorwaardelijke beëindiging van het bevel tot verpleging van overheidswege Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor het vorderen van een maatregel tot terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden en een voorwaardelijke beëindiging van het bevel tot verpleging en voor de executie van de tbs met voorwaarden en de voorwaardelijke beëindiging. Achtergrond De tbs is primair een beveiligingsmaatregel en kent twee vormen: de tbs met bevel tot verpleging van overheidswege en de – minder ingrijpende – tbs met voorwaarden. De maatregel tbs kan worden gevorderd bij een verdachte bij wie tijdens het begaan van een strafbaar feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Voorts moet er sprake zijn van een ernstig misdrijf (gevangenisstraf van vier jaar of meer of enkele specifiek benoemde delicten) en een gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen ([art. 37a Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a)). De wet noch de jurisprudentie stelt als eis dat er sprake moet zijn van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De tbs kan dan ook worden gevorderd zowel bij toerekeningsvatbaren, als bij verminderd toerekeningsvatbaren, als bij volledig ontoerekeningsvatbaren. De tbs kan worden gecombineerd met een tijdelijke gevangenisstraf, behalve wanneer sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Dan is er geen ruimte om naast de maatregel tbs een gevangenisstraf te vorderen. Bepalend voor de keuze voor het vorderen van een tbs met verpleging zijn de ernst van het indexdelict1Het delict ter zake waarvan de tbs-maatregel is opgelegd. en de mate van het recidivegevaar. Indien het recidivegevaar onvoldoende afgewend kan worden met behulp van voorwaarden, zal gekozen moeten worden voor een tbs met verpleging. Dat is eveneens het geval wanneer betrokkene zich niet bereid toont tot medewerking aan de voorwaarden of niet in staat is (bij"},{"i":7149,"b":"Rijkswet van 4 juli 2001, houdende het verlenen van toestemming aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Willem-Alexander Claus George Ferdinand, Prins van Oranje, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Jonkheer van Amsberg om een huwelijk aan te gaan met Máxima Zorreguieta Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat gelet op [artikel 28 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=28), het voorgenomen huwelijk van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Willem-Alexander Claus George Ferdinand, Prins van Oranje, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Jonkheer van Amsberg toestemming bij de wet behoeft; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Willem-Alexander Claus George Ferdinand, Prins van Oranje, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje- Nassau, Jonkheer van Amsberg, wordt toestemming verleend om een huwelijk aan te gaan met Máxima Zorreguieta. Artikel 2 Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7144,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 februari 2026, nr. 2026-0000064950, houdende invoering van regels met betrekking tot het loopbaanvervolg van bewindspersonen (Regeling vervolgfuncties bewindspersonen) [KetenID: WGK026982] Gelet op [artikel 2 van het Besluit regels vervolgfuncties bewindspersonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052295&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen in werking treedt. Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - −. **adviescollege:** Adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers als bedoeld in [artikel 1 van de Wet adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045946&artikel=1); - −. **besluit:** [Besluit regels vervolgfuncties bewindspersonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052295); - −. **wet:** [Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611). Artikel 2 1. Een verzoek om advies als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=2) wordt door de bewindspersoon of gewezen bewindspersoon elektronisch ingediend door op de website van het adviescollege het in de bijlage bij dit artikel vastgestelde formulier in te vullen. 2. Het adviescollege brengt de bewindspersoon of gewezen bewindspersoon schriftelijk op de hoogte van het recht om te worden gehoord, bedoeld in [artikel 2, vierde en zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=2). Artikel 3 1. Een verzoek om advies als bedoeld in de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=3), en [4, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=4) wordt schriftelijk door de Minister-President ingediend bij het adviescollege. 2. De bewindspersoon of gewezen bewindspersoon levert ten behoev"},{"i":7805,"b":"Wet van 25 februari 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken Allen, die deze zullen of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en verwerken, geregeld in [artikel 106a van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=106a), te bestendigen en de in de vreemdelingenadministratie opgenomen biometrische kenmerken te behouden, en de voorwaarden van de verstrekking van gezichtsopnames van vreemdelingen voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten vast te leggen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II Onze Minister van Asiel en Migratie zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de verwerking en vernietiging van biometrische gegevens van vreemdelingen in de vreemdelingenadministratie. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7797,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 25 juni 2018, nr. 2018-0000380848 tot wijziging van de Regeling basisregistraties adressen en gebouwen in verband met de modernisering van de basisregistratie Gelet op de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=14), en [17, tweede lid, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=17); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling basisregistraties adressen en gebouwen. Artikel II [Bijlage II bij de Regeling basisregistraties adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025961&bijlage=II) zoals die luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling blijft tot 1 januari 2020 van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2018. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst wordt uitgegeven na 29 juni 2018, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag dan de datum van uitgifte van die Staatscourant. Bijlage A. bij de Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 25 juni 2018, nr. 2018-… tot wijziging van de Regeling basisregistraties adressen en gebouwen in verband met de modernisering van de basisregistratie Wijzigt de Regeling basisregistraties adressen en gebouwen. Bijlage B. bij de Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 25 juni 2018, nr. 2018-… tot wijziging van de Regeling basisregistraties adressen en gebouwen in verband met de modernisering van de basisregistratie Wijzigt de Regeling basisregistraties adressen en gebouwen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7790,"b":"Besluit van 28 januari 2013, houdende wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens en het Besluit SUWI in verband met de aanscherping van het sanctiebeleid van de SZW-wetgeving Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 18 oktober 2012, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 313452, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=13), [artikel 62, vierde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=62), [artikel 64, achtste en tiende lid, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=64), [artikel 45, zevende en negende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=45), en [artikel 45, zevende en negende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=45); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 december 2012, no. W03.12.0430/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 17 januari 2013, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 337073, uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel II Wijzigt het Besluit SUWI. Artikel III De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdst"},{"i":7807,"b":"Wet van 11 november 2021 tot wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met het mogelijk maken van het in bepaalde gevallen weigeren van afgifte van een verklaring omtrent het gedrag op basis van politiegegevens Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in bepaalde gevallen de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag te kunnen weigeren op basis van politiegegevens en de [Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194) daartoe te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel II Onze Minister voor Rechtsbescherming zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7798,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 14 november 2011, nr. WJZ / 11114374, tot wijziging van de Regeling beperking toekenning nummers en de Regeling vergoedingen OPTA 2011 in verband met de invoering van nummers voor elektronische communicatiediensten voor geautomatiseerde toepassingen Gelet op de [artikelen 4.2, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.2) en [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=4) en [5 van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling beperking toekenning nummers. Artikel II Wijzigt de Regeling vergoedingen OPTA 2011. Artikel III In afwijking van [artikel II, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030660&artikel=II&z=2012-12-01&g=2012-12-01), bedraagt de jaarlijkse vergoeding voor het toezicht bij toekenning genoemd in tariefklasse 8 van de [bijlage](onbekend) voor de periode van 1 december 2011 tot en met 31 december 2011 € 0. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 december 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7804,"b":"Wet van 16 juli 2001 tot wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de invoering van de mogelijkheid door middel van een financieel instrument het optimaal gebruik van frequentieruimte te waarborgen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de mogelijkheid wordt ingevoerd om door middel van een financieel instrument het optimaal gebruik van frequentieruimte te waarborgen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Telecommunicatiewet. ARTIKEL II In afwijking van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van het Frequentiebesluit kan gedurende een jaar na de inwerkingtreding van deze wet een houder van een vergunning voor commerciële radio-omroep, als bedoeld in [artikel 1, onder e en x, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=1), een aanvraag tot verlenging van zijn vergunning ook indienen op een tijdstip dat ligt binnen een jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de periode waarvoor de vergunning is verleend verstrijkt. ARTIKEL III Vervallen ARTIKEL IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7620,"b":"NL aanvullende accreditatie-eisen certificeringsorganen Autoriteit Persoonsgegevens1De tekst van deze aanvullende eisen in de Engelse taal is authentiek. Bij interpretatieverschillen is de Engelse tekst leidend De Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) heeft op 8 juni 2021 het volgende besluit genomen inzake de aanvullende accreditatie-eisen voor certificeringsorganen met betrekking tot ISO/IEC 17065:2012 (hierna: ISO 17065) en overeenkomstig artikel 43, eerste lid, onder b, en artikel 43, derde lid, van de AVG: De onderstaande punten (afgezien van punt 9) verwijzen naar de secties in ISO 17065 en geven de aanvullende eisen weer voor de desbetreffende ISO 17065-normelementen. 0. Voorwoord De taken en verantwoordelijkheden van de AP en de Raad voor Accreditatie (hierna: RvA) als de nationale accreditatie-instantie (NAI) met betrekking tot accreditatie voor AVG-certificeringsschema’s zijn beschreven in de **Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming** (hierna: [UAVG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940)) en in een ministeriële regeling (**Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 16 mei 2018 tot aanwijzing van de Raad voor Accreditatie als accrediterende instantie als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming**).2Staatscourant 2018, 28116. De operationele procedures met betrekking tot de accreditatie voor AVG-certificeringsschema’s zijn vastgelegd in een informatieprotocol tussen de AP en de RvA.3Staatscourant 2020, 11507. 1. Reikwijdte Dit document bevat aanvullende eisen bij ISO 17065 voor de beoordeling van de competentie, de consistente werkwijze en de onpartijdigheid van AVG-certificeringsorganen. De reikwijdte van ISO 17065 wordt toegepast in overeenstemming met de AVG. In de EDPB-richtsnoeren inzake accreditatie en certificering wordt nadere informatie gegeven. De brede reikwijdte van ISO 17065, die producten, processen en diensten omvat, prevaleert niet boven de AVG of doet hier geen"},{"i":7629,"b":"Privacy-regeling centrale registratie tuchtrechtelijke gegevens Koninklijke Landmacht 1985 Gelet op de [Aanwijzingen van de minister-president van 7 maart 1975](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002958), (Stcrt. 1975, 50) en van 16 juli 1982, (Stcrt. 1982, 156) inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de Rijksoverheid; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beschikking wordt verstaan onder: Artikel 2. Doelstelling en gebruik 1. Het doel van de registratie is het vervaardigen van overzichten ten behoeve van het nemen van rechtspositionele- en justitiële beslissingen en het uitoefenen van controle op de juiste wetstoepassing. 2. De in de registratie opgenomen gegevens worden voor geen andere doeleinden gebruikt dan die met de in het eerste lid omschreven doelstelling verenigbaar zijn. Artikel 3. In de registratie opgenomen gegevens De registratie kan ten hoogste bevatten de gegevens die in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003865&bijlage=A&z=1986-09-19&g=1986-09-19) zijn vermeld. Artikel 4. Functioneren van de registratie 1. De bewerker ontvangt de desbetreffende opgemaakte formulieren, vertaalt een aantal verbale gegevens in code en controleert de ingevulde rubrieken op volledigheid. De bewerker verzorgt de omzetting van de aangeboden formulieren naar een machinaal leesbare gegevensdrager en draagt deze over aan de uitvoerder. De uitvoerder handelt overeenkomstig de voorschriften die de houder na overleg met hem opstelt. 2. De uitvoerder draagt zorg voor de verwerking van de mutaties. Hij handelt hierbij overeenkomstig de voorschriften die de bewerker na overleg met hem opstelt. De bewerker draagt zorg voor een verantwoorde controle, zowel op de nauwkeurigheid van de mutaties als op de verwerking daarvan in het bestand. 3. De gestrafte wordt bij het uitreiken van het desbetreffende straffenformulier gewezen op het recht van kennisneming en"},{"i":7626,"b":"Overeenkomst tussen de Drie Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de beveiliging van gegevens die aan de Verenigde Staten van Amerika worden overgedragen in verband met de initiële fase van een project voor de bouw en exploitatie in de Verenigde Staten van een installatie voor de verrijking van uranium gebaseerd op het gas-ultracentrifuge-procédé dat in de drie Europese landen is ontwikkeld De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord- Ierland (hierna te noemen „de Drie Regeringen”) en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika (hierna te noemen „de Regering van de Verenigde Staten); Gelet op de [Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake samenwerking bij de ontwikkeling en exploitatie van het gas-ultracentrifuge-procédé voor de produktie van verrijkt uranium](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004423), ondertekend te Almelo op 4 maart 1970 (hierna te noemen „het Verdrag van Almelo”); Geleid door de wens een voorlopig kader vast te stellen voor een project in de Verenigde Staten waarbij gebruik wordt gemaakt van het in de drie Europese landen ontwikkelde procédé voor de produktie van verrijkt uranium voor vreedzame doeleinden; Gezien de bereidheid van de Drie Regeringen om de overdracht van gerubriceerde en tot de industriële eigendom behorende gegevens met betrekking tot dit gas- ultracentrifuge-procédé voor gebruik in de Verenigde Staten toe te staan; Overwegende dat de Drie Regeringen als Partijen bij bovengenoemde Overeenkomst internationale verplichtingen zijn aangegaan met betrekking tot het gebruik en de behandeling van gegevens, uitrusting en grondstoffen of bijzond"},{"i":7622,"b":"Overeenkomst inzake de Internationale Organisatie voor Telecommunicatiesatellieten Preambule De Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst, Gelet op het in Resolutie 1721 (XVI) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties neergelegde beginsel, volgens hetwelk de communicatie door middel van telecommunicatiesatellieten beschikbaar dient te zijn voor alle landen ter wereld, zonder onderscheid, zodra zulks uitvoerbaar is, Gelet op de ter zake dienende bepalingen van het Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte met inbegrip van de maan en andere hemellichamen en in het bijzonder op artikel I van deze Overeenkomst, waarin wordt vastgesteld dat de kosmische ruimte dient te worden benut ten voordele en in het belang van alle landen, Erkennende dat de Internationale Organisatie voor Telecommunicatiesatellieten in overeenstemming met haar oorspronkelijke doel een wereldwijd satellietsysteem in het leven heeft geroepen voor het leveren van telecommunicatiediensten in alle gebieden ter wereld, hetgeen heeft bijgedragen aan de wereldvrede en begrip, In acht nemende dat de 24e Vergadering van Partijen van de Internationale Organisatie voor Telecommunicatiesatellieten heeft besloten tot herstructurering en privatisering door oprichting van een private onderneming onder toezicht van een intergouvernementele organisatie, Erkennende dat de toegenomen concurrentie in de levering van telecommunicatiediensten de Internationale Organisatie voor Telecommunicatiesatellieten ertoe heeft genoopt haar ruimtesysteem over te dragen aan de in artikel I, lid d, van deze Overeenkomst omschreven Onderneming zodat het ruimtesysteem bij voortduring op een commercieel levensvatbare wijze kan worden geëxploiteerd, Beogend dat de Onderneming de in artikel III van deze Overeenkomst vervatte Grondbeginselen zal naleven en op commerciële basis de voor kwalitatief hoogwaardige en betrouwbare internationale"},{"i":7619,"b":"NAVO-Overeenkomst inzake de uitwisseling van technische gegevens voor defensiedoeleinden De Regeringen van België, Canada, Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Portugal, Turkije, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika; Partij bij het op 4 april 1949 te Washington ondertekende [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760); Overwegend dat [artikel 3 van het Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760&artikel=3) bepaalt dat de Partijen hun individueel en collectief vermogen om een gewapende aanval te weerstaan zullen handhaven en ontwikkelen door zichzelf te versterken en elkander hulp te verlenen; Overwegend dat een zodanig vermogen onder andere zou kunnen worden ontwikkeld door de uitwisseling van technische gegevens in particulier bezit om mee te werken aan defensie-onderzoek, ontwikkeling en vervaardiging van militaire uitrusting en materiaal tussen de Regeringen die Partij zijn en de NAVO-organisaties; Overwegend dat de rechten van eigenaars van in particulier bezit zijnde technische gegevens, welke zijn uitgewisseld, dienen te worden erkend en beschermd; Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel I Voor de toepassing van deze Overeenkomst: - (a). wordt onder „voor defensiedoeleinden” verstaan: met het oog op versterking van het individuele of collectieve defensievermogen van de Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), hetzij op grond van nationale, bilaterale of multilaterale programma's, hetzij bij de uitvoering van NAVO-projecten voor onderzoek, ontwikkeling, produktie of logistiek; - (b). wordt onder „technische gegevens in particulier bezit” verstaan: inlichtingen die technisch van aard zijn, uitvoerig genoeg om er gebruik van te maken en nuttig voor de industrie, alleen bekend aan de eigenaar en zijn ingewijden en dientengevolge niet beschikbaar voor"},{"i":7618,"b":"Nadere regeling Gegevensuitvraag beheersingsmodel toetreders 2010 en 2011 Ingevolge [artikel 61, eerste lid van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=61) (Wmg) is onder meer een ieder gehouden om desgevraagd aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) of een door haar aangewezen persoon kosteloos de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de uitvoering van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) van belang kunnen zijn; Ingevolge [artikel 68, eerste lid van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68), kan de NZa regels stellen die inhouden door wie, aan wie en op welke wijze deze gegevens en inlichtingen moeten worden verstrekt, alsmede dat een accountant de juistheid van de verstrekte gegevens en inlichtingen bevestigt; Heeft op grond van deze artikelen de volgende nadere regel vastgesteld: 1. Reikwijdte Deze regel is van toepassing op - –. instellingen voor medisch specialistische zorg (voorheen: academische en algemene ziekenhuizen, ZBC’s en zelfstandige radiotherapeutische centra) voor zover deze zijn gestart met het leveren van zorgprestaties op of na 1 januari 2010 en vóór 1 juli 2011; - –. zorgaanbieders die geneeskundige zorg leveren zoals medisch specialisten die bieden voor zover deze zijn gestart met het leveren van zorgprestaties op of na 1 januari 2010 en vóór 1 juli 2011; Deze regel is echter niet van toepassing op: - –. hierboven niet genoemde categorale instellingen en (uitsluitend) daar werkzame zorgaanbieders die geneeskundige zorg leveren zoals medisch specialisten die bieden; - –. kaakchirurgen; - –. psychiaters werkzaam voor Psychiatrische Afdelingen van Algemene Ziekenhuizen (PAAZ-en) en Psychiatrische Universiteits Klinieken (PUK-en); - –. zorgaanbieders die geneeskundige zorg leveren zoals medisch specialisten die bieden en die uitsluitend werkzaam zijn in een solo-praktijk of in een (privé)kliniek waar uitsluitend derde-compartimentzorg wo"},{"i":7628,"b":"Overeenkomst tussen Staten die partij zijn bij het Noordatlantisch Verdrag, tot samenwerking inzake atoomgegevens Preambule De Staten die Partij zijn bij het op 4 april 1949 te Washington ondertekende [Noordatlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), Erkennende, dat hun wederzijdse veiligheid en verdediging het noodzakelijk maken, dat zij paraat zijn het hoofd te bieden aan omstandigheden welke kunnen voortvloeien uit een atoomoorlog, Erkennende, dat hun gemeenschappelijke belangen ermede gediend zijn wanneer daarop betrekking hebbende gegevens ter beschikking van de Noordatlantische Verdragsorganisatie, alsmede van de Lid-Staten worden gesteld, Rekening houdende met de huidige redactie van de Amerikaanse Wet op de Atoomenergie van 1954, die met dat doel voor ogen werd opgesteld, Optredende namens henzelf en namens de Noordatlantische Verdragsorganisatie, Komen het volgende overeen: Artikel I Ingevolge de bepalingen en overeenkomstig de voorwaarden van de huidige redactie van de Amerikaanse Wet op de Atoomenergie van 1954 zal de Regering van de Verenigde Staten van Amerika met de Noordatlantische Verdragsorganisatie, zolang deze aanzienlijke en materiële bijdragen blijft leveren aan de wederzijdse verdediging en beveiliging, samenwerken door van tijd tot tijd aan de Noordatlantische Verdragsorganisatie, alsmede aan de Lid-Staten, zolang deze de genoemde bijdragen blijven leveren, atoomgegevens te verstrekken overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, voor zover de Regering van de Verenigde Staten van Amerika van oordeel is dat een dergelijke samenwerking haar eigen verdediging en veiligheid zal bevorderen zonder daarvoor een onredelijk groot risico te zijn. Artikel II Naast de verplichtingen die de Regering van de Verenigde Staten van Amerika krachtens deze Overeenkomst op zich neemt zullen ook de andere Lid-Staten van de Noordatlantische Verdragsorganisatie, voor zover zij zulks noodzakelijk achten, aan de Noordatlantische Verdrag"},{"i":7625,"b":"Overeenkomst tussen bepaalde Lid-Staten van de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek en de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek betreffende de uitvoering van een telecommunicatiesatellieten-programma Preambule De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat (hierna te noemen „de Deelnemers”) , zijnde Regeringen van Staten die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek, dat op 14 juni 1962 te Parijs voor ondertekening werd opengesteld (hierna te noemen „het Verdrag”), en de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek (hierna te noemen „de Organisatie”), Gelet op de doelen, gesteld na overleg met de Europese Conferentie van PTT-Administraties (CEPT) en de Europese Radio Unie (EBU), in overeenstemming met de Resoluties van de Conferentie van Ministers van Posterijen en Telecommunicatie (Brussel, april 1970 en Wenen, april 1972), te weten het aan de PTT-Administraties (hierna te noemen „de gebruikers”) met ingang van 1980 beschikbaar stellen van betrouwbare ruimteverbindingen, waarmede een deel van het inter-Europese publieke telecommunicatieverkeer en de uitwisseling van televisieprogramma's kunnen worden verzorgd, Overwegende dat het bereiken van deze doelen aanzienlijke technologische inspanningen vergt die de vooruitgang in de Europese industrie waarborgen en haar in staat zullen stellen op een meer concurrerende wijze deel te nemen aan de ontwikkeling van andere stelsels van ruimtecommunicatie, Geleid door de wens te dien einde uitvoering te geven aan een Europees programma, bestaande uit het ontwerpen, ontwikkelen, bouwen en installeren van het experimentele en pre-operationele ruimtesegment van een stelsel van ruimtecommunicatie en het aan gebruikers beschikbaar stellen va"},{"i":7614,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 29 juni 2017, nr. 2091347 houdende verlening van mandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging ten aanzien van de beheersaangelegenheden van de Autoriteit persoonsgegevens (Mandaatbesluit beheer Autoriteit persoonsgegevens 2017) Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6), [10:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), de [artikelen 22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=22), en [32, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32) en [artikel 4, eerste lid, onderdeel b van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Autoriteit:** het College bescherming persoonsgegevens als bedoeld in [artikel 51, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=51) en aangeduid als Autoriteit persoonsgegevens op grond van artikel 51, vierde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens; - b. **beheersaangelegenheid:** taak die in het kader van het beheer wordt verricht binnen het secretariaat als bedoeld in [artikel 56, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=56); - c. **mandaat:** de bevoegdheid om namens de Minister van Veiligheid en Justitie besluiten te nemen; - d. **volmacht:** de bevoegdheid om namens de Minister van Veiligheid en Justitie privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. **machtiging:** de bevoegdheid om namens de Minister van Veiligheid en"},{"i":7794,"b":"Besluit van 28 mei 2008, houdende wijziging van het Kentekenreglement in verband met het aanmerken van het kentekenregister als basisregistratie alsmede in verband met de herziening van de gegevensverstrekking uit het kentekenregister Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 januari 2008, nr. HDJZ/AWW/2008-85, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 4q, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4q), [42, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=42), [42a, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=42a), [43, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=43), [43a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=43a), [43c, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=43c), en [45a, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=45a); De Raad van State gehoord (advies van 25 maart 2008, nr. W09.08.0032/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 mei 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/123 sector AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Kentekenreglement. Artikel II Na inwerkingtreding van dit besluit berusten de aanwijzingsbeschikkingen voor beroepsbeoefenaren op [artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=9). Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7811,"b":"ACM Beleidsregel financiële weerbaarheid energieleveranciers Gelet op de [artikelen 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 2.29 van de Energieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051774&artikel=2.29). Besluit: Artikel 1. (begrippen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **ACM:** Autoriteit Consument en Markt; - **Afslagen:** verminderingen of vermeerderingen die de vergunninghouder toepast op de verwachte leveringsverplichtingen; - **Energiemarktprijzen:** de prijzen van elektriciteit en gas zoals die tot stand komen op de handels- of groothandelsmarkt, op basis van vraag en aanbod, voor levering in een bepaalde tijdsperiode; - **Energieregeling:** [Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 9 november 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051774), nr. WJZ/102130805, houdende regels ter uitvoering van de [Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714) en het [Energiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051745),1Staatscourant 2025, 37730 - **Leveringsverplichtingen:** de verwachte hoeveelheid elektriciteit of gas die een vergunninghouder moet leveren aan haar afnemers op basis van reeds aangegane contractuele verplichtingen; - **Vergunning:** vergunning voor levering van elektriciteit of gas aan eindafnemers met een kleine aansluiting als bedoeld in [artikel 2.17 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.17). Artikel 2. (toepassingsbereik) Bij het toezicht op de naleving van [artikel 2.18 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.18) beoordeelt de ACM onder meer of de vergunninghouder beschikt over de benodigde financiële kwaliteiten voor de levering van elektriciteit of gas aan eindafnemers met een kleine aansluiting. Artikel 3. (liquiditeitsprognoses) 1. De ACM beoordeelt of de vergunninghouder gedurende ten minste de eerstvolgende twaalf kalendermaande"},{"i":7815,"b":"ACM Werkwijze geheimhoudingsprivilege advocaat 2024 Gelet op de [artikelen 5:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:16), [5:17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:17) en [5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20), [artikel 12g van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=12g) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047095&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047095&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047095&artikel=4) en [5 van Besluit aanwijzing toezichthouders ACM 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047095&artikel=5). Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - 1. **Instellingswet:** [Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043); - 2. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - 3. **ACM-organisatie:** de organisatie van het personeel als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=5); - 4. **Afronding van een onderzoek:** de definitieve afronding van de besluitvorming volgend op een onderzoek of, indien van toepassing, de definitieve afronding van het onderzoek benodigd voor nacontroles aangekondigd op het moment van definitieve afronding van de besluitvorming volgend op een onderzoek; - 5. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - 6. **Betrokkene:** - 1:. degene die de geadresseerde is bij de inzet van de bevoegdheid van [artikel 5:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:16) en/of [artikel 5:17](https://wetten"},{"i":7776,"b":"Wet van 13 december 2012 tot wijziging van de Registratiewet 1970 en enige andere wetten in verband met de invoering van de elektronische registratie van notariële akten en de gedeeltelijke afschaffing van de registratie van onderhandse akten (Wet elektronische registratie notariële akten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is notariële akten voortaan langs elektronische weg te registreren en langs elektronische weg te doen inschrijven in een door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie gehouden repertorium alsmede de registratie van onderhandse akten gedeeltelijk af te schaffen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Registratiewet 1970. Artikel II Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel III Wijzigt de Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V 1. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum blijven met betrekking tot akten van notarissen en het repertorium de [Registratiewet 1970](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739) en de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388) van toepassing zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, behalve indien ten aanzien van een notaris een onherroepelijke beschikking is genomen als bedoeld in het tweede lid. 2. De inspecteur, bedoeld in [artikel 13, onderdeel a, van de Registratiewet 1970](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=13), kan ten aanzien van een notaris een beschikking geven die inhoudt dat met betrekking tot akten die hij opmaakt na de in die beschikking vermelde datum en de inschrijving in het repertorium van die akten niet langer de bepalingen van de [Registratiewet 1970](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":7777,"b":"Wet van 5 juni 2019, houdende regels ter implementatie van richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit (PbEU 2016, L 119) (Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te geven in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit (PbEU 2016, L 119); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Autoriteit persoonsgegevens:** de Autoriteit, bedoeld in [artikel 6 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=6); - **betrokkene:** degene op wie een persoonsgegeven betrekking heeft; - **bevoegde instantie:** een instantie als bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&paragraaf=5&artikel=9&z=2022-06-11&g=2022-06-11); - **bijzondere opsporingsdiensten:** de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2); - **depersonaliseren door afscherming van gegevens:** het voor een gebruiker onzichtbaar maken van die gegevenselementen waaruit de identiteit van de betrokkenen rechtstre"},{"i":7617,"b":"Nadere regel Gegevensuitvraag beheersingsmodel Ingevolge [artikel 61, eerste lid van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=61) (Wmg) is onder meer een ieder gehouden om desgevraagd aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) of een door haar aangewezen persoon kosteloos de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de uitvoering van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) van belang kunnen zijn. Ingevolge [artikel 68, eerste lid van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68), kan de NZa regels stellen die inhouden door wie, aan wie en op welke wijze deze gegevens en inlichtingen moeten worden verstrekt, alsmede dat een accountant de juistheid van de verstrekte gegevens en inlichtingen bevestigt. De NZa heeft op grond van deze artikelen de volgende nadere regel vastgesteld. 1. Reikwijdte Deze regel is van toepassing op: Deze regel is echter niet van toepassing op: 2. Doel van de regel In verband met de beoogde invoering van een beheersingsmodel voor de honoraria van medisch specialisten1CZ-IPZ-2996974 d.d. 26 april 2010.heeft de minister van VWS de NZa opdracht gegeven2CZ-IPZ-3011865 d.d. 9 juli 2010.om nader onderzoek uit te voeren ten behoeve van de vaststelling van honorariumbudgetten bij de instellingen voor medisch specialistische zorg die onder de reikwijdte van deze regel vallen. Deze regel concretiseert ten behoeve van dit onderzoek de uit de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) voortvloeiende verplichting tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen. 3. Begripsbepalingen 3.1. Instelling De instelling voor medisch specialistische zorg die onder de reikwijdte van deze regel valt. Medisch Specialist De medisch specialist die onder de reikwijdte van deze regel valt. Accountant Een accountant zoals bedoeld in [artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393). Het onderzoeksburea"},{"i":7907,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 november 2019, 2019-0000138675, tot Regeling tot vaststelling van de premiepercentages van de Cessantiawet BES, de Wet ongevallenverzekering BES en de Wet ziekteverzekering BES Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 7, vierde lid, van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=7), [artikel 8, derde lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=8) en [artikel 8, vierde lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8); Besluit: Artikel I. Vaststelling premiepercentage [Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304) Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 7, derde lid, van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=7), wordt vastgesteld op 0,1%. Artikel II. Vaststelling premiepercentage [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497) Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=8), wordt vastgesteld op 0,3%. Artikel III. Vaststelling premiepercentage [Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728) Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 8, derde lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8), wordt vastgesteld op 1,3%. Artikel IV. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7905,"b":"Regeling van de Nederlandsche Bank N.V. van 12 december 2006, nr. Juza/2006/02470/IH, houdende uitvoering van de artikelen 131, eerste lid, 133, eerste lid, en 135, tweede en vijfde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft (Regeling staten financiële ondernemingen Wft) Na raadpleging van de betrokken representatieve organisaties; Gelet op de [artikelen 131, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=131), [133, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=133), en [artikel 135, tweede en vijfde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=135); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit prudentiële regels Wft in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit prudentiële regels Wft in werking treedt. Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1:1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Besluit: [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - b. DNB: de Nederlandsche Bank N.V.; - c. financiële onderneming: een ieder waarvoor op grond van [artikel 2:1 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020778&hoofdstuk=2&artikel=2:1&z=2025-12-03&g=2025-12-03) van deze Regeling de modellen van de staten worden vastgesteld; - d. wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - e. vervallen; - f. vervallen; - g. CRR: Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012; - h. EBA: de Europese Bankenautoriteit (European Banking Authority); - i. technische reguleringsnormen of technische uitvoeringsnormen van de EBA: door de EBA ontwikkelde ontwerpen van technische reguleringsnormen (draft regulatory technical standards) of ontwerpen van technische uitvoeringsnormen (draft implement"},{"i":7773,"b":"Wet van 27 november 2008 tot wijziging van de Bekendmakingswet en enkele andere wetten in verband met de elektronische bekendmaking en beschikbaarstelling in geconsolideerde vorm van wetten, algemene maatregelen van bestuur, anders dan bij wet of algemene maatregel van bestuur vastgestelde algemeen verbindende voorschriften en andere besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht (Wet elektronische bekendmaking) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de bekendmaking en beschikbaarstelling in geconsolideerde vorm van wetten, algemene maatregelen van bestuur, anders dan bij wet of algemene maatregel van bestuur vastgestelde algemeen verbindende voorschriften en andere besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, langs elektronische weg kan geschieden en dat in verband daarmee onder andere moet worden voorzien in de elektronische uitgifte van het Staatsblad, de Staatscourant en andere van overheidswege uitgegeven publicatiebladen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Bekendmakingswet. Artikel II Wijzigt de Gemeentewet. Artikel III Wijzigt de Provinciewet. Artikel IV Wijzigt de Waterschapswet. Artikel V Wijzigt de Wet op de bedrijfsorganisatie. Artikel VI Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VII Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel VIII Wijzigt de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Artikel IX Wijzigt de Kaderwet diervoeders. Artikel X 1. Wijzigt deze wet. 2. Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de Raad van State (herstructurering Raad van State). Artikel XI 1. Wijzigt deze wet. 2. Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de bedrijfsorganisatie (ministeriële goedkeuring van besluiten van bedrijfslichamen). Artikel XII Wijzigt de Gemeentewet. Artikel XIII Wijzigt de Provinciewet. Artikel"},{"i":7806,"b":"Wet van 10 februari 2021 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de tijdelijke verlenging van de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken Allen, die deze zullen of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bevoegdheid om biometrische kenmerken af te nemen en verwerken, geregeld in [artikel 106a van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=106a), voor een periode van vijf jaar te verlengen en de in de vreemdelingenadministratie opgenomen biometrische kenmerken te kunnen behouden. Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II Onze Minister zendt binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet aan beide Kamers van de Staten-Generaal een verslag over de noodzakelijkheid, de doeltreffendheid en de effecten van de [wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034673) (Stb. 2014, 2) in de praktijk. Dit verslag gaat vergezeld van een standpunt inzake de wenselijkheid van gehele of gedeeltelijke voortdurende werking van [artikel 106a van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=106a), waarbij zal worden betrokken dat in die periode in toenemende mate uitvoering zal zijn gegeven aan verschillende EU-verordeningen die voorzien in de afname en verwerking van gezichtsopnames en vingerafdrukken. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen d"},{"i":7791,"b":"Besluit van 21 juni 2011, houdende wijziging van het Besluit justitiële gegevens in verband met onder meer het verstrekken van justitiële gegevens aan de burgemeester bij de terugkeer van ex-gedetineerden en het versterken van de screening in de taxibranche Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 28 februari 2011, directie Wetgeving, nr. 5686730/11/6, Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=2), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=9), en [13, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=13); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 mei 2011, nr. W03.11.0069/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 15 juni 2011, directie Wetgeving, nr. 5698197/11/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit justitiële gegevens. Artikel II A. Onze Minister zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030157&artikel=I&z=2014-05-23&g=2014-05-23), aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit onderdeel in de praktijk. B. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2011. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2317,"b":"Regeling van 20 juni 2003, houdende aanwijzing personen bevoegd tot het stellen van magnetische scheepskompassen Gelet op artikel 277, onderdeel 6.6, van het Vissersvaartuigenbesluit en artikel 95, derde lid, onderdeel f, van het Schepenbesluit 1965; Besluit: Artikel 1 Als personen bevoegd tot het stellen van magnetische kompassen aan boord van vissersvaartuigen worden aangewezen: - a. S.J. de Boer en S. van Wijngaarden, in dienst van Kelvin Hughes Observator B.V. te Rotterdam; - b. A.I.E. van Nulck en A. Coevert, in dienst van Datema-Delfzijl B.V. te Delfzijl; - c. D. Davids, in dienst van Davids Maritime te Delfzijl; - d. J.A. in 't Hout en C. Plewinski, in dienst van Datema-Delfzijl B.V. te Rotterdam; - e. K. Wagenaar, J.A. Mol, A.W. den Ouden en J. Veenstra, in dienst van Transport & Offshore Services B.V. te Rotterdam; - f. R.E. Britt en F. Dorant in Curaçao en Sint Maarten; - g. J. Seraus in Aruba. Artikel 2 De beschikkingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 maart 2001, nr. DGG/J-01/001657 en nr. DGG/J-01/001658 (Stcrt. 56), worden ingetrokken. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze beschikking zal in de Staatscourant, in de Curaçaosche Courant en in de Landscourant van Aruba worden geplaatst."},{"i":2332,"b":"Algemeen Subsidiereglement Fonds voor Cultuurparticipatie 2021 gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gelet op [artikel 4:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 augustus 2021; besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Gebruikte begrippen - a. **Aanvrager:** de organisatie, instelling, natuurlijk persoon of rechtspersoon die subsidie aanvraagt. - b. **Adviescommissie:** een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het [Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042690). - c. **Awb:** de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). - d. **Begrotingstekort:** negatief verschil tussen de inkomsten en uitgaven. - e. **Besluit:** een besluit zoals bedoeld in [artikel 1:3 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). In dit reglement wordt een beschikking ook een besluit genoemd. - f. **Deelregeling:** een subsidieregeling die is gebaseerd op dit reglement, met nadere regels voor het geven van subsidies. - g. **Fonds:** Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie. - h. **Huishoudelijk Reglement:** [Huishoudelijk Reglement van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042690). - i. **Koninkrijk der Nederlanden:** Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - j. **Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. - k. **Rijkscultuurfondsen:** de Fondsen zoals bedoeld in [hoofdstuk IV van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&hoofdstuk=IV). - l. **Schriftelijk:** correspondentie tussen het Fonds en de aanvrager. Per deelr"},{"i":2350,"b":"Begrip zelfstandige in de zin van artikel 1, onder a van de EEG-verordening nr. 1408/71 Hierbij vraag ik uw aandacht voor het volgende. Ingevolge het bepaalde in art. 13, tweede lid, sub b van de EEG-[Verordening nr. 1408/71](31971R1408) zie 30.00.00) is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont. Er van uitgaande, dat degene die anders dan in loondienst werkzaamheden uitoefent ‘zelfstandige’ is moet dus eerst worden vastgesteld wie zelfstandig is in de zin van de Verordening, alvorens kan worden bepaald welke wetgeving op grond van artikel 13, tweede lid, sub b van toepassing is. Wat onder zelfstandige moet worden verstaan is vastgelegd in artikel 1, sub a, juncto bijlage I van de EG-[Verordening nr. 1408/71](31971R1408). De in deze bijlage voor verscheidene Lid-Staten opgenomen omschrijvingen van het begrip zelfstandige zijn echter verschillend. Zo wordt wat Nederland betreft als zelfstandige aangemerkt degene die anders dan in dienstbetrekking zijn ‘beroepswerkzaamheden’ uitoefent. Wat Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland en het Verenigd Koninkrijk betreft wordt voor de omschrijving van het begrip zelfstandige verwezen naar een bepaalde wettelijke regeling of een bepaalde tak van verzekering. De vraag is nu volgens de begripsomschrijving van welke Lid-Staat beoordeeld moet worden of een bepaald persoon in een bepaalde situatie zelfstandige is in de zin van de Verordening en of dus de Verordening op hem van toepassing is. In haar vergadering van 23 en 24 februari 1984 heeft de Administratieve Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers besloten dat de begripsomschrijving die geldt ten aanzien van het land waar de werkzaamheden worden uitgeoefend in aanmerking moet worden genomen voor de beoordeling of een bepaald persoon zelfstandige is in d"},{"i":2351,"b":"Bekendmaking beleidswijziging rondvluchtvergunningen ex art. 16b van de Luchtvaartwet Gelet op [artikel 16b van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=16b); Maakt bekend: Artikel 1 De geldigheidsduur van een rondvluchtenvergunning wordt bepaald op 5 jaar, met uitzondering van de eerste afgifte, welke een geldigheidsduur zal krijgen van 1 jaar. Bij verlenging van deze eerste vergunning zal vervolgens een geldigheidsduur van 5 jaar worden gehanteerd. Op verzoek van de aanvrager kan een kortere geldigheidsduur dan 5 jaar worden aangehouden; Artikel 2 Het vereiste van een verklaring van geen bezwaar van de havenmeester bij de aanvraag van een rondvluchtenvergunning vervalt. Deze beleidsregels zullen met toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd. Zij zullen in werking treden met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst."},{"i":2355,"b":"Belangstellingsregistratie applicatieopleidingen leraren svo-lom en svo-mlk Inleiding Met de [Overgangsregeling bevoegdheden leraren speciaal voortgezet onderwijs lom en mlk](onbekend) (Uitleg OCenW-Regelingen 1998, 24) zijn de zittende leraren uit het voormalige vso-lom en vso-mlk die een zogenaamde Pabo-bevoegdheid bezitten en in de afgelopen vijf jaar na de samenvoeging van een school of afdeling voor svo met een school voor voortgezet onderwijs dan wel omzetting van die school of afdeling in een school of afdeling voor praktijkonderwijs of een orthopedagogisch-didactisch centrum in een vak ten minste vijfhonderd lesuren hebben gegeven, voor dat vak bevoegd geworden in het mavo, vbo, praktijkonderwijs, en in een orthopedagogisch-didactisch centrum. Zijn die vijfhonderd lesuren gegeven aan leerlingen die zich voorbereiden op het eindexamen, dan geldt de bevoegdheid voor alle leerjaren. Zo niet, dan uitsluitend voor de leerjaren 1 en 2, en voor leerjaar 3 voor zover het betreft de basisvorming. De [regeling Aanvullingen overgangsregeling bevoegdheden leraren speciaal voortgezet onderwijs voor lom en mlk](onbekend) (Uitleg OCenW-Regelingen 1999, 18b) voorziet in een nadere regeling voor een aantal gebleken praktijksituaties. Met de [regeling onderwijsbevoegdheid leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs](onbekend) (Uitleg OCenW-Regelingen 1999, 14) zijn de bezitters van een zogenaamde Pabo-bevoegdheid ook regulier bevoegd geworden voor een aantal vakken in het mavo, vbo, praktijkonderwijs, en in een orthopedagogisch-didactisch centrum, voor zoverdit onderwijs wordt gegeven aan groepen van uitsluitend geïndiceerde leerlingen. Verder wordt nu een regeling getroffen waarmee de zittende leraren afkomstig uit het voormalige vso-lom en vso-mlk die in het bezit zijn van een zogenaamde NLO-akte of van een tweedegraads hbo-getuigschrift van de opleiding tot leraar voortgezet onderwijs, die volgens de onderwijsbevoegdhedenregeling van de voormalige [Wet ISOVSO](onbe"},{"i":6075,"b":"Besluit van 24 november 2021 tot wijziging van enkele besluiten op het terrein van Justitie en Veiligheid in verband met het doorvoeren van technische verbeteringen en noodzakelijke beperkte aanpassingen (Verzamelbesluit Justitie en Veiligheid 2021) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 30 september 2021, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3552511, gedaan mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming; Gelet op de [artikelen 8:75, eerste lid, vierde zin, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:75), [44, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=44), [38, tweede lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=38), [7, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=7), [19j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=19j), [21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=21), en [244 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=244), [5.31, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.31), [39, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=9), [7, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7), [9, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=9), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=22) en [47, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=47), [96, eerste lid, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=96), [6, vijfde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&"},{"i":2389,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 februari 2022, nr. IENW/ILT-2022/12059, houdende vaststelling van beleid inzake de kwalificatie van verontreinigd papier-, kunststof- en metaalafval in verband met de bestuursrechtelijke handhaving van Verordening (EG) Nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190) Gelet op [artikel 7 van het Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017740&artikel=7) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **aanhangende olie:** olie die resteert nadat oliehoudend ijzer- en staal(ferro) schroot en non-ferro schroot gedurende ten minste 48 uur bij een temperatuur die hoger is dan 15 graden Celsius is uitgelekt; - **bestuursrechtelijke handhaving:** bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens de EVOA gestelde verplichtingen als opgedragen aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij [artikel 18.2b, eerste lid, onderdeel d, en vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.2b) in samenhang met [artikel 5.15 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=5.15) en [Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=5); - **EVOA**: [Verordening (EU) nr. 1013/2006](32006R1013), van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190); - **huishoudelijk afval (Y46):** afvalstof als bedoeld in bijlage V, deel 3 onder Y46 van de EVOA; - **gevaarlijke afvalstof:** afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de Kader richtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit"},{"i":4879,"b":"Besluit van het hoofd van het National Crisiscentrum van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 12 maart 2025, nr. 6233704, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het plaatsvervangend hoofd van dat centrum (Mandaatbesluit Nationaal Crisiscentrum NCTV 2024) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit Nationale Crisisbeheersing NCTV 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050384&artikel=1) aan het hoofd van het Nationaal Crisiscentrum verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die dat centrum betreffen ondermandaat verleend aan het plaatsvervangend hoofd van het Nationaal Crisiscentrum. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Nationaal Crisiscentrum NCTV 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3363,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 mei 2026 nr. BOACAT2026/036, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg (ODNML) Gelezen het verzoek van Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg (ODNML) van 30 april 2026 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052626&artikel=2&z=2026-05-20&g=2026-05-20). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker beleidsuitvoering I, medewerker beleidsuitvoering II, specialist en specialist coördinatiemodule in dienst van Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg (ODNML) zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar]"},{"i":2437,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 7 juni 2021, nr. VO/28225728, betreffende cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (Beleidsregel IGVO 2021) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=75); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **bovenbouw internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs:** IB CP of het IB DP of beiden; - **cursus internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs:** IB CP, IB DP, IB MYP of een cursus die gericht is op het behalen van het IGCSE; - **IB CP:** International Baccalaureate Career-Related Programme; - **IB DP:** International Baccalaureate Diploma Programme; - **IB MYP:** International Baccalaureate Middle Years Programme; - **IGSCE:** International General Certificate of Secondary Education; - **Leerling:** leerling als bedoeld in [artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.7); - **Minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **onderbouw internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs:** IB MYP of een cursus die gericht is op het behalen van het IGCSE of beide; - **school:** een uit de openbare kas bekostigde school als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **voedingsgebied:** gebied dat bestaat uit viercijferige postcodegebieden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen een straal van 15 kilometer van de vestiging van de school die in aanmerking wil komen voor bekostiging van de cursussen internationaal georiënteerd voorgezet"},{"i":3275,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 20 mei 2025 nr. BOACAT2025/128, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de afdeling Handhaving, veiligheidsdomein, van de gemeente Leeuwarden Gelezen het verzoek van gemeente Leeuwarden van 6 mei 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051057&artikel=2&z=2025-12-10&g=2025-12-10). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van - •. Tactisch leidinggevende III – Teamleider Handhaving; - •. Medewerker Handhaving I – Coördinator Handhaving; - •. Medewerker Handhaving II – Integraal Handhaver Specialist; - •. Medewerker Handhaving III – Integraal Handhaver; - •. Medewerker Handhaving IV – Junior Integraal Handhaver; -"},{"i":3757,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 31 maart 2022, nr. WJZ/ 22050244, houdende de verlening van mandaat aan het Samenwerkingsverband Noord-Nederland en de intrekking van enkele besluiten Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gezien de schriftelijke instemming van het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland; Besluit: Artikel 1 Aan het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de subsidieverstrekking op grond van: - a. de Regeling waardevermeerdering gebouwen gaswinning Groningenveld 2026; - b. de [Subsidieregeling verduurzaming, onderhoud en verbetering gebouwen aardbevingsgebied Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045187). Artikel 2 Aan het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland wordt tevens mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046497&artikel=1&z=2026-03-12&g=2026-03-12), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door hem in mandaat is genomen, en het instellen van hoger beroep. Artikel 3 In het geval de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een mededeling doet aan het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland dat een aangelegenheid als bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046497&artikel=1&z=2026-03-12&g=2026-03-12), door hem zal worden behandeld, wordt ten aanzien van die aangelegenheid mandaat, volmacht en machtiging verleend aan de Nationaal Coördinator Groningen van het Ministerie van Binnen"},{"i":7160,"b":"Uitvoering artikel 18, tweede lid, Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 18, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=18) en gelet op de regeling van de Minister van Financiën van 14 juli 1998, nr. [BGW98-1865M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009783) (Stcrt.133); Besluit: Artikel 1 Het model van de verklaring, bedoeld in [artikel 18, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=18) wordt vastgesteld zoals het is opgenomen voor natuurlijke personen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010250&bijlage=I&z=1999-02-10&g=1999-02-10) en voor rechtspersonen in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010250&bijlage=II&z=1999-02-10&g=1999-02-10) bij deze regeling. Artikel 2 De regeling van de Minister van Financiën van 21 februari 1990/nr. [BGW90-432](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004721) (Stcrt. 41) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de **Staatscourant** waarin zij wordt geplaatst. Bijlage I. Formulier WAM-A Bijlage II. Formulier WAM-AA"},{"i":5091,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 oktober 2009, nr. BO/BA/2009/23642, houdende toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan onder de plaatsvervangend Secretaris-Generaal ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit plaatsvervangend secretaris-generaal 2009 SZW) Gelet op de [artikelen 6, vijfde lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=6), en [23, eerste lid, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=23); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directie:** een van de organisatieonderdelen genoemd in [artikel 2, onderdelen a, b, c en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&paragraaf=2&artikel=2&z=2024-09-19&g=2024-09-19); - b. **directeur:** een functionaris die leiding geeft aan een directie; - c. **ICT:** informatie- en communicatietechnologie; - d. vervallen; - e. **CIO:** Chief Information Officer; - f. **CDI:** Coördinerend Directeur Inkoop; - g. **hoofd van de afdeling Bedrijfsvoering, Financiën en Control:** een functionaris die leiding geeft aan de afdeling Bedrijfsvoering, Financiën en Control. § 2. Organisatie Artikel 2 1. Onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorteren: - a. de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel; - b. de Rijksschoonmaakorganisatie; - c. de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering met aan het hoofd een directeur; - d. de directie CIO-office, Informatie voor Beleid en Bedrijfsvoering en Veiligheid; - e. de afdeling Bedrijfsvoering, Financiën en Control. 2. Vervallen. § 3. Verantwoordelijkheden directeuren en afdelingshoofden Artikel 3 1. Elk van de directeuren is verantwoordelijk voor: - a. het leiding geven aan de eigen directie; - b. het door tussenkomst van de plaatsvervangend secretaris-generaa"},{"i":6957,"b":"Besluit van 10 november 1954, houdende regelen met betrekking tot verbintenissen van reserve-personeel bij de gronddienst van de Koninklijke Luchtmacht Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog van 20 September 1954, Nr. P 268 C/DG; Gelet op de [Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952), op de Wet voor het reserve-personeel der landmacht 1905 en op het Reglement voor de militaire ambtenaren der Koninklijke Landmacht; De Raad van State gehoord (advies van 12 October 1954, nr. 27); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 4 November 1954, Nr. P. 268/G/DG; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Een tot het reserve-personeel behorende militair, die wenst te worden opgeleid voor een der door Onze Minister van Defensie aan te wijzen functies bij de gronddienst van de Koninklijke Luchtmacht, kan, indien hij: - a. voldoet aan de eisen van lichamelijke en geestelijke geschiktheid gesteld voor de door hem begeerde functie, - b. voldoet aan andere door Onze Minister van Defensie gestelde of nog te stellen eisen, worden toegelaten tot een verbintenis, krachtens welke hij verplicht is: - 1e. de opleiding tot die functie te volgen; - 2e. gedurende vier jaren, na voltooiing van en in aansluiting op de onder 1e bedoelde opleiding, in die functie - afhankelijk van de aard van de te bekleden functie als officier of onderofficier - doorlopende werkelijke dienst te verrichten. Artikel 2 1. Met het sluiten van een verbintenis als bedoeld in dit besluit neemt de militair de uit de verbintenis voorvloeiende verplichting tot het verrichten van doorlopende werkelijke dienst, voor zover deze uitgaat boven de verplichtingen, welke krachtens de [Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003883) op hem rusten, vrijwillig op zich. 2. Een verbintenis als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002158&artikel=1&z=1960-01-01&g=1960-01-01) geeft aanspraak op een geldel"},{"i":7173,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 24 augustus 2007, nr. TRCJZ/2007/2722, houdende vaststelling van de hoogst toelaatbare pachtprijzen en wijziging van enkele regelingen in verband met de invoering van titel 5 (Pacht) van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Regeling pachtprijzen) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022448&artikel=2), [14, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022448&artikel=14), [15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022448&artikel=15), [16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022448&artikel=16), en [20, eerste lid, van het Pachtprijzenbesluit 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022448&artikel=20), de vaststelling en invoering van [titel 5 (Pacht) van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&titeldeel=5), [artikel 58 van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=58) en [artikel 2 van het Besluit grondbankstelsel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003548&artikel=2), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009194&artikel=2) en [4 van de Kaderwet LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009194&artikel=4), [artikel 19 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19) en [artikel 18, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=18); Besluit: Hoofdstuk 1. Pachtprijzen Artikel 1 Met betrekking tot pachtovereenkomsten voor land zonder woningen of andere opstallen: - a. is de hoogst toelaatbare pachtprijs per jaar per hectare, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Pachtprijzenbesluit 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022448&artikel=2), voor pachtovereenkomsten die worden aangegaan op of na 1 september 2007, voor de ondersch"},{"i":5741,"b":"Regeling van 12 februari 2026 van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, kenmerk 7151130, houdende vaststelling van een subsidieregeling voor Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en [4 van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=4); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities - a. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; - b. **DJI:** de Dienst Justitiële Inrichtingen; - c. **Lid dienstleiding:** Lid dienstleiding verantwoordelijk voor Forensische zorg, Jeugd en Zorg; - d. **Directeur:** Directeur van de directie Forensische Zorg en Justitiële Jeugdinrichtingen; - e. **Kleinschalige Voorziening Justitiële Jeugd:** een voorziening anders dan een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in [artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=3a), waarin een jeugdige wordt geplaatst en die wordt toegelicht in bijlage 1a t/m 1f; - f. **Jeugdige:** de jeugdige, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b, e en i, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=8); Artikel 1.2. Doel 1. De Staatssecretaris verstrekt subsidie ten behoeve van de opvang van jeugdigen in een Kleinschalige Voorziening Justitiële Jeugd in de: - –. regio Amsterdam; - –. regio Rotterdam; - –. regio Den Haag; - –. regio Zuid, en - –. regio Noord. 2. In [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052368&bijlage=2&z=2026-03-01&g=2026-03-01) wordt een overzicht gegeven van de regio-indeling. Artikel 1.3. Grondslag voor de subsidieverstrekking De grondslag voor de subsidieverstrekking is [artikel 2, onder b en f, van de Kaderwet overige JenV subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=2). Artikel 1.4. Van toepassing verklaring [Afdeling 4.2.8 van"},{"i":4500,"b":"Circulaire nieuwe datum loonbetaling tweede ziektejaar Met mijn [circulaires van 30 juni 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018517), kenmerk 2005-122392, respectievelijk van [29 augustus 2005](onbekend), kenmerk 2005-212073, heb ik u geïnformeerd over (onder andere) de afspraken die met de centrales van overheidspersoneel zijn gemaakt over de doorbetaling van bezoldiging in het tweede ziektejaar. Daarbij is aangegeven dat deze afspraken met ingang van 1 oktober 2005 hun werking zouden hebben. Bij nader inzien blijkt het niet mogelijk deze datum te handhaven. In verband hiermede bericht ik u dat de datum van inwerkingtreding afhangt van de datum waarop de noodzakelijke wijziging van het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950) in het Staatsblad wordt gepubliceerd. Naar alle verwachting zal dit rond 1 december 2005 geschieden. Over het tijdstip van inwerkingtreding zal ik u te zijner tijd, via berichtgeving aan de P&O-directies, nader informeren."},{"i":6620,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 11 september, nr. IENM/BSK-2015/148123, tot wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 in verband met diverse aanpassingen, alsmede de aanpassing van enkele regelingen ten gevolge van de omvorming van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen naar publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan Gelet op [artikel 130, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130), [132a, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132a), [132c, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132c), [133, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=133), en [134, derde, lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=134) en [artikel 82, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=82); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel I Wijzigt de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Artikel II Wijzigt het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV. Artikel III Wijzigt de Regeling taxibestuurders 2005. Artikel IV [Artikel I, onderdeel J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037057&artikel=I&z=2016-01-01&g=2016-01-01), van deze regeling is alleen van toepassing op na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling begane feiten. Artikel V Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016, met uitzondering van de [artikelen I, onderdelen A en K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037057&artikel=I&z=2016-01-01&g=2016-01-01), en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037057&artikel=II&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037057&artikel=III&z=2016-01-01&g=2016-01-01), die in werking treden met ingang van 1 oktober 2015. Deze regeling zal me"},{"i":7965,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 juni 2024, nr. 5477829, houdende een eenmalige specifieke uitkering voor de gemeenten met een Landelijke Vreemdelingen Voorziening in verband met de bekostiging Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; - b. **LVV:** Landelijke Vreemdelingen Voorziening, een begeleidings- en onderdakvoorziening die tot doel heeft bestendige oplossingen te vinden voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang; - c. **gemeenten:** de gemeenten waar op grond van een convenant een LVV is gerealiseerd, te weten Amsterdam, Eindhoven, Groningen, Rotterdam en Utrecht. Artikel 2. Verstrekking van een specifieke uitkering De Staatssecretaris verstrekt een eenmalige specifieke uitkering aan een gemeente ten behoeve van de bekostiging van de LVV over 2024. Artikel 3. Hoogte van de uitkering De hoogte van de specifieke uitkering, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049911&artikel=2&z=2024-07-03&g=2024-07-03), is als volgt: - a. Amsterdam: € 11.242.000; - b. Eindhoven: € 4.059.611; - c. Groningen: € 9.368.333; - d. Rotterdam: € 1.405.250; - e. Utrecht: € 7.338.528. Artikel 4. Voorschot Uiterlijk op 31 december 2024 wordt aan de gemeenten een voorschot betaald van 100% van de specifieke uitkering. Artikel 5. Voorwaarden De gemeenten besteden de specifieke uitkering gedurende de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025 aan de bekostiging van een LVV en aan de beëindiging van het LVV-programma. Artikel 6. Verantwoording en vaststelling 1. De gemeenten nemen de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie in acht bij de besteding van de specifieke uitkering. 2. Nadat de Staatssecretaris de verantwoordingsinforma"},{"i":7985,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. PG/CI 3108292, houdende aanwijzing ex artikel 34, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid Gelet op [artikel 34, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=34); Besluit: Artikel 1 Het Universitair Medisch Centrum Groningen wordt aangewezen als ziekenhuis waar gedwongen isolatie van tuberculosepatiënten plaatsvindt als bedoeld in [artikel 31 Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=31). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7986,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 2 juli 2021, nr. DGA-DAD/21105186, tot aanwijzing van Gezondheidsdienst voor Dieren B.V. voor uitvoering van diergezondheidsmonitoring Gelet op artikel 31, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012. (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de [Richtlijnen 98/58/EG](31998L0058), [2007/43/EG](32007L0043), [2008/119/EG](32008L0119) en [2008/120/EG](32008L0120) van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. [854/2004](32754L2004) en (EG) nr. [882/2004](32782L2004) van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen [89/608/EEG](31989L0608), [89/662/EEG](31989L0662), [90/425/EEG](31990L0425), [91/496/EEG](31991L0496), [96/23/EG](31996L0023), [96/93/EG](31996L0093) en [97/78/EG](31997L0078) van de Raad en Besluit [92/438/EEG](31992L0438) van de Raad (verordening officiële controles) (Pb EU L 95), [artikel 6.3 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3) en [artikel 3.1 van het Besluit diergezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045039&artikel=3.1); Besluit: Artikel 1. definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **andere officiële activiteit:** activiteit als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2017/625; - **basismonitoring:** een monitoringsprogramma dat tot doel heeft de in de [artikelen 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045053"},{"i":7987,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 januari 2008, nr. CZ/TSZ-2822952, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake hernieuwde vaststelling aanwijzing invoering uurtarief medisch specialisten Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 9 februari 2007 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2006/07, 30800 XVI, nr. 129); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op medisch specialistische zorg, waaronder in deze aanwijzing wordt verstaan zorg: - a. zoals door medisch specialisten wordt geleverd; - b. waarvoor door de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, prestatiebeschrijvingen zijn of worden vastgesteld in de vorm van diagnose behandeling combinaties; - c. als omschreven bij of krachtens in de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) en - d. met uitzondering van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in de wet van 22 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630). Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit beleidsregels vast. Artikel 2 1. De zorgautoriteit voert met ingang van 1 januari 2008 een tarief in voor medisch specialistische zorg die in rekening kan worden gebracht aan ziektekostenverzekeraars en consumenten. Het uurtarief wordt gebaseerd op een normatieve praktijkomvang van € 205.260,– (prijspeil 2006), uitgaande van 1555 declarabele uren op jaarbasis. Het uurtarief is, met verwijzing naar de tabel in de toelichting, bepaald op € 132,– (prijspeil 2006). 2. De zorgautoriteit voert met ingang van 1 januari 2008 een bandbreedtetarief in voor medisch specialistische zorg die in r"},{"i":7988,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 februari 2021, nr. WJZ/20182603, tot aanwijzing van toezichthouders Plantgezondheidswet (Besluit aanwijzing toezichthouders Plantgezondheidswet) Gelet op [artikel 22 Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=22); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194), het bepaalde bij of krachtens [verordening 2016/2031](32031R2016) en het bepaalde bij of krachtens [verordening 2017/625](32525R2017) met betrekking tot beschermende maatregelen tegen schadelijke organismen bij planten zijn belast de ambtenaren, werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Artikel 2 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194), het bepaalde bij of krachtens [verordening 2016/2031](32031R2016) en het bepaalde bij of krachtens [verordening 2017/625](32525R2017) met betrekking tot beschermende maatregelen tegen schadelijke organismen bij planten zijn belast: - a. de daartoe gekwalificeerde medewerkers van de Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau; - b. de daartoe gekwalificeerde medewerkers van de Stichting Bloembollenkeuringsdienst; - c. de keurmeesters en controleurs van de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw; - d. de keurmeesters en controleurs van de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Plantgezondheidswet. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2021. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8258,"b":"Besluit van 2 juni 2020, houdende wijziging van het Besluit centrale beoordeling medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen in verband met wijziging van de categorieën onderzoek waarvan beoordeling door de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek gewenst is Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 april 2020, kenmerk 1677921-204489-WJZ; Gelet op [artikel 2, tweede lid, onder b, onderdeel 4°, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 mei 2020, no. W13.20.0126/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 mei 2020, kenmerk 1695359-204489-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit centrale beoordeling medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen. Artikel II Op onderzoeksprotocollen die betrekking hebben op een onderwerp als bedoeld in [artikel I, onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043631&artikel=I&z=2021-05-26&g=2021-05-26), van dit besluit en die op grond van [artikel 2, tweede lid, onder a, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=2) vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend bij de bevoegde commissie, blijven de regels van toepassing die op het moment van indienen van de onderzoeksprotocollen golden. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":8326,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regelen betreffende de immuniteit van Staatsschepen De Regeeringen, die het verdrag tot het vaststellen van eenige eenvormige regelen betreffende de immuniteit van staatsschepen hebben onderteekend, de noodzakelijkheid erkend hebbende om zekere bepalingen van dat verdrag nauwkeuriger vast te stellen, hebben de ondergeteekende gevolmachtigden benoemd die, na elkander hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, het volgende zijn overeengekomen: I Aangezien er twijfel gerezen is omtrent de vraag of, en in welke mate de woorden „door hem geëxploiteerd” in artikel 3 van het verdrag toepasselijk zijn of toepasselijk zouden kunnen worden geacht op schepen die door een Staat zijn gecharterd, hetzij bij tijdbevrachting, hetzij bij reisbevrachting, wordt, om allen twijfel buiten te sluiten, het volgende verklaard: „De door Staten, hetzij bij tijdbevrachting, hetzij bij reisbevrachting gecharterde schepen mits zij uitsluitend gebezigd worden voor een regeeringsdienst, waarmede geen handelsdoeleinden worden beoogd, alsmede de ladingen die deze schepen vervoeren, kunnen op geenerlei wijze in beslag genomen, aangehouden of vastgehouden worden, maar deze immuniteit laat alle andere rechten of rechtsmiddelen, welke aan de belanghebbenden mochten toekomen, onverkort. Eene op de wijze, voorzien in artikel 5 van het verdrag, door den diplomatieken vertegenwoordiger van den betrokken Staat afgegeven verklaring zal ook in dit geval als bewijs gelden van den aard van den dienst waartoe het schip is gebezigd.” II Het is wel verstaan, dat voor de in artikel 3, paragraaf I, vermelde uitzondering het op het oogenblik van de maatregelen van beslag, aanhouding of vasthouding bestaande eigendomsrecht van den Staat op het schip of de op dat oogenblik door den Staat uitgeoefende exploitatie daarvan worden gelijkgesteld met het op het oogenblik van het ontstaan van de schuldvordering be"},{"i":3460,"b":"Besluit van 23 augustus 2016, houdende regels omtrent de mogelijkheid voor verhuurder en huurder een energieprestatievergoeding overeen te komen (Besluit energieprestatievergoeding huur) Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 25 mei 2016, nr. 2016-0000302175, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op de [artikelen 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10), en [19bis, tweede en derde lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=19bis); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 juli 2016, nr. W04.16.0129/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 augustus 2016, nr. 2016-0000483646, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek Boek 7, enz. (mogelijkheid voor verhuurder en huurder een energieprestatievergoeding overeen te komen) (Stb. 2016/199) in werking treedt. Artikel 1 - **elektriciteit uit hernieuwbare bronnen:** elektriciteit uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1); - **energieprestatie:** combinatie van de warmtebehoefte van de woonruimte, de op de woning opgewekte elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en het elektriciteitsverbruik van de gebouwgebonden installaties; - **gebouwgebonden installaties:** installaties die worden gebruikt voor ruimteverwarming, koelen, ventileren, bevochtigen, ontvochtigen, verlichten, bereiden van warm-tapwater en regeling en aansturing; - **op de woning:** in, aan of op de woonruimte of het woongebouw waarvan de woonruimte onderdeel uitmaakt, en de onroerende aanhorigheden daarvan; - **warmte:** warmte als bedoeld in [artikel 1 van de Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=1); - **warmtebehoefte:** warmtebehoeft"},{"i":4384,"b":"Besluit van 22 november 2012, houdende regels ter uitvoering van artikel 38a, tweede lid, van de Politiewet 2012 (Besluit wijkagenten) Op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 20 juli 2012, nummer 286576; Gelet op [artikel 38a, tweede lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=38a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2012, nr. W03.12.0290/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 16 november 2012, nummer 323266; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De wijkagent verricht in elk geval de werkzaamheden die op grond van [artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=6) in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie aan het werkterrein «wijkagent» zijn verbonden. Artikel 2 De wijkagent wordt niet ingezet of beschikbaar gehouden ten behoeve van een territoriaal of functioneel onderdeel van de politie dat tot taak heeft binnen een district als bedoeld in [artikel 37, tweede lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=37) te voorzien in extra politiesterkte voor de aanpak van lokale prioriteiten en criminaliteitsbestrijding als bedoeld in [artikel 13, vierde lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=13). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit wijkagenten. Artikel 5 Wijzigt dit besluit. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6195,"b":"Wet van 14 december 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met een regeling voor herstel van gebreken in een besluit hangende beroep bij de bestuursrechter (Wet bestuurlijke lus Awb) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de mogelijkheid te openen dat gebreken in een besluit hangende het beroep bij de bestuursrechter worden hersteld; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel III Wijzigt de Beroepswet. Artikel IV Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel V Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel Va Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998. Artikel Vb 1. Wijzigt de Spoedwet wegverbreding. 2. Wijzigt de Wijzigingswet Tracéwet, enz. (verbetering beroepsprocedure). Artikel Vc 1. Wijzigt de Tracéwet. 2. Wijzigt de Wijzigingswet Tracéwet, enz. (verbetering beroepsprocedure). Artikel Vd 1. Wijzigt de Waterwet. 2. Wijzigt de Waterwet. Artikel VI Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel VII Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel VIIa 1. Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening. 2. Wijzigt de Wijzigingswet Tracéwet, enz. (verbetering beroepsprocedure). Artikel VIIb 1. De [artikelen 39a tot en met 39c van de Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641&artikel=39a), zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op beroepen waarin de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State toepassing heeft gegeven aan [artikel 39a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641&artikel=39a) voordat deze wet in werking is getreden. 2. Indien het bij koninklijke boodschap van 26 juli 2008 ingediende vo"},{"i":8387,"b":"Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) Het Koninkrijk België, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, Bezield door de wens: de verdragen, de eenvormige wetten en de wijzigingsprotocollen inzake Benelux merken en tekeningen of modellen te vervangen door een enkel verdrag waarin zowel het merkenrecht als het tekeningen- of modellenrecht systematisch en overzichtelijk geregeld worden; snelle en efficiënte procedures in te voeren voor de aanpassing van de Benelux-regelgeving aan de Gemeenschapsregelgeving en reeds door de drie Hoge Verdragsluitende Partijen bekrachtigde internationale verdragen; het Benelux-Merkenbureau en het Benelux-Bureau voor Tekeningen of Modellen te vervangen door de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken, tekeningen of modellen) die door middel van beslissings- en uitvoeringsorganen met eigen en aanvullende bevoegdheden haar taak uitoefent; de nieuwe Organisatie een structuur te geven die de huidige opvattingen inzake internationale organisaties weerspiegelt en de onafhankelijkheid ervan, met name door middel van een protocol inzake voorrechten en immuniteiten, garandeert; de nieuwe Organisatie dichter bij het bedrijfsleven te brengen door de bevoegdheden ervan ten volle te benutten zodat ze nieuwe taken op het gebied van de intellectuele eigendom kan vervullen en decentrale bijkantoren kan oprichten; aan de nieuwe Organisatie, op niet-exclusieve basis, een evaluatiebevoegdheid en initiatiefrecht toe te kennen bij de aanpassing van het Benelux-recht inzake merken en tekeningen- of modellen; Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben hiertoe als hun Gevolmachtigden aangewezen: Zijne Excellentie de Heer K. DE GUCHT, Minister van Buitenlandse Zaken, Zijne Excellentie de Heer B. R. BOT, Minister van Buitenlandse Zaken, Zijne Excellentie de Heer J. ASSELBORN, Minister van Buitenlandse Zaken, die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volma"},{"i":5678,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 maart 2015, nummer 625779, tot besteding van de gelden uit het Europese Fonds voor asiel, migratie en integratie en het Fonds voor interne veiligheid (instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing en instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa) (Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020) Gelet op [artikel 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5) en [artikel 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=8), [artikel 2, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=2), [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3) en [artikel 4, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 48s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48s) en [48t van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48t); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - •. **actie:** een door of onder verantwoordelijkheid van de voor het betrokken nationale programma verantwoordelijke instantie gekozen project of groep projecten, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&artikel=4&z=2022-07-21&g=2022-07-21), die bijdragen aan de verwezenlijking van de algemene of specifieke doelstellingen van de specifieke verordeningen; - •. **brutoloon:** bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is g"},{"i":3502,"b":"Besluit van 21 mei 2015, houdende regels over facturen en verbruiks- en indicatieve kostenoverzichten van energie in verband met de implementatie van richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 3 februari 2015, nr. WJZ / 15008591; Gelet op de artikelen 10 en 11 van Richtlijn (EU) nr. 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de [Richtlijnen 2009/125/EG](32009L0125) en [2010/30](32010L0030)/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen [2004/8/EG](32004L0008) en [2006/32/EG](32006L0032) (PbEU 2012, L 315), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672&artikel=4) en [5 van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672&artikel=5), de [artikelen 95lb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=95lb) en [95lc van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=95lc), de [artikelen 42b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=42b) en [42c van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=42c), [artikel 8b van de Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=8b) en [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 maart 2015, nr. W15.15.0023/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 19 mei 2015, nr. WJZ / 15037098; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen § 2. Factuur § 2. Factuur § 4. Informatie-uitwisseling § 5. Kosten § 6. Overige bepalingen Artikel 15 Het [Besluit kostenoverzicht energie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029673) vervalt. Artikel 16 Wijzigt het Besluit stimulering duurzame energieproductie."},{"i":3965,"b":"Besluit van 2 juni 2009, houdende regels aangaande de registratie van elektronische adressen van derden en het elektronisch betekenen in geval van derdenbeslag Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 23 februari 2009, 5588516/09/6, Directie Wetgeving; Gelet op [artikel 475, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475); De Raad van State gehoord (advies van 26 maart 2009, nr. W03.09.0056/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 25 mei 2009, 5602491/09/6, Directie Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, enz. (bevoegdheid deurwaarders om informatie op te vragen en elektronisch te betekenen in geval van derdenbeslag) (Stb. 2008, 435) in werking treedt. Artikel 1 1. Elektronische adressen van derden waaraan een afschrift van het beslagexploot, een afschrift van de executoriale titel en het formulier, bedoeld in [artikel 475, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475) kunnen worden gelaten, worden opgenomen in een register dat door een door de Minister van Justitie aangewezen bestuursorgaan wordt gehouden met het oog op een doelmatige tenuitvoerlegging van vonnissen, beschikkingen en authentieke akten alsmede andere bij de wet als executoriale titel aangewezen stukken. 2. Van een elektronisch adres, een wijziging van een elektronisch adres en de afmelding van een elektronisch adres waaraan kan worden betekend, wordt door de derde aan het aangewezen bestuursorgaan kennisgegeven. 3. De in het vorige lid bedoelde kennisgevingen worden binnen vijf dagen na ontvangst hiervan door het aangewezen bestuursorgaan verwerkt. Vanaf de verwerking van de kennisgevingen kunnen beslagexploten elektronisch op het opgegeven of gewijzigde adres worden gelaten of vervalt de mogelijkheid aan een e"},{"i":2607,"b":"Beleidsregels van raad van bestuur van de Kansspelautoriteit van 1 november 2016, kenmerk 00.081.851, betreffende de verlening van incidentele artikel 3 loterijvergunningen (Beleidsregels incidentele artikel 3 loterijvergunningen) Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Artikel 2. Toepassingsbereik Deze beleidsregels hebben uitsluitend betrekking op de verlening van vergunningen voor het organiseren van incidentele loterijen die verleend worden door de Kansspelautoriteit. Artikel 3. Aanvraagprocedure Artikel 4. Duur en hoeveelheid Artikel 5. De vergunning Artikel 5a. Inschakelen van derden De vergunninghouder kan de organisatie van het kansspel en de uitvoering van het kansspel (of een deel daarvan) uitbesteden aan een derde. De vergunninghouder moet daarvoor een schriftelijke machtiging verstrekken aan die derde of een schriftelijke overeenkomst sluiten met die derde. Daarin wordt in elk geval opgenomen welke onderdelen worden uitbesteed. De vergunninghouder blijft verantwoordelijk voor de organisatie en de uitvoering van het kansspel en voor de naleving van de vergunningvoorschriften. Artikel 6. Weigeren van de vergunning De vergunning kan in ieder geval worden geweigerd indien de vergunninghouder kansspelen als bedoeld in de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469), anders dan de aan hem vergunde kansspelen, aanbiedt zonder daartoe een vergunning verleend te hebben gekregen. Artikel 7. Intrekking van de vergunning De vergunning kan worden ingetrokken als: Artikel 8. Annulering van de vergunning Artikel 10. Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels incidentele artikel 3 loterijvergunningen. Artikel 10. Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels incidentele artikel 3 loterijvergunningen. Als het kansspel wordt geannuleerd, is de vergunninghouder verplicht dit te melden aan de Kansspelautoriteit en de Belastingdienst, en de lotprijs terug te betalen aan de dee"},{"i":3861,"b":"Besluit van de algemeen commandant van het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 10 december 2024 met kenmerk 5993990 houdende verlening van ondermandaat en volmacht aan onder hem ressorterende functionarissen (Besluit ondermandaatverlening aan onder de algemeen commandant van het Brandweerkorps Caribisch Nederland ressorterende functionarissen 2024) Gelet op de [artikelen 6, eerste lid en 6, tweede lid, van het Besluit mandaatverlening aan korpschef Korps Politie Caribisch Nederland en algemeen commandant Brandweerkorps Caribisch Nederland 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049910&artikel=6); Besluit: Paragraaf 1. Bevoegdheden lokale commandanten van het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Artikel 1 Aan de lokale commandanten van het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt ondermandaat verleend voor: - a. het voeren van functioneringsgesprekken met de ploegchefs en de daarop gebaseerde beoordelingen, zoals geregeld is in [artikel 12 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=12); - b. het toekennen en intrekken van enigerlei vorm van vakantie en verlof aan onder hen ressorterende functionarissen, zoals geregeld is in [hoofdstukken II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028606&hoofdstuk=II), [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028606&hoofdstuk=V), [VI Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028606&hoofdstuk=VI). Artikel 2 Aan de lokale commandanten van het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt volmacht verleend voor het sluiten van privaatrechtelijke overeenkomsten ten behoeve van de uitvoering van activiteiten voor de instandhouding van het brandweerkorps tot een bedrag van USD 2.500,– exclusief ABB. Paragraaf 2. Bevoegdheden ploegchefs van het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Artikel 3 Aan de ploegchefs van het brandweerkorps van Bonair"},{"i":6092,"b":"Besluit van 31 augustus 2020 tot wijziging van een aantal besluiten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport teneinde de orthopedagoog-generalist toe te voegen aan de begripsbepaling van geregistreerde professional en de naamswijziging van het AMHK en enkele andere wijzigingen door te voeren (Verzamelbesluit VWS 2020) Artikel I Wijzigt het Besluit actieve implantaten. Artikel II Wijzigt het Besluit basisregistratie personen. Artikel III Wijzigt het Besluit bevolkingsonderzoek. Artikel IV Wijzigt het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid. Artikel V Wijzigt het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders. Artikel VI Wijzigt het Besluit Jeugdwet. Artikel VII Wijzigt het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang. Artikel VIII Wijzigt het Besluit kwaliteit kinderopvang. Artikel IX Wijzigt het Besluit langdurige zorg. Artikel X Wijzigt het Besluit medische hulpmiddelen. Artikel XI Wijzigt het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied klinisch technoloog. Artikel XII Wijzigt het Besluit politiegegevens. Artikel XIII Wijzigt het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Artikel XIV Wijzigt het Eisenbesluit lichaamsmateriaal 2006. Artikel XV Wijzigt het Registratiebesluit BIG. Artikel XVI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel XVII Wijzigt het Besluit van 7 november 2019, houdende wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 aangaande de opvang van slachtoffers van eergerelateerd en huiselijk geweld zonder verblijfsvergunning en wijziging van enkele besluiten in verband met technische aanpassingen eigen bijdrage zorg en maatschappelijke ondersteuning (Stb. 2019, 418). Artikel XVIII Wijzigt het Wijzigingsbesluit Besluit langdurige zorg en Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (verlaging vermogensinkomensbijtelling, verkorting overgangstermijnen voor de hoge en lage eigen bijdrage, de termijn waarover het CAK e"},{"i":3567,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Justitie en Veiligheid van 3 oktober 2023, kenmerk 3699503-1054522-WJZ, houdende vaststelling van het aanvangstijdstip van de aanloopfase van het experiment gesloten coffeeshopketen in de gemeenten Breda en Tilburg Gelet op [artikel 37 van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=37); Besluiten: Treedt in werking voor de gemeenten Breda en Tilburg. De aanloopfase, zijnde de fase van voorbereiding van het experiment voor coffeeshophouders als bedoeld in [artikel 37, eerste lid, van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=37), vangt voor de gemeenten Breda en Tilburg aan op 15 december 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8448,"b":"Complementaire Interne Financiële Overeenkomst inzake het op 30 juni 1973 ondertekende Complementaire Protocol De Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten der Europese Economische Gemeenschap, in het kader van de Raad bijeen, Gelet op het [Financiële Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004702) dat op 23 november 1970 is ondertekend, hierna „Financieel Protocol” genoemd, Gezien de [Interne Overeenkomst inzake het Financiële Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004498), die op 23 november 1970 is ondertekend door de Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten der Europese Economische Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling, hierna „Interne Overeenkomst” genoemd, Gezien het [Complementaire Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003975) en inzonderheid [artikel 8 van dit Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003975&artikel=8), dat heden is ondertekend tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap en de Raad van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en de Republiek Turkije, anderzijds, hierna „Complementair Protocol” genoemd, Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: Artikel 1 Het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland treden als Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap toe tot de op 23 november 1970 ondertekende [Interne Overeenkomst inzake het Financiële Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004498). Artikel 2 Wijzigt de Interne Overeenkomst inzake het Financiële Protocol; Brussel, 23 november 1973. Artikel 3 Wijzigt de Interne Overeenkomst inzake het Financiële Protocol; Brussel, 23 november 1973. Artikel 4 [Artikel 11 van de Interne Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004498&artikel=11) is op de in artikel 1 van de onderhavige Overeenkomst genoemde Lid-Staten van toepassing ten aanzien van de door de Bank na de inwerkingtreding van de onderhavige"},{"i":4929,"b":"Besluit van de algemeen directeur van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van 17 februari 2022, nr. 3857996/22/D&B/DO houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de algemeen directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit WODC) Gelet op [artikel 3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en gelet op [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de directeur van het WODC verleende ondermandaat, wordt ondermandaat verleend aan de Directiesecretaris van het WODC voor de afdoening van correspondentie van procedurele aard, waaronder in ieder geval wordt begrepen: - a. de bevestiging omtrent de ontvangst van een binnengekomen brief en de uitnodiging om een geconstateerd verzuim te herstellen; - b. de uitnodiging om in het kader van een klachtprocedure te worden gehoord; - c. de mededeling dat de beslistermijn wordt verlengd of opgeschort. 2. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de directeur van het WODC verleende ondermandaat, wordt ten aanzien van de aangelegenheden, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het Organisatiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=5) ondermandaat verleend aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 20 september 2019. Dit besluit wordt aangehaald als: Mand"},{"i":8531,"b":"Europese Overeenkomst inzake belangrijke lijnen voor het internationaal gecombineerd vervoer en daarmee samenhangende installaties (AGTC) De Overeenkomstsluitende Partijen, Geleid door de wens het internationaal goederenvervoer te vergemakkelijken, Beseffend dat een toename van het internationaal goederenvervoer te verwachten is als gevolg van de groeiende internationale handel, Zich bewust van de nadelige gevolgen die deze ontwikkelingen voor het milieu zouden kunnen hebben, De nadruk leggend op de belangrijke rol van het gecombineerd vervoer bij het verlichten van de last die op het Europese wegennet drukt, met name in het transalpine verkeer, en bij het verminderen van schade aan het milieu, Ervan overtuigd dat het, wil men het internationaal gecombineerd vervoer in Europa doelmatiger en aantrekkelijker voor de klant maken, van wezenlijk belang is een wettelijk kader te scheppen dat voorziet in een gecoördineerd plan voor de ontwikkeling van diensten op het gebied van gecombineerd vervoer en de voor de exploitatie daarvan benodigde infrastructuur op basis van internationaal overeengekomen functioneringsparameters en -normen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a. „gecombineerd vervoer”: het vervoer van goederen in een en dezelfde laadeenheid, waarbij gebruik wordt gemaakt van meer dan één wijze van vervoer; - b. „net van belangrijke lijnen voor het internationaal gecombineerd vervoer”: alle spoorwegen die van belang worden geacht voor het internationaal gecombineerd vervoer, indien: - i. zij momenteel worden gebruikt voor geregeld internationaal gecombineerd vervoer (bijv. per wissellaadbak, container, oplegger); - ii. zij dienen als belangrijke aanvoerlijnen voor het internationaal gecombineerd vervoer; - iii. wordt verwacht dat zij in de nabije toekomst belangrijke lijnen voor het gecombineerd vervoer zullen worden (zoals omschreven o"},{"i":8540,"b":"Europese Overeenkomst ter voorkoming van radio-omroep- of televisie-uitzendingen door stations buiten nationaal gebied De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn Leden tot stand te brengen; Overwegende dat het Radioreglement behorende bij het Internationale Verdrag betreffende de Verreberichtgeving, de oprichting en het gebruik verbiedt van radio-omroep- of televisiestations aan boord van schepen, luchtvaartuigen of andere drijvende of door de lucht gedragen voorwerpen die zich buiten nationaal gebied bevinden; Mede overwegende dat het wenselijk is te voorzien in de mogelijkheid de oprichting en het gebruik te voorkomen van radio-omroep- of televisiestations die zich bevinden op voorwerpen, bevestigd op of gedragen door de zeebodem buiten nationaal gebied; Overwegende dat Europese samenwerking te dezer zake wenselijk is, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Deze Overeenkomst heeft betrekking op radio-omroep- of televisiestations, ingericht of in stand gehouden aan boord van schepen, luchtvaartuigen of andere drijvende of door de lucht gedragen voorwerpen die buiten nationaal gebied uitzendingen verzorgen die, hetzij in hun geheel, hetzij gedeeltelijk, bedoeld zijn om te worden ontvangen of kunnen worden ontvangen op het gebied van een Overeenkomstsluitende Partij of die de ontvangst van een radio-elektrische zendinrichting die met toestemming van een Overeenkomstsluitende Partij wordt geëxploiteerd overeenkomstig het Radioreglement, hinderlijk storen. Artikel 2 1. Iedere Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich tot het nemen van maatregelen die nodig zijn om de oprichting of de exploitatie van de in artikel 1 bedoelde radio-omroep- of televisiestations, alsmede bewust verrichte daden van medeplichtigheid, overeenkomstig haar nationale recht strafbaar te stellen. 2. Met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde radio-omroep- of televisiestations"},{"i":8532,"b":"Europese Overeenkomst inzake beperking van het gebruik van bepaalde detergenten in was- en reinigingsmiddelen De Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat en het Verenigd Koninkrijk Van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Overwegende dat de Partijen bij het [Verdrag van Brussel van 17 maart 1948](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005480), zoals gewijzigd op 23 oktober 1954, hadden besloten de sociale banden die hen verbinden nauwer aan te halen en er gemeenschappelijk naar te streven langs de weg van overleg zowel rechtstreeks als in de gespecialiseerde organisaties, de levensstandaard van hun volken te verhogen en de werkzaamheden op sociaal terrein in hun onderscheiden landen op harmonische wijze te ontwikkelen; Overwegende dat de werkzaamheden op sociaal terrein die steunen op het [Verdrag van Brussel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005480), en die tot 1959 werden uitgevoerd onder de auspiciën van de Brusselse Verdragsorganisatie en de Westeuropese Unie, thans worden voortgezet binnen het kader van de Raad van Europa, zulks overeenkomstig het besluit dat op 21 oktober 1959 werd genomen door de Raad van de Westeuropese Unie en resolutie (59) 23, die op 16 november 1959 werd aangenomen door het Comité van Ministers van de Raad van Europa; Overwegende dat de Zwitserse Bondsstaat en het Koninkrijk Denemarken sedert onderscheidenlijk 6 mei 1964 en 2 april 1968 hebben deelgenomen aan de werkzaamheden op het gebied van de volksgezondheid die worden uitgevoerd ingevolge de bovengenoemde resolutie; Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, ten einde de economische en sociale vooruitgang te bevorderen door het sluiten van overeenkomsten en het volgen van een gemeenschappelijke gedragslijn op economisch,"},{"i":8533,"b":"Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van legalisatie van stukken opgemaakt door diplomatieke of consulaire ambtenaren Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden; Overwegende dat de betrekkingen tussen de Lid-Staten en die tussen hun diplomatieke of consulaire ambtenaren steeds meer berusten op wederzijds vertrouwen; Overwegende dat de afschaffing van legalisatie ertoe bijdraagt de banden tussen de Lid-Staten te versterken, aangezien het, door die afschaffing, mogelijk wordt op dezelfde wijze gebruik te maken van buitenlandse stukken als van stukken afgegeven door nationale autoriteiten; Overtuigd van de noodzaak tot afschaffing van het vereiste van legalisatie van stukken opgemaakt door hun diplomatieke of consulaire ambtenaren, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt onder legalisatie uitsluitend verstaan de formaliteit waarbij een bevestigende verklaring wordt afgegeven omtrent de echtheid van de handtekening op een stuk, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van het stuk heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de identiteit van het zegel of het stempel op het stuk. Artikel 2 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op stukken die zijn opgemaakt door diplomatieke of consulaire ambtenaren van een Overeenkomstsluitende Partij, handelende in hun officiële hoedanigheid op het grondgebied van welke Staat ook, en die moeten worden overgelegd: - (a). hetzij op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij, - (b). hetzij aan de diplomatieke of consulaire ambtenaren van een andere Overeenkomstsluitende Partij die hun werkzaamheden uitoefenen op het grondgebied van een Staat die geen partij is bij deze Overeenkomst. 2. Deze Overeenkomst is mede van toepassing op officiële verklaringen, zoals verklaringen omtrent registratie, het bestaan van een stuk op een bepaalde datum en de echtheid van een handtekening, welke verklaringen door diplomatieke of consula"},{"i":8534,"b":"Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer De Lid-Staten van de Raad van Europa, welke deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden, ten einde de idealen en beginselen, welke hun gemeenschappelijk erfdeel zijn, veilig te stellen en te verwezenlijken; In de overtuiging, dat de eisen van het internationaal vervoer van dieren niet onverenigbaar zijn met het welzijn van de dieren; Bezield door de wens dieren tijdens hun vervoer zoveel mogelijk van lijden te vrijwaren; Overwegend dat in dit opzicht vooruitgang kan worden bereikt door het aannemen van gemeenschappelijke bepalingen betreffende het internationaal vervoer van dieren, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I Artikel 1 1. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen zal de in deze Overeenkomst neergelegde bepalingen betreffende het internationaal vervoer van dieren toepassen. 2. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder internationaal vervoer verstaan ieder vervoer waarbij een grens wordt overschreden. Het grensverkeer is hier evenwel van uitgezonderd. 3. De bevoegde autoriteiten van het verzendende land beslissen of het vervoer voldoet aan de bepalingen van deze Overeenkomst. De landen van bestemming of van doorvoer kunnen evenwel betwisten dat het vervoer overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst heeft plaatsgevonden. Het transport mag evenwel slechts worden opgehouden indien een dergelijke maatregel strikt noodzakelijk is voor het welzijn van de dieren. 4. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen zal, wanneer stakingen of andere onvoorziene omstandigheden de strikte toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst op haar grondgebied onmogelijk maken, de nodige maatregelen treffen om lijden van de dieren te voorkomen of tot een minimum te beperken. Zij zal zich daarbij laten leiden door de in deze Overeenkomst neergelegde grondbeginselen. Artik"},{"i":8535,"b":"Europese Overeenkomst inzake de bescherming van landbouwhuisdieren De Lid-Staten van de Raad van Europa, die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat het wenselijk is gemeenschappelijke regelingen te treffen inzake de bescherming van landbouwhuisdieren, met name wat de moderne intensieve veehouderij betreft, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I. Algemene beginselen Artikel 1 Deze Overeenkomst is van toepassing op het houden, verzorgen en onderbrengen van dieren, en wel in het bijzonder op dieren in de moderne intensieve veehouderij. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder „dieren” dieren die worden gefokt of gehouden voor de produktie van voedingsmiddelen, wol, huiden of bont of voor andere agrarische doeleinden, en onder „moderne intensieve veehouderij” veehouderijsystemen waar hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van technische installaties die voornamelijk functioneren door middel van geautomatiseerde processen. Artikel 2 Iedere Overeenkomstsluitende Partij past de beginselen betreffende het welzijn der dieren toe, zoals deze zijn neergelegd in de artikelen 3 tot en met 7 van deze Overeenkomst. Artikel 3 Alle dieren dienen te worden ondergebracht, verzorgd en voorzien van voer en water op een wijze die - gelet op de soort, het ontwikkelingsstadium en de mate van aanpassing en domesticatie - in overeenstemming is met hun fysiologische en ethologische behoeften, zoals de ervaring dat heeft geleerd en door de wetenschap is vastgesteld. Artikel 4 1. De bewegingsvrijheid van een dier mag, gelet op de soort en in overeenstemming met wat de ervaring heeft geleerd en door de wetenschap is vastgesteld, niet op zodanige wijze worden beknot, dat daardoor onnodig lijden of letsel bij het dier wordt veroorzaakt. 2. Wanneer een dier permanent of geregeld is vastgebonden of anderszins in zijn bewegingen is beknot, dient het over een ruimte te beschikken die in overeenstemming is met zijn fysiologische en ethologische behoeften, zoals de e"},{"i":8543,"b":"Facultatief Protocol betreffende de verkrijging van nationaliteit De Staten die Partij zijn bij dit Protocol en bij het [Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004334), hierna te noemen „het Verdrag”, aanvaard tijdens de Conferentie van de Verenigde Naties, gehouden te Wenen van 4 maart tot 22 april 1963, De wens te kennen gevend, onderling regels vast te stellen betreffende de verkrijging van nationaliteit door de leden van de consulaire post en door de bij hen inwonende gezinsleden, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Voor de toepassing van dit Protocol heeft de uitdrukking „leden van de consulaire post” de daaraan in [alinea (g) van het eerste lid van artikel 1, van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004334&artikel=1) toegekende betekenis, namelijk „consulaire ambtenaren, consulaire beambten en leden van het bedienend personeel”. Artikel II Leden van de consulaire post die geen onderdaan zijn van de ontvangende Staat, alsmede inwonende gezinsleden, kunnen niet uitsluitend krachtens de wet van de Ontvangende Staat de nationaliteit van die Staat verkrijgen. Artikel III Dit Protocol staat open ter ondertekening door alle Staten die partij worden bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004334), en wel: tot 31 oktober 1963 bij het Bondsministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Oostenrijk en na die datum, tot 31 maart 1964, bij de zetel van de Verenigde Naties te New York. Artikel IV Dit Protocol dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Artikel V Dit Protocol blijft open voor toetreding door elke Staat die partij wordt bij dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004334). De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Artikel VI 1. Dit Protocol treedt in werking op dezelfde dag als het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl"},{"i":8544,"b":"Facultatief Protocol betreffende de verplichte regeling van geschillen De Staten die Partij zijn bij dit Protol en bij het [Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004334), hierna te noemen „Het Verdrag”, aanvaard tijdens de Conferentie van de Verenigde Naties, gehouden te Wenen van 4 maart tot 22 april 1963, De wens te kennen gevend, in alle aangelegenheden die hun aangaan met betrekking tot een uit de uitlegging of toepassing van dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004334) gerezen geschil, een beroep te doen op de verplichte rechtsmacht van het Internationale Gerechtshof, tenzij partijen binnen een redelijke termijn overeenstemming hebben bereikt over een andere wijze van regeling, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Geschillen die voortvloeien uit de uitlegging of toepassing van dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004334) vallen binnen de verplichte rechtsmacht van het Internationale Gerechtshof en kunnen dienovereenkomstig aan dit Hof worden voorgelegd door een request van een partij bij het geschil die tevens Partij is bij dit Protocol. Artikel II Partijen kunnen, binnen een termijn van twee maanden nadat de ene partij de andere heeft te kennen gegeven dat er naar haar mening een geschil bestaat, overeenkomen zich niet tot het Internationale Gerechtshof te wenden, doch tot een scheidsgerecht. Na het verstrijken van bovengenoemde termijn kan elk der beide partijen het geschil door middel van een request aan het Hof voorleggen. Artikel III 1. Binnen dezelfde termijn van twee maanden kunnen partijen overeenkomen tot een verzoeningsprocedure over te gaan alvorens zich tot het Internationale Gerechtshof te wenden. 2. De verzoeningscommissie doet haar aanbevelingen binnen vijf maanden nadat zij is ingesteld. Indien de partijen bij het geschil deze aanbevelingen niet binnen twee maanden nadat zij zijn gedaan, aanvaarden, kan elk der beide partijen het geschil door middel van"},{"i":8545,"b":"Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten De Staten die Partij zijn bij dit Protocol, Aangemoedigd door de overweldigende steun voor het [Verdrag inzake de rechten van het kind](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508), waaruit de huidige algemene wil blijkt zich in te zetten voor de bevordering en bescherming van de rechten van het kind, Opnieuw bevestigend dat de rechten van kinderen speciale bescherming vereisen en oproepend tot voortdurende verbetering van de situatie van kinderen zonder onderscheid, alsmede tot hun ontplooiing en onderwijs onder vreedzame en veilige omstandigheden, Verontrust over de schadelijke en grote gevolgen van gewapende conflicten voor kinderen en de consequenties ervan op de lange termijn voor duurzame vrede, veiligheid en ontwikkeling, Hun veroordeling uitsprekend over het gebruik van kinderen als doelwit bij gewapende conflicten en over rechtstreekse aanvallen op objecten die onder bescherming van het internationale recht staan, met inbegrip van plaatsen waar over het algemeen veel kinderen aanwezig zijn, zoals scholen en ziekenhuizen, Gelet op de aanneming van het [Statuut van het Internationaal Strafhof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001489), in het bijzonder dat daarin als oorlogsmisdaad wordt aangemerkt het voor militaire dienst oproepen of recruteren van kinderen jonger dan 15 jaar of hun inzet voor actieve deelname aan vijandelijkheden, in zowel internationale als niet-internationale conflicten, Daarom overwegende dat, ter verdere versterking van de verwezenlijking van de in het [Verdrag inzake de rechten van het kind](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508) erkende rechten, het nodig is de bescherming van kinderen tegen betrokkenheid bij gewapende conflicten uit te breiden, Vaststellend dat [artikel 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508&artikel=1) aangeef"},{"i":8538,"b":"Europese Overeenkomst inzake de uitwisseling van reagentia voor weefseltypering De Lid-Staten van de Raad van Europa, die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat reagentia voor weefseltyperingen niet in onbeperkte hoeveelheden beschikbaar zijn; Overwegende dat het in hoge mate wenselijk is dat de Lid-Staten, in een geest van Europese saamhorigheid, elkaar helpen door deze reagentia voor weefseltypering te verschaffen, indien de noodzakelijkheid zich daartoe doet gevoelen; Overwegende dat dergelijke wederzijdse hulp alleen mogelijk is, indien de eigenschappen en het gebruik van deze reagentia voor weefseltypering onderworpen zijn aan door de Lid-Staten gemeenschappelijk vast te stellen regels en indien voor de invoer van deze reagentia voor weefseltypering de nodige faciliteiten en vrijstellingen worden verleend, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „reagentia voor weefseltypering” verstaan reagentia van menselijke, dierlijke, plantaardige en andere oorsprong, gebruikt voor de bepaling van weefseltypering. 2. De bepalingen van de artikelen 2 tot 6 van deze Overeenkomst zijn ook van toepassing op cellen van een bekende antigenetische samenstelling, te gebruiken voor het onderzoek van reagentia voor typering. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich, zo zij over een voldoende voorraad voor eigen behoeften beschikken, om reagentia voor weefseltypering ter beschikking te stellen van andere Partijen die deze nodig hebben, en dat slechts tegen betaling van de kosten van het verwerven, bereiden en verzenden van deze reagentia en de eventuele kosten van aankoop. Artikel 3 Reagentia voor weefseltypering worden ter beschikking gesteld van de andere Overeenkomstsluitende Partijen onder de voorwaarde, dat er geen winst op wordt gemaakt, en dat zij alleen voor geneeskundige en wetenschappelijke, d.w.z. niet-commerciële, doeleinden worden gebruikt en dat zij slechts aan de door de betrokken"},{"i":8541,"b":"Europese Overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren Preambule De Lidstaten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn leden tot stand te brengen; Erkennend dat de mens de morele verplichting heeft alle levende schepselen te eerbiedigen, en indachtig de bijzondere relatie die kleine huisdieren hebben met de mens; Gelet op de betekenis van kleine huisdieren vanwege hun bijdrage tot de kwaliteit van het bestaan en hun daaruit voortvloeiende waarde voor de samenleving; Gelet op de moeilijkheden voortvloeiend uit de zeer grote verscheidenheid van dieren die door de mens worden gehouden; Gelet op de gevaren die inherent zijn aan te grote aantallen kleine huisdieren voor de hygiëne, de gezondheid en de veiligheid van de mens en van andere dieren; Overwegend dat het houden van exemplaren van in het wild levende diersoorten als huisdier niet aangemoedigd zou moeten worden; Zich bewust van de uiteenlopende omstandigheden die het verwerven, het houden, het al dan niet voor commerciële doeleinden fokken en het afstaan van en het handelen in kleine huisdieren beheersen; Zich ervan bewust dat kleine huisdieren niet altijd worden gehouden onder omstandigheden die bevorderlijk zijn voor hun gezondheid en welzijn; Constaterend dat de houding tegenover kleine huisdieren soms sterk uiteen loopt, soms wegens gebrek aan kennis en bewustzijn op dit gebied; Overwegend dat een fundamentele gemeenschappelijke opstelling ten aanzien van houding en praktijk, die leidt tot een verantwoord bezit van kleine huisdieren, niet alleen een wenselijke, maar ook reële doelstelling is, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Onder een klein huisdier wordt verstaan een dier dat door de mens, in het bijzonder thuis voor zijn genoegen en gezelschap, wordt gehouden of bedoeld is gehouden te worden. 2. Onder handel in kleine huisdieren wor"},{"i":8542,"b":"Europese Overeenkomst voor de bescherming van gewervelde dieren die worden gebruikt voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden, zoals gewijzigd door het Protocol tot wijziging Preambule De lidstaten van de Raad van Europa, die deze Overeenkomst hebben ondertekend; Eraan herinnerend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden en dat de Raad wenst samen te werken met andere Staten bij de bescherming van levende dieren die worden gebruikt voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden; Erkennend dat de mens de morele plicht heeft alle dieren te respecteren en voldoende rekening dient te houden met het feit dat zij pijn kunnen lijden en een herinneringsvermogen bezitten; Aanvaardend evenwel dat de mens in zijn streven naar kennis, gezondheid en veiligheid er behoefte aan heeft dieren te gebruiken, indien er een redelijke verwachting bestaat dat het resultaat een verruiming van kennis zal opleveren of ten goede zal komen aan mens en dier in het algemeen, evenals hij dieren gebruikt voor voedsel, kleding en als lastdier; Vastbesloten het gebruik van dieren voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden te beperken, met als doel de mogelijke vervanging van dit gebruik, in het bijzonder door onderzoek naar en bevordering van de toepassing van alternatieve methoden; Verlangend gemeenschappelijke bepalingen te aanvaarden met het doel de dieren te beschermen die worden gebruikt bij procedures waarbij pijn, lijden, angst of blijvend letsel kan worden berokkend en om te waarborgen dat deze procedures, indien ze onvermijdelijk zijn, tot een minimum beperkt blijven; Zijn als volgt overeengekomen: DEEL I. Algemene principes Artikel 1 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op elk dier dat wordt gebruikt of is bestemd voor gebruik in enige experimentele of andere wetenschappelijke procedure, welke pijn, lijden, angst of blijvend letsel teweeg kan brengen. Zij is niet van toepassing op niet"},{"i":8562,"b":"Gezamenlijk Protocol betreffende de toepassing van het Verdrag van Wenen en het Verdrag van Parijs De Verdragsluitende Partijen, Gelet op het Verdrag van Wenen inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade van 21 mei 1963; Gelet op het [Verdrag van Parijs inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie van 29 juli 1960, zoals gewijzigd bij het Aanvullend Protocol van 28 januari 1964 en het Protocol van 16 november 1982](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001020); Overwegende dat het Verdrag van Wenen en het [Verdrag van Parijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001020) in hoofdzaak gelijk zijn en dat geen enkele Staat thans Partij is bij beide Verdragen; Ervan overtuigd dat toetreding tot één van de Verdragen door Partijen bij het andere Verdrag zou kunnen leiden tot moeilijkheden ten gevolge van de gelijktijdige toepassing van beide Verdragen op een kernongeval; Geleid door de wens een verbinding tussen het Verdrag van Wenen en het [Verdrag van Parijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001020) tot stand te brengen door het voordeel van het bijzondere stelsel van wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade dat door elk Verdrag wordt geregeld wederzijds uit te breiden en conflicten voortvloeiende uit de gelijktijdige toepassing van beide Verdragen op een kernongeval te vermijden; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I In dit Protocol wordt verstaan onder: - (a). „Verdrag van Wenen”: het Verdrag van Wenen inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade van 21 mei 1963 en elke wijziging daarvan die voor een Verdragsluitende Partij bij dit Protocol van kracht is; - (b). „[Verdrag van Parijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001020)”: het Verdrag van Parijs inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie van 29 juli 1960 en elke wijziging daarvan die voor een Verdragsluitende Partij bij dit Protocol van kracht is. Artikel II Voor de toepassing van dit Protocol: - (a). is de exploitant van"},{"i":8566,"b":"Wet van 5 december 1957, houdende goedkeuring van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, met Bijlagen, Protocollen en Overeenkomst Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het vanwege Ons op 25 maart 1957 te Rome ondertekende Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, met de daarbij behorende Bijlagen, met de eveneens daarbij behorende, onderscheidenlijk op 25 maart 1957 te Rome en op 17 april 1957 te Brussel ondertekende Protocollen, en met de eveneens daarbij behorende, op 25 maart 1957 te Rome ondertekende Overeenkomst met bijlagen en Protocollen, ingevolge [artikel 60, lid 2, der Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=60) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft alvorens te kunnen worden bekrachtigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 25 maart 1957 te Rome tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek en het Groothertogdom Luxemburg gesloten Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, met de daarbij behorende Bijlagen, van welk Verdrag met Bijlagen de Nederlandse en de Franse tekst onderscheidenlijk zijn geplaatst in de **Tractatenbladen** 1957, 91 en 74, wordt voor Nederland en Nederlands Nieuw-Guinea goedgekeurd. Artikel 2 Het op 25 maart 1957 te Rome ondertekende, bij het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002257&artikel=1&z=1957-12-14&g=1957-12-14) genoemde Verdrag behorende Protocol betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank, het op 25 maart 1957 te Rome ondertekende, bij het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002257&artikel=1&z=1957-12-14&g=1957-12-14) genoemde Verdrag behorende Protocol betreffende"},{"i":8581,"b":"Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, Ierland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, en De Europese Unie, enerzijds, en DE REPUBLIEK COLOMBIA (hierna „Colombia” genoemd), DE REPUBLIEK PERU (hierna „Peru” genoemd) en DE REPUBLIEK ECUADOR (hierna „Ecuador” genoemd), hierna „de overeenkomstsluitende Andeslanden” genoemd, anderzijds, Gezien het belang van de historische en culturele banden en de bijzondere banden van vriendschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten en de overeenkomstsluitende Andeslanden, en hun wens om de economische integratie tussen de partijen te bevorderen; Vastbesloten om die banden te versterken door voort te bouwen op de bestaande instrumenten die de betrekkingen tussen de Europese Unie en haar lidstaten en de overeenkomstsluitende Andeslanden regelen; Opnieuw bevestigend dat zij het [handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en de [Universele Verklaring van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) ten volle onderschrijven; Hiermee een bijdrage leve"},{"i":8617,"b":"Wet van 30 maart 2022 tot wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Prijzenwet in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/2161 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en Richtlijnen 98/6/EG, 2005/29/EG en 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de Unie (PbEU 2019, L 328) (Implementatiewet richtlijn modernisering consumentenbescherming) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [Richtlijn (EU) 2019/2161](32019L2161) van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van [Richtlijn 93/13/EEG](31993L0013) van de Raad en [Richtlijnen 98/6/EG](31998L0006), [2005/29/EG](32005L0029) en [2011/83](32011L0083)/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de Unie (PbEU 2019, L 328) moet worden omgezet in bepalingen van nationaal recht en dat daartoe [Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289), de [Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586) en de [Prijzenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002353) moeten worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel II Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel III Wijzigt de Prijzenwet. Artikel IV Op een overtreding van de [artikelen 8.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586&artikel=8.2a), [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586&artikel=8.3), [8.4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":8629,"b":"Inter-Amerikaans Verdrag inzake de bescherming en het behoud van zeeschildpadden Preambule De Partijen bij dit Verdrag: Erkennend de in het internationale recht vastgestelde rechten en plichten van Staten, zoals weergegeven in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982, met betrekking tot het behoud en beheer van levende mariene rijkdommen; Geïnspireerd door de beginselen neergelegd in de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling van 1992; Gezien de beginselen en aanbevelingen neergelegd in de Gedragscode voor een doordachte visserij aangenomen door de Conferentie van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties tijdens haar 28ste Zitting (1995); In herinnering roepend dat Agenda 21, in 1992 aangenomen door de Conferentie over milieu en ontwikkeling van de Verenigde Naties, de noodzaak erkent van de bescherming en het herstel van bedreigde mariene soorten en van het behoud van hun habitats; Inziend dat volgens de beste wetenschappelijke bevindingen die beschikbaar zijn, bepaalde soorten zeeschildpadden in de Amerikaanse landen risico lopen of worden bedreigd, en dat voor sommige van deze soorten het gebaar van uitsterven kan dreigen; Het belang ervan erkennend dat de Amerikaanse Staten een overeenkomst sluiten om deze situatie het hoofd te bieden door middel van een instrument dat tevens deelname mogelijk maakt van Staten in andere gebieden die belang hebben bij de wereldwijde bescherming en behoud van zeeschildpadden, gezien de trek van deze soorten over grote afstanden; Erkennend dat zeeschildpadden het slachtoffer zijn van vangst, letsel of sterfte als een direct of indirect gevolg van aan de mens gerelateerde activiteiten; Overwegend dat maatregelen tot beheer van kuststroken onontbeerlijk zijn voor de bescherming van zeeschildpaddenpopulaties en hun habitats; Erkennend de afzonderlijke milieu-, sociaal-economische en culturele omstandigheden in de Amerikaanse Staten; Erkennend dat zeeschildpad"},{"i":8781,"b":"Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika De Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, verlangend de samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika verder te vergemakkelijken; verlangend de criminaliteit doeltreffender te bestrijden teneinde hun democratische samenlevingen en gemeenschappelijke waarden te beschermen; met inachtneming van de rechten van het individu en de rechtsstaat; indachtig de waarborgen die hun respectieve rechtsstelsels bieden inzake het recht van een verdachte op een eerlijk proces, waaronder het recht te worden gevonnist door een onpartijdig gerecht, dat is ingesteld bij de wet; vanuit de wens een verdrag betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken te sluiten, hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: Artikel 1. Onderwerp en doel De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst de samenwerking en wederzijdse rechtshulp te verbeteren. Artikel 2. Definities 1. Onder „overeenkomstsluitende partijen” wordt verstaan: de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika. 2. Onder „lidstaat” wordt verstaan: een lidstaat van de Europese Unie. Artikel 3. Reikwijdte van deze overeenkomst met betrekking tot bilaterale rechtshulpverdragen met lidstaten en bij gebreke daarvan 1. De Europese Unie, krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie, en de Verenigde Staten van Amerika waarborgen dat de bepalingen van deze overeenkomst in samenhang met bilaterale rechtshulpverdragen tussen de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika die op het moment van inwerkingtreding van deze overeenkomst gelden, op de volgende wijze worden toegepast: - a. artikel 4 wordt toegepast om te voorzien in de identificatie van financiële rekeningen en transacties, naast de rechtsgronden die reeds vervat zijn in bilaterale verdragsbepalingen; - b. artikel 5 wor"},{"i":8827,"b":"Overeenkomst inzake economische en technologische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek China De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China, Geleid door de wens de vriendschappelijke betrekkingen tussen hun beide volken verder te verstevigen en de ontwikkeling van de economische en technologische samenwerking tussen de beide landen op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel te bevorderen, Kennis nemend van de Handelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Volksrepubliek China, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen stimuleren en bevorderen, tot hun wederzijds voordeel, de voortgaande ontwikkeling van de economische samenwerking tussen hun onderscheiden landen, binnen het kader van hun wetten en voorschriften en met inachtneming van hun internationale verplichtingen. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen moedigen belanghebbende maatschappijen, organisaties en organen in hun onderscheiden landen aan, met elkander de contracten te sluiten en de andere regelingen te treffen die overeenkomen met de behoeften en mogelijkheden van hun beide landen, teneinde de ontwikkeling van hun economieën tot hun wederzijds voordeel te bevorderen. Artikel 3 1. De Overeenkomstsluitende Partijen stellen vast dat de samenwerking de volgende sectoren kan betreffen: industrie, mijnbouw, energie, de behandeling van afvalwater en de watervoorziening, handel, landbouw, tuinbouw, vervoersinfrastructuur, telecommunicatie, werktuigbouw en andere diensten. 2. De Overeenkomstsluitende Partijen stellen elkander, hetzij rechtstreeks, hetzij via de ingevolge artikel 8 van deze Overeenkomst ingestelde Gemengde Commissie, in kennis van bepaalde sectoren waarbinnen zij samenwerking wenselijk achten. 3. Projecten betreffende economische samenwerking en de voorwaarden aangaande zodanige projecten worden overeengekomen tussen de betrokken maatschappijen, organisati"},{"i":8925,"b":"Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de toepassing van het beginsel ne bis in idem De Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, hierna aangeduid als „Lid-Staten”, Gelet op de nauwe banden die tussen hun volken bestaan, Rekening houdende met de ontwikkelingen in de richting van het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen tussen de Lid-Staten, Geleid door de wens hun samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden uit te breiden op basis van wederzijds vertrouwen, begrip en respect, Ervan overtuigd dat de wederzijdse erkenning van de regel „ne bis in idem” ten aanzien van buitenlandse rechterlijke beslissingen de belichaming vormt van een dergelijk vertrouwen, begrip en respect, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Een persoon die bij onherroepelijk vonnis in een Lid-Staat is berecht, kan in een andere Lid-Staat niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of feitelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende Staat niet meer ten uitvoer gelegd kan worden. Artikel 2 1. Een Lid-Staat kan op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze Overeenkomst verklaren dat hij in een of meer van de volgende gevallen niet door artikel 1 is gebonden: - a). indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen zich geheel of gedeeltelijk op zijn eigen grondgebied hebben afgespeeld. In het laatste geval is deze uitzondering echter niet van toepassing indien de feiten zich gedeeltelijk hebben afgespeeld op het grondgebied van de Lid-Staat waarin het vonnis werd gewezen; - b). indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen een inbreuk vormen op de veiligheid of andere even wezenlijke belangen van deze Lid-Staat; - c). indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen zijn begaan door een ambtenaar van deze Li"},{"i":8939,"b":"Overeenkomst tussen de Regeringen van Kambodja, Laos, Thailand en Vietnam en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de Nederlandse bijdrage aan de Commissie voor de cöordinatie van het onderzoek in het stroomgebied van de Beneden-Mekong De Regeringen van Kambodja, Laos, Thailand en Viet Nam (hierna te noemen „de vier Regeringen”), enerzijds, en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, anderzijds; Verlangende de tussen hen bestaande goede betrekkingen te bestendigen en te bevestigen; Gevolg gevende aan het voornemen van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, zoals dit tijdens de van 6 tot 19 maart 1962 te Tokio gehouden achttiende zitting van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Azië en het Verre-Oosten is kenbaar gemaakt, een bijdrage te leveren aan de Commissie voor de coördinatie van het onderzoek in het stroomgebied van de Beneden-Mekong, hierna genoemd de Mekong-Commissie, en gezien de bereidheid van de Regeringen van Kambodja, Laos, Thailand en Viet Nam een zodanige bijdrage te aanvaarden; Overwegende, dat het wenselijk is gemeenschappelijk enige regelen vast te stellen ten aanzien van de samenwerking met betrekking tot bovenbedoelde bijdrage; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden stelt aan de vier Regeringen tezamen een bedrag ter beschikking van in totaal f 500.000 (vijfhonderdduizend gulden). De Mekong-Commissie, die is ingesteld om namens de vier Regeringen te handelen, stelt in overleg met de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en overeenkomstig de bepalingen vervat in de volgende artikelen, de wijze vast, waarop dit bedrag zal worden gebruikt. Artikel 2 De Mekong-Commissie kan tot een totaal van het in artikel 1 genoemde bedrag goederen aankopen. Verzoeken om levering van goederen worden door de Uitvoerend Vertegenwoordiger van de Mekong-Commissie gericht tot het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken, ten deze vertegenwoordigd door de"},{"i":8940,"b":"Overeenkomst tussen de Verenigde Naties en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden inzake operationele hulp aan Suriname en de Nederlandse Antillen De Verenigde Naties, waaronder begrepen de V.N.-Organisatie voor Industriële Ontwikkeling en de V.N.-Conferentie voor Handel en Ontwikkeling, de Internationale Arbeidsorganisatie, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, de Internationale Burgerluchtvaart Organisatie, de Wereldgezondheidsorganisatie, de Internationale Vereniging voor Verreberichtgeving, de Wereld Meteorologische Organisatie, de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, de Wereldpostvereniging en de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (hierna te noemen „de Organisaties”), en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen „de Regering van het Koninkrijk”); Verlangende uitvoering te geven aan de resoluties en besluiten van de Organisaties met betrekking tot technische hulp bij de overheidsdiensten, inzonderheid resoluties 1256 (XIII) en 1946 (XVIII) van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties, welke zijn gericht op de bevordering van de economische en sociale ontwikkeling van de volkeren; Overwegende dat het dienstig is, samen te werken bij de bevordering van de ontwikkeling van de administratieve en andere openbare diensten van de Regeringen van Suriname en van de Nederlandse Antillen en op deze wijze de technische hulp aan te vullen die deze Regeringen ter beschikking staat ingevolge de Overeenkomst tussen de Organisaties en de Regering van het Koninkrijk inzake technische hulp van 19 april 1967; Zijn deze Overeenkomst aangegaan in een geest van vriendschappelijke samenwerking. Artikel I. Werkingssfeer van de Overeenkomst 1. In deze Overeenkomst zijn de voorwaarden neergelegd waarop de Organisaties de Regering van Suriname of van de Nederlandse Antillen de diensten van functionarissen ter beschikking zullen s"},{"i":8941,"b":"Overeenkomst tussen het Duitse Wasserverband \"Netterden'scher Kanal\" en het Nederlandse Polderdistrict \"Oude Rijn\" inzake het gemaal Kandia Het Wasserverband „Netterden'scher Kanal” (hierna te noemen „het Wasserverband”), vertegenwoordigd door de voorzitter K. F. Lensing en het Polderdistrict „Oude Rijn” (hierna te noemen „het Polderdistrict”), vertegenwoordigd door de dijkgraaf J. C. Daams gaan van de volgende overwegingen uit: Deze overeenkomst heeft betrekking op het stroomgebied van de watergang, die „Hettergraaf”, „Grenskanaal”, „Wild” en „Oude Rijn” genoemd wordt en uitmondt in het Pannerdensch Kanaal; de overeenkomst betreft derhalve de gebieden van de Partijen voor zover die tot het stroomgebied van de Oude Rijn behoren. Om de thans bij hoge waterstanden van het Pannerdensch Kanaal optredende afwateringsmoeilijkheden en overstromingen tegen te gaan, achten de Partijen het noodzakelijk de afwatering - in het bijzonder bij hoge waterstanden - door de bouw van een gemaal aan de monding van de Oude Rijn te verbeteren. Dit gemaal wordt door het Polderdistrict gebouwd, bediend, beheerd en onderhouden, alsmede zonodig uitgebreid en verbeterd; de andere Partij draagt in de daardoor ontstane kosten bij naar rato van haar aandeel in het gezamenlijke stroomgebied. De grootte van het stroomgebied bedraagt: a. op Duits gebied............. 3.786 ha. b. op Nederlands gebied........... 5.575 ha. Dienovereenkomstig sluiten het Wasserverband en het Polderdistrict, met inachtneming van hoofdstuk 4, artikel 59, van het Grensverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland van 8 april 1960, de volgende overeenkomst. Artikel 1 1. Het Polderdistrict is verplicht aan de monding van de Oude Rijn in het Pannerdensch Kanaal een gemaal te bouwen en dit, indien nodig, uit te breiden of te verbeteren. 2. Het Polderdistrict is bovendien verplicht, het gemaal te bedienen, te beheren en te onderhouden. Artikel 2 1. De bouw van het gemaal en alle mogelijke uitbrei"},{"i":8942,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie ter uitvoering van artikel III, eerste en vierde lid, van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens Overwegende dat het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen „de Staten”, het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, hierna te noemen „het Verdrag”, dat op 1 juli 1968 te Londen, Moskou en Washington voor ondertekening is opengesteld en op 5 maart 1970 van kracht is geworden, hebben ondertekend; Eraan herinnerend dat krachtens artikel IV, eerste lid, van het Verdrag geen enkele bepaling in het Verdrag mag worden uitgelegd als van invloed zijnde op het onvervreemdbare recht van alle Partijen bij het Verdrag om het onderzoek met betrekking tot, en de produktie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden zonder discriminatie en in overeenstemming met de artikelen I en II van het Verdrag te ontwikkelen; Eraan herinnerend dat alle Partijen bij het Verdrag volgens artikel IV, tweede lid, daarvan zich ertoe verbinden een zo uitgebreid mogelijk uitwisselen van uitrusting, materialen en wetenschappelijke en technologische gegevens ten behoeve van het vreedzame gebruik van kernenergie te bevorderen en het recht hebben hierin deel te nemen; Er voorts aan herinnerend dat volgens hetzelfde lid Partijen bij het Verdrag die zulks kunnen doen, ook medewerken om afzonderlijk dan wel in samenwerking met andere Staten of internationale organisaties bij te dragen tot de verdere ontwikkeling van de toepassingen van kernenergie voor vreedzame doeleinden, inzonderheid op het grondgebied van de niet-kernwapenstaten die Parti"},{"i":8943,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake samenwerking bij de ontwikkeling en exploitatie van het gas-ultracentrifuge-procédé voor de produktie van verrijkt uranium Het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland; Van oordeel zijnde dat het van groot belang is dat verrijkt uranium beschikbaar komt voor andere doeleinden dan de vervaardiging van kernwapens; Overwegende dat in de nabije toekomst een snelle toeneming van het aantal kerncentrales in Europa en elders is te verwachten; Overwegende dat het van belang is in Europa een aanzienlijke capaciteit voor de verrijking van uranium te ontwikkelen ten einde te kunnen voldoen aan de vraag naar verrijkt uranium als brandstof voor deze centrales; Overwegende dat in hun onderscheiden landen vorderingen op het gebied van de ontwikkeling van de gas-ultracentrifugemethode zijn gemaakt; Overwegende dat gezamenlijke ontwikkeling van deze methode de Europese samenwerking op technologisch gebied zal versterken en dat gezamenlijke industriële exploitatie van deze methode zal bijdragen tot de economische integratie van Europa; Uitdrukking gevend aan hun bereidheid te overwegen samen te werken met Europese of andere landen die belangstelling hebben voor de produktie van verrijkt uranium volgens de gas-ultracentrifuge-methode; Voorts uitdrukking gevend aan hun bereidheid hun samenwerking in te passen in het verband van een grotere Europese gemeenschap; In herinnering brengend de op 4 maart 1970 te Almelo ondertekende Interim-Overeenkomst inzake beveiligingsmaatregelen en rubricering en uitdrukking gevend aan hun voornemen geëigende beveiligingsmaatregelen toe te passen ter uitvoering van een gemeenschappelijk rubriceringsbeleid ten aanzien van het gas-ultracentrifuge-procédé; Wederom bevestigend dat iedere afspraak tot samenwerking in overeenstemmin"},{"i":8944,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland, het Land Nedersaksen en het Land Noordrijn-Westfalen inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten Het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland, het Land Nedersaksen en het Land Noordrijn-Westfalen, zich bewust van de uit grensoverschrijdende samenwerking voortvloeiende voordelen, zoals omschreven in de op 21 mei 1980 te Madrid gesloten Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten, geleid door de wens voor deze gemeenschappen of autoriteiten de mogelijkheid te scheppen op publiekrechtelijke basis samen te werken, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Reikwijdte 1. Deze Overeenkomst is van toepassing - 1. in het Koninkrijk der Nederlanden op provincies en gemeenten, - 2. in het Land Nedersaksen op „Gemeinden”, „Samtgemeinden” en „Landkreise”, - 3. in het Land Noordrijn-Westfalen op „Gemeinden”, „Kreise”, „Landschaftsverbände” en de „Kommunalverband Ruhrgebiet”. 2. Openbare lichamen in de zin van artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen van 20 december 1984, laatstelijk gewijzigd bij wet van 13 december 1990, en „Zweckverbände” kunnen deelnemen aan grensoverschrijdende samenwerking, indien dit op grond van hun interne regelingen is toegestaan. 3. In overleg met de andere Overeenkomstsluitende Staten kan elk der Overeenkomstsluitende Staten andere lokale of regionale gemeenschappen aanwijzen, waarop de bepalingen van deze Overeenkomst mede van toepassing zullen zijn. 4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op andere publiekrechtelijke rechtspersonen, indien deelneming van hen volgens het interne recht van hun Staat is toegestaan en indien ook lokale of regionale gemeenschappen van de desbetreffende Staat deelnemen aan de vormen van grensoverschrijdende samenwerking. Onder deze voorwaarden is ook de deelneming van privaatrechtelijke"},{"i":8945,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Colombia tot regeling der voorwaarden, waarop de consulaire ambtenaren van Colombia in de voornaamste havens der Nederlandse overzeese bezittingen zullen worden toegelaten Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, wenschende de vriendschapsbanden, die tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Vereenigde Staten van Columbia bestaan, nauwer toe te halen, en aan de handelsbetrekkingen, die zoo gelukkig tusschen beide Staten zijn tot stand gebracht, de meest mogelijke uitbreiding willende verzekeren, heeft, ten einde dit doel te bereiken, en om te voldoen aan het verlangen, door de Regeering van Columbia te kennen gegeven, toegestemd in het toelaten van consuls van genoemde Republiek in de voornaamste havens der Nederlandsche koloniën, onder voorbehoud evenwel, deze vergunning tot het onderwerp te maken eener uitdrukkelijke overeenkomst, waarbij de rechten, verplichtingen en vrijdommen dier consuls in de bovenbedoelde koloniën duidelijk en nauwkeurig worden omschreven. Te dien einde heeft Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden benoemd: den heer CHRISTOFFEL GODFRIED FREDERIK HOYER, Hoogstdeszelfs consul-generaal in Columbia; en de President der Republiek der Vereenigde Staten van Columbia: den heer dr. EDUARD SALAZAR; die, na wederkeerige mededeeling hunner volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de navolgende artikelen zijn overeengekomen: Artikel 1 Er worden Columbiaansche consuls-generaal, consuls, vice-consuls en consulaire agenten toegelaten in alle havens van de overzeesche bezittingen of koloniën der Nederlanden, welke open zijn voor de schepen van alle landen. Artikel 2 De Columbiaansche consuls-generaal, consuls, vice-consuls en consulaire agenten worden beschouwd als handelsagenten, ter bescherming van den zeehandel hunner landgenooten in de havens van het ressort van hun consulair arrondissement. Zij zijn onderworpen zoowel aan de burgerlijke als aan de"},{"i":8946,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Arabische Republiek Egypte inzake het Nederlands Instituut voor Archeologie en Arabische Studien te Kairo Het Koninkrijk der Nederlanden en de Arabische Republiek Egypte, verlangend de samenwerking, vastgelegd in de op 8 december 1960 te 's-Gravenhage tussen beide Partijen tot stand gekomen Culturele Overeenkomst, verder te versterken: Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Het Nederlandse Instituut voor Archeologie en Arabische studiën, hierna te noemen „het Instituut”, is een instelling met rechtspersoonlijkheid volgens Egyptisch recht, opgericht te Kairo door de Rijksuniversiteit te Leiden. Artikel 2 Het Instituut heeft ten doel de bevordering van de egyptologie, de archeologie, de papyrologie, de hellenistiek, en de koptologie alsmede de Arabische studiën in de ruimste zin. Artikel 3 Ter verwerkelijking van deze doelstelling verricht het Instituut het volgende: - a. het doet regelmatig publicaties betreffende de in artikel 2 vermelde wetenschapsgebieden verschijnen. - b. het beheert een bibliotheek ten behoeve van de studie dezer wetenschappen. - c. het biedt gastvrijheid en waar mogelijk assistentie aan Nederlanders, die voor studie en/of wetenschappelijk onderzoek in de Arabische Republiek Egypte verblijven. Eveneens kan het Instituut gastvrijheid en waar mogelijk assistentie bieden aan personen van andere dan de Nederlandse nationaliteit, die voor wetenschappelijk onderzoek, dat wordt verricht in opdracht van of in samenwerking met Nederlandse instellingenvan wetenschappelijk onderzoek, in de Arabische Republiek Egypte verblijven. - d. het verleent medewerking aan Nederlandse archeologische expedities. Het gebouw van het Instituut kan deze tot basis dienen. - e. het stelt in het algemeen zijn faciliteiten ten dienste van het bekendmaken van de Nederlandse wetenschap en cultuur. Artikel 4 De algemene en wetenschappelijke leiding van het Instituut berust bij een bestuur, dat uit ten hoogste negen leden"},{"i":8947,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Arabische Republiek Jemen inzake technische samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Arabische Republiek Jemen; Opnieuw de vriendschappelijke betrekkingen bevestigend, die tussen de beide Staten en hun volken bestaan; Geleid door de oprechte wens deze betrekkingen te verstevigen; Verlangend de technische samenwerking te bevorderen en daartoe het noodzakelijke juridische en administratieve kader te scheppen; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I 1. Het doel van deze Overeenkomst is het bevorderen van de technische samenwerking en het daartoe scheppen van het juridische en administratieve kader voor de projecten van technische samenwerking, waartoe de bevoegde bestuurlijke autoriteiten van de beide Partijen ter uitvoering van deze Overeenkomst besluiten. 2. Een besluit tot samenwerking als bedoeld in het eerste lid hierboven, de bijdragen aan het desbetreffende project en de wijze waarop het project zal worden uitgevoerd, worden voor elk afzonderlijk geval neergelegd in een door de beide bevoegde bestuurlijke autoriteiten op te stellen administratief akkoord. Artikel II In verband met een project verbindt de Regering van de Arabische Republiek Jemen zich ertoe: - a. het Nederlandse personeel vrij te stellen van alle belastingen en andere fiscale heffingen ten aanzien van alle hun door de Nederlandse Regering betaalde vergoedingen; - b. het Nederlandse personeel vrij te stellen van invoer- en douanerechten, zowel op nieuwe of gebruikte huishoudelijke artikelen en persoonlijke bezittingen, als op beroepsuitrusting, ingevoerd in Jemen binnen zes maanden na de aankomst van henzelf of van hun gezinsleden op het grondgebied van Jemen, mits zodanige goederen weer uit Jemen worden uitgevoerd bij vertrek of binnen de termijn die door de Regering van de Arabische Republiek Jemen zal worden toegestaan; - c. de invoer te regelen, vrij van rechten, of de aankoop uit entrepot van éé"},{"i":8948,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Argentijnse Republiek inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Argentijnse Republiek, hierna te noemen de „Overeenkomstsluitende Partijen\", geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door investeerders van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreft, in het besef dat overeenstemming omtrent de aan deze investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst: - a. omvat de term „investeringen\" alle soorten vermogensbestanddelen geïnvesteerd door een investeerder van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij in overeenstemming met de wetten en voorschriften van laatstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij, en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: De betekenis en omvang van de verschillende vermogensbestanddelen worden bepaald door de wetten en voorschriften van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied de investering is gedaan. Een wijziging in de juridische vorm waarin de vermogensbestanddelen zijn geïnvesteerd of opnieuw geïnvesteerd is niet van invloed op de vraag of ze al dan niet worden aangemerkt als investeringen ingevolge deze Overeenkomst. - i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten be"},{"i":17635,"b":"Transparantieregeling zorgaanbieders ggz Ingevolge de [artikelen 38, leden 4 en 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38), [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de informatievoorziening van zorgaanbieders. 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 2. Doel Deze regeling beoogt de beschikbaarheid van informatie voor de (potentiële) cliënt en de verwijzer in de geestelijke gezondheidszorg te vergroten. Door het verplicht publiceren van de wachttijden worden de cliënt en verwijzer geïnformeerd over de wachttijd tot aan de intake en de start van de behandeling. En door het verplicht aanleveren van het aantal wachtenden krijgen zorgaanbieders, zorgverzekeraars, overheid, toezichthouders en de samenleving als geheel beter inzicht in het aantal wachtenden. Dit helpt om de urgentie per diagnosegroep en per regio beter in kaart te brengen en in te spelen op eventuele knelpunten. Om de begrijpelijkheid en de vergelijkbaarheid van de informatie te vergroten, en de NZa in staat te stellen de wachttijden en het aantal wachtenden nauwgezet inde gaten te houden, verplicht de regeling zorgaanbieders deze informatie aan de NZa aan te leveren. Ook moeten zorgaanbieders de cliënt wijzen op de mogelijkheid tot wachtlijstbemiddeling bij het overschrijden van de treeknormen. Ten slotte wordt door de verplichte publicatie van het kwaliteitsstatuut de cliënt geïnformeerd over de wijze waarop de zorgverlening bij de zorgaanbieder is georganiseerd. 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) leveren als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Uitzondering is dat: 4. Verplichtin"},{"i":11453,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 12 juni 2023, nr. 38118126 houdende regels voor de subsidieverstrekking voor het versterken van de aansluiting in de beroepsonderwijskolom (Subsidieregeling versterking aansluiting beroepsonderwijskolom) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aansluitende opleidingsroute:** opleidingsroute van vo, vso of vavo naar mbo en daarna hbo, die voldoet aan de eisen genoemd in [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048295&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **hbo-opleiding:** - a. hbo-bacheloropleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a); of - b. associate degree-opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a); - **hogeschool:** hogeschool als bedoeld in onderdeel g van de [bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](onbekend), voor zover zij bekostigde hbo-opleidingen verzorgt; - **leerling:** degene die onderwijs volgt aan een school; - **mbo-opleiding:** - a. beroepsoplei"},{"i":8971,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Dahomey inzake de tewerkstelling van Nederlandse vrijwilligers De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Republiek Dahomey, Geleid door de wens de goede betrekkingen tussen hun volken te verstevigen door de uitwisseling van kennis, waaronder vakkennis, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen EN FOI DE QUOI les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Accord. FAIT à Cotonou, le 2 août 1972, en deux exemplaires, en langue française. **Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas:** (s.) A. J. M. v.d. MAADE L'Ambassadeur A. J. M. van der Maade **Pour le Gouvernement de la République du Dahomey:** (s.) T. ADJIBADE Le Secrétaire général du Ministère des Affaires Etrangères T. Adjibade"},{"i":8984,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Paraguay inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Paraguay, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreft, in het besef dat overeenstemming omtrent de aan deze investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst omvat de term: - a. „investeringen\": alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - iii. recht op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, rechten betreffende technische werkwijzen, goodwill en know-how; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. „onderdanen\" met betrekking tot elk van beide Overeenkomstsluitende Partijen: - i. natuurlijke personen die de nationaliteit van die Overeenkomstsluitende Partij hebben; - ii. rechtspersonen die zijn opgericht overeenko"},{"i":8985,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Polen, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, Geleid door de wens de economische samenwerking te intensiveren, tot wederzijds voordeel van beide landen, Voornemens gunstige voorwaarden te scheppen voor investeringen door investeerders van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, en Erkennend dat de bevordering en bescherming van investeringen op basis van deze Overeenkomst het initiatief op dit terrein stimuleert, Zijn overeengekomen als volgt; Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Bij de ondertekening van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen, hebben de ondertekenende vertegenwoordigers overeenstemming bereikt omtrent de onderstaande bepalingen die een integrerend deel van de Overeenkomst uitmaken. 1 Met betrekking tot artikel 1 wordt onder „toezicht\" verstaan het hebben van een aanmerkelijk belang in of het vermogen aanmerkelijke invloed uit te oefenen op het beheer en de exploitatie van een investering, met dien verstande dat een zodanige invloed niet geacht wordt aanwezig te zijn uitsluitend als gevolg van een contractuele betrekking ten behoeve van de levering van goederen of de verlening van diensten of de verlening van handelskredieten in verband met zodanige contracten. 2 Met betrekking tot de betekenis van de term „vertraging\" in artikel 4: overmakingen geschieden overeenkomstig normale banken handelspraktijken en in elk geval binnen een termijn va"},{"i":8992,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek ten Oosten van de Uruguay inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek ten Oosten van de Uruguay, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, Geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen uit te breiden en te intensiveren, in het bijzonder met betrekking tot investeringen door onderdanen van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, Erkennend dat overeenstemming omtrent de aan zodanige investeringen toe te kennen behandeling de kapitaalstroom en de overdracht van technische kennis, alsmede de economische ontwikkeling van de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst omvat de term: - a). „investeringen” alle soorten vermogensbestanddelen en meer in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - (i). roerende en onroerende goederen, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten activa; - (ii). rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - (iii). recht op geld en andere activa en op iedere prestatie die economische waarde heeft; - (iv). rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en know-how; - (v). krachtens het publiekrecht verleende rechten, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen. - b). „onderdanen”, met betrekking tot beide Overeenkomstsluitende Partijen: - (i). natuurlijke personen die volgens het recht van die Overeenkomstsluitende Partij haar nationaliteit bezitten; - (ii). onverminderd het bepaalde"},{"i":18785,"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in de archieven Stichting Toezicht Politieke Delinquenten (2.09.42.01), Hoge Commissariaat van Nederland in Indonesië (2.05.189), Hoofdafdeling Staats- en Strafrecht (2.09.159), Zuivering Ambtenaren (2.04.67) en M.H. Gelinck (2.21.281.40) Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het besluit van: de [Minister van Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 20 januari 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042624) (Staatscourant 2019, nr. 54696), de [Minister van Buitenlandse Zaken van 3 juni 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025940) (Staatscourant 2009, nr. 106), de [Minister van Justitie en Veiligheid van 7 februari 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047880) (Staatscourant 2023, nr. 5403) de Minister van Binnenlandse Zaken van 10 november 1998, de [Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 april 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042094) (Staatscourant 2019, nr. 18200), houdende de beperking op de openbaarheid. Besluit: Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten (STPD) 1945-1951 (1953), nummer archiefinventaris 2.09.42.01, die in de bijlage worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2029. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Hoge Commissariaat van Nederland in Indonesië (Jakarta), nummer archiefinventaris 2.05.189, die in de bijlage worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 3 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het correspondentiearch"},{"i":9097,"b":"Protocol bij het Noord-Atlantisch Verdrag betreffende de toetreding van Roemenië The Parties to the [North Atlantic Treaty](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), signed at Washington on April 4, 1949, Being satisfied that the security of the North Atlantic area will be enhanced by the accession of Romania to that Treaty, Agree as follows: Article I Upon the entry into force of this Protocol, the Secretary General of the North Atlantic Treaty Organisation shall, on behalf of all the Parties, communicate to the Government of Romania an invitation to accede to the [North Atlantic Treaty](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760). In accordance with [article 10 of the Treaty](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760&artikel=10), Romania shall become a Party on the date when it deposits its instrument of accession with the Government of the United States of America. Article II The present Protocol shall enter into force when each of the Parties to the [North Atlantic Treaty](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) has notified the Government of the United States of America of its acceptance thereof. The Government of the United States of America shall inform all the Parties to the North Atlantic Treaty of the date of receipt of each such notification and of the date of the entry into force of the present Protocol. Article III The present Protocol of which the English and French texts are equally authentic, shall be deposited in the Archives of the Government of the United States of America. Duly certified copies thereof shall be transmitted by that Government to the Governments of all the Parties to the [North Atlantic Treaty](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760). IN WITNESS WHEREOF, the undersigned plenipotentiaries have signed the present Protocol. SIGNED at Brussels on the 26th day of March 2003."},{"i":9108,"b":"Protocol inzake de bekendmaking in het Benelux-Publikatieblad van bepaalde gemeenschappelijke rechtsregels voor de uitleg waarvan het Benelux-Gerechtshof bevoegd is De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op het [Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117), ondertekend te Brussel op 31 maart 1965, alsmede op het op 11 mei 1974 te Brussel ondertekende [Tweede Protocol ter uitvoering van artikel 1, lid 2, van dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003933), Verlangende de bekendmaking van de beschikkingen en aanbevelingen van het Comité van Ministers en van de Ministeriële Werkgroepen van de Benelux Economische Unie, waarvan de bepalingen zijn aangewezen als gemeenschappelijke rechtsregels voor de toepassing van het Verdrag, voor de drie landen te vergemakkelijken en de kosten daarvan te verminderen, Overwegende dat daartoe dient te worden voorzien in een andere wijze van bekendmaking dan die, welke voor die beschikkingen en aanbevelingen vereist is op grond van [artikel 1 van het Tweede Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003933&artikel=1) en van [artikel 1, lid 4, van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&artikel=1), Gelet op het advies van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad van 26 oktober 1979, Hebben besloten tot dat doel een Protocol te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 1. De bekendmaking in het Benelux-Publikatieblad van de beschikkingen en aanbevelingen van het Comité van Ministers en van de Ministeriële Werkgroepen van de Benelux Economische Unie, welke als gemeenschappelijke rechtsregels van de drie landen zijn aangewezen door: - a). het op 11 mei 1974 te Brussel ondertekende [Tweede Protocol ter uitvoering van artikel 1, lid 2, van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van"},{"i":9127,"b":"Protocol nopens het verbod van het gebruik in de oorlog van verstikkende, giftige of overige chemische gassen en van het voeren van een bacteriologische oorlog IN WITNESS WHEREOF the Plenipotentiaries have signed the present Protocol. DONE at Geneva in a single copy, this seventeenth day of June, One Thousand Nine Hundred and Twenty-Five."},{"i":6395,"b":"Besluit van 23 oktober 2009 tot wijziging van het Besluit bekostiging financieel toezicht, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft en het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft ter implementatie van richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG Op voordracht van Onze Minister van Financiën van 24 augustus 2009 (FM/2009/1730M); Gelet op de [artikelen 1:40, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:40), [1:81, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [1:102, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:102), [2:3b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3b), [2:3c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3c), [2:106a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:106a), [3:9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:9), [3:10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:10), [3:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:18, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:18), [3:29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:29), [3:29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:29a), [3:29c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:29c), [3:53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:71, tweede lid](https:"},{"i":6408,"b":"Besluit van 3 november 2008, houdende wijziging van het Besluit draagbare blustoestellen 1997 Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 september 2008, nr. 2008-0000303973; Gelet op [artikel 17, eerste lid, van de Brandweerwet 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=17); De Raad van State gehoord (advies van 13 oktober 2008, nr. W04.08.0420/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 oktober 2008, nr. 2008-0000493704; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit draagbare blustoestellen 1997. Artikel II De bewijzen die zijn afgegeven voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijven geldig gedurende de termijn waarvoor zij zijn verleend. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6421,"b":"Besluit van 7 maart 2005, houdende wijziging van het Besluit geluidhinder spoorwegen en het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer (saneringsregeling spoorweglawaai) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 september 2004, nr. MJZ2004088399, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=105) en [107 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=107) en [artikel 15.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); De Raad van State gehoord (advies van 3 november 2004, nr. W08.04.0453/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 februari 2005, nr. MJZ2005021467, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit geluidhinder spoorwegen. Artikel II Wijzigt het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer. Artikel III 1. Hogere waarden dan de in [artikel 7, eerste lid, van het Besluit geluidhinder spoorwegen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004137&artikel=7) genoemde waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een spoorweg, welke ingevolge [artikel 13, zesde lid, van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&artikel=13), zoals dat luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, door Onze Minister met overeenkomstige toepassing van [artikel 90, tweede lid, van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=90) zijn voorbereid voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, en vastgesteld na inwerkingtreding van dit besluit gelden als door Onze Minister vastgestelde ten hoogste toelaatbare waarden voor de geluidsbelasting als bedoeld in [artikel"},{"i":18512,"b":"Rijkswet van 19 december 1984, houdende vaststelling van nieuwe, algemene bepalingen omtrent het Nederlanderschap ter vervanging van de Wet van 12 december 1892, Stb. 268 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er mede in verband met de bekrachtiging van het op 30 augustus 1961 te New York tot stand gekomen Verdrag tot beperking der staatloosheid (**Trb.** 1967, 124), het op 6 mei 1963 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende de militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (**Trb.** 1964, 4) en de op 13 september 1973 te Bern tot stand gekomen Overeenkomst inzake beperking van het aantal gevallen van staatloosheid (**Trb.** 1974, 32), aanleiding bestaat de Wet van 12 december 1892, **Stb.** 268 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap aan een algehele herziening te onderwerpen en ter vervanging van die wet nieuwe, algemene bepalingen omtrent het Nederlanderschap vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze Rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk; - b. meerderjarige: hij die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt of voordien in het huwelijk is getreden; - c. moeder: de vrouw tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat; - d. vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat;"},{"i":17711,"b":"Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kosovo Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kosovo, hierna te noemen „de verdragsluitende partijen”; Geleid door de wens hun wederzijdse samenwerking op het gebied van sociale zekerheid te bevorderen, met name om ervoor zorg te dragen dat er regelingen zijn voor de verificatie van de rechtmatigheid van wettelijke ouderdomsuitkeringen geëxporteerd door het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kosovo; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied”: voor Nederland, het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; en voor de Republiek Kosovo, het grondgebied van de Republiek Kosovo; - b. „bevoegde autoriteit”: voor Nederland, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; en, voor de Republiek Kosovo, de minister van Arbeid en Sociaal Welzijn; - c. „bevoegd orgaan”: voor Nederland, de Sociale Verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen of elke andere instantie aangewezen door de bovengenoemde minister; en, voor de Republiek Kosovo, de minister van Arbeid en Sociaal Welzijn: Afdeling Pensioenen – Divisie Buitenlandse pensioenen; - d. „relevante organisatie”: elke organisatie die betrokken is bij de toepassing van dit Verdrag, met inbegrip van onder meer de bevolkingsregisters, belastingautoriteiten, kadasterregisters, kamers van koophandel, politie, gevangeniswezen, immigratiediensten en databases; - e. „uitkering”: elke ouderdomsuitkering ingevolge de wetgeving zoals omschreven in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006881&artikel=2&z=2024-10-01&g=2024-10-01); - f. „uitkeringsgerechtigde”: een persoon die een wettelijke ouderdomsuitkering aanvraagt of recht heeft op een wettelijke ouderdomsuitkering; - g. „echtgenoot/echtgenote”: de persoon die als zodanig wordt omschreven of aangemerkt door de van toepassing zijnde wetgeving. 2."},{"i":17292,"b":"Regeling declaratievoorschriften, administratievoorschriften en informatieverstrekking Wlz 2026 **Grondslag** Gelet op [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [artikel 37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [artikel 38, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38), [artikel 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), en [artikel 68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de administratie, registratie en declaratie van Wlz-zorg, het stellen van regels op het gebied van de administratieve organisatie en interne controle voor Wlz-zorgaanbieders, en het stellen van regels op het gebied van informatie die benodigd is om de aanvaardbare kosten [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) definitief te kunnen vaststellen. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **cliënt:** verzekerde, als bedoeld in [artikel 2.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=2.1.1) en [artikel 2.1.2 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=2.1.2), die op grond van een CIZ-indicatie zijn aanspraak op Wlz-zorg realiseert. - **context:** cliëntsituatie en -omgeving. - **consolidatieoverzicht:** het overzicht dat door de zorgaanbieder aan de nacalculatie-opgave 2026 moet worden toegevoegd als de op te geven financiële gegevens onderdeel uitmaken van een consolidatie en de zorgaanbieder bij de accountantscontrole in voornoemde opgave van die consolidatie wil uitgaan. Het betreft een overzicht waarin de volgende gegevens staan vermeld: - •. NZa-nummers van de desbetreffende zorgaanbieders; - •. de namen van de zorgaanbieders die bij deze NZa-nummers behoren; - •. de namen van de zorgkantoren die bij deze"},{"i":18129,"b":"Besluit departementale herindeling rijksvastgoed Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 5 november 2012, kenmerk 3117028; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van rijksvastgoed, met inbegrip van het Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf, voor zover deze voor 5 november 2012 was opgedragen aan Onze Minister van Financiën. Artikel 2 De taken van het ministerie van Financiën en van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032186&artikel=1&z=2012-11-09&g=2012-11-09) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032186&artikel=2&z=2012-11-09&g=2012-11-09) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 november 2012. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":9182,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 15 februari 2005, nr. 5332552/05/6, tot aanwijzing van het identiteitsbewijs, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het NAVO-statusverdrag Gelet op [artikel 1, tweede lid, van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Als document, waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, wordt tevens aangewezen een identiteitsbewijs dat door de zendstaat ingevolge artikel 3, tweede lid , van het NAVO-statusverdrag (Trb. 1953, 10) of artikel 4, onderdeel c, van het NAVO Hoofdkwartieren Protocol (Trb. 1953, 11) dan wel ingevolge het Statusverdrag inzake het Partnerschap voor de Vrede met Aanvullend Protocol (Trb. 1996, 74) is afgegeven aan een zich voor de dienstuitoefening in Nederland bevindende militair behorende tot een onder een der bovengenoemde verdragen vallende krijgsmacht. Artikel 2 De aanwijzing, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018019&artikel=1&z=2005-02-23&g=2005-02-23), geldt tevens ten aanzien van identiteitsbewijzen die zijn afgegeven aan militairen behorende tot een krijgsmacht die op een korte afstand van de Nederlandse grens in België of in Duitsland op grond van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018019&artikel=1&z=2005-02-23&g=2005-02-23) genoemde verdragen is gestationeerd, en welke militairen in Nederland wonen of Nederland vrijwel dagelijks bezoeken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing identiteitsbewijzen NAVO-statusverdrag. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9216,"b":"Rijkswet van 4 september 1997, houdende goedkeuring van het op 27 februari 1995 te Stockholm tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van het Internationaal Instituut voor democratie en verkiezingsondersteuning (Trb. 1995, 257) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 27 februari 1995 te Stockholm tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van het Internationaal Instituut voor democratie en verkiezingsondersteuning ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze. Artikel 1 Het op 27 februari 1995 te Stockholm tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van het Internationaal Instituut voor democratie en verkiezingsondersteuning, waarvan de Engelse tekst en de vertaling in het Nederlands zijn geplaatst in **Tractatenblad** 1995, 257, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 De goedkeuring door de Staten-Generaal van wijzigingen van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008896&artikel=1&z=1997-09-19&g=1997-09-19) genoemde Verdrag is niet vereist, indien de in het tweede lid van artikel XV ervan genoemde kennisgeving door tweederde van de verdragsstaten – andere dan het Koninkrijk – is gedaan. Artikel 3 Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**, waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad**, in het **Publicatieblad van de Nederlandse Antillen** en in het **Afkondigingsblad van Aruba** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en amb"},{"i":9217,"b":"Rijkswet van 8 juni 1995, houdende goedkeuring van het op 13 januari 1993 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, met bijlagen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 13 januari 1993 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, met bijlagen, ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden, en dat het voornemen tot intrekking van het voorbehoud bij het op 17 juni 1925 te Genève tot stand gekomen Protocol nopens de chemische en bacteriologische oorlog ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) eveneens de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 13 januari 1993 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot verbod van deze ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, met bijlagen, waarvan de Engelse en de Franse tekst en de vertaling in het Nederlands zijn geplaatst in **Tractatenblad** 1993, 162, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 1. Voorstellen tot wijziging van Verdrag en bijlagen, bedoeld in artikel XV, derde lid, van het in artikel 1 van deze rijkswet genoemde Verdrag, worden ten minste 21 dagen voorafgaande"},{"i":9218,"b":"Rijkswet van 24 december 1998, houdende goedkeuring van het op 2 oktober 1997 te Amsterdam tot stand gekomen Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, met Protocollen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 2 oktober 1997 te Amsterdam tot stand gekomen Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, met Protocollen, ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 2 oktober 1997 te Amsterdam tot stand gekomen Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, met Protocollen, waarvan de tekst is geplaatst in Tractatenblad 1998, 11, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 Met de verklaringen gehecht aan de Slotakte van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010177&artikel=1&z=2008-07-25&g=2008-07-25) genoemde Verdrag wordt ingestemd, voor zover deze een nadere uitleg bevatten van bepalingen van het Verdrag. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 De overeenkomsten bedoeld in artikel 6 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie bij het in [artikel 1](https://wetten.ove"},{"i":9219,"b":"Rijkswet van 10 juli 2008, houdende goedkeuring van het op 13 december 2007 te Lissabon totstandgekomen Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met Protocollen en Bijlagen (Trb. 2008, 11) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 13 december 2007 te Lissabon totstandgekomen Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met Protocollen en Bijlagen, ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 13 december 2007 te Lissabon totstandgekomen Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met Protocollen en Bijlagen, waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in Tractatenblad 2008, 11, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 1. [Artikel 3 van de rijkswet van 17 december 1992, houdende goedkeuring van het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005772&artikel=3) (Stb. 692), wordt ingetrokken. 2. De [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010177&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010177&artikel=4) en [5 van de rijkswet van 24 december 1998, houdende goedkeuring van het op 2 oktober 1997 te Amsterdam tot stand gekomen Verdrag van Amsterdam houdende"},{"i":3766,"b":"Besluit van de directeur-generaal Politie en Veiligheidsregio’s van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 24 juni 2024 met kenmerk 4958432 houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan de korpschef van het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en aan de algemeen commandant van het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit mandaatverlening aan korpschef Korps Politie Caribisch Nederland en algemeen commandant Brandweerkorps Caribisch Nederland 2024) Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031763&artikel=3), en [7, tweede lid, van de Regeling doormandatering korpsbeheer politie en brandweer BES 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031763&artikel=7); Besluit: Paragraaf 1. Bevoegdheden korpschef politie Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van de Regeling doormandatering korpsbeheer politie en brandweer BES 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031763&artikel=1) aan de directeur-generaal Politie en Veiligheidsregio’s verleende ondermandaat, wordt ondermandaat verleend aan de korpschef met dien verstande dat aan de directeur-generaal Politie en Veiligheidsregio’s blijft voorbehouden: - a. de besluitvorming tot het schorsen en het om disciplinaire redenen ontslaan van ambtenaren die zijn of worden geplaatst bij het politiekorps; - b. de beëdiging van de korpschef; - c. de besluitvorming inzake de bezoldiging, beloning en het toekennen van toelagen aan de korpschef; - d. het toekennen en intrekken van enigerlei vorm van vakantie en verlof van de korpschef; - e. het goedkeuren van dienstreizen en werkbezoeken buiten het Caribisch deel van het Koninkrijk door de korpschef; - f. het voeren van functioneringsgesprekken met de korpschef en de vastlegging van de daarop gebaseerde beoordelingen; - g. het namens de Minister voor de Staat sluiten van privaatrechtelijke overeenkomsten ten behoeve van de uitvoering van activiteiten voor de instandhouding van het politiek"},{"i":9220,"b":"Rijkswet van 28 april 2005 tot goedkeuring van het op 16 mei 2003 te Londen tot stand gekomen Protocol bij het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 16 mei 2003 te Londen tot stand gekomen Protocol bij het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992, ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Artikel 1 Het op 16 mei 2003 te Londen tot stand gekomen Protocol bij het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992, waarvan de Engelse en de Franse tekst en de vertaling in het Nederlands zijn geplaatst in Tractatenblad 2004, 196, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 Aanpassingen van de schadevergoedingslimiet van het Protocol, tot stand gekomen overeenkomstig artikel 24 van het Protocol, behoeven niet de goedkeuring van de Staten-Generaal. Artikel 3 Onder toepassing van [artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012701&artikel=16) treedt deze rijkswet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat"},{"i":9221,"b":"Rijkswet van 21 december 1994, tot goedkeuring van het op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie, met bijlagen 1, 2 en 3, en van het eveneens op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen verdrag inzake overheidsopdrachten, met bijlage Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie, met bijlagen 1, 2 en 3, alsmede het eveneens op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen verdrag inzake overheidsopdrachten, met bijlage, ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeven, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie, met bijlagen 1, 2 en 3, waarvan de tekst is geplaatst in **Tractatenblad** 1994, 235, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 Het op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen verdrag inzake overheidsopdrachten, met bijlage, waarvan de tekst is geplaatst in **Tractatenblad** 1994, 235, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 3 De goedkeuring door de Staten-Generaal is niet vereist voor verdragen die als noodzakelijk en rechtstreeks gevolg van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007147&artikel=1&z=1994-12-30&g=1994-12-30) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007147&artikel=2&z=1994-12-30&g=1994-12-30) bedoelde goedkeuring worden gesloten om de binding aan de in die art"},{"i":9222,"b":"Rijkswet van 22 juni 2001 tot goedkeuring van de op 26 mei 1997 te Brussel totstandgekomen Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn (Trb. 1997, 249), van het op 19 juni 1997 te Brussel totstandgekomen Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (Trb. 1997, 251), van het op 27 januari 1999 te Straatsburg totstandgekomen Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie (Trb. 2000, 130) en van het op 5 mei 1998 te Straatsburg totstandgekomen Statuut betreffende de Groep van Staten tegen corruptie (Trb. 2000, 131) (Goedkeuring van enkele verdragen inzake de bestrijding van fraude en corruptie II) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de op 26 mei 1997 te Brussel totstandgekomen Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, het op 19 juni 1997 te Brussel totstandgekomen Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen alsmede het op 27 januari 1999 te Straatsburg totstandgekomen Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie en het op 5 mei 1998 te Straatsburg totstandgekomen Statuut betreffende de Groep van Staten tegen corruptie ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-"},{"i":14590,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 november 2015, kenmerk 839984-141498-Z, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2016 (Regeling risicoverevening 2016) Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Regels ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) ten behoeve van een zorgverzekeraar Hoofdstuk 4. Aanvullingen op de vereveningsbijdrage aan een zorgverzekeraar Hoofdstuk 5. Betaling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraar door het Zorginstituut Hoofdstuk 6. Wijziging van de [Regeling risicoverevening 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036251) Artikel 20 Wijzigt de Regeling risicoverevening 2015. Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Bijlage 1. behorende bij [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037291&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2015-12-05&g=2014-09-30) en [artikel 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037291&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2015-12-05&g=2014-09-30) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2. behorende bij [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037291&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2015-12-05&g=2014-09-30) en [artikel 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037291&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2015-12-05&g=2014-09-30) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 3. behorende bij [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037291&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2015-12-05&g=2014-09-30) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Gelet op [artikel 32, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en de [artikelen 1, onderdelen i, j, k en aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1), [3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.1), [3.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":16766,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 april 2009, nr. DDI/ST/reg. 002/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de Economische Commissie van Azië en het Verre Oosten (ECAFE), later Economische en Sociale Commissie voor Azië en het Stille Oceaangebied (ESCAP) te Bangkok van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1956–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de Economische Commissie van Azië en het Verre Oosten (ECAFE), later Economische en Sociale Commissie voor Azië en het Stille Oceaangebied (ESCAP) te Bangkok van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1956–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 40 | 2020 | | 43 | 2043 | | 271 | 2050 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025720&artikel=1&z=2009-04-24&g=2009-04-24), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025720&artikel=1&z=2"},{"i":16781,"b":"Besluit van 18 december 2000, houdende vaststelling van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie, alsmede houdende wijziging van onder meer het Besluit bezoldiging politie in verband met de invoering van de Ziektewet voor de sector politie (Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directoraat-Generaal Openbare Orde en Veiligheid van 24 november 2000, nummer EA2000/U98287; Gelet op [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50), en [53 d, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=53d) en [artikel 9, zesde lid, van de LSOP-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006942&artikel=9); De Raad van State gehoord (advies van 14 december 2000, nr. W04.00.0556/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2000, nr. EA2000/U102388, Directoraat-Generaal Openbare Orde en Veiligheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. bevoegd gezag: het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - b. betrokkene: de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1), met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar, die als gevolg van ontslag verleend op grond van de [artikelen 89, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=89), [90, eerste, tweede en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=90), [91, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=91), [92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel="},{"i":16778,"b":"Besluit van 10 oktober 2003 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 september 2003, Directie Bijstand en Gemeentelijk Activeringsbeleid, nr. B&GA/WWB/03/70143; Gelet op [artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015704&artikel=7); De Raad van State gehoord (advies van 18 september 2003, nr. W12.03.0369/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 oktober 2003, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/WWB/03/76459; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen Artikel 1. Definitiebepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703); - b. zelfstandige: de belanghebbende van 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a) die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die: - 1°. voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan; - 2°. voldoet aan het urencriterium, bedoeld in [artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.6), en - 3°. alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico's daarvan draagt; - c. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van"},{"i":16775,"b":"Besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg Op de voordracht van Onze Minister voor Langdurige Zorg en Sport, in overeenstemming met Onze Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 9 november 2023, kenmerk 3718267-1056219-WJZ; Gelet op de [artikelen 2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048601&artikel=2.1), [2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048601&artikel=2.3), [2.4, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048601&artikel=2.4), en [2.8 van de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048601&artikel=2.8), [artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18) en [artikel 3.3, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 februari 2024, no.W13.23.00333/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met Onze Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, van 2 april 2024, kenmerk 3785987-1056219-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aanbieder:** aanbieder van zorg, hulp of ondersteuning; - –. **administratieve kenmerken van een rechtspersoon:** de naam, het adres, de vestigingsplaats, het KVK-nummer, de door ziektekostenverzekeraars gehanteerde administratieve codes van een rechtspersoon en het SKJ-registratienummer; - –. **BIG-nummer:** BIG-nummer als bedoeld in[artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=1); - –. **burgerservicenummer:** burgerservicenummer als bedoeld in [artikel 1, ond"},{"i":16772,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 februari 2025, nr. 2025-0000028015, houdende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD), 2002–2012 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 23 januari 2025, met kenmerk 49670713. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD), 2002–2012, Uitgever: Nationaal Archief, Den Haag Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | **Inventarisnummer** | **Beperkt openbaar tot 1 januari** | | --- | --- | | 83 | 2076 | | 84 | 2076 | | div. nrs. Samenwerking van ABB met de provincie Limburg | 2077 | | 65 | 2077 | | 100 | 2077 | | 79 | 2075 | | 74 | 2076 | | 75 | 2076 | | div.nrs. ABB balans | 2076 | | 103 | 2074 | | 93 | 2075 | | 76 | 2077 | | 86 | 2078 | | 61 | 2079 | | 94 | 2076 | | 56 | 2076 | | 73 | 2076 | | 71 | 2076 | | 59 | 2078 | | 58 | 2078 | | 57 | 2078 | | 80 | 2076 | | 72 | 2076 | | 85 | 2076 | | 67 | 2077 | | 66 | 2077 | | 82 | 2076 | | div.nrs. Rabobank rekening mutaties | 2076 | | 96 | 2076 | | 98 | 2074 | | 112 | 2076 | | 99 | 2077 | | 101 | 2077 | | 64 | 2076 | | 62 | 2076 | | 69 | 2076 | | 109 | 2076 | | 70 | 2076 | | 68 | 2076 | | div.nrs. Bevragingen van PricewaterhouseCoopers | 2078 | | 63 | 2077 | | 78 | 2078 | | 108 | 2079 | | 111 | 2079 | | div.nrs. Kopieën van afschriften Rabobank Maast | 2082 | | 110 | 2079 | | 107 | 2082 | | 95 | 2076 | | div.nrs. Algemeen dossier, | 2078 | | 87 | 2078 | | 88 | 2077 | | 92 | 2076 | | div.nrs. Persoonsdossier, | 2078 | | 55 | 2078 | | 60 | 2078"},{"i":16767,"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Commissariaat voor Ambonezenzorg (CAZ) periode (1949) 1952–1970 (1985) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 10 november 2021, met kenmerk 27744066. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Commissariaat voor Ambonezenzorg (CAZ) over de periode (1949) 1952–1970 (1985). Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 1 | 2029 | | 3 | 2030 | | 4 | 2031 | | 5 | 2036 | | 6 | 2043 | | 7 | 2036 | | 8 | 2033 | | 9 | 2040 | | 11 | 2048 | | 14 | 2032 | | 17 | 2029 | | 19 | 2030 | | 20 | 2027 | | 21 | 2034 | | 22 | 2049 | | 23 | 2037 | | 24 | 2051 | | 25 | 2026 | | 26 | 2050 | | 27 | 2029 | | 28 | 2047 | | 29 | 2048 | | 31 | 2050 | | 32 | 2047 | | 33 | 2026 | | 34 | 2032 | | 35 | 2054 | | 36 | 2037 | | 37 | 2049 | | 38 | 2023 | | 39 | 2042 | | 41 | 2038 | | 42 | 2048 | | 44 | 2037 | | 46 | 2048 | | 47 | 2049 | | 49 | 2029 | | 50 | 2051 | | 51 | 2041 | | 52 | 2035 | | 53 | 2037 | | 54 | 2041 | | 55 | 2027 | | 56 | 2043 | | 57 | 2050 | | 58 | 2038 | | 59 | 2049 | | 60 | 2052 | | 62 | 2051 | | 65 | 2050 | | 66 | 2047 | | 67 | 2049 | | 69 | 2034 | | 70 | 2049 | | 71 | 2051 | | 72 | 2037 | | 74 | 2038 | | 77 | 2050 | | 78 | 2052 | | 80 | 2050 | | 81 | 2048 | | 83 | 2039 | | 84 | 2050 | | 85 | 2049 | | 86 | 2032 | | 87 | 2048 | | 88 | 2050 | | 89 | 2049 | | 91 | 2052 | | 92 | 2050 | | 93 | 2049 | | 94 | 2029 | | 98 | 2050 | | 100 | 2030 | | 101 | 2042 | | 102 | 2024 | | 103 | 2036 | | 105 | 2037 |"},{"i":16779,"b":"Besluit van 23 november 2000, houdende vaststelling van de regeling inzake de bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren (Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren) Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 18 augustus 2000, nr. 5045031/00/06, directoraat-generaal Wetgeving, Rechtspleging en Rechtsbijstand, directie Wetgeving; Gelet op [artikel 54, tweede lid, onderdeel b, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=54); De Raad van State gehoord (advies van 21 september, no. W03.00 0384/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 14 november 2000, nr. 5061726/00/6, directoraat-generaal Wetgeving, Rechtspleging en Rechtsbijstand, directie Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities 1. In dit besluit wordt verstaan onder - aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering, bedoeld in [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=3&z=2017-01-01&g=2017-01-01); - aanvullende uitkering: de aanvullende uitkering, bedoeld in [Hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&hoofdstuk=2&z=2017-01-01&g=2017-01-01); - AOW-gerechtigde leeftijd: de leeftijd, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Algemene ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a), waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat; - arbeidsongeschiktheidsuitkering: een ingevolge de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) of de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) toegekende uitkering; - betrokkene: - 1°. de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar in vaste dienst die ten gevolge van een ontslag, niet zijnde een disciplinair strafontslag dan wel een ontslag wegens flexibel pensioen en uittreden, werkloos is geworden in"},{"i":16776,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 februari 2015, nr. 616476, houdende vaststelling van de vergoeding van de leden van Commissie onderzoek oorzaken kostenstijgingen stelsel gesubsidieerde rechtsbijstand en vernieuwing van het stelsel Gelet op [artikel 6, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Gelet op [artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4), Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; - b. **commissie:** de Commissie onderzoek oorzaken kostenstijgingen stelsel gesubsidieerde rechtsbijstand en vernieuwing van het stelsel, bedoeld in [artikel 2 van de Instellingsregeling Commissie onderzoek oorzaken kostenstijgingen stelsel gesubsidieerde rechtsbijstand en vernieuwing van het stelsel](onbekend). Artikel 2. (vergoeding) 1. De voorzitter ontvangt een vaste vergoeding per maand. De toepasselijke salarisschaal van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) voor de voorzitter is schaal 18. De arbeidsduurfactor voor de voorzitter is 14,4/36. 2. De vice-voorzitter ontvangt een vaste vergoeding per maand. De toepasselijke salarisschaal van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) voor de vice-voorzitter is schaal 18. De arbeidsduurfactor voor de vice-voorzitter is 7,2/36. 3. De andere leden ontvangen per vergadering een vergoeding, voor zover zij niet vallen onder de uitzondering van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.n"},{"i":16773,"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in de archieven DGBR (2.09.08), COOM (2.09.61), STPD (2.09.42.01), CABR (2.09.09), Bureau Bijzondere Jeugdzorg (2.09.42.02) en de Provinciale Inspecties en Tehuizen voor de Bijzondere Jeugdzorg in Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Limburg, Noord-Brabant, Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Holland Gelet op het [besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 januari 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007198) (nr.95.15.FCJK/EIB), Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Besluit: Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Directoraat Generaal Bijzondere Rechtspleging (nummer archiefinventaris 2.09.08) die in de bijlage worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van de Commissies Opsporing Oorlogsmisdadigers (nummer archiefinventaris 2.09.61), die in bijlage in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom Artikel 3 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten (nummer archiefinventaris 2.09.42.01) die in de bijlage worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 4 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, voormalig bekend als de archieven van de NSB, Kring Utrecht (nummer archiefinventaris 2.09.09) die in de bijlage worden genoemd,"},{"i":16770,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 oktober 2016, kenmerk 787332-138496-OBP, houdende beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van de Directie Curatieve Zorg en taakvoorgangers van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid, en Cultuur (1984) 1995–2006 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gezien het advies d.d. 13 november 2015, kenmerk 2015-16062 van het Nationaal Archief; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer worden de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038690&artikel=3&z=2017-01-01&g=2017-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038690&artikel=3&z=2017-01-01&g=2017-01-01) genoemde beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Directie Curatieve Zorg en taakvoorgangers, over de periode (1984) 1995–2006, die zijn opgenomen in de inventaris onder het in kolom 1 van onderstaande tabel genoemde inventarisnummer. Deze beperkingen gelden tot 1 januari van het in kolom 2 van onderstaande tabel genoemde jaartal. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 591 | 2074 | | 592 | 2076 | | 593 | 2076 | | 598 | 2075 | | 599 | 2074 | | 600 | 2074 | | 601 | 2074 | | 603 | 2074 | | 604 | 2075 | | 605 | 2075 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038690&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01) is, tot onbeperkte openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":16768,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 augustus 2016, 2016-0000170131, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden uit de archieven van het Nederlands Selectie Centrum Turkije en de Attaché Sociale Zaken in Turkije over de periode 1964–1991 Gelet op [artikel 15, lid 1 onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 19 juli 2016 met kenmerk 1025347; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de archieven van het Nederlands Selectie Centrum Turkije en de Attaché Sociale Zaken in Turkije over de periode 1964–1991 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 8 | 2051 | | 9 | 2044 | | 10 | 2050 | | 11 | 2050 | | 12 | 2050 | | 13 | 2050 | | 14 | 2062 | | 15 | 2063 | | 16 | 2050 | | 17 | 2052 | | 18 | 2057 | | 19 | 2043 | | 20 | 2048 | | 21 | 2033 | | 22 | 2050 | | 23 | 2050 | | 24 | 2052 | | 25 | 2047 | | 26 | 2034 | | 27 | 2039 | | 28 | 2053 | | 29 | 2050 | | 30 | 2058 | | 31 | 2047 | | 32 | 2062 | | 33 | 2059 | | 34 | 2055 | | 35 | 2050 | | 36 | 2056 | | 37 | 2051 | | 38 | 2050 | | 39 | 2050 | | 40 | 2044 | | 41 | 2057 | | 42 | 2056 | | 43 | 2040 | | 44 | 2051 | | 45 | 2051 | | 46 | 2050 | | 47 | 2050 | | 48 | 2050 | | 49 | 2056 | | 50 | 2055 | | 51 | 2055 | | 52 | 2050 | | 53 | 2053 | | 54 | 2053 | | 55 | 2046 | | 56 | 2034 | | 57 | 2055 | | 58 | 2050 | | 59 | 2056 | | 60 | 2055 | | 61 | 2050 | | 62 | 2053 | | 63 | 2056 | | 64 | 2053 | | 65 | 2052 | | 66 | 2052 | | 67 | 2050 | | 68 | 2050 | | 69 | 2053 | | 70 | 2052 | | 71 | 2051 | | 72 | 2051 | | 73 | 2056 |"},{"i":16782,"b":"Besluit van 26 april 2005, houdende regels voor de brede doeluitkering Sociaal, Integratie en Veiligheid van het Grotestedenbeleid (Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid) Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister belast met de coördinatie van het Grotestedenbeleid; - b. G31: de gemeenten Alkmaar, Almelo, Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Breda, Den Haag, Deventer, Dordrecht, Eindhoven, Emmen, Enschede, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hengelo (Overijssel), ´s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Leiden, Lelystad, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Sittard-Geleen, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad en Zwolle; - c. gemeente: een tot de G31 behorende gemeente; - d. GSB III periode: de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2009; - e. uitkering: de brede doeluitkering, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238&artikel=3&z=2015-01-01&g=2015-01-01); - f. centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid: de G31 met uitzondering van de gemeenten Hengelo (Overijssel), Lelystad, Schiedam en Sittard-Geleen; - g. centrumgemeenten voor vrouwenopvang: de G31 met uitzondering van de gemeenten Almelo, Deventer, Hengelo (Overijssel), Lelystad, Schiedam en Sittard-Geleen; - h. nieuwkomer: de vreemdeling, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, ten eerste](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544&artikel=1), en de Nederlander, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, ten tweede van de Wet inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544&artikel=1); - i. oudkomer: - 1. persoon die 18 jaar of ouder is, die buiten Nederland is geboren en behoort tot een etnische minderheidsgroep, die rechtmatig in Nederland verblijft anders dan voor een tijdelijk doel als bepaald bij of krachtens de [Wet inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544), en die niet verplicht is o"},{"i":9237,"b":"Stabilisatie- en Associatie-Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033) en het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507), hierna de „lidstaten” te noemen, en van de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „de Gemeenschap” te noemen, enerzijds, en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds, Gelet op de sterke banden tussen de partijen en hun gemeenschappelijke waarden, hun wens deze banden te versterken en nauwe, duurzame betrekkingen tot stand te brengen op grond van wederkerigheid en wederzijds belang, die de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in staat zou moeten stellen de in het verleden tot stand gebrachte betrekkingen te versterken en uit te breiden, met name de door de op 29 april 1997 door middel van een briefwisseling ondertekende Samenwerkingsovereenkomst die op 1 januari 1998 in werking trad; Overwegende dat de betrekkingen tussen de partijen op het gebied van het overlandvervoer geregeld moeten blijven door de tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Voormalige Joegoslavische Repub"},{"i":9247,"b":"Statuut van de Internationale Studiegroep voor Tin Oprichting - 1. De Internationale Studiegroep voor Tin wordt hierbij opgericht ten einde de bepalingen van dit Statuut uit te voeren en toezicht te houden op de uitvoering ervan. Doelstelling - 2. De doelstelling van de Groep is het verzekeren van een sterkere internationale samenwerking inzake aangelegenheden betreffende tin door de beschikbare informatie betreffende de internationale tinhuishouding te verbeteren en een kader te bieden voor intergouvernementeel overleg over tin. Definities - 3. - a). „De Groep” betekent: de Internationale Studiegroep voor Tin zoals opgericht bij dit Statuut; - b). „Tin” betekent: tinmetaal, alle andere geraffineerde tin, secundair tin of de tininhoud van concentraten of van tinerts, dat uit zijn natuurlijke voorkomens is vrijgemaakt, alsmede die tinprodukten die de Groep kan bepalen. In deze definitie wordt onder „erts” niet verstaan: i) materiaal uit het ertsvoorkomen gewonnen voor een ander doel dan om te worden bewerkt en ii) materiaal dat tijdens de behandeling afvalt; - c). „Leden” betekent: alle Staten en intergouvernementele organisaties, zoals bepaald in paragraaf 5, die kennis hebben gegeven van hun aanvaarding overeenkomstig paragraaf 21. Taken - 4. De Groep heeft de volgende taken: - a). het vaststellen van de capaciteit voor en het uitoefenen van voortdurend toezicht op de wereldtinhuishouding en de trends daarin, in het bijzonder door het instellen, bijhouden en voortdurend bijstellen van een statistisch systeem inzake wereldproduktie, voorraden, handel en verbruik van alle vormen van tin, alsook door het verspreiden, waar nodig, van de aldus ingewonnen informatie; - b). het voeren van overleg en het uitwisselen van informatie inzake de ontwikkelingen en trends in verband met de produktie, voorraden, handel en verbruik van alle vormen van tin; - c). het ondernemen van de nodige studies over een breed scala van belangrijke tinkwesties, overeenkomstig de besluiten van de"},{"i":9249,"b":"Statuut van de Organisatie der Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling De Staten die Partij zijn bij dit Statuut, Overeenkomstig het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), Overwegende de ruime doelstellingen, vervat in de resoluties, aanvaard tijdens de zesde bijzondere zitting van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties betreffende de vestiging van een Nieuwe Internationale Economische Orde, in de Verklaring en het Actieplan van Lima inzake Industriële Ontwikkeling en Samenwerking, aanvaard door de Tweede Algemene Conferentie van de Organisatie der Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling alsmede in de resolutie van de zevende bijzondere zitting van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties inzake Ontwikkelingen Internationale Economische Samenwerking, Verklarende dat: Het noodzakelijk is een rechtvaardige economische en sociale orde te vestigen, die dient te worden bereikt door het wegnemen van economische ongelijkheid, door het tot stand brengen van rationele en rechtvaardige internationale economische betrekkingen, door het bewerkstelligen van dynamische sociale en economische veranderingen en door de bevordering van de noodzakelijke structurele wijzigingen in de ontwikkeling van de wereldeconomie, Industrialisatie een dynamisch werktuig is ter bevordering van de groei en van wezenlijk belang is voor een snelle economische en sociale ontwikkeling, met name van de ontwikkelingslanden, voor de verbetering van de levensstandaard en de kwaliteit van het bestaan van de volkeren in alle landen en voor de invoering van een rechtvaardige economische en sociale orde, Het een soeverein recht van elk land is zijn eigen industrialisatie te verwezenlijken, en elk proces van die industrialisatie in overeenstemming dient te zijn met de ruimere doelstellingen van een zelfstandige en geïntegreerde sociaal-economische ontwikkeling en die veranderingen dient te omvatten die nodig zijn om een rechtvaardige en doeltreff"},{"i":2889,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2019 van 27 augustus 2018, nummer 2018/1 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2018 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2017; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,7%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaosche Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2019. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2019."},{"i":2586,"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 mei 2015, nummer 644356, tot besteding van de gelden uit het Europese Fonds voor asiel, migratie en integratie en het Fonds voor interne veiligheid (instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing en instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa) (Beleidsregels AMIF en ISF 2014–2020) Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - •. **subsidieregeling:** [Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&wetgeving) Artikel 2. Specifieke uitgaven in verband met doelgroepen 1. Specifieke uitgaven in verband met doelgroepen bestaan overeenkomstig de in [bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=A), [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=B), [C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=C), [Hg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=Hg), [Hh](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=Hh) en [Hi van de subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=Hi) omschreven subsidiabele activiteiten in volledige of gedeeltelijke ondersteuning in de vorm van: - a. een vergoeding van kosten gemaakt door de subsidieontvanger ten behoeve van de doelgroepen, of - b. een vergoeding van door de doelgroepen gemaakte kosten die vervolgens door de subsidieontvanger worden terugbetaald. 2. In het geval van activiteiten waarvoor de deelname noodzakelijk is van personen die onder de reikwijdte van [bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=A), [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=B) of [Hg van de subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036487&bijlage=Hg) vallen, zoals bijvoorbeeld een opleiding en"},{"i":19242,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 december 2017, nr. MinBuZa.2017.1305611, houdende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Venezuela (Sanctieregeling Venezuela 2017) Gelet op Verordening (EU) nr. 2017/2063 van de Raad van de Europese Unie van 13 november 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela (PbEU 2017, L 295); Gelet op Besluit (GBVB) 2017/2074 van de Raad van de Europese Unie van 13 november 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela (PbEU 2017, L295); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, artikel 6, eerste lid, artikel 7, eerste lid, artikel 8, eerste en tweede lid, artikel 12, eerste lid, en artikel 14 van Verordening (EU) nr. 2017/2063 van de Raad van de Europese Unie van 13 november 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela (PbEU 2017, L 295). 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in de gevallen waarin artikel 2, tweede lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, artikel 9, eerste lid, artikel 9 bis, eerste, tweede of derde lid, artikel 10, eerste lid, of artikel 11, eerste, derde en vierde lid, van Verordening (EU) nr. 2017/2063 van toepassing is. Artikel 2 1. Het is verboden om militaire goederen, alsmede militaire technologie, aangewezen in de [Uitvoeringsregeling strategische goederen 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030610), dan wel onderdelen daarvan, direct of indirect te verkopen, te leveren, over te dragen, daaronder begrepen over te brengen, of uit te voeren naar entiteiten of personen in Venezuela, of voor gebruik in de Venezuela, ongeacht of de goederen afkomstig zijn uit de lidstaten van de Europese Unie. 2. Het eerste lid"},{"i":9254,"b":"Statuut van het Internationaal Instituut voor de Eenmaking van het Privaatrecht Artikel 1 Het Internationaal Instituut voor de Eenmaking van het Privaatrecht stelt zich ten doel te onderzoeken welke middelen kunnen leiden tot harmonisering en coördinatie van het privaatrecht tussen Staten of groepen Staten, alsmede de aanvaarding door de verschillende Staten van een eenvormige wetgeving inzake het privaatrecht geleidelijk voor te bereiden. Hiertoe: - (a). bereidt het Instituut wetsontwerpen of ontwerpverdragen voor die het instellen van een eenvormig nationaal recht beogen; - (b). bereidt het Instituut ontwerpovereenkomsten voor ter bevordering van de internationale betrekkingen op het gebied van het privaatrecht; - (c). verricht het Instituut rechtsvergelijkende studiën op het gebied van het privaatrecht; - (d). neemt het Instituut kennis van de initiatieven die reeds op al deze gebieden zijn genomen door andere instellingen waarmede het Instituut, zo nodig, contact kan onderhouden; - (e). organiseert het Instituut conferenties en publiceert het studies die volgens het Instituut voor verspreiding op ruime schaal in aanmerking komen. Artikel 2 Het Internationaal Instituut voor de Eenmaking van het Privaatrecht is een internationale instelling die onder de verantwoordelijkheid van de deelnemende Regeringen valt. Als deelnemende Regeringen worden beschouwd de Regeringen die overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 tot dit Statuut zijn toegetreden. Op het grondgebied van ieder der deelnemende Regeringen heeft het Instituut de rechtsbevoegdheid, nodig voor het verrichten van zijn werkzaamheden en voor het verwezenlijken van zijn doeleinden. De privileges en immuniteiten die het Instituut, zijn agenten en zijn functionarissen genieten, worden omschreven in tussen de deelnemende Regeringen te sluiten overeenkomsten. Artikel 3 Het Internationaal Instituut voor de Eenmaking van het Privaatrecht heeft zijn zetel te Rome. Artikel 4 De organen van het Instituut zijn: - (1). d"},{"i":9256,"b":"Statuut van het Vestigingsfonds van de Raad van Europa Artikel I. Oprichting van het Fonds Er wordt een Vestigingsfonds van de Raad van Europa (hierna te noemen „het Fonds”) opgericht. Het Fonds valt onder de Raad van Europa en is onderworpen aan zijn oppergezag. Artikel II. Doel Het doel van het Fonds is hulp te bieden bij het oplossen van de problemen waarmede de Europese landen worden of kunnen worden geconfronteerd als gevolg van de aanwezigheid van bevolkingsoverschotten, met inbegrip van nationale vluchtelingen, door het verschaffen of het garanderen van leningen ter financiering van: - (a). integratieprogramma's die door een Lid van het Fonds zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel VI van dit Statuut en waarmede wordt beoogd voor deze mensen nieuwe kansen op werkgelegenheid te scheppen; - (b). door een Lid van het Fonds goedgekeurde vestigingsprogramma's die voorzien in het verstrekken van leningen aan of het doen van uitgaven ten behoeve van in Europa verblijvende personen die zich willen vestigen in een land binnen of buiten Europa en die zich verplichten tot terugbetaling van het bedrag van deze leningen of uitgaven voor zover deze door het Fonds zijn gefinancierd. Artikel III. Lidmaatschap Regeringen die Lid zijn van de Raad van Europa kunnen Lid worden van het Fonds overeenkomstig de bepalingen van artikel IV, tweede lid, letter (a), onder (i). Andere Regeringen die tot het lidmaatschap van het Fonds toegelaten worden, kunnen Lid van het Fonds worden op de bijzondere voorwaarden die het Fonds voor ieder geval afzonderlijk kan stellen, overeenkomstig de bepalingen van artikel IV, tweede lid, letter (a), onder (ii). Artikel IV. Verplichtingen der Leden Eerste lid. - Deelnemingsbewijzen Het Fonds geeft deelnemingsbewijzen uit waarop de Leden kunnen intekenen, uitgedrukt in één munteenheid en met dezelfde nominale waarde. De Leden betalen het bedrag waarvoor zij hebben ingetekend in hun nationale munteenheid tegen de op het tijdstip van intekening geldende o"},{"i":9257,"b":"Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Statuut, Zich bewust van het feit dat alle volken verenigd zijn door gemeenschappelijke banden, en hun culturen zijn samengebracht in een gemeenschappelijk erfgoed, en bezorgd dat dit broze mozaïek ieder moment uiteen kan vallen, Indachtig het feit dat in de loop van deze eeuw miljoenen kinderen, vrouwen en mannen het slachtoffer zijn geweest van onvoorstelbare wreedheden die het geweten van de mensheid hevig schokken, Erkennend dat dergelijke zware misdrijven een gevaar vormen voor de vrede, de veiligheid en het welzijn van de wereld, Bevestigend dat de ernstigste misdrijven die de gehele internationale gemeenschap met zorg vervullen niet onbestraft dienen te blijven en dat een doeltreffende vervolging daarvan verzekerd dient te worden door het treffen van maatregelen op nationaal niveau en door het versterken van internationale samenwerking, Vastbesloten een einde te maken aan de straffeloosheid van de daders van deze misdrijven en daardoor bij te dragen aan het voorkomen van dergelijke misdrijven, In herinnering brengend dat het de plicht is van elke Staat om zijn rechtsmacht in strafzaken uit te oefenen over degenen die verantwoordelijk zijn voor internationale misdrijven, Opnieuw bevestigend de doeleinden en beginselen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), en meer in het bijzonder het feit dat alle Staten zich dienen te onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een Staat, of van op enige andere wijze die onverenigbaar is met de doeleinden van de Verenigde Naties, Benadrukkend in dit verband dat niets in dit Statuut dient te worden beschouwd als een machtiging aan een Staat die Partij is om te interveniëren in een gewapend conflict of in de binnenlandse aangelegenheden van een Staat, Vastbesloten hiertoe, alsmede in het belang van h"},{"i":9265,"b":"Tarievenbesluit 2017 Raad voor Accreditatie Het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie (RvA) heeft, gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor zijn dienstverlening, op 15 december 2016 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. Besluit: Vast te stellen het Tarievenbesluit 2017 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor zijn dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks tarief wordt in januari van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken en initiële onderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek door middel van voorschotfacturen, op basis van de ingeschatte tijdbesteding gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Indien na de uitvoering van het onderzoek blijkt dat de tijdinschatting niet juist is geweest, vindt nafacturering dan wel creditering plaats. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 1. De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. 2. In afwijking van het eerste lid, kan de RvA ten aanzien van instellingen, die niet in Nederland zijn gevestigd, de betalingstermijn van de facturen bedoeld onder [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039019&artikel=3&z=2017-01-01&g=2017-01-01), verkorten. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over"},{"i":9266,"b":"Tarievenbesluit 2018 Raad voor Accreditatie gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor zijn dienstverlening, op 27 november 2017 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. Besluit: Vast te stellen het Tarievenbesluit 2018 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor zijn dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks tarief wordt in januari van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken en initiële onderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek door middel van voorschotfacturen, op basis van de ingeschatte tijdbesteding gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Indien na de uitvoering van het onderzoek blijkt dat de tijdinschatting niet juist is geweest, vindt nafacturering dan wel creditering plaats. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 1. De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. 2. In afwijking van het eerste lid, kan de RvA ten aanzien van instellingen, die niet in Nederland zijn gevestigd, de betalingstermijn van de facturen bedoeld onder [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040418&artikel=3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), verkorten. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over de resterende periode van het jaar. 2. Indien de accreditatie in"},{"i":9267,"b":"Tarievenbesluit 2019 Raad voor Accreditatie Het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie (RvA) heeft, gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor zijn dienstverlening, op 14 december 2018 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. Besluit: Vast te stellen het Tarievenbesluit 2019 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor zijn dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks tarief wordt in januari van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken en initiële onderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek door middel van voorschotfacturen, op basis van de ingeschatte tijdbesteding gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Indien na de uitvoering van het onderzoek blijkt dat de tijdinschatting niet juist is geweest, vindt nafacturering dan wel creditering plaats. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 1. De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. 2. In afwijking van het eerste lid, kan de RvA ten aanzien van instellingen, die niet in Nederland zijn gevestigd, de betalingstermijn van de facturen bedoeld onder [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041777&artikel=3&z=2019-01-01&g=2019-01-01), verkorten. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over"},{"i":9268,"b":"Tarievenbesluit 2020 Raad voor Accreditatie Het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie (RvA) heeft, gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor zijn dienstverlening, op 11 november 2019 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. Besluit: Vast te stellen het Tarievenbesluit 2020 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor zijn dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks tarief wordt in januari van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken en initiële onderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek door middel van voorschotfacturen, op basis van de ingeschatte tijdbesteding gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Indien na de uitvoering van het onderzoek blijkt dat de tijdinschatting niet juist is geweest, vindt nafacturering dan wel creditering plaats. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 1. De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. 2. In afwijking van het eerste lid, kan de RvA de betalingstermijn van de facturen bedoeld onder [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042998&artikel=3&z=2020-01-01&g=2020-01-01), verkorten. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over de resterende periode van het jaar. 3. Indien de accreditatie in de"},{"i":9269,"b":"Tarievenbesluit 2021 Raad voor Accreditatie heeft, gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor zijn dienstverlening, op 12 november 2020 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. Besluit: Vast te stellen het Tarievenbesluit 2021 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor zijn dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks tarief wordt in januari van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken en initiële onderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek door middel van voorschotfacturen, op basis van de ingeschatte tijdbesteding gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Indien na de uitvoering van het onderzoek blijkt dat de tijdinschatting niet juist is geweest, vindt nafacturering dan wel creditering plaats. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 1. De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. 2. In afwijking van het eerste lid, kan de RvA de betalingstermijn van de facturen bedoeld onder [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044628&artikel=3&z=2021-01-01&g=2021-01-01), verkorten. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over de resterende periode van het jaar. 2. Indien de accreditatie in de loop van het jaar eindigt of beëindigd wordt, vindt geen r"},{"i":9270,"b":"Tarievenbesluit 2022 Raad voor Accreditatie gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor zijn dienstverlening, op 2 december 2021 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. Besluit: Vast te stellen het Tarievenbesluit 2022 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor zijn dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks accreditatietarief wordt in het begin van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken en initiële onderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek door middel van voorschotfacturen, op basis van de ingeschatte tijdbesteding gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Indien na de uitvoering van het onderzoek blijkt dat de tijdinschatting niet juist is geweest, vindt nafacturering dan wel creditering plaats. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 1. De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. 2. In afwijking van het eerste lid, kan de RvA de betalingstermijn van de facturen bedoeld onder [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046100&artikel=3&z=2022-01-01&g=2022-01-01), verkorten. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over de resterende periode van het jaar. 2. Indien de accreditatie in de loop van het jaar eindigt of beëindigd wordt, vindt"},{"i":9271,"b":"Tarievenbesluit 2023 Raad voor Accreditatie gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor zijn dienstverlening, op 1 december 2022 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. Besluit: Vast te stellen het Tarievenbesluit 2023 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor zijn dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks accreditatietarief wordt in het begin van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken en initiële onderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek door middel van voorschotfacturen, op basis van de ingeschatte tijdbesteding gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Indien na de uitvoering van het onderzoek blijkt dat de tijdinschatting niet juist is geweest, vindt nafacturering dan wel creditering plaats. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 1. De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. 2. In afwijking van het eerste lid, kan de RvA de betalingstermijn van de facturen bedoeld onder [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047684&artikel=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01), verkorten. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over de resterende periode van het jaar. 2. Indien de accreditatie in de loop van het jaar eindigt of beëindigd wordt, vindt"},{"i":9272,"b":"Tarievenbesluit 2024 Raad voor Accreditatie gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor zijn dienstverlening, op 12 december 2023 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. Besluit: Vast te stellen het Tarievenbesluit 2024 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor zijn dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks accreditatietarief wordt in het begin van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken en initiële onderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek door middel van voorschotfacturen, op basis van de ingeschatte tijdbesteding gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Indien na de uitvoering van het onderzoek blijkt dat de tijdinschatting niet juist is geweest, vindt nafacturering dan wel creditering plaats. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 1. De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. 2. In afwijking van het eerste lid, kan de RvA de betalingstermijn van de facturen bedoeld onder [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049175&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01), verkorten. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over de resterende periode van het jaar. 2. Indien de accreditatie in de loop van het jaar eindigt of beëindigd wordt, vindt"},{"i":9303,"b":"Uitvoeringsbeschikking Benelux Invorderingsverdrag Gelet op de artikelen 2 en 3 van de wet van 8 juli 1953 (Stb. 332), houdende goedkeuring van het op 5 september 1952 te Brussel tussen Nederland. België en Luxemburg gesloten Verdrag nopens wederkerige bijstand inzake de invordering van belastingschulden (Trb. 1952, 137) en mede gelet op de bepalingen van vorenbedoeld verdrag. Besluit: Artikel 1 Deze beschikking verstaat onder: Artikel 2 Als bevoegde autoriteit, welke op de voet van artikel 3 van het Verdrag de bijstand inzake de invordering van een Nederlandse belastingschuld in België of Luxemburg kan verzoeken, wordt aangewezen de ontvanger der directe belastingen of der invoerrechten en accijnzen, die ingevolge de wettelijke voorschriften hier te lande met de invordering van de desbetreffende belastingschuld is belast. Artikel 3 Als bevoegde autoriteit, welke op de voet van artikel 4 van het Verdrag tot de invordering of tot het nemen van conservatoire maatregelen hier te lande overgaat, wordt van geval tot geval door de Minister van Financiën een ontvanger der directe belastingen of der invoerrechten en accijnzen aangewezen. Artikel 4 Als belasting, welke voor de toepassing van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002239&artikel=2&z=1956-12-15&g=1956-12-15) van de goedkeuringswet geldt als soortgelijk aan een Belgische of Luxemburgse belasting, wordt aangemerkt de als zodanig in de bij deze beschikking behorende bijlage naast elke Belgische en Luxemburgse belasting of heffing vermelde Nederlandse belasting. Artikel 5 De kosten van vervolging voor de invordering hier te lande van een Belgische of een Luxemburgse belastingschuld worden berekend overeenkomstig de voorschriften, welke gelden ten aanzien van de kosten van vervolging voor de invordering van de ingevolge het vorig artikel als soortgelijk aangemerkte Nederlandse belasting. Artikel 6 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de **Nederlan"},{"i":9273,"b":"Tarievenbesluit 2025 Raad voor Accreditatie gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor zijn dienstverlening, op 3 december 2024 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. **Besluit:** Vast te stellen het Tarievenbesluit 2025 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor zijn dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks accreditatietarief wordt in het begin van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken en initiële onderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek door middel van voorschotfacturen, op basis van de ingeschatte tijdbesteding gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Indien na de uitvoering van het onderzoek blijkt dat de tijdinschatting niet juist is geweest, vindt nafacturering dan wel creditering plaats. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 1. De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. 2. In afwijking van het eerste lid, kan de RvA de betalingstermijn van de facturen bedoeld onder [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050603&artikel=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01), verkorten. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over de resterende periode van het jaar. 2. Indien de accreditatie in de loop van het jaar eindigt of beëindigd wordt, vi"},{"i":9275,"b":"Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Centraal-Afrika, anderzijds Preambule Gelet op de [ACS-EG-partnerschapsovereenkomst](onbekend), die op 23 juni 2000 te Cotonou werd ondertekend en op 25 juni 2005 te Luxemburg werd herzien, hierna de „[Overeenkomst van Cotonou](onbekend)” genoemd, Ervan overtuigd dat de economische partnerschapsovereenkomst (EPO) een nieuw, gunstiger klimaat voor hun relaties op het gebied van economisch bestuur, handel en investeringen tot stand zal brengen en nieuwe mogelijkheden voor groei en ontwikkeling zal bieden, Overwegende dat de liberalisering van de handel in goederen en diensten en van het vestigingsrecht tussen de partijen gebaseerd moet zijn op de regionale integratie van de Centraal-Afrikaanse staten, dat deze tot doel moet hebben hun geleidelijke, harmonieuze integratie in de wereldeconomie te bevorderen, daarbij lettend op hun politieke keuzes en ontwikkelingsprioriteiten, en dat daarbij moet worden voldaan aan de voorwaarden van de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie, Overwegende dat de partijen buitenlandse directe investeringen niet zullen aanmoedigen door afzwakking van hun binnenlandse wet- en regelgeving inzake milieu, arbeid, gezondheid op het werk of veiligheid of door versoepeling van hun binnenlandse arbeidswet- en regelgeving of van voorschriften om culturele diversiteit te beschermen en te bevorderen. De partijen bevestigen daarom opnieuw dat zij zich ertoe verbinden deze binnenlandse wet- en regelgeving na te leven of de naleving ervan aan te bieden, teneinde de vestiging, verwerving, uitbreiding of handhaving van een investering of investeerder op hun gebied aan te moedigen, Zijn als volgt overeengekomen1)[Red: Bijlage III bij de Overeenkomst ligt ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en is te vinden op http://eur-lex.europa.eu/nl/index.htm.]: TITEL I. DOELSTELLINGEN Artikel 1. Tijdelijke o"},{"i":9276,"b":"Tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ghana, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds De Republiek Ghana, enerzijds, en Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, Ierland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, De Republiek Hongarije, De Republiek Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en De Europese Gemeenschap, anderzijds, Preambule: Gelet op de [Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005264), die op 23 juni 2000 te Cotonou werd ondertekend en op 25 juni 2005 werd herzien, hierna de „Overeenkomst van Cotonou” genoemd, In aanmerking nemende dat de handelspreferenties die in het kader van de [Overeenkomst van Cotonou](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005264) zijn toegekend, op 31 december 2007 vervallen, Gelet op de negatieve invloed die het vervallen van de handelspreferenties van de [overeenkomst van Cotonou](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005264) kan hebben op de handel tussen de partijen wanneer op 1 januari 2008 geen nieuwe met de WTO-voorschriften compatibele handelsregeling van kracht is, Erkennende dat derhalve een tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst moet worden gesloten om de economische en handelsbelangen van de partijen te beschermen, Overwegende dat de partijen hun economische en handelsbanden verder willen aa"},{"i":9274,"b":"Tarievenbesluit 2026 Raad voor Accreditatie gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor zijn dienstverlening, op 15 december 2025 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. **Besluit:** Vast te stellen het Tarievenbesluit 2026 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor zijn dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks accreditatietarief wordt in het begin van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken en initiële onderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek door middel van voorschotfacturen, op basis van de ingeschatte tijdbesteding gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Indien na de uitvoering van het onderzoek blijkt dat de tijdinschatting niet juist is geweest, vindt nafacturering dan wel creditering plaats. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 1. De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. 2. In afwijking van het eerste lid, kan de RvA de betalingstermijn van de facturen bedoeld onder [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052091&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), verkorten. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over de resterende periode van het jaar. 2. Indien de accreditatie in de loop van het jaar eindigt of beëindigd wordt, v"},{"i":9277,"b":"Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds **Preambule** Gelet op de [ACS-EG-partnerschapsovereenkomst](onbekend), die op 23 juni 2000 te Cotonou werd ondertekend en op 25 juni 2005 te Luxemburg werd herzien, hierna de „[Overeenkomst van Cotonou](onbekend)” genoemd, In aanmerking nemende dat de overgangsregeling inzake handelspreferenties in het kader van de [Overeenkomst van Cotonou](onbekend) op 31 december 2007 vervalt, Gelet op de negatieve invloed die het vervallen van de overgangsregeling inzake handelspreferenties in het kader van de [overeenkomst van Cotonou](onbekend) op de handel tussen de partijen kan hebben wanneer op 1 januari 2008 geen nieuwe met de WTO-voorschriften compatibele handelsregeling van kracht is, Erkennende dat derhalve een tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst moet worden gesloten om de economische en handelsbelangen van de partijen te beschermen, Overwegende dat de partijen hun economische en handelsbanden verder willen aanhalen en duurzame betrekkingen op basis van partnerschap en samenwerking tot stand willen brengen, Gelet op het belang dat de partijen hechten aan de beginselen en regels van het internationale handelssysteem, en met name aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de [GATT 1994](onbekend) en uit andere multilaterale overeenkomsten die gehecht zijn aan de [Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001160) (WTO), en aan de noodzaak deze op transparante en niet-discriminerende wijze toe te passen, Opnieuw uitdrukking gevende aan hun engagement voor eerbiediging van de rechten van de mens, de democratische beginselen en de rechtsstaat, die de essentiële elementen van de [Overeenkomst van Cotonou](onbekend) vormen, en goed bestuur, dat het fundamentele element van de [Overeenkomst van Cotonou](onbekend) is, Rekening houdende met de noodzaak de economisc"},{"i":9278,"b":"Besluit staatssecretaris van Financiën van 12 Juli 1994, Nr. IFZ 94/257.2 Mij is een vraag voorgelegd over de verdragsgerechtigdheid van de lichamen die gevestigd zijn te Labuan (Maleisië) en aldaar onderworpen zijn aan de Labuan Offshore Business Activity Tax Act (de zogeheten Lobat Act). Ik heb hierop geantwoord dat het zogenoemde Labuan-lichaam naar mijn mening geen aanspraak kan maken op de voordelen van het belastingverdrag tussen Nederland en Maleisië (hierna: het Verdrag). Ik heb hiervoor de volgende argumenten genoemd. Art. 1 van het Verdrag bepaalt dat het Verdrag van toepassing is op personen die inwoner zijn van een van de staten. In art. 4 van het Verdrag is gedefinieerd wie of wat worden aangemerkt als inwoner van Maleisië. \"Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking \"inwoner van een van de Staten: ... (b) wat Maleisië betreft, een persoon die inwoner van Maleisië is voor de toepassing van de Maleisische belasting.'' Het begrip \"Maleisische belasting'' is gedefinieerd in art. 2, lid 1, letter b, van het Verdrag. De heffing waaraan het Labuan-lichaam is onderworpen, is niet in de opsomming onder dit letter b opgenomen. Ook kan de heffing waaraan het Labuan-lichaam is onderworpen niet worden aangemerkt als een belasting in de zin van art. 2, lid 2 van het Verdrag. In dat tweede lid wordt onder Maleisische belasting tevens begrepen belastingen die gelijk zijn of in wezen gelijksoortig zijn aan de in art. 2, lid 1, letter b, genoemde Maleisische belastingen. In casu is daarvan geen sprake, nu de facto meer sprake is van een jaarlijks vast te betalen bedrag dan van een belasting naar de winst. Op grond van het voorgaande wordt een Labuan-lichaam dat onderworpen is aan de Lobat-act voor het Verdrag niet aangemerkt als persoon die inwoner is van Maleisië en het wordt dan ook niet de verdragsvoordelen deelachtig. Door Nederland wordt dan ook geen vermindering van dividendbelasting verleend, wanneer door een Nederlands lichaam dividend word"},{"i":9279,"b":"Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Suriname, Overwegende dat het wenselijk is dat er in verband met het onafhankelijk worden van Suriname een nationaliteitenregeling wordt getroffen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Meerderjarig in de zin van deze Overeenkomst zijn zij die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt of vroeger in het huwelijk zijn getreden. 2. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder vader, onderscheidenlijk moeder, mede verstaan adoptief-vader, onderscheidenlijk adoptief-moeder. 3. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt een in Suriname gevonden of verlaten kind geacht te zijn geboren uit aldaar geboren ouders. Artikel 2 1. Het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit ingevolge deze Overeenkomst heeft verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. 2. Het verkrijgen van het Nederlanderschap ingevolge deze Overeenkomst heeft verlies van de Surinaamse nationaliteit tot gevolg. Artikel 3 De Surinaamse nationaliteit verkrijgen alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben. Artikel 4 De Surinaamse nationaliteit verkrijgen voorts alle meerderjarige Nederlanders die, buiten Suriname geboren zijnde, op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben, indien - a. hetzij hun vader of, indien deze wettelijk onbekend is, hun moeder wel in Suriname is geboren. Is niet bekend waar de vader of, indien deze wettelijk onbekend is, de moeder is geboren, dan wordt deze geacht in Suriname te zijn geboren; - b. hetzij zij het Nederlanderschap hebben verkregen - 1. ingevolge de Overeenkomst betreffende de toescheiding van staatsburgers, opgenomen in"},{"i":9280,"b":"Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, in overweging nemende hunne tractaten, gesloten met met de Hoven van Oostenrijk, Frankrijk, Groot-Brittannie, Pruissen en Rusland, te weten: door Zijne Majesteit den Koning der Belgen den 15den November 1831, en door Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, op heden, hebben Hunne gezegde Majesteiten voor hunne Gevolmagtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, den Heer Salomon Dedel, Commandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, Commandeur der Zweedsche orde van de Poolster, Hoogstdeszelfs buitengewonen Gezant, en Gevolmagtigden Minister Hare Britsche Majesteit; En Zijne Majesteit de Koning der Belgen, den Heer Sylvanus van de Weyer, Hoogstdeszelfs buitengewonen Gezant en Gevolmagtigden Minister bij Hare Britsche Majesteit, Officier van de Leopolds-orde, Grootkruis van de orde van Ernst, van Saxen, van de orde van den Toren en het Zwaard, van de Militaire en Godsdienstige orde der Heiligen Maurits en Lazarus, Commandeur der Koninklijke orde van het Legioen van Eer, enz., enz. Dewelke, na elkander hunne in goeden en behoorlijken staat bevonden volmagten te hebben medegedeeld, nopens de volgende artikelen zijn overeengekomen: Artikel I Het Belgisch grondgebied zal zamengesteld zijn uit de provincien: - Zuid-Braband, - Luik, - Namen, - Henegouwen, - West-Vlaanderen, - Oost-Vlaanderen, - Antwerpen, en - Limburg; zoodanig als dezelve behoord hebben tot het, in 1815 gevestigde Koningrijk der Nederlanden, met uitzondering van de districten der provincie Limburg, aangewezen in artikel IV. Het Belgisch grondgebied zal bovendien bevatten dat gedeelte van het Groot-Hertogdom Luxemburg, hetwelk in artikel II wordt aangeduid. Artikel II Zijne Majesteit den"},{"i":3299,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 februari 2022, nr. BOACAT2021/064, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Oosterhout Gelezen het verzoek van de gemeente Oosterhout van 25 november 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046369&artikel=2&z=2022-05-02&g=2022-05-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Buitengewoon Opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Oosterhout, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede"},{"i":9281,"b":"Tractaat van vriendschap, vestiging en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Zwitserland Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden en de Zwitsersche Bondsraad, gelijkelijk bezield met den wensch de banden van vriendschap, die de beide landen verbinden, naauwer toe te halen, en willende de handelsbetrekkingen tusschen Nederland en Zwitserland verbeteren en uitbreiden, hebben besloten een tractaat, van vriendschap, vestiging en handel te sluiten, en hebben te dien einde tot Hunne gevolmagtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden: den heer J. G. SUTER VERMEULEN, Hoogstdeszelfs consul-generaal bij den Zwitserschen Bond, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw; en de Zwitsersche Bondsraad: den heer PAUL CÉRÉSOLE, lid van den Zwitserschen Bondsraad en chef van het Departement van Justitie en Politie van den Zwitserschen Bond; dewelke, na mededeeling hunner in goeden en behoorlijken vorm bevonden wederzijdsche volmagten, de volgende artikelen hebben vastgesteld en onderteekend: Artikel 1 De wederzijdsche onderdanen en burgers der beide Hooge contracterende Partijen zullen volkomen met de nationalen worden gelijkgesteld, voor al wat aangaat het verblijf en de vestiging, de uitoefening van den handel, de nijverheid en de beroepen, de betaling der belastingen, de uitoefening der godsdiensten, het regt om allerlei roerende en onroerende eigendommen te verkrijgen en daarover te beschikken bij koop, verkoop, schenking, ruil, laatste wilsbeschikking en erfopvolging bij versterf. Zij zullen volkomen gelijkgesteld worden met de onderdanen der meest bevoorregte vreemde natie, voor zooveel aangaat hunnen persoonlijken staat onder alle andere opzigten. Door de bovenstaande bepalingen wordt niet afgeweken van de wettelijke onderscheidingen tusschen de personen van Westersche herkomst en die van Oostersche herkomst in de Nederlandsche bezittingen van den Oosterschen Archipel. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Elke tariefsverminder"},{"i":9282,"b":"Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds Preambule wij, de ACS-staten (staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan) in Oostelijk en Zuidelijk Afrika, samen de OZA-groep en zijn afzonderlijke lidstaten uitmakend, enerzijds, en de Europese Gemeenschap (EG) en haar lidstaten, anderzijds; gelet op de [Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de EG en haar lidstaten, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005264), ondertekend op 23 juni 2000, hierna de „Overeenkomst van Cotonou” genoemd, het Verdrag inzake de gemeenschappelijke markt van Oostelijk en Zuidelijk Afrika (Comesa), ondertekend op 5 november 1993, het Verdrag inzake de ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (SADC), ondertekend op 17 augustus 1992, en het handelsprotocol hierbij, het Verdrag inzake de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, ondertekend op 30 november 1999, en het Oprichtingsverdrag van de Afrikaanse Unie, ondertekend en goedgekeurd op 11 juli 2002; gelet op het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506); mede gelet op het besluit van de achtste top van de Comesa-autoriteit van staatshoofden en regeringsleiders, gehouden in Khartoem, Sudan, op 17 maart 2003, over de vaststelling van de OZA-groepering voor de onderhandelingen over een economische partnerschapsovereenkomst (EPO) met de Europese Unie (EU); overwegende dat de OZA-staten en de EG en haar lidstaten zijn overeengekomen dat hun samenwerking op economisch en handelsgebied erop gericht moet zijn de soepele, geleidelijke integratie van de OZA-staten in de wereldeconomie met inachtneming van hun beleidskeuzen, hun ontwikkelingsniveau en hun ontwikkelingsprioriteiten te stimuleren en zo hun du"},{"i":9283,"b":"Tweede Aanvullend Protocol bij de op 5 december 1947 te Brussel gesloten Overeenkomst betreffende onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen, en bij het op 3 februari 1949 te Brussel gesloten Aanvullende Protocol bij de Overeenkomst, ondertekend te Brussel op 10 mei 1950 Les Gouvernements signataires du présent Protocole, Désireux d'assurer l'entrée en vigueur de l'Accord sur la Résolution des Conflits portant sur les Avoirs Allemands Ennemis, ouvert à la signature, à Bruxelles, le 5 décembre 1947, ci-après dénommé Accord de Bruxelles, et désireux à cet effet de proroger du 1er septembre 1948 au 1er septembre 1950 le délai fixé dans le paragraphe premier de l'Article 5 dudit Accord de Bruxelles, désireux en outre à cet effet de proroger du 1er septembre 1949 au 1er septembre 1950 le délai fixé dans le Protocole, signé à Bruxelles, le 3 février 1949, additionnel à l'Accord de Bruxelles, Sont convenus de ce qui suit: En foi de quoi, les soussignés, dûment habilités par leurs Gouvernements respectifs, ont signé le présent Protocole. Fait à Bruxelles, le 10 mai 1950, en langue anglaise et française, les deux textes faisant également foi, en un exemplaire unique qui sera déposé dans les Archives du Gouvernement belge."},{"i":9284,"b":"Tweede Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „lidstaten van de Europese Gemeenschap’’ genoemd, de Europese Gemeenschap, hierna „de gemeenschap’’ genoemd, de Verenigde Mexicaanse Staten, hierna „Mexico’’ genoemd, En de Republiek Bulgarije, Roemenië, hierna „de nieuwe lidstaten’’ genoemd, OVERWEGENDE dat de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Mexico, anderzijds, hierna „de Overeenkomst’’ genoemd, op 8 december 1997 te Brussel is ondertekend en op 1 oktober 2000 in werking is getreden; OVERWEGENDE dat het eerste aanvullende protocol bij de Overeenkomst op 2 april 2004 te Mexico-stad en op 29 april 2004 te Brussel is ondertekend; OVERWEGENDE dat het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (hierna „het Toetredingsverdrag’’ genoemd) op 25 april 2005 te Luxemburg is ondertekend; OVERWEGENDE dat krachtens het Toetredingsverdrag, en met name krachtens artikel 6, lid 2, van de aan dat Verdrag gehechte Toetredingsakte, d"},{"i":9285,"b":"Tweede Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, anderzijds, in verband met de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Gemeenschap Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, anderzijds, Gezien de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, anderzijds, ondertekend te Brussel op 14 mei 1973, hierna „de Overeenkomst” genoemd, en het Aanvullend Protocol bij deze Overeenkomst in verband met de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Gemeenschappen, ondertekend te Brussel op 14 juli 1986; Overwegende dat een volledige schorsing door het Koninkrijk Noorwegen van de rechten op uit Spanje ingevoerde produkten die onder de Overeenkomst vallen de handel tussen beide landen zou kunnen vergemakkelijken; Overwegende evenwel dat het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst niet voorziet in de schorsing door Noorwegen van de douanerechten op goederen die uit Spanje worden ingevoerd; Overwegende dat geen verdere maatregelen vereist zijn in het handelsverkeer tussen Noorwegen en Portugal aangezien de douanerechten op produkten waarop de Overeenkomst van toepassing is en die uit Portugal in Noorwegen worden ingevoerd, reeds vóór de toetreding van dit land tot de Gemeenschap werden afgeschaft; Hebben in onderlinge ove"},{"i":9286,"b":"Tweede Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten van de Europese Gemeenschap” genoemd, de Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap” genoemd, en de Republiek Chili, hierna „Chili” genoemd, Overwegende dat de [Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001575), hierna „de Overeenkomst” genoemd, op 18 november 2002 te Brussel is ondertekend en op 1 maart 2005 in werking is getreden; Overwegende dat het [Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001819) (hierna „de nieuwe lidstaten“ genoemd) tot de Europese Unie (hierna „het Toetredingsverdrag” genoemd) op 25 april 2005 te Luxemburg is ondertekend en op 1 januari 2007 in werking is getreden; Overwegende dat het [(eerste) aanvullende protocol bij de overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001613) rekening houdt met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Re"},{"i":9287,"b":"Tweede Aanvullend Protocol bij het Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa De Regeringen welke dit Protocol hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Overwegende dat, krachtens de bepalingen van [artikel 59 van het te Rome op 4 november 1950 ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=59), de leden van de Europese Commissie voor de rechten van de mens (hierna te noemen „de Commissie”) gedurende de uitoefening van hun functies de voorrechten en immuniteiten genieten, welke zijn voorzien in [artikel 40 van het Statuut van de Raad van Europa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005506&artikel=40) en in de op grond van dat artikel gesloten overeenkomsten; Overwegende dat het nodig is de genoemde voorrechten en immuniteiten te omschrijven en nader te bepalen in een Aanvullend Protocol bij het te Parijs op 2 september 1949 ondertekende [Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De leden van de Commissie genieten tijdens de uitoefening van hun functies en tijdens hun reizen naar en van hun plaats van samenkomst de volgende voorrechten en immuniteiten: - (a). immuniteit van persoonlijke arrestatie of gevangenhouding en van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage en, met betrekking tot in hun officiële hoedanigheid gesproken of geschreven woorden of verrichte handelingen, vrijstelling van gerechtelijke vervolging van welke aard ook; - (b). onschendbaarheid van alle papieren en stukken; - (c). vrijstelling met betrekking tot henzelf en hun echtgenoten van alle beperkingen betreffende immigratie of vreemdelingenregistratie in het land dat zij bezoeken of waar zij door reizen in de uitoefening van hun functies. Artikel 2 1. Geen administratieve of andere beperkingen worden toegepast op de bew"},{"i":9288,"b":"Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend, Verlangende de toepassing van het [Europees Verdrag betreffende uitlevering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001010), opengesteld voor ondertekening te Parijs op 13 december 1957, (hierna te noemen „het Verdrag”) te vergemakkelijken op het gebied van fiscale delicten; Overwegende dat het eveneens wenselijk is het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001010) in bepaalde andere opzichten aan te vullen, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I Artikel 1 Wijzigt het Europees Verdrag betreffende uitlevering; Parijs, 13-12-1957. HOOFDSTUK II Artikel 2 Wijzigt het Europees Verdrag betreffende uitlevering; Parijs, 13-12-1957. HOOFDSTUK III Artikel 3 Het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001010) wordt aangevuld met de volgende bepalingen: **„Verstekvonnissen** - 1. Wanneer een Verdragsluitende Partij een andere Verdragsluitende Partij om de uitlevering van een persoon verzoekt ten einde een strafvonnis of een bevel tot vrijheidsbeneming ten uitvoer te leggen dat bij verstek is gewezen, kan de aangezochte Partij weigeren hiertoe uit te leveren wanneer naar haar oordeel bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen. Niettemin dient uitlevering te worden toegestaan als de verzoekende Partij een verzekering geeft die voldoende wordt geacht om de opgeëiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd. Deze beslissing geeft de verzoekende Partij de bevoegdheid om hetzij het desbetreffende vonnis ten uitvoer te leggen indien de veroordeelde persoon geen verzet doet, hetzij een strafproces tegen de uitgeleverde persoon aan te vangen indien deze wel verzet doet. - 2. Wanneer de aangezochte Partij de persoon"},{"i":9289,"b":"Tweede aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken De lidstaten van de Raad van Europa, die dit Protocol hebben ondertekend, Gelet op hun verplichtingen uit hoofde van het Statuut van de Raad van Europa, Verlangend een verdere bijdrage te leveren aan het waarborgen van mensenrechten, het handhaven van het recht en het ondersteunen van de democratische structuur van de samenleving, Overwegend dat het wenselijk is daartoe hun afzonderlijke en collectieve vermogen om criminalteit aan te pakken, te versterken, Vastbesloten bepaalde aspecten van het [Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001009), gedaan te Straatsburg op 20 april 1959 (hierna te noemen „het Verdrag”), alsmede het [Aanvullend Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001027) daarbij, gedaan te Straatsburg op 17 maart 1978, te verbeteren en aan te vullen, Gelet op het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000), gedaan te Rome op 4 november 1950, alsmede het [Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002783), gedaan te Straatsburg op 28 januari 1981, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I Artikel 1. Reikwijdte Wijzigt het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; Straatsburg, 20 april 1959. Artikel 2. Aanwezigheid van de autoriteiten van de verzoekende Partij Wijzigt het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; Straatsburg, 20 april 1959. Artikel 3. Tijdelijke overbrenging van gedetineerden naar het grondgebied van de verzoekende Partij Wijzigt het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; Straatsburg, 20 april 1959. Artikel 4. Wijze van communicatie Wijzigt het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rech"},{"i":9290,"b":"Tweede aanvullend protocol bij het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, inzake nauwere samenwerking en verstrekking van elektronisch bewijsmateriaal Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die partij zijn bij het [Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken](onbekend) (ETS nr. 185, hierna „het verdrag” genoemd), op 23 november 2001 te Boedapest opengesteld voor ondertekening, die dit protocol hebben ondertekend, Indachtig het feit dat het verdrag betrekking heeft op en gevolgen heeft voor alle delen van de wereld; Eraan herinnerend dat het verdrag reeds is aangevuld met het [aanvullend protocol betreffende de strafbaarstelling van handelingen van racistische en xenofobische aard verricht via computersystemen](onbekend) (ETS nr. 189), voor ondertekening opengesteld op 28 januari 2003 te Straatsburg (hierna „het eerste protocol” genoemd), van toepassing tussen de partijen bij dat protocol; Gezien de bestaande verdragen van de Raad van Europa inzake samenwerking op strafrechtelijk terrein, alsmede andere overeenkomsten en regelingen inzake samenwerking op strafrechtelijk terrein tussen de partijen bij het verdrag; Gezien tevens het [Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens](onbekend) (ETS nr. 108), gewijzigd bij het [Protocol tot wijziging van het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006775) (CETS nr. 223), voor ondertekening opengesteld op 10 oktober 2018 te Straatsburg, waartoe iedere staat kan worden uitgenodigd toe te treden; Erkennende het toenemende gebruik van informatie- en communicatietechnologieën, met inbegrip van internetdiensten, en de toename van cybercriminaliteit, die een bedreiging vormt voor de democratie en de rechtsstaat en door veel staten ook als be"},{"i":9291,"b":"Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf De Staten die Partij zijn bij dit Protocol, De mening toegedaan dat de afschaffing van de doodstraf bijdraagt tot de versterking van de menselijke waardigheid en de voortschrijdende ontwikkeling van de rechten van de mens, In herinnering brengend [artikel 3 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008&artikel=3), aangenomen op 10 december 1948, en [artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001017&artikel=6), aangenomen op 16 december 1966, Vaststellende dat [artikel 6 van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001017&artikel=6) verwijst naar afschaffing van de doodstraf in bewoordingen die er sterk op duiden dat afschaffing wenselijk is, Ervan overtuigd dat alle maatregelen tot afschaffing van de doodstraf moeten worden beschouwd als een vooruitgang wat betreft het recht op leven, Geleid door de wens hierbij een internationale verplichting op zich te nemen om de doodstraf af te schaffen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. Niemand die ressorteert onder de rechtsmacht van een Staat die Partij is bij dit Facultatieve Protocol mag worden terechtgesteld. 2. Elke Staat die Partij is neemt alle nodige maatregelen om de doodstraf onder zijn rechtsmacht af te schaffen. Artikel 2 1. Geen enkel voorbehoud ten aanzien van dit Protocol is toegestaan, behalve een voorbehoud, gemaakt bij de bekrachtiging of toetreding, dat voorziet in de toepassing van de doodstraf in tijd van oorlog op grond van een veroordeling wegens een zeer ernstig misdrijf van militaire aard dat in oorlogstijd is begaan. 2. De Staat die Partij is die een zodanig voorbehoud maakt, doet de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties bij de bekrach"},{"i":9301,"b":"Uitleveringsverdrag tussen Nederland en San Marino Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de Doorluchtige Republiek van San-Marino, in gemeenschappelijk overleg overeengekomen zijnde een overeenkomst te sluiten betreffende de uitlevering van misdadigers, hebben te dien einde tot HoogstDerzelver gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den heer BERNARD ORTUINUS THEODOOR HENDRIK WESTENBERG, Commandeur der Orde van den Nederlandschen Leeuw, Grootkruis der Orden van Sint Mauritius en Lazarus en van de Kroon van Italië, enz., enz., HoogstDerzelver Buitengewoon Gezant en Gevolgmachtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning van Italië: De Doorluchtige Republiek van San-Marino: den heer GASPARD FINALI, Grootkruis der Orden van Sint Mauritius en Lazarus en van de Kroon van Italië, enz., enz., politieken raad van genoemde Republiek, vice-president van den Senaat en voorzitter der Rekenkamer van het Koninkrijk Italië, die, na elkander hunne volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende artikelen zijn overeengekomen: Artikel 1 De Regeering der Nederlanden en de Regeering van San-Marino verbinden zich om wederkeerig aan elkander uit te leveren, volgens de voorschriften bij de volgende artikelen vastgesteld en voor zoover de wetten der beide landen die uitlevering toelaten, de personen welke veroordeeld of aangeklaagd zijn ter zake van een der feiten hieronder vermoed, gepleegd buiten het grondgebied van den Staat, aan welken de uitlevering wordt aangevraagd: - 1°. doodslag of moord, hetzij dat deze misdrijven zijn gepleegd tegen den Souverein, den Troonopvolger, het Hoofd van een bevrienden Staat of tegen elk ander persoon; - 2°. bedreigingen, schriftelijk en onder eene bepaalde voorwaarde gedaan; - 3°. het opzettelijk veroorzaken van de afdrijving der vrucht van eene vrouw door haar zelve of door anderen; - 4°. gewelddadigheden of daden nadeelig voor de gezondheid, die met"},{"i":9293,"b":"Tweede Overeenkomst inzake het Nam Ngoem Ontwikkelingsfonds, 1974. Overeenkomst van 26 juni 1974 tussen de Regering van Australië, Canada, de Bondsrepubliek Duitsland, India, Japan, Laos, het Koninkrijk der Nederlanden, Nieuw-Zeeland, Thailand, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika, enerzijds, en de Aziatische Ontwikkelingsbank anderzijds Aangezien ingevolge de Overeenkomst inzake het Nam Ngoem Ontwikkelingsfonds, 1966, het Nam Ngoem Ontwikkelingsfonds werd opgericht om de eerste fase van de bouw der hydro-elektrische installaties Nam Ngoem te financieren en deze eerste fase werd voltooid in 1971; de Commissie voor de Coördinatie van het onderzoek in het stroomgebied van de Beneden Mekong (de Khmer Republiek, Laos, Thailand en de Republiek Vietnam), werkzaam onder de auspiciën van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Azië en het Verre Oosten, heeft aanbevolen op korte termijn over te gaan tot de tweede fase van de bouw der hydro-elektrische installaties Nam Ngoem als wezenlijk onderdeel van het volledig tot ontwikkeling brengen van het stroomgebied van de Beneden Mekong; de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling, als beheerder van het Nam Ngoem Ontwikkelingsfonds, in overleg met de Aziatische Ontwikkelingsbank (de Bank), een evaluatie heeft gemaakt van de tweede fase van de bouw der hydro-elektrische installaties Nam Ngoem en deze tweede fase economisch en technisch uitvoerbaar heeft bevonden; de Regeringen van Laos en Thailand zijn overeengekomen regelingen te treffen met betrekking tot de hoogspanningsleidingen van beide landen en met betrekking tot de verdere verkoop door de „Electricité du Laos” (EDL) aan de „Electricity Generating Authority of Thailand” van door de hydro-elektrische installaties Nam Ngoem op te wekken elektriciteit; de Regeringen van Australië, India, Japan, het Koninkrijk der Nederlanden, Nieuw-Zeeland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zijn over"},{"i":9294,"b":"Tweede Protocol bij de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten Members of the World Trade Organization (hereinafter referred to as the “WTO\") whose Schedules of Specific Commitments and Lists of Exemptions2)[Red: De lijsten zijn niet afgedrukt, maar liggen ter inzage bij het Export-informatiecentrum van het Ministerie van Economische Zaken, bij de parlementaire documentatiedienst van de Tweede Kamer te Den Haag, bij de Staten van de Nederlandse Antillen te Willemstad en bij de Staten van Aruba te Oranjestad.] from Article II of the General Agreement on Trade in Services concerning financial services are annexed to this Protocol, (hereinafter referred to as “Members concerned\"), Having carried out negotiations under the terms of the [Ministerial Decision on Financial Services](onbekend) adopted at Marrakesh on 15 April 1994, Having regard to the [Second Annex on Financial Services](onbekend), and to the Decision on the application of that Annex adopted by the Council for Trade in Services on 30 June 1995, Agree as follows: 1 A Schedule of Specific Commitments and a List of Exemptions form Article II concerning financial services annexed to this Protocol relating to a Member shall, upon the entry into force of this Protocol for that Member, replace the financial services sections of the Schedule of Specific Commitments and the List of Article II Exemptions of that Member. 2 This Protocol shall be open for acceptance, by signature or otherwise, by the Members concerned until 30th June 1996. 3 This Protocol shall enter into force on the 30th day following the date of its acceptance by all Members concerned. If by 1 July 1996 it has not been accepted by all Members concerned, those Members which have accepted it before that date may, within a period of 30 days thereafter, decide on its entry into force. 4 This Protocol shall be deposited with the Director-General of the WTO. The Director-General of the WTO shall promptly furnish to each Member of the WTO"},{"i":9295,"b":"Tweede Protocol bij het Haags Verdrag van 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict De Partijen, Zich bewust van de noodzaak de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict te verbeteren en een versterkt systeem voor de bescherming van speciaal aangewezen cultuurgoederen in te stellen; Opnieuw bevestigend het belang van de bepalingen van het [Verdrag inzake de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005596) gedaan te ’s-Gravenhage op 14 mei 1954, en de noodzaak benadrukkend deze bepalingen aan te vullen met maatregelen om de uitvoering ervan te versterken; Geleid door de wens de Hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag een middel te verschaffen om nauwer betrokken te zijn bij de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict door het instellen van daarvoor geschikte procedures; Overwegende dat de regels met betrekking tot de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict de ontwikkelingen van het internationale recht dienen weer te geven; Bevestigend dat de regels van het internationale gewoonterecht van toepassing blijven op vraagstukken die door dit Protocol niet worden geregeld; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. INLEIDING Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder: - a. „Partij’’, een Staat die Partij is bij dit Protocol; - b. „cultuurgoederen’’, culturele goederen zoals gedefinieerd in [artikel 1 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005596&artikel=1); - c. „[Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005596)’’, het Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, gedaan te ’s-Gravenhage op 14 mei 1954, - d. „Hoge Verdragsluitende Partij’’, een Staat die Partij is bij het [Verdrag,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005596) - e. „verhoogde bescherming’’"},{"i":9296,"b":"Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen De Hoge Verdragsluitende Partijen bij dit protocol, lidstaten van de Europese Unie, Onder verwijzing naar de akte van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 1997, Wensend ervoor te zorgen dat hun strafwetgeving doeltreffend bijdraagt tot de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, Erkennend het belang dat de [Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001473) heeft met het oog op de bestrijding van fraude met betrekking tot de communautaire ontvangsten en uitgaven, Erkennend het belang dat het [protocol van 27 september 1996 bij die overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001528) heeft bij de bestrijding van corruptie waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden of kunnen worden geschaad, Zich ervan bewust dat de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen geschaad of bedreigd kunnen worden door feiten die namens rechtspersonen worden begaan en door feiten die verband houden met witwasoperaties, Ervan overtuigd dat het nationale recht waar nodig moet worden aangepast in die zin dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld in gevallen van fraude of actieve corruptie en witwassen van geld die hun tot voordeel strekken en waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden of kunnen worden geschaad, Ervan overtuigd dat het nationale recht waar nodig moet worden aangepast om het witwassen van opbrengsten van fraude of corruptie waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden of kunnen worden geschaad, strafbaar te stellen en de confiscatie van zulke opbrengsten mogelijk te maken, Ervan overtuigd dat het nationale recht waar nodig moet w"},{"i":9297,"b":"Tweede Protocol ter uitvoering van artikel 1, lid 2, van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op het [Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117), ondertekend te Brussel op 31 maart 1965, alsmede op het [Protocol ter uitvoering van artikel 1, lid 2, van dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004610), ondertekend te 's-Gravenhage op 29 april 1969, Verlangende de Benelux-modelwetten, alsmede de tot heden tot stand gekomen beschikkingen en aanbevelingen van het Comité van Ministers en van de Ministeriële Werkgroepen van de Benelux Economische Unie aan te wijzen, welker bepalingen als gemeenschappelijke rechtsregels in de zin van [artikel 1, lid 2, van genoemd Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&artikel=1) dienen te worden beschouwd, Gelet op het advies van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad van 27 maart 1971, Hebben tot dat doel besloten een Protocol te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen1)[Red: Van de bijlagen III tot en met VII bij het onderhavige Protocol is de tekst opgenomen in een los bij dit Tractatenblad verschijnende bijlage.]: Artikel 1 1. Ter uitvoering van [artikel 1, lid 2, van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&artikel=1) worden als gemeenschappelijke rechtsregels aangewezen voor de toepassing van de [Hoofdstukken III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&hoofdstuk=III) en [IV van genoemd Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&hoofdstuk=IV) de bepalingen van: - 1°. de Benelux-modelwet betreffende de bedrogsdelicten, waarvan de tekst is opgenomen in bijlage I; - 2°. de Benelux-modelwet betreffende de strafbaar"},{"i":9298,"b":"Tweede Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake grenscorrecties (Tweede Verdrag inzake grenscorrecties) Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, Verlangend de nadelen die bij de uitvoering van de bepalingen van het op 8 april 1960 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot stand gekomen Verdrag nopens het verloop van de gemeenschappelijke landgrens, de grenswateren, het grondbezit in de nabijheid van de grens, het grensoverschrijdende verkeer over land en via de binnenwateren en andere met de grens verband houdende vraagstukken (Grensverdrag) zijn gebleken, op te heffen, Gelet op de goede resultaten die zijn verkregen door het op 30 oktober 1980 te Bonn tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot stand gekomen Verdrag inzake grenscorrecties (Eerste Verdrag inzake grenscorrecties), Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. De door het Grensverdrag en door het Eerste Verdrag inzake grenscorrecties vastgestelde grens tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland wordt als volgt wederom herzien: - 1. Gebied van de gemeenten Kerkrade en Herzogenrath: Van het Koninkrijk der Nederlanden gaan de volgende percelen over aan de Bondsrepubliek Duitsland: - -. gemeente Kerkrade Sectie B nrs. 10161, 10259 en 10260 Sectie P nrs. 627 en 628; oppervlakte: 0, 9905 ha. - 2. Gebied van de gemeenten Rijnwaarden en Emmerik: Van de Bondsrepubliek Duitsland gaan de volgende percelen over aan het Koninkrijk der Nederlanden: - -. gemeente Emmerik, „Gemarkung\" Elten „Flur\" 3 nrs. 1110 en 1333; oppervlakte: 0,4249 ha. - 3. Gebied van de gemeenten Gendringen en Emmerik: Van de Bondsrepubliek Duitsland gaat het volgende perceel over aan het Koninkrijk der Nederlanden: - -. gemeente Emmerik, „Gemarkung\" Klein-Netterden „Flur\" 6 nr. 321; oppervlakte: 0, 0026 ha. - 4. Gebied van de gemeenten Gramsbergen en Laar: Van de Bondsrepubliek D"},{"i":9300,"b":"Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Mexico Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Excellentie de President der Vereenigde Mexicaansche Staten, in gemeen overleg besloten hebbende een verdrag te sluiten, betreffende de uitlevering van misdadigers, hebben te dien einde tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den Heer Jonkheer RENEKE DE MAREES VAN SWINDEREN, Hoogstderzelver Kamerheer en Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij de Vereenigde Mexicaansche Staten; en Zijne Excellentie de President der Vereenigde Mexicaansche Staten: den Heer FERNANDO DURET, Advocaat en Lid der Volksvertegenwoordiging, die, na elkander hunne wederzijdsche volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de navolgende artikelen zijn overeengekomen: Art. I De Regeering van het Koninkrijk der Nederlanden en die van de Vereenigde Mexicaansche Staten verbinden zich elkander wederzijds uit te leveren, met inachtneming der regelen vastgesteld in de navolgende artikelen, en met uitzondering van hare eigene onderdanen, de personen, die vervolgd worden of veroordeeld zijn wegens een der misdrijven opgenoemd in het navolgend art. II en gepleegd op het grondgebied van den Staat, door welken de uitlevering is gevraagd. Nochthans zal ook, indien het misdrijf dat aanleiding tot de aanvrage tot uitlevering geeft, gepleegd is buiten het grondgebied der twee contracteerende partijen, aan die aanvrage gevolg gegeven kunnen worden, indien de wetgeving van elk der beide Staten de strafvervolging toelaat ter zake van diezelfde misdrijven buiten hun grondgebied gepleegd. Art. II Uitlevering zal plaats hebben wegens de volgende misdrijven: - 1°. Moord of doodslag, onverschillig of dit misdrijf gepleegd is tegen den Vorst, den Troonopvolger, een lid van het Vorstelijk Huis, het Hoofd van den Staat, of elk ander persoon, wie ook; moord of doodslag op een kind gepleegd. - 2°. B"},{"i":9299,"b":"Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika; Verlangend een regeling te treffen met het oog op een doeltreffender samenwerking tussen de beide Staten bij de bestrijding van de misdaad; en Verlangend een nieuw verdrag te sluiten inzake de wederzijdse uitlevering van delinquenten; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Verplichting tot uitlevering De Verdragsluitende Partijen komen overeen, met inachtneming van de in dit Verdrag opgenomen bepalingen personen aan elkaar uit te leveren die worden aangetroffen op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen en tegen wie een strafvervolging is ingesteld, die schuldig zijn bevonden aan het plegen van een strafbaar feit of die worden gezocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een door de rechter opgelegde straf of maatregel, welke vrijheidsbeneming met zich mede brengt. Artikel 2. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden en rechtsmacht 1. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden krachtens dit verdrag zijn: - a. feiten, vermeld in de Bijlage bij dit Verdrag, die strafbaar zijn krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen; - b. feiten, al dan niet in de Bijlage bij dit Verdrag opgenomen, mits zij strafbaar zijn krachtens de federale wetten van de Verenigde Staten van Amerika en de wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden. In dit verband is het niet van belang of de wetten van de Verdragsluitende Partijen het feit onder dezelfde categorie strafbare feiten rangschikken dan wel een feit met dezelfde termen aanduiden. 2. Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden: - a. met het oog op vervolging, indien het feit krachtens het recht van beide Verdragsluitende Partijen strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar; - b. met het oog op de oplegging van een straf of maatregel, indien het feit krachtens he"},{"i":9302,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 juni 2021, nr. 28569531, tot uitvoering van de Uitvoeringswet Erasmusprogramma en programma Europees Solidariteitskorps Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045054&artikel=1), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045054&artikel=3) en [4 van de Uitvoeringswet Erasmusprogramma en programma Europees Solidariteitskorps](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045054&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing Erasmusverordening Als Erasmusverordening als bedoeld in [artikel 1 van de Uitvoeringswet Erasmusprogramma en Europees Solidariteitskorps](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045054&artikel=1) wordt aangewezen: [Verordening (EU) 2021/817](32717R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot vaststelling van ‘Erasmus+’; het programma van de Unie voor onderwijs en opleiding, jeugd en sport (PbEU 2021, L 189). Artikel 2. Aanwijzing nationaal agentschap Als nationaal agentschap als bedoeld in de Erasmusverordening, dat is belast met het beheer van de uitvoering van het deel van het Erasmusprogramma dat betrekking heeft op de beleidsterreinen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, wordt voor de duur van het programma aangewezen Stichting Nuffic. Artikel 3. Aanwijzing onafhankelijk auditorgaan Als onafhankelijk auditorgaan als bedoeld in de Erasmusverordening wordt aangewezen de Auditdienst Rijk. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":9292,"b":"Tweede Overeenkomst inzake het Nam Ngoem Ontwikkelingsfonds, 1974. Overeenkomst betreffende de aanvullende bijdrage door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden DONE at Manila this 20th day of September 1974. **For the Government of the Kingdom of the Netherlands** (sd.) VAN DER FELTZ **For the Asian Development Bank** (sd.) SHIRO INOUE"},{"i":9347,"b":"Verdrag betreffende de aanduiding van het gewicht op grote stukken vervoerd per schip **Verdrag betreffende de aanduiding van het gewicht op groote stukken, vervoerd per schip.** De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 30 Mei 1929 in hare twaalfde zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de aanduiding van het gewicht op groote stukken vervoerd per schip, welk onderwerp begrepen is in het eerste punt van de agenda der zitting, en besloten hebbende, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, den 21 Juni 1929, het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden “Verdrag betreffende de aanduiding van het gewicht op grote stukken vervoerd per schip, 1929”, ter bekrachtiging door de leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 1. Elk stuk of voorwerp, dat 1000 Kilo bruto (een metrieke ton) of meer weegt, ten vervoer aangeboden binnen de grenzen van het grondgebied van een lid, dat dit verdrag ratificeert en bestemd om over zee of over een rivier of eenigen anderen binnenwaterweg vervoerd te worden, moet, vóór de inlading, de aanduiding dragen van zijn gewicht, van buiten er op aangebracht, op een duidelijke en duurzame manier. 2. De nationale wetgeving kan, in buitengewone gevallen, waarin het moeilijk is om het juiste gewicht te bepalen, vergunning verleenen om het gewicht bij benadering er op aan te duiden. 3. De verplichting om voor de nakoming van deze bepaling te waken, rust op de Regeering van het land, waar de goederen ten vervoer worden aangeboden, en niet op de Regeering van een land, waardoor de goederen op weg naar hunne bestemming komen. 4. Het staat aan de nationale wetgevingen om te beslissen, of de verplichting om het"},{"i":9375,"b":"Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en Akte, betreffende de voorwaarden voor de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland, De President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, De President van de Franse Republiek, De President van Ierland, De President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, De President van de Portugese Republiek, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verenigd in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voort te zetten, Vastbesloten, in de geest van deze verdragen, op de reeds gelegde grondslagen een steeds hechtere eenheid tussen de Europese volkeren tot stand te brengen, Overwegende dat artikel 237 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap alsmede artikel 205 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, aan de Europese Staten de mogelijkheid bieden lid van deze Gemeenschappen te worden; Overwegende dat het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek hebben verzocht lid te worden van deze Gemeenschappen; Overwegende dat de Raad der Europese Gemeenschappen, na advies van de Commissie te hebben ingewonnen, zich heeft uitgesproken voor toelating van deze Staten; Hebben besloten in gemeenschappelijk overleg de voorwaarden voor deze toelating en de in de Verdragen tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomene"},{"i":9376,"b":"Verdrag betreffende de vaststelling van minimumlonen, in het bijzonder met betrekking tot de ontwikkelingslanden De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau, en aldaar bijeengekomen op 3 juni 1970 in haar vierenvijftigste zitting, en Gelet op de voorwaarden vervat in het Verdrag betreffende de invoering of de handhaving van methodes tot vaststelling van minimumlonen, 1928, en het [Verdrag betreffende gelijke beloning, 1951](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004933), die op ruime schaal zijn bekrachtigd, alsmede op het [Verdrag betreffende methoden tot vaststelling van minimum-lonen in de landbouw, 1951](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004932), en Overwegende, dat deze Verdragen een waardevolle bijdrage hebben geleverd aan de bescherming van in een ongunstige positie verkerende groepen van loontrekkenden, en Overwegende, dat de tijd is gekomen voor het aannemen van een nieuwe akte, ter aanvulling van deze Verdragen en ter bescherming van de loontrekkenden tegen te lage lonen en die, hoewel van algemene toepassing, in het bijzonder aandacht besteedt aan de behoeften van de ontwikkelingslanden, en Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen ten aanzien van de te volgen procedure voor het vaststellen van minimumlonen en de daarmee samenhangende problemen, in het bijzonder met betrekking tot de ontwikkelingslanden, hetwelk als vijfde punt op de agenda van de zitting is geplaatst, en Bepaald hebbende, dat deze voorstellen de vorm van een Internationaal Arbeidsverdrag moeten krijgen, neemt heden, 22 juni 1970, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als „Verdrag betreffende het vaststellen van minimumlonen, 1970”: Artikel 1 1. Elk Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie dat dit Verdrag bekrachtigt, neemt op zich een stelsel van minimumlonen in te stellen dat van toepassing is voor alle groepen loontrekkenden wier arbei"},{"i":9409,"b":"Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Indachtig de algemene doelstellingen vervat in de tijdens de zesde bijzondere zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen resoluties inzake de vestiging van een Nieuwe Internationale Economische Orde, Overwegende dat de ontwikkeling van de internationale handel op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel een belangrijke rol speelt bij het bevorderen van vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten, Van oordeel zijnde, dat de aanneming van eenvormige regels die van toepassing zijn op de internationale koop van roerende zaken en waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende sociale, economische en juridische stelsels, zou bijdragen tot het wegnemen van juridische belemmeringen in de internationale handel en de ontwikkeling van de internationale handel zou bevorderen, Zijn overeengekomen als volgt: DEEL I. TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE BEPALINGEN Hoofdstuk I. TOEPASSINGSGEBIED Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing op koopovereenkomsten betreffende roerende zaken tussen partijen die in verschillende Staten gevestigd zijn: - a. wanneer die Staten Verdragsluitende Staten zijn; of - b. wanneer volgens de regels van internationaal privaatrecht het recht van een Verdragsluitende Staat van toepassing is. 2. Het feit dat de partijen hun vestigingen in verschillende Staten hebben, dient buiten beschouwing te worden gelaten wanneer zulks niet blijkt uit de overeenkomst, of uit transacties tussen dan wel uit informatie verstrekt door de partijen te eniger tijd vóór of bij het sluiten van de overeenkomst. 3. Voor de toepasselijkheid van het Verdrag is zonder belang welke nationaliteit de partijen hebben, of zij kooplieden zijn en of de overeenkomst burgerrechtelijk dan wel handelsrechtelijk van aard is. Artikel 2 Dit Verdrag is niet van toepassing op: - a. de koop van roerende zaken, gekocht voor pers"},{"i":9412,"b":"Verdrag houdende het Statuut van de Europese Scholen Preambule De Hoge Verdragsluitende Partijen, Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, alsmede de Europese Gemeenschappen, hierna genoemd „de Verdragsluitende Partijen\", overwegende dat voor het gezamenlijk onderwijs aan kinderen van het personeel van de Europese Gemeenschappen, met het oog op de goede werking van de Europese Instellingen, reeds in 1957 instellingen, „Europese School\" genaamd, zijn opgericht; overwegende dat de Europese Gemeenschappen het gezamenlijk onderwijs aan deze kinderen willen waarborgen en dat zij daartoe bijdragen aan de begroting van de Europese scholen; overwegende dat het stelsel van de Europese Scholen een stelsel „sui generis\" is; dat met dit stelsel een vorm van samenwerking tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en de Europese Gemeenschappen tot stand komt met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de Lid-Staten voor de inhoud van het onderwijs en voor de organisatie van hun onderwijsstelsel, en van hun verscheidenheid qua taal en cultuur; overwegende dat het noodzakelijk is: het in 1957 aangenomen Statuut van de Europese School te consolideren, ten einde rekening te houden met alle desbetreffende teksten die door de Verdragsluitende Partijen zijn aangenomen; het statuut aan te passen aan de ontwikkeling van de Europese Gemeenschappen; de besluitvormingsprocedure in de organen van de Scholen te wijzigen; rekening te houden met de ervaring die tijdens het functioneren van de Scholen is opgedaan; een adequate rechtsbescherming tegen handelingen van de Raad van Bestuur of het Dagelijks Bestuur te waarborgen voor het onderwijzend personeel alsmede voor andere in dit Verdrag bedoelde personen; dat daartoe een Kamer van Beroep moet worden ingesteld die dient te beschikken over nauwkeurig omschreven bevoegdheden; dat de bevoegdheden van de Kamer van Beroep de bevoegdheden van nationale rechtbanken met betrekking tot civielrechtelijke en strafrechtelijke a"},{"i":9413,"b":"Verdrag houdende instelling van een Internationale Douaneraad De Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende, dat het wenselijk is de grootst mogelijke overeenstemming en eenvormigheid in hun douanestelsels te verzekeren en in het bijzonder de vraagstukken te bestuderen, welke samenhangen met de ontwikkeling en de vooruitgang van de douanetechniek en de daarmede verband houdende wetgeving; In de overtuiging, dat het voor de internationale handel van belang is de samenwerking tussen de Regeringen op dit gebied te bevorderen, rekening houdend zowel met de economische als met de douane-technische factoren, welke zich daarbij voordoen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Er wordt ingesteld een Internationale Douaneraad, hierna te noemen „de Raad”. Artikel II (a). Leden van de Raad zijn: - (i). de Verdragsluitende Partijen - (ii). de Regering van elk afzonderlijk douanegebied, welke zelfstandig is met betrekking tot haar buitenlandse handelsbetrekkingen en welke wordt voorgedragen door de Verdragsluitende Partij, die verantwoordelijk is voor haar diplomatieke betrekkingen en welker toelating als afzonderlijk Lid door de Raad wordt goedgekeurd. (b). Elke Regering van een afzonderlijk douanegebied welke Lid is van de Raad ingevolge lid **a** (ii) hiervoor, houdt op Lid van de Raad te zijn, nadat haar terugtrekking door de Verdragsluitende Partij, die verantwoordelijk is voor haar diplomatieke betrekkingen, ter kennis van de Raad is gebracht. (c). Elk Lid van de Raad benoemt een vertegenwoordiger en een of meer plaatsvervangende vertegenwoordigers om namens hem in de Raad op te treden. Deze vertegenwoordigers kunnen worden bijgestaan door adviseurs. (d). De Raad kan vertegenwoordigers van landen, die geen lid zijn, of van internationale organisaties als waarnemers in zijn midden toelaten. Artikel III De taak van de Raad is: - (a). alle vraagstukken te bestuderen met betrekking tot de samenwerking op het gebied van de douane, welke samenwerking de Verdra"},{"i":9415,"b":"Verdrag inzake bedingen van forumkeuze De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Geleid door de wens de internationale handel en investeringen te bevorderen door de samenwerking tussen gerechtelijke instanties te versterken, Ervan overtuigd dat de samenwerking kan worden versterkt door uniforme regels inzake rechterlijke bevoegdheid en inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen in burgerlijke of handelszaken, Ervan overtuigd dat voor een versterkte samenwerking in het bijzonder een internationaal regelstelsel vereist is dat zekerheid biedt en de effectiviteit waarborgt van exclusieve forumkeuzebedingen tussen partijen bij handelstransacties en dat de erkenning en tenuitvoerlegging beheerst van beslissingen, gegeven in op basis van deze bedingen gevoerde procedures, Hebben besloten dit Verdrag te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen: HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSGEBIED EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1. Toepassingsgebied 1. Dit Verdrag is in internationale situaties van toepassing op exclusieve forumkeuzebedingen die zijn gemaakt in burgerlijke of handelszaken. 2. Voor de toepassing van [Hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003114&hoofdstuk=II&z=2015-10-01&g=2015-10-01) is een situatie internationaal tenzij de partijen in dezelfde Verdragsluitende Staat hun verblijfplaats hebben en de betrekkingen tussen de partijen en alle andere voor het geschil terzake doende elementen, ongeacht de plaats van het aangewezen gerecht, uitsluitend met die Staat verbonden zijn. 3. Voor de toepassing van [Hoofdstuk III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003114&hoofdstuk=III&z=2015-10-01&g=2015-10-01) is een situatie internationaal wanneer om erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing wordt verzocht. Artikel 2. Uitsluitingen van het toepassingsgebied 1. Dit Verdrag is niet van toepassing op exclusieve forumkeuzebedingen: - a. waarbij een natuurlijke persoon die hoofdzakelijk voor zichzelf, voor zij"},{"i":9428,"b":"Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten Preambule De Verdragsluitende Staten, Overwegende de noodzaak tot internationale samenwerking op het gebied van de economische ontwikkeling en de rol, welke particuliere internationale investeringen daarbij spelen; Rekening houdende met de mogelijkheid dat geschillen inzake dergelijke investeringen kunnen rijzen tussen Verdragsluitende Staten en onderdanen van andere Verdragsluitende Staten; Erkennende dat het in bepaalde gevallen wenselijk kan zijn dat dergelijke geschillen door internationale procedures worden geregeld, ook al zullen deze geschillen in het algemeen onderworpen zijn aan nationale rechtswegen; Bijzonder belang hechtende aan het openstaan van mogelijkheden voor internationale bemiddeling of arbitrage, waaraan Verdragsluitende Staten en onderdanen van andere Verdragsluitende Staten dergelijke geschillen kunnen onderwerpen, indien zij dit wensen; Verlangende, deze mogelijkheden te scheppen onder auspiciën van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling; Erkennende dat wederzijdse instemming van de partijen om deze geschillen te onderwerpen aan bemiddeling of arbitrage langs deze weg, een bindende overeenkomst vormt, welke met name vereist dat aan de aanbevelingen van de bemiddelaars passende aandacht wordt geschonken en dat de arbitrale uitspraken ten uitvoer worden gelegd; Verklarende dat geen Verdragsluitende Staat, alleen door het feit dat hij dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt, geacht wordt zonder zijn instemming verplicht te zijn een bepaald geschil aan bemiddeling of arbitrage te onderwerpen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Het Internationale Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen Afdeling 1. Oprichting en Organisatie Artikel 1 1. Hierbij wordt opgericht het Internationaal Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen (hierna te noemen het Centrum). 2. Het doel van het C"},{"i":9430,"b":"Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Indachtig de doelstellingen en beginselen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van goed nabuurschap, vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten; Ernstig bezorgd over de toename over de gehele wereld van daden van terrorisme, in al zijn gedaantes en verschijningsvormen; In herinnering brengend de Verklaring van 24 oktober 1995 ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Verenigde Naties; Tevens in herinnering brengend de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme, bijlage bij resolutie 49/60 van de Algemene Vergadering van 9 december 1994 waarin, onder andere: „de lidstaten van de Verenigde Naties opnieuw plechtig hun ondubbelzinnige veroordeling bevestigen van alle terroristische daden, methoden en praktijken als misdadig en ongerechtvaardigd, ongeacht waar en door wie zij zijn begaan, met inbegrip van daden die de vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten en volkeren schaden en de territoriale integriteit en veiligheid van Staten bedreigen\"; Vaststellend dat de Verklaring Staten tevens aanmoedigt „het toepassingsgebied van de bestaande internationale wettelijke bepalingen inzake de preventie, bestrijding en uitbanning van terrorisme in al zijn gedaantes en verschijningsvormen spoedig te herzien teneinde een volledig wettelijk kader te scheppen dat alle aspecten van terrorisme omvat”; Voorts in herinnering brengend resolutie 51/210 van de Algemene Vergadering van 17 december 1996 en de Aanvullende Verklaring bij de Verklaring van 1994 inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme; Tevens vaststellend dat terroristische aanslagen door middel van springstoffen of andere dodelijke instrumenten steeds vaker voorkomen; Voorts vaststellend dat de best"},{"i":7171,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 15 december 2003, nr. SV/F&W/03/95330 tot vaststelling van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 Gelet op de [artikelen 16a, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002126&artikel=16a), [16b, vijfde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002126&artikel=16b), en [16bb, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002126&artikel=16bb) en de [artikelen 34, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=34), [35, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=35), [35a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=35a), en [35b van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=35b); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Invorderingswet**: de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770); - b. **uitlener**: een inhoudingsplichtige of werkgever als bedoeld in [artikel 34, eerste lid, van de Invorderingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=34) ; - c. **inlener**: een inlener als bedoeld in [artikel 34, eerste en tweede lid, van de Invorderingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=34); - d. **confectie-aannemer**: een aannemer als bedoeld in [artikel 35a, eerste lid, van de Invorderingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=35a); - e. **aannemer**: een aannemer als bedoeld in [artikel 35, eerste lid, van de Invorderingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=35) die zijn bedrijf niet maakt van het vervaardigen of laten vervaardigen van kleding, andere dan schoeisel; - f. **opdrachtgever**: een opdrachtgever als bedoeld in [artikel 35a, tweede lid, van de Invorderingswet](https://wetten.overhe"},{"i":7148,"b":"Besluit van 21 september 2010, houdende regels met betrekking tot de opvolging onder algemene titel in de rechten en verplichtingen van het land de Nederlandse Antillen naar burgerlijk recht (Rijksbesluit rechtsopvolging burgerlijke rechten en verplichtingen Nederlandse Antillen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2010, nr. 2010-0000483371, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan in overeenstemming met de regering van de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten; Overwegende dat het met het oog op de opheffing van het land de Nederlandse Antillen wenselijk is om regels te stellen betreffende de overgang onder algemene titel van alle op het land de Nederlandse Antillen rustende rechten en verplichtingen naar burgerlijk recht op de nieuwe landen Curaçao, Sint Maarten en, met betrekking tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de Staat der Nederlanden; Gelet op [artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 12 augustus 2010, nr. W04.10.0348/I/K); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 september 2010, nr. 2010-0000597264, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met de regering van de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten; De bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **land:** Curaçao, Sint Maarten of, met betrekking tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba, Nederland, dan wel de met die landen corresponderende rechtspersonen land Curaçao, land Sint Maarten of Staat der Nederlanden; -"},{"i":7152,"b":"Rijkswet van 9 maart 1967 houdende bijzondere maatregelen van overheidswege aangaande de plaats van vestiging van rechtspersonen en instellingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op artikel 38, vierde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk, wenselijk is bij rijkswet te voorzien in bijzondere maatregelen, vereist door de belangen van het Koninkrijk, aangaande de plaats van vestiging van rechtspersonen en instellingen, naast de [Rijkswet vrijwillige zetelverplaatsing van rechtspersonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002561); Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onder rechtspersoon wordt in het bij of krachtens deze rijkswet bepaalde begrepen iedere maat- of vennootschap, vereniging of stichting, fonds of privaatrechtelijke instelling in de ruimste zin, ook indien daaraan in andere wettelijke bepalingen de rechtspersoonlijkheid niet mocht zijn toegekend of uitdrukkelijk mocht zijn onthouden. Artikel 2 1. Indien in geval van oorlog, onmiddellijk oorlogsgevaar, revolutie of daarmee vergelijkbare buitengewone omstandigheden naar Ons oordeel de belangen van het Koninkrijk dit vereisen, kunnen Wij Onze Ministers van Justitie en van Financiën machtigen om bij gezamenlijke beschikking de plaats van vestiging van een of meer in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten gevestigde rechtspersonen over te brengen naar een andere, in de beschikking aan te geven, plaats binnen het Koninkrijk der Nederlanden. 2. Onze voornoemde Ministers kunnen in hun beschikking ook andere bepalingen van de akte van oprichting of van de statuten en reglementen van de rechtspersoon wijzigen, indien dit naar hun oordeel noodzakelijk is in verband met de overbrenging va"},{"i":9498,"b":"Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Zich bewust van de gevolgen van terroristische daden voor de internationale veiligheid; Uitdrukking gevend aan hun ernstige verontrusting over terroristische daden gericht op de vernietiging van luchtvaartuigen, andere vervoermiddelen en overige doelwitten; Verontrust over het feit dat kneedspringstoffen zijn gebruikt voor dergelijke terroristische daden; Overwegend dat het merken van die springstoffen ten behoeve van de opsporing ervan aanzienlijk zou bijdragen tot het voorkomen van die wederrechtelijke gedragingen; Erkennend dat er, ter afschrikking van die wederrechtelijke gedragingen, dringend behoefte bestaat aan een internationaal instrument die Staten verplicht passende maatregelen te nemen om te verzekeren dat kneedspringstoffen naar behoren worden gemerkt; Gelet op Resolutie 635 van de Veiligheidsraad der Verenigde Naties van 14 juni 1989, en Resolutie 44/29 van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties van 4 december 1989, waarin bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie werd aangedrongen op intensivering van haar werkzaamheden ten behoeve van het ontwerpen van een internationaal stelsel van regels voor het merken van kneed- of bladspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan; Indachtig Resolutie A27-8, met algemene stemmen aangenomen tijdens de 27e zitting van de Vergadering van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, waarin de allerhoogste prioriteit werd toegekend aan het opstellen van een nieuw internationaal instrument inzake het merken van kneed- of bladspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan; Met voldoening wijzend op de rol die de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie heeft gespeeld bij de opstelling van het Verdrag, alsook op zijn bereidheid met de uitvoering ervan samenhangende taken op zich te nemen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Voor de toepassing van dit Ver"},{"i":7150,"b":"RIJKSWET van 11 februari 1971, houdende verdeling van het bedrag bedoeld in de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake de regeling van wederzijdse financiële en eigendomsvorderingen, van 20 oktober 1967 (Trb. 1967, 195, laatstelijk Trb. 1969, 11) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een regeling te treffen omtrent de verdeling van het bedrag dat krachtens de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake de regeling van wederzijdse financiële en eigendomsvorderingen, van 20 oktober 1967 (laatstelijk **Trb.** 1969, 11) ten behoeve van Nederlandse belanghebbenden ter beschikking is gesteld; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut van het Koninkrijk in acht genomen, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder: - a. Overeenkomst: de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken inzake de regeling van wederzijdse financiële en eigendomsvorderingen, van 20 oktober 1967 (laatstelijk **Trb.** 1969, 11); - b. schuldeiser: de natuurlijke of rechtspersoon, te wiens behoeve bij de Overeenkomst schadeloosstelling is overeengekomen, daaronder begrepen de obligatiehouder als hierna onder **c** omschreven; - c. obligatiehouder: de schuldeiser terzake van Letse Volkenbondsleningen of andere vóór 1939 in de gebieden bedoeld in artikel 1 van de Overeenkomst door de overheid uitgegeven, in het buitenland betaalbaar gestelde leningen; - d. Commissie: de Commissie, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002749&hoofdstuk=2&artikel=3&z=1971-07-01&g=1971-07-01); - e. Vereeni"},{"i":7167,"b":"Uitvoeringsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning in de Republiek Albanië of de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) verblijven De Republiek Albanië en het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, Hierna genoemd „de Partijen\", Op grond van artikel 19 van de Overeenkomst getekend op 14 april 2005 te Luxemburg tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven, Hierna genoemd „de Overeenkomst\", Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Uitvoeringsprotocol wordt verstaan onder: - –. diplomatieke vertegenwoordiging: de diplomatieke vertegen-woordiging van de aangezochte Partij op het grondgebied van de verzoekende Partij; - –. begeleider(s): de door de verzoekende Partij aangewezen persoon (of personen), belast met de begeleiding van de over te nemen of door te geleiden persoon. Artikel 2 1. Een verzoek om overname wordt per telefax of via elektronische weg en per post via de diplomatieke vertegenwoordiging ingediend bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij. 2. Voor de indiening van het verzoek om overname wordt gebruik gemaakt van het formulier dat als Bijlage 1 aan deze Overeenkomst is gehecht. 3. Indien is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6, lid (2), van de Overeenkomst, volstaat een schriftelijke mededeling door middel van het formulier dat als Bijlage 1 aan dit Uitvoeringsprotocol is gehecht. 4. De verzoekende Partij wendt zich voor het verstrekken alsmede voor het verkrijgen van nadere inlichtingen met betrekking tot het ingediende verzoek om overname tot de diplomatieke vertegenwoordiging. Artikel 3 1. Het antwoord op een verzoek om overname wordt per telefax of via elektronische weg en per post via de diplomatieke vertegenwoordiging o"},{"i":7166,"b":"Besluit van 2 maart 1936, tot vaststelling van een algemeenen maatregel van bestuur, als bedoeld in de artikelen 137, tweede lid, en 208, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van 22 Januari 1936, 1ste Afdeeling C, No. 800; Overwegende, dat volgens [artikel 137](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=137), tweede lid, en [artikel 208, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=208) bij algemeenen maatregel van bestuur de instellingen moeten worden aangewezen, die in den zin van den zesden onderscheidenlijk den zevenden Titel van het [eerste Boek van het Wetboek van Koophandel](onbekend) als verrekeningskamers worden beschouwd; Den Raad van State gehoord (advies van 11 Februari 1936, n°. 24); Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 22 Februari 1936, 1ste Afdeeling C, No. 817; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Als verrekeningskamers in den zin van den zesden en den zevenden Titel van het [eerste Boek van het Wetboek van Koophandel](onbekend) worden beschouwd de verrekeningskamers bij de Nederlandsche Bank te Amsterdam, bij de Bijbank van de Nederlandsche Bank te Rotterdam en bij het Agentschap van de Nederlandsche Bank te 's-Gravenhage. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van den tienden dag na dien der dagteekening van het **Staatsblad**, waarin het is geplaatst. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State."},{"i":7162,"b":"Uitvoering van artikel 2, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 2, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=2) (Stb. 1963, 228); Besluit: Artikel 1 Als bureau, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen wordt erkend de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging: Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars, gevestigd te 's-Gravenhage, waarvan de statuten zijn goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 29 december 1964, nr. 5. Artikel 2 Deze beschikking wordt bekend gemaakt in de **Nederlandse Staatscourant**."},{"i":9534,"b":"Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties Aangezien de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 13 Februari 1946 een resolutie aannam, strekkende tot zo ver mogelijke unificatie van de voorrechten en immuniteiten, welke de Verenigde Naties en de verschillende gespecialiseerde organisaties genieten; Aangezien besprekingen betreffende de ten uitvoerlegging van voornoemde resolutie plaats gehad hebben tussen de Verenigde Naties en de gespecialiseerde organisaties; Heeft de Algemene Vergadering derhalve in een resolutie, aangenomen op 21 November 1947, het volgende verdrag goedgekeurd, hetwelk aan de gespecialiseerde organisaties ter aanvaarding en aan ieder Lid van de Verenigde Naties en iedere andere Staat, welke lid is van een of meer gespecialiseerde organisaties, ter toetreding wordt overgelegd. Artikel I. Definities en omvang § 1. In dit Verdrag: - I. Verwijzen de woorden „Standaard bepalingen” naar de bepalingen van de artikelen II tot IX. - II. Betekenen de woorden „gespecialiseerde organisaties”: - a. De Internationale Arbeidsorganisatie; - b. De Voedsel- en Landbouworganisatie der Verenigde Naties; - c. De Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur; - d. De Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie; - e. Het Internationale Monetaire Fonds; - f. De Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling; - g. De Wereldgezondheidsorganisatie; - h. De Algemene Post-Unie; - i. De Internationale Vereniging voor Verreberichtgeving; - j. Elke andere organisatie, verband houdende met de Verenigde Naties overeenkomstig de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143&artikel=57) en [63 van het Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143&artikel=63). - III. Het woord „Verdrag” betekent, met betrekking tot elke afzonderlijke gespecialiseerde organisatie, de standaardbepalingen, zolas zij gewijzigd zijn krachtens de uiteindelijke of herziene tekst van het aanhangsel,"},{"i":7161,"b":"Uitvoering artikel 19, eerste lid, Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 19, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=19) en gelet op de regeling van de Minister van Financiën van 14 juli 1998, nr. [BGW98-1865M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009783) (Stcrt.133); Besluit: Artikel 1 Als modellen voor het bewijs van vrijstelling wegens gemoedsbezwaren van de verplichting tot het sluiten van een verzekering als bedoeld in de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415) worden vastgesteld: - a. voor motorrijtuigen die een kenteken behoeven, het bewijs volgens de bij deze beschikking behorende [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010251&bijlage=I&z=2012-07-10&g=2012-07-10); - b. voor motorrijtuigen die geen kenteken behoeven, het bewijs volgens de bij deze beschikking behorende [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010251&bijlage=II&z=2012-07-10&g=2012-07-10). Artikel 2 De beschikking van de Minister van Financiën van 29 juni 1984/nr. 384-7188 (Stcrt. 126) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage I. als bedoeld in [artikel 1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010251&artikel=1&z=2012-07-10&g=2012-07-10), van de Regeling van de Minister van Financiën van 1 februari 1999 (Stcrt. 1999, 26) Bijlage II. Vrijstellingsbewijs B"},{"i":5722,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 oktober 2015, nr. WJZ/787439 (10436), houdende vervanging van de Subsidieregeling indemniteit bruiklenen 2008 in verband met doelmatiger gebruik van het beschikbare garantieplafond ter verhoging van het aantal tentoonstellingen dat voor indemniteit in aanmerking kan komen (Subsidieregeling indemniteit bruiklenen 2016) Gelet op [artikel 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **instelling:** openbaar toegankelijke instelling die gespecialiseerd is in het beheren van museale collecties of het organiseren van tentoonstellingen; - c. **voorwerp:** cultuurgoed als bedoeld in [artikel 1.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1) met inbegrip van lijst, raam, kader, sokkel en dergelijke, afkomstig uit een buitenlandse collectie of uit een niet openbaar toegankelijke privécollectie; - d. **tentoonstelling:** tijdelijke tentoonstelling in Nederland die een compilatie vormt van belangrijke voorwerpen, al dan niet in combinatie met andere cultuurgoederen, in een samenhang die in het algemeen niet in Nederland te zien is en een visie biedt op periodes, kwesties, personen of producten van cultuurhistorische betekenis; - e. **indemniteitsverklaring:** beschikking waarbij een voorwaardelijke aanspraak op subsidie als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037142&artikel=2&z=2025-07-12&g=2025-07-12), wordt verleend; - f. **indemniteitspercentage:** deel van de totale verzekerde waarde van de voorwerpen die voor een indemniteitsverklaring in aanmerking komen, uitgedrukt in procenten waarbij de totale verzekerde waarde 100 is. Artikel 2. Indemniteitsverklaring 1. De minister kan aan een instelling voor een tentoonstelling een s"},{"i":13840,"b":"Mijnbesluit BES Titel I. Algemeene bepalingen. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder «Onze Minister»: Onze Minister van Economische Zaken. Artikel 1a Waar in dit besluit zonder nadere aanduiding artikelen worden genoemd, worden artikelen van dit besluit zelf bedoeld. Artikel 1b Dit besluit berust op artikel 1a, zesde lid, van de Mijnwet BES. Artikel 2 In dit besluit wordt onder opsporing verstaan opzettelijk ingesteld onderzoek naar de in artikel 1a van de Mijnwet BES genoemde delfstoffen met het oogmerk om recht tot mijnontginning te verwerven; en onder ontginning of mijnontginning de opzettelijke winning van deze delfstoffen, onverschillig of die winning geschiedt door onderaardsche mijnwerken, open groeven, grondboringen of op andere wijze. Dit besluit kent aan de uitdrukking onderzoekingsveld, concessieveld en mijnveld het begrip van ruimte toe, en aan de uitdrukkingen onderzoekingsterrein, vergunningsterrein, opsporingsterrein, concessieterrein en ontginningsterrein dat van oppervlakte. Artikel 3 In dit besluit wordt verstaan: - a. onder rechthebbende op den grond degene, die een zakelijk recht daarop heeft; - b. onder derde belanghebbende degene, wiens uit een persoonlijk recht voortvloeiend belangen door een opsporing of ontginning kunnen worden geschaad. Artikel 4 Onverminderd hetgeen overigens dienaangaande in dit besluit in het bijzonder is bepaald, gelden de aan opspoorders toegekende rechten en opgelegde verplichtingen, ook die nopens de wijze van uitoefening van hun bedrijf mede voor ontdekkers die ingevolge [art. 88](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028574&titeldeel=II&hoofdstuk=IV&afdeling=4e&artikel=88&z=2010-10-10&g=2010-10-10) hunne werkzaamheden voortzetten. Artikel 5 Waar in dit besluit gesproken wordt van «door Onze Minister» wordt daarmede ook bedoeld «vanwege Onze Minister». Titel II. Voorschriften tot uitvoering van art.1a, derde en zesde lid der Mijnwet BES. Hoofdstuk I. Over de vereischten waaraan aanvragers en houders van v"},{"i":13834,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, kenmerk ACM/DE/2016/202150, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 (Meetcode elektriciteit) Gelet op [artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=36); Besluit: 1. Algemene bepalingen 1.1. Werkingssfeer en definities 1.1.1 Deze code bevat de voorwaarden zoals bedoeld in [artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=31). 1.1.2 Vervallen 1.1.3 Meetinrichtingen voldoen ten minste aan de daaraan in of krachtens de wet gestelde eisen. Ingeval van strijdigheid tussen een dwingende wettelijke eis en een eis uit deze code, geldt de dwingende wettelijke eis. 1.1.4 Voor de toepassing van deze code gelden de begrippen en bijbehorende begripsbepalingen uit de [Begrippencode elektriciteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037938). 1.1.5 In zoverre een meetinrichting onder de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) valt, is deze code niet van toepassing ten aanzien van een onderwerp dat voor die meetinrichting in de Metrologiewet wordt geregeld. 1.2. Voorwaarden met betrekking tot meterbeheerders, meterplaatsers en meetverantwoordelijken 1.2.1. Meterbeheerder 1.2.1.1 De meterbeheerder participeert in het door de toezichthouder op de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) goedgekeurde systeem van systematische (steekproefsgewijze) periodieke controle van in gebruik zijnde meters zoals uitgevoerd in opdracht van de deelnemende meterbeheerders gezamenlijk of toont aan op andere, ter beoordeling van de toezichthouder op de Metrologiewet, aanvaardbare gelijkwaardige wijze te voorzien in een dergelijke controle. 1.2.2. Meterplaatser 1.2.2.1 Het deel van de op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichting dat geplaatst moet worden bij de aansluiting, wordt geplaatst door een"},{"i":9566,"b":"Verdrag tot instelling van het Europees Stabiliteitsmechanisme tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek en de Republiek Finland De verdragsluitende partijen, het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek en de Republiek Finland (de „lidstaten van de eurozone” of „ESM-leden”); Vastbesloten de financiële stabiliteit van de eurozone te waarborgen; Herinnerend aan de op 25 maart 2011 aangenomen conclusies van de Europese Raad betreffende de instelling van een Europees stabiliteitsmechanisme; Overwegende hetgeen volgt: De Europese Raad heeft op 17 december 2010 overeenstemming bereikt over de noodzaak voor de lidstaten van de eurozone een permanent stabiliteitsmechanisme in te stellen. Dit Europees Stabiliteitsmechanisme („ESM”) zal de taken overnemen die momenteel door de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit („EFSF”) en het Europees financieel stabilisatiemechanisme („EFSM”) worden vervuld bij het verstrekken, indien nodig, van financiële bijstand aan lidstaten van de eurozone. Op 25 maart 2011 heeft de Europese Raad Besluit 2011/199/EU tot wijziging van [artikel 136 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506&artikel=136) met betrekking tot een stabiliteitsmechanisme voor de l"},{"i":9567,"b":"Verdrag tot invoering van een eenvormige wet op cheques **(Opsomming van Staatshoofden.)** Verlangend de moeilijkheden te voorkomen, waartoe de verscheidenheid van de wetgevingen der landen, waar chèques moeten circuleeren, aanleiding geeft, en dus de zekerheid en de snelheid der betrekkingen van den internationalen handel te bevorderen, Hebben als hun Gevolmachtigden aangewezen: **(Lijst van Gevolmachtigden.)** Die, na elkander hun in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel I Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen verbindt zich om de eenvormige wet, vervat in [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006387&bijlage=I&z=1934-07-01&g=1934-07-01) van dit Verdrag, binnen haar grondgebied in te voeren, hetzij in een der oorspronkelijke teksten, hetzij in haar landstaal. Deze verbintenis zal, indien daartoe aanleiding bestaat, beperkt worden door zoodanige voorbehouden als ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen op het tijdstip van bekrachtiging of toetreding zal aangeven. Deze voorbehouden moeten worden gekozen uit de in [Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006387&bijlage=II&z=1934-07-01&g=1934-07-01) van dit Verdrag vermelde. Echter kunnen de voorbehouden, bedoeld bij de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006387&bijlage=II&artikel=9&z=1934-07-01&g=1934-07-01), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006387&bijlage=II&artikel=22&z=1934-07-01&g=1934-07-01), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006387&bijlage=II&artikel=26&z=1934-07-01&g=1934-07-01) en [27 van genoemde Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006387&bijlage=II&artikel=27&z=1934-07-01&g=1934-07-01) worden gemaakt na de bekrachtiging of de toetreding, mits daarvan wordt kennis gegeven aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van den tekst dier voorbehouden onmiddellijk kennis zal geven aan de Leden van den Volkenbond en aan de S"},{"i":9641,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Chinese Republiek nopens opheffing van exterritoriale rechten in China en regeling van aanverwante zaken Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Excellentie de President van de Nationale Regeering van de Chineesche Republiek, Geleid door den wensch, in vriendschappelijken geest de algemeene betrekkingen tusschen beide landen duidelijker te omschrijven en te dien einde bepaalde aangelegenheden met betrekking tot de regtsmacht in China te regelen; Hebben besloten met dit doel een verdrag te sluiten en hebben te dien einde tot hun Gevolmachtigden benoemd; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Jonkheer E. F. M. J. Michiels van Verduynen, Haar waarnemend Minister van Buitenlandsche Zaken; Zijne Excellentie de President van de Nationale Regeering van de Chineesche Republiek: Zijne Excellentie den Heer Wunsz King, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur van de Chineesche Republiek bij Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; Die, na elkander hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Het grondgebied van de Hooge Verdragsluitende Partijen, waarop dit Verdrag van toepassing is, omvat voor wat betreft de Chineesche Republiek alle gebiedsdeelen van de Chineesche Republiek; en voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden alle gebiedsdeelen van het Koninkrijk der Nederlanden. In dit Verdrag zal de uitdrukking „onderdanen van de eene (of van de andere) Hooge Verdragsluitende Partij”, ten aanzien van de Chineesche Republiek beteekenen alle personen, die Chineesche staatsburgers zijn krachtens de Chineesche nationaliteitswetten; en ten aanzien van het Koninkrijk der Nederlanden, beteekenen alle personen, die Nederlandsche onderdanen zijn op grond van de Nederlandsche nationaliteitswetten. Artikel II Al die bepalingen van verdragen of overeenkomsten, van kracht tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en de Chine"},{"i":9646,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatie van Saint Kitts en Nevis inzake maritieme afbakening (met Bijlage) The Kingdom of the Netherlands and the Federation of Saint Christopher and Nevis, hereinafter referred to as “the Parties”; Desiring to strengthen the bonds of friendship between the Parties; Desiring to establish an equitable delimitation of all maritime zones belonging to each of the Parties; Recalling the relevant provisions of the [United Nations Convention on the Law of the Sea](onbekend) of 10 December 1982; Have agreed as follows: Article 1 1. This Agreement shall establish the delimitation of all maritime zones between the Parties. 2. A decision of a Party to establish, extend or amend its maritime zones shall be in accordance with this Agreement. Article 2 1. The maritime delimitation between the Parties is based on equidistance and shall be the line formed by the geodesics connecting points defined by their coordinates: | Point | Latitude North | Longitude West | | --- | --- | --- | | 1. | 17° 35’ 58.77” | 62° 48’ 15.30” | | 2. | 17° 29’ 41.88” | 62° 51’ 28.66” | | 3. | 17° 26’ 33.27” | 62° 53’ 48.63” | | 4. | 17° 23’ 08.49” | 62° 56’ 51.25” | | 5. | 17° 21’ 23.97” | 62° 58’ 37.43” | | 6. | 17° 18’ 58.27” | 63° 00’ 56.35” | | 7. | 17° 14’ 01.32” | 63° 05’ 30.24” | | 8. | 17° 04’ 03.32” | 63° 14’ 32.30” | 2. The points defined by geographic coordinates are expressed in World Geodetic System 1984 (WGS 84). 3. From point 1 the delimitation extends along a geodetic azimuth of 26.55 degrees until the delimitation with a third state is reached. 4. From point 8 the delimitation extends along a geodetic azimuth of 222.74 degrees until the delimitation with a third state is reached. 5. For illustrative purposes, this delimitation is depicted on a chart annexed to this Agreement. Article 3 The Parties will, as appropriate, and consistent with their international obligations and with due regard to the transfer of competencies to the Europea"},{"i":18042,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 3 juni 2009, nr. DDI/ST/reg. 020/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Hoge Commissariaat in Indonesië te Jakarta van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1949–1961 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Hoge Commissariaat in Indonesië te Jakarta van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1949–1961, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 66 | 2029 | | 69 | 2022 | | 70 | 2026 | | 84 | 2035 | | 85 | 2033 | | 108 | 2031 | | 121 | 2019 | | 122 | 2021 | | 123 | 2030 | | 125 | 2026 | | 126 | 2017 | | 128 | 2019 | | 129 | 2034 | | 134 | 2024 | | 136 | 2030 | | 137 | 2024 | | 138 | 2023 | | 144 | 2024 | | 147 | 2024 | | 208 | 2028 | | 211 | 2028 | | 212–214 | 2030 | | 215 | 2028 | | 216–218 | 2029 | | 219–221 | 2030 | | 222 | 2031 | | 299 | 2027 | | 300 | 2028 | | 301 | 2014 | | 456–8980 | 2025 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025940&artikel=1&z=2009-06-14&g=2009-06-14), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inve"},{"i":17636,"b":"Tweede Protocol bij het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, Gezien het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden, ondertekend op 8 december 1987, en het Protocol daarbij, ondertekend op 7 december 1989 (hierna gezamenlijk te noemen \"het Verdrag\"), en Erkennende de noodzaak enkele bepalingen van het Verdrag te verduidelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Wijzigt het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, 's-Gravenhage, 08-12-1987. Artikel II Wijzigt het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, 's-Gravenhage, 08-12-1987. Artikel III 1. Bij de toepassing van artikel 16 van het Verdrag is de tweede volzin van het vierde lid niet van toepassing op zelfstandigen die arbeidsongeschikt raken na 31 december 1997. Voor personen die zelfstandige waren op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid gevolgd door invaliditeit intrad, wordt de uitkering vastgesteld in overeenstemming met de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen van 24 april 1997 (WAZ). 2. De verzekeringstijdvakken waarmee Nederland in overeenstemming met artikel 16, vijfde lid, van het Verdrag rekening dient te houden omvatten mede krachtens de WAZ vervulde verzekeringstijdvakken, voor zover deze tijdvakken niet samenvallen met verzekeringstijdvakken die zijn vervuld krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van 18 februari 1966 (WAO). Artikel IV Dit Protocol treedt in werking op de datum waarop beide Partijen elkaar langs diplomatieke weg ervan in kennis hebben gesteld dat aan de wettelijke vereisten voor de inwerkingtreding ervan is voldaan. Bij de inwerkingtreding is artikel II met terugwerkende kracht geld"},{"i":18710,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juli 2016, 2016-0000170426, tot vaststelling van de Beleidsregel boeteoplegging loondervingswetten BES Gelet op [artikel 14a van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=14a), voor zover het de toepassing van [artikel 5, zesde lid, eerste zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=11), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12), en [13 van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=13) betreft en [artikel 14a van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=14a), voor zover het de toepassing van [artikel 5, twaalfde lid, eerste zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=5), [11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=11), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=12), en [13 van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=13) betreft, Besluit: Artikel 1. Normbedrag boete 1. Bij de berekening van een boete vanwege een overtreding als bedoeld in [artikel 14a, eerste lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=14a) en [artikel 14a, eerste lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=14a) is het normbedrag: - a. voor werkgevers met meer dan 20 werknemers: $ 1400; - b. voor werkgevers met 10 tot en met 20 werknemers: $ 1050; - c. voor werkgevers met 5 tot en met 9 werknemers: $ 700; - d. voor werkgevers met minder dan 5 werknemers: $ 350. 2. Voor de boeteberekening van overtredingen geconstateerd op locaties of in filialen, wordt het aantal werknemers van de gehele juridische eenheid in aanmerking genomen. Arti"},{"i":18362,"b":"Regeling bezwaaradviescommissie Tweede Kamer De regeling, bedoeld in [artikel 7.10a van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=7.10a), wordt als volgt vastgesteld: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de Kamer: de Tweede Kamer der Staten-Generaal; - b. de bezwaarmaker: degene die tegen een namens de Kamer genomen besluit als bedoeld in [artikel 6.2, onder c, van het Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=6.2) een bezwaarschrift heeft ingediend; - c. de commissie: de bezwaaradviescommissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047170&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2022-09-15&g=2022-09-15); - d. het Reglement: het [Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975); - e. de vertegenwoordiger van de Kamer: de vertegenwoordiger van het onderdeel van de Kamer dat het besluit waartegen het bezwaarschrift is gericht heeft genomen; - f. de wet: de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Hoofdstuk 2. Taak en samenstelling commissie Artikel 2. Adviestaak commissie 1. Er is een bezwaaradviescommissie die de Voorzitter of de Griffier van de Kamer adviseert over de door hem namens Kamer de te nemen beslissingen op bezwaar, bedoeld in de [artikelen 3.2, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=3.2), onderscheidenlijk [6.2, tweede lid, onder d, van het Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=6.2). 2. Bij de toepassing van [artikel 10:7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:7), kan de commissie advies uitbrengen aan de Kamer. Artikel 3. Samenstelling commissie 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en twee overige leden. Er kunnen plaatsvervangende leden worden benoemd. 2. Bij afwezigheid van de voorzitte"},{"i":17252,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 juli 2012, nr. MC-U-3122855, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake stopzetten experiment vrije tarieven mondzorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Gezien: de brief van 6 juni 2011 aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2010/11, 32 620, nr. 13); de Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), inzake invoering vrije tarieven mondzorg van 21 juli 2011 (Stcrt. 2011, nr. 13947); de brief van 16 januari 2012 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 32 620, nr. 41); het dertigledendebat met de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 17 januari 2012 (Handelingen 2011/12, item 12, datum vergadering: 17 januari 2012); de brief van 31 januari 2012 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 32 620, nr. 42); de brief van 25 juni 2012 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 32 620, nr. 66); het algemeen overleg mondzorg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 28 juni 1012; de op 5 juli 2012 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangenomen motie-Kuiken c.s. (Kamerstukken II 2011/12, 32 620, nr. 68). Besluit: artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2013 maximumtarieven vast als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) voor mondzorg als bedoeld in [artikel 1 van de aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 21 juli 2011, nr. MC-U-3072981, inzake invoering vrije tarieven mondzorg](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":17909,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 november 2025, kenmerk 4239287-1089779-IZB, houdende wijziging van de Regeling specifieke uitkering versterking GGD’en in verband met het terugdraaien van de splitsing binnen pijler 5 en het verlengen van de looptijd van de activiteiten voor pijler 1 tot en met pijler 5 [KetenID WGK028495] Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling specifieke uitkering versterking GGD’en. Artikel II Op uitkeringen die zijn verleend of ambtshalve verstrekt vóór het in werking treden van deze regeling, blijft het recht van toepassing zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19021,"b":"Instellingsbesluit Justitie Emancipatie Stuurgroep Overwegende dat bij besluit van 6 maart 1979 een Contactgroep Justitie Emancipatie Stimulering (JES) is ingesteld, verder te noemen de contactgroep; Overwegende dat een actieve en samenhangende ontwikkeling van het emancipatiebeleid het wenselijk maakt dat de contactgroep wordt vervangen door een Justitie Emancipatie Stuurgroep, die als doelstelling heeft te komen tot een geïntegreerd emancipatiebeleid van het ministerie van Justitie; Besluit: Artikel 1 In dit Besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 Ingesteld wordt een Justitie Emancipatie Stuurgroep (JES), verder te noemen: de stuurgroep. Artikel 3. Taak De stuurgroep heeft tot taak: - a. het stimuleren van en het adviseren over het emancipatiebeleid van het ministerie; - b. het begeleiden van de invoering van richtlijnen op emancipatiegebied; - c. het volgen van de verwezenlijking van het emancipatiebeleid van het ministerie; - d. het stimuleren van het ontstaan van een klimaat waarbinnen een ieder, ongeacht geslacht, optimaal kan functioneren; - e. het bijdragen aan de bewustwording van factoren, die vrouwen kunnen belemmeren in de uitoefening van hun functie en hun loopbaanontwikkeling en het streven naar het wegnemen van die factoren; - f. het bewaken van eenduidigheid en samenhang in beleid en regelgeving waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke positie van vrouwen; Artikel 4 Omtrent het in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006865&artikel=3&z=1994-09-01&g=1994-09-01) genoemde adviseert de stuurgroep aan de Minister of de Staatssecretaris, door tussenkomst van de Secretaris-Generaal, alsmede aan de Secretaris-Generaal en aan het Hoofd Centrale Directie Personeelszaken of het Hoofd van een der overige beleids- respectievelijk beheersdirecties binnen het ministerie; Artikel 5. Samenstelling en benoeming 1. Op voordracht van de voorzitter van de stuurgroep wordt door directies dan wel zelfstandige dienstonderdelen van het ministerie een"},{"i":9648,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Organisatie voor Migratie inzake de juridische status, de privileges en immuniteiten van de Organisatie en haar medewerkers in Nederland The Kingdom of the Netherlands, and The International Organization for Migration, hereinafter called the Organization, Recalling the [Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the International Organization for Migration on the Legal Status, the Privileges and Immunities of the Organization in the Netherlands](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002918) concluded on 1 May 1990, Considering that the Kingdom of the Netherlands is a founding member of the Organization, Desirous of further strengthening and developing the friendly relations and cooperation between the Kingdom of the Netherlands and the Organization, Considering that the purpose and functions of the Organization and the activities carried out by the Organization and its staff warrant the granting in the Kingdom of the Netherlands to the Organization and its staff of privileges and immunities substantially identical to those accorded to other intergovernmental organizations in the Netherlands and their staff, Have agreed as follows: Article 1. Definitions In this Agreement: - a). „Constitution” means the [Constitution of the International Organization for Migration](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004992); - b). „Organization” means the International Organization for Migration; - c). „Chief of Mission” means the Chief of Mission of the Organization in the Netherlands; - d). „staff member” means any person appointed or recruited for employment with the Organization in the Netherlands to carry out its official activities and subject to IOM staff regulations and rules, except those who are locally recruited and remunerated on an hourly basis; - e). „members of the family forming part of a Staff member’s household” has the meaning specified in [Article 11](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":14641,"b":"Regeling taak en samenstelling Stuurgroep fraudebestrijding Gelet op het besluit van de Ministerraad van 18-21 augustus 1992, waarbij de voorstellen van de ambtelijke task-force fraudebestrijding werden aanvaard, alsmede op het besluit van de Raad van 11 september 1992 onder meer strekkende tot instelling van een ministeriële commissie fraudebestrijding. Gelet op het besluit van de Ministerraad van 14 juli 1994, inhoudende dat de stuurgroep en de ministeriële commissie fraudebestrijding zullen worden betrokken bij het bewaken van de voortgang van het beleid inzake de activiteiten gericht op het opsporen en ontnemen van wederrechtelijk verkregen inkomsten en vermogens; Overwegende dat het mede met het oog op dit laatste besluit noodzakelijk is het besluit van de minister van Justitie van 25 september 1992, nr. 255197/292/GA, zoals gewijzigd bij besluit van de minister van Justitie van 30 maart 1993, nr. 358919/293/WB, te vervangen door een nieuw besluit; Besluit: 1 Er is een Stuurgroep fraudebestrijding. 2 De Stuurgroep heeft tot taak: - a. de voortgang van de uitvoering van het kabinetsbeleid inzake de bestrijding van misbruik van oneigenlijk gebruik op het terrein van belastingen en sociale zekerheid ambtelijk te bewaken en te coördineren, alsmede in voorkomend geval politieke besluitvorming voor te bereiden, en - b. de voortgang van het beleid inzake de activiteiten gericht op het opsporen en ontnemen van wederrechtelijk verkregen inkomsten en vermogens te bewaken. 3 De Stuurgroep is als volgt samengesteld: alsmede, voorzover de hiervoor onder 2.b. genoemde taak aan de orde is: 4 De Stuurgroep nodigt indien daartoe uit hoofde van de medeverantwoordelijkheid van een of meer andere departementen aanleiding bestaat, een vertegenwoordiger van dat/die departement(en) uit aan de desbetreffende werkzaamheden van de Stuurgroep deel te nemen. 5 De Stuurgroep kan een of meer werkgroepen instellen ter ondersteuning van haar werkzaamheden. 6 Dit besluit treedt in de plaats va"},{"i":9654,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Belarus inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Belarus, hierna aangeduid als de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door investeerders van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. omvat de term „investeerders\" met betrekking tot elk van beide Verdragsluitende Partijen: - a. natuurlijke personen die krachtens het recht van die Verdragsluitende Partij onderdaan van die Partij zijn, en investeringen doen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij; - b. rechtspersonen, zoals ondernemingen en andere organisaties, die krachtens het recht van die Verdragsluitende Partij zijn opgericht of anderszins naar behoren georganiseerd, en gerechtigd zijn tot het doen van investeringen, en die investeringen doen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij; - c. rechtspersonen die niet zijn opgericht krachtens het recht van die Verdragsluitende Partij, maar die onder toezicht staan van natuurlijke personen zoals omschreven onder letter a of van rechtspersonen zoals omschreven onder letter b hierboven; - 2. omvat de term „investeringen\": alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - a. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke"},{"i":11454,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 27 maart 2019, nr. PO/5330988, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor de vervolgpilot tweetalig primair onderwijs (Subsidieregeling vervolgpilot tweetalig primair onderwijs) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - **minister:** Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; - **school:** basisschool als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) die heeft meegedaan aan de pilot tweetalig primair onderwijs; - **pilot tweetalig primair onderwijs:** experiment waarbij op 19 scholen in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 juli 2019 dan wel 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2019 dertig tot vijftig procent van de onderwijstijd in het Engels of Frans of Duits is gegeven, met een sterke internationale oriëntatie; - **vervolgpilot tweetalig primair onderwijs:** experiment waarbij op maximaal 19 scholen in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 juli 2023 dertig tot vijftig procent van de onderwijstijd in het Engels of Frans of Duits wordt gegeven, met een sterke internationale oriëntatie. Artikel 2. Toepassing [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Deze regeling geldt in aanvulling op de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR003760"},{"i":11448,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 13 februari 2025, nr. 47049187, houdende regels voor de subsidiëring van een verrijkte schooldag voor leerlingen in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs 2025–2028 (Subsidieregeling School en Omgeving 2025–2028) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **AVG:** [verordening (EU) 2016/679](32016R0679) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **CBS:** Centraal bureau voor de statistiek als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=1); - **coalitie-aanmelding:** aanmelding als bedoeld in [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050794&artikel=4&z=2025-10-29&g=2025-10-29); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **GKA:** Gelijke Kansen Alliantie"},{"i":11455,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 juni 2021, nr. HO&S/27206364, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor virtuele internationale samenwerkingsprojecten in het hoger onderwijs (Subsidieregeling virtuele internationale samenwerkingsprojecten hoger onderwijs) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bekostigde instelling voor hoger onderwijs:** Nederlandse bekostigde instelling als bedoeld in [artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.8); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **instellingsbestuur:** instellingsbestuur als bedoeld in [artikel 1.1 onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), van een bekostigde instelling voor hoger onderwijs; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **leeruitkomsten:** datgene wat de student verwacht wordt te weten, begrijpen en in staat is om te demonstreren na afronding van het leerproces; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **MOOC:** **massive open online course,** open online te volgen cursus waarbij de deelnemers niet aan een specifiek onderwijsprogramma of specifieke instelling voor hoger onderwijs verbonden zijn; - **onderwijskundige:** bij een onderwijsinstelling werkzame persoon die betrokken is bij het ontwikkelen van, het verder ontwikkelen van,"},{"i":17298,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 oktober 2010, nr. BJZ2010025925, houdende regels met betrekking tot de verstrekking van een eenmalige specifieke uitkering voor het opstellen van planstudies en het uitvoeren van proefprojecten in het kader van het Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden (Regeling eenmalige uitkering planstudies en proefprojecten IKS) Gelet [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden:** programma dat onderdeel uitmaakt van de Innovatieagenda en het werkprogramma Schoon en Zuinig (Kamerstukken II, 2007/08, 31 209, nr. 1); - –. **Innovatieagenda:** Innovatieagenda Energie (Kamerstukken II, 2007/08, 31 530, nr. 1); - –. **kennis- en leertraject:** traject gericht op het delen van kennis ten behoeve van het bereiken van een klimaatneutrale stad; - –. **minister:** Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - –. **samenwerkingspartners:** andere bestuursorganen, bedrijven, instellingen of organisaties. Artikel 2 1. De minister kan in het kader van het Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden op aanvraag eenmalig een specifieke uitkering aan een gemeente verlenen ten behoeve van het opstellen van een planstudie. 2. De minister kan in het kader van het Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden op aanvraag eenmalig een specifieke uitkering aan een gemeente verlenen ten behoeve van het uitvoeren van een proefproject. Artikel 3 1. Een uitkering als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028862&artikel=2&z=2010-10-19&g=2010-10-19), wordt enkel verleend aan een gemeente die voor 16 december 2009 een aanvraag heeft ingediend die aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028862&artikel=4&z=2010-10-19&g=2010-10-19), voldoe"},{"i":13574,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken 25 november 2022 nr. 4302072, houdende instelling van de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 25, eerste lid, van het reglement van orde voor de ministerraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006501&artikel=25), Besluit: Artikel 1 Er is een Ministeriële Commissie Crisisbeheersing. Artikel 2 De Commissie is belast met de coördinatie van en de besluitvorming met een spoedeisend karakter over het geheel van maatregelen en voorzieningen met het oog op een samenhangende en integrale aanpak in een situatie waarbij de nationale veiligheid in het geding is of kan zijn, of in een andere situatie die een grote uitwerking op de maatschappij heeft of kan hebben. Artikel 3 1. Vaste leden van de Commissie zijn de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en de Minister van Justitie en Veiligheid. 2. De Minister van Justitie en Veiligheid is coördinerend minister en voorzitter van de Commissie tenzij de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, beslist dat hij voorzitter is. 3. Iedere minister of staatssecretaris kan de Minister van Justitie en Veiligheid verzoeken de Commissie in vergadering bijeen te roepen. De voorzitter van de Commissie besluit over het verzoek in overeenstemming met de Minister-President, Minister van Algemene Zaken en na overleg met de minister of staatssecretaris die als eerste verantwoordelijk is voor de aangelegenheid waarop het verzoek betrekking heeft. 4. De voorzitter wijst in overeenstemming met de Minister-President, Minister van Algemene Zaken per situatie en zo nodig per vergadering aan welke andere ministers lid van de Commissie zijn. 5. De voorzitter van de Commissie kan toestaan dat staatssecretarissen met raadgevende stem aan vergaderingen deelnemen, voor zover het zaken betreft waarbij zij uit hoofde van hun taak rechtstreeks zijn betrokken. 6. Op uitnodiging van de voorzi"},{"i":12727,"b":"Besluit van 27 maart 2024 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2024 worden uitgegeven ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van de KNRM Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 26 maart 2024, nr. 2024-0000210996, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2024 worden uitgegeven ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van de KNRM, zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: links Onze beeltenis en profil, op de achtergrond de Noordzee, met langs de rand de tekst «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: een reddingboot met bemanning van de KNRM op de Noordzee, langs de rand de tekst «KONINKLIJKE NEDERLANDSE REDDING MAATSCHAPPIJ 1824–2024», onderaan «10 EURO» onderscheidenlijk «5 EURO» en rechtsboven het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt en het teken van de muntmeester; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049550&artikel=1&z=2024-04-25&g=2024-04-25). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 25 april 2024. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":11449,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 6 juli 2022, nr. 33295719, houdende regels voor de subsidiëring van een rijke schooldag voor leerlingen in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (Subsidieregeling School en omgeving) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1), of [artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67); - **Convenant Rijke Schooldag:** document waarin de lokale coalitie de samenwerking voor het uitvoeren en uitbreiden van een lokale rijke schooldag heeft vastgelegd voor de periode van ten minste drie jaar, en waarin is vastgelegd aan welke ambities de lokale coalitie zich committeert; - **doorgroeier:** een lokale coalitie met een goed lopend programma maar een beperkt aanbod en bereik. - **GKA:** Gelijke Kansen Alliantie; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **lokale coalitie:** groep van lokale partijen die gezamenlijk betrokken zijn bij de ontwikkeling en uitvoering van het programma rijke schooldag, die in ieder geval bestaat uit een bevoegd gezag van é"},{"i":9754,"b":"Verdrag tussen Nederland en Luxemburg tot beslechting van geschillen door rechtspraak, arbitrage en verzoening Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Hare Koninklijke Hoogheid de Groot-Hertogin van Luxemburg, bezield met het verlangen de vriendschapsbanden, die Nederland en Luxemburg vereenigen, nauwer aan te halen en in alle gevallen de vreedzame beslechting te bevorderen van de geschillen en conflicten, van welken aard ook, die de twee landen mochten verdeelen, hebben besloten daartoe een verdrag te sluiten en hebben tot Hare wederzijdsche Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche Zaken: Hare Koninklijke Hoogheid de Groot-Hertogin van Luxemburg: den Heer JOSEPH BECH, Minister van Staat, Voorzitter der Regeering; die, na elkaar mededeeling te hebben gedaan van hun wederzijdsche volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen. Artikel 1 De Hooge verdragsluitende Partijen verbinden zich wederzijds om in geen enkel geval anders dan langs vreedzamen weg de oplossing te zoeken van geschillen of conflicten van welken aard ook, die tusschen Nederland en Luxemburg mochten ontstaan en die niet binnen redelijken tijd mochten kunnen worden opgelost langs de gewone diplomatieke wegen. Artikel 2 Alle geschillen van welken aard ook, die tot voorwerp hebben een recht, waarop een der Hooge verdragsluitende Partijen zich beroept en dat door de andere betwist wordt, en die niet op vriendschappelijke wijze langs de gewone diplomatieke wegen mochten kunnen worden geregeld, zullen, ter berechting worden voorgelegd, hetzij aan het Permanente Hof van Internationale Justitie, hetzij aan een scheidsgerecht, zooals hierna is voorzien. Men is het er over eens dat de hierboven bedoelde geschilpunten met name die omvatten, welke vermeld worden in artikel 13 van het handvest van den Volkenbond. De geschi"},{"i":9755,"b":"Verdrag tussen Nederland en Noorwegen tot beslechting van geschillen door rechtspraak, arbitrage en verzoening Hare Majesteit, de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen, bezield met het verlangen de vriendschapsbanden, die Nederland en Noorwegen vereenigen, nauwer aan te halen en in alle gevallen de vreedzame beslechting te bevorderen van de geschillen en conflicten, van welken aard ook, die de twee landen mochten verdeelen, hebben besloten daartoe een verdrag te sluiten en hebben tot Hare wederzijdsche Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen: den Heer JENS STEENBERG BULL, Zaakgelastigde van Noorwegen te 's-Gravenhage; die, na elkaar mededeeling te hebben gedaan van hun wederzijdsche volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen. Artikel 1 De Hooge verdragsluitende Partijen verbinden zich wederzijds om in geen enkel geval anders dan langs vreedzamen weg de oplossing te zoeken van geschillen of conflicten van welken aard ook, die tusschen Nederland en Noorwegen mochten ontstaan en die niet binnen redelijken tijd mochten kunnen worden opgelost langs de gewone diplomatieke wegen. Artikel 2 Alle geschillen, van welken aard ook, die tot voorwerp hebben een recht, waarop een der Hooge verdragsluitende Partijen zich beroept en dat door de andere betwist wordt, en die niet op vriendschappelijke wijze langs de gewone diplomatieke wegen mochten kunnen worden geregeld, zullen ter berechting worden voorgelegd, hetzij aan het Permanente Hof van Internationale Justitie, hetzij aan een scheidsgerecht, zooals hierna is voorzien. Het is wel verstaan, dat onder de bovenbedoelde geschillen begrepen zijn die welke alinea 2 van artikel 13 van het Handvest van den Volkenbond vermeldt. De geschillen, voor wier oplossing een sp"},{"i":9756,"b":"Verdrag tussen Nederland en Polen tot beslechting van geschillen door rechtspraak, arbitrage en verzoening Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Republiek Polen, bezield met het verlangen de vriendschapsbanden, die Nederland en Polen vereenigen, nauwer aan te halen en in alle gevallen de vreedzame beslechting te bevorderen van de geschillen en conflicten, van welken aard ook, die de twee landen mochten verdeelen, hebben besloten daartoe een Verdrag te sluiten en hebben tot Hunne wederzijdsche Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; De President van de Republiek Polen: den Heer STANISLAW KETRZYNSKI, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister; den Heer Professor Dr. JULJAN MAKOWSKI, Chef der Afdeeling Tractaten van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken; die, na elkander mededeeling te hebben gedaan van hun wederzijdsche volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen. Artikel 1 De Hooge verdragsluitende Partijen verbinden zich wederzijds om in geen enkel geval anders dan langs vreedzamen weg de oplossing te zoeken van geschillen of conflicten van welken aard ook, die tusschen Nederland en Polen mochten ontstaan en die niet binnen redelijken tijd mochten kunnen worden opgelost langs de gewone diplomatieke wegen. Artikel 2 Alle geschillen van welken aard ook, die tot voorwerp hebben een recht, waarop een der Hooge verdragsluitende Partijen zich beroept en dat door de andere betwist wordt, en die niet op vriendschappelijke wijze langs de gewone diplomatieke wegen mochten kunnen worden geregeld, zullen, ter berechting worden voorgelegd aan het Permanente Hof van Internationale Justitie. In buitengewone gevallen en om redenen van bijzonderen aard, zal elk der Partijen het recht hebben te vragen, dat die geschillen zullen worden voorgelegd aan een s"},{"i":9759,"b":"Verdrag tussen Nederland en Spanje tot beslechting van geschillen door verzoening, rechtspraak en arbitrage Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning van Spanje, gedachtig aan de traditioneele banden van vriendschap die Nederland en Spanje verbinden, bezield met dezelfde zorg om aan beide landen nieuwe waarborgen te geven voor wederzijdsche vrede die even noodig is voor hunne sociale vooruitgang als voor hunne economische bloei, en verlangend om voor de toekomst, overeenkomstig de in het Handvest van den Volkenbond neergelegde beginselen, de Vreedzame beslechting te bevorderen van alle geschillen en conflicten, van welken aard ook, die de twee landen mochten verdeeld houden; hebben te dien einde besloten een verdrag te sluiten tot beslechting van geschillen door verzoening, rechtspraak en arbitrage, en hebben tot hare wederzijdsche Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, HoogstDerzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; Zijne Majesteit de Koning van Spanje: Graaf DE PRADÈRE, hoogstDeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; die, na hunne in goeden en behoorlijken vorm erkende volmachten te hebben uitgewisseld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 De Hooge verdragsluitende Partijen verbinden zich wederzijds om in geen enkel geval anders dan langs vreedzamen weg de oplossing te zoeken van geschillen of conflicten, van welken aard ook, die tusschen Nederland en Spanje mochten ontstaan en die niet binnen redelijken tijd mochten kunnen worden opgelost langs de gewone diplomatieke wegen. Artikel 2 Alle geschillen, van welken aard ook, die tot voorwerp hebben een recht, waarop een der Hooge verdragsluitende Partijen zich beroept en dat door de andere betwist wordt, en die niet op vriendschappelijke wijze langs de gewone diplomatieke wegen mochten kunnen worden geregeld, zullen ter be"},{"i":9760,"b":"Verdrag tussen Nederland en Tsjechoslowakije tot beslechting van geschillen door rechtspraak, arbitrage en verzoening Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Tsjechoslowaksche Republiek, bezield met het verlangen de vriendschapsbanden, die Nederland en Tsjechoslowakije vereenigen, nauwer aan te halen en in alle gevallen de vreedzame beslechting te bevorderen van de geschillen en conflicten, van welken aard ook, die de twee landen mochten verdeelen, hebben besloten daartoe een verdrag te sluiten en hebben tot Hare wederzijdsche Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; De President van de Tsjechoslowaksche Republiek: den Heer EDUARD BENEŠ, Minister van Buitenlandsche Zaken, die, na elkaar mededeeling te hebben gedaan van hun wederzijdsche volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen. Artikel 1 De Hooge verdragsluitende Partijen verbinden zich wederzijds om in geen enkel geval anders dan langs vreedzamen weg de oplossing te zoeken van geschillen of conflicten van welken aard ook, die tusschen Nederland en Tsjechoslowakije mochten ontstaan en die niet binnen redelijken tijd mochten kunnen worden opgelost langs de gewone diplomatieke wegen. Artikel 2 Alle geschillen, van welken aard ook, die tot voorwerp hebben een recht, waarop een der Hooge verdragsluitende Partijen zich beroept en dat door de andere betwist wordt, en die niet op vriendschappelijke wijze langs de gewone diplomatieke wegen mochten kunnen worden geregeld, zullen ter berechting worden voorgelegd, hetzij aan het Permanente Hof van Internationale Justitie, hetzij aan een scheidsgerecht, zooals hierna is voorzien. Men is het er over eens, dat de hierboven bedoelde geschilpunten met name die omvatten, welke vermeld worden in artikel 13 van het handvest van den Volkenbond. De geschillen, vo"},{"i":9761,"b":"Verdrag tussen Nederland en Turkije tot beslechting van geschillen door rechtspraak, arbitrage en verzoening Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Excellentie de President van de Republiek Turkije, bezield met het verlangen de vriendschapsbanden, die Nederland en Turkije vereenigen, nauwer aan te halen en in alle gevallen de vreedzame beslechting te bevorderen van de geschillen en conflicten, van welken aard ook, die de twee landen mochten verdeelen, hebben besloten daartoe een verdrag te sluiten en hebben tot Hare wederzijdsche Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche zaken; Zijne Excellentie de President van de Republiek Turkije: Zijne Excellentie Dr. TEVFIK RÜSTÜ BEY, Minister van Buitenlandsche Zaken; die, na elkaar mededeeling te hebben gedaan van hun wederzijdsche volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen. Artikel 1 De Hooge verdragsluitende Partijen verbinden zich wederzijds om in geen enkel geval anders dan langs vreedzamen weg de oplossing te zoeken van geschillen of conflicten van welken aard ook, die tusschen Turkije en Nederland mochten ontstaan en die niet binnen redelijken tijd mochten kunnen worden opgelost langs de gewone diplomatieke wegen. Artikel 2 Alle geschillen, van welken aard ook, die tot voorwerp hebben een recht, waarop een der Hooge verdragsluitende Partijen zich beroept en dat door de andere betwist wordt, en die niet op vriendschappelijke wijze langs de gewone diplomatieke wegen mochten kunnen worden geregeld, zullen ter berechting worden voorgelegd, hetzij aan het Permanente Hof van Internationale Justitie, hetzij aan een scheidsgerecht, zooals hierna is voorzien. Men is het er over eens, dat de hierboven bedoelde geschilpunten met name die omvatten, welke betrekking hebben op de uitlegging van een verdrag, op elk"},{"i":9762,"b":"Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, 2002 Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit Verdrag hebben de volgende begripsomschrijvingen de betekenis die hieraan bij dezen wordt toegekend: - 1. - a. „vervoerder” betekent een persoon door of namens welke een vervoersovereenkomst is gesloten, ongeacht of het vervoer feitelijk door deze persoon of door een feitelijke vervoerder wordt verzorgd; - b. „feitelijke vervoerder” betekent een andere persoon dan de vervoerder, zijnde de eigenaar, bevrachter of exploitant van een schip, die het vervoer feitelijk geheel of gedeeltelijk verricht; en - c. „vervoerder die het vervoer feitelijk geheel of gedeeltelijk verricht” betekent de feitelijke vervoerder, of, voor zover de vervoerder zelf het vervoer verricht, de vervoerder. - 2. „vervoersovereenkomst” betekent een door of namens een vervoerder gesloten overeenkomst, voor het vervoer over zee van een passagier of, in voorkomende gevallen, van een passagier en zijn bagage; - 3. „schip” betekent uitsluitend een zeeschip, met uitzondering van luchtkussenvaartuigen; - 4. „passagier” betekent iedere persoon die op een schip wordt vervoerd, - a. krachtens een vervoersovereenkomst; of - b. die, met toestemming van de vervoerder, een voertuig of levende dieren begeleidt, die het voorwerp zijn van een vervoersovereenkomst voor goederen die niet onder dit Verdrag valt; - 5. „bagage” betekent elk voorwerp of voertuig dat door de vervoerder krachtens een vervoersovereenkomst wordt vervoerd, met uitzondering van: - a. goederen of voertuigen vervoerd krachtens een charterpartij, een cognossement of een andere overeenkomst die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft, en - b. levende dieren; - 6. „hutbagage” betekent de bagage van de passagier die zich in zijn hut bevindt of die hij anderszins in zijn bezit heeft of onder zijn hoede of toezicht heeft. Behalve voor de toepassing van het achtste lid van dit artikel en van artikel 8 wordt onder hutbagage m"},{"i":7147,"b":"Wet van 7 maart 2013 tot wijziging van de Wet van 30 september 2010 tot invoering van een nieuw griffierechtenstelsel in burgerlijke zaken (Reparatiewet griffierechten burgerlijke zaken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele wetstechnische gebreken en leemten te herstellen in de [Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899) en dat daartoe deze wet en in verband hiermee ook enkele andere wetten dienen te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Reparatiewet griffierechten burgerlijke zaken. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9802,"b":"Verdragsrelaties met voormalige Sovjet- en Joegoslavische republieken De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten: Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 7 december 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042966), nr. IZV 2019-0000206345, Stcrt. 2019, 66194. 1. Inleiding Naar aanleiding van aan de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën gestelde vragen zijn in het verleden drie besluiten verschenen over de verdragsrelaties met de voormalige Sovjet- en Joegoslavische republieken. Die besluiten gaven duidelijkheid over de voortgezette toepassing van de met de voormalige Sovjet-Unie en het voormalige Joegoslavië gesloten belastingverdragen (en het met het voormalige Joegoslavië gesloten verdrag inzake sociale zekerheid) in de relatie met de voormalige Sovjet- en Joegoslavische republieken. Die verduidelijking is in het verleden door mijn voorgangers gegeven door middel van het besluit van 29 juli 1992, nr. IFZ92/958, het [besluit van 19 september 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009910), nr. IFZ98/1038M, het [besluit van 22 september 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026457), nr. IFZ 2009/510M, en het [besluit van 7 december 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042966), nr. IZV 2019-0000206345. Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 7 december 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042966), nr. IZV 2019-0000206345, en bevat enkel een inhoudelijke aanpassing met betrekking tot het gesloten belastingverdrag met de voormalige Sovjet-Unie in de relatie met Tadzjikistan. Voorts wordt mededeling gedaan van een nieuwe ontwikkeling inzake de relatie met Kosovo. Het besluit is tot stand gekomen na overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2. Voormalig Joegoslavië Hieronder wordt allereerst ingegaan op de voortgezette toepassing in de relatie met enkele voormalige Joegoslavische republieken van het op 22 februari 19"},{"i":5161,"b":"Rechten bij invoer, economische douaneregeling actieve veredeling terugbetalingssysteem; alternatief bewijs uitvoer De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Aan mij is de vraag voorgelegd over alternatief bewijs voor de uitvoer bij de economische douaneregeling actieve veredeling terugbetalingssysteem. De vraag en het antwoord zijn hierna opgenomen. Vraag De economische douaneregeling actieve veredeling terugbetalingssysteem wordt beëindigd als aan de invoergoederen of de veredelingsproducten de douanebestemming uitvoer wordt gegeven. Deze bestemming wordt aangetoond met exemplaar nummer 3 voor de afzender/exporteur van het formulier Enig document EX 1. Dit exemplaar wordt echter niet altijd overgelegd. Antwoord"},{"i":5123,"b":"Personeelsleden van ESTEC 1. De salarissen en emolumenten die de personeelsleden van de vestiging van ESA te Noordwijk (ESTEC) genieten, zijn op grond van het eerste lid van artikel XVIII van Bijlage 1 (voorrechten en immuniteiten) bij het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte Agentschap (b.w. IFZ-420.00.00) en artikel 24 van de Overeenkomst tussen Nederland en ESA inzake de oprichting en het functioneren van het Europese Centrum voor Ruimtevaarttechniek (b.w. IFZ-420.01.00), vrijgesteld van heffing van nationale inkomstenbelasting en onderworpen aan een interne belasting. De door het Agentschap betaalde jaargelden en pensioenen zijn echter wel belastbaar voor de inkomstenbelasting (artikel XVIII, tweede lid). 2. Nederland kan volgens bovengenoemde artikelen met de vrijgestelde salarissen en emolumenten rekening houden bij het berekenen van de belasting die verschuldigd is over inkomsten uit andere bronnen (het zgn. progressievoorbehoud). Ingevolge artikel 40 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen dient van deze mogelijkheid gebruik te worden gemaakt. Voor de toepassing van het progressievoorbehoud wordt verwezen naar artikel 31 van de Uitvoeringsbeschikking Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964. 3. Tot op heden wordt voor de toepassing van het progressievoorbehoud ten aanzien van personeelsleden van ESTEC een met ESRO gesloten overeenkomst (het zgn. packagedeal) gehanteerd. Hierop heeft betrekking de aanschrijving van 7 augustus 1967, nr. B7/10884 (IB’65-90). Die Overeenkomst sluit niet meer aan bij de huidige omstandigheden en is om die reden in overleg met vertegenwoordigers van ESA/ESTEC herzien en zo veel mogelijk in overeenstemming gebracht met nadien voor vergelijkbare internationale organisaties getroffen regelingen. 4. Voor de toepassing van het progressievoorbehoud ten aanzien van personeelsleden van ESTEC dienen de volgende elementen van het totaal aan salaris en emolumenten in aanmerking te worden genomen: 5. In het onder letter a van p"},{"i":11456,"b":"Telling personeelsgegevens van de Landelijke Organen voor het Beroepsonderwijs (LOB) voor het jaar 2004 1. Inleiding Dit jaar zal conform vorig jaar een telling worden gehouden inzake de personele gegevens van de Landelijk Organen voor het Beroepsonderwijs (LOB). De Landelijke Organen noemen zich kenniscentra voor Beroepsonderwijs Bedrijfsleven. Het doel van deze telling is om gegevens te verzamelen voor het door de minister te voeren beleid voor de landelijke organen ten aanzien van arbeidsvoorwaarden en ten behoeve van de begrotingsvoorbereiding van het ministerie. Hierbij informeer ik u over de procedure en de op te vragen gegevens van deze telling die in juli 2004 zal worden gehouden. Met deze telling worden gegevens verzameld naar het peilmoment 1 maart 2004. De gevraagde informatie is gebaseerd op [Artikel 5.2.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=5.2.2) juncto [bijlage 6, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&bijlage=6) (Stb. 1999, 368). De gele telformulieren waarop de informatie dient te worden ingevuld zullen u **vóór 1 juli 2004** worden toegezonden. 2. De telformulieren De telformulierenset bestaat uit een voorblad en een aantal telformulieren (afhankelijk van het aantal functies). Het **voorblad CFI 54098-1** is voorbedrukt met: Op deze formulieren dienen de volgende gegevens te worden ingevuld inzake door OCenW bekostigd personeel: Per regel kunnen de gegevens van de functies en personen met eenzelfde combinatie van gegevens worden samengenomen. Veelal zal per regel echter slechts één persoon kunnen worden vermeld. Ieder telformulier zal van een barcode worden voorzien, waardoor het formulier van een landelijk orgaan, tijdens de voortgang van het telproces, uniek is te identificeren. Met het oog op de controle en de tijdige verwerking van de gegevens wordt nadrukkelijk verzocht gebruik te maken van de door het ministerie voorbedrukte formulieren. Het gebruik van afwijkende modellen kan ern"},{"i":7021,"b":"Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie De Staatssecretaris van Defensie Gelet op [artikel 30c van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=30c) en [artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=52), [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=57), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=59) en [60 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=60); De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **IBBAD:** het [Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191) - b. **groep 1:** de ambtenaar met een hoger salaris dan dat van een sergeant-majoor van de Koninklijke landmacht of de Koninklijke luchtmacht met een salarisnummer 19; - c. **groep 2:** de ambtenaar met een hoger salaris dan dat van een korporaal der eerste klasse van de Koninklijke landmacht of de Koninklijke luchtmacht met een salarisnummer 7, maar welk salaris niet hoger is dan dat van een sergeant-majoor van de Koninklijke landmacht of de Koninklijke luchtmacht met een salarisnummer 19; - d. **groep 3:** de ambtenaar die niet behoort tot groep 1 of groep 2. Artikel 2. Commandant Als commandant, bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van het IBBAD](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=1), wordt aangewezen de functionaris genoemd in de Regeling aanwijzing commandanten defensie, ieder voor de onder hem ressorterende ambtenaren. Artikel 3. Vaststelling pensioengevend inkomen Het pensioengevend inkomen bestaat uit: - a. de bezoldiging; - b. de vakantie-uitkering; - c. de eindejaarsuitkering; - d. de geldelijke beloning en de functioneringsgratificatie, bedoeld in [artikel 45, eerste lid, van het IBBAD](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":7017,"b":"Besluit van 21 mei 2024, houdende regels betreffende toegankelijkheidsvoorschriften voor het personenvervoer per vliegtuig en over water ter implementatie van richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (Implementatiebesluit toegankelijkheidsvoorschriften personenvervoer per vliegtuig en over water) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 13 juni 2023, nr. IENW/BSK-2023/143978, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de artikelen 2, 3, 4, derde en vijfde lid, 5, 13, eerste, tweede, derde en vierde lid, 14, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde en achtste lid, 15, eerste en vierde lid, 23, 24, tweede lid, en 25 van [Richtlijn (EU) 2019/882](32019L0882) van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten en [artikel 2a, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915&artikel=2a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 april 2024, nr. W17.23.00132/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 13 mei 2024, nr. IenW/BSK-2024/119315, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **betaalterminal:** apparaat met als voornaamste functie het verrichten van betalingen met gebruik van betaalinstrumenten als omschreven in artikel 4, punt 14, van [Richtlijn (EU) 2015/2366](32015L2366) op een fysiek verkooppunt, doch niet in een virtuele omgeving; - **consument:** natuurlijke persoon die het desbetreffende product koopt of de desbetreffende dienst afneemt voor andere doeleinden dan zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit; - **dienst:** dienst als omschreven in artikel 4, punt 1, van [Ri"},{"i":2459,"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 mei 2016, 2016-0000121520, tot vaststelling van een beleidsregel met betrekking tot artikel 8, eerste lid, van het Warenwetbesluit liften 2016 (Beleidsregel liften 2016) Gelet op punt 2.2, derde zin, van Bijlage I, essentiële veiligheids- en gezondheidseisen betreffende het ontwerp en de bouw van liften en veiligheidscomponenten, van [richtlijn 2014/33](32014L0033)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake liften en veiligheidscomponenten voor liften (PbEU 2014, L 96) en [artikel 8, eerste lid, van het Warenwetbesluit liften 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037650&artikel=8); Besluit: Artikel 1 1. Deze beleidsregel geeft invulling aan punt 2.2, derde zin, van Bijlage I, essentiële veiligheids- en gezondheidseisen betreffende het ontwerp en de bouw van liften en veiligheidscomponenten, van [richtlijn 2014/33](32014L0033)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake liften en veiligheidscomponenten voor liften (PbEU 2014, L 96). 2. Indien het onuitvoerbaar is om met name in bestaande gebouwen voldoende vrije ruimte onder of boven in de liftschat te creëren ter voorkoming van het risico van verplettering kan, mits daarvoor voorafgaande instemming van de Nederlandse Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verkregen, worden uitgegaan van de volgende vrije ruimten: - a. boven de kooi: de vrije ruimte wordt bepaald overeenkomstig de hoofdstukken 5.5, 5.6, 6 en 7 van NEN-EN 81-21:2009+A1:2012 Veiligheidsregels voor het vervaardigen en het aanbrengen van liften – Liften voor het vervoer van personen en goederen – Deel 21: Nieuwe personenliften en personengoederenliften in bestaande gebouwen; en - b. onder de kooi: de vrije ruimte wordt bepaald overeenkomstig de hoofdstukken 5.7,"},{"i":5124,"b":"Plan van Scholen 2004 - 2006 Vast te stellen het aan deze beschikking gehechte Plan van Scholen 2004 - 2005 - 2006; Te bepalen dat het aan het Plan toegevoegde overzicht van de verzoeken die niet zijn ingewilligd, en de motivering daarvan als bedoeld in [artikel 65a van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=65a), ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te Zoetermeer. Plan van Scholen 2004-2005-2006 | Volgnr. | Onderwijs-soort | Onderdeel van school/scholengem.(*)Aangegeven is de samenstelling van de scholengemeenschap die ontstaat bij bekostiging van de gevraagde school of afdeling. | Plaats van vestiging | Rechtspersoon | Richting | Stichtings-norm | Jaartal | Bijzonderheden | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | Vbo Landbouw | Vbo | Almere | Stichting Groenhorst College | PC/RK | 260 | 2004 | | | 2 | Atheneum | Atheneum/havo/mavo | Wierden | Stichting Evangelisch Bijbelgetrouw Voort-gezet Onderwijs te Utrecht | Evang. | 255 | | Passende huisvesting ontbreekt | | 3 | Havo | Atheneum/havo/mavo | Wierden | Stichting Evangelisch Bijbelgetrouw Voort-gezet Onderwijs te Utrecht | Evang. | 270 | | Passende huisvesting ontbreekt | | 4 | Mavo | Atheneum/havo/mavo | Wierden | Stichting Evangelisch Bijbelgetrouw Voort-gezet Onderwijs te Utrecht | Evang. | 195 | | Passende huisvesting ontbreekt | | 5 | Atheneum | Atheneum/havo/mavo | Amsterdam | Stichting Evangelisch Bijbelgetrouw Voort-gezet Onderwijs te Utrecht | Evang./EBG | 255 | 2004 | | | 6 | Havo | Atheneum/havo/mavo | Amsterdam | Stichting Evangelisch Bijbelgetrouw Voort-gezet Onderwijs te Utrecht | Evang./EBG | 270 | 2004 | | | 7 | Mavo | Atheneum/havo/mavo | Amsterdam | Stichting Evangelisch Bijbelgetrouw Voort-gezet Onderwijs te Utrecht | Evang./EBG | 195 | 2004 | | | 8 | Lyceum | Lyceum/havo/mavo | Barneveld | Stichting voor P.C.V.O. voor de gemeente Barneveld e.o. | PC | 460 | 2"},{"i":9915,"b":"Aanwijzing bevoegde auditinstellingen GBA (PricwaterhouseCoopers NV, OSRM) Gelezen het schriftelijke verzoek van de firma PricewaterhouseCoopers N.V., OSRM van 3 augustus 1999 om ingevolge paragraaf 1.5 van de circulaire an 14 juli 1999, kenmerk BPR99/U71885 (Strct. 1999, nr. 149), houdende voorschriften inzake de uitvoering van de verplichte periodieke controle van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (verder: de circulaire), aangewezen te worden als instelling die bevoegd is tot de uitvoering van de periodieke GBA-audit, en de bijlage, zijnde het rapport van de Stichting Raad voor Accreditatie van 22 juli 1999, Registratienummer N 005, waaruit blijkt dat genoemde firma aan de in paragraaf 1.5 en bijlage 2 van de circulaire gestelde criteria voor de bekwaamheid van de instellingen die GBA-audits uitvoeren en hun medewerkers voldoet; Besluit: Artikel 1 De firma PricewaterhouseCoopers N.V., OSRM wordt aangewezen als bevoegde audit-instelling tot uitvoering van de periodieke GBA-audit, als bedoeld in de circulaire. Artikel 2 1. Tot de uitvoering van het inhoudelijke deel respectievelijk het procesmatige deel van een audit, als bedoeld in hoofdstuk 2 respectievelijk hoofdstuk 3 van de circulaire, zijn de medewerkers van de firma PricewaterhouseCoopers N.V., OSRM bevoegd, die blijkens een toetsingsrapport van de Raad voor Accreditatie voldoen aan de in paragraaf 1.5 en bijlage 2 van de circulaire genoemde criteria. 2. Een lijst met de namen van de in het eerste lid bedoelde medewerkers wordt periodiek door of namens de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid op een gepaste wijze aan de gemeentebesturen bekend gemaakt. Artikel 3 De firma PricewaterhouseCoopers N.V., OSRM en de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010683&artikel=2&z=1999-09-01&g=1999-09-01), bedoelde medewerkers, zijn verplicht de periodieke GBA-audit uit te voeren conform de bij of krachtens de [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens]("},{"i":9918,"b":"Regeling van de ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Defensie (nrs. 430241/594/GBJD, EA 94/U894 en CWW 85/008), houdende aanwijziging van de overige luchtterrein waarop de Koninklijke marechaussee de politietaak uitvoert Gelet op [artikel 6 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=6); Besluiten: Artikel 1 De Koninklijke marechaussee voert de politietaak uit op de volgende luchtvaartterreinen: - a. Rotterdam, Eelde en Maastricht; - b. Eindhoven en Twente, voor zover het de burgerluchtvaart betreft. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1994. Deze regeling wordt gepubliceerd in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad. Artikel 1a Deze regeling berust op [artikel 4, eerste lid, onder c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=4)."},{"i":9919,"b":"Aanwijzing Schiphol tot volledig gecoördineerd luchtvaartterrein Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel b, Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Het luchtvaartterrein Schiphol wordt aangewezen tot volledig gecoördineerd luchtvaartterrein. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dag waarop het [Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035) in werking is getreden. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9922,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 22 augustus 2021 nr. IENW/BSK‑2019/246859 houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet normering topinkomens op het terrein van Infrastructuur en Waterstaat (Aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.1) en [5.3 van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), alsmede [titel 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2) en [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **WNT:** de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249); - b. **Eenheid toezicht WNT:** de als zodanig aangeduide eenheid, bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c van het Besluit BZK-toezicht en handhaving WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042396&artikel=1). Artikel 2. Gebundeld toezicht op de naleving van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) 1. De ambtenaren werkzaam bij de Eenheid toezicht WNT worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) ten aanzien van rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen waarvoor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in de WNT is aangewezen als Onze Minister wie het aangaat. 2. Het hoofd TEA dat leiding geeft aan de Eenheid toezicht WNT wordt gemachtigd namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat opgaven en inlichtingen te vorderen als bedoeld in [artikel 5.3 van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3). Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant wa"},{"i":9923,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 26 juni 2020, nr. WJZ/ 20170263, houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet normering topinkomens op het terrein van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.1) en [5.3 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3) en [titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **WNT:** de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249); - –. **Eenheid toezicht WNT:** de als zodanig aangeduide eenheid, bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c van het Besluit BZK-toezicht en handhaving WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042396&artikel=1); Artikel 2 1. De ambtenaren werkzaam bij de Eenheid toezicht WNT worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) ten aanzien van rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen waarvoor de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in de WNT is aangewezen als Onze Minister wie het aangaat. 2. De bevoegdheid om namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit inlichtingen te vorderen van de organisaties genoemd in [artikel 5.3 van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), wordt uitgeoefend door het Hoofd van de Afdeling Topinkomens en Economische Advisering, van de Eenheid toezicht WNT. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing"},{"i":9927,"b":"Aanwijzingsbesluit luchtvaartterrein Rotterdam als volledig gecoördineerd luchtvaartterrein Gelezen het verzoek van Rotterdam Airport B.V. d.d. 9 maart 2004; Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel b, Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Het luchtvaartterrein Rotterdam wordt aangewezen tot volledig gecoördineerd luchtvaartterrein. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9967,"b":"Beleidsregels incident management Rijkswaterstaat Gelet op de [Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331); Overwegende: dat in 1998 op de belangrijkste autosnelwegen in Nederland incident management is ingevoerd en dat in 1999 op de overige autosnelwegen incident management wordt ingevoerd; dat incident management plaatsvindt met gebruikmaking van bestaande bevoegdheden; dat het aanbeveling verdient beleidsregels op te stellen met betrekking tot het gebruik van die bevoegdheden bij incident management. Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Toepassing incident management 1. De regionale directies van de Rijkswaterstaat en hun dienstkringen kunnen in het kader van hun taakuitoefening op de wegen die in beheer zijn bij de Rijkswaterstaat incident management toepassen, zulks in samenwerking met onder andere politie, brandweer, ambulancediensten, bergingsbedrijven, deskundigen, hulpverleningsdiensten en verzekeraars. De hiervoor bedoelde samenwerking is onderwerp van overleg in het Landelijk Platform Incident Management. 2. Incident management vindt 24 uur per dag, gedurende het gehele jaar plaats op de weg, met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg als bedoeld in de [Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331) (Stb. 1996, 645). 3. Incident management wordt toegepast indien sprake is van: - a. strijd met [artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=5), - b. een onrechtmatige daad als bedoeld in [artikel 6:162 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=162) gepleegd jegens de Rijkswaterstaat dan wel, - c. inbreuk op het eigendomsrecht van de Rijkswaterstaat als eigenaar van de weg. 4. Bij de uitvoering van Incident management wordt de Richtlijn eerste veiligheidsmaatregelen bij incidenten met eenzijdig aanrijdgevaar, ISBN 90-369-1733-6, gewijzigde herdruk"},{"i":10004,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken, van 11 november 2016, kenmerk: 16170128, tot beperking van de toegankelijkheid van gebieden ex artikel 20 Natuurbeschermingswet 1998, gelegen binnen het Natura 2000-gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’ Handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 20, eerste en tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641&artikel=20) (hierna te noemen: Nb-wet 1998); Besluit: Artikel 1 1. Voor het gehele Natura 2000-gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’, zowel buitendijks als binnendijks, is de toegang gedurende het gehele jaar verboden voor: - a. burgerluchtvaartverkeer, met uitzondering van burgerluchtvaartverkeer vliegend boven 1000 voet (circa 300 meter) conform ‘Gedragscode verantwoord vliegen’1‘Verantwoord Vliegen’ Gedragscode voor de recreatieve Kleine Luchtvaart. Publicatie van Koninklijke Nederlandse Vereniging voor de Luchtvaart (KNVvL) en Aircrafts owners & Pilots Association (AOPA). 2007; - b. het beoefenen van het kitesurfen, met uitzondering van de speciaal hiertoe aangewezen kitesurfzones, zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende kaart en nader aangeduid met de in bijlage 1 bij dit besluit vermelde coördinaten. 2. Het is verboden op een zodanige wijze modelvliegtuigen/modelluchtvaartuigen (drones (UAS of RPAS) inbegrepen) te besturen dat deze zich bevinden in of boven het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe. Artikel 2 Voor de binnen het Natura 2000-gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’ gelegen schorgebieden ‘Zuidgors’, ‘Schor van Waarde’, ‘Schorren bij Bath’, ‘Schor van de Appelzak’, ‘Verdronken Land van Saeftinghe’, ‘Hellegatschor’ en ‘Paulinaschor’ is de toegang gedurende het gehele jaar verboden. Voor het ‘Verdronken Land van Saeftinghe’ geldt dat het zuidwestelijke deel van het gebied, inclusief de geul het ‘Speelmansgat’, uitgezonderd is van dit verbod. Artikel 3 Voor de binnen het Natura 2000-gebied"},{"i":10006,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 20 juli 2006, nr. DRZ/06/3147/LB/SM tot beperking toegankelijkheid natuurgebieden ex. artikel 20 Natuurbeschermingswet 1998 Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’ en ‘Noordzeekustzone’ Inleiding [Artikel 20, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641&artikel=20) (verder: Nb-wet 1998) bepaalt dat gedeputeerde staten de toegang kunnen beperken tot een beschermd natuurmonument als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641&artikel=10), een aangewezen gebied als bedoeld in [artikel 10a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641&artikel=10a), of een gebied waarvan aanwijzing als zodanig in overweging is genomen zoals bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641&artikel=12) of delen van bedoelde gebieden, voor zover dit noodzakelijk is voor de bescherming van natuurwaarden. Het [tweede lid van artikel 20 Nb-wet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641&artikel=20) bepaalt dat de bevoegdheid die in het eerste lid wordt bedoeld berust bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (verder: LNV) in overeenstemming met Onze andere minister indien het gebied als bedoeld in het eerste lid geheel of ten dele wordt beheerd door of onder de verantwoordelijkheid van Onze minister of één van Onze andere ministers. Het navolgende besluit is handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Defensie genomen. Gezien het [mandaatsbesluit LNV Regionale Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016778) is de Regiodirecteur Noord van het Ministerie van LNV gerechtigd dit besluit namens de Minister van LNV te nemen. Besluit: Artikel 1 Gezien [artikel 20 van de Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641&artikel=20) wordt voor de navolgende met name genoemde gebieden de toegang beperkt, omdat zulk"},{"i":10012,"b":"Besluit van 9 december 2002, houdende voorschriften voor uitvoering van de controle van personen, bagage en vracht door beveiligingspersoneel en luchtvaartmaatschappijen op luchtvaartterreinen (Besluit beveiliging burgerluchtvaart) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 28 juni 2001, nr. 5105759/01/6; Gelet op de [artikelen 37ac, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37ac), en [37e, tweede lid, onder d, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37e); De Raad van State gehoord (advies van 3 augustus 2001, No. W03.01.0298/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 3 december 2002, nr. 5115795/01/6; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **achtergrondcontrole:** de controle, bedoeld in [artikel 37rf van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37rf); - –. **air marshals:** ambtenaren van de Koninklijke marechaussee die in het kader van de uitoefening van de taak ten behoeve van de beveiliging van de burgerluchtvaart, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=4), aan boord van een luchtvaartuig worden ingezet; - –. **beveiligingsmedewerker:** een lid van het beveiligingspersoneel als bedoeld in [artikel 37a, tweede lid, onderdeel h, onder 1° van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37a); - –. **beveiligingsopleiding:** de opleiding, bedoeld in punt 11.1 en 11.2 van bijlage I bij EG-[verordening 300/2008](32008R0300); - –. **certificerings- of goedkeuringsdossier:** het dossier, bedoeld in punt 11.3.5 van de bijlage bij EU-[verordening 2015/1998](31998R2015); - –. **eindtermen:** de vaardigheden en bekwaamheden waarin een beveiligingsopleiding op grond van EG-[verordening 300/2008](32008R0300) dient te resulteren; - –. **fouillering:** onderzoek aan"},{"i":11450,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 27 maart 2024, nr. OVO/43595480, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor techniekonderwijs in het vmbo (Subsidieregeling sterk techniekonderwijs 2025–2028) Gelet op [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen - **basisschool:** basisschool als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - **bedrijf:** iedere organisatie, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent; - **beroepsgericht vmbo:** derde en vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerwegen en de gemengde leerweg van het vmbo, bedoeld in [artikel 2.22, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.22); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **extern personeel:** personeel als bedoeld in [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) of [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), dat bij een school is tewerkgesteld zonder benoeming; - **GPL:** gemiddelde personeelslast, geraamd op basis van de meest recente CAO VO. - **intern personeel:** personeel als bedoeld in [artikel 1.1 van de WVO 2020]("},{"i":10072,"b":"Besluit van 5 december 2014 tot vaststelling van nieuwe regels inzake het luchtverkeer ter uitvoering van verordening (EU) nr. 923/2012 tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels (Besluit luchtverkeer 2014) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 6 oktober 2014, nr. IenM/BSK-2014/201301, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie; Gelet op uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie van 26 september 2012 tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 en verordeningen (EG) nr. 1265/2007, (EG) 1794/2006, (EG) nr. 730/2006, (EG) nr. 1033/2006 en (EU) nr. 255/2010 (PbEU 2012, L281); Gelet op de [artikelen 1.2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2), [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.5), [5.5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.5), [5.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.11), en [5.12, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 november 2014, nr. W14.14.0359/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 4 december 2014, nr. IenM/BSK-2014/266421, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **algemeen luchtverkeersleidingsgebied:** gecontroleerd luchtruim dat zich verticaal uitstrekt vanaf een gespecificeerde grens boven het aardoppervlak; - **daglichtperiode:** het gedeelte"},{"i":10073,"b":"Besluit Luchtverkeer BES Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **ACAS (Airborne Collision Avoidance System):** een systeem aan boord van een luchtvaartuig, werkend met signalen van transponders en onafhankelijk van installaties op de grond, dat de gezagvoerder advies geeft over mogelijk conflicterende luchtvaartuigen die zijn uitgerust met een transponder; - **AFIS: («Aerodrome flight information service»):** onderdeel van luchtverkeersdienstverlening dat voorziet in het geven van inlichtingen die tot doel hebben een veilig en geregeld verloop van het luchtvaartterreinverkeer op daartoe door de Minister aangewezen luchtvaartterreinen; - **luchtverkeerstroomregeling (air traffic flow management):** een dienstverlening aan het luchtverkeer met het doel een optimale luchtverkeerstroom te verzekeren naar of via gebieden waarin het luchtverkeersaanbod de capaciteiten van het luchtverkeerssysteem overtreft; - **AIS (Aeronautical Information Services):** vluchtvoorlichtingsdienst die is belast met het geven van luchtvaartinlichtingen, die nodig zijn voor een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer vóór de vlucht en het in ontvangst nemen daarvan na de vlucht; - **alarmering:** een dienstverlening met het doel de betrokken instanties te waarschuwen aangaande luchtvaartuigen, die hulp behoeven in de vorm van opsporing en redding en deze instanties bij te staan voor zover dat vereist is; - **algemene luchtverkeersleiding:** het geven van luchtverkeersleiding bij een aangewezen algemene luchtverkeersleidingsdienst; - **algemeen luchtverkeersleidingsgebied (Control Area-CTA):** een luchtverkeerleidings-gebied, dat zich in opwaartse richting uitstrekt vanaf een vastgestelde grens boven het aardoppervlak; - **ATC:** «Air Traffic Control» - **bijzonder luchtverkeersgebied:** een luchtruimte met vastgestelde begrenzingen, waarbinnen nadere voorschriften zijn gesteld ter bescherming van bep"},{"i":10074,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 14 december 2018 nr. WJZ/ 18272243, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt Handelend in overeenstemming met het Kabinetsbesluit van 4 juli 2013 tot oprichting van een Shared Service Center HRM voor Personeelsregistratie en Salarisadministratie; Gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **ministerie:** Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - c. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362) van 11 februari 2009; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie. 2. Met betrekking tot de Algemene verordening gegevensbescherming: - a. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd om in het kader van de dienstverlening aan het ministerie verwerkingen van persoonsgegevens uit te voeren als verwerker in de zin van artikel 4, achtste onderdeel, van de Algemene verordening gegevensbescherming. De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst 2017. De machtiging wordt geacht te gelden als rechtshandeling in de zin van artikel 28, derde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming. - b. De directeur P-Direkt heeft geen machtiging tot uitvoering van de artikelen 16 tot en met 18 van de Algemene verordening gegevensbescherming dan na een besluit van of namens de minister. 3. Met betrekking tot de [A"},{"i":10075,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 december 2018, nr. WJZ/ 18271310, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt Handelend in overeenstemming met het Kabinetsbesluit van 4 juli 2013 tot oprichting van een Shared Service Center HRM voor Personeelsregistratie en Salarisadministratie; Gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **ministerie:** Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362) van 11 februari 2009; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie. 2. Met betrekking tot de Algemene verordening gegevensbescherming: - a. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd om in het kader van de dienstverlening aan het ministerie verwerkingen van persoonsgegevens uit te voeren als verwerker in de zin van artikel 4, achtste onderdeel, van de Algemene verordening gegevensbescherming. De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst 2017. De machtiging wordt geacht te gelden als rechtshandeling in de zin van artikel 28, derde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming. - b. De directeur P-Direkt heeft geen machtiging tot uitvoering van de artikelen 16 tot en met 18 van de Algemene verordening gegevensbescherming dan na een besluit van of namens de minister. 3."},{"i":10070,"b":"Besluit van 3 maart 2008, houdende nadere regels inzake de certificering van luchtvaartnavigatiediensten en het verlenen van erkenningen tot het verrichten van inspecties en onderzoeken hieromtrent in het kader van de uitvoering van vier EG-verordeningen betreffende een gemeenschappelijk Europees luchtruim (Besluit luchtvaartnavigatiediensten) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 november 2007, nr. HDJZ/LUV/2007-1145, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 5.5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.5), [5.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.11), [5.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.12), [5.14d, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.14d), en [11.1a, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.1a); De Raad van State gehoord (advies van 22 november 2007, nr. W09.07.0404/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 februari 2008, nr. HDJZ/LUV/2008-162, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet luchtvaart, enz. ter uitvoering van vier EG-verordeningen (totstandkomen van een gemeenschappelijk Europees luchtruim) in werking treedt. § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: certificaat: een certificaat als bedoeld in [artikel 5.14d, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.14d); erkenning: een erkenning als bedoeld in [artikel 11.1a, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.1a); Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. § 2. Certificering luchtvaartnavigatiediensten Artikel 2 De aanvraag tot verlening van een certificaat wordt geda"},{"i":10076,"b":"Besluit van de Minister van VROM tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt Handelend in overeenstemming met het Kabinetsbesluit van 4 juli 2003 tot oprichting van een Shared Service Center HRM voor Personeelsregistratie en Salarisadministratie; Gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** minister van Volkhuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - b. **ministerie:** ministerie van Volkhuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - c. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie. 2. Met betrekking tot de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468): - a. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd om in het kader van de dienstverlening aan het ministerie verwerkingen van persoonsgegevens uit te voeren als bewerker in de zin van [artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=1). De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig het Normenkader Informatiebeveiliging. De machtiging wordt geacht te gelden als bewerkersovereenkomst in de zin van [artikel 14, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=14). - b. De directeur P-Direkt heeft geen machtiging tot uitvoering van [artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.ove"},{"i":10077,"b":"Besluit van de minister van Verkeer en Waterstaat tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt handelend in overeenstemming met het Kabinetsbesluit van 4 juli 2003 tot oprichting van een Shared Service Center HRM voor Personeelsregistratie en Salarisadministratie; gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** De minister van Verkeer en Waterstaat. - b. **ministerie:** ministerie van Verkeer en Waterstaat. - c. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362); - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie. 2. Met betrekking tot de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468): - a. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd om in het kader van de dienstverlening aan het ministerie verwerkingen van persoonsgegevens uit te voeren als bewerker in de zin van [artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=1). De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig het Normenkader Informatiebeveiliging. De machtiging wordt geacht te gelden als bewerkersovereenkomst in de zin van [artikel 14, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=14). - b. De directeur P-Direkt heeft geen machtiging tot uitvoering van [artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wet"},{"i":10078,"b":"Besluit mandaat aan de SAB Stichting Afvalstoffen en Vaardocumenten Binnenvaart Gelet op [artikel 5, eerste lid, van de Aanwijzing bevoegde autoriteiten reglementen CCR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019146&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bevoegdheid tot het afgeven van olie-afgifteboekjes wordt gemandateerd aan de SAB Stichting Afvalstoffen en Vaardocumenten Binnenvaart. Artikel 2 De gemandateerde voert bij de uitoefening van de hem toegekende bevoegdheden een ordentelijke en voor de Minister van Verkeer en Waterstaat transparante administratie en verschaft de Minister Verkeer en Waterstaat desgevraagd alle inlichtingen die betrekking hebben op de uitoefening van de haar toegekende bevoegdheden. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan de gemandateerde."},{"i":10079,"b":"Besluit Mandaat DGVH Regeling milieugerichte technologie 1999 en Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen Besluit: Artikel I - 1. Aan de directeur-generaal van de Volkshuisvesting wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten: - a. krachtens het [Besluit milieusubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010065), voorzover deze verband houden met de uitvoering van het programma als bedoeld in artikel 7 van de Regeling milieugerichte technologie 1999; - b. krachtens [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13) voorzover deze verband houden met de uitvoering van de Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen. - 2. Aan de directeur-generaal van de Volkshuisvesting wordt tevens mandaat verleend tot het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid. - 3. De functionaris als bedoeld in het eerste en tweed lid wordt tevens gemachtigd tot het doen van alle op de daarin bedoelde besluiten betrekking hebbende stukken. De directeur-generaal van de Volkshuisvesting kan de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaarschriften, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van deze regeling niet uitoefenen, indien hij tevens het besluit waartegen het bezwaar zich richt , krachtens artikel 1, eerste lid, van deze regeling heeft genomen. De directeur-generaal van de Volkshuisvesting kan onder nader door hem te bepalen voorwaarden onderdelen van de aan hem verleende bevoegdheden mandateren aan personen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Indien uitvoering wordt gegeven aan artikel 1 van deze regeling, luidt de ondertekening: - de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor deze: De directeur-generaal van de Volkshuisvesting, gevolgd door de handtekening en de naam van de betrokken functionaris. Artikel II 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant"},{"i":10080,"b":"Besluit houdende verlening van mandaat en machtiging in het kader van beperkingengebieden militaire luchthavens en radarverstoringsgebieden 2024 (Mandaat- en machtigingsbesluit beperkingengebieden militaire luchthavens en radarverstoringsgebieden 2024) Besluit: Artikel 1. Mandaat 1. Aan de directeur Directie Aansturen Operationele Gereedheid wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten in het kader van beperkingengebiedenactiviteiten met betrekking tot een militaire luchthaven als bedoeld in de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885). 2. Aan de directeur Directie Aansturen Operationele Gereedheid wordt machtiging verleend tot het geven van adviezen in het kader van beperkingengebiedenactiviteiten met betrekking tot een militaire luchthaven en een omgevingsplanactiviteit in een radarverstoringsgebied als bedoeld in de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885). 3. Mandaat wordt niet verleend met betrekking tot: - a. het vaststellen van een algemeen verbindend voorschrift; - b. het beslissen op een bezwaarschrift; - c. het beslissen op een beroepschrift. Artikel 2. Ondermandaat 1. De directeur Directie Aansturen Operationele Gereedheid kan de aan hem verleende bevoegdheden in een daarbij door hem te bepalen omvang door verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris. De directeur Directie Aansturen Operationele Gereedheid kan daarbij toestaan dat verdere doorverlening plaatsvindt. 2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Artikel 3. Ondertekening Een document dat krachtens mandaat of machtiging wordt ondertekend bevat aan het slot de volgende formule: DE MINISTER VAN DEFENSIE voor deze, (functie, handtekening en naam van de ondertekenaar) Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Dit besluit zal met de toelicht"},{"i":10081,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 30 maart 2017, nr. RWS-2016/51027/158789, houdende regels inzake het verlenen van mandaat en machtiging aan de inspecteur-generaal der mijnen van het ministerie van Economische Zaken betreffende de toepassing van bestuursdwang op grond van de Waterwet (Besluit mandaat en machtiging inspecteur-generaal der mijnen Waterwet) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), [10:11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:11) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de Minister van Economische Zaken van 17 november 2016 en van de inspecteur-generaal der mijnen; Besluit: Artikel 1 Aan de inspecteur-generaal der mijnen wordt mandaat en machtiging verleend voor het uitoefenen van de bevoegdheid, bedoeld in de [artikelen 8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=8.5) en [8.7 van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=8.7), voor zover het de handhaving van het bepaalde bij of krachtens [paragraaf 6a van hoofdstuk 6 van het Waterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&paragraaf=6a) betreft. Artikel 2 1. De inspecteur-generaal der mijnen kan voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039425&artikel=1&z=2017-04-07&g=2017-04-07) bedoelde aangelegenheden ondermandaat en machtiging verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen. 2. Het verlenen van ondermandaat en machtiging alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk en wat de formulering betreft in overeenstemming met de Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, afdeling Algemeen Bestuurlijk-Juridische Zaken, van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. 3. Een afschrift van een besluit inzake ondermandaat en machtiging wordt gezonde"},{"i":10082,"b":"Besluit van de directeur-generaal Rijkswaterstaat van 26 april 2021 met kenmerk RWS-2021/13909 houdende verlening van mandaat en machtiging voor het Loodsplichtbesluit 2021, de Loodsplichtregeling 2021, het Besluit markttoezicht registerloodsen en het Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren (Besluit mandaat en machtiging Rijkswaterstaat loodsplichtwetgeving 2021) Gelet op de [artikelen 2, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044210&artikel=2), [6, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044210&artikel=6), [14, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044210&artikel=14), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044210&artikel=22), [24, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044210&artikel=24), [31, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044210&artikel=31), en [39, tweede lid, van de Loodsplichtregeling 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044210&artikel=39), Besluit: Artikel 1. Regionale autoriteit 1. Voor het verrichten van de aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat, als regionale autoriteit in de zeehavenregio Noord-Nederland, in de [artikelen 7, eerste, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=7), [12, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=12), [21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=21), en [22, eerste lid, van het Loodsplichtbesluit 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=22) toebedeelde taken, die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, wordt machtiging verleend aan de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Noord-Nederland. 2. Van de in de lid 1 bedoelde taken kan door de hoofdingenieur-directeur machtiging worden verleend aan: - a. directeuren; - b. afdelingshoofden en districtshoofden. Artikel 2. Bevoegde autoriteit 1. De aan de directeur-gen"},{"i":10083,"b":"Besluit van de hoofdingenieur-directeur van het regionale organisatieonderdeel Rijkswaterstaat Noord-Nederland van 22 juni 2021 met kenmerk RWS-2021/17959, houdende verlening van mandaat en machtiging voor het Loodsplichtbesluit 2021, de Loodsplichtregeling 2021, het Besluit markttoezicht registerloodsen en het Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren (Besluit mandaat en machtiging Rijkswaterstaat Noord-Nederland loodsplichtwetgeving 2021) Gelet op [artikel 2, zesde lid, van het Besluit mandaat en machtiging Rijkswaterstaat loodsplichtwetgeving 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045144&artikel=2) Besluit: Artikel 1. Functionarissen Rijkswaterstaat Noord-Nederland 1. De aan de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Noord-Nederland, als bevoegde autoriteit voor de loodsplichtige scheepvaartwegen in het zeehavengebied Delfzijl-Eemshaven en het zeehavengebied Den Helder-Harlingen-Terschelling, in de [artikelen 3, derde lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=3), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=5), [6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=6), [8, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=8), [11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=11), [13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=13), [14, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=17), [18, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=18), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=20), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=21), [22, tweede lid,"},{"i":10084,"b":"Besluit van de hoofdingenieur-directeur van het regionale organisatieonderdeel Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid van 30 juni 2021 met kenmerk RWS-2021/21022, houdende verlening van mandaat en machtiging voor het Loodsplichtbesluit 2021, de Loodsplichtregeling 2021, het Besluit markttoezicht registerloodsen en het Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren (Besluit mandaat en machtiging Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid loodsplichtwetgeving 2021) Gelet op [artikel 2, zesde lid, van het Besluit mandaat en machtiging Rijkswaterstaat loodsplichtwetgeving 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045144&artikel=2), Gezien de schriftelijke instemming van de havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V., van 30 juni 2021 met nummer 2191444, Besluit: Artikel 1. Functionarissen Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid 1. De aan de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid, als bevoegde autoriteit voor de loodsplichtige scheepvaartwegen in het zeehavengebied Rotterdam-Rijnmond – Zuid-Holland-achterland, in de [artikelen 3, derde lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=3), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=5), [6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=6), [8, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=8), [11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=11), [13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=13), [14, eerste lid en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=17), [18, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=18), [20](https://wetten.o"},{"i":10085,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 4 februari 2016, nr. IENM/BSK-2016/2212, tot vaststelling van het mandaat en de machtiging aan het CBR theorie-examens voor luchtvarenden af te nemen (Besluit mandaat en machtiging theorie-examens luchtvarenden 2016) Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), en [10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de instemming van de gemandateerde blijkens de brief van 5 juli 2013, kenmerk CDS20130198/MHI/IFE, van de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; Besluit: Artikel 1 1. Aan de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten ter uitvoering van de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017237&artikel=9), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017237&artikel=11) en [12 van het Examenreglement voor luchtvarenden 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017237&artikel=12). 2. De algemeen directeur genoemd in het eerste lid wordt tevens gemachtigd tot het verrichten van andere handelingen ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde artikelen. Artikel 2 1. Een besluit als bedoeld in [artikel 9 van het Examenreglement voor luchtvarenden 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017237&artikel=9), wordt ondertekend met: ‘DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU, namens deze, de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen’ dan wel ‘DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU, namens deze, de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen’, gevolgd door de handtekening en naam van de betrokken functionaris en door de tekst: ‘Indien u het niet eens bent met deze beslissing kunt u hiertegen, op grond van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), binnen ze"},{"i":10086,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 mei 2021, nr. IENW/BSK-2021/126812, houdende verlening van mandaat en machtiging aan de voorzitter van de Stichting Connekt, statutair gevestigd te Rotterdam, voor de uitvoering van de Tijdelijke subsidieregeling stimulering modal shift van weg naar water of van weg naar spoor 2021 Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Gezien de schriftelijke instemming van de voorzitter van de Stichting Connekt d.d. 8 april 2021; BESLUIT: Artikel 1 Aan de voorzitter van Stichting Connekt, wordt mandaat verleend tot: - a. het beslissen op aanvragen tot subsidieverlening op grond van de [Tijdelijke subsidieregeling stimulering modal shift van weg naar water of van weg naar spoor 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044980), alsmede het intrekken of wijzigen van de subsidieverlening; - b. het vaststellen van de subsidies op grond van de [Tijdelijke subsidieregeling stimulering modal shift van weg naar water of van weg naar spoor 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044980), alsmede het intrekken of wijzigen van de subsidievaststelling; - c. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in de onderdelen a en b, met inachtneming van [artikel 10:3, derde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3). Artikel 2 Aan de voorzitter van Stichting Connekt wordt machtiging verleend tot: - a. het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en uitvoering van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045162&artikel=1&z=2021-05-27&g=2021-05-27) bedoelde besluiten; - b. het voeren van procedures bij de rechter over de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045162&artikel=1&z=2021-05-27&g=2021-05-27) bedoelde besluiten. Artikel 3 De voorzitter van Stichti"},{"i":10087,"b":"Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-generaal Luchtvaart, 2003 inzake samengaan KLM/Air France Besluit: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. staatssecretaris: Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; - b. directeur-generaal: de directeur-generaal Luchtvaart van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat; - c. mandaat: de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, besluiten te nemen; - d. volmacht: de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. machtiging: de bevoegdheid om in naam van de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 De staatssecretaris verleent het mandaat, de volmacht en machtiging aan de directeur-generaal Luchtvaart om besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, of andere handelingen niet zijnde een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling, om het samengaan tussen de Koninklijke Luchtvaartmaatschappij en Air France mogelijk te maken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 16 oktober 2003. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 14 oktober 2003, treedt het in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 16 oktober 2003. Artikel 4 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-generaal Luchtvaart, 2003 inzake samengaan KLM/Air France. Artikel 6 Het in een document vastleggen van een besluit, een privaatrechtelijke rechtshandeling of een andere handeling, dient als volgt te geschieden: ‘DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT, namens deze: DE DIRECTEUR-GENER"},{"i":10095,"b":"Besluit militair luchthavenluchtverkeer Schiphol Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op [artikel 8.25, derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555); Besluit: Artikel 1 Als gevallen waarin de exploitant van de luchthaven Schiphol luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de militaire luchtvaart moet toelaten op de luchthaven Schiphol, worden aangewezen: - a. regeringsvluchten, - b. humanitair noodzakelijke vluchten, - c. operationeel noodzakelijke vluchten en vluchten in bondgenootschappelijk verband, en - d. vluchten uit hoofde van een algemeen maatschappelijk belang. Artikel 2 Het besluit van de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst van 17 juni 1985, kenmerk LT/L23043, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit militair luchthavenluchtverkeer Schiphol. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10088,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 1 december 2015, nr. IENM/BSK-2015/179390, houdende verlening mandaat, volmacht en machtiging aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken voor de uitvoering van diverse subsidieregelingen en -programma’s en enige andere regelingen op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu 2015 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu 2015) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken van 11 november 2015, kenmerk RVO_JZ_Inst 151015; BESLUIT: Artikel 1 Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken wordt mandaat en volmacht verleend tot: - a. het nemen van besluiten en het sluiten van overeenkomsten in het kader van de uitvoering van de in de bijlage bij dit besluit opgenomen subsidieregelingen en -programma’s en andere regelingen; en - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken wordt machtiging verleend tot: - a. het verrichten van alle handelingen ter voorbereiding en ter uitvoering van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037269&artikel=1&z=2026-05-2"},{"i":10090,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 22 december 2017, nr. WJZ/17199577, houdende regels inzake het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat inzake het verminderen van de uitstoot van gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen (Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-generaal Rijkswaterstaat inzake aangelegenheden die verband houden met het verminderen van de uitstoot van gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de directeur-generaal Rijkswaterstaat; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor: - a. het verlenen van erkenningen aan instellingen op grond van [artikel 10, eerste lid, van het Besluit gefluoreerde broeikassen en ozonlaagafbrekende stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037088&artikel=10); - b. het geven van een aanwijzing aan een erkende instelling om een door haar verstrekt certificaat te schorsen of in te trekken op grond van [artikel 14, vierde lid, van het Besluit gefluoreerde broeikassen en ozonlaagafbrekende stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037088&artikel=14); - c. het schorsen van de erkenning van een instelling op grond van [artikel 15, eerste lid, van het Besluit gefluoreerde broeikassen en ozonlaagafbrekende stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037088&artikel=15); - d. het intrekken van de erkenning van een instelling op grond van [artikel 16, eerste lid, van het Besluit gefluoreerde broeikassen en ozonlaagafbrekende stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037088&artikel=16); - e. het vaststellen van de inhoud en de uitslag van examens die tot uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van het [Besluit ge"},{"i":10091,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 1 februari 2016, nr. IENM/BSK-2015/255810, houdende verlening mandaat, volmacht en machtiging aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat voor besluiten met betrekking tot geluidwerende maatregelen voor woningen die geluidhinder ondervinden vanwege hoofdspoorwegen (Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-generaal Rijkswaterstaat voor geluidwerende maatregelen spoorwegen) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1 Aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten in het kader van het treffen van geluidwerende maatregelen als bedoeld in de [artikelen 11.38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.38), [11.39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.39) en [11.64 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.64) en de [artikelen 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=112) en [114a van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=114a), voor geluidgevoelige objecten die geluidbelasting ondervinden vanuit hoofdspoorwegen; en - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld onder a voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 Aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat wordt volmacht en machtiging verleend tot: - a. het verrichten van alle handelingen ter voorbereiding en ter uitvoering van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037599&artikel=1&z=2017-05-10&g=2017-05-10) bedoelde besluiten en ov"},{"i":10089,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 30 maart 2017, nr. WJZ/16041115, houdende regels inzake het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat van het ministerie van Infrastructuur en Milieu betreffende de artikelen 27 en 28 van de Wet windenergie op zee en wijziging van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2015 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-generaal Rijkswaterstaat en inspecteur-generaal der mijnen Wet windenergie op zee) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de Minister van Infrastructuur en Milieu en de directeur-generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu; Besluit: Artikel 1 1. Aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat van het ministerie van Infrastructuur en Milieu wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met de [artikelen 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=27) en [28 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=28). 2. Aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu wordt tevens mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep. Artikel 2 1. De directeur-generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu kan voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039421&artikel=1&z=2017-04-05&g=2017-04-05) bedoelde aangelegenheden ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen. Hij kan daarbij bepalen dat de hoofdingenieur-"},{"i":10093,"b":"Besluit van de directeur-generaal Rijkswaterstaat van 19 februari 2014, met kenmerk RWS-2014/328 houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging inzake luchthavens (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijkswaterstaat inzake luchthavens 2014) Gelet op [artikel 23, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=23) en artikel 5 van het Ondermandaatbesluit directoraat-generaal Bereikbaarheid Infrastructuur en Milieu 2012; Besluit: Artikel 1. Bevoegdheden Rijkswaterstaat Programma’s, Projecten en Onderhoud De in [artikel 3, aanhef en onderdelen b, c en f, van het Ondermandaatbesluit directoraat-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042029&artikel=3) aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat verleende bevoegdheden worden eveneens gemandateerd aan: - a. de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Programma’s, Projecten en Onderhoud; - b. de directeur Productie en Projectmanagement van Rijkswaterstaat Programma’s, Projecten en Onderhoud; - c. de portfoliomanager Project Gevelisolatie binnen Rijkswaterstaat Programma’s, Projecten en Onderhoud; - d. de projectmanager Project Gevelisolatie binnen Rijkswaterstaat Programma’s, Projecten en Onderhoud. Artikel 2. Bevoegdheden Rijkswaterstaat Corporate Dienst De in [artikel 3, aanhef en onderdelen a en f, van het Ondermandaatbesluit directoraat-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042029&artikel=3) aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat verleende bevoegdheden worden eveneens gemandateerd aan: - a. de algemeen directeur van Rijkswaterstaat Corporate Dienst; - b. de directeur Communicatie Personeel en Recht van Rijkswaterstaat Corporate Dienst; - c. de afdelingshoofden van BJV Projectadvisering en BJV Publiekrecht van Rijkswaterstaat Corporate Dienst. Artikel 3. Bevoegdheden Rijkswaterstaat West-Nederland Noord De in [artikel 3, aanhef en o"},{"i":5102,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 7 mei 2015, nr. 632571, houdende regeling van het beheer bij de Hoge Raad der Nederlanden (Organisatieregeling beheer Hoge Raad 2015) Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder de Hoge Raad: de gezamenlijke organisatie van de Hoge Raad der Nederlanden bestaande uit de raad, het parket en de directie bedrijfsvoering. Artikel 2 1. Er is een beheersorganisatie van de Hoge Raad. 2. Aan het hoofd van de beheersorganisatie staat de directeur bedrijfsvoering van de Hoge Raad. 3. Op de relatie tussen de Minister van Veiligheid en Justitie en de beheersorganisatie is van toepassing het op 22 mei 2002 tussen de Hoge Raad en de Minister van Justitie gesloten convenant ‘Een raamwerk voor de vormgeving van de toekomstige beheerrelatie tussen de Hoge Raad der Nederlanden en de Minister van Justitie’, DSR nr. 5159148/802. Artikel 3 De [Organisatieregeling beheer Hoge Raad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018045) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Organisatieregeling beheer Hoge Raad 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10139,"b":"Besluit van 9 april 2018, houdende regels betreffende de tarieven en voorwaarden van overige luchthavens (Besluit tarieven en voorwaarden van overige luchthavens) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 6 februari 2018, nr. IENM/BSK-2017/298532, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat; Gelet op de [artikelen 8.40c, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.40c), [8.40e, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.40e), en [8.40g, negende lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.40g); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 februari 2018, nr. W17.18.0019/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 3 april 2018, nr. IENW/BSK-2018/53278, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **Autoriteit Consument en Markt:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - **gebruiker:** een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij; - **overige luchthaven:** een burgerluchthaven behorende tot de overige burgerluchthavens, bedoeld in [artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.1) dan wel een militaire luchthaven voor zover het betreft burgermedegebruik door tussenkomst van een burgerexploitant; - **representatieve organisatie:** een op grond van [artikel 8.40a, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.40a) bij ministeriële regeling aangewezen r"},{"i":10151,"b":"Besluit tot verlening van mandaat en machtiging met betrekking tot het Rijnvaartpolitiereglement 1995 Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid 2013 Gelet op [artikel 5, vierde lid, van de Aanwijzing bevoegde autoriteiten reglementen CCR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019146&artikel=5); Besluit: Artikel 1 1. Ten aanzien van de in het tweede lid genoemde artikelen van het [Rijnvaartpolitiereglement 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923) wordt mandaat en machtiging verleend aan de volgende functionarissen werkzaam bij Rijkswaterstaat Oost-Nederland: - a. de directeur Netwerkontwikkeling; - b. het hoofd van de afdeling Vergunningen. 2. De in het eerste lid bedoelde artikelen van het [Rijnvaartpolitiereglement 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923) zijn: [1.01, onderdeel l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.01); [1.10, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.10); [1.18, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.18); [1.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.19); [1.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.20); [1.22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.22), alleen voor wat betreft de in het tweede lid bedoelde aangelegenhedend; [1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.23); [1.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.25); [3.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=3.17); [3.20, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=3.20); [3.25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=3.25); [3.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=3.28); [3.29, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=3.29); [3.33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=3.33); [4.05, zesde lid](https://wetten"},{"i":10152,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 9 juni 2020 inzake volginnovatie 2019 Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 2.10.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.10.2), [3.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.2), [3.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.9), [3.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.3.4), [3.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.3.6), [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.4), [3.4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.8), [3.4.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.20), [3.7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.7.2), [3.8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.8.2), 3.8.2 onderdeel b, [3.9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [3.10.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.2), 3.10.2, tweede lid, [3.10.12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.12b), 3.10.2, derde lid, [3.19.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.19.2), [3.22.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.22.2), [4.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.9), [4.2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.16), [4.2.37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.37), [4.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&arti"},{"i":10153,"b":"Besluit van 1 september 2021, houdende de vantoepassingverklaring van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen op het afstromend water in Limburg ten gevolge van de regenval in juli 2021 Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, van 1 september 2021, nr. 3508308; directie Wetgeving en Juridische Zaken, Gelet op [artikel 3 van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De [Wet tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637) is van toepassing op de schade en kosten die zijn ontstaan door het afstromend water in de provincie Limburg ten gevolge van de regenval in juli 2021. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst. Onze Minister van Justitie en Veiligheid is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10154,"b":"Besluit van 6 april 2011, houdende vaststelling van de bedragen waartoe de aansprakelijkheid van de vervoerder bij vervoer door de lucht is beperkt ter uitvoering van de artikelen 1359, 1399 en 1400 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 7 februari 2011, nr. 5685150/11/6, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op de [artikelen 1359](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1359), [1399](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1399) en [1400 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1400); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 maart 2011, nr. W03.11.0031/11; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 30 maart 2011, nr. 5690961/11/6, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De schadevergoeding die de vervoerder mogelijkerwijs is verschuldigd uit hoofde van [artikel 1359 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1359) is beperkt tot een bedrag van 26 rekeneenheden per kilogram, zulks behoudens het bepaalde in artikel 1359 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2 1. De schadevergoeding die de vervoerder mogelijkerwijs is verschuldigd uit hoofde van [artikel 1399, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1399), juncto [artikel 1393 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1393) is beperkt tot 151.880 rekeneenheden per reiziger. 2. De schadevergoeding die de vervoerder mogelijkerwijs is verschuldigd uit hoofde van [artikel 1399, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1399), juncto [artikel 1393 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1"},{"i":5812,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 7 februari 2017, nr. IenM/BSK-2016/213529, houdende verstrekking van subsidie aan de Universiteit Utrecht voor Urban Futures Studio (Subsidieregeling Urban Futures Studio) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5), [2, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, tweede lid, onder b, en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [17, eerste lid, onder c en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=17), [22, tweede lid, 23, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), en [24 eerste, tweede en derde lid, van het Kaderbesluit I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **subsidieontvanger:** Universiteit Utrecht, faculteit Geowetenschappen; - **UFS:** Urban Futures Studio; - **wet:** [Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789). Artikel 2. Doel subsidie 1. De minister verstrekt voor de jaren 2016 tot en met 2021 een subsidie aan de subsidieontvanger voor de oprichting en ontwikkeling van de UFS van de faculteit Geowetenschappen met daarbij als doel een transitie ten aanzien van stedelijke vraagstukken op IenM-beleidsvelden naar een schone economie door middel van: - a. de uitwerking van nieuwe institutionele benaderingen die wetenschap en beleid dichterbij elkaar brengen; - b. de bestudering en ontwikkeling van nieuwe werkvormen die wetenschappelijk onderzoek verbinden aan concrete, strategische"},{"i":6225,"b":"Wet van 9 juni 2021 tot herindeling van de gemeenten Amsterdam en Weesp Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het grondgebied van de gemeente Weesp toe te voegen aan de gemeente Amsterdam; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en rechtsopvolging Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling wordt de gemeente Weesp opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt het grondgebied van de op te heffen gemeente Weesp toegevoegd aan de gemeente Amsterdam door een grenswijziging van de gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 Voor de op te heffen gemeente Weesp wordt de gemeente Amsterdam aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. § 2. Datum herindeling, herindelingsverkiezingen en eerste raadsvergadering Artikel 4 In afwijking van [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=1) is de datum van herindeling 24 maart 2022. Artikel 5 1. In afwijking van [artikel 55, tweede lid, eerste volzin, van de Wet algemene regels herindeling](ht"},{"i":10155,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 24 november 2016, kenmerk RWS-2016/48249, tot vaststelling beleid inzake adviescommissie project Zuidasdok in relatie tot Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit tot navolgende beleidsregeling: Artikel 1 Voor het project Zuidasdok bestaat de commissie die overeenkomstig [artikel 15 van de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010692&artikel=15) kan worden ingesteld, in afwijking van artikel 15, derde lid, eerste zin, van die beleidsregel uit ten minste twee onafhankelijke deskundigen die door de minister en door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam worden benoemd. Indien de commissie uit twee of meer leden bestaat, wijzen de minister en het college van burgemeester van wethouders van de gemeente Amsterdam de voorzitter aan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10156,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 14 januari 2023, nr. Min-BuZa.2022.14764-36, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 5.1. van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) op het terrein van voedselzekerheid in het kader van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid, gelden voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2033 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Voor het in het [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047803&artikel=1&z=2023-01-25&g=2023-01-25) genoemde tijdvak geldt een subsidieplafond van € 200 miljoen, onder het voorbehoud dat de begrotingswetgever voldoende middelen beschikbaar stelt. 2. De middelen die beschikbaar zijn op grond van het in het eerste lid genoemde subsidieplafond zijn als volgt verdeeld over de volgende twee regio’s: - a. € 100.000.000 is beschikbaar voor subsidieverlening voor activiteiten in de Sahel/West Afrika; - b. € 100.000.000 is beschikbaar voor subsidieverlening voor activiteiten in Oost en Centraal Afrika. Artikel 3 Uit oogpunt van doelmatigheid geldt dat niet meer dan één subsidieaanvrager voor subsidieverlening in aanmerking zal kunnen komen ten laste van elk van de [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047803&artikel=2&z=2023-01-25&g="},{"i":7612,"b":"Machtiging tot verschaffen gegevens uit herkenningsdienstregistraties Gelet op artikel 25, eerste lid onder a, van het Reglement geautomatiseerde regionale herkenningsdienstregistraties (Stcrt. 1988, nr. 154); Besluit: Artikel 1 Met ingang van de dag na ondertekening van dit besluit worden de korpschefs van gemeentepolitie en de commandanten van de districten van het Korps Rijkspolitie die de beschikking hebben over de geautomatiseerde regionale herkenningsdienstregistratie, gemachtigd om aan de, bij mijn beschikking van 19 september 1988, nr. 1204/588 (Stcrt. 1988, nr. 199) tot opsporingsambtenaren van Rijkspolitie benoemde personen werkzaam bij de spoorwegpolitie gegevens te verstrekken uit de geautomatiseede regionale herkenningsdienstregistraties. Artikel 2 Gegevens mogen alleen worden verstrekt voor de opsporing van strafbare feiten waarbij het onder [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004587&artikel=1&z=1989-07-07&g=1989-07-07) bedoelde personeel van de spoorwegpolitie betrokken is. Artikel 3 De verstrekte gegevens mogen niet voor een ander doel worden gebruikt dan waarvoor zij zijn verstrekt en dienen wanneer zij zijn vastgelegd op enige informatiedrager, na afronding van het onderzoek met het oog waarop zij zijn verstrekt, terstond te worden vernietigd. Artikel 4 Deze beschikking zal worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant en het Algemeen Politieblad en voor een ieder ter inzage worden gelegd bij de korpsen van gemeentepolitie en districten van het Korps Rijkspolitie, de voorlichtingsdiensten van het Ministerie van Justitie en van Binnenlandse Zaken en de centrale bibliotheek van het Ministerie van Justitie."},{"i":10157,"b":"Besluit van 13 oktober 2025 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro met het thema Hollandse Waterlinies die in 2025 worden uitgegeven in de serie UNESCO Werelderfgoed Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 1 oktober 2025, nr. 2025-000450452, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt met als thema Hollandse Waterlinies die worden uitgegeven in de serie UNESCO Werelderfgoed, zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: op de gehele voorzijde in het midden een schematische weergave van de kaart van Nederland met lijnen en driehoeken in de regio Amsterdam en omstreken, met daaromheen de tekst «HOLLANDSE WATERLINIES» en aan de bovenzijde «10 EURO» onderscheidenlijk «5 EURO», met daarnaast het jaartal «2025» en rechtsonder de tekst «STELLING VAN AMSTERDAM+NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIES»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en profil bestaande uit lijnen en vlakken, daaromheen de tekst «WILLEM-ALEXANDER», aan de bovenzijde de tekst «KONING DER NEDERLANDEN» en naast de tekst het teken van de muntmeester en het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051649&artikel=1&z=2025-10-25&g=2025-10-25). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de"},{"i":10158,"b":"Besluit van 14 februari 2019, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2019 worden uitgegeven ter gelegenheid van 100 jaar Nederlandse luchtvaart Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 12 februari 2019, nr. 2019-0000019088, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2019/14871. Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die worden uitgegeven ter gelegenheid van 100 jaar Nederlandse luchtvaart zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en face, samengesteld door puntjes, met daaromheen de tekst «WILLEM-ALEXANDER» langs de linkerzijde en «KONING DER NEDERLANDEN» langs de rechterzijde; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: een landkaart van de zuidelijke helft van Nederland, met een modern vliegtuig dat een schaduw van een vliegtuig van een eeuw geleden werpt op deze kaart, aan de onderzijde langs de rand de tekst «2019», het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt, het teken van de Muntmeester en de tekst «5 EURO», respectievelijk «10 EURO», aan de bovenzijde langs de rand de tekst «100 JAAR NEDERLANDSE LUCHTVAART». 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041972&artikel=1&z=2019-03-14&g=2019-03-14). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 14 maart 2019. Indien het Sta"},{"i":10159,"b":"Besluit van 26 augustus 2011 houdende vaststelling van de bestanddelen van de munten van vijf en tien euro die in 2011 worden uitgegeven ter gelegenheid van 50 jaar Wereld Natuur Fonds Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 22 augustus 2011, FM/2011/9481 M, Generale Thesaurie, directie Financiële Markten, afdeling Institutioneel Beleid en Integriteit; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stb. 2011/409. Artikel 1 1. De beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2011 worden uitgegeven ter gelegenheid van 50 jaar Wereld Natuur Fonds is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: rondom de tekst «BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN» en in het midden van een bladerenkroon Onze beeltenis; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: rondom de tekst «50 JAAR WERELD NATUUR FONDS» en in het midden van een wortelstelsel de waardeaanduiding «5 €» respectievelijk «10 €», daaronder het jaartal «2011», rechtsboven daarvan het teken van de Muntmeester , linksonder het teken van de Munt en links het logo van de ontwerper, Willehad Eilers; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaats."},{"i":7010,"b":"Wet van 11 mei 1950, tot vaststelling van zekere waarborgen jegens bepaalde groepen burgerlijke overheidsdienaren en gewezen burgerlijke overheidsdienaren van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de overgang naar een nieuwe rechtsorde zekere waarborgen van het Rijk jegens bepaalde groepen burgerlijke overheidsdienaren en gewezen burgerlijke overheidsdienaren van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen bij de wet vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - I. \"overheidsdienaren\": burgerlijke landsdienaren van Indonesië, en personen in dienst van de zelfstandige gemeenschappen, ingesteld op de voet van de artikelen 119, 121 of 123 der Indische Staatsregeling, voorzover de onder **a**, **b** en **c** bedoelde personen Nederlander zijn en zolang zij deze status behouden, tenzij [artikel 8**a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060&artikel=8a&z=2013-01-01&g=2013-01-01) op hen van toepassing is, dan wel dispensatie is verleend als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060&artikel=5&z=2013-01-01&g=2013-01-01). - a. die op 5 Augustus 1949: hetzij in vaste dienst waren, hetzij waren aangenomen op een kortverband, waaraan recht op vrije overtocht naar Nederland is verbonden, mits op die aanneming een feitelijke indiensttreding is gevolgd, hetzij in tijdelijke dienst waren sedert een aan 1 Maart 1942 voorafgaand tijdstip, hetzij in tijdelijke dienst waren in aansluiting op een dienstverband, dat door het Reglement betreffende de aanneming en de dienstvoorwaarden van werkkrachten op maand-, dag- of uurloon (M.D.R. 1939) of daarmede in aard overeenkomende reglementen werd beheer"},{"i":10199,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Natuur- en landschapsbeheer vanaf 1998 (Staatsbosbeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007, nr. arc-2007.03635/8); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van Staatsbosbeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Natuur- en landschapsbeheer over de periode vanaf 1998’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van het onder het Ministerie van Landbouw en Visserij ressorterende Staatsbosbeheer en van de onder deze dienst ressorterende consulentschappen, houtvesterijen, commissies en ambtenaren, alsmede van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer en het Rijksinstituut voor onderzoek in de bos- en landschapsbouw ‘De Dorschkamp’, vastgesteld bij beschikking van de Ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Landbouw en Visserij d.d. 9 en 17 november 1976, nrs. Dir. MMA/Ar 186.335 en PAZ 240, gepubliceerd in Staatscourant 1976, nr. 107 en 1976, nr. 248, de ‘Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van de onder het Ministerie van Landbouw en Visserij ressorterende Directie beheer landbouwgronden en van de onder deze Directie ressorterende organen, commissies en ambtenaren’, vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van de Minister van Landbouw en Visserij d.d. 7 september 1978, nrs. Dir. MMA/Ar 194.557 en PAZ 273; gewijzigd bij beschikking d.d. 6 augustus 1993, nr. A93.527/WH/NF, gepubliceerd in Staatscourant 1993, nr. 148, de ‘[Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij binnen het beleidsterrein Bo"},{"i":10200,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Oorlogsgetroffenen vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Oorlogsgetroffenen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10198,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Nationale ombudsman (1964) 1982– (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 augustus 2007, nr. aca-2007.03943/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Nationale ombudsman over de periode (1964) 1982–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10201,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Ouderenbeleid vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 oktober 2007, aca-2007.04045/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Ouderenbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10202,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein over de periode vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 24 juni 2008 , nr. bca-2008.04926/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Burgerluchtvaart over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10204,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Politie 1945–1993 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 september 2007, aca-2007.03991/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Politie over de periode 1945–1993](onbekend)’en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10203,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Pachtaangelegenheden vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 oktober 2006, bca-2008.04829/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Pachtaangelegenheden over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10205,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Prijsbeleid, vanaf 1945 (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 september 2007, nr. aca-2007.03991/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Prijsbeleid, over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10206,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid 1945- (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007, nr. arc-2007.03635/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid 1945–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10239,"b":"Besluit van 14 maart 2002, houdende regels met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht (Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 6 juni 2001, nr. DGRLD/DLB/01.421019, Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie; Gelet op de [artikelen 6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.51), [6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.52), [6.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.53), [6.55, tweede en derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.55) en op [artikel 28, vijfde lid, van de Wet Raad voor de Transportveiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009753&artikel=28); De Raad van State gehoord (advies van 16 juli 2001, nr. W09.01.0264/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 maart 2002, nr. DGL/02.421024, Directoraat-Generaal Luchtvaart, uitgebracht mede namens Onze Minister van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wijzigingswet Wet luchtvaart (vervoer van gevaarlijke stoffen en van dieren) in werking treedt. Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - afzender: natuurlijke persoon of een rechtspersoon, die gevaarlijke stoffen, in eigendom aan hem toebehorend of afkomstig uit eigen onderneming, aan kan bieden voor vervoer door de lucht; - Annex 18: ingevolge een mededeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat gepubliceerd in de Staatscourant van kracht zijnde versie van de op grond van de artikelen 37, 54 en 90 van het op 7 december 1944 te Chicago gesloten Verdrag inzake de Burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109) door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie vastgestelde Annex 18 (The Safe Transport of Dangerous Goods by"},{"i":10263,"b":"Circulaire inwerkingtreding Wet van 21 juni 2001 tot wijziging Wet milieubeheer (structuur beheer afvalstoffen) Aan de Colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten en Gedeputeerde Staten van de provincies Geacht college, Op 24 juli 2001 is de [wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (structuur beheer afvalstoffen)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012606) in het Staatsblad gepubliceerd. De [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012606) brengt een aantal wijzigingen in de taken en bevoegdheden op provinciaal en rijksniveau teweeg. Ik heb besloten de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012606), met uitzondering van een beperkt aantal bepalingen, met ingang van 1 mei 2002 in werking te laten treden. Aangezien een aantal uitvoeringsbesluiten op deze datum nog niet gereed is, zal een overgangsperiode van toepassing zijn, die uiterlijk tot 1 januari 2004 zal duren. In het onderstaande wordt ingegaan op de consequenties hiervan voor de regelgeving op met name provinciaal niveau. Het Landelijk afvalbeheersplan vormt één van de belangrijkste nieuwe sturingsinstrumenten van het afvalstoffenbeleid. Een ontwerp van dit plan is op 28 januari 2002 voor inspraak ter inzage gelegd (Stcrt. 2002, nr. 19). Het streven is erop gericht om het Landelijk afvalbeheersplan zo spoedig mogelijk na verwerking van de inspraakreacties en een eventueel overleg met de Tweede Kamer vast te stellen en in werking te laten treden. Ik verzoek u te bewerkstelligen dat op dat moment de gebondenheid van de provincies aan het Tienjarenprogramma Afval 1995-2005 (TJP-A) en het Meerjarenplan Gevaarlijke Afvalstoffen II (MJP-GAII) komt te vervallen. Tegelijk met de inwerkingtreding van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012606) zal een aantal uitvoeringsregelingen in werking treden. Zo zal de [regelgeving met betrekking tot de Europese afvalstoffenlijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013546) (Eural) in werking treden. Hierover bent u reeds geïn"},{"i":10264,"b":"Circulaire melding door de scheepvaart van de voorgenomen afgifte van scheepsafval en ladingsresiduen aan havenontvangstvoorzieningen Circulaire Minister van Verkeer en Waterstaat 1. Achtergrond Ingevolge artikel 6, eerste lid, van [richtlijn nr. 2000/59/EG](32000L0059) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332) (hierna: de richtlijn) dient de kapitein van een schip, niet zijnde een vissersvaartuig of een pleziervaartuig waarmee ten hoogste 12 passagiers mogen worden vervoerd, dat op weg is naar een zeehaven in de Gemeenschap, het formulier van bijlage II bij de richtlijn waarheidsgetrouw en nauwkeurig in te vullen, en de informatie te verstrekken aan de voor dat doel door de lidstaat waarin de haven is gelegen aangewezen autoriteit of instantie. Op het formulier dienen gegevens te worden vermeld die het schip identificeren, de haven van afvaart en bestemming, de eerstvolgende aanloophaven en de vermoedelijke tijdstippen van aankomst in en vertrek uit de haven van bestemming. Daarnaast dient de kapitein aan te geven welke categorieën scheepsafval en ladingresiduen aan boord zijn, welke hoeveelheden het betreft, hoe groot de (afzonderlijke) opslagcapaciteit voor de verschillende categorieën afval is en of het voornemen bestaat het scheepsafval en de ladingresiduen geheel of gedeeltelijk af te geven aan een havenontvangstvoorziening. De richtlijn dient uiterlijk op 28 december 2002 in de Nederlandse rechtsorde te zijn geïmplementeerd. Als gevolg van diverse oorzaken is deze termijn niet gehaald. 2. In voorbereiding zijnde regelgeving Zonder toereikende wettelijke grondslag kan de meldplicht, neergelegd in artikel 6 van de richtlijn, niet worden toegevoegd aan de bestaande meldplichten voor de zeevaart die in de [Regeling communicatie en loodsaanvragen zeevaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010359) zijn opgenomen. Het ligt in de bedo"},{"i":10481,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Qatar inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Qatar, hierna te noemen: de Overeenkomstsluitende Partijen; Partijen zijnde bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld; Geleid door de wens een aanvullende overeenkomst bij dat Verdrag te sluiten, met het doel luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden in te stellen; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent, tenzij uit het zinsverband anders blijkt: - a. de uitdrukking „luchtvaartautoriteiten”, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat of de persoon of instantie die bevoegd is een van de thans door deze Minister uitgeoefende functies te vervullen; en, wat de Staat Qatar betreft, de Minister van Verbindingen en Vervoer of de persoon of instantie die bevoegd is een van de thans door deze Minister uitgeoefende functies te vervullen; - b. de uitdrukking „Verdrag” het Verdrag inzake de Burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld, met inbegrip van alle krachtens artikel 90 van dat Verdrag aanvaarde Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen van het Verdrag krachtens de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover die Bijlagen en wijzigingen door beide Overeenkomstsluitende Partijen zijn aanvaard; - c. de uitdrukking „aangewezen luchtvaartmaatschappij” een luchtvaartmaatschappij die overeenkomstig artikel III van deze Overeenkomst is aangewezen en gemachtigd; - d. de uitdrukking „tarief” de prijzen van het vervoer van passagiers en vracht, alsmede de voorwaarden waarop deze prijzen worden toegepast, met inbegrip van de prijzen en de voorwaarden die betrekking hebben op de diensten van agentschappen en andere hulpdi"},{"i":10507,"b":"Protocol betreffende de authentieke tekst in zes talen van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart The undersigned Governments Considering that the 31st Session of the Assembly, in Resolution A31-16, requested **inter alia**, the Council and the Secretary General to take the necessary measures to intensify the progressive use of the Chinese language in the International Civil Aviation Organization (ICAO) and to closely monitor these measures with the objective of achieving the utilization of the Chinese language in ICAO on the same level as the other languages in the Organization; Considering that the English text of the Convention on International Civil Aviation (hereinafter called the Convention) was opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Considering that, pursuant to the Protocol signed at Buenos Aires on 24 September 1968 on the Authentic Trilingual Text of the Convention on International Civil Aviation done at Chicago, 7 December 1944, the text of the Convention was adopted in the French and Spanish languages and, together with the text of the Convention in the English language, constitutes the text equally authentic in the three languages as provided for in the final clause of the Convention; Considering that a Protocol Relating to an Amendment to the Convention on International Civil Aviation and a Protocol on the Authentic Quadrilingual Text of the Convention on International Civil Aviation (Chicago, 1944) were adopted on 30 September 1977, providing for the authenticity of the text of the Convention and amendments thereto in the Russian language; Considering that a Protocol Relating to an Amendment to the Convention on International Civil Aviation and a Protocol on the Authentic Quinquelingual Text of the Convention on International Civil Aviation (Chicago, 1944) were adopted on 29 September 1995, providing for the authenticity of the text of the Convention and amendments thereto in"},{"i":10509,"b":"Protocol betreffende milieubescherming bij het Verdrag inzake Antarctica Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Protocol bij het Verdrag inzake Antarctica, hierna te noemen de Partijen, Overtuigd van de noodzaak het Antarctisch milieu en de daarvan afhankelijke en daarmee samenhangende ecosystemen beter te beschermen ; Overtuigd van de noodzaak het Antarctisch Verdragssysteem te verstevigen om te verzekeren dat Antarctica ook in de toekomst uitsluitend voor vreedzame doeleinden wordt gebruikt en niet het toneel wordt van strijd, noch het voorwerp van internationale geschillen; Indachtig de speciale wettelijke en politieke status van Antarctica en de speciale verantwoordelijkheid van de Consultatieve Partijen bij het [Verdrag inzake Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005237) om ervoor zorg te dragen dat alle activiteiten in Antarctica in overeenstemming zijn met de doelstellingen en beginselen van het Verdrag inzake Antarctica; Eraan herinnerend dat Antarctica is aangewezen als Speciaal Beschermd Gebied en verwijzend naar de andere krachtens het Antarctisch Verdragssysteem genomen maatregelen om het Antarctisch milieu en de daarvan afhankelijke en daarmee samenhangende ecosystemen te beschermen; Voorts erkennend de unieke mogelijkheden die Antarctica biedt voor wetenschappelijke waarneming en onderzoek van processen van zowel mondiale als regionale betekenis; Opnieuw de instandhoudingsbeginselen bevestigend van het[Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003305); Ervan overtuigd dat de ontwikkeling van een alomvattend stelsel ter bescherming van het Antarctisch milieu en de daarvan afhankelijke en daarmee samenhangende ecosystemen in het belang is van de gehele mensheid; Geleid door de wens het [Verdrag inzake Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005237) hiertoe aan te vullen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen"},{"i":10518,"b":"Protocol inzake vorderingen, gerechtelijke procedures en vrijwaring bij het Kaderverdrag inzake een multilateraal nucleair milieuprogramma in de Russische Federatie De Regering van het Koninkrijk België, de Regering van het Koninkrijk Denemarken, de Regering van de Republiek Finland, de Regering van de Franse Republiek, de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van het Koninkrijk Noorwegen, de Regering van de Russische Federatie, de Regering van het Koninkrijk Zweden, de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna te noemen de Partijen), Opnieuw hun wil bevestigend de doelstellingen te verwezenlijken van het [Kaderverdrag inzake een multilateraal nucleair milieuprogramma in de Russische Federatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001589), ondertekend op 21 mei 2003 (hierna te noemen „het Verdrag\"); Overtuigd van de noodzaak bepalingen vast te stellen om te waarborgen dat geen vorderingen op de Donorpartijen en hun medewerkers of aannemers, onderaannemers, adviseurs, leveranciers of toeleveranciers van uitrusting, goederen of diensten op elk niveau en hun medewerkers, wegens verlies of schade van welke aard ook dat of die voortvloeit uit activiteiten verricht uit hoofde van het Verdrag worden ingesteld door de Russische Partij en dat zij, indien dergelijke vorderingen door een derde worden ingesteld, worden gevrijwaard door de Russische Partij; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De omschrijvingen vervat in [artikel 2 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001589&artikel=2) zijn op dezelfde wijze en in dezelfde mate van toepassing op dit Protocol als waren zij hierin ten volle vervat. 2. Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder de volgende termen: kernschade: - (i). overlijden, persoonlijk letsel of verlies van of schade aan eigendommen dat of d"},{"i":10521,"b":"Protocol tot toetreding van de Europese Gemeenschap tot het Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart „EUROCONTROL\" van 13 december 1960, zoals meermalen gewijzigd en door het Protocol van 27 juni 1997 geconsolideerd De Republiek Albanië, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Republiek Cyprus, de Republiek Kroatië, het Koninkrijk Denemarken, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Finland, de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Helleense Republiek, de Republiek Hongarije, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Malta, de Republiek Moldavië, het Vorstendom Monaco, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, Roemenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Slovenië, het Koninkrijk Zweden, de Zwitserse Bondsstaat, de Tsjechische Republiek, de Republiek Turkije, en de Europese Gemeenschap, Gelet op het Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart „EUROCONTROL\" van 13 december 1960 zoals gewijzigd door het Additioneel Protocol van 6 juli 1970, op zijn beurt gewijzigd door het Protocol van 21 november 1978, het geheel gewijzigd door het Protocol van 12 februari 1981 en als herzien en geconsolideerd door het Protocol van 27 juni 1997, in het hiernavolgende „het Verdrag\" genoemd, en inzonderheid op artikel 40 hiervan; Gelet op de verantwoordelijkheden door het Verdrag tot instelling van de Europese Gemeenschap van 25 maart 1957, zoals herzien door het Verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997, toegekend aan de Europese Gemeenschap op bepaalde, door het Verdrag bestreken gebieden; Overwegende dat de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap, tevens Lid van EUROCONTROL zijnde, bij hun aanvaarding van het op 27 juni 1997 ter ondertekening opengestelde Protocol"},{"i":10528,"b":"Protocol van 1996 bij het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972 De verdragsluitende partijen bij dit Protocol, Benadrukkende de noodzaak het mariene milieu te beschermen en een duurzaam gebruik en het behoud van de mariene bronnen te bevorderen; Gelet in dit verband op hetgeen is bereikt binnen het kader van het [Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001013), en in het bijzonder op de ontwikkeling naar een benadering die is gebaseerd op voorzorg en voorkoming; Voorts gelet op de bijdrage in dit verband van aanvullende regionale en nationale instrumenten die gericht zijn op de bescherming van het mariene milieu en die rekening houden met de specifieke omstandigheden en behoeften van de desbetreffende regio’s en Staten; Opnieuw bevestigend de waarde van een mondiale aanpak van deze zaken en met name het belang van voortdurende samenwerking en medewerking tussen de verdragsluitende partijen bij de implementatie van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001013) en het Protocol; Erkennende dat het wenselijk kan zijn op nationaal of regionaal niveau strengere maatregelen aan te nemen met betrekking tot de voorkoming en beëindiging van verontreiniging van het mariene milieu veroorzaakt door het storten in zee dan die welke zijn voorzien in internationale verdragen of andere overeenkomsten met mondiale reikwijdte; Rekening houdend met de desbetreffende internationale overeenkomsten en acties, met name het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172), de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling en Agenda 21; Eveneens erkennende de belangen en capaciteiten van in ontwikkeling zijnde Staten en met name van kleine eilandstaten die in ontwikkeling zijn; Ervan overtuigd"},{"i":10531,"b":"Besluit van 23 november 1990, tot vaststelling van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 4 mei 1990, nr. J. 905759, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de [artikelen 1, derde lid, en 2, tweede lid, van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1) (**Stb.** 1989, 252); De Raad van State gehoord (advies van 10 juli 1990, no. W11.90.0201); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 8 november 1990, nr. J. 9013303, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. landgoed: landgoed als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1); - b. houtopstanden: houtopstanden niet zijnde kweekgoed, kerstboomteelten, laagstamboomgaarden of snijgrienden; - c. buitenplaats: onroerende zaak met daarop gelegen een in oorsprong versterkt huis, een kasteel, een buitenhuis of een landhuis, eventueel met bijgebouwen, met een architectonisch daarmee verbonden historische tuin of historisch park van ten minste één hectare waarvan de aanleg dateert van vóór 1900 en herkenbaar aanwezig is, indien dit complex, dan wel ten minste één van de onderdelen daarvan, een rijksmonument als bedoeld in [artikel 1.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1) is; - d. natuurterrein: terrein bestaande uit bij ministeriële regeling aangewezen natuurtypen of landschapselementtypen; - e. Onze Ministers: Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Financiën; - f. economische eigendom: economische eigendom als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":10533,"b":"Regeling aanvraag in- of overschrijving van luchtvaartuigen in het luchtvaartuigregister Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Algemeen 1. Bij de aanvraag voor de inschrijving of overschrijving van een luchtvaartuig in het Nederlandse luchtvaartuigregister moeten de in de volgende artikelen genoemde gegevens worden ingediend. 2. De in het eerste lid bedoelde gegevens moeten in het algemeen op een zodanig tijdstip worden ingediend, dat de beoordeling of de inschrijving of overschrijving van het betrokken luchtvaartuig in het luchtvaartuigregister kan geschieden, tijdig kan plaatsvinden. Hoofdstuk II. Inschrijving Artikel 2. Gegevens inzake het luchtvaartuig 1. Bij de aanvraag voor een inschrijving in het luchtvaartuigregister moet een bewijs van eigendom van het luchtvaartuig worden ingediend. 2. Indien het luchtvaartuig vanuit het buitenland wordt ingevoerd, moeten worden ingediend: - a. een bewijs van eigendom van het luchtvaartuig; - b. een bewijs, dat alle bij de invoer vereiste douaneformaliteiten zijn vervuld, dan wel een door het Ministerie van Financiën afgegeven vrijstelling tot voorafgaande vervulling van de douaneformaliteiten; - c. een bewijs, dat het luchtvaartuig niet in het buitenland is ingeschreven; - d. een algemene beschrijving van het luchtvaartuig met vermelding van het aantal en type van de motor(en) en de luchtschroef(ven). Artikel 3. Gegevens inzake de aanvrager 1. Indien de aanvrager een natuurlijk persoon is, moet een niet langer dan zes maanden voor de aanvraag afgegeven, de aanvrager betreffend gewaarmerkt afschrift van de gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens inzake naam, woonadres en nationaliteit, worden ingediend, dan wel een daaraan gelijkwaardig document, afgegeven door de bevoegde autoriteit van de betreffende lidstaat van de Europese Unie of van de betreffende staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. 2. Indien het luchtvaartuig eigendom is van twee of meer natuurlijke p"},{"i":10538,"b":"Regeling van de Staatssecretarissen van Verkeer en Waterstaat en van Defensie, houdende aanwijzing van gebieden binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam, waar buitenlandse instanties luchtverkeersdienstverlening geven (Regeling aanwijzing gebieden voor luchtverkeersdienstverlening door buitenlandse instanties 2005) Gelet op [artikel 5.14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.14); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: ACC: Area Control Centre; AMSL: boven gemiddeld zeeniveau (above mean sea level); APP: Approach Control; CTR: plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied (Control Zone); FL: vliegniveau (Flight Level); ft: voet (feet); NM: nautische mijl; **OAT:** vluchten die niet worden uitgevoerd overeenkomstig de ICAO-regelgeving en -procedures en waarvoor specifieke regels en procedures zijn opgesteld door de Minister van Defensie of de Minister van Verkeer en Waterstaat (Operational Air Traffic); TCC: Terminal Control Centre; TCC/RP Semmerzake: Traffic Control Centre/RP Semmerzake; TMA: naderingsverkeersleidingsgebied (Terminal Control Area); UAC: Upper Area Control Centre; UTA: algemeen verkeersleidingsgebied (Upper Control Area). Artikel 2 Als gebied, waar aan het luchtverkeer, met uitzondering van OAT, luchtverkeersdiensten worden verleend door Brussel ACC volgens de regels behorende bij luchtverkeersdienstverleningsklasse C wordt aangewezen het gebied als aangegeven in de bij deze regeling behorende [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018273&bijlage=A&z=2009-12-17&g=2009-12-17), en deel uitmakend van het Amsterdam UTA, met een ondergrens van FL 195 en een bovengrens van FL 245, voor zover lateraal begrensd door: - –. de noordgrens: een lijn tussen de posities: 51°15’21” NB 005°33’24” OL, en 51°14’46” NB 006°04’54” OL, - –. de oost-, zuid- en westgrens: de grenzen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam. Artikel 3 Als gebied, waar aan het luchtverke"},{"i":10540,"b":"Regeling van de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Defensie van 22 februari 2019, kenmerk 2503605, houdende aanwijzing van luchtvaartterreinen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba waarop de Koninklijke marechaussee de politietaak uitvoert (Aanwijzing luchtvaartterreinen BES waarop de Koninklijke marechaussee de politietaak uitvoert) Gelet op [artikel 5, eerste lid onder c, van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De Koninklijke marechaussee voert de politietaak uit op de volgende luchtvaartterreinen: - a. Flamingo Luchthaven op Bonaire; - b. F.D. Roosevelt vliegveld op Sint Eustatius; - c. Juancho Yrausquin vliegveld op Saba. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 oktober 2010. Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":10556,"b":"Regeling van 21 juni 2021, nr. 3366665 houdende voorschriften voor de beveiliging op de luchthavens van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling beveiliging burgerluchtvaart BES 2021) Gelet op de [Artikelen 22g, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=22g), [22l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=22l), [22p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=22p), [22q, eerste lid, onder c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=22q), [22s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=22s), [22x, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=22x) en [22y, tweede lid, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=22y); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoeringswet EG-verordening 300/2008 in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder wet: de [Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549). Artikel 2 1. De aanvraag om instemming van de ingebruikname van detectieapparatuur, bedoeld in [artikel 22l, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=22l), wordt door de exploitant van een luchtvaartterrein, door tussenkomst van de commandant van de Koninklijke marechaussee ingediend bij de Minister van Justitie en Veiligheid. 2. Met het oog op de instemming door de Minister van Justitie en Veiligheid adviseert de commandant van de Koninklijke marechaussee de Minister van Justitie en Veiligheid over de ingebruikname van de detectieapparatuur. Artikel 3 Een beveiligingscontrole als bedoeld in [artikel 22q, eerste lid, onder c en d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=22q) wordt verricht indien bij een verhoogde dreiging op grond van een risicoanalyse de Minister van Justitie en Veiligheid daartoe beslist. Artikel 4 Verboden voorwerpen als bedoeld in [artikel 22s, onder b, van de wet](https://wetten.overheid."},{"i":10564,"b":"Regeling burgerluchtvaartinlichtingen BES Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **Aeronautical Fixed Service (AFS):** een communicatie-netwerk voor luchtverkeersdiensten; - **Aeronautical Information Circular (AIC):** een circulaire voor de luchtvaart met inlichtingen die niet in aanmerking komen voor publicatie in een NOTAM of de AIP, maar wel in verband staan met de vliegveiligheid, de vluchtuitvoering of technische, administratieve of wetgevende aangelegenheden; - **Aeronautical Information Services (AIS):** een dienst die is belast met het geven van luchtvaartinlichtingen en/of luchtvaartdata die nodig zijn voor de veiligheid, regelmaaten efficiëntie van het luchtverkeer binnen de Flamingo CTR, Rooseveld ATZ en Yrausquin ATZ, als bedoeld in de [Regeling aanwijzing luchtruim en aanwijzing luchtverkeersdienstverleners BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028797) - **amendement:** permanente verandering van de inlichtingen in de luchtvaartgids; - **bijlage 15:** Aeronautical Information Services, 10e editie van Bijlage 15 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (ICAO) gesloten op 7 december 1944 te Chicago (Trb. 1973,109); - **international NOTAM office:** de luchtvaartinlichtingendienst die door de Minister is aangewezen voor het internationaal uitwisselen van NOTAM’s; - **luchtvaartgids:** een uitgave onder verantwoordelijkheid van de Minister van Verkeer en Vervoer met luchtvaartinlichtingen van blijvende aard essentieel voor de vluchtuitvoering; - **luchtvaartkaart:** een afbeelding van een deel van de aarde, de bebouwing en verhevenheid, specifiek bestemd om aan de eisen van de luchtvaartnavigatie te voldoen; - **Notice to Airmen (NOTAM):** een bericht aan luchtvarenden gedistribueerd middels telecommunicatie met inlichtingen over de instelling, toestand, of verandering van enige luchtvaartfaciliteit, -dienstverlening, -procedure of -gevaar, waarvan het noodzakelijk is dat personen die b"},{"i":10574,"b":"Regeling inzake de erkenning van EG-beroepskwalificaties met betrekking tot de luchtvaart en de erkenning van buitenlandse bewijzen van bevoegdheid voor luchtverkeersleiders (Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties en bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart) § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu; wet: [Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066). Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op - a. de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot de uitoefening van de gereglementeerde beroepen waarvoor een bewijs van bevoegdheid dan wel een geldig bewijs van gelijkstelling is vereist als bedoeld in de [artikelen 2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.1), en [3.30, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.30), voor zover het beroep van de migrerende beroepsbeoefenaar valt onder de werking van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066); - b. de schriftelijke verklaring, bedoeld in [artikel 23, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=23), met betrekking tot de uitoefening van een gereglementeerd beroep waarvoor een bewijs van bevoegdheid dan wel een geldig bewijs van gelijkstelling is vereist als bedoeld in de [artikelen 2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.1), en [3.30, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.30), voor zover het beroep van de migrerende beroepsbeoefenaar valt onder de werking van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066); - c. de erkenning van een bewijs van bevoegdheid, bedoeld in [artikel 2.8 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.8). § 2. Erkennin"},{"i":10597,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, houdende regels inzake inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen (Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen) Gelet op richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194), zoals laatstelijk gewijzigd bij beschikking nr. 96/350/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 mei 1996 houdende aanpassing ingevolge artikel 17 van de bijlagen IIA en IIB (PbEG L 135/32) en richtlijn nr. 75/439/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PbEG L 194), zoals gewijzigd door richtlijn nr. 87/101/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 december 1986 tot wijziging van [Richtlijn 75/439/EEG](31975L0439) inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PbEG L 42), alsmede de [artikelen 10.45, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.45), en [10.55, vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.55) en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016530&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016530&artikel=4) en [10, tweede lid, van het Besluit inzamelen afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016530&artikel=10); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit inzamelen afvalstoffen in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245); - b. besluit: [Besluit inzamelen afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016530); - c. vervoeren: voor anderen tegen vergoeding vervoeren; - d. lijst van inzamelaars: lijst van inzamelaars als bedoeld in [artikel 10.45, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten"},{"i":10602,"b":"Regeling tot uitvoering van enige artikelen van de Luchtvaartwet inzake de vaststelling en afdracht van luchtvaartheffingen (Regeling luchtvaartheffingen) Gelet op de [artikelen 77a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=77a), en [77c van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=77c); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: configuratie: combinatie van kenmerken van een luchtvaartuig die van invloed is op de geluidsproductie van dat luchtvaartuig; functionaris: functionaris van de exploitant van een luchthaven, aangewezen op grond van [artikel 8a.39, derde lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.39); heffingen: heffingen als bedoeld in [titel 8A.3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&titeldeel=8A.3); minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat; **vlucht:** verplaatsing van het luchtvaartuig gedurende het tijdsverloop dat het in beweging komt met de bedoeling om op te stijgen, tot het ogenblik dat het weer volledig tot stilstand is gekomen na de landing; wet: [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555); winterseizoen: periode van de laatste zondag van oktober tot en met de laatste zaterdag van maart; zomerseizoen: periode van de laatste zondag van maart tot en met de laatste zaterdag van oktober. Artikel 2 De functionaris stelt voor elke landing van een luchtvaartuig de geluidsheffing vast: - a. op basis van de configuratie van het luchtvaartuig, blijkend uit de in overeenstemming met [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019721&artikel=3&z=2024-07-01&g=2024-07-01) of [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019721&artikel=4&z=2024-07-01&g=2024-07-01) door de eigenaar of houder van het luchtvaarttuig ter beschikking gestelde informatie, dan wel - b. op basis van de maximale geluidsproductie van het desbetreffende vliegtuigtype. Artikel 3 1. De eigenaar of houder van ee"},{"i":10604,"b":"Regeling luchtvaartmeteorologische inlichtingen BES 2010 Handelende in overeenstemming met de minister van Defensie; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012952&artikel=3), [3a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012952&artikel=3a), en [8b van de wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012952&artikel=8b) en [artikel 26, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit luchtvaart BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028639&artikel=26); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **AERODROME WARNING:** een waarschuwing aan luchtvaartterreinverkeer op de grond voor onweer, hagel, sneeuw, ijzel, rijp, harde wind, windstoten of vorst; - **AIREP:** een rapport dat vanuit een luchtvaartuig tijdens de vlucht wordt verstrekt met informatie over positie en operationele of meteorologische omstandigheden (air report); - **AUTO METAR:** volledig automatisch tot stand gekomen uurlijks waarnemingsrapport van een luchtvaartterrein in luchtvaartmeteorologische code in gebruik voor de voorbereiding van een vlucht (automated meteorological aerodrome report); - **AUTO SPECI:** volledig automatisch tot stand gekomen tussentijds waarnemingsrapport in luchtvaartmeteorologische code bij overschrijding van limietwaarden of andere significante verandering in gebruik voor de voorbereiding van een vlucht (automated special report); - **BES luchtruim:** die delen van het luchtruim in het Vluchtinformatiegebied Curaçao en het Vluchtinformatiegebied San Juan waarbinnen de Minister van Infrastructuur en Milieu de verantwoordelijkheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten heeft aanvaard, te weten Flamingo CTR, F.D. Roosevelt ATZ en Yrausquin ATZ; - **BE"},{"i":10607,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat houdende regels inzake luchtvaartvertoningen (Regeling luchtvaartvertoningen) Gelet op [artikel 158, tweede lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=158); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. De begripsbepalingen van de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op deze regeling. 2. Voorts wordt in deze regeling verstaan onder: - **baan**: een al dan niet verhard gedeelte van het terrein, waar de luchtvaartvertoning wordt gehouden, bestemd voor het opstijgen en landen van demonstratietoestellen; - **beoordelaar**: een door de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart aangewezen persoon die bedreven is in het beoordelen van kunstvluchten; - **deelnemer**: een persoon die op basis van [artikel 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016301&paragraaf=4&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01), als deelnemer tot de luchtvaartvertoning is toegelaten; - **demonstratietoestel**: een luchtvaartuig dat onderdeel uitmaakt van de luchtvaartvertoning, onderverdeeld in de volgende categorieën: - 1°. categorie A: vliegtuig, zweefvliegtuig, helikopter, luchtschip; - 2°. categorie B: vrije ballon; - 3°. categorie C: zeilvliegtuig, schermvliegtuig, valschermzweeftoestel, valscherm, modelvliegtuig, kabelvlieger, kleine ballon en paramotortrike; - **langsvlucht**: een vlucht waarbij een demonstratietoestel in een éénparige en rechte lijn boven het vertoningterrein vliegt; - **luchthaveninformatieverstrekker**: een persoon met een bewijs van bevoegdheid als bedoeld in [artikel 18, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=18), dat geldig is voor de luchtvaartvertoning; - **luchtvaartvertoning**: een evenement met één of meer demonstratietoestellen in de lucht, geor"},{"i":10609,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 13 juli 2007, nr. ARBO/P&G/07/16527, houdende mandatering van bevoegdheden aan de Inspectie Verkeer en Waterstaat Besluiten: Artikel 1 De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, bedoeld in [artikel 10, vierde lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=10), zijn bevoegd tot het beoordelen van aanvragen om een aanwijzing op grond van [artikel 20, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=20) ten behoeve van het certificeren van hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen aan boord van schepen en het adviseren van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten aanzien van het verlenen van een dergelijke aanwijzing. Artikel 2 De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, bedoeld in [artikel 10, vierde lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=10), zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [artikel 20, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=20) ten aanzien van een aanwijzing op grond van [artikel 20, eerste lid, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=20) ten behoeve van het certificeren van hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen aan boord van schepen. Artikel 3 1. Jaarlijks rapporteert de Inspectie Verkeer en Waterstaat voor 1 april schriftelijk aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de werkzaamheden die in het voorafgaande kalenderjaar in het kader van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022302&artikel=1&z=2008-03-01&g=2008-03-01) genoemde aanwijzing zijn verricht. 2. De rapportage gaat vergezeld van een advies over de te nemen maatregelen. 3. Op verzoek van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid"},{"i":10612,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 27 juni 2019, nr. IENW/BSK-2019/104331, houdende vaststelling van de Regeling melden voorvallen in de burgerluchtvaart 2019 (Regeling melden voorvallen in de burgerluchtvaart 2019) Gelet op [artikel 7.1, eerste en tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=7.1); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de wet tot wijziging van de Wet luchtvaart ter implementatie van Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn nr. 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1321/2007 en (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie (PbEU 2014, L 122) in werking treedt (Stb. 2019/243). De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ABL:** Analyse Bureau Luchtvaartvoorvallen ondergebracht bij de Inspectie Leefomgeving en Transport; - b. **verplichte melder:** melder als bedoeld in artikel 4, zesde lid, van de verordening voorvallen, voor zover het betreft de in dat lid bedoelde verplichting tot melden via het systeem dat door de Staat is opgezet. Artikel 2 1. De verplichte melder meldt een voorval bij het ABL. 2. De melding wordt gedaan op een overeenkomstig bijlage 1 bij de verordening voorvallen ingericht meldingsformulier, zoals opgenomen op de website van de Inspectie Leefomgeving en Transport: https://www.ilent.nl/, onder: Voorvallen luchtvaart. Artikel 3 1. Eenieder kan een voorval of andere veiligheidgerelateerde informatie die door de melder als een feitelijk of potentieel gevaar voor de luchtvaartveiligheid wordt beschouwd vrijwillig melden bij het ABL. 2. Het [tweede lid van artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":10617,"b":"Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op de [artikelen 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=44), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=45) en [56 van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=56); Besluit: Paragraaf 1. Minimum VFR-vlieghoogte Artikel 1. Vaststelling minimum VFR-vlieghoogte voor militaire vliegtuigen 1. De minimum vlieghoogte, bedoeld in paragraaf SERA.5005, onderdeel f, onder 2, van verordening (EU) nr. 923/2012, bedraagt voor militaire vliegtuigen, met uitzondering van voor opleidingsdoeleinden bestemde propellervliegtuigen, 300 meter (1.000 voet). 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de minimum vlieghoogte, bedoeld in paragraaf SERA.5005, onderdeel f, onder 2, van verordening (EU) nr. 923/2012: - a. 365 meter (1.200 voet) voor militaire straalvliegtuigen in het luchtverkeersdienstverleningsgebied met klasse G; - b. 450 meter (1.500 voet) voor militaire vliegtuigen boven de Waddenzee, met uitzondering van vluchten in de naderingsgebieden van de schietrange Vliehors. Artikel 2. Laagvliegroutes militaire straal- en transportvliegtuigen 1. [Artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035356&paragraaf=1&artikel=1&z=2014-12-12&g=2014-12-12) is van maandag tot en met donderdag niet van toepassing op gezagvoerders van Nederlandse en bondgenootschappelijke militaire straalvliegtuigen en op gezagvoerders van militaire transportvliegtuigen, behorende tot of in gebruik bij de Nederlandse en de bondgenootschappelijke strijdkrachten, indien zij een VFR-vlucht uitvoeren langs de routes, vermeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035356&bijlage=A&z=2014-12-12&g=2014-12-12). 2. Tijdens de vluchten, genoemd in het eerste lid, gelden de volgende voorwaarden: - a. de minimum vli"},{"i":10622,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 oktober 2007, nr. DGM2007088466, houdende eisen aan nucleaire drukapparatuur en eisen aan instellingen die toezicht houden op nucleaire drukapparatuur (Regeling nucleaire drukapparatuur) Gelet op [artikel 21 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=21) en op [artikel 19 van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=19) in samenhang met [artikel 120 van het Besluit stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012702&artikel=120); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen, enz. (nucleaire drukapparatuur) (Stb. 2007/428) in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - vergunninghouder: houder van een vergunning als bedoeld in [artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15). Artikel 2 1. Het in [artikel 21, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=21) gestelde verbod geldt mede voor gebruik in een inrichting als bedoeld in [artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15), van door de Minister aangewezen niet speciaal voor nucleair gebruik in een dergelijke inrichting ontworpen drukapparatuur die bij defecten de verspreiding van radioactiviteit kan veroorzaken. 2. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde drukapparatuur is artikel 21, tweede, derde en vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, en onderdeel b, vijfde lid en zevende en achtste lid, van het [Besluit kerninstallaties splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667) van overeenkomstige toepa"},{"i":10628,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 7 februari 2022, nummer CvTE22.00407, houdende preliminaire vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het havo voor 2024 en in het vwo voor 2025 van de vakken biologie, natuurkunde en scheikunde Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, bedoeld in [artikel 2, achtste lid, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2), gegeven op 16 maart 2022, kenmerk 31950637, Besluit: Artikel 1. Preliminaire vaststelling syllabi in het havo ten behoeve van het examenjaar 2024 Vervallen Artikel 2. Preliminaire vaststelling syllabi in het vwo ten behoeve van het examenjaar 2025 Vervallen Artikel 3. Bekendmaking syllabi De syllabi bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046467&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046467&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) worden bekendgemaakt op [www.examenblad.nl](http://www.examenblad.nl). Artikel 4. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046467&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) vervalt met ingang van 1 januari 2025. 3. [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046467&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) vervalt met ingang van 1 januari 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10634,"b":"Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995 Gelet op de [artikel 13, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006309&artikel=13) en de [artikelen 6.02, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.02), en [8.06, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=8.06); Besluit: Artikel 1 1. Als vaarwegen of gedeelten daarvan, waar overdag met een snelle motorboot mag worden gevaren met een grotere snelheid dan 20 km/u worden aangewezen: - a. vervallen; - b. de Waddenzee, binnen de betonning in de vaargeulen van: - 1). zee naar de havens van Den Helder, Oude Schild en Den Oever via respectievelijk het Marsdiep, de Texelstroom en het Visjagersgaatje; - 2). Den Helder naar de havens Kornwerderzand en Harlingen via de Texelstroom, Doove Belg en Boontjes; - 3). zee naar de havens van Harlingen via de Vliestroom en de Blauwe Slenk; - 4). zee naar de haven Lauwersoog via de Zoutkamperlaag ; en - 5). de veerbootroutes van en naar de Waddeneilanden. - c. de Texelstroom, ten noorden van de lijn gevormd door de verbinding tussen de tonnen T 12 en T 14, en ten zuiden van de haven van Oudeschild; - d. vervallen; - e. het IJsselmeer en het Markermeer, met uitzondering van: - 1. de betonde vaargeulen; - 2. het gebied aan de landzijde van de aanvullende markering; - 3. het gebied binnen een afstand van 250 m uit de oevers; - f. de Gouwzee: het door gele tonnen gemarkeerde gebied; - g. het IJmeer, met uitzondering van: - 1. de betonde vaargeulen; - 2. het gebied ten zuiden van de lijn gevormd door de verbinding tussen de zuidelijke punt van de leidam te Pampushaven, het eiland Pampus en de meest westelijke punt van het P.E.N.-eiland; - 3. het gebied ten noorden van de Pampusgeul en ten westen van de lijn vanaf ton P11 richting zuidoostelijke punt in de Uitdammerdijk ten zuiden van de kerk van Uitdam; - 4. het gebied aan de landzijd"},{"i":10640,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 12 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241280, houdende vaststelling regels in verband met de implementatie van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en de sturing van en het toezicht op de Luchtverkeersleiding Nederland (Regeling sturing van en toezicht op de Luchtverkeersleiding Nederland) Gelet op de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=26) en [32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=32) en de [artikelen 5.32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.32), en [5.42, eerste en tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.42); BESLUIT: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **de Kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495). - **common requirements:** uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 van de Commissie tot vaststelling van de gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten en tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 482/2008](32008R0482) en (EU) [nr. 691/2010](32010R0691) (PbEU L271); - **de begroting:** de jaarlijkse financiële begroting, bedoeld in [artikel 5.40, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.40); - **de minister:** de Minister van Infrastructuur en Milieu; - **de wet:** de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555); - **verordening inzake prestatiesturing:** verordening (EU) nr. 691/2010 van 29 juli 2012 tot vaststelling van een prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties en tot wijziging van [Verordening (EG) nr. 2096/2005](32005R2096) tot vaststelling van gemeenschappelijk eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten (PbEU L201). § 2. Bestuur en raad van toezi"},{"i":10655,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 25 oktober 2013, nr. IENM/BSK-2013/109180, houdende regels betreffende de veiligheid van burgermedegebruik door tussenkomst van een burgerexploitant op militaire luchthavens (Regeling veiligheidseisen burgerexploitant militaire luchthavens) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op de [artikelen 10.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.11), in samenhang met [8a.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.1), en [8a.3, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.3); Besluit: Artikel 1 Deze regeling is van toepassing op het burgermedegebruik door tussenkomst van een burgerexploitant op een militaire luchthaven. Artikel 2 1. De burgerexploitant draagt er zorg voor dat het burgermedegebruik plaatsvindt overeenkomstig de eisen ten aanzien van de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het gebruik zoals die gelden op basis van [hoofdstuk 2, afdeling 3, van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&afdeling=3), met dien verstande dat: - a. een aanbeveling als bedoeld in de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&artikel=10) en [11 van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&artikel=11) niet van toepassing is, indien vanwege van kracht zijnde militaire veiligheidseisen naleving van een dergelijke aanbeveling door de burgerexploitant niet mogelijk is. - b. de voorschriften 3.4.7, 9.9.1 en 9.9.2 als bedoeld in [artikel 10 van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026570&artikel=10) niet van toepassing zijn op een verkleind geleideblok van een vliegtuigafreminstallatie voor militair gebruik; 2. Van de eisen, bedoeld in de aanhef van het eerste lid kan, m"},{"i":10659,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 16 oktober 2020, nr. IENW/BSK-2020/175451, houdende vaststelling van de Regeling vergoedingen waterschapsverkiezingen Gelet op [artikel 98, tweede lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=98); BESLUIT: Artikel 1 1. De som van de vergoedingen die de waterschappen gezamenlijk verschuldigd zijn krachtens [artikel 98, tweede lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=98) is: - a. voor de periode 2020 tot en met 2023 gelijk aan € 11,2 miljoen; - b. voor de periode 2024 tot en met 2027 gelijk aan € 11,2 miljoen, geïndexeerd overeenkomstig de consumentenprijsindex over de periode 2021 tot en met 2023, zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek; - c. voor elke volgende periode van vier kalenderjaren gelijk aan het bedrag dat verschuldigd was in de daaraan voorafgaande periode van vier kalenderjaren, geïndexeerd overeenkomstig de consumentenprijsindex over de laatstgenoemde periode van vier kalenderjaren, zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek. 2. De waterschappen zijn voor de periode 2026 tot en met 2027 in aanvulling op het eerste lid, onderdeel b, gezamenlijk een vergoeding verschuldigd voor de gebleken meerkosten van de organisatie van de verkiezingen van de leden van het algemeen bestuur van € 2,0 miljoen. 3. Het aandeel van een afzonderlijk waterschap in de som van de vergoedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt bepaald op basis van het aandeel van het waterschap in het totale aantal kiesgerechtigde ingezetenen van de waterschappen tezamen tijdens de laatst gehouden waterschapsverkiezingen. Artikel 2 1. De vergoeding die een waterschap per kalenderjaar verschuldigd is, bedraagt een vierde van het op basis van [artikel 1, eerste lid, in samenhang met het derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044240&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) voor het waterschap bepa"},{"i":10663,"b":"Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen Gelet op [artikel 26, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=26), en op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2) en [5, derde lid, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=5); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - b. **bevoegde autoriteit:** - 1°. Minister, - 2°. een in [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=4&z=2025-08-14&g=2025-08-14) bij deze regeling erkende instantie, of - 3°. een met toepassing van de [Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026901) erkende instantie; - c. **ADN:** Accord Européen relatif au Transport International des Marchandises Dangereuses par voie de Navigation (ADN). 2. De in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=1&z=2025-08-14&g=2025-08-14) opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing op de [bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=2&z=2025-08-14&g=2025-08-14), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=3&z=2025-08-14&g=2025-08-14) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=4&z=2025-08-14&g=2025-08-14), voor zover daarin niet anders is bepaald. Artikel 2 1. Bij deze regeling behoren de volgende bijlagen: - a. [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=1&z=2025-08-14&g=2025-08-14): voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren, zijnde de Nederlandse vertaling van het ADN en de daarvan deel uitmakende bijlagen; - b. [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=2&z=2025-08-14&g=2025-08-14): Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen; - c. [bijlage 3](https://wet"},{"i":10666,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende regels ter uitvoering van het Besluit vluchtuitvoering (Regeling vluchtuitvoering) Gelet op: Bijlage 6 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; De [artikelen 2.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.10), en [4.8 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=4.8); De [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020111&artikel=5), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020111&artikel=6), en [7, eerste lid, van het Besluit vluchtuitvoering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020111&artikel=7); [Artikel 159, eerste lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=159); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt. § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **Deel-ARO:** deel betreffende eisen voor autoriteiten organisaties betreffende vluchtuitvoeringen, bijlage II bij [verordening 965/2012](32012R0965); - **Deel-ORO:** deel betreffende eisen voor organisaties met betrekking tot vluchtuitvoeringen, bijlage III bij [verordening 965/2012](32012R0965); - **Deel-SPA:** deel betreffende specifieke goedkeuringen, bijlage V bij [verordening 965/2012](32012R0965); - **Deel-SPO:** deel betreffende gespecialiseerde vluchtuitvoeringen, bijlage VIII bij [verordening 965/2012](32012R0965); - **taakuitvoering in de Kustwacht:** taakuitvoering in de Kustwacht als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling organisatie Kustwacht Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042251&artikel=1) of taakuitvoering in de Kustwacht als bedoeld in [artikel 2 van de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023731&artikel=2); - **verdrag:** het op 7 december 1944 te Chicago tot"},{"i":10673,"b":"Rijkswet van 18 oktober 2001, houdende goedkeuring van het op 2 maart 2000 te Oranjestad, Aruba, totstandgekomen Verdrag inzake samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende toegang tot en gebruik van faciliteiten in de Nederlandse Antillen en Aruba voor drugsbestrijding vanuit de lucht (Trb. 2000, 34) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 2 maart 2000 te Oranjestad, Aruba, totstandgekomen Verdrag inzake samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende toegang tot en gebruik van faciliteiten in de Nederlandse Antillen en Aruba voor drugsbestrijding vanuit de lucht ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 2 maart 2000 te Oranjestad, Aruba, totstandgekomen Verdrag inzake samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende toegang tot en gebruik van faciliteiten in de Nederlandse Antillen en Aruba voor drugsbestrijding vanuit de lucht, waarvan de tekst is geplaatst in Tractatenblad 2000, 34, wordt goedgekeurd voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Artikel 2 Onze Minister van Buitenlandse Zaken zendt binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze rijkswet, en vervolgens telkens na een jaar, aan de Staten-Generaal, de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van het in artikel 1"},{"i":10677,"b":"Besluit van 18 december 2000, houdende regels ter uitvoering van het op 9 september 1996 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (Trb. 1996, 293) (Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 13 oktober 1999, nr. CDJZ/WVW 1999-1325, gedaan mede namens Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Justitie; Gelet op het op 9 september 1996 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (Trb. 1996, 293), alsmede de [artikelen 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682&artikel=1), [2f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682&artikel=2f), [28c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682&artikel=28c), [28e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682&artikel=28e), [28i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682&artikel=28i) en [28k van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682&artikel=28k), de [artikelen 8.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.44), [10.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.4) en 10.35a, tweede lid, van de Wet milieubeheer, [artikel 929a, eerste en tweede lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=929a) en de [artikelen 4:77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:77) en [4:79 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:79); De Raad van State gehoord (advies van 31 januari 2000, nr. W09.990513/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2000, nr. CDJZ/WVW 2000-1290, Centrale Directie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milie"},{"i":10687,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 18 juli 2016, nr. IGG-2016.380605, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) met het oog op subsidiëring van activiteiten op het gebied van waterveiligheid en waterzekerheid die strekken tot inclusieve groene groei gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water worden ingediend in twee openstellingen. 2. Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water kunnen worden ingediend vanaf 26 september 2016 tot en met 27 februari 2017, 15.00 uur Nederlandse tijd. 3. Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water kunnen worden ingediend vanaf 1 oktober 2017 tot en met 5 februari 2018, 15.00 uur Nederlandse tijd. 4. Aanvragen voor een voucher in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water kunnen worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 8 december 2017. 5. Aanvragen voor subsidies en vouchers in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam water worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de"},{"i":10724,"b":"Vaststelling model van bewijs van luchtwaardigheid Gelet op [artikel 73, tweede lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=73) (Stb. 1978, 99), Besluit: Artikel 1. – Vaststelling model Het model van het bewijs van luchtwaardigheid is overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage A. Artikel 2. – Intrekking De regeling van de directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst van 28 november 1980, nr. LI/13556, wordt ingetrokken. Deze regeling wordt geplaatst in de Staatscourant. De in deze regeling genoemde bijlage ligt ter inzage bij de Directie Luchtvaartinspectie van de Rijksluchtvaartdienst, Saturnusstraat 71 te Hoofddorp."},{"i":10726,"b":"Vaststelling selectielijst OCW en Verkeer en Waterstaat Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, nr. arc-2002.4316/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de [daarbij behorende selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10727,"b":"Vaststelling selectielijst Openluchtrecreatie Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 12 februari 1999, nr. arc-98.2213/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ’openluchtrecreatie’ over de periode 1945-1996, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken, voor wat betreft archiefbescheiden binnen het beleidsterrein ’openluchtrecreatie’, de ’Lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in de archieven van het Ministerie van Landbouw en Visserij en in de archieven van de onder dat Ministerie ressorterende commissies en ambtenaren’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, nr. PAZ 400, Afdeling Post- en Archiefzaken d.d. 29 december 1966 en nr. 133349, Afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming d.d. 3 februari 1967, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, nr. [98.814.RD](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010016) d.d. 20 november 1998 (gepubliceerd in de Staatscourant nummer 22 van 2 februari 1999). Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":10725,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Kwaliteit van de Nederlandse wetgeving vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 december 2006, arc-2006.03247/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Kwaliteit van de Nederlandse wetgeving over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10729,"b":"Vaststelling vergoeding Technische commissie bodembeweging Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Technische commissie bodembeweging (de commissie) ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 249,58. 2. Voor werkzaamheden in het kader van de commissie, anders dan het bijwonen van een vergadering, ontvangt de voorzitter een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief dat is gebaseerd op salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), waarbij voor commissievergaderingen een voorbereidingstijd van 10 uur per vergadering wordt gerekend. Artikel 2 1. De andere leden van de Tcbb ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 124,79. 2. Voor werkzaamheden in het kader van de commissie, anders dan het bijwonen van een vergadering, ontvangen de leden een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief dat is gebaseerd op salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), waarbij voor commissievergaderingen een voorbereidingstijd van 6 uur per vergadering wordt gerekend. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10738,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Industrie- en technologiebeleid vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 juni 2006, nr. arc-2006.02959/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Industrie- en technologiebeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10739,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Landinrichting periode 1945-1993 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2005, nr. arc-2004.01772/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Landinrichting over de periode 1945–1993](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11451,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 maart 2017, nr. PO/1116263, houdende regels voor subsidieverstrekking voor het inzetten van kennis en competenties van masteropgeleide leraren in een lerarenteam ten behoeve van schoolontwikkeling (Subsidieregeling Teambeurs primair onderwijs) Gelet op [artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - •. **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - •. **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - •. **intern begeleider:** degene met coördinerende, begeleidende en innoverende taken met betrekking tot leerlingen in het basisonderwijs; - •. **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - •. **leraar:** persoon, die voldoet aan de bevoegdheidseisen, bedoeld in [artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=3), [artikel 3 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=3) of [artikel 3 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=3); - •. **lerarenbeurs:** subsidie verkregen op grond van de [Regeling lerarenbeurs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025844); - •. **lerarenteam:** samenwerkingsverband van ten minste twee leraren binnen een school"},{"i":11457,"b":"Telling referentieraming beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) 2003 - 2004 1. Inleiding In oktober 2003 is de telling referentieraming BVE 2003 -2004 gehouden. Deze publicatie verstrekt informatie over de procedure en op te vragen gegevens over de studiejaren 2002 - 2003 en 2003 - 2004. De volgende gegevens worden opgevraagd: De telformulieren en toelichtingsbrochure zijn begin oktober 2003 verzonden. De telling en de telformulieren zijn gewijzigd ten opzichte van de voorgaande jaren. Dit betreft het volgende onderdeel. De indeling op de telformulieren voor Educatie is volgens de nieuwe structuur die met de BTG Educatie en de Bve Raad is afgesproken en die ook zal worden gebruikt na invoering van het onderwijsnummer. In de rapportage wordt onderscheid gemaakt tussen trajecten mét en zónder NT2. De instellingen die nog niet in staat zijn te rapporteren volgens de nieuwe structuur, kunnen dit jaar nog volgens de oude indeling leveren. De procedure blijft verder ongewijzigd. 2. Doel van de telling Over de studiejaren 2002 - 2003 en 2003 - 2004 worden gegevens verzameld voor het door de minister te voeren beleid ten aanzien van het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. Het gaat daarbij om: 3. De telformulieren De formulierenset waarop de instelling de gegevens kan vermelden, bestaat uit: Indien invulling niet is toegestaan is deze ruimte dichtgekruist. Ieder telformulier zal van een barcode worden voorzien, waardoor de telformulieren van een instelling, tijdens de voortgang van het telproces, uniek zijn te identificeren. U wordt verzocht gebruik te maken van de door het ministerie voorbedrukte formulieren. Het gebruik van afwijkende modellen kan problemen opleveren bij de verwerking en controle van de gegevens. 4. Procedure Iedere instelling heeft begin oktober 2003 een formulierenset en een brochure ”Referentieraming BVE 2003 - 2004’ ontvangen. Indien de instelling op 10 oktober 2003 de formulierenset nog niet heeft ontvangen, moet direct contact worden opge"},{"i":10983,"b":"Wet van 12 oktober 2000, houdende wijziging van de Wet luchtvaart (vervoer van gevaarlijke stoffen en van dieren) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het kader van de herziening van de Luchtvaartwet de regels met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen en het vervoer van dieren opnieuw vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel II. Overgangs- en slotbepalingen 1. Erkenningen die krachtens de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) zijn verleend aan natuurlijke personen of rechtspersonen die werkzaamheden verrichten, verband houdend met het aanbieden ten vervoer, het doen vervoeren of het daadwerkelijk vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht, en die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldig zijn, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als erkenningen als bedoeld in [artikel 6.55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.55). 2. Opleidingsinstituten voor het afnemen van examens inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht die krachtens de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) zijn aangewezen, waarvan de aanwijzing op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldig is, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als erkende opleidingen als bedoeld in [artikel 6.56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.56). 3. Krachtens de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) verleende ontheffingen terzake van het vervoer van gevaarlijke stoffen, blijven na het in werking treden van deze wet, met inbegrip van de in voorkomend geval aan deze ontheffingen verbonden voorschriften of beperkingen, van kracht. Artikel III 1. De behandeling van aanvragen om erkenn"},{"i":11073,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, nr. 1407525 d.d. 26 november 2018, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Directie Personeel en Organisatie en taakvoorgangers van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode (1972) 1977–2003 (2008) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, b en c van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 18 oktober 2018, met kenmerk 1419153. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Directie Personeel en Organisatie en taakvoorgangers van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot de 1e januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 226 | 2065 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041613&artikel=1&z=2018-12-05&g=2018-12-05), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041613&artikel=1&z=2018-12-05&g=2018-12-05), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit b"},{"i":11080,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 maart 2026, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Uruguay, (1965) 1975–1984 (2013) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 17 maart 2026, met kenmerk 54915292 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van archiefbestand, nummer 2.05.397 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. **algemene persoonsgegevens** van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 8 | 2072 | | 101 | 2082 | | 116 | 2071 | | 117 | 2079 | | 255 | 2054 | | 291 | 2083 | Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. **bijzondere persoonsgegevens** van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 35 | 2062 | | 103 | 2083 | | 155 | 2059 | | 168 | 2059 | | 171 | 2060 | | 173 | 2061 | | 174 | 2059 | | 175 | 2061 | | 176 | 2060 | | 177 | 2062 | | 178 | 2060 | | 179 | 2061 | | 180 | 2060 | | 181 | 2061 | | 182 | 2059 | | 183 | 2061 | | 184 | 2058 | | 185 | 2058 | | 186 | 2056 | | 187 | 2056 | | 189 | 2056 | | 190 | 2085 | | 238 | 2056 | | 268 | 2052 | | 293 | 2070 | | 298 | 2083 | Artikel 2 Met het oo"},{"i":11097,"b":"Besluit inzake de termijn van beperking van de openbaarheid van de naar de rijksarchiefbewaarplaatsen over te brengen dossiers in het archief van de diplomatieke vertegenwoordiging in Bangladesh (1971) 1975–2013 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op [artikel 15, vierde lid Aw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op het [besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 februari 2022, Staatscourant nr. 5171](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046328); Besluit: Artikel 1 De termijn van beperking van de openbaarheid van de volgende naar de rijksarchiefbewaarplaats over te brengen inventarisnummers in het archief van de diplomatieke vertegenwoordiging in Bangladesh (1971) 1975–2013 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt vastgesteld voor 100 jaar na afsluiting van het betreffende dossier: | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 33 | 2082 | | 34 | 2085 | | 437 | 2107 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":13986,"b":"Programma talent in internationale context Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **maker:** iemand die artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten en artistiek-inhoudelijk eindverantwoordelijk is voor het totstandkomen van voorstellingen of concerten. Artikel 2. Doel Om bij te dragen aan de ontwikkeling van in Nederland actieve makers kent het bestuur in het kader van het Programma talent in internationale context financiële bijdrages toe ten behoeve van projecten van deze makers bij buitenlandse instellingen die uitmonden in een presentatie. Artikel 3. Doelgroep programma Het programma is gericht op makers die reeds bewezen succesvol zijn in de Nederlandse podiumkunstpraktijk, maar zich nog niet of maar beperkt als zodanig hebben gemanifesteerd in het internationale podiumkunstenveld. Collectief opererende groepen makers komen als collectief in aanmerking voor deelname aan het programma. Artikel 4. Intendant 1. Er is een intendant, die verantwoordelijk is voor de invulling van het programma. De intendant wordt benoemd en ontslagen door het bestuur. 2. Het bestuur kan een of meer verkenners aanwijzen, die tot taak hebben de intendant te wijzen op makers die in aanmerking komen voor deelname aan het programma. Artikel 5. Invulling programma 1. In het kader van het programma worden in Nederland actieve makers gekoppeld aan buitenlandse partijen om daar gedurende een in tijd afgebakende periode een project uit te voeren. 2. De intendant draagt makers voor aan het bestuur voor deelname aan het programma. Hij doet zijn voordrachten op basis van een door hem opgestelde progra"},{"i":11156,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voedselvoorziening en agrarisch markt- en prijsbeleid (1934) 1945-2000 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 16 maart 2007, arc-2007.03686/1); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE) en de daaronder ressorterende actoren op het beleidsterrein Voedselvoorziening en agrarisch markt- en prijsbeleid (1934) 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument voor het beleidsterrein Voedselvoorziening en Agrarisch Markt- en prijsbeleid (1934) (1945–2000) Dit document is geldig voor de zorgdragers: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Minister van Justitie Minister van Economische Zaken Minister van Financiën, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Productschap voor Vee, Vlees en Eieren (PVE) Versie september 2007 Inhoudsopgave Lijst van Afkortingen Verantwoording Doel en de werking van het BSD Afbakening van het beleidsterrein Doelstelling en beleidsinstrumenten De actoren op het beleidsdsterrein die in dit BSD worden meegenomen Selectiedoelstelling Selectiecriteria Verslag vaststellingsprocedure Leeswijzer Actorenoverzicht Markt en prijsbeleid Deel 1: Handelingen van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) Deel 2. Handelingen van actoren onder het zorgdragersschap van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Aan- en Verkoopbureaus Algemene Inspectie Dienst (AID) Centrale Commissie voor de Voedselvoorziening College van Overleg v"},{"i":14543,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 29 maart 2021 nr. 3241615 houdende regels ter uitvoering van de Wet precursoren voor explosieven (Regeling precursoren voor explosieven 2021) Gelet op de verordening (EU) nr. 2019/1148 van het Europees parlement en de Raad van 20 juni 2019, over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, tot wijziging van [Verordening (EG) nr. 1907/2006](32006R1907) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 98/2013 (PbEU L 186) en [artikel 4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&artikel=4), [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&artikel=5), [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&artikel=6), [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&artikel=8) en [artikel 9, derde lid, van de Wet precursoren voor explosieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&artikel=9); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet tot Wijziging van de Wet precursoren voor explosieven en de Wet op de economische delicten ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/1148 van het Europees parlement en de Raad van 20 juni 2019 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en tot intrekking vanVerordening (EU) nr. 98/2013 (PbEU 2019, L 186) in werking treedt (Stb. 2021/146). § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **gereguleerde precursor voor explosieven:** een gereguleerde precursoren voor explosieven als bedoeld in artikel 3, punt 13, van de verordening; - b. **professionele gebruiker:** een professionele gebruiker als bedoeld in artikel 3, punt 9, van de verordening; - c. **wet:** de [Wet precursoren voor explosieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995). § 2. Aanvraag om een vergunning door particulier Artikel 2 1. Ee"},{"i":12131,"b":"Besluit van 21 juni 2024, houdende buitenwerkingstelling van de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 20 juni 2024, nr. 3813482; Gelet op [artikel 2, vierde lid, en vijfde lid, eerste zin, van de Wet verplaatsing bevolking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De [artikelen 2c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=2c) en [4 van de Wet verplaatsing bevolking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=4) worden buiten werking gesteld. Artikel 2 Dit besluit wordt bekendgemaakt door plaatsing in het Staatsblad. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":11934,"b":"Besluit benoeming en vergoeding leden Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en[artikel 3.16.1a van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.16.1a); Besluit: Artikel 1 Te rekenen vanaf 2 juli 2015 worden voor een periode van twee jaar tot lid van de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters benoemd: - a). de heer prof. dr. J.W.C.M. Cobbenhagen, te Maastricht, tevens voorzitter; - b). de heer J.F. Beernink, te Enschede; - c). mevrouw drs. ing. E.W.L. van Dijk, te Amsterdam; - d). de heer drs. C. A. Holland, te Arnhem; - e). de heer H. Siemerink, te Amsterdam; - f). de heer J.P. Wolters, te Groningen. Artikel 2 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,028. 2. Aan de andere leden van de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,028. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen en aan de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters."},{"i":11261,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 26 januari 2023 nr. VO/F/34146542, tot regeling van een aanvullende bekostiging ten behoeve van werkdrukverlichting in het voortgezet onderwijs (Regeling aanvullende bekostiging werkdrukverlichting voortgezet onderwijs) Gelet op [artikel 5.9, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9) en [artikel 2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.2.3); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvullende bekostiging:** aanvullende bekostiging als bedoeld in [artikel 5.9, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9) of aanvullende middelen als bedoeld in [artikel 2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.2.3); - **algemeen vormend onderwijs:** vwo, havo, mavo of vbo, met uitzondering van onderwijs aan leerlingen in het derde en vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo; - **beroepsgericht onderwijs:** praktijkonderwijs en het derde en vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo; - **leerling:** leerling als bedoeld in [artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.7); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2. Doel van de aanvullende bekostiging De Minister verstrekt aanvullende bekostiging aan het bevoegd gezag voor werkdrukverlichting in het voortgezet onderwijs. De aanvullende bekostiging wordt in gelijke mate verstrekt voor: - a. de individuele werkdrukverlichting van personeel; - b. de uitvoering van een collectief beleid voor werkdrukverlichting. Artikel 3. Hoogte en"},{"i":12405,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 februari 2010, nr. DVL-0091, tot instelling van de Programmaraad Dutch Visitors Programme Besluit: Artikel 1 Er is een Programmaraad Dutch Visitors Programme, hierna te noemen Programmaraad. Artikel 2 1. De Programmaraad adviseert de Minister van Buitenlandse Zaken gevraagd en ongevraagd over opzet en uitvoering van het Dutch Visitors Programme, daaronder begrepen de grote lijnen van het Dutch Visitors Programme, zoals doelgroep, landen, thema's, sectoren, selectiecriteria en beoogde effecten. 2. De Programmaraad beoordeelt jaarlijks of de uitvoering van het Dutch Visitors Programme overeenkomt met zijn adviezen. 3. De Programmaraad kan kandidaten voor deelname aan het Dutch Visitors Programme voordragen. 4. De Minister van Buitenlandse Zaken kan de leden van de Programmaraad verzoeken hun netwerk aan te spreken en contacten te leggen ten behoeve van een effectieve uitvoering van het Dutch Visitors Programme Artikel 3 1. De Programmaraad bestaat uit een voorzitter, tevens lid en ten minste drie en ten hoogste vijf andere leden. 2. De voorzitter en de overige leden van de Programmaraad worden benoemd en ontslagen voor een door de Minister van Buitenlandse Zaken te bepalen tijdvak, dat ten hoogste drie jaar beslaat. 3. De leden van de Programmaraad zijn herbenoembaar. 4. Het secretariaat van de Programmaraad wordt door AgentschapNL verzorgd. Artikel 4 De Programmaraad regelt zijn eigen werkwijze. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2010. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11280,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 19 maart, nr. PO/27075429, houdende regels voor de verstrekking van bijzondere bekostiging voor het primair onderwijs voor de professionalisering van personeel en de begeleiding van starters en schoolleiders voor de schooljaren 2021–2022 en 2022–2023 (Regeling bijzondere bekostiging professionalisering en begeleiding starters en schoolleiders) Gelet op [artikel 123, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=123) en [artikel 120, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=120); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvullende bekostiging:** aanvullende bekostiging als bedoeld in [artikel 119, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119) of [artikel 117, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) of [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **medezeggenschapsraad:** medezeggenschapsraad als bedoeld in de [Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685); - **school:** basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) of school voor speciaal onderwijs, school voor speciaal voortgezet onderwijs of school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - **schooljaar:** tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend; - **staatssecretari"},{"i":12536,"b":"Besluit van 8 november 1991, houdende regels met betrekking tot de aan het Rijk verschuldigde kosten en rechten terzake van reisdocumenten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 30 augustus 1991, Directoraat-Generaal Openbaar Bestuur, IBI91/1223-RD, gedaan mede namens Onze Ministers van Financiën, van Buitenlandse Zaken en voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken; Overwegende, dat het wenselijk is de afdracht van de aan het Rijk verschuldigde kosten en de heffing van de aan het Rijk verschuldigde rechten terzake van reisdocumenten nader te regelen en daarvoor bedragen vast te stellen; Gelet op [artikel 7, eerste lid, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=7) (**Stb.** 1991, 498); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 14 oktober 1991, no. WO.4.91 0477/K); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 31 oktober 1991, Directoraat-Generaal Openbaar Bestuur, IBI91/1659/RD, uitgebracht mede namens Onze Ministers van Financiën, van Buitenlandse Zaken a.i. en voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - kosten: de kosten, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onder a, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=7); - leverancier: het bedrijf dat in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties belast is met het verrichten van diensten in verband met de verstrekking van reisdocumenten, waaronder de vervaardiging en levering van reisdocumenten; - rechten: de rechten, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onder b, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=7); - spoedlevering: de versnelde aflevering van een gepersonaliseerd reisdocument, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.over"},{"i":11347,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 29 mei 2020, nr. WJZ/24493101, houdende nadere regels over de levering van gegevens aan het register onderwijsdeelnemers en de verstrekking van gegevens uit dat register (Regeling register onderwijsdeelnemers) Gelet op de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=7), [8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=8), [12, zesde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=12), [artikel 15, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=15), en [artikel 19, derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=19), Besluiten: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: - **basisgegevens:** de gegevens, bedoeld in [artikel 18 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042639); - **besluit:** [Besluit register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042639); - **buiten Nederland afgeronde vooropleiding:** opleiding afgesloten met een buiten Nederland behaald diploma als bedoeld in [artikel 7.28, eerste en tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.28): - –. diploma behaald in één van de lidstaten die partij zijn bij het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137); - –. buiten Nederland behaald diploma dat bij de ministeriële regeling, bedoeld in [artikel 7.28, tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.28) is aangemerkt als tenminste gelijkwaardig aan een diploma als bedoeld in [artikel 7.24, eerste en tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.24) of dat naar het oordeel van het instellingsbestu"},{"i":11348,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 18 juni 2021 nr. MBO/25717448, houdende nadere regels over de examens voor het verdiepende vak Nederlands en vaststelling van modellen voor schooldiploma’s en wijziging van de Regeling aanwijzing diploma’s BES, de Regeling vaststelling kwalificaties en opleidingsdomeinen BES, de Regeling jaarverslaggeving onderwijs BES en de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs in verband met aanwijzen diploma’s voor toelating tot het mbo en ho in Europees Nederland, actualisatie van de lijst met kwalificaties, opleidingsdomeinen BES en herstel van een omissie (Regeling Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES) Gelet op de [artikelen 7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045020&artikel=7), en [24, tweede lid, van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045020&artikel=24), de [artikelen 2.3.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.3.2), [7.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.2.4) en [8.2.1, eerste lid, onder e, en derde lid, onder e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=8.2.1), [artikel 8.2.1, eerste lid, onder e, derde lid, onder e, en vierde lid, onder e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.2.1), en [artikel 7.28, tweede lid, eerste volzin, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.28); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder Besluit: het [Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045020). Artikel 2. Examens verdiepende vak Nederlands Voor het verdiepende vak Nederlands,"},{"i":11349,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 7 juli 2025, nr. WJZ/ 99080498, houdende vaststelling van de Regeling schoolfruit en -groenten 2025 Gelet op: [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EEG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347); [Uitvoeringsverordening (EU) 2017/39](32017R0039) van de Commissie van 3 november 2016 tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft Uniesteun voor de verstrekking van groenten, fruit, bananen en melk in onderwijsinstellingen (PbEU 2017, L 5); Gedelegeerde [Verordening (EU) 2017/40](32017R0040) van de Commissie van 3 november 2016 tot aanvulling van [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad, met betrekking tot Uniesteun voor de verstrekking van groenten en fruit, bananen en melk in onderwijsinstellingen en tot wijziging van Gedelegeerde [Verordening (EU) nr. 907/2014](32014R0907) van de Commissie (PbEU 2017, L 5), en [artikel 19, eerste lid, van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **begeleidende maatregelen:** begeleidende educatieve maatregelen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder b, en tiende lid van [verordening 1308/2013](32013R1308); - **biologische producten:** groenten en fruit die zijn voortgebracht overeenkomstig de bij of krachtens [verordening (EU) 2018/848](https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32748R2018) gestelde voorschriften; - **fruit en groenten:** fruit en groenten als bedoeld in Bijl"},{"i":11350,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 juli 2011 nr. 304220 (4907), houdende het vaststellen van een schoolverlatersverklaring BES (Regeling schoolverlatersverklaring BES) Gelet op [artikel 76 van de Wet voortgezet onderwijs BES](onbekend); Besluit: Artikel 1. Model verklaring Het model van de verklaring ten behoeve van de leerling die de school verlaat en aan wie geen diploma kan worden uitgereikt, is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2011. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling schoolverlatersverklaring BES Bijlage. Behorende bij de Regeling schoolverlatersverklaring BES Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12666,"b":"Besluit van 18 december 2006, houdende vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/88128; Gelet op de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=21), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=33), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=34), [38 tot en met 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=38), [60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=60), [66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=66), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=69), [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=71), [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=76), [83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=83), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=84), [105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=105), [151](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=151), [160](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=160) en [176 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=176), de [artikelen 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=42), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=43), [48 tot en met 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=48), [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=72), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=78), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=82), [91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=91), [110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=110), [146](https://wetten.overh"},{"i":11442,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 4 juni 2024, nr. PO/44416590, houdende regels voor het verstrekken van subsidie aan onderwijsregio’s (Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **algemene verordening gegevensbescherming:** [Verordening (EU) 2016/679](32016R0679) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046); - **aspirant-opleidingsschool:** aspirant-opleidingsschool waaraan op grond van [paragraaf 2.3 van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042461&paragraaf=2.3), zoals die luidde op 25 april 2023, subsidie is verstrekt; - **bevoegd gezag:** - a. bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) of als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); of - b. instellingsbestuur als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel j, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), van een instelling die een of meer lerarenopleidingen verzorgt"},{"i":11930,"b":"Besluit van de Minister van Economische zaken van 30 augustus 2024, kenmerk DGBI / 76700986, houdende benoeming en vergoeding van Gezant MKB-Financiering Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviesvolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Met ingang vanaf 2 september 2024 tot en met 4 juli 2025 wordt de heer drs. M. Snel, te Den Haag, benoemd tot Gezant MKB-Financiering. Artikel 2 1. De Gezant heeft als taak om bij te dragen aan de verbetering van het Nederlandse mkb financieringsklimaat en dient hiervoor een verbindende rol te spelen tussen actoren in het Nederlandse financieringsecosysteem. 2. Dit financieringsecosysteem behelst in ieder geval de ondertekenaars van het ‘Nationaal Convenant MKB-Financiering’ maar ook andere partijen zoals private en publieke financiers; financieringsadviseurs; beleidsmakers; kennisinstellingen; toezichthouders en belangenvertegenwoordigers die een rol spelen in de financiering van het Nederlandse MKB. 3. De Gezant dient bij de uitoefening van zijn rol de uitkomsten van het samenwerkingstraject met de ondertekenaars van het ‘Nationaal Convenant MKB-Financiering’ en de reactie van de Minister van Economische Zaken daarop, als leidraad te nemen. Artikel 3 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de Gezant MKB-Financiering geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de Gezant MKB-Financiering bewaard in het archief van dat ministerie. Artikel 4 Aan de Gezant MKB-Financiering wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,222 (8 uur per week). Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkene."},{"i":13855,"b":"Regeling van de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. van der Laan, van 14 april 2006, nr. DJZ2006249520, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende nadere regels over de te geven inrichting aan de opleidingen tot architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect (Nadere regeling inrichting opleidingen architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect) Gelet op de [artikelen 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=9), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=10), [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=11), en [12, tweede lid, van de Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=12); Besluiten: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189); - b. register: architectenregister, bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=2). Hoofdstuk II. Voorschriften omtrent de inrichting welke degene die inschrijving in het register als architect wenst te verkrijgen, aan zijn of haar opleiding moet hebben gegeven Artikel 2. Voorschriften inrichting opleiding architect 1. Degene die voldoet aan een van de eisen, genoemd in [artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=9), komt slechts voor inschrijving in het register als architect in aanmerking, indien zijn of haar opleiding ten minste de verwerving waarborgt van het vermogen tot architectonische vormgeving die zowel aan esthetische als aan technische en functionele eisen voldoet. 2. De opleiding dient hiertoe ten minste de verwerving te waarborge"},{"i":11487,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Exportbevordering, internationaal ondernemen en samenwerking vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 juli 2006, nr. arc-2006.03029/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Exportbevordering, internationaal ondernemen en samenwerking over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag op het beleidsonderdeel Lijst van afkortingen AMVB: Algemene Maatregel van Bestuur BEB: [Directoraat] Buitenlandse Economische Betrekkingen BSD: Basisselectiedocument BSE: Besluit Subsidie Exportfinancieringsarrangementen BZ: Buitenlandse Zaken (Minister van) CIHAN: Centraal Instituut ter bevordering van de Buitenlandse Handel CKH: Centrale Kamer voor Handelsbevordering EEG: Europese Economische Gemeenschap EG: Europese Gemeenschap(pen) EGKS: Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal EVD: Economische Voorlichtingsdienst, ook Exportvoorlichtingsdienst EU: Europese Unie EZ: Economische Zaken (Minister van) GATT: Algemene Overeenkomst voor Tarieven en Handel IBTA: Investeringsbevordering en Technical Assistance IRHP: Interdepartementale Raad voor de Handelspolitiek KB: Koninklijk Besluit LNV: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit MKB: Midden- en kleinbedrijf NCH: (Stichting) Nederlands Centrum voor Handelsbevordering NCM: Nederlandse"},{"i":11525,"b":"Voorlopig Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO) 2003 - 2004 De Informatie Beheer Groep is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO) en met het verstrekken van informatie uit het register. De [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) (WHW) schrijft voor dat binnen vier maanden na de dag van inwerkingtredingvan de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) de wijzigingen als gevolg van de accreditatieplicht in het hoger onderwijs worden bekendgemaakt. Na overleg met de VSNU en de HBO-raad is besloten dat deze bekendmaking in januari 2003 zal geschieden . Het voorlopig CROHO 2003 - 2004 wordt daarom in boekvorm en op diskette toegezonden aan: Belangstellenden kunnen schriftelijk een exemplaar van het CROHO aanvragen bij: Bij deze aanvragen geldt dat voor een standaardlevering (inclusief diskette) een bedrag van € 136,13 (exclusief BTW) verschuldigd is. Wenst u een andere selectie uit het CROHO, dan zullen de kosten daarvan apart worden berekend. U ontvangt daarvoor een offerte. U wordt verzocht in uw aanvraag aan te geven:"},{"i":11526,"b":"Voortzetting ondersteuning onderwijs aan zieke leerlingen in het schooljaar 2003-2004 In de huidige wettelijk regeling van de ondersteuning van het onderwijs aan zieke leerlingen ([Wijziging van de Wet op de expertise centra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake het onderwijs aan zieke leerlingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010086), Stb 1998, 733) is een jaarlijkse specifieke uitkering aan de gemeenten voorzien tot 1 augustus 2003 (zie artikel IX van de regeling). Zoals eerder is bericht, vindt op dit moment een evaluatie van de ondersteuningstaak plaats en zal mede op basis van de resultaten van deze evaluatie een uiteindelijke beslissing (moeten) worden genomen over de voortzetting van deze ondersteuningstaak na 1 augustus 2003 en de vorm waarin deze moet plaatsvinden. Het is niet haalbaar gebleken om de evaluatie tijdig te voltooien waardoor het niet meer mogelijk zal zijn om voor 1 augustus 2003 tot een afgeronde beleidsbeslissing te komen. De verstrekking van de specifieke uitkering ten behoeve van de ondersteuning aan de gemeenten zal daarom op de huidige wijze en op basis van de huidige maatstaf en voorwaarden tot 1 augustus 2004 worden voortgezet. Omdat het huidige bekostigingsartikel met ingang van 1 augustus 2003 komt te vervallen, zal het verstrekken van de specifieke uitkering daarna wel op een andere wettelijke grondslag, hoogstwaarschijnlijk via een ministeriele regeling op grond van de [Financiele verhoudingenwet](onbekend) plaatsvinden. Deze regeling zal te zijner tijd in Uitleg OCenW-Regelingen worden gepubliceerd. Wat de subsidie aan de academische ziekenhuizen ten behoeve van de ondersteuning door de educatieve voorzieningen betreft, is niet voorzien in een einddatum in de subsidiebepaling. Deze subsidie kan daardoor doorlopen tenzij bovengenoemde evaluatie tot andere uitkomsten leidt en zal dus, gezien de stand van zaken van deze evalu"},{"i":11527,"b":"Wet van 5 juli 1989, houdende regels met betrekking tot de doorstroming en verlaging van de uittredingsleeftijd van onderwijspersoneel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het resultaat van de met ingang van 1 januari 1989 afgelopen Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel (**Stb.** 1988, 253) het wenselijk maakt totstandkoming van een nieuwe, voor 1989 geldende, doorstromingsregeling voor uit 's Rijks kas bekostigd onderwijspersoneel te bevorderen, waarmee dezelfde doeleinden worden nagestreefd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18. Geen verplichte VUT voor uittreders krachtens DOP-wet I In afwijking van het bepaalde in artikel 18 van de DOP-wet vindt artikel 12 van die wet geen toepassing. Artikel 19. Aanpassing in verband met wijziging VUT-wet Indien het bij koninklijke boodschap van 29 april 1986 ingediende voorstel van Wet houdende wijziging van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden (**Stb.** 1984, 273) in verband met voorgenomen wijziging van het VUT-financieringsstelsel (kamerstuk 19 505) tot wet wordt verheven en in werking is getreden, wordt, onderscheidenlijk worden, - 1. bevat wijzigingen in deze regelgeving; en - 2. in afwijking van het bepaalde in artikel 18 van de DOP-wet I de rechten en verplichtingen, ontleend aan artikel 15 van die wet, met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de in de aanhef van dit artikel bedoelde wet vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in"},{"i":11528,"b":"Wet van 29 januari 2009 tot instelling van een College voor examens, alsmede houdende wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht en de Wet op het voortgezet onderwijs (Wet College voor examens) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is over te gaan tot externe verzelfstandiging van het dienstonderdeel de Centrale examencommissie vaststelling opgaven van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Staatsexamencommissie en de Staatsexamencommissie Nederlands als tweede taal door instelling van een zelfstandig bestuursorgaan en in verband daarmee de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) en de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - **college:** College voor toetsen en examens, genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2&z=2024-08-01&g=2024-08-01); - **Cito:** Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling, genoemd in [artikel 3 van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=3); - **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 1. Er is een College voor toetsen en examens. 2. Het college is belast met de volgende taken op het gebied van de centrale examens, bedoeld in [hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&paragraaf=5), [artikel 7.4.11 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.11) en [artikel 7.4.13 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl"},{"i":11529,"b":"Wet educatie en beroepsonderwijs BES Hoofdstuk 1. Algemeen Titel 1. Definities, aard bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **eilandsraad:** de eilandsraad van een openbaar lichaam; - c. **bestuurscollege:** het bestuurscollege van een openbaar lichaam; - d. **instelling:** een orgaan dat uitgaat van een rechtspersoon die zich het geven van secundair beroepsonderwijs of educatie ten doel stelt; - e. **openbare instelling:** een door een openbaar lichaam in stand gehouden instelling; - f. **bijzondere instelling:** een door een privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden instelling; - g. **bevoegd gezag:** voor wat betreft: - a. een openbare instelling: het bestuurscollege van het desbetreffende openbaar lichaam of het bestuur van het openbaar orgaan, bedoeld in [artikel 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&hoofdstuk=5&titeldeel=1&artikel=44&z=2010-10-10&g=2011-01-01); - b. een bijzondere instelling: het instellingsbestuur; - h. **onderwijs:** secundair beroepsonderwijs en educatie tenzij het tegendeel blijkt; - i. **secundair beroepsonderwijs:** onderwijs als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&hoofdstuk=1&titeldeel=2&artikel=2&z=2010-10-10&g=2011-01-01); - j. **educatie:** educatie als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&hoofdstuk=1&titeldeel=2&artikel=2&z=2010-10-10&g=2011-01-01); - k. **opleiding:** een opleiding als bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&hoofdstuk=3&titeldeel=2&artikel=16&z=2010-10-10&g=2011-01-01), waarvoor in het kader van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&hoofdstuk=3&titeldeel=2&artikel=18&z=2010-10-10&g=2011-01-01), eindtermen zijn vastgesteld; - l. **cursus educatie:** een cursus educatie als bedoeld in [artikel 2"},{"i":11530,"b":"Wet van 31 oktober 1995, houdende bepalingen met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de totstandkoming van een landelijke kwalificatiestructuur voor het beroepsonderwijs, de gewenste verbetering van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, de gewenste verbetering van de afstemming tussen beroepsonderwijs en educatie, en voor een samenhangende besluitvorming op het gebied van de educatie, wenselijk is de toedeling van bevoegdheden aan de rijksoverheid, aan de gemeenten, aan de landelijke organen en aan de instellingen te herzien; dat het daarvoor wenselijk is de regelingen met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs in de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs en de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, alsmede de regelingen met betrekking tot het middelbaar beroepsonderwijs en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs in de Wet op het voortgezet onderwijs, in een samenhangend wettelijk kader neer te leggen met ingang van de expiratiedatum van deze regelingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeen Titel 1. Definities, reikwijdte, aard bepalingen Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **beroepscollege:** beroepscollege als bedoeld in [artikel 1.3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&hoofdstuk=I&titeldeel=3&paragraaf=1&artikel=1.3.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **beroepsonderwijs:** onderwijs als bedoeld in [artikel 1.2.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&hoofdstuk=I&titeldeel=2&artikel=1.2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **beroepsopleiding:** opleiding als bedoeld in [artikel 7.1.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&hoofdstuk=7&t"},{"i":11531,"b":"Wet van 6 juni 2023, houdende wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de herinvoering van de basisbeurs in het hoger onderwijs, de verstrekking van een tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd en de verruiming van de 1-februariregeling voor ho-studenten die zijn doorgestroomd vanuit het mbo (Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een andere verdeling tussen de overheid, ouders en studenten met betrekking tot de bijdrage in de kosten van studeren in het hoger onderwijs, dat het billijk is aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd een tegemoetkoming te verstrekken, en dat het de doorstroom van mbo-gediplomeerden naar het hoger beroepsonderwijs ten goede kan komen, indien voor deze groep studenten de zogenoemde 1-februariregeling wordt verruimd naar een 1-septemberregeling; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel II. Wijziging [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438) Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel III. Wijziging [Wet register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012) Wijzigt de Wet register onderwijsdeelnemers. Artikel IV. Wijziging [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel V. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen"},{"i":11532,"b":"Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van diverse maatregelen, aangekondigd in de Strategische Agenda Hoger onderwijs, Onderzoek en Wetenschap (Wet Kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) en enkele andere wetten aan te passen om een aantal beleidsvoornemens uit de Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap 2011–2015 «Kwaliteit in verscheidenheid» te kunnen realiseren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijzigingen in de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel II. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel III. Wijziging Wet van 14 juni 2007 Wijzigt de Wijzigingswet Wet studiefinanciering 2000, enz. (Associate-degreeprogramma's op het gebied van het hoger onderwijs) (Stb. 2007/254). Artikel IV. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet Kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs. Artikel V. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11533,"b":"Wet van 30 september 2024 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek houdende de verankering van eenheden van leeruitkomsten in die wet (Wet leeruitkomsten hoger onderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het experiment leeruitkomsten heeft aangetoond dat het inrichten van opleidingen en het afstemmen van de leerroutes op de uitgangspositie, werksituatie, kenmerken en behoeften van individuele studenten of groepen studenten een positief effect kan hebben op in ieder geval de deelname van studenten aan opleidingen in het hoger onderwijs; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel II. Evaluatie Onze Minister zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet leeruitkomsten hoger onderwijs. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11534,"b":"Wet van 30 juni 2004 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, ter waarborging van de bekwaamheid tot het uitoefenen van beroepen in het onderwijs (Wet op de beroepen in het onderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor de kwaliteit van het onderwijs, voor de kwalificatiestructuur en voor een moderne en open arbeidsorganisatie op het gebied van het primair en voortgezet onderwijs alsmede op het gebied van de educatie en het beroepsonderwijs wenselijk is, bekwaamheidseisen voor onderwijsgevenden vast te stellen, mogelijk te maken dat dergelijke eisen eveneens worden vastgesteld voor nauw met het onderwijs verbonden leidinggevende en ondersteunende werkzaamheden en te bevorderen dat de betrokkenen hun bekwaamheid onderhouden; dat het tevens noodzakelijk is, de onderwerpen uit de [Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011469) te regelen in de desbetreffende onderwijswetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel III Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel IV Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel V Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel VI Wijzigt de Overgangswet W.V.O. Artikel VII Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel VIII Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel IX Vervallen Artikel X Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel XI. Overgangsrecht bestaande bewijzen van bekwaamheid en bestaande bevoe"},{"i":11535,"b":"Wet van 4 juli 1985, houdende Wet op de erkende onderwijsinstellingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een regeling voor erkenning voor het bijzonder onderwijs, dat niet uit ’s Rijks kas wordt bekostigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. \"instelling\": een instelling voor onderwijs die uitgaat van een natuurlijke persoon dan wel van een privaatrechtelijke rechtspersoon; - c. \"bevoegd gezag\": de natuurlijke persoon van wie de instelling uitgaat dan wel het orgaan van de rechtspersoon dat bevoegd is terzake van de instelling rechtshandelingen te verrichten; - d. \"de inspectie\": de inspectie bedoeld in de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800), voor zover belast met taken op het gebied van het onderwijs waarop deze wet van toepassing is; - e. \"schriftelijk onderwijs\": onderwijs waarbij de communicatie tussen cursist en instelling zich geheel of in hoofdzaak voltrekt door geregelde uitwisseling van het gedrukte en geschreven woord al dan niet in combinatie met visuele, auditieve, audiovisuele of andere hulpmiddelen; - f. \"auteur\": hij die ten behoeve van het schriftelijk onderwijs door het bevoegd gezag is belast met het samenstellen en bijhouden van de schriftelijke lessen dan wel de daarbij behorende hulpmiddelen, dan wel beide; - g. \"docent\": hij die door het bevoegd gezag is belast met het geven van mondelinge lessen dan wel het corrigeren en van aanwijzingen voorzien van het door cursisten ingezonden werk dan wel beide; - h. \"cursus\": een educatieve activiteit, waarbij door interactie tussen docent en cursist met een vooro"},{"i":11536,"b":"Wet van 15 mei 1997 tot instelling van een vast college van advies van het Rijk op het terrein van het onderwijs (Wet op de Onderwijsraad) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een vast college van advies van het Rijk in te stellen op het terrein van het onderwijs en dat het in verband met [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79) noodzakelijk is daartoe wettelijke bepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikelen 1 en 2 werken terug tot en met 1 januari 1997. HOOFDSTUK I. DE ONDERWIJSRAAD Artikel 1. Instelling en omvang 1. Er is een Onderwijsraad, hierna te noemen de raad. 2. De raad bestaat uit ten minste acht en, in afwijking van [artikel 10 van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=10), ten hoogste negentien leden. Artikel 2. Taak 1. De raad heeft tot taak: - a. de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het terrein van het onderwijs in Nederland; - b. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap desgevraagd te adviseren over de toepassing van wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op het terrein van het onderwijs. 2. De raad heeft tevens tot taak gemeenteraden en colleges van burgemeester en wethouders in bij de wet genoemde gevallen te adviseren over aangelegenheden die het gemeentelijk onderwijsbeleid betreffen. 3. De raad heeft voorts tot taak eilandsraden en bestuurcolleges van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in bij de wet genoemde gevallen te adviseren over aangelegenheden die het onderwijsbeleid van die openbare lichamen betreffen. HOOFDSTUK II. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN Artikel 3. Wijziging van d"},{"i":11537,"b":"Wet van 8 oktober 1992, houdende bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de versterking van de kwaliteit, het vernieuwend vermogen alsmede de maatschappelijke gerichtheid van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wenselijk is de zelfstandigheid van de instellingen te vergroten en daartoe de toedeling van bevoegdheden aan de rijksoverheid en de desbetreffende instellingen te herzien; dat het voorts gewenst is dat de bestuurlijke betrekkingen die de rijksoverheid onderhoudt met die instellingen zo goed mogelijk op elkaar zijn afgestemd; dat het daarvoor wenselijk is de afzonderlijke regelingen op het gebied van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek samen te voegen tot een Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Titel 1. Definities en taakomschrijving Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs; - c. wetenschappelijk onderwijs: onderwijs dat is gericht op de voorbereiding tot de zelfstandige beoefening van de wetenschap of de beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke kennis en dat het inzicht in de samenhang van de wetenschappen bevordert; - d. hoger beroepsonderwijs: onderwijs dat is gericht op de overdracht van theoretische kennis en op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroepspraktijk; - e. initieel onderwijs: hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 7.3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&hoofdstuk=7&titeldeel=1&paragraaf=1&"},{"i":11538,"b":"Wet van 20 juni 2002 houdende Wet op het onderwijstoezicht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen met betrekking tot het toezicht op het onderwijs; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - b. de inspectie: de Inspectie van het onderwijs, - c. de inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van het onderwijs, - d. onderwijswet: - 1. - –. [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628), - –. [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), - –. [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549), - –. [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212), - –. [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625), - –. [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682), - –. [Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685), - –. [Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058), - –. [Wet register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012), - –. [Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458), - –. [Wet op de erkende onderwijsinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003821), of - –. [Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718), - 2. - –. [Leerplichtwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030281) - –. [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280) - –. [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://w"},{"i":11539,"b":"Wet van 2 juli 1981, houdende Wet op het basisonderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van een ononderbroken ontwikkeling van de leerlingen, gewenst is de afzonderlijke onderwijsvormen kleuteronderwijs en gewoon lager onderwijs samen te voegen tot een onderwijsvorm die gericht is op een doorlopend ontwikkelingsproces van de leerlingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Basisonderwijs Titel I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; **inspectie of inspecteur:** de inspectie, bedoeld in de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800), voor zover belast met taken op het gebied van het basisonderwijs; **school:** een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, tenzij het tegendeel blijkt; **basisschool:** een school waar basisonderwijs wordt gegeven, niet zijnde een speciale school voor basisonderwijs; **speciale school voor basisonderwijs:** een school waar basisonderwijs wordt gegeven aan kinderen voor wie vaststaat dat overwegend een zodanige orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is, dat zij althans gedurende enige tijd op een speciale school voor basisonderwijs moeten worden opgevangen; **school voor speciaal onderwijs:** een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); **school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs:** een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); **school voor voortgezet speciaal onderw"},{"i":11542,"b":"Wet van 21 januari 2015 tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de introductie van een nieuw stelsel van studiefinanciering in het hoger onderwijs en de uitvoering van een toekomstgerichte onderwijsagenda voor het hoger onderwijs (Wet studievoorschot hoger onderwijs) Artikel I. Wijziging [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel II. Wijziging [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel III. Wijziging [Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018259) Wijzigt de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing. Artikel IV. Wijziging [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel V. Wijziging [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VI. Wijziging [Wet maatregelen woningmarkt 2014 II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034553) Wijzigt de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. Artikel VII. Wijziging [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel VIII. Wijziging [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438) Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel IX. Intrekking uitgewerkte Wijzigingswet De [Wet van 16 mei 2007 tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met aanpassing van de berekeningssystematiek veronderstelde ouderlijke bijdrage en de verlenging van experimenten met vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022034) (Stb. 2007, 198) wordt inge"},{"i":13084,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 november 2025, kenmerk 54885137, houdende wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Overijssel Gelet op [artikel 94 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de [Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Overijssel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042021). Artikel 2 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stemt in met het wijzigingsbesluit van de Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Overijssel zoals voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal per 11 september 2025 (**Kamerstukken II** 2024/25, 36 723, nr. 3 en **Kamerstukken I** 2024/25, 36 723, B). Artikel 3 Het [besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 mei 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038189), nr. 921413 (Stcrt. 2016, 34029) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":13131,"b":"Call for proposals – Complexity – Programmable Self-organisation – ENW Den Haag, juni 2017 Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek 1. Inleiding 1.1. Achtergrond In deze brochure vindt u informatie over het indienen van onderzoeksvoorstellen voor **Complexit - Programmable Self-organisation**. Vernieuwende samenwerkingsprojecten van bedrijven en onderzoeksinstellingen waarin het bedrijfsleven wil investeren, kunnen bij NWO via deze Call aanvullende financiering verwerven. Het onderzoeksprogramma **Complexity – Programmable Self-organisation**is ontwikkeld door het NWO-domein Exacte en Natuurwetenschappen en het TNO onderzoeksprogramma Complexity. Greep krijgen op complexiteit is een van de zes NWO-uitdagingen voor de periode 2015-2018. Deze call valt ook onder de paraplu van het NWO-brede programma ‘Grip on Complexity’1Het Grip on Complexity initiatief is topsectordoorsnijdend en interdisciplinair van aard en richt zich op fundamentele processen van complexe systemen. De achtergrond van het initiatief zijn de uitdagingen in het themadocument Grip on Complexity. Er zijn meerdere subsidierondes gepland,o.a. de onderhavige Call en een call Complexity in Transport and Logistics. In Grip on Complexity werken NWO en TNO nauw samen.. Daarnaast sluit het programma aan bij uitdagingen voor onderzoek die in het eerdere NWO-programma Complexiteit zijn geïdentificeerd2NWO-onderzoeksprogramma getrokken door het gebied Exacte Wetenschappen dat onder andere resulteerde in het Grip on Complexity paper.. Aanvragen dienen gericht te zijn op uitdagingen in de wiskunde en informatica op het gebied van complexiteitsvraagstukken over principes van self-organisation en relevant zijn voor één of meer topsectoren (zie paragraaf 5.2). De inhoudelijke focus van deze call for proposals voor het programma Complexity – Programmable Self-organisation staat beschreven in hoofdstuk 2 (Doel). De Engelse versie van deze call for proposals is beschikbaar op de website van NWO Exacte Wet"},{"i":11578,"b":"Wet van 31 mei 1995, houdende wijziging van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en van enkele andere wetten inzake samenvoeging van de schoolsoorten onderwijs aan blinde kinderen en onderwijs aan slechtziende kinderen tot de schoolsoort onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) te wijzigen teneinde de schoolsoorten onderwijs aan blinde kinderen en onderwijs aan slechtziende kinderen samen te voegen tot de schoolsoort onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Wijziging van de [interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) en andere wetten Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk II. Overgangs- en slotbepalingen Artikel X. Omzetting bekostiging scholen in bekostiging van instellingen met nevenvestigingen Vervallen Artikel XI. Personeel Vervallen Artikel XII. Vergoeding op basis van artikel 92a ISOVSO voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet tot en met 31 december van het vierde kalenderjaar daaropvolgend Vervallen Artikel XIII. Formatie op basis van artikel 93a, vijfd"},{"i":11587,"b":"Wet van 7 november 2011 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake de beroepsgerichte kwalificatiestructuur Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te geven voor de beroepsgerichte kwalificatiestructuur; dat daartoe de Wet educatie en beroepsonderwijs dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II. Wijziging van de [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel III. Wijziging van de [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Artikel IV. Overgangsbepaling voor eindtermgerichte beroepsopleidingen 1. De [artikelen 1.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1), [2.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.1) en [7.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4) zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit artikel en de eindtermen die zijn vastgesteld voor de inwerkingtreding van dit artikel blijven van toepassing op - a. beroepsopleidingen die voor de inwerkingtreding van dit artikel op basis van [artikel 2.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.1) voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, voor zover het deelnemers betreft die voor de desbetreffende opleiding staan ingeschreven in het studiejaar waarin de in de aanhef bedoelde dag valt, - b. beroepsopleidingen waarvoor voor de inwerki"},{"i":14378,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 1 februari 2021, nr. WJZ/18620404(6660), houdende intrekking van regelingen op het gebied van cultuur en media en enkele andere regelingen in verband met het feit dat zij hun betekenis hebben verloren (Regeling intrekking OCW-regelingen op het gebied van cultuur en media) Gelet op [artikel 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [artikel 10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [artikel 10:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6), [artikel 5.11 van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=5.11), [artikel 3, eerste lid, sub e, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=3), [artikel 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&artikel=4), [artikel 7.3 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.3), [artikel 2.1, eerste lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1), [artikel 2.27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.27), [artikel 2.172, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.172), en [artikel 7.8 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.8), [artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4a), [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2), en [artikel 4 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2);"},{"i":12524,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 april 2026, nr. OWB/63459867, houdende ophoging van het subsidieplafond van de Subsidieregeling matching Horizon Europe Gelet op [artikel 5, tweede lid, van de Subsidieregeling matching Horizon Europe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048107&artikel=5); Besluit: artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Subsidieregeling matching Horizon Europe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048107&artikel=5) wordt voor het kalenderjaar 2026 eenmalig opgehoogd met € 2.902.244,18 en voor de kalenderjaren 2027 tot en met 2029 opgehoogd met € 1.056.836,84 per jaar. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12007,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Nederlandse Vertegenwoordiging United Nations War Crimes Commission (UNWCC), 1945–1948 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 3 januari 2017, kenmerk EDOC-#1100914-v2. Besluit Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Vertegenwoordiging bij de United Nations War Crimes Commission (UNWCC), 1945–1948. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 5–12 | 2021 | | 13–24 | 2022 | | 25–30 | 2023 | | 31–33 | 2022 | | 34 | 2024 | | 35–37 | 2021 | | 38–44 | 2022 | | 45 | 2023 | | 46–58 | 2022 | | 59–72 | 2023 | | 73–79 | 2024 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039110&artikel=1&z=2017-01-21&g=2017-01-21) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039110&artikel=1&z=2017-01-21&g=2017-01-21), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging"},{"i":12649,"b":"Besluit van 7 mei 2008 tot instelling van het Planbureau voor de Leefomgeving Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 april 2008, nr. DJZ2008042475, Directie Juridische Zaken, afdeling wetgeving; Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vaststellingsbesluit Besluit Instelling Ruimtelijk planbureau. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tot instelling van het Planbureau voor de Leefomgeving. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12375,"b":"Besluit instelling commissie Taakstellingen en Flankerend beleid beton- en metselzandvoorziening Besluiten: Artikel 1 Ingesteld wordt de commissie Taakstellingen en Flankerend beleid beton- en metselzandvoorziening, verder aan te duiden als de Commissie. Artikel 2 1. De Commissie bestaat uit 3 leden. 2. De voorzitter wordt benoemd namens V&W en de interprovinciale samenwerking, één lid wordt benoemd namens V&W en één lid wordt benoemd namens de interprovinciale samenwerking. Artikel 3 De Commissie adviseert aan de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en aan één of meer provinciale besturen. Artikel 4 De Commissie heeft als opdracht om: - 1. jaarlijks te adviseren over de voortgang van de vergunningverlening voor beton- en metselzand in relatie tot de afgesproken taakstellingen en over de voortgang van het flankerend beleid; - 2. eenmalig te adviseren over de door de interprovinciale samenwerking voorgestelde invulling van de gezamenlijke provinciale taakstelling voor de winning van beton- en metselzand in de periode 1999 t/m 2008; Artikel 5 1. De Commissie streeft ernaar om voornoemd jaarlijks advies voor 1 september uit te brengen en voornoemd eenmalig advies voor 1 juni 2002. 2. De Commissie wordt ingesteld voor de duur van circa 4 jaar en houdt op te bestaan op 31 december 2005. Artikel 6 De archiefbescheiden van de Commissie worden na haar opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Artikel 7 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2002. Artikel 8 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit instelling commissie Taakstellingen en Flankerend beleid beton- en metselzandvoorziening. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen."},{"i":11724,"b":"Besluit d.d. 7 januari 2019 conform artikel 14 van het Archiefbesluit 1995 houdende regels voor de documentaire informatievoorziening van De Nederlandsche Bank NV (Beheersregels archief DNB 2019) 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - 1. **Afgesloten archief:** een niet meer actueel archief dat betrekking heeft op een voltooid werkproces, dat in principe onveranderlijk is en waarin zich archiefbescheiden bevinden in afwachting van vernietiging of overbrenging naar een archiefbewaarplaats. Voor digitale archiefbescheiden bevindt het afgesloten archief zich in het record management systeem. - 2. **Archief:** geheel van archiefbescheiden ontvangen of opgemaakt door De Nederlandsche Bank NV (DNB) of een onderdeel daarvan. - 3. **Archiefbeheer:** de feitelijke of uitvoerende werkzaamheden om archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen, te bewaren of over te brengen, als ook om archiefbescheiden die daar in aanmerking komen te vernietigen. - 4. **Archiefbescheiden: (papier én digitaal):** - a. bescheiden, ongeacht hun vorm, door DNB ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd om onder haar te berusten; - b. bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstig bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op DNB zijn overgegaan; - c. bescheiden, ongeacht hun vorm, welke ingevolge overeenkomsten met of beschikkingen van instellingen of personen dan wel uit anderen hoofde in een archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten; - d. reproducties, ongeacht hun vorm, welke bij of krachtens wet in plaats zijn gesteld van de onder a., b., of c. bedoelde bescheiden of welke op grond van het bepaalde in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041823&artikel=12&z=2019-01-08&g=2019-01-08) zijn vervaardigd. - 5. **Archiefbewaarplaats:** een bewaarplaats die bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) is aangewezen voor de blijvende bewa"},{"i":11725,"b":"Bekendmaking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2015, 2015-0000306894, tot wijzigingen van de AKW-bedragen per 1 januari 2016 Gelet op [artikel 13, tweede, derde en achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13); Maakt bekend: Artikel I Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II 1. Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. 2. De kinderbijslagbedragen, bedoeld in [artikel 12, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=12), worden met ingang van 1 januari 2016 als volgt vastgesteld: Voor een kind dat - a. jonger is dan 6 jaar: € 191,72 - b. 6 jaar of ouder, maar jonger is dan 12 jaar: € 232,81 en - c. 12 jaar en ouder, maar jonger is dan 18 jaar: € 273,89. Deze bekendmaking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11757,"b":"Beleidsregel gecombineerde leefstijlinterventie volwassenen Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS met brief van 26 juni 2018, met kenmerk [1342565-176534-PZO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041112), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Gecombineerde leefstijlinterventie volwassenen (GLI):** Interventies gericht op het verminderen van de energie-inname, het verhogen van de lichamelijke activiteit en eventuele toevoeging op maat van psychologische interventies ter ondersteuning van de gedragsverandering. - **Kwartaal:** Een periode van drie maanden welke kan ingaan op iedere willekeurige datum in het jaar. - **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit. - **Wmg:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). - **Zorgaanbieder:** Natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - **Zorgprogramma:** Een gecombineerde leefstijlinterventie volwassenen wordt in de vorm van een zorgprogramma aangeboden (hetzij individueel, hetzij in een groep). Het zorgprogramma bestaat uit een behandelfase en een onderhoudsfase. De totale doorlooptijd van het zorgprogramma is 24 aaneengesloten m"},{"i":11762,"b":"Beleidsregel Informatieverstrekking Inleiding In de Beleidsregel Informatieverstrekking (hierna: de Beleidsregel) vindt u een bundeling van de interpretaties van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) met betrekking tot informatieverstrekking. Deze interpretaties door de AFM zijn in de afgelopen jaren in projecten, formele besluiten en informele normoverdracht tot stand gekomen. De interpretaties zijn gedaan op basis van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) (Wft) (met name [Deel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&titeldeel=4)), de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) (Pw), de [Wet oneerlijke handelspraktijken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&afdeling=3A) (Wohp) en onderliggende regelgeving van de Wft zoals het [Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421) (BGfo), de [Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020540) (Nrgfo) en relevante Europese regelgeving, zoals de Prospectusverordening. De beleidsregel moet altijd worden gezien in het licht van de geldende wet- en regelgeving welke leidend is. Deze beleidsregel is openbaar geconsulteerd. Als we het in deze Beleidsregel hebben over ‘we/wij’ dan bedoelen we daar de AFM mee. Hebben we het over ‘u’ dan bedoelen we daarmee financiële ondernemingen en uitgevende instellingen of pensioenuitvoerders. Dit kunnen onder toezicht staande en niet onder toezicht staande ondernemingen zijn. Als we het in de Beleidsregel hebben over ‘product’, dan bedoelen we hiermee ook ‘dienst’. Als we het hebben over ‘consument’, dan bedoelen we hiermee ook ‘cliënt’ en ‘klant’. In de regelgeving zijn door de wetgever open en gesloten normen opgenomen. Open normen zijn normen die een globaal geformuleerd doel bevatten en die aan marktpartijen de ruimte laten om zelf te bepalen op welke wijze het doel wordt gerealiseerd of"},{"i":12434,"b":"Besluit inwilliging AVV-verzoek POV Nederlandse varkenssector Gelet op de artikelen 164 en 165 van [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347) en [paragraaf 5 van de Regeling producenten- en brancheorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035634&paragraaf=5); Gelet op de inhoud van de aanvraag van de vereniging Producentenorganisatie Varkenshouderij wordt het verzoek ingewilligd onder het stellen van de hierna genoemde voorschriften en beperkingen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Verordening 1308/2013:** [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. **POV:** de vereniging Producentenorganisatie Nederlandse varkenssector; - c. **Onderzoeks- en Innovatieagenda:** de Onderzoeks- en Innovatieagenda 2021–2027 zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046146&bijlage=A&z=2022-01-01&g=2022-01-01) van dit besluit; - d. **Registratieregeling POV:** Regeling verplichte registratie bijdrage Onderzoeks- en Innovatieagenda Nederlandse varkenssector 2021–2027, zoals opgenomen in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046146&bijlage=B&z=2022-01-01&g=2022-01-01) van dit besluit; - e. **Bijdrageregeling POV:** Regeling verplichte financiële bijdragen Onderzoeks- en Innovatieagenda Nederlandse varkens"},{"i":13184,"b":"Deelregeling Collectieprogramma’s 2017 Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het verhogen van de kwaliteit, de samenhang en de zichtbaarheid van de Collectie Nederland door het verstrekken van bijdragen voor structurele aankopen van beeldende kunst en/of vormgeving van na 1945 en/of opdrachten aan beeldend kunstenaars gericht op verwerving van een of meerdere werken voor de collectie. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een bijdrage kan worden toegekend aan een Nederlandse publiekstoegankelijke instelling die ingeschreven staat in het Museumregister en die museale collecties beheert waaronder een collectie moderne beeldende kunst en/of vormgeving van (inter-)nationaal belang of aan meerdere instellingen gezamenlijk welke aan deze criteria voldoen. 2. De aanvrager is coulant in het bruikleenverkeer ten opzichte van Nederlandse instellingen. 3. De aanvrager dient te beschikken over een aankoopbudget van ten minste het in de toelichting bij het aanvraagformulier genoemde bedrag per jaar. 4. Ten minste de helft van het door het Mondriaan Fonds toegekende bedrag moet besteed worden aan de aankoop van Nederlandse beeldende kunst en/of vormgeving. 5. Als onderdeel van het aankoopplan kan bij de aanvraag een opdracht aan een kunstenaar worden gevoegd. 6. Indien de aanvraag een opdracht aan een beeldend kunstenaar bevat, dient de financiële bijdrage die de aanvrager levert in een aanvaardbare verhouding te staan tot de bijdrage van het fonds. In de begroting dient een reëel honorarium voor de kunstenaar voor rekening van de aanvrager te zijn opgenomen. 7. Het behoud van de aangekochte objecten wordt gewaarborgd door adequate bouwkundige voorzieningen, klimaatbeheersing en beveiliging. 8. De aankopen zijn direct of zo spoedig mogelijk zichtbaar voor het publiek. 9. Geen bijdrage kan worden toegekend aan instellingen die gericht zijn op het kunstvakonderwijs, parti"},{"i":11795,"b":"Beleidsregel sponsoring commerciële media-instellingen 2022 Gelet op [afdeling 3.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&afdeling=3.2.3) en de [artikelen 3.29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29a), [3.29d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29d), [7.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.11) en [7.12 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.12) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op het media-aanbod van commerciële media-instellingen in de zin van de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028), daaronder begrepen commerciële mediadiensten op aanvraag (zoals VOD-diensten en video-uploaders). Artikel 2. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - –. **media-aanbod:** programma-aanbod (televisie en radio) en audiovisueel media-aanbod op aanvraag (VOD-diensten en video); - –. **video:** audiovisueel media-aanbod op aanvraag dat door een gebruiker is gecreëerd en door die gebruiker of een andere gebruiker naar een videoplatform is geüpload. Artikel 3. Verbod op sponsoring 1. Media-aanbod bestaande uit nieuws, actualiteiten of politieke informatie wordt niet gesponsord ([artikel 3.15, tweede lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.15)). 2. Onder media-aanbod bestaande uit **nieuws** wordt verstaan: media-aanbod dat bestaat uit het brengen van nieuwsfeiten die eventueel beperkt worden geduid en (live) verslagen van nieuwswaardige gebeurtenissen. 3. Onder media-aanbod bestaande uit **actualiteiten** wordt verstaan: media-aanbod dat bestaat uit het verder uitdiepen, duiden en in een context plaatsen van nieuwsfeiten van dat momen"},{"i":11796,"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 9 december 2025 inzake de toepassing van de SREP-richtsnoeren op beheerders van beleggingsinstellingen en beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten (Beleidsregel SREP beheerders) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); de [artikelen 3:18aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:18aa) en [1:19, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:19); de [artikelen 24a1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=24a1), en [25b van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=25b); Na consultatie; Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **beheerders:** een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) die een activiteit verricht of een beleggingsdienst verleent als bedoeld in [artikel 2:67a, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:67a), respectievelijk [artikel 2:69c, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:69c). - b. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - c. **SREP:** het toetsings- en evaluatieproces door de Nederlandsche Bank als bedoeld in [artikel 3:18aa, eerste lid, van de Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:18aa); - d. **SREP-richtsnoeren:** de door de EBA en de ESMA vastgestelde richtsnoeren op grond van artikel 45, tweede lid, van de IFD. Artikel 2. Toepassing SREP-richtsnoeren op beheerders 1. DNB past bij de uitoefening van haar SREP-bevoegdheid ten aanzien van beheerders de SREP-richtsnoeren toe. 2. DNB past de SREP-richtsnoeren toe ten aanzien van de gehele onderneming van beheerders. Artikel 3. Intrekken beleidsregel De [Beleidsregel ICA"},{"i":15444,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 augustus, nr. 5734086/DJI/12, houdende regels aangaande het verlaten van de inrichting bij wijze van verlof BES (Verlofregeling BES) Gelet op [artikel 39, eerste lid, van de Wet beginselen gevangeniswezen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=39); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **de wet:** de [Wet beginselen gevangeniswezen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596); - c. **gesticht:** een gesticht als bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=2); - d. **directeur:** het hoofd van een gesticht alsmede diens vervanger, bedoeld in [artikel 14 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=14); - e. **elektronisch toezicht:** een technische voorziening waarbij, gebruikmakend van signalen, de aanwezigheid en afwezigheid van een gedetineerde op een bepaalde tijd en plaats gecontroleerd wordt; - f. **verlof:** het verlaten van het gesticht, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031958&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2012-08-15&g=2012-08-15); - g. **Stichting Reclassering Caribisch Nederland:** een stichting als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028398&artikel=1) juncto [4 van het Reclasseringsbesluit BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028398&artikel=4); - h. **Voogdijraad:** de voogdijraad, bedoeld in [artikel 238, eerste lid van Boek 1 van het burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=238). Artikel 2 1. Een gedetineerde kan met inachtneming van het bepaalde in deze regeling worden vergund om al dan niet onder begeleiding, bewaking of toezicht tijdelijk het gesticht te verlaten. 2. Aan het verlof kunnen voorwaarden worden v"},{"i":11797,"b":"Beleidsregel stageverkorting De algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten; Gelet op [artikelen 4:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [10:27 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:27); Gelet op [artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9b); Overwegende dat de raden van de orden de duur van de stage slechts verkorten indien: de betrokken stagiaire kan wijzen op juridische ervaring, welke gelijk is te achten aan een Nederlandse advocatenstage; of het gaat om een zeer geringe verkorting, waarbij sprake is van een duidelijk belang aan de zijde van de stagiaire; stelt de volgende beleidsregel vast: Artikel 1. onthouden goedkeuring De algemene raad onthoudt goedkeuring aan de verkorting van de duur van de stage, indien deze verkorting in strijd is met het recht, tenzij deze strijd zo beperkt is dat onthouding van goedkeuring een te zwaar middel zou zijn. Artikel 2. inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 3. citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel stageverkorting."},{"i":11807,"b":"Beleidsregel transparante financiële bedrijfsvoering en verbod op winstoogmerk Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (hierna: Awb), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa) beleidsregels op met betrekking tot de volgende haar toekomende of onder haar verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheden. De NZa houdt toezicht op de transparantie van de bedrijfsvoering en het verbod op winstoogmerk. De eisen van een transparante bedrijfsvoering zijn gesteld in [artikel 40a, eerste, tweede, vierde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40a) (Wmg). De bevoegdheid van de NZa om toe te zien op de naleving van deze eisen vindt zijn grondslag in [artikel 16, onder e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16). Het verbod op winstoogmerk is opgenomen in [artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=5) (WTZi). De bevoegdheid van de NZa om toe te zien op de naleving van het verbod op winstoogmerk, is gebaseerd op [artikel 16, onder n, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16). De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Bedrijfsvoering:** de sturing en beheersing van bedrijfsprocessen binnen een organisatie om de doelstellingen te kunnen realiseren. Dit omvat zowel de primaire processen als de ondersteunende processen. De financiële bedrijfsvoering betreft de financiële aspecten van de bedrijfsvoering. - **Instelling:** een instelling als bedoeld in [artikel 1, onderdeel f, van de WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=1), inhoudende een organisatorisch verband dat zorg of een andere dienst verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge [artikel 3.1.1 van de Wet la"},{"i":19618,"b":"Regeling houdende voorschriften over de toepassing, plaatsing en uitvoering van verkeerstekens, uitgezonderd verkeerslichten Gelet op [artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=14) en de artikelen 4, derde lid, 9, 10 eerste en tweede lid, derde lid onder a en c, 11 en 48, derde lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer; Besluit: de volgende voorschriften vast te stellen ten aanzien van de toepassing, de plaatsing en de uitvoering van enkele in het RVV 1990 opgenomen verkeersborden, onderborden en verkeerstekens op het wegdek: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Paragraaf 1. Definities 1. Voorwaarschuwingsbord: een op enige afstand voor het bord geplaatst identiek bord van bijlage 1 van het RVV 1990, met een onderbord waarop een afstandsaanduiding is vermeld. 2. Herhalingsbord: een bord geplaatst ter herinnering aan eenzelfde bord dat aan het begin van een en hetzelfde wegvak geplaatst is. Paragraaf 2. Algemene bepaling ten aanzien van toepassing 4. Verkeerstekens worden slechts toegepast, voor zover dit bepaald nodig is en nadat vervangende infrastructurele maatregelen zijn overwogen. Paragraaf 3. Tijdelijke toepassing van verkeerstekens 5. Bij tijdelijke toepassing van verkeerstekens en onderborden, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 8 van het BABW, mag in spoedeisende gevallen van de voorschriften in de [hoofdstukken II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009104&hoofdstuk=II&z=2023-10-01&g=2023-10-01) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009104&hoofdstuk=III&z=2023-10-01&g=2023-10-01) worden afgeweken. Dergelijke afwijkingen worden zo spoedig mogelijk gecorrigeerd. Hoofdstuk II. Verkeersborden Paragraaf 1. Algemene bepalingen ten aanzien van de toepassing van verkeersborden 1. Borden worden slechts toegepast indien de inrichting van de weg in overeenstemming is met hetgeen bij de afzonderlijke borden is voorgeschreven. 2. Borden worden niet toegepast indien daa"},{"i":11829,"b":"Beleidsregels van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit inzake toepassing van de Wet Bibob bij exploitatievergunningen (Beleidsregels Bibob-toets) gelet op [artikel 30h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30h), [30k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30k) en [30l van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30l), besluit de volgende beleidsregels vast te stellen: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - 1. **aanvraag:** een aanvraag voor een vergunning; - 2. **aanvrager:** de natuurlijke persoon, dan wel de rechtspersoon die een vergunning aanvraagt; - 3. **Bibob-advies:** een advies als bedoeld in [artikel 30k, vierde lid, van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30k); - 4. **Bibob-toets:** het eigen onderzoek en de beoordeling van een aanvraag, dan wel een verleende vergunning, door de raad van bestuur, op grond van de [Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798); - 5. **LBB:** het landelijke Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur als bedoeld in [artikel 8 van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=8); - 6. **raad van bestuur:** de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit als bedoeld in [artikel 33a van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - 7. **vergunning:** de vergunning voor het exploiteren van speelautomaten als bedoeld in [artikel 30h, eerste lid, van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30h); - 8. **vergunninghouder:** de natuurlijke persoon, dan wel de rechtspersoon aan wie de vergunning is verleend; - 9. **Wet Bibob:** de [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798): - 10. **Wok:** de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2. Toepassing 1. De raad van be"},{"i":13568,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 februari 2026, nr. RE/1777067, houdende instelling van een Kwaliteitsraad Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL) (Instellingsbesluit Kwaliteitsraad NAPL) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelend in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **NAPL:** Nationale Aanpak Professionalisering Leraren; - c. **commissie:** Kwaliteitsraad NAPL, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052412&artikel=2&z=2026-03-11&g=2026-03-11); - d. **stuurgroep:** stuurgroep NAPL; - e. **realisatie-eenheid:** realisatie-eenheid van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een commissie, genaamd de Kwaliteitsraad NAPL. 2. De commissie beoordeelt de kwaliteit en geschiktheid van de producten met een inhoudelijk sterke blik. De commissie maakt onafhankelijke toetsing en validering van deze producten mogelijk. 3. De commissie heeft tot taak te: - a). ontwikkelen van een kwalitatief toetsingskader voor de ontwikkelpaden en voor het systeem van kwaliteitsborging. - b). toetsen van de kwaliteit van de opgeleverde (tussen)producten binnen het programma NAPL. - c). adviseren van de stuurgroep NAPL ten aanzien van de kwaliteit van de opgeleverde producten binnen het programma, met oog voor de toepasbaarheid en bruikbaarheid in de praktijk. - d). signaleren van kansen en bedreigingen op het gebied van professionalisering leraren op inhoud, proces en onderlinge relaties. 4. De commissie ontvangt van de Realisatie-Eenheid de producten die ter advisering voorliggen en voorzien zijn van een toelichting. 5. De commissie kan op basis van de signalerende functie ook zelf signal"},{"i":14130,"b":"Regeling bevoegdheden registerloodsen regio Amsterdam-IJmond Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=4) en de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=3), [4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=4), [4a tot en met 4d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=4a) en [14, derde lid, van de Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. bestuur: het bestuur van de Regionale Loodsencorporatie Amsterdam-IJmond; - b. Loa (Loodsen op afstand): de functie-uitoefening vanaf de wal, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=2); - c. Loa-loods: de registerloods die bevoegd is tot het geven van Loa; - d. registerloods: de registerloods van de Regionale Loodsencorporatie Amsterdam-IJmond. - e. opleiding Nautische communicatie: de opleiding gericht op te hanteren procedures en gespreksdiscipline; - f. herhaalopleiding Nautische communicatie: de periodiek te herhalen opleiding Nautische communicatie welke noodzakelijk is om de specialisatie als genoemd in [artikel 11, onderdeel b, van de Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=11) te behouden; - g. Verordening: [Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399) Hoofdstuk 2. Toelating tot een hogere bevoegdheid of een specialisatie Artikel 2. Toelating tot een hogere bevoegdheid Voor toelating tot de bevoegdheden genoemd in [artikel 8, eerste lid, onderdelen e, f, en g, van de Verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=8) heeft de registerloods de door het bestuur vastgestelde training voor die betreffende bevoeg"},{"i":14097,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende regels voor mobiele tanks die worden gebruikt voor het vervoer van benzine over de weg, per spoor of over de binnenwateren (Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006) Gelet op [artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. richtlijn: [richtlijn nr. 94/63/EG](31994L0063) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations (PbEG L 365); - b. benzine: benzine als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de richtlijn; - c. **benzinestation:** benzinestation als bedoeld in artikel 2, onderdeel f, van de richtlijn; - d. **terminal:** terminal als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de richtlijn; - e. mobiele tank: mobiele tank als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, van de richtlijn; - f. ladingtank: mobiele tank, vast verbonden met een schip als bedoeld in artikel 2, onderdeel k, van de richtlijn, waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd; - g. damp: damp als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de richtlijn; - h. restladingdamp: damp die na het lossen in een mobiele tank achterblijft; - i. ontgassen: afvoeren van restladingdamp uit een mobiele tank, waarbij de dampen terechtkomen in de atmosfeer; - j. opslaginstallatie: opslaginstallatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de richtlijn; - k. voorlopige dampopslag: opslag van damp in een tank met vast dak op een terminal voor latere overbrenging naar en terugwinning op een andere terminal; - l. ontvangstvoorziening: installatie waarin de damp uit een mobiele tank voor minimaal 80% wordt omgezet in vloeibare vorm, in energie of in warmte,"},{"i":13595,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 12 juni 2020, 1699650-206280-VGP, houdende instelling van een commissie voor de beoordeling van de veiligheid van voedselcontactmaterialen (Instellingsbesluit Nederlandse Commissie beoordeling veiligheid voedselcontactmaterialen) Gelet op [artikel 5a van de Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034991&artikel=5a); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister voor Medische Zorg; - b. **de Commissie:** de Nederlandse Commissie beoordeling veiligheid voedselcontactmaterialen. Artikel 2. Instelling Er is een Nederlandse Commissie beoordeling veiligheid voedselcontactmaterialen. Artikel 3. Taak De Commissie heeft tot taak het beoordelen van de veiligheid van grondstoffen, uitgangsmaterialen en hulpstoffen waarvoor een aanvraag tot toelating voor gebruik in voedselcontactmaterialen is ingediend. Artikel 4. Samenstelling 1. De Commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste vier andere leden. 2. De leden van de Commissie worden benoemd op grond van de deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043718&artikel=3&z=2020-07-01&g=2020-07-01) genoemde taak. 3. De leden van de Commissie worden benoemd, geschorst en ontslagen door de Minister. 4. De benoeming van de leden geschiedt voor ten hoogste vier jaar. 5. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden. Hiervan kan worden afgeweken indien de deskundigheid niet door een nieuw lid kan worden opgevangen. Artikel 5. Secretariaat 1. De Commissie heeft een secretariaat. 2. In het secretariaat wordt voorzien door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Het secretariaat is geen lid van de Commissie. 3. Het secretariaat is voor zijn werkzaamheden verantwoording schuldig aan de Commissie. Artikel 6. Inbreng deskundigen De Commissie kan zich op onderdelen lat"},{"i":12952,"b":"Besluit van 14 november 2006, nr. 6096988, houdende de vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en de leden van de Adviescommissie Boegbeeldprogramma Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie Boegbeeldprogramma ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie Boegbeeldprogramma ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor voorbereidende werkzaamheden in het kader van de Adviescommissie Boegbeeldprogramma, anders dan het bijwonen van een vergadering, ontvangen alle leden een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en op een voorbereidingstijd van 1,5 uur per aanvraag. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13085,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 december 2025, kenmerk 57891456, houdende wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum Het Flevolands Archief Gelet op [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94) en [95 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=95) en [artikel 37 van de Gemeenschappelijke regeling Het Flevolands Archief](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039545&artikel=37); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de [Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum Het Flevolands Archief](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039545). Artikel 2 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stemt in met het wijzigingsbesluit van de [Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum Het Flevolands Archief](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039545) zoals voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal per 10 november 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 723, nr. 4 en Kamerstukken I 2024/25, 36 723, nr. C). Artikel 3 Het [besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 maart 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039534), nr. 116231 (Stcrt. 2017, 25707) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":12563,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 mei 2015 tot routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden opgeslagen in het informatiesysteem Marjolein (Substitutiebesluit Marjolein) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Over te gaan tot routinematige, digitale vervanging van papieren archiefbescheiden, die niet voor vernietiging in aanmerking komen en die voor vernietiging in aanmerking komen, en: Bijlage. Handboek substitutie VWS (Ligt ter inzage bij de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.)"},{"i":12533,"b":"Besluit van 10 december 1970, houdende overbrenging van de aangelegenheden betreffende woonschepen naar het departement van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Op de voordracht van Onze minister-president, minister van Algemene Zaken van 4 december 1970, nr. 193455, mede namens Onze minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en Onze minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; Gezien Ons besluit van 14 april 1965 (**Stb.** 1965, 146); Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig De zorg voor de aangelegenheden betreffende woonschepen, thans behorende tot de taak van het departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (Directoraat-Generaal voor Maatschappelijke Ontwikkeling), gaat met ingang van 1 januari 1971 over naar het departement van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Onze ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze ministers, aan de Raad van State, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Kamers der Staten-Generaal."},{"i":14509,"b":"Regeling ongediertebestrijdingsgassen BES Artikel I Als bestrijdingsmiddel bedoeld in [artikel 6, lid 1, van de Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028176&artikel=6), waarvan de aankoop en de aanwending door de gebruiker uitsluitend is toegestaan op grond van een door of vanwege het Bestuurscollege verleende vergunning, worden aangewezen: de ongediertebestrijdingsgassen: Methylbromide, Fosforwaterstof, Sulfuryl fluoride, Ethyleen oxide, en de chemische verbindingen, die bestemd zijn te worden aangewend bij de bestrijding van ongedierte en welke door middel van een chemische reactie een van de bovengenoemde gassen genereren. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling ongediertebestrijdingsgassen BES."},{"i":14510,"b":"Regeling Ontwikkelbeurzen voor literair vertalers gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), besluit: de volgende regeling Ontwikkelbeurzen voor literair vertalers vast te stellen. Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **belastbaar verzamelinkomen:** het bedrag, zoals gedefinieerd in [artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.18) en zoals definitief vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst in de definitieve aanslag inkomstenbelasting; - b. **bestuur:** het bestuur van het Letterenfonds; - c. **Cariben:** het Caribisch deel van het Koninkrijk zijnde de landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius; - d. **Engels:** de Engelse taal zoals door haar moedertaalsprekers wordt gehanteerd in het Caribisch deel van het Koninkrijk; - e. **Letterenfonds:** Stichting Nederlands Letterenfonds; - f. **Literair vertaler uit het Nederlands, Fries of een andere officiële taal van het Caribisch deel van het Koninkrijk:** Literair vertaler die vertalingen maakt uit het Nederlands, Fries, Engels of Papiaments én in een andere taal dan de hiervoor genoemde talen; - g. **Papiaments:** Papiamento en Papiamentu; - h. **hij:** onder hij wordt tevens verstaan iedere andere genderaanduiding die door de betreffende persoon als geëigend wordt ervaren. Artikel 2. Toepasselijkheid Deze regeling is van toepassing op aanvragen voor een ontwikkelbeurs die bij het bestuur worden ingediend en door het bestuur worden verstrekt. De ontwikkelbeurs is bestemd voor activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling als literair vertaler. Artikel 3. Vereisten aanvrage"},{"i":12174,"b":"Besluit houdende departementale herindeling met betrekking tot vreemdelingenzaken Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 14 oktober 2010, kenmerk 3096356; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van vreemdelingenzaken, met inbegrip van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, de Dienst Terugkeer en Vertrek, de grensbewaking inzake vreemdelingenzaken en de Rijkswet op het Nederlanderschap, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Justitie. Artikel 2 De taken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van het ministerie van Veiligheid en Justitie worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028856&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028856&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister voor Immigratie en Asiel, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister voor Immigratie en Asiel, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden"},{"i":14746,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 12 april 2007, nr. MLB/JZ/2007/10.574, houdende nadere regels ter uitvoering van de Wet op de vaste boekenprijs en het Besluit vaste boekenprijs (Regeling vaste boekenprijs) Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=4), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=5), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=7), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=11) en [14 van de Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=14) en de [artikelen 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018298&artikel=1), [13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018298&artikel=13), en [14, vierde lid, van het Besluit vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018298&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Mededeling van prijzen 1. De uitgever en de importeur doen van de vaste prijs, de boekenclubprijs, de bijzondere prijs, alsmede van de aanpassing of opheffing daarvan ten minste een week vóór de ingangsdatum mededeling aan het Commissariaat voor de Media. 2. De mededeling bevat in elk geval de volgende gegevens; - a. naam van de uitgever of importeur en, indien aanwezig, imprint; - b. titel en verschijningsvorm van het boek of de muziekuitgave; - c. indien aanwezig: ISB-nummer, ISM-nummer of ander registratienummer; - d. voor zover aanwezig: de naamsgegevens van de auteur, componist, co-auteur of co-componist; - e. de prijs en de ingangsdatum en, indien van toepassing, de einddatum daarvan; - f. bij prijsaanpassing tevens de aangepaste prijs en de ingangsdatum en, indien van toepassing, de einddatum daarvan; - g. bij opheffing tevens de ingangsdatum van de opheffing. 3. De mededeling geschiedt via de daartoe door het Commissariaat aangewezen website of schriftelijk. 4. Het Commissariaat kan voor de mededeling elektronisch"},{"i":11458,"b":"Besluit van 6 oktober 2023 tot wijziging van het Inrichtingsbesluit WPO, het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 en het Besluit register onderwijsdeelnemers in verband met de tijdelijke inrichting van tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen voor leerplichtige nieuwkomers (Tijdelijk besluit tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen in het onderwijs) Op de voordracht van Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, van 2 juni 2023, nr. WJZ/38416330 (ID25287) directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 193h, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=193h), [193i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=193i), [193k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=193k), en [193l, tweede lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=193l), en de [artikelen 9.3h zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=9.3h), [9.3i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=9.3i), [9.3l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=9.3l), en [9.3m tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=9.3m), en [artikel 8, vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 5 juli 2023, nr. W05.23.00124/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 20 september 2023, nr. WJZ/39556781, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Tijdelijke wet tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen in het onderwijs in werking treedt. Artikel I. Wijziging [Inrichtingsbesluit WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046350) Wijzigt het Inrichtingsbesluit WPO. Artikel II. Wijziging [Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://we"},{"i":14837,"b":"Regeling houdende nadere regels met betrekking tot de veiligheid en certificering van in Nederland geregistreerde zeeschepen, alsmede regels met betrekking tot de veiligheid van buitenlandse schepen in Nederlandse wateren (Regeling veiligheid zeeschepen) Gelet op de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=12), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=22), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=32), [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=46),[48, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=48),[51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=51), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=54), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=58) en [65 van het Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=65), de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=5), [26e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=26e), en [26f van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=26f) en de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016993&artikel=3), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016993&artikel=7), en [11, tweede lid, van de Wet buitenlandse schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016993&artikel=11), op [richtlijn nr. 92/29/EEG](31992L0029) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113), alsmede op de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017728&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2025-12-18&g=2025-12-18) van deze regeling genoemde Codes, richtlijnen en verordeningen; Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt v"},{"i":14856,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 17 maart 2017, nr. WJZ/17041366, houdende regels inzake aanvraag en verlenging vergunningen landelijke commerciële radio-omroep in de FM-band (Regeling verlenging en digitalisering landelijke commerciële radio-omroep 2017) Gelet op de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=12) en [18, vijfde en elfde lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **commerciële radio-omroep:** radio-omroep als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1) die wordt verzorgd door een commerciële media-instelling als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet; - **FM-vergunning:** vergunning voor landelijke commerciële radio-omroep in de FM-band die op grond van het [Besluit verlengbaarheid vergunningen landelijke commerciële radio FM-band 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038267) verlengbaar is; - **minister:** Minister van Economische Zaken; - **kavel:** frequentie of samenstel van frequenties voor het gebruik waarvan een vergunning kan worden verleend; - **radioprogramma:** radioprogramma als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - **vergunning voor digitale radio-omroep:** vergunning voor het gebruik van 1/9e deel van een capaciteit van het frequentieblok bedoeld in nationale voetnoot HOL007A van het Nationaal Frequentieplan 2014 die gekoppeld is aan de te verlengen vergunning. Artikel 2 1. Een aanvraag om verlenging van de looptijd van een FM-vergunning tot 1 september 2022 wordt ingediend bij de minister. 2. De aanvraag wordt in de periode van 27 maart 2017 tot en met 24 april 2017, voor 16.00 uur, per post ontvangen dan wel door middel van persoonlijke"},{"i":14857,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2024, nr. 2024-0000926611, tot verlenging en wijziging van de SLIM-regeling naar aanleiding van de evaluatie van deze regeling Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Artikel I Wijzigt de SLIM-regeling. Artikel II De [SLIM-regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015) zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling blijft van toepassing op subsidies die voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend of aangevraagd, met uitzondering van de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&artikel=10), [11, eerste, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&artikel=12) en [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&artikel=20). Op subsidies als hiervoor bedoeld is tevens [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043015&artikel=25) van toepassing, zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14858,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 december 2013, nr. 459232, houdende vaststelling van regels inzake de verlenging van de inschrijving in het register voor beëdigde tolken en vertalers indien niet aan één van de vereisten voor verlenging van de inschrijving wordt voldaan (Regeling verlenging inschrijving Rbtv) Gelet op [artikel 12 van het Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=12); Besluit: Artikel 1. Definitiebepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **besluit:** het [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896); - –. **raad:** de raad voor rechtsbijstand; - –. **PE punten:** opleidingspunten in het kader van de permanente educatie als bedoeld in het [Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896). 2. Voor de toepassing van deze regeling wordt een persoon geacht geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt te zijn, als hij door rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om werkzaamheden als beëdigd tolk of vertaler te verrichten. Artikel 2. Het verzoek Een beëdigde tolk of vertaler die in het register is ingeschreven kan, hoewel niet wordt voldaan aan het vereiste, bedoeld in [artikel 11, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=11), óf het vereiste, bedoeld in artikel 11, onderdeel b, van het besluit, bij de raad een verzoek indienen tot verlenging van inschrijving in het register. Artikel 3. Voorwaarden voor verlenging inschrijving in het register 1. Indien verzoeker gedurende de gehele of gedeeltelijke voorgaande periode van inschrijving in het register minder dan 50% arbeidsongeschikt is geweest, wordt het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034392&artikel=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) bedoelde verzoek afgewezen. 2. Indien verzoeker gedurende de gehele of gedeeltelijke voorgaande periode"},{"i":14859,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 1 maart 2023, nummer 4507236, in verband met de verlenging van de duur van tijdelijke bescherming aan een groep ontheemden uit Oekraïne Gelet op [artikel 3.1a, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.1a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Wijzigingsregeling Voorschrift Vreemdelingen 2000 (aanpassen doelgroep ontheemden uit Oekraïne, waaraan tijdelijke bescherming wordt verleend) (honderdnegenenzeventigste wijziging). Artikel II [Artikel 3.9a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9a), zoals dat luidde tot 19 juli 2022, blijft tot 4 september 2023 van toepassing op vreemdelingen: - a. die niet beschikken over een op 23 februari 2022 geldige Oekraïense permanente verblijfsvergunning; en - b. die vóór 19 juli 2022 stonden ingeschreven in de BRP. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 19 juli 2022. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14865,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 januari 2010, nr. DL/A/182197, houdende regels voor aanvullende personele bekostiging voor de versterking van de functiemix van leraren in het voortgezet onderwijs in de Randstadregio’s 2010–2012 (Regeling versterking van functiemix leraren VO in de Randstadregio’s 2010–2012) Gelet op [artikel 85a van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=85a); Besluit: 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bezoldigingsschaal:** de salarisschaal volgens welke de betrokken leraar wordt bezoldigd; - **Convenant Leerkracht van Nederland:** tripartiete afspraken tussen de minister en de sociale partners in het primair en voortgezet onderwijs, als vastgelegd op 1 juli 2008 (Stcrt. 2009, 42); - **functiemix:** verdeling van leraren in voltijdequivalenten over de bezoldigingsschalen; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **personeelsgegevens:** personeelsgegevens als bedoeld in bijlage B bij het Convenant Leerkracht van Nederland en [bijlage 1 bij het Besluit informatievoorziening WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008948&bijlage=1); - **Randstadregio’s:** verzameling van gemeenten op peildatum 1 oktober 2025 als opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027113&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **school:** een school of scholengemeenschap als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1), die wordt bekostigd op grond van de wet; - **teldatum:** 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging wordt verstrekt; - **vestiging:** hoofdvestiging, nevenvestiging of tijdelijke nevenvestiging van een school als bedoeld in de [artikelen 4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.13), [4.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.14) en [4.16 van"},{"i":14860,"b":"Regeling vermogenswaardering Ioaz Gelet op [artikel 8, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=8), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 De waarde van het vermogen bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=8), wordt vastgesteld onmiddellijk nadat het bedrijf of beroep is beëindigd. Artikel 3 1. Vermogen is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. 2. Bezittingen zijn: - a. onroerende zaken; - b. rechten, die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben; - c. roerende zaken die door de gewezen zelfstandige en personen die behoren tot zijn huishouden niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt alsmede roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt doch hoofdzakelijk als belegging dienen; - d. rechten op roerende zaken; - e. rechten die niet op zaken betrekking hebben, waaronder geld en - f. overige vermogensrechten, met waarde in het economisch verkeer; - g. goodwill. 3. Schulden zijn: - a. verplichtingen met waarde in het economisch verkeer; - b. verplichtingen die voortvloeien uit de vaststelling van de waarde van de bezittingen. Artikel 4 1. Tot de bezittingen behoren niet: - a. rechten die berusten op een pensioenregeling; - b. rechten op uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval toekomende aan de gewezen zelfstandige of zijn echtgenoot; - c. bossen, natuurterreinen en onroerende zaken die deel uitmaken van een ingevolge de [Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939) aangewezen landgoed, met uitzondering van de op deze landgoederen voorkomende gebouwde eigendommen. Artikel 5 1. Mits niet deel uitmakend van het vermogen van een onderneming behoren niet tot de bezittingen: - a. rechten op lijfrenten in het g"},{"i":14861,"b":"Regeling verpakking en etikettering van bestrijdingsmiddelen BES Artikel 1 1. De verpakking van een bestrijdingsmiddel en de sluiting daarvan moeten deugdelijk en veilig zijn en aan de volgende eisen voldoen: - a. zij dienen zodanig te zijn ontworpen en uitgevoerd dat niets van de inhoud kan ontsnappen; - b. het materiaal van de verpakking en van de sluiting moet van een zodanige samenstelling zijn, dat het niet: - 1. door de inhoud kan worden aangetast; - 2. met de inhoud een schadelijke verbinding kan vormen; - 3. een gedeelte van de inhoud kan opnemen; - c. de verpakking en de sluiting moeten in alle onderdelen zo degelijk zijn, dat zij niet los kunnen raken en moeten afdoende bestand zijn tegen elke normale behandeling; - d. de verpakkingen, die zijn voorzien van een meermalen te gebruiken sluiting moeten zodanig ontworpen zijn, dat de verpakking herhaalde malen door de gebruiker opnieuw gesloten kan worden zonder dat iets van de inhoud ontsnapt. 2. De Minister bedoeld in [artikel 1 van de Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028176&artikel=1), kan bepalen dat in het belang van de volksgezondheid in die gevallen waar bijzondere veiligheid is geëist, een kinderveilige sluiting is vereist. Artikel 2 1. Op de verpakking van een bestrijdingsmiddel moet worden vermeld: - a. de naam van het bestrijdingsmiddel; - b. de naam en het adres van degene die het middel produceert en indien het betreft een middel dat lokaal wordt om-, her- of verpakt, de naam en het adres van degene, die een der voorgenoemde handelingen verricht; - c. de naam van de werkzame stof of stoffen en de gehalten daarvan uitgedrukt; - 1. voor zover het vloeistoffen betreft, in grammen per liter (bij 20°C); - 2. in alle andere gevallen in massa-procenten; - d. de hoeveelheid van het middel in de verpakking, uitgedrukt in eenheden van massa of volume; - e. het chargenummer of een andere aanduiding, aan de hand waarvan in de administratie van degene die het"},{"i":14863,"b":"Regeling verplichtingen vliegtuigbouw Gelet op [artikel 87, derde lid van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=87); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder Artikel 2 De aanvrager van het bewijs van luchtwaardigheid voor een luchtvaartuig, niet zijnde een amateurluchtvaartuig, is inzake de bouw verplicht er voor te zorgen: - a. dat de organisatie en de inrichting van de werkplaatsen, de gevolgde werkwijzen en controlemethoden, de gebruikte gereedschappen en de kundigheid van het bij de bouw betrokken personeel naar het oordeel van de Minister van Verkeer en Waterstaat voldoende waarborgen bieden voor een goede bouw van het luchtvaartuig; - b. dat slechts fabricageprocessen worden toegepast waarmee de Minister van Verkeer en Waterstaat heeft ingestemd; - c. dat, voordat materialen, onderdelen en halfproducten alsmede uitrustingsstukken in het luchtvaartuig worden verwerkt, - 1º. voor deze toestemming is verleend door de Minister van Verkeer en Waterstaat, - 2º. deze zijn voorzien van een bewijs van deugdelijkheid, of - 3º. deze zijn voorzien van een bewijs van toestemming, afgegeven door een daartoe erkend bedrijf of een erkend inspecteur; - d. dat de inspecties en proeven worden uitgevoerd die de Minister van Verkeer en Waterstaat noodzakelijk acht om te verzekeren dat het luchtvaartuig zal voldoen aan de luchtwaardigheidsvoorschriften; - e. dat hij na de bouw schriftelijk verklaart dat het luchtvaartuig voldoet aan de ingediende ontwerp-tekeningen en specificaties en dat de door de Minister van Verkeer en Waterstaat voorgeschreven inspecties en proeven naar behoren zijn uitgevoerd; - f. vervallen; - g. dat het luchtvaartuig of daarvoor bestemde onderdelen op verzoek van de Minister van Verkeer en Waterstaat ter beschikking worden gesteld voor een onderzoek naar de luchtwaardigheid op een in onderling overleg te bepalen tijdstip en plaats; - h. dat hij de Minister van Verkeer en Waterstaat inlicht o"},{"i":14864,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 20 september 2021, nr. IENW/BSK-2021/242116, houdende vaststelling van nadere regels voor het verslag over de uitvoering van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid inzake verpakkingen in het Besluit beheer verpakkingen 2014 (Regeling verslaglegging verpakkingen) Gelet op [artikel 9.5.2, zevende lid, Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2); BESLUIT: Artikel 1. (Begripsomschrijvingen) In deze regeling worden verstaan onder: - **producentenorganisatie:** de rechtspersoon bedoeld in [artikel 9, derde lid, van het Besluit beheer verpakkingen 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035711&artikel=9) dan wel de producentenorganisatie bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044197&artikel=6); - **samengestelde verpakking:** verpakking die is gemaakt van twee of meer lagen van verschillende materialen die niet met de hand kunnen worden gescheiden en één geheel vormen dat als zodanig wordt gevuld, opgeslagen, vervoerd en geleegd; - **verslag:** het verslag bedoeld in [artikel 8 van het Besluit beheer verpakkingen 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035711&artikel=8) dan wel [artikel 5 van het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044197&artikel=5). Artikel 2. (Algemene bepalingen) 1. De producent of importeur maakt bij het indienen van het verslag over de uitvoering van de [artikelen 5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035711&artikel=5a), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035711&artikel=6), [6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035711&artikel=6a), [6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035711&artikel=6b) en [7 van het Besluit beheer verpakkingen 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035711&artikel=7) gebru"},{"i":11459,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 10 november 2025, nr. IENW/BSK-2025/274529, houdende vaststelling van regels voor subsidie ter stimulering van inzet van duurzaamheidscoördinatoren 2026–2029 (Tijdelijke mbo-verduurzamingsregeling) [KetenID WGK028158] Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=16), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), en [23, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **duurzaamheidscoördinator:** coördinator die als taak heeft een mbo-instelling te ondersteunen bij het structureel verankeren van duurzaamheid en circulariteit in de onderwijspraktijk; - **fte:** fulltime-equivalent; - **Kaderbesluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381); - **mbo-instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **RVO:** Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; - **SustainaBul MBO peer-review:** coöperatieve ranking die laat zien hoever een instelling is in het verankeren van duurzaamheid. Artikel 2. Doel van de subsidie De verstrekking van subsidies op grond van deze regeling he"},{"i":15078,"b":"Regeling van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van 30 april 2026, kenmerk 4377537-1097784-DMO, houdende regels voor de subsidiering van activiteiten voor de collectieve erkenning van Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen in Nederland (Subsidieregeling CEWIN 2026) [KetenID WGK028397] Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **contextgebonden zorg:** zorg die uitgaat van een cultuursensitieve benadering en waarbij rekening gehouden wordt met persoonlijke oorlogs- en geweldservaringen; - **de-minimisverklaring:** verklaring als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de de-minimisverordening; - **de-minimisverordening:** [Verordening (EU) nr. 2023/2831](32023R2831) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun; - **educatief materiaal:** hulpmiddelen en leermiddelen om kennisoverdracht bij leerlingen en scholieren te ondersteunen; - **huisvestingslasten:** kosten voor huur, rente en afschrijvingen; - **minister:** Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport; - **omroepprogramma’s:** films of documentaires ontwikkeld door of in samenwerking met de Nederlandse publieke of commerciële oproep. Artikel 2. Doel van de regeling Deze regeling heeft als doel om initiatieven aan te moedigen uit de Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen in Nederland die bijdragen aan de collectieve erkenning van deze gemeenschappen binnen de Nederlandse samenleving. Hierbij staat het bevorderen van wederzijds begrip, her- en erkenning, het verankeren van cultureel erfgoed en het leren van de geschiedenis van Nederlands-Indië/Indonesië centraal. Artikel 3. Subsidiabele activiteiten 1. De minist"},{"i":18797,"b":"Besluit van 13 januari 2014 tot vaststelling van de bedragen van de bestuurlijke boetes op grond van artikel 9c, derde lid, van de Bankwet 1998 en artikel 11, derde lid, van de Muntwet 2002 (Besluit bestuurlijke boetes echtheids- en geschiktheidscontrole van eurobankbiljetten en euromunten) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 21 november 2013, FM/2013/2061 M, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 9c, derde lid, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9c) en [artikel 11, derde lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=11); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 december 2013, no. W06.13.0423/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 8 januari 2013, FM/2013/2242 U; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het basisbedrag voor de bestuurlijk boete, bedoeld in [artikel 9c, tweede lid, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9c) bedraagt: - a. € 25.000, indien sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de verordening valsemunterij voor zover de overtreding betrekking heeft op eurobankbiljetten; - b. € 15.000, indien sprake is van een overtreding als bedoeld in [artikel 9a, eerste tot en met derde lid, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9a); - c. € 25.000, indien sprake is van een overtreding als bedoeld in [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20). 2. De Nederlandsche Bank N.V. kan het basisbedrag met ten hoogste 100% verlagen of met ten hoogste 50% verhogen, indien de ernst of de duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt. 3. De Nederlandsche Bank N.V. kan voorts het basisbedrag met ten hoogste 100% verlagen of met ten hoogste 50% verhogen, indien de mate van verwijtbaarheid van de overtreder een dergelij"},{"i":15082,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 22 mei 2025, nr. 2025-0000305917, houdende regels met betrekking tot de stimulering van verduurzaming van maatschappelijk vastgoed Gelet op de [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, vierde lid, vijfde lid, onderdeel b, en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=18) en [24, vijfde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=24); BESLUIT Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **adres:** adres als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=1); - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 zoals laatst gewijzigd bij [Verordening (EU) 2023/1315](32023R1315), waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2023, L 167); - **bovenlokale onderneming:** iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent, waarvan de activiteit invloed kan hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie; - **economische eigendom:** het krachtens een rechtsverhou"},{"i":15085,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 24 april 2023, nr. 37179289, houdende regels voor de subsidiëring van het programma Maatschappelijke Diensttijd (Subsidieregeling MDT 2023) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **afgerond MDT-traject:** een MDT-traject geldt als afgerond indien de vereiste uren zijn gemaakt, én de voorgenomen activiteiten van het MDT-traject zijn uitgevoerd; - **AVG:** [verordening (EU) 2016/679](32579R2016) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119); - **cofinanciering:** financiering voor het MDT-project, die wordt ingebracht door de penvoerder, projectpartners of derden; - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **gelieerde organisatie:** economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b); - **jongeren:** deelnemers van 12 tot 30 jaar bij aanvang van een MDT-traject; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **Impact:** het effect van het MDT-traject op jongeren en de maatschappij; - **MDT-basis-traject:** MDT-traject van ten minste 80 uur gedurende een periode van ten hoogste 6 maanden; - **MDT-certificaat:** document waarin wordt vermeld dat het MDT-traject volledig is afgerond; - **MDT-extra-traject:** MDT-traject van ten minste 80 uur gedurende een periode van ten hoogste 6 maanden, waarbij het MDT-traject de intensieve begeleiding van een jongere vergt; - **MDT-intensief-traject:** MDT-traject van ten minste 320 uur gedurende een periode van ten ho"},{"i":15088,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 3 september 2025, kenmerk 4196411-1086983-DMO, houdende regels voor het subsidiëren van activiteiten ter versterking van de Tweede Wereldoorlog herinneringssector (Subsidieregeling ter versterking van de Tweede Wereldoorlog herinneringssector) [KetenID WGK027850] Gelet op [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraagtijdvak 2025:** de periode van 3 november 2025 09:00 uur tot en met 6 januari 2026 13:00 uur; - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard; - **Holocaust:** systematische vervolging van en genocide op Joden, Sinti en Roma door de Nazi’s en hun bondgenoten voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog; - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling De subsidie is een subsidie als bedoeld in [artikel 1.5, onderdeel d, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.5). Artikel 3. Doel van de regeling De regeling heeft tot doel het realiseren van activiteiten die bijdragen aan de kennisoverdracht van inwoners van het Koninkrijk der Nederlanden over de Holocaust of over gebeurtenissen die in de aanloop naar, tijdens, of in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden en weinig maatschappelijke aandacht hebben, namelijk: - a). gebeurtenissen in Nederlands-Nieuw-Guinea; - b). gebeurtenissen in het Caribisch deel van het Koninkrijk en Suriname; - c). propaganda en miscommunicatie; - d). verwerking terugkomst en herinnering; - e). de luchtoo"},{"i":15093,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666241 op grond van artikel 3.121 van de Energiewet, en artikel 12f van de Gaswet juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet over systeemkoppelingen gas (Systeemkoppelingscode gas TSB en DSB) De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f) en [artikel 3.121 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); Besluit: **Systeemkoppelingscode gas TSB en DSB** 1. Algemene bepalingen 1.1. Werkingssfeer en Definities 2. Systeemkoppeling 3. Systeemverbinding 3.1. Leveringsdruk 3.3. Capaciteit 3.4. Beheer 4. Omgeving van de systeemverbinding 5. Meten en regelen van de systeemverbinding 5a. Systeemkoppelingen tussen distributiesysteembeheerders onderling 5a.1. Beheer en Realisatie 5a.2. Metingen 5a.3. Beveiliging 5a.4. Technische normen 6. Samenwerking tussen systeembeheerders 6.1. Werkzaamheden 6.2. Communicatie 6.3. Continuïteit 7. Slotbepaling Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15094,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 september 2004, Directie Wetgeving Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W1/04/59941, houdende intrekking van diverse uitgewerkte SZW-regelingen (SZW-intrekkingsregeling 2004) Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voorzover het betreft [artikel VII, onderdeel a, b, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017213&paragraaf=1&artikel=VII&z=2004-09-22&g=2004-09-22), [artikel VIII, onderdeel j en s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017213&paragraaf=1&artikel=VIII&z=2004-09-22&g=2004-09-22), [artikel XIV, onderdeel j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017213&paragraaf=1&artikel=XIV&z=2004-09-22&g=2004-09-22), [artikel XIX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017213&paragraaf=1&artikel=XIX&z=2004-09-22&g=2004-09-22), [artikel XXII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017213&paragraaf=1&artikel=XXII&z=2004-09-22&g=2004-09-22), [artikel XXVIII, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017213&paragraaf=1&artikel=XXVIII&z=2004-09-22&g=2004-09-22), [artikel XXXII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017213&paragraaf=1&artikel=XXXII&z=2004-09-22&g=2004-09-22) en [artikel XXXIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017213&paragraaf=1&artikel=XXXIII&z=2004-09-22&g=2004-09-22); Handelende in overeenstemming met de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Verkeer en Waterstaat en van Defensie, voorzover het betreft [artikel XVIII, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017213&paragraaf=1&artikel=XVIII&z=2004-09-22&g=2004-09-22); Handelende in overeenstemming met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voorzover het betreft [artikel XXXV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017213&paragraaf=1&artikel=XXXV&z=2004-09-22&g=2004-09-22); Handelende in overeenstemming met"},{"i":15095,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 september 2008, Directie Wetgeving Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W1/2008/21558, tot intrekking van diverse uitgewerkte SZW-regelingen (SZW-intrekkingsregeling 2008) Gelet op het [Buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002014), de [Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089), de [Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754), de [Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458), de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745), de [Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159), de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies, de [Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002830), de [Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987), de [Wet op de loonvorming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002698), de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346), de Wet op de inkomstenbelasting 1994, de [Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006317), de [Wet Sociale Werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903), de Wet arbeid buitenlandse werknemers, [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060), de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), de [Wet arbeidsongeschiktheidsve"},{"i":15097,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 mei 2016, kenmerk 966398-150196-WJZ houdende regels inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten (Tabaks- en rookwarenregeling) Gelet op [Richtlijn 2014/40](32014L0040)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van [Richtlijn 2001/37/EG](32001L0037) (PbEU 2014, L 127) alsmede op de [artikelen 2, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=2), [3c, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=3c), [13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=13), en [19, tweede lid, van de Tabaks- en rookwarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=19) en de [artikelen 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037160&artikel=2.1), [2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037160&artikel=2.2), [2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037160&artikel=2.3), [2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037160&artikel=2.4), [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037160&artikel=3.1), [3.2, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037160&artikel=3.2), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037160&artikel=3.3), [4.1, tweede lid](onbekend), [4.2, tweede lid](onbekend), [4.3, tweede en derde lid](onbekend), [4.4, eerste lid](onbekend), [4.5, tweede lid](onbekend), [4.6, tweede lid](onbekend), [4.7, tweede lid](onbekend), [4.8, tweede lid](onbekend), [5.5, tweede lid](onbekend), [5.6, derde lid](onbekend), en [7.1a van het Tabaks- en rookwarenbesluit](onbekend); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Tabakswet (implementatie van Ri"},{"i":15098,"b":"Wet van 10 maart 1988, houdende maatregelen ter beperking van het tabaksgebruik, in het bijzonder ter bescherming van de niet-roker Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het belang van de volksgezondheid regelen te stellen ter beperking van het gebruik van tabak en meer in het bijzonder ertoe strekkende hinder voor hen die geen tabak gebruiken tegen te gaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanverwant product:** elektronische dampwaar, voor roken bestemd kruidenproduct, elektronisch verhittingsapparaat, nicotineapparaat en nicotineproduct zonder tabak, met uitzondering van nicotineproduct zonder tabak voor oraal gebruik; - **additief:** een andere stof dan tabak die aan een tabaksproduct, nicotinehoudende vloeistof, niet-nicotinehoudende vloeistof, of verpakkingseenheid of buitenverpakking ervan, wordt toegevoegd; - **bijlage:** de bijlage bij deze wet; - **binnenlandse verkoop op afstand:** een verkoopovereenkomst tussen een detaillist en een consument die zich beiden in Nederland bevinden en die wordt gesloten in het kader van een georganiseerd systeem voor verkoop op afstand zonder gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid van detaillist en consument en waarbij, tot en met het moment van het sluiten van de verkoopovereenkomst, uitsluitend gebruik wordt gemaakt van een of meer middelen voor communicatie op afstand; - **buitenverpakking:** de verpakking waarin tabaksproducten of aanverwante producten in de handel worden gebracht en die een verpakkingseenheid of een aantal verpakkingseenheden bevat, met dien verstande dat onbedrukte cellofaanverpakkingen niet als buitenverpakking worden beschouwd; - **consument:** een natuurlijke persoon d"},{"i":15099,"b":"Besluit van de Secretaris Generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, 29 november 2021, nr. 3342915 houdende nadere bepalingen inzake de taakopdracht van het Centraal Justitieel Incassobureau (Takenbesluit CJIB) Gelet op [artikel 63d, tweede lid, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=63d); Overwegende dat, het wenselijk is nadere duiding te geven aan de taakopdracht en bevoegdheden van het Centraal Justitieel Incassobureau; Overwegende, mede hetgeen is opgenomen in de USB [beleidsregel ‘tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045326) en dan met name de [bijlage USB bevoegdhedenschema](onbekend) en het samenwerkingsreglement USB; Besluit: Artikel 1. Taken en bevoegdheden 1. Ten aanzien van hetgeen in [artikel 63d, eerste lid, onderdeel b, van het Organisatiebesluit van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=63d) staat vermeld, wordt een nadere uitwerking gegeven van de navolgende bevoegdheden en feitelijke handelingen: - a. het bepalen van de datum van onherroepelijkheid van de strafrechtelijke beslissing; - b. het bepalen van de tenuitvoerleggingstermijn van de strafrechtelijke beslissing, alsmede het opschorten dan wel schorsen daarvan; - c. het op basis van een persoonsgerichte beoordeling bepalen van de wijze, volgorde en tempo van de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke beslissingen; - d. het tijdelijk aanhouden en/of beëindigen van de tenuitvoerlegging; - e. het verstrekken van een last tot tenuitvoerlegging dan wel de last tot tenuitvoerlegging die strekt tot aanhouding van een verdachte of veroordeelde aan de uitvoeringsorganisatie, alsmede de wijziging of intrekking daarvan; - f. het verstrekken van een opdracht tot onmiddellijke invrijheidstelling aan het bevoegd gezag van een Penitentiaire Inrichting of een Justitiële Jeugdinrichting; - g"},{"i":5147,"b":"Protocol Accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2022 1. Inleiding 1.1. Algemeen De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft in het [Model Jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048001) (verder: model) voorschriften opgenomen voor de inrichting van de bestuurlijke verantwoording 2022 van het CAK. De regels voor het accountantsonderzoek en voor de inhoud en inrichting van het accountantsverslag heeft de NZa vastgelegd in dit Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2022 (verder: protocol)1Op basis van artikel 31 van de Wmg kan de NZa regels stellen voor de inhoud en inrichting van de verklaring en van het accountantsverslag zoals bedoeld in artikel 4.3.1 van de Wlz. Artikel 6.2.6 (lid 1) van de Wlz geeft aan dat artikel 4.3.1 (lid 1 tot en met 4) van de Wlz van overeenkomstige toepassing is op het CAK.. Dit protocol geeft richtlijnen voor het door de externe accountant uit te voeren onderzoek naar de in de bestuurlijke verantwoording 2022 opgenomen matrix bestuurlijke verantwoording en financiële overzichten van de activa en passiva en toelichtingen daarop (verwezen wordt naar het [model paragraaf 2.1.1 ad 1 en 2](onbekend)). Het onderzoek betreft in de basis een controleopdracht conform Standaard 800 van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA). De overige onderdelen van de bestuurlijke verantwoording worden voor dit onderzoek aangemerkt als ‘andere informatie’ (verwezen wordt naar het [model bij paragraaf 2.1.1 ad 3](onbekend)), waarop Standaard 720 van de NBA van toepassing is. In de bestuurlijke verantwoording legt het CAK verantwoording af met betrekking tot de uitvoering van 4 taken en regelingen. Dit betreffen: **Doorlopende regelingen en taken:** Het doel van dit protocol is niet om de aanpak van het onderzoek voor te schrijven, maar om de kaders aan te geven waarbinnen het onderzoek moet plaatsvinden. De accountant is zelfstandig verantwoordel"},{"i":15100,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666102, op grond van artikel 3.121 van de Energiewet, en artikel 12f van de Gaswet juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet over de taken van de TSB voor gas (Takencode gas TSB) De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f) en [artikel 3.121 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); Besluit: 1. Werkingssfeer en definities 1.1. Werkingssfeer 1.2. Definities 2. Leveringszekerheid 2.1. Pieklevering 3. Slotbepalingen Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17442,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 24 maart 2023, nr. 35151531, houdende regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen voor de voorschoolse educatie aan ontheemde peuters (Regeling specifieke uitkering voor de voorschoolse educatie aan ontheemde peuters) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **gemeente:** alle in Europees Nederland gelegen gemeenten; - **kinderopvang:** organisaties die kinderopvang als bedoeld in [artikel 1 van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1) verzorgen; - **Minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **ontheemde peuters:** kinderen in de leeftijdscategorie van tweeënhalf tot vier jaar op wie de tijdelijke bescherming als bedoeld in artikel 78, tweede lid, aanhef en onder c, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is, waarop artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit, of artikel 7 van de Richtlijn van toepassing is of is geweest; - **richtlijn:** [Richtlijn 2001/55/EG](32001L0055) van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PbEG 2001, L 212); - **uitvoeringsbesluit:** Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van de Europese Unie van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van de richtlijn, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan (PbEU 2022, L 071); - **voorschoolse educatie:** voorschoolse educatie zoals bedoeld in [artikel 1.1. Wet kinderopvang](htt"},{"i":15125,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 maart 2018, nr. 2018-0000027251, tot vaststelling van een tijdelijke regeling ter compensatie van zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten die in het tijdvak 7 mei 2005 tot 4 juni 2008 geen recht hadden op uitkering wegens zwangerschap en bevalling (Tijdelijke regeling compensatie zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten bevallen in het tijdvak 7 mei 2005 tot 4 juni 2008) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), juncto [9 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=9) en [32d, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32d); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **beroepsbeoefenaar:** de persoon die: - a. anders dan uit dienstbetrekking inkomsten uit tegenwoordige arbeid geniet; of - b. anders dan in dienstbetrekking arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang als bedoeld in [hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=4) heeft; - **compensatie:** compensatie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040708&artikel=2&z=2018-05-15&g=2018-05-15); - **dienstbetrekking:** een dienstbetrekking in de zin van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); - **inkomsten uit tegenwoordige arbeid:** het gezamenlijke bedrag van: - a. het belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid, bedoeld in [afdeling 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&afdeling=3.3); - b. het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten van arbeid, bedoeld in [afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&afdeling=7.2); - c. het"},{"i":15126,"b":"Tijdelijke regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 5 juli 2022, nr. WJZ/ 22086088, tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten Gelet op [verordening (EU) nr. 2019/1009](32909R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 1069/2009](32009R1069) en (EG) nr. [1107/2009](32009R1107) en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 2003/2003](32003R2003) en de [artikelen 38, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=38), en [40, tweede lid, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=40); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **accreditatie:** formele verklaring zoals bedoeld in artikel 2, onder 10 van de [verordening (EG) 765/2008](32008R0765) tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie; - **bemestingsproduct:** bemestingsproduct als bedoeld in artikel 2, onder 1, van [meststoffenverordening 2019/1009](32909R2019); - **conformiteitsbeoordeling:** conformiteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 2, onder 20, van [meststoffenverordening 2019/1009](32909R2019); - **conformiteitsbeoordelingsinstantie:** conformiteitsbeoordelingsinstantie als bedoeld in artikel 2, onder 21, van [meststoffenverordening 2019/1009](32909R2019); - **EU-bemestingsproduct:** EU-bemestingsproduct als bedoeld in artikel 2, onder 2, van [meststoffenverordening 2019/1009](32909R2019); - **in de handel brengen:** in de handel brengen als bedoeld in artikel 2, onder 10, van [meststoffenverordening 2019/1009](32909R2019); - **marktdeelnemers:** marktdeelnemers als bedoeld in artikel 2, onder 15, van [meststoffenverordening 2019/1009](32909R2019); - **meststoffenverordening 2019/1009:** [verordening (EU) 2019/1009](32909R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 t"},{"i":15127,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 juni 2017, nr. 2017-0000100455, tot vaststelling van een tijdelijke regeling in verband met het experiment met meertaligheid in de dagopvang en het peuterspeelzaalwerk (Tijdelijke regeling experiment meertalige dagopvang en meertalig peuterspeelzaalwerk) Gelet op de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039641&artikel=5), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039641&artikel=6), en [10, derde lid, onderdeel a, van het Tijdelijk besluit experiment meertalige dagopvang en meertalig peuterspeelzaalwerk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039641&artikel=10); Besluit: Artikel 1 De aanvraag, bedoeld in [artikel 5, van het Tijdelijk besluit experiment meertalige dagopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039641&artikel=5), wordt gedaan voor 1 september 2017. Artikel 2 Indien meer dan 20 kindercentra in aanmerking komen voor deelname aan het experiment, worden de volgende selectiecriteria achtereenvolgens toegepast: - a. spreiding naar taal, waarbij gestreefd wordt naar een gelijke verdeling over de Duitse, Engelse en Franse taal; - b. geografische spreiding, waarbij gestreefd wordt naar een deelnemer uit elke provincie; - c. spreiding naar houder van het kindercentrum, waarbij gestreefd wordt na een zo groot mogelijk aantal verschillende houders; - d. de volgorde van ontvangst van de aanvraag. Artikel 3 Het aantal, bedoeld in [artikel 10, derde lid, onderdeel a, van het Tijdelijk besluit experiment meertalige dagopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039641&artikel=10), wordt gesteld op negen. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2017 en vervalt met ingang van 1 juli 2023. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling experiment meertalige dagopvang. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15148,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 10 april 2026, nr. RT-0000134677, houdende tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor de beheersing van tulpengalmijt in de onbedekte teelt van tulp (Tijdelijke vrijstelling voor de beheersing van tulpengalmijt in de onbedekte teelt van tulp, 2026) handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=38) en artikel 53 van de [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de [Richtlijnen nr. 79/117/EEG](31979L0117) en [91/414/EEG](31991L0414) van de Raad (PbEU 2009, L 309); BESLUIT: Artikel 1 Tijdelijke vrijstelling als bedoeld in [artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=38) en artikel 53 van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) wordt verleend voor het gebruik van Movento voor de beheersing van tulpengalmijt (**Aceria tulipae**) in de onbedekte teelt van tulp. Artikel 2 Aan de vrijstelling bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052539&artikel=1&z=2026-04-15&g=2026-04-15) zijn de in de bijlage bij dit besluit opgenomen voorschriften en beperkingen verbonden. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt op 1 juli 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijke vrijstelling voor de beheersing van tulpengalmijt in de onbedekte teelt van tulp, 2026. Bijlage:. Wettelijk Gebruiksvoorschrift Movento (150 g/l spirotetramat) Wettelijk Gebruiksvoorschrift Het middel is uitsluitend toegelaten als mijtenbestrijdingsmiddel voor het prof"},{"i":15151,"b":"Wet van 2 juli 2009 tot wijziging van de Ziektewet om in geval van ziekte in de vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking ziekengeld uit te keren aan langdurig zieke oudere werknemers indien voorafgaand aan de dienstbetrekking sprake was van werkloosheid van ten minste 52 weken (Tijdelijke wet compensatieregeling loonkosten bij ziekte van oudere en voormalig langdurig werklozen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het mogelijk te maken om aan de werknemer, bedoeld in de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ouder is dan 55 jaar, in geval van ziekte in de vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking recht te geven op ziekengeld, indien er direct voorafgaand aan de dienstbetrekking sprake is geweest van werkloosheid van ten minste 52 weken en nadat dertien weken van ziekte zijn verstreken; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Ziektewet. Artikel II Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel III Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke wet compensatieregeling loonkosten bij ziekte van oudere en voormalig langdurig werklozen. Artikel VI. Inwerkingtreding De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15177,"b":"Tweede tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van de desinfectiemiddelen op oppervlakken in verband met de uitbraak COVID-19 (Tweede tijdelijke vrijstelling desinfectiemiddelen oppervlakken COVID-19 2020) In aanmerking genomen de toegenomen vraag naar desinfectiemiddelen, als gevolg van de uitbraak van COVID-19, in overleg met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het landelijk consortium hulpmiddelen en de Nederlandse Vereniging van Zeepfabrikanten; Gelet op [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS- CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van desinfectiemiddelen voor oppervlakken die de werkzaamheden in de professionele zorgsector en in de farmaceutische industrie compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en het door professionele zorgaanbieders en de farmaceutische industrie gebruiken van middelen die voor de desinfectie van oppervlakken onder Product Type 21Producten voor desinfectie van oppervlakken, materialen, uitrusting en meubilair die niet worden gebruikt voor rechtstreekse aanraking met voedingsmiddelen of diervoeders. in Nederland zijn toegelaten op basis van de werkzame stoffen"},{"i":15178,"b":"Tweede tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het eenvoudiger in de handel brengen van biociden in verband met de uitbraak COVID-19 (Tweede tijdelijke vrijstelling eenvoudig in de handel brengen desinfectiemiddelen COVID-19 2020) In aanmerking genomen de toegenomen vraag naar desinfectiemiddelen, als gevolg van de uitbraak van COVID-19, in overleg met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het landelijk consortium hulpmiddelen en de Nederlandse Vereniging van Zeepfabrikanten; Gelet op [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en biociden en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van handdesinfectiemiddelen die de werkzaamheden in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, vijfde lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval voor het op de markt aanbieden van in Nederland toegelaten middelen voor desinfectie: - 1. in verpakkingen anders dan is gespecificeerd in de toelating; - 2. geproduceerd op locaties anders dan is gespecificeerd in de toelating; - 3. voorzien van een etiket, anders dan in de Nederlandse taal, in het Engels; - 4. geleverd in gebruiksklare verdunningen, anders dan de geconcentreerde oplossing zoals die is gespecificeerd in de toelating en, - b). artikel 55 van Ve"},{"i":15198,"b":"Besluit van 2 juli 1938, houdende bepalingen tot uitvoering van de Wet op de weerkorpsen Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie van 24 Januari 1938, 5de Afdeeling, n°. 500G, van Binnenlandsche Zaken van 28 Januari 1938, Afdeeling Binnenlandsch Bestuur, n°. 1709, en van Defensie van 28 Januari 1938, Geheim Litt. W.23; Gezien artikel 1 van de wet van den 11den September 1936, **Staatsblad** n°. 206, houdende voorzieningen omtrent weerkorpsen; Den Raad van State gehoord (advies van 1 Maart 1938, n°. 22); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 11 Juni 1938, 5de Afdeeling, n°. 3384 G, 17 Juni 1938, Afdeeling Binnenlandsch Bestuur, n°. 16791, en 28 Juni 1938, Geheim Litt. Z.158; Hebben goedgevonden en verstaan: § I. Inleidende bepaling Artikel 1 Als organisaties, voor welke het verbod van het eerste lid van artikel 1 der Wet op de weerkorpsen niet geldt, worden toegelaten: - a. de organisatie, bekend als \"Bijzondere Vrijwillige Landstorm\", zijnde de organisatie van hen, die hetzij als dienstplichtigen, hetzij op grond van een vrijwillige verbintenis, hetzij als behoorende tot het reserve-personeel, deel uitmaken van het verlofspersoneel der Koninklijke landmacht en zich beschikbaar stellen om na verkregen machtiging van Onze Minister van Defensie - ter handhaving of herstel van de openbare orde en rust - vrijwillig in werkelijken dienst te komen, mits deze organisatie voldoet aan de bepalingen van [§ II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001992&paragraaf=II&z=2011-01-01&g=2011-01-01) van dit besluit; - b. de organisaties, bekend als \"Vrijwillige Burgerwachten\", zoolang zij als zoodanig op den voet van het bepaalde in [§ III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001992&paragraaf=III&z=2011-01-01&g=2011-01-01) van dit besluit door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken zijn erkend; - c. weerbaarheidsvereenigingen en schietvereenigingen, zoolang zij op den voet van het bepaalde in § IV van dit besluit door Onzen Minister van Defensie"},{"i":19104,"b":"Regeling toezichthoudende ambtenaren Sanctiewet 1977 Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10) Besluiten: Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296) bepaalde, worden aangewezen de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, de buitengewone opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/ECD van het Ministerie van Financiën, de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst , de ambtenaren van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport, de ambtenaren van cluster 1 van de directie Topsectoren en Industriebeleid van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, belast met de uitvoering van het stelsel van investeringstoetsen en de commandanten van de Nederlandse oorlogsschepen. Artikel 2 Ingetrokken worden: - a. [Regeling Aanwijzing ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005500) belast met het toezicht uitvoering sancties Libië; - b. [Regeling Aanwijzing ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005500) belast met het toezicht uitvoering sancties Servië en Montenegro; - c. [Regeling Aanwijzing ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005500) belast met het toezicht uitvoering sancties Koeweit en Irak, - d. Regeling Aanwijzing bevelhebbers Nederlandse oorlogsschepen als opsporingsambtenaar; - e. Artikel 9 van de Sanctieregeling Haïti 1994; - f. Artikel 5 van de Sanctiebeschikking aardolie(-produkten) en wapens Angola 1993. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toezichthoudende ambtenaren Sanctiewet 1977 Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden"},{"i":15212,"b":"Uitvoeringsregeling Gaswet Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 43 van de Gaswet in werking treedt. § 1. Definities Artikel 1 Vervallen § 2. Vaststelling jaarlijks verbruik Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen § 3. Levering van gas anders dan bedrijfsmatig aan beschermde afnemers Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen § 4. Aanvraag leveringsvergunning Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen § 5. Wijziging en intrekking van de leveringsvergunning Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen § 6. Voorzieningsoverzicht Artikel 14 Vervallen § 7. Boekhouding met betrekking tot de levering van gas aan beschermde afnemers Artikel 15 Vervallen § 8. Slotbepalingen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15216,"b":"Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=5), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=31), [35, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=35), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=43), [53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=53), en [62, eerste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=62) (Stb. 221), alsmede [artikel 26 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) j° [artikel 300 van de gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=300) (Stb. 1931, 89), artikel 29 van de Bevoegdhedenwet waterschappen (Stb. 1978, 285), [artikel 13, veertiende lid, onderdeel a, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=13) (Stb. 1986, 598), artikel 61s, derde lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Stb. 1988, 133) en [artikel 23, vierde lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002729&artikel=23) (Stb. 1985, 377), Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen [7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=7a), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=19), [22bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=22bis), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25), [25a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25a), [25b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25b), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=31), [42c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00047"},{"i":15217,"b":"Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994 Gelet op de [artikelen 8, tweede lid, eerste zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=8), [11, derde, vierde, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=11), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=19), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=20), [46, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=46), [48, tweede lid, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=48), [54, eerste lid, onder b, c en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=54), [57, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=57), [66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=66), juncto [57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=57), [70, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=70), juncto [57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=57), [73, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=73), juncto [57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=57), [75, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=75), [75, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=75), juncto [57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=57), [81, eerste lid, eerste zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=81), [85, tweede lid, onder l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=85), [87, eerste lid, onder b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=87), [92, tweede lid, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=92), [94, eerste lid, onder b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=94), en [111, eerste lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":15218,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 november 2020, nr. 2020-0000452626, houdende uitvoeringsregels bij de Kadasterwet BES (Uitvoeringsregeling Kadasterwet BES) Gelet op de [artikelen 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=11), [16, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=16), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=25) en [65, vierde lid, van de Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=65), Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Paragraaf 1.1. Algemeen Artikel 1 Deze regeling is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur van de Dienst:** bestuur als bedoeld in [artikel 3 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=3); - **raad van toezicht:** raad van toezicht als bedoeld in [artikel 3 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=3); - **wet:** [Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565). Paragraaf 1.2. Raadplegen van de bestuurscolleges van de openbare lichamen Artikel 3 1. Het bestuur van de Dienst raadpleegt ieder bestuurscollege van de openbare lichamen als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=11) afzonderlijk, tenzij in overleg met de bestuurscolleges anders bepaald wordt. 2. Het bestuur van de Dienst geeft in de maand januari aan de bestuurscolleges van de openbare lichamen aan in welke periode in dat jaar het raadplegen zal plaatsvinden. 3. Per raadpleging wordt door het bestuur van de Dienst in overleg met de bestuurscolleges van de openbare lichamen bepaald waar de raadpleging zal plaatsvinden. In dringende gevallen kan het bestuur van de Dienst bepalen dat het raadplegen plaatsvindt door middel van videoconferentie of een ander, v"},{"i":15219,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 januari 2021, nr. 3181161, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet op de kansspelen (Uitvoeringsregeling kansspelen) Gelet op de [artikelen 34i, derde en achtste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34i) en [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=6), [7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=7), en [8, vierde lid, van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=8); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **besluit:** het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067); - –. **wet:** de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). § 2. Vergoedingen Artikel 2.1. Vergoedingen voor de verlening en wijziging van vergunningen 1. De vergoeding die is verschuldigd voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3), voor zover deze gericht is op het organiseren van: - a. een incidenteel kansspel, waarbij de prijzen en premies gezamenlijk een grotere waarde hebben dan € 4.500 en deze waarde niet groter is dan € 50.000, bedraagt € 600; - b. een incidenteel kansspel, waarbij de prijzen en premies gezamenlijk een grotere waarde hebben dan € 50.000 en deze waarde niet groter is dan € 500.000, bedraagt € 5.200; - c. een incidenteel kansspel, waarbij de prijzen en premies gezamenlijk een grotere waarde hebben dan € 500.000, bedraagt € 30.600; - d. een niet-incidenteel kansspel, bedraagt € 35.800. 2. De vergoeding die is verschuldigd voor de behandeling van de aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=4), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=4)"},{"i":19282,"b":"Wet van 30 juni 2004 tot wijziging van de Arbeidstijdenwet in verband met de invoering van bestuursrechtelijke handhaving en de daarmee samenhangende bepalingen (Wet bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het omwille van een doelmatige handhaving van de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) wenselijk is te komen tot de invoering van bestuursrechtelijke handhaving; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Arbeidstijdenwet. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Onze Minister zendt binnen 3 jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV De straffen gesteld op de bij de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) juncto [artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1) strafbaar gestelde feiten waarvoor ingevolge deze wet een bestuurlijke boete kan worden opgelegd en die begaan zijn voor de dag van inwerkingtreding van deze wet of de desbetreffende onderdelen of artikelen daarvan, blijven van toepassing. Artikel V Vervallen Artikel VI Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. Artikel VIII Deze wet wordt aangehaald als: Wet bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11460,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 juli 2020, nr. 24674751, houdende tegemoetkoming voor studievertraging in verband met de uitbraak van COVID-19 (Tijdelijke regeling tegemoetkoming studenten in verband met de uitbraak van COVID-19) Gelet op de [artikelen 13.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=13.1), en [13.2 van de Wet Studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=13.2) en [artikel 8.3 van de Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=8.3): Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 2. In deze regeling wordt in [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043922&paragraaf=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043922&paragraaf=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043922&paragraaf=4a&z=2024-01-01&g=2024-01-01) verstaan onder: - a. **bankrekening:** het bij de Minister bekende bankrekeningnummer waarop de student studiefinanciering op grond van de [Wsf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) ontvangt; - b. **opleiding:** - 1°. een beroepsopleiding als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste en tweede lid, van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2), verzorgd aan een bekostigde instelling in de zin van [artikel 1.1.1 van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); of - 2°. een opleiding hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onder b, en tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a) met accreditatie in de zin van [artikel 1.1 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) aan een bekostigde instelling in de zin van [artikel 1.8, eerste lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl"},{"i":15264,"b":"Wet van 13 december 2017, houdende uitvoering van de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PbEU 2015, L 141) (Uitvoeringswet EU-insolventieverordening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ter uitvoering van Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PbEU 2015, L 141) enige wijzigingen in de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) nodig zijn; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Faillissementswet. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringswet EU-executieverordening en Verdrag van Lugano. Artikel IIa Wijzigt deze wet. Artikel IIb Wijzigt deze wet. Artikel III Deze wet treedt in werking op 26 juni 2017. Wordt het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst later uitgegeven dan 25 juni 2017, dan treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet EU-insolventieverordening. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17734,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Hongarije inzake de export van socialeverzekeringsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Hongarije, hierna genoemd de Verdragsluitende Partijen, Wensend de rechtmatige betaling van hun uitkeringen terzake van sociale zekerheid in elkaars landen toe te staan, Verlangend de samenwerking tussen de twee Staten te regelen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied\", met betrekking tot Hongarije het grondgebied van de Republiek Hongarije; met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; - b. „wetgeving\": de wetgeving met betrekking tot de in artikel 2 genoemde takken van sociale zekerheid; - c. „bevoegde autoriteit\", met betrekking tot de Republiek Hongarije: de ministeries of desbetreffende autoriteiten die belast zijn met de in de in artikel 2, tweede lid, genoemde wetgeving geregelde stelsels van sociale zekerheid; met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - d. „bevoegd orgaan\", met betrekking tot de Republiek Hongarije: de „Országos Nyugdíjbiztosítási Föigazgatóság\" (Centrale Administratie van Nationale Pensioenverzekering) of haar rechtsopvolger; met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de takken van sociale zekerheid genoemd in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c: het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/a Gak Nederland BV of zijn rechtsopvolger en betreffende de takken van sociale zekerheid genoemd in artikel 2, eerste lid, onder d, e en f: de Sociale Verzekeringsbank of haar rechtsopvolger; - e. „instellingen\": alle organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van registers van persoonsgegevens en adressen, belastingdiensten, huwelijksregisters, arbeidsbureaus, de handelsautoriteiten, de politie, het gevangeniswezen"},{"i":15301,"b":"Vaststelling actieplan SSZ 2002 Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013388) (Stcrt. 2002, 23); Besluit: Artikel I Vast te stellen het actieplan SSZ 2002 van de [Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger verkeer en vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013388), overeenkomstig bij dit besluit gevoegde bijlagen. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal, met uitzondering van de bijlagen, in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen worden bekendgemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Plesmanweg 1-6 te Den Haag en bij de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu, Catharijnesingel 59 te Utrecht."},{"i":15308,"b":"Vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 1999 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 1999: | Categorie 1 | / ƒ 280,- | voor vierwielige personenauto’s en bestelauto’s; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | / ƒ 95,- | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | / ƒ 280,- | voor autobussen en vrachtauto’s; | | Categorie 4 | / ƒ 280,- | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 5 | / ƒ 560,- | voor trekkers met opleggers; | | Categorie 6 | / ƒ 95,- | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | / ƒ 95,- | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | / ƒ 95,- | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1999. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15309,"b":"Vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 1997; Categorie 1 f 280,- voor vierwielige personenauto’s en bestelauto’s; Categorie 2 f 95,- voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; Categorie 3 f 280,- voor autobussen en vrachtauto’s; Categorie 4 f 280,- voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; Categorie 5 f 560,- voor trekkers met opleggers; Categorie 6 f 95,- voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorie 1 tot en met 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; Categorie 7 f 95,- voor landbouwwerktuigen; Categorie 8 f 95,- voor rijwielen met hulpmotor. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15310,"b":"Vaststelling factoren L en r voor het boekjaar 2003 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4), Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3) wordt voor het boekjaar 2003 vastgesteld op 0,338893%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3) wordt voor het boekjaar 2003 vastgesteld op 0,380278%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 1 januari 2003. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15311,"b":"Vaststelling formulier centraal testamentenregister Gelet op [artikel 3, lid 1, van de Wet op het centraal testamentenregister](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003080&artikel=3) (Wet van 12 januari 1977, Stb. 25); Besluit: - I. Het in genoemd wetsartikel bedoelde formulier wordt opnieuw vastgesteld als volgt: - II. Het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 5 september 1977, Hoofdafdeling Privaatrecht, afdeling Nationaliteit en Burgerlijke Staat, nr. 139/177 (Ned. Stcrt. 1977, 197), wordt ingetrokken. - III. Dit besluit, dat in de Nederlandse Staatscourant zal worden gepubliceerd, treedt in werking op 1 maart 1989."},{"i":15312,"b":"Vaststelling formulier doodsoorzaak ten behoeve van de statistiek Gelet op [artikel 12a, derde lid, van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=12a), Besluit: Artikel 1 Het formulier voor de opgave van de doodsoorzaak, bedoeld in [artikel 12a, derde lid, van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=12a) wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 De enveloppe bevattende het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011649&artikel=1&z=2001-01-01&g=2001-01-01) bedoelde formulier wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen een maand nadat deze door hem is ontvangen, rechtstreeks toegezonden aan de medisch ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. Bijlage Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3428,"b":"Besluit van de directeur Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel van 6 november 2025, kenmerk 1085866-4170484-OBP, houdende het verlenen van ondervolmacht en ondermandaat aan het plaatsvervangend afdelingshoofd Informatievoorziening Gelet op [artikel 16 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16) en [artikel 16 van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan het plaatsvervangend afdelingshoofd Informatievoorziening, momenteel vervuld door drs. Wenneke Kempenaar, ondervolmacht te verlenen om, met in achtneming van de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710), namens de Minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten op het werkterrein van de functie, tot een maximum van € 33.000 exclusief btw en per rechtshandeling. Artikel 2 Aan plaatsvervangend afdelingshoofd Informatievoorziening, momenteel vervuld door drs. Wenneke Kempenaar, ondermandaat te verlenen om, met in achtneming van de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923), op het werkterrein van de functie besluiten te ondertekenen namens de Minister. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juli 2025."},{"i":3199,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 juli 2016 nr. BOACAT2016/045, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Amsterdam, afdeling Sport en Bos Gelezen het verzoek van de gemeente Amsterdam, afdeling Sport en Bos van 8 juni 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038223&artikel=2&z=2016-08-25&g=2016-08-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van boswachter/ handhaver E in dienst van de gemeente Amsterdam, afdeling Sport en Bos, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van"},{"i":4221,"b":"Besluit vaststelling subsidieplafonds en data subsidierondes Regeling Literatuur Caribe, Regeling Leesbevordering Nederlands Letterenfonds, Regeling projectsubsidies voor makers van boeken en Regeling literaire programma's gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735) besluit de volgende inkomensgrens en subsidieplafonds vast te stellen § 1. [Regeling Literatuur Caribe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050194) Artikel 1 Het subsidieplafond als bedoeld in [artikel 6, vierde lid, van Regeling Literatuur Caribe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050194&artikel=6) bedraagt € 700.000 voor het jaar 2026. Artikel 2 De aanvraagrondes als bedoeld in [artikel 6, vijfde lid, van de Regeling Literatuur Caribe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050194&artikel=6) openen en sluiten op de volgende data: - –. **Ronde 1:** 9 maart 2026 tot en met 1 juni 2026; - –. **Ronde 2:** 7 september tot en met 2 november 2026; § 2. [Regeling Leesbevordering Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051328) Artikel 3 Het subsidieplafond als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van Regeling Leesbevordering Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051328&artikel=8) bedraagt € 1.100.000 voor het jaar 2026. Artikel 4 De aanvraagrondes als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Regeling Leesbevordering Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051328&artikel=7) openen en sluiten op de volgende data: - –. **Ronde 1:** 5 januari tot en met 20 februari 2026, 18:59 uur Caribische tijd / 23:59 uur Nederlandse tijd; - –. **Ronde 2:** 15 mei tot en met 26 juni 2026, 17:59 uur Caribische tijd / 23.59 uur Nederlandse tijd; § 3"},{"i":3674,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 juli 2017, nr. VO/1221381 houdende regels inzake het verlenen van mandaat en machtiging aan de directeur van het Agentschap CIBG betreffende aangelegenheden die verband houden met het beheer van het lerarenregister en registervoorportaal en de opname en doorhaling van leraren in het lerarenregister en het registervoorportaal (Besluit mandaat en machtiging directeur agentschap CIBG inzake het beheer van het lerarenregister en registervoorportaal) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de instemming van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de directeur van het agentschap CIBG; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van het agentschap CIBG wordt mandaat en machtiging verleend voor: - a. het beheer van het lerarenregister en registervoorportaal, bedoeld in de [artikelen 38b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=38b), en [38p, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=38p), [38b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=38b), en [38p, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=38p), [7.45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.45), en [7.58, vijfde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.58) en [4.4.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=4.4.1), en [4.4.15, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=4.4.15); - b. het opnemen, verstrekken, verwerken, overdragen, bewaren en verwijderen van gegevens in het kader van het beheer van het lerarenregister en registervoorportaal, bedoeld in de [artikelen 38h tot en met 38j](https://wetten.over"},{"i":3614,"b":"Besluit Jaarwinst **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een samenvoeging van de volgende vier besluiten over winstbepaling voor de jaarwinst: het besluit van 17 februari 2011, nr. BLKB 2011/178M, het besluit van 26 februari 2020, nr. 2019-129344, het besluit van 8 maart 2010, nr. DGB2010/1188M en het besluit van 16 juli 2014, nr. BLKB 2014/362M. Daarnaast zijn de teksten inhoudelijk en redactioneel aangepast. De inhoudelijke wijzigingen bestaan uit:** **Met het samenvoegen van de besluiten en de overige aanpassingen zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.** 1. Inleiding In dit besluit zijn vier besluiten over winstbepaling voor de jaarwinst samengevoegd tot een meeromvattend besluit ‘Besluit Jaarwinst’. Ook besluiten die niet in dit besluit zijn samengevoegd kunnen relevant zijn voor het bepalen van de jaarwinst. De besluiten zijn samengevoegd om het overzicht voor en de bekendheid bij de gebruiker te vergroten en het actualiseren te vereenvoudigen. Daarnaast biedt dit besluit in de toekomst ruimte om goedkeuringen en standpunten te publiceren die zien op bepaling van de jaarwinst, maar de omschrijving of inhoud van de afzonderlijke besluiten te buiten gaan. Het gaat om de volgende vier besluiten die achtereenvolgens in dit besluit zijn samengevoegd. Van het [besluit van 16 juli 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035387), nr. BLKB 2014/362M is enkel [onderdeel 2](onbekend) over (op)waarderen, stelselwijziging en verliesverrekening in dit besluit overgenomen, omdat de rest van het besluit van 16 juli 2014 niet ziet op jaarwinstbepaling en binnen afzienbare tijd zijn belang zal verliezen. Het besluit van 16 juli 2014 zal tegen die tijd worden ingetrokken. In dit besluit zijn ten opzichte van de besluiten die zijn samengevoegd inhoudelijk de volgende wijzigingen aangebracht. Met het samenvoegen van de besluiten en de overige aanpassingen zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. 1.1. Gebruikte begrippen en a"},{"i":3685,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 5 juni 2019, nr. MinBuZa.2019.3960-29, houdende regels inzake mandaat en machtiging inzake in- en uitvoer (Besluit mandaat en machtiging op het terrein van de buitenlandse handel 2019) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), de [Uitvoeringswet verdrag chemische wapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007434), de [Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545), de [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296), het [Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139), het [Algemeen douanebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235), de [Wet Verdrag Chemische Wapens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028248), het [Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029262), Verordening (EU) 2019/125 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 januari 2019 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PbEU L 30); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder **de inspecteur**: de directeur-generaal Douane, als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=4). Artikel 2 1. Aan de inspecteur wordt mandaat en machtiging verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besluiten te nemen en overige handelingen te verrichten die verband houden met de [Uitvoeringswet verdrag chemische wapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007434), de [Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545), de [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":4545,"b":"Circulaire Wijziging van de vergoeding van een lid van het algemeen bestuur, informatie over bezoldiging en eindejaarsuitkering van een lid van het dagelijks bestuur en informatie over de bezoldiging, de ambtstoelage en de eindejaarsuitkering van een voorzitter Algemene informatie Door middel van deze circulaire wordt u geïnformeerd over de wijzigingen van het bedrag van de vergoeding voor een lid van het algemeen bestuur van een waterschap, genoemd onder [artikel 3.2, tweede lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.2). Daarnaast informeer ik u over de bezoldiging en de eindejaarsuitkering van een lid van het dagelijks bestuur en over de bezoldiging, de ambtstoelage en de eindejaarsuitkering van de voorzitter. Voor uw informatie meld ik u bovendien nog het volgende. Op dit moment is een algemene maatregel van bestuur in voorbereiding waarin een aantal rechtspositiebesluiten van politieke ambtsdragers wordt gewijzigd. Deze wijzigingen hebben te maken met de invoering van de werkkostenregeling die voortvloeit uit de [Fiscale vereenvoudigingswet 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026981) (Staatsblad 2009, nr. 611) met ingang van 1 januari 2011. Waterschappen kunnen er voor kiezen met ingang van deze datum de werkkostenregeling in te voeren. De wijziging van de rechtspositie-besluiten maakt het voor waterschappen lokaal mogelijk voorzieningen voor politieke ambtsdragers gelijktijdig met de ambtenaren aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel binnen de werkkostenregeling. De keuzemogelijkheid om over te stappen naar de werkkostenregeling eindigt op 1 januari 2014. Met ingang van deze datum dienen alle waterschappen de werkkostenregeling te hebben ingevoerd. De algemene maatregel van bestuur beoogt een beleidsarme omzetting naar de werkkostenregeling. Het aansprakenniveau voor betrokken ambtsdragers verandert niet. De ministerraad heeft op 5 november 2010 ingestemd met deze algemene maatregel van bestuur waarin"},{"i":3686,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 24 april 2024, nr IENW/BSK-2024/93992, houdende regels inzake de verlening van mandaat en machtiging aan ProRail B.V. voor de uitvoering van bevoegdheden die in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht zijn toegekend of opgedragen aan het coördinerend bestuursorgaan met betrekking tot de uitvoeringsbesluiten als bedoeld in artikel 16.7, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet (Besluit mandaat en machtiging ProRail inzake uitvoering projectbesluiten) Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:5) en [10:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Gezien de schriftelijke instemming van de Directeur Projecten van ProRail B.V. d.d. 3 april 2024; Gezien de schriftelijke instemming van de Directeur Leefomgeving, Juridische Zaken en Vastgoed van ProRail B.V. d.d. 3 april 2024; BESLUIT: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **Directeur LJV:** Directeur Leefomgeving, Juridische zaken en Vastgoed; - **Directeur Projecten:** Directeur Projecten van ProRail; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **projectbesluit:** een besluit op grond van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) tot aanleg of wijziging van een spoorweg als bedoeld in [artikel 5.46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.46), van die wet; - **projectmanager:** bij ProRail werkzame manager die verantwoordelijk is voor de realisering van het betreffende projectbesluit; - **ProRail:** ProRail B.V., gevestigd te Utrecht. 2. In dit besluit wordt onder het verlenen van mandaat ook verstaan het verlenen van machtiging om ter voorbereiding van"},{"i":3431,"b":"Besluit van 20 oktober 2008, houdende de vereisten gesteld aan het vaderschapsonderzoek in verband met erkenning bedoeld in artikel 4, vierde lid, Rijkswet op het Nederlanderschap en van artikel II, eerste lid, onder b, van de rijkswet van 27 juni 2008, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter invoering van een verklaring van verbondenheid, en tot aanpassing van de regeling van de verkrijging van het Nederlanderschap na erkenning (Stb. 270) (Besluit DNA-onderzoek vaderschap) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 29 juli 2008, Directie Wetgeving, nr. 5553785/08/6; Gelet op [artikel 4, zesde lid, Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) en [artikel II, derde lid, van de rijkswet van 27 juni 2008, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter invoering van een verklaring van verbondenheid, en tot aanpassing van de regeling van de verkrijging van het Nederlanderschap na erkenning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (Stb. 270); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 27 augustus 2008, nr. W03.08.0364/II/K); Gezien het nader rapport van de Minister van Justitie van 13 oktober 2008, Directie Wetgeving, nr. 5566748/08/6; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet tot wijziging Rijkswet op het Nederlanderschap (invoering verklaring verbondenheid en aanpassing regeling verkrijging Nederlanderschap na erkenning) in werking treedt. Artikel 1 1. De Nederlander die een minderjarige vreemdeling erkent of heeft erkend toont het biologisch vaderschap, bedoeld in [artikel 4, vierde lid, Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4), aan door middel van DNA-onderzoek. 2. De vreemdeling, bedoeld in [artikel II, eerste lid, onder b, van de rijkswet van 27 juni 2008, houdende wijzig"},{"i":3583,"b":"Besluit van 4 oktober 2019 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de implementatie van Verordening (EU) nr. 2019/834 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van de Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de clearingverplichting, de opschorting van de clearingverplichting, de rapportagevereisten, de risicolimiteringstechnieken voor otc‑derivatencontracten die niet door een centrale tegenpartij worden gecleard, de registratie van en het toezicht op transactieregisters en de vereisten voor transactieregisters (PbEU 2019, L 141) (Besluit implementatie wijzigingsverordening EMIR) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 2 september 2019, 2019-0000126058, directie Financiële Markten; Gelet op Verordening (EU) nr. 2019/834 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van de Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de clearingverplichting, de opschorting van de clearingverplichting, de rapportagevereisten, de risicolimiteringstechnieken voor otc‑derivatencontracten die niet door een centrale tegenpartij worden gecleard, de registratie van en het toezicht op transactieregisters en de vereisten voor transactieregisters (PbEU 2019, L 141) en de [artikelen 1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:79, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), en [1:81, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 september 2019, nr. W06.19.0248/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 30 september 2019, 2019-0000149479, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en vers"},{"i":3158,"b":"Besluit van 11 december 2002, houdende regelen betreffende de inrichting en raadpleging van het boedelregister, bedoeld in artikel 186 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (Besluit boedelregister) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 23 oktober 2002, Directie Wetgeving, nr. 5191276/02/6; Gelet op [artikel 186 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 20 november 2002, No. W03.02.0465/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 9 december 2002, Directie Wetgeving nr. 5200448/02/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor een inschrijving in het boedelregister, bedoeld in [artikel 186 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=186), moeten de volgende stukken aan de griffier worden overgelegd, dan wel, in de gevallen bedoeld onder b, d, f, g, h, k en m aan de griffier ter beschikking staan: - a. ter inschrijving van de verklaring, bedoeld in [artikel 18 lid 1 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=18): een authentiek afschrift of uittreksel van de desbetreffende notariële akte alsmede, indien de verklaring in naam van de echtgenoot is afgelegd, een afschrift van de in genoemde bepaling bedoelde uitdrukkelijke voor dit doel afgegeven schriftelijke volmacht; - b. ter inschrijving van de verlenging van de termijn, bedoeld in [artikel 185 lid 3 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=185): een authentiek afschrift van de beschikking; - c. ter inschrijving van een notaris die betrokken is bij de afwikkeling van een nalatenschap, als bedoeld in [artikel 186 lid 2 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=186): de schriftelijke mededeling terzake van de desbetreffende notaris; - d. ter inschrijving van de verklaring houdende zuivere aanvaarding of aanvaarding onder het voorre"},{"i":2657,"b":"Beleidsregels wegingsfactoren kosten bestuurlijke voorprocedure in aanmerking nemend [artikel 7:15 tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:15) en het [Besluit proceskosten bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006358) (Bpb); overwegende, dat de Raad het wenselijk acht in beleidsregels vast te leggen op welke wijze de wegingsfactoren, als bedoeld in het [Bpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006358), onderdeel C1 zullen worden gehanteerd; stelt de volgende wegingsfactoren vast: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Doel van de regeling Het [Besluit proceskosten bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006358) (Bpb) regelt de vergoeding van kosten als bedoeld in [artikel 7:15 lid 4 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:15) (Awb). Het Bpb bevat regels inzake de vergoeding van de kosten van het bezwaarschrift. In de [bijlage bij het Bpb](onbekend), onderdeel CI, is bepaald dat het gewicht van de zaak tot uiting kan worden gebracht in wegingsfactoren. Het bestuursorgaan heeft de bevoegdheid om in beleidsregels vast te leggen op welke wijze de wegingsfactoren worden gehanteerd. Deze regeling bepaalt dan ook welke categorieën zaken als gemiddeld, licht en zeer licht worden gekwalificeerd en derhalve op grond van de [bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht](onbekend), onderdeel CI, met een wegingsfactor van respectievelijk 1, respectievelijk 0,5, respectievelijk 0,25 punt worden gewaardeerd. Artikel 2. Categorieën zaken die met een wegingsfactor van 1 worden gewaardeerd 1. Een bezwaar in een zaak die niet tot een van de categorieën van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037966&artikel=3&z=2016-05-12&g=2016-05-12) of [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037966&artikel=4&z=2016-05-12&g=2016-05-12) behoort, zal in beginsel als gemiddeld met een we"},{"i":4356,"b":"Besluit van 5 juli 1997 tot vervanging van de Regeling ziektekostenvoorziening overheidspersoneel door sectorale regelingen Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 19 november 1996, nr. AB96/U1390, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, gedaan mede namens Onze Ministers van Justitie en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen alsmede de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op [artikel 125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [134 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=134); [artikel 16 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=16); [artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50); [artikel 9, zesde lid, van de LSOP-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006942&artikel=9); artikel 20, tweede lid, van de Wet op het basisonderwijs; artikel 28, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs; de [artikelen 38a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=38a), en [61 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=61); [artikel 4 van de Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718&artikel=4); de [artikelen 4.1.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=4.1.2), [4.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=4.1.4), en [4.3.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=4.3.2); de [artikelen 4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=4.5), [4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=4.6), [10.10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=10.10), [11.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":2729,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2011 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984. Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2011, doch niet later dan 15 januari 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,395 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2011 en eindigende met 15 januari 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepass"},{"i":3456,"b":"Besluit van 17 mei 2022, houdende regels met betrekking tot de emissie van broeikasgassen bij elektriciteitsopwekking (Besluit emissie van broeikasgassen elektriciteitsopwekking) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat – Klimaat & Energie, van 14 oktober 2021, nr. WJZ / 21230343; Gelet op de [artikelen 16a.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16a.3), gelezen in samenhang met [artikel 16.6, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.6), [16a.8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16a.8), en [artikel 16a.9, tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16a.9); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 november 2021, nr. W18.21.0316/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Klimaat en Energie, van 13 mei 2022, nr. WJZ / 22176713; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** de Minister voor Klimaat en Energie; - b. **wet:** [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245); - c. **referentiesituatie:** situatie waarin gelijke hoeveelheden elektriciteit en warmte in een warmtekrachtkoppeling gescheiden worden opgewekt. Artikel 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag om een goedkeuring van een elektriciteitsmonitoringsplan wordt ingediend, de gegevens en de bescheiden die door de aanvrager worden verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag, en de wijze waarop die gegevens worden verkregen. Artikel 3 1. De elektriciteitsjaarvracht bij de opwekking met een warmtekrachtkoppeling, bedoeld in [artikel 16a.8, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16a.8) wordt overeenkomstig de volgende rekenmethode bepaald: - a. de hoeveelheid opgewekte elektric"},{"i":2934,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 december 2019, nr. WJZ/ 19260258 , tot aanwijzing van dierenartsen als bedoeld in artikel 30 en 31 van Verordening officiële controles Gelet op verordening (EU) nr. 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), (EU) [nr. 1151/2012](32012R1151). (EU) [nr. 652/2014](32014R0652), (EU) [2016/429](32329R2016) en (EU) [2016/2031](32031R2016) van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen [(EG) nr. 1/2005](32005R0001) en [(EG) nr. 1099/2009](32009R1099) van de Raad en de Richtlijnen [98/58/EG](31958R0098), [2007/43/EG](31943R2007), [2008/119/EG](32019R2008) en [2008/120/EG](32020R2008) van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen [(EG) nr. 854/2004](32004R0854) en [(EG) nr. 882/2004](32004R0882) van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen [89/608/EEG](32508R0089), [89/662/EEG](32562R0089), [90/425/EEG](32325R0090), [91/496/EEG](32396R0091), [96/23/EG](31923R0096), [96/93/EG](31993R0096) en [97/78/EG](31978R0097) van de Raad en Besluit [92/438/EEG](32338R0092) van de Raad, [artikel 6.3, tweede lid, Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3) en [artikel 3 Besluit uitvoering verordening officiële controles diergezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042383&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **verordening (EU) nr. 2017/625:** verordening (EU) nr. 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere o"},{"i":3783,"b":"Besluit van 18 november 2016, houdende regels over de uitvoering van de onderzoeken die ter vaststelling van het gebruik van geweldbevorderende middelen bij geweldplegers kunnen worden ingezet, alsmede de aanwijzing van de geweldsmisdrijven waarvoor die onderzoeken kunnen worden ingezet en de aanwijzing van andere middelen dan alcohol die gewelddadig gedrag kunnen bevorderen en de grenswaarden voor die middelen en alcohol (Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 1 maart 2016, nr. 738868, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 55d, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55d), en [55e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55e); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 mei 2016, nr. W03.16.0043/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 16 november 2016, nr. 2015256, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wetboek van Strafvordering (introductie bevoegdheid tot het bevelen van middelenonderzoek bij gewelgdplegers enz.) (Stb. 2016/353) in werking treedt. § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de verdachte:** de verdachte, bedoeld in [artikel 55d, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55d); - b. **opsporingsambtenaar:** een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onder a tot en met c, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141); - c. **bloedonderzoek:** een onderzoek als bedoeld in [artikel 55e, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55e). § 2. Aanwijzing van de"},{"i":15322,"b":"Vaststelling selectielijst beleidsterrein overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, nr. arc-2002.4316/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Algemene Rijksarchivaris en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘lijst van te vernietigen archiefbescheiden, dagtekenend van na 1 januari 1946, uit de archieven van de Rijksarchieven in de provincies en de Eerste en Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, nr. MMA/Ar 1888 d.d. 20-02-1987) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage **Afkortingenlijst** ACCO: Algemene Classificatie Commissie voor de Overheidsadministratie ACI: Adviescommissie Informatisering ACIB: Advies en Coördinatiepunt Informatiebeveiliging ADR: Adviescommissie voor de Doelmatigheidsbevordering in de Rijksdienst ADW: Algemene Databank Wet- en regelgeving AOA: Adviescommissie Overheidsorganisatie en Automatisering ARA: Algemeen Rijksarchief BIOS: Beleidsnota Informatiebeleid Openbare Sector BOCO: Bestuurlijke Overlegcommissie voor Overheidsautomatisering BSD: Basisselectiedocument BVA: Beveiligingsambtenaar BZK: Ministerie van Binnenlandse Zaken CAS: Centrale Archief Selectiedienst CCASA: Coördinatie commissie algemene secretarie-aangelegenheden CCBIDOC: Coördinatie commissie bibliotheek- en documentatie-aangelegenheden CCL: Computercentrum Limburg CCOI: Centrale Commissie Overheidsinformatievoorziening IACO: Bureau Inf"},{"i":15325,"b":"Vaststelling selectielijst van DARE!! Services B.V. voor de periode vanaf 19 maart 1998 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van DARE!! Services B.V. over de periode 19 maart 1998 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15329,"b":"Vaststelling selectielijst handelingen minister van BZK op beleidsterrein Nationale Ombudsman (1964) 1982-1997 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 13 augustus 2001, nr. arc-2001.2446/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde 'selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Nationale Ombudsman over de periode (1964) 1982-1997' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Nationale ombudsman (1964) 1982-1997 Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties **Vastgesteld/juli 2003** Afkortingen en begrippen NA: Nationaal Archief Ab 1995: [Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748) Aw 1995: [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) Awb: [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) BNo: Bureau Nationale ombudsman BSD: basisselectiedocument KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap No: Nationale ombudsman PIVOT: Project invoering verkorting overbrengingstermijn RAD: Rijksarchiefdienst RIO: rapport institutioneel onderzoek Stb.: Staatsblad Stcrt.: Staatscourant So: substituut-ombudsman Wob: [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) WNo: [Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372) Algemene inleiding 1.1. Ten geleide Archiefbescheiden kunnen verschillende functies vervullen. Overheidsorganen kunnen archiefbescheiden opmaken of gebruiken voor de bedrijfsvoering, om zichzelf te verantwoorden of een ander ter verantwoording te roepen en als bewijsmiddel. Voor b"},{"i":15330,"b":"Vaststelling selectielijst van HHC/DRS voor de periode vanaf 4 augustus 2004 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van HHC/DRS over de periode 4 augustus 2004 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15331,"b":"Vaststelling selectielijst Kabinet der Koningin Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, F. van der Ploeg, van 8 november 1999, nr. WJZ/1999/43066(8097) , directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met het Kabinet der Koningin; Gelet op [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5), [aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](onbekend); Gezien het advies van de Raad voor cultuur van 3 juni 1997, nr. arc-97.933/2; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ’Selectielijst van het Kabinet der Koningin 1994–2015’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Inhoudsopgave I. Toelichting behorend bij de selectielijst van het Kabinet der koningin 1994–2015 1. Inleiding 2. Organisatie 3. Taakgebieden 4. Selectie-uitgangspunten 5. Totstandkoming van de lijst 6. Systematiek van de lijst II. Selectielijst van het Kabinet der koningin 1994–2015 A. Handelingen voortvloeiend uit de taak ambtelijke ondersteuning van de Koningin 1. Fungeren als trait d’union 2. Informatieverstrekking aan het constitutioneel staatshoofd 3. Overige ambtelijke ondersteuning B. Handelingen voortvloeiend uit de archieftaak C. Handelingen voortvloeiend uit de interne bedrijfsvoering en ondersteunende processen 1. Organisatie-ontwikkeling 2. Bestuurs- en beheershandelingen 3. Privaatrechtelijke handelingen en materieel beheer 4. Overlegstructuren 5. Documentaire Informatievoorziening 6. Dienstuitoefening 7. Financieel beheer 8. Personeelsbeheer I. Toelichting behorend bij de selectielijst van het Kabinet der koningin 1994–2015 1. Inleiding De[Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) en het [Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748) verplichten de overheid archiefbescheiden in goede,"},{"i":15332,"b":"Vaststelling selectielijst Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 22 februari 1999, nr. arc-98.2214/2); Besluit: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding op het beleidsterrein ’brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing’ over de periode vanaf 1995, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":13858,"b":"Nadere voorschriften kwaliteitsmanagement Gelet op [artikel 12 van de Verordening accountantsorganisaties 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050613&artikel=12) (VAO 2025); Gelet op [artikel 24 van de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635&artikel=24) (VGBA); Overwegende dat de NBA op grond van de [Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573) de goede beroepsuitoefening van accountants dient te bevorderen. Overwegende dat de goede beroepsuitoefening sterk kan worden bevorderd indien deze plaatsvindt in een organisatie of kantoor waarin een kwaliteitsmanagementsysteem is ingericht dat zorgdraagt voor het vaststellen van kwaliteitsdoelstellingen, het identificeren en inschatten van kwaliteitsrisico’s, voor het opzetten en implementeren van beheersingsmaatregelen, en voor het monitoren, het waar noodzakelijk nemen van herstelmaatregelen, en het evalueren van de werking van het kwaliteitsmanagementsysteem, gericht op het verder bijsturen ervan. Overwegende dat de NBA, als lid van de International Federation of Accountants (IFAC), de strategische doelstelling van IFAC om een accountantsberoep te ontwikkelen en te bevorderen dat in staat is op uniforme wijze diensten te verlenen van hoge kwaliteit ten behoeve van het algemeen belang onderschrijft. Overwegende dat de NBA, als lid van IFAC, verplicht is het werk van IFAC te ondersteunen door haar leden te informeren over alle uitspraken van de door IFAC gefaciliteerde regelgevende boards en met name de implementatie van de Standaarden van de IAASB in de Nederlandse wet- en regelgeving te bewerkstelligen, voor zover dat onder de plaatselijke wet- en regelgeving mogelijk is. Gehoord de leden; Stelt de volgende nadere voorschriften vast: Artikel 1. – Definities - **Accountantsafdeling:** organisatorische eenheid binnen een organisatie waar een accountant een assurance-opdracht of aan assurance verwante opdracht uitvoert in"},{"i":15336,"b":"Vaststelling selectielijst OCW en Economische Zaken Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, nr. arc-2002.4316/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De categorieën 10–21 van Hoofdstuk I-Algemeen van de ‘lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken, welke behoren tot het archief van het Ministerie van Economische Zaken en de daaronder ressorterende diensten’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen nrs. OKN 117.173 d.d. 07-09-1965 en MH 465/878 d.d. 14-06-1965), laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, nr. 98.28.RWS.JW d.d. 08-01-1998 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 1998/142)) worden ingetrokken voorzover deze betrekking hebben op het beleidsterrein overheidsinformatievoorziening. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met [de daarbij behorende selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11803,"b":"Beleidsregel Toegang niet-openbare informatie in dossiers betreffende uitvoering wetten verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen ten behoeve van onderzoek Gelet op het bepaalde in [artikel 5.7 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=5.7) (Woo) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a). **AVG:** [Verordening (EU) 2016/679](32579R2016) bescherming natuurlijke personen i.v.m. verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (algemene verordening gegevensbescherming); - b). **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - c). **Commissie:** Commissie van Advies voor de Sociale Verzekeringsbank inzake wetenschappelijk, statistisch en historisch onderzoek en onderzoeksjournalistiek betreffende uitvoering wetten verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen; - d). **derde-belanghebbende:** belanghebbende – niet zijnde de verzoeker – die naar verwachting bedenkingen zal hebben bij het verlenen van toegang tot (informatie uit) een dossier op verzoek; - e). **dossier:** dossier betreffende uitvoering wetten verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen voor zover dit ziet op het oorlogsrelaas van een verzetsdeelnemer of oorlogsgetroffene. Medische gegevens vallen hier niet onder; - f). **Protocol:** Protocol onderzoek dossiers verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen; - g). **RvB:** Raad van Bestuur; - h). **SVB:** Sociale Verzekeringsbank; - i). **UAVG:** [Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940); - j). **verzoek:** een verzoek om toegang tot informatie uit een dossier op grond van [artikel 5.7 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=5.7); - k). **verzoeker:** degene die een verzoek op grond van [artikel 5.7 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":15338,"b":"Vaststelling selectielijst OCW en LNV Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, nr. arc-2002.4316/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de [daarbij behorende selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15340,"b":"Vaststelling selectielijst OCW en VROM Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, nr. arc-2002.4316/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de [daarbij behorende selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15344,"b":"Vaststelling selectielijsten archiefbescheiden op het beleidsterrein Studiefinanciering vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 2 oktober 1997, nr. arc-97.6909/1); Besluit: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van het handelen van de Minister van Onderwijs op het beleidsterrein Studiefinanciering vanaf 1945, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken de Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, hoofdstuk a.k. Centrale Directie Studiefinanciering, (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Onderwijs, no. MMA/Ar 195.438 en AZ/RA/CAB 51888 (gepubliceerd in de Staatscourant no. 1978/216)). Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":15346,"b":"Vaststelling selectielijsten Sociaal en Cultureel Planbureau Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 februari 1998, nr. arc-98.1741/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Sociaal en Cultureel Planbureau alsmede van het Begeleidingscollege van het Sociaal en Cultureel Planbureau op het beleidsterrein algemene wetenschappelijke beleidsvoorbereiding vanaf 1973, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":13121,"b":"Bezoldigingsbesluit 1998 BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215); - b. **ambtenaar:** de ambtenaar in dienst van de staat, wiens bezoldiging niet bij afzonderlijke wettelijke regeling is geregeld; - c. **bezoldiging:** het loon van de ambtenaar voor het vervullen van zijn functie, met inachtneming van de bepalingen van dit besluit aan de hand van een bezoldigingsschaal vastgesteld; - d. **bezoldigingsschaal:** een als zodanig bij ministeriële regeling vastgestelde, van een volgnummer voorziene reeks van bedragen; - e. **bezoldigingstrede:** elk afzonderlijk binnen een bezoldigingsschaal opgenomen bezoldigingsbedrag, voorzien van een volgnummer dat niet wordt voorafgegaan door de aanduiding «GRT», «GJT», «GDT» of «GOT»; - f. **functie:** het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar in zijn ambt te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door of namens het daartoe bevoegde gezag uitdrukkelijk of impliciet is opgedragen; - g. **maximum-bezoldiging:** het bedrag, behorende bij de hoogste bezoldigingstrede van een bezoldigingsschaal. Artikel 2 1. De bezoldiging en eventuele met die bezoldiging verbonden toelagen worden maandelijks aan of tegen het einde van de maand waarop de betaling betrekking heeft betaald. 2. Wanneer de bezoldiging of een toelage moet worden uitbetaald over een gedeelte van een kalendermaand, wordt het te betalen bedrag berekend door het voor een maand vastgesteld bedrag te vermenigvuldigen met het aantal dagen gedurende welke de betrokken ambtenaar in dienst is geweest en het produkt te delen door dertig. 3. Van het bepaalde in het eerste en tweede lid kan worden afgeweken, ingeval daartoe naar het oordeel van het bevoegde gezag op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat. 4. De bezoldiging per uur bedraagt 1/150 deel van de bezoldiging per maand bij een vol"},{"i":15351,"b":"Vaststelling van een verboden gebied ter gelegenheid van de opening der Staten-Generaal Gelet op [artikel 11, eerste lid, onder a, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=11) (Stb. 1958, 47), Besluit: Artikel 1 Jaarlijks, op de derde dinsdag in september, ter gelegenheid van de opening van de Staten-Generaal, wordt het uitoefenen van de burgerlijke luchtvaart boven het gebied, gelegen binnen een cirkel met een straal van 2 km, beschreven om het Binnenhof, gelegen in de gemeente 's-Gravenhage, als middelpunt, van 12 uur tot 17 uur plaatselijke tijd verboden. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking op het tijdstip, waarop de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) in werking treedt."},{"i":15352,"b":"Vaststelling vergoeding voorzitter en leden Adviescommissie energiebesparing door innovatie Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie energiebesparing door innovatie ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 249,58. 2. De andere leden van de Adviescommissie energiebesparing door innovatie ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 124,79. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van de [Uitvoeringsregeling BSE-2002 programma energiebesparing door innovatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013207) ontvangen alle leden van de Adviescommissie energiebesparing door innovatie jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van 1 uur per aanvraag. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15353,"b":"Vaststelling vergoeding voorzitter en leden Adviescommissie infrastructuur technostarters Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie infrastructuur technostarters ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 249,58. 2. De andere leden van de Adviescommissie infrastructuur technostarters ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 124,79. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van de [Subsidieregeling infrastructuur technostarters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013593) ontvangen alle leden van de Adviescommissie infrastructuur technostarters jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van 4 uur per aanvraag. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15362,"b":"Besluit van 20 maart 2003, houdende vaststelling van de bestanddelen van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2003 worden uitgegeven ter gelegenheid van het 150ste geboortejaar van Vincent van Gogh Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 maart 2003, FM 2003–0361 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen en Internationaal; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en van de gouden tien-euromunt die in 2003 worden uitgegeven ter gelegenheid van het 150ste geboortejaar van Vincent van Gogh, is op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: Onze beeltenis vormgegeven door de woorden «KONINGIN DER NEDERLANDEN» en het omschrift «BEATRIX». 2. De beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en van de gouden tien-euromunt is op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: een portret van Vincent van Gogh vormgegeven door de woorden «VAN GOGH» en het omschrift «VINCENT», het jaartal 1853, het teken van de muntmeester, de waardeaanduiding «5€» dan wel«10€», het teken van de Munt en het jaartal 2003. 3. De zilveren vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift GOD * ZIJ * MET * ONS *, de gouden tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15365,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst archiefbescheiden Provinciale Organen 2005 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 september 2005, nr. arc-2005.02518/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor archiefbescheiden van Provinciale Organen 2005’ en de daarbij behorende toelichting wordt vastgesteld voor: - –. Gedeputeerde staten van alle twaalf provincies - –. Interprovinciaal Overleg IPO, Den Haag - –. Interprovinciale ziektekostenregeling IZR, Utrecht, thans Nieuwegein - –. Instituut zorgverzekering voor ambtenaren IZA, Nieuwegein - –. Bestuursacademie Nederland, Zuid-Nederland, Tilburg - –. Bestuursacademie Nederland, Randstad, Maarssen - –. Samenwerkingsverband Noord Nederland, Groningen - –. Samenwerkingsverband Randstad, ’s Gravenhage - –. De Marrekrite, Recreatieschap voor het Friese Waterland, Raerd - –. Natuur- en recreatieschap de Grevelingen, Den Haag - –. Plassenschap Loosdrecht en omstreken, Utrecht - –. Recreatieschap Utrechtse Heuvelrug, Vallei- en Kromme Rijngebied, Utrecht - –. Afvalverwijdering Utrecht, Nieuwegein - –. Muskusrattenbestrijding Utrecht - –. Recreatieschap Stichtse Groenlanden, Utrecht - –. Recreatieschap Geestmerambacht, Haarlem - –. Recreatieschap Alkmaarder- en Uitgeestermeer - –. Recreatieschap Het Twiske - –. Recreatieschap Spaarnwoude. - –. Recreatieschap het Groengebied Amstelland - –. Recreatieschap Landschap Waterland - –. Regeling Letterhoeke, Leeuwarden - –. Regeling Erfgoedcentrum Nieuw Land, Lelystad - –. Zeeland Seaports, Terneuzen - –. Havenschap Moerdijk Artikel 2 De ‘[Selectielijst voor provinciale organen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011749)’ (**Stcrt.** 2000, 229) wordt ingetrokken. De vernietigingslijst archiefstukken provinciale en interprovinciale organen 1989/1994 (**Stcrt.** 1994, 110) blijft van kracht voor de rijk"},{"i":15366,"b":"Besluit van 16 maart 2006, nr. 06.000754, houdende vaststelling van een selectielijst van de Hoge Raad van Adel op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 16 februari 2006, nr. C/S&A/05/2141, gedaan in overeenstemming met de Hoge Raad van Adel; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Gezien het advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/2 en arc-2003.6517/2; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de handelingen van de Hoge Raad van Adel op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst voor de handelingen van de Hoge Raad van Adel op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000 I. Toelichting behorend bij de selectielijst voor de handelingen van de Hoge Raad van Adel op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000 **1. Lijst van gebruikte afkortingen** Amvb: Algemene maatregel van bestuur Art: artikel EU: Europese Unie EEG: Europese Economische Gemeenschap EG: Europese Gemeenschap ICN: Instituut Collectie Nederland ICOM: International Council of Museums Kb: Koninklijk besluit NMV: Nederlandse Museumvereniging Nr: nummer Pb: Publicatieblad RAD: Rijksarchiefdienst RBK: Rijksdienst Beeldende Kunst Stb: Staatsblad Stcrt: Staatscourant WO-II: Tweede Wereldoorlog **2. Beschrijving beleidsterrein cultuurbeheer** Het beleidsterrein cultuurbeheer beslaat het beleid ten aanzien van de roerende zaken die deel uitmaken van het culturele erfgoed in Nederland. Hierbij gaat het om de museale collecties en de archieven. Het culturele erfgoed valt te onderscheiden in"},{"i":15368,"b":"Besluit van 16 maart 2006, nr. 06.000758, houdende vaststelling van de selectielijst van de Raad van State op het beleidsterrein tijdelijke waarneming door de Raad van het Koninklijk gezag over de periode 1945–2000 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 16 februari 2006, nr. C/S&A/05/2145, gedaan in overeenstemming met de Raad van State; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Gezien het advies van de Raad voor Cultuur van 13 augustus 2001, nr. arc-2001.2447/2; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de handelingen van de Raad van State op het beleidsterrein Tijdelijke waarneming van het Koninklijk gezag over de periode 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst voor de handelingen van de Raad van State op het beleidsterrein Tijdelijke waarneming van het Koninklijk gezag over de periode 1945–2000 I. Toelichting behorend bij de Selectielijst voor de handelingen van de Raad van State op het beleidsterrein Tijdelijke waarneming van het Koninklijk gezag over de periode 1945–2000 **1. Inleiding** De Archiefwet 1995 en het Archiefbesluit 1995 verplichten de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende bescheiden. Onder ‘archiefbescheiden’ is niet alleen papier te verstaan. Alle bescheiden, ongeacht de vorm, die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt (en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten) behoren daartoe. Bijvoorbeeld ook digitaal vastgelegde informatie. Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt mede in dat een overheidsarchi"},{"i":15375,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Beroepenkwaliteit vanaf 1940 (1945) (Minister van Economische Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 augustus 2007, aca-2007.03943/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Beroepenkwaliteit over de periode 1940 (1945)–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15376,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein In- en uitvoerregelingen vanaf 1945 (Minister van Algemene Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 juli 2006 nr. arc-2006.03029/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Algemene Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein In- en uitvoerregelingen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":653,"b":"Besluit van 7 december 2022, houdende wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met een nieuwe opzet van de aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie inzake de risico’s zware ongevallen met gevaarlijke stoffen Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, van 23 augustus 2022, nr. 2022-0000168415; Gelet op de [artikelen 6, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=6), [16, eerste, tweede, derde, zevende, tiende en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16), [28a, eerste en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=28a), [28b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=28b), [33, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=33), [34, vierde tot en met zevende en negende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=34) en [artikel 31, vierde lid, van de Wet op de veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=31); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 september 2022, no. W12.22.00106/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, van 5 december 2022, nr. 2022-0000251298, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit. Artikel II 1. De [artikelen 2.5, eerste, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.5), [2.5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.5a), [2.5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.5b) en [2.5c, eerste lid, aanhef en onder a en b, en tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.5c) zijn tot en met 31 december 2023 niet van toep"},{"i":15378,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militair Personeel vanaf 1945 (Minister van Algemene Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 oktober 2005, nr. arc-2005.02633/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Algemene Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Militair Personeel over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":16968,"b":"Besluit vaststelling Selectielijst beroepsvereniging Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN) en rechtsvoorganger vanaf 2009 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de beroepsvereniging Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN) en rechtsvoorganger vanaf 2009 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15393,"b":"Vaststellingsbesluiten selectielijsten Sociaal-Economische Raad Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 12 februari 1999, nr. arc-98.2215/2); Besluit: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Sociaal-Economische Raad als adviesorgaan van de regering en toporgaan van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie over de periode vanaf 1970, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":15427,"b":"Vergoedingenregeling leden Adviescollege toetsing administratieve lasten Gelet op [artikel 5 van het Vergoedingenbesluit Adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De voorzitter van het Adviescollege toetsing administratieve lasten ontvangt een vaste vergoeding. De salarisschaal van de voorzitter wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,7. Artikel 2 De andere leden van het Adviescollege toetsing administratieve lasten ontvangen een vaste vergoeding. De salarisschaal van de andere leden wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,5. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2005. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling leden Adviescollege toetsing administratieve lasten. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15450,"b":"Verordening betreffende de kwaliteit en borging van de doelmatige dienstverlening door registerloodsen Gelet op [artikel 15, eerste lid, onderdelen b en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15), gelezen in samenhang met de [artikelen 27j, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27j), en [27ja, eerste lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27ja); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - –. **loodsdienstverlening:** de wijze waarop diensten als loods, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=4) worden verzorgd, aangeboden en verleend door registerloodsen in de onderlinge verbanden die zijn opgericht ter uitvoering van [artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15) en [artikel 2:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051696&hoofdstuk=2&artikel=2:1&z=2025-10-23&g=2025-10-23) van deze verordening; - –. **regionale besturen:** de besturen van de regionale loodsencorporaties; - –. **wet:** [Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365). Artikel 1:2. Te dienen belangen De toepassing van deze verordening is, met het oog op het veilig en doelmatig gebruik van de zeehavens en van de loodsplichtige scheepvaartwegen, gericht op het in onderlinge samenhang waarborgen en bevorderen van: - a. de doelmatigheid van dienstverlening, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15); en - b. de kwaliteit van de loodsdienstverlening, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15). Hoofdstuk 2. De organisatie van de dienstverlening Artikel 2:1. Samenwerkingsverbanden van registerloodsen 1. De registerloodsen van een regionale loodsencorporatie zi"},{"i":15459,"b":"Verordening Klachten- en geschillenregeling Overwegende dat het gewenst is regels te stellen betreffende de inrichting van een algemene klachten- en geschillenregeling voor het notariaat, waaronder de instelling van een geschillencommissie; Gelet op [artikel 55, tweede lid, Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=55); Gezien het ontwerp van het bestuur met bijbehorende toelichting; Gezien de adviezen van de ringen; Stelt de navolgende verordening vast: Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - a. **SGC:** de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken; - b. **SGB:** de Stichting Geschillencommissies voor Beroep en Bedrijf; - c. **geschillencommissie:** de Geschillencommissie Notariaat, ingesteld en in stand gehouden door de SGC en de SGB, overeenkomstig hun statuten; - d. **kantoorklachtenregeling:** de schriftelijk of via de website van de notaris aan de cliënt bekend gemaakte regeling die op het kantoor van de notaris geldt voor de behandeling van klachten van cliënten; - e. **notaris:** de notaris, genoemd in [artikel 1 onder a. van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=1) alsmede de kandidaat-notaris, genoemd in artikel 1 onder b., daaronder begrepen de rechtsvorm waarin deze zijn praktijk uitoefent en het kantoor waarvan hij deel uitmaakt; - f. **bestuur:** het bestuur van de KNB, genoemd in [artikel 64, eerste lid, Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=64); - g. **cliënt:** de afnemer van de diensten van de notaris; - h. **klacht:** een geschil over de totstandkoming of de uitvoering van een opdracht aan de notaris, al dan niet vergezeld van een vordering tot, en over een door de notaris aan de cliënt verzonden declaratie. Waarbij de hoogte van de declaratie of de schade niet hoger is dan € 10.000 inclusief eventueel verschuldigde BTW; - i. **declaratie:** De rekening of het samenstel van rekeningen met betrekking"},{"i":15497,"b":"Vervanging openbare registers door microfoto's (kadaster Amsterdam) Gelet op [artikel 9 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=9) (Stb. 1991, 570), Besluit: Artikel 1 De inhoud van het register van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, gehouden aan het kantoor van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te Amsterdam, wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van microfoto's, voor zover het betreft de van 8 januari 1992 tot en met 7 januari 1993 verschenen delen van het register Hypotheken 4, zijnde de delen 10777 tot en met 11310. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 16 augustus 1993. Het wordt opgenomen in de Staatscourant."},{"i":15498,"b":"Vervanging openbare registers door microfoto's (Kadaster Amsterdam) Gelet op [artikel 9 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=9) (Stb. 1991, 570), Besluit: Artikel 1 De inhoud van het register van inschrijving van feiten die betrekking hebben op schepen en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, gehouden aan het kantoor van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te Amsterdam, wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van microfoto's, voor zover het betreft de van 1 januari 1992 tot en met 5 april 1993 verschenen delen (nrs. 330, 331 en 333 tot en met 336) van het register Hypotheken 4 voor de inschrijving van de verzoeken tot teboekstelling als afgebouwd schip, alsmede voor de inschrijving van alle overige stukken, behoudens verzoeken tot teboekstelling van schepen en stukken inzake hypotheken en beslagen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 1993 en wordt opgenomen in de Staatscourant."},{"i":15561,"b":"Besluit van 5 augustus 1989, houdende nadere regelen voor de veiligheid van Vissersvaartuigen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 november 1988, nr. S/J 32.011/88, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Overwegende dat het wenselijk is de veiligheidsvoorschriften voor vissersvaartuigen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het op 2 april 1977 te Torremolinos tot stand gekomen Internationaal Verdrag voor de beveiliging van vissersvaartuigen, met Bijlage (**Trb.** 1980, 139); Gelet op de artikelen 3, 4 **bis**, 5, 9, 17, 66 en 73 van de [Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876) (**Stb.** 1932, 86); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 8 maart 1989, nr. W09.88.0652/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 25 juli 1989, nr. S/J 31.209/89, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene voorzieningen § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Toepassing 1. Het bepaalde in dit besluit is van toepassing op vissersvaartuigen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=1). 2. Het bepaalde in dit besluit is niet van toepassing op vaartuigen die worden gebezigd voor visserijonderzoek of voor opleiding van zeevarenden ter visserij. Indien echter deze vaartuigen daarbij geheel of gedeeltelijk dienst doen als vissersvaartuig, ongeacht of dit moet worden verondersteld te zijn begrepen onder de werkzaamheden welke verband houden met het onderzoek of de opleiding waarvoor het vaartuig bestemd is, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie eisen dat ten minste wordt voldaan aan het bepaalde in dit besluit. 3. Het bepaalde in dit besluit is niet van toepassing op vaartuigen waarmee bedrijfsmatige recreatie wordt uitgeoefend. 4. Het Hoofd van de Scheepvaarti"},{"i":15593,"b":"Vrijstellingregeling LC50/LD50-dierproeven Gelet op [artikel 10, derde lid, van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Vrijstelling van het in [artikel 10, tweede lid, van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10) gestelde verbod tot het verrichten van dierproeven door middel van LC50/LD50-testmethoden wordt verleend ten aanzien van: - het bepalen van de acute dermale toxiciteit; - het bepalen van de acute inhalatoire toxiciteit; - het bepalen van de acute toxiciteit op vissen; - het bepalen van de acute toxiciteit op vogels. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [wet van 12 september 1996 tot wijzing van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008234) (Stb. 1996, 500) in werking treedt. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Vrijstellingsregeling LD50/LC50-dierproeven. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":15678,"b":"Wet van 18 april 2011 tot wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen inzake de wettelijke gemeenschap van goederen aan te passen en in verband daarmee enkele andere wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III Wijzigt de Wet conflictenrecht huwelijksvermogensregime. Artikel IV Wijzigt de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap. Artikel V 1. [Artikel 87 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=87) is slechts van toepassing op vergoedingsvorderingen die ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet plaatsvinden. Op de vergoedingsvorderingen die zijn ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die vóór dat tijdstip hebben plaatsgevonden, blijft het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 2. Op een gemeenschap van goederen, ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, is [artikel 94, tweede lid, onder c, en zevende lid, onder b, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=94) niet van toepassing. 3. [Artikel 95, eerste lid, tweede en derde zin, en tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=95) is slechts van toepassing op vergoedingsvorderingen die ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die na het tijdstip van inwerkingtreding van deze we"},{"i":17445,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 29 september 2023, nr. IENW/BSK-2023/271099, houdende regels voor verstrekking van specifieke uitkeringen voor bovenplanse infrastructurele voorzieningen om op korte termijn grootschalige woningbouwlocaties te realiseren (Regeling specifieke uitkering woningbouw op korte termijn door bovenplanse infrastructuur) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4) en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en [artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel a, en derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044860&artikel=6); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **betaalbare woning:** betaalbare woning als bedoeld in het [Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540); - **bovenplanse infrastructurele voorziening:** infrastructurele voorziening die nodig is voor de ontsluiting en bereikbaarheid van een woningbouwlocatie en tegelijkertijd wordt gebruikt voor de ontsluiting en bereikbaarheid van bestaande wijken of locaties; - **bijlage:** bijlage bij deze regeling; - **grootschalige woningbouw:** woningbouw binnen een verstedelijkingsgebied met een minimale omvang van 500 woningen per locatie of buiten een verstedelijkingsgebied met een minimale omvang van 200 woningen per locatie; - **mobiliteitshub:** infrastructurele voorziening die fungeert als begin-, eind- of overstappunt van een reis en waar verschillende vervoersmodaliteiten en hun infrastructuur samenkomen; - **verstedelijkingsgebied:** Metropoolregio Amsterdam, Zuidelijke Randstad, Stedelijk Brabant, Metropoolregio Utrecht, Regio Arnhem-Nijmegen-Foodvalley, Regio Zwolle of Regio Groningen-Assen. Artikel 2. Doel van"},{"i":15709,"b":"Wet beperking tabaksgebruik BES Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **tabaksprodukten:** sigaren, sigaretten en kerftabak, geheel of gedeeltelijk bestaande uit bestanddelen van de plant Nicotiana; - b. **kerftabak:** shag, pijp-, pruim- en sniftabak; - c. **de openbare gebouwen:** de gebouwen die door de Staat en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden beheerd; - d. **het bevoegd gezag:** - 1. voor wat betreft de Staat de betrokken minister; - 2. voor wat betreft de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba het bestuurscollege; - 3. voor wat betreft inrichtingen als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028544&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10), de directeur. Artikel 2 1. Het bevoegd gezag treft voor de openbare gebouwen zodanige maatregelen, dat van de daarin geboden voorzieningen gebruik kan worden gemaakt en de werkzaamheden kunnen worden verricht zonder dat daarbij hinder van het gebruik van tabaksprodukten wordt ondervonden. 2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort in ieder geval het instellen en handhaven van een verbod tabaksprodukten te gebruiken in ruimten behorende tot de bij algemene maatregel van bestuur, aangewezen categorieën. Op het verbod kan het bevoegd gezag, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur, te stellen regelen, beperkingen aanbrengen. Artikel 3 1. Bij algemene maatregel van bestuur, kan aan degenen die – anders dan in een hoedanigheid als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028544&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) – het beheer hebben over inrichtingen voor gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening, sport, sociaal-cultureel werk of onderwijs, voor zover die inrichtingen behoren tot bij algemene maatregel van bestuur, aangewezen categorieën, de verplichting worden opgelegd tot het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid. 2. [Artikel 2, tweede"},{"i":15730,"b":"Wet van 6 juli 2004, houdende een voorziening om ter uitvoering van besluiten van instellingen van de Europese Unie regels te kunnen stellen ten aanzien van buitenlandse schepen (Wet buitenlandse schepen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een wettelijke voorziening te treffen op grond waarvan uitvoering kan worden gegeven aan besluiten van de instellingen van de Europese Unie, voorzover deze besluiten ertoe verplichten om regels te stellen ten aanzien van buitenlandse schepen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is ingevolge artikel 12, tweede lid van de Tijdelijke referendumwet van rechtswege opgeschort tot 21-08-2004. Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij daarin anders is bepaald, verstaan onder: - a. buitenlands schip: een zeeschip dat niet gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden te voeren; - b. haven: een anker- of ligplaats onder Nederlandse jurisdictie voor schepen, al dan niet in zee; - c. kapitein: de gezagvoerder van een schip of diens vervanger; - d. exploitant: de eigenaar, de rompbevrachter of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van een schip; - e. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt met een buitenlands schip gelijkgesteld een schip dat op grond van voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren. Artikel 2 Deze wet is van toepassing op buitenlandse schepen in Europese wateren onder Nederlandse jurisdictie, met uitzondering van oorlogsschepen, marinehulpschepen en andere schepen die in gebruik zijn voor de uitvoering van een militaire taak en voor andere dan handelsdoeleinden gebru"},{"i":15710,"b":"Wet van 5 maart 1998, houdende regels ter bescherming van het Antarctisch milieu ter uitvoering van het Protocol betreffende milieubescherming bij het Verdrag inzake Antarctica (Wet bescherming Antarctica) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter bescherming van het Antarctisch milieu ter uitvoering van het Protocol betreffende milieubescherming bij het verdrag inzake Antarctica; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - activiteit: een activiteit in de zin van artikel 3 van het Protocol, zijnde een geheel van onderling samenhangende handelingen in het Antarctisch gebied; - afvalstoffen: afvalstoffen in de zin van [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1); - afvalwater: afvalwater in de zin van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245); - Antarctisch gebied: gebied gelegen ten zuiden van de 60ste zuidelijke breedtegraad; - bestrijdingsacties: redelijke maatregelen die genomen worden na het ontstaan van een milieubedreigende noodsituatie met als doel het voorkomen, tot een minimum beperken of beheersen van de gevolgen van die milieubedreigende noodsituatie, met inbegrip van het vaststellen van de omvang van de noodsituatie en de gevolgen ervan; - fonds: door het Secretariaat, bedoeld in Maatregel 1(2003), van het Verdrag ingesteld en beheerd fonds, waarin het bedrag, bedoeld in [artikel 25c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009449&paragraaf=5a&artikel=25c&z=2024-01-01&g=2024-01-01), wordt gestort; - gevaarlijke afvalstoffen: gevaarlijke afvalstoffen als aangewezen krachtens [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet m"},{"i":15711,"b":"Wet van 17 oktober 2018, houdende regels ter uitvoering van Richtlijn 2016/943/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PbEU 2016, L157) (Wet bescherming bedrijfsgeheimen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels vast te stellen ter implementatie van [Richtlijn 2016/943](32016L0943)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PbEU 2016, L157); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - **bedrijfsgeheim:** informatie die aan de volgende voorwaarden voldoet: - a. zij is geheim in die zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor degenen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met dergelijke informatie; - b. zij bezit handelswaarde omdat zij geheim is, en - c. zij is door degene die daar rechtmatig over beschikt, onderworpen aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om deze geheim te houden; - **houder van het bedrijfsgeheim:** iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtmatig over een bedrijfsgeheim beschikt; - **inbreukmakende goederen:** goederen waarvan het ontwerp, de kenmerken, de werking, het productieproces of het in de handel brengen aanzienlijk voordeel heeft of hebben bij bedrijfsgeheimen die onrechtmatig zijn verkregen, gebr"},{"i":15712,"b":"Wet van 10 juli 1952, tot bescherming van de bevolking tegen de gevolgen van oorlogsgeweld Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bepalingen vast te stellen omtrent het nemen van maatregelen met betrekking tot de bescherming van de bevolking tegen de gevolgen van oorlogsgeweld; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 4 1. Vervallen. 2. Hij wijst in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat ondernemingen en openbare nutsbedrijven aan, ter bescherming waarvan hij bevelen kan geven op de voet van [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002096&artikel=7&z=1986-07-01&g=1986-07-01). Artikel 7 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan in het belang van de bescherming van bedrijven, aangewezen op de voet van [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002096&artikel=4&z=1986-07-01&g=1986-07-01), bevelen geven aan ondernemingen en openbare nutsbedrijven. 2. Een bevel, als bedoeld in het vorige lid, wordt niet gegeven dan in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat en na overleg met de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken aan te wijzen centrale organisaties van ondernemers dan wel, indien het overheidsbedrijven betreft, met de besturen dier bedrijven, tenzij zulks in verband met de vereiste spoed niet kan geschieden. In dit laatste geval wordt van het bevel onverwijld mededeling gedaan aan Onze Minister wie het mede aangaat en aan de aangewezen organisaties of besturen. Artikel 29 1. Overtreding van hetgeen krachtens artikel 5 of 7 door Ons of Onze Minister van Binnenlandse Zaken, dan wel krachtens artikel 13 door de burgemeester of - bij toepassing van artikel 14 - door het kringbestuur is bepaald, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste vijfd"},{"i":15715,"b":"Wet van 28 oktober 1987, houdende regelen inzake de bescherming van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het ter uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1986 betreffende de rechtsbescherming van topografieën van halfgeleiderprodukten (**Pb.** L/24, 27 januari 1987) wenselijk is regelen te treffen inzake de bescherming van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **halfgeleiderprodukt:** de definitieve vorm of de tussenvorm van een produkt; - 1°. dat uit een lichaam bestaat, dat een laag halfgeleidermateriaal en een of meer lagen geleidend, isolerend of halfgeleidend materiaal bevat, waarbij elk van de lagen een samenstelling heeft die in overeenstemming is met een vooraf bepaald driedimensionaal patroon van het lichaam, en - 2°. dat bestemd is om, uitsluitend of tezamen met andere functies, een elektronische functie te vervullen. - b. **topografie:** een reeks samenhangende beelden, op enigerlei wijze vastgelegd, - 1°. die het driedimensionaal patroon van de lagen weergeven waaruit het halfgeleiderprodukt is samengesteld, en - 2°. waarin elk beeld het patroon of een gedeelte van het patroon van een oppervlak van het halfgeleiderprodukt in enig stadium van zijn vervaardiging voorstelt; - c. **het bureau**: het bureau, bedoeld in [artikel 1 van de Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=1); - d. **het register:** het door het bureau beheerde register waarin depots ingevolge deze wet worden ingeschreven; - e. **exploiteren:** het verkopen, verhuren of het op andere wijze in het verkeer brengen van e"},{"i":15713,"b":"Wet van 8 juni 2016 tot wijziging van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek om erfgenamen beter te beschermen tegen schulden van de erflater (Wet bescherming erfgenamen tegen schulden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is te verduidelijken wanneer erfgenamen een nalatenschap zuiver aanvaarden en hen in uitzonderlijke situaties beter te beschermen tegen schulden van de nalatenschap en dat daartoe [Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761) moet worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 4. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet bescherming erfgenamen tegen schulden. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15716,"b":"Wet van 5 April 1951, houdende nadere voorzieningen met betrekking tot de bescherming van gegevens, waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat wordt geboden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere voorzieningen te treffen met betrekking tot de bescherming van gegevens, waarvan de geheimhouding door het belang van de staat wordt geboden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Elke plaats in gebruik bij de staat of bij een staatsbedrijf kan ter bescherming van gegevens, waarvan de geheimhouding door het belang van de veiligheid van de staat wordt geboden, door Ons als verboden plaats worden aangewezen. Artikel II 1. Elke plaats, waar krachtens overeenkomst met de staat werkzaamheden worden verricht of goederen worden bewaard, die van belang zijn voor de veiligheid van de staat, kan ter bescherming van gegevens als bedoeld in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01) voor het tijdvak, waarin de werkzaamheden worden verricht of de goederen worden bewaard, door Ons als verboden plaats worden aangewezen. 2. Een aanwijzing als bedoeld in het voorgaande lid vindt buiten de in [artikel III, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=III&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde buitengewone omstandigheden niet plaats, tenzij het voornemen daartoe vóór het tot stand komen van de overeenkomst van regeringswege aan de wederpartij is medegedeeld dan wel de wederpartij na het tot stand komen van de overeenkomst verklaart tegen zodanige aanwijzing geen bezwaar te hebben. Artikel IIA Onder de veiligheid van de Staat wordt in de voorgaande artikelen mede verstaan de veiligheid van diens bondgenoten. Artikel III 1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste li"},{"i":15714,"b":"Wet van 14 april 2016, houdende de oprichting van een Huis voor klokkenluiders (Wet Huis voor klokkenluiders) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om met het oog op de bescherming van klokkenluiders rechtsbescherming te regelen, een Huis voor klokkenluiders op te richten en dat het noodzakelijk is daartoe wettelijke bepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **afdeling advies:** de afdeling advies van het Huis, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=3a&z=2023-02-18&g=2023-02-18); - **afdeling onderzoek:** de afdeling onderzoek van het Huis, bedoeld in [artikel 3a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=3a&z=2023-02-18&g=2023-02-18); - **bedrijfsgeheim:** bedrijfsgeheim als bedoeld in [artikel 1 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041459&artikel=1); - **betrokken derde:** - a. een derde die verbonden is met een melder en die kan worden benadeeld door de werkgever van de melder of een persoon of organisatie waarmee de melder anderszins in een werkgerelateerde context verbonden is, en - b. een rechtspersoon die eigendom is van de melder, waarvoor de melder werkt of waarmee de melder anderszins werkgerelateerd verbonden is; - **bevoegde autoriteit:** een autoriteit als bedoeld in [artikel 2c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&hoofdstuk=1a&paragraaf=1&artikel=2c&z=2023-02-18&g=2023-02-18); - **bureau:** het bureau, bedoeld in [artikel 3d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&h"},{"i":15705,"b":"Wet van 28 januari 2015 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht houdende regels met betrekking tot het beloningsbeleid van financiële ondernemingen (Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te voorzien in toezicht op het beloningsbeleid van financiële ondernemingen, een maximum te stellen aan variabele beloningen, alsmede regels te stellen met betrekking tot de transparantie van beloningsbeleid; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht en de Wet aansprakelijkheidsbeperking DNB en AFM en bonusverbod staatsgesteunde ondernemingen. Artikel Ia Onze Minister van Financiën zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II 1. [Artikel 1:128, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:128) is niet van toepassing: - a. op reeds voor 26 oktober 2011 toegekende, maar nog niet uitgekeerde variabele beloningen van haar bestuurders, indien een financiële onderneming op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet steun geniet en deze steun reeds voor 6 oktober 2011 was verleend; - b. op reeds voor dat tijdstip toegekende, maar nog niet uitgekeerde variabele beloningen van personen die een leidinggevende functie vervullen direct onder het echelon van de dagelijks beleidsbepalers en verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden, indien een financiële onderneming op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet steun geniet. 2. In afwijking va"},{"i":15706,"b":"Wet van 11 december 2024, houdende regels over het bemannen van zeeschepen (Wet bemanning zeeschepen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de bepalingen ten aanzien van het bemannen van zeeschepen in de [Wet zeevarenden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124) te herzien en te moderniseren met het oogmerk de veiligheid van zeeschepen en de scheepvaart verder te bevorderen, het welzijn van de zeevarenden aan boord te waarborgen en ter uitvoering van het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), het op 7 juli 1995 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel van vissersschepen van de Internationale Maritieme Organisatie (Trb. 2013, 218), het op 23 februari 2006 te Genève tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93), het op 14 juni 2007 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende werk in de visserijsector (Trb. 2011, 152) en de daarmee samenhangende Europese richtlijnen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport:** door Onze Minister aangewezen ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport; - **bekwaamheidsbewijs:** geldig document, anders dan een vaarbevoegdheidsbewijs, afgegeven aan een zeevarende, waaruit blijkt dat een door Onze Minister erkende training met goed gevolg is afgesloten waarmee wordt voldaan aan een of meer beroepseisen; - **bemanning:** kapitein, de officieren, de gezellen en de overig"},{"i":15707,"b":"Wet van 8 maart 1956, tot bepaling van de rechtsgevolgen van maatregelen, in bezet Nederlands gebied genomen met betrekking tot de rechtstoestand van militairen der Koninklijke Landmacht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de rechtszekerheid wenselijk is regelen te stellen omtrent de rechtsgevolgen van maatregelen, genomen in het tussen 14 mei 1940 en 5 mei 1945 bezet gehouden Nederlands gebied met betrekking tot de rechtstoestand van militairen der Koninklijke Landmacht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Groot verlof, nonactiviteit, alsmede ontslag uit de militaire dienst anders dan in verband met opheffing van de betrekking, in het tussen 14 mei 1940 en 5 mei 1945 bezet gehouden Nederlandse gebied verleend aan een militair van de Koninklijke Landmacht, worden aangemerkt als te zijn verleend door het bevoegde Nederlandse gezag. Artikel 2 De besluiten, genomen ter uitvoering van het bevel van de bezetter tot \"Demobil-machen\" van de Nederlandse strijdmacht en gericht op het in verband met opheffing van hun betrekking verlenen van ontslag uit de militaire dienst aan beroepsmilitairen der Koninklijke Landmacht beneden de rang van tweede luitenant, hebben geleid tot nonactiviteit. Artikel 3 1. Aan de militair, ten aanzien van wie een besluit is genomen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002206&artikel=2&z=1956-09-01&g=1956-09-01) en die na 4 mei 1945 geen militaire dienst heeft verricht of die na 4 mei 1945 wel militaire dienst heeft verricht, doch wiens dienstvervulling nadien is beëindigd zonder dat hij als beroepsmilitair is ontslagen, wordt alsnog op een door hem binnen twee maanden na de inwerkingtreding van deze wet bij Onze Minister van Oorlog in te dienen verzoekschrift eervol ontslag verleend. 2."},{"i":15708,"b":"Wet van 16 december 2020 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met het voorkomen van langdurig uitstel van verliesneming ingevolge de liquidatie- en stakingsverliesregeling en het inperken van de reikwijdte van deze regelingen (Wet beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is fiscale maatregelen te treffen die strekken tot het voorkomen van langdurig uitstel van verliesneming ingevolge de liquidatie- en stakingsverliesregeling en het inperken van de reikwijdte van deze regelingen in de vennootschapsbelasting; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II 1. Indien, onmiddellijk of middellijk, tot het vermogen van het ontbonden lichaam waarin de belastingplichtige een deelneming heeft, een deelneming heeft behoord in een lichaam dat is ontbonden voor 1 januari 2021, dan wel een onderneming heeft behoord die is gestaakt voor 1 januari 2021, vindt [artikel 13d, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13d) geen toepassing ten aanzien van die deelneming, onderscheidenlijk die onderneming. 2. Indien, onmiddellijk of middellijk, tot het vermogen van een ontbonden lichaam waarin de belastingplichtige een deelneming heeft een onderneming behoort die voor 1 januari 2021 geheel of nagenoeg geheel is gestaakt, dan wel daartoe voor 1 januari 2021 is besloten, wordt, in afwijking van [artikel 13d, veertiende lid, onderdeel c, en vijftiende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13d), het liquidatieverlies niet in aanmerking genomen indien de vereffening van het verm"},{"i":15717,"b":"Wet van 8 oktober 2025, houdende regels over onafhankelijke bijstand en individuele oordeelsvorming bij discriminatie en tot wijziging van de Algemene wet gelijke behandeling en enige andere wetten in verband met de invoering van regels inzake gelijke behandeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet bescherming tegen discriminatie op de BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de in het Europese deel van Nederland geldende regels inzake gelijke behandeling mede van toepassing te verklaren in het Caribisch deel van Nederland teneinde uitvoering te geven aan het discriminatieverbod van [artikel 1 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=1), aldaar te voorzien in onafhankelijke bijstand bij discriminatie en de mogelijkheid tot individuele oordeelsvorming door het College voor de rechten van de mens; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Voorziening voor onafhankelijke bijstand bij discriminatie 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties draagt zorg voor de beschikbaarstelling, inrichting, instandhouding en het functioneren van een voorziening in Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor onafhankelijke bijstand bij discriminatie. 2. In de voorziening worden de volgende taken uitgevoerd: - a. - 1°. ondersteuning aan personen bij de afwikkeling van hun klachten betreffende onderscheid als bedoeld in: de [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502); de [Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299); de [Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915); de [Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbei"},{"i":15718,"b":"Wet van 10 juli 1952, ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, maatregelen te kunnen treffen ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verbandhoudende buitengewone omstandigheden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet verstaat onder: - a. goederen: hetgeen artikel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek daar onder verstaat; - b. rechthebbenden: personen en lichamen die een recht hebben ten aanzien van een goed dan wel de bezitter of houder van een goed zijn; - c. bevel: een last, gegeven krachtens [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002098&artikel=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01) of [artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002098&artikel=2a&z=2021-07-01&g=2021-07-01). Artikel 2 1. Ieder van Onze Ministers is, indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties, bevoegd aan de rechthebbende bij algemeen of bijzonder bevel te gelasten: - a. in of aan een goed, dan wel in de toestand waarin of de plaats waar het zich bevindt, of in de wijze waarop het wordt gebruikt, zonder door of vanwege die Minister verleende vergunning geen veranderingen of geen, bij het bevel omschreven veranderingen aan te brengen noch toe te laten, dat dit door anderen geschiedt; - b. in of aan een goed, dan wel in de toestand waarin of de plaats waar het zich bevindt, of in de wijze waarop het wordt gebruikt, de bij het bevel omschreven veranderingen aan te brengen of toe te laten, dat zulks door of v"},{"i":15726,"b":"Wet van 21 december 2016 tot wijziging van de wet tot wijziging van de Mijnbouwwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met implementatie van richtlijn nr. 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178), en wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de omkering van de bewijslast bij schade binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk in verband met aanpassing van de bepaling inzake een wettelijk bewijsvermoeden voor mijnbouwschade in Groningen en enkele andere bepalingen (Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de [wet tot wijziging van de Mijnbouwwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met implementatie van richtlijn nr. 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178), en wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de omkering van de bewijslast bij schade binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk te wijzigen om te komen tot een afgebakend wettelijk bewijsvermoeden voor schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038985); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wijzigingswet Mijnbouwwet, enz. (veiligheid offshore olie- en gasactiviteiten). Artikel II Indien het bij koninklijke boodschap van 24 september 2014 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Mijnbouwwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de economis"},{"i":15727,"b":"Wet van 24 mei 2012 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Faillissementswet, alsmede enige andere wetten in verband met de introductie van aanvullende bevoegdheden tot interventie bij financiële ondernemingen in problemen (Wet bijzondere maatregelen financiële ondernemingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op een doelmatige afwikkeling van financiële ondernemingen in problemen, alsmede met het oog op de stabiliteit van het financiële stelsel wenselijk is om de mogelijkheden tot interventie bij financiële ondernemingen aan te vullen en te versterken en dat het daartoe nodig is de Wet op het financieel toezicht en de Faillissementswet te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V Wijzigt de Bankwet. Artikel VI 1. Deze wet, met uitzondering van de [artikelen I, onderdeel IJ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031641&artikel=I&z=2017-06-27&g=2017-06-27), en [II, onderdelen A en B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031641&artikel=II&z=2017-06-27&g=2017-06-27), treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 20 januari 2012. 2. De [artikelen I, onderdeel IJ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031641&artikel=I&z=2017-06-27&g=2017-06-27), en [II, onderdelen A en B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031641&artikel=II&z=2017-06-27&g=2017-06-27), treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor die artikelen verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VII Deze wet wordt"},{"i":15719,"b":"Wet bestrijding maritieme ongevallen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen dat het nodig is nieuwe regels te stellen over de bestrijding van maritieme ongevallen, onder intrekking van de [Wet bestrijding ongevallen Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005444), en [Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034) alsmede enige andere wetten te wijzigen, ter uitvoering van het op 18 mei 2007 te Nairobi tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake het opruimen van wrakken, 2007 (Trb. 2008, 115); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - b. **schip:** een zeeschip, ongeacht het type, met inbegrip van draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, onderwatervaartuigen, drijvende vaartuigen en drijvende platforms, met uitzondering van platforms die ter plaatse worden ingezet bij de exploratie, exploitatie of productie van minerale rijkdommen van de zeebodem; - c. **kapitein:** degene die het gezag heeft over het schip; - d. **maritiem ongeval:** een aanvaring, een stranding of een ander navigatieincident of een ander voorval aan boord van het schip of daarbuiten waardoor materiële schade aan een schip of zijn lading wordt veroorzaakt of dreigt te worden veroorzaakt; - e. **wrak:** - 1°. als gevolg van een maritiem ongeval gezonken of gestrand schip; - 2°. als gevolg van een maritiem ongeval gezonken of gestrand deel van een schip, met inbegrip van zaken die zich aan boord van dat schip bevinden of hebben bevonden; - 3°. als gevolg van een maritiem ongeval op zee door een schip verloren zaak die is gestrand, gezonken of op zee op dri"},{"i":15721,"b":"Wet van 9 september 1976, houdende regelen omtrent de positie van in Nederland wonende Molukkers die niet het Nederlanderschap bezitten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige voorzieningen te treffen ten behoeve van de positie van in Nederland wonende Molukkers die niet het Nederlanderschap bezitten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Molukkers, die door de zorg van de Nederlandse regering in 1951 of 1952 in groepsverband naar Nederland zijn overgebracht, op het tijdstip van het in werking treden van deze wet in Nederland woonplaats of werkelijk verblijf hebben en niet het Nederlanderschap bezitten, worden bij de toepassing van de Nederlandse wetgeving behandeld als Nederlander. 2. Zij verkrijgen daardoor niet de staat van Nederlander. 3. Zij die ingevolge deze wet als Nederlander worden behandeld, gelden, indien zij daarom verzoeken, als Nederlander in de zin van de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212). In het aan hen op zodanig verzoek te verstrekken nationaal paspoort, ander reisdocument, Nederlandse identiteitskaart of vervangende Nederlandse identiteitskaart wordt ingevolge [artikel 3, zesde lid, eerste volzin, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=3) de Nederlandse nationaliteit vermeld. Artikel 2 De behandeling als Nederlander komt ook toe aan het niet- Nederlandse kind van een vader of van een moeder, die deze behandeling geniet of, indien nog in leven, zou hebben genoten, mits dat kind op het tijdstip van het in werking treden van deze wet in Nederland woonplaats of werkelijk verblijf heeft. Artikel 3 1. Onze Minister van Justitie kan, op een daartoe gedaan verzoek, door een aan de verzoeker af te geven verklaring de toepassing van deze wet uitbreiden tot ande"},{"i":15720,"b":"Wet van 13 oktober 2021 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg, de Wet flexibel werken en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad (PbEU 2019, L 188) (Wet betaald ouderschapsverlof) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter implementatie van [Richtlijn (EU) 2019/1158](32019L1158) van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van [Richtlijn 2010/18](32010L0018)/EU van de Raad (PbEU 2019, L 188) noodzakelijk is de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008), de [Wet flexibel werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011173) en enige andere wetten te wijzigen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel II. Wijziging van de [Wet flexibel werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011173) Wijzigt de Wet flexibel werken. Artikel III. Wijziging van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV. Wijziging van de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) Wijzigt de Arbeidstijdenwet. Artikel V. Wijziging van [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel VI. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werk"},{"i":15728,"b":"Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in daartoe aan te wijzen gebieden binnen gemeenten de wettelijke mogelijkheden te verruimen om grootstedelijke problemen aan te pakken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. huisvestingsvergunning: vergunning als bedoeld in [artikel 8 van de Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=8); - b. regio: gebied dat uit een oogpunt van het functioneren van de woonruimtemarkt als een samenhangend geheel kan worden beschouwd; - c. huisvestingsverordening: verordening als bedoeld in [artikel 4 van de Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=4); - d. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. 2. Op de huisvestingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de huisvestingsverordening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=5), [6, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=8), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=9), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=19), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=20) en [32 tot en met 35 van de Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=32)van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in die artikelen voor «[artikel 7](https://wetten.overheid"},{"i":15722,"b":"Wet van 16 augustus 1951, tot openstelling van rechterlijke betrekkingen advocatuur en notariaat voor bepaalde groepen van Indische juristen, notarissen en candidaat-notarissen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een voorziening te treffen met betrekking tot hen, die hun studie in het Indisch recht of het Indonesische notariaat voltooid hebben en die in verband met de souvereiniteitsoverdracht hun loopbaan in Indonesië niet hebben kunnen voortzetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Personen, die met goed gevolg het doctoraal examen, genoemd in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004353&artikel=4), paragraaf [58, van het academisch statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004353&artikel=58), of een daaraan gelijkwaardig examen aan de Rechtshogeschool of de Universiteit van Indonesië hebben afgelegd en die een verklaring van Onze Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen kunnen overleggen, dat zij nadien tussen 1 Januari 1939 en 1 Januari 1950 in Indonesië zijn werkzaam geweest, kunnen, indien het op grond van hun loopbaan in Indonesië waarschijnlijk is, dat zij de geschiktheid tot het vervullen van hierna bedoelde ambten of beroepen bezitten, voor zover betreft het vereiste van een academische graad of hoedanigheid: - a. voor zoveel nodig in afwijking van het bepaalde in de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=3), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=35), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=37), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=48) en [64 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=64) en het beleid der justitie worden benoemd tot"},{"i":15723,"b":"Wet van 17 oktober 2018, houdende regels ter implementatie van richtlijn (EU) 2016/1148 (Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het gelet op richtlijn (EU) 2016/1148 noodzakelijk is om wettelijke bepalingen vast te stellen ter bevordering van de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aanbieder:** overheidsorganisatie of privaatrechtelijke rechtspersoon die een dienst exploiteert, beheert of beschikbaar stelt; - –. **aanbieder van een essentiële dienst:** aanbieder van een essentiële dienst als bedoeld in artikel 4 van de NIB-richtlijn, aangewezen op grond van [artikel 5, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=5&z=2024-10-01&g=2024-10-01); - –. **beveiliging van netwerk- en informatiesystemen, digitale dienst, incident, netwerk- en informatiesysteem, norm, onderscheidenlijk afbreekrisico:** hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4 van de NIB-richtlijn; - –. **bevoegde autoriteit:** bevoegde autoriteit, genoemd in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&hoofdstuk=3&artikel=4&z=2024-10-01&g=2024-10-01); - –. **centraal contactpunt:** centraal contactpunt als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de NIB-richtlijn; - –. **CSIRT:** Computer security incident response team als bedoeld in artikel 9 van de NIB-richtlijn; - –. **CSIRT voor digitale diensten:** CSIRT, aangewezen op grond van [artikel 4, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&hoofdstuk=3&artikel=4&z=2024-10-01&g=2024-10-01); - –. **digitaledienstv"},{"i":15724,"b":"Wet van 17 juli 2024, houdende regels ter bevordering van de digitale weerbaarheid van bedrijven (Wet bevordering digitale weerbaarheid bedrijven) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de weerbaarheid van niet-vitale bedrijven te versterken tegen digitale dreigingen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanbieder:** aanbieder als bedoeld in [artikel 1 van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=1); - **bedrijf:** in Nederland gevestigde natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon die bedrijfsmatige activiteiten uitvoert, niet zijnde vitale aanbieders of digitaledienstverleners als bedoeld in [artikel 1 van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=1); - **CSIRT voor digitale diensten:** CSIRT voor digitale diensten als bedoeld in [artikel 1 van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=1); - **incident:** incident als bedoeld in artikel 4, onder 7, van de NIB-richtlijn; - **netwerk- en informatiesysteem:** netwerk- en informatiesysteem als bedoeld in artikel 4, onder 1, van de NIB-richtlijn; - **NIB-richtlijn:** [richtlijn (EU) 2016/1148](32016L1148) van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PbEU 2016, L 194); - **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2. Taken van Onze Minister 1. Onze Minister heeft, ter versterking van de digitale weerbaarheid van bed"},{"i":15725,"b":"Wet bevordering eigenwoningbezit Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen omtrent het aan mensen in lagere inkomensgroepen toekennen van een bijdrage ten behoeve van het verkrijgen en kunnen blijven bewonen van een eigen woning; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Definities Artikel 1. Definities 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. bestaande woning: woning die al voor de eigendomsoverdracht werd bewoond; - b. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de woning is gelegen waarop de eigenwoningbijdrage betrekking heeft; - c. bijdragejaar: jaar dat begint met de eerste volle kalendermaand waarin degene die de eigenwoningbijdrage aanvraagt de woning in eigendom heeft verkregen en loopt tot en met de elfde daaropvolgende kalendermaand, en de direct daarop aansluitende jaren; - d. eigenaar-bewoner: natuurlijke persoon die, alleen of gezamenlijk met een persoon als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&hoofdstuk=1&paragraaf=2&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), een woning volledig in eigendom verkrijgt en daarin zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben; - e. eigenwoningbijdrage: financiële bijdrage krachtens deze wet; - f. financieringslast: te betalen bedrag aan rente over en aflossing van de hypothecaire lening, blijkens de geldleningsovereenkomst; - g. financieringslastnorm: gedeelte van de financieringslast dat per maand ten minste voor rekening van de eigenaar-bewoner blijft, uitgedrukt in een percentage van het toetsinkomen; - h. fiscaal effect: naar een maandbedrag herrekend jaarlijks terugkerend belastingvoordeel dat een huishouden met een eigen woning heeft ten o"},{"i":15729,"b":"Wet van 22 december 1993, houdende vaststelling van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen met betrekking tot verhoging van het loon ter compensatie van het vervallen van de overhevelingstoeslag; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. overhevelingstoeslag: De overhevelingstoeslag, bedoeld in artikel 1 van de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies en in artikel 3 van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies; - c. vervaljaar: het krachtens [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006353&artikel=9&z=2015-01-01&g=2015-01-01) vastgestelde jaar met ingang waarvan de verplichting tot betaling van een overhevelingstoeslag komt te vervallen. Artikel 2 1. De voor de berekening van de overhevelingstoeslag voor het jaar 1995 geldende premiepercentages worden in afwijking van artikel 2 van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies afgeleid van en tegelijkertijd vastgesteld met de voor het jaar 1994 geldende premiepercentages. 2. Het voor de berekening van de overhevelingstoeslag geldende percentage wordt, in afwijking van artikel 1, tweede lid, van de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies en van artikel 2 van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies, voor de jaren 1996 en volgend vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, overeenkomstig de navolgende leden. Daarbij kan dit percentage voor verschillende categorieën inhoudingsplichtigen of personen verschillend worden vastgesteld. 3. Uitgaande van de voorafgaande vaststelling van het percentage van de overheveling"},{"i":15735,"b":"Wet van 13 december 1989, houdende regelen omtrent de wijze van samenstelling en de werkwijze van de commissies, bedoeld in artikel 214 van Boek 6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek regelen vast te stellen omtrent de wijze van samenstelling en de werkwijze van de commissies, bedoeld in artikel 6.5.1.2 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Een commissie tot vaststelling, wijziging of intrekking van een standaardregeling, als bedoeld in artikel 214 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, wordt voor ten minste twee derde gedeelte samengesteld uit leden die daartoe zijn voorgedragen door overeenkomstig het volgende lid aangewezen representatieve organisaties - a. van hen die een bedrijf of beroep uitoefenen waarop de standaardregeling betrekking heeft; - b. van hen die bij de overeenkomsten waarop de standaardregeling betrekking heeft, als hun wederpartij plegen op te treden. 2. Onze Minister van Justitie bepaalt, alvorens tot benoeming van een commissie over te gaan, na overleg met Onze Ministers wie het onderwerp van de standaardregeling aangaat, bij ministeriële regeling: - a. welke representatieve organisaties leden van de commissie kunnen voordragen, en - b. het aantal leden dat ieder van deze organisaties kan voordragen. 3. Het aantal leden van de commissie, dat kan worden voorgedragen door organisaties van hen die een bedrijf of beroep uitoefenen waarop de standaardregeling betrekking heeft, moet gelijk zijn aan het aantal leden dat kan worden voorgedragen door de organisaties van hen die als hun wederpartij plegen op te treden. 4. Een aan te wijzen organisatie dient een rechtsperso"},{"i":16061,"b":"Wet van 21 april 1947, houdende de voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het in afwachting van een nadere regeling na de totstandkoming van de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie wenschelijk is, dat reeds thans ten behoeve van de coördinatie van het regeeringsbeleid op economisch, sociaal en financieel gebied op geregelde tijden een Centraal Economisch Plan wordt vastgesteld; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - **Onze Ministers:** Onze Ministers van Economische Zaken en Klimaat, van Infrastructuur en Milieu, van Financiën, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Buitenlandse Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2 1. Er is een Centraal Planbureau, dat ressorteert onder Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. 2. Aan het hoofd van het Bureau staat een directie, bestaande uit een directeur en twee onder-directeuren. Artikel 3 1. Het Centraal Planbureau heeft tot taak het verrichten van alle werkzaamheden met betrekking tot het voorbereiden van een Centraal Economisch Plan, dat op geregelde tijden ten behoeve van de coördinatie van het regeeringsbeleid op economisch, sociaal en financieel gebied door de Regeering wordt vastgesteld, alsmede het uitbrengen van adviezen over algemeene vragen, welke zich ten aanzien van de verwezenlijking van het plan kunnen voordoen. 2. Het Centraal Economisch Plan is een evenwichtig samenstel van schattingen en richtlijnen met betrekking tot de Nederlandsche volkshuishouding. 3. Het Centraal Economisch Plan omvat onder meer verzamelingen van cijfers, betrekking hebbende op de toekomstige grootte van de voortbrenging in den ruimsten zin, op de toekomstige hoogte en ontwikkeling van het p"},{"i":16087,"b":"Wijziging Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996, 1997 en 1998 Besluiten: Artikel I Wijzigt de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996 en 1997. Artikel II Gemeenten die zich overeenkomstig artikel 5a van de Regeling extra werkgelegenheid langdurig werklozen 1996 en 1997, zoals die regeling luidde tot inwerkingtreding van deze regeling, bereid hebben verklaard de bij die regeling in bijlage V aangegeven aantallen arbeidsplaatsen te realiseren, ontvangen vóór 1 februari 1998 een voorschot van ten minste 75% op de te verstrekken bijdragen. Artikel III Wijzigt de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996, 1997 en 1998. Artikel IV Wijzigt de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996, 1997 en 1998. Artikel V Wijzigt de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996, 1997 en 1998. Artikel VI Wijzigt de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996, 1997 en 1998. Artikel VII 1. Deze regeling treedt met uitzondering van [artikel I, onderdeel D, en onderdeel H, onder 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009241&artikel=I&z=1998-01-01&g=1998-01-01), in werking met ingang van 1 januari 1998. 2. [Artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009241&artikel=I&z=1998-01-01&g=1998-01-01), treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij is geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 1997. 3. [Artikel I, onderdeel H, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009241&artikel=I&z=1998-01-01&g=1998-01-01), treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij is geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 1997. 4. [Artikel I, onderdeel H, onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009241&artikel=I&z=1998-01-01&g=1998-01-01), treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij is geplaatst en werkt terug tot en m"},{"i":16089,"b":"Wijziging Regeling opvang asielzoekers 1993 Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling opvang asielzoekers. Artikel II Wijzigt de Regeling opvang asielzoekers. Artikel III Aan asielzoekers die een bedrag van f 150,- hebben ontvangen op grond van artikel 8, eerste lid, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze regeling, wordt tot drie maanden na het verstrekken van voornoemd bedrag geen toelage op het zakgeld als bedoeld in artikel 8, eerste lid, verstrekt. Artikel IV 1. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006277&artikel=I&z=1994-01-01&g=1994-01-01) van deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 januari 1993. 2. De [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006277&artikel=II&z=1994-01-01&g=1994-01-01) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006277&artikel=III&z=1994-01-01&g=1994-01-01) treden in werking met ingang van 1 januari 1994. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16150,"b":"Wijzigingsregeling Regeling afwikkeling overlopende personeelskosten en afdelingen voor svo/lom dan wel svo/mlk, enz. (vervallen overhevelingstoeslag) Gelet op [artikel IV, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009638&artikel=IV), [artikel V, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009638&artikel=V), en [artikel VIII, vierde lid, van de Wet van 25 mei 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009638&artikel=VIII) (Stb. 1998, 337) en [artikel IX van de Wet van 31 mei 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007420&artikel=IX) (Stb. 1995, 318); Besluit Artikel 1. Wijziging Regeling afwikkeling overlopende personeelskosten scholen en afdelingen voor svo/lom dan wel svo/mlk Wijzigt de Regeling afwikkeling overlopende personeelskosten scholen en afdelingen voor svo/lom dan wel svo/mlk. Artikel 2. Wijziging Regeling afrekening overlopende personeelskosten voortgezet onderwijs 1996 Wijzigt de Regeling afwikkeling overlopende personeelskosten scholen en afdelingen voor svo/lom dan wel svo/mlk. Artikel 3. Overgangsrecht De Regeling afwikkeling overlopende personeelskosten scholen en afdelingen voor svo/lom dan wel svo/mlk en de Regeling afrekening overlopende personeelskosten voortgezet onderwijs 1996 zoals luidend voor 1 januari 2001 blijven van toepassing op beslissingen en geschillen die betrekking hebben op de periode voorafgaand aan die datum. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OCenW-regelingen waarin deze regeling wordt geplaatst. Artikel 5. Bekendmaking Deze regeling zal (met de toelichting) in Uitleg OCenW-regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant."},{"i":16151,"b":"Wijzigingsregeling Regeling Architectuur 2025–2028 (eerste wijziging) gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling Architectuur 2025–2028. Artikel II Op subsidies die voor 1 februari 2026 zijn aangevraagd blijft de [Regeling Architectuur 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050552), zoals die luidde voor inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2026. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16168,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 17 juni 2020, nr. IenW/BSK-2020/106139, tot wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 in verband met een aanpassing van betalingstermijnen Gelet op de [artikelen 132, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132), [132a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132a), [133, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=133), en [134, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=134); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Artikel II Mededelingen bedoeld in [artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130) die zijn ontvangen voor de inwerkingtreding van deze regeling worden afgehandeld overeenkomstig de regels zoals die golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2020. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16177,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 27 april 2009, nr. DDS 15597419, tot wijziging van de Regeling naturalisatietoets Nederland Gelet op [artikel 6 van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=6); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling naturalisatietoets Nederland. Artikel II Deze regeling is van toepassing op verzoeken tot verlening van het Nederlanderschap die na het tijdstip van inwerkingtreding zijn ingediend. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2009. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16181,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 november 2024, kenmerk 5890676, houdende wijziging van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting en van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden in verband met de uitkomsten van de invoeringstoets van de Wet straffen en beschermen Gelet op [artikel 26, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=26); Gezien het advies van de Raad voor de strafrechtstoepassing en jeugdbescherming van 29 oktober 2024, kenmerk 5770013; Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting. Artikel II Wijzigt de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden. Artikel III. Overgangsrecht [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050499&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01) heeft geen gevolgen ten aanzien van beslissingen tot het verlenen van kortdurend re-integratieverlof of langdurend re-integratieverlof die zijn genomen voor 1 januari 2025 en die zien op verlof na 1 januari 2025. De [Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010171) zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze wijziging, blijft in deze gevallen van toepassing. Artikel IV. Inwerkingtredingsbepaling Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2025. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16183,"b":"Regeling tot wijziging van de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden en van de Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden Artikel I Wijzigt de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden. Artikel III [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025607&artikel=I&z=2009-04-05&g=2009-04-05) is niet van toepassing op transacties ter uitvoering van de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling bestaande overeenkomsten. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat de [onderdelen A tot en met C van artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025607&artikel=II&z=2009-04-05&g=2009-04-05) terugwerken tot en met 1 januari 2009. Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=2), [3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=3), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=5), en [8, eerste lid, van de Wet financiering decentrale overheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=8), Besluit: Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16200,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 augustus 2008, nr. UB/A/2008/23285, tot wijziging van de Regeling Wfsv en enkele andere regelingen in verband met vereenvoudiging van de verantwoording en afdracht van de uitvoeringskosten van enkele begrotingsgefinancierde regelingen Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3) en [9 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=9), de [artikelen 121](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=121) en [122 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=122) en de [artikelen 30, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30), en [77 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=77); Besluit: Artikel I. Wijziging van de [Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017646) Wijzigt de Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten. Artikel II. Wijziging van de [Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010997) Wijzigt de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000. Artikel III. Wijziging van de [Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011113) Wijzigt de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers. Artikel IV. Wijziging van de [Tijdelijke regeling brugbanen niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023539) Wijzigt de Tijdelijke regeling brugbanen niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden. Artikel V. Wijziging van de [Regeling Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019150) W"},{"i":16205,"b":"Wijzigingsregeling Tijdelijke regeling invoering Wft Gelet op [artikel 176 van de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020616&artikel=176); Besluit: Artikel I A. Wijzigt de Tijdelijke regeling invoering Wft. B. De [bijlage bij artikel 1:79 van de Wet op het financieel toezicht](onbekend) dient te worden gelezen als bevat deze een verwijzing naar [artikel 5:32, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:32). C. De [bijlage bij artikel 1:80 van de Wet op het financieel toezicht](onbekend) dient te worden gelezen als bevat deze een verwijzing naar [artikel 5:32, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:32). Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16208,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 januari 2016, nr. WJZ / 15167154, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling zeevisserij en de Uitvoeringsregeling visserij in verband met de erkenning van een meet- of zegelbureau Gelet op de artikelen 39 en 40 van [Verordening (EG) nr. 1224/2009](32009R1224) van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van [Verordeningen (EG) nr. 847/96](31996R0847), [(EG) nr. 2371/2002](32002R2371), [(EG) nr. 811/2004](32004R0811), (EG) nr. 768, 2005, [(EG) nr. 2115/2005](32005R2115), [(EG) nr. 2166/2005](32005R2166), (EG) nr. 388 /2006, [(EG) nr. 509/2007](32007R0509), [(EG) nr. 676/2007](32007R0676), [(EG) nr. 1098/2007](32007R1098), [(EG) nr. 1300/2008](32008R1300), [(EG) nr. 1342/2008](32008R1342) en tot intrekking van Verordeningen [(EEG) nr. 2847/93](31993R2847), [(EG) nr. 1627/94](31994R1627) en [(EG) nr. 1966/2006](32006R1966) en op de artikelen 61, 62 en 63 van Uitvoeringsverordening (EU) [nr. 404/2011](32011R0404) van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van [Verordening (EG) nr. 1224/2009](32009R1224) van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003144&artikel=3) en [4 van het Reglement zee- en kustvisserij 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003144&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling visserij. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling zeevisserij. Artikel III De [artikelen I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037575&artikel=I&z=2016-04-01&g=2016-04-01), en [II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037575&artikel=II&z=2016-04-01&g=2016-04-01), zijn tot en met 30 juni 2016 niet van to"},{"i":16211,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 augustus 2022, nummer 4123685, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 in verband met het aanpassen van de doelgroep ontheemden uit Oekraïne, waaraan tijdelijke bescherming wordt verleend (honderdnegenenzeventigste wijziging) Artikel I Wijzigt het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Artikel II Vervallen Artikel III 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. De onderdelen A en B van artikel I werken terug tot en met 4 maart 2022. 3. Onderdeel C van artikel I werkt terug tot en met 19 juli 2022. Gelet op [artikel 3.1a, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.1a); Besluit: Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16214,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 26 mei 2021, nummer 3341012, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdeenenzeventigste wijziging) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat; Gelet op de [artikelen 9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) en [24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24), de [artikelen 1.17, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.17) en [3.42, eerste lid, onderdeel e, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42) en [artikel 1o, eerste lid, onderdeel b, tweede en derde lid, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1o); Besluit: Artikel I Wijzigt het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Artikel II [Artikel 3.20e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.20e) en de daarbij behorende [bijlage 8c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=8c), zoals die luidden op 31 mei 2028, blijven tot en met 31 mei 2029 van toepassing met betrekking tot de vreemdeling die op basis van [artikel 2.7 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046078&artikel=2.7) en [artikel 3.31, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) werkzaamheden verricht. Artikel III 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2021, met uitzondering van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045184&artikel=I&z=2026-05-31&g=2026-05-31), dat in werking treedt met ingang van 1 juli 2021. 2. [Artikel 3.20e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.20e) en de daarbij behorende [bijlage 8c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=8c) vervallen met"},{"i":16228,"b":"Wijzigingsverordening Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen, enz Overwegende dat met deze verordening opvolging wordt gegeven aan de aanbeveling om het toezicht op accountantsorganisaties volledig onder te brengen bij de Autoriteit Financiële Markten; Gelet op de [artikel 19, eerste lid van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Artikel I Wijzigt de Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen. Artikel II Wijzigt de Verordening op de kosten kwaliteitsbeoordelingen. Artikel III 1. [Artikel 3, derde lid, van de Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039808&artikel=3) zoals dat luidde tot inwerkingtreding van deze verordening blijft van toepassing op een toetsing of een hertoetsing waarvoor de datum waarop de toetsing of hertoetsing plaatsvindt is vastgesteld als bedoeld in [artikel 11, eerste lid van de Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039808&artikel=11) voor de inwerkingtreding van deze verordening. 2. Het vijfde lid van [Bijlage 1 bij de Verordening op de kosten kwaliteitsbeoordelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039810&bijlage=1) zoals dat luidde tot inwerkingtreding van deze verordening blijft van toepassing op een toetsing of een hertoetsing waarbij een dossier met betrekking tot een wettelijke controle is beoordeeld. 3. Het derde lid van [Bijlage 2 bij de Verordening op de kosten kwaliteitsbeoordelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039810&bijlage=2) zoals dat luidde tot inwerkingtreding van deze verordening blijft van toepassing op een toetsing of een hertoetsing waarbij een dossier met betrekking tot een wettelijke controle is beoordeeld. Artikel IV Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na publicatie in de Staatscourant."},{"i":16234,"b":"Wet van 7 juli 1994, tot wijziging van de Auteurswet 1912 in verband met de rechtsbescherming van computerprogramma\"s Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's (91/250/EEG, **PbEG** 1991 L 122) noodzakelijk is de [Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886) (**Stb.** 308) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003694&artikel=I&z=1994-09-01&g=1994-09-01) is ook van toepassing op werken als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12°, die vóór 1 januari 1993 zijn vervaardigd, onverminderd vóór dat tijdstip verrichte handelingen en verworven rechten. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16237,"b":"Wet van 31 oktober 2002 tot wijziging van de Beroepswet in verband met het openstellen van hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep tegen uitspraken omtrent besluiten van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de Centrale Raad van Beroep in hoogste instantie oordeelt over beroepen tegen besluiten van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Beroepswet. Artikel II 1. In afwijking van [artikel 28a, aanhef en onderdeel a, van de Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170&artikel=28a) is [onderdeel B.20 van de bijlage bij de Beroepswet](onbekend) ook van toepassing op de mogelijkheid hoger beroep in te stellen tegen een uitspraak die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt. 2. Een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij de Afdeling bestuursrechtspraak aanhangig hoger beroep betreffende een besluit op grond van een reglement als bedoeld in [onderdeel B.20 van de bijlage bij de Beroepswet](onbekend) wordt van rechtswege in de stand waarin het zich bevindt, verwezen naar de Centrale Raad van Beroep. 3. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beroep of hoger beroep is ingesteld terzake van een besluit op grond van een reglement als bedoeld in [onderdeel B.20 van de bijlage bij de Beroepswet](onbekend), blijft ten aanzien van het verschuldigde griffierecht het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Onder toepassing van [artike"},{"i":16239,"b":"Wet van 19 december 1991, houdende herziening van de Comptabiliteitswet 1976 met uitzondering van de bepalingen inzake de Algemene Rekenkamer (vierde wijziging van de Comptabiliteitswet 1976) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075) 1976 te herzien in verband met de invoering van een geïntegreerd verplichtingen-kasstelsel, alsmede in verband met de invoering van in de praktijk gebleken noodzakelijke aanpassingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. De Bedrijvenwet (**Stb.** 1928, 249) en het koninklijk besluit van 14 mei 1930 (**Stb.** 182) worden ingetrokken. 2. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald, dat ten aanzien van eerder aangevangen begrotingsjaren de Bedrijvenwet (**Stb.** 1928, 249) geheel of gedeeltelijk van toepassing blijft. Artikel III 1. Met betrekking tot de jaren voorafgaande aan het begrotingsjaar 1992 zijn de artikelen van de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075) (1976) van toepassing, zoals deze luidden voor inwerkingtreding van deze wet. 2. De goedkeuring door de Algemene Rekenkamer van de rekening van het Rijk over de begrotingsjaren 1988 tot en met 1991 heeft geen betrekking op de verplichtingen, tenzij de Rekenkamer dit over een of meer van bedoelde begrotingsjaren verantwoord acht. 3. De rekeningen van het Rijk over de jaren 1987 tot en met 1991 worden door Onze Minister van Financiën in afwijking van het bepaalde in artikel 86**A**, derde lid (oud), aan de Staten-Generaal overgelegd ter verlening van decharge. Artikel IV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1991. Indien het **Staatsblad** waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na"},{"i":16244,"b":"Wet van 29 mei 2019 tot wijziging van de Crisis- en herstelwet in verband met het versnellen van woningbouw en het faciliteren van duurzame ontwikkeling, zoals het verduurzamen van het energiegebruik Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is enkele wijzigingen aan te brengen in de [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431) om de woningbouw te versnellen en het energiegebruik te verduurzamen en daarmee ook de overgang naar de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) te versoepelen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I - A - I. Wijzigt de Crisis- en herstelwet. - J. De bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gebieden op grond van de [artikelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.2) en [2.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.18) gelden als bij ministeriële regeling aangewezen gebieden. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16253,"b":"Wet van 17 oktober 2018 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2018) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de Autoriteit Financiële Markten gegevens die zij verkrijgt in het kader van haar toezicht op grond van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en die relevant zijn voor het toezicht van de Autoriteit Consument & Markt op grond van de [Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586) aan de ACM kan verstrekken, dat de Autoriteit Financiële Markten ten behoeve van het toezicht op de naleving van bepaalde vakbekwaamheidseisen gegevens kan verkrijgen uit het informatiesysteem inzake beroepskwalificaties, om derdenbeslag op rekeningen die bij De Nederlandsche Bank worden aangehouden ten behoeve van het betalingsverkeer te verbieden, de termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag van een bankvergunning te verruimen, alsmede enige andere wijzigingen en verbeteringen in de wetgeving op het terrein van de financiële markten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES. Artikel IIa Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel V Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving. Artikel VI Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel VII Wijzigt de Wet tuchtrechtspraak accountants. Artikel VIII Wijzigt de Wet bekosti"},{"i":16259,"b":"Wet van 25 augustus 2023 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Algemene wet bestuursrecht en de Faillissementswet in verband met de rechtsbescherming bij de afwikkeling van verzekeraars en enige andere verbeteringen in het kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars (Wijzigingswet herstel en afwikkeling van verzekeraars) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het rechtsbeschermingsregime dat geldt bij de afwikkeling van verzekeraars te stroomlijnen met het bancaire kader en tevens een aantal kleinere verbeteringen in het kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars door te voeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten‑Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Wijzigt de Faillissementswet. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wijzigingswet herstel en afwikkeling van verzekeraars. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16263,"b":"Wet van 9 oktober 2003 tot wijziging van de Kadasterwet en de Organisatiewet Kadaster (aanpassing van doeleinden en taken van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers alsmede enkele andere wijzigingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541) en de [Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463) te wijzigen in verband met de integratie van de Topografische Dienst van het Ministerie van Defensie in de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2), alsmede in verband met enkele noodzakelijk gebleken andere wijzigingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541). Artikel II Wijzigt de [Organisatiewet kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463). Artikel III In de [artikelen IV tot en met VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015705&artikel=IV&z=2004-01-01&g=2004-01-01) wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; - b. Topografische Dienst: Topografische Dienst van het Ministerie van Defensie; - c. Kadaster: Dienst voor het kadaster en de openbare registers als bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2), en - d. bestuur: bestuur als bedoeld in [artikel 3 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=3). Artikel IV 1. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn de personeelsleden van de Topografische Dienst van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister vastgestelde lijst,"},{"i":16265,"b":"Wet van 3 juli 2013 tot wijziging van de Kieswet houdende maatregelen om het eenvoudiger te maken voor Nederlanders in het buitenland om hun stem uit te brengen, wijziging van de wijze van inlevering van de kandidatenlijsten, aanpassing van de datum van kandidaatstelling en stemming, alsmede regeling van andere onderwerpen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen om het eenvoudiger te maken voor Nederlanders in het buitenland om hun stem uit te brengen, de wijze van inlevering van de kandidatenlijsten te wijzigen, de datum van kandidaatstelling en stemming aan te passen, alsmede andere onderwerpen te regelen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kieswet. Artikel II 1. Binnen dertig dagen nadat deze wet in werking is getreden, verstrekken burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de gegevens van het bestand, bedoeld in [artikel D 3a, eerste lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=D_3a), zoals dat lid luidde voordat deze wet in werking treedt, voor zover het de registratie betreft van ingezetenen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties neemt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, op in het bestand, bedoeld in [artikel D 3c, tweede lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=D_3c). Artikel IIa Wijzigt de Wet algemene regels herindeling. Artikel III Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Wijzigt de Reparatiewet BZK 2010. Artikel IVa Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V Wijzigt de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel VI Wijzigt de Gemeentewet"},{"i":16266,"b":"Wet van 25 september 2008 tot wijziging van de Kieswet en enkele andere wetten houdende enkele technische aanpassingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) aan te passen teneinde daarin een aantal technische aanpassingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kieswet. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Vervallen Artikel IV 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. Indien het bij koninklijke boodschap van 20 april 2007 ingediende voorstel van wet tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het vervallen van de bepaling over het uitsluiten van wilsonbekwamen van het kiesrecht (31 012), na tot wet te zijn verheven in werking treedt voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, eindigt de termijn gedurende welke [artikel 54, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=54), naar de tekst van 1983, van kracht blijft, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16267,"b":"Wet van 28 september 2016 tot wijziging van de Kieswet in verband met het vereenvoudigen van de procedure voor registratie als kiezer voor Nederlanders die in het buitenland wonen (permanente kiezersregistratie niet-ingezetenen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is voor Nederlanders die in het buitenland wonen de procedure van registratie als kiezer te vereenvoudigen door een voorziening van permanente registratie te introduceren ter vervanging van de procedure met registraties per verkiezing; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kieswet. Artikel II Wijzigt de Wet raadgevend referendum. Artikel III Wijzigt de Tijdelijke experimentenwet stembiljetten en centrale stemopneming. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V Onze Minister zendt binnen zes jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van een registratie van de kiesgerechtigdheid van personen die hun werkelijke woonplaats buiten Nederland hebben als bedoeld in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039351&artikel=I&z=2017-04-01&g=2017-04-01) van deze wet. Artikel VI Ten behoeve van de registratie van de kiesgerechtigdheid van personen die hun werkelijke woonplaats buiten Nederland hebben, kunnen personen in het eerste jaar na de inwerkingtreding van deze wet eenmalig worden uitgenodigd tot registratie op basis van de gegevens die zijn opgenomen in de bestanden, bedoeld in [artikel D 3c, eerste en tweede lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=D_3c), of bedoeld in artikel D 3c, eerste en tweede lid, van de Kieswet juncto [artikel Y 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Y_2) en [a"},{"i":16277,"b":"Wet van 21 december 1994, houdende wijziging van bepalingen in de Mediawet in verband met een herstructurering van de beheertaken van het Nederlands Omroepproduktie Bedrijf N.V Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) te wijzigen teneinde het in stand houden en exploiteren van een omroeparchief, alsmede het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten, omroepkoren en een muziekbibliotheek, welke taken thans worden uitgevoerd door het Nederlands Omroepproduktie Bedrijf N.V., op te dragen aan door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aan te wijzen instellingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II De aanwijzing van een instelling, bedoeld in [artikel 28, onderdeel **l**, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=28), zal niet eerder plaatsvinden dan met ingang van 1 januari 1996. Totdat deze aanwijzing heeft plaatsgevonden, wordt het Nederlands Omroepproduktie Bedrijf N.V. geacht te zijn aangewezen op grond van [artikel 28, onderdeel **l**, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=28). Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16281,"b":"Wet van 28 april 1994, houdende wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met het versterken van de organisatie van de landelijke publieke omroep en het bieden van langdurige zekerheid aan omroepinstellingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) te wijzigen in verband met het versterken van de organisatie van de landelijke publieke omroep en het bieden van langdurige zekerheid aan omroepinstellingen door middel van de verlening van langjarige concessies en de toewijzing van langjarige zendtijd, waardoor de onderlinge samenwerking en de afstemming van de programma's worden bevorderd, opdat, onder behoud van zowel verscheidenheid als identiteit binnen de landelijke publieke omroep, een programma-aanbod tot stand kan komen dat zich blijvend onderscheidt van het aanbod van commerciële omroepinstellingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. Op de dag voor die waarop [artikel I, onderdelen E tot en met J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006643&artikel=I&z=1995-01-01&g=1995-01-01), van deze wet in werking treedt, doet Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur een notariële akte verlijden, waarbij met ingang van de daarop volgende dag: - a. een duidelijk omschreven deel van het vermogen van de Nederlandse Omroepprogramma Stichting wordt afgescheiden, dat samenhangt met de taak die ingevolge de krachtens deze wet gewijzigde [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) is opgedragen aan de Nederlandse Programma Stichting; - b. door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur de Nederlandse Programma Stichting wordt opgericht me"},{"i":16282,"b":"Wet van 23 maart 2000 tot wijziging van de Mediawet in verband met de invoering van een vernieuwd concessiestelsel voor de landelijke publieke omroep Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) te wijzigen in verband met de invoering van een nieuw concessiestelsel voor de publieke omroep en daartoe regels te stellen met betrekking tot de taakopdracht en organisatie van de publieke omroep; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mediawet. Artikel II Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel III Wijzigt de wet van 13 november 1997 tot wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met een herziening van de organisatiestructuur van de landelijke publieke omroep (Stb. 544). Artikel IIIA Wijzigt de Wet op de naburige rechten. Artikel IV 1. Aan de Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in [artikel 16 van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=16), wordt de concessie, bedoeld in [artikel 30a, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=30a), voor de eerste keer verleend met ingang van 1 september 2000, tenzij in het koninklijk besluit waarbij de concessie wordt verleend een ander tijdstip wordt vastgesteld. 2. Ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde concessieverlening doet de Nederlandse Omroep Stichting een concessiebeleidsplan als bedoeld in [artikel 30b van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=30b), voor een door Onze Minister te bepalen datum toekomen aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat zendt het concessiebeleidsplan met zijn opmerkingen binnen vier weken aan Onze Minister. Artikel V 1. In afwijking van [artikel 32 van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":16284,"b":"Wet van 4 maart 1999 tot wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met de privatisering van het Nederlands Omroepproduktie Bedrijf N.V Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is derden te laten deelnemen in het kapitaal van het Nederlands Omroepproduktie Bedrijf N.V.; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Mediawet. ARTIKEL IA Wijzigt de Telecommunicatiewet. ARTIKEL II Wijzigt deze wet. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. ARTIKEL IV 1. De Stichting tot beheer van de aandelen van de naamloze vennootschap Nederlands Omroepproduktie Bedrijf N.V. houdt van rechtswege op te bestaan met ingang van de dag na de datum van inwerkingtreding van deze wet. Het bestuur doet daarvan opgaaf aan de registers waar de stichting is ingeschreven. 2. Het vermogen van de stichting gaat onder algemene titel over op de Staat. De opbrengst van vervreemding van het vermogen zal, minus een bedrag van € 70 335 933,49, worden toegevoegd aan de algemene omroepreserve, bedoeld in [artikel 170c van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=170c). De rentebaten uit de opbrengst, voor zover zij een bedrag van € 8 168 043,89 per jaar niet te boven gaan, worden jaarlijks aangewend ten behoeve van het verstrekken van subsidies voor cultuuruitingen als bedoeld in de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904). 3. Het laatste boekjaar van de stichting eindigt op de datum waarop de stichting ophoudt te bestaan. 4. Tot verkrijging van aandelen als bedoeld in [artikel 29, derde lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=29) is Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gemachtigd. ARTIKEL V Deze wet treedt in werking met in"},{"i":16288,"b":"Wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de onteigeningswet (herziening administratieve onteigeningsprocedure voor uitvoering van werken en enige andere doeleinden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de regeling van de procedure in de onteigeningswet met betrekking tot de totstandkoming van het besluit tot onteigening, in het bijzonder ten behoeve van infrastructurele werken, te herzien met het oog op het bereiken van een doelmatiger en daarmee sneller verloop van die procedure; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de onteigeningswet. ARTIKEL II 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. De voorbereiding van de beslissing tot onteigening, met betrekking waartoe voor de in het eerste lid bedoelde datum een of meer commissies als bedoeld in [artikel 10 van de onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&artikel=10) zijn benoemd, geschiedt met toepassing van het voor die datum geldende recht. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16292,"b":"Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van de Postwet 2009 tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienstverlening (modernisering UPD) Artikel I Wijzigt de Postwet 2009. Artikel II Na inwerkingtreding van deze wet berust de op de [artikelen 22, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=22), [23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=23), [25, eerste, tweede, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=25), en [27 van de Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=27) gebaseerde ministeriële regeling op de artikelen 22, derde lid, 23, tweede lid, 25, eerste, vierde en vijfde lid, en 27, tweede lid, van de Postwet 2009 zoals die luiden na inwerkingtreding van deze wet. Artikel III De regels voor de doorberekening van kosten van de Autoriteit Consument en Markt, zoals die in de [Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755), [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440), [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691), [Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572) en [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) luidden op 31 juli 2014, zijn van toepassing voor de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 december 2014. Artikel IIIa Wijzigt de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt. Artikel IV 1. De [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036678&artikel=I&z=2017-01-01&g=2017-01-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036678&artikel=II&z=2017-01-01&g=2017-01-01) van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met uitzondering van artikel I, onderdeel 0A, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2017. 2. [Artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036678&artikel=III&z=20"},{"i":16300,"b":"Wet van 20 oktober 2005 tot wijziging van de Tracéwet (tweede tranche) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147) te wijzigen in verband met ervaringen die zijn opgedaan bij de toepassing ervan, in het bijzonder teneinde de procedures ten behoeve van de wijziging van hoofdwegen, landelijke spoorwegen en hoofdvaarwegen te bespoedigen en verder te vereenvoudigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Tracéwet. Artikel II De [artikelen 7 tot en met 11, eerste lid, van de Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&artikel=7), zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing met betrekking tot projecten waarvan de trajectnota vóór de inwerkingtreding van deze wet ter inzage is gelegd. Artikel III Deze wet blijft buiten toepassing ten aanzien van een project tot wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, dat onder het recht zoals het gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet onder het toepassingsbereik van de wet viel en ter realisatie waarvan vóór de inwerkingtreding van deze wet reeds een ontwerp-besluit ter inzage is gelegd. Artikel IV Wijzigt de Spoedwet wegverbreding. Artikel V Wijzigt de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Artikel VI Wijzigt de Wet geluidhinder. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16303,"b":"Wet van 17 juli 2024 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met aanscherping van het openbare ordebeleid voor criminele vreemdelingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de huidige wettelijke uitzondering dat de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd door criminele vreemdelingen die in Nederland zijn geboren of voor hun vierde levensjaar naar Nederland zijn gekomen, enkel mogelijk is vanwege drugsdelicten, op te heffen met het oog op bescherming van de openbare orde; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel Ia Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk, in samenhang met de in [artikel 21, eerste lid, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) genoemde afwijzingsgronden voor andere groepen criminele vreemdelingen. Artikel II [Artikel 21, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), gedaan voor de inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoerin"},{"i":16308,"b":"Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de mogelijkheden voor het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen uit te breiden in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de wenselijkheid van gehele of gedeeltelijke voortdurende werking van deze wet aan de beide kamers der Staten-Generaal. Artikel III De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16310,"b":"Wet van 23 december 1993, tot wijziging van de Vreemdelingenwet en van het Wetboek van Strafrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Vreemdelingenwet te wijzigen met het oog op het toenemend aantal verzoeken om toelating hier te lande alsmede in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) voorzieningen te treffen tegen handelingen die het verblijf van niet toegelaten vreemdelingen hier te lande begunstigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Saten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. Deze wet is niet van toepassing op zaken als bedoeld in artikel 40 van de Vreemdelingenwet zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van deze wet, waarin vóór het moment van inwerkingtreding van deze wet het in dat artikel bedoelde verzoek is gedaan. 3. Artikel I, eerste en tweede lid, van onderdeel 6 van de Wet van 16 december 1993, **Stb.** 650, houdende wijziging van de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830), de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), de [Wet op de Raad van State](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367), de [Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170), de [Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947) 1929 en andere wetten alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie) is niet van toepassing op beschikkingen, gegeven op grond van de Vree"},{"i":16314,"b":"Wet van 13 mei 1991, houdende procedurele bepalingen met betrekking tot wijziging van de gemeentelijke of provinciale indeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet algemene regelen gemeentelijke indeling aan te vullen met procedurele bepalingen ter zake van wijziging van de gemeentelijke of provinciale indeling alsmede met een bepaling ter zake van belastingverordeningen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. De [hoofdstukken II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&hoofdstuk=II) en [III van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&hoofdstuk=III) zijn niet van toepassing op wijzigingen van de gemeentelijke indeling en daarmee samenhangende wijzigingen van de provinciale indeling waarvan de voorbereiding op grond van de [artikelen 157](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=157) tot en met [166**a** van de Gemeentewet](onbekend) is aangevangen vóór de dag waarop deze wet in werking treedt. Ten aanzien van die wijzigingen blijven de op de dag vóór die van inwerkingtreding van deze wet geldende wettelijke bepalingen van kracht. 2. Ten aanzien van wijzigingen van de gemeentelijke indeling als bedoeld in het eerste lid is [hoofdstuk IV van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&hoofdstuk=IV) van toepassing, met dien verstande dat artikel 22 van toepassing is op besluiten van het betrokken gemeentebestuur die zijn genomen op of na de dag waarop het wetsvoorstel tot wijziging van de gemeentelijke indeling is ingediend bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal of een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur overeenkoms"},{"i":16319,"b":"Wijzigingswet Wet bevordering eigenwoningbezit (afschaffing van de correctie verzamelinkomen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet bevordering eigenwoningbezit te wijzigen teneinde te komen tot een afschaffing van de correctie op het verzamelinkomen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bevordering eigenwoningbezit. Artikel II Voorzover de peildatum, bedoeld in [artikel 1, onderdeel o, van de Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=1), is gelegen voor 1 juli 2006, wordt: - a. [artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=3), zoals dat komt te luiden na de inwerkingtreding van deze wet, als volgt gelezen: a. bij een primaire toekenning: het gezamenlijk inkomen over het peiljaar van degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner, en. - b. voor de toepassing van [artikel 3, derde lid, onderdeel a, en vierde lid, van de Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=3), zoals dat komt te luiden na de inwerkingtreding van deze wet, onder het verzamelinkomen verstaan: het gecorrigeerde verzamelinkomen, bedoeld in [artikel 1a, eerste lid, van de Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=1a), zoals dat artikel laatstelijk luidde vóór de inwerkingtreding van deze wet; - c. voor de toepassing van [artikel 3, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, van de Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=3), zoals dat komt te luiden na de inwerkingtreding van deze wet, onder het belastbare loon verstaan: het gecorrigeerde belastbare loon, bedoeld in ["},{"i":16320,"b":"Wet van 21 december 2006 tot wijziging van de Wet bevordering eigenwoningbezit (verruiming en vereenvoudiging van de werking van de Wet bevordering eigenwoningbezit) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919) te wijzigen teneinde de mogelijkheid tot het gebruik maken van deze wet te vergroten en de uitvoering daarvan te vereenvoudigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bevordering eigenwoningbezit. Artikel II 1. Indien op voet van de [Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919), zoals zij laatstelijk vóór de inwerkingtreding van deze wet luidde, een eigenwoningbijdrage voor een driejaarstijdvak of een bijzondere bijdrage ter tegemoetkoming in de kosten van het in eigendom verkrijgen van een woning voor een tijdvak van ten hoogste zes maanden in de zin van [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919) is toegekend, worden daaropvolgende eigenwoningbijdragen als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=6), en bijzondere bijdragen als bedoeld in [artikel 34, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=34) op aanvraag aan de betrokken eigenaar-bewoner in de zin van [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919) toegekend op de wijze als in [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919) voorzien indien aan [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919) en de daarop berustende bepalingen wordt voldaan. 2. Voor de toepassing van het eerste lid worden bij ministeriële regeling, met ingang van 1 juli 2007 en vervolgens jaarlijks met ingang van 1 juli, overeenkomstig"},{"i":16323,"b":"Wet van 13 juli 2002 tot wijziging van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (voorwaardelijke machtiging en observatiemachtiging) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat uit evaluatie van de [Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700) is gebleken dat er behoefte bestaat aan een wettelijke mogelijkheid patiënten buiten de inrichting te behandelen ter afwending van gevaar dat zonder behandeling slechts in een inrichting kan worden afgewend; Overwegende voorts, dat het wenselijk is een mogelijkheid te scheppen voor een observatiemachtiging; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Artikel II Wijzigt deze wet. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Wijzigt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Artikel V Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VI Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt in overeenstemming met Onze Minister van Justitie twee jaar na de inwerkingtreding van [paragraaf 1b van hoofdstuk II van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&paragraaf=1b) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van [deze paragraaf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&paragraaf=1b) in de praktijk. Artikel VII Tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders wordt bepaald, vervallen van de [Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700) een jaar na het uitbrengen van het in [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013892&artikel=VI&z=2007-01-01&g=2007-01-01) bedoelde verslag: - a. [§ 1b van hoofdst"},{"i":16328,"b":"Wet van 24 juni 1992, tot wijziging van de Wet geluidhinder Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de goede werking van de [Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227) wenselijk is een aantal knelpunten daaruit weg te nemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Vervallen Artikel III Verklaringen die op grond van [artikel 74, tweede lid, onderdeel **a**, van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=74) (**Stb.** 1979, 99) zijn afgegeven, blijven nog twee jaren na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005568&artikel=I&z=1994-01-01&g=1994-01-01) AA van kracht. Artikel IV De tekst van de [Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227) wordt door Onze Minister van Justitie in het **Staatsblad** geplaatst. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16332,"b":"Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden ter uitvoering van Verordening (EU) Nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen dat het noodzakelijk is ter uitvoering van Verordening (EU) Nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PbEU, L 167), wijzigingen aan te brengen in de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III De [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063), zoals deze luidde vóór 1 september 2013, blijft van toepassing op economische delicten als bedoeld in [artikel 1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1a) van de genoemde wet, die overtredingen zijn van de voorschriften, gesteld bij of krachtens de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) zoals die luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van 1 september 2013. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 augustus 2013, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 september 2013. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad z"},{"i":16333,"b":"Wet van 22 mei 2003 tot wijziging van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst in verband met de Kaderwet dienstplicht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de invoering van de [Kaderwet dienstplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008589) wenselijk is enige daarmee samenhangende wijzigingen in de [Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386) aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet gewetensbezwaren militaire dienst. Artikel II Degene aan wie op grond van [artikel 15, eerste lid, onderdelen b en d, van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386&artikel=15) zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet een voorgoed verleende vrijstelling is verleend, wordt overeenkomstig de [Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386) zoals deze ingevolge deze wet komt te luiden, aangemerkt als erkend gewetensbezwaarde in het genot van een voorgoed verleende ontheffing. Artikel III Degene die de gewone vervangende dienst heeft vervuld wordt na inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als erkende gewetensbezwaarde die de vervangende dienst in gewone omstandigheden heeft vervuld. Artikel IV 1. De tekst van de [Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386) wordt in het Staatsblad geplaatst. 2. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister van Defensie de nummering van de artikelen opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsbla"},{"i":16336,"b":"Wet van 21 december 1995, tot wijziging van de Wet Infrastructuurfonds en de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (herziening van de voeding van het Infrastructuurfonds) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met het begrotingsbeleid wenselijk is de voeding van het Infrastructuurfonds te herzien en daartoe de [Wet Infrastructuurfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006001) en de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Onze Minister van Financiën zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de gevolgen van het in [artikel 31 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=31) bedoelde nihiltarief voor motorrijtuigen die zijn ingericht en bestemd om hoofdzakelijk te worden aangedreven door een elektromotor. Artikel IV Voor een motorrijtuig waarvoor vóór 1 januari 1996 infrastructuurtoeslag is voldaan over een tijdvak dat geheel of gedeeltelijk valt na 31 december 1995, wordt de infrastructuurtoeslag die kan worden toegerekend aan een tijdvak of gedeelte daarvan dat valt na 31 december 1995, geacht motorrijtuigenbelasting te zijn. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1996. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16338,"b":"Wet van 29 april 2010 tot aanpassing van de Wet investeren in jongeren en enkele andere wetten ter verduidelijking en verbetering van enige punten Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet investeren in jongeren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026054) en enkele andere wetten enkele wijzigingen van wetstechnische aard aan te brengen dan wel deze op een aantal punten te verduidelijken en te verbeteren; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet investeren in jongeren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026054) Wijzigt de Wet investeren in jongeren. Artikel II. Wijziging van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel III. Wijziging van de [Wet participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039) Wijzigt de Wet participatiebudget. Artikel IV. Wijziging van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V. Wijziging van de [Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170) Wijzigt de Beroepswet. Artikel VI. Wijziging van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) Wijzigt de Wet inburgering. Artikel VII. Eenmalige aanpassing normen en percentage Vervallen Artikel VIII. [Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet investeren in jongeren. Artikel VIIIa. Wijziging van de [Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Artikel VIIIb. Wijziging van de [Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid"},{"i":16345,"b":"Wet van 13 december 2001, houdende wijziging van de Wet melding ongebruikelijke transacties en de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993 met het oog op het verplichtstellen van de identificatieplicht en van de meldingsplicht van ongebruikelijke transacties door handelaren in zaken van grote waarde Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het, gelet op de toegenomen signalen dat de handel in zaken van grote waarde wordt misbruikt voor het witwassen van geld, waardoor de integriteit van het financiële stelsel wordt geschaad, wenselijk is om de handelaren in zaken van grote waarde onder de werking van de [Wet melding ongebruikelijke transacties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006331) en de [Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006330) te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet melding ongebruikelijke transacties. Artikel II Wijzigt de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993. Artikel III Onze Minister van Financiën zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet worden, in afwijking van het bepaalde in [artikel 8, eerste lid, van de Wet melding ongebruikelijke transacties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006331&artikel=8), door Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Justitie gezamenlijk, zo nodig per daarbij te onderscheiden categorieën transacties, voor een termijn van ten hoogste zes maanden, de indicatoren vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie in zaken van grote waarde moet"},{"i":16351,"b":"Wet van 31 augustus 2020, houdende voorstel van wet van de leden Kwint en Westerveld tot wijziging van diverse onderwijswetten teneinde te verbieden dat leerlingen van ouders die geen vrijwillige geldelijke bijdrage hebben voldaan worden buitengesloten van activiteiten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is diverse onderwijswetten te wijzigen teneinde te verbieden dat leerlingen van ouders die geen vrijwillige geldelijke bijdrage hebben voldaan worden buitengesloten van activiteiten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel II Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel III Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel IV Wijzigt de Wet primair onderwijs BES. Artikel V Wijzigt de Wet voortgezet onderwijs BES. Artikel VI Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16355,"b":"Wet van 2 december 1993, tot wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met het organiseren van de instantloterij Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) een regeling te treffen voor het organiseren van een instantloterij; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Binnen twee jaren nadat deze wet in werking is getreden zenden Onze Ministers van Justitie, van Welzijn, Volksgezondhei en Cultuur en van Financiën een rapport aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, betreffende de werking van deze wet en de op basis daarvan verleende vergunning. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16361,"b":"Wet van 1 juli 1999, houdende wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375) aan te passen aan de uitkomsten van de evaluatie en voorts op enige andere punten te repareren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Artikel II Wijzigt de Woningwet. Artikel III Wijzigt de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing. Artikel IV Wijzigt de onteigeningswet. Artikel V Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VI 1. Ten aanzien van het nemen van besluiten op een aanvraag om: - a. vrijstelling ingevolge [artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=19), - b. aanlegvergunning, - c. bouwvergunning of - d. een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in [artikel 77, eerste lid, onder 2°, van de onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&artikel=77), die is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing tot het tijdstip waarop het betrokken besluit onherroepelijk is geworden. 2. Ten aanzien van ambtshalve te nemen besluiten krachtens de [Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375) waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. 3. Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen ingevolge [artikel 2a, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=2a), [4a, zevende lid](https://wetten.o"},{"i":16365,"b":"Wet van 28 maart 1996, houdende wijziging van onder meer de Wet op de studiefinanciering en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de invoering van de prestatiebeurs, de vorm van de toelage en de leeftijd waarop aanspraak op studiefinanciering in het hoger onderwijs ontstaat Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om ter uitvoering van het Regeerakkoord het stelsel van studievoortgangscontrole in het hoger onderwijs te vervangen door een stelsel van prestatiebeurs; dat het tevens wenselijk is de leeftijdsgrens van 18 jaar voor aanspraken op studiefinanciering in het hoger onderwijs te laten vervallen; dat in verband daarmee wijziging van onder meer de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) en de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) nodig is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de studiefinanciering. Artikel II Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Vervallen Artikel IV Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, enz. (aanpassing collegegeldbepalingen). Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V Vervallen Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIII Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IX Wijzigt de Wet tegemoetkoming studiekosten. Artikel X Wijzigt deze wet. Artikel XI Vervallen Artikel XII Vervallen Artikel XIII Vervallen Artikel XIV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1996, met dien verstande dat de bepalingen, genoemd in lid 1**a** tot en met het zevende lid"},{"i":16366,"b":"Wet van 29 mei 1991, houdende wijziging van de Wet op de studiefinanciering ertoe strekkend om degenen die, toen zij 27 jaar werden, aanspraak hadden op studiefinanciering, de gelegenheid te geven hun reeds begonnen studie af te maken met studiefinanciering in de vorm van rentedragende lening (heroriëntering studiefinanciering II) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met dekking van de meeruitgaven ter zake van de uitvoering van die wet, wenselijk is in de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) (**Stb.** 1988, 336) de leeftijdsgrens waarop aanspraak kan worden gemaakt op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van die wet te verlagen tot 27 jaar, waarna de studie kan worden afgerond met studiefinanciering in de vorm van een rentedragende lening, voor zover overigens nog recht op studiefinanciering bestaat; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Degene die over de kalendermaand voorafgaande aan 1 augustus 1991 op grond van [hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955&hoofdstuk=II) recht had op studiefinanciering wegens het volgen van een studie, valt, totdat hij na het bereiken van de leeftijd van 27 jaren die studie voltooit dan wel staakt, onder de bepalingen van [hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955&hoofdstuk=II) zoals die golden voor die datum, zolang hij nog steeds diezelfde studie volgt. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op studerenden die in de kalendermaand, voorafgaande aan 1 augustus 1991, op grond van artikel 10, derde lid, niet als studerende werden beschouwd, dan wel op studerenden die in de kalendermaand,"},{"i":16368,"b":"Wet van 1 juli 1999, houdende wijziging van de Wet op de studiefinanciering in verband met het onder de prestatiebeurs brengen van de reisvoorziening Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de reisvoorziening voor studerenden in het hoger onderwijs onder de werking van de prestatiebeurs te brengen; dat daartoe de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de studiefinanciering. Artikel II 1. [Artikel I, onderdelen A en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010575&artikel=I&z=2000-09-01&g=2000-09-01), geldt niet voor de studerenden die vóór 1 september 1999 voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontvingen op grond van de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955). 2. Met betrekking tot het studiejaar 1999–2000 wordt in afwijking van [artikel 31c, eerste lid, van de Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955&artikel=31c), de reisvoorziening niet verstrekt in de vorm van een voorwaardelijke rentedragende lening. Artikel III 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 september 1999. 2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel I, onderdelen C, F en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010575&artikel=I&z=2000-09-01&g=2000-09-01), in werking met ingang van 1 september 2000. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16369,"b":"Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van de Wet op de vaste boekenprijs in verband met de evaluatie van die wet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om naar aanleiding van de evaluatie van de [Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452) die wet aan te passen op de korting die verkopers van boeken of muziekuitgaven mogen toepassen, op het schrappen van de vaste prijs voor uit het buitenland geïmporteerde muziekuitgaven, om ontduiking van de wet door buitenlandse verkopers te voorkomen en met enkele technische wijzigingen om zo de werking van de wet te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vaste boekenprijs. Artikel II Vaste prijzen voor in het buitenland uitgegeven muziekuitgaven die door importeurs zijn vastgesteld op grond van [artikel 3 van de Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=3) zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van deze wet, vervallen met ingang van de datum waarop deze wet in werking treedt. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16370,"b":"Wet van 7 november 1991, tot wijziging van de Wet op de weerkorpsen ter zake van de particuliere beveiligingsorganisaties Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet op de weerkorpsen aan te vullen met bepalingen inzake de particuliere beveiligingsorganisaties, waardoor de regelingen met betrekking tot deze organisaties doeltreffender kunnen worden gehandhaafd en met enkele andere bepalingen ([Wet op de weerkorpsen en de particuliere beveiligingsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001980)); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. Op toelatingen die zijn verleend ingevolge artikel 18 van het Besluit van 2 juli 1938, **Stb.** 247, houdende bepalingen tot uitvoering van de Wet op de weerkorpsen, is deze wet vanaf het moment van haar inwerkingtreding van toepassing. 2. Toelatingen als bedoeld in het eerste lid blijven een jaar na inwerkingtreding van deze wet van kracht, behoudens eerdere intrekking ingevolge artikel 10. 3. Op aanvragen tot het verlenen van een vergunning, gedaan voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, doch waarop de vergunning voor dat tijdstip niet is verleend, is deze wet vanaf het moment van haar inwerkingtreding van toepassing. 4. Op particuliere beveiligingsorganisaties die zijn opgericht door een persoon en waarvoor geen toelating is verleend, is deze wet vanaf een jaar vanaf het moment van haar inwerkingtreding van toepassing. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en am"},{"i":16379,"b":"Wet van 21 juni 2012 tot wijziging van de Wet ruimtelijke ordening en enige andere wetten (voorzien in een wettelijke grondslag voor provinciaal medebewind en voor de mogelijkheid tot afwijking van algemene regels) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor het vorderen van medebewind van de provinciebesturen voor de behartiging van nationale ruimtelijke belangen, alsmede voor het voorzien in de mogelijkheid tot afwijking van bij algemene maatregel van bestuur of provinciale verordening gestelde regels, wenselijk is de [Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449) en enige andere wetten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening. Artikel II [vervallen] Artikel III Wijzigt de Crisis- en herstelwet. Artikel IV Een besluit van gedeputeerde staten waarbij toestemming is verleend tot afwijking van een provinciale verordening als bedoeld in [artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=4.1), dat is vastgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031750&artikel=I&z=2014-11-01&g=2014-11-01), van deze wet, wordt gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in [artikel 4.1a, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=4.1a). Artikel IVa Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening en deze wet. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige"},{"i":16389,"b":"Wet van 19 december 2003 tot wijziging van de wijze van aanpassing van de kinderbijslag, de wet van 22 december 1994 tot nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 957) en de Algemene Kinderbijslagwet in verband met andere wijze van aanpassing kinderbijslagbedragen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de kinderbijslagbedragen in de kalenderjaren 2004 en 2005 aan te passen overeenkomstig de herziening van het wettelijk minimumloon in de kalenderjaren 2004 en 2005 en de bijzondere verhogingen van de kinderbijslag voor het eerste kind af te schaffen; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Artikel I 1. In de kalenderjaren 2004 en 2005 worden in afwijking van [artikel 13, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13) de bedragen, genoemd in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=12), herzien conform de herziening van het minimumloon in het kalenderjaar 2004 onderscheidenlijk het kalenderjaar 2005 met toepassing van [artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=14). 2. In afwijking van [artikel IV, zesde lid, van de Wet van 22 december 1994 tot nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007157&artikel=IV) (Stb. 957) worden de in dat lid bedoelde rangordebedragen in de kalenderjaren 2004 en 2005 herzien overeenkomstig het eerste lid. 3. Voor de eerstvolgende toepassing van [artikel 13, tweede lid, van de Algeme"},{"i":16391,"b":"Wet van 25 oktober 2021 tot wijziging van het voorstel van wet van de leden Snels en Sneller houdende regels over de toegankelijkheid van informatie van publiek belang (Wet open overheid) (Wijzigingswet Woo) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) aan te passen teneinde tot een beter uitvoerbare wet te komen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet open overheid. Artikel II De tekst van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754), zoals deze komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet, wordt in het Staatsblad geplaatst. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wijzigingswet Woo. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16397,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 22 november 2021, nr. 2763712, houdende toestemming tot het verstrekken van bepaalde politiegegevens en strafvorderlijke gegevens aan de Belastingdienst met het oog op de heffing en invordering van belastingen alsmede rechten bij invoer en rechten bij uitvoer Overwegende: Dat ingevolge [artikel 7, vierde lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7), de ambtenaar van de politie bevoegd is een in te sluiten persoon aan zijn kleding te onderzoeken op voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert; Dat ingevolge [artikel 28, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=28), de ambtenaar van de politie voor de duur van de insluiting voorwerpen van waarde, waaronder contant geld, in bewaring kan nemen die tijdens de insluiting een gevaar voor de ingeslotene of voor anderen kunnen vormen; Dat deze voorwerpen, als geen strafrechtelijke inbeslagneming volgt, na de invrijheidsstelling worden teruggegeven aan de betrokken persoon; Dat ingevolge de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=94) en [94a van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=94a) voorwerpen, waaronder contant geld, in beslag genomen kunnen worden ten behoeve van de in die artikelen beschreven doelen; Dat indien het belang van de strafvordering niet meer aanwezig is, het beslag wordt beëindigd en deze voorwerpen worden teruggegeven, in beginsel aan degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen; Dat het vanuit het oogpunt van een effectieve handhaving van wetten en regels van belang is dat de vorderingen van overheidsinstellingen op natuurlijke en rechtspersonen worden voldaan en dat het uit dien hoofde onwenselijk is dat in bewaring of in beslag genomen voorwerpen door de politie en het openbaar minister"},{"i":16404,"b":"Aanpassing bedragen in Besluit woninggebonden subsidies 1995, Besluit locatiegebonden subsidies en Besluit beheer sociale-huursector Aan: De Colleges van Burgemeester en Wethouders / De Colleges van Gedeputeerde Staten / De dagelijkse besturen van een budgetbeherend samenwerkingsverband Geacht college, geacht bestuur, In het [Besluit woninggebonden subsidies 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) zijn onder andere de categorie woningen in de sociale-bouwsector en de categorie middeldure woningen opgenomen. Voor deze categorieën geldt thans dat de geraamde kosten voor het in eigendom verkrijgen daarvan niet hoger zijn dan f 186.000,-, respectievelijk wel hoger zijn dan f 186.000,-. In het [Besluit locatiegebonden subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425) zijn de categorie woningen in de sociale-bouwsector en de categorie woningen in de marktsector opgenomen. Voor deze categorieën geldt thans dat de geraamde kosten voor het in eigendom verkrijgen niet hoger zijn dan f 186.000,-, respectievelijk wel hoger zijn dan f 186.000,-. In het [Besluit beheer sociale-huursector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686) is sprake van het bouwen van woningen met een gemiddeld stichtingskostenniveau van f 265.000,- door of vanwege één of meer toegelaten instellingen of door of vanwege met haar verbonden rechtspersonen. Gelet op de prijsontwikkeling van het bouwen van woningen is het wenselijk om met ingang van 1 januari 2001 de verschillende bedragen te wijzigen van f 186.000,- in f 192.000,- en van f 265.000,- in f 274.000,-. Bij ministeriële regeling worden de bedragen in de genoemde besluiten aangepast. Een afschrift van deze regeling is bij deze circulaire gevoegd. Ik verzoek de gemeentebesturen om de in hun gemeente werkzame toegelaten instellingen en overige belanghebbenden te informeren over de inhoud van deze circulaire. De genoemde ministeriële regeling wordt in de Staatscourant gepubliceerd. Bijlage Niet opgenomen"},{"i":16409,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2005, nr. DWJZ-U-2643765, houdende aanpassing van regelingen in verband met de invoering van de Zorgverzekeringswet (Aanpassingsregeling Zorgverzekeringswet) Handelende in overeenstemming met de minister van Justitie, de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister van Financiën, de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, artikel 45, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=45), de [Wet voorzieningen gehandicapten, de artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006169&artikel=2), [5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006169&artikel=5), en[6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006169&artikel=6), de [Wet op de jeugdzorg, de artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637&artikel=22) en [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637&artikel=23), de [Kaderwet volksgezondheidssubsidies, de artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5), het [Besluit zorgaanspraken AWBZ, de artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=2), [13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=13), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=17)en [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=18), de[Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de artikelen 10, derde lid, onderdelen a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=10), de[Wet tarieven gezondheidszorg, artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=3), he"},{"i":16411,"b":"Aanvullend Accoord ter uitvoering van het Verdrag, ondertekend op 7 november 1949, betreffende sociale en medische bijstand verleend door de landen welke Partij zijn bij het Verdrag van Brussel De Regeringen van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland; Partij zijnde bij het Verdrag van Brussel, ondertekend op 17 Maart 1948; Het wenselijk oordelende uitvoering te geven aan Artikel 9 van het Verdrag betreffende sociale en medische bijstand, ondertekend te Parijs op 7 November 1949 (hierna genoemd „het Verdrag”); Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen Artikel 19 Vervallen In witness whereof the undersigned, duly authorised by their respective Governments, have signed the present Agreement. Done at Brussels, this 17th day of April, 1950, in English and French, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Secretariat-General of the Brussels Treaty Permanent Commission and of which a certified copy shall be transmitted by the Secretary-General to each of the signatory Governments."},{"i":16415,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 november 2012, MC-U-3142052, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake bekostiging epilepsiezorg Overwegende dat de functiegerichte budgettering voor instellingen voor medisch specialistische zorg en de bekostiging op basis van begrotingsfinanciering van audiologische centra is beëindigd en dat daarbij een tijdelijke uitzondering is gemaakt voor de longastmacentra en epilepsie-inrichtingen totdat een voldoende stabiele product en tariefstructuur beschikbaar is; Overwegende dat de invoering van prestatiebekostiging en een stabiele product- en tariefstructuur essentieel is voor een stelsel waarin zorgaanbieders en zorgverzekeraars met elkaar onderhandelen over kwaliteit, prijs en volume, selectieve contractering door zorgverzekeraars toeneemt en aanbieders daadwerkelijk worden afgerekend op geleverde prestaties; Overwegende dat met de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, de Nederlandse Federatie van Universitair medische centra, de Orde van Medisch Specialisten, de Nederlandse Vereniging voor Neurologie, Zorgverzekeraars Nederland en de beide betrokken epilepsiecentra mede in het licht van beperkte macrobudgettair beschikbare middelen de vormgeving van een zorgvuldig overgangstraject is besproken; Overwegende dat het experiment ten behoeve van de ontwikkeling van een stabiele product- en tariefstructuur voor epilepsiezorg is geslaagd en derhalve bij de twee betrokken epilepsiecentra kan worden beëindigd; Overwegende dat er geen reden meer is voor de tijdelijke uitzondering omdat een voldoende stabiele product- en tariefstructuur beschikbaar is; Gelet op [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) en [59 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59); Gezien de brief van de Nederlandse Zorgautoriteit van 16 augustus 2012, kenmerk EGES/djon/TDZ 11704, aan de minister van Volksgezondhei"},{"i":16418,"b":"Aanwijzing elektronische verzendwijzen Salland Zorgkantoor Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Bijlage:** - de bij dit besluit behorende bijlage inzake verzendwijzen - b. **Officieel bericht:** - een bericht als bedoeld in[artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) - c. **PGB Portaal:** - de online omgeving waar budgethouders van een persoonsgebonden budget (pgb), vertegenwoordigers en zorgverleners snel, makkelijk, overzichtelijk en veilig hun pgb-administratie regelen. Het portaal is te benaderen via de website [www.mijnpgb.nl](http://www.mijnpgb.nl/). - d. **VECOZO notitieverkeer** - Het VECOZO notitieverkeer is een beveiligde manier om informatie uit te wisselen over zorgvragen van cliënten met een Wlz-indicatie. Het notitieverkeer kan gebruikt worden voor contact tussen het zorgkantoor en Wlz-zorgaanbieders. - e. **iWlz** - iWlz is een systematiek van elektronisch berichtenverkeer waarmee de cliënt in alle fasen van de zorgketen kan worden gevolgd. Het elektronisch berichtenverkeer vindt plaats op basis van landelijk vastgestelde berichtenstandaarden en kan gebruikt worden door zorgaanbieders en het zorgkantoor. - f. **Wetgeving:** - de Algemene verordening gegevensbescherming, de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), de [Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014), het [Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948), de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)en de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) en de bij of krachtens voornoemde wetten geldende regelgeving. Artikel 2. Verzendwijzen Een officieel bericht, verband houdende met de voor Salland Zorgkan"},{"i":16420,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 26 oktober 2020, kenmerk 1766434-212847-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de invoering van een facultatieve prestatie met een vrij tarief in de medisch specialistische zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 3 juli 2020 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2019/20, 29 248, nr. 322) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen om een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit over het invoeren van een facultatieve prestatie in de medisch specialistische zorg; Besluit: Artikel 1. Definities - **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - **vrij tarief:** tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - **prestatie:** prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Artikel 2. Werkingssfeer 1. Deze aanwijzing is van toepassing op geneeskundige zorg zoals medisch-specialisten die plegen te bieden, als omschreven bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), voor zover tarief- en prestatieregulering als bedoeld in de [artikelen 50 tot en met 56 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) van toepassing is op deze zorg. 2. Deze aanwijzing is van toepassing op mondzorg z"},{"i":16427,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2014, met kenmerk 656766-125175-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de afkoop verplichtingen Rijk die verband houden met de overgangsregeling kapitaallasten in relatie tot de curatieve jeugd-ggz Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 10 juni 2014 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2013/14, 25 424, nr. 247); Besluit: Artikel 1. eenmalige verrekening overgangsregeling kapitaallasten De Nederlandse Zorgautoriteit stelt in 2014 overeenkomstig de overgangsregeling als bedoeld in de aanwijzing inzake technische vormgeving verrekening overgangsregeling kapitaallasten tweedelijns curatieve ggz, voor zover deze ziet op zorg verleend aan jeugdigen tot 18 jaar, één bedrag vast voor de jaren 2015 tot en met 2017, dat dient voor een eenmalige verrekening. Artikel 2. berekeningsmethodiek 1. Het bedrag voor de eenmalige verrekening wordt bepaald op basis van de som van het aandeel van het kapitaallastenbudget in een jaar (2015: 50%, 2016: 30%, 2017: 15%) en het aandeel van de omzet normatieve huisvestingscomponent in een jaar (2015: 50%, 2016: 70% en 2017: 85%) minus de omzet normatieve huisvestingscomponent in de betreffende jaren. 2. De omzet normatieve huisvestingscomponent wordt bepaald op basis van de volumes uit een door de Nederlands Zorgautoriteit te bepalen peiljaar rekening houdend met de afspraken over ambulantisering van het Bestuurlijk Akkoord Toekomst GGZ 2013–2014. De Nederlandse Zorgautoriteit baseert het kapitaallastenbudget op hetzelfde peiljaar. Artikel 3. beschikbaarheidbijdrage Indien de berekening als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":16433,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 26 juni 2018, kenmerk 1355023-177350-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2019 en verder Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 17 april 2018 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II, 2017–2018, 29 282, nr. 307); Besluit: Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op activiteiten, ten behoeve van het beschikbaar hebben van zorg als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2), en [onderdeel B, onder 1, sub a en b, van de bijlage bij dat besluit](onbekend). Artikel 2. verstrekken beschikbaarheidbijdrage De Nederlandse Zorgautoriteit verstrekt jaarlijks beschikbaarheidbijdragen op basis van de verdeelplannen en opleidingsoverzichten die gelden in het desbetreffende jaar vanaf 2019 voor activiteiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041116&artikel=1&z=2018-09-01&g=2018-09-01) door daartoe erkende zorgaanbieders, op vergelijkbare wijze als omschreven in de [Aanwijzing beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032024) (Stcrt. 2012, 20041). Zij neemt bij de berekening van de beschikbaarheidbijdragen de bedragen genoemd onder [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041116&artikel=3&z=2018-09-01&g=2018-09-01) als uitgangspunt. Artikel 3. hoogte bedragen per fte in 2019 en verder (prijspeil 2017) | Vervolgopleiding | Academische ziekenhuizen | Algemene ziekenhuizen | Algemene ziekenhuizen | Algemene ziekenhuizen | | --- | --- | --- | --- | --- | | Anesth"},{"i":16439,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 11 december 2014, 692617-129795-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de beschikbaarheidbijdrage curatieve geestelijke gezondheidszorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 10 september 2014 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2013/14, 30 957, nr. 466); Besluit: Artikel 1 De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet erin dat met ingang van 1 januari 2015: - 1. het transitieregime curatieve geestelijke gezondheidszorg voor gespecialiseerde instellingen, bedoeld in de aanwijzing van 11 juli 2012 inzake [invoering prestatiebekostiging geneeskundige geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031811) (Stcrt. 2012, 15569) wordt verlengd met dien verstande dat: - a. de transitiebedragen voor 2015 en 2016 worden vastgesteld op basis van het transitiebedrag 2013 plus indexeringen; - b. het transitiebedrag per aanbieder naar rato wordt gecorrigeerd voor de overheveling van zorg naar de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) per 1 januari 2015 op basis van de nacalculatiecijfers 2013; - c. Het gecorrigeerde transitiebedrag stapsgewijs wordt afgebouwd waarbij. - i. in 2015 de verrekenfactor wordt teruggebracht van 0,95 naar 0,7; - ii. in 2016 de verrekenfactor wordt teruggebracht van 0,7 naar 0,3; - iii. in 2017 geen verrekenbedrag meer wordt toegekend. - 2. In afwijking op het bepaalde in lid 1 aanhef en onder c sub i geldt: - a. de verlaging van de verrekenfactor niet voor het deel van het transitiebedrag dat verband houdt met de ontoereikende verdiscontering van afwezigheid voor het tarief voor de diagnose behandelcombinatie voor verblijfsdagen."},{"i":16440,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 18 mei 2022, 3366568-1028982-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de aanwijzing voor het verschijnen ter zitting en zorg tijdens onvrijwillige opname op grond van de Wet Zorg en Dwang Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 1 april 2022 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2021/2022, 35 370, nr. 9) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **minister:** Minister voor Langdurige Zorg en Sport; - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **Wzd:** [Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632) - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op: - –. Het verschijnen ter zitting bij de rechter ten behoeve van het opleggen of verlengen van onvrijwillige opname op grond van de [Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632): zorg als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet. - –. Zorg tijdens onvrijwillige opname op grond van de [Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632): medisch noodzakelijk verblijf in verband met (generalistische) geneeskundige zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12) (Bzv) tijdens onvrijwillige opname op grond van de Wzd. Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen en tarieven De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing"},{"i":16446,"b":"Aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, 696543-13073-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake korting beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2015 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 22 oktober 2014 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2014/15, 32 864, nr. 3) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over de inzet van het instrument beschikbaarheidbijdrage bij de curatieve somatische zorg, waaronder academische zorg; Gezien de inbreng van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het verslag van een schriftelijk overleg inzake de brief van 22 oktober 2014 inzake de voorhang verlaging beschikbaarheidbijdrage academische zorg (Kamerstuk 32 864, nr. 3); Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **advies:** advies van de zorgautoriteit aan de minister van 20 juli 2012 inzake kapitaallasten universitair medische centra, kenmerk TURS/djon/TSZ/9039; - e. **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - f. **bijlage:** [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](onbekend); - g. **academische zorg:** zorg als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 2, van de [bijlage](onbekend); - h. **dienst van algemeen belang:** dienst van algemeen belang als bedoeld in Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de E"},{"i":16447,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 4 juni 2021, kenmerk 2369290-1009887-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de medische verklaring onder de Wet zorg en dwang Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 23 april 2021 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2020/21, 35 370, nr. 7) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **Medische verklaring:** medische verklaring als bedoeld in de [Wet zorg en dwang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632). - –. **Wet zorg en dwang:** [Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen en tarieven De Zorgautoriteit stelt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021 een prestatiebeschrijving met een maximumtarief vast voor het opstellen van een medische verklaring. Artikel 4. Financieel kader en macrobeheersbaarheid Vanaf 1 januari 2022 is het macrobeheersinstrument voor eerstelijnsverblijf, geriatrische revalidatiezorg en geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen1Stcrt. 2016, 36919 van toepassing op de uitgaven voor de medische verklaring. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing met de toelichting in de Staatscourant."},{"i":16451,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 juni 2010, nr. CZ-U-3001512, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake overgangsregeling kapitaallasten algemene en academische ziekenhuizen Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 19 januari 2010 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal, aangevuld bij brief van 1 april 2010 (Kamerstukken II 2009/10, 29 248, nr. 109, respectievelijk Kamerstukken I 2009/10, 29 248, F); Gezien het verslag van een schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport/Jeugd en Gezin van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 13 april 2010 inzake de voorhang overgangsregeling kapitaallasten (Kamerstukken I 2009/10, 29 248, G); Gelet op de korte aantekening van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport/Jeugd en Gezin van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 18 mei 2010 inzake de voorhang overgangsregeling kapitaallasten; En Na 19 januari 2010 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan Tweede Kamer der Staten-Generaal, aangevuld bij brieven van 16 maart 2010 en 1 april 2010 (Kamerstukken II, 2009/10, 29 248, nrs. 109, 113 respectievelijk 114); Gezien het verslag van een algemeen overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 7 april 2010 inzake de voorhang overgangsregeling kapitaallasten (Kamerstukken II 2009/10, 29 248, 119); Gelet op de besluitenlijsten van procedurevergaderingen van 8 en 21 april 2010 van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; Besluit: Artikel 1 1. Deze aanwijzing is van toepassing op zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (ZVW) welke wordt geleverd door de categorie instellingen voor medisch"},{"i":16452,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 oktober 2023, kenmerk 3696063-1053658-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de prestatie impactvolle transformaties Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 26 juni 2023 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2022/23, 31 765, nr. 792) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen om een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit inzake de vaststelling van de prestatiebeschrijving impactvolle transformaties; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **Aanwijzing inzake de prestatie impactvolle transformaties:** Aanwijzing van 9 oktober 2023, 3696063-1053658-PZo, inzake de prestatie impactvolle transformaties; - –. **Aanwijzing inzake de prestatie impactvolle transformaties binnen de Wlz:** [Aanwijzing van 13 augustus 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050154), 3871925-1068062-PZo, inzake de prestatie impactvolle transformaties binnen de Wet langdurige zorg; - –. **AZWA:** Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord; - –. **beoordelingskader:** Beoordelingskader Impactvolle zorgtransformaties en inzet transformatiemiddelen. Bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 31 765, nr. 704; - –. **IZA:** Integraal Zorgakkoord; - –. **overig ventiel:** het gaat hier om (het deel van) de kosten van de impactvolle transformaties die niet via zorgverzekeraars of zorgkantoren worden gefinancierd; - –. **ventiel:** het gaat hier om (het deel van) de kosten van de impactvolle transformaties die niet via de zorgverzekeraars worden gefinancierd, maar op een andere manier worden gealloceerd; - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020"},{"i":16456,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 maart 2013, MC-U-3156528, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake technische vormgeving verrekening overgangsregeling kapitaallasten tweedelijns curatieve ggz Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 29 november 2012 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2012/13, 25 424, nr. 192) als bedoeld in artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg; Gezien het verslag van 12 februari 2013 van een schriftelijk overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (CZ- CZ-3149600); Besluit: Artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet er met ingang van 2013 in dat de bedragen die zij vaststelt op basis van de overgangsregeling als bedoeld in [artikel 7 van de Aanwijzing inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030282&artikel=7) van 12 juli 2011 (Stcrt. 2011, 13319), zoals gewijzigd in de Aanwijzing houdende wijziging van de aanwijzing inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ van 8 augustus 2011 (Stcrt. 2011, 16189), voor huisvestingskosten ten behoeve van het verlenen van zorg als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, sub b, van die aanwijzing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030282&artikel=2), worden verrekend via een beschikbaarheidbijdrage dan wel een afdracht aan het Zorgverzekeringsfonds. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing met de toelichting in de Staatscourant."},{"i":16457,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juni 2022, kenmerk 1030460-3378059-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de vaststelling van integrale prestatiebeschrijvingen voor de geboortezorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 21 maart 2022 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken I** 2021–22, 32 279, C en **Kamerstukken II** 2021–21, 32 279, nr. 221) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gezien de inbreng op 31 maart 2022 van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het verslag van een schriftelijk overleg (**Kamerstukken II** 2021–21, 32 279, nr. 222) en het Tweeminutendebat Passende bekostiging integrale geboortezorg op 24 mei 2022 en de stemming over de motie (**Kamerstukken II** 2021–21, 32 279, nr. 224) op 31 mei 2022. Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - −. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - −. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geboortezorg. Deze zorg omvat: - a. geneeskundige zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), hierbij gaat het om: - −. obstetrische zorg met uitzondering van high care obstetrische zorg, geavanceerd ultrageluid onderzoek en niet invasieve prenatale test (NIPT) voor hoog-risico zwangeren; - −. antenatale consultatieve kindergeneeskundige zorg; - −. eerstelijnsdiagnostiek voor zover die samenhangt met de zorgvraag van de cliënt en - −. verloskundige"},{"i":16460,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 19 november 2013, 168229-112943-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake verlenging beschikbaarheidbijdrage en bijzonder transitiemodel GGZ Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), Na op 27 september 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2012/13, 25 424 nr. 231) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8), Besluit: Artikel 1. Verlenging transitiemodel De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet erin het transitieregime curatieve geestelijke gezondheidszorg voor gespecialiseerde instellingen, bedoeld in de [aanwijzing van 11 juli 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031811) inzake invoering prestatiebekostiging geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (Stcrt. 2012, 15569), te verlengen tot en met 31 december 2014, waarbij geldt dat het verrekenbedrag 2014 wordt vastgesteld op basis van het verrekenbedrag uit 2013 plus een indexering. Artikel 2. Verlenging beschikbaarheidbijdrage De Nederlandse Zorgautoriteit draagt er zorg voor de beschikbaarheidbijdrage voor gespecialiseerde psychotraumazorg aan specifieke doelgroepen en zorg aan Joodse oorlogsslachtoffers, bedoeld in de [aanwijzing van 11 juli 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031811) inzake invoering prestatiebekostiging geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, op overeenkomstige wijze in 2014 toe te kennen. Hierbij geldt dat de hoogte van de beschikbaarheidbijdrage gelijk is aan 2013 plus een indexering. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":16463,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 6 juli 2020, kenmerk 1713658-207569-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de wijziging van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Gezien de wijziging van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG van 24 april 2020 (Stb.2020, 131); Na op 3 juni 2020 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II 2019-2020,****31 765, nr 493**) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - –. **bijlage:** [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](onbekend); - –. **medische vervolgopleiding tot verslavingsarts:** activiteiten, ten behoeve van het beschikbaar hebben van zorg als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2), en onderdeel B, onderdeel 1, subonderdeel a onder 4, van de [bijlage bij het Besluit](onbekend); - –. **uitname:** chirurgische werkzaamheden vanaf de eerste incisie tot en met het transporteren van weefsel; - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op: - –. opleidingen als bedoeld in onderdeel B, onderdeel 1, subonderdeel a, onder 4 van de [bijlage](onbekend); - –. post mortem uitname bij donoren als bedoeld in onderdeel B, onderdeel 3 van de [bijlage](onbekend); - –. zorg door mobiel"},{"i":16473,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 25 januari 2021, kenmerk 1811415-216967-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de invoering van een systeemfunctie voor organisatie en beschikbaarheid van onplanbare avond-, nacht- en weekendzorg en een bekostigingsexperiment met cliëntprofielen in de wijkverpleging Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 13 oktober 2020 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2020/21, 23 235, nr. 213) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen om een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit over het invoeren van een systeemfunctie voor organisatie en beschikbaarheid van onplanbare avond-, nacht- en weekendzorg in de wijkverpleging en het invoeren van een experiment voor bekostiging op basis van cliëntprofielen in de wijkverpleging; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **wijkverpleging:** verpleging en verzorging zoals omschreven in [artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10); - –. **systeemfunctie:** prestatiebeschrijving gericht op het stimuleren van samenwerking en coördinatie van zorg zoals het inrichten en onderhouden van een netwerk, infrastructuur en organisatie in de wijkverpleging om de zorglevering heen. Het betreft geen individueel geleverde zorg; - –. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op wijkverpleging. Artikel 3. Prestatiebeschri"},{"i":16480,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 september 2021, kenmerk 3253869-1015137-PZo, inzake wijziging beschikbaarheidbijdrage coördinatie ROAZ en traumazorg en opleiden, trainen en oefenen bij rampen en crises in verband met de wijziging van het Besluit Beschikbaarheidbijdrage Wmg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 21 juni 2021 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken 29 247, nr. 333) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **beschikbaarheidbijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - –. **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - –. **Bijlage:** [bijlage, behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](onbekend); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de beschikbaarheidbijdrage voor de coördinatie van acute zorg als bedoeld in [onderdeel B, onder 5, van de Bijlage](onbekend). Artikel 3. Opdrachtverlening 1. De zorgautoriteit verleent met ingang van 1 januari 2022 een beschikbaarheidbijdrage en stelt deze vast voor de coördinatie regionaal overleg acute zorgketen en de coördinatie traumazorg, bedoeld in [onderdeel B, aanhef en onder 5, sub a, van de Bijlage](onbekend) zoals dit luidt met ingang van 1 januari 2022. 2. De zorgautoriteit verleent met ingang van 1 januari 2022 een beschikbaarheidbijdrage en stelt deze vast voor het opleiden, trainen en oefen"},{"i":16494,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 september 2013, 149009 – 109741-MC, houdende tijdelijke verdaging toepassing macrobeheersmodel medisch specialistische zorg 2012 Gelet op [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) en [59 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59); Na in de brief van 25 april 2013, schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) inzake het voornemen de Nederlandse Zorgautoriteit een aanwijzing te geven over de verplaatsing van de afrekening van het jaar 2012 van het macrobeheersmodel bij instellingen voor medisch specialistische zorg (Kamerstukken II 2012/13, 32 620, nr. 83); Gezien het verslag van het schriftelijk overleg over het voornemen de zorgautoriteit een aanwijzing te geven over de verplaatsing van de afrekening van het jaar 2012 van het macrobeheersmodel bij instellingen voor medisch specialistische zorg (Kamerstukken II 2012/13, 32 620, nr. 90); Besluit: Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit; - c. **Aanwijzing macrobeheersmodel:** [Aanwijzing macrobeheersmodel instellingen voor medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884); - d. **mbi-omzetplafond:** mbi-omzetplafond vastgesteld op basis van [artikel 4, eerste lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=4). Artikel 2 De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing regels of beleidsregels vast. Artikel 3 In afwijking van [artikel 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=5), en [artikel 6, tweede lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel](https://"},{"i":16499,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 juni 2023, kenmerk 3610431-1048165-PZo, inzake de uitbreiding van de beschikbaarheidbijdrage acute zorg met de functies inzicht in capaciteit en patiëntenspreiding Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 9 mei 2023 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken 2022/2023, 29 247, nr. 388) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **Acute zorg:** zorg als bedoeld in [onderdeel B, aanhef en onder 5, sub a, van de Bijlage](onbekend); - –. **beschikbaarheidbijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - –. **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - –. **Bijlage:** [bijlage](onbekend) behorende bij de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2) en [4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=4); - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de beschikbaarheidbijdrage Acute zorg. Artikel 3. Opdracht 1. Gelet op de uitbreiding, van [onderdeel B, onder 5, sub a, van de Bijlage](onbekend), met de functies van inzicht in capaciteit en patiëntenspreiding. 2. Verleent de zorgautoriteit een beschikbaarheidbijdrage en stelt deze vast voor de Acute zorg; 3. De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing beleidsregels en regels vast. Deze treden"},{"i":16509,"b":"Besluit van 31 augustus 2020 houdende aanwijzing van 's-Hertogenbosch als nevenzittingsplaats van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 29 juni 2020, kenmerk 1712094-207496-WJZ; Gelet op de [artikelen 53, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=53), en [94 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=94); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 juli 2020, no. W13.20.0211/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 17 augustus 2020, kenmerk 1712080-207496-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Tuchtrechtbesluit BIG. Artikel II De inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044068&artikel=I&z=2021-04-01&g=2021-04-01), brengt geen wijziging in de bevoegdheid van de tuchtcolleges te Amsterdam en Den Haag ten aanzien van zaken die reeds voor de inwerkingtreding van dat onderdeel bij die tuchtcolleges aanhangig waren. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16510,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 december 2014, kenmerk 700430-130986-WJZ, houdende aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, en artikel 9.4, eerste lid, van de Jeugdwet en artikel 4.3.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Aanwijzingsbesluit toezichthoudende ambtenaren Jeugdwet en Wmo 2015) Gelet op de [artikelen 9.2, eerste lid en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=9.2), [9.4, eerste lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=9.4) en [4.3.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.3.1); Besluiten: Artikel 1 Met het toezicht, bedoeld in [artikel 9.2, eerste lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=9.2), zijn belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie. Artikel 2 Met het toezicht, bedoeld in [artikel 9.4, eerste lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=9.4), zijn belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie. Artikel 3 Met het toezicht, bedoeld in [artikel 4.3.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.3.1), zijn belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Artikel 4 Indien een organisatie als bedoeld in [artikel 9.2, zesde lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=9.2) een systeem van tuchtrecht heeft georganiseerd, zijn de met toezicht belaste ambtenaren, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036015&artikel=1&z=2018-08-01&g=2018-08-01), bevoegd in het kader van dat systeem een tuchtklacht in te dienen. Artikel 5 Dit besluit treedt in we"},{"i":16511,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 26 juni 2024, nr. 5551271, houdende aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren bij de Inspectie Justitie en Veiligheid (Aanwijzingsbesluit toezichthoudende ambtenaren Wet forensische zorg) Gelet op [artikel 3.5, eerste lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=3.5); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving, zoals bedoeld in [artikel 3.5, eerste lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=3.5), zijn belast de ambtenaren werkzaam bij de Inspectie Justitie en Veiligheid. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 oktober 2023. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit toezichthoudende ambtenaren Wet forensische zorg. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16513,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake kortingen-1995 in verband met produktiviteitsverbetering bij vrije beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg en de Minister van Economische Zaken,en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (advies van 25 november 1994, kenmerk HV/th/VI/94/352, vastgesteld in de vergadering van 21 november 1994); Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 30 november 1994, kenmerk VMP/O-943591). Besluiten: Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) wijzigt voor de prestaties van de personen, die in [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007114&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05), nummer 32, onder B, de nummers 1 t/m 9, en in artikel 2a en 2b van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, de richtlijnen zodanig dat per 1 januari 1995 de normatieve werkbelasting met 1,05% wordt verhoogd. Artikel 2 In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van de onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg, bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16514,"b":"Aanwijzingsregeling ombuigingsbijdrage zorgaanbieders Gelet op artikel 13, eerste lid, van de Wet tarieven gezondheidszorg; Gehoord het College tarieven gezondheidszorg (brief van 23 mei 2003, kenmerk Ba/mt/A/03/062), vastgesteld in de vergadering van 19 mei 2003; Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brieven van 4 juni 2003, kenmerk Z/P-2385676); Besluit: Artikel 1 Het College tarieven gezondheidszorg (CTG) stelt voor de organen voor gezondheidszorg genoemd in artikel 1, onder A 1 tot en met 29b, 30 tot en met 33, B, D en in artikel 2 van het Besluit werkingssfeer Wet tarieven gezondheidszorg 1992, zodanige beleidsregels vast, dat dit resulteert in budget- ofwel tariefverlagingen van 1,6% in de tweede helft van 2003 en voor de jaren daarna budget- ofwel tariefverlagingen van 0,8%. De beleidsregel dient in te gaan op 1 juli 2003. De maatregel wordt toegepast op de budgetten, lumpsums en tarieven, met uitzondering van: - de vergoedingen voor kapitaallasten, voor zover deze vergoedingen geen directe relatie hebben met de productieomvang; - de in 2003 daadwerkelijk vrij overeengekomen DBC-tarieven in het kader van de beleidsregels I-603 en I-604. Artikel 2 In de in het eerste artikel bedoelde beleidsregels ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het CTG bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin ze wordt geplaatst. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16517,"b":"ACM Beleidsregel over afspraken in het kader van de beweging ‘De juiste zorg op de juiste plek’ 1. Inleiding De juiste zorg op de juiste plek 2. Het kartelverbod Wanneer geldt het kartelverbod niet? Self-assessment 3. Reikwijdte van deze beleidsregel 4. Vijf voorwaarden Voorwaarde 1. De afspraken zijn gebaseerd op een feitelijk en openbaar regiobeeld Voorwaarde 2. Zorgaanbieders, zorginkopers en patiënten(vertegenwoordigers) zijn volwaardig betrokken Volwaardige betrokkenheid Instellingoverstijgende regionale kijk op het patiëntenbelang Voorwaarde 3. De doelstellingen zijn concreet, meetbaar, toetsbaar en beschreven in termen van kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg Concrete doelstellingen Voorwaarde 4. Onderbouwd is dat de afspraken niet verder gaan dan noodzakelijk voor het bereiken van die doelstellingen Mededingingsbeperkende afspraken gaan niet verder dan noodzakelijk Toetreding tot de markt en uitbreiding van activiteiten Voorwaarde 5. De doelstellingen, de afspraken en de onderbouwing van de noodzakelijkheid daarvan worden openbaar gemaakt Publieke verantwoording 5. Klachten en signalen Vragen over de toepassing van de beleidsregel in concrete gevallen"},{"i":16520,"b":"Administratief Accoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 8 juli 1950 tussen Nederland en het Groothertogdom Luxemburg gesloten Algemeen Verdrag inzake de sociale zekerheid Voor de toepassing van artikel 21 van het op 8 Juli 1950 tussen Nederland en het Groothertogdom Luxemburg gesloten Algemeen Verdrag hebben de hoogste administratieve Nederlandse en Luxemburgse autoriteiten, vertegenwoordigd door: **van Nederlandse zijde:** de Heer J. G. Suurhoff, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid; **van Luxemburgse zijde:** de Heer N. Biever, Minister van Arbeid, Sociale Zekerheid en de Mijnen; in gemeen overleg de navolgende regels vastgesteld met betrekking tot de wijze van toepassing van dat Verdrag. TITEL I. Uitvoering van artikel 3 van het Algemeen Verdrag Artikel 1 Wanneer loonarbeiders en met dezen gelijkgestelden, die in een ander land dan dat, waar zij gewoonlijk verblijf houden, werkzaam zijn, krachtens het bepaalde bij artikel 3, tweede lid, onder **a**, van het Algemeen Verdrag onderworpen blijven aan de wettelijke regelingen van het land waar zij gewoonlijk werkzaam zijn, zijn de volgende bepalingen van toepassing: - 1. De werkgever en de belanghebbenden regelen alle zaken met betrekking tot premiebetaling en uitkeringen rechtstreeks met de bevoegde Luxemburgse organen, wanneer het land waar zij gewoonlijk werkzaam zijn het Groothertogdom Luxemburg is, en met de bevoegde Nederlandse organen, wanneer het land waar zij gewoonlijk werkzaam zijn Nederland is. - 2. Het Ministerie van Arbeid en Sociale Zekerheid reikt voor het Groothertogdom en de bevoegde verzekeringsorganen reiken voor Nederland aan ieder van de belanghebbenden een bewijs uit, dat de betrokkene onderworpen blijft aan de wetgeving inzake de sociale zekerheid van dat land. Dat bewijs moet door de vertegenwoordiger van de werkgever in het andere land, indien er een zodanige vertegenwoordiger is, of anders door de arbeider zelf, worden getoond, in het Groothertogdom aan het Min"},{"i":16521,"b":"Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 11 mei 1977 te Belgrado ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië Ter uitvoering van de artikelen 17, tweede lid, 35, eerste lid, en 36 van het op 11 mei 1977 te Belgrado ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (hierna aangeduid met de term „Verdrag”), hebben de bevoegde Nederlandse en Joegoslavische autoriteiten, te weten: de Nederlandse Minister van Sociale Zaken en de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en de President van het Federaal Comité van Arbeid en Werkgelegenheid, in naam van het Federaal Comité van Arbeid en Werkgelegenheid, in gemeen overleg de volgende bepalingen vastgesteld: TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Akkoord hebben de in artikel 1 van het Verdrag omschreven termen de hun in genoemd artikel toegekende betekenis. Artikel 2 Voor de toepassing van dit Akkoord worden als verbindingsorganen aangewezen: - 1. van Nederlandse zijde: - a). voor de verstrekkingen in geval van ziekte en moederschap: de Ziekenfondsraad te Amstelveen; - b). voor de ouderdoms- en overlevingspensioenen, alsmede voor de kinderbijslagen: de Sociale Verzekeringsbank te Amsterdam; - c). in alle overige gevallen: het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam; - 2. van Joegoslavische zijde: - a). voor de prestaties in geval van ziekte en moederschap: de Vereniging van ziekteverzekeringsorganen van Joegoslavië; - b). voor de prestaties bij ouderdom, overlijden, invaliditeit en werkloosheid: de Vereniging van organen van de pensioen- en invaliditeitsverzekering van Joegoslavië; - c). voor de kinderbijslagen: de gemeenschappelijke dienst van de Vereniging van ziekteverzekeringsorganen van Joegoslavië en de Vereniging van organen van de pensioen- en invaliditeitsver"},{"i":16524,"b":"Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 19 juli 1979 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Portugal ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid Ter uitvoering van de artikelen 17, tweede lid, 31, derde lid, 36, eerste lid, en 37 van het op 19 juli 1979 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Portugal inzake sociale zekerheid (hierna aangeduid met de term „Verdrag”), hebben de bevoegde Nederlandse en Portugese autoriteiten in gemeen overleg de volgende bepalingen vastgesteld: TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Akkoord hebben de in artikel 1 van het Verdrag omschreven termen de hun in genoemd artikel toegekende betekenis. Artikel 2 Voor de toepassing van dit Akkoord worden als verbindingsorganen aangewezen: - 1. van Nederlandse zijde: - a). voor de verstrekkingen in geval van ziekte en moederschap: de Ziekenfondsraad te Amstelveen; - b). voor de ouderdoms- en overlevingspensioenen, alsmede voor de kinderbijslagen: de Sociale Verzekeringsbank te Amsterdam; - c). in alle overige gevallen: het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam; - 2. van Portugese zijde: de „Caixa Central de Segurança Social dos Trabalhadores Migrantes” (Centrale Kas voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers) te Lissabon. Artikel 3 1. In het in artikel 8, letter a) i), van het Verdrag bedoelde geval reikt de hierna genoemde instelling van het land, waarvan de wetgeving van toepassing blijft, de werknemer op verzoek een detacheringsbewijs uit waarin wordt verklaard dat op hem de wetgeving van dit land van toepassing blijft. 2. Dit bewijsstuk wordt opgemaakt: - -. in Nederland: door de Sociale Verzekeringsraad te 's-Gravenhage; - -. in Portugal: door de voorzorgs- en kinderbijslagenkas waarbij de werknemer verplicht is aangesloten. 3. Wanneer verscheidene werknemers tegelijkertijd naar het andere land worden uitgezonden, tenein"},{"i":16531,"b":"Akkoord inzake de verzekering voor geneeskundige verzorging, ter uitvoering van het op 29 augustus 1947 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen Nederland en België betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering De ondergetekenden: De Nederlandse Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne enerzijds, De Belgische Minister van Sociale Voorzorg anderzijds, zijn ter uitvoering van de artikelen 12 en 16, eerste lid, van het 29 augustus 1947 te 's-Gravenhage tussen Nederland en België ondertekende Verdrag betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering, mede gelet op de Europese Interimovereenkomst betreffende de sociale zekerheid met uitsluiting van de regelingen betreffende ouderdom, invaliditeit en overlijden, het navolgende overeengekomen: Artikel 1 Op de werknemers en gepensioneerden en hun gezinsleden die rechten op verstrekkingen verwerven bij toepassing van het Verdrag van 29 augustus 1947 tussen Nederland en België betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering worden voor zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze toegepast: - 1. de bepalingen inzake verstrekkingen van Verordening (E.E.G.) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen en loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van Verordening (E.E.G.) nr. 574/72; - 2. het Akkoord van 24 december 1980 inzake de verzekering voor geneeskundige verzorging. Artikel 2 1. Dit Akkoord treedt in werking op het ogenblik van de ondertekening met terugwerkende kracht tot 1 januari 1981. 2. Dit Akkoord wordt gesloten voor de duur van één jaar en wordt van jaar tot jaar stilzwijgend verlengd, behoudens opzegging, waarvan drie maanden vóór het verstrijken van de termijn kennis moet worden gegeven. GEDAAN in tweevoud te Leidschendam en Brussel op 6 april 1981 in de Neder"},{"i":16533,"b":"Akkoord tussen de Nederlandse Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Belgische Minister van Sociale Voorzorg inzake ziekengeld-, moederschaps- en invaliditeitsverzekering De ondergetekenden: enerzijds de Nederlandse Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en anderzijds de Belgische Minister van Sociale Voorzorg, Verlangende de verschillende regelingen ter verwezenlijking van de aanspraken op ziekengeld, moederschapsuitkering en invaliditeitsuitkering welke in de betrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België voortvloeien uit Verordening nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, dan wel uit het op 29 augustus 1947 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag tussen Nederland en België betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering, te ordenen in een gecoördineerd Akkoord, Gelet op de artikelen 18, lid 9, 26, lid 7, 105, lid 2 en 120, lid 1 van Verordening nr. 574/72, Gehoord het advies van de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers, Zijn overeengekomen als volgt: TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Akkoord wordt verstaan onder: - a. bevoegd orgaan: de voor België en voor Nederland blijkens bijlage 2 van Verordening (EEG) nr. 574/72 aangewezen organen voor ziekengeld- en invaliditeitsverzekering; - b. orgaan van de woon- of verblijfplaats: de voor België en Nederland blijkens bijlage 3 van Verordening (EEG) nr. 574/72 aangewezen organen voor ziekengeld- en invaliditeitsverzekering; - c. RIZIV: het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering te Brussel; - d. GAK: het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam; - e. districtskantoor: districtskantoor van het GAK; - f. bedrijfsvereniging: bedrijfsvereniging waarbij de werkgever van de verzekerde is aangesloten; - g. BBZ: Stichting Bureau voor Belgische Zaken, de sociale verzekering betreffende te Breda; - h. ziekengeld: - -. voor België: de ui"},{"i":16534,"b":"Akkoord tussen de Nederlandse Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en de Belgische Minister van Sociale Voorzorg inzake de verzekering voor geneeskundige verzorging De ondergetekenden: De Nederlandse Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne enerzijds, De Belgische Minister van Sociale Voorzorg anderzijds, Verlangende de verschillende regelingen te ordenen, welke tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België getroffen zijn ter verwezenlijking van het recht op verstrekkingen in natura bij ziekte en moederschap, dat voortvloeit uit Verordening (E.E.G.) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen; Gelet op de artikelen 20 en 36, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de artikelen 17, lid 9, 93, lid 6, 94, lid 6, 95, lid 6, 99, 102, lid 5 en 120, lid 1 van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, Gehoord het advies van de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers, Zijn overeengekomen als volgt: TITEL I. **Algemene bepalingen** Artikel 1 Voor de toepassing van dit Akkoord wordt verstaan onder: - a). Verordening: de Verordening (E.E.G.) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. - b). Toepassingsverordening: de Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de Verordening. - c). Bevoegd orgaan: de voor België en Nederland blijkens bijlage 2 van de Toepassingsverordening terzake van verstrekkingen aangewezen organen voor ziekte en moederschap. - d). Bevoegde staat: de staat op het grondgebied waarvan"},{"i":16535,"b":"Algemeen Administratief Accoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek inzake sociale verzekering, op 28 October 1952 te 's-Gravenhage ondertekend Voor de toepassing van artikel 21, eerste lid, van artikel 29, tweede lid, en van de artikelen 31 en 36 van het Algemeen Verdrag inzake sociale verzekering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek, ondertekend te 's-Gravenhage op 28 October 1952 (hierna genoemd „het Verdrag”) hebben de hoogste Nederlandse en Italiaanse administratieve autoriteiten, vertegenwoordigd door: **Van Nederlandse zijde:** de Heer J. G. Suurhoff, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, **Van Italiaanse zijde:** de Heer Ezio Vigorelli, Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg, in gemeen overleg de navolgende regelen vastgesteld met betrekking tot de wijze van toepassing van dat Verdrag. TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Accoord wordt verstaan: **Van Italiaanse zijde:** - a). onder **„I.N.A.M.”:** Istituto nazionale per l'assicurazione contro le malattie; - b). onder **„I.N.P.S.”:** Istituto nazionale della previdenza sociale; - c). onder **„I.N.A.I.L.”:** Istituto nazionale per l'assicurazione contro gli infortuni sul lavoro; **Van Nederlandse zijde:** - a). onder **„G.A.K.”:** het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam; - b). onder **„Z.F.R.”:** de Ziekenfondsraad te Amsterdam; - c). onder **„R.v.A.”:** de bevoegde Raad van Arbeid; - d). onder **„R.V.B.”:** de Rijksverzekeringsbank te Amsterdam. Artikel 2 De Technische Commissie, bedoeld in artikel 36 van het Verdrag, bestaat uit leden van elk der beide landen, aangewezen, van Italiaanse zijde, door de Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg en, van Nederlandse zijde, door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. De Commissie komt bijeen zo dikwijls dit nodig is, hetzij in Italië, hetzij in Nederland, onder voorzitterschap"},{"i":16536,"b":"Besluit van 23 december 2010 tot vaststelling van een inkomensbesluit voor de volksverzekeringen en de sociale voorzieningen (Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 sepember 2010, nr. IVV/I/2010/18284; Gelet op de [artikelen 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=10), en [20 van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=20), [12a van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=12a), [8, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=8), [8, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=8), [47, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=47), [10, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=10), [2:6 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:6), [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=52), [60, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=60), en [61, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=61), [8, tweede lid, van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027707&artikel=8) en [45a, vijfde lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=45a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 oktober 2010, nr. W12.10.0475/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkg"},{"i":16537,"b":"Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, Geleid door de wens de betrekkingen tussen beide Staten op het gebied van de sociale zekerheid te regelen, Zijn het volgende overeengekomen: TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing: - a). in Nederland: op de wettelijke regelingen betreffende de ziekteverzekering (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte en moederschap); de arbeidsongeschiktheidsverzekering; de ouderdomsverzekering; de nabestaandenverzekering; de werkloosheidsverzekering; de kinderbijslagen; de bijstand en de overige uitkeringen ten laste van de publieke middelen. - b). in Marokko op: - –. de wettelijke regelingen betreffende de sociale zekerheid; - –. de wettelijke regelingen betreffende arbeidsongevallen en beroepsziekten; - –. de wettelijke regelingen betreffende de verplichte ziektekostenverzekering voor loontrekkenden in de particuliere sector en voorzien in de wet op de basisziektekostenverzekering; - –. de door de overheid goedgekeurde wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen betreffende bijzondere stelsels van sociale zekerheid, voor zover deze van toepassing zijn op loontrekkenden of met hen gelijkgestelden en voor zover zij betrekking hebben op gebruikelijke risico’s en prestaties welke in de wettelijke regelingen betreffende de sociale zekerheid geregeld worden. 2. Dit Verdrag is eveneens van toepassing op alle wetten of regelingen, waarbij de wettelijke regelingen, genoemd in het eerste lid van dit artikel, worden gewijzigd of aangevuld. Het is evenwel slechts van toepassing: - a). op wetten of regelingen welke betrekking hebben op een nieuwe tak van sociale zekerheid, indien daartoe een nadere overeenkomst tussen de Verdragsluitende Partijen wordt gesloten; - b). op wetten of regelingen welke de werking van de bestaande regelingen uitbreiden tot nieuwe groepen van rechthebbenden, indie"},{"i":16540,"b":"Algemeen Verdrag tussen Nederland en Frankrijk inzake de sociale zekerheid Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en De President der Franse Republiek wensende de rechten, voortvloeiende uit de wetten betreffende de sociale zekerheid, van kracht in beide verdragsluitende landen, te waarborgen voor de onderdanen, op wie die wetten van toepassing zijn of van toepassing zijn geweest, hebben besloten een verdrag te sluiten en hebben daartoe tot Hun Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Mr. D. U. Stikker, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandse Zaken, en Mr. A, M. Joekes, Hoogstderzelver Minister van Sociale Zaken; De President der Franse Republiek: Z.E. Jean-Paul Garnier, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van Frankrijk te 's-Gravenhage, en Z.E. Pierre Segelle, Minister van Arbeid en Sociale Zekerheid, die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen nopens de volgende bepalingen: TITEL I. Algemene beginselen Artikel 1 1. Nederlandse of Franse onderdanen, die in loondienst zijn of die bij de wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid, bedoeld in artikel 2 van dit verdrag, met in loondienst zijnde personen zijn gelijkgesteld, zijn onderscheidenlijk onderworpen aan bedoelde in Frankrijk of Nederland van toepassing zijnde wettelijke regelingen en ontlenen daaraan rechten onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van elk van beide landen. 2. Nederlandse onderdanen, niet bedoeld in lid 1 van dit artikel, hebben onder dezelfde voorwaarden als Franse onderdanen aanspraak op gezinstoelagen overeenkomstig de in Frankrijk van toepassing zijnde wettelijke regelingen, bedoeld in artikel 2. Artikel 2 1. De wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid, waarop dit verdrag van toepassing is, omvatten: - 1º. **in Frankrijk:** - a). de wetgeving, regelende de organisatie van de sociale zekerheid; - b). de algemene wetgeving, houdende regeling van het stelsel van s"},{"i":16545,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 juli 2010, nr. Directie BV/DCA/2010/13227, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden uit het archief van het Bureau Programma Ondersteuning inclusief de Projectgroep Parlementair Onderzoek College van Toezicht Sociale Verzekeringen Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Regeling ook gepubliceerd in Stcrt 2010/12226. Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden uit het archief van het Bureau Programma Ondersteuning inclusief de Projectgroep Parlementair Onderzoek College van Toezicht Sociale Verzekeringen de in het volgende lid genoemde beperking gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 180, 201, 202, 203, 204, 205, 206, 207, 232, 234, 258, 261 en 267 is slechts mogelijk na voorafgaande toestemming van de directeur van het Nationaal Archief via een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. De verzoeker verklaart daarmee tevens zich te zullen houden aan de in het formulier opgenomen bepalingen. 3. De bescheiden zullen openbaar worden op: | Inventarisnummer | Geheel openbaar"},{"i":16546,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van d.d. 26 juni 2009, nr. Directie BV/DCA/12747 houdende een beperking van de openbaarheid voor de inventarisnummers 1 tot en met 182, 207 tot en met 451 en 519 tot en met 891 uit de archieven van de Commissie Gelijke Behandeling van Mannen en Vrouwen bij de Arbeid en taakvoorgangers over de periode 1975–1993 (Archiefregeling voor de archieven op het beleidsterrein Emancipatie en Gelijke Behandeling van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 15, eerste lid , onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden uit het historische bestand van personeelsleden van het Ministerie de in het volgende lid genoemde beperking gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 1 tot en met 182, 207 tot en met 451 en 519 tot en met 891 is slechts mogelijk na voorafgaande toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van het verzoek geschiedt door invulling en ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven’. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. 3. De bescheiden van de hierboven genoemde inventarisnummers worden openbaar op: - –. inventarisnummer 1 op 1 januari 2055 - –. inventarisnumm"},{"i":16547,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 februari 2004, nr. DAZ/B&ADIV/2004/7351 houdende een beperking van de openbaarheid voor inventarisnummer 309 uit het archief van de Directie Sociale Verzekeringen en Voorgangers (1921) 1945–1979 (1985) Gelet op [artikel 15, eerste lid , onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheid van de Directie Sociale Verzekeringen en Voorgangers (1921) 1945–1979 (1985) de in het volgende lid genoemde beperking gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummer 309 is slechts mogelijk na ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. 3. De bescheiden zullen op 1 januari 2053 openbaar worden. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Archiefregeling voor de archieven op het beleidsterrein Sociale Verzekeringen. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"i":16549,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 19 oktober 2004, nr. IAZ 2004-878M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Ministerie van Financiën, Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schade-uitkeringen 1959–1966 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Ministerie van Financiën, Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schade-uitkeringen 1959–1966 de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn gerekend vanaf 1966. De archiefbescheiden zijn niet openbaar voor 1 januari 2041. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 50, 54, 68–69, 70–82, 83, 100–103, 200–214, 215–272, 273–2897, 2899–2900, 2904, 2905–3012, is slechts mogelijk na indiening van een schriftelijk verzoek gericht aan de directeur van het Nationaal archief en na ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier na het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Archiefregeling voor de archieven van het Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schade-uitkeringen 1959–1966, ressorterend onder het Ministerie van Financiën. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatsc"},{"i":16552,"b":"Beheersregeling documentaire informatieverzorging NWO Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Begrippenkader Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - 1. **Archief:** geheel van records onder de zorg van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (hierna: NWO) - 2. **Archiefbeheer:** het in opdracht van het hoofd van een archiefvormend orgaan, volgens de geldende regelingen, uitvoeren van het dagelijks beheer van records - 3. **Archiveringssysteem:** het geheel van mensen, methoden, procedures, gegevensverzamelingen, programmatuur, apparatuur, voorzieningen en andere middelen, bestemd voor het beheer van records - 4. **Archiefbestanddeel:** geheel van records binnen een archief, bijeengebracht met een bepaald doel en in onderlinge samenhang te raadplegen, zoals een dossier, een rubriek, een serie, een zaak, een zaaktype - 5. **Archiefbewaarplaats:** een bij of krachtens de [Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) voor blijvende bewaring van records aangewezen bewaarplaats. Voor NWO is dit het Nationaal Archief. - 6. **Archiefmedewerker:** diegene die in opdracht van de beheerder de feitelijke archivistische werkzaamheden verricht - 7. **Archiefvormend orgaan:** de onderdelen van NWO genoemd in [artikel 4 van de Wet op NWO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=4), dan wel de organisatieonderdelen genoemd in [artikel 1.2 van het Bestuursreglement NWO 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039246&artikel=1.2), alsmede een ander orgaan, dat een (deel van een) taak of taken van NWO dan wel opgedragen door de Raad van Bestuur uitvoert en waarvoor afzonderlijk dient te worden gearchiveerd ingevolge de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) - 8. **Authenticiteit:** de mate waarin van een document kan worden aangetoond dat: - a. he"},{"i":16553,"b":"Bekendmaking van 27 november 2017, nr. 2146626 van de gewijzigde inkomensgrenzen, bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand en het Besluit toevoeging mediation over 2018, en vaststelling van het normbedrag en het bedrag van het voorschot voor advocaten als bedoeld in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op [artikel 34, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34), [artikel 3, tweede lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277&artikel=3), [artikel 4, vijfde lid van het Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830&artikel=4), en [artikel 35, tweede en vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Maakt bekend: Artikel 1 Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel 2 Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Artikel 3 Wijzigt het Besluit toevoeging mediation. Artikel 4 1. Met ingang van 1 januari 2018 wordt het normbedrag als bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op € 830. 2. Met ingang van 1 januari 2018 wordt het voorschot als bedoeld in [artikel 35, vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op: ten hoogste 10% van € 51.000. Deze bekendmaking zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16554,"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb-zorg CZ Zorgkantoor Gelet op [artikel 5.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18) en de daarin besloten bevoegdheid om, bij de verlening van een persoonsgebonden budget aan de verzekerde, verplichtingen op te leggen die betrekking hebben op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Besluit: Artikel 1 CZ Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg CZ Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst. Inleiding Per 1 januari 2026 is [artikel 5.18 van de Regeling langdurige zorg gewijzigd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18). De bevoegdheid van zorgkantoren om aanvullende verplichtingen op te leggen met betrekking tot de kwaliteit en doelmatigheid van in te kopen pgb-zorg is verduidelijkt. De Centrale Raad van Beroep1[ECLI:NL:CRVB:2022:250, Centrale Raad van Beroep, 19/1548 WLZ](https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CRVB:2022:250) is van oordeel dat de systematiek van het trekkingsrecht in het Wlz-pgb zoveel mogelijk controle aan de voorkant vereist. Het is de bedoeling dat door de controle aan de voorkant wordt geborgd dat het pgb aan zorg, waarin de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voorziet, wordt besteed. Dit betekent dat het zorgkantoor bij elke nieuwe aanvraag of wijziging vooraf controles uitvoert met als doel om budgethouders te beschermen tegen terugvorderingen achteraf. Is de gewenste zorginzet, volgens het zorgkantoor, niet passend, verantwoord of doelmatig? D"},{"i":16555,"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb-zorg Salland Zorgkantoor Gelet op [artikel 5.18 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18) en de daarin besloten bevoegdheid om, bij de verlening van een persoonsgebonden budget aan de verzekerde, verplichtingen op te leggen die betrekking hebben op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Besluit: Artikel 1 Salland Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb-zorg Salland Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Per 1 januari 2026 is [artikel 5.18 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18) gewijzigd. De bevoegdheid van zorgkantoren om aanvullende verplichtingen op te leggen met betrekking tot de kwaliteit en doelmatigheid van in te kopen pgb-zorg is verduidelijkt. De Centrale Raad van Beroep1[ECLI:NL:CRVB:2022:250, Centrale Raad van Beroep, 19/1548 WLZ](https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CRVB:2022:250) is van oordeel dat de systematiek van het trekkingsrecht in het Wlz-pgb zoveel mogelijk controle aan de voorkant vereist. Het is de bedoeling dat door de controle aan de voorkant wordt geborgd dat het pgb aan zorg, waarin de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voorziet, wordt besteed. Dit betekent dat het zorgkantoor bij elke nieuwe aanvraag of wijziging vooraf controles uitvoert met als doel om budgethouders te beschermen tegen terugvorderingen achteraf. Is de gewenste zorginzet, volgens het"},{"i":16557,"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb-zorg VGZ Zorgkantoor Gelet op [artikel 5.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18) en de daarin besloten bevoegdheid om, bij de verlening van een persoonsgebonden budget aan de verzekerde, verplichtingen op te leggen die betrekking hebben op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Besluit: Artikel 1 VGZ Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg VGZ Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst. Inleiding Per 1 januari 2026 is [artikel 5.18 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18) gewijzigd. De bevoegdheid van zorgkantoren om aanvullende verplichtingen op te leggen met betrekking tot de kwaliteit en doelmatigheid van in te kopen pgb-zorg is verduidelijkt. De Centrale Raad van Beroep1[ECLI:NL:CRVB:2022:250, Centrale Raad van Beroep, 19/1548 WLZ](https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CRVB:2022:250) is van oordeel dat de systematiek van het trekkingsrecht in het Wlz-pgb zoveel mogelijk controle aan de voorkant vereist. Het is de bedoeling dat door de controle aan de voorkant wordt geborgd dat het pgb aan zorg, waarin de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voorziet, wordt besteed. Dit betekent dat het zorgkantoor bij elke nieuwe aanvraag of wijziging vooraf controles uitvoert met als doel om budgethouders te beschermen tegen terugvorderingen achteraf. Is de gewenste zorginzet, volgens het zorgkantoor, niet passend, verantwoord of doelmatig"},{"i":16558,"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg Zilveren Kruis Zorgkantoor Gelet op [artikel 5.18 Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18) (Rlz) en de daarin besloten bevoegdheid om, bij de verlening van een persoonsgebonden budget aan de verzekerde, verplichtingen op te leggen die betrekking hebben op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Besluit: Artikel 1 Zilveren Kruis Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg Zilveren Kruis Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Per 1 januari 2026 is [artikel 5.18 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18) gewijzigd. De bevoegdheid van zorgkantoren om aanvullende verplichtingen op te leggen met betrekking tot de kwaliteit en doelmatigheid van in te kopen pgb-zorg is verduidelijkt. De Centrale Raad van Beroep1[ECLI:NL:CRVB:2022:250, Centrale Raad van Beroep, 19/1548 WLZ](https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CRVB:2022:250) is van oordeel dat de systematiek van het trekkingsrecht in het Wlz-pgb zoveel mogelijk controle aan de voorkant vereist. Het is de bedoeling dat door de controle aan de voorkant wordt geborgd dat het pgb aan zorg, waarin de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voorziet, wordt besteed. Dit betekent dat het zorgkantoor bij elke nieuwe aanvraag of wijziging vooraf controles uitvoert met als doel om budgethouders te beschermen tegen terugvorderingen achteraf. Is de gewenste zo"},{"i":16559,"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb-zorg Zorgkantoor DSW Gelet op [artikel 5.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18) en de daarin besloten bevoegdheid om, bij de verlening van een persoonsgebonden budget aan de verzekerde, verplichtingen op te leggen die betrekking hebben op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Besluit: Artikel 1 Zorgkantoor DSW hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg Zorgkantoor DSW. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Per 1 januari 2026 is [artikel 5.18 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18) gewijzigd. De bevoegdheid van zorgkantoren om aanvullende verplichtingen op te leggen met betrekking tot de kwaliteit en doelmatigheid van in te kopen pgb-zorg is verduidelijkt. De Centrale Raad van Beroep1[ECLI:NL:CRVB:2022:250, Centrale Raad van Beroep, 19/1548 WLZ](https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CRVB:2022:250) is van oordeel dat de systematiek van het trekkingsrecht in het Wlz-pgb zoveel mogelijk controle aan de voorkant vereist. Het is de bedoeling dat door de controle aan de voorkant wordt geborgd dat het pgb aan zorg, waarin de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voorziet, wordt besteed. Dit betekent dat het zorgkantoor bij elke nieuwe aanvraag of wijziging vooraf controles uitvoert met als doel om budgethouders te beschermen tegen terugvorderingen achteraf. Is de gewenste zorginzet, volgens het zorgkantoor, niet passend, verantwoord of d"},{"i":16561,"b":"Beleidsregel Adz-ondersteuning van Parkinsonzorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS met brief van 21 oktober 2022, met kenmerk 3452903-1038179-PZo, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 21 oktober 2022 en heeft als kenmerk 3452903-1038179-PZo. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Adz:** algemene diensten ten behoeve van verzekerde zorg; - **Adz-ondersteuning van Parkinsonzorg:** algemene diensten of activiteiten ten behoeve van Parkinsonzorg; - **Adz-zorgaanbieder:** zorgaanbieder die Adz levert; - **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit; - **tarief:** prijs voor een prestatie of het geheel van prestaties van een zorgaanbieder; - **Vrij tarief:** tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - **Wmg:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - **zorgaanbieder:** - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoev"},{"i":16562,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 april 2025, kenmerk 4082034-1080983-WJZ, houdende de vaststelling van beleidsregels inzake kruisbesmetting met allergenen en etikettering uit voorzorg (Beleidsregel allergenenetikettering uit voorzorg) Gelet op: artikel 14, eerste en tweede lid, van [Verordening (EG) nr. 178/2002](32002R0178) van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG 2002, L 31); bijlage II, hoofdstuk IX, punt 9, van [Verordening (EG) nr. 852/2004](32004R0852) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PbEU 2004, L 139); artikel 36, tweede lid, van [Verordening (EU) nr. 1169/2011](32011R1169) van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van [Verordeningen (EG) nr. 1924/2006](32006R1924) en [(EG) nr. 1925/2006](32006R1925) van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [Richtlijn 87/250/EEG](31987L0250) van de Commissie, [Richtlijn 90/496/EEG](31990L0496) van de Raad, [Richtlijn 1999/10/EG](31999L0010) van de Commissie, [Richtlijn 2000/13/EG](32000L0013) van het Europees Parlement en de Raad, [Richtlijnen 2002/67/EG](32002L0067) en [2008/5/EG](32008L0005) van de Commissie, en [Verordening (EG) nr. 608/2004](32004R0608) van de Commissie (PbEU 2011, L 304); [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **allergenenetikettering uit voorzorg:** informatie over de mogelijke onbedoelde aanwezigheid in levensmiddelen van stoffen of producten die allergieën of intoleranties kunnen veroorzaken; -"},{"i":16563,"b":"Beleidsregel bekostigingscyclus Wlz 2025 **Grondslag** Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven en prestatiebeschrijvingen die uit [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050013&artikel=6&z=2025-01-01&g=2025-01-01) van deze beleidsregel voortvloeien, ambtshalve vastgesteld door de NZa. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **concern:** concern als bedoeld in [artikelen 24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24a), [24b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b) en [406 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=406) (BW). Met een concern wordt gelijkgesteld twee of meer rechtspersonen die gelieerd zijn aan elkaar door eenzelfde in de statuten vermeld doel en door een nauw verweven financiële afhankelijkheid ten opzichte van elkaar. - **consolidatieoverzicht:** het overzicht dat door de zorgaanbieder aan de nacalculatie-opgave 2025 moet worden toegevoegd als de op te geven financiële gegevens onderdeel uitmaken van een consolidatie en de zorgaanbieder bij de accountantscontrole in voornoemde opgave van die consolidatie wil uitgaan. Het betreft een overzicht waarin in ieder geval de volgende gegevens staan vermeld: - •. NZa-nummers van de desbetreffende zorgaanbieders; - •. de namen van de zorgaanbieders die bij deze NZa-nummers behoren; - •. de namen van de zorgkantoren die bij deze NZa-nummers behoren; - •. de namen van de Wlz-uitvoerders die bij deze NZa-nummers behoren; - •. het bedrag"},{"i":16564,"b":"Beleidsregel bekostigingscyclus Wlz 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven en prestatiebeschrijvingen die uit [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051338&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze beleidsregel voortvloeien, ambtshalve vastgesteld door de NZa. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **concern:** concern als bedoeld in [artikelen 24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24a), [24b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b) en [406 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=406) (BW). Met een concern wordt gelijkgesteld twee of meer rechtspersonen die gelieerd zijn aan elkaar door eenzelfde in de statuten vermeld doel en door een nauw verweven financiële afhankelijkheid ten opzichte van elkaar. - **consolidatieoverzicht:** het overzicht dat door de zorgaanbieder aan de nacalculatie-opgave 2026 moet worden toegevoegd als de op te geven financiële gegevens onderdeel uitmaken van een consolidatie en de zorgaanbieder bij de accountantscontrole in voornoemde opgave van die consolidatie wil uitgaan. Het betreft een overzicht waarin in ieder geval de volgende gegevens staan vermeld: - –. NZa-nummers van de desbetreffende zorgaanbieders; - –. de namen van de zorgaanbieders die bij deze NZa-nummers behoren; - –. de namen van de zorgkantoren die bij deze NZa-nummers behoren; - –. de namen van de Wlz-uitvoerders die bij deze NZa-nummers behoren; - –. het bedrag per NZa-numme"},{"i":16567,"b":"Beleidsregel betaling zonder machtiging aan Zorginstituut Nederland en het CAK Gelet op de [artikelen 71 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=71), [54 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=54), [57 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=57), [2:55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:55) en [3:47 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:47), en [22 van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=22); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Het CAK:** het CAK, bedoeld in [artikel 6.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1). - **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in [artikel 2 van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=2). - **Zorginstituut Nederland:** Zorginstituut Nederland, bedoeld in [artikel 58 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58). Artikel 2 Indien degene, aan wie een uitkering in de zin van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657), of [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) is toegekend, een bijdrage verschuldigd is voor verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":16568,"b":"Beleidsregel budgettair kader Wlz 2025 **Grondslag** Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 49e, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=49e) verdeelt de NZa het door de Minister van VWS vastgestelde bedrag dat beschikbaar is voor het verlenen van zorg in natura en persoonsgebonden budgetten over de (zorgkantoor)regio’s als bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg (Wlz)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4). Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **basisbudget:** Wlz-kader, stand kader 2024, zoals opgenomen in de Definitieve kaderbrief Wlz 2025 van 26 september 2024 (3969258-1071274-LZ). De structurele overhevelingen die tot 1 oktober 2024 zijn gedaan, zijn hierin meegenomen. Incidentele overhevelingen worden niet meegenomen in het basisbudget. - **bruteringseffect:** het effect dat ontstaat door bij het overhevelen van middelen van zin naar pgb en andersom rekening te houden met een gemiddelde onderuitputting van het pgb-subsidieplafond van 14%. Bij overhevelingen binnen het pgb-subsidieplafond of binnen de contracteerruimte is deze brutering niet van toepassing. - **budgettair kader Wlz:** het totale financiële kader dat beschikbaar is voor de Wlz-uitvoerders/ zorgkantoren. - **contracteerruimte:** het totale financiële kader dat beschikbaar is voor de Wlz-uitvoerders om zorg in natura te contracteren bij zorgaanbieders of zelfstandige zorgverleners. Dit kader bestaat uit niet-geoormerkte middelen ([artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051672&artikel=4&z=2025-10-30&g=2025-10-30)) en geoormerkte mi"},{"i":16572,"b":"Beleidsregel Definities Wlz Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (Awb), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot een haar toekomende of onder haar verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheid. Artikel 1. Doel van de beleidsregel Deze beleidsregel bepaalt en geeft uitleg aan de begrippen die gebruikt worden in de regelgeving van de NZa. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op de zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) die wordt geleverd doorzorgaanbieders. Artikel 3. Begripsbepalingen - **Aanmelding:** Aanmelding van de Wlz-uitvoerder conform [artikel 4.1.1, eerste lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1). - **Aanvaardbare kosten:** Het budget van een zorgaanbieder voor enig jaar dat de NZa berekent aan de hand van de voor dat jaar van toepassing zijnde beleidsregels. - **Administratieve organisatie / interne beheersing:** Het geheel van procedures, regels, maatregelen en financieel-administratieve systemen binnen een organisatie met betrekking tot het tot stand brengen en goed laten functioneren van de organisatie, zodat: - ○. de juiste en volledige informatie tijdig beschikbaar is voor het besturen van de organisatie in elke laag; - ○. de financieel-administratieve systemen ondersteunen in het vaststellen van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van het (financiële) beheer en de verantwoording. - **Afwezigheidsdag:** Een kalenderdag die deel uit maakt van een periode van tijdelijke afwezigheid van de cliënt. Deze periode van tijdelijke afwezigheid begint op de eerste dag na vertrek bij de zorgaanbieder en eindigt op de dag voor heropname bij de zorgaanbieder. - **Application controls:** De geautomatiseerde procedures die ingezet worden om te zorgen voor de integriteit van de administrat"},{"i":16590,"b":"Beleidsregel Kostprijsmodel zorgproducten medisch-specialistische zorg – BR/REG-23152, Nederlandse Zorgautoriteit Ingevolge [artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Artikel 1. Reikwijdte 1. Deze beleidsregel is van toepassing op medisch-specialistische zorg, voor zo ver geleverd door een van de hieronder genoemde categorieën instellingen: - a. algemene ziekenhuizen; - b. universitaire medische centra; - c. zelfstandige behandelcentra; - d. instellingen voor revalidatiezorg; - e. categorale instellingen voor long/astmazorg; - f. huisartsenlaboratoria; - g. trombosediensten; - h. productiesamenwerkingsverbanden; - i. klinisch genetische centra, voor zo ver deze geen deel uitmaken van een universitair medisch centrum; - j. protonentherapiecentra. 2. Deze beleidsregel is niet van toepassing op zorg die wordt geleverd door: - a. categorale instellingen voor epilepsiezorg; - b. radiotherapeutische centra; - c. dialysecentra; - d. audiologische centra; - e. instellingen die geriatrische revalidatiezorg leveren en die niet behoren tot een van de instellingscategorieën genoemd in het eerste lid. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Deze beleidsregel geeft inzicht in de wijze waarop de NZa informatie over de kostprijzen vergaart en de wijze waarop zij kostprijzen laat berekenen en aanleveren door instellingen. Artikel 3. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Academische zorg:** Het uitvoeren van topreferente zorg en innovatieve zorg, en de ontwikkeling van nieuwe vormen van diagnostiek en behandeling. De omschrijving van academische zorg is opgenomen in [onderdeel B van de bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](onbekend) (Stb. 2012, 396). - **Accountant:*"},{"i":16591,"b":"Beleidsregel kostprijsonderzoek mondzorg (bronjaar 2023), ten behoeve van de tarieven tandheelkundige- en orthodontische zorg 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **bronjaar:** het kalenderjaar waar de opgevraagde gegevens in het informatieverzoek op zien. - **expertgroep:** groep van inhoudelijke experts, aangedragen door de leden van de externe klankbordgroep. - **externe klankbordgroep:** groep van inhoudelijk belanghebbende zijnde branche-/beroepsverenigingen, zorgverzekeraars, patiënten- en consumentenorganisaties. - **externe onderzoeksbureau:** het onderzoeksbureau dat namens de NZa (een deel van) het kostprijsonderzoek zal uitvoeren, in onderhavige kostprijsonderzoek is dat Sira Consulting. - **functiehouderschap:** de verantwoordelijkheden en uitvoerende taken die inherent zijn aan het vervullen van een bepaalde functie, zoals beschreven in het onderzoeksrapport van Berenschot. - **geselecteerde zorgaanbieder:** een zorgaanbieder aan wie een informatieverzoek als bedoeld in [artikel 7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050287&artikel=7&z=2024-10-12&g=2024-10-12) van deze beleidsregel is verzonden. - **inkomensdeel:** dat deel van de kosten van de praktijk dat op basis van de Normatieve Arbeidskosten Component wordt bepaald. - **invulsjabloon:** format waarin de gevraagde gegevens worden ingevuld en aangeleverd. - **kostprijs:** de aan elke afzonderlijke punt toegerekende kosten. - **kostprijsonderzoek:** het proces om onderzoek te doen naar de kosten die ten grondslag liggen aan het leveren van mondzorg, om vervolgens te komen tot herijkte tarieven"},{"i":3046,"b":"Besluit van 28 augustus 2003, houdende nadere voorschriften reikwijdte en rapportering accountantscontrole provincies en gemeenten (Besluit accountantscontrole provincies en gemeenten) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mede namens Onze Minister van Financiën van 9 mei 2003, FO2003/56474; Gelet op [artikel 217, zesde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=217) en [artikel 213, zesde lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=213); De Raad van State gehoord (advies van 16 juni 2003, nr. W04.03.0175/I; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens Onze Minister van Financiën, van 19 augustus 2003 (FO2003/69873); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. (Begrippen) Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - –. **afwijking:** verschil tussen het bedrag, de rubricering, de presentatie of de toelichting van een gerapporteerd element in een financieel overzicht en het bedrag, de rubricering, de presentatie of de toelichting zodat het element in overeenstemming is met het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving waarbij afwijkingen kunnen voortkomen uit fouten of uit fraude; - –. **deelverantwoording:** in opdracht van provinciale staten, de raad, het algemeen bestuur onderscheidenlijk de eilandsraad opgestelde afzonderlijke verantwoording van een deel van de organisatie van de provincie, de gemeente, het waterschap of het openbaar lichaam; - –. **financiële rechtmatigheid:** rechtmatige totstandkoming van de baten, lasten en balansmutaties in overeenstemming met de begroting en met relevante wettelijke voorschriften, waaronder mede begrepen de provinciale, gemeentelijke of waterschapsverordeningen; - –. **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 2. (Goedkeuringstolerantie) 1. De accountant gebruikt ten behoeve van de"},{"i":16651,"b":"Beleidsregels Meerzorg pgb CZ Zorgkantoor gelet op [artikel 2.2 lid 1 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen in hoeverre er sprake is van een zorgprofiel overstijgende zorgbehoefte, en gelet op [artikel 5.1e Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.1e) en de daarin besloten bevoegdheid om af te wijken van de bedragen genoemd in [bijlage H Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&bijlage=H), besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 CZ Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 tot en met 4 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Meerzorg pgb CZ Zorgkantoor Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregels in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het kan gebeuren dat een Wlz-geïndiceerde meer zorg nodig heeft dan op grond van zijn indicatie mogelijk is. In bepaalde gevallen is het budget van het zorgprofiel onvoldoende om passende zorg thuis te bieden. Zorgkantoren kijken dan naar de aard van zorg zoals verwoord in de beschrijving van het zorgprofiel1Bijlage A. bij artikel 2.1 van de Regeling langdurige zorg of van daaruit sprake is van een bijzondere zorgbehoefte die niet passend is in die beschrijving. Het uitgangspunt van zorgkantoren is dat er recht is op een budget dat toereikend is om op passende wijze te voorzien in de zorgbehoefte. De zorgbehoefte is daarmee leidend. De zorgbehoefte van de verzekerde is de behoefte aan zorg die medisch en zorginhoudelijk noodzakelijk is. Tegelijkertijd draagt het zorgkantoor de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met gemeenschapsgelden en onnodige uitgaven te voorkomen. In de beoordeling van Meerzo"},{"i":5965,"b":"Besluit van 19 februari 1990, ter uitvoering van artikel 740f, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 20 oktober 1989, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 543/689; Gelet op artikel 740**f,** tweede lid, van het [Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838); De Raad van State gehoord (advies van 15 december 1989, no. W03.89.0614); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 8 februari 1990, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 5436/690; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid uit hoofde van Titel XIA van het [tweede boek van het Wetboek van Koophandel](onbekend) voor de in het eerste lid van artikel 740**f**, aanhef en onder **b**, bedoelde vorderingen kan worden beperkt, bedraagt voor schepen, die blijkens hun constructie uitsluitend of in hoofdzaak zijn bestemd tot het vervoer van personen en waarvan de tonnage niet groter is dan 300, 100 000 rekeneenheden. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking tegelijk met de wet van 14 juni 1989, **Stb.** 241. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":16683,"b":"Beleidsregels voorschotverstrekking WW 2015 Gelet op het bepaalde in [artikel 4:95, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:95), Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **aanvraag van WW-uitkering:** een aanvraag van WW-uitkering op grond van [hoofdstuk II van de WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II) die voldoet aan alle vereisten die bij en krachtens de [WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) aan een geldige aanvraag van een dergelijke uitkering zijn gesteld. Bij voorkomende verdragsgevallen geldt dat de aanvraag vergezeld moet gaan van het EU-formulier E 301 dan wel van het SED-document U1 of U002 , dan wel van bescheiden die gelijkwaardig zijn aan het genoemde EU-formulier of de genoemde SED-documenten; - –. **het UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - –. **WW:** [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045). Artikel 2. Voorschot op eerste betaling uitkering [hoofdstuk II WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II) 1. De werknemer ontvangt van het UWV een voorschot op een uitkering op grond van [hoofdstuk II van de WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II) indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan: - a. de werknemer heeft een aanvraag van WW-uitkering ingediend; - b. de werknemer heeft een aanvraag van een voorschot op de eerste betaling van de uitkering ingediend; - c. de werknemer heeft aannemelijk gemaakt dat hij verkeert in een zodanige omstandigheid dat hij mede als gevolg van de latere betaling van uitkering op grond van [hoofdstuk II van de WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II) niet in staat is te voorzien in noodzakelijke en niet te vermijden kosten van het bes"},{"i":7692,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 3 april 2013, nr. VCI-069/2013, tot toedeling van de taken en bevoegdheden van de Functionaris Gegevensbescherming BZ Gelet op de [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=62) en [64 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=64); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468); - b. **de minister:** de Minister van Buitenlandse Zaken; - c. **het ministerie:** Ministerie van Buitenlandse Zaken; - d. **de FG:** Functionaris Gegevensbescherming zoals bedoeld in [artikel 62 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=62); - e. **de beheerder:** hoofd van een dienstonderdeel van het ministerie, aan wie krachtens de geldende organisatie en mandaatregelingen de taken en bevoegdheden van de minister ten aanzien van verwerkingen van persoonsgegevens zijn gemandateerd; - f. **de bewerker:** degene die ten behoeve van de verantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt, zonder aan zijn rechtstreeks gezag te zijn onderworpen; - g. **betrokkene:** degene op wie een persoonsgegeven betrekking heeft. Artikel 2 De FG ziet toe op de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig het bij en krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) bepaalde. Het toezicht strekt zich uit tot de verwerking van persoonsgegevens waarvoor de minister de verantwoordelijke is in de zin van de wet. Artikel 3 Het toezicht geldt voor zowel het departement als de posten. Artikel 4 De FG maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Artikel 5 1. De FG is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats in de gebouwen en op de terreinen die bij het ministerie in gebruik zijn te betreden waar persoonsgegevens word"},{"i":7666,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 23 mei 2011, nr. WJZ / 11039773, tot implementatie van het besluit nr. 2011/130/EU van de Commissie van 25 februari 2011 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de grensoverschrijdende verwerking van documenten die door de bevoegde autoriteiten elektronisch zijn ondertekend krachtens Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt (PbEU L 53) (Regeling elektronische handtekening bevoegde instanties) Gelet op besluit nr. 2011/130/EU van de Commissie van 25 februari 2011 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de grensoverschrijdende verwerking van documenten die door de bevoegde autoriteiten elektronisch zijn ondertekend krachtens [Richtlijn 2006/123/EG](32006L0123) van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt (PbEU L 53) en [artikel 14, vierde lid, Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=14); Besluit: Artikel 1 1. Een bevoegde instantie die gebruik maakt van een elektronische handtekening die afwijkt van de in [artikel 20b van de Dienstenregeling centraal loket en interne markt informatiesysteem](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026766&artikel=20b) bedoelde formats, informeert de Europese Commissie over een beschikbare valideringsmogelijkheid waarmee deze elektronische handtekening online, kosteloos en in de Engelse taal kan worden gevalideerd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde valideringsmogelijkheid al in het document of in de elektronische handtekening of elektronische documentdrager is opgenomen. Artikel 2 Wijzigt de Dienstenregeling centraal loket en interne markt informatiesysteem. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2011. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling elektronische handtekening bevoegde instanties. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant word"},{"i":16780,"b":"Besluit van 8 juni 1999, houdende vaststelling van de regeling inzake de aanvullende voorzieningen bij werkloosheid van defensie personeel (Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 12 januari 1999, nr. P/98008731; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 4 maart 1999, no. WO7.99.0019/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 2 juni 1999, nr. P/99002950; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt volgens Stb. 2001/277 in werking als fase 2 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen in werking treedt. Besluit in werking getreden o.g.v. de formulering in de Nota van Toelichting van Stb. 2001/277. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - Onze Minister: De Minister van defensie; - betrokkene: - 1e. de ambtenaar die op basis van het [Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040) in vaste of in tijdelijke dienst werkzaam is geweest en is ontslagen op grond van genoemd reglement, met uitzondering van een ontslag op eigen aanvraag, een disciplinair strafontslag, een ontslag wegens vervroegd uittreden, dan wel een functioneel leeftijdsontslag; - 2e. de militair die op basis van het [Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482) in militaire dienst werkzaam is geweest en is ontslagen op grond van genoemd reglement, met uitzondering van een ontslag op eigen aanvraag, een leeftijdsontslag, dan wel een ontslag ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdelen i, k, l, m of n, van genoemd reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=39); - 3e. de militair die"},{"i":16777,"b":"Besluit van 28 februari 1994, houdende uitvoering van artikel 22, derde lid, juncto artikel 24 van de Wet herverdeling wegenbeheer Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, gedaan mede namens de Staatssecretarissen van Binnenlandse Zaken en van Financiën, van 29 oktober 1993, nr. RJI 160714, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005697&artikel=22), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005697&artikel=23) en [24 van de Wet herverdeling wegenbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005697&artikel=24); Gezien de adviezen van de Raad voor de gemeentefinanciën van 10 oktober 1990, nr. 67547 Rgf 81/28, en van 17 maart 1993, nr. Rgf 04.10/003.003, en van het Interprovinciaal Overleg van 4 mei 1993, nr. I 776/93; De Raad van State gehoord (advies van 29 december 1993, nr. W09.93.0720); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, uitgebracht mede namens de Staatssecretarissen van Binnenlandse Zaken en van Financiën, van 18 februari 1994, nr. RJI 166552, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De hoogte van de bijdrage die een gemeente krachtens [artikel 22, eerste lid, van de Wet herverdeling wegenbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005697&artikel=22) aan een waterschap dient te verschaffen over 1993 is, onder vermelding van de betrokken gemeente en het betrokken waterschap, opgenomen in onderdeel A van de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De hoogte van de bijdrage die een gemeente krachtens [artikel 23, eerste lid, van de Wet herverdeling wegenbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005697&artikel=23) aan de gemeente Groningen dient te verschaffen over 1993 is, onder vermelding van de betrokken gemeente, opgenomen in onderdeel B van de bijlage bij dit besluit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking"},{"i":16774,"b":"Besluit van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank van 18 september 2013, houdende regels omtrent de betaling van een periodieke bijdrage ten laste van het Ouderdomsfonds ten gunste van het Zorgverzekeringsfonds Gelet op [artikel 87a, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=87a); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - –. CVZ: het College voor zorgverzekeringen, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - –. SVB: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - –. Wfsv: de [Wet Financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745); - –. Ouderdomsfonds: het Ouderdomsfonds, genoemd in [artikel 82, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=82); - –. Zorgverzekeringsfonds: het Zorgverzekeringsfonds, bedoeld in [artikel 39, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=39); - –. Rekening-courant van het CVZ: de rekening-courant, bedoeld in [artikel 40, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=40); - –. Rekening-courant van de SVB: de rekening-courant, bedoeld in [artikel 5.16, onderdeel a, Regeling Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019150&artikel=5.16). Artikel 2. De voorschotbedragen - 1. De SVB brengt maandelijks een voorschotbedrag ten laste van het Ouderdomsfonds ten gunste van het Zorgverzekeringsfonds, met als valutadatum de vijftiende dag van de maand waarvoor het voorschot bestemd is. - 2. Het voorschotbedrag bedraagt een twaalfde gedeelte van het bedrag dat na afloop van het kalenderjaar vermoedelijk verschuldigd i"},{"i":16771,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 september 2015, nr. 2015-0000231607, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden uit het archief van het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de periode 1995–2001 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 24 juni 2014 met kenmerk 13.732, Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van het College van Toezicht Sociale Verzekeringen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de periode 1995–2001. Artikel 1 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 217 | 2027 | | 253 | 2027 | | 1182 | 2027 | Artikel 2 Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036992&artikel=1&z=2015-09-11&g=2015-09-11) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036992&artikel=1&z=2015-09-11&g=2015-09-11), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarde"},{"i":16769,"b":"Besluit beperking openbaarheid restarchief Centraal Bureau van Bijstand Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 06-08-2024, met kenmerk NA 1555953. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het restarchief van het Centraal Bureau van Bijstand (CBB). Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 266 | 2035 | | 267 | 2036 | | 268 | 2039 | | 269 | 2045 | | 270 | 2050 | | 271 | 2061 | | 272 | 2067 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050202&artikel=1&z=2024-09-17&g=2024-09-17) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050202&artikel=1&z=2024-09-17&g=2024-09-17), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden."},{"i":16765,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 20 november 2025, kenmerk 6232147, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties 1951–2007 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris van 11 november 2025, met proza-zaaknummer 1168257. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties 1951–2007. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar op 1 jan | Inventarisnummer | Openbaar op 1 jan | Inventarisnummer | Openbaar op 1 jan | Inventarisnummer | Openbaar op 1 jan | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | 2064 | 46 | 2075 | 91 | 2080 | 136 | 2079 | | 2 | 2075 | 47 | 2077 | 91 | 2084 | 137 | 2082 | | 3 | 2075 | 48 | 2086 | 92 | 2076 | 138 | 2087 | | 4 | 2075 | 49 | 2091 | 94 | 2089 | 139 | 2086 | | 5 | 2072 | 50 | 2088 | 95 | 2092 | 140 | 2091 | | 6 | 2076 | 51 | 2088 | 96 | 2094 | 141 | 2090 | | 7 | 2076 | 52 | 2088 | 97 | 2086 | 142 | 2081 | | 8 | 2075 | 53 | 2088 | 98 | 2091 | 143 | 2089 | | 9 | 2070 | 54 | 2085 | 99 | 2090 | 144 | 2086 | | 10 | 2075 | 55 | 2076 | 100 | 2090 | 145 | 2087 | | 11 | 2069 | 56 | 2089 | 101 | 2083 | 146 | 2087 | | 12 | 2073 | 57 | 2089 | 102 | 2089 | 147 | 2089 | | 13 | 2075 | 58 | 2088 | 103 | 2093 | 148 | 2092 | | 14 | 2075 | 59 | 2089 | 104 | 2087 | 149 | 2092 | | 15 | 2076 | 60 | 2086 | 105 | 2087 | 150 | 2089 | | 16 | 2076 | 61 | 2089 | 106 | 2076 | 151 | 2091 | | 17 | 2075 | 62 | 2093 | 107 | 2092 | 152 | 2087 | | 18 | 2076 | 63 | 2090 | 108 | 2091 | 153 | 2075 | | 19 |"},{"i":7739,"b":"Verdrag tussen de Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag inzake de beveiliging van gegevens De Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), ondertekend te Washington op 4 april 1949; Opnieuw bevestigend dat voor de doeltreffendheid van politiek overleg, van samenwerking en van defensieplanning voor het realiseren van de doeleinden van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) een uitwisseling van gerubriceerde gegevens tussen de Partijen nodig is; Overwegende dat tussen de Regeringen van de Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) bepalingen nodig zijn voor de wederzijdse beveiliging en bescherming van de gerubriceerde gegevens die zij onderling uitwisselen; Zich ervan bewust dat een algemeen kader voor beveiligingsnormen en -procedures vereist is; Handelend namens zichzelf en namens de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Partijen: - i. dragen zorg voor de beveiliging en bescherming: - a. van als zodanig aangemerkte gerubriceerde gegevens ([zie Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001372&bijlage=I&z=1999-03-26&g=1999-03-26)) die afkomstig zijn van de NAVO ([zie Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001372&bijlage=II&z=1999-03-26&g=1999-03-26)) of die door een lidstaat aan de NAVO worden voorgelegd; - b. van als zodanig aangemerkte gerubriceerde gegevens die afkomstig zijn van de lidstaten en die aan een andere lidstaat worden aangeboden ter ondersteuning van een NAVO-programma, -project of -contract; - ii. handhaven het rubriceringsniveau van de onder i bedoelde gegevens en stellen al het mogelijke in het werk om deze dienovereenkomstig te beschermen; - iii. gebruiken de onder i bedoelde gerubriceerde gegevens niet voor andere doeleinden dan die welke zijn vervat in het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) en in de bij dat Ver"},{"i":16752,"b":"Besluit van 9 augustus 2007, houdende regels ter uitvoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg en enkele technische wijzigingen van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Besluit archeologische monumentenzorg) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 februari 2007, nr. WJZ/2007/2608 (8129), directie Wetgeving en Juridische Zaken, in overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 34a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471&artikel=34a), en [48, eerste en tweede lid, van de Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471&artikel=48), [artikel 40a van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=40a) en de [artikelen 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=49) en [190 van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=190); De Raad van State gehoord (advies van 12 april 2007, W05.07.0055/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 augustus 2007, nr. WJZ/2007/11542 (8129), directie Wetgeving en Juridische Zaken, in overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Definitiebepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **aanvraag:** - 1°. voor [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022429&hoofdstuk=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01): aanvraag voor een specifieke uitkering als bedoeld in [artikel 34a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471&artikel=34a), of - 2°. voor [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022429&hoofdstuk=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01): aanvrager van een vergunning als bedoeld in [artikel 45 van de M"},{"i":16760,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 januari 2016, kenmerk 884264-145324-ESTT, houdende een procedure voor benoeming van de voorzitter van een Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Gehoord de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg en de voorzitters van de Regionale Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg; Besluit: Artikel 1 1. Een vacature wordt voor sollicitatie opengesteld door middel van publicatie in één of meer vak, dag- of weekbladen. 2. De sollicitatietermijn sluit 2 weken na datum van de publicatie, bedoeld in het eerste lid. 3. De sollicitatie dient gericht te zijn aan Zijne Majesteit de Koning en bevat een Curriculum Vitae en een opgave van referenten uit de huidige werkkring. Sollicitaties worden gestuurd aan de directeur van de Eenheid Secretariaten Tuchtcolleges en Toetsingscommissies (ESTT) van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Postbus 20350, 2500 EJ Den Haag. Artikel 2 De directeur van de directie ESTT stelt een profielschets op. De inhoud van deze profielschets wordt afgestemd met de voorzitters van de Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg. Artikel 3 1. Er is een commissie van aanbeveling die bestaat uit de directeur van ESTT, de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg indien de vacature een Regionaal Tuchtcollege betreft of een voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege indien de vacature de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege betreft, die als voorzitter fungeert, en een plaatsvervangend voorzitter van het betreffende Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. 2. Gedurende deze procedure kan de commissie van aanbeveling zich laten ondersteunen door een MD-adviseur. 3. Indien een sollicitant lid is van een Regionaal Tuchtcollege waarvan de voorzitter deel uitmaakt van de commissie van aanbeveling, laat deze voorzitter zich vervangen door een voorzitter van een ander Regionaal Tuchtcollege. Indien het gaat om de functie van voorzitter van het CTG en een"},{"i":16749,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 21 oktober 2025, kenmerk 4210318-1086143-Z, houdende de aanwijzing van de zorgkantoren 2026 Gelet op [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4); Besluit: Artikel 1 Van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030 zijn in de hiernavolgende regio’s de daarachter genoemde Wlz-uitvoerders de zorgkantoren: - 1. Groningen: Stichting Zorgkantoor Menzis - 2. Friesland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 3. Drenthe: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 4. Zwolle: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 5. Twente: Stichting Zorgkantoor Menzis - 6. Apeldoorn, Zutphen, en omstreken: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 7. Arnhem: Stichting Zorgkantoor Menzis - 8. Nijmegen: VGZ Zorgkantoor B.V. - 9. Utrecht: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 10. Flevoland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 11. ’t Gooi: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 12. Noord-Holland Noord: VGZ Zorgkantoor B.V. - 13. Kennemerland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 14. Zaanstreek/Waterland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 15. Amsterdam: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 16. Amstelland en de Meerlanden: Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid - 17. Zuid-Holland Noord: Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid - 18. Haaglanden: CZ Zorgkantoor B.V. - 19. Westland Schieland Delfland: Zorgkantoor DSW B.V. - 20. Midden-Holland: VGZ Zorgkantoor B.V. - 21. Rotterdam: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 22. Zuid-Hollandse Eilanden: CZ Zorgkantoor B.V. - 23. Waardenland: VGZ Zorgkantoor B.V. - 24. Zeeland: CZ Zorgkantoor B.V. - 25. West-Brabant: CZ Zorgkantoor B.V. - 26. Midden-Brabant: VGZ Zorgkantoor B.V. - 27. Noordoost Brabant: VGZ Zorgkantoor B.V. - 28. Zuidoost Brabant: CZ Zorgkantoor B.V. - 29. Noord- en Midden-Limburg: VGZ Zorgkantoor B.V. - 30. Zuid-Limburg: CZ Zorgkantoor B.V. - 31. Midden IJssel: Salland Zorgkantoor B.V. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang"},{"i":7655,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/205700, houdende regels met betrekking tot de basisregistratie ondergrond (Regeling basisregistratie ondergrond) Gelet op de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=5), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=8), [9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=9), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=17), [24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=24), en [25, tweede lid, van de Wet basisregistratie ondergrond](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=25); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit basisregistratie ondergrond](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040205); - **catalogus:** catalogus registratie ondergrond als bedoeld in [artikel 17 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=17); - **controlerende partij:** onafhankelijke en deskundige partij die de controle uitvoert in opdracht van de Minister; - **Minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **Organisatie:** Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO als bedoeld in [artikel 3 van de TNO-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=3); - **wet:** [Wet basisregistratie ondergrond](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095). Hoofdstuk 2. Inrichting van de basisregistratie ondergrond Artikel 2 De basisregistratie ondergrond wordt vormgegeven aan de hand van een systeembeschrijving, die wordt gevormd door de Globale Architectuurschets Basisregistratie Ondergrond, en de Programma Start Architectuur Basisregistratie Ondergrond, beide opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040482&bijlage=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bij d"},{"i":7674,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 13 september 2019, nr. WJZ/ 18250526, houdende regels omtrent het verstrekken van gegevens en inlichtingen door de Autoriteit Consument en Markt en het intrekken van de Regeling gegevensverstrekking ACM (Regeling gegevensverstrekking ACM 2019) Gelet op [artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=7); Besluit: Artikel 1 1. De Autoriteit Consument en Markt is bevoegd om aan de volgende bestuursorganen, diensten en toezichthouders gegevens en inlichtingen te verstrekken voor zover dat noodzakelijk is voor de goede vervulling van hun taak: - a. **de Autoriteit Persoonsgegevens:** gegevens en inlichtingen ten behoeve van de in artikel 51 van de Algemene verordening gegevensbescherming opgedragen taak; - b. **de Autoriteit woningcorporaties:** gegevens en inlichtingen ten behoeve van de in [artikel 61 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=61) opgedragen taak; - c. **de Belastingdienst/FIOD:** gegevens en inlichtingen ten behoeve van het opsporen van overtredingen van fiscaal-economische wetgeving; - d. **het Bureau bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur:** gegevens en inlichtingen nodig voor het op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt uitbrengen van een advies als bedoeld in [artikel 9 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=9); - e. **het Bureau Financieel Toezicht:** gegevens en inlichtingen ten behoeve van de in [artikel 110 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=110) en de in [artikel 30 van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=30) opgedragen taken; - f. **het College van Toezicht,** bedoeld in [artikel 2 van de Wet toezicht en geschillenbeslechting co"},{"i":16748,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2020, kenmerk 1783045-214376-Z, houdende de aanwijzing van de zorgkantoren Gelet op [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4); Besluit: Artikel 1 Van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025 zijn in de hiernavolgende regio’s de daarachter genoemde Wlz-uitvoerders de zorgkantoren: - 1. Groningen: Stichting Zorgkantoor Menzis - 2. Friesland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 3. Drenthe: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 4. Zwolle: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 5. Twente: Stichting Zorgkantoor Menzis - 6. Apeldoorn, Zutphen, en omstreken: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 7. Arnhem: Stichting Zorgkantoor Menzis - 8. Nijmegen: VGZ Zorgkantoor B.V. - 9. Utrecht: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 10. Flevoland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 11. ’t Gooi: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 12. Noord-Holland Noord: VGZ Zorgkantoor B.V. . - 13. Kennemerland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 14. Zaanstreek/Waterland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 15. Amsterdam: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 16. Amstelland en de Meerlanden: Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid - 17. Zuid-Holland Noord: Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid - 18. Haaglanden: CZ Zorgkantoor B.V. - 19. Westland Schieland Delfland: Zorgkantoor DSW B.V. - 20. Midden-Holland: VGZ Zorgkantoor B.V. - 21. Rotterdam: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 22. Zuid-Hollandse Eilanden: CZ Zorgkantoor B.V. - 23. Waardenland: VGZ Zorgkantoor B.V. - 24. Zeeland: CZ Zorgkantoor B.V. - 25. West-Brabant: CZ Zorgkantoor B.V. - 26. Midden-Brabant: VGZ Zorgkantoor B.V. - 27. Noordoost Brabant: VGZ Zorgkantoor B.V. - 28. Zuidoost Brabant: CZ Zorgkantoor B.V. - 29. Noord- en Midden-Limburg: VGZ Zorgkantoor B.V. - 30. Zuid-Limburg: CZ Zorgkantoor B.V. - 31. Midden IJssel: Salland Zorgkantoor B.V. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januar"},{"i":16750,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2014, houdende de aanwijzing van de zorgkantoren Gelet op [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2015 zijn in de hiernavolgende regio’s de daarachter genoemde Wlz-uitvoerders de zorgkantoren: - 1. Groningen: Stichting Zorgkantoor Menzis - 2. Friesland: Zorgkantoor Friesland B.V. - 3. Drenthe: Achmea Zorgkantoor N.V. - 4. Zwolle: Achmea Zorgkantoor N.V. - 5. Twente: Stichting Zorgkantoor Menzis - 6. Apeldoorn, Zutphen, en omstreken: Achmea Zorgkantoor N.V. - 7. Arnhem: Stichting Zorgkantoor Menzis - 8. Nijmegen: VGZ Zorgkantoor B.V. - 9. Utrecht: Achmea Zorgkantoor N.V. - 10. Flevoland: Achmea Zorgkantoor N.V. - 11. ’t Gooi: Achmea Zorgkantoor N.V. - 12. Noord-Holland Noord: Univé Zorgkantoor B.V. - 13. Kennemerland: Achmea Zorgkantoor N.V. - 14. Zaanstreek/Waterland: Achmea Zorgkantoor N.V. - 15. Amsterdam: Achmea Zorgkantoor N.V. - 16. Amstelland en de Meerlanden: Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid - 17. Zuid-Holland Noord: Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid - 18. Haaglanden: CZ Zorgkantoor B.V. - 19. Delft Westland Oostland: Zorgkantoor DSW B.V. - 20. Midden-Holland: Trias Zorgkantoor B.V. - 21. Rotterdam: Achmea Zorgkantoor N.V. - 22. Nieuwe Waterweg Noord: Zorgkantoor DSW B.V. - 23. Zuid-Hollandse Eilanden: CZ Zorgkantoor B.V. - 24. Waardenland: Trias Zorgkantoor B.V. - 25. Zeeland: CZ Zorgkantoor B.V. - 26. West-Brabant: CZ Zorgkantoor B.V. - 27. Midden-Brabant: VGZ Zorgkantoor B.V. - 28. Noordoost Brabant: VGZ Zorgkantoor B.V. - 29. Zuidoost Brabant: CZ Zorgkantoor B.V. - 30. Noord- en Midden-Limburg: VGZ Zorgkantoor B.V. - 31. Zuid-Limburg: CZ Zorgkantoor B.V. - 32. Midden IJssel: Salland Zorgkantoor B.V. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16787,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 november 2022 nr. BOACAT2022/080, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Koninklijke Marechaussee in de functie van arrestantenbewaker/-verzorger Gelezen het verzoek van Stafofficier Operationeel Recht van de Koninklijke Marechaussee van 3 november 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de Commandant Koninklijke Marechaussee; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047475&artikel=2&z=2022-11-17&g=2022-11-17). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van JR MDW ATP, MDW ATP, SR MDW ATP, 2e TL ATP in dienst van de Koninklijke Marechaussee, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoa"},{"i":7696,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 oktober 2010, nr. 233714, houdende de toedeling van toezichtsbevoegdheden aan de functionarissen voor de gegevensbescherming van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Regeling toezichtsbevoegdheden functionarissen voor de gegevensbescherming OCW) Gelet op [artikel 64, derde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=64); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **het ministerie:** het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. **OCW:** Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - d. **DUO:** Dienst Uitvoering Onderwijs; - e. **de functionarissen voor gegevensbescherming:** de bij het ministerie benoemde functionarissen voor gegevensbescherming, bedoeld in artikel 37 van de Algemene verordening gegevensbescherming; - f. **de functionaris voor gegevensbescherming OCW:** de bij het ministerie, inclusief de daaronder ressorterende diensten en instellingen, met uitzondering van DUO, benoemde functionaris voor gegevensbescherming; - g. **de functionaris voor gegevensbescherming DUO:** de bij het ministerie, voor zover het betreft verwerkingen van persoonsgegevens door of ten behoeve van DUO, benoemde functionaris voor gegevensbescherming. Artikel 2. Reikwijdte 1. Het toezicht van de functionarissen voor gegevensbescherming strekt zich uit tot de verwerking van alle persoonsgegevens waarvoor de minister de verwerkingsverantwoordelijke is. 2. De functionarissen voor gegevensbescherming kunnen onderling schriftelijke afspraken maken over vervanging van elkaars werkzaamheden. 3. Ook verwerkingen van persoonsgegevens die ten behoeve van de minister buiten het departement plaatsvinden door verwerkers, vallen onder het toezicht, bedoeld in het eerste lid. 4. Het bereik van het toezicht van de functionarissen voor gegevensbesch"},{"i":7633,"b":"Privacyreglement financiële pupillenadministratie Overwegende dat ingevolge de artikelen 19, 20 en 22 van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665) een reglement dient te worden vastgesteld voor de financiële administratie betreffende jeugdigen ten aanzien van wie de hulpverlening door de minister van Justitie wordt gesubsidieerd; Besluit het volgende reglement vast te stellen: Par. 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Artikel 2. Doelstelling De registratie heeft ten doel het vastleggen van gegevens, noodzakelijk voor het doen van betalingen aan autoriteiten, diensten en instellingen, ten behoeve van jeugdigen ten aanzien van wie de hulpverlening door de minister van Justitie wordt gesubsidieerd. Artikel 3. Verantwoordelijkheden 1. De houder is verantwoordelijk voor het beheer en het goed functioneren van de registratie en treft daartoe de nodige voorzieningen op het gebied van organisatie en beveiliging. 2. De beheerder is belast met de dagelijkse leiding van de werkzaamheden. Artikel 4. Invoer en verwerking van de gegevens De invoer en verwerking van de in de registratie opgenomen gegevens, met inbegrip van de verbetering, aanvulling of verwijdering daarvan, geschiedt bij de Hoofdafdeling Financieel Economische Zaken van de Directie Jeugdbescherming en Reclassering door daartoe door de beheerder van de registratie aangewezen ambtenaren. Par. 2. Registratie en herkomst van gegevens Artikel 5. Personen omtrent wie gegevens zijn opgenomen In de registratie worden uitsluitend persoonsgegevens opgenomen over jeugdigen, als bedoeld in [artikel 1, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004803&paragraaf=1&artikel=1&z=1990-07-01&g=1990-07-01), ten aanzien van wie de hulpverlening door de minister van Justitie wordt gesubsidieerd. Artikel 6. Opgenomen gegevens Ten aanzien van de in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004803&paragraaf=2&artikel=5&z=1990-07-01&g=1990-07-01) bedoelde personen worden in de registratie ten hoogste de"},{"i":7640,"b":"Protocol inzake de voorrechten en immuniteiten van de Internationale Organisatie voor Telecommunicatiesatellieten “INTELSAT” Preamble The States Parties to this Protocol, Considering that [paragraph (c) of Article XV of the Agreement relating to the International Telecommunications Satellite Organization](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004067&artikel=XV) (INTELSAT) provides that each Party, including the Party in whose territory the headquarters of INTELSAT is located, shall grant appropriate privileges, exemptions and immunities; Considering that INTELSAT has concluded a Headquarters Agreement with the Government of the United States of America, which entered into force on 24 November 1976; Considering that [paragraph (c) of Article XV of the Agreement relating to INTELSAT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004067&artikel=XV) provides for the conclusion by the Parties, other than the one in whose territory the INTELSAT Headquarters is located, of a Protocol covering privileges, exemptions and immunities; Affirming that the purpose of the privileges, exemptions and immunities covered by this Protocol is to ensure the efficient performance of the functions of INTELSAT; Have agreed as follows: Article 1. Use of Terms For the purposes of this Protocol: - (a). “Agreement” means the [Agreement Relating to the International Telecommunications Satellite Organization](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004067) (INTELSAT), including its Annexes, opened for signature by Governments at Washington on August 20, 1971; - (b). “Operating Agreement” means the agreement, including its Annex, opened for signature at Washington on August 20, 1971, by Governments or telecommunications entities designated by Governments; - (c). “INTELSAT Agreements” means the [Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004067) and the Operating Agreement referred to in (a) and (b) above; - (d). “INTELSAT Party” means a State for which the [Agreement](https://wetten.overhe"},{"i":7717,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 augustus 2020, nr. Min-BuZa.2020.5615-27, houdende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen (Sanctieregeling cyberaanvallen 2020) Gelet op Verordening (EU) nr. 2019/796 van de Raad van 17 mei 2019 betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen (PbEU 2019, LI 129); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 9 van Verordening (EU) nr. 2019/796 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2019 betreffende beperkende maatregelen tegen cyberaanvallen die de Unie of haar lidstaten bedreigen (PbEU 2019, LI 129). 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 3, eerste lid en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2019/796, geldt niet in gevallen waarin artikel 4, eerste lid, artikel 4 bis, eerste, tweede of derde lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, eerste lid, of artikel 7 van Verordening (EU) nr. 2019/796 van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 4 bis, tweede en derde lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, eerste lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2019/796 is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard. 2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 4 bis, tweede en derde lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2019/796 is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen of informatie anders dan van financiële aard. Artikel 3 De"},{"i":7706,"b":"Regeling verstrekking gegevens voor onderzoek naar kansspelverslaving gelet op [artikel 31m van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31m) en [artikel 17 van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=17), Besluit de volgende regels vast te stellen: Paragraaf 1. Definities Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **besluit:** [Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412); - 2. **gegevens:** gegevens en analyses met betrekking tot het speelgedrag van de speler als bedoeld in [artikel 31m, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31m); - 3. **onderzoeksinstelling:** een instelling, zoals een universiteit of onderzoeksorganisatie, ongeacht haar rechtsvorm (publiek- of privaatrechtelijke organisatie) of financieringswijze, die zich bezighoudt met het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en die de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit onderschrijft; - 4. **raad van bestuur:** raad van bestuur van de Kansspelautoriteit als bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - 5. **vergunning:** vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand als bedoeld in [artikel 31a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a); - 6. **vergunninghouder:** houder van een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand als bedoeld in [artikel 31a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a); - 7. **verzoek:** verzoek van een onderzoeksinstelling om verstrekking van gegevens als bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=17); - 8. **wet:** [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Paragraaf 2. Algemene bepali"},{"i":7740,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland Geleid door de wens, de beveiliging te verzekeren van gerubriceerde gegevens die tussen de bevoegde instanties van de twee Staten worden uitgewisseld of die door Duitse of Nederlandse industriële bedrijven en inrichtingen in het kader van overheidsopdrachten worden overgedragen; zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsbepaling 1. In dit Verdrag wordt onder gerubriceerde gegevens verstaan: - a. In de Bondsrepubliek Duitsland: feiten, goederen of informatie, in welke vorm dan ook, ten aanzien waarvan geheimhouding in het algemeen belang is vereist. Zij worden overeenkomstig de vereiste mate van beveiliging door een officiële instelling of op last daarvan gerubriceerd. Een gerubriceerd gegeven is - 1. STRENG GEHEIM, indien kennis nemen door niet gerechtigden het voortbestaan of vitale belangen van de Bondsrepubliek Duitsland of van een van haar deelstaten („Länder\") in gevaar kan brengen, - 2. GEHEIM, indien kennis nemen door niet gerechtigden de veiligheid van de Bondsrepubliek Duitsland of van een van haar deelstaten („Länder\") in gevaar kan brengen of ernstige schade aan haar belangen kan veroorzaken, - 3. VS-VERTRAULICH, indien kennis nemen door niet gerechtigden schadelijk kan zijn voor de belangen van de Bondsrepubliek Duitsland of van een van haar deelstaten („Länder\"), - 4. VS-NUR FÜR DEN DIENSTGEBRAUCH, indien kennis nemen door niet gerechtigden nadelig kan zijn voor de belangen van de Bondsrepubliek Duitsland of van een van haar deelstaten („Länder\"). - b. In het Koninkrijk der Nederlanden: gegevens waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat of van zijn bondgenoten wordt geboden. Deze gegevens worden aangemerkt als staatsgeheim en voorzien van de merking „Stg\" gevolgd door een"},{"i":7648,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 3 februari 2014, nr. IENM/BSK-2014/14758, houdende vaststelling regels met betrekking tot afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur) Gelet op [richtlijn nr. 2012/19](32012L0019)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (PbEU 2012, L 197), de [artikelen 9.2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), [9.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2), [10.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.29), [10.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.41), [10.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.43) en [21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6) en [artikel 5.8, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027464&artikel=5.8); BESLUIT: Artikel 1. Definities 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **actief implanteerbaar medisch hulpmiddel:** actief implanteerbaar medisch hulpmiddel in de zin van artikel 1, tweede lid, onder c, van [richtlijn 90/385/EEG](31990L0385) van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen (PbEU 1990, L 189), dat elektrische en elektronische apparatuur is; - b. **afgedankte elektrische en elektronische apparatuur:** elektrische of elektronische apparaten die afvalstoffen zijn in de zin van artikel 3, onderdeel 1, van de kaderrichtlijn afvalstoffen daaronder begrepen alle onderdelen, subeenheden en verbruiksmaterialen die deel uitmaken van het apparaat op het moment dat het wordt afgedankt; - c. **afgedankte elektrische en elektronische apparatuur van particuliere huishoudens:** afgedankte elektrische en elektronis"},{"i":16751,"b":"Besluit van 20 november 2020, houdende bepalingen inzake de uitwisseling van gegevens tussen Regionale Ambulancevoorzieningen en afdelingen spoedeisende hulp en aanpassingen van verschillende algemene maatregelen van bestuur vanwege de invoering van de Wet ambulancezorgvoorzieningen (Besluit ambulancezorgvoorzieningen) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 21 september 2020, kenmerk 1743288-210008-WJZ; Gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=10), [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a), [artikel 1, tweede lid, van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042294&artikel=1), [artikel 2, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=2), [artikel 15, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=15), en [artikel 71, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=71); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 oktober 2020, no. W13.20.0342/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 18 november 2020, 1779288-210008-WJZ); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De volgende persoonsgegevens worden van de afdelingen spoedeisende hulp door de Regionale Ambulancevoorziening ontvangen: - –. het geslacht en de geboortedatum van de patiënt; - –. de inzetgegevens bestaande uit inzetnummer, ambulancenummer en patiëntnummer. 2. De volgende bijzondere persoonsgegevens worden van de afdelingen spoedeisende hulp door de Regionale Ambulancevoorziening ontvangen: - –. de diagnose gesteld op de afdeling spoedeisende hulp; - –. een omschrijving, met nadere toelichting, bij de gestelde"},{"i":16761,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 februari 2008, nr. Z/VU-2832371, houdende bepaling vestigingsplaats College voor zorgverzekeringen Gelet op [artikel 58, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); Besluit: Het Zorginstituut is gevestigd in de gemeente Diemen. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7731,"b":"Wet van 9 februari 2022, houdende regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/881 (Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is [Verordening (EU) 2019/881](32781R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake Enisa (het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging), en inzake de certificering van de cyberbeveiliging van informatie- en communicatietechnologie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 526/2013 (de cyberbeveiligingsverordening) (PbEU 2019, L151) uit te voeren, en dat het wenselijk is de hiervoor noodzakelijke bepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **conformiteitsbeoordeling:** conformiteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 17, van de cyberbeveiligingsverordening; - –. **conformiteitsbeoordelingsinstantie:** conformiteitsbeoordelingsinstantie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van de cyberbeveiligingsverordening; - –. **cyberbeveiligingsverordening:** [verordening (EU) 2019/881](32019R0881) van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake Enisa (het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging), en inzake de certificering van de cyberbeveiliging van informatie- en communicatietechnologie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 526/2013 (de cyberbeveiligingsverordening) (PbEU 2019, L151); - –. **EU-conformiteitsverklaringen:** EU-conformiteitsverklaring afgegeven met inachtneming van artikel 53 van de cyberbeveiligingsverordening; - –. **Europees cyberbeveiligingscertificaat:** Europees cyberbeveiligingscertificaat als bedoeld in ar"},{"i":7684,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 20 juni 2016 houdende nadere regels zoals bedoeld in de artikelen 19a en 31, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het doen van een melding en de wijze van indiening van gegevens aan het Bureau (Regeling meldplicht voor gerechtsdeurwaarders en wijze indiening van gegevens aan het Bureau) Gelet op de [artikelen 19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=19a) en [31, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=31); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **gerechtsdeurwaarder-organisatie:** alle wijzen waarop de gerechtsdeurwaarder zijn werkzaamheden heeft georganiseerd; - b. **melding:** een melding als bedoeld in [artikel 19a van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=19a); - c. **stagiair:** degene voor wie een stageverplichting in de zin van [artikel 26 van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=26) geldt. Artikel 2. Meldplicht Als zich een gebeurtenis voordoet die aanmerkelijke nadelige gevolgen heeft of zou kunnen hebben voor de financiële positie van een gerechtsdeurwaarder, meldt de gerechtsdeurwaarder dit volledig en onverwijld aan het Bureau. Artikel 3. Gebeurtenis Als gebeurtenis in de zin van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038129&artikel=2&z=2016-07-01&g=2016-07-01) van deze regeling worden aangemerkt: - 1. Wijzigingen in de gerechtsdeurwaarder-organisatie met gevolgen voor de continuïteit. - 2. Langdurige buitengewone omstandigheden die de persoon van de gerechtsdeurwaarder betreffen, waaronder: - a. afwezigheid in verband met arbeidsongeschiktheid waardoor de continuïteit gevaar kan lopen; - b. ontstentenis door een andere reden van persoonlijke aard al dan niet buiten de wil van de gerechtsdeurwaarder, waaronder de situatie dat de gerechtsdeurwaarder wegens zijn lichame"},{"i":7615,"b":"Besluit van de directeur Cybersecurity, Weerbaarheid Statelijke Dreigingen en Economische Veiligheid van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 januari 2024, nr. 5164820, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Cybersecurity, Weerbaarheid Statelijke Dreigingen en Economische Veiligheid NCTV 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge[artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Mandaatbesluit NCTV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=1)aan de directeur Cybersecurity, Weerbaarheid Statelijke Dreigingen en Economische Veiligheid verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun afdeling betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van de Afdeling Weerbaarheid Statelijke Dreigingen en Economische Veiligheid; - b. het hoofd van de Afdeling Cybersecurity. Artikel 2 De in[artikel 1, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049338&artikel=1&z=2024-02-10&g=2024-02-10), genoemde functionarissen wordt toegestaan elkaar volledig te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars bevoegdheden. Artikel 3 Het [Mandaatbesluit Cyber Security en Statelijke Dreigingen NCTV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042184) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2022. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Cybersecurity, Weerbaarheid Statelijke Dreigingen en Economische Veiligheid NCTV 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16759,"b":"Besluit van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank van 16 januari 2025, houdende de bekendmaking van de Beleidsregels transitievergoeding PGB (Besluit Beleidsregels transitievergoeding PGB) Gelet op [artikel 34, eerste lid, onderdeel d, Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34), [artikel 3.3.3 Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) (Wlz), [artikel 2.6.2 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.2) (Wmo 2015), [artikel 8.1.8 Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.1.8) (Jw), [artikel 13a lid 8 Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=13a) (Zvw) jo. [artikel 6a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6a.1) en [artikel 6a.2 Regeling Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6a.2); Besluit: Artikel I Bij de uitvoering van [artikel 3.3.3 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3), [artikel 2.6.2 Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.2), [artikel 8.1.8 Jw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.1.8), [artikel 13a lid 8 Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=13a) jo. [artikel 6a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6a.1) en [artikel 6a.2 Regeling Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6a.2), past de Sociale verzekeringsbank het beleid toe dat is gepubliceerd. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Beleidsregels transitievergoeding PGB. Bijlage Gepubliceerd op [https://puc.overheid.nl/svb/](https://puc.overheid.nl/svb/). Dit besluit zal met toelichting in de Staat"},{"i":16753,"b":"Besluit basisopleiding bewindvoerder Wsnp niet-advocaten Gezien: – [Artikel 48c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48c) en [48d van de Wet justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48d) (Staatsblad 1998, nr. 447); – [Artikel 3, lid 1 van het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012226&artikel=3) (Staatsblad 2001, nr. 80 en Staatsblad 2004, nr. 200); – [Titel III van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&titeldeel=III) (Staatsblad 1998, nrs. 445 en 447); – [Art 1, lid 2 van het Reglement register bewindvoerder Wsnp](onbekend) van 1 oktober 2007. Stelt het navolgende beleid vast met betrekking tot de basisopleiding bewindvoerder Wsnp voor niet-advocaten. Artikel 1 De Raad kan opleidingen erkennen als basisopleiding bewindvoerder Wsnp. Met het succesvol afronden van zo’n opleidingstraject voldoet een kandidaat aan [art 1, lid 2 van het Reglement register bewindvoerders Wsnp](onbekend) van 1 oktober 2007. Artikel 2 Een opleidingsinstituut kan de Raad schriftelijk om erkenning van de opleiding verzoeken. Het verzoek dient vergezeld te gaan van documentatie waarmee de Raad het verzoek kan beoordelen. Artikel 3 De Raad toetst het verzoek en de bijlagen aan de criteria die in dit besluit zijn vastgelegd. Mits het verzoek compleet is, neemt de Raad binnen zes weken na ontvangst een besluit. Tegen dit besluit is bezwaar mogelijk volgens de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Artikel 4 De erkenning geldt zolang de inhoud van een opleiding of de criteria voor erkenning niet wijzigen. Indien hier wel een wijziging in optreedt, vervalt de erkenning en dient de opleiding een nieuwe erkenningsprocedure te starten. Wijzigen de criteria voor erkenning, dan vervalt de erkenning eveneens automatisch. De Raad dient het opleidingsinstituut in de gelegenheid te stellen in een vooraf gestelde termijn de inhoud"},{"i":16754,"b":"Besluit van 22 januari 1979, houdende vaststelling van nadere regelen omtrent omschrijvingen van begrippen gebezigd in de Algemene Bijstandswet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 8 november 1978; Afdeling Harmonisatie Bijstand Dienstverlening nr. 2; Gelet op [artikel 1**a**, derde lid, van de Algemene Bijstandswet](onbekend); Gezien het advies van het College [Algemene Bijstandswet](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 29 november 1978, nr. 27); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris voornoemd van 12 januari 1979; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt onder \"de wet\" verstaan: de [Algemene Bijstandswet](onbekend). Artikel 2 Voor de toepassing van artikel 1**a**, eerste lid, van de wet wordt verstaan onder instelling: een organisatie waarin twee of meer natuurlijke personen maatschappelijke of medische dienstverlening tot taak hebben. Artikel 3 Voor de toepassing van artikel 1**a**, eerste lid, van de wet wordt verstaan onder - a. maatschappelijke dienstverlening: het geheel van activiteiten dat, in meerdere of mindere mate georganiseerd en al dan niet beroepsmatig verricht, tot doel heeft het maatschappelijk functioneren van personen of groepen te herstellen of te bevorderen. - b. medische dienstverlening: dienstverlening in het kader waarvan medische, paramedische, psycho-therapeutische, farmaceutische of verpleegkundige hulp wordt verleend. Artikel 4 Voor de toepassing van artikel 1**a**, eerste lid, van de wet is onder maatschappelijke of medische dienstverlening in ieder geval begrepen het verrichten van werkzaamheden die liggen op het terrein van de voorzieningen, welke voorkomen op een door Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk vast te stellen lijst. Deze lijst en wijzigingen daarin worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 5 Dit besluit, dat kan worden aangehaald als Besluit begripsomschrijvingen [artikel 1**a** Alg"},{"i":7800,"b":"Wet van 5 juli 1997 tot wijziging van bepalingen van de Mediawet, de Wet op de telecommunicatievoorzieningen en de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 in verband met de liberalisering van de mediawetgeving Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de ontwikkeling van nieuwe diensten wenselijk is de wetgeving op het gebied van de distributie-infrastructuren (draadomroepinrichtingen, aardse zenders en satellieten) aan te passen aan nieuwe technische en economische omstandigheden, een aantal niet langer zinvolle beperkingen voor commerciële omroep en abonneeprogramma’s te schrappen en de publieke omroep de mogelijkheid te geven nieuwe diensten aan te bieden, en dat daartoe de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149), de Wet op de telecommunicatievoorzieningen en de [Radio-Omroep-Zender-Wet 1935](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001965) moeten worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Mediawet. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de telecommunicatievoorzieningen. ARTIKEL III Wijzigt de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935. ARTIKEL IV Het koninklijk besluit van 17 december 1996 (**Stb.** 635) tot vaststelling van het tijdstip waarop [artikel 69 van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=69) vervalt, wordt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geacht betrekking te hebben op [artikel 82**l**van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=82). ARTIKEL V [Artikel 82**f** van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=82f) is niet van toepassing op het gebruik van frequenties krachtens vóór het tijdstip van inwerkingtreding van genoemd artikel verleende machtigingen als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de telecommunica"},{"i":7634,"b":"Privacyreglement JUFAR raden voor de kinderbescherming Overwegende dat ingevolge de artikelen 19, 20 en 22 van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665) een reglement dient te worden vastgesteld voor de geautomatiseerde comptabeleadministratie JUFAR bij de raden voor de kinderbescherming: Besluit het volgende reglement vast te stellen: Par. 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: Artikel 2. Doelstelling De registratie heeft ten doel het vastleggen overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075) 1976 van handelingen ten behoeve van het beheer van overheidsgelden en voorts van de bestemming en doorbetaling van gelden die ontvangen zijn ten behoeve van minderjarigen en jong meerderjarigen. Artikel 3. Verantwoordelijkheden 1. De houder is verantwoordelijk voor het beheer en het goed functioneren van de registratie en treft daartoe de nodige voorzieningen op het gebied van organisatie en beveiliging. 2. De beheerder is belast met de dagelijkse leiding van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid Artikel 4. Invoer en verwerking van gegevens De invoer en verwerking van de in de registratie opgenomen gegevens, met inbegrip van de verbetering, aanvulling of verwijdering daarvan geschiedt op de afdeling boekhouding. De invoer en verwerking geschiedt door daartoe door het hoofd van de afdeling boekhouding aangewezen ambtenaren van de afdeling boekhouding. Par. 2. Registratie en herkomst van gegevens Artikel 5. Personen omtrent wie gegevens zijn opgenomen In de registratie worden uitsluitend persoonsgegevens opgenomen over: - a. personeelsleden verbonden aan het bureau van de raad; - b. de leden van de raad; - c. crediteuren van de raad - d. debiteuren van de raad - e. personen, die ingevolge de wet, bij rechterlijke beslissing of krachtens overeenkomst zijn verplicht tot een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, dan wel ter bestrijding van"},{"i":7641,"b":"Protocol inzake de voorrechten, vrijstellingen en immuniteiten van de Europese Organisatie voor Telecommunicatiesatellieten (EUTELSAT) The States Parties to this Protocol: Having regard to the [Convention and the Operating Agreement on the European Telecommunications Satellite Organization (EUTELSAT)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002146) opened for signature at Paris on 15 July 1982 and, in particular, to [Articles IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002146&artikel=IV) and [XVII c) of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002146&artikel=XVII); Take note that EUTELSAT has concluded a Headquarters Agreement with the Government of the French Republic on 15 November 1985; Considering that the aim of this Protocol is to facilitate the achievement of the purpose of EUTELSAT and to ensure the efficient performance of its functions; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purposes of this Protocol: - a). \"[Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002146)\" means the Convention establishing the Europaen Telecommunications Satellite Organization (EUTELSAT), including its Annexes, opened for signature at Paris on 15 July 1982; - b). \"Operating Agreement\" means the Operating Agreement relating to the European Telecommunications Satellite Organization (EUTELSAT), including its Annexes, opened for signature at Paris on 15 July 1982; - c). \"Party to the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002146)\" means a State for which the Convention is in force or has been provisionally applied; - d). \"Headquarters Party\" means the Party of the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002146) in whose territory EUTELSAT has established its headquarters; - e). \"Signatory\" means the telecommunications entity or the Party that has signed the Operating Agreement and for which that Agreement is in force or has been provisionally applied; - f). \"Party to the Protocol\" means a State for which this Protocol"},{"i":7718,"b":"Statuut en Verdrag van de Internationale Unie voor Telecommunicatie Preambule*Noot van het Algemeen Secretariaat: In overeenstemming met Resolutie 70 (Minneapolis 1998) inzake het opnemen van genderaspecten in het werk van de ITU, dient de in de tekst van het Statuut gebruikte taal te worden beschouwd als genderneutraal. **1**Met volledige erkenning van de soevereine rechten van elke Staat om zijn telecommunicatie te reglementeren en gelet op het groeiende belang van telecommunicatie voor het behoud van de vrede en de economische en sociale ontwikkeling van alle Staten, zijn de Staten die Partij zijn bij dit Statuut, als basisakte van de Internationale Unie voor Telecommunicatie, en bij het Verdrag van de Internationale Unie voor Telecommunicatie (hierna te noemen „het Verdrag\") dat dit Statuut aanvult, met het doel de vreedzame betrekkingen, de internationale samenwerking tussen volkeren alsmede de economische en sociale ontwikkeling te vergemakkelijken door middel van efficiënte telecommunicatiediensten, het volgende overeengekomen: Betreft de Nederlandse tekst van het Statuut en het Verdrag van de Internationale Unie voor Telecommunicatie van 1992, zoals gewijzigd bij de Akten van Kyoto (1994) en Minneapolis (1998), Trb. 2001,90. HOOFDSTUK I. BASISBEPALINGEN Artikel 1. Doel van de Unie **2** 1. Het doel van de Unie is: **3 PP-98** a. het instandhouden en uitbreiden van de internationale samenwerking tussen al haar Lidstaten voor de verbetering en het rationele gebruik van alle vormen van telecommunicatie; **3A PP-98** abis. het bevorderen en uitbreiden van de deelname van entiteiten en organisaties aan de activiteiten van de Unie en het aanmoedigen van een vruchtbare samenwerking alsmede partnerschap tussen hen en de Lidstaten voor het verwezen- lijken van de algemene doelstellingen zoals neergelegd in de doelen van de Unie; **4 PP-98** b. het bevorderen en bieden van technische bijstand aan ontwikkelingslanden op het gebied van telecommunicatie, en het bevordere"},{"i":7707,"b":"Regeling verwijdering justitiële gegevens Gelet op [artikel 8 van het Besluit registratie justitiële gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002293&artikel=8); Besluit: Artikel 1 1. De gegevens die met toepassing van [artikel 7 van het Besluit registratie justitiële gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002293&artikel=7) uit de algemene documentatieregisters worden verwijderd, worden opgenomen in een archiefbestand. 2. De gegevens die tevens voorkomen op ingevolge [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002195&artikel=9), of [artikel 10, eerste lid, van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002195&artikel=10) niet uit het strafregister verwijderde strafbladen, worden niet uit de algemene documentatieregisters verwijderd. Artikel 2 1. Van een in de algemene documentatieregisters opgenomen kaart waarop zowel gegevens voorkomen waarvan de bewaringstermijn nog niet is verstreken als gegevens die moeten worden verwijderd, wordt een kopie gemaakt. 2. Op de originele kaart worden de gegevens die ingevolge [artikel 7 van het Besluit registratie justitiële gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002293&artikel=7) moeten worden verwijderd, onleesbaar gemaakt. Deze kaart wordt in het algemeen documentatieregister teruggeplaatst. 3. Op de kopie van de kaart worden de gegevens, waarvoor de bewaringstermijn nog niet is verstreken, onleesbaar gemaakt. Deze kaart wordt in het archiefbestand opgenomen. Artikel 3 Het archiefbestand wordt gerangschikt op geboortejaar en daarbinnen op alfabetisch-lexicografische volgorde. Het archiefbestand wordt bewaard op een uitsluitend voor de beheerder van de afdeling van de justitiële documentatie toegankelijke plaats. Artikel 4 De elektronische gegevensdrager (optical disk) waarop gegevens die in afwachting en ten behoeve van de conversie van de algemene documentatieregisters naar een geautomatiseerde justi"},{"i":7741,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens (met Bijlage) Het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië, Hierna gezamenlijk te noemen „partijen“ of afzonderlijk „partij“, In het belang van de nationale veiligheid en om de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die binnen de reikwijdte van samenwerkingsinstrumenten, contracten en overige overeenkomsten tussen de partijen, hun geaccrediteerde natuurlijke personen, lichamen alsmede publieke en private entiteiten worden uitgewisseld, Geleid door de wens een kader voor regels en procedures inzake gerubriceerde gegevens vast te stellen in overeenstemming met de nationale wet- en regelgeving van de partijen, Bevestigend dat dit Verdrag de verplichtingen van beide partijen die voortvloeien uit andere internationale overeenkomsten onverlet laat en niet gebruikt wordt om in te gaan tegen de belangen, veiligheid en territoriale integriteit van andere staten, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Doel 1. In dit Verdrag worden de regels en procedures vastgesteld voor de beveiliging van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen bovengenoemde partijen, hun geaccrediteerde natuurlijke personen, lichamen alsmede publieke of private entiteiten onder hun rechtsmacht. 2. Dit Verdrag vormt geen basis om de partijen ertoe te verplichten gerubriceerde gegevens te verstrekken of uit te wisselen. Artikel II. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. Verdrag, dit verdrag met inbegrip van de Bijlagen daarbij; - b. Bijlage, een bijlage bij dit Verdrag; - c. Gerubriceerd contract, een contract, met inbegrip van eventuele voorafgaande contractonderhandelingen, waarbij voor de uitvoering toegang of mogelijk toegang tot gerubriceerde gegevens vereist is of waarbij deze gecreëerd worden; - d. Gerubriceerde gegevens, gegevens, materiaal of"},{"i":7647,"b":"Regeling van 1 februari 2008, nr. 5528485/08, houdende regels tot het aanwijzen van wetgeving, genoemd in artikel 4:2, tweede lid, van het Besluit politiegegevens Gelet op [artikel 4:2, tweede lid, van het Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=4:2); Besluiten: Artikel 1 Als wetgeving, genoemd in [artikel 4: 2, tweede lid, van het Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=4:2), wordt aangewezen: [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) Europese Verordening Overbrengen Afvalstoffen ([Verordening (EEG) nr. 259/93](31993R0259) van de Raad van Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993) [Bestrijdingsmiddelenwet 1962](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002380) [Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606) [Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458) [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054) [Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642) [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) [Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364) [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009) [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) [Wet goederenvervoer over de weg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005443) [Havenbeveiligingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016991) [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) [Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746) [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) gemeentelijke verordeningen betreffende het escor"},{"i":16755,"b":"Besluit beheer sociale-huursector (BBSH). Toepassing van het toezicht Geacht College/Bestuur, Met deze MG-circulaire wil ik u kort informeren over de wijziging van: De meldingsplicht als bedoeld in [artikel 11d BBSH](onbekend) en De wijziging van bijlagen I en II als bedoeld in [artikel 25b, tweede lid](onbekend), respectievelijk [artikel 26, derde lid, van het BBSH](onbekend) Ad I. De meldingsplicht als bedoeld in [artikel 11d BBSH](onbekend) In de ministeriële [regeling beperking meldingsplicht BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013429) en in de daarbij behorende MG 2002-06 is neergelegd, dat de verkoop van huurwoningen aan eigenaar-bewoners niet gemeld behoefde te worden, indien terzake die verkoop prestatieafspraken waren gemaakt tussen de gemeente en de aldaar werkzame toegelaten instelling(en). Deze prestatieafspraken dienden tevens gemeld te zijn bij de toenmalige Inspectie van de Volkshuisvesting. In genoemde MG is aangekondigd, dat de eis van het hebben van prestatieafspraken per 1 januari 2003 zal vervallen. Bij deze doe ik de toezegging van voormalig Staatssecretaris van VROM, de heer Remkes, gestand. Wel wijs ik u er op dat voor verkopen waarbij voor een lager percentage wordt verkocht dan 90% van de marktwaarde nog steeds ontheffing gevraagd dient te worden, tenzij het een woning betreft die verkocht wordt in het kader van de [Wet bevordering eigen woningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919) (BEW). Een verzoek om ontheffing van het 90% criterium dient aan mij voorgelegd te worden p/a de Directeur Stad en Regio van het Directoraat-Generaal Wonen van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer, Interne postcode 210, Postbus 30941, 2500 GX Den Haag. Ik zal dergelijke verzoeken overigens slechts honoreren, indien in de verkoopcontracten beperkende voorwaarden, zoals waardedeling en teruggave van de verleende 'korting' bij verkoop door de eigenaar-bewoner, zijn opgenomen. Dit vooruitlopend op de doo"},{"i":16756,"b":"Besluit van 14 december 2000, houdende aanduiding van de premies die worden gebruikt voor de bekostiging van uitgaven in verband met de invoering van de Werkloosheidswet en Ziektewet voor overheidspersoneel (Besluit bekostiging invoering Werkloosheidswet en Ziektewet voor overheidspersoneel) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 oktober 2000, AB2000/U93738, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Uitkeringen en Pensioenen, mede namens Onze Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst; Gelet op [artikel 90, achtste lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267&artikel=90); De Raad van State gehoord (advies van 7 december 2000, nummer W04.00.0508/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 december 2000, AB2000/U101301, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Uitkeringen en Pensioenen, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267); - b. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. Lisv: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; - d. uitvoeringsinstelling: de uitvoeringsinstelling die in opdracht van het Lisv belast is met de voorbereiding van de invoering van de Werkloosheidswet en de Ziektewet voor het overheidspersoneel; - e. WW-premies: de vanaf 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 op grond van [artikel 89, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267&artikel=89)"},{"i":16762,"b":"Besluit van 23 september 1986, houdende a. bepalingen met betrekking tot de betaling van de vakantie-uitkering in 1985 en b. vaststelling van een drietal overgangsregelingen per 1 juni 1985 in verband met de Wet afschaffing overneming premie A.O.W./A.W.W Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, van 25 juli 1986, Afdeling Arbeidsvoorwaarden Militair Personeel, nr. D 86/096/22673; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) (**Stb.** 519), artikel 2 van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen (**Stb.** 1971, 231) en artikel III, onderdeel B van de Wet afschaffing overneming premie A.O.W./A.W.W. (**Stb.** 1985, 288); De Raad van State gehoord (advies van 21 augustus 1986, nr. W 07.86.0388); Gezien het nader rapport van de voornoemde Staatssecretaris van 15 september 1986, nr. D 86/096/28077; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Bepaling met betrekking tot de betaling van de vakantie-uitkering in 1985 Artikel I In afwijking van artikel 4, eerste lid, van het Besluit vakantie-uitkering militairen zeemacht (**Stb.** 1954, 607) onderscheidenlijk artikel 44, eerste lid, van de Regeling inkomsten militairen land- en luchtmacht 1969 (**Stb.** 1968, 523) wordt de vakantie-uitkering over de periode van tien maanden, die is aangevangen met de maand juni 1984 betaald in maart 1985 en wordt in mei 1985 de vakantie-uitkering over de maanden april en mei 1985 betaald. Hoofdstuk II. Vaststelling van een drietal overgangsregelingen per 1 juni 1985 in verband met de Wet afschaffing overneming premie A.O.W./A.W.W. Artikel II 1. Voor de militair wiens bezoldiging op 31 mei 1985 wordt verhoogd op grond van artikel 3, vijfde lid, van het Besluit herziening bezoldiging militairen zeemacht 1954 (**Stb.** 50) onderscheidenlijk die aanspraak heeft op een garantietoelage op grond van artikel 37, tweede lid, van de Regeling inkomsten militairen land- en luchtmacht 1969 (**Stb.** 1968, 523) wordt het i"},{"i":16758,"b":"Besluit van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank van 3 december 2024, houdende de bekendmaking van de Beleidsregels tegemoetkoming zaakschade PGB (Besluit Beleidsregels tegemoetkoming zaakschade PGB) Gelet op [artikel 34, eerste lid, onderdeel d, Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34), [artikel 3.3.3 Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) (Wlz), [artikel 2.6.2 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.2) (Wmo 2015), [artikel 8.1.8 Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.1.8) (Jw), [artikel 13a lid 8 Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=13a) (Zvw) jo. [artikel 6a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6a.1) en [artikel 6a.2 Regeling Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6a.2); Besluit: Artikel I Bij de uitvoering van [artikel 3.3.3 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3), [artikel 2.6.2 Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.2), [artikel 8.1.8 Jw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.1.8), [artikel 13a lid 8 Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=13a) jo. [artikel 6a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6a.1) en [artikel 6a.2 Regeling Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6a.2), past de Sociale verzekeringsbank het beleid toe dat is gepubliceerd. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Beleidsregels tegemoetkoming zaakschade PGB. Bijlage Gepubliceerd op https://puc.overheid.nl/svb/. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worde"},{"i":16757,"b":"Besluit van de Raad voor Rechtsbijstand inzake bekrachtiging besluiten in het kader van de Wbtv en Wsnp in de periode van 18 augustus 2021 tot en met heden BESLUIT I tot bekrachtiging van de, door medewerkers in de functie van: - •. administratief medewerker Wet beëdigde tolken en vertalers - •. medewerker Wet beëdigde tolken en vertalers - •. stafmedewerker Wet beëdigde tolken en vertalers - •. teamleider Wet beëdigde tolken en vertalers gedurende de periode 18 augustus 2021 tot heden, volgende genomen besluiten: op grond van: - –. [artikel 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) en [5, eerste en tweede lid van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=5) van 9 december 2008; - –. de erkenning van EG-beroepskwalificaties en tijdelijke en incidentele werkzaamheden van migrerende of grensoverschrijdende beoefenaren van de Nederlandse gereglementeerde beroepen tolk en vertaler, zoals vermeld in [artikel 2 van de regeling erkenning EG-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024932&artikel=2); - –. de Wet openbaarheid van bestuur voor zover de bestuurlijke aangelegenheid taken en bevoegdheden in de [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) en [5, eerste en tweede lid van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=5) van 9 december 2008 en bevoegdheden met betrekking tot de erkenning van EG-beroepskwalificaties en tijdelijke en incidentele werkzaamheden van migrerende of grensoverschrijdende beoefenaren van de Nederlandse gereglementeerde beroepen tolk en vertaler, zoa"},{"i":7738,"b":"Verdrag tot oprichting van de Europese Organisatie voor Telecommunicatiesatellieten \"EUTELSAT\", zoals gewijzigd op 20 mei 1999 Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, De nadruk leggend op het belang van telecommunicatie door middel van satellieten voor de verbetering van de betrekkingen tussen hun volken en hun economieën, en op hun verlangen hun samenwerking op dit gebied te vergroten, Overwegend dat de Voorlopige Europese Organisatie voor Telecommunicatiesatellieten „INTERIM EUTELSAT” werd opgericht ten behoeve van de exploitatie van ruimtesectoren van Europese systemen van telecommunicatiesatellieten, Gelet op de desbetreffende bepalingen van het [Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004403), gesloten te Londen, Moskou en Washington op 27 januari 1967, Verlangend de totstandkoming en exploitatie van het EUTELSAT-systeem van telecommunicatiesatellieten voort te zetten als onderdeel van een trans-Europees telecommunicatienet dat dienst zal doen voor het telecommunicatieverkeer tussen alle deelnemende Staten, onverminderd de rechten en verplichtingen van de Staten die Partij zijn bij de desbetreffende Verdragen van de Europese Unie en andere internationale overeenkomsten, Erkennend de noodzaak de technische, economische, reglementaire en politieke ontwikkelingen in Europa en de wereld te volgen en zich hieraan zonodig aan te passen, en met name de wens de exploitatie-werkzaamheden en de bijbehorende activa van EUTELSAT onder te brengen in een onder een nationale rechtsbevoegdheid vallende vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die, met inachtneming van algemeen aanvaarde commerciële grondbeginselen en overeenkomstig de Regeling, werkt op een gezonde economische en financiële grondslag, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I. Begripsomschrijvingen In dit Verdra"},{"i":16788,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 2 november 2021 nr. BOACAT2021/056, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Sociale Verzekeringsbank Gelezen het verzoek van de Sociale Verzekeringsbank van 31 mei 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045805&artikel=2&z=2021-11-10&g=2021-11-10). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Sociaal Rechercheur in dienst van de Sociale Verzekeringsbank, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling"},{"i":7694,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 19 maart 2020, nr. 20067632, houdende vaststelling van een technisch protocol met betrekking tot de wijze van aflevering van geïntercepteerde telecommunicatie (Regeling technisch protocol aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten) Gelet op [artikel 3 van het Besluit aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009999&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten, dragen bij de uitvoering van een bevel op grond van het [Wetboek van strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), dan wel een toestemming op grond van de [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896), tot het opnemen of aftappen van telecommunicatie, de geïntercepteerde telecommunicatie over overeenkomstig de technische eisen zoals neergelegd in de als [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043298&bijlage=A&z=2020-04-01&g=2020-04-01) bij deze regeling opgenomen technische standaard (ETSI-IP.nl versie 4.0, 2017-11 op basis van ETSI TS 102 232-01 tot en met ETSI TS 102 232-07). Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043298&artikel=1&z=2020-04-01&g=2020-04-01) kunnen aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten tot 1 januari 2021 bij de uitvoering van een bevel op grond van het [Wetboek van strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), dan wel een toestemming op grond van de [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896), tot het opnemen of aftappen van telecommunicatie, de geïntercepteerde telecommunicatie overdragen overeenkomstig de technische eisen zoals neergelegd in de als [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043298&bijlage=B&z=2020-04"},{"i":7668,"b":"Regeling gegevens aardolieprodukten 1985 Gelet op [artikel 10 van de Wet uitvoering Internationaal Energieprogramma](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003235&artikel=10) (Stb. 1979, 187); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Hij, die in de uitoefening van een bedrijf in een kalendermaand aardolieprodukten: - a. in Nederland heeft bewerkt of verwerkt, dan wel heeft doen bewerken of verwerken; - b. in Nederland in opslag heeft gehouden in douane-entrepot, accijnsentrepot of anderszins voor rekening van derden, - c. heeft gekocht of verkocht op de binnenlandse markt, indien dit in het laatst verstreken kalenderjaar hoeveelheden betreft van 50 000 ton of meer, is verplicht binnen 30 dagen na afloop van die maand gegevens te verstrekken betreffende de hoeveelheden en zijn wederpartijen, voor zover aangegeven in bijlage I, een en ander met betrekking tot de invoer, de uitvoer, de binnenlandse aankopen, de afleveringen, de bewerking, de verwerking en zijn verbruik ten behoeve van de verwerking van de in bijlage I bedoelde aardolieprodukten in die maand, en met betrekking tot de opslag als bovenbedoeld van de in bijlage I bedoelde aardolieprodukten op de laatste dag van die maand. Artikel 3 Hij, die in de uitoefening van een bedrijf in een kalendermaand ruwe aardolie van oorsprong uit het binnenland of het continentaal plat heeft aangekocht, ten einde deze ruwe aardolie in het binnenland te verwerken of in het binnenlands verkeer te brengen, is verplicht binnen 20 dagen na afloop van die maand gegevens te verstrekken betreffende de prijzen, de hoeveelheden, de oorsprong, de kwaliteiten en de voorwaarden van verwerving, met betrekking tot de in bijlage II genoemde ruwe aardolie die hij in die maand heeft aangekocht. Artikel 4 Hij, die in de uitoefening van een bedrijf in een kalendermaand ruwe aardolie voor verwerking in Nederland heeft ingevoerd, is verplicht binnen 20 dagen na afloop van die maand gegevens te verstrekken betreffende de"},{"i":7656,"b":"Regeling Bescherming persoonlijke levenssfeer bij de geautomatiseerde registratie van persoonsgegevens in het kader van de Wet effectenhandel Gelet op de [aanwijzingen van de minister-president van 7 maart 1975 (Stcrt. 50) inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen, waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de Rijksoverheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002958), Besluit: vast te stellen de volgende regeling met betrekking tot de geautomatiseerde registratie van persoonsgegevens betreffende personen die uit hoofde van de toepassing van de Wet effectenhandel door de minister van Financiën worden aangemerkt als aanbieder van effecten, effectenbemiddelaar dan wel beheerder van een fonds voor gemene rekening als bedoeld in voornoemde wet. Algemene bepaling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Doelstelling registratie Artikel 2 De doelstelling van de registratie is het systematisch vastleggen, opslaan, en ter beschikking stellen van gegevens ten behoeve van de uitvoering van en het toezicht op de naleving van de Wet effectenhandel. Geregistreerde personen en gegevens Artikel 3 1. In de registratie worden gegevens opgenomen betreffende natuurlijke personen en rechtspersonen die, gelet op het bepaalde in de Wet effectenhandel, door de Minister van Financiën worden aangemerkt als aanbieder van effecten, effectenbemiddelaar dan wel beheerder van een fonds voor gemene rekening als bedoeld in voornoemde wet. 2. Ter zake van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke personen worden in de registratie de volgende gegevens opgenomen: - a. invoerdatum; - b. naam; - c. adres; - d. postcode en woonplaats; - e. nationaliteit; - f. justitiële antecedenten; - g. ingesteld justitieel onderzoek naar aanleiding van klachten en overtredingen en het resultaat hiervan; - h. datum van de verleende vergunning of ontheffing dan wel datum van de verleende vrijstelling aan de categorie waaronder de natuurlijke persoon word"},{"i":7675,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 mei 2020, nr. MBO/24508460, houdende regels voor gegevensverstrekking over overstappende jongeren naar het middelbaar beroepsonderwijs (Regeling gegevensverstrekking bij overstap naar het mbo) Gelet op [artikel 42b, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=42b), [artikel 27d, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=27d), [artikel 8.0.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.0.2), en [8.0.3, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.0.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **leerling:** - a. leerling aan een school als bedoeld in de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) die een opleiding praktijkonderwijs of de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte, gemengde of theoretische leerweg volgt; of - b. leerling aan een school of instelling als bedoeld in de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) die ingeschreven staat op het uitstroomprofiel vervolgonderwijs of het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel. - **overstappende leerling of vavo-student:** leerling of vavo-student die naar verwachting in het aankomend school- of studiejaar de opleiding zal vervolgen aan een beroepsopleiding in de zin van de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625). - **vavo-student:** vavo-student als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1). - **ICT-voorziening:** informatiesysteem dat beheerd wordt door de PO-Raad, de VO-raad, de MBO Raad en de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Artikel 2. Levering gegevens van overstappende leerling of vavo-studen"},{"i":16785,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 29 augustus 2025 nr. BOACAT2025/168, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd Gelezen het verzoek van Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd van 17 juli 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051448&artikel=2&z=2026-01-14&g=2026-01-14). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend) aangevuld met de wetten op het gebied van de volksgezondheid en de [artikelen 227](https://wetten.overheid.n"},{"i":7735,"b":"Vaststelling wijze van verstrekking gegevens als bedoeld in artikel 13 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 2 van het Besluit kennisgevingen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002459&artikel=2) (Stb. 1964, 380); Besluit: Artikel 1 De verzekeraar of zijn gevolmachtigde dient de gegevens, bedoeld in [artikel 13 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=13) (Stb. 1984, 269), te verstrekken door middel van magneetbanden of floppy-disks. De verzekeraar of gevolmachtigde met een portefeuille van maximaal 300 posten mag de gegevens verstrekken door middel van computer-geprinte of met de typemachine ingevulde ponsconcepten. Artikel 2 Verstrekking van gegevens door middel van magneetbanden en floppy-disks mag slechts geschieden met gebruikmaking van magneetbanden en floppy-disks die door de Dienst Wegverkeer ter beschikking zijn gesteld. Artikel 3 1. De gegevens op magneetband en floppy-disk moeten gesorteerd worden aangeleverd op code verzekeraar/gevolmachtigde en per code verzekeraar/gevolgmachtigde op mutatiecode, waarbij de volgorde van beide sorteersleutels oplopend dient te zijn. 2. Na het laatste record van een serie met een zelfde code verzekeraar/gevolmachtigde dienen een sluit- en een tellingenrecord te worden opgenomen. 3. het sluitrecord bestaat geheel uit atsigns (‘@’). 4. Het tellingenrecord bevat de aantallen per mutatiecode van de onmiddellijk voorafgaande code verzekeraar/gevolmachtigde. Artikel 4 Elke magneetband en floppy-disk dient te zijn voorzien van een geleidebon in tweevoud, waarop een totaaltelling van alle op de desbetreffende magneetband of floppy-disk vermelde records per code verzekeraar/gevolmachtigde alsmede de naam en het adres van de afzender en de naam en het telefoonnummer van de contactpersoon moeten zijn vermeld. Artikel 5 Verstrekking van gegevens door middel van computer-geprinte of me"},{"i":7637,"b":"Privacyreglement Project Integriteit Bedrijfsleven Rotterdam Rijnmond Besluit: Artikel 1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de Wet persoonsregistraties; - b. **persoonsgegeven:** een gegeven dat herleidbaar is tot een individuele natuurlijke persoon; - c. **registratie:** de verzameling van gegevens van het project Integriteit Bedrijfsleven Rotterdam Rijnmond van de Directie Bestuurszaken van het Ministerie van Justitie ten behoeve van de doelstelling omschreven in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012486&artikel=2&z=2000-12-15&g=2000-12-15); - d. **houder:** de Minister van Justitie; - e. **de registratiebeheerder:** de directeur van de Directie Bestuurszaken van het Ministerie van Justitie; - f. **de directie:** de Directie Bestuurszaken van het Ministerie van Justitie; - g. **de afdeling:** de Afdeling Integriteit Bedrijfsleven van de directie; - h. **het Project IBRR:** het project Integriteit Bedrijfsleven Rotterdam Rijnmond van de afdeling van de directie; - i. **het advies:** het integriteitadvies dat wordt afgegeven door het project IBRR; - j. **de vennootschap:** een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid als bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; - k. **de aanvrager:** het bestuur van de vennootschap die deelneemt aan het project. Artikel 2. Doel en werking 1. De registratie heeft als doel het bevorderen van de integriteit in het bedrijfsleven in de regio Rotterdam-Rijnmond. 2. De registratie wordt deels geautomatiseerd, deels handmatig uitgevoerd. Artikel 3. Hoofdlijnen van het beheer 1. De registratiebeheerder is, onder verantwoordelijkheid van de houder, belast met de zeggenschap over de registratie. Hij volgt daarbij de aanwijzingen van de houder op. 2. Voor zover de houder niet schriftelijk anders bepaalt, is de registratiebeheerder bevoegd namens de houder uitvoering te geven aan hetgeen bij of krachtens de wet aan de houder is opgedragen"},{"i":7644,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 24 juni 2022, nr. 4040514, houdende het aanwijzen van functies die een hoge mate van integriteit vereisen en waarvoor de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag kan worden geweigerd op basis van politiegegevens (Regeling aanwijzing functies VOG politiegegevens) Gelet op [artikel 35a, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=35a); Besluit: Artikel 1 Deze regeling voorziet in de aanwijzing van functies, bedoeld in [artikel 35a, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=35a). Artikel 2 De aanwijzing van functies, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046821&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), geschiedt door de vermelding in de bijlage bij deze regeling van de volgende gegevens, voor zover van toepassing: - a. de organisatie waar de functie wordt uitgeoefend; - b. een nadere omschrijving van de functie; - c. de functiebenaming; - d. de functietitel; en - e. de criteria, bedoeld in [artikel 35a, tweede lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=35a), op basis waarvan de aanwijzing plaatsvindt. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2022. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing functies VOG politiegegevens. Bijlage. als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046821&artikel=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01) van de Regeling aanwijzing functies VOG politiegegevens | Buitengewoon opsporingsambtenaar | Buitengewoon opsporingsambtenaar | Buitengewoon opsporingsambtenaar | | | --- | --- | --- | --- | | Functie | Functiebenaming | Bevoegdheid geweld te gebruiken ([artikel 35a, tweede lid, onder a, Wjsg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=35a)) | Toegang tot gevoelige informatie ([ar"},{"i":7721,"b":"Wet van 19 oktober 1998, houdende regels inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de algehele liberalisering van de telecommunicatie-infrastructuur en de telecommunicatiediensten wenselijk is regels te stellen ter waarborging van een samenhangende infrastructuur en ter bevordering van de daadwerkelijke mededinging; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanbieden van een elektronisch communicatienetwerk:** het bouwen, exploiteren, beheren of beschikbaar stellen van een elektronisch communicatienetwerk; - **aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij:** aanbieder van een dienst zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van [Richtlijn (EU) 2015/1535](32015L1535) van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241); - **abonnee:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die partij is bij een overeenkomst met een aanbieder van openbare elektronische communicatiediensten voor de levering van dergelijke diensten; - **apparaten:** elektrische en elektronische apparaten, niet zijnde radioapparaten; - **applicatieprogramma-interface:** een software interface tussen externe toepassingen, die beschikbaar is gesteld door omroepen, dienstenleveranciers, alsmede de hulpmiddelen in de eindapparatuur; - **Autoriteit Consument en Markt:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - *"},{"i":7710,"b":"Regeling Wet bescherming persoonsgegevens ministerie van Defensie Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begrippen en definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Wet:** [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468); - b. **Minister:** Minister van Defensie; - c. **persoonsgegeven:** elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; - d. **bijzondere persoonsgegevens:** persoonsgegevens als bedoeld in [artikel 16 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=16); - e. **verwerking van persoonsgegevens:** elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen, of vernietigen van gegevens; - f. **verwerker:** een ieder die persoonsgegevens verwerkt in de zin van onderdeel e van dit artikel; - g. **meldingsformulier:** het meldingsformulier als bedoeld in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026257&paragraaf=2&artikel=2.2&z=2016-05-13&g=2016-05-13) van deze regeling; - h. **register:** register als bedoeld in [artikel 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026257&paragraaf=2&artikel=2.4&z=2016-05-13&g=2016-05-13) van deze regeling; - i. **verantwoordelijke:** Minister van Defensie; - j. **Wbp-beheerder:** het diensthoofd die namens de minister belast is met de zorg voor de naleving van de wet ten aanzien van verwerkingen die gevoerd worden binnen het dienstonderdeel; - k. **bewerker:** degene die ten behoeve van de verantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt, zonder aan zijn rechtstreeks gezag te zijn onderworpen; - l. **gebruiker:** degene die bevoegd is gegevens in te zien dan wel in te voeren"},{"i":7744,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens The Kingdom of the Netherlands and the Republic of Estonia, Hereinafter referred to as “the Parties”, Wishing to ensure the mutual protection of Classified Information, have, in the interests of national security, agreed upon the following. Article 1. Purpose The purpose of this Agreement is to ensure the protection of Classified Information exchanged between the Parties or between legal entities or individuals under their jurisdiction, or generated in the framework of a bilateral program under this Agreement. The Agreement sets out the security procedures and arrangements for such protection. Article 2. Definitions For the purpose of this Agreement: - a). **“Classified Contract”** means a contract, including any pre-contractual negotiations, to be entered into by one of the Parties or a Contractor under its jurisdiction with a Contractor under the jurisdiction of the other Party for the supply of goods, execution of works or provision of services, the performance of which requires or involves access or potential access to or the generation of Classified Information. - b). **“Classified Information”** means any information, regardless of its form or nature, or objects or any parts thereof designated by a security classification by one of the Parties, the unauthorised disclosure or loss of which could cause varying degrees of harm to the interests of one or both of the Parties. - c). **“Competent Security Authority”** means the government authority in a Party responsible for the implementation and supervision of this Agreement. The Competent Security Authority may delegate part of its responsibilities to a delegated competent security authority. - d). **“Contractor”** means any individual or legal entity with the capacity to enter into contracts. - e). **“Facility Security Clearance”** means the positive determination by a"},{"i":7650,"b":"Regeling d.d. 7 augustus 2017, nr. Alg 5870 van de algemeen directeur van de Justitiële Informatiedienst, namens de Minister van Veiligheid en Justitie, tot vaststelling van de regels voor het inrichten, beheren en onderhouden van het Centraal Digitaal Depot (Regeling archiefbeheer Centraal Digitaal Depot 2017) Gelet op [artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Archiefbeheersregels Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035264&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **afnemer:** dienstonderdeel als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder d, van de Archiefbeheersregels Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035264&artikel=1), dat het archiefbeheer dan wel aspecten daarvan laat uitvoeren in het CDD+; - b. **archiefbeleid CDD+:** het bepalen, vaststellen en onderhouden van het geheel van randvoorwaarden, methoden, technieken om het archiefbeheer vorm te geven; - c. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - d. **beheerder:** de ambtelijk verantwoordelijke voor het CDD+ en voor de beheereenheid, zijnde de algemeen directeur van de Justitiële Informatiedienst; - e. **beheereenheid:** organisatieonderdeel van de Justitiële Informatiedienst die het CDD+ ontwikkelt, inricht en onderhoudt; - f. **CDD+(Centraal Digitaal Depot):** centrale voorziening voor opslag en beheer van bescheiden in een digitaal depot, onder beheer van de Justitiële Informatiedienst; - g. **digitaal depot:** archiefruimte als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling Archiefbeheer Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036548&artikel=1); - h. **kwaliteit van archiefbescheiden en metadata:** de kwaliteitseisen van authenticiteit, integriteit en bruikbaarheid als bedoeld in de NEN-ISO 15489-1; - i. **metada"},{"i":7665,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 december 2008, nr. DJZ/BR/1140-08, houdende nadere regels in verband met de elektronische bekendmaking van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties (Regeling elektronische bekendmaking Tractatenblad) Gelet op de [artikelen 16, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006799&artikel=16), 16a en 16b, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel A en onderdeel B, wat betreft artikel 16a en artikel 16b, van de Rijkswet houdende wijziging van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen in werking treedt. Artikel 1 1. Het Tractatenblad wordt uitgegeven op het internetadres www.officielebekendmakingen.nl. 2. Op het Tractatenblad wordt vermeld wanneer het is uitgegeven. 3. De Minister van Buitenlandse Zaken draagt er zorg voor dat het Tractatenblad na de uitgifte beschikbaar blijft via het in het eerste lid genoemde internetadres. Artikel 2 De Minister van Buitenlandse Zaken draagt er zorg voor dat de betrouwbaarheid en de beveiliging van de elektronische uitgifte en beschikbaarheid van het Tractatenblad voldoen aan de volgende eisen: - a. De publicaties worden uitgegeven en beschikbaar gehouden in het bestandsformaat PDF/A-1 (ISO 19005-1:2005). - b. Het systeem voor gegevensverwerking waarmee de publicaties worden uitgegeven en beschikbaar gehouden, voldoet aan hoge continuïteitseisen. - c. Het systeem voor gegevensverwerking waarmee de publicaties worden uitgegeven en beschikbaar gehouden, is volgens algemeen aanvaarde nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging ingericht. - d. Alle mutaties in het systeem voor gegevensverwerking waarmee de publicaties worden uitgegeven en beschikbaar gehouden, worden geregistreerd en deze registratie wordt buiten dit systeem opgeslagen. - e. Van elke publicatie wordt een elektronische kopie gemaakt, die wordt opgeslagen buiten het sy"},{"i":7693,"b":"Regeling van het Commissariaat voor de Media houdende vaststelling van de vergoeding voor het uitbrengen van programmagidsen als bedoeld in artikel 2.139, zesde lid, van de Mediawet 2008 (Regeling tarieven Programmagegevens 2020) gelet op [artikel 2.139 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.139); overwegende dat: [artikel 2.139, vijfde lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.139) de bedragen vaststelt van de vergoedingen als bedoeld in artikel 2.139, tweede lid, van de Mediawet 2008, een en ander voor zover het betreft afnemers die programmagidsen binnen Nederland uitbrengen; [artikel 2.139, zesde lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.139) bepaalt dat het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) bij regeling andere bedragen dan die bedoeld in het vijfde lid kan vaststellen, als de resultaten van zijn tweejaarlijks onderzoek naar de marktprijs van de vergoedingen daartoe aanleiding geven; het Commissariaat een onderzoek heeft laten verrichten naar de marktprijs van bovenbedoelde vergoedingen; de uitkomsten van dit onderzoek zijn vastgelegd in een rapport, dat door het Commissariaat bekend zal worden gemaakt, in overeenstemming met [artikel 2.139, zesde lid van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.139); de resultaten van dat onderzoek voor het Commissariaat aanleiding vormen om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om bij regeling andere tarieven vast te stellen dan de tarieven zoals vastgesteld in [artikel 2.139, vijfde lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.139). besluit: Artikel 1 1. In afwijking van het bepaalde in [artikel 2.139, vijfde lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.139) is het bedrag van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, voor zover het betreft afnemers di"},{"i":7667,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 april 2021, houdende regels over elektronische publicatie van algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen (Regeling elektronische publicaties) Gelet op de [artikelen 16, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=16), [17, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=17), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=18), [19, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=19), en [20, derde lid, van de Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=20), de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025257&artikel=2), [4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025257&artikel=4), en [8 van het Bekendmakingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025257&artikel=8), de [artikelen 3.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045037&artikel=3.1), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045037&artikel=3.2), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045037&artikel=3.3), [3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045037&artikel=3.8), [5.1, eerste lid, van het Besluit elektronische publicaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045037&artikel=5.1), de [artikelen 13.1, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=13.1), en [20.26, tweede lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.26), [artikel 3, eerste lid, van het Besluit basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=3), de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=3), [3a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=3a), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=10), en [11, derde lid, van de Wet basisadministraties persoo"},{"i":7657,"b":"Regeling bescherming persoonsgegevens in personeelsdossiers en Emplaza BZK Gelet op de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468); Gelet op de [Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376); Gelet op de instemming van de Groepsondernemingsraad van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 30 oktober 2003; Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. BZK: Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties; - b. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; - c. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van persoonsgegevens; - d. medewerker: degene die is aangesteld of is tewerkgesteld bij BZK en op wie een persoonsgegeven betrekking heeft; - e. beheerder: het diensthoofd als bedoeld in [artikel 1 van het Mandaat- en volmachtbesluit diensthoofden BZK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013169&artikel=1); - f. derde: ieder, niet zijnde de medewerker, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of enig persoon die onder zijn rechtstreeks gezag gemachtigd is persoonsgegevens te verwerken; - g. ontvanger: degene aan wie de persoonsgegevens worden verstrekt; - h. personeelsdossier: de fysieke eenheid waarin rechtmatig verkregen en opgestelde gegevens van een medewerker in schriftelijke vorm zijn vastgelegd; - i. Emplaza: het geautomatiseerde personeelsinformatiesysteem van BZK; - j. managementgegevens: de gegevens die in E"},{"i":7676,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende nadere regels ten aanzien van de gegevensverstrekking uit het kentekenregister (Regeling gegevensverstrekking kentekenregister 2008) Gelet op [artikel 41a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=41a), en [45a, derde lid, van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=45a) en de [artikelen 9, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=9), [14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=14), en [16a, eerste lid, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=16a); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing overheidsorganen De volgende instanties worden aangewezen als overheidsorgaan als bedoeld in [artikel 41a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=41a), voor zover zij niet reeds bestuursorganen zijn in de zin van [artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:1): - a. de uitvoeringsinstanties die belast zijn met het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van uitkeringen op grond van sociale wetgeving, ten behoeve van het toetsen van het vermogen van aanvragers van dergelijke uitkeringen; - b. curatoren, ten behoeve van het beheer en de vereffening van een failliete boedel als bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=68); - c. bewindvoerders, bedoeld in [artikel 287, derde lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287), voor zover zij in het kader van een schuldsanering gevoelige gegevens uit het kentekenregister nodig hebben ter vaststelling van het vermogen van een onder bewindgestelde natuurlijke persoon; - d. Auto Recycling Nederland BV, ten behoeve van de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het [Bes"},{"i":16783,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 5 december 2014, nr. BOACAT2014/051, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland-Zuid Gelezen het verzoek van de Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland-Zuid van 27 november 2014 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de ambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten in de functie van leerplichtambtenaar werkzaam bij de Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland-Zuid. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035908&artikel=1&z=2014-12-16&g=2014-12-16) bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten genoemd in domein III Onderwijs, [bijlage A-I van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029447&bijlage=A-I), voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van geheel Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schrifte"},{"i":7695,"b":"Regeling thuiswerk- en internetvergoeding defensie Hoofdstuk 1. Thuiswerk- en internetvergoeding Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Defensieambtenaar:** de ambtenaar bedoeld in [artikel 1, onder a, van de Wet ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1); - **Persoonlijk werkrooster:** een voor een periode vastgesteld schema van werk- en rusttijden en werklocaties van de defensieambtenaar, welke is opgenomen in een geautomatiseerde personeelssysteem van defensie; - **Werklocatie:** de tussen commandant en medewerker overeengekomen plaats waar de defensieambtenaar de werkzaamheden verricht; - **Woning:** de verblijfplaats in Nederland waar de defensieambtenaar volgens de Basisregistratie Personen als ‘woonplaats’ staat ingeschreven dan wel de verblijfplaats in het buitenland waar de defensieambtenaar metterwoon woonachtig is. Artikel 2. Thuiswerkvergoeding 1. Indien werkzaamheden op basis van het voor de defensieambtenaar geldende persoonlijk werkrooster vanuit de woning worden verricht, heeft de defensieambtenaar aanspraak op een thuiswerkvergoeding ter hoogte van de in de [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048665&bijlage=1&z=2026-03-07&g=2026-03-07) opgenomen bedragen. 2. De defensieambtenaar waarvoor geen persoonlijk werkrooster is vastgesteld in een geautomatiseerd personeelssysteem van defensie en die vanuit de woning werkzaamheden verricht, heeft op aanvraag aanspraak op een thuiswerkvergoeding van € 2,35 per thuiswerkdag. Artikel 3. Internetvergoeding De defensieambtenaar die aanspraak heeft op een thuiswerkvergoeding, heeft tevens aanspraak op een internetvergoeding van € 4,30 per maand. Artikel 4. Wijziging persoonlijk werkrooster 1. Op verzoek van de defensieambtenaar kan het persoonlijk werkrooster eenmaal per vier weken worden gewijzigd. 2. Bij wijziging van het persoonlijk werkrooster gaat de aanspraak op een thuiswerk- en internetvergoeding in op de door de defensie"},{"i":7669,"b":"Regeling Gegevensbescherming Militaire Operaties Gelet op [artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=3); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoeringswet Algemene Verordening gegevensbescherming in werking treedt. Artikel 1. Uitzonderingen 1. De artikelen 9, 10, hoofdstuk III, de artikelen 33 tot en met 36 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de [artikelen 22 tot en met 30 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=22) zijn niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens ter uitvoering van de in [artikel 97 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=97) omschreven taken voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van het mandaat en de bescherming van de troepenmacht. 2. Persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt ter uitoefening van de in [artikel 97 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=97) genoemde taken voor zover de internationaalrechtelijke grondslag voor de operatie ten behoeve waarvan de persoonsgegevens verwerkt worden dat toelaat. Artikel 2. Verwerking van biometrische en genetische persoonsgegevens 1. Biometrische en genetische gegevens mogen alleen verwerkt worden ten behoeve van het vaststellen en de verificatie van de identiteit van een persoon. 2. De verwerking van genetische gegevens zoals bedoeld in het eerste lid vindt alleen plaats ten aanzien van personen die verdacht worden van strafbare feiten die ofwel verband houden met een gewapend conflict ofwel gericht zijn tegen de veiligheid van de troepenmacht. Artikel 3. Doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen of internationale organisaties 1. Het verstrekken van persoonsgegevens als onderdeel van operationele inlichtingenproducten aan andere deelnemende landen of internationale organisati"},{"i":7658,"b":"Regeling bescherming persoonsgegevens Indische geïnterneerden Overwegende, dat ten behoeve van de uitvoering van de [Uitkeringswet Indische geïnterneerden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003419) (Stb. 1981, 477) persoonsgegevens worden opgeslagen in een geautomatiseerde registratie; Gelet op de [Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen, bij de rijksoverheid](onbekend) (Stcrt. 1975, nr. 50); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Doelstelling van de registratie Doelstelling van de registratie is het kunnen beschikken over gegevens die noodzakelijk zijn voor een beoordeling van de door een aanvrager ingediende aanvraag om een eenmalige uitkering als bedoeld in de [Uitkeringswet Indische geïnterneerden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003419) en voor de eventuele betaling daarvan. Artikel 3. In de registratie opgenomen gegevens De registratie bevat - a. naam, voorletters, geboortedatum, adresgegevens en bankrekening- respectievelijk postgironummer van de aanvrager; - b. de beslissing over de toekenning van een eenmalige uitkering krachtens de [Uitkeringswet Indische geïnterneerden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003419); - c. de ten behoeve van een goede verwerking in de registratie noodzakelijke administratief toegevoegde coderingen. Artikel 4. Verwijdering van gegevens De op een aanvrager betrekking hebbende gegevens worden uiterlijk 4 jaren na de datum waarop de aanvraag is beslist uit de registratie verwijderd. Artikel 5. Functionering van de registratie 1. De gereedmaking van gegevens voor verwerking in de registratie geschiedt door de houder en de daartoe door hem aangewezen bij het Ministerie werkzame personen. 2. De verwerking van gegevens in de registratie geschiedt door de uitvoerder. Artikel 6. Toegang tot de registratie Rechtstreeks toegang tot de registratie hebben uitsluiten"},{"i":7677,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 4 juli 2014, nr. WJZ / 14066719, houdende uitvoering van de artikelen 35, eerste lid, 42, tweede lid, en 48 van de Mededingingswet en wijziging van een aantal ministeriële regelingen in verband met de stroomlijning van het door de Autoriteit Consument en Markt te houden markttoezicht (Regeling gegevensverstrekking Mededingingswet) Gelet op [artikelen 35, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=35), en [42, tweede lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=42), [8 van de Instellingswet ACM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=8), [40a van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=40a), [81e, tweede lid, van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=81e), [2.11 van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=2.11), [14, vierde lid, van de Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=14), [2.1, vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=2.1), en [2.3, derde en vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=2.3); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraag om vergunning:** een aanvraag om een vergunning voor een concentratie als bedoeld in [artikel 41 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=41); - **concentratie:** een concentratie in de zin van [artikel 27 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=27); - 1°. de markten waarop twee of meer bij de concentratie betrokken ondernemingen werkzaam zijn of - 2°. de markt waarop één of meer van de bij de concentratie betrokken ondernemingen werkzaam is en de markt waarop een andere bij de concentratie betrokken onderneming alsmed"},{"i":7645,"b":"Regeling aanwijzing Koninklijke marechaussee gebruik en opslag apparatuur artikel 3.22 Telecommunicatiewet Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013213&artikel=2), en [4, eerste lid, van het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013213&artikel=4) en de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=5) en [16 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=16); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing ex. [artikel 4, eerste lid Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013213&artikel=4) en [art. 16 Besluit technische hulpmiddelen strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=16) Bevoegd tot het gebruik van de apparatuur, bedoeld in [artikel 3.22 Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22), zijn bij de Koninklijke marechaussee de opsporingsambtenaren van de brigade speciale beveiligingsopdrachten. Artikel 2. Aanwijzing ex. [artikel 2, tweede lid Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013213&artikel=2) en [artikel 5, eerste en tweede lid, Besluit technische hulpmiddelen strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=5) Op een beveiligde locatie bij de brigade speciale beveiligingsopdrachten worden door de beheerders van die locatie opgeslagen de bij de Koninklijke marechaussee in gebruik zijnde: - a. apparatuur, bedoeld in [artikel 3.22 Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22); en - b. technische hulpmiddelen als bedoeld in [artikel 126ee, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126ee). Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de"},{"i":7722,"b":"Tijdelijke regeling van 20 september 2018, kenmerk 2320309, inzake de toepassing van de Wet politiegegevens op de verwerking van persoonsgegevens door buitengewoon opsporingsambtenaren Gelet op de [artikelen 10.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041233&artikel=10.3) en [10.9 van de Aanpassingswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041233&artikel=10.9), die voorzien in de mogelijkheid bij regeling van Onze Minister voor Rechtsbescherming onderdelen van het bij of krachtens de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463) bepaalde tijdelijk van toepassing te verklaren op de verwerking van persoonsgegevens door een buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in [artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); Besluit: Artikel 1. Definitiebepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **buitengewoon opsporingsambtenaar:** de personen, bedoeld in [artikel 142, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142) en de ambtenaren, bedoeld in [artikel 17, eerste lid, onder 2° en 3°, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); - b. **verantwoordelijke:** de werkgever, bedoeld in [artikel 1, onderdeel h, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=1). Artikel 2. Van overeenkomstige toepassing verklaring 1. Onverminderd [artikel 46, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=46) is het bij die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463) bepaalde met betrekking tot de verwerking van politiegegevens van overeenkomstige toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door een buitengewoon opsporingsambtenaar, met uitzondering van de [artikelen 10](https://wett"},{"i":7711,"b":"Regeling Wet bescherming persoonsgegevens Ministerie van Financiën Besluit: 1. Algemene bepalingen 1.1. Begrippen en definities 1.2. Reikwijdte De Regeling Wet bescherming persoonsgegevens Ministerie van Financiën is van toepassing op alle verwerkingen van persoonsgegevens waarop de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) van toepassing is, die onder de directe verantwoordelijkheid van de Minister vallen. 1.3. Verantwoordelijke De Minister is de voor de verwerking verantwoordelijke van de verwerkingen van persoonsgegevens als bedoeld in [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013968&paragraaf=1&artikel=1.2&z=2002-09-01&g=2002-09-01) van deze regeling. 1.4. Beheerder 1. De beheerder van de verwerkingen van persoonsgegevens is het hoofd of de functionaris van een dienst, directie of ander organisatieonderdeel aan wie krachtens de geldende organisatie- en mandaatregeling de taken en de bevoegdheden van de Minister ten aanzien van de verwerkingen zijn gemandateerd. 2. De beheerder is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de wet zoals de Minister als verantwoordelijke dit moet doen. 1.5. Bewerker 1. Indien de werkzaamheden ten behoeve van de verwerking van persoonsgegevens worden uitgevoerd door een bewerker, vindt die uitvoering uitsluitend plaats op basis van een overeenkomst of krachtens een andere rechtshandeling waardoor een verbintenis ontstaat tussen bewerker en de Minister. 2. Deze overeenkomst of rechtshandeling regelt in ieder geval: - a. de aansprakelijkheid van de bewerker voor inbreuken op de persoonlijke levenssfeer in verband met de door deze verwerkte gegevens; - b. dat een ieder die handelt onder het gezag van de bewerker, alsmede de bewerker zelf, voor zover deze toegang hebben tot persoonsgegevens, deze persoonsgegevens verwerkt in opdracht van de Minister, behoudens afwijkende wettelijke verplichtingen; - c. dat voor de personen bedoeld in lid 2 onder b een geheimhoudingsplicht geldt ingevolge [artikel 12 lid 2 van de wet](http"},{"i":7747,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen, Hierna te noemen „de partijen”, Geleid door de wens de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens te waarborgen, komen, in het belang van de nationale veiligheid, het volgende overeen: Artikel 1. Doel en reikwijdte Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen de partijen of tussen rechtspersonen, natuurlijke personen of andere organisatievormen onder hun rechtsmacht, of die worden gegenereerd in het kader van een bilateraal programma uit hoofde van dit Verdrag. In het Verdrag worden de veiligheidsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. **„Inbreuk op de veiligheid”**, elk handelen of nalaten te handelen, in strijd met de nationale wet- en regelgeving, dat resulteert in ongeoorloofde toegang tot of bekendmaking, verlies of compromittering van gerubriceerde gegevens. - 2. **„Gerubriceerd contract”**, een contract, met inbegrip van eventuele voorafgaande contractonderhandelingen, dat een van de partijen of een opdrachtnemer onder haar rechtsmacht aangaat met een opdrachtnemer onder de rechtsmacht van de andere partij waarbij voor de uitvoering toegang of mogelijk toegang tot gerubriceerde gegevens vereist is of waarbij deze gecreëerd worden. - 3. **„Gerubriceerde gegevens”**, gegevens, ongeacht de vorm daarvan, voorwerpen of delen daarvan, die door een van de partijen als gerubriceerd worden aangemerkt, waarvan de ongeoorloofde bekendmaking of het verlies de belangen van een of beide partijen in meer of mindere mate zou kunnen schaden. - 4. **„Bevoegde veiligheidsautoriteit”**, de overheidsautoriteit in een partij die verantwoordelijk is voor de implementatie van en toezicht op dit Verdr"},{"i":7651,"b":"Regeling AVG Defensie Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begrippen en definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **AVG:** Verordening (EU) 2016/679 van het Europees parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046); - b. **wet:** [Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](onbekend); - c. **Minister:** Minister van Defensie; - d. **persoonsgegevens, verwerking, betrokkene, derde, ontvanger, verwerker:** hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4 van de AVG; - e. **Privacy Impact Assessment:** gegevensbeschermingseffectbeoordeling als bedoeld in artikel 35 AVG; - f. **register:** register als bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040915&paragraaf=2&artikel=2.1&z=2018-05-25&g=2018-05-25) van deze regeling; - g. **verwerkingsverantwoordelijke:** Minister van Defensie; - h. **AVG-beheerder:** het diensthoofd die namens de minister belast is met de zorg voor de naleving van de AVG en de [wet](onbekend) ten aanzien van verwerkingen die gevoerd worden binnen het dienstonderdeel; - i. **AVG-coördinator:** de in [artikel 1.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040915&paragraaf=1&artikel=1.3&z=2018-05-25&g=2018-05-25), van deze regeling bedoelde functionaris die de uitvoering van de AVG en de [wet](onbekend), en de feitelijke handelingen die daarvoor nodig zijn, binnen het dienstonderdeel coördineert; - i. **Autoriteit persoonsgegevens:** Autoriteit persoonsgegevens als bedoeld in [artikel 6 van de wet](onbekend); - j. **functionaris voor gegevensbescherming:** de functionaris voor gegevensbescherming in de zin van [artikel 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040915&paragraaf=1&artikel=1.5&z=2018-05-25&g=2018-05-25) van deze regeling; - k. **inbreuk in verband met persoonsgegevens:**"},{"i":7671,"b":"Regeling met betrekking tot de verstrekking van gegevens (Regeling gegevensuitvraag loonaangifte) Gelet op [artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Reikwijdte Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28) en [28a van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28a). Artikel 1.2. Gegevens correctieverplichting Het correctiebericht, bedoeld in [artikel 28a, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28a), bevat de juiste en volledige gegevens, bedoeld in artikel 28a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Hoofdstuk 2. Slotbepalingen Artikel 2.1. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 2.2. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Hoofdstuk 1a. Gegevensverstrekking Artikel 1a.1. Gegevens opgave bij aangifte 1. De opgave, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28), bevat de algemene gegevens, genoemd in het tweede lid, de collectieve gegevens, genoemd in het derde lid, en de nominatieve gegevens, genoemd in het vierde lid. 2. De opgave, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende algemene gegevens: - a. bericht: - 1°. belastingjaar; - 2°. berichtversie; - 3°. bericht kenmerk aanleveraar; - 4°. datum en tijdstip aanmaak; - 5°. contactpersoon aanleveraar; - 6°. telefoonnummer contactpersoon aanleveraar; - 7°. relatienummer; - 8°. gebruikt softwarepakket; - b. administratieve eenheid: - 1°. loonheffingennummer; - 2°. naam inhoudingsplichtige; - c."},{"i":7729,"b":"Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=2) en [2a van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=2a); Besluit: Werkt terug tot en met het tijdstip waarop het Koninklijk Besluit van 28 april 2003, Stb. 2003, 179, tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken, in verband met een nieuwe verdeelsystematiek van de kosten van de waardering in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 37g van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=37g), [artikel 26 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=26) en [artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=2). Artikel 2. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** Wet waardering onroerende zaken; - b. **besluit:** Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken; - c. **waardering:** waardebepaling en waardevaststelling van onroerende zaken op basis van de wet; - d. **verwerkbare gegevens:** gegevens voor de afnemers die voldoen aan de door de Waarderingskamer opgestelde kwaliteitscriteria; - e. **object:** een onroerende zaak die ten minste een van de afnemers betrekt in de heffing van een belasting naar een waardemaatstaf. Hoofdstuk 2. Kostenverdeling over de individuele waterschappen Artikel 3. Aandeel in de kosten van de individuele waterschappen 1. De Minister van Binnenlandse"},{"i":7632,"b":"Privacyreglement alimentatie-administratie raden voor de kinderbescherming Overwegende dat, ingevolge de artikelen 19, 20 en 22 van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665) een reglement dient te worden vastgesteld voor de geautomatiseerde alimentatie-administratie bij de raden voor de kinderbescherming; Besluit het volgende reglement vast te stellen: Par. 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: Artikel 2. Doelstelling De registratie heeft ten doel een vereenvoudiging van de procedure tot inning en bestemming van gelden ten behoeve van jeugdigen, voor zover één en ander geschiedt door een raad voor de kinderbescherming. Artikel 3. Verantwoordelijkheden 1. De houder is verantwoordelijk voor het beheer en het goed functioneren van de registratie en treft daartoe de nodige voorzieningen op het gebied van organisatie en beveiliging. 2. De beheerder is belast met de dagelijkse leiding van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid. 3. Voor het geheel of gedeelte van de apparatuur dat de bewerker onder zich heeft, heeft deze een gelijke verantwoordelijkheid als die welke krachtens het eerste lid op de houder rust. Artikel 4. Invoer en verwerking van de gegevens De invoer en verwerking van de in de registratie opgenomen gegevens, met inbegrip van de verbetering, aanvulling of verwijdering daarvan geschiedt op de financiële afdeling van de raad door daartoe door of namens de houder van de registratie aangewezen ambtenaren. Par. 2. Registratie en herkomst van gegevens Artikel 5. Personen omtrent wie gegevens zijn opgenomen In de registratie worden uitsluitend persoonsgegevens opgenomen over: - a. personen, die ingevolge de wet, rechterlijke beslissing of krachtens overeenkomst zijn verplicht tot een bijdrage ten behoeve van een jeugdige; - b. de tot het ontvangen van deze bijdragen gerechtigden; - c. de jeugdigen ten behoeve van wie de bijdragen zijn bestemd. Artikel 6. Opgenomen gegevens Ten aanzien van de in [artikel"},{"i":7754,"b":"Verordening elektronische notariële akte Overwegende dat het nodig is regels vast te stellen met betrekking tot de elektronische notariële akte; Gelet op de [artikelen 53d lid 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=53d), [53e lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=53e) en [53i leden 1, 2 en 4 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=53i); Gezien het door het bestuur van de KNB voorgestelde ontwerp met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de ringen van de KNB; Stelt de navolgende verordening vast: Treedt in werking met ingang van de datum waarop artikel II van de Wijzigingswet Boek 2 Burgerlijk Wetboek, enz. (implementatie Richtlijn met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht) in werking treedt. Artikel 1. Systeem voor gegevensverwerking De KNB draagt er zorg voor dat het systeem voor gegevensverwerking, bedoeld in [artikel 53d van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=53d), voldoet aan het bepaalde in artikel 53d leden 4 en 5 van de Wet op het notarisambt. Artikel 2. Elektronische handtekening De ondertekening van de elektronische notariële akte en de elektronische volmacht, bedoeld in [artikel 53f lid 1 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=53f), vindt plaats door het gebruik van een door het bestuur van de KNB aan te wijzen elektronische handtekening. Artikel 3. Documentstandaard De inhoud van de elektronische notariële akte, van de elektronische volmacht, bedoeld in [artikel 53f lid 1 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=53f), en van overige elektronische bijlagen wordt duurzaam gesteld in een door het bestuur van de KNB aan te wijzen documentstandaard die de betrouwbaarheid, de uitleesbaarheid en de beschikbaarheid van de inhoud waarborgt en voldoet aan"},{"i":7704,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 11 oktober 2024, nr. 5828409, directie Wetgeving en Juridische Zaken, houdende regels tot het verplicht elektronisch doen van verzoeken en mededelingen en de indiening en verzending van processtukken in procedures inzake conservatoir beslag (Regeling verplicht elektronisch procederen inzake conservatoir beslag) Gelet op [artikel 1 van het Besluit grondslag verplicht elektronisch procederen in civiele zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049844&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. Verzoeken en mededelingen alsmede de indiening van processtukken door advocaten en de verzending van processtukken door rechtbanken aan advocaten in verzoekschriftprocedures bij de voorzieningenrechter op grond van de [Vierde titel van het derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&titeldeel=Vierde) worden langs elektronische weg gedaan. 2. Deze regeling is niet van toepassing op de verzoeken, bedoeld in [artikel 710, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=710), en [artikel 729b, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=729b). Artikel 2 Op een verzoekschriftprocedure als bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050297&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), waarin het verzoekschrift is ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van deze regeling, blijft het recht van toepassing zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verplicht elektronisch procederen inzake conservatoir beslag. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7697,"b":"Regeling tot mandaat Algemeen Directeur Koninklijke Bibliotheek Algemene Verordening Gegevensbescherming 2018 Gelet op de bepalingen in Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (verder: Algemene Verordening Gegevensbescherming) en de [Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940); Besluit: De Algemeen Directeur van de Koninklijke Bibliotheek het navolgende mandaat te verlenen: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Bevoegdheden 1. De Algemeen Directeur is bevoegd om namens het Algemeen Bestuurscollege besluiten te nemen op verzoeken om uitvoering te geven aan de rechten van de betrokkene als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en om uitvoering te geven aan de verplichtingen op grond van de artikelen 33 en 34 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op beslissingen op bezwaar. Artikel 2. Ondermandaat 1. De Algemeen Directeur is bevoegd ondermandaat te verlenen aan het Sectorhoofd Marketing & Diensten en het Hoofd Publieksdiensten van de Koninklijke Bibliotheek om besluiten te nemen op verzoeken om uitvoering te geven aan de rechten van de betrokkene als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, in welk geval het ondermandaat aanvaard dient te worden. 2. De Algemeen Directeur is bevoegd ondermandaat te verlenen aan de Functionaris Gegevensbescherming van de Koninklijke Bibliotheek om uitvoering te geven aan de verplichtingen op grond van de artikelen 33 en 34 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, in welk geval het ondermandaat aanvaard dient te worden. Artik"},{"i":7714,"b":"Reglement Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting Het bestuur van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting, als bedoeld [artikel 1, onder b, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=1), Besluit: vast te stellen een reglement betreffende het verzamelen, bewaren, beheren en het op verzoek verstrekken van de gegevens, het verschaffen van voorlichting en het zorgdragen voor de begeleiding bij de verstrekking van de gegevens, als bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=4) en [7 van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=7): Artikel 1. Begrippen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. Stichting: de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting; - b. wet: de [Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642); - c. CIBG: een uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - d. medische gegevens (omtrent de donor): medische gegevens die van belang kunnen zijn voor de gezonde ontwikkeling van het kind; - e. fysieke en sociale gegevens (omtrent de donor): fysieke kenmerken, opleiding en beroep alsmede gegevens omtrent de sociale achtergrond en een aantal persoonlijke kenmerken, de motivatie van de donor daaronder begrepen; - f. persoonsidentificerende gegevens (omtrent de donor en de vrouw bij wie de kunstmatige donorbevruchting heeft plaatsgevonden): geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum en woonplaats; - g. verzoeker: de natuurlijke persoon die aan de Stichting om gegevens vraagt. Verzoeker kan zijn: - 1). degene die weet of vermoedt dat hij is verwekt door en ten gevolge van kunstmatige donorbevruchting (het donorkind) en die twaalf jaar of ouder is; - 2). de ouder(s) van een kind dat verwekt is door en ten gevolge van kunstmatige donorbevrucht"},{"i":7701,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 februari 2016, nr. WJZ/15182740, houdende regels omtrent de vergoeding voor de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot de in artikel 7, vijfde lid, Wet telecommunicatievoorzieningen BES genoemde kosten verbonden aan de verlening van de concessie van de bij of krachtens de Wet telecommunicatievoorzieningen BES gegeven regels, voorschriften en beperkingen alsmede aan de uitoefening van bevoegdheden inzake de telecommunicatie door een openbaar lichaam (Regeling vergoedingen telecommunicatieconcessies Agentschap Telecom BES 2015) Gelet op [artikel 7, vijfde lid, Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=7); Besluit: Artikel 1 1. De vergoeding bedoeld in [artikel 7, vijfde lid, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=7) bedraagt voor de houder van een concessie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=2) USD 11 per aansluitpunt per jaar. 2. Voor het aantal aansluitingen wordt uitgegaan van het aantal actieve en inactieve aansluitpunten op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de vergoeding geldt. 3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde tarief heeft geen betrekking op roamers en data-only aansluitingen voor zover het aansluitingen betreft die elke maand maximaal 50 MB aan data verbruiken. Artikel 2 Voor het, op basis van een concessie, gebruik van vaste verbindingen is een vergoeding opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037630&bijlage=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01). Artikel 3 Bij onregelmatigheid of overwerk kan de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, worden verhoogd met een toeslag van 30% voor onregelmatigheid en 50% voor overwerk. Artikel 4 De [Regeling vergoedingen telecommunicatieconcessies BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028716) wordt in"},{"i":7690,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 20 juli 2015, nr. 657965, houdende de vaststelling van de rechtspositie van de voorzitter, de andere leden en de buitengewone leden van het College bescherming persoonsgegevens (Regeling rechtspositie leden College bescherming persoonsgegevens) Gelet op [artikel 55 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=55), BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **andere leden:** de andere leden, bedoeld in [artikel 53, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=53); - b. **wet:** de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468); - c. **Onze Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - d. **College:** het College bescherming persoonsgegevens. Artikel 2 1. Aan de voorzitter, de andere leden en de buitengewone leden wordt afschrift verstrekt van het koninklijk besluit waarbij zij tot voorzitter, lid onderscheidenlijk buitengewoon lid van het College zijn benoemd of herbenoemd. 2. Aan de voorzitter en de andere leden wordt bovendien schriftelijk mededeling gedaan van de standplaats, het salaris en de arbeidsduur waarvoor zij worden aangesteld. Artikel 3 1. Indien Onze Minister voornemens is de voorzitter, een ander lid of een buitengewoon lid na het verstrijken van diens benoemingstermijn, bedoeld in [artikel 53, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=53), niet voor herbenoeming voor te dragen, doet Onze Minister daarvan aan betrokkene uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van die termijn schriftelijk mededeling. 2. Indien de voorzitter, een ander lid of een buitengewoon lid na het verstrijken van zijn benoemingstermijn niet voor herbenoeming in aanmerking wenst te komen, geeft hij hiervan uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van zijn benoemingstermijn kennis aan Onze Minister. 3. Aan de voorzitter, een ander lid of"},{"i":7752,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens (met Bijlage) Het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne, Hierna gezamenlijk te noemen „de partijen” en elk afzonderlijk „de partij”, Geleid door de wens de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens te waarborgen, in het belang van de nationale veiligheid, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel en reikwijdte 1. Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen de partijen of tussen rechtspersonen of natuurlijke personen onder hun rechtsmacht, of die worden gegenereerd in het kader van een bilateraal programma uit hoofde van dit Verdrag. In het Verdrag worden de beveiligingsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. 2. Dit Verdrag vormt geen basis om de partijen ertoe te verplichten gerubriceerde gegevens te verstrekken of uit te wisselen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „Inbreuk op de beveiliging”, elk handelen of nalaten te handelen, in strijd met de nationale wet- en regelgeving, dat resulteert in ongeoorloofde toegang tot of bekendmaking, verlies of compromittering van gerubriceerde gegevens. - b. „Gerubriceerd contract”, een contract, met inbegrip van eventuele voorafgaande contractonderhandelingen, dat een van de partijen aangaat met een opdrachtnemer voor de levering van goederen, uitvoering van werkzaamheden of levering van diensten, waarbij voor de uitvoering toegang of mogelijk toegang tot gerubriceerde gegevens vereist is of waarbij deze gecreëerd worden. - c. „Gerubriceerde gegevens”, gegevens die of materiaal dat door een van de partijen als gerubriceerd worden of wordt aangemerkt, waarvan de ongeoorloofde bekendmaking of het verlies de belangen van een of beide partijen in meer of mindere mate zou kunnen schaden. - d. „Bevoegde beveiligingsautoriteit”, de overh"},{"i":7682,"b":"Regeling massale gegevensverstrekking uit de kadastrale registratie 1994 **14 april 1994/Nr. KAZ14494011** **Dienst voor het kadaster en de openbare registers** Gelet op [artikel 104, tweede lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=104) en [artikel 36 van het Kadasterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005259&artikel=36); Besluit Treedt in werking op het tijdstip waarop de Organisatiewet Kadaster in werking treedt. Artikel 1 De in [artikel 104, tweede lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=104) bedoelde grote hoeveelheden gegevens uit de kadastrale registratie worden desverlangd aan gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen verstrekt, voor zover het betreft: - a. alle in een provincie, gemeente, waterschap of andere publiekrechtelijk lichaam of kadastrale gemeente gelegen objecten (totaalstand); - b. de in een periode van minimaal een maand gemuteerde objecten in een gebied als bedoeld onder a, waarbij alle objectgegevens worden verstrekt (perceelkaart); - c. de in een periode van minimaal een maand opgetreden mutaties in een gebied als bedoeld onder a, waarbij uitsluitend de gewijzigde en de nieuwe gegevens worden verstrekt (was/wordt gegevens), dan wel - d. de naam/percelenlijst betreffende een gebied als bedoeld onder a. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027517&artikel=1&z=2024-07-01&g=2024-07-01) bedoelde gegevens betreffen alle in de kadastrale registratie voorkomende actuele gegevens, onderscheidenlijk de in de desbetreffende periode gemuteerde gegevens, behoudens het bepaalde in het tweede lid. 2. Op verzoek van betrokkene kunnen in overleg met de Dienst voor het kadaster en de openbare registers bepaalde soorten van gegevens dan wel bepaalde soorten van mutaties buiten beschouwing worden gelaten. Artikel 3 1. De in [artikel 1, onder b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027517&artikel=1&z=2024-07-01&g=2024-07-"},{"i":7716,"b":"Richtsnoeren publicatie van persoonsgegevens op internet Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) handhaaft de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468). Op internet worden veel persoonsgegevens gepubliceerd. Dit document geeft aan hoe het CBP publicatie van persoonsgegevens op internet in het algemeen beoordeelt. De richtsnoeren bevatten tevens uitleg over de wet, geïllustreerd met praktijkvoorbeelden. Voor iedereen die publiceert op internet is van belang dat duidelijk is of, wanneer en in welke vorm publicatie is toegestaan. De richtsnoeren beogen bij te dragen aan deze duidelijkheid. Helderheid over toepasselijke normen bevordert de naleving ervan en past in een efficiënt handhavingsbeleid. Deze richtsnoeren zijn gepubliceerd in de Staatscourant van 11 december 2007. Inleiding Eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer wordt beschouwd als een essentiële voorwaarde voor een menswaardig bestaan en als een van de grondslagen van onze rechtsorde. Eenieder heeft recht op bescherming tegen de ongebreidelde vergaring, bewerking en verspreiding van zijn persoonsgegevens. Op internet worden op heel veel manieren persoonsgegevens gepubliceerd. Internet maakt het door zijn aard zeer laagdrempelig om persoonsgegevens te publiceren: via een website, in een discussieforum of in een online dagboek. Mensen kunnen gegevens over zichzelf publiceren of over anderen. Publicaties op internet zijn over het algemeen wereldwijd 24 uur per dag toegankelijk voor een potentieel zeer omvangrijk en divers publiek. Voor mensen van wie de persoonsgegevens op internet staan, kunnen de consequenties groot zijn, bijvoorbeeld als het gaat om onbewezen verdenkingen of intieme details uit het persoonlijke leven. Zelfs als de gegevens op zichzelf juist zijn, kan door de publicatie op internet een onvolledig beeld ontstaan van een persoon, met een negatieve beoordeling tot gevolg. Daarom stelt de wet grenzen aan de toelaatbaarheid van de publicatie va"},{"i":7663,"b":"Ministeriële regeling van de 13de maart 2008 ter uitvoering van artikel 6 van het Archiefbesluit BES Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **archiefbescheiden:** archiefbescheiden die ingevolge een selectielijst voor bewaring in aanmerking komen; - **bestand:** een geheel van gegevens in een zelfde opslagformaat; - **besturingsprogrammatuur:** de programmatuur die bestemd is ter besturing van een informatie-systeem; - **conversie:** het omzetten in of het overzetten van gegevens in een ander opslagformaat; - **digitale archiefbescheiden:** archiefbescheiden op optische of elektromagnetische informatie-dragers en toegankelijk door middel van besturingsapparatuur en toepassingsprogrammatuur; - **documentair structuurplan:** een plan waarin zijn vastgelegd de archieforganisatie, de indeling van het archief en de manier waarop de bestanddelen daarbinnen dienen te worden gerangschikt; - **handeling:** een complex van activiteiten ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid; - **archiefbeheerssysteem:** een geheel van mensen, methoden, procedures, gegevens verzamelingen, opslag-, verwerkings- en communicatieapparatuur en andere middelen, bestemd tot het beheer van archiefbescheiden; - **ontstaan:** het moment dat archiefbescheiden door een overheidsorgaan worden ontvangen of opgemaakt als naar hun aard bestemd om daaronder te berusten; - **migratie:** het overzetten van gegevens naar een ander platform; - **opslagformaat:** de code waarin archiefbescheiden op een gegevensdrager zijn opgeslagen; - **platform:** geheel van apparatuur en besturingsprogrammatuur waarop de toepassingsprogrammatuur werkt; - **structuur:** het logische verband tussen de elementen van een document of van een archief; - **toepassingsprogrammatuur:** de programmatuur die bestemd is ter ondersteuning van de uitvoering van een werkproces; - **vorm:** de uiterlijke verschijning waarin de structuur zichtbaar is; - **werkproces:** de uitvoering van de taak of handeling uit h"},{"i":7728,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 29 maart 2022, nr. WJZ/ 21288575, houdende regels ter uitvoering van de Verordening (EU) nr. 2019/881 (Uitvoeringsregeling cyberbeveiligingsverordening) Gelet op [artikel 8 van de Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046349&artikel=8); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **AVA_VAN-niveau:** AVA_VAN-niveau als bedoeld in artikel 2, onderdeel 8, van [uitvoeringsverordening (EU) 2024/482](32024R0482); - **certificeringsinstantie:** certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 12, van [uitvoeringsverordening (EU) 2024/482](32024R0482); - **EUCC-certificaat:** EUCC-certificaat als bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, van [uitvoeringsverordening (EU) 2024/482](32024R0482); - **ITSEF:** ITSEF als bedoeld in artikel 2, onderdeel 7, van [uitvoeringsverordening (EU) 2024/482](32024R0482); - **technisch domein:** technisch domein als bedoeld in artikel 2, onderdeel 13, van [uitvoeringsverordening (EU) 2024/482](32024R0482); - **uitvoeringsverordening (EU) 2024/482:** [uitvoeringsverordening (EU) 2024/482](32024R0482) van de Commissie van 31 januari 2024 houdende uitvoeringsbepalingen van [Verordening (EU) 2019/881](32019R0881) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de vaststelling van de Europese op gemeenschappelijke criteria gebaseerde cyberbeveiligingscertificeringsregeling (EUCC); - **uitvoeringsverordening (EU) 2024/3143:** [uitvoeringsverordening (EU) 2024/3143](32024R3143) van de Commissie van 18 december 2024 tot vaststelling van de omstandigheden, vormen en procedures van aanmeldingen overeenkomstig artikel 61, lid 5, van [Verordening (EU) 2019/881](32019R0881) van het Europees Parlement en de Raad inzake Enisa (het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging), en inzake de certificering van de cy"},{"i":7753,"b":"Verdrag van Tampere inzake de levering van telecommunicatievoorzieningen voor rampenmitigatie en noodhulpoperaties De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, In het besef dat de omvang, de complexiteit, de frequentie en de gevolgen van rampen sterk toenemen en in ontwikkelingslanden buitengewoon ernstige consequenties hebben, In herinnering brengend dat humanitaire hulpverleningsorganisaties betrouwbare en flexibele telecommunicatievoorzieningen nodig hebben voor de uitvoering van hun vitale taken, Voorts in herinnering brengend de essentiële rol van telecommunicatievoorzieningen bij het faciliteren van de veiligheid van het personeel dat de humanitaire noodhulp en bijstand verleent, Voorts in herinnering brengend de vitale rol van radio-uitzendingen bij het verspreiden van nauwkeurige informatie over rampen onder in gevaar verkerende bevolkingsgroepen, Ervan overtuigd dat de doelmatige en tijdige inzet van telecommunicatievoorzieningen en de snelle en efficiënte uitwisseling van nauwkeurige en betrouwbare informatie van wezenlijk belang zijn om het verlies aan mensenlevens, het menselijk lijden en de schade aan eigendommen en leefomgeving als gevolg van rampen te beperken, Bezorgd over de gevolgen van rampen voor communicatiefaciliteiten en informatiestromen, Zich bewust van de bijzondere behoefte aan technische bijstand van de minst ontwikkelde, rampgevoelige landen, teneinde telecommunicatievoorzieningen te ontwikkelen voor rampenmitigatie en noodhulpoperaties, Opnieuw bevestigend de absolute prioriteit die wordt toegekend aan levensreddende communicatie in noodsituaties in meer dan vijftig internationale regelgevende kaders, waaronder het Statuut van de Internationale Telecommunicatie Unie, Gelet op de geschiedenis van de internationale samenwerking en coördinatie bij rampenmitigatie en noodhulp, met inbegrip van de aangetoonde levensreddende rol van de tijdige inzet en het gebruik van telecommunicatievoorzieningen, Voorts gelet op het verslag van de Internation"},{"i":7703,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 januari 2015, 2014-0000192106, houdende het verlenen van volmacht en machtiging aan de directeur van de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken in verband met de verlenging van een aantal overeenkomsten met ICT-dienstverleners Gezien de schriftelijke instemming van de directeur van de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken; Gelet op [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=9) en [23 van het Organisatie- mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=23); Besluit: Artikel 1. Definitiebepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - b. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - c. **DICTU:** Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken. Artikel 2. Volmacht en machtiging Aan de directeur van de DICTU wordt volmacht en machtiging verleend tot: - a. het verlengen en zo nodig sluiten van overeenkomsten inzake ICT-beveiliging en -dienstverlening alsmede inzake hardware, ten behoeve van het beveiligde platform van de Nederlandse Arbeidsinspectie met de navolgende bedrijven: - I. Fox Crypto B.V., gevestigd te Delft, handelend onder de naam Fox-IT, voor de levering van hardware, - II. Onsight Solutions B.V., gevestigd te Arnhem,voor de levering van hardware, en - III. SoftwareONE B.V., gevestigd te Amsterdam, voor levering en onderhoud van software van de leveranciers Microsoft, Oracle en Flex-ID. - b. het verrichten van de benodigde werkzaamheden in verband met de verlenging c.q. het sluiten van de in onderdeel a bedoelde overeenkomsten, waaronder mede begrepen het maken van prijsafspraken ter zake. Artikel 3. Ondertekening en vermeld"},{"i":7726,"b":"Besluit van 28 november 2023, houdende regels ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2019/881 (Uitvoeringsbesluit cyberbeveiligingsverordening) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 13 juli 2023, nr. WJZ/27023717; Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046349&artikel=3), [4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046349&artikel=4), en [5, zesde lid, van de Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046349&artikel=5); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2023 nr. W18.23.00197/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 24 november 2023, nr. WJZ / 35028639; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder wet verstaan: [Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046349). Artikel 2 1. Een melding als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046349&artikel=3) wordt elektronisch gedaan met gebruikmaking van een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel, tenzij technische belemmeringen aan de zijde van Onze Minister dit tijdelijk onmogelijk maken. 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gegevens die worden verstrekt bij de melding, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3 1. Een aanvraag tot goedkeuring als bedoeld in de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046349&artikel=4), en [5, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046349&artikel=5) wordt elektronisch gedaan met gebruikmaking van een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel, tenzij technische belemmeringen aan de zijde van Onze Minister dit tijdelijk onmogelijk maken. 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag tot g"},{"i":7756,"b":"Wet van 21 maart 2025 tot wijzigingen van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om de grondslagen voor gegevensverwerking te verstevigen en enkele andere wijzigingen (Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.a) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om grondslagen ten behoeve van gegevensverwerking op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, op te nemen dan wel aan te scherpen en voorts om het inzagerecht technisch aan te passen en enkele andere wijzigen door te voeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens. Artikel II Wijzigt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Artikel III Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel IV Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel V Wijzigt de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Artikel VI Wijzigt de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten. Artikel VII Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel VIII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IX Deze wet wordt aangehaald als: Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.a. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7699,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 9 mei 2022, nr. WJZ/ 22084591, houdende Regels omtrent de vergoeding voor de kosten van de bemoeiing met betrekking tot de in artikel 31 van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES genoemde werkzaamheden en diensten (Regeling vergoeding telecommunicatievoorzieningen Agentschap Telecom BES 2022) Gelet op de [artikelen 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=6) en [7a van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet en Wet telecommunicatievoorzieningen BES](onbekend); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **machtiging:** machtiging als bedoeld in [artikel 31, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=31); - **wet:** [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469). Artikel 2 Als vergoedingen worden vastgesteld de vergoedingen die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlagen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046654&bijlage=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046654&bijlage=II&z=2023-01-01&g=2023-01-01). Artikel 3 1. Voor de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot werkzaamheden en diensten die niet zijn genoemd in de bij deze regeling behorende [bijlagen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046654&bijlage=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046654&bijlage=II&z=2023-01-01&g=2023-01-01), is een vergoeding verschuldigd die wordt vastgesteld op grond van een uurtarief van USD 116. 2. Bij onregelmatigheid of overwerk kan de vergoeding, bedoeld in de [bijlagen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046654&bijlage=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046654&bijlage=II&z=2023-01-01&g=2023-0"},{"i":7688,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 juni 2011, kenmerk MC-U-3052256, houdende regels in verband met de verwerking van persoonsgegevens door ziektekostenverzekeraars bij de uitvoering van vrijwillige ziektekostenverzekeringen (WMG) Gelet op [artikel 68a, vierde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. **verzekeraar:** een ziektekostenverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, onder f, sub 3°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - c. **vrijwillige ziektekostenverzekering:** een ziektekostenverzekering, anders dan de verplichte verzekering ingevolge de Zorgverzekeringswet en anders dan de verzekering van rechtswege ingevolge de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), waartoe de verzekerde met een verzekeraar op wederzijdse vrijwillige basis een ziektekostenverzekeringsovereenkomst heeft gesloten; - d. - 1°. een beschrijving van de prestatie zoals die op grond van de wet voor zorg is vastgesteld dan wel - 2°. een beschrijving van de prestatie zoals die tussen de verzekerde en de zorgaanbieder is overeengekomen indien voor die zorg niet een prestatiebeschrijving op grond van de wet behoeft te worden vastgesteld; - e. **declaratieregeling:** een regeling bedoeld in [artikel 38, derde lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38); - f. **formele controle:** een onderzoek waarbij de verzekeraar nagaat of het tarief dat door een zorgaanbieder voor een prestatie in rekening is gebracht: - 1°. een prestatie betreft, welke is geleverd aan een bij die verzekeraar verzekerde persoon; - 2°. een prestatie betreft, welke behoort tot het verzekerde pakket van die persoon, - 3°. een prestatie betreft, tot levering waarvan d"},{"i":7751,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden, Hierna gezamenlijk te noemen „de partijen” en elk afzonderlijk „de partij”, Komen, teneinde de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens te waarborgen, in het belang van de nationale veiligheid, het volgende overeen: Artikel 1. Doel en reikwijdte 1. Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen de partijen of tussen rechtspersonen of natuurlijke personen onder hun rechtsmacht, of die worden gegenereerd in het kader van een bilateraal programma uit hoofde van dit Verdrag. In het Verdrag worden de beveiligingsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. 2. Dit Verdrag vormt geen basis om de partijen ertoe te verplichten gerubriceerde gegevens te verstrekken of uit te wisselen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „Gerubriceerd contract”, elke wettelijk afdwingbare overeenkomst, met inbegrip van eventuele voorafgaande contractonderhandelingen, die een van de partijen aangaat met een opdrachtnemer voor de levering van goederen, uitvoering van werkzaamheden of levering van diensten, waarbij voor de uitvoering toegang of mogelijk toegang tot gerubriceerde gegevens vereist is of waarbij deze gecreëerd worden. - b. „Gerubriceerde gegevens”, gegevens die of materiaal dat door een van de partijen als gerubriceerd worden of wordt aangemerkt, waarvan de ongeoorloofde bekendmaking of het verlies de belangen van een of beide partijen in meer of mindere mate zou kunnen schaden. - c. „Bevoegde beveiligingsautoriteit”, de overheidsautoriteit/autoriteiten van een partij die verantwoordelijk is/zijn voor de implementatie van en het toezicht op dit Verdrag. De bevoegde beveiligingsautoriteit kan een deel van zijn verantwoordelijkheden del"},{"i":7683,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 17 september 2020, nr. WJZ/ 20216274, houdende voorschriften met betrekking tot de melding van het voornemen overwegende zeggenschap in een telecommunicatiepartij te verkrijgen (Regeling melding Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie) Gelet op [artikel 14a.2, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14a.2); Besluit: Artikel 1 1. Een melding als bedoeld in [artikel 14a.2, eerste en vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14a.2), wordt gedaan met gebruikmaking van het in de bijlage opgenomen formulier en gaat vergezeld van de in dit formulier genoemde gegevens en bescheiden. 2. Een melding wordt gedaan: - a. per post op het volgende adres en met de volgende adressering: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat t.a.v. Bureau Toetsing Investeringen Postbus 20401 2500 EK Den Haag, of - b. door persoonlijke overhandiging op werkdagen tussen 8.00 uur en 17.00 uur op het volgende adres: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat t.a.v. Bureau Toetsing Investeringen Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2020. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling melding Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie. Bijlage. bij [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044121&artikel=1&z=2020-10-01&g=2020-10-01), van de Regeling melding Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie Meldingsformulier Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie 1. Beschrijving van de verkrijging van overwegende zeggenschap 1.1. Samenvatting Geef een beknopte samenvatting van de verkrijging van overwegende zeggenschap, waarin u vermeldt: de investeerder die voornemens is overwegende zeggenschap in een telecommunicatiepartij te verkrijgen, de betreffende telecommunicatiepartij en de telecomdiensten die deze aanbiedt, de a"},{"i":7631,"b":"Privacyreglement Algemene zaaksregistratie raden voor de kinderbescherming Overwegende dat, ingevolge de artikelen 19, 20 en 22 van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665) een reglement dient te worden vastgesteld voor de ingangskaart- en zaaksadministratie bij de raden voor de kinderbescherming; Besluit het volgende reglement vast te stellen: Par. 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: Artikel 2. Doelstelling De registratie heeft ten doel het administreren van degenen die betrokken zijn bij de uitvoering van de wettelijke taken van de raad en het vastleggen van algemene gegevens over de door de raad behandelde zaken. Artikel 3. Verantwoordelijkheden 1. De houder is verantwoordelijk voor het beheer en het goed functioneren van de registratie en treft daartoe de nodige voorzieningen op het gebied van organisatie en beveiliging. 2. De beheerder is belast met de dagelijkse leiding van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid. Artikel 4. Invoer en verwerking van gegevens De invoer en verwerking van de in de registratie opgenomen gegevens, met inbegrip van de verbetering, aanvulling of verwijdering daarvan, geschiedt op de afdeling post- en archiefzaken en op de afdeling waar de zaak wordt behandeld, door de daartoe door of namens de houder aangewezen ambtenaren. Par. 2. Registratie en herkomst van gegevens Artikel 5. Personen omtrent wie gegevens zijn opgenomen In de registratie worden uitsluitend persoonsgegevens opgenomen over: - a. minderjarige en meerderjarige personen, waarmee de raad bemoeienis heeft; - b. (stief)ouders, voogden en verzorgers van onder a, genoemde personen; - c. personen, die bij rechterlijke beslissing zijn verplicht tot een bijdrage: - 1. in de kosten van verzorging en opvoeding dan wel in de kosten van levensonderhoud en studie; - 2. ter bestrijding van de kosten van een maatregel van kinderbescherming; - d. aspirant-pleegouders. - e. degenen die in opdracht van de raad met de uitvoeri"},{"i":7799,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 mei 2008, nr. UB/S/2008/14903, tot wijziging van de Regeling SUWI in verband met eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen In overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de [artikelen 5.2a, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013267&artikel=5.2a), [5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013267&artikel=5.20), [5.21, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013267&artikel=5.21), [5.22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013267&artikel=5.22), [5.23, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013267&artikel=5.23), [5.24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013267&artikel=5.24) en[5.25, vijfde lid van het Besluit SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013267&artikel=5.25); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling SUWI. Artikel II [Artikel 5.22 van de Regeling SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013280&artikel=5.22), zoals dit luidt na de inwerkingtreding van deze regeling, is van toepassing op de wijze van verantwoording over de gegevensverwerking over het kalenderjaar 2007. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 september 2008. Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen I, II, III, XI en XX in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen XII en XVIII worden ter inzage gelegd bij de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid."},{"i":7758,"b":"Voorwaarden gestructureerde PE-activiteiten in elektronische vorm per 1 januari 2014 **Conform** [artikel 1, onder i, van de Nadere voorschriften permanente educatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033451&artikel=1) **stelt het bestuur de volgende voorwaarden aan gestructureerde PE-activiteiten in elektronische vorm (verder elektronische lesvormen).** Het bestuur beoogt met het stellen van deze voorwaarden duidelijkheid te scheppen over de wijze waarop elektronische lesvormen moeten worden georganiseerd om in aanmerking te komen van toekenning van gestructureerde PE-uren. Ook streeft het bestuur er met deze voorwaarden naar te voorkomen dat activiteiten die normaal gesproken onder zelfstudie zouden vallen door het toevoegen van enkele (elektronische) toetsvragen als elektronische lesvorm kunnen worden aangemerkt. - 1. Elektronische lesvormen kunnen kwalificeren als gestructureerde PE-activiteiten als zij bijdragen aan het relevante kennis- en/of vaardigheidsniveau van de leden. - 2. Duur van de elektronische lesvorm: - a. De minimale omvang van een elektronische lesvorm bedraagt 45 minuten. - b. Indien een elektronische lesvorm een duur heeft van 120 minuten of langer, is het verplicht de elektronische lesvorm op te delen in modules die elk worden afgesloten met een (verplichte) tussentoets. - 3. Een elektronische lesvorm bevat: - a. Heldere leerdoelen - b. Een beschrijving op welke manier de leerdoelen worden bereikt - c. Een ingebouwde controle dat de cursist alle onderdelen doorloopt alvorens dat hij toegang krijgt tot de afsluitende toets - d. Een afsluitende toets met vragen die geformuleerd zijn op begrips- en toepassingsniveau, waaruit blijkt dat de cursist de geformuleerde leerdoelen heeft behaald. - 4. Voor de afronding van een elektronische lesvorm is een minimale toets score van 70% vereist (indien bij herkansingen dezelfde vragen worden gehanteerd, dient deze norm te worden verhoogd naar minimaal 80%) - 5. Een elektronische lesvorm kwalificeert"},{"i":7761,"b":"Werkwijze DNB inzien en kopiëren van digitale gegevens Artikel 1. – Definitiebepalingen - **Awb:** de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). - **Digitale gegevens:** elektronische gegevens waarover het Onderzoekssubject beschikt of kan beschikken. - **Functionaris Verschoningsrecht:** een door een directielid van De Nederlandsche Bank (DNB) aangewezen persoon die niet als IT-Specialist of als Onderzoeker bij toezichtonderzoeken betrokken is of zal zijn, maar onafhankelijk, met technische ondersteuning van de IT-Specialist, het geprivilegieerde karakter van de door het Onderzoekssubject als zodanig geclaimde gegevens toetst. - **Geprivilegieerde gegevens:** Digitale gegevens die zijn gewisseld tussen een Onderzoekssubject en diens advocaat1Waar in de definitiebepaling advocaat staat kan ook arts, notaris of geestelijke gelezen worden. in die hoedanigheid. De gegevens worden als geprivilegieerd aangemerkt wanneer de advocaat zich ten aanzien van die gegevens zou kunnen beroepen op het verschoningsrecht zoals vastgelegd in [artikel 5:20, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) en hij over die gegevens kan beschikken. - **Geschoonde gegevens:** Digitale gegevens zoals veiliggesteld en gekopieerd door de IT-Specialist waarvan Geprivilegieerde- en/of Privégegevens zijn uitgesloten. - **IT-Specialist:** een toezichthouder in de zin van [artikel 5:11 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:11) die niet betrokken is bij de inhoudelijke uitvoering van het toezichtonderzoek, maar belast is met het proces van identificeren, veiligstellen, kopiëren en verwerken van Digitale gegevens, waaronder het technisch voorbereiden dan wel uitvoeren van de Schoning. - **Onderzoeker:** een toezichthouder in de zin van [artikel 5:11 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:11) die het toezichtonderzoek uitvoert. - **Onderzoekssubject:** de natuurlijke persoon of rechtspe"},{"i":7786,"b":"Wet van 21 juli 2007, houdende regels inzake de verwerking van politiegegevens (Wet politiegegevens) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels vast te stellen voor het verwerken van politiegegevens; Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot die verwerking uitvoering dient te worden gegeven aan [artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=10); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (definities) In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **politiegegeven:** elk persoonsgegeven dat wordt verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak, bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=3) en [4 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=4), met uitzondering van: - –. de uitvoering van wettelijke voorschriften anders dan de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften; - –. de bij of krachtens de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) opgedragen taken, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel i, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=1) en [artikel 4, eerste lid, onderdeel f, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=4); - b. **persoonsgegeven:** alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; - c. **verwerken van politiegegevens:** elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot politiegegevens of een geheel van politiegegevens, al dan niet uitgevoerd op geautomatiseerde wijze, zoals het verzamelen, vastl"},{"i":7781,"b":"Wet van 1 april 2026, houdende wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2226 van de Raad van 17 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (PbEU L 2023/2226) (Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling cryptoactiva) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan te passen in verband met de implementatie van [Richtlijn (EU) 2023/2226](32023L2226) van de Raad van 17 oktober 2023 tot wijziging van [Richtlijn 2011/16/EU](32011L0016) betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (PbEU L 2023/2226); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel III Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel IV 1. [Artikel 6d, derde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=6d) is eerst van toepassing op voorafgaande grensoverschrijdende rulings die na 1 januari 2026 zijn afgegeven, gewijzigd of hernieuwd. 2. Met betrekking tot rapportageperioden die eindigen op 31 december 2027 dient een rapporterende financiële instelling inlichtingen betreffende de rol of rollen als bedoeld in [artikel 10b, eerste lid, onderdeel c, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10b) en [10c, eerste lid, onder"},{"i":7803,"b":"Wet van 7 april 2006 tot wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de implementatie van richtlijn 2004/108/EG Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) te herzien in verband met de implementatie van [richtlijn nr. 2004/108/EG](32004L0108) van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit en tot intrekking van [Richtlijn 89/336/EEG](31989L0336) (PbEG L 390/24); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Na inwerkingtreding van deze wet berust de [Regeling breedbeeldtelevisiediensten en normen digitale consumentenapparaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016707) mede op [artikel 10.5 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=10.5). Artikel IV Wijzigt de Veegwet EZ 2005. Artikel V De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7762,"b":"Wet van 23 november 2016 tot wijziging van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen in verband met het verstrekken van gegevens ten behoeve van het biedboek voor de veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen (Wet aanvullende biedboekgegevens) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een verplichting op te leggen tot het verstrekken van gegevens ten behoeve van het biedboek voor de veiling van verkooppunten van motorbrandstoffen langs Rijkswegen teneinde de effectiviteit van de [Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447) te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen. Artikel II Deze wet treedt, onder toepassing van [artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=12), in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanvullende biedboekgegevens. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7654,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 7 december 2015, nr. IENM/BSK-2015/161734, houdende regels met betrekking tot de basisregistratie grootschalige topografie (Regeling basisregistratie grootschalige topografie) Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034026&artikel=4), en [20 van de Wet basisregistratie grootschalige topografie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034026&artikel=20); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder wet: [Wet basisregistratie grootschalige topografie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034026). Artikel 2 De catalogus is de Gegevenscatalogus BGT 1.1.1, opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037304&bijlage=I&z=2016-01-01&g=2016-01-01) bij deze regeling. Artikel 3 De systeembeschrijving, bedoeld in [artikel 20, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034026&artikel=20), is de Standaard berichtenverkeer 1.0.1, opgenomen in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037304&bijlage=II&z=2016-01-01&g=2016-01-01) bij deze regeling. Artikel 4 Voor zover in de [bijlagen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037304&bijlage=I&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037304&bijlage=II&z=2016-01-01&g=2016-01-01) bij deze regeling ten aanzien van producten technische voorschriften zijn gesteld als bedoeld in de [richtlijn nr. 98/34/EG](31998L0034) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij [richtlijn nr. 98/48/EG](31998L0048) van 20 juli 1998 (PbEG L 217), worden met die producten gelijkgesteld producten die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in"},{"i":7672,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 15 maart 2013, nr. WJZ/12351247, houdende regels omtrent het uitwisselen van gegevens tussen de Autoriteit Consument en Markt en de Minister van Economische Zaken en de Minister van Infrastructuur en Milieu (Regeling gegevensuitwisseling ACM en ministers) Gelet op [artikel 8 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=8); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt; - b. **Minister:** de Minister van Economische Zaken. Artikel 2 1. De ACM verstrekt uit eigen beweging of op verzoek van de Minister of de Minister van Infrastructuur en Milieu zo spoedig mogelijk de gegevens die nodig zijn voor de taakuitoefening van de betrokken minister of waarvan de ACM redelijkerwijs kan aannemen dat zij voor de taakuitoefening van de betreffende minister nodig zijn, waaronder gegevens over bedrijfsvoering en financieel beheer, voor zover de Minister deze gegevens nodig heeft voor het opstellen van de begroting. 2. De Minister of de Minister van Infrastructuur en Milieu verstrekt uit eigen beweging of op verzoek van de ACM zo spoedig mogelijk de gegevens die nodig zijn voor de taakuitoefening van de ACM of waarvan hij redelijkerwijs kan aannemen dat zij voor de taakuitoefening van de ACM nodig zijn. 3. De ACM en de Minister of de Minister van Infrastructuur en Milieu informeren elkaar tijdig over onderwerpen die in de publiciteit kunnen komen en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het voor de ander van belang is om daarvan op de hoogte te zijn. Artikel 3 1. De ACM doet de Minister of de Minister van Infrastructuur en Milieu desgevraagd of uit eigen beweging schriftelijk verslag van haar bevindingen bij het uitvoeren van haar opgedragen taken indien zij of de betrokken minister van oordeel is dat deze informatie noodzakelijk is voor de voorbereiding van besluiten van algem"},{"i":7737,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Ministerie van Justitie met betrekking tot handelingen College Bescherming Persoonsgegevens en Registratiekamer beleidsterrein Persoonsregistraties vanaf 1989 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Ministerie van Justitie met betrekking tot de handelingen van het College Bescherming Persoonsgegevens en de Registratiekamer op het beleidsterrein Persoonsregistraties vanaf 1989 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt ingetrokken: - •. [Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het College Bescherming persoonsgegevens op het beleidsterrein Persoonsregistraties over de periode vanaf 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019826), Staatscourant 2006, nr. 99. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":7639,"b":"Protocol Gegevensvraag Wlz-gegevens 2017 1. Inleiding 1.1. Inleiding Dit accountantsprotocol heeft betrekking op gegevens die nodig zijn voor de risicoverevening [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Deze gegevens hebben betrekking op Wlz-geïndiceerden en worden daarom opgevraagd bij de Wlz-uitvoerders voor de aan hen toegewezen zorgkantoren (per zorgkantoorregio). Deze uitvraag vindt voor het eerst plaats in 2018, waarbij de zorgkantoorregio’s zich moeten verantwoorden over declaraties die betrekking hebben op geleverde en betaalde zorg over 2017. In het ‘Handboek informatie zorgverzekeringswet 20181https://www.zorginstituutnederland.nl/binaries/zinl/documenten/publicatie/2017/12/15/handboek-zorgverzekeraars-informatie-zvw-2018/Handboek+informatie+zorgverzekeringswet+2018.pdfMet name hoofdstuk 5.11 gegevensvraag Wlz-gegevens & bijbehorende record lay-out informatie risicoverevening met betrekking tot deze gegevensvraag.’ van het Zorginstituut zijn instructies voor de verantwoording opgenomen. De accountant geeft de bevindingen van zijn onderzoek weer in een rapport van feitelijke bevindingen. 1.2. Inwerkingtreding De raad van bestuur van de NZa heeft op 8 mei 2018 dit ‘Protocol Gegevensvraag Wlz-gegevens 2017’ vastgesteld. Dit protocol treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit protocol wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017. U kunt dit protocol en alle andere in dit protocol genoemde documenten raadplegen op www.nza.nl. 1.3. Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft de uitgangspunten weer van het accountantsprotocol. Hoofdstuk 3 gaat in op de overeengekomen specifieke werkzaamheden. In de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040941&bijlage=1&z=2018-05-24&g=2018-05-24) is een modeltekst opgenomen voor het rapport van feitelijke bevindingen. 2. Doelstelling en kader 2.1. Inleiding Het doel van dit accountantsprotocol is het verstrekken van duidelijkheid o"},{"i":7646,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 21 november 2022, nr. 4283291 houdende de aanwijzing van computercrisisteams en van organisaties die objectief kenbaar tot taak hebben om andere organisaties of het publiek over dreigingen en incidenten met betrekking tot netwerk- en informatiesystemen te informeren als bedoeld in de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen en tot intrekking van de Regeling aanwijzing computercrisisteams (Regeling aanwijzing schakelorganisaties cybersecurity) Gelet op [artikel 3, tweede lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=3), [artikel 16, derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=16), en [artikel 20, tweede lid, onderdelen a en c, van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Als organisaties die objectief kenbaar tot taak hebben om andere organisaties of het publiek over dreigingen en incidenten met betrekking tot netwerk- en informatiesystemen te informeren als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=3), en [artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=20) worden aangewezen: - a. de Stichting Nationale Beheersorganisatie Internet Providers; - b. de Stichting Cyber Weerbaarheidscentrum Brainport; - c. de Vereniging Cyberveilig Nederland; - d. de Stichting Connect2Trust; - e. de Stichting FERM; - f. de Stichting NL CISO Circle of Trust. Artikel 2 Als computercrisisteams als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=3), [artikel 16, derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=16), en [artikel 20, tweede lid, onderdeel c, van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overh"},{"i":7725,"b":"Wet van 3 juni 2023, houdende regels aangaande een tijdelijke uitwisseling van persoonsgegevens ter identificering van de ouders die gedupeerd zijn als gevolg van problemen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag en geconfronteerd zijn met uithuisplaatsing van kinderen (Tijdelijke wet uitwisseling persoonsgegevens UHP KOT) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels te stellen over een tijdelijke uitwisseling van persoonsgegevens van de bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag gedupeerde ouders en hun uithuisgeplaatste kinderen en deze regels onder te brengen in één wet; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: - **Burgerlijk Wetboek (oud):** het Burgerlijk Wetboek zoals dat gold in de periode tussen 1 januari 2005 en 1 januari 2015; - **commissie:** de Commissie onderzoek uithuisplaatsingen in relatie tot de toeslagenaffaire, bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047840&artikel=2); - **gecertificeerde instelling:** gecertificeerde instelling als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **gedupeerde aanvrager van een kinderopvangtoeslag:** de aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend of recht heeft op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in de Wet van 2 november 2022, houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen ([Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436)) (**Stb.** 2022, 433); - **gerechten:** de rechtbanken en de gerechtshoven; - **instelling of dienst:**"},{"i":7749,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, Hierna te noemen „de partijen”, Geleid door de wens de wederzijdse beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen hen of tussen rechtspersonen of natuurlijke personen onder hun rechtsmacht of die worden gegenereerd in het kader van een bilateraal programma uit hoofde van dit Verdrag, in het belang van de nationale veiligheid, komen het volgende overeen. Artikel 1. Doel Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen de partijen of tussen rechtspersonen of natuurlijke personen onder hun rechtsmacht, of die worden gegenereerd in het kader van een bilateraal programma uit hoofde van dit Verdrag. In het Verdrag worden de veiligheidsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - „Gerubriceerd contract”, een contract of onderaannemingscontract, met inbegrip van eventuele voorafgaande contractonderhandelingen, dat gerubriceerde gegevens bevat of dat toegang tot of omgang met gerubriceerde gegevens inhoudt. - „Gerubriceerde gegevens”, alle gegevens die, ongeacht de aard ervan, bescherming vereisen tegen ongeoorloofde openbaarmaking, onrechtmatig gebruik of verlies, en die voorzien zijn van een rubricering uit hoofde van de nationale wetten en voorschriften van een of van beide partijen. - „Bevoegde veiligheidsautoriteit”, de overheidsautoriteit in een partij die verantwoordelijk is voor de implementatie van en toezicht op dit Verdrag. - „Opdrachtnemer”, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die bevoegd is contracten aan te gaan. - „Veiligheidsmachtiging bedrijfslocatie”, de vaststelling door de bevoegde veiligheidsautoriteit dat een opdrachtnemer passende veiligheid"},{"i":7750,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Spanje inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Spanje, Hierna te noemen „de partijen”, Geleid door de wens de wederzijdse beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens, in het belang van de nationale veiligheid, komen het volgende overeen: Artikel 1. doel Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen de partijen of tussen rechtspersonen of natuurlijke personen onder hun rechtsmacht, of die worden gegenereerd in het kader van een bilateraal programma uit hoofde van dit Verdrag. In het Verdrag worden de veiligheidsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. Artikel 2. begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. **„Gerubriceerd contract”**, een contract, met inbegrip van eventuele voorafgaande contractonderhandelingen, dat een van de partijen aangaat met een opdrachtnemer voor de levering van goederen, uitvoering van werkzaamheden of levering van diensten, waarbij voor de uitvoering toegang of mogelijk toegang tot gerubriceerde gegevens vereist is of waarbij deze gecreëerd worden. - b. **„Gerubriceerde gegevens”**, gegevens die, of materiaal dat, door een van de partijen als gerubriceerd worden of wordt aangemerkt, waarvan de ongeoorloofde bekendmaking of het verlies de belangen van een of beide partijen in meer of mindere mate zou kunnen schaden. - c. **„Bevoegde veiligheidsautoriteit”**, de overheidsautoriteit in een partij die verantwoordelijk is voor de implementatie van en het toezicht op dit Verdrag. - d. **„Opdrachtnemer”**, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die bevoegd is contracten aan te gaan. - e. **„Veiligheidsmachtiging bedrijfslocatie”**, de vaststelling door de bevoegde veiligheidsautoriteit dat een bedrijfslocatie passende veiligheidsmaatregelen heeft genomen voor de toe"},{"i":7664,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 14 juni 2012, nr. IENM/BSK-2012/109052, houdende vaststelling van regels omtrent de elektronische verzending van aanvragen, afschriften of meldingen in het kader van het Vuurwerkbesluit (Regeling elektronische aanvragen en meldingen Vuurwerkbesluit) Gelet op de [artikelen 1.3.2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=1.3.2), [1.4.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=1.4.1), [2.2.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=2.2.4), [3B.2, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=3B.2), [3B.3a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=3B.3a), en [3B.4, zesde lid, van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=3B.4) en [artikel 6.13, vierde lid, van het Besluit omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027464&artikel=6.13); Besluit: Artikel 1 Meldingen als bedoeld in de [artikelen 1.3.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=1.3.2), en [1.4.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=1.4.1) en aanvragen voor een toepassingsvergunning als bedoeld in [artikel 3B.2, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=3B.2) worden elektronisch ingediend via de website www.ilent.nl van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Artikel 2 Meldingen als bedoeld in [artikel 3B.4, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=3B.4) en aanvragen voor een ontbrandingstoestemming als bedoeld in [artikel 3B.3a, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=3B.3a) worden elektronisch ingediend in het elektronisch meldsysteem van Gedeputeerde Staten van de provincie waar het evenement plaatsvindt via DigiD op de websit"},{"i":7670,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 1 december 2014, nr. WJZ/687894 (10524), houdende vaststelling van regels over de verstrekking van gegevens door openbare bibliotheekvoorzieningen ten behoeve van beleidsontwikkeling (Regeling gegevenslevering openbare bibliotheekvoorzieningen) Gelet op [artikel 11, vierde lid, van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=11) Besluit: Artikel 1. Gegevenslevering door lokale bibliotheken 1. Ten behoeve van de beleidsontwikkeling door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap levert een lokale bibliotheek jaarlijks gegevens over het voorgaande kalenderjaar aan. In afwijking van de eerste volzin kan op de website, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035892&artikel=5&z=2016-01-01&g=2016-01-01), worden aangegeven dat bepaalde gegevens meerjaarlijks worden aangeleverd. 2. De aan te leveren gegevens staan vermeld in de bij deze regeling gevoegde [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035892&bijlage=I&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en zijn onderverdeeld in de volgende categorieën: - a. voorzieningen; - b. collectie; - c. uitleningen; - d. lidmaatschap en bezoek; - e. invulling van kernfuncties en dienstverlening; - f. personeel; - g. baten en lasten. Artikel 2. Gegevenslevering landelijke digitale bibliotheek 1. Ten behoeve van de beleidsontwikkeling door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap levert de Koninklijke Bibliotheek jaarlijks gegevens over de landelijke digitale bibliotheek over het voorgaande kalenderjaar aan. In afwijking van de eerste volzin kan op de website, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035892&artikel=5&z=2016-01-01&g=2016-01-01), worden aangegeven dat bepaalde gegevens meerjaarlijks worden aangeleverd. 2. De aan te leveren gegevens staan vermeld in de bij deze regeling gevoegde [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035892&bi"},{"i":7678,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 26 maart 2018, nr. WJZ/18027277, houdende regels inzake de te verstrekken gegevens in het kader van medegebruik van antenne-opstelpunten en medegebruik van fysieke infrastructuur ter bevordering van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid (Regeling gegevensverstrekking medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke infrastructuur) Gelet op [richtlijn nr. 2014/61](32014L0061)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid (PbEU 2014, L 155) en de [artikelen 3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040788&artikel=3), en [4, eerste lid, van het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke infrastructuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040788&artikel=4) en [27 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=27); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **antenne:** element of samenstel van elementen, geschikt en bestemd voor het in combinatie met een radioapparaat uitzenden dan wel ontvangen van elektromagnetische velden; - **antenne-opstelpunt:** mast of soortgelijk bouwwerk, geschikt en bestemd voor het daaraan bevestigen van een antenne of antennesysteem alsmede dat gedeelte van het stuk grond of dat deel van een object waarop of waaraan een antenne of antennesysteem is bevestigd of geplaatst; - **antennesysteem:** samenstel van twee of meer antennes met bijbehorende bekabeling en technische voorzieningen; - **besluit:** [Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke en publieke infrastructuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040788); - **ERP:** Effective Radiated Power; - **installatie:** radioapparatuur v"},{"i":7801,"b":"Wet van 21 december 2016 tot wijziging van de Telecommunicatiewet, de Boeken 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene wet bestuursrecht alsmede daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten in verband met de uitvoering van EU-verordening elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten (uitvoering EU-verordening elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van [Richtlijn 1999/93/EG](31999L0093) (PbEU 2014, L257) uit te voeren, en dat het wenselijk is de hiervoor noodzakelijke bepalingen aan te passen in de [Boeken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291) en [6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289), de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950), de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), alsmede daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel V Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VI Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel VII Wijzigt de Kadasterwet. Artikel VIII Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel IX Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel X Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens. Artikel Xa Wijzigt de Wijzigingswet Telecommunicatiew"},{"i":7759,"b":"Werkafspraken OPTA/CBP uitoefening toezicht artikel 11.7 lid 1, lid 2 en lid 3 Telecommunicatiewet **Werkafspraken tussen het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) en het College bescherming persoonsgegevens (CBP) over de wijze van samenwerking bij het uitoefenen van gezamenlijk toezicht op artikel 11.7 lid 1, lid 2 en lid 3 Telecommunicatiewet (Tw)** Inleiding Sinds 19 mei 2004 is het wettelijk verbod op het verzenden van spam zoals bepaald in [artikel 11.7 Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.7), van kracht. Het CBP en de OPTA zijn voornemens algemene samenwerkingsafspraken te maken en deze vast te leggen in een samenwerkingsprotocol. Voorliggende werkafspraken op het terrein van de spambestrijding zullen te zijner tijd onderdeel vormen van het samenwerkingsprotocol. Er bestaat geen formeel wettelijke verplichting voor beide instanties om tot een dergelijk samenwerkingsverband te komen. Toch achten beide colleges het wenselijk om, gezien de verbanden die er bestaan tussen hun taken, te komen tot dergelijke afspraken. Deze taken hangen immers met elkaar samen. In het algemeen maar ook in concrete zaken, kunnen beide colleges profiteren van de wederzijdse kennis en ervaring en het afbakenen en verduidelijken van elkaars bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Met deze afspraken scheppen het CBP en de OPTA een kader voor samenwerking, zodat dit niet langer op ad hoc basis behoeft plaats te vinden. Daarnaast geven de afspraken een duidelijk beeld aan de buitenwereld van hoe deze samenwerking verloopt. Het CBP en de OPTA voorzien op dit moment nog niet in afspraken over de wijze van samenwerking bij het uitoefenen van gezamenlijk toezicht op [artikel 11.7 lid 4 Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.7). Voortschrijdende ontwikkelingen kunnen hier op termijn wel aanleiding toe geven. Juridisch kader De OPTA is belast met de uitvoering en handhaving van het toezicht op weten regelgeving o"},{"i":7766,"b":"Wet van 25 september 2013, houdende regels omtrent de basisregistratie grootschalige topografie (Wet basisregistratie grootschalige topografie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van een goede vervulling van bepaalde publiekrechtelijke taken wenselijk is om een basisregistratie grootschalige topografie tot stand te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **authentiek gegeven:** in een basisregistratie opgenomen gegeven dat bij of krachtens de wet als authentiek is aangemerkt; - **basislijn:** basislijn volgens het op 10 december 1982 te Montego-Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83); - **basisregistratie:** verzameling gegevens waarvan bij wet is bepaald dat deze een basisregistratie vormt; - **bronhouder:** bestuursorgaan of rechtspersoon aan wie bij deze wet de verantwoordelijkheid voor het bijhouden van geografische gegevens is opgedragen; - **catalogus:** catalogus als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034026&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2025-02-12&g=2025-02-12); - **defensieterrein:** terrein in eigendom van de Staat en in materieel beheer bij het Ministerie van Defensie met uitzondering van oefen- en schietterreinen; - **Dienst:** Dienst voor het kadaster en de openbare registers, als bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - **geografisch gegeven:** - 1°. in [artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034026&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2025-02-12&g=2025-02-12), genoemd geografisch object; - 2°. in de catalogus opgenomen ke"},{"i":7787,"b":"Wet telecommunicatievoorzieningen BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **openbaar lichaam:** het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba - c. **telecommunicatie:** iedere overdracht, uitzending of ontvangst van gegevens van welke aard ook door middel van kabels, langs radio-elektrische weg of door middel van optische of andere elektromagnetische systemen; - d. **openbare gronden:** - 1. de openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken; - 2. de wateren met de daartoe behorende bruggen, de plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, welke tot gemene dienst van allen zijn bestemd; - e. **kabels:** geleidingen bestemd voor telecommunicatie - f. **kabelwerken:** de bij kabels behorende ondersteuningswerken, beschermingswerken en signaalinrichtingen, alsmede inrichtingen, bestemd om daarin verbinding tot stand te brengen tussen kabels in, op of boven openbare gronden enerzijds en kabels in gebouwen en daarmee één geheel vormende gronden anderzijds dan wel tussen laatstgenoemde kabels onderling; - g. **Intern net:** een samenstel van kabels en kabelwerken dat zich bevindt binnen een gebouw of een groep van gebouwen voor zover behorende tot één onderneming, al dan niet met elkaar verbonden door middel van radio-elektrische zend- en ontvanginrichtingen, en waarmee diverse typen randapparatuur zowel onderling als met de openbare telecommunicatie-infrastructuur zijn verbonden; - h. **kabelnet:** telecommunicatie-infrastructuur verbonden aan en ten behoeve van het functioneren van draadomroep- en kabelinrichtingen; - i. **telecommunicatie-infrastructuur:** een stelsel van inrichtingen met daarbij behorende middelen, bestemd voor telecommunicatie die, geheel of gedeeltelijk, openbare gronden overschrijdt, wel"},{"i":7757,"b":"Volmacht en machtiging diverse functionarissen Kamer van Koophandel inzake het beheer van het digitaal ondernemersplein 2017 Gelet op [artikel 2 van de Volmacht en machtiging Kamer van Koophandel inzake het beheer van het digitaal ondernemingsplein](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034364&artikel=2); Artikel 1 Deze volmacht en machtiging komt in de plaats van de [Volmacht en machtiging diverse functionarissen Kamer van Koophandel inzake het beheer van het digitaal ondernemersplein 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037827) van 1 april 2016 (Stcrt. 15 april 2016, nr. 20148). Artikel 2 In deze volmacht en machtiging wordt verstaan onder: - a. **leden van de Kamer van Koophandel:** de voorzitter en de overige leden van de Kamer van Koophandel, als bedoeld in [artikel 6 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=6); - b. **het bedrag:** het bedrag exclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW). Artikel 3 1. Aan de leden van de Kamer van Koophandel wordt, ieder voor zich, volmacht en machtiging verleend tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van overige handelingen, die verband houden met de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van het digitaal ondernemersplein op grond van [artikel 5 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=5), voor zover er niet gewacht kan worden op een besluit van de Kamer van Koophandel en met dien verstande dat het aangaan van financiële verplichtingen het bedrag van € 100.000 per verplichting niet te boven gaat. 2. Aan de leden van de Kamer van Koophandel wordt voorts, ieder voor zich, volmacht en machtiging verleend voor de in het eerste lid bedoelde aangelegenheden voor de schriftelijke afdoening en ondertekening van stukken die voortvloeien uit de door de Kamer van Koophandel genomen besluiten. Artikel 4 Aan de teamleider DOP en de directeur Segment Publiek wordt, ied"},{"i":7764,"b":"Wet basisadministraties persoonsgegevens BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **openbaar lichaam:** openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=1); - b. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **basisadministratie:** een basisadministratie, als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2025-11-11&g=2025-11-11); - d. **andere basisadministratie:** een basisadministratie over de bevolking in een ander openbaar lichaam, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel de basisregistratie personen in het Europese deel van Nederland; - e. **persoonslijst:** het geheel van gegevens als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&hoofdstuk=II&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=10&z=2025-11-11&g=2025-11-11), over een persoon in een basisadministratie; - f. **inschrijving:** de opneming van een persoonslijst in een basisadministratie; - g. **ingeschrevene:** degene ten aanzien van wie een persoonslijst is opgenomen in een basisadministratie of een andere basisadministratie; - h. **ingezetene:** de ingeschrevene op wiens persoonslijst niet het gegeven van zijn overlijden of zijn vertrek is opgenomen; - i. **afnemer:** een orgaan van een openbaar lichaam alsmede een daaronder ressorterende dienst of een bij eilandsverordening als zodanig aangewezen bedrijf of instelling met een publiekrechtelijke taak gericht op het territorium van het betreffende openbaar lichaam; - j. **overheidsorgaan:** - 1. een orgaan van een rechtspersoon die in Nederland krachtens publiekrecht is ingesteld, of - 2. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag in Nederland bekleed; - k. **derde:** elke andere persoon of instelling dan een afnemer, een"},{"i":7763,"b":"Wet van 21 juli 2007, houdende algemene bepalingen betreffende de toekenning, het beheer en het gebruik van het burgerservicenummer (Wet algemene bepalingen burgerservicenummer) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is algemene regels te stellen in verband met de invoering van een uniek persoonsnummer teneinde de doelmatigheid van de administraties van de overheid en enige andere sectoren te vergroten en de dienstverlening aan de burger te verbeteren, een en ander met inachtneming van de eisen die daaraan behoren te worden gesteld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. burgerservicenummer: het als zodanig overeenkomstig deze wet aan een natuurlijke persoon toegekend nummer; - c. overheidsorgaan: - 1°. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of - 2°. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed; - d. gebruiker: - 1°. een overheidsorgaan; - 2°. ieder ander dan een overheidsorgaan of degene aan wie het burgerservicenummer is toegekend, voor zover deze werkzaamheden verricht waarbij het gebruik door hem of haar van het burgerservicenummer bij of krachtens de wet is voorgeschreven; - e. beheervoorziening: de beheervoorziening, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=3&z=2025-11-11&g=2025-11-11); - f. nummerregister: het nummerregister dat deel uitmaakt van de beheervoorziening. Artikel 2 Het burgerservicenummer bevat geen informatie over de persoon aan wie het is toegekend. Hoofdstuk 2. Nummerbeheer Paragra"},{"i":7627,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek inzake de uitwisseling van beschermde en gerubriceerde gegevens De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek hierna te noemen „Partijen\", geleid door de wens de beveiliging te verzekeren van beschermde en gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld of ontwikkeld in het kader van de onderlinge samenwerking, met name in het kader van de Overeenkomst inzake de samenwerking op het gebied van defensiematerieel, gesloten op 5 juni 1984 tussen de Minister van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden en de Minister van Defensie van de Franse Republiek, goedgekeurd bij notawisseling van 1 en 8 februari 1985, zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 Partijen nemen, in het kader van hun nationale wetgevingen, alle noodzakelijke maatregelen teneinde de beveiliging te verzekeren van beschermde en gerubriceerde gegevens die tussen hen worden uitgewisseld of die worden ontwikkeld gedurende de onderhandelingen over of de toepassing dan wel de uitvoering van overeenkomsten, aanbestedingen, contracten of onderaannemingscontracten. Deze gegevens genieten dezelfde mate van bescherming als die welke geldt in het land van herkomst voor nationale gegevens van een overeenkomstig veiligheidsniveau. Artikel 2 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „beschermde\" of „gerubriceerde\" gegevens verstaan alle gegevens, ongeacht de vorm of wijze van overdracht daarvan, waaraan de Partij die deze gegevens verstrekt een bescherming of rubricering, voorzien in zijn nationale wetgeving, heeft verbonden. Artikel 3 Kennisgenomen hebbend van de beveiligingsmaatregelen op grond van hun nationale beveiligingsregelgeving, zijn Partijen een equivalentietabel voor beveiligingsniveaus overeengekomen. De in artikel 10 van deze Overeenkomst aangewezen verantwoordelijke autoriteiten stellen in onderling overleg de praktische beveiligingsma"},{"i":7659,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 mei 2023, nr 23-0000244782, houdende regels betreffende de bepaling van het vereiste betrouwbaarheidsniveau van authenticatie voor de verlening van elektronisch diensten en overgangsrecht met betrekking tot betrouwbaarheidsniveaus (Regeling betrouwbaarheidsniveaus authenticatie elektronische dienstverlening) Gelet op [artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Wet digitale overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048156&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - −. **basisregistraties:** basisregistraties, genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048168&bijlage=1&z=2025-07-10&g=2025-07-10) bij deze regeling; - −. **bedrijfsgegevens:** gegevens die betrekking hebben op een onderneming of rechtspersoon en de uitvoering van het bedrijfsproces; - −. **bijzondere categorieën van persoonsgegevens:** persoonsgegevens als bedoeld in de begripsbepaling voor ‘bijzondere categorieën van persoonsgegevens’ in [artikel 1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=1); - −. **elektronische dienst:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048156&artikel=1); - −. **identificatiemiddel:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048156&artikel=1); - −. **persoonsgegevens en verwerking van persoonsgegevens:** hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming; - −. **persoonsgegevens van strafrechtelijke aard:** persoonsgegevens als bedoeld in de begripsbepaling voor ‘persoonsgegevens van strafrechtelijke aard’ in [artikel 1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=1); - −. **wet:** [Wet digitale overheid]"},{"i":7686,"b":"Regeling van de Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Defensie van 9 december 2008, nr. 5578598/08, houdende nadere regels ten aanzien van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wet politiegegevens gegevens voorschriften (Regeling periodieke audit politiegegegevens) Gelet op [artikel 6:5 van het Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=6:5); Besluiten: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463). - b. **besluit:** het [Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086); - c. **verantwoordelijke:** de verantwoordelijke, bedoeld in [artikel 1, onderdeel f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=1); - d. **privacy audit:** de audit, bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=33); - e. **auditinstelling:** het onderzoeksbureau dat is aangewezen om de privacy audit uit te voeren; - f. **auditor:** de medewerker van de auditinstelling die de privacy audit namens de auditinstelling uitvoert; - g. **auditee:** de politie, de Rijksrecherche of de Koninklijke marechaussee, of het onderdeel daarvan, dat onderworpen wordt aan een audit; - h. **interne audit:** de interne audit, bedoeld in [artikel 6:5, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=6:5); - i. **interne auditor:** de voor het uitvoeren van een interne audit gekwalificeerde ambtenaar van politie bedoeld in [artikel 1, onderdeel k, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=1); - j. **hercontrole:** de hercontrole, bedoeld in [artikel 33, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=33). Artikel 2. Privacy audit ([artikel 6:5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=6:5)) 1. De privacy audit wordt"},{"i":7782,"b":"Wet van 21 december 2022 tot wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2021/514 van de Raad van 22 maart 2021 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (PbEU 2021, L 104) (Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling digitale platformeconomie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen aan te passen in verband met de implementatie van [Richtlijn (EU) 2021/514](32021L0514) van de Raad van 22 maart 2021 tot wijziging van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (PbEU 2021, L 104); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel Ia Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel II 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. 2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel I, onderdelen L en U](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047722&artikel=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01), in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling digitale platformeconomie. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7734,"b":"Vaststelling selectielijst Telecommunicatie en Post inzake het Staatsbedrijf der PTT Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 1 september 1997, nr. arc-97.6794/1); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat binnen het beleidsterrein Telecommunicatie en Post, inzake het ’Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie’, over de periode 1955-1988, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken de ’Richtlijnen voor de vernietiging van stukken in de archieven van het Hoofdbestuur der Posterijen, telegrafie en Telefonie, dagtekenende van na 1900’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, no. OKN 139221 d.d. 27 februari 1950). Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":7816,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) van 7 mei 2024, ACM/24/189053, tot vaststelling van archiefbeheersregels (Archiefbeheersregeling ACM 2024) Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ACM-organisatie:** de organisatie van het personeel als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=5). - b. **Zorgdrager:** degene die bij de krachtens de wet belast is met de zorg voor de archiefbescheiden, als bedoeld in [artikel 1, lid d, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1). De ACM is zorgdrager voor de archiefbescheiden van de ACM. - c. **Archiefbescheiden:** de bescheiden en reproducties als bedoeld in [artikel 1, lid c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1). Waar ‘archiefbescheiden’ staat, kan ook ‘document’ gelezen worden. - d. **Documenten:** alle informatie die de ACM maakt of ontvangt in het kader van haar publieke taken, ongeacht op welke drager of in welke vorm de informatie is vastgelegd. Het kan dus gaan om schriftelijke stukken, digitale tekstbestanden, films, foto’s, e-mails, websites, databases en algoritmes, et cetera. - e. **minister:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat - f. **Chief Information Officer (CIO):** de CIO is de hoogst ambtelijk verantwoordelijke in een organisatie op het gebied van ICT. Deze rol wordt bij de ACM vervuld door de directeur van de Directie Bedrijfsvoering. - g. **Archiefbeheer:** geheel van normen, plannen, procedures en activiteiten gericht op de archiefvorming, de archiefbewerking, het beheer van de archiefdepots, de daarin berustende archiefbescheiden en het beschikbaar stellen daarvan. - h. **Archiefsysteem of archiveringssysteem:** het geheel van archi"},{"i":7733,"b":"Vaststelling Privacyreglement inhouding bezoldiging Ministerie van Justitie 1998 Overwegende dat ingevolge de artikelen 19, 20 en 22 van de Wet Persoonsregistraties (Stb. 1988, 665) een reglement moet worden vastgesteld voor de registratie bij de Directie Personeel & Organisatie van het Ministerie van Justitie van gegevens van personeelsleden ten aanzien waarvan sprake is van inhouding op de bezoldiging; Overwegende dat het in het kader van de reorganisatie van het Ministerie van Justitie in engere zin (op weg naar het bestuursdepartement) het wenselijk wordt geacht het privacyreglement registratie inhouding bezoldiging bij het Ministerie van Justitie dd. 31 december 1992, zoals dat sedert 1 januari 1993 van kracht is, te vervangen; Gehoord de Bijzondere Commissie van overleg Ministerie van Justitie; Besluit: Artikel 1 De regels inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de registratie van de inhouding van bezoldiging bij het ministerie van Justitie worden vastgesteld volgens het reglement in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Het besluit Privacyreglement registratie inhouding bezoldiging bij het Ministerie van Justitie van 31 december 1992 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit zal worden geplaatst in de Staatscourant met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het bureau managementondersteuning van de Directie Personeel & Organisatie van het Ministerie van Justitie, de Directie Voorlichting van het Ministerie van Justitie, de Centrale Bibliotheek van het Ministerie van Justitie, alsmede bij de Dienst SAFIR i.o. van de Directie Personeel & Organisatie voornoemd. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 november 1998. Artikel 5 Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009827&artikel=1&z=1998-11-01&g=1998-11-01) bedoelde reglement kan worden aangehaald als: Privacyreglement registratie inhouding bezoldiging bij het Ministerie van Justitie 1998."},{"i":7636,"b":"Privacyreglement geautomatiseerde administratie invordering onderhoudsgelden LBIO Overwegende dat, ingevolge de artikelen 17, 19, 20 en 22 van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, nr. 665) een reglement dient te worden vastgesteld voor de geautomatiseerde administratie ten behoeve van de invordering van onderhoudsgelden van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. Besluit in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het volgende reglement vast te stellen: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. het LBIO: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen; - b. de registratie: het geheel van de geautomatiseerde bestanden bij het LBIO; - c. houder: de directeur van het LBIO; - d. beheerder: de door de houder daartoe aangewezen medewerker van het LBIO; - e. gebruiker: degene die door de houder geautoriseerd is gegevens in de registratie in te voeren en/of te wijzigen, dan wel van de uitkomsten van de persoonsregistratie kennis te nemen; - f. bewerker: degene die het geheel of een gedeelte van de apparatuur onder zich heeft, waarmee een persoonsregistratie, waarvan hij niet de houder is, wordt gevoerd. Artikel 2. Taken van het LBIO - a. inning kinderalimentatie ex art 1:408 BW; - b. uitvoering Verdrag van New York d.d. 20 juni 1956 Trb. 1957, nr. 121; - c. vaststelling en inning van ouderbijdragen op grond van de [Wet op de Jeugdhulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004608), Stb. 1995, nr. 225; - d. overige krachtens de [Wet LBIO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007292), opgedragen taken. Artikel 3. Doel van de registratie De registratie heeft ten doel gegevens vast te leggen van de zaken die in het kader van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008421&paragraaf=1&artikel=2&z=2006-01-01&g=2006-01-01) worden behandeld en van personen en instellingen die daarbij zijn betrokken, ten behoeve van: - a. een doelmatig dossierbeheer; -"},{"i":7643,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Justitie, houdende een gezamenlijke aanwijzing van belanghebbenden inzake de verstrekking van gegevens uit het kentekenregister omtrent aangifte van diefstel en verduistering van voertuigen (Regeling aanwijzing beroepsbeoefenaren verstrekking diefstalgegevens kentekenregister 2008) Gelet op [artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=9); Besluiten: Artikel 1 1. Als categorieën van beroepsbeoefenaren, aan welke uit het kentekenregister gegevens kunnen worden verstrekt omtrent de aangifte van diefstal of verduistering van een voertuig, worden aangewezen: - a. verzekeringsmaatschappijen waaraan een vergunning als bedoeld in [artikel 2:27 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:27) is verleend en door hen aangewezen gevolmachtigden waaraan een vergunning als bedoeld in [artikel 2:92 van diezelfde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:92) is verleend, voor zover het de verzekeringen op grond van de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415) betreft, - b. advocatuur, en - c. producenten of importeurs van motorrijtuigen. 2. De verstrekking van de in het eerste lid bedoelde gegevens geschiedt slechts voor de volgende doeleinden: - a. wat betreft verzekeringsmaatschappijen en de door hen aangewezen gevolmachtigden: ten behoeve van schade-afwikkeling en de totstandkoming van verzekeringen op grond van de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415), - b. wat betreft de advocatuur: ten behoeve van eigendomsgeschillen omtrent motorrijtuigen of aanhangwagens alsmede gerechtelijke procedures en de voorbereiding daarvan alsmede voor zover het de advocatuur betreft ten behoeve van faillissementen waarbij voertuigen zijn betrokken, en - c. wat betre"},{"i":7720,"b":"Regeling van het bestuur van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers tot vaststellen van de tarieven voor verstrekking WOZ-detailgegevens 2022 Gelet op de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2), en [7 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=7) en [artikel 25i van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25i); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **wet:** [Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119). - **WOZ-detailgegevens:** door gemeenten ingewonnen objectkenmerken van onroerende zaken die gemeenten gebruiken in het waarderingsproces ingevolge de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119), niet zijnde WOZ-waardegegevens en bijbehorende temporele en meta-kenmerken als bedoeld in [artikel 37a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=37a). - **WOZ-waardegegeven:** het waardegegeven als bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=2). - **deelobject:** onderdeel van een WOZ-object, bijvoorbeeld een verdieping van een woning, een aanbouw, een bijgebouw of een stuk grond. Artikel 2 1. Voor het verstrekken in de vorm van objectinformatie van WOZ-detailgegevens of – voor zover het een notaris betreft voor het doel zoals beschreven in [artikel 10 lid 1 sub a van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=10) – het WOZ-waardegegeven, is per WOZ-object verschuldigd: - a. als het de gegevens van deelobjecten betreft: € 1,59; - b. als het andere WOZ-detailgegevens betreft: € 1,59; - c. als het het WOZ-waardegegeven betreft: € 6,56. 2. Het verstrekken in de vorm van objectinformatie van gegevens over geldende lokale lasten (bron: COELO) en buurtstatistieken (bron: CBS), is kosteloos. 3. Voor"},{"i":7709,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 februari 2016, nr. WJZ/15182455, houdende de aanwijzing van categorieën radio-elektrische zend- en ontvanginrichtingen waarvoor een machtiging niet is vereist en de aanwijzing van de frequenties waar de aangewezen categorieën zendinrichtingen gebruik van mogen maken (Regeling vrijstelling telecommunicatiemachtiging BES 2016) Gelet op [artikel 15, tweede lid, onder a, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=15) en de [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028621&artikel=48) en [67 van het Besluit radio-elektrische inrichtingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028621&artikel=67); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **actieve medische implantaten:** het radiodeel van actieve implanteerbare medische apparatuur dat is ontworpen om, volledig of gedeeltelijk, op operatieve of medische wijze in het menselijk lichaam of in het lichaam van een dier te worden geïmplanteerd en, indien van toepassing, de bijbehorende buiten het lichaam bestaande apparatuur; - b. **apparatuur voor modelbesturing:** radiozendapparatuur voor afstandsbesturing en telemetrie die gebruikt wordt om de beweging van modellen te besturen in de lucht, op het land of in het water; - c. **bodemradar:** apparaat voor de opsporing of het verkrijgen van beelden objecten onder de grond of het bepalen van de fysische eigenschappen van de grond; - d. **radiozendapparaten bestemd voor inductieve systemen:** radiozendapparatuur die gebruik maakt van magnetische velden met systemen met een inductieve lus voor nabije veldcommunicatie; - e. **muur:** een fysieke structuur die massief en dik genoeg is om het grootste deel van het signaal dat door de muur indringende radar wordt uitgezonden te absorberen; - f. **muur indringende radar:** apparaat voor het opsporen van de locatie van objecten binnen een muur of om de fysieke eigenschappen te bepalen bi"},{"i":7743,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bulgarije inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bulgarije, Hierna gezamenlijk te noemen „de partijen” en elk afzonderlijk „partij”, Geleid door de wens de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens te waarborgen, in het belang van de nationale veiligheid, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel en reikwijdte 1. Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen de partijen, tussen een partij en een opdrachtnemer onder de rechtsmacht van de andere partij, of tussen opdrachtnemers onder de onderscheiden rechtsmacht van de respectieve partijen, of die worden gegenereerd in het kader van dit Verdrag. In dit Verdrag worden de beveiligingsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. 2. De partijen nemen alle passende maatregelen krachtens hun nationale wet- en regelgeving om de beveiliging van gerubriceerde gegevens in overeenstemming met dit Verdrag te waarborgen. 3. Dit Verdrag vormt geen basis om de partijen ertoe te verplichten gerubriceerde gegevens te verstrekken of uit te wisselen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. **„Verdrag”,** dit document met inbegrip van de Bijlage daarbij. - b. **„Gerubriceerd contract”**, elke wettelijk afdwingbare overeenkomst voor het leveren van goederen of diensten die een van de partijen of een opdrachtnemer onder haar rechtsmacht aangaat met een opdrachtnemer onder de rechtsmacht van de andere partij, die gerubriceerde gegevens bevat of waarbij voor de uitvoering toegang of mogelijk toegang vereist is tot gerubriceerde gegevens. Dit omvat tevens precontractuele activiteiten. - c. **„Gerubriceerde gegevens”**, gegevens, materiaal of voorwerpen, ongeacht de vorm of aard daarvan, of delen daarvan die of dat door een van de partijen is voorz"},{"i":16784,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van 25 november 2024 van Justitie en Veiligheid van nr. BOACAT2024/116, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland-Zuid Gelezen het verzoek van Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland-Zuid van 8 november 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050487&artikel=2&z=2024-12-16&g=2024-12-16). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar van de Dienst Gezondheid & Jeugd ZHZ in dienst van Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland-Zuid zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein III, Onderwijs, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld i"},{"i":7732,"b":"Uitwisseling persoonsgegevens tussen Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba 1. Algemeen Vanaf 1 september 2001 zal de uitwisseling van persoonsgegevens tussen de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens in Nederland (GBA) en de bevolkingsadministraties in de Nederlandse Antillen en Aruba (PIVA), structureel en geautomatiseerd plaatsvinden. Om deze gegevensuitwisseling mogelijk te maken is de GBA wet- en regelgeving aangepast. De bepalingen met betrekking tot de gegevensuitwisseling met de Nederlandse Antillen en Aruba zijn opgenomen in de wet van 30 maart 2000 (Stb. 2000, 154) tot wijziging van de [Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723) en het [besluit van 8 juli 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011477) (Stb. 2000, 300) tot wijziging van het [Besluit GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006933). Deze circulaire vraagt uw aandacht voor enkele specifieke onderwerpen en daarmee samenhangende nieuwe procedures, die gevolgd moeten worden. Deze procedures zijn overigens uitvoeriger beschreven in de Handleiding Uitvoeringsprocedures (HUP). Zowel de gewijzigde wet- en regelgeving als de aangepaste HUP vindt u op de website van het agentschap BPR (www.bprbzk.nl). In deze circulaire wordt u geadviseerd om, indien nodig, contact op te nemen met de ambtenaren van de Bureaus Burgerlijke Stand, Bevolking en Verkiezingen (BSBV's) op de Nederlandse Antillen of het Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (BSB's) op Aruba. Omgekeerd zullen u ook vragen bereiken van ambtenaren uit de Nederlandse Antillen en Aruba. In verband hiermee ontvangt u als bijlage bij deze circulaire een lijst met contactpersonen. 2. Aanleiding De Nederlandse regering heeft op 8 januari 1999 een bestuursakkoord gesloten met de autoriteiten van de Nederlandse Antillen en Aruba inzake de uitwisseling van persoonsgegevens tussen de bevolkingsadministraties van het Koninkrijk. Het bestuursakkoord strekt ertoe de elektronische uitwisseling van persoonsg"},{"i":7635,"b":"Privacyreglement Kwaliteitsbureau Tolken en Vertalers Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 14 augustus juli 2000, houdende regels voor de registratie van tolken en vertalers. Definities 1 In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de Wet persoonsregistraties; - b. **persoonsgegeven:** een gegeven dat herleidbaar is tot een individuele natuurlijke persoon; - c. **registratie:** de verzameling van gegevens van het Kwaliteitsbureau Tolken en Vertalers van de Directie Bestuurszaken van het Ministerie van Justitie ten behoeve van de doelstelling omschreven in artikel 2, eerste en tweede lid; - d. **houder:** de Staatssecretaris van Justitie; - e. **de registratiebeheerder:** de directeur van de Directie Bestuurszaken van het Ministerie van Justitie; - f. **de directie:** de Directie Bestuurszaken van het Ministerie van Justitie; - g. **het Kwaliteitsbureau:** het Kwaliteitsbureau Tolken en Vertalers van de directie; - h. **verstrekken van gegevens:** het bekendmaken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens voor zover zulks geheel of grotendeels steunt op gegevens die in de registratie zijn opgenomen, of die door verwerking daarvan, al dan niet in verband met andere gegevens, zijn verkregen; - i. **het kwaliteitstraject:** het kwaliteitstraject tolken en vertalers van het Ministerie van Justitie. Dit is het traject dat door de Staatssecretaris van Justitie in gang is gezet om te komen tot kwalitatief goede tolken en vertalers door middel van het stellen van uniforme kwaliteitseisen. Hierbij wordt getoetst of de tolken en vertalers voldoen aan die kwaliteitseisen. De tolk/vertaler wordt de mogelijkheid geboden door middel van bijscholingsmodules eventuele lacunes in de vaardigheden te dichten. Tolken/vertalers kunnen op vrijwillige basis participeren in het traject door ondertekening van een kwaliteitsovereenkomst en het aanleveren van gegevens (personalia, opleidingsgegevens, gegevens met betrekking tot de deskundigheid en het arbeidsverled"},{"i":7642,"b":"Regeling aanlevering declaratiegegevens door ziektekostenverzekeraars Gelet op [artikel 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) jo. [65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=65) en [artikel 68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg) is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van informatieverstrekking door ziektekostenverzekeraars aan de NZa. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **BSN:** burgerservicenummer als bedoeld in de [Wet algemene bepalingen burgerservicenumme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428)r; - **Declaratiegegevens:** informatie-elementen over de declaratie; - **Declaratieset:** set met declaratiegegevens en/of set met verzekerdengegevens en/of set met gegevens betreffende het persoonsgebonden budget als bedoeld in [artikel 4 van deze regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050285&artikel=4&z=2024-10-11&g=2024-10-11); - **Gegevensaanleverstandaard:** procesbeschrijving waarin op uniforme wijze is vastgelegd hoe en volgens welk proces de declaratieset moet worden ingediend bij de NZa; - **Informatie-elementen:** de data die de NZa uitvraagt op item niveau; - **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in [artikel 1 lid 1 sub l van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - **Gegevens betreffende het persoonsgebonden budget (pgb):** informatie-elementen over het persoonsgebonden budget; - **Privacy Verzend Module (PVM):** software waarmee privacygevoelige databestanden via ZorgTTP op een beveiligde manier verstuurd kunnen worden aan de NZa; - **Schadelast:** schadebedrag behorend bij de declaraties met betrekking tot de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), aanvullende verzekeringen en de [Wet langdurende zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":7719,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 maart 2026, nr. BZ2625757 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Nederland – Oekraïne cyberbeveiliging) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 2.4, onderdeel f, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.4); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van de [artikelen 2.4, onderdeel f, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.4) met het oog op subsidiëring van activiteiten die bijdragen aan de cyberbeveiliging in Oekraïne, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Nederland – Oekraïne cyberbeveiliging worden ingediend vanaf 2 april 2026 09:00 tot en met 29 april 2026 17:00 Nederlandse tijd. 2. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Nederland – Oekraïne cyberbeveiliging worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden1[www.rvo.nl/subsidies-financiering/nl-ua-cf](http://www.rvo.nl/subsidies-financiering/nl-ua-cf). Artikel 3 1. Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Nederland – Oekraïne cyberbeveiliging geldt voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 een totaal subsidieplafond van € 2,5 miljoen, onderverdeeld in de volgende subsidieplafonds: - a. € 625.000 voor activiteiten gerich"},{"i":7708,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 11 december 2007, nr. WJZ 7119637, houdende vaststelling van bepalingen ter zake van de voorbereiding op buitengewone omstandigheden in de sector telecommunicatie (Regeling voorbereiding buitengewone omstandigheden sector telecommunicatie 2007) Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. Minister: Minister van Economische Zaken; - c. aanbieder: een op grond van [artikel 14.6, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14.6) aangewezen aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk, van een openbare telecommunicatiedienst. Artikel 2 Een aanbieder neemt met betrekking tot de voorbereiding van het verzorgen van elektronisch transport van gegevens in buitengewone omstandigheden als bedoeld in [artikel 14.2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14.2) de volgende organisatorische en personele maatregelen en treft de volgende bijzondere voorzieningen: - a. het beschikbaar hebben van ter zake kundige personen die: - 1°. als contactpersoon optreden om de aanwijzingen, bedoeld in [artikel 14.4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14.4), uit te voeren; - 2°. deelnemen aan door de Minister aan te wijzen organisaties, overlegstructuren en oefeningen; - 3°. op aanwijzing van de Minister ter uitvoering van verplichtingen voortvloeiend uit het op 4 april 1949 te Washington tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag (Stb. J 355) expertise leveren inzake de aanleg en instandhouding van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten; - b. het beschikken over een voorziening waarbij ingeval van congestie in zijn openbaar telecommunicatienetwerk door de Minister aan te wijzen nummers gebruik kunnen blijven maken van zijn openbaar telecommunicatienetwerk; - c. zorgdragen voor een doeltreffende"},{"i":7742,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens Het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek, Hierna gezamenlijk te noemen „partijen” en elk afzonderlijk „partij”, Erkennend de belangrijke rol die hun samenwerking speelt bij het waarborgen van vrede, internationale veiligheid en wederzijds vertrouwen, Overwegend dat zij vergelijkbare beveiligingsnormen delen voor de bescherming van gerubriceerde gegevens en Teneinde de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens te waarborgen; Zijn, in het belang van de nationale veiligheid, het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel en reikwijdte 1. Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen de partijen, tussen een partij en een opdrachtnemer onder de rechtsmacht van de andere partij, tussen opdrachtnemers onder de rechtsmacht van de respectieve partijen, of die worden gegenereerd in het kader van een bilateraal programma uit hoofde van dit Verdrag. In dit Verdrag worden de beveiligingsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. 2. De partijen nemen alle passende maatregelen krachtens hun interne wetgeving om de beveiliging van gerubriceerde gegevens in overeenstemming met dit Verdrag te waarborgen. 3. Dit Verdrag vormt geen basis om de partijen ertoe te verplichten gerubriceerde gegevens te verstrekken of uit te wisselen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a). **„Verdrag”**, dit document met inbegrip van de Bijlage daarbij; - b). **„Gerubriceerd contract”**, elk juridisch bindend instrument tot het leveren van goederen en/of diensten dat een van de partijen of een opdrachtnemer onder haar rechtsmacht aangaat met een opdrachtnemer onder de rechtsmacht van de andere partij, die gerubriceerde gegevens bevat of waarbij voor de uitvoering toegang of mogelijk toegang vereist i"},{"i":7649,"b":"Regeling aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009999&artikel=3) en [4 van het Besluit aftappen openbare Telecommunicatienetwerken en -diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009999&artikel=4); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: § 2. Aanwijzing openbare telecommunicatienetwerken en -diensten Artikel 2 Als openbare telecommunicatienetwerken en -diensten, bedoeld in [artikel 4 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009999&artikel=4), worden aangewezen: - a. vaste openbare telefoonnetwerken; - b. vaste openbare telefoondiensten; - c. huurlijnen; - d. GSM; - e. DCS 1800; - f. GPRS; - g. ERMES; - h. TFTS; - i. internet; - j. IMT-2000. § 3. Algemene inrichtingseisen Artikel 3 De aanbieder van een vast openbaar telefoonnetwerk, onderscheidenlijk een vaste openbare telefoondienst, richt zijn netwerk, onderscheidenlijk zijn dienst, zodanig in dat iedere bijzondere last onverwijld kan worden uitgevoerd. Artikel 4 De aanbieder van huurlijnen richt zijn netwerk zodanig in dat iedere bijzondere last onverwijld kan worden uitgevoerd. Artikel 5 De aanbieder van GSM, DCS 1800 of GPRS, richt zijn netwerk, onderscheidenlijk zijn dienst, zodanig in dat iedere bijzondere last onverwijld kan worden uitgevoerd, indien deze last ten minste één van de volgende gegevens bevat: - a. het aansluitnummer van de gebruiker; - b. het nummer van het bij de gebruiker in gebruik zijnde eindapparaat; - c. het identiteitsnummer van de gebruiker. Artikel 6 De aanbieder van ERMES richt zijn netwerk, onderscheidenlijk zijn dienst, zodanig in dat iedere bijzondere last onverwijld kan worden uitgevoerd, indien deze ten minste één van de volgende gegevens bevat: - a. de RIC van de bij de gebruiker in gebruik zijnde ERMES-semafoon; - b. het ERMES-semafoonnummer van de bij de gebruiker in gebruik zijnde ERMES-semafoon. Artikel 7 De aanbieder van TFTS ri"},{"i":7745,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Finland inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Finland Hierna te noemen „de partijen”, Teneinde de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens te waarborgen, komen, in het belang van de nationale veiligheid, het volgende overeen: Artikel 1. Doel Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen de partijen of tussen rechtspersonen of natuurlijke personen onder hun rechtsmacht, of die worden gegenereerd in het kader van een bilateraal programma uit hoofde van dit Verdrag. In het Verdrag worden de veiligheidsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „**Gerubriceerd contract**”, elk contract of subcontract waarvoor gerubriceerde gegevens vereist zijn of waarbij deze betrokken zijn. - b. „**Gerubriceerde gegevens**”, gegevens die of materiaal dat door een van de partijen als gerubriceerd worden of wordt aangemerkt, waarvan de ongeoorloofde bekendmaking of het verlies de belangen van een of beide partijen in meer of mindere mate zou kunnen schaden. - c. „**Bevoegde veiligheidsautoriteit**”, een nationale veiligheidsautoriteit of een andere overeenkomstig de nationale wet- en regelgeving van de partijen gemachtigde bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor de implementatie van en toezicht op dit Verdrag. - d. „**Opdrachtnemer**”, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die bevoegd is contracten aan te gaan. - e. „**Veiligheidsmachtiging bedrijfslocatie**”, de vaststelling door de bevoegde veiligheidsautoriteit dat een bedrijfslocatie passende veiligheidsmaatregelen heeft genomen voor de toegang tot en verwerking van gerubriceerde gegevens tot en met een bepaald rubriceringsniveau, in overeenstemming met de nationale wet- en regelgeving. - f"},{"i":7652,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 september 2010, nr. 2010-0000605688, houdende regels ter uitvoering van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES en het Besluit basisadministraties persoonsgegevens BES (Regeling basisadministraties persoonsgegevens BES) Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=3), [3a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=3a), [4c, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=4c), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=10), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=11), en [30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=30), en [37 van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=37) en de [artikelen 30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028622&artikel=30), en [31, eerste lid, van het Besluit basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028622&artikel=31); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **de wet:** de [Wet basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208); - c. **het besluit:** het [Besluit basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028622); - d. **de systeembeschrijving basisadministraties BES:** de systeembeschrijving basisadministraties BES, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028605&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2025-12-06&g=2025-12-06); - e. **de systeembeschrijving verstrekkingenvoorziening BES:** de systeem"},{"i":7661,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 december 2008, nr. MC-U-2898120, houdende aanwijzing categorieën van persoonsgegevens voor de uitvoering door de zorgautoriteit van de WMG (Regeling categorieën persoonsgegevens WMG) Gelet op [artikel 65 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=65); Besluit: Artikel 1. Definities 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **bestuurder:** lid van raad van bestuur, raad van toezicht, eigenaar; - –. **CAK:** CAK, genoemd in [artikel 6.1.1, eerste lid van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1); - –. **categorie van persoonsgegevens:** een categorie als bedoeld in [artikel 60 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=60), onderscheiden in identificerende persoonsgegevens, medische persoonsgegevens en strafrechtelijke persoonsgegevens; - –. **Inspectie gezondheidszorg:** Inspectie gezondheidszorg en jeugd; - –. **medewerker:** natuurlijk persoon, werkzaam ten behoeve van een zorgaanbieder of een ziektekostenverzekeraar; - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); 2. In deze regeling wordt onder zorgaanbieder mede verstaan degene bedoeld in [artikel 37, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [artikel 44 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=44), en een zorgaanbieder forensische zorg als bedoeld in de [Wet Forensische zorg, artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1). 3. In deze regeling wordt onder ziektekostenverzekeraar tevens verstaan degene bedoeld in [artikel 44 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=44). 4."},{"i":7679,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 26 november 2018, nr. IENW/BSK-2018/117815, tot vaststelling van regels inzake gegevensverstrekking uit het rijbewijzenregister (Regeling gegevensverstrekking uit het rijbewijzenregister) Gelet op de [artikelen 125a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=125a), en [127, vijfde en zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=127); BESLUIT: § 1. Algemene bepaling Artikel 1 In deze regeling wordt onder ‘groene boa’ verstaan: buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam als boa Milieu, welzijn en infrastructuur als bedoeld in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend), Domein II. Milieu, welzijn en infrastructuur, die uitsluitend of in hoofdzaak is belast met de opsporing van strafbare feiten ter bescherming van natuur of milieu buiten de bebouwde kom, niet zijnde vergunning-gebonden strafbare feiten. § 2. Aanwijzing overheidsorganen Artikel 2 Als overheidsorgaan als bedoeld in [artikel 125a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=125a) wordt aangewezen het Waarborgfonds Motorverkeer, bedoeld in [artikel 23, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=23), ten behoeve van de schadeafwikkeling en het verhaal van uitgekeerde schadevergoedingen bedoeld in de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=25), [26a tot en met 26c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=26a), en [27 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=27). § 3. Te verstrekken gegevens Artikel 3 Verstrekking van gegevens, waaronder mede begrepen persoonsgegevens, bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":7730,"b":"Wet van 16 mei 2018, houdende regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119) (Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is te voorzien in wettelijke regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119); Gelet op [artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=10); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bijzondere categorieën van persoonsgegevens:** de categorieën van persoonsgegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de verordening - **Onze Minister:** Onze Minister voor Rechtsbescherming; - **persoonsgegevens van strafrechtelijke aard:** persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen als bedoeld in artikel 10 van de verordening, alsmede persoonsgegevens betreffende een door de rechter opgelegd verbod naar aanleiding van onrechtmatig of hinderlijk gedrag; - **verordening:** verordening (EU"},{"i":7687,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 25 oktober 2011, nr. IENM/BSK-2011/143692, houdende regels met betrekking tot de periodieke controle basisregistraties adressen en gebouwen (Regeling periodieke controle basisregistraties adressen en gebouwen) Gelet op de [artikelen 42, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=42), en [43, derde lid, van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=43); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **wet:** [Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466). Hoofdstuk 2. Jaarlijkse controle Artikel 2 1. De controle, bedoeld in [artikel 42 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=42), heeft betrekking op de borging van: - a. uitvoering van de wettelijke taak in werkprocessen bij de bronhouder; - b. actualiteit van gegevens door de bronhouder; - c. volledigheid van gegevens door de bronhouder; - d. de controle van juistheid van gegevens door de bronhouder. 2. Het onderzoek wordt uitgevoerd door gebruikmaking van een daarvoor door de minister langs elektronische weg beschikbaar gesteld instrument. Dat instrument omvat ten minste een vragenlijst. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Hoofdstuk 3. De hernieuwde controle Artikel 8 Vervallen Hoofdstuk 4. Slotbepalingen Artikel 9 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 10 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling periodieke controle basisregistratie adressen en gebouwen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7819,"b":"Beleidsregel AFM en DNB toepassing en uitvoering Wfm BES en Wwft BES 2012 Gelet op de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883) (Stb. 2011, 612), in het bijzonder de [artikelen 2:23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=2:23), [3:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:5), [3:8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:8) en [3:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:9), [3:30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:30), [3:38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:38), [3:44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:44) en [10:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=10:5) en [hoofdstuk 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&hoofdstuk=7); Gelet op het [Besluit financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636) (Stb. 2012, 238), in het bijzonder de [artikelen 3:14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=3:14), [3:19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=3:19) en [3:21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=3:21); Gelet op de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824) (Stb. 2011, 613); Gelet op [artikel 5a, derde lid, van de Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=5a) (Stb. 2010, 597); BESLUITEN: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (definities) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **DNB:** de Nederlandsche Bank N.V.; - b. **AFM:** Stichting Autoriteit Financiële Markten; - c. **CBCS:** Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, alsmede haar rechtsvoorgangster, de Bank van de Nederlandse Antillen (BNA); - d. **de openbare lichamen of Caribisch Nederland:** de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - e. **de Wfm BES:** de [Wet financiële markten BES](https://wet"},{"i":7705,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 15 augustus 2007, nr. WJZ 7009370, houdende vaststelling van nadere regels met betrekking tot de bevoegdheid van de directeur-generaal van de statistiek om gegevens te verstrekken als bedoeld in artikel 42a van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek (Regeling verstrekking gegevens doodsoorzaken CBS) Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gehoord de Centrale commissie voor de statistiek en het College bescherming persoonsgegevens; Gelet op [artikel 42a, vijfde lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=42a); Besluit: Artikel 1. begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926); - b. Minister: de Minister van Economische Zaken; - c. CBS: het Centraal bureau voor de statistiek; - d. directeur-generaal: de directeur-generaal van de statistiek; - e. doodsoorzaakgegevens: de gegevens over de doodsoorzaak, bedoeld in [artikel 12a van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=12a), voor zover zij gecodeerd overeenkomstig de richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie zijn opgenomen in een statistiek van het CBS; - f. onderzoeker: degene die onderzoek verricht onder verantwoordelijkheid van een organisatie of instelling voor wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in [artikel 41, tweede lid, onder a, b, c en e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=41); - g. uitdrukkelijke toestemming voor het gebruik van gegevens over doodsoorzaken: de op een duurzame gegevensdrager vastgelegde toestemming van de betrokkene, die gericht is op het gebruik voor wetenschappelijk onderzoek van de doodsoorzaakgegevens die de betrokkene betreffen; - h. toetsingscommissie: de toetsingscommissie, bedoeld in [artikel 3](http"},{"i":7698,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 1 oktober 2021, nr. WJZ/ 20056324, houdende nadere regels betreffende de veiligheid en integriteit van openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten (Regeling veiligheid en integriteit telecommunicatie) Gelet op [artikel 11a.1, vierde lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11a.1) en [artikel 2, eerste lid, van het Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042843&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **netwerkaanbieder:** aanbieder van een openbaar mobiel elektronisch communicatienetwerk die beschikt over vergunningen voor het gebruik van geharmoniseerd radiospectrum als bedoeld in artikel 2, onder 25, van [Richtlijn (EU) 2018/1972](32018L1972) van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek van elektronische communicatie (PbEU 2018, L 321) die zijn verleend met toepassing van een veiling, als bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10); - b. **kritieke onderdelen:** door de Minister aan de netwerkaanbieder als zodanig aangemerkte en bekendgemaakte onderdelen van een openbaar elektronisch communicatienetwerk of bijbehorende faciliteiten; - c. **aanpalende onderdelen:** onderdelen van een openbaar elektronisch communicatienetwerk of bijbehorende faciliteiten die zich op eenzelfde netwerksegment bevinden als de kritieke onderdelen; - d. **netwerksegment:** onderdeel van een openbaar elektronisch communicatienetwerk dat fysiek of logisch als een afgescheiden compartiment van een openbaar elektronisch communicatienetwerk kan worden beschouwd; - e. **beheeromgevingen:** werkstations en personele en ondersteunende middelen die worden ingezet voor configuratie en beheer van kritieke onderdelen, aanpalende onderdelen of beveiligingselementen;"},{"i":7715,"b":"Richtsnoeren Identificatie en verificatie van persoonsgegevens (Gebruik van ‘kopietje paspoort’ in de private sector) Inleiding Veel bedrijven en organisaties in de private sector willen de identiteit van bijvoorbeeld een klant of relatie kunnen vaststellen. Enerzijds omdat deze vaststelling nodig is om een besteld product te leveren of een verlangde dienst te kunnen verlenen. Anderzijds om zich tot op zekere hoogte te beschermen tegen bedrijfseconomische schade als gevolg van fraude en andere vormen van criminaliteit. In toenemende mate vragen bedrijven en organisaties daarom aan burgers zich te legitimeren (ook wel: identificeren) met een officieel identiteitsdocument, zoals een paspoort of rijbewijs.1In artikel 1 van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht (WUID) zijn het paspoort, de nationale identiteitskaart, het rijbewijs en het vreemdelingendocument aangewezen als officiële identiteitsdocumenten. In aanvulling daarop wordt regelmatig ook om een ander, aanvullend identificerend document gevraagd, zoals een recent bankafschrift voor het uitvoeren van een adrescontrole. Naar hun aard, bevatten dergelijke documenten diverse persoonsgegevens. Het verzamelen en verder gebruiken van deze gegevens (‘verwerken’) is aan regels gebonden. Deze staan in de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) (Wbp). Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) houdt toezicht op de naleving van de Wbp. Alertheid is geboden bij het toenemend kopiëren, scannen en uitlezen2In 2004 oordeelde de Raad van State dat het uitlezen van een simkaart vergelijkbaar is met het kopiëren van papieren, documenten en bescheiden (ABRvS 6 mei 2004, nr. 200401455, **JV** 2004/263). De Belgische Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer beschouwt het uitlezen van een identiteitsdocument als een verwerking van persoonsgegevens die alleen mag plaatsvinden wanneer dat noodzakelijk is (Aanbeveling 03/2011 van 25 mei 2011). van identiteitsdoc"},{"i":7702,"b":"Regeling van de Minister voor Immigratie en Asiel van 26 oktober 2011, nr. IDMI-UIT-2011-0139, houdende het verlenen van machtiging aan de Commandant van de Koninklijke Marechaussee betreffende het verkrijgen en verwerken van justitiële gegevens ten behoeve van advisering over deelname aan programma’s voor geautomatiseerde grenspassage Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), [artikel 9, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=9) en [artikel 12, tweede lid, Besluit justitiële gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016544&artikel=12); Besluit: Artikel 1 1. De Commandant der Koninklijke Marechaussee wordt gemachtigd tot het verkrijgen en verwerken van justitiële gegevens ten behoeve van een positieve of negatieve verklaring aan buitenlandse autoriteiten voor deelname aan programma’s voor geautomatiseerde grenspassage van andere landen. 2. De Commandant der Koninklijke Marechaussee wordt gemachtigd tot het afgeven van een verklaring als bedoeld in het eerste lid. Artikel 2 De Commandant der Koninklijke Marechaussee kan de aan hem bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030602&artikel=1&z=2011-11-08&g=2011-11-08) verleende machtigingen doorverlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juli 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7691,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 3 februari 2014, nr. 474374, houdende regeling van de rechtspositie van de leden van de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES Gelet op [artikel 47 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028067&artikel=47); Besluit: Artikel 1 1. De leden van de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES ontvangen een vergoeding ten laste van de Minister. 2. Om aanspraak te kunnen maken op deze vergoeding, ondertekenen de leden van de commissie een presentielijst en dienen zij een gespecificeerde declaratie in bij de Minister. 3. De vergoeding voor de voorzitter bedraagt USD 321 per vergadering. Voor de overige leden van de commissie bedraagt de vergoeding USD 286 per vergadering. 4. De leden van de commissie ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de [Reisregeling Rijksambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041296) ambtenaren BES. Artikel 2 1. De leden van de commissie hebben geen functies of nevenfuncties die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van hun functie in de commissie of de handhaving van hun onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin. 2. De leden van de commissie melden het voornemen tot het aanvaarden van een functie of nevenfunctie aan de Minister. 3. De functies en nevenfuncties van de leden worden openbaar gemaakt. Openbaarmaking geschiedt door het ter inzage leggen van een opgave van deze functies en nevenfuncties bij de commissie en bij de Minister. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2014. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling rechtspositie leden Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7685,"b":"Regeling navigatie- en telecommunicatieinstallaties BES Artikel 1 1. In deze beschikking wordt verstaan onder: - **ADF:** een automatische richtingzoeker aan boord van een luchtvaartuig om de richting naar een NDB te bepalen (automatic direction finder); - **Bijlage 10:** Bijlage 10 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109); - **DME:** een installatie die aan boord van een luchtvaartuig de directe afstand bepaalt tussen een luchtvaartuig en een grondbaken (distance measuring equipment); - **ELT:** noodradiobaken met een zendfrequentie van 406 MHz. (emergency locator transmitter); - **NDB:** een rondomstralend radiobaken op de grond met een vaste antenne (non directional beacon); - **radiaal:** de richting vanuit een VOR-grondbaken ten opzichte van het magnetisch noorden ter plaatse van het grondbaken; - **RNAV:** een navigatiesysteem dat luchtvaartuigen in staat stelt een route te volgen tussen twee willekeurige punten, binnen voorgeschreven nauwkeurigheidsgrenzen, zonder dat het nodig is om over specifieke navigatieinstallaties op de grond te vliegen (Area Navigation); - **iSSR-transponder:** een radarbeantwoordingssysteem met informatie over de identiteit en eventueel de hoogte van het luchtvaartuig (secondary surveillance radar-transponder); - **VOR:** een op de grond geplaatst zendsysteem dat het mogelijk maakt om een vanuit het vliegtuig geselecteerde radiaal te onderscheppen of te volgen door middel van fasevergelijking (very high frequency omnidirectional range). 2. Een wijziging van Bijlage 10 treedt in werking vanaf het moment waarop in het Tractatenblad mededeling van deze wijziging is gedaan. Artikel 2 1. Voor het uitvoeren van een vlucht in de Flamingo CTR, Rooseveld ATZ en Yrausquin ATZ, als bedoeld in de Regeling aanwijzing luchtruim en aanwijzing luchtverkeersdienstverleners BES. is een luchtvaartuig niet zijnde een staatsluchtvaartuig voor zover het betreft: - a. een vliegtuig met turbine motoren met een maximaal toeg"},{"i":16786,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 27 september 2017 nr. BOACAT2017/063, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in oprichting Gelezen het verzoek van de Inspecteur-Generaal van 25 september 2017; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040023&artikel=2&z=2018-08-02&g=2018-08-02). Artikel 2 De personen in dienst van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd die op basis van hun functie zijn belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend), aangevuld met de wetten op het gebied van de volksgezondheid en de [artikelen 227](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=227), [227a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=227a), [228](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=228), [231](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=231), [255](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=255), [257](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=257), [272]("},{"i":7767,"b":"Wet van 30 september 2015, houdende regels omtrent de basisregistratie ondergrond (Wet basisregistratie ondergrond) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het ter bevordering van een goede vervulling van bepaalde publiekrechtelijke taken en een doelmatig gebruik van beschikbare informatie over de ondergrond wenselijk is om een basisregistratie ondergrond tot stand te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **authentiek gegeven:** in een basisregistratie opgenomen gegeven dat bij of krachtens de wet als authentiek is aangemerkt; - **authentiek model:** schematische weergave van de werkelijkheid in twee of drie dimensies, die authentiek is; - **basisregistratie:** verzameling gegevens waarvan bij wet is bepaald dat deze een basisregistratie vormt; - **brondocument:** document waarin rechtsfeiten of andere voor de basisregistratie ondergrond relevante feiten zijn neergelegd; - **bronhouder:** Onze Minister die het aangaat, voor zover het betreft een brondocument als bedoeld in [artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&hoofdstuk=1&artikel=7&z=2025-07-01&g=2025-07-01), en bestuursorganen en drinkwaterbedrijven als bedoeld in [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - **constructie:** werk in de ondergrond voor het winnen of benutten van in de ondergrond aanwezige natuurlijke hulpbronnen, voor het opslaan van stoffen in de ondergrond of voor het meten van een aan de ondergrond gerelateerde parameter; - **continentaal plat:** continentaal plat als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overhe"},{"i":7808,"b":"Wet van 17 oktober 2018 tot wijziging van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter implementatie van Europese regelgeving over de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PbEU 2016, L119) uit te voeren, en dat het wenselijk is de hiervoor noodzakelijke bepalingen aan te passen in de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463) en de [Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet politiegegevens. Artikel II Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel IIa Wijzigt de Aanpassingswet Algemene verordening gegevensbescherming. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IV Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel V Wijzigt Wijzigt het Wetboek van Strafvordering en deze wet. Artikel VI Wijzigt deze wet en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel VII Onze Minister voor Rechtsbescherming zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, binnen drie jaar na de in"},{"i":7779,"b":"Wet van 29 januari 2025, houdende regels omtrent gegevensverwerking in de persoonsgerichte aanpak van radicalisering en terroristische activiteiten Allen, die deze zullen zien of horen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een beter juridisch kader te scheppen voor de gegevensverwerking in de persoonsgerichte aanpak van radicalisering en terroristische activiteiten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Definities In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **radicalisering:** het proces dat uiteindelijk kan leiden tot terroristische activiteiten of tot extremistische activiteiten, zijnde activiteiten waarbij personen of groepen vanuit ideologisch motief bereid zijn in ernstige mate de wet te overtreden of activiteiten te verrichten die de democratische rechtsstaat ondermijnen; - b. **gemeente van verblijf:** gemeente waarin de betrokkene verblijft of voor het laatst heeft verbleven onderscheidenlijk gevestigd is. Artikel 2. Instandhouding en doel van casusoverleggen 1. De burgemeester van de gemeente van verblijf van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in verband kan worden gebracht met radicalisering of terroristische activiteiten bevordert de afstemming van maatregelen ten aanzien van die persoon en draagt daartoe zorg voor casusoverleg tussen de deelnemers. 2. Deelnemers van een casusoverleg ten behoeve van de persoonsgerichte aanpak van radicalisering en terroristische activiteiten verwerken gezamenlijk gegevens voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening, afstemming en coördinatie van de inzet van hun wettelijke taken en bevoegdheden en daaraan gerelateerde noodzakelijke werkzaamheden op het terrein van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving alsmede begeleiding en zorg- en hulpverlening in h"},{"i":7771,"b":"Wet van 25 april 2002, houdende regels voor de bewaring, het beheer en de verstrekking van gegevens van donoren bij kunstmatige donorbevruchting (Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is regels te stellen voor de bewaring, het beheer en de verstrekking van gegevens van donoren bij kunstmatige donorbevruchting; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. College: College donorgegevens kunstmatige bevruchting als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&paragraaf=3&artikel=4&z=2025-07-05&g=2025-07-05); - c. kunstmatige donorbevruchting: het beroeps-of bedrijfsmatig verrichten van handelingen, gericht op het anders dan op natuurlijke wijze tot stand komen van een zwangerschap met gebruikmaking van: - 1. zaadcellen van een ander dan de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de vrouw of - 2. eicellen van een andere vrouw; - d. donor: degene die zaadcellen of eicellen heeft afgestaan ten behoeve van kunstmatige donorbevruchting; - e. de Kaderwet: de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - f. verrichter: instelling of een natuurlijke persoon die, anders dan in dienst of onmiddellijk of middellijk in opdracht van een instelling, kunstmatige donorbevruchting verricht; - g. instelling: rechtspersoon die kunstmatige donorbevruchting verricht of doet verrichten, een organisatorisch verband van natuurlijke personen die kunstmatige donorbevruchting verricht of doet verrichten, dan wel een natuurlijk persoon die kunstmatige donorbevruchting do"},{"i":7727,"b":"Besluit van 4 februari 1995, tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 23 november 1994, nr. WV 94/508 M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken Van de Vondervoort; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=3) en [39 van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=39); De Raad van State gehoord (advies van 16 januari 1995, nr. W 06.94.0709); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 2 februari 1995, nr. WV 95/40U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken Van de Vondervoort; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=3), [37a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=37a), [37h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=37h), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=39) en [40a van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=40a). 2. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119); - b. waardering: waardebepaling en waardevaststelling van onroerende zaken op de voet van de wet; - c. afnemers: bestuursorganen die de waardegegevens gebruiken ten behoeve van de heffing van belastingen; - d. Onze Minister: de Minister van Financiën; - e. belastingen: belastingen geheven door het Rijk, de gemeenten en de waterschappen; - f. Dienst: Dienst voor het kadaster en de openbare registers als genoemd in [artikel 2 van de"},{"i":7736,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen College Bescherming Persoonsgegevens beleidsterrein Persoonsregistraties vanaf 1989 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 februari 2005, nr. arc-2004.01919/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het College Bescherming Persoonsgegevens op het beleidsterrein Persoonsregistraties over de periode vanaf 1989’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. College Bescherming Persoonsgegevens **BASISSELECTIEDOCUMENT 1989–** **Samengesteld door drs. P. Fijnheer, drs. E. Verheijen en drs. R. van Abel** **Ontwerp april 2005** 1. Inleiding **1.1. Verantwoording** Deze selectielijst is een selectielijst zoals bedoeld in [art. 2, eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). De lijst is opgezet als basisselectiedocument (BSD). Het grootste deel van het BSD bestaat uit handelingen, zoals beschreven in: **Een institutioneel onderzoek naar de taken en handelingen van de Registratiekamer en het College Bescherming Persoonsgegevens 1989–heden**. Het BSD is het wettelijk voorgeschreven instrument voor de selectie van archiefbescheiden van de Registratiekamer (Registratiekamer) en het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP). Het bevat een voorstel voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die het resultaat of de neerslag zijn van het handelen van het CBP op zijn werkterrein. In dit BSD wordt de documentaire neerslag van de handelingen van het CBP verdeeld in naar het Nationaal Archief over te brengen – en dus voor permanente bewaring in aanmerking komende – documentaire neerslag en op termijn te vernietig"},{"i":7638,"b":"Privacyreglement Recidiveregister WAM Overwegende dat ingevolge artikel 19 van de Wet Persoonsregistraties dient te worden voorziern in de vaststelling van een privacyreglement voor de geautomatiseerde gegevensverzameling ten dienste van de afhandeling door de Rijksdienst voor het Wegverkeer van overtredingen van [artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=30), Besluiten: Artikel 1 Het bijgevoegde Privacyreglement Recidiveregister WAM wordt vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit en het bijbehorende privacyreglement worden bekend gemaakt in Staatscourant en ter inzage gelegd op de in bedoeld privacyreglement vermelde adressen. Privacyreglement Recidiveregister WAM, vastgesteld bij besluit van 19 januari 1993 I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: Artikel 2. Doelstelling 1. De registratie heeft ten doel het vastleggen van gegevens met betrekking tot overtredingen van artikel 30 jo. artikel 2 WAM ten behoeve van de administratieve verwerking van bedoelde zaken door de RDW, alsmede ten behoeve van het constateren van recidive. 2. De registratie heeft daarnaast ten doel: - het verschaffen van gegevens aan opsporende en vervolgende instanties; - het verschaffen van – al dan niet geaggregeerde – gegevens voor beheers- en beleidsdoeleinden; - het verschaffen van gegevens ten behoeve van de justitiële documentatie. Artikel 3. Verantwoordelijkheden 1. De houder is verantwoordelijk voor het beheer en het goed functioneren van de registratie en treft daartoe de nodige voorzieningen op het gebied van organisatie en beveiliging. 2. Het hoofd van de afdeling Voertuigdocumenten en Centrale Registratie van de RDW is als beheerder verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken, een en ander overeenkomstig de bepalingen van dit reglement. 3. Het hoofd van de afdeling Automatisering is als technisch beheerder verantwoordelijk voor het beheer en de goede w"},{"i":7817,"b":"Wet van 26 maart 1998, houdende nieuwe bepalingen inzake De Nederlandsche Bank N.V. in verband met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Bankwet 1998) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de doelstellingen, taken en werkzaamheden van De Nederlandsche Bank N.V. opnieuw te regelen in verband met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de in dat Verdrag voorziene oprichting van een Europees Stelsel van Centrale Banken waarvan De Nederlandsche Bank N.V. met betrekking tot de taken en plichten die bij het Verdrag aan dat Stelsel zijn opgedragen een integrerend onderdeel vormt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking met ingang van de dag waarop de Europese Centrale Bank (ECB) en het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) in werking treedt. Volgens Stb. 1998/313 is dat op 1 juni 1998. Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V.; - b. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; - c. het Verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - d. de Europese Centrale Bank: de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie; - e. het Europees Stelsel van Centrale Banken: het Europees Stelsel van Centrale Banken, bedoeld in artikel 282, eerste lid, van het Verdrag; - f. de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken: de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 129, tweede lid, van het Verdrag; - g. verordening valsemunterij: verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de"},{"i":7723,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 6 november 2007, nr. 5509050/07, houdende regels inzake het gebruik van elektronische volgsystemen tijdens verlof van ter beschikking gestelden of anderszins verpleegden (Tijdelijke regeling verlof met elektronisch volgsysteem) Gelet op [artikel 53, zevende lid, van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008690&artikel=53); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. reglement: [Reglement verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008690); - b. verlof: het verlof als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de wet; - c. elektronisch volgsysteem: het op afstand volgen van een ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde door middel van elektronische apparatuur, aangebracht op het lichaam, met als doel de verblijfsplaats, bewegingen en/of gedragingen van de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde tijdens het verlof te controleren. Artikel 2. Doelgroep Voor verlof met elektronisch volgsysteem kan in aanmerking komen iedere ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde, die beschikt over een verlofmachtiging van de Minister van Veiligheid en Justitie, zoals bedoeld in [artikel 50, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=50). Artikel 3. Criteria 1. Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden bepaalt, met inachtneming van de persoonlijke, lichamelijke en geestelijke omstandigheden van de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde, of deze geschikt is om voor verlof met een elektronisch volgsysteem in aanmerking te komen. 2. Het verlof met elektronisch volgsysteem wordt als voorwaarde opgenomen in het verplegings- en behandelingsplan van de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde. Artikel 4. Verplichtingen In het verplegings- en behandelingsplan worden de met het verlof met elektronisch volgsyste"},{"i":7712,"b":"Reglement bescherming persoonsgegevens Bezitsvormingsfonds Overwegende, dat ten behoeve van de uitvoering van de Wet Bezitsvormingsfonds persoonsgegevens worden opgeslagen; Gelet op het [besluit van de Minister-President van 7 maart 1975 (Stcrt. 1975, 50) tot het vaststellen van aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen](onbekend), Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: **de Minister:** de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; **het Ministerie:** het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; **de wet:** de Wet Bezitsvormingsfonds; **het fonds:** het fonds ingesteld bij de Wet Bezitsvormingsfonds; **de registratie:** de geautomatiseerde opslag van gegevens ten behoeve van de uitvoering van de artikelen 5 tot en met 9 van de Wet Bezitsvormingsfonds; **de houder:** het hoofd van de Centrale Afdeling Financiële Zaken van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Artikel 2 De registratie heeft ten doel aan de houder gegevens te verschaffen ten behoeve van de terugbetaling van uit het fonds verstrekte leningen. Artikel 3 De registratie bevat ten hoogste naam, voornamen, geboortedatum, burgerlijke staat en adresgegevens van de verkrijger van een lening uit het fonds, de koopprijs van de betrokken woning en het gegeven of deze woning nieuw is dan wel reeds eerder is bewoond, de dag van uitbetaling van de lening en of deze uitbetaling door middel van een notaris heeft plaatsgevonden, het nog terug te vorderen bedrag van de lening en de ten behoeve van een goede verwerking in de registratie noodzakelijke administratief toegevoegde nummers en datum-aanduidingen. Artikel 4 1. De op een verkrijger van een lening uit het fonds betrekking hebbende gegevens worden uiterlijk 2 jaren na de algehele terugbetaling van het geleende bedrag uit de registratie verwijderd. 2. Verwijdering uit de registratie van naam"},{"i":7673,"b":"Regeling van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 1 april 2004, nr. CZW04/19880, houdende nadere regels omtrent de wijze en het tijdstip van de mededeling, bedoeld in artikel Y 32, achtste lid, van de Kieswet Gelet op [artikel Y 7 van het Kiesbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004632&artikel=Y_7); Besluit: Artikel 1 1. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzendt namens burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk na de zevende dag na de kandidaatstelling de gegevens van de personen, bedoeld in [artikel Y 3, onder b, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Y_3), waarvan de kiesgerechtigdheid voor de verkiezing van de Nederlandse leden van het Europees Parlement is geregistreerd aan de autoriteiten, bedoeld in [artikel Y 32, achtste lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Y_32). 2. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ontleent de gegevens, voor zover mogelijk, aan de basisregistratie personen. 3. Burgemeester en wethouders verstrekken aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op diens verzoek uiterlijk de zevende dag na de kandidaatstelling per beveiligde e-mail de gegevens die ter vervulling van de taak, bedoeld in het eerste lid, niet uit de basisregistratie personen kunnen worden verstrekt. Artikel 2 1. Onder de gegevens, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016584&artikel=1&z=2014-03-15&g=2014-03-15), wordt verstaan: - a. naam of namen; - b. voornaam of voornamen; - c. meisjesnaam, indien deze afwijkt van onderdeel a; - d. geslacht; - e. nationaliteit; - f. geboortedatum; - g. geboorteplaats; - h. plaats of district in de lidstaat waar de kiezer het laatst was ingeschreven; - i. de aanduiding van de lidstaat Nederland. 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder c en h, worden verstrekt voor zover deze als afzonderlijke gegevens zijn vermeld op het formu"},{"i":7746,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Letland inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Letland, Hierna gezamenlijk te noemen „de partijen” en elk afzonderlijk „de partij”, Geleid door de wens de wederzijdse beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens, in het belang van de nationale veiligheid, komen het volgende overeen: Artikel 1. Doel Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen de partijen of tussen rechtspersonen of natuurlijke personen onder hun rechtsmacht. In het Verdrag worden de beveiligingsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a). **„Gerubriceerd contract”,** een contract, met inbegrip van eventuele voorafgaande contractonderhandelingen, dat een van de partijen of een opdrachtnemer onder haar rechtsmacht aangaat met een opdrachtnemer onder de rechtsmacht van de andere partij voor de levering van goederen, uitvoering van werkzaamheden of levering van diensten, waarbij voor de uitvoering toegang of mogelijk toegang tot gerubriceerde gegevens vereist is of waarbij deze gecreëerd worden. - b). **„Gerubriceerde gegevens”,** gegevens, materiaal of voorwerpen, ongeacht de vorm of aard daarvan, of delen daarvan die of dat door een van de partijen is voorzien van een rubriceringsniveau in overeenstemming met de nationale wet- en regelgeving. De ongeoorloofde bekendmaking, verandering, compromittering of het verlies van dergelijke gegevens zou de belangen van een of beide partijen in meerdere of mindere mate kunnen schaden. - c). **„Bevoegde beveiligingsautoriteit”,** de overheidsautoriteit in een partij die verantwoordelijk is voor de implementatie van en toezicht op dit Verdrag. - d). **„Opdrachtnemer”,** elke natuurlijke persoon of rechtspersoon onder de rechtsmacht van"},{"i":7755,"b":"Wet van 2 oktober 2024 tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om de grondslagen voor gegevensverwerkingen te verstevigen (Verzamelwet gegevensverwerking VWS I) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om grondslagen ten behoeve van gegevensverwerking op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op te nemen dan wel aan te scherpen en voorts om het inzagerecht te verduidelijken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Jeugdwet. Artikel II Wijzigt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Artikel III Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel IV Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel V Wijzigt de Gezondheidswet. Artikel VI Wijzigt de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Artikel VII Wijzigt de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten. Artikel VIII Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel IX Wijzigt de Geneesmiddelenwet. Artikel X Wijzigt de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Artikel XI Wijzigt de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel XII Wijzigt de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg. Artikel XIII Wijzigt de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen. Artikel XIV Wijzigt de Kaderwet VWS-subsidies. Artikel XV Wijzigt de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg. Artikel XV0a Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel XVa Wijzigt de Wet open overheid. Artikel XVI Wijzigt de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Artikel XVII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of"},{"i":7802,"b":"Wet van 10 mei 2012 tot wijziging van de Telecommunicatiewet ter implementatie van de herziene telecommunicatierichtlijnen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950), de [Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatie autoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008807) en een aantal aanverwante wetten en nadere regels aan te passen aan de nieuwe richtlijnen en een nieuwe verordening op het gebied van openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Wijzigt de Wet op de onafhankelijke post en telecommunicatie autoriteit. Artikel IIIa Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel IV Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel V 1. [Artikel 3.14, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.14), zoals dit luidt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, is tot en met 24 mei 2016 niet van toepassing op een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte die is verleend voor 25 mei 2011. 2. [Artikel 3.5, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.5), zoals dit luidt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, is tot en met 24 mei 2016 niet van toepassing op een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte die is verleend voor 25 mei 2011. Artikel VI Na inwerkingtreding van deze wet berust het [Besluit Interoperabiliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016700) op [artikel 6.5, tweede en derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=6.5)."},{"i":7760,"b":"Werkwijze AFM inzien en kopiëren van digitale gegevens Artikel 1. – Definitiebepalingen - **Awb:** de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). - **Digitale gegevens:** elektronische gegevens waarover het Onderzoekssubject beschikt of kan beschikken. - **Functionaris Verschoningsrecht:** een door het bestuur van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) aangewezen persoon die niet als IT-Specialist of als Onderzoeker bij toezichtonderzoeken betrokken is of zal zijn, maar onafhankelijk, met technische ondersteuning van de IT-Specialist, het geprivilegieerde karakter van de door het Onderzoekssubject als zodanig geclaimde gegevens toetst. - **Geprivilegieerde gegevens:** Digitale gegevens die zijn gewisseld tussen een Onderzoekssubject en diens advocaat1Waar in de definitiebepaling advocaat staat kan ook arts, notaris of geestelijke gelezen worden. in die hoedanigheid. De gegevens worden als geprivilegieerd aangemerkt wanneer de advocaat zich ten aanzien van die gegevens zou kunnen beroepen op het verschoningsrecht zoals vastgelegd in [artikel 5:20, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) en hij over die gegevens kan beschikken. - **Geschoonde gegevens:** Digitale gegevens zoals veiliggesteld en gekopieerd door de IT-Specialist waarvan Geprivilegieerde- en/of Privégegevens zijn uitgesloten. - **IT-Specialist:** een toezichthouder in de zin van [artikel 5:11 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:11) die niet betrokken is bij de inhoudelijke uitvoering van het toezichtonderzoek, maar belast is met het proces van identificeren, veiligstellen, kopiëren en verwerken van Digitale gegevens, waaronder het technisch voorbereiden dan wel uitvoeren van de Schoning. - **Onderzoeker:** een toezichthouder in de zin van [artikel 5:11 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:11) die het toezichtonderzoek uitvoert. - **Onderzoekssubject:** de natuurlijke persoon of r"},{"i":7818,"b":"Beleidsregel NMa beoordeling horizontale concentraties Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=37) en [41 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=41), zoals die zullen luiden met ingang van 1 oktober 2007; Besluit: Artikel 1 Bij het toepassen van de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=37) en [41 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=41), zoals deze zullen luiden nadat de [Wet van 28 juni 2007, houdende wijziging van de Mededingingswet als gevolg van de evaluatie van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022401) (Stb. 284), in werking is getreden, zal de Autoriteit Consument en Markt aansluiten bij de mededeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 5 februari 2004, getiteld ‘Richtsnoeren voor de beoordeling van horizontale fusies op grond van de Verordening van de Raad inzake de controle op concentraties van ondernemingen’ (Pb 2004, C 31, blz. 5 - 18). Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: ‘Beleidsregel ACM beoordeling horizontale concentraties’. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2007. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7724,"b":"Wet van 13 maart 2024, houdende tijdelijke regels inzake specifieke wettelijke voorzieningen voor het uitvoeren van onderzoeken door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst naar landen met een offensief cyberprogramma tegen Nederland of Nederlandse belangen alsmede voorzieningen inzake de mogelijkheid tot vaststelling van een nieuwe eindtermijn voor gebruik door de diensten van in het kader van hun taakuitvoering met bijzondere bevoegdheden verworven bulkdatasets en de invoering van een bindende toets ex ante van verleende toestemmingen voor de real time interceptie van verkeers-en locatiegegevens (Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in aanvulling op en deels in afwijking van hetgeen in de [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896) is bepaald, randvoorwaarden te scheppen waarbinnen de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst op een effectieve wijze onderzoek kunnen doen naar landen met een offensief cyberprogramma tegen Nederland of Nederlandse belangen, met onder meer als doel beter zicht te krijgen op de daarmee samenhangende bekende en verborgen dreigingen, de door deze landen gehanteerde werkwijzen en de specifieke aandachtsgebieden waarop die dreigingen zich richten, te voorzien in tijdelijke regels inhoudende de mogelijkheid tot vaststelling van een nieuwe eindtermijn voor gebruik door de diensten van in het kader van hun taakuitvoering met bijzondere bevoegdheden verworven bulkdatasets en de invoering van een bindende toets ex ante van verleende toestemmingen voor de real time interceptie van verkeers-en locatiegegevens alsmede te voorzien in de mogelijkheid van binde"},{"i":7748,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Slowaakse Republiek inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens Het Koninkrijk der Nederlanden en de Slowaakse Republiek, Hierna gezamenlijk te noemen „partijen” en elk afzonderlijk „partij”, Geleid door de wens de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens te waarborgen, in het belang van de nationale veiligheid, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel en reikwijdte 1. Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen de partijen of tussen opdrachtnemers onder hun rechtsmacht, of die worden gegenereerd (in het kader van een bilateraal programma) uit hoofde van dit Verdrag. In het Verdrag worden de beveiligingsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. 2. De partijen nemen alle passende maatregelen krachtens hun nationale wet- en regelgeving om de beveiliging van gerubriceerde gegevens in overeenstemming met dit Verdrag te waarborgen. 3. Dit Verdrag vormt geen basis om de partijen ertoe te verplichten gerubriceerde gegevens te verstrekken of uit te wisselen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. **„Verdrag”,** dit document met inbegrip van de Bijlagen daarbij. - b. **„Bijlage”,** een bijlage bij dit document. - c. **„Gerubriceerd contract”,** elke wettelijk afdwingbare overeenkomst voor het leveren van goederen of diensten die een van de partijen of een opdrachtnemer onder haar rechtsmacht aangaat met een opdrachtnemer onder de rechtsmacht van de andere partij, die gerubriceerde gegevens bevat of waarbij voor de uitvoering toegang of mogelijk toegang vereist is tot het genereren, gebruiken of overdragen van gerubriceerde gegevens. - d. **„Gerubriceerde gegevens”,** gegevens, materiaal of voorwerpen, ongeacht de vorm of aard daarvan, of delen daarvan, die door een van de partijen als gerubriceerd worden aangemerkt, waarvan de ongeo"},{"i":7700,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 maart 2025, kenmerk 4073901-1080021-WJZ, houdende regels met betrekking tot de vergoedingen van de voorzitter en de leden van het bestuur van het College donorgegevens kunstmatige bevruchting Gelet op [artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14); Besluit: Artikel 1 1. Aan de leden van het bestuur van het College donorgegevens kunstmatige bevruchting wordt per vergadering een vacatiegeld toegekend van ten hoogste 3% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 2. Aan de voorzitter van het bestuur van het College donorgegevens kunstmatige bevruchting wordt per vergadering een vacatiegeld toegekend van maximaal 130% van de hoogte van de vergoeding per vergadering die andere leden van het bestuur wordt toegekend. Artikel 2 De voorzitter en de leden van het bestuur van het College donorgegevens kunstmatige bevruchting hebben recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. Artikel 3 De [Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 april 2004, nr. DWJZ/SWW-2476916, houdende regels met betrekking tot de vergoedingen van de voorzitter en de leden van het bestuur van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016666) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2025. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vergoedingen College donorgegevens kunstmatige bevruchting. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7653,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 juni 2009, nr. BJZ2009038757, houdende regels met betrekking tot de basisregistraties adressen en gebouwen (Regeling basisregistraties adressen en gebouwen) Gelet op de [artikelen 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=9), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=14), en [17, tweede lid, van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=17); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder wet: [Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466). Hoofdstuk 2. Inrichting van de basisregistratie Artikel 2 Bij de administratieve inrichting van de basisregistratie dragen burgemeester en wethouders er zorg voor dat de processen ter uitvoering van de verplichtingen die bij of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466) op hen rusten op een zorgvuldige, transparante en consistente wijze worden vormgegeven. Artikel 3 Bij de technische inrichting van de basisregistratie dragen burgemeester en wethouders er zorg voor dat: - a. voor het houden van de basisregistratie een uitwijkconfiguratie beschikbaar is, en - b. van de in de basisregistratie opgenomen gegevens iedere werkdag een back-up wordt gemaakt. Hoofdstuk 3. Systeembeschrijving Artikel 4 De systeembeschrijving, bedoeld in [artikel 17, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=17), is vervat in de [bijlagen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025961&bijlage=I&z=2018-07-01&g=2018-07-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025961&bijlage=II&z=2018-07-01&g=2018-07-01) bij deze regeling. Hoofdstuk 4. Slotbepalingen Artikel 5 Voor zover in de [bijlagen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025961&bijlage=I&z=2018-07-01&g=2018-07-01) en [II](https://w"},{"i":7908,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 december 2010, nr. IVV/FB/2010/24329, tot nadere regelgeving met betrekking tot de Wet algemene ouderdomsverzekering BES en de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES (Regeling volksverzekeringen BES) Gelet op de [artikelen 7a, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7a), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=8), en [28 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=28) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028533&artikel=2) en [6 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028533&artikel=6); Besluit: § 1. Herleiding gedeelten van kalenderjaren algemene ouderdomsverzekering Artikel 1. Samentelling onverzekerde gedeelten van kalenderjaren 1. Gedeelten van kalenderjaren, gedurende welke de pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd, niet verzekerd is geweest, worden voor de vaststelling van de korting, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=8) samengeteld en herleid tot gehele kalenderjaren. 2. Gedeelten van kalenderjaren, gedurende welke de echtgenoot van de pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige leeftijd, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd van die pensioengerechtigde niet verzekerd is geweest, worden voor de vaststelling van de korting, bedoeld in [artikel 7a, zevende lid, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7a) samengeteld en herleid tot gehele kalenderjaren. 3. De samentelling en herleiding, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschieden met inachtneming van het volgende: - 1°. een kalenderjaar wordt op 360 dagen en elke kalen"},{"i":7662,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 maart 2018, nr. 2018-0000183376, houdende regels betreffende de controle van de basisregistratie grootschalige topografie (Regeling controle basisregistratie grootschalige topografie) Gelet op de [artikelen 29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034026&artikel=29), en [30, derde lid, onderdeel a, van de Wet basisregistratie grootschalige topografie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034026&artikel=30); BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **wet:** [Wet basisregistratie grootschalige topografie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034026). Artikel 2 [gereserveerd] Artikel 3 1. Het onderzoek, bedoeld in [artikel 30 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034026&artikel=30), heeft betrekking op de borging van: - a. uitvoering van de wettelijke taak in werkprocessen bij de bronhouder; - b. actualiteit van gegevens door de bronhouder; - c. volledigheid van gegevens door de bronhouder; - d. de controle van de juistheid van gegevens door de bronhouder. 2. Het onderzoek wordt uitgevoerd door gebruikmaking van een daarvoor door de minister langs elektronische weg beschikbaar gesteld instrument. Dit instrument omvat ten minste een vragenlijst. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2018. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling controle basisregistratie grootschalige topografie. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7680,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Milieu van 11 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/218548 houdende regels met betrekking tot beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (Regeling gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur) Gelet op [richtlijn nr. 2011/65](32011L0065)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (PbEU 2011, L 174/88) en de [artikelen 9.2.2.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1) en [21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6); Besluit: § 1. **Begripsbepalingen en reikwijdte** Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij:** aanbieder van een dienst zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van [Richtlijn (EU) 2015/1535](32015L1535) van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241); - b. **actief implanteerbaar medisch hulpmiddel:** actief implanteerbaar medisch hulpmiddel in de zin van artikel 1, tweede lid, onder c, van [richtlijn 90/385/EEG](31990L0385) van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen (PbEU 1990, L 189); - c. **CE-markering:** markering waarmee de fabrikant aangeeft dat het product in overeenstemming is met alle toepasselijke eisen van de harmonisatiewetgeving van de Europese Unie die in het aanbrengen ervan voorziet; - d. **conformiteitsbeoordeling:** proces waarin wordt aangetoond of voldaan is aan de eisen van [richtlijn nr. 2011/65](32011L0065)/EU met betrekking tot e"},{"i":7713,"b":"Reglement gegevensbeheer Kansspelautoriteit gelet op [artikel 33g van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33g); besluit vast te stellen: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begrippen en definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **AVG:** Algemene verordening gegevensbescherming; - b. **UAVG:** [Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940); - c. **Wok:** [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - d. **persoonsgegevens:** alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 4, sub 1, van de AVG; - e. **gegevens:** alle gegevens inclusief persoonsgegevens; - f. **strafrechtelijke gegevens:** persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon, van strafrechtelijke aard; - g. **burgerservicenummer:** het nummer bedoeld in [artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=1); - h. **raad van bestuur:** de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, als bedoeld in [artikel 33a van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - i. **verwerkingsverantwoordelijke:** de raad van bestuur; - j. **Autoriteit Persoonsgegevens:** de toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de AVG. Artikel 1.2. Reikwijdte 1. Dit reglement is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens waarvoor de raad van bestuur de verwerkingsverantwoordelijke is als bedoeld in [artikel 33g, negende lid, van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33g). 2. Dit reglement is eveneens van toepassing op de uitwisseling van andere gegevens tussen de raad van bestuur en andere bestuursorganen, toezichthouders, instanties en personen, alsmede op de wijze waarop gegevens worden verstrekt en de doorlevering en vernietiging van gegevens. Paragraaf 2. H"},{"i":7660,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 november 2007, nr. 2007-0000442237, STAF/CZW/WVOB, houdende regels ter uitvoering van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer en het Besluit burgerservicenummer, en tot wijziging van de Regeling gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens Gelet op de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=5), en [9, derde lid, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=9), [artikel 2 van het Besluit burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022829&artikel=2) en de [artikelen 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006933&artikel=7), en [60 van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006933&artikel=60); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit burgerservicenummer in werking treedt. Artikel 1 De inlichtingen, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=5), worden door het college van burgemeester en wethouders of het bestuurscollege verstrekt in de gevallen en op de wijze, beschreven in de systeembeschrijving, bedoeld in [artikel 2 van het Besluit burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022829&artikel=2). Artikel 2 1. De kennisgeving, bedoeld in [artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=9), geschiedt indien mogelijk door middel van of gezamenlijk met de toezending van een volledig overzicht van de persoonslijst als bedoeld in [artikel 2.54, eerste en tweede lid, van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.54). 2. In afwijking van het eerste lid geschiedt de kennisgeving aan ingezetenen van een ope"},{"i":16736,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137687, houdende aanwijzing van Regionale Ambulancevoorziening Haaglanden voor de regio Haaglanden als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Regionale Ambulancevoorziening Haaglanden is voor regio Haaglanden de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16793,"b":"Besluit van 27 mei 2014, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg en het Besluit gebruik burgerservicenummer in de zorg in verband met het gebruik van het burgerservicenummer in de jeugdzorg (Besluit burgerservicenummer in de jeugdzorg) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 19 maart 2014, kenmerk 349799-118666-WJZ; Gelet op [artikel 2z van de Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637&artikel=2z) en [artikel 17 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=17); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 april 2014, nummer W13.14.0068/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 mei 2014, kenmerk 375951-121113-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg. Artikel II Wijzigt het Besluit gebruik burgerservicenummer in de zorg. Artikel III Dit besluit en de wet van 1 maart 2014 tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg en andere wetten in verband met de verplichting tot het gebruik van het burgerservicenummer in de jeugdzorg (Stb. 2014, 106) treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Artikel IV Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit burgerservicenummer in de jeugdzorg. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16804,"b":"Besluit van 19 april 2023, houdende regels voor de uitvoering van de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg (Besluit elektronische gegevensuitwisseling in de zorg) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2022, kenmerk 3479772-1040954-WJZ; Gelet op de [artikelen 3.3, eerste lid](onbekend), [3.4, eerste lid](onbekend), en [5.1, eerste lid, van de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg](onbekend); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 februari 2023, no. W13.22.00201/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 18 april 2023, kenmerk 3559512-1040954-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. – Algemeen Artikel 1.1. (begripsbepalingen) In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanwijzing:** aanwijzing van een instelling als bedoeld in [artikel 3.2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048095&artikel=3.2); - **gegevensdienst:** een gestandaardiseerde dienst voor gegevensuitwisseling binnen het gesloten, door Stichting MedMij beheerde netwerk waarin deelnemers met elkaar gegevens kunnen uitwisselen; - **informatiestandaard:** verzameling van afspraken die ervoor zorgt dat informatie over de zorg van een cliënt op de juiste manier wordt vastgelegd, opgevraagd, gedeeld, uitgewisseld en overgedragen; - **terhandsteller:** degene die de geneesmiddelen, bedoeld in [artikel 61, eerste lid, onderdelen a en b, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=61) ter hand stelt; - **wet:** [Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048095). Hoofdstuk 2. – Certificering en informatie-uitwisseling Artikel 2.1. (verkrijgen aanwijzing) 1. Een aanvraag tot aanwijzing wordt ingediend bij Onze Minister. 2. De aanvrager toont aan dat de instelling: - a. rechtspersoonlijkheid heeft; - b. een onaf"},{"i":16803,"b":"Besluit van 4 februari 2009, houdende regels met betrekking tot de eigen bijdrage voor de rechtzoekende in geval van verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand alsmede enige nadere regels omtrent de vaststelling van de financiële draagkracht van de rechtzoekende (Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 9 december 2008, nr. 5577912/08/6; Gelet op de [artikelen 25, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=25), [34a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34a), [34d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34d), en [35 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=35); De Raad van State gehoord (advies van 7 januari 2009, nr. W03.08.0545/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 23 januari 2009, nr. 5583098/09/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **diagnosedocument:** een schriftelijk document, opgesteld in het kader van de verlening van rechtshulp door een voorziening als bedoeld in [artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7), of [artikel 8, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8), waarin is opgenomen een analyse van het juridisch probleem en een advies over dat probleem, met zo nodig een verwijzing naar ter zake doende instanties en rechtsbijstandverleners; - **draagkracht:** draagkracht zoals die overeenkomstig de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) wordt berekend; - **eigen bijdrage:** eigen bijdrage, bedoeld in [artikel 35, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=35); - **opvolgend deskundigenoordeel:** het oordeel van een opvolgend rechtsbijstandverlener als bedoeld in de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=9) en ["},{"i":16824,"b":"Besluit van 1 juli 1957, houdende verhoging uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht met een algemene toeslag Op de voordracht van Onze Minister voor Defensie van 12 maart 1957, Nr. P. 111.341/A/Conf en Nr. Minmar 467699/349595; Overwegende, dat de beperking van de uitbetaling van de uitkeringen, bedoeld in de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht (**Stb.** 1948, I 543) bij gelijktijdige aanspraak op een pensioen krachtens de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) (**Stb.** 1956, 281), het wenselijk maakt ten aanzien van die uitkeringen gelijksoortige voorzieningen te treffen als is geschied ten aanzien van de militaire pensioenen; De Raad van State gehoord (advies van 21 mei 1957 nr. 69); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 25 juni 1957, Nr. P. 111.341/E/Conf, Nr minmar 552822/254777; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: **uitkering:** het nominale bedrag, zoals dit is of wordt vastgesteld, van een uitkering verleend of te verlenen krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht (**Stb.** 1948, I 543) met uitzondering van: - a. de toeslag en de extra-toeslag verleend krachtens Ons besluit van 24 maart 1951 (**Stb.** 87); - b. de toeslag-1954 verleend krachtens Ons besluit van 16 september 1954 (**Stb.** 433); - c. de aanpassingtoeslag verleend krachtens Ons besluit van 15 april 1955 (**Stb.** 184), en - d. de nadere toeslag-1954 verleend krachtens Ons besluit van 27 oktober 1956 (**Stb.** 520); **Regeling:** de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht (**Stb.** 1948, I 543). Artikel 2 1. Voor zover het recht op een uitkering op 1 januari 1957 niet is vervallen, worden de uitkeringen te rekenen van 1 januari 1957 of van het later tijdstip waarop zij zijn ingegaan of zullen ingaan, met inachtneming van de volgende bepalingen, ambtshalve verhoogd met een toeslag, verder"},{"i":5122,"b":"Personeelsinformatie sector Rijk «Circulaire aan de ministers» De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Ingevolge [artikel 6 lid 1 van het Besluit Informatievoorziening Rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004976&artikel=6) (IVR) 1991 draag ik de verantwoordelijkheid voor het deelgebied personeelsinformatie van alle tot de sector Rijk1Waar in deze circulaire gesproken wordt over de sector Rijk wordt de arbeidsvoorwaardelijke sector rijkspersoneel bedoeld. Deze bestaat uit het personeel van de ministeries (exclusief het ministerie van Defensie), het Kabinet van de Koningin, de Kamers der Staten-Generaal en de overige Hoge colleges van Staat en het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken.-behorende organisaties. Teneinde uitvoering te geven aan deze verantwoordelijkheid en vanuit mijn coördinerende rol op het terrein van het personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid is personeelsinformatie nodig van alle tot de sector Rijk behorende organisaties. Hiertoe is op 12 november 1996 in de vergadering van de leden van de Interdepartementale Coördinatievergadering Personeelsbeleid Rijksdienst (ICPR) een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot de levering van informatie door alle tot de sector Rijk behorende organisaties aan mijn ministerie. De afspraken hebben betrekking op: Ad A De te verstrekken informatie heeft betrekking op vier categorieën: Ad 1. De informatie uit IPA Afgesproken is dat de dienst Informatievoorziening Overheidspersoneel (IVOP) jaarlijks, of indien gewenst op enig ander tijdstip, aan de directeur Personeelsmanagement Rijksdienst van Binnenlandse Zaken, een uittreksel zal leveren uit het IPA-bestand, bedoeld in [bijlage 1 deel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008458&bijlage=1&z=1997-01-01&g=1997-01-01). De directeur Personeelsmangement Rijksdienst van mijn ministerie zal de daartoe benodigde contracten sluiten met de dienst IVOP. Voor wat betreft de kosten van de levering uit het IPA-besta"},{"i":16871,"b":"Besluit van 30 december 1983, houdende opheffing van het Bureau Bijzondere Uitkeringen van het Ministerie van Financiën en overdracht van de taak van dit bureau met betrekking tot de uitkeringen ten behoeve van het lager onderwijs en het buitengewoon onderwijs naar het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 23 december 1983, nr. 339317 mede namens Onze Ministers van Financiën en van Onderwijs en Wetenschappen; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Gelet voorts op de Wet van 12 januari 1983, houdende wijziging van de Lager-onderwijswet 1920, de [Financiële-Verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290) 1960, de [Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718) en de [Wet beheersing huisvestingsvoorzieningen k.o.-l.o.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003412), inzake de uitkeringen met betrekking tot het lager onderwijs (**Stb.** 1983, 14); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Bureau Bijzondere Uitkeringen van de Directie Financiën Publiekrechtelijke Lichamen van het departement van Financiën wordt met ingang van 1 februari 1983 opgeheven. De taak van dit bureau met betrekking tot de uitkeringen ten behoeve van het lager onderwijs en het buitengewoon onderwijs wordt met ingang van diezelfde datum overgedragen aan het departement van Onderwijs en Wetenschappen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 februari 1983. Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Kamers der Staten-Generaal."},{"i":17824,"b":"Wet van 21 december 2006 tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten ten behoeve van de archeologische monumentenzorg mede in verband met de implementatie van het Verdrag van Valletta (Wet op de archeologische monumentenzorg) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is uitvoering te geven aan het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (herzien), dat bij [Rijkswet van 26 februari 1998](onbekend) (Stb.196) voor het gehele Koninkrijk is goedgekeurd, en dat het ook overigens wenselijk is aanvullende voorschriften te stellen ten behoeve van de archeologische monumentenzorg en in verband daarmee de [Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471) en enkele andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Monumentenwet 1988. Artikel II Wijzigt de Ontgrondingenwet. Artikel IIa Wijzigt deze wet. Artikel III Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel IIIa Wijzigt deze wet. Artikel IV Wijzigt de Woningwet. Artikel IVa Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de archeologische monumentenzorg. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17919,"b":"Regeling van De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 oktober 2024, kenmerk 3964007-1070580-Z, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met het vaststellen van de woonlandfactoren voor het jaar 2025 ten behoeve van de gedifferentieerde berekening van de bijdrage voor verdragsgerechtigden Gelet op [artikel 69, derde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69) en [artikel 4a, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II De verhoudingsgetallen, bedoeld in [artikel 4a, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4a), zijn gelijk aan de getallen, genoemd in [bijlage 4 bij de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17369,"b":"Regeling nazorgfase gesloten stortplaatsen Gelet op de [artikelen 1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005858&artikel=1), [4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005858&artikel=4), [9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005858&artikel=9) en [10, tweede lid, van het Stortbesluit bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005858&artikel=10), Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **Ontwerpprocedure grondwatermonitoring:** Ontwerp-procedure grondwatermonitoring stortplaatsen (Vereniging van Afvalverwerkers, Utrecht, november 1995); - **Richtlijn dichte eindafwerking:** Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen (Publikatiereeks bodembescherming nr. 1991/2); - **Richtlijn geohydrologische isolatie:** Richtlijn geohydrologische isolatie van bestaande stortplaatsen (Vereniging van Afvalverwerkers, Utrecht, juli 1997). Artikel 2 Deze regeling berust op de [artikelen 8.49, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.49), en [21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6). Hoofdstuk 2. Voorschriften voor het bepalen van de gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand Artikel 3 Vervallen Hoofdstuk 3. Voorschriften voor de onderafdichting van stortplaatsen en de geohydrologische maatregelen Artikel 4 Vervallen Hoofdstuk 4. Voorschriften voor de bovenafdichting en de gasuitstoot Artikel 5 Vervallen Artikel 5a Vervallen Hoofdstuk 5. Inspectie van de bodembeschermende voorzieningen en onderzoek met betrekking tot de hoedanigheden van de bodem 5.1. Inspectie bodembeschermende voorzieningen als bedoeld in artikel 9 van het Stortbesluit Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen 5.2. Inspectie bodembeschermende voorzieningen als bedoeld in artikel 10 van het Stortbesluit Artikel 9 Vervallen 5.3. Onderzoek naar de hoedanigheden van de bodem"},{"i":17211,"b":"Protocol accountantsonderzoek Wlz-uitvoerders 2020 Vooraf De uitvoering van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) vindt plaats door Wlz-uitvoerders, die door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) worden aangewezen. Daarnaast worden zorgkantoren en zorgkantoorregio’s aangewezen. Het zorgkantoor is verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige regionale uitvoering van het persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor is daarnaast verantwoordelijk voor de administratieve werkzaamheden. De overige Wlz-taken vallen, uitgaande van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), onder de verantwoordelijkheid van de Wlz-uitvoerder. Wlz-uitvoerders zijn op basis van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) verplicht om jaarlijks een uitvoeringsverslag ([artikel 4.3.2 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.2)) en een financieel verslag ([artikel 4.3.1 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.1)) op te stellen. De NZa heeft de voorschriften hiervoor nader uitgewerkt in de [Regeling uitvoeringsverslag en financieel verslag Wlz-uitvoerder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043284)1Zie voor de laatste versie https://puc.overheid.nl/nza (verder de ‘Regeling uitvoeringsverslag en financieel verslag’ genoemd). In de beleidsregel ‘Normenkader Wlz-uitvoerder’2Zie voor de laatste versie https://puc.overheid.nl/nza ligt vast hoe de NZa invulling geeft aan haar taak om toezicht te houden op de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) en van welke normen zij bij haar toezicht uitoefening uitgaat.3Het ‘Normenkader Wlz-uitvoerder’ is een interpretatie van de NZa en kan als hulpmiddel voor de controle worden gebruikt. Het is geen vervanging van de tekst van de geldende wet- en regelgeving. De opgenomen normen in deze beleidsregel drukken uit wat de NZa verwacht van de Wlz-uitvoerders. In dit Protocol accountantsonderzoek"},{"i":17837,"b":"Wet van 22 december 1999 tot wijziging van de Ziektewet en enkele andere wetten in verband met het uitsluiten van het recht op een socialeverzekeringsuitkering bij vrijheidsontneming en het openstellen van socialezekerheidsregelingen in die gevallen waarin de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt (Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is personen die rechtens hun vrijheid is ontnomen uit te sluiten van het recht op een uitkering op grond van een aantal socialezekerheidswetten, aangezien zij reeds door de Staat worden voorzien in de kosten van levensonderhoud, en de mogelijkheid te openen het recht op een uitkering op grond van een aantal socialezekerheidswetten toe te kennen aan personen die rechtens hun vrijheid is ontnomen in die gevallen waarin zij hun hoofdverblijf niet hebben binnen een justitiële inrichting; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijziging van verschillende wetten Artikel I. [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460) Wijzigt de Ziektewet. Artikel II. [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel III. [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel IV. [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Artikel V. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel VI. [Toes"},{"i":18063,"b":"Besluit van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van het archief van de Politieke Leiding van het Ministerie van Defensie 1976–1991 (1992), bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats (Besluit beperking openbaarheid) Overwegende dat een aantal dossiers in het archief van de Politieke Leiding van het Ministerie van Defensie 1976 – 1991 (1992) beperkingen aan de openbaarheid behoeven: Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 19-02-2015, met kenmerk NA/2015/14694. Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. De beperking vervalt indien ten overstaan van de beheerder van het Nationaal Archief, de algemene rijksarchivaris, is aangetoond dat de persoon (of personen) op wie het dossier betrekking heeft, is (zijn) overleden. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 127 | 2049 | | 128 | 2049 | | 190 | 2060 | | 193 | 2060 | | 287 | 2064 | | 387 | 2061 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat en zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 621 | 2061 | | 1045 | 2062 | | 1046 | 2066 | | 1058 | 2056 | | 1059 | 2058 | | 1060 | 2059 | | 1061 | 2060 | | 1062 | 2061 | | 1063 | 2065 | | 1064 | 2055 | | 1065 | 2058 | | 1066 | 2059 | | 1067 | 2059 | | 1068 | 2060 | | 1069 | 2060 | | 1070 | 2061 | | 1071 | 2061 | | 1072 | 2061 | | 1073 | 2062 | | 1074 | 2063 | | 1075 | 2063 | | 1076 | 2064 | | 1077 | 2065 | | 1078 |"},{"i":17318,"b":"Regeling geweldsinstructie justitiële jeugdinrichtingen Gelet op [artikel 40, vierde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=40); Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële kinderbescherming van 30 mei 2000, kenmerk 5032390/C/TH/JMO; Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756); - b. **eenheid:** een eenheid bij de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid van het onderdeel Landelijke Dienst Specialistische Taken van de Dienst Vervoer en Ondersteuning van de Dienst Justitiële Inrichtingen; - c. **meerdere:** de medewerker van de eenheid die uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel geeft over de taakuitvoering; - d. **geweld:** elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken; - e. **aanwenden van geweld:** het gebruiken van geweld of het dreigen met geweld, waaronder niet wordt begrepen het uit voorzorg ter hand nemen van een vuurwapen; - f. **vrijheidsbeperkende middelen:** - 1°. een broekstok; - 2°. middelen als bedoeld in [artikel 1, onder b, van de Regeling toepassing mechanische middelen jeugdigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012743&artikel=1). - g. **geweldsmiddel:** - 1°. het semi-automatische schoudervuurwapen SIG SAUER MCX RATTLER, kaliber 7.62 x 35 millimeter; - 2°. de semi-automatische uitvoering van de FN SCAR, kaliber 7.62 x 35 millimeter; - 3°. een semi-automatisch pistool van het merk Walther P99Q, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter; - 4°. een korte of lange wapenstok van een door de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type; - 5°. CS-traangasgranaten of traangasverspreidende middelen van een door de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type. - 6°. pepperspray van een door de Minist"},{"i":18089,"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Strijdkrachten in Nederlands Nieuw-Guinea van het Ministerie van Defensie, 1950–1962 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de **Strijdkrachten in Nederlands Nieuw-Guinea van het Ministerie van Defensie, 1950–1962**, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 79 | 2035 | | 207 | 2035 | | 224 | 2025 | | 225 | 2030 | | 226 | 2030 | | 228 | 2030 | | 229 | 2030 | | 230 | 2030 | | 231 | 2030 | | 232 | 2030 | | 233 | 2025 | | 234 | 2030 | | 235 | 2030 | | 236 | 2030 | | 237 | 2030 | | 238 | 2030 | | 239 | 2030 | | 240 | 2030 | | 241 | 2030 | | 242 | 2030 | | 243 | 2030 | | 333 | 2025 | | 436 | 2025 | | 439 | 2035 | | 443 | 2025 | | 444 | 2025 | | 445 | 2025 | | 448 | 2035 | | 449 | 2025 | | 451 | 2025 | | 452 | 2025 | | 454 | 2025 | | 461 | 2035 | | 462 | 2035 | | 463 | 2035 | | 466 | 2035 | | 489 | 2025 | | 561 | 2025 | | 580 | 2025 | | 712 | 2025 | | 760 | 2025 | | 761 | 2025 | | 761 | 2025 | | 763 | 2025 | | 764 | 2025 | | 765 | 2025 | | 766 | 2025 | | 767 | 2025 | | 768 | 2025 | | 769 | 2025 | | 770 | 2025 | | 871 | 2035 | | 872 | 2035 | | 999 | 2035 | | 1000 | 2035 | | 1001 | 2035 | | 1002 | 2035 | | 1003 | 2035 | | 1004 | 2035 | | 1005 | 2035 | | 1006 | 2035 | | 1007 | 2035 | | 1008 | 2035 | | 1090 | 2035 | | 1126 | 2035 | | 1142 | 2025 | | 1344 | 2035 | | 1345 | 2035 | | 1346 | 2035 | | 1346 | 2035 | | 1347 | 2035 | | 1366 | 2035 | | 1368 | 2035 | | 1535 | 2035 | | 1536 | 2035 | | 2031 | 2025 | | 2062 | 2035 | | 2"},{"i":17311,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 mei 2008, nr. MEVA/ICT-2838255, houdende regels omtrent het gebruik van het burgerservicenummer in de zorg (Regeling gebruik burgerservicenummer in de zorg) Gelet op [artikel 10 van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864&artikel=10), de [artikelen 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=44) en[52, zevende lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=52), de [artikelen 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=86), [87, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=87), [88, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=88), en [89, zesde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=89) en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023902&artikel=3), [6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023902&artikel=6), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023902&artikel=19), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023902&artikel=20), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023902&artikel=21), [22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023902&artikel=22), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023902&artikel=23), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023902&artikel=24) en [30 van het Besluit gebruik burgerservicenummer in de zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023902&artikel=30); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg in werking treedt. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. wet: [Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864); - c. besluit:"},{"i":18927,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 december 2018 nr. BOACAT2018/064, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Servicecentrum MER in domein II Gelezen het verzoek van het Servicecentrum MER van 28 november 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041704&artikel=2&z=2018-12-20&g=2018-12-20). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder integraal – Boa domein II in dienst van Servicecentrum MER, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voo"},{"i":18906,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 23 september 2025 nr. BOACAT2025/177, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Noord-Nederland, afdeling meldkamer Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Noord-Nederland van 9 september 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051542&artikel=2&z=2025-10-01&g=2025-10-01). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), en die werkzaam zijn in de functie van generalist meldkamer, senior meldkamer en operationeel expert meldkamer die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Noord-Nederland. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein"},{"i":16960,"b":"Besluit van 23 november 2021, houdende vaststelling van de decentralisatie- en integratie-uitkeringen aan de gemeenten en provincies voor het uitkeringsjaar 2018 (Besluit vaststelling decentralisatie-en integratie-uitkeringen 2018) § 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten en provincies Artikel 1 In het jaar 2018 ontvangen de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046011&bijlage=1&z=2021-12-15&g=2021-12-15) genoemde gemeenten de in die bijlage genoemde decentralisatie-uitkeringen. Artikel 2 In het jaar 2018 ontvangen de in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046011&bijlage=2&z=2021-12-15&g=2021-12-15) genoemde provincies de in die bijlage genoemde decentralisatie-uitkeringen. § 2. Integratie-uitkeringen aan gemeenten Artikel 3 In het jaar 2018 ontvangen de in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046011&bijlage=3&z=2021-12-15&g=2021-12-15) genoemde gemeenten de in die bijlage genoemde integratie-uitkeringen. § 3. Slotbepalingen Bijlage 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046011&paragraaf=1&artikel=1&z=2021-12-15&g=2018-01-01) | **Gemeente** | **Uitkering 2018** | | --- | --- | | Amsterdam | € 4.408.236 | | Appingedam | € 5.372.948 | | Assen | € 3.093.052 | | Brunssum | € 3.038.404 | | Delfzijl | € 3.274.245 | | Drimmelen | € 2.489.743 | | Eindhoven | € 3.388.148 | | Groningen | € 3.515.659 | | Hengelo | € 3.093.984 | | Katwijk | € 3.520.403 | | Loppersum | € 2.226.706 | | Middelburg | € 2.404.492 | | Nijmegen | € 3.497.444 | | Noordoostpolder | € 3.078.115 | | Oldambt | € 3.467.570 | | Pekela | € 2.951.187 | | Purmerend | € 5.091.994 | | Rotterdam | € 4.371.804 | | ’s-Gravenhage | € 3.522.946 | | Sittard-Geleen | € 3.501.000 | | Sliedrecht | € 2.805.241 | | Tilburg | € 2.773.557 | | Tytsjerksteradiel | € 4.127.540 | | Utrecht | € 3.428.223 | | Vlieland | € 484.442 | | Wageningen | € 3.861.761 | | Zoetermeer | € 4.761.157 | | **Totaal** |"},{"i":17548,"b":"Reglement Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs 2021 Preambule In 1992 richtten de sociale partners in het onderwijs de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs op. Het doel van het Vervangingsfonds is het bieden van waarborgen aan aangeslotenen voor de kosten van vervanging bij afwezigheid van gewezen personeel en het invoeren en in stand houden van bedrijfsgezondheidszorg in het primair onderwijs, alsmede het bevorderen en bewaken van die zorg. Het bestuur stelt, conform het bepaalde op grond van [artikel 183, vierde lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=183) juncto [artikel 169, vierde lid van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=169), het Reglement Vervangingsfonds vast. In dit reglement wordt bepaald welke rechten de aangeslotenen in het kader van de taakuitoefening van de stichting, als hierboven genoemd, jegens de stichting kunnen doen gelden en tot welke verplichtingen de aangeslotenen jegens de stichting zijn gehouden. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2021. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - 1. **Bedrijfsgezondheidszorg:** de dienstverlening van het Vervangingsfonds ter voorkoming en terugdringing van ziekteverzuim en de verbetering van arbeidsomstandigheden. - 2. **Bekostiging:** de bekostiging van vervanging door en ten laste van het Vervangingsfonds. - 3. **Bestuur:** het bestuur van de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs. - 4. **Bevoegd gezag:** een bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wec](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of een samenwerkingsverband passend onderwijs als bedoeld in [artikel 18a van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=18a). - 5. **Bovenbestuurlijke verva"},{"i":17826,"b":"Wet van 10 februari 2016 tot vaststelling van bepalingen op het gebied van jeugdverblijven (Wet op de jeugdverblijven) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen aan jeugdverblijven teneinde voor de aldaar verblijvende minderjarigen hun veiligheid, hun ongestoorde ontwikkeling en het pedagogische klimaat te bevorderen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - **college:** college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het jeugdverblijf is gevestigd; - **houder:** degene die een jeugdverblijf in stand houdt; - **jeugdverblijf:** inrichting, niet door een Nederlandse overheid of krachtens een wettelijk voorschrift bekostigd, waar ten minste vier minderjarigen elk gedurende een half jaar meer dan de helft van de tijd buiten familie- of gezinsverband overnachten of naar verwachting zullen overnachten. 2. Deze wet is niet van toepassing op inrichtingen waarvoor een op grond van een andere dan deze wet geregelde vorm van toezicht op de veiligheid, de ontwikkeling en het pedagogisch klimaat van minderjarigen bestaat. Artikel 2 De houder doet van het in stand houden van een jeugdverblijf onverwijld eenmalig mededeling aan het college. Artikel 3 1. De houder stelt met het oog op het bevorderen van de veiligheid, het pedagogisch klimaat en het voorkomen van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarigen een kwaliteitskader met kwaliteitsvoorschriften vast in ieder geval betreffende de volgende onderwerpen: - a. de missie en de visie ten aanzien van het jeugdverblijf; - b. de positie en de betrokkenheid van de verblijvende minderjarigen en hun ouders; - c. het klachtenbeleid; - d. de verslaglegging ten aanzien van het beleid en de doelstellingen van"},{"i":17695,"b":"Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien) De Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag van 13 februari 1961 betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (herzien), de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat, Besloten hebbende dit Verdrag te vervangen door een nieuw Verdrag en tot dit doel hun gevolmachtigden benoemd hebbende, wier volmachten in goede en behoorlijke vorm zijn bevonden, Hebben de volgende bepalingen aangenomen: TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a). wordt onder „Verdragsluitende Partij” verstaan elke Staat, welke overeenkomstig artikel 90, tweede lid of artikel 93, tweede lid, een akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding heeft neergelegd; - b). worden de termen „grondgebied van een Verdragsluitende Partij” en „onderdaan van een Verdragsluitende Partij” omschreven in Bijlage I; door elke Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig het eerste lid van artikel 97, kennisgeving gedaan van iedere wijziging welke in Bijlage I dient te worden aangebracht; - c). worden ten aanzien van elke Lid-Staat onder „wetgeving” verstaan de wetten, regelingen en statutaire bepalingen welke van kracht zijn op de datum van ondertekening van dit Verdrag of welke later van kracht zullen worden voor het gehele grondgebied van iedere Verdragsluitende Partij of voor enig deel daarvan en welke betrekking hebben op de in artikel 3, eerste en tweede lid, bedoelde takken en regelingen van sociale zekerheid; - d). wordt onder „Verdrag inzake sociale zekerheid” verstaan elke bilaterale of multilaterale overeenkomst welke op het gebied van de sociale zekerheid voor alle in artikel 3, eerste en tweede lid bedoelde takken en regelingen, of een deel daarvan, uitsluitend verbindend is of zal zijn voor twee of meer Verdragsluitende Partijen, alsmede elke zodanige multilaterale overeenkomst we"},{"i":17643,"b":"Uitvoering bepalingen Subsidieregeling experimenten met uitkeringsgelden Aan de uitvoeders van de Experimenten Activering van Uitkeringsgelden Uit signalen uit de praktijk is mij gebleken dat bij de uitvoering van de bepalingen van de [Subsidieregeling experimenten van uitkeringsgelden](onbekend) van 18 januari 1995 (BZ/VOL/95/113) belemmeringen ontstaan voor bepaalde groepen bijstandsgerechtigheden. Het betreft in de eerste plaats de hantering van de **werkloosheidstermijn** bij het begrip langdurige werkloze. Volgens de regeling wordt die termijn gesteld op tenminste een jaar (art. 1 onder a.). Achtergrond van deze keuze destijds is dat voorkomen diende te worden dat de regeling voornamelijk zou worden ingezet voor de werklozen die nog redelijke kansen hebben op de reguliere arbeidsmarkt. Met opzet is daarbij niet het criterium van de duur van de inschrijving bij het arbeidsbureau gehanteerd, omdat daarmee wordt voorkomen dat de regeling niet van toepassing zou zijn op diegenen die niet als werkzoekenden bij het arbeidsbureau staan ingeschreven, maar feitelijk wel werkloos zijn. Te denken valt daarbij aan vrouwen voor wie de arbeidsverplichting op dit moment nog niet geldt en aan partners van uitkeringsgerechtigden . De genoemde signalen hebben in het bijzonder betrekking op de eis van de periode van één jaar. Deze eis leidt in de praktijk tot het ongewild uitsluiten van personen die nadrukkelijk tot de doelgroep behoren. Ik doel daarmee op diegenen, die zelf activiteiten ontplooien om – al is het maar in de vorm van kortdurende arbeidsovereenkomsten of oproepcontracten – werk te vinden zoals bijvoorbeeld tijdelijk werk in de tuinbouw. Tegen deze achtergrond ga ik er mee akkoord dat in de uitvoeringspraktijk de termijn van één jaar zodanig wordt gehanteerd, dat dagen waarop de betrokkene arbeid in dienstverband of als zelfstandige heeft verricht meetellen als dagen van werkloosheidsduur, met dien verstande dat: Met deze hantering wordt aangesloten bij de termijnen"},{"i":17644,"b":"Uitvoering Wet Werkloosheidsvoorziening (gelijkstelling vreemdelingen met Nederlanders) Gelet op [artikel 13, derde lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002470&artikel=13), Besluit: Artikel 1 Het bepaalde in [artikel 13, eerste lid, onder n, van de Wet Werkloosheidsvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002470&artikel=13) is niet van toepassing op onderdanen van de lid-staten, die de Verdragen nr. 44 en nr. 118 van de Internationale Arbeidsorganisatie ter verzekering van uitkeringen of bijstand aan onvrijwillig werklozen (resp. Trb. 1965 nr. 88 en Trb. 1962, nr. 122) hebben bekrachtigd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van plaatsing in de **Staatscourant**."},{"i":17520,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 12 januari 2005, nr. 5328243/04/DJJ, houdende aanwijzing van gevallen waarin de raad voor de kinderbescherming de stichting kan inschakelen voor vrijwillige begeleiding van een jeugdige (Regeling vrijwillige begeleiding jeugdreclassering) Gelet op [artikel 77hh, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77hh) Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. gecertificeerde instelling: gecertificeerde instelling, bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1). - b. langdurige detentie: strafduur van meer dan zes maanden; - c. kortdurende detentie: strafduur zes maanden of minder. Artikel 2 1. In de volgende gevallen kan de raad voor de kinderbescherming de gecertificeerde instelling inschakelen voor vrijwillige begeleiding van een jeugdige: - a. na langdurige detentie, mits de jeugdige bij ontslag uit een justitiële jeugdinrichting de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt; - b. tijdens en na kortdurende detentie, mits de jeugdige bij aanvang van de begeleiding van de jeugdreclassering de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt; - c. na een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, mits de jeugdige bij ontslag uit een justitiële jeugdinrichting de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt. 2. In de volgende gevallen kan de raad voor de kinderbescherming de gecertificeerde instelling inschakelen voor vrijwillige begeleiding van een jeugdige: - a. nadat tegen de jeugdige een proces-verbaal is opgemaakt zonder dat de jeugdige in verzekering is gesteld; - b. nadat een jeugdige is heengezonden nadat hij in verzekering is gesteld; - c. indien een jeugdige in voorlopige hechtenis is gesteld. 3. De raad voor de kinderbescherming kan de gecertificeerde instelling inschakelen voor vrijwillige begeleiding tijdens en na een taakstraf van een jeugdige. Artikel 3 1. B"},{"i":18098,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 25 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 065/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van de Nederlandse Ambassade (1955–1974) en de Consulaten (1866–1974) in Spanje van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Ambassade (1955–1974) en de Consulaten (1866–1974) in Spanje van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder dit inventarisnummer niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 96 | 2040 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Ambassade (1955–1974) en de Consulaten (1866–1974) in Spanje van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 95 | 2040 | | 97 | 2040 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024771&artikel=2&z=2008-12-03&g=2008-12-03), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven‘; een exe"},{"i":17068,"b":"Circulaire bezorgproces reisdocumenten 1. Inleiding Deze circulaire heeft tot doel u te informeren over de wijzigingen in wet- en regelgeving1Staatsblad 2017, 217 en Staatscourant 2016, nr. 52594 inzake de (thuis)bezorging van reisdocumenten. De circulaire bevat voorwaarden voor bezorgdiensten, gecontracteerd door de uitgevende instanties. Het ontwerp van de circulaire is op 21 december 2017 gemeld aan de Commissie van de Europese Unie, notificatienummer 2018/0001/NL. Dit ter voldoening aan artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015. Door aanmelding is voldaan aan de informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) (notificatierichtlijn). De circulaire bevat technische voorschriften in de zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorziet de circulaire in een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning. De onderhavige circulaire start met de aanleiding en inhoud van de wetswijzigingen en sluit met de criteria voor de (thuis) bezorging van reisdocumenten. 2. Aanleiding wijziging wet- en regelgeving De wetswijziging vloeit voort uit de in 2013 door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) opgestarte proeftuin ‘Bezorgen reisdocumenten’. Het doel van de proeftuin was te bekijken of het mogelijk is om de uitreiking van een reisdocument niet te laten plaatsvinden aan het loket van een uitgevende instantie, maar bij de aanvrager thuis of op het werk. Dit onder handhaving van een adequaat niveau van beveiliging en zonder afbreuk te doen aan de eisen (organisatorisch, technisch en juridisch) voor een verantwoord uitgifteproces van reisdocumenten. Gemeenten konden door afsluiting van een convenant met het ministerie van BZK deelnemen aan de proeftuin. Circa 50 gemeenten nam"},{"i":18050,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 april 2009, nr. DDI/ST/reg. 015/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nationale Raad van Advies inzake Hulpverlening aan Minder-Ontwikkelde Landen/Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking (NAR) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1962) 1964–1987 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nationale Raad van Advies inzake Hulpverlening aan Minder-Ontwikkelde Landen/Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking (NAR) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1962) 1964–1987, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum is het dossiers onder dit inventarisnummer niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 337 | 2061 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief van de Nationale Raad van Advies inzake Hulpverlening aan Minder-Ontwikkelde Landen/Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking (NAR) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1962) 1964–1987’."},{"i":17906,"b":"Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 11 mei 2026, nr. WJZ/106069811, tot wijziging van de Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing in verband met een nieuwe openstellingsperiode [KetenID WGK 29033] Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZ, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing. Artikel II Het oude recht blijft van toepassing op specifieke uitkeringen die voor inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18282,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid en het College van procureurs-generaal van 28 januari 2026, nr. 6789396, tot instelling van de Commissie ICT-inbreuk openbaar ministerie (Instellingsbesluit Commissie ICT-inbreuk openbaar ministerie) Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **college:** het College van procureurs-generaal; - c. **commissie:** de commissie zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052266&artikel=2&z=2026-02-06&g=2026-02-06); Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie ICT-inbreuk openbaar ministerie. 2. De commissie heeft tot taak het onderzoeken van de ICT-inbreuk bij het openbaar ministerie zoals gemanifesteerd op 17 juli 2025. Daarbij worden in elk geval de volgende elementen betrokken: - a. een terugblik op het incident; - b. de (eerste) reactie van het openbaar ministerie hierop; - c. welke stappen het openbaar ministerie op welk moment heeft gezet en welke risico’s hierbij zijn gesignaleerd; - d. het herstel na het incident en hoe dit herstel is vormgegeven. 3. De commissie betrekt hierbij onder meer de complexiteit van de strafrechtketen en de onderlinge (digitale) afhankelijkheden, bij zowel de gevolgbestrijding als de uitvoering van de noodoplossingen. 4. Naar aanleiding van haar bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen te doen, zoals over de wijze waarop incidenten in de informatiebeveiliging in de toekomst zo veel mogelijk kunnen worden voorkomen, vroegtijdig te detecteren dan wel de impact van (misbruik van) deze kwetsbaarheden kunnen worden beperkt rekening houdend met de ketenorganisaties. Artikel 3. Leden 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. 2. De commissie bestaat uit: - a. De heer J. Smit, tevens voorzitter; - b. De heer M.J.G. van Eeten; - c. De heer B. Voorbraak. Artikel 4. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De voo"},{"i":17922,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 september 2006, nr. Z/F-2717267, tot wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met de vaststelling van de vereveningsbijdragen van zorgverzekeraars voor 2006 en 2007, alsmede wijziging van de Regeling beschikbare middelen verstrekkingen en vergoedingen Zfw 2005 Gelet op [artikel 32, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), de [artikelen 3.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.1), [3.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.3), [3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.4), [3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.5), [3.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.6), [3.8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.8), [3.9, eerste, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.9), [3.10, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.10), [3.11, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.11), [3.12 eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.12), [3.15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.15) en [3.17 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.17) en [artikel 2.1.13 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.1.13), juncto [artikel 19, tweede en zevende lid, van de Ziekenfondswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460&artikel=19); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel III De [Regeling beschikbare middelen verstrekkingen en vergoedingen Zfw 2005](https:"},{"i":17732,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland inzake wederzijdse administratieve bijstand ten behoeve van de juiste toepassing van de douanewetgeving en de voorkoming, opsporing en bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen; Overwegende dat inbreuken op de douanewetgeving hun economische, fiscale, sociale en culturele belangen en hun handelsbelangen schaden; Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en andere belastingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving van verboden, beperkingen en controlemaatregelen; Erkennende de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Overwegende dat de grensoverschrijdende handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen een bijzonder gevaar voor de volksgezondheid en de samenleving vormt; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douane-administraties op basis van duidelijke wettelijke bepalingen; Gelet op de van belang zijnde instrumenten van de Internationale Douaneraad, in het bijzonder de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand van 5 december 1953; Tevens gelet op verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. wordt onder „douane-administratie” verstaan: - wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de centrale administratie die verantwoordelijk is voor de toepassing van de douanewetgeving; - wat de Republiek Estland betreft: de Nationale Douaneraad of enig ander lichaam dat gemachtigd is taken te verrichten die thans door"},{"i":19109,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid en van de Minister van Asiel en Migratie van 2 juli 2024 tot het treffen van een voorziening inzake mandaat, volmacht en machtiging in verband met de instelling van het Ministerie van Asiel en Migratie en benoeming van de bewindspersonen bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Asiel en Migratie (Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging beleidsterreinen Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretarissen van Justitie en Veiligheid; Besluiten: Artikel 1 De vóór 2 juli 2024 door of namens de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister voor Rechtsbescherming of de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verleende mandaten, volmachten en machtigingen worden aangemerkt als mandaten, volmachten en machtigingen die met ingang van 2 juli 2024 zijn verleend door of namens de Minister van Justitie en Veiligheid, een der Staatssecretarissen van Justitie en Veiligheid of de Minister van Asiel en Migratie, elk met betrekking tot de aangelegenheden met de behartiging waarvan zij zijn belast. Artikel 2 De vóór 2 juli 2024 door of namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verleende mandaten, volmachten en machtigingen op het terrein van inburgering, worden aangemerkt als mandaten, volmachten en machtigingen die met ingang van 2 juli 2024 zijn verleend door of namens de Minister van Justitie en Veiligheid of een der Staatssecretarissen van Justitie en Veiligheid die vanaf 2 juli 2024 is belast met de behartiging van aangelegenheden op dat terrein. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 2 juli 2024. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging beleidsterreinen Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie. Deze regeling zal met de toelichting in de"},{"i":18283,"b":"Instellingsbesluit commissie nieuwe werkwijze Landelijke Meldkamerorganisatie i.o Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Gehoord de minister van Defensie, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de voorzitters van de veiligheidsregio’s; Besluit: Artikel 1. begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **de minister:** de minister van Veiligheid en Justitie; - **ministerie:** het ministerie van Veiligheid en Justitie; - **commissie:** de Begeleidingscommissie -nieuwe werkwijze Landelijke Meldkamerorganisatie i.o. Artikel 2. Instelling en taken 1. Er is een begeleidingscommissie nieuwe werkwijze Landelijke Meldkamerorganisatie in oprichting (LMO i.o.). 2. De commissie heeft tot taak toe te zien op de uitvoering van de pilots multi-disciplinaire intake van de LMO i.o. In deze pilots wordt de nieuwe manier van werken getest. 3. Deze pilots hebben tot doel om de reikwijdte van de uitvraag door een multidisciplinaire centralist nader te bepalen. 4. De commissie ziet toe op een verantwoorde opzet en onbevooroordeelde uitvoering van de pilots multidisciplinaire intake. 5. De commissie wordt tijdelijk ingesteld en opgeheven, nadat de pilots zijn uitgevoerd. 6. De commissie komt bijeen zo vaak als nodig is voor de uitvoering van haar werkzaamheden. 7. Binnen het door de bestuurlijke regiegroep landelijke meldkamerorganisatie i.o. vastgestelde plan van aanpak multi-intake stelt de commissie haar eigen werkwijze vast. Artikel 3. Samenstelling 1. De leden van de commissie worden benoemd door de Minster van VenJ 2. De commissie bestaat uit in ieder geval drie onafhankelijke leden waarvan een lid de voorzitter is. 3. De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd door de Minister op grond van de deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038029&artikel=2&z=2016-06-09&g=2016-06-09)"},{"i":17830,"b":"Wet van 27 september 2012 tot uitvoering van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PbEG 1996, L 292) (Wet op de verlening van bijstand aan de Europese Commissie bij controles en verificaties ter plaatse) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PbEG 1996, L 292); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: - a. **Verordening 2185/96:** Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PbEG 1996, L 292); - b. **controle en verificatie ter plaatse:** controle en verificatie ter plaatse als bedoeld in [Verordening 2185/96](31996R2185); - c. **de Commissie:** de Europese Commissie. Artikel 2 1. Onze Minister van Financiën wordt aangewezen als de bevoegde autoriteit in de zin van artikel 4 van [Verordening 2185/96](31996R2185) aan wie de Commissie haar voornemen ter kennis brengt om op grond van deze Verordening een controle en verificatie ter plaatse te verrichten. 2. Onze Minister die het aangaa"},{"i":16981,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bevolkingsadministratie en reisdocumenten vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2007 nr. arc-2007.03507/7); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bevolkingsadministratie en reisdocumenten over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":16983,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Consumentenbeleid vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 juni 2007, arc-2007.03942/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Consumentenbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":16982,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 maart 2008 nr. bca-2008.04829/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19163,"b":"Richtlijn voor strafvordering smaad(schrift) en lasterlijke aanklacht Deze richtlijn heeft betrekking op smaad (mondeling en schriftelijk) en lasterlijke aanklacht. Smaad(schrift) of lasterlijke aanklacht, alleen gepleegd. Legenda GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen."},{"i":18708,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 17 februari 2026, nr. ILT-2025/54705, over vaststelling van boetebedragen voor overtredingen van de Arbeidstijdenwet begaan door personen, werkzaam in of op motorrijtuigen als bedoeld in artikel 5: 12, tweede lid, onder a, van die wet (Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) 2026) Gelet op [artikel 10:7, zesde lid, tweede volzin, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:7) en [artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:46); BESLUITEN: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **eerste bedrijfsinspectie:** bedrijfsinspectie die geen tweede bedrijfsinspectie of volgende bedrijfsinspectie is; - **eerste transportinspectie:** transportinspectie die geen tweede of volgende transportinspectie is; - **tweede bedrijfsinspectie:** bedrijfsinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na een eerste bedrijfsinspectie, waarbij de eerste bedrijfsinspectie heeft geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete die onherroepelijk is op de datum waarop de huidige bedrijfsinspectie aanvangt; - **tweede transportinspectie:** transportinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na een eerste transportinspectie waarbij de eerste transportinspectie heeft geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete die onherroepelijk is op de datum waarop de transportinspectie aanvangt; - **volgende bedrijfsinspectie:** bedrijfsinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na twee of meer bedrijfsinspecties, waarbij ten minste twee van deze bedrijfsinspecties hebben geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete en deze bestuurlijke boetes onherroepelijk zijn op de datum waarop de bedrijfsinspectie aanvangt; - **volgende transportinspectie:** transportinspectie die plaatsvindt"},{"i":18468,"b":"Rijkswet van 4 december 2013 tot benoeming van een regent voor het geval van erfopvolging door de Koning die niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter voldoening aan het bepaalde in [artikel 37, eerste lid, aanhef en onder a, tweede en vierde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) wenselijk is een regent te benoemen alsmede een opvolger van de regent, voor het geval de wettige nakomeling van de Koning, krachtens erfopvolging Koning geworden, de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Gedurende de periode dat de uit Ons huwelijk met Hare Majesteit Koningin Máxima, Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, geboren wettige nakomeling die krachtens erfopvolging Koning is geworden, de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt, is Onze voornoemde echtgenote regent van het Koninkrijk. Artikel 2 1. Indien Onze voornoemde echtgenote is overleden voordat de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034366&artikel=1&z=2013-12-18&g=2013-12-18) genoemde periode aanvangt, is gedurende de in artikel 1 genoemde periode Zijne Koninklijke Hoogheid Constantijn Christof Frederik Aschwin, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Jonkheer van Amsberg, regent van het Koninkrijk. 2. Indien Onze voornoemde echtgenote gedurende haar regentschap hiervan afstand doet of overlijdt, dan is Zijne Koninklijke Hoogheid Constantijn Christof Frederik Aschwin, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Jonkheer van Amsberg bij opvolging regent van het Koninkrijk. Artikel 3 De [rijkswet van 10 juni 1981, houden"},{"i":16990,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 06-12-2007, nr. aca-2007.04114/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18093,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 057/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van het Nederlands Consulaat, later Consulaat-Generaal in India te Bombay (1931–1974) en de Ambassade in India te New Delhi (1951–1974) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van het Nederlands Consulaat, later Consulaat-Generaal in India te Bombay (1931–1974) en de Ambassade in India te New Delhi (1951–1974) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 43 | 2039 | | 67 | 2039 | | 106 | 2050 | | 214 | 2044 | | 217 | 2050 | | 562 | 2039 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024772&artikel=1&z=2008-12-03&g=2008-12-03), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024772&artikel=1&z=2008-12-03&g=2008-12-03), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaa"},{"i":18465,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 juni 2018, nr Min-Buza.2018.1422-22, houdende bepalingen inzake vrijstelling van de visumplicht op grond van de Rijksvisumwet (Regeling vrijstelling visumplicht Rijksvisumwet) Gelet op [artikel 5, tweede lid, van de Rijksvisumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038494&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Met inachtneming van de in die bijlage genoemde voorwaarden en beperkingen zijn vrijgesteld van de visumplicht op grond [artikel 5, eerste lid, van de Rijksvisumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038494&artikel=5): - a. vreemdelingen die drager zijn van de nationaliteit van een van de in bijlage bij deze regeling genoemde landen, en - b. vreemdelingen die behoren tot een van de in de bijlage genoemde categorieën. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vrijstelling visumplicht Rijksvisumwet. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2018. Bijlage Nationaliteiten, bedoeld in [artikel 1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041057&artikel=1&z=2022-03-21&g=2022-03-21): Albanië Andorra Antigua en Barbuda Argentinië Australië Bahama eilanden Barbados België Belize Bosnië-Herzegovina Brazilië Brunei Bulgarije Canada Chili Colombia Costa Rica Cyprus Denemarken Dominica Duitsland Ecuador El Salvador Estland Finland Frankrijk Grenada Griekenland Guatemala Guyana (vrijstelling geldt niet voor Sint Maarten) Honduras Hong Kong – houders van British National Overseas paspoorten Hong Kong – houders van Special Administrative Region paspoorten Hongarije Ierland IJsland Israël Italië Jamaica (vrijstelling geldt alleen voor Curaçao) Japan Kroatië Korea (Zuid) Letland Liechtenstein Litouwen Luxemburg Macao – houders van Special Administrative Region paspoorten Macedonië Maleisië Malta Mauritius Mexico Moldavië Monaco Montenegro Nederland Nicaragua Nieuw-Zeeland Noorwegen Oekraïne – houders van een biometrisch paspoort Oostenrijk Panama Paraguay Peru Polen Portugal R"},{"i":19090,"b":"Regeling inzake de beëdiging en legitimatie van opsporingsambtenaren BES Artikel 1 1. Tijdens de uitoefening van de dienst dragen de volgende ambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten een legitimatiebewijs volgens het model, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028677&bijlage=I&z=2010-10-10&g=2010-10-10) van deze regeling bij zich tenzij voor hen een ander legitimatiebewijs is vastgesteld. 2. De legitimatiebewijzen worden uitgevoerd in zwarte opdruk op gekleurd cheque-papier en wel: - a. voor de ambtenaren van het openbaar ministerie bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en bij het Gerecht in eerste aanleg op een gele ondergrond; - b. voor de overige opsporingsambtenaren op een roze ondergrond. 3. De legitimatiebewijzen zijn doorlopend genummerd en worden aan de linkervoorzijde voorzien van een foto van de houder. Zij worden ingekapseld in plastic of soortgelijk doorschijnend materiaal. 4. Deze regeling berust op [artikel 2, tweede en derde lid, van de Wet nopens de beëdiging en legitimatie van opsporingsambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028577). Artikel 2 De legitimatiebewijzen hebben een geldigheidsduur van ten hoogste tien jaren. De datum, waarop de geldigheidsduur eindigt, zal op het legitimatiebewijs worden vermeld. Artikel 3 De legitimatiebewijzen blijven eigendom van de Staat. Artikel 4 Legitimatiebewijzen worden niet per post verzonden. Artikel 5 1. Zodra de houder van een legitimatiebewijs ophoudt de hoedanigheid van opsporingsambtenaar te bezitten, is hij gehouden het legitimatiebewijs onverwijld bij de korpsbeheerder van het politiekorps Bonaire, Sint Eustatius en Saba in te leveren. 2. Bij vermissing, ontvreemding en geheel of gedeeltelijk tenietgaan van het legitimatiebewijs dient daarvan door de houder terstond te worden kennisgegeven aan de gezaghebber zijner woonplaats. De gezaghebbers zijn gehouden zodanige ken"},{"i":17001,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein rijkshuisvesting vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/8); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein rijkshuisvesting over de periode vanaf 1945](onbekend)’ met de daarbij behorende toelichting wordt vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18353,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 16 juni 2015, nr. 609500, houdende regels omtrent het dragen, het onderhoud en het in een inbraakwerende ruimte bewaren van wapens en munitie door ambtenaren van politie (Regeling beheer wapens en munitie politie 2015) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op [artikel 21, eerste en tweede lid, van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=21); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 2 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), aan wie een of meer wapens rechtens zijn toegekend; - b. **wapen:** het krachtens [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=15), [artikel 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=17), [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=18) of [artikel 19 van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=19) goedgekeurde wapen; - c. **vuurwapen:** het krachtens [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=15), [artikel 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=17), [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=18) of [artikel 19 van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=19) goedgekeurde vuurwapen; - d. **munitie:** de krachtens [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=15), [artikel 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=17), [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=18) of [artikel 19 van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel="},{"i":17006,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voeding- en productveiligheid vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december, arc-2006.03350/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Voeding- en productveiligheid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring –van de administratieve neerslag op het beleidsterrein Deze selectielijst geldt voor de volgende zorgdragers: de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder zijn zorg ressorterende actoren; de minister van Defensie en de onder zijn zorg ressorterende actoren; de minister van Economische Zaken en de onder zijn zorg ressorterende actoren; de minister van Financiën en de onder zijn zorg ressorterende actoren; de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; en de onder zijn zorg ressorterende actoren de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder zijn zorg ressorterende actoren; de minister van Verkeer en Waterstaat; en de onder zijn zorg ressorterende actoren; de minister van Algemene Zaken en de onder zijn zorg ressorterende actoren; de minister van Justitie en de onder zijn zorg ressorterende actoren; de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel; het Productschap Vee, vlees en eieren. Ministerie van VWS Versie februari 2007 Lijst van afkortingen AID: Algemene Inspectie Dienst AmvB"},{"i":18448,"b":"Regeling van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 april 2011, nr. CZW/WBI, 2011-2000120991, tot vaststelling van het model voor de verklaring voor de opgave van zakelijke en financiële belangen van een eilandgedeputeerde en een gezaghebber van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba Gelet op [artikel 49, vijfde lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=49); Besluit: Artikel 1 Het model voor de verklaring van een eilandgedeputeerde en een gezaghebber wordt vastgesteld zoals in de bijlage behorende bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029907&artikel=1&z=2011-04-27&g=2011-04-27) van de regeling tot vaststelling van het model voor de verklaring voor de opgave van zakelijke en financiële belangen van een eilandgedeputeerde en een gezaghebber van de openbare lichamen bonaire, sint eustatius en saba Verklaring Ik (naam) (geboortedatum en -plaats) (adres) eilandgedeputeerde/gezaghebber van het openbaar lichaam Bonaire/Sint Eustatius/Saba met ingang van …. /tot en met… gelet op de goede vervulling van mijn functie als eilandgedeputeerde/ gezaghebber; gelet op de door mij afgelegde eed (of verklaring en belofte); verklaar op de hoogte te zijn van de verplichtingen die de wet stelt inzake de opgave bij de Rijksvertegenwoordiger van zakelijke en financiële belangen van mij en mijn echtgenoot of door mij en mijn echtgenoot beheerd, van nevenfuncties van mij en de daaraan verbonden inkomsten of voordelen in welke vorm ook, alsmede de functies van mijn echtgenoot, binnen dertig dagen na (het aannemen van) mijn benoeming en wederom binnen dertig dagen na mijn ontslag/afloop van de benoemingstermijn; verklaar op de hoogte te zijn van de in dit verband geldende wettelijke"},{"i":17523,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 30 januari 2015, nr. 611103, houdende wijziging van de vergoedingen voor rechtsbijstandverleners Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Het basisbedrag, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3) wordt voor de periode 1 januari 2015 tot en met 31 januari 2015 vastgesteld op: € 106,40. Artikel 2 De vergoeding, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=27) wordt voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 januari 2015 vastgesteld op: € 19,02. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17618,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 februari 2014, kenmerk 177903-111961-PG, houdende regels voor het verstrekken van een bijzondere uitkering aan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor de publieke gezondheidszorg (Tijdelijke regeling publieke gezondheidszorg Caribisch Nederland) Gelet op [artikel 68g van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=68g); Besluit: Artikel 1 1. Ten behoeve van de uitvoering van de taken op het terrein van de publieke gezondheidszorg, bedoeld in de Wet publieke gezondheid, is voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor de periode 2014 tot 2020 een meerjarige bijzondere uitkering vastgesteld volgens de volgende verdeling per afzonderlijk jaar: Bonaire $ 292.708, St. Eustatius $ 438.822 en Saba $ 233.994. 2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden jaarlijks in twee termijnen, respectievelijk in januari en in juli van het betreffende jaar, betaald. Artikel 2 De openbare lichamen vermelden via de jaarrekening, bedoeld in [artikel 31 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=31), in het overzicht verantwoordingsinformatie bijzondere uitkering, bedoeld in [artikel 21, derde lid, onder c, van het Besluit begroting en verantwoording openbare lichamen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030060&artikel=21), welk bedrag is besteed aan de uitvoering van de taken op het terrein van de publieke gezondheidszorg, bedoeld in de [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705). Artikel 3 De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan de gelden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034842&artikel=1&z=2014-02-25&g=2014-02-25), over de periode 2014 tot 2020, terugvorderen voor zover deze gelden niet zijn besteed aan de uitvoering van de taken op het terrein van publieke gezondheid, bedoe"},{"i":18215,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Ministerie van Economische Zaken Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit selectielijst van het Ministerie van Economische Zaken (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat tot en met 1 juli 2024) en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijsten worden ingetrokken: - •. [Selectielijst voor de archiefbescheiden van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en taakvoorgangers vanaf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041240) Staatscourant Nr. 44941, 9 augustus 2018 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/archiveren/kennisbank/vastgestelde-selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17620,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 10 april 2023, nr. IENW/BSK-2023/86430, houdende vaststelling van tijdelijke regels voor het verlenen van een specifieke uitkering voor de aanpak van bodemopgaven voor het jaar 2023 (Tijdelijke regeling specifieke uitkering bodem 2023) Gelet op de [artikelen 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), [3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en[5, onderdelen a tot en met h, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** provincie of gemeente als bedoeld in de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) of gemeente als bedoeld in het [Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011935), zoals die luidden voor de datum waarop de [Aanvullingswet bodem Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043277) in werking is getreden; - **buitenproportionele opgave:** buitenproportionele opgave als bedoeld in [artikel 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048092&paragraaf=3&artikel=13&z=2024-05-04&g=2024-05-04); - **convenant bodem en ondergrond:** convenant bodem en ondergrond 2016–2020 zoals dat luidde op 31 december 2020; - **convenant bodemontwikkelingsgebied en aanpak spoedlocaties:** convenant bodemontwikkelingsgebied en spoedlocaties zoals dat luidde op 31 december 2015; - **historische spoedopgave:** aanpak van historische spoedeisende bodemverontreiniging als bedoeld in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048092&paragraaf=2&artikel=8&z=2024-05-04&g=2024-05-04); - **minister:** Minister van Infrastr"},{"i":17009,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Waterstaat vanaf 2009 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 juni 2009, bca-2009.05320/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Waterstaat over de periode vanaf 2009’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De handelingen in de ‘lijst ingediend door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voor de neerslag van handelingen op het beleidsterrein waterstaat’ (vastgesteld bij [beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016561), nr. c/s/04/702 d.d. 29-3-2004 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 155 d.d. 16-8-2004) worden bij publicatie van dit besluit afgesloten in 2009. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19454,"b":"Besluit vaststelling selectielijst RDW vanaf 1996 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de Dienst Wegverkeer (RDW) over de periode vanaf 1996 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst - •. [Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Rijksdienst voor Wegverkeer (RDW) over de periode vanaf 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031065), Stcrt. 2012,150. wordt ingetrokken met de inwerkingtreding van de selectielijst die met dit besluit wordt vastgesteld. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18470,"b":"Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Begripsbepalingen Artikel 1 Overal in dit Reglement betekent: - a. “Voorzitter\": de Voorzitter van de Kamer. - b. \"Ondervoorzitters\": de Ondervoorzitters van de Kamer. - c. “commissievoorzitter”: de voorzitter van een commissie van de Kamer. - d. “commissieondervoorzitter”: de ondervoorzitter van een commissie van de Kamer. - e. \"minister\": een of meerdere verantwoordelijke ministers en staatssecretarissen. De bepalingen die in dit Reglement op een minister van toepassing zijn, zijn van overeenkomstige toepassing op het lid of de leden van de Tweede Kamer aan wie door die Kamer de verdediging van een aldaar aangenomen wetsvoorstel is opgedragen. - f. “zitting”, de periode waarin een gekozen Kamer werkzaam is. Deze periode loopt vanaf de eerste vergadering van een nieuw gekozen Kamer tot aan de eerste vergadering van de daaropvolgende nieuw gekozen Kamer. - g. “oude samenstelling”: de samenstelling van de Kamer onmiddellijk voorafgaand aan de eerste vergadering van een nieuw gekozen Kamer. - h. “openbaarheid” van de vergaderingen van de commissies: de vergaderingen zijn toegankelijk voor het publiek binnen de ruimtelijke mogelijkheden en in elk geval te volgen via een livestream. - i. “publiceren”: het voor een ieder fysiek of digitaal beschikbaar stellen. Hoofdstuk I. Toelating en ontslag van de leden Toelating van de leden Artikel 2 1. Elk nieuw benoemd lid legt aan de Kamer de bij de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) voorgeschreven stukken over. 2. Deze stukken worden samen met de geloofsbrief van het nieuw benoemde lid bij de griffie ter inzage gelegd voor de leden. Artikel 3 Over de toelating van leden die na een verkiezing benoemd zijn verklaard beslist, voor zover mogelijk, de Kamer in oude samenstelling. Artikel 4 1. De Voorzitter vertrouwt het onderzoek van de geloofsbrief toe aan een commissie van drie leden, die hij voor dat doel aanwijst. Een van hen benoemt hij tot voorzi"},{"i":18731,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 12 mei 2020, nr.2893610, tot aanwijzing van een elektronische voorziening in de zin van het Besluit digitale stukken Strafvordering Gelet op [artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit digitale stukken Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038616&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Als elektronische voorziening als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit digitale stukken Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038616&artikel=2) wordt aangewezen MijnOverheid. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19323,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 29 maart 2012 nr. 5701009/11/DJI, houdende wijziging van de Verlofregeling TBS in verband met een wijziging van de bepalingen inzake verlof in geval van longstay en enkele tekstuele aanpassingen Besluit: Artikel I Wijzigt de Verlofregeling TBS. Artikel II Deze regeling is niet van toepassing op de machtigingen begeleid verlof, voor ter beschikking gestelden die geplaatst zijn in een longstay-voorziening, die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17903,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2017, kenmerk 170374-LZ, houdende wijziging van de Regeling langdurige zorg in verband met het afschaffen van het zorgprofiel VV10 en enige andere wijzigingen Artikel I Wijzigt de Regeling langdurige zorg. Artikel II Wijzigt de Regeling vaststelling bedragen ex Besluit langdurige zorg en Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 per 1 januari 2018. Artikel III Het zorgprofiel VV Beschermd verblijf met intensieve palliatief-terminale zorg in [bijlage A bij de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&bijlage=A) zoals dat profiel luidde op de dag voor inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040343&artikel=I&z=2018-04-01&g=2018-04-01), blijft van toepassing op de verzekerde die op die dag krachtens zijn indicatiebesluit was aangewezen op dat zorgprofiel gedurende de looptijd van dat indicatiebesluit. Artikel IV Wijzigt de Regeling langdurige zorg. Artikel V 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018, met uitzondering van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040343&artikel=I&z=2018-04-01&g=2018-04-01), het in artikel I, onderdeel C, onder 2, toegevoegde artikel 5.3, achtste en negende lid, en artikel I, onderdelen M en N. 2. [Artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040343&artikel=I&z=2018-04-01&g=2018-04-01), treedt in werking met ingang van 1 april 2018. 3. Het in [artikel I, onderdeel C, onder 2, toegevoegde artikel 5.3, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040343&artikel=I&z=2018-04-01&g=2018-04-01), treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017. 4. [Artikel I, onderdelen M en N](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040343&artikel=I&z=2018-04-01&g=2018-04-01), treedt in werking met ingang van de dag na de datum van"},{"i":18572,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Auteursrecht periode (1912) 1945-2000 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005 nr. arc-20005.02444/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Auteursrecht over de periode (1912) 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘Lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in de archieven van het ministerie van Binnenlandse Zaken en in de archieven van de onder dat ministerie ressorterende commissies en ambtenaren, vastgesteld januari/maart 1961; aangevuld en gewijzigd juli/september’ komt te vervallen voor zover deze betrekking heeft op het beleidsterrein Auteursrecht. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19113,"b":"Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt Samenvatting Deze aanwijzing bevat de uitgangspunten voor de behandeling van strafzaken jeugd en de toepassing van het adolescentenstrafrecht. Tevens bevat deze beleidsregel de strafmaten voor Halt-afdoeningen en richtlijnen voor strafvordering voor de afdoening van jeugdzaken. Achtergrond Het jeugdstrafrecht wordt als hoofdregel toegepast op strafbare feiten gepleegd tot de leeftijd van 18 jaar. Op grond van het adolescentenstrafrecht wordt de toepassing van het jeugdstrafrecht verruimd: in de leeftijd van 18 tot 23 jaar wordt voor adolescenten rekening gehouden met de ontwikkelingsleeftijd en kan het sanctiepakket uit het jeugdstrafrecht worden toegepast voor een passende interventie. Inleiding Het jeugdstraf- en strafprocesrecht heeft een pedagogisch karakter met als algemeen uitgangspunt het voorkomen van recidive. Voor jeugdigen is voorzien in een apart sanctiestelsel waarbij zoveel mogelijk interventies worden ingezet gericht op een positieve gedragsbeïnvloeding van de jeugdige. Ook zijn in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) een aantal aparte strafproceswaarborgen opgenomen gericht op de speciale benadering van de jeugdige gedurende het strafproces. In internationaal opzicht vloeit de noodzaak tot een apart jeugdstraf(procesrecht) voort uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (1989). Beslissingen en handelingen richting de jeugdige verdachte, waaronder de toepassing van sancties en maatregelen, zijn er op gericht de ontwikkeling van deze jongere te stimuleren, de jongere te heropvoeden, te resocialiseren en te weerhouden van een verdere criminele carrière. Bij zorgen omtrent de opvoeding van de jeugdige dienen tevens civielrechtelijke maatregelen te worden overwogen. Afstemming van het civiele- en strafrechtelijke traject is in die gevallen noodzakelijk. Strafrechtelijk optreden alléén is veelal ontoereike"},{"i":17727,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bulgarije inzake de export van socialezekerheidsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bulgarije, Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid tot stand te brengen; Geleid door de wens de samenwerking tussen de twee staten ter waarborging van de handhaving van de wetgeving van het ene land inzake de export van socialezekerheidsuitkeringen in het andere land te regelen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder de volgende termen verstaan: - 1. „grondgebied\": met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; met betrekking tot de Republiek Bulgarije: het grondgebied van de Republiek Bulgarije; - 2. „wetgeving\": de wetten en voorschriften met betrekking tot de takken van sociale zekerheid genoemd in artikel 2; - 3. „bevoegde autoriteit\": in het geval van het Koninkrijk der Nederlanden, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland; in het geval van de Republiek Bulgarije, de minister van Arbeid en Sociaal Beleid; - 4. „bevoegd orgaan\": met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder 1.1, 1.2 en 1.3: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder 1.4, 1.5 en 1.6: de Sociale verzekeringsbank; met betrekking tot de Republiek Bulgarije het Nationaal Instituut voor Sociale Zekerheid; of elke organisatie bevoegd tot het uitvoeren van een taak die momenteel wordt uitgevoerd door voornoemde organen; - 5. „uitkering\": elke uitkering of elk pensioen uit hoofde van de wetgeving van een van de Verdragsluitende Partijen; - 6. „uitkeringsgerechtigde\": een persoon die een uitkering aanvraagt of recht heeft op een uitkering; -"},{"i":18301,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 8 november 2008, nr. WJZ/8157380, tot vaststelling Instructie rijksdienst inzake aanschaf ICT-diensten en ICT-producten Handelende mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1 Vastgesteld wordt de als bijlage bij dit besluit gevoegde instructie rijksdienst bij aanschaf ICT-diensten of ICT-producten. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als ‘Instructie rijksdienst bij aanschaf ICT-diensten of ICT-producten’. Bijlage. Instructie rijksdienst inzake aanschaf van ICT-diensten en ICT-producten Artikel 1. (definities) In deze instructie wordt verstaan onder: Artikel 2. (adressaten) Deze instructie wordt in acht genomen door de ministers en staatssecretarissen en de onder hen ressorterende dienstonderdelen. Artikel 3. (pas toe of leg uit) Artikel 4. (naleving) Over de mate van naleving van artikel 3 wordt in de toelichting bij het departementaal jaarverslag bij de informatie over de bedrijfsvoering verantwoording afgelegd. Artikel 5. (inwerkingtreding wijzigingen lijst) Wijzigingen van de op de website www.forumstandaardisatie.nl gepubliceerde lijst met toepassingsgebieden met daarbij vermelde open standaarden zijn niet van toepassing bij de aanschaf van ICT-diensten of ICT-producten waarvan de aanschaf ten tijde van de inwerkingtreding van de lijst zodanig is gevorderd dat toepassing de continuïteit en betrouwbaarheid van de elektronische dienstverlening voor burgers en bedrijven in gevaar kan brengen. Dit besluit zal met de bijlage en de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18566,"b":"Vaststellingsbesluit Selectielijst archiefbescheiden regionale politieorganisaties vanaf 1 april 1994 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 31 oktober 2005, nr. arc-2005.02633/7); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[Selectielijst voor archiefbescheiden van regionale politieorganisaties](onbekend)’ over de periode vanaf 1 april 1994 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld voor de volgende politiekorpsen: Korps politieregio Groningen, Korps politieregio Fryslân, Korps politieregio Drenthe, Korps politieregio IJsselland, Korps politieregio Twente, Korps politieregio Noord- en Oost-Gelderland, Korps politieregio Gelderland Midden, Korps politieregio Gelderland-Zuid, Korps politieregio Utrecht, Korps politieregio Noord-Holland Noord, Korps politieregio Zaanstreek Waterland, Korps politieregio Kennemerland, Korps politieregio Amsterdam Amstelland, Korps politieregio Gooi en Vechtstreek, Korps politieregio Haaglanden, Korps politieregio Hollands Midden, Korps politieregio Rotterdam-Rijnmond, Korps politieregio Zuid-Holland Zuid, Korps politieregio Zeeland, Korps politieregio Midden- en West-Brabant, Korps politieregio Brabant-Noord, Korps politieregio Brabant-Zuid-Oost, Korps politieregio Limburg-Noord, Korps politieregio Limburg-Zuid en Korps politieregio Flevoland. Artikel 2 De ‘Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende bescheiden uit archieven van gemeentelijke en intergemeentelijke organen, dagtekenende van na 1850’ (gepubliceerd in de Staatscourant, d.d. 20 december 1983, nr. 247) en het ‘Uittreksel ten behoeve van het Korps Rijkspolitie uit de lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken’ vastgesteld bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen d.d. 8 september 1956, nr. 336/056, gewijzigd bij gemeenschapp"},{"i":17928,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 1 juli 2022 nr. MBO/33246094, houdende vaststelling van de subsidieplafonds van de Subsidieregeling praktijkleren voor het studiejaar 2021–2022, alsmede wijziging van de Subsidieregeling praktijkleren in verband met het vervallen van aanvullende subsidies voor de mbo bbl-leerplekken in conjunctuurgevoelige sectoren en hbo-leerplekken in de tekortsectoren techniek (inclusief ICT) en gezondheidszorg Gelet op [artikel 2.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.7), [artikel 4 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [artikel 14, eerste lid, van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Vaststelling subsidieplafonds [Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144) 2021–2022 Voor subsidieverstrekking op grond van de [Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144) zijn voor het studiejaar 2021–2022 ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar: - a. voor subsidies als bedoeld in [artikel 4 van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=4): € 256.300.000; - b. voor subsidies als bedoeld in [artikel 6 van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=6): € 18.600.000; - c. voor subsidies als bedoeld in [artikel 8 van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=8): € 2.800.000; en - d. voor subsidies als bedoeld in de [artikelen 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=9a), [9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=9c) en [10 van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=10): € 1.300.000. Artikel 2. Wijziging [Subsidieregeling praktijkler"},{"i":19277,"b":"Besluit van 27 november 2000, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 augustus 2000, GZB/C&O/2086981, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie; Gelet op de [artikel 32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 13 oktober 2000, No. W 13.00.0376/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2000, GZB/C&O/2123479, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als bijlage bedoeld in [artikel 32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b) wordt vastgesteld de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 2 1. Voor elke in de bijlage omschreven overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969), bepaalt het in de kolommen I en II opgenomen bedrag de te betalen bestuurlijke boete, dan wel bepaalt de in kolom III opgenomen aanduiding «x» dat ter zake van die overtreding een omzetgerelateerde bestuurlijke boete kan worden opgelegd. 2. De omzetgerelateerde boete bedoeld in het eerste lid is gelijk aan één procent van de jaaromzet in het boekjaar voorafgaande aan de overtreding met een maximum gelijk aan het bedrag van een geldboete van de zesde categorie, bedoeld in [artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=23) indien de in de overtreding genoemde gedraging opzettelijk is verricht dan wel een half procent indien de in de overtreding genoemde gedraging met grove schuld is verricht. 3. De berekening van de omzet, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op voet van het bepaalde voor de netto-omzet in [artikel 377, zesde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.ov"},{"i":18890,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 12 augustus 2025 nr. BOACAT2025/163, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Den Haag, afdeling meldkamer Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Den Haag van 6 augustus 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051394&artikel=2&z=2025-08-21&g=2025-08-21). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2) en die werkzaam zijn in de functie van generalist meldkamer, senior meldkamer en operationeel expert meldkamer die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Den Haag. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing,"},{"i":17713,"b":"Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Spaanse Staat Het Koninkrijk der Nederlanden, en De Spaanse Staat, Wensende de bestaande betrekkingen tussen Nederland en Spanje op het gebied van de sociale zekerheid aan te passen aan de ontwikkelingen welke sedert de ondertekening van het Verdrag inzake sociale zekerheid op 17 december 1962 te Madrid, in hun beider wetgevingen hebben plaatsgevonden; Besloten hebbende een verdrag te sluiten ter vervanging van dat Verdrag; Zijn het volgende overeengekomen: TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a). wordt onder „grondgebied” verstaan: van Nederlandse zijde: het grondgebied in Europa; van Spaanse zijde: de provincies op het schiereiland, de Balearen, de Kanarische eilanden en de Spaanse provincies in Noord-Afrika; - b). worden onder „wetgeving” of „wettelijke regeling” verstaan de bestaande en toekomstige wetten, reglementen en statutaire bepalingen met betrekking tot de in het eerste lid van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003805&titeldeel=I&artikel=2&z=1974-12-01&g=1974-12-01) bedoelde regelingen en takken van sociale zekerheid; - c). wordt onder „bevoegde autoriteiten” verstaan: van Nederlandse zijde: de Minister van Sociale Zaken; inzake verstrekkingen van de ziekteverzekering: de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, van Spaanse zijde: de Minister van Arbeid; - d). wordt onder „woonplaats” verstaan de normale verblijfplaats; - e). wordt onder „verblijfplaats” verstaan de tijdelijke verblijfplaats; - f). wordt onder „bevoegd orgaan” verstaan het orgaan, waarbij de verzekerde is aangesloten op het tijdstip, waarop hij om een prestatie verzoekt, of het orgaan, tegenover hetwelk hij recht op prestaties heeft of zou hebben, indien hij woonde op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij, waar dit orgaan zich bevindt; - g). wordt onder „orgaan van de woonplaats” verstaan het orgaan, dat bevoegd is de betreffende prestatie"},{"i":18987,"b":"Besluit van 23 maart 1920, tot organisatie van het personeel voor de dienst der justitiegebouwen Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van den 19 Februari 1920, 4e Afdeeling, n°. 878; Den Raad van State gehoord (advies van 9 Maart 1920, n°. 25); Gezien het nader rapport van voornoemden Minister van den 20 Maart 1920, 4e Afdeeling, n°. 786; Hebben goedgevonden en verstaan: te rekenen met ingang van 1 Januari 1920, te bepalen: Artikel 1 De Koninklijke besluiten van 21 Mei 1910 (**Staatsblad** n°. 137), van 17 Augustus 1910 (**Staatsblad** n°. 405) en van 10 April 1917 (**Staatsblad** n°. 282) zijn vervallen. Artikel 2 Het personeel voor den dienst der Justitiegebouwen bestaat uit: - 1°. een Rijksbouwmeester; - 2°. twee adjunct-Rijksbouwmeesters; - 3°. vijf bouwkundige hoofdambtenaren; - 4°. negentien bouwkundige ambtenaren, verdeeld in: - a. bouwkundige ambtenaren 1e klasse; - b. bouwkundige ambtenaren 2e klasse; - c. ambtenaar voor bijzondere diensten; - 5°. twee klerken. Bij het bureau van den Rijksbouwmeester kunnen voorts worden werkzaam gesteld: - 1°. een concierge-bode; - 2°. een vaste-knecht. Artikel 3 De ambtenaren, die thans werkzaam zijn met den titel van hoofdopzichter, zullen den rang innemen, genoemd in [artikel 2, sub 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001899&artikel=2&z=1921-01-01&g=1921-01-01)., de opzichters sub 1e, 2e en 3e klasse, den rang vermeld in [artikel 2, sub 4°., onderscheidenlijk **a., b.** en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001899&artikel=2&z=1921-01-01&g=1921-01-01). Artikel 4 De ambtenaren genoemd in [artikel 2, sub 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001899&artikel=2&z=1921-01-01&g=1921-01-01) tot en met 4, worden door Ons, de klerken, de concierge-bode en de vaste knecht door Onzen Minister van Justitie benoemd, geschorst en ontslagen. Artikel 4a 1. Onze Minister van Justitie is gemachtigd om, waar tijdelijk personeel voor den dienst der Justitiegebouwen noodig blijkt, tot de aanstelling daarvan"},{"i":18664,"b":"Wet van 8 november 2023 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 en enkele andere wetten in verband met het treffen van een tijdelijke voorziening voor het benoemen van rechters-plaatsvervangers in hun eenenzeventigste levensjaar Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om tijdelijk rechters-plaatsvervangers in hun eenenzeventigste levensjaar te benoemen zodat de achterstanden in de rechtspraak bij de afdoening van zaken sneller kunnen worden ingelopen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365) Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel II. Wijziging van de [Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170) Wijzigt de Beroepswet. Artikel III. Wijziging van de [Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie](onbekend) Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel IV. Wijziging van de [Tweede Verzamelspoedwet COVID-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043880) Wijzigt de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19. Artikel V. Overgangsrecht De benoemingen tot raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers die tot stand zijn gekomen op grond van [artikel 3.3 van de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043880&artikel=3.3), zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet geacht tot stand te zijn gekomen op grond van [artikel 54a van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](onbekend), [artikel 4a van de Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170&artikel"},{"i":17731,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ecuador inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken (met Bijlage) Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ecuador, hierna te noemen de verdragsluitende partijen, Overwegend het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid, openbare orde en handel van de verdragsluitende partijen; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen, bedreigde dier- en plantensoorten, gevaarlijke stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen wettelijke bepalingen; Gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand, de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand (Verklaring van Cyprus) en de Resolutie inzake veiligheid en facilitatie van de internationale logistieke keten, aangenomen door de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisatie, in respectievelijk december 1953, juli 2000 en juni 2002; Gelet op internationale overeenkomsten die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Tevens gelet op de [Universele Verk"},{"i":18186,"b":"Besluit van 25 januari 1965, houdende vaststelling van enige termijnen als bedoeld in de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 17 november 1964, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 421/664; Gelet op de artikelen 5, eerste en derde lid, en 11, eerste lid van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen; De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 9 december 1964, nr. 34); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 18 januari 1965, nr. 21/665; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Ter zake van een beroep in cassatie als bedoeld in § 2 van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba, gelden de volgende termijnen van verschijning: - a. indien de verweerder een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, minimaal drie maanden en maximaal twaalf maanden. - b. indien de verweerder een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in het Europese deel van het Koninkrijk of in een lidstaat van de Europese Unie of indien de woonplaats of werkelijke verblijfplaats van de verweerder onbekend is, minimaal vier weken en maximaal zes maanden. - c. indien de verweerder geen bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, noch in het Europese deel van het Koninkrijk of in een andere lidstaat van de Europese Unie, maar in een andere staat een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft, minimaal drie maanden en maximaal twaalf maanden. - d. indien in rechte worden opgeroepen houders van aandelen in geldleningen of maatschappijen welke niet op naam staan en waarvan de eigenaars uit dien hoofde onbekend zijn, minimaal zes weken en maximaal zes maanden. 2. De t"},{"i":18096,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 26 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 062/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van het Nederlands Gezantschap, later de Ambassade in Zwitserland te Bern en het Consulaat, later het Consulaat-Generaal in Zwitserland te Genève van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van het Nederlands Gezantschap, later de Ambassade in Zwitserland te Bern en het Consulaat, later het Consulaat-Generaal in Zwitserland te Genève van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 267 | 2031 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024814&artikel=1&z=2008-12-11&g=2008-12-11), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024814&artikel=1&z=2008-12-11&g=2008-12-11), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zi"},{"i":17995,"b":"Besluit ingevolge artikel 18, tweede lid, Wet politiegegevens van de Minister van Veiligheid en Justitie, kenmerk 2067091 van 19 mei 2017 houdende toestemming aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, als verantwoordelijke voor de Inspectie SZW DO en de Minister van Financiën als verantwoordelijke voor de FIOD, tot het verstrekken van politiegegevens aan de Colleges van burgemeester en wethouders, de Zorgverzekeraars, het CIZ, de NZa en de IGZ ten behoeve van het kunnen nemen van schadebeperkende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van fraude in de zorgsector (Wpg-machtigingsbesluit schadebeperkende maatregelen zorgfraude) Overwegende: Dat de bestrijding van zorgfraude en de aanpak van oneigenlijk gebruik van zorgvoorzieningen een prioriteit is in het beleid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Dat zowel op het gebied van de langdurige zorg, de maatschappelijke ondersteuning, de jeugdhulp, als de curatieve zorg veel acties in gang zijn en worden gezet om fraude en oneigenlijk gebruik van zorgvoorzieningen terug te dringen en te voorkomen; Dat deze maatregelen op het voorkomen alsmede het opsporen en bestrijden van fraude en oneigenlijk gebruik zijn gericht, zodat de financiële middelen die voor de zorg bestemd zijn ook komen waar ze horen, namelijk bij de zorg voor de patiënt of cliënt die deze zorg nodig heeft; Dat voor een krachtiger aanpak van zorgfraude een brede geïntegreerde aanpak van zorgfraude waarbij door de Inspectie Sociale Zaken, Directie Opsporing (hierna: ISZW-DO), de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD), de Colleges van burgemeester en wethouders, de Zorgverzekeraars, het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ), de Nederlandse Zorg Autoriteit (hierna: NZa) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) wordt samengewerkt, noodzakelijk is; Dat hiervoor een aanzet is gegeven met het Bestuurlijk Overleg Taskforce Integriteit Zorgsector, waarin bovengenoemde partijen vertegenwoordigd"},{"i":17553,"b":"Reglement Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs 2026 Preambule In 1992 richtten de sociale partners in het onderwijs de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs op. Het doel van het Vervangingsfonds is het bieden van waarborgen aan aangeslotenen voor de kosten van vervanging bij afwezigheid van gewezen personeel en het invoeren en in stand houden van bedrijfsgezondheidszorg in het primair onderwijs, alsmede het bevorderen en bewaken van die zorg. Het bestuur stelt, conform het bepaalde op grond van [artikel 188, vierde lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=188) juncto [artikel 167, vierde lid van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=167), het Reglement Vervangingsfonds vast. In dit reglement wordt bepaald welke rechten de aangeslotenen in het kader van de taakuitoefening van de stichting, als hierboven genoemd, jegens de stichting kunnen doen gelden en tot welke verplichtingen de aangeslotenen jegens de stichting zijn gehouden. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Hoofdstuk 2. Aansluiting bij het Vervangingsfonds § 2.1. Vrijwillige en verplichte aansluiting Artikel 2. Verplichte aansluiting bij het Vervangingsfonds Artikel 3. Vervanging die niet voor bekostiging in aanmerking komt Personeelsleden: zijn niet verplicht aangesloten bij het Vervangingsfonds. Vervanging van deze personeelsleden wordt niet bekostigd door het Vervangingsfonds. Artikel 4. Vrijwillige aanmelding van personeel § 2.2. Eigenrisicodragerschap Artikel 5. Eigenrisicodragerschap Artikel 6. Lopende vervangingen Hoofdstuk 3. Premie § 3.1. Premie Artikel 7. Premie Artikel 8. Premiepercentages § 3.2. Bonus-malus regeling Artikel 9. Bonus-malus regeling Artikel 10. Toepassingsbereik Artikel 11. Maximering malus Indien een bevoegd gezag een bonus-malus verhouding heef"},{"i":19164,"b":"Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude Beschrijving In deze richtlijn is als uitgangspunt genomen het brutobedrag dat ten onrechte ten laste van uitvoerende instanties is gekomen. Dit brutobedrag wordt ‘nadeel’ genoemd en is uitgesplitst over twee categorieën, te weten: Voor deze twee categorieën is in de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude bepaald of en zo ja, onder welke voorwaarden een strafrechtelijke reactie moet volgen. In zaken van categorie II (een nadeel groter of gelijk aan € 50.000,–) wordt al snel de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf gevorderd in verband met de ernst van de feiten. De officier van justitie behoudt uiteraard de mogelijkheid om werkstraffen te vorderen, naast al dan niet een (onvoorwaardelijke) vrijheidsstraf en/of elektronisch toezicht. Uitgangspunt bij het opleggen of vorderen van een geldboete is, dat 100% van het schadebedrag als boete wordt opgelegd of gevorderd. In de categorie I-zaken wordt door het bestuur 100% van het schadebedrag als boete opgelegd. Wanneer een zaak in het strafrecht met een boete bestraft zou moeten worden, behoort daarom hetzelfde uitgangspunt te gelden. **Bijzonderheden** Let op: de overtredingen in [447c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=447c) en [447d Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=447d) kennen een stafmaximum van hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. Aanbevolen wordt hier alleen een taakstraf op te leggen of ter zitting taakstraf of hechtenis te vorderen. Strafverzwarend onder andere: Medeplegen Recidive binnen 5 jaar – 1 maal: + 50% – meermalen: + 100% én dagvaarden Legenda: GB = geldboete TS = taakstraf GS = gevangenisstraf"},{"i":18994,"b":"Besluit van de directeur-generaal Dienst Uitvoering Onderwijs van 4 december 2012, nr. DUO/HD-012.098, tot verlening van ondermandaat aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau (Ondermandaatregeling CJIB) Gelet op: het [Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543); [art. 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); de [Wet op de studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453); de met het Centraal Justitieel Incassobureau gemaakte afspraken betreffende de inning en incasso door dit bureau van de door Dienst Uitvoering Onderwijs op te leggen bestuurlijke boetes voor de aanpak van misbruik van de uitwonendenbeurs, op grond van de [Wet op de studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453); Gelet voorts op het akkoord van de algemeen directeur Centraal Justitieel Incassobureau, drs. S.T. Sibma (gegeven op 17 december 2012); Besluit: Met ingang van 1 januari 2013 aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau, gevestigd te Leeuwarden, ondermandaat te verlenen om de inning en incasso van bestuurlijke boetes ter uitvoering van de [paragraaf 9.3 e.v. van de Wet op de studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&paragraaf=9.3), uit te voeren. Deze inning en incasso omvat: Voor de in dit besluit gemandateerde bevoegdheden kan dit mandaat worden doorgemandateerd aan de medewerkers van de unit CPU van het Centraal Justitieel Incassobureau. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18317,"b":"Besluit van de Griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, houdende regels inzake het verlenen van mandaat en machtiging betreffende de uitvoering van de Wet open overheid en de Wet hergebruik van overheidsinformatie (Mandaatbesluit Woo en Who Tweede Kamer) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), de [Wet Open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754), de [Wet hergebruik van overheidsinformatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036795) en het [Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975), Besluit Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Directeur:** functionaris als bedoeld in [artikel 6.3 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=6.3); - b. **Griffie:** ambtelijke organisatie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal - c. **Griffier:** de Griffier van de Tweede Kamer; - d. **Mandaat:** voor de toepassing van dit besluit wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van machtiging om handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Directeuren 1. Aan de directeuren wordt mandaat verleend voor aangelegenheden op het gebied van de [Woo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) en de [Who](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036795), met uitzondering van: - a. het nemen van een besluit op een bezwaar als bedoeld in [artikel 7:1 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1) of een verzoek om rechtstreeks beroep als bedoeld in [artikel 7.1a van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1a); - b. het nemen van een besluit tot het instellen van (incidenteel) hoger beroep; - c. het nemen van een besluit op een Woo-verzoek of een Who-verzoek dat ook betrekk"},{"i":17505,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 april 2014, houdende regels aangaande het verlaten van de justitiële jeugdinrichting bij wijze van verlof of scholings- en trainingsprogramma (Regeling verlof en STP jeugdigen) Gelet op de [artikelen 8, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&artikel=8), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&artikel=12), en [40 van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&artikel=40); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene en begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **reglement:** het [Reglement justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647); - b. **pij-maatregel:** de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen als bedoeld in [artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77s); - c. **verlofstatus:** een vorm van planmatig verlof als bedoeld in [artikel 33, derde lid, van het reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&artikel=33); - d. **risicomanagementplan:** een plan van de inrichting waarin staat beschreven een inschatting van de risico’s en hoe de risico’s met betrekking tot het verlof of scholings- en trainingsprogramma tot een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht. - e. **multidisciplinair overleg:** overleg ter advisering omtrent de behandeling van de aanvragen bedoeld in bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035001&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2014-04-01&g=2014-04-01), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035001&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2014-04-01&g=2014-04-01) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035001&hoofdstuk=3&artikel=16&z=2014-04-01&g=2014-04-01), bestaande uit tenminste een vertegenwoordiger van de inrichting waar de jeugdige verblijft, één vertegenwoordiger van een andere jeugdinrichting, een vertegenwoordiger van de af"},{"i":17640,"b":"Wet van 24 juni 1992, houdende een financiële compensatie voor langdurige militaire dienst Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een voorziening te treffen houdende een eenmalige financiële compensatie voor bepaalde groepen militairen die ten minste 5 jaar onder de wapenen zijn geweest en daarvoor in de overheidspensioenwetgeving geen vergelding ontvangen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. militair: de reservist of dienstplichtige in de zin van de bij of krachtens de [Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955) daarover vastgestelde bepalingen; - b. werkelijke dienst: de door de militair doorgebrachte, in de periode van 1 januari 1936 tot en met 31 december 1962 liggende werkelijke dienst in de zin van artikel A 1, eerste lid, onder **i** van de Algemene militaire pensioenwet, voor zover die feitelijk is doorgebracht of geacht moet worden onder de wapenen te zijn doorgebracht krachtens de [Wet verbetering rechtspositie verzetsmilitairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003015) (**Stb.** 1976, 19) en voor zover die ingevolge de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van de Algemene militaire pensioenwet voor pensioen geldig zou zijn; - c. weduwe: degene die in het tijdvak van de werkelijke dienst met de militair was gehuwd. Artikel 2 De gewezen militair, die een werkelijke dienst aan kan wijzen van ten minste vijf jaren en voor wie geen recht of uitzicht bestaat op vergelding van die tijd met enig overheidspensioen, heeft aanspraak op een eenmalige uitkering ten bedrage van € 3403,35. Artikel 3 Indien de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005569&artikel=2&z=2015-01-01&g=2015-01-01) genoemde aanspraak in verband met het overlijden v"},{"i":17124,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 september 2019, kenmerk 1564875-193879-LZ, houdende de instelling van de Commissie Expertisecentra langdurige zorg (Instellingsbesluit Commissie Expertisecentra langdurige zorg) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister voor Langdurige Zorg en Sport; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042534&artikel=2&z=2026-02-28&g=2026-02-28). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie Expertisecentra langdurige zorg. 2. De commissie heeft tot taak het voeren van regie op de inrichting van de (kennis)infrastructuur van specifieke doelgroepen met hoog complexe zorgbehoefte en een laag volume. Het gaat om de realisatie van expertisecentra langdurige zorg, de daarbij behorende Kenniscentra en de zorgaanbieders (satellieten) waarmee de Expertisecentra en Kenniscentra samenwerken. Daartoe gelden de volgende deelopdrachten: - a. selectiecriteria; Op 14 juli 2019 is het KPMG-advies Expertisecentra in de langdurige zorg aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2018–2019, 31 765, nr. 414). In dit advies zijn criteria benoemd die zijn te stellen aan de kenniscentra, expertisecentra en satellieten. Op basis van de in genoemd rapport geformuleerde criteria doen de vertegenwoordigers van de specifieke doelgroepen een voorstel voor de verdere uitwerking van selectiecriteria aan de commissie. Waar mogelijk geven zij ook aan welke partij een van de rollen kan gaan vervullen. De commissie toetst deze voorstellen en adviseert daarover. De uitvoering van de deelopdrachten b tot en met d is mede afhankelijk van de resultaten van deelopdracht a; - b. faciliteren specifieke doelgroepen; De commissie voert regie door het ondersteunen van de aangewezen partije"},{"i":18505,"b":"Rijkswet van 12 december 1985, houdende bepalingen omtrent de Regeling van de schadeloosstelling van en andere financiële voorzieningen voor het lid van de Raad van State van het Koninkrijk, benoemd ingevolge artikel 13, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij rijkswet bepalingen vast te stellen omtrent de regeling van de schadeloosstelling van en andere financiële voorzieningen voor het lid van de Raad van State van het Koninkrijk, dat ingevolge [artikel 13, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=13) kan worden benoemd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze rijkswet wordt verstaan onder Arubaans, Curaçaos, onderscheidenlijk Sint-Maartens lid: het ingevolge [artikel 13, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=13) bij koninklijk besluit benoemde lid van de Raad van State van het Koninkrijk. Artikel 2 1. Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen wordt de schadeloosstelling van het Arubaanse, Curaçaose, onderscheidenlijk Sint-Maartense lid geregeld, alsmede de aanspraak op een uitkering bij overlijden of blijvende arbeidsongeschiktheid. 2. Het landsbesluit, bedoeld in het eerste lid, kan voorts regels stellen omtrent de tegemoetkoming in de noodzakelijke kosten van geneeskundige behandeling en verpleging van het Arubaanse, Curaçaose, onderscheidenlijk Sint-Maartense lid en de leden van zijn gezin. 3. Het landsbesluit, bedoeld in het eerste lid, wordt door de Gouverneur niet vastgesteld dan nadat het gevoelen van d"},{"i":18709,"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 juni 2025, nr. 2025-0000136340, over het handhavings- en sanctioneringskader ten aanzien van artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet Gelet op de [artikelen 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=6), [33, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=33) en [34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=34), [13.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=13.25), [13.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=13.26) en [13.27 van het Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=13.27), [9.9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=9.9c) en [9.9d van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=9.9d) en [8.29a van de Arbeidsomstandighedenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=8.29a) en [4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Type overtredingen 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **zware overtreding:** een overtreding die in de Tabellen 1 of 2 van [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051147&bijlage=1&z=2025-06-28&g=2025-06-28) als ZO is aangemerkt en waarvoor direct een boete wordt opgelegd; - b. **overtreding met directe boete:** een overtreding die in de Tabellen 1 of 2 van [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051147&bijlage=1&z=2025-06-28&g=2025-06-28) als ODB is aangemerkt en waarvoor direct een boete wordt opgelegd; - c. **een overige overtreding, oftewel een overtreding die in Tabel 1 of 2 van Bijlage 1 als OO is aangemerkt en waarvoor eerst een waarschuwing of een kennisgeving van een eis tot naleving is gegeven, of een eis tot naleving was gesteld, voordat wordt overgegaan tot"},{"i":17911,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 juli 2008, nr. Z/VU-2864917, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met de aanpassing van de te verzekeren prestaties voor het jaar 2009 Gelet op de [artikelen 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), [2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.7) en [2.9 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.9); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II Een verzekerde die op 31 december 2008 op grond van een overeenkomst voor bruikleen een aan functiebeperkingen aangepaste stoel in bruikleen heeft die in gevolge deze regeling niet meer onder de te verzekeren prestaties op grond van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) valt, behoudt recht op gebruik van die stoel voor rekening van de zorgverzekering als bedoeld in [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) tot het einde van die overeenkomst, maar uiterlijk tot 1 januari 2010. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17547,"b":"Reglement Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs 2020 Preambule In 1992 richtten de sociale partners in het onderwijs de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs op. Het doel van het Vervangingsfonds is het bieden van waarborgen aan aangeslotenen voor de kosten van vervanging bij afwezigheid van gewezen personeel en het invoeren en in stand houden van bedrijfsgezondheidszorg in het primair onderwijs, alsmede het bevorderen en bewaken van die zorg. Het bestuur stelt, conform het bepaalde op grond van [artikel 183, vierde lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=183) juncto [artikel 169, vierde lid van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=169), het Reglement Vervangingsfonds vast. In dit reglement wordt bepaald welke rechten de aangeslotenen in het kader van de taakuitoefening van de stichting, als hierboven genoemd, jegens de stichting kunnen doen gelden en tot welke verplichtingen de aangeslotenen jegens de stichting zijn gehouden. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2020. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - 1. **Bedrijfsgezondheidszorg:** de dienstverlening van het Vervangingsfonds ter voorkoming en terugdringing van ziekteverzuim en de verbetering van arbeidsomstandigheden. - 2. **Bekostiging:** de bekostiging van vervanging door en ten laste van het Vervangingsfonds. - 3. **Bestuur:** het bestuur van de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs. - 4. **Bevoegd gezag:** een bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wec](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of een samenwerkingsverband passend onderwijs als bedoeld in [artikel 18a van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=18a). - 5. **Bovenbestuurlijke verva"},{"i":17642,"b":"Wet van 17 december 1997, houdende eenmalige uitkering aan gewezen militairen die meer dan twee jaar doch minder dan vijf jaar hebben gediend (Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het veteranenbeleid wenselijk is regels te stellen inzake een tegemoetkoming in de vorm van een eenmalige uitkering door het Rijk aan militairen die meer dan twee doch minder dan vijf jaar als dienst- of reserveplichtige, als oorlogsvrijwilliger dan wel als schutterplichtige bij de krijgsmacht van het Koninkrijk hetzij tijdens de Tweede Wereldoorlog, dan wel in het voormalig Nederlands-Indië, in Korea of in het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea in werkelijke dienst zijn geweest en daarvoor in de overheidspensioenwetgeving, dan wel krachtens een pensioenvervangende of in een pensioengerelateerde [uitkeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002537), geen financiële compensatie hebben ontvangen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goed gevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. militair: - 1°. degene die krachtens de Dienstplichtwet werkelijke dienst heeft verricht; - 2°. degene die krachtens het Oorlogsvrijwilligersbesluit werkelijke dienst heeft verricht; - 3°. degene die krachtens de Surinaamse Schutterijverordening 1941, dan wel krachtens de Antilliaanse Schutterij-landsverordening 1940 werkelijke dienst heeft verricht; of - 4°. degene die onder de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden als dienst- of reserveplichtige bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger/Koninklijk Nederlands-Indonesisch Leger (KNIL), dan wel krachtens het Dienstplichtbesluit voor Nederlands-Indië werkelijke dienst heeft verricht, tijdens die vervulling Nederlander was of in die periode geen Nederlander w"},{"i":17538,"b":"Reglement Geschillencommissie Defensie Geneeskundige Zorg Gelet op [artikel 18 van de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=18) en [artikel 19 van de Regeling klachtenbehandeling gezondheidszorg Defensie 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039064&artikel=19). Begripsomschrijving Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: - **stichting:** de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken; - **commissie:** de Geschillencommissie Defensie Geneeskundige Zorg ingesteld en in stand gehouden door de stichting; - **Militair Geneeskundige Dienst:** het geheel van instanties en eenheden binnen de krijgsmacht, belast met het verlenen van militaire gezondheidszorg; - **cliënt:** een natuurlijk persoon aan wie een binnen de militair geneeskundige dienst werkzame zorgverlener door of vanwege de zorgaanbieder gezondheidszorg verleent of heeft verleend, - **gedraging:** enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een besluit dat gevolgen heeft voor een cliënt; - **militaire gezondheidszorg:** het geheel aan maatregelen, voorzieningen en verstrekkingen verleend door of vanwege de militair geneeskundige dienst ten behoeve van het behoud, herstel en bevordering van de gezondheid en inzetbaarheid van de militair, alsmede de overigens door de militair geneeskundige dienst verleende gezondheidszorg; - **klacht:** een klacht over de zorgaanbieder en/of over een gedraging van een binnen de militair geneeskundige dienst werkzame persoon jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening door of vanwege de zorgaanbieder, inbegrepen klachten die een verzoek tot schadevergoeding wegens letsel- of overige schade inhouden; - **Wet:** de [Wet Kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173), Stbl. 2015, 407; - **Zorgaanbieder:** de Minister van Defensie. Samenstelling en taak Artikel 2 1. De commissie bestaat uit een door de stichting te bepalen aantal onafhankelijke led"},{"i":18251,"b":"Besluit van 29 september 2010, houdende vaststelling van het openbaar lichaam waar de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn zetel heeft (Besluit zetel Rijksvertegenwoordiger BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 september 2010, nr. 2010-0000619588, CZW/WSG; Gelet op [artikel 187, tweede lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=187); Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt. Artikel 1 De Rijksvertegenwoordiger heeft zijn zetel in het openbaar lichaam Bonaire. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142) in werking treedt. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit zetel Rijksvertegenwoordiger BES. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":19396,"b":"Wet van 1 oktober 1998 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Uitleveringswet, de Wet economische delicten en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen betreffende de bepalingen aangaande de procedure in cassatie in strafzaken, herzieningszaken, uitleveringszaken en zaken in het kader van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen Allen, die deze zullen zien of horen lezen saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de cassatieprocedure in strafzaken, herzieningszaken, uitleveringszaken en zaken in het kader van de [Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004028) op enkele punten te wijzigen in het belang van een doelmatige rechtspleging; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. ARTIKEL II Wijzigt de Uitleveringswet. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de economische delicten. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. ARTIKEL V Wijzigt deze wet. ARTIKEL VI Wijzigt deze wet. ARTIKEL VII [Artikel I, onderdeel A, C en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009929&artikel=I&z=1999-06-01&g=1999-06-01), is behoudens de [artikelen 438](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=438), [440](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=440) en [443](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=443) niet van toepassing op zaken waarin op het moment van inwerkingtreding van deze wet de stukken van het geding reeds bij de griffier van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Op deze zaken worden de voor het moment van inwerkingtreding geldende bepalingen toegepast. ARTIKEL VIII [Artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009929&artikel=I&z=1999-06-01&g=1999-06-01), is niet van toepassing in zaken waarin op het m"},{"i":17820,"b":"Wet van 2 juli 2014 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en enkele andere sociale zekerheidswetten (Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat maatregelen noodzakelijk zijn om sociale zekerheidsuitkeringen in stand en toegankelijk te houden, extra ondersteuning te bieden aan mensen die een steuntje in de rug nodig hebben, ernstige misdragingen jegens uitvoerders van de sociale zekerheidswetten tegen te gaan en de bijstand meer activerend te maken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel II. [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel III. [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel IV. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel V. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel VI. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel VII. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel VIII. [Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394) Wijzigt de Wet inkom"},{"i":7765,"b":"Wet van 24 januari 2008, houdende regels omtrent de basisregistraties adressen en gebouwen (Wet basisregistraties adressen en gebouwen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van een goede vervulling van publiekrechtelijke taken wenselijk is om een basisregistratie adressen en een basisregistratie gebouwen tot stand te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. adres: door het bevoegde gemeentelijke orgaan aan een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats toegekende benaming, bestaande uit een combinatie van de naam van een openbare ruimte, een nummeraanduiding en de naam van een woonplaats; - b. authentiek gegeven: in een basisregistratie opgenomen gegeven dat bij of krachtens de wet als authentiek is aangemerkt; - e. basisregistratie: basisregistratie adressen en gebouwen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-02-12&g=2025-02-12); - d. brondocument: document in welke vorm dan ook waarin rechtsfeiten en andere voor de registraties relevante feiten zijn neergelegd; - e. Dienst: Dienst voor het kadaster en de openbare registers, genoemd in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - f. landelijke voorziening: landelijke voorziening als bedoeld in [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&hoofdstuk=4&paragraaf=1&artikel=26&z=2025-02-12&g=2025-02-12); - g. ligplaats: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig aangewezen plaats in het water al dan niet aangevuld met een op de oever aanwezig terrein of een gedeelte daarvan, die bestemd is voor het permanent afmeren van een voor"},{"i":19601,"b":"Subsidieregeling kennisprojecten verkeer en vervoer Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3) en [4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: a. **de minister:** de Minister van Verkeer en Waterstaat; b. **Connekt:** de stichting Connekt; c. **het bestuur:** het bestuur van de stichting Connekt; d. **kennisinfrastructuur:** de capaciteit van zowel de publieke als de private op kennis gerichte instellingen om voor de samenleving relevante kennisproducten te leveren; e. **fundamenteel/strategisch onderzoek:** uitbreiding van de algemene wetenschappelijke en technische kennis zonder industriële of commerciële doelstellingen; f. **industrieel onderzoek:** onderzoek dat gericht is op het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze kennis bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten te gebruiken, of om bestaande producten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren; g. **preconcurrentiële ontwikkeling:** de omzetting van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor nieuwe gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten, met inbegrip van de fabricage van een prototype, demonstratie- of modelproject, die niet voor industriële of commerciële doeleinden kunnen worden aangewend; h. **kennisverspreiding:** het actief opslaan, onderhouden, ontsluiten en verspreiden van kennis, die is ontwikkeld op basis van fundamenteel strategisch onderzoek, industrieel onderzoek, preconcurrentiële ontwikkeling en studies naar de technische haalbaarheid van industrieel onderzoek of preconcurrentiële ontwikkeling. Artikel 2. Subsidieverstrekking 1. De minister kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van een jaarprogramma, ter verbetering van de kennisinfrastructuur voor verke"},{"i":19626,"b":"Besluit van 2 november 2012 tot vaststelling van regels betreffende tegemoetkomingen ter zake van verhuizing en woon-werkverkeer voor defensiepersoneel en tot wijziging van enige besluiten, in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode 1 maart 2012 tot en met 28 februari 2013 Hoofdstuk 1. Verplaatsingskostenbesluit defensie Hoofdstuk 1. Verplaatsingskostenbesluit defensie Artikel 2 Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie. Artikel 3 Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement. Artikel 4 Wijzigt het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie. Artikel 5 Wijzigt het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 6 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Artikel 7 Wijzigt het Besluit personenchauffeurs defensie. Artikel 8 Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie en het Verplaatsingskostenbesluit militairen. Hoofdstuk 3. Slotbepalingen Artikel 1 Vastgesteld wordt een Verplaatsingskostenbesluit defensie luidende: [Verplaatsingskostenbesluit defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032312). Hoofdstuk 2. Overige wijzigingen Hoofdstuk 3. Slotbepalingen Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 12 juli 2012, nr. BS/2012023496; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) alsmede op de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12), [12quinquies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12quinquies) en [12k van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12k); De Afdeling advisering van Raad van State gehoord (advies van 10 september 2012, nr. W07.12.0279/II); Gezien het nader rapport van de Minister van Defensie van 31 oktober 2012, nr. BS/2012031015; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 2. Overige wijzigingen Hoofdstuk 3. Slotbepalingen Artikel 9. Inwerkin"},{"i":19609,"b":"Tractaat van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden ter eener zijde en Hare Majesteit de Koningin van het Vereenigd Koningrijk van Groot-Brittannie en Ierland ter andere zijde, gelijkelijk verlangende om alle gerijf en aanmoediging te verschaffen aan hunne onderdanen, die met elkander in handelsbetrekkingen staan, en meenende, dat niets meer toe zal brengen tot de bereiking van dit wenschelijk doel, dan eene wederkeerige afschaffing van alle onderscheidings- en vergeldings-regten, welke van de schepen der Hooge contracterende partijen of van de ladingen der zoodanige schepen geheven worden in de havens van beide Rijken in Europa, hebben tot hunne gevolmagtigden, om ten dien einde eene overeenkomst te sluiten, benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden den heer Johan Gijsbert baron Verstolk van Soelen, lid der Ridderschap van de provincie Holland, Ridder-Grootkruis der orde van den Nederlandschen Leeuw en van St. Stephanus van Hongarijen, Hoogstdeszelfs Minister van Staat voor het Departement van Buitenlandsche Zaken, en Hare Majesteit de Koningin van het Vereenigd Koningrijk van Groot-Brittannie en Ierland, Sir Edward Cromwell Disbrowe, Ridder-Grootkruis der Koninklijke Hanoversche Guelphen orde, Hoogstderzelver buitengewoon gezant en gevolmagtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, welke na elkander hunne wederzijdsche volmagten, die in goede en behoorlijken vorm zijn bevonden, te hebben medegedeeld, wegens de volgende artikelen zijn overeengekomen. Art. 1 Er zal wederkeerige vrijheid zijn van handel en scheepvaart tusschen de onderdanen der beide Hooge contracterende partijen, en de onderdanen der beide Souvereinen over en weder zullen in de havens, ankerplaatsen, reeden, steden, vlekken en oorden hoe ook genaamd in beide Rijken, geene andere of hoogere regten, ongelden of laste"},{"i":19625,"b":"Vaststelling verkeersscheidingsstelsels Gelet op Voorschrift 10, onder (a), van de bijlage, behorende bij het Koninklijk besluit van 4 augustus 1976, houdende vaststelling van Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, Stb. 1976, 773, zoals dit voorschrift is gewijzigd bij Koninklijk besluit van 30 juli 1980, Stb. 438; Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Besluit: Artikel 1 Vastgesteld worden de verkeersscheidingsstelsels zoals deze zijn omschreven in de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 november 1981. Het wordt in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt. De bij het besluit behorende bijlage wordt opgenomen in het Handboek routering van schepen, dat bij de Staatsuitgeverij te 's-Gravenhage verkrijgbaar wordt gesteld."},{"i":19610,"b":"Tractaat van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Italië Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning van Italie, gelijkelijk bezield door het verlangen om de zoo gelukkig tusschen Hunne wederzijdsche Staten bestaande betrekkingen van vriendschap, handel en scheepvaart te bevestigen en zooveel mogelijk uit te breiden, hebben besloten tot dat einde een tractaat te sluiten en hebben tot Hunne gevolmagtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, den heer Mauritz Heldewier, Hoogstdeszelfs Minister-resident bij Zijne Majesteit den Koning van Italie, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw en van de Eikenkroon van Luxemburg, enz., enz., en Zijne Majesteit de Koning van Italie, den heer Giovanni Manna, grootofficier van Hoogstdeszelfs orde van de H. H. Mauritius en Lazarus, senateur van het Koningrijk, Minister-secretaris van Staat voor den landbouw, de nijverheid en den handel, dewelke, na mededeeling hunner in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmagten, nopens de volgende artikelen zijn overeengekomen: Artikel I De wederzijdsche onderdanen der beide Hooge contracterende Partijen zullen volkomen met de nationalen worden gelijkgesteld voor al wat aangaat de uitoefening van den handel, der nijverheid en der beroepen, de betaling der belastingen, de uitoefening der godsdiensten, het regt om allerlei roerende en onroerende eigendommen te verkrijgen of daarover te beschikken bij koop, verkoop, schenking, ruil, laatste wilsbeschikking en erfopvolging ab intestato. Zij zullen volkomen gelijkgesteld worden met de onderdanen der meest bevoorregte vreemde natie, voor zoo veel aangaat hunnen persoonlijken staat onder alle andere opzigten. Artikel II De voortbrengselen van den grond en der nijverheid van het Koningrijk der Nederlanden en van zijne kolonien, van waar ook komende, en alle koopwaar, zonder onderscheid van oorsprong komende uit het Koningrijk der Nederlanden e"},{"i":19611,"b":"Tractaat van vriendschap, scheepvaart en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Colombia Naardien zich sedert eenigen tijd, handelsbetrekkingen gevormd hebben, tusschen het Koningrijk der Nederlanden en de landen der Republiek van Colombia, is het voor de handhaving en uitbreiding der wederzijdsche belangen nuttig geoordeeld, die betrekkingen door middel van een traktaat van vriendschap, scheepvaart en handel te bevestigen en te beschermen. Met dit oogmerk hebben respectivelijk tot hunne gemagtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, Mr. **Anton Reinhard Falck**, Kommandeur der Orde van den Nederlandschen Leeuw, en Hoogstdeszelfs Ambassadeur Extraordinaris en Plenipotentiaris bij het Hof van Groot-Brittanje, en de President - Bevrijder van de Republiek van Colombia, den heer **Joseph Fernandez Madrid**, Extraordinaris Envoyé en Minister Plenipotentiaris bij Zijne Groot-Brittannische Majesteit; dewelke na zich over en weder hunne volmagten te hebben medegedeeld, de volgende artikelen vastgesteld hebben: Art. 1 Er zal eene altoosdurende, bestendige en opregte vriendschap zijn, tusschen Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden en Hoogtsdeszelfs Staten en Onderdanen ter eenre, en de Regering en de ingezetenen van Colombia ter andere zijde. Art. 2 Tusschen de bezittingen van Hoogstgedachte Zijne Majesteit in Europa en het grondgebied van Colombia, zal eene wederkeerige vrijheid van handel plaats hebben. De inwoners der beide landen zullen zich vrij, en veilig met hunne schepen en ladingen naar alle zoodanige plaatsen, havenen en rivieren in gemelde bezittingen en grondgebied vermogen te begeven, als waar zulks aan andere vreemdelingen geoorloofd is, of zal worden; aldaar binnen te komen, te verblijven en te wonen; huizen en pakhuizen ten behoeve van hunnen handel te huren en te betrekken, en in het algemeen zullen zij wederkeerig de volledigste bescherming en veiligheid voor hun bedrijf genieten; met onderwerping echter"},{"i":19612,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666116 op grond van artikel 3.121 van de Energiewet, en artikel 12f van de Gaswet juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet over transport van gas door de TSB (Transportcode gas TSB) De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f) en [artikel 3.121 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); Besluit: 1. Werkingssfeer en definities 2. Transportdiensten **2.1 Transport** **2.1.1a Entry- en exitpunten** **2.1.2 Entry- en exitcapaciteit** **Omschrijving** Gecontracteerde entrycapaciteit geeft het recht om op een entrypunt een hoeveelheid gas per uur in het transmissiesysteem in te voeden. Gecontracteerde exitcapaciteit geeft het recht om op een exitpunt een hoeveelheid gas per uur aan het transmissiesysteem te onttrekken. **Contractering en toewijzing** Entry- en exitcapaciteit wordt onderscheiden in verschillende capaciteitsproducten. De capaciteitsproducten verschillen wat betreft de aanvangsdatum en aanvangstijd, de duur waarvoor entry- of exitcapaciteit wordt gecontracteerd en de prijs die op het capaciteitsproduct van toepassing is. Op interconnectiepunten biedt de transmissiesysteembeheerder overeenkomstig artikel 9 van NC-CAM standaard jaarcapaciteitsproducten, standaard kwartaalcapaciteitsproducten, standaard maandcapaciteitsproducten, standaard dagcapaciteitsproducten en standaard within-day-capaciteitsproducten aan. Deze standaard capaciteitsproducten worden gecontracteerd en aan erkende balanceringsverantwoordelijken toegewezen door middel van een veiling als bepaald in NC-CAM. Op binnenlandse entry- en exitpunten worden jaarcapaciteitsproducten, kwartaalcapaciteitsproducten, maandcapaciteitsproducten, dagcapaciteitsproducten en within-day-capaciteitsproducten onderscheiden. Jaar-, kwartaal-, maand-, dag- en within-day-capaciteitsproduct"},{"i":19631,"b":"Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen inzake de wet welke van toepassing is op de burgerrechtelijke, niet-contractuele aansprakelijkheid voor ongevallen in het wegverkeer, Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Dit Verdrag bepaalt de wet welke van toepassing is op de burgerrechtelijke, niet-contractuele aansprakelijkheid voor ongevallen in het wegverkeer en wel ongeacht voor welke rechter vorderingen ter zake dienen te worden gebracht. In dit Verdrag wordt onder ongeval in het wegverkeer verstaan een ongeval waarbij een of meer al dan niet gemotoriseerde voertuigen zijn betrokken en dat verband houdt met verkeer op de openbare weg, op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een beperkt aantal personen, die het recht hebben om er te komen. Artikel 2 Dit Verdrag is niet van toepassing op: - 1. de aansprakelijkheid van fabrikanten, verkopers of herstellers van voertuigen; - 2. de aansprakelijkheid van de eigenaar van een verkeersweg, of van elke andere persoon, die verantwoordelijk is voor het onderhoud daarvan of voor de veiligheid van de gebruikers; - 3. aansprakelijkheid voor handelingen van derden, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de eigenaar van een voertuig of van de principaal of de meester; - 4. regresvorderingen tussen aansprakelijke personen; - 5. regresvorderingen en subrogaties voor zover hierbij verzekeraars zijn betrokken; - 6. vorderingen, daaronder begrepen regresvorderingen, die worden ingesteld door of tegen instellingen op het gebied van de sociale zekerheid, sociale verzekering of soortgelijke instellingen en door of tegen openbare waarborgfondsen voor automobielen, noch op de uitsluiting van de aansprakelijkheid zoals die is neergelegd in de wet waardoor deze instellingen worden beheerst. Artikel 3 De van"},{"i":3216,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 30 mei 2018 nr. BOACAT2018/027, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Capelle aan den IJssel Gelezen het verzoek van het unithoofd van de Unit Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Capelle aan den IJssel van 15 mei 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040977&artikel=2&z=2018-06-06&g=2018-06-06). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker, allround medewerker en senior medewerker Handhaving in dienst bij de Unit Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Capelle aan den IJssel, zijn aangewezen als buiten gewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporings"},{"i":4369,"b":"Besluit van 7 mei 2004, houdende vaststelling van regels met betrekking tot systemen voor voorwaardelijke toegang (Besluit voorwaardelijke toegang) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 10 juli 2003, nr. WJZ 3025244; Gelet op [richtlijn nr. 2002/19/EG](32002L0019) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 inzake toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn) (PbEG L 108) en de [artikelen 8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=8.5) en [18.2 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=18.2); De Raad van State gehoord (advies van 14 augustus 2003, nr. W10.03.0308/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 3 mei 2004, nr. WJZ 4028534; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 in werking treedt. De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Paragraaf 1. Systemen voor voorwaardelijke toegang Artikel 1 Een aanbieder van een systeem voor voorwaardelijke toegang dat geschikt en bestemd is voor de uitzending van diensten die kunnen worden ontvangen met behulp van digitale televisie- of radiosystemen stelt, in overeenstemming met de beginselen van het algemene Europese mededingingsrecht, aan de aanbieders van die diensten op billijke, redelijke en niet discriminerende voorwaarden zodanige technische faciliteiten beschikbaar dat de desbetreffende diensten door degene die met de aanbieder van het systeem voor voorwaardelijke toegang een daartoe strekkende overeenkomst heeft gesloten, kunnen worden ontvangen. Artikel 2 Een aanbieder van een systeem voor voorwaardelijke toegang voert, indien hij tevens andere activiteiten verricht, een gescheiden boekhouding voor deze ondersch"},{"i":4194,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 20 juli 2007, nr. DJZ/BR/0687-2007, tot vaststelling van een subsidieplafond en tot beperking van de termijn voor het indienen van aanvragen voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (ORET) Gelet opde [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en[7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op de [artikelen 7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) en [7.3, onder h, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.3); Besluit: Artikel 1 1. Voor subsidieverlening op grond van de [artikelen 7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) en [7.3, onder h, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.3) in het kader van het programma voor ontwikkelingsrelevante exporttransacties (ORET) geldt voor de jaren 2008 en 2009 een plafond van € 0. 2. Aanvragen voor subsidieverlening in het kader van het programma voor ontwikkelingsrelevante exporttransacties (ORET) ten laste van het subsidieplafond 2007 kunnen tot en met 31 juli 2007 worden ingediend. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3673,"b":"Besluit houdende regels inzake mandaat en machtiging aan het College Kwaliteitsonderzoek (Besluit mandaat en machtiging CKO) Het bestuur van de Orde Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants maakt, gelet op [artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:42), onderstaand besluit bekend welke op 11 december 2008 door het bestuur is genomen. Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 21 van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=21); Besluit als volgt: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **College:** het College Kwaliteitsonderzoek, bedoeld in [artikel 21 van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=21); - b. **incidentenonderzoek:** het incidentenonderzoek, bedoeld in [artikel 1, onderdeel i, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); - c. **periodiek onderzoek:** het periodiek onderzoek, bedoeld in [artikel 1, onderdeel o, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); - d. **thematisch onderzoek:** het thematisch onderzoek, bedoeld in [artikel 1, onderdeel r, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); - e. **vervolgonderzoek:** het vervolgonderzoek, bedoeld in [artikel 1, onderdeel s, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); Artikel 2 Aan het College wordt mandaat en machtiging verleend om besluiten te nemen en handelingen te verrichten met betrekking tot het opstellen en sturen van een vragenlijst en het aanwijzen van onderzoekers, ter uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=4)"},{"i":4823,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 7 december 2025, 2025-0000527474, directie Financiële Markten, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging voor de bestuursrechtelijke handhaving van verplichtingen in het kader van de registratie van de uiteindelijk belanghebbenden vennootschappen en andere juridische entiteiten op grond van de Handelsregisterwet 2007 (Mandaatbesluit bestuursrechtelijke handhaving registratie uiteindelijk belanghebbenden Handelsregisterwet 2007) Handelende met instemming van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; Gelet op de [artikelen 10:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:1), [10:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:2), [10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en de [artikelen 28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=28), [47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=47a), [47b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=47b) en [47c van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=47c); Gezien de instemming van de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau; BESLUIT: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. **DFEI:** Dienst Financieel-Economische Integriteit als bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel k, van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=5); - c. **CJIB:** Centraal Justitieel Incassobureau als bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder 1°, van het Orga"},{"i":4754,"b":"Kaderbesluit bzm **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een samenvoeging en actualisering van drie besluiten die zijn verschenen over de heffing van de belasting zware motorrijtuigen. Bij de samenvoeging en de actualisatie is onder andere rekening gehouden met de wijziging van de definitie van een zwaar motorrijtuig per 1 juli 2019.** 1. Inleiding In [artikel 2 van de Wet belasting zware motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=2) is de belastingplicht voor de belasting zware motorrijtuigen geregeld. De belasting zware motorrijtuigen wordt geheven als met een ‘zwaar motorrijtuig’ gebruik gemaakt wordt van de autosnelweg. Per 1 juli 2019 is het begrip ‘zwaar motorrijtuig’ uit [artikel 3, onderdeel a, Wet belasting zware motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=3) gewijzigd. Tot 1 juli 2019 kwalificeerden motorrijtuigen als ‘zwaar motorrijtuig’ voor zover deze ‘uitsluitend bestemd’ waren voor goederenvervoer over de weg. Sinds 1 juli 2019 kwalificeren motorrijtuigen als ‘zwaar motorrijtuig’ voor zover deze ‘bestemd zijn of gebruikt worden’ voor goederenvervoer over de weg. In dit besluit zijn de actuele beleidsregels opgenomen voor de belasting zware motorrijtuigen. Door de actualisatie zijn bepaalde onderdelen komen te vervallen. Deze onderdelen waren gebaseerd op de oude definitie van het begrip ‘zwaar motorrijtuig’ zoals gold tot 1 juli 2019. Vanwege het vervallen van deze onderdelen kunnen specifieke motorrijtuigen binnen de reikwijdte vallen van de belasting zware motorrijtuigen (waar dit voorheen niet het geval was). Dit besluit bevat nieuwe standpunten over, dan wel wijzigingen aan de volgende onderwerpen: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Belastbaar feit 2.1. Gebruik van de autosnelweg In [artikel 2 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=2) is de belastingplicht voor de bzm opgenomen. De bzm wordt geheven als met een"},{"i":3753,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 12 december 2011, nr. WJZ / 11175769, houdende regels inzake het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de Rijksdienst Caribisch Nederland (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijksdienst Caribisch Nederland) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien het besluit van de Ministerraad van 3 juli 2009; Besluit: Artikel 1 Aan de beleidscoördinatoren voor het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bij de Rijksdienst Caribisch Nederland wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van beschikkingen en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het verstrekken van vergunningen en certificaten, of het toestaan van een uitzondering als bedoeld in [artikel 4 van de Wet grondslagen natuurbeheer en -bescherming BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=4). Artikel 2 Het krachtens mandaat, volmacht of machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, namens deze: **(handtekening)** **(naam functionaris)** **(functie)** Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijksdienst Caribisch Nederland. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4550,"b":"Competentieregeling (tussen)houdsters en dienstverleningslichamen **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit regelt de competentie voor de heffing en het toezicht van het Team Toezicht houdsters en dienstverleningslichamen. Dit besluit vervangt het besluit van 3 juni 2014, nr. DGB2014/296M. In dat besluit waren bepalingen opgenomen over de fiscale behandeling van houdster- en dienstverleningslichamen en het voeren van vooroverleg. Voorts waren bepalingen opgenomen over de werkzaamheden van het aanspreekpunt potentiële buitenlandse investeerders. De regels met betrekking tot vooroverleg en met betrekking tot de werkzaamheden van het aanspreekpunt potentiële buitenlandse investeerders zijn thans opgenomen in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter.** 1. Inleiding Dit besluit regelt de competentie voor de heffing en het toezicht op (tussen)houdsters en lichamen met financiële dienstverleningsactiviteiten binnen concernverband (hierna: dienstverleningslichamen). De gehele fiscale behandeling van (tussen)houdsters en dienstverleningslichamen is geconcentreerd bij het Team Toezicht houdsters en dienstverleningslichamen van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen/Special Internationaal (kantoor Rotterdam). 2. Procedure voor behandeling en competentie van (tussen)houdsters en lichamen die zich bezig houden met financierings- of licentieactiviteiten In de volgende gevallen geschiedt de gehele fiscale behandeling door het Team Toezicht houdsters- en dienstverleningslichamen van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen/Special Internationaal (kantoor Rotterdam): Met de gehele fiscale behandeling wordt bedoeld de heffing, controle en inning van alle belastingmiddelen. Dit geldt echter niet voor het voeren van vooroverleg waarvoor het Behandelteam IFZ ingevolge het [Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042342) competent is. Dit geldt daarnaast ook niet voor"},{"i":3676,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 16 december 2014, nr. WJZ/14200419, houdende regels inzake het verlenen van mandaat en machtiging aan de directeur van het Agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) betreffende aangelegenheden die verband houden met de toelating, registratie en doorhaling van de uitoefening van de diergeneeskunde (Besluit mandaat en machtiging directeur CIBG inzake toelating, registratie en doorhaling van de uitoefening van de diergeneeskunde) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van de directeur van het Agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van het Agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg wordt mandaat en machtiging verleend ten aanzien van het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen ten aanzien van: - a. de toelating tot de uitoefening van de diergeneeskunde, als bedoeld in [artikel 3.11 van het Besluit diergeneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=3.11); - b. de registratie, bedoeld in [artikel 4.3 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=4.3); - c. de toelating tot de uitoefening van de diergeneeskunde, bedoeld in de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=3.1), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=3.4), [3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=3.6), [3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=3.9) en [7.3 van het Besluit diergeneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=7.3); - d. de registratie en de doorhaling, bedoeld in [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=4.2), [4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":4743,"b":"Besluit van 25 maart 2010, houdende wijzigingen van diverse algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringsbesluit Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 december 2009, nr. BJZ2009065767, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [Arbeidsomstandighedenwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346), de [Brandweerwet 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764), het Burgerlijk Wetboek, de [Huisvestingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005674), de [Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755), de [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440), de [Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919), de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402), de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054), de [Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168), de [Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641), de [Waterleidingwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002246), de [Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458), de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168), de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994), het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), de [Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779), de [Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227), de [Wet inzake de luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002731), de [Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":3127,"b":"Besluit van 5 november 2001, houdende nadere regels met betrekking tot de beroepsvereisten voor leden van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Besluit beroepsvereisten Raad van State) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 oktober 2001, nr. CW2001/87391, Directoraat-Generaal Constitutionele zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 29, tweede lid, van de Wet op de Raad van State](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=29); De Raad van State gehoord (advies van 18 oktober 2001, nr. W04.01.0513/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 oktober 2001, nr. CW2001/92159; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het afsluitend examen, bedoeld in [artikel 2, vierde lid, van de Wet op de Raad van State](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=2), is zodanig samengesteld dat ten minste grondige kennis van en inzicht in drie van de vijf volgende rechtsgebieden is verkregen: a. burgerlijk recht, met inbegrip van burgerlijk procesrecht; b. strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht; c. bestuursrecht, met inbegrip van bestuursprocesrecht; d. staatsrecht; e. belastingrecht. 2. Tot de drie rechtsgebieden, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval twee van de rechtsgebieden, genoemd in de onderdelen a tot en met c. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beroepsvereisten Raad van State. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3122,"b":"Besluit van 22 mei 2008 tot beperking van het recht op premievrije voortzetting van een levensverzekering Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 8 april 2008, nr. 5538852/08/6; Gelet op [artikel 978, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=978); De Raad van State gehoord (advies van 24 april 2008, nr. W03.08.0126/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 16 mei 2008, nr. 5544729/08/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het in [artikel 978, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=978) bedoelde recht op premievrije voortzetting tegen verminderde bedragen kan in de overeenkomst worden uitgesloten indien de hoogte van de verminderde uitkering lager is dan € 5.000 op het tijdstip van omzetting. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op verzekeringen die periodiek tot uitkering komen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":19655,"b":"Wet van 21 april 1994, houdende vervanging van de Wegenverkeerswet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels inzake het verkeer op de weg opnieuw vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders blijkt, verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - b. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten; - c. motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders, met uitzondering van fietsen met trapondersteuning; - d. aanhangwagen: voertuig dat kennelijk is bestemd om te worden voortbewogen door een motorrijtuig. In het bepaalde krachtens deze wet kan onder aanhangwagen tevens worden verstaan een voertuig dat door een ander voertuig wordt voortbewogen of kennelijk is bestemd om door een ander voertuig te worden voortbewogen; - e. bromfiets: In ieder geval wordt als bromfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als bromfiets is aangeduid; - a. motorrijtuig op twee wielen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3 of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig als bedoeld in subonderdeel d; - b. motorrijtuig op drie wielen, met een door"},{"i":4204,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 10 april 2018, nr. IENW/BSK-2018/74136, houdende vaststelling van het subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling VeiligheidNL voor het jaar 2018 Gelet op [artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8) en [artikel 4, tweede lid, van de Subsidieregeling VeiligheidNL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040088&artikel=4); BESLUIT: artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Subsidieregeling VeiligheidNL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040088&artikel=4) wordt voor de periode vanaf 8 mei 2018 tot en met 31 december 2018 vastgesteld op € 80.000,– voor het doen van onderzoek en € 100.000,– voor het geven van voorlichting. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3784,"b":"Besluit middeling **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit staat het beleid over middeling. Dit besluit is een actualisering van het besluit van 19 december 2020, nr. 2020-226944 (** **Stcrt. 2020, 62987** **). De goedkeuring voor het jaar van overlijden is aangepast. Een goedkeuring voor het betrekken van het jaar van migratie in het middelingstijdvak is opgenomen in dit besluit.** 1. Inleiding Dit besluit bevat een goedkeuring voor twee situaties waarin het eerste of het laatste middelingsjaar van een tijdvak een deeljaar is. Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 19 december 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044524), nr. 2020-226944 (Stcrt. 2020, 62987). 1.1. Wijzigingen ten opzichte vorige versie Hieronder staan de belangrijkste veranderingen ten opzichte van dat besluit: 1.2. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.3. Overgangsrecht De middelingsregeling is per 1 januari 2023 afgeschaft. Via de overgangsregeling van [artikel 10a.28 Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10a.28) blijft [afdeling 3.14 Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&afdeling=3.14) zoals die luidde op 31 december 2022 nog van toepassing op verzoeken om een middelingsteruggaaf over een middelingstijdvak waartoe het kalenderjaar 2022 of een daaraan voorafgaand kalenderjaar behoort. Concreet betekent dit dat het laatste tijdvak waarop de middelingsregeling en dit besluit van toepassing zijn, bestaat uit de kalenderjaren 2022, 2023, 2024. Waar hierna wordt gesproken over [artikel 3.154 Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.154), wordt het artikel bedoeld zoals dat luidde op 31 december 2022. 2. Opname van het jaar van overlijden en migratie in het middelingstijdvak Het middelingstijdvak bestaat uit drie aaneengesloten gehele kalenderjaren waarin de belastingplichtige binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplicht"},{"i":4050,"b":"Fiscale gevolgen van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie met ingang van 1 februari 2020 (Besluit toelichting fiscale gevolgen terugtrekkingsakkoord Brexit) **De Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst, geeft de volgende toelichting.** **Dit besluit bevat een toelichting op de fiscale gevolgen van het terugtrekkingsakkoord dat is overeengekomen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie in het kader van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie met ingang van 1 februari 2020.** Met ingang van 1 februari 2020 trekt het Verenigd Koninkrijk (VK) zich terug uit de Europese Unie (EU). Ten behoeve van een ordelijke terugtrekking van het VK uit de EU is een akkoord gesloten tussen het VK en de EU1Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PbEU 2019 C 384 I). (hierna: het terugtrekkingsakkoord). In het terugtrekkingsakkoord zijn onder meer de voorwaarden voor een overgangsperiode overeengekomen. Tijdens de overgangsperiode geldt de afspraak dat het gemeenschapsrecht tot en met 31 december 2020 voor het grootste deel zal blijven gelden ten aanzien van het VK. Onder gemeenschapsrecht wordt in dit verband verstaan het geheel van EU-verdragen, verordeningen, richtlijnen, inclusief de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dat betekent dat tijdens de overgangsperiode het VK voor het gemeenschapsrecht en voor de nationale regelgeving die dient ter implementatie daarvan, wordt aangemerkt als EU-lidstaat. Deze bepaling heeft rechtstreekse werking en zal daarom het effect hebben dat bestaande regels na de terugtrekking gedurende de overgangsperiode van overeenkomstige toepassing blijven op het VK zonder dat daarvoor een omzetting in nationale regelgeving is vereist.2Zie met name artikel 127, eerste en zesde lid, juncto artikel 2, onderdee"},{"i":3902,"b":"Besluit van 19 november 1997, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de radiodiagnostisch laborant en de radiotherapeutisch laborant (Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied radiodiagnostisch laborant en radiotherapeutisch laborant) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juni 1997, CSZ/BO-978518; Gelet op [artikel 34 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34); Gezien het advies van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (adviezen van 8 juli 1994 en 4 oktober 1996); De Raad van State gehoord (advies van 11 november 1997, No. W13.97.0347); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 november 1997, CSZ/BO-9718 054; Hebben goedgevonden en verstaan: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Registratie instellingen en opleidingen: het register, bedoeld in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13); - b. instelling: een instelling als bedoeld in [artikel 1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.8) dan wel aangewezen krachtens [artikel 1.11 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.11); - c. studiepunt: veertig uren studie. § 2. Titel Artikel 2 1. Het recht tot het voeren van de titel van radiodiagnostisch laborant is voorbehouden aan degene aan wie een getuigschrift is uitgereikt waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van een opleiding voor medisch beeldvormende en radiotherapeutische technieken die is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen en die voldoet aan het in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009024&hoofdstuk"},{"i":3690,"b":"Besluit mandaat en machtiging Stadsgewest Haaglanden en Stadsregio Rotterdam inzake RandstadRail Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gezien de schriftelijke instemming van de voorzitter van het dagelijks bestuur van het Stadsgewest Haaglanden en de voorzitter van het dagelijks bestuur van de Stadsregio Rotterdam, als bedoeld in [artikel 10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), bij brief van SR/2006/1597/pv en sh06.968; Besluit: Treedt voor het gedeelte Den Haag Centraal–Den Haag Laan van NOI in werking op 15 juli 2006 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. RandstadRail: de ingevolge [artikel 1, eerste lid, van de Locaalspoor- en Tramwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866&artikel=1) aangewezen locaalspoorweg Den Haag Centraal–Den Haag Laan van NOI–Zoetermeer, met de zijtak Leidschendam–Rotterdam; - b. plusregio: regio als bedoeld in [artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=104). Artikel 2 1. Aan de voorzitter van het dagelijks bestuur van de plusregio waarin het desbetreffende gedeelte van RandstadRail is gelegen wordt mandaat verleend om namens de Minister van Verkeer en Waterstaat besluiten te nemen: - a. tot verlening en intrekking van ontheffingen krachtens [artikel 39 van de Spoorwegwet 1875](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=39); - b. tot verlening, wijziging en intrekking van vergunningen krachtens [artikel 15 van het Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003083&artikel=15). 2. De voorzitter van het dagelijks bestuur van de desbetreffende plusregio kan van het aan hem in het eerste lid verleende mandaat ondermandaat verlenen aan één of meerdere onder hem ressorterende functionarissen of aan één of meerdere functionarissen van het bedrij"},{"i":3286,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 mei 2025 nr. BOACAT2025/126, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Meierijstad Gelezen het verzoek van gemeente Meierijstad van 29 april 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051063&artikel=2&z=2025-05-29&g=2025-05-29). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Boa openbare ruimte in dienst van gemeente Meierijstad, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling"},{"i":3687,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 16 december 2014, nr. WJZ/14197159, houdende regels inzake de verlening van mandaat en machtiging aan de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (RDW) betreffende aangelegenheden die verband houden met de afgifte van een certificaat voor vervoermiddelen bestemd voor het transport van dieren (Besluit mandaat en machtiging RDW afgifte certificaat voor vervoermiddelen dierentransport) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer; Besluit: Artikel 1 Aan de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer wordt mandaat en machtiging verleend voor aangelegenheden die verband houden met de afgifte van een certificaat van goedkeuring voor een vervoermiddel bestemd voor het transport van dieren als bedoeld in artikel 18, eerste lid, of artikel 19, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU 2005, L 3). Artikel 2 1. De Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer kan voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036036&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01) bedoelde aangelegenheden ondermandaat en machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende functionarissen. 2. Het verlenen van ondermandaat en machtiging alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk en wat de formulering betreft in overeenstemming met de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken. 3. Een afschrift van besluiten inzake ondermandaat en machtiging als bedoeld in het eerste lid, wordt gezonden aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en aan degenen aan wie krachtens het"},{"i":2958,"b":"Besluit van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 17 februari 2023 tot aanwijzing van het klachtenreglement van toegelaten instellingen volkshuisvesting Gelet op [artikel 55b, derde lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=55b); Besluit: Artikel 1 Als reglement, bedoeld in [artikel 55b, derde lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=55b), wordt aangewezen het reglement in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. bij het Besluit van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 17 februari 2023 tot aanwijzing van het klachtenreglement van toegelaten instellingen volkshuisvesting Voorbeeld Reglement Klachtencommissie versie 1 februari 2023 Artikel 1. Begrippen Artikel 2. Doel en taak van de klachtencommissie Artikel 3. Samenstelling klachtencommissie, profiel en benoeming van leden Artikel 4. Voorleggen klacht aan de klachtencommissie Artikel 5. Klachten die niet in behandeling worden genomen Artikel 6. Verwerking van klachten Artikel 7. Voorbereiding van de zitting Artikel 8. De zitting Artikel 9. Adviezen Artikel 10. Spoedeisende klachten Artikel 11. Bescherming persoonsgegevens Artikel 12. Faciliteiten Artikel 13. Registratie en verslag van werkzaamheden Artikel 14. Vaststelling en wijziging reglement, onvoorziene omstandigheden In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist de klachtencommissie. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2641,"b":"Beleidsregels van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 13 januari 2016, nr. IENM/BSK-2015/170540, houdende uitvoering van de last onder dwangsom voor de handhaving van gedelegeerde ITS-verordeningen Gelet op [artikelen 145g, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=145g), en [169, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=169), de [artikelen 4:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), en [5:32 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:32) en de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036478&artikel=3.1) en [4.1 van de ITS-Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036478&artikel=4.1); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder: - **overtreding:** overtreding als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037545&artikel=2&z=2016-01-15&g=2016-01-15). Artikel 2. (opleggen last onder dwangsom) 1. Een last onder dwangsom kan worden opgelegd vanwege een overtreding van de eisen, gesteld in de gedelegeerde verordening (EU) 885/2013 en de gedelegeerde verordening (EU) 886/2013, bedoeld in [artikel 1.1 van de ITS-Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036478&artikel=1.1). 2. Overtredingen worden onderscheiden in lichte en zware overtredingen. Artikel 3. (zware overtreding) 1. Een zware overtreding is: - a. het niet meewerken aan het toezicht op de naleving van de eisen, gesteld in gedelegeerde verordening (EU) 885/2013 en gedelegeerde verordening (EU) 886/2013; - b. een overtreding waarmee de verkeersveiligheid in gevaar komt of die ernstige gevolgen heeft voor de gebruiker respectievelijk eindgebruiker van de dienstverlening voortkomende uit de genoemde gedelegeerde verordeningen. 2. De volgende overtredingen worden in ieder geval aangemerkt als een zware overtreding: -"},{"i":2953,"b":"Besluit van 14 mei 2007 tot aanwijzing van instanties met een rechtmatig belang in het kader van Verordening 2006/2004 (Besluit aanwijzing instanties met een rechtmatig belang) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 22 november 2006, nr. WJZ 6098296; Gelet op [verordening (EG) nr. 2006/2004](32004R2006) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (PbEU L 364) en [artikel 6.2 van de Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586&artikel=6.2); De Raad van State gehoord (advies van 4 januari 2007 nr. W10.06.0515/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 8 mei 2007, nr. WJZ 7054568; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als aangewezen instantie als bedoeld in [artikel 6.2 van de Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586&artikel=6.2) wordt aangewezen de Stichting Reclame Code. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing instanties met een rechtmatig belang. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3919,"b":"Besluit van 23 april 2015, houdende voorwaarden waaronder de transitievergoeding niet verschuldigd is (Besluit overgangsrecht transitievergoeding) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 februari 2015, nr. 2015-0000017201; Gelet op [artikel XXII, zevende lid, van de Wet werk en zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035254&artikel=XXII); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 maart 2015, No.12.15.0019/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 april 2015, nr. 2015-0000102230; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **transitievergoeding:** de transitievergoeding, bedoeld in de [artikel 673 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673); - b. **afspraken:** afspraken aangegaan voor 1 juli 2015, waaraan op 1 juli 2015 rechten kunnen worden ontleend. Artikel 2. Geen transitievergoeding bij lopende collectieve afspraken met verenigingen van werknemers Vervallen Artikel 3. Keuze voor transitievergoeding of overige lopende afspraken 1. Indien de werknemer, anders dan op grond van tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers en verenigingen van werknemers gemaakte afspraken, recht heeft op vergoedingen of voorzieningen als bedoeld in [artikel XXII, zevende lid, van de Wet werk en zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035254&artikel=XXII), is de transitievergoeding uitsluitend verschuldigd, indien de werknemer schriftelijk afstand doet van zijn recht op die vergoedingen en voorzieningen. 2. De werkgever informeert de werknemer, die recht heeft op vergoedingen of voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, schriftelijk over de voorwaarden, bedoeld in het eerste en derde lid, waaronder de transitievergoeding is verschuldigd, over de hoogte van de transitievergoeding en over de vergoedingen of voorzieningen als bedo"},{"i":4449,"b":"Box 3-besluit **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit staat het beleid met betrekking tot het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Dit besluit is een actualisering van het besluit van 31 oktober 2016, nr. 2016-113962 (Stcrt. 2016, 59049) zoals dat is gewijzigd bij besluit van 20 december 2016, nr. 2016, 188319 (Stcrt. 2017, 765) en van 12 oktober 2023, nr. 2023-22890 (Stcrt. 2023, 27993).** 1. Inleiding 1.1. Wijzigingen besluit In dit besluit staat het beleid met betrekking tot het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Het [besluit van 31 oktober 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038694) is geactualiseerd, waarbij twee goedkeuringen zijn komen te vervallen. Door tijdsverloop is de goedkeuring voor de toerekening van schulden die deel uitmaken van een algemeenheid waarop krachtens erfrecht een vruchtgebruik rust voor de jaren 2012 tot en met 2016 en de goedkeuring voor de waardering van vermogen naar aanleiding van het faillissement van DSB Bank N.V. vervallen. Ten slotte is een citeertitel toegevoegd en zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht. 1.2. Gebruikte begrippen en afkortingen [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320): AWR Burgerlijk Wetboek: BW [Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066): UBIB 2001 [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353): Wet IB 2001 Wet op de inkomstenbelasting 1964: Wet IB 1964 2. De rendementsgrondslag 2.1. Tijdig verzoek voor een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en box 3 Met uitzondering van erfbelastingschulden zijn belastingschulden geen schulden in box 3 ([artikel 5.3, derde lid, onderdelen c en d, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.3)). Een belastingplichtige kan de eventuele nadelige gevolgen van deze regel voor inkomstenbelastingschulden voorkomen door tijdig een verzoek voor een (na"},{"i":3206,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 10 juni 2025 nr. BOACAT2025/131, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Barendrecht Gelezen het verzoek van de gemeente Barendrecht van 26 maart 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2025/20339. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051103&artikel=2&z=2025-06-18&g=2025-06-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van gemeente Barendrecht, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Op"},{"i":13842,"b":"Mijnbouwwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het bestaande samenstel van wettelijke regelingen inzake het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen te vervangen door een nieuwe regeling, die aan de thans te stellen eisen voldoet, en enige regels te stellen met betrekking tot bepaalde met mijnbouw verwante activiteiten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. delfstoffen: in de ondergrond aanwezige mineralen of substanties van organische oorsprong, in een aldaar langs natuurlijke weg ontstane concentratie of afzetting, in vaste, vloeibare of gasvormige toestand, met uitzondering van brongas, kalksteen, grind, zand, klei, schelpen en mengsels daarvan; - b. aardwarmte: in de ondergrond aanwezige warmte die aldaar langs natuurlijke weg is ontstaan; - c. continentaal plat: het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, waarop het Koninkrijk mede overeenkomstig het op 10 december 1982 te Montego-Bay gesloten Verdrag inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83) soevereine rechten heeft en hetwelk is gelegen aan de zeezijde van de in [artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003748&artikel=1) bedoelde lijn; - d. verkenningsonderzoek: een onderzoek, zonder gebruikmaking van een boorgat, naar de aanwezigheid van delfstoffen of naar de aanwezigheid van aardwarmte, dan wel naar nadere gegevens omtrent delfstoffen of aardwarmte; - e. opsporen van delfstoffen: onderzoek doen naar de aanwezigheid van delfstoffen, dan wel naar nadere gegevens daaromtrent, met gebruikmaking van een boorgat; - f. winnen van delfstoffen: het met gebruikm"},{"i":13836,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, kenmerk ACM/DE/2016/202161, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 12b van de Gaswet (Meetcode gas LNB) Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f); Besluit: 1. Algemene bepalingen 1.1. Werkingssfeer 1.1.1 De Meetcode gas LNB bevatten de voorwaarden inzake de volume- en capaciteitsmetingen op de aansluitingen of systeemverbindingen op het landelijk gastransportnet alsmede de gaskwaliteitsmetingen in het landelijk gastransportnet. 1.2. Definities 1.2.1 Begrippen, die in de [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440) of de Begrippencode gas zijn gedefinieerd, hebben de in de Gaswet of [Begrippencode gas](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037923) gedefinieerde betekenis. 1.3. Algemene functionele eisen 1.3.1 Het meetsysteem omvat een samenstel van meetinstallaties die gebruikt worden ter bepaling van gashoeveelheid, gashoeveelheid per uur, gaskwaliteit en/of hoeveelheid energie van het gas. 1.3.2 Het meetsysteem voldoet aan de volgende specificaties: | meetonzekerheid in hoeveelheid energie op maandbasis | ≤ 1% | | --- | --- | | meetonzekerheid in hoeveelheid energie per uur | ≤ 2% | | beschikbaarheid data per uur (gemiddelde op jaarbasis) | ≥ 99% | | maximale storingsduur meting en/of data acquisitie | 24 uur | | beschikbaarheid Gaschromatograaf (GC) (op jaarbasis) | ≥ 95% | De in 1.3 vermelde eisen gelden op basis van 95% betrouwbaarheid. 1.3.3 De netbeheerder van het landelijk gastransportnet slaat de voor het meetproces en voor het beheersproces conform de [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037935&hoofdstuk=2&z=2025-05-08&g=2025-05-08) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037935&hoofdstuk=3&z=2025-05-08&g=2025-05-08) van deze Meetcode gas LNB relevante parameters op in een register. De gegevens in dit register kunnen door de aangeslotene of de regionale ne"},{"i":19662,"b":"Wet van 20 november 2006 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter uitvoering van richtlijn nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177) en richtlijn nr. 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177) (Wet implementatie kapitaalakkoord Bazel 2) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) moet worden aangepast aan [richtlijn nr. 2006/48/EG](32006L0048) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177) en [richtlijn nr. 2006/49/EG](32006L0049) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen de [artikelen 3:18a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:18a) en [3:74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:74a) buiten toepassing blijven tot 1 januari 2008. Artikel III Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad brengt Onze Minister van Financiën de in deze wet voorkomende verwijzingen naar en nummering van artikelen van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.n"},{"i":13854,"b":"Besluit van 15 december 2011, houdende een nadere regeling van de Stichting Autoriteit Financiële Markten ter uitvoering van Artikel III van de Regeling van de Minister van Financiën van 26 oktober 2011 tot wijziging van de Vrijstellingsregeling Wft in verband met een aanpassing van de vrijstellingsbepalingen betreffende het aanbieden van beleggingsobjecten en het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling (Stcrt. 2011, 19762), zoals deze is gewijzigd bij de Regeling van de Minister van Financiën in verband met een aanpassing van de vrijstellingsbepalingen betreffende het aanbieden van beleggingsobjecten en het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling 14 december 2011 (Stcrt. 2011, 144478) (Nadere regeling informatievereisten bij meldingsplicht beleggingsobjecten) Besluit: Artikel I De gegevens, bedoeld in [Artikel III, tweede lid, onderdeel a, van de Regeling van de Minister van Financiën van 26 oktober 2011 tot wijziging van de Vrijstellingsregeling Wft in verband met een aanpassing van de vrijstellingsbepalingen betreffende het aanbieden van beleggingsobjecten en het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030599&artikel=III) (Stcrt. 2011, 19762), zoals deze is gewijzigd bij de Regeling van de Minister van Financiën in verband met een aanpassing van de vrijstellingsbepalingen betreffende het aanbieden van beleggingsobjecten en het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling 14 december 2011 (Stcrt. 2011, 144478), zijn: - a. een opgave van de naam, het adres en het telefoonnummer van de aanbieder; - b. een opgave van de rechtsvorm van de aanbieder; - c. een opgave van de statutaire zetel, de statutaire naam en de handelsnaam of handelsnamen van de aanbieder; - d. indien de aanbieder is ingeschreven in het handelsregister, een opgave van het nummer van inschrijving; - e. een opgave van de productnaam van elk beleggingsobject dat door"},{"i":13847,"b":"Model Jaarverslaggeving 2016 CAK September 2016 1. Verantwoordingsstructuur 1.1. Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de jaarlijkse verantwoordingsplicht van het CAK over de uitvoering van de [Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) (Wtcg)1Afgeschaft per 1 januari 2014., de Ouderbijdrage [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) (ObJw)2Afgeschaft per 1 januari 2016., de afgifte van Schengen- en Engelstalige verklaringen, de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ)3Afgeschaft per 1 januari 2015., de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz), de [Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) (Wmo) en de Compensatieregeling eigen risico (CER)4Afgeschaft per 1 januari 2014. als onderdeel van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Het CAK is belast met het uitvoeren van publiekrechtelijke werkzaamheden. Ook beschrijft dit hoofdstuk welke verantwoordingsdocumenten het CAK jaarlijks moet aanleveren bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De NZa en VWS hebben een samenwerkingsprotocol5Zie hiervoor www.nza.nl. opgesteld over het toezicht op het CAK. Onderdeel van dit samenwerkingsprotocol zijn de afspraken tussen beide partijen over samenwerking, coördinatie en informatie-uitwisseling. Het CAK is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het CAK heeft in dit kader te maken met wet- en regelgeving en volgt zover van toepassing de Code Goed Bestuur Publieke Dienstverleners van de Handvestgroep Publiek Verantwoorden van november 20156Zie hiervoor www.publiekverantwoorden.nl.. De [Regeling bezoldiging en beheerskosten bestuursorganen volksgezondheid 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030162) en de [Kaderwet"},{"i":13856,"b":"Nadere regels inzake de wijze waarop het College sanering ziekenhuisvoorzieningen uitvoering geeft aan artikel 7a, eerste lid, van het Besluit sanering instellingen voor gezondheidszorg (Nadere regels uitvoering negatief vermogen) Gelet op [artikel 18b, lid 4, Wet ziekenhuisvoorzieningen](onbekend) jo[artikel 7a van het Besluit sanering instellingen voor gezondheidszorg](onbekend); Besluit: Artikel 1 In deze Nadere regels uitvoering negatief vermogen wordt verstaan onder: - a. **College** het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, zoals genoemd in de [Wet ziekenhuisvoorzieningen](onbekend); - b. **Centrale post voor het ambulancevervoer** de Centrale post voor het ambulancevervoer, genoemd in de [Wet ambulancevervoer](onbekend); - c. **Ambulancedienst** instelling met een vergunning tot het verrichten van ambulancevervoer met ambulanceauto's, zoals genoemd in de [Wet ambulancevervoer](onbekend); - d. **Negatief vermogen** het negatief saldo van de Reserve aanvaardbare kosten en het genormaliseerde eigen vermogen tezamen; - e. **Reserve aanvaardbare kosten** het cumulatieve verschil tussen het budget op basis van de [Wet tarieven gezondheidszorg](onbekend) en de werkelijke kosten; - f. **Normaliseren** het aanpassen van de waarderingsgrondslagen zoals deze door de instelling is toegepast naar de waarderingsgrondslagen zoals in de Nadere regels gegevens negatief vermogen voorgeschreven; - g. **Sluitingsbalans** de balans per datum beëindiging dienstverlening inzake ambulancehulpverlening. Artikel 2 - a. Het genormaliseerde vermogen op 31 december 2000 moet negatief zijn om in aanmerking te komen voor subsidieverlening. Voorwaarde is voorts dat een goedkeurende accountantsverklaring bij de jaarrekening 2000 alsmede bij de genormaliseerde vermogensopstelling per 31 december 2000 wordt overgelegd waaruit dit genormaliseerde negatieve vermogen blijkt; - b. Een wijziging van het genormaliseerde negatief vermogen ná 31 december 2000 zal bij de subsidieverlening in aanmer"},{"i":13838,"b":"Meststoffenwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen met betrekking tot het verhandelen van meststoffen, zowel in het belang van de bevordering van de deugdelijkheid voor het doel waarvoor zij zijn bestemd als in het belang van de bescherming van de bodem, en voorts regelen te stellen in het belang van een doelmatige afvoer van mestoverschotten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. grond: dat deel van de bodem dat wordt gebruikt of is bestemd om te worden gebruikt als voedingsbodem voor planten; - b. groeimedium: materiaal in vaste of vloeibare vorm, niet zijnde grond, dat wordt gebruikt of is bestemd om te worden gebruikt als voedingsbodem voor planten; - c. dierlijke meststoffen: uitwerpselen van voor gebruiks- of winstdoeleinden gehouden dieren, daaronder begrepen de geheel of gedeeltelijk verteerde maag- of darminhoud van deze dieren en mengsels van strooisel met de uitwerpselen, alsook producten daarvan; - d. meststoffen: dierlijke meststoffen, ongeacht hun bestemming, en producten die zijn bestemd om: - 1°. te worden toegevoegd aan grond of aan een groeimedium en die geheel of gedeeltelijk bestaan uit stoffen, organismen daaronder begrepen, of mengsels van stoffen, die als zodanig kunnen dienen om grond of een groeimedium geschikt of beter geschikt te maken als voedingsbodem voor planten; - 2°. te worden gebruikt als groeimedium; - 3°. te worden gebruikt als voedsel voor planten of delen van planten, voor zover deze producten niet reeds zijn begrepen onder 1° of 2°; - e. verhandelen van meststoffen: afleveren van meststoffen aan handelaren in of gebruikers van meststoffen alsmede het met het oog daarop voorhanden of in"},{"i":13857,"b":"Nadere voorschriften controle- en overige standaarden **Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (NV COS)** **Nadere voorschriften controle- en overige standaarden vastgesteld bij bestuursbesluit van 27 december 2023** Het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA); Gelet op [artikel 24 van de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635&artikel=24) (VGBA); Gehoord de leden; Stelt de volgende nadere voorschriften vast: 000N. Aanvulling op de definities in de Standaarden van de NV COS **1** De definities in deze Standaard 000N zijn van toepassing op de Standaarden 100 – 5699 van de NV COS. Standaard 000N bevat een aanvulling op de paragrafen ‘Definities’ in de Standaarden. (Zie Par. A1, A2, A3 en A4) **2** In deze Standaard zijn een aantal begrippen opgenomen uit de **Glossary of terms** uit het **Handbook of International Quality Control, Auditing, Review, Other Assurance, and Related Services Pronouncements** (2018 Edition) van de International Auditing and Assurance Standards Board (IAASB). Deze begrippen zijn niet gedefinieerd in de afzonderlijke Standards in het Handbook van de IAASB en de daarmee overeenkomende Standaarden van de NV COS. **3** De begrippen zijn in een afzonderlijke Nederlandse Standaard 000N opgenomen om aansluiting te behouden tussen de Standaarden van de NV COS en de Standards in het Handbook van de IAASB. **4** In de NV COS waren tot en met de editie 2021 definities opgenomen in: Gelijktijdig met de invoering van een begrippenlijst bij de **Handleiding Regelgeving Accountancy** (HRA) is de begrippenlijst in de NV COS ingetrokken. De definities in de NV COS zijn alleen nog in de Standaarden opgenomen. De begrippenlijst bij de HRA1Dit overzicht is te vinden op: [www.NBA.nl/hra-begrippenlijst](http://www.NBA.nl/hra-begrippenlijst) bestaat uit een overzicht van definities uit alle regelgeving in de HRA. Deze begrippenlijst bij de HRA is bedoel"},{"i":13846,"b":"Besluit van 18 April 1939, betreffende vrijstelling en voorloopige vrijstelling van werkelijken dienst in geval van buitengewone omstandigheden Op de voordracht van Onzen Minister van Defensie van 22 Februari 1939, VIIde afdeeling, nr. 698 H; Overwegende, dat herziening noodig is gebleken van het Mobilisatie-vrijstellings-besluit (**Staatsblad** 1923, nr. 119); Gelet op art. 32, derde lid, der Dienstplichtwet (Staatsblad 1938, nr. 501); Den Raad van State gehoord (advies van 14 Maart 1939, nr. 22); Gezien het nader rapport van Onzen genoemden Minister van 15 April 1939, VIIde afdeeling, nr. 302 H; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Wanneer in geval van buitengewone omstandigheden krachtens [artikel 19 van de Kaderwet dienstplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008589&artikel=19) dienstplichtigen in werkelijke dienst worden opgeroepen, komen niet of voorlopig niet krachtens die oproeping in werkelijke dienst de personen behorend tot de groepen, onderscheidenlijk vermeld in de bij dit besluit behorende lijsten A en B. 2. Ten aanzien van elken persoon, die behoort tot een der groepen, welke in geval van buitengewone omstandigheden niet of voorloopig niet in werkelijken dienst komen, gaat de vrijstelling van opkomst in met ingang van een door Onze Minister van Defensie te bepalen datum. Artikel 2 1. De voorloopige vrijstelling van opkomst, in [art. 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001994&artikel=1&z=1997-10-17&g=1997-10-17), bedoeld, van hen, die behooren tot een der in lijst **B** vermelde groepen, wordt, naar gelang Onze Minister van Defensie daartoe termen aanwezig acht, verleend òf voor onbepaalden tijd òf voor een door dien Minister te bepalen maximum-duur. 2. Voor zoover dit genoemden Minister noodig blijkt, worden reeds verleende voorloopige vrijstellingen herzien met toepassing van den regel, in het eerste lid vervat. Artikel 3 Onze Minister van Defensie is bevoegd om in werkelijken dienst zijnde dienstplichtigen, die"},{"i":12262,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2016 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2016 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 31.900 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 319.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.190.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2016 worden voor de premiecomponent WGA voor vaste dienstbetrekkingen voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,48% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,47% | | Maximumpremie werkgevers | 1,88% | | Minimumpremie werkgevers | 0,11% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,27% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,34 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2016 worden voor de premiecomponent WGA voor flexibele dienstbetrekkingen voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,25% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,24% | | Maximumpremie werkgevers | 0,96% | | Minimumpremie werkgevers | 0,06% | | Gemiddelde we"},{"i":12771,"b":"Besluit van 3 april 2006, nr. DJZ/BR/0251-2006, van de Minister van Buitenlandse Zaken, tot vaststelling van een gedragslijn voor de beoordeling van buitenlandse documenten door middel van legalisatie en verificatie Besluit: Artikel 1. Definities 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de minister: de minister van Buitenlandse Zaken; - b. legalisatie van een document: de bevestiging door een daartoe bevoegde instantie van tenminste de echtheid van de ondertekening en in voorkomend geval van het zegel of stempel alsmede van de hoedanigheid van de ondertekenaar van een document; - c. verificatie: een onderzoek naar de juistheid van de inhoud van een document. 2. Voor de toepassing van dit besluit worden onder ‘bestuursorganen’ mede verstaan: instellingsbesturen en bevoegde gezagsorganen van uit de openbare kas bekostigde dan wel krachtens de [Wet op de erkende onderwijsinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003821) erkende onderwijsinstellingen. Artikel 2. Voor legalisatie in aanmerking komende documenten 1. De minister gaat, onverminderd [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019727&artikel=4&z=2010-07-01&g=2010-07-01), op verzoek tot legalisatie over van: - a. documenten die buiten Nederland zijn opgemaakt en van - b. documenten die in Nederland zijn opgemaakt door diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen van een andere Staat, binnen het bereik van hun bevoegdheden naar het recht van die Staat en naar internationaal recht, met betrekking tot rechtshandelingen die ten overstaan van die vertegenwoordigingen hebben plaatsgevonden, met het oog op het gebruik van de onder a en b bedoelde documenten als gegevensbron in Nederland. 2. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op documenten afkomstig uit landen waar de omstandigheden van dien aard zijn dat legalisatie niet mogelijk of niet zinvol is. De minister doet daarvan mededeling via internet. Artikel 3. Verzoek Een verzoek tot legalisatie door de minister van e"},{"i":12523,"b":"Besluit opheffen beperkingen openbaarheid archieven Kabinet der Koningin over de periode 1946–1988 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op de Verklaring van Overbrenging van 3 mei 1996, houdende de beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archieven van het Kabinet der Koningin over de periode 1940–1975, Gelet op het Besluit van 19 december 2003 van de directeur van het Kabinet van de Koningin, houdende de beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archieven van het Kabinet der Koningin over de periode 1976–1988, Gehoord hebbende de directeur van het Kabinet van de Koning, Besluit: Artikel 1 De beperkingen die, met het oog op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen ofwel rechtspersonen danwel van derden, zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de serie Verbaal: Wetten, Besluiten en Kabinetsbrieven in de inventarisnummers 9401-13161 in het archief van het Kabinet der Koningin 1946–1975 worden opgeheven. Artikel 2 De beperkingen die, met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de series Verbaal: Wetten, Besluiten en Kabinetsbrieven, inventarisnummers 9401-13161 en 14000-16388 in de archieven van het Kabinet van de Koningin over de periode 1946–1988 worden opgeheven wanneer een verzoeker aantoont dat deze archiefbescheiden geen persoonsgegevens bevatten of wanneer deze ten genoege van de algemene rijksarchivaris aantoont dat alle betrokkenen die voorkomen in de archiefbescheiden waarop zijn verzoek betrekking heeft, zijn overleden. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":12684,"b":"Besluit vaststeling selectielijst neerslag handelingen ProRail en rechtsvoorgangers over de periode vanaf 1994 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 13 april 2012, nr. arc-2012.06491/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van ProRail en rechtsvoorgangers over de periode vanaf 1994’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13895,"b":"Besluit van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 1 mei 2024, nr. OA2426, tot vaststelling van een subsidieregeling Onderzoek naar de journalistieke praktijk: open aanvraag 2024–2026 Gelet op [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3) en [8.15 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15); besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **Expert journalistieke informatiebron:** Inhoudelijk of ervaringsdeskundige in dienst bij een van de journalistieke informatiebronnen uit het samenwerkingsverband. Deze beschikt over expertise die aansluit bij de probleemstelling uit het onderzoeksvoorstel waarvoor subsidie is aangevraagd. - b). **Journalistiek onderzoek:** een onderzoek, waarvan de onderliggende probleemstelling betrekking moet hebben op journalistieke informatiebronnen, actief binnen de journalistieke bedrijfstak. - c). **Journalistieke informatiebron:** een organisatie binnen de journalistieke bedrijfstak met als (hoofd)activiteit het maken en leveren van een dienst of product waarbij: - i. het product of de dienst gericht is op het Nederlandse publiek; en - ii. minimaal 25% van het product of de dienst tot stand is gekomen op basis van journalistiek handelen; en - iii. de publicatiefrequentie minimaal een keer per twee weken is en daarmee sprake is van een informatiebron waartoe burgers zich met een vaste regelmaat kunnen wenden; en - iv. die staat ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel. - d). **Journalistieke bedrijfstak:** het geheel van private en publieke journalistieke informatiebronnen gevestigd in Nederland, waarvan de activiteiten zijn gericht op de Nederlandse markt. - e). **Journalistiek handelen:** het vergaren, verwerken en verspreiden van informatie en nieuws, waarbij: - i. het gaat om onafhankelijk tot stand gekomen berichtgeving die bestemd is voor alle geledingen binnen de samenlev"},{"i":11891,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 augustus 2007, nr. TRCJZ/2007/1221, houdende aanwijzing nationale parken (Regeling aanwijzing nationale parken) Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 Vervallen Artikel 2 1. Als nationaal park zijn aangewezen: - –. De Alde Feanen; - –. De Biesbosch; - –. Drentsche Aa; - –. Drents-Friese Wold; - –. Duinen van Texel; - –. Dwingelderveld; - –. De Groote Peel; - –. Hollandse Duinen; - –. Lauwersmeer; - –. De Maasduinen; - –. De Meinweg; - –. Nieuw Land; - –. Oosterschelde; - –. De Sallandse Heuvelrug; - –. Schiermonnikoog; - –. Utrechtse Heuvelrug; - –. Weerribben-Wieden; - –. Van Gogh; - –. Zuid-Kennemerland. 2. De nationale parken, bedoeld in het eerste lid, omvatten de gebieden, zoals aangegeven op de kaarten, opgenomen in de bijlage bij deze regeling. § 2. Het overlegorgaan Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen § 3. Nationaal park in oprichting Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen § 4. Slotbepalingen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2007. Artikel 15 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing nationale parken. Bijlage Bijlage Bijlage, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022396&paragraaf=1&artikel=1&z=2009-01-01&g=2009-01-01), [artikel 5, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022396&paragraaf=2&artikel=5&z=2009-01-01&g=2009-01-01), en [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022396&paragraaf=2&artikel=8&z=2009-01-01&g=2009-01-01), van de regeling. **I Nationaal park De Alde Feanen** Aangewezen per 26 april 2006 1. Zestien leden als vertegenwoordiger van onderscheidenlijk: 2. Het secretariaat van het overlegorgaan berust bij de provincie Friesland. **II Nationaal park De Biesbosch** Aangewezen per 10 maart 1994 1. Veertien leden als vertegenwoor"},{"i":14231,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 juli 2008, nr. WJZ/32760 (4850), houdende regels in verband met de erkenning van EG-beroepskwalificaties voor cultuurberoepen (Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties cultuurberoepen) Gelet op de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33) en [36 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=36); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: [Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066); - b. Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. aanvrager: migrerende beroepsbeoefenaar die erkenning van beroepskwalificaties aanvraagt; - d. dienstverrichter: dienstverrichter als bedoeld in [artikel 21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=21). Artikel 2. Gereglementeerde beroepen in de cultuursector Deze regeling is van toepassing op: - a. de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verlenen van erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot of uitoefening van de volgende gereglementeerde beroepen: algemene rijksarchivaris, rijksarchivaris, provinciearchivaris, gemeentearchivaris en waterschapsarchivaris als bedoeld in de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376); - b. de verklaring vooraf, bedoeld in [artikel 23 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=23), van een dienstverrichter die een gereglementeerd beroep als bedoeld onder a wenst uit te oefenen. Artikel 3. Uitvoeringsinstantie Vervallen Artikel 4. Aanvraag erkenning beroepskwalificaties 1. De aanvrager verstrekt aan de Minister bij de aanvraag de volgende documenten, bedoeld in [artikel 13 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=13): - a. een bewijs van de nationaliteit alsmede, indien de definitie van migrerende beroepsbeo"},{"i":19627,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Rijksdienst voor het Wegverkeer vanaf 1951 (Rijksdienst voor het Wegverkeer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005, nr. arc-2005.02405/1); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Rijksdienst voor het Wegverkeer op het beleidsterrein Rijksdienst voor het Wegverkeer vanaf 1951](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19679,"b":"Besluit van 24 april 2006, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L 158 en L 229) Op de voordracht van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 20 februari 2006, nr. 5405850/06/6; Gelet op [artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12), [54, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54), en [112 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=112); De Raad van State gehoord (advies van 17 maart 2006, nr. W03.06.0057/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 14 april 2006, nr. 5414373/06/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel II Een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldig bescheid, waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in [artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) blijkt, wordt, onder handhaving van de daarop gestelde aantekeningen en de geldigheidsduur, aangemerkt als document als bedoeld in [artikel 8.13, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.13), indien de houder ervan niet de nationaliteit van een staat bezit als bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7). Artikel III Een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldig bescheid, waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in [artikel 8, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":13844,"b":"Mijnwet BES Artikel 1 In de artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Rijk: Nederland en Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 1a 1. Onder delfstoffen worden voor de toepassing dezer wettelijke regeling verstaan alle uit de bodem gedolven of op andere wijze uit de bodem gewonnen natuurlijke zelfstandigheden, met uitzondering van die zelfstandigheden die algemeen in Bonaire, Sint Eustatius en Saba voorkomen en uitsluitend dienen voor de aanleg van wegen, voor toeslag voor beton, en voor huizenbouw en kunstwerken in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2. Voor zover uit deze wettelijke regeling niet anders voortvloeit, zijn alle delfstoffen eigendom van het Rijk. 3. Het recht om delfstoffen op te sporen of te ontginnen wordt verkregen, het eerste krachtens een vergunning, het tweede krachtens een concessie, beide te verlenen door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. 4. Vergunning tot opsporing wordt verleend voor een bepaalde tijd, drie achtereenvolgende jaren niet te boven gaande. Zij kan vóór het verstrijken van de vergunningstermijn tot tweemaal telkens voor de tijd van een jaar worden verlengd. De vroeger ingediende aanvrage om een vergunning tot opsporing heeft de voorkeur boven de later ingediende. 5. Concessie tot ontginning wordt verleend voor een bepaalde tijd, vijfenzeventig jaren niet te boven gaande. 6. De wijze waarop, de uitgestrektheid waarvoor, en de voorwaarden waaronder de genoemde vergunningen en concessies zullen kunnen worden verkregen, alsook de rechten en verplichtingen, uit die vergunningen en concessies voortvloeiende en de rechten en verplichtingen van de rechthebbende, voor het geval ten behoeve van opsporingen of ontginningen over de grond moet worden beschikt worden bij algemene maatregel van bestuur geregeld. 7. Bij de in het zesde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen andere stoffen onder de werking daarvan worden gebracht, dan wel bepaalde delfstoffen aan de werking daarvan wor"},{"i":19680,"b":"Besluit van 16 april 1996, houdende aanwijzing van de zaken, bedoeld in artikel VI, tweede lid, van de Wet van 26 februari 1996 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en andere wetten in verband met de opheffing van de functie van verkeersschout (Stb. 155), en aanpassing van lagere regelgeving aan die wet Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 5 januari 1996, Directie Wetgeving, nr. 532577/95/6; Gelet op [artikel VI, tweede lid, van de Wet van 26 februari 1996 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en andere wetten in verband met de opheffing van de functie van verkeersschout](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008195&artikel=VI) (Stb. 155); De Raad van State gehoord (advies van 26 februari 1996; no. W03.96.0013); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 10 april 1996, Directie Wetgeving, nr. 549036/96/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking als Wijzigingswet Wet op de rechterlijke organisatie, enz. (opheffing van functie van verkeersschout) in werking treedt. Artikel 1 De in artikel VI, tweede lid, van de Wet van 26 februari 1996 tot wijziging van de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830) en andere wetten in verband met de opheffing van de functie van verkeersschout (**Stb**. 155) bedoelde zaken zijn zaken die uitsluitend betreffen feiten die bij of krachtens de Wegenverkeerswet, de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622), de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415), [artikel 80 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=80) – voor zover het in gemeentelijke verordeningen strafbaar gesteld gebruik door motorrijtuigen van een weg als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder **b**, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1) betreft –, de [Wet"},{"i":19629,"b":"Verdrag betreffende het aannemen van eenvormige voorwaarden voor periodieke technische keuringen van motorvoertuigen en de wederzijdse erkenning van dergelijke keuringen Preambule De Verdragsluitende Partijen, Erkennende de toename van het wegverkeer en de daaruit voortvloeiende gevaren en overlast, hetgeen alle Verdragsluitende Partijen op het gebied van veiligheid en milieu voor problemen van dezelfde aard en ernst stelt; Geleid door de wens een grotere eenvormigheid van de regelgeving inzake het wegverkeer in Europa tot stand te brengen en een hoger niveau van veiligheid en milieubescherming te verzekeren; Geleid door de wens hiertoe eenvormige voorwaarden terzake van periodieke technische keuringen van motorvoertuigen vast te stellen waaraan deze voertuigen ten minste moeten voldoen om in hun Staten te worden goedgekeurd; In aanmerking nemende dat de tijd die nodig is om deze periodieke technische keuringen van bepaalde motorvoertuigen uit te voeren en de hiermee verbonden uitgaven factoren zijn die van invloed kunnen zijn op de mededingingsomstandigheden tussen wegtransportondernemers op het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen; in aanmerking nemende dat de huidige keuringssystemen per grondgebied verschillen; In aanmerking nemende dat het derhalve noodzakelijk is de keuringsfrequentie en de zaken die verplicht moeten worden gecontroleerd zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen; In aanmerking nemende dat bij het vaststellen van een datum voor de toepassing van de in dit Verdrag bedoelde maatregelen rekening dient te worden gehouden met de tijd die nodig is voor het opstellen van de administratieve en technische regelingen die vereist zijn voor het verrichten van de controles of voor het uitbreiden van de werkingssfeer daarvan; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Verdragsluitende Partijen stellen Voorschriften vast voor periodieke technische keuringen van motorvoertuigen die op hun grondgebied zijn geregistreerd en erkennen de overeenkomstig d"},{"i":19628,"b":"Verdrag betreffende een Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem (EUCARIS) Het Koninkrijk België; de Federale Republiek Duitsland; het Groothertogdom Luxemburg; het Koninkrijk der Nederlanden; het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland; hierna te noemen verdragsluitende Partijen, Overwegende dat het de taak is van de centrale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de registratie van voertuig- en rijbewijsgegevens om bij te dragen aan de voorkoming, opsporing en vervolging van overtredingen van de verordeningen van individuele Staten; Erkennende de noodzaak van doeltreffende wederzijdse uitwisseling van informatie over rijbewijsgegevens, om te verzekeren dat personen bevoegd zijn om een voertuig te besturen overeenkomstig nationale en internationale verordeningen; Tevens de noodzaak erkennende van doeltreffende wederzijdse uitwisseling van informatie over voertuiggegevens, om te verzekeren dat voer-tuigen op de juiste wijze worden toegelaten en/of geregistreerd zijn voor weggebruik; Indachtig het belang van zorgvuldige registratie van gegevens omtrent voertuigen en rijbewijzen, die kunnen worden gebruikt in verband met opsporingsonderzoek en vervolging van overtredingen; Overwegende dat de openbare veiligheid ernstig wordt bedreigd door de toename van internationale criminaliteit waarbij voertuigen zijn betrokken; Ervan overtuigd dat samenwerking tussen de centrale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de registratie van gegevens omtrent voertuigen en rijbewijzen moet worden versterkt door instelling van procedures die deze autoriteiten in staat stellen om zowel hun activiteiten te coördineren, als ook persoonlijke en andere informatie betreffende de registratie van voertuigen en rijbewijzen uit te wisselen met behulp van nieuwe technologie voor beheer en overbrenging van gegevens; Overwegende de bepalingen voor bescherming van gegevens van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995; zijn het vol"},{"i":19681,"b":"Regeling houdende wijziging van diverse regelingen met betrekking tot de kentekenregistratie en enkele andere regelingen in verband met de implementatie van richtlijn nr. 1999/37/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG L 138) Gelet op [richtlijn nr. 1999/37/EG](31999L0037) van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG L 138) alsmede op de [artikelen 4q, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4q), [36, derde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36), [50, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=50), [62, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=62), [70a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=70a), [83, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=83), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=100), en [106, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=106), de [artikelen 1, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=1), [25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=25), [26, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=26), [28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=29), [30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=30), [31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=31), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=32), [33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=33), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=35), [37, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951"},{"i":19682,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 december 2025, nr. IENW/BSK-2025/283829, tot wijziging van de Regeling eisen theorie-examen rijbewijscategorie B en de Regeling vakbekwaamheid bestuurders 2012, vanwege uitbreiding van de gewenste kennis van de verschillende soorten veiligheidsaspecten die van belang zijn bij deelneming aan het verkeer [KetenID WGK027974] Gelet op [artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling eisen theorie-examen rijbewijscategorie B. Artikel II Wijzigt de Regeling vakbekwaamheid bestuurders 2012. Artikel III Certificaten die zijn uitgereikt voor 1 januari 2026 zullen gefaseerd doch uiterlijk op 1 januari 2031 worden vervangen door een nieuw certificaat en behouden tot dat moment hun geldigheid. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026, met uitzondering van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051944&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01), dat in werking treedt met ingang van 1 april 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19637,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Korea inzake scheepvaart De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Korea, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Met het oog op de verdere ontwikkeling van de vriendschappelijke betrekkingen tussen de twee landen en de versterking van de samenwerking op het gebied van de scheepvaart, Met inachtneming van het feit dat zij aanhangers zijn van het beginsel van vrije concurrentie op eerlijke en commerciële grondslag en overeenkomstig de beginselen van gelijkheid en wederzijds voordeel, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. is de „bevoegde scheepvaartautoriteit” in het Koninkrijk der Nederlanden het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en in de Republiek Korea de Scheepvaart- en Havendienst van Korea. - 2. wordt onder „schip van een Verdragsluitende Partij” verstaan: koopvaardijschepen die als zodanig zijn geregistreerd in het scheepsregister van een der Verdragsluitende Partijen en de vlag voeren van een Verdragsluitende Partij in overeenstemming met haar nationale wetten en voorschriften. Deze uitdrukking omvat evenwel niet: - a. schepen die uitsluitend worden gebruikt door de strijdkrachten; - b. vissersschepen en fabrieksschepen. - 3. wordt onder „bemanningslid” verstaan: de kapitein van het schip en elke persoon aan boord van een schip die daadwerkelijk is belast met werkzaamheden verband houdend met de exploitatie van of de dienstverlening op het schip, die is opgenomen op de monsterrol en die houder is van een identiteitsbewijs voor zeevarenden. Artikel II 1. Elke Verdragsluitende Partij past dit Verdrag toe in overeenstemming met haar internationale verplichtingen; het Koninkrijk der Nederlanden past dit Verdrag met name toe in overeenstemming met de verplichtingen die het heeft ingevolge de Verdragen tot oprichting van d"},{"i":13851,"b":"Wet van 29 november 2001 tot vaststelling van het Nederlandse muntstelsel in verband met de invoering van de chartale euro (Muntwet 2002) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, in verband met de invoering van de chartale euro met ingang van 1 januari 2002 en ter uitvoering van [artikel 106 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=106), wenselijk is de Muntwet 1987 te vervangen door een nieuwe wettelijke regeling van het Nederlandse muntstelsel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **gewone circulatiemunten:** de euromunten, genoemd in artikel 2, lid 2 van Verordening (EU) nr. 729/2014 van de Raad van 24 juni 2014 over de denominaties en technische specificaties van voor circulatie bestemde euromuntstukken (PbEU 2014, L 194); - **herdenkingsmunten:** de euromunten, genoemd in artikel 2, lid 3 van Verordening (EU) nr. 729/2014 van de Raad van 24 juni 2014 over de denominaties en technische specificaties van voor circulatie bestemde euromuntstukken (PbEU 2014, L 194); - **munten voor verzamelaars:** de euromunten, genoemd in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 651/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de uitgifte van euromunten (PbEU 2012, L 201); - **Onze Minister:** Onze Minister van Financiën; - **verordening valsemunterij:** Verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PbEG 2001, L 181); - **verordening echtheids- en geschiktheidscontrole euromunten:** Verordening (EU) nr. 1210/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 betreffende de echtheidscontrole van euromunten en de behand"},{"i":19630,"b":"Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart Preambule Overwegende, dat de toekomstige ontwikkeling van de internationale burgerluchtvaart belangrijk kan bijdragen tot het scheppen en bewaren van vriendschap en goed begrip tussen de naties en volkeren van de wereld, doch dat misbruik daarvan een bedreiging kan worden voor de algemene veiligheid; en Overwegende, dat het wenselijk is wrijving te voorkomen en die samenwerking tussen naties en volkeren waarvan de wereldvrede afhangt, te bevorderen; Zo is het, dat de ondertekenende Regeringen, na overeenstemming te hebben bereikt omtrent bepaalde beginselen en regelingen, opdat de internationale burgerluchtvaart zich kan ontwikkelen op een veilige en ordelijke wijze en internationale luchtvervoersdiensten ingesteld kunnen worden op basis van gelijke kansen en geëxploiteerd kunnen worden op een gezonde en economische wijze; Dienovereenkomstig te dien einde dit Verdrag hebben gesloten. DEEL I. LUCHTVAART HOOFDSTUK I. Algemene beginselen en toepassing van het Verdrag Artikel 1. Soevereiniteit De Verdragsluitende Staten erkennen dat elke Staat de volledige en uitsluitende soevereiniteit heeft over de luchtruimte boven zijn grondgebied. Artikel 2. Grondgebied Voor de toepassing van dit Verdrag wordt het grondgebied van een Staat geacht te omvatten het grondgebied en de daaraan grenzende territoriale wateren welke staan onder de soevereiniteit, suzereiniteit, bescherming of het mandaat van die Staat. Artikel 3. Burgerluchtvaartuigen en staatsluchtvaartuigen (a). Dit Verdrag is uitsluitend van toepassing op burgerluchtvaartuigen, niet op staatsluchtvaartuigen. (b). Luchtvaartuigen, in gebruik voor militaire diensten, douane en politiediensten worden geacht staatsluchtvaartuigen te zijn. (c). Geen staatsluchtvaartuig van een Verdragsluitende Staat mag over het grondgebied van een andere Staat vliegen of daarop landen, anders dan met vergunning krachtens een speciale regeling of anderszins en overeenkomstig de bepalingen daa"},{"i":13849,"b":"Regeling van de Kiesraad van 31 maart 2025, nr. 966001, houdende regels ter uitvoering van de Kieswet (Modellenregeling Kiesraad) Gelet op de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. Als de modellen welke de Kiesraad dient vast te stellen, bedoeld in de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627), worden de modellen vastgesteld die in de bijlage van deze regeling zijn opgenomen. 2. De tekst van de modellen in de bijlage bij deze regeling kan redactioneel worden aangepast voor een specifieke doelgroep of voor de digitale toepassing, indien dat de leesbaarheid of doelmatigheid van het model ten goede komt. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2025. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Modellenregeling Kiesraad. Bijlage Model Ea 6: model voor verklaring onderzoek aansluitvoorschriften **<gebiedsaanduiding>** **<verkiezing> <datum>** **Verklaring onderzoek aansluitvoorschriften** **Model Ea 6** Het <college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] / dagelijks bestuur van het waterschap [naam waterschap] / bestuurscollege van het openbaar lichaam [naam openbaar lichaam]> onderzoekt op grond van [artikel Ea 6, tweede lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ea_6) of de ingerichte decentrale voorzieningen en getroffen decentrale maatregelen voldoen aan de door de Kiesraad vastgestelde aansluitvoorschriften. Dit onderzoek heeft in overeenstemming met [artikel Ea 7, tweede lid, van het Kiesbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ea_7) uiterlijk twee dagen voor de dag van stemming plaatsgevonden. Het <college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] / dagelijks bestuur van het waterschap [naam waterschap] / bestuurscollege van het openbaar lichaam [naam openbaar lichaam]> verklaart dat de ingerichte decentrale voorzi"},{"i":17912,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 25 juni 2024, kenmerk 3859917-1067850-Z, wijziging van de Regeling zorgverzekering om de voorwaardelijke toelating van paramedische herstelzorg na COVID-19 per 1 juli 2024 te beëindigen Gelet op [artikel 2.1, vijfde lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II [Artikel 2.2 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=2.2) zoals dat luidde op 30 juni 2024 blijft van toepassing voor verzekerden met ernstige COVID-19 die voor 1 juli 2024 al fysiotherapie, oefentherapie, logopedie,diëtetiek of ergotherapie als bedoeld in dat artikel ontvingen, met dien verstande dat na de inwerkingtreding van deze regeling geen nieuwe termijn als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, van het artikel zoals dat op 30 juni 2024 luidde, kan aanvangen. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18747,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken, 1921–1995, toegang nr. 2.09.85 (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archief van de afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (1921–1995) van het Ministerie van Justitie, bevattende de hierboven genoemde archieven, de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":17320,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 september 2010, nr. Z/VV-3023962, houdende een overgangsartikel voor de periode vanaf de transitiedatum tot aan de inwerkingtreding van het Besluit zorgverzekering BES Gelet op [artikel 22a van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=22a); Besluit: Artikel Enig 1. Dit artikel is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en verstaat onder: - a. tijdstip van transitie: het tijdstip, bedoeld in [artikel 1, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=1), van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. het tijdstip van inwerkingtreding: het tijdstip waarop [artikel 18.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.1) van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt; - c. overgangsperiode: de periode vanaf het tijdstip van transitie tot het tijdstip van inwerkingtreding. 2. Tijdens de overgangsperiode worden de volgende wetten en daarop berustende bepalingen, zonodig in afwijking van wat op dat punt in die wetten en bepalingen is geregeld, uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport: - a. de [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497), voor zover het betreft de bepalingen inzake geneeskundige behandeling en verpleging; - b. de [Wet Ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728), voor zover het betreft de bepalingen inzake geneeskundige behandeling en verpleging; - c. de [Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294). 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt in de in dat lid genoemde wetten en in de daarop gebaseerde regelingen tijdens de overgangsperiode voor de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne"},{"i":18771,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 28 februari 2023, kenmerk 2322822, houdende beperking van de openbaarheid van het archief betreffende de Vergaderingen van Procureurs-Generaal van het Ministerie van Justitie 1935–1994 (1995) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 24 november 2021, met kenmerk zaaknummer 100679. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Vergaderingen van Procureurs-Generaal van het Ministerie van Justitie 1935–1994 (1995). Artikel 1 Gelet op het feit dat in de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom bijzondere persoonsgegevens als, bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming, voorkomen zijn deze inventarisnummers met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnr. | Beperkt openbaar tot | Inventarisnr. | Beperkt openbaar tot | Inventarisnr. | Beperkt openbaar tot | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 68 | 2024 | 114 | 2029 | 160 | 2036 | | 69 | 2024 | 115 | 2029 | 161 | 2036 | | 70 | 2024 | 116 | 2029 | 162 | 2036 | | 71 | 2024 | 117 | 2029 | 163 | 2036 | | 72 | 2024 | 118 | 2030 | 164 | 2036 | | 73 | 2024 | 119 | 2030 | 165 | 2036 | | 74 | 2024 | 120 | 2030 | 166 | 2037 | | 75 | 2025 | 121 | 2030 | 167 | 2037 | | 76 | 2025 | 122 | 2030 | 168 | 2037 | | 77 | 2025 | 123 | 2030 | 169 | 2037 | | 78 | 2025 | 124 | 2030 | 170 | 2037 | | 79 | 2025 | 125 | 2031 | 171 | 2037 | | 80 | 2025 | 126 | 2031 | 172 | 2037 | | 81 | 2025 | 127 | 2031 | 173 | 2038 | | 82 | 2026 | 128 | 2031 | 174 | 2038 | | 83 | 2026 | 129 | 2031 | 175 | 2038 | | 84 | 2026 | 130 | 2031 | 176 | 2038 | | 85 | 2026 | 131 | 2032 | 177 | 2038 | | 86 | 2026 | 132 | 2032 | 178 | 2038 | | 87"},{"i":17440,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 februari 2023, kenmerk 3503357-1042699-PDPP, houdende het verstrekken van een specifieke uitkering voor het versterken van de GGD’en in verband met infectieziektebestrijding (Regeling specifieke uitkering versterking GGD'en) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **academische werkplaatsen infectieziektebestrijding:** een samenwerkingsverband van professionals werkzaam in het beleidsveld, onderzoeksveld en in de praktijk van de infectieziektebestrijding; - **bovenregionale samenwerking:** de regio-overstijgende samenwerking tussen de GGD’en, RAC’ers en REC’ers; - **consortium academische werkplaatsen infectieziektebestrijding:** een regionaal samenwerkingsverband van academische werkplaatsen infectieziektebestrijding; - **deskundige infectiepreventie:** een natuurlijke persoon met een dienstverband als kwaliteitsfunctionaris op het gebied van hygiëne en infectiepreventie bij een GGD; - **GGD:** gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in [artikel 14 van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=14); - **GGD GHOR Nederland:** de branchevereniging van de GGD’en en GHOR’s; - **GHOR:** de geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio als bedoeld in [artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=1); - **implementatieplan:** een plan waarin is uiteengezet welke taken op het terrein van infectieziektebestrijding op regionaal, bovenregionaal of landelijk niveau moeten worden uitgevoerd; - **infectieziektebestrijding:** het voorkomen, signaleren en bestrijden van besmettingen veroorzaakt door infectieziekteverwekkers, die een risico vormen voor de volksgezondheid als bepaald door het RIVM; - **landelijk academiseringsplan:** een plan waarin activiteiten staa"},{"i":17448,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 10 maart 2022, nr. IENW/BSK-2022/44209, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen ten behoeve van lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten (Regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten) Gelet op [artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), [artikel 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), juncto [3, eerste lid, onderdelen a en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), en [artikel 5, onderdelen a tot en met f en h, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen - **infrastructuur:** onroerende zaken ten behoeve van verkeer of vervoer van personen of goederen met daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de verkeersveiligheid, verkeersmanagement en bescherming van het milieu; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **MIRT:** Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport; - **ontvanger:** gemeente, die niet is gelegen in het gebied van de Vervoerregio Amsterdam of de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, provincie, de Vervoerregio Amsterdam of de Metropoolregio Rotterdam Den Haag; - **planuitwerkingsfase:** fase volgend op de verkenningsfase, waarin het voorkeursalternatief voor een project of projectpakket wordt uitgewerkt; - **project:** ondeelbaar geheel van werkzaamheden ten behoeve van de aanleg of verbetering van infrastructuur, tot de uitvoering waarvan in beginsel alleen als geheel besloten kan worden en waarbij afzonderlijke uitvoering en ingebruikneming na voltooiing van een onderdeel niet zonder aanzienlijke meerkosten mogelijk is; - **projectpakket:** verkeerskundig samenhangende combinatie van ten minste twee projecten of ten minste een p"},{"i":17812,"b":"Wet van 26 maart 1999, houdende machtiging tot medewerking aan de oprichting van een Waarborgfonds voor de zorgsector Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is dat de Staat medewerking verleent aan de oprichting van een Stichting Waarborgfonds voor de zorgsector; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt gemachtigd mede te werken aan de oprichting van een Stichting Waarborgfonds voor de zorgsector door: - a. een initiële storting aan die Stichting te doen; - b. de positie van achterborg te bekleden door aan die Stichting op een bij overeenkomst bepaalde wijze en tot bedragen als in die overeenkomst bepaald renteloze leningen te verstrekken ter voorkoming van liquiditeitstekorten bij de Stichting. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17194,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Finland inzake wederzijdse bijstand in douanezaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Finland, Overwegende dat strafbare feiten op het gebied van de douanewetten nadeel toebrengen aan de economische en fiscale belangen van hun onderscheiden landen, alsook aan de rechtmatige belangen van handel, nijverheid en landbouw, Ervan overtuigd dat het voorkomen van strafbare feiten op het gebied van de douanewetten en het streven naar verzekering van een juiste toepassing van douanerechten en andere belastingen en heffingen op invoer of uitvoer doeltreffender worden als gevolg van samenwerking tussen hun douaneautoriteiten, Gelet op de bestaande internationale instrumenten die betrekking hebben op het verlenen van wederzijdse bijstand in douanezaken, Zijn het volgende overeengekomen: BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a. „Staat” een van de Overeenkomstsluitende Staten; - b. „douanewetten”, de wettelijke bepalingen of voorschriften inzake de in-, uit- en doorvoer van goederen, zowel die welke de douanerechten, belastingen of alle andere heffingen betreffen, als die welke maatregelen inzake verboden, beperkingen of controle betreffen; - c. „douaneautoriteiten”, de centrale administratie van een Staat die verantwoordelijk is voor de toepassing van de douanewetten. De Staten verstrekken elkaar daartoe de nodige inlichtingen. WERKINGSSFEER Artikel 2 De Staten verlenen elkaar wederzijds bijstand door tussenkomst van hun douaneautoriteiten en onder de in deze Overeenkomst vermelde voorwaarden: - a. ter verzekering van een juiste naleving van de douanewetten; - b. ter voorkoming, opsporing en bestrijding van strafbare feiten op het gebied van de douanewetten. UITWISSELING VAN INLICHTINGEN Artikel 3 1. De douaneautoriteiten verstrekken elkaar op verzoek alle inlichtingen welke ertoe kunnen bijdragen de juiste heffing v"},{"i":17807,"b":"Wet van 16 december 2004, houdende regels betreffende de financiering van de sociale verzekeringen (Wet financiering sociale verzekeringen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter vermindering van administratieve en uitvoeringslasten en vereenvoudiging van regelgeving de heffing en invordering van de premies voor de werknemersverzekeringen te laten plaatsvinden door de rijksbelastingdienst tezamen met en op zoveel mogelijk gelijke wijze als die van de loonbelasting en de regeling daarvan en van hetgeen overigens de financiering van de werknemersverzekeringen betreft tezamen met de regeling van de financiering van de volksverzekeringen – onder intrekking van onder andere de [Wet financiering volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004538) – onder te brengen in één wet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. De financiering van de volksverzekeringen Hoofdstuk 3. De financiering van de werknemersverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Hoofdstuk 2. De financiering van de volksverzekeringen Hoofdstuk 5. Gemoedsbezwaarden Hoofdstuk 6. De financiering van de vrijwillige sociale verzekeringen Hoofdstuk 7. De fondsen Hoofdstuk 7a. Overgangsbepalingen Artikel 122a. Overgangsrecht in verband met het vervallen van de sectorfondsen Alle vermogensbestanddelen die door het UWV afzonderlijk worden beheerd en geadministreerd in de vorm van een sectorfonds als bedoeld in [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&hoofdstuk=7&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=94&z=2026-01-01&g=2026-01-01), zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van [artikel III, onderdeel I, van de Wet arbeidsmarkt in balans](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042307&artikel="},{"i":17368,"b":"Regeling multidisciplinaire zorg Gelet op [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) en [artikel 40 lid 4, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het vaststellen van regels op het gebied van de multidisciplinaire zorg. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Prestaties:** Met de prestatie wordt in deze regeling (een van) onderstaande prestaties bedoeld. Voor een nadere toelichting op de inhoud van deze prestaties wordt verwezen naar Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg. - 1. **Multidisciplinaire zorg DM2/VRM** - 2. **Multidisciplinaire zorg COPD/Astma** - 3. **Multidisciplinaire zorg DM2 – niet gecontracteerd** - 4. **Multidisciplinaire zorg COPD – niet gecontracteerd** - 5. **Multidisciplinaire zorg HVZ – niet gecontracteerd** - **Multidisciplinaire (eerstelijns)zorg:** Zorgverlening waarbij zorgaanbieders van diverse disciplines in samenwerking met de patiënt in onderlinge samenhang zorg verlenen, waarvan huisartsenzorg een onderdeel is. - **Ketenzorg:** Multidisciplinaire programmatische zorgverlening voor chronisch zieken. - **Standaard voor zorgstandaarden:** Het model voor zorgstandaarden bij chronische ziekten dat is ontwikkeld door het coördinatieplatform zorgstandaarden. - **Zorgstandaard:** Een zorgstandaard geeft vanuit het patiëntenperspectief een op actuele en zo mogelijk wetenschappelijk onderbouwde inzichten gebaseerde functionele beschrijving van de multidisciplinair georganiseerde individuele preventie, zorg en ondersteuning bij zelfmanagement voor een bepaalde chronische ziekte gedurende het complete zorgcontinuüm, alsmede een beschrijving van de organisatie van de betreffende preventie en zorg e"},{"i":17629,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 september 2024, nr. 2024-0000412659, tot vaststelling van de tijdelijke regeling tegemoetkoming kinderen met intensieve zorg BES 2024 (Tijdelijke regeling tegemoetkoming kinderen met intensieve zorg BES 2024) Gelet op [artikel 9 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=9); **Besluit:** Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **advies:** op medische gegevens gebaseerd advies; - **adviseur:** adviseur als bedoeld in [artikel 4, onder a, b, of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050230&artikel=4&z=2025-09-18&g=2025-09-18); - **ingezetene:** degene die in een openbaar lichaam woont; - **intensieve zorg:** zorg als bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050230&artikel=5&z=2025-09-18&g=2025-09-18); - **kind:** eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind als bedoeld in [artikel 3 van de Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347&artikel=3); - **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 2. Recht op tegemoetkoming kinderen met intensieve zorg 1. Een ingezetene van een openbaar lichaam heeft per tijdvak, bedoeld in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050230&artikel=8&z=2025-09-18&g=2025-09-18), eenmaal recht op een tegemoetkoming voor een kind, indien op enig moment gedurende het betreffende tijdvak: - a. voor die persoon door de minister recht op kinderbijslag BES, als bedoeld in de [Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347), is vastgesteld; - b. het kind valt in de leeftijdscategorie van drie tot en met zeventien jaar; - c. sprake is van intensieve zorg. 2. Indien voor een ingezetene recht op een tegemoetkoming is vastgesteld op basis van een aanvraag voor een eerder tijdvak, of de"},{"i":17452,"b":"Regeling straf- en afzonderingscel justitiële jeugdinrichtingen Gelet op [artikel 25, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=25), [artikel 26, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=26), [artikel 56, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=56) en [artikel 59, derde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=59); Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële kinderbescherming van 12 oktober 2000 nr. 5056746/00/TH/rb en van 1 februari 2001 nr. 5078699/01/TH/rb; Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756). Paragraaf 2. Voorwaarden Artikel 2 Bij de tenuitvoerlegging van een disciplinaire straf in een strafcel of van een afzondering in een afzonderingscel, geldt het bepaalde in de huisregels van de inrichting waar de straf onderscheidenlijk de afzondering ten uitvoer wordt gelegd, voor zover in deze regeling niet anders is bepaald. Artikel 3 Indien de afzondering, bedoeld in [artikel 25, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=25), niet ten uitvoer kan worden gelegd in een verblijfsruimte vindt deze plaats in een afzonderingscel. Artikel 4 1. Ingeval sprake is van medische problematiek bezoekt de arts of diens vervanger, dan wel in diens opdracht de verpleegkundige, de jeugdige in de straf- of afzonderingscel zo spoedig mogelijk. 2. Ingeval gedragsmatige problematiek aan de afzondering ten grondslag ligt, wordt het in het eerste lid van dit artikel genoemde bezoek afgelegd door een kinder- of jeugdpsychiater dan wel een gedragsdeskundige. 3. Na het eerste bezoek stellen de betrokken arts of diens vervanger dan wel in diens opdracht de verpleegkundige, onderscheidenlijk de kinder- of jeugdpsychiater dan wel"},{"i":17806,"b":"Wet van 19 april 2023, houdende regels inzake het elektronisch delen en benaderen van gegevens tussen zorgverleners in aangewezen gegevensuitwisselingen (Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het goed en tijdig delen en benaderen van gegevens een belangrijke randvoorwaarde is voor goede kwaliteit van zorg; dat met het gebruik maken van een elektronische infrastructuur het delen en benaderen van gegevens beter en sneller gaat en het daarom wenselijk is dit in de zorg te bevorderen; dat het daarbij wenselijk is gegevensuitwisselingen aan te wijzen waarbij gegevens via een elektronische infrastructuur tussen zorgverleners worden gedeeld of benaderd en waarbij gegevens met cliënten kunnen worden gedeeld; dat het daarnaast wenselijk kan zijn regels te stellen over de wijze waarop via een elektronische infrastructuur wordt uitgewisseld; dat het ook wenselijk is eisen te kunnen stellen aan informatietechnologieproducten of -diensten, zodat geborgd is dat in de aangewezen gegevensuitwisseling het delen en benaderen van gegevens plaatsvindt op interoperabele wijze; dat het daarbij met het oog op de bescherming van de gezondheid van personen en de volksgezondheid gerechtvaardigd is het vrij verkeer van goederen en diensten te beperken door middel van de introductie van een verplicht systeem van certificering; dat het verder wenselijk is eisen te stellen aan informatietechnologieproducten en -diensten en zorginformatiesystemen, zodat de inwisselbaarheid en daarmee de marktwerking van deze producten, diensten en systemen wordt verbeterd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. – Algemene bepalingen Artikel 1.1. (begripsbepalingen) In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan"},{"i":17805,"b":"Wet van 22 mei 2019 tot wijziging van de Participatiewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet in verband met het centraliseren van tolkvoorzieningen ten behoeve van de ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de deelname aan het maatschappelijk verkeer van personen met een auditieve beperking, van de luisterlijnen voor volwassenen en jeugdigen en van het vertrouwenswerk jeugd (Wet centraliseren tolkvoorzieningen auditief beperkten leef- en werkdomein, luisterlijnen en vertrouwenswerk jeugd) Artikel I Wijzigt de Participatiewet. Artikel II Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel III Wijzigt de Jeugdwet. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V Wijzigt de Wet normering topinkomens. Artikel VI 1. Tolkvoorzieningen voor auditief beperkten, die, voor de inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042316&artikel=II&z=2019-07-01&g=2019-07-01), jegens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot gelding konden worden gebracht, maar nog niet tot gelding zijn gebracht, kunnen na dat tijdstip jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als bedoeld in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5), tot gelding worden gebracht met de daaraan verbonden rechten en plichten. 2. Met betrekking tot de auditief beperkte ten aanzien van wie een besluit is genomen met betrekking tot de omvang van de tolkvoorziening, bedoeld in het eerste lid, waarop hij is aangewezen, verstrekt Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zo spoedig mogelijk aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in het eerste lid, gegevens omtrent de inhoud van dat besluit, alsmede het burgerservicenummer. 3. In wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is betrokken, treedt op het tijdstip van inwerkingtreding van [a"},{"i":17716,"b":"Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Zweden, Geleid door de wens de betrekkingen tussen de beide Staten op het gebied van de sociale zekerheid te regelen, Zijn overeengekomen het volgende Verdrag te sluiten: TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1). wordt onder „Nederland” verstaan het Koninkrijk der Nederlanden en onder „Zweden” het Koninkrijk Zweden; - 2). wordt onder „grondgebied” verstaan wat Nederland betreft: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa, wat Zweden betreft: het grondgebied van Zweden; - 3). wordt onder „wetgeving” verstaan de wetten, regelingen en administratieve bepalingen die betrekking hebben op de in artikel 2 bedoelde stelsels en takken van sociale zekerheid; - 4). wordt onder „bevoegde autoriteit” verstaan wat Nederland betreft: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, of aangaande verstrekkingen ingevolge de wetgeving inzake de ziekteverzekering: de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne; wat Zweden betreft: de Regering dan wel de door de Regering aangewezen autoriteit; - 5). wordt onder „verzekeringsorgaan” verstaan het lichaam dat of de autoriteit die belast is met de uitvoering van de in artikel 2 genoemde wetgevingen (of een deel daarvan); - 6). wordt onder „bevoegd verzekeringsorgaan” verstaan het krachtens de toe te passen wetgeving bevoegde verzekeringsorgaan; - 7). wordt onder „bevoegde Staat” verstaan de Staat op het grondgebied waarvan het bevoegde verzekeringsorgaan is gevestigd; - 8). wordt onder „tijdvakken van verzekering” verstaan tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van dienstbetrekking, van beroepswerkzaamheden of van wonen, welke als tijdvakken van verzekering worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving krachtens welke zij zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover"},{"i":17294,"b":"Regeling ‘Declaratievoorschriften Wlz-zorg’ Ingevolge [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de registratie en declaratie van Wlz-zorg. 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die op grond van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) (WTZi) zijn toegelaten voor één of meer van de zorgvormen persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling als genoemd in de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) en die zorg of een dienst leveren als omschreven bij of krachtens de Wlz. Deze regeling is tevens van toepassing op een natuurlijke persoon, indien en voor zover deze persoon één of meer van de navolgende vormen van zorg levert: persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling als bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onderdelen b en c, Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1). Deze beleidsregel is voor wat betreft de prestatie schoonmaak tevens van toepassing op zorgaanbieders voor zover zij de prestatie schoonmaak leveren als bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) aan cliënten met een modulair pakket thuis (mpt). Deze beleidsregel is voor wat betreft de prestatie logeeropvang tevens van toepassing op zorgaanbieders voor zover zij logeren leveren als bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel g, Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1). 2. Doel van de regeling Deze regeling heeft als doel de op verrichte prestaties betrekking hebbende rekeningen te specificeren teneinde inzichtelijke, rechtmatige declaraties te bevorderen en dubbele declaraties te voorkom"},{"i":17631,"b":"Tijdelijke subsidieregeling van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 21 november 2025 tot het verstrekken van subsidie voor rechtsbijstand aan rechtzoekenden bij wie beslag op inkomen en vermogen is gelegd (Tijdelijke subsidieregeling rechtsbijstand bij beslag op inkomen of vermogen 2026–2028) Gelet op [artikel 37b van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b), waarin is bepaald dat het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand subsidie kan verstrekken ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand voor bijzondere doeleinden en projecten, BESLUIT De volgende subsidieregeling vast te stellen: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **advocaat:** de advocaat als bedoeld in de [artikelen 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9a) en [9j van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9j), die is ingeschreven bij de Raad als bedoeld in [artikel 14 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14); - b. **alleenstaand;** de alleenstaande rechtzoekende zoals bedoeld in [artikel 34, eerste lid Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34); - c. **Bebr:** het [Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277); - d. **beslag op inkomen:** derdenbeslag op inkomen behorende tot de inkomensgegevens zoals bedoeld in [artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=21); - e. **beslag op vermogen:** beslag op vermogen genoemd in [artikel 5.3, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.3); - f. **beslagvrije voet:** de beslagvrije voet als genoemd in [artikel 475b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475b); - g. **best"},{"i":19399,"b":"Wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering houdende enkele wijzigingen in de regeling van de voorlopige hechtenis Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat bevelen tot voorlopige hechtenis voor een langere periode vrijheidsbeneming mogelijk maken en verlenging in minder gevallen bevolen behoeft te worden, en ook overigens enige wijzigingen worden aangebracht die samenhangen met de regeling van de voorlopige hechtenis; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IA Wijzigt deze wet. Artikel IB Wijzigt de wet tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Penitentiaire beginselenwet en enige andere wetten onder meer naar aanleiding van evaluatieonderzoeken (kamerstuk 29 413). Artikel II 1. Op bevelen tot gevangenneming of gevangenhouding die gegeven zijn voor de dag waarop deze wet in werking treedt, blijven de [artikelen 66](onbekend) en [80 van het Wetboek van Strafvordering](onbekend), zoals zij luidden voor het in werking treden van deze wet, van toepassing. 2. In zaken waarin hoger beroep is ingesteld voor de dag waarop deze wet in werking treedt, blijft [artikel 75 van het Wetboek van Strafvordering](onbekend), zoals het luidde voor het in werking treden van deze wet, van toepassing. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18312,"b":"Besluit van 22 december 1997 betreffende de titulatuur en het kostuum der rechterlijke ambtenaren alsmede het kostuum van de advocaten en van de procureurs (Reglement II) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 september 1997, Directie Wetgeving, nr. 653157/97/6; Gelet op [artikel 19 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=19); De Raad van State gehoord (advies van 6 november 1997, nr. W03.79.0609); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 17 december 1997, Directie Wetgeving, nr. 671101/97/6; Hebben goedgevonden en verstaan: hoofdstuk Eerste. De titulatuur Artikel 1 De rechterlijke ambtenaren voeren de volgende titulatuur: - a. de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, die werkzaam zijn bij een rechtbank, alsmede de hoofdofficieren van justitie, de plaatsvervangende hoofdofficieren van justitie, de senior officieren van justitie A, de senior officieren van justitie, de officieren van justitie, de substituut-officieren van justitie, de plaatsvervangende officieren van justitie, de officieren enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen, die werkzaam zijn bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het parket-generaal: die van edelachtbare heer of vrouwe; - b. de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, die werkzaam zijn bij een gerechtshof, de landelijk hoofdadvocaat-generaal, alsmede de hoofdadvocaten-generaal, de senior advocaten-generaal, de advocaten-generaal en de plaatsvervangende advocaten-generaal, die werkzaam zijn bij het ressortsparket of het parket-generaal: die van edelgrootachtbare heer of vrouwe; - c. de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, die werkzaam zijn bij de Hoge Raad, de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de"},{"i":18918,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 3 oktober 2025 nr. BOACAT2025/170, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Zeeland-West-Brabant, afdeling meldkamer Gelezen het verzoek van regionale eenheid Zeeland-West-Brabant van 26 augustus 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Zeeland – West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051600&artikel=2&z=2025-10-11&g=2025-10-11). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), en die werkzaam zijn in de functie van generalist meldkamer, senior meldkamer en operationeel expert meldkamer die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Zeeland-West-Brabant. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend"},{"i":17804,"b":"Wet van 1 oktober 1992, houdende bijzondere regels met betrekking tot het recht op uitkering als bedoeld in de Uitkeringswet gewezen militairen alsmede wijziging van die wet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540) in het kader van de reductiemaatregelen voor militairen tijdelijk open te stellen voor de gewezen militair die in dat verband voortijdig de dienst met een recht op wachtgeld zou moeten verlaten en tevens aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Bijzondere regels met betrekking tot het recht op uitkering als bedoeld in de [Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540) 1. In dit artikel wordt verstaan onder: - a. wet: de [Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540); - b. uitkeringsgerechtigde leeftijd: de datum van ingang van een ontslag als bedoeld in [artikel 1, lid 1 onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540&artikel=1); - c. belanghebbende: de gewezen militair die: - 1e. tussen 31 december 1989 en een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip is ontslagen op grond van [artikel 39, tweede lid, onder d, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=39) (**Stb.** 1982, 279) en, te rekenen van de dag waarop dat ontslag is ingegaan, binnen vijf jaar de voor hem geldende uitkeringsgerechtigde leeftijd zou hebben bereikt; - 2e. voor zijn ontslag in beginsel was aangesteld om tot het bereiken van de voor hem geldende uitkeringsgerechtigde leeftijd bij de krijgsmacht werkzaam te zijn en - 3e. op het moment van het bereiken van die voor hem geldende uitkeringsgerechtigde leeftijd recht he"},{"i":18136,"b":"Besluit van 30 september 2010, houdende vaststelling van de grenzen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit grenzen openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 augustus 2010, nr. 2010-0000561155, CZW/WSG; Gelet op [artikel 4a van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=4a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 september 2010, nr. W04.10.0419/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 september 2010, nr. 2010-0000628572; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt. Artikel 1 Onverminderd [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028715&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) vallen de grenzen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba samen met de buitengrens van de territoriale zee van het Koninkrijk rond elk van de desbetreffende eilanden, zoals vastgesteld in de [Rijkswet uitbreiding territoriale zee van het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003749). Artikel 2 1. Met inachtneming van het vierde lid, wordt de grens tussen het openbaar lichaam Sint Eustatius en het openbaar lichaam Saba gevormd door de bogen van grootcirkels tussen de volgende punten in de volgorde zoals hieronder aangegeven: - A:. 17° 43’ 30.7” N 63° 01’ 33.7” W - B:. 17° 41’ 06.0” N 63° 02’ 52.7” W - C:. 17° 39’ 00.7” N 63° 04’ 03.9” W - D:. 17° 35’ 54.0” N 63° 05’ 47.8” W - E:. 17° 34’ 47.8” N 63° 06’ 23.3” W - F:. 17° 34’ 17.7” N 63° 06’ 39.8” W - G:. 17° 33’ 09.3” N 63° 07’ 12.7” W - H:. 17° 32’ 14.5” N 63° 07’ 39.5” W - I:. 17° 29’ 44.0” N 63° 09’ 05.7” W - J:. 17° 25’ 00.7” N 63° 11’ 55.0” W 2. De ligging van de hierboven beschreven punten is uitgedrukt in len"},{"i":18641,"b":"Wet van 6 maart 2020 tot wijziging van de Politiewet 2012, de Wet veiligheidsregio’s en de Tijdelijke wet ambulancezorg in verband met de wettelijke regeling van meldkamers (Wijzigingswet meldkamers) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de meldkamers van de hulpdiensten op een nieuwe wijze in te richten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788) Wijzigt de Politiewet 2012. Artikel II. Wijziging [Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466) Wijzigt de Wet veiligheidsregio's. Artikel III. Wijziging [Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557) Wijzigt de Tijdelijke wet ambulancezorg. Artikel IV. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wijzigingswet meldkamers. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18560,"b":"Vaststelling selectielijst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de periode vanaf 2015 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de periode vanaf 2015 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst - •. Selectielijst voor de archieven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken gevormd vanaf de overgang naar digitale archivering in de periode (2009) 2012–2014., Stcrt. 2015, nr. 5623 wordt afgesloten per 31 december 2014 voor de actor Ministerie van Buitenlandse Zaken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten."},{"i":17450,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 juni 2021, houdende regels met betrekking tot de verstrekking van eenmalige specifieke uitkeringen in het kader van het Bestuursakkoord Compensatiepakket Marinierskazerne dat op 26 juni 2020 is gesloten door de Staat der Nederlanden, de provincie Zeeland, de gemeente Vlissingen en het waterschap Scheldestromen (Regeling specifieke uitkeringen Wind in de Zeilen) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **bestuursakkoord:** Bestuursakkoord Compensatiepakket Marinierskazerne dat op 26 juni 2020 is gesloten door de Staat der Nederlanden, de provincie Zeeland, de gemeente Vlissingen en het waterschap Scheldestromen (Kamerstukken II 2019/20, 33 358, nr. 28, bijlage); - –. **BTW-compensatiefonds:** het BTW-compensatiefonds, bedoeld in [artikel 2 van de Wet op het BTW-compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817&artikel=2); - –. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - –. **fiche:** fiche van het Advies van de Speciaal Adviseur, dat als Bijlage A onderdeel uitmaakt van het bestuursakkoord; - –. **pakket Wind in de Zeilen:** het pakket maatregelen opgenomen in fiches 1A tot en met 1K; - –. **stuurgroep ‘Wind in de Zeilen’:** stuurgroep, bedoeld in artikel 2.9 van het bestuursakkoord. Artikel 2. Doel De minister verstrekt aan de provincie Zeeland en de gemeente Vlissingen in het kader van het pakket Wind in de Zeilen middelen voor activiteiten als bedoeld in de fiches 1F, 1G en 1I. De middelen worden verstrekt als eenmalige specifieke uitkering. Artikel 3. Uitkeringsplafond Het uitkeringsplafond voor deze regeling bedraagt € 11.400.000, inclusief de bijdrage van de minister aan het BTW-compensatiefonds. Artikel 4. Activiteiten fiche 1F (Bereikbaarheid) 1. De activiteiten, b"},{"i":17721,"b":"Verdrag tot uitbreiding en coördinatie van de toepasselijkheid van de wetgeving inzake sociale zekerheid op de onderdanen van de landen, welke partij zijn bij het Verdrag van Brussel De Regeringen van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk Groot-Brittannië en Noord-Ierland; Besloten hebbende om — in overeenstemming met de doelstelling van het Verdrag van Brussel, getekend op 17 Maart 1948 — haar samenwerking uit te breiden op sociaal gebied; Opnieuw bevestigende het beginsel van de gelijkheid van behandeling van haar onderdanen met betrekking tot de toepasselijkheid van de sociale verzekeringswetgeving en overwegende het belang om aan de onderdanen van de onderscheidene Verdragsluitende Partijen de voordelen te waarborgen, welke aan die wetgeving zijn verbonden, hoe zij ook hun verblijfplaats mogen overbrengen van het gebied van de ene Verdragsluitende Partij naar dat van de andere; Het wenselijk achtende tot dit doel een Verdrag te sluiten; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen In witness whereof the undersigned, duly authorised by their respective Governments, have signed the present Convention and have affixed thereto their seals. Done at Paris, the 7th November, 1949, in French and English, both texts being equally authorative, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Secretariat-General of the Brussels Treaty Permanent Commission and of which a certified copy shall be transmitted by the Secretary-General to each of the signatory Governments."},{"i":18070,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 april 2009, nr. DDI/ST/reg. 009/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van mr. M.H.J.Ch. Rutten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1972–1979 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van mr. M.H.J.Ch. Rutten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1972–1979, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 1 | 2053 | | 2 | 2051 | | 3 | 2052 | | 4 | 2055 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025721&artikel=1&z=2009-04-24&g=2009-04-24), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025721&artikel=1&z=2009-04-24&g=2009-04-24), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Formulier voor toestemming"},{"i":17893,"b":"Besluit van 10 februari 2017, houdende regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de continuïteit in de hulpverlening tussen de cliënt en de hulpverlener Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 juni 2016, kenmerk 984324-152495-WJZ; Gelet op de [artikelen 2.6.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.5), en [2.6.6, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 november 2016, no. W13.16.0218/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 februari 2017, kenmerk 1055311-152495-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel II Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit blijft van toepassing op een overeenkomst, voor het leveren van een voorziening door een aanbieder, die voor dat tijdstip is gesloten of die is gesloten naar aanleiding van een aankondiging van een overheidsopdracht als bedoeld in de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203), die voor dat tijdstip is bekendgemaakt, tenzij deze overeenkomst na dat tijdstip door het college of de aanbieder wordt verlengd. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17040,"b":"Besluit van de waarnemend directeur van de Directie Internationale Zaken van 10 oktober 2019, kenmerk 1582184-195102-IZ, houdende het verlenen van ondervolmacht aan het afdelingshoofd Jeugd van de Programmadirectie Zorg en Jeugd in Caribisch Nederland i.o Gelet op [artikel 16, tweede lid, onder a, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan het afdelingshoofd Jeugd van de Programmadirectie Zorg en Jeugd in Caribisch Nederland i.o. wordt de bevoegdheid verleend om, op het werkterrein van de functie, namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten tot een maximum van € 25 000 inclusief btw per handeling. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2019. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17808,"b":"Wet van 24 januari 2018 tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen inzake de forensische zorg in strafrechtelijk kader teneinde de noodzakelijke aansluiting van de forensische zorg met andere vormen van geestelijke gezondheidszorg te verbeteren en tevens de recidive van forensische patiënten te verminderen, ten behoeve van de veiligheid van de samenleving; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 1. In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **behandelplan:** een plan dat zo spoedig mogelijk na aanvang van de behandeling wordt opgesteld dat is gericht op het zodanig verminderen van de uit de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap voortvloeiende gevaarlijkheid van de forensische patiënt voor anderen dan de forensische patiënt of de algemene veiligheid van personen of goederen dat de forensische patiënt in de maatschappij kan terugkeren; - b. **forensische patiënt:** een persoon met een aanspraak op forensische zorg; - c. **forensische zorg:** zorg als omschreven in het tweede lid; - d. **gedetineerde:** een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een penitentiaire inrichting plaatsvindt; - e. **indicatiestelling:** een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van deskundigen, opgesteld op basis van onderzoek van de verdachte, veroordeelde of gedetineerde, waarin de forensische zorgbehoefte en het noodzakelijke beveiligingsniveau is opgenomen; - f. **instelling:** een rijksinstelling of een private instelling; - g. **in"},{"i":19447,"b":"Besluit van 5 juli 1997, houdende vaststelling van bepalingen met betrekking tot de verstrekking van scheepvaartgegevens voor statistische doeleinden (Besluit statistische gegevens scheepvaartverkeer) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 januari 1997, nr. DGSM/S/J 97000275, Directoraat Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 95/64/EG](31995L0064) van de Raad van 8 december 1995, betreffende de statistiek van het zeevervoer van goederen en personen (**PbEG** L 320), en de artikelen 17 en 31, tiende lid, van de [Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364); De Raad van State gehoord (advies van 2 april 1997, Nr. W09.97.0029.); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 juni 1997, nr. DGG/J-97005241 Directoraat-Generaal Goederenvervoer; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt onder bevoegde autoriteit verstaan: degene aan wie op de desbetreffende scheepvaartweg een melding krachtens [artikel 4, eerste of derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4) geschiedt. Artikel 2 1. Degene die een schip voert dat zich krachtens [artikel 4, eerste of derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4) moet melden, verstrekt ten behoeve van statistische doeleinden, door middel van de verplichte melding en als onderdeel daarvan gegevens aan het Centraal bureau voor de statistiek en aan door Onze Minister aangewezen personen of instellingen. 2. De in het eerste lid bedoelde gegevens zijn die welke krachtens [artikel 4, eerste of derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4) dienen te worden gemeld of waarom krachtens die bepaling kan worden verzocht. Artikel 3 [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008812&artikel=2&z=2011-05-25&g=2011-05-25) is van overeenkomstige toepassing"},{"i":18378,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 10 december 2014, nr. 585658, houdende regels inzake de fysieke vaardigheidstoets voor de politie (Regeling fysieke vaardigheidstoets politie) Gelet op [artikel 50a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=50a); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 2, onderdelen a, c, en d, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die rechtens is uitgerust met één of meer geweldsmiddelen als bedoeld in [artikel 1, derde lid, onderdeel d, onder 1°, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=1); - b. **bevoegd gezag:** bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel 1, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - c. **fysieke vaardigheidstoets:** test ter vaststelling van de fysieke conditie van de ambtenaar zoals vastgelegd in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014138&bijlage=3), behorende bij [artikel 4, derde lid, van de Regeling aanstellingseisen politie 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014138&artikel=4). Artikel 2 1. De ambtenaar legt, na het invullen van de lijst genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014138&bijlage=1), ten minste één maal per kalenderjaar de fysieke vaardigheidstoets af binnen de voor zijn leeftijds- en geslachtscategorie geldende normtijd zoals vastgelegd in [bijlage 3 van de Regeling aanstellingseisen politie 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014138&bijlage=3). 2. Indien de ambtenaar vanwege medische beperkingen, vanwege het dienstbelang of andere dringende redenen niet in staat is om deel te nemen aan de fysieke vaardigheidstoets, verleen"},{"i":17813,"b":"Wet van 15 april 1992, houdende een nieuwe regeling voor terugvordering en verhaal van kosten van bijstand Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is verhaal verplicht te stellen, te onderscheiden tussen terugvordering van bijstandskosten van degenen die bijstand hebben ontvangen en verhaal van bijstandskosten op derden en ter zake een nieuwe regeling te geven, alsmede daarmee verband houdende wijzigingen in andere wetten aan te brengen. Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII 1. In de bevoegdheid van de gemeenten tot terugvordering of verhaal van kosten van bijstand gemaakt vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet wordt geen wijziging gebracht. Indien met betrekking tot vorenbedoelde kosten eerst na genoemde datum wordt besloten tot terugvordering of verhaal over te gaan, geschiedt dit met toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk IV A, onverminderd het bepaalde in [artikel X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005483&artikel=X&z=1996-01-01&g=1996-01-01). 2. Ten aanzien van het verhaal in verband met onderhoudsverplichtingen ingevolge Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de na de datum van in werking treding van deze wet gemaakte kosten van bijstand, wordt door de gemeente in de desbetreffende gevallen binnen een jaar een nadere beslissing genomen aan de hand van de bepalingen van Hoofdstuk IV A, § 2. 3. Indien vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet"},{"i":17625,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 7 februari 2022, nr. IENW/BSK-2021/303986, houdende vaststelling van een tijdelijke specifieke uitkering in verband met de uitvoering van het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen (Tijdelijke regeling specifieke uitkering Landelijk Verbeterprogramma Overwegen 2022–2028) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), [artikel 6, zesde lid, van de Wet Mobiliteitsfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044860&artikel=6), [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), [5, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [8, eerste en tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), [23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23), en [24, tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **LVO-projectteam:** het team, samengesteld uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en ProRail B.V., dat de uitvoering van het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen coördineert; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **Ontvanger:** gemeente of provincie die een specifieke uitkering ontvangt als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046302&artikel=5&z=2022-02-11&g=2022-02-11); - **Overweg:** kruising van een spoorweg met een weg die in beheer is bij een ontvanger; - **Project:** de voorbereiding en uitvoering van werkzaamhede"},{"i":19450,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Zuid-Afghanistan 2006–2011» aan het Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016443, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan het opschrift in het vaandel van het Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen wordt toegevoegd het opschrift «Zuid-Afghanistan 2006–2011» in verband met de logistieke ondersteuning te velde en de bevoorradingskonvooien in Zuid-Afghanistan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17366,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 6 juli 2011, nr. 5699818/11/DJI, houdende vaststelling van een model voor huisregels voor een justitiële jeugdinrichting (Regeling model huisregels justitiële jeugdinrichtingen) Gelet op [artikel 16, zesde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=16); Besluit: Artikel 1 1. De directeur stelt in aanvulling op de bij of krachtens de [Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756) gegeven regels, met inachtneming van het model opgenomen in de bijlage en de daarbij gegeven aanwijzingen, de huisregels van zijn inrichting vast. 2. De directeur stelt de huisregels van zijn inrichting binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze regeling vast. 3. De directeur zendt de huisregels van zijn inrichting aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Een wijziging van de huisregels van zijn inrichting zendt de directeur, binnen een maand na vaststelling van de wijziging, aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Artikel 2 De [Regeling model huisregels justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012747) van 14 augustus 2001, nr. 5113416/01/DJI wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling model huisregels justitiële jeugdinrichtingen. Bijlage 1. Algemene inleiding Je bent geplaatst in de justitiële jeugdinrichting [**naam van de inrichting invullen**] in [**vestigingsplaats inrichting invullen**]. [**hier bestemming of aard van de inrichting omschrijven. Indien de inrichting is aangewezen voor het verblijf van kinderen van de jeugdige dat hier eveneens vermelden**] De adresgegevens van [**naam inrichting invullen**] zijn: [**hier vermelden: bezoekadres, postadres, algemeen telefoonnummer, faxnummer, evt.****e-m"},{"i":18367,"b":"Regeling dienstreizen defensie Gelet op: – het [Besluit dienstreizen defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007956) Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit dienstreizen defensie in werking treedt. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling - 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Defensie; - b. **het BDD:** het [Besluit dienstreizen defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007956); - c. **het IBBAD:** het [Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191); - d. **binnenlandse dienstreis:** dienstreis in Nederland; - e. **buitenlandse dienstreis:** - 1. een dienstreis van een plaats in Nederland naar een plaats buiten Nederland; - 2. een dienstreis van een plaats in het land van plaatsing buiten Nederland naar een plaats in Nederland; - 3. een dienstreis van een plaats in het land van plaatsing buiten Nederland naar een plaats buiten het land van plaatsing; - 4. een dienstreis binnen het land van plaatsing buiten Nederland; - f. **DIDO:** Defensie Intranettoepassing Dienstreis Opdrachten. - 2. Onder commandant, bedoeld in deze regeling wordt verstaan de commandant als bedoeld in de Regeling aanwijzing commandanten defensie. Artikel 2. Niet-toepasselijkheid regeling De groepen, bedoeld in [artikel 3 tweede lid, onderdeel d, van het BDD](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007956&artikel=3) zijn degenen die op individuele basis of in groepsverband zijn ingezet in het kader van een door de minister als zodanig aangemerkte vredes- en humanitaire operatie of andere vorm van daadwerkelijke inzet buiten Nederland. Paragraaf 2. Vergoeding van reiskosten Artikel 3. Reiskosten openbaar vervoer - 1. Wegens reiskosten met openbaar vervoer worden vergoed de kosten die blijkens overgelegde bewijsstukken in verband met de dienstreis zijn gemaakt in het vervoermiddel"},{"i":17449,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 4 april 2022, nr. IENW/BSK-2022/54670, houdende regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen om fijnstofknelpunten rondom veehouderijen op te lossen (Regeling specifieke uitkeringen oplossen fijnstofknelpunten rondom veehouderijen) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) en de [artikelen 3, eerste lid, aanhef onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit 1:** besluit van het college van burgemeester en wethouders tot wijziging van een omgevingsvergunning voor een veehouderij waarbij tevens nadeelcompensatie wordt toegekend; - **besluit 2:** besluit van het college van burgemeester en wethouders waarbij de hoogte van de nadeelcompensatie definitief wordt vastgesteld; - **fijnstofknelpunt:** overschrijding van de fijnstofnormen rondom veehouderijen als bedoeld in de ‘Aanpassing Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) 2018’; - **fijnstofnormen:** grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) zoals opgenomen in voorschrift 4.1 van [bijlage 2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&bijlage=2); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **ontvangers:** gemeenten Nederweert, Peel en Maas en Someren; - **oplossen van het fijnstofknelpunt:** beëindigen overschrijding fijnstofnormen rondom een veehouderij. Artikel 2. Doel Deze regeling heeft tot doel het ondersteunen van oplossingen voor de fijnstofknelpunten rondom veehouderijen. Artikel 3. Voor uitkering in aanmerking komende kosten De minister kan voor het doel, genoemd in [artikel 2](https://wetten.over"},{"i":18219,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Friese taal vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2007, arc-2007.03507/8); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Friese taal over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17810,"b":"Wet van 23 december 2010 tot wijziging van verschillende wetten in verband met harmonisatie en vereenvoudiging van deze wetten ten behoeve van de uitvoering van die wetten door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de uitvoering van enige wetten door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te vereenvoudigen en enkele begrippen in die wetten te harmoniseren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel II. Wijziging van de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel III. Wijziging van de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel IV. Wijziging van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel V. Wijziging van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel VI. Wijziging van de [Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Artikel VII. Wijziging van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel VIII. Wijziging van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888)"},{"i":17197,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake de invordering van sociale verzekeringspremies Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, Bezield door de wens de organen en autoriteiten van beide Overeenkomstsluitende Partijen in staat te stellen ook op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij de premies voor de sociale zekerheid in te vorderen; Ernaar strevend de toepassing van artikel 51 van Verordening nr. 3 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, nr. 30/58) te regelen, Zijn op grond van artikel 7 van deze Verordening het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend. GEDAAN te 's-Gravenhage, de 21ste maart 1968, in tweevoud, in de Nederlandse en in de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek. Voor het Koninkrijk der Nederlanden, (w.g.) J. LUNS Voor het Koninkrijk België, (w.g.) W. VAN CAUWENBERG"},{"i":17447,"b":"Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 18 november 2024, nr. WJZ/ 89799993, houdende regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen in verband met de gebiedsinvesteringen Net op Zee (Regeling specifieke uitkeringen gebiedsinvesteringen Net op Zee) Gelet op [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2), en [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **administratieve overeenkomst inzake gebiedsinvesteringen Net op Zee:** convenant gesloten tussen de Minister en de bestuurders in een regio, genoemd in [artikel 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050437&artikel=2a&z=2025-11-07&g=2025-11-07), met een verdere uitwerking van de acties uit het bestuursakkoord inzake gebiedsinvesteringen Net op Zee; - **bestuursakkoord inzake een regiopakket:** convenant gesloten tussen de Minister en de bestuurders in een regio, genoemd in [artikel 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050437&artikel=2a&z=2025-11-07&g=2025-11-07), om in aanvulling op een bestuursakkoord inzake gebiedsinvesteringen Net op Zee de aanlanding van de netaansluitingen van de windparken op zee in de aanlandlocatie in een regio verder te mitigeren en om de kwaliteit van de leefomgeving in die regio verder te verbeteren; - **bestuursakkoord inzake gebiedsinvesteringen Net op Zee:** convenant dat door de Minister en de bestuurders in de regio’s, genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050437&artikel=2&z=2025-11-07&g=2025-11-07), is gesloten om de nadelige effecten van de aanlanding van de netaansluitingen van de windparken op zee in de aanlandlocatie in een regio te mitigeren en om de kwaliteit van de leefomgeving in die regio te verbet"},{"i":17293,"b":"Regeling declaratievoorschriften en declaratiebepalingen integrale bekostiging geboortezorg Op grond van de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), alsmede de [Beleidsregel integrale geboortezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046888), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vast. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **AGB-code** Unieke code die aan de zorgaanbieder, zorgverlener, praktijk en/of instelling wordt toegekend en waarmee de zorgaanbieder, zorgverlener en de praktijk of instelling kan worden geïdentificeerd. De AGB-code is opgebouwd uit acht posities. De eerste twee posities geven de zorgverlenersoort weer. De overige 6 posities zijn een volgnummer. - **Cliënt** Zwangere vrouw die zich met haar zorgvraag wendt tot de zorgaanbieder. - **Integrale geboortezorg** In multidisciplinair verband geleverde geboortezorg die bestaat uit de volgende bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) omschreven soorten zorg: - a. geneeskundige zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), hierbij gaat het om: - •. medisch specialistische zorg voor zover deze betreft: - •. obstetrische zorg met uitzondering van high care obstetrische zorg, geavanceerd ultrageluid onderzoek en niet invasieve prenatale test (NIPT) voor hoog-risico zwangeren; - •. antenatale consultatieve kindergeneeskundige zorg; - •. eerstelijnsdiagnostiek voor zover die samenhangt met de zorgvraag van de cliënt. - •. verloskundige zorg, uitgezonderd preconceptiezorg en anticonceptiezorg voor zover he"},{"i":18969,"b":"Besluit houdende naamswijziging van het ministerie van Justitie Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 14 oktober 2010, kenmerk 3096251; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: De naam van het ministerie van Justitie te wijzigen in: ministerie van Veiligheid en Justitie. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit, dat zal worden geplaatst in de Staatscourant en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":18400,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 4 april 2025, nr. 6267913, houdende nadere regels met betrekking tot de organisatie van de mobiele eenheid en het gezamenlijk oefenen door de mobiele eenheid (Regeling mobiele eenheid politie 2025) Gelet op [artikel 44 van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=44) en op [artikel 28 van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=28); Besluit: Paragraaf 1. Organisatie Artikel 1 1. De organisatie van de mobiele eenheid bestaat uit basiseenheden, watergetrainde eenheden en specialistische eenheden. 2. Een lid van een basiseenheid of een specialistische eenheid kan niet tevens lid zijn van een andere basiseenheid of een specialistische eenheid. Artikel 2. Basiseenheden 1. Basiseenheden zijn organisatorisch opgebouwd uit groepen, secties, pelotons of compagnieën. 2. Een groep bestaat uit acht leden, onder wie een groepscommandant en een voor zijn taak opgeleide chauffeur. 3. Een sectie bestaat uit een sectiecommandant en drie groepen. 4. Een peloton bestaat uit een pelotonscommandant en twee secties. 5. Een compagnie bestaat uit een compagniecommandant en twee of meer pelotons. 6. Elk peloton beschikt over minimaal zes leden die bekwaam en geoefend zijn in het gebruik van traangas als bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=4) en [13 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=13). 7. Indien een basiseenheid, anders dan in een groep, optreedt, dan heeft die de beschikking over een chauffeur voor het commandovoertuig en over één of meer verbindingsspecialisten. Artikel 3. Watergetrainde eenheden Watergetrainde eenheden bestaan uit leden van basiseenheden die tevens bekwaam zijn om op het water op te treden. Een groep bestaat uit acht leden. Artikel 4. Specialist"},{"i":17441,"b":"Houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering aan provincies in het jaar 2000 ten behoeve van vervoermanagement Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Aan een provincie wordt in het uitkeringsjaar een specifieke uitkering verstrekt met als doel: - a. vervoermanagement te integreren in het beleid van de provincie; - b. het zwaartepunt inzake het stimuleren van vervoermanagement van het Rijk naar de provincie te verschuiven; - c. aan binnen de provincie gevestigde bedrijven en instellingen ten behoeve van vervoermanagement een adequaat voorzieningenniveau te bieden, zoals op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling werd geboden door de van Rijkswege opgezette vervoermanagementcentra. Artikel 3 1. De uitkering wordt door de minister voor 15 februari 2000 verleend onder voorwaarde dat voldoende gelden beschikbaar zijn gesteld. 2. Het uitkeringsbedrag dat wordt verleend bedraagt in duizenden guldens per provincie: Groningen 75 Friesland 75 Drenthe 75 Overijssel 160 Flevoland 60 Gelderland 575 Utrecht 360 Noord-Holland 830 Zuid-Holland 1060 Zeeland 75 Noord-Brabant 725 Limburg 115 3. [Artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:48) is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c. Artikel 4 1. De provincie besteedt de verstrekte uitkering aan activiteiten ten behoeve van het doel van de uitkering. 2. De provincie overlegt onverminderd het bepaalde bij of krachtens de [Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290): - a. voor 1 april 2000 een besluit inhoudende dat de verstrekte uitkering volgens de begroting wordt bestemd voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid; - b. voor 1 mei 2001 een financiële verantwoording over de tijdens het uitkering"},{"i":18379,"b":"Regeling Grote Projecten Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Waar in deze regeling sprake is van: Hoofdstuk II. Aanwijzing groot project Artikel 2. Voorstel tot aanwijzing groot project Artikel 3. Advisering bij aanwijzing groot project Artikel 4. Toezending voorstel en advies aan de Voorzitter De commissie zendt het voorstel tot aanwijzing van een groot project, vergezeld van het uitgebrachte advies, aan de Voorzitter. Artikel 5. Mededeling besluit tot aanwijzing groot project De Voorzitter deelt het besluit van de Tweede Kamer tot aanwijzing van een groot project onverwijld aan de minister mede. Daarbij meldt de Voorzitter tevens welke commissie met de uitvoering van de parlementaire controle op het groot project wordt belast. Hoofdstuk III. Uitvoering van de parlementaire controle op een groot project Artikel 6. Verantwoordelijke commissie De commissie die is belast met de uitvoering van de parlementaire controle op een groot project, is verantwoordelijk voor het vaststellen van de in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021424&hoofdstuk=IV&artikel=9&z=2021-12-09&g=2021-12-09) genoemde uitgangspunten en vervolgens voor de parlementaire controle op het aangewezen groot project. Artikel 7. Advies over uitvoering regeling Artikel 8. Rapporteurs groot project Hoofdstuk IV. De aanvang van een groot project Artikel 9. Uitgangspunten voor parlementaire controle Hoofdstuk V. Informatievoorziening Artikel 10. Aanwijzingen voor de basisrapportage Artikel 11. Actualiseren van afspraken en basisrapportage Artikel 11a. Besluitvorming voortzetting groot project Artikel 13. Aanwijzingen voor het accountantsrapport Artikel 12. Aanwijzingen voor de voortgangsrapportage Indien de commissie van oordeel is dat de geleverde informatie ontoereikend is, dan wel de kwaliteit van de geleverde informatie onvoldoende is, wordt de minister in staat gesteld binnen zeven werkdagen de ontbrekende of verbeterde informatie aan de Tweede Kamer te zenden. Ar"},{"i":17380,"b":"Regeling plaatsing en overplaatsing jeugdigen Gelet op [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=8), [artikel 15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=15), en [artikel 16, zesde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=16). Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële kinderbescherming van 1 februari 2001, nummer 5078699/01/TH/rb. Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756); - b. **inrichting:** een inrichting als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=8). Paragraaf 2. Beveiligingsniveau Artikel 2 1. In een beperkt beveiligde inrichting of afdeling kunnen jeugdigen worden geplaatst: - a. aan wie een vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onderdeel e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=8) is opgelegd, - b. die, gelet op de uitvoering van het perspectiefplan of op de aanwijzingen van het openbaar ministerie en de autoriteiten die de maatregel hebben opgelegd, in aanmerking komen voor een beperkt beveiligde inrichting, en - c. een te verwaarlozen risico hebben dat zij zich onttrekken aan het toezicht van de inrichting. 2. Voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting of afdeling komen niet in aanmerking jeugdigen: - a. ten aanzien van wie vaststaat dat zij, na de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel, genoemd in [artikel 8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=8), Nederland zullen dienen te verlaten, uitgezet of uitgeleverd zullen worden, of; - b. die aansluitend op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, genoemd"},{"i":18467,"b":"Ministeriële regeling van 7 mei 2003, afdeling pensioenen en sociale zekerheid, nr. P/2003002682 Gelet op: [artikel 91 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=91) (AMAR), [artikel 74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=74) en [artikel 168 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=168) (BARD); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de wijziging van artikel 74 van het Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie, houdende het scheppen van een basis voor deze regeling, in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **beleidsterrein:** de Koninklijke Landmacht, de Koninklijke Marine, de Koninklijke Luchtmacht, de Koninklijke Marechaussee, het Defensie Interservice Commando (DICO) en de Centrale Organisatie van het Ministerie van Defensie; - b. **werknemer:** - 1e de militair in werkelijke dienst als bedoeld in [artikel 1, onder c van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=1) en tewerkgesteld bij een beleidsterrein; - 2e de burgerlijke ambtenaar tewerkgesteld bij het Ministerie van Defensie; - c. **directe chef:** de functionaris onder wiens toezicht en leiding de functie wordt vervuld, dan wel die als zodanig door de commandant is aangewezen; - d. **commandant:** - 1e ten aanzien van militairen: de commandant, opgenomen in bijlage 2 van de Regeling aanwijzing commandanten AMAR; - 2e ten aanzien van de burgerlijke ambtenaar: het hoofd van de diensteenheid, opgenomen in bijlage 3 van de Regeling bevoegdhedentoedeling burgerlijke ambtenaren defensie; - e. **ARBO-dienst:** een onafhankelijke voor het betreffende beleidsterrein verantwoordelijke ARBO-dienst als bedoeld in de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346); - f. **bedrijfsarts:** een arts werkzaam bij de ARBO-dienst en als zodan"},{"i":19119,"b":"Richtlijn voor strafvordering belediging Deze richtlijn heeft betrekking op eenvoudige belediging (mondeling, schriftelijk of door feitelijkheden). Belediging mondeling, schriftelijk of door feitelijkheden (zoals middelvinger), alleen gepleegd. * let op taakstrafverbod ([art. 22b Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22b)) en of er sprake is van een **(zeer actieve) veelpleger of stelselmatige dader** Legenda GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042068)."},{"i":19129,"b":"Richtlijn voor strafvordering gevaarzetting Deze richtlijn heeft betrekking op het opzettelijk vernielen enz. van elektriciteitswerken in het kader van hennepteelt. 1 Van verhindering is sprake als er daadwerkelijk sprake is geweest van uitval, van bemoeilijking is altijd sprake als elektriciteit buiten de meter wordt afgenomen. 2 Van de schuldvariant bij gevaarzetting kan bijvoorbeeld sprake zijn als de verdachte de ruimte heeft verhuurd, waarbij de huurder de elektriciteitsvoorziening heeft gemanipuleerd. 3 De mate van gevaarzetting speelt een rol bij het bepalen van de eis. Gemeen gevaar voor goederen in een schuurtje is minder ernstig dan gemeen gevaar voor goederen in een loods op een bedrijventerrein. Zo ook het verschil tussen vrijstaande woningen, rijtjeshuizen of een woning in een flatgebouw. **Afkortingen** TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042068)."},{"i":18368,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 26 april 2016, nr. 2016-0000041000, betreffende de digitale vervanging van financiële archiefbescheiden van het Ministerie van Financiën in het SAP 3F systeem Gelet op [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) 2009, Besluit: Artikel 1 Met ingang van 1 juni 2015 worden de taken van de minister van Financiën ten aanzien van sturing en uitvoering van de financiële administratie feitelijk uitgevoerd door een interdepartementaal samenwerkingsverband dat onderdeel is van het ministerie van SZW; het Financieel Dienstencentrum (FDC). Het FDC gebruikt voor de archivering van de financiële archiefbescheiden het SAP 3F systeem van SZW. Artikel 2 De originele papieren financiële archiefbescheiden die volgens de vastgestelde selectielijst Financiën 2015 voor vernietiging dan wel voor permanente bewaring in aanmerking komen in het SAP 3F systeem, worden overeenkomstig de [artikelen 3 tot en met 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038051&artikel=3&z=2016-06-11&g=2016-06-11) van deze regeling digitaal vervangen. Artikel 3 Overeenkomstig de eisen die [artikel 26b Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) 2009 daaraan stelt en met inachtneming van [artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2), geschiedt de digitale vervanging volgens de specificaties vastgesteld in het **Handboek digitale vervanging financiële archiefbescheiden SZW systeem SAP** van het ministerie van SZW. Artikel 4 De digitale vervanging betreft financiële archiefbescheiden die worden opgenomen in het SAP 3F systeem van SZW en ten aanzien waarvan de minister van Financiën krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) zorgdrager is. De vervangin"},{"i":18069,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Rijksvreemdelingendienst (RVD) en taakvoorgangers over de periode 1918–1945 Gelet op [artikel 15, lid 3 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op het besluit van de Minister van Justitie van 14 december 2000; Gehoord de minister van Veiligheid en Justitie; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de archiefbescheiden beschreven in de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Jaar | | --- | --- | | 324 | 2018 | | 1505 | 2018 | | 1510 | 2021 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de archiefbescheiden beschreven in de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Wanneer het overlijden van een betrokkene ten genoege van de algemene rijksarchivaris is aangetoond, vervalt de beperking aan de openbaarheid van het dossier dat op die persoon betrekking heeft. | Inventarisnummers | Jaar | | --- | --- | | 369–393 | 2050 | | 457–462 | 2044 | | 490–502 | 2048 | | 532–534 | 2030 | | 823–824 | 2044 | | 871–872 | 2038 | | 873–880 | 2042 | | 883–891 | 2044 | | 897–898 | 2018 | | 917 | 2028 | | 930–1079 | 2048 | | 1090–1094 | 2049 | | 1095–1231 | 2050 | | 1240–1266 | 2047 | | 1278–1291 | 2051 | | 1307–1308 | 2042 | | 1411–1414 | 2026 | | 1429–1435 | 2016 | | 1488–1502 | 2048 | | 1507 | 2017 | | 1614–1615 | 2036 | | 1675–1687 | 2049 | | 1689–1696 | 2017 | | 1701–1702 | 2019 | | 1704–1726 | 2055 | | 1773 | 2017 | | 1810–1811 | 2034 | | 1863 | 2014 | | 1864 | 2014 | | 1958 | 2029 | | 1968–1969 | 2017 | | 1970–1973 | 2048 | | 1995–1996 | 2024 | Artikel 3 Inzage in de in de archiefbescheiden, geborgen onder de inventarisnummers genoemd in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036942&artikel=1&z=2015-08-20&g=2015-08-20) en [2](https://wetten.ov"},{"i":18472,"b":"Regeling van 7 juli 1994 Hoofdstuk I. De Voorzitter en de griffiers Artikel 1 De plichten van de Voorzitter zijn voornamelijk het leiden van de werkzaamheden der Vergadering; het handhaven der orde bij de beraadslagingen; het zorgen dat geen spreker in zijn rede gestoord wordt; het tot de orde roepen van een spreker, die zich beledigende uitdrukkingen veroorlooft; het tot de behandeling van het onderwerp terugroepen van een spreker, die daarvan afwijkt; het nauwgezet inachtnemen en doen naleven van het Reglement van Orde; het aan alle leden behoorlijk gelegenheid geven om hun bedenkingen voor te dragen; het juist stellen der door de Vergadering te beslissen vraagpunten; het aankondigen van de uitkomst der stemmingen en het uitvoeren der besluiten, door de Vergadering genomen. Artikel 2 De Voorzitter mag gedurende de beraadslagingen slechts het woord nemen om de juiste stand van het geschilpunt aan te wijzen, of om de beraadslagingen, bij afdwaling, tot het juiste punt terug te brengen. Indien hij over het in overweging zijnde onderwerp het woord wil voeren, verlaat hij de voorzittersstoel, en neemt die zetel pas weer in nadat hij zijn rede geëindigd heeft. Artikel 3 Het voorzitterschap wordt gedurende die rede alsmede bij afwezigheid of onstentenis van de Voorzitter waargenomen volgens de regels, welke het [Reglement van Orde van de Eerste Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007428) stelt voor de plaatsvervanging van de Voorzitter van die Kamer. Artikel 4 Het griffierschap der Vergadering wordt door de Griffiers der beide Kamers vervuld. Artikel 5 De bij de Vergadering ingekomen stukken worden ter griffie van de Eerste Kamer bewaard. Hoofdstuk II. Het houden van de vergaderingen Artikel 6 De Voorzitter belegt de vergadering, ter beraadslaging en besluitvorming over een of meer aan de Vergadering voorbehouden zaken, zo dikwijls hij het nodig oordeelt, of dit door elf leden, schriftelijk, met opgave van de redenen, is verzocht. Artikel 7 Ieder lid tekent n"},{"i":18474,"b":"Reglement voor de Dienst Verslag en Redactie Vastgesteld in de vergaderingen van 20 april 2004 (Eerste en Tweede Kamer) (Handelingen I 2004/2005, nr. 25 resp. Handelingen II 2004/2005, nr. 68) Artikel 1. De zorg voor de Dienst Verslag en Redactie en de Gemengde commissie van beroep Artikel 2. De taakuitoefening Artikel 3. De openbaarmaking Artikel 4. De bewaartermijnen"},{"i":17545,"b":"Reglement Programmaraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand Gelet op [artikel 8 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8); Heeft het volgende reglement vastgesteld: Artikel 1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand, het zelfstandig bestuursorgaan dat is ingesteld in [artikel 2, eerste lid van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - b. **Eigenaar:** het bestuur dat aan het hoofd staat van de Raad voor Rechtsbijstand, en dat wordt genoemd in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3) en [4 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=4), is Eigenaar van het Kenniscentrum; - c. **Kenniscentrum:** het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand dat als maatschappelijke opgave heeft via onafhankelijk onderzoek bij te dragen aan het goed functioneren van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand door het beleid en uitvoering te voeden met data, feiten en kennis, en eventuele (dreigende) knelpunten te signaleren en agenderen; - d. **CSO:** de Chief Science Officer die aan het hoofd staat van het Kenniscentrum en het Kenniscentrum vertegenwoordigt; - e. **Wetenschappelijke Kwaliteitsraad:** de raad die periodiek op verzoek van de Chief Science Officer de wetenschappelijk kwaliteit van het programmatisch onderzoek van het Kenniscentrum evalueert en via een visitatie daarover rapporteert; - f. **Programmaraad:** de raad die periodiek het meerjarige programma op themaniveau vaststelt, waarbinnen het programmatisch onderzoek plaatsvindt, het jaarlijkse werkplan vaststelt en een agenderende functie heeft; - g. **Programma:** onderzoeksprogramma op themaniveau dat wordt vastgesteld door de Programmaraad en op basis waarvan het Kenniscentrum programmatisch ond"},{"i":18263,"b":"Gedragscode Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Doel van de gedragscode Het doel van de gedragscode is om de kenbaarheid van de integriteitsregels en de bekendheid met de inhoud daarvan te vergroten en om de toepassing van de integriteitsregels verder te internaliseren. Reikwijdte Vervallen Gedragsregels Het Kamerlid is zich ervan bewust dat hij een publiek ambt uitoefent dat rechten en plichten met zich meebrengt. Dit leidt tot de volgende gedragsregels. - 1. Het Kamerlid oefent zijn ambt uit in onafhankelijkheid en in het algemeen belang. - 2. Het Kamerlid accepteert geen gift of gunst die bedoeld is om zijn handelen in het ambt te beïnvloeden. - 3. Het Kamerlid voldoet aan de registratieverplichtingen die het ambt hem oplegt. - 4. Het Kamerlid gebruikt in het ambt verkregen informatie niet voor persoonlijke belangen en waarborgt, indien van toepassing, het vertrouwelijke karakter ervan."},{"i":18369,"b":"Regeling van de secretaris-generaal van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van 25 juni 2012, nr. 2012-193556 houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging met betrekking tot het beheer van het politiekorps en het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling verlening ondermandaat korpsbeheer politie en brandweer BES 2012) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031762&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031762&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031762&artikel=6) en [7 van de Mandaatregeling korpsbeheer politie BES en brandweer BES 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031762&artikel=7) en [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031745&artikel=5) en [6 van het Organisatie- en mandaatbesluit BZK-BES 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031745&artikel=6); Besluit: Paragraaf 1. Bevoegdheden directeur-generaal Politie inzake politiekorps Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 4, tweede lid, van de Mandaatregeling korpsbeheer politie en brandweer BES 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031762&artikel=4) en [artikel 5, eerste lid, van het Organisatie- en Mandaatbesluit BZK-BES 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031745&artikel=5) aan de secretaris-generaal verleende mandaat omtrent het politiekorps wordt ondermandaat verleend aan de directeur-generaal Politie. Artikel 2 Aan de secretaris-generaal blijft voorbehouden de bevoegdheid om besluiten te nemen, indien deze: - a. zijn neergelegd in een document, gericht tot: - 1°. de Nationale ombudsman, behoudens de afdoening van: - –. ontvangstbevestigingen, - –. tussenberichten, waaronder uitstelberichten, en - –. stukken naar aanleiding van verzoeken van de Nationale ombudsman om, ter vermijding van een volledig onderzoek, te bevorderen dat alsnog aan de klacht tegemoet wordt gekomen (interventies); - 2°. de president van en de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederla"},{"i":17626,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 13 februari 2024, nr. IENW/BSK-2024/49004, houdende regels voor verstrekking van specifieke uitkeringen voor mobiliteitsmaatregelen (Tijdelijke regeling specifieke uitkering mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4) en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en [artikel 6, tweede en derde lid, van de Wet Mobiliteitsfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044860&artikel=6); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **betaalbare woning:** betaalbare woning als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=1); - **bijlage:** bijlage bij deze regeling; - **grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties:** Amsterdam Havenstad, MRA West, MRA Oost, Rotterdam Oostflank, Den Haag CID-Binckhorst, Oude Lijn Leiden-Dordrecht, Utrecht Groot Merwede, Eindhoven Internationale Knoop XL, de Brabantse stedenrij, Groningen Suikerunieterrein, Groningen Stadshavens, Foodvalley, Spoorzone Arnhem-Oost, Nijmegen Stationsgebied, Nijmegen Kanaalzone, Zwolle Spoorzone en Amersfoort Spoor- en A1-zone; - **mobiliteitshub:** mobiliteitsmaatregel die fungeert als begin-, eind- of overstappunt van een reis en waar verschillende typen vervoer en hun infrastructuur samenkomen; - **mobiliteitsmaatregel:** infrastructuur, maatregel of voorziening als bedoeld in [artikel 6, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044860&artikel=6); - **ontvanger:** gemeente of openbaar lichaam aan wie een specifieke uitkering is ve"},{"i":17277,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 april 2013 DCB/CZW/S&B, houdende regels inzake een eenmalige bijzondere uitkering voor integrale projecten aan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling bijzondere uitkering integrale projecten 2013) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister voor Wonen en Rijksdienst en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 92, vijfde lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=92); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151); - b. **bijzondere uitkering integrale projecten:** een eenmalige bijzondere uitkering als bedoeld in [artikel 91, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=91), in samenhang met [artikel 92, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=92), ten behoeve van integrale projecten op Bonaire, Sint Eustatius of Saba in het kader van het verbeteren van de leefbaarheid, de re-integratie naar duurzaam betaald werk en het bevorderen van de maatschappelijke participatie; - c. **Minister:** de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Doel bijzondere uitkering integrale projecten 1. Een openbaar lichaam ontvangt over 2013 een bijzondere uitkering integrale projecten ten behoeve van activiteiten en diensten die ten doel hebben het verbeteren van de leefbaarheid, de re-integratie naar duurzaam betaald werk en het bevorderen van de maatschappelijke participatie. 2. Met deze bijzondere uitkering integrale projecten financiert het openbaar lichaam experimentele projecten in het kader van arbeidsmar"},{"i":18172,"b":"Besluit betreffende het opheffen van de beperkingen gesteld aan de openbaarheid van een aantal rijksarchieven en collecties thans in beheer bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op de Verklaring van Overbrenging van 29 mei 2007 waarbij deze archieven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan het Nationaal Archief zijn overgedragen en het bijbehorende besluit van de openbaarheid, Besluit: Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers in het archief Zentralauftragstelle, (1933) 1940 – 1945 (1948), nummer archiefinventaris **093**, worden opgeheven. | 121 | 122 | 123 | 124 | 125 | 126 | 127 | 128 | 129 | 130 | 131 | 132 | 133 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 134 | 135 | 136 | 137 | 138 | 139 | 140 | 141 | 142 | | | | | Artikel 2 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers in het archief Vredegerechtshof en vrederechters, (1940) 1941–1944, nummer archiefinventaris **101**, worden opgeheven. | 1141 | | --- | Artikel 3 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers in de Collectie Nederlandse regering in Londen, 1935–1979, nummer archiefinventaris **233b**, worden opgeheven. | 8 | 41 | 44 | 47 | 54 | 55 | 60 | 64 | 65 | 66 | 74 | 76 | 81 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 82 | 84 | 96 | 97 | 101 | 103 | 111 | 117 | 122 | 123 | 124 | 125 | 126 | | 127 | 128 | 129 | 130 | 131 | 132 | 134 | 135 | 136 | 137 | 139 | 140 | | Artikel 4 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers in het archief van dhr. C.W.P.C. de Koning, 1940–1945 [1976], nummer archiefinventaris **235d**, worden opgeheven. | 1 | | --- | Artikel 5 De beperkingen die zijn gesteld aan d"},{"i":17546,"b":"Reglement Raad van Advies Raad voor Rechtsbijstand 2024 Overwegende dat de Raad voor Rechtsbijstand op grond van [artikel 2, vierde lid, Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2) bestaat uit een bestuur en een Raad van Advies, Overwegende dat in [artikel 6, derde lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=6) is geregeld dat de Raad van Advies een reglement vaststelt waarin in ieder geval regels zijn opgenomen voor zijn werkwijze, besluitvorming en procedures; Overwegende dat de Raad van Advies de algemeen directeur/bestuurder adviseert vanuit de maatschappelijke opgave van de Raad voor Rechtsbijstand; Heeft het volgende reglement vastgesteld: Algemeen: Artikel 1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. **de Raad voor Rechtsbijstand:** het zelfstandig bestuursorgaan dat is ingesteld in [artikel 2, eerste lid van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - c. **het bestuur c.q. de algemeen directeur/bestuurder:** het orgaan dat aan het hoofd staat van de Raad voor Rechtsbijstand en dat wordt genoemd in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3) en [4 eerste en tweede lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=4). - d. **De Raad van Advies:** het adviesorgaan dat wordt genoemd in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2) en [6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=6) en de algemeen directeur/bestuurder adviseert. Artikel 2. Benoeming en ontslag van de leden van de Raad van Advies 1. De Raad van Advies bestaat uit ten minste drie leden en maximaal vijf leden. De algemeen directeur/bestuurder benoemt de leden van de Raad van Advies. De algemeen directeur/bes"},{"i":17183,"b":"Besluit van 11 mei 2001, houdende de overdracht van de zorg voor het consumentenkrediet Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 4 mei 2001, nr. 01M405942; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel De zorg voor het consumentenkrediet, voor zover deze thans behoort tot de taak van Onze Minister van Economische Zaken, gaat, met uitzondering van de zorg voor schuldbemiddeling, met ingang van 1 mei 2001 over naar Onze Minister van Financiën. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Financiën en van Economische Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":19165,"b":"Richtlijn voor strafvordering straatroof Beschrijving Deze richtlijn ziet op diefstal met geweld of afpersing gepleegd op de openbare weg. Basiscasus/delict Beroving burgerslachtoffer (van geld, telefoon, scooter e.d.) door een first offender, alleen gepleegd zonder gebruik of vertoon van wapen. Hierin is verdisconteerd een basis van licht geweld (duwen, losrukken of wegrukken, versperren van de weg) en/of mondelinge bedreiging. Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](onbekend)."},{"i":17799,"b":"Wet van 4 december 2013 tot bepaling van de jaarlijkse uitkering aan de regent Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ingevolge [artikel 37, vierde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=37) een regeling te treffen voor de jaarlijkse uitkering aan de regent; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De regent ontvangt jaarlijks een uitkering ten laste van het Rijk die in mindering wordt gebracht op de jaarlijkse uitkering aan de Koning. Artikel 2 De uitkering aan de regent is uit de volgende gedeelten samengesteld: - –. het gedeelte van de uitkering aan de Koning dat betrekking heeft op het inkomensbestanddeel, vermeld onder A van de in het [tweede lid van artikel 1 van de Wet financieel statuut van het koninklijk huis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002845&artikel=1) opgenomen tabel, verminderd met het gedeelte van het bedrag van de uitkering aan de echtgenoot of echtgenote van de Koning vermeld onder A van deze tabel; - –. het gedeelte van de uitkering aan de Koning dat betrekking heeft op de personele en materiële uitgaven, vermeld onder B van de in het [tweede lid, van artikel 1 van de Wet financieel statuut van het koninklijk huis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002845&artikel=1) opgenomen tabel, verminderd met een tiende deel hiervan. Artikel 3 De in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034367&artikel=1&z=2013-12-18&g=2013-12-18) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034367&artikel=2&z=2013-12-18&g=2013-12-18) bedoelde uitkering is vrij van persoonlijke belastingen. Artikel 4 Bij koninklijk besluit kan aan de regent ten laste van het Rijk een woon- en werkverblijf tot gebruik ter beschikking worden gesteld. Artikel 5 De [Wet v"},{"i":18366,"b":"Regeling detachering politie Gelet op [artikel 62, eerste lid, onder e, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=62) en [artikel 17, tweede lid, van het Besluit beheer regionale politiekorpsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006560&artikel=17); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **het bevoegd gezag:** het bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - b. **ambtenaar:** de ambtenaar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1). Artikel 2 1. Het bevoegd gezag kan een ambtenaar detacheren naar een andere organisatie dan de organisatie, genoemd in [artikel 62, eerste lid, onder a, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=62), tenzij de aard en werkwijze van de andere organisatie strijdig zijn met de taken van de politieorganisatie en tenzij er sprake is van een commercieel belang waarbij de andere organisatie in overwegende mate afhankelijk is van opdrachten van of namens een onderdeel van de politie, bedoeld in [artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25). 2. De inhoud van de modelovereenkomst, bedoeld in [artikel 62, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=62), is opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 3 Vervallen Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1997. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 apri"},{"i":17703,"b":"Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 7 juni 1967 in haar eenenvijftigste zitting; Besloten hebbende tot het aanvaarden van bepaalde voorstellen betreffende de herziening van het Verdrag inzake de ouderdomsverzekering (industrie, enz.), 1933, het Verdrag inzake de ouderdomsverzekering (landbouw), 1933, het Verdrag inzake de invaliditeitsverzekering (industrie, enz.), 1933, het Verdrag inzake de invaliditeitsverzekering (landbouw), 1933, het Verdrag inzake de overlijdensverzekering (industrie, enz.), 1933 en het Verdrag inzake de overlijdensverzekering (landbouw), 1933, welk onderwerp het vierde punt van de agenda der zitting vormt; Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal verdrag zullen aannemen, Neemt heden, de 29ste juni 1967, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als „Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen, 1967”. Deel I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag - a. omvat de term „wetgeving” of „wettelijke regeling” de wetten en reglementen, alsmede de statutaire bepalingen inzake Sociale Zekerheid; - b. wordt verstaan onder „voorgeschreven”: vastgesteld bij of krachtens de nationale wetgeving; - c. omvat de term „industriële inrichting” elke inrichting behorende tot de volgende takken van economische bedrijvigheid: winning van bodemschatten; industrie; bouwbedrijf en openbare werken; electriciteits-, gas- en watervoorziening; sanitaire diensten; vervoer, goederen opslag en communicatie; - d. wordt verstaan onder „wonen”: het gewoonlijk verblijf houden op het grondgebied van het Lid, en onder „ingezetene”: degene, die gewoonlijk op het grondgebied van het Lid verblijf houdt; - e. wordt onder de term „ten laste” versta"},{"i":19128,"b":"Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen 1. Samenvatting Deze richtlijn voor strafvordering bevat het strafbeschikkings- en strafvorderingsbeleid van het OM inzake misdrijven en overtredingen waarvoor feitomschrijvingen (feitcodes) zijn vastgesteld, voor zover deze zaken worden afgedaan met een politiestrafbeschikking of een OM-strafbeschikking. Op zaken waarin een bestuurlijke strafbeschikking ter zake milieuovertredingen wordt uitgevaardigd is de [Richtlijn voor strafvordering bestuurlijke strafbeschikking fysieke leefomgevingsfeiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049103) ([artikel 257 ba Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257)) van toepassing. Verder bevat deze richtlijn recidiveregelingen voor enkele soorten overtredingen. 2. Achtergrond Alle zaken die met gebruikmaking van een feitcode zoals opgenomen in de [Bijlage bij de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](onbekend) (Wahv), [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022233&bijlage=I) en [II bij het Besluit OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022233&bijlage=II) en de bij deze richtlijn behorende Bijlage OM-feiten (de Tekstenbundel) geautomatiseerd in de strafrechtketen worden verwerkt. Het strafbeschikkings- en strafvorderingsbeleid van het OM inzake misdrijven en overtredingen ([Bijlage I Besluit OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022233&bijlage=I) en de bijlage OM-feiten met tarieven), omvattende de volgende afdoeningsvormen waarbij de zaak wordt afgedaan met een politiestrafbeschikking of OM-strafbeschikking. Indien in deze richtlijn bij een recidiveregeling in de tabel een bepaalde gradatie van een feit ‘**OM-strafbeschikking of eis ter zitting**’ wordt genoemd, geldt als uitgangspunt dat een strafbeschikking wordt uitgevaardigd. Dagvaarden dient uitsluitend in die gevallen plaats te vinden waarin gelet op de voorgenomen eis het opleggen van een strafbeschikking n"},{"i":17811,"b":"Wet van 26 april 2001 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet inzake de vrijwillige verzekering en wijziging van artikel X van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen inzake de vrijwillige verzekering krachtens de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) en de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) meer in overeenstemming te brengen met de oorspronkelijke doelstelling van de vrijwillige verzekering, te weten een verzekering van tijdelijke aard, en dat het wenselijk is het overgangsrecht met betrekking tot de uitkering op grond van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) in het buitenland te herstellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 januari 2001. ARTIKEL I. Wijziging van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. ARTIKEL II. Wijziging [hoofdstuk IX van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&hoofdstuk=IX) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. ARTIKEL III. Wijziging van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. ARTIKEL IV. Wijziging van de [Wet financiering volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004538) Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen. ARTIKEL V. Wijziging van de [Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008658) Wijzigt de Invoeringswet nieuwe en ge"},{"i":17279,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 11 september 2013, nr. 13030742, houdende regels inzake een bijzondere uitkering voor projecten ter bevordering van de natuurbescherming aan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling bijzondere uitkering natuur 2013–2017) Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 92, vijfde lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=92); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **bijzondere uitkering natuur:** eenmalige bijzondere uitkering als bedoeld in [artikel 91, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=91), in samenhang met [artikel 92, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=92), ten behoeve van de uitvoering van projecten in het kader van deze regeling; - –. **minister:** Minister van Economische Zaken; - –. **wet:** [Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151). Artikel 2. Doel bijzondere uitkering natuur De minister verstrekt een bijzondere uitkering natuur aan de openbare lichamen ten behoeve van de uitvoering van projecten gericht op het bevorderen van: - –. het behoud van koraal; - –. het duurzaam gebruik van natuur, of - –. de synergie bij het duurzaam gebruik van natuur in combinatie met landbouw en toerisme. Artikel 3. Totale bijdrage 1. De bijzondere uitkering natuur bedraagt maximaal $ 9.800.000,00. 2. De minister verstrekt de middelen van de bijzondere uitkering natuur aan de openbare lichamen volgens de volgende verdeling: | Bonaire: | $ 5.238.400,00; | | --- | --- | | Sint Eustatius: | $ 2.488.240,00; | | Saba: | $ 2.095.360,00. | Artikel 4. Advies 1. Er is een adviescommissie bijzondere uitkering natuur. 2. De adviescommissi"},{"i":18507,"b":"Rijkswet van 27 mei 1999 tot instelling van een exclusieve economische zone van het Koninkrijk (Rijkswet instelling exclusieve economische zone) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het, in het bijzonder voor een verhoogde bescherming en een beter behoud van het mariene milieu, wenselijk is de rechtsmacht van het Koninkrijk uit te breiden en daartoe over te gaan tot de instelling van een exclusieve economische zone; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt voor Nederland in werking op 28 april 2000. Treedt voor Aruba en de Nederlandse Antillen in werking op 1 september 2010 (Stb. 2010/277). Artikel 1 1. Er is een exclusieve economische zone van het Koninkrijk. 2. De exclusieve economische zone van het Koninkrijk is het gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee van het Koninkrijk dat zich niet verder uitstrekt dan tweehonderd zeemijlen vanaf de basislijnen, vanaf welke de breedte van de territoriale zee wordt gemeten. Artikel 2 De buitengrens van de exclusieve economische zone wordt voor Nederland vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur en voor Curaçao, Aruba, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bij algemene maatregel van rijksbestuur. Artikel 3 Het Koninkrijk heeft, met inachtneming van de grenzen die het volkenrecht stelt, in de exclusieve economische zone: - a. soevereine rechten ten behoeve van de exploratie en exploitatie, het behoud en het beheer van de levende en niet-levende natuurlijke rijkdommen van de wateren boven de zeebodem en van de zeebodem en de ondergrond daarvan, en met betrekking tot andere activiteiten voor de economische exploitatie en exploratie van de zone, zoals de opwekking van energie uit het water, d"},{"i":18365,"b":"Regeling Cultuureducatie voor het Caribisch deel van het Koninkrijk 2025–2028 gelet op [artikel 10, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), van de **Wet op het specifiek cultuurbeleid**; gelet op [artikel 4:23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23) van de **Algemene wet bestuursrecht**; gelet op het ****Algemeen Subsidiereglement**** van het Fonds voor Cultuurparticipatie; met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 januari 2022; en voor de gewijzigde versie op 27 maart 2023; **besluit:** Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen Artikel 1.1. Gebruikte begrippen 1. In deze regeling worden onderstaande begrippen gebruikt. - a. **Activiteit:** Een specifieke handeling of bezigheid die door de aanvrager wordt geïnitieerd en door, of met, de doelgroep (een individu, groep of organisatie) wordt uitgevoerd om een specifieke outcome te bereiken. Denk hierbij aan het brainstorms, repetities, coachingsessies, bijeenkomsten, presentaties etc. - b. **Adviescommissie:** Een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het [Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042690). - c. **Algemeen Subsidiereglement:** [Algemeen Subsidiereglement Fonds voor Cultuurparticipatie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516). - d. **Beleidsprogramma Cultuureducatie met Kwaliteit:** Programma geïnitieerd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dit programma waarborgt de landelijke kwaliteit van cultuureducatie in het onderwijs. - e. **Caribisch deel van het Koninkrijk:** de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - f. **Caribisch Nederland:** de drie openbare lichamen van het land Nederland, zijnde de eilanden: Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - g. **Cultuur:** (De sector die zich kenmerkt door) het dynamische geheel van normen, waarden, trad"},{"i":17322,"b":"Regeling Informatiebeheer Sociale Verzekeringsbank (SVB) 2023 Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14), Besluit: Artikel 1. Begrippenkader In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Overheidsinformatie:** alle informatie die de Sociale Verzekeringsbank zelf maakt of van een ander ontvangt bij het uitvoeren van haar taken, ongeacht: - •. het werkproces waaruit de informatie voortkomt; - •. de inhoud van de informatie; - •. de formele status van de informatie; - •. de fase waarin de creatie en behandeling van de informatie verkeert; - •. de termijn dat de informatie bewaard moet worden na afhandeling (bewaartermijn); - •. de technische vorm van de informatie; - •. de applicaties waarmee de informatie is gemaakt en wordt beheerd; - •. door wie de informatie beheerd wordt. - b. **Sociale Verzekeringsbank (SVB):** de Sociale Verzekeringsbank als bedoeld in [artikel 3, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=3) (SUWI); - c. **Raad van Bestuur (RvB):** Het met de dagelijkse leiding van de SVB belaste orgaan als bedoeld in [artikel 6, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6) (SUWI); - d. **Auditor:** de medewerker van de directie Auditdienst die onafhankelijk en objectief zekerheid geeft aan de Raad van Bestuur over de inrichting en de effectiviteit van het informatiebeheer bij de Sociale Verzekeringsbank; - e. **Chief Information Officer (CIO):** de functionaris die in opdracht van de Raad van Bestuur beleid en kaders op het gebied van informatievoorziening opstelt, bevordert dat het ontwikkelde beleid in de informatievoorziening uitvoerbaar is, bevordert dat het nieuwe beleid adequaat in de informatievoorziening wordt geïmplementeerd en op effect en implementatie wordt gemonitord; - f. **Dire"},{"i":17696,"b":"Verdrag betreffende de sociale zekerheid van zeelieden De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Seattle en aldaar bijeengekomen op 6 juni 1946 in haar achtentwintigste zitting, Besloten hebbende, verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de sociale zekerheid van zeelieden, welk onderwerp het tweede punt van de agenda der zitting vormt, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag, Neemt heden, de 28ste juni 1946, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de sociale zekerheid van zeelieden, 1946”: Artikel 1 1. Voor de toepassing van dit Verdrag: - a). wordt onder de uitdrukking „zeelieden” verstaan iedere persoon die dienst doet aan boord of in dienst is van een zeeschip, geen oorlogsschip zijnde, dat ingeschreven is in een gebied waarvoor dit Verdrag van kracht is; - b). heeft de uitdrukking „personen ten laste van zeelieden” de betekenis die daaraan bij de nationale wetgeving wordt toegekend; - c). wordt onder „repatriëring” verstaan het vervoer naar een haven, waarheen de zeeman het recht heeft, overeenkomstig de nationale wetgeving, teruggebracht te worden. 2. Elk Lid kan in zijn nationale wetgeving die uitzonderingen maken, die het noodzakelijk zou achten voorzover het betreft: - a). personen werkzaam aan boord of in dienst van: - i). schepen toebehorende aan een openbare autoriteit, wanneer die schepen niet voor de handel gebezigd worden; - ii). vaartuigen voor de kustvisserij; - iii). schepen met een bruto tonnenmaat van minder dan 25 registerton; - iv). houten vaartuigen van een primitieve constructie, zoals „dhows” of jonken; - v). schepen bestemd voor de kustvaart met een bruto tonnenmaat van niet meer dan 300 registerton, voorzover het schepen betreft die ingeschreven zijn in India, en gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar na registratie van de"},{"i":18471,"b":"Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit Reglement en de daarop berustende regelingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: - –. **bijzondere gedelegeerde:** een door de Staten van Aruba, Curaçao of Sint Maarten afgevaardigde bijzondere gedelegeerde; - –. **commissiegriffier:** de door de Griffier aangewezen plaatsvervangende griffier die een commissie bijstaat; - –. **commissie(onder)voorzitter:** de (onder)voorzitter van een commissie; - –. **gevolmachtigde minister:** de Gevolmachtigde Minister van Aruba, Curaçao of Sint Maarten; - –. **Griffier:** de Griffier van de Kamer; - –. **minister:** een bij koninklijk besluit benoemde minister of staatssecretaris; - –. **Ondervoorzitter:** een Ondervoorzitter van de Kamer; - –. **openbaar maken:** het voor een ieder beschikbaar stellen op een openbare website; - –. **oude samenstelling:** de samenstelling van de Kamer, onmiddellijk voorafgaand aan de eerste vergadering van een nieuw gekozen Kamer; - –. **stukken:** archiefbescheiden als bedoeld in de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376); - –. **Voorzitter:** de Voorzitter van de Kamer; - –. **zitting:** de periode waarin een gekozen Kamer werkzaam is, welke duurt vanaf de eerste vergadering van een nieuw gekozen Kamer tot aan de eerste vergadering van de daaropvolgende nieuw gekozen Kamer. Hoofdstuk 2. Begin en einde van het lidmaatschap Artikel 2.1. Toelating leden 1. De Kamer beslist met inachtneming van de bij de wet gestelde regels of een nieuwbenoemd lid als lid van de Kamer wordt toegelaten. 2. De commissie, genoemd in [artikel 7.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&hoofdstuk=7&paragraaf=7.1&artikel=7.6&z=2024-11-21&g=2024-11-21), is ten behoeve van de beslissing van de Kamer belast met het onderzoek van de geloofsbrief van elk nieuwbenoemd lid. 3. De geloofsbrief en de stukken die een nieuwbenoemd lid op grond van de wet dient"},{"i":19505,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland inzake scheepvaart De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Estland, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, zijn, met het oog op de verdere ontwikkeling van de vriendschappelijke betrekkingen tussen de twee landen en de versterking van de samenwerking op het gebied van de scheepvaart, overeenkomstig de beginselen van gelijkheid en wederzijds voordeel, het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst: - 1. Wordt onder „bevoegde scheepvaartautoriteit\" verstaan: in het Koninkrijk der Nederlanden het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en in de Republiek Estland het Ministerie van Vervoer en Verbindingen. - 2. Wordt onder „schip van een Overeenkomstsluitende Partij\" verstaan: elk zeeschip gebruikt voor commerciële doeleinden, met uitzondering van vissersschepen en fabrieksschepen, dat is geregistreerd in en de vlag voert van een Overeenkomstsluitende Partij in overeenstemming met haar nationale wetten en voorschriften. - 3. Wordt onder „bemanningslid\" verstaan: de kapitein van het schip en elke persoon aan boord van een schip die daadwerkelijk is belast met werkzaamheden verband houdend met de exploitatie van of de dienstverlening op het schip, die is opgenomen op de monsterrol en die houder is van een identiteitsbewijs voor zeevarenden. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen dragen in hun onderlinge betrekkingen in alle opzichten bij aan de vrijheid van de handelsscheepvaart en onthouden zich van elk optreden dat de ontwikkeling van de internationale scheepvaart zou kunnen schaden. Artikel 3 1. Elke Overeenkomstsluitende Partij past deze Overeenkomst toe in overeenstemming met haar internationale verplichtingen; met name het Koninkrijk der Nederlanden past deze Overeenkomst toe in overeenstemming met de verplichtingen die het heeft ingevolge de Verdr"},{"i":17802,"b":"Wet van 25 augustus 2023, houdende bepalingen over gegevensuitwisseling ter bevordering van samenwerking binnen het zorgdomein en van doelmatige en rechtmatige zorg, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp (Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is regels te stellen over de gegevensuitwisseling ter bevordering van samenwerking binnen het zorgdomein met het oog op doelmatige en rechtmatige zorg, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepaling en algemene bepalingen Artikel 1.1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **CIZ:** CIZ als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1); - –. **college:** college van burgemeester en wethouders als bedoeld in [artikel 5, onderdeel c, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=5); - –. **FIOD:** bijzondere opsporingsdienst als bedoeld in [artikel 2, onderdeel a, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2); - –. **fraude in de zorg:** opzettelijk misleidend handelen binnen het domein van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), [Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031), [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) of de door een ziektekostenverzekeraar te vergoeden zorg, die niet behoort tot het verzekerde pakket van de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg, met het oog op eigen of andermans gewin, voor zove"},{"i":17638,"b":"Besluit van 24 oktober 1994, nr. IFZ94/1206 De staatssecretaris deelt het volgende mee. Gelet op het bijzondere karakter van door de Stiftung Hilfswerk für behinderte Kinder verstrekte uitkering(en) (Softenon-uitkering(en), heb ik aanleiding gevonden goed te keuren dat de Belastingdienst de van deze stichting ontvangen uitkeringen voor de toepassing van de Nederlands-Duitse overeenkomst ter vermijding van dubbele belasting op dezelfde wijze behandelt als uitkeringen genoemd in het derde lid van art. 12 van genoemde overeenkomst. Voor de heffing van inkomstenbelasting brengt deze goedkeuring mee dat ter zake van de belasting die verschuldigd is over de van de Stiftung Hilfswerk ontvangen uitkering(en) een vermindering zal worden verleend op de voet van het bepaalde in het derde lid van art. 20 van genoemde overeenkomst. NB: De tegemoetkoming geldt niet voor de premieheffing volksverzekeringen, zodat zij geen gevolgen heeft voor de over de uitkeringen verschuldigde premies volksverzekeringen."},{"i":18953,"b":"Besluit Coördinatiegroepen alternatieve sancties Overwegende dat de ontwikkeling en de toepassing van alternatieve sancties in de arrondissementen dienen te worden bevorderd; Overwegende dat de gezamenlijke beleidsvorming en de samenwerking tussen de verschillende, bij de voorbereiding en de uitvoering van de alternatieve sancties betrokken autoriteiten en instellingen in elk arrondissement dienen te worden geoptimaliseerd; Besluit: In ieder arrondissement een Coördinatiegroep alternatieve sancties in te stellen. 1. De Coördinatiegroep alternatieve sancties heeft tot taak: - a. het scheppen van voorwaarden voor het goed doen verlopen van de toepassing en uitvoering van alternatieve sancties, in het bijzonder door het inbrengen van de hen ten dienste staande informatie over deze sancties, door bijdragen te leveren aan het oplossen van knelpunten, en door in voorkomende gevallen de Overleg, en adviescommissie alternatieve sancties te adviseren en daaraan te rapporteren. - b. het scheppen van voorwaarden dat de betrokken autoriteiten en instellingen een gezamenlijk beleid voor alternatieve sancties ontwikkelen. - c. het onderzoeken van mogelijkheden voor de toepassing van alternatieve sancties binnen het eigen arrondissement. - d. het versterken van het draagvlak voor alternatieve sancties binnen het arrondissement, onder meer door het bevorderen van een adequate publieksvoorlichting. 2. De Coördinatiegroep alternatieve sancties bestaat uit ten minste: - a. een lid van het openbaar ministerie in het arrondissement; - b. de directeur van de in het arrondissement werkzame stichting, als bedoeld in artikel 4 van de Reclasseringsregeling 1986 (Stb. 1986, 1) of dien plaatsvervanger. - c. de secretaris van de raad voor de kinderbescherming in het arrondissement of diens plaatsvervanger; 3. In ieder arrondissement wordt een door de President van de rechtbank aan te wijzen lid van de zittende magistratuur uitgenodigd om aan de werkzaamheden van de Coördinatiegroep alternatieve"},{"i":18053,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 maart 2009, nr. DDI/ST/reg. 005/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties te New York van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties te New York van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum is het dossier onder dit inventarisnummer niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 42 | 2039 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties te New York van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 1000 | 2035 | | 1097 | 2027 | | 1219 | 2036 | | 1220 | 2040 | | 1221 | 2040 | | 1978 | 2050 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025583&artikel=2&z=2009-04-02&g=2009-04-02), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt doo"},{"i":19501,"b":"Overeenkomst tot vereenvoudiging van het reizigersverkeer tussen Ierland en de Beneluxlanden De Regering van Ierland, enerzijds, en de Regeringen van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, gezamenlijk optredend op grond van de Overeenkomst van 11 april 1960 betreffende de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied, anderzijds, verlangend het reizigersverkeer tussen hun onderscheiden grondgebieden te vereenvoudigen, zijn overeengekomen een overeenkomst te sluiten van de navolgende inhoud: Artikel 1 Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder: „Beneluxlanden” het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; onder: „Beneluxgebied” de grondgebieden in Europa van het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden, alsmede het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg. Artikel 2 Belgische, Luxemburgse en Nederlandse staatsburgers die in het bezit zijn van een geldig nationaal paspoort kunnen, ongeacht hun plaats van herkomst, Ierland inreizen zonder verplicht te zijn zich vooraf van een visum te voorzien. Artikel 3 Belgische, Luxemburgse en Nederlandse staatsburgers die in het bezit zijn van een geldige Belgische identiteitskaart, of van een geldige Luxemburgse **„carte d'identité”** (carte de légitimation), of van een geldige Nederlandse **identiteitskaart** (toeristenkaart), alsmede van een Ierse **„Visitor's Card”**, kunnen Ierland inreizen zonder verplicht te zijn zich vooraf van een visum te voorzien, mits hun verblijf de tijd van drie maanden niet te boven gaat en niet is bedoeld om arbeid te verrichten. Artikel 4 (1). Met inachtneming van de bepalingen van lid 2 kunnen Ierse staatsburgers die in het bezit zijn van een geldig nationaal paspoort, ongeacht hun plaats van herkomst, het Beneluxgebied binnenreizen, zonder verplicht te zijn zich vooraf van een visum te voorzien. (2). Ierse staatsburgers die zich voor een verbl"},{"i":19055,"b":"Besluit van de directeur Veiligheid en Bestuur van het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 24 juli 2024, nr. 5435766, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de hoofden van de onder de directie ressorterende afdelingen (Mandaatbesluit DVB Justitie en Veiligheid 2024) Gelet op [artikel 1, eerste lid, van het Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=1) en [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel e, van het Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=1) aan de directeur Veiligheid en Bestuur verleende mandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun afdeling betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van de de afdeling Integrale veiligheid (IV); - b. het hoofd van de de afdeling Bestuurlijke aanpak (BA); - c. het hoofd van de afdeling Bestuurlijk Instrumentarium (BI). Artikel 2 De in [artikel 1, onder a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050097&artikel=1&z=2024-08-07&g=2024-08-07), genoemde functionarissen wordt toegestaan elkaar volledig te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars bevoegdheden. Artikel 3 De [Mandaatregeling DVB Veiligheid en Justitie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034008) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 9 mei 2024. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit DVB Justitie en Veiligheid 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19425,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 26 maart 2015, nr. IENM/BSK-2015/29854, houdende aanwijzing van ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van artikel 145g van de Wegenverkeerswet 1994 (Besluit aanwijzing toezichthouder artikel 145g Wegenverkeerswet 1994) Gelet op [artikel 158, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=158); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de ITS-Regeling in werking treedt. Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van hetgeen is bepaald bij of krachtens [artikel 145g van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=145g) zijn belast de ambtenaren van de Dienst Wegverkeer die bij besluit van de algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer met het toezicht zijn belast. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [ITS-Regeling](onbekend) in werking treedt. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouder artikel 145g Wegenverkeerswet 1994. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17193,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de invordering van premies voor de sociale zekerheid Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, Bezield door de wens de bevoegde organen van beide Overeenkomstsluitende Partijen in staat te stellen ook op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij de premies voor de sociale zekerheid in te vorderen, Ernaar strevend de toepassing van artikel 51 van Verordening nr. 3 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers **(Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen** van 16 december 1958, nr. 30) te regelen, Zijn op grond van artikel 7 van deze Verordening het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen GEDAAN te 's-Gravenhage, de 21e januari 1969 in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek. **Voor het Koninkrijk der Nederlanden,** (w.g.) J. LUNS **Voor de Bondsrepubliek Duitsland,** (w.g) HANS ARNOLD"},{"i":18872,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 december 2020, nr. BOACAT2020/066, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij een van de geselecteerde gemeente aan de pilot korte wapenstok Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044601&artikel=2&z=2020-12-31&g=2020-12-31). Artikel 2 De personen, in domein I, Openbare Ruimte in dienst van de gemeente die geselecteerd is voor de pilot korte wapenstok, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de fun"},{"i":19160,"b":"Richtlijn voor strafvordering ram- en plofkraken Beschrijving Hoewel niet primair tegen personen gericht kan het met ram- of plofkraken gepaard gaande grof geweld naast verstoring van de bedrijfsvoering gevaar en schade opleveren voor de omgeving en de zich in de nabijheid bevindende personen. De gevaarzetting is bij plofkraken groot. Denk daarbij aan brand- en instortingsgevaar en achterblijvende explosieven. Bovendien tast dit delict het veiligheidsgevoel en woongenot van omwonenden aan. Er zijn voorbeelden van bewoners die niet meer in de buurt willen wonen van een bank of geldautomaat waar meermalen deze diefstallen hebben plaatsgevonden. Deze misdrijven veroorzaken in de samenleving gevoelens van grote onrust en onveiligheid. Voor de eigenaar van een bedrijf levert het naast aanzienlijke schade tevens flinke overlast en frustratie op doordat er veel geregeld moet worden en de bedrijfsvoering wordt verstoord. Voeg daarbij de gevoelens van onmacht omdat het voor winkeliers immers nauwelijks mogelijk is zich tegen deze vormen van criminaliteit te beveiligen. Er is een tendens dat criminelen steeds zwaarder materieel in zetten om dit soort diefstallen te voltooien en zich daarbij niets aantrekken van de gevaren voor omwonenden. Ook (ondeskundig) gebruik van explosieven neemt toe en daarmee worden de risico’s voor burgers, politie en hulpverleners vergroot. Basiscasus/delict Ramkraak, gepleegd door een of meerdere daders met beperkte recidive. Het gaat hier om een diefstal waarbij gebruik gemaakt wordt van een ramauto om toegang te verschaffen tot bijvoorbeeld een winkel. Basiscasus/delict Plofkraak, gepleegd door een of meerdere daders met beperkte recidive. Het gaat hier om een diefstal uit geldautomaten of bijbehorende kluizen, waarbij gebruik gemaakt wordt van gas en/of een explosief, een combinatie van [311](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=311) en [157](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=157) (en eventueel [170) Sr]("},{"i":17367,"b":"Regeling mondzorg Gelet op [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [artikel 37 eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [artikel 38, derde en zevende lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van mondzorg. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Behandeling:** Het uitvoeren van één of meer prestaties, volgend uit en in het kader van een diagnose, op het gebied van preventieve en/of curatieve mondzorg ten behoeve van de patiënt uitgevoerd binnen een bepaalde tijdsperiode. - **Declaratie:** Het tarief of de tarieven die in rekening zijn gebracht voor een geleverde (deel)prestatie of (deel)prestaties aan de patiënt dan wel aan de ziektekostenverzekeraar van de betreffende patiënt. - **Laboratoriumkosten:** De laboratoriumkosten van het externe bacteriologisch laboratoriumonderzoek die specifiek toe te rekenen zijn aan de betreffende prestatie. Bij de prestaties waarbij dit van toepassing kan zijn staat dit in de betreffende beleidsregel en tariefbeschikking aangegeven met een tweetal sterretjes (**). - **Materiaal- en/of techniekkosten:** De kosten van techniek die noodzakelijk zijn voor de behandeling en extra zijn ingekocht dan wel in eigen beheer zijn uitgevoerd en de kosten van de materialen die specifiek toe te rekenen zijn aan de betreffende prestatie. Hier worden expliciet niet de verbruiksmaterialen bedoeld. Bij de prestaties waarbij dit van toepassing kan zijn staat dit in de betreffende beleidsregel en tariefbeschikking aangegeven met een * (sterretje). - **Mondzorg:** Zorg zoals omschreven in de beleidsregels ‘tandheelkundige zorg’, ‘jeugdtandverzorging instellingen’, ‘orthodontische zorg’, ‘tandtechniek in eigen beheer’ en ‘bijzondere tandheelkunde in"},{"i":17611,"b":"Besluit van 6 juli 2012 op grond van artikel 1.7a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek met het oog op het gedeeltelijk verzorgen van een Associate-degreeprogramma op de locatie van een bve-instelling (Tijdelijk besluit gedeeltelijk verzorgen Ad-programma op locatie bve-instelling) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 20 januari 2012, nr. WJZ/371472 (4881), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op [artikel 1.7a, eerste, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.7a), en [artikel 7.45b, zesde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.45b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 maart 2012, nr. W05.12.0021/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 3 juli 2012, nr. WJZ/392154 (4481), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen Vervallen Artikel 2. Doel van het experiment Vervallen Artikel 3. Voorwaarden voor goedkeuring en afwijking van de [WHW](onbekend) Vervallen Artikel 4. Eisen aan de samenwerkingsovereenkomst Vervallen Artikel 5. Vervallen goedkeuring en voorzieningen bij ontbinden samenwerkingsovereenkomst Vervallen Artikel 6. Vestigingsplaats Vervallen Artikel 7. Werkingsduur van het experiment Vervallen Artikel 7a. Wijziging van het [Uitvoeringsbesluit WHW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152) Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WHW 2008. Artikel 8. Inwerkingtreding en vervaldatum Vervallen Artikel 9. Citeertitel Vervallen Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16980,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bescherming van Persoonsgegevens 1968- (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2007, nr. arc-2007.03507/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bescherming van Persoonsgegevens over de periode 1968-](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18473,"b":"Reglement voor de Commissie voor de Verzoekschriften van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: - a. commissie, de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Eerste Kamer der Staten-Generaal; - b. verzoekschrift, een ingevolge het bepaalde in [artikel 107 van het reglement van orde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=107) in handen van de commissie gesteld geschrift; - c. overheid, organen van de centrale overheid, waaronder begrepen diensten en bedrijven, die, hetzij direct, hetzij indirect geheel of gedeeltelijk worden geëxploiteerd voor rekening van het Rijk. Artikel 2 1. De commissie kan een onderzoek instellen naar aanleiding van aangelegenheden, aan de orde gesteld in verzoekschriften, betreffende de wijze waarop de overheid haar taak vervult of betreffende de vraag of de overheid al dan niet een taak zal moeten gaan vervullen. 2. Een onderzoek, als bedoeld in het vorige lid, strekt zich niet uit tot de taakvervulling van: - a. de Kamers der Staten-Generaal en de leden en ambtenaren daarvan in hun functie als zodanig; - b. de Raad van State en de leden en ambtenaren daarvan in hun functie als zodanig; - c. de Algemene Rekenkamer en de leden en ambtenaren daarvan in hun functie als zodanig; - d. de Nationale ombudsman en diens ambtenaren in hun functie als zodanig; - e. de leden van de rechterlijke macht, met rechtspraak belast, in hun functie als zodanig; - f. andere personen of leden van colleges, met rechtspraak of arbitrage belast, in hun functie als zodanig. Artikel 3 Een verzoekschrift dient te bevatten: - a. naam en adres van de adressant; - b. een uiteenzetting van de redenen en het belang welke tot de indiening van het verzoekschrift hebben geleid. Artikel 4 1. De commissie brengt ten aanzien van een verzoekschrift aan de Kamer verslag uit, tenzij zij geen onderzoek heeft ingesteld op grond van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024421&artikel=2&z=2023-06-13"},{"i":17715,"b":"Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, Geleid door de wens de betrekkingen tussen de beide Staten op het gebied van de sociale zekerheid te regelen, zijn het volgende overeengekomen : TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. wordt onder „Verenigde Staten” verstaan de Verenigde Staten van Amerika en wordt onder „Nederland” verstaan het Koninkrijk der Nederlanden; - 2. wordt onder „grondgebied” verstaan, wat de Verenigde Staten betreft, de Staten, het District Columbia, het Gemenebest van Puerto Rico, de Maagdeneilanden, Guam en Amerikaans Samoa, en, wat Nederland betreft, het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; - 3. wordt onder „onderdaan” verstaan, wat de Verenigde Staten betreft, een onderdaan van de Verenigde Staten zoals omschreven in artikel 101, Immigration and Nationality Act, zoals gewijzigd, en wat Nederland betreft, een persoon met de Nederlandse nationaliteit; - 4. wordt onder „wetten” verstaan de in artikel 2 vermelde wetten en regelingen; - 5. wordt onder „Bevoegde Autoriteit” verstaan, wat de Verenigde Staten betreft, ”The Secretary of Health and Human Services” en wat Nederland betreft, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - 6. wordt onder „uitvoeringsorgaan” verstaan, wat de Verenigde Staten betreft, de \"Social Security Administration”, en wat Nederland betreft, het orgaan of de autoriteit, belast met de uitvoering van het geheel of een gedeelte van de in artikel 2, lid l(b) vermelde wetten, alsmede de Nederlandse rechtbanken die bevoegd zijn voor zaken betreffende die wetten; - 7. wordt onder „verzekeringstijdvak” verstaan een tijdvak van premiebetaling, een tijdvak van inkomsten uit loondienst of uit zelfstandige arbeid of een tijdvak van wonen, dat door de wetten krachtens welke een zodanig tijdvak is vervuld als een verzekering"},{"i":18071,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Stichting Proefstation voor de Groenteteelt in de Vollegrond in Nederland, Ministerie van LNV, (1947) 1953-1979 (1989) Inventaris PAGV Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van het Nationaal Archief van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is de inhoud van inventarisnummer 69 beperkt openbaar tot 1 januari 2034 Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045616&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de algemeen rijksarchivaris heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045616&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045616&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de algemeen rijksarchivaris. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https:"},{"i":17646,"b":"Besluit van 27 oktober 2014, houdende regels ter uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2014, kenmerk 644936-123830-WJZ; Gelet op [artikelen 1.1.2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=1.1.2), [1.2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=1.2.2), [2.1.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.1.4), [2.6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.2), [2.6.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.5), [3.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=3.3), en [5.4.1, derde en vijfde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=5.4.1), [6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=6), en [77 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=77), [4, eerste lid, van de Wet wettelijke grondslag bdu siv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026724&artikel=4), [29, derde lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=29), [40, eerste lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=40), [1, tweede lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007850&artikel=1), [10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10), [2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955&artikel=2), [15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031&artikel=15), en [19, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031&artikel=19), [11, eerste lid"},{"i":11452,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 september 2024, nr. KO/1510789, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan scholen voor praktijkonderwijs voor het vergoeden van reiskosten aan leerlingen die entreeonderwijs volgen (Subsidieregeling tegemoetkoming reiskosten entreeleerlingen praktijkonderwijs) Gelet op [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **entreeopleiding:** entreeopleiding als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, eerste volzin, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2); - **leerling:** leerling als bedoeld in [artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.7); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **praktijkonderwijs:** praktijkonderwijs als bedoeld in [artikel 2.8 van de Wet voorgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.8); - **reiskosten:** kosten die een leerling van een school voor praktijkonderwijs maakt voor reizen in het kader van de entreeopleiding die de leerling volgt; - **schooljaar:** schooljaar als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1). Artikel 2. Toepassing [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Deze regeling geldt in aanvulling op de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603). Artikel 3. Doelstelling subsidieregeling De minister kan aan scholen voor praktijkonderwijs subsidie verstrekken met als doel om deze scholen in staat te stellen om in de schooljaren 2024–2025, 2025–2026, 2026–2027 en 2027-"},{"i":19717,"b":"Wet van 26 februari 1996, tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en andere wetten in verband met de opheffing van de functie van verkeersschout Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de functie van verkeersschout op te heffen, en dat het daartoe nodig is de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830) en andere wetten te wijzigen en regels van overgangsrecht tot stand te brengen voor degenen die thans nog als verkeersschout functioneren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel II Wijzigt de Wet op de samenstelling van de burgerlijke gerechten. Artikel III Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel IV Wijzigt de Wegenverkeerswet. Artikel V Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel VI 1. De verkeersschouten worden van rechtswege benoemd tot substituut-officier van justitie met een beperkte bevoegdheid als bedoeld in het tweede lid. Zij worden als zodanig niet beëdigd en geïnstalleerd. [Artikel 59**b** van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=59b) is niet van toepassing. 2. In afwijking van artikel 4 in samenhang met de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=3), eerste lid, en [59**c**, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=59c), kunnen de in het eerste lid bedoelde substituut-officieren van justitie de bevoegdheden die de wet aan de officier van justitie toekent uitsluitend uitoefenen in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen zaken. 3. De inpassing in salariscategorie 10 van de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":19720,"b":"Wet van 22 maart 2001 tot wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 in verband met de toetsing van gekwalificeerde deelnemingen in effectenbeurzen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de[Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657) bepalingen op te nemen betreffende de toetsing van gekwalificeerde deelnemingen in een houder van een effectenbeurs aan wie een erkenning op grond van [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=22) is verleend; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel l Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Artikel ll Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel lll 1. [Artikel 26a, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=26A) blijft buiten toepassing tot de eerste dag van de eerste kalendermaand na de datum van inwerkingtreding van dat artikellid. 2. Met ingang van de in het eerste lid bedoelde dag blijft [artikel 26a, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=26A), buiten toepassing ten aanzien van degene die in de aan die dag voorafgaande periode bij Onze Minister een aanvraag heeft ingediend voor een verklaring van geen bezwaar, tot de tweede dag nadat Onze Minister zijn besluit inzake die aanvraag heeft verzonden. Artikel lV Wijzigt de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993. Artikel V Wijzigt de Wet tot opneming in de Wet toezicht effectenverkeer 1995 van bepalingen betreffende openbare biedingen op effecten. Artikel Vl Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal word"},{"i":19721,"b":"Wet van 5 februari 2020 tot wijziging van de Scheepvaartverkeerswet en enige andere wetten in verband met verdere flexibilisering van de loodsplicht (Loodsplicht nieuwe stijl) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat de [Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364) en enige andere wetten te wijzingen om ter bevordering van de veiligheid op de scheepvaartwegen de loodsplichtwetgeving te herzien door onder andere de invoering mogelijk te maken van een Pilotage Exemption Certificate (PEC); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt voor de zeehavengebieden, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, in werking op 1 januari 2021. Treedt voor het zeehavengebied Scheldemonden, voor zover hoofdstuk III van het Scheldereglement daarop niet van toepassing is, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (Stb. 2020/378). Artikel I Wijzigt de Scheepvaartverkeerswet. Artikel II. Wijziging [Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365) Wijzigt de Loodsenwet. Artikel III. Wijziging van de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) Wijzigt de Arbeidstijdenwet. Artikel IV. Wijziging [Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032046) Wijzigt de Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s. Artikel V. Evaluatiebepaling Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VI. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaa"},{"i":4546,"b":"Circulaire wijziging van de vergoeding van een lid van het algemeen bestuur, informatie over bezoldiging en eindejaarsuitkering van een lid van het dagelijks bestuur en informatie over de bezoldiging, de ambtstoelage en de eindejaarsuitkering van een voorzitter Algemene informatie Door middel van deze circulaire wordt u geïnformeerd over de wijzigingen van het bedrag van de vergoeding voor een lid van het algemeen bestuur van een waterschap, genoemd onder [artikel 3.2, tweede lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.2). Daarnaast informeer ik u over de bezoldiging en de eindejaarsuitkering van een lid van het dagelijks bestuur en over de bezoldiging, de ambtstoelage en de eindejaarsuitkering van de voorzitter. In deze circulaire wordt ook gesproken over de werkkostenregeling. Over de toepassing van de werkkostenregeling bent u eerder geïnformeerd bij [circulaire van 8 maart 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029754), nr. 2011-2000024839. 1. Vergoeding van een lid van het algemeen bestuur van een waterschap Het bedrag van de vergoeding voor een lid van het algemeen bestuur van een waterschap wordt op grond van [artikel 3.2, tweede lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.2) per 1 januari van elk jaar herzien door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit gebeurt aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar vastgestelde indexcijfer CAO lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen. Het indexcijfer CAO lonen overheid inclusief bijzondere beloningen geldend voor de maand september 2011 is niet bekend, omdat er bij het CBS onvoldoende informatie is om daar cijfers over te publiceren. Dit houdt in dat het bedrag van de vergoeding voor werkzaamheden voor statenleden per 1 januari 2012 vooralsnog niet wordt aangepast, maar gelijk blijft aan het bedrag dat geldt per"},{"i":2660,"b":"Beleidsregels van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 april 2024, nr. 5344369, over de toepassing van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Beleidsregels Wet kwaliteit incassodienstverlening) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=7); 1. Algemeen De onderhavige beleidsregels hebben betrekking op de toepassing van [artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=7) door of namens de Minister voor Rechtsbescherming. 2. Begrippen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: 3. Beoordeling voornemens en betrouwbaarheid aanvrager en bestuurders [Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wki](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=7) bepaalt dat de inschrijving in het incassoregister wordt geweigerd, indien gelet op de voornemens van de aanvrager en de antecedenten van de aanvrager en, voor zover van toepassing, de bestuurders, naar redelijke verwachting niet zal worden voldaan aan een bij of krachtens [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=12) of [13 van de Wki](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=13) gestelde regel of overigens niet zal worden gehandeld in overeenstemming met hetgeen van een goede verrichter of aanbieder van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht. In verband met de **voornemens** van de aanvrager is de uiteenzetting als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wki](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=5) van belang. Uit deze uiteenz"},{"i":17096,"b":"Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten Preambule De staten die partij zijn bij dit Protocol, Overwegend dat in overeenstemming met de beginselen vastgelegd in het Handvest van de Verenigde Naties waarin de inherente waardigheid en de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensheid worden erkend als de grondvesten van de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld, Opmerkend dat de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) verkondigt dat alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en in rechten zijn geboren en dat eenieder aanspraak heeft op alle daarin genoemde rechten en vrijheden, zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, vermogen, geboorte of andere status, In herinnering roepend dat de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) en de internationale mensenrechtenverdragen erkennen dat het ideaal van vrije mensen die leven in vrijheid van angst en gebrek alleen kan worden verwezenlijkt indien de voorwaarden worden geschapen waaronder eenieder burgerlijke, culturele, economische, politieke en sociale rechten kan genieten, Opnieuw bevestigend het universele en ondeelbare karakter van alsmede de onderlinge afhankelijkheid en de nauwe samenhang tussen alle mensenrechten en fundamentele vrijheden, In herinnering roepend dat elke staat die partij is bij het [Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001016) (hierna te noemen „het Verdrag”) zich verplicht afzonderlijk en via internationale bijstand en samenwerking, alle en in het bijzonder economische en technische, maatregelen te nemen die mogelijk zijn met de middelen waarover hij beschikt, teneinde geleidelijk de volledige verwezenlijking"},{"i":18793,"b":"Besluit bestuurlijke boeten BES Dit besluit betreft een wijziging van het [besluit van 19 december 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029304), nr. DGB2010/8055M, Stcrt. 2010, nr. 21193 (Besluit bestuurlijke boeten BES) in verband met de beleidsmatige invulling van de [artikelen 8.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.24) en [8.24a Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.24a) (zie de [artikelen 6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037210&hoofdstuk=II&artikel=6a&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037210&hoofdstuk=II&artikel=6b&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit besluit) en een nadere uitwerking van het beleid omtrent vrijwillige verbetering ([artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037210&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van dit besluit). Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit beleidsbesluit wordt onder ‘boete’ verstaan een bestuurlijke boete die de inspecteur ingevolge [Hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&hoofdstuk=VIII) kan opleggen bij de heffing en invordering van BES belastingen als bedoeld in [artikel 1.3, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=1.3), van die wet. 2. Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 20 december 2023, nr. 2023-23713 (Stcrt.2023, 32017). De wijziging zag op de artikelen 1 en [6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037210&hoofdstuk=II&artikel=6b&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en betrof een verruiming en verduidelijking van het toepassingsbereik van het besluit en het bijwerken van een verwijzing. Artikel 2 Bij het vaststellen van de boete wijkt de inspecteur niet af van de percentages en bedragen, die in dit beleidsbesluit zijn vermeld. De boete kan worden verminderd wanneer sprake is van een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de opgelegde boete, of wanneer de omstandigheden die hebben"},{"i":15299,"b":"Vaststelling actieplan Piek 2002 Na overleg met de Minister van Economische Zaken en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008783&artikel=2) (Stcrt. 2002, 23); Besluit: Artikel I Vast te stellen het actieplan Piek 2002 van de [Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008783), overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlagen. Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2002. Deze regeling zal, met uitzondering van de bijlagen, in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen worden bekendgemaakt door terinzagelegging ten kantore van de Minister van Verkeer en Waterstaat, Plesmanweg 1-6 te Den Haag."},{"i":7,"b":"Aanwijzing ambtenaren bevoegd tot vernietiging eet- en drinkwaren Gelet op [artikel 32 m, tweede lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32m), Besluit: Artikel 1 Tot vernietiging van de in [artikel 32m, eerste lid, van Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32m) bedoelde eet- en drinkwaren en andere roerende zaken, zijn bevoegd de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 11 november 1999 (Stb. 502) tot wijziging van de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) in verband met de invoering van de bestuursrechtelijke boeten wegens overtreding van voorschriften bij of krachtens de Warenwetgesteld, in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8,"b":"Aanwijzing ambtenaren ex artikel 6 Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=6) (Stb. 1978, 430), Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003332&artikel=3&z=1980-07-04&g=1980-07-04), 4, 5 alsmede het bij of krachtens [artikel 12 van de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=12) (Stb. 1978, 430) bepaalde zijn belast de ambtenaren van de Algemene inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw en Visserij alsmede de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen van het Ministerie van Financiën. Artikel 2 De beschikking van 21 mei 1979, nr. J. 1862, houdende [aanwijzing ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003687) A.I.D. ex [artikel 6 Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=6) (Stcrt. 1979, 99) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze beschikking wordt geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en treedt in werking met ingang van de dag volgende op die der bekendmaking."},{"i":9,"b":"Aanwijzing ambtenaren toezicht naleving voorschriften Wet op de kansspelen Handelende in overeenstemming met de staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op [artikel 30w van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30w); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van voorschriften gesteld bij of krachtens Titel IVb van de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) worden aangewezen: de ambtenaren van de Dienst van het IJkwezen voorzover zij daartoe een schriftelijke opdracht hebben verkregen van de hoofddirecteur van de Dienst van het IJkwezen. Artikel 2 Dit besluit zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en treedt in werking met ingang van de dag volgend op die van haar bekendmaking."},{"i":11,"b":"De staatssecretarissen van Justitie en van Economische Zaken hebben met de navolgende beschikking (Publikatie overeenkomstig artikel, 7v, vierde lid, van de Wet op de kansspelen (Stb.1964, 483 zoals laatstelijk gewijzigd bij Stb. 1974, 441)) de ambtenaren van de Dienst van het IJkwezen aangewezen als controle-ambtenaren in de speelcasino's van de Nationale Stichting tot Exploitatie van Casinospelen in Nederland en hebben hun goedkeuring gehecht aan de door de Raad voor de Casinospelen vastgestelde Regelen betreffende de taakvervulling van bedoelde ambtenaren Gelet op [artikel 27v van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27v); Gezien de voordracht van de Raad voor de Casinospelen van 15 september 1976 (Stcrt. 1976, nr. 197), Besluiten: Artikel 1 als ambtenaren, belast met de handhaving en de zorg voor de naleving van het bij of krachtens Titel IVb van de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) bepaalde, aan te wijzen de ambtenaren van de Dienst van het IJkwezen; Artikel 2 te bepalen dat de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003068&artikel=1&z=1976-12-01&g=1976-12-01) bedoelde ambtenaren slechts als zodanig optreden voorzover zij daartoe een schriftelijke opdracht hebben verkregen van de hoofddirecteur van de Dienst van het IJkwezen; Artikel 3 goed te keuren de door de Raad voor de Casinospelen op 15 september 1976 vastgestelde regelen betreffende de taakvervulling van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003068&artikel=1&z=1976-12-01&g=1976-12-01) bedoelde ambtenaren; Artikel 4 te bepalen dat deze beschikking zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en in werking zal treden met ingang van 1 december 1976."},{"i":15,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Justitie van 5 januari 2004, nr. GMT/MT 2439896, houdende aanwijzing ambtenaren belast met de opsporing ex artikel 21 van de Wet inzake bloedvoorziening Gelet op [artikel 21, eerste lid, van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=21); Besluiten: Artikel 1 Met de opsporing van de bij de [Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079) strafbaar gestelde feiten zijn belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 25 september 2003, kenmerk 5247167/503, houdende aanwijzing van functionarissen en ambtenaren in het arrondissement Amsterdam voor de uitvoering van de dienst bij de gerechten en het transport van personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd Gelet op [artikel 124, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=124) en [artikel 9, zesde lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=9); Besluit: Artikel 1 De functionaris, werkzaam bij de dienst Bewaking, Beveiliging en Vervoer in het arrondissement Amsterdam, is bevoegd tot het verrichten van de volgende werkzaamheden: - a. de dienst bij de gerechten als bedoeld in [artikel 124, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=124); - b. de werkzaamheden, bedoeld in de [artikelen 36d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36d), [373](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=373), [391](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=391), [541, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=541), en [6:1:5, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:1:5) met betrekking tot personen die zich bevinden in de gerechtsgebouwen in het arrondissement Amsterdam. Artikel 2 De ambtenaar, werkzaam bij de dienst Bewaking, Beveiliging en Vervoer in het arrondissement Amsterdam, is bevoegd tot het verrichten van het vervoer van rechtens van hun vrijheid beroofde personen als bedoeld in [artikel 9, zesde lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=9). Artikel 3 De regeling van 11 september 1995, kenmerk 514603/595/NE, wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2003. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscou"},{"i":21,"b":"Aanwijzingsregeling ambtenaren toezicht Mijnbouwwet Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat, Gelet op de [artikelen 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=129) en [131 van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=131), Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht houden op de naleving van het bij of krachtens de Mijnbouwwet bepaalde, met uitzondering van afdeling 5.1.1. en hoofdstuk 9, worden de ambtenaren van het Staatstoezicht op de mijnen aangewezen. Artikel 2 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving met betrekking tot helikopterdekken als bedoeld in [artikel 51, tweede lid, van het Mijnbouwbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=51) worden de ambtenaren van de toezichteenheid Luchthavens en Luchtruim van de inspectie Verkeer en Waterstaat mede aangewezen. Artikel 3 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving met betrekking tot herkenningstekens, geluidsbakens, lichtbakens, elektronische bakens en radarreflectoren als bedoeld in artikel 52, eerste lild, van het Mijnbouwbesluit worden mede aangewezen de ambtenaren belast met het onderzoek en de certificering van belichtingssystemen en geluidapparatuur, van de hoofdafdeling Markeren en Vlootbeheer, afdeling markeertechniek van de Directie Noordzee van Rijkswaterstaat. Artikel 4 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving met betrekking tot communicatieapparatuur zoals bedoeld in [artikel 52, tweede lid, van het Mijnbouwbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=52) worden mede aangewezen de toezichthouders van de directies Infrastructuur, Apparatuur en Digitale Weerbaarheid van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 5 Dit besluit treedt met ingang van 1 januari 2003 in werking. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 2a Als ambtenaren belast met het toezic"},{"i":4563,"b":"Deelregeling van het bestuur van het Fonds Podiumkunsten van 11 oktober 2023, houdende meerjarige productiesubsidies 2025–2028 Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2); Besluit Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - –. **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - –. **kernactiviteit:** Het in continuïteit produceren van aanbod op het gebied van professionele podiumkunsten in Nederland; - –. **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief de drie bijzondere gemeenten Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - –. **podiumkunstenaar:** iemand die artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd is in de professionele podiumkunstpraktijk in Nederland; - –. **solvabiliteit:** het eigen vermogen gedeeld door het vreemd vermogen; - –. **uitvoering:** een voorstelling of concert dan wel een schoolvoorstelling of schoolconcert; - –. **voorstelling of concert:** openbaar toegankelijke podiumkunstactiviteit die bedoeld is voor publiek en waarbij sprake is van een (muziek)theatraal concept of choreografisch idee of een muzikale programmatische samenhang. Artikel 1.2. Doel Het bestuur kan meerjarige subsidies verstrekken aan producerende instellingen voor activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling van actuele en onderscheidende podiumkunst en de aansluiting daarvan bij een breed publiek in de jaren 2025 tot en met 2028. Artikel 1.3. Subsidievorm 1. Een instelling die meerjarige subsidie wil aanvragen heeft de keuze tussen drie categorieën aan subs"},{"i":4691,"b":"Instellingsbeschikking Directie Noord-Nederland gelet op [artikel 8 van het Organiek Besluit Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002743&artikel=8) van 14 januari 1971, Stb. 42; Overwegende, dat het takenpakket van de directies Groningen, Friesland en Drenthe van de Rijkswaterstaat door het afstoten van taken naar lagere overheden van niet tot de hoofdinfrastructuur behorende wegen en vaarwegen afneemt, voor het beheer van de rijkshoofdinfrastructuur, de grote Wateren en de kust een voldoend hoog deskundigheidsniveau vereist is, met samenvoeging van de drie directies efficiencyverhoging en bundeling van deskundigheid bereikt wordt, die leidt tot een kwaliteitsvergroting van de te leveren produkten en diensten, Besluit: 1. Met ingang van 1 januari 1994 wordt ingesteld de directie Noord-Nederland met vestigingsplaats Leeuwarden. 2. Per gelijke datum treedt de directie Noord-Nederland in de rechten en plichten van de directies Groningen, Friesland en Drenthe, die worden opgeheven. 3. De taak van de directie Noord-Nederland is die van een regionale dienst van de Rijkswaterstaat bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=2). 4. Dit besluit zal in de Nederlandse Staatscourant worden geplaatst en een afschrift zal aan de Algemene Rekenkamer worden gezonden."},{"i":2985,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 28 november 2022, nr. 3654283, tot aanwijzing van de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport als ontvanger, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de Regeling kansspelen op afstand Gelet op [artikel 2.2, tweede en vierde lid, van de Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=2.2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 2.2, tweede lid, van de Regeling kansspelen op afstand in werking treedt. Artikel 1 De Stichting Nederlandse Draf- en Rensport te Den Haag wordt aangewezen als ontvanger als bedoeld in [artikel 2.2, tweede lid, van de Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=2.2) ten aanzien van de afdracht die voortkomt uit draf- en renwedstrijden die door of vanwege deze stichting zijn gehouden. Artikel 2 Onverminderd [artikel 2.2, derde lid, van de Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=2.2) worden aan deze aanwijzing de volgende voorschriften verbonden: - a. de ontvanger treft aantoonbare maatregelen om te borgen dat de bedragen op grond van [artikel 2.2, tweede lid, van de Regeling kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=2.2) op afstand op zorgvuldige en doelmatige wijze worden ontvangen, beheerd en besteed; - b. de ontvanger maakt op passende, begrijpelijke en toegankelijke wijze informatie beschikbaar over de wijze waarop afdrachtsplichtigen de verschuldigde afdracht kunnen overmaken; - c. de ontvanger voert een zodanig zorgvuldige en eenvoudig verifieerbare administratie dat hij verantwoording kan afleggen over de ontvangen bedragen en de besteding daarvan; - d. uit de administratie van de ontvanger moet in ieder geval blijken: - 1°. de hoogte en herkomst van elk afdrachtsbedrag, alsmede het tijdvak waarin het bedrag is ontvangen; - 2°. de hoogte en bestemming van elk bedrag dat uit de afdracht wordt besteed, het tijdvak waa"},{"i":3421,"b":"Besluit van 25 maart 1996, houdende regelen met betrekking tot reis- en verblijfkosten bij dienstreizen van defensiepersoneel Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 9 januari 1996, nr. PAV2210/96000199; Gelet op de [artikelen 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12), 125, eerste lid, van de [Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947) en 2 van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen; De Raad van State gehoord (advies van 12 maart 1996, nr. W07.96.0014); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 20 maart 1996, nr. PAV 6115/96004079; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt, tenzij in dit besluit uitdrukkelijk anders is bepaald, verstaan onder: - a. ministerie: Ministerie van Defensie; - b. commandant: de bij ministeriële regeling aan te wijzen functionarissen; - c. de dienstreiziger: voor zover de onder 1° of 2° genoemde een dienstreis maakt; - 1°. de militair, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=1), of - 2°. de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, van het Burgerlijk ambtenarenreglement Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=1), - d. de dienstreis: de door de commandant aan de dienstreiziger in verband met dienstverrichting opgedragen noodzakelijke reis en het daarmee samenhangende verblijf; - e. een plaats van tewerkstelling: een gebouw, gebouwencomplex, terrein of vaartuig, of een andere door de commandant aan te wijzen plaats, waar of van waaruit de dienstreiziger gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht; - f. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer per trein, metro, tram, bus, auto, pont, (veer)boot of vliegtuig volgens een dienstregeling, dan wel met de treintaxi; - g. van overheidsweg"},{"i":3839,"b":"Besluit van de directeur-generaal Herstelbeleid van 6 februari 2025, nr. 2024-560389, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging betreffende de uitvoering van de Wet open overheid (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging betreffende de uitvoering van de Wet open overheid op het terrein van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050469&artikel=3) en [4 van het Besluit mandaat tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel betreffende de uitvoering van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050469&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. **Woo-verzoek:** een verzoek om informatie op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). Artikel 2. Volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van volmacht en machtiging. Artikel 3. Ondermandaat 1. Aan de programmadirecteur Schulden en de programmadirecteur Herstelbeleid en Parlementaire Zaken van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel wordt ondermandaat verleend voor het beslissen op zwaarwegende of politiek-bestuurlijk gevoelige Woo-verzoeken als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Besluit mandaat tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel betreffende de uitvoering van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050469&artikel=3). 2. De ondergemandateerde is niet bevoegd tot het verlenen van ondermandaat. Artikel 4. Bezwaar en (hoger) beroep 1. Aan de programmadirecteur Schulden word"},{"i":3317,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 februari 2025 nr. BOACAT2025/109, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Schouwen-Duiveland Gelezen het verzoek van de gemeente Schouwen-Duiveland van 30 januari 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050820&artikel=2&z=2025-07-15&g=2025-07-15). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver omgevingsrecht in dienst van gemeente Schouwen-Duiveland zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk v"},{"i":3955,"b":"Besluit van 13 oktober 2012, houdende regels omtrent de rechtspositie van de voorzitters van de veiligheidsregio’s (Besluit rechtspositie voorzitters veiligheidsregio’s) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 19 september 2011; Gelet op [artikel 11, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=11); De Raad van State gehoord (advies van 8 december 2011, nr. W03.11.0381/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 10 oktober 2012, nr. 250358; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De voorzitter is van rechtswege geschorst of ontslagen vanaf het tijdstip waarop hij als burgemeester is geschorst onderscheidenlijk ontslagen. Artikel 2 1. De voorzitter kan in het belang van een goede uitoefening van zijn functie als voorzitter van de veiligheidsregio worden geschorst. 2. Een besluit tot schorsing bevat een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat en een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing. 3. Onze Minister kan, in afwachting van een besluit tot schorsing, bepalen dat de voorzitter zijn functie niet uitoefent. 4. Een besluit als bedoeld in het derde lid vervalt indien niet binnen een maand een besluit tot schorsing is genomen. Artikel 3 De voorzitter wordt op zijn verzoek ontslagen. Artikel 4 Aan de voorzitter kan ontslag worden verleend op grond van: - a. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie als voorzitter; - b. een verstoorde verhouding tussen de voorzitter en het algemeen bestuur; - c. een verstoorde verhouding met Onze Minister; - d. opheffing van de regio; - e. andere gronden. Artikel 5 De voorzitter onthoudt zich van gedragingen die de goede uitoefening of het aanzien van de functie schaden of kunnen schaden. Artikel 6 1. De voorzitter vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie als voorzitter. 2. De voorzitter meldt zijn voorn"},{"i":2811,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 14 januari 2010, nr. 5637097/10/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van sportprijsvragen, lotto en het cijferspel Overwegende dat de geldigheidsduur van de [Beschikking Sporttotalisator 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029705) op 15 januari 2010 verstrijkt; Gelezen het verzoek van de Stichting de Nationale Sporttotalisator van 5 oktober 2009, haar opnieuw vergunning te verlenen voor het organiseren van sportprijsvragen, lotto en het cijferspel; Gelet op de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=16), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=21), [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27a), [27b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27b), [27c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27c) en [34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34); Gezien het advies van het College van toezicht op de kansspelen van 29 oktober 2009 (C.793/09); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. **de wet:** [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. **de minister:** de Minister van Justitie; - c. **de stichting:** de Stichting de Nationale Sporttotalisator, gevestigd te Rijswijk; - d. **sportprijsvraag:** een kansspel als bedoeld in [artikel 15, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=15); - e. **lotto:** een kansspel als bedoeld in [artikel 27a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27a); - f. Eurojackpot is een lotto als bedoeld in artikel 1, sub e, welke in Europees verband op gelijktijdige en gecoördineerde wijze in verschillende Europese landen wordt georganiseerd; - g. **cijferspel"},{"i":4440,"b":"Bestuursreglement Zorginstituut Nederland Referentie 2014012798 De Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland, gelet op [artikel 60, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=60) en [artikel 11 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11), heeft in zijn vergadering van 1 april 2014 besloten: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Dit bestuursreglement en de daarop gebaseerde regelingen verstaan onder: - a. het Zorginstituut: het Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. de Raad van Bestuur: de leden van het Zorginstituut tezamen; - c. lid van de Raad van Bestuur: een lid van het Zorginstituut; - d. voorzitter: de voorzitter van het Zorginstituut, genoemd in [artikel 58, vierde lid van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58), tenzij in dit reglement anders is bepaald. Hoofdstuk 2. Uitoefening van taken en bevoegdheden Artikel 2 1. De Raad van Bestuur oefent de taken en bevoegdheden van het Zorginstituut uit. 2. De voorzitter geeft leiding aan de Raad van Bestuur. 3. De voorzitter wijst een lid van de Raad van Bestuur aan als plaatsvervangend voorzitter die hem vervangt bij zijn afwezigheid. 4. De plaatsvervangend voorzitter treedt in alle bevoegdheden van de voorzitter, wanneer hij de voorzitter vervangt. 5. De voorzitter ondertekent de besluiten die de Raad van Bestuur heeft genomen en de adviezen, rapporten signalementen, standpunten, of richtlijnen die de Raad van Bestuur heeft vastgesteld. 6. De Raad van Bestuur regelt de onderlinge taakverdeling. 7. De Raad van Bestuur regelt de structuur en werkwijze van de organisatie van het Zorginstituut. Daarbij draagt de Raad van Bestuur er zorg voor dat de programma’s op het gebied van pakketbeheer en kwaliteit afzonderlijk herkenbaar zijn. 8. De Raad"},{"i":4371,"b":"Besluit van 23 april 2015, houdende regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder kosten in mindering gebracht mogen worden op de transitievergoeding (Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 februari 2015, nr. 2015-0000017190; Gelet op [artikel 673, zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 maart 2015, No.W12.15.0020/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 april 2015, nr. 2015-0000102258; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepaling Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **transitievergoeding:** de transitievergoeding, bedoeld in [artikel 673 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673); - b. **transitiekosten:** de kosten, bedoeld in [artikel 673, zesde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673); - b. **inzetbaarheidskosten:** de kosten, bedoeld in [artikel 673, zesde lid, onderdeel b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673). Artikel 2. Voorwaarden voor het in mindering brengen van transitie- en inzetbaarheidskosten 1. Transitiekosten en inzetbaarheidskosten kunnen in mindering gebracht worden op de transitievergoeding, indien deze kosten: - a. zijn gemaakt nadat deze kosten zijn gespecificeerd en schriftelijk meegedeeld aan de werknemer; - b. zijn gemaakt nadat de werknemer schriftelijk heeft ingestemd met het in mindering brengen van de gespecificeerde kosten; - c. door de werkgever die de transitievergoeding verschuldigd is zijn gemaakt ten behoeve van de werknemer aan wie de transitievergoeding verschuldigd is; - d. niet het loon van de"},{"i":6952,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Pachtaangelegenheden vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 oktober 2006, bca-2008.04829/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Pachtaangelegenheden over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdragers Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Minister van Financiën Minister van Justitie Op het beleidsterrein **Pachtaangelegenheden 1945–** Concept/Versie maart 2008 Eindredactie: Project Wegwerken Archief Achterstanden (Nienke Broekema) Lijst van afkortingen AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur B: Bewaren BSD: Basis Selectie Document CNV: Christelijke Nederlandse Voedingsbond DL: Directie Landbouw DLG: Dienst Landelijk Gebied JZ: Directie Juridische Zaken KNLC: Koninklijk Nederlands Landbouw Comité KNTB: Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond LASER: Dienst Landelijke Service bij Regelingen PIVOT: Project Invoering Overbrengingstermijn RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek Stb.: Staatsblad Stcrt.: Staatscourant V: Vernietigingstermijn Verantwoording **Doel en werking BSD** Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen"},{"i":4097,"b":"Besluit van 18 december 2006, houdende vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/88128; Gelet op de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=21), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=33), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=34), [38 tot en met 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=38), [60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=60), [66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=66), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=69), [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=71), [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=76), [83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=83), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=84), [105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=105), [151](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=151), [160](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=160) en [176 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=176), de [artikelen 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=42), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=43), [48 tot en met 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=48), [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=72), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=78), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=82), [91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=91), [110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=110), [146](https://wetten.overh"},{"i":3818,"b":"Besluit van de Algemeen Directeur Dienst Wegverkeer (RDW) van 9 april 2015, nr. JBZ2015/12059, houdende regels inzake de verlening van ondermandaat en machtiging betreffende aangelegenheden die verband houden met de afgifte van een certificaat voor vervoermiddelen bestemd voor het transport van dieren (Besluit ondermandaat en machtiging RDW afgifte certificaat voor vervoermiddelen dierentransport) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van het Besluit mandaat en machtiging RDW afgifte certificaat voor vervoermiddelen voor dierentransport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036036&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Aan de technisch medewerker, de administratief medewerker, de inspecteur/controleur, de operationeel manager en de medewerker uitvoering, wordt, ieder voor zich, ondermandaat en machtiging verleend betreffende de aangelegenheden die verband houden met de afgifte van een certificaat van goedkeuring voor een vervoermiddel bestemd voor het transport van dieren als bedoeld in [artikel 4.4, eerste lid, van de Regeling houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035248&artikel=4.4). Artikel 2 Een afschrift van dit besluit wordt gezonden aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en aan degenen aan wie krachtens dit besluit ondermandaat en machtiging is verleend. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2014. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondermandaat en machtiging RDW afgifte certificaat voor vervoermiddelen dierentransport. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2827,"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 december 2010, nr. 5664428/10/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van de Vriendenloterij Overwegende dat de geldigheidsduur van de Beschikking Vriendenloterij 2006 op 31 december 2010 verstrijkt; Overwegende dat Vriendenloterij N.V. op 24 juni 2010 heeft verzocht haar opnieuw vergunning te verlenen tot het organiseren van de Vriendenloterij; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) en [34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34), en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=2) en [5 van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=2); Gezien het advies van het College van toezicht op de kansspelen van 19 augustus 2010, nr. C.668/10; Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. **het besluit:** het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067); - c. **de staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; - d. **de vennootschap:** Vriendenloterij N.V., gevestigd te Amsterdam; - e. **de holding:** Holding Nationale Goede Doelen Loterijen N.V., gevestigd te Amsterdam; - f. **de stichting aandelen:** Stichting Aandelen Nationale Goede Doelen Loterijen, gevestigd te Amsterdam; - g. **begunstigden:** de overeenkomstig [artikel 13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029744&artikel=13&z=2013-08-06&g=2013-08-06), toegelaten instellingen; - h. **Vriendenloterij:** een kansspel als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), zijnde een loterij waarbij door de onderscheidene deelnemers wordt aangegeven aan welke begunstigde 50% van hun inle"},{"i":3894,"b":"Besluit van 3 september 1997, houdende regels inzake de opleiding tot apotheker (Besluit opleidingseisen apotheker) Op voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 januari 1997, CSZ/BenO-97657; Gelet op [artikel 22 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=22); Gezien het advies van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (advies van 15 mei 1996, B4/'96); De Raad van State gehoord (advies van 28 april 1997, no.W13.97.0035); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 augustus 1997, CSZ/BO 9713645; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. **geneesmiddel:** een geneesmiddel als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1); - c. **medisch hulpmiddel:** medisch hulpmiddel als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet op de medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002697&artikel=1). Artikel 2 Om in het krachtens [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008895&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van de wet ingestelde register van apothekers te kunnen worden ingeschreven, is vereist het bezit van een door een universiteit als bedoeld in [hoofdstuk 7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&hoofdstuk=7) uitgereikt getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene met goed gevolg het examen heeft afgelegd ter afsluiting van een opleiding tot apotheker die voldoet aan [de artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008895&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":3923,"b":"Besluit van 29 december 2008, houdende regels ter uitvoering van de Wet participatiebudget (Besluit participatiebudget) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 september 2008, nr. W&B/SFI/08/22818, gedaan mede namens Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [artikel 89 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89), de [artikelen 2, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039&artikel=2), [4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039&artikel=4), en [15, tweede lid, van de Wet participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039&artikel=15) en de [artikelen 2.5.5, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.5), en [2.5.10 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.10); De Raad van State gehoord (advies van 25 september 2008); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december 2008, nr. W&B/SFI/08/2771 uitgebracht mede namens Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **duale inburgeringsvoorziening:** inburgeringsvoorziening die met het oog op de actieve deelname aan de Nederlandse samenleving mede voorziet in activiteiten die in samenhang en ten minste voor een deel gelijktijdig met het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving worden uitgevoerd; - **participatiebudget:** uitkering aan het college, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039&artikel=2); - **wet:"},{"i":3186,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 11 april 2025 nr. BOACAT2025/120, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Albrandswaard Gelezen het verzoek van gemeente Albrandswaard van 1 april 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050952&artikel=2&z=2025-05-07&g=2025-05-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar Openbare Ruimte in dienst van gemeente Albrandswaard, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenome"},{"i":4397,"b":"Besluit wijziging subsidieplafonds programmeringsbijdrage voor festivals ex Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2025–2028 (vrijvallen budget en honorering aanvraag landsdeel West) Op basis van [artikel 1.4 eerste en vierde lid van de Deelregeling Meerjarige Festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2025-2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048740&artikel=1.4); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte Artikel 1. subsidieplafonds Voor de periode 2025–2028 zijn per kalenderjaar de volgende bedragen beschikbaar voor het verstrekken van programmeringsbijdragen aan festivalorganisaties: Noord: € 477.500 Oost: € 225.000; Midden: € 534.000 Zuid: € 934.000; West: € 1.165.500 CdK: € 0 Artikel 2. inwerktreding Dit besluit wordt bekendgemaakt via de website van het Fonds Podiumkunsten en de Staatscourant en treedt in werking met ingang van 7 oktober 2024. Aldus vastgesteld in de vergadering van het bestuur van het Fonds Podiumkunsten,"},{"i":2932,"b":"Besluit van 19 juni 2014, houdende aanwijzing van deskundigen als bedoeld in artikel 28a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (Besluit aanwijzing deskundigen transgenders) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 april 2014, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 505131; Gelet op [artikel 28a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=28a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 mei 2014, nr. W03.14.0094/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 juni 2014, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 525110; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Als deskundigen bedoeld in [artikel 28a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=28a) worden aangewezen de artsen en psychologen die verbonden zijn aan: - –. het Kennis- en Zorgcentrum voor genderdysforie van het Amsterdam Universitair Medische Centra (Amsterdam UMC) te Amsterdam, - –. het expertisecentrum Geslacht & Gender van het Radboud universitair medisch centrum (Radboud umc) te Nijmegen, - –. het Genderteam van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) te Groningen, en - –. het Genderteam van het Curium en Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) te Leiden; 2. Onze Minister kan tevens andere artsen en psychologen aanwijzen die deskundigheid hebben om de verklaring transgenders af te geven. De aanwijzing geldt voor een periode van vijf jaar en kan worden ingetrokken indien de arts of psycholoog niet langer de deskundigheid heeft om de verklaring transgenders af te geven. Artikel 2 De [Wet van 18 december 2013 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens in verband met het wijzigen van de voorwaarden voor en de bevoegdheid ter zake van wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte](https"},{"i":24,"b":"Administratieve Schikking ter uitvoering van artikel 13 van het op 9 maart 2026 te Brussel gesloten Benelux-Verdrag ter verbetering en versterking van de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van sociale fraude en onjuistheden in de sociale zekerheid, de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk en van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden Het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden, hierna genoemd „de Verdragsluitende Partijen”, Gelet op artikel 13, lid 4, en artikel 17 van het Benelux-Verdrag van 9 maart 2026 ter verbetering en versterking van de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van sociale fraude en onjuistheden in de sociale zekerheid, de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk en van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden (hierna genoemd: „het Verdrag”), Overwegende dat het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden uitvoering wensen te geven aan artikel 13 van het Verdrag, teneinde ervoor te zorgen dat het orgaan dat bevoegd is voor de toekenning of voortzetting van een uitkering of socialezekerheidsrecht administratieve controles kan verrichten door het afnemen van interviews met de aanvrager of rechthebbende in het woon- of verblijfland, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Definities 1. Voor de toepassing van deze Administratieve Schikking wordt verstaan onder: - a. „Verdrag”: het Benelux-Verdrag ter verbetering en versterking van de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van sociale fraude en onjuistheden in de sociale zekerheid, de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk en van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden; - b. „Bevoegde zusterorganen”: bevoegde organen die verantwoordelijk zijn voor het toekennen, voortzetten en beëindigen van vergelijkbare socialezekerheidsuitkeringen, met dien verstande dat een bevoegd orgaan meerdere bevoegde zusterorganen kan hebben in de andere Verdragsluitende Partij;"},{"i":19285,"b":"Wet van 17 februari 2016 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten in verband met het gebruik van elektronische processtukken (digitale processtukken Strafvordering) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) te wijzigen in verband met het gebruik van digitale processtukken in het strafproces; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet digitale processtukken Strafvordering. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19291,"b":"Wet van 10 Juli 1952, houdende vaststelling van de Wet Oorlogsstrafrecht alsmede van enige daarmede verband houdende wijzigingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Invoeringswet Militair Straf- en Tuchtrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bepalingen vast te stellen met betrekking tot in geval van oorlog gepleegde misdrijven en hun berechting, zomede enige wijzigingen aan te brengen in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854), het [Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869) en de Invoeringswet Militair Straf- en Tuchtrecht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I De navolgende bepalingen worden vastgesteld, die kunnen worden aangehaald als WET OORLOGSSTRAFRECHT Artikel 1 1. De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de misdrijven, in geval van oorlog begaan of eerst in geval van oorlog strafbaar, welke zijn omschreven in: - 1°. een der [Titels I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=I) en [II van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=II); - 2°. het [Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869); - 3°. de [artikelen 4 tot en met 7 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002099&artikel=4&z=2013-10-01&g=2013-10-01); - 4°. de [artikelen 131 tot en met 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=131), [189](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=189) en [416-417**bis** van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=416), indien het strafbare feit of het misdrijf, waarvan in die artikelen gesproken wordt, is een mi"},{"i":19245,"b":"Wet van 15 februari 1980, tot het treffen van sancties tegen bepaalde staten of gebieden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is over te gaan tot vernieuwing en uitbreiding van de wettelijke mogelijkheden om, ter uitvoering van internationale besluiten, aanbevelingen en afspraken, beperkingen vast te stellen voor de betrekkingen met bepaalde staten of gebieden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. sanctiebesluit: een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&afdeling=2&artikel=2&z=2025-03-01&g=2025-03-01); - b. sanctieregeling: een regeling als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&afdeling=2&artikel=2&z=2025-03-01&g=2025-03-01), of [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&afdeling=3&artikel=7&z=2025-03-01&g=2025-03-01); - c. Onze Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat. Artikel 2 1. Ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme, kunnen bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&afdeling=2&artikel=3&z=2025-03-01&g=2025-03-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&afdeling=2&artikel=4&z=2025-03-01&g=2025-03-01) bedoelde onderwerpen regels worden vastgesteld. 2. Indien de te stellen regels uitsluitend st"},{"i":17346,"b":"Regeling macrobeheersinstrument kortdurende zorg 2025 Gelet op de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - a. **Algemene begripsbepalingen** - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg (BKZ):** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **macrobeheersinstrument (MBI):** instrument waarmee op grond van de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - **macro-omzetgrens:** de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Minister voor Langdurige zorg en Sport. - **zorgaanbieder:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) én de houder is van de AGB code die door de zorgverzekeraar aan de NZa is verstrekt ten be"},{"i":18592,"b":"Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) en het [Besluit digitale vervanging van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035514) van 27 augustus 2014; BESLUIT Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op papier die behoren of zullen gaan behoren tot het personeelsdossier van de medewerkers van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Deze vervanging betreft alle papieren archiefbescheiden die betrekking hebben op personeelsgegevens en salarisgegevens zoals beschreven in het ‘Basisselectiedocument P-dossier is Mens-en-werk, 1945. Artikel 2 De digitale reproductie geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in de bijlage en in het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bijlage Deze bijlage bevat een samenvatting van het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers conform [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) (wijziging 17 december 2012) Het volledige handboek ligt ter inzage bij het Cluster P-beheer van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrela"},{"i":17719,"b":"Verdrag ter verzekering van uitkeringen of bijstand aan onvrijwillig werklozen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 4 juni 1934 in haar achttiende zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de werkloosheidsverzekering en de verschillende vormen van bijstand aan werklozen, welk onderwerp het tweede punt van de agenda der zitting is, en besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag, neemt heden de 23ste juni 1934 het volgende Verdrag aan dat genoemd zal worden „Verdrag betreffende de werkloosheid 1934”: Artikel 1 1. Elk lid der Internationale Arbeidsorganisatie, dat dit Verdrag bekrachtigt, verplicht zich tot de instandhouding van een stelsel dat aan de onvrijwillig werklozen, bedoeld in dit Verdrag, verzekert, hetzij: - a. een „uitkering”, d.w.z, een bedrag op grond van bijdragen, in verband met de arbeid van de rechthebbende betaald krachtens een verplichte of vrijwillige verzekering; of - b. „bijstand”, d.w.z. een prestatie, welke geen uitkering is noch ondersteuning, verleend krachtens de algemene regelen betreffende hulp aan behoeftigen, doch welke de beloning kan zijn voor tewerkstelling bij wijze van werkverschaffing onder de voorwaarden geregeld in artikel 9; - c. een combinatie van uitkering en bijstand. 2. Dit stelsel kan, mits het aan alle personen waarop dit Verdrag van toepassing is, de uitkeringen of de bijstand, bedoeld in het eerste lid, verzekert, zijn: - a. een stelsel van verplichte verzekering; - b. een stelsel van vrijwillige verzekering; - c. een combinatie van verplichte en vrijwillige verzekering; - d. een der voornoemde stelsels, aangevuld door een stelsel van bijstand. 3. De voorwaarden, waaronder werklozen van het stelsel van uitkeringen overgaan naar het stelsel van bijstand, zullen, in voorkomend geval, door de nationa"},{"i":13950,"b":"Wet van 22 december 2021 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2022) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IVa Wijzigt de Wet bronbelasting 2021. Artikel V Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VI Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel VII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VIIa Wijzigt het Belastingplan 2021. Artikel VIII Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat: - a. [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046093&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01), en [artikel IVA, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046093&artikel=IVa&z=2022-01-01&g=2022-01-01), terugwerken tot en met 1 januari 2021; - b. [artikel I, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046093&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01), terugwerkt tot en met 1 januari 2020; - c. [artikel II, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046093&artikel=II&z=2022-01-01&g=2022-01-01), niet van toepassing is op berekeningsjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2022; - d. [artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046093&artikel=V&z=2022-01-01&g=2022-01-01) terugwerkt tot en met 1 juli 2021; - e. [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046093&artikel=IV&z=2022-01-01&g=2022-01-01) voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022. Artikel IX Deze wet wordt aangehaald als: Overige fiscale maatregelen 2022. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 20"},{"i":27,"b":"Akkoord tussen de Nederlandse en de Portugese bevoegde autoriteiten betreffende de vergoeding van verstrekkingen bij ziekte en moederschap in het kader van Verordening 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de toepassing van sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen The Secretary of State for Welfare, Health and Culture of the Netherlands and the Minister of Health of Portugal, Having regard to Article 36, paragraph 3 of Regulation (EEC) No. 1408/71 of the Council of 14 June 1971 on the application of social security schemes to workers and self-employed persons, as well as their families, moving within the Community, and to the Articles 93, paragraph 6, 94, paragraph 6, and 95, paragraph 6, of Regulation (EEC) No. 574/72 of 21 March 1972 fixing the procedure for implementing Regulation (EEC) No. 1408/71, Wishing to ease the administrative task of the Dutch and the Portuguese institutions by making use of the possibility offered by Regulations (EEC) Nos. 1408/71 and 574/72 to agree upon other methods of assessing the amounts to be refunded; Have agreed upon the following: Article 1 In the application of Article 93 of Regulation (EEC) No. 574/72 on each invoice concerning real costs the amount of the costs of benefits in kind granted by the Portuguese institutions shall be raised by a fixed percentage related to the costs of medicines and diagnostical examinations. The above-mentioned percentage shall be communicated every year by the Portuguese liaison body to the Dutch liaison body. Article 2 Contrary to Article 93 of Regulation (EEC) No. 574/72 the Portuguese competent institution shall refund the costs of benefits in kind that have been provided - a). according to Article 19, paragraph 2, of Regulation (EEC) No. 1408/71 to members of the families of boatsmen, who reside in the Netherlands, by a lump-sum which is based on 80% of the average yearly costs pro"},{"i":29,"b":"Wet materieel ambtenarenrecht BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Ambtenaar in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is degene die door het bevoegde gezag is aan gesteld om in openbare dienst op Bonaire, Sint Eustatius of Saba werkzaam te zijn en op wie [artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=3) niet van toepassing is. 2. Tot de openbare dienst behoren alle diensten en bedrijven door de staat en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba beheerd, met inbegrip van het van overheidswege gegeven openbare onderwijs. 3. Zij met wie een arbeidsovereenkomst is gesloten naar burgerlijk recht zijn geen ambtenaren in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen. 4. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder openbaar lichaam verstaan: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, niet onder ambtenaren verstaan: - a. de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. krachtens de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) of de wet voor het leven benoemde ambtenaren; - c. de gezaghebber en de gedeputeerden; - d. leden van het College financieel toezicht; - e. onbezoldigde ambtenaren. Artikel 3 De bepalingen van deze wet en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften vinden slechts toepassing voor zover niet bij een wet of uit kracht daarvan gegeven voorschriften anders is of wordt bepaald. Artikel 4 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Overheid:** - a. de staat, indien de ambtenaar in dienst van deze rechtspersoon is aangesteld; - b. het openbaar lichaam, indien de ambtenaar in dienst van deze rechtspersoon is aangesteld. - **Bevoegd gezag:** - a. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor wat betreft de ambtenaren in dienst van de st"},{"i":28,"b":"Wet van 12 december 1929, houdende regelen betreffende den rechtstoestand van ambtenaren Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat regelen betreffende den rechtstoestand van ambtenaren behooren te worden gesteld; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Algemeene bepalingen Artikel 1 1. Ambtenaar in de zin van deze wet is degene die krachtens een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht met een overheidswerkgever werkzaam is. 2. Ambtenaar is tevens degene die met een overheidswerkgever is overeengekomen zonder aanspraak op loon als bedoeld in [artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610) een functie te vervullen die is aangewezen bij algemene maatregel van bestuur, waarvan de voordracht geschiedt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. Overheidswerkgever in de zin van deze wet zijn: - a. de staat; - b. de provincies; - c. de gemeenten; - d. de waterschappen; - e. de openbare lichamen voor beroep en bedrijf; - f. de andere openbare lichamen waaraan krachtens de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) verordenende bevoegdheid is toegekend; - g. de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking met een statutaire zetel in Nederland; - h. de overige krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen; en - i. andere dan krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen, waarvan een orgaan is bekleed met openbaar gezag, waarbij de uitoefening van dat gezag de kernactiviteit van de rechtspersoon vormt. 2. Geen overheidswerkgever in de zin van deze wet zijn: - a. gemeenten, voor zover het betreft de instandhouding van openbare scholen als bedoeld in onderdeel a van de begripsbepaling van openbare school in [artikel 1 van de Wet op het primair o"},{"i":34,"b":"Regeling houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten gestelde regels Gelet op de artikelen 7, vierde lid, onder b, 9, vierde en zesde lid, 10, vijfde lid, 41, eerste lid, en 42, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, artikel 6 van de Wet arbeid gehandicapte werknemers en [artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006317&artikel=11); Voorts gelet op de [artikelen 2.7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.7), [2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.8), [2.15, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.15), [2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.24), [4.7, eerste, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.7), [4.8, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.8)[4.9, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.9), [4.10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.10), [4.14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.14), [4.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.16), [4.42, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.42), [4.50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.50), [4.54, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.54), [4.60, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.60), [4.65, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.65), [4.66, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.66), [4.67, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.67), [4.68, eerste lid](h"},{"i":105,"b":"Besluit aanpassing vergoedingen Raad van Beheer Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP) Gelet op artikel 4, vierde lid, van de statuten van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen; Gelezen het verzoek van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen van 14 maart 2016; Besluit Artikel 1 De vergoeding van de voorzitter van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, voor zover hij niet in dienst is van de Stichting Algemeen burgerlijk pensioenfonds, vast te stellen op € 785,47 bruto per maand. Artikel 2 De vergoeding van de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, voor zover hij niet in dienst is van de Stichting Algemeen burgerlijk pensioenfonds, vast te stellen op € 515,81 bruto per maand. Artikel 3 De vergoeding van de leden en het plaatsvervangend lid van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, voor zover zij niet in dienst zijn van de Stichting Algemeen burgerlijk pensioenfonds, vast te stellen op € 179,78 bruto per maand. Artikel 4 De vergoeding voor het voorzitten van een hoorzitting door een lid of een plaatsvervangend lid van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, niet zijnde de voorzitter van de Raad van Beheer, voor zover deze niet in dienst is van de Stichting Algemeen burgerlijk pensioenfonds, vast te stellen op € 196,– per dag. Artikel 5 De bedragen genoemd in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037985&artikel=1&z=2016-05-27&g=2016-05-27), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037985&artikel=2&z=2016-05-27&g=2016-05-27), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037985&artikel=3&z=2016-05-27&g=2016-05-27) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037985&artikel=4&z=2016-05-27&g=2016-05-27) zijn gebaseerd op het maximum van schaal 17, genoemd in [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rij"},{"i":106,"b":"Besluit van 27 augustus 2012, houdende regels inzake aanspraken van zeevarenden, arbeidsbemiddeling en terbeschikkingstelling van arbeidskrachten in de zeevaart en tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit en het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met de implementatie van het Maritiem Arbeidsverdrag 2006 (Besluit aanspraken zeevarenden, arbeidsbemiddeling en terbeschikkingstelling van arbeidskrachten in de zeevaart) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 april 2012, nr. 12.000981, gedaan mede namens Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op de [artikelen 719](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=719), [734d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=734d), [734e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=734e), [734g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=734g), [734i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=734i), [734j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=734j) en [745 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=745), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=4) en [12 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=12), [5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12), en [16, zevende en negende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 mei 2012 nr. W.12.12.0138/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2012, nr. IZ/IA/2012/12483, uitgebracht mede namens Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Aanspraken van zeevarenden Artikel 1. Samenloop loon en uitkering Bij samenloop over eenzelfde tijdvak"},{"i":4093,"b":"Besluit van 23 november 1972, tot uitvoering van artikel 3, derde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (aanwijzing van landen en gebieden) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 5 oktober 1972, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 495/672; Gelet op [artikel 3, derde lid, der Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 10 oktober 1972, nr. 12); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 13 november 1972, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 569/672; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Ter uitvoering van de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=3), en [3a, derde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=3a) worden aangewezen de landen: a. Andorra; b. België; c. Bondsrepubliek Duitsland; d. Bosnië en Herzegovina; e. Bulgarije; f. Cyprus; g. Denemarken, met inbegrip van de Faeröer; h. Estland; i. Finland; j. Frankrijk en Monaco; k. Griekenland; l. Hongarije; m. Ierland; n. Italië, San Marino en Vaticaanstad; o. Kroatië; p. Letland; q. Litouwen; r. Luxemburg; s. Malta; t. Montenegro; u. Noorwegen; v. Oostenrijk w. Polen; x. Portugal; y. Roemenië; z. Servië; aa. Slovenië; bb. Slowaakse Republiek; cc. Spanje; dd. Tjechische Republiek; ee. Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland, de Kanaaleilanden, het eiland Man en Gibraltar; ff. IJsland; gg. Zweden; hh. Zwitserland en Liechtenstein. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 De onderscheidene bepalingen van dit besluit treden in werking met ingang van door Ons te bepalen tijdstippen, welke ook voor wat de aanwijzing van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002847&artikel=1&z=2022-06-30&g=2022-06-30) genoemde landen betreft verschillend kunnen zijn. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit b"},{"i":4846,"b":"Besluit van de directeur-generaal Dienst Justitiële Inrichtingen van 24 december 2025, nr. 7034938, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de directeur-generaal Dienst Justitiële Inrichtingen ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit directeur-generaal DJI 2026) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=2) en [6, eerste lid, van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de directeur-generaal van de baten-lastendienst Dienst Justitiële Inrichtingen verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun portefeuille of dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het lid dienstleiding verantwoordelijk voor het Gevangeniswezen, Vreemdelingenbewaring en Veiligheid en Vervoer en Ondersteuning; - b. het lid dienstleiding verantwoordelijk voor Forensische zorg, Jeugd en Zorg; - c. het lid dienstleiding verantwoordelijk voor Bedrijfsvoering en Innovatie; - d. de directeur Individuele Zaken; - e. de directeur Control en Financiën; - f. de directeur van de Dienst Geestelijke Verzorging; - g. de directeur Bestuursondersteuning en Strategie. Artikel 2 1. Aan de ambtenaren, genoemd in kolom 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052143&bijlage=1&z=2026-01-16&g=2026-01-16) bij dit besluit, wordt volmacht verleend om op te treden als leidinggevende in de zin van paragraaf 1.3 van de CAO Rijk voor zover het betreft de uitoefening van de bevoeg"},{"i":3039,"b":"Besluit tot aanwijzing vervoersdienst waarvoor het Dagelijks Bestuur van de Stadsregio Rotterdam bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein In overeenstemming met het Dagelijks Bestuur van de Stadsregio Rotterdam; Gelet op [artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20); Besluit: Artikel 1 1. Het Dagelijks Bestuur van de Stadsregio Rotterdam is bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdienst, die de daarbij aangegeven stations verbindt: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Rotterdam CS - Hoek van Holland Strand | Rotterdam CS - Schiedam Centrum - Schiedam Nieuwland - Vlaardingen Oost - Vlaardingen Centrum - Vlaardingen West - Maassluis - Maassluis West - Hoek van Holland Haven – Hoek van Holland Strand | 2. Het eerste lid laat onverlet de rechten als bedoeld in artikel 2, van de concessie bedoeld in [artikel 69d, tweede lid van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=69d), voor het hoofdrailnet, als bedoeld in [artikel 69b van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=69b) tussen de stations Rotterdam CS en Schiedam Centrum. 3. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid heeft betrekking op het openbaar vervoer per trein met ingang van 9 december 2007. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13937,"b":"Wet van 20 december 2007, houdende wijzigingen van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2008) Artikel I Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel Ia Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel V Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel VI Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VII Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting. Artikel IX Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel X Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Artikel XI Wijzigt de Registratiewet 1970. Artikel XII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel XIII Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel XIV Indien vóór het tijdstip waarop [artikel XIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023147&artikel=XIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) in werking treedt een certificaat is afgegeven als bedoeld in [artikel 3, onderdeel e, van de Wet belasting zware motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=3) zoals dit luidde vóór bedoeld tijdstip, waarvoor op dat tijdstip het in het certificaat opgenomen tijdvak nog niet is verstreken, blijft de regelgeving met betrekking tot dit certificaat, zoals die luidde voorafgaand aan dat tijdstip, van toepassing. Artikel XV Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XV0a Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XVa Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XVb Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel XVI Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XVII De in [artikel XVI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023147&artikel=XVI&z=2010-01-01&g=2010"},{"i":13927,"b":"Overdracht goederen voor de loodsdienst Handelende in overeenstemming met De Vereniging Nederlandse Loodsensociëteit, de Nederlandse loodsencorporatie, en de Loodswezen Nederland B.V.; Gelet op [artikel 67, derde lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=67) (Stb. 1988, 353); Besluiten: Artikel 1 De aanwijzing van goederen, bedoeld in [artikel 67, derde lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=67) (Stb. 1988, 353) omvat de goederen, genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 2 De organisaties, bedoeld in [artikel 67, vierde lid, onderdeel a, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=67) zijn de in de bijlage genoemde organisaties. Artikel 3 De overdrachtsdatum, bedoeld in [artikel 67, vierde lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=67) is 1 september 1988. Artikel 4 De waarde van de aangewezen goederen, bedoeld in [artikel 67, vijfde lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=67) is de waarde, zoals vermeld in de bijlage. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 1988. Deze regeling zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en in afschrift worden gezonden aan De Vereniging Nederlandse Loodsensociëteit, de Nederlandse loodsencorporatie, de Loodswezen Nederland B.V. en aan de Algemene Rekenkamer. Artikel. Bijlage | **Omschrijving goederen** | | **Overdrachtswaarde** | **Overdracht aan:** | | --- | --- | --- | --- | | **A. Onroerend goed** | | | | | Het aan de Boulevard de Ruyter, nrs. 8 en 10, gelegen gebouw met ondergrond en erf, kadastraal bekend Gemeente Vlissingen, sectie E nummer 02193 | | f 580 000 | De Vereniging Nederlandse Loodsensociëteit | | | | | | | **B. Schepen** | | | | | ‘Wega’ bj. 1968 | | f 3 000 000 | Loodswezen Nederland B.V. | | ‘Altair’ bj. 1974 | | f 6 000 000 | idem. | | ‘Spica’ bj. 1973 | | f 6 000 000 | ide"},{"i":12717,"b":"Besluit van 16 december 2022 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro met als thema Willemstad die in 2023 worden uitgegeven in de serie UNESCO Werelderfgoed Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 14 december 2022, nr. 2022-0000292447, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt met als thema Willemstad die worden uitgegeven in de serie UNESCO Werelderfgoed: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en face, op de achtergrond de Koningin Julianabrug, aan de bovenzijde het jaartal «2023», links van het jaartal een ster, rechts van het jaartal drie sterren, aan de rechter onderzijde de tekst «WILLEM-ALEXANDER» en aan de linker onderzijde de tekst «KONING DER NEDERLANDEN»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: op de achtergrond het stadsgezicht van Willemstad met de monumenten Kas di Kultura, de Handelskade, de Mikvé Israël-Emanuel synagoge, het Fort Amsterdam en de Emanu-el Tempel en op de voorgrond de Koningin Emmabrug en zeven gestalten, onderin het teken van de Muntmeester en het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt, aan de linkerzijde de tekst «10 EURO» onderscheidenlijk «5 EURO», bovenin de tekst «WERELDERFGOED» en aan de rechterzijde de tekst «WILLEMSTAD»; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":17932,"b":"Wet van 9 april 1998, houdende wijziging van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Kinderbijslagwet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten met betrekking tot terugvordering en verhaal (terugvordering en verhaal in verband met herziening van het debiteurenbeleid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen omtrent terugvordering en verhaal van kosten van bijstand en uitkeringen op grond van sociale voorzieningswetten en sociale verzekeringswetten, alsmede daarmee verband houdende wijzigingen in andere wetten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Algemene bijstandswet. ARTIKEL II Wijzigt de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet. ARTIKEL III Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. ARTIKEL V Wijzigt de Werkloosheidswet. ARTIKEL VI Wijzigt de Ziektewet. ARTIKEL VII Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. ARTIKEL VIII Wijzigt de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. ARTIKEL IX Wijzigt de Toeslagenwet. ARTIKEL X Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. ARTIKEL XI Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. ARTIKEL XII Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. ARTIKEL XIII Wijzigt de W"},{"i":108,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 september 2021, nr. 2021-0000136761, tot het aanwijzen van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten als de instelling, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet Gelet op [artikel 9, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=9); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten van het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, verder te noemen het NCvB, wordt voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 aangewezen als de instelling waar arbodiensten en bedrijfsartsen melding doen van een bij een werknemer aangetoonde beroepsziekte. Artikel 2. Taken en activiteiten Het NCvB is belast met: - a. de registratie van en het rapporteren over beroepsziekten, onder meer door: - 1°. het beheer, onderhoud en ontwikkelen van registratiesystemen en peilstations met inachtneming van het gestelde over gegevens beroepsziekten in [artikel 1.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=1.11); - 2°. het verwerken, beoordelen en analyseren van meldingen van beroepsziekten; - 3°. het signaleren en monitoren van nieuwe risico’s in relatie tot beroepsziekten; - 4°. het rapporteren over het vóórkomen van beroepsziekten in Nederland aan de Staatssecretaris van Sociale zaken en Werkgelegenheid, verder te noemen Staatssecretaris van SZW, en aan de Europese Commissie (Eurostat) op grond van Verordening (EG) nr. 1338/2008 van 16 december 2008. De vorm van de rapportages en de periodiciteit worden in overleg met de Staatssecretaris van SZW bepaald. Het NCvB draagt er zorg voor dat gegevens en rapportages op zodanige wijze worden gepresenteerd dat geen enkele relatie kan worden gelegd naar individuele werknemers en werkgevers; - 5°. het onderhouden van intensief contact met meldingsplichtigen over het (verbeteren van het) melden van beroepsziekten, e"},{"i":109,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 1 juli 2014, nr. WJZ / 14105816, tot aanwijzing van een ambtenaar op grond van de artikelen 8.15 en 8.31 Wet dieren (Besluit aanwijzing ambtenaar Wet dieren) Gelet op de [artikelen 8.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.15) en [8.31 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.31); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaar, bedoeld in de [artikelen 8.15, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.15), en [8.31, negende lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.31) wordt aangewezen de Chief Veterinary Officer van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2014. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing ambtenaar Wet dieren. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19413,"b":"Administratiebesluit II Wedervergeldingswet zeescheepvaart Gelet op de Beschikkingen van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1978, nr. 79/4/EEG (Pb. E.G. 9 januari 1979, nr. L 5/31), van 4 december 1980, nr. 80/1181/EEG (Pb. E.G. 23 december 1980, nr. L 350) en van 26 maart 1981, nr. 81/189/EEG (Pb. E.G. 2 april 1981, nr. L 88/32); Gelet op de [artikelen 11b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003104&artikel=11b), en [11d van de Wedervergeldingswet zeescheepvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003104&artikel=11d), zoals gewijzigd bij de wet van 12 juni 1980 (Stb. 1980, 364). Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij dit besluit bepaalde wordt verstaan onder: Artikel 2 Een ieder die lijnvervoerdiensten aanbiedt voor het vervoer van goederen per zeeschip tussen Nederlandse havens en havens in het Verre Oosten (Japan, Taiwan, Hong Kong, Maleisië. Singapore, de Republiek Korea, de Philippijnen en Thailand), dient voor dit vervoer de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003415&artikel=3&z=1981-07-01&g=1981-07-01) van dit besluit omschreven administratie te voeren. Artikel 3 Met betrekking tot het lijnvervoer als genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003415&artikel=2&z=1981-07-01&g=1981-07-01) dient een administratie te worden gevoerd die ten minste inhoudt: - a. naam van de scheepvaartonderneming en van de lijn; - b. namen van de in de lijndienst gebruikte schepen; - c. omschrijving van het vaargebied in het Verre Oosten; - d. nationaliteit van de in de lijndienst gebruikte schepen, en de Staat waarvan de vlag wordt gevoerd; - e. voor zover van toepassing: lidmaatschap van een lijnvaartconference of deelconference, en de naam van deze conference. Artikel 4 Dit besluit kan worden aangehaald als: Administratiebesluit II Wedervergeldingswet zeescheepvaart. Artikel 5 Dit besluit wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt en treedt in werking met ingang van 1 juli 198"},{"i":318,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Saoedi-Arabië tot wederzijdse vrijstelling van belastingen geheven naar de inkomsten en winsten van luchtvaartondernemingen uit de uitoefening van luchtvervoer in internationaal verkeer en hun werknemers De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Saudiarabië, De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot wederzijdse vrijstelling van belastingen geheven naar de inkomsten en winsten van luchtvaartondernemingen uit de uitoefening van luchtvervoer in internationaal verkeer en hun werknemers, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Belastingen waarop de overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en winsten die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Overeenkomstsluitende Staten. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende zaken, en belastingen naar het totaalbedrag van de door de luchtvaartondernemingen betaalde lonen of salarissen. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a. voor Nederland, de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting, (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - b. voor het Koninkrijk Saudiarabië, de inkomstenbelasting, (hierna te noemen: „Saudische belasting”). 4. Deze Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen zoals die later naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Staten doen elkaar mededeling van de wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht. Artikel 2. Begripsbepalingen 1. In deze Overeenkomst, tenzij de context anders vereist: -"},{"i":112,"b":"Besluit van 24 december 1986, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 5 van de Ziektewet en artikel 5 van de Werkloosheidswet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 november 1986, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Sociale Verzekeringen, Hoofdafdeling Werknemersverzekeringen, Afdeling Werkloosheidsregelingen, nr. SZ/SV/WV/WW/SVW/86/09845; Gelet op [artikel 5 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=5) (**Stb.** 1977, 492), [artikel 5 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=5) (**Stb.** 1967, 473) en [artikel 5 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=5) (**Stb.** 1986, 566); De Raad van State gehoord (advies van 16 december 1986, nr. W12.86.0607); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 1986, nr. SVW/86/10736; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Als dienstbetrekking in de zin van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die als thuiswerker arbeid verricht en van de persoon die hem als hulp bij het verrichten van zijn arbeid bijstaat, indien zij deze arbeid persoonlijk verrichten. 2. De arbeidsverhouding, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts als dienstbetrekking beschouwd indien: - a. zij is aangegaan voor een aaneengesloten periode van ten minste dertig dagen; - b. het bruto-inkomen uit deze arbeidsverhouding per maand doorgaans ten minste 40% van het minimumloon, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvak"},{"i":113,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2024, nr. 2024-0000039823, houdende aanwijzing van Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (hierna: NIPV) als verwerker als bedoeld in artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming en verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan NIPV ter uitvoering van het beheer van het Register Duikarbeid Brandweer en Politie Gelet op de [artikelen 1.5k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5k), en [6.16, derde, zesde en zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=6.16), artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gelet op de instemming van de algemeen directeur van het NIPV met de mandaatverlening; Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - 1.1. **AVG:** [Verordening (EU) 2016/679](32016R0679) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046); - 1.2. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Staatssecretaris handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - 1.3. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Staatssecretaris besluiten te nemen; - 1.4. **NIPV:** Nederlands Instituut Publieke Veiligheid; - 1.5. **persoonsgegevens:** alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, die verwerker ten behoeve van verwerkingsverantwoordelijke verwerkt; - 1.6. **register:** het Register Duikarbeid Brandweer en Politie, bedoeld in [artikel 6.16, derde, zesde en z"},{"i":114,"b":"Besluit van de Kamer van Koophandel tot aanwijzing van regionale werkgeversorganisaties onderscheidenlijk regionale werknemersorganisaties in de zin van de Wet op de Kamer van Koophandel Gelet op [artikel 1, derde lid, Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=1) en het [Besluit van de Kamer van Koophandel tot vaststelling van regio’s in de zin van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034704); Besluit: Artikel 1 Als regionale werkgeversorganisaties als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=1) worden in de door de Kamer van Koophandel vastgestelde regio’s aangewezen: - a. de regionale organisaties van de Vereniging VNO-NCW en van de bij de Vereniging VNO-NCW aangesloten organisaties; - b. de regionale organisaties van de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland en van de bij de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland aangesloten organisaties; - c. de regionale organisaties van de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland en van de bij de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland aangesloten organisaties. Artikel 2 Als regionale werknemersorganisaties als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=1) worden in de door de Kamer van Koophandel vastgestelde regio’s aangewezen: - a. de regionale organisaties of regionale onderdelen van de Federatie Nederlandse Vakbeweging; - b. de regionale organisaties of regionale onderdelen van het Christelijk Nationaal Vakverbond; - c. de regionale organisaties of regionale onderdelen van de Vakcentrale Middelbaar en Hoger Personeel. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":116,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 juni 2020, kenmerk 1689282-205240-WJZ, houdende aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren van de douane en verlening van mandaat en machtiging in verband met de bestuursrechtelijke handhaving van de artikelen 4a, 4b, 4c, 4e, 4h en 4i van de Tabaks- en rookwarenwet in verband met het voorkomen van illegale handel in tabak (Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren douane en mandaat en machtiging in verband met het voorkomen van illegale handel in tabak) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 13, eerste en tweede lid, van de Tabaks- en rookwarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=13) en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de instemming van de gemandateerden; Besluit: Artikel 1 1. Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de [artikelen 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=4a), [4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=4b), [4c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=4c), [4e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=4e), [4h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=4h) en [4i van de Tabaks- en rookwarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=4i) gestelde bepalingen zijn belast de ambtenaren van de Douane. 2. Aan de ambtenaren van de Douane, genoemd in het eerste lid, wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten in de zin van [artikel 11b van de Tabaks- en rookwarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=11b) en machtiging tot het verrichten van de overige daarmee verband houdende handelingen ter bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens de [artikelen 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&art"},{"i":118,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 7 april 2022, nr. Min-Buza.2022.11632-23, houdende aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Uitvoeringswet Verordening conflictmineralen (Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Uitvoeringswet Verordening conflictmineralen) Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Uitvoeringswet Verordening conflictmineralen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044779&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de artikelen, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van de Uitvoeringswet Verordening conflictmineralen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044779&artikel=2)1Stb. 2021, 44., worden de medewerkers van de Inspectie Leefomgeving en Transport aangewezen. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Uitvoeringswet Verordening conflictmineralen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2021. Van dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":128,"b":"Besluit beëindiging aansluiting werkgever bij een sector Gelet op [artikel 97m, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=97m); Besluit: Artikel 1 Een werkgever die de hoedanigheid van werkgever verliest omdat hij geen werknemers meer in dienst heeft en om die reden ophoudt bij een sector aangesloten te zijn, doet daarvan binnen zes maanden na de dag dat hij ophoudt werkgever te zijn schriftelijk melding bij UWV. Artikel 2 Indien een werkgever niet tijdig de melding als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017216&artikel=1&z=2005-01-01&g=2005-01-01) van dit besluit doet, deelt UWV de werkgever na twee jaar volgende op de dag dat hij ophoudt werkgever te zijn mee dat hij niet meer aangesloten is bij een sector. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beëindiging aansluiting werkgever bij een sector. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":333,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 6 december 2023, nr. 42834437, tot het verstrekken van aanvullende bekostiging voor het primair en voortgezet onderwijs voor de uitvoering van een arbeidsmarkttoelage voor 2024 (Regeling aanvullende bekostiging uitvoering arbeidsmarkttoelage 2024) Gelet op [artikel 119, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119), [artikel 117, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117) en [artikel 5.9, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvullende bekostiging:** aanvullende bekostiging als bedoeld in [artikel 119, eerste lid, van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119), [artikel 117, eerste lid, van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117) en [artikel 5.9, eerste lid, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9); - **achterstandsscore:** - a. wat betreft een basisschool: achterstandsscore, als gepubliceerd op 10 juni 2021 door het Centraal Bureau voor de Statistiek, op basis van de onderwijsscores van de leerlingen die op 1 oktober 2020 zijn ingeschreven op een basisschool als bedoeld in [artikel 18 van het Besluit bekostiging WPO 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=18); - b. wat betreft een school voor voortgezet onderwijs: achterstandsscore zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling bijzondere en aanvullende bekostiging uitvoering Nationaal Programma Onderwijs PO en VO](onbekend); - **basisschool:** basisschool als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":327,"b":"Protocol van 2014 bij het Verdrag betreffende de gedwongen arbeid Preambule De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar 103e zitting op 28 mei 2014, en Erkennend dat het verbod van gedwongen of verplichte arbeid deel uitmaakt van het corpus van fundamentele rechten en dat gedwongen of verplichte arbeid de mensenrechten schendt en de waardigheid van miljoenen vrouwen en mannen, meisjes en jongens, aantast, bijdraagt aan het voortbestaan van armoede en de verwezenlijking van fatsoenlijk werk voor een ieder in de weg staat, en De cruciale rol erkennend van het [Verdrag betreffende gedwongen of verplichte arbeid, 1930 (nr. 29)](onbekend), hierna te noemen „het Verdrag” en van het [Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (nr. 105)](onbekend) bij de bestrijding van alle vormen van gedwongen of verplichte arbeid, maar daarbij aantekenend dat de lacunes in de uitvoering ervan aanvullende maatregelen vergen, en In herinnering brengend dat de omschrijving van gedwongen of verplichte arbeid volgens [artikel 2 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006218&artikel=2) betrekking heeft op gedwongen of verplichte arbeid in al zijn vormen en gedaanten en zonder onderscheid van toepassing is op alle mensen, en De noodzaak benadrukkend van de uitbanning van gedwongen en verplichte arbeid in al zijn vormen en gedaanten, en In herinnering brengend de verplichting van Leden die het [Verdrag](onbekend) hebben bekrachtigd gedwongen of verplichte arbeid strafbaar te stellen en te waarborgen dat de wettelijk voorgeschreven sancties daadwerkelijk adequaat zijn en strikt ten uitvoer worden gelegd, en Erop wijzend dat de overgangsperiode voorzien in het [Verdrag](onbekend) is verstreken en dat de bepalingen van [artikel 1, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006218&artikel=1), en de [artikel"},{"i":439,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 20 januari 2015, houdende regels met betrekking tot het rapportagekader als bedoeld in artikel 32 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen (Regeling verslagstaten pensioenfondsen 2015) Na overleg met de representatieve organisaties; Gelet op [artikel 147 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=147) en [artikel 142 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=142); Gelet op [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020871&artikel=32) en [artikel 33, derde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020871&artikel=33); Gelet op [artikel 30a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020917&artikel=30a), van de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 december 2014, tot wijziging van de [Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020917) in verband met de Wet aanpassing financieel toetsingskader (Stcrt. 2014, 36799); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Besluit:** [Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020871); - b. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - c. **fonds:** pensioenfonds, als bedoeld in [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1), of beroepspensioenfonds, als bedoeld in [artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=1); - d. **algemeen pensioenfonds:** algemeen pensioenfonds, als bedoeld in [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1); - e. **collectiviteitkring:** collectiviteitkring als bedoeld in [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten"},{"i":438,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/2006/102511a, tot Vaststelling van regels met betrekking tot de verplichtstelling op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling) Gelet op [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=6), [9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=9), [13, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=13), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=18) en [19, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=19); Besluit: Paragraaf 1. Verplichtstelling Artikel 1. Aanvraag van de verplichtstelling De aanvraag van de verplichtstelling, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=5), bevat: - a. een vermelding van de beroepspensioenvereniging die om de verplichtstelling vraagt; - b. een toelichting op de aanvraag tot verplichtstelling; - c. een digitale tekst van de integrale omschrijving van de gewenste werkingssfeer van de verplichtstelling, waarbij gebruik is gemaakt van algemeen gebruikte programmatuur; - d. een digitale tekst van de integrale beroepspensioenregeling, waarbij gebruik is gemaakt van algemeen gebruikte programmatuur; - e. een opgave van representativiteitgegevens in de vorm van: - 1°. het aantal beroepsgenoten, dat lid is van de bij de aanvraag van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in de beroepsgroep waarop de aanvraag van de verplichtstelling betrekking heeft, alsmede, indien de aanvraag ook betrekking heeft op beroepsgenoten in loondienst; - 2°. het aantal beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de bij de aanvraag van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging"},{"i":412,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 april 2005, nr. OHW-U-2578206, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2004 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2004: 100/2174 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2005. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":388,"b":"Regeling registratie arbeidstijden mijnbouw Gelet op [artikel 3.1:2, eerste en vierde lid, van het Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=3.1:2), Besluit: Artikel 1 Als model van de registratie, bedoeld in [artikel 3.1:2, eerste lid, van het Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=3.1:2) wordt voor een werknemer die in een niet-bestendig en -regelmatig arbeidspatroon werkzaam is, het model vastgesteld dat als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012040&bijlage=1&z=2007-05-27&g=2007-05-27) bij deze regeling is gevoegd. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het toelichting wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling registratie arbeidstijden mijnbouw. Bijlage 1. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012040&artikel=1&z=2007-05-27&g=2007-05-27) van de Regeling registratie arbeidstijden mijnbouw Toelichting bij het registratieformulier Standaardgegevens ter identificatie van werknemer/zelfstandige/werkgever Werknemer/Zelfstandige/Adres/Woonplaats/Geboortedatum/Nationaliteit/Functie: Hier wordt ingevuld naam werknemer of zelfstandige waar dit formulier betrekking op heeft. Werkgever/Vestigingsplaats/Adres/Tel. nr.: Hier wordt aangegeven voor welke werkgever men werkzaam is. Arbeidstijdpatroon: Hier wordt het arbeidstijdpatroon van de werknemer ingevuld, bijvoorbeeld: [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) (ATW), niet-bestendig en -regelmatig [Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687) (ATB) enz. Maand en jaar: Hier wordt de desbetreffende maand en het jaar ingevuld. Gegevens met betrekking tot de arbeidstijd Hier wordt de datum ingevuld (1, 2, 3, enz.). Hier wordt de dag ingevuld (ma. di. wo. enz). Hier wordt ingevuld de naam van de locatie c.q. installatie of andere arbeidsplaats waar de arbeid"},{"i":290,"b":"Mandaat ABP inzake uitvoering ontslaguitkeringen Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gezien de overeenkomst inzake uitvoering uitkeringen bij functioneel leeftijdsontslag en ontslag uit substantieel bezwarende functies; Besluit: Artikel 1 De Stichting Pensioenfonds ABP, hierna te noemen ABP, is bevoegd om namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties al die besluiten te nemen die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij of krachtens de hieronder genoemde regelingen bevoegd is te nemen: - 1. het [Besluit ontslaguitkering substantieel bezwarende functies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011088), - 2. het [Besluit overgangsrecht FLO-functies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010859) en - 3. de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag. Artikel 2 ABP is bevoegd om verzoeken in het kader van de [Wet Openbaarheid van Bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252), dan wel in het kader van de [Wet Nationale Ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372), voorzover die verband houden met de uitvoering van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012416&artikel=1&z=2001-05-17&g=2001-05-17) genoemde regelingen, namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties af te handelen. Artikel 3 ABP is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012416&artikel=1&z=2001-05-17&g=2001-05-17) genoemde regelingen namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. ABP informeert de directie Personeelsmanagement Rijksdienst over bezwaarschriften waarin de rechtsgeldigheid van de toegepaste r"},{"i":414,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 januari 2007, nr. OHW-U-2743698, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2006 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2006: | | 100 | | | --- | --- | --- | | | 2240 | | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2007. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":410,"b":"Vaststelling van regels als bedoeld in artikel 10 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, betreffende pensioenberekening over deelnemingsjaren voor 1 mei 1995 Gelet op [artikel 10 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641&artikel=10); Gezien het advies van de Verzekeringskamer; Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [wet verevening pensioenrechten bij scheiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641); - b. **huwelijksjaren:** de jaren tot 1 mei 1995 gedurende welke de tot verevening verplichte echtgenoot gehuwd was met de tot verevening gerechtigde echtgenoot en eerstgenoemde tevens deelnemer was in de betreffende pensioenregeling; - c. **tijdsevenredige aanspraak:** een overeenkomstig [artikel 8, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=8), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809), bepaalde pensioenaanspraak; - d. **tijdsevenredige pensioenaanspraak:** een overeenkomstig [artikel 8, tweede lid,van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=8) bepaalde pensioenaanspraak; - e. **dienstjaren-eindloonregeling:** een pensioenregeling waarin naast de algemene loonontwikkeling ook individuele salarisverhogingen leiden tot verhoging van het pensioen over verstreken feitelijke dienstjaren. Artikel 2 Indien het uitvoeringsorgaan niet beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn om het gedurende de deelnemingsjaren tot 1 mei 1995 opgebouwde pensioen vast te stellen met inachtneming van het bepaalde in [artikel 3, eerste lid, onderdeel a tot en met c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641&artikel=3), wordt het te verevenen pensioen over die periode vastgesteld op basis van deze regeling. Artikel 3 Indien het aantal huwelij"},{"i":443,"b":"Regeling werkgeverstegemoetkoming langdurige inzet reservisten 2021 Gelet op [artikel 12l van de Wet Ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12l); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Civiele werkgever:** - 1). De werkgever, niet zijnde het Ministerie van Defensie, waar de reservist is aangesteld dan wel met wie hij een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, of overeenkomstig, heeft gesloten; - 2). de reservist zelf, wanneer hij zelfstandig werkzaam is, al dan niet personeel in dienst heeft en kan aantonen dat hij met zijn activiteiten als zelfstandig ondernemer structureel in zijn levensonderhoud voorziet; - **Langdurige inzet:** verblijf in werkelijke dienst voor een onafgebroken periode van drie maanden of langer, voor tenminste 24 uur per week, dat is vastgelegd in een ‘Beschikking oproep in werkelijke dienst’; - **Reservist:** de militair die wordt opgeroepen in werkelijke dienst op grond van het tweede lid onder a van [artikel 12l van de Wet Ambtenaren Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12l); - **Werkdag:** een aaneengesloten tijdruimte waarin werkzaamheden of diensten worden verricht en die is gelegen tussen twee voorgeschreven opeenvolgende onafgebroken rusttijden. Artikel 2. Werkgeverstegemoetkoming bij langdurige inzet 1. Bij langdurige inzet van de reservist maakt de civiele werkgever van de reservist op aanvraag aanspraak op een tegemoetkoming van € 55,00 per werkdag, met een maximum van vijf dagen per week voor de duur van maximaal een jaar, als bijdrage in de kosten verband houdende met de afwezigheid van de werknemer. 2. De hoogte van de uit te betalen tegemoetkoming over een periode wordt berekend door het totaal aantal gewerkte uren over die periode te delen door dagen van acht uur en dit naar boven af te ronden op hele dagen. 3. De civiele werkgever heeft geen aanspraak op de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming wanneer de re"},{"i":400,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 22 december 2017, 2017-0000211126, directie Financiële Markten, houdende regels tot vaststelling van de criteria voor de beoordeling van de vakbekwaamheid van werknemers van een beleggingsonderneming en tot wijziging van de Regeling taakuitoefening en grensoverschrijdende samenwerking financiële toezichthouders Wft ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 en van de Vrijstellingsregeling Wft (Regeling vakbekwaamheid werknemers beleggingsondernemingen Wft) Gelet op de [artikelen 1:25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:69, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:69), [2:104, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:104), [3:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:3) en [4:9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9), [4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), en de [artikelen 5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=5a) en [29b, tweede lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=29b); BESLUIT: § 1. Inleidende bepaling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **het besluit:** het [Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421); - b. **werknemers:** werknemers en andere natuurlijke personen die werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de beleggingsonderneming. § 2. Criteria vakbekwaamheid Artikel 2. Bepalingen ter uitvoering van [artikel 5a van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=5a) 1. Een beleggingsonderneming zorgt ervoor dat haar werknemers die cliënten informeren over financiële instrumenten of gestructureerde deposito’s, belegg"},{"i":416,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 januari 2009, nr. OHW-U-2906083, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2008 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2008: 100 2354 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":433,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 februari 2011, nr. DMO/OHW-U-3045313, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2010 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2010: Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7520,"b":"Besluit basisadministraties persoonsgegevens BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208); - b. **verhuisbericht:** een bericht dat is opgemaakt bij de andere basisadministratie waar een persoon een aangifte van vertrek heeft gedaan. Hoofdstuk II. Het bijhouden van de basisadministratie Paragraaf 1. Inschrijving en vertrek Artikel 2 1. Vanwege hun bijzondere verblijfsrechtelijke status komen niet in aanmerking voor inschrijving personen die geen Nederlander zijn en die behoren tot de volgende categorieën: - a. de leden van diplomatieke zendingen en van consulaire posten; - b. de leden van het administratieve en technische personeel van diplomatieke zendingen en consulaire posten; - c. de inwonende gezinsleden van de onder a en b bedoelde personen; - d. andere personen die krachtens internationaal recht een bijzondere verblijfsrechtelijke status hebben. 2. Leden van de Nederlandse krijgsmacht komen eveneens niet in aanmerking voor inschrijving, tenzij zij woonachtig zijn aan de wal. 3. Ten aanzien van een persoon die gaat behoren tot een van de in het eerste of tweede lid genoemde categorieën, terwijl hij reeds is ingeschreven, wordt de bijhouding van de persoonslijst opgeschort. Artikel 3 1. [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028622&bijlage=I&z=2025-12-06&g=2025-12-06) bevat de algemene, bijzondere en administratieve gegevens, als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel a, b en c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=10). 2. [Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028622&bijlage=II&z=2025-12-06&g=2025-12-06) bevat de verwijsgegevens en de administratieve gegevens in verband met de verwijsgegevens, als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=11). Artikel 4 1. De gegevens over de burgerli"},{"i":7527,"b":"Besluit catalogus basisregistratie topografie Gelet op [artikel 98a, derde lid, tweede zin, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=98a); Besluit: Artikel 1 Het op 18 december 2007 door het bestuur van de Dienst genomen besluit tot vaststelling van de catalogus basisregistratie topografie, bedoeld in [artikel 98a, derde lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=98a), treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin van dat besluit wordt kennis gegeven, en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Artikel 2 1. De bekendmaking van het besluit, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023689&artikel=1&z=2008-03-28&g=2008-03-28), geschiedt door kennisgeving van dat besluit in de Staatscourant. 2. Met ingang van het tijdstip waarop het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023689&artikel=1&z=2008-03-28&g=2008-03-28) genoemde besluit in werking treedt, wordt de catalogus basisregistratie topografie en het onderhavige besluit bij alle kantoren van het Kadaster ter inzage gelegd gedurende de tijden waarop die kantoren voor het publiek zijn geopend, en kan een elektronische versie van die catalogus worden gedownload van de website van het Kadaster (www.kadaster.nl). Van deze terinzagelegging en mogelijkheid tot downloaden wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit catalogus basisregistratie topografie. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6409,"b":"Besluit van 11 augustus 2003, houdende wijziging van het Besluit draagkracht vervolgden en het Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers tot wijziging van de berekening van de financiële draagkracht Artikel I Wijzigt het [Besluit draagkracht vervolgden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002888). Artikel II Wijzigt het [Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003693). Artikel III Indien de draagkracht van een vervolgde of een burger-oorlogsslachtoffer voor 1 januari 2001 is bepaald en het recht op de tegemoetkoming op deze datum nog bestond, wordt de financiële draagkracht opnieuw bepaald. In afwijking van de eerste volzin van de [artikelen 2, tweede lid, van het Besluit draagkracht vervolgden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002888&artikel=2) en het [Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003693&artikel=2), wordt uitgegaan van het inkomen zoals dit is of zou worden berekend over de maand januari 2001. Bij het bepalen van de financiële draagkracht in de periode tussen 1 januari 2001 en het moment van inwerkingtreding van dit besluit wordt de in [artikel 3, tweede lid, van het Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003693&artikel=3) genoemde vermindering op maandbasis van het vastgestelde inkomen afgetrokken. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt voor wat betreft [artikel I, onderdelen B tot en met F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015456&artikel=I&z=2003-08-27&g=2003-08-27) en [artikel II, onderdelen B en C, onder 2, tot en met F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015456&artikel=II&z=2003-08-27&g=2003-08-27), terug tot en met 1 januari 2001. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 januari 2003, kenmerk DVVB/MB-U-2344582; Gelet op [artik"},{"i":6393,"b":"Besluit van 6 december 2007, houdende wijziging van het Besluit beheer autobanden, het Besluit beheer autowrakken, het Besluit beheer batterijen, het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur en het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton in verband met aanpassing van de meldings- en mededelingstermijn (onbeperkte geldigheid melding en mededeling) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 oktober 2007, nr. DJZ2007097392, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 10.15 tot en met 10.18 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.15); De Raad van State gehoord (advies van 1 november 2007, nr. W08.07.0373/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 december 2007, nr. DJZ2007120067, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit beheer autobanden. Artikel II Wijzigt het Besluit beheer autowrakken. Artikel III Wijzigt het Besluit beheer batterijen. Artikel IV Wijzigt het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur. Artikel V Wijzigt het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton. Artikel VI De instemming van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met mededelingen die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn gedaan op grond van [artikel 12, eerste lid, van het Besluit beheer autowrakken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013707&artikel=12), [artikel 6, eerste lid, van het Besluit beheer batterijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007227&artikel=6), [artikel 4, eerste lid, van het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016990&artikel=4) of [artikel 6, eerste lid, van het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018139&artik"},{"i":6402,"b":"Besluit van 12 februari 2011 tot wijziging van het Besluit detectie radioactief besmet schroot, het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen, het Besluit stralingsbescherming, het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen en het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet in verband met de wet van 19 november 2009 tot wijziging van de Kernenergiewet in verband met vereenvoudiging van het bevoegd gezag, invoering van een verplichting tot financiële zekerheidstelling en enkele andere wijzigingen (Stb. 2010, 18) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 juli 2010, nr. BJZ / 2010016974, Directie Bestuurlijke en Juridische zaken, gedaan mede namens Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 15f, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15f), [16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=16), [18a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=18a), [21, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=21), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=29), [32, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=32), [34, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=34), [38a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=38a), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=68), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=73), [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=74) en [75, eerste lid, onder a, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=75); De Raad van State gehoord (advies van 28 juli 2010, nr. W08.10.0282/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 10 februari 2011, nr. WJZ / 1"},{"i":6606,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 december 2019 nr. WJZ/17704957(10958), houdende wijziging van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS in verband met het schrappen van het rapport van feitelijke bevindingen als vast onderdeel van het financieel verslag Gelet op [artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4), [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3) en [artikel 3, eerste en tweede lid, van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluiten: Artikel I Wijzigt de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Artikel II Wijzigt de Regeling vaststelling beleidskader subsidiëring farmaceutische ANZ-dienstverlening. Artikel III Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 3. Artikel IV Wijzigt de Subsidieregeling NIPT. Artikel V Wijzigt de Subsidieregeling sterk techniekonderwijs 2020–2023. Artikel VI 1. De [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603), zoals die luidde op 31 december 2019, blijft van toepassing op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend en waarop de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS van toepassing is. 2. Indien de minister wie het aangaat te kennen geeft daaraan geen behoefte te hebben, hoeft de ontvanger van een subsidie als bedoeld in het eerste lid die daarover mede aan de hand van een financieel verslag rekening en verantwoording aflegt, het financieel verslag niet vergezeld te doen gaan van een rapport van feitelijke bevindingen omtrent de naleving van de aan de verleende subsidie verbonden verp"},{"i":6585,"b":"Besluit van 27 maart 2012 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000, het Besluit modern migratiebeleid en het Besluit inburgering (aanscherping eisen gezinsmigratie) Op de voordracht van Onze Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 6 oktober 2011, no. 2011-2000411235, directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=15) en [16, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 januari 2012, no. W04.11.0428/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 20 maart 2012, nr. 2012-0000169986; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel II Wijzigt het Besluit modern migratiebeleid. Artikel III Wijzigt het Besluit inburgering. Artikel IV De [onderdelen B, D en H tot en met L van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031443&artikel=I&z=2012-10-01&g=2012-10-01) en [onderdelen C en D van artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031443&artikel=II&z=2012-10-01&g=2012-10-01) van dit besluit blijven buiten toepassing ten aanzien van het verblijfsrecht van de vreemdeling wiens verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), is verleend voor de inwerkingtreding van dit besluit en wiens aanvraag tot verlenging van zijn verblijf niet kon worden afgewezen op grond van het recht zoals dat gold op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit. Artikel V Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad"},{"i":6583,"b":"Besluit van 26 maart 2012, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met aanscherping van de glijdende schaal Op de voordracht van Onze Minister voor Immigratie en Asiel van 22 september 2011, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, nr. 11.002306; Gelet op de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [18 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 november 2011, no. W04.11.0396/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Immigratie en Asiel van 20 maart 2012, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, nr. 2012-0000170068; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel II Dit besluit blijft buiten toepassing ten aanzien van de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit niet kon worden beëindigd. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6590,"b":"Besluit van 5 juli 2024 tot wijziging van het Vuurwerkbesluit in verband met implementatie van de Benelux-beschikking betreffende de invoering van een pyro-pass en enkele andere wijzigingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 27 oktober 2023, nr. IenW/BSK-2023/47421, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 9.2.2.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), en [artikel 9.5.8, derde, vierde lid en zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 december 2023, nr. W17.23.00323/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 2 juli 2024 nr. IenW/BSK-2024/166495, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vuurwerkbesluit. Artikel II. Overgangsbepaling Toepassingsvergunningen die ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit reeds waren verleend, verliezen hun geldigheid een jaar na inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2024. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7514,"b":"Besluit van de Autoriteit Persoonsgegevens van 17 juli 2018 tot aanwijzing van toezichthouders betreffende de Telecommunicatiewet en eidas-verordening van de Autoriteit Persoonsgegevens (Besluit aanwijzing toezichthouders Telecommunicatiewet en eidas-verordening Autoriteit Persoonsgegevens) Gelet op [artikel 15.1, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1), Besluit: Artikel 1 De ambtenaren werkzaam bij het secretariaat van de Autoriteit Persoonsgegevens worden aangewezen als ambtenaren als bedoeld in de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950), en belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 11.3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.3a) en [11.5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.5b), en voor zover het een inbreuk op de veiligheid of het verlies van integriteit betreft die of dat aanzienlijke gevolgen heeft voor persoonsgegevens, het bepaalde bij en krachtens [artikel 18.15a van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=18.15a) en artikel 19, tweede lid, van de eidas-verordening. Artikel 2 Het [Besluit aanwijzing toezichthouders Autoriteit Persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037528) van 5 januari 2016 (**Stcrt.**2016/1386) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum publicatie in de Staatscourant. Artikel 4 Dit besluit wordt aangeduid als: Besluit aanwijzing toezichthouders Telecommunicatiewet en eidas-verordening Autoriteit Persoonsgegevens. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7555,"b":"Besluit van 22 september 2020, houdende regels ter uitwerking van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet (Besluit ongewenste zeggenschap telecommunicatie) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 14 juli 2020, nr. WJZ /20162959; Gelet op [artikel 14a.4, derde en vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14a.4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 juli 2020, nr. W18.20.0264/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 17 september 2020, nr. WJZ / 20216702; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Bij de toepassing van [artikel 14a.4, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14a.4), wordt aangenomen dat er sprake is van relevante invloed als bedoeld in dat lid, aanhef en onder a tot en met d, indien de telecommunicatiepartij bedoeld in artikel 14a.4, eerste lid, en eventuele andere telecommunicatiepartijen waarin de houder of verkrijger of de groep waarvan de houder of verkrijger deel uitmaakt overwegende zeggenschap houdt of verkrijgt, alleen of tezamen: - a. een internettoegangsdienst of telefoondienst aanbiedt aan meer dan 100.000 eindgebruikers in Nederland, waarbij met betrekking tot: - 1°. de vaste internettoegangs- of telefoondienst, met uitzondering van de vaste internettoegangsdienst aan zakelijke eindgebruikers, wordt uitgegaan van 2 eindgebruikers per aansluiting, - 2°. de vaste internettoegangsdienst aan zakelijke gebruikers wordt uitgegaan van 8 eindgebruikers per aansluiting, - 3°. de mobiele internettoegangsdienst of telefoondienst wordt uitgegaan van 1 eindgebruiker per aansluiting, - b. een elektronisch communicatienetwerk aanbiedt waarover aan meer dan 100.000 eindgebruikers in Nederland internettoegangsdiensten of telefoondiensten worden aangeboden, - c. een internetknooppunt aanbiedt waarop meer dan 300 autonome systemen z"},{"i":130,"b":"Besluit beperking aan de openbaarheid van het archief SoZa: ontslagen personeel Gelet op [artikel 15, tweede lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 mei 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021815) (Stcrt. 2007 nr. 89), Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de personeelsdossiers in de inventarisnummers in het archief SZW: ontslagen personeel, toegang 2.15.56, beperkt openbaar tot 100 jaar na de geboorte van de persoon op wie het dossier betrekking heeft Artikel 2 De onderstaande inventarisnummers worden openbaar op 1 januari van het volgende jaar | Inventarisnummer | Jaar | | --- | --- | | 3 | 2016 | | 6 | 2027 | | 7 | 2027 | | 9 | 2015 | | 14 | 2030 | | 15 | 2047 | | 16 t/m 26 | 2047 | | 29 | 2032 | | 30 | 2036 | | 33 | 2022 | | 37 | 2027 | | 39 | 2015 | | 40 | 2016 | | 46 | 2015 | | 47 | 2018 | | 56 | 2053 | | 57 | 2026 | | 58 | 2022 | | 59 | 2026 | | 67 | 2020 | | 69 | 2027 | | 72 | 2023 | | 73 | 2015 | | 74 | 2015 | | 76 | 2020 | | 83 | 2030 | | 88 | 2044 | | 89 | 2040 | | 92 | 2024 | | 94 | 2024 | | 98 | 2020 | | 99 | 2055 | | 104 | 2017 | | 110 | 2024 | | 111 | 2034 | | 116 | 2022 | | 119 | 2025 | | 122 | 2043 | | 128 | 2016 | | 130 | 2015 | | 131 | 2015 | | 137 | 2022 | Artikel 3 Raadpleging van de bescheiden genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035934&artikel=2&z=2014-12-18&g=2014-12-18) is alleen mogelijk na toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Artikel 4 De beperking aan de openbaarheid vervalt zodra ten genoege van de algemene rijksarchivaris kan worden aangetoond dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft is overleden. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":131,"b":"Besluit van 21 november 2017, houdende regels voor het beperken van de kring van verzekerden op Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor de werknemersverzekeringen (Besluit beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 oktober 2017, nr. 2017001789; Gelet op de [artikelen 1a van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=1a), [1a van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=1a) en [1a van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=1a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 november 2017, nr.W12.17.0348/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 november 2017, nr. 2017-0000180393; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Beperking kring van verzekerden Als werknemer in de zin van de [Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304), de [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497) en de [Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728) wordt niet beschouwd degene die in Nederland woont en die binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba arbeid verricht uitsluitend uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever, dan wel degene die niet in Nederland woont en die binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba arbeid verricht uitsluitend uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever en op grond van [artikel 3a, eerste of tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004613&artikel=3a) verzekerd is ingevolge de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":5219,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 16 maart 2009, nr. WJZ/9051027, houdende aanwijzing van categorieën productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2009 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009) Gelet op de [artikelen 31, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=31), en [77c van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=77c) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde lid en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [56, eerste lid en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=56), [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=61), en [artikel 63, tweede lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=63); Besluit: § 1. Begripsbepalingen § 2. Hernieuwbare elektriciteit § 2. Hernieuwbare elektriciteit § 4. Wijziging andere regelingen § 5. Slotbepalingen Bijlage 1 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 1 Dit onderdeel is nog niet"},{"i":132,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Raad van Arbeid Amersfoort 1919–1988 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d.26 november 2015 met kenmerk NA/15/16063. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief Raad van Arbeid Amersfoort 1919–1988 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 18 | 2043 | | | | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037316&artikel=1&z=2015-12-11&g=2015-12-11), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk voor wetenschappelijk onderzoek en na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Verzoeken tot raadpleging kunnen alleen schriftelijk worden ingediend in de vorm van een onderzoeksopzet. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037316&artikel=1&z=2015-12-11&g=2015-12-11), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging archief Raad van Arbeid Amersfoort 1919–1988’."},{"i":133,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Raad van Arbeid ’s-Gravenhage 1919–1988 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. **25 juni 2015**, met kenmerk **782566**. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief Raad van Arbeid ’s-Gravenhage 1919–1988 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 28 | 2021 | | 31 | 2022 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037020&artikel=1&z=2015-09-25&g=2015-09-25), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk voor wetenschappelijk onderzoek en na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Verzoeken tot raadpleging kunnen alleen schriftelijk worden ingediend in de vorm van een onderzoeksopzet. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037020&artikel=1&z=2015-09-25&g=2015-09-25), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging archief Raad van Arbeid ’s-Gravenhage 1919–1988’."},{"i":135,"b":"Besluit van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen van 21 mei 2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Vereniging van Raden van Arbeid over de periode 1919–1988. Bijlage bij de Verklaring van Overbrenging van het archief van de Vereniging van Raden van Arbeid 1919–1988 Gelet op [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=15), aan de openbaarheid van de over te brengen archiefbescheiden van het archief van de Vereniging van Raden van Arbeid 1919–1988 de volgende beperkingen gesteld: Artikel 1 De archiefbescheiden met inventarisnummer: 134, 138, 162, 163, 175, 235 tot en met 249, 251, 264 tot en met 279, 281, 289, 295 tot en met 299 en 301 van bovengenoemd archief, zijn openbaar na het verstrijken van een periode van 75 jaar na datering van het betreffende archiefbescheid. Artikel 2 Raadpleging van de archiefbescheiden, is, gelet op [artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Deze toestemming kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - –. De verzoeker doet een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot inzage van de archiefbescheiden, waarin wordt aangegeven: de omschrijving van het onderzoeksdoel, de onderzoeksopzet en de wijze waarop de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens zal worden gewaarborgd. - –. De verzoeker vult hiertoe het Formulier voor toestemming tot raadpleging van het archief van de Vereniging van Raden van Arbeid 1919–1988, in en ondertekent het formulier. De verzoeker verklaart daarmee tevens zich te zullen houden aan de in het formulier opgenomen bepalingen."},{"i":11876,"b":"Beroepsuitoefeningsverordening registerloodsen Gelet op de [artikelen 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=67), juncto [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=4), en [15, tweede lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15)(Stb. 1988, 353); Besluit: Artikel I De verordening, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15) (Stb. 1988, 353), wordt als volgt vastgesteld: **Verordening inzake een goede beroepsuitoefening door registerloodsen (Beroepsuitoefeningsverordening registerloodsen)** - 1. Alvorens de registerloods enige dienst als registerloods mag uitoefenen, dient deze de navolgende eed (belofte) af te leggen: ‘Ik zweer, (beloof), dat ik in de uitoefening van mijn diensten als registerloods mij stipt zal gedragen naar de bestaande of nader uit te vaardigen regels, verordeningen en nadere voorschriften betreffende mijn beroepsuitoefening als registerloods en dat ik voorts als registerloods zal handelen, zoals een goed registerloods schuldig is te doen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig (dat beloof ik)’. - 2. Deze eed (belofte) wordt afgelegd in handen van de voorzitter van de corporatie of diens plaatsvervanger, voor zover mogelijk direct aansluitend op de ontvangst van de verklaring van inschrijving als registerloods in het register. - 3. De voorzitter of diens plaatsvervanger maakt van een afgelegde eed (belofte) een proces-verbaal in tweevoud op, dat door hem en de registerloods dient te worden ondertekend, waarvan een exemplaar bestemd is voor betrokkene en een exemplaar ten bewijze van het afleggen van de eed (belofte) voor de algemene raad van de corporatie. De registerloods dient zich in het openbaar zodanig te gedragen dat het vertrouwen in het beroep van registerloods of in zijn eigen beroepsuitoefening niet wordt geschaad. De registerloods moet vermijden enige verplic"},{"i":143,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 1 augustus 2023 nr. BOACAT2023/048, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Nederlandse Arbeidsinspectie Gelezen het verzoek van Nederlandse Arbeidsinspectie van 12 juli 2023 en de adviezen van het Functioneel Parket en de Inspecteur-Generaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048517&artikel=2&z=2023-09-01&g=2023-09-01). Artikel 2 De personen, werkzaam bij de vakgroepen Arbo en MHC en de afdelingen Meldingen en Verzoeken en IKC in dienst van de Nederlandse Arbeidsinspectie, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buit"},{"i":144,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 augustus 2023 nr. BOACAT2023/055, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Nederlandse Arbeidsinspectie Gelezen het verzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie van 2 augustus 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27). Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048555&artikel=2&z=2023-09-01&g=2023-09-01). Artikel 2 De personen, werkzaam bij de vakgroepen AMF en de afdelingen Meldingen en Verzoeken AMF en IKC in dienst van de Nederlandse Arbeidsinspectie, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor"},{"i":447,"b":"Reglement behandeling bezwaarschriften UWV 2024 Gelet op de [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) en [7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=7), Besluit: Artikel 1. definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. **beschikking:** een beschikking als bedoeld in [artikel 1:3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3); - d. **bijzondere persoonsgegevens:** dit zijn gegevens over gezondheid, ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, het lidmaatschap van een vakbond, genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, seksueel gedrag of seksuele gerichtheid, strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen; - e. **bijzondere beschikking:** een beschikking waaraan een beoordeling van bijzondere persoonsgegevens ten grondslag ligt; - f. **medische beschikking:** een bijzondere beschikking waaraan een beoordeling van medische gegevens ten grondslag ligt; - g. **bezwaarschrift:** een bezwaarschrift als bedoeld in [artikel 6:4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:4); - h. **belanghebbende:** een belanghebbende als bedoeld in [artikel 1:2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:2); - i. **werknemer:** de belanghebbende op wiens gegevens de beoordeling betrekking heeft; - j. **medebelanghebbende:** - 1. de werkgever als bedoeld in de [artikelen 75a onder c van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":420,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 januari 2014, Kenmerk 188527-115995-DMO, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2013 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2013: Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2014. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":382,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 oktober 2004, Directie AAM, nr. AAM/BR/04/68435, houdende voorzieningen in verband met de opheffing van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (Regeling opheffing Arbeidsvoorzieningsorganisatie) Gelet op de [artikelen 27, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013061&artikel=27), en [127, vierde lid, van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013061&artikel=127); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. wet: de [Arbeidsvoorzieningswet 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008367), zoals deze voor 1 november 2004 luidde; - c. bestuurder CBA: de persoon die tot 1 november 2004 de functie van lid van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening vervulde; - d. vervallen; - e. Arbeidsvoorzieningsorganisatie: de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, genoemd in [artikel 2 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008367&artikel=2) zoals deze voor 1 november 2004 luidde; - f. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). Artikel 2. Aanwijzing persoon belast met afwikkeling Vervallen Hoofdstuk 2. Overgang vermogen en publiekrechtelijke rechten en verplichtingen Artikel 3. Vermogen en Personeel 1. Alle vermogensbestanddelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn overgegaan op de Staat (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid). 2. In afwijking van het eerste lid zijn de rechten en verplichtingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie die voortvloeien uit een collectieve arbeidsovereenkomst of regeling van arbeidsvoorwaarden dan wel enige andere algemene regeling, jegens werknemers die voor"},{"i":146,"b":"Besluit van 15 september 2004 tot vaststelling van het tijdstip van herbeoordeling, bedoeld in de artikelen 34, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 35, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en 28, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en tot het uitzonderen van bepaalde groepen van personen van die herbeoordeling (Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 augustus 2004, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/A&L/04/54594; Gelet op de [artikelen 34, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=34), [35, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=35), [28, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=28), en [XIII, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008658&artikel=XIII), en [XXIV, zevende lid, van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008658&artikel=XXIV); De Raad van State gehoord (advies van 25 augustus 2004, No. W12.04.0405/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 september 2004, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/A&L/04/62642; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten in werking treedt. Artikel 1. Tijdstip van herbeoordeling 1. Het tijdstip, bedoeld in de [artikelen 34, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=34), [35, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://"},{"i":145,"b":"Besluit Defensie volmacht en machtiging lokale werknemers Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken; Gelet op [artikel 1.2 van de Legal Status (Local Employees) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045662&artikel=1.2); Besluit De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Volmacht en machtiging 1. Aan de bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkzame secretaris-generaal, directeuren van bedrijfsvoeringsdirecties en uitvoeringsorganisaties en hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland alsmede hun plaatsvervangers wordt volmacht en machtiging verleend voor het verrichten van rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met de overeenkomstige toepassing van de [Legal Status (Local Employees) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045662) inclusief het afhandelen van daarmee verband houdende geschillen bij een geschillencommissie of rechterlijke instantie ten aanzien van werknemers die voor werkzaamheden bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland op arbeidsovereenkomst naar lokale voorwaarden in dienst zijn genomen door Defensie. 2. De in het eerste lid bedoelde functionarissen kunnen schriftelijk besluiten dat onder hen ressorterende functionarissen mede bevoegd zijn uitvoering te geven aan de in het eerste lid bedoelde volmacht en machtiging. 3. De in het eerste lid bedoelde functionarissen oefenen hun in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden uit met inachtneming van de terzake: - a. door of namens de Minister van Defensie en de Minister van Buitenlandse Zaken gemaakte afspraken en - b. door of namens de Minister van Buitenlandse Zaken gegeven instructies. Artikel 2. Ondertekening en vermelding Het krachtens volmacht of machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: De Minister van Defensie, vertegenwoordigd door [functie] van het Ministerie van Buitenlandse Zaken [handte"},{"i":468,"b":"Toestemming vaststelling premie-aandeel werknemer voor 1994 (Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid) Gelezen het daartoe strekkend verzoek van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid; Besluit: Aan de bij de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid aangesloten werkgevers wordt toestemming verleend om, in afwijking van het bepaalde in artikel 60, vijfde lid, van de Ziektewet, ter zake van de ziekengeldverzekering van de bij hen in dienst zijnde werknemers op wie: - a. de CAO voor het Bouwbedrijf of - b. de UTA-CAO of - c. de CAO voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzobedrijf of - d. de CAO voor het Natuursteenbedrijf of - e. de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven van toepassing is, op het loon van de werknemers op wie de CAO genoemd onder a., b., d., en e. van toepassing is voor de periode eindigend op 31 december 1993 in te houden f 12,50 per f 1000,- verzekerd loonbedrag en voor de werknemers op wie de CAO genoemd onder c. van toepassing is in te houden f 13,80 per f 1000,- verzekerd loonbedrag. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":147,"b":"Besluit van 22 juni 1967, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 18 van de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 11 mei 1967, Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Sociale Verzekering, Afdeling Algemene Zaken, Nr. 57191; Gelet op [artikel 18 van de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002551&artikel=18); De Raad van State gehoord (advies van 31 mei 1967, No. 26); Gezien het nader rapport van onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 15 juni 1967, Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Soc. Verz., Afd. Alg. Zaken, No. 57763; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De in [artikel 17, eerste lid, van de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002551&artikel=17) vermelde reeks van percentages wordt gewijzigd in de volgende reeks: | tijdvak, waarin het ongeval plaatsvond: | percentages: | | --- | --- | | vóór 1 januari 1932 | 621 | | 1 januari 1932 tot 1 januari 1941 | 706 | | 1 januari 1941 tot 1 januari 1943 | 602 | | 1 januari 1943 tot 1 januari 1945 | 547 | | 1 januari 1945 tot 1 januari 1946 | 458 | | 1 januari 1946 tot 1 januari 1947 | 394 | | 1 januari 1947 tot 1 januari 1949 | 359 | | 1 januari 1949 tot 1 januari 1951 | 328 | | 1 januari 1951 tot 1 januari 1952 | 291 | | 1 januari 1952 tot 1 januari 1954 | 282 | | 1 januari 1954 tot 1 april 1954 | 274 | | 1 april 1954 tot 1 juli 1954 | 268 | | 1 juli 1954 tot 1 oktober 1954 | 260 | | 1 oktober 1954 tot 1 januari 1955 | 249 | | 1 januari 1955 tot 1 oktober 1956 | 234 | | 1 oktober 1956 tot 1 april 1957 | 220 | | 1 april 1957 tot 1 juli 1957 | 211 | | 1 juli 1957 tot 1 oktober 1957 | 205 | | 1 oktober 1957 tot 1 januari 1958 | 201 | | 1 januari 1958 tot 1 april 1960 | 191 | | 1 april 1960 tot 1 juli 1960 | 1"},{"i":9073,"b":"Protocol bij de Europese Overeenkomst betreffende de uitwisseling van geneesmiddelen van menselijke oorsprong, zoals gewijzigd PART I. General Provisions A. Labelling A label printed in English and French, based on the appropriate model to be found in Annexes 2 to 10 to the Protocol, shall be affixed to each container or giving-set. B. Packing and dispatch Whole human blood shall be dispatched in containers in which a temperature of 4° to 6° C is maintained throughout the period of transport. This condition is not required for the derivatives mentioned in the Protocol. C. Products and apparatus The products and apparatus referred to in Part II of this Protocol shall be sterile, non-pyrogenic and non-toxic. It is recommended that the giving-set, as well as the solvents required for the dried products, be sent with each consignment. D. Freedom from toxicity of plastic blood transfusion equipment Equipment shall comply with the provisions set out in Annex 11 to this Protocol. PART II. Specific Provisions 1. Whole Human Blood Whole Human Blood is blood which has been mixed with a suitable anti-coagulant, after collection from a human subject in normal health. The blood shall not be obtained from a human subject: - (a). who is known to be suffering from or to have suffered from syphilis or hepatitis, - (b). whose blood has not been tested with negative results for evidence of syphilitic infection, or - (c). who is not, as far as can be ascertained after medical examination and the study of his antecedents, free from disease transmissible by blood transfusion. The blood shall be withdrawn aseptically through a closed system of sterile tubing into a sterile container in which the anticoagulant solution has been placed before the container is sterilised. The equipment used must be pyrogen-free. When withdrawal is complete the container shall be immediately sealed and cooled to 4° to 6° C and not opened thereafter until immediately before the blood is to be used. The blood w"},{"i":256,"b":"Financiële arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2004 Inleiding In onderhavige publicatie wil ik u op de hoogte stellen over het volgende: 1. Aanpassing premies en franchisebedragen De centrales voor overheidspersoneel en werkgeversorganisaties hebben afspraken gemaakt over de verandering in de ABP- pensioenregeling. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Pensioenakkoord en hebben in sommige gevallen consequenties voor de premieberekening. Het ABP heeft daarover de werkgevers en de werknemers via afzonderlijke brieven op de hoogte gebracht. Voor de volledigheid verwijs ik u daarom voor de inhoud van de afspraken naar deze brieven. In deze paragraaf wil ik in het kort ingaan op de gevolgen voor de premieberekening. Ouderdoms- en nabestaandenpensioen (OP/NP) Tot 1 januari 2004 werd voor de berekening van de premie één franchisebedrag gehanteerd. Vanaf genoemde datum moet er rekening gehouden worden met 3 franchisebedragen. Welk franchisebedrag voor de berekening wordt gehanteerd, is afhankelijk van de leeftijd van de verzekerde. Het volgende onderscheid geldt: geboren vóór 1954, geboren in of na 1954 en vóór 1964 en geboren in of na 1964, met respectievelijk de volgende franchisebedragen: € 15.250, € 14.250 en € 13.000. Flexibel pensioen en uittreden (FPU) Ook de wijze waarop de FPU-premie wordt berekend wijzigt met ingang van 1 januari 2004. Vanaf deze datum wordt een onderscheid aangebracht tussen het VUT/FPU basisgedeelte en FP-opbouwdeel. Bij het VUT/FPU basisgedeelte geldt geen franchise, maar bij de FP-opbouw gaat vanaf 1 januari 2004 een franchise gelden die, rekening houdend met het leeftijdsonderscheid, gelijk is aan het franchisebedrag bij de OP/NP. Dit betekent dat er vanaf 1 januari 2004 voor de FPU twee berekeningen gemaakt moeten worden in plaats van één berekening! Bovenwettelijk invaliditeitspensioen (IPbw) In de berekeningssystematiek voor de IPbw premie verandert niets. Hier dient u alleen rekening te houden met de wijzigingen van het premiepercentage en d"},{"i":1537,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Uganda tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van de Republiek Uganda en Geleid door de wens dat een verdrag door beide Staten wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Reikwijdte van het verdrag Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen, die ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door de ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Mijnwet continentaal plat 1965, - -. de dividendbelasting, - b. in Uganda: (hierna te noemen: „"},{"i":148,"b":"Besluit van 26 april 1983, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in, alsmede tot bepaling van het tijdstip van de inwerkingtreding van, artikel 2 van de Wet van 2 december 1982, Stb. 679, houdende bepalingen ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers, alsmede met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van buitenlandse werknemers Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 31 maart 1983, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 166/683; Gelet op de artikelen 2 en 6, tweede lid, van de Wet van 2 december 1982, **Stb.** 679, houdende bepalingen ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers, alsmede met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van buitenlandse werknemers (**Trb.** 1978, 70); De Raad van State gehoord (advies van 22 april 1983, nr. W 03.83.0209/08.3.16); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 25 april 1983, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 219/683; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: \"het Verdrag\": het op 24 november 1977 te Straatsburg ondertekende Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers (**Trb.** 1978, 70); \"de raad\": de raad voor de kinderbescherming in het arrondissement Den Haag. Artikel 2 De raad doet een aanbeveling tot kosteloze rechtsbijstand en vrijstelling van kosten, indien de verzoeker bij behandeling van de zaak hier te lande in de termen zou vallen voor toelating om kosteloos te procederen. Artikel 3 1. De raad houdt een nauwkeurige administratie van de door hem aan de aangewezen instanties van de andere Staten, die partij zijn bij het Verdrag, toegezonden verzoeken. 2. De raad bericht de te zijner kennis gebrachte resultaten van het optreden van die aangewezen instanties zo spoedig mogelijk aan de schuldeisers hier te lande. 3. De raad keert de hem ten behoeve van schuldeisers overgemaakte gelden zo spoedig mogelijk"},{"i":149,"b":"Besluit van 16 juni 2021 houdende regels voor experimenten met het verstrekken van subsidies voor generieke werkgeversvoorzieningen (Besluit experimentele subsidie generieke werkgeversvoorzieningen) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 april 2021, nr. 2021-0000050093; Gelet op [artikel 82a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=82a) en [artikel 36, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=36); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies 26 mei 2021, nr. No.W12.21.0114/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 juni 2021, nr. 2021-0000093386; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **generieke werkgeversvoorziening:** werkplekaanpassing die een werkgever in staat stelt werkprocessen toegankelijk te maken voor gelijktijdig of opeenvolgend gebruik door meerdere personen met een structurele functionele beperking; - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. **wet:** [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060). Artikel 2. Doel van de subsidie 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt, in zoverre in afwijking van [artikel 36 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=36) en [artikel 2, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=2), en [artikel 9 van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=9), op aanvraag van de werkgever een eenmalige subsidie voor het realiseren van een generieke werkgeversvoorziening, ongeacht of de voorziening na"},{"i":150,"b":"Besluit van 24 oktober 2019, houdende enkele bepalingen met betrekking tot ambtenaren werkzaam bij vertegenwoordigingen van het Koninkrijk Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 3 oktober 2019, nr. Min-BuZa.2019.4374-26; Gelet op het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 (Trb. 1962, 101) en het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 24 april 1963 (Trb. 1965, 40); Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren in werking treedt. Artikel 1 1. Alvorens voor de eerste maal een functie als hoofd van een vaste diplomatieke zending dan wel van een permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk bij een internationale organisatie te aanvaarden, hernieuwt de betrokkene de eed of belofte, afgelegd ingevolge [artikel 7 van de Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=7), in handen van de Koning, overeenkomstig het als bijlage bij dit besluit gevoegde formulier. 2. In geval van verhindering van de Koning wordt de hernieuwde eed of belofte afgelegd in handen van Onze Minister van Buitenlandse Zaken. Bestaat ook daartoe geen gelegenheid, dan legt betrokkene de eed of belofte schriftelijk af. Artikel 2 Hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland worden bij koninklijk besluit benoemd en, waar nodig, voorzien van geloofs- en terugroepingsbrieven, benoemingsbrevetten of inleidingsbrieven. Artikel 3 1. Aan degenen die bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland werkzaam zijn, kan in overeenstemming met de door hen beklede functie en voor de duur daarvan een van de volgende titels worden toegekend, in voorkomend geval voorafgegaan door een aanduiding van hun specialisatie: - a. Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur, - b. Gevolmachtigd Minister, - c. Zaakgelastigde, - d. Ambassaderaad, - e. Eerste Ambassadesecretaris, - f. Tweede Ambassadesecretaris, - g. Consul-Generaal"},{"i":4976,"b":"Memorie van Overeenstemming over het Bestuur door de Europese Unie over Mostar DE LID-STATEN VAN DE EUROPESE UNIE, optredend in het kader van de Unie, in volledige samenwerking met de EUROPESE COMMISSIE en DE LID-STATEN VAN DE WESTEUROPESE UNIE, hierna de „Zendende Partij\" te noemen, enerzijds, en DE REPUBLIEK BOSNIË-HERZEGOVINA, alsmede DE FEDERATIE BOSNIË EN HERZEGOVINA, HET PLAATSELIJK BESTUUR VAN OOST-MOSTAR, HET PLAATSELIJK BESTUUR VAN WEST-MOSTAR EN DE KROATEN VAN BOSNIË-HERZEGOVINA, hierna de „Ontvangende Partij\" te noemen, anderzijds, naar behoren vertegenwoordigd, tezamen hierna de „Overeenkomstsluitende Partijen\" te noemen, Gelet op het door de Partijen bij de op 18 maart 1994 in Washington ondertekende Overeenkomsten aan de Europese Unie gerichte verzoek om zo spoedig mogelijk het Bestuur van de gemeente Mostar te organiseren, de relevante bepalingen van de grondwet van de Federatie van Bosnië-Herzegovina, de oprechte wens van de Europese Unie bij te dragen tot het herstel van de vrede in het gebied en de terugkeer van normale levensomstandigheden voor de inwoners, Herinnerend aan het besluit van de Raad van Ministers van de Europese Unie (EU) van 18 april 1994, waarin onder meer de benoeming van een vertegenwoordiger van de Europese Unie werd bevestigd, Hebben over het volgende overeenstemming bereikt: Artikel 1. Instelling van het bestuur door de EU Het bestuur van de gemeente Mostar wordt overgenomen door de Europese Unie overeenkomstig deze Memorie van Overeenstemming. Artikel 2. Doelstellingen en beginselen van het EU-Bestuur De doelstellingen en beginselen van het EU-Bestuur zijn: - -. de partijen tijd te geven voor het vinden van een duurzame oplossing voor het bestuur van de gemeente Mostar. Het EU-Bestuur loopt niet vooruit op blijvende regelingen betreffende de status van Mostar, - -. bij te dragen tot een algemeen klimaat dat bevorderlijk is voor de uitwerking en stabilisering van permanente regelingen door de partijen die leiden tot een ongede"},{"i":4956,"b":"Besluit van de Bestuurskamer van 15 januari 2007, houdende mandatering aan de secretaris van de Bestuurskamer van de bevoegdheden van de Bestuurskamer in het kader van de heffing op grond van artikel 46a van de Wet op de ondernemingsraden (Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2007) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Verordening heffing scholing en vorming van ondernemingsraadsleden 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021050&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2007 in werking treedt. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. secretaris: secretaris van de Bestuurskamer; - b. verordening: [Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021050). § 2. Mandaatverlening Artikel 2 1. De secretaris kan namens de Bestuurskamer besluiten nemen op grond van [artikel 2, eerste lid, van de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021050&artikel=2). 2. De secretaris kan ondermandaat verlenen. § 3. Slotbepalingen Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de verordening in werking treedt. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2007."},{"i":6429,"b":"Besluit van 8 juli 2015 tot wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte (aanpassing woningwaarderingsstelsel in verband met de introductie van de waarde op grond van de Wet waardering onroerende zaken) Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 16 januari 2015, nr. 2015-0000020857, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10) en [artikel 37h van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=37h); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 maart 2015, nr. W04.15.0005/l); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 3 juli 2015, nr. 2015-0000188706, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit huurprijzen woonruimte. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken. Artikel III Onverminderd het bepaalde in [artikel 12, tweede lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=12) worden bij ministeriële regeling de op 30 september 2015 krachtens dat artikel geldende maximale huurprijsgrenzen voor zelfstandige woonruimten op 1 oktober 2015 geïndexeerd met –3,8%, met dien verstande dat de op basis daarvan berekende bedragen naar boven worden afgerond op hele eurocenten. Artikel IV Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst zendt 2 jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2015. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":153,"b":"Besluit van 30 juli 1945, houdende regelen omtrent de verbindende kracht en de rechtsgevolgen van benoeming, aanstelling, bevordering en ontslag van militaire ambtenaren in dienst bij de zeemacht gedurende de vijandelijke bezetting van Nederlandsch grondgebied door of vanwege den vijand verleend Op de voordracht van Onzen Minister van Marine, dd. 9 Juli 1945, No. P.D. 27/1/1; Overwegende, dat het in verband met de rechtszekerheid noodzakelijk is regelen te stellen omtrent de verbindende kracht en de rechtsgevolgen van benoeming, aanstelling, bevordering en ontslag van militaire ambtenaren in dienst bij de zeemacht gedurende de vijandelijke bezetting van Nederlandsch grondgebied door of vanwege den vijand verleend. Artikel 1 Waar in dit besluit gesproken wordt van militaire ambtenaren in den zin van [artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1), is dit begrip beperkt tot militaire ambtenaren, die zijn aangesteld in militairen openbaren dienst bij de zeemacht. Artikel 2 Benoeming, aanstelling en bevordering door of vanwege den vijand verleend gedurende de vijandelijke bezetting van Nederlandsch grondgebied aan militaire ambtenaren in den zin van [artikel 1 der Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1) worden geacht nimmer van kracht te zijn geweest. Artikel 3 Ontslag uit den militairen dienst door of vanwege den vijand verleend gedurende de vijandelijke bezetting van Nederlandsch grondgebied aan militaire ambtenaren anders dan terzake van ongeschiktheid voor de waarneming van den dienst uit hoofde van verwonding, verminking, ziekten of gebreken wordt geacht nimmer van kracht te zijn geweest. Artikel 4 De militaire ambtenaar, die gedurende de vijandelijke bezetting van Nederlandsch grondgebied anders dan terzake van ongeschiktheid voor de waarneming van den dienst uit hoofde van verwonding, verminking, ziekten of gebreken, door of vanwege den vijand is ontslagen,"},{"i":425,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 februari 2019, kenmerk 1361456-177749-WJZ, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2018 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2018: **100** 2737 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":424,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 februari 2018, kenmerk 1293074-173111-WJZ, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2017 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2017: **100** 2.683 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":273,"b":"Wet van 22 december 2011, houdende intrekking van de Wet werk en inkomen kunstenaars Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet werk en inkomen kunstenaars](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017837) in te trekken, aangezien kunstenaars als beroepsgroep een uitzonderingspositie genieten in de sociale zekerheid ten opzichte van andere beroepsgroepen in een lastige arbeidsmarktpositie; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I De [Wet werk en inkomen kunstenaars](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017837) wordt ingetrokken. Artikel II Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel III Wijzigt de Wet investeren in jongeren. Artikel IV Wijzigt de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Artikel V Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel VI Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel VII Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel VIII Wijzigt de Wijzigingswet Zorgverzekeringswet enz. (vervanging no-claimteruggave door verplicht eigen risico). Artikel IX Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel X Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel XI Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel XII Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel XIII Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel XIV Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel XV Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel XVI Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen. Artikel XVII Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel XVIII Wijzigt de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Artikel XIX Wijzigt de Wet werk en inkomen naar"},{"i":169,"b":"Besluit van 30 juli 1993, houdende overdracht van de departementale taak met betrekking tot de Spoorwegpensioenwet van de Minsters van Binnenlandse Zaken en van Financiën naar de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Financiën Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 16 juli 1993, nr. 93M005661. Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig De zorg voor de Spoorwegpensioenwet (**Stb.** 1986, 541), thans behorende tot de taak van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën gaat met ingang van 1 juni 1993 over naar de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Financiën. Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, Financiën en van Verkeer en Waterstaat zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Ministers, aan de Raad van State, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Kamers der Staten-Generaal."},{"i":378,"b":"Regeling met België inzake ontslaguitkeringen De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten: Artikel 1. Inleiding De bevoegde autoriteiten van Nederland en België hebben op basis van artikel 28, paragraaf 3, van het Nederlands-Belgische belastingverdrag van 5 juni 2001 in onderling overleg een regeling vastgesteld waarmee dubbele belasting respectievelijk dubbele vrijstelling wordt voorkomen van periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfde of te derven beloningen die inwoners van België uit Nederland verkrijgen in verband met de beëindiging van een (gedeeltelijk) in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking. De regeling (inclusief toelichting) is als bijlage bijgevoegd. Volgens artikel 5 van de regeling in samenhang met punt 3 van protocol I bij het belastingverdrag is de regeling van toepassing met ingang van de datum van publicatie van de regeling in de Staatscourant. In dit verband is van belang dat de regeling op 13 oktober 2005 reeds in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. Nederlands-Belgisch Belastingverdrag 2001. Regeling tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en Belgie inzake grensoverschrijdende ontslaguitkeringen **Regeling van 1 september 2005, nr. CPP 2005/2036** De bevoegde autoriteiten van Nederland en België zijn, na overleg op basis van artikel 28, paragraaf 3, van het op 5 juni 2001 te Luxemburg totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 2001, 136) (BS, 20 december 2002) (hierna: het belastingverdrag), en gelet op de wens om dubbele belasting respectievelijk dubbele vrijstelling te voorkomen van periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfde of te derven beloningen die"},{"i":326,"b":"Protocol inzake de ouderdomsuitkeringen voor de niet-loonarbeiders De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek, Overwegende, dat de in de beide landen van kracht zijnde wettelijke regelingen inzake de sociale zekerheid zich op het gebied van de ouderdomsverzekering uitstrekken tot de niet-loonarbeiders en dat de aanvullende uitkering welke in Frankrijk is geregeld bij de wet van 30 juni 1956, een eigen wijze van toepassing met zich brengt; Besloten hebbende het op 7 januari 1950 te 's-Gravenhage ondertekende Algemene Verdrag tussen Frankrijk en Nederland inzake de sociale zekerheid aan te vullen; Zijn over de volgende bepalingen tot overeenstemming gekomen: En foi de quoi, les représentants soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Protocole. Fait à Paris, le 11 janvier 1958 en deux exemplaires en langue française. **Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas** (s.) J. A. DE VOS VAN STEENWIJK **Pour le Gouvernement de la République Française** (s.) PHILIPPE MONOD"},{"i":171,"b":"Besluit van 11 december 2014, houdende nadere regels omtrent het begrip passende arbeid zoals genoemd in de artikelen 24, derde lid, van de Werkloosheidswet en 30, vijfde lid, van de Ziektewet (Besluit passende arbeid WW en ZW) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 juli 2014, nr. 2014-000087757; Gelet op de [artikelen 24, derde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24) en [30, vijfde lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=30); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 juli 2014, nr. W12.14.0190/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2014, nr. 2014-0000183885, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **inkomen:** hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van [artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=16) voor de werknemer, bedoeld in [artikel 1, onderdeel o, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=1), met dien verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend: - 1°. uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in [artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=6), al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat; en - 2°. hetgeen wordt genoten op grond van [artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=629), alsmede hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar aard en strekking met artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboe"},{"i":172,"b":"Besluit van 30 augustus 2010, houdende de vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet BES (Besluit Pensioenwet BES) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 juni 2010, nr. AV/PB/2010/13055, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikelen 5a, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=5a), [5b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=5b), [13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=13), [13b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=13b), [13c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=13c), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=14), [14a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=14a), [16a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=16a), [16b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=16b), [16d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=16d), [16e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=16e), [16f, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=16f), [22a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=22a), [24, vierde lid, van de Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=24); De Raad van State gehoord (advies van 15 juli 2010, nr. W.12.10.0262/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 augustus 2010, nr. AV/PB/2010/16654, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. § 1. Definities Arti"},{"i":173,"b":"Besluit registratie UWV 2009 Gelet op [artikel 26, tweede lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=26); Besluit: Artikel 1 De werknemer, die recht heeft op uitkering op grond van [hoofdstuk II van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II), is verplicht zich als werkzoekende bij UWV te doen registreren uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de eerste dag van werkloosheid, als bedoeld in [artikel 16a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16a). Artikel 2 1. De werknemer, die recht heeft op uitkering op grond van [hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=IV), is verplicht zich als werkzoekende bij UWV te doen registreren uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de dag na het ingaan van de termijn van opzegging, bedoeld in [artikel 64, eerste lid, onderdeel b van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=64). 2. In afwijking van het eerste lid is de werknemer, wiens termijn van opzegging is aangevangen voordat recht ontstaat op uitkering op grond van [hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=IV), verplicht zich als werkzoekende bij UWV te doen registreren uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de dag waarop dat recht op uitkering ontstaat. Artikel 3 De werknemer, die als werkzoekende bij UWV is geregistreerd, is verplicht de registratie op door of vanwege UWV bepaalde dagen te doen verlengen. Artikel 4 Het [Besluit registratie CWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013939) wordt ingetrokken. Artikel 5 Indien het bij Koninklijke boodschap van 24 juni 2008 ingediende voorstel van wet houdende Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering (31514)"},{"i":175,"b":"Besluit Staatssecretaris van Defensie Mandaat UWV Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. De Staatssecretaris: de Staatssecretaris van Defensie - b. UWV: Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen - c. Uitkeringsregelingen: - –. De [Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955), alsmede het daarop steunende [Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223). Voor zover na die datum nog noodzakelijk, de voor 1 juni 2001 geldende militaire pensioenwetten en -regelingen; - –. Het [Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010510); - –. De [Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008977). Artikel 2. Mandaat De Staatssecretaris verleent aan UWV het volgende mandaat: - 1. UWV is bevoegd om namens de Staatssecretaris besluiten te nemen ter uitvoering en op grond van de uitkeringsregelingen. - 2. UWV legt een voorgenomen besluit, voor zover dit voortkomt uit de uitvoering van de uitkeringsregelingen, voor aan de Staatssecretaris indien UWV gerede twijfels heeft over het in een individueel geval toepassen van een uitkeringsregeling en het naar het oordeel van UWV een geval betreft dat grote beleidsmatige of financiële gevolgen kan hebben voor het Ministerie van Defensie, dan wel kan leiden tot precedentwerking. - 3. De Staatssecretaris verleent mandaat aan het hoofd van de afdeling van UWV die expliciet is belast met de afdoening van bezwaar en beroep ten aanzien van de uitkeringsregelingen, om te beslissen op bezwaarschriften aangaande ingevolge het eerste lid van dit artikel genomen besluiten, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is gewe"},{"i":178,"b":"Besluit van 26 juni 2013, houdende tijdelijke wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in verband met een uitzondering op het verbod om een vreemdeling te laten werken zonder tewerkstellingsvergunning bij het produceren van goederen waarbij de afnemer intensief betrokken is Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 april 2013, nr. 2013-0000044282; Gelet op [artikel 3, eerste lid, onder c, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 juni 2013, no. W12.13.0108/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 juni 2013, nr. 2013-0000076748, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen. Artikel II [Artikel 1k van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1k), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip waarop dat artikel vervalt, blijft van toepassing op verzoeken die overeenkomstig genoemd artikel door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn gehonoreerd. Artikel III 1. De [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033619&artikel=I&z=2013-07-01&g=2013-07-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033619&artikel=II&z=2013-07-01&g=2013-07-01) van dit besluit treden in werking met ingang van 1 juli 2013. 2. [Artikel 1k van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1k) vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":179,"b":"Besluit van 23 augustus 1989, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 3, derde en vierde lid, van de Ziektewet en artikel 3, derde en vierde lid, van de Werkloosheidswet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 mei 1989, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Sociale Verzekeringen, Hoofdafdeling Werknemersverzekeringen, Afdeling Werkloosheidsregelingen, nr. SZ/SVW/89/2566; Gelet op [artikel 3, derde en vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=3) (**Stb.** 1987, 89), [artikel 3, derde en vierde lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=3) (**Stb.** 1987, 88) en [artikel 3, derde en vierde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=3) (**Stb.** 1987, 93); De Raad van State gehoord (advies van 5 juli 1989, nr. W12.89.0249); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 augustus 1989, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/SV/SVW/89/3774; Hebben goedgevonden en verstaan: Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **werknemersverzekeringen:** de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) en de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); - b. **in Nederland arbeid verrichten, dan wel werkzaam zijn:** in Nederland of op het continentaal plat arbeid verrichten; - c. **buiten Nederland arbeid verrichten, dan wel werkzaam zijn:** buiten Nederland en het continentaal plat arbeid verrichten; - d. **Nederlandse socialeverzekeringsuitkeri"},{"i":181,"b":"Besluit van 26 augustus 2010 tot uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen BES (Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 juni 2010, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/SDA/2010/11893, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikelen 3, aanhef en onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=3), [5, derde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=5), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=6), [8, eerste lid, aanhef en onderdelen c en f, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=8), en [9, aanhef en onderdeel e, van de Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=9); De Raad van State gehoord (advies van 14 juli 2010, nr. W12.10.0261/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 augustus 2010, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/SDA/2010/15109, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **openbaar lichaam/openbare lichamen:** openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - –. **wet:** [Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437). § 2. Aanvraag tewerkstellingsvergunning Artikel 2 1. Een aanvraag om een tewerkstellingsvergunning wordt ingediend bij Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2. De aanvrager ontvangt binnen twee weken een schriftelijk bewijs dat hij de aanvraag heeft ingediend, onder vermelding van de datum"},{"i":182,"b":"Besluit uitvoeringsregels ontslag om bedrijfseconomische redenen 2015 Gelet op [artikel 32d, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32d), de [artikelen 671a lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a) en [669, leden 1, 3, onderdeel a, en 5 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=669), de [Ontslagregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036599) en de [artikelen 4:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de uitvoering van de ontslagtaak, bedoeld in [artikel 7:671a van het Burgerlijk wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a), uitvoeringsregels zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De bijlage, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037223&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), ligt ter inzage bij de locaties van de afdeling Arbeids-juridische dienstverlening van UWV WERKbedrijf en is te raadplegen op de website www.uwv.nl. Artikel 3 Het Besluit beleidsregels ontslagtaak UWV 2012 is van toepassing op ontslagaanvragen die door UWV voor 1 juli 2015 zijn ontvangen. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoeringsregels ontslag om bedrijfseconomische redenen 2015. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Ligt ter inzage bij de locaties van de afdeling Arbeidsjuridische dienstverlening van UWV Werkbedrijf en is gepubliceerd op www.uwv.nl. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":183,"b":"Besluit uitvoeringsregels ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid 2015 Gelet op [artikel 32d, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32d), de [artikelen 671a lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a) en [669, leden 1, 3, onderdeel b, en 5 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=669), de [Ontslagregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036599) en de [artikelen 4:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de uitvoering van de ontslagtaak, bedoeld in [artikel 7:671a van het Burgerlijk wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a), uitvoeringsregels zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De bijlage, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037222&artikel=1&z=2023-04-01&g=2023-04-01), ligt ter inzage bij de locaties van de afdeling Arbeidsjuridische dienstverlening van UWV WERKbedrijf en is te raadplegen op de website www.uwv.nl. Artikel 3 Het [Besluit beleidsregels ontslagtaak UWV 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031900) is van toepassing op ontslagaanvragen die door UWV vóór 1 juli 2015 zijn ontvangen. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoeringsregels ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid 2015. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Ligt ter inzage bij de locaties van de afdeling Arbeidsjuridische dienstverlening van UWV Werkbedrijf en is gepubliceerd op [www.uwv.nl](onbekend). Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":184,"b":"Besluit uitvoeringsregels ontslagprocedure Gelet op [artikel 32d, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32d), de [artikelen 671a lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a) en [669, leden 1, 3, onderdeel a, en 5 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=669), de [Ontslagregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036599) en de [artikelen 4:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de uitvoering van de ontslagtaak, bedoeld in [artikel 7:671a van het Burgerlijk wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a), de Uitvoeringsregels ontslagprocedure zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De bijlage, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044012&artikel=1&z=2023-04-01&g=2023-04-01), ligt ter inzage bij de locaties van de afdeling Arbeidsjuridische dienstverlening van UWV WERKbedrijf en is te raadplegen op de website www.uwv.nl. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoeringsregels ontslagprocedure. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2020. Bijlage Ligt ter inzage bij de locaties van de afdeling Arbeidsjuridische dienstverlening van UWV Werkbedrijf en is gepubliceerd op www.uwv.nl. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":12655,"b":"Besluit tot vaststelling van de Regulatorische accountingregels (RAR) warmteleveranciers 2024 1. Begrippen 2. Inleiding 2.1. Achtergrond 2.2. Juridisch kader 2.3. Doelstellingen 2.4. Reikwijdte RAR 2.5. Aanpassing 2.6. Kwaliteit rendementsdata 3. Algemene grondslagen 3.1. Grondslagen financiële verslaggeving 3.2. In aanmerking te nemen beginselen 3.3. Interne verrekenprijzen 3.4. Rubricering en toelichting 4. Activa, kosten en opbrengsten 4.1. Activa 4.1.1. Algemeen 4.1.2. Materiële vaste activa 4.1.3. Immateriële vaste activa 4.2. Kosten 4.3. Opbrengsten 5. Kostentoerekening 5.1. Inleiding en algemene uitgangspunten 5.2. Kostentoerekening naar activiteiten 5.2.1. Productie en inkoop van thermische energie 5.2.2. Transport en distributie van thermische energie 5.2.3. Verkoop en klantcontact 5.2.4. Ontwikkeling nieuwe warmtenetten 5.2.5. Overig: Werk voor derden en diversen 5.2.6. Toerekening indirecte posten aan activiteiten 5.3. Toerekening indirecte kosten aan gereguleerd/ongereguleerd per activiteit 5.3.1. Productie en inkoop van thermische energie 5.3.2. Transport en distributie van thermische energie 5.3.2.1. Berekening benodigde netcapaciteit 5.3.2.2. Toerekening van de BAK 5.3.3. Verkoop en klantcontact 5.3.4. Ontwikkeling nieuwe netten 5.4. Toerekening indirecte kosten aan warmtenetten per activiteit 6. Slotbepalingen 6.1. Intrekking 6.2. Inwerkingtreding Bijlage 1. Schematische weergave kostentoerekening Bijlage 2. Overzicht verdeelsleutel indirect per categorie Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende opbrengsten, kosten, activa en passiva van een warmteleverancier en hoe deze, nadat de toerekening per activiteit heeft plaatsgevonden (hoofdstuk 5.2), moeten worden verdeeld tussen gereguleerde en ongereguleerde afnemers. De categorieën die hier worden genoemd zijn niet per se gelijk aan de items die deel zullen uitmaken van de rendementsmonitor uitvraag, maar dienen alleen als overzicht van de verschillende verdeelsleutels. | Categorie |"},{"i":288,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 mei 2020, kenmerk 1681574-204749-OBP, tot machtiging van de manager van Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht (Expertisecentrum Organisatie en Personeel en/of diens rechtsopvolger) van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR), inzake juridische procedures betreffende personeelsaangelegenheden (Machtigingsbesluit UBR|Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gezien de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768), Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **manager:** de manager van Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht (Expertisecentrum Organisatie en Personeel en/of diens rechtsopvolger) van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR), ressorterend onder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. Aan de manager wordt inzake personeelsaangelegenheden van onder de minister ressorterende medewerkers machtiging verleend voor - a. het aanhangig maken en behandelen van juridische procedures, waaronder het (doen) uitbrengen en ondertekenen van dagvaardingen, verzoekschriften, verweerschriften, conclusies, aktes als ook bezwaarschriften en (hoger) beroepschriften; - b. het vertegenwoordigen van de minister ter terechtzitting. 2. De manager heeft voor alle bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid het recht van substitutie en kan daarvoor de onder hem ressorterende medewerkers inschakelen. Artikel 3 De uit dit besluit voor de manager voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid of verhindering over op zijn plaatsvervanger. Artikel 4 Het krachtens machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: Namens de Staat der Nederlanden, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voor dezen, (naam gemachtigde) Artikel 6 Dit besluit treedt in werking me"},{"i":389,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 23 juni 2023, ter uitvoering van artikel 1h, negende lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, houdende regels met betrekking tot rekenmethoden ter onderbouwing van de inrichting van de solidariteitsreserve en de risicodelingsreserve (Regeling rekenmethoden onderbouwing solidariteitsreserve en risicodelingsreserve pensioenuitvoerders) Gelet op [artikel 1h, negende lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020892&artikel=1h); Na overleg met de representatieve organisaties van (beroeps)pensioenfondsen en (pensioen)verzekeraars en consultatie; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit toekomst pensioenen in werking treedt. Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Beroepspensioenfonds:** een beroepspensioenfonds als bedoeld in [artikel 1 Wvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=1); - b. **Deelnemersgroep:** een groep van deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden die is afgebakend met objectieve, voor de (waarde van de) pensioenrechten of -aanspraken relevante criteria; - c. **De doelstellingen van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve:** de doelstellingen van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve, zoals bedoeld in [artikel 10d, vierde lid, Pw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=10d) en [artikel 10e, vijfde lid, Pw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=10e) en [artikel 28d, vierde lid, Wvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=28d) en [artikel 28e, vijfde lid, Wvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=28e), die de pensioenuitvoerder vaststelt; - d. **De inrichting van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve:** de door de pensioenuitvoerder vastgestelde regels voor: - –. het v"},{"i":185,"b":"Besluit UWV Onderzoekssubsidie 2023 ’Ondersteuningsbehoefte van gere-integreerde werkenden met een arbeidsbeperking om (hernieuwde) uitval te voorkomen’ Gelet op de [Beleidsregels UWV Onderzoekssubsidies 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047125); Besluit: Artikel 1 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) stelt als subsidiethema vast: ‘Ondersteuningsbehoefte van gere-integreerde werkenden met een arbeidsbeperking om (hernieuwde) uitval te voorkomen’, zoals nader uitgewerkt in de bijlage bij dit besluit. 2. Maximaal 1 subsidieaanvraag worden gehonoreerd. 3. Het budget voor het in het eerste lid genoemde thema bedraagt in totaal maximaal € 100.000. 4. Verleende subsidie zal ten laste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Arbeidsondersteuningsfonds Jonggehandicapten. Artikel 2 Beknopte subsidieaanvragen kunnen van 17-07-2023 tot uiterlijk 01-09-2023, 12:00 worden ingediend. Aangevulde aanvragen kunnen van 12-10-2023 tot uiterlijk 06-11-2023, 12:00 worden ingediend. Artikel 3 De eisen die UWV stelt aan de subsidieaanvragen en de wijze waarop UWV de subsidieaanvragen beoordeelt zijn beschreven in de ‘[Beleidsregels UWV Onderzoekssubsidies 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047125)’ (Stct 2022 – nr. 23 757, 09-09-2022) en in de startnotitie die beschikbaar wordt gesteld via UWV Markplaats. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit UWV Onderzoekssubsidie 2023 ’Ondersteuningsbehoefte van gere-integreerde werkenden met een arbeidsbeperking om (hernieuwde) uitval te voorkomen’. Bijlage Subsidiethema: ‘Ondersteuningsbehoefte van gere-integreerde werkenden met een arbeidsbeperking om (hernieuwde) uitval te voorkomen’. Mensen met een arbeidsbeperking krijgen bij het zoeken naar een baan ondersteuning. Vaak worden arbeidskansen gerealiseerd via de regionale Werkgeverservicepunten. Het gemeen"},{"i":158,"b":"Besluit van 13 september 1991, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 42, tiende lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 mei 1991, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/SVW/2171; Gelet op [artikel 42, tiende lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42) (Stb. 1987, 93); De Raad van State gehoord (advies van 27 augustus 1991, nr. W.12.91.0263); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 september 1991, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid nr. SZ/HSV/WR/SVW/91/4283; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Voor de toepassing van [artikel 42, tweede lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42) en [artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=15) worden dagen, waarover de werknemer: - a. van zijn werkgever geen loon doch vakantiegeld heeft ontvangen; of - b. tijdens dienstbetrekking vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken bestemd voor die dagen heeft verkregen, gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de in onderdeel b van dat lid bedoelde vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken bestemd zijn voor dagen, waarover recht op uitkering op grond van [hoofdstuk II van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II) dan wel [hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&hoofdstuk=7) bestaat of over dagen, waarin dat recht wegens vakantie of het in aanmerking nemen van deze aanspraken wordt onderbroken. Artikel 2 Voor de toepassing van [artikel 42, tweede lid, onderdeel a, van de Werklooshei"},{"i":187,"b":"Besluit UWV Verplicht gebruik formulier transitievergoeding en formulier collectief ontslag Gelet op [artikel 32, lid 1 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32), [artikel 673d, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673d), [artikel 8 van de Regeling UWV Ontslagproce-dure](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036593&artikel=8), [artikel 1, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003026&artikel=1), en [artikel 3, eerste lid van de Wet melding collectief ontslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003026&artikel=3) en de [artikelen 4:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4) en [4:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **verzoek om een verklaring overbruggingsregeling transitievergoeding:** een verzoek als bedoeld in [artikel 8 van de Regeling UWV Ontslagprocedure](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036593&artikel=8); - b. **melding collectief ontslag:** een melding als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet melding collectief ontslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003026&artikel=3); - c. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). Artikel 2. Wijze van indiening 1. UWV heeft voor de werkgever formulieren vastgesteld voor het indienen van een verzoek om een verklaring overbruggingsregeling transitievergoeding alsmede voor het doen van een melding collectief ontslag. Deze formulieren stelt UWV via haar website uwv.nl en/of werk.nl beschikbaar. 2. Een verzoek om een verklaring overbruggingsregeling transitievergoeding en een melding collectief ontslag worden ingedi"},{"i":304,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015, 2015-0000102290, tot vaststelling van regels met betrekking tot ontslag en de transitievergoeding (Ontslagregeling) Gelet op de [artikelen 669, vijfde lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=669), [671a, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a), [673a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673a), [673c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673c), [673d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673d), en [682a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=682a) en [artikel 1, eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, van de Wet melding collectief ontslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003026&artikel=1); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bedrijfseconomische omstandigheden:** bedrijfseconomische omstandigheden als bedoeld in [artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=669); - b. **werknemer:** de werknemer, bedoeld in [artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610); - c. **werkgever:** de werkgever, bedoeld in [artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610); - d. **bedrijfsvestiging:** een onderdeel van de onderneming van de werkgever dat in de maatschappij als zelfstandige eenheid te herkennen is en een interne zelfstandige bedrijfsvoering heeft; - e. **groep:** de groep, bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b); - f. **payrollwerkgever:** de werkgever, die op basis van een over"},{"i":189,"b":"Besluit van 24 september 1997, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter en leden van de commissie bedoeld in artikel 2 van het Besluit adviescommissie arbeidsvoorwaardenoverleg gesubsidieerde sectoren Cultuur Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 17 september 1997 nr. K/AZ/1997/21123 Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 1998. Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de adviescommissie inzake geschillen die zich voordoen in het overleg over de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling in de sectoren op het gebied van de Cultuur, bedoeld in artikel 2 van het Besluit adviescommissie arbeidsvoorwaardenoverleg gesubsidieerde sectoren cultuur wordt in plaats van een vacatiegeld een vaste beloning ten bedrage van € 6 807 per jaar toegekend. 2. Indien de voorzitter gedurende enig jaar niet gedurende het hele jaar de functie van voorzitter bekleedt, wordt de beloning, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid vastgesteld. Artikel 2 Aan de leden van de adviescommissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008929&artikel=2&z=2002-01-01&g=2002-01-01), wordt in plaats van een vacatiegeld een vaste beloning ten bedrage van € 2 269 per jaar toegekend. [Artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008929&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01), is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 1997. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaste beloning adviescommissie arbeidsvoorwaardenoverleg gesubsidieerde sectoren cultuur. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in"},{"i":163,"b":"Besluit van 29 december 1986, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 december 1986, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Sociale Verzekeringen, Hoofdafdeling Werknemersverzekeringen, Afdeling Werkloosheidsregelingen, nr. SZ/SV/SVW/86/10095; Gelet op [artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16) (Stb. 1986, 566); De Raad van State gehoord (advies van 18 december 1986, nr. W12.86.0635); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december 1986, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Sociale Verzekeringen, Hoofdafdeling Werknemersverzekeringen, Afdeling Werkloosheidsregelingen, nr. SVW/86/10942; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Als opeenvolgend verlies van arbeidsuren als bedoeld in [16, derde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16) wordt beschouwd: - a. een eerste verlies van minder dan vijf of minder dan de helft van het aantal arbeidsuren per kalenderweek, waarna in een andere kalenderweek een of meer volgende verliezen van arbeidsuren zich voordoen in een periode van een jaar na de dag waarop zich het eerste verlies van minder dan vijf of minder dan de helft van het aantal arbeidsuren voordoet; - b. een eerste verlies van ten minste vijf of ten minste de helft van het aantal arbeidsuren per kalenderweek, waarna in een andere kalenderweek een of meer volgende verliezen van arbeidsuren zich voordoen van ten minste vijf of de helft van het aantal arbeidsuren in een periode van 26 kalenderweken na de eerste dag van werkloosheid. 2. Een eerste verlies als bedoeld in het eerste lid, onderdeel **a**, wordt alleen in aanmerking genomen, indien dit verlies uitsluitend wegens zijn omvang niet leidt tot een recht op u"},{"i":191,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 november 2016, MINBUZA-2016.732089, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) met het oog op subsidiëring van activiteiten op het gebied van mensenrechten die strekken tot het tegengaan van kinderarbeid gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid worden ingediend in twee openstellingen. 2. Aanvragen voor subsidie voor due diligence projecten worden ingediend vanaf 30 januari 2017 vanaf 09:00 tot en met 30 april 2017 tot 12:00. 3. Aanvragen voor subsidie voor multi stakeholder projecten worden ingediend vanaf 1 maart 2017 vanaf 09:00 tot en met 30 april 2017 tot 12:00. 4. Aanvragen voor subsidies in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1www.rvo.nl/fbk Artikel 3 1. Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid geldt voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 oktober 2021 een subsidieplafond van € 950.000 voor"},{"i":155,"b":"Besluit inlichtingenverplichtingen werknemersverzekeringen BES Artikel 1 1. De door Onze Minister verlangde inlichtingen, bedoeld in de [artikelen 12, tweede lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=12) en de [Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12) omvatten ten minste: - a. de naam en de voornamen van de werknemer, het identificatienummer dat hem op grond van [artikel 8.86, negende lid, van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.86) is toegekend dan wel van hem bekend is, het geslacht, het beroep of de functie; - b. de datum van indiensttreding van de werknemer; - c. de hoogte van het van toepassing zijnde uurloon, weekloon, dan wel maandloon per de datum waarop de werknemer als gevolg van ziekte of ongeval niet langer in staat is de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten, de laatste wijziging van het loon en de datum van ingang van de laatste wijziging in het loon van de werknemer; - d. het aantal werkdagen en werkuren per week van de werknemer; en - e. de naam van de werkgever, de naam van het bedrijf of de instelling, het door de inspecteur der belastingen verstrekte identificatienummer van de werkgever, het adres, het telefoonnummer van het bedrijf en het emailadres van de werkgever. 2. De in het eerste lid vermelde gegevens worden uiterlijk binnen twee weken na de melding van de ziekte of het ongeval aan Onze Minister verstrekt door middel van de formulieren, die hiervoor door Onze Minister ter beschikking worden gesteld en, voor zover het betreft het loon van de werknemer, voorzien van schriftelijke bewijsstukken. Artikel 2 Dit besluit berust op [artikel 12, vierde lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=12) en [artikel 12, vierde lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12). Artikel 3 Dit besluit word"},{"i":192,"b":"Besluit van 24 december 1997 tot vaststelling van de datum van de inwerkingtreding van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen alsmede het tijdstip van aanvang van fase 1 van die wet, bedoeld in diverse artikelen van die wet Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 16 december 1997, directie Arbeidszaken Overheid, nr. AB97/U1708; Gelet op [artikel 94, eerste en tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267&artikel=94); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De [Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267) treedt in werking met ingang van 1 januari 1998. Artikel 2 Het tijdstip van aanvang van fase 1 van de [Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267), bedoeld in de artikelen 1, onderdelen n en v, 12, 13, eerste en tweede lid, 14, eerste en tweede lid, 16, 17, eerste en tweede lid, 18, tweede lid, 19, 20, 22, 23, eerste lid, 24, eerste en derde lid, 26, eerste en tweede lid, 27, 28, 29, eerste lid, 36, derde, vierde en vijfde lid, 37, 40, eerste lid, 41, eerste lid, 42, eerste en tweede lid, 44, eerste, derde en vierde lid, 47, 50, 52, 55, 57, 58, 59, 60, 61, 62, eerste lid, 63, 66, 67, 68, 71, 72, 73, 74, 75, 77, 85, tweede lid, 87, eerste lid, 88, tweede lid, en 89, eerste lid, van die wet, is 1 januari 1998. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":399,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015, 2015-0000102296, tot vaststelling van regels met betrekking tot toestemming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot opzegging van de arbeidsovereenkomst (Regeling UWV ontslagprocedure) Gelet op [artikel 671a, achtste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. **werkgever, werknemer en arbeidsovereenkomst:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610); - c. **toestemming:** toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van [artikel 669, derde lid, onderdeel a of b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=669); - d. **verzoek:** verzoek als bedoeld in [artikel 671a, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a); - e. **ontslagadviescommissie:** vertegenwoordigers van organisaties van werkgevers en werknemers, die de Stichting van de Arbeid als representatieve organisaties heeft aangewezen. § 2. De procedure Artikel 2. Formulieren 1. Het UWV stelt een formulier beschikbaar voor de indiening van een verzoek om toestemming. 2. Het UWV stelt een formulier beschikbaar voor de indiening van een verweer. Artikel 3. Aanvullen verzoek Indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van het verzoek om toestemming heeft de werkgever de gelegenheid het verzoek binnen acht dagen na mededeling hiervan door het UWV, aan te vullen. Deze termijn"},{"i":194,"b":"Besluit van 3 juli 2006 tot vaststelling van een eenmalige uitkering 2004, een aflopende uitkering in het kader van de intrekking van de Regeling ziektekostenvoorziening defensiepersoneel en een vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage voor gewezen defensiepersoneel en tot wijziging van enige besluiten in het kader van enige arbeidsvoorwaardenmaatregelen voor de sector Defensie, alsmede tot vaststelling van enige technische wijzigingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 24 april 2006, nr. P/2006012115; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) alsmede [artikel 12, eerste lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 24 mei 2006, nr. W07.06.0126/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 27 juni 2006, nr. P/2006018501; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Toekenning van een eenmalige uitkering 2004 aan het defensiepersoneel Artikel 1 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: - a. militair: de militaire ambtenaar in de zin van [artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1) die is aangesteld bij het beroepspersoneel; - b. peildatum: 1 januari 2006; - c. betrokkene: - 1°. de militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal die op de peildatum in werkelijke dienst was; - 2°. de burgerlijke ambtenaar defensie die aanspraak heeft op een salaris volgens [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&bijlage=A) of [B van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&bijlage=B) en die op de peildatum in dienst van het Ministerie van Defensie was; - 3°. de gewezen militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal die ingevolge [artikel 18, zesde lid, van het Be"},{"i":195,"b":"Besluit van 11 december 2007 tot vaststelling van een eenmalige uitkering 2007 en 2008 en tot wijziging van enige besluiten in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode 1 maart 2007 tot en met 28 februari 2009 alsmede de invoering van een flexibel personeelssysteem voor de krijgsmacht Hoofdstuk 1. Toekenning van een eenmalige uitkering 2007 aan het defensiepersoneel Hoofdstuk 1. Toekenning van een eenmalige uitkering 2007 aan het defensiepersoneel Hoofdstuk 3. Toekenning van nominale uitkeringen in verband met ziektekosten Hoofdstuk 2. Toekenning van een eenmalige uitkering 2008 aan het defensiepersoneel Artikel 4 Wijzigt het Besluit personenchauffeurs defensie. Artikel 5 Wijzigt het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 6 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Hoofdstuk 4. Wijzigingen met ingang van 1 maart 2007 Hoofdstuk 6. Wijzigingen met ingang van 1 oktober 2007 Hoofdstuk 7. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2008 alsmede wijzigingen in verband met de invoering van het flexibel personeelssysteem Hoofdstuk 6. Wijzigingen met ingang van 1 oktober 2007 Hoofdstuk 5. Wijzigingen met ingang van 1 september 2007 Hoofdstuk 8. Wijzigingen met ingang van 1 juli 2008 Hoofdstuk 9. Wijzigingen in verband met de arbeidsvoorwaardenovereenkomst bij de sector rijk Artikel 22 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Hoofdstuk 6. Wijzigingen met ingang van 1 oktober 2007 Artikel 7 Wijzigt het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 8 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Hoofdstuk 7. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2008 alsmede wijzigingen in verband met de invoering van het flexibel personeelssysteem Hoofdstuk 8. Wijzigingen met ingang van 1 juli 2008 Artikel 9 Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie. Artikel 10 Wijzigt het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 11 Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 12 Wijzigt"},{"i":196,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 oktober 2017, 2017-0000163620, tot vaststelling van het formulier Wet verevening pensioenrechten bij scheiding Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Als formulier als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641&artikel=2), wordt vastgesteld het formulier dat is opgenomen als bijlage bij dit besluit. Artikel 2 1. Het [besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 maart 2002, nr. AV/PB/2002/16901, houdende de vaststelling van een formulier als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013530) (Stcrt. 2002, nr. 58) wordt ingetrokken. 2. Een formulier als bedoeld in het eerste lid dat is ondertekend voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, kan uiterlijk tot 1 april 2018 worden ingediend. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040076&artikel=1&z=2017-10-19&g=2017-10-19) van het Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 oktober 2017, 2017-0000163620, tot vaststelling van het formulier Wet verevening pensioenrechten bij scheiding Dit besluit zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":198,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Arbeidsomstandigheden periode 1999-2004 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 februari 2008 nr. bca-2007.043162); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Arbeidsomstandigheden over de periode 1999–2004](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":200,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Arbeidsvoorwaarden Rijkspersoneel vanaf 1945 (Minister van Buitenlandse Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30-8-2007 , aca-2007.03943/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Arbeidsvoorwaarden Rijkspersoneel over de periode 1945–’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument overheidspersoneel Deelbeleidsterrein Arbeidsvoorwaarden Rijkspersoneel 1945– Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdrager Minister van Buitenlandse Zaken **Project Wegwerken Archief Achterstanden (PWAA)** **Vastgestelde versie oktober 2007** Lijst van afkortingen AAW: Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ABP: Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds AGFA: Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren Amvb: algemene maatregel van bestuur AOB: Arbeidsovereenkomstenbesluit AOV: Arbeidsongeschiktheidsverzekering AOW: [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) ARAR: [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950) Art.: Artikel Awb: [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) AWW: Algemene Weduwen- en Wezenwet BBRA: [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) BiZa: Ministerie van Binnenlandse Zaken BSD: Basisselectiedocument BVD: Binnenlandse Veiligheidsdienst BZK: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Ko"},{"i":201,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Buitensectorale Arbeidsvoorwaarden 1945 tot heden (Minister van Economische Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25-9-2007, aca-2007.03991/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Buitensectorale Arbeidsvoorwaarden over de periode 1945 tot heden](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":202,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Formatiebeleid, arbeidsmarktbeleid en personeelsontwikkeling en mobiliteit vanaf 1945 (Minister van Buitenlandse Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30-8-2007, aca-2007.03943/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Formatiebeleid, arbeidsmarktbeleid en personeelsontwikkeling en mobiliteit over de periode 1945–’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument overheidspersoneel **Deelbeleidsterrein Formatiebeleid, arbeidsmarktbeleid en personeelsontwikkeling en mobiliteit 1945–** **Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdrager** Minister van Buitenlandse Zaken **Project Wegwerken Archief Achterstanden (PWAA)** **Vastgestelde Versie oktober 2007** Lijst van afkortingen A&O-fonds: Arbeidsmarkt- en opleidingsfonds ABD Algemene: Bestuursdienst AMO: Adviescentrum voor Managementontwikkeling ARAR: Algemeen Rijksambtenarenreglement BHR: Bezetting Hogere Functies Rijksdienst BIA: Beleidscommissie Internationale Ambtenaren BBRA :[Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) BSD: Basis Selectie Document CCGOA: Centrale Commissie voor Overleg in Ambtenarenzaken CIER: Contactorgaan Intern Emancipatiebeleid Rijksdienst CIVOB: Centraal Instituut Vorming en Opleiding Bestuursdienst COBA: Commissie voor Beleidsanalyse CWO: Commissie Werkclassificatie Overheidspersoneel DGMP: Directoraat-Generaal Mana"},{"i":204,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Oorlogsgetroffenen vanaf 1945 (Stichting Administratie Indonesische Pensioenen) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/6); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Oorlogsgetroffenen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":205,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Nederlandsche Bank en Stichting Pensioen en Verzekeringskamer 1923–2004 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 9 december 2009, nr. bca-2009.05512/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Nederlandsche Bank en de onder haar zorg vallende actor de Stichting Pensioen en Verzekeringskamer over de periode 1923–2004’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":357,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december 2017, 2017-0000190959, tot beperking van de openbaarheid van het archief van de Directie Arbeidsomstandigheden over de periode (1979) 1995 t/m 2004 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 15 augustus 2017, met kenmerk 1193843. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Directie Arbeidsomstandigheden en taakvoorgangers en -opvolgers van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de periode (1979) 1995 tot en met 2004. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 259 | 2073 | | 1037 | 2078 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040496&artikel=1&z=2018-01-04&g=2018-01-04), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040496&artikel=1&z=2018-01-04&g=2018-01-04), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd"},{"i":207,"b":"Besluit vaststelling selectielijst UWV vanaf 2014 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over de periode vanaf 2014 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijsten - •. [beleidsterrein Sociale Verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018890) (**Stcrt. 12 januari 2006, nr. 9**) - •. [handelingen Centrale organisatie Werk en Inkomen en rechtsvoorganger Arbeidsvoorzieningenorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019580) (**Stcrt. 20 maart 2006, nr. 56**). worden afgesloten per 1 januari 2014 voor de actor voor de actor UWV respectievelijk voormalig actor Centrum voor Werk en Inkomen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":208,"b":"Besluit van 29 november 2017 tot vaststelling van het tijdstip, bedoeld in artikel 220a, achtste lid, van de Pensioenwet en artikel 214, tiende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 november 2017, nr. 2017-0000187541, Gelet op [artikel 220a, achtste lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=220a) en [artikel 214, tiende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=214); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Het tijdstip, bedoeld in [artikel 220a, achtste lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=220a) en [artikel 214, tiende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=214) is 1 januari 2018. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":209,"b":"Besluit verhaal overheidswerkgever Gelet op [artikel 97b, elfde lid van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=97b); Besluit: Artikel 1 Een besluit inzake verhaal op de overheidswerkgever, bedoeld in [artikel 97b, eerste lid van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=97b) bevat in ieder geval de volgende gegevens: - a. de dagtekening van het besluit; - b. de naam en het sofinummer van de overheidswerknemer, bedoeld in [artikel 97b van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=97b); - c. een specificatie, voorzover mogelijk, van de bedragen die worden verhaald; - d. een specificatie, voorzover mogelijk, van de perioden waarop deze bedragen betrekking hebben; - e. de termijn waarbinnen de werkgever de bedragen die worden verhaald, moet betalen; - f. de wijze waarop de overheidswerkgever moet betalen; - g. de wijze waarop het besluit bij gebreke van tijdige betaling ten uitvoer zal worden gelegd; - h. de wijze waarop bezwaar ingesteld kan worden; - i. de mededeling dat bij gebreke van tijdige betaling, de bedragen worden verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten. Artikel 2 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zendt, zodra is vastgesteld welke bedragen over een bepaalde periode aan de overheidswerknemer zullen worden uitbetaald, een factuur aan de overheidswerkgever ter zake van de bedragen die over die periode worden verhaald. Indien de bedragen die over een bepaalde periode zijn verhaald hoger of lager zijn dan de overheidswerkgever over die periode werkelijk verschuldigd was, wordt het te veel of te weinig betaalde verrekend bij de eerstvolgende factuur. 2. De termijn waarbinnen de overheidswerkgever het bedrag moet betalen, bedraagt veertien kalenderdagen na dagtekening van de factuur, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3 1. Bij gebreke van tijdige betaling stuurt het Uitvoeringsinstituut werknemersve"},{"i":211,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 25 augustus 2025, nr. 2025-0000438212, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de teamchef van het recherchesamenwerkingsteam in het kader van de Arbeidsvoorwaarden Lokaal Personeel in Aruba, Curaçao en Sint Maarten Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en artikel 1 van de Arbeidsvoorwaarden Lokaal Personeel in Aruba, Curaçao en Sint Maarten; Gezien de schriftelijke instemming van de directeur Korpsstaf, bedoeld in artikel 1.1, sub g, van het Mandaatbesluit Politie 2024, kenmerk 2025-0000438345; BESLUIT: Artikel 1 1. Aan de teamchef van het recherchesamenwerkingsteam in de zin van artikel 7, eerste lid, van het Protocol inzake gespecialiseerde recherchesamenwerking tussen de landen van het Koninkrijk Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland (Stct. 26 juli 2019, nr. 38964) wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten te nemen in het kader van de Arbeidsvoorwaarden Lokaal Personeel in Aruba, Curaçao en Sint Maarten; 2. Het mandaat, de volmacht en de machtiging, bedoeld in het eerste lid, hebben mede betrekking op alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en ter uitvoering van de besluiten, daaronder begrepen het nemen van besluiten op bezwaarschriften, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door de teamchef van het recherchesamenwerkingsteam in mandaat is genomen, en op het instellen en het voeren van beroep, hoger beroep en voorlopige voorziening procedures. Artikel 2 Ondertekening van besluiten en stukken op grond van mandaat vindt plaats op de volgende wijze: ‘DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSREL"},{"i":218,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 14 februari 2020, nr. WJZ/ 20030467, tot het verlenen van volmacht en machtiging aan functionarissen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met bevoegdheden ten aanzien van attachés en lokale werknemers van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (Besluit volmacht en machtiging attachés en lokale werknemers EZK) Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken; Gelet op [artikel 1.2 van de Legal Status (Local Staff) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042874&artikel=1.2); Besluit: Artikel 1 1. Aan de bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkzame secretaris-generaal, de directeuren van bedrijfsvoeringsdirecties en uitvoeringsorganisaties en hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland alsmede hun plaatsvervangers wordt volmacht en machtiging verleend voor het verrichten van rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met: - a. de uitvoering van de Aanvullende CAO Rijk Uitzendingen en de [Legal Status (Local Staff) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042874), alsmede regelingen ter vervanging of wijziging hiervan; - b. het afhandelen van de met het vorige onderdeel verband houdende geschillen bij een geschillencommissie of rechterlijke instantie ten aanzien van uitgezonden werknemers en lokale werknemers die vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken en Klimaat. 2. De in het eerste lid bedoelde functionarissen kunnen schriftelijk besluiten dat onder hen ressorterende functionarissen mede bevoegd zijn uitvoering te geven aan de in het eerste lid bedoelde volmacht en machtiging. 3. De in het eerste lid bedoelde functionarissen oefenen hun in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden uit met inachtneming van de terzake: - a. door of namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Buitenlandse Zaken gemaakte afspraken en"},{"i":323,"b":"Praktische consequenties Wet aanpassing arbeidsduur Op 1 juli 2000 treedt de [Wet aanpassing arbeidsduur](onbekend), Stb. 114 en 115, in werking. Deze wet is van toepassing op werknemers in de markt- én de overheidssector. Door middel van deze circulaire wil ik u op de hoogte brengen van de praktische consequenties van de wet voor de sector Rijk. Algemeen Onder de reikwijdte van de wet vallen zowel werknemers die arbeid verrichten krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht als werknemers die arbeid verrichten krachtens een publiekrechtelijke aanstelling. De wet is overigens ook van toepassing op werknemers die onder het Nederlandse arbeidsovereenkomsten- of ambtenarenrecht vallen en buiten Nederland arbeid verrichten (bijv. bij ambassades). Gezien het doel van deze circulaire zal hierin uitsluitend worden ingegaan op de uit de wet voortvloeiende regeling voor de ambtenaar (die inhoudelijk overigens niet afwijkt van de regeling t.o.v. de overige werknemers). In dit verband merk ik op dat, in geval van uitzendkrachten en gedetacheerden, een verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur steeds zal moeten worden gericht aan het uitzendbureau, onderscheidenlijk de formele werkgever van de gedetacheerde. Kern van de wet is dat een verzoek van een ambtenaar tot aanpassing van de arbeidsduur door het bevoegd gezag móet worden gehonoreerd, tenzij dit op grond van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen niet van het bevoegd gezag verwacht kan worden. Een verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur dient 4 maanden voor de beoogde datum van ingang van de aanpassing te worden ingediend en kan alleen gedaan worden door een ambtenaar die ten minste één jaar voor de beoogde ingangsdatum in dienst is bij dezelfde werkgever. Het bevoegd gezag zal over het ingediende verzoek overleg met de ambtenaar moeten voeren. De ambtenaar, wiens verzoek is ingewilligd of afgewezen, kan ten hoogste eenmaal per 2 jaren opnieuw een verzoek indienen. In de wet is uitdrukkelijk geregeld dat he"},{"i":220,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 februari 2020, nr. WJZ/ 20030471, tot het verlenen van volmacht en machtiging aan functionarissen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met bevoegdheden ten aanzien van attachés en lokale werknemers van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Besluit volmacht en machtiging attachés en lokale werknemers LNV 2020) Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken; Gelet op [artikel 1.2 van de Legal Status (Local Staff) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042874&artikel=1.2); Besluit: Artikel 1 1. Aan de bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkzame secretaris-generaal, de directeuren van bedrijfsvoeringsdirecties en uitvoeringsorganisaties en hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland alsmede hun plaatsvervangers wordt volmacht en machtiging verleend voor het verrichten van rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met: - a. de uitvoering van de Aanvullende CAO Rijk Uitzendingen en de [Legal Status (Local Staff) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042874), alsmede regelingen ter vervanging of wijziging hiervan; - b. het afhandelen van de met het vorige onderdeel verband houdende geschillen bij een geschillencommissie of rechterlijke instantie ten aanzien van uitgezonden werknemers en lokale werknemers die vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2. De in het eerste lid bedoelde functionarissen kunnen schriftelijk besluiten dat onder hen ressorterende functionarissen mede bevoegd zijn uitvoering te geven aan de in het eerste lid bedoelde volmacht en machtiging. 3. De in het eerste lid bedoelde functionarissen oefenen hun in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden uit met inachtneming van de terzake: - a. door of namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Buit"},{"i":221,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 10 november 2020, (nr. 2020-0000180938), tot het verlenen van volmacht en machtiging aan functionarissen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met bevoegdheden ten aanzien van attachés en lokale werknemers van het Ministerie van Financiën Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken, Gezien de afspraken zoals vastgelegd in de Attachénotitie en de daarbij behorende bijlage; Gelet op [artikel 1.2 van de Legal Status (Local Staff) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042874&artikel=1.2); Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Volmacht en machtiging 1. Aan de bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkzame secretaris-generaal, de directeuren van bedrijfsvoeringsdirecties en uitvoeringsorganisaties en hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland alsmede hun plaatsvervangers wordt volmacht en machtiging verleend voor het verrichten van rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met de uitvoering van: - a. de Aanvullende CAO Rijk Uitzendingen en de rechtsopvolgers daarvan en - b. de Legal Status (Local Staff) Regulations 2020 en de rechtsopvolgers daarvan inclusief het afhandelen van daarmee verband houdende geschillen bij een geschillencommissie of rechterlijke instantie ten aanzien van uitgezonden werknemers en lokale werknemers die vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën. 2. De in het eerste lid bedoelde functionarissen kunnen schriftelijk besluiten dat onder hen ressorterende functionarissen mede bevoegd zijn uitvoering te geven aan de in het eerste lid bedoelde volmacht en machtiging. 3. De in het eerste lid bedoelde functionarissen oefenen hun in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden uit met inachtneming van de terzake: - a. door of namens de Minister van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken gemaakte afspraken en -"},{"i":2398,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 november 2024, kenmerk 4013782-1075740-GMT, houdende het niet handhavend optreden tegen het collegiaal doorleveren en ter hand stellen van apotheekbereidingen (Beleidsregel collegiaal doorleveren en ter hand stellen van apotheekbereidingen) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Definities In aanvulling op [artikel 1 van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1) wordt in deze beleidsregel verstaan onder: - **ter hand stellende apotheek:** apotheek die de apotheekbereiding van de bereidende apotheek collegiaal doorgeleverd krijgt met als doel de terhandstelling aan een patiënt dan wel aan een beroepsbeoefenaar die geneesmiddelen onder zich heeft ten behoeve van toediening aan zijn patiënten; - **apotheekbereiding:** geneesmiddel bereid in de apotheek; - **bereidende apotheek:** apotheek die de apotheekbereiding bereidt; - **collegiaal doorleveren:** doorleveren van een ongeregistreerd geneesmiddel in de vorm van een apotheekbereiding door de bereidende apotheek aan de ter hand stellende apotheek; - **gedoogverklaring:** schriftelijke verklaring van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd om in beginsel niet handhavend op te treden tegen het collegiaal doorleveren van apotheekbereidingen; - **geregistreerd adequaat alternatief:** in Nederland geregistreerd geneesmiddel, waarin dezelfde werkzame stof is verwerkt, in dezelfde toedieningsvorm en dezelfde sterkte of een in Nederland geregistreerd geneesmiddel dat nagenoeg dezelfde werkzame stof bevat, nagenoeg dezelfde toedieningsvorm heeft of een sterkte, waarmee de vereiste dosering ook kan worden bereikt; - **inspectie:** Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Artikel 2. Niet handhavend optreden bij het collegiaal doorleveren en ter hand stellen van apotheekbereidingen 1. Als een apotheekbereiding collegi"},{"i":222,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 juni 2020, nr. 2020-0000070400 tot het verlenen van volmacht en machtiging aan functionarissen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met bevoegdheden ten aanzien van attachés en lokale werknemers van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Besluit volmacht en machtiging attachés en lokale werknemers Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken; Gezien de afspraken zoals vastgelegd in de Attachénotitie 2020 en de daarbij behorende Bijlage; Gelet op [artikel 1.2 van de Legal Status (Local Staff) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042874&artikel=1.2); Besluit: Artikel 1. Volmacht en machtiging 1. Aan de bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkzame secretaris-generaal, de directeuren van bedrijfsvoeringsdirecties en uitvoeringsorganisaties en hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland alsmede hun plaatsvervangers wordt volmacht en machtiging verleend voor het verrichten van rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met de uitvoering van: - a. de Aanvullende CAO Rijk Uitzendingen en de rechtsopvolgers daarvan en - b. de [Legal Status (Local Staff) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042874) en de rechtsopvolgers daarvan inclusief het afhandelen van daarmee verband houdende geschillen bij een geschillencommissie of rechterlijke instantie ten aanzien van uitgezonden werknemers en lokale werknemers die vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2. De in het eerste lid bedoelde functionarissen kunnen schriftelijk besluiten dat onder hen ressorterende functionarissen mede bevoegd zijn uitvoering te geven aan de in het eerste lid bedoelde volmacht en machtiging. 3. De in het eerste lid bedoelde functionarissen oefenen hun in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden uit met inac"},{"i":224,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 26 juni 2020, nr. WJZ/ 20170283, houdende verlening van volmacht en machtiging aan de manager van Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk inzake juridische procedures betreffende personeelsaangelegenheden (Besluit volmacht en machtiging UBR|Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht LNV 2020) Gelet op [artikel 3:60 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=60); Besluit: Artikel 1 - **minister:** de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - **manager:** de manager van Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht van het Expertisecentrum Organisatie en Personeel van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk; - **P&O-aangelegenheden:** aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie. Artikel 2 1. Aan de manager wordt ten aanzien van P&O-aangelegenheden ten aanzien van onder de minister ressorterende medewerkers volmacht en machtiging verleend voor het aanhangig maken en behandelen van juridische procedures, waaronder het (doen) uitbrengen en ondertekenen van dagvaardingen van verzoekschriften, verweerschriften, conclusies, aktes als ook bezwaarschriften en (hoger) beroepschriften, alsmede het vertegenwoordigen van de minister ter zitting. 2. De manager kan voor de in het eerste lid genoemde aangelegenheden schriftelijk of mondeling volmacht en machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende medewerkers. 3. Aan de manager wordt machtiging verleend om bij de behandeling van een geschil inzake P&O-aangelegenheden niet onder hem ressorterende medewerkers als medegemachtigde te introduceren. Artikel 3 De uit dit besluit voor de manager voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op zijn plaatsvervanger. Artikel 4 Het krachtens volmacht of machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: De Staat der Nederlanden, namens deze de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkw"},{"i":16987,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gratie vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 april 2006, nr. arc-2006.02861/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Gratie over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument – gratie **Februari 2006** 1. Afkortingen en begrippen ARA: Algemeen Rijksarchief BSD: Basis Selectiedocument KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn OCenW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap RAD: Rijksarchiefdienst RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek Stb.: Staatsblad Stcrt.: Staatscourant Trb.: Tractatenblad WVC: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur actor: overheidsorgaan of particuliere organisatie/persoon die een rol speelt op een beleidsterrein handeling: complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid B: de selectiebeslissing ‘(blijvend) te bewaren’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling V: de selectiebeslissing ‘(op termijn) te vernietigen’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling 2. Verantwoording 2.1. Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven Ingevolge [artikel 3 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=3) (Stb. 276) d"},{"i":226,"b":"Besluit van 10 december 2007 tot wijziging datum handhaving informatieverplichtingen werkgevers Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 december 2007 nr. UB/K/2007/39326; Gelet op [artikel 50, vijfde lid, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017747&artikel=50); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de datum, genoemd in [artikel 50, eerste lid, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017747&artikel=50) wordt 1 januari 2009 in de plaats gesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":227,"b":"Bijdragebeschikking Stichting A+O Fonds Rijk Overwegende dat: – Ten behoeve van het stimuleren van de arbeidsmarkt-, werkgelegenheid- en scholingsactiviteiten de Stichting Arbeidsmarkt- en Opleidingsfonds Rijk is opgericht; – In het Sectoroverleg Rijkspersoneel overeenstemming is bereikt over de structurele bijdrage aan het fonds; – Het wenselijk is regels vast te stellen omtrent de jaarlijkse aan het fonds toe te kennen bijdragen en het beheer van de toegekende middelen. Besluit: Artikel 1 1. Op basis van de in de meerjarenraming van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opgenomen bedragen kent de Minister jaarlijks een bijdrage toe aan de Stichting Arbeidsmarkt- en Opleidingsfonds Rijk – verder te noemen de stichting – ten behoeve van het stimuleren van de arbeidsmarkt-, werkgelegenheids- en opleidingsactiviteiten. Jaarlijks zal in de begroting de bijdrage voor het betreffende jaar en in de meerjarencijfers een raming voor drie jaar worden opgenomen. De stichting zal door middel van een besluit op de hoogte worden gesteld van de raming van de bijdrage voor het betreffende jaar en de jaren daarop. De bijdrage is prijsgevoelig. Dat betekent dat er jaarlijks een prijsbijstelling boven op de definitieve bijdrage kan worden uitgekeerd aan de stichting als dit nodig blijkt te zijn. 2. De Minister kan in overeenstemming met de Centrales van Overheidspersoneel uit de beschikbare arbeidsvoorwaardenruimte aanvullende middelen aan de stichting toekennen. 3. Indien de Minister in overeenstemming met de Centrales van Overheidspersoneel besluit de bijdrage genoemd in het eerste lid, niet meer te verstrekken, dient de Minister een opzegtermijn van drie jaar in acht te nemen. Artikel 2 De toekenning van de bijdrage(n) geschiedt onder de volgende voorwaarden: - 1. De stichting richt zijn administratieve beheersregime zodanig in, dat de verantwoording kan worden afgelegd van haar kasmatige uitgaven en haar (juridische) verplichtingen. - 2. Ge"},{"i":229,"b":"Categoriale beschikking onbezoldigd ambtenaar Korps Rijkspolitie AID Gelezen het verzoek van de Minister van Volkshuisvesting. Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, alsmede de Minister van Landbouw. Natuurbeheer en Visserij, dd. 8 oktober 1991, kenmerk MJZ08091068: Gelet op [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005435&artikel=II&z=1992-04-18&g=1992-04-18) van mijn beschikking dd. 27 juni 1988/nr. 301/588a. Directie Politie en gelet op [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005435&artikel=II&z=1992-04-18&g=1992-04-18) van mijn beschikking van 1 juli 1988/nr. [301/588b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004361). Directie Politie, betreffende de categoriale benoeming tot onbezoldigde ambtenaren van het Korps Rijkspolitie, werkzaam bij de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (beide beschikkingen opgenomen in de Stcrt. 126 dd. 4 juli 1988): Besluit: Artikel I De opsporingsbevoegdheid verkregen door de categoriale beschikking van 27 juni 1988 (Stcrt. 126 dd. 4 juli 1988) houdende benoeming tot onbezoldigd ambtenaar van het Korps Rijkspolitie van de ambtenaren van de Algemene Inspectie Dienst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij geldt tevens voor de opsporing van delicten in het kader van besluiten terzake organische meststoffen voorzover (mede) gebaseerd op de Wet inzake luchtverontreiniging. Artikel II Deze beschikking wordt gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant en in het Algemeen Politieblad en treedt in werking vier dagen na publikatie in de Nederlandse Staatscourant."},{"i":230,"b":"Circulaire Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2004 Inleiding Op 10 mei 2005 heb ik met de centrales van overheidspersoneel een overeenkomst gesloten over de arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de contractperiode 1 januari 2004 tot 1 januari 2005. Met deze circulaire informeer ik u over de inhoud van de gesloten overeenkomst. Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat ook de afspraken over de zgn. medische herplaatsingskandidaten in deze circulaire zijn opgenomen. Zie hiervoor onder punt 2.3 van de circulaire. Deze circulaire en de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2004 zijn ook geplaatst op de internetsite van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het internetadres is: www.minbzk.nl. De locatie is: Overheidspersoneel/Arbeidsvoorwaarden Rijksoverheid/publicaties. 1. Inkomensontwikkeling 1.1. **Verhoging van de procentuele eindejaarsuitkering over 2004** De procentuele eindejaarsuitkering van 0,4% wordt structureel verhoogd met 0,4 procentpunt tot 0,8%. Deze verhoging werkt terug tot en met 1 januari 2004. De uitbetaling van deze verhoging van de eindejaarsuitkering met 0,4% is meegenomen bij de salarisbetaling over de maand mei 2005. Deze verhoging van de procentuele eindejaarsuitkering werkt in verband met de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2004 ook door in de berekeningsgrondslag van degenen die op of na 2 januari 2004 een uitkering zijn gaan ontvangen op basis van de [Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007758), het [Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008114) en het [Besluit ontslaguitkering substantieel bezwarende functies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011088) van ambtenaren. Indien in de periode januari 2004 tot en met december 2004 in de berekeningsbasis van de genoemde uitkeringen als eindejaarsuitkeringen 0,8% is opgenomen, blijft v"},{"i":231,"b":"Circulaire Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 I. Inleiding Op 18 januari 2006 heb ik met drie van de vier centrales van overheidspersoneel een overeenkomst gesloten over de arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk over de contractperiode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006. Een afschrift van deze Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 is als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019619&bijlage=1&z=2006-03-16&g=2006-03-16) bijgevoegd. De formalisering en uitwerking daarvan is ter hand genomen. Met deze circulaire informeer ik u over de inhoud van de gesloten overeenkomst. Deze circulaire en de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 zijn ook geplaatst op de internetsite van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het internetadres is: www.minbzk.nl. De locatie is: Overheidspersoneel/Arbeidsvoorwaarden Rijksoverheid/publicaties. II. Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 In dit onderdeel wordt zoveel mogelijk de paragraafindeling van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 aangehouden. Ad 2 Salarisverhoging, procentuele eindejaarsuitkering, nominale eindejaarsuitkering (ad 3) en levensloop 2.1. Salarisverhoging Met ingang van 1 januari 2006 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk structureel verhoogd met 2%. In verband met de salarisverhoging van 2% komen de salarisbedragen per 1 januari 2006 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019619&bijlage=2&z=2006-03-16&g=2006-03-16) gevoegde inpassingstabel. Als [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019619&bijlage=3&z=2006-03-16&g=2006-03-16) is bijgevoegd een overzicht van de schalen van het BBRA 1984 per 1 januari 2006. Toelagen die zijn toegekend met toepassing van het [BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) en toelagen die krachtens een BBRA-overgangsr"},{"i":1593,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Republiek Cyprus tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Republiek Cyprus, hierna te noemen de „verdragsluitende staten”, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het oneigenlijk gebruik van verdragen door middel van constructies gericht op de verkrijging van in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen tot indirect voordeel van inwoners van derde staten), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een verdragsluitende staat als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomen te zijn van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die staat voor belastingdoeleinden behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die staat. Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing. 2. Als belastingen naar het inkomen w"},{"i":233,"b":"Circulaire Nadere uitleg Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (Arbeid en Gezondheid) Inleiding Met mijn circulaires van 30 juni 2005, [kenmerk 2005-122392](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018517), van 29 augustus 2005, kenmerk 2005-212073, en van 25 oktober 2005, [kenmerk 2005-255562](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018917), heb ik u geïnformeerd over de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2004. Hierbij ging het in het bijzonder over de afspraken die met de centrales van overheidspersoneel zijn gemaakt op het gebied van Arbeid en gezondheid, met name over de doorbetaling van bezoldiging in het tweede ziektejaar en de specifieke rechten en plichten gedurende de eerste twee jaar van ziekte. Gebleken is dat over een aantal onderdelen uit de genoemde circulaires enige onduidelijkheid bestaat. Het gaat dan om de afgesproken aanvullende specifieke rechten en plichten gedurende de eerste twee jaar van ziekte. Deze circulaire is bedoeld om de hier benodigde duidelijkheid te verschaffen. Specifieke rechten en plichten gedurende de eerste twee jaar van ziekte In mijn circulaire van juni 2005 is opgenomen dat in aanvulling op de reeds bestaande rechten en plichten van werkgevers en werknemers op het gebied van arbeid en gezondheid, zoals vastgelegd in met name het ARAR en de Wet verbetering poortwachter, specifieke nadere afspraken zijn gemaakt over reïntegratie gedurende de eerste twee jaar van ziekte. Om te bereiken dat de reeds bestaande mogelijkheden optimaal worden benut, zijn met de centrales van overheidspersoneel de volgende aanvullende afspraken gemaakt: Over de betekenis van deze aanvullende afspraken bestaat enige onduidelijkheid. Om die reden wordt hieronder nader op de vier genoemde afspraken ingegaan. Ad a Bij het creëren van een functie dient met name te worden gedacht aan het binnen de bestaande formatie anders verdelen van taken, waardoor een functie met gewijzigde inhoud ontstaat. Indien de ambtenaar na twee jaar nog niet is gep"},{"i":234,"b":"Circulaire Ontslaggrond 65 jaar Op 28 juli 2003 heeft de Raad van State zijn advies uitgebracht over het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](onbekend) en enkele andere besluiten in verband met de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2002-2003. De Raad onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking met betrekking tot het vervallen van de ontslaggrond 'het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd' ([artikel 98, eerste lid, onder h van het ARAR](onbekend)). De Raad wijst er op dat het [Besluit vaststelling leeftijdsgrens openbare functies](onbekend) van 13 september 1945, Stb. F 173, een 'wetsbesluit' is dat ingevolge het staatsnoodrecht kracht van formele wet heeft. In verband hiermede is het vervallen van de ontslaggrond 'het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd' eerst mogelijk na intrekking of wijziging van het [Besluit vaststelling leeftijdsgrens openbare functies](onbekend). Op de consequenties van het advies van de Raad van State zal ik mij nader beraden. Dit betekent echter wel dat binnen de sector Rijk ambtenaren voorshands ontslagen kunnen blijven worden op grond van 'het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd'."},{"i":235,"b":"Circulaire optrekken van KB-grens bij aanstelling en ontslag van ARAR- en RDBZ-ambtenaren per 1 maart 2007 Met ingang van 1 maart 2007 is de grens voor aanstelling en ontslag en het toekennen van een salarisschaal bij koninklijk besluit opgetrokken. Van de grote groep personen van wie de aanstelling is geregeld in [artikel 7 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=7) (ARAR) of [artikel 22 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=22) (RDBZ) worden vanaf 1 maart 2007 alleen leden van de topmanagementgroep en de secretaris-generaal en de directeuren-generaal bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken (die niet tot de topmanagementgroep behoren) nog aangesteld en ontslagen bij koninklijk besluit. Voor de achtergronden van dit besluit verwijs ik kortheidshalve naar de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit van het [ARAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950), het [RDBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052) en het [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) (BBRA 1984). Voor de volledigheid treft u dit als bijlage aan. Mij is gebleken dat er bij de uitvoering van dit besluit enkele vragen zijn opgeworpen. In de eerste plaats betreft het de vraag of sprake is van een overgangstermijn. Afgezien van de bovengenoemde hoge functionarissen vindt vanaf 1 maart 2007 de aanstelling of het ontslag niet (meer) bij koninklijk besluit plaats. Dat geldt ook voor aanstellings- of ontslagbesluiten met een ingangsdatum die voor 1 maart 2007 ligt. De Minister is bevoegd om over aanstelling of ontslag te besluiten, ook als sprake is van terugwerkende kracht tot vóór 1 maart 2007. In de tweede plaats is de vraag gesteld op welke manier kan worden omgegaan met het verkrijgen van een medeparaaf bij de benoeming en ontslag van leden van de Algemene Bestuursdienst (ABD). Voor leden van de A"},{"i":236,"b":"Circulaire Overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW-operatie) «Circulaire aan de Ministers» 1. Inleiding/managementinformatie Deze circulaire strekt tot het verschaffen van nadere informatie over de operatie ’Overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen’ (OOW). Op grond van de voorgestelde [Wet OOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267) zoals die op 27 maart 1997 is ingediend bij de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 282, nrs. 1-3), worden de werknemersverzekeringen voor het overheidspersoneel vanaf 1 januari 1998 gefaseerd ingevoerd. Een integrale invoering van alle werknemersverzekeringen op één moment is complex en met name uitvoeringstechnisch risicovol. Om de invoeringsrisico’s te beperken, heeft het kabinet ervoor gekozen om de werkne-mersverzekeringen op verschillende tijdstippen van toepassing te verklaren op verschillende categorieën overheidspersoneel. Kort samengevat houdt het voorgestelde invoeringsscenario van OOW het volgende in. – Met ingang van 1 januari 1998 wordt de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) (WAO) inclusief de maatregelen van de [Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008655) (Pemba) ingevoerd. Bestaande WAO-conforme uitkeringen worden daarbij omgezet in WAO-uitkeringen. Het bovenstaande is in onderhavige circulaire als volgt nader uitgewerkt. In hoofdstuk 2 wordt in herinnering gebracht wat het doel is van de OOW-operatie. In hoofdstuk 3 wordt stilgestaan bij de voor u van belang zijnde wijzigingen na het van kracht worden van de [Wet OOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267) wat betreft de arbeidsongeschiktheid. Hierbij wordt tevens ingegaan op de van u in dit kader in de loop van 1997 gevraagde activiteiten. Hoofdstuk 4 betreft de gevolgen van de voorgestelde [wet OOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267) voor de regel"},{"i":9936,"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Bangladesh inzake het project \" Integrated Planning for Sustinable Water Management (IPSWAM)\" Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2004/181 gesteld op 2 november 2008. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2011/240 gesteld op 31 januari 2010. Article I. The Project Vervallen Article II. The contribution by the Netherlands Party Vervallen Article III. The contribution by the Bangladesh Party Vervallen Article IV. The Executive Authorities Vervallen Article V. Delegation Vervallen Article VI. The Team Leader Vervallen Article VII. The Plan of Operations Vervallen Article VIII. Status of the Netherlands Staff Vervallen Article IX. Equipment and Materials Vervallen Article X. Reporting Vervallen Article XI. Evaluation Vervallen Article XII. Settlement of disputes Vervallen Article XIII. Entry into force and duration Vervallen DONE at Dhaka on 2 November 2003 in duplicate in the English language **For and on behalf of the Netherlands Minister for Development Co-operation** SJEF L. IJZERMANS Sjef L. IJzermans Ambassador Royal Netherlands Embassy in Dhaka **For and on behalf of the Economic Relations Division of the Ministry of Finance, Government of the People's Republic of Bangladesh** M. TASADDUQ HUSSAIN BEG Mr. Mirza Tasadduq Hussain Beg Secretary Economic Relations Division Ministry of Finance"},{"i":237,"b":"Circulaire Overheidswerknemers onder de werknemersverzekeringen (OOW-operatie) Circulaire aan de Ministers Inleiding/managementinformatie Deze circulaire heeft tot doel informatie te verschaffen over de operatie ’Overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen’ (OOW). Deze circulaire is een aanvulling op mijn vorige [circulaire](onbekend) over dit onderwerp, gedateerd 19 juni 1997, nr. AD97/U521. Het wetsvoorstel OOW (Kamerstukken II 1996/97, 25 282, nrs 1-2) is 11 november jl. aanvaard door de Tweede Kamer en zal zo spoedig mogelijk worden doorgezonden naar de Eerste Kamer. Dit wetsvoorstel is op een aantal onderdelen gewijzigd ten opzichte van het voorstel waarover ik u bij mijn vorige circulaire berichtte. Hiertoe is op 29 augustus 1997 een nota van wijziging bij de Tweede Kamer ingediend (vindplaats: Kamerstukken II 1996/1997, 25 282, nr. 7). Van de bij nader inzien benodigde wijzigingen wil ik u bij deze op de hoogte brengen. Deze wijzigingen zijn voorgesteld met het oog op met name de uitvoerbaarheid van het overgangsrecht t.a.v. lopende uitkeringen. Verder kwam naar voren dat aanvullende regels nodig zijn om de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) goed te kunnen uitvoeren gedurende de periode dat de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) (ZW) respectievelijk de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002470) (WW) nog niet geldt voor het overheidspersoneel. Deze wijzigingen dragen een in hoge mate technisch karakter en zijn hoofdzakelijk van belang voor de uitvoeringsinstelling USZO. Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal redactionele verbeteringen aan te brengen in het wetsvoorstel. Met nadruk wijs ik u erop dat de nota van wijziging geen wijziging heeft aangebracht in het invoeringstraject OOW. Alles blijft er op gericht de eerste fase van OOW, te weten de invoering van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) voor het overheidspersoneel, te laten plaatsvinde"},{"i":240,"b":"Circulaire wijziging financiële arbeidsvoorwaarden schoonmakers in dienst bij de Rijksschoonmaakorganisatie De Rijksoverheid is in 2016 de schoonmaakwerkzaamheden bij het Rijk in eigen beheer gaan uitvoeren. Daartoe is de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) opgericht. Op 6 februari 2015 is de Overeenkomst Arbeidsvoorwaarden Rijksschoonmaakorganisatie (verder: de Overeenkomst) gesloten over de arbeidsvoorwaarden van schoonmakers die vanuit de marksector overkomen naar de Rijksschoonmaakorganisatie. Uitgangspunt van de Overeenkomst is dat de betrokken schoonmakers ervoor wat betreft de hoogte van het salaris niet op achteruit zullen gaan bij de overgang naar het Rijk. Uitvoering van die afspraken vergde enige aanpassing van de bestaande arbeidsvoorwaardelijke regelgeving. Deze aanpassingen zijn geregeld via het [Besluit van 14 december 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037438) (Stb 2015, 531) en daarbij zijn de salaristabellen voor de schoonmakers in dienst van de Rijksschoonmaakorganisatie vastgelegd in van [bijlage C van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=C) (BBRA 1984). In de CAO Schoonmaak-Glazenwassersbedrijf 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2021 is een loonsverhoging per 1 januari 2019 (2%) en per 1 juli 2019 (1%) afgesproken, alsmede een verhoging van de eindejaarsuitkering (van 2,20% naar 2,85% in 2019). Vanwege de afspraken in de Overeenkomst werken deze afspraken door in de salarissen en eindejaarsuitkering voor de schoonmakers in dienst van de Rijksschoonmaakorganisatie. Voor het bepalen van de nieuwe salarisbedragen per 1 januari 2019 en per 1 juli 2019 zijn, net als in voorgaande jaren, berekeningen netto op jaarbasis gemaakt, rekening houdend met de effecten die op het netto inkomen van toepassing zijn. Bij deze berekeningen is uitgegaan van de vaste inkomenscomponenten salaris, vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering. De nieuwe salarisbedragen voor [bijlage C van"},{"i":241,"b":"Circulaire wijziging financiële arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari 2009 Inleiding Zoals te doen gebruikelijk ontvangt u aan het einde van het kalenderjaar een circulaire over wijzigingen in de financiële arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de sector Rijk. U treft in deze circulaire informatie aan over de volgende onderwerpen: Voorzover de wijzigingen niet automatisch in uw salaris- of personeelssysteem worden aangebracht dient uw eigen personeels- of salarisadministratie de wijzigingen aan te brengen. 1. Vergoeding van verblijfkosten bij dienstreizen De vergoedingen voor verblijfkosten tijdens dienstreizen wijzigen met ingang van 1 januari 2009 als volgt: De vergoedingsbedragen voor het gebruik van een privé vervoermiddel, € 0,37 en € 0,09 per kilometer, wijzigen niet. NB: De Belastingdienst handhaaft het bedrag per kilometer dat maximaal onbelast mag worden vergoed op € 0,19 per kilometer. 2. Tegemoetkomingen in het woon-werkverkeer Met ingang van 1 januari 2009 wijzigen de bedragen die in het kader van het woon-werkverkeer als tegemoetkoming voor het gebruik van eigen vervoer kunnen worden verstrekt als volgt: In het kader van het woonwerkverkeer was afgesproken om met ingang van 1 januari 2009 het recht op de verhuiskostenvergoeding van € 1361,34 en op de vergoeding van € 91 per jaar voor het reizen naar het NS station te beëindigen. De eventuele gevolgen van de wijzigingen in het [Belastingplan 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024975) over het belastingvrij vergoeden van verhuiskosten zullen met de centrales van overheidspersoneel besproken worden. Zonder nadere afspraken gelden de bepalingen uit het [Verplaatsingskostenbesluit 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004630) en de [Verplaatsingskostenregeling 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004633). Voor het beoordelen van de fiscale belastbaarheid zijn de wijzigingen uit het [Belastingplan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024975) uiteraard rechtstreek"},{"i":152,"b":"Besluit van 29 mei 2001, houdende intrekking van een aantal wetten op het gebied van militair pensioen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 28 mei 2001, nr. P/2001003534; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955&artikel=3), en [7 van de Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955&artikel=7); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel II werkt terug tot en met 31 januari 2001. Artikel I De in [artikel 7 van de Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955&artikel=7) genoemde wetten en regelingen worden ingetrokken. Artikel II Wijzigt de Algemene militaire pensioenwet. Artikel III De ingevolge [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012524&artikel=I&z=2001-06-01&g=2001-06-01) in te trekken wetten en regelingen blijven van kracht voor diegenen: - a. ten aanzien van wie op grond van die wetten of regelingen, dan wel met betrekking tot de voorgenomen omzetting van de daaruit voortvloeiende aanspraken in aanspraken op grond van de bij of krachtens de [Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955) vast te stellen regelingen, een beschikking is genomen, voor zover die beschikking strekt en voor zolang deze vatbaar is voor bezwaar of enige vorm van beroep of hoger beroep; - b. die als gewezen militair op 31 mei 2001 geen pensioengeldige diensttijd opbouwen, mits zij uiterlijk op die datum voor de periode waarin zij pensioengeldige diensttijd bij of krachtens de [Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955) hadden kunnen opbouwen, onherroepelijk hebben verklaard op die opbouw geen prijs te stellen. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juni 2001, met dien verstande dat artikel II terugwerkt tot en met 31 januari 2001. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het St"},{"i":328,"b":"Protocol Voorzieningen UWV 2024 Gelet op het bepaalde in de [artikelen 34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34a), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35) en [36 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=36), de [artikelen 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22) en [2:23 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23), [artikel 19a Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a), [artikel 3a.1.1. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=3a.1.1), de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7) en [10g Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=10g) en het [Besluit experimentele subsidie generieke werkgeversvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045276); Besluit: Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen van aanvragen om voorzieningen, zoals de intermediaire activiteit w.o. een tolkvoorziening, vervoers- en computervoorziening in de werk- en onderwijssituatie, meeneembare voorzieningen alsmede voor de subsidieregeling werkgever en de pilot en het experiment ‘subsidie Generieke werkgeversvoorzieningen’ de uitgangspunten zoals weergegeven in het Protocol Voorzieningen UWV 2024 dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd. Artikel 2 Het [Protocol Voorzieningen UWV 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046028) (besluit van 16 november 2021, gepubliceerd in Staatscourant 49481 van 15 december 2021) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Protocol Voorzieninge"},{"i":320,"b":"Pensioenwet ambtenaren BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - **het fonds:** de Stichting Pensioenfonds Caribisch Nederland, bedoeld in [artikel 11a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714&hoofdstuk=IIa&artikel=11a&z=2011-10-09&g=2011-10-09) ; - **bestuur:** het bestuur van het fonds, dan wel waar door het bestuur bevoegdheden die krachtens deze wet bestaan, aan een ander orgaan van het fonds zijn gedelegeerd, dat orgaan; - **lichaam:** een publiekrechtelijk of privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714&hoofdstuk=II&paragraaf=1&artikel=4&z=2011-10-09&g=2011-10-09) of [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714&hoofdstuk=II&paragraaf=1&artikel=5&z=2011-10-09&g=2011-10-09); - **betrekking:** het dienstverband van een werknemer in de zin van deze wet, gegrond op en in overeenstemming met het aanstellingsbesluit dat aan de betrokkene verstrekt of de arbeidsovereenkomst die met de betrokkene gesloten is; - **ontslag:** elke beëindiging van de hoedanigheid van werknemer, tenzij anders blijkt; - **deelnemer:** ieder die op grond van [artikel 11b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714&hoofdstuk=III&artikel=11b&z=2011-10-09&g=2011-10-09) verplicht deelneemt in het fonds; - **uittreding:** ontslag op eigen verzoek uit een dienstverhouding met het oogmerk de deelneming te beëindigen met recht op ouderdomspensioen; - **gewezen werknemer:** een persoon die uitzicht heeft op pensioen; - **gepensioneerd werknemer:** een persoon die recht heeft op pensioen; - **nabestaande:** de man of vrouw met wie een overledene op de dag van diens overlijden gehuwd was; - **pleegouderlijke zorg:** de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van een kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor; - **jaar:** kalenderjaar, tenzij anders blijkt. Artikel 2 1. In deze wet wordt verstaan onder dee"},{"i":336,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 13 juni 2023, nr. 38742056, tot het verstrekken van aanvullende bekostiging voor het primair en voortgezet onderwijs voor de uitvoering van een arbeidsmarkttoelage voor het najaar van 2023 (Regeling aanvullende bekostiging uitvoering arbeidsmarkttoelage najaar 2023) Gelet op [artikel 119, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119), [artikel 117, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117) en [artikel 5.9, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvullende bekostiging:** aanvullende bekostiging als bedoeld in [artikel 119, eerste lid, van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119), [artikel 117, eerste lid, van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117), [artikel 5.9, eerste lid, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9) en [artikel 2.2.3, eerste lid, van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); - **achterstandsscore:** - a. wat betreft een basisschool: achterstandsscore, als gepubliceerd op 10 juni 2021 door het Centraal Bureau voor de Statistiek, op basis van de onderwijsscores van de leerlingen die op 1 oktober 2020 zijn ingeschreven op een basisschool als bedoeld in [artikel 27 van het Besluit bekostiging WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=27) zoals dat luidde op 31 maart 2022; - b. wat betreft een school voor voortgezet onderwijs: achterstandsscore zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling bijzondere en aanvullende bekostiging uitvoering Nationaal Programma Onderwijs PO en VO](onbekend); - **basisschool:** basisschool als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.o"},{"i":243,"b":"Circulaire wijzigingen financiële arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2011 ambtenaren sector Rijk Inleiding Zoals te doen gebruikelijk ontvangt u aan het einde van het kalenderjaar een circulaire over de wijzigingen in de financiële arbeidsvoorwaarden voor de ambtenaren werkzaam in de sector Rijk. U treft in deze circulaire informatie aan over de volgende onderwerpen: 1. Vergoeding van verblijfkosten bij dienstreizen De bedragen voor de vergoeding van kleine uitgaven overdag en kleine uitgaven ’s avonds worden geïndexeerd met 1,6%, de gemiddelde stijging van het totaal van de componenten ontbijt, lunch en diner. De bedragen voor lunch en diner worden geïndexeerd met 2,2%, de gemiddelde wijziging van de consumentenprijsindexen voor restaurants, fastfood en afhaalservice en cafés. De bedragen voor logies en ontbijt worden geïndexeerd met -0,8%, de daling van de consumentenprijsindex voor accommodaties. De vergoedingen voor verblijfkosten tijdens dienstreizen worden aldus aangepast met ingang van 1 januari 2011: De vergoedingsbedragen voor het gebruik van een privé vervoermiddel, € 0,37 en € 0,09 per kilometer, wijzigen niet. NB: De Belastingdienst handhaaft het bedrag per kilometer dat maximaal onbelast mag worden vergoed op € 0,19 per kilometer. 2. Tegemoetkomingen in het woon-werkverkeer Het maximumbedrag per maand van de hoge tegemoetkoming per kilometer wordt vastgesteld op een twaalfde deel van de grootverbruikcontractprijs van een OV jaarkaart 2e klasse per 1 januari 2011. Deze grootverbruikcontractprijs bedraagt op 1 januari 2011 €3992,92. Het maximumbedrag per maand van de lage tegemoetkoming per kilometer wordt geïndexeerd met de prijsstijging van een OV jaarkaart 2e klasse. Deze prijsstijging bedraagt 1,4%. De bedragen per dag worden vastgesteld door de betreffende maandbedragen te vermenigvuldigen met twaalf (maanden) en te delen door 214 (het reguliere aantal reisdagen per jaar, zoals opgenomen in de formule in [artikel 12 van de Verplaatsingskostenregeling 1"},{"i":244,"b":"Circulaire Wijzigingen financiële arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2012 ambtenaren sector Rijk Inleiding Zoals te doen gebruikelijk ontvangt u aan het einde van het kalenderjaar een circulaire over de wijzigingen in de financiële arbeidsvoorwaarden voor de ambtenaren werkzaam in de sector Rijk. U treft in deze circulaire informatie aan over de volgende onderwerpen: 1. Vergoeding van verblijfkosten bij dienstreizen De bedragen voor de vergoeding van kleine uitgaven overdag en kleine uitgaven ’s avonds worden geïndexeerd met 2,7%, de gemiddelde stijging van het totaal van de componenten ontbijt, lunch en diner. De bedragen voor lunch en diner worden geïndexeerd met 3,1%, de gemiddelde wijziging van de consumentenprijsindexen voor restaurants, fastfood en afhaalservice en cafés. De bedragen voor logies en ontbijt worden geïndexeerd met 1,3% van de consumentenprijsindex voor accommodaties. De vergoedingen voor verblijfkosten tijdens dienstreizen worden aldus aangepast met ingang van 1 januari 2012: De vergoedingsbedragen voor het gebruik van een privé vervoermiddel, € 0,37 en € 0,09 per kilometer, wijzigen niet. NB: De Belastingdienst handhaaft het bedrag per kilometer dat maximaal onbelast mag worden vergoed op € 0,19. 2. Tegemoetkomingen in het woon-werkverkeer Het maximumbedrag per maand van de hoge tegemoetkoming per kilometer wordt vastgesteld op een twaalfde deel van de grootverbruikcontractprijs van een OV jaarkaart 2e klasse per 1 januari 2012. Deze grootverbruikcontractprijs bedraagt op 1 januari 2012 € 4097,40. Het maximumbedrag per maand van de lage tegemoetkoming per kilometer wordt geïndexeerd met de prijsstijging van een OV jaarkaart 2e klasse. Deze prijsstijging bedraagt 2,6%. De bedragen per dag worden vastgesteld door de betreffende maandbedragen te vermenigvuldigen met twaalf (maanden) en te delen door 214 (het reguliere aantal reisdagen per jaar, zoals opgenomen in de formule in [artikel 12 van de Verplaatsingskostenregeling 1989](https://wetten.overh"},{"i":245,"b":"Circulaire wijzigingen in de financiële arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2019 voor de ambtenaren werkzaam in de sector Rijk Inleiding Zoals te doen gebruikelijk ontvangt u aan het einde van het kalenderjaar een circulaire over de wijzigingen in de financiële arbeidsvoorwaarden voor de ambtenaren werkzaam in de sector Rijk. U treft in deze circulaire informatie aan over de volgende onderwerpen: 1. Vergoeding van reis- en verblijfkosten bij binnenlandse dienstreizen De bedragen voor lunch en avondmaaltijd worden geïndexeerd met de gemiddelde wijziging van de consumentenprijsindexen voor restaurants en café’s en voor fastfood en afhaalservice. De bedragen voor logies en ontbijt worden geïndexeerd met de consumentenprijsindex voor accommodaties. De bedragen voor de vergoeding van kleine uitgaven overdag en kleine uitgaven ’s avonds worden geïndexeerd met de gewogen gemiddelde stijging van het totaal van de componenten ontbijt, lunch en avondmaaltijd. De vergoedingen voor verblijfkosten tijdens binnenlandse dienstreizen worden met ingang van 1 januari 2019: De vergoedingsbedragen voor het gebruik van een privé vervoermiddel bij dienstreizen, € 0,37 en € 0,09 per kilometer, wijzigen niet. 2. Tegemoetkomingen in het woon-werkverkeer Het maximumbedrag per maand van de hoge tegemoetkoming per kilometer wordt vastgesteld op een twaalfde deel van de grootverbruikcontractprijs van een OV jaarkaart 2e klasse per 1 januari 2018. Deze grootverbruikcontractprijs bedraagt € 4809,30 op 1 januari 2019. Het maximumbedrag per maand van de lage tegemoetkoming per kilometer wordt geïndexeerd met de prijsstijging van een OV jaarkaart 2e klasse. Deze prijsstijging bedraagt 4,09%. De bedragen per dag worden vastgesteld door de betreffende maandbedragen te vermenigvuldigen met twaalf (maanden) en te delen door 214 (het reguliere aantal reisdagen per jaar, zoals opgenomen in de formule in [artikel 12 van de Verplaatsingskostenregeling 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004633&artik"},{"i":246,"b":"Compensatieregeling Belgische grensarbeiders De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten Dit besluit is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de regeling die gold voor de toepassing van Wet op de inkomstenbelasting 1964, besluit van 30 oktober 1997, nr. DB4230M. Werknemers die in de Belgische grensstreek wonen en in de Nederlandse grensstreek werken, betalen op grond van de grensarbeidersregeling in het Verdrag met België over hun loon geen inkomstenbelasting in Nederland. Wel zijn zij in Nederland premieplichtig voor de volksverzekeringen. In 1994 is de premie volksverzekeringen in het kader van de ‘AWW-schuif’ verhoogd onder een gelijktijdige verlaging van het inkomstenbelastingtarief in de eerste schijf. De Belgische overheid verleent met ingang van 1 januari 1997 een tegemoetkoming ter compensatie van het koopkrachtverlies dat hierdoor voor een deel van de grensarbeiders is ontstaan. Deze tegemoetkoming is geregeld in de Wet betreffende de sociale zekerheid van grensarbeiders van 13 maart 1997 (Belgisch Staatsblad van 10 juni 1997). Er kan twijfel bestaan over het antwoord op de vraag of de uitkeringen voor de grensarbeiders behoren tot het belastbaar loon, dan wel sprake is van een publiekrechtelijke periodieke uitkering. Gezien deze twijfel, en gezien het betrekkelijk geringe fiscale belang van de uitkeringen, keur ik voor zoveel nodig goed dat de compensatie-uitkeringen niet in de inkomstenbelasting- en premieheffing worden betrokken. Dit besluit treedt in werking met ingang van het belastingjaar 2001."},{"i":247,"b":"Controlevoorschriften arbeidsongeschiktheidswetten 2018 Gelet op [artikel 27 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=27), [artikel 38 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=38), [artikel 44 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=44) en de [artikelen 2:25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:25) en [3:36 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:36); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - b. **WAO:** [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - c. **Wet WIA:** [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); - d. **WAZ:** [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656); - e. **Wajong:** [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657); - f. **uitkering:** uitkering in de zin van [hoofdstuk II van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&hoofdstuk=II), de [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&hoofdstuk=6) en [7 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&hoofdstuk=7), [hoofdstuk 3 van de WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&hoofdstuk=3) of [hoofdstuk 1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&hoofdstuk=1a) of [3 van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&hoofdstuk=3) of arbeidsondersteuning in de zin van [hoofdstuk 2 van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&hoofdstuk=2); - g. **uitkeringsgerechtigde:** de persoon aan wie een uitkering ingevolge de [WA"},{"i":251,"b":"Besluit van 22 mei 2013, houdende regels in verband met het vaststellen van het dagloon op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Dagloonbesluit werknemersverzekeringen) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 februari 2013, nr. IVV/2013/10006, Gelet op de [artikelen 15, tweede lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=15), [17a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=17a), en [45, tweede lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=45), [13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=13), en [58, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=58) en [14, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=14); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 april 2013, nr W12.12.0048/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 mei 2013, nr. 2013-000055455; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **aangiftetijdvak:** het tijdvak van vier weken dan wel één maand waarop de aangifte waarop de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen, betrekking heeft danwel, indien de werkgever over een afwijkend tijdvak aangifte doet, het tijdvak waarover loon is betaald van één maand of vier weken of herleid tot één maand of vier weken; - b. **arbeidsongeschikt(heid):** arbeidsongeschikt(heid) als bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=18) of volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid als bedoeld in de [artikelen 4](https:/"},{"i":5392,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 18 november 2020, (nr. 2020-0000226790), houdende regels voor de verstrekking van een eenmalige specifieke uitkering voor gemeentelijke hulp aan gedupeerde rechthebbenden op toeslagen (Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp gedupeerden toeslagenproblematiek) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen Vervallen Artikel 2. Eenmalige specifieke uitkering 1. Onze Minister verstrekt aan gemeenten eenmalig een specifieke uitkering met het oog op ondersteuning van gedupeerden in hulpvragen op de vijf primaire leefgebieden: financiën, wonen, zorg, gezin en werk. 2. De eenmalige specifieke uitkering sluit aan bij het traject van het bieden van compensatie aan door de Belastingdienst/Toeslagen gedupeerden. Artikel 3. Activiteiten Vervallen Artikel 4. Hoogte van de eenmalige specifieke uitkering 1. Het uitkeringsplafond bedraagt voor 2020 11 miljoen euro inclusief btw. 2. Onze Minister verstrekt de in het eerste lid genoemde uitkering aan gemeenten overeenkomstig de bij deze regeling horende en daarmee één geheel vormende bijlage. Artikel 5. Uitkering en besteding van de uitkering 1. De specifieke uitkering wordt in 2020 aan gemeenten uitgekeerd. 2. Gemeenten kunnen de uitkering in de kalenderjaren 2020 tot en met 2025 besteden. Artikel 6. Voorschot Onze Minister verstrekt en betaalt de gemeenten een voorschot van 100% van de eenmalige specifieke uitkering. Artikel 7. Verantwoording Vervallen Artikel 8. Vaststelling en terugvordering Vervallen Artikel 9. Monitoring en evaluatie Vervallen Artikel 10. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 11. Citeertitel De regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp gedupeerden toeslagenproblematiek. Bijlage. Aan gemeenten"},{"i":254,"b":"Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) De Overeenkomstsluitende Partijen, Verlangende de ontwikkeling en de verbetering van het internationale vervoer van personen en goederen over de weg te bevorderen, Overtuigd van de noodzaak de veiligheid van het wegverkeer te vergroten, bepaalde arbeidsvoorwaarden in het internationale vervoer over de weg te regelen overeenkomstig de beginselen van de Internationale Arbeidsorganisatie en, in gezamenlijk overleg, bepaalde maatregelen vast te stellen om de naleving van een zodanige regeling te verzekeren, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Definities In deze Overeenkomst betekent: - a). „voertuig”: elk motorrijtuig of elke aanhangwagen; deze term omvat elk samenstel van voertuigen; - b). „motorrijtuig”: elk voertuig, voorzien van een voortstuwingsmotor, dat zich op eigen kracht over de weg voortbeweegt en dat dient voor het vervoer over de weg van personen en goederen of voor het over de weg trekken van voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van personen of goederen; deze term omvat geen landbouwtraktoren; - c). „aanhangwagen”: elk voertuig bestemd om te worden gekoppeld aan een motorrijtuig; deze term omvat opleggers; - d). „oplegger”: elke aanhangwagen bestemd om op zodanige wijze aan een motorrijtuig te worden gekoppeld, dat hij gedeeltelijk steunt op en dat een aanmerkelijk deel van zijn gewicht en van het gewicht van zijn lading wordt gedragen door dat motorrijtuig; - e). „samenstel van voertuigen”: aaneengekoppelde voertuigen die als eenheid aan het wegverkeer deelnemen; - f). „Toelaatbaar maximum totaalgewicht”: het maximum totaalgewicht van het beladen voertuig dat door de bevoegde autoriteit van de Staat waarin het voertuig is geregistreerd toelaatbaar is verklaard; - g). „Wegvervoer”: iedere verplaatsing die geheel of gedeeltelijk wordt afgelegd op voor het publiek openstaande wegen met een leeg of bela"},{"i":5689,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2025, nr. 2025-0000016894, houdende regels inzake een borgstelling door de Staat ten behoeve van krediet aan MKB-ondernemers in Aruba, Curaçao en Sint Maarten (Subsidieregeling Borgstelling MKB-kredieten Aruba, Curaçao en Sint Maarten) Gelet op [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4 van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), en [14, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen - **Kaderbesluit:** [Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530); - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **ondernemer:** een natuurlijke persoon, een rechtspersoon of een vennootschap, die een onderneming in stand houdt, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld; - **MKB-ondernemer:** ondernemer die een onderneming in stand houdt waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt; - **kredietverstrekker:** een onderneming of een instelling die in Aruba, Curaçao of Sint Maarten op grond van de Landsverordening toezicht kredietwezen Aruba, de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994 Curaçao of de Landsverordening bank- en kredietwezen Sint Maarten, bevoegd is om kredieten of andere vormen van financiering aan te bieden aan het publiek. Artikel 2. Subsidieverstrekking 1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een kredietverstrekker voor het sluiten van een kredietovereenkomst met een MKB-ondernemer die betrekking heeft op een bedrijfsborgstellingskrediet. 2. De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een borgstell"},{"i":6877,"b":"Besluit van 27 januari 1926, houdende voorschriften ter uitvoering van artikel 6 der Faillissementswet, zooals dit artikel luidt na de laatstelijk daarin aangebrachte wijziging Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van den 18 December 1925, 1e Afd. C n°. 919; Overwegende, dat [artikel 6 der Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=6), zooals dit artikel luidt na de laatstelijk daarin gebrachte wijziging, voorschrijft, dat een algemeene maatregel van bestuur bepaalt de wijze van oproeping van een schuldenaar, wiens faillissement is aangevraagd; Den Raad van State gehoord (advies van 5 Januari 1926, n°. 22); Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van den 25 Januari 1926, 1e afdeeling C, n°. 926; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Eenig 1. De in [artikel 6 der Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=6) bedoelde oproeping door den griffier geschiedt door middel van de post, van de telegraaf, van een bode van het rechtscollege of van een ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, of een andere ambtenaar, voor zover die ambtenaar behoort tot een categorie die daartoe door Onze Minister van Veiligheid en Justitie is aangewezen. 2. Indien de griffier de oproeping per post verzendt, geschiedt de verzending onder gesloten omslag aan het adres van den schuldenaar op den voet van aangeteekend stuk met expressebestelling, waarvoor een bericht van ontvangst wordt verlangd. De griffier wordt op den omslag van de zending als afzender vermeld. 3. Indien de griffier de oproeping doet door middel van de telegraaf, voorziet hij het telegram van de aanwijzing **kennisgeving ontvang** of P.C. 4. Indien de griffier de oproeping verzendt door middel van een bode van het rechtscollege of door een ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, of een andere ambtenaar, voor zover die ambtenaar behoort tot een categorie die"},{"i":255,"b":"Financiële arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2004 Inleiding Met deze publicatie wil ik u op de hoogte stellen van de met ingang van 1 januari 2004 gewijzigde bedragen die betrekking hebben op het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekspersoneel](onbekend) (ZKOO). Voor de duidelijkheid wijs ik u er op dat de bedragen zoals hier worden vermeld alleen van toepassing zijn voor het Primair (PO) en Voortgezet (VO) onderwijs. Tegemoetkoming [ZKOO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007326) per 1 januari In de CAO sector onderwijs (PO, VO, BVE) 2000-2002 is overeengekomen om de tegemoetkoming in de ziektekosten nominaal te handhaven op het niveau van 2000 tot het moment is bereikt dat de vergoeding gelijk is aan 50 procent van de gemiddelde ziektekosten (particuliere verzekeringspremies + wettelijke bijdragen [MOOZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003933) en [WTZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009750)), zoals berekend door het Centraal Planbureau. De middelen die als gevolg van deze maatregel vrijvielen, zijn toegevoegd aan de arbeidsvoorwaardenruimte ten behoeve van de eindejaarsuitkering/13e maand. In de CAO sector onderwijs (PO en VO) 2003 is overeengekomen de bedragen versneld te bevriezen. Met ingang van 1 april 2003 zijn de bedragen hierop aangepast en zijn de hieruit voortkomende vrijvallende middelen benut voor de verhoging van het incidentele gedeelte van de eindejaarsuitkering voor het jaar 2003. Nu de tegemoetkoming vanaf 1 april 2003 gelijk is aan 50 procent van de gemiddelde ziektekosten kunnen de betreffende bedragen weer volgens de gebruikelijke systematiek worden geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkeling van de verzekeringspremies. Uit de gegevens van het CPB blijkt dat de verzekeringspremies gemiddeld met 7,36% zijn gestegen met ingang van 1 januari 2004. Gelijktijdig zijn de MOOZ-bijdrage en de WTZ-pooling verhoogd. Rekeninghoudend met deze verhogingen gelden de volgende bedragen vanaf 1 ja"},{"i":337,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 september 2022, nr. 2022-0000193208, tot het aanwijzen van groepen volledig en duurzaam arbeidsongeschikten waarop de artikelen 52, tweede lid, van de Wet WIA en 2:46a, eerste lid, van de Wajong tijdelijk niet van toepassing zijn Handelende in overeenstemming met de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen; Gelet op [artikel 52, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=52) en [artikel 2:46a, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:46a); Besluit: Artikel 1 [Artikel 52, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=52) is niet van toepassing op de volledig en duurzaam arbeidsongeschikte die in de periode die is gelegen tussen 1 oktober 2022 en 1 oktober 2026 een inkomen verwerft dat meer bedraagt dan 20% van het maatmaninkomen per maand. Artikel 2 [Artikel 2:46a, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:46a) is niet van toepassing op de volledig en duurzaam arbeidsongeschikte die in de periode die is gelegen tussen 1 oktober 2022 en 1 oktober 2026 een inkomen verwerft dat meer bedraagt dan 20% van het maatmaninkomen. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2022 en vervalt met ingang van 1 oktober 2027. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":314,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Turkse Republiek betreffende de migratie, de aanwerving en de tewerkstelling in Nederland van Turkse arbeiders De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Turkse Republiek, Gezien de vriendschappelijke betrekkingen die tussen beide landen bestaan, alsmede hun beider behoeften op het gebied van de arbeidsvoorziening, Erkennende dat het in het belang van beide landen is de tewerkstelling van Turkse arbeiders in Nederland te bevorderen, Verlangende een regeling te treffen nopens de migratie, de aanwerving en de tewerkstelling in Nederland van Turkse arbeiders, Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Algemene bepalingen Artikel 1 Terzake van de migratie, de aanwerving en de tewerkstelling in Nederland van Turkse arbeiders zijn bevoegd: aan Turkse zijde, Iş ve Işçi Bulma Kurumu te Ankara (hierna te noemen „Kurum”); aan Nederlandse zijde, De Directie voor de Arbeidsvoorziening van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid te 's-Gravenhage (hierna te noemen „Directie”). Artikel 2 1. Opdat de bevoegde Turkse autoriteiten tijdig de nodige voorzieningen kunnen treffen en aan de aanvragen kunnen voldoen, zal de Directie ten minste eens in de zes maanden aan Kurum inlichtingen verstrekken over de geraamde behoeften van het Nederlandse bedrijfsleven aan Turkse arbeiders, onderverdeeld naar takken van economische bedrijvigheid, naar bedrijfsklassen en naar beroepen. 2. Kurum zal de Directie zo spoedig mogelijk doen weten in hoeverre het beschikbare aanbod van arbeidskrachten aan de vraag kan voldoen. Artikel 3 1. De Directie zal aan Kurum alle inlichtingen verschaffen betreffende de algemene loon- en arbeidsvoorwaarden en de levensomstandigheden, die kunnen strekken tot voorlichting van de betrokken arbeiders. 2. Zij zal in het bijzonder alle inlichtingen verschaffen betreffende het gemiddelde loon en de gemiddelde arbeidsduur in de verschillende sectoren van het Nederlandse bedrijfsle"},{"i":427,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 februari 2021, kenmerk 1812002-217024-WJZ, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2020 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2020: **100** 2878 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2021. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13800,"b":"Machtiging van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 26 april 2024, nr. WJZ/ 52313175, aan de directeur van het Nationaal Cyber Security Centrum van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor het verrichten van feitelijke handelingen namens het CSIRT voor digitale diensten (Machtiging directeur NCSC voor het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met een aantal taken van het CSIRT voor digitale diensten) Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt, machtiging verleend voor het namens het Computer security incident response team voor digitale diensten (CSIRT voor digitale diensten), bedoeld in [artikel 4 van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=4), verrichten van feitelijke handelingen. Artikel 2 De directeur van het NCSC kan voor het verrichten van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049679&artikel=1&z=2024-05-08&g=2024-05-08) bedoelde feitelijke handelingen machtiging verlenen aan andere functionarissen van het NCSC. Artikel 3 De Machtiging directeur NCSC voor het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met een aantal taken van het CSIRT voor digitale diensten buiten kantooruren wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2024. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Machtiging directeur NCSC voor het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met een aantal taken van het CSIRT voor digitale diensten. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":335,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 december 2025, nr. VO/F/55351459, tot het verstrekken van aanvullende bekostiging voor het primair en voortgezet onderwijs voor de uitvoering van een arbeidsmarkttoelage voor 2026 (Regeling aanvullende bekostiging uitvoering arbeidsmarkttoelage 2026) Gelet op [artikel 119, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119), [artikel 117, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117) en [artikel 5.9, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvullende bekostiging:** aanvullende bekostiging als bedoeld in [artikel 119, eerste lid, van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119), [artikel 117, eerste lid, van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117) en [artikel 5.9, eerste lid, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9); - **achterstandsscore:** - a. wat betreft een vestiging van een basisschool: achterstandsscore als bedoeld in [artikel 18 van het Besluit bekostiging WPO 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=18), zonder drempel, zoals gepubliceerd op 7 oktober 2024 door het Centraal Bureau voor de Statistiek, op basis van de onderwijsscores van de leerlingen die op 1 februari 2024 zijn ingeschreven op een basisschool; - b. wat betreft een vestiging van een school voor voortgezet onderwijs: achterstandsscore zonder drempel op 1 oktober 2023 zoals gepubliceerd op 24 december 2024 door het Centraal Bureau voor de Statistiek, met dien verstande dat voor een pro-vestiging de achterstandsscores voor praktijkonderwijs worden gehanteerd en voor overige vestigingen voor voortgezet onderwijs de achterstandsscores voor vmbo,"},{"i":453,"b":"Besluit van 8 juli 2000 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur houdende nieuwe regels betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid J. F. Hoogervorst van 28 april 2000, nr. SV/WV/00/26762; Gelet op de [artikelen 18, achtste en tiende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=18), [2, zevende en negende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=2), en [2, achtste en tiende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 6 juni 2000, No.W12.00.0178/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 7 juli 2000, nr. SV/WV/00/45397; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. WAO: [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - b. Waz: [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656); - c. Wajong: [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657); - d. Wet WIA: [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); - e. ZW: [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); - f. verzekerde: de verzekerde in de zin van de [ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), de [Wet WIA](https://wetten.overheid.nl"},{"i":454,"b":"Selectielijst beleidsterrein Arbeidsverhoudingen vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 14 januari 2002, nr. arc-2002.3245/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde `selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Bedrijfscommissies en de onder hen ressorterende actoren op het beleidsterrein Arbeidsverhoudingen over de periode vanaf 1945' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst. voor de archiefbescheiden van de actor bedrijfscommissies op het beleidsterrein Arbeidsverhoudingen vanaf 1945 1. Verslag vaststelling van de selectielijst Op 7 juni 2001 is het ontwerp-BSD door de Algemene Bedrijfscommissie namens de bedrijfscommissies aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 2 juli 2001 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de Algemene Bedrijfscommissie, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie / regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad. Op 14 januari 2002 bracht de RvC advies uit (arc-2002.3245/2) hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de ontwerp-selectielijst. 2. Inleiding Deze ontwerp-selectielijst is een selectielijst als bedoeld in artikel 2, eerste lid van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 671) ter uitvoering van de Archiefwet 1995 (Stb. 276). De hierna volgende ontwerp-selectielijst maakt deel uit v"},{"i":455,"b":"Selectielijst neerslag handelingen minister van SZW op het beleidsterrein arbeidsomstandigheden Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, De Raad voor Cultuur gehoord; Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het beleidsterrein arbeidsomstandigheden (vanaf 1940), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd. Bijlage De in dit besluit bedoelde bijlage, de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het beleidsterrein arbeidsomstandigheden ligt voor de periode van 30 januari tot 27 maart 1997 ter inzage bij de bibliotheken van het ministerie van OCenW, het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van het Algemeen Rijksarchief."},{"i":456,"b":"Selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie over de periode 1991-1997 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 februari 2000, nr. arc-99.1667/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde `selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie over de periode 1991-1997' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie 1991-1997 **Zoetermeer, juni 2000** Inleiding I De Arbeidsvoorzieningsorganisatie is een bij wet ingestelde organisatie en is gehouden aan de Archiefwet 1995 (Stb.276) en de daaruit voortvloeiende besluiten en richtlijnen. Een van de verplichtingen in de Archiefwet 1995 (artikel 5, eerste lid) is het ontwerpen van een selectielijst. Met voorliggend document wordt aan deze verplichting voldaan. Deze selectielijst bestaat uit een korte beschrijving van de voornaamste actoren en de daaraan gekoppelde organisatie in historisch perspectief, een verantwoording van de doelstelling van de selectie en van de gehanteerde selectiecriteria. Tevens omvat de selectielijst een beschrijving van de handelingen van deze actoren met een voorstel voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die betrekking hebben op de handelingen. In verband met de wijziging van de grondslag, zijnde de Arbeidsvoorzieningwet, per 1 januari 1997, is er voor gekozen om de selectielijst op te splitsen in twee delen. Het eerste deel heeft betrekking op de `oude' Arbeidsvoorzieningswet en gerelateerde wet- en regelgeving en geeft een opsomming van alle handelingen die vóór 1997 zijn afgerond. Het tweede deel heeft betrekking op de `nieuwe' Arbeidsvoorzieningswet 1996 en gere"},{"i":16689,"b":"Besluit van 7 december 2011, houdende aanpassing van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit toevoeging mediation in verband met een verlaging van de vergoeding van rechtsbijstandverleners en een aanpassing van de wijze van indexeren van deze vergoeding alsmede aanpassing van de indexeringsregeling in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Besluit aanpassing vergoeding en indexering rechtsbijstandverleners) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 26 september 2011, nr. 5710717/11/6; Gelet op de [artikelen 33e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33e), en [37 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), [artikel 21 van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=21) en [artikel 434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=434a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 november 2011, nr. W 03.11.0429/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 december 2011, nr. 5718337/11/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel II Wijzigt het Besluit toevoeging mediation. Artikel III Wijzigt het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanpassing vergoeding en indexering rechtsbijstandverleners. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":110,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 juni 2016, nr. EGI/998544, tot aanwijzing van ambtenaren van de Erfgoedinspectie als inspecteurs Erfgoedwet Gelet op [artikel 8.3 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=8.3), Besluit: Artikel 1 Als inspecteurs, bedoeld in [artikel 8.3 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=8.3), worden aangewezen de Directeur, de Hoofdinspecteur en de ambtenaren werkzaam bij de Erfgoedinspectie die zijn aangewezen om toezicht te houden. Artikel 2 De volgende besluiten worden ingetrokken: - –. Besluit van 29 mei 2012, nr. EGI/412081, tot aanwijzing van ambtenaren van de Erfgoedinspectie tot toezichthoudende ambtenaren Wet tot behoud van cultuurbezit (Stcrt. 12748), - –. Besluit van 29 mei 2012, nr. EGI/412079, tot aanwijzing van ambtenaren van de Erfgoedinspectie tot toezichthoudende ambtenaren Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Monumentenwet 1988. (Stcrt. 12747) Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2016, en zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16833,"b":"Besluit kwaliteitsaudits Wsnp-bewindvoerderorganisaties gezien: stelt beleid vast ten aanzien van de kwaliteitsaudits voor bewindvoerderorganisaties."},{"i":457,"b":"Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie PREAMBULE Aangezien een duurzame wereldvrede slechts kan worden gevestigd indien zij is gegrond op sociale rechtvaardigheid; Aangezien er arbeidsvoorwaarden bestaan die voor velen onrecht, leed en ontberingen met zich brengen, hetgeen aanleiding geeft tot een zodanige ontevredenheid dat daardoor de vrede en de eensgezindheid in de wereld in gevaar worden gebracht, en aangezien een verbetering van deze voorwaarden dringend noodzakelijk is: bijvoorbeeld door het vaststellen van arbeidstijden, met inbegrip van de maximale duur van de werkdag en de werkweek, het opstellen van regels voor de werving van werknemers, het bestrijden van de werkloosheid, het waarborgen van een loon dat redelijke bestaansvoorwaarden verzekert, het beschermen van de werknemers tegen ziekten van algemene aard of beroepsziekten en arbeidsongevallen, het beschermen van kinderen, jongeren en vrouwen, het instellen van ouderdoms- en invaliditeitsvoorzieningen, het beschermen van de belangen van in het buitenland werkzame werknemers, het erkennen van het beginsel van gelijk loon voor gelijke arbeid, het erkennen van het beginsel van vakverenigingsvrijheid, het organiseren van het beroepsonderwijs en het technische onderwijs alsmede het nemen van andere soortgelijke maatregelen; Aangezien het streven van de volken om het lot van de werknemers in hun eigen landen te verbeteren, zou worden belemmerd wanneer enige natie een werkelijk menswaardige arbeidsregeling niet zou aannemen; Hechten de Hoge Verdragsluitende Partijen, evenzeer gedreven door gevoelens van gerechtigheid en menslievendheid als door het verlangen een duurzame wereldvrede te verzekeren, en met het oog op het bereiken van de in deze preambule genoemde doeleinden, hun goedkeuring aan het volgende Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: HOOFDSTUK I. Organisatie Artikel 1 1. Er wordt een permanente Organisatie opgericht die tot taak heeft te streven naar de verwezenlijking van het p"},{"i":458,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 1 oktober 2018, kenmerk 2365132, houdende regels voor subsidiëring van activiteiten van instellingen voor Forensische Psychiatrische Klinieken en Forensische Psychiatrische Afdelingen gericht op de verbetering van hun positie op de arbeidsmarkt (Subsidieregeling Arbeidsmarktimpuls forensische zorg) Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393); - b. **FPA:** een Forensisch psychiatrische Afdeling genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041420&bijlage=1&z=2018-10-06&g=2018-10-06) bij deze regeling; - c. **FPK:** een Forensisch Psychiatrische Kliniek genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041420&bijlage=1&z=2018-10-06&g=2018-10-06) bij deze regeling; - d. **jaarrekening:** jaarrekening als bedoeld in [artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=361). - e. **Minister:** Minister voor Rechtsbescherming - f. **personeel:** de natuurlijke personen die op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst werkzaam zijn bij de FPA of FPK waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; Artikel 2. Te subsidiëren activiteiten 1. De Minister kan ten behoeve van het verbeteren van de positie van een FPA of een FPK op de arbeidsmarkt subsidie verstrekken voor zo ver het betreft: - a. het uitbreiden van inwerkprogramma’s van nieuw personeel; - b. het opleiden, trainen of ontwikkelen van bestaand en nieuw personeel; - c. het verbeteren van samenwerking tussen Human Resources afdelingen; - d. het werven van nieuw personeel; - e. meer inzet van ervaringsdeskundigen en vrijwilligers; - f. het creëren van extra stage-"},{"i":459,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 juni 2024, nr. 2024-0000158938, houdende regels voor subsidieverstrekking voor statushouders ter bevordering van duurzame participatie op de arbeidsmarkt (Subsidieregeling ondersteuning werkgevers inzet statushouders) Gelet op de [artikelen 3, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraagtijdvak:** een tijdvak als bedoeld in [artikel 6, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049897&artikel=6&z=2026-03-06&g=2026-03-06), waarin aanvragen voor subsidie op grond van deze regeling kunnen worden ingediend; - **burgerservicenummer:** een nummer als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=1); - **de-minimisverordening:** [Verordening (EU) 2023/2831](32023R2831) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun; - **minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - **statushouder:** vreemdeling als bedoeld in [artikel 8, onderdelen c en d, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8); - **werkgever:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610). Artikel 2. Toepasselijkheid [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Op deze regeling is de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) van toepassing voor zover daar in deze regeling niet van wordt afgeweken. Artikel 3. Doel van de subsidie Het doel"},{"i":460,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 februari 2015, nr. 2015-0000104282, houdende regels voor de subsidiëring van de Stichting Centrum voor de Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (Subsidieregeling Stichting CAOP 2015) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdeel d, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=18), en [22, vierde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=22); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **stichting:** Stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel. Artikel 2 1. De minister verstrekt aan de stichting een subsidie voor kosten die direct samenhangen met de volgende activiteiten: - a. de secretariële en administratieve ondersteuning van: - –. de Advies- en Arbitragecommissie Rijksdienst; - –. de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid en de daaronder ressorterende commissies; - –. de Bedrijfscommissie Overheid; - –. de Onderzoeksraad integriteit Overheid; - b. de secretariële en administratieve ondersteuning van: - –. de Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering; - –. de Adviescommissie Grondrechten en Functie-uitoefening Ambtenaren; - –. de Adviescommissie Veiligheidsonderzoeken; - c. onderzoek en voorlichting op het terrein van de arbeidsverhoudingen bij de overheid; en - d. het verrichten van faciliterende werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering van het overheidsbeleid op het terrein van arbeidszaken overheidspersoneel. 2. De subsidie wor"},{"i":489,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Sociale Voorzieningen 1940-2004 (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 november 2005, nr. arc-2005.02594/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Sociale Voorzieningen over de periode 1940–2004](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":461,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 december 2022, nr. 2022-0000464741, houdende regels voor de subsidiëring van de Stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (Subsidieregeling Stichting CAOP 2023) Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **stichting:** Stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP). - b. **DAEB-Vrijstellingsbesluit:** besluit van de commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen. Artikel 2 1. De Minister verstrekt aan de stichting een subsidie voor kosten die direct samenhangen met de volgende activiteiten: - a. de secretariële, inhoudelijke en administratieve ondersteuning van ten minste de volgende commissies en raden: - 1. de Advies- en Arbitragecommissies; - 2. de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid en de daaronder ressorterende commissies; - 3. de Bedrijfscommissie Overheid; - 4. de Adviescommissie Grondrechten en Functie-uitoefening Ambtenaren; - 5. de Adviescommissie Veiligheidsonderzoeken; - 6. de Geschillencommissie Rijk; - 7. de Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk. - b. Overige activiteiten die bijdragen aan aantrekkelijk werkgeverschap en de kwaliteit en wendbaarheid van overheidsorganisaties. 2. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. 3. De minister verstrekt subsidie voor de netto kosten die noodzakelijk zijn voor de in het eerste lid genoemde activiteiten. De stichting onderbouwt in de aanvraag tot subsidieverlening de noodzaak van de te verwachten kosten en onderbouwt in de aanvraag tot subsidievaststelling de noodzaak van de feitelijk gemaakte kosten voor de activiteiten. Artikel 3 De subsidie, bedoeld in [artikel 2,"},{"i":462,"b":"Besluit van 27 oktober 1997, houdende regeling tot toekenning van suppletie bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van gewezen defensiepersoneel (Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Defensie) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 24 juli 1997, nr. P/97004787; Gelet op de [artikelen 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en 12 van de [Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952); De Raad van State gehoord (advies van 27 augustus 1997, nr. WO7.97.0496); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 20 oktober 1997, nr. P97006643 ; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:**Onze Minister van Defensie; - b. **betrokkene:** - 1°. de ambtenaar die op basis van het [Burgerlijke ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040) werkzaam is geweest, en aan wie ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in [artikel 121, eerste lid, onderdeel f, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=121), en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, - 2°. de beroepsmilitair, die ter zake van ziekten of gebreken is ontslagen, ten tijde van het ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, en uit dien hoofde aanspraak heeft op een pensioen ingevolge de bij of krachtens de [Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955) vastgestelde bepalingen; - 3°. de zonder aanspraak op een uitkering krachtens de [Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540) ontslagen beroepsmilitair, die binnen een maand na zijn ontslag of indien dat ontslag is gevolgd door een pensioengevende ontslaguit"},{"i":464,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 november 2024, nr. 2024-0000896682, houdende de vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling gericht op het uitvoeren van interventies ter uitbreiding van de arbeidstijd voor wetenschappelijk onderzoek in het kader van het programma Meer uren werkt! (Tijdelijke subsidieregeling onderzoek interventies ter uitbreiding arbeidstijd) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3) en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraagtijdvak:** een door de Minister vastgesteld tijdvak waarin aanvragen voor subsidie op grond van deze regeling kunnen worden ingediend; - **aanvrager:** een organisatievorm, bedoeld in [artikel 2.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050406&hoofdstuk=2&artikel=2.10&z=2025-10-01&g=2025-10-01), die de subsidie aanvraagt op basis van deze regeling, of in het geval van een samenwerkingsverband, de hoofdaanvrager; - **activiteit:** een activiteit als bedoeld in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050406&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2025-10-01&g=2025-10-01); - **bevoegd gezag van een school:** het bevoegd gezag van een uit ’s Rijks kas bekostigde school, zoals bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) en [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - **brancheorganisatie:** een organisatie die de belangen behartigt van leden die tot eenzelfde branche behoren; - **brutoloon:** bruto jaarsalaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastg"},{"i":465,"b":"Besluit van 19 april 1967, houdende verlening van toeslag op de pensioenen van bepaalde Surinaamse en Nederlands Antilliaanse ambtenaren en leerkrachten van het bijzonder onderwijs en hun nagelaten betrekkingen Op de voordracht van Onze Vice-Minister-President, mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën van 28 februari 1967, Nr. 17939/K 2536; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan onder: - a. \"ambtenaar\": een persoon, die: - 1e. van een voor 1 januari 1967 gelegen tijdstip ononderbroken tot zijn ontslag met recht op pensioen, uitgesteld pensioen, uitkering bij wijze van pensioen als bedoeld in artikel 5 van de Nederlands Antilliaanse \"Landsverordening leeftijdsgrens ambtenaren\" of met vrijwillig verzekerd behoud van aanspraak op weduwen- en wezenpensioen, dan wel tot zijn overlijden werkzaam is geweest in ambtelijke dienst van Suriname, de Nederlandse Antillen, de eilandgebieden der Nederlandse Antillen of het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen, dan wel werkzaam is geweest als leerkracht bij het bijzonder onderwijs in Suriname of de Nederlandse Antillen als bedoeld in artikel 2 van de in Suriname van kracht zijnde \"Pensioenverordening bijzondere onderwijzers 1932\" of in de artikelen 2 van de in de Nederlandse Antillen van kracht zijnde \"Pensioenverordening Bijzonder Onderwijs 1938\" en \"Pensioenregeling personeel R.K. Ambachtsschool \"St. Jozef\" - 2e. voor 1 juni 1967 in die ambtelijke dienst onderscheidenlijk die werkzaamstelling als leerkracht is benoemd in vaste dienst; - 3e. voor die ambtelijke dienst onderscheidenlijk die werkzaamstelling als leerkracht is aangenomen in Nederland en van daar is uitgezonden; - b. \"gepensioneerd ambtenaar\": - 1e. een persoon, als bedoeld onder **a** dan wel een ingevolge het bepaalde in het tweede lid als ambtenaar aangemerkt persoon, die uit een dienstverband als bedoeld onder **a**, 1**e** is ontslagen me"},{"i":423,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 februari 2017, kenmerk 1091652-161004-WJZ, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2016 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2016: **100** 2642 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":467,"b":"Wet van 23 juli 1957, houdende egalisatie en aanpassing van Indonesische pensioenen en daarmede in aard overeenkomende uitkeringen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is door het toekennen van toeslagen de Indonesische pensioenen en daarmede in aard overeenkomende uitkeringen ten laste van Nederland te egaliseren en, mede door het treffen van een nadere regeling met betrekking tot het verlenen van kindertoelage, aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet worden buiten werking gesteld: - a. de wet van 21 december 1951 (**Stb.** 590), houdende toekenning ten laste van het Rijk van een tijdelijke bijslag op bepaalde Indonesische pensioenen, zoals deze is gewijzigd bij de wet van 15 augustus 1955 (**Stb.** 400); - b. de wet van 23 april 1952 (**Stb.** 218), houdende toekenning ten laste van het Rijk van een tijdelijke bijslag op bepaalde Indonesische weduwenpensioenen en wezenonderstanden, zoals deze is gewijzigd bij de wet van 15 augustus 1955 (**Stb.** 400); - c. de Toeslagwet-1954 Indonesische uitkeringen (**Stb.** 1955, 401), ten aanzien van uitkeringen, welke voor een aanpassingstoeslag krachtens deze wet in aanmerking komen. Artikel 2 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. \"Garantiewetten\": de [Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060) en de [Garantiewet Militairen K.N.I.L.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077); - b. \"overheidsdienaren\": - 1. vóór de soevereiniteitsoverdracht in dienst getreden: burgerlijke of militaire landsdienaren van Nederlandsch-Indië (Indonesië), ambtenaren van de zelfstandige gemeenschappen, ingesteld op de voet van de artikelen 119, 121 of 123 der Indi"},{"i":471,"b":"Uitbreiding kring van verzekerden ingevolge de Ziektewet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Gelet op de [artikelen 7, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=7), [8, onder b, 11 en 55, tweede lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=8) en de [artikelen 7, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=7), [7a, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=7a), en [66, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=66), Besluit: Artikel 1 1. Voor de toepassing van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) en de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt als werknemer beschouwd degene, die wegens ziekte niet werkt, doch aan wie geen ziekengeld ingevolge de verplichte verzekering wordt verleend: - a. over de zaterdagen en de zondagen, bedoeld in [artikel 29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=29), dan wel op grond van het bepaalde bij of krachtens [artikel 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=32), of [artikel 32a van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=32a); - b. op grond van [artikel 44, eerste lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=44), mits de periode, waarover op grond van dit artikel geen ziekengeld wordt verleend, voorafgaat aan of een onderbreking vormt van een periode, waarover wel ziekengeld wordt verleend, dan wel volgt op een periode, waarover ziekengeld wordt verleend, en onmiddellijk voorafgaat aan een tijdvak, waarover recht bestaat op arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000252"},{"i":472,"b":"Uitkeringen Ziektewet (ZW) en de Wet arbeid en zorg (WAZ) maandelijks opgeven Inleiding De uitkeringen vanuit de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) (ZW) en de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) (WAZ) moeten vanaf 17 maart 2003 maandelijks via een internetapplicatie worden opgeven. Dit geldt voor alle bevoegde gezagsorganen die voor de salarisverwerking een dienstverleningsovereenkomst met PinkRoccade Public hebben. Het gaat om uitkeringen voor personeel dat wordt gedeclareerd bij het Rijk voor onder meer: De Waz-uitkeringen zijn op 8 augustus 2002 uitgebreid met twee verlofsituaties: Belanghebbenden die in een bovengenoemde situatie verkeren, komen in aanmerking voor een ZW- of Waz-uitkering. Zij moeten hiervoor een verzoek indienen bij UWV-USZO-Heerlen. Deze instantie zorgt voor de uitvoering van de [ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) en de uitbetaling van de uitkeringen. De lasten en de uitvoering van de [ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) worden gefinancierd uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid door middel van de zogenoemde UFO-premie. De werkgever betaalt deze premie aan het fonds en declareert die kosten bij het Ministerie van OCenW, als het om personeel gaat dat door Cfi wordt bekostigd. UWV-USZO betaalt uitkeringen direct of indirect uit aan de werkgever. Het bevoegd gezag declareert de volledige loonkosten van het hierboven genoemde personeel bij het Ministerie van OCenW. Om een dubbele bekostiging te voorkomen moeten de uitkeringen in mindering worden gebracht op de door de werkgever gedeclareerde loonkosten in het kalenderjaar dat deze worden ontvangen. Wijze verrekening uitkeringen Bevoegde gezagsorganen die voor de salarisverwerking een dienstverleningsovereenkomst met PinkRoccade Public hebben moeten de door de school ontvangen uitkeringen met behulp van een internetapplicatie in mindering laten brengen op de maandelijkse bevoorschotting van de salarisk"},{"i":8741,"b":"Notawisseling tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika houdende een verdrag tot uitbreiding van het Verdrag tussen het Koninkijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de status van personeel van de Verenigde Staten in het Caribische deel van het Koninkrijk tot Curaçao Het Ministerie van Buitenlandse Zaken maakt van deze gelegenheid gebruik om de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika opnieuw te verzekeren van zijn zeer bijzondere hoogachting. **Aan de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika** **te ’s-Gravenhage**"},{"i":166,"b":"Besluit op het ter beschikking stellen arbeidskrachten BES Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op het ter beschikking stellen arbeidkrachten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028435); - b. **vergunning:** een vergunning als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028435&artikel=2). Artikel 2 De houder van een vergunning vermeldt in de door hem gevoerde correspondentie het nummer en kenmerk van zijn vergunning en draagt er zorg voor dat de vergunning in zijn vestiging of vestigingen op een voor zowel ter beschikking te stellen arbeidskrachten als ondernemingen die voornemens zijn arbeidskrachten in te lenen gemakkelijk toegankelijke plaats zodanig is opgehangen dat deze duidelijk leesbaar is. Artikel 3 De houder van een vergunning stelt een arbeidskracht ten hoogste gedurende een tijdvak van zes maanden aan dezelfde onderneming ter beschikking. Artikel 4 1. Twee opeenvolgende terbeschikkingstellingen door de houder van een vergunning van dezelfde arbeidskracht aan dezelfde onderneming gelden als één doorlopende terbeschikkingstelling, wanneer de duur van het tussenliggende tijdvak minder dan drie maanden bedraagt. 2. In geval een arbeidskracht aan een onderneming ter beschikking wordt gesteld ter vervanging van een eerder door de houder van een vergunning aan de onderneming ter beschikking gestelde arbeidskracht, gelden beide terbeschikkingstellingen als één doorlopende terbeschikkingstelling, wanneer de duur van het tussenliggende tijdvak minder dan drie maanden bedraagt. Artikel 5 Indien een arbeidskracht door de houder van een vergunning aan een onderneming ter beschikking is gesteld en deze arbeidskracht daarna binnen een tijdvak van drie maanden bij dezelfde onderneming werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, stelt de houder van een vergunning deze arbeidskracht niet binnen een tijdvak van drie maanden na het verstrijken van die duur"},{"i":162,"b":"Besluit van 2 september 1996, houdende aanwijzing van een aantal arbeidsverhoudingen die als dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden beschouwd Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 maart 1996, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/RV/96/554; Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=3); Gezien de adviezen van de Sociaal-Economische Raad (advies van 20 september 1991, nr. 91/19), de Emancipatieraad (advies van 6 september 1991, nr. III/19/91) en de Stichting van de Arbeid (advies van 21 december 1993, nr 10/93); De Raad van State gehoord (advies van 6 mei 1996, No. W12.96.0141); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 augustus 1996, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/RV/96/1264; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder wet: [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638). Artikel 2 Voor de toepassing van het bij of krachtens de wet bepaalde wordt onder dienstbetrekking als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=2) niet verstaan de arbeidsverhouding van degene die krachtens een overeenkomst tegen beloning kinderen opvangt in het kader van gastouderopvang als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.1), waarbij de opvang plaatsvindt op het woonadres van de gastouder. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst. Artikel 3 1. Na een herhaling van een overtreding of soortgelijke overtreding wordt een waarschuwing gegeven als bedoeld in [artikel 18i, eerste lid, va"},{"i":156,"b":"Besluit instelling Commissie grensarbeiders Overwegende dat het wenselijk is te komen tot de instelling van een tijdelijke Commissie grensarbeiders; Besluit: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een tijdelijke Commissie grensarbeiders. Artikel 2 De Commissie grensarbeiders heeft als taak te adviseren over oplossingsrichtingen voor knelpunten waarmee grensarbeiders in de relatie met België en Duitsland kunnen worden geconfronteerd. § 2. Samenstelling en werkwijze Artikel 3 1. Tot lid, tevens voorzitter van de commissie wordt benoemd: - prof. dr. A.C. Rijkers, hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg, 2. Tot lid, tevens secretaris van de commissie wordt benoemd: - mr. P.A.G.M. Cools, Ministerie van Financiën, 3. Tot leden van de commissie worden benoemd: - drs. H.N. de Bruijn, Ministerie van Financiën, - mw. mr. H.W. Zunderman, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, - mr. P.C. de Lange, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, - mr. S.H. Buijze, Belastingdienst Zuidwest, - mw. mr. S.L.C. Geenen, Sociale Verzekeringsbank, - drs. N. Stiemer, College voor Zorgverzekeringen, - G. Essers, FNV, - I.F.I. Cools, Stichting Grensarbeid, - dhr. W.J.A. Debets, Vereniging Europese Grenslandbewoners, - mw. mr. E.A.C de Jong, Euregio Maas-Rijn, Taskforce grensarbeiders - mr. L. Hereman, Organon BioSciences NV, - mw. A.F.M. de Roey, Philips International BV. Artikel 4 Ter uitvoering van haar taak kan de commissie zich door tussenkomst van het ministerie van Financiën tot derden wenden voor het verkrijgen van inlichtingen en die derden zo nodig ter vergadering uitnodigen om hun mening nader uiteen te zetten. Artikel 5 De commissie zal haar bevindingen in een rapport neerleggen. De commissie zal per 1 april 2008 ophouden te functioneren. § 3. Overige bepalingen Artikel 6 De leden van de commissie, voor zover geen ambtenaar, ontvangen vacatiegelden alsmede een vergoeding voor reis- en verblijfskosten volgens de bestaande rijksregelingen, voor zover niet uit ander"},{"i":165,"b":"Besluit ondermandaat ILT-ambtenaren VWS-regelgeving covid-19 Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), [10:11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:11) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel II, tweede lid, van het Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 mei 2021, kenmerk 2361911-1009138-WJZ, houdende aanpassing van het Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2020, kenmerk 1793063-215168-WJZ, houdende aanwijzing van ambtenaren voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid in verband met de bestrijding van de epidemie van covid-19 (Stcrt. 2020, 66366) en het verlenen van mandaat aan de Inspectie Leefomgeving en Transport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045182&artikel=II) (Stcrt. 2021, nr. 28137). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; en - **ondermandaat:** bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen Artikel 2 Aan de in [artikel 1a, eerste lid, van het Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 mei 2021, kenmerk 2361911-1009138-WJZ, houdende aanpassing van het Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2020, kenmerk 1793063-215168-WJZ, houdende aanwijzing van ambtenaren voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid in verband met de bestrijding van de epidemie van covid-19 (Stcrt. 2020, 66366) en het verlenen van mandaat aan de Inspectie Leefomgeving en Transport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044481&artikel=1a) (Stcrt. 2021, nr. 28137) bedoelde ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Tr"},{"i":13698,"b":"Intrekkingsbesluit regelingen Mondriaan Fonds Artikel 1 De in onderstaande opsomming onder **a** tot en met **q** genoemde reglementen, regelingen, deelregelingen en besluiten komen te vervallen, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op alle vóór 1 januari 2017 ingediende aanvragen. - a. [Herziene regeling financiële ondersteuning activiteitenprogramma’s kunstenaarsinitiatieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016251) - b. [Huishoudelijk Reglement Mondriaan Stichting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017199) - c. [Regeling beeldende kunst en cultureel erfgoed](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025011) - d. [Regeling financiële ondersteuning galeries voor deelname aan internationale kunstbeurzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014170) - e. [Regeling internationale activiteiten beeldende kunst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029583) - f. [Regeling ondersteuning uitwisseling Nederlandse Antillen en Aruba en Nederland en andere landen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025013) - g. [Tijdelijk addendum Regeling financiële ondersteuning tijdschriften op het gebied van beeldende kunst en vormgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016253) - h. [Tijdelijke Regeling Herinnering Slavernijverleden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032668) - i. [Tijdelijke regeling financiële ondersteuning inventariseren, verzamelen en toegankelijk maken cultureel erfgoed minderheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013324) - j. [Wijzigingsbesluit Algemeen Reglement financiële ondersteuning projecten en Huishoudelijk Reglement van de Mondriaan Stichting (vaststellen termijn indienen aanvragen en vervaldatum)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032153) - k. [Wijzigingsbesluit Regeling Stimuleringssubsidies 2 (vaststellen termijn voor het indienen van aanvragen en vervaldatum)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031754) - l. [Wijzigingsbesluit Regeling beeldende kunst, vormgeving, cultureel erfgoe"},{"i":8744,"b":"Onderlinge Overeenkomst inzake de uitvoering van artikel 25, vijfde lid De bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen „Nederland”) en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna te noemen „het Verenigd Koninkrijk”) hebben de volgende onderlinge overeenkomst bereikt tot vaststelling van de wijze van toepassing van de arbitrageprocedure voorzien in [artikel 25, vijfde lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003074&artikel=25) (hierna te noemen „[het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003074)”), ondertekend te Londen op 26 september 2008. De bevoegde autoriteiten kunnen deze overeenkomst wijzigen of aanvullen door middel van een onderlinge notawisseling. This agreement applies to any request for arbitration made pursuant to [paragraph 5 of Article 25 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003074&artikel=25) after that provision has become effective. DONE at London / the Hague on the 26th of September / 2nd of October 2008, in duplicate, in the English language. **For the Competent Authority of the Kingdom of the Netherlands** LEO ZULIANI **For the Competent Authority of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland** ANDREW DAWSON"},{"i":5712,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 februari 2022, DE/30284427, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor gender- en LHBTI+-gelijkheid (Subsidieregeling gender- en LHBTI+-gelijkheid 2022–2027) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.2) en [1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **alliantie:** alliantie als bedoeld in [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046320&hoofdstuk=2&artikel=2.3&z=2023-08-01&g=2023-08-01); - **alliantiesubsidie:** instellingssubsidie voor een alliantie waarmee een strategisch partnerschap is aangegaan; - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **gendergelijkheid:** gelijke behandeling, gelijke rechten en gelijke kansen voor vrouwen, mannen en non-binaire personen in de Nederlandse samenleving; - **instellingssubsidie:** instellingssubsidie als bedoeld in [artikel 1.1 van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.1); - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **LHBTI+:** lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgender personen, intersekse personen en personen en groepen die een andere, niet in voorstaande termen genoemde seksuele oriëntatie of genderidentiteit beleven of tot uiting willen brengen, waaronder zij die zich als non-binair, queer of aseksueel beschouwen en benoemen; - **LHBTI+-gelijkheid:** gelijke behandeling, gelijke rechten en gelijke kansen voor iedereen in de Nederlandse samenleving, ongeacht seksuele oriëntatie, genderidentite"},{"i":5680,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 29 november 2014, nr. PO/643040, houdende regels met betrekking tot het verlenen van subsidie aan toetsaanbieders (Subsidieregeling andere eindtoetsen PO) Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [artikel 10 van het Toetsbesluit PO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035216&artikel=10), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - b. **doorstroomtoets:** doorstroomtoets als bedoeld in [artikel 45b, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=45b), - c. **subsidieontvanger:** rechtspersoon die een doorstroomtoets uitgeeft waarvan het gebruik op grond van [artikel 45b, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=45b) is toegestaan, - d. **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), - e. **bevoegd gezag:** bevoegd bezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), - f. **leerling:** leerling van een school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), - g. **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen. Artikel 2. Subsidievoorwaarden 1. De minister verstrekt subsidie aan de subsidieontvanger voor het aanbieden van een"},{"i":6441,"b":"Besluit van 3 januari 2007, houdende wijziging van het Besluit naturalisatietoets, het Besluit inburgering en het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap in verband met de invoering van de Wet inburgering en de aanwijzing van het inburgeringsexamen als naturalisatietoets in Nederland Op de voordracht van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 8 november 2006, Directie Wetgeving, nr. 5451568/06/6; Gelet op de [artikelen 8, eerste lid, aanhef en onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), en [23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 24 november 2006, nr. W03.06.0475/I/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering van 21 december 2006, Directie Wetgeving, nr. 5458170/06/6; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit naturalisatietoets. Artikel II Wijzigt het Besluit inburgering. Artikel III Wijzigt het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap. Artikel IV Het certificaat, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) zoals dit luidde voor 1 april 2007, met daarop de aantekening dat de verzoeker beschikt over de vereiste kennis van de Nederlandse taal, toont aan dat de verzoeker beschikt over de vereiste kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8). Artikel V Dit besluit is van toepassing op verzoeken om verlening van het Nederlanderschap die op of na 1 april 2007 zijn ingediend. Artikel VI Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2007. Lasten en bevelen dat dit besluit met d"},{"i":257,"b":"Financiële arbeidsvoorwaarden per 1 maart 2003 Inleiding Op 9 mei j.l is het onderhandelaarsakkoord over de CAO sector onderwijs (PO en VO), dat op 1 april jl. is afgesloten voor de sectoren primair onderwijs (PO) en voortgezet onderwijs (VO), omgezet in een definitief akkoord. Dit akkoord zal verder worden aangehaald als: CAO sector onderwijs (PO en VO) 2003. In deze publicatie worden de afspraken uit de CAO sector onderwijs (PO en VO) 2003 bekendgemaakt, die met ingang van 1 februari 2003 voor het primair en voortgezet onderwijs gelden. Vanaf 1 februari j.l is het arbeidsvoorwaardenoverleg voor de BVE-sector gedecentraliseerd. Vanaf genoemde datum gaat voor deze sector een volledig decentraal afgesloten CAO gelden. De in de CAO sector onderwijs (PO en VO) 2003 gemaakte afspraken gelden dus niet meer voor de sector Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie (BVE). De CAO sector onderwijs 2003 is afgesloten voor de periode 1 februari 2003 tot 1 januari 2004 en bevat de volgende financiële arbeidsvoorwaardelijke maatregelen: Tevens zijn specifieke maatregelen afgesproken, zoals: Daarnaast zijn er sectorspecifieke maatregelen afgesproken. Voor de sector PO bestaan die uit: Om het werken op achterstandscholen in de sector VO te stimuleren wordt als impuls het schoolbudget voor het VBMO verruimd, waardoor extra ruimte wordt gecreëerd voor functiedifferentiatie (extra schalen LC en LD). Over deze (sector-)specifieke maatregelen wordt u via aparte publicaties nader geïnformeerd. 1. Algemene salarismaatregel met ingang van 1 maart 2003 Vanaf 1 maart 2003 zullen de salarissen en aan de salarisverhoging gerelateerde bedragen, zoals toelagen, worden verhoogd met 2,25%. In [Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015072&bijlage=II&z=2003-06-11&g=2003-06-11) treft u een overzicht aan van de nieuwe bedragen die gelden voor de sector PO en in [Bijlage III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015072&bijlage=III&z=2003-06-11&g=2003-06-11) de bedragen die gelden voor"},{"i":6748,"b":"Wet van 12 juni 2013 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, het Burgerlijk Wetboek, de Wet op de economische delicten en enige fiscale wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) Nr. 1060/2009 en (EU) Nr. 1095/2010 (PbEU 2011, L 174) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [richtlijn nr. 2011/61](32011L0061)/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de [Richtlijnen 2003/41/EG](32003L0041) en [2009/65/EG](32009L0065) en van de Verordeningen [(EG) Nr. 1060/2009](32960L2009) en (EU) Nr. [1095/2010](32995L2010) (PbEU 2011, L 174) welke voorziet in een geharmoniseerd kader voor de vergunningverlening aan en het toezicht op beheerders van beleggingsinstellingen en beoogt de desbetreffende risico's en de gevolgen ervan voor de beleggers en markten in de Europese Unie op samenhangende wijze aan te pakken, in Nederland dient te worden geïmplementeerd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel IIa Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel IIb Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel V Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VI Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VII 1. [Artikel 2:65 van de Wet op het financieel toezic"},{"i":3643,"b":"Besluit van 15 juni 2018 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit bezoldiging politie in verband met de invoering van een stelsel van levensfase-uren (Besluit levensfase-uren politie) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 19 september 2017, nr. 2129661; Gelet op [artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=47); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 november 2017, nummer W03.17.0314/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 8 juni 2018, nummer 2274782; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie. Artikel II Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit levensfase-uren politie. Artikel IV 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2019. 2. In afwijking van het eerste lid treedt van het [artikel I, onderdeel G, het artikel 30e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041113&artikel=I&z=2019-07-01&g=2019-07-01), in werking met ingang van 1 januari 2019. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6152,"b":"Besluit van 14 november 2017, houdende regels inzake nieuwe voedingsmiddelen en genetisch gemodificeerde levensmiddelen (Warenwetbesluit nieuwe voedingsmiddelen en genetisch gemodificeerde levensmiddelen) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 september 2017, kenmerk 1234644-167880-VGP; Gelet op verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie (PbEU 2015, L 327), alsmede op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [8, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), en [32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 oktober 2017, no.W13.17.0324/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 9 november 2017, 1234635-167880-VGP; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel D, van de Wijzigingswet Warenwet (verhogen maximum bedrag bestuurlijke boete enz.) (Stb. 2015/235) in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **verordening (EU) 2015/2283:** verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 258/97](31997R0258) van het Europees Parlement en de Raad en [Verordening (EG) nr. 1852/2001](32001R1852) van de Commissie (PbEU 2015, L 327); - b. **verordening (EG) 1829/2003:** [vero"},{"i":7231,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en van schenkingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Oostenrijk, Geleid door de wens dat door beide Staten een verdrag wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en van schenkingen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Nalatenschappen, verkrijgingen krachtens erfrecht en schenkingen waarop het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing: - a. op nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht van personen die ten tijde van hun overlijden inwoner waren van een of van beide Verdragsluitende Staten, en - b. op schenkingen gedaan door personen die ten tijde van de schenking inwoner waren van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en van schenkingen, die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht worden beschouwd alle belastingen die ter zake van overlijden worden geheven in de vorm van belastingen over de nalatenschap in haar geheel, van belastingen over verkrijgingen krachtens erfrecht, van rechten van overgang of van belastingen over schenkingen in verband met overlijden. Als belastingen van schenkingen worden beschouwd alle belastingen die over overgangen onder de levenden worden geheven, uitsluitend omdat"},{"i":5929,"b":"Toezichtkader CO-stelsel 1. Inleiding Dit toezichtkader bevat een algemene toelichting op de toezichttaak van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) ten aanzien van het stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (CO-stelsel) en op de wijze waarop de TloKB invulling geeft aan deze taak. Dit toezichtkader maakt onder andere gebruik van de ex ante evaluatie die de TloKB heeft laten uitvoeren in 2022 en van eerdere publicaties, zoals jaarplannen en jaarverslagen van de TloKB. 1.1. Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw De TloKB is een zelfstandig bestuursorgaan en heeft hoofdtaken ten aanzien van drie stelsels: kwaliteitsborging bouw, erkende kwaliteitsverklaringen en werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. 1.1.1. Kwaliteitsborging voor het bouwen Met het oog op verbetering van de bouwkwaliteit regelt de [Wet kwaliteitsborging voor het bouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042732) (Wkb) een aantal taken voor de TloKB. Zij laat enerzijds instrumenten voor kwaliteitsborging (Wkb-instrumenten) toe tot het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen (het Wkb-stelsel). Anderzijds houdt de TloKB toezicht op de aanbieders van toegelaten Wkb-instrumenten, de toepassing van deze Wkb-instrumenten door kwaliteitsborgers en op het functioneren van het stelsel van kwaliteitsborging. De TloKB houdt een openbaar register bij van de toegelaten instrumenten, de instrumentaanbieders en de kwaliteitsborgers. Voor haar dienstverlening (toelating, registratie en toezicht) stelt de TloKB tarieven vast. De TloKB heeft een voorlichtingstaak in de toepassing van de regels met betrekking tot de toelating van instrumenten. Tot slot monitort en evalueert de TloKB het functioneren van het Wkb-stelsel en brengt hierover verslag uit aan de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO). 1.1.2. Erkende kwaliteitsverklaringen Een Erkende Kwaliteitsverklaring (EKV) is een door de Minister voor VRO erkende verklari"},{"i":5970,"b":"Besluit van 13 oktober 2021 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten ter uitvoering van drie Europese verordeningen in het kader van het herstel van de COVID-19-crisis (Uitvoeringsbesluit kapitaalmarkten herstelpakket I) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 25 augustus 2021, 2021-0000155699, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2021/337](32237R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot wijziging van [Verordening (EU) 2017/1129](33029R2017) wat betreft het EU-herstelprospectus en gerichte aanpassingen voor financiële tussenpersonen en [Richtlijn 2004/109/EG](32004L0109) wat betreft het gebruik van het uniform elektronisch verslagleggingsformaat voor jaarlijkse financiële overzichten om het herstel van de COVID-19-crisis te ondersteunen (PbEU 2021, L 68), [Verordening (EU) 2021/557](32457R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2021 tot wijziging van [Verordening (EU) 2017/2402](32402R2017) tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie om bij te dragen aan het herstel van de COVID-19-crisis (PbEU 2021, L 116) [Verordening (EU) 2021/558](32458R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2021 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft aanpassingen aan het securitisatiekader ter ondersteuning van het economisch herstel in respons op de COVID-19-crisis (PbEU 2021, L 116) en de [artikelen 1:3a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:3a), [1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), en [1:81 va"},{"i":7387,"b":"Wet van 11 december 2008 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van Richtlijn 2006/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG, 86/635/EEG en 91/674/EEG betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening (PbEU L 224) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is [boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045) aan te passen aan [Richtlijn 2006/46/EG](32006L0046) van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006, tot wijziging van de [Richtlijnen 78/660/EEG](31978L0660) van de Raad betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, [83/349/EEG](31983L0349) van de Raad betreffende de geconsolideerde jaarrekening, [86/635/EEG](31986L0635) van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen en [91/674/EEG](31991L0674) van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen (PbEU L 224); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II De artikelen van deze wet zijn van toepassing op jaarrekeningen en jaarverslagen die worden opgesteld over de boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2008. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5975,"b":"Besluit van 1 oktober 2007, houdende uitvoering van titel 7.5 (Pacht) van het Burgerlijk Wetboek, de Uitvoeringswet grondkamers en de Wet op de rechterlijke organisatie (Uitvoeringsbesluit pacht) Hoofdstuk 1. Uitvoering van [artikel 393, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=393) Hoofdstuk 1. Uitvoering van [artikel 393, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=393) Paragraaf 1. Rechtsgebied grondkamers Paragraaf 2. Tarieven grondkamers en Centrale Grondkamer Paragraaf 3. Reglement voor de grondkamers en de Centrale Grondkamer Paragraaf 4. Vergoedingen voor de grondkamers en de Centrale Grondkamer Artikel 44 1. Voor het deelnemen aan een zitting en het bijwonen van een vergadering van de grondkamer wordt aan de plaatsvervangende voorzitter, de leden, de plaatsvervangende leden en de plaatsvervangende secretaris een vergoeding toegekend van € 67,– per 1 januari 2025: € 101,– per uur. 2. De in het vorige lid bedoelde vergoedingen worden evenwel niet toegekend, indien de daar genoemde personen bij het Rijk of als rechterlijk ambtenaar een bezoldigd ambt bekleden of betaalde functie uitoefenen, voor zover Onze Minister van Economische Zaken niet anders bepaalt. 3. Aan een plaatsvervangende voorzitter die wegens afwezigheid, belet of ontstentenis van de voorzitter diens werkzaamheden volledig waarneemt, kan, indien hij niet bij het Rijk of als rechterlijk ambtenaar een bezoldigd ambt bekleedt of betaalde functie uitoefent, door Onze Minister van Economische Zaken tot wederopzegging een bezoldiging worden toegekend overeenkomstig de voor de voorzitter vastgestelde bezoldiging. 4. Aan een plaatsvervangend secretaris die wegens afwezigheid, belet of ontstentenis van de secretaris diens werkzaamheden volledig waarneemt, kan, indien hij niet bij het Rijk of als rechterlijk ambtenaar een bezoldigd ambt bekleedt of betaalde functie uitoefent, door"},{"i":5619,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA gastoestellen (IB03-SPEC 55, versie 02) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [artikel 13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA gastoestellen beschrijft de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen in het subdomein gastoestellen en geeft daarmee invulling aan het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. Begrippen 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). 2.2. Wettelijke basis Op het werkterrein gastoestellen gelden nationale en Europese regels. De wettelijke basis voor het specifiek interventiebeleid is: 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van de overtreding Overtredingen worden ingedeeld naar de klassen zoals gedefinieerd in het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.o"},{"i":3495,"b":"Besluit van 22 december 1956, houdende uitvoering van artikel 9 van de Instellingswet Produktschap voor Vis en Visprodukten Op de voordracht van Onze Ministers voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken van 5 september 1956, nummer B 4928, Dir. W.J.A.; Overwegende, dat het wenselijk is te bepalen in welke gevallen Onze Minister van Economische Zaken voor de toepassing van de [Instellingswet Productschap voor Vis en Visproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002220) (**Stb.** 1956, 332) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104) (**Stb.** 1950, K 22) ten aanzien van het Productschap voor Vis en Visproducten mede als betrokken Minister wordt aangemerkt; Gelet op artikel 9 van eerstgenoemde wet; De Raad van State gehoord (advies van 2 oktober 1956, nummer 23); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie en van Onze Ministers van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken van 14 december 1956, nummer U 51, Afdeling Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van de Instellingswet Produktschap voor Vis en Visprodukten (**Stb.** 1956, 332) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104) (**Stb.** 1950, K 22) ten aanzien van het Productschap voor Vis en Visproducten wordt Onze Minister van Economische Zaken mede als betrokken Minister aangemerkt voor zoveel"},{"i":5493,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 november 2022, kenmerk 3442101-1036920-Z, houdende regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2023 (Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2023) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4) en de [artikelen 18d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d), en [18e, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18e); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=1), bedraagt voor het berekeningsjaar 2023 € 1.889. Artikel 2 Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2023. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":473,"b":"Uitvoeringsbeschikking artikel 11a der Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 Gelet op [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002814&artikel=3&z=2011-01-01&g=2011-01-01), van het Koninklijk besluit van 21 februari 1972 (Stb. 99), houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 11a van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. 1947, H 313), Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - **‘de wet’:** de [Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) (Stb. 1977, 493); - **‘de belanghebbende’:** de deelnemer aan het verzet in de zin der wet; - **‘de Raad’:** de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); - **‘de Sociale verzekeringsbank’:** de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6). Artikel 2 1. De vergoeding ter zake van kosten van behandeling en verpleging, bedoeld in [artikel 11a der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=11a) en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002801&artikel=3) en [5 van het Koninklijk besluit van 21 februari 1972](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002801&artikel=5) (Stb. 99) wordt aan de belanghebbende uitbetaald na overlegging van een rekening betreffende die behandeling en verpleging. Deze rekening dient vóór het einde van het jaar, volgende op dat, waarin de kosten de belanghebbende in rekening zijn gebracht of de uitgaven door hem zijn gedaan, op de door de Sociale verzekeringsbank aan te geven wijze bij hem te worden ingediend. 2. Indien de belanghebbende de rekening niet zelf voldoet, wordt de vergoeding uitbetaald aan degene, die de behandeling en verpleging heeft verstrekt dan wel te wiens laste deze"},{"i":2399,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 september 2023, nr. IENW/BSK-2023/266714, houdende vaststelling van regels wat betreft de compensatie van eigenaren en gebruikers van bijzondere bromfietsen van het merk Stint voor schade die samenhangt met de schorsing en intrekking van de aanwijzing van dit voertuig (Beleidsregel compensatie eigenaren en gebruikers Stint) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); BESLUIT: Artikel 1. (Begripsbepalingen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - −. **aangewezen type:** het type bijzondere bromfiets, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), van het merk Stint met een elektromotor DC 800 Watt dat bij het aanwijzingsbesluit door de Minister is aangewezen voor toelating tot het verkeer op de weg; - −. **aanschafprijs:** aanschafprijs van Stint of startset vermeld op de aankoopfactuur van die aanschaf of ander bewijsstuk als bedoeld in [artikel 4, derde lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048692&artikel=4&z=2023-10-03&g=2023-10-03), inclusief BTW; - −. **aanvrager:** de gebruiker die op grond van deze beleidsregel een aanvraag heeft ingediend; - −. **aanwijzingsbesluit:** beschikking van de Minister van 14 november 2011 (Stcrt. 2012, 6543) waarbij het aangewezen type door de Minister is aangewezen voor toelating tot het verkeer op de weg; - −. **compensatie:** schadevergoeding vanwege het onrechtmatige aanwijzingsbesluit of tegemoetkoming in de schade vanwege het niet meer kunnen gebruiken van een niet aangewezen type, bestaande uit waardevermindering of gevolgschade; - −. **gebruiker:** particulier of onderneming die op de datum van in werking treden van het schorsingsbesluit aantoonbaar een Stint of startset in eigendom of feitelijk in gebruik had, niet zijnde de fabrikant, c.q. houder"},{"i":7883,"b":"Besluit vaststelling selectielijst De Nederlandsche Bank Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van De Nederlandsche Bank N.V. en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijsten worden ingetrokken: - •. De [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035521) voor de neerslag van het handelen van De Nederlandsche Bank met betrekking tot En van het handelen van de Bankraad van (1948) 1992 tot 1999. (Staatscourant nr. 25072 d.d. 8 september 2014) - ○. de inrichting en organisatie als centrale bank vanaf 1992; - ○. monetaire autoriteit van 1992 – 1999; - ○. op het beleidsterrein betalingsverkeer vanaf 1992; - ○. ten aanzien van wetenschappelijk onderzoek vanaf 1983, en - ○. statistiek vanaf 1992. - •. [Selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027524) van de handelingen van De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Beleggerscompensatiefonds op de terreinen van toezicht op het kredietwezen, het effectenverkeer, de regeling en het besluit particuliere participatiemaatschappijen en het bevorderen van de integriteit van het financiële stelsel. (Staatscourant nr. 5874 d.d. 19 april 2010) Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":6180,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 december 2005, nr. VGP/VL 2642637, houdende de Warenwetregeling taakverdeling toezichthouders Warenwet voor levensmiddelen Handelende in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en van Financiën; Gelet op [artikel 25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), en [artikel 25a, vierde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25a); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **verordening (EG) 852/2004**: [verordening (EG) nr. 852/2004](32004R0852) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PbEU L 139 en L 226); - b. **verordening (EG) 853/2004**: [verordening (EG) nr. 853/2004](32004R0853) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU L 139 en L 226); - c. **NVWA**: de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - d. **het COKZ:** de stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken; - e. **primaire bedrijven**: inrichtingen waarop bijlage I van [verordening (EG) 852/2004](32004R0852) van toepassing is met uitzondering van zuivelinrichtingen en ei- en eiproducteninrichtingen; - f. **zuivelinrichtingen:** - –. inrichtingen waarop de voorschriften opgenomen in bijlage III, sectie IX, van [verordening (EG) 853/2004](32004R0853) van toepassing zijn; of - –. inrichtingen waar rauwe melk, colostrum, zuivelproducten of producten op basis van colostrum al dan niet geconditioneerd worden opgeslagen of verhandeld; - g. **ei- en eiproducteninrichtingen:** - –. inrichtingen waarop de voorschriften opgenomen in bijlage III, sectie X, van [verordening (EG) 853/2004](32004R0853) van toepassing zijn; of - –. inrichtingen waar eieren of eiproducte"},{"i":5259,"b":"Regeling aanwijzing niet c.e.-stof profielen 2008 en 2009 Gelet op: Regeling aanpassing verlichtingsmaatregelen profielen havo/vwo, VO/BOB-2001/29277, Gele katern 2001, 18a; [Regeling profielen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011237), Gele katern 2000, 9 en Het [Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o., artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004593&artikel=39) Besluit: Artikel 1. Aanwijzing vwo Bij de centrale examens vwo van 2008 respectievelijk 2009 worden geen vragen gesteld over de domeinen, dan wel subdomeinen, genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024728&bijlage=1&z=2006-01-01&g=2006-01-01). Artikel 2. Aanwijzing havo Bij de centrale examens havo van 2008 worden geen vragen gesteld over de domeinen, dan wel subdomeinen, genoemd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024728&bijlage=2&z=2006-01-01&g=2006-01-01). Artikel 3. Keuzedomeinen centraal examen Bij de centrale examens van 2007, 2008 en 2009 heeft het centraal examen betrekking op de Domeinen zoals genoemd in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024728&bijlage=3&z=2006-01-01&g=2006-01-01). Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2006 Artikel 5. Bekendmaking Deze regeling wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Daarnaast wordt zij geplaatst op de internetsite www.cfi.nl van CFI, Agentschap van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 6. Citeertitel Deze regeling kan worden aangehaald als de Regeling aanwijzing niet c.e.-stof profielen 2008 en 2009. Bijlage 1. Domeinen c.q. subdomeinen waarover op het centraal examen vwo in 2008 respectievelijk 2009 geen vragen worden gesteld 1. Wiskunde A1 2008 en 2009 Domein Ea, Grafen en Matrices (109-121) **N.b. uit de Regeling profielen 2000 worden tevens de volgende passages geciteerd, onder het kopje Permanente aanpassing:** **Domein Bg, Functies en grafieken** Domein Cg, discrete analyse Domein Fa: Statistiek en kansre"},{"i":5648,"b":"Besluit van 19 februari 2005, houdende nadere regels met betrekking tot de verstrekking van subsidies door de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking (Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken) Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 22 juli 1999, nr. DJZ/BR/1257-99, gedaan mede namens Onze Minister voor Ontwikkelingssamenwerking; Gelet op [artikel 3, eerste en tweede lid, van de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010178&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 11 november 1999, nr. W02.99.0422/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 11 februari 2005, nr. DJZ/BR/0074-05, uitgebracht mede namens Onze Minister voor Ontwikkelingssamenwerking; Hebben goedgevonden en verstaan: Afdeling 1. Algemeen Paragraaf 1. Begripsomschrijving; reikwijdte Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. activiteitensubsidie: subsidie ten behoeve van activiteiten, gericht op vooraf omschreven doelstellingen en resultaten; - b. instellingssubsidie: subsidie ten behoeve van de integrale kosten van de werkzaamheden van een instelling; - c. verstrekking: verlening, dan wel ingeval de subsidie direct wordt vastgesteld, vaststelling. Artikel 2 Subsidie kan worden verstrekt voor bij ministeriële regeling aangeduide activiteiten. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de in dit besluit geregelde onderwerpen en kunnen de bedragen, genoemd in dit besluit, worden gewijzigd. Artikel 3 Vervallen Paragraaf 2. Subsidieontvangers Artikel 4 1. Subsidie wordt slechts verstrekt aan rechtspersonen waarvan de statutaire doelstelling past binnen het doel van de subsidieverstrekking, die: - a. in staat zijn tot een adequaat financieel beheer en - b. door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot activiteiten als waarvoor subsidie wordt gevraagd, een doelgerichte e"},{"i":474,"b":"Besluit van 30 mei 1949, tot intrekking van het Koninklijk besluit van 13 Juli 1934, Staatsblad No. 368 (Arbeidsovereenkomstenbesluit Raden van Arbeid) en vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 47 der Wet op de Rijksverzekeringsbank en de Raden van Arbeid, Staatsblad 1933, No. 598, ter vervanging van het Koninklijk besluit van 2 Januari 1925, Staatsblad No. 1, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 50, eerste lid, der Radenwet Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken van 1 April 1949, No. 1611, Afdeling Sociale Verzekering; Gelet op artikel 47 der Wet op de Rijksverzekeringsbank en de Raden van Arbeid, **Staatsblad** 1933, No. 598; De Raad van State gehoord (advies van 26 April 1949, No. 39); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 21 Mei 1949, No. 2251, Afdeling Sociale Verzekering; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het Koninklijk besluit van 13 Juli 1934, **Staatsblad** No. 368, tot vaststelling van bepalingen betreffende indienstneming door de Raden van Arbeid van personeel op arbeidsovereenkomst (Arbeidsovereenkomstenbesluit Raden van Arbeid) wordt ingetrokken. 2. In verband met het bepaalde in het eerste lid vervallen de besluiten van de Secretaris-Generaal van het Departement van Sociale Zaken van 8 September 1943 (**Nederlandse Staatscourant** 1943, No. 206) en van 17 Juni 1944 (**Nederlandse Staatscourant** 1944, No. 166). Artikel 2 Het Koninklijk besluit van 2 Januari 1925, **Staatsblad** No. 1, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, der Radenwet, wordt ingetrokken. Artikel 3 Een regeling, door de Raad van Arbeid ingevolge artikel 47, eerste lid, der Wet op de Rijksverzekeringsbank en de Raden van Arbeid, **Staatsblad** 1933, No. 598, vastgesteld, mag voor het personeel van die Raad niet gunstiger zijn dan de dienovereenkomstige regeling, geldende voor het personeel, werkzaam bij of on"},{"i":6212,"b":"Wet van 29 juni 2000 tot gemeentelijke herindeling in de Over-Betuwe Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling in de Over-Betuwe te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Bemmel, Elst, Gendt, Heteren, Huissen en Valburg opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling worden de nieuwe gemeenten Overbetuwe en Bemmel ingesteld. Artikel 3 De nieuwe gemeente Bemmel bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Bemmel, Gendt en Huissen en de nieuwe gemeente Overbetuwe bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Elst, Heteren en Valburg, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Bemmel respectievelijk de nieuwe gemeente Overbetuwe worden de op te heffen gemeente Bemmel respectievelijk de op te heffen gemeente Elst aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Bemmel, Gendt en Huissen respectievelijk de op te heffen gemeenten Elst, Heteren en Valburg worden de nieuwe gemeente Bemmel respectievelijk de nieuwe gemeente Overbetuwe aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://we"},{"i":476,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 30 augustus 2013, nr. 413922, DGPolitie/Programma Arbeidsvoorwaarden, voor de uitvoering van een regeling met betrekking tot voorzieningen in plaats van levensloopbijdragen voor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte ambtenaren bij de politie Gelet op [artikel 12f, zesde lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=12f); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 12f, eerste lid, van het Bbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=12f); - b. **Barp:** het [Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516); - c. **Bbp:** het [Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517); - d. **bevoegd gezag:** het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Bbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - e. **levensloopbijdragen:** de algemene levensloopbijdrage, de toelage bezwarende functies en de inhaaltoelage bezwarende functies, bedoeld in de [artikelen 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=12b), [12c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=12c) en [12d van het Bbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=12d); - f. **uurloon:** het salaris per uur, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Bbp; - g. **WAO:** [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - h. **WIA:** [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057). Artikel 2 1. De ambtenaar die gebruik maakt van de in [artikel 12f, tweede lid, van het Bbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=12f) genoemde keuzemogelijkheden, stelt het bevoegd gezag schriftelijk van diens keuze op de hoogte: - a. voor 1 januari 2014 voor zover het betreft de eenmalig keuze, bedoeld i"},{"i":5128,"b":"Premieheffing, gevolgen arrest Nikula voor de berekening van ziektekostenpremies van dubbelgepensioneerden Directoraat-Generaal Belastingdienst, Team Internationaal belastingrecht De staatssecretaris van Financiën heeft, na overleg met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het volgende besloten. In dit besluit worden de gevolgen beschreven van het arrest Nikula voor de berekening van ziektekostenpremies van dubbelgepensioneerden. 1. Inleiding Op 10 juli 2009 heeft Hof Den Bosch1Hof Den Bosch 10 juli 2009, nr. 08/00398, LJN: BJ5960. uitspraak gedaan in een procedure waarbij een zogenoemde dubbelgepensioneerde, die in Nederland woont, een beroep deed op het arrest Nikula2Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 18 juli 2006, nr. C-50/05. . Het Hof heeft bepaald dat het bedrag aan Nederlandse ziektekostenpremies niet hoger mag zijn dan het brutobedrag van het Nederlandse wettelijke pensioen dat is uitbetaald. Ik heb besloten me bij deze uitspraak neer te leggen. In dit besluit wordt toegelicht wat de gevolgen van deze rechtspraak zijn voor de berekening van ziektekostenpremies. 2. Arrest Nikula In het arrest Nikula heeft het Hof van Justitie EG bepaald dat artikel 33, eerste lid, van [Verordening (EEG) nr. 1408/71](31971R1408) (hierna: Vo. 1408/71) meebrengt dat een lidstaat bij de grondslag voor heffing van bijdragen of premies voor de ziektekostenverzekering rekening mag houden met pensioenen uit een andere lidstaat, maar dat de bijdrage of premie niet hoger mag zijn dan de in de lidstaat, waar de betrokkene woont, uitgekeerde pensioenen. Artikel 33, eerste lid, Vo. 1408/71 vindt, voor zover van belang voor de premie- en bijdrageheffing, toepassing in de situatie dat betrokkene als inwoner van Nederland ingevolge artikel 27 Vo. 1408/71 als gerechtigde tot zowel een Nederlands wettelijk pensioen als tot een wettelijk pensioen van een andere lidstaat, recht heeft op prestaties met betrekking tot ziekte en moederschap volgens de Nederlandse wettelijk"},{"i":7828,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Nederlandsche Bank N.V., Commissie van Advies inzake Zuivering Personeel, 1945 – 1946 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 14 augustus 2017 met kenmerk 1218035 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van: **Archief van de Nederlandsche Bank N.V., de Commissie van Advies inzake Zuivering Personeel, 1945 – 1946** Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | **Inventarisnummers:** | **Beperkt openbaar tot 1 januari:** | | --- | --- | | **2642** | **2022** | | **2644** | **2022** | | **2645** | **2025** | | **2646** | **2023** | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040093&artikel=1&z=2017-10-24&g=2017-10-24) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040093&artikel=1&z=2017-10-24&g=2017-10-24), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van Archief van de Nederlandsche Bank N.V., de Commissie van Ad"},{"i":6333,"b":"Wet van 18 april 2002 tot samenvoeging van de gemeenten Oss en Ravenstein Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Oss en Ravenstein samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Oss en Ravenstein opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Oss ingesteld. Artikel 3 De nieuwe gemeente Oss bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Oss en Ravenstein, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Oss wordt de op te heffen gemeente Oss aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Oss en Ravenstein wordt de nieuwe gemeente Oss aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. de [artikelen 44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718), en [45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen; - d. [artikel 48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":5686,"b":"Subsidieregeling beroepsopleiding sociaal advocaten 2025 gelet op [artikel 37b, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b), waarin is bepaald dat het bestuur van de Raad ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand subsidie kan verstrekken voor bijzondere doeleinden en projecten, besluit: de volgende subsidieregeling vast te stellen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze subsidieregeling wordt verstaan onder: - a. **de aanvrager:** de patroon van de advocaat-stagiaire; - b. **de advocaat-stagiaire:** een advocaat in opleiding, zoals bedoeld in [artikel 9b, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9b) en [artikel 1.1 van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=1.1) (Voda); - c. **de beroepsopleiding:** de beroepsopleiding advocaten, zoals bedoeld in [afdeling 3.2. van de Voda](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&afdeling=3.2) en [artikel 9c, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9c); - d. **het bestuur:** het bestuur van de Raad, bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - e. **de overeenkomst:** de voor de stage relevante overeenkomst(en) met de patroon of zijn kantoor, waaronder de arbeidsovereenkomst en/of de stageovereenkomst en/of de samenwerkingsovereenkomst, zoals bedoeld in [artikel 3.5, tweede lid, van de Voda](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.5) en uitgewerkt in de Beleidsregels stage en patronaat van de raden van de orde van advocaten in de arrondissementen; - f. **de Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - g. **de patroon:** de advocaat onder wiens begeleiding de advocaat-stagiaire de praktijk uitoefent, zoals bedoeld in [artikel 1.1 van de Voda](https://wetten.overhe"},{"i":5230,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 19 februari 2016, nr. WJZ/15160129, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het voorjaar van 2016 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2016) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [27, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [43a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=43a), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=45), [47, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&ar"},{"i":955,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, houdende vaststelling van het tarief van de heffing inzake export van groenten en fruit naar Japan en Taiwan (Besluit PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2005) gelet op [artikel 4 van de Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016969&artikel=4); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 5 april 2005; BESLUIT: Artikel 1 In 2005 bedraagt de heffing € 30,00 per kwartier. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2005. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting zal worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":6170,"b":"Besluit van 20 augustus 2002, houdende het Warenwetbesluit Verduurzaamde vruchtenproducten 2002 Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 juli 2002, VGB/VL 2300053, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Economische Zaken, en van Justitie; Gelet op [richtlijn nr. 2001/113/EG](32001L0113) van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2001 inzake voor menselijke voeding bestemde vruchtenjam of -confituur, -gelei en- marmelade, alsmede kastanjepasta (PbEG 2002, L 10), alsmede op [artikel 8, onder a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), en [artikel 32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 25 juli 2002, No.W13.02 0313/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 augustus 2002 met nummer VGB/VL 2307898, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Economische Zaken, en van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking voor zover het betrekking heeft op eet- en drinkwaren die voldoen aan dit besluit met ingang van 12 juli 2003. § 1:. algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **gember** : de verse, gedroogde of in stroop geconserveerde eetbare wortelstokken van de gemberplant; - b. **vruchten** : - 1°. verse, gezonde, onaangetaste vruchten waaraan geen wezenlijke bestanddelen zijn onttrokken, die de juiste graad van rijpheid hebben bereikt, en die zijn schoongemaakt, gebruiksklaar gemaakt en ontdaan van onzuiverheden; - 2°. tomaten, de eetbare delen van rabarberstelen, wortelen, zoete aardappelen, komkommers, pompoenen en (water)meloenen; - 3°. gember; - c. **vruchtenpulp** of **pulp** : het eetbare gedeelte van de gehele vrucht, al dan niet gesch"},{"i":6943,"b":"Besluit vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 2011 ex art. 20 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2011: | Categorie 1 | € 75,00 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | € 25,00 | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | € 75,00 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 4 | € 75,00 | voor aanhangwagens en opleggers bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 6 | € 25,00 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 4, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 25,00 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 25,00 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":477,"b":"Wet van 7 november 2002 tot uitvoering van de richtlijn 1999/70/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het ter uitvoering van [richtlijn 1999/70/EG](31999L0070) van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd noodzakelijk is de Nederlandse wetgeving aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel II 1. Het maken van onderscheid tussen werknemers in de arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijke karakter van de arbeidsovereenkomst is verboden, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is. Dit geldt eveneens ter zake van de voorwaarden bij een ambtelijke aanstelling als bedoeld in de [Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215). 2. Een beding in strijd met het eerste lid is nietig. 3. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing op een uitzendovereenkomst als bedoeld in [artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=690) en op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het ter beschikking stellen arbeidskrachten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028435&artikel=1). Artikel III 1. In geval een natuurlijke persoon, rechtspersoon of bevoegd gezag een ander onder zijn gezag arbeid laat verrichten, anders dan krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of ambtelijke aanstelling, zijn de [artikelen 649](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":478,"b":"Wet van 2 december 1982, houdende bepalingen ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers, alsmede met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van buitenlandse werknemers Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is nadere regels te stellen ter uitvoering van het vanwege Ons op 24 november 1977 te Straatsburg ondertekende Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers (**Trb.** 1978, 70); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt onder het Verdrag verstaan, het op 24 november 1977 te Straatsburg ondertekende Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers (**Trb.** 1978, 70). Artikel 2 1. Als nationale instantie, bedoeld in artikel 11, derde lid, van het Verdrag wordt aangewezen het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. 2. Van het formulier, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van het Verdrag wordt gebruik gemaakt in die gevallen dat daartoe in onderling overleg van de in het vorige lid bedoelde instantie met de betreffende instantie van een andere Verdragsluitende Partij of met de betreffende instanties van andere Verdragsluitende Partijen, dan wel door Onze Minister van Justitie wordt besloten. 3. Voor de uitvoering van dit Verdrag zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 5, 6, 7, 8, 9 en 10 van de Wet van 27 september 1961, **Stb.** 303, houdende uitvoering van het op 20 juni 1956 te New York gesloten Verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud, evenwel met dien verstande dat voor \"verzendende instelling\" alsmede voor \"ontvangende instelling\" telkens wordt gelezen \"Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen\". 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop"},{"i":479,"b":"UWV Beleidsregels uitvoering Wav 2018 Gelet op [artikel 1 van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034945&artikel=1) (Stcrt. 2014, nr. 8189) en gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: 2. Aanvragen tewerkstellingsvergunning 3. Vacaturemelding bij UWV De verplichte vacaturemelding ingevolge [artikel 8, eerste lid, onder b, van de Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8) kan plaatsvinden door middel van melding van de vacature bij een Werkgeversservicepunt (WSP) van UWV of door middel van melding van de vacature op www.werk.nl. Bij de aanvraag van de tewerkstellingsvergunning of de aanvraag van de gecombineerde vergunning dient de werkgever aan te tonen dat en op welke wijze hij de vacature bij UWV heeft gemeld. Indien hij de vacature zelf op www.werk.nl heeft geplaatst dient hij dit aan te tonen door het overleggen van bewijsstukken van de plaatsing van zijn vacature en dient hij zelf inzage te geven op welke wijze hij naar kandidaten heeft gezocht. De werkgever kan daarom bij de aanvraag gevraagd worden inzage te geven in de selecties van werkzoekenden die hij heeft onderzocht op geschiktheid en beschikbaarheid, welke werkzoekenden hij heeft benaderd en waarom dit niet heeft geleid tot vacaturevervulling. 4. Ontheffing van de verplichte vacaturemelding Gelet op de fluctuering van het ingeschreven aanbod bij UWV worden vacaturemeldingen van langer dan drie maanden vóór het indienen van een aanvraag niet in de beoordeling betrokken. 4. Ontheffing van de verplichte vacaturemelding [Paragraaf 18 van de Uitvoeringsregels Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034945&bijlage=I) biedt UWV de mogelijkheid om met betrekking tot bepaalde categorieën functies te besluiten dat de verplichte vacaturemelding als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, on"},{"i":4878,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 februari 2010, nr. PG/OGZ 2984607, houdende verlening mandaat en machtiging aan de Nederlandse Diabetes Federatie ter uitvoering van subsidies in het kader van het Nationaal Actieprogramma Diabetes Gelezen de Overeenkomst inzake uitvoering van subsidies inzake het Nationaal Actieprogramma Diabetes van de Staat der Nederlanden met de Nederlandse Diabetes Federatie, statutair gevestigd te Amersfoort, in welke bescheiden de instemming, bedoeld in [artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), is vervat; Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **mandaat:** bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen; - b. **gemandateerde:** degene aan wie mandaat is verleend; - c. **machtiging:** bevoegdheid om in naam van de Minister handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 Aan de directeur van de Nederlandse Diabetes Federatie, statutair gevestigd te Amersfoort, wordt mandaat en machtiging verleend met betrekking tot het verstrekken van de subsidies op grond van de [Kaderregeling VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029947) in het kader van het Nationaal Actieprogramma Diabetes. Artikel 3 [Artikel 1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=1b), alsmede de [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&hoofdstuk=2) en [4 van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&hoofdstuk=4) zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 4 1. De gemandateerde ondertekent een in mandaat genomen besluit en overige stukken met: ‘De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, namens deze, de directeur van de Nederlandse Diabetes Federatie’, gevolgd door handtekening e"},{"i":480,"b":"Vakantiewet 1949 BES I. Definities Artikel 1 In deze wet en de naar aanleiding daarvan uitgevaardigde besluiten wordt verstaan: onder **werkgever:** ieder natuurlijk of rechtspersoon, die één of meer arbeiders in dienst heeft. Voor de toepassing van deze wet wordt voor zoveel betreft de werkgever, die arbeid in één of meer van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba doet verrichten doch daarbuiten woont of gevestigd is, diens vertegenwoordiger of agent in één of meer van deze openbare lichamen, binnen welke de arbeid wordt verricht, als zodanig aangemerkt. De bestuurscolleges van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden niet als werkgever in de zin van dit artikel beschouwd ten aanzien van die arbeiders, die zij anders dan op burgerrechtelijke overeenkomst in hun dienst hebben. onder **arbeider:** ieder, die in dienstverhouding tegen loon arbeid verricht. Voor de toepassing van deze wet worden niet als arbeiders beschouwd personen, die krachtens de bepalingen van het [Tweede Boek van het Wetboek van Koophandel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028278&boek=Tweede) recht hebben op vakantie, thuiswerkers en inwonende kinderen van een werkgever, die uitsluitend voor zijn rekening arbeid verrichten. onder **loon:** elke uitkering in welke vorm ook, welke de arbeider als vergoeding voor zijn arbeid gedurende de voor hem geldende arbeidstijd van zijn werkgever ontvangt, uitgezonderd overwerkgelden, premiegelden en vergoedingen voor het tijdelijk verrichten van andere dan zijn gewone arbeid; voor de berekening van het loon worden medegerekend ontvangsten van derden, welke van invloed zijn op de voorwaarden der arbeidsovereenkomst. Het loon per dag, voorzover niet op deze wijze vastgesteld, wordt berekend: - a. voor de arbeider voor wie een zesdaagse werkweek geldt: - 1. door het tussen werkgever en arbeider overeengekomen loon per uur te vermenigvuldigen met het gemiddelde aantal werkuren per week van de betrokken arbeider en het"},{"i":6491,"b":"Besluit van 19 mei 2006 tot wijziging van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap Op de voordracht van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 13 januari 2006, Directie Wetgeving, nr. 5396841/06/6; Gelet op de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) en [23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23); Gelet op [artikel 1 van de Consulaire Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001847&artikel=1); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 10 april 2006, nr. W03.06.0009/I/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 15 mei 2006, Directie Wetgeving, nr. 5418697/06/6; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking voor Nederland. Treedt voor de Nederlandse Antillen en Aruba in werking op 1 augustus 2008 (Stb. 2008/102). Artikel I Wijzigt het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap. Artikel II Dit besluit is niet van toepassing op bevestigingen van optieverklaringen en op besluiten tot naturalisatie, die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn genomen. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor elk van de landen van het Koninkrijk als ook voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst."},{"i":6147,"b":"Besluit van 17 februari 2016, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit liften 2016 en wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit, het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten en het Warenwetbesluit machines (Warenwetbesluit liften 2016) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 2015, nr. 2015-0000309166; Gelet op [richtlijn nr. 2014/33](32014L0033)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake liften en veiligheidscomponenten voor liften (herschikking) (PbEU 2014, L 96), alsmede op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7), [7a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7a), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b), [artikel 49 van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=49), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=2) en [120 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120) en [artikel 16, eerste, tweede en derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 januari 2016, nr. W12.15.0456/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 februari 2016, nr. 2016-0000017872; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling 1. In"},{"i":482,"b":"Vaststelling pensioengrondslag Gelet op [artikel 10, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=10) (Stb. 1986, 360); Gehoord de Buitengewone Pensioenraad, de Commissie Indisch Verzet en de Stichting Pelita; Besluit: Artikel 1 Voor de vaststelling van de pensioengrondslag, bedoeld in [artikel 10 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=10) (Stb. 1986, 360) wordt onder inkomen uit arbeid in beroep of bedrijf verstaan: - a. het ambtelijk inkomen, bedoeld in artikel C1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540); - b. het loon in de zin van de krachtens [artikel 14, eerste en tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=14) (Stb. 1987, 89) gestelde regelen; dan wel - c. de netto-winst in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Stb. 1964, 519); al naar gelang een zodanig inkomen werd genoten. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant en werkt terug tot en met 1 januari 1983."},{"i":5545,"b":"Regeling vierjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024 Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) Besluit § 1. Algemeen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **auteurs:** professionele literaire makers, waaronder schrijvers en vertalers; - **het bestuur:** het bestuur van de Stichting Nederlands Letterenfonds; - **bestuursorgaan:** een bestuursorgaan in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - **eigen inkomsten:** de baten in de jaarrekening, te weten: - a. publieksinkomsten - b. overige inkomsten, te weten: Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten: - •. directe opbrengsten: sponsorinkomsten en overige inkomsten; - •. indirecte opbrengsten en - •. overige bijdragen. - •. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; - •. overige bijdragen uit publieke middelen; - •. rentebaten; - •. bijdragen in natura; - •. kapitalisatie van vrijwilligers; - •. waardering vrijkaarten en - •. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap. - **Het Letterenfonds:** de Stichting Nederlands Letterenfonds; - **literatuur-educatie:** activiteiten gericht op het binnen- of buitenschools stimuleren van het lezen van literatuur en/of creatief schrijven; - **andere overheden:** provincies of gemeenten; - **landelijk belang:** activiteiten op het terrein van de literatuur die onderscheidend zijn in kwaliteit zowel landelijk als in hun eigen omgeving; - **liquiditeit:** vlottende activa gedeeld door vlottende passiva; - **literatuur:** Nederlandstalige en/of Friestalige literatuur; - **literair:** de Nederlandstalige en/of Friestalige literatuur betreffende; - **manifestatie:** reeks van onderling samenhangende activiteiten die jaarlijks onder een gemeenschappelijke noemer worden georganiseerd op het terrein van literatuur in de volle breedte; - **Nederland:"},{"i":6168,"b":"Besluit van 25 mei 2020, houdende vaststelling van regels in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2019/515 betreffende de wederzijdse erkenning van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht (Warenwetbesluit uitvoering verordening wederzijdse erkenning) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 16 april 2020, kenmerk 1669877-203857-WJZ; Gelet op Verordening (EU) 2019/515 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de wederzijdse erkenning van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 764/2008 (PbEU 2019, L 91) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13) en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 mei 2020, no.W13.20.0118/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 19 mei 2020, kenmerk 1686890-203857-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder **verordening (EU) 2019/515**: Verordening (EU) 2019/515 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de wederzijdse erkenning van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 764/2008 (PbEU 2019, L 91). Artikel 2 De [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043610&artikel=3&z=2020-06-09&g=2020-06-09) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043610&artikel=4&z=2020-06-09&g=2020-06-09) van dit besluit hebben, met uitzondering van [artikel 2b, eerste tot en met vijfde lid, van het Warenwetbesluit algemene productveiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006158&artikel=2b), betrekking op voorschriften met betrekking tot waren die bij of krachtens de Warenwet zijn gesteld. Artikel 3 Onze Minister is de bevoegde autoriteit, genoemd in de artikel"},{"i":6064,"b":"Verordening van de Sociaal-Economische Raad van 18 juni 1999 houdende instelling van een adviseur als bedoeld in afdeling 9.3 van de Algemene wet bestuursrecht Gelet op [artikel 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=31) en [artikel 35 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=35); Gelet op [artikel 9:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: | a. Awb | : | [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); | | --- | --- | --- | | b. klacht | : | elke mondelinge of schriftelijke uiting van ongenoegen over een gedraging van de Raad als bedoeld in [artikel 9:1 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:1), voorzover tegen de gedraging niet de mogelijkheid van bezwaar of beroep als bedoeld in de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) openstaat of heeft opengestaan. | Artikel 2 1. Er is een klachtenadviseur. 2. De klachtenadviseur maakt geen deel uit van en is niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de SER. 3. De klachtenadviseur wordt door het Dagelijks Bestuur benoemd voor de duur van twee jaren. De klachtenadviseur kan worden herbenoemd voor de duur van telkens twee jaren. Artikel 3 De klachtenadviseur heeft als taak advies uit te brengen over ingediende klachten met in achtneming van de bepalingen van [artikel 9:15 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:15). § 2. Slotbepalingen Artikel 4 Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 1999. Artikel 5 Deze verordening wordt aangehaald als Verordening instelling Awb-klachtenadviseur."},{"i":5912,"b":"Wet van 30 maart 2011, houdende tijdelijke wijziging van de Visserijwet 1963 in verband met de invoering van de bevoegdheid tot het treffen van bestuurlijke maatregelen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om in het belang van de volksgezondheid een verbod in te kunnen stellen met betrekking tot de vangst van vissen en aldus in effectieve en eenduidige maatregelen te voorzien teneinde de naleving van aan eindproducten gestelde voorschriften te bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Visserijwet 1963. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III 1. Indien het bij koninklijke boodschap van 19 maart 2008 ingediende voorstel van wet inhoudende een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren 31 389) tot wet is of wordt verheven, en de artikelen 1.1, 5.1, 5.10, 8.1 tot en met 8.4 en 11.8, voor zover laatstgenoemd artikel betrekking heeft op onderdeel A, tweede lid, in werking treden: - a. berusten de op grond van [artikel 54c van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=54c) vastgestelde maatregelen, regelingen of besluiten op de artikelen 5.1 en 5.10 van de Wet dieren; - b. wijzigt de Visserijwet 1963; - c. wijzigt de Visserijwet 1963; - d. wijzigt de Wet op de economische delicten; - e. wijzigt de Wet op de economische delicten. 2. [Artikel 54c van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=54c) zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van de artikelen genoemd in het eerste lid, aanhef, blijft van toepassing met betrekking tot gedragingen die hebben plaatsgevonden in het tijdvak tussen inwerkingtreding van de Tijdelijke wijziging van de Visserijwet 1963 in"},{"i":484,"b":"Vaststelling selectielijst Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 juni 1997, nr. arc-97.932/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken op het beleidsterrein staatkundige verhoudingen en samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk der Nederlanden vanaf 1954, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken de Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het Kabinet voor de Nederlandse Antillen, behorende bij de beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister voor Nederlands-Antilliaanse Zaken van 30 maart 1983 (kenmerk WVC MMA/Ar-6265) voorzover deze betrekking heeft op de primaire processen. Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":3666,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 15-08-2007, nr. BJZ 2007-0231, houdende verlening van mandaat en machtiging voor de uitvoering van de Tijdelijke regeling stimulering aanpak vermindering gemeentelijke administratieve lasten (Besluit mandaat en machtiging SenterNovem Tijdelijke regeling stimulering aanpak vermindering gemeentelijke administratieve lasten) In overeenstemming met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur van SenterNovem van 14-08-2007, kenmerk: ZJZ0786404; Besluit: Artikel 1 De algemeen directeur van AgentschapNL wordt gemandateerd tot: - a. het nemen van besluiten met betrekking tot de uitvoering van de [Tijdelijke regeling stimulering aanpak vermindering gemeentelijke administratieve lasten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022009); - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 De algemeen directeur van AgentschapNL wordt gemachtigd tot: - a. het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022470&artikel=1&z=2010-03-04&g=2010-03-04) bedoelde besluiten; - b. het voeren van beroepsprocedures over besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022470&artikel=1&z=2010-03-04&g=2010-03-04). Artikel 3 De algemeen directeur van AgentschapNL kan met betrekking tot: - a. zijn bevoegdheden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022470&artikel=1&z=2010-03-04&g=2010-03-04), ondermandaat verlenen; en - b. voor de werkzaamheden, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022470&artikel=2&z=2010-03-04&g=2010-03-04), machtiging verlenen, aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 4 Indien uitvoerin"},{"i":485,"b":"Vaststelling selectielijst overzeese pensioenen Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord; Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen, voortvloeiende uit de onder ressort van de Ministers van achtereenvolgens Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, Buitenlandse Zaken en Binnenlandse Zaken uitgevoerde taken op de beleidsterreinen overzeese pensioenen en eenmalige uitkeringen aan Indische oorlogsslachtoffers, over de periode 1945-1996, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Wijzigt Vaststellingsregeling selectielijst DG Management en Personeelsbeleid Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":6304,"b":"Wet van 19 januari 2006, houdende het toezicht op accountantsorganisaties (Wet toezicht accountantsorganisaties) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het met het oog op de waarborging van de publieke functie van de accountantsverklaring en de bevordering van het vertrouwen in de financiële markten wenselijk is dat regels worden gesteld voor accountantsorganisaties en accountants die wettelijke controles verrichten en dat onafhankelijk publiek toezicht wordt gehouden op de naleving van die regels; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities en reikwijdte Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt – voor zover niet anders is bepaald – verstaan onder: - a. accountantsorganisatie: een onderneming of instelling die bedrijfsmatig wettelijke controles verricht, dan wel een organisatie waarin zodanige ondernemingen of instellingen met elkaar zijn verbonden; - b. accountantsverklaring: een schriftelijke mededeling inhoudende de uitkomst van een wettelijke controle; - c. auditkantoor: onderneming of instelling die door de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat is toegelaten tot het verrichten van controles als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de richtlijn; - d. Autoriteit Financiële Markten: de Stichting Autoriteit Financiële Markten; - e. controlecliënt: de onderneming of instelling die aan een accountantsorganisatie opdracht geeft tot een wettelijke controle; - f. externe accountant: de natuurlijke persoon die werkzaam is bij of verbonden is aan een accountantsorganisatie of auditkantoor en die verantwoordelijk is voor de uitvoering van een wettelijke controle; - g. lidstaat: een staat die lid is van de Europese Unie alsmede een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst bet"},{"i":7502,"b":"Beleidsregels cameratoezicht, College bescherming persoonsgegevens Beleidsregels voor de toepassing van bepalingen uit de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) en de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463) Samenvatting Deze beleidsregels Cameratoezicht vervangen de publicatie **‘Camera’s in het publieke domein. Privacynormen voor het cameratoezicht op de openbare orde’** (2004) van het College bescherming persoonsgegevens (CBP), tegenwoordig de Autoriteit Persoonsgegevens. Diverse ontwikkelingen, zowel op het gebied van wetgeving als op het gebied van de technologie, waren aanleiding voor deze nieuwe publicatie. De beleidsregels vormen een uitwerking van bepalingen uit de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) en de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463) die relevant zijn voor cameratoezicht door private of publieke organisaties **ter beveiliging van personen en goederen** en door gemeenten ter **handhaving van de openbare orde**. Ook wordt ingegaan op de inzet van nieuwe technologieën bij cameratoezicht, zoals drones, dashcams en andere slimme camera’s. Aangezien de bepalingen van de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) (Wbp) **algemeen** van aard zijn, kan de uitwerking van die bepalingen in deze beleidsregels ook van toepassing zijn op verwerkingen van ander beeldmateriaal, zoals foto’s, en voor andere doeleinden, zoals camera**observatie**, die ook onder het wettelijke regime van de Wbp vallen. De beleidsregels dienen in eerste instantie als leidraad voor organisaties die gebruik (willen) maken van cameratoezicht en als uitgangspunt voor de Autoriteit Persoonsgegevens bij haar toezichthoudende taak. Daarnaast kunnen ze ook voor ontwikkelaars en leveranciers van (slimme) digitale camerasystemen als leidraad dienen bij de ontwikkeling van (nieuwe) technologie waarbij"},{"i":6900,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 17 februari 2016, betreffende het verlenen van een machtiging aan de stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen (Besluit machtiging NLFI in verband met het uitvoeren van de verkoopstrategie van A.S.R. Nederland N.V.) Gelet op [artikel 3, tweede lid, onder b, ten tweede van de Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030033&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **de aandelen:** de door NLFI ten titel van beheer gehouden aandelen in A.S.R. Nederland N.V.; - **ASR:** A.S.R. Nederland N.V.; - **Kamerbrief:** brief van de Minister van Financiën aan de Tweede Kamer van 27 november 2015 met kenmerk FIN/2015/1261 U; - **NLFI:** stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen; - **Minister:** Minister van Financiën; - **Wet NLFI:** [Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030033). Artikel 2. Machtiging Aan NLFI wordt een machtiging verleend om namens de Staat: - a. de strategie tot verkoop van de aandelen uit te voeren zoals beschreven in de Kamerbrief, en; - b. de daarmee samenhangende werkzaamheden te verrichten als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, onder b, ten tweede van de Wet NLFI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030033&artikel=3). Artikel 3. Principiële en zwaarwegende beslissingen Voor zover NLFI bij de uitvoering van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037664&artikel=2&z=2016-03-02&g=2016-03-02) van dit besluit principiële of zwaarwegende beslissingen neemt, zijn deze beslissingen onderworpen aan de voorafgaande instemming van de Minister, overeenkomstig [artikel 4 van de Wet NLFI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030033&artikel=4). Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt ge"},{"i":486,"b":"Besluit van 11 mei 2007 tot vaststelling van een eenmalige uitkering 2005, een eenmalige uitkering 2006 en tot wijziging van enige besluiten in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode 1 januari 2004 tot en met 28 februari 2007, alsmede in verband met enige technische wijzigingen Hoofdstuk 1. Toekenning van een eenmalige uitkering 2005 aan het defensiepersoneel (Toekenning eenmalige uitkering 2005 defensiepersoneel) Hoofdstuk 1. Toekenning van een eenmalige uitkering 2005 aan het defensiepersoneel (Toekenning eenmalige uitkering 2005 defensiepersoneel) Hoofdstuk 3. Toekenning van een eenmalige nominale uitkering 2006 en een eenmalige nominale uitkering 2007 aan gewezen militairen met een UKW-uitkering (Toekenning nominale uitkeringen 2006 en 2007 aan UKW-ers) Hoofdstuk 2. Toekenning van een eenmalige uitkering 2006 aan het defensiepersoneel (Toekenning eenmalige uitkering 2006 defensiepersoneel) Artikel 4 Wijzigt het Besluit vaststelling eenmalige uitkering 2004, enz. (arbeidsvoorwaardenmaatregelen sector Defensie). Artikel 5 Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement. Artikel 6 Wijzigt het Besluit dienstreizen defensie. Artikel 7 Wijzigt het Besluit personenchauffeurs defensie. Artikel 8 Wijzigt het Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 9 Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie. Artikel 10 Wijzigt het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 11 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Artikel 12 Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 13 Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit militairen. Hoofdstuk 5. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2007 Hoofdstuk 6. Slotbepalingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 1 maart 2007, nr. P/2007001742; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) alsmede [artike"},{"i":6461,"b":"Besluit van 25 augustus 1993, houdende wijziging van het Besluit subsidiëring en stimulering voorzieningen van maatschappelijk en sociaal-cultureel welzijn Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Directie Vluchtelingen, Minderheden en Asielzoekers van 25 juni 1993, nr. DVMA/OV-U-9313715; Gelet op artikel 14, tweede lid, van de Welzijnwet; Gezien de brieven van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Vereniging VluchtelingenWerk Nederland en de Federatie Vluchtelingen-Organisaties Nederland; De Raad van State gehoord (advies van 2 augustus 1993, nr. W13.93.0396); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Directie Vluchtelingen, Minderheden en Asielzoekers van 23 augustus 1993, nr. DVMA/OV-U-9318186; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II A In afwijking van artikel 27**a**, vierde lid, van het Besluit subsidiëring en stimulering voorzieningen van maatschappelijk en sociaal-cultureel welzijn worden bij de berekening van de uitkering als bedoeld in het eerste en tweede lid van dat artikel tot en met 31 december 1993 ook verblijfsgerechtigden betrokken, aan wie de relevante verblijfstitel is verleend in de maanden januari tot en met augustus 1992. B Met betrekking tot - a. verblijfsgerechtigden, voor wier opvang reeds een uitkering was toegekend dan wel is aangevraagd op grond van artikel 23, tweede lid, van het Besluit subsidiëring en stimulering voorzieningen van maatschappelijk en sociaal-cultureel welzijn, zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit, dan wel - b. verblijfsgerechtigden, aan wie de relevante verblijfstitel is verleend tussen 1 januari 1993 en 1 september 1993, ten behoeve van wier opvang zodanige aanvraag nog niet is gedaan, wordt, indien het gemeentebestuur daarom verzoekt, tot en met 31 december 1993 het Besluit subsidiëring en stimulering voorzieningen van maatschappelijk en sociaal-cultureel welzijn"},{"i":487,"b":"Besluit van 22 oktober 2001 tot vaststelling van een eenmalige uitkering en tot wijziging van enige besluiten in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode van 1 augustus 2000 tot en met 30 september 2001 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 10 juli 2001, nr. P/2001004578; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [artikel 12, van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 1 oktober 2001, nr. W07.0331/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 16 oktober 2001, nr. P/2001006881; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I, onderdeel Y, werkt terug tot en met 1 januari 1999. Artikel III, onderdeel A, werkt terug tot en met 1 juni 1999. Artikel IV, onderdeel F, artikel V, onderdeel A, artikel VI, onderdeel K, onder 1, en onderdeel L werken terug tot en met 1 januari 2000. Artikel I, onderdeel AA, artikel III, onderdeel B, artikel IV, onderdeel G, onder 1 en onderdeel H, artikel V, onderdeel G, artikel VII, onderdeel E, en artikel IX, werken terug tot en met 1 januari 2001. Artikel I, onderdeel Z, en artikel VIII werken terug tot en met 1 maart 2001. Artikel I, onderdelen G tot en met L, onderdelen N tot en met T en onderdelen V tot en met X, artikel II, artikel IV, onderdelen A tot en met E, onderdeel G onder 2, en onderdeel I, artikel V, onderdelen F en H, artikel VI, onderdelen A tot en met H, onderdeel J, onderdeel K, onder 2, en onderdelen M tot en met Q, artikel VII, onderdelen A t/m C en F, en artikel X werken terug tot en met 1 juni 2001. Artikel I, onderdelen C t/m F, M en U, artikel V, onderdelen B t/m E en artikel VII, onderdeel D, werken terug tot en met 1 juli 2001. Artikel I Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement. Artikel II Wijzigt het Besluit dienstreizen defensie. Artikel III Wijzigt he"},{"i":6227,"b":"Wet van 8 maart 2017 tot herindeling van de gemeenten Franekeradeel, het Bildt, Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Littenseradiel, Menameradiel en Súdwest-Fryslân § 1. Opheffing, instelling en grenswijziging van gemeenten § 1. Opheffing, instelling en grenswijziging van gemeenten Artikel 5 Voor de nieuwe gemeente Waadhoeke wordt de op te heffen gemeente Franekeradeel aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 6 Voor de op te heffen gemeenten Franekeradeel, het Bildt en Menameradiel wordt de nieuwe gemeente Waadhoeke, en voor de op te heffen gemeente Leeuwarderadeel de gemeente Leeuwarden, aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 7 Voor de op te heffen gemeente Littenseradiel wordt de gemeente Súdwest-Fryslân aangewezen voor de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regel"},{"i":6275,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot samenvoeging van de gemeenten Giessenlanden en Molenwaard Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Giessenlanden en Molenwaard samen te voegen tot de nieuwe gemeente Molenlanden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en grenswijziging van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Giessenlanden en Molenwaard opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Molenlanden ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Giessenlanden en Molenwaard, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Molenlanden wordt de op te heffen gemeente Molenwaard aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Giessenlanden en Molenwaard wordt de nieuwe gemeente Molenlanden aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening"},{"i":3318,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 februari 2025 nr. BOACAT2025/108, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Schouwen-Duiveland Gelezen het verzoek van de gemeente Schouwen-Duiveland van 30 januari 2025 en de adviezen van de Hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Zeeland – West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050821&artikel=2&z=2025-04-08&g=2025-04-08). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver openbare ruimte in dienst van gemeente Schouwen-Duiveland zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, z"},{"i":1999,"b":"Wet van 18 december 1991, houdende wijziging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting (introductie peildatum voor jaarlijkse bijstelling reiskostenforfait) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een peildatum voor de jaarlijkse bijstelling van het reiskostenforfait in de inkomstenbelasting en de loonbelasting te introduceren en voorts enige andere regelingen voor reiskosten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III De bedragen met betekking tot vergoeding en aftrek van kosten van woon-werkverkeer die krachtens artikel 23, derde en vierde lid, en artikel 36, tweede lid, onderdeel **a**, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, alsmede artikel 11, negende en tiende lid, en artikel 15, tweede lid, onderdeel **a**, van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471), bij ministeriële regeling worden vastgesteld per 1 januari 1992, worden ten minste gesteld op de voor 1991 vastgestelde overeenkomstige bedragen. Voorts wordt voor de toepassing van die bepalingen per 1 januari 1992 de op die datum geldende prijs van een 2-sterabonnement geacht door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in de **Staatscourant** te zijn gepubliceerd vóór de in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) opgenomen uiterste publicatiedatum. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1992. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":14124,"b":"Regeling betreffende de verklaring houdende toestemming tot adoptie, als bedoeld in artikel 4 van het Haags Verdrag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie Gelet op artikel 12 van de Wet van 14 mei 1998 tot uitvoering van het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie en, in verband daarmee, wijziging van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen en enige andere wetten (Stb. 302), Besluit: Artikel 1 De verklaring houdende toestemming, bedoeld in artikel 4 van het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (Trb. 1993, 197) wordt op verzoek van de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 2 van de Wet van 14 mei 1993 tot uitvoering van dat verdrag en, in verband daarmee, wijziging van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen en enige andere wetten (Stb. 302), door de raad voor de kinderbescherming in tweevoud opgemaakt en aan haar toegezonden. Aan de persoon die heeft verklaard toestemming tot adoptie te geven, wordt op diens verzoek een afschrift van de verklaring afgegeven. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009816&artikel=1&z=1998-10-01&g=1998-10-01) bedoelde verklaring wordt opgemaakt op formulieren ingericht overeenkomstig het als bijlage aangehechte model (formaat A4 (297 x 210 mm). Artikel 3 Deze regeling treedt in werking op 1 oktober 1998. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14041,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 augustus 2007, nr. TRCJZ/2007/1221, houdende aanwijzing nationale parken (Regeling aanwijzing nationale parken) Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 Vervallen Artikel 2 1. Als nationaal park zijn aangewezen: - –. De Alde Feanen; - –. De Biesbosch; - –. Drentsche Aa; - –. Drents-Friese Wold; - –. Duinen van Texel; - –. Dwingelderveld; - –. De Groote Peel; - –. Lauwersmeer; - –. De Maasduinen; - –. De Meinweg; - –. Nieuw Land; - –. Oosterschelde; - –. De Sallandse Heuvelrug; - –. Schiermonnikoog; - –. Utrechtse Heuvelrug; - –. Weerribben-Wieden; - –. Van Gogh; - –. Zuid-Kennemerland. 2. De nationale parken, bedoeld in het eerste lid, omvatten de gebieden, zoals aangegeven op de kaarten, opgenomen in de bijlage bij deze regeling. § 2. Het overlegorgaan Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen § 3. Nationaal park in oprichting Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen § 4. Slotbepalingen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2007. Artikel 15 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing nationale parken. Bijlage Bijlage Bijlage, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022396&paragraaf=1&artikel=1&z=2009-01-01&g=2009-01-01), [artikel 5, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022396&paragraaf=2&artikel=5&z=2009-01-01&g=2009-01-01), en [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022396&paragraaf=2&artikel=8&z=2009-01-01&g=2009-01-01), van de regeling. **I Nationaal park De Alde Feanen** Aangewezen per 26 april 2006 1. Zestien leden als vertegenwoordiger van onderscheidenlijk: 2. Het secretariaat van het overlegorgaan berust bij de provincie Friesland. **II Nationaal park De Biesbosch** Aangewezen per 10 maart 1994 1. Veertien leden als vertegenwoordiger van onderschei"},{"i":495,"b":"Besluit van 3 december 2001 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 21 december 2000 houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 22 november 2001, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/VP/01/80376; Gelet op [artikel X, eerste lid, van de Wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012090&artikel=X) (Stb. 625); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig 1. De artikelen van de [Wet van 21 december 2000 houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012090) (Stb. 625), met uitzondering van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012090&artikel=I), onderdeel A, onderdeel B, artikel 2b, derde lid, en artikel 2c, onderdeel J, artikel 32, zevende lid, onderdeel M, artikel 32ba, eerste lid, onderdelen d en e, voorzover het betreft pensioen dat wordt berekend of mede wordt berekend op grond van een geldelijke bijdrage of voorzover het betreft voorzieningen als bedoeld in het tweede lid en [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012090&artikel=II), treden in werking met ingang van 1 januari 2002. 2. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012090&artikel=I), onderdeel B, artikel 2b, derde lid, en artikel 2c, onderdeel J, artikel 32, zevende lid, en onderdeel M, artikel 32ba, eerste lid, onderdelen d en e van de [Wet van 21 december 2000 houden"},{"i":11122,"b":"Besluit van 5 juli 2001, houdende regels over de tegemoetkoming in onderwijsbijdrage en schoolkosten (Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 2 mei 2001, nr. WJZ/2001/15 896 (1713), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=2.2), [9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=9.5), [9.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=9.6) en [11.1, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=11.1); De Raad van State gehoord (advies van 22 juni 2001, nr. W05.01.0211/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 3 juli 2001, nr. WJZ/2001/27402 (1713), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438). Artikel 2. Nationaliteit voor [hoofdstuk 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=3) Vervallen Artikel 3. Nationaliteit voor [hoofdstukken 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=4) en [5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=5) 1. De vreemdeling die een tegemoetkoming op grond van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=4) of [5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=4) aanvraagt, wordt met een Nederlander gelijkgesteld indien die vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijf heeft: - a. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 8, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8); - b. op grond van een verb"},{"i":11878,"b":"Besluit van 15 december 2014, houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van bestaande bouwwerken in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES Bouwbesluit) Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 28 oktober 2014, nr. 2014-0000551251 CZW; Gelet op de [artikelen 2.2, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=2.2), [2.3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=2.3), [2.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=2.4), [2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=2.7) en [10.9 van de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=10.9) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=2) en [120 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 december 2014, nr.W04.14.0392/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 10 december 2014, nr. 2014-0000662488, CZW; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Technische voorschriften uit het oogpunt van veiligheid Hoofdstuk 3. Technische voorschriften uit het oogpunt van gezondheid Hoofdstuk 4. Technische voorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid Hoofdstuk 5. Voorschriften inzake het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen Hoofdstuk 7. Wijziging [Bouwbesluit 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030461) Artikel 7.1 Wijzigt het Bouwbesluit 2012. Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. § 1.1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **wet:** [Wet volksh"},{"i":496,"b":"Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 18 december 2020, kenmerk 4177136, tot vaststelling van de Aanwijzingen voor de externe contacten van rijksambtenaren Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, BESLUIT: Artikel 1 Vastgesteld worden de als bijlage bij deze regeling gevoegde Aanwijzingen voor de externe contacten van rijksambtenaren. Artikel 2 De [regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 19 mei 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031968), Stcrt. 104, wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren § 1. Algemene bepalingen Aanwijzing 1 Deze aanwijzingen worden in acht genomen door de ministers en staatssecretarissen en de onder hun gezagsbereik werkzame personen. Toelichting: Deze aanwijzingen zijn in verband met het beperkte gezagsbereik van de ministers uitsluitend van toepassing op personen die werkzaam zijn onder (volledige) ministeriële verantwoordelijkheid. De aanwijzingen gelden dus, gelet op de bijzondere positie in het staatsbestel van de desbetreffende ambtsdragers, organen en colleges, niet voor rechters, ambtenaren die werkzaam zijn bij de Staten-Generaal, ambtenaren die werkzaam zijn bij andere Hoge Colleges van Staat, bij adviescolleges als bedoeld in de [Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159) en bij decentrale overheden en zelfstandige bestuursorganen. Dat betekent dat wanneer de Kamer een bestuurder of een medewerker van een zelfstandig bestuursorgaan wil horen, tussenkomst van de betrokken minister niet vereist is. Wel is het wenselijk dat de betrokken minister door de Kamer tegelijk met de uitgenodigde persoon in kennis wordt gesteld van het verzoek van de Kamer. Ministers hebben namelijk weliswaar een beperkte maar toch ook enige ministeriële verantwoorde"},{"i":497,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 december 2016 nr 2016-0000781964 tot vaststelling van de bedragen van de beperking, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960 en artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps en van de vermindering, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen Gelet op [artikel 4a, onder c, van de Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002414&artikel=4a), [artikel 11, derde lid, van de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002507&artikel=11) en [artikel 7 van de Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002574&artikel=7); Besluit: Artikel 1 Het bedrag op basis waarvan de betaling van het pensioen wordt beperkt, bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002414&artikel=3) en [4 van de Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002414&artikel=4) en [artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002507&artikel=11) en waarmee de uitkering wordt verminderd, bedoeld in [artikel 6, eerste lid van de Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002574&artikel=6), is gelijk aan het bedrag voor het ouderdomspensioen voor gehuwden en ongehuwden, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9) per 31 december 2016. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2016, treedt zij in werking met ingang van de da"},{"i":499,"b":"Vaststellingsregeling subsidieplafonds 2002 Subsidieregeling arbeidsomstandigheden Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), [artikel 8, eerste lid, van de Subsidieregelingarbeidsomstandigheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010822&artikel=8) en[artikel 9, eerste lid, van de Subsidieregeling convenanten arbeidsomstandigheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010822&artikel=9), Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling arbeidsomstandigheden Artikel II Vervallen Artikel III Vervallen Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":503,"b":"Verdrag betreffende bepalingen ter regeling van arbeidsvoorwaarden (overheidscontracten) De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen in haar twee en dertigste zitting op 8 Juni 1949, Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende bepalingen ter regeling van arbeidsvoorwaarden in overheidscontracten, hetgeen het zesde punt is op de agenda der zitting, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, de negen en twintigste Juni negentienhonderd negen en veertig, het volgende verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald onder de titel „Verdrag betreffende bepalingen ter regeling van arbeidsvoorwaarden (overheidscontracten), 1949”: Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing op contracten, die aan de volgende voorwaarden voldoen: - a. tenminste een van de partijen bij het contract is een overheidsorgaan; - b. de uitvoering van het contract brengt mede: - (i). besteding van gelden door een overheidsorgaan; - (ii). tewerkstelling van arbeiders door de andere partij bij het contract; - c. het contract is gesloten met het oog op: - (i). bouw, verbouwing, herstel of sloping van openbare werken; - (ii). vervaardiging, samenvoeging, verplaatsing of vervoer van materialen, andere benodigdheden en uitrusting; of - (iii). het verrichten of verschaffen van diensten; - d. het contract is gesloten door een centrale autoriteit van een Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie voor wie dit Verdrag van kracht is. 2. De bevoegde autoriteit zal vaststellen de omvang waarin en de wijze waarop dit Verdrag zal worden toegepast op contracten, gesloten door andere autoriteiten dan de centrale autoriteit. 3. Dit Verdrag is van toepassing op werken uitgevoerd door onderaannemers of uitvoerders van de contracten; passende maatregelen moeten door de bevoegde autoriteit worden genomen t"},{"i":12192,"b":"Besluit tot vervanging personeelsdocumenten/dossiers (P-documenten) DUO Gelet op: de regeling van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161 (10265), tot wijziging van de Archiefregeling in verband met het stellen van nadere regels betreffende vervanging; [artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). besluit(en): Artikel 1 1. over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van ****BSD ‘Mens en Werk’**** voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. reproductie geschiedt op de wijze zoals beschreven in het vastgestelde Handboek digitale vervanging P-documenten DUO; Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in Staatscourant Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit directeur- generaal DUO betreffende vervanging personeelsdocumenten/dossiers (P-documenten) DUO, 2015. Bijlage De bijlage bevat een samenvatting van het handboek digitale vervanging P-documenten DUO. Het volledige handboek ligt ter inzage bij DUO, hoofdvestiging Groningen. Het handboek is 2 maart 2015 definitief vastgesteld, versie 0.5 en bevat 297 pagina’s. Het handboek bestaat uit acht hoofdstukken en 19 bijlagen: Inleiding Bijlagen Bijlage 1 Ondermandaatregeling DUO Bijlage 2 Beheerreglement DUO Bijlage 3 P-structuur centrale Record Management Applicatie (cRMA) Bijlage 4 Toekennen, wijzigen en verwijderen van autorisatie(s) in SAP, P-Direkt en cRMA Bijlage 5 Bewerkersovereenkomst Belastingdienst / DUO Bijlage 6 Procedure verzending P-documenten Bijlage 7 Procedure scanning digitaal aangeleverde documenten Bijlage 8a Instructie kwaliteitscontrole Bijlage 8b Instructie scancontrole Bijlage 9 Processen en prioritering t.b.v. P-Dossier en Documenten P-Dossier Bijlage 10 Procedure IKAP documenten en overige declaraties Bijlage"},{"i":3718,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 2 april 2013, nr. WJZ / 13052618, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de ACM (Besluit mandaat, volmacht en machtiging ACM) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de Autoriteit Consument en Markt; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **de ACM:** de Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - c. **het lid:** het lid van de Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - d. **P&O-aangelegenheden:** aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget; - e. **de CAO Rijk:** de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren, werkzaam binnen de sector Rijk; - f. **de EG concentratieverordening:** [Verordening (EG) nr. 139/2004](32004R0139) van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PbEU L 24/14). Artikel 2 1. Aan de ACM wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met: - a. de [artikelen 4a, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=4a), voor zover het de netwerkcapaciteit betreft en onderdeel d, [68, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=68), [78, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=78), [85, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=85), [95d,"},{"i":556,"b":"Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers in verband met de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de pensioenrichtleeftijd (Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) te wijzigen in verband met de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de pensioenrichtleeftijd en in verband met enkele andere aspecten die de uitkering aan of het pensioen van politieke ambtsdragers betreffen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel II Wijzigt de Wijzigingswet Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (pensioenopbouw, waarde-overdracht en waarde-overname alsmede enige andere onderwerpen). Artikel III De [Wet van 2 juni 2003 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers met betrekking tot de uitkering bij aftreden en het nabestaandenpensioen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015157) (Stb. 2003, 249) wordt ingetrokken. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa. Artikel V 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013. 2. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in deze wet of een ministeriële regeling op grond van de maatregel, kan bepalen dat de maatregel onderscheidenlijk de regeling terugwerkt tot en met 1 januari 2013. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de"},{"i":559,"b":"Wet van 14 mei 1998, houdende regels voor de niet-openbare arbeidsbemiddeling en het ter beschikking stellen van arbeidskrachten (Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wettelijke regulering betreffende de niet-openbare arbeidsbemiddeling in een aparte wet onder te brengen, omdat dit niet meer past bij de regulering in de [Arbeidsvoorzieningswet 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008367), en dat de algemene vergunningsplicht voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten wordt afgeschaft, maar dat wel enige regulering op het terrein van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten dient te worden vastgelegd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. arbeidsbemiddeling: dienstverlening in de uitoefening van beroep of bedrijf ten behoeve van een werkgever, een werkzoekende, dan wel beiden, inhoudende het behulpzaam zijn bij het zoeken van arbeidskrachten onderscheidenlijk arbeidsgelegenheid, waarbij de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht dan wel een aanstelling tot ambtenaar wordt beoogd; - c. ter beschikking stellen van arbeidskrachten: het tegen vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een ander voor het onder diens toezicht en leiding, anders dan krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst, verrichten van arbeid; - d. payrolling: het op basis van een overeenkomst van opdracht, die niet tot stand is gekomen in het kader van het samenbrengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, ter beschikking stellen van een arbeidskra"},{"i":4290,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 4 juli 2021, nr. IENW/BSK-2021/182051, houdende verhoging van de subsidieplafonds op grond van de Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten voor het jaar 2021 Gelet op [artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8) en [artikel 4, derde lid, van de Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038539&artikel=4); BESLUIT: Artikel 1 De subsidieplafonds, bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038539&artikel=4), worden voor het jaar 2021 voor project a, project b en project c vastgesteld op € 1.950.000,–, en voor project d vastgesteld op € 50.000,–. Artikel 2 Het [besluit van 15 januari 2021, nr. IENW/BSK-2020/259702, houdende vaststelling van de subsidieplafonds op grond van de Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten voor het jaar 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044739), wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4122,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 21 november 2024, nr. 2024-0000691702, tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de algemene uitkering uit het gemeentefonds voor het uitkeringsjaar 2021 Gelet op [artikel 9, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9); Besluiten: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2021 worden de bedragen per eenheid voor de algemene uitkering uit het gemeentefonds, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050785&bijlage=1&z=2025-02-20&g=2025-02-20). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage 1. De bedragen per eenheid voor de algemene uitkering uit het gemeentefonds voor het uitkeringsjaar 2021 (bijlage bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050785&artikel=1&z=2025-02-20&g=2025-02-20)) | Nr. | Maatstaven | Bedragen in € (tenzij anders aangegeven) | | --- | --- | --- | | 1 | Ozb woningen eigenaren | -0,0894% | | 1a | Ozb niet-woningen eigenaren | -0,1590% | | 1b | Ozb niet-woningen gebruikers | -0,1281% | | 2 | Inwoners | 162,99 | | 3 | Éénouderhuishoudens | 922,23 | | 3a | Éénouderhuishoudens met 2 of meer kinderen | 1.431,18 | | 3b | Éénpersoonshuishoudens | 58,67 | | 3c | Éénpersoonshuishoudens 65 t/m 74 jaar | 16,36 | | 3d | Éénpersoonshuishoudens 75 t/m 84 jaar | 65,34 | | 3e | Éénpersoonshuishoudens 85 jaar en ouder | 114,42 | | 4 | Jongeren | 791,27 | | 5 | Inwoners jonger dan 65 jaar | 4,21 | | 5a | Inwoners 65 jaar en ouder | 107,66 | | 5b | Inwoners 65 t/m 74 jaar | 0,19 | | 5c | Inwoners 75 t/m 84 jaar | 26,50 | | 5d | Inwoners 85 jaar en ouder | 0,19 | | 6a | Inwoners waddengemeent"},{"i":4562,"b":"Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024 Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2); Besluit Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, inclusief het Caribisch deel daarvan; - **liquiditeit:** vlottende activa gedeeld door vlottende passiva; - **podiumkunstenaar:** iemand die artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd is in de professionele podiumkunstpraktijk in Nederland; - **solvabiliteit:** het eigen vermogen gedeeld door het vreemd vermogen; - **uitvoering:** een voorstelling of concert dan wel een schoolvoorstelling of schoolconcert; - **voorstelling of concert:** openbaar toegankelijke podiumkunstactiviteit die bedoeld is voor publiek en waarbij sprake is van een (muziek)theatraal concept of choreografisch idee of een muzikale programmatische samenhang. Artikel 1.2. Doel Het bestuur kan meerjarige subsidies verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan een kwalitatief hoogwaardig en pluriform aanbod van professionele podiumkunsten in Nederland in de jaren 2021 tot en met 2024 en het opbouwen en bereiken van een publiek daarvoor. Artikel 1.3. Subsidievorm 1. Een instelling die meerjarige subsidie wil aanvragen heeft de keuze tussen drie categorieën aan subsidie: - a). categorie I; - b). categorie II; - c). categorie III. 2. Subsidie wordt verstrekt voor een periode van vier jaar. 3. Het bestuur kan in afwijking van het bepaalde in het tweede lid subsidie verlenen voor een kortere"},{"i":961,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 25 april 2006, houdende de vaststelling van de percentages van de heffingen groenten en fruit voor het jaar 2006 (Besluit PT heffing groenten en fruit 2006) gelet op [artikel 3, derde en vierde lid, van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018499&artikel=3); gelet op [artikel 3, vijfde lid, van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018501&artikel=3); gelet op [artikel 3, vijfde lid, van de Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018502&artikel=3); gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Verordening PT heffing verduurzaamde groenten en fruit 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018504&artikel=4); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 4 april 2006; Besluit: Artikel 1 1. Voor de in [artikel 3, tweede lid van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018499&artikel=3) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2006 als volgt vastgesteld: | a | glasgroenten: | 0,468% | | --- | --- | --- | | b | vollegrondsgroenten: | 0,153% | | | - aardbeien: | 0,153% | | c | fruit: | 0,153% | | d | champignons: | 0,170% | | | - overige paddestoelen: | 0,050% | | e | uitgangsmateriaal: | 0,080% | 2. Het in [artikel 3, vierde lid van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018499&artikel=3) (de korting kwaliteitscontrole ingeval van contractteelt) genoemde percentage, wordt voor het jaar 2006 vastgesteld op: 0,090%. Artikel 2 1. Het in [artikel 3, derde lid van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018501&artikel=3) (de handel in groenten en fruit) genoemde percentage, wordt voor het jaar 2006 vastgesteld op: 0,05%. 2. Het bedrag, ge"},{"i":585,"b":"Wet van 11 juni 1987, houdende het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van wie het inkomen duurzaam minder bedraagt dan het sociaal minimum en die als gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beëindigd Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een inkomensvoorziening te treffen voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van wie het inkomen duurzaam minder bedraagt dan het sociaal minimum en die als gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beëindigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. college: het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&hoofdstuk=II&paragraaf=3&artikel=11&z=2026-02-04&g=2026-02-04); - c. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - d. Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - e. het Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in [artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=63); - f. netto minimumloon: het netto minimumloon, bedoeld in [artikel 37, eerste lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel"},{"i":3871,"b":"Besluit van 10 december 2004, houdende regels ter uitvoering van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid (Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 juni 2004, nr. PRO 2004/67265, Directoraat-generaal Veiligheid, project PRO; Gelet op [richtlijn nr. 94/56/EG](31994L0056) van de Raad van de Europese Unie van 23 november 1994 houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart (PbEG L 319), [richtlijn nr. 96/82/EG](31996L0082) van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG L 010), [richtlijn nr. 2002/59/EG](32002L0059) inzake de invoering van een communautair monitorings- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart (PbEG L 208) en [richtlijn nr. 1999/35/EG](31999L0035) van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1999 betreffende een stelsel van verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde diensten met ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen (PbEG L 138) alsmede de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=5), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=28), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=54), [56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=56), [59, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=59), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=67), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=68), [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=77), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=78) en [96, eerste lid, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=96); De Raad van State gehoord (advies van 2 september 2004, nr. W04.04.0"},{"i":593,"b":"Wet van 17 december 2014, houdende modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verlofregelingen van de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) en de bepalingen inzake aanpassing van de arbeidsduur in de [Wet aanpassing arbeidsduur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011173) te wijzigen opdat daardoor de gebruiksmogelijkheden van deze wetten worden vergroot, alsmede om technische aanpassingen door te voeren in de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) en om het overgangsrecht met betrekking tot de Wet arbeid en zorg te actualiseren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel II Wijzigt de Wet aanpassing arbeidsduur. Artikel III Wijzigt de Arbeidstijdenwet. Artikel IV De [Invoeringswet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013009) wordt ingetrokken. Artikel V Wijzigt de Wijzigingswet Wet arbeid en zorg, enz. (recht op langdurig zorgverlof). Artikel VI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel VII Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel VIIA Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036012&artikel=I&z=2016-04-01&g=2016-04-01), van deze wet een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van [artikel 3:1, zesde, zevende, achtste en negende lid, van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:1) in de praktijk. Artikel VIII De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daa"},{"i":600,"b":"Wet van 2 februari 1967, houdende overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake overgangsrecht met betrekking tot de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder: - a. Wet: de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - b. Interimwet invaliditeitsrentetrekkers: de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers, zoals deze wet luidde op de dag, voorafgaande aan die, waarop zij werd ingetrokken; - c. Ongevallenwet 1921, Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en Zeeongevallenwet 1919: de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk de Zeeongevallenwet 1919, zoals deze wetten luidden op de dag, voorafgaande aan die, waarop zij werden ingetrokken; - d. ongeval: een ongeval, in verband met de dienstbetrekking of de uitoefening van een verzekeringsplichtig bedrijf overkomen, als bedoeld in de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of de Zeeongevallenwet 1919, alsmede hetgeen in die wetten mede als ongeval, in verband met de dienstbetrekking overkomen, werd beschouwd, dan wel daarmede werd gelijkgesteld. 2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt met lichamelijk letsel, gevolg van een ongeval, gelijkgesteld lichamelijk letsel in een betrekkelijk korte tijd ontstaan als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Ongevallenwet 1921 en artikel 2, vierde lid, van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922. Artikel 2 1. De beslissingen en verstr"},{"i":601,"b":"Wet van 24 december 1997, houdende het onder de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen brengen van het overheidspersoneel (Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat wenselijk is het overheidspersoneel onder de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Overgang naar de werknemersverzekeringen Paragraaf 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Amar: het [Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482), zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan de datum waarop deze wet van toepassing wordt; - b. militaire pensioenbepalingen: bij of krachtens de [Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955) vastgestelde bepalingen; - c. ARAR: het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950), zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan de datum waarop deze wet van toepassing wordt; - d. beroepsmilitair: de beroepsmilitair in de zin van de Amp-wet; - e. bezoldiging of uitkering in geval van ziekte: bezoldiging in geval van ziekte tijdens het dienstverband als bedoeld in artikel 39 van het ARAR of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling, alsmede bezoldiging of uitkering wegens ziekte na beëindiging van het dienstverband als bedoeld in artikel 42 van het ARAR of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling, anders dan een WAO-conforme uitkering; - f. deeltijdfactor: de breuk waarvan de noemer wordt gevormd door het bedrag van het salaris dat in het toepasselijke systeem zou gelden bij volledige werktijd, zo nodig vastgesteld op gro"},{"i":8737,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Turkse Regering inzake de afschaffing van visa Pour le Ministre des Affaires Etrangères, (s.) AÇIKALIN **Son Excellence** **M. le Dr. W. Huender,** **Ministre des Pays-Bas,** **Ankara.**"},{"i":610,"b":"Wet van 29 november 2001, houdende regels tot vaststelling van een structuur voor de uitvoering van taken met betrekking tot de arbeidsvoorziening en socialeverzekeringswetten (Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de organisatie van de uitvoering van de taken van de overheid met betrekking tot de arbeidsvoorziening en de uitvoering van de werknemersverzekeringen te wijzigen, zulks mede ter bevordering van de inschakeling van werkzoekenden in het arbeidsproces, en daartoe – onder intrekking van de [Arbeidsvoorzieningswet 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008367) en de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 – één nieuwe wet vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De artikelen 3, 4 en 5, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank, treden in werking met ingang van 1 januari 2003. De artikelen 21, onderdeel f, 28 en 29 treden voorzover het betreft aanvragen van uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De artikelen 21, onderdeel f, 28 en 29, treden voorzover het betreft aanvragen van toeslag op grond van de Toeslagenwet, in werking met ingang van 1 april 2002. Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Algemene begrippen 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. Raad voor werk en inkomen: de Raad voor werk en inkomen, genoemd in [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01) zoals dat luidde op 30 juni 2012; - c. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut"},{"i":14320,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 5 februari, nr. 5128033 houdende voorbehoud auteursrecht logo en huisstijl van de Raad voor de Rechtspraak Gelet op [artikel 15b Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b); Besluit: Artikel 1 De Raad voor de rechtspraak maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot het logo en de huisstijl van de Raad voor de rechtspraak, als opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage. bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049388&artikel=1&z=2024-02-23&g=2024-02-23) van de Regeling houdende voorbehoud auteursrecht logo en huisstijl van de Raad voor de Rechtspraak Het basislogo van de Rechtspraak is een beeldmerk (Vrouwe Justitia) gecombineerd met een woordmerk (de Rechtspraak). Het beeldmerk en het woordmerk vormen samen één geheel. 1. Het beeldmerk Het beeldmerk bevat een afbeelding van Vrouwe Justitia in de kleuren Indigo en Magenta. 2. Het woordmerk Onder het beeldmerk staat de naam ‘de Rechtspraak’ in een eigen, uniek lettertype. Elk gerecht en landelijke dienst in Nederland heeft een eigen sublogo. Het sublogo is het basislogo met de naam van het gerecht of landelijke dienst eronder er onder in hetzelfde lettertype. 3. Varianten Het logo bestaat in verschillende varianten: kleur, zwart-wit, wit en een diapositieve versie van de grijswaarden. Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":611,"b":"Wet van 7 juli 1993, tot wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de overheidspensioenwetten en enkele andere wetten strekkende tot herziening van het arbeidsongeschiktheidscriterium, het binden van het uitkeringsrecht aan een termijn, aanpassing van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de leeftijd alsmede invoering van een stimuleringsmaatregel voor herintreding van arbeidsongeschikten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op terugdringing van het arbeidsongeschiktheidsvolume het arbeidsongeschiktheidscriterium in de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de overheidspensioenwetten te herzien en het recht op uitkering ingevolge die wetten aan een termijn te binden, in de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) en de overheidspensioenwetten de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband te brengen met de leeftijd, waarop de uitkering wordt toegekend en een stimuleringsmaatregel te treffen voor arbeidsongeschikten die herintreden op de arbeidsmarkt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Wetswijzigingen Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk II. De stimuleringsuitkering Artikel VIII Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als arbeidsongeschikte aangemerkt de persoon: - a. di"},{"i":2597,"b":"Beleidsregels compensatie meldingsplichtige vuurwerkbedrijven Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Artikel 2. Schade Er wordt slechts schade vergoed aan een verzoeker, die direct schade lijdt ten gevolge van het niet kunnen voldoen aan [artikel 2.2.1 van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=2.2.1). De vergoeding kan uitsluitend omvatten inkomensschade en desinvesteringsschade, die ontstaat door het noodgedwongen moeten beëindigen van de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk op de huidige locatie. Artikel 3. Niet in aanmerking komende schade Geen vergoeding wordt toegekend voor binnen het normale maatschappelijke risico of het ondernemersrisico vallende schade en schade die niet rechtstreeks voortvloeit uit de eisen van het [Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360). Hoofdstuk 2. Procedurebepalingen Artikel 4. Verzoek om schadevergoeding 1. Het verzoek om schadevergoeding wordt gedaan door het indienen van een correct en volledig ingevuld en ondertekend exemplaar van het door de minister vastgestelde formulier. De verzoeker omkleedt zijn verzoek om schadevergoeding met redenen. 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan worden verkregen bij het bevoegd gezag, bij de uitvoeringsinstantie Senter en via internet (www.senter.nl). 3. Het verzoek om schadevergoeding wordt gericht aan de minister en wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op 31 december 2004 door middel van het formulier zoals genoemd in het eerste lid ingediend bij Senter, postbus 10073, 8000 GB te Zwolle. 4. Bij het formulier dienen in ieder geval gevoegd te zijn: een accountantsverklaring en een verklaring van het bevoegd gezag dat de betreffende locatie niet voldoet aan de ingevolge het [Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360) gestelde eisen en niet zodanig is aan te passen dat wel aan voornoemde eisen wordt voldaan. Artike"},{"i":4750,"b":"Jaarlijkse aanpassing tarieven reisdocumenten Bijgaand treft u aan de regeling van 13 september 2000, waarbij de tarieven voor reisdocumenten zijn aangepast. De wijziging vloeit voort uit [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005264&artikel=6) en [artikel 12, tweede lid, van het Besluit paspoortgelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005264&artikel=12), waarin indexeringsbepalingen zijn opgenomen. Voor een gedetailleerde toelichting verwijs ik u naar de toelichting bij de regeling. De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. In verband met het voornemen van de regering om bij de invoering van de nieuwe generatie reisdocumenten over te gaan tot een verlaging van de aan het Rijk verschuldigde paspoortgelden, zullen in de loop van het jaar door middel van een wijziging van het [Besluit paspoortgelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005264) nieuwe tarieven voor reisdocumenten worden vastgesteld. Op dat moment zal deze regeling komen te vervallen. Gaarne maak ik van de gelegenheid gebruik om u mede te delen, dat momenteel overleg gaande is met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten om te komen tot een bandbreedte in de gemeentelijke leges voor reisdocumenten. Bij dit overleg is ook de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken betrokken. Aanleiding hiertoe is de wens van de Tweede Kamer om te streven naar een vorm van harmonisatie van de gemeentelijke tarieven voor reisdocumenten, die thans tussen gemeenten onderling grote verschillen kunnen vertonen. Naar verwachting zal aan het einde van dit jaar meer duidelijkheid ontstaan over de wijze waarop aan de wens van de Tweede Kamer uitvoering kan worden gegeven. U zult zowel over de verlaging van de aan het Rijk verschuldigde paspoortgelden als over de vaststelling van een bandbreedte voor de gemeentelijke leges tijdig worden geïnformeerd. Regeling aanpassing tarieven reisdocumenten 2001 De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, Gelet op [artikel 6, vierd"},{"i":619,"b":"Wet van 8 maart 2017 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten tot uitfasering van het pensioen in eigen beheer en het treffen van enkele fiscale maatregelen inzake oudedagsvoorzieningen (Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IIIa Onze Minister kan toestaan dat een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bestaande aanspraak ingevolge een pensioenregeling in de zin van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend als gevolg van de in deze wet opgenomen wijzigingen van [artikel 19a van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19a) niet langer als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling in de zin van die wet is aan te merken in afwijking in zoverre van het in die wet bepaalde onder door Onze Minister te stellen voorwaarden en gedurende een door Onze Minister te bepalen periode toch als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling in de zin van die wet wordt aangemerkt. Daarbij kan tevens worden bepaald of en in hoeverre de [artikelen 38n tot en met 38q van die wet](onbekend) van overeenkomstige toepassing zijn en de toepassing van [artikel 19b van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19b) achterwege wordt gelaten. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VII Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IX Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel X Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XI Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XII Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel XIII Wijzigt de P"},{"i":2947,"b":"Besluit aanwijzing gevaarlijke stoffen, beroepsziektes en letsels Wet ongevallenverzekering BES Artikel 1. Bepaling van gevaarlijke stoffen 1. Als gevaarlijke stoffen, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=1) worden de stoffen aangemerkt, die worden genoemd in kolom 1 van de tabel, vermeld in het tweede lid, mits daartoe grotere hoeveelheden van deze stoffen voorradig zijn of gebruikt worden dan de hoeveelheden, die in kolom 2 van de tabel, vermeld in het tweede lid, zijn aangegeven. 2. Onder de in het eerste lid bedoelde gevaarlijke stoffen en hoeveelheden worden verstaan: | Kolom 1 | Kolom 2 (in kilogrammen) | | --- | --- | | 1°. Buskruit niet in patronen. | 1.00 | | 2°. Buskruit in patronen. | 1.00 | | 3°. Mengsels van een of meer salpetersoorten met brandbare stoffen, zoals aanwezig zijn in vuurwerken: picrinezuur; mengsels van chroomzure of permangaanzure zouten met magnesium- of aluminiumpoeder, zoals worden gebruikt voor het voortbrengen van bliksemlicht voor fotografische doeleinden; mengsels van ammoniak, kali- of natrolsalpeter, permangaanzure of chroomzure zouten met nitroderivaten van een van de koolwaterstoffen van de aromatische reeks of met zwavel, pek, olie, paraffine, vet, lak of een andere brandbare, maar niet ontplofbare stof. | 2.00 | | 4°. Springgelatine, dynamiet en andere niet vloeibare mengsels van nitroglycerine en niet ontplofbare stoffen. | 1.00 | | 5°. Kalium- en ammoniumpicraat, ontplofbare mengsels van kaliumchloraat met andere stoffen, nitroglycerine, schietkatoen, collodiumwol en schiethout. | 0.050 | | 6°. Knalkwik, al of niet aanwezig in slagkwik of detonatorpijpjes of andere voorwerpen, indien niet in hetzelfde vertrek aanwezig met één of meer van de hiervoor vermelde ontplofbare stoffen. | 0.010 | | 7°. Knalkwik, al of niet aanwezig in slagkwik of detonatorpijpjes of andere voorwerpen, indien aanwezig in hetzelfde vert"},{"i":652,"b":"Besluit van 28 november 2019 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met de inrichting van registers en in samenhang daarmee het vaststellen van eisen aan de professionele uitoefening voor diverse beroepen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 juli 2019, nr. 2019-0000098819; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (Algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119), de [Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940) en de [artikelen 16, eerste lid, tweede lid, aanhef en onderdeel a, vierde lid, aanhef en onderdeel b, zevende lid, aanhef en onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=20) en [33, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=33); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 september 2019, No.W12.19.0189/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 november 2019, nr. 2019-0000165348; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit. Artikel II Wijzigt het Vuurwerkbesluit. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III. Overgangsbepaling Vervallen Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen, onderdelen of subonderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit"},{"i":3034,"b":"Besluit van 31 mei 2012, houdende aanwijzing tot ‘verboden plaatsen’ Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 24 mei 2012, nr. 3112767; Gelet op de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I) en [IV van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=IV); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als ‘verboden plaats’ in de zin van [artikel 1 van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I) wordt met ingang van 1 juli 2012 aangewezen: - a. het gebouw Binnenhof 17 te ’s-Gravenhage; - b. de ruimte 0.61 van het gebouw Binnenhof 18 te ’s-Gravenhage; - c. de ruimten in de kelder, op de begane grond, de eerste etage, de tweede etage, alsmede op de derde etage de ruimten 3.07b, 3.07c, 3.08b, 3.08c, 3.08d van het gebouw Binnenhof 20 te ’s-Gravenhage; - d. de ruimten in gebruik bij de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten in het gebouw Anna van Saksenlaan 50 te ’s Gravenhage. Artikel 2 De krachtens [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031692&artikel=1&z=2012-08-01&g=2012-08-01) aangewezen ‘verboden plaatsen’ worden als zodanig aangegeven op de deuren toegang gevende tot de in artikel 1 genoemde ruimten, vermeldende: ‘Verboden toegang voor onbevoegden - Verboden plaats ingevolge de Wet bescherming staatsgeheimen’. Artikel 3 Het besluit van 20 februari 2010 (nr. 10.000442) wordt ingetrokken. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit."},{"i":1094,"b":"Inkomstenbelasting, eigenwoningschuld vanaf 1 januari 2013; bij annuïtaire lening is overeengekomen contractuele rente hoger dan marktconforme rente **De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat een goedkeuring voor annuïtaire leningen waarvoor een contractuele aflossingsverplichting geldt om te worden aangemerkt als eigenwoningschuld, waarbij de overeengekomen contractuele rente hoger is dan de marktconforme rente.** 1. Inleiding Met ingang van 1 januari 2013 is de contractuele aflossingsverplichting ([artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.119a)) één van de voorwaarden om een lening aan te merken als eigenwoningschuld. Dit houdt in dat met betrekking tot die lening een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen overeenkomstig [artikel 3.119c Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.119c). Voor de beoordeling of bij een annuïtaire lening aan de contractuele aflossingsverplichting wordt voldaan, moet de maandelijkse rentevoet in het contract overeenkomen met de rente die als eigenwoningrente wordt aangemerkt.1Dit blijkt uit een brief van de Staatssecretaris van Financiën van 21 september 2015, waarbij in het kader van de fiscale uitwerking bij rentemiddeling is aangegeven dat bij leningen waarvoor de fiscale aflossingseis geldt in het annuïtaire schema moet worden gerekend met de rente die als eigenwoningrente in aftrek mag worden gebracht (**Kamerstukken II** 2015/16, 34 220, nr. 11, p. 8). Alleen de rente die wordt aangemerkt als een vergoeding voor het ter beschikking stellen van de hoofdsom, wordt als eigenwoningrente aangemerkt. In het algemeen is dit de marktconforme rente: de rente die banken en andere financiële instellingen zouden aanbieden bij een lening van een vergelijkbaar bedrag met een verge"},{"i":660,"b":"Besluit van 13 december 2019 tot wijziging van het Besluit bezoldiging politie en enkele andere rechtspositionele besluiten ter formalisering en uitvoering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Politie 2018–2020 inzake onder meer afspraken betreffende het inkomen, de capaciteit en inzetbaarheid, de kwaliteit, loopbaan en onderwijs en de duurzame inzetbaarheid van ambtenaren, werkzaam in de sector Politie Artikel I Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie. Artikel II Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel III Wijzigt het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie. Artikel IV Wijzigt het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994. Artikel V Wijzigt het Besluit rangen politie. Artikel VI Wijzigt het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten. Artikel VII 1. In 2018 wordt een eenmalige uitkering uitbetaald aan de ambtenaren, bedoeld in [artikel 1, eerste lid onder b, c, d, e en f van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1), die op 1 januari 2018 en op 1 november 2018 als zodanig zijn aangesteld binnen de sector Politie. 2. De in het eerste lid bedoelde uitkering is pensioengevend, bedraagt € 400 voor de ambtenaar met een aanstelling op 1 januari 2018 van 36 uur of meer per week en een evenredig deel daarvan ingeval van een aanstelling van minder dan 36 uur per week. 3. Indien de ambtenaar slechts een gedeelte van zijn bezoldiging geniet, heeft dit geen invloed op de hoogte van de eenmalige uitkering. 4. Geen eenmalige uitkering ontvangen de ambtenaren bedoeld in het eerste lid, die op 1 januari 2018 geen bezoldiging ontvingen in verband met buitengewoon onbezoldigd verlof. Indien dit verlof niet volledig genoten wordt, wordt de uitkering naar rato van de daadwerkelijke dienstverrichting berekend. 5. De ambtenaar kan op eigen verzoek afzien van de uitkering. Artikel VIII 1. In 2019 wordt een eenmalige uitkering uitbetaald aan de ambtenaren, bedoeld in [artikel 1, ee"},{"i":662,"b":"Besluit van 16 december 2015, houdende Aanpassing van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag, het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, het Arbeidsomstandighedenbesluit, het Arbeidstijdenbesluit en het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs in verband met het openbaar maken van inspectiegegevens Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 juni 2015, nr. 2015-0000145965; Gelet op de [artikelen 18pa, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18pa), [19g, derde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=19g), [29b, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=29b), [8:8, derde lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=8:8) en [15b, derde lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=15b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 juli 2015, nr. No.W12.15.0177/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 december 2015, nr. 2015-0000283476; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. [Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222) Wijzigt het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag. Artikel II. [Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523) Wijzigt het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen. Artikel III. [Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498) Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV. [Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687) Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V"},{"i":663,"b":"Wijzigingsbesluit Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV 2020 Artikel I UWV stelt het normbedrag ‘Reisvergoeding geregistreerde tolk onderwijs/werkdomein met code E 17-A1 voor de periode 1 juli 2019 tot en met 31 december 2019 vast op € 0,71. Artikel II Wijzigt het Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV 2020. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit is geplaatst. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044083&artikel=I&z=2020-09-16&g=2020-09-16) werkt terug tot en met 1 juli 2019, [artikel II onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044083&artikel=II&z=2020-09-16&g=2020-09-16) werkt terug tot en met 1 juli 2020 en artikel II onderdeel B werkt terug tot en met 1 januari 2020. Besluit: Dit besluit wordt met de toelichting en de aangepaste bijlage in de Staatscourant geplaatst."},{"i":18588,"b":"Verordening benoeming notariële leden kamers voor het notariaat Overwegende dat het gewenst is regelen te stellen met betrekking tot de benoeming van notariële leden van de kamers voor het notariaat; Gelet op [artikel 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=77) en [artikel 94 zevende lid van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=94); Gezien het ontwerp van het bestuur met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de kamers voor het notariaat; Gelet op de adviezen van de ringen; stelt de navolgende verordening vast: De notariële leden van de kamers voor het notariaat worden voor de tijd van vier jaren door de ledenraad van de KNB, op voordracht van de ringbesturen in het ressort van de desbetreffende kamer voor het notariaat, uit de leden van die ringen benoemd. Gebleken is dat de ringen verschillende procedures hanteren voor deze voordrachten. Om een uniforme voordracht en benoeming te verzekeren heeft het bestuur van de KNB daarom besloten hiervoor bij verordening nadere regels te stellen. Artikel 1 1. Wanneer moet worden voorzien in de benoeming van een notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris tot lid of plaatsvervangend lid van een kamer voor het notariaat stellen de ringbesturen die vallen onder het ressort van de betrokken kamer alle leden van hun ring schriftelijk of per elektronische van het bestaan van de noodzaak van benoeming op de hoogte. Het ringbestuur vraagt de leden hierbij wie zich voor benoeming beschikbaar wil stellen. 2. De leden van de ring kunnen een reactie schriftelijk of per elektronische weg binnen twee weken na verzending van het verzoek bij de secretaris van het ringbestuur indienen, onder overlegging van de ondertekende governanceverklaring. 3. De ringbesturen die vallen onder het ressort van de betrokken kamer, stellen, na overleg met de betrokken kamer, uit de reacties een eensluidende voordracht op. De ringbesturen kunnen besluiten reacties die binnenkome"},{"i":666,"b":"Besluit van 29 maart 2022 tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 in verband met een tijdelijke vrijstelling van de tewerkstellingsvergunningsplicht, gelet op het Uitvoeringsbesluit van de Raad tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 maart 2022, nr. 2022-0000080901, Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 maart 2022, No. W12.22.00033/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 maart 2022, 2022-0000084117, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. Wijziging van het [Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046078) Wijzigt het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022. Artikel II. Overgangsperiode 1. Een onderdaan van Oekraïne wordt, voor de werking van de [artikelen 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046078&artikel=3.2), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046078&artikel=6.5), en [7.8, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046078&artikel=7.8), beschouwd als vreemdeling als bedoeld in die artikelen. 2. Bij ministeriële regeling kunnen andere categorieën van vreemdelingen worden aangewezen die voor de werking van de in het eerste lid bedoeld artikelen eveneens worden beschouwd als vreemdeling in de zin van die artikelen. 3. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing tot en met 31 mei 2022. 4. De periode, bedoeld in het derde lid, kan bij ministeriële regeling steeds worden verlengd voor een periode van maximaal drie m"},{"i":672,"b":"Besluit van 3 december 1997, houdende wijziging van enige besluiten in verband met het arbeidsvoorwaardenakkoord sector Defensie voor de periode van 1 april 1997 tot en met 31 mei 1999 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 4 september 1997, nr. P97005778 ; Gelet op [artikel 125 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [artikel 12 van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 13 november 1997, nr. W07.97.0578); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 27 november 1997, nr. P/97008151; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1 werkt terug tot en met 1 juli 1996; Hoofdstuk 2 werkt terug tot en met 1 januari 1997; Hoofdstuk 3 werkt terug tot en met 1 april 1997; Hoofdstuk 4 werkt terug tot en met 1 mei 1997; Hoofdstuk 5 werkt terug tot en met 1 juli 1997; Hoofdstuk 6 werkt terug tot en met 1 november 1997. HOOFDSTUK 1. WIJZIGING VAN ENIGE BESLUITEN MET INGANG VAN 1 JULI 1996 ARTIKEL I Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement. ARTIKEL II Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie. ARTIKEL III Wijzigt het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. ARTIKEL IV Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. ARTIKEL V Wijzigt het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel. HOOFDSTUK 2. WIJZIGING VAN ENIGE BESLUITEN MET INGANG VAN 1 JANUARI 1997 ARTIKEL VI Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. ARTIKEL VII Wijzigt het Besluit uitvoering Algemene militaire pensioenwet. HOOFDSTUK 3. WIJZIGING VAN ENIGE BESLUITEN MET INGANG VAN 1 APRIL 1997 ARTIKEL VIII Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement. ARTIKEL IX Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie. ARTIKEL X Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. HOOFDSTUK 4. WIJZIGING VAN HET INKOMSTENBESLUIT MILITAIREN MET INGANG VAN 1 MEI 1997 ARTIKEL XI Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. HOOFDSTUK 5. WIJZIGING VAN ENI"},{"i":676,"b":"Besluit van 10 april 1999, houdende wijziging van de titel van de begroting voor het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens Onze Minister van Financiën van 6 april 1999, CW99/57950; Gelet op de artikel 1, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 1976, Stb. 671; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 1999. Artikel 1 1. Aan de in [artikel 1, eerste lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=1) genoemde begrotingen wordt een begroting toegevoegd voor Koninkrijksrelaties. 2. De begroting voor Koninkrijksrelaties bevat de ramingen van de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten met betrekking tot de aan de Nederlandse Antillen en Aruba te verlenen hulp en bijstand met uitzondering van de ramingen welke ter zake van deze hulp en bijstand worden opgenomen in een begrotingsartikel «personeel en materieel» van de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De in het vorige artikel bedoelde begroting wordt beheerd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 Het koninklijk besluit van 31 augustus 1977, houdende toevoeging aan de rijksbegroting van een hoofdstuk voor het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse Zaken (Stb. 518), wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en het werkt terug tot en met 1 januari 1999. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Financiën zijn, ieder voor zoveel hem aangaat, belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":3518,"b":"Besluit van 1 juli 2019, houdende regels inzake het gebruik van het burgerservicenummer door de stichting Slachtofferhulp Nederland (Besluit gebruik burgerservicenummer door Slachtofferhulp Nederland) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 10 april 2019, nr. 2563265; Gelet op [artikel 89, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 mei 2019, nr. W16.19.0096/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 26 juni 2019, nr. 2636096, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428); - b. **registratie:** een registratie als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=3); - c. **slachtoffer:** de persoon, bedoeld in [artikel 51a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a); - d. **familielid:** een van de personen, bedoeld in [artikel 51a, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a); - e. **authenticatie:** een elektronisch proces voor de verificatie en bevestiging van de identiteit van het slachtoffer of een familielid; - f. **identificatiemiddel:** een middel dat identificatiegegevens bevat waarmee het slachtoffer of een familielid dat toegang wenst tot elektronische dienstverlening of informatieverschaffing geauthentiseerd kan worden. Artikel 2 De stichting Slachtofferhulp Nederland gebruikt het burgerservicenummer van het slachtoffer of van een familielid bij door haar verrichte werkzaamheden ten aanzien van: - a. het bij overheidsorganen opvragen en van hen ontvangen, het vastleggen en"},{"i":11905,"b":"Besluit beantwoordingstermijn voor verzoeken om toegang tot, en levering van diensten in een dienstvoorziening Gelet op [artikel 70, derde lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=70), Besluit: Artikel 1. – Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Dienstvoorziening:** dienstvoorziening als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=1); - b. **Exploitant:** exploitant van een dienstvoorziening als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=1); - c. **Spoorwegonderneming:** spoorwegonderneming als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=1); - d. **Toegangsverzoek:** verzoek van een spoorwegonderneming aan een exploitant om toegang tot, en levering van diensten in een dienstvoorziening als bedoeld in [artikel 15, eerste lid, van het Besluit implementatie richtlijn 2012/34/EU tot instelling van één Europese spoorwegruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037315&artikel=15). Artikel 2. – Toegangsverzoek Een toegangsverzoek van een spoorwegonderneming bevat alle gegevens die nodig zijn voor een exploitant om tijdig een onherroepelijk aanbod te kunnen maken met daarin opgenomen alle (tarief-) voorwaarden. Artikel 3. – Beantwoording toegangsverzoek 1. De exploitant van een dienstvoorziening als bedoeld in bijlage II, punt 2, onder a, b, c, d, e, f, g, h en i, van [richtlijn 2012/34/EU](32012L0034) informeert verzoeker binnen 5 werkdagen na ontvangst van een toegangsverzoek of dit toegangsverzoek voldoende gespecificeerd is en alle gegevens bevat als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039315&artikel=2&z=2017-03-14&g=2017-03-14). 2. De exploitant van een dienstvoorziening als bedoeld in bijlage II, punt 2, onder a, b, c, d, f, g, h en i, van [richtlijn 2012/34/EU](32012L0034)"},{"i":690,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 april 2024, nummer 5335029, tot wijziging van de Regeling naturalisatietoets Nederland in verband met de aanpassing van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Gelet op [artikel 6 van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=6); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling naturalisatietoets Nederland. Artikel II [Artikel 4, achtste lid, onderdeel c, onderdeel 2˚](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=4), zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op verzoeken van de verzoeker om verlening van het Nederlanderschap tot vrijstelling van het onderdeel van het inburgeringsexamen oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt, bedoeld in de [artikelen 2.10, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.10), en [3.9, derde lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=3.9) die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7175,"b":"Wet van 21 november 2002, houdende integratie van de Huurprijzenwet woonruimte en de Wet op de huurcommissies in een uitvoeringswet huurprijzen woonruimte onder gelijktijdige overheveling van een deel van de tekst van de Huurprijzenwet woonruimte naar de nieuwe titel 7.4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte) Hoofdstuk I. Algemeen Hoofdstuk I. Algemeen § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 4 1. De huurcommissie heeft de in het tweede tot en met vijfde lid en in de [artikelen 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&hoofdstuk=II&paragraaf=2&artikel=4a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&hoofdstuk=II&paragraaf=2&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) aangegeven taken. 2. De huurcommissie doet uitspraak: - 0a. ingevolge [artikel 7:248, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=248) over verhoging van de huurprijs; - a. ingevolge [artikel 7:249 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=249) over de redelijkheid van de overeengekomen aanvangshuurprijs; - b. ingevolge [artikel 7:253 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=253) over de redelijkheid van het voorstel tot verhoging van de huurprijs; - c. ingevolge [artikel 7:254 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=254) over de redelijkheid van de huurprijs; - d. ingevolge de [artikelen 7:255](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=255) en [7:255a van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=255a) over het bedrag van de verhoging van de huurprijs na de totstandkoming van voorzieningen, veranderingen of toevoegingen; - e. ingevolge [artikel 7:257 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=257) over de in rekening te brengen huurprijs bij vermindering van het"},{"i":706,"b":"Wet van 30 november 2006 tot wijziging van de Arbeidstijdenwet in verband met vereenvoudiging van die wet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) te vereenvoudigen en aldus voor werkgevers en werknemers de mogelijkheden te vergroten om op maat afspraken te maken inzake arbeids- en rusttijden van werknemers met behoud van de noodzakelijke bescherming van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van die werknemers; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Arbeidstijdenwet. Artikel II Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IV Na inwerkingtreding van deze wet berust de [Regeling tachograafkaarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018544) mede op [artikel 12:2, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=12:2). Artikel V 1. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een collectieve regeling als bedoeld in [artikel 1:3 van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=1:3) van toepassing is, waarvan de inwerkingtreding ligt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) van toepassing, zoals die wet luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze wet. 2. In afwijking van het eerste lid geldt de toepassing van [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671), zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze wet, slechts tot het tijdstip waarop de collectieve regeling, bedoeld in het eerste lid, expireert, doch uiterlijk tot een jaar na inwerkingtreding van deze wet. 3. Het eerste of tweede lid geldt n"},{"i":708,"b":"Wet van 14 december 2016 tot wijziging van Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verplichten van beschut werk en met betrekking tot het quotum van arbeidsbeperkten en het openstellen van de Praktijkroute Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat mensen naar vermogen moeten kunnen meedoen op de arbeidsmarkt en maatwerk aangeboden moeten krijgen en dat het hiervoor noodzakelijk is verschillende aanpassingen door te voeren om de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) en de [Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036551) en de uitvoering hiervan door colleges van burgemeester en wethouders verder te stroomlijnen. Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel II. Wijziging van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel III. Wijziging van de [Wet tegemoetkomingen loondomein](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037522) Wijzigt de Wet tegemoetkomingen loondomein. Artikel IV. Wijziging van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel IVa. Wijziging Wet stroomlijning loonkostensubsidie Participatiewet Wijzigt de Wijzigingswet Participatiewet, enz. (stroomlijning loonkostensubsidie Participatiewet) (Stb. 2016/444). Artikel IVb. Evaluatie Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt in 2019 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te"},{"i":710,"b":"Wet van 22 december 1999 tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enkele andere wetten onder meer met het oog op verbetering van het toezicht op de uitvoering van aanvullende pensioenregelingen, invoering van een verbod op uitstelfinanciering van pensioenaanspraken en verduidelijking van de regels inzake waardeoverdracht van pensioen en aanspraken op pensioen (wijziging PSW in verband met toezicht, verbod op uitstelfinanciering en waardeoverdracht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089) te wijzigen teneinde het toezicht op de uitvoering van aanvullende pensioenregelingen te verbeteren, om financiering achteraf van pensioenaanspraken te verbieden, alsmede te komen tot verduidelijking van de regels inzake waardeoverdracht van pensioen en aanspraken op pensioen en voorts om in die wet en andere wetten enkele daarmee verband houdende en overige wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet. Artikel II Wijzigt de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds. Artikel III Wijzigt de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling. Artikel IV Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel V Wijzigt de Beroepswet. Artikel VI [Artikel 3a, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=3a) zoals dat ingevolge deze wet komt te luiden is ten aanzien van op het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel bestaande voorzieningen als bedoeld in dat artikellid, eerst na afloop van het kalenderjaar waarin dat artikellid in werking treedt van toepassing. Artikel VII 1. [Artikel 5, eerste lid,"},{"i":17002,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Scheepvaart en maritieme zaken over de periode vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 mei 2008 , nr. bca-2008.04829/2); Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Scheepvaart en maritieme zaken over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument voor het beleidsterrein scheepvaart en maritieme zaken Actualisatie (1878) 1945–heden Voor de zorgdragers: Concept/maart 2008 Ministerie van Verkeer en Waterstaat Eindredactie: Project Wegwerken Archief Achterstanden (Nienke Broekema) 1. Lijst van afkortingen AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur art.: artikel BSD: Basisselectiedocument BZK: (Minister/Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties CMO: Centrum Maritiem Onderzoek DGG: Directoraat-Generaal Goederenvervoer DGSM: Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken DGTL: Directoraat-Generaal Transport en Luchtvaart EU: Europese Unie EZ: (Minister/Ministerie van) Economische Zaken HIP: (Regeling) Haveninterne projecten ICONA: Interdepartementale Commissie voor Noordzeeaangelegenheden IOZV: Interdepartementale Commissie Interimregeling Zeescheepvaart IMO: Internationale Maritieme Organisatie IPZ: Investeringspremie Zeescheepvaart ISM-Code: International Safety Management Code IVW: Inspectie van Verkeer en Waterstaat KB: Koninklijk Besluit LNV: Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit NA: Nationaal Archief NIB: Nederlandse Invester"},{"i":713,"b":"Wet van 25 mei 2000 tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet met betrekking tot de medezeggenschap van gepensioneerden en de gelijkstelling in pensioenregelingen van geregistreerde partners met gehuwden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enkele wijzigingen in de [Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089) aan te brengen ter verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen en ter realisering van een gelijkstelling in pensioenregelingen van geregistreerde partners met gehuwden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet. Artikel II [Artikel 2c van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=2c), zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011385&artikel=I&z=2000-06-23&g=2000-06-23), blijft van toepassing op personen wier deelnemerschap aan een pensioenregeling waarin wijzigingen in rechten en verplichtingen op grond van genoemd artikel 2c zijn ontstaan, voor de dag van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011385&artikel=I&z=2000-06-23&g=2000-06-23), van deze wet is geëindigd. Artikel III 1. Onze Minister kan verenigingen aanwijzen op wie [artikel 6a, eerste lid, vierde zin, en vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=6a), zoals dat artikel luidt na inwerkingtreding van deze wet, tot 1 januari 2001 niet van toepassing zijn. 2. Met betrekking tot op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bestaande deelnemersraden als bedoeld in [artikel 6a, eerste en tweede lid, van de Pensioen- e"},{"i":718,"b":"Wet van 2 november 1994, houdende wijziging van de Tijdelijke wet arbeidsbemiddeling onderwijs in verband met vergroting van het aantal voor benoeming in aanmerking komende wachtgelders, het doorschuiven van vacatures en verruiming van de omstandigheden waaronder een bevoegd gezag zonder toepassing van de wet een vervangende leerkracht kan benoemen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Tijdelijke wet arbeidsbemiddeling onderwijs te wijzigen teneinde het aantal voor benoeming in aanmerking komende wachtgelders te vergroten, de mogelijkheid te bieden om vacatures door te schuiven en de omstandigheden te verruimen waaronder een bevoegd gezag zonder toepassing van de wet een vervangende leerkracht kan benoemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Op benoemingen die hebben plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, en op geschillen die op grond van artikel 3 zoals luidend op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet aanhangig zijn gemaakt, blijft artikel 3 van de Tijdelijke wet arbeidsbemiddeling onderwijs zoals luidend op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing. Tot de in de eerste volzin bedoelde benoemingen worden niet gerekend benoemingen waarvoor op grond van artikel 3 van de Tijdelijke wet arbeidsbemiddeling onderwijs, zoals luidend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet, geen vermindering van de rijksvergoeding, bedoeld in artikel 8 of artikel 15 van de eerstgenoemde wet, zou mogen worden opgelegd. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat de onderdelen B en D van [artikel I](https:/"},{"i":723,"b":"Wet van 2 november 1995, tot wijziging van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (herziening aanpassingssysteem wetten voor oorlogsgetroffenen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetten voor oorlogsgetroffenen te herzien inzake het systeem van aanpassing van de buitengewone pensioenen en uitkeringen aan de ontwikkelingen van de ambtelijke pensioenen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI [Artikel 31**a** van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31a), [artikel 28**a** van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28a), [artikel 35 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=35), [artikel 18 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=18) en [artikel 25 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=25), zoals deze artikelen luidden voor 1 januari 1995, blijven van toepassing ten aanzien van wijzigingen in de bezoldiging van het rijkspersoneel voor die datum. Artikel VII Bevat wijzigingen in deze regelgeving. Artikel VIII Deze wet treedt in"},{"i":722,"b":"Wet van 29 augustus 1991, tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de Wet premieheffing over uitkeringen (**Stb.** 1986, 639) wenselijk is de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002822) (**Stb.** 1972, 313) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II [Artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005183&artikel=I&z=1991-09-21&g=1991-09-21), blijft buiten toepassing ten aanzien van uitkeringen op grond van [hoofdstuk II van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002822&hoofdstuk=II), die zijn toegekend met ingang van een dag, gelegen voor de datum van inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Zij werkt wat betreft [artikel I, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005183&artikel=I&z=1991-09-21&g=1991-09-21), voorzover dit betrekking heeft op uitkeringen ingevolge [hoofdstuk II van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002822&hoofdstuk=II), terug tot en met 1 mei 1985. Zij werkt wat betreft [artikel I, de onderdelen C en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005183&artikel=I&z=1991-09-21&g=1991-09-21), voorzover deze betrekking hebben op uitkeringen ingevolge [hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002822&hoofdstuk=III) terug tot en met 1 januari 1987. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden ge"},{"i":721,"b":"Wet van 29 september 2021 tot wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen in verband met het toekomstbestendig maken van de wetgeving op het terrein van arbeidsmigratie Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) op onderdelen te wijzigen, teneinde arbeidsmigranten meer bescherming te bieden en een toekomstbestendig beleid mogelijk te maken door middel van een verlenging van de duur van een tewerkstellingsvergunning en enkele andere wijzingen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel II Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel III Ten aanzien van een aanvraag van een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning die is ontvangen vóór het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045741&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01), van deze wet, zijn de voorwaarden, genoemd in de onderdelen g en h uit het tweede lid van het in artikel I, onderdeel C, genoemde [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=9) van deze wet niet van toepassing. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":724,"b":"Wet van 19 mei 1993, houdende wijziging van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (regeling behandeltermijnen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de regelgeving voor oorlogsgetroffenen termijnen te stellen voor de behandeling van aanvragen en bezwaarschriften, en in verband daarmede in de desbetreffende wetten enige wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Voor de periode, eindigend een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, kan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur regels stellen met betrekking tot de lengte van de termijnen, genoemd in de [onderdelen B, E en onderdeel I van artikel I, de onderdelen E en I van artikel II, de onderdelen C, E en onderdeel I van artikel III, de onderdelen B, D en onderdeel I van artikel IV en de onderdelen C, E en onderdeel J van artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005993&artikel=V&z=1993-07-01&g=1993-07-01), die afwijken van het gestelde in deze onderdelen. De Raad stelt degenen, die gedurende dat jaar een aanvraag of bezwaarschrift indienen, van deze regels in kennis. Artikel VII Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en"},{"i":1077,"b":"Wet van 6 december 2023 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek tot implementatie van Richtlijn (EU) 2021/2101 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren (Implementatiewet Richtlijn openbaarmaking winstbelasting) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op [Richtlijn (EU) 2021/2101](32021L2101) van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 tot wijziging van [Richtlijn 2013/34/EU](32013L0034) wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren, noodzakelijk is om onder meer Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel IV Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving. Artikel V Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de volgende besluiten op [artikel 391a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](onbekend) of berusten zij mede op dat artikel: - 1. het [Besluit inhoud bestuursverslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017843); - 2. het [Besluit artikel 10 overnamerichtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019731); - 3. het [Besluit instelling auditcommissie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024324); - 4. het [Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijnen kapitaalvereisten en prudentieel toezicht beleggingsondernemingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035575); - 5. het [Besluit rapportage van betalingen aan overheden](https://wetten.overheid.nl"},{"i":967,"b":"Besluit subsidieplafond 2026 Regeling ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027 gelet op: [artikel 4, eerste lid, van de Tijdelijke regels subsidieverstrekking samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049025&artikel=4), [artikel 3, tweede en vierde lid van de Regeling ter uitvoering van artikel 6, tweede lid van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050773&artikel=3), [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2), overwegende dat: het jaarlijkse subsidieplafond van € 509.464,– voor de kalenderjaren 2024 en 2025 niet volledig is benut; het niet-benutte bedrag conform [artikel 3, tweede lid, van de Regeling ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050773&artikel=3) mag worden vastgesteld als subsidieplafond voor het daaropvolgende kalenderjaar; het gewenst is dit resterende bedrag formeel vast te stellen en bekend te maken. Besluit: Artikel 1. Vaststelling subsidieplafond Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2026 als bedoeld in [artikel 3, tweede en vierde lid van de Regeling ter uitvoering van artikel 6, tweede lid van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050773&artikel=3) bedraagt € 123.789,–. Artikel 2. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidieplafond 2026 Regeling ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdi"},{"i":1043,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 april 2004, IBE/BO-2473567, houdende de goedkeuring van de beschikking SGRC 2004 betreffende het tarief registratie en herregistratie gelet op [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet op de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14), Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Het besluit van de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie – **SGRC 2004** inzake Tarief registratie en herregistratie goed te keuren. Dit besluit zal samen met de desbetreffende beschikking van de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":1144,"b":"Internationaal Belastingrecht. Vermijding van dubbele belasting. Toepassing van de vrijstellingsmethode voor bepaalde inkomsten uit dienstbetrekking onder belastingverdragen met Golfstaten De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Voor bepaalde inkomsten uit dienstbetrekking van inwoners van Nederland waarvoor, onder het desbetreffende belastingverdrag, een heffingsrecht is toegewezen aan Bahrein, Koeweit, Oman, Qatar, Saoedi-Arabië of de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE), keur ik goed dat een vermindering ter vermijding van dubbele belasting wordt verleend volgens de vrijstellingsmethode. 1. Algemeen 1.1. Gebruikte begrippen 1.2. Aanleiding Voor inkomsten uit dienstbetrekking is het in zijn algemeenheid Nederlands verdragsbeleid om dubbele belasting te vermijden door middel van de vrijstellingsmethode. In de belastingverdragen met de Golfstaten is dit verdragsbeleid niet ten volle tot uitdrukking gekomen, wat leidt tot onbedoelde verschillen in behandeling en concurrentienadelen voor Nederlandse inwoners die daar in dienstbetrekking werkzaam zijn. 2. Verdeling heffingsbevoegdheid onder de verdragen Inwoners van Nederland zijn voor inkomsten uit dienstbetrekking onderworpen aan de Nederlandse belastingheffing. Dat geldt evenzeer voor inkomsten uit dienstbetrekking in verband met in de Golfstaten verichtte werkzaamheden. Indien evenwel aan de daarvoor in de verdragen gestelde voorwaarden is voldaan, komt ook aan een Golfstaat een heffingsrecht toe over dergelijke inkomsten uit dienstbetrekking.Voor die situatie voorzien de verdragen in een door Nederland te verlenen vermindering ter vermijding van dubbele belasting. 3. Wijze waarop de vermindering ter vermijding van dubbele belasting wordt verleend onder de verdragen De door Nederland gesloten belastingverdragen bevatten steeds een afzonderlijke bepaling waarin de wijze van het verlenen van een vermindering ter vermijding van dubbele belasting voor inwoners is geregeld. De technische vor"},{"i":1145,"b":"Invloed van inkomsten waarvoor Nederland een beperkt heffingsrecht heeft op de berekening van inkomstenbelasting over andere inkomsten De Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Dit besluit dient ter vervanging van de mededeling van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 1991, nr. IFZ91/1905. Als een buitenlandse belastingplichtige, die inwoner is van een land waarmee Nederland een verdrag ter vermijding van dubbele belasting heeft gesloten of waarop de BRK van toepassing is, uit Nederland winst, loon, resultaat uit overige werkzaamheden, uitkeringen en verstrekkingen of inkomsten geniet welke ingevolge afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland behoren, geldt voor de berekening van de in Nederland over een of meer van deze inkomsten verschuldigde inkomstenbelasting het volgende. Ook voorzover de Nederlandse belastingheffing ten aanzien van hiervoor genoemde bestanddelen van het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland beperkt is op grond van bepalingen van een door Nederland met een ander land gesloten verdrag ter vermijding van dubbele belasting of op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK), dienen deze bestanddelen mede in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van de te heffen belasting over andere bestanddelen van het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland ten aanzien waarvan de Nederlandse belastingheffing niet wordt beperkt door zodanig verdrag of door de BRK. Deze methode van berekening van in Nederland verschuldigde belasting vloeit voort uit het door mij gehuldigde standpunt dat, ingeval een buitenlandse belastingplichtige een beroep doet op een belastingverdrag of de BRK, ten aanzien van deze belastingplichtige eerst de bepalingen van de Nederlandse belastingwetgeving dienen te worden toegepast en pas daarna de verdragsbepalingen. Deze handelwijze is naar mijn oordee"},{"i":1088,"b":"Inkomstenbelasting, doorschuifregeling met toepassing van de artikelen 3.62 of 3.63 van de Wet inkomstenbelasting 2001 **Dit besluit betreft een samenvoeging en actualisering van de besluiten van 12 april 2002, nr. CPP2002/137M, en van 18 juli 2008, nr. CPP2008/163M,** **Stcrt. 2008, nr. 146** **, op het gebied van de geruisloze doorschuiving in de zin van de artikelen 3.62 en 3.63 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Nieuw zijn een goedkeuring over de overdracht aan een werknemer en een opname van criteria in verband met de beoordeling van de 36-maandseis bij onderbreking van de dienstbetrekking. Daarnaast is verder uitgeschreven welke de gevolgen zijn van het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2007, nr. 42.683. Voor het overige is met dit besluit geen inhoudelijke wijziging beoogd.** 1. Inleiding Dit besluit is een samenvoeging en actualisering van de [besluiten van 12 april 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013599), nr. CPP2002/137M, en van [18 juli 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024305), nr. CPP2008/163M, **Stcrt**. 2008, nr. 146, op het gebied van de geruisloze doorschuiving in de zin van de [artikelen 3.62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.62) en [3.63 Wet Inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.63). De volgende onderdelen in het besluit zijn nieuw, gewijzigd dan wel verduidelijkt: Verder zijn er geen inhoudelijke wijzigingen beoogd ten opzichte van de hiervoor genoemde besluiten. De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63). 2. Gebruikte begrippen en afkortingen 3. Overdracht van een gedeelte van een onderneming De beoordeling of er een zelfstandig deel van een onderneming wordt overgedragen, vindt plaats vanuit de overdrager. Het deel dat wordt overgedragen, hoeft bij de overnemer(s) geen zelfstandige onderneming te vormen. Van bel"},{"i":1039,"b":"Wet van 28 april 2005, houdende tijdelijke regels betreffende experimenten in het hoger onderwijs op het gebied van vooropleidingseisen aan en selectie van aanstaande studenten en op het gebied van heffing van collegegeld (Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ervaring op te doen met selectie van aanstaande studenten en extraneï en met differentiatie van collegegeld bij opleidingen in het hoger onderwijs met erkende evidente meerwaarde, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de toegankelijkheid van het hoger onderwijs; dat het voorts wenselijk is ervaring op te doen met het stellen van vervangende vooropleidingseisen aan aanstaande studenten en extraneï bij opleidingen in het hoger onderwijs met het oog op het vergroten van de instroom in het hoger onderwijs, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het niveau van die instroom; dat in verband hiermee een tijdelijke regeling wordt getroffen om experimenten op bovenvermelde terreinen mogelijk te maken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - b. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. instelling: een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 1.2, onderdelen a en b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.2); - d. instellingsbestuur: het instellingsbestuur, bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - e. opleiding: een bachelor- of masteropleiding als bedoeld in [artikel 7.3 van de wet](htt"},{"i":1173,"b":"Besluit van de inspecteur, algemeen directeur Grote Ondernemingen van de Belastingdienst, houdende de verlening van machtiging aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor het verrichten van werkzaamheden om een bestand te maken met daarin de vermoedelijk belastingplichtigen voor de CO2-heffing glastuinbouw (doelgroepbestand) Handelende met instemming van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane. Handelende met instemming van de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Handelende met instemming van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Gelet op de [artikelen 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=47) en [55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=55) en [artikel 2, zesde lid, van de Regeling Landbouwtelling en Gecombineerde opgave voor de jaren 2026 en 2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052301&artikel=2). Besluit: Artikel 1. Machtiging Onder machtiging wordt verstaan de bevoegdheid om in naam van de inspecteur handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Verlening machtiging, ondermachtiging, instructies en inlichtingen 1. Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt machtiging verleend uitsluitend voor het verrichten van werkzaamheden om een bestand te maken met daarin de vermoedelijk belastingplichtigen voor de CO2-heffing glastuinbouw (doelgroepbestand) voor het tijdvak 2025–20261Artikel 71z, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.. 2. De directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland kan met betrekking tot de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, ondermachtiging verlenen aan medewerkers van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. 3. De algemeen directeur Grote Ondernemingen van de Belastingdienst kan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemen"},{"i":1174,"b":"Besluit van de Directeur-Generaal Toeslagen van 2 november 2025 [2025-347007], houdende de verlening van machtiging aan functionarissen van DG Belastingdienst en Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen voor het ondertekenen van begeleidingsbrieven bij vaststellingsovereenkomsten in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Machtigingsbesluit ondertekenen begeleidingsbrief bij vaststellingsovereenkomsten in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.1), en [2.6, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.6) en [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=3) en [4 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=4); Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Machtiging Onder machtiging wordt verstaan de bevoegdheid om in naam van de Staat handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Verlening machtiging DG Belastingdienst Aan de leidinggevende functionarissen, die ressorteren onder de Directeur-Generaal Belastingdienst, wordt machtiging verleend, uitsluitend ten behoeve van het ondertekenen van de begeleidingsbrief bij vaststellingsovereenkomsten in de zin van [artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=900), ter uitvoering van de [artikelen 2.1, derde lid](https://wetten.over"},{"i":12211,"b":"Besluit houdende vaststelling Draaginsigne Gewonden 2017 Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **draaginsigne:** Draaginsigne Gewonden; - **lichamelijke verwonding:** schade aan of beschadiging van het lichaam tengevolge van een van buiten aangrijpend geweld, CBRN-oorlogsvoering of een andere fysische conditie als gevolg waarvan scheiding van de normale samenhang van weefsel optreedt; - **psychisch letsel:** een acuut of chronisch psychiatrisch toestandsbeeld, beschreven in het geldende ‘Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders’ of in de ‘International Classification of Diseases and related health problems’ en waarvan de diagnose is gesteld door of onder supervisie van een psychiater. Artikel 2. Uiterlijk draaginsigne 1. Er is een Draaginsigne Gewonden. 2. Het draaginsigne is kruisvormig en heeft een zilveren kleur. 3. Op de horizontale balk staat de spreuk ‘VULNERATUS NEC VICTUS’; de verticale balk stelt de door een lauwertak omgeven eerdere Gewondenstreep voor; diagonaal aan het kruis ontspringen ‘vier leeuwen op blok’ uitbeeldend de stoktoppen van de vaandels en standaarden van de krijgsmacht. 4. Bij de uitreiking van het draaginsigne ontvangt de gedecoreerde tevens een oorkonde en een verkleinde versie in de vorm van een reversspeld. Artikel 3. Toekenningscriteria 1. Het draaginsigne wordt toegekend aan de militair of de gewezen militair die: - a. onder oorlogsomstandigheden of daarmee overeenkomende situaties het Koninkrijk der Nederlanden dient of heeft gediend; en - b. gedurende het vervullen van zijn plicht: - 1º. direct betrokken is geweest bij een (mede) tegen hem gerichte gevechtshandeling dan wel (mede) tegen hem gerichte gevechtshandelingen; of - 2º. in persoon (mede) tegen hem gerichte enige andere vorm van excessieve geweldsuitoefening dan wel een dreiging daarvan heeft ondergaan; of - 3º. herhaaldelijk of langdurig in persoon, anders dan het enkel vernemen, horen zeggen of zien is blootgesteld aan de direc"},{"i":736,"b":"Wet van 23 februari 1998 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten (arbeidsvoorwaarden Rechterlijke Macht 1995/97) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in verband met de uitvoering van de Overeenkomst en de Aanvullende overeenkomst arbeidsvoorwaarden sector Rechterlijke Macht (contractperiode 1 april 1995 tot en met 31 maart 1997) de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365) te wijzigen en om daarnaast enige wijzigingen in andere wetten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel II Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel III Wijzigt de Wet van 7 september 1972 (Stb. 461). Artikel IV Vervallen Artikel V 1. De voor een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding op 31 december 1996 geldende arbeidsduur wordt met ingang van 1 januari 1997 van rechtswege verminderd met twee achtendertigste deel en naar boven afgerond op twee decimalen. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de leden van, de gerechtsauditeurs bij en de griffiers van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de leden van en de gerechtsauditeurs bij het College van beroep studiefinanciering, en de gewone en plaatsvervangende leden van de Tariefcommissie. Artikel VI 1. De kantonrechters die tot 1 april 1995 werden bezoldigd volgens salariscategorie 8b worden met ingang van dat tijdstip in salariscategorie 8 ingepast op het naast hogere bedrag. 2. De kantonrechters die tot 1 april 1995 werden bezoldigd volgens salariscategorie 8c worden met ingang van dat tijdstip in salariscategorie 8 ingepast op het bedrag volgend op het naast hoger"},{"i":737,"b":"Wet van 2 oktober 2003 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met onder meer de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomsten 2000–2001, 2001–2002 en 2002–2003 sector Rechterlijke Macht Artikel I Wijzigt de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365). Artikel II Wijzigt de [Wijzigingswet Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009399). Artikel III 1. Degene die wordt bezoldigd overeenkomstig salariscategorie 1, 2 of 3, bedoeld in [artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=7), ontvangt met ingang van 1 augustus 2000 maandelijks naast het desbetreffende salaris een toelage van – 2,4% van dat salaris. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de daar bedoelde toelage met ingang van 1 november 2000 1,5% van het salaris. 3. In afwijking van het eerste lid bedraagt de daar bedoelde toelage met ingang van 1 januari 2001 1% van het salaris. 4. In afwijking van het eerste lid bedraagt de daar bedoelde toelage met ingang van 1 april 2001 1,6% van het salaris. 5. In afwijking van het eerste lid bedraagt de daar bedoelde toelage met ingang van 1 oktober 2001 tot 1 november 2001 – 2% van het salaris. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en werkt terug als volgt: - a. wat [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015676&artikel=I&z=2003-12-01&g=2003-12-01), betreft: tot en met 1 november 2000; - b. wat [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015676&artikel=I&z=2003-12-01&g=2003-12-01), betreft: tot en met 1 januari 2001; - c. wat [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015676&artikel=I&z=2003-12-01&g=2003-12-01), betreft: tot en met 1 april 2001; - d. wat [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015676&artikel=I&z=2003-12-"},{"i":1074,"b":"IJslandse voorschriften tot uitvoering van het op 25 september 1997 tussen Nedeland en IJsland gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: **Regeling inzake vermindering en vrijstelling van IJslandse belasting op dividenden, interest en royalty's genoten door inwoners van Nederland** Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan het op 25 september 1997 tussen Nederland en IJsland gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het Protocol bij dat Verdrag (Trb. 1998, 44, 148 en 274), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van het Verdrag en onderdelen van het Protocol: - a. vermindering tot 15 percent van de IJslandse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van IJsland is, aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b); - b. vermindering tot 0 percent van de IJslandse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van IJsland is, aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde daarvan is en het onmiddellijk ten minste 10 percent bezit van het kapitaal van het IJslandse lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel a); - c. algehele vrijstelling van de IJslandse belasting op interest, afkomstig uit IJsland en betaald aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 11, eerste lid); - d. algehele vrijstelling van de IJslandse belasting op royalty’s (vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrec"},{"i":1157,"b":"Regeling inzake vermindering van Joegoslavische belasting op dividenden, interest en royalty's uit Joegoslavische bron, genoten door inwoners van Nederland Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op op 22 februari 1982 tussen Nederland en Joegoslavië gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 1982, nr. 41) kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. Vermindering tot 15% van de Joegoslavische belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Joegoslavië is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b). - b. Vermindering tot 5% van de Joegoslavische belasting op dividenden, indien de genieter van de dividenden een Nederlands lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) is dat onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het Joegoslavische lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel a). - c. Algehele vrijstelling van de Joegoslavische belasting op interest, afkomstig uit Joegoslavië (artikel 11, eerste lid). - d. Vermindering tot 10% van de Joegoslavische belasting op royalty's, afkomstig uit Joegoslavië (artikel 12, tweede lid). De in de onderdeel c van dit artikel vermelde vrijstelling alsmede de in de onderdelen a, b en d van dit artikel vermelde verminderingen zijn niet van toepassing, indien de genieter van de dividenden, de interest of de royalty's in Joegoslavië een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting of in Joegoslavië zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, de vordering uit hoofde waarvan de interest wordt be"},{"i":5289,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 31 mei 2022, kenmerk 2022-0000150909, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor het jaar 2022 (Regeling bekostiging financieel toezicht 2022) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9); BESLUITEN: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder geconsolideerde jaarrekening: jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van personen die een groep of groepsdeel vormen en andere in de consolidatie meegenomen personen, als één geheel zijn opgenomen. Artikel 2 1. Voor het kalenderjaar 2022 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9), voor de personen die onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten vallen, bedoeld in [bijlage 1, onderdeel B, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&bijlage=1), als volgt vastgesteld: | Toezichtcategorie | Maatstaf | Bandbreedtes | Tarieven | | --- | --- | --- | --- | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | | € 2.044 vermeerderd met: | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >0 tot en met 5.000 PC | € 6,18 per PC | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >5.000 t"},{"i":1138,"b":"Instellingsbesluit Studiecommissie Belastingstelsel Overwegende dat het wenselijk is een studiecommissie belastingstelsel in te stellen; Gelet op het bepaalde in [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluiten: Artikel 1 Er is een Studiecommissie Belastingstelsel, hierna te noemen ‘de commissie’. Artikel 2 De commissie heef tot taak een voorstudie te verrichten naar verschillende scenario’s voor een mogelijke herziening van het Nederlandse belastingstelsel. De commissie baseert zich hierbij op de opdracht zoals verwoord in de brief van de Minister en Staatssecretaris van Financiën van 15 september 2009 (Kamerstukken II 2009/2010, 32140, nr. 1). Artikel 3 1. Tot lid, tevens voorzitter van de commissie wordt benoemd: prof. dr. S. van Weeghel. 2. Tot leden, tevens secretarissen, van de werkgroep worden benoemd: drs. K.A. Heineken, mr. I.J.A. Hoekjan en mr. P.J. Wijntje. 3. Tot leden van de commissie worden benoemd: prof. mr. drs. H.P.A.M. van Arendonk, drs. C. Kaatee, mr. drs. T.W. Langejan, prof. dr. R.A. de Mooij, drs. R.M. van Opstal, drs. P.M. Sweers, prof. dr. J.A. Vijlbrief en prof. dr. H. Vording. Artikel 4 Ter uitvoering van haar taak kan de commissie zich rechtstreeks wenden tot derden voor het verkrijgen van inlichtingen en hen zo nodig ter vergadering uitnodigen om hen hun mening nader uiteen te laten zetten. Artikel 5 De commissie brengt haar rapportage uiterlijk in het tweede kwartaal van 2010 aan de Minister en Staatssecretaris van Financiën uit. Artikel 6 1. De leden van de commissie kunnen aanspraak maken op een vergoeding, zoals bedoeld in [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2). 2. De in lid 1 bedoelde vergoeding bedraagt € 325,– per bijgewoonde vergadering voor de voorzitter en € 250,– voor de overige leden van de commissie. Artikel 7 Dit besluit treedt in werking met ingang van de"},{"i":969,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 9 maart 2023, nr. WJZ/ 26305474, met betrekking tot het tarief graasdierpremie 2022 Gelet op [artikel 2.25, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035925&artikel=2.25); Besluit: artikel Enig. Plafondkorting graasdierpremie schapen In verband met de dreigende overschrijding van het maximumbedrag gekoppelde steun voor schapen voor het jaar 2022 wordt het percentage, bedoeld in [artikel 2.25, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035925&artikel=2.25), waarmee het aantal gehouden schapen per landbouwer wordt verminderd, vastgesteld op 17,89%. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6934,"b":"Besluit vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 2002 ex art. 20 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20), Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2002: | Categorie 1 | € 105,- | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | € 35,- | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behoren de tot categorie 1; | | Categorie 3 | € 105,- | voor autobussen en vrachtauto's; | | Categorie 4 | € 105,- | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 5 | € 210,- | voor trekkers met opleggers; | | Categorie 6 | € 35,- | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 35,- | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 35,- | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":979,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 24 mei 2024 (2024-286732) houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging op grond van de Wet politiegegevens aan de directeur-generaal Belastingdienst (Besluit van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging op grond van de Wet politiegegevens aan de directeur-generaal Belastingdienst) Gelet op: de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=4) en [5 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=5); de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); [artikel 46 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=46); [artikel 4:2 van het Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=4:2); [artikel 1, onder c, sub 1, van het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026117&artikel=1); [artikel 1, onder c, van het Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041971&artikel=1); de [Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506). Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen; - b. **de minister:** de Minister van Financiën; - c. **de directeur-generaal:** de directeur-generaal Belastingdienst; - d. **de algemeen directeur:** de algemeen directeuren van de organisatieonderdelen FIOD, Grote Ondernemingen, Midden- en Kleinbedrijf en Particulieren; - e. **de FIOD:** de bijzondere opsporingsdie"},{"i":971,"b":"Besluit van 9 oktober 2000, houdende de opheffing van het Regiment Intendancetroepen en het Regiment Aan- en afvoertroepen en de oprichting van het Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 28 september 2000, nr. C2000/257/2000003155, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Regiment Intendancetroepen en het Regiment Aan- en afvoertroepen worden met ingang van 20 oktober 2000 opgeheven en de bij deze regimenten behorende vaandels worden ingenomen. Artikel 2 Het Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen wordt met ingang van 20 oktober 2000 opgericht en maakt deel uit van de Koninklijke landmacht. Artikel 3 Het Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen neemt de tradities van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011692&artikel=1&z=2000-10-18&g=2000-10-18) genoemde regimenten over en zet deze voort. Artikel 4 Aan het Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen wordt een vaandel toegekend. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Adjudant-generaal, tevens Chef van het Militaire Huis."},{"i":746,"b":"Besluit van 17 december 2001 tot aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten mede in het kader van het Belastingplan 2002 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 15 november 2001, nr. WDB 2001/659M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Gelet op de [artikelen 6.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.16) en [6.25 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.25), de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=15), [15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=15a) en[35c van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35c), de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=6), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=9) en [29 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29), [artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=38), [artikel 28 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=28) en [hoofdstuk 2, artikel IV, onderdeel B, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 30 november 2001, nr. W06.01.0605/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 14 december 2001; nr. WDB2001/724U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel ll, onderdelen B en C, werkt terug tot en met 1 januari 2001. Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Artikel lll Wijzigt het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971. Artikel IV Wijzigt het Besluit van"},{"i":749,"b":"Wet van 10 april 1997 tot aanpassing van de belastingbepalingen in de Provinciewet aan bepalingen in de Gemeentewet en de Waterschapswet, alsmede wijziging van de formele belastingbepalingen in de Gemeentewet en de Waterschapswet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de belastingbepalingen in de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645), in het bijzonder de bepalingen over de heffing en de invordering van provinciale belastingen, in overeenstemming te brengen met de overeenkomstige bepalingen in de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) en de [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108) en in dat kader enige bepalingen in de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) en de [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108) te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Provinciewet. ARTIKEL II Wijzigt de Gemeentewet. ARTIKEL III Wijzigt de Waterschapswet. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet milieubeheer. ARTIKEL V Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. ARTIKEL VI Wijzigt de Mediawet. ARTIKEL VII Wijzigt de Kaderwet bestuur in verandering. ARTIKEL VIII De besluiten inzake belastingverordeningen van provincies, gemeenten en waterschappen als bedoeld in de [artikelen 220 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=220), 216 van de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) en 110 van de [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108), die algemeen verbindende voorschriften bevatten waarvan de inhoud in strijd is met deze wet, moeten uiterlijk per 1 januari van het tweede jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet daarmee in overeenstemming zijn gebracht of"},{"i":750,"b":"Wet van 17 februari 2007 tot aanpassing van de regeling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 betreffende de omzetting van een vaste inrichting met verliezen in een deelneming Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een aanvulling van de regeling die na de omzetting van een vaste inrichting met verliezen in een deelneming, de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting uitsluit tot het bedrag van de eerder in aanmerking genomen verliezen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II 1. Voor de toepassing van [artikel 13c, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13c) wordt het in het eerste lid van [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13c) bedoelde bedrag aan nog niet verrekende verliezen uit buitenlandse onderneming verminderd met het in de volgende volzin omschreven bedrag. Het bedrag van de vermindering is gelijk aan de positieve voordelen die door de belastingplichtige uit de deelneming zijn genoten vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, waarop de deelnemingsvrijstelling geen toepassing zou hebben gevonden als het vierde lid reeds onderdeel zou hebben uitgemaakt van het genoemde [artikel 13c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13c) vanaf de opneming van [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13c) in de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) ingevolge de wet van 25 april 1990, Stb. 173, één en ander voor zover deze positieve voordelen verband hielden met positieve winsten van de in [artikel 13c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":1086,"b":"Inkomstenbelasting, buitenlandse belastingplichtigen, pro-rata-aftrek persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen als niet is voldaan aan de 90%-eis **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit is beleid opgenomen over de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:102. Dit besluit beschrijft de wijze waarop bij een niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige rekening moet worden gehouden met persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen als de belastingplichtige in zijn woonland geen of onvoldoende inkomsten geniet om met zijn persoonlijke en gezinssituatie rekening te kunnen houden.** 1. Inleiding 1.1. Begrippen en afkortingen 1.2. Achtergrond Uit het arrest HvJ EU volgt dat de wijze waarop Nederland bij de belastingheffing rekening houdt met de persoonlijke en gezinssituatie van buitenlandse belastingplichtigen onder bepaalde omstandigheden niet in overeenstemming is met het EU-recht. De belanghebbende in die zaak had over het jaar 2007 in zijn woonstaat Spanje geen belastbaar inkomen, terwijl hij in zijn werkstaten Nederland en Zwitserland respectievelijk 60 procent en 40 procent van zijn totale inkomen verwierf. Hij had verder – naar Nederlandse fiscale maatstaven bezien – negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning1Belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning verminderd met de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten. in Spanje. Nederland is volgens het HvJ EU in die situatie op grond van het EU-recht verplicht om voor de negatieve belastbare inkomsten aftrek te verlenen naar de verhouding van het Nederlandse inkomen tot het totale inkomen. De zaak is door de Hoge Raad voor verdere behandeling verwezen2HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:848. naar Gerechtshof Den Haag3Hof Den Haag 5 december 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3582.. In een onderschrift4Toelichting nr. 2018-0000029258, d.d. 07-03-2018. bij de uitspraak van het Ger"},{"i":996,"b":"Besluit van 26 februari 2011 tot vaststelling van het besluit voorkoming dubbele belasting voor de BES eilanden (Besluit voorkoming dubbele belasting BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november 2010, nr. AFP 2010/555; Gelet op [artikel 8.120 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.120); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 december 2010, nr. W06.10.0529/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 10 februari 2011, nr. AFP 2010/680 U; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking om 00:00 uur in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05:00 uur in het Europese deel van Nederland. Hoofdstuk 1. Reikwijdte en definities Artikel 1. Reikwijdte 1. Dit besluit is van toepassing voor de heffing van de navolgende belastingen: - a. inkomstenbelasting BES; - b. loonbelasting BES; - c. kansspelbelasting als bedoeld in [hoofdstuk VIIA van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&hoofdstuk=VIIa). 2. Dit besluit vindt slechts toepassing voor zover niet op andere wijze in het voorkomen van dubbele belasting is voorzien. Artikel 2. Vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger 1. In dit besluit wordt verstaan onder vaste inrichting: een duurzame inrichting van een onderneming met behulp waarvan de werkzaamheden van die onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend, daaronder begrepen: - a. de zetel van de leiding van de onderneming; - b. landbouwgronden; - c. werken waarvan de uitvoering langer dan twaalf maanden duurt. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt niet als een vaste vertegenwoordiger beschouwd: - a. een volkomen onafhankelijke vertegenwoordiger; - b. een vertegenwoordiger die niet tot het afsluiten van transacties bevoegd is, ongeacht of hij voor spoedafleveringen een voorraad houdt. 3. Voor de toepassing van dit besluit wordt een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger niet"},{"i":1016,"b":"Briefwisseling houdende een overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Turks- en Caicoseilanden betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden Overwegende hetgeen volgt: Artikel 17 van Richtlijn 2003/48/EG (hierna genoemd „de richtlijn”) van de Raad van de Europese Unie (hierna genoemd „de Raad”) betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden bepaalt dat de lidstaten voor 1 januari 2004 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen en bekendmaken die nodig zijn om te voldoen aan deze richtlijn, welke bepalingen vanaf 1 januari 2005 worden toegepast, mits: de Zwitserse Bondsstaat, het Vorstendom Liechtenstein, de Republiek San Marino, het Vorstendom Monaco en het Vorstendom Andorra vanaf diezelfde datum maatregelen toepassen die gelijkwaardig zijn aan de maatregelen waarin deze richtlijn voorziet, zulks overeenkomstig de overeenkomsten die zij met de Europese Gemeenschap hebben gesloten, na met eenparigheid van stemmen genomen besluiten van de Raad; alle overeenkomsten of andere regelingen van kracht zijn waarin wordt bepaald dat alle betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden vanaf die datum automatische gegevensuitwisseling toepassen zoals voorgeschreven in hoofdstuk II van deze richtlijn (of tijdens de in artikel 10 bepaalde overgangsperiode een bronbelasting toepassen die strookt met de in artikelen 11 en 12 vervatte voorwaarden)”. De Turks- en Caicoseilanden merken op dat de Raad in overeenstemming met de conclusies van de Ecofin-Raad van 3 juni 2003, gedurende de in artikel 10 van de richtlijn bedoelde overgangsperiode, de Commissie oproept gesprekken aan te gaan met andere belangrijke financiële centra teneinde te bewerkstelligen dat in de desbetreffende rechtsgebieden maatregelen worden aangenomen die vergelijkbaar zijn met die in de richtlijn. De betrekkingen tussen de Turks- en Caicoseilanden en de EU zijn vervat in het vierde deel van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. De Turks- e"},{"i":1036,"b":"Erfbelasting, aftrekposten nalatenschap De Minister van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit vervangt het besluit van 16 februari 2006, nr. CPP2005/2787M voor de toepassing van de gewijzigde Successiewet per 2010. De tekst is redactioneel aangepast aan de wijzigingen (in de terminologie) die per 1 januari 2010 in de Successiewet zijn verwerkt. Deze redactionele aanpassingen leiden niet tot een inhoudelijke wijziging. Het besluit van 16 februari 2006, nr. CPP2005/2787M vervalt per 1 januari 2010.** 1. Inleiding Dit besluit bevat het beleid over aftrekposten van de nalatenschap ([artikel 20 van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=20)) met ingang van 2010. 1.1. Gebruikt begrip 2. Conserverende aanslag die door het overlijden opeisbaar wordt Belastingschulden worden alleen aangemerkt als schuld voor zover zij rechtens afdwingbaar zijn ([artikel 20, derde lid, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=20)). Conserverende aanslagen kunnen een belastingschuld zijn als de betaling rechtens afdwingbaar is. Een conserverende aanslag kan door het overlijden opeisbaar worden. De conserverende aanslag is dan in beginsel een schuld voor de erfbelasting. Er is echter geen sprake van een rechtens afdwingbare schuld voor de erfbelasting als het conserverende betalingsuitstel wordt gecontinueerd. Op grond van een fictieve vervreemding van aanmerkelijkbelangaandelen is inkomstenbelasting verschuldigd ([artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.16)). De inkomstenbelasting wordt dan geheven in de vorm van een conserverende aanslag. Voor zo’n conserverende aanslag wordt ten hoogste tien jaar uitstel van betaling verleend ([artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25)) als aan de voorwaarden van de [Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990](https://wetten.overh"},{"i":765,"b":"Wet van 2 juli 1959, houdende regelen, welke aan een aantal rijksbelastingen gemeen zijn Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter vereenvoudiging van de wetgeving inzake rijksbelastingen wenselijk is, regelen welke aan een aantal belastingen gemeen zijn, in een algemene wet samen te vatten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. De bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen, de heffing van belastingrente, revisierente en bestuurlijke boeten welke ingevolge de belastingwet kunnen worden vastgesteld of opgelegd, alsmede bij de uitvoering van de basisregistratie inkomen, een en ander met uitzondering van de belastingen voor zover voor een belanghebbende na een door de inspecteur gedane uitspraak op bezwaar met betrekking tot deze belastingen beroep openstaat bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, bedoeld in [hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&hoofdstuk=VIII). 2. Onder rijksbelastingen worden verstaan belastingen welke van rijkswege door de rijksbelastingdienst worden geheven. 3. Met betrekking tot de heffing van rijksbelastingen blijven [titel 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2) en [afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.1) buiten toepassing. Artikel 2 1. Deze wet verstaat onder: - a. belastingwet: zowel deze wet als andere wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de onder [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2026-04-11&g=2026-04-11) vallende belastingen; - b. lichamen: verenigingen en andere rechtspersonen, maat- en vennootschappen, ondernemingen"},{"i":766,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 19 oktober 2004, nr. IAZ 2004-886M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Directies der Belastingen te Rotterdam en Amsterdam 1934–1959 (Archiefregeling voor de archieven van de Directies der Belastingen te Rotterdam en Amsterdam ressorterend onder het Ministerie van Financiën) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Directies der Belastingen te Rotterdam en Amsterdam 1934–1959 de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn gerekend vanaf 1959. De archiefbescheiden zijn niet openbaar voor 1 januari 2034. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers, 1–9, 11, 12, 14, 15, 17–19 is slechts mogelijk na ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Archiefregeling voor de archieven van de Directies der Belastingen te Rotterdam en Amsterdam ressorterend onder het Ministerie van Financiën. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"i":1087,"b":"Inkomstenbelasting, collectieve compensatieregelingen voor beleggingsverzekeringen Dit besluit vervangt het [besluit van 22 januari 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027140), nr. DGB 2010/415 M over de gevolgen voor de inkomstenbelasting van de collectieve compensatieregelingen voor beleggingsverzekeringen (kapitaalverzekeringen en lijfrenteverzekeringen). Het besluit wordt uitgebracht omdat de verzekeraars op dit moment omzettingen van beleggingsverzekeringen aan klanten aanbieden om te komen tot een andere productstructuur daarvan. 1. Inleiding Enkele levensverzekeraars zijn collectieve compensatieregelingen overeengekomen voor kapitaalverzekeringen, lijfrenten en gouden-handdrukstamrechten die de vormgeving hebben of hadden van een zogenoemde beleggingsverzekering. Globaal gesproken komen de compensaties voort uit een verlaging met terugwerkende kracht van het kostenpeil van de verzekeringen of een verlaging van de premies voor bepaalde risicodekkingen. De compensaties leiden tot herberekening van (verzekerde) waarden van de desbetreffende verzekeringen of tot uitkeringen ineens. Ook voor de toekomst hebben de regelingen gevolgen. Omdat het gaat om een groot aantal belastingplichtigen dat met de compensatieregelingen te maken krijgt, acht ik het wenselijk dat duidelijkheid bestaat over de gevolgen van de compensatieregelingen voor de heffing van de inkomstenbelasting. Hierna ga ik daarop in. In dit besluit is in paragraaf 6 een nieuw standpunt opgenomen voor de situatie waarin verzekeraars, naast verlaging van de kosten en tarieven, bij wijze van compensatie klanten aanbieden hun beleggingsverzekering (kapitaalverzekering) om te zetten in een nieuwe productvorm met een andere productstructuur. 2. Inhoud van de compensatieregelingen Uit de verstrekte gegevens blijkt dat de compensatieregelingen leiden tot de volgende tegemoetkomingen: In de paragrafen hierna ga ik in op de fiscale gevolgen van deze vormen van tegemoetkoming. 3. Compensatie voor het ve"},{"i":1146,"b":"Invoeringsregeling accijns Gelet op de [artikelen 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=7), en [19, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=19) 1964 (Stb. 1959, 301) en de artikelen XXVIII, derde lid, en XXXIII van de [Invoeringswet Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005346) (Stb. 1991, 740); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) 1964 Artikel II De in [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005354&artikel=I&z=1992-01-01&g=1992-01-01), bedoelde bijlage van deze regeling ligt ter inzage bij de Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen van het Ministerie van Financiën. Artikel III 1. De teruggaaf als bedoeld in artikel XXVIII, [eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005346), van de [Invoeringswet Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005346) (Stb. 1991, 740) van accijns voor als overige alcoholhoudende produkten aan te merken parfumerieën, toiletartikelen en kosmetische produkten bedraagt: - a. voor after shave-lotion, eau de toilette, parfum en eau de cologne: f 750 per hl; - b. voor toniserende lotion, after shavebalsem, after shavecrème en andere kosmetische balsem en crème: f 200 per hl; - c. voor nagellak en voor overige parfumerieën, toiletartikelen en kosmetische produkten: f 80 per hl. 2. Het verzoek om teruggaaf van accijns als bedoeld in artikel XXVIII, [eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005346), van de [Invoeringswet Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005346) wordt uiterlijk 7 januari 1992 bij de inspecteur ingediend. 3. In het verzoek worden vermeld: - a. de naam, het adres en de aard van het bedrijf van de belanghebbende; - b. een nauwkeurige aanduiding van de plaats of plaatsen waar de accijnsgoederen zich bevin"},{"i":6428,"b":"Besluit van 8 december 2014, houdende wijziging van het Besluit houders van dieren in verband met de opheffing van de product- en bedrijfschappen en de overname van de welzijnsregels voor ouderdieren van vleeskuikens, vleeskalkoenen, konijnen en nertsen Artikel I Wijzigt het Besluit houders van dieren. Artikel II Archiefbescheiden van het Productschap Pluimvee en Eieren betreffende zaken die op grond van dit besluit worden behartigd door Onze Minister, worden overgedragen aan Onze Minister, voor zover zij niet overeenkomstig de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Artikel III Het [Legkippenbesluit 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015138) wordt ingetrokken. Artikel IV Het [Besluit voortplantingstechnieken bij dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007863) wordt ingetrokken. Artikel V 1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. In afwijking van het eerste lid treden de [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035944&artikel=III&z=2015-01-01&g=2015-01-01) en [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035944&artikel=IV&z=2015-01-01&g=2015-01-01) in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 juli 2014. Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 3 juli 2014, nr. WJZ / 14097928; Gelet op artikel 1, derde lid, van [verordening (EG) nr. 1/2005](32005R0001) van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de [Richtlijnen 64/432/EEG](31964L0432) en [93/119/EG](31993L0119) en van [Verordening (EG) nr. 1255/97](31997R1255) (PbEU 2005, L 3) en de [artikelen 2.2, zevende en tiende lid, onderdelen b, c, e, l en p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2), [2.5, tweede lid, onderdeel e](https://we"},{"i":1007,"b":"Bijstellingsregeling accijns van motorbrandstoffen 1999 Gelet op de [artikelen 27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a), [71a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=71a) en [84c van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84c) in samenhang met artikel 66b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; Besluit: Artikel I In de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) worden de volgende wijzigingen aangebracht: - A. 1. In artikel 27, eerste lid, onderdeel a, worden ’f 1373,50’ en ’f 1230,80’ vervangen door onderscheidenlijk: f 1402,30 en f 1256,60. - A. 2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ’f 708,30’ vervangen door: f 723,20. - B. In artikel 71a, tweede lid, wordt f 50’ vervangen door: f 51,10. Artikel II [Artikel 84a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84a) vindt geen toepassing. Artikel III 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1999. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Bijstellingsregeling accijns van motorbrandstoffen 1999. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6025,"b":"Besluit van 27 november 2002, houdende vaststelling van de vergoeding voor reprografisch verveelvoudigen en vaststelling van de vrijstelling van de opgaveplicht Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 8 juli 2002, nr. 5173614/02/6, Directie Wetgeving, Sector Privaatrecht; Gelet op [artikel 16i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16i), en [artikel 16m, tweede lid, van de Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16m); De Raad van State gehoord (advies van 27 september 2002, nr. W03.02.0296/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 25 november 2002, nr. 5198458/02/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De vergoeding, bedoeld in [artikel 16h van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16h), bedraagt € 0,045 per gekopieerde pagina. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de vergoeding € 0,011 per gekopieerde pagina voor het reprografisch verveelvoudigen door andere onderwijsinstellingen dan instellingen die gericht zijn op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Artikel 2 De verplichting tot betaling van de vergoeding, bedoeld in het [eerste artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014338&artikel=1&z=2009-03-10&g=2009-03-10), rust op degene die de verveelvoudigingen vervaardigt of daartoe opdracht geeft. Artikel 3 Degene die minder dan 50 000 reprografische verveelvoudigingen per jaar maakt, is niet gehouden daarvan opgave te doen bij de in [artikel 16l, eerste lid, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16l) aangewezen rechtspersoon. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":992,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 juni 2018, nr. EGI/435166, tot het verlenen van mandaat aan de algemeen directeur Douane inzake de uitvoer van cultuurgoederen Gelet op [Titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=10.1), [artikel 4.23, eerste lid, van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=4.23), de [artikelen 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=7), en [11, eerste lid, van het Organisatie- en Mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=11), en [Verordening (EG) nr. 116/2009](32009R0116) van de Raad van 18 december 2008 betreffende de uitvoer van cultuurgoederen; Gezien de inwerkingtreding van de [Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521) per 1 juli 2016; Gezien de schriftelijke instemming van de staatssecretaris van Financiën en van de algemeen directeur Douane; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - b. **algemeen directeur Douane:** de algemeen directeur Douane als bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=4). Artikel 2 1. Aan de algemeen directeur Douane wordt mandaat en machtiging verleend om namens de minister besluiten te nemen en overige handelingen te verrichten die verband houden met het verlenen van vergunningen op grond van de [Verordening (EG) nr. 116/2009](32009R0116) van de Raad van 18 december 2008 betreffende de uitvoer van cultuurgoederen. 2. De minister en de staatssecretaris van Financiën maken over de uitoefening door de algemeen directeur Douane van de de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden nadere afspraken. De algemeen directeur Douane neemt bij de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden deze afspraken in acht. 3. De algemeen"},{"i":1078,"b":"In andere landen geheven belastingen naar de winst Onder intrekking van de niet-gepubliceerde aanschrijving van 25 maart 1980, nr. 080-474 deel ik u het volgende mede. Herhaaldelijk bereiken mij verzoeken een overzicht te doen verstrekken van in andere landen geheven belastingen naar de winst onder vermelding van de van kracht zijnde objectieve en subjectieve vrijstellingen met het oog op de toepassing van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 en de zogenaamde deelnemingsvrijstelling. Mede gelet op de praktische betekenis en de noodzaak tot voortdurende aanpassing van een dergelijk overzicht, zou de samenstelling daarvan naar mijn mening evenwel te ver voeren. Ik ben overigens van oordeel dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat een belastingplichtige die recht meent te hebben op een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting of op een vrijstelling, aantoont of aanmerkelijk maakt dat aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Voorts wil ik erop wijzen, dat indien bij de Inspecteur, nadat deze zich zo volledig mogelijk heeft laten documenteren door de belanghebbende, twijfel blijft bestaat aangaande het karakter van de in het buitenland geheven belasting, terwijl de onderworpenheid in het desbetreffende geval aannemelijk is geworden, hij zich onder inzending van de verzamelde documentatie kan wenden tot de Directie Internationale Fiscale Zaken van dit ministerie. Verder maak ik van deze gelegenheid gebruik u het volgende mede te delen. Het feit dat een buitenlandse belasting wordt geheven ook in gevallen waarin een buitenlandse onderneming, anders dan met behulp van een vaste inrichting, in het andere land winst behaalt, is naar mijn mening op zich zelf geen reden om die belasting niet te beschouwen als een belasting naar het inkomen of de winst in de zin van artikel 13, lid 2, Wet Vpb’69 of van artikel 2, lid 2, jo. artikel 10 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989. Wat Nederlandse binnenlandse belastingplichtigen betreft"},{"i":1019,"b":"Chinese voorschriften tot uitvoering van de op 13 mei 1987 tussen Nederland en China gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Chinese belasting op dividenden, interest en royalty's, genoten door inwoners van Nederland. Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 13 mei 1987 tussen Nederland en China gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 1987, nr. 93), en het Protocol bij die Overeenkomst, kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de overeenkomst en onderdelen van het Protocol: - a. Vermindering tot 10% van de Chinese belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van China is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is ( artikel 10, tweede lid). Als dividenden worden mede aangemerkt de voordelen die door een inwoner van Nederland worden verkregen uit zijn investeringen in een \"joint venture\" met Chinese en buitenlandse investeringen ( onderdeel VI van het Protocol). - b. Algehele vrijstelling van de Chinese belasting op interest, afkomstig uit China en betaald aan de Regering van Nederland, de lagere overheden van Nederland, de Nederlandsche Bank, de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V. en de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V. (artikel 11, derde lid, onderdeel a en vierde lid, onderdeel a). - c. Algehele vrijstelling van de Chinese belasting op interest, afkomstig uit China en betaald ter zake van een lening gegarandeerd of verzekerd door de Regering van Nederland, de lagere overheden van Nederland, de Nederlandsche Bank, de Nederlandse Financierin"},{"i":1040,"b":"Finse uitvoeringsvoorschriften belastingverdrag Nederland-Finland 1995 Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan het op 28 december 1995 tussen Nederland en Finland gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol (Trb. 1996, nr. 60, nr. 261 en nr. 328), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van het Verdrag en onderdelen van het Protocol: - a. vermindering tot 15 percent van de Finse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Finland is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid); - b. algehele vrijstelling van Finse belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Finland is aan een lichaam waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat inwoner is van Nederland en onmiddellijk ten minste 5 procent bezit van het kapitaal van het Finse lichaam dat de dividenden betaalt, of aan een pensioenfonds zoals bedoeld in het [vierde lid van artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009169&artikel=4&z=1998-01-01&g=1998-01-01), indien de ontvanger de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenden en tot de aandelen of andere vennootschappelijke rechten die recht geven op de dividenden (artikel 10, derde lid); - c. in afwijking van het bepaalde in onderdeel a en onderdeel b, zullen, zolang een natuurlijke persoon die inwoner van Finland is gerechtigd is tot een teruggaaf van belasting (tax credit) met betrekking tot dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van Finland, dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van Finland aan een inwoner van Nederland slechts in Nederland"},{"i":982,"b":"Besluit van de Minister voor Natuur en Stikstof van 30 juni 2023, nr. WJZ/ 33365484, tot vaststelling van de marktwaarde van productierecht voor de uitvoering van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting De Minister voor Natuur en Stikstof, Gelet op [artikel 8, derde lid, van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048262&artikel=8); Besluit: Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":752,"b":"Aanwijzing bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting als massaal bezwaar **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** Treedt in werking vier weken na de toezending van het afschrift van deze regeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. **In dit besluit wijs ik aan als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), de bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting waarbij sprake is van belastbaar inkomen in box 3.** 1. Inleiding De Belastingdienst heeft meer dan 10.000 bezwaarschriften ontvangen die zijn gericht tegen aanslagen inkomstenbelasting 2013. De Belastingdienst verwacht dat nog veel bezwaarschriften zullen volgen nu inmiddels ook aanslagen over 2014 zijn/worden opgelegd. Deze bezwaarschriften hebben alle betrekking op dezelfde rechtsvraag. Deze rechtsvraag luidt als volgt: Is de vermogensrendementsheffing zoals vastgelegd in [artikel 5.2, eerste lid van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.2), op spaarsaldi naar haar aard in strijd met artikel 1, eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zonder dat in geschil is of sprake is van een schending van de fair balance op grond van een individuele en excessieve last? Het gaat hierbij alleen om de vraag of de box 3 heffing op spaarsaldi zodanig is dat deze op zichzelf gezien in strijd zou komen met artikel 1, eerste Protocol bij het EVRM. De persoonlijke en individuele omstandigheden van de belastingplichtige spelen daarbij geen rol. De aanleiding tot de bezwaarschriften is een oproep van de Bond voor Belastingbetalers om bezwaar te maken tegen het vermeende te hoog vastgestelde forfaitair rendement in box 3 voor het voordeel uit sparen. De Belastingdienst is op goede gronden van oordeel dat de bezwaren op grond van het geldende recht afgewezen moeten worden en dat de administratieve rechter in bel"},{"i":1044,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 maart 2004, IBE/BO-2461677, houdende goedkeuring van het besluit van de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie inzake het tarief voor (hernieuwde) inschrijving in de registers van huisartsen, verpleeghuisartsen en artsen voor verstandelijk gehandicapten Gelet op [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Het hierna volgende besluit van de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie van 28 januari 2004 wordt goedgekeurd: Besluit inzake het tarief voor (hernieuwde) inschrijving in de registers van Huisartsen, Verpleeghuisartsen en Artsen voor verstandelijk gehandicapten. Dit besluit, alsmede mijn goedkeuring, zullen worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":1140,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 15 oktober 2018, nr. 2018-169735, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Toeslagen (Instellingsbesluit werkgroep IBO Toeslagen) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041502&artikel=2&z=2018-11-01&g=2018-11-01). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Toeslagen. 2. De werkgroep heeft tot taak interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren naar het beleid voor toeslagen, conform de taakopdracht zoals op 18 september 2018 gepubliceerd (Kamerstukken Tweede Kamer Vergaderjaar 2018/2019 35 000, nr. 2). 3. Het onderzoek zal moeten resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties worden gegeven waarover vervolgens afweging kan plaatsvinden. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en 9 leden. 2. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd dhr. mr. drs. T.W. Langejan. 3. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: - –. mw. S.I.S. Teunissen, Msc (Ministerie van Financiën) - –. mw. mr. drs. M.A.D. Fasol (Ministerie van Financiën) - –. dhr. drs. D. Waagmeester (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) - –. dhr. drs. M.C.J. van Dal (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) - –. dhr. drs. J.D. Brilman (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) - –. mw. dr. S. J. Kok (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) - –. dhr. drs. J.C. Pot (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - –. mw. drs. D. Schiet (Ministerie van Algemene Zaken) - –. mw. dr. N.M. Bosch (Centraal Planbureau) 4. De leden van de werkgroep werkzaam voor de overheid kunnen bij afwezigheid"},{"i":1090,"b":"Inkomstenbelasting, eigenwoningregeling De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. In dit besluit wordt het [besluit van 2 november 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026621), nr. CPP2009/998M aangepast. De verschrijving (voorafgaande jaren) in de goedkeuring in onderdeel 3.6. is verbeterd in daaropvolgende jaren. Inleiding In dit besluit is het beleid opgenomen over de toepassing van de eigenwoningregeling. 1. De eisen voor een eigen woning In [artikel 3.111, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111) is opgenomen onder welke voorwaarden sprake is van een eigen woning. In dat geval is de eigenwoningregeling van toepassing. De voorwaarden zijn cumulatief. Hierna worden de volgende voorwaarden behandeld. 1.1. Economische eigendom Economische eigendom wordt opgevat volgens de gangbare juridische definitie. Voor de eigenwoningregeling geldt een andere invulling van het begrip ‘economische eigendom’ dan voor de overdrachtsbelasting. Voor de eigenwoningregeling hoeft de waardemutatie van de woning de belastingplichtige niet volledig aan te gaan. Wettelijk is immers voor de eigenwoningregeling bepaald dat de waardeverandering de belastingplichtige grotendeels moet aangaan. Vervolgens is limitatief aangegeven in welke andere gevallen dan juridische eigendom sprake kan zijn van een eigen woning, waaronder economische eigendom. Economische eigendom is in dit kader eigenlijk niets anders dan de juridische eigendom zonder levering van de onroerende zaak. 1.2. Erfpacht of ondererfpacht Een woning die de belastingplichtige economisch toebehoort maar die is gebouwd op grond die in erfpacht is uitgegeven, komt in aanmerking voor de eigenwoningregeling. Dit geldt ook voor een woning, die krachtens een recht van opstal op die grond, het eigendom van de belastingplichtige is. Wanneer niet op de grond, maar op de opstal een recht van erfpacht is gevestigd, is er in wezen sprake van een gehuu"},{"i":1006,"b":"Bijstellingsregeling accijns van motorbrandstoffen 1997 Gelet op de [artikelen 27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a) en [84c van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84c) in samenhang met artikel 66b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; Besluit: Artikel I Wijzigt de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251). Artikel II [Artikel 84a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84a) vindt geen toepassing. Artikel III 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Bijstellingsregeling accijns van motorbrandstoffen 1997. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1009,"b":"Bijstellingsregeling directe belastingen 2017 Gelet op de [artikelen 10.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1), [10.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2), [10.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2a), [10.2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2b), [10.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.3), [10.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.5), [10.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6), [10.6bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6bis), [10.6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6a), [10.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6b), [10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.7), [10bis.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.12) en [10a.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10a.11), de [artikelen 12a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=12a), [18ga](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18ga) en [32bb van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32bb), [artikel 10 van de Wet op de vennootschapbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10), [artikel 35a van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35a), [artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=7), [artikel 8 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645&artikel=8), de [artikelen 10aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10aa) en [10eb van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10eb), [artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit"},{"i":1150,"b":"Wet van 23 december 1994, houdende invoering van en aanpassing van een aantal wetten aan de Wet belastingen op milieugrondslag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de totstandkoming van de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168) noodzakelijk is de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) te wijzigen, de in die wet vervatte bepalingen inzake de heffing en invordering van verbruiksbelastingen van brandstoffen, geheven naar een milieugrondslag, te laten vervallen, alsmede enkele andere wetten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Het Hoofdstuk Financiële bepalingen van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing met betrekking tot feiten die leiden tot de verschuldigdheid of voldoening van de verbruiksbelastingen van brandstoffen, geheven naar het koolstofgehalte en de energie-inhoud, alsmede strafbare feiten ter zake, welke hebben plaatsgevonden vóór de datum met ingang waarvan deze wet in werking is getreden. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIII"},{"i":784,"b":"Wet van 17 december 2014 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2015) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel V [**Vervallen**] Artikel VI Onze Minister van Financiën zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van [artikel IV, onderdeel K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036024&artikel=IV&z=2018-01-01&g=2018-01-01), aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van [artikel 31a, tweede lid, onderdeel g, zevende lid en achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31a). Artikel VII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VIII Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IX Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IXa Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting. Artikel X Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel Xa Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel XI Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XV Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XVI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XVII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XVIII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XIX Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XX Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XXI Wijzigt de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Artikel XXII Wijzigt de Pensioenwet. Artikel XXIII Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregel"},{"i":1017,"b":"BTW-heffing bij terbeschikkingstelling personeel door sportservicebureaus De plv. Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. 1. Activiteiten sportservicebureaus In elke provincie is een provinciale sportraad actief. Op instigatie van deze sportraden zijn zogenoemde sportservicebureaus ontstaan, die verenigd zijn in Net-Werk in de Sport. Deze bureaus verzorgen voor amateursportclubs- en verenigingen (hierna: sportverenigingen) onder andere de loon- en salarisadministratie van de werknemers van die organisaties. In de gevallen waarin sportverenigingen menen dat zij niet over voldoende deskundigheid beschikken om uitvoering te kunnen geven aan alle aspecten die zijn verbonden aan het werkgeverschap, zijn de sportservicebureaus desgevraagd bereid om – zonder winstoogmerk – als formeel werkgever op te treden van de personen die feitelijk werkzaam zijn bij een sportvereniging. Het gaat hierbij met name om trainers of coaches die voor één of meer seizoenen worden aangetrokken. Indien een sportservicebureau op verzoek van een sportvereniging als formeel werkgever optreedt, wordt er een arbeidsovereenkomst gesloten tussen het sportservicebureau en degene die bij de betrokken sportvereniging feitelijk zijn werkzaamheden zal uitvoeren. Deze persoon wordt vervolgens op grond van een detacheringsovereenkomst uitgeleend aan die sportvereniging. De duur van bedoelde arbeidsovereenkomst is steeds gelijk aan de duur van de detacheringsovereenkomst. De materiële gevolgen van de arbeidsovereenkomst komen volledig voor rekening van de sportvereniging waar de betrokken persoon feitelijk werkzaam is. Zo moet de betrokken sportvereniging de loonkosten volledig vergoeden aan het sportservicebureau. Daarnaast zal bij een conflict tussen de sportvereniging en de betrokken werknemer die vereniging de financiële gevolgen dragen van de eventuele ontbinding van de tussen het sportservicebureau en de werknemer gesloten arbeidsovereenko"},{"i":1049,"b":"Wet van 20 mei 2015 tot goedkeuring van het op 12 april 2012 te Berlijn tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 2012, 123) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 12 april 2012 te Berlijn tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 12 april 2012 te Berlijn tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, waarvan de Nederlandse en Duitse tekst zijn geplaatst in Tractatenblad 2012, 123, wordt goedgekeurd voor het Europese deel van Nederland. Artikel 2 1. Indien uit Nederland afkomstige inkomensbestanddelen, bedoeld in het tweede lid, worden betaald aan een natuurlijke persoon die vanaf 12 april 2012 onafgebroken inwoner van Duitsland is, wordt de door die persoon volgens de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) verschuldigde belasting vanaf het eerste kalenderjaar tot en met het zesde kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het verdrag, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.ov"},{"i":786,"b":"Wet van 21 december 2016, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2017) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Onze Minister van Financiën zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van [artikel 12a, derde en vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=12a), onderscheidenlijk een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van [artikel 10a, negende en tiende lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=10a). Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IVa Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IVb Ingeval als gevolg van de inwerkingtreding van [artikel IVA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038948&artikel=IVa&z=2018-01-01&g=2018-01-01) verwijzingen in een of meer wetten niet meer juist of volledig zijn, kunnen deze verwijzingen bij ministeriële regeling worden gewijzigd of aangevuld. Die ministeriële regeling kan terugwerken tot en met 1 januari 2017. Artikel V Vervallen Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIII Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IX Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel X Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel XI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIa Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XII Wijzigt het Belastingplan 2012. Artikel XIII Wijzigt het Belastingplan 2016. Artikel XIIIa Wijzigt de Wet uitwerking Autobrief II. Artikel XIIIb Wijzigt de Invoeringswet fiscaal stelsel BES. Artikel XIIIc Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel XIV [Artikel 4.16, eerste lid, aanhef en onderdeel k, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.16) is niet"},{"i":985,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Belastingdienst voor de belastingregio's en fiscale processen vanaf 2007 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 januari 2012 nr. ara-2011.06289/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister Financiën en de onder hem ressorterende actor de Belastingsdienst op het beleidsterrein Belastingregio’s, fiscale processen over de periode vanaf 2007 –’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 In de ‘[selectielijst Belastingheffing (RIO nr. 019)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018082)’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Financiën en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. C/S/05/518 d.d. 8 maart 2005 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 102 d.d. 31 mei 2005)) worden afgesloten voor de actor Belastingsdienst vanaf 2007 handeling 54, 195, 78, 104, 117, 123, 132, 149, 171, 180, 185. In de ‘[lijst Landinrichting (RIO nr. 059)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018581)’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Financiën en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. C/S&A/05/1147 d.d. 7 juli 2005 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 7 d.d. 10 januari 2006)) worden afgesloten voor de actor Belastingsdienst vanaf 2007 handeling 952 en 954. In de ‘[selectielijst Heffing Rijksbelastingen (RIO nr. 065)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018292)’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Financiën en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. C/S&A/05/945 d.d. 3 mei 2005 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 167 d.d. 30 augustus 2005)) worden afgesloten voor de actor Belastingsdienst vanaf 2007 handeling 51, 52, 57, 63, 104, 971, 1032, 328, 336, 360, 387, 1083, 473, 1084, 475, 1085, 1086, 476, 523, 1093, 635, 637, 7"},{"i":968,"b":"Besluit tarief gijzeling 2005 BES Artikel 1 1. Het tarief, bedoeld in [artikel 597, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=597), bedraagt 14 USD per dag of gedeelte daarvan. 2. De rechter is bevoegd om aan behoeftigen gehele of gedeeltelijke vrijstelling te verlenen van de vergoeding van de kosten van levensonderhoud van de schuldenaar door de schuldeiser. Artikel 2 Dit besluit berust op [artikel 597, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=597). Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tarief gijzeling 2005 BES."},{"i":1005,"b":"Bijstellingsregeling accijns van motorbrandstoffen 1996 Gelet op de [artikelen 27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a) en [84c van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84c) in samenhang met artikel 66b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; Besluit: Artikel I Wijzigt de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251). Artikel II [Artikel 84a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84a) vindt geen toepassing. Artikel III 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1996. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Bijstellingsregeling accijns van motorbrandstoffen 1996."},{"i":798,"b":"Belastingplicht van sportverenigingen De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten Bijlage 1. Overeenkomst De Koninklijke Nederlandsche Voetbalbond, gevestigd te Zeist en ten deze vertegenwoordigd door de Sectie Amateurvoetbal partij te ener zijde, verder te noemen KNVB, en Het Bedrijfschap voor het Hotel-, het Restaurant-, het Café- en het Pension- en Kamerverhuurbedrijf en Aanverwante Bedrijven, gevestigd te ’s-Gravenhage en ten deze krachtens art. 107 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie vertegenwoordigd door zijn voorzitter, partij ter andere zijde, verder te noemen Bedrijfschap Horeca, overwegende dat partijen het gewenst achten aan de bij de KNVB aangesloten verenigingen – hierna te noemen vereniging – richtlijnen te verstrekken ten aanzien van het exploiteren van hun kantines, clubgebouwen en daarmee vergelijkbare inrichtingen – hierna te noemen kantines –, – partijen het gewenst achten dat over deze richtlijnen tussen hen overeenstemming bestaat, komen het volgende overeen: **Artikel 1** Ervan uitgaande, dat de doelstelling van een in de aanhef bedoelde vereniging is het doen beoefenen en het bevorderen van de voetbalsport, alsmede het stimuleren en organiseren van activiteiten die in het kader van de voetbalsport de ontwikkeling, vorming en recreatie van de mens beogen, dient het exploiteren van een kantine uitsluitend te geschieden in het kader van die doelstelling. **Artikel 2** Een vereniging onthoudt zich van commerciële horeca-activiteiten, alsmede van het aantrekken van activiteiten, die niet in overeenstemming zijn met haar doelstelling. Het Bestuur van de vereniging dient erop toe te zien, dat de kantine uitsluitend wordt benut voor het houden van bijeenkomsten, welke gerekend kunnen worden te vallen binnen haar doelstelling. **Artikel 3** Buiten de doelstelling van een vereniging vallen: bruiloften, alsmede (feestelijke) bijeenkomsten voor niet-leden alsmede recepties en partijen voorzov"},{"i":799,"b":"Rijkswet van 30 september 2015, houdende regeling voor Nederland en Curaçao tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en een woonplaatsfictie ter zake van erf- en schenkbelasting (Belastingregeling Nederland Curaçao) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van Nederland en Curaçao het in onderling overleg raadzaam oordelen, dat op het terrein van de belastingen een nieuwe onderlinge regeling bij rijkswet wordt vastgesteld; Geleid door de wens van Nederland en Curaçao hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen, hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren en dubbele belasting te vermijden met betrekking tot de onder die regeling vallende belastingen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of het ontwijken van belasting waaronder door treaty-shopping-structuren die als doel hebben om inwoners van derde rechtsgebieden indirect het voordeel te laten genieten van de in deze rijkswet voorziene voordelen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De bepalingen vinden toepassing voor belastingjaren en belastingtijdvakken die aanvangen of, in geval van aan de bron geheven belastingen, voor betalingen die zijn gedaan op of na 1 januari 2025. Hoofdstuk I. Reikwijdte van de rijkswet Artikel 1. Toepassingsbereik 1. Deze rijkswet is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de landen of van beide landen. 2. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid maken: - a. een stichting die volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Landsverordening op"},{"i":800,"b":"Rijkswet van 23 december 2015, houdende regeling voor Nederland en Sint Maarten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en een woonplaatsfictie ter zake van erf-en schenkbelasting (Belastingregeling Nederland Sint Maarten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van Nederland en Sint Maarten het in onderling overleg raadzaam oordelen, dat op het terrein van de belastingen een nieuwe onderlinge regeling bij rijkswet wordt vastgesteld; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Reikwijdte van de rijkswet Artikel 1. Toepassingsbereik 1. Deze rijkswet is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de landen of van beide landen. 2. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid maken: - a. een stichting die overeenkomstig haar statuten is ingericht als een particulier fonds of een trust, die volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Landsverordening op de winstbelasting van de winstbelasting is vrijgesteld, tenzij deze volgens artikel 1B van de Landsverordening op de winstbelasting als doelvermogen is aangewezen; - b. een Vrijgestelde Vennootschap als bedoeld in artikel 1A, eerste lid, onderdeel f, van de Landsverordening op de winstbelasting; en - c. een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=6a); geen aanspraak op de voordelen van de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037547&hoofdstuk=III&artikel=10&z=2016-03-01&g=2016-03-01)"},{"i":801,"b":"Rijkswet van 28 oktober 1964, houdende Belastingregeling voor het Koninkrijk Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Regeringen van Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen het in onderling overleg raadzaam oordelen, dat op het stuk van de belastingen een onderlinge regeling bij Rijkswet wordt vastgesteld; dat het derhalve wenselijk is zulke regelen met toepassing van artikel 38 van het Statuut voor het Koninkrijk vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Algemene bepaling Artikel 1 1. In Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden vreemdelingen niet onderworpen aan enige belasting of daarmede verband houdende verplichting welke drukkender is dan die, waaraan Nederlanders onder overigens gelijke omstandigheden worden onderworpen. 2. Een lichaam dat is opgericht naar het recht van een land van het Koninkrijk wordt in een ander land van het Koninkrijk niet aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen, waaraan lichamen die naar het recht van het andere land zijn opgericht onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen. 3. De belasting in een van de landen van niet-inwoners ter zake van een binnen dat land aangehouden vaste inrichting is in beginsel niet drukkender dan de belasting van inwoners die dezelfde werkzaamheden onder overigens gelijke omstandigheden uitoefenen. De vorige volzin heeft geen betrekking op aan de personen of de persoonlijke omstandigheden gebonden tegemoetkomingen, zoals die welke verleend worden op grond van gezinssamenstelling en besteding van het inkomen. Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Art"},{"i":1137,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 28 februari 2020, kenmerk 2020-0000037633 houdende instelling van een externe klankbordgroep leiderschap en cultuur om de Belastingdienst van adviezen te voorzien gedurende de looptijd van het leiderschaps- en cultuurprogramma Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Financiën; - b. **Klankbordgroep:** de klankbordgroep bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043684&artikel=2&z=2020-06-23&g=2020-06-23). Artikel 2. Instelling en taak 1. De externe klankbordgroep leiderschap en cultuur bestaat uit drie externe leden die gedurende de looptijd van het programma de Belastingdienst een spiegel voorhouden. Opdrachtgever van de klankbordgroep is de plaatsvervangend DG Belastingdienst. 2. De klankbordgroep geeft vanuit verschillende invalshoeken gevraagd en ongevraagd advies aan het directieteam van de Belastingdienst. Het directieteam draagt zorg voor de inbedding van de adviezen in het lopende leiderschaps- en cultuurprogramma. 3. Aangezien het programma wordt uitgevoerd langs de lijn van het dagelijkse werk faciliteert de Belastingdienst in afstemming met de klankbordgroepleden werkbezoeken, gesprekken met betrokken medewerkers en de aanwezigheid bij (MT-)vergaderingen. 4. In onderling overleg tussen opdrachtgever en de leden van de klankborgroep krijgt de opdracht aan de klankbordgroep nader invulling. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De klankbordgroep bestaat uit drie leden. 2. De leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. Artikel 4. Leden Tot de leden van de klankbordgroep worden benoemd: - 1. Mevrouw prof. dr. M.G. Heijltjes; - 2. De heer mr. W.H.J.M. Nuijts; - 3. Mevrouw A.C.G. van der Burgt-Franken. Artikel 5. Instellingsduur De klankbordgroep wordt met ingang van 1 maart 2020 voor de looptijd van het leiderschaps- en cultuurprogramma ingest"},{"i":802,"b":"Besluit van 26 februari 2011 tot vaststelling van het besluit voorkoming dubbele belasting tussen de belastingstelsels van het in Europa gelegen deel van het land Nederland en het in het Caribische gebied gelegen deel van het land Nederland (Belastingregeling voor het land Nederland) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november 2010, nr. AFP 2010/556; Gelet op [artikel 8.121 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.121) en [artikel 37 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=37); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 december 2010, nr. W06.10.0528/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 10 februari 2011, nr. AFP 2010/679 U; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking om 00:00 uur in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05:00 uur in het Europese deel van Nederland. Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit besluit, tenzij de context anders vereist: - a. betekent de uitdrukking **heffingsgebieden**: Nederland en de BES eilanden; - b. betekent de uitdrukking **heffingsgebied**: Nederland of de BES eilanden al naar de context vereist; - c. betekent de uitdrukking **Nederland**: het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk, met inbegrip van de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in [artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010480&artikel=1), voor zover deze grenst aan de territoriale zee in Nederland; - d. betekent de uitdrukking **BES eilanden**: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met daaronder begrepen, met inachtneming van de Rijkswet tot vaststelling van een zeegrens tussen Curaçao en Bonaire, en tussen Sint Maarten en Saba, het buiten de territoriale zee van de BES eilanden gelegen deel van de zeeb"},{"i":5598,"b":"Sanering spoorweglawaai bij de uitvoering van Rail-21-projecten Aan de besturen van gemeenten, provincies en samenwerkingsverbanden op het gebied van geluidhinderbestrijding Samenvatting Voor het oplossen van bestaande geluidhinderknelpunten langs spoorwegen (sanering spoorweglawaai) bestaat reeds een groot aantal jaren de mogelijkheid tot het verkrijgen van een rijksbijdrage in de kosten van de geluidmaatregelen. Hierbij valt te denken aan de kosten van geluidschermen en gevelisolatie. Om voor een bijdrage in aanmerking te komen dient de gemeente te inventariseren waar zich binnen haar grenzen knelpunten voordoen en vervolgens te (laten) onderzoeken welke maatregelen nodig en mogelijk zijn om de hinder ter plaatse te bestrijden. Voor de woningen waarvoor gevelmaatregelen de aangewezen oplossing zijn, vindt thans de afronding van een landelijke inventarisatie door alle gemeenten plaats. Op basis van die inventarisatie en een aansluitende kostenraming zullen door het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) budgetsgewijs bijdragen voor gevelmaatregelen verstrekt worden aan grote gemeenten en samenwerkingsverbanden van kleinere gemeenten. Voor de uitvoering van schermen en bronmaatregelen kan bij het Rijk (VROM) op basis van het [Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer](onbekend) per project een bijdrage van 100% in de kosten worden aangevraagd. Echter voor de gevallen dat de sanering gelijktijdig met een spoorwijzigingsproject kan worden uitgevoerd zijn er recent afspraken gemaakt tussen de minister van VROM, de minister van Verkeer en Waterstaat (V&W) en de Nederlandse Spoorwegen. Bij deze projecten zal NS railinfrabeheer B.V. (NS) het initiatief tot saneren nemen en tevens de aanvraag van de rijksbijdrage (bij V&W) verzorgen. De woningen waarvoor in dit kader uitsluitend gevelmaatregelen getroffen worden, zullen al gemeld zijn in het kader van de hiervoor genoemde landelijke inventarisatie. De gemeente hoeft uiteraard dez"},{"i":803,"b":"Belastingstelsel Caribisch Nederland; nadere invulling De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **In dit besluit keurt de staatssecretaris goed dat de uitvoering van de Wet inkomstenbelasting BES, de Wet loonbelasting BES, de Douane- en Accijnswet BES en de in de Belastingwet BES opgenomen algemene bestedingsbelasting op enkele punten wordt aangepast.** 1. Aanleiding Per 1 januari 2011 zijn bovengenoemde, voor Caribisch Nederland geldende, wetten in werking getreden. Naar aanleiding van een aantal signalen uit de praktijk en nader onderzoek is naar voren gekomen dat de wetgeving en de uitvoering op enkele punten aanvulling dan wel wijziging behoeft. In dat verband zijn, deels vooruitlopend op aanpassing van de wetgeving, voor de uitvoering van de loonbelasting en de algemene bestedingsbelasting (hierna: ABB) de volgende richtlijnen vastgesteld1In mijn brief van 1 september 2010 aan de voorzitter van de Tweede Kamer, kenmerk AFP 2011/0605U, ben ik uitgebreider ingegaan op de overwegingen die ten grondslag liggen aan de wijzigingen van het fiscale stelsel van Caribisch Nederland.. 2. Loon- en inkomstenbelasting 2.1. Belastingvrije som, kindertoeslag en ouderentoeslag Bij de toepassing van de loon- en inkomstenbelasting wordt een belastingvrije som gehanteerd alsmede, voor belastingplichtigen die daar voor in aanmerking komen, een kindertoeslag en/of een ouderentoeslag. De bedragen van deze belastingvrije som en deze toeslagen zijn vastgelegd in artikel 24 van de [Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281). Gelet op de relatief hoge inflatie in Caribisch Nederland en de inkomenspositie van ouderen keur ik goed dat voor de toepassing van de loonbelasting in de periode vanaf 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2011 mag worden uitgegaan van een hogere belastingvrije som en van hogere toeslagen. In het laatste kwartaal van 2011 mag er voor de toepassing van de loonbelasting van worden uitgegaan dat: Gelet op vorenst"},{"i":1003,"b":"Bijstellingsregeling accijns en motorrijtuigenbelasting 2005 Gelet op de [artikelen 27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a) en[84c van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84c) en [artikel 81a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=81a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Wet op de Accijns. Artikel II Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel III [Artikel 84a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84a) vindt geen toepassing op de in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017734&artikel=I&z=2005-01-01&g=2005-01-01) opgenomen verhogingen van de accijns Artikel IV 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. 2. De regeling wordt aangehaald als: Bijstellingsregeling accijns en motorrijtuigenbelasting 2005. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":957,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 25 maart 2008, houdende vaststelling van het tarief van de heffing inzake export van groenten en fruit naar Japan en Taiwan (Besluit PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2007) gelet op [artikel 4 van de Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022725&artikel=4); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 3 april 2007; BESLUIT: Artikel 1 In 2007 bedraagt de heffing € 30,00 per kwartier. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2007. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting zal worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":7366,"b":"Wet van 27 mei 1993, houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek (beëindiging huur en verhuur van onzelfstandige woonruimte) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter bevordering van het aanbod van onzelfstandige woonruimte de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek betreffende de beëindiging van de huur en verhuur van woonruimte te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Op overeenkomsten van huur en verhuur van woonruimte die bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven de artikelen 1623**a** en 1623**e** van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde voor dat tijdstip, van toepassing. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7845,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2013 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2013 vastgesteld op 4,65%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2013. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":956,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 25 april 2006, houdende vaststelling van het tarief van de heffing inzake export van groenten en fruit naar Japan en Taiwan (Besluit PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2006) gelet op [artikel 4 van de Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018500&artikel=4); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 4 april 2006; Besluit: Artikel 1 In 2006 bedraagt de heffing € 25,00 per kwartier. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2006. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting zal worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":804,"b":"Belastingverdrag Nederland – Vietnam, uitleg woorden ,,all or virtually all’’ De Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Mij heeft een aantal vragen bereikt over de betekenis van de woorden \"all or virtually all\" in art. 13, vierde lid, van het op 24 januari 1995 ondertekende belastingverdrag met Vietnam. Ik heb hierop het volgende geantwoord. Art. 13, vierde lid, is op uitdrukkelijk verzoek van Vietnam in het verdrag opgenomen. Vietnam beoogde daarmee te voorkomen dat in Nederland woonachtige of gevestigde beleggers belastbaarheid van vervreemdingswinst op in Vietnam gelegen onroerende zaken zouden weten te vermijden door de onroerende zaken niet rechtstreeks aan te houden, maar via een in Vietnam gevestigd lichaam (niet zijnde een ter beurze genoteerd lichaam), en de aandelen in dat lichaam te vervreemden. Gegeven die doelstelling is aanvankelijk door Nederland voorgesteld om de reikwijdte van de bepaling te beperken tot die situaties waarin alle aandelen van een \"onroerend-goed lichaam\" in handen waren van een inwoner van Nederland. Hoewel de Vietnamezen aangaven dat dat inderdaad de situaties waren die zij op het oog hadden, vonden ze de door Nederland voorgestelde beperking toch te ver gaan, omdat zij meenden dat die bepaling dan te gemakkelijk zou zijn te ontgaan door slechts enkele aandelen bij een derde te plaatsen, of geen toepassing zou kunnen vinden indien bijvoorbeeld een beperkt aantal aandelen verloren zou gaan. Tegen die achtergrond dient de formulering \"all or virtually all\" als een zeer beperkte marge gevende bepaling te worden geïnterpreteerd. In het kader van een overall compromis is uiteindelijk met deze bepaling ingestemd, zonder dat met de Vietnamezen expliciet een bepaald percentage is overeengekomen. In het licht van het voorgaande acht ik vanuit dezerzijdse optiek een marge van 5% verdedigbaar. Dat wil zeggen dat het heffingsrecht over de vervreemdingswinst op aandelen in de"},{"i":6241,"b":"Wet van 17 april 1990, houdende overbrenging in beheer en onderhoud bij de gemeente Dordrecht van de Krabbegeul en het afgedamde gedeelte van het Mallegat met bijbehorende werken te Dordrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bij het Rijk in beheer en onderhoud zijnde Krabbegeul en het afgedamde gedeelte van het Mallegat met bijbehorende werken te Dordrecht in beheer en onderhoud over te brengen bij de gemeente Dordrecht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Het Rijk brengt in beheer en onderhoud over bij de gemeente Dordrecht: - a. de Krabbegeul; - b. het Mallegat, voor zoveel gelegen tussen de daarin aangebrachte afsluitdammen; een en ander met bijbehorende werken. 2. De in het eerste lid omschreven waterstaatswerken zijn met een arcering aangegeven op de bij deze wet behorende tekening. 3. Het beheer en onderhoud van de in het eerste lid omschreven waterstaatswerken worden overgebracht voor zoveel deze bij het Rijk berusten. Artikel 2 De gemeente Dordrecht treedt door de overbrenging in beheer en onderhoud van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004741&artikel=1&z=1990-08-01&g=1990-08-01) omschreven waterstaatswerken tegenover derden in de rechten en verplichtingen van het Rijk te dier zake. Artikel 3 De overbrenging in beheer en onderhoud van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004741&artikel=1&z=1990-08-01&g=1990-08-01) omschreven waterstaatswerken bij de gemeente Dordrecht geschiedt om niet. Bijlage Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1125,"b":"Instelling werkgroep modernisering successiewetgeving Overwegende dat het met het oog op het in het regeerakkoord aangekondigde onderzoek naar modernisering van de successiewetgeving wenselijk is een werkgroep modernisering successiewetgeving in te stellen; Besluit: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een werkgroep modernisering successiewetgeving. Artikel 2 1. De werkgroep heeft tot taak een onderzoek in te stellen naar modernisering van de successiewetgeving. In ieder geval wordt daarbij onderzocht in hoeverre die wetgeving aanpassing behoeft in verband met moderne relatievormen, de problemen met betrekking tot de bedrijfsopvolging en de fiscale behandeling van doelvermogens. De werkgroep doet, indien de uitkomsten van het onderzoek daartoe aanleiding geven, concrete aanbevelingen voor aanpassing van de regelgeving. 2. De werkgroep houdt bij haar aanbevelingen in het oog dat de modernisering budgettair neutraal dient te geschieden uit de opbrengst van een herschikking binnen de successiewetgeving en constructiebestrijding op dit terrein. § 2. Samenstelling en werkwijze Artikel 3 1. Tot lid, tevens voorzitter van de werkgroep wordt benoemd: prof. mr. J.K. Moltmaker. 2. Tot leden, tevens secretaris van de werkgroep worden benoemd: mr. L.S. Qua; mr. A.J.M. Uijens. 3. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: B. de Boer; mw. mr. I. Brouwer; G.F. de Jong; mr. C.M. Lambregtse; mr. O.B. Onnes; prof. dr. J.P.M. Stubbé; drs. P.J.J.M. Swinkels; mr. A. W. van der Vegt; mr. H.B.A. Verhoeven; mw. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken; mw. prof. mr. S.E.M. Wortmann. Artikel 4 Ter uitvoering van haar taak kan de werkgroep zich rechtstreeks tot derden wenden voor het verkrijgen van inlichtingen en hen zo nodig ter vergadering uitnodigen om hun mening nader uiteen te zetten. Artikel 5 De werkgroep legt de uitkomsten van het onderzoek en eventuele aanbevelingen voor aanpassing van de regelgeving zo mogelijk vóór 1 maart 2000 aan de Staatssecretaris van Financiën over. § 3. Overige bepal"},{"i":1068,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 3 november 2005, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van inlands graan in Nederland voor het jaar 2006 (Heffingsverordening GZP inlands graan jaar 2006) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 eerste en vierde lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=8) en [19 van het Instellingsbesluit akkerbouwproductschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=19); Besluit: Werkt terug met uitzondering van de toepassing van de verordening GZP algemene bepalingen 2003. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | --- | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | ondernemer | : | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | graan | : | tarwe, gerst, rogge en haver. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer is verplicht over de hoeveelheden inlands graan, met uitzondering van gerst, welke hij in het jaar 2006 verwerkt of in loon laat verwerken tot producten, welke al dan niet na verdere be- of verwerking voor menselijke consumptie kunnen dienen, met uitzondering van de hoeveelheden, welke hij in opdracht en voor rekening van telers verwerkt, aan het productschap een heffing te betalen van € 0,12 per ton verwerkte hoeveelheid graan. 2. De ondernemer is verplicht over de hoeveelheden inlands gerst, welke hij in het jaar 2006 verwerkt of in loon laat verwerken tot producten, welke al dan niet na verdere be- of verwerking voor menselijke consumptie kunnen dienen, met uitzondering van de hoeveelheden, welke hij in opdracht en voor rekening van telers verwerkt, aan het productschap een heffing te betalen van € 0 per"},{"i":1080,"b":"Indonesische voorschriften tot uitvoering van de op 5 maart 1973 tussen Nederland en Indonesië gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting, zoals deze is gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van 22 juli 1991, welk Protocol is gewijzigd bij het protocol van 23 augustus 1993 Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Indonesche belasting op dividenden, interest, royalty's en sommige andere soorten van inkomsten, genoten door inwoners van Nederland Artikel 1. Aanspraken inwoners van Nederland Aan de op 5 maart 1973 tussen Nederland en Indonesië gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 1973, nr. 53), zoals deze is gewijzigd bij het op 22 juli 1991 te Koeala Loempoer gesloten Protocol tot wijziging van de genoemde Overeenkomst (Trb. 1991, nr. 133), welk Protocol is gewijzigd bij het op 23 augustus 1993 te Jakarta gesloten Protocol tot wijziging van het eerstgenoemde Protocol (Trb. 1993, nr. 136), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst en onderdelen van het Protocol: - a. vermindering tot 10 percent van de Indonesische belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Indonesië is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het Indonesische lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 9, tweede lid, onderdeel a); - b. vermindering tot 15 percent van de Indonesische belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Indonesië is aan een inwoner van"},{"i":809,"b":"Beleidsbesluit belastingplicht en fiscale eenheid omzetbelasting De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **In dit besluit is het besluit van 28 april 2021, nr. 2021-9403 (** **Stcrt. 2021, 22627** **) over de btw-behandeling van werkzaamheden van toezichthouders en van leden van diverse commissies opgenomen. Daarbij zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht, en wijzingen die verband houden met de invoering van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen. Verder geeft dit besluit beleidsregels over de fiscale eenheid, zoals genoemd in artikel 7, vierde lid van de Wet op de omzetbelasting 1968, en over de belastingplicht van holdings, waarmee de zgn. holdingresolutie1Het besluit van 18 februari 1991, nr. VB91/347, inzake heffing van omzetbelasting met betrekking tot zgn. houdstermaatschappijen en het houden van aandelen in het algemeen. komt te vervallen.** 1. Inleiding Het besluit geeft in onderdeel 2 een invulling aan het begrip ‘zelfstandig’ zoals genoemd in [artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=7) met het oog op de btw-behandeling van de werkzaamheden van natuurlijke personen die optreden als toezichthouder of als lid van een bezwaaradviescommissie of van andere daarmee te vergelijken werkzaamheden zoals genoemd in dit besluit. Daarnaast bevat dit besluit in onderdeel 3 enkele aanwijzingen met betrekking tot de fiscale eenheid btw. In dat kader komt de belastingplicht van holdings aan de orde en is een goedkeuring getroffen voor opname in de fiscale eenheid van een holding die een sturende en beleidsbepalende functie vervult binnen het concern. Deze goedkeuring is overgenomen uit de holdingresolutie die met de inwerkingtreding van dit besluit zal vervallen. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.2. Juridisch kader Het besluit bevat beleidsregels met betrekking tot de [artikelen 7, eerste, tweede en vierde lid van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629"},{"i":1126,"b":"Instelling Werkgroep Vaarbelasting Overwegende dat in het Regeerakkoord 1998 de opdracht is opgenomen te komen tot een vaarbelasting, welke een netto-opbrengst dient te hebben van 80 mln, dat de vormgeving van deze belasting nader dient te worden bepaald en dat het in dat verband wenselijk is een werkgroep vaarbelasting in te stellen; Gelet op het Regeerakkoord 1998, hoofdstuk I, paragraaf 6; Besluit: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een werkgroep vaarbelasting. Artikel 2 1. De werkgroep heeft als taak om te onderzoeken wat de beste vorm is waarin een in te voeren vaarbelasting zou kunnen worden gegoten, de grondslag en de doelgroep daarvan, met het oog op de realisering van een jaarlijkse netto opbrengst van 80 mln en uitgaande van invoering van de belasting in 2000, daarbij rekening houdend met een doelmatige uitvoering en Europese aspecten. 2. In haar voorstel geeft de werkgroep tevens de voor- en nadelen aan van de verschillende alternatieven, zij betrekt bij haar voorstel op dat gebied bestaande regelingen in het buitenland. 3. De te verwachten effecten van invoering van een vaarbelasting dienen zo concreet mogelijk zichtbaar te worden gemaakt. Artikel 3 Bij het doen van een voorstel neemt de werkgroep de volgende voorwaarden in acht: - de te ontwikkelen vaarbelasting dient goed inpasbaar te zijn in het fiscale stelsel. Dit betekent onder meer dat het voorstel zorgvuldig moet worden gewogen op zijn uitvoeringstechnische aspecten en handhaafbaarheid, en op zijn inpasbaarheid in de Europese context; - het voorstel moet naar het mogelijke bijdragen aan de aanvaardbaarheid van de belastingwetgeving. § 2. Samenstelling en taak Artikel 4 Tot lid, tevens voorzitter van de werkgroep wordt benoemd: J. Kamminga, Commissaris der Koningin Gelderland. Tot lid, tevens secretaris van de werkgroep wordt benoemd: mr. T.J.A. Hoksbergen, namens het Ministerie van Financiën. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: - drs. M.H.J. Alink, namens het Ministerie van Financiën;"},{"i":813,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, mede namens de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering, van 18 september 2022, nr. 2022-18406 tot verlenging van de compensatie van de kosten voor organisaties die eHerkenning moeten gebruiken voor het doen van belastingaangifte (Beleidsregel compensatie inloggen belastingaangifte) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel X, eerste lid, van de Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037120&artikel=X); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (wijziging) Deze beleidsregel werd gewijzigd bij besluit van 20 maart 2023, nr. 2023-6260 (Stcrt. 2023, 11192). Voor de compensatie andere kosten (hoofdstuk 3) is de invulling van de aanvraagperiode verduidelijkt en is de regeling uitgebreid met een mogelijkheid tot het bieden van maatwerk bij de vaststelling van de maximale hoogte van de vergoeding. Deze beleidsregel werd vervolgens gewijzigd bij besluit van 13 december 2024, nr. 2024-33872. Hiermee is de compensatie van de kosten voor organisaties die eHerkenning moeten gebruiken voor het doen van belastingaangifte met twee jaar verlengd. Deze beleidsregel werd voorts gewijzigd bij besluit van 7 augustus 2025, nr. 2025-16762. Hiermee is de beleidsregel aangevuld met een compensatie voor het eHerkenning-zonder-KVK-nummer-inlogmiddel en wordt een compensatie opengesteld voor onvermijdelijke andere kosten voor belastingplichtigen die geen gebruik kunnen maken van het Belastingdienst EH3-inlogmiddel of het eHerkenning-zonder-KVK-nummer-inlogmiddel. Artikel 2. (doelgroep en reikwijdte) Deze beleidsregel is van toepassing op belastingplichtige of inhoudingsplichtige organisaties die online belastingaangifte moeten doen via Mijn Belastingdienst Zakelijk. Om deze organisaties in staat te stellen kosteloos aan hun aangifteverplichting"},{"i":5810,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 14 juni 2024, nr. PO/44103786, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor de uitvoering van de convenanten voor de aanpak van het lerarentekort in het primair onderwijs, inclusief de integrale aanpak van zij-instroom in het primair onderwijs, in de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere (Subsidieregeling uitvoering convenanten lerarentekort PO G5 inclusief aanpak zij-instroom PO G5) Gelet op [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71) en [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) of [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **convenant:** convenant uitvoering Noodplannen personeelstekort G5, afgesloten met de desbetreffende G5-gemeente, bevoegde gezagsorganen in die gemeente, de betrokken lerarenopleidingen, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister, gericht op de aanpak van het lerarentekort binnen die gemeente in de schooljaren 2020–2021 tot en met 2023–2024, verlengd met addendum tot en met 31 december 2025; - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **G5-gemeente:** gemeente Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht of Almere; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **lerarenopleiding:** op basis van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) bekostigde bachelor- of masteropleiding die opleidt tot het verkrijgen van een bevoegdheid om les te geven in een school of instelling die valt onder de [WPO](https://wetten.overh"},{"i":1059,"b":"Reglement inzake de heffing van omslagen ter dekking van de kosten van toezicht of keuring gelet op [artikel 11 van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=11) (Stb. 1971, 371), alsmede artikel 33, tweede lid, van de statuten van genoemde Stichting (Stcrt. 1992, 63), heeft in de op 2 december 1998 gehouden vergadering vastgesteld het navolgende Reglement: Artikel 1 1. In dit reglement wordt verstaan onder: **het COKZ:** de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel; **bestuur:** het bestuur van het COKZ; **aangeslotene:** een ieder, die als aangeslotene bij het COKZ is toegelaten; **product:** product ten aanzien waarvan bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit toezicht of keuring aan het COKZ is opgedragen. 2. In dit reglement dienen de daarin voorkomende aanduidingen van de producten, alsook de begrippen bereiden en verhandelen, te worden verstaan in de zin die de betrokken landbouwkwaliteitsbesluiten en de daarop berustende bepalingen daaraan toekennen. Artikel 2 1. De aangeslotene is voor elke tot zijn onderneming behorende bereid- of opslagplaats, waar producten worden bereid, jaarlijks aan het COKZ een omslag over de hoeveelheden bereid product verschuldigd. 2. De in het eerste lid bedoelde omslag wordt vastgesteld in overeenstemming met het in de [artikelen 3 tot en met 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010341&artikel=3&z=1999-03-17&g=1999-03-17) bepaalde. Artikel 3 1. Voor producten ten aanzien waarvan de werkzaamheden van toezicht of keuring door het COKZ worden verricht worden standaardomzetten vastgesteld. 2. Elke standaardomzet wordt in tonnen bepaald door voor de betrokken producten, per nagenoemde categorie product of groep van producten, de jaarlijks bereide hoeveelheden, naar boven afgerond in gehele tonnen te vermenigvuldigen met: 0.6 voor het product melkpoeder en voor zuigelingenvoeding; 1.1 voor het product kaas, voor zover het betreft de bereiding in enge zin do"},{"i":976,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 24 november 2025, nr. 2025-27543 over de heffing van omzetbelasting bij uitvoer van goederen als reizigersbagage (Besluit uitvoer reizigersbagage omzetbelasting) Gelet op [artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 24, tweede lid van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=24) en [artikel 23a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002634&artikel=23a); Besluit: 1. Inleiding Dit besluit behandelt het beleid op het gebied van de heffing van btw bij de uitvoer van reizigersbagage. In het besluit is opgenomen onder welke voorwaarden de leverancier het nultarief voor deze reizigersbagage kan toepassen. Ook wordt de handelwijze bij toepassing door de leverancier van de teruggaafprocedure toegelicht. Dit besluit vervangt het [besluit van 13 juli 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045444), nr. 2021-7204 (Stcrt. 2021, 36025). De wijzigingen betreffen: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Uitvoer van goederen als reizigersbagage In het internationale reizigersverkeer kan het nultarief worden toegepast op de levering van goederen aan particulieren die hun woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats hebben in een land dat niet tot de EU behoort. Deze regeling is vastgesteld in [artikel 24, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=24) en [artikel 23a van de uitvoeringsbeschikking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002634&artikel=23a). Deze artikelen zijn gebaseerd op artikel 147 van de btw-richtlijn. Voor toepassing van het nultarief in deze gevallen gelden de volgende voorwaarden: De regeling is ook van toepassing op de levering van goederen aan particulieren die hun woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats in de EU hebben en aantonen dat zij zich vóór het einde van de derde maand na de ma"},{"i":816,"b":"Beleidsregel Ontheffingverlening exceptionele transporten RDW 2015 Gelet op [artikel 149a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), [artikel 4:83 van de Algemene wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83), het [Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680), het [Besluit voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025554), de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798) en de [Beleidsregel ontheffing gerelateerde voertuigdocumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032805); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze beleidsregel worden de begripsbepalingen van de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798) overgenomen. Voorts wordt verstaan onder: - a. **autonome beslisruimte:** de actuele, door de wegbeheerder voor een weg of weggedeelte opgegeven afmetingen en massa's tot welke de RDW zonder toestemming als bedoeld in [artikel 149b, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149b) en [artikel 4 van het Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680&artikel=4) ontheffing mag verlenen onder de daarbij van toepassing zijnde beperkingen en voorschriften; - b. **begeleidingsvoertuig:** voertuigen als bedoeld in [artikel 1, onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=1); - c. **digitale wegenkaart:** elektronische weergave van de wegen of weggedeelten waar de autonome beslisruimte voor langlopende basis ontheffingen op van toepassing is en die door de Dienst Wegverkeer ten behoeve van de ontheffing houders ter beschikking wordt gesteld; - d. **gedwongen besturing:** gelede stuurinrichting volgens ECE R79, waarbij de besturi"},{"i":1042,"b":"Gedragslijn bij strafbare feiten begaan door ambtenaren van de Belastingdienst in functie De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. 1. Inleiding Een ambtenaar van de Belastingdienst kan zich in de uitoefening van zijn functie schuldig maken aan het plegen van een strafbaar feit. Daarbij zal tevens sprake zijn van overtreding van een disciplinaire norm. Veelal zal van een dergelijk voorval aangifte bij het Openbaar Ministerie moeten worden gedaan. Het is van belang dat informatie over het voorval snel de dienstleiding bereikt en dat op gepaste en eenduidige wijze wordt gereageerd. Deze gedragslijn is niet van toepassing op overtredingen van uitsluitend disciplinaire aard of het begaan van een strafbaar feit in de privé-sfeer. Als echter in deze gevallen het functioneren van de Belastingdienst in het geding is of kan zijn, moet het feit wel als buitengewoon voorval worden gemeld bij de Directeur Bestuursondersteuning Belastingdienst (BOB). 2. Beleidsuitgangspunten 2.1. Inleiding Indien een ambtenaar in de uitoefening van zijn functie een norm heeft overschreden waarbij het vermoeden bestaat dat daarmee een strafbaar feit is gepleegd moet passend (kunnen) worden gereageerd. Daarvoor is belangrijk dat de dienstleiding snel, maar zorgvuldig en ondubbelzinnig wordt geïnformeerd. Op basis van die informatie wordt namelijk beslist of er aangifte van het feit bij het Openbaar Ministerie wordt gedaan. Op grond van diezelfde informatie wordt tevens besloten of en zo ja, welke maatregelen op het disciplinaire vlak moeten worden genomen. De vorm en inhoud van de reactie worden bepaald door de aard en ernst van de schending van de gestelde norm. De beleidsuitgangspunten van deze gedragslijn zijn: 2.2. De plicht en bevoegdheid tot het doen van aangifte In bepaalde gevallen bestaat er een wettelijke plicht om van een strafbaar feit aangifte te doen. Het gaat daarbij om de delicten die zijn omschreven in de artikelen"},{"i":1120,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, fiscale behandeling van aanspraken van medisch specialisten op een transitiefonds De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit betreft de fiscale behandeling van de aanspraken van medisch specialisten op een transitiefonds in het geval zij besluiten over te stappen van vrijgevestigd ondernemer naar loondienst en voor deze overstap een compensatie krijgen voor de goodwill die aan hun onderneming verbonden is.** 1. Inleiding Op 2 september 2014 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in een brief aan de Tweede Kamer (kenmerk: 644284-123815-CZ) de regeling voor transitiegelden bij invoering van integrale bekostiging medisch specialistische zorg en kaakchirurgie bekendgemaakt. Die regeling geeft uitvoering aan de afspraken in het ‘Onderhandelaarsresultaat medisch specialistische zorg 2014 t/m 2017’ van 16 juli 2013 (hierna: zorgakkoord). In het zorgakkoord is opgenomen dat de invoering van de integrale tarieven voor medisch specialistische zorg met ingang van 1 januari 2015 zal plaatsvinden. Onderdeel van het zorgakkoord is dat het kabinet middelen beschikbaar zal stellen om de transitie naar de integrale bekostiging te faciliteren. In dit besluit is onder voorwaarden een goedkeuring opgenomen voor het nog niet in de winst opnemen van een aanspraak op een transitiefonds. Deze goedkeuring is gebaseerd op [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63). 2. De vormgeving van de transitie Door de invoering van de integrale bekostiging wijzigt de verhouding tussen het ziekenhuis/zelfstandig behandelcentrum en de medisch specialisten. In het najaar 2013 heeft overleg plaatsgevonden tussen de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, de Orde van Medisch Specialisten, het Ministerie van VWS en het Ministerie van Financiën. In dit overleg is een aantal mogelijke nieuwe besturingsmodellen of organisatiemodellen besproken"},{"i":1028,"b":"Directe belastingen, internationale inlichtingenuitwisseling; Litouwen De staatssecretaris van Financiën maakt het volgende bekend. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. **Op 5 juli 2012 is tussen de Staatsbelastinginspectie onder het Ministerie van Financiën van de Republiek Litouwen en het Directoraat-generaal Belastingdienst van Nederland een nieuw Memorandum van Overeenstemming gesloten over de uitwisseling van inlichtingen op het gebied van de directe belastingen. Het Memorandum vervangt het in 2003 gesloten Memorandum van Overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van Litouwen en Nederland inzake de stroomlijning en intensivering van wederzijdse bijstand op het gebied van directe belastingen (** **Staatscourant 8 oktober 2004, 194** **), dat met het nieuwe Memorandum wordt ingetrokken.** **Het Memorandum geeft categorieën weer voor de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen, zoals over bezit en waarde van onroerende zaken, dividenden, royalty’s, inkomsten uit lonen, salarissen en andere soortgelijke beloningen, directeursbeloningen, inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars, inkomsten uit pensioenen, soortgelijke beloningen en lijfrenten, betalingen aan studenten voor studie en opleiding en overige inkomsten. Daarnaast bevat het Memorandum bepalingen over tijdelijke automatische inlichtingenuitwisseling bij bijvoorbeeld incidentele doelgroepacties, alsmede richtlijnen voor de aanwezigheid van ambtenaren van de ene Staat op het grondgebied van de andere Staat ten behoeve van een boekenonderzoek en voor het uitvoeren van o.a. gelijktijdige belastingcontroles.** Memorandum van Overeenstemming tussen de Staatsbelastinginspectie onder het Ministerie van Financiën van de Republiek Litouwen en het Directoraat-generaal Belastingdienst van Nederland inzake de uitwisseling van inlichtingen op het gebied van de directe belastingen Preambule De Staatsbelastinginspectie onder het Ministerie van Financiën van de Republiek Litouwen"},{"i":1168,"b":"Loonheffingen, inkomstenbelasting, internationale aspecten van pensioenen en stamrechten De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 31 januari 2008, nr. CPP2007/98M (** **Stcrt. 2008, 27** **). In dit besluit wordt ingegaan op de pensioenopbouw van inkomende werknemers en de pensioenafwikkeling van uitgaande werknemers. Dit besluit bevat de aanwijzing van een aantal regelingen als pensioenregeling.** 1. Algemene inleiding Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 31 januari 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023449), nr. CPP2007/98M (Stcrt. 2008, 27) en behandelt enige situaties van pensioenopbouw en pensioenafwikkeling met internationale aspecten. De situatie van pensioenopbouw komt in hoofdstuk 2 aan de orde. Het gaat hierbij om inkomende werknemers. De situatie van pensioenafwikkeling komt in hoofdstuk 3 aan de orde. Hierbij gaat het om uitgaande werknemers. Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 31 januari 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023449), nr. CPP2007/98M (Stcrt. 2008, 27) en behandelt enige situaties van pensioenopbouw en pensioenafwikkeling met internationale aspecten. De situatie van pensioenopbouw komt in hoofdstuk 2 aan de orde. Het gaat hierbij om inkomende werknemers. De situatie van pensioenafwikkeling komt in hoofdstuk 3 aan de orde. Hierbij gaat het om uitgaande werknemers. In dit besluit wijs ik enkele regelingen aan als pensioenregeling. Die aanwijzingen vinden plaats in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (zie [artikel 19d van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19d)). Het nieuwe hoofdstuk 4 gaat over de aanwijzing van buitenlandse eigenbeheerlichamen als toegelaten pensioen- en stamrechtverzekeraar (zie [artikel 19a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artik"},{"i":1081,"b":"Inkomstenbelasting, aanwijzing bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting 2020 als massaal bezwaar **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit wijs ik aan als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de in dit besluit nader omschreven bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting 2020 waarbij sprake is van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Dit besluit vervangt het besluit van 23 maart 2021, nr. 2021-45395 (** **Stcrt. 2021, 13741** **).** 1. Inleiding Eerder heb ik bezwaarschriften tegen de per 1 januari 2017 gewijzigde forfaitaire vermogensrendementsheffing als bedoeld in [artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.2), in de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: inkomstenbelasting) over de jaren 2017 tot en met 2019 aangewezen als massaal bezwaar.1De aanwijzing is voor het jaar 2017 opgenomen in het Besluit van 7 juli 2018, nr. 2018-12775 (Stcrt. 2018, 39781). Voor het jaar 2018 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 18 april 2019, nr. 2019-8322 (Stcrt. 2019, 23335) en voor het jaar 2019 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 23 april 2020, nr. 2020-75650 (Stcrt. 2020, 24107). De Belastingdienst verwacht dat veel belastingplichtigen ook voor het jaar 2020 bezwaar zullen maken tegen de vermogensrendementsheffing. Ik heb daarom besloten om bezwaarschriften tegen de vermogensrendementsheffing ook voor het jaar 2020 aan te wijzen als massaal bezwaar. In dit besluit wordt de eerdere aanwijzing over het jaar 2020 aangevuld met een nieuwe rechtsvraag. Dit besluit vormt daarmee een vervanging van het [besluit van 23 maart 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044974), nr. 2021-45395 (Stcrt. 2021, 13714). Met het oog op een efficiënte en eenduidige afdoening wijs ik de bezwaarschriften die betrekking hebben op de in onderdeel 2 vermeld"},{"i":1123,"b":"Instelling Commissie werkbelasting strafkamer Hoge Raad Overwegende dat het wenselijk is, gelet op de werkbelasting van de strafkamer van de Hoge Raad, te onderzoeken of er mogelijkheden zijn in verband met de grote instroom van zaken de belasting van deze kamer te beperken. Besluit: Artikel 1 Er is een Commissie werkbelasting strafkamer Hoge Raad, verder te noemen de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak de minister van Justitie van advies te dienen over de vraag welke mogelijkheden er zijn om de instroom van zaken bij de strafkamer van de Hoge Raad te beperken, dan wel om andere voorzieningen te treffen waardoor de belasting van de strafkamer wordt beperkt. Daarbij ware aan te geven welke maatregelen haars inziens de voorkeur genieten. De commissie dient, indien zij van oordeel is dat de wet, in het bijzonder het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), hiertoe moet worden gewijzigd of aangevuld, voorstellen tot een dergelijke wijziging of aanvulling te doen. De commissie behoeft het zogenoemde verlofstelsel, gelet op het voornemen van de regering dit stelsel te betrekken in de besluitvorming over de derde fase van de herziening van de rechterlijke organisatie, zoals verwoord in de discussienota derde fase herziening rechterlijke organisatie, niet in haar beschouwingen te betrekken. Artikel 3 In de commissie hebben zitting: - a. als voorzitter: mr. W. E. Haak, vice-president van de Hoge Raad der Nederlanden. - b. als leden: mr. C. J. G. Bleichrodt, raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden; prof. mr. J. de Hullu, hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan de Katholieke Universiteit Brabant; prof. mr. L. C. M. Meijers, advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en bijzonder hoogleraar (em.) op het gebied van de internationaalrechtelijke, in het bijzonder mensenrechterlijke aspecten van het strafrecht, aan de Rijksuniversiteit Groningen; mr. B. E. P. Myjer, advocaat-generaal bij het Gerechtshof te Den Haag; mr."},{"i":1139,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 27 november 2019 tot instelling van een toetsingscommissie buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst (Instellingsbesluit toetsingscommissie buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst 2019) Handelende in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid; Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. Er is een toetsingscommissie voor de opleiding van ambtenaren van de Belastingdienst tot buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142). 2. De toetsingscommissie heeft tot taak: - a. erop toe te zien dat wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in het onderdeel Semi-permanente ontheffing van [bijlage H van de Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766&bijlage=H); - b. het toetsen van de opleidingen en bijscholingen aan de basisbekwaamheidseisen, opgenomen in [bijlage C van de Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766&bijlage=C); - c. het beoordelen van de wijze van toetsing van de kandidaten, de normstelling voor de toetsing en de uitslagen van de toetsing; - d. het adviseren bij individuele verzoeken aan de procureur-generaal om ontheffing van het examen, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=16); - e. het beoordelen van individuele verzoeken om ontheffing van het examen of het opleidingsprogramma of onderdelen daarvan, bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=16); - f. het adviseren van de directeur-generaal Belastingdienst over de taken, genoemd in de onderdelen a tot en met e. 3. De toetsingscommissie brengt jaarlijks verslag"},{"i":827,"b":"Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1986 Gelet op [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) (Stb. 1962, 17); Besluit: Artikel 1 1. De gecorrigeerde groeivoet als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 2,9 percent. 2. Gelet op het voor 1985 geldende maximum aantal te heffen opcenten van 27,1 en de bovenvermelde gecorrigeerde groeivoet bedraagt het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 1986 tot en met 31 maart 1987 derhalve ten hoogste 27,9. Artikel 2 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1986."},{"i":829,"b":"Besluit van het Productschap Tuinbouw, d.d. 7 mei 2002, houdende de vaststelling van de percentages en bedragen van de heffingen groenten en fruit voor het jaar 2002 (Besluit 2002/1 PT heffingen groenten en fruit 2002) gelet op [artikel 3, derde en vierde lid van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2002](onbekend); gelet op [artikel 3, vijfde lid van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2002](onbekend); gelet op [artikel 3, vijfde lid van de Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2002](onbekend); gelet op [artikel 4 , eerste lid van de Verordening PT heffing verduurzaamde groenten en fruit 2002](onbekend); gehoord de sectorcommissie groenten en fruit (d.d. 11 april 2002); BESLUIT: Artikel 1 1. De percentages, bedoeld in [artikel 3, tweede lid van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2002](onbekend) bedragen: | a. | glasgroenten | : 0,510%; | | --- | --- | --- | | b. | vollegrondsgroenten | : 0,760%; | | | - aardbeien | : 0,610%; | | c. | fruit | : 0,160%; | | d. | champignons | : 0,175%; | | | - overige paddestoelen | : 0,055%; | | e. | uitgangsmateriaal | : 0,080%; | | | - witlofpennen | : 0,600%. | 2. Het percentage bedoeld in [artikel 3, vierde lid van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2002](onbekend) (korting kwaliteitscontrole ingeval van contractteelt) bedraagt: 0,090%. Artikel 2 1. Het bedrag, bedoeld in [artikel 3, derde lid van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2002](onbekend) bedraagt 0,055%. 2. Het percentage, bedoeld in [artikel 3, vierde lid van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2002](onbekend) (handel in uien) bedraagt: 4,53 euro per 100 ton. Artikel 3 1. Het percentage bedoeld in [artikel 3, derde lid van de Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2002](onbekend) (handel groenten en fruit) bedraagt voor: | a. | groenten | : 0,105%; | | --- | --- | --- | | b. | fruit | : 0,140%; | | c. | champignon"},{"i":836,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 2 december 2003, houdende de vaststelling van het percentage van de heffing op witlof voor het jaar 2003 (Besluit 2003/2 PT heffing promotie witlof 2003) gelet op [artikel 3, derde lid, van de Verordening PT heffing promotie witlof 2003](onbekend); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 10 november 2003; BESLUIT: Artikel 1 Het percentage als bedoeld in [artikel 3, derde lid, van de Verordening PT heffing promotie witlof 2003,](onbekend) bedraagt: 0,4%. Artikel 2 Het Besluit 2003/1 PT heffing promotie witlof 2003 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2003/2 PT heffing promotie witlof 2003. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking de dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie en werkt terug tot en met 1 januari 2003. Dit besluit de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":7120,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 17 november 2025, nr. WJZ/102500586, houdende specifieke maatregelen in de beschermings- en de bewakingszone in verband met de bestrijding van hoogpathogene aviaire influenza in Terschuur (Regeling maatregelen beschermings- en bewakingszone hoogpathogene vogelgriep Terschuur 2025) Gelet op de artikelen 64, eerste lid, 65, eerste lid, en 71, eerste lid, van [verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidwetgeving”) (PbEU 2016, L 84), de artikelen 21, eerste lid, 25, eerste lid, 27, eerste en tweede lid, en 42 van gedelegeerde [verordening (EU) 2020/687](32020R0687) van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PbEU 2020, L 174) en de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.2), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.5), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.6), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.7) en [6.3, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3); Besluit: Treedt in werking om 23.00 uur. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **beschermingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051791&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-11-17&g=2025-11-17); - **bewakingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051791&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-11-17&g=2025-11-17); -"},{"i":1014,"b":"Bijstellingsregeling belastingen van rechtsverkeer, accijns, belasting van personenauto’s en motorrijwielen, motorrijtuigenbelasting, belastingen op milieugrondslag en de Provinciewet 2024 (Bijstellingsregeling indirecte belastingen en de Provinciewet 2024) Gelet op [artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15), de [artikelen 27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a) en [84c van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84c), [artikel 16b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=16b), [artikel 81a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=81a), [artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=90), [artikel XVII van het Belastingplan 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046105&artikel=XVII) en [artikel 222 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel I Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel II Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel III Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel IV Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel V Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VI Wijzigt de Provinciewet. Artikel VII [Artikel 84a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84a) vindt geen toepassing op de in [artikel II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049188&artikel=II&z=2024-01-01&g=2024-01-01), opgenomen verhogingen van de accijns. Artikel VIII 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat het bij [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049188&artikel=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) in"},{"i":1025,"b":"Directe belastingen, Internationale inlichtingenuitwisseling; IJsland **De staatssecretaris van Financiën maakt het volgende bekend.** **Dit besluit bevat een bekendmaking van het in februari 2017 tussen het Ministerie van Financiën en Economische Zaken van IJsland en het Ministerie van Financiën van Nederland gesloten Memorandum van Overeenstemming inzake inlichtingenuitwisseling in belastingaangelegenheden. Het Memorandum geeft o.a. categorieën weer voor de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen en voor zover deze beschikbaar zijn, zoals informatie over onroerende zaken, bedrijfswinsten, dividend, rente, inkomsten uit zelfstandige arbeid, salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen, directeursbeloningen, inkomsten verkregen door artiesten en sportbeoefenaars, pensioenen, lijfrenten, sociale zekerheidsuitkeringen en andere soortgelijke betalingen, betalingen aan studenten voor opleidingen en overige inkomsten. Het Memorandum is op 13 februari 2017 in werking getreden en de eerste uitwisseling heeft betrekking op het jaar 2016.** De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Memorandum of Understanding between the Ministry of Finance and Economic Affairs in Iceland and the Ministry of Finance in the Netherlands regarding the exchange of information in tax matters Preamble The Ministry of Finance and Economic Affairs in Iceland and the Ministry of Finance in the Netherlands, hereinafter: the ‘Participants’, considering the desire to intensify mutual cooperation in tax matters, have agreed the following. General provisions 1. Legal basis Pursuant to the provisions with regard to the exchange of information of the Convention on mutual administrative assistance in tax matters, closed in Strasbourg on 25 January 1988, as amended in 2010, and article 28 of the Convention between the Republic of Iceland and the Kingdom of the Netherlands for the avoidance of double taxation and the prevention of fiscal evasion with respect to taxes on i"},{"i":994,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 12 juni 2024 (2024-337478) houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeur-generaal Herstelbeleid in het kader van de hersteloperatie toeslagen (Besluit verlening mandaat, volmacht en machtiging van de Minister van Financiën aan de directeur-generaal Herstelbeleid in het kader van de hersteloperatie toeslagen) Gelet op de [artikelen 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.15), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.13), [4.1 tot en met 4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=4.1) en [9.1, tweede lid, onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=9.1); Gelet op [artikel 4, eerste lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=4); Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Mandaatverlening 1. Aan de directeur-generaal Herstelbeleid wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor de uitvoering van de [artikelen 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.15), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.13), [4.1 tot en met 4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=4.1) en [9.1, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=9.1), voor zover dit betrekking heeft op voornoemde bepalingen, van de [Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436). 2. De gemandateerde kan de aan hem gemandateerde bevoegdheden ondermandateren. 3. Bij afwezigheid van de directeur-generaal Herstelbel"},{"i":1055,"b":"Besluit van 24 april 1996, nr. VB96/1157 De plaatsvervangend Directeur-Generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Mij hebben vragen bereikt met betrekking tot de heffing van omzetbelasting ter zake van bemiddelingsprestaties door makelaars bij handel in termijncontracten. Het betreft makelaars die in Nederland wonen, of zijn gevestigd, dan wel hier een vaste inrichting hebben van waaruit zij deze prestaties verrichten. De handel in termijncontracten ter zake waarvan wordt bemiddeld vindt niet plaats via een door een liquidatiekas georganiseerde termijnmarkt als bedoeld in de aanschrijving van 21 maart 1969, nr. D68/8974. De afnemers van de bemiddelingsprestaties kunnen of hier te lande zijn gevestigd, of in een andere lid-staat van de EU, of buiten de EU. De prestaties ter zake waarvan de makelaars bemiddelen zijn als volgt te onderscheiden: Ter zake merk ik, met inachtneming van dit onderscheid het volgende op. 1. Transacties die niet leiden tot een feitelijke levering van de goederen; Bij contracten welke worden gesloten op termijnbeurzen ligt het niet in de bedoeling dat de goederen waarop die contracten betrekking hebben, feitelijk zullen worden geleverd. De desbetreffende transacties worden veelal afgewikkeld door verrekening van prijsverschillen. Gelet op het doel waarmee termijntransacties worden afgesloten kan het aangaan van dergelijke overeenkomsten naar mijn oordeel worden aangemerkt als financiële verrichtingen in de zin van [art. 11, lid 1, letter i of j OB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11). Een uitzondering hierop vormt de situatie dat de termijntransactie leidt tot een feitelijke levering van de op de termijnmarkt verhandelde goederen waar ik hierna op terugkom. Ingeval een makelaar een bemiddelingsprestatie verricht jegens of een koper van termijncontracten of een verkoper van termijncontracten is sprake van bemiddeling ter zake van een financiële verrichting. Op grond van"},{"i":1132,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 15 december 2023, nr. 2023-281498, houdende de instelling van een begeleidingscommissie risicoclassificatiemodel toeslagen 2024 (Instellingsbesluit begeleidingscommissie risicoclassificatiemodel toeslagen 2024) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane; - b. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049211&artikel=2&z=2024-07-04&g=2024-07-04); - c. **RCM:** risicoclassificatiemodel van toeslagen. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een begeleidingscommissie risicoclassificatiemodel toeslagen. 2. De commissie heeft tot taak: - a. Het begeleiden van de ambtelijke werkgroep tot het doen van onderzoek naar de reconstructie van de selecties uit het RCM en daaropvolgende behandeling die burgers hebben gekregen van Dienst Toeslagen; - b. Het uitbrengen van adviezen over de validatie van de opzet en de uitkomsten van dit onderzoek; en - c. Het gevraagd en ongevraagd advies geven op het onderzoek inclusief het onderzoeksvoorstel en aanverwante stukken. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en één ander lid. 2. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie, tenzij toepassing wordt gegeven aan het vierde lid. De commissie houdt op te bestaan zodra zij de adviezen als genoemd in [artikel 2, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049211&artikel=2&z=2024-07-04&g=2024-07-04) heeft overgedragen aan Dienst Toeslagen. 3. Met ingang van 1 januari 2024 worden voor de duur van de commissie benoemd: - a. Prof. dr. R.B. van Baaren, tevens voorzitter; - b. Prof. dr. P.G.M. van der Heijden; en - c. Dr. mr. L.M. Koenraad, lid tot 1 juli 2024. 4. De voorzitt"},{"i":1155,"b":"Resolutie Ministerie van Financiën 24 augustus 1987, nr. 087-1692 Hierbij deel ik u mede dat de op 27 mei 1986 ondertekende Overeenkomst tussen Nederland en Canada tot het vermijden van dubbele belasting op 21 augustus 1987 in werking is getreden. Ingevolge artikel 30, eerste lid, vinden de bepalingen van de Overeenkomst toepassing vanaf 1 januari 1987. Artikel 30 bevat evenwel een algemene overgangsbepaling (derde lid) en een drietal bijzondere overgangsbepalingen (vierde, vijfde en zesde lid) welke ertoe leiden dat sommige bepalingen van de nieuwe Overeenkomst op een van 1 januari 1987 afwijkend tijdstip toepassing kunnen vinden. Indien enige bepaling van de oude Overeenkomst van 2 april 1957, met uitzondering van die bepalingen die het onderwerp zijn van de bijzondere overgangsbepalingen (artikel 30, vierde, vijfde en zesde lid), een grotere vermindering van belasting zou hebben opgeleverd dan ingevolge de nieuwe Overeenkomst wordt verleend, blijft zulk een bepaling als hiervoor bedoeld van toepassing voor het belastingjaar 1987. Krachtens de bijzondere overgangsbepaling neergelegd in artikel 30, vierde lid, van de nieuwe Overeenkomst kunnen moedervennootschappen, die op 27 mei 1986 (datum ondertekening nieuwe Overeenkomst) inwoner van Nederland of Canada waren, nog tot en met 31 december 1988 aanspraak maken op de toepassing van het nul-tarief van artikel VII, derde lid, van de oude Overeenkomst indien aan de in dit artikel gestelde voorwaarden wordt voldaan. Verder is in dit vierde lid vastgelegd dat eventueel behaalde vervreemdingswinsten bij de vervreemding van deelnemingen geen belemmering zullen zijn voor de toepassing van het hiervoor bedoelde nul-tarief. Voorts is in dit vierde lid nog vastgelegd, dat in het geval van een juridische fusie (,,merger’’) het opvolgende lichaam op een lijn wordt gesteld met het lichaam dat in het opvolgende lichaam is opgegaan. De rente op hypothecaire vorderingen die inwoners van Nederland uit Canada ontvangen, is onder de o"},{"i":986,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Belastingdienst/Centrale Administratie vanaf 2007 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de Belastingdienst/Centrale Administratie voor de periode vanaf 2007 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":1066,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 6 november 2003, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van inlands graan in Nederland voor het jaar 2004 (Heffingsverordening GZP inlands graan jaar 2004) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 eerste en vierde lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 5](onbekend), [6](onbekend) en [7 van de Instellingsverordening akkerbouwproductschappen 1997](onbekend) dan wel het [Instellingsbesluit akkerbouwproductschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234) zodra dit in werking is getreden; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | --- | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | ondernemer | : | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | graan | : | tarwe, gerst, rogge en haver. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer is verplicht over de hoeveelheden inlands graan, met uitzondering van gerst, welke hij in het jaar 2004 verwerkt of in loon laat verwerken tot producten, welke al dan niet na verdere be- of verwerking voor menselijke consumptie kunnen dienen, met uitzondering van de hoeveelheden, welke hij in opdracht en voor rekening van telers verwerkt, aan het productschap een heffing te betalen van € 0,12 per ton verwerkte hoeveelheid graan. 2. De ondernemer is verplicht over de hoeveelheden inlands gerst, welke hij in het jaar 2004 verwerkt of in loon laat verwerken tot producten, welke al dan niet na verdere be- of verwerking voor menselijke consumptie kunnen dienen, met uitzondering van de hoeveelheden, welke hij in opdracht en voor rekening van telers verwerkt, aan het productschap een heffing te betalen van € 0 per ton verwerkte hoeveelheid gerst."},{"i":805,"b":"Belastingverdragen, India De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit geeft de gevolgen weer van het lidmaatschap van de OESO van Slovenië voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en India als gevolg van de in dit verdrag opgenomen meestbegunstigingsclausule. Voorts is dit besluit een samenvoeging en actualisering van eerdere beleidsbesluiten over de gevolgen van deze meestbegunstigingsclausule.** 1. Inleiding Op 17 februari 2005 is het belastingverdrag tussen India en Slovenië in werking getreden. Op 21 juli 2010 is Slovenië lid geworden van de OESO. In dit besluit geef ik de gevolgen weer die deze gebeurtenissen hebben voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en India. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om tot een samenvoeging en actualisering van eerdere beleidsbesluiten te komen over de gevolgen van de meestbegunstigingsclausule in het belastingverdrag tussen Nederland en India. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Winst uit onderneming In het Verdrag is een meestbegunstigingsclausule opgenomen met betrekking tot een beperking van de aftrek van hoofdkantoorkosten door een vaste inrichting op grond van de nationale wetgeving van de staat waarin de vaste inrichting is gevestigd (artikel 7, derde lid, onderdeel a). De meestbegunstigingsclausule in artikel 7 bepaalt dat indien één van de verdragsluitende staten een belastingverdrag overeenkomt met een andere staat waarin de beperking van de aftrek van hoofdkantoorkosten wordt versoepeld (of tenietgedaan), toepassing daarvan zich niet eerder uitstrekt tot de relatie India - Nederland, dan nadat de versoepeling van de aftrekbeperking als zodanig is opgenomen in het Verdrag. Aan de meestbegunstigingsclausule in artikel 7 van het Verdrag komt dus geen automatische werking toe. 3. Dividenden Het Protocol bij het Verdrag bevat een meestbegunstigingsclausule met betrekking tot de artikelen 10, 11 en 12 (Artikel IV, tweede lid). Deze bepaling"},{"i":5555,"b":"Regeling wijzingen normbedragen voor exploitatiebijdragen van standplaatsen en continuering subsidieafbraakpercentrage voor woonwagens en standplaatsen voor 1999 Geacht bestuur/college, 1. Herziening normbedragen standplaatsen Jaarlijks worden de subsidiebijdragen in de constante en variabele exploitatiekos-ten van standplaatsen op voet van de [Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens 1992](onbekend) aangepast aan opgetreden prijswijzigingen. In artikel 1 van bijgaande regeling zijn de bedragen voor 1999 vastgelegd. De regeling is van belang voor die gemeenten die zijn uitgenodigd om in het kader van de brutering van huurwoonwagens en standplaatsen de aanvraag aan te vullen met nog ontbrekende gegevens (zie de toelichting op artikel 9 van de Regeling afkoop geldelijke steun woonwagens en standplaatsen) en voor die gemeenten die niet met de afkoop meedoen. 2. Continuering subsidieafbraakpercentage Voor de periode van 1 juli 1999 tot 1 juli 2000 wordt bij de berekening van de jaarlijkse bijdragen voor huurwoonwagens en standplaatsen uitgegaan van een subsidieafbraakpercentage van 5,5, zoals U reeds is aangekondigd in [MG 99-03 van 28 januari 1999](onbekend). In artikel 2 van bijgaande regeling is dit vastgelegd. 3. Inlichtingen Voor nadere informatie naar aanleiding van deze circulaire kunt U zich wenden tot de afdeling Uitvoering Volkshuisvestingsregelingen van de Directie RAC van het DGVH te Den Haag. Telefoonnummer 070-3392207. [Wijziging normbedragen voor exploitatiebijdragen van standplaatsen en continuering subsidieafbraakpercentage voor woonwagens en standplaatsen voor 1999](onbekend)"},{"i":1064,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 3 november 2005, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de sector zaaizaden van voedergewassen in Nederland voor het jaar 2006 (Heffingsverordening GZP fonds zaaizaad van voedergewassen jaar 2006) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126, eerste en vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=8) en [19 van het Instellingsbesluit akkerbouwproductschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=19); Besluit: Werkt terug met uitzondering van de toepassing van de Verordening GZP algemene bepalingen 2003. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | a. | productschap | : | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | --- | --- | | b. | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | c. | ondernemer | : | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | d. | voedergewassen | : | voederbieten, mergkool, stoppelknollen, grassen, bladkool, mais (excl. suikermais), klaver, luzerne, bladrammenas (Raphanus sativus var. oleiferus), duizendkoppige kool (Brassica oleracea var. laciniata), lupine (Lupinus spec.) serradella (Ornithopus sativus), spurrie (Spergula arvensis var. sativa), voederwikke (Vicia sativa), voederwortel (Daucus carota), gele mosterd (Sinapis alba), phacelia (Phacelia tanacetifolia) en zandwikke (Vicia villosa); | | e. | omzet | : | de financiële jaaromzet behaald over zaaizaad van de producten, genoemd onder d, exclusief de rechten verkregen uit licenties uit het buitenland. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer, die in het jaar 2006 werkzaamheden verricht in het kweekbedrijf voor zaaizaad van voedergewassen en/of met betrekking tot de be- en verwerking en/of met betrek"},{"i":5579,"b":"Besluit van 1 december 2014, houdende wijziging van enkele besluiten op het terrein van de volksgezondheid in verband met het aanbrengen van wetstechnische aanpassingen in deze besluiten (Reparatiebesluit VWS 2014) Artikel I Wijzigt het Besluit actieve implantaten. Artikel II Wijzigt het Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet. Artikel III Wijzigt het Besluit in-vitro diagnostica. Artikel IV Wijzigt het Besluit medische hulpmiddelen. Artikel V Wijzigt het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Artikel VI Wijzigt het Eisenbesluit lichaamsmateriaal 2006. Artikel VII Het [besluit van 20 oktober 2006, houdende intrekking van het Besluit volksgezondheidssubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020448) (Stb. 2006, 556) wordt ingetrokken. Artikel VIII Het [besluit van 6 juli 2004 tot wijziging van het Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (aanwijzen Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport als bevoegde minister)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016988) (Stb. 2004, 556) wordt ingetrokken. Artikel IX Dit besluit wordt aangehaald als: Reparatiebesluit VWS 2014. Artikel X 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. [Artikel V, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035897&artikel=V&z=2014-12-13&g=2014-12-13), werkt terug tot en met 1 januari 2012. Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 7 oktober 2014, kenmerk 663037-125937-WJZ, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op [artikel 44b, eerste lid, van de Drank- en Horecawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=44b), [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3), [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3), [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de m"},{"i":964,"b":"Besluit regels samenloop toeslagen ex artikel 16 Toeslagenwet Overwegende, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de samenloop van toeslagen en voor het aanwijzen van de bedrijfsvereniging die de toeslag vaststelt en verstrekt; Gelet op [artikel 16 van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=16) (Stb. 1986, 562); Besluit Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder loondervingsuitkering: een uitkering of inkomensvoorziening als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=1). Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op samenloop van loondervingsuitkeringen zowel bij één uitkeringsgerechtigde als bij gehuwden. Artikel 3 Bij samenloop van loondervingsuitkeringen krachtens verschillende wetten wordt de toeslag verleend op de uitkering krachtens de [Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394). Bij gebreke van een uitkering op grond van laatstgenoemde wet wordt de toeslag verleend op de uitkering of inkomensvoorziening op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, dan wel de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002822). Artikel 4 1. Bij samenloop van loondervingsuitkeringen krachtens één wet wordt de toeslag verleend op de loondervingsuitkering die het eerst is ingegaan. 2. Indien de loondervingsuitkeringen, bedoeld in het eerste lid, gelijktijdig zijn ingegaan, wordt de toeslag verleend op de hoogste loondervingsuitkering. Artikel 5 Indien de loondervingsuitkeri"},{"i":1032,"b":"Dividendbelasting, vermindering, (gedeeltelijke) vrijstelling en teruggaaf van dividendbelasting **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat de regelingen inzake de vermindering, (gedeeltelijke) vrijstelling en teruggaaf van dividendbelasting. Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 18 september 2023, nr. 2023-20339. De wijziging betrof de actualisering van de bijzondere regeling waarbij gemachtigden een gebundelde indiening kunnen doen van meerdere verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting.** 1. Inleiding In dit besluit zijn een aantal goedkeuringen en praktische regelingen of aanwijzingen voor de vermindering, (gedeeltelijke) vrijstelling en teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting opgenomen. Dit besluit actualiseert het [besluit van 23 juni 2014, nr. DGB 2014/1008M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035286), Stcrt. 2014, 18451. Aanleiding is de digitalisering van de procedures voor het verkrijgen van een teruggaaf van dividendbelasting. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen Voor het maken van aanspraak op vermindering van Nederlandse dividendbelasting op grond van door Nederland gesloten belastingverdragen dient in bepaalde gevallen gebruik te worden gemaakt van formulieren IB 92 Universeel, IB 95 USA of IB 96 USA. Deze formulieren dienen te worden ondertekend door de aandeelhouder of de houder van de hybride lening zelf of door zijn gemachtigde. Op de desbetreffende formulieren is de eis gesteld dat, indien een gemachtigde tekent, elk formulier moet zijn vergezeld van een schriftelijke machtiging. Voor het maken van aanspraak op vermindering van Nederlandse dividendbelasting op grond van door Nederland gesloten belastingverdragen dient in bepaalde gevallen gebruik te worden gemaakt van formulieren IB 92 Universeel, IB 95 USA of IB 96 USA. Deze formulieren dienen te worden ondertekend door de aandeelhouder of de houder van de hybride lening zelf of door zijn gemac"},{"i":1096,"b":"Inkomstenbelasting, loonbelasting, omzetbelasting, schenk- en erfbelasting, belastingen van rechtsverkeer, instelling en taakopdracht Coördinatiegroep Constructiebestrijding De minister deelt mee dat de instelling en de taakomschrijving van de Coördinatiegroep Constructiebestrijding is geherformuleerd. 1. Inleiding Binnen de Belastingdienst is de Coördinatiegroep Constructiebestrijding (CCB) actief. Het doel van deze coördinatiegroep is de bestrijding van het ontgaan van belastingen door middel van belastingbesparende constructies. Het instellingsbesluit van deze coördinatiegroep is verouderd en is ingetrokken (besluitnr. DGB2010/5142). De minister herformuleert daarom de instelling en de taakomschrijving van de CCB. 2. Taken van de CCB De CCB heeft de volgende taken: 3. Werkwijze van de CCB Uit de taakomschrijving van de CCB volgt dat de groep zich buigt over in de praktijk voorkomende constructies. De CCB brengt de bestrijdingswijze van constructies ter kennis van de Belastingdienst. Indien daarbij beleid dient te worden ontwikkeld, wordt dit op de daartoe geëigende wijze voorbereid, vastgesteld en gepubliceerd. De CCB heeft voorts als taak om de regio’s/kantoren te adviseren en te ondersteunen bij de bestrijding van constructies en bij een eenduidige uitvoering van het beleid. In voorkomende gevallen verleent zij in individuele gevallen bijstand bij het bestrijden van constructies. In specifieke gevallen worden in een afzonderlijk besluit bevoegdheden gedelegeerd/gemandateerd aan de CCB. Het is van belang dat de CCB inzicht krijgt in de omvang en de verschijningsvormen van mogelijk te bestrijden constructies. De inspecteurs worden daarom verzocht de in hun praktijk voorkomende gevallen te signaleren en te melden bij het secretariaat van de CCB. De melding kan tevens van belang zijn in verband met de fraudebestrijding. 4. Samenstelling en positionering van de CCB Gelet op de politieke en beleidsmatige aspecten van de werkzaamheden is het departement actief bij de"},{"i":1122,"b":"Instelling Commissie voor de Belastingherziening Overwegende dat het wenselijk is een commissie voor de belastingherziening in te stellen; Besluiten: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een commissie voor de belastingherziening. Artikel 2 De commissie heeft tot taak om, met inachtneming van hetgeen is opgenomen in paragraaf 1, punt 24 van het Regeeraccoord (Kamerstukken 11, 1989–1990, 21 132, nr. 9 blz. 13–14), advies uit te brengen over verdere vereenvoudiging en verbreding van het draagvlak van de loon- en inkomstenbelasting en ter stroomlijning van de belasting op de ondernemingswinst. § 2. Samenstelling en werkwijze Artikel 3 1. Tot lid, tevens voorzitter van de commissie wordt benoemd: mr. W. F. C. Stevens; 2. Tot leden van de commissie worden benoemd: - Mr. C. W. M. van Ballegooijen; - Prof. dr. J. C. K. W. Bartel; - Prof. mr. H. J. Hofstra; - Prof. mr. C. A. de Kam; - Mw. mr. E. J. J. E. van Leeuwen-Schut; - Mr. A. Overbosch; - Mr. H. Smit; - Dr. G. Zoutendijk. Artikel 4 De commissie kan uit haar midden een vice-voorzitter en een secretaris benoemen. Artikel 5 Het secretariaat van de commissie wordt gevormd door: - het lid-secretaris, - drie adjunct-secretarissen. Artikel 6 Ter uitvoering van haar taak kan de commissie zich rechtstreeks tot derden wenden voor het verkrijgen van inlichtingen. Zij kan ook zo nodig derden ter vergadering uitnodigen om hun mening nader uiteen te laten zetten. Artikel 7 1. De commissie besluit met meerderheid van stemmen; indien nodig heeft de voorzitter een beslissende stem. 2. Afwijkende opvattingen, die door een minderheid ter vergadering ter sprake zijn gebracht, worden desgewenst in de stukken weergegeven. Artikel 8 De commissie brengt op verzoek van de Minister van Financiën tussentijds verslag uit. Artikel 9 De commissie legt haar uiteindelijke voorstellen uiterlijk in de eerste helft van 1991 aan de Minister van Financiën over. § 3. Overige bepalingen Artikel 10 1. De leden van de commissie alsmede de in [artikel 5](ht"},{"i":6223,"b":"Wet van 20 november 2006, houdende regels omtrent instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (Wet handhaving consumentenbescherming) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede ter uitvoering van [verordening (EG) nr. 2006/2004](32004R2006) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (PbEU L 364), noodzakelijk is regels te stellen inzake privaatrechtelijke en publiekrechtelijke handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1.1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - aanbieder van een hostingdienst: een aanbieder van een dienst die eruit bestaat door een aanbieder van inhoud verstrekte informatie op verzoek van die aanbieder van inhoud op te slaan en de opgeslagen informatie aan derden beschikbaar te stellen; - aangewezen instantie: een aangewezen instantie als bedoeld in artikel 3, onderdeel 8, van [verordening 2017/2394](32394R2017); - andere overheidsinstantie: een andere overheidsinstantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van [verordening 2017/2394](32394R2017); - Autoriteit Consument en Markt: de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - bevoegde autoriteit: een bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 3, onderdeel 6, van [verordening 2017/2394](32394R2017); - bindende gedragslijn: een zelfstandige last die niet wegens een overtreding wordt opgelegd; - consumentenorganisati"},{"i":1023,"b":"Directe belastingen, internationale inlichtingenuitwisseling; Curaçao De Staatssecretaris van Financiën maakt het volgende bekend. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. **Dit besluit bevat een bekendmaking van het in september 2015 tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en Curaçao gesloten Memorandum van Overeenstemming inzake de uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken. Het Memorandum geeft onder meer categorieën weer voor de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen, zoals over onroerende zaken, dividenden, interest, inkomsten uit zelfstandige arbeid, salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen m.b.t. arbeid, directeursbeloningen en andere soortgelijke betalingen, inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars, pensioenen, lijfrenten, sociale zekerheidsuitkeringen en andere soortgelijke beloningen, betalingen aan studenten voor studie en opleiding, overige inkomsten, alsmede emigratiegegevens.** **Het Memorandum is op 18 september 2015 in werking getreden.** Memorandum van Overeenstemming tussen de Minister van Financiën van Curaçao en de Staatssecretaris van Financiën van Nederland inzake de uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken. De Minister van Financiën van Curaçao en de Staatssecretaris van Financiën van Nederland, hierna te noemen de ‘Partijen’, gelet op de wens de wederzijdse samenwerking in belastingzaken te versterken, zijn het volgende overeengekomen. Artikel 1. Juridische basis Ingevolge [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=37) en [38 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=38) en de rechtsopvolger(s) van deze regeling tussen Curaçao en Nederland, ondertekend te Soestdijk op 28 oktober 1964, zullen de bevoegde autoriteiten genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037148&artikel=2&z=2015-09-18&g=2015-09-18) van dit Memorandum automatisch, geïntensiveerd spontaan, in het kader va"},{"i":1031,"b":"Directe belastingen, internationale inlichtingenuitwisseling; Tsjechië De staatssecretaris van Financiën maakt het volgende bekend. **Dit besluit bevat een bekendmaking van het in oktober 2015 tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en Tsjechië gesloten Arrangement (administratieve regeling) inzake automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen en de uitvoering van gelijktijdige belastingcontroles. De regeling vervangt het Memorandum van Overeenstemming tussen Tsjechië en Nederland inzake de stroomlijning en intensivering van wederzijdse bijstand in belastingzaken van 2006 (** **Staatscourant 2007, 39** **), dat met de nieuwe regeling wordt ingetrokken.** **De regeling geeft categorieën weer voor de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen, zoals over onroerende zaken, royalty’s, inkomsten uit zelfstandige arbeid, salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen, directeursbeloningen en andere soortgelijke betalingen, alsmede pensioenen (inclusief overheidspensioenen), lijfrenten, sociale zekerheidsuitkeringen en andere soortgelijke beloningen.** **De regeling is op 14 oktober 2015 in werking getreden.** **Arrangement between the competent authorities of the Czech Republic and the Netherlands on the automatic exchange of information for tax purposes and conduct of simultaneous tax examinations** The competent authorities of the Czech Republic and the Netherlands (hereinafter referred to as ‘the Participants’), Further to the provisions of Council Directive No 2011/16/EU of 15 February 2011 on administrative cooperation in the field of taxation (hereinafter referred to as ‘the Directive’), The Convention between the Kingdom of the Netherlands and the Czechoslovak Republic for the avoidance of double taxation and the prevention of fiscal evasion with respect to taxes on income and on capital of 4 March 1974 (hereinafter referred to as ‘the Convention’), including the Protocols of 26 June 1996 and 31 May 2013, The provisions with regard to the ex"},{"i":1134,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 12 november 2021, kenmerk 2021-00000218769, houdende instelling van een externe commissie ter begeleiding van het Evaluatieonderzoek Awir, uitvoering en dienstverlening toeslagen Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane; - b. **Onderzoek:** het Evaluatieonderzoek [Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472), uitvoering en dienstverlening toeslagen, waarvoor de DG Fiscale Zaken en DG Toeslagen opdracht hebben gegeven; - c. **De begeleidingscommissie:** de externe begeleidingscommissie zoals bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046073&artikel=2&z=2021-12-25&g=2021-12-25); - d. **Ambtelijke werkgroep:** ondersteunende werkgroep waarin ambtenaren van het Ministerie van Financien, het Ministerie van Sociale Zaken en het DG Toeslagen plaatsnemen; - e. **Extern onderzoeksbureau:** Het evaluatieonderzoek wordt uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau dat via een inkoopprocedure wordt gekozen. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie ter begeleiding van het Evaluatieonderzoek [Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472), uitvoering en dienstverlening toeslagen. De commissie heeft tot taak: - a. De begeleidingscommissie bestaat uit drie leden die gedurende de voorbereiding en looptijd van het onderzoek met een onafhankelijke blik en vanuit eigen expertise, adviseren en meedenken over de opzet en uitvoering van het onderzoek. - b. De begeleidingscommissie geeft vanuit de verschillende expertises gevraagd en ongevraagd advies aan de ambtelijke werkgroep en aan het externe onderzoeksbureau. De begeleidingscommissie reageert schriftelijk op tussenrapporten van het onderzoek. De ambtelijke werkgroep draagt zorg voor het do"},{"i":1119,"b":"Inkomstenbelasting, winst uit onderneming, verblijfkosten eigen rijders De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit vervangt het besluit van 12 april 2007, nr. CPP 2007/520M, waarin is goedgekeurd dat transportondernemers die meerdaagse of op meer dagen internationale ritten maken onder voorwaarden als verblijfkosten een bepaald bedrag per gereden dag ten laste van hun winst mogen brengen.** **Overeenkomstig het vermelde in paragraaf 4 van het besluit wordt het als verblijfkosten per gereden dag in aanmerking te nemen bedrag jaarlijks aangepast en gepubliceerd op www.belastingdienst.nl. De bedragen van de laatste vijf jaren zijn op deze site raadpleegbaar; niet meer via het in het besluit van 12 april 2007 genoemde pad, maar via de zoekterm ‘eigen rijders’ .** **Voor het overige is geen wijziging beoogd van de regeling zoals omschreven in voormeld besluit van 12 april 2007.** 1. Inleiding Voor transportondernemers die meerdaagse internationale ritten maken is een regeling getroffen voor de aftrek van verblijfkosten bij het vaststellen van de winst uit onderneming. Mede uit doelmatigheidoverwegingen, administratieve lastenverlichting en ter harmonisatie van de uitvoeringspraktijk heb ik ingestemd met een vaste normering van deze kosten. Een evaluatie van deze regeling met de brancheorganisaties TLN en VERN heeft tot de conclusie geleid dat de regeling kan worden verlengd en onder voorwaarden ook kan worden toegepast ten aanzien van transportondernemers die dagelijks vanuit een andere plaats dan hun woonadres internationale ritten maken. In paragraaf 2 van dit besluit is aangegeven in welke situaties een vast bedrag aan verblijfkosten ten laste van de winst mag worden gebracht. In paragraaf 3 is dit verduidelijkt aan de hand van een aantal voorbeelden. Tot slot is in paragraaf 4 ingegaan op de werkingsduur van de regeling en op de wijze waarop het bedrag per gereden dag jaarlijks zal worden aangepast en gepubliceerd. 2. Goedkeuring ver"},{"i":1015,"b":"Braziliaanse voorschriften tot uitvoering van de op 8 maart 1990 tussen Nederland en Brazilië gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Braziliaanse belasting op dividenden, interest en royalty's, genoten door inwoners van Nederland Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 8 maart 1990 tussen Nederland en Brazilië gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, en het protocol bij die Overeenkomst (Trb. 1990, 67), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst en onderdelen van het Protocol: - a. vermindering tot 15% van de Braziliaanse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Brazilië is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijke gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid); - b. algehele vrijstelling van de Braziliaanse belasting op uit Brazilië afkomstige interest, indien deze wordt betaald aan de Regering van Nederland of aan een staatkundig onderdeel van Nederland of enig agentschap (waaronder begrepen een financiële instelling) dat eigendom is van de Regering van Nederland of van dat staatkundig onderdeel van Nederland (artikel 11, derde lid). De bevoegde autoriteiten van Nederland en Brazilië kunnen in onderlinge overeenstemming vaststellen op welke andere overheidsinstellingen dan hiervoor vermeld artikel 11, derde lid, van toepassing is (onderdeel 4b van het Protocol); - c. vermindering tot 10% van de Braziliaanse belasting op uit Brazilië afkomstige interest, indien deze wordt genoten door een bank die de uiteindelijke gerechtigde daarvan is krachtens een lening verstrekt voor een tijdsduur van ten minste 7 jaar in verband met de aankoop van industriële uitrusting; met de bestudering, aankoop en installatie van industriële"},{"i":972,"b":"Besluit van 2 december 2021 tot toekenning van een banier aan het directoraat-generaal Douane Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 25 november 2021, kenmerk 2021-0000223900, directoraat-generaal Douane; Hebben goedgevonden en verstaan: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Het directoraat-generaal Douane voert een banier, bestaande uit een banierdoek, een banierstok met top. Artikel 2 1. Het banierdoek is een doek van 40 duimen in het vierkant (101,6 x 101,6 cm), van witte moirézijde, omzoomd met gouden franje van 35 mm in het zicht. 2. Op de voorzijde is in het midden van het banierdoek een wapencompositie afgebeeld die bestaat uit een cirkelvormig vlak in goud met daarop een gekroonde leeuw in keel, getongd en genageld van azuur, in de rechter voorklauw opgeheven in schuinlinkse stand een zwaard van zilver met gevest van goud en in de linker voorklauw een bundel van zeven pijlen van zilver naar boven gericht, met punten van goud. Het gouden vlak wordt begrensd met een goud gerande blauwe riem met daarop in goud «CONVOYEN • LICENTEN». Achter het cirkelvormige vlak met daarom de riem zijn twee geklaarde ankers gekruist geplaatst. De wapencompositie wordt gedekt door een kroon met 14 parels en 3 verhoogd. Onder de wapencompositie is in goud «1597» vermeld en daaronder in goud «DOUANE». De hoeken van de kwartieren zijn versierd met oranjetakken en oranjeappelen. 3. Op de achterzijde is in het midden van het banierdoek het huidige Rijkswapen van het Koninkrijk der Nederlanden afgebeeld. De hoeken van de kwartieren zijn versierd met oranjetakken en oranjeappelen. Artikel 3 1. De banierstok is uitgevoerd als sponton in keel en is 7,5 voet (228,6 cm) groot zonder de top. 2. De top van de banierstok bestaat uit een brede puntige kling, hoogglans verguld, met een ronde basis en dwarsgeplaatst tweepuntig uitsteeksel. 3. Op de voorzijde van de kling is de Generaliteitsleeuw geëtst en op de keerzijde is het gekroonde Koninklij"},{"i":926,"b":"Besluit opheffing beperkingen openbaarheid enige inventarisnummers archief CG Singapore Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op het [besluit houdende de beperking van de openbaarheid van het archief van het consulaat-generaal te Singapore van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 mei 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023887) (Staatscourant 2008, nummer 139); Gehoord hebbende de Minister van Buitenlandse Zaken; Besluit: De beperking aan de openbaarheid van de inventarisnummers 196, 201 en 202 in het archief Consulaat-Generaal Singapore 1945–1954 (2.05.297) wordt opgeheven. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":725,"b":"Wet van 20 november 2008 tot wijziging van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945, ter vereenvoudiging van de uitvoering, alsmede tot het aanbrengen van wijzigingen van andere en ondergeschikte aard Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de administratieve belasting van de buitengewoon gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden en de Pensioen- en Uitkeringsraad te verminderen en daartoe de uitvoering van de [Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032), de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035), de [Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968), de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844) en de [Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664) te vereenvoudigen, alsmede wijzigingen van andere en ondergeschikte aard aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945. Artikel II Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers. Artikel III Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet. Artikel IV Wijzigt de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Artikel V Wijzigt de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Artikel VI Het buitengewoon pensioen, bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=4) en [14, van de Wet buitengewoon pensioen 194"},{"i":1091,"b":"Inkomstenbelasting, eigenwoningrente; betaalpauze voor rente en aflossing eigenwoningschuld **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisatie van het besluit van 28 juni 2021, nr. 2021-117469 (** **Stcrt. 2021, 33905** **). Dit besluit bevat goedkeuringen waardoor een eigenwoningschuld die onder de fiscale aflossingseis valt, blijft behoren tot de eigenwoningschuld als met de geldverstrekker een betaalpauze voor rente en aflossing wordt overeengekomen vanwege (dreigende) betalingsproblemen als gevolg van de uitbraak van het coronavirus en de daardoor ontstane aflossingsachterstand op een andere wijze dan waarin wettelijk is voorzien, wordt ingehaald. Daarnaast wordt in dit besluit toegelicht op welk moment de tijdens de betaalpauze verschuldigde rente aftrekbaar is. Dit besluit geldt onder voorwaarden ook voor al vóór 8 mei 20201Dit betreft de publicatiedatum van het oorspronkelijke besluit van 6 mei 2020, nr. 2020-85139 (Stcrt. 2020, 26069). overeengekomen betaalpauzes in verband met de uitbraak van het coronavirus.** **Ten opzichte van het vorige besluit is de periode verlengd waarbinnen de belastingplichtige en de geldverstrekker een betaalpauze overeen kunnen komen. Verder zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht. Met deze aanpassingen is geen inhoudelijke wijziging beoogd.** **Het besluit van 28 juni 2021, nr. 2021-117469 (** **Stcrt. 2021, 33905** **) is ingetrokken.** 1. Inleiding Schulden die onder de per 1 januari 2013 ingevoerde fiscale aflossingseis vallen, moeten aan de voorwaarden van [artikel 3.119a, eerste lid, Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.119a) voldoen om als eigenwoningschuld te kunnen kwalificeren. Daarin is onder meer bepaald dat een schuld alleen als eigenwoningschuld wordt aangemerkt als er een contractuele verplichting is tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen van de schuld. Ook moet da"},{"i":868,"b":"Besluit belastingplicht van stichtingen en verenigingen **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit is beleid opgenomen over de belastingplicht voor de vennootschapsbelasting van stichtingen en verenigingen. Dit besluit is een actualisering van het beleid dat is opgenomen in het besluit van 23 december 2005, nr. CPP2005/2730M. Dit beleid is op onderdelen aangepast of verduidelijkt. Verder is in dit besluit beleid opgenomen over de regeling integrale belastingplicht voor culturele instellingen.** 1. Inleiding In [artikel 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2) zijn de rechtsvormen opgenomen die voor de heffing van de vennootschapsbelasting als binnenlandse belastingplichtigen worden aangemerkt. In de onderdelen **a**, **b**, **c en d** van het eerste lid en in het derde lid van dit artikel worden de lichamen genoemd die volledig belastingplichtig zijn. Deze lichamen worden geacht hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen.1Artikel 2, zesde lid, Wet Vpb 1969. De niet in voormelde onderdelen **a**, **b**, **c** en **d** genoemde verenigingen, stichtingen en andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen zijn belastingplichtig, indien en voor zover zij een onderneming drijven ([artikel 2, eerste lid, onderdeel **e**, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2)). Dit besluit geeft een nadere invulling aan en uitleg over de belastingplicht van stichtingen en verenigingen. Dit besluit is een actualisering van het beleid dat is opgenomen in het [besluit van 23 december 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019400), nr. CPP2005/2730M. Dit beleid is op onderdelen aangepast of verduidelijkt. Het besluit bevat verder enkele nieuwe onderdelen. De belangrijkste wijzigingen zijn hieronder weergegeven. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Drijven van een onderneming Van het drijven van"},{"i":871,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 30 november 2007, nr. BenC 2007-1468 M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Directie Directe Belastingen van het Directoraat-Generaal der Belastingen, 1958–1989 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Directie Directe Belastingen van het Directoraat-Generaal der Belastingen, 1958–1989 met de inventarisnummers zoals opgenomen in de Bijlage, de in het [volgende artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023459&artikel=2&z=2008-02-14&g=2008-02-14) genoemde beperkingen gesteld voor de termijnen van vijftig jaren of vijfenzeventig jaren gerekend vanaf de datum vermeld op archiefbescheiden, echter minimaal durende tot 2028 en maximaal durende tot 2041. Artikel 2 Raadpleging van de in het [vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023459&artikel=1&z=2008-02-14&g=2008-02-14) genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruikt gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt gepubliceerd. Bijlage | Inv.Nr. | Sluitingsjaar Dossier | Aantal jaren beperkt | Beperkt tot 1 januari | | --- | --- | --- | --- | | 562 | 1981 | 50 | 2031 | | 563 | 1981 | 50 | 2031 | | 569 | 1981 | 50 | 2031 | | 570 | 1979 | 50 | 20"},{"i":873,"b":"Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst Dit besluit betreft een wijziging van het [besluit van 23 december 2015, nr. BLKB2015/1429M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037437), Stcrt. 2015, nr. 46501 (Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst) in verband met het verhogen van de boete bij inkeer van verzwegen vermogen van 60% naar 120% per 1 juli 2016. Deze wijziging is opgenomen in [paragraaf 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&hoofdstuk=1&paragraaf=7&z=2025-01-01&g=2025-01-01). Daarnaast is een verouderde verwijzing in [paragraaf 24a, derde lid, letter a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037437&paragraaf=24a) aangepast. Het voorgaande besluit wordt ingetrokken (zie [paragraaf 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&hoofdstuk=5&paragraaf=40&z=2025-01-01&g=2025-01-01)). Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Reikwijdte § 2. Begrip belanghebbende § 3. Ambtshalve vermindering § 4. Pleitbaar standpunt of avas § 5. Vrijwillige verbetering § 6. Straftoemeting § 7. Strafverminderende omstandigheden § 8. Strafverzwarende omstandigheden § 9. Dag van betaling § 10. Eenvoudige en uitvoerige procedure ([artikel 67pa van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67pa)) § 11. Mededelingsplicht § 12. Kennisgeving en hoorplicht bij vergrijpboete § 13. Recht op inzage § 14. Verhoor § 15. Keuze tussen verzuimboete, vergrijpboete of strafvervolging § 16. Vergrijpboete na verzuimboete bij nieuwe bezwaren ([artikel 67q van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67q)) Hoofdstuk 2. Verzuimboeten § 21. Aangifteverzuimboete aanslagbelasting [artikel 67a van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67a) § 22. Aangifteverzuimboete aangiftebelasting [artikel 67b, eerste lid, van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67b) § 22a. Aangifteverzuimboete loonbelasting [artikel 67b, tweede lid, van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel"},{"i":1069,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 2 november 2006, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van inlands graan in Nederland voor het jaar 2007 (Heffingsverordening GZP inlands graan jaar 2007) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 eerste en vierde lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=8) en [19 van het Instellingsbesluit akkerbouwproductschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=19); Besluit: Werkt terug met uitzondering van de toepassing van de Verordening GZP algemene bepalingen 2003. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap: | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | | secretaris: | secretaris van het productschap; | | ondernemer: | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | graan: | tarwe, gerst, rogge en haver. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer is verplicht over de hoeveelheden inlands graan, met uitzondering van gerst, welke hij in het jaar 2007 verwerkt of in loon laat verwerken tot producten, welke al dan niet na verdere be- of verwerking voor menselijke consumptie kunnen dienen, met uitzondering van de hoeveelheden, welke hij in opdracht en voor rekening van telers verwerkt, aan het productschap een heffing te betalen van € 0,12 per ton verwerkte hoeveelheid graan. 2. De ondernemer is verplicht over de hoeveelheden inlands gerst, welke hij in het jaar 2007 verwerkt of in loon laat verwerken tot producten, welke al dan niet na verdere be- of verwerking voor menselijke consumptie kunnen dienen, met uitzondering van de hoeveelheden, welke hij in opdracht en voor rekening van telers verwerkt, aan het productschap een heffing te betalen van € 0,12 per ton verwerkte h"},{"i":875,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 16 april 2018, nr. 201801/KPCN/18, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon agenten van politie bij de Belastingdienst/Caribisch Nederland Gelezen het verzoek van de directeur van de Belastingdienst Caribisch Nederland van 3 april 2017 en de daaropvolgende adviezen van de hoofdofficier van justitie en de korpschef van Caribisch Nederland; Gelet op: [Artikel 184, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184); Het [Besluit buitengewone agent van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewone agenten van politie: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040847&artikel=2&z=2018-04-26&g=2018-04-26). Artikel 2 Maximaal 40 personen werkzaam bij de Belastingdienst Caribisch Nederland/ Afdeling Douane in de functie van opsporingsambtenaar, zijn aangewezen als buitengewoon agent van politie. Artikel 3 De buitengewoon agent van politie is bevoegd tot het opsporen van: - 1. Alle strafbare feiten voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de betreffende functie en het daaraan gekoppelde takenpakket; - 2. Verordeningen en/of Keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen; - 3. Andere strafbare feiten, indien hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek of voor een concreet project door een officier van justitie wordt belast voor de duur van dat onderzoek of project. Artikel 4 De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040847&artikel=3&z=2018-04-26&g=2018-04-26), geldt voor het grondgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. Artikel 5 1. Als toezichthouder als bedoeld in [artikel 46, derde lid, van het Besluit buitengewone agenten van politie"},{"i":1041,"b":"Franse uitvoeringsvoorschriften 2007 belastingovereenkomst Nederland-Frankrijk In dit besluit zijn opgenomen de nieuwe Franse uitvoeringsvoorschriften die van toepassing zijn onder het belastingverdrag Nederland-Frankrijk. 1. Inleiding In de op 16 maart 1973 tussen Nederland en Frankrijk gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het vermogen, met Protocol (Trb. 1973, 83 en Trb. 2004, 150) is geregeld dat inwoners van Nederland op basis van de artikelen 10, 11 en 12 recht hebben op een vermindering, teruggaaf of vrijstelling van Franse bronbelasting op dividenden, interest en royalty’s. In dit besluit wordt aangegeven hoe inwoners van Nederland in aanmerking kunnen komen voor deze verdragsvoordelen. 2. Formulieren Vanaf 1 januari 2007 gebruikt Frankrijk universele formulieren voor de vermindering, teruggaaf of vrijstelling van bronbelasting ten behoeve van inwoners van verdragslanden. Deze formulieren vervangen de tot dusverre gebruikte formulieren (RF1, RF2, RF3, RF4, RF5 en RF6) en zijn in 6 talen beschikbaar (Frans, Nederlands, Engels, Duits, Italiaans en Spaans). De volgende formulieren zijn beschikbaar: De formulieren bestaan uit een set van drie identieke formulieren, waarvan de eerste twee formulieren in de gekozen taal en het derde formulier in de Franse taal. Het eerste formulier is bestemd voor de Nederlandse belastingdienst, het tweede formulier is bestemd voor de verzoeker en het derde exemplaar is bestemd voor de Franse belastingdienst. 3. Gebruik formulieren 3.1. Vereenvoudigde procedure dividenden Sinds 25 februari 20051Bulletin Officiel des Impôts 4 J-1-05 Nº 38 du 25 février 2005. bestaat er in Frankrijk een vereenvoudigde procedure om het verdragstarief voor Franse bronbelasting bij dividenden te verkrijgen. Bij de toepassing van deze vereenvoudigde procedure is het voldoende dat slechts formulier 5000 (verklaring van woonplaats) vóó"},{"i":1008,"b":"Bijstellingsregeling accijns van motorbrandstoffen 2000 Gelet op de [artikelen 27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a), [71a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=71a) en [84c van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84c) in samenhang met artikel 66b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, Besluit: Artikel I De [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) wordt als volgt gewijzigd: - A. Artikel 27, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: - 1. In onderdeel a worden ’f 1402,30’ en ’f 1256,60’ vervangen door onderscheidenlijk: f 1426,10 en f 1278. - 2. In onderdeel b wordt ’f 723,20’ vervangen door: f 735,50. - B. In artikel 71a, tweede lid, wordt ’f 51,10’ vervangen door: f 52. Artikel II [Artikel 84a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84a) vindt geen toepassing. Artikel III 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2000. 2. De regeling wordt aangehaald als: Bijstellingsregeling accijns van motorbrandstoffen 2000. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":937,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst, d.d. 14 juli 2021 kenmerk 2021 140356, houdende de instelling van de paritaire commissie advisering ontheffing geheimhoudingsplicht artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dan wel artikel 67 van de Invorderingswet 1990 in het kader van fiscale integriteit (Besluit paritaire commissie ontheffing geheimhoudingsplicht fiscale integriteit) Gelet op [artikel 67, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67), [artikel 67, derde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=67), [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), en hoofdstuk 13 van het Personeelsreglement Financiën; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ministerie:** Ministerie van Financiën - b. **staatssecretaris:** Staatssecretaris van Financiën; - c. **de werkgever:** de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën; - d. **inspecteur:** inspecteur als bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2); - e. **ontvanger:** ontvanger als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=2); - f. **ontheffing:** ontheffing van de geheimhoudingsplicht als bedoeld in [artikel 67, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67) dan wel [artikel 67, derde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=67); - g. **SG:** secretaris-generaal van het ministerie; - h. **Commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045468&art"},{"i":7177,"b":"Uitvoeringswet van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijk beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke zaken BES Artikel 1 Het verlof tot tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke zaken (Trb. 1963, no. 50; P.B. 1965, no. 61), wordt verleend door de rechter in eerste aanleg, zittingsplaats hebbende op het eiland waar de wederpartij woonplaats heeft of waar de tenuitvoerlegging wordt verlangd. Artikel 2 1. Het verlof tot tenuitvoerlegging wordt gevraagd bij verzoekschrift; het verzoekschrift houdt tevens in de keuze van een woonplaats op het eiland waar de rechter in eerste aanleg zittingsplaats heeft. 2. Bij ongenoegzaamheid van de bij het verzoekschrift overgelegde stukken wordt de verzoeker de gelegenheid tot aanvulling gegeven. Artikel 3 1. De rechter in eerste aanleg geeft zijn beschikking met bekwame spoed. Zij wordt verleend in de vorm van een eenvoudig verlof, dat op de grosse van de ten uitvoer te leggen beslissing wordt gesteld. 2. De rechter in eerste aanleg veroordeelt de schuldenaar in de kosten welke op de afgifte van het verlof zijn gevallen. 3. De beschikking van de rechter in eerste aanleg is niet vatbaar voor verzet. 4. Weigering van het verlof tot tenuitvoerlegging geschiedt bij een met redenen omklede beschikking, welke door de griffier terstond ter kennis van dé verzoeker wordt gebracht. Artikel 4 Tegen de beschikking waarbij het verlof is geweigerd, kan alleen de verzoeker binnen een maand na de dag waarop zij is gegeven, hoger beroep bij het Hof van Justitie instellen. De [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028239&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":895,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 29 september 2025, nr. 2025-23004 over de maatstaf van heffing voor de omzetbelasting (Besluit maatstaf van heffing omzetbelasting) **De Staatssecretaris van Financiën,** Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63) en [artikel 8 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=8). **Besluit:** 1. Inleiding Dit besluit bevat beleidsregels en goedkeuringen over de maatstaf van heffing voor de btw. De maatstaf van heffing is het bedrag waarover de belastingplichtige btw verschuldigd is. De maatstaf van heffing is in [artikel 8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=8) opgenomen. Deze bepaling is nader uitgewerkt in de [artikelen 2 tot en met 5a van het uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=2) en de [artikelen 5 tot en met 5b van de uitvoeringsbeschikking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002634&artikel=5). Deze bepalingen vinden hun basis in de hoofdstukken 1, 2 en 5 van Titel VII van de btw-richtlijn. Het besluit vervangt en actualiseert het [besluit van 29 juni 2018, nr. BLKB 2018/84956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041125) (Stcrt. 2018, nr. 37763), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 november 2020, nr. 2020-22956 (Stcrt. 2020, nr. 62745). De wijzigingen betreffen: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Vergoeding De btw wordt berekend over de vergoeding ([artikel 8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=8)). De vergoeding is het totale bedrag dat voor de levering of de dienst wordt berekend, met uitzondering van de btw. Voor het kunnen aanmerken van een bedrag als vergoeding is noodzakelijk dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen dit bedr"},{"i":896,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 4 april 2019, kenmerk 1509423-188975-WJZ, houdende verlening van mandaat betreffende de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Besluit mandaat Belastingdienst Douane Wet voorkoming misbruik chemicaliën) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gelezen de instemming van de algemeen directeur Douane van 11 maart 2019, kenmerk DLK 2019/025; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister voor Medische Zorg; - b. **algemeen directeur Douane:** de algemeen directeur Douane als bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=4); Artikel 2 Aan de algemeen directeur Douane wordt de bevoegdheid verleend tot: - a. het namens de minister nemen van een besluit op een aanvraag van een vergunning of een registratie, een speciale vergunning of een speciale registratie en tot het nemen van een besluit tot schorsing of intrekking van een vergunning of registratie, een speciale vergunning of speciale registratie, als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007286&artikel=3); - b. het namens de minister verbieden van het binnen of buiten het douane gebied van de Unie brengen van stoffen als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007286&artikel=4). Artikel 3 1. De algemeen directeur Douane kan ondermandaat verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen tot het geheel of gedeeltelijk uitoefenen van zijn op grond van dit besluit toegekende bevoegdheden. 2. Besluiten tot verlening van ondermandaat worden in afschrift gezonden aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ten behoeve van het"},{"i":958,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 1 juli 2008, houdende vaststelling van het tarief van de heffing inzake export van groenten en fruit naar Japan en Taiwan (Besluit PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2008) gelet op [artikel 4 van de Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022726&artikel=4); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 2 april 2008; Besluit: Artikel 1 In 2008 bedraagt de heffing € 30,00 per kwartier. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2008. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting zal worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":6820,"b":"Archiefbeheersregeling Kamer van Koophandel 2024 Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1) waarvoor Raad van Bestuur van KVK ingevolge [artikel 23, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=23) zorgdrager is; - **archiefbewaarplaats:** een bij of krachtens [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) voor de blijvende bewaring van archiefbescheiden aangewezen bewaarplaats; - **auditor:** de medewerker van de afdeling Audit Risk & Compliance die onafhankelijk en objectief zekerheid geeft aan de Raad van Bestuur over de inrichting en effectiviteit van het digitaal informatie- en archiefbeheer bij KVK; - **beheer:** het verrichten dan wel doen verrichten van de feitelijke werkzaamheden (registratie, ordening, selectie, vernietiging, raadpleging en overbrenging) ter aanvulling van de zorg voor archiefbescheiden; - **de Kamer:** de Kamer van Koophandel als bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=2); - **informatie- en archiefbeheer:** beheer als bedoeld onder sub d, inclusief de processen voor het vastleggen en onderhouden van bewijs van en informatie over bedrijfsactiviteiten en transacties in de vorm van archiefbescheiden, alsmede de systematische controle op deze processen; - **overbrenging:** overbrenging als bedoeld in de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=12) en [13 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=13); - **proces:** samenhangend geheel van stappen en procedures in het kader van de uitvoering van een taak; - **proceseigenaar:** de mana"},{"i":1149,"b":"Wet van 27 april 1994, houdende invoering en wijziging van de wet tot wijziging van de Gemeentewet met betrekking tot de materiële belastingbepalingen, van de Gemeentewet en van een aantal andere wetten met het oog op de wijziging van de Gemeentewet met betrekking tot de materiële belastingbepalingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de wijziging van de materiële belastingbepalingen in de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) wenselijk is de bepalingen van die wet te wijzigen, een aantal wetten met de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) in overeenstemming te brengen, en het tijdstip waarop deze wijzigingen in werking treden, vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XV. Overgangsrecht 1. De besluiten inzake gemeentelijke belastingverordeningen als bedoeld in artikel 216, die algemeen verbindende voorschriften bevatten waarvan de inhoud in strijd is met deze wet, moeten uiterlijk twee jaren na de datum van inwerkingtreding van deze wet daarmee in overeenste"},{"i":905,"b":"Besluit tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging in cassatiezaken Douane (Besluit mandaatverlening, volmacht en machtiging in cassatiezaken Douane), d.d. 6 maart 2024 (DLK/HHB/2024/001) Handelende in overeenstemming met de Directeur-Generaal Belastingdienst; Gelet op de aankondiging van de Minister van Financiën op 11 januari 2020 om Toeslagen en Douane een zelfstandige positie te geven als directoraat-generaal, naast het Directoraat-Generaal Belastingdienst waar zij tot dan toe onderdeel van uitmaakten; Gelet op [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=4) en [23b van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=23b); Gelet op artikel [art. 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&artikel=8) en [9 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&artikel=9); Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), [artikel 8:2 van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=8:2), de artikelen genoemd in [Hoofdstuk V, Afdeling 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&afdeling=4) en [artikel 5 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Mandaat Aan de (plv.) Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken van het Directoraat-Generaal Belastingdienst wordt mandaat verleend voor het namens de Staatssecretaris van Financiën nemen van besluiten die verband houden met beroep in cassatie bij de Hoge Raad, zoals bedoeld in [Hoofdstuk V, Afdeling 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https"},{"i":1045,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 oktober 2003, IBE/BO-2419434, houdende goedkeuring van het besluit van de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie inzake het tarief voor (hernieuwde) inschrijving in de registers van huisartsen, verpleeghuisartsen en artsen voor verstandelijk gehandicapten Gelet op [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet op de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); Besluit: De datum van inwerkingtreding is de datum van uitgifte. Het hierna volgende besluit van de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie van 1 februari 2003 wordt goedgekeurd: Besluit inzake het tarief voor (hernieuwde) inschrijving in de registers van Huisartsen, Verpleeghuisartsen en Artsen voor verstandelijk gehandicapten. Bijlage De Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie (HVRC) van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG), in vergadering bijeen te Utrecht, artikel 25 lid 1 sub c van de Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten van de KNMG, goedgekeurd door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, op 1 september 1998, nr. CSZ/BO-9814244, in werking getreden per 1 oktober 1998, in welk artikel is bepaald dat een registratiecommissie tot taak heeft het vaststellen van het bedrag dat voor de behandeling van een verzoek tot registratie en voor de behandeling van een verzoek tot herregistratie moet worden betaald, het conform artikel 25 lid 4 van eerder genoemde Regeling door het Federatiebestuur van de KNMG terzake uitgebrachte advies, en in overeenstemming met dit advies, het bedrag dat verschuldigd is voor de behandeling van verzoeken tot inschrijving in de registers van huisartsen, verpleeghuisartsen en artsen voor verstandelijk gehandicapten (registratie), en het bedrag dat verschuldigd is voor de behandeling van verzoeken tot hernieuwing van de inschrijving in de registers van huisartsen, ve"},{"i":1121,"b":"Instelling adviesgroep electronic commerce en belastingen Overwegende dat het wenselijk is een adviesgroep electronic commerce en belastingen in te stellen; Besluit: 1. Instelling en taak 1 Er is een adviesgroep electronic commerce en belastingen. 2 1. De adviesgroep heeft tot taak de Staatssecretaris van Financiën te adviseren over de verschillende aspecten van belastingheffing in relatie tot ontwikkelingen op het terrein van electronic commerce, in het bijzonder via Internet, en daarbij tevens te bezien in hoeverre fiscale instrumenten kunnen bijdragen aan een gunstige positie van Nederland op het gebied van electronic commerce. 2. De adviesgroep besteedt bij haar werkzaamheden aandacht aan internationale aspecten, met name aan de raakvlakken met ontwikkelingen binnen de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en binnen de Europese Unie en aan de samenhang met relevante, niet fiscale, regelgeving. 2. Samenstelling en werkwijze 3 1. Tot lid, tevens voorzitter van de adviesgroep wordt benoemd: mr. J.C. de Waard 2. Tot lid, tevens secretaris van de adviesgroep wordt benoemd: drs. P.W. Havelaar 3. Tot leden van de adviesgroep worden benoemd: - J. Baan - drs. J.C. Barnard - mw. mr. T.J. van Beek - drs. J.U. Bekius - mr. J.R. Borst - drs. F. Eisner - dr. P.W.J. de Graaf - drs. M. de Hond - mr. H. Hijmans - mr. M.V. Lambooij - J. van Moorsel - mr. G.A. Scholten - W. van Teeseling - mw. mr. J. Thunnissen - drs. A.H. van Wijck 4 Ter uitvoering van haar taak kan de adviesgroep zich rechtstreeks tot derden wenden voor het verkrijgen van inlichtingen en hen zo nodig ter vergadering uitnodigen om hun mening nader uiteen te laten zetten. 5 De adviesgroep brengt voor 1 mei 1998 advies uit aan de Staatssecretaris van Financiën. 3. Overige bepalingen 6 De leden van de adviesgroep, voor zover geen ambtenaar, ontvangen vacatiegelden alsmede een vergoeding voor de reis- en verblijfkosten volgens de bestaande rijksregelingen, voor zover niet uit anderen hoofde een ve"},{"i":1116,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, willekeurige afschrijving **De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.** De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Inleiding In dit besluit is in paragraaf 1.1 een nieuw standpunt ingenomen betreffende de willekeurige afschrijving. De navolgende (onderdelen van) besluiten zijn geactualiseerd en overgenomen in dit besluit. In het algemeen is er geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de hiervoor genoemde besluiten. De navolgende (onderdelen van) besluiten, voor zover ze betrekking hebben op de willekeurige afschrijving, bevatten geen beleidsstandpunten en hebben vooral een voorlichtend karakter. Gelet hierop zijn deze (onderdelen van de) besluiten niet in dit besluit overgenomen. Voor zoveel nodig zijn of worden deze onderdelen geactualiseerd verwerkt in voorlichtingsmateriaal. De navolgende (onderdelen van) besluiten zijn niet opnieuw overgenomen omdat deze hun belang hebben verloren. 1. Willekeurig afschrijven 1.1. Verdeling investering over deelnemers samenwerkingsverband bij willekeurige afschrijving (nieuw) Zowel bij de willekeurige afschrijving zoals geregeld in de artikelen 3.31 en 3.34 van de Wet IB 2001, als bij de investeringsaftrek kan de vraag aan de orde komen in welke mate de verschillende gerechtigden tot een samenwerkingsverband in een bedrijfsmiddel gezamenlijk hebben geïnvesteerd. De verdeling van die gezamenlijke investering over de gerechtigden tot een samenwerkingsverband hoeft voor de toepassing van de willekeurige afschrijving niet gelijk te zijn aan die voor de toepassing van de investeringsaftrek. De willekeurige afschrijving en de investeringsaftrek zijn verschillende faciliteiten. Bij de regelingen betreffende willekeurige afschrijving vindt de verdeling van de investering plaats naar rato van de winstverdeling. Bij deze regeling komt de willekeurige afschrijving in de plaats van de werkelijke afschri"},{"i":857,"b":"Besluit aanwijzing controleurs Belastingdienst/FIOD-ECD voor de opsporing van economische delicten met betrekking tot de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001 Handelende in overeenstemming met de Ministers van Financiën en van Economische Zaken, Gelet op de [artikel 17, eerste lid, onder 2°, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17), Besluit: Artikel 1 De controleurs van de Belastingdienst/Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst - Economische Controle Dienst (Belastingdienst/FIOD-ECD) worden aangewezen als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij of krachtens de [Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012373), voor zover deze overtredingen zijn aangemerkt als economische delicten in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1). Artikel 2 De beschikking van de Minister van Justitie van 7 maart 1977, kenmerk 141/277, houdende de aanwijzing van controleurs economische controledienst voor opsporing economische delicten met betrekking tot de Wet voorraadvorming aardolieprodukten (Stcrt. 1977, 62), wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2001. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing controleurs Belastingdienst/FIOD-ECD voor de opsporing van economische delicten met betrekking tot de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001. Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":915,"b":"Besluit van de directeur Particulieren units Dienstverlening, Schenk & Erfbelasting, OBK en programma management van de directie Particulieren van 1 september 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen de units Dienstverlening, Schenk & Erfbelasting, OBK en programma management binnen de directie Particulieren wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":7129,"b":"Regeling vakbekwaamheid beroepspersonenvervoer Gelet op [artikel 27, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=27), en [artikel 28, eerste lid en derde lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=28) en [artikel 14 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006781&artikel=14); Besluit: 1. Openbaar vervoer, anders dan per trein, en besloten busvervoer Artikel 1 Als exameninstituut, verantwoordelijk voor de organisatie en de certificering van de examens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening 1071/2009/EG, wordt aangewezen het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Artikel 2 Vervallen 2. Taxivervoer Artikel 3 In deze paragraaf wordt verstaan onder EG-verklaring taxivervoer: een voor het beroep van vervoerder die taxivervoer verricht afgegeven EG-verklaring als bedoeld in [artikel 10 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006781&artikel=10). Artikel 4 Als getuigschrift, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, onder a, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=28), worden erkend: - a. het door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen afgegeven getuigschrift examen vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer; - b. het getuigschrift, bedoeld in [artikel 27 van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=27). Artikel 5 Bij het examen vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer wordt ten minste de kennis vastgesteld van de in de bijlage genoemde onderwerpen. Artikel 6 Bij de aanvraag voor de afgifte van een EG-verklaring taxivervoer worden overgelegd: - a. een gewaarmerkt afschrift van een voor het beroep van vervoerder die taxivervoer verricht afgegeven certificaat als bedoeld in [artikel 9, onderdeel d, en onderdeel e, 3°, van de Algemene wet erkenning EU-be"},{"i":1000,"b":"Besluit van 22 augustus 2002, houdende aanpassing van de verdeling van de middelen uit het gemeentefonds van de integratie-uitkering afschaffing precariobelasting op omroepkabels en andere telecommunicatiekabels (Besluit voortzetting integratie-uitkering precariobelasting op telecommunicatiekabels) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 maart 2002, FO2002/U60515, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [artikel 13 van de Financiële verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=13); De Raad van State gehoord (advies van 18 april 2002, nr. W04.02.0123/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 augustus 2002, nr. FO2002/84023, mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Gemeenten genoemd in de bijlage bij dit besluit ontvangen in de periode 2002 tot en met 2007 een uitkering uit het gemeentefonds. Artikel 2 De uitkering is gebaseerd op de uitkering, die in het uitkeringsjaar 2001 aan de gemeenten is verstrekt uit hoofde van het Besluit integratie-uitkering afschaffing precariobelasting op omroepkabels en andere telecommunicatiekabels. De uitkeringsbedragen voor de jaren 2002 tot en met 2007 zijn vermeld in de bijlage bij dit besluit. Artikel 3 In aanvulling op de uitkering genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013982&artikel=2&z=2002-10-25&g=2002-10-25) wordt de algemene uitkering van de gemeenten Amsterdam en Den Haag in ieder van de uitkeringsjaren 2005 tot en met 2007 verhoogd door een toevoeging aan het vaste bedrag van deze gemeenten, die overeenkomt met € 10 473 005,27 respectievelijk € 431 301,10 gedeeld door de uitkeringsfactor, bedoeld in het [Besluit Financiële Verhouding 2001, artikel 1 onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012216&artikel=1), die voor dat uitkeringsjaar geldt. Artikel 4 De uitkering genoemd in [artikel 2](h"},{"i":4919,"b":"Mandaatbesluit verklaringen van geen bezwaar gereglementeerde markten Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de Stichting Autoriteit Financiële Markten van 29 januari 2008, kenmerk JZ-MGEs-08011304; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Minister: de Minister van Financiën; - b. de Autoriteit Financiële Markten: de Stichting Autoriteit Financiële Markten; - c. de wet: de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 2 Tenzij een fundamentele wijziging van de aandeelhoudersstructuur van de marktexploitant aan de orde is, oefent de Autoriteit Financiële Markten namens de Minister de volgende bevoegdheden uit: - a. het ingevolge [artikel 5:32d, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:32d) beslissen omtrent het verlenen van een verklaring van geen bezwaar voor het houden, verwerven of vergroten van een gekwalificeerde deelneming in een marktexploitant; - b. het ingevolge [artikel 5:32d, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:32d) doen van een mededeling in de Staatscourant van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar; - c. het ingevolge [artikel 5:32d, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:32d) stellen van beperkingen of verbinden van voorschriften aan een verklaring van geen bezwaar; - d. het ingevolge [artikel 5:32d, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:32d) stellen van een termijn; - e. het ingevolge [artikel 5:32d, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:32d) vorderen van de vernietiging van een besluit; - f. het ingevolge de [artikel 1:104, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:104) juncto [1:105, eerste lid, van"},{"i":7846,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2014 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op 4,95%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2014. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":977,"b":"Besluit van de directeur-generaal Belastingdienst van 24 mei 2024 (2024-286730) houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging op grond van de Wet politiegegevens aan de algemeen directeuren van de organisatieonderdelen Grote Ondernemingen, Midden- en Kleinbedrijf en Particulieren (Besluit van de directeur-generaal Belastingdienst houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging op grond van de Wet politiegegevens aan de algemeen directeuren van de organisatieonderdelen Grote Ondernemingen, Midden- en Kleinbedrijf en Particulieren) Gelet op: de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=4) en [5 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=5); [artikel 7 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=7); de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); [artikel 46 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=46); [artikel 4:2 van het Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=4:2); de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044498&artikel=1) en [2 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044498&artikel=2); [artikel 5 van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst](onbekend), houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging op grond van de Wet politiegegevens aan de directeur-generaal Belastingdienst. Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen;"},{"i":1047,"b":"Wet van 17 december 1998 houdende goedkeuring van het op 18 juli 1995 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Protocol tot wijziging van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Malta tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol, ondertekend te 's-Gravenhage op 18 mei 1977 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 18 juli 1995 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Protocol tot wijziging van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Malta tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol, ondertekend te 's-Gravenhage op 18 mei 1977, ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 18 juli 1995 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Protocol tot wijziging van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Malta tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol, ondertekend te 's-Gravenhage op 18 mei 1977, waarvan de tekst is geplaatst in Tractatenblad 1995, 224, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 Onverminderd het bepaalde in Artikel XIII van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010139&artikel=1&z=1998-12-30&g=1998-12-30) genoemde Protocol, zal vanaf de datum van inwerkingtreding van bedoeld Protoco"},{"i":918,"b":"Besluit onroerende zaken omzetbelasting **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M (** **Stcrt. 2013, 26851** **). De actualisering houdt verband met gewezen jurisprudentie, gewijzigde regelgeving en beleidsmatige wijzigingen.** **De volgende inhoudelijke en beleidsmatige wijzigingen zijn opgenomen.** **§ 2. is geactualiseerd. Onder meer is opgenomen dat voor het begrip ‘onroerende zaak’ de definitie van ‘onroerend goed’ geldt zoals opgenomen in artikel 13 ter van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2011, L 77) (hierna: uitvoeringsverordening).** **In § 3.2 (voorheen § 3.1.2) is verwerkt artikel 13 ter van de uitvoeringsverordening.** **In § 3.2.1 (voorheen § 3.1.3) is verwerkt artikel 13 ter van de uitvoeringsverordening. Ook is verduidelijkt wanneer klinkerbestrating kwalificeert als een gebouw. Verder is, onder verwijzing naar Hoge Raad (hierna: HR) 5 oktober 2018, nr. 16/04577, opgenomen dat een gebouw door sloop de functie van gebouw kan verliezen, waardoor het restant niet kan worden beschouwd als een oud gebouw.** **In § 3.2.2 (nieuw) zijn de in de uitvoeringsverordening gehanteerde begrippen ‘element’, ‘werktuig’ en ‘machine’ opgenomen.** **§ 3.3.1 (voorheen § 3.2.1) is geactualiseerd. Verduidelijkt is dat bij een opstalrecht waarbij het recht tot het hebben van de opstallen door partijen in de akte van vestiging van het opstalrecht is beperkt tot een deel van het totale perceel waarop het opstalrecht is gevestigd, alleen dit deel in aanmerking wordt genomen voor de beoordeling of sprake is van een bouwterrein en de bepaling van de waarde in het economische verkeer bij toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 19"},{"i":922,"b":"Besluit van het Commissariaat voor de Media van 5 juni 2007 houdende ontheffing van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid van artikel 52 van de Mediawet in verband met de vermeldingen en vertoningen van namen, (beeld)merken of diensten van publieke omroepinstellingen (Besluit ontheffing zelfpromotie publieke omroep) Het Commissariaat voor de Media, Gelet op [artikel 52, derde lid, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=52); Gelet op [artikel 1 van het ministerieel besluit van 17 februari 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004296&artikel=1) (Stcrt. 49); Besluit: Definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Europese richtlijn: [Richtlijn 97/36/EG](31997L0036) van het Europees parlement en de Raad van 30 juni 1997 tot wijziging van [Richtlijn 89/552/EEG](31989L0552) van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten; - b. de wet: de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149); - c. omroepinstelling: instelling die zendtijd heeft verkregen; - d. programma-aankondiging: aankondiging van een omroepinstelling in verband met de eigen programma’s. Naam en (beeld)merk Artikel 2 1. Aan omroepinstellingen wordt ontheffing verleend, van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid van [artikel 52 van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=52), voor het vermelden of tonen van: - –. de naam of het (beeld)merk van de omroepinstelling, - –. de naam of het (beeld)merk van de door deze omroepinstelling uitgezonden of uit te zenden programmaonderdelen, en, - –. de naam en het (beeld)merk van de 3 televisieprogrammanetten, 5 radioprogrammanetten en toegestane neventaken. Deze vermelding of vertoning mag niet eveneens een vermijdbare vermelding of vertoning van een naam, (beeld)merk, product, dienst of activiteit van een derde bevatten. 2. I"},{"i":923,"b":"Besluit opheffing beperking openbaarheid Ordedienst/Binnenlandse Strijdkrachten en afwikkelingsbureau, 1941–1956 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de Minister van Defensie van 14 oktober 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028886) (Stcrt. 2010, 16741), Gehoord de Minister van Defensie, Besluit: De beperking aan de openbaarheid van inventarisnummers 1918-4823 in het archief Ordedienst/Binnenlandse Strijdkrachten en afwikkelingsbureau, 1941–1956, toegang 2.13.137, wordt ten aanzien van het P-dossier betreffende een persoon opgeheven, indien, ten genoege van de beheerder van het Nationaal Archief, de algemene rijksarchivaris, is aangetoond dat deze persoon is overleden. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":1020,"b":"Common carriers tax Filippijnen valt niet onder belastingverdrag De staatssecretaris deelt het volgende mee. In de Filippijnen wordt van buitenlandse internationaal opererende vervoersondernemingen zoals van vergelijkbare binnenlandse ondernemingen naast een income tax ook een common carriers tax geheven. De grondslag van deze common carriers tax is dezelfde als die van de income tax, namelijk de bruto vrachtsom. Naar haar aard is de common carriers tax echter geen belasting van het inkomen maar een omzetbelasting. Deze aard blijkt onder meer uit de systematiek van het Filippijnse belastingstelsel waarin vrijstelling van de algemene omzetbelasting geldt waar de - overigens beduidend lagere - common carriers tax is verschuldigd. Als zodanig valt de common carriers tax dan ook in beginsel niet onder de werking van het verdrag. Tijdens de verdragsonderhandelingen werd echter door de Filippijnse delegatie de indruk gewekt dat het in art. 8 van het verdrag neergelegde compromis, dat in de bronstaat tot ten hoogste 1,5% van de bruto opbrengst belasting mag worden geheven, aan Filippijnse kant alle daar bestaande belastingen zou omvatten, dus de common carriers tax inbegrepen. Deze indruk werd nog versterkt door een gelijkluidende weergave van het Filippijnse verdragsbeleid op dit punt in een naderhand gepubliceerde briefwisseling tussen de Filippijnse autoriteit en de International Air Transport Association (IATA), de organisatie van internationaal opererende luchtvaartondernemingen. Vandaar is in de Nederlandse toelichtende nota bij het verdrag gesteld dat het bepaalde in art. 8 ondermeer het achterwege blijven van de common carriers tax mee zou brengen. Sinds januari 1992 - de datum waarop het verdrag toepasbaar is geworden - blijkt echter bij herhaling dat de common carriers tax toch van Nederlandse lucht- en scheepvaartondernemingen wordt geheven. Naar aanleiding hiervan is mijnerzijds de Filippijnse autoriteit om opheldering gevraagd. Van die kant is geantwoord dat d"},{"i":1072,"b":"Hongaarse voorschriften belastingovereenkomst Nederland-Hongarije Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Regeling inzake vermindering van Hongaarse belasting op dividenden, interest en royalties uit Hongaarse bron, genoten door inwoners van Nederland. Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op op 5 juni 1986 tussen Nederland en Hongarije gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het Protocol bij die Overeenkomst (Stb. 1986, nr. 72, en Trb. 1987, nr. 38), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst en onderdelen van het Protocol. - a. Vermindering tot 15% van de Hongaarse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Hongarije is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b). - b. Vermindering tot 5% van de Hongaarse belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Hongarije is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het onmiddellijk ten minste 25% bezit van het kapitaal van het Hongaarse lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel a). - c. Algehele vrijstelling van de Hongaarse belasting op interest, afkomstig uit Hongarije en betaald aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 11, eerste lid). - d. Algehele vrijstelling van de Hongaarse belasting op royalty's (vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap,"},{"i":924,"b":"Besluit opheffing beperkingen gesteld aan openbaarheid archief Sociaal-Economische Raad 1950–1979 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op de Verklaring van overbrenging van 5 juli 1988, houdende de beperking van de openbaarheid van het archief van de Sociaal-Economische Raad (1950–1979); Gehoord hebbende de Algemeen Secretaris van de SER; Besluit: De beperking aan de openbaarheid van alle inventarisnummers in het archief Sociaal-Economische Raad 1950–1979 (nummer archieftoegang 2.06.064) wordt opgeheven. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":1322,"b":"Regeling nummerplan BES en tariefvoorschriften voor toegangsnummers en informatienummers BES Artikel 1 Deze regeling berust op de [artikelen 7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=7), en [artikel 44c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=44c) en [44e Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=44e). Artikel 2 De inleiding, de hoofdstukken 1 tot en met 4 en de [bijlagen 1 tot en met 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028614&bijlage=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01) vormen tezamen het nummerplan BES en tariefvoorschriften voor toegangsnummers en informatienummers BES met toelichting en vormen de bijlage behorende bij deze regeling. Artikel 3 Deze Regeling wordt aangehaald als: Regeling nummerplan BES en tariefvoorschriften voor toegangsnummers en informatienummers BES. Bijlage behorende bij de Regeling nummerplan BES en tariefvoorschriften voor toegangsnummers en informatienummers BES. Bijlage Inleiding Bij Ministeriële Beschikkingen van 11 juli 2003, no. 4112/a tot en met bb RNA en Ministeriële Beschikking van 7 november 2005, no. 6547/RNA (a-c) heeft de Minister van Verkeer en Vervoer (hierna de Minister) het Nationaal Nummerplan van de Nederlandse Antillen (hierna het nummerplan) vastgesteld per concessiehouder. Sinds de datum van vaststelling van het nummerplan is de tekst enkele keren aangepast ter verduidelijking van enkele voorwaarden. Om te beschikken over een lopende tekst van het nummerplan is het noodzakelijk om een herziene tekst van het nummerplan vast te stellen. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het nummerplan op een aantal punten nader aan te scherpen en is aan het nummerplan een hoofdstuk toegevoegd waarin voorwaarden worden gesteld ten aanzien van nummers voor netwerkgebruik. Het nummerplan is het plan waarin de Minister zijn algemeen nummerbeleid en nummerbeheer formuleert. Zowel bij het nummerbeleid als bij het nummerbeheer sta"},{"i":928,"b":"Besluit opheffing beperkingen openbaarheid enige inventarisnummers Code-Archief BuZa Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op het [besluit houdende beperking openbaarheid van archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1945–1954 van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 juni 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023999) (Staatscourant 2008, 114); Gehoord hebbende de Minister van Buitenlandse Zaken; Besluit: De beperking aan de openbaarheid van de archiefbescheiden in de volgende inventarisnummers in het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1945–1955, toegang 2.05.117, wordt ten aanzien van het dossier betreffende één persoon opgeheven, indien, ten genoege van de beheerder van het Nationaal Archief, de algemene rijksarchivaris, is aangetoond dat deze persoon is overleden: 2041–2050, 2055–2116, 2165–2175, 2196–2201, 2226–2240, 2286–2292, 3592, 3600, 3610, 3602,3604, 3625, 3665, 3669, 3673, 3682, 3684, 3686, 6609, 6611, 6614, 7523, 7527, 7549, 7564, 7717, 7720, 7726, 7729, 7740, 7765, 7843, 7844, 7872, 7874, 7875, 7879, 7882, 7883, 7888, 7892, 7893, 7895, 7898, 7902, 7908, 7927, 7932, 7934, 7937, 7940, 7944, 7945, 7948–7950, 7953, 7954, 7955, 7957, 7958, 7965, 7984, 8332, 8334, 8335, 8341, 8360, 8656, 8768, 8769, 8775, 8951, 9070, 9075, 9085, 12632–12634, 12706, 12708, 12718, 12722, 14071, 20765, 20768, 20769, 20874, 20879, 20894, 20906, 20911, 20913, 20915, 20924, 20942, 20950, 20952, 20954–20956, 20973, 20997, 21041, 21044, 21051, 21054, 21067, 21068, 21070, 21073, 21102, 21120, 21129, 21134, 21136, 21137, 21139, 21152, 21187, 21193, 21248, 21324, 21328, 21331, 21334, 21700, 21701, 21756, 21758, 25112, 25273, 25439, 27018. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":817,"b":"Beleidsregel ontheffingverlening ten behoeve van de proef met langere of langere en zwaardere vrachtautocombinaties (Beleidsregel ontheffingverlening LZV 2006) Gelet op [artikel 149a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), het [Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: vrachtautocombinatie: bepaald samenstel van een trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens. Onderscheiden kunnen onder meer worden: trekker-oplegger-middenasaanhangwagen, vrachtauto-aanhangwagen, waaronder vrachtauto-dolly-oplegger, en trekker-oplegger-oplegger, een zogenaamde B.-double; Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op vrachtautocombinaties waarvoor door de Ambtelijke adviescommissie LZV een positief advies, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098&artikel=4)1Stcrt. 2003, 245., is gegeven of ingetrokken. Artikel 3 1. Op basis van een positief advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098&artikel=4), keurt de Dienst Wegverkeer de vrachtautocombinatie overeenkomstig de in het tweede lid van dit artikel opgenomen eisen. 2. Eisen waaraan een vrachtautocombinatie moet voldoen: - a. Een te vormen vrachtautocombinatie bestaat uit een trekkende eenheid van de categorie N2 of N3 en een of meerdere eenheden van de categorie O3 of O4 als bedoeld in bijlage II, van [richtlijn nr. 70/156/EEG](31970L0156); - b. De totale lengte van een vrachtautocombinatie mag inclusief uitrustingsdelen niet meer bedragen dan 25,25 m; - c. Een vrachtautocombinatie heeft een minimale lengte van de laadruimte, bedoeld in bijlage 1, onder 1.7 als bedoeld in [richtlijn nr. 96/53/EG"},{"i":7349,"b":"Wet van 24 maart 2023 tot wijziging van enige bepalingen in Boek 1 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek en van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van Bonaire, Sint Eustatius en Saba met betrekking tot de keuze van de geslachtsnaam (introductie gecombineerde geslachtsnaam) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een gecombineerde geslachtsnaam mogelijk te maken en daartoe [Boek 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) en [Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068) en [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 10. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 1. Artikel IIIa Indien een kind, dat als ongeboren kind voor de inwerkingtreding van deze wet is erkend, na de inwerkingtreding van deze wet wordt geboren, stelt, in afwijking van [artikel 5, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=5) en van [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743), de ambtenaar van de burgerlijke stand de ouders desgevraagd opnieuw in staat naamskeuze te doen ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte. Artikel 5 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek respectievelijk van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van Bonaire, Sint Eustatius en Saba is voor het overige van toepassing. Artikel IIIb 1. Tot en met een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet kunnen kinderen van dezelfde ouders de geslachtsnaam va"},{"i":5795,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 november 2023 IENW/BSK-2023/341953, houdende vaststelling van tijdelijke regels ter stimulering van aanvullende zuiveringstechnieken bij rioolwaterzuiveringsinstallaties (Subsidieregeling stimulering verwijdering medicijnresten eerste tranche) Gelet op [artikel 7.22d, tweede lid, onder b, en derde lid van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.22d) in samenhang met [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en [artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Vervallen Hoofdstuk 2. Algemeen Artikel 2. Doel Vervallen Artikel 3. Bepalingen [Kaderbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381) van overeenkomstige toepassing Vervallen Hoofdstuk 3. Kosten Artikel 4. Kosten die in aanmerking komen voor een subsidie Vervallen Artikel 5. Kosten die niet voor subsidie in aanmerking komen Vervallen Hoofdstuk 4. Subsidiebedrag en subsidieplafond Artikel 6. Subsidieplafond en verdeling Vervallen Hoofdstuk 5. Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel 7. Verplichtingen met betrekking tot aard en omvang van de activiteiten Vervallen Artikel 8. Monitoring Vervallen Artikel 9. Openbaarheid Vervallen Hoofdstuk 6. Verantwoording Artikel 10. Verantwoording Vervallen Hoofdstuk 7. Vaststellingsbeschikking Artikel 11. Ambtshalve vaststelling van de subsidie Vervallen Artikel 12. Reeds betaalde bedragen Vervallen Hoofdstuk 8. Slotbepalingen Artikel 13. Evaluatie De Minister publiceert uiterlijk op 31 december 2029 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk. Artikel 14. Inwerkingtreding en terugwerkende kracht Deze regeling treedt in werking met ingang van de da"},{"i":1105,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, belastingschadevergoeding **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat standpunten voor de heffing van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting over belastingschadevergoedingen. Het is een actualisatie van het besluit van 31 oktober 2001, nr. CPP2001/1559M. De actualisatie bestaat naast redactionele aanpassingen uit het vervallen van onderdeel 1.6 en een wijziging van onderdeel 4.** 1. Inleiding Dit besluit bevat standpunten voor de heffing van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting over belastingschadevergoedingen. Dit besluit is een actualisatie van het [besluit van 31 oktober 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012939), nr. CPP2001/1559M. Het volgende is gewijzigd: Met de overige aanpassingen is geen inhoudelijke wijziging beoogd. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Omschrijving belastingschade In het kader van onteigeningen of verkopen ter voorkoming daarvan worden uiteenlopende vergoedingen betaald. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder onteigening verstaan overheidsingrijpen in de zin van [artikel 3.54, twaalfde lid, Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54). Vergoedingen die (geheel of gedeeltelijk) tot het belastbare inkomen uit werk en woning van de belastingplichtige moeten worden gerekend, kunnen leiden tot belastingschade. Een vergoeding voor belastingschade leidt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 26 april 1950, ECLI:NL:HR:1950:172, en van 1 juni 1960, ECLI:NL:HR:1960:AY0637, niet tot heffing van inkomsten- of vennootschapsbelasting. Voor de inkomstenbelasting gaat het daarbij tevens om de in één aanslag tezamen met de inkomstenbelasting geheven premie voor de volksverzekeringen. Kortheidshalve wordt dat hierna als inkomstenbelasting aangeduid. Soms kan ook in andere gevallen sprake zijn van een vergoeding voor belastingschade. Daarbij kan worden gedacht aan de situatie die leidde tot het"},{"i":1143,"b":"Internationaal belastingrecht, belastingverdragen; gevolgen van de non-discriminatiebepalingen (België, Suriname en Aruba) voor de Wet inkomstenbelasting 2001 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit vervangt het besluit van 20 april 2010, nr. DGB2010/568M. Vervanging was nodig in verband met wijzigingen in de Wet inkomstenbelasting 2001, de staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk en de inwerkingtreding van de Belastingregeling Nederland-Curaçao, de Belastingregeling Nederland-Sint-Maarten en het vervallen van het grensarbeidersprotocol in verband met de inwerkingtreding van het nieuwe belastingverdrag met Duitsland.** 1. Inleiding 1.1. Begrippen en afkortingen 1.2. Achtergrond Voor natuurlijke personen zijn specifieke non-discriminatiebepalingen opgenomen in het belastingverdrag Nederland-België1Artikel 26, tweede paragraaf, Verdrag Nederland-België., in het belastingverdrag Nederland-Suriname2Artikel 25, tweede lid, Verdrag Nederland-Suriname. en in de BRK3Artikel 39, BRK.. Deze specifieke non-discriminatiebepalingen komen er wat de Nederlandse belastingheffing betreft op neer dat inwoners van België, Suriname en Aruba recht hebben op dezelfde persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van burgerlijke staat of samenstelling van het gezin als inwoners van Nederland. Uit jurisprudentie4Hoge Raad 19 februari 2010, nr. 08/02184, ECLI:NL:HR:2010:BL4317. volgt dat het gaat om alle aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen die verband houden met de omstandigheid dat de belastingplichtige rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichtingen en lasten heeft. De in de aanhef bedoelde vervanging van het besluit van 20 april 2010 was nodig in verband met een aantal wijzigingen in de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353), de gewijzigde staatkundige verhouding binnen het Koninkrijk en het nieuwe belastingverdrag Nederland-Duitsland. De belangrijkste wijzigingen zij"},{"i":951,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 29 maart 2011 houdende de vaststelling van de tarieven genoemd in de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2010 (Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2010) gelet op [artikel 2 van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028233&artikel=2); gelet op de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12) en [13 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen d.d. 14 februari 2011. Besluit: Artikel 1 1. De heffing als bedoeld in [artikel 2 derde lid, van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028233&artikel=2), bedraagt voor het oogstjaar 2010 voor iedere onderneming waarin de teelt van tulpenbollen wordt uitgeoefend: € 0,27 per are. 2. Bedragen lager dan € 10,00 worden niet opgelegd. Artikel 2 Uitgezonderd van de areaalheffing als genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029924&artikel=1&z=2011-04-24&g=2011-04-24), zijn: | a. | opgeplante bloembollen voor de bolproductie, afkomstig van afbroei uit het meest recente broeiseizoen; | | --- | --- | | b. | bloembollen, die voor de bolproductie in Nederland, in het eerste teeltjaar, volgend op het jaar van import, waren/zijn opgeplant en afkomstig waren/zijn van import. | Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2010. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":1098,"b":"Besluit van 19 januari 2006, nr. CPP2006/73M De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Dit is een besluit over de meewerkaftrek en de meewerkbeloning. Het bevat standpunten uit eerder uitgebrachte besluiten en één nieuw standpunt. Voorgaande besluiten Er is een niet eerder gepubliceerd standpunt ingenomen in onderdeel 4 van dit besluit. Daarnaast zijn, zonder een inhoudelijke wijziging te beogen, de navolgende (onderdelen van) besluiten inzake de regeling van de meewerkaftrek ([artikel 3.78 van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.78)) en de meewerkbeloning geactualiseerd en overgenomen in dit besluit. De navolgende onderdelen van besluiten bevatten geen beleidsstandpunten over de meewerkaftrek en hebben vooral een voorlichtend karakter. Gelet hierop zijn deze onderdelen van de besluiten niet in dit besluit overgenomen. Voor zoveel nodig zijn of worden deze onderdelen geactualiseerd verwerkt in voorlichtingsmateriaal. 1. Meewerkaftrek, goedkeuring De regeling van de meewerkaftrek ([artikel 3.78 van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.78)) bevat ten opzichte van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een onbedoelde beperking. Deze beperking betreft de voorwaarde dat de partner zonder enige vergoeding arbeid moet verrichten om in aanmerking te komen voor meewerkaftrek. Hiermee ontstaat een discrepantie met [artikel 3.16, vierde lid, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.16) waarin is geregeld dat niet in aftrek op de winst van de ondernemer kan komen de vergoeding aan de partner voor in de onderneming verrichte arbeid, indien die vergoeding lager is dan € 5.000. Een zodanige vergoeding behoort dan bij de partner van de ondernemer ook niet tot het resultaat uit overige werkzaamheden. De letterlijke toepassing van voormeld artikel 3"},{"i":1053,"b":"Heffing van omzetbelasting ten aanzien van opneming van zwervende en of noodlijdende dieren De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten."},{"i":13063,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 12 december 2011, nr. WJZ/11175662, houdende regels inzake het verlenen van volmacht en machtiging aan de voorzitter van de Raad voor dieraangelegenheden (Besluit volmacht en machtiging voorzitter van de Raad van dieraangelegenheden) Besluit: Artikel 1 Aan de voorzitter van de Raad voor dierenaangelegenheden wordt volmacht en machtiging verleend om ten laste van de Staat: - a. eenmalige overeenkomsten te sluiten ten behoeve van externe deskundigheid ten behoeve van door de Raad uit te brengen adviezen, voorzover deze een bedrag van € 10.000,– niet te boven gaan; - b. overeenkomsten te sluiten voor uitgaven van materiële aard, voorzover deze een bedrag van € 10.000,– niet te boven gaan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit volmacht en machtiging voorzitter van de Raad van dieraangelegenheden. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":934,"b":"Besluit opleiding en examens administratieve ambtenaren belastingdienst BES Hoofdstuk I §. De opleiding Artikel 1 Ten behoeve van de administratieve ambtenaren, die werkzaam zijn bij de belastingdienst, kan bij ministeriële regeling in elk van de openbare lichamen een leergang worden ingesteld, opleidende tot het vakexamen voor benoembaarheid tot klerk en tot adjunct-commies als bedoeld in [artikel 10, onder a, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=10). Bij die ministeriële regeling kan tevens de vergoeding van de leraren en de cursusleider worden geregeld. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028537&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2011-10-09&g=2011-10-09) vermelde leergang bestaat uit twee gedeelten: - a. het eerste gedeelte omvattende het eerste leerjaar en opleidende tot het examen voor benoembaarheid tot klerk als bedoeld in [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028537&hoofdstuk=III&paragraaf=A&artikel=13&z=2011-10-09&g=2011-10-09); - b. het tweede gedeelte omvattende het tweede, derde en vierde leerjaar en opleidende tot het examen voor benoembaarheid tot adjunct-commies als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028537&hoofdstuk=III&paragraaf=A&artikel=14&z=2011-10-09&g=2011-10-09). 2. Het cursusjaar begint gelijktijdig met het schooljaar van de openbare scholen. Artikel 3 De organisatie van en het toezicht op de leergang berusten bij een bij ministeriële regeling aangwezen functionaris die zich daarbij kan doen bijstaan door de in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028537&hoofdstuk=I&artikel=6&z=2011-10-09&g=2011-10-09) bedoelde cursusleiders. Artikel 4 1. Het leerplan is als bijlage bij dit besluit gevoegd. 2. Een lesuur duurt vijf en veertig minuten. 3. Het rooster van lesuren wordt door een bij ministeriële regeling aangewezen functionaris, na overleg met de leraren, vastgesteld of gewijzigd. 4. De vakanties"},{"i":622,"b":"Wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen in verband met het opnemen van nadere bepalingen met betrekking tot de plicht tot arbeidsinschakeling van een alleenstaande ouder met een kind dat de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt (Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) en de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) nadere bepalingen op te nemen met betrekking tot de plicht tot arbeidsinschakeling van een alleenstaande ouder met een kind dat de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel II Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel III Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7847,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2015 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op 5,25%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2015. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":939,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 29 november 2005, houdende de vaststelling van de bedragen van de bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2006 (Besluit PT bijzondere heffing fruit en champignons 2006) gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Verordening PT bijzondere heffing fruit en champignons 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018503&artikel=4); gehoord de Commissie voor groenten en fruit d.d. 17 november 2005; Besluit: Artikel 1 Voor de volgende, in het eerste lid van [artikel 4 van de Verordening PT bijzondere heffing fruit en champignons 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018503&artikel=4) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2006 als volgt vastgesteld: | Groep | Omschrijving | Bedrag | | --- | --- | --- | | 32 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van appelen | € 73,65 per ha | | 33 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van peren | € 109,63 per ha | | 34 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van klein fruit | € 310,01 per ha | | 35 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van overige pit- en steenvruchten | € 165,21 per ha | | 36 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van akkerbouwmatig geteeld fruit | € 36,72 per ha | | 60 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt onder glas van fruit | € 7,58 per are | | 75 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt van champignons | € 1,31 per m teeltoppervlakte | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT bijzondere heffing fruit en champignons 2006. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie"},{"i":1117,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, winst; landbouwproblematiek De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 23 november 2018, nr. 2018-115091 (** **Stcrt. 2018, 68647** **). In dit besluit zijn de onderdelen Subsidies bosbouw en Betalingsrechten niet meer opgenomen. Nieuw in dit besluit is het onderdeel Vruchtwisseling en het onderdeel bosbedrijfvrijstelling. Voorts zijn enkele onderdelen redactioneel aangepast.** 1. Inleiding Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 23 november 2018, nr. 2018-115091](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041641) (Stcrt. 2018, 68647) en bevat beleid op het terrein van de fiscale behandeling van ondernemers in de agrarische sector. De volgende onderdelen zijn vervallen, gewijzigd of toegevoegd: De overige aanpassingen zijn redactioneel van aard en hiermee zijn eveneens geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Overgangsregeling voor pachtersvoordelen ter zake van landbouwgrond verkregen vóór 1 juli 2019 Een pachtersvoordeel ontstaat doordat een pachter de door hem op zakelijke basis gepachte landbouwgrond in eigendom verkrijgt voor een prijs beneden de waarde die daaraan in vrij opleverbare staat is toe te kennen. Het voordeel bestaat uit het verschil tussen de waarde van de grond in vrije en in verpachte staat op het moment van verkrijging van de grond. Dit voordeel wordt in de heffing van de inkomstenbelasting betrokken voor zover het later wordt gerealiseerd. In het [besluit van 13 oktober 2010, nr. DGB2010/1981M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028882) (Stcrt. 2010, 16586), waren voor de zogenoemde eerste en tweede pachtersvoordelen goedkeuringen opgenomen. In het geval van een eerste pachtersvoordeel werd het moment van heffing uitgesteld. Bij het tweede pachtersvoordeel was het mogelijk dat de belastingclaim bij de voormalige pachter na ommekomst van vijf jaren kwam te vervallen. Met"},{"i":12287,"b":"Besluit van 27 september 2007, nr. 07.003139, houdende gelijkstelling van 24 december 2007, 2 mei 2008, 22 mei 2009 en 14 mei 2010 met een algemeen erkende feestdag Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 18 september 2007, directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving, directie Juridische en Operationele Aangelegenheden, nr. 5506716/07; Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3) worden gelijkgesteld 24 december 2007, 2 mei 2008, 2 januari, 1 mei, 4 mei en 22 mei 2009 en 14 mei 2010. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van verschijning van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":990,"b":"Besluit van 20 juni 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur regelende de vergoeding motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 25 mei 1983, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. U 3947 II, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf en de Staatssecretaris van Defensie, W. K. Hoekzema; Overwegende dat het wenselijk is een regeling te treffen tot compensatie van de motorrijtuigenbelasting ten behoeve van degenen die op 31 maart 1983 vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wegens invaliditeit genoten en per gelijke datum in het genot waren van een uitkering of pensioen krachtens de wetten of regelingen voor oorlogsgetroffenen; Gelet op [artikel 89 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89); De Raad van State gehoord (advies van 3 augustus 1983, nr. W 13.83 0325/18.3.30); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 7 juni 1984, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. 4277; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Onze Ministers: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Defensie. Artikel 2 Aan degene die op 31 maart 1983: - a. op grond van zijn invaliditeit, ziekten of gebreken in het genot was van enige uitkering, onder welke benaming ook, ingevolge de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032), de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035), de [Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968), de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844), de [Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664) of de Algemene"},{"i":942,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 29 november 2005, houdenden de vaststelling van de percentages van de heffingen voor de vollegrondsgroenten voor het jaar 2006 (Besluit PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2006) gelet op [artikel 4, tweede lid van de Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018491&artikel=4) gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 17 november 2005; Besluit: Artikel 1 Voor de in [artikel 4, eerste lid van de Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018491&artikel=4) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2006 als volgt vastgesteld: | Groep 1 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van groen te oogsten erwten, stamsperziebonen, snijbonen en tuinbonen: | € 15,00 per ha | | --- | --- | --- | | Groep 2 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van was-, bospeen, en winterpeen: | € 40,00 per ha | | Groep 3 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van herfst-, vroege-, en bewaarkool: | €35,00 per ha | | Groep 4 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van spinazie, kroten, knolselderij, en schorseneren: | € 15,00 per ha | | Groep 5 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van spruitkool: | € 50,00 per ha | | Groep 6 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van broccoli: | € 25,00 per ha | | Groep 7 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van bloemkool: | € 30,00 per ha | | Groep 8 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van prei: | € 35,00 per ha | | Groep 9 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van witlofwortel: | € 40,00 per ha | | Groep 10 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van sla: | € 50,00 per ha | | Groep 11 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van asperges: | € 95,00 per ha | | Gro"},{"i":1130,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 9 september 2019, nr. 2019-0000149369, houdende instelling van de Adviescommissie belastingheffing van multinationals Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ministerie:** het Ministerie van Financiën; - b. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Financiën; - c. **Adviescommissie:** de adviescommissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042538&artikel=2&z=2019-09-13&g=2019-09-13). Artikel 2. Instelling Er is een Adviescommissie belastingheffing van multinationals. Artikel 3. Taak 1. De Adviescommissie heeft tot taak om vanuit haar deskundigheid te adviseren over maatregelen die leiden tot een grondslagverbreding van de vennootschapsbelasting, waarbij tegelijkertijd oog wordt gehouden voor het behoud van hoofdkantooractiviteiten in Nederland. 2. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen te doen. 3. De commissie rapporteert over haar bevindingen (gepland eind 2019). Artikel 4. Samenstelling, benoeming 1. De Adviescommissie bestaat uit zowel externe als interne bij het Rijk werkzaam zijnde deskundigen. De voorzitter van de Adviescommissie is de heer dr. B. ter Haar. Verder bestaat de Adviescommissie uit elf leden. De heer prof. mr. J. Bellingwout (extern), mevrouw drs. M. de Jong, de heer drs. G. de Keizer, mevrouw dr. S. Kok, de heer prof. mr. dr. J. Langer, de heer prof. dr. A. Lejour, mevrouw drs. E. van Rijswijk (extern), de heer prof. dr. J. van de Streek (extern), de heer dr. H. Vrijburg (extern), de heer prof. dr. M. de Wilde (extern), de heer drs. J. Wouters. 2. De benoeming geschiedt voor de duur van de Adviescommissie. 3. Bij tussentijds vertrek van de voorzitter of een lid kan de Staatssecretaris een andere voorzitter of lid benoemen. Artikel 5."},{"i":1027,"b":"Directe belastingen, internationale inlichtingenuitwisseling; Kazachstan **Dit besluit bevat een bekendmaking van het in december 2018 tussen de Ministeries van Financiën van Kazachstan en Nederland gesloten Memorandum van Overeenstemming inzake samenwerking en inlichtingenuitwisseling voor belastingaangelegenheden. Het Memorandum geeft o.a. categorieën weer voor de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen, zoals over onroerende zaken, ondernemingswinsten (indien beschikbaar), dividenden, interest, inkomsten uit vermogenswinsten (indien beschikbaar), inkomsten uit salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen, directeursbeloningen en/of betalingen aan leden van management teams, inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars, pensioenen en andere soortgelijke beloningen, alsmede overige inkomsten. Verder bevat het Memorandum nog bepalingen over gelijktijdige belastingonderzoeken. De eerste automatische inlichtingenuitwisseling heeft betrekking op het jaar 2018.** Het Ministerie van Financiën van de Republiek Kazachstan en het Ministerie van Financiën van Nederland, hierna te noemen de ‘Partijen’, Erkennende de noodzaak de wederzijdse samenwerking in belastingaangelegenheden uit te breiden, Gezien de bepalingen van het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van 25 januari 1988 (hierna te noemen het ‘Verdrag 1988’) en artikel 28 van het Verdrag tussen de Republiek Kazachstan en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van 24 april 1996 (hierna te noemen het ‘Verdrag 1996’), Zijn het volgende overeengekomen: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Onderwerp, doel en reikwijdte De Partijen verlenen elkaar bijstand bij de uitwisseling van inlichtingen ten behoeve van de toepassing van de belastingwetgeving van de staten van Partijen."},{"i":1153,"b":"Wet van 30 maart 1995, houdende inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de inwerkingtreding van de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324) te regelen, enkele wijzigingen in deze wet aan te brengen, de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002534) in te trekken en enige andere wetten hieraan aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Voor een personenauto, een bestelauto en een motorrijwiel als bedoeld in de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324) waarvoor een kenteken is opgegeven ingevolge de Wegenverkeerswet of de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) en waarvoor belasting is voldaan op de voet van de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002534) over een tijdvak waarvan een gedeelte ligt na 31 maart 1995, vangt een kort tijdvak waarover voor het eerst belasting is verschuldigd ingevolge de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324) aan op de dag volgend op de laatste dag van het tijdvak waarover belasting op de voet van de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002534) is voldaan. Het korte tijdvak eindigt met de dag voorafgaande aan de eerste dag van het tijdvak met ingang wa"},{"i":946,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 29 november 2005, houdende de vaststelling van de tarieven genoemd in de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2005 (Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2005) gelet op [artikel 2 van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018239&artikel=2); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen d.d. 15 november 2005; Besluit: Artikel 1 1. De heffing als bedoeld in [artikel 2 derde lid, van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018239&artikel=2), bedraagt voor het oogstjaar 2005 voor iedere onderneming waarin de teelt wordt uitgeoefend van tulpenbollen: € 0,80 per are. 2. Bedragen lager dan € 22,50, worden niet opgelegd. Artikel 2 Uitgezonderd van de areaalheffing als genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019127&artikel=1&z=2005-12-18&g=2005-12-18), zijn: - a. opgeplante bloembollen voor de bolproductie, afkomstig van afbroei uit het meest recente broeiseizoen; - b. bloembollen, die voor de bolproductie in Nederland, in het eerste teeltjaar, volgend op het jaar van import, waren/zijn opgeplant en afkomstig waren/zijn van import. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2005. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":981,"b":"Besluit van 4 november 2006, houdende vaststelling van de bestanddelen van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2006 wordt uitgegeven ter gelegenheid van 200 jaar Belastingdienst Op voordracht van Onze Minister van Financiën van 1 november 2006, FM 2006-2572 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen en internationaal; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2006/222. Artikel 1 1. De voorzijde van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2006 worden uitgegeven ter gelegenheid van 200 jaar Belastingdienst is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden van een spiraal gevormd door de jaartallen 1806 tot en met 2006 een verkleinde afbeelding van de nationale zijde van de Nederlandse twee-euromunt als beschreven in [artikel 1 van het besluit van 6 december 2001, houdende de vaststelling van de bestanddelen van de nationale zijde van de Nederlandse euromunten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013102&artikel=1) (Stb. 2001, 634); - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden van het rondschrift «5 EURO 200 jaar belasting in dienst van de samenleving» een verkleinde afbeelding van een proefslag van een 1 F-munt uit 1807 (jaartal niet afgebeeld), in het midden onderaan het teken de muntmeester « », de initialen van de ontwerpen Hennie Bouwe «HB» en het teken van de Munt « ». 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD*ZIJ*MET*ONS*». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":1164,"b":"Loonbelasting en premieheffing volksverzekeringen, achterwege laten inhouding loonheffing au-pairs De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Dit besluit is een herdruk van het besluit van 12 december 1995, nr. DB95/4740M voor de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen en is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001. 1. Inleiding Een au-pair is een jonge buitenlander die in het kader van culturele uitwisseling tijdelijk (voor maximaal 12 maanden) in Nederland verblijft. Tijdens het verblijf worden in het gastgezin betaalde werkzaamheden verricht. De au-pair komt niet naar Nederland met als hoofddoel het verrichten van huishoudelijk werk en/of werkzaamheden ten behoeve van het gezin. Daarom is voor de au-pair op grond van de Wet arbeid vreemdelingen en de Uitvoeringsregels Wet arbeid vreemdelingen geen tewerkstellingsvergunning vereist. Voor de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen kan de au-pair worden omschreven als De voor het bestaan van een dienstbetrekking vereiste elementen loon, (persoonlijk) arbeid verrichten en een gezagsverhouding zijn in verhouding tussen de au-pair en het gastgezin in het algemeen aanwezig. De omstandigheid dat de verhouding tussen het gastgezin en de au-pair mede gezien het culturele aspect niet uitsluitend wordt bepaald door het ‘arbeidscontract’ doet hier niets aan af. Het Hof Arnhem heeft dit in een concreet geval bevestigd (Hof Arnhem, 14-2-1995, rolnummer 940336, VN 1995. blz. 1557). 2. Onderzoek Naar aanleiding van vorennoemde uitspraak van het Hof Arnhem is de fiscale behandeling van de au-pair in de Tweede Kamer aan de orde gesteld. Naar aanleiding hiervan heb ik toegezegd de problematiek in samenspraak met au-pair-organisaties aan een nader onderzoek te onderwerpen. Daarbij is mij het volgende gebleken. Een deel van de vergoedingen en verstrekkingen die gastgezinnen aan de au-pairs doen toekomen hoeft niet als belast"},{"i":1177,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de kwartiermaker Belangenbehartiger voor Belastingplichtigen en Toeslaggerechtigden (Mandaatbesluit kwartiermaker Belangenbehartiger voor Belastingplichtigen en Toeslaggerechtigden) van 7 november 2023 (2023-15911) Gelet op de op te richten Belangenbehartiger voor Belastingplichtigen en Toeslaggerechtigden, Gelet op de benoeming van de kwartiermaker per 16 oktober 2023, Gelet op [artikel 3 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=3) en de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=5), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=7) en [8 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Kwartiermaker:** Kwartiermaker Belangenbehartiger voor belastingplichtigen en toeslaggerechtigden; - b. **Belangenbehartiger:** Belangenbehartiger voor belastingplichtigen en toeslaggerechtigden. Artikel 2. Verantwoordelijkheid De Kwartiermaker is verantwoordelijk voor (de voorbereiding van) de oprichting en inrichting van een Belangenbehartiger, met inachtneming van zijn taakopdracht zoals opgenomen in de bijlage bij de Kamerbrief van 1 juni 2023 (Kamerstukken II, 2022/23, 31 066, nr. 1140). Artikel 3. Mandaat, volmacht en machtiging 1. Aan de Kwartiermaker wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor alle aangelegenheden die vallen binnen zijn verantwoordelijkheid als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049326&artikel=2&z=2024-02-03&g=2024-02-03) en de volgende daarbij behorende taken: - a. Een nadere uitwerking van de taken en bevoegdheden van de Belangenbehartiger; - b. Uitwerken van de voor- en nadelen van de verschillende opties voor positionering van de Belangenbehartiger en"},{"i":1054,"b":"Heffing van omzetbelasting ten aanzien van opties op termijncontracten De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Naar mij is gebleken bestaat onduidelijkheid omtrent de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de omzetbelasting ten aanzien van opties op termijncontracten. Dienaangaande deel ik u het volgende mede. Opties op termijncontracten (de zgn. commodities) verlenen aan de optiehouder het recht op een bepaald tijdstip een termijncontract met betrekking tot bepaalde goederen te sluiten. Bij het beleggen in een commodity is het echter niet de bedoeling ooit een reëel termijncontract af te sluiten; derhalve is het evenmin de bedoeling de goederen te leveren of te ontvangen. Men streeft er veeleer naar tot afwikkeling van de gesloten contracten te komen door verrekening van prijsverschillen. Gezien het bijzondere karakter van de onderhavige transacties ter zake van het overdragen van commodities en het bemiddelen daarbij, ontmoet het bij mij geen bezwaar, indien ter zake geen omzetbelasting wordt voldaan, mits in zoverre wordt afgezien van de aanspraak op aftrek van voorbelasting."},{"i":1178,"b":"Besluit tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de kwartiermaker inspectie op de domeinen belastingen, toeslagen en douane (Mandaatbesluit kwartiermaker inspectie op de domeinen belastingen, toeslagen en douane), d.d. 23 augustus 2021 (2021-158170) Gelet op de op te richten inspectie op de domeinen belastingen, toeslagen en douane, Gelet op de benoeming van de kwartiermaker per 1 mei 2021, Gelet op [artikel 3 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=3) en de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=5), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=7) en [8 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Verantwoordelijkheid De kwartiermaker is verantwoordelijk voor (de voorbereiding van) de oprichting en inrichting van een inspectie op de domeinen belastingen, toeslagen en douane, met inachtneming van zijn taakopdracht zoals opgenomen in de bijlage bij de Kamerbrief van 12 februari 2021 (Kamerstukken II, 2020/21, 31 066, nr. 787). Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging 1. Aan de kwartiermaker wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor alle aangelegenheden die vallen binnen zijn verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 1 en de volgende daarbij behorende taken: - a. het vormgeven van de organisatiestructuur van de inspectie; - b. het opstellen van het formatievoorstel; - c. het langs de lijn van de motie Leijten (Kamerstukken II 2020/21, 31 934, nr. 42) aandacht besteden aan de mogelijkheden voor de inspectie om een bijdrage te leveren aan (het toezicht op) de informatievoorziening en informatiehuishouding van de diensten en aan een goede informatievoorziening aan de inspectie en de benodigde informatiebevoegdheden; - d. de uitwerking van de borging van de onafhankelijke positionering en het onafhankelijk functioneren van de inspectie, binn"},{"i":806,"b":"Belastingwet BES; Besluit algemene bestedingsbelasting, vrijstelling bij invoer van drinkwater en kookgas De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 4 april 2011, nr. BLKB 2011/600M. In aanvulling op de vrijstelling van algemene bestedingsbelasting ter zake van de invoer van drinkwater in de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius bevat dit besluit een goedkeuring die de invoer van kookgas in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius vrijstelt van algemene bestedingsbelasting.** 1. Aanleiding In [artikel 6.11 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.11) worden prestaties opgesomd die van de algemene bestedingsbelasting zijn vrijgesteld. Naast het verrichten van bepaalde diensten zijn leveringen van bepaalde goederen vrijgesteld. Het gaat daarbij ondermeer om eerste levensbehoeften zoals brood, graan, aardappelen en rijst. In [artikel 6.20, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.20), is ook een vrijstelling ter zake van de invoer van deze goederen opgenomen. De [Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244) bevat voorts een vrijstelling voor de levering van water, elektriciteit en gas. In [artikel 6.11, eerste lid, onderdeel h, van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.11) is de (binnenlandse) levering van water, elektriciteit en gas door waterleiding, elektriciteits- en gasbedrijven, vrijgesteld van algemene bestedingsbelasting. Op dit moment beschikken alleen Bonaire en (voor een deel) Sint Eustatius, over een waterleidingnet dat voor huishoudelijk gebruik bestemd (drink)water levert. Voor de toepassing van deze bepaling is onder een waterleidingbedrijf daarom tevens te verstaan een bedrijf dat water aanmaakt ten behoeve van lokaal gebruik en lokale distributie, ook al wordt voor de levering van het water geen gebruik gemaakt van wate"},{"i":1179,"b":"Besluit van de directeur-generaal Toeslagen van het ministerie van Financiën van 24 juni 2021, (2021-122924), houdende verlening van ondermandaat aan de plaatsvervanger van de directeur-generaal Toeslagen (Mandaatbesluit plaatsvervanger directeur-generaal Toeslagen 2021) Gelet op [artikelen 1, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=1), [3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=3), en [15 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=15); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur-generaal Toeslagen:** de directeur-generaal Toeslagen van het ministerie van Financiën als bedoeld in [artikel 6 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&artikel=6); - b. **plaatsvervanger:** de functionaris die het mandaat heeft bij afwezigheid van de DG Toeslagen, zoals bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=3); - c. **Directoraat-Generaal Toeslagen:** het Directoraat-Generaal Toeslagen, als bedoeld in [artikel 6 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&artikel=6); - d. **Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021:** [Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën van 7 april 2021, (nr. 2021-63951), houdende vaststelling van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078). Artikel 2. Volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat ge"},{"i":1142,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 11 juni 2021, houdende instelling van een tijdelijke commissie ter uitvoering van de artikelen 49a en 49c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de compensatieregeling (Instellingsregeling Commissie van onafhankelijke deskundigen hersteloperatie toeslagen) Gelet op [artikel 49e van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=49e); Besluit: Artikel 1. Grondslag Deze regeling berust op de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=5.2) en [5.3 van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=5.3). Artikel 2. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **commissie:** commissie, genoemd in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045239&artikel=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - **minister:** Minister van Financiën; - **ministerie:** Ministerie van Financiën; - **wet:** [Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436). Artikel 3. Instelling en taak 1. Er is een Commissie van onafhankelijke deskundigen hersteloperatie toeslagen. 2. De commissie heeft tot taak: - a. het beoordelen van voorgenomen beschikkingen inhoudende het geheel of gedeeltelijk afwijzen van een aanvraag van compensatie als bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.1); - b. het beoordelen van voorgenomen beschikkingen inhoudende het geheel of gedeeltelijk afwijzen van een aanvraag van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in [artikel 2.6, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.6); - c. het adviseren over de vraag of sprake is van een schrijnend geval als bedoeld in [artikel 2.9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.9); - d. het beoordelen van voorgenomen beschikkingen inhoudende het geheel"},{"i":13780,"b":"Wet van 8 april 1971, houdende een algemene regeling betreffende de kwaliteit van voortbrengselen van de landbouw en de visserij Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter bevordering van de afzet een algemene regeling vast te stellen betreffende de kwaliteit van voortbrengselen van de landbouw en de visserij; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder: - Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - landbouw: akkerbouw, weidebouw, tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen –, teelt van griendhout en elke andere vorm van bodemcultuur met inbegrip van bosbouw; - produkten: alle voortbrengselen van de landbouw, alsmede de bij be- of verwerking daarvan verkregen voortbrengselen, derivaten en afvallen; - college: het College van Beroep voor het bedrijfsleven; - landbouwkwaliteitsbesluit: een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=2&z=2021-03-01&g=2021-03-01); - controle-instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=8&z=2021-03-01&g=2021-03-01); - verordening (EU) 1151/2012: verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU 2012, L 343); - geografische aanduiding: geografische aanduiding als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van verordening (EU) 1151/2012; - geografische oorsprongsbenaming: oorsprongsbenaming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van verordening (EU) 1151/2012; - houder van een geografis"},{"i":975,"b":"Besluit van 23 september 1968, tot vaststelling van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 23 september 1968, nr. D 68/6240, directie Wetgeving Douane en Verbruiksbelastingen; Gelet op [artikel 16 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=16) (**Stb.** 329); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De in [artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=15) bedoelde aftrek wordt uitgesloten in de gevallen waarin en voor zover de goederen en diensten worden gebezigd voor: - a. het voeren van een zekere staat; - b. het geven van relatiegeschenken of het doen van andere giften aan degenen bij wie, indien aan hen ter zake omzetbelasting in rekening is of zou zijn gebracht, deze in het geheel niet of hoofdzakelijk niet voor aftrek in aanmerking komt of zou komen; - c. het aan het personeel van de ondernemer verlenen van huisvesting, uitkeren van loon in natura, geven van gelegenheid tot sport, ontspanning of privé-vervoer, dan wel voor andere persoonlijke doeleinden van dat personeel. De terbeschikkingstelling van een auto wordt van het vorenstaande uitgezonderd. 2. Onder relatiegeschenken of andere giften worden verstaan alle prestaties welke de ondernemer in verband met zakelijke verhoudingen of uit vrijgevigheid ten behoeve van anderen verricht zonder vergoeding of tegen een vergoeding welke lager is dan de aanschaffings- of voortbrengingskosten dan wel, in geval van diensten, de kostprijs van die prestaties de omzetbelasting niet daaronder begrepen. 3. Onder de prestaties als zijn bedoeld in het eerste lid, onderdeel **c**, worden niet begrepen: - a. het verstrekken van spijzen en dranken aan het personeel van de ondernemer; - b. het vervoer van het personeel van de ondernemer tussen de woon- of verblijfplaats en de plaats waar de werkzaamheden worden verricht, indien dit v"},{"i":1118,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, winst uit zeescheepvaart, afschrijving op zeeschepen, samenwerkingsverbanden in zeescheepvaartondernemingen en forfaitaire winstvaststelling **De Minister van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 19 februari 2021, nr. 2021-9301 (** **Stcrt. 2021, 11267** **)** **over winst uit zeescheepvaart en samenwerkingsverbanden in de zeescheepvaart. Toegevoegd zijn de volgende standpunten.** **Het tonnageregime is ook van toepassing op het vervoer van personen en zaken ten behoeve van windmolenparken op zee (4.1.5).** **Verder is in het onderdeel over de zogenoemde winstsplitsing op basis van asset-split en crew-split verduidelijkt dat deze ook plaatsvindt bij schepen voor exploratie van de zeebodem (onderdeel 4.7).** **Tot slot zijn aan het onderdeel over de fiscale eenheid twee punten toegevoegd om in de praktijk bestaande onduidelijkheid op te lossen. Vermeld wordt dat voor voeging van een dochtermaatschappij met ingang van oprichtingsdatum de dochtermaatschappij geen separate tonnageregimebeschikking hoeft te worden verleend (4.11.3). Ook wordt duidelijk gemaakt dat bij ontvoeging uit een fiscale eenheid met een tonnageregimebeschikking de ontvoegde maatschappij geen afzonderlijke tonnageregimebeschikking hoeft te worden verleend voor de doorwerking van het tonnageregime (4.11.4).** 1. Inleiding Dit besluit bevat mijn beleid voor de zeescheepvaart wat betreft de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting. Onderdeel 2 behandelt toepassing van de normale winstbepalingsregels bij zeescheepvaart en met name de afschrijving. Onderdeel 3 bevat het beleid voor samenwerkingsverbanden in de zeescheepvaart en regelt ook centrale behandeling van deze verbanden binnen de Belastingdienst. Onderdeel 4 bevat mijn beleid voor het zogenoemde tonnageregime: het op verzoek en onder voorwaarden toepasbare bijzondere winstregime voor de zeescheepvaart. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortinge"},{"i":1323,"b":"Regeling van het Commissariaat voor de Media van 4 februari 2025 over ontheffing van de investeringsverplichting voor aanbieders van commerciële mediadiensten op aanvraag (Regeling ontheffing investeringsverplichting commerciële mediadiensten op aanvraag 2025) Na de verkregen goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op de [artikelen 3.29e, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29e), en [3.29i, tweede lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29i), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanbieder:** een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt; - b. **Commissariaat:** Commissariaat voor de Media; - c. **investeringsverplichting:** de verplichting als bedoeld in [artikel 3.29e, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29e) voor een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt, om te investeren in Nederlands cultureel audiovisueel product; - d. **relevante omzet:** de relevante omzet per boekjaar bestaat uit alle in Nederland gegenereerde omzet die verband houdt met het aanbieden van de betreffende commerciële mediadienst op aanvraag. Hiertoe wordt gerekend omzet uit: reclameboodschappen, abonnementen, gebruikerstransacties, sponsoring en productplaatsing; - e. **Richtlijn:** [Richtlijn (EU) 2018/1808](32018L1808) van 14 november 2018 tot wijziging van [Richtlijn 2010/13/EU](32010L0013) betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie; - f. **wet:** de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028). Artikel 2. Gronden voor ontheffing 1. Het Commissariaat verleent een ontheffing van de investeringsverplichting, indien de aanbieder naar het oor"},{"i":7188,"b":"Besluit van 14 januari 2002, houdende vaststelling van de bestanddelen van de tien-euromunt die in 2002 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het huwelijk van de Prins van Oranje en Máxima Zorreguieta Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 11 januari 2002, FM 2002-00047 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen beleid en Integriteit; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2002/21. Artikel 1 1. De beeldenaar van de tien-euromunt die in 2002 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het huwelijk van de Prins van Oranje en Máxima Zorreguieta, is op de voorzijde, bij de uitvoering in zilver, overeenkomstig onderstaande afbeelding: Onze beeltenis en ter linkerzijde van de beeltenis het omschrift« BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN». Bij de uitvoering in goud zijn beeltenis en omschrift gespiegeld ten opzichte van de uitvoering in zilver. 2. De beeldenaar is op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: aan de linkerkant het silhouetportret van de Prins van Oranje en aan de rechterkant het silhouetportret van Máxima Zorreguieta met boven de silhouetten aan de linkerkant het Argentijnse zonneteken en aan de rechterkant de 12 Europese sterren en in een omschrift van links naar rechts «TWEE TWEE TWEEDUIZENDTWEE», het teken van de muntmeester, «MÁXIMA WILLEM-ALEXANDER», het teken van de Munt, en«TIEN EURO». 3. De tien-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift GOD*ZIJ*MET*ONS*. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":1324,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 maart 2025, nr. IENW/BSK-2025/59252, houdende vaststelling van regels over de ontheffingsmogelijkheid in het kader van vergaand geautomatiseerd varen op de binnenwateren (Regeling ontheffingsmogelijkheid ter bevordering van vergaand geautomatiseerd varen) Gelet op [artikel 1.26, derde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.26); BESLUIT: Artikel 1. Aanvraagprocedure 1. Een aanvraag tot een ontheffing als bedoeld in [artikel 1.26, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.26) wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit. 2. Bij de aanvraag tot een ontheffing, bedoeld in [artikel 1.26, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.26), worden ten minste de volgende gegevens overgelegd: - a. de naam en bijbehorende contactgegevens van de eigenaar van het schip en de natuurlijke personen die namens de eigenaar verantwoordelijk zijn voor het vaartuig; - b. informatie over het schip, ontwerptekeningen van het vaartuig en beschrijving van technische uitrusting, zoals de voor voortstuwing, navigatie en besturing gebruikte installaties, overige verleende ontheffingen, en indien aanwezig het Certificaat van Onderzoek of Uniecertificaat; - c. de locatie waarvandaan het schip op afstand wordt bestuurd; - d. een beschrijving van het automatiseringsniveau van het schip, gebaseerd op de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart gepubliceerde definities; - e. informatie over het gebruik van het schip, waaronder het geplande vaargebied en beperkingen ten aanzien van de inzet van het schip onder (weers)omstandigheden, waaronder de inzet in de nacht of bij slecht zicht; - f. een analyse waarbij per artikel, genoemd in [artikel 1.26 van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.26), waarva"},{"i":1097,"b":"Inkomstenbelasting, loonheffingen, intrekking van beleidsbesluiten **Dit besluit regelt de intrekking van beleidsbesluiten die niet meer van belang zijn.** 1. Inleiding Dit besluit regelt de intrekking van enkele beleidsbesluiten die niet meer van belang zijn. Het gaat om drie vraag- en antwoordbesluiten die in verband met de introductie van de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) zijn gepubliceerd. Het voornaamste doel van deze besluiten was om de werking van de destijds geïntroduceerde Wet IB 2001 toe te lichten. Daarnaast is een enkele goedkeuring opgenomen. Inmiddels is de werking van deze wet genoegzaam bekend en zijn de goedkeuringen vervallen of in de Wet IB 2001 verwerkt. Ook zijn vragen en antwoorden verwerkt in nieuw uitgebrachte beleidsbesluiten of in publieksvoorlichting. De beleidsbesluiten hebben hierdoor geen functie meer en worden ingetrokken. 2. Ingetrokken regelingen De volgende beleidsbesluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit: 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd."},{"i":3102,"b":"Besluit houdende benoeming en vaststelling vergoeding leden van de Adviescommissie udv-subsidies Gelet op [artikel 2.2.9, tweede lid, van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.2.9) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Te rekenen vanaf 1 juli 2015 worden voor een periode van zes maanden tot lid van de Adviescommissie udv-subsidies benoemd: - a. de heer drs. J.P.J. Lokker, te Bodegraven, tevens voorzitter; - b. de heer ir. J.T.G.M. Koolen, te Ell. Artikel 2 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie udv-subsidies wordt voor de periode, bedoeld in artikel 1, een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,026. 2. Aan de heer ir. J.T.G.M. Koolen van de Adviescommissie udv-subsidies wordt voor de periode, bedoeld in artikel 1, een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,026. Artikel 3 Met ingang van 1 juli 2016 worden voor een periode van zes maanden tot lid van de Adviescommissie udv-subsidies benoemd: - a. de heer drs. J.P.J. Lokker, te Bodegraven, tevens voorzitter; - b. de heer ir. J.T.G.M. Koolen, te Ell. Artikel 4 Het [Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en een lid van de Adviescommissie udv-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036163) (Stcrt. 2015, 915) wordt ingetrokken. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen."},{"i":1124,"b":"Instelling werkgroep fiscaal-technische herziening loon- en inkomstenbelasting Overwegende dat het wenselijk is de werkgroep fiscaal-technische herziening van de loon- en inkomstenbelasting in te stellen; Besluit: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een werkgroep fiscaal-technische herziening van de loon- en inkomstenbelasting. Artikel 2 1. De werkgroep heeft tot taak om op drie niveaus de loon- en inkomstenbelasting door te lichten. Het eerste niveau betreft het bestek van de huidige wetgeving. De werkgroep gaat na welke onvolkomenheden er binnen het bestek van de huidige wetgeving bestaan en draagt concrete voorstellen ter wegneming ervan aan. Het gaat hierbij om technische bijstellingen van bepaalde regelingen ten einde geconstateerde knelpunten in die regelingen weg te nemen, het aanbrengen van vereenvoudigingen en meer in algemene zin het bijschaven van de verschillende wettelijke regelingen ten einde tot een meer ‘elegante’ wetgeving te komen. Het tweede niveau betreft de strekking van de huidige wetgeving. De werkgroep gaat na welke onvolkomenheden er binnen de loon- en inkomstenbelasting bestaan in het licht van de beoogde strekking van deze wetten. In aanvulling hierop draagt de werkgroep concrete voorstellen aan waarmee het bestek van de wetgeving meer in overeenstemming kan worden gebracht met de beoogde strekking van de wetgeving. Bij dit tweede niveau kan primair worden gedacht aan hetgeen in het verleden ook wel werd aangeduid met het begrip ‘reparatiewetgeving’. Het derde niveau behelst de opzet van de loon- en inkomstenbelasting. Aan de werkgroep wordt gevraagd om voor een aantal deelterreinen concrete voorstellen aan te dragen ter verbetering en vereenvoudiging van de opzet van de loon- en inkomstenbelasting. Deze deelterreinen omvatten in elk geval: - diverse onderdelen uit de Bouwstenennotitie: - inkomsten uit vermogen, met inbegrip van de positie van de vermogensbelasting; - opties voor een loonsomheffing; - aftrekbare kosten; - reiskostenfor"},{"i":7132,"b":"Regeling vergoeding schade persoonlijk eigendom Gelet op [artikel 69, vijfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=69); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bevoegd gezag:** bevoegd gezag genoemd in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - b. **ambtenaar:** ambtenaar genoemd in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - c. **schade:** de waardevermindering van persoonlijk eigendom als gevolg van beschadiging of verlies; - d. **vervangingswaarde:** de prijs van een naar aard en kwaliteit aan het beschadigde eigendom gelijkwaardig nieuw product; - e. **restwaarde:** de waarde van een product waarbij rekening is gehouden met ouderdom en normale slijtage. Artikel 2 1. Het bevoegd gezag vergoedt schade aan persoonlijk eigendom van de ambtenaar die hij buiten zijn schuld lijdt ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst, voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage van die goederen en de ambtenaar niet op andere wijze aanspraak kan maken op geheel of gedeeltelijke vergoeding van de geleden schade. 2. In het geval dat persoonlijke eigendom wordt beschadigd tijdens woon-werkverkeer of buiten diensttijd, bestaat alleen aanspraak op een schadevergoeding indien er sprake is van een rechtstreeks verband met de dienstuitoefening. 3. Indien de schade is veroorzaakt door opzettelijk onrechtmatige dan wel opzettelijk wederrechtelijke of bewust roekeloze handelingen door de ambtenaar of indien de schade is veroorzaakt door grove nalatigheid van de ambtenaar, bestaat er geen aanspraak op schadevergoeding. Artikel 3 1. De hoogte van de schadevergoeding is gelijk aan de restwaarde van het beschadigde eigendom, met een minimum 25% van de vervangingswaarde. 2. In afwijking van het eerste lid w"},{"i":1018,"b":"Canadese voorschriften tot uitvoering van de op 27 mei 1986 tussen Nederland en Canada gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij het Protocol van 25 augustus 1997 Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: **Regeling inzake vermindering of vrijstelling van Canadese belasting op dividenden, interest, royalty's en sommige andere soorten van inkomsten genoten door inwoners van Nederland.** Besluit: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 27 mei 1986 tussen Nederland en Canada gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, en het Protocol bij die Overeenkomst, zoals deze Overeenkomst is gewijzigd bij het op 4 maart 1993 gesloten Protocol tot wijziging van de genoemde Overeenkomst en het op 25 augustus 1997 gesloten Protocol tot wijziging van de genoemde Overeenkomst, kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de gewijzigde Overeenkomst en onderdelen van het gewijzigde Protocol: - a. vermindering tot 15 percent van de Canadese belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Canada is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is ( artikel 10, tweede lid, onderdeel c ); - b. vermindering tot 5 percent van de Canadese belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Canada is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het ten minste 25 percent bezit van het kapitaal of onmiddellijk of middellijk ten minste 10 percent van het totale aantal stemmen van het Canadese lichaam beheerst ( artikel 10, tweede lid, onderdeel a, en a"},{"i":1022,"b":"Deense voorschriften tot uitvoering van de op 20 februari 1957 tussen Nederland en Denemarken gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting, zoals deze is gewijzigd bij de Aanvullende Overeenkomst van 20 januari 1966 Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Regeling inzake vermindering of vrijstelling van Deense belasting op dividenden, interest en royalty's, genoten door inwoners van Nederland Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 20 februari 1957 tussen Nederland en Denemarken gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en tot het vaststellen van regelen voor wederzijdse administratieve hulp met betrekking tot belastingen van inkomsten en van vermogen (Trb. 1957, nr. 52), zoals deze is gewijzigd bij de Aanvullende Overeenkomst van 20 januari 1966 (Trb. 1966, nr. 103), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. vermindering tot 15 percent van de Deense belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Denemarken is (artikel 9, paragraaf 2); - b. algehele vrijstelling van Deense belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Denemarken is aan een maatschappij die inwoner van Nederland is en die rechtstreeks tenminste 25 percent van het aandelenkapitaal bezit van het lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 9, paragraaf 3); - c. algehele vrijstelling van Deense belasting op interest, afkomstig uit Denemarken (artikel 10, paragraaf 1); - d. algehele vrijstelling van Deense belasting op royalty's (zijnde elke royalty of ander bedrag betaald als vergoeding voor het gebruik van of voor recht van gebruik van een auteursrecht, octrooi, model, geheim procédé of recept, handelsmerk of andere soortgelijke zaak, en voor het gebruik van nijverheids-, handels- of wetenschappelijke uitrusting,"},{"i":1147,"b":"Wet van 2 november 1995, tot inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan de Douanewet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de inwerkingtreding van de [Douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007632) te regelen en in verband daarmee de bestaande wetten inzake de douane in te trekken alsmede de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320), de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) en andere wetten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IA Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Vervallen Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIV Vervallen Artikel XV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVI Vervallen Artikel XVII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XXI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XXII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XXIIA Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XXIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Arti"},{"i":1135,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 4 juni 2025, nr. 2025-149559, houdende instelling van een externe commissie ter begeleiding van Onderzoek hersteloperatie toeslagen (Instellingsbesluit externe begeleidingscommissie Onderzoek hersteloperatie toeslagen) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a). **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Financiën; - b). **onderzoek:** Evaluatieonderzoek [Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436) en beleidsonderzoek hersteloperatie toeslagen waarvoor de Staatssecretaris opdracht heeft gegeven; - c). **begeleidingscommissie:** de externe begeleidingscommissie zoals bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051164&artikel=2&z=2025-07-02&g=2025-07-02); - d). **ambtelijke werkgroep:** ondersteunende werkgroep waarin ambtenaren van het Ministerie van Financiën plaatsnemen; - e). **externe onderzoeksbureau:** de uitvoerder van het onderzoek die via een inkoopprocedure wordt gekozen. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een begeleidingscommissie voor de begeleiding van het Onderzoek. 2. De begeleidingscommissie heeft tot taak: - a. gedurende de voorbereiding en looptijd van het Onderzoek met een onafhankelijke blik en vanuit eigen expertise, te adviseren en mee te denken over de opzet en uitvoering van het Onderzoek door het externe onderzoeksbureau. Het Onderzoek heeft een maximale looptijd van 4 jaar, met een einddatum tot 15 april 2029. - b. een appreciatie te geven van de tussenrapportages en het eindrapport. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De begeleidingscommissie bestaat uit een voorzitter en ten minste vier leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie onafhankelijk (en zonder beïnvloeding van derden) uit. 3. De voorzitte"},{"i":1148,"b":"Wet van 16 december 2010 tot vaststelling van de Wet invoeringswet fiscaal stelsel BES (Invoeringswet fiscaal stelsel BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in verband met de invoering en inwerkingtreding van de [Wet Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244), de [Wet Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236), de [Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281) en de [Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283) de aanpassing van enige wetten alsmede het overgangsrecht te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00:00 uur in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05:00 uur in het Europese deel van Nederland. Hoofdstuk I. Aanpassingen Artikel I [vervallen] Artikel II [vervallen] Artikel III Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel IV [vervallen] Artikel V Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VI Wijzigt de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Artikel VII [vervallen] Artikel VIII Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IX Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel X [vervallen] Artikel XI [vervallen] Artikel XII [vervallen] Artikel XIII [vervallen] Artikel XIV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Hoofdstuk II. Overgangsrecht en invoering fiscaal stelsel BES Hoofdstuk IIa. Wet inkomstenbelasting BES Hoofdstuk IIb. Wet loonbelasting BES Hoofdstuk IIc. [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) Hoofdstuk IId. [Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387) Hoofdstuk IIe. [Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304) Hoofdstuk"},{"i":989,"b":"Besluit vaststelling selectielijst zorgdrager Minister van Financiën werkprocessen Belastingdienst Toeslagen over periode 2004– Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘**Selectielijst voor de administratieve neerslag van de zorgdrager Minister van Financiën voor wat betreft de werkprocessen van de Belastingdienst Toeslagen over de periode 2004–**’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op: www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":984,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Belastingdienst / FIOD over de periode vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Gehoord de deskundige als bedoeld in [art. 3, eerste lid, onder d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de administratieve neerslag van de zorgdrager Minister van Financiën voor wat betreft de primaire werkprocessen van Belastingdienst/FIOD over de periode 1945–....’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":983,"b":"Besluit vaststelling percentage heffing scholing en vorming OR-leden bij de overheid 1996 Gelet op artikel 4, eerste lid, van het Besluit heffing scholing en vorming OR-leden bij de overheid 1996‐1997; Besluit: Artikel I Het percentage, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit heffing scholing en vorming OR-leden bij de overheid 1996‐1997 wordt voor het jaar 1996 vastgesteld op 0,061 procentpunt. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit kan worden aangehaald als het Besluit vaststelling percentage heffing scholing en vorming OR-leden bij de overheid 1996."},{"i":997,"b":"Besluit van 10 mei 2001, houdende vaststelling van het Besluit voorkoming dubbele belasting Nederland en Indonesië Op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 9 maart 2001, nr. IFZ 2001/141 M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken; Gelet op [artikel 37 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=37); De Raad van State gehoord (advies van 22 maart 2001, nr. W06.01.0136/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 3 mei 2001, nr. IFZ 2001/356 M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 2001. Artikel 1 Dit besluit verstaat onder de Overeenkomst de op 5 maart 1973 ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen naar het inkomen, met Protocol (Trb. 1973, 53, Trb. 1975, 21 en Trb. 1994, 118), zoals gewijzigd bij het op 22 juli 1991 ondertekende Protocol tot wijziging van de op 5 maart 1973 ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen naar het inkomen, met Protocol (Trb. 1991, 133 en Trb. 1994, 119), zoals dit Protocol nadien is gewijzigd bij het op 23 augustus 1993 ondertekende Protocol tot wijziging van het op 22 juli 1991 ondertekende Protocol tot wijziging van de op 5 maart 1973 ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen naar het inkomen (Trb. 1993, 136 en Trb. 1994, 120), zoals deze Overeenkomst is beëindigd per 1 januari 2001. Artikel 2 Ter voorkoming van dubbele belasting en ter voorkoming van het ontgaan van belasting met betrekking t"},{"i":1151,"b":"Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de invoering en inwerkingtreding te regelen van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en in verband daarmee enige wetten aan te passen alsmede het overgangsrecht te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De inwerkingtredingsdatum voor art. I (hfd. 2) is gewijzigd bij Stb. 2000/570. Hoofdstuk 1. Aanpassingen Afdeling A. Ministerie van Financiën Artikel I. [Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939) Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Artikel II. [Successiewet 1956](onbekend) Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel III. Wet op de herkapitalisatie 1957 De Wet op de herkapitalisatie 1957 wordt ingetrokken. Artikel IV. [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel V. [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI. [Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515) Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VII. [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VIII. [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IX. [Conjunctuurwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002738) Wijzigt de Conjunctuurwet. Artikel X. [Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740) Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artike"},{"i":1136,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 4 december 2025, kenmerk 2025-0000596560, houdende instelling van een externe commissie ter begeleiding van de Periodieke Rapportage Toeslagen Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Financiën; - b. **de Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Financiën – Herstel en Toeslagen; - c. **Onderzoek:** Periodieke Rapportage Toeslagen, waarvoor de DG Fiscale Zaken en DG Toeslagen opdracht hebben gegeven; - d. **De commissie:** de externe begeleidingscommissie zoals bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051928&artikel=2&z=2025-12-10&g=2025-12-10); - e. **Ambtelijke werkgroep:** ondersteunende werkgroep waarin ambtenaren van het Ministerie van Financiën plaatsnemen; - f. **Extern onderzoeksbureau:** Het onderzoek wordt uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau dat via een inkoopprocedure wordt gekozen. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een commissie ter begeleiding van de Periodieke Rapportage Toeslagen. 2. De commissie heeft tot taak: - a). De commissie bestaat uit drie leden die gedurende de looptijd van het onderzoek met een onafhankelijke blik en vanuit eigen expertise, adviseren en meedenken over de opzet en uitvoering van het onderzoek. - b). De commissie geeft vanuit de verschillende expertises gevraagd en ongevraagd advies aan de ambtelijke werkgroep en aan het externe onderzoeksbureau. De commissie reageert op tussenrapporten van het onderzoek. De ambtelijke werkgroep draagt zorg voor het doorgeleiden van de adviezen en reacties van de commissie naar het externe onderzoeksbureau. - c). Ten minste één van de betrokken onafhankelijk deskundigen van de commissie schrijft een oordeel over de kwaliteit van het onderzoek door het externe onderzoeksbureau, en geeft een toelichting op"},{"i":959,"b":"Besluit van het Productschap Tuinbouw van 27 november 2002, houdende de vaststelling van de percentages van de heffingen groenten en fruit voor het jaar 2003 (Besluit PT heffing groenten en fruit 2003) gelet op [artikel 3, derde en vierde lid, van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013847&artikel=3); gelet op [artikel 3, vijfde lid, van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014037&artikel=3); gelet op [artikel 3, vijfde lid, van de Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013838&artikel=3); gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Verordening PT heffing verduurzaamde groenten en fruit 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013840&artikel=4); gehoord de sectorcommissie Groenten en Fruit d.d. 7 november 2002; BESLUIT De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. Voor de in [artikel 3, tweede lid van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013847&artikel=3) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2003 als volgt vastgesteld: | a. | glasgroenten: | 0,510% | | --- | --- | --- | | b. | vollegrondsgroenten: | 0,760% | | | - aardbeien: | 0,610% | | c. | fruit: | 0,160% | | d. | champignons: | 0,175% | | | - overige paddestoelen: | 0,055% | | e | uitgangsmateriaal: | 0,080% | | | - witlofpennen: | 0,600% | 2. Het in [artikel 3, vierde lid van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013847&artikel=3) (de korting kwaliteitscontrole ingeval van contractteelt) genoemde percentage, wordt voor het jaar 2003 vastgesteld op: 0,090%. Artikel 2 1. Het in [artikel 3, derde lid van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2003](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":970,"b":"Besluit toepassing voorschriften internationaal belastingrecht in de winstsfeer **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat mijn uitleg van voorschriften die zijn opgenomen in belastingverdragen, het besluit voorkoming dubbele belasting 2001 en bepaalde artikelen in de Nederlandse heffingswetten in situaties die in de uitvoeringspraktijk ter zake van de belastingheffing in de winstsfeer zijn voorgelegd.** **Een aantal van de hierin opgenomen standpunten is ontleend aan het ingetrokken besluit van 16 november 2004, nr. IFZ 2004/828M.** **Tot slot is in onderdeel 2.8.1 van dit besluit verwerkt onderdeel 4 van het besluit van 4 april 2008, nr. IFZ2008/52M. Dat besluit wordt ingetrokken, omdat de andere onderdelen ervan hun belang hebben verloren.** 1. Inleiding Dit besluit betreft mijn uitleg van bepalingen ter voorkoming van dubbele belasting en dubbele niet-heffing in situaties die bij de belastingheffing in de winstsfeer in de uitvoeringspraktijk zijn voorgelegd. Het gaat daarbij om de toepassing van de door Nederland gesloten belastingverdragen, de in relatie met de andere landen van het Koninkrijk geldende regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, en relevante bepalingen die zijn opgenomen in de Nederlandse regelgeving waaronder het [Besluit voorkoming dubbele belasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012095). De in dit besluit opgenomen vragen en antwoorden zijn thematisch gerangschikt, met als hoofdindeling: belastingverdragen, waaronder de [Belastingregeling Nederland Curaçao](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037077) (Hoofdstuk 2), het [Besluit voorkoming dubbele belasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012095) (Hoofdstuk 3), de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) en de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) (Hoofdstuk 4) en de [Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overh"},{"i":1060,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 18 december 2007, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de sector zaaizaden van granen, peulvruchten en andere gewassen in Nederland voor het jaar 2008 (Heffingsverordening GZP fonds zaaizaad van granen, peulvruchten en andere gewassen jaar 2008) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126, eerste en vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=8) en [19 van het Instellingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=19); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | a. productschap: | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | | b. secretaris: | secretaris van het productschap; | | c. ondernemer: | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | d. granen: | de gewassen wintertarwe, zomertarwe, winterrogge, zomerrogge, wintergerst, zomergerst, haver, triticale, kanariezaad en boekweit; | | e. peulvruchten: | de gewassen veldbonen, landbouwstambonen, ronde groene erwten, gele erwten, schokkers, kapucijners en rozijn- of grauwe erwten; | | f. andere gewassen: | de gewassen olievlas, winterkoolzaad, blauwmaanzaad, karwij, mosterdzaad, raapzaad (Brassica rapa var. silvestris), zomerkoolzaad (Brassica napus var. napus); | | g. omzet: | de financiële jaaromzet behaald over zaaizaad van de producten, genoemd onder d, e en f, exclusief de rechten verkregen uit licenties uit het buitenland. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer, die in het jaar 2008 werkzaamheden verricht in het kweekbedrijf voor zaaizaad van granen, peulvruchten en andere gewassen en/of met betrekking tot de be- en verwerking en/of met betrekking tot het in de handel brengen van zaaizaad van granen, peulvrucht"},{"i":5649,"b":"Besluit van het dagelijks bestuur van de Sociaal-Economische Raad van 19 december 2003 tot vantoepassingverklaring van afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht op door de Raad per boekjaar aan rechtspersonen verstrekte subsidies (Subsidiebesluit SER) Gelet op [artikel 51 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](onbekend) en [artikel 4:58 van de Algemene wet bestuursrecht](onbekend); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: | dagelijks bestuur: | het dagelijks bestuur van de Sociaal-Economische Raad; | | --- | --- | | Raad: | de Sociaal-Economische Raad; | | Awb: | de [Algemene wet bestuursrecht](onbekend). | Artikel 2 Op door de Raad per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen is [afdeling 4.2.8 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.8) van toepassing, met inachtneming van de navolgende bepalingen. Artikel 3 De algemeen secretaris van de Raad is toezichthouder als bedoeld in [artikel 4:59 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:59). De algemeen secretaris kan medewerkers van de Raad mandateren namens hem als toezichthouder op te treden. Artikel 4 De aanvraag van de subsidie wordt vóór 1 september ingediend bij het dagelijks bestuur. Artikel 5 De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het dagelijks bestuur voor het verrichten van de rechtshandelingen, genoemd in [artikel 4:71 van de Awb](onbekend). Artikel 6 Bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie een jaarrekening overlegt in plaats van een financieel verslag. Artikel 7 [Artikel 4:78 van de Awb](onbekend) is niet van toepassing op de subsidie die is verstrekt aan een provincie ten behoeve van een provinciaal overleg- en adviesorgaan dat in publiekrechtelijke zin deel uitmaakt van die provincie. Artikel 8 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin het wordt g"},{"i":6418,"b":"Besluit van 19 december 2006, houdende aanpassing van het Besluit fiscale eenheid 2003 mede in verband met de Wet werken aan winst Op de voordracht van Onze minister van Financiën van 20 november 2006, nr. DB 2006-00615M; Gelet op [artikel 15, vierde en tiende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15); De Raad van State gehoord (advies van 30 november 2006, no. W06.06.0506/IV); Gezien het nader rapport van Onze minister van Financiën van 15 december 2006, nr. DB 2006-00648 U; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit fiscale eenheid 2003. Artikel II Indien voor 1 januari 2006 met betrekking tot een deelneming een afwaarderingsverlies als bedoeld in [artikel 13ca van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ca), zoals dat artikel luidde op 31 december 2005, in aanmerking is genomen, blijft [artikel 35, vierde lid, van het Besluit fiscale eenheid 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014483&artikel=35), zoals dit luidde op 31 december 2005, van toepassing met betrekking tot dat afwaarderingsverlies. Artikel III De [artikelen 17, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014483&artikel=17), [18, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014483&artikel=18), [31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014483&artikel=31), [39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014483&artikel=39), en [40, derde lid, van het Besluit fiscale eenheid 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014483&artikel=40), zoals deze luidden op 31 december 2006, blijven van toepassing op rente, bedoeld in [artikel 15ad, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15ad) zoals dat luidde op 31 december 2006, waarop [artikel VIIIc van de Wet werken aan winst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020645&artikel=VIIIc) van t"},{"i":1070,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 18 december 2007, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van inlands graan in Nederland voor het jaar 2008 (Heffingsverordening GZP inlands graan jaar 2008) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 eerste en vierde lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=8) en [19 van het Instellingsbesluit akkerbouwproductschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=19); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap: | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | | secretaris: | secretaris van het productschap; | | ondernemer: | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | graan: | tarwe, gerst, rogge en haver. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer is verplicht over de hoeveelheden inlands graan, met uitzondering van gerst, welke hij in het jaar 2008 verwerkt of in loon laat verwerken tot producten, welke al dan niet na verdere be- of verwerking voor menselijke consumptie kunnen dienen, met uitzondering van de hoeveelheden, welke hij in opdracht en voor rekening van telers verwerkt, aan het productschap een heffing te betalen van € 0,12 per ton verwerkte hoeveelheid graan. 2. De ondernemer is verplicht over de hoeveelheden inlands gerst, welke hij in het jaar 2008 verwerkt of in loon laat verwerken tot producten, welke al dan niet na verdere be- of verwerking voor menselijke consumptie kunnen dienen, met uitzondering van de hoeveelheden, welke hij in opdracht en voor rekening van telers verwerkt, aan het productschap een heffing te betalen van € 0 per ton verwerkte hoeveelheid gerst. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde heffing wordt vastgesteld op basis va"},{"i":1067,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 4 november 2004, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van inlands graan in Nederland voor het jaar 2005 (Heffingsverordening GZP inlands graan jaar 2005) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 eerste en vierde lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=8) en [19 van het Instellingsbesluit akkerbouwproductschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=19); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | --- | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | ondernemer | : | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | graan | : | tarwe, gerst, rogge en haver. | § 2. Heffing Artikel 2 l. De ondernemer is verplicht over de hoeveelheden inlands graan, met uitzondering van gerst, welke hij in het jaar 2005 verwerkt of in loon laat verwerken tot producten, welke al dan niet na verdere be- of verwerking voor menselijke consumptie kunnen dienen, met uitzondering van de hoeveelheden, welke hij in opdracht en voor rekening van telers verwerkt, aan het productschap een heffing te betalen van € 0,12 per ton verwerkte hoeveelheid graan. 2. De ondernemer is verplicht over de hoeveelheden inlands gerst, welke hij in het jaar 2005 verwerkt of in loon laat verwerken tot producten, welke al dan niet na verdere be- of verwerking voor menselijke consumptie kunnen dienen, met uitzondering van de hoeveelheden, welke hij in opdracht en voor rekening van telers verwerkt, aan het productschap een heffing te betalen van € 0 per ton verwerkte hoeveelheid gerst. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde heffing wordt vastge"},{"i":1295,"b":"Regeling heffing lichte olie, halfzware olie en gasolie 1994 Gelet op [artikel XI, zesde lid, van de Wet van 24 december 1993 tot wijziging van een aantal belastingwetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006376&artikel=XI) en van de [Wet Infrastructuurfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006001) in het kader van het belastingplan 1994; Besluit: Artikel I 1. In de aangifte voor de heffing van lichte olie, halfzware olie en gasolie, bedoeld in [artikel XI, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de Wet van 24 december 1993 tot wijziging van een aantal belastingwetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006376&artikel=XI) en van de [Wet Infrastructuurfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006001) in het kader van het belastingplan 1994 worden de volgende gegevens vermeld: - a. de naam, het adres en de aard van het bedrijf van de aangever; - b. een nauwkeurige aanduiding van de plaats of plaatsen waar de lichte olie, halfzware olie of gasolie zich bevinden; - c. de hoeveelheid lichte olie, halfzware olie en gasolie per plaats; - d. de stand van het telwerk indien een voorraadtank is verbonden met een pompinstallatie met telwerk; - e. het bedrag aan belasting. 2. De aangifte wordt gedaan in tweevoud. Artikel II De belasting wordt overeenkomstig de aangifte voldaan uiterlijk 31 januari 1994. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1994."},{"i":1011,"b":"Bijstellingsregeling directe belastingen 2026 Gelet op de [artikelen 10.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1), [10.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2a), [10.2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2b), [10.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.3), [10.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6), [10.6bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6bis), [10.6ter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6ter), [10.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6b), [10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.7) en [10bis.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.12), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=2), [12a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=12a), [18a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18a), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18d), [31a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31a), [32ba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32ba), [32bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32bb) en [38q van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=38q), [artikel 10 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10), [artikel 35a van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35a), de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=7) en [26a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=26a), [artikel 8 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645&artikel=8), de [artikelen 10aa](https://wetten.ov"},{"i":12273,"b":"Besluit Gedragscode Slimme meters Gelet op [artikel 25 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=25) (Stb. 2000, 302), Gezien het schriftelijke verzoek van 14 november 2011 van Netbeheer Nederland tot het afgeven van een verklaring als bedoeld in [artikel 25, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=25) (Wbp) met betrekking tot de Gedragscode Verwerking van Persoonsgegevens door Netbeheerders in het kader van Installatie en Beheer van Slimme Meters bij Kleinverbruikers (verder: de Gedragscode), Overwegende ten aanzien van de representativiteit: Dat Netbeheerders Nederland kan worden aangemerkt als voldoende representatief voor de sector van Nederlandse netbeheerders, die een wettelijke verantwoordelijkheid dragen voor de fysieke infrastructuur van energielevering waaronder begrepen de installatie en het beheer van op afstand uitleesbare meters bij kleinverbruikers, en dat deze sector in de Gedragscode voldoende nauwkeurig is omschreven, Overwegende dat de Gedragscode: Op onderdelen een nadere uitwerking van, dan wel aanvulling op, de materiele bepalingen van de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) vormt, Een afbakening bevat van de reikwijdte van de Gedragscode, Een juiste omschrijving van de gebruikte definities hanteert, Aangeeft voor welke doeleinden persoonsgegevens door de netbeheerders mogen worden verwerkt en welke grondslag voor de verschillende doeleinden wordt gehanteerd, Een duidelijke omschrijving bevat van de doeleinden die door de netbeheerders worden nagestreefd en de beperkingen die hieraan zijn verbonden, Voorschrijft dat slechts die medewerkers van de netbeheerders persoonsgegevens mogen verwerken indien dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van hun taken, Aangeeft dat de persoonsgegevens die worden verwerkt accuraat, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig mogen"},{"i":973,"b":"Besluit tot vaststelling tijdstip uiterste aanvraagdatum aanvullende compensatie of tegemoetkoming voor werkelijke schade Wet hersteloperatie toeslagen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 5 februari 2026, nr. 2026-0000032995; Gelet op [artikel 6.1, eerste lid en lid 3a, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=6.1); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig 1. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=6.1), wordt bepaald op 1 april 2026. 2. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 6.1, lid 3a, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=6.1), wordt bepaald op 1 oktober 2025. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1082,"b":"Inkomstenbelasting, aanwijzing bezwaren tegen het vanaf 1 oktober 2020 in rekening gebrachte percentage belastingrente inkomstenbelasting en enige overige middelen als massaal bezwaar **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** In dit besluit wijs ik aan als massaal bezwaar als bedoeld in [artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=25c) (hierna: AWR) de bezwaren tegen de belastingrente die vanaf 1 oktober 2020 in rekening is gebracht voor de inkomstenbelasting, en de erfbelasting, loonbelasting, dividendbelasting, omzetbelasting, overdrachtsbelasting, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, de accijns, de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en de in [artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=1) genoemde belastingen (hierna: overige middelen), voor zover die bezwaren het percentage van de belastingrente betreffen dat op grond van [artikel 30hb AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=30hb) in samenhang met [artikel 1, onderdeel a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043680&artikel=1) (hierna: Besluit BIR), dan wel, met ingang van 1 januari 2024, in samenhang met artikel 1, eerste lid, van het Besluit BIR geldt. 1. Inleiding Bij uitspraak van 7 november 2024 heeft de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat [artikel 1, onderdeel b, van het Besluit BIR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043680&artikel=1) zoals dat luidde van 1 januari 2022 tot 1 januari 2024 onverbindend moet worden verklaard.1Rb. Noord-Nederland 7 juli 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361. De onverbindendverklaring betrof het hogere belastingrentepercentage (van 8 procent) voor de vennootschapsbelasting en enige andere middelen. Met toepassing van [artikel 28, derde lid, AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=28) is namens mij op 1"},{"i":13510,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en de Minister voor Jeugd en Gezin van 16 augustus 2010, nr. DDS 5663593, houdende instelling van de Commissie onderzoek seksueel misbruik van minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid in instellingen zijn geplaatst (Instellingsbesluit Commissie Samson) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Ministers:** de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **de Commissie:** de Commissie onderzoek seksueel misbruik van minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid in instellingen zijn geplaatst. Artikel 2. Instelling Er is een Commissie onderzoek seksueel misbruik van minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid in instellingen zijn geplaatst. Artikel 3. Taak De Commissie heeft tot taak onderzoek te doen naar: - a. signalen van seksueel misbruik van minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in (rijks)instellingen en pleeggezinnen; - b. bekendheid bij de overheid van signalen als bedoeld onder a; - c. de reactie van de overheid op signalen als bedoeld onder a; - d. huidige mechanismen voor signalering van seksueel misbruik van minderjarigen als bedoeld onder a. Artikel 4. Samenstelling 1. De Commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zeven andere leden. 2. De leden van de Commissie worden benoemd op grond van de deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028140&artikel=3&z=2012-03-22&g=2012-03-22) genoemde taken. 3. De leden van de Commissie worden op eigen aanvraag door de Ministers tussentijds ontslagen. 4. De leden kunnen voorts door de Ministers worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende grond"},{"i":974,"b":"Besluit van 19 december 2000 tot verlenging van de vrijstelling accijns voor de binnenvaart Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 14 november 2000, nr. WV2000/775 M, directoraat-generaal voor Fiscale Zaken, directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Gelet op [artikel XIV van de Wet van 17 december 1998, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1999)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010137&artikel=XIV) (Stb. 725) en [artikel 37c van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=37c); De Raad van State gehoord (advies van 7 december 2000, nr. W06.00.0526/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 14 december 2000, nr. WV2000/842U, directoraat-generaal voor Fiscale Zaken, directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I De vrijstelling, bedoeld in [artikel XIV van de Wet van 17 december 1998, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1999)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010137&artikel=XIV) (Stb. 725), wordt verlengd tot 1 januari 2003. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":978,"b":"Besluit van de Raad van 23 juni 2008 betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot het Verdrag van 23 juli 1990 ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (2008/492/EG) De Raad van de Europese Unie, Gelet op de Toetredingsakte van 2005, en met name op artikel 3, lid 4, Gezien de aanbeveling van de Commissie, Gezien het advies van het Europees Parlement, Overwegende hetgeen volgt: Het [Verdrag 90/436/EEG van 23 juli 1990 ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002893) (hierna „het Arbitrageverdrag” genoemd) is op 23 juli 1990 in Brussel ondertekend en op 1 januari 1995 in werking getreden. Het [Arbitrageverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002893) is gewijzigd bij een protocol, dat op 25 mei 1999 is ondertekend en op 1 november 2004 in werking is getreden, het Verdrag van 21 december 1995 dat op 21 december 1995 is ondertekend en het Verdrag van 8 december 2004 dat op 8 december 2004 is ondertekend. In artikel 3, lid 3, van de Toetredingsakte van 2005 is bepaald dat Bulgarije en Roemenië toetreden tot de in bijlage I van de Toetredingsakte van 2005 opgesomde verdragen, overeenkomsten en protocollen tussen de lidstaten. Die bijlage, zoals aangevuld bij Besluit 2008/493/EG van de Raad van 23 juni 2008 houdende wijziging van bijlage I bij de Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië, bevat tevens het Arbitrageverdrag, het op 25 mei 1999 ondertekende protocol, het Verdrag van 21 december 1995 en het Verdrag van 8 december 2004. Deze verdragen, overeenkomsten en protocollen dienen ten aanzien van Bulgarije en Roemenië in werking te treden op de door de Raad bepaalde data. Overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de Toetredingsakte van 2005 moet de Raad de ingevolge de toetreding vereiste aanpassingen in deze verdragen, overeenkomsten en protocollen aanbrengen, Besluit: Artikel 1 Wijzigt het Verdrag te"},{"i":1071,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 7 november 2002, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van inlandse tarwe in Nederland voor het jaar 2003 (Heffingsverordening GZP inlandse tarwe jaar 2003) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 eerste en vierde lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 5](onbekend), [6](onbekend) en [7 van de Instellingsverordening akkerbouwproductschappen 1997](onbekend); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | --- | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | ondernemer | : | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer is verplicht over de hoeveelheden inlandse tarwe, welke hij in het jaar 2003 verwerkt of in loon laat verwerken tot producten, welke al dan niet na verdere be- of verwerking voor menselijke consumptie kunnen dienen, met uitzondering van de hoeveelheden, welke hij in opdracht en voor rekening van telers verwerkt, aan het productschap een heffing te betalen van € 0,45 per 1.000 kg tarwe. 2. De onderneming is verplicht binnen 10 dagen na afloop van ieder kwartaal door middel van een hiertoe dienend opgavenformulier aan het productschap naar waarheid gegevens te verstrekken ten behoeve van de vaststelling van de heffing, bedoeld in het eerste lid. De [Verordening Algemene Bepalingen GZP 1980](onbekend) is hierbij van toepassing. 3. Ook wanneer in een bepaalde periode geen activiteiten hebben plaatsgevonden dient een opgave te worden gedaan. Artikel 3 De ingevolge deze verordening geïnde heffingen zijn bestemd voor het fonds wetenschappelijk onderzoek en voorlichting inlandse granen ter financiering van werkzaamheden, welke z"},{"i":1194,"b":"Omzetbelasting, beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen; bijzonder overheidstoezicht **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 22 maart 2019, nr. 2019-42405 (** **Stcrt. 2019, nr. 17208** **). Actualisering is nodig vanwege jurisprudentie van de Hoge Raad waarin een ruimere uitleg is gegeven van bijzonder overheidstoezicht dan in dit besluit werd gehanteerd.1HR 4 december 2020, nr. 18/03680, ECLI:NL:HR:2020:1914 en nr. 19/01553, ECLI:NL:HR:2020:1921. Verder zijn enkele redactionele aanpassingen doorgevoerd. Daarmee zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.** 1. Inleiding Dit besluit bevat een toelichting op het begrip bijzonder overheidstoezicht. Dat begrip is door het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemd als één van de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling als bedoeld in artikel 135, lid 1, punt g, van de btw-richtlijn, en daarmee ook voor [artikel 11, eerste lid, onderdeel i, 3°, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) (het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens). 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Juridisch kader In [artikel 11, eerste lid, onderdeel i, 3°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) is een vrijstelling opgenomen voor het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens. Deze vrijstellingsbepaling is gebaseerd op de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen van artikel 135, lid 1, punt g, van de btw-richtlijn. In dit besluit wordt in het licht van de vrijstellingen gesproken over ‘gemeenschappelijk beleggingsfonds’, welke term ‘door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens’ omvat. De vrijstelling geldt alleen voor het beheer va"},{"i":1202,"b":"Omzetbelasting, landbouw De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 20 december 2013, nr. BLKB 2013/2253M. Het besluit is geactualiseerd met als voornaamste reden het afschaffen van de btw-landbouwregeling (hierna: landbouwregeling) per 1 januari 2018. In onderdeel 1.2 (nieuw) wordt gemotiveerd aangegeven welke onderdelen zijn vervallen of aangepast en welke onderdelen zijn geactualiseerd. Onderdeel 2 (nieuw) wordt in overleg met de branche nog bezien.** 1. Inleiding Tot 1 januari 2018 was in [artikel 27 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=27) de landbouwregeling opgenomen. Dit was een bijzondere regeling die beoogde landbouwers buiten de heffing van omzetbelasting te laten. Met ingang van 1 januari 2018 is de landbouwregeling afgeschaft1Wet afschaffing van de btw-landbouwregeling, Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34 787. Tot 1 januari 2018 was in [artikel 27 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=27) de landbouwregeling opgenomen. Dit was een bijzondere regeling die beoogde landbouwers buiten de heffing van omzetbelasting te laten. Met ingang van 1 januari 2018 is de landbouwregeling afgeschaft1Wet afschaffing van de btw-landbouwregeling, Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34 787. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen Dit besluit bevat de volgende wijzigingen ten opzichte van het [besluit van 20 december 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034583), nr. BLKB2013/2253. 2. Veilingen 2. Veilingen In [artikel 3, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3) is bepaald dat goederen die over een veiling worden verhandeld, geacht worden aan en vervolgens door de houder van de veiling te zijn geleverd. In [artikel 3, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artik"},{"i":1203,"b":"Omzetbelasting, margeregeling; regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 4 juli 2007, nr. CPP2007/948M. Actualisering is onder meer nodig vanwege wijzigingen in wetgeving en jurisprudentie. Verder is een bestaand besluit verwerkt en zijn enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd. Zie ook onderdeel 1.2.** 1. Inleiding De [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) bevat een bijzondere regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, de zogenoemde margeregeling. Deze regeling voorkomt cumulatie van btw als goederen die al eerder zijn geleverd aan een niet-aftrekgerechtigde afnemer, terugkeren in het handelscircuit. Zonder de margeregeling zou bij wederverkoop opnieuw belasting geheven worden over de gehele vergoeding, terwijl in die vergoeding een restant van de eerder geheven btw is begrepen. De margeregeling houdt in dat bij de levering van deze goederen de leverancier alleen btw verschuldigd is over zijn winstmarge. Uitgangspunt is dat de winstmarge per individueel goed wordt bepaald. Deze methode en de algemene regels van de margeregeling komen in hoofdstuk 3 aan de orde. In sommige bedrijfstakken is het ondoenlijk of zeer moeilijk om goederen individueel van inkoop tot verkoop te volgen. In die gevallen wordt de winstmarge per tijdvak vastgesteld (de zogenoemde globalisatieregeling). Deze globalisatieregeling komt in hoofdstuk 4 aan de orde. In de daarop volgende hoofdstukken wordt achtereenvolgens aandacht besteed aan: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 23 december 2024, nr. 2024-31004 (Stcrt. 2024, 38768). De wijziging betrof de verwerking van de wijziging van de margeregeling voor kunstvoorwerpen, voorwerpen voor ve"},{"i":6394,"b":"Besluit van 19 juni 2007, houdende wijziging van het Besluit beheer autowrakken in verband met een verbetering van de implementatie van richtlijn nr. 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269), alsmede in verband met een rechterlijke uitspraak, en wijziging van het Besluit beheer autobanden in verband met verbetering van de handhaafbaarheid en vermindering van lasten (verbetering regels autowrakken en autobanden) Artikel I Wijzigt het Besluit beheer autowrakken. Artikel II Wijzigt het Besluit beheer autobanden. Artikel III Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat op 1 juli 2009 de voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit verleende vergunningen voor inrichtingen als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van het Besluit beheer autowrakken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013707&artikel=5) aan dit besluit voldoen. Artikel IV 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2007. 2. In afwijking van het eerste lid, treedt [artikel I, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022132&artikel=I&z=2007-10-01&g=2007-10-01), van dit besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt dat onderdeel terug tot en met 31 december 2006. Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 april 2007, nr. DJZ2007015948, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [richtlijn nr. 2000/53/EG](32000L0053) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269), de [artikelen 8.45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.45) en [10.15 tot en met 10.18 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.15) en [artikel 21.8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.8) voor zover het betref"},{"i":1329,"b":"Regeling Tarief Uitleen 11-01 De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg) **gegeven de inhoud van:** de Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven extramurale zorg 2011, met nummer CA-300-459. **en gelet op:** [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 52, vijfde lid, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) **besloten:** dat rechtsgeldig **door:** zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, onder 1 en 2 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1), die zijn toegelaten voor de functie Uitleen van verpleegartikelen als omschreven in het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149). Vanaf 1 januari 2011 tot 1 januari 2012 Tarief uitlening Uitleen verpleegartikelen in rekening mag worden gebracht. Het tarief is te downloaden van de website www.nza.nl"},{"i":1206,"b":"Omzetbelasting, reikwijdte VAVO-arrest bij samenwerkingen **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** 1. Inleiding De Hoge Raad heeft op 22 januari 2016 het zogenoemde VAVO-arrest gewezen.1Hoge Raad 22 januari 2016, nr. 14/02281, ECLI:NL:HR:2016:83. In het arrest oordeelde de Hoge Raad voor de situatie dat twee onderwijsinstellingen in samenwerking vrijgesteld onderwijs aanboden, onderwijsondersteunende diensten onderdeel kunnen zijn van de btw-vrijgestelde onderwijsprestatie die iedere onderwijsinstelling verricht in het kader van de samenwerking.2Daarbij blijft in het midden of de samenwerking voor de btw geldt als een zelfstandig ondernemer. Het arrest ziet op de toepassing van het zogenoemde leerstuk ‘eenheid van prestatie’. In dit besluit wordt nader ingegaan op de reikwijdte van het arrest. De toepassing van het leerstuk ‘eenheid van prestatie’ is niet beperkt tot de onderwijssector. 2. Toepassing van het VAVO-arrest Het bijzondere van het VAVO-arrest is dat het leerstuk ‘eenheid van prestatie’ in de in het arrest beschreven situatie van toepassing wordt geacht op de bijkomstige prestaties die de gezamenlijke uitvoering dienen van de van btw vrijgestelde hoofdprestatie. Voor deze toepassing van het VAVO-arrest geldt het volgende: Ondersteunende werkzaamheden die worden verricht door een deelnemer gaan niet in alle gevallen op in de btw-vrijgestelde prestatie die in samenwerking wordt verricht. Steeds moet een feitelijke beoordeling plaatsvinden op basis van het leerstuk ‘eenheid van prestatie’ bij ieder van de deelnemers. Het betreft een zeer feitelijke toets: ieder beroep op het VAVO-arrest moet op zijn eigen fiscale merites worden beoordeeld aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Als één van de deelnemers bijvoorbeeld alleen ondersteunende werkzaamheden (tegen vergoeding) verricht die nodig zijn voor de hoofdprestatie die door een andere deelnemer in de samenwerking wordt verricht, gaan deze werkzaamheden"},{"i":1207,"b":"Omzetbelasting, teruggaaf van omzetbelasting bij kortingen in verband met de tijdelijke toepassing verlaagd btw-tarief voor energie **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat een goedkeuring voor de teruggaaf van belasting op grond van artikel 29 van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met verleende kortingen bij de levering van energie.** 1. Inleiding Bij de levering van energie komt het voor dat leveranciers van energie zogenoemde welkomst- of overstapkortingen verlenen aan afnemers bij het afsluiten van leveringscontracten. De afwikkeling van deze kortingen vindt in de praktijk op verschillende momenten plaats.1Ook de manier van afwikkeling wisselt: te denken valt aan uitbetaling aan de consument of verrekening met een betalingsverplichting (voorschotbetaling, jaar- of eindafrekening). Kortingen kunnen bijvoorbeeld worden verleend: Voor kortingen of prijsverminderingen vanwege de levering van energie ontstaat een recht op teruggaaf van omzetbelasting ([artikel 29 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=29)) als die prijsverminderingen rechtstreeks verband houden met de over een periode geleverde of nog te leveren energie. Het is voor energiebedrijven gebruikelijk om contractueel te bepalen voor welke energieleveranties en op welke periode(n) de prijsvermindering van toepassing zijn, ongeacht of de korting vooraf of achteraf wordt verleend. Van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022 geldt tijdelijk het verlaagde btw-tarief (9%) voor de levering van (1) aardgas dat wordt geleverd via een op het grondgebied van de Unie gesitueerd aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net, (2) stadsverwarming via een warmtenet en (3) elektriciteit die wordt geleverd via het elektriciteitsnet. Buiten de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022 geldt het algemene btw-tarief (21%) voor die prestaties. Indien kortingen contractueel (mede) zien op een"},{"i":1326,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 29 oktober, nr. 5191527/802 houdende vaststelling van het tarief voor afgifte van expedities of uittreksels van de tot het register van de gerechtsdeurwaarder behorende stukken gelet op [artikel 18, tweede lid van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=18), Besluit: Artikel 1 1. De kosten, bedoeld in [artikel 18, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=18), bedragen: € 9,53. 2. Het in het eerste lid genoemde bedrag geldt tot en met 31 december 2026 en wordt jaarlijks met ingang van 1 januari door Onze Minister gewijzigd overeenkomstig de indexeringsformule die in [artikel 14 van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012638&artikel=14) is opgenomen. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 20 juni 2002 tot wijziging van de Gerechtsdeurwaarders en enkele andere wetten in verband met enige technische aanpassingen in werking treedt. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tarief afgifte expedities en afschriften. Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1210,"b":"Omzetbelasting, vrijstelling; artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel g, onder 1°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is aangepast naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2015 en de uitspraak van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch van 11 september 2015. Er zijn ook enkele tekstuele wijzigingen aangebracht.** 1. Inleiding Over de reikwijdte van [artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel g, onder 1°, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) is in de afgelopen periode door verschillende rechterlijke instanties uitspraak gedaan. Dit geeft mij aanleiding om over de toepassing van deze vrijstellingsbepaling nadere aanwijzingen te geven. Die aanwijzingen zijn in de hiernavolgende onderdelen van het besluit opgenomen. In de onderdelen 5 en 7 zijn geen wijzigingen aangebracht. De onderdelen 8 en 9 betreffen het bij dit besluit ingetrokken beleidsbesluit respectievelijk de inwerkingtreding van dit besluit. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen De vrijstelling van btw voor (para)medische diensten is opgenomen in [artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel g, onder 1°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11). Dit artikel is gebaseerd op artikel 132, lid 1, punten c, e en p, van de btw-richtlijn. 3. De gezondheidskundige verzorging van de mens door beroepsbeoefenaren die onder de [Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) vallen Op grond van de tekst van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) en, in het verlengde daarvan, de [Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) is de vrijstelling van toepassing als aan de volgende criteria is voldaan: 3.1. Gezondheidskundige verzorging van de mens De reikwijdte van de vrijstellingsbepaling is beperkt tot diensten die bestaan in de gezondheidskundige verzorgi"},{"i":1211,"b":"Omzetbelasting, vrijstelling; artikel 11, eerste lid, onderdeel w, van de Wet op de omzetbelasting 1968, bemiddeling bij gastouderopvang Dit besluit behandelt de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 2 november 2007, nr. 37 137. Dit besluit bevat een goedkeuring voor bemiddeling door gastouderbureaus die niet zelf ook daadwerkelijke kinderopvang verzorgen. 1. Inleiding 2. Juridisch kader Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden 2.1. Reikwijdte van de vrijstelling vrijstelling: [Artikel 11, eerste lid, onderdeel w, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) btw-richtlijn: [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2006, L 347 van 11 december 2006) Wko: [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) Dat laatste is volgens de Hoge Raad het geval als het kindercentrum bij de bemiddelende dienst: De vrijstelling van omzetbelasting voor kinderopvang is opgenomen in [artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel w, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11). Dit artikel is gebaseerd op artikel 132, lid 1, punten g en h, van de btw-richtlijn. Op basis van deze bepalingen geldt de vrijstelling voor kinderopvang door publiekrechtelijke lichamen en andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend. Om op dit punt iedere onduidelijkheid weg te nemen en fiscale gelijkheid te verzekeren, keur ik (voor zover nodig) goed dat de bemiddelingsdiensten door een overeenkomstig de [Wko](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) geregistreerd gastouderbureau dat geen deel uitmaakt van een kindercentrum eveneens in de vrijstelling voor kinderopvang kunnen delen, voor zover het gaat om diensten die gelijk zijn aan de dienstverlening door het kindercentrum in het door de Hoge Raad besliste geval. Dat betekent dat al"},{"i":1213,"b":"Omzetbelasting, vrijstellingen voor de diensten door lijkbezorgers, crematoria en exploitanten van begraafplaatsen **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit betreft een herziene versie van het besluit van 9 september 2013 (BLKB/2013/267M). Verduidelijkt is dat het vervoer van een overledene in het kader van een uitvaart onder voorwaarden onder de vrijstelling valt. Verder is aan het besluit een bijlage toegevoegd waarin is aangegeven hoe bepaalde veel voorkomende prestaties die in verband met een overlijden worden verricht fiscaal moeten worden geduid.** 1. Inleiding In de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) zijn de diensten door lijkbezorgers vrijgesteld van de heffing van btw ([artikel 11, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11)). De vrijstelling is gebaseerd op artikel 371 van de btw-richtlijn en de bij die richtlijn behorende bijlage X, deel B, onderdeel 4. Als voorwaarde geldt dat de lidstaten de vrijstelling al verleenden op 1 januari 1978. Nederland voldoet aan die voorwaarde en heeft de vrijstelling gehandhaafd. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Reikwijdte van de vrijstelling De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de vrijstelling een objectief karakter draagt1HR 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AS4122 en AS 4123. De hoedanigheid van de lijkbezorger dient te worden vastgesteld aan de hand van het geheel van diensten waaruit zijn onderneming bestaat. Slechts die diensten zijn vrijgesteld die kenmerkend en essentieel zijn voor de diensten die door een lijkbezorger worden verricht. Een ieder die deze kenmerkende en essentiële diensten verricht kwalificeert als een lijkbezorger die op die diensten de btw-vrijstelling mag toepassen. Uit de ontstaansgeschiedenis van de vrijstelling en naar maatschappelijke opvattingen betreft het bijvoorbeeld de volgende diensten: Leveringen door lijkbezorgers die in een rechtstreeks verband staan met"},{"i":1214,"b":"Besluit van de directeur-generaal Herstelbeleid van het programmadirectoraat-generaal Herstel van 30 juli 2024 (2024-395916) tot het verlenen van ondermandaat aan het Hoofd bureau stafondersteuning inzake herhaalde aanvragen en herzieningsverzoeken met betrekking tot de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Ondermandaatbesluit van directeur-generaal Herstelbeleid aan het Hoofd bureau stafondersteuning inzake herhaalde aanvragen en herzieningsverzoeken met betrekking tot de toepassing van de hardheidsclausule van de Wet hersteloperatie toeslagen) Gelet op [artikel 1, tweede lid, van het Besluit verlening mandaat, volmacht en machtiging van de Minister van Financiën aan de directeur-generaal Herstelbeleid in het kader van de hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050061&artikel=1) (Stcrt. 2024, 24113); Besluit: Artikel 1. Mandaatverlening Aan het Hoofd bureau stafondersteuning van het programmadirectoraat-generaal Herstel wordt ondermandaat verleend om te beslissen op aanvragen als bedoeld in [artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6), voor zover daarbij is verzocht om toepassing van [artikel 9.1, tweede lid, onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=9.1). Artikel 2. Ondertekening Besluiten die op grond van dit besluit worden genomen, worden als volgt ondertekend: De Minister van Financiën, namens deze, gevolgd door de naam en functie van de ondergemandateerde functionaris. Artikel 3. Intrekking Het [ondermandaatbesluit aan het Hoofd bureau stafondersteuning inzake herhaalde aanvragen en herzieningsverzoeken met betrekking tot de toepassing van de hardheidsclausule van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048198) (Stcrt. 2023, 15009) wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in wer"},{"i":1215,"b":"Onderworpenheidsvereiste in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 De plv. Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Dit besluit is opnieuw uitgebracht naar aanleiding van de Belastingherziening 2001 en dient ter vervanging van het besluit van 12 januari 1999, nr. IFZ98/1535 M. 1. Inleiding Mij is in een aantal concrete gevallen gevraagd hoe het onderworpenheidsvereiste in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna het Besluit) dient te worden uitgelegd. De invulling van het onderworpenheidsvereiste blijkt in de praktijk onduidelijk te zijn wanneer de andere Mogendheid geen jaarlijkse belasting naar het inkomen of de winst heft, maar wel een zogenaamde branch profit tax bij overmaking van winsten aan het hoofdhuis; de vraag rijst dan of er wordt voldaan aan het onderworpenheidsvereiste. De invulling van het onderworpenheidsvereiste blijkt in de praktijk soms ook onduidelijk te zijn wanneer er weliswaar sprake is van formele onderworpenheid, maar er feitelijk geen heffing plaatsvindt. 2. Onderworpenheid algemeen In beginsel is het niet vereist dat er daadwerkelijk belasting over het buitenlandse inkomen of de winst is verschuldigd, noch dat er belastingheffing over het volle bedrag van dat inkomen of de winst plaatsvindt. Dit zijn, net als het tarief van de belasting, zaken die in beginsel de andere Mogendheid aangaan. Een en ander betekent echter niet dat een belastingplichtige kan volstaan met een enkele verwijzing naar heffingsbepalingen van het andere land. Met betrekking tot het aannemelijk maken dat in een desbetreffend geval aan het onderworpenheidsvereiste is voldaan, kan worden verlangd dat – naast de verwijzing naar de relevante bepalingen – een aanslag of andere in principe door de buitenlandse fiscus gewaarmerkte bescheiden waaruit die onderworpenheid van het vrij te stellen inkomen blijkt, worden getoond; een redelijke verdeling van de bewijslast brengt dat met zich mee."},{"i":1216,"b":"Opheffing Adviesraad voor de militaire produktie Besluiten: Artikel I Het besluit van de ministers van Economische Zaken, van Defensie en van Buitenlandse Zaken van 10 april 1978, houdende instelling van een Adviesraad voor de militaire produktie (Stcrt. 72), wordt ingetrokken. Artikel II De archiefbescheiden betreffende de werkzaamheden van de Adviesraad voor de militaire produktie worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit beheerd door het ministerie van Economische Zaken. Artikel III 1. Dit besluit wordt bekendgemaakt in de Staatscourant. 2. Het treedt in werking met ingang van 1 april 1995. Afschrift van dit besluit zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":1291,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu en de Staatssecretaris van Financiën, van 13 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/112485, houdende regels over diplomatieke en internationale vrijstellingen van waterschapsbelastingen (Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen waterschapsbelastingen) Gelet op [artikel 133 van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=133); Besluit: Artikel 1 1. Van de volgende waterschapsbelastingen wordt met toepassing van de overige bepalingen in deze regeling vrijstelling verleend: - a. precariobelasting als bedoeld in [114 van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=114); - b. watersysteemheffing als bedoeld in [artikel 117, eerste lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=117); en - c. wegenheffing als bedoeld in [artikel 122a, eerste lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=122a). 2. Een vrijstelling van een belasting als bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend voor zover een zaak, bedoeld in [artikel 118 van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=118), eerste tot en met vierde lid, niet ter beschikking is gesteld of in gebruik is gegeven aan een derde die zelf niet is vrijgesteld. Artikel 2 1. Van de in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032534&artikel=1&z=2014-03-14&g=2014-03-14), genoemde belastingen, worden vrijgesteld de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen van andere mogendheden en hun hoofden en leden. 2. Een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid is van toepassing op gezinsleden die inwonen bij van belasting vrijgestelde hoofden en leden als bedoeld in het eerste lid en particuliere bedienden die werkzaam zijn voor die hoofden en leden. Het derde lid, aanhef en onderdeel e, is van overeenkomstige toepassing op deze gezinsleden en bedienden. 3. Het eerste lid is ni"},{"i":1221,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Financiën van 13 juni 2018, 2018-0000102591, tot opheffing van het baten-lastenagentschap Agentschap SZW Gelet op [artikel 8, eerste lid, van de Regeling agentschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040286&artikel=8); Besluiten: Artikel 1 Het baten-lastenagentschap Agentschap SZW, ingesteld bij [besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Financiën van 9 december 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014401) (Staatscourant 2002, 241), wordt opgeheven. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2018. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Opheffingsbesluit baten-lastenagentschap Agentschap SZW. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1294,"b":"Regeling heffing halfzware olie en gasolie 1993 Gelet op [artikel XII, vijfde lid, van de Wet van 24 december 1992 tot wijziging van een aantal belastingwetten in het kader van het belastingplan 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005805&artikel=XII) (Stb. 1992, 686); Besluit: Artikel 1 1. In de aangifte voor de heffing van halfzware olie en gasolie, bedoeld in [artikel XII, eerste lid, van de Wet van 24 december 1992 tot wijziging van een aantal belastingwetten in het kader van het belastingplan 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005805&artikel=XII) (Stb. 1992, 686) worden de volgende gegevens vermeld: - a. de naam, het adres en de aard van het bedrijf van de aangever; - b. een nauwkeurige aanduiding van de plaats of plaatsen waar de halfzware olie en gasolie zich bevinden; - c. de hoeveelheid halfzware olie en gasolie per plaats; - d. de stand van het telwerk indien een voorraadtank is verbonden met een pompinstallatie met telwerk; - e. het bedrag aan belasting. 2. De aangifte wordt gedaan in tweevoud. Artikel 2 De belasting wordt overeenkomstig de aangifte voldaan uiterlijk 29 januari 1993. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1993."},{"i":5369,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 januari 2015, nr. 2015-0000000740, tot openstelling van een aanvraagtijdvak in het kalenderjaar 2015 en vaststelling van een subsidieplafond voor dit aanvraagtijdvak in het kader van de Regeling cofinanciering sectorplannen 2015 Artikel 1. Opening aanvraagtijdvak Aanvragen op grond van de [Regeling cofinanciering sectorplannen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035840) kunnen worden ingediend gedurende de periode van 15 januari 2015 tot en met 15 september 2015. Artikel 2. Subsidieplafond Het subsidieplafond voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036160&artikel=1&z=2015-05-23&g=2015-05-23), bedraagt 150 miljoen EUR. Artikel 3. Wijziging van andere wetgeving Wijzigt de Regeling openstelling aanvraagtijdvak en vaststelling subsidieplafond 2014 binnen Regeling cofinanciering sectorplannen. Artikel 4. Inwerkingtreding 1. Deze regeling, met uitzondering van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036160&artikel=3&z=2015-05-23&g=2015-05-23), treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036160&artikel=3&z=2015-05-23&g=2015-05-23) treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 21 maart 2014. Gelet op [artikel 1.4 van de Regeling cofinanciering sectorplannen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033761&artikel=1.4) en [artikel 1.4 van de Regeling cofinanciering sectorplannen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035840&artikel=1.4); Besluit: Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5769,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 12 maart 2024, nr. 1502027, houdende regels voor subsidieverstrekking ter ondersteuning van het invoeren van het praktijkgerichte vak in de gemengde leerweg en theoretische leerweg van het vmbo (Subsidieregeling praktijkgericht vak gl en tl) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) of [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **gemengde leerweg:** gemengde leerweg als bedoeld in [artikel 2.22, eerste lid, onderdeel d, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.22); - **mbo-instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1) of instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=1.1.1); - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **pilot:** pilot als bedoeld in: - a. [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043653&artikel=3), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043653&artikel=13), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043653&artikel=21) of [29 van de Subsidieregeling pilot praktijkgericht programma voor gl en tl](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043653&artikel=29); of - b."},{"i":1224,"b":"Besluit van het bestuur van het CAK van 8 december 2015 houdende opheffing van de bezwaaradviescommissie (Opheffingsbesluit bezwaaradviescommissie Wtcg) Gelet op het bepaalde bij [Wet van 4 juni 2014 tot afschaffing van de algemene tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten, de compensatie voor het verplicht eigen risico, de fiscale aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming specifieke zorgkosten en wijziging van de grondslag van de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035323), gepubliceerd bij Staatsblad 2014, nr. 259 en de daarin opgenomen bepalingen, in het bijzonder de [artikelen XIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035323&artikel=XIII) en [XVI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035323&artikel=XVI) welke per 1 januari 2016 in werking treden, wordt het volgende besloten: Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In de besluit wordt verstaan onder: - a. **het CAK:** zelfstandig bestuursorgaan, genoemd in [artikel 6.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1) (Wlz). - b:. **commissie:** de bezwaaradviescommissie Wtcg. - c. **Afschaffingswet:** [Wet van 4 juni 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035323), gepubliceerd bij Staatsblad 2014, nr. 259. Artikel 2. Opheffing De commissie in de zin van [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13), zoals bedoeld in de motie van Eerste Kamerlid Klein Breteler c.s. en de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 22 december 20081Kamerstukken I, 2008–2009, 31 706, J en L. en is ingesteld bij [Instellingsbesluit d.d. 10 januari 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033432), gepubliceerd bij Staatscourant 2011, nr. 995 wordt middels dit besluit opgeheven. Artikel 3. Overgangsbepalingen Op bezwaarschriften gericht tegen besluiten die met inachtneming van [artikel 3, eerste l"},{"i":1002,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 11 april 2024, kenmerk ACM/UIT/613237 tot wijziging van de tariefstructuren en voorwaarden als bedoeld in artikelen 12a en 12b van de Gaswet betreffende de uitvoering van de Verordening (EU) 2017/460 van de Commissie van 16 maart 2017 tot vaststelling van een netcode betreffende geharmoniwseerde transmissietariefstructuren voor gas (NC-TAR) Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f); Gelet op artikel 26 van NC-TAR; Gelet op artikel 27, vierde en vijfde lid, van NC-TAR; Gelet op artikel 28, eerste lid en tweede lid, van NC-TAR; Besluit Artikel I Wijzigt de Tarievencode gas. Artikel II De tarieven en de dienstverlening van de netbeheerder van het landelijk gastransportnetwerk van vóór de tariefperiode 2025 worden beheerst door de codebepalingen zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Dit besluit is van toepassing op de tariefperiodes van 2025 tot en met 2029. Artikel III De ACM stelt dit besluit vast met inachtneming van de belangen, regels en eisen bedoeld in [artikel 12f van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f). Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1300,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 5 september 2022, nr. 2022-0000348109, houdende nadere regels over de kwijtschelding van provinciale, gemeentelijke en waterschapsbelastingen (Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [artikel 232e, vierde lid van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=232e), [artikel 255, vierde lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=255) en [artikel 144, vierde lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=144); Besluiten: § 1. Definities Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **alleenstaande:** alleenstaande als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=4); - **alleenstaande ouder:** alleenstaande ouder als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=4); - **echtgenoot:** echtgenoot als bedoeld in [artikel 3 van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=3); - **pensioengerechtigde:** persoon die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a), heeft bereikt; - **Uitvoeringsregeling:** [Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004766); - **verordening:** verordening van provinciale staten van een provincie, de raad van een gemeente of het algemeen bestuur van een waterschap. § 2. Berekeningswijze kosten van bestaan belastingschuldige Artikel 2. Afwijkende percentages kosten van bestaan Bij verordening kan van de in [artikel 16 van de Uitvoeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004766"},{"i":6463,"b":"Besluit van 4 mei 2001, houdende wijziging van het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische samenwerkingsprojecten Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 2 februari 2001, nr. WJZ 01004877; Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 2001, nr. W10.01.0077/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 27 april 2001, nr. WJZ 01021427; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische samenwerkingsprojecten. Artikel II Het Besluit subsidies bedrijfsgerichte internationale technologieprogramma's en het Besluit subsidies maritiem onderzoek worden ingetrokken, met dien verstande dat deze en de daarop gebaseerde regelgeving van toepassing blijven op aanvragen om subsidie die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend en op subsidies die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn verstrekt. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat het [Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische samenwerkingsprojecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008404), zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing blijft op aanvragen om subsidie die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend en op subsidies die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn verstrekt. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7824,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 23 februari 2017, nr. 2017-0000030419, houdende intrekking van het besluit van 10 december 1997, nr. PO 97/524N tot instelling van de commissie advisering bezwaarschriften medewerkers van het ministerie van Financiën exclusief de Belastingdienst en aansluiting bij de bezwarencommissie personele aangelegenheden Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Besluit aansluiting bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden BZK) Overwegende dat het wenselijk is voor de behandeling van bezwaren inzake personele aangelegenheden bij het Ministerie van Financiën exclusief de Belastingdienst gebruik te maken van de bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden BZK als bedoeld in het Besluit instelling personele aangelegenheden BZK; Gelet op [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13); Gehoord het Georganiseerd Overleg Financiën als bedoeld in [artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=113); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het ministerie:** het Ministerie van Financiën; - b. **het kernministerie:** het Ministerie van Financiën exclusief de Belastingdienst; - c. **de Minister:** de Minister van Financiën; - d. **de medewerker:** degene die op basis van een ambtelijke aanstelling werkzaamheden verricht of heeft verricht bij het Ministerie van Financiën; - e. **het Organisatie- en mandaatbesluit:** het [Organisatie- en mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037135); - f. **bezwaar:** een bezwaar als bedoeld in [artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1); - g. **de Commissie BZK:** de bezwarencommissie personele aangelegenheden Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als bedoeld in het [besluit instelling bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden BZ"},{"i":6639,"b":"Regeling van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 23 november 2022, kenmerk 3468514-1039718-LZ houdende wijziging van de Subsidieregeling ADL-assistentie Gelet op [artikel 7.1.1, vierde lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=7.1.1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling ADL-assistentie. Artikel II Op aanvragen om subsidie die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend, op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend en op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn vastgesteld blijft het recht van toepassing zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2023. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1335,"b":"Regeling tot vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1988 Gelet op [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) (Stb. 1962, 17); Besluit: Artikel 1 1. De gecorrigeerde groeivoet als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 2,8 percent. 2. Gelet op het voor 1987 geldende maximum aantal te heffen opcenten van 28,7 en de bovenvermelde gecorrigeerde groeivoet bedraagt het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 1988 tot en met 31 maart 1989 derhalve ten hoogste 29,6. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling tot vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1988."},{"i":1330,"b":"Regeling ter uitvoering van artikel 6, tweede lid van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027 (Digitale Inclusie) gelet op [artikel 1.2, tweede lid onder a sub ii en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999&artikel=1.2) en artikel 1.4, van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024, gelet op [artikel 6, tweede lid, op een na laatste zin van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049025&artikel=6), besluit: vast te stellen de navolgende regeling ter uitvoering van [artikel 6, tweede lid van de Tijdelijke regels subsidieverstrekking samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049025&artikel=6). Artikel 1. Verhouding [Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999) en [Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049025) Voor zover in deze regeling niet iets anders is bepaald, is het bepaalde in het [Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999) en het bepaalde in de [Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049025) van toepassing. Artikel 2. Deelname nieuwe basisbibliotheken 1. Indien het subsidieplafond als bedoeld in [artikel 4, eerste lid van de Tijdelijke regels subsidieverstrekking samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049025&artikel=4) in een kalenderjaar nog niet bereikt is, wordt aan nieuwe basisbibliotheken de kans geboden om voor he"},{"i":1230,"b":"Overdrachtsbelasting, certificering Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen **De Minister van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit zijn twee goedkeuringen voor de heffing van overdrachtsbelasting opgenomen. Het betreft een goedkeuring bij het ongedaan maken van een certificering van participaties in een open commanditaire vennootschap en een goedkeuring bij de certificering van aandelen die zijn verkregen bij de aandelenfusie als bedoeld in artikel XII van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen1Stb. 2023, 508.** 1. Inleiding Het in de [WFKR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049130) opgenomen overgangsrecht biedt onder meer de mogelijkheid om gebruik te maken van een aandelenfusie ([artikel XII WFKR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049130&artikel=XII)). Daarbij bevat [artikel XV WFKR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049130&artikel=XV) een voorwaardelijke vrijstelling met als doel te voorkomen dat deze aandelenfusie leidt tot heffing van overdrachtsbelasting. In de praktijk komt het voor dat participaties in een open commanditaire vennootschap2Ook wel aangeduid als het aandeel of de deelgerechtigdheid in de open commanditaire vennootschap. zijn gecertificeerd. In voorkomende gevallen wordt eerst de certificering van de participaties in de open commanditaire vennootschap ongedaan gemaakt, voordat het aandeel van de commanditaire vennoot in de open commanditaire vennootschap in het kader van de aandelenfusie wordt overgedragen aan een verkrijgende vennootschap. Daarnaast bestaat de wens om na het uitvoeren van de aandelenfusie de verkregen aandelen in de verkrijgende vennootschap te certificeren. Dit besluit bevat een tweetal goedkeuringen voor de gevolgen daarvan voor de heffing van overdrachtsbelasting. Onderdeel 2 bevat een goedkeuring voor de situatie dat de certificering van de participaties in een open commanditaire vennootschap ongedaan wordt gemaakt. Onder voorwaarden wordt goedgekeurd dat op verzoek een"},{"i":1231,"b":"Overdrachtsbelasting en omzetbelasting, samenloop **Dit besluit bevat het beleid over de samenloop tussen overdrachtsbelasting en omzetbelasting.** **De onderdelen 2.1.1 en 2.1.2 zijn aangepast met een verwijzing naar het Besluit van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M. Onderdeel 2.1.3 is aangepast aan het btw-regime voor vermogensetikettering en het nieuwe onderdeel 2.1.4 beschrijft de invloed van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2013, nr. 12/02180 op de samenloopvrijstelling. In de onderdelen 2.2.1 en 2.2.2 zijn de voorwaarden voor de toepassing van de goedkeuring aangepast. Verder is in onderdeel 2.2.4 niet langer een overgangsregeling opgenomen en is aan de goedkeuring een voorwaarde toegevoegd. Onderdeel 2.2.5 is aangepast, waardoor meer rechtsvormen zonder rechtspersoonlijkheid bij de verkrijging van onroerend goed gebruik kunnen maken van de goedkeuring. Ook is de regeling uitgebreid tot de vervreemding van een onroerende zaak. Onderdeel 2.2.7 is nieuw en gaat in op de verkrijging van aandelen in een onroerendzaakrechtspersoon als bedoeld in artikel 4 van de WBR. In onderdeel 2.2.8. is een nieuwe goedkeuring bij de toe- en uittreding in een samenwerkingsverband opgenomen. In het nieuwe onderdeel 2.2.9 is de goedkeuring opgenomen voor de verkrijging van de juridische eigendom na de eerdere btw-levering. In het nieuwe onderdeel 2.2.10 is de goedkeuring bij A-B-C-contracten opgenomen. Het oude onderdeel 6 is vervallen.** 1. Inleiding In onderdeel 2.1 is, met verwijzing naar onderdeel 2.2.7 van dit besluit, aangegeven dat de samenloopvrijstelling onder omstandigheden ook van toepassing kan zijn bij de verkrijging van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdeel a, WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=4). Onderdeel 2.1.1 gaat in op het begrip ‘zelfstandigheid’. Voor de uitleg wordt verwezen naar het besluit van 12 december 2023, nr. 2023-26908 (Besluit onroerende zaken omzetbelasting"},{"i":830,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 18 februari 2003, houdende de vaststelling van de bedragen van de bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2002 (Besluit 2003/1 PT bijzondere heffing fruit en champignons 2002/1 (hoog tarief)) gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Verordening PT bijzondere heffing fruit en champignons 2002/1 (hoog tarief)](onbekend); gehoord de sectorcommissie Groenten en Fruit d.d. 6 februari 2003; BESLUIT: Artikel 1 Voor de in [artikel 4, eerste lid, van de Verordening PT bijzondere heffing fruit en champignons 2002/1 (hoog tarief)](onbekend) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2002 als volgt vastgesteld: | Groep | Omschrijving | Bedrag | | --- | --- | --- | | 32 | Cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van appelen | € 70,14 per ha. | | 33 | Cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van peren | € 107,85 per ha. | | 34 | Cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van klein fruit | € 249,37 per ha. | | 35 | Cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van overige pit- en steenvruchten | € 160,47 per ha. | | 36 | Cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van akkerbouwmatig geteeld fruit | € 30,79 per ha. | | 60 | Cultuurgrond, in gebruik voor de teelt onder glas van fruit | € 6,95 per are | | 75 | Cultuurgrond, in gebruik voor de teelt van champignons | € 1,64 per m2 teeltoppervlakte | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie en werkt terug tot en met 1 januari 2002. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2003/1 PT bijzondere heffing fruit en champignons 2002/1 (hoog tarief). Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie"},{"i":7860,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2019 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op 8,25%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041592&artikel=1&z=2019-01-01&g=2019-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op 7,40%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2019. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":4975,"b":"Memorandum van Overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van Australië en Nederland inzake automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen De Staatssecretaris van Financiën maakt het volgende bekend. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. **Dit besluit bevat een bekendmaking van het in augustus 2015 tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en Australië gesloten Memorandum van Overeenstemming inzake automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen. Het Memorandum vervangt het Memorandum van Overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en Australië inzake de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen en de intensivering van de spontane uitwisseling van fiscale inlichtingen van 4 juni 2002 (** **Staatscourant 2002, 239** **), dat met het nieuwe Memorandum wordt ingetrokken.** **Het Memorandum geeft categorieën weer voor de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen, zoals over onroerende zaken, dividenden, interest, royalty’s, vermogenswinst, inkomsten uit zelfstandige arbeid, salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen m.b.t. arbeid, directeursbeloningen en andere soortgelijke betalingen, inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars, pensioenen, lijfrenten, sociale zekerheidsuitkeringen en andere soortgelijke beloningen, betalingen aan studenten voor studie en opleiding, alsmede overige inkomsten.** **Het Memorandum is op 29 augustus 2015 in werking getreden.** De bevoegde autoriteiten van Australië en Nederland zijn het volgende overeengekomen: Algemene bepalingen Paragraaf 1 Uitwisseling van inlichtingen Paragraaf 2 De bevoegde autoriteiten verstrekken elkaar op de in [paragraaf 7, lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037038&paragraaf=7&z=2015-08-29&g=2015-08-29) vastgestelde tijdstippen automatisch inlichtingen – indien beschikbaar – over: Paragraaf 3 De bevoegde autoriteiten kunnen dit Memorandum van Overeenstemming te allen tijde aanpassen om tot een wijziging te komen van"},{"i":6320,"b":"Wet van 7 juli 1994, tot samenvoeging van de gemeenten Aardenburg en Sluis Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Aardenburg en Sluis samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Aardenburg en Sluis opgeheven. 2. Met ingang van de datum van herindeling wordt een nieuwe gemeente Sluis-Aardenburg ingesteld. Deze nieuwe gemeente omvat het grondgebied van de op te heffen gemeenten Aardenburg en Sluis. Artikel 2 Als gemeente, bedoeld in [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), eerste en tweede lid, en [artikel 52, eerste lid, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=52) wordt aangewezen de gemeente Aardenburg. Artikel 3 Als gemeente, bedoeld in artikel 41, derde lid, en artikel 45, tweede lid, van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006801&artikel=2&z=1994-08-12&g=1994-08-12) bedoelde wet wordt aangewezen de nieuwe gemeente Sluis-Aardenburg. Artikel 4 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 5 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 6 Ter uitvoering van [artikel 56, vierde lid, van de Wet op het basisonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=56) wordt de stichtingsnorm voor basisscholen met ingang van de datum van herindeling voor de nieuwe gemeente Sluis-Aardenburg vastgesteld op 200. Artikel 7 Ter uitvoering van [artikel 107**c**, eerste lid, van de Wet op het basisonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=107c) wordt de opheffingsnorm voor basisscholen met ingang van de datum van herindeling voor de nieuwe gemeente Sluis-Aardenburg vastgesteld op 24. Artikel 8 Deze wet treedt in werking"},{"i":1240,"b":"Overeenkomst inzake de belastingheffing van wegvoertuigen welke voor internationaal vervoer van goederen worden gebezigd De Overeenkomstsluitende Partijen, Verlangende het internationale vervoer van goederen langs de weg te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan: - a). onder „voertuigen”, alle van een mechanisch voortbewegingsmiddel voorziene wegvoertuigen en alle aanhangwagens en opleggers, bestemd om aan zodanige voertuigen te worden gekoppeld en met het voertuig zelf dan wel afzonderlijk ingevoerd; - b). onder „internationaal vervoer van goederen”, het bedrijfsmatig vervoer van goederen al dan niet tegen betaling, wanneer de gevolgde route ten minste één grens tussen twee landen overschrijdt; - c). onder „belastingen of heffingen op het vervoer”: - Omzetbelasting en daarmede overeenkomende belastingen, zoals bijvoorbeeld de belasting op de toegevoegde waarde; - Vergoedingen voor de afgifte van vervoersvergunningen of andere vereiste documenten; - Heffingen of aanvullende heffingen, die ter zake van de desbetreffende vervoersprestatie kunnen worden gevorderd boven de heffingen die verschuldigd zijn enkel wegens het houden of het in verkeer brengen van het voertuig. Artikel 2 Voertuigen welke zijn ingeschreven op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen en welke bij internationaal vervoer van goederen tijdelijk worden ingevoerd in het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij zijn onder de hierna omschreven voorwaarden vrijgesteld van belastingen en heffingen die verschuldigd zijn wegens het rijden met of het houden van voertuigen op het grondgebied van laatstbedoelde Overeenkomstsluitende Partij. De vrijstelling strekt zich niet uit tot tolgelden, noch tot belastingen of heffingen op het verbruik, noch tot belastingen of heffingen op het vervoer. Artikel 3 1. Deze vrijstelling wordt op het grondgebied van elke Overeenkomstsluitende Partij verleend, zolang"},{"i":1328,"b":"Regeling tarief rechten voor het legaliseren handtekeningen Gelet op [artikel 1 van de Wet heffing rechten voor de legalisatie van handtekeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005125&artikel=1), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 1991, 351; Besluit: Artikel I Het tarief van de rechten voor het legaliseren van handtekeningen, ten departemente, vast te stellen op € 4,– per legalisatie. Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1290,"b":"Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen 1997 Gelet op [artikel 243 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=243); Besluiten: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 1. Van de volgende gemeentelijke belastingen wordt in de [artikelen 2 tot en met 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008462&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2014-01-18&g=2014-01-18) vrijstelling verleend: - a. de onroerende-zaakbelasting ter zake van het gebruik van onroerende zaken; - b. de onroerende-zaakbelasting ter zake van het genot van onroerende zaken krachtens eigendom, bezit of beperkt recht; - c. de belasting ter zake van het gebruik van woon- en bedrijfsruimten, bedoeld in [artikel 221, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=221); - d. de belasting ter zake van het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van woon- en bedrijfsruimten, bedoeld in [artikel 221, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=221); - e. de forensenbelasting; - f. de hondenbelasting; - g. de reclamebelasting; - h. de precariobelasting. 2. Een vrijstelling van een belasting, genoemd in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend voor zover een zaak, bedoeld in [artikel 220a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=220a) of [artikel 221 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=221), niet ter beschikking is gesteld of in gebruik is gegeven aan een derde die zelf niet is vrijgesteld. Hoofdstuk II. Diplomatieke en consulaire vrijstellingen gemeentelijke belastingen Artikel 2 1. Een vrijstelling van een belasting, genoemd in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008462&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2014-01-18&g=2014-01-18), ten behoeve van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, wordt uitsluitend verleend voor zover die belasting betrekking heeft op b"},{"i":1242,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Australië, De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Reikwijdte van de Overeenkomst Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is (1). De bestaande belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn - - (a). in Australië: - de Australische inkomstenbelasting (income tax), daaronder begrepen de aanvullende belasting op het niet uitgedeelde deel van de voor uitdeling beschikbare winst van een „private company”; - (b). in Nederland: - de inkomstenbelasting; - de loonbelasting; - de vennootschapsbelasting; - de dividendbelasting. (2). Deze Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die door een van de Staten na de datum van ondertekening van deze Overeenkomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. Aan het eind van elk kalenderjaar deelt de bevoegde autoriteit van iedere Staat de bevoegde autoriteit van de andere Staat alle wezenlijke wijzigingen mede, die in de wetgeving betreffende de belastingen van zijn Staat waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn aangebracht. HOOFDSTUK II. Begripsbepalingen Artikel 3. Algemene begripsbepalingen (1). In deze Overeenkomst, tenzij het zinsverband anders vereist - - (a). betekent de uitdrukking „Australië” het Gemenebest van Australië en omvat deze uitdrukking, wanneer zij in aardrijkskundige zin wordt gebezigd - -"},{"i":1244,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, de wens koesterende, op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen dubbele belasting te vermijden en andere aangelegenheden op belastinggebied te regelen, zijn overeengekomen, de navolgende Overeenkomst te sluiten. Te dien einde hebben tot gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Mr. J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland: Dr. J. Löns, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te 's-Gravenhage, die na uitwisseling van hun volmachten, welke in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, als volgt zijn overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Vervallen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen Artikel 22a Vervallen Artikel 23 Vervallen Artikel 24 Vervallen Artikel 25 Vervallen Artikel 26 Vervallen Artikel 27 Vervallen Artikel 28 Vervallen Artikel 29 Vervallen Bij de ondertekening van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, hebben de ondergeteken"},{"i":1245,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka, De wens koesterende een Overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a). in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, - -. de dividendbelasting, - -. de vermogensbelasting, - b). in Sri Lanka: (hierna te noemen: „Srilankaanse belasting”). - -. de inkomstenbelasting, daaronder begrepen de inkomstenbelasting di"},{"i":5881,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 25 oktober 2017, nr. IENM/BSK-2017/224836, houdende regels voor de verstrekking van een tijdelijke subsidie aan de Stichting Geonovum (Tijdelijke subsidieregeling Geonovum 2017–2021) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2) en [4 van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4); BESLUIT: Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - **basisprogramma:** ontwikkelen en beheren van geo-standaarden, het verspreiden van kennis over geo-informatie en geo-informatie-infrastructuur en advisering daarover aan het GI-beraad; - **Geonovum:** Stichting Geonovum, statutair gevestigd te Amersfoort; - **GI-beraad:** beraad voor Geo-informatie, bedoeld in het [Instellingsbesluit GI-beraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019936); - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu, Artikel 2. (doel subsidie) 1. De Minister kan voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021 op aanvraag per boekjaar subsidie verstrekken aan Geonovum voor het verrichten van activiteiten ten behoeve van het uitvoeren van het basisprogramma. 2. Geen subsidie wordt verstrekt voor zover de activiteiten zijn te kwalificeren als economische activiteiten. Artikel 3. (toepassing [Afdeling 4.2.8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.8)) [Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.8) is van toepassing op de op grond van deze regeling verstrekte subsidies. Artikel 4. (maximale subsidiebedrag en subsidiabele kosten) 1. Het subsidiebe"},{"i":5177,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 december 2016, 2016-0000263352, tot vaststelling van de rechtspositie van de Raad van bestuur UWV Gelet op [artikel 6, vierde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - b. **Lid:** een lid van de Raad van bestuur van het UWV, waaronder de voorzitter; - c. **CAO:** collectieve arbeidsovereenkomst; - d. **WNT:** [Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249). Artikel 2. Beloning 1. De beloning wordt bij beschikking vastgesteld, waarbij de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) in acht wordt genomen. 2. Het bedrag van de beloning is inclusief een vakantie- en een eindejaarsuitkering overeenkomstig de bepalingen van de voor het UWV geldende CAO, en alle overige componenten die tot de beloning in de zin van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) worden gerekend. 3. De beloning, bedoeld in het eerste lid, wordt, met uitzondering van vakantie- en eindejaarsuitkering, uitbetaald in gelijke maandelijkse termijnen. De vakantie- en eindejaarsuitkering worden eens per jaar uitbetaald, in de maanden mei respectievelijk december van ieder jaar. 4. Het bedrag van de beloning kan worden aangepast aan de ontwikkeling van het bezoldigingsmaximum, bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid, van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.3). Artikel 3. Kostenvergoedingen 1. Een lid heeft recht op een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de regeling van het UWV voor het vergoeden van reis- en verblijfkosten. 2. Een lid heeft voor zakelijk verkeer recht op een dienstauto. Artikel 4. Verlof Een lid heeft aanspraak op de ve"},{"i":6891,"b":"Besluit van 26 november 1969, houdende regelen betreffende de wijze van inrichting en raadpleging van het huwelijksgoederenregister, bedoeld in artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 september 1969, stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 373/669; Gelet op [artikel 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=116), alsmede de [artikelen 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=86), [90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=90), [104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=104), [105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=105), [106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=106), [110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=110), [112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=112), [178](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=178), [189](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=189) en [196 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=196); De Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 1969, nr. 41); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 21 november 1969, stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 490/669; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Wanneer een inschrijving wordt verlangd in het huwelijksgoederenregister, moeten de volgende stukken aan de griffier worden overgelegd: - a. ter inschrijving van bepalingen in huwelijkse voorwaarden of in voorwaarden van een geregistreerd partnerschap: een authentiek afschrift of uittreksel van de akte waarbij die bepalingen zijn vastgesteld; - b. ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in de [artikelen 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=86) en [91 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=91): een"},{"i":1249,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Islamitische Republiek Pakistan tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Islamitische Republiek Pakistan De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a). wat Nederland betreft: - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, - -. de dividendbelasting, (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - b). wat Pakistan betreft: - -. de income tax (de inkomstenbelasting), - -. de super tax (de aanvullende inkomstenbelasting), - -. de surcharge (opcenten op de inkomstenbelasting en de aanvullende inkomstenbelasting), (hierna te noemen: „Pakistaanse belasting”). 4. De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de dat"},{"i":1251,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Filippijnen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek der Filippijnen, de wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. 2. Deze Overeenkomst mag niet zo worden uitgelegd dat de Filippijnen het recht wordt ontnomen zijn eigen staatsburgers, die inwoner zijn van Nederland, ter zake van inkomen dat is verkregen uit zelfstandige of niet-zelfstandige arbeid, verricht buiten de Filippijnen, overeenkomstig de Filippijnse wetgeving te belasten; Nederland zal hierdoor echter niet zijn gehouden voor zulk een belasting enige vrijstelling of verrekening te geven. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen, verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, en belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a). in het geval van Nederland: - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, - -. de dividendbelasting, (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - b). i"},{"i":5783,"b":"Subsidieregeling van de Raad voor Rechtsbijstand van 11 november 2024 tot vaststelling van een subsidie aan niet-toegevoegde partijen die door de rechtspraak verwezen zijn naar een mediator (Subsidieregeling startbijdrage mediation) Gelet op [artikel 42c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=42c); Besluit: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **mediation:** het bemiddelen in een geschil waarbij een neutrale bemiddelingsdeskundige de onderhandelingen tussen de rechtzoekende en zijn wederpartij begeleidt teneinde vanuit hun werkelijke belangen tot gezamenlijk gedragen en voor ieder van hen optimale resultaten te komen; - b. **mediator:** de mediator als bedoeld in [artikel 33a Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) en die voldoet aan de voorwaarden van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050521&hoofdstuk=II&artikel=5&z=2026-02-18&g=2026-02-18) van deze regeling, zijnde subsidieontvanger; - c. **startbijdrage:** de door de Raad voor Rechtsbijstand te verstrekken subsidie in de kosten van de werkzaamheden met betrekking tot de uitvoering van mediation na verwijzing door de rechtspraak van een bij het gerecht aanhangige zaak en waarbij de rechtzoekende niet in aanmerking komt voor gesubsidieerde mediation als bedoeld in [Afdeling 1 van Hoofdstuk V van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&afdeling=1); - d. **mediationbureau:** het bureau van het desbetreffende gerecht dat belast is met de uitvoering van de verwijzing; - e. **mediationovereenkomst:** de overeenkomst waarin partijen zich jegens elkaar verplichten ernaar te streven het in die overeenkomst omschreven geschil door mediation op te lossen en zich te houden aan de gemaakte procedureafspraken; - f. **Raad:** (het bestuur van de) Raad voor Rechtsbijstand - g. **Regeling:** Subsidieregeling startbijdrage m"},{"i":12458,"b":"Besluit tot verlening machtiging voor uitvoering Subsidieregeling prijsvraag verbetering architectuur bestaande bedrijventerreinen Besluit: Artikel 1 Aan het hoofd projecten van Architectuur Lokaal wordt machtiging verleend tot het verrichten van handelingen ter uitvoering van de [Subsidieregeling prijsvraag verbetering architectuur bestaande bedrijventerreinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018741). Deze machtiging omvat alleen het verrichten van handelingen tot en met het moment waarop de Adviescommissie subsidieregeling prijsvraag verbetering architectuur bestaande bedrijventerreinen advies heeft gegeven aan de Minister van Economische Zaken omtrent aanvragen op grond van bovengenoemde subsidieregeling. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 29 september 2005. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12418,"b":"Besluit intrekking BAW 2005 Besluiten: Artikel 1 De navolgende beleidsregels en besluiten worden ingetrokken: - –. [Beleidsregels aanbesteding van werken 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018877); - –. [Besluit invoering Aanbestedingsreglement Werken 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018876). Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033390&artikel=1&z=2013-05-17&g=2013-05-17) aangehaalde beleidsregels houden slechts werking voor opdrachten waarvan de aankondiging of de uitnodiging tot inschrijving is geschied op of voor 31 maart 2013. Artikel 3 De bekendmaking van dit besluit geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in de Staatscourant. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit intrekking BAW 2005."},{"i":12462,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 6 november 2015, directie Financieringen, betreffende het verlenen van een machtiging aan de stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen (Besluit machtiging NLFI in verband met overdracht aandelen ABN AMRO Group N.V. aan Stichting Administratiekantoor Continuïteit ABN AMRO Group N.V.) Gelet op [artikel 3 van de Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030033&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **de aandelen:** de door NLFI ten titel van beheer gehouden aandelen in ABN AMRO Group N.V.; - **de greenshoe:** een optie waarbij de underwriters extra certificaten van aandelen kunnen kopen van NLFI gelijk aan maximaal 15% van het aantal certificaten van aandelen dat wordt verkocht bij de beursintroductie; - **NLFI:** stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen; - **de underwriters:** de zakenbanken die zich garant zullen stellen voor het plaatsen van de certificaten van aandelen bij de beursgang. Artikel 2. Machtiging Aan NLFI wordt hiermee machtiging verleend om namens de Staat de ten behoeve van de beursintroductie van ABN AMRO Group N.V. benodigde aandelen, inclusief de greenshoe, over te dragen aan de Stichting Administratiekantoor Continuïteit ABN AMRO Group N.V. tegen uitgifte van certificaten van aandelen ABN AMRO Group N.V. en deze certificaten van aandelen over te dragen aan de underwriters. Artikel 3. Principiële en zwaarwegende beslissingen NLFI heeft bij de uitvoering van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037174&artikel=2&z=2015-11-13&g=2015-11-13) van dit besluit voor de volgende principiële of zwaarwegende beslissingen de voorafgaande instemming van de Minister, overeenkomstig [artikel 4 van de Wet NLFI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030033&artikel=4), nodig: de vaststelling van: - a. het maximaal aantal certificaten van aandelen dat bi"},{"i":12465,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 december 2013, HDPO/AR-464/13 tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt handelend in overeenstemming met het Kabinetsbesluit van 4 juli 2003 tot oprichting van een Shared Service Center HRM voor Personeelsregistratie en Salarisadministratie; gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Buitenlandse Zaken; - b. **ministerie:** het Ministerie van Buitenlandse Zaken; - c. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën van 11 februari 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362); - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie. 2. Met betrekking tot de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) wordt de directeur P-Direkt gemachtigd om in het kader van de dienstverlening aan het ministerie verwerkingen van persoonsgegevens uit te voeren als bewerker in de zin van [artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=1). De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig het Normenkader Informatiebeveiliging. De machtiging wordt geacht te gelden als bewerkersovereenkomst in de zin van [artikel 14, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=14). De directeur P-Direkt heeft geen machtiging tot uitvoering van [artikel 36 van de Wet bescherming persoons"},{"i":12457,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 december 2012, nr. DP&O/467325, tot machtiging van de algemeen manager van het Expertisecentrum Organisatie en Personeel inzake bezwaar- en beroepsprocedures betreffende personeelsaangelegenheden Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder manager: de algemeen manager van het Expertisecentrum Organisatie en Personeel, ressorterend onder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. Aan de manager wordt machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften inzake personeelsaangelegenheden, waaronder begrepen het instellen van (hoger) beroep bij gerechtelijke instanties met uitzondering van het instellen van beroep tegen een besluit van een ander bestuursorgaan. 2. Aan de manager wordt machtiging verleend om bij de behandeling van een geschil inzake personeelsaangelegenheden één of meer andere personen als medegemachtigde te introduceren. 3. De manager kan voor aangelegenheden als bedoeld in het eerste en tweede lid machtiging verlenen aan medewerkers van zijn dienst. Artikel 3 De uit dit besluit voor de manager voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op de door de manager daartoe aangewezen plaatsvervanger. Artikel 4 Het krachtens machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, namens deze: (handtekening) (naam functionaris) (functie) Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2012. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1256,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Venezuela De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: Vindt toepassing voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 1998. HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Overeenkomstsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Overeenkomstsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totaalbedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse Mijnwet continentaa"},{"i":1262,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten tot het vermijden van dubbele belasting van inkomsten en winsten verkregen uit het internationale luchtvervoer Artikel 1. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. De belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken zijn: - a. in het geval van de Verenigde Arabische Emiraten: de inkomstenbelasting geheven door de Federale Regering van de Verenigde Arabische Emiraten (hierna te noemen: belasting van de Verenigde Arabische Emiraten); - b. in het geval van het Koninkrijk der Nederlanden: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting\"). - -. de vennootschapsbelasting, - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting 2. Deze Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen en belastingen op vermogenswinsten die door een van de Overeenkomstsluitende Staten en zijn onderdelen, na de datum van ondertekening van deze Overeenkomst naast, of in de plaats van de belastingen genoemd in het eerste lid van dit artikel, worden geheven. Artikel 2. Begripsbepalingen 1. In deze Overeenkomst, tenzij de context anders vereist: - a. betekenen de uitdrukkingen „een Overeenkomstsluitende Staat\" en „de andere Overeenkomstsluitende Staat\" de Verenigde Arabische Emiraten of het Koninkrijk der Nederlanden, al naar de context vereist; de uitdrukking „Overeenkomstsluitende Staten\" betekent de Verenigde Arabische Emiraten en het Koninkrijk der Nederlanden; - b. is wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft deze Overeenkomst alleen van toepassing op het deel van het Koninkrijk dat in Europa is gelegen; - c. betekent de uitdrukking „belasting\" belasting van de Verenigde Arabische Emiraten of Nederlandse belasting, al naar de context vereist; - d. omvat de uitdrukking „persoon\" een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen; - e. betekent de uitdrukking „inwoner van een Overeenkomstsluitende Staat\" iedere persoon die, ingev"},{"i":1257,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zambia tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Republiek Zambia, De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Reikwijdte van de Overeenkomst Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Vervallen Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is Vervallen HOOFDSTUK II. Begripsbepalingen Artikel 3. Algemene begripsbepalingen Vervallen Artikel 4. Fiscale woonplaats Vervallen Artikel 5. Vaste inrichting Vervallen HOOFDSTUK III. Belastingheffing naar het inkomen Artikel 6. Inkomsten uit onroerende goederen Vervallen Artikel 7. Winst uit onderneming Vervallen Artikel 8. Zeevaart en luchtvaart Vervallen Artikel 9. Gelieerde ondernemingen Vervallen Artikel 10. Dividenden Vervallen Artikel 11. Interest Vervallen Artikel 12. Royalty's Vervallen Artikel 13. Vermogenswinsten Vervallen Artikel 14. Zelfstandige arbeid Vervallen Artikel 15. Niet zelfstandige arbeid Vervallen Artikel 16. Bestuurders- en commissarissenbeloningen Vervallen Artikel 17. Artiesten en sportbeoefenaars Vervallen Artikel 18. Pensioenen Vervallen Artikel 19. Overheidsfuncties Vervallen Artikel 20. Studenten Vervallen Artikel 21. Overige inkomsten Vervallen HOOFDSTUK IV Artikel 22. Vermijding van dubbele belasting Vervallen HOOFDSTUK V. Bijzondere bepalingen Artikel 23. Non-discriminatie Vervallen Artikel 24. Regeling voor onderling overleg Vervallen Artikel 25. Uitwisseling van inlichtingen Vervallen Artikel 26. Diplomatieke en consulaire ambtenaren Vervallen Artikel 27. Uitbreiding tot andere gebieden Vervallen HOOFDSTUK VI. Slotbepalingen Artikel 28. Inwerkingtredin"},{"i":1261,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek, Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a). voor Nederland: - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, - -. de dividendbelasting, - -. de vermogensbelasting, (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - b). voor Tsjechoslowakije: (hierna te noemen: „Tsjechoslowaakse belasting”). - -. daň zemědělská (de be"},{"i":1288,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 15 december 2020, nr. WJZ/ 20169624, tot uitvoering van de CO2-heffing industrie Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [artikelen 16b.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16b.3), [16b.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16b.5), [16b.7, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16b.7), [16b.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16b.8), [16b.10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16b.10), [16b.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16b.12), [16b.13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16b.13), [16b.14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16b.14), [16b.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16b.17), [16b.19, vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16b.19); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **exploitant van een startende broeikasgasinstallatie:** exploitant van een broeikasgasinstallatie gedurende het jaar waarin de vergunning, bedoeld in [artikel 16.5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.5), is verleend, tot aan het moment waarop het bestuur van de emissieautoriteit beslist over de kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten, bedoeld in [artikel 16.24, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.24), of, indien het volgende moment eerder intreedt, tot aan het moment waarop het bestuur van de emissieautoriteit gebruik maakt van de mogelijkheid in [artikel 7, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044637&hoofdstuk=2&afdeling=2.1&artikel=7&z=2026-01-01&"},{"i":14550,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 10 oktober 2014, nr. WJZ / 14152482, houdende regels over producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties (Regeling producenten- en brancheorganisaties) Gelet op de artikelen 152, eerste, derde en vierde lid, 154, vierde lid, 156, 157, eerste en derde lid, 158, eerste lid, 161, eerste en derde lid, 163, eerste en derde lid, 164, eerste, vijfde en zesde lid, en 165 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EEG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347) en de [artikelen 13, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=13), en [19, eerste lid, van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **verordening 1308/2013:** Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EEG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347); - **verordening 2016/232:** Gedelegeerde [Verordening (EU) 2016/232](32016R0232) van de Commissie van 15 december 2015 tot aanvulling van [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees parlement en de Raad wat betreft bepaalde aspecten van samenwerking tussen producenten (PbEU 2016, L44); - **erkende organisatie:** door de Minister erkende producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of brancheorganisatie als bedoeld in Hoofds"},{"i":1267,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van het Koninkrijk Marokko, De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Reikwijdte van de Overeenkomst Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a. voor Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - -. de inkomstenbelasting; - -. de loonbelasting; - -. de vennootschapsbelasting; - -. de dividendbelasting; - -. de vermogensbelasting; - b. voor Marokko: (hierna te noemen: „Marokkaanse belasting”). - -. l'impôt agricole (de landbouwbelasting); - -. la taxe urbaine et les taxes y"},{"i":1268,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Noorwegen, De wens koesterende een nieuwe overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende goederen, belastingen naar het totaalbedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a. in Noorwegen: (hierna te noemen „Noorse belasting”); - –. de nationale inkomstenbelasting (inntektsskatt til staten), - –. de provinciale inkomstenbelasting (inntektsskatt til fylkeskommunen), - –. de gemeentelijke inkomstenbelasting (inntektsskatt til kommunen), - –. de nationale belasting betrekking hebbend op inkomsten uit de exploratie en exploitatie van onderzeese oliebronnen en uit werkzaamheden en bedrijvigheden die daarmede verband houden, daaron"},{"i":1303,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1998 Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heVen aantal opcenten voor de periode 1 april 1998 tot en met 31 maart 1999 bedraagt ten hoogste 68,9. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 1998. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1998. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1293,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 juli 2020, nr. IENW/BSK-2020/128685 houdende regels voor de wijze van berekenen van geluidsbelasting veroorzaakt door luchtvaartuigen die gebruikmaken van de luchtvaartterreinen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling geluidsbelasting luchtvaartterreinen BES) Gelet op [artikel 33, derde lid, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=33); BESLUIT: Artikel 1 De geluidsbelasting, bedoeld in [artikel 33, eerste lid, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=33) veroorzaakt door luchtvaartuigen die gebruikmaken van de luchtvaartterreinen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt berekend overeenkomstig het in de bijlage bij deze regeling opgenomen voorschrift. Artikel 2 1. Bij het berekenen van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043966&artikel=1&z=2020-10-01&g=2020-10-01) genoemde geluidsbelasting wordt gebruik gemaakt van de door het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum opgestelde Indelingslijst luchtvaartuigtypen en van de Appendices van de voorschriften voor de berekening van de geluidsbelasting in Lden. 2. Van het verschijnen van een nieuwe versie van de in het eerste lid bedoelde indelingslijst of appendices wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2020. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geluidsbelasting luchtvaartterreinen BES. Bijlage. bij de Regeling geluidsbelasting luchtvaartterreinen BES **Voorschrift voor de berekening van de Lden-geluidsbelasting in dB(A) voor luchtvaartterreinen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba** Betekenis begrippen **Begrippen conform artikel 1 van de Luchtvaartwet BES** **Helikopter** Gemotoriseerd luchtvaartuig met rotorbladen, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht gehouden kan worden door aerodyn"},{"i":1271,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Malta tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen Het Koninkrijk der Nederlanden en Malta, Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: Is van toepassing voor belastingjaren en -tijdvakken die beginnen op of na 1 januari 1994 (Trb. 1995/224). HOOFDSTUK I. Reikwijdte van de Overeenkomst Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a. voor Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - -. de inkomstenbelasting; - -. de loonbelasting; - -. de vennootschapsbelasting; - -. de dividendbelasting; - -. de vermogensbelasting; - b. voor Malta: - de income tax (inkomstenbelasting) en surtax, daaronder begrepen voorheffingen die hetzi"},{"i":1289,"b":"Regeling van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van de staatssecretaris van Financiën van 25 november 2010, nr. 2010-0000601469, houdende regels over diplomatieke en internationale vrijstellingen voor eilandbelastingen (Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen eilandbelastingen BES) Gelet op [artikel 78 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=78); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk IV van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt. Artikel 1 1. Van de volgende eilandbelastingen wordt in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029055&artikel=2&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029055&artikel=3&z=2011-01-01&g=2011-01-01) vrijstelling verleend: - a. de grondbelasting; - b. de motorrijtuigenbelasting; - c. de hondenbelasting; - d. de reclamebelasting; - e. de precariobelasting. 2. Een vrijstelling van een belasting, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt uitsluitend verleend voor zover een zaak, bedoeld in [artikel 43 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=43), niet ter beschikking is gesteld of in gebruik is gegeven aan een derde die zelf niet is vrijgesteld. Artikel 2 1. Een vrijstelling van een belasting, genoemd in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029055&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01), ten behoeve van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, wordt uitsluitend verleend voor zover die belasting betrekking heeft op belastbare feiten die zich voordoen in het kader van de officiële werkzaamheden van die diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. 2. Onder de officiële werkzaamheden van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, wordt mede ver"},{"i":1325,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 november 2021, nr. 2021-0000049505, houdende regels voor de verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten voor de bekostiging van de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen van gedupeerden door de toeslagenaffaire (Regeling specifieke uitkering kwijtschelding gemeentelijke belastingen) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **ex-partner:** persoon, bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.1); - **gedupeerde:** persoon, bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.1); - **gemeentelijke belastingen:** gemeentelijke belastingen als bedoeld in [hoofdstuk XV, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&paragraaf=2) en [3, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&paragraaf=3) alsmede belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten door de gemeente geschiedt; - **Minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **nabestaande:** partner van een overleden aanvrager als bedoeld in [artikel 2.9a van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.9a) of kind van een overleden aanvrager als bedoeld in [artikel 2.9b van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.9b); - **toeslagpartner:** persoon, bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.1). Artikel 2. Verstrekking van een specifieke uitkering De Minister verstrekt aan gemeenten een specifieke uitkering ter bekostiging van: - a. de kwijtgescholden verschuldigde gemeentelijke belas"},{"i":1336,"b":"Vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1990 Gelet op [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) (Stb. 1962, 17); Besluit: Artikel 1 1. Het vierjaarlijks voortschrijdend gemiddelde als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 3,0 percent. 2. Gelet op het voor 1989 geldende maximum aantal te heffen opcenten van 30,7 en het bovenvermelde vierjaarlijks voortschrijdende gemiddelde, bedraagt het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 1990 tot en met 31 maart 1991 derhalve ten hoogste 31,7. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling tot vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1990."},{"i":1337,"b":"Regeling tot vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1991 Gelet op [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) (Stb. 1962, 17); Besluit: Artikel 1 1. Het vierjaarlijks voortschrijdend gemiddelde als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 3,1 percent. 2. Gelet op het voor 1989 geldende maximum aantal te heffen opcenten van 31,7 en het bovenvermelde vierjaarlijks voortschrijdende gemiddelde, bedraagt het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 1991 tot en met 31 maart 1992 derhalve ten hoogste 32,7. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling tot vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1991."},{"i":1309,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2004 in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 2004 tot en met 31 maart 2005 bedraagt ten hoogste 94,7. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2004. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: [Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015266). De regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1286,"b":"Regeling bekendmaking percentage heffingsrente en invorderingsrente bij belastingen Gelet op de [artikelen 30a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=30a), en [69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=69) (Stb. 1959, 301), en op de [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=29) en [69 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=69) (Stb. 221), alsmede gelet op [artikel LVIII van de Invoeringswet Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004771&artikel=LVIII) (Stb. 222). Besluit: Artikel 1 Het percentage van de heffingsrente, bedoeld in [artikel 30f, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=30f), alsmede het percentage van de invorderingsrente, bedoeld in [artikel 29 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=29), bedraagt voor het vierde kwartaal 2012: 2,25. Artikel 2 Aan artikel VI van de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 mei 1990, nr. WDB90/180, houdende wijziging van enige uitvoeringsregelingen in verband met de inwerkingtreding van de Invorderingswet 1990 (Stcrt. 103) wordt toegevoegd: Bij de toepassing van het in de vorige volzin bedoelde artikel 8 moet met ingang van 1 oktober 1992 artikel 1 van de in genoemd artikel 8 bedoelde regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 21 april 1970, nr. B70/7509, houdende wijziging van de interest verschuldigd wegens uitstel van betaling van belastingen en premies (Stcrt. 78) als volgt worden gelezen: De interest, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet van 22 mei 1845 op de invordering van 's Rijks directe belastingen (Stb. 1926, 334), is voor de kalenderkwartalen gelegen na 30 september 1992 gelijk aan de rente die voor deze kalenderkwartalen in artikel 1 van de Regeling bekendmaking percentage heff"},{"i":5503,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de pers van 1 februari 2011, nr. 20448 tot vaststelling van subsidieplafonds voor het jaar 2011 en intrekking van de Tijdelijke subsidieregeling minderhedenbladen en journalistieke internet-informatieproducten Gelet op [artikel 8.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10), en [artikel 8.16 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.16), Besluit: Artikel 1. Subsidieverlening op grond van [titel 8.2 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&titeldeel=8.2) Voor subsidieverstrekking aan persorganen voor de activiteiten bedoeld in de [artikelen 8.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10), [8.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.11), [8.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.12), [8.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.13) en [8.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.14) is in 2011 een totaalbedrag van ten hoogste € 150 000 beschikbaar. Artikel 2. Subsidieverlening op grond van [titel 8.3 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&titeldeel=8.3) Voor subsidieverstrekking op grond van [titel 8.3 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&titeldeel=8.3) voor het verrichten van onderzoek ten behoeve van de persbedrijfstak als geheel is in 2011 een bedrag van ten hoogste € 250 000 beschikbaar. Artikel 3. Intrekking van de [Tijdelijke subsidieregeling minderhedenbladen en journalistieke internet-informatieproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027268) De [Tijdelijke subsidieregeling minderhedenbladen en journalistieke internet-informatieproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027268) wordt ingetrokken. Artikel 4. Overgangsrecht bij intrekking van de [Tijdelijke subsidieregeling minderhedenbladen en journalistieke internet-informatieproducten](h"},{"i":1351,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 10 december 2014, nr. WJZ/14139630, houdende wijziging van diverse regelingen in verband met de opheffing van de bedrijfslichamen en de overname van taken Gelet op verordening (EG) nr. 617/2008 van de Commissie van 27 juni 2008 houdende bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat betreft de handelsnormen voor broedeieren en kuikens van pluimvee (PbEU 2008, L 168), verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrĳding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU 2003, L 325), verordening (EU) nr. 1190/2012 van de Commissie van 12 december 2012 tot vaststelling van een doelstelling van de Unie voor het terugdringen van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium bij koppels kalkoenen, als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 340), verordening (EU) nr. 200/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 tot vaststelling van een doelstelling van de Unie voor het terugdringen van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium bij koppels slachtkuikens, als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 71), verordening (EU) nr. 517/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een doelstelling van de Unie voor het verminderen van de prevalentie van bepaalde serotypes van salmonella bij legkippen van Gallus gallus en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/2003 en Verordening (EU) nr. 200/2010 van de Commissie (PbEU 2011, L 138), verordening (EU) nr. 200/2010 van de Commissie van 10 maart 2010 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een doelstelling van de Unie voor het verminderen van de prevalentie van serotypen Salmonella bij vo"},{"i":1298,"b":"Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Staatssecretaris van Financiën van 14 juli 2024, nr. WJZ/ 34586198, houdende nadere regels voor de berekening van marktinkomsten uit de productie van elektriciteit ten behoeve van de Tijdelijke wet inframarginale elektriciteitsheffing en aanvulling van de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst (Regeling inframarginale elektriciteitsheffing) Gelet op de [artikelen 7, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050059&artikel=7), [8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050059&artikel=8), [10, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050059&artikel=10), en [11, zesde lid, van de Tijdelijke wet inframarginale elektriciteitsheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050059&artikel=11), [artikel 3a, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=3a) en [artikel 7c, tweede en derde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=7c); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aansluiting:** aansluiting als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=1); - **afwikkelingsprijs:** de afwikkelingsprijs, op de beurs European Energy Exchange (ofwel: EEX) aangeduid als ‘settlement price’, voor een EEX Dutch Power Future; - **biedzone:** biedzone als bedoeld in artikel 2, onderdeel 65, van [Verordening (EU) 2019/943](32019R0943) van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PbEU 2019, L 158); - **elektriciteitsopslagfaciliteit:** faciliteit voor het opslaan van elektriciteit die technisch geschikt is om elektriciteit uit te wisselen met het elektriciteitsnet, met een vermogen van ten minste 500 kilowatt of een capaciteit van ten minste 500 kilowattuur; - **EEX Dutch Power Future:** overeenk"},{"i":1352,"b":"Rijkswet van 13 december 1996, houdende wijziging van de Belastingregeling voor het Koninkrijk in verband met maatregelen met het oog op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik alsmede in verband met enige technische aanpassingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba het wenselijk achten vooruitlopend op een integrale aanpassing van de [Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464) aan ontwikkelingen in de belastingwetgeving van de landen van het Koninkrijk, maatregelen te treffen om misbruik en oneigenlijk gebruik van de [Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464), waaronder emigratie tussen de landen waarbij het behalen van fiscale voordelen voorop staat, tegen te gaan alsmede enige technische aanpassingen in de [Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464) aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Belastingregeling voor het Koninkrijk. ARTIKEL II 1. Met betrekking tot een natuurlijke persoon die voor de inwerkingtreding van dit voorstel van rijkswet inwoner is geworden van de Nederlandse Antillen en in een van de daaraan voorafgaande 5 jaren inwoner was van een van de andere landen, vindt artikel 35**b**, eerste of tweede lid, met betrekking tot regulier inkomen geen toepassing tot 1 januari 2002 indien ten aanzien van die natuurlijke persoon voor de inwerkingtreding van dit voorstel de artikelen 23**b** en 23**c** van de Landsverordening op de Inkomstenbelasting 1943 van toepassing zijn. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder regu"},{"i":1353,"b":"Regeling inzake vermindering van Roemeense belasting op dividenden, interest, royalty's en commissiebeloningen uit Roemeense bron, genoten door inwoners van Nederland Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 27 maart 1979 tussen Nederland en Roemenië gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 1980, nr. 50) kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. Vermindering tot 15% van de Roemeense belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Roemenië is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b). - b. Vermindering tot 10% van de Roemeense belasting op dividenden, indien de genieter van de dividenden een Nederlands lichaam is waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat onmiddellijk ten minste 25% bezit van het kapitaal van het Roemeense lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel a). - c. Algehele vrijstelling van de Roemeense belasting op uit Roemenië afkomstige interest, indien deze wordt betaald aan een bank of aan een andere financiële instelling of indien deze wordt betaald uit hoofde van leningen van welke aard ook die worden verstrekt, gewaarborgd, verzekerd of onmiddellijk of middellijk zijn gefinancierd door de Nederlandse overheid of door een openbare instelling daarvan (artikel 11, derde lid). - d. Vermindering tot 10% van de Roemeense belasting op niet onder onderdeel c vallende interest, afkomstig uit Roemenië (artikel 11, tweede lid). Deze vermindering is, tenzij het obligaties betreft, niet van toepassing op hypotheekrente waarvoor een in Roemenië gelegen onroerend goed is verbonden (artikel 6, tweede"},{"i":6310,"b":"Wet van 19 juni 1997 tot gemeentelijke herindeling in de provincie Drenthe Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling in de provincie Drenthe te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande gemeenten opgeheven. Anloo Beilen Borger Coevorden Dalen Diever Dwingeloo Eelde Emmen Gasselte Gieten Havelte Meppel Norg Nijeveen Odoorn Oosterhesselen Peize Roden Rolde Ruinen Ruinerwold Schoonebeek Sleen Smilde Vledder Vries Westerbork De Wijk Zuidlaren Zuidwolde Zweeloo Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande nieuwe gemeenten ingesteld. Aa en Hunze Borger-Odoorn Coevorden Emmen Meppel Middenveld Noordenveld Westerveld De Wolden Zuidlaren 2. In de onderstaande tabel is aangegeven uit het gebied van welke op te heffen gemeenten het gebied van elk der nieuwe gemeenten bestaat, met dien verstande dat de grenzen van de nieuwe gemeenten komen te lopen zoals aangegeven op de bij de wet behorende kaart. **Tabel 1. gebiedsbepaling nieuwe gemeenten** | nieuwe gemeente | bestaande uit de op te heffen gemeenten | | --- | --- | | Aa en Hunze | Anloo Gasselte Gieten Rolde | | | | | Borger-Odoorn | Borger Odoorn | | | | | Coevorden | Coevorden Dalen Oosterhesselen Sleen Zweeloo | | | | | Emmen | Emmen Schoonebeek | | | | | Meppel | Meppel Nijeveen | | | | | Middenveld | Beilen Smilde Westerbork | | | | | Noordenveld | Norg Roden Peize | | | | | Westerveld | Diever Dwingeloo Havelte Vledder | | | | | De Wolden | Ruinen Ruinerwold De Wijk Zuidwolde | | | | | Zuidlaren | Eelde Vries Zuidlaren | Paragraaf 2. Grenswijzigingen van een gemeente die niet wordt opgeheven Artikel 3 De grenzen van de gemeen"},{"i":1357,"b":"Schenk- en erfbelasting, kwijtschelding **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit vervangt het besluit van 10 juni 2010, nr. DGB2010/875M en bevat het beleid over kwijtschelding van schenk- en erfbelasting als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onder 1° en 4°, en artikel 67, derde lid, van de Successiewet 1956. In het besluit is een nieuwe goedkeuring opgenomen voor de kwijtschelding van erfbelasting in de zin van artikel 67, derde lid, van de Successiewet 1956. Verder is de in het besluit van 10 juni 2010 opgenomen mandatering van de bevoegdheid om kwijtschelding te verlenen aangepast.** 1. Inleiding In dit besluit is het beleid opgenomen over kwijtschelding van schenk- en erfbelasting als bedoeld in [artikel 67 Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=67). De onderdelen 2 en 3 zijn redactioneel aangepast. In onderdeel 2 zijn de woorden ‘(in het buitenland)’ verwijderd omdat de in dit onderdeel opgenomen goedkeuring ook geldt voor situaties in Nederland. In onderdeel 2.1 is de tekst van de goedkeuring aangepast. Verder is de bevoegdheid om kwijtschelding te verlenen in het in onderdeel 2 genoemde geval niet langer gemandateerd aan de Belastingdienst. De bevoegdheid om kwijtschelding te verlenen in de in onderdeel 3 genoemde gevallen is aangepast naar aanleiding van een wijziging in de organisatie van de Belastingdienst. Tot slot is in het nieuwe onderdeel 4 een goedkeuring opgenomen voor de kwijtschelding van erfbelasting in de zin van [artikel 67, derde lid, Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=67) voor het geval de wettelijke verdeling ([artikel 13 boek 4 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=13)) van toepassing is en een nalatenschap op deze wijze is verdeeld. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Schenking voor verschaffen levensonderhoud en bekostiging medische hulp Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van schenkbelasting kan worden"},{"i":1358,"b":"Schenk- en erfbelasting, overdrachtsbelasting, verwerping van een nalatenschap, ongelukkige redactie testament, vergeten testament, informele wil Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden 1. Inleiding 1. Inleiding 3. Verwerping waarbij andere erfgenamen nog geen rechtshandeling hebben gepleegd 4. Opeenvolgende verwerpingen 5. Ongelukkige redactie van een testament 6. Gewijzigde omstandigheden. (Aanpassing) testament vergeten 7. Informele wil Als de erflater een testament heeft, wordt meestal afgeweken van het wettelijk erfrecht. De inhoud van het testament bepaalt de gevolgen voor de erfbelasting. De erflater kan op niet-rechtsgeldige wijze uitkeringen uit de nalatenschap hebben toegezegd of wensen kenbaar hebben gemaakt voor de bestemming van zijn nalatenschap (de informele wil). Voor de erfbelasting wordt niet van het wettelijk erfrecht afgeweken bij erfrechtelijke toezeggingen die niet voldoen aan de formele eisen van [boek 4 van het BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761). De erfgenamen die de informele wil van de erflater (gedeeltelijk) uitvoeren, schenken aan de informeel begunstigde. Hierbij kan schenkbelasting zijn verschuldigd. Als door de schenking een onroerende zaak overgaat zal er tevens overdrachtsbelasting verschuldigd zijn. Bij verwerping van de nalatenschap verandert de persoon van de verkrijger en vaak ook de omvang van de verkrijgingen. [Artikel 30 van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=30) voorkomt dat de verwerping leidt tot minder verschuldigde erfbelasting. De wetgever heeft hiermee willen voorkomen dat door samenspanning tussen belanghebbenden te weinig erfbelasting wordt geheven. Artikel 30 van de Successiewet is echter ook van toepassing als er geen sprake is van samenspanning. Voor de toepassing van artikel 30 van de Successiewet wordt berekend hoe hoog de verschuldigde erfbelasting zou zijn geweest met en zonder de verwerping van de nalatenschap. Het hoogste bedrag is verschuldigd. De"},{"i":1359,"b":"Schenk- en erfbelasting. Overgangsrecht bedrijfsopvolgingsregeling bij Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling **De Minister van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit regelt overgangsrecht voor bepaalde situaties waarbij door de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling niet voldaan kan worden aan de bezitseis of het voortzettingsvereiste van de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956.** 1. Inleiding De [Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049131)1Stb. 2023, 503. kan gevolgen hebben voor de bedrijfsopvolgingsregeling in de [Successiewet 1956](onbekend), als hierdoor niet voldaan wordt aan de bezitseis ([artikel 35d van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35d)) of het voortzettingsvereiste ([artikel 35e van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35e)). Hiervoor is – anders dan bij de [Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049130)2Stb. 2023, 508. – geen overgangsrecht getroffen, omdat een fonds voor gemene rekening zelf geen onderneming kan drijven. Bij de totstandkoming van deze wet is echter geen rekening gehouden met de situatie dat een fonds voor gemene rekening wel een belang kan hebben in een lichaam dat een onderneming drijft. Hierdoor kan het fonds voor gemene rekening door de toerekening van de bezittingen en schulden in dat lichaam aan het fonds indirect een onderneming drijven ([artikel 35c, vijfde lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35c)). Dit besluit bevat goedkeuringen voor de situatie dat er voorafgaand aan het tijdstip dat een fonds voor gemene rekening als gevolg van de [Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":1299,"b":"Regeling inzake correctie van de belastingnorm voor huurwoningen voor de ontwikkeling van de kosten van milieumaatregelen Overwegende, dat bij de aanpassing van de jaarlijkse bijdragen voor huurwoningen aan de ontwikkeling van de genormeerde exploitatielasten, voorzover deze betrekking hebben op de norm voor de belastingen, de kosten van het milieu buiten beschouwing dienen te worden gelaten; dat het in verband daarmede noodzakelijk is, de ontwikkeling van de belastingnorm voor de invloed van de milieukosten te corrigeren; Besluit: Artikel 1 Deze regeling is van toepassing op woningen en bijzondere woongebouwen waarvoor nog geldende jaarlijkse bijdragen op grond van de Beschikking bijdragen woningwetbouw 1948 (Stcrt. 1948, 126), de Beschikking verminderde bijdragen woningwetbouw 1950 (Stcrt. 35) de Beschikking bijdragen woningwetbouw 1950 (Stcrt. 135) , de Beschikking verminderde bijdragen woningwetbouw 1950–1 (Stcrt. 135), de Beschikking geldelijke steun toegelaten instellingen (Stcrt. 1965, 253), de Beschikking geldelijke steun particuliere huurwoningen 1968 (Stcrt. 1967, 253), de Beschikking geldelijke steun toegelaten instellingen 1968 (Stcrt. 1967, 253), de circulaire MG 74 40 van 20 december 1974 (Stcrt. 253) inzake geldelijke steun uit 's rijks kas op voet van de Woningwet voor het verbeteren van complexen woningen van toegelaten instellingen en gemeenten, in samenhang met de circulaire MG 73 24 van 28 december 1973 (Stcrt. 1974, nr. 2) inzake hetzelfde onderwerp, de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975 (Stcrt. 1986, 251), de circulaire MG 81 13 van 1 april 1981 inzake geldelijke steun uit 's rijks kas op voet van de Woningwet voor het verbeteren van complexen woningen van toegelaten instellingen en gemeenten (Stcrt. 65), de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986 (Stcrt. 251), de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 (Stcrt. 1990, 193) of de Regeling geldelijke steun overgedragen stude"},{"i":1287,"b":"Regelingberekening geluidsbelasting militaire luchthavens in Kosteneenheden Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 10.12, derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.12); Besluit: Artikel 1 De geluidsbelasting, veroorzaakt door luchtvaartuigen die gebruik maken van de militaire luchthavens, wordt berekend op de manier, beschreven in rapport RLD/BV-01.2 Voorschrift voor de berekening van de geluidsbelasting in Kosteneenheden (Ke), zonder drempelwaarde, ten gevolge van het vliegverkeer. Artikel 2 1. Bij het berekenen van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031639&artikel=1&z=2020-05-05&g=2020-05-05) genoemde geluidsbelasting wordt gebruik gemaakt van de gegevens in rapport NLR CR 96650 L, Appendices van de voorschriften voor de berekening van geluidsbelasting voor de militaire luchthavens bedoeld in [artikel 8.1 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.1). 2. Van een wijziging van de Appendices wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. 3. Een geluidsbelastingsberekening geschiedt met gebruikmaking van de meest recente versie van de Appendices. 4. Een handhavingsberekening voor de handhaving van de grenswaarde voor de geluidsbelasting geschiedt met gebruikmaking van de versie van de Appendices op basis waarvan de geluidszone voor de betrokken luchthaven is berekend, aangevuld met de meest recente versie van de Appendices. Artikel 3 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031639&artikel=1&z=2020-05-05&g=2020-05-05) geschiedt de berekening van de geluidsbelasting, veroorzaakt door luchtvaartuigen die gebruik maken van de militaire luchthavens Leeuwarden, Deelen en Gilze-Rijen, indien de geluidszone voor de betrokken luchthaven gelijk is aan de geluidszone die voor die luchthavens is vastgesteld vóór 1 augustus 2004, op de manier, beschreven in rapport RLD/BV 01, Voor"},{"i":1302,"b":"Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990 Gelet op de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=25), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=26) en [27 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=27) (Stb. 521), [artikel 15 van de Wet financiering volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004538&artikel=15) (Stb. 1989, 129) en [artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](onbekend) (Stb. 202); Besluit: Artikel 1 Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=25), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=26), [27b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=27b) en [32a van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32a) en de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=7) en [12 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=12). Artikel 2 Als loonbelasting- en premietabellen en als loonbelasting- en premietabellen voor bijzondere beloningen worden afzonderlijk of gecombineerd vastgesteld: - a. de witte tabellen voor loontijdvakken van een maand, een week, een dag, een kwartaal en van vier weken; - b. de groene tabellen voor loontijdvakken van een maand, een week, een dag en een kwartaal; - c. de groene tabel voor uitkeringen ingevolge de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221), de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) of [artikel 47a, eerste lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=47a); - d. de tabel voor uitvoerders van aangenomen werk en thuiswerkers, hun hulpen, degenen wier arbeidsverhouding ingevolge [artikel 2c van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":1296,"b":"Regeling heffing regulerende energiebelasting 2001 Gelet op [artikel VIII van de Wet van 14 december 2000 tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Tariefwet 2001)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011984&artikel=VIII) (Stb. 568), Besluit: Artikel I 1. In de aangifte voor de heffing van halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas bedoeld in [artikel VIII, eerste lid, van de Wet van 14 december 2000 tot wijziging van een enkele belastingwetten c.a. (Tariefwet 2001)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011984&artikel=VIII) worden de volgende gegevens vermeld: - a. de naam, het adres en de aard van het bedrijf van de aangever; - b. een nauwkeurige aanduiding van de plaats of plaatsen waar de halfzware olie, gasolie en het vloeibaar gemaakt petroleumgas zich bevinden; - c. de hoeveelheid halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas per plaats; - d. de stand van het telwerk indien een voorraadtank is verbonden met een pompinstallatie met telwerk; - e. het bedrag aan belasting 2. De aangifte wordt gedaan in tweevoud. Artikel II De belasting wordt overeenkomstige de aangifte voldaan uiterlijk 31 januari 2001. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001 Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5240,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 29 mei, nr. 5458274, tot aanwijzing van aanvullende documenten waarmee ten behoeve van de uitoefening van het kiesrecht de identiteit kan worden vastgesteld (Regeling aanwijzing documenten vaststellen identiteit Kieswet 2024) Gelet op [artikel 1, tweede lid, van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. Voor het vaststellen van de identiteit van een persoon als bedoeld in [artikel B 1 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=B_1) op grond van [artikel J 24, eerste lid, onderdeel a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=J_24) worden naast de in [artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1) genoemde identiteitsdocumenten de volgende identiteitsdocumenten aangewezen: - a. een identiteitskaart uitgegeven in een land dat lid is van de Europese Unie; - b. een identiteitskaart uitgegeven in Liechtenstein, Noorwegen, IJsland of Zwitserland. 2. De identiteitsdocumenten, aangewezen in [artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1) en in het eerste lid, mogen op de dag van de stemming, bedoeld in [artikel J 1, eerste lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=J_1), maximaal vijf jaren hun geldigheid hebben verloren. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing documenten vaststellen identiteit Kieswet 2024. Artikel 3 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049757&artikel=1&z=2025-09-24&g=2025-09-24), van deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2028. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5288,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 mei 2021, kenmerk 2021-0000097511, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor het jaar 2021 (Regeling bekostiging financieel toezicht 2021) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder geconsolideerde jaarrekening: jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van personen die een groep of groepsdeel vormen en andere in de consolidatie meegenomen personen, als één geheel zijn opgenomen. Artikel 2 1. Voor het kalenderjaar 2021 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9), voor de personen die onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten vallen, bedoeld in [bijlage 1, onderdeel B, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&bijlage=1), als volgt vastgesteld: | Toezichtcategorie | Maatstaf | Bandbreedtes | Tarieven | | --- | --- | --- | --- | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >0 tot en met 5.000 PC | € 2.060 vermeerderd met: € 6,23 per PC | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >5.000 tot en met 10.000 PC | in voorkomend geval vermeerderd met: € 4,36 per PC | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk al"},{"i":6261,"b":"Wet van 14 mei 2014 tot samenvoeging van de gemeenten Bernisse en Spijkenisse Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Bernisse en Spijkenisse samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Bernisse en Spijkenisse opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Nissewaard ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Bernisse en Spijkenisse, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Nissewaard wordt de op te heffen gemeente Spijkenisse aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Bernisse en Spijkenisse wordt de nieuwe gemeente Nissewaard aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5 1. Voor de nieuwe gemeent"},{"i":7234,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België over de grensoverschrijdende uitwisseling van gegevens met het oog op het identificeren van personen die ervan verdacht worden inbreuken te hebben begaan in het kader van het gebruik van de weg Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België – hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen; Gezien [Richtlijn 2011/82](32011L0082)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen die de lidstaten verplicht aan de nationale contactpunten van de andere lidstaten toegang te verlenen tot bepaalde gegevens van de nationale kentekenregisters, zulks met de bevoegdheid deze geautomatiseerd te bevragen voor onderzoek naar bepaalde aangewezen verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen; Gezien [artikel 350 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506&artikel=350); Overwegende dat ingezetenen van een Verdragsluitende Partij betrokken kunnen zijn bij inbreuken in het kader van het gebruik van de weg die zijn opgenomen in de Richtlijn terwijl deze nog niet is geïmplementeerd of bij andere inbreuken dan die welke in de Richtlijn zijn opgenomen en die zijn begaan op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij; Overwegende dat het, in aanvulling op de verplichtingen van de [Richtlijn 2011/82](32011L0082)/EU, van groot belang is dat de Verdragsluitende Partijen langs geautomatiseerde weg gegevens kunnen uitwisselen ten behoeve van het tegengaan van inbreuken begaan in het kader van het gebruik van de weg, het handhaven van rechtsvoorschriften over het gebruik van de weg en de verbetering van de verkeersveiligheid; Overwegende dat het Verdrag vooruitlopend op omzetting van de [Richtlijn 2011/82](32011L0082)/EU kan worden uitgevoerd, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel en"},{"i":7201,"b":"Verdrag betreffende organisaties van personen die in de landbouw werkzaam zijn en hun rol in de sociaal-economische ontwikkeling De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen in haar zestigste zitting op 4 juni 1975, Erkennend dat het in verband met de belangrijke plaats die personen die in de landbouw werkzaam zijn in de wereld innemen, dringend noodzakelijk is hen te betrekken bij werkzaamheden op het gebied van de sociaal-economische ontwikkeling ten einde hun omstandigheden van werken en leven duurzaam en doeltreffend te verbeteren; Opmerkende dat in tal van landen ter wereld, en meer in het bijzonder in de ontwikkelingslanden, de grond en de arbeidskrachten zeer onvoldoende worden benut en dat het daardoor noodzakelijk is dat personen die in de landbouw werkzaam zijn, worden aangespoord vrije en krachtige organisaties op te richten, die in staat zijn de belangen van hun leden te beschermen en te behartigen, alsmede te verzekeren dat zij op een doeltreffende wijze aan de sociaaleconomische ontwikkeling kunnen bijdragen; Overwegende dat het bestaan van dergelijke organisaties ertoe kan en moet bijdragen de voortdurende schaarste aan voedingsmiddelen in verschillende delen van de wereld te verminderen; Erkennende dat de landbouwhervorming in een groot aantal ontwikkelingslanden een hoogst belangrijke factor is voor de verbetering van de omstandigheden van werken en leven van personen die in de landbouw werkzaam zijn en dat derhalve de organisaties van deze personen aan de uitvoering van zo'n hervormingsplan zouden moeten medewerken en er actief aan zouden moeten deelnemen; In herinnering brengend de bepalingen van de bestaande internationale arbeidsverdragen en aanbevelingen (in het bijzonder het Verdrag betreffende het recht van vereniging en vergadering van arbeiders (landbouw), 1921, het [Verdrag betreffende de vrijheid tot het opri"},{"i":1377,"b":"Tariefregeling vervoer gevaarlijke stoffen Gelet op [artikel 49, tweede lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=49); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu. Artikel 2 Voor het behandelen van een verzoek tot het verlenen of wijzigen van een ontheffing is aan de Minister een tarief verschuldigd zoals vastgesteld in de [Regeling tarieven transportsectoren](onbekend). Artikel 3 1. Indien de Minister van Defensie een verzoek tot het verlenen of wijzigen van een ontheffing, het verrichten van een keuring of het afgeven of wijzigen van een document in behandeling neemt, is hem een vergoeding verschuldigd waarvan hij de hoogte en de wijze van betalen zelf vaststelt. 2. Indien de Dienst Wegverkeer, bedoeld in [artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4a), de in het eerste lid genoemde handelingen verricht, is hem een vergoeding verschuldigd waarvan hij de hoogte en de wijze van betalen zelf vaststelt. 3. De geraamde opbrengst van een vergoeding gaat per soort van handeling de geraamde uitgaven ter zake niet te boven. Artikel 4 1. Indien een ander dan de Minister, de Minister van Defensie of de Dienst Wegverkeer de in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008118&artikel=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01), genoemde handelingen verricht, is hem een vergoeding verschuldigd op basis van een tarief waarvan hij de hoogte en de wijze van betalen zelf vaststelt. 2. De geraamde opbrengst van een vergoeding gaat per soort van handeling de geraamde uitgaven ter zake niet te boven. 3. Een tarief geldt eerst als vastgesteld, nadat dit schriftelijk aan de Minister is meegedeeld. Artikel 5 De Minister kan een tarief als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008118&artikel=4&z=2023-01-01&g=2023-01-01) vaststellen, in welk geval deze vaststelling zo nodig in de plaat"},{"i":1378,"b":"Wet van 14 december 2000 tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Tariefwet 2001) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de inwerkingtreding van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) noodzakelijk is de voor het jaar 2001 geldende tarieven voor de loon- en inkomstenbelasting vast te stellen; dat het voorts wenselijk is maatregelen te nemen om de problematiek van de armoedeval te verminderen; en dat het met het oog op de verdere vergroening van het fiscale stelsel wenselijk is de tarieven van de milieubelastingen aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekering. Artikel IV Wijzigt de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Artikel IVA Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel IVB In afwijking van [**artikel 83**van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=83) wordt teruggaaf van motorrijtuigenbelasting verleend over tijdvakken die nog niet zijn aangevangen op 1 januari 2001 met betrekking tot motorrijtuigen, niet zijnde vrachtauto's. De teruggaaf bedraagt het verschil tussen de betaalde belasting en de belasting die is verschuldigd op grond van onderscheidenlijk de artikelen 23, 24, 25, 25b en 47, eerste lid, van die wet. Artikel V 1. De accijns voor sigaretten wordt met ingang van 1 januari 2001 zodanig verhoogd dat de totale accijns voor de meest gevraagde prijsklasse sigaretten f 6,84 per 1000 stuks hoger zal liggen dan het accijnsbedrag voor deze prijsklasse op 31 december 2000. Indien met ingang van 1 januari 2001 het aldus berek"},{"i":6204,"b":"Wet van 16 januari 2003 tot wijziging van de Provinciewet en enige andere wetten tot dualisering van de inrichting, de bevoegdheden en de werkwijze van het provinciebestuur (Wet dualisering provinciebestuur) Artikel I Wijzigt de Provinciewet. Artikel II Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel III 1. In afwijking van [artikel F 1, eerste lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=F_1) vindt in 2003 de kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van provinciale staten plaats op maandag 27 januari. 2. In afwijking van [artikel C 4, tweede lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=C_4) treden de leden van provinciale staten in 2003 af met ingang van donderdag 20 maart. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V Wijzigt de Gemeentewet. Artikel VI Vervallen Artikel VII 1. De in [artikel I, onderdelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014602&artikel=I&z=2012-10-01&g=2012-10-01) BBBB en CCCC, bedoelde verordeningen worden vastgesteld vóór de vaststelling van de begroting over het jaar 2004, doch uiterlijk op 15 november 2003. 2. De in [artikel I, onderdelen L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014602&artikel=I&z=2012-10-01&g=2012-10-01) en DDDD, bedoelde verordeningen, de in [artikel I, onderdelen F, R](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014602&artikel=I&z=2012-10-01&g=2012-10-01) en EE, bedoelde gedragscodes en de in [artikel I, onderdelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014602&artikel=I&z=2012-10-01&g=2012-10-01) GGG en III, bedoelde regels worden vastgesteld binnen een jaar na de inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014602&artikel=I&z=2012-10-01&g=2012-10-01) van deze wet. 3. Provinciale staten kunnen besluiten de termijn, bedoeld in het tweede lid, voor de vaststelling van de in [artikel I, onderdeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014602&artikel=I&z=2012-10-01&g=2012-10-01) DDDD, bedoelde verordening en de i"},{"i":1380,"b":"Teruggaafregeling accijns van suiker en suikerhoudende produkten Gelet op [artikel XV, tweede lid, van de Wet van 24 december 1992 tot invoering van en aanpassing van wetgeving aan de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005803&artikel=XV) (Stb. 683). Besluit: Artikel 1 1. De teruggaaf als bedoeld in [artikel XV, eerste lid van de Wet van 24 december 1992 tot invoering van en aanpassing van wetgeving aan de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005803&artikel=XV) (Stb. 683) van accijns van suiker en suikerhoudende produkten bedraagt: - a. voor suiker per 100 kg: f 8,68; - b. voor suikerhoudende produkten per 100 kg, indien het: - jam en stropen betreft: f 5,20; - siropen betreft: f 4,30; - zoetwaren en suikerwerken betreft: f 3,45; - bakkerswaren betreft: f 1,70; - c. voor andere suikerhoudende produkten dan bedoeld in onderdeel b: nihil. 2. Het verzoek om teruggaaf van accijns als bedoeld in [artikel XV, eerste lid, van de Wet van 24 december 1992 tot invoering van en aanpassing van wetgeving aan de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005803&artikel=XV) wordt uiterlijk 8 januari 1993 bij de inspecteur ingediend. 3. De inspecteur kan op verzoek toestaan dat het verzoek om teruggaaf op een later tijdstip wordt gedaan, doch niet later dan 31 januari 1993. 4. In het verzoek worden vermeld: - a. de naam, het adres en de aard van het bedrijf van de belanghebbende; - b. een nauwkeurige aanduiding van de plaats of plaatsen waar de suiker en suikerhoudende produkten zich bevinden; - c. de soort en de hoeveelheid suiker en suikerhoudende produkten, naar de onderscheidingen van het eerste lid, per plaats; - d. het bedrag van de teruggaaf waarop aanspraak wordt gemaakt. Artikel 2 Deze regeling treedt in we"},{"i":2500,"b":"Beleidsregel met betrekking tot de behandeling en beoordeling van aanvragen voor schadevergoeding of nadeelcompensatie in verband met de uitvoering van de Planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier (Beleidsregel schadevergoeding Ruimte voor de Rivier) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. **aanvraag:** aanvraag om schadevergoeding of tegemoetkoming in de schade als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025792&artikel=2&z=2013-02-01&g=2013-02-01); - c. **de Overeenkomst:** de overeenkomst inzake verleggingen van kabels en leidingen buiten beheersgebied tussen de Minister van Verkeer en Waterstaat en Energie-Ned, VELIN en VEWIN (Stcrt. 1999, 97). - d. **de PKB Ruimte voor de Rivier:** de bij besluit van 19 december 2006 vastgestelde Planologische Kernbeslissing Ruimte voor de Rivier, deel 4, die op 26 januari 2007 van kracht is geworden (Stcrt. 2007, 18). Artikel 2. Het recht op schadevergoeding 1. De minister kent op aanvraag van degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van: - a. een rechtmatig projectbesluit, genoemd in de bijlage behorende bij de PKB Ruimte voor de Rivier; - b. een rechtmatig projectbesluit, genoemd in een beslissing van de minister tot wijziging of aanvulling van het Basispakket, bedoeld in de PKB Ruimte voor de Rivier; - c. een door de minister, in plaats van een onder a of b bedoeld besluit, genomen rijksprojectbesluit of vastgesteld rijksinpassingsplan als bedoeld in [artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.28); - d. een rechtmatig besluit dat naast de in onderdeel a, b en c bedoelde projectbesluiten of het in onderdeel c bedoelde rijksinpassingsplan nodig is om het betreffende project daadwerkelij"},{"i":1394,"b":"Regeling inzake vermindering van Tsjechoslowaakse belasting op dividenden, interest en royalty's uit Tsjechoslowaakse bron, genoten door inwoners van Nederland Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de 4 op maart 1974 tussen Nederland en Tsjechoslowakije gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 1974, nr. 98) kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. Vermindering tot 10% van de Tsjechoslowaakse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Tsjechoslowakije is (artikel 10, tweede lid). - b. Algehele vrijstelling van de Tsjechoslowaakse belasting op dividenden, indien de genieter van de dividenden een Nederlands lichaam is waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat onmiddellijk ten minste 25% bezit van het kapitaal van het Tsjechoslowaakse lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, derde lid). - c. Algehele vrijstelling van de Tsjechoslowaakse belasting op interest, afkomstig uit Tsjechoslowakije (artikel 11, eerste lid). Deze vrijstelling is niet van toepassing op hypotheekrente waarvoor een in Tsjechoslowakije gelegen onroerend goed is verbonden (artikel 6, eerste en tweede lid, en artikel 11, tweede lid). - d. Vermindering tot 5% van de Tsjechoslowaakse belasting op royalty's, afkomstig uit Tsjechoslowakije (artikel 12, tweede lid). De in dit artikel vermelde vrijstellingen en verminderingen zijn niet van toepassing, indien de genieter van de dividenden, de interest of de royalty's in Tsjechoslowakije een vaste inrichting heeft en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, de vordering uit hoofde"},{"i":6316,"b":"Wet van 12 december 1985, tot gemeentelijke indeling van de Waddenzee Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Waddenzee, voor zover dat nog niet het geval is, gemeentelijk in te delen en tegelijk de grenzen van provincies en gemeenten langs het aansluitende deel van de Noordzee nader vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepaling Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. **datum van grenswijziging:** de eerste dag van het kalenderjaar, volgend op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet; - b. **overgaand** dan wel **toegevoegd gebied:** gebied dat krachtens deze wet deel gaat uitmaken onderscheidenlijk is gaan uitmaken van één der Waddenzeeprovincies en -gemeenten. 2. Waar in deze wet wordt gesproken van **Waddenzee,** wordt daaronder mede het Nederlandse deel van Eemsmond en Dollard begrepen. Hoofdstuk II. Grenswijziging Artikel 2 1. Met ingang van de datum van grenswijziging worden de grenzen van de aan de Waddenzee gelegen provincies en gemeenten in dier voege gewijzigd dat zij komen te lopen als in de volgende leden omschreven. 2. Aan de gemeente **Delfzijl** worden gedeelten van de gemeenten Bierum en Hefshuizen toegevoegd in dier voege dat het beloop van de grens van de gemeente Delfzijl als volgt wordt gewijzigd. - a. Grens met de gemeente Bierum Beginnende in het op de bestaande grens tussen de gemeenten Bierum en Delfzijl gelegen punt met de coördinaten in het (verschoven) stelsel van de rijksdriehoeksmeting x = 256 000,00; y = 597 081,19, volgt de grens een denkbeeldige lijn in enigszins noordnoordwestelijke richting tot het snijpunt met de bestaande grens tussen de gemeenten Bierum en Hefshuizen met de coördinaten x = 255 000,00; y = 603 436,40. - b. Grens met de gemeente Hefshuizen Beg"},{"i":174,"b":"Besluit sollicitatieplicht werknemers WW en IOW 2012 Gelet op [artikel 24, eerste lid, onderdeel b, ten eerste van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24) en op [artikel 15, onder b van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=15); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (aanpassing dienstverlening van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan werkgevers en werkzoekenden en opheffing Raad voor Werk en Inkomen als publiekrechtelijke rechtspersoon met een wettelijke taak en van de Werkloosheidswet en enige andere wetten i.v.m. beëindiging inzet re-integratiebudget Werkloosheidswet en loonkostensubsidies) (Stb. 2012/224) in werking treedt. Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert terzake van de uitvoering van [artikel 24, eerste lid, onderdeel b, ten eerste van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24) en van [artikel 15, onder b van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=15) een beleid als weergegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Het [Besluit sollicitatieplicht werknemers WW 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031428) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit sollicitatieplicht werknemers WW en IOW 2012. Artikel 4 Indien het bij koninklijke boodschap van 27 oktober 2011 ingediende voorstel van wet ‘Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met aanpassing van de dienstverlening van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan werkgevers en werkzoekenden en de opheffing van de Raad voor Werk en Inkomen als publiekrechtelijke rechtspersoon met een wettelijke taak en van de Werkloosheidswet en enige andere weten in verband met de beëindiging van de inzet van het r"},{"i":176,"b":"Besluit tekenbevoegdheid van de minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken 1998 Overwegende dat het, in verband met de volledige integratie van het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken in het ministerie van Binnenlandse Zaken en de daarmee verband houdende vorming van een directoraat-generaal Constitutionele Zaken & Koninkrijksrelaties bij genoemd ministerie per 1 juli 1998, wenselijk is een nieuw besluit inzake de tekenbevoegdheid vast te stellen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Tekenbevoegdheid bezitten: - a. de secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken; - b. de directeur-generaal voor Constitutionele Zaken & Koninkrijksrelaties; - c. de directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving van het DGCZ&K; - d. de directeur Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van het DGCZ&K; - e. de Permanente Vertegenwoordiger van de Nederlandse regering bij de regering van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba; - f. het hoofd van de Afdeling Coördinatie Europese en Internationale Zaken van het DGCZ&K; - g. het hoofd van de Stafafdeling Beheer van het DGCZ&K; - h. de coördinator van beleidsveld IV van de directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het DGCZ&K; - i. de juridisch adviseur van de directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het DGCZ&K; - j. de coördinatoren van de beleidsvelden I en II en het hoofd van de Afdeling Projectbeheer van de directie Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van het DGCZ&K; - k. de hoofden van de secties Kennismanagementondersteuning, Financiën en Personeelsondersteuning en Uitzendingen van de Stafafdeling Beheer van het DGCZ&K; - l. het hoofd van de Vestiging Sint Maarten van de Permanente Vertegenwoordiging van de Nederlandse regering bij de regering van de Nederlandse Antillen. 2. Bij verhindering van een der in het vorige lid genoemde functionarissen heeft diens plaatsvervanger tekenbevoegdheid. Artikel 3 1. Aan de minister is voorb"},{"i":1395,"b":"Tweede Protocol bij de op 29 mei 1991 te Den Haag ondertekende overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Venezuela, Geleid door de wens de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, met Protocol, beide op 29 mei 1991 te Den Haag ondertekend (hierna te noemen „de Overeenkomst”, respectievelijk „het Protocol bij de Overeenkomst”), te wijzigen, Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 Het is wel te verstaan dat voor de toepassing van [onderdeel b) van het derde lid van artikel 2 van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002844&artikel=2) in het geval van Venezuela onder de bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is tevens is begrepen de belasting op ondernemingsactiva (the business assets tax). Artikel 2 Wijzigt de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, 's-Gravenhage, 29-05-1991. Artikel 3 Het is wel te verstaan dat, voor de toepassing van [artikel 4 van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002844&artikel=4), de daarin neergelegde omschrijving van inwoner niet verhindert dat personen die in Venezuela zijn onderworpen aan een territoriaal belastingstelsel de voordelen van de Overeenkomst genieten. Het is echter wel te verstaan dat de vorige volzin de toepassing van de bepalingen van de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002844&artikel=I) en [VII van het Protocol bij de Overeenkomst](https://wette"},{"i":1556,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, De wens koesterende een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, hebben tot hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Mr. J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken. Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg: Zijne Excellentie de Heer Paul Reuter, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur. Die, na uitwisseling van hun volmachten, welke in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. Reikwijdte van het Verdrag Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassin"},{"i":1398,"b":"Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 Gelet op de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=9) en [10 van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=10) (Stb. 621) en [artikel 62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=62) (Stb. 1959, 301), Besluit: Artikel 1 Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 4, elfde en twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=4), [4a, tweede, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=4a), [4c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=4c), [4e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=4e), [4f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=4f), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=9), [10, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=10), en [10a, tweede lid en zesde lid, onderdeel b, van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=10a). Artikel 1a De in [artikel 4, elfde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=4) bedoelde opgaaf bevat: - a. de naam, het adres en de staat van vestiging, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=4), van de opbrengstgerechtigde; - b. het nominaal gestorte kapitaal en het aantal stemgerechtigde aandelen van de inhoudingsplichtige; - c. het gedeelte van het kapitaal, bedoeld in onderdeel b, het aantal stemgerechtigde aandelen en het percentage van de stemrechten dat de opbrengstgerechtigde bezit in de inhoudingsplichtige; - d. het bedrag van de opbrengst; - e. de datum waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, en - f. ingeval [artikel 4, negende of tiende lid, van de Wet op d"},{"i":1560,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik van treaty-shopping-structuren die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar inkomensbestanddelen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in het geval van Thailand: (hierna te noemen: „Thaise belasting”); - i. de inkomstenbelasting; en - ii. de belasting op inkomsten uit de"},{"i":1399,"b":"Uitvoeringsbeschikking kansspelbelasting Gelet op [artikel 7 van de Wet op de kansspelbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002359&artikel=7) (Stb. 1961, 313), [artikel 62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=62) (Stb. 1959, 301) en [artikel 1 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002359&artikel=1) van 24 december 1927 (Stb. 416); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij deze regeling bepaalde wordt verstaan onder: Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 De aanslagbiljetten van de naheffingsaanslagen worden in afwijking van [artikel 8 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=8) (Stb. 221) verzonden door de inspecteur. Artikel 5 1. Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbeschikking kansspelbelasting. 2. Zij treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt. Artikel 1a Het tijdstip waarop de belasting, bedoeld in [artikel 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002359&artikel=6), in het kalenderjaar is verschuldigd, is: - a. de laatste dag van de kalendermaand waarin de prijs ter beschikking is gesteld, indien: - 1°. de inhoudingsplichtige meerdere keren per kwartaal binnenlandse kansspelen organiseert waarop [artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002359&artikel=1) van toepassing is; en - b. de laatste dag van het kalenderkwartaal waarin de prijs ter beschikking is gesteld, indien: - 1°. de afgedragen belasting, bedoeld in [artikel 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002359&artikel=6), in de aan het kalenderjaar voorafgaande twee kalenderjaren per kwartaal gemiddeld niet meer heeft bedragen dan € 15.000; en - 2°. aan de inhoudingsplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande twee kalenderjaren niet meer dan twee naheffingaanslagen zijn opgelegd ter zake van de belasting, bedoeld in [artikel 6 van de"},{"i":1400,"b":"Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 Gelet op de [artikelen 3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=7), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=8), [11, eerste lid, letters a, 2°, b, 5°, en p 15, eerste lid, letter b, 1°, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11), [23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=23), [24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=24), [25, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=25), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=26), [27, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=27), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=31), [33, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=33), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=34), [35, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=35), [50, vijfde, twaalfde en vijftiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=50), en [50a, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=50a) (Stb. 329), [letter a, posten 29, letter d en 32, van de bij die wet behorende tabel I](onbekend), de bijzondere bepaling op [letter a, post 2, van de bij die wet behorende tabel II](onbekend), [artikel 62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=62) (Stb. 1959, 301), alsmede de [artikelen 4, letter c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=4), [9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=9), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=13), [23](https"},{"i":1551,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Grenada inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Grenada, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004083&artikel=8&z=2012-01-20&g=2012-01-20). De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen alle belastingen die door een van de verdragsluitende partijen worden geheven of tenuitvoergelegd, met inbegrip van gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen, opgelegd n"},{"i":1402,"b":"Uitvoeringsbeschikking vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wegens invaliditeit Gelet op artikel I, derde lid, van de Wet van 23 februari 1983, houdende intrekking van de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wegens invaliditeit (Stb. 94); Besluit: Artikel I 1. Motorrijtuigen, gehouden uitsluitend ten gevolge van de invaliditeit van personen die op 1 april 1983 de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en gebezigd voor hun persoonlijk vervoer, zijn vrijgesteld van belasting mits: - a. de aanschaffingskosten van het motorrijtuig niet meer hebben bedragen dan € 18 605; - b. de houder, voordat met het motorrijtuig de weg wordt gebruikt, in het bezit is van een vergunning van de inspecteur. 2. Tot de aanschaffingskosten worden niet gerekend de kosten van bijzondere voorzieningen aan het motorrijtuig, mits en voor zover die voorzieningen in verband met de aard van de invaliditeit noodzakelijk zijn. 3. De inspecteur beslist op het verzoek om een vergunning bij beschikking. Artikel II 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 april 1983. 2. Een op grond van deze beschikking verleende vergunning blijft van kracht tot uiterlijk 1 april 1993. 3. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbeschikking vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wegens invaliditeit."},{"i":1401,"b":"Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 Gelet op de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=9), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=21), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=24) en [29a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29a) (Stb. 469); Besluit: Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13), [13ab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ab), [13d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13d), [14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14a), [14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14b), [15g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15g), [15i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15i), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=17), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=21), [23c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=23c) en [25a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=25a). 2. Deze regeling verstaat onder de wet: de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672). Artikel 2 Vervallen Artikel 2a 1. Voor de toepassing van [artikel 13, twaalfde lid, onderdeel b, onder 1°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13) worden de werkzaamheden van een lichaam als daar bedoeld aangemerkt als actieve financieringswerkzaamheden indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: - a. het lichaam"},{"i":1403,"b":"Besluit van 20 december 1991, tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit accijns Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 23 oktober 1991, nr. WV 91/343, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Gelet op de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=2), [3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=3),[5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=5), [41, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=41), [51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=51), [64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=64), [65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=65), [66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=66), [67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=67), [68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=68), [70, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=70), [71, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=71), [80, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=80), [82, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=82), [85, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=85), [91, derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=91), en [95, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=95) (**Stb.** 1991, 561), [artikel 70 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=70) (**Stb.** 1959, 301) en artikel 28 van de Wet van 15 juni 1951 (**Stb.** 215); De Raad van State gehoord (advies van 13 december 1991, nr. W06.91.0589); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën"},{"i":1405,"b":"Besluit van 29 november 1995, tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit belasting zware motorrijtuigen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 6 februari 1995, nr. WV95/67 M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Gelet op [artikel 15 van de Wet belasting zware motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=15); De Raad van State gehoord (advies van 13 maart 1995, nr. W06.95.0055); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 24 november 1995, nr. WV95/178 U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 Dit besluit geeft uitvoering aan [artikel 15 van de Wet belasting zware motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=15). Artikel 2 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet belasting zware motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678); - b. belasting: belasting zware motorrijtuigen als bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=2); - c. motorrijtuig: zwaar motorrijtuig als bedoeld in [artikel 3, onderdeel **a**, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=3). Hoofdstuk II. Vrijstellingen Artikel 3 Vrijstelling van belasting wordt verleend voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt door defensie, indien voor die motorrijtuigen de [artikelen 4, eerste lid, onderdeel **a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4), en [37, eerste lid, onderdeel **c**, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=37) van toepassing zijn. Artikel 4 1. Vrijstelling van belasting wordt verleend voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt door de politie en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn, indien: - a. het motorrijtuig is geregistreerd op naam van een politie-inst"},{"i":1406,"b":"Besluit van 23 december 1994, tot vaststelling van het uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 3 december 1992, nr. WM92-19, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Afdeling Wetgeving Milieubelastingen, gedaan mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op de [artikelen 6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=6), [10**a**, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=10a), [13, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=13), [18**a**, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=18a), [28, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=28), [30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=30), en [38, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=38); De Raad van State gehoord (advies van 18 december 1992, nr. W06.92.0614); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 21 december 1994, nr. WM94-71M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Afdeling Wetgeving Milieubelastingen, uitgebracht mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 20, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=20), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=22), [25a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25a), [27, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=27), [29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=29a), [29b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=29b), [33, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&arti"},{"i":1407,"b":"Besluit van 22 juni 1971 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 29 april 1971, nr. B71/8431, directie Wetgeving Douane en Verbruiksbelastingen; Gelet op de [artikelen 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=11), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=37), en [53 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=53) (**Stb.** 1970, 611); De Raad van State gehoord (advies van 2 juni 1971, nr. 6); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 juni 1971, nr. B 71/11450, directie Wetgeving Douane en Verbruiksbelastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Begripsbepaling Artikel 1 Dit besluit verstaat onder wet: [Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740). Hoofdstuk I. Overdrachtsbelasting Artikel 2 De waarde van een canon, een retributie of een huur als is bedoeld in [artikel 11 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=11), wordt bepaald met inachtneming van de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 3 De vrijstelling, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, onderdeel t, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15), is van toepassing onder de volgende voorwaarden: - a. uit het verkoopregulerend beding bij de eerdere verkrijging blijkt een zelfbewoningsplicht voor de eerdere verkrijger; - b. ten tijde van de eerdere verkrijging is de waarde van de woning, bedoeld in [artikel 52 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=52), zonder rekening te houden met het verkoopregulerend beding, niet hoger dan de ten tijde van de eerdere verkrijging geldende woningwaardegrens, genoemd in [artikel 15, eerste lid, onderdeel p, onder 4° van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":1408,"b":"Besluit van 23 december 2010 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES (Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 8.39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.39), [8.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.69), [8.89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.89), [8.95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.95), [8.109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.109), [8.115a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.115a), [8.129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.129) en [8.133a van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.133a), de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=3) en [4 van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=4) en [artikel 14 van de Wet geldstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=14). 2. Dit besluit verstaat onder: - a. **wet:** [Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244); - b. **CBS versie 2 mei 1998:** door het Centraal Bureau voor de Statistiek gehanteerde bedrijfstakclassificatie, versie 2 mei 1998, op basis van de International Standard Industrial Classification of all Economic Activities; - c. **FATCA-verdrag:** het op 18 december 2013 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en tenuitvoerlegging van de FATCA (Trb. 2014, 22); - d. het Hof: het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - e. het Gerecht in eerste aanleg: het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Hoofdstuk 2. Kosten van vervolging Hoofdstuk 2. Koste"},{"i":1409,"b":"Besluit van 5 februari 2003 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit BTW-compensatiefonds Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 27 november 2002, nr. PBTW 2002–68M, Directoraat-Generaal van de Rijksbegroting, Directie Financiën Publiekrechtelijke Lichamen; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817&artikel=4); De Raad van State gehoord (advies van 12 december 2002, nr. W06.02.0540/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 21 januari 2003, nr. PBTW 2002–91M, Directoraat-Generaal van de Rijksbegroting, Directie Financiën Publiekrechtelijke Lichamen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De uitsluiting van het recht op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds volgens [artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op het BTW-compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817&artikel=4) is niet van toepassing voorzover het goederen of diensten betreft die naar hun aard uitsluitend door het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam kunnen worden verstrekt, verleend of ter beschikking gesteld. Artikel 2 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2003. 2. Dit besluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit BTW-compensatiefonds. Artikel 3 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2003. 2. Dit besluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit BTW-compensatiefonds. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1410,"b":"Besluit van 23 december 2010 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES (Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 23 november 2010, nr. AFP 2010/558, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op de [artikelen 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.2), [2.26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.26), [2.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.34), [2.35, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.35), [2.36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.36), [2.37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.37), [2.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.43), [2.44, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.44), [2.48, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.48), [2.57, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.57), [2.66, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.66), [2.99](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.99), [2.115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.115), [2.135](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.135), [4.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=4.4), [4.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=4.5), [4.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=4.24), [4.34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=4.34), [4.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=4.49), [4.58, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=4.58) en [4.60, van de Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel"},{"i":1414,"b":"Besluit van 11 december 2024, houdende regels ter uitvoering van de Wet minimumbelasting 2024 (Uitvoeringsbesluit minimumbelasting 2024) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 20 november 2024, nr. 2024-0000457397; Gelet op de [artikelen 6.2, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=6.2), [7.2, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=7.2), [7.3, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=7.3), [7.5, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=7.5), [8.3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=8.3), [8.13, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=8.13) en [14.1, zesde lid van de Wet minimumbelasting 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=14.1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 november 2024 no. W06.24.00325/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 6 december 2024, nr. 2024-0000549629; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Algemeen en definities 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=6.2), [7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=7.2), [7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=7.3), [7.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=7.5), [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=8.3), [8.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=8.13) en [14.1 van de Wet minimumbelasting 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=14.1). 2. In dit besluit wordt onder de wet verstaan: de [Wet minimumbelasting 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111). Hoofdstuk 2. Bepaling van het kwalificerende inkomen of verlies ([hoofdstuk 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":1413,"b":"Besluit van 17 mei 1965, houdende uitvoering van de Wet op de loonbelasting 1964 Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 26 april 1965, nr. B5/6210, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=4), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=7), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=33) en [34 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=34) (**Stb.** 521); De Raad van State gehoord (advies van 12 mei 1965, nr. 64); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 14 mei 1965, nr. 135/7088, Directie Wetgeving Directe belastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=4), [5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5a), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=7), [13bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=13bis), [18a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18a), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18g), [19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19a), [31a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31a), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=33), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=34), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35), [35f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35f), [35g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35g) en [35n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35n) van de Wet op de loonbelasting 1964 en aan [artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=10a). 2. Dit besluit verstaat onder: - a. wet: [Wet op"},{"i":1415,"b":"Besluit van 30 maart 1995, tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 6 september 1994, nr. WV94/365, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=1), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=4), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=22), [30, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=30), [50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=50), [71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=71), [72, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=72), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=73) en [74, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=74) en [artikel 37 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=37); De Raad van State gehoord (advies van 21 november 1994, nr. W06.94.0556); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 1995, nr. WV95/164, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=1), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=4), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=22), [23a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=23a), [24a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=24a), [25b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=25b), [30, tweede lid](https://wetten.overheid."},{"i":1549,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsraad, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, zonder mogelijkheden te scheppen voor niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (onder andere door treaty-shopping-structuren met het oog op het indirect ten voordele van inwoners van derde Staten verkrijgen van de in dit verdrag voorziene fiscale voordelen), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende goederen of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - –. de inkomstenbelas"},{"i":1578,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en Antigua en Barbuda inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van Antigua en Barbuda, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004716&artikel=8&z=2013-12-01&g=2013-12-01). De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen"},{"i":1577,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden met betrekking tot de Nederlandse Antillen en het Koninkrijk Noorwegen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden met betrekking tot de Nederlandse Antillen en de Regering van het Koninkrijk Noorwegen, geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van één Verdragsluitende Staat of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende goederen, belastingen naar het totaalbedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a). in Noorwegen: - (i). de nationale inkomstenbelasting (inntektsskatt til staten); - (ii). de provinciale inkomstenbelasting (inntektsskatt til fylkeskommunen); - (iii). de gemeentelijke inkomstenbelasting (inntektsskatt til kommunen); - (iv). de nationale"},{"i":1416,"b":"Besluit van 12 augustus 1968 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 19 juli 1968, nr. D68/4876, directie Wetgeving Douane en Verbruiksbelastingen; Gelet op de [artikel 8, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=8), [9, tweede lid, letter b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=10), [11, eerste lid, aanhef en letters f, o, 2°, en u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=12), [20, tweede lid, letter b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=20), [29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=29), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=39), [41b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=41b), [50, achtste en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=50), alsmede [50a, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=50a) (**Stb.** 329); De Raad van State gehoord (advies van 31 juli 1968, nr. 45); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 7 augustus 1968, nr. D68/4944, directie Wetgeving Douane en Verbruiksbelastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Begripsbepalingen Artikel 1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=8), [9, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=9), [11, eerste lid, aanhef en onderdelen f, g, onder 3°, o, onder 2°, en u, en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11), [12, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=12), [17c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=17c),"},{"i":1412,"b":"Besluit van 22 december 2011 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 1 november 2011, nr. DB 2011/370M; Gelet op [artikel 8, derde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 december 2011, nr. W06.11.0485/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 15 december 2011, nr. DB2011/458; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 8, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=8), en 10h, elfde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. 2. Dit besluit verstaat onder: - a. **wet:** de [Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954); - b. **FATCA-verdrag:** het op 18 december 2013 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en tenuitvoerlegging van de FATCA (Trb. 2014, 22). Artikel 2 1. Als administratieplichtigen als bedoeld in [artikel 8, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=8) worden voor de verstrekking van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, aangewezen: banken, beheerders, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen, betaaldienstverleners, elektronischgeldinstellingen, financiële instellingen, levensverzekeraars en schadeverzekeraars in de zin van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). 2. Als gegevens en inlichtingen als bedoeld in [artikel 8, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.n"},{"i":1552,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Eiland Man over de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken Overwegend dat het Koninkrijk der Nederlanden en het Eiland Man („de Partijen’’) erkennen dat de huidige wetgeving reeds voorziet in samenwerking en de uitwisseling van informatie in strafrechtelijke belastingzaken; Overwegend dat de Partijen reeds lange tijd actief betrokken zijn bij internationale inspanningen ter bestrijding van financiële delicten en andere strafbare feiten, die mede gericht zijn op de bestrijding van de financiering van terrorisme; Overwegend dat bevestigd wordt dat het Eiland Man gerechtigd is binnen het kader van zijn nationale bevoegdheden met het Koninkrijk der Nederlanden te onderhandelen over een verdrag tot uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken en dat te sluiten; Overwegend dat het Eiland Man op 13 december 2000 een politieke verbintenis met betrekking tot de beginselen van de OESO betreffende de doeltreffende uitwisseling van informatie is aangegaan en actief betrokken is geweest bij de opstelling van het OESO-modelverdrag tot uitwisseling van informatie betreffende belastingaangelegenheden; Overwegend dat de Partijen de voorwaarden voor de uitwisseling van informatie met betrekking tot belastingen wensen te verbeteren en te vergemakkelijken; Zijn de Partijen overeengekomen het volgende verdrag te sluiten waarin uitsluitend de verplichtingen van de Partijen zijn vervat: Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag De Partijen verlenen elkaar bijstand door de uitwisseling van informatie die naar verwachting relevant is voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de Partijen inzake de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is, met inbegrip van informatie die naar verwachting relevant is voor beslissingen inzake, de vaststelling van, handhaving ter zake van of invordering van belastingen ten aanzien van personen die deze belastingen verschuldigd zijn of betreffende het onderzoek of"},{"i":1417,"b":"Besluit van 20 juli 1956, ter uitvoering van de Successiewet 1956 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 10 juli 1956, no. C 6/6146, Afdeling Indirecte Belastingen; Gelet op [artikel 21, zesde en achtste lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21) (Stb. 362); De Raad van State gehoord (advies van 17 juli 1956, no. 17); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 juli 1956, no. C 6/6745; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Hoofdstuk 1. Periodieke uitkeringen, vruchtgebruik, leegwaarderatio van verhuurde woningen en waarde van erfpachtcanon Artikel 5 De waarde van een periodieke uitkering in geld van het leven van één persoon afhankelijk, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met: | 16, | wanneer degene gedurende wiens leven de uitkering moet plaatshebben, | jonger dan 20 jaar is, | | --- | --- | --- | | 15, | | 20 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is, | | 14, | | 30 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is, | | 13, | | 40 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is, | | 12, | | 50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is, | | 11, | | 55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is, | | 10, | | 60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is, | | 8, | | 65 jaar of ouder, doch jonger dan 70 jaar is, | | 7, | | 70 jaar of ouder, doch jonger dan 75 jaar is, | | 5, | | 75 jaar of ouder, doch jonger dan 80 jaar is, | | 4, | | 80 jaar of ouder, doch jonger dan 85 jaar is, | | 3, | | 85 jaar of ouder, doch jonger dan 90 jaar is, | | 2, | | 90 jaar of ouder is. | Artikel 6 1. De waarde van een periodieke uitkering in geld welke na een bepaalde tijd vervalt, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met het aantal jaren gedurende welke zij moet plaatshebben, iedere euro berekend tegen de volgende bedragen: | | indien de uitkering afhankelijk is van het leven van een persoon | ind"},{"i":1544,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Arabische Emiraten, Geleid door de wens dat door beide Staten een verdrag wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende goederen of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - –. de inkomstenbelasting; - –. de loonbelasting; - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet; - –. de dividendbelasting; - b. in de Verenigde Arabische Emiraten: (hierna te noemen: „belasting van de Verenigde Arabische Emiraten”). - –. de inko"},{"i":2181,"b":"Aanwijzing OM-strafbeschikking Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor het uitvaardigen van een OM-strafbeschikking, het horen van de verdachte, de te hanteren straftoemeting en hoe te handelen bij verzet en onvoltooide tenuitvoerlegging. Deze aanwijzing geldt zowel voor meerderjarige als jeugdige verdachten. Het uitgangspunt is: wanneer dat wettelijk mogelijk is en de strafzaak zich ervoor leent, wordt de zaak in beginsel afgedaan met een strafbeschikking. Er zijn echter een paar contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking. Daarnaast blijft de professionele beslissingsruimte bestaan om te kiezen voor een andere afdoeningsmodaliteit. Voorop staat dat een strafbeschikking slechts kan worden opgelegd als er een schuldvaststelling aan vooraf is gegaan. 1. Inleiding en juridisch kader Door de invoering van de Wet OM-afdoening is een regeling in het Wetboek van Strafvordering opgenomen die het mogelijk maakt dat de officier van justitie misdrijven waarop niet meer dan zes jaar gevangenisstraf staat en alle overtredingen door het uitvaardigen van een strafbeschikking zelf bestraft ([art. 257a Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257a)). De wetgever heeft met deze regeling een lichte – niet-rechterlijke – procedure geïntroduceerd voor de buitengerechtelijke afdoening van de genoemde delicten, met het doel de strafrechter te ontlasten. Inzet was het terugdringen van de transactie ex [art. 74 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) ten faveure van de strafbeschikking. 2. Uitvaardigen van een OM-strafbeschikking Het uitvaardigen van een strafbeschikking is het uitgangspunt bij feiten waarvoor dat wettelijk gezien mogelijk is. Er bestaan wel contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking. De contra-indicaties zijn (niet-limitatief) opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046521&bijlage=I&z=2022-04-15&g=2022-04-15) bij deze aanwijzi"},{"i":1420,"b":"Uitvoeringsregeling accijns Gelet op de [artikelen 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=2), [3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=3), [7, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=7), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=11), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=19), [22, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=22), [23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=23), [25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=25), [26, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=26), [27, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27), [36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=36), [37, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=37), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=38), [40, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=40), [41, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=41), [42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=42), [53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=53), [56, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=56), [63, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=63), [64, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=64), [65, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=65), [66, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=66), [67, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=67), [68, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=68), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=69), [70, vijfd"},{"i":1421,"b":"Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=8), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=14), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=19), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=39), [40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=40), [47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=47a), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=52) en [71 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=71), [artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31) en de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=11) en [14 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966](onbekend); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5b), [5c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5c), [5d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5d), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=8), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=14), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=19), [21d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=21d), [21k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=21k), [38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=38), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&a"},{"i":1424,"b":"Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag Gelet op [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=6), [10a, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=10a), [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=11), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=15), [18a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=18a), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=20), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=22), [28, negende lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=28) en op [artikel 7, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&artikel=7); Handelende wat [artikel 15, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=15) betreft, mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet belastingen op milieugrondslag en het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag in werking treden. Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen [14, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=14), [20, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=20), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=21), [23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&artikel=23), [25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&artikel=25), [38, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=38), [39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=39), [44, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":1425,"b":"Uitvoeringsregeling Belastingwet BES Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikelen 5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=5.7), [6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.1), [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.3), [6.7l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.7l), [6.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.10), [6.11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.11), [6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.12), [6.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.15), [6.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.20), [6.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.21), [6.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.22), [6.25, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.25), [6.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=6.26), [8.3, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.3), [8.8, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.8), [8.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.11), [8.21, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.21), [8.57, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.57), [8.58, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.58), [8.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.63), [8.128, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.128), en [8.130, derde lid, van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.130); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Belastingwet BES in werking treedt. Hoofdstuk 1. Inl"},{"i":1426,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 31 december 2020, houdende nadere regels voor de toepassing van de Wet bronbelasting 2021 (Uitvoeringsregeling bronbelasting 2021) Gelet op [artikel 2.1, vijfde lid, van de Wet bronbelasting 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 2.1, zesde lid, van de Wet bronbelasting 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&artikel=2.1). Artikel 2. Voorwaarden inzake substance-eisen Voor de toepassing van [artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, en zesde lid, van de Wet bronbelasting 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&artikel=2.1) wordt, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt, de voordeelgerechtigde, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet bronbelasting 2021, geacht niet gerechtigd te zijn tot de voordelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan en wordt geacht sprake te zijn van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen indien: - a. ten minste de helft van het totale aantal statutaire en beslissingsbevoegde bestuursleden van de voordeelgerechtigde woont of feitelijk is gevestigd in de staat waarin de voordeelgerechtigde is gevestigd; - b. de in de staat, bedoeld in onderdeel a, wonende of gevestigde bestuursleden beschikken over de benodigde professionele kennis om hun taken naar behoren uit te voeren, tot welke taken ten minste behoort de besluitvorming, op grond van de eigen verantwoordelijkheid van de voordeelgerechtigde en binnen het kader van de normale concernbemoeienis, over door de voordeelgerechtigde af te sluiten transacties in het kader waarvan de voordelen in de vorm van renten of royalty’s worden genoten, alsmede het zorg dragen voor een goede afhandeling van de afgesloten transacties; - c. de voordeelgerechtigde beschikt over gekwalificeerd personeel voor de adequate"},{"i":1427,"b":"Uitvoeringsregeling BTW-compensatiefonds Gelet op de [artikelen 2, vierde, zesde, tiende en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817&artikel=2), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817&artikel=8) en [9, negende lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817&artikel=9); Besluit: Artikel 1. Uitkering en voorschotten 1. De inspecteur kan een voorschot verlenen indien en voorzover daarom door het publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam is verzocht op een opgaaf die duidelijk, stellig en zonder voorbehoud is ingediend. 2. Een publiekrechtelijk lichaam of een regionaal openbaar lichaam kan om een voorschot verzoeken tot het bedrag van de omzetbelasting waarvoor in het tijdvak voor dat publiekrechtelijk lichaam of dat regionaal openbaar lichaam recht op bijdrage is ontstaan ter zake van omzetbelasting die rechtstreeks betrekking heeft op de in het volgende lid bedoelde voorschotposten, verminderd met de in dat tijdvak verschuldigde bijdragen ter zake van omzetbelasting die betrekking heeft op die voorschotposten. 3. De voorschotposten zijn: - a. de uitgaven ter zake van de aanleg van bij de gemeente in eigendom blijvende straten, plantsoenen en dergelijke gemeenschapsvoorzieningen, voorzover de aanleg rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van het omgevingsplan of een saneringsplan; - b. de kosten bedoeld in [artikel 5 van het Besluit Infrastructuurfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006264&artikel=5) voorzover die betrekking hebben op het aanleggen van infrastructuur die uitsluitend dienstbaar is aan openbaar vervoer; - c. de uitgaven voor het verlenen van concessies voor openbaar vervoer als bedoeld in de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470). 4. Het gezamenlijke bedrag van de over alle tijdvakken in een kalenderjaar verleende voorschotten wordt verrekend met de bijdrage over dat jaar. Artikel 2. Hoogte van de bijdrage voor r"},{"i":1428,"b":"Regeling tot vaststelling van de Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES (Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op de [Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236) en de [artikelen 2.2, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029262&artikel=2.2), [2.6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029262&artikel=2.6), [2.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029262&artikel=2.7), [2.8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029262&artikel=2.8), en [2.39, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029262&artikel=2.39); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Douane- en Accijnswet BES in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Douane- en Accijnswet BES in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Afdeling 1.1. Definities en overige algemene bepalingen Artikel 1.1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 1.1, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=1.1), [2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.2), [2.4, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.4), [2.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.6), [2.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.9), [2.10, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.10), [2.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.11), [2.18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.18), [2.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.24), [2.25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.25), [2.40, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid."},{"i":1429,"b":"Uitvoeringsregeling Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing Na overleg met de minister van landbouw, natuur en voedselkwaliteit, Gelet op: • de [artikelen 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018259&artikel=10), en [11, tweede lid, van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018259&artikel=11); Besluit De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: de [Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018259); - b. minister: de minister van onderwijs, cultuur en wetenschap; - c. student: een student die is ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018259&artikel=9); - d. instellingsbestuur: het bestuur van een instelling bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - e. opleiding: een opleiding als bedoeld in [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018259&artikel=9); - f. collegegeld: het collegegeld, bedoeld in [artikel 7.43, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.43); - g. experiment: een experiment als bedoeld in de [artikelen 6 tot en met 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018259&artikel=6); - h. experimenteel collegegeld: het collegegeld,bedoeld in [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018259&artikel=9); - i. lening: een lening als bedoeld in [artikel 10 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018259&artikel=10); - j. aanvraag: een aanvraag als bedoeld in [artikel 11 van de wet](https://wetten.over"},{"i":1430,"b":"Uitvoeringsregeling fiscale eenheid en voorkoming dubbele belasting 2003 Gelet op [artikel 42 van het Besluit fiscale eenheid 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014483&artikel=42); Besluit: Artikel 1. Algemeen en definities 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen, 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014483&artikel=42), [48a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014483&artikel=48a) en [48d van het Besluit fiscale eenheid 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014483&artikel=48d). 2. [Artikel 1, tweede lid van het Besluit fiscale eenheid 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014483&artikel=1) is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2. Volgorde vermindering bij buitenlandse winst Vervallen Artikel 3. Volgorde vermindering bij buitenlandse bronbelasting 1. De toepassing van [artikel 44 van het Besluit fiscale eenheid 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014483&artikel=44) vindt plaats met inachtneming van het tweede tot en met zevende lid. 2. Bij het berekenen van de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting over een jaar wordt eerst de naar dat jaar voortgewentelde belasting van vóór het voegingstijdstip die vanwege een Mogendheid van een maatschappij is geheven in aanmerking genomen en vervolgens de naar dat jaar voortgewentelde belasting van de fiscale eenheid. Deze vermindering bedraagt ten hoogste de verrekeningsruimte van een maatschappij. 3. Indien de netto-inkomsten van de fiscale eenheid positief zijn, maar de netto-inkomsten van één of meer maatschappijen negatief zijn, wordt het bedrag van de negatieve netto-inkomsten voor de toepassing van [artikel 44, tweede lid, van het Besluit fiscale eenheid 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014483&artikel=44) in mindering gebracht op het bedrag van de positieve netto-inkomsten van de andere maatschappijen in de volgorde van toenemende grootte van die positieve netto-inkomsten. Indien de in de eerste volzin bedoelde volgorde van toene"},{"i":1431,"b":"Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 Handelende na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op de [artikelen 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.5), [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.2), [2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.5), [2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14), [3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.10), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.13), [3.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.16), [3.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.17), [3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.20), [3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.27), [3.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.48), [3.49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.49), [3.63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.63), [3.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.83), [3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.86), [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.87), [3.104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.104), [3.138](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.138), [3.140](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.140), [3.141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.141), [3.143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.134), [3.145](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.145), [3.152](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.152), [3.154](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.154), [4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.7), [4.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.14), [4.51](https://wetten.overhe"},{"i":1432,"b":"Uitvoeringsregeling internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen Gelet op [artikel 7a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=7a), en [artikel 8a, derde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=8a); Besluit: Artikel 1 Deze regeling berust op [artikel 22 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=22). Hoofdstuk 1. Definitiebepaling Artikel 2 Vervallen Hoofdstuk 2. Bijstand bij heffing Paragraaf 1. Notificatie van stukken Artikel 3 1. De Minister van Financiën draagt zorg voor de uitvoering van een verzoek van een bevoegde autoriteit van een lidstaat tot betekening van stukken met toepassing van de wettelijke voorschriften betreffende de betekening van stukken van een overeenkomstig Nederlands document. 2. Ingeval het niet mogelijk is in een verzoek tot betekening van stukken te bewilligen, stelt de Minister van Financiën de bevoegde autoriteit, bedoeld in het eerste lid, onverwijld op de hoogte van de redenen die zich verzetten tegen de bewilliging in het verzoek. Paragraaf 2. Gelijktijdig onderzoek Artikel 4 Vervallen Hoofdstuk 3. Slotbepalingen Artikel 5 Deze regeling treedt in werking op 31 december 2004. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 2a Vervallen Hoofdstuk 2. Bijstand bij heffing Paragraaf 1. Notificatie van stukken Paragraaf 2. Gelijktijdig onderzoek Hoofdstuk 3. Slotbepalingen Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Hoofdstuk 3. Slotbepalingen Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1433,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 27 april 2012, nr. 253887, houdende regels ter uitvoering van de controle en ter vaststelling van bepaalde elementen van de heffingsgrondslag als bedoeld in artikel 6a van het Kansspelenbesluit (Uitvoeringsregeling kansspelheffing) Gelet op de [artikelen 33e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33e) en [33f van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33f), de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=8), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=13) en [67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67), [artikel 67 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=67) en [artikel 6a van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=6a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. **kansspelautomaat:** een kansspelautomaat als bedoeld in [artikel 30, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30); - c. **spelersplaats:** een eenheid van een kansspelautomaat waaraan één speler kan plaatsnemen en aan het spel kan deelnemen; - d. **speelcasino:** een speelcasino als bedoeld in [artikel 27g, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27g); - e. **speeltafel:** een tafel bestemd om spelers in staat te stellen om aan een gemeenschappelijk beoefend kansspel in een speelcasino deel te nemen; - f. **spelersterminal:** een toestel bestemd om aan één of meer speeltafels gekoppeld te worden en waaraan één speler kan plaatsnemen om aan het spel aan die speeltafel of speeltafels deel te nemen; - g. **casino-automaat:** een kansspelauto"},{"i":1434,"b":"Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 Handelende wat betreft de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=8), [8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=8a), [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=13) en [31 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31), in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Handelende wat betreft [artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=8), in overeenstemming met de Minister van Ontwikkelingssamenwerking; Gelet op de [artikelen 5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=5b), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=8), [8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=8a), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11), [11a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11a), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=13), [13bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=13bis), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18), [19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19a), [19f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19f), [19g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19g), [25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=25), [26, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=26), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28), [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28a), [29](https://wetten.ov"},{"i":1435,"b":"Uitvoeringsregeling loonbelasting BES Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=8) en [12A van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=12a) en [artikel 58 van de Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=58); Besluit: Treedt in werking om 0:00 uur in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05:00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 6c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=6c), [8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=8a), [8b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=8b), [12a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=12a), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=19), [19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=19a) en [21b van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=21b) en [artikel 58 van de Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=58). Artikel 2 Als loonbelasting- en premietabellen worden vastgesteld: - a. een halvedagtabel; - b. een dagtabel; - c. een weektabel; - d. een tweeweken(quincena)tabel; - e. een maandtabel; - f. een kwartaaltabel; - g. een tabel bijzondere beloningen. Artikel 3 De loonbelasting- en premietabellen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029331&artikel=2&z=2025-04-01&g=2025-04-01), zijn van toepassing op de in [artikel 2 van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=2) genoemde werknemers. Artikel 4 De loonbelasting- en premietabellen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029331&artikel=2&z=2025-04-01&g=2025-04-01), worden gepubliceerd op www.belastingdienst-cn.nl/onderwerpen/loonheffing/tabellen-en-rekenregels. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als:"},{"i":1436,"b":"Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=3), en [15, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=15) en [artikel XI, eerste lid, van de Invoeringswet Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007310&artikel=XI). Besluit: Artikel 1 Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=3), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=7), [15, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=15), [23, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=23), [24, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=24), [24a, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=24a), [24b, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=24b), en [37f van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=37f) en [artikel XII, eerste lid, van de Invoeringswet Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007310&artikel=XII). Artikel 2 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 3 1. De laadruimte voldoet aan de gestelde voorwaarden met betrekking tot de lengte en de hoogte indien deze in gesloten toestand een rechthoekig, rechtop geplaatst blok kan bevatten waarvan de lengte, de hoogte en de breedte ten minste gelijk zijn aan de in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=3) voor de desbetreffende laadruimte genoemde afmetingen, en waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig. Voor de toepassing van deze bepaling worden, indien de laadruimte niet van de bestuurderszitplaats is afgescheiden door een vaste wand, de zi"},{"i":1437,"b":"Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting Gelet op de [artikelen 1a, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=1a), [16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=16), [17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=17), [32, eerste lid, onder 8°, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=32), [33, onder 5°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=33), [35b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35b), [35c, vijfde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35c), [35d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35d), [35e, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35e), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=73) en [75, eerste lid, Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=75). Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Reikwijdte en definities 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=17), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=33), [35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35b), [35c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35c), [35d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35d), [35e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35e) en [73 van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=73). 2. Deze regeling verstaat onder: - −. aanmerkelijk belang: aanmerkelijk belang als bedoeld in [afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&afdeling=4.3), met uitzondering van [artikel 4.10 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.10); - −. aanmerkelijkb"},{"i":1438,"b":"Uitvoeringsregeling verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten Gelet op de [artikelen 3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=3), [4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=4), [5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=5), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=7), [10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=10), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=14), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=15), [20, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=20), [23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=23), [29, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=29), [30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=30), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=31), [32, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=32), [33, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=33), [35, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=37) en [40 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=40) (Stb. 1992, 683) en [artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005804&artikel=6) (Stb. 1992, 685); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten in werking treedt. Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Afdeling 1. Algemene bepa"},{"i":1439,"b":"Uitvoeringsregeling verklaring rijksbelastingdienst over huishoudinkomen voor een inkomensafhankelijke huurverhoging Gelet op [artikel 252a, tweede lid, onderdeel c, en vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=252a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek Boek 7, enz. (huurverhoging op grond van inkomen), Stb. 2013/89, in werking treedt. Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder inspecteur: de inspecteur, bedoeld in [artikel 252a, tweede lid, onderdeel e, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=252a). 2. De verhuurder, bedoeld in [artikel 252a, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=252a), is degene, bedoeld in [artikel 24, derde lid, onderdeel a, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=24), ter zake van de woonruimte, bedoeld in [artikel 252a, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=252a), waarop het verzoek om een verklaring betrekking heeft. Artikel 2 1. Het verzoek om een verklaring als bedoeld in [artikel 252a, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=252a) wordt op de door de inspecteur aangegeven wijze langs elektronische weg gedaan. 2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt niet gedaan dan nadat de verhuurder, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033007&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), op de door de inspecteur aangegeven wijze langs elektronische wijze een aanmeldprocedure heeft doorlopen. 3. De inspecteur maakt bekend in welke periode of perioden in een kalenderjaar het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan en de aanmeldprocedure, bedoeld in het tweede lid, kan worden doorlopen"},{"i":1440,"b":"Uitvoeringsregeling Wet overgang belastingheffing in euro’s Gelet op artikel 3 van de Wet overgang belastingheffing in euro’s; Besluit: Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 3 en 5 van de Wet overgang belastingheffing in euro’s. 2. Deze regeling verstaat onder wet: de Wet overgang belastingheffing in euro’s. Artikel 2 1. Voor belastingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet kan aangifte worden gedaan in euro’s met betrekking tot tijdvakken die aanvangen onderscheidenlijk tijdstippen die zijn gelegen in de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001. 2. Met betrekking tot een aangifte die is gedaan in euro’s, vinden de op de aangifte volgende heffing van de belasting waarop de aangifte betrekking heeft, de invordering in eerste aanleg op de voet van [hoofdstuk II van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&hoofdstuk=II), de aanmaning op de voet van artikel 11 van die wet en het in rekening brengen van kosten voor het verzenden van een aanmaning op de voet van de [Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645), eveneens plaats in euro’s. 3. Met betrekking tot de vermogensbelasting vinden het eerste en tweede lid toepassing wat betreft de heffing ter zake van de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002 en wat betreft de invordering ter zake van de kalenderjaren 2000 en 2001. 4. Het tweede lid vindt geen toepassing met betrekking tot voorlopige aanslagen. Artikel 3 In afwijking in zoverre van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010143&artikel=2&z=1999-03-06&g=1999-03-06), vinden van het Douanebesluit artikel 55 en artikel 56, eerste lid, wat betreft het nemen van een gedeelte van een gulden voor een gehele gulden, geen toepassing in geval van heffing in euro’s. Artikel 3a Bij de omrekening van bedragen van guldens in euro’s: - a. worden de in kolom III van de tarieftabel van artikel 53a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ver"},{"i":1441,"b":"Uitvoeringsvoorschriften artikel 11 Belastingregeling voor het Koninkrijk 2002 (Aruba) In overeenstemming met de Minister van Financiën van Aruba; Gelet op [artikel 11, vierde lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=11), zoals deze is gewijzigd bij Rijkswet van 5 december 1985, Stb. 645, bij Rijkswet van 13 december 1996, Stb. 644 en bij Rijkswet van 14 december 2001, Stb. 647; Besluit: Vast te stellen de navolgende regeling met bijlagen I en II. ¹De bij deze regeling horende bijlagen I en II zullen begin 2002 worden vastgesteld. Artikel 1. Algemeen 1. Deze regeling neemt over de begrippen van de [Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464). 2. Deze regeling zal zo nodig worden aangepast bij invoering van een dividendbelasting door Aruba. Artikel 2. Nederlandse dividendbelasting met betrekking tot portfoliodividenden (vrijstellingsprocedure) 1. Een inwoner van Aruba die, ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, aanspraak heeft op vermindering van dividendbelasting, levert voor het geldend maken van die aanspraak bij de bevoegde aanslagregelende autoriteit over zijn woonplaats een ingevulde en ondertekende verklaring in tweevoud in op een formulier volgens het in bijlage I opgenomen model (formulier `IB 92 ARU'). Nadat hij een exemplaar van de verklaring, voorzien van dagtekening en ondertekening van de daarop voorkomende bevestiging omtrent de woonplaats, van vorenbedoelde aanslagregelende autoriteit heeft terugontvangen, legt hij dit over bij het innen van de opbrengst van de dividenden. 2. De vennootschap die dividend verschuldigd is, degene bij wie de opbrengst betaalbaar is gesteld, het administratiekantoor dat de opbrengst doorbetaalt aan certificaathouders, en degene tot wiens beroep het kopen of innen van dividendbewijzen gewoonlijk behoort, zijn bevoegd die opbrengst uit te betalen onder aftrek van dividendbela"},{"i":1442,"b":"Uitvoeringsvoorschriften artikel 11 Belastingregeling voor het Koninkrijk 2002 (Nederlandse Antillen) In overeenstemming met de Minister van Financiën van de Nederlandse Antillen; Gelet op [artikel 11, vierde lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=11), zoals deze is gewijzigd bij Rijkswet van 5 december 1985, Stb. 645, bij Rijkswet van 13 december 1996, Stb. 644 en bij Rijkswet van 14 december 2001, Stb. 647; Besluit: Vast te stellen de navolgende regeling met bijlagen I en II.¹De bij deze regeling horende bijlagen I en II zullen begin 2002 worden vastgesteld. Artikel 1. Algemeen 1. Deze regeling neemt over de begrippen van de [Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464). 2. Deze regeling zal zo nodig worden aangepast bij invoering van een dividendbelasting door de Nederlandse Antillen. Artikel 2. Nederlandse dividendbelasting met betrekking tot portfoliodividenden (vrijstellingsprocedure) 1. Een inwoner van de Nederlandse Antillen die, ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, aanspraak heeft op vermindering van dividendbelasting, levert voor het geldend maken van die aanspraak bij de bevoegde aanslagregelende autoriteit over zijn woonplaats een ingevulde en ondertekende verklaring in tweevoud in op een formulier volgens het in bijlage I opgenomen model (formulier 'IB 92 NAN'). Nadat hij een exemplaar van de verklaring, voorzien van dagtekening en ondertekening van de daarop voorkomende bevestiging omtrent de woonplaats, van vorenbedoelde aanslagregelende autoriteit heeft terugontvangen, legt hij dit over bij het innen van de opbrengst van de dividenden. 2. De vennootschap die dividend verschuldigd is, degene bij wie de opbrengst betaalbaar is gesteld, het administratiekantoor dat de opbrengst doorbetaalt aan certificaathouders, en degene tot wiens beroep het kopen of innen van dividendbewijzen gewoonlijk behoort, zij"},{"i":1443,"b":"Aspectgebied Internationaal belastingrecht; dividendbelasting; Belastingregeling voor het Koninkrijk, Aruba; vrijstelling- en teruggaafprocedures De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Deze regeling bevat de geactualiseerde uitvoeringsvoorschriften artikel 11 Belastingregeling voor het Koninkrijk (Aruba). Uitvoeringsvoorschriften artikel 11 Belastingregeling voor het Koninkrijk 2007 (Aruba) Ter uitvoering van [artikel 11, vierde lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=11), zoals deze is gewijzigd bij Rijkswet van 5 december 1985, Stb. 645, bij [Rijkswet van 13 december 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008424), Stb. 644, bij Rijkswet van 14 december 2001, Stb. 647 en bij Rijkswet van 26 mei 2005, Stb. 292, stel ik in overeenstemming met de Minister van Financiën van Aruba de navolgende regeling vast met bijlage (formulier IB 95(2) ARU): Algemeen Artikel 1 Deze regeling neemt over de begrippen van de Belastingregeling voor het Koninkrijk. Nederlandse dividendbelasting met betrekking tot deelnemingsdividenden (vrijstellingsprocedure) Artikel 2 1. Een lichaam dat inwoner van Aruba is, en dat ingevolge [artikel 11, derde lid, eerste en tweede volzin, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=11), aanspraak heeft op vermindering van dividendbelasting, levert voor het geldend maken van die aanspraak bij de bevoegde aanslagregelende autoriteit over zijn plaats van vestiging een ingevulde en ondertekende verklaring in tweevoud in op een formulier volgens het in de bijlage opgenomen model (formulier IB 95(2) ARU). Nadat het lichaam een exemplaar van de verklaring, voorzien van dagtekening en ondertekening van de daarop voorkomende bevestiging omtrent de woonplaats, van vorenbedoelde aanslagregelende autoriteit heeft terugontvangen, legt het dit over bij het innen van de dividenden. 2. De vennootschap die het divid"},{"i":1444,"b":"Uitvoeringsvoorschriften bronbelasting op interest en royalty’s **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat de universele Nederlandse voorschriften voor de uitvoering van het interestartikel en het royaltyartikel in belastingverdragen voor de heffing van de bronbelasting op interest en royalty’s op grond van de Wet bronbelasting 2021. Dit besluit is een actualisering van het besluit van 7 december 2021, nr. 2021-21220 (** **Stcrt. 2021, 48054** **).** **De actualisering brengt de Uitvoeringsvoorschriften bronbelasting in lijn met de Uitvoeringsvoorschriften conditionele bronbelasting op dividenden.** **De actualisering bestaat uit een wijziging van het moment waarop de inhoudingsplichtige melding moet doen van het, kort gezegd, niet langer meer voldoen aan de voorwaarden van de inhoudingsvrijstelling van artikel 2 en 3. Vorenbedoelde mededeling dient nu gedaan te worden vóór de eerstvolgende betaling van interest of royalty’s. Zie het vierde lid van de artikelen 2 en 3.** **Daarnaast is de bepaling geschrapt die ziet op de gegevensverstrekking bij overmaken van interest of royalty’s naar verdragslanden met een zogenaamde ‘Remittance base’-bepaling in het Verdrag (letter e (oud) van het tweede lid van de artikelen 2 en 3). Deze bepaling valt nu onder het bereik van het nieuwe onderdeel e van het tweede lid van de artikelen 2 en 3.** **Ten slotte zijn een aantal redactionele wijzigingen doorgevoerd in onder andere onderdeel 1.1.** 1. Inleiding In verband met de heffing van belasting op interest en royalty’s op basis van de [Wet bronbelasting 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952) bevat dit besluit voorschriften voor de uitvoering van het interestartikel en het royaltyartikel in de door Nederland gesloten verdragen tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (en naar het vermogen) en het voorkomen van het ontgaan (en ontwijken) van belasting, (met Protocol), en in de"},{"i":1445,"b":"Wet Bronbelasting 2021, universele Nederlandse uitvoeringsvoorschriften conditionele bronbelasting op dividenden **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat de universele Nederlandse voorschriften voor de uitvoering van het dividendartikel in belastingverdragen voor de heffing van de conditionele bronbelasting op dividenden geheven op grond van de Wet bronbelasting 2021.** 1. Inleiding Met ingang van 1 januari 2021 is de [Wet bronbelasting 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952) (met betrekking tot interest en royalty’s) in werking getreden. Met ingang van 1 januari 2024 wordt de wet uitgebreid met de heffing van een conditionele bronbelasting op dividenden. In verband met de heffing van belasting op dividenden op basis van de Wet bronbelasting 2021 bevat dit besluit voorschriften voor de uitvoering van het dividendartikel in de door Nederland gesloten verdragen tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (en naar het vermogen) en het voorkomen van het ontgaan (en ontwijken) van belasting, (met Protocol), in regelingen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen die Nederland heeft getroffen voor een land of openbaar lichaam binnen het Koninkrijk alsmede in het Besluit voorkoming dubbele belasting Nederland en Taiwan. Het Multilaterale Instrument (MLI)1Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving (Trb. 2017, 86, en Trb 2017, 194). is voor Nederland in werking getreden met ingang van 1 juli 2019. Daarmee is per 1 januari 2020 het MLI van toepassing geworden op verschillende Nederlandse bilaterale belastingverdragen. Als gevolg van het MLI is een aantal bepalingen, veelal gericht op het voorkomen van verdragsmisbruik, van toepassing geworden, waardoor (de werking van) het b"},{"i":1446,"b":"Universele uitvoeringsvoorschriften belastingverdragen 2025, uitgezonderd het belastingverdrag met de VS **Dit besluit bevat de universele Nederlandse voorschriften voor de uitvoering van het dividendartikel en het interestartikel in belastingverdragen, uitgezonderd het belastingverdrag met de Verenigde Staten van Amerika, voor de heffing van dividendbelasting geheven op grond van de Wet op de dividendbelasting 1965.** Artikel 1. Inleiding In verband met de heffing van dividendbelasting op basis van de [Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515) bevat dit besluit voorschriften voor de uitvoering van het dividendartikel en het interestartikel in: - –. de door Nederland gesloten verdragen tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (en naar het vermogen) en het voorkomen van het ontgaan (en ontwijken) van belasting, (met Protocol), - –. de regelingen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen die Nederland heeft getroffen voor een land binnen het Koninkrijk, - –. het [Besluit voorkoming dubbele belasting Nederland Taiwan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012433). Dit besluit is niet van toepassing op het belastingverdrag met de Verenigde Staten van Amerika.1Voor de uitvoeringsvoorschriften voor dit verdrag zie Nederlandse uitvoeringsvoorschriften belastingverdrag Nederland – Verenigde Staten van Amerika 1992. Artikel 1.2. Onderscheid deelnemingsdividend en portfoliodividend In de door Nederland gesloten verdragen wordt voor dividenden onderscheid gemaakt tussen 'portfoliodividenden' en 'deelnemingsdividenden'. Voor ‘portfoliodividenden’ (ook wel aangeduid als ‘beleggingsdividenden’) bedraagt het bronheffingspercentage in de belastingverdragen als regel 15%. In een aantal verdragen is voor portfoliodividenden echter een percentage van 10% overeengekomen. Voor deelnemingsdividenden is in d"},{"i":1447,"b":"Vaststelling hoogst toelaatbare waarde geluidsbelasting bestaande woningen, gemeente Breukelen Gemeente Breukelen De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer maakt bekend dat hij bij de besluiten van 25 oktober 2000, kenmerk MBG 2000123847 en MBG 2000123848, met toepassing van [artikel 90, tweede en vijfde lid, van de Wet geluidhinder](onbekend), de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting heeft vastgesteld die de gevels van woningen gelegen in de gemeente Breukelen mogen ondervinden. Het betreft de volgende categorieën woningen: Met toepassing van [artikel 90, vierde lid, van de Wet geluidhinder](onbekend) heeft hij bij voornoemd besluit tevens de gevelmaatregelen vastgesteld die strekken tot het terugbrengen van de geluidsbelasting, binnen de woningen. De besluiten en de daaraan ten grondslag liggende stukken liggen met ingang van 1 december 2000 t/m 11 januari 2001, gedurende de bezwaartermijn ter inzage bij: Tot de besluiten behoren de lijsten van de betrokken woningen met de daarbij vastgestelde ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting. Tegen genoemde besluiten kunnen belanghebbenden een bezwaarschrift indienen. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt, op grond van [artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht](onbekend), zes weken. Het bezwaar dient te worden gericht aan: De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Directie Lokale Milieukwaliteit en Verkeer, IPC 635 Postbus 30945 2500 GX Den Haag. Het bezwaarschrift moet zijn ondertekend en bevat ten minste de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht en de gronden van het bezwaar. Indien de behoefte bestaat om het bezwaar mondeling toe te lichten dient dit kenbaar gemaakt te worden aan mevrouw E. Knoop, telefoon: (0318) 57 20 66. Bij gebleken belangstelling zal een hoorzitting worden georganiseerd."},{"i":1448,"b":"Vaststelling selectielijst beleidsdepartement Financiën en de generieke processen directoraten-generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van het beleidsdepartement Financiën en de generieke processen van de directoraten-generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt ingetrokken: - •. [Selectielijst voor het kerndepartement van het Ministerie van Financiën vanaf 1 januari 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037024), Staatscourant 2015, nr. 31395 De volgende selectielijsten worden afgesloten: - •. [Selectielijst voor de administratieve neerslag van de beleids- en ondersteunende processen van de Belastingdienst over de periode vanaf 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037907), Staatscourant 2016, nr. 22487 - •. [Selectielijst Belastingdienst/Centrale Administratie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037905) (Staatscourant 2016, nr. 22488; rectificatie Staatscourant 2016, nr. 40745); de processen 15, 16, 19, 20 en 21 worden met deze selectielijst afgesloten. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Selectielijst Gepubliceerd op: www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":1449,"b":"Vaststelling selectielijst directoraat-generaal Douane voor de periode vanaf (2013) 2023 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van het directoraat-generaal Douane vanaf (2013) 2023 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst](onbekend): - •. [Basisselectiedocument Douane. Basisselectiedocument voor de administratieve neerslag van de zorgdrager Minister van Financiën voor wat betreft de werkprocessen van de Belastingdienst voor het onderdeel Douane over de periode vanaf 1996](onbekend), Stcrt. 2010, nr. 6684 wordt afgesloten vanaf 31 december 2022, waarvan de categorie Stukken van Blijvende Waarde wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":1450,"b":"Vaststelling selectielijst primaire processen Dienst Toeslagen vanaf 1 april 2020 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van de primaire processen van Dienst Toeslagen vanaf 1 april 2020 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt per 31 maart 2020 afgesloten: - •. [Selectielijst voor de administratieve neerslag van de zorgdrager Minister van Financiën voor wat betreft de werkprocessen van Belastingdienst/Toeslagen Over de periode 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037023), Staatscourant 2015, nr. 31399 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":1451,"b":"Vaststelling selectielijst primaire processen Directoraat-Generaal Belastingdienst vanaf (2009) 2023 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van de primaire processen van het Directoraat-Generaal Belastingdienst vanaf (2009) 2023 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijsten worden per 31 december 2022 afgesloten: - •. Belastingdienst/Belastingregio’s ([Staatscourant 2012, nr. 3159](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031290)); - •. Belastingdienst/FIOD ([Staatscourant 2013, nr. 28448](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034004)). - •. Belastingdienst/Centrale Administratie (Staatscourant 2016, nr. 22488; [rectificatie Staatscourant 2016, nr. 40745](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037905)), met uitzondering van een aantal processen (15, 16, 19, 20, 21): deze processen worden afgesloten met de vaststelling van de Selectielijst Financiën en de Generieke Processen van de directoraten-generaal Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":1452,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Belastingheffing over de periode 1945-2001: neerslag handelingen Minister van Financiën Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 november 2004, nr. arc-2004.01583/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde [‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Belastingheffing onderdeel Algemene wet- en regelgeving over de periode 1945–2001’](onbekend) en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘Lijst van te vernietigen en te bewaren archiefbescheiden van het onder de Minister van Financiën ressorterende DG voor Fiscale Zaken en het tevens onder de Minister van Financiën ressorterende DG der Belastingen (inclusief de Belastingdienst), onderdeel Algemene Wet- en regelgeving inzake het heffen en vorderen van belastingen (periode 1940–1993)’ (vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Financiën, nr. 95.48.MB/EIB d.d. 19 januari 1995 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 199)), wordt voor wat betreft de handelingen 20, 21, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 61, 67, 73, 75, 90, 91, 97, 99, 100, 102, 103, 105, 109, 123, 124, 125, 126, 127, 136, 140, 141, 142, 143, 147, 148, 152 en 155 ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":1453,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Heffing van Rijksbelastingen vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 november 2004, nr. arc-2004.01692/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Heffing van Rijksbelastingen over de periode na 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":1454,"b":"Vaststellingsregeling maximum eerste referentietarief NV Westerscheldetunnel Gelet op [artikel 9, eerste lid, van de Tunnelwet Westerschelde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009930&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het referentietarief, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Tunnelwet Westerschelde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009930&artikel=5) bedraagt op de datum met ingang waarvan de wegen door de tunnel openbaar zijn, ten hoogste € 3,37, vermeerderd met de krachtens de [Wet op de omzetbelastingen 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) verschuldigde omzetbelasting. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 14 maart 2003. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1455,"b":"Wet van 14 december 2000, tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere belastingwetten c.a. (Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353), de [Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011354) en enige daarmee samenhangende wetten, bijstellingen en technische verbeteringen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel III Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IVA Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel V Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VI Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VIII Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen. Artikel IX Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel X Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Artikel XI Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet. Artikel XIA Wijzigt de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling. Artikel XII. Tijdelijke verhoging belastingvrije som Voor het kalenderjaar 2000 wordt de belastingvrije som, bedoeld in artikel 53, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 op een bij de aangifte gedaan verzoek van de belastingplichtige, verhoogd met f 1300 indien: - a. zijn belastbare inkomen meer bedraagt dan f 28 300; - b. de belastingplichtige winst uit een onderneming geniet die deel uitmaakt van ee"},{"i":1456,"b":"Vennootschapsbelasting, aanwijzing bezwaarschriften tegen het in rekening gebrachte percentage belastingrente vennootschapsbelasting en enige overige middelen vanaf 1 oktober 2020 als massaal bezwaar **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** In dit besluit wijs ik aan als massaal bezwaar als bedoeld in [artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=25c) (hierna: AWR) de bezwaren tegen: voor zover die bezwaren het percentage van de belastingrente betreffen dat op grond van [artikel 30hb AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=30hb) j° [artikel 1, onderdeel b, van het Besluit belasting- en invorderingsrente](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043680&artikel=1) (hierna: Besluit BIR), dan wel, met ingang van 1 januari 2024, j° artikel 1, tweede lid, Besluit BIR geldt. 1. Inleiding Bij uitspraak van 7 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361, heeft de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat [artikel 1, onderdeel b, van het Besluit BIR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043680&artikel=1) zoals dat luidde van 1 januari 2022 tot 1 januari 2024 onverbindend moet worden verklaard. De onverbindend-verklaring betrof het hogere belastingrentepercentage (van 8 procent) voor de vennootschapsbelasting en enige overige middelen. Met toepassing van [artikel 28, derde lid, AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=28) is namens mij op 18 december 2024 beroep in cassatie tegen deze uitspraak ingesteld. Inmiddels is een groot aantal bezwaarschriften met eenzelfde rechtsvraag ingediend tegen het belastingrentepercentage dat vanaf 1 oktober 2020 voor de vennootschapsbelasting in rekening gebracht wordt. Met het oog op een efficiënte en eenduidige afdoening van de bezwaarschriften geef ik daarom een aanwijzing massaal bezwaar. Onder deze aanwijzing vallen de bezwaarschriften die betrekking hebben op de in onderdeel 2 vermelde rechtsvragen betreffen"},{"i":1457,"b":"Vennootschapsbelasting; art. 14c; geruisloze terugkeer **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat beleid met betrekking tot artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het bevat zowel de standaardvoorwaarden, de toelichting daarop als (overig) beleid. Het besluit is een geactualiseerde samenvoeging van twee eerdere besluiten, te weten het besluit van 20 februari 2003, nr. CPP2002/3267M en het besluit van 27 december 2005, nr. CPP2005/2573M. De wijzigingen zijn hoofdzakelijk redactionele aanpassing aan gewijzigde wetgeving.** **Daar waar het besluit inhoudelijke is gewijzigd worden dat steeds uitdrukkelijk vermeld. De inhoudelijke wijzigingen zijn de volgende:** 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.2. Inhoudsopgave In [artikel 14c Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14c) is de basis van de geruisloze terugkeer opgenomen. Deze regeling maakt het onder daartoe te stellen voorwaarden mogelijk een door middel van een naamloze of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, of in een hiermee op grond van het achtste lid van dit artikel gelijkgestelde, buitenlandse rechtsvorm gedreven onderneming, geruisloos om te zetten in een onderneming die rechtstreeks voor rekening en risico wordt gedreven van de voortzettende aandeelhouders. In [artikel 14c Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14c) is de basis van de geruisloze terugkeer opgenomen. Deze regeling maakt het onder daartoe te stellen voorwaarden mogelijk een door middel van een naamloze of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, of in een hiermee op grond van het achtste lid van dit artikel gelijkgestelde, buitenlandse rechtsvorm gedreven onderneming, geruisloos om te zetten in een onderneming die rechtstreeks voor rekening en risico wordt gedreven van de voortzettende aandeelhouders. De regeling brengt mee dat de bestaande, gecombineerde ve"},{"i":1458,"b":"Vennootschapsbelasting, artikel 8bd, Wet Vpb 1969 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit verduidelijkt de toepassing van artikel 8bd van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in bepaalde situaties.** 1. Inleiding Bij de toepassing van [artikel 8bd van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8bd) (hierna Wet Vpb 1969) zijn in de praktijk vragen gerezen over de reikwijdte van deze bepaling. In dit besluit wordt deze reikwijdte verduidelijkt. 2. Achtergrond [artikel 8bd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8bd) [Artikel 8bd Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8bd) is ingevoerd met ingang van 1 januari 2022 als onderdeel van de maatregelen van de [Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046092) in de vennootschapsbelasting. De mismatches die deze wet beoogt te voorkomen zien kort gezegd op de zogenoemde dubbele niet heffing die zich kan voordoen als gelieerde lichamen bij een onderlinge transactie voorwaarden (verrekenprijzen) overeenkomen die niet zakelijk zijn, zoals een van de waarde in het economische verkeer van een vermogensbestanddeel afwijkende waarde. Artikel 8bd Wet Vpb 1969 is een flankerende maatregel die een dubbele niet-heffing als gevolg van een waarderingsverschil voorkomt in het geval een met de belastingplichtige gelieerd lichaam een vermogensbestanddeel aan de belastingplichtige overdraagt door middel van een kapitaalstorting, winstuitdeling, teruggaaf van gestort kapitaal, liquidatie-uitkering of een daarmee vergelijkbare rechtshandeling. In dergelijke gevallen is er geen sprake van een verrekenprijsverschil, maar van een verschil in de waardering van een verkregen vermogensbestanddeel. Indien een belastingplichtige een vermogensbestanddeel verkrijgt door middel van een kapitaalstorting door een gelieerd lichaam dat subjectief is vri"},{"i":1459,"b":"Vennootschapsbelasting, belastingplicht overheidsondernemingen, onderwijsvrijstelling, objectvrijstellingen De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **In dit besluit is vooruitlopend op wetsaanpassing goedkeurend beleid opgenomen over de onderwijsvrijstelling en de vrijstellingen voor interne activiteiten en quasi-inbesteding. Deze vrijstellingen zijn opgenomen in artikel 6b, eerste lid, onderdeel b, artikel 8e, eerste lid, onderdeel a en artikel 8f, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.** 1. Inleiding Op 12 juni 2015 is de [Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036672) in werking getreden. Deze wet vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016. Op basis van deze wet zijn zowel directe als indirecte overheidsondernemingen in beginsel aan de vennootschapsbelasting onderworpen. De wet bevat een aantal vrijstellingen, waaronder bijvoorbeeld de onderwijsvrijstelling en de vrijstelling voor interne activiteiten. Bij nader inzien blijkt dat deze vrijstellingen te beperkt zijn vormgegeven. De wettelijke regeling zal op dit punt worden aangepast. Vooruitlopend op deze aanpassingen zijn in dit besluit twee goedkeuringen opgenomen. Deze goedkeuringen zijn gebaseerd op [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63). 2. Onderwijsvrijstelling In [artikel 6b, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=6b) is een subjectieve vrijstelling opgenomen voor lichamen die nagenoeg uitsluitend onderwijs geven en daarnaast voldoen aan de in deze bepaling opgenomen bekostigingseis. Deze bekostigingseis houdt in dat het onderwijs hoofdzakelijk – dat wil zeggen voor tenminste 70% – wordt bekostigd uit publieke middelen, uit wettelijk collegegeld of instellingscollegegeld als bedoeld in [hoofdstuk 7, titel 3, pararaaf"},{"i":1460,"b":"Vennootschapsbelasting, coöperaties; diverse onderwerpen De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Dit besluit is een actualisering aan de wet- en regelgeving per 1 januari 2006 van het besluit van 1 juli 1971, B 71/12 651, punt 4, van 26 januari 1976, nr. 27-503 964, van 17 februari 1976, nr. 27- 602 669, en van het besluit van 19 december 2001, CPP2001/1556M. Een inhoudelijke wijziging is niet beoogd. 1. Inleiding De bijzonderheden eigen aan de rechtsvorm van de coöperatie hebben mij aanleiding gegeven tot de volgende standpunten en goedkeuringen met betrekking tot de winstbepaling voor de vennootschapsbelasting van de coöperatie. 2. Aftrekbare winstuitdelingen aan leden-rechtspersonen De in artikel 9, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna Wet VPB 1969) bedoelde uitdelingen van een coöperatie komen op de winst slechts in aftrek voor zover zij zijn toegekend aan leden-natuurlijke personen. Ik keur echter goed dat op een daartoe strekkend (en aan de inspecteur gericht) verzoek artikel 9, eerste lid, onderdeel g, Wet VPB 1969 ook toepassing vindt op uitdelingen aan lichamen onderworpen aan de vennootschapsbelasting, niet zijnde coöperaties, mits: Aan de te verlenen goedkeuring verbind ik de voorwaarde, dat bij het door de coöperatie in te dienen verzoek een verklaring van de betrokken rechtsperso(o)n(en) wordt overgelegd waarin deze zich met betrekking tot de heffing van de vennootschapsbelasting ter zake van vorenbedoelde van de coöperatie ontvangen uitdelingen verbind(t)(en), afstand te doen van het recht op de deelnemingsvrijstelling. 3. Uitdelingen door veilingcoöperaties Veilingcoöperaties treden niet op als kopers en verkopers van de door telers aangevoerde producten, maar als dienstverleners. De verleende diensten bestaan uiteraard in de eerste plaats uit het veilen van de aangevoerde producten. Daarnaast worden ook andere prestaties verricht, zoals verhuu"},{"i":1461,"b":"Vennootschapsbelasting, dividendbelasting; ATR’s; aanpassingstermijn De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit bevat een goedkeuring inzake een aanpassingstermijn voor ATR’s die als gevolg van de invoering van de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 hun geldigheid verliezen.** 1. Inleiding Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 20151Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 in verband met de implementatie van aanpassingen in de Moeder-dochterrichtlijn (Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015) (Kamerstuk 34 306) heb ik in de Nota naar aanleiding van het verslag2Kamerstuk 34 306, nr. 6, blz. 18 aangegeven een beleidsbesluit te publiceren inzake een aanpassingstermijn voor ATR’s. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Gevolgen relevante wetswijziging voor ATR’s Het wetsvoorstel Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 bevat ondermeer aanpassingen van [artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=17) en [artikel 1, zevende lid van de Wet DB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=1), waarbij deze artikelen in overeenstemming zijn gebracht met de anti-misbruikbepaling in de Moeder-dochterrichtlijn3[Richtlijn 2015/121](32015L0121)/EU van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van [Richtlijn 2011/96](32011L0096)/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2015, L 21). Als gevolg van deze aanpassingen is het in bepaalde situaties van belang of een in het buitenland gevestigd lichaam dat een aanmerkelijk belang houdt in een in Nederland gevestigd lichaam, respectievelijk het directe lid van een coöperatie beschikt over de substance als bedoeld in onderdeel 8a van het ATR-besluit. De voorgestelde w"},{"i":1462,"b":"Vennootschapsbelasting, dividendbelasting, diverse fiscalegevolgen van zetelverplaatsing van een naar Nederlands recht opgericht lichaam 1. Inleiding Zetelverplaatsing van een naar Nederlands recht opgericht lichaam heeft fiscale gevolgen. Dit besluit bevat enkele standpunten over deze fiscale gevolgen. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Het moment van zetelverplaatsing Het moment van de verplaatsing van de werkelijke leiding ligt op het moment waarop de noodzakelijke voorbereidingshandelingen daadwerkelijk zijn uitgevoerd en derhalve kan worden vastgesteld dat de werkelijke leiding niet meer in Nederland wordt uitgeoefend. Het moment waarop het voorbereidingsbesluit tot zetelverplaatsing wordt genomen geldt nog niet als moment van zetelverplaatsing. De berekening van de eindafrekeningswinst (eventueel partieel, zie onderdeel 6) geschiedt naar dat latere moment. Voor de definitie van het begrip “werkelijke leiding” wordt aangesloten bij de omschrijving die de Hoge Raad aan dit begrip heeft gegeven in zijn arrest van 23 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC51051met inachtneming van het verwante arrest van 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:47, luidende: “Bij de beoordeling naar de omstandigheden van de vestigingsplaats van een lichaam moet in het algemeen ervan worden uitgegaan dat de werkelijke leiding van het lichaam berust bij zijn bestuur, en dat de vestigingsplaats overeenkomt met de plaats waar dit bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent. Wanneer echter aannemelijk is dat de werkelijke leiding van het lichaam door een ander wordt uitgeoefend dan dat bestuur, kan er aanleiding zijn als vestigingsplaats van het lichaam aan te merken de plaats van waaruit die ander de leiding uitoefent”. 3. Aangifteplicht Als de werkelijke leiding van een naar Nederlands recht opgericht lichaam is verplaatst, blijft dit lichaam belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Voor de toepassing van de [Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) wordt een naar"},{"i":1463,"b":"Vennootschapsbelasting, dividendbelasting; fiscale beleggingsinstelling; toepassing artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat mijn beleid voor de beleggingsinstelling bedoeld in artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Gewijzigd ten opzichte van het ingetrokken besluit van 14 oktober 2022, nr. 2022-219522 (** **Stcrt. 2022, 28063** **), is het volgende.** **Er is een goedkeuring opgenomen met betrekking tot de financieringslimiet en tijdelijke overschrijding door vergissing (onderdeel 2.3.).** **Verduidelijkt is dat het voor de aandeelhoudersvereisten buiten aanmerking laten van de juridische eigenaar zonder enig economisch belang ook geldt voor de bestuurdersvereisten (onderdeel 3.6.2.).** **Verduidelijkt is ook dat voor de goedkeuring voor door een dochtermaatschappij behaalde vervreemdingswinst op onroerend goed, het in een bepaalde situatie aanvaardbaar is om aan te sluiten bij de vervreemdingswinst volgens haar commerciële jaarrekening (onderdeel 5.1.2., laatste alinea).** **Vervallen is onderdeel 6.3. over de spoedreparatie fiscale eenheid en de berekening voor uitdeling beschikbare winst. De daarin gegeven goedkeuring is intussen opgenomen in artikel 2 van het Besluit beleggingsinstellingen.** **Vervallen is ook onderdeel 7.1. over de keuze om per 1 januari 2001 geen herbeleggingsreserve te vormen. Gezien het tijdsverloop en het beschrijvende karakter van dit onderdeel heeft het niet langer voldoende belang.** **Tenslotte zijn ook enkele beperkte redactionele wijzigingen toegepast.** 1. Inleiding De [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) bevat twee bijzondere regelingen voor beleggingsinstellingen. Deze zijn opgenomen in respectievelijk [artikel 6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=6a) en [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28). Beide regel"},{"i":1464,"b":"Vennootschapsbelasting, dividendbelasting, subjectieve vrijstellingen natuurschoonlichamen, pensioenlichamen, zorglichamen en sociale werkbedrijf-lichamen (artikel 5 Wet op de vennootschapsbelasting 1969) De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **In dit besluit is het beleid opgenomen over de subjectieve vrijstellingen voor natuurschoon-lichamen, pensioenlichamen, lichamen die specifieke zorgwerkzaamheden verrichten en sociale werkbedrijf-lichamen. Deze vrijstellingen zijn opgenomen in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. In het besluit is het beleid opgenomen uit het besluit met nummer 2018-24470. Dit beleid is op onderdelen verduidelijkt. Het besluit bevat verder een aantal nieuwe beleidsstandpunten. Het besluit is gewijzigd bij besluit van 17 december 2020, nr. 2020-27575 en bij besluit van 27 juli 2022, nr. 2022-8874.** **Met de laatste wijziging is nieuw in dit besluit dat:** **Nieuw in dit besluit is dat:** 1. Inleiding Dit besluit is gewijzigd bij besluit van 17 december 2020, nr. 2020-27575. De wijziging betreft een verlenging van de overgangsregelingen die gelden voor zorglichamen en sociale werkbedrijven, zoals deze zijn opgenomen in onderdeel 7. Dit besluit is opnieuw gewijzigd bij besluit van 27 juli 2022, nr. 2022-8874. De wijziging betreft nieuw beleid voor buitenlandse pensioenlichamen die regelingen uitvoeren welke naar aard en strekking vergelijkbaar zijn met de pensioenregelingen die worden uitgevoerd door Nederlandse bedrijfstak- en beroepspensioenfondsen. Verder zijn in navolging van het [besluit van 26 januari 2022, nr. 2022-20850, onderdeel 8.6.2](onbekend) ter verduidelijking COVID-19 gerelateerde werkzaamheden opgenomen in onderdeel 4.2.2 en een nieuw onderdeel 4.4.3.1. De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63). 2. Vrijstelling natuur"},{"i":1465,"b":"Vennootschapsbelasting en dividendbelasting, hybride geldverstrekkingen, intrekkingsbesluit **De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft het volgende besloten.** **Dit besluit regelt de intrekking van het besluit over hybride geldverstrekkingen van 29 augustus 2017, nr. 2017-38941, naar aanleiding van een recent arrest van de Hoge Raad.** In het [besluit over hybride geldverstrekkingen van 29 augustus 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039962), nr. 2017-38941, is beleid opgenomen voor de beoordeling of een geldverstrekking voor de toepassing van de vennootschaps- en dividendbelasting al dan niet is aan te merken als een kapitaalverstrekking. Dit beleid heeft als uitgangspunt dat als een geldverstrekker bij faillissement of ontbinding op gelijke wijze in de verliezen van de vennootschap deelt als de (preferente) aandeelhouders een relevante terugbetalingsverplichting ontbreekt. Het besluit acht deze zogenoemde schuldaansprakelijkheid een beslissend kenmerk van fiscaal (en civiel) kapitaal. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:874, anders beslist. Dit volgt duidelijk uit de slotzin van rechtsoverweging 2.3.2. Deze overweging luidt voor zover hier van belang: ‘ (..) Indien de geldverstrekking naar civielrechtelijke maatstaven niet als verstrekking van aandelenkapitaal is aan te merken, heeft voor de fiscale kwalificatie van die geldverstrekking als uitgangspunt te gelden dat bepalend is of er een verplichting tot terugbetaling bestaat. Dit dient te worden beoordeeld volgens de voor de geldverstrekking gekozen civielrechtelijke vorm. Degene aan wie het geld is verstrekt, heeft dan volgens de gekozen civielrechtelijke vorm een schuld aan de geldgever, waardoor de geldverstrekking voor de toepassing van de belastingwet als regel niet als het verstrekken van kapitaal is aan te merken. Dat geldt ook indien die terugbetalingsverplichting voorwaardelijk is en de terugbetaling onzeker is. Hetzelfde geldt i"},{"i":1466,"b":"Vennootschapsbelasting en dividendbelasting, omzetting fonds voor gemene rekening (fiscale beleggingsinstelling) in een nv De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit vervangt het besluit van 5 december 2005, nr. CPP2005/1783M. De belangrijkste wijziging is het vervallen van de voorwaarde inzake artikel 6 van het Besluit Beleggingsinstellingen in verband met de invoering van een afdrachtvermindering in artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965. Ook is het aantal voorwaarden sterk teruggebracht door de invoering van algemener geredigeerde voorwaarden. Zo geldt bijvoorbeeld voor de begeleiding van de vennootschapsbelasting nu de voorwaarde van volledige «indeplaatstreding». Hierdoor gaat de fiscale positie van het fonds nu als geheel over. De vroegere afzonderlijke doorschuif per deelaspect is komen te vervallen.** 1. Inleiding Dit besluit ziet op situatie waarin de activiteiten van een fonds voor gemene rekening ex [artikel 2, eerste lid, onderdeel **f,** van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2) met de status van beleggingsinstelling in de zin van [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) (hierna: het fonds) worden voortgezet door een naamloze vennootschap met veranderlijk kapitaal (hierna de nv). Dit besluit keurt goed dat de omwisseling van de participaties en de liquidatie van het fonds die zich bij de hier bedoelde voortzetting voordoet fiscaal geruisloos plaatsvinden. Zonder deze fiscale begeleiding zou voor de dividendbelasting sprake zijn van een belastbaar feit in de vorm van een liquidatie-uitkering. Ook de gewenste doorschuif van de vennootschapsbelastingpositie van het fonds naar de nv is niet mogelijk zonder goedkeurende begeleiding. Hieronder beschrijf ik de fiscale begeleiding waartoe ik bereid ben, de voorwaarden die ik daaraan in het algemeen verbind en de wijze waarop ve"},{"i":1467,"b":"Vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting, lijfrenten in de winstsfeer, verzamelbesluit **De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat het beleid met betrekking tot lijfrenten in de winstsfeer. Het vervangt het besluit van 3 juni 2014, nr. BLKB2014/816,** **Staatscourant 2014, 16111** **. Gewijzigd is met name onderdeel 9.3 en volgende over wijziging van stamrechten bedongen vóór 1992 en afgetrokken in verband met de zogenoemde stakingswinst of oudedagsreserve. Het daar opgenomen omzettingsbeleid sluit in de gewijzigde tekst zoveel mogelijk aan bij de omzettingsregeling van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, negende lid, Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. De overige wijzigingen zijn zuiver redactioneel en beogen dan ook geen inhoudelijke verandering.** 1. Inleiding Dit besluit bevat het beleid met betrekking tot lijfrenten in de winstsfeer. De onderdelen 2 tot en met 7 betreffen aspecten van het regime onder de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353). Onderdeel 8 gaat in op lijfrenten die zijn bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve onder de regeling zoals die luidde tussen 1 januari 1992 en 1 januari 2001. Onderdeel 9 behandelt enige aspecten van lijfrenten die zijn bedongen vóór 1 januari 1992. Tenzij anders is aangegeven, zijn de in dit besluit opgenomen goedkeuringen gebaseerd op [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63) (hardheidsclausule). Dit besluit is van overeenkomstige toepassing op gevallen waar in plaats van een lijfrenteverzekering wordt gekozen voor een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in [artikel 3.126a van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a). Waar in dit besluit sprake is van verzoeken die aan mij kunnen worden voorgelegd, kan men deze sturen naar: Belastingdienst / Corporate Dienst"},{"i":1468,"b":"Vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting, vrijgestelde beleggingsinstelling **Dit besluit bevat het beleid met betrekking tot de vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) van artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en is meest recent gewijzigd bij besluit van 25 november 2024, nr. 2024-28160, (Stcrt. 2025-1741). De aanpassing betrof de vermelding van de wijziging van de wettelijke definitie van de vrijgestelde beleggingsinstelling met ingang 1 januari 2025 (artikel I, onderdeel B). Ook werd het onderdeel over de centrale uitvoering aangepast (artikel I, onderdeel C).** 1. Inleiding Door middel van de Wet van 21 juli 2007, Staatsblad 2007, 269, is met ingang van 1 augustus 2007 in de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) (Wet Vpb 1969) [artikel 6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=6a) opgenomen (introductie van de vrijgestelde beleggingsinstelling). Voor beleggingsinstellingen die aan de gestelde voorwaarden voldoen, geldt op verzoek een algehele vrijstelling voor de vennootschapsbelasting. De inspecteur beslist op het verzoek bij beschikking. Doel van de vrijstelling is, Nederland aantrekkelijker te maken voor de vestiging van beleggingsinstellingen. De vrijstelling stelt blijkens de parlementaire behandeling onder meer de eis, dat sprake moet zijn van collectief beleggen, alsmede van een oogmerk daartoe. Tevens moet de beleggingsinstelling een zogenoemd open-end karakter hebben. Met dit besluit verstrek ik de belastingdienst praktische richtlijnen ter beantwoording van de vraag, of in een concreet geval aan deze beide eisen wordt voldaan. Voorts is een tweetal goedkeuringen opgenomen. Ten slotte wordt centrale afdoening door de belastingdienst geregeld. 2.1. Geen VBI regime voor situaties van (materieel) individueel vermogensbeheer In de praktijk wordt het regime ook aangevraagd voor beleggingsvennootschappen van individuele beleggers. Om aan de vereisten voor het VBI regime"},{"i":1469,"b":"Vennootschapsbelasting, fonds voor gemene rekening, toestemmingsvereiste De Minister van Financiën heeft het volgende besloten: Dit besluit is een aanpassing van het besluit over fondsen voor gemene rekening en asset pooling (besluit van 27 maart 2006, nr. [CPP2005/2729M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019706)). Gezien signalen uit de praktijk en de verdergaande internationalisering is besloten om het toestemmingvereiste te versoepelen. Het toestemmingsvereiste is van belang voor de bepaling van de belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting. Het besluit bevat daarnaast een verduidelijking voor het stapelen van fondsen voor gemene rekening. Het besluit van 27 maart 2006, nr. [CPP2005/2729M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019706) alsmede het besluit van 29 augustus 1988, nr. DB88/5113M, wordt hiermee ingetrokken. 1. Inleiding Fondsen voor gemene rekening zijn belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting vanwege de beoogde neutraliteit van belastingheffing ten opzichte van beleggingsmaatschappijen die wel rechtspersoonlijkheid bezitten. Fondsen voor gemene rekening missen weliswaar rechtspersoonlijkheid maar zij vervullen in het maatschappelijke verkeer dezelfde functie als de op hetzelfde terrein opererende naamloze vennootschappen. Daarbij onderscheiden fondsen voor gemene rekening zich in financieel-economisch opzicht niet wezenlijk van naamloze vennootschappen die het beleggen van gelden in effecten of vastgoed ten doel hebben. In tegenstelling tot de wettelijke bepalingen, wordt in het spraakgebruik onderscheid gemaakt tussen enerzijds open fondsen voor gemene rekening, waarmee gedoeld wordt op het fonds zoals beschreven in [artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2) (Wet Vpb), juncto het [tweede lid van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2), en anderzijds besloten fondsen voor geme"},{"i":1470,"b":"Vennootschapsbelasting, functionele valuta **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat mijn beleid voor de toepassing van de Regeling functionele valuta (RFV). Het besluit is een herziene versie van het besluit van 30 juli 2020, nr. 2020-69898 (** **Stcrt. 2020, 41992** **). Gewijzigd is het volgende. Verduidelijkt wordt dat de RFV alleen valuta toelaat die voldoen aan (kort gezegd) het door de RFV gestelde publicatievereiste (onderdeel 4.1.). Ook wordt ingegaan op samenloop met juridische fusie (onderdeel 7.1). De overige wijzigingen betreffen actualisering van verouderde verwijzingen en beogen geen inhoudelijke verandering.** 1. Inleiding De inspecteur kan op verzoek van belastingplichtige toestaan het belastbare bedrag te berekenen in een andere geldeenheid dan de euro, de zogenoemde functionele valuta ([artikel 7, vijfde lid, van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=7), hierna: Wet Vpb 1969). De voorwaarden waaronder aan het verzoek wordt tegemoetgekomen zijn gepubliceerd in de [Regeling functionele valuta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008878) (regeling van 21 augustus 1997, nr. WDB97/348M, zoals laatstelijk gewijzigd bij regeling van 16 juni 2022, nr. 2022-161075 (Stcrt. 2022, 16489), hierna: RFV). In dit besluit vermeld ik de door mij gestelde beleidskaders voor toepassing van de RFV. 2. De voorwaarde dat de werkzaamheid of internationale vertakking een functionele valuta rechtvaardigt De [RFV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008878) eist onder andere dat in het eerste jaar waarin de RFV wordt toegepast de belastingplichtige ook de commerciële jaarrekening opstelt in de betreffende andere geldeenheid en dit wordt gerechtvaardigd door de werkzaamheid van de rechtspersoon of de internationale vertakking van zijn groep. De inspecteur zal deze rechtvaardiging slechts marginaal toetsen. Alleen als de rechtvaardiging evident afwezig is, zal hi"},{"i":1471,"b":"Vennootschapsbelasting. Geautomatiseerde berekening voorkoming dubbele belasting; toelichting op gehanteerde uitgangspunten (Syllabus AEB) **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit betreft de actualisering van de bij mijn besluit van 18 maart 2021, nr. 2021-49042 (** **Stcrt. 2021, 13012** **), vastgestelde syllabus. De Belastingdienst gebruikt bij de heffing van vennootschapsbelasting het computerprogramma Aftrek Elders Belast (computerprogramma AEB) voor de berekening van verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting. Voor de toepassing van dit computerprogramma wordt in de syllabus Aftrek Elders Belast (syllabus AEB) een toelichting gegeven op de uitgangspunten en methoden die aan deze berekeningen ten grondslag liggen. De inhoudelijke wijzigingen zijn met name een gevolg van de actualisering van het besluit van 18 juli 2008, CPP, 2007/664M (** **Stcrt. 2008, 151** **) bij Besluit van 18 april 2023, nr. 2023-2897 (** **Stcrt. 2023, 12301**). 1. Syllabus AEB De syllabus AEB is als bijlage opgenomen bij dit besluit en wordt hierbij vastgesteld. Deze syllabus vervangt de syllabus Vrijstelling, Verrekening, Verliescompensatie, Internationaal Belastingrecht (VVV-IBR) zoals vastgesteld in mijn [besluit van 18 maart 2021, nr. 2021-49042](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044953) (Stcrt. 2021, 13012). De syllabus AEB bevat de uitgangspunten die gehanteerd worden in het computerprogramma AEB (de opvolger van het computerprogramma VVV-IBR). Het computerprogramma AEB wordt binnen de Belastingdienst gebruikt bij de berekening van verminderingen van vennootschapsbelasting ter voorkoming van internationale dubbele belasting. De in de syllabus beschreven uitgangspunten en methoden maken onderdeel uit van mijn beleid op het punt van de berekening van verminderingen van vennootschapsbelasting ter voorkoming van internationale dubbele belasting. 2. Ingetrokken besluit Het [besluit van 18 maart 2021, nr. 2021-49042](https://wetten"},{"i":1472,"b":"Vennootschapsbelasting. Inkomstenbelasting. Dividendbelasting. Giftenaftrek of uitdeling De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een vervanging van het besluit BLKB 2015/396 voor giften die de maximumgrens van artikel 16 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 te boven gaan.** 1. Inleiding Bij de giftenaftrek van [artikel 16 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=16) (Wet Vpb) wordt herhaaldelijk gevraagd of giften die verband houden met persoonlijke vrijgevigheid van de aandeelhouder wel in aanmerking komen voor giftenaftrek. Gezien het verband met de persoonlijke behoefte van de aandeelhouder kwalificeren deze giften als middellijke uitdeling en zijn als zodanig van aftrek uitgesloten. Ik geef echter een tegemoetkoming voor dit vraagstuk ter voorkoming van verdere discussies. Voor de volledigheid merk ik op dat de voor giftenaftrek vereiste zogenoemde ANBI-status van de begiftigde onder andere meebrengt dat de aandeelhouder geen doorslaggevende zeggenschap mag hebben over de ANBI. 2. Geen uitdeling als gift voldoet aan vereisten van [artikel 16 Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=16) en de wettelijke maximumgrens niet te boven gaat Ik keur goed dat giften door een vennootschap die zijn ingegeven door de persoonlijke charitatieve behoefte van de aandeelhouder maar overigens voldoen aan de voorwaarden van [artikel 16 Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=16), voor het gezamenlijke bedrag als giften in de zin van dat artikel in aftrek komen en voor dat bedrag niet als uitdeling worden aangemerkt voor de vennootschapsbelasting, de inkomstenbelasting en de dividendbelasting. Deze goedkeuring geldt dus voor zover dergelijke giften het wettelijke maximum van artikel 16 Wet Vpb niet te boven gaan. Voor het meerdere is er sprake van een uitdeling. Als er zowel giften zijn gedaan die zijn ingegeven door de persoo"},{"i":1473,"b":"Vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting, waarderingsaspecten van pensioenen en lijfrenten **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 3 juli 2008, nr. CPP2008/447M (Stcrt. 2008, 133). De aanpassingen betreffen met name verwijzingen naar nieuwe wetgeving. De overige aanpassingen zijn redactioneel, zonder dat een inhoudelijke wijziging is beoogd. Redactioneel het meest gewijzigd is het volgende:** 1. Inleiding Dit besluit behandelt twee aandachtsgebieden. In hoofdstuk A. staat de waarde in het economische verkeer centraal. Die is van belang voor de hoogte van een koopsombetaling in verband met de overdracht van een pensioenverplichting. Daarnaast speelt de waarde in het economische verkeer een rol bij het beoordelen van de zakelijkheid van pensioenaanspraken, die door een naamloze of besloten vennootschap (werkgever) aan een directeur-grootaandeelhouder (DGA) zijn toegekend. In de onderdelen 2. en 3. van hoofdstuk A. zijn goedkeuringen opgenomen. Hoofdstuk B. van het besluit behandelt het beleid dat de Belastingdienst hanteert met betrekking tot de waardering van pensioen- en lijfrenteverplichtingen in het kader van de jaarwinstbepaling. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde: Hoofdstuk B heeft betrekking op de waardering van pensioen- en lijfrenteverplichtingen. Ook in hoofdstuk B. zijn goedkeuringen opgenomen. Hoewel in dit besluit enkel vennootschapsbelasting- en inkomstenbelastingaspecten van pensioen- en lijfrenten worden behandeld, merk ik volledigheidshalve het volgende op. Als gevolg van de invoering van de maatregelen van de [Wet uitfasering pensioen in eigen beheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039380) is het niet meer mogelijk om nog in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken op te bouwen. Tevens kan een niet door een eigenbeheerlichaam uitgevoerde pensioenverplichting niet meer worden overgedragen aan een eigenbeheerlichaam. 1.1. Gebruikte begrippen e"},{"i":1474,"b":"Vennootschapsbelasting, innovatiebox; vaststellingsovereenkomsten en ontbindende voorwaarde voor relevante wetswijzigingen **Dit besluit ziet op de vaststellingsovereenkomsten die zijn afgesloten in het kader van de innovatiebox van artikel 12b (oud) van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Deze vaststellingovereenkomsten bevatten een ontbindende voorwaarde voor relevante wetswijzigingen. De in het Belastingplan 2017 opgenomen wetswijzigingen van de innovatiebox zijn aan te merken als een dergelijke relevante wetswijziging. Dit besluit bevat een goedkeuring voor kleinere belastingplichtigen waardoor deze vaststellingsovereenkomsten voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017 onder voorwaarden alsnog hun geldigheid behouden voor de innovatiebox als bedoeld in de artikelen 12b t/m 12bg van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.** 1. Inleiding In de memorie van toelichting van het [Belastingplan 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038948)1Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 3, p. 24, 28 en 100–101. is aangegeven dat ik een beleidsbesluit zal publiceren voor vaststellingsovereenkomsten die zien op de toepassing van de innovatiebox. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Gevolgen relevante wetswijziging voor VSO’s Het [Belastingplan 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038948) wijzigt [artikel 12b van de Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12b) en introduceert een aantal nieuwe artikelen ([artikel 12ba t/m 12bg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12ba) en [artikel 34d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=34d)) in de [Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672). Hiermee is de innovatiebox in overeenstemming gebracht met de afspraken – waaronder de nexusbenadering – die in OESO-verband zijn overeengekomen. In een VSO wordt standaard de ontbindende voorwaarde opgenomen dat de VSO vervalt bij een relevante wetswijziging.2Zie onderdeel 25, zestiende l"},{"i":1475,"b":"Vennootschapsbelasting, innovatiebox De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit gaat in op de innovatiebox van artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Gebleken is dat in de praktijk behoefte bestaat aan een nadere uitleg bij het gehanteerde uitvoeringskader voor de toepassing van de innovatiebox. Om hieraan tegemoet te komen, worden verschillende elementen van de innovatiebox in dit besluit relatief uitvoerig beschreven, nader toegelicht en waar nodig verder ingevuld.** 1. Inleiding Innovatie is een bron voor duurzame economische groei en levert een belangrijke bijdrage aan de versterking van het concurrentievermogen. De innovatiebox speelt daarbij een belangrijke rol, omdat de innovatiebox innovatieve bedrijven gericht aanzet tot het doen van meer onderzoek en ontwikkeling. Zonder voor te schrijven waar de focus op moet liggen, kan het bedrijfsleven zich richten op ontwikkelingen waar de markt behoefte aan heeft. Hiermee draagt de innovatiebox bij aan de innovatieve concurrentiekracht van Nederland, de Europese Unie en de EU-doelstellingen van de Europa 2020-strategie en Horizon 2020. Dit besluit bevat een beschrijving van, een nadere toelichting op en waar nodig een verdere invulling van verschillende elementen voor de toepassing van de innovatiebox van [artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12b), zoals dit gold tot en met 31 december 2016. Omdat de innovatiebox van de [artikelen 12b tot en met 12bg van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12b), zoals deze gelden vanaf 1 januari 2017, op wezenlijke onderdelen – zoals de toegangseisen, het te hanteren aggregatieniveau en de nexusbreuk – verschilt van de innovatiebox van artikel 12b (oud) van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, kan dit besluit daarop niet van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Dit betekent overigen"},{"i":1476,"b":"Vennootschapsbelasting. Juridische fusie; toepassing artikel 14b, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat het beleid voor de juridische fusie in de vennootschapsbelasting en vervangt het besluit van 28 april 2021, nr. 2021-7901,** **Staatscourant 2021, 22892** **. Gewijzigd is het volgende. Standaardvoorwaarde 6 met betrekking tot verliesverrekening is aangepast aan de kort gezegd met ingang van 2022 geldende wettelijke beperking van de verrekening. De goedkeuring van paragraaf 5 met betrekking tot aanspraken van de verdwijnende rechtspersoon zoals verliesverrekening, is uitgebreid met de aanspraak op voortwenteling van voorheffingen. Standaardvoorwaarde 8a is toegevoegd en regelt de voortwenteling van voorheffingen over het fusietijdstip.** 1. Inleiding De juridische fusie wordt geacht een overdracht te zijn ([artikel 14b, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14b)). In eenvoudige gevallen geldt voor de winst die daardoor wordt behaald een faciliteit direct op grond van de wet (artikel 14b, tweede lid). In andere gevallen kan ik de inspecteur toestaan onder het stellen van voorwaarden een faciliteit te verlenen (artikel 14b, derde lid). In de paragrafen 2 tot en met 6 van dit besluit staat mijn beleid voor de toepassing van [artikel 14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14b). Hier wordt onder andere ingegaan op de voorwaarden die in het algemeen worden gesteld bij de toepassing van artikel 14b, derde lid. Deze voorwaarden zijn opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047079&bijlage=1&z=2022-08-31&g=2022-08-31) van dit besluit. Met nadruk wordt erop gewezen dat het algemene karakter van de voorwaarden meebrengt dat de voorwaarden worden gewijzigd of aangevuld al naar gelang de bijzondere omstandigheden van het geval. In paragraaf 7 wordt een a"},{"i":1477,"b":"Vennootschapsbelasting, pensioenen; uitfasering pensioen in eigen beheer **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit breidt de werking van artikel 34e, vierde lid, van de Wet Vpb uit. Onder voorwaarden geldt de aftrek ook in reële situaties waarin de actiefpost voor de met de pensioenregeling samenhangende kosten en lasten van toekomstige loon- en prijsontwikkelingen nog niet in een uiterlijk op 20 september 2016 gedane aangifte vennootschapsbelasting is opgenomen.** 1. Inleiding **Tijdens de Tweede Kamerbehandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen is ingegaan op de situatie waarin een eigenbeheerlichaam vóór 20 september 2016 een toegekende pensioenaanspraak heeft verzekerd bij, of een pensioenverplichting heeft overgedragen aan een ander eigenbeheerlichaam (waarbij de betreffende lichamen niet met elkaar zijn gevoegd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting), maar deze verzekering of overdracht en de vorming van de actiefpost voor de kosten en lasten van toekomstige loon- en prijsontwikkelingen niet heeft kunnen verwerken in een aangifte vennootschapsbelasting die uiterlijk op 20 september 2016 is gedaan**. Ik heb aangegeven goed te keuren dat onder voorwaarden ook voor dergelijke situaties de in het vierde lid van [artikel 34e van de Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=34e) bedoelde aftrek van deze kosten en lasten wordt toegepast.1Kamerstukken II 2016/17, 34 662, nr. 5, blz. 8 en 9. Bij een verzekering van een toegekende pensioenaanspraak of overdracht van een pensioenverplichting binnen een fiscale eenheid is het niet gebruikelijk om op de geconsolideerde fiscale balans van de fiscale eenheid een actiefpost voor de toekomstige loon- en prijsontwikkelingen te vormen. Een verzekering van een toegekende pensioenaanspraak of overdracht van een pensioenverplichting die heeft plaatsgevonden binnen een"},{"i":1478,"b":"Vennootschapsbelasting, subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen (artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969) **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit zijn beleidsstandpunten opgenomen over de subjectieve vrijstelling die binnen de vennootschapsbelasting geldt voor stichtingen en verenigingen. Dit besluit is een actualisering van het besluit van 19 september 2018, nr. 2018-155144 (** **Stcrt. 2018, 54139** **) naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:51. Met deze actualisering is het besluit in lijn gebracht met voornoemd arrest (onderdelen 2.2 en 3). Daarnaast is een nieuw onderdeel 3.1 ingevoegd. In dat onderdeel worden de gevolgen van dit arrest beschreven voor de jaren waarvan de definitieve aanslag is opgelegd voor 21 januari 2022 (de datum van het arrest) en de terugwenteling van verliezen naar die jaren. Dit onderdeel bevat verder een goedkeuring waarmee eindafrekeningswinst achterwege kan blijven bij deze sfeerovergang als de belastingplicht in strijd blijkt te zijn geweest met voornoemd arrest. De overige aanpassingen zijn redactioneel van aard. Met deze aanpassingen zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.** 1. Inleiding Er geldt vanaf 2012 een generieke subjectieve vrijstelling van vennootschapsbelasting voor stichtingen en verenigingen die slechts beperkt winstgevende ondernemingsactiviteiten verrichten ([artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=6)). Aan deze subjectieve vrijstelling kan pas worden toegekomen als sprake is van belastingplicht. Er moet, met andere woorden, dus eerst zijn vastgesteld dat de stichting of vereniging een onderneming drijft in de zin van [artikel 2, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2), juncto [artikel 4 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000267"},{"i":1479,"b":"Vennootschapsbelasting, verliesverrekening, toepassing artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat mijn beleid voor artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en vervangt mijn besluit van 17 april 2020, nr. 2020-19072. Ik heb de volgende standpunten toegevoegd met betrekking tot de toepassing van dit artikel 20a:** **De overige aanpassingen zijn redactioneel van aard en daarmee wordt dan ook geen inhoudelijke wijziging beoogd.** 1. Inleiding [Artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=20a) beperkt de verliesverrekening als het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate wijzigt, tenzij zich bepaalde uitzonderingen voordoen. Dit besluit bevat mijn beleid voor de toepassing van dit artikel 20a. De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63). 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Wijziging in het uiteindelijke belang ([artikel 20a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=20a)) [Artikel 20a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=20a), is aan de orde als aannemelijk is dat in vergelijking met het begin van het oudste jaar waarvan een verlies nog niet is verrekend, het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd. Door de belangwijziging kunnen verliezen in beginsel niet meer worden verrekend. Voor de toepassing van de bepaling wordt aangesloten bij het moment van de belangwijziging. De meest voorkomende vorm van een wijziging in het uiteindelijke belang in een belastingplichtige is de vervreemding van aandelen. Een belangwijziging kan zich echter ook op andere wijze voordoen. Een wijziging in het uiteindelijke belang wordt daarom materieel getoe"},{"i":1480,"b":"Vennootschapsbelasting, verruimde achterwaartse verliesverrekening **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 16 juli 2014, BLKB 2014/362M (** **Stcrt. 2014, 20943** **). Vervallen is onderdeel 2 (oude nummering) ‘(Op)waarderen van voorraden en bedrijfsmiddelen’, omdat dit beleid inmiddels ook is opgenomen in het Besluit Jaarwinst. Ook vervallen is onderdeel 3.1 (oude nummering) ‘Behandeling te laat gemaakte keuze verruimde achterwaartse verliesverrekening (verruimde carry-back)’. Dit onderdeel heeft zijn belang verloren door tijdsverloop. Gehandhaafd blijft alleen de goedkeuring van onderdeel 3.2 (oude nummering) voor situaties waarin abusievelijk gekozen is voor verruimde carry-back.** 1. Inleiding In verband met de zogenoemde kredietcrisis gold voor de jaren 2009 tot en met 2011 de mogelijkheid van een verruimde carry-back tot drie jaren. Daartegenover werd de voorwaartse verrekening van verliezen beperkt tot zes jaren. Om hiervoor in aanmerking te komen moest hiervoor bij de aangifte worden gekozen ([artikel 20, tiende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=20); tekst 2009–2011). Onderdeel 2 bevat een goedkeuring voor bepaalde situaties waarin abusievelijk gekozen is voor verruimde carry-back. Deze goedkeuring is gebaseerd op [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63) (hardheidsclausule). 2. Behandeling onjuist gemaakte keuze verruimde achterwaartse verliesverrekening (verruimde carry-back) Gebleken is dat een relatief groot aantal belastingplichtigen heeft gekozen voor de faciliteit van verruimde achterwaartse verliesverrekening, terwijl dat voor hen niet tot een teruggaaf van belasting leidde. Een teruggaaf bleef achterwege omdat over de desbetreffende eerdere jaren (T–2 en T–3), waarop de verruimde achterwaartse verliesverrekening zou zien, g"},{"i":1481,"b":"Vennootschapsbelasting. Zuivere splitsing; toepassing artikel 14a, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit bevat het beleid voor de zuivere splitsing in de vennootschapsbelasting en vervangt het besluit van 28 april 2021, nr. 2021-7915,** **Staatscourant 2021, 22883** **. Gewijzigd is het volgende. Standaardvoorwaarde 8 met betrekking tot verliesverrekening is aangepast aan de kort gezegd met ingang van 2022 geldende wettelijke beperking van de verrekening. De goedkeuring van paragraaf 5 met betrekking tot aanspraken van de splitsende rechtspersoon zoals verliesverrekening, is uitgebreid met de aanspraak op voortwenteling van voorheffingen. Standaardvoorwaarde 10a is toegevoegd en regelt de voortwenteling van voorheffingen over het splitsingstijdstip.** 1. Inleiding De splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon ophoudt te bestaan, wordt geacht een overdracht te zijn ([artikel 14a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14a)). In eenvoudige gevallen geldt voor de winst die daardoor wordt behaald een faciliteit direct op grond van de wet (artikel 14a, tweede lid). In andere gevallen kan ik de inspecteur toestaan onder het stellen van voorwaarden een faciliteit te verlenen (artikel 14a, derde lid). In de paragrafen 2 tot en met 6 van dit besluit staat mijn beleid voor de toepassing van [artikel 14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14a). Hier wordt onder andere ingegaan op de voorwaarden die in het algemeen worden gesteld bij de toepassing van artikel 14a, derde lid. Deze voorwaarden zijn opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047081&bijlage=1&z=2022-08-31&g=2022-08-31) van dit besluit. Met nadruk wijs ik erop dat het algemene karakter van de voorwaarden meebrengt dat de voorwaarden worden gewijzigd of aangevuld al naar gelang de bijzondere omstandighe"},{"i":1482,"b":"Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, beleidsregels **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het beleidsbesluit van 1 december 2015, nr. BLKB2015/1193M,** **Stcrt. 2015, 45344** **, dat hiermee wordt ingetrokken. Onder 1.4 is een nieuwe beleidsregel opgenomen op grond waarvan de inspecteur onder voorwaarden kan toestaan om een maandverklaring als bedoeld in artikel 2 van het besluit achterwege te laten.** Gebruikte begrippen en afkortingen De hoofdstukindeling van dit besluit is voor zover mogelijk gelijk aan de hoofdstukindeling van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802). De inhoudsopgave ziet er daarom als volgt uit: De beleidsregels zijn onder de betreffende hoofdstukken (1 t/m 6) opgenomen. 1. Inleidende bepalingen 1.1. Tijdelijk buiten de inrichting brengen van alcoholvrije dranken Indien alcoholvrije dranken tijdelijk buiten de IVV worden gebracht om ze elders een bewerking te laten ondergaan is op grond van [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=3) sprake van uitslag. Indien de alcoholvrije dranken weer binnen de IVV worden gebracht, kan de verbruiksbelasting worden teruggevraagd. Ik keur goed dat de inspecteur toestaat dat alcoholvrije dranken tijdelijk buiten de IVV worden gebracht om elders een eenvoudige bewerking te ondergaan. Dit wordt dan niet aangemerkt als uitslag. De toestemming wordt in de vergunning voor de IVV opgenomen en kan worden verleend onder de volgende voorwaarden: 1.2. Rechtstreekse aflevering van alcoholvrije dranken 1.2.1. Inleiding Het vervoer van alcoholvrije dranken kan onder schorsing van verbruiksbelasting onder andere plaatsvinden tussen: Het vervoer onder schorsing van verbruiksbelasting vindt in deze situaties plaats onder geleide van een vervoersopdracht (tussen IVV's) of een bescheid (vanuit een andere lidstaat naar een IVV). Er is ook sprake van vervoer onder schorsing van verbruiksb"},{"i":1483,"b":"Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken De lidstaten van de Raad van Europa en de lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat de ontwikkeling van het internationale verkeer van personen, kapitaal, goederen en diensten - hoewel deze op zich zeer gunstig is - de mogelijkheden van ontgaan van belasting en belastingontduiking heeft vergroot, en derhalve toenemende samenwerking tussen de belastingautoriteiten vereist; Verheugd over de verschillende inspanningen die de laatste jaren zijn verricht, bilateraal dan wel multilateraal, om ontgaan van belasting en belastingontduiking op internationaal niveau tegen te gaan; Overwegend dat een gezamenlijke inspanning van de Staten nodig is ter bevordering van alle vormen van administratieve bijstand in aangelegenheden betreffende belastingen van iedere soort, terwijl tegelijkertijd passende bescherming van de rechten van belastingplichtigen wordt verzekerd; Erkennend dat internationale samenwerking een belangrijke rol kan spelen bij het vergemakkelijken van de juiste vaststelling van de belastingverplichtingen en bij het helpen van de belastingplichtige opdat diens rechten worden geëerbiedigd; Overwegend dat de fundamentele beginselen die iedere persoon het recht geven op vaststelling van zijn rechten en verplichtingen in overeenstemming met een behoorlijke wettelijke procedure, dienen te worden erkend als van toepassing op fiscale aangelegenheden in alle Staten, en dat de Staten ernaar dienen te streven de legitieme belangen van belastingplichtigen te beschermen, en met name passende bescherming te bieden tegen discriminatie en dubbele belasting; Er derhalve van overtuigd dat Staten maatregelen dienen uit te voeren of inlichtingen dienen te verstrekken, rekening houdend met de noodzaak van het beschermen van de vertrouwelijkheid van de inlichtingen en met internationale instrumenten ter bescherming van de privac"},{"i":1484,"b":"Verdrag strekkende tot voorkoming van dubbele belasting voortvloeiende uit de toepassing van de buitengewone belastingen op het vermogen of op de vermogensaanwas, geheven in Nederland en in Frankrijk Ter oorkonde waarvan de gevolmachtigden van de beide Staten dit Verdrag hebben ondertekend en hun zegel eraan hebben gehecht. Gedaan te Parijs, d.d. 30 December 1949. (w.g.) W. VAN BOETZELAER (w.g.) SCHUMAN"},{"i":1485,"b":"Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), Geleid door de wens uitvoering te geven aan [artikel 220 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506&artikel=220), krachtens hetwelk zij zich ertoe hebben verbonden met elkaar in onderhandeling te treden ter verzekering, voor hun onderdanen, van de afschaffing van dubbele belasting, Gezien het belang, gelegen in de afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen, Hebben besloten het onderhavige verdrag te sluiten, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Philippe de Schoutheete te Tervarent, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur; Hare Majesteit de Koningin van Denemarken: Niels Helveg Petersen, Minister van Economische Zaken; de President van de Bondsrepubliek Duitsland: Theo Waigel, Minister van Financiën; Jürgen Trumpf, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur; de President van de Helleense Republiek: Ioannis Palaiokrassas, Minister van Financiën; Zijne Majesteit de Koning van Spanje: Carlos Solchaga Catalán, Minister van Economische Zaken en Financiën; de President van de Franse Republiek: Jean Vidal, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur; de President van Ierland: Albert Reynolds, Minister van Financiën; de President van de Italiaanse Republiek: Stefano de Luca, Staatssecretaris van Financiën; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg: Jean-Claude Juncker, Minister van Begroting, Minister van Financiën, Minister van Arbeid; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: P. C. Nieman, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur; de President van de Portugese Republiek: Miguel Beleza, Minister van Financiën; Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van"},{"i":1486,"b":"Verdrag tot uitwisseling van informatie met betrekking tot belastingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba en het Koninkrijk Spanje Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba en het Koninkrijk Spanje, geleid door de wens de uitwisseling van informatie met betrekking tot belastingen te vergemakkelijken, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar bijstand door middel van samenwerking bij de kennisgeving van administratieve beslissingen van de Verdragsluitende Partijen en de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de Verdragsluitende Partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie zal naar verwachting van belang zijn voor de vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek of de vervolging ter zake van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003111&artikel=9&z=2010-01-27&g=2010-01-27). De uit hoofde van de wetgeving of administratieve praktijk van de aangezochte Partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag alleen van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte Partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of onder de macht van personen die zich binnen haar territoriale rechtsgebied bevinden. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De bel"},{"i":1487,"b":"Verdrag tot uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en het Koninkrijk Spanje Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en het Koninkrijk Spanje, geleid door de wens de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingen te vergemakkelijken, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar bijstand door middel van samenwerking bij de kennisgeving van administratieve beslissingen van de Verdragsluitende Partijen en de uitwisseling van inlichtingen die naar verwachting van belang zullen zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de Verdragsluitende Partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze inlichtingen omvatten informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek of de vervolging ter zake van belastingzaken. Inlichtingen worden uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003069&artikel=8&z=2010-01-27&g=2010-01-27). De uit hoofde van de wetgeving of administratieve praktijk van de aangezochte Partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van inlichtingen niet onnodig verhinderen of vertragen. 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft is dit Verdrag alleen van toepassing op de Nederlandse Antillen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte Partij is niet verplicht inlichtingen te verstrekken die noch in het bezit zijn van haar autoriteiten, noch in het bezit of onder de macht van personen die zich binnen haar territoriale"},{"i":1488,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Macedonische Regering tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Macedonische Regering, (wier Staten hierna worden aangeduid als: „de Verdragsluitende Staten\") Geleid door de wens dat een verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen wordt gesloten tussen beide Staten, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Verdragsluitende Staten of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende goederen, belastingen naar het totale bedrag van de door de ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in de Nederlandse Verdragsluitende Staat: - –. de inkomstenbelasting, - –. de loonbelasting, - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuu"},{"i":1489,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot bankenbelastingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot bankenbelastingen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Entiteiten waarop het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op entiteiten die gevestigd zijn in een of beide verdragsluitende staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op bankenbelastingen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat. 2. De bestaande bankenbelastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: de bankenbelasting vervat in de Wet bankenbelasting (hierna te noemen: „Nederlandse bankenbelasting”); - b. in het Verenigd Koninkrijk: de bankenheffing vervat in Schema 19 van de „Finance Act 2011” (hierna te noemen: „bankenbelasting van het Verenigd Koninkrijk”). 3. Dit Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande bankenbelastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten doen elkaar mededeling van alle belangrijke wijzigingen die in hun onderscheiden wetgeving inzake bankenbelasting zijn aangebracht. Artikel 3. Algemene begripsbepalingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist: - a. wordt verstaan onder de uitdrukkingen „een verdragsluitende staat” en „de andere verdragsluitende staat” het Koninkrijk der Nederlanden (Ne"},{"i":1490,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van de Franse Republiek inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen Overwegend dat de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van de Franse Republiek („de verdragsluitende partijen”) de voorwaarden voor de uitwisseling van informatie betreffende belastingen wensen te verbeteren en te vergemakkelijken; Zijn de verdragsluitende partijen thans overeengekomen het volgende verdrag te sluiten waarin uitsluitend de verplichtingen van de verdragsluitende partijen zijn vervat: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen en belastingzaken waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling, verificatie en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005610&artikel=9&z=2013-04-01&g=2013-04-01). 2. De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 3. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Teneinde de implementatie van de bepalingen van dit Verdra"},{"i":1491,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en de Regering van de Franse Republiek inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en de Regering van de Franse Republiek („de verdragsluitende partijen”), Overwegend dat de verdragsluitende partijen de voorwaarden voor de uitwisseling van informatie betreffende belastingen wensen te verbeteren en te vergemakkelijken; Zijn de verdragsluitende partijen thans overeengekomen het volgende verdrag te sluiten waarin uitsluitend de verplichtingen van de verdragsluitende partijen zijn vervat: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen en belastingzaken waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling, verificatie en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. 2. De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 3. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op de Nederlandse Antillen. Artikel 2. Rechtsmacht Teneinde de implementatie van de bepalingen van dit Verdrag mogelijk te maken wordt informatie in overeenstemming met dit Verdrag verschaft door de bevoegde autoriteit van de aangezochte partij, ongeacht of de pe"},{"i":1492,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Antigua en Barbuda inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van Antigua en Barbuda, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003493&artikel=8&z=2010-03-01&g=2010-03-01). De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen belastingen van elke soort en benaming, met inbegrip van douanerechten. 2. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen doen elkaar med"},{"i":1493,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Barbados tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Barbados, Geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende goederen of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: - -. de inkomstenbelasting; - -. de loonbelasting; - -. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet; - -. de dividendbelasting; (hierna te noemen: „Nederlandse belasting’’); - b. in Barbados: - -. de inkomstenbelasting (met inbegrip van de belasting op premie-inkomen); - -. de vennootschapbelasting (met inbegrip van de belasting op winsten uit vaste inrichtingen);"},{"i":1494,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Belize inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Belize, (hierna te noemen „de verdragsluitende partijen”), Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004063&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01). De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen belastingen van elke soort en benaming, met inbegrip van douanerechten. 2. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluit"},{"i":1495,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Bermuda (zoals gemachtigd door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot ondernemingen die schepen of luchtvaartuigen exploiteren in het internationale verkeer De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van Bermuda (zoals gemachtigd door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland), Geleid door de wens het Verdrag inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen, heden op 8 juni 2009 gesloten, aan te vullen door het sluiten van een Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot ondernemingen die schepen of luchtvaartuigen exploiteren in het internationale verkeer, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist: - a. betekent de uitdrukking „Bermuda” de eilanden van Bermuda, met inbegrip van de omringende territoriale zee, in overeenstemming met het internationale recht; - b. betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke eenheid die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld; - c. betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”: - i. in het geval van Nederland, de minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger; - ii. in het geval van Bermuda, de minister van Financiën of een bevoegde vertegenwoordiger van de minister; - d. betekent de uitdrukking „verdragsluitende partij” Nederland of Bermuda, al naargelang de context vereist; betekent de uitdrukking „verdragsluitende partijen” het Koninkrijk der Nederlanden en Bermuda; - e. betekent de uitdrukking „onderneming van een verdragsluitende partij” een onderneming gedreven door een inwoner van een verdragsluitende partij; - f. omvat de uitdrukking „inkomsten verkregen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer” ontvangsten,"},{"i":1496,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Britse Maagdeneilanden inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van de Britse Maagdeneilanden, Overwegend dat de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Britse Maagdeneilanden (hierna te noemen „de verdragsluitende partijen”) erkennen dat de huidige wetgeving reeds voorziet in samenwerking en de uitwisseling van informatie in belastingzaken; Overwegend dat de verdragsluitende partijen reeds lange tijd actief betrokken zijn bij internationale inspanningen ter bestrijding van financiële delicten en andere strafbare feiten, die mede gericht zijn op de bestrijding van de financiering van terrorisme; Overwegend dat bevestigd wordt dat de verdragsluitende partijen bevoegd zijn tot het onderhandelen over en sluiten van een verdrag tot uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; Overwegend dat de Britse Maagdeneilanden op 2 april 2002 een formele schriftelijke verbintenis met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn aangegaan ter zake van de beginselen van transparantie en de uitwisseling van informatie en sedertdien actief deelnemen aan het **Global Forum on Taxation** van de OESO; Overwegend dat de verdragsluitende partijen de implementatie van de voorwaarden voor de uitwisseling van informatie betreffende belastingen wensen te verbeteren en te vergemakkelijken; Zijn de verdragsluitende partijen thans overeengekomen het volgende verdrag te sluiten waarin uitsluitend de verplichtingen van de verdragsluitende partijen zijn vervat: Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen en belastin"},{"i":1497,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de wederzijdse administratieve bijstand bij de invordering van belastingschulden en de uitreiking van documenten Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland Geleid door de wens om elkaar bij de invordering van belastingvorderingen en bij de uitreiking van documenten administratieve bijstand te verlenen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Onderwerp van het Verdrag en personen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De Verdragsluitende Staten verlenen elkaar administratieve bijstand bij de invordering van belastingvorderingen en bij de uitreiking van documenten. 2. Een Verdragsluitende Staat verleent administratieve bijstand ongeacht of de betrokken persoon inwoner van een van de Verdragsluitende Staten is of de nationaliteit daarvan bezit. 3. Dit Verdrag heeft voorrang boven de bepalingen van andere bilaterale regelingen tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden over de wederzijdse administratieve bijstand bij de invordering van belastingvorderingen en de uitreiking van documenten, die een beperktere reikwijdte hebben. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn - a. in Duitsland: - –. die Einkommensteuer (de inkomstenbelasting), - –. die Körperschaftsteuer (de vennootschapsbelasting), - –. die Vermögensteuer (de vermogensbelasting), - –. die Gewerbesteuer (de ondernemingsbelasting), - –. der Solidaritätszuschlag auf die Einkommensteuer und die Körperschaftsteuer (de solidariteitstoeslag op de inkomstenbelasting en op de vennootschapsbelasting); - b. in Nederland: - –. de inkomstenbelasting, - –. de loonbelasting, - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Staat in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekk"},{"i":1498,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen, hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren en een doeltreffende en juiste belastingheffing te waarborgen, Voornemens hun respectieve heffingsbevoegdheden zodanig toe te wijzen dat zowel dubbele heffing als niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het vermijden of ontgaan van belastingen wordt vermeden, Zijn het volgende overeengekomen: Is van toepassing: a.in de Bondsrepubliek Duitsland:aa.in het geval van belastingen geheven aan de bron, ter zake van bedragen betaald op of na 1 januari 2017;bb.in het geval van overige belastingen, ter zake van belastingen geheven over tijdvakken beginnend op of na 1 januari 2017.b.in Nederland:voor belastingjaren en tijdvakken beginnend op of na 1 januari 2017. HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat, van een deelstaat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen van een staat of deelstaat. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsm"},{"i":1499,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Cookeilanden inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van de Cookeilanden, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004019&artikel=8&z=2011-09-07&g=2011-09-07). De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen: - a. in Nederland: - i. de inkomstenbelasting, inclusief inkomensafhankelijke toeslagen op grond van regelgeving inzake toeslagen; - ii. de loonbelasting"},{"i":1500,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Democratische Volksrepubliek Algerije tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden en de Democratische Volksrepubliek Algerije, Geleid door de wens dat een verdrag door beide staten wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. 2. Een voordeel uit hoofde van dit Verdrag wordt niet toegekend met betrekking tot een bestanddeel van het inkomen of het vermogen indien, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat het verkrijgen van dit voordeel een van de voornaamste redenen was voor een constructie of transactie die direct of indirect tot dat voordeel heeft geleid, tenzij wordt vastgesteld dat toekenning van dit voordeel in deze omstandigheden in overeenstemming zou zijn met het voorwerp en het doel van de relevante bepalingen van dit Verdrag. De bevoegde autoriteit van een verdragsluitende staat stelt de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat in kennis alvorens een voordeel uit hoofde van dit lid te weigeren. Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belas"},{"i":1501,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federale Democratische Republiek Ethiopië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Federale Democratische Republiek Ethiopië, Geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (hierna te noemen „het Verdrag”) Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in het Europese deel van Nederland: in het Caribische deel van Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - i. de inkomstenbelasting; - ii. de loonbelasting; - iii. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet; - iv. de dividendbelasting, en - i. de inkomstenbelasting; - ii. de loonbelasting; - iii. de vastgoedbelastin"},{"i":1502,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Kirgizische Republiek tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden en de Kirgizische Republiek, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruikmaken van treaty-shopping-structuren die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige of bestuursrechtelijke onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in de Kirgizische Republiek: (hierna te noemen: „Kirgizische belasting”); - –. belastingen naar winsten en inkomen van rechtspersonen; en - –. inkomstenbelasting van natuurlijke person"},{"i":1503,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Caymaneilanden zoals gemachtigd krachtens de volmacht van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van de Caymaneilanden Geleid door de wens hun onderlinge betrekkingen te versterken door middel van samenwerking bij fiscale aangelegenheden, hebben besloten het hiernavolgende Verdrag te sluiten, en Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in artikel 8. De uit hoofde van de wetten of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen belastingen van elke soort en benaming zoals die op de dag van ondertekening bestaan. 2."},{"i":1504,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Albanië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Albanië Geleid door de wens om, met als doel de verdere ontwikkeling en vergemakkelijking van hun economische betrekkingen, een verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen te sluiten, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK 1. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door de ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting\"). - –. de inkomstenbelasting, - –. de loonbelasting, - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrek"},{"i":1505,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Argentinië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Argentinië, Geleid door de wens, dat door beide Staten een verdrag wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: Hoofdstuk I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. voor Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting\"); - i. de inkomstenbelasting, - ii. de loonbelasting, - iii. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven van"},{"i":1506,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Armenië tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Armenië, Voortvloeiend uit het voornemen de economische, wetenschappelijke, technische en culturele relaties tussen beide Verdragsluitende Staten te bevorderen en te versterken en geleid door de wens dat een verdrag door beide Staten wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, het voorkomen van het ontgaan van belasting en het uitsluiten van belastingdiscriminatie met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen Zijn het volgende overeengekomen: Hoofdstuk 1. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de netto winsten beh"},{"i":1507,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Azerbeidzjan tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Azerbeidzjan, Geleid door de wens dat een verdrag door beide Staten wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige of regionaal-administratieve onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door de ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - –. de inkomstenbelasting, - –. de loonbelasting, - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet, - –. de"},{"i":1508,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bulgarije tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bulgarije, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik maken van treaty-shopping-structuren die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een verdragsluitende staat als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomen te zijn van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die staat voor belastingdoeleinden behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die staat. 3. In geen geval mogen de bepalingen van het tweede lid aldus worden uitgelegd dat ze afbreuk doen aan het recht van een verdragsluitende staat om de inwoners van die verdragsluitende staat te belasten. Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat, of van"},{"i":1509,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Chili tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Chili, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of het ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik van treaty-shopping-structuren die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde staten), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een van de verdragsluitende staten als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomen te zijn van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die staat voor belastingdoeleinden behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die staat. Voor de toepassing van dit lid betekent de uitdrukking „fiscaal transparant” situaties waarin, volgens de wetgeving van een verdragsluitende staat, inkomen of een deel daarvan van een entiteit of een constructie niet belast wordt op het niveau van de entiteit of constructie maar op het niveau van de personen die een belang hebben i"},{"i":1510,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Colombia tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Colombia, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruikmaken van treaty-shopping-structuren die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een van de verdragsluitende staten als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomen te zijn van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die staat voor belastingdoeleinden behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die staat. In geen geval mogen de bepalingen van dit lid aldus worden uitgelegd dat ze afbreuk doen aan het recht van een verdragsluitende staat om de inwoners van die verdragsluitende staat te belasten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staa"},{"i":1511,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Costa Rica inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van de Republiek Costa Rica, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005275&artikel=8&z=2012-07-01&g=2012-07-01). De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen: - a. in Nederland: belastingen van elke soort en benaming, met inbegrip van douanerechten; - b. in de Republiek Costa Rica: belasti"},{"i":1512,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Cyprus, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren, Voornemens een Verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik van treaty-shopping-constructies die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een van de verdragsluitende staten als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomen te zijn van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die staat voor belastingdoeleinden behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die staat. 3. In geen geval mogen de bepalingen van het tweede lid aldus worden uitgelegd dat ze afbreuk doen aan het recht van een verdragsluitende staat om de inwoners van die verdragsluitende staat te belasten. Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een"},{"i":1513,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Marshalleilanden inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van de Republiek der Marshalleilanden, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004197&artikel=8&z=2011-11-08&g=2011-11-08). De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen belastingen van elke soort en benaming die door de verdragsluitende partijen worden geheven op de datum van onderte"},{"i":1514,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Estland, Geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: - –. de inkomstenbelasting, - –. de loonbelasting, - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse Mijnwet continentaal plat 1965, - –. de dividendbelasting, - –. de vermogensbelasting, (hierna te noemen: „Nederlandse bel"},{"i":1515,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Finland tot het vermijden van dubbele belasting en tot het vaststellen van regelen voor wederzijdse administratieve hulp met betrekking tot rechten ter zake van nalatenschappen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Republiek Finland, Bezield door de wens, dubbele belasting zoveel mogelijk te vermijden en regelen voor wederzijdse administratieve hulp vast te stellen met betrekking tot rechten terzake van nalatenschappen, hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten, en hebben tot Hun gevolmachtigden benoemd: te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Haar Tijdelijk Zaakgelastigde te Helsinki de Heer Carel G. Verdonck Huffnagel De President van de Republiek Finland: de Minister van Buitenlandse Zaken de Heer Ralf Törngren Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 § 1. De rechten, welke het onderwerp van dit Verdrag vormen, zijn - (a). Voor zoveel Finland betreft: de nalatenschapsbelasting, de gemeentelijke belasting op nalatenschappen, legaten, of vermakingen, en de „bijdrage voor de armen”. - (b). Voor zoveel Nederland betreft: het successierecht en het recht van overgang bij overlijden. § 2. Dit Verdrag is ook van toepassing op alle andere rechten terzake van overlijden, geheven in Nederland of Finland, na de tekening van dit Verdrag, wegens overgang van vermogen door overlijden, onverschillig of zulke rechten worden geheven over de gehele nalatenschap dan wel over het deel, dat aan iedere erfgenaam of legataris opkomt. § 3. Ingeval de belastingwetten in een van de Staten enigszins belangrijk worden gewijzigd, zal de bevoegde autoriteit van deze Staat de wijziging ter kennis van de bevoegde autoriteit in de andere Staat brengen, opdat in dit Verdrag die veranderingen worden aangebracht of aan het Verdrag die uitlegging of toepassing wordt gegeven, welke noodzakelijk mogen worden"},{"i":1516,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ghana tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten en het voorkomen van het ontgaan en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ghana, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten zonder mogelijkheden te scheppen voor niet-heffing of verminderde heffing van belasting door het ontgaan of ontwijken van belasting (onder andere door „**treaty shopping**” met het oog op het indirect ten voordele van inwoners van derde staten verkrijgen van de in dit Verdrag voorziene fiscale voordelen), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen en naar het totaal aan vermogenswinsten of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende goederen of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: (hierna te noemen:"},{"i":1517,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek IJsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek IJsland De wens koesterende dat door beide Staten een verdrag wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totaalbedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in IJsland: - i. tekjuskattur til ríkisins (de nationale inkomstenbelasting); - ii. sérstakur tekjuskattur til ríkisins (de buitengewone nationale inkomstenbelasting); - iii. eignarskattur til ríkisins (de nationale vermogensbelasting); - iv. sérstakur eignarskattur til ríkisins (de buitengewone nationale vermogensbelasting); - v. útsvar (de gemeentelijke inkomstenbelasting); en - vi. tekju- og eignarskattur lánastof"},{"i":1518,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Irak tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontgaan en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Irak, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder mogelijkheden te scheppen voor niet-heffing of verminderde heffing van belasting door het ontgaan of het ontwijken van belasting (onder andere door „treaty shopping” met het oog op het indirect ten voordele van inwoners van derde staten verkrijgen van de in dit Verdrag voorziene fiscale voordelen), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. 2. Indien entiteiten door een van de verdragsluitende staten geacht worden transparant te zijn en door de andere verdragsluitende staat niet-transparant en dit leidt tot dubbele belasting of belasting die niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag, zoeken de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten naar oplossingen krachtens [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006823&hoofdstuk=V&artikel=22&z=2019-07-01&g=2019-07-01) teneinde dubbele belasting of belasting die niet verenigbaar is met de bepalingen van dit Verdrag te vermijden en tegelijkertijd te voorkomen dat, louter als gevolg van de toepassing van het Verdrag, inkomen (gedeeltelijk) niet aan belasting onderworpen is. 3. Met betrekking tot het Caribische deel van Nederland is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op inwoners die natuurlijke personen zijn. Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing i"},{"i":1519,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kazachstan tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Kazachstan, Geleid door de wens, dat door beide Staten een verdrag wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: - –. de inkomstenbelasting, - –. de loonbelasting, - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Mijnwet co"},{"i":1520,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kenia tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Kenia, Geleid door de wens dat tussen de verdragsluitende staten een verdrag wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. wat Nederland betreft: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - –. de inkomstenbelasting; - –. de loonbelasting; - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet; - –. de dividendbelasting; - b. wat Kenia betreft, de inkomstenbelasting die wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van de Wet Belasting op Inkomen,"},{"i":1521,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kosovo tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds, en de Republiek Kosovo anderzijds**,** Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen voor niet-heffing of verminderde heffing van belasting door het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik maken van treaty-shopping-structuren die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. 2. Voor de toepassing van het Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of met behulp van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een verdragsluitende staat als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, aangemerkt als inkomen van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die verdragsluitende staat voor belastingdoeleinden behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die staat. Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat, of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd all"},{"i":1522,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kroatië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Republiek Kroatië, Geleid door de wens dat een Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen wordt gesloten tussen beide Staten, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende goederen, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Kroatië: - –. de winstbelasting (porez na dobit), - –. de inkomstenbelasting (porez na dohodak), - –. (hierna te noemen: „Kroatische belasting”); - b. in Nederland: - –. de inkomstenbelasting, - –. de loonbelasting, - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de netto winsten behaald met de exploitat"},{"i":1523,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Letland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belasting naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Letland, Geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordełen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name : - a. in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting\"); - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse Mijnwet contínentaal plat 1965, - -. de dividendbelasting, - -. de vermogensbe"},{"i":1524,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Liberia inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Liberia, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004270&artikel=8&z=2012-06-01&g=2012-06-01). De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen belastingen van elke soort en benaming die door de verdragsluitende partijen op de datum van ondertekening van dit Verdrag worden geheven. 2. Dit"},{"i":1525,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Litouwen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Litouwen, Geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a). in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - –. de inkomstenbelasting, - –. de loonbelasting, - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse Mijnwet continentaal plat 1965, - –. de dividendbelasting, - –. de vermogensbelasting, - b). in Litouwen:"},{"i":1553,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Eiland Man tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot ondernemingen die schepen of luchtvaartuigen exploiteren in het internationale verkeer De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Eiland Man, Geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot ondernemingen die schepen of luchtvaartuigen exploiteren in het internationale verkeer, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist: - a. wordt verstaan onder de uitdrukking „een Verdragsluitende Partij’’ het Koninkrijk der Nederlanden of het Eiland Man, al naar gelang van hetgeen de context vereist; wordt verstaan onder de uitdrukking „Verdragsluitende Partijen’’, het Koninkrijk der Nederlanden en het Eiland Man; - b. wordt verstaan onder de uitdrukking „Nederland’’ het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten de territoriale zee waarbinnen Nederland, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent; - c. wordt verstaan onder het „Eiland Man’’ het eiland van het Eiland Man; - d. omvat de uitdrukking „persoon’’ een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen; - e. betekent de uitdrukking „lichaam’’ elke rechtspersoon of elke eenheid die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld; - f. betekent de uitdrukking „inwoner van een Verdragsluitende Partij’’ iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Partij, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid; - g. betekent de uitdrukking „onderneming van een Verdragsluitende Partij’’ een onderneming gedreven door een inwoner van een Verdragsluitende Partij; - h. betekent"},{"i":1538,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zambia tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen PREAMBULE De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zambia, Geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Zambia, de inkomstenbelasting (**the income tax**) (hierna te noemen: „Zambiaanse belasting”); en - b. in het Europese deel van Nederland: in het Caribische deel van Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”). - i. de inkomstenbelasting; - ii. de loonbelasting; - iii. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet; - iv. de dividendbelasting; en"},{"i":1540,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Speciale Administratieve Regio Hongkong van de Volksrepubliek China tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Speciale Administratieve Regio Hongkong van de Volksrepubliek China, Geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende partijen. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende partij of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. wat Nederland betreft: - –. de inkomstenbelasting; - –. de loonbelasting; - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet; en - –. de dividendbelasting; - b. wat de Speciale Administratieve Regio Hongkong betreft: ongeacht of deze via een persoonlijke aanslag wo"},{"i":1541,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Guernsey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken Overwegend dat de Staten van Guernsey en het Koninkrijk der Nederlanden („de Partijen”) erkennen dat de huidige wetgeving reeds voorziet in samenwerking en de uitwisseling van informatie in strafrechtelijke belastingzaken; Overwegend dat de Partijen reeds lange tijd actief betrokken zijn bij internationale inspanningen ter bestrijding van financiële delicten en andere strafbare feiten, die mede gericht zijn op de bestrijding van de financiering van terrorisme; Overwegend dat bevestigd wordt dat de Staten van Guernsey gerechtigd zijn, krachtens de voorwaarden van de Entrustment van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, met Nederland te onderhandelen over een verdrag tot uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken, en dat te sluiten, uit te voeren en, met inachtneming van de voorwaarden van dit Verdrag, te beëindigen; Overwegend dat de Staten van Guernsey op 21 februari 2002 een politieke verbintenis met betrekking tot de beginselen van de OESO betreffende de doeltreffende uitwisseling van informatie zijn aangegaan; Overwegend dat de Partijen de voorwaarden voor de uitwisseling van informatie met betrekking tot belastingen wensen te verbeteren en te vergemakkelijken; Zijn de Partijen overeengekomen het volgende verdrag te sluiten waarin uitsluitend de verplichtingen van de Partijen zijn vervat: Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag De Partijen verlenen elkaar bijstand door de uitwisseling van informatie die naar verwachting relevant is voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de Partijen inzake de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is, met inbegrip van informatie die naar verwachting relevant is voor beslissingen inzake de vaststelling van, handhaving ter zake van of invordering van belastingen ten aanzien van personen die aan deze belastingen onderworpen zijn of betr"},{"i":1526,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Malawi tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Malawi, Geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. wat Nederland betreft: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - i. de inkomstenbelasting; - ii. de loonbelasting; - iii. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet; en - iv. de dividendbelasting; - b. wat Malawi betreft: (hierna te noemen: „Malawische belasting”). - i. de inkomstenbelasting; en - ii. de belasting op secundaire arbeidsvoorwaarden; 4. Dit Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belas"},{"i":1527,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Moldavië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Moldavië, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelingen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of het ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik van treaty-shopping-structuren die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde staten), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag worden inkomsten die zijn verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een Verdragsluitende Staat als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomsten te zijn van een inwoner van een Verdragsluitende Staat, maar uitsluitend voor zover die inkomsten door die Verdragsluitende Staat voor belastingdoeleinden behandeld worden als inkomsten van een inwoner van die Verdragsluitende Staat. 3. In geen geval mogen de bepalingen van lid 2 aldus worden uitgelegd dat ze afbreuk doen aan het recht van een Verdragsluitende Staat om de inwoners van die Verdragsluitende Staat te belasten. Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het ve"},{"i":1561,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Sultanaat Oman tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Sultanaat Oman, Geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende goederen of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - i. de inkomstenbelasting; - ii. de loonbelasting; - iii. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet; - iv. de dividendbelasting; - b. in het geval van het Sultanaat Oman: (hierna te noemen: „Omaanse belasting”). - i. de vennootschapsbelasting geheven uit hoofde van koninklijk decreet nr. 47/1981 zo"},{"i":1562,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vorstendom Andorra inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van het Vorstendom Andorra, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie met betrekking tot belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zullen zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de Verdragsluitende Partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvatten informatie die naar verwachting van belang zullen zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. informatie worden uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en worden vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004028&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01). De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte Partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte Partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit zijn van haar autoriteiten, noch in het bezit of onder de macht van personen die zich binnen haar territoriale rechtsgebied bevinden. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen belastingen van elke soort en benaming. 2. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen doen el"},{"i":1530,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Panama tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Panama, Geleid door de wens dat door beide Staten een verdrag wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende zaken of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - –. de inkomstenbelasting; - –. de loonbelasting**;** - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet; - –. de dividendbelasting; - b. in Panama: (hierna te noemen „Panamese belasting”). - –. de **impuesto sobre la renta** voorzien in de **Código Fiscal, Libro IV, Título I**, en daarop betrekking hebbende"},{"i":1543,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tunesische Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Tunesische Republiek, Geleid door de wens, dat door beide Staten een verdrag wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Verdragsluitende Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, of naar bestanddelen van het inkomen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totaalbedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn in het bijzonder: - a. in het geval van Nederland: - (i). de inkomstenbelasting; - (ii). de loonbelasting; - (iii). de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse Mijnwet continentaal plat 1965; - (iv). de dividendbelasting; (hierna te noemen: „Nederlan"},{"i":1532,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Portugal tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Portugal, geleid door de wens dat door beide Staten een verdrag wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Verdragsluitende Staten of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige of administratieve onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Portugal: (hierna te noemen: „Portugese belasting”). - i. Imposto sobre o Rendimento das Pessoas Singulares – IRS (de inkomstenbelasting van natuurlijke personen); - ii. Imposto sobre o Rendimento das Pessoas Colectivas – IRC (de inkomstenbelasting van lichamen); en - iii. Derrama (de lokale additionele belasting op de in"},{"i":1580,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en Canada inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en Canada Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van dit Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005564&artikel=9&z=2012-06-01&g=2012-06-01). 2. De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 3. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is zijn, wat Canada betreft alle belastingen die worden opgelegd o"},{"i":1545,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Mexicaanse Staten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Mexicaanse Staten, Geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn: - a. in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - –. de inkomstenbelasting; - –. de loonbelasting; - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet; - –. de dividendbelasting; - b. in Mexico: (hierna te noemen: „Mexicaanse belasting”). - –. de inkomstenbelasting (el impuesto sobre la renta); - –. de forfaitaire bedrijfsbelasting (el impuesto empresarial a tasa única); 2. Dit Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen naar het inkomen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven door een van de Staten, de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. De bevoegde autoriteiten van de Staten doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht. HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 3. Algemene begripsbepalingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:"},{"i":1588,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en het Koninkrijk België inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, enerzijds, en Het Koninkrijk België, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest, en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, anderzijds, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De partijen verlenen elkaar, via hun bevoegde autoriteiten, bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing of handhaving van de nationale wetten van de partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is, met inbegrip van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling, handhaving of inning van belastingen ten aanzien van personen die deze belastingen verschuldigd zijn of betreffende het onderzoek of de vervolging ter zake van belastingzaken met betrekking tot dergelijke personen. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006356&artikel=9&z=2019-01-01&g=2019-01-01). 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit van of beschikbaar voor personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op de volgende belastingen die worden geheven door of namens de partijen: - a. wat Aruba betreft: belastingen v"},{"i":1536,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek ten Oosten van de Uruguay inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Republiek ten Oosten van de Uruguay, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006060&artikel=8&z=2016-06-01&g=2016-06-01). De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen belastingen van elke soort en benaming geheven in de verdragsluitende partijen. 2. Dit Verdrag is ook van"},{"i":1589,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004731&artikel=9&z=2012-01-01&g=2012-01-01). De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met dit Verdrag ongeacht of de persoon op wie de informatie betrekking heeft inwoner of onderdaan van een verdragsluitende partij is en of de persoon in wiens bezit de informatie is inwoner of onder"},{"i":1590,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en Saint Christopher (Saint Kitts) en Nevis inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van Saint Christopher (Saint Kitts) en Nevis, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in artikel 8. De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen alle belastingen die door een van de verdrags"},{"i":1591,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en Saint Lucia inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van Saint Lucia, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004165&artikel=8&z=2012-01-01&g=2012-01-01). De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen alle belastingen"},{"i":1546,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en tenuitvoerlegging van de FATCA Overwegende dat het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, (hierna elk afzonderlijk te noemen „partij” en tezamen „partijen”) reeds lang nauwe betrekkingen onderhouden ten behoeve van de wederzijdse bijstand in belastingzaken van de Verenigde Staten en Nederland en een verdrag wensen te sluiten ter verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht door voort te bouwen op deze betrekkingen; Overwegende dat [artikel 30 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001109&artikel=30), gesloten te Washington op 18 december 1992, zoals gewijzigd in 1993 en 2004 (het „Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting”) en het [Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken](onbekend), gedaan te Straatsburg op 25 januari 1988 (het „WABB-verdrag”) machtigen tot het uitwisselen van informatie voor belastingdoeleinden, daaronder begrepen op automatische basis (hierna wordt met de „Verdragen” verwezen naar het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting en het WABB-verdrag en eventuele wijzigingen daarvan die voor beide partijen van kracht zijn); Overwegende dat de Verenigde Staten van Amerika bepalingen hebben vastgesteld die algemeen bekend staan als de Foreign Account Tax Compliance Act (de „FATCA”), waarmee een rapportageregeling voor financiële instellingen ter zake van bepaalde rekeningen wordt ingevoerd; Overwegende dat de regering van Nederland voorstander is van de onderliggende beleidsdoelstelling van de FATCA: verbetering van de naleving van de belastingplicht; Overwegende dat de FATCA diverse discussiepunt"},{"i":1574,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Saint Lucia inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Saint Lucia, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004060&artikel=8&z=2011-03-31&g=2011-03-31). De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen alle belastingen die door een van de verdragsluitende partijen worden geheven of tenuitvoergelegd, met inbegrip van gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen"},{"i":1594,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Verenigde Staten van Amerika tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en tenuitvoerlegging van de FATCA Overwegende dat het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Verenigde Staten van Amerika (hierna elk afzonderlijk te noemen „partij” en tezamen „partijen”) reeds lang nauwe betrekkingen onderhouden ten behoeve van de wederzijdse bijstand in belastingzaken ter zake van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en van de Verenigde Staten en een verdrag wensen te sluiten ter verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht op basis van een effectieve infrastructuur voor de automatische uitwisseling van informatie; Overwegende dat beide partijen de opvatting delen dat het [Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de uitwisseling van gegevens met betrekking tot belastingen](onbekend), gedaan te Washington op 17 april 2002 (de „TIEA”), van toepassing blijft op onder andere Curaçao (voorheen deel uitmakend van de Nederlandse Antillen) met inachtneming van hetgeen tussen de partijen is overeengekomen bij de notawisselingen d.d. 31 oktober 2014 en 4 november 2014 ten aanzien van de toepassing van de TIEA in het licht van de opheffing van de Nederlandse Antillen; Overwegende dat [artikel 4 van de TIEA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001961&artikel=4) machtigt tot de uitwisseling van informatie voor fiscale doelen, mede op automatische basis; Overwegende dat de Verenigde Staten bepalingen hebben vastgesteld die algemeen bekend staan als de Foreign Account Tax Compliance Act (de „FATCA”), waarmee een rapportageregeling voor financiële instellingen ter zake van bepaalde rekeningen wordt ingevoerd; Overwegende dat het Koninkrijk der Nederlanden, met inbegrip van Curaçao, voorstander is van de o"},{"i":1602,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 24 maart 2009, houdende de vaststelling van een algemene heffing groenten en fruit 2009 (Verordening PT algemene heffing groenten en fruit 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 24 februari 2009. Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | bestuur | : | het bestuur van het Productschap Tuinbouw | | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | aankoopwaarde handel | : | het bedrag van de door de handelaar aangekochte groenten, fruit en noten, ongeacht herkomst; | | afzetorganisatie/ bemiddelaar | : | de natuurlijke of rechtspersoon die, voor zover niet voor eigen rekening en risico, in opdracht van of ten behoeve van telers de door hen geteelde producten verkoopt; | | bewerken | : | handelingen waardoor van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | braakland | : | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgende oogstjaar niet worden beteeld, | | cultuurgrond | : | beteelde grond, braakland, beschikbare oppervlakte van bakken voor de trek van witlof of van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026253&paragraaf=3&artikel=3&z=2009-06-28&g=2009-06-28) genoemde groenten en fruit kunnen worden geteeld, of in het tijdvak bedoeld in de Regeling Landbouwtelling nog niet beteelde grond waarbij een teelt voor eind aug"},{"i":1603,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 11 november 2009, houdende de vaststelling van een algemene heffing groenten en fruit 2010 (Verordening PT algemene heffing groenten en fruit 2010) gelet op de [artikelen 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord, de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 20 oktober 2009. Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. Deze verordening verstaat onder: | productschap | : Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | | bestuur | : het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | voorzitter | : voorzitter van het productschap; | | secretaris | : secretaris van het productschap; | | aankoopwaarde handel | : het bedrag van de door de handelaar aangekochte groenten, fruit en noten, ongeacht herkomst; | | afzetorganisatie/bemiddelaar | : de natuurlijke of rechtspersoon die, voor zover niet voor eigen rekening en risico, in opdracht van of ten behoeve van telers de door hen geteelde producten verkoopt; | | bewerken | : handelingen waardoor van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | braakland | : de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgende oogstjaar niet worden beteeld; | | cultuurgrond | : beteelde grond, braakland, beschikbare oppervlakte van bakken voor de trek van witlof of van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027564&paragraaf=3&artikel=3&z=2011-09-11&g=2011-09-11) genoemde groenten en fruit kunnen worden geteeld, of in het tijdvak bedoeld in de Regeling Landbouwtelling nog niet beteelde grond waarbij een teelt voor eind augustus wordt ingezet; | |"},{"i":1604,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 7 november 2002, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten ressorterende ondernemers op te leggen heffing voor het jaar 2003 (Verordening GZP financieringsheffing jaar 2003) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 eerste lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 5](onbekend), [6](onbekend) en [7 van de Instellingsverordening akkerbouwproductschappen 1997](onbekend); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | --- | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | ondernemer | : | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | landbouwzaaizaden | : | alle zaaizaden met uitzondering van zaaizaden van groentegewassen, specerijgewassen, kruiden, siergewasen en bomen; | | granen | : | granen, ingedeeld in Hoofdstuk 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur, met uitzondering van zaaigranen en rijst; | | in de handel brengen | : | in Nederland in het verkeer brengen. | | be- of verwerking | : | een be- of verwerking, die aanleiding geeft tot een wijziging van de onderverdeling in de Gecombineerde Nomenclatuur. | § 2. Heffing Artikel 2. (verwerking granen) De ondernemer is voor het jaar 2003 verplicht terzake van de be- of verwerking van granen tot producten welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijke consumptie kunnen dienen, aan het productschap een heffing te betalen van € 0,182 per ton graan. Artikel 3. (rijst, meel en mout) 1. De ondernemer is voor het jaar 2003 verplicht aan het productschap een heffing te betalen terzake van de eerste koop van: | a. | rijst | : | € 0,20 per ton; | | --- | --- | --- | --- | | b. | meel van granen, niet be"},{"i":1595,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen De regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004717&artikel=8&z=2013-05-01&g=2013-05-01). De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op de Nederlandse Antillen. Artikel 2. Rechtsmacht Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met dit Verdrag ongeacht of de persoon op wie de informatie betrekking heeft inwoner of onderdaan van een verdragsluitende partij is en of de pe"},{"i":1596,"b":"Verdrag tussen Nederland, België en het Groothertogdom Luxemburg nopens wederkerige bijstand inzake de invordering van belastingschulden Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; Zijne Majesteit de Koning der Belgen; Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Bezield door de wens de wederkerige bijstand te verzekeren van de bevoegde autoriteiten inzake de invordering van belastingschulden, zulks ter uiteindelijke verwezenlijking van de economische unie tussen Nederland, België en het Groothertogdom Luxemburg, beoogd bij de op 5 September 1944 te Londen getekende Douaneovereenkomst, Hebben besloten een Verdrag te sluiten en hebben daartoe als Hun Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer G. Beelaerts van Blokland, Zaakgelastigde a.i. der Nederlanden te Brussel; Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Zijne Excellentie de Heer P. van Zeeland, Minister van Buitenlandse Zaken; Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg: Zijne Excellentie de Heer Robert Als, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van het Groothertogdom Luxemburg te Brussel, die, na elkander mededeling te hebben gedaan van hun volmachten, welke in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, over de volgende bepalingen tot overeenstemming zijn gekomen: Artikel 1 De bevoegde autoriteiten van de landen der Hoge Verdragsluitende Partijen verlenen elkander, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en onverminderd de toepassing van alle andere bijzondere verdragen, wederkerig bijstand teneinde de invordering te verzekeren van de belastingschulden, bedoeld in het hiernavolgende artikel 2. Artikel 2 Par. 1. Dit Verdrag is van toepassing op de door de Staat ten eigen bate of ten bate van de provinciën en de gemeenten geheven belastingen en rechten in hoofdsom, verhogingen en opcenten, zomede op de daarmede in verband staande boeten van niet strafrechtelijke aard, interessen en kosten. Par. 2. De Regeringen van de Hoge Verdragsluit"},{"i":1598,"b":"Besluit van 16 januari 1992, nr. IFZ 91/1540 Onlangs heeft de Britse belastingadministratie mij ervan in kennis gesteld dat zij met ingang van 1 april 1991 met betrekking tot interest betaald op obligaties uitgegeven door de Britse overheid een speciale regeling heeft ingevoerd op grond waarvan die interest in de hierna beschreven situatie aan inwoners van Nederland (natuurlijke personen of lichamen) zonder overlegging van een formulier Neth 5/Individual c.q. Neth 5/Company mag worden uitbetaald zonder inhouding van Britse Income Tax. De regeling kan alleen toepassing vinden door tussenkomst van banken en financiele instellingen die namens hun clienten handelen in obligaties uitgegeven door de Britse overheid en die door Central Gilts Office (CGO) of the Bank of England, belast met de uitvoering van de regeling, tot die regeling zijn toegelaten. Wanneer vorenbedoelde banken en financiele instellingen tot de regeling zijn toegelaten, opent de CGO voor hen speciale rekeningen in de boeken van de Bank of England. Inwoners van Nederland (natuurlijke personen of lichamen) die gebruik willen maken van de speciale regeling dienen, alvorens deze door vorenbedoelde banken en financiele instellingen op hen kan worden toegepast, bij de Inspector of Foreign Dividends bekend te zijn doordat zij in het verleden bij hem door middel van het formulier Neth 5/Individual - indien het een natuurlijk persoon betreft - of het formulier Neth 5/Company - indien het een lichaam betreft - vrijstelling of teruggaaf van Britse Income Tax op interest hebben gevraagd. Indien nimmer eerder een verzoek om vrijstelling of teruggaaf werd ingediend, dient de betrokken inwoner van Nederland (natuurlijk persoon of lichaam) bij de Inspector of Foreign Dividends eerst door middel van het formulier Neth 5/Individual c.q. het formulier Neth 5/Company een verzoek om teruggaaf van Britse Income Tax ingehouden op interest betaald op obligaties uitgegeven door de Britse overheid in te dienen. In verband met de"},{"i":1605,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 6 november 2003, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten ressorterende ondernemers op te leggen heffing voor het jaar 2004 (Verordening GZP financieringsheffing jaar 2004) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 eerste lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 5](onbekend), [6](onbekend) en [7 van de Instellingsverordening akkerbouwproductschappen 1997](onbekend) dan wel het [Instellingsbesluit akkerbouwproductschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234) zodra dit in werking is getreden; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | --- | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | ondernemer | : | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | landbouwzaaizaden | : | alle zaaizaden met uitzondering van zaaizaden van groentegewassen, specerijgewassen, kruiden, siergewassen en bomen; | | granen | : | granen, ingedeeld in Hoofdstuk 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur, met uitzondering van zaaigranen en rijst; | | in de handel brengen | : | in Nederland in het verkeer brengen. | | be- of verwerking | : | een be- of verwerking, die aanleiding geeft tot een wijziging van de onderverdeling in de Gecombineerde Nomenclatuur. | § 2. Heffing Artikel 2. (verwerking granen) De ondernemer is voor het jaar 2004 verplicht terzake van de be- of verwerking van granen tot producten welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijke consumptie kunnen dienen, aan het productschap een heffing te betalen van € 0,208 per ton graan. Artikel 3. (rijst, meel en mout) 1. De ondernemer is voor het jaar 2004 verplicht aan het productschap een heff"},{"i":1599,"b":"Vergoeding kosten van bezwaar tegen voorlopige aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. 1. Inleiding Als gevolg van een onjuiste behandeling van belastbaar inkomen uit box 3 is voor een aantal belastingplichtigen de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 tot een te hoog bedrag vastgesteld. Het gaat om twee groepen van gevallen. Er zijn in de eerste plaats voorlopige aanslagen opgelegd waarbij het historisch belastbaar inkomen geheel is toegerekend aan box 1 terwijl een deel van dat inkomen feitelijk thuishoort in box 3. Voorts zijn aan degenen die met betrekking tot 2000 belastingplichtig waren voor de vermogensbelasting voorlopige aanslagen opgelegd waarbij geschatte inkomsten zowel zijn toegerekend aan box 1 als aan box 3. Het betreft in beide gevallen zogenoemde AVAR-aanslagen, opgelegd met dagtekening 31 januari 2001. De belastingdienst heeft, gelet op het vorenstaande, belastingplichtigen erop gewezen dat de voorlopige aanslag mogelijk tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Bij het aanslagbiljet is een concept-bezwaarschrift gevoegd. 2. Vergoeding van kosten van bezwaar Ingeval de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 tot een te hoog bedrag is vastgesteld als gevolg van een onjuiste behandeling van belastbaar inkomen uit box 3 en de belastingdienst de voorlopige aanslag vermindert op grond van een daartegen gemaakt bezwaar, komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van rechtsbijstand die redelijkerwijs zijn gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar. Dit vloeit voort uit het van toepassing zijnde besluit van 10 juni 1998, nr. AFZ98/1467M, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 2 mei 2000, nr. BOB2000/658M. 3. Verzoeken om vergoeding van kosten Voor een vlotte afwikkeling van een verzoek om de vergoeding van de kosten van bezwaar dient het verzoek te bevatte"},{"i":19583,"b":"Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen) Gelet op de [artikelen 21, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), [22, eerste, derde, vierde, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22), [22a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22a), [23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=23), [25a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=25a), [25b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=25b), [25c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=25c), [25e, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=25e), [26, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=26), [30, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=30), [31, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31), [34, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=34), [58, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=58), [60, eerste lid, onderdeel c, derde lid, vijfde lid, onderdeel c, en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=60), [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71), [71a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71a), [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=72), [75, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=75), [76, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=76), [81, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=81), [83, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=83), [84, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=84), [85a, vierde en vijfde lid](https:"},{"i":1600,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 12 mei 2003, nr. 5221470 tot vaststelling van de hoogte van de vergoeding, als bedoeld in artikel 2 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges, van de voorzitter en leden van de Commissie vennootschapsrecht Gelet op [artikel 3 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=3) en op [artikel 2 van de Wet adviesstelsel Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008808&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De vergoeding per vergadering als bedoeld in [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) wordt voor de Commissie vennootschapsrecht, genoemd in [artikel 1 van de Wet adviesstelsel Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008808&artikel=1), als volgt vastgesteld: - –. voor de voorzitter: € 130, - –. voor de overige leden: € 100, - –. voor de secretaris: € 100, - –. voor de adjunct-secretaris: € 100. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 2003. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1601,"b":"Verlenging mandaat werkgroep vergroening fiscaal stelsel Overwegende dat het wenselijk is om het mandaat van de bij [besluit van 24 maart 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007297)/nr. WV 144 ingestelde werkgroep vergroening van het fiscale stelsel te verlengen tot 1 april 1997 nu de werkgroep op de voet van [art. 7 van dit besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007297&artikel=7) heeft aangegeven dat haar werkzaamheden nog niet zijn afgerond; Besluit: Artikel 1 1. Het mandaat van de bij [besluit van 24 maart 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007297)/nr. WV 144 ingestelde werkgroep vergroening van het fiscale stelsel wordt verlengd tot 1 april 1997. 2. Het in het [besluit van 24 maart 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007297)/nr. WV 144 ten aanzien van de werkgroep vergroening van het fiscale stelsel bepaalde blijft onverminderd van kracht, met dien verstande dat de werkgroep haar adviezen in afwijking van [artikel 6 van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007297&artikel=6) rechtstreeks aan de Staatssecretaris van Financiën uitbrengt. Artikel 2 In de benoeming van nieuwe leden kan op voorstel van de voorzitter worden voorzien. Artikel 3 1. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. 2. Een afschrift van dit besluit wordt gezonden aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":1606,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 4 november 2004, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten ressorterende ondernemers op te leggen heffing voor het jaar 2005 (Verordening GZP financieringsheffing jaar 2005) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 eerste lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 8](onbekend) en [19 van het Instellingsbesluit](onbekend); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | --- | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | ondernemer : | | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | landbouwzaaizaden | : | alle zaaizaden met uitzondering van zaaizaden van groentegewassen, specerijgewassen, kruiden, siergewassen en bomen; | | granen | : | granen, ingedeeld in Hoofdstuk 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur, met uitzondering van zaaigranen en rijst; | | in de handel brengen | : | in Nederland in het verkeer brengen. | | be- of verwerking | : | een be- of verwerking, die aanleiding geeft tot een wijziging van de onderverdeling in de Gecombineerde Nomenclatuur. | § 2. Heffing Artikel 2. (verwerking granen) De ondernemer is voor het jaar 2005 verplicht terzake van de be- of verwerking van granen tot producten welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijke consumptie kunnen dienen, aan het productschap een heffing te betalen van € 0,208 per ton graan. Artikel 3. (rijst, meel en mout) 1. De ondernemer is voor het jaar 2005 verplicht aan het productschap een heffing te betalen terzake van de eerste koop van: | a. | rijst | : | € 0,208 per ton; | | --- | --- | --- | --- | | b. | meel van granen, niet bestemd voor dierlijke consumptie (GN-code 11.0"},{"i":1607,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 3 november 2005, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten ressorterende ondernemers op te leggen heffing voor het jaar 2006 (Verordening GZP financieringsheffing jaar 2006) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 eerste lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=8) en [19 van het Instellingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=19); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | --- | --- | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | secretaris van het productschap; | | ondernemer | : | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | landbouwzaaizaden | : | alle zaaizaden met uitzondering van zaaizaden van groentegewassen, specerijgewassen, kruiden, siergewassen en bomen; | alle zaaizaden met uitzondering van zaaizaden van groentegewassen, specerijgewassen, kruiden, siergewassen en bomen; | | granen | : | granen, ingedeeld in Hoofdstuk 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur, met uitzondering van zaaigranen en rijst; | granen, ingedeeld in Hoofdstuk 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur, met uitzondering van zaaigranen en rijst; | | in de handel brengen | : | in Nederland in het verkeer brengen; | in Nederland in het verkeer brengen; | | be- of verwerking | : | een be- of verwerking, die aanleiding geeft tot een wijziging van de onderverdeling in de Gecombineerde Nomenclatuur. | een be- of verwerking, die aanleiding geeft tot een"},{"i":1608,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 2 november 2006, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten ressorterende ondernemers op te leggen heffing voor het jaar 2007 (Verordening GZP financieringsheffing jaar 2007) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 eerste lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=8) en [19 van het Instellingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=19); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap: | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | | secretaris | secretaris van het productschap; | | ondernemer: | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | landbouwzaaizaden: | alle zaaizaden met uitzondering van zaaizaden van groentegewassen, specerijgewassen, kruiden, siergewassen en bomen; | | granen: | granen, ingedeeld in Hoofdstuk 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur, met uitzondering van zaaigranen en rijst; | | in de handel brengen: | in Nederland in het verkeer brengen; | | be- of verwerking: | een be- of verwerking, die aanleiding geeft tot een wijziging van de onderverdeling in de Gecombineerde Nomenclatuur. | § 2. Heffing Artikel 2. (verwerking granen) De ondernemer is voor het jaar 2007 verplicht terzake van de be- of verwerking van granen tot producten welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijke consumptie kunnen dienen, aan het productschap een heffing te betalen van E 0,208 per ton graan.’ Artikel 3. (rijst, meel en mout) 1. De ondernemer is voor het jaar 2007 verplicht aan het productschap een heffing te betalen terzake van de eerste koop van: | a. | rijst: | € 0,208 per ton; | | --- | --- | --- | | b. | meel v"},{"i":1612,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 26 maart 2013, houdende de vaststelling van een algemene heffing ten behoeve van de handel in bloembollen met betrekking tot het oogstjaar 2013 (Verordening PT algemene heffing bloembollenhandel oogstjaar 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen d.d. 26 februari 2013; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | a. productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. bestuur | : | bestuur van het productschap; | | c. voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | d. ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. bloembollen | : | I. bollen of knollen van bloemgewassen; | | | | II. afgebroeide bloembollen; | | | | III. geholde en gesneden hyacinten; | | | | IV. éénjarige bollen van geholde en gesneden hyacinten, voor zover deze worden verhandeld per bed of per mand; | | | | V. bollen van hyacinten, die zijn verkocht onder de voorwaarde dat deze zullen worden gebruikt als werkbollen, in welk geval deze voorwaarde op het koopbriefje is vermeld; | | | | VI. groen te velde per bed of per mand vóór 15 juni van het kalenderjaar waarin het koopseizoen aanvangt, verhandelde hyacinten, geplant in de maat zift 10, droog gesorteerd; | | | | VII. subbollen van lelies, en, | | | | VIII. voortkwekingsmateriaal, voor zover bestemd voor de teelt van bloembollen, met uitzondering van zaden; | | f. aankoopwaarde | : | het totaal van de inkoopfactuurbedragen van in het"},{"i":1609,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 18 december 2007, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten ressorterende ondernemers op te leggen heffing voor het jaar 2008 (Verordening GZP financieringsheffing jaar 2008) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 eerste lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=8) en [19 van het Instellingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=19); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | --- | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | ondernemer | : | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waar voor het productschap is ingesteld; | | landbouwzaaizaden | : | alle zaaizaden met uitzondering van zaaizaden van groente gewassen, specerijgewassen, kruiden, siergewassen en bomen; | | granen | : | granen, ingedeeld in Hoofdstuk 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur, met uitzondering van zaaigranen en rijst; | | in de handel brengen | : | in Nederland in het verkeer brengen; | | be- of verwerking | : | een be- of verwerking, die aanleiding geeft tot een wijziging van de onderverdeling in de Gecombineerde Nomenclatuur. | § 2. Heffing Artikel 2. (verwerking granen) De ondernemer is voor het jaar 2008 verplicht terzake van de be- of verwerking van granen tot producten welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijke consumptie kunnen dienen, aan het productschap een heffing te betalen van € 0,208 per ton graan. Artikel 3. (rijst, meel en mout) 1. De ondernemer is voor het jaar 2008 verplicht aan het productschap een heffing te betalen terzake van de eerste koop van: | a. | rijst | : | € 0,208 per ton; |"},{"i":1614,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 10 november 2010, houdende de vaststelling van een algemene heffing groenten en fruit 2010 (Verordening PT algemene heffing groenten en fruit 2011) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 19 oktober 2010. Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. Deze verordening verstaat onder: | productschap | : Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | | bestuur | : het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | voorzitter: | : voorzitter van het productschap; | | secretaris | : secretaris van het productschap; | | aankoopwaarde handel | : het bedrag van de door de handelaar aangekochte groenten, fruit en noten; | | afzetorganisatie/bemiddelaar | : de natuurlijke of rechtspersoon die, voor zover niet voor eigen rekening en risico, in opdracht van of ten behoeve van telers de door hen geteelde producten verkoopt; | | bewerken | : handelingen waardoor van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | braakland | : de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgende oogstjaar niet worden beteeld; | | cultuurgrond | : beteelde grond, braakland, beschikbare oppervlakte van bakken voor de trek van witlof of van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029464&paragraaf=3&artikel=3&z=2012-06-03&g=2012-06-03) genoemde groenten en fruit kunnen worden geteeld, of in het tijdvak bedoeld in de Regeling Landbouwtelling nog niet beteelde grond waarbij een"},{"i":1615,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 14 november 2011, houdende de vaststelling van een algemene heffing groenten en fruit 2012 (Verordening PT algemene heffing groenten en fruit 2012) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 3 november 2011; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | bestuur | : | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | aankoopwaarde handel | : | het bedrag van de door de handelaar aangekochte of geïmporteerde groenten, fruit; | | afzetorganisatie/bemiddelaar | : | de natuurlijke of rechtspersoon die, voor zover niet voor eigen rekening en risico, in opdracht van of ten behoeve van telers de door hen geteelde producten verkoopt; | | bewerken | : | handelingen waardoor van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | braakland | : | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgende oogstjaar niet worden beteeld; | | cultuurgrond | : | beteelde grond, braakland, beschikbare oppervlakte van bakken voor de trek van witlof of van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031154&paragraaf=3&artikel=3&z=2013-06-23&g=2013-06-23) genoemde groenten en fruit kunnen worden geteeld, of in het tijdvak bedoeld in de [Regeling Landbouwtelling](https"},{"i":1610,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2003 houdende vaststelling van de aanvullende financieringsheffing ten behoeve van de vruchtenwijnhandel in Nederland voor het jaar 2003 (Verordening PT aanvullende financieringsheffing vruchtenwijn 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19, van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de sectorcommissie Groenten en Fruit d.d. 20 juni 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 2](onbekend) en [3, van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | vruchtenwijn | : | een gegiste drank die is bereid uit het sap van ander fruit dan druiven, met een alcoholgehalte van ten minste 1,2 volumeprocenten bij 20°C; | | e. | ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld en die vruchtenwijn invoert dan wel uitslaat in de zin van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251). | § 2. Heffing Artikel 2 De ondernemer is voor het jaar 2003 verplicht voor vruchtenwijn aan het productschap een heffing te betalen ten bedrage van € 0,53 per hectoliter ter zake van de invoer dan wel de uitslag in de zin van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251). Artikel 3 1. In de gevallen waarin op basis van de [Wet op de accijns](https://wetten.over"},{"i":1597,"b":"Verdrag tusssen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden tot het vermijden van dubbele belasting en het vaststellen van regelen voor wederzijdse administratieve hulp met betrekking tot rechten terzake van nalatenschappen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning van Zweden, Bezield door de wens, zoveel mogelijk dubbele belasting te vermijden en regels voor wederzijdse administratieve hulp vast te stellen met betrekking tot rechten terzake van nalatenschappen, Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten, En hebben tot Hun gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden De Heer W. A. A. M. Daniels, Hoogstderzelver buitengewoon Gezant en gevolmachtigd Minister te Stockholm, Zijne Majesteit de Koning van Zweden Zijn Minister van Buitenlandse Zaken Zijne Excellentie Östen Undén, Die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 § 1. De rechten, welke het onderwerp van dit Verdrag vormen, zijn - (a). in Zweden: het successierecht en het nalatenschapsrecht bij overlijden; - (b). in Nederland: het successierecht en het recht van overgang bij overlijden. § 2. Dit Verdrag zal ook van toepassing zijn op alle andere rechten terzake van overlijden, geheven in Zweden of Nederland, na de tekening van dit Verdrag, wegens overgang van vermogen door overlijden, onverschillig of zulke rechten worden geheven over de gehele nalatenschap dan wel over het deel, dat aan iedere erfgenaam of legataris opkomt. § 3. Dit Verdrag heeft betrekking op rechten terzake van overlijden, van toepassing op de nalatenschap van overledenen, die bij hun overlijden Zweedse onderdanen waren, of wel Nederlanders of Nederlandse onderdanen, die in Nederland hun woonplaats hadden. § 4. Voor zoveel Nederland betreft, is dit Verdrag slechts van toepassing op het Koninkrijk der Nederlanden in Europa. Artikel 2 Onroerende zaken (daaronder begrepen hun"},{"i":1611,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 20 december 2012, houdende de vaststelling van een algemene heffing ten laste van de sector bloemkwekerij producten voor het jaar 2013 (Verordening PT algemene heffing aanbod bloemkwekerijproducten 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten d.d. 14 december 2012; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: | a. productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. bestuur | : | bestuur van het productschap; | | c. voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | d. ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. are | : | 100 m2; | | f. bloemkwekerijproducten | : | I. siergewassen; | | | | II. teeltmateriaal; | | | | III. hydrocultuur; en | | | | IV. bloemzaden; | | g. CIF-waarde | : | De kostprijs van het product, vermeerderd met de vracht- en verzekeringskosten van het product. | | h. derde land | : | staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie; | | i. hydrocultuur | : | siergewassen die bestemd zijn voor gebruik in plantenbakken of potten, waarbij de plant met zijn wortels houvast heeft in poreuze korrels in een bak of pot, met daarin een laag water en voedingsstoffen; | | j. importeren | : | uit derde landen in Nederland in het vrije verkeer brengen; | | k. invoerwaarde | : | CIF-waarde van in Nederland geïmporteerde bloemkwekerijproducten, met uitzondering van bloemzaden en onder aftr"},{"i":1613,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 20 december 2012, houdende de vaststelling van een algemene heffing ten laste van de boomkwekerijsector voor het jaar 2013 (Verordening PT algemene heffing boomkwekerijsector 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor boomkwekerijproducten d.d. 14 december 2012; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: | a. productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon, die een onderneming drijft, waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. boomkwekerijproducten | : | winterharde en half-winterharde houtgewassen, die niet vervroegd of verlaat zijn, alsmede delen daarvan en vaste planten en wortelstokken; | | f. contractteelt | : | de teelt van boomkwekerijproducten ingevolge een overeenkomst waarbij het teeltrisico ligt bij de teler; | | g. kweken van boomkwekerijproducten | : | het ter verkrijging van een oogst van boomkwekerijproducten brengen, hebben of houden in al dan niet overdekte grond van boomkwekerijproducten of van zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan, alsmede het ter bevordering van het verkrijgen van een oogst van boomkwekerijproducten, verrichten van alle wijzen van behandelen, bewerken, beschermen, bewaren en verzorgen van boomkwekerij-producten, respectievelijk de zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan;"},{"i":1616,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 20 december 2012, houdende de vaststelling van een algemene heffing groenten en fruit voor het jaar 2013 (Verordening PT algemene heffing groenten en fruit 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor groenten en fruit d.d. 14 december 2012; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | d. | aankoopwaarde | : | het totaal van de inkoopfactuurbedragen, exclusief BTW, van de door de ondernemer aangekochte groenten en fruit in 2013; | | e. | bewerken | : | het uitvoeren van handelingen waardoor van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | f. | braakland | : | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgende oogstjaar niet worden beteeld; | | g. | CIF-waarde | : | de kostprijs van het product, vermeerderd met de vracht- en verzekeringskosten van het product. | | h. | contractteelt | : | de teelt van gewassen ingevolge een overeenkomst, waarbij het teeltrisico bij de teler ligt; | | i. | cultuurgrond | : | de op 15 mei 2013 beteelde grond, de nog niet beteelde grond waarbij een teelt vóór eind augustus 2013 wordt ingezet, braakland en grond die gemoeid is met het gebruik van een groeimedium met behulp waarvan gro"},{"i":1617,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 20 december 2012, houdende de vaststelling van een algemene heffing ten laste van de handel in bloemkwekerijproducten voor het jaar 2013 (Verordening PT algemene heffing handel bloemkwekerijproducten 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten d.d. 14 december 2012; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: | a. productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. bestuur | : | bestuur van het productschap; | | c. voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | d. ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. aankoopwaarde | : | het totaal van de inkoopfactuurbedragen van in Nederland aangekochte bloemkwekerijproducten exclusief BTW; | | f. bloemkwekerijproducten | : | I. siergewassen; | | | | II. teeltmateriaal; | | | | III. hydrocultuur, en | | | | IV. bloemzaden; | | g. siergewassen | : | gewassen voor de sier in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van: | | | | I. winterharde houtgewassen in hun geheel voor zover niet vervroegd of verlaat, alsmede kerstbomen zonder wortels en delen van winterharde houtgewassen welke voor vermeerdering zijn bestemd; | | | | II. voor zover in groene toestand de Japanse azalea's, alsmede variëteiten en hybriden daarvan; | | | | III. dahliastekken, begonia- en gloxiniaplantjes, uitsluitend bestemd voor de te"},{"i":1618,"b":"Verordening van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2001, houdende de vaststelling van een algemene heffing op de handel in groenten en fruit voor het jaar 2002 (Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2002) Op voorstel van de Sectorcommissie voor groenten en fruit; Gelet op [artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); Besluit: Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de artikelen 1 en 2 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998. 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de voorzitter: de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; - b. het bestuur: het bestuur van het Productschap Tuinbouw; - c. handel: het aankopen en verkopen van producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; - d. bewerken: alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; - e. de ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in de verse of bewerkte producten: - 1°. fruit, met uitzondering van slaggrondnoten en kopra; - 2°. groenten, met uitzondering van zaden van groenten; - f. aankoopwaarde handel: het bedrag van de door de ondernemer gedurende een kalenderjaar aangekochte producten; - g. heffingsplichtige: de ondernemer die ingevolge deze verordening heffing verschuldigd is; - h. afzetorganisatie: de natuurlijke of rechtspersoon die in opdracht van of ten behoeve van telers de door hen geteelde producten verkoopt; - i. uien: alle uien met uitzondering van zilveruien. 3. Met de ondernemer bedoeld in het tweede lid onder e, wordt gelijk gesteld de natuurlijke of rechts"},{"i":1619,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 24 september 2002, houdende de Vaststelling van een algemene heffing op de handel in groenten en fruit voor het jaar 2003 (Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de sectorcommissie Groenten en Fruit, d.d. 12 september 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](onbekend) en [2 van de instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de voorzitter | : | de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | het bestuur | : | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | c. | de handel | : | het aankopen en verkopen van producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; | | d. | het bewerken | : | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt , zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | e. | de ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in de verse of bewerkte producten: 1e fruit, met uitzondering van slaggrondnoten en kopra; 2e groenten, met uitzondering van zaden van groenten; | | f. | de aankoopwaarde handel | : | het bedrag van de door de ondernemer gedurende een kalenderjaar aangekochte producten; | | g. | de heffingsplichtige | : | de ondernemer die ingevolge deze verordening heffing verschuldigd is; | | h. | een afzetorganisatie | : | de natuurl"},{"i":1620,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2003, houdende de vaststelling van een algemene heffing op de handel in groenten en fruit voor het jaar 2004 (Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2004) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=15) en 19 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw; gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 26 juni 2003; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. de voorzitter | : | de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. het bestuur | : | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | c. de handel | : | het aankopen en verkopen van producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; | | d. het bewerken | : | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | e. de ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in de verse of bewerkte producten: 1. fruit, met uitzondering van slaggrondnoten en kopra; 2. groenten, met uitzondering van zaden van groenten; | | f. de aankoopwaarde handel | : | het bedrag van de door de ondernemer gedurende een kalenderjaar aangekochte producten; | | g."},{"i":1621,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2004, houdende de vaststelling van een algemene heffing op de handel in groenten en fruit voor het jaar 2005 (Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 24 juni 2004; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de voorzitter | : | de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | het bestuur | : | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | c. | de handel | : | het aankopen en verkopen van producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; | | d. | het bewerken | : | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | e. | de ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in de verse of bewerkte producten: | | | | | 1. fruit, met uitzondering van slaggrondnoten en kopra; | | | | | 2. groenten, met uitzondering van zaden van groenten; | | f. | de aankoopwaarde handel | : | het bedrag van de door de ondernemer gedurende een kalenderjaar aangekochte producten; | | g. | de heffingsplichti"},{"i":1622,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 28 juni 2005, houdende de vaststelling van een algemene heffing op de handel in groenten en fruit voor het jaar 2006 (Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2006) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 7 juni 2005; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. de handel | : | het aankopen en verkopen van producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; | | --- | --- | --- | | b. het bewerken | : | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | c. de ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in de verse of bewerkte producten: | | d. de aankoopwaarde handel | : | het bedrag van de door de on"},{"i":1623,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 27 juni 2006, houdende de vaststelling van een algemene heffing op de handel in groenten en fruit voor het jaar 2007 (Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2007) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); Gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 20 juni 2006; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de handel: | Het aankopen en verkopen van producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; | | --- | --- | --- | | b. | het bewerken: | Alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren | | c. | de ondernemer: | De natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in de verse of bewerkte producten; 1e fruit, met uitzondering van slaggrondnoten en kopra; 2e groenten,"},{"i":1547,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bangladesh tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bangladesh, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruikmaken van treaty-shopping-structuren die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde staten), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een van de verdragsluitende staten als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomen te zijn van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die staat voor belastingdoeleinden behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die staat. 3. In geen geval worden de bepalingen van het tweede lid zo uitgelegd dat ze afbreuk doen aan het recht van een verdragsluitende staat om de inwoners van die verdragsluitende staat te belasten. 4. De voordelen van de artikelen 10, 11, 12, 13, 14, 23 en 24 zijn niet van toepassing op een persoon die voor de toepassing van de Nederlandse vennootschapsbelasting een vrijgestelde beleg"},{"i":1539,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zuid-Afrika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen **Preambule** De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zuid-Afrika, geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen teneinde de economische betrekkingen tussen de beide landen te bevorderen en te versterken, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende goederen of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: - i. de inkomstenbelasting; - ii. de loonbelasting; - iii. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen, geheven krachtens de Mijnwet"},{"i":1542,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken Overwegend dat het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey („de partijen”) erkennen dat de huidige wetgeving reeds voorziet in samenwerking en de uitwisseling van informatie in strafrechtelijke belastingzaken; Overwegend dat de partijen reeds lange tijd actief betrokken zijn bij internationale inspanningen ter bestrijding van financiële delicten en andere strafbare feiten, die mede gericht zijn op de bestrijding van de financiering van terrorisme; Overwegend dat bevestigd wordt dat Jersey gerechtigd is, krachtens de voorwaarden van de Entrustment van het Verenigd Koninkrijk, met Nederland te onderhandelen over een verdrag tot uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken, en dat te sluiten, uit te voeren en, met inachtneming van de voorwaarden van dit Verdrag, te beëindigen. Overwegend dat Jersey op 22 februari 2002 een politieke verbintenis met betrekking tot de beginselen van de OESO betreffende de doeltreffende uitwisseling van informatie is aangegaan; Overwegend dat de partijen de voorwaarden voor de uitwisseling van informatie met betrekking tot belastingen wensen te verbeteren en te vergemakkelijken; Zijn de partijen overeengekomen het volgende verdrag te sluiten waarin uitsluitend de verplichtingen van Nederland en Jersey zijn vervat: Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag De partijen verlenen elkaar bijstand door de uitwisseling van informatie die naar verwachting relevant is voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de partijen inzake de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is, met inbegrip van informatie die naar verwachting relevant is voor beslissingen inzake, de vaststelling van, handhaving ter zake van of invordering van belastingen ten aanzien van personen die aan deze belastingen onderworpen zijn of betreffende het onderzoek ter zake van belastingzaken of de vervolging te"},{"i":1554,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Gemenebest van de Bahama's inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Gemenebest van de Bahama’s, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004030&artikel=8&z=2010-12-01&g=2010-12-01). De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen bestaande belastingen van elke soort en benaming. 2. Dit Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke belastingen die na de d"},{"i":1550,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Gibraltar inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Gibraltar, Overwegend dat de partijen reeds lange tijd actief betrokken zijn bij internationale inspanningen ter bestrijding van financiële delicten en andere strafbare feiten, die mede gericht zijn op de bestrijding van de financiering van terrorisme; Overwegend dat bevestigd wordt dat Gibraltar krachtens de voorwaarden van de **Entrustment** van het Verenigd Koninkrijk gerechtigd is met Nederland te onderhandelen over een verdrag tot uitwisseling van informatie betreffende belastingen, dit te sluiten, uit te voeren en, met inachtneming van de voorwaarden van dit Verdrag, te beëindigen; Overwegend dat Gibraltar op 27 februari 2002 een politieke verbintenis is aangegaan met betrekking tot de beginselen van de OESO betreffende de doeltreffende uitwisseling van informatie betreffende belastingen; Overwegend dat de partijen de voorwaarden voor de uitwisseling van informatie betreffende belastingen wensen te verbeteren en te vergemakkelijken; Zijn de partijen overeengekomen het volgende Verdrag te sluiten waarin uitsluitend de verplichtingen van Nederland en Gibraltar zijn vervat: Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en"},{"i":1579,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en Bermuda (zoals gemachtigd door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van Bermuda (zoals gemachtigd door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland), Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die van belang is voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die van belang is voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003811&artikel=8&z=2011-12-01&g=2011-12-01). De uit hoofde van de wetten of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing. De aangezochte partij past de rechten en waarborgen zodanig toe dat de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig wordt verhinderd of vertraagd. 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de"},{"i":1575,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Saint Vincent en de Grenadines inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van Saint Vincent en de Grenadines, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003489&artikel=8&z=2011-03-21&g=2011-03-21). De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen alle belastingen die door een van de verdragsluitende partijen worden geheven of tenuitvoergelegd, met inbegrip van gelijke of"},{"i":1576,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Samoa inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van Samoa, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003550&artikel=8&z=2012-03-02&g=2012-03-02). De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen belastingen van elke soort en benaming die door de verdragsluitende partijen worden geheven op de datum van ondertekening van dit Verdrag. 2. Dit Verdrag is ook van toepassin"},{"i":1573,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Saint Christopher (Saint Kitts) en Nevis inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van Saint Christopher (Saint Kitts) en Nevis, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003497&artikel=8&z=2010-11-29&g=2010-11-29). De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Article 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen alle belastingen die door een van de verdragsluitende partijen worden geheven of tenuitvoergelegd, met inbe"},{"i":1572,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Roemenië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen Het Koninkrijk der Nederlanden en Roemenië, Geleid door de wens dat, met het oog op het stimuleren en versterken van de economische relaties, een verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen wordt gesloten tussen beide Staten, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Verdragsluitende Staten of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen, territoriaal-administratieve onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende en onroerende goederen, belastingen naar het totale bedrag van de door de ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - –. de inkomstenbelasting, - –. de loonbelasting, - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurli"},{"i":1559,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of het ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik van treaty-shopping-structuren die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Denemarken: - i. indkomstskatten til staten (de nationale inkomstenbelasting); - ii. den kom"},{"i":1558,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen en tot het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds, en Het Koninkrijk België, De Vlaamse Gemeenschap, De Franse Gemeenschap, De Duitstalige Gemeenschap, Het Vlaamse Gewest, Het Waalse Gewest, en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, anderzijds, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen, zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of het ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik van treaty-shopping-structuren die als doel hebben de in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. WERKINGSSFEER VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende Staten. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag worden inkomsten die zijn verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een van de verdragsluitende Staten als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomsten te zijn van een inwoner van een verdragsluitende Staat, maar uitsluitend voor zover die inkomsten door die Staat voor belastingdoeleinden behandeld worden als inkomsten van een inwoner van die Staat. 3. In geen geval worden de bepalingen van paragraaf 2 aldus uitgelegd dat ze afbreuk doen aan het recht van een verdragsluitende Staat om de inwoners van die verdragsluitende Staat te belasten. Artikel 2. Belastingen w"},{"i":1557,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië, Geleid door de wens dat een verdrag door beide Staten wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK 1. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, alsmede belastingen naar het totale bedrag van lonen of salarissen. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: - –. de inkomstenbelasting, - –. de loonbelasting, - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse Mijnwet continentaal plat 1965, - –. de dividendbelasting, (hierna te noemen: „Nederlandse belasting’’); - b. in Jordanië: - –. de inkomstenbelasting, - –. de distributie"},{"i":1566,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Ierland tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en vermogenswinsten en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Ierland, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren, Voornemens een nieuw verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en vermogenswinsten zonder mogelijkheden te scheppen voor niet-heffing of verminderde heffing van belasting door het ontduiken of ontwijken van belasting (onder andere door treaty-shopping-constructies met het oog op het indirect ten voordele van inwoners van derde staten verkrijgen van de in dit Verdrag voorziene voordelen), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. 2. Voor de toepassing van het Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of met behulp van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een verdragsluitende staat als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, aangemerkt als inkomen van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die verdragsluitende staat voor de belastingheffing behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die verdragsluitende staat. In geen geval mogen de bepalingen van dit lid aldus worden uitgelegd dat ze afbreuk doen aan het recht van een verdragsluitende staat om de inwoners van die verdragsluitende staat te belasten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en vermogenswinsten die worden geheven ten b"},{"i":1565,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vorstendom Monaco inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van het Vorstendom Monaco; Geleid door de wens de uitwisseling van informatie met betrekking tot belastingen te vergemakkelijken; Erkennend dat het uitwisselen van informatie met betrekking tot bepaalde belastingen, in het bijzonder met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde en met betrekking tot douanerechten reeds mogelijk is op grond van bestaande juridische instrumenten en regelingen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de Verdragsluitende Staten die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004055&artikel=8&z=2010-12-01&g=2010-12-01). De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte Staat aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte Staat is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van zijn autoriteiten, noch in het bezit of onder de macht van personen onder zijn territoriale rechtsmacht. Artikel 3. Bela"},{"i":1564,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vorstendom Liechtenstein tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het vermogen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden en het Vorstendom Liechtenstein, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen voor niet-heffing of verminderde heffing van belasting door het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik maken van treaty-shopping-structuren die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. 2. Voor de toepassing van het Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of met behulp van van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een verdragsluitende staat als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, aangemerkt als inkomen van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die verdragsluitende staat voor belastingdoeleinden behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die staat. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en het vermogen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing. 2. Als b"},{"i":1563,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vorstendom Andorra tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting (met Protocol) Het Koninkrijk der Nederlanden en het Vorstendom Andorra, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruikmaken van treaty-shopping-structuren die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of constructie die op grond van de belastingwetgeving van een van de verdragsluitende staten als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt en die is opgericht of georganiseerd: - a. in een van de verdragsluitende staten; of - b. in een staat waarmee een overeenkomst van kracht is met een bepaling voor de uitwisseling van informatie betreffende belastingaangelegenheden met de verdragsluitende staat waar het inkomen, de winst of het voordeel uit afkomstig is, geacht inkomen te zijn van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover het inkomen ten behoeve van de belastingwetgeving van die verdragsluitende staat behandeld wordt als inkomen van een inwoner v"},{"i":1568,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Mongolië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Mongolië, Geleid door de wens dat een verdrag door beide Staten wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Vervallen Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is Vervallen HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 3. Algemene begripsbepalingen Vervallen Artikel 4. Inwoner Vervallen Artikel 5. Vaste inrichting Vervallen HOOFDSTUK III. BELASTINGHEFFING NAAR HET INKOMEN Artikel 6. Inkomsten uit onroerende zaken Vervallen Artikel 7. Winst uit onderneming Vervallen Artikel 8. Internationaal vervoer Vervallen Artikel 9. Gelieerde ondernemingen Vervallen Artikel 10. Dividenden Vervallen Artikel 11. Interest Vervallen Artikel 12. Royalty's Vervallen Artikel 13. Vermogenswinsten Vervallen Artikel 14. Zelfstandige arbeid Vervallen Artikel 15. Niet-zelfstandige arbeid Vervallen Artikel 16. Directeursbeloningen Vervallen Artikel 17. Artiesten en sportbeoefenaars Vervallen Artikel 18. Pensioenen, lijfrenten en socialezekerheidsuitkeringen Vervallen Artikel 19. Overheidsfuncties Vervallen Artikel 20. Hoogleraren en docenten Vervallen Artikel 21. Studenten en stagiairs Vervallen Artikel 22. Overige inkomsten Vervallen HOOFDSTUK IV. VERMIJDING VAN DUBBELE BELASTING Artikel 23. Vermijding van dubbele belasting Vervallen HOOFDSTUK V. BIJZONDERE BEPALINGEN Artikel 24. Werkzaamheden buitengaats Vervallen Artikel 25. Non-discriminatie Vervallen Artikel 26. Regeling voor onderling overleg Vervallen Artikel 27. Uitwisseling van inlichtingen Vervallen Artikel 28. Bijstand bij invordering"},{"i":1567,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen Het Koninkrijk der Nederlanden en Japan, Geleid door de wens een nieuw verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de of van beide verdragsluitende staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, of naar bestanddelen van het inkomen, met inbegrip van belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van goederen en belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn: - a. wat Japan betreft: - i. de inkomstenbelasting (**Shotokuzei)**; - ii. de vennootschapsbelasting **(Hojinzei**); en - iii. de lokale belastingen voor ingezetenen (**Juminzei**) (hierna te noemen: „Japanse belasting”); en - b. wat Nederland betreft: - i. de inkomstenbelasting; - ii. de loonbelasting; - iii. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet; en - iv. de dividendbelasting; (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”). 4. Dit Verdrag is voorts van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na"},{"i":1569,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Montserrat (zoals gemachtigd door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen Overwegend dat Montserrat en het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen „de verdragsluitende partijen”) erkennen dat de huidige wetgeving reeds voorziet in samenwerking en de uitwisseling van informatie in strafrechtelijke belastingzaken; Overwegend dat bevestigd wordt dat Montserrat krachtens de voorwaarden van de Entrustment van het Verenigd Koninkrijk gerechtigd is met Nederland te onderhandelen over een verdrag tot uitwisseling van informatie betreffende belastingen, dit te sluiten en uit te voeren; Overwegend dat de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden het sluiten van dit Verdrag met de Regering van Montserrat toejuicht, dat een belangrijke stap betekent in de nakoming van de afspraken die de Regering van Montserrat met de OESO op 27 februari 2002 heeft gemaakt omtrent het eerbiedigen van de beginselen van transparantie en uitwisseling van informatie; Overwegend dat de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden meent dat dit Verdrag aantoont dat Montserrat bereid is strenge normen te hanteren voor de doeltreffende uitwisseling van informatie ter zake van zowel strafrechtelijke als civielrechtelijke fiscale aangelegenheden, die overeenkomen met de doelen en doelstellingen van het Global Forum on Transparency and Exchange of Information; Overwegend dat de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden voorts erkent dat Montserrat zich heeft verplicht belastingfraude te bestrijden door mechanismen in werking te stellen ter bevordering van de transparantie, waaronder door aanpassing van de nationale wetgeving van Montserrat teneinde aan dit Verdrag te voldoen, en het Koninkrijk der Nederlanden meent derhalve dat Montserrat niet betrokken is bij schadelijke fiscale praktijken en geen belastingparadijs is; Overwegend dat de verdragsluit"},{"i":1570,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Nieuw-Zeeland inzake wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingvorderingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Nieuw-Zeeland Geleid door de wens dat door beide Staten een verdrag wordt gesloten inzake wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingvorderingen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag 1. De Verdragsluitende Staten verlenen elkaar bijstand bij de invordering van belastingvorderingen. 2. Een Verdragsluitende Staat verleent deze bijstand ongeacht of de betrokken persoon een inwoner of een onderdaan van een van de Verdragsluitende Staten is of niet. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, ten behoeve van een Verdragsluitende Staat worden geheven. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van onroerende of roerende zaken en belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen. 3. De bestaande belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is, zijn: - a. in Nederland: - –. de inkomstenbelasting, - –. de loonbelasting, - –. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Mijnwet continentaal plat 1965, - –. de dividendbelasting; - b. in Nieuw-Zeeland: - –. de inkomstenbelasting (the income tax). 4. Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast, of in plaats van, de bestaande belastingen worde"},{"i":1625,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2008, houdende de vaststelling van een algemene heffing op de handel in groenten en fruit voor het jaar 2009 (Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 17 juni 2008; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de handel | : | het aankopen bij/verkopen van, producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; | het aankopen bij/verkopen van, producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; | | --- | --- | --- | --- | --- | | b. | het bewerken | : | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals scho"},{"i":1626,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 20 december 2012, houdende de vaststelling van een algemene heffing ten laste van de hovenierssector voor het jaar 2013 (Verordening PT algemene heffing hovenierssector 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor hovenierswerkzaamheden d.d. 14 december 2012; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon, die een onderneming drijft, waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. | bosbouw | : | uitvoering van werkzaamheden die vallen onder de werkingsfeer van het Bosschap; | | f. | hovenierswerkzaamheden | : | het aanleggen, het aanbrengen van wijzigingen in en het onderhouden van siertuinen, begraafplaatsen, groenstroken, parken, plantsoenen, landgoederen en openbaar groen in stad en landschap, inclusief boomverzorging, werkzaamheden op sportterreinen en in bossen, met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, met inbegrip van de voorbereidende en grondwerkzaamheden; | | g. | leveringen | : | de bij de hovenierswerkzaamheden behorende levering van levende en dode materialen; | | h. | omzet | : | het bruto-omzetbedrag. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer, die hovenierswerkzaamheden uitoefent, is over het kalenderjaar 2013 een algemene"},{"i":1627,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 26 maart 2013, houdende de vaststelling van een algemene heffing ten behoeve van de teelt van bloembollen voor het oogstjaar 2013 (Verordening PT algemene heffing teelt bloembollen oogstjaar 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen d.d. 26 februari 2013; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | d. | braakland | : | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld; | | e. | cultuurgrond | : | de op 15 mei 2013 beteelde grond, de nog niet beteelde grond waarbij een teelt vóór eind augustus 2013 wordt ingezet, braakland; | | f. | bloembollen | : | bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen alsmede voortkwekingsmateriaal dat is bestemd voor de teelt van bloembollen met uitzondering van zaden; | | g. | Gecombineerde opgave | : | het beschrijvingsbiljet als bedoeld in de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=24) en [25 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=25); | | h. | gemeten maat | : | de oppervlakte van cultuurgrond, inclusief paden en voren die voor de teelt noodzakelijk zijn; | | i. | ondernemer | : | de natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | j. | oogstjaar"},{"i":1628,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2002, houdende de vaststelling van een algemene heffing op vruchtenwijn (Verordening PT algemene heffing vruchtenwijn 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19, van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de sectorcommissie Groenten en Fruit, d.d. 20 juni 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 2](onbekend) en [3, van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | vruchtenwijn | : | een gegiste drank die is bereid uit het sap van ander fruit dan druiven, met een alcoholgehalte van ten minste 1,2 volumeprocenten bij 20°C; | | e. | ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld en die vruchtenwijn invoert dan wel uitslaat in de zin van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251). | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer is jaarlijks aan het productschap een heffing verschuldigd ten behoeve van de algemene kosten van het productschap. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd, met inachtneming van de volgende artikelen. Artikel 3 1. De heffing die de ondernemer is verschuldigd, wordt opgelegd naar de grondslag van het aantal hectoliters ter zake van de invoer dan wel de uitslag in de zin van de [Wet op de accijns](https:"},{"i":1629,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 19 mei 2011, houdende de vaststelling van een aan telers van bloembollen op te leggen heffing voor het oogstjaar 2011 (Verordening PT areaalheffing bloembollen oogstjaar 2011) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 10 mei 2011 Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en de procedure heffing en invordering zoals beschreven in [paragraaf 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. bloembollen: | 1. bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; | | --- | --- | | | 2. voortkwekingsmateriaal, voor zover bestemd voor de teelt van bloembollen, met uitzondering van zaden; | | b. oogstjaar 2011: | de periode van 1 juni 2011 tot en met 31 mei 2012. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De ondernemer die een onderneming drijft waarin bloembollen worden geteeld, is verplicht aan het productschap jaarlijks een heffing te betalen. 2. In geval van contractteelt waarbij de contractgever eigenaar is van bloembollen die door de contractnem"},{"i":1630,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw 27 maart 2012, houdende de vaststelling van een aan telers van bloembollen op te leggen heffing voor het oogstjaar 2012 (Verordening PT areaalheffing bloembollen oogstjaar 2012) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, 15 maart 2012 Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en de procedure heffing en invordering zoals beschreven in [paragraaf 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. bloembollen: | 1. bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; | | --- | --- | | | 2. voortkwekingsmateriaal, voor zover bestemd voor de teelt van bloembollen, met uitzondering van zaden; | | b. oogstjaar 2012 | de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 mei 2013. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De ondernemer die een onderneming drijft waarin bloembollen worden geteeld, is verplicht aan het productschap jaarlijks een heffing te betalen. 2. In geval van contractteelt waarbij de contractgever eigenaar is van bloembollen die door de contractnem"},{"i":1631,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 20 december 2012, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten laste van de sector bloemkwekerijproducten voor het jaar 2013 (Verordening PT bestemmingsheffing aanbod bloemkwekerijproducten 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten d.d. 14 december 2012; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | d. | ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. | are | : | 100 m² | | f. | bloemkwekerijproducten | : | I. siergewassen; II. teeltmateriaal; III. hydrocultuur; en IV. bloemzaden; | | g. | CIF-waarde | : | De kostprijs van het product, vermeerderd met de vracht- en verzekeringskosten van het product. | | h. | derde land | : | staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie; | | i. | hydrocultuur | : | siergewassen die bestemd zijn voor gebruik in plantenbakken of potten, waarbij de plant met zijn wortels houvast heeft in poreuze korrels in een bak of pot, met daarin een laag water en voedingsstoffen; | | j. | importeren | : | uit derde landen in Nederland in het vrije verkeer brengen; | | k. | invoerwaarde | : | CIF-waarde van in Nederland geïmporteerde bloemkwekerijproducten, met uitzondering van bloemzaden onder"},{"i":1632,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 20 december 2012, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de boomkwekerijsector voor het jaar 2013 (Verordening PT bestemmingsheffing boomkwekerijsector 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor boomkwekerijproducten d.d. 14 december 2012; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon, die een onderneming drijft, waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. | boomkwekerijproducten | : | winterharde en half-winterharde houtgewassen, die niet vervroegd of verlaat zijn, alsmede delen daarvan en vaste planten en wortelstokken; | | f. | contractteelt | : | de teelt van boomkwekerijproducten ingevolge een overeenkomst waarbij het teeltrisico ligt bij de teler; | | g. | kweken van boomkwekerijproducten | : | het ter verkrijging van een oogst van boomkwekerijproducten brengen, hebben of houden in al dan niet overdekte grond van boomkwekerijproducten of van zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan, alsmede het ter bevordering van het verkrijgen van een oogst van boomkwekerijproducten, verrichten van alle wijzen van behandelen, bewerken, beschermen, bewaren en verzorgen van boomkwekerijproducten, respectievelijk de zaden, stekken of ande"},{"i":1633,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 20 december 2012, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de handel in bloemkwekerijproducten voor het jaar 2013 (Verordening PT bestemmingsheffing handel bloemkwekerijproducten 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten d.d. 14 december 2012; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | a. | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | d. | ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. | aankoopwaarde | : | het totaal van de inkoopfactuurbedragen van in Nederland aangekochte bloemkwekerijproducten exclusief BTW; | | f. | bloemkwekerijproducten | : | I. siergewassen; II. teeltmateriaal; III. hydrocultuur, en IV. bloemzaden; | | g. | siergewassen | : | gewassen voor de sier in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van: | | h. | teeltmateriaal | : | planten en plantendelen, die bestemd zijn om voor de teelt van bloemkwekerijproducten, of ter vermeerdering te dienen dan wel daartoe gebruikt worden; | | i. | telersvereniging | : | samenwerkingsverband van ondernemers die bloemkwekerijproducten produceren. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer, die handelt in bloemkwekerijproducten, is over het kalenderjaar 20"},{"i":1634,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 3 juli 2002, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de handel in groenten en fruit voor het jaar 2003 (Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de sectorcommissie Groenten en Fruit, d.d. 20 juni 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](onbekend) en [2 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de voorzitter | : | de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | het bestuur | : | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | c. | de handel | : | het aankopen en verkopen van producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; | | d. | het bewerken | : | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | e. | de ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waar de handel wordt uitgeoefend in de verse of bewerkte producten: 1e fruit, met uitzondering van slaggrondnoten en kopra; 2e groenten, met uitzondering van zaden van groenten; | | f. | de aankoopwaarde handel | : | het bedrag van de door de ondernemer, al dan niet via een afzetorganisatie, gedurende een kalenderjaar aangekochte in Nederland geteelde groenten en fruitproducten; | | g | de heffingsplichtige | : | de ondernemer die ingevolge deze v"},{"i":1635,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2003, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de handel in groenten en fruit voor het jaar 2004 (Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2004) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=15) en [19 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](onbekend); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 26 juni 2003; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de voorzitter: | de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | het bestuur: | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | c. | de handel: | het aankopen en verkopen van producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; | | d. | het bewerken: | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | e. | de ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in de verse of bewerkte producten: | | | | 1. fruit, met uitzondering van slaggrondnoten en kopra; | | | | 2. groenten, met uitzondering van zaden van groenten; | | f. | de aankoopwaarde handel: | het bedrag van de door de ondernemer, al dan niet via e"},{"i":1636,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2004, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de handel in groenten en fruit voor het jaar 2005 (Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14, van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 24 juni 2004; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de voorzitter: | de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | het bestuur: | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | c. | de handel: | het aankopen en verkopen van producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; | | d. | het bewerken: | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | e. | de ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in de verse of bewerkte producten: | | | | 1. fruit, met uitzondering van slaggrondnoten en kopra; | | | | 2. groenten, met uitzondering van zaden van groenten; | | f. | de aankoopwaarde handel: | het bedrag van de door de ondernemer, al dan niet via een afzetorganisatie, gedurende een kalenderjaar bij tellers aangekoch"},{"i":1637,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 28 juni 2005, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de handel in groenten en fruit voor het jaar 2006 (Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2006) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14, van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 7 juni 2005; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. de handel | : | het aankopen en verkopen van producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; | | --- | --- | --- | | b. het bewerken | : | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | c. de ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in de verse of bewerkte producten: | | d. de aankoopwaarde handel | : | het bedrag"},{"i":1638,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 27 juni 2006, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de handel in groenten en fruit voor het jaar 2007 (Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2007) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14, van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); Gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 20 juni 2006; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de handel: het aankopen en verkopen van producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; - b. het bewerken: alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; - c. de ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in de verse of bewerkte producten: - 1. fruit, met uitzondering van slaggrondnoten en kopra; - 2. groenten, met uitzonde"},{"i":1639,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2007, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de handel in groenten en fruit voor het jaar 2008 (Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14, van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 19 juni 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de handel: | het aankopen bij/verkopen van, producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; | | --- | --- | --- | | b. | het bewerken: | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | c. | de ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in de verse of"},{"i":1640,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2008 houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de handel in groenten en fruit voor het jaar 2009 (Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14, van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 17 juni 2008 Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de handel: het aankopen bij/verkopen van, producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; - b. het bewerken: alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; - c. de ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in de verse of bewerkte producten: - 1. fruit, met uitzondering van slaggrondnoten en kopra; - 2. groenten, met uitzonder"},{"i":1641,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 20 december 2012, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de handel in groenten en fruit voor het jaar 2013 (Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor groenten en fruit d.d. 14 december 2012; Besluit; § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | a. | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | d. | ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. | aankoopwaarde | : | het totaal van de inkoopfactuurbedragen, exclusief BTW, van de door de ondernemer aangekochte groenten en fruit in 2013; | | f. | bewerken | : | handelingen waardoor van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | g. | CIF-waarde | : | de kostprijs van het product, vermeerderd met de vracht- en verzekeringskosten van het product; | | h. | derde land | : | staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie; | | i. | fruit | : | vers en bewerkt fruit; | | j. | groenten | : | verse en bewerkte groenten, eetbare zwammen, specerijen, specerijgewassen, noten en kruiden; | | k. | handelen | : | het aankopen van verse of bewerkte groenten en fruit, ongeacht de herkomst; | | l. | no"},{"i":1624,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2007, houdende de vaststelling van een algemene heffing op de handel in groenten en fruit voor het jaar 2008 (Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95),[100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 19 juni 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de handel: het aankopen bij/verkopen van, producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; - b. het bewerken: alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; - c. de ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in de verse of bewerkte producten: - 1. fruit, met uitzondering van sl"},{"i":19693,"b":"Wet van 19 november 2014 tot wijziging van de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000 in verband met een tweede tranche van uitvoeringsmaatregelen van het kabinetsstandpunt «Spoor in beweging», waaronder regels inzake bijzondere spoorwegen en vereenvoudiging van het vergunningenregime hoofdspoorwegen, en in verband met de invoering van een verblijfsverbod voor voorzieningen openbaar vervoer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007) en de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) aan te passen in verband met de uitvoering van het kabinetsstandpunt «Spoor in beweging», onder andere teneinde het vergunningenregime ter bescherming van de hoofdspoorweg te vereenvoudigingen, regels te stellen over bijzonder spoor en over het verblijfsverbod, alsmede teneinde diverse technische wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel II Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IIIa Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 8. Artikel IV Wijzigt de Wegenwet. Artikel V Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI 1. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten op grond van [artikelen 19 tot en met 21 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=19) zoals die luidden tot de inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen K tot en met N](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036166&artikel=I&z=2016-10-01&g=2016-10-01), van deze wet worden afgehandeld overeenkomstig het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet."},{"i":4693,"b":"Instellingsbeschikking onderzoekscommissie Eurotop Overwegende dat in juni 1997 in het kader van de Eurotop 1997 sprake is geweest van ongeregeldheden tengevolge waarvan een groot aantal verdachten aangehouden werd en overgebracht werd naar een aantal penitentiaire inrichtingen; Overwegende dat bekend is dat over de opvang van deze arrestanten in de penitentiaire inrichtingen (anoniem) is geklaagd; Overwegende dat het bovenstaande aanleiding is de wijze van opvang in de desbetreffende inrichtingen te onderzoeken; Besluit: 1. Een commissie in te stellen die de opdracht heeft een onderzoek in te stellen naar de wijze van opvang in de desbetreffende inrichtingen en daarover te rapporteren. 2. Tot voorzitter van de commissie te benoemen: - mr. J.P. Balkema, voorzitter van de sectie gevangeniswezen van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, vice-president van het gerechtshof te Arnhem. Tot leden van de commissie te benoemen: - mr. P.C. Vegter, lid van de sectie gevangeniswezen van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, raadsheer van het gerechtshof te Arnhem, - mr. A.G. Bosch, lid van de sectie gevangeniswezen van de Centrale Raad voor strafrechttoepassing, voormalig hoofdofficier van justitie te Leeuwarden, - dhr. J.M.J. Bosma, algemeen directeur van de PI te Utrecht. Tot adviseur van de commissie te benoemen: - mr. J. Bruinsma, juridisch beleidsmedewerker bij de afdeling juridische zaken van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Tot secretaris van de werkgroep te benoemen: - drs. R.H. Bossen, hoofd van het stafbureau bij de directie gevangeniswezen, Dienst Justitiële Inrichtingen. 3. Te bepalen dat de commissie voor 15 november aanstaande aan de Minister van Justitie haar rapport uitbrengt. 4. Te bepalen dat dit besluit inwerking treedt met ingang van de dag nadat het is gedagtekend."},{"i":4253,"b":"Besluit van 18 april 2019, houdende het verbod op het op de markt brengen, verspreiden of het verkopen van binaire opties aan niet-professionele cliënten in verband met Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 en de Wet op het financieel toezicht (Verbod op binaire opties) gelet op, artikel 42 van de Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012; artikel 21 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/567 van de Commissie van 18 mei 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot definities, transparantie, portefeuillecompressie en toezichtmaatregelen voor productinterventie en voor posities; [artikel 1:77f van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:77f); en [artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel m, van Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032230&artikel=2), besluit: Artikel 1. Verbod op verkoop van binaire opties aan niet-professionele cliënten 1. Het in of vanuit Nederland op de markt brengen, verspreiden of verkopen van binaire opties aan niet-professionele cliënten is verboden. 2. Met betrekking tot lid 1 geldt dat een binaire optie, ongeacht of deze via een handelsplatform wordt verhandeld, een derivaat is dat aan de volgende voorwaarden voldoet: - a). het wordt in contanten afgewikkeld of kan in contanten worden afgewikkeld, naar keuze van een der partijen, anders dan vanwege verzuim of een andere ontbindende gebeurtenis; - b). het voorziet uitsluitend in betaling ten tijde van vroegtijdige beëindiging of aan het einde van de looptijd; - c). de betaling is beperkt tot: - i. een vooraf bepaald vast bedrag of een bedrag van nul euro indien de onderliggende waarde van het derivaat aan een of meer van de vooraf b"},{"i":3920,"b":"Besluit van 16 maart 1994, houdende vaststelling van regels over het overleg over politie-ambtenarenzaken en over de medezeggenschap bij de politie Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 16 november 1993, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nummer EA93/U3217; Gelet op [artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50); De Raad van State gehoord (advies van 7 februari 1994, nummer WO4.93.0768); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 11 maart 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nummer EA94/U766; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid; - b. vervallen; - c. vervallen; - d. vervallen; - e. vervallen; - f. ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - g. bevoegd gezag: - 1°. de korpschef, voor zover het betreft de ambtenaar, aangesteld bij een onderdeel, bedoeld in [artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25); - 2°. het College van procureurs-generaal, voor zover het betreft ambtenaren van de rijksrecherche. - h. korpschef: de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); - i. Centrale: een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008494&artikel=1); -"},{"i":1649,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 11 november 2009, houdende de vaststelling van een bijzondere heffing handel groenten en fruit handel 2010 (Verordening PT bijzondere heffing handel groenten en fruit 2010) gelet op de [artikelen 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 20 oktober 2009; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | aankoopwaarde handel | : | bedrag van de door de handelaar aangekochte groenten en fruit ongeacht herkomst met uitzondering van aankopen uit de EU; | | afzetorganisatie/bemiddelaar | : | natuurlijke of rechtspersoon die, voor zover niet voor eigen rekening en risico, in opdracht van of ten behoeve van telers de door hen geteelde groenten en fruit verkoopt; | | bewerken | : | handelingen waardoor van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | derde land | : | een land dat geen lid is van de Europese Unie; | | groenten en fruit | : | producten als bedoeld in [artikel 3, vierde lid, onder a en b, van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=3); | | handelen | : | aankopen van vers of bewerkt fruit (met uitzondering van slaggrondnoten en kopra) en groenten (met uitzondering van zaden van groenten) en het verkopen daarvan aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften; | | on"},{"i":4089,"b":"Besluit van 19 september 1997 tot uitsluiting van strafbare feiten van het aanhangig maken door oproeping op grond van artikel 385 van het Wetboek van Strafvordering (Besluit uitsluiting oproepingsprocedure) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 20 januari 1997, directie wetgeving, sector straf- en sanctierecht nr. 603033/97/6, Gelet op [artikel 384, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=384), De Raad van State gehoord, advies van 17 maart 1997, no. WO3.97.0036, Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 9 september 1997, nr. 651951/97/6, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Van de oproepingsprocedure bedoeld in [artikel 385 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=385) wordt geen gebruik gemaakt na het constateren van - a. vermoedelijke overtreding van [artikel 314 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=314); - b. feiten die niet eenvoudig van aard zijn en waarvan de toedracht niet duidelijk is; - c. feiten waarbij tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd; - d. feiten waarbij sprake is van schade, niet zijnde lichte schade; - e. feiten waarbij sprake is van letsel, niet zijnde gering letsel. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit uitsluiting oproepingsprocedure. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":3215,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 26 april 2016 nr. BOACAT2016/025, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Brunssum Gelezen het verzoek van de gemeente Brunssum van 31 maart 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037913&artikel=2&z=2016-08-11&g=2016-08-11). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder in dienst van de afdeling Veiligheid, Toezicht en Handhaving van de gemeente Brunssum, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 3. De opsporingsbevoegdheid, be"},{"i":3356,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 april 2026 nr. BOACAT2026/025, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Omgevingsdienst Groene Metropool (ODGM) Gelezen het verzoek van Omgevingsdienst Groene Metropool (ODGM) van 23 maart 2026 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052551&artikel=2&z=2026-04-21&g=2026-04-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker beleidsuitvoering I in dienst van Omgevingsdienst Groene Metropool (ODGM) zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Ne"},{"i":1652,"b":"Verordening van het Productschap Tuinbouw van 27 november 2001, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2002 (Verordening PT bijzondere heffing teelt fruit en champignons 2002/1) op voorstel van de sectorcommissie Groenten en Fruit; gelet op [artikel 126, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19, van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 2](onbekend) en [3, van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw](onbekend). 2. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | onderneming | : | onderneming waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. | ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming drijft; | | f. | braakland | : | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld, alsmede niet beteelde gronden, waarop in juli of augustus in enig oogstjaar aardbeien zullen worden geplant en waarvan in het daaropvolgende jaar zal worden geoogst; | | g. | cultuurgrond | : | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013048&paragraaf=3&artikel=4&z=2003-01-25&g=2003-01-25) genoemde gewassen of producten kunnen worden geteeld, of ten tijde van het tijdvak, bedoeld in de Regeling Landbouwtelling, nog niet beteelde grond waarbij een teelt voor eind augustus wordt ingezet; | | h. | teelt onder glas | : | iedere andere teelt dan die in"},{"i":4491,"b":"Circulaire herinrichting van diepe plassen Aan de besturen van gemeenten, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, provincies en waterkwaliteitsbeheerders Voor wie is deze circulaire? Deze circulaire richt zich tot het bevoegde gezag dat op grond van het [Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929) meldingen beoordeelt van voorgenomen toepassingen van grond- en baggerspecie in het kader van de herinrichting van diepe plassen. Deze circulaire is daarnaast van belang voor andere bij de herinrichting betrokken partijen, zoals omwonenden, bedrijven en natuurbeheerders. Aanleiding Begin 2009 heeft een aantal initiatieven tot herinrichting van diepe plassen geleid tot maatschappelijke zorgen en vragen bij omwonenden en decentrale overheden. Met de brief van 20 maart 2009 is de Tweede Kamer hierover geïnformeerd1Kamerstukken II 2009/10, 27 625, nr. 133.. Naar aanleiding daarvan is een commissie van deskundigen onder voorzitterschap van dijkgraaf drs. L.H.J. Verheijen ingesteld met als taak om in overleg met betrokkenen zoveel mogelijk overeenstemming te bereiken over de wetenschappelijke onderbouwing van het beleid voor het herinrichten van diepe plassen. De commissie adviseert om het [Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929) aan te vullen met regels voor locatiespecifieke situaties en het proces voor het herinrichten van diepe plassen te verduidelijken. Dit laatste geldt zowel voor belanghebbenden die willen weten op welke momenten zij inspraak hebben in het proces, voor bevoegde overheden die het proces rondom het herinrichten van diepe plassen zorgvuldig willen vormgeven, als voor eigenaren en initiatiefnemers die willen weten aan welke voorwaarden zij moeten voldoen. Daarnaast is er behoefte aan sturing in de locatiekeuze en de afstemming met het aanbod van grond en baggerspecie in de regio. Doel Het doel van deze circulaire is om het bevoegde gezag en andere betrokken partijen informatie te geven over het"},{"i":3128,"b":"Besluit van 26 augustus 1998, houdende regels met betrekking tot de aanvraag om een vergunning op grond van de Wet bescherming Antarctica (Besluit bescherming Antarctica) Op voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 mei 1998, nr. MJZ98050136, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikel 10 van de Wet bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009449&artikel=10); De Raad van State gehoord (advies van 3 juli 1998, nr. W08.980230) Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 augustus, nr MJZ 98076524, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009449); - b. vergunning: vergunning als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009449&artikel=8); - c. stoffen: stoffen in de zin van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245); - d. preparaten: preparaten in de zin van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245); - e. gevaarlijke stoffen en preparaten: stoffen en preparaten die behoren tot een of meer van de in [artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.3.1) aangewezen categorieën; - f. genetisch gemodificeerde organismen: genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in [artikel 1.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=1.1). § 2. De wijze waarop de aanvraag om een vergunning moet geschieden Artikel 2 1. De aa"},{"i":2853,"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2000 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1999 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1998; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2000 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2.5. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2000."},{"i":3743,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 13 april 2021, nr. WJZ/ 21081980, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat en de inspecteur-generaal Inspectie Leefomgeving en Transport inzake de uitvoering en handhaving van de Wet bescherming Antarctica (Besluit mandaat, volmacht en machtiging inzake de Wet bescherming Antarctica) Gezien de schriftelijke instemming van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, de directeur-generaal Rijkswaterstaat en de inspecteur-generaal Inspectie Leefomgeving en Transport; Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 1. Aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de uitvoering van de Wet bescherming Antarctica, met uitzondering van [paragraaf 7 van de Wet bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009449&paragraaf=7). 2. Aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat wordt tevens mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid, waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep. Artikel 2 1. Aan de inspecteur-generaal Inspectie Leefomgeving en Transport wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met handhaving van de [Wet bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009449) als bedoeld in [paragraaf 7 van de Wet bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009449&paragraaf=7). 2. Aan de inspecteur-generaal Inspectie Leefomgeving en Transport wordt tevens mandaat en mac"},{"i":1653,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2002, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2003 (Verordening PT bijzondere heffing teelt fruit en champignons 2003/1 (hoog tarief)) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19](onbekend), van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998; gehoord de sectorcommissie Groenten en Fruit, d.d. 20 juni 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 2](onbekend) en [3, van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw](onbekend). 2. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | het productschap: | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | het bestuur: | het bestuur van het productschap; | | c. | de voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | d. | de onderneming: | onderneming waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. | de ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming drijft; | | f. | het braakland: | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld, alsmede niet beteelde gronden, waarop in juli of augustus in enig oogstjaar aardbeien zullen worden geplant en waarvan in het daaropvolgende jaar zal worden geoogst; | | g. | de cultuurgrond: | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeirnedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013831&paragraaf=3&artikel=4&z=2003-02-08&g=2003-02-08) genoemde gewassen of producten kunnen worden geteeld, of ten tijde van het tijdvak als bedoeld in de [Regeling Landbouwtelling](onbekend), nog niet beteelde grond w"},{"i":3309,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 23 juni 2025 nr. BOACAT2025/136, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Rotterdam, cluster Stadsbeheer, afdeling Toezicht & Handhaving Domein II Gelezen het verzoek van de gemeente Rotterdam van 18 juni 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051151&artikel=2&z=2025-07-09&g=2025-07-09). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver (met taakaccent milieu, drank en horeca en ondermijning) in dienst van de afdeling Toezicht en Handhaving van Stadsbeheer van de gemeente Rotterdam, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambt"},{"i":6638,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 november 2015, kenmerk 870579-144145-II-LZ, houdende wijziging van de Subsidieregeling ADL-assistentie in verband met het wijzigen van termijnen, het verhogen van het subsidieplafond en het actualiseren voor 2016 Gelet op [artikel 11.1.5 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.1.5); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling ADL-assistentie. Artikel II In afwijking van [artikel 2.1, tweede lid, van de Subsidieregeling ADL-assistentie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035951&artikel=2.1) wordt een aanvraag ten behoeve van 2016 uiterlijk ontvangen binnen vier weken na publicatie van deze regeling in de Staatscourant. Artikel III In afwijking van [artikel 3.1 van de Subsidieregeling ADL-assistentie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035951&artikel=3.1) besluit het Zorginstituut binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag over de verlening van de subsidie ten behoeve van 2016. Artikel IV In afwijking van [artikel 4.1 van de Subsidieregeling ADL-assistentie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035951&artikel=4.1) kan het Zorginstituut na ontvangst van de aanvraag ten behoeve van 2016 ambtshalve voorschotten verstrekken. Artikel V Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3175,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 3 december 2015 nr. BOACAT2015/064, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Amsterdam (rve Handhaving en Toezicht en 7 stadsdelen) 2015, domein II Gelezen het verzoek van de directeur rve Handhaving en Toezicht, mede namens de afdelingshoofden handhaving openbare ruimte van de gemeente Amsterdam van 14 oktober 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037312&artikel=2&z=2015-12-11&g=2015-12-11). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functies van ‘handhaver openbare ruimte’ en ‘handhaver Gebruik, bouw en milieu’ in dienst van de gemeente Amsterdam, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de B"},{"i":2667,"b":"Benoemingsbesluit Toezichtsraad BIT Gelet op [artikel 5, vijfde lid, van het Instellingsbesluit tijdelijk Bureau ICT-toetsing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036874&artikel=5); Gezien de voordracht van de Auditdienst Rijk en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen; besluit Artikel 1. Benoeming 1. Tot lid van de Toezichtsraad BIT worden benoemd: - a. Prof. dr. H. Verkruijsse; - b. Prof. dr. P. Klint. 2. De benoeming geldt voor de periode van 16 oktober 2015 tot 16 april 2018. Artikel 2. Vergoeding 1. De leden ontvangen een vergoeding per vergadering van 3% van het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). 2. De leden ontvangen een vergoeding van reiskosten op grond van het [Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889). Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Benoemingsbesluit Toezichtsraad BIT. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden verzonden aan betrokkenen."},{"i":3870,"b":"Besluit van 8 maart 2010, houdende regels over het strafvorderlijk onderzoek naar besmetting met een ernstige besmettelijke ziekte en fylogenetisch onderzoek (Besluit bloedtest in strafzaken in geval van een ernstige besmettelijke ziekte) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 15 december 2009, directie Wetgeving, nr. 5634096/09/6; Gelet op de [artikelen 151e, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=151e), [151f, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=151f), [151h, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=151h), [151i, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=151i), en [177b, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=177b); De Raad van State gehoord (advies van 18 februari 2010, nr. W03.09.0536/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 2 maart 2010, directie Wetgeving, nr. 5643491/10/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wetboek van Strafvordering (verplichte medewerking aan bloedtest in strafzaken) (Stb. 2009/475) in werking treedt. § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de wet:** het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); - b. **een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet:** een onderzoek dat tot doel heeft om met behulp van celmateriaal dat van de verdachte of een derde is afgenomen, vast te stellen of de verdachte of de derde drager is van een ziekte als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027394&paragraaf=2&artikel=2&z=2020-04-24&g=2020-04-24); - c. **een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, vijfde lid, van de wet:** een onderzoek als bedoeld in [artikel 151e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overhe"},{"i":2626,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/137136, houdende vaststelling van de Beleidsregels Regeling gevelisolatie Schiphol 2023 Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); BESLUIT: Artikel 1 Voor de toepassing van de [Regeling gevelisolatie Schiphol 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048658) wordt uitgegaan van de Beleidsregels uitvoeringskader gevelisolatie Schiphol 2023, opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 De [Beleidsregels geluidsisolatie Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026154) worden ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Regeling gevelisolatie Schiphol 2023. Bijlage. Beleidsregels uitvoeringskader gevelisolatie Schiphol 2023 ter nadere uitwerking van de [Regeling gevelisolatie Schiphol 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048658) Hoofdstuk 1. Inleiding en doelstelling 1.1. Inleiding Dit uitvoeringskader heeft betrekking op het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan geluidgevoelige ruimten van woningen die onder de reikwijdte vallen van de [Regeling gevelisolatie Schiphol 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048658)(hierna: de RGS’23). De regels uit de RGS’23, die het algemene kader voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen vormen, worden in dit uitvoeringskader nader uitgewerkt en geconcretiseerd. Zo gaat dit uitvoeringskader bijvoorbeeld over de wijze waarop wordt bepaald of een ruimte in een woning als geluidgevoelige ruimte kwalificeert, en bevat het informatie over welke akoestische voorzieningen in een geluidgevoelige ruimte kunnen worden aangebracht. Met de uitgangspunten in dit uitvoeringskader, wordt beoogd een uniforme en efficiënte uitvoering te bevorderen. 1.2. Wettelijk kade"},{"i":2505,"b":"Besluit van het college van toezicht van de Nederlandse orde van advocaten van 29 september 2025 tot vaststelling van de beleidsregel systeemtoezicht gelet op [artikel 45h van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45h); gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); overwegende dat: het college van toezicht tot taak heeft om toe te zien op de werking van het toezicht, bedoeld in [artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45a), [artikel 24, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=24), [artikel 14, tweede lid, onderdeel b Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=14) en de klachtbehandeling door de deken ingevolge [46c van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=46c); het college van toezicht op grond van [artikel 45h van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45h) beleidsregels dient vast te stellen voor de uitoefening van de taken ingevolge [artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45a), [artikel 24, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=24), [artikel 14, tweede lid, onderdeel b Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=14), en [artikel 46c van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=46c); besluit: Artikel I. Beleidsregel systeemtoezicht De beleidsregel systeemtoezicht, zoals opgenomen in de bijlage behorende bij dit artikel, wordt vastgesteld. Artikel II. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 en wor"},{"i":5713,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, van 14 februari 2022, nr. 2021-0000600632, houdende regels voor de verstrekking van een subsidie aan de Stichting Geonovum (Subsidieregeling Geonovum 2022–2027) Gelet op de [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [11, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), en [14 van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - **basisprogramma:** ontwikkelen en beheren van geo-standaarden, het verspreiden van kennis over geo-informatie en geo-informatie-infrastructuur en advisering daarover aan het GI-beraad; - **Geonovum:** Stichting Geonovum; - **GI-beraad:** beraad voor Geo-informatie, bedoeld in het Instellingsbesluit GI-beraad; - **Minister:** Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Artikel 2. (doel subsidie) 1. De Minister kan voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2026 op aanvraag per boekjaar subsidie verstrekken aan Geonovum voor het verrichten van activiteiten ten behoeve van het uitvoeren van het basisprogramma. 2. Geen subsidie wordt verstrekt voor zover de activiteiten zijn te kwalificeren als economische activiteiten. Artikel 3. (toepassing [Afdeling 4.2.8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.8)) [Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.8) is van toepassing op de op grond van deze regeling verstrekte subsidies. Artikel 4. (maximale subsidiebedrag en subsidiabele kosten) 1. Het subsidiebedrag bedraagt voor de jaren 2022 tot en met 2026"},{"i":5562,"b":"Reglement Bestuur Raad voor Rechtsbijstand 2025 Overwegende dat de Raad voor Rechtsbijstand op grond van [artikel 2, vierde lid, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2) bestaat uit een bestuur en een Raad van Advies, Overwegende dat het bestuur aan het hoofd staat van de Raad voor Rechtsbijstand, Overwegende dat in [artikel 4, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=4) is geregeld dat het bestuur een reglement vaststelt waarin in ieder geval regels zijn opgenomen voor zijn werkwijze, besluitvorming en procedures, alsmede de vertegenwoordiging van het bestuur, Overwegende dat de Raad van Advies de algemeen directeur/bestuurder adviseert vanuit de maatschappelijke opgaven vanuit de Raad voor Rechtsbijstand, Heeft het volgende reglement vastgesteld: Algemeen Artikel 1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **Wrb:** de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. **Wbtv:** de [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704); - c. **Wsnp:** de [Wet schuldsanering natuurlijke personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011874); - d. **Kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - e. **Raad voor Rechtsbijstand:** het zelfstandig bestuursorgaan dat is ingesteld in [artikel 2, eerste lid Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - f. **het bestuur:** het orgaan dat aan het hoofd staat van de Raad voor Rechtsbijstand en dat wordt genoemd in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3) en [4, eerste en tweede lid Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=4); - g. **Raad van Advies:** het adviesorgaan dat de algemeen directeur/bestuurder advise"},{"i":5561,"b":"Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand tot vaststelling van het reglement van de Adviescommissie extra uren in civiele- en bestuurszaken gelet op [artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:5) jo. [artikel 8, eerste lid, van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8) en [artikel 2 van het Instellingsbesluit Adviescommissie extra uren in civiele- en bestuurszaken](onbekend) Stelt vast het Reglement voor de Adviescommissie extra uren in civiele- en bestuurszaken: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de Raad:** het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand; - b. **de commissie:** de Adviescommissie extra uren in civiele- en bestuurszaken zoals bedoeld in [artikel 1 van het Instellingsbesluit Adviescommissie extra uren](onbekend); - c. **aanvraag:** aanvraag tot toekenning van extra uren en aanvraag tot vaststelling van de vergoeding als bedoeld in de [artikel 31 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=31) (Bvr); - d. **aanvrager:** de indiener van de aanvraag zoals bedoeld in artikel 1 onder c van dit Reglement. Artikel 2. Taken en werkzaamheden 1. De commissie is belast met de advisering over aanvragen zoals bedoeld in [artikel 1 sub c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050152&artikel=1&z=2024-08-20&g=2024-08-20) van dit reglement, voor zover de Raad advies van de commissie gewenst acht. 2. De Raad beoordeelt of een aanvraag wordt voorgelegd aan de commissie. Artikel 3. Samenstelling commissie en benoeming leden 1. De fungerende commissie houdt zitting en beraadslaagt met drie externe leden, waarvan één voorzitter. 2. De voorzitter is een (gewezen) lid van de rechterlijke macht. 3. De voorzitter kan een plaatsvervanger aanwijzen. 4. De overige leden zijn (gewezen) rechtsbijstandverleners en/of (gewezen) leden van de rechterlijke macht, met erva"},{"i":5563,"b":"Reglement Bestuur Raad voor Rechtsbijstand 2026 Overwegende dat de Raad voor Rechtsbijstand op grond van [artikel 2, vierde lid, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2) bestaat uit een bestuur en een Raad van Advies, Overwegende dat het bestuur aan het hoofd staat van de Raad voor Rechtsbijstand, Overwegende dat in [artikel 4, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=4) is geregeld dat het bestuur een reglement vaststelt waarin in ieder geval regels zijn opgenomen voor zijn werkwijze, besluitvorming en procedures, alsmede de vertegenwoordiging van het bestuur, Overwegende dat de Raad van Advies de algemeen directeur/bestuurder adviseert vanuit de maatschappelijke opgaven vanuit de Raad voor Rechtsbijstand, Heeft het volgende reglement vastgesteld: Algemeen Artikel 1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **Wrb:** de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. **Wbtv:** de [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704); - c. **Wsnp:** de [Wet schuldsanering natuurlijke personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009730); - d. **Kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - e. **Raad voor Rechtsbijstand:** het zelfstandig bestuursorgaan dat is ingesteld in [artikel 2, eerste lid Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - f. **het bestuur:** het orgaan dat aan het hoofd staat van de Raad voor Rechtsbijstand en dat wordt genoemd in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3) en [4, eerste en tweede lid Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=4); - g. **Raad van Advies:** het adviesorgaan dat de algemeen directeur/bestuurder advise"},{"i":5596,"b":"Besluit van 20 november 2018, houdende regels ter uitvoering van de artikelen 126g, negende lid, 126h, vierde en vijfde lid, 126i, vierde lid, 126j, vierde en vijfde lid, 126o, zesde lid, 126q, vierde lid, en 126zc, van het Wetboek van Strafvordering (Samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden 2019) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 9 oktober 2018, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2382589; Gelet op de [artikelen, 9 vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=9), [126g, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126g), [126h, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126h), [126i, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126i), [126j, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126j), [126o, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126o), [126q, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126q), en [126zc van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zc); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 24 oktober 2018, nr. No.W16.18.0314/II; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 14 november 2018, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr.2402573; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. [definities] In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bevel tot observatie:** een bevel als bedoeld in de [artikelen 126g, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126g), [126o, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126o), of [126zd, eerste lid, onderdeel a van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zd); - b. **bevel tot infiltratie:** een bevel als bedoeld in de [artikelen 126h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":330,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 november 2012, G&VW/AA/2012/16954, tot vaststelling van de Regeling aanscherping handhaving en sanctiebeleid Arbeidstijdenwetgeving Gelet op de [artikelen 7:2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=7:2), en [7:4 van het Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=7:4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **besluit:** het [Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687); - b. **wet:** de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671). Artikel 2 De hoogte van het bedrag, bedoeld in [artikel 7:2, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=7:2) bedraagt € 5000. Artikel 3 Van een soortgelijke overtreding als bedoeld in [artikel 7:4 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=7:4) is sprake als een overtreding wordt gevolgd door een overtreding en beide plaatsvinden: - a. ter zake van de arbeids- en rusttijden van werknemers van 18 jaar of ouder; - b. ter zake van het verbod van kinderarbeid, het verbod omtrent het door vrouwelijke werknemers verrichten van arbeid rond de bevalling, of ter zake van de arbeids- en rusttijden van jeugdige werknemers; of - c. ter zake van [artikel 4:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=4:1) of bij of krachtens [artikel 4:3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=4:3). Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanscherping handhaving en sanctiebeleid Arbeidstijdenwetgeving. Artikel 5 De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7364,"b":"Wet van 19 december 1991, houdende aanpassing van de wetgeving aan de twaalfde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het vennootschapsrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de wet moet worden aangepast aan de twaalfde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 inzake het vennootschapsrecht betreffende eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (**Pb EG** L395/40 van 30 december 1989) en aan artikel 11 van de elfde richtlijn van de Raad van 21 december 1989 betreffende de openbaarmakingsplicht voor in een Lid-Staat opgerichte bijkantoren van vennootschappen die onder het recht van een andere staat vallen (**Pb EG** L395/36 van 30 december 1989); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV 1. De houder van aandelen aan toonder die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet alle aandelen houdt in het kapitaal van een naamloze vennootschap, uitgezonderd de aandelen gehouden door de vennootschap of haar dochtermaatschappijen, geeft hiervan schriftelijk kennis aan de vennootschap vóór 1 juli 1992. Indien de aandelen behoren tot een huwelijksgemeenschap wordt de vennootschap geacht een enkele aandeelhouder te hebben in de zin van dit artikel en rust op ieder van de deelgenoten de verplichting tot kennisgeving overeenkomstig de vorige zin. 2. Indien op het tijdstip van het in werking treden van deze wet alle aandelen in het kapitaal van een naamloze of besloten vennootschap, uitgezonderd de aandelen gehouden door de vennootschap of haar dochtermaatschappijen, worden gehouden door één aandeelhouder dan wel behoren tot een huwelijksgemee"},{"i":6687,"b":"Wet van 4 december 2003 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten ter verhoging van de opbrengst van de griffierechten (verhoging van de opbrengst van griffierechten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de opbrengst van de verschillende vast rechten en griffierechten te doen verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Wijzigt de Beroepswet. Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Wijzigt de Wet tarieven in burgerlijke zaken. Wijzigt de Garantiewet burgerlijk overheidspersoneel Indonesië. Wijzigt de Wet op de Raad van State. Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945. Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet. Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers. Wijzigt de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Wijzigt de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Artikel II Wijzigt de Wet tarieven in burgerlijke zaken. Artikel III 1. Ten aanzien van rechten die verschuldigd zijn geworden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet blijft het recht zoals dat voor die datum gold, van toepassing. 2. Indien op de dag waarop deze wet in werking treedt tegen een besluit beroep openstaat op een administratieve rechter, blijft het oude recht op het beroep van toepassing. 3. Indien op de dag waarop deze wet in werking treedt tegen een uitspraak van een administratieve rechter hoger beroep openstaat, blijft het oude recht op het hoger beroep van toepassing. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk be"},{"i":6460,"b":"Besluit van 18 december 2012, tot wijziging van het Besluit stralingsbescherming en enkele andere besluiten in verband met de vereenvoudiging van de wettelijke regels en de vermindering van administratieve lasten voor ondernemingen die met ioniserende straling werken en het herstel van enkele wetstechnische gebreken en leemten Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 20 augustus 2012, nr. WJZ / 12087046, gedaan mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [Richtlijn 96/29](31996L0029)/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PbEG 1996, L 159), [Richtlijn 97/43](31997L0043)/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van [Richtlijn 84/466](31984L0466)/Euratom (PbEG 1996, L 180), [Richtlijn 90/641](31990L0641)/Euratom van de Raad van 4 december 1990 inzake de praktische bescherming van externe werkers die gevaar lopen aan ioniserende straling te worden blootgesteld tijdens hun werk in een gecontroleerde zone (PbEG 1990, L 349) en [Richtlijn 2003/122](32003L0122)/Euratom van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2003 inzake de controle op hoogactieve ingekapselde radioactieve bronnen en weesbronnen (PbEU 2003, L 346), de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=29), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=31), [32, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=32), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=34), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=35), [37, eerste lid](https://wet"},{"i":6359,"b":"Wijziging rapportage volwasseneneducatie Algemeen Deze publicatie is bedoeld voor BVE-instellingen die opleidingen verzorgen op het terrein van de Volwasseneneducatie. Zij is een toelichting op de rapportage die deze instellingen vanaf oktober 2004 moeten leveren aan de IB-Groep met het persoonsgebonden nummer, ook wel onderwijsnummer genoemd. Zij is gebaseerd op de nieuwe opleidingenstructuur, die gepubliceerd staat in het Gele katern van 10 september 2003, nummer 19, deel 2. Zij is ook gepubliceerd op de Internetsite **www.onderwijsnummer.nl** Bij de invoering van het onderwijsnummer bij Volwasseneneducatie worden een aantal wijzigingen in de rapportage doorgevoerd. Deze zijn eerder overeengekomen met de Bedrijfstakgroep (BTG) Educatie. De belangrijkste lichten we hier toe. De nieuwe rapportage is gepubliceerd in het Programma van Eisen Onderwijsnummer BVE op voornoemde Internetsite. 1. Nieuwe opleidingenstructuur De oude Kwalificatiestructuur Educatie, omvatte zes niveaus, de nieuwe opleidingenstructuur nog slechts vier. De twee laagste niveaus zijn samengevoegd, evenals de twee hoogste. Niveau drie staat voortaan voor Theoretische leerweg VMBO; HAVO en VWO vormen samen niveau vier. De laatste twee opleidingen blijven overigens wel te onderscheiden. Er worden verder niet alleen niveaus onderscheiden, maar ook doelen waarop de opleiding zich richt. Zo hebben we nu Sociale, Educatieve en wel of niet Gekwalificeerde Professionele Redzaamheid. Educatieve redzaamheid omvat het huidige VAVO. Hierbinnen onderscheiden we VMBO, HAVO en VWO, elk met zijn eigen profielen. Deze opleidingen zijn overgenomen van het VO. Professionele redzaamheid bereidt de deelnemer voor op een beroepsopleiding. De term ’Gekwalificeerd’ geeft aan dat de opleiding gecombineerd wordt met een beroepsopleiding (die apart bij beroepsonderwijs moet worden opgegeven). NT2 wordt niet meer gezien als een opleiding maar als een vak. In overeenstemming met VO bestaat de code voortaan uit 4 cijfers. In vo"},{"i":6813,"b":"Aanwijzing Nieuwkoopse Plassen als speciale beschermingszone EG-Vogelrichtlijn Besluit: Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) wordt aangewezen: het in de bijlage van deze beschikking en op bijbehorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Nieuwkoopse Plassen’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een toelichtende nota, welke deel uitmaakt van deze beschikking. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":4380,"b":"Besluit van 31 augustus 2012, houdende nadere regels over de werkwijze van de afdeling, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet College voor de rechten van de mens (Besluit werkwijze onderzoek gelijke behandeling) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 18 mei 2011, nummer 5683452/11/6; Gelet op: resolutie A/RES/48/134 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 20 december 1993 inzake nationale instituten voor de bevordering en bescherming van de rechten van de mens, aanbeveling R (97) 14 van het Comité van ministers van de Raad van Europa van 30 september 1997 inzake de oprichting van onafhankelijke nationale mensenrechteninstituten, [Richtlijn 2000/43/EG](32000L0043) van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PbEG 2000, L 180), [Richtlijn 2004/113/EG](32004L0113) van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PbEU 2004, L 373), [Richtlijn 2006/54/EG](32006L0054) van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) (PbEU 2006, L 204), [artikel 19 van de Wet College voor de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=19); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 juni 2011, nr. W03.11.0178/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 24 augustus 2012, nummer 296052; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 19 van de Wet College voor de rechten van de mens in werking treedt. Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **betrokkene:** persoon als bedoeld in [artikel 10, derde lid, van de wet](https://"},{"i":6459,"b":"Besluit van 12 mei 2006 tot wijziging van het Besluit stralingsbescherming en enige andere besluiten in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2003/122/Euratom (controle op hoogactieve ingekapselde radioactieve bronnen en weesbronnen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 juli 2005, nr. DJZ2005161980, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Ministers van Economische Zaken en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [richtlijn nr. 2003/122](32003L0122)/Euratom van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2003 inzake de controle op hoogactieve ingekapselde radioactieve bronnen en weesbronnen (PbEU L 346) en de [artikelen 21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=21), [32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=32), en [67, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=67); De Raad van State gehoord (advies van 10 oktober 2005, nr. W08.05.0361/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 mei 2006, nr. DJZ2006249177, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Ministers van Economische Zaken en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit stralingsbescherming. Artikel II Wijzigt het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen. Artikel III Wijzigt het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen. Artikel IV 1. Tot 30 juni 2006 blijft op hoogactieve bronnen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012702&artikel=1), in verbinding met [bijlage 5 bij het Besluit stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012702&bijlage=5), die op de dag van inwerkingtreding van dit besluit reeds op de markt z"},{"i":3307,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 november 2015 nr. BOACAT2015/057, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Roosendaal, domein I, Openbare Ruimte Gelezen het verzoek van de Teamleider Veiligheid, Toezicht en Handhaving van de gemeente Roosendaal van 30 september 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland – West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037194&artikel=2&z=2015-12-31&g=2015-12-31). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van controleur openbare ruimte, parkeercontroleur en apv-controleur werkzaam bij het Team Veiligheid, Toezicht en Handhaving van de gemeente Roosendaal, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken"},{"i":4877,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 18 december 2019, tot vaststelling van het mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020 Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6). Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **het Ministerie van Financiën:** het kernministerie, de directoraten-generaal Belastingdienst (DGBD), Toeslagen (DGTSL) en Douane (DGD) en de inspectie belastingen, toeslagen en douane (IBTD); - b. **het kernministerie:** de Generale Thesaurie, het directoraat-generaal Rijksbegroting, het directoraat-generaal Fiscale Zaken en het cluster secretaris-generaal; - c. **de minister:** de Minister van Financiën; - d. **de staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Financiën; - e. **bewindspersoon:** de Minister of de Staatssecretaris van Financiën; - f. **algemene leiding:** de secretaris-generaal (SG), de plaatsvervangend secretaris-generaal (pSG), de directeuren-generaal (DG), en de thesaurier- generaal (TG); - g. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon besluiten te nemen; - h. **volmacht:** volmacht als bedoeld in [artikel 3:60, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=60), om namens de Staat der Nederlanden rechtshandelingen te verrichten; - i. **medewerker:** de ambtenaar in de zin van de [Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947) die werkzaam is bij het ministerie; - j. **(hoofd)budgethouder:** hoofd van een organisatie-eenheid verantwoordelijk voor het financieel beheer van één of meer budgetten; - k. **Bed"},{"i":6027,"b":"HERDRUK Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 29 september 2025 nr. 9188318, tot vaststelling van de Aanwijzingen voor convenanten Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1 De als bijlage bij deze regeling gevoegde ‘Aanwijzingen voor convenanten’ worden vastgesteld. Artikel 2 De [regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 21 januari 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014609), Stcrt. 18, wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage Aanwijzingen voor convenanten Hoofdstuk 1. Toepassingsbereik Aanwijzing 1 Reikwijdte **Eerste lid.**De toepassing van de aanwijzingen beperkt zich tot convenanten die onder ministeriële verantwoordelijkheid worden aangegaan, met andere woorden convenanten die door de rijksoverheid worden gesloten. De verplichting tot het volgen van deze aanwijzingen geldt dus niet voor de convenanten van de decentrale overheden en zelfstandige bestuursorganen. De zinsnede aan het slot van dit lid ziet op de bijzondere situatie dat de totstandkoming en de inhoud van een bepaald convenant al wettelijk (zowel op grond van een formele wet als op grond van lagere regelgeving) is voorgeschreven. Dan is er geen ruimte meer voor het toepassen van deze aanwijzingen. Het bevoegde gezag is dan beperkt in zijn vrijheid om een convenant nader in te vullen. Een voorbeeld hiervan zijn afspraken tussen aanvrager en bevoegd gezag over de invulling van voorschriften bij een vergunning. Omdat die afspraken in vergunningvoorschriften moeten worden vastgelegd, in overeenstemming met de doelstellingen van het toepasselijke wettelijke kader en met de daarbij behorende totstandkomingsprocedures, is toepassing van de aanwijzingen niet aan de orde. Het is van belang om in acht te nemen dat naast deze aanwijzingen de algemene beginselen van behoorlijk be"},{"i":6618,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Veiligheid en Justitie van 16 augustus 2016, kenmerk 1002145-153925-J, houdende wijziging van de Regeling Jeugdwet ter vaststelling van enige regels die de aanbieders van jeugdhulp bij het verstrekken van persoonsgegevens aan gemeenten in acht dienen te nemen Gelet op [artikel 7.4.0, vierde lid, onderdelen a en b, en vijfde lid, onderdeel d, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.4.0); Besluiten: Artikel I Wijzigt de Regeling Jeugdwet. Artikel II 1. In aanvulling op artikel 6a.1 worden, indien een indicatie voor of verwijzing naar de dienst voor 1 januari 2015 is afgegeven, bij declaraties voor gedurende het kalenderjaar 2015 verleende diensten tevens vermeld: - 1°. de datum waarop de dienst is aangevangen of de dienst volgens de verwijzing of indicatie zou kunnen aanvangen, - 2°. indien aangegeven: de periode waarvoor de verwijzing of de indicatie geldt. 2. In geval de dienst, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit pleegzorg, is dat lid ook van toepassing voor declaraties voor na 2015 verleende diensten, totdat de indicatie, bedoeld in het eerste lid, is vervangen door een beschikking van de gemeente. Artikel III In afwijking van artikel I luidt [artikel 6a.3 van de Regeling jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036007&artikel=6a.3) voor over het kalenderjaar 2015 verleende diensten als volgt: **Artikel 6a.3** Een jeugdhulpaanbieder die andere jeugdhulp dan geestelijke gezondheidszorg of een aanbieder die preventie heeft verleend of zal verlenen, vermeldt bij de declaratie naast de in [artikel 6a.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036007&artikel=6a.1), bedoelde gegevens de persoonsgegevens die hij ingevolge door of namens het college gemaakte afspraken dan wel gegeven instructies dient te vermelden, met dien verstande dat niet meer soorten persoonsgegevens worden vermeld dan de persoonsgegevens, bedoeld in d"},{"i":7119,"b":"Regeling leningen huurwoonwagens ten behoeve van toegelaten instellingen Gelet op artikel 52 van het Besluit woninggebonden subsidies (Stb. 1991, 440). Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder ‘minister’: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 2 De minister kan aan een gemeente een lening verstrekken voor de bouw van een huurwoonwagen door een toegelaten instelling, indien: - a. aan die toegelaten instelling geldelijke steun daarvoor is verleend op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, 28 of 29g van het Besluit woninggebonden subsidies (Stb. 1991, 440); en - b. de raad van die gemeente daarvoor een lening heeft verstrekt aan die toegelaten instelling. Artikel 3 1. De gemeente dient bij de minister een aanvraag in om verstrekking van een lening voor de bouw van een huurwoonwagen, op een door de gemeente volledig ingevuld formulier, als opgenomen in de bijlage bij deze regeling. 2. De aanvraag houdt in ieder geval in: een verklaring van de gemeente dat de woonwagen voor bewoning gereed is. 3. De aanvraag gaat vergezeld van een afschrift van: - a. het besluit tot verlening van geldelijke steun als bedoeld in [artikel 2, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005692&artikel=2&z=1993-01-01&g=1993-01-01); en - b. het besluit van de betrokken gemeente tot verstrekking van een lening aan een toegelaten instelling. 4. Binnen twee maanden nadat de aanvraag bij de minister is ingediend beslist de minister en deelt hij de beslissing schriftelijk aan de gemeente mee. Artikel 4 De gemeente betaalt de ontvangen gelden uiterlijk een maand na ontvangst uit aan de toegelaten instelling. Artikel 5 1. De lening wordt vastgesteld op de hoogte van de kosten van het verkrijgen in eigendom van de woonwagen. 2. Onder de kosten van het verkrijgen in eigendom van een woonwagen, bedoeld in het eerste lid, worden verstaan de kosten die de gemeente in haar besluit tot verstrekking van een lening als bedoeld in [artikel"},{"i":5628,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 23 mei 2025 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA tabak en rookwaren (IB03-SPEC 31, versie 21) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 13 van de Tabaks- en rookwarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=13), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA tabak en rookwaren beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB), de klasseindeling van en de interventies voor de beoordeling van specifieke overtredingen van de wetgeving in het domein tabak en rookwaren. Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in dit IB03-SPEC 31 zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de Afdeling Expertise van de Directie Handhaven teneinde een interventie te bepalen. 2. Definities en wettelijke basis 2.1. Definities In aanvulling op de definities en begrippen uit het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) gelden de volgende definities: Inspectie: Elke vorm van controle door een inspecteur van de NVWA om na te gaan of de wet- en regelgeving inzake tabak en rookwaren wordt nageleefd. De inspecteur kan, als dit de efficiency van de uit te voeren inspectie ten goede komt, ervoor kiezen om deze van tevoren aan te kondigen. Dit laat onverlet dat de inspecteur ook zonder aankondiging een inspectie kan uitvoeren; Herinspectie: Een inspectie"},{"i":6433,"b":"Besluit van 31 januari 2018, houdende wijziging van het Besluit implementatie richtlijn 2012/34/EU tot instelling van één Europese spoorwegruimte in verband met het instellen van aanvullende heffingen, kortingen en aftrek ter dekking van de door de infrastructuurbeheerder gemaakte kosten alsmede prijsprikkels ter bevordering van een betere benutting van de spoorweginfrastructuur en inpassing in de leefomgeving (vergoedingen gebruik hoofdspoorweginfrastructuur) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 14 juli 2017, nr. IenM/BSK-2017/172961, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PbEU 2012, L 343/32) en de [artikelen 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=61), en [62, vierde en zesde lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=62); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 oktober 2017, nr. W14.17.0236/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 26 januari 2018, nr. IenM/BSK-2017/267423, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit implementatie richtlijn 2012/34/EU tot instelling van één Europese spoorwegruimte. Artikel II Voor het dienstregelingsjaar 2019 blijft [artikel 11d van het Besluit implementatie richtlijn 2012/34/EU tot instelling van één Europese spoorruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037315&artikel=11d) buiten toepassing. Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel I, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040631&artikel=I&z=2018-02-17&g=2018-02-17), [artikelen 11b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037"},{"i":1659,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2008, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2009 (Verordening PT bijzondere heffing teelt fruit en champignons 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 17 juni 2008; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | het braakland | : | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld, alsmede niet beteelde gronden, waarop in juli of augustus in enig oogstjaar aardbeien zullen worden geplant en waarvan in het daaropvolgende jaar zal worden geoogst; | | --- | --- | --- | --- | | b. | de cultuurgrond: | : | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024903&paragraaf=3&artikel=4&z=2"},{"i":448,"b":"Reglement examens hoger en middelbaar archiefambtenaar A. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: Artikel 2 De examencommissie geeft tenminste éénmaal per kwartaal gelegenheid tot het afleggen van de examens hoger en middelbaar archiefambtenaar. Artikel 3 Degene, die aan de examens hoger en middelbaar archiefambtenaar wenst deel te nemen, dient zich hiertoe schriftelijk aan te melden bij de voorzitter van de examencommissie. Artikel 4 Het verzoek in de gelegenheid te worden gesteld tevens examen af te leggen in één of meer vakken, bedoeld in artikel 29, derde lid, onder a, van het Archiefbesluit, dient bij de aanmelding voor het desbetreffende examen te worden gedaan. Artikel 5 Voor het verlenen van vrijstelling door de examencommissie voor het afleggen van examen in één of meer van de in de artikelen 36, tweede lid, en 39, tweede lid, van het Archiefbesluit bedoelde vakken of onderdelen daarvan, geldt de in de bijlage van dit Reglement opgenomen regeling. Artikel 6 De voorzitter van de examencommissie houdt aantekening van: - a. de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van degenen, die de examens hoger en middelbaar archiefambtenaar of een gedeelte daarvan hebben afgelegd; - b. de namen van de leden van de examencommissie, die de onder a bedoelde examens hebben afgenomen; - c. de door de examencommissie voor elk vak of onderdeel daarvan gegeven beoordeling; - d. de door de examencommissie vastgestelde uitslag van de onder a bedoelde examens of een gedeelte daarvan. Artikel 7 De voorzitter van de examencommissie maakt de uitslag van de examens hoger en middelbaar archiefambtenaar of van een gedeelte daarvan op door hem te bepalen wijze bekend. B. Examen hoger archiefambtenaar Artikel 8 Bij de aanmelding voor het examen hoger archiefambtenaar dienen te worden overgelegd: - a. een kopie van het getuigschrift, waaruit blijkt dat enig in artikel 30, eerste lid, van het Archiefbesluit bedoeld doctoraal examen met goed gevolg is afg"},{"i":5821,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, van 29 november 2022, nr. 2022-0000630123, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van subsidie aan verenigingen van eigenaars, woonverenigingen en wooncoöperaties in verband met het stimuleren van verduurzamingsmaatregelen in bestaande woningen (Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars) Gelet op [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, vierde lid en vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=20) en [21, onderdelen b en h, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=21); Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanvullende energiebesparende maatregelen:** maatregelen, genoemd in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047596&hoofdstuk=III&artikel=8&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - –. **Algemene groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187); - –. **appartementsrecht:** appartementsrecht, bedoeld in [artikel 106, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288&artikel=106); - –. **basislaadinfrastructuur:** het totaal van de infrastructuur behorende bij het oplaad"},{"i":4393,"b":"Bekendmaking van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 23 februari 2018, nr. 1286401, houdende wijziging van het subsidieplafond van de Regeling subsidie zij-instroom 2017 voor het kalenderjaar 2017 en vaststelling van het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2018 Gelet op [artikel 4, derde en zesde lid, van de Regeling subsidie zij-instroom 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039459&artikel=4) en op [artikel 1.4, derde lid, van de Regeling subsidie korte scholingstrajecten vo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039979&artikel=1.4), Besluit: Artikel I Met inachtneming van [artikel 4, zesde lid, van de Regeling subsidie zij-instroom 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039459&artikel=4) wordt een bedrag van € 1.830.000 naar evenredigheid verdeeld over de subsidieplafonds voor het kalenderjaar 2017, bedoeld in artikel 4, eerste lid. Artikel II De subsidieplafonds voor het kalenderjaar 2018, bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de Regeling subsidie zij-instroom 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039459&artikel=4) worden vastgesteld op: € 7.200.000 voor zij-instromers in het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs; € 3.920.000 voor zij-instromers in het voortgezet onderwijs; en € 7.220.000,– voor zij-instromers in het middelbaar beroepsonderwijs. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1663,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 10 november 2010, houdende de vaststelling van een bijzondere heffing teelt groenten en fruit 2011 (Verordening PT bijzondere heffing teelt groenten en fruit 2011) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 19 oktober 2010. Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. Deze verordening verstaat onder: productschap Productschap Tuinbouw; | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | braakland | : | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld; | | contractteelt | : | de teelt van gewassen en producten ingevolge een overeenkomst waarbij het teeltrisico ligt bij de teler; | | cultuurgrond | : | beteelde grond, braakland, grond die gemoeid is met het gebruik van een groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030499&paragraaf=3&artikel=3&z=2011-09-11&g=2011-09-11) genoemde groenten en fruit kunnen worden geteeld, of de ten tijde van het tijdvak als genoemd in de Regeling Landbouwtelling nog niet beteelde grond waarbij een teelt voor eind augustus wordt ingezet; | | gemeten maat | : | de oppervlakte van cultuurgrond, inclusief paden en voren die voor de teelt noodzakelijk zijn; | | groenten en fruit | : | vermeld in [artikel 3, lid 4, sub a en b van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":6161,"b":"Besluit van 17 april 2012, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit textielproducten in verband met uitvoeringsmaatregelen voor verordening (EU) nr. 1007/2011 Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 februari 2012, kenmerk VGP/3103619, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op: Verordening (EU) nr. 1007/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011 betreffende textielvezelbenamingen en de desbetreffende etikettering en merking van de vezelsamenstelling van textielproducten, en houdende intrekking van [richtlijn 73/44/EEG](31973L0044) van de Raad en [richtlijnen 96/73/EG](31996L0073) en [2008/121/EG](32008L0121) van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2011, L 272); de [artikelen 8, eerste lid, onder a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [13, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 februari 2012, nr. W13.12.0045/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 april 2012, VGP/3110926, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder verordening (EU) 1007/2011: Verordening (EU) nr. 1007/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011 betreffende textielvezelbenamingen en de desbetreffende etikettering en merking van de vezelsamenstelling van textielproducten, en houdende intrekking van [richtlijn 73/44/EEG](31973L0044) van de Raad en [richtlijnen 96/73/EG](31996L0073) en [2008/121/EG](32008L0121) van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2011, L 272). Artikel 2 Het is verboden te handelen in strijd met de volgende artikelen van verordening (EU"},{"i":1664,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 14 november 2011, houdende de vaststelling van een bijzondere heffing teelt groenten en fruit 2012 (Verordening PT bijzondere heffing teelt groenten en fruit 2012) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 3 november 2011; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | braakland | : | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld; | | contractteelt | : | de teelt van gewassen en producten ingevolge een overeenkomst waarbij het teeltrisico ligt bij de teler; | | cultuurgrond | : | beteelde grond, braakland, grond die gemoeid is met het gebruik van een groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031161&paragraaf=3&artikel=3&z=2013-09-22&g=2013-09-22) genoemde groenten en fruit kunnen worden geteeld, of de ten tijde van het tijdvak als genoemd in de Regeling Landbouwtelling nog niet beteelde grond waarbij een teelt voor eind augustus wordt ingezet; | | gemeten maat | : | de oppervlakte van cultuurgrond, inclusief paden en voren die voor de teelt noodzakelijk zijn; | | groenten en fruit | : | producten als bedoeld in [artikel 3, lid 4, onderdeel a en b van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=3)"},{"i":5711,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat houdende voorschriften met betrekking tot het verstrekken van subsidie aan eigenaren van kenmerkende woningen in het beperkingengebied van de luchthaven Schiphol, met het oog op het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen dan wel het doen vervangen door nieuwbouw (Subsidieregeling geluidsisolatie of vervangende nieuwbouw specifieke panden) Gelet op de [artikelen 2 tot en met 4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt onder ‘geluidsgevoelige ruimten van woningen’, ‘geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie’ en ‘kostenbegrenzingswaarde’ verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Regeling geluidwerende voorzieningen 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008540). Artikel 2 1. De Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de eigenaar van een woning als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016575&artikel=5&z=2004-04-15&g=2004-04-15), een subsidie verstrekken ten behoeve van: - a. het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan die woning voor dat gedeelte van het daarvoor benodigde bedrag dat hoger is dan de voor die woning berekende kostenbegrenzingswaarde, of - b. het realiseren van vervangende nieuwbouw van een woning. 2. Met een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de woning van een eigenaar waarvan op de dag van publicatie van deze regeling door de Minister van Verkeer en Waterstaat is vastgesteld dat die woning voldoet aan [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016575&artikel=5&z=2004-04-15&g=2004-04-15). Artikel 3 1. Het subsidieplafond bedraagt € 9,08 miljoen. 2. Het subsidieplafond wordt als volgt verdeeld: - a. voor de woningen, bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016575&artikel=2&z=2004-04-15&g=2004-04-15), wordt in ieder geval een subsidie verstrekt"},{"i":1665,"b":"Verordening van het Productschap Tuinbouw van 25 september 2001, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van uien voor het jaar 2000 op voorstel van de Sectorcommissie Groenten en Fruit; gelet op de [artikelen 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en op de artikelen 14, 15 en 19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de artikelen 2 en 3 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw. 2. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | productschap: | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | bestuur: | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | d. | onderneming: | onderneming waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. | ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming drijft; | | f. | cultuurgrond: | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023363&paragraaf=3&artikel=4&z=2008-01-12&g=2008-01-12) genoemde gewassen of producten kunnen word geteeld, of ten tijde van het tijdvak, bedoeld in de Regeling Landbouwtelling, nog niet beteelde grond waarbij een teelt voor eind augustus wordt ingezet; | | g. | gemeten maat: | de oppervlakte beteelbare grond, inclusief paden en voren die voor de teelt noodzakelijk zijn; | | h. | contractteelt: | de teelt van gewassen of producten ingevolge een overeenkomst; | | i. | heffingplichtige: | degene die ingevolge deze heffingsverordening heffing verschuldigd is. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De ondernemer, die in het jaar 2000 een onderneming drijft waarin uien worden geteeld, is voor dat jaar aan het p"},{"i":5179,"b":"Referenda Circulaire aan de gemeentebesturen De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Graag vraag ik uw aandacht voor het volgende. Inleiding In een groot aantal gemeenten worden initiatieven genomen in verband met het houden van referenda. De afgelopen maanden zijn aan het ministerie veel vragen gesteld over de mogelijkheden die op dit moment, binnen het huidige (grond)wettelijk kader, bestaan voor gemeenten om te komen tot de invoering van een bepaalde vorm van referendum. Bovendien is regelmatig de vraag gesteld wat, mede gelet op de afspraken die zijn gemaakt in het regeerakkoord, de voornemens van het Rijk zijn om met regelgeving terzake te komen. Deze circulaire strekt er toe u op beide punten informatie te verschaffen. Mogelijkheden voor referenda op dit moment Wat betreft de mogelijkheden om op dit moment te komen tot invoering van een bepaalde vorm van referendum, is met name het volgende van belang. Binnen het bestaande (grond)wettelijk kader zijn beslissende referenda niet toegestaan. Raadplegende referenda zijn, met inachtneming van bepaalde grenzen, wel mogelijk. Voorwaarde hierbij is dat het primaat van de gemeenteraad, zoals neergelegd in de [Grondwet](onbekend) en de [Gemeentewet](onbekend), niet wordt aangetast. Bij [koninklijk besluit van 2 november 1993](onbekend) (Stb. 1993, 589) is een referendum-verordening van de gemeente Arnhem geschorst. In deze verordening is een raadplegend referendum op initiatief van de raad geregeld. Bij het besluit van de raad tot het houden van een referendum kunnen raadsleden aangeven dat zij zich gebonden zullen achten aan de uitslag van het referendum. Tijdens de schorsing is onderzocht of het besluit van de gemeenteraad van Arnhem, danwel onderdelen daarvan, wegens strijd met het recht en/of het algemeen belang moesten worden vernietigd. Daarbij is nagegaan of het besluit in overeenstemming is met de [Grondwet](onbekend) en de [Gemeentewet](onbekend). In het onderzoek van de Arnhemse verorden"},{"i":2906,"b":"Besluit aanpassing zaaksoort en bijbehorende bewindvoerdersubsidies Wsnp Gelet op: - De Wet schuldsanering natuurlijke personen (Staatsblad 1998, nrs. 445 en 447) - Art 4, lid 1 en 3 van het besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2001, nr. 80) - Paragraaf 3.5.6 en afdeling 4.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht stelt aanvullende regels vast met betrekking tot het bijstellen van zaaksoorten en bijbehorende bewindvoerdersubsidies in het kader van de Wsnp. Artikel 1 De Raad voor Rechtsbijstand 's-Hertogenbosch stelt bij het begin van elke nieuwe Wsnp-zaak de zaaksoort vast en de bijbehorende subsidie (art 4 Besluit Subsidie Bewindvoerder Schuldsanering). Hij baseert deze uitspraak op de informatie in de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van de arrondissementsrechtbanken. De Raad informeert de bewindvoerder over zijn besluit via het rekening-courantoverzicht dat binnen twee maanden na ontvangst van het vonnis tot toepassing van de wettelijke schuldsanering aan de bewindvoerder wordt toegestuurd. Artikel 2 Indien de bewindvoerder tijdens de looptijd van de schuldsanering signaleert dat de werkelijke zaaksoort afwijkt van de aanvankelijk vastgestelde, dient hij de Raad voor Rechtsbijstand 's-Hertogenbosch daarover te informeren. Artikel 3 De bewindvoerder verzoekt schriftelijk om aanpassing van de zaaksoort en bijbehorende bewindvoerdersubsidie uiterlijk op de dag van de beëindigingzitting. Het verzoek gaat vergezeld van documentatie aan de hand waarvan de Raad voor Rechtsbijstand de zaaksoort opnieuw kan vaststellen. Artikel 4 De Raad voor Rechtsbijstand kan de bewindvoerder ook actief benaderen met het verzoek informatie beschikbaar te stellen waarmee hij de zaaksoort opnieuw kan vaststellen. De bewindvoerder dient hieraan medewerking te verlenen. Verleent hij geen medewerking, dan kan de Raad voor Rechtsbijstand een lagere bewindvoerdersubsidie vaststellen en uitbetalen. Artikel 5 De Raad voor Rechtsbijstand informee"},{"i":6311,"b":"Wet van 13 september 2000 tot gemeentelijke herindeling in een deel van Twente Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling in een deel van Twente te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande gemeenten opgeheven. Ambt Delden Stad Delden Denekamp Den Ham Diepenheim Goor Holten Markelo Ootmarsum Rijssen Vriezenveen Weerselo Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande nieuwe gemeenten ingesteld. Denekamp Hof van Twente Rijssen Vriezenveen 2. In tabel 1 is aangegeven uit het gebied van welke op te heffen gemeenten het gebied van elk der nieuwe gemeenten bestaat, met dien verstande dat de grenzen van de nieuwe gemeenten komen te lopen zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. **Tabel 1. Gebiedsbepaling nieuwe gemeenten** | nieuwe gemeente | bestaande uit de op te heffen gemeenten | | --- | --- | | Denekamp | Denekamp | | | Ootmarsum | | | Weerselo | | Hof van Twente | Ambt Delden | | | Stad Delden | | | Diepenheim | | | Goor | | | Markelo | | Rijssen | Holten | | | Rijssen | | Vriezenveen | Den Ham | | | Vriezenveen | Paragraaf 2. Grenswijzigingen van gemeenten die niet worden opgeheven Artikel 3 De grenzen van de gemeenten Almelo, Borne, Enschede, Hengelo, Losser, Oldenzaal en Wierden worden gewijzigd zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 3. Bepalingen in verband met de toepassing van de Wet algemene regels herindeling Artikel 4 In tabel 2 zijn voor de nieuwe gemeenten de op te heffen gemeenten aangewezen in verband met de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel"},{"i":3433,"b":"Besluit van 27 oktober 2014, houdende regels inzake het door de ACM ten laste brengen van kosten aan marktorganisaties (Besluit doorberekening kosten ACM) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 14 juli 2014, nr. WJZ / 14115872; Gelet op [artikel 6a, vierde, zesde en achtste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=6a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 september 2014, nr. W15.14.0254/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 21 oktober 2014, nr. WJZ / 14151771; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop het in artikel I, onderdeel E, van de Wijzigingswet Instellingswet Autoriteit Consument en Markt, enz. (stroomlijning markttoezicht ACM) vastgestelde artikel 6a in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt; - **beschikking tot betaling:** de beschikking, bedoeld in [artikel 4:86 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:86); - **bedragen:** de bedragen die krachtens [artikel 6a, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=6a) worden vastgesteld; - **wet:** de [Instellingswet Autoriteit Consument en Mark](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043)t. Artikel 2 De bedragen worden door de ACM aan marktorganisaties in rekening gebracht en door de ACM geïnd. Hoofdstuk 2. Kosten van beschikkingen die worden doorberekend aan de marktorganisatie aan wie de beschikking is gericht of die de aanvraag heeft gedaan Artikel 3 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de doorberekening van de kosten van de beschikkingen, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdelen a, b, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035712&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01)."},{"i":7223,"b":"Verdrag tot oprichting van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (OMPI/WIPO), zoals gewijzigd op 28 september 1979 De Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens, bij te dragen tot een beter begrip en een betere samenwerking tussen de Staten tot hun wederzijds voordeel en op basis van de eerbiediging van hun soevereiniteit en gelijkheid, Verlangende de bescherming van de intellectuele eigendom in de wereld te bevorderen, om aldus de creatieve werkzaamheid aan te moedigen, Verlangende het beheer van de Unies, ingesteld op het gebied van de bescherming van de industriële eigendom en van de bescherming van werken van letterkunde en kunst, te moderniseren en doeltreffender te maken, zulks met volledige eerbiediging van de zelfstandigheid van deze Unies, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Oprichting van de Organisatie Bij dit Verdrag wordt de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom opgericht. Artikel 2. Begripsomschrijvingen In dit Verdrag wordt verstaan: - i). onder „Organisatie”, de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (OMPI/WIPO); - ii). onder „Internationaal Bureau” het Internationale Bureau voor de intellectuele eigendom; - iii). onder „[Verdrag van Parijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004120)” het Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom, ondertekend op 20 maart 1883, met inbegrip van alle daarbij behorende Akten van herziening; - iv). onder „[Berner Conventie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003977)”, de Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend op 9 september 1886, met inbegrip van alle daarbij behorende Akten van herziening; - v). onder „Unie van Parijs” de Internationale Unie, opgericht bij het [Verdrag van Parijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004120); - vi). onder „Unie van Bern” de Internationale Unie, opgericht bij de [Berner Conventie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003977); - vii). onder „Unies” de Unie van Parijs, de bijz"},{"i":2915,"b":"Besluit van 11 juli 2014, houdende de aanwijzing aan de Gouverneur van Aruba tot het aanhouden van de vaststelling van de landsverordening tot vaststelling van de begrotingen van de ministeries van het land voor het begrotingsjaar 2014 en het doen van onderzoek naar de realiteit van de ramingen in de begrotingen en de meerjarige ontwikkeling van de overheidsfinanciën van Aruba Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 juli 2014, nummer 2014-0000354235. Overwegende, dat het wenselijk is de Gouverneur van Aruba een aanwijzing te geven tot het aanhouden van de vaststelling van de landsverordening tot vaststelling van de begrotingen van de ministeries van het land voor het begrotingsjaar 2014 en het doen van onderzoek naar de realiteit van de ramingen in de begrotingen en de meerjarige ontwikkeling van de overheidsfinanciën van Aruba, Gelet op de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003900&artikel=15) en [21 van het Reglement voor de Gouverneur van Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003900&artikel=21); [Artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=10) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De Gouverneur van Aruba houdt de vaststelling van de door de Staten goedgekeurde landsverordening tot vaststelling van de door de Staten goedgekeurde begrotingen van de ministeries van het land voor het begrotingsjaar 2014 aan en doet onderzoek naar de realiteit van de ramingen in de door de Staten goedgekeurde begrotingen 2014 en de meerjarige ontwikkeling van de overheidsfinanciën van Aruba. De Gouverneur kan voor het onderzoek de hulp inroepen van deskundigen. 2. Het onderzoeksrapport bevat in ieder geval - a. de uiteenzetting of de ramingen in de begroting realistisch zijn; - b. de meerjarige gevolgen van de begroting voor het begrotings- of financieringstekort respectievelijk begrotingsoverschot en de staatsschuld;"},{"i":340,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 oktober 2010, nr. 2010-0000659006 , houdende aanwijzing niet-werknemer in de zin van de Pensioenwet ambtenaren BES (Regeling aanwijzing niet-werknemer Pensioenwet ambtenaren BES) Gelet op [artikel 6, eerste lid, onder b, van de Pensioenwet ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Geen werknemer in de zin van de [Pensioenwet ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714) wegens hun bijzondere arbeidsvoorwaarden of de bijzondere aard van hun werkzaamheden zijn: - a. personen die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen in het kader van een door de overheid getroffen regeling die tot doel heeft om door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen die behoren tot een of meer bepaalde groepen van werklozen; - b. personen die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij wijze van sociale werkvoorziening tewerkgesteld zijn; - c. personen wier beloning bestaat uit incidentele vergoedingen, zoals vacatiegelden, kostenvergoedingen en daarmee overeenkomende schadeloosstellingen; - d. personen die op voet van vrijwilliger in dienst der brandweer zijn; - e. personen, die blijkens de bewoordingen van de aanstelling of arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming van henzelf. Artikel 2 Geen werknemer in de zin van de [Pensioenwet ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714) wegens de korte duur van zijn dienstverhouding is degene die voor ten hoogste zes maanden aaneengesloten in dienst is genomen. Degene die voor onbepaalde tijd in dienst is genomen, wordt geacht werknemer in de zin van de Pensioenwet ambtenaren BES te zijn. Artikel 3 Geen werknemer in de zin van de [Pensioenwet ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714) wegen"},{"i":265,"b":"Instelling Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6), Besluiten: Artikel 1 1. Er is een Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid, verder te noemen de commissie. 2. De commissie wordt ingesteld voor de duur van één jaar. Artikel 2 1. De commissie heeft tot taak een analyse uit te voeren met betrekking tot de aard, de omvang en de oorzaken van arbeidsuitval door ziekte of arbeidsongeschiktheid. 2. De commissie baseert zich hierbij mede op de verrichte probleemanalyse van de Commissie psychische arbeidsongeschiktheid, de uitkomsten van de door Aarts en De Jong B.V. uitgevoerde overzichtsstudie ‘25 jaar onderzoek naar de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)’, de uitkomsten van de door SZW en bureau Astri verrichte brancheprestatievergelijking en op reeds beschikbare gegevens en rapporten. 3. De commissie komt op basis van haar analyse tot aanbevelingen en rapporteert hierover in het voorjaar van 2001 aan de Minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 3 De commissie bestaat uit een voorzitter en vijf andere leden, welke door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden benoemd. Artikel 4 De commissie dient ten behoeve van haar werkzaamheden en alle daarmee samenhangende kosten en vergoedingen binnen vier maanden na het in werking treden van deze regeling een begroting in bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Na goedkeuring worden de desbetreffende gemaakte kosten en gedane vergoedingen voldaan door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Vergoedingen aan leden worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in [artikel 14 van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=14). Artikel 5 De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid benoemt de secretaris van de commiss"},{"i":296,"b":"Nadere regeling kinderarbeid Gelet op [artikel 3:2, derde lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=3:2); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1. Definities 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. alternatieve sanctie: - a. de deelname aan een project, bedoeld in [artikel 77e, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77e); - b. de vervulling van de voorwaarde, bedoeld in [artikel 77f, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77f), of - c. de uitvoering van de alternatieve sanctie, bedoeld in [artikel 77h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77h); - –. arbeid van lichte aard: werkzaamheden die niet te zwaar zijn, geen gevaar opleveren of niet schadelijk zijn voor de gezondheid; - –. niet-industriële arbeid van lichte aard: arbeid van lichte aard die niet wordt verricht met of aan mechanische arbeidsmiddelen waaraan onacceptabele veiligheidrisico’s voor een kind of zijn omgeving zijn verbonden; - –. niet-industriële hulparbeid van lichte aard: niet-industriële arbeid van lichte aard die bestaat uit het verlenen van hand en spandiensten, waarbij geen sprake is van zelfstandige productiearbeid en waarbij nadrukkelijk toezicht wordt gehouden; - –. schoolweek: een week waarin op één of meer dagen onderwijsactiviteiten plaatsvinden; - –. uitvoering: het deelnemen aan uitvoeringen van culturele, wetenschappelijke, opvoedkundige of artistieke aard, aan modeshows, aan audio-, visuele of audio-visuele opnamen en daarmee vergelijkbare uitvoeringen; - –. vakantieweek: een week waarin geen onderwijsactiviteiten plaatsvinden. 2. Geen arbeid van lichte aard is in ieder geval arbeid waarbij: - a. op grond van de [artikelen 3.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=3.46), [4.105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&arti"},{"i":5693,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, van 22 november 2023, nr. KO/ 42384046, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor het inzetten van een brugfunctie (Subsidieregeling brugfunctionaris) Gelet op [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71), [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71) en [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **ouders:** ouders, voogden of verzorgers; - **samenwerkingsverband:** samenwerkingsverband als bedoeld in [artikel 18a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=18a) of [artikel 2.47, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.47); - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **vestiging:** hoofdvestiging of nevenvestiging als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), hoofdvestig"},{"i":6881,"b":"Besluit van 11 maart 1991, ter uitvoering van artikel 905 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 30 november 1990, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek nr. 37748/690; Gelet op [artikel 905 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=905); De Raad van State gehoord (advies van 7 januari 1991, nr. W03.90.0609); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 februari 1991, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 46942/91/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De schadevergoeding die de vervoerder wegens het niet nakomen van de op hem uit hoofde van [artikel 895 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=895) rustende verplichtingen mogelijkerwijs is verschuldigd, is onder voorbehoud van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005013&artikel=4&z=2002-01-01&g=2002-01-01) beperkt tot een bedrag van € 2,70 per kilogram. Artikel 2 Het aantal kilogrammen waarvan ter berekening van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005013&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01) genoemde bedrag wordt uitgegaan, is het op de vrachtbrief vermelde gewicht van de beschadigde of niet afgeleverde zaak, dan wel verpakking. Indien geen vrachtbrief is uitgegeven, wordt uitgegaan van het aantal kilogrammen dat de beschadigde of niet afgeleverde zaak, dan wel verpakking bij haar terbeschikkingstelling ten vervoer had. Bij de berekening van dit aantal kilogrammen wordt rekening gehouden met [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005013&artikel=3&z=2002-01-01&g=2002-01-01). Artikel 3 1. Indien de verpakking van de zaak door of vanwege de vervoerder ter beschikking is gesteld of de zaken onverpakt ten vervoer ter beschikking zijn gesteld en onverschillig of de verpakking al dan niet verloren is gegaan of beschadigd is, wordt uitgegaan van het aantal kilogrammen"},{"i":6295,"b":"Wet van 18 juli 2009 tot samenvoeging van de gemeenten Reiderland, Scheemda en Winschoten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Reiderland, Scheemda en Winschoten samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Reiderland, Scheemda en Winschoten opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Oldambt ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Reiderland, Scheemda en Winschoten zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Oldambt wordt de op te heffen gemeente Winschoten aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Reiderland en Scheemda en Winschoten wordt de nieuwe gemeente Oldambt aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorzi"},{"i":6073,"b":"Verzamelbesluit fiscale eenheid **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat mijn beleid voor de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting (artikel 15 en volgende van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969). Dit besluit is een actualisatie van mijn besluit van 14 december 2010, nr. DGBD2010/4620M (** **Stcrt. 2010, 20684** **), meest recent gewijzigd door mijn wijzigingsbesluit van 10 juni 2020, nr. 2020-06221 (** **Stcrt. 2020, 32618** **), en voegt het samen met mijn Besluit winstsplitsing, spoedreparatie en artikel 10a (** **Stcrt. 2022, 11028** **). Naast redactionele wijzigingen zijn er enkele inhoudelijke aanpassingen, deze zijn benoemd in de inleiding.** 1. Inleiding Dit besluit bevat mijn beleid voor de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting ([artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) en volgende van de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672)). Dit besluit is een actualisatie van mijn [besluit van 14 december 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029195), nr. DGBD2010/4620M (Stcrt. 2010, 20684), meest recent gewijzigd door mijn wijzigingsbesluit van 10 juni 2020, nr. 2020-06221 (Stcrt. 2020, 32618), en voegt het samen met mijn [Besluit winstsplitsing, spoedreparatie en artikel 10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046604) (Stcrt. 2022, 11028). In onderdeel 1.1 geef ik een overzicht van de gebruikte begrippen en afkortingen. In onderdeel 1.2 beschrijf ik de basis van de goedkeuringen. In onderdeel 1.3 beschrijf ik de wijzigingen ten opzichte van de meest recente versie van het besluit van 14 december 2010. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.2. Basis goedkeuringen De goedkeuringen in dit besluit zijn gebaseerd op [artikel 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63) (hardheidsclausule). 1.3. Overzicht onderdelen en wijzigingen bij actualisatie Bij de a"},{"i":4977,"b":"Besluit van 6 december 2002, houdende regels ter uitvoering van de Mijnbouwwet (Mijnbouwbesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 30 augustus 2002, nr. WJZ 02042889; Gelet op bijlage 14, deel II, bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, 165), het op 30 november 1990 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging (Trb. 1992, 1), het op 22 september 1992 te Parijs tot stand gekomen [Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan](onbekend) (Trb. 1993, 141), het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen [Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen](onbekend) (Trb. 1978, 188), de [artikelen 1, onderdelen n en o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=1), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=19), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=25), [35, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=35), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=39), [41, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=41), [43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=43), [49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=49), [52, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=52), [123, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=123), [130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=130), [135, vierde lid, onderdeel a, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=135), [136, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=136), [139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=139), [141, tweede lid](https://wetten.ov"},{"i":3922,"b":"Koninklijk besluit van 16 juni 1954 houdende overlevering inzake oorlogsmisdrijven Nederlandse Antillen Gelet op: Artikel 48, derde lid, Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba [Artikel 8, Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002134&artikel=8) (Stb. 1954, 215) [Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027429) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder - a. **Gouverneur:** Gouverneur van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen; - b. **het Hof van Justitie:** het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. **openbaar ministerie:** het openbaar ministerie van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen. Artikel 2 De overlevering kan slechts aan een andere mogendheid geschieden, indien deze partij is bij het geschonden verdrag. Artikel 3 1. De overlevering wordt aangevraagd langs de diplomatieke weg. 2. De Gouverneur als orgaan van het Koninkrijk is evenwel ook bevoegd om te beschikken op de aanvragen tot overlevering, welke van de zijde van andere mogendheden of van besturen van andere gebieden in Amerika rechtstreeks tot hem worden gericht. 3. De overlevering wordt slechts toegestaan, indien de ander mogendheid of het bestuur van het andere gebied een met voldoende bewijzen gestaafde telastelegging, welke een vervolging rechtvaardigt, inbrengt. Artikel 4 1. Vreemdelingen, wier overlevering overeenkomstig [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027536&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) wordt gevraagd, kunnen, voorzover zij zich niet reeds in verzekerde bewaring bevinden, worden aangehouden. 2. Het bevel van aanhouding moet hun zo spoedig mogelijk worden betekend. 3. De op en bij hen zijnde goederen kunnen worden in beslag genomen. 4. Zo spoedig mogelijk na de aanhouding wordt daarvan kennis gegeven aan het openbaar ministerie bij het Hof"},{"i":7130,"b":"Regeling vast recht oprichting rechtspersonen BES Treedt in werking om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. artikel Enig De hoogte van het vast recht, bedoeld in [artikel 37, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028744&artikel=37), wordt vastgesteld op USD 170."},{"i":1667,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 11 november 2009, houdende de vaststelling van een bijzondere heffing verduurzaamde groenten en fruit (Verordening PT bijzondere heffing verduurzaamde groenten en fruit 2010) gelet op de [artikelen 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 20 oktober 2009. Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | omzet | : | de verkoopwaarde ‘af fabriek’ van de door de fabrikant verduurzaamde groenten en fruit, met uitzondering van: pindakaas, sauzen, natte en droge soepen, aroma's, limonades, salades, kindervoeding, kant en klaarmaaltijden en vruchten- en groentesappen, niet uitgezonderd compotes en moes. | | ondernemer | : | elk afzonderlijk natuurlijk- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin fruit, groenten, of daaruit verkregen producten worden verduurzaamd; | | verduurzamen | : | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De ondernemer die een onderneming drijft waarin groenten en fruit worden verduurzaamd, is verplicht aan het productschap jaarlijks een heffing te betalen. Uit de opbrengst van deze heffing worden projecten ten behoeve van de verduurzaming van groenten en fruit gefinancierd. 2. De berekening van de heffing vindt plaats op basis van de door de ondernemer aan het productschap ingevolge de bij of krachtens de [Ve"},{"i":3061,"b":"Besluit van 16 oktober 2002, houdende regels betreffende de procedure van veiling en loting inzake de toekenning van nummers (Besluit alternatieve verdeling nummers) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 13 juni 2002 nr. HDJZ 2002/1494, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 4.2, zevende lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.2); De Raad van State gehoord (advies van 25 juli 2002, nr. W09.02.0253/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 10 oktober 2002, nr. DGTP/02/03582, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. nummers waarop de procedure van veiling van toepassing is: nummers waarvan Onze Minister in een nummerplan heeft vastgesteld dat ze van uitzonderlijke economische waarde zijn en dat de procedure van veiling van toepassing is; - c. nummers waarop de procedure van loten van toepassing is: nummers, niet zijnde nummers waarop de procedure van veiling van toepassing is. Hoofdstuk 2. Besluitvorming met betrekking tot de procedure van toekenning van nummers Paragraaf 2.1. Veiling en loting Artikel 2 1. Indien er meerdere aanvragen om toekenning van een nummer waarop de procedure van veiling van toepassing is, bij de Autoriteit Consument en Markt zijn ingediend, stelt de Autoriteit Consument en Markt de aanvragers in kennis van het feit dat meerdere aanvragen zijn ingediend en dat de procedure van veiling wordt toegepast. 2. Indien er op dezelfde dag meerdere aanvragen om toekenning van een nummer waarop de procedure van loting van toepassing is, bij de Autoriteit Consument en Markt zijn ingediend, stelt de Autoriteit Consument en Markt de aanvragers in kennis van het feit dat meerdere aanvragen zijn ingediend en"},{"i":3959,"b":"Besluit van den 28sten Maart 1925, tot regeling van de betalingen tusschen Rijk en Gemeenten Op de voordracht van Onzen Minister van Financiën van 5 Februari 1925, n°. 172, Afdeeling Generale Thesaurie; Den Raad van State gehoord (advies van 24 Februari 1925, n°. 45); Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 25 Maart 1925, n°. 147, Afdeeling Generale Thesaurie; Overwegende, dat het wenschelijk is maatregelen te treffen tot regeling van de wederzijdsche betalingen tusschen het Rijk en de Gemeenten. Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Betalingen van het Rijk aan de gemeenten en van de gemeenten aan het Rijk geschieden voorzoover zij door Onzen Minister van Financiën daartoe zijn aangewezen door verorderingen en schulden over en weer te vereffenen. Te dien einde zal tusschen het Rijk en elke gemeente of tusschen een door Onzen Minister van Financiën aan te wijzen instelling en elke gemeente en in dat geval ook tusschen die instelling en het Rijk eene rekening worden geopend, overeenkomstig door Onzen Minister van Financiën te geven voorschriften. Artikel 2 Onze Minister van Financiën draagt zorg dat de gemeentebesturen omtrent alle wijzigingen in den stand der rekening hunner gemeente zoo spoedig mogelijk worden ingelicht en dat zij over de batige saldi der rekening in den door die besturen te bepalen vorm kunnen beschikken. Artikel 3 De Hoofden der Departementen van Algemeen Bestuur dragen zorg, dat van alle bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041549&artikel=1&z=1925-06-01&g=1925-06-01) bedoelde betalingen, voorzoover zij daarbij betrokken zijn, tijdig opgave wordt gedaan aan de Generale Thesauri van het Departement van Financiën, met vermelding van den naam der gemeente, de omschrijving der betaling of der vordering, het bedrag, alsmede den datum waarop de betaling moet plaats hebben of de vordering opeischbaar wordt. Voorzoover het betalingen betreft ten laste der begrooting moeten die opgaven vergezeld gaan van aanvrag"},{"i":5600,"b":"Skal-Reglement voor Certificatie en Toezicht Het gebruik van dit reglement door derden, voor welk doel dan ook, is uitsluitend toegestaan nadat een schriftelijke overeenkomst met Stichting Skal is gesloten waarin het gebruiksrecht is geregeld. Stichting Skal Certificatie Biologische Productie Postbus 384 8000 AJ Zwolle Telefoon: 038-4268181 Telefax: 038-4268182 E-mail: info@skal.nl Internet: www.skal.nl 1. Begripsomschrijvingen 1.1. Algemene begripsomschrijvingen 1. Onder certificatie wordt in dit reglement verstaan het uitvoeren van activiteiten op grond waarvan Skal verklaart dat er een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat een duidelijk omschreven product of voortbrengingsproces voldoet aan de daaraan gestelde certificatie-eisen, vastgelegd in de certificatiegrondslagen. 2. Als algemene begripsomschrijvingen zijn van toepassing de termen en definities, zoals vastgelegd in: 1.2. Specifieke begripsomschrijvingen Aanvullend op de algemene begripsomschrijvingen wordt in dit reglement verstaan onder: 1. Publiekrechtelijke voorschriften: [Verordening (EEG) Nr. 2092/91](31991R2092) en de daarbij behorende bijlagen, de [Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755) (Stb. 1971, 371), het [Landbouwkwaliteitsbesluit biologische produktiemethode](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005740) en de [Landbouwkwaliteitsregeling biologische productiemethode 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008176). 2. Biologische productiemethode: Voortbrenging van plantaardige en dierlijke landbouwproducten en houden van dieren overeenkomstig de bij of krachtens de [Verordening (EEG) Nr. 2092/91](31991R2092), zoals deze is of zal komen te luiden, gestelde voorschriften, die door Skal worden gehanteerd als grondslag voor certificatie en waarnaar wordt verwezen in de Skal-Certificatiegrondslagen Biologische Productie Nederland. 3. Toezicht: De werkzaamheden die door of namens Skal worden verricht om na te gaan of aan de voorschriften voor de biologische"},{"i":7083,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko betreffende het internationale wegvervoer van personen en goederen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van het Koninkrijk Marokko Verlangend het internationale wegvervoer van personen en goederen tussen de beide Staten alsmede het transitovervoer over hun grondgebied te bevorderen, zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 De vervoersondernemingen die zijn gevestigd in het Koninkrijk der Nederlanden of in het Koninkrijk Marokko, zijn gerechtigd personen en goederen te vervoeren met voertuigen die zijn geregistreerd in een van beide Staten, hetzij tussen de grondgebieden van beide Overeenkomstsluitende Partijen, hetzij bij wijze van transitovervoer over het grondgebied van een van de Overeenkomstsluitende Partijen, onder de in deze Overeenkomst vastgestelde voorwaarden. I. PERSONENVERVOER Artikel 2 Alle beroepsvervoer van personen, tussen de beide Staten of bij wijze van transitovervoer over hun grondgebied, is onderworpen aan een stelsel van voorafgaande vergunningen, met uitzondering van het vervoer bedoeld in artikel 3 van deze Overeenkomst. Artikel 3 1. Het volgende vervoer is niet onderworpen aan het stelsel van voorafgaande vergunningen, maar hiervoor is een eenvoudige verklaring vereist: - -. Incidentele gesloten rondritten, dat wil zeggen ritten waarbij het voertuig over het gehele traject dezelfde groep personen vervoert en op het beginpunt terugkeert zonder onderweg personen te laten in- of uitstappen, - -. Incidenteel toeristenvervoer waarbij het voertuig op de heenweg personen vervoert en leeg terug rijdt, terwijl onderweg evenwel reizigers kunnen uitstappen, - -. Onregelmatig transitovervoer van personen. 2. Voor de verklaring, bedoeld in het eerste lid hierboven, wordt het model opgesteld in overleg tussen de bevoegde autoriteiten van beide Staten. Artikel 4 1. Het geregelde personenvervoer, dat wil zeggen de diensten die met een bepaalde frequentie en"},{"i":7536,"b":"Besluit van 18 april 2018 tot aanwijzing van de gegevens waarop een opdracht tot verstrekking aan een aanbieder van een communicatiedienst in het kader van onderzoek van communicatie door de AIVD en MIVD betrekking kan hebben (Besluit gegevensverstrekking onderzoek van communicatie Wiv 2017) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 augustus 2017, nr. 2017-0000212671, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie; Gelet op de [artikelen 52, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=52), en [55, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=55); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 oktober 2017, No. W04.17.0244/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 april 2018, nr. 2017-0000541569, uitgebracht mede namens Onze Minister van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **aanbieder:** aanbieder van een communicatiedienst; - b. **wet:** [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896). Artikel 2 De volgende categorieën van gegevens worden aangewezen als categorieën van gegevens als bedoeld in [artikel 52, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=52) in verband met de toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 47, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=47): - a. gegevens betreffende de communicatiedienst die door de aanbieder wordt aangeboden; - b. gegevens betreffende de netwerktopologie en IT- en netwerkarchitectuur van het netwerk waarop of waarover de communicatiedienst wordt aangeboden. Artikel 3 De volgende categorieën van gegevens worden aangewezen als categorieën van gegevens als bedoeld in [artikel 52, eerste lid, van de wet](https:/"},{"i":6065,"b":"Verordening op de Raad voor Toezicht Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5) en [19, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: - –. **accountant:** een accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - –. **accountantskamer:** accountantskamer als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024238&artikel=10); - –. **lid of leden:** lid of leden van de Raad voor Toezicht. Hoofdstuk 2. De Raad voor Toezicht Artikel 2 1. Er is een Raad voor Toezicht, hierna te noemen: de Raad. 2. De Raad heeft tot taak: - a. het bij wege van mandaat of uit hoofde van volmacht namens het bestuur houden van toezicht op de beroepsuitoefening door accountants; - b. het gevraagd en ongevraagd adviseren van het bestuur ten aanzien van de indiening van een klacht als bedoeld in [artikel 22 van de Wet tuchtrechtspraak accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024238&artikel=22). 3. In de uitoefening van zijn taken wordt de Raad bijgestaan door een secretaris welke wordt aangewezen door het bestuur. 4. De Raad kan in het kader van zijn taken externe deskundigen, waaronder accountants, inschakelen. Artikel 3 1. De Raad bestaat uit de volgende leden: - a. een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter; en - b. vijf accountants. 2. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter zijn werkzaam of zijn werkzaam geweest als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast en zijn geen accountant. 3. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter mogen niet in relatie staan tot een accountantspraktijk of een accountantsafdeling, anders dan in een cliëntrelatie. 4. De leden"},{"i":1669,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 14 november 2011, houdende de vaststelling van een bijzondere heffing verduurzaamde groenten en fruit (Verordening PT bijzondere heffing verduurzaamde groenten en fruit 2012) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 3 november 2011; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | omzet | : | de omzet 'af fabriek' van de door de fabrikant verduurzaamde groenten en fruit, met uitzondering van: pindakaas, sauzen, natte en droge soepen, aroma's, limonades, salades, kindervoeding, kant en klaarmaaltijden en vruchten- en groentesappen, niet uitgezonderd compotes en moes; | | ondernemer | : | elk afzonderlijk natuurlijk- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin fruit, groenten, of daaruit verkregen producten worden verduurzaamd; | | verduurzamen | : | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De ondernemer die een onderneming drijft waarin groenten en fruit worden verduurzaamd, is over het kalenderjaar 2012 een heffing verschuldigd aan het productschap. Uit de opbrengst van deze heffing worden activiteiten ten behoeve van de verduurzaming van groenten en fruit gefinancierd. 2. De berekening van de heffing vindt plaats op basis van de door de onde"},{"i":1670,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2004, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van vollegrondsgroenten voor het jaar 2005 (Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95),[100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 24 juni 2004; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | het productschap: | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | het bestuur: | Het bestuur van het productschap; | | c. | de voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | d. | de onderneming: | onderneming waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. | de ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming drijft; | | f. | het braakland: | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld; | | g. | de cultuurgrond: | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016959&paragraaf=3&artikel=4&z=2006-07-01&g=2006-07-01) genoemde gewassen of producten kunnen worden geteeld, of ten tijde van het tijdvak als bedoeld in de [Regeling Landbouwtelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":7109,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 2 december 2022, nr. 2022-0000642550, houdende regels voor een experiment inzake de voorschriften omtrent het vervreemden van onroerende zaken aan wooncoöperaties (Regeling experiment verkoopregels wooncoöperaties) Gelet op [artikel 61u, eerste en derde lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=61u); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702); - **minister:** Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - **wet:** [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=61u). Artikel 2 1. Bij wijze van experiment zijn afwijkingen toegestaan van de [artikelen 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=23), [23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=23a), [23b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=23b), [23d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=23d), [23e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=23e) en [24, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=24), in geval van vervreemding van een woongelegenheid of een complex aan een wooncoöperatie ten behoeve van het stimuleren van de realisatie van wooncoöperaties. 2. De [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047588&artikel=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047588&artikel=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van deze regeling treden bij de toepassing van het experiment in de plaats van de in het eerste lid genoemde artikelen van het besluit. Artikel 3 1. In geval van vervreemding als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047588&artikel=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01) gaat het verzoek om goedkeuring als bedoeld in [artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdee"},{"i":7331,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 december 2014, nr. 2014-0000667329, houdende wijziging van de Regeling fonds energiebesparing huursector en de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector (aanpassing aan wijziging labelsystematiek) Gelet op de [artikel 4, eerste lid, onderdelen d en e, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), en [14 van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling fonds energiebesparing huursector. Artikel II Wijzigt de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector. Artikel III. Overgangsrecht 1. Voor zover een verhuurder met betrekking tot woningen waarvoor hij op grond van de [Regeling fonds energiebesparing huursector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035608) subsidie heeft ontvangen, heeft zorg gedragen voor nieuwe energieprestatiecertificaten, als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, van de Regeling energieprestatie gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020921&artikel=2), zoals die vóór 1 januari 2015 luidde, wordt de subsidie in afwijking van artikel 7a van de Regeling fonds energiebesparing huursector vastgesteld op basis van de Regeling energiebesparing huursector, zoals die vóór 1 januari 2015 luidde. 2. Voor zover een verhuurder met betrekking tot woningen waarvoor hij op grond van de [Stimuleringsregeling energieprestatie huursector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035224) subsidie heeft ontvangen, heeft zorg gedragen voor nieuwe energieprestatiecertificaten, als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, van de Regeling energieprestatie gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020921&artikel=2), zoals die vóór 1 januari 2015 luidde, wordt de subsidie in afwijking van [artikel 9 van de Stimuleringsregeling energiebesparing huursector](https://w"},{"i":3985,"b":"Besluit van 24 februari 1988, houdende de wijze van vaststelling van de wiskundige reserve bedoeld in artikel N 6 en van de tijd bedoeld in artikel N 9 van de Spoorwegpensioenwet Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 22 september 1987, nr. AW87/U791, Directoraat-Generaal Management en Personeelsbeleid, Directie Arbeidsvoorwaarden, Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden; Gelet op de artikelen N 7 en N 10 van de Spoorwegpensioenwet (**Stb.** 1986, 541); Gehoord de Raad van toezicht bedoeld in artikel L 2 en de wiskundig adviseur bedoeld in artikel L 14 van de Spoorwegpensioenwet; De Raad van State gehoord (advies van 8 december 1987, nr. WO4.87.0506); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 4 februari 1988, nr. AW87/1052, Directoraat-Generaal Management en Personeelsbeleid, Directie Arbeidsvoorwaarden, Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan onder: - a. de wet: de Spoorwegpensioenwet; - b. Onze Minister: de Minister van Binnenlandse Zaken; - c. contante-waardefactor: het actuarieel bepaalde getal, gebaseerd op kans- en rentefactoren, waarmee de waarde van een toekomstig recht op pensioen op enig tijdstip wordt vastgesteld; - d. contante waarde: het bedrag waarop een toekomstig recht op pensioen wordt gewaardeerd door vermenigvuldiging van dat pensioen met de contante-waardefactor; - e. wiskundige reserve: het bedrag van de contante waarde van de tot zijn ontslag opgebouwde pensioenaanspraken van een gewezen deelgenoot dan wel van een elders ontslagen werknemer die deelgenoot is geworden; - f. rentestandskorting: korting op de contante waarde ter verrekening van overrente boven de rekenrente die in aanmerking is genomen bij de bepaling van de contante-waardefactor. Artikel 2. Pensioenaanspraken 1. De wiskundige reserve heeft uitsluitend betrekking op uitzich"},{"i":1671,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 28 juni 2005, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van vollegrondsgroenten voor het jaar 2006 (Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2006) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 7 juni 2005; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | het braakland: | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld; | | --- | --- | --- | | b. | de cultuurgrond: | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018491&paragraaf=3&artikel=4&z=2006-07-02&g=2006-07-02) genoemde gewassen of producten kunnen worden geteeld, of ten tijde van het tijdvak als bedoeld"},{"i":2539,"b":"Beleidsregel Vaststelling aandoeningen Neonatale hielprikscreening en Prenatale screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie 2023 gelet op [artikel 12a Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=12a) en [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044919&artikel=1) en [5 Regeling bevolkingsonderzoek ex artikel 12a, derde lid, Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044919&artikel=5) besluit: Artikel 1 De aandoeningen waarnaar in de neonatale hielprikscreening onderzoek wordt gedaan zijn: Adrenogenitaal syndroom (AGS), Biotinidase deficiëntie (BIO), Carnitine palmitoyltransferase deficiëntie (CPT1), Congenitale hypothyreoidie (CH), Cystic fibrosis (CF), Galactokinase deficiëntie (GALK), Klassieke galactosemie (GALT), Glutaaracidurie type 1 (GA-1), HMG-CoA-lyase deficiëntie (HMG), Isovaleriaan-acidurie (IVA), Long-chain hydroxyacyl-CoA dehydrogenase deficiëntie (LCHADD), Maple syrup urine disease (MSUD), Medium-chain acyl CoA dehydrogenase deficiëntie (MCADD), 3 Methylcrotonyl-CoA carboxylase deficiëntie (3-MCC), Methylmalon acidemie (MMA), Multiple CoA carboxylase deficiëntie (MCD), Phenylketonurie (PKU), Propion acidemie (PA), Severe combined immune deficiency (SCID), Sikkelcelziekte (SZ), Alfa-thalassemie (HbH), Bèta-thalassemie (TM), Tyrosinemie type 1 (TYR-1), Very long-chain acylCoA dehydrogenase deficiëntie (VLCADD), Mucopolysaccharidose type 1 (MPS I), Spinale musculaire atrofie (SMA) en adrenoleukodystrofie (ALD). Artikel 2 De aandoeningen waarnaar in de prenatale screening infectieziekten en erytrocytenimmunisatie bloedonderzoek wordt gedaan zijn: Hepatitis B (hepB), Syfilis (lues), HIV, Rhesus (D)-antigeen, Rhesus (c)-antigeen en irregulaire erytrocyten antistoffen (IEA). Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 oktober 2023. De [Beleidsregel Vaststelling aandoeningen Neonatale hielprikscreening en Prenatale screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisati"},{"i":2970,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 3 augustus 2021, houdende aanwijzing van de NVWA als coördinerende instantie voor meerjarige nationale controleplannen als bedoeld in de verordening officiële controles Handelende mede namens de Minister voor Medische Zorg; Gelet op artikel 103, eerste lid, en artikel 109, tweede lid, van [verordening (EU) 2017/625](32525R2017) van het Europees parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), (EU) [nr. 1151/2012](32012R1151). (EU) [nr. 652/2014](32014R0652), (EU) [2016/429](32329R2016) en (EU) [2016/2031](32031R2016) van het Europees parlement en de Raad, de Verordeningen [(EG) nr. 1/2005](32005R0001) en [(EG) nr. 1099/2009](32009R1099) van de Raad en de Richtlijnen [98/58/EG](31958R0098), [2007/43/EG](31943R2007), [2008/119/EG](32019R2008) en [2008/120/EG](32020R2008) van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen [(EG) nr. 854/2004](32004R0854) en [(EG) nr. 882/2004](32004R0882) van het Europees parlement en de Raad, de Richtlijnen [89/608/EEG](32508R0089), [89/662/EEG](32562R0089), [90/425/EEG](32325R0090), [91/496/EEG](32396R0091), [96/23/EG](31923R0096), [96/93/EG](31993R0096) en [97/78/EG](31978R0097) van de Raad en Besluit [92/438/EEG](32338R0092) van de Raad (verordening officiële controles) (PbEU 2017, L 95), de [Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250), de [Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194), de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670), de [Landbouwkwalite"},{"i":1672,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 27 juni 2006, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van vollegrondsgroenten voor het jaar 2007 (Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2007) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en Gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); Gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 20 juni 2006; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | het braakland: | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld; | | --- | --- | --- | | b. | de cultuurgrond: | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021052&paragraaf=3&artikel=4&z=2007-01-14&g=2007-01-14) genoemde gewassen of producten kunnen worden geteeld, of ten tijde van het tijdvak als bedoeld"},{"i":1673,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2007, houdende de vaststelling vaneen heffing ten behoeve van de teelt van vollegrondsgroenten voor het jaar 2008 (Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 19 juni 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | het braakland: | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld; | | --- | --- | --- | | b. | de cultuurgrond: | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022736&paragraaf=3&artikel=4&z=2007-10-21&g=2007-10-21) genoemde gewassen of producten kunnen worden geteeld, of ten tijde van het tijdvak als bedoeld i"},{"i":5755,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 augustus 2023, nr. 40194623, houdende regels voor subsidieverstrekking in het kader van het programma Npuls ten behoeve van de inrichting en de verdere ontwikkeling van een Center for Teaching and Learning voor de periode 2023 tot en met 2026 (Subsidieregeling Npuls CTL) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beoordelingscommissie:** commissie als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048587&artikel=14&z=2025-07-16&g=2025-07-16); - **Center for Teaching and Learning:** binnen een onderwijsinstelling te realiseren of verder te ontwikkelen separaat organisatieonderdeel, fysieke locatie, netwerk van mensen, online platform of afdeling, dat met inzet van digitale mogelijkheden de onderwijsontwikkeling van en door docenten en overig onderwijspersoneel faciliteert, en kennisdeling, innovatie, ondersteuning en onderzoek stimuleert en de onderlinge verbinding van reeds aanwezige voorzieningen versterkt; - **CTL-plan:** onderdeel van de aanvraag als bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048587&artikel=9&z=2025-07-16&g=2025-07-16); - **docentontwikkeling:** ontwikkeling en versterking van de eigen vakbekwaamheid onder andere met behulp van digitalisering; - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **Npuls:** het Nationaal Groeifondsprogramma van e"},{"i":3214,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 24 maart 2016 nr. BOACAT2016/020, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Breda Gelezen het verzoek van de gemeente Breda van 11 november 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland – West -Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037784&artikel=2&z=2016-04-02&g=2016-04-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van controleur openbare ruimte in dienst van de gemeente Breda Toezicht en Handhaving, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een"},{"i":3786,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 januari 2026, kenmerk 2025-0000697166, tot verlening van de bevoegdheid tot aanwijzing van de kasbeheerder van het Financieel Diensten Centrum Gelet op de [artikelen 10.3.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10.4. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien het schriftelijke verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 augustus 2025 met kenmerk 2025-0000211316; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur Financieel Economische Zaken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt de bevoegdheid verleend tot aanwijzing van de kasbeheerder en plaatsvervangend kasbeheerder, ten behoeve van de taken en verantwoordelijkheden van het Financieel Diensten Centrum betreffende het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3640,"b":"Besluit van 29 januari 2014, houdende regels ter waarborging van de kwaliteit van curatoren, bewindvoerders en mentoren (Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 december 2013, nr. 456543; Gelet op de [artikelen 383, zevende, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=383), [435, zevende, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=435), en [452, zevende en achtste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=452); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 januari 2014, nr. W03.13.0441/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 januari 2014, nr. 476742; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel E, onder 2, zevende tot en met negende lid van artikel 383, onderdeel P, zevende tot en met negende lid van artikel 435, onderdeel AA, onder 3, van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **curator:** een persoon als bedoeld in [artikel 383, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=383); - b. **bewindvoerder:** een persoon als bedoeld in [artikel 435, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=435); - c. **mentor:** een persoon als bedoeld in [artikel 452, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=452); - d. **verklaring omtrent het gedrag:** verklaring als bedoeld in [afdeling 5 van titel 2 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&afdeling=5); - e. **account"},{"i":6814,"b":"Aanwijzing rechtspersonen Sanctiewet 1977 Gelet op [artikel 10, tweede lid, van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Als belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [vijfde afdeling van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&afdeling=5) bepaalde met betrekking tot het financieel verkeer worden aangewezen: - a. De Nederlandsche Bank N.V., voorzover het betreft de naleving door de instellingen bedoeld in [artikel 10, tweede lid, onder a, c, e tot en met j, en, voor zover het een bank of elektronischgeldinstelling betreft die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10); - b. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor zover het betreft de naleving door de instellingen bedoeld in [artikel 10, tweede lid, onder b, d, k en, voor zover het een andere instelling betreft dan een bank of elektronischgeldinstelling die cryptoactivadiensten aanbiedt, l van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":5720,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 3 juli 2018, kenmerk 1372100-178565-IenZ, houdende regels voor de subsidiëring van het ontwikkelen van persoonlijke gezondheidsomgevingen 2018–2021 (Subsidieregeling impulsfinanciering PGO-leveranciers 2018–2021) Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **de-minimisverklaring:** verklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de de-minimisverordening, - **de-minimisverordening:** Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352), - **informatiestandaarden:** de Informatiestandaard MedMij Basisgegevensset Zorg 2017 (PULL), de Informatiestandaard MedMij Medicatieproces (PULL), de Informatiestandaard MedMij Huisartsengegevens (PULL) en de Informatiestandaard MedMij Zelfmetingen (PUSH), - **kosten:** de investeringskosten van de subsidieontvanger voor zover die samenhangen met de te subsidiëren of gesubsidieerde activiteit, - **leverancier:** producent en tevens eigenaar van een of meer PGO’s, - **MedMij afsprakenstelsel:** de set van afspraken die door de Stichting MedMij wordt beheerd ten behoeve van het veilig uitwisselen van persoonsgegevens tussen een zorggebruiker en zorgverleners, - **PGO:** een persoonlijke gezondheidsomgeving, zijnde een digitale toepassing waarmee een zorggebruiker gegevens kan uitwisselen met zorgverleners, - **zorggebruiker:** - a. een verzekerde als bedoeld in [artikel 1, onderdeel f, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - b. een persoon die op grond van [artikel 64, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://w"},{"i":5809,"b":"Subsidieregeling uitelkaar.nl gelet op [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c), waarin is bepaald dat het bestuur van de Raad met het oog op de verlening van rechtsbijstand subsidie kan verstrekken voor bijzondere doeleinden en projecten, Besluit: de volgende regeling vast te stellen. Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. het bijzondere project uitelkaar.nl opgezet door BV Justice42, ten behoeve van online geschiloplossing in scheidingszaken; - b. De wet: de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - c. Het besluit: Het [Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277); - d. De Raad: de Raad voor Rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - e. Het bestuur: het bestuur van de Raad, bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - f. Gebruiker: de rechtzoekende overeenkomstig [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1), die via uitelkaar.nl gebruik maakt van een dienstverlener, zijnde een bemiddelaar, een beslisser of een reviewer als in deze regeling omschreven; - g. Dienstverlener: de bemiddelaar, beslisser of reviewer die bij de Raad voor Rechtsbijstand ingeschreven staat en een overeenkomst met uitelkaar.nl is aangegaan, heeft voldaan aan de daartoe vastgestelde, door de Raad goedgekeurde deelnamevoorwaarden en heeft ingestemd met deze subsidieregeling; - h. Dienstverlening: de werkzaamheden verricht door een dienstverlener; - i. Bemiddelaar: de advocaat die op verzoek begeleiding en advies biedt bij het maken van afspraken; - j. Beslisser: de advocaat die op verzoek een beslissing neemt over een bepaald onderdeel waarover partijen het niet eens kunnen worden; - k. Reviewer: de advocaat die alle gemaakte afspraken toets"},{"i":7195,"b":"Verdrag betreffende de erkenning en de ten uitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Verlangende gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen met betrekking tot de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van in hun onderscheiden landen gegeven rechterlijke beslissingen, Hebben besloten daartoe een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. Toepassingsgebied van het Verdrag Artikel 1 Dit Verdrag is van toepassing op beslissingen, in burgerlijke of handelszaken gegeven door de gerechten van de Verdragsluitende Staten. Het is niet van toepassing op beslissingen ten principale: - 1. betreffende de staat of de bevoegdheid van personen of betreffende het familierecht, met inbegrip van de persoonlijke en geldelijke verplichtingen tussen ouders en kinderen en tussen echtgenoten; - 2. over het bestaan of de oprichting van rechtspersonen of over de bevoegdheden van hun organen; - 3. betreffende onderhoudsverplichtingen, voor zover deze niet vallen onder nummer 1 van dit artikel; - 4. in zaken van erfenis; - 5. betreffende faillissementen, akkoorden of soortgelijke procedures, met inbegrip van de beslissingen die daaruit kunnen voortvloeien en die betrekking hebben op de rechtsgeldigheid van handelingen van de schuldenaar; - 6. betreffende de sociale zekerheid; - 7. betreffende schade op het gebied van de kernenergie. Het is wel verstaan dat dit Verdrag niet van toepassing is op beslissingen inzake de betaling van belastingen, andere heffingen of door de strafrechter opgelegde lasten, welke dan ook. Artikel 2 Dit Verdrag is van toepassing op elke door een gerecht van een Verdragsluitende Staat gegeven beslissing, ongeacht de benaming die in het land van herkomst wordt gegeven aan de procedure welke tot de beslissing heeft geleid of aan de beslissing zelf, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel. Het Verdrag is evenwel niet van toepassing op beslissingen,"},{"i":7136,"b":"Regeling vernietigingswijze bescheiden burgerlijke stand Handelende in overeenstemming met de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; Gelet op de [artikelen 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=22), en [23, vierde lid, van het Besluit burgerlijke stand 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=23); Besluit: Artikel 1 De in [artikelen 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=22), en [23, tweede en derde lid, van het Besluit burgerlijke stand 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=23) bedoelde bescheiden worden op zodanige wijze stoffelijk vernietigd dat de daarin vervatte gegevens niet meer kunnen worden gereconstrueerd. Artikel 2 Van een vernietiging als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006529&artikel=1&z=1995-01-01&g=1995-01-01) wordt een verklaring opgemaakt, die een specificatie inhoudt van de vernietigde bescheiden alsmede aangeeft op grond van welk artikel van het [Besluit burgerlijke stand 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493), op welk tijdstip en op welke wijze de vernietiging is geschied. Deze verklaring wordt bewaard door de ambtenaar van de burgerlijke stand dan wel de beheerder van de gemeentelijke archiefbewaarplaats die de bescheiden onder zijn berusting had. Artikel 3 Indien de wet van 14 oktober 1993 tot herziening van Titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en wijziging van enige andere bepalingen van Boek 1 van dat wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafvordering in werking treedt, treedt deze regeling op hetzelfde tijdstip in werking. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4932,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 9 december 2023 (kenmerk 4868672/23/DP&O), houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de voorzitter van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal ten aanzien van de aangelegenheden die het beheer van het bureau van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch materiaal betreffen (Mandaatregeling beheer bureau ATKM) Gelet op [artikel 2 van de Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048064&artikel=2), Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), en [artikel 4.6 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6), En gelet op de schriftelijke instemming van de voorzitter van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Autoriteit:** de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch materiaal als bedoeld in [artikel 2 van de Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048064&artikel=2) en in [artikel 2 van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=2); - b. **het bureau:** de organisatie van medewerkers die feitelijk werkzaam zijn voor de Autoriteit; - c. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie en Veiligheid besluiten te nemen; - d. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie en Veiligheid privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie en Veiligheid handelingen te ver"},{"i":7526,"b":"Besluit van 18 december 2001, houdende regels voor de vergaring van nummergegevens door middel van afwijkend frequentiegebruik en bestandsanalyse met het oog op het onderzoek van telecommunicatie (Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 16 mei 2001, nr. DGTP/01/2472/RJD, Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post, mede namens Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikelen 3.10, vierde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10), en [13.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.4); De Raad van State gehoord (advies van 11 september 2001, nr. W09.01.0232/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 12 december 2001, nr. DGTP/01/5617/RJD, Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) - b. aanbieder: de aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst; - c. bevoegde autoriteit: - 1°. de officier van justitie, dan wel de door hem in een bepaald geval schriftelijk aangewezen opsporingsambtenaar, - 2°. het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, dan wel door hem schriftelijk aangewezen functionarissen optredend in het kader van de uitvoering van hun taak, - 3°. het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, dan wel door hem schriftelijk aangewezen functionarissen optredend in het kader van de uitvoering van hun taak. - d. gebruiker: de natuurlijke of rechtspersoon die met de aanbieder een overeenkomst is aangegaan"},{"i":7176,"b":"Wet van 17 februari 1972, houdende uitvoering van de op 10 september 1964 te Parijs ondertekende Overeenkomst inzake beslissingen tot verbetering van akten van de burgerlijke stand, met Bijlagen en aanvulling, in verband daarmede, van artikel 29 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er aanleiding is voorzieningen te treffen ter uitvoering van de op 10 september 1964 te Parijs ondertekende Overeenkomst inzake beslissingen tot verbetering van akten van de burgerlijke stand, met Bijlagen, en artikel 29 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aan de in deze Overeenkomst vervatte regeling aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt onder \"de Overeenkomst\" verstaan, de op 10 september 1964 te Parijs ondertekende Overeenkomst inzake beslissingen tot verbetering van akten van de burgerlijke stand, met Bijlagen (**Trb.** 1965, 89). Artikel 2 De autoriteit, bevoegd tot het toezenden of ontvangen van stukken of kennisgevingen als bedoeld in artikel 5 van de Overeenkomst, is Onze Minister van Justitie. Artikel 3 Als Nederlandse gerechtelijke autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Overeenkomst wordt aangewezen de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de akte, waarop de beslissing tot verbetering betrekking heeft, in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen. Artikel 4 Indien bij beschikking van de rechtbank of bevel van het openbaar ministerie verbetering is gelast van fouten in akten van de burgerlijke stand overeenkomstig artikel 2 van de Overeenkomst, zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand, nadat hij in het onder hem berustende register de verbetering heeft aangebracht, een afschrift van de beschikking of van het bevel en een afschrift van de door hem verbeterde akte aan Onze Min"},{"i":6348,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 oktober 2024, kenmerk 3968506-1071223-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de wijziging van het experiment voor bekostiging wijkverpleging op basis van cliëntprofielen volgens het Draagkracht Draaglast model Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Gezien de inbreng van de vaste commissie van de Tweede Kamer voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het Commissiedebat Wijkverpleging op 10 april 2024 en voor het Tweeminutendebat Wijkverpleging op 29 mei 2024; Gelet op de aangenomen motie van de Tweede Kamerleden Joseph en Agema (**Kamerstukken II** 2023–24, nr. 29 509, nr. 80) op 4 juni 2024; Na op 1 juli 2024 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2023–24, 23 235, nr. 243) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) inzake de wijziging van het experiment voor bekostiging wijkverpleging op basis van cliëntprofielen volgens het Draagkracht Draaglast model. Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a). **Aanwijzing experiment wijkverpleging:** [Aanwijzing experiment voor bekostiging wijkverpleging op basis van cliëntprofielen volgens het DKDLmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048443) 1 Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 17 juli 2023, Stcrt. 2023, nr. 20725.; - b). **zorgautoriteit:** Nederlandse zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c). **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). Artikel 2. Opdracht 1. In afwijking van het bepaalde in [artikel 3, eerste lid, van de Aanwijzing experiment wijkverpleging](https://wetten.overhei"},{"i":7094,"b":"Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken De Hoge Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), Verwijzende naar de [Verklaring gehecht aan het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken](onbekend), ondertekend te Brussel op 27 september 1968, Hebben besloten een Protocol te sluiten waarbij aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bepaalde bevoegdheden worden toegekend om genoemd [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004663) uit te leggen en hebben te dien einde als hun Gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: de heer Alfons Vranckx, Minister van Justitie; De President van de Bondsrepubliek Duitsland: de heer Gerhard Jahn, Bondsminister van Justitie; De President van de Franse Republiek: de heer René Pleven, Grootzegelbewaarder, Minister van Justitie; De President van de Italiaanse Republiek: de heer Erminio Pennacchini, Staatssecretaris van Justitie; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg: de heer Eugène Schaus, Minister van Justitie, Vice-Minister-President; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: de heer C. H. F. Polak, Minister van Justitie; Die, in het kader van de Raad bijeen, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, Overeenstemming hebben bereikt over de volgende bepalingen: Artikel 1 Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd om uitspraak te doen over de uitlegging van het [Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004663) en van het aan dat Verdrag gehechte [protocol](onbekend), beide onder"},{"i":7159,"b":"Besluit van 23 februari 2009 van de Minister van Financiën houdende aanpassing van de bijlagen A en B bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie (Tweede wijzigingsbesluit Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie) Gelet op [artikel 4 van het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017117&artikel=4); In overeenstemming met de Ministers van Justitie, Verkeer en Waterstaat, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en voor Jeugd en Gezin; Besluit: Artikel I Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie. Artikel II Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie. Artikel III Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie. Artikel IV Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie. Artikel V Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie. Artikel VI 1. Voor de op grond van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025454&artikel=I&z=2009-03-11&g=2009-03-11) aangewezen rechtspersonen geldt, tenzij [artikel VII, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025454&artikel=VII&z=2009-03-11&g=2009-03-11), op een betrokken rechtspersoon van toepassing is, dat de toepassing van [artikel 45, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=45) zodanig in de tijd gefaseerd zal geschieden, dat de op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog op een andere wijze uitgezette liquide middelen van de betrokken rechtspersonen, op een naar het oordeel van de Minister van Financiën doelmatige wijze in ’s Rijks schatkist zullen worden opgenomen. 2. De Minister van Financiën stelt binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit na overleg met de in het eerste lid bedoelde rechtspersonen voor elke rechtspersoon e"},{"i":1677,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap tuinbouw van 1 juli 2003, houdende de vaststelling van aan telers van bloembollen op te leggen heffing ter bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci (Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=15) en 19 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw; gehoord de Sectorcommissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 24 juni 2003; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. productschap : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | | b. het bestuur: | het bestuur van het productschap; | | c. de voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | d. bloembollen: | gele krokussen. tulpen en narcissen; | | e. heffingsplichtige: | degene die krachtens deze verordening heffing verschuldigd is. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De teler van bloembollen is na een daartoe strekkend besluit van het bestuur een heffing aan het productschap verschuldigd over het oogstjaar 2003, ten behoeve van de bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. 3. Uiterlijk voor 1 december 2003 neemt het bestuur, met inachtneming van [artikel"},{"i":1678,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 4 mei 2004, houdende de vaststelling van aan telers van bloembollen op te leggen heffing ter bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci (Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2004) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Sectorcommissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 30 maart 2004; BESLUIT: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. productschap : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | | b. het bestuur: | het bestuur van het productschap; | | c. de voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | d. bloembollen: | gele krokussen, tulpen en narcissen; | | e. heffingsplichtige: | degene die krachtens deze verordening heffing verschuldigd is | | f. oogstjaar: | de periode van 1 juni 2004 tot en met 31 mei 2005 | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De teler van bloembollen is na een daartoe strekkend besluit van het bestuur een heffing aan het productschap verschuldigd over het oogstjaar 2004, ten behoeve van de bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. 3. Uiterlijk"},{"i":7180,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot uitvoering van de Verordening (EU) nr. 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (PbEU 2016, L 183) en de Verordening (EU) nr. 2016/1104 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen (PbEU 2016, L 183) (Uitvoeringswet Verordening huwelijksvermogensstelsels en Verordening vermogensrechtelijke gevolgen geregistreerde partnerschappen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat wetgeving nodig is ter uitvoering van de Verordening (EU) nr. 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (PbEU 2016, L 183) en de Verordening (EU) nr. 2016/1104 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen (PbEU 2016, L 183); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder «de verordening»: - a. de Verordening (EU) nr. 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging va"},{"i":6011,"b":"Vaststelling selectielijst e-mailbewaring gemeentelijke en intergemeentelijke organen 2024 vanaf 1 januari 2024 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst e-mailbewaring gemeentelijke en intergemeentelijke organen 2024 voor de periode vanaf 1 januari 2024 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst. e-mailbewaring gemeentelijke en intergemeentelijke organen 2024 voor de periode vanaf 1 januari 2024 Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Staatssecretaris van Cultuur en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8459,"b":"Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, Geleid door de wens, de kennis van de cultuur en het geestelijk leven van de buurstaat in het eigen land te bevorderen door middel van uitwisseling en vriendschappelijke samenwerking, en zich ervan bewust, dat door een overeenkomst eveneens de gemeenschappelijke zaak van de Europese cultuur wordt gediend, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen verplichten zich, de culturele samenwerking tussen hun landen te bevorderen en te beschermen. Zij zullen er gemeenschappelijk naar streven, alle moeilijkheden welke deze culturele samenwerking zouden kunnen belemmeren, uit de weg te ruimen. Artikel 2 Elk der Overeenkomstsluitende Partijen zal zich beijveren, de oprichting van, en het verlenen van steun aan, culturele instellingen van de andere Overeenkomstsluitende Partij in het eigen land te bevorderen, mits de in dat land geldende wettelijke voorschriften ten aanzien van de oprichting en het beheer van zodanige instellingen in acht worden genomen. De term „instelling” omvat scholen, wetenschappelijke en culturele instituten, bibliotheken, film- en muziekarchieven. Artikel 3 De Overeenkomstsluitende Partijen zullen zich beijveren, de uitwisseling te bevorderen van hoogleraren, wetenschappelijke onderzoekers en studenten, van leraren, onderwijzers en kunstenaars en van personen die in het vrije beroep op cultureel gebied werkzaam zijn. Artikel 4 (1). De Overeenkomstsluitende Partijen stellen studiebeurzen beschikbaar, welke hun onderdanen in staat stellen, in het andere land studies of onderzoekingen te beginnen of voort te zetten, of hun culturele, artistieke of wetenschappelijke vorming te vervolmaken en te voltooien. (2). Onder Duitse onderdanen dient te worden verstaan Duitsers in de zin van artikel 116, eerste lid, van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland. Artikel 5 De Overe"},{"i":1681,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 27 maart 2007, houdende de vaststelling van aan telers van bloembollen op te leggen heffing ter bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci, voor het oogstjaar 2007 (Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2007) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 13 februari 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van artikel 1 en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. bloembollen: | tulpen en narcissen; | | --- | --- | | b. oogstjaar: | de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 mei 2008. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De teler van bloembollen is na een daartoe strekkend besluit van het bestuur een heffing aan het productschap verschuldigd over het oogstjaar 2007, ten behoeve van de bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. 3. Uiterlijk voor 1 december 2007 neemt het bestuur, door middel van een beslu"},{"i":5615,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA draagbaar klimmaterieel (IB03-SPEC 53, versie 02) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [artikel 13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA draagbaar klimmaterieel beschrijft de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen in het toezichtdomein draagbaar klimmaterieel en geeft daarmee invulling aan het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03) voor onder andere (huishoud)trappen, ladders en opstappen en strekt zich van professionele marktdeelnemers tot consumenten. Dit beleid heeft als doel om een eenduidige en transparante vorm van handhaving te realiseren en om marktdeelnemers op kennis te brengen van de mogelijke interventies in geval van een overtreding Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. Begrippen 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (N"},{"i":5763,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 29 september 2020, kenmerk 1746006-210301-PG, houdende regels voor het verstrekken van subsidie aan abortusklinieken voor de opleiding van abortusartsen (Subsidieregeling opleiding abortusartsen) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **abortuskliniek:** een abortuskliniek als bedoeld in [artikel 1 van de Wet afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003396&artikel=1); - b. **erkenning:** een schriftelijke verklaring van het NGvA dat de abortuskliniek door het NGvA voor een bepaalde periode erkend is als opleidingskliniek; - c. **minister:** Minister voor Medische Zorg; - d. **NGvA:** het Nederlands Genootschap van Abortusartsen; - e. **opleideling:** natuurlijk persoon die een opleiding tot abortusarts of sedationist volgt in een opleidingskliniek; - f. **opleidingskliniek:** een abortuskliniek die door het NGvA erkend is voor het verzorgen van de opleiding tot abortusarts of sedationist; - g. **opleidingsplaats:** capaciteit bij een abortuskliniek om een opleideling op te leiden; - h. **samenwerkingsverband:** meerdere abortusklinieken die gezamenlijk een opleiding tot abortusarts of sedationist verzorgen. Artikel 2. Toepasselijkheid [Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Op deze regeling is de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) niet van toepassing, met uitzondering van de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=5.2), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=5.4), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=5.6), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=5.7) en [5.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=5.10). Artikel 3. Subsidiabele activiteiten 1. De"},{"i":5516,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 1 september 2015, nr.25253, tot vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling regionale journalistieke samenwerking 2015–2017 Gelet op [artikel 8.3, tweede lid, onder a, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Te subsidiëren activiteiten en kosten 1. Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve van het versterken van de lokale en / of regionale journalistiek subsidie verstrekken voor het tot stand brengen van regionale journalistieke samenwerkingsverbanden die het verbeteren van de nieuwsvoorziening in de regio tot doel hebben en waaraan tenminste twee afzonderlijke partijen deelnemen. 2. Voor subsidieverstrekking komen slechts kosten van de subsidieontvanger in aanmerking die rechtstreeks verband houden met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend en die gemaakt zijn na de subsidieverlening. 3. Het Stimuleringsfonds kan nadere richtlijnen omtrent de aard van de kosten vaststellen. Deze richtlijnen worden gepubliceerd op de website van het Stimuleringsfonds www.persinnovatie.nl. Artikel 2. Subsidieaanvrager Subsidie kan worden aangevraagd door de voor de desbetreffende activiteiten verantwoordelijke rechtspersoon of rechtspersonen dan wel rechtspersoon of rechtspersonen in oprichting, die in Nederland actief is of zijn. Artikel 3. Subsidieplafond 1. Op grond van deze regeling kan subsidie worden verstrekt ten behoeve van de totstandkoming van maximaal vier regionale journalistieke samenwerkingsverbanden, hierna aan te duiden als ‘projecten’. 2. Per project kan subsidie worden verstrekt voor een periode van maximaal drie jaren. 3. Voor subsidieverstrekking is per project maximaal € 450.000,– beschikbaar, verdeeld over maximaal € 150.000,– per project per jaar. 4. Subsidieverstrekking vindt gefaseerd plaats. In 2015 kan ten behoeve van maximaal één project subsidie worden vertrekt. Als de ervaringen daartoe na"},{"i":6958,"b":"Besluit van 26 juni 1967, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 7 juni 1967, Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Soc. Verz., Afd. A.Z., No. 57648; Gelet op [artikel 20, tweede lid, van de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002551&artikel=20); De Raad van State gehoord (advies van 21 juni 1967, nr. 57); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 23 juni 1967, Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Sociale Verzekering, Afdeling Algemene Zaken, Nr. 58081; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het bepaalde in artikel 20, eerste lid, onder **a**, van de [Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002551) vindt geen toepassing ten aanzien van: - a. de personen, die op 1 juli 1967 hun woonplaats hebben in België, Frankrijk, de Bondsrepubiek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg, Italië of Oostenrijk; - b. de onderdanen van de landen, die het door de Internationale Arbeidsconferentie aanvaarde Verdrag no. 19, betreffende de gelijkheid van behandeling voor de toepassing van de ongevallenverzekering (**Trb.** 1957, no. 155) hebben bekrachtigd, mits zij op 1 juli 1967 hun woonplaats hebben in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, Zuidslavië of Spanje; - c. Zwitsers, die op 1 juli 1967 hun woonplaats hebben in Zwitserland. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die, waarop het in het **Staatsblad** is geplaatst en werkt terug tot 1 juli 1967. Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezond"},{"i":7121,"b":"Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 3 november 2004, nr. 04R36868, houdende wijziging van de Regeling media-inkoop in verband met uitbreiding ten behoeve van mede-overheden Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **media-inkoop**: het met een media-exploitant aangaan van overeenkomsten onder bezwarende titel ter reservering of inkoop van plaatsruimte of zendtijd ten behoeve van openbare communicatie. - b. **ministeries**: ministeries, inclusief dienstonderdelen en diensten met een baten-lastenstelsel alsmede instellingen en lichamen zonder eigen rechtspersoonlijkheid die hiërarchisch ondergeschikt zijn aan de minister. - c. **DPC**: Dienst Publiek en Communicatie van het Ministerie van Algemene Zaken. - d. **organisaties gelieerd aan de Rijksoverheid**: zelfstandige bestuursorganen, rechtspersonen met een wettelijke taak en Staatsdeelnemingen. - e. **mede-overheden**: gemeenten, provincies, gemeenschappelijke regelingen en waterschappen. Artikel 2 Onverminderd hetgeen in de hierna volgende artikelen wordt bepaald, berust de verantwoordelijkheid voor de inhoud en aanwending van voorlichtings- en andere communicatie-uitingen bij de onder [artikel 1 sub b, d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017416&artikel=1&z=2010-02-27&g=2010-02-27) bedoelde instellingen. Artikel 3 1. Ministeries verlenen opdrachten tot media-inkoop uitsluitend door tussenkomst van de DPC en met inachtneming van de door de DPC vastgestelde of gecontracteerde procedures en voorwaarden. 2. De DPC kan opdrachten tot media-inkoop overeenkomstig het bepaalde in deze regeling, in behandeling nemen van: - a. organisaties gelieerd aan de Rijksoverheid; - b. mede-overheden. Artikel 4 1. Voor de diensten van de DPC wordt met inachtneming van de uitgangspunten van de Handleiding Overheidstarieven van het ministerie van Financiën jaarlijks een kostendekkende vergoeding vastgest"},{"i":7110,"b":"Regeling geldelijke steun warmte-isolatie aan woningen in eigendom bij Dienst der Domeinen Gelet op artikel 52 van het Besluit woninggebonden subsidies (Stb. 1991, 440). Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder Artikel 2 Deze regeling is slechts van toepassing op warmte-isolerende en andere energiebesparende voorzieningen getroffen aan woningen gelegen in een der gemeenten Almelo, Assen, Leerdam, Middelburg, Valkenisse en Doesburg en bestemd voor huisvesting van Molukse huishoudens, welke in eigendom zijn van de Dienst der Domeinen, voor zover die voorzieningen worden getroffen in verband met een overdracht in eigendom van die woningen aan gemeenten of toegelaten instellingen als bedoeld in [artikel 70 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=70) (Stb. 1991, 439). Artikel 3 De minister kan, ter tegemoetkoming in de kosten van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005595&artikel=2&z=1992-08-01&g=1992-08-01) genoemde voorzieningen, geldelijke steun verlenen in de vorm van een bijdrage ineens aan degene die het treffen van de voorzieningen heeft bekostigd aan de in dat artikel bedoelde woningen. Artikel 4 Als voorzieningen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005595&artikel=2&z=1992-08-01&g=1992-08-01), worden in aanmerking genomen energiebesparende maatregelen, bestaande uit: - 1º. het aanleggen van een installatie voor centrale verwarming, voor zover het rendement van die installatie hoger is dan dat van een daarmee vergelijkbare conventionele installatie voor centrale verwarming, of - 2º. maatregelen met betrekking tot de thermische isolatie van de woningschil of de leidingen van de installatie voor centrale verwarming, dan wel tot de regelbaarheid of de meetbaarheid van het energiegebruik, die ten doel hebben het brandstofverbruik te beperken. Artikel 5 1. De geldelijke steun bedraagt 33⅓ procent van de kosten van de voorzieningen. 2. Indien maatregelen met betrekking"},{"i":7546,"b":"Besluit van 25 maart 2004 tot vaststelling van de justitiële gegevens en tot regeling van de verstrekking van deze gegevens alsmede tot uitvoering van enkele bepalingen van de Wet justitiële gegevens (Besluit justitiële gegevens) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 20 februari 2004, nr. 5271210/04/6; Gelet op de [artikelen 2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=2), [4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=4), [8, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=8), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=9), [13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=13), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=25), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=36), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=39) en [49 van de Wet justitiële gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=49); De Raad van State gehoord (advies van 24 maart 2004, nr. W03.04.0085/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 24 maart 2004, nr. 5278333/04/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet justitiële gegevens in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194); - b. sepot: de beslissing van het openbaar ministerie tot niet vervolging of niet verdere vervolging van de zaak; - c. centrale autoriteit: de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten (PbEU L 93/23). In Nederland is dit de Justitiële Informatiedienst; - d. strafrechtelijke procedure:"},{"i":6593,"b":"Besluit van 31 december 2004, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen in verband met verordening (EG) 608/2004 en met de vermelding van zoethout (richtlijn 2004/77/EG), en van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 november 2004, VGP/VL 2530191, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken, en van Justitie; Gelet op: – [richtlijn nr. 2004/77/EG](32004L0077) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 (PbEU L 162) tot wijziging van [richtlijn 94/54/EG](31994L0054) wat betreft de etikettering van bepaalde levensmiddelen die glycyrrizinezuur en het ammoniumzout daarvan bevatten; – [verordening (EG) nr. 608/2004](32004R0608) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 2004 inzake de etikettering van voedingsmiddelen en voedselingrediënten met toegevoegde fytosterolen, fytosterolesters, fytostanolen of fytostanolesters (PbEU L 97); en – [artikel 8, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [artikel 13, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), en [artikel 32b, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 9 december 2004, nr.W13.04/0543/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 december 2004, VGP/VL 2545756, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken, en van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen. Artikel II Wijzigt het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten. Artikel III In [artikel 22c van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005310&artikel=22c) bedoelde eet- en drinkwaren d"},{"i":5269,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie, mede namens de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 4 juli 2003, nr. 2024243/01, houdende de aanwijzing van risicolanden op grond van artikel 10, eerste lid, onder b, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Regeling aanwijzing risicolanden) Gelet op [artikel 10, eerste lid, onder b, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013409&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 Als landen, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onder b, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=14) worden aangewezen: Afghanistan, Irak, Iran, Noord-Korea, Pakistan, Turkmenistan en Wit-Rusland. Artikel 2 Als landen, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onder b, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=14) worden voorts aangewezen landen waarin het verblijf door een ambtenaar van een dienst uit hoofde van diens specifieke taak een bijzonder risico voor de nationale veiligheid kan opleveren. Deze landen zijn opgenomen in een bijlage die Stg. Geheim is gerubriceerd. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing risicolanden. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1975,"b":"Wet van 11 december 2008 tot wijziging van enige belastingwetten (Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige belastingwetten aan te passen om te komen tot een meer evenwichtige belastingheffing bij excessieve beloningsbestanddelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel V Het in [artikel III, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024883&artikel=III&z=2009-01-01&g=2009-01-01), genoemde bedrag wordt per 1 januari 2009 bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in [artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2), en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Artikel VI 1. Voor het bepalen van het resultaat uit een werkzaamheid, bedoeld in [artikel 3.94 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.94), wordt een vermogensbestanddeel als bedoeld in [artikel 3.92b, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.92b) welke ten gevolge van de inwerkingtreding van [genoemd artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.92b) per 1 januari 2009 is gaan behoren tot het vermogen van een werkzaamheid, op dat tijdstip te boek gesteld volgens de regeling van [artikel 3.95b, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.95b)"},{"i":6985,"b":"Burgerlijk Wetboek Boek 6, Verbintenissenrecht Boek 6. Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht Titel 1. Verbintenissen in het algemeen Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit. Artikel 2 1. Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. 2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Artikel 3 1. Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet- afdwingbare verbintenis. 2. Een natuurlijke verbintenis bestaat: - a. wanneer de wet of een rechtshandeling aan een verbintenis de afdwingbaarheid onthoudt; - b. wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. Artikel 4 Op natuurlijke verbintenissen zijn de wettelijke bepalingen betreffende verbintenissen van overeenkomstige toepassing, tenzij de wet of haar strekking meebrengt dat een bepaling geen toepassing mag vinden op een niet-afdwingbare verbintenis. Artikel 5 1. Een natuurlijke verbintenis wordt omgezet in een rechtens afdwingbare door een overeenkomst van de schuldenaar met de schuldeiser. 2. Een door de schuldenaar tot de schuldeiser gericht aanbod tot een zodanige overeenkomst om niet, geldt als aanvaard, wanneer het aanbod ter kennis van de schuldeiser is gekomen en deze het niet onverwijld heeft afgewezen. 3. Op de overeenkomst zijn de bepalingen betreffende schenkingen en giften niet van toepassing. Afdeling 2. Pluraliteit van schuldenaren en hoofdelijke verbondenheid Artikel 6 1. Is een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd, dan zijn zij ieder voor een gel"},{"i":7566,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 juni 2020, nr. 2901763, houdende toestemming tot het verstrekken en verder verstrekken van politiegegevens en justitiële gegevens ten behoeve van de verlening van de Orde van de Nederlandse Leeuw, de Orde van Oranje-Nassau en de Erepenning voor menslievend hulpbetoon Overwegende: Dat bij de besluitvorming over het verlenen van koninklijke onderscheidingen op grond van de toepasselijke wet- en regelgeving meerdere bestuursorganen betrokken zijn; Dat ten aanzien van de verlening van de Orde van de Nederlandse Leeuw en Orde van Oranje-Nassau (hierna: de ridderorden) de burgemeester, de commissaris van de Koning, het Kapittel voor de civiele orden en de minister die het aangaat betrokken (kunnen) zijn; Dat de procedure voor het verlenen van een ridderorde aanvangt bij de burgemeester die een voorstel tot verlening in behandeling neemt, bij de commissaris van de Koning of in voorkomende gevallen bij de minister die het aangaat; Dat de burgemeester, de commissaris van de Koning of de minister die het aangaat advies uitbrengt over de decorabiliteit, de graad van de onderscheiding, de uitreikgelegenheid en wie de uitreiking doet; Dat de burgemeester, de commissaris van de Koning of de minister die het aangaat gelet op die taken politiegegevens en justitiële gegevens opvraagt; Dat de politiegegevens en justitiële gegevens op grond van het [Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086) ([artikel 4:3, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=4:3)) en het [Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016544) ([artikel 30, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1, en tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016544&artikel=30)) worden verstrekt aan de burgemeester, de commissaris van de Koning of de Minister van Defensie; Dat de politiegegevens en justitiële gegevens vervolgens"},{"i":6331,"b":"Wet van 8 juli 1999 tot samenvoeging van de gemeenten Hoevelaken en Nijkerk Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Hoevelaken en Nijkerk samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Hoevelaken en Nijkerk opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Nijkerk ingesteld, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 De nieuwe gemeente Nijkerk bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Hoevelaken en Nijkerk. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Nijkerk wordt de op te heffen gemeente Nijkerk aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Hoevelaken en Nijkerk wordt de nieuwe gemeente Nijkerk aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 6 1. Voor de nieuwe gemeente Nijkerk wordt een tussentijdse raadsve"},{"i":1686,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 27 maart 2012, houdende de vaststelling van een aan telers van bloembollen op te leggen heffing ter bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci, voor het oogstjaar 2012 (Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2012) § 1. Begripsbepalingen § 1. Begripsbepalingen § 3. Grondslag en hoogte Artikel 4 1. De heffing die de teler is verschuldigd, wordt opgelegd naar het grondoppervlak waarop de bloembollen worden geteeld. 2. De heffing, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste voor: | a. tulpenbollen: | € 0,40 | per are, | | --- | --- | --- | | b. narcissen: | € 0,34 | per are. | 3. Heffingen beneden de € 25,00 worden niet opgelegd. § 4. Oplegging en inning § 5. Slotbepalingen Gelet op de Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad van 29 april 2008 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1493/1999, (EG) nr. 1782/2003, (EG) nr.1290/2005, (EG) nr. 3/2008 en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 2392/86 en (EG) nr. 1493/1999; gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, 15 maart 2012 Besluit: Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&arti"},{"i":5566,"b":"Reglement raad van toezicht Staatsbosbeheer als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer overwegende dat Staatsbosbeheer ingevolge [artikel 4 van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008904&artikel=4) een raad van toezicht heeft welke toeziet op de werkzaamheden van de directeur en deze met raad en daad terzijde staat; overwegende dat de raad van toezicht zich ingevolge genoemd artikel bij de vervulling van zijn taak richt naar het belang van de behoorlijke vervulling van de taken, bedoeld in [artikel 3 van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008904&artikel=3); overwegende dat ingevolge [artikel 8 van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008904&artikel=8) de raad van toezicht een reglement dient vast te stellen betreffende zijn werkwijze; de werkwijze van de raad van advies; de taakverdeling tussen de raad van toezicht en de directeur; in welk reglement tevens dient te worden bepaald welke besluiten van de directeur goedkeuring van de raad van toezicht behoeven en in welke gevallen de directeur in ieder geval advies vraagt aan de raad van advies; overwegende de afspraken tussen Staatsbosbeheer en het ministerie van Economische Zaken, zoals vastgelegd in het ‘Convenant Staatsbosbeheer, een maatschappelijke onderneming’ van 4 december 2014 en in het addendum bij het Convenant van 30 juni 2015; Besluit onderstaand reglement vast te stellen: 1. Definities Artikel 1.1. definities De in dit reglement gehanteerde termen en begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008904) van 11 september 1997, Staatsblad 1997, 514, hierna te noemen: de Wet (zie bijlage). 2. Taakverdeling tussen de raad van toezicht en de directeur Artikel 2.1. Toezicht 1. Conform [artikel 4 lid 2 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":5581,"b":"Reprises van producties, onderdeel van de subsidieregeling Onderzoek en producties 2004 1. Doel van de subsidieregeling Het onderdeel Reprises van producties beoogt een tegemoetkoming te bieden in de kosten van het hernemen van producties teneinde het artistiek belangwekkend aanbod op ad hoc basis in de professionele podiumkunsten te stimuleren. De bepalingen van de [subsidieregeling Onderzoek en producties 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014557)1Deze regeling en de bijbehorende aanvraagformulieren zijn beschikbaar op de website www.fapk.nl, of telefonisch op te vragen op 070-4169000. De regeling 2004 en het onderdeel Reprises van producties zijn per 1 september 2003 van kracht. zijn op dit onderdeel onverminderd van toepassing, tenzij hierna anders vermeld. 2. Aard van de aanvragen Voor aanvragen voor het onderdeel Reprises van producties geldt aanvullend op hetgeen in de [subsidieregeling Onderzoek en producties 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014557) is gesteld dat: Let wel: instellingen die voor de periode 2001-2004 een meerjarig subsidie ontvangen van het Ministerie van OCenW kunnen géén aanvraag indienen voor het in reprise nemen van een productie. 3. Beschikbaar budget Het bestuur van het Fonds heeft het beschikbare budget voor dit onderdeel van de subsidieregeling vastgesteld op € 500.000. Subsidie wordt slechts verleend voorzover de middelen van het Fonds toereikend zijn. Onder meer vanwege de beperkte hoeveelheid middelen kan het Fonds niet alle aanvragen honoreren noch aanvragen voor het gevraagde bedrag honoreren. Het bestuur van het Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten bepaalt het aantal voorstellingen waarvoor subsidie wordt verleend en de hoogte van het per reprise-voorstelling en derhalve per reprise-tournee beschikbare subsidie. 4. Aanvraag- en beslistermijn, repetitieperiode Uw aanvraag dient tenminste 10 weken voor de aanvang van de repetitieperiode door het Fonds ontvangen te zijn. De activiteiten vangen niet eer"},{"i":7138,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 24 september 2008, nr. BJZ2008086801, houdende regels omtrent verplichte afkoop van jaarlijkse bijdragen, die krachtens de Beschikking geldelijke steun huisvesting gehandicapten van 17 april 1978 (Stcrt. 1978, nrs. 74 en 76), de Regelingen geldelijke steun huisvesting gehandicapten 1989 en 1992 (Stcrt. 1988, 190 en Stcrt. 1991, 223) en de Overgangsregeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten (Stcrt. 1993, 192) zijn toegekend aan gemeenten (Regeling verplichte afkoop regelingen geldelijke steun huisvesting gehandicapten 2008) Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepaling Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister voor Wonen, Wijken en Integratie; - b. regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten: Beschikking geldelijke steun huisvesting gehandicapten van 17 april 1978 (Stcrt. 1978, nrs. 74 en 76), de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten 1989, de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten 1992 of de [Overgangsregeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006157); - c. verbintenis: verbintenis van het Rijk jegens de gemeente uit hoofde van geldelijke steun die is verleend krachtens een regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten; - d. gemeente: gemeente jegens wie verbintenissen bestaan. 2. Een na 1 september 2008 door de Minister ontvangen aanvraag om een bijdrage ineens om redenen dat de belanghebbende niet langer zijn hoofdverblijf heeft in de woonruimte waaraan voorzieningen zijn aangebracht, wordt niet in behandeling genomen. De verbintenis waarop dit verzoek betrekking heeft wordt aangemerkt als een resterende verbintenis als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024569&paragraaf=2&artikel=2&z=2008-10-11&g=2008-10-11). Paragraaf 2. Subsidie ter beëindiging van verbintenissen van het Rijk jegens gemeenten Artikel 2 1. De Minister stelt bij beschikking het tot"},{"i":7111,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, van 12 juni 2023, nr. 2023-0000336688, houdende vaststelling van nadere regels inzake schriftelijk verstrekken van informatie aan de huurders over de rechten en plichten van de huurder ten aanzien van het gehuurde (Regeling goed verhuurderschap) Gelet op [artikel 2, vijfde lid, van de Wet goed verhuurderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048028&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De verhuurderverstrekt aan de huurder, voor zover dit niet in de huurovereenkomst is opgenomen, schriftelijk informatie over: - a. de verplichting van de huurder om de woon- of verblijfsruimte te gebruiken conform hetgeen hierover is afgesproken in de huurovereenkomst en over wat de mogelijke gevolgen zijn indien de woon- of verblijfsruimte voor andere doelen wordt gebruikt; - b. het feit dat de verhuurder gedurende de periode van de huurovereenkomst uitsluitend met toestemming van de huurder de woon- of verblijfsruimte mag betreden, tenzij: - 1°. er sprake is van een dringende noodsituatie waarvoor direct ingrijpen noodzakelijk is; - 2°. aan de woon- of verblijfsruimte dringende werkzaamheden als bedoeld in [artikel 220, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=220), moeten worden uitgevoerd; - 3°. de verhuurder met voortzetting van de huurovereenkomst wil overgaan tot renovatie als bedoeld in [artikel 220, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=220), waarmee de huurder heeft ingestemd of waarvan de rechter heeft geoordeeld dat de verhuurder daartoe een redelijk voorstel heeft gedaan; - 4°. de verhuurder krachtens [artikel 56 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288&artikel=56) iets moet toestaan ten behoeve van een naburig erf; - 5°. het betreden van de woon- of verblijfsruimte plaatsvindt ten behoeve van een bezichtiging voor verkoo"},{"i":7141,"b":"Regeling van de Minister van Algemene Zaken, van 25 november 2019, nr. 4100268, inzake vertrouwenspersonen integriteit en ongewenste omgangsvormen en Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen Ministerie van Algemene Zaken Gelet op [artikel 9:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14), [artikel 3, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=3) en de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006835&artikel=4) en [6 van de Klachtenregeling seksuele intimidatie burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006835&artikel=6); Gehoord de Ondernemingsraad van het Ministerie van Algemene Zaken; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **betrokkene:** degene op wie het vermoeden van schending van de integriteit of een misstand, de melding of de klacht betrekking heeft; - –. **commissie:** de in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042863&paragraaf=4&artikel=9&z=2020-01-01&g=2020-01-01) ingestelde klachtencommissie; - –. **klacht:** schriftelijke klacht over ongewenste omgangsvormen; - –. **klager:** de medewerker die een klacht heeft ingediend bij de commissie; - –. **Manager Unit P&O/I:** Manager Unit Personeel, Organisatie en Innovatie van de directie Bedrijfsvoering van het ministerie; - –. **medewerker:** degene die werkzaamheden verricht of heeft verricht bij het ministerie; - –. **minister:** Minister van Algemene Zaken; - –. **ministerie:** Ministerie van Algemene Zaken; - –. **ongewenste omgangsvormen:** factoren van direct of indirect onderscheid in de arbeidssituatie met inbegrip van intimidatie, seksuele intimidatie, agressie, geweld en pesten, die stress teweeg brengen; - –. **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het ministerie; - –. **UBR | Personeel i.o:** desbetreffende onderdeel van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk van het Min"},{"i":1685,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 19 mei 2011 [datum], houdende de vaststelling van een aan telers van bloembollen op te leggen heffing ter bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci, voor het oogstjaar 2011 (Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2011) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 10 mei 2011. BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en de procedure heffing en invordering zoals beschreven in [paragraaf 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | bloembollen | : | tulpen en narcissen; | | --- | --- | --- | --- | | b. | oogstjaar | : | de periode van 1 juni 2011 tot en met 31 mei 2012. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De teler van bloembollen is na een daartoe strekkend besluit van het bestuur een heffing aan het productschap verschuldigd over het oogstjaar 2011, ten behoeve van de bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci. 2. De heffing bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikele"},{"i":5535,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 20 september 2012, nr. WJZ / 12325265, houdende regels omtrent de procedure tot verlenging van de GSM-vergunningen (Regeling verlenging GSM-vergunningen 2013) Gelet op [artikel 1, vierde lid, van het Besluit continuïteit mobiele telecommunicatiedienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031844&artikel=1); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit continuïteit mobiele telecommunicatiedienstverlening in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **mededeling:** de mededeling, bedoeld in [artikel 42 van de Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen 800, 900 en 1800 MHz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031069&artikel=42); - b. **vergunning:** een vergunning als bedoeld in [kolom 1 van tabel 1 van het Verlengbaarheidsbesluit GSM-vergunningen 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032016&artikel=2). Artikel 2 1. Een aanvraag om verlenging van de looptijd van een vergunning wordt ingediend bij de minister. 2. De aanvraag wordt niet eerder dan twintig werkdagen na de dag waarop de mededeling wordt gedaan, en uiterlijk om 14:00 uur op de vijfentwintigste werkdag na de dag waarop de mededeling wordt gedaan, per post ontvangen dan wel door middel van persoonlijke overhandiging ingediend op het volgende adres: Agentschap Telecom, Emmasingel 1, 9726 AH Groningen. 3. Bij persoonlijke overhandiging van de aanvraag wordt een bewijs van ontvangst afgegeven dat is voorzien van datum en tijdstip van ontvangst en ondertekening. 4. De aanvrager dient slechts één aanvraag als bedoeld in onderdeel A van de bijlage en één aanvraag als bedoeld in onderdeel B van de bijlage in, ook indien hij als houder van meer dan een vergunning aanspraak wenst te maken op verlenging van zijn vergunningen. 5. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van zowel onderdeel A als onderdeel B van het in de bijlage opgenomen model en gaat vergezeld"},{"i":5520,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 juli 2015, nr. 2015-0000387198, tot vaststelling van de wijze waarop kengetallen worden vastgesteld en opgenomen in de begroting en het jaarverslag van provincies en gemeenten Gelet op [artikel 11, derde lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014606&artikel=11); Besluit: Artikel 1 De kengetallen bedoeld in [artikel 11, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014606&artikel=11) worden: - a. vastgesteld met behulp van de tabellen die in de bij deze regeling gevoegde [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036853&bijlage=1&z=2019-04-01&g=2019-04-01) zijn opgenomen; - b. opgenomen in de begroting en het jaarverslag met behulp van de tabellen die in de bij deze regeling bijgevoegde [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036853&bijlage=2&z=2019-04-01&g=2019-04-01) zijn opgenomen. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage 1. behorende bij [artikel 1, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036853&artikel=1&z=2019-04-01&g=2019-04-01), van de Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 juli 2015, nr. 2015-0000387198, tot vaststelling van de wijze waarop kengetallen worden vastgesteld en opgenomen in de begroting en het jaarverslag van provincies en gemeenten Tabel 1. Het kengetal netto schuldquote en het kengetal netto schuldquote gecorrigeerd voor alle leningen worden vastgesteld als volgt: | | Vaststelling kengetal netto schuldquote en netto schuldquote gecorrigeerd voor alle leningen in % | : (A+B+C-D-E-F-G)/H x 100% | | --- | --- | --- | | | Voor de begroting: | Voor het jaarverslag: | | **A** | Een raming van het totaal van de vaste schulden. | Het tot"},{"i":5651,"b":"Subsidieplafond 2017 Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904), en gelet op [artikel 3 van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035122&artikel=3); Besluit: Artikel I Het subsidieplafond van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland voor het kalenderjaar 2017 is € 35.981.860,– (zegge: vijfendertig miljoen negenhonderdeneenentachtig duizend achthonderdenzestig euro). Artikel II Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2017. Dit besluit wordt met toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":6040,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Gambia inzake de export en handhaving van sociale zekerheidsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Gambia, Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid tot stand te brengen, Geleid door de wens de samenwerking tussen de twee staten te regelen ter waarborging van de handhaving van de wetgeving van het ene land in het andere, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied”, met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, het grondgebied van het Koninkrijk in Europa en met betrekking tot Gambia, het grondgebied van de Republiek Gambia; - b. „bevoegde autoriteit”, met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland; met betrekking tot de Republiek Gambia, het ministerie van Financiën en Economische Zaken; - c. „bevoegd orgaan”, met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b; de Sociale Verzekeringsbank; met betrekking tot de wetgeving betreffende sociale bijstand, het daartoe door de bevoegde autoriteit van Nederland aangewezen orgaan; met betrekking tot de Republiek Gambia, de Social Security and Housing Finance Corporation; of elke organisatie bevoegd tot het uitvoeren van een taak die momenteel wordt uitgevoerd door voornoemde organen; - d. „instantie”, elke organisatie die betrokken is bij de uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van onder meer de bevolkingsregisters, geboorte-, overlijdens- en huwelijksregisters, belastingautoriteiten, arbeidsbureaus, bureaus voor arbeidsbemiddeling en arbeidsinstanties, scholen en a"},{"i":3242,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 februari 2026 nr. BOACAT2026/015, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Gooise Meren Gelezen het verzoek van gemeente Gooise Meren van 20 februari 2026 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052382&artikel=2&z=2026-04-05&g=2026-04-05). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Jeugdboa, medewerker handhaving II, Handhaver B en medewerker handhaving III in dienst van gemeente Gooise Meren zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het dom"},{"i":1687,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 11 november 2008 houdende de vaststelling van een heffing over de teelt van eetbare paddenstoelen en op uitgangsmateriaal van groenten, voor het jaar 2009 (Verordening PT heffing eetbare paddenstoelen en uitgangsmateriaal van groenen 2009) § 1. Begripsbepalingen § 1. Begripsbepalingen § 3. Grondslag en hoogte Artikel 3 1. De heffing die de ondernemer is verschuldigd, wordt opgelegd naar de grondslag van de productwaarde over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een percentage van de productwaarde en bedraagt voor: | a. | champignons: | 0,070% | | --- | --- | --- | | b. | overige paddenstoelen: | 0,040% | | c. | uitgangsmateriaal: | 0,080% | § 4. Oplegging en inning § 3. Grondslag en hoogte gelet op de [artikelen 93, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 28 oktober 2008: Besluit: Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop ber"},{"i":2666,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 8 december 2015, nr. IENM/BSK-2015/227940, houdende benoeming van en toekenning van vergoedingen aan de voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (Benoemingsbesluit raad van toezicht KNMI) Gelet op [artikel 6, tweede tot en met vijfde lid, van de Wet taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=6); BESLUIT: Artikel 1. Benoeming voorzitter en leden 1. De heer drs. F.J.M. Crone te benoemen als lid, tevens voorzitter, van de raad van toezicht, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de Wet taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=6). 2. Te benoemen als lid van de raad van toezicht: - De heer prof. dr. A.A.M. Holtslag - De heer prof. dr. ir. H. A. Dijkstra - De heer drs. L.H.M. Kohsiek - Mevrouw ir. A. G. Nijhof MBA - De heer dr. A. Kuipers - De heer dr. C. Bönnemann. Artikel 2. Secretaris De raad van toezicht wordt bijgestaan door een secretaris als bedoeld in [artikel 14, tweede lid, van de Regeling taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037394&artikel=14), die in overeenstemming met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu door de voorzitter van de raad van toezicht wordt gekozen. Artikel 3. Periode De benoeming geschiedt voor de periode van 1 januari 2016 tot 1 januari 2020. Artikel 4. Werkwijze De raad van toezicht bepaalt zijn eigen werkwijze. De werkwijze van de raad wordt vastgelegd in een reglement. Artikel 5. Vergoeding 1. De voorzitter en de andere leden van de raad ontvangen per vergadering een vergoeding. 2. De vergoeding per vergadering van de leden van de raad bedraagt 3% van het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de ve"},{"i":6037,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Botswana inzake de export en handhaving van socialezekerheidsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Botswana, (hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen”, en afzonderlijk, „de Verdragsluitende Partij”) Geleid door de wens betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid tot stand te brengen, Geleid door de wens de samenwerking tussen de twee staten te regelen ter waarborging van de handhaving van de wetgeving van het ene land in het andere, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied”, met betrekking tot de Republiek Botswana: het grondgebied van de Republiek Botswana; met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; - b. „instantie”, elke organisatie die betrokken is bij de uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van onder meer de bevolkingsregisters, geboorte-, overlijdens- en huwelijksregisters, belastingautoriteiten, arbeidsbureaus en bureaus voor arbeidsbemiddeling, scholen en andere onderwijsinstellingen, kadasterregisters, handelsautoriteiten, politie, gevangeniswezen en immigratiediensten; - c. „wetgeving”, de wetten en voorschriften inzake sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, en de wetten, voorschriften, beleidsmaatregelen en procedures bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a; - d. „uitkering”, elke uitkering in geld of elk pensioen krachtens de wetgeving; - e. „uitkeringsgerechtigde”, een persoon die een uitkering aanvraagt of recht heeft op een uitkering; - f. „lid van het gezin”, een persoon die als zodanig wordt omschreven of erkend door de wetgeving; - g. “wonen”, gewoonlijk wonen; - h. „verblijven”, tijdelijk wonen. 2. Andere in dit Verdrag gebruikte termen hebben de betekenis die daaraan in de toegepaste wetgeving wordt gegeven. Artikel 2. Doel en werkingssfeer 1. De Verdragsluitende"},{"i":6245,"b":"Wet van 30 september 2024, houdende invoering publiek toezicht en handhaving van de verordening 2019/1150 van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten (Wet publiek toezicht en handhaving verordening bevordering billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Autoriteit Consument en Markt te belasten met het toezicht op de naleving en de handhaving van [Verordening (EU) 2019/1150](32019R1150) van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 ter bevordering van billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten (PbEU 2019, L 186); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze wet wordt verstaan onder: - **Autoriteit Consument en Markt:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - **bedrijfswebsitegebruiker:** bedrijfswebsitegebruiker als bedoeld in artikel 2, onderdeel 7, van [verordening 2019/1150](33050R2019); - **bindende gedragslijn:** een zelfstandige last die niet wegens een overtreding wordt opgelegd; - **consument:** consument als bedoeld in artikel 2, onderdeel 4, van [verordening 2019/1150](33050R2019); - **onlinetussenhandelsdienst:** onlinetussenhandelsdienst als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van [verordening 2019/1150](33050R2019); - **onlinezoekmachine:** onlinezoekmachine als bedoeld in artikel 2, onderdeel 5, van [verordening 2019/1150](33050R2019); - **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; -"},{"i":5405,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2012, IENM/BSK-2012/241273, houdende vaststelling regels in verband met de implementatie van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en de sturing van en het toezicht op het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (Regeling sturing van en toezicht op het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen) Gelet op de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=26) en [32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=32) en de [artikelen 4aj, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aj), [4ap, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4ap), [4aq, eerste en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aq); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **de Kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495). § 2. Directie en raad van toezicht van het CBR Artikel 2. Ontstentenis directie Het CBR informeert de minister onverwijld over de ontstentenis van een lid van de directie met het oog op de conform [artikel 4ad, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4ad) te treffen voorziening. Artikel 3. Rol raad van toezicht De raad van toezicht oefent onafhankelijk van directie en minister toezicht uit. De raad van toezicht heeft een interne toezichtfunctie en is daarbij gericht op het beleid van de directie en op de algemene gang van zaken in het CBR. De raad van toezicht richt zich bij de vervulling van de taak naar het belang van het CBR en weegt daartoe de in aanmerking komende belangen van de bij het CBR betrokkenen af. § 3. Financieel toezicht Artikel 4. Begroting Het CBR zendt jaarlijks voor 1 oktober de begroting voor het daaropvolgende jaar aan de minister. Artikel 5. Financiee"},{"i":4426,"b":"Bestuursreglement Kiesraad gelet op [artikel A 7 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_7): Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - **Buitengewoon lid:** buitengewoon lid van de Kiesraad als bedoeld in [artikel A 5 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_5); - **Bureau:** het ondersteunend bureau als bedoeld in [artikel A 8 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_8); - **Kiesraad:** de Kiesraad, zoals ingesteld op grond van [artikel A 2 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_2). Voor zover in de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) een afzonderlijke taak is opgedragen aan een deel van de (leden van de) Kiesraad, geldt dit deel ook als de Kiesraad; - **Kwaliteitsbewakende taken:** de taken en bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen A 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_12) (procesaanwijzing), [A 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_13) (opstellen rapportage van bevindingen), [Ea 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ea_10) (beheersaanwijzing), [Ea 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ea_11) (onderbreken van het gebruik van uitslagprogrammatuur) en [Ea 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ea_12) (opstellen rapportage van bevindingen) van de Kieswet; - **Lid:** lid van de Kiesraad als bedoeld in [artikel A 5 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_5); - **Secretaris-directeur:** de secretaris als bedoeld in [artikel A 8 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_8); - **Voorzitter:** lid, tevens voorzitter van de Kiesraad als bedoeld in [artikel A 5 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_5). Artikel 2. (functies en benoemingsperiode) 1. De Kiesraad wijst uit"},{"i":4081,"b":"Besluit van 24 december 1998, tot vaststelling van een maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 6, derde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 13, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, 6, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet en 5, derde en vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 20 november 1998 SV/GSV/98/35098 mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 6, derde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=6), [artikel 13, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=13)[artikel 6, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=6) en [artikel 5, derde en vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=5); De Raad van State gehoord (advies van 17 december 1998, nr W12.98.0549); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 18 december 1998, nr. SV/GSV/98/42566, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de volksverzekeringen: de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221), de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795), de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) en de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. kind: het eigen kind, het aangehuwde kind, of het pleegkind, bedoeld in [artikel 4 van de Algemene Kinderbijslagwet](ht"},{"i":4431,"b":"Bestuursreglement Politieacademie Dit bestuursreglement is het bestuursreglement van de Politieacademie in de zin van [artikel 98, eerste lid van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=98). Artikel 1. De Politieacademie 1. Er is een Politieacademie. De Politieacademie heeft rechtspersoonlijkheid. 2. De Politieacademie heeft tot taak: - a. het ontwikkelen en verzorgen van politieonderwijs; - b. het ontwikkelen van kennis over de politie of de politietaak en het bijdragen aan de ontwikkeling van de uitoefening van de politietaak onder meer door onderzoek zoals nader omschreven in [hoofdstuk 8 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&hoofdstuk=8). Taak directeur en plaatsvervangend directeur Artikel 2. Taakopdracht directeur 1. De directeur van de Politieacademie is belast met de leiding en het beheer van de Politieacademie. Hij vertegenwoordigt de Politieacademie in en buiten rechte. 2. De directeur van de Politieacademie hanteert de maatschappelijke opdracht van de Politieacademie als uitgangspunt voor het beleid ten aanzien van de uitvoering van de taken van de Politieacademie. Artikel 3. Algemene verantwoordelijkheden directeur Politieacademie De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende verantwoordelijkheden ten aanzien van de Politieacademie: - 1. hij is belast met de leiding van de Politieacademie; - 2. hij vertegenwoordigt de Politieacademie in en buiten rechte; - 3. op hem rusten de verplichtingen die wet- en regelgeving opleggen aan de Politieacademie; - 4. hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken van de Politieacademie; - 5. hij is verantwoordelijk voor de organisatie en de instandhouding van de Politieacademie; - 6. hij ziet toe op het functioneren van de sectorhoofden en teamchefs en bevordert de synergie tussen de sectoren en de teams; - 7. hij voert het overleg met de Ondernemingsraad van de Politieacademie. Artik"},{"i":5526,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 20 juni 2019, nr. IENW/BSK-2019/134685, houdende vaststelling van regels voor experimenten met zelfrijdende voertuigen zonder bestuurder in het voertuig waarvoor een vergunning vereist is Gelet op de [artikelen 4b, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b), en [149aa, zevende lid, Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149aa); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling 1. [Artikel 1 van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011561&artikel=1) is van overeenkomstige toepassing. 2. Onverminderd het eerste lid wordt in deze regeling verstaan onder: - a. **vervoerssysteem:** Het geheel van voertuig, voertuig en gedrag in relatie tot de infrastructuur en verbinding hiertussen inclusief de monitoring op de rijtaak van het voertuig of de voertuigen door de bestuurder; - b. **noodscenario:** een volledig beschreven handeling bij een onverwachte interruptie van het bedrijfsproces waardoor de continuïteit van het vervoerssysteem in gevaar komt of de veiligheid van de inzittenden en omgeving van het voertuig in het geding is; - c. **ADS:** geautomatiseerd rijsysteem waarbij de hard- en software van een voertuig binnen een bepaald en specifieke operationeel domein zelf in staat zijn om het voertuig onder controle te hebben en de dynamische rijtaken uit te voeren. Hoofdstuk 2. Aanvraag vergunning Artikel 2. Bestuursorgaan indienen aanvraag De aanvraag om een vergunning voor experimenten met voertuigen, waarbij de bestuurders zich niet in het voertuig bevinden wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer. Artikel 3. Wijze van indiening van de aanvraag 1. De aanvraag wordt ingediend door middel van het door Onze Minister vastgestelde aanvraagformulier. 2. De Dienst Wegverkeer stelt het aanvraagformulier ter beschikking op een door deze Dienst te bepalen wijze. Artikel 4. Gegevens en bescheiden"},{"i":7181,"b":"Wet van 4 maart 2015 tot uitvoering van Verordening (EU) Nr. 606/2013 van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken (PbEU 2013, L181) (Uitvoeringswet verordening wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat Verordening (EU) Nr. 606/2013 van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken (PbEU 2013, L 181) moet worden uitgevoerd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder verordening: Verordening (EU) Nr. 606/2013 van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken (PbEU 2013, L 181). Artikel 2 1. Een certificaat, als bedoeld in artikel 5 van de verordening, voor de erkenning van een beschermingsmaatregel in een andere lidstaat wordt bij verzoekschrift gevraagd aan de rechter die de beschermingsmaatregel heeft bevolen. Het verzoekschrift kan zonder tussenkomst van een advocaat worden ingediend. 2. Bij het verzoekschrift, bedoeld in het eerste lid, wordt een afschrift van de beslissing waarin de beschermingsmaatregel wordt bevolen overgelegd. Het verzoekschrift bevat daarnaast de gegevens, als bedoeld in artikel 7 van de verordening, die de rechter nodig heeft om het certificaat volgens het op basis van artikel 19 van de verordening opgestelde meertalige standaardformulier te kunnen afgeven. 3. De in het eerste lid bedoelde rechter beslist onverwijld op het verzoek. De persoon van wie de dreiging uitgaat behoeft niet te worden opgeroepen. Indien het verzoek wordt toegewezen"},{"i":2401,"b":"Beleidsregel van de Minister van Financiën van 24 mei 2023, kenmerk DJZ 120433, over de uitleg van enkele begrippen uit de Wet op de consignatie van gelden (Beleidsregel consignatie) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 2 van de Wet op de consignatie van gelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **minister:** de Minister van Financiën; - **wet:** [Wet op de consignatie van gelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338). Artikel 2 De minister besluit op aanvraag om gelden in de consignatiekas op te nemen, indien een wettelijke grondslag voor consignatie bestaat. Artikel 3 1. Het in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=2) gehanteerde begrip ‘beschikking van Onze Minister’ wordt zo uitgelegd dat de minister de bevoegdheid heeft om op aanvraag in concrete individuele situaties consignatie toe te laten. 2. De minister maakt slechts gebruik van deze bevoegdheid indien er geen andere wettelijke grondslag voor consignatie bestaat en het belang van de aanvrager zodanig is dat consignatie in redelijkheid niet geweigerd kan worden. Artikel 4 De minister besluit op aanvraag om gelden in de consignatiekas op te nemen op grond van een beslissing van de rechter. Artikel 5 Het schriftelijke besluit van de minister om gelden in de consignatiekas op te nemen, het schriftelijke besluit van de minister tot uitkering uit de consignatiekas alsmede de afwijzing van een aanvraag tot opname of uitkering worden aangemerkt als besluiten in de zin van [artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). Artikel 6 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 juli 2023. Artikel 7 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel consignatie. Deze beleidsregel zal met de"},{"i":2402,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 26 augustus 2020, nr. VO/25234365, tot nadere regels voor de verstrekking van een Dans- en Muzieklicentie voor scholen in het voortgezet onderwijs (Beleidsregel DAMU-licentie VO 2020) Gelet op de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=25) en [29, zevende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=29) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **DAMU-leerling:** leerling die is toegelaten tot het hbo-voortraject en daardoor wordt beschouwd als toptalent op het gebied van dans of muziek; - **DAMU-licentie:** licentie van de minister aan het bevoegd gezag van een school waarin een aanvraag als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044030&artikel=3&z=2022-08-01&g=2022-08-01) wordt ingewilligd; - **hbo-voortraject:** beroepsvoorbereidend traject voor vo-leerlingen, aangeboden door een hogeschool, dat voorafgaat aan een hbo-bachelor op het gebied van dansvakonderwijs of muziekvakonderwijs; - **minister:** Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; - **school:** school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs waar uit de openbare kas bekostigd onderwijs wordt verzorgd als bedoeld in de [artikelen 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.4), [2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.5) en [2.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.6); - **Stichting DAMU:** de stichting Dans- en Muziekscholen; - **wet:** [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212). Artikel 2. Doel van"},{"i":2403,"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 25 juni 2020, nr. WJZ/19298421, in verband met het vervoer van dieren bij buitentemperaturen van ten minste 35 graden Celsius (Beleidsregel diertransport bij hoge temperaturen) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en artikel 3 van [Verordening (EG) 1/2005](32005R0001) van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de [Richtlijnen 64/432/EEG](31964L0432) en [93/119/EG](31993L0119) en van [Verordening (EG) nr. 1255/97](31997R1255) (PbEU 2005, L 3); Besluit: Artikel 1 Het vervoeren of laten vervoeren van dieren geschiedt in ieder geval op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de [Richtlijnen 64/432/EEG](31964L0432) en [93/119/EG](31993L0119) en van Verordening (EG) nr. [1255/97](33155L0097) (PbEU 2005, L 3) indien het vervoer plaatsvindt bij een buitentemperatuur van ten minste 35 graden Celsius met een vervoermiddel dat niet is uitgerust met een actief koelingssysteem. Artikel 2 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel diertransport bij hoge temperaturen. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2400,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 1 februari 2021, nr. WJZ/20288990, tot vaststelling van beleidsregels voor de beoordeling van aanvragen om een vergoeding op grond van artikel 8 van de Wet verbod pelsdierhouderij Gelet op [artikel 8 van de Wet verbod pelsdierhouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032739&artikel=8) en de [artikelen 4:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [4:95 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:94); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **fokteven:** voedsters of moederdieren; - **minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - **natuurvergunning:** een vergunning als bedoeld in [artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=2.7); - **omgevingsvergunning:** omgevingsvergunning, bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), voor het houden van pelsdieren; - **pelsdierhouder:** degene die een melding heeft gedaan, als bedoeld in [artikel 3, eerste tot en met derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032739&artikel=3); - **plaats:** plaats, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032739&artikel=3); - **vervroegde beëindiging:** verbod, bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032739&artikel=2), zoals deze voor de pelsdierhouder ingevolge de Wet tot wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij in verband met een vervroegde beëindiging van de pelsdierhouderij (Stb 2020, 555) geldt per 8 januari 2021; - **werknemer:** natuurlijke persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in [artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":1689,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 4 mei 2004, houdende de vaststelling van aan exporteurs van bloembollen op te leggen heffing voor de export van bloembollen naar Japan, voor het oogstjaar 2004/2005 (Verordening PT heffing export bloembollen naar Japan oogstjaar 2004/2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Sectorcommissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, 30 maart 2004; Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | bloembollen | : | bollen of knollen van bloemgewassen; | | e. | oogstjaar | : | de periode van 1 juni 2004 tot en met 31 mei 2005. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloembollen is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloembollen aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd ten behoeve van de financiering van de controles van de bloembollen, die naar Japan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. Artikel 3"},{"i":7328,"b":"Besluit van 7 april 2005, houdende wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het koninklijk besluit van 15 december 1994, houdende uitvoering van artikel 4, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 inzake verkeersvoorschriften voor het militaire verkeer in gewone omstandigheden (Stb. 967) en het Besluit personenvervoer 2000, in verband met het verbieden van het vervoer van personen in aanhangwagens en laadruimten van motorvoertuigen en bromfietsen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 januari 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-20, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=13) en [111 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111) en [artikel 2, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 25 februari 2005, nr. W09.05.0019/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 1 april 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-912, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990. Artikel II Wijzigt het Besluit personenvervoer 2000. Artikel III Wijzigt het Uitvoeringsbesluit ex artikel 4 Wegenverkeerswet 1994 inzake verkeersvoorschriften voor het militaire verkeer. Artikel IV Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel V [Artikel 69, eerste lid, onderdeel d, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=69), zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018176&artikel=IV&z=2005-05-01&g=2005-05-01), blijft van kracht ten aanzien van aanvragen die voor dat tijdstip zijn ingediend. Artikel VI Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2005, met uitzond"},{"i":5698,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 mei 2009, nr. GMT/IB/2929135, houdende tegemoetkoming in kosten voor het ter beschikking stellen van een orgaan bij leven (Subsidieregeling donatie bij leven) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister voor Medische Zorg; - b. **orgaan:** nier of deel van de lever; - c. **donatie:** met inachtneming van de [Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066) bij leven een orgaan laten verwijderen ten behoeve van implantatie bij een bepaalde persoon; - d. voorbereiding van een donatie: - 1°. medewerking aan onderzoek om nader te bepalen of de donor tot donatie in staat is en of het orgaan geschikt is voor donatie; - 2°. eventuele behandeling van de donor die medisch noodzakelijk is voor donatie; - e. **uitvoering van een donatie:** opname van de donor in het ziekenhuis ten behoeve van de operatieve verwijdering van het orgaan van de donor; - f. **herstel na een donatie:** periode na het ontslag uit het ziekenhuis totdat de donor naar medische maatstaven hersteld is van de operatieve verwijdering van het orgaan; - g. **donor:** natuurlijke persoon bij wie een orgaan verwijderd gaat worden, verwijderd wordt of verwijderd is in het kader van een donatie; - h. **peiljaar:** het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin de donatie wordt uitgevoerd of, indien de belastbare inkomsten in dat jaar lager waren dan het minimumloon, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8), vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin de donatie wordt uitgevoerd. Artikel 2 De minister kan aan een donor een subsidie verstrekken ten behoeve van de voorbereiding van, de uitvoering van of het herstel na een"},{"i":6146,"b":"Besluit van 19 januari 2001, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 augustus 2000, kenmerk GZB/VVB 2099119, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [8, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [9 onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=9), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12) en [14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14); De Raad van State gehoord (advies van 19 oktober 2000, no. W13.00.0392/III) Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 januari 2001, GZB/VVB 2144381, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 4, eerste en derde lid, treedt in werking op 1 augustus 2001 voor die kruidenpreparaten, niet zijnde eet- of drinkwaren, die uitsluitend bestemd zijn om in aanraking te worden gebracht met de verschillende delen van het menselijk lichaamsoppervlak, en waarin geen andere planten aanwezig zijn dan die welke met cijfer 1 in de laatste kolom van de in dit besluit toegevoegde bijlage zijn aangegeven Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. kruidensubstantie: substantie bestaande uit plantenmateriaal; - b. kruidenpreparaat: een kruidensubstantie, al dan niet bewerkt, die bestemd is te worden gebruikt door de mens, daaronder begrepen kruidenextracten; - c. toxische pyrrolizidine-alkaloïden: esteralkaloïden die zijn afgeleid van necinediol (7-hydroxy-1-hydroxy-methylpyrrolizidine) met een 1,2-onverzadigde binding, inclusief de onderscheiden N"},{"i":2823,"b":"Beschikking verlening vrijstelling luchtvervoersvergunning sportvliegers Gelet op artikel 16, zevende lid, van de Luchtvaarwet, Besluit: Artikel 1 Aan de gezagvoerder van een vrije gas- of hete luchtballon, een zweefvliegtuig, een motorzweefvliegtuig of een vliegtuig, dat wordt gebruikt voor het uitvoeren van een niet commerciële vlucht, wordt vrijstelling verleend van de in het [eerste lid van artikel 16 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=16) vervatte verplichting tot het hebben van een vergunning voor het vervoer van personen. Artikel 2 De gezagvoerder, die van de in het vorige artikel bedoelde vrijstelling gebruik maakt, moet de volgende voorwaarden in acht nemen: - a. de maximaal toegelaten totaalmassa van het gebruikte luchtvaartuig mag niet hoger zijn dan 2000 kg; - b. het doel van de vluchten moet van recreatieve aard zijn; - c. voor de vluchten mag geen werving plaatsvinden."},{"i":4130,"b":"Besluit van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 3 februari 2023, nr. 35001265 houdende vaststelling van een beleidskader en een subsidieplafond voor de subsidieverstrekking aan scholen met achterstandsleerlingen gericht op het vrijroosteren van leraren voor deelname aan coachingsactiviteiten en het intensief begeleiden van leerlingen in de schooljaren 2023–2025 (Besluit vaststelling beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase IV 2023–2025) Gelet op de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Beleidskader De beleidsregels voor het verstrekken van subsidies ten behoeve van scholen met een bovengemiddelde schoolweging achterstandsleerlingen gericht op het vrijroosteren van leraren voor deelname aan coachingsactiviteiten en het intensief begeleiden van leerlingen in de schooljaren 2023–2025 worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Subsidieplafond Voor subsidieverstrekking op grond van dit besluit is voor de kalenderjaren 2023, 2024 en 2025 in totaal maximaal € 5.840.000 beschikbaar. Artikel 3. Inwerkingtreding en vervaldatum 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. 2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2027. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase IV 2023–2025. Bijlage. behorende bij het Besluit vaststelling beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase IV 2023–2025 Beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase IV 2023–2025 Het Beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase IV 2023–2025 (hierna: het beleidskader) regelt de activiteiten waarvoor en de voorwaarden waaronder de Minister subsidie kan verstrekken voor de daarin beschreven activiteiten. De [Kader"},{"i":3283,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 24 maart 2021 nr. BOACAT2021/009, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Maastricht Gelezen het verzoek van de gemeente Maastricht van 15 maart 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045016&artikel=2&z=2021-05-25&g=2021-05-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van BOA of Wijkgebonden medewerker in dienst van de gemeente Maastricht, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regelin"},{"i":4281,"b":"Besluit van 8 december 2005, houdende regels met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal (Besluit verhandeling teeltmateriaal) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 1 september 2005, TRCJZ/2005/2593, Directie Juridische Zaken; Gelet op de Europese richtlijnen met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal van verschillende soorten gewassen alsmede gelet op de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=19), [39, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=39), [40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=40), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=41), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=43), [85](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=85), en [87, tweede, derde en zesde lid, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=87); De Raad van State gehoord (advies van 14 oktober 2005, nr. W11.05.0400/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 1 december 2005, nr. TRCJZ/2005/3569, Directie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040); - b. keuringsinstelling: privaatrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in [artikel 19 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=19); - c. NAK: de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen; - d. Naktuinbouw: de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw; - e. groenvoedergewassen: gewassen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder A, van [richtlijn nr. 66/401/EEG](31966L0401) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1966 b"},{"i":4698,"b":"Instellingsbeschikking stuurgroep ’Redesign Gratie’ Overwegende, dat het aantal gratieverzoeken relatief groot is waardoor de druk op de kwaliteit van de afhandeling en de doorlooptijden toeneemt; dat kan worden vastgesteld dat het logistieke traject niet optimaal functioneert; dat het project ’Redesign Gratie’ tot doel heeft de geconstateerde knelpunten in de gratieprocedure op te lossen door het verkorten van de procedure, het verbeteren van de kwaliteit van de gevalsbehandeling en het tegengaan van oneigenlijk gebruik, waarbij het groten van de effectiviteit en efficiency van de gratieprocedure met behoud van de waaarborgen van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en de zorgvuldigheid bij de gevalsbehandeling; dat het ministerie van Justitie dit doel probeert te bereiken in samenwerking met de partners in de gratieketen; dat daarom op korte termijn overgegaan zal worden tot het instellen van een stuurgroep. Besluit: Artikel 1 Ingesteld wordt de stuurgroep ’Redesign Gratie’ (hierna: de stuurgroep). Artikel 2 De stuurgroep heeft tot taak: - a. het adviseren van de Minister van Justitie over het herinrichten van de gratieketen; - b. het geven van aansturing aan het project op hoofdlijnen op basis van voortgangrapportages; - c. het vaststellen van het Plan van Aanpak en de definitieve rapportages. Artikel 3 De stuurgroep heeft voorts de opdracht om een implementatieplan voor te bereiden op basis waarvan de onder [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010345&artikel=2&z=1999-06-01&g=1999-06-01) bedoelde voorstellen kunnen worden doorgevoerd. Artikel 4 De stuurgroep is als volgt samengesteld: - als lid tevens voorzitter: - mevrouw drs. M.A.C. Galesloot MBA, directeur-generaal Preventie, Jeugd en Sancties, Ministerie van Justitie; - als lid tevens plaatsvervangend voorzitter: - de heer mr. G. Roes, plv. directeur-generaal Wetgeving Rechtspleging en Rechtsbijstand, Ministerie van Justitie; - als leden: - de heer mr. D.W. Steenhuis, procureur-generaal Arnhem; -"},{"i":4151,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vaststelling van de beschrijving van de gewijzigde grens van de gemeente ’s-Gravenhage en van de grens met de gemeente Rijswijk, overeenkomstig de Wet van 12 juli 2001 tot gemeentelijke herindeling van Den Haag en omgeving Gelet op [artikel 10 van de Wet van 12 juli 2001 tot gemeentelijke herindeling van Den Haag en omgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012687&artikel=10); Besluit: Artikel 1 De beschrijving van de als gevolg van de [Wet van 12 juli 2001 tot gemeentelijke herindeling van Den Haag en omgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012687) gewijzigde grens van de gemeente Den Haag met de gemeente Rijswijk luidt als volgt: Vanaf het oostelijkste hoekpunt van het perceel kadastraal bekend gemeente Rijswijk, sectie E, nummer 1318 volgt de nieuwe grens de rechte verbindingslijnen naar achtereenvolgens de punten waarvan de coördinaten in het verschoven stelsel van de Rijksdriehoeksmeting zijn: x = 83774,24 en y = 451455,93, x = 83789,84 en y = 451461,02 en x = 83809,70 en y = 451462,84. Vanaf het laatstgenoemde punt volgt de nieuwe grens de cirkelboog door het punt waarvan de coördinaten in het verschoven stelsel van de rijksdriehoeksmeting zijn: x = 83809,51 en y = 451477,99 naar het punt waarvan de coördinaten in het verschoven stelsel van de rijksdriehoeksmeting zijn: x = 83812,04 en y = 451492,94. Vanaf dit punt volgt de nieuwe grens de cirkelboog door het punt waarvan de coördinaten in het verschoven stelsel van de rijksdriehoeksmeting zijn: x = 83816,23 en y = 451498,63 naar het punt waarvan de coördinaten in het verschoven stelsel van de rijksdriehoeksmeting zijn: x = 83822,81 en y = 451501,21. Vanaf dit punt volgt de nieuwe grens de cirkelboog door het punt waarvan de coördinaten in het verschoven stelsel van de rijksdriehoeksmeting zijn: x = 83835,23 en y = 451502,46 naar het punt waarvan de coördinaten in het verschoven stelsel van de rijksdriehoeksme"},{"i":2737,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2011 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2011, doch niet later dan 15 maart 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,383 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2011 en eindigende met 15 maart 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":2899,"b":"Besluit van 7 december 2015, houdende regels omtrent aangewezen instanties en interne instanties Metrologiewet (Besluit aangewezen instanties en interne instanties Metrologiewet) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 14 september 2015, nr. WJZ/15122979; Gelet op [richtlijn 2014/32](32014L0032)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten (PbEU 2014, L 96) en [richtlijn 2014/31](32014L0031)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van niet-automatische weegwerktuigen (PbEU 2014, L 96) en de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=5), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=10) en [21a van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=21a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 2015, nr. W15.15.0323/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 3 december 2015, nr. WJZ /15155600); Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **wet:** [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517). Paragraaf 2. Criteria aangewezen instantie Artikel 2 Een aangewezen instantie is naar nationaal recht van een lidstaat opgericht, heeft rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in Nederland. Daarnaast is de instantie onafhankelijk van de organisaties of meetinstrumenten, die ze beoordeelt. Artikel 3 1. Een aangewezen instantie, haar directeur of bestuur en het bij de conformiteitsbeoordeling betrokken personeel van de instantie zijn niet de ontwerper, fabrikant, leverancier, installateur, koper, eigenaar, onderhouder of gebruiker van de meetinstrumenten die zij controleren of de vertegenwoordiger"},{"i":7588,"b":"Volmacht en machtiging van de Minister van Economische Zaken van 9 december 2013, nr. WJZ/13207360, aan de Kamer van Koophandel inzake het beheer van het digitaal ondernemingsplein Gelet op [artikel 5, tweede lid, van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=5); Artikel 1 Aan de Kamer van Koophandel wordt volmacht en machtiging verleend tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van het digitaal ondernemingsplein op grond van [artikel 5 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=5). Artikel 2 1. De Kamer van Koophandel kan voor de [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034364&artikel=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) bedoelde aangelegenheden aan een afzonderlijk lid van de Kamer van Koophandel volmacht en machtiging verlenen indien niet gewacht kan worden op een besluit van de Kamer van Koophandel. 2. De Kamer van Koophandel kan volmacht en machtiging verlenen voor de in de [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034364&artikel=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) bedoelde aangelegenheden aan een afzonderlijk lid van de Kamer van Koophandel voor de schriftelijke afdoening en ondertekening van stukken die voortvloeien uit de door de Kamer van Koophandel genomen besluiten. 3. De Kamer van Koophandel kan voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034364&artikel=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) bedoelde aangelegenheden volmacht en machtiging verlenen aan de functionarissen werkzaam in zijn organisatie. Artikel 3 1. Het verlenen van volmacht en machtiging alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk en wat de formulering betreft in overeenstemming met de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken. 2. Een afschrift van de volmacht en machtiging als bedoeld in het vo"},{"i":4206,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 21 november 2025, nr. BZ2522326, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 7 april 2023, Min-BuZa.2023.15230, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Vijfde openstelling en wijziging beleidsregels Subsidieprogramma Orange Corners) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Aanvragen voor subsidie in de vijfde openstelling van het Subsidieprogramma Orange Corners zijn gericht op de doellocatie Algerije en worden ingediend vanaf 2 februari 2026 tot en met 26 februari 2026, 23:59 uur Nederlandse tijd (Midden-Europese Tijd). Artikel 2 Voor subsidieverlening in het kader van de vijfde openstelling van het Subsidieprogramma Orange Corners geldt een subsidieplafond van € 375.000. Artikel 3 Uit oogpunt van doelmatigheid zal per doellocatie, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051877&artikel=1&z=2025-11-29&g=2025-11-29), niet meer dan één subsidieaanvraag in aanmerking kunnen komen voor subsidieverlening. De verdeling van het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051877&artikel=2&z=2025-11-29&g=2025-11-29), vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande d"},{"i":2790,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2008 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2008, doch niet later dan 15 december 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,038 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2008 en eindigende met 15 december 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overhe"},{"i":2654,"b":"Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende beleidsregels voor lozing op een oppervlaktewater door storting van baggerspecie in Wm-vergunningplichtige winputten (beleidsregels voor lozing op een oppervlaktewater door storting van baggerspecie in Wm-vergunningplichtige winputten) De Minister van Verkeer en Waterstaat, Besluit: 1. Inleiding 1.1. Ontstaansgeschiedenis Onderhavige beleidsregels zijn van toepassing op de beoordeling van aanvragen van voor 22 december 2009 om verlening van een vergunning op grond van de [Wet verontreiniging oppervlaktewater](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682) ten behoeve van de storting van baggerspecie in zand-, klei- en grindwinputten. In de [Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458) en [Invoeringswet Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026710) is bepaald dat Wvo-vergunningen gelijk worden gesteld aan watervergunningen. Vergunningaanvragen die voor 22 december 2009 zijn ingediend, worden echter afgewikkeld volgens de regels van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De zand-, klei- en grindwinputten zijn locaties die aangemerkt zijn als depot en moeten derhalve tevens beschikken over een vergunning in de zin van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) (Wm). De directe aanleiding voor vaststelling van deze beleidsregels is gelegen in een tweetal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 5 december 2007 (LJN BB9475 en LJN BB9488) waarbij onder meer een ten behoeve van de storting van baggerspecie in een voormalige zandwinput verleende vergunning op grond van de [Wet verontreiniging oppervlaktewateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682) (Wvo) is vernietigd. Daarnaast werd een in verband met die storting verleende vergunning op grond van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) eveneens vernietigd. In de uitspraak waarbij de Wvo-vergunning werd vernietigd, komt de emissie"},{"i":3159,"b":"Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 juni 2018, nr. 2017-0000316593, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op de richtlijn breedband, de richtlijn energieprestatie van gebouwen, de richtlijn hernieuwbare energie, de richtlijn veiligheid wegtunnels, de verordening bouwproducten en het VN-gehandicaptenverdrag en de [artikelen 4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), en [5.1 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), en [artikel 119 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=119); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 december 2017, nr. W04.17.0186/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 juni 2018, nr. 2018-0000524056, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Afdeling 1.1. Algemeen Artikel 1.1. (begripsbepalingen) [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit besluit. Artikel 1.1a. (grondslag) 1. Dit besluit berust op de [artikelen 4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), [16.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.1), en [23.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=23.1). 2. Dit besluit berust ook op de [artikelen 119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=119) en [119a van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=119a). Afdeling 1.2. Internationaal"},{"i":3557,"b":"Besluit van 6 januari 2020, nr. 2019002742, houdende de herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 20 december 2019, nr. 3716530; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 Onze Minister voor Rechtsbescherming wordt belast met de behartiging van aangelegenheden betreffende de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043082&artikel=1&z=2020-01-18&g=2020-01-18) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043082&artikel=2&z=2020-01-18&g=2020-01-18) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Justitie en Veiligheid, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister voor Milieu en Wonen en Onze Minister voor Rechtsbescherming. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2020. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Justitie en Veiligheid, Onze Minister voor Milieu en Wonen en Onze Minister voor Rechtsbescherming zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij horende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmac"},{"i":1694,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 24 maart 2009 houdende de vaststelling van aan exporteurs van bloembollen op te leggen heffing voor de export van bloembollen naar Japan, voor het oogstjaar 2009 (Verordening PT heffing export bloembollen naar Japan oogstjaar 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, 17 maart 2009; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de artikelen 1 en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1) en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: - a. bloembollen: bollen of knollen van bloemgewassen; - b. oogstjaar: de periode van 1 juni 2009 tot en met 31 mei 2010. § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloembollen is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloembollen aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd ten behoeve van de financiering van de controles van de bloembollen, die naar Japan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artike"},{"i":3068,"b":"Besluit van 23 oktober 2017, houdende vaststelling van regels ter bescherming van personen tegen de gevaren van blootstelling aan ioniserende straling (Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 31 mei 2017, nr. IenM/BSK-2017/135624, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [Richtlijn 2013/59](32013L0059)/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de [Richtlijnen 89/618](31989L0618)/Euratom, [90/641](31990L0641)/Euratom, [96/29](31996L0029)/Euratom, [97/43](31997L0043)/Euratom en [2003/122](32003L0122)/Euratom (PbEG L [13/1](31913L0001)) en gelet op [Richtlijn 2011/70](32011L0070)/Euratom van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PbEU 2011, L199); Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=4), [15c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15c), [16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=16), [17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=17), [17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=17a), [18a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=18a), [21, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=21), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=29), [31, eerste lid en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=31) jo. [artikel 18a, derde lid](https://wetten.overheid.n"},{"i":3094,"b":"Besluit van 2 april 2019, houdende regels met betrekking tot de begroting en verantwoording van de kosten van het toezicht van de Stichting Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank N.V. en de financiering van de toezichtkosten (Besluit bekostiging financieel toezicht 2019) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 22 oktober 2018, 2018-0000176217, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041548&artikel=5), [8, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041548&artikel=8), en [15, derde tot en met vijfde lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041548&artikel=15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 november 2018, nr. W06.18.0335/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën, uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 29 maart 2019, 2019-0000034344, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **toezichtcategorie:** categorie als bedoeld in: - a. [bijlage 1, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor zover het de Autoriteit Financiële Markten aangaat; - b. [bijlage 2, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&bijlage=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor zover het de Nederlandsche Bank aangaat; - **wet:** [Wet bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041548). Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording toezichthouders § 2.1. Begroting Artikel 2. Berekeningswijze doorlopend toezicht In de begroting neemt de toezichthouder een overzicht op waaruit de berekeningswijze van de kosten van het doorlopend toez"},{"i":1697,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2003, houdende de vaststelling van aan exporteurs van bloembollen op te leggen heffing voor de export van bloembollen naar Japan, voor het seizoen 2003/2004 (Verordening PT heffing export bloembollen naar Japan seizoen 2003/2004) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=15) en [19 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](onbekend); gehoord de Sectorcommissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, 24 juni 2003; Besluit: [...opmerking...] § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | bloembollen | : | bollen of knollen van bloemgewassen; | | e. | koopseizoen | : | de periode van 1 juni 2003 tot en met 31 mei 2004. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloembollen is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloembollen aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd ten behoeve van de financiering van de controles van de bloembollen, die naar Japan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikel"},{"i":4527,"b":"Circulaire vergoeding en onkostenvergoeding statenleden, vergoeding commissieleden en onkostenvergoeding leden gedeputeerde staten 1. Vergoeding werkzaamheden statenleden In [artikel 2, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden](onbekend) is bepaald dat de bedragen van de vergoedingen voor de werkzaamheden van statenleden per 1 januari van elk jaar worden herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid voor volwassenen inclusief bijzondere beloningen geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar. Het genoemde indexcijfer voor 2002 is bepaald op 136.8. In 2001 was dat indexcijfer bepaald op 130.0. Dit houdt in dat de bedragen van de vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen per 1 januari 2003 worden verhoogd met 5,2%. Voor uw informatie meld ik u dat het indexcijfer is gebaseerd op gegevens van het CBS van medio november 2002. Met ingang van 1 januari 2003 wordt het bedrag genoemd in [artikel 2, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden](onbekend) voor de vergoeding van de werkzaamheden gewijzigd in € 10.889,77. 2. Onkostenvergoeding statenleden In [artikel 2, vijfde lid, van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden](onbekend) is bepaald dat de onkostenvergoeding voor aan de uitoefening van het statenlidmaatschap verbonden kosten genoemd in de [leden drie en vier van artikel 2](onbekend), per 1 januari van elk jaar wordt herzien aan de hand van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar. De genoemde consumenteprijsindex voor 2002 is bepaald op 121.6. In 2001 was dat indexcijfer bepaald op 117.6. Dit houdt in dat de bedragen van de onkostenvergoeding per 1 januari 2003 worden verhoogd met 3,4%. Voor uw informatie meld ik u dat het indexcijfer is gebaseerd op gegevens van het CBS van medio november 2002. Met ingang van 1 januari 2003 worden de bedragen genoemd in [artikel 2, derde en vierde lid, van het Rechtspositiebesluit sta"},{"i":1698,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 3 juli 2002, houdende de vaststelling van de aan ondernemers die bloemkwekerijproducten naar Japan exporteren op te leggen heffing voor het jaar 2003 (Verordening PT heffing export bloemkwekerijproducten Japan 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de sectorcommissie Bloemkwekerijproducten, d.d. 22 mei 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 2](onbekend) en [3 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | bloemkwekerijproducten | : | producten als omschreven in [artikel 1, tweede lid, sub d, van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2003](onbekend), en | | e. | heffingsplichtige | : | degene die ingevolge deze heffingsverordening heffing is verschuldigd. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloemkwekerijproducten is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloemkwekerij producten aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het jaar 2003, ten behoeve van de financiering van controles van bloemkwekerijproducten die naar Japan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artike"},{"i":3311,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 januari 2023 nr. BOACAT2023/002, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Rotterdam, afdeling Werk en Inkomen Gelezen het verzoek van de gemeente Rotterdam van 27 december 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047806&artikel=2&z=2023-02-28&g=2023-02-28). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Rotterdam, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goe"},{"i":4863,"b":"Mandaatbesluit inzake beslissingen op bezwaar door de raad voor rechtsbijstand Den Bosch in het kader van verstrekking van subsidies ex artikel 48c Wet Justitie-subsidies Gelet op [artikel 10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:5), en [10:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), Besluit: Artikel 1 De Minister van Justitie verleent mandaat aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van de bevoegdheid om beslissingen te nemen op bezwaarschriften die worden ingediend tegen op grond van artikel [48c van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48c) en het [Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012226) door de raad voor rechtsbijstand namens de Minister van Justitie genomen subsidiebeschikkingen. Artikel 2 Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wordt toegestaan van het aan hem verleende mandaat ondermandaat te verlenen aan een of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 3 Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand en de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010732&artikel=2&z=2010-07-28&g=2010-07-28) bedoelde functionarissen zijn gemachtigd tot het voeren van verweer in gerechtelijke procedures, voortvloeiend uit de toepassing van [artikel 48c van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48c) en het Tijdelijk besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering. Zij zijn tevens gemachtigd tot het instellen van rechtsmiddelen. Artikel 4 Dit besluit is vastgesteld met instemming van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand. Artikel 5 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt met terugwerkende kracht met ingang van 1 december 1998 in werking. Artikel 6 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbeslu"},{"i":3935,"b":"Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 16 november 1993, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 407324/93/6, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken; Gelet op [artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:75); De Raad van State gehoord (advies van 15 december 1993, nr. W03.93.0753); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 17 december 1993, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 417687/93/6, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Een veroordeling in de kosten als bedoeld in [artikel 8:75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:75) onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in [artikel 7:15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:15), of [7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:28) kan uitsluitend betrekking hebben op: - a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, - b. kosten van een getuige of deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, - c. kosten van een tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, - d. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende, - e. verletkosten van een partij of een belanghebbende, - f. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en - g. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is. Artikel 2 1. Het bedrag van de kos"},{"i":3756,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 1 maart 2025 (kenmerk 6188823/25/DP&O), houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten aanzien van de aangelegenheden op het terrein van inburgering Gelet op [artikel 1 van het Besluit bekendmaking taak Staatssecretaris Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050342&artikel=1), de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 4.6 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6); Gelet op de instemmingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de secretaris-generaal van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besluiten te nemen; - b. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - c. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - d. **de SG SZW:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2 1. Aan de SG SZW wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend ten aanzien van de aangelegenheden op het terrein van inburgering. 2. Het mandaat, de volmacht en de machtiging worden in ieder geval begrensd door het budget dat voor inburgering is gereserveerd op de begroting van het Ministerie van Justitie en V"},{"i":4096,"b":"Besluit van 25 juni 2014, houdende uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet (Besluit uitvoering kinderbijslag) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 april 2014, nr. 2014-000054537; Gelet op de [artikelen 7, vijfde, zesde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=7),[7a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=7a), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=14), en [18, zevende lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 mei 2014, no. W12.14.0104/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 juni 2014, nr. 2014-0000077223; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel A, voor wat betreft artikel 7, eerste tot en met vijfde, achtste en negende lid, van de Wet hervorming kindregelingen in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368); - b. **onderhoud van het kind:** de kosten die noodzakelijkerwijs verband houden met het onderhoud van het kind. Hoofdstuk 2. Het inkomen van het kind Artikel 2. Inkomen van het kind Vervallen Artikel 3. Bedrag inkomen van het kind Vervallen Artikel 4. Inkomen uit vakantiewerk Vervallen Hoofdstuk 3. Het onderhoud van het kind Artikel 5. Bedrag onderhoud van het kind voor enkele kinderbijslag dat niet tot het huishouden van de verzekerde behoort 1. Het bedrag van de door de verzekerde aan het onderhoud van het kind te leveren bijdrage om voor kinderbijslag in aanmerking te komen, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=7), is € 540 per kalenderkwartaal. 2. Het"},{"i":4258,"b":"Besluit van 16 juli 2013, houdende regels tot vaststelling van de vergoeding voor bewindvoerders benoemd in de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 23 april 2013, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 377343; Gelet op [artikel 320, zesde lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=320) en [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en [4 van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 juni 2013, nr. W03.13.0116/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 juli 2013, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 396804; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel II van Stb. 2023/466 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bewindvoerder:** de door de rechtbank op grond van [artikel 287, derde lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287) benoemde natuurlijke persoon of rechtspersoon; - b. **raad:** de raad voor rechtsbijstand; - c. **vergoeding:** het bedrag dat de bewindvoerder ontvangt in de vorm van salaris of bewindvoerderssubsidie voor het uitvoeren van de wettelijke taken, bedoeld in [artikel 316, eerste lid, Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=316); - d. **salaris:** het door de rechtbank vast te stellen salaris van de bewindvoerder als bedoeld in [artikel 320 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=320); - e. **bewindvoerderssubsidie:** de subsidie ten behoeve van het optreden als bewindvoerder als bedoeld in [artikel 287, derde lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287); -"},{"i":2648,"b":"Beleidsregels van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 september 2013, nr. 2013-0000459488, omtrent het verlenen, bevestigen en wijzigen van wapens overeenkomstig het bepaalde in het besluit van de Soevereine Vorst van 24 december 1814, nr. 32 en in het Koninklijk besluit van 23 april 1919, Staatsblad 181, tot intrekking van de Koninklijke besluiten van 20 februari 1816, no. 69, en 3 januari 1818, no. 91, en tot vaststelling van nieuwe bepalingen nopens het bekomen, wijziging, enz, van wapens voor provinciën, gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen of instellingen, zoals dit is aangevuld bij het Koninklijk besluit van 21 oktober 1977, Staatsblad 605 Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: artikel Enig 1. Voordrachten voor Koninklijke besluiten houdende de verlening van nieuwe wapens of de bevestiging of wijziging van reeds vastgestelde wapens kunnen uitsluitend betrekking hebben op provincies, gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen of instellingen als genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001895&artikel=1) en [2 van het Koninklijk besluit van 23 april 1919](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001895&artikel=2), Staatsblad 181, zoals dit is aangevuld bij het Koninklijk besluit van 21 oktober 1977, Staatsblad 605. 2. De in het eerste lid vermelde beleidsregel is niet van toepassing op aanvragen tot verlening van nieuwe wapens aan of tot bevestiging of wijziging van reeds vastgestelde wapens van privaatrechtelijke instellingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregels reeds waren ingediend. 3. Deze beleidsregels worden gepubliceerd in de Staatscourant en treden in werking met ingang van 1 januari 2014."},{"i":2570,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 maart 2023, kenmerk 3453103-1038189-GMT, tot een beleidsregel over het niet handhavend optreden tegen overtreding van artikel 67 van de Geneesmiddelenwet in het geval van voorschrijven via internet (Beleidsregel voorschrijven via internet) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **voorschrijver:** voorschrijver als bedoeld in [artikel 67 van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=67). Artikel 2. Beleidsregel Als een geneesmiddel wordt voorgeschreven via internet terwijl de voorschrijver de persoon aan wie hij dat geneesmiddel voorschrijft nog nooit persoonlijk heeft ontmoet en niet kent, treedt de minister niet handhavend op tegen overtreding van [artikel 67 van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=67) indien: - a. een fysiek consult of onderzoek om te bepalen of een geneesmiddel moet worden voorgeschreven en zo ja, welk geneesmiddel moet worden voorgeschreven, niet nodig is, en; - b. de voorschrijver beschikt over de geactualiseerde medicatiehistorie van de patiënt en de medicatiehistorie voor zover nodig raadpleegt. Artikel 3. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel voorschrijven via internet. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum waarin zij in de Staatscourant wordt geplaatst. Deze beleidsregel zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst,"},{"i":4361,"b":"Besluit van 6 december 2001, houdende vaststelling van regels met betrekking tot verwisseling en intrekking van bankbiljetten door De Nederlandsche Bank N.V. en de aan het publiek te verstrekken informatie hieromtrent (Besluit verwisseling en intrekking van bankbiljetten) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 2 augustus 2001, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, FM 2001-01255M, Centrale Directie Wetgeving, Juridische en Bestuurlijke Zaken; Gelet op [artikel 106 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](onbekend); Gelet op de artikelen 3 en 4 van het Besluit van de Europese Centrale Bank van 30 augustus 2001 betreffende de denominaties, specificaties, reproductie, vervanging en het uit circulatie nemen van eurobankbiljetten (ECB/2001/7); Gelet op [artikel 27, derde en vierde lid, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=27); De Europese Centrale Bank gehoord (advies van 19 september 2001, CON/2001/26); De Raad van State gehoord (advies van 25 oktober 2001, no.W06.01.0424/IV); Gezien het nader rapport van de Minister van Financiën van 30 november 2001 , Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, FM2001-1949M, Centrale Directie Wetgeving, Juridische en Bestuurlijke Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Bankbiljetten luidend in guldens Artikel 1 Bankbiljetten luidend in guldens zijn op de tijden dat de kantoren van De Nederlandsche Bank N.V. voor het publiek zijn open gesteld bij die kantoren verwisselbaar. Artikel 2 Wegens verlies of gehele of gedeeltelijke vernietiging van bankbiljetten luidend in guldens behoeft door De Nederlandsche Bank N.V. geen vergoeding te worden verleend. Artikel 3 1. In dit artikel wordt onder bankbiljetten verstaan: bankbiljetten luidend in guldens, ten aanzien waarvan De Nederlandsche Bank N.V. met Onze machtiging houders heeft opgeroepen deze uiterlijk 31 december 2002 ter verwisseling aan te bieden. 2. Na 31 december 2002 worden bankbilje"},{"i":4183,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 10 december 2025, nr. IENW/BSK-2025/284913, houdende vaststelling van de speerpunten voor het kalenderjaar 2026 en het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2026 als bedoeld in de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027 Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=3), en [4, derde lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=4); BESLUIT: Artikel 1 Voor het kalenderjaar 2026 worden de in de bijlage bij dit besluit opgenomen drie speerpunten vastgesteld, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=3). Artikel 2 Voor het kalenderjaar 2026 wordt het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=4), als volgt vastgesteld: - 1. Het subsidieplafond voor projecten die kwalificeren als project a, project b of project c bedraagt € 1.980.000. - 2. Het subsidieplafond voor projecten die kwalificeren als project d bedraagt € 20.000. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2025, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage.. Speerpunten, behorend bij [artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=3) voor het kalenderjaar 2026 I. Transparante samenwerk"},{"i":3134,"b":"Besluit van 11 juni 2009, houdende regels voor het vaststellen van de op grond van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op te leggen bestuurlijke boetes (Besluit bestuurlijke boetes financiële sector) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 19 mei 2009, nr. FM/2009/1037 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 176, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=176) en [179, eerste lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=179), [artikelen 10d, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10d) en [10e van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10e), [artikelen 9b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547&artikel=9b) en [9c, eerste lid, van de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547&artikel=9c), [artikelen 21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013816&artikel=21) en [22, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013816&artikel=22), [artikelen 1:80, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80) en [1:81, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [artikel 28, eerste en tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=28), [artikelen 54, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=54) en [55, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=55), [artikelen 21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016189&artikel=21) en [22, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren](https://wetten."},{"i":4836,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 10 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/168186, houdende verlening van mandaat en machtiging aan de bestuursvoorzitter van de stichting Connekt voor de uitvoering van de Subsidieregeling stimulering modal shift van weg naar water of van weg naar spoor 2023–2026 (Mandaatbesluit Connekt 2024) Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van bestuursvoorzitter van de stichting Connekt van 3 juni 2024, met kenmerk MVH/20240603/EVD; BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **bestuursvoorzitter:** bestuursvoorzitter van het bestuur van de stichting Connekt, statutair gevestigd te Delft; - **Regeling:** [Subsidieregeling stimulering modal shift van weg naar water of van weg naar spoor 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047654). Artikel 2 Aan de bestuursvoorzitter wordt mandaat verleend tot: - a). het beslissen op aanvragen tot subsidieverlening op grond van de [Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047654) alsmede het intrekken of wijzigen van de subsidieverlening; - b). het beslissen op aanvragen tot subsidievaststelling op grond van de [Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047654), het ambtshalve vaststellen van de subsidie alsmede het intrekken of wijzigen van de subsidievaststelling; - c). het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in de onderdelen a en b, met inachtneming van [artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3). Artikel 3 Aan de bestuursvoorzitter wordt machtiging verleend tot: - a). het verrichten van"},{"i":3830,"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging afdeling Bezwaar & Beroep Gezien [artikel 7 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033429&artikel=7) van 15 juni 20101Gepubliceerd in Staatscourant 2010, nr. 12567, 11 augustus 2010., waarbij aan hem/haar mandaat, volmacht en machtiging is verleend voor bevoegdheden in het kader van de afwikkeling van bezwaar- en beroepschriften; Gelezen de in [artikel 9 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033429&artikel=9) neergelegde toestemming van de algemeen directeur van het CAK aan de manager van de afdeling Bezwaar & Beroep om voor de bevoegdheden in verband met de bezwaarbehandeling ondermandaat te verlenen; Besluit: Artikel 1. definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het Besluit:** het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033429) van 15 juni 2010. - b. **manager:** de manager van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - c. **senior functionarissen:** de senior functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - d. **functionarissen:** de functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. Artikel 2. behandelen bezwaarschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - –. voor het ondertekenen van extern gerichte brieven en andere stukken op het werkterrein van de in [artikel 7 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033429&artikel=7) bedoelde bezwaarbehandeling; - –. voor het extern mondeling, schriftelijk en elektronisch uitdragen van standpunten en het verstrekken van informatie met betrekking tot de eigen werkzaamheden; - –. voor het vertegenwoordigen van het CAK in mediation in het kader van bezwaarprocedures; aan de senior functionarissen, alsmede aan de functionarissen. Artikel 3. besluiten op bezwaarschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en m"},{"i":4792,"b":"Loonheffingen, pensioenen; uitfasering pensioen in eigen beheer, informatieformulier **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit actualiseert het besluit van 18 oktober 2018, nr. 2018-23862 over de algemene verlenging van de termijn voor het aanleveren van het informatieformulier bij fiscaal gefaciliteerd beëindigen van pensioen in eigen beheer. Het besluit is aangevuld voor situaties waarin het informatieformulier nog ontbreekt. Daarnaast zijn de voorwaarden waaronder herstel mogelijk is als de (gewezen) partner het informatieformulier ten onrechte niet heeft medeondertekend veralgemeniseerd.** 1. Inleiding De [Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039380) maakt het mogelijk dat een pensioen in eigen beheer fiscaal gefaciliteerd wordt beëindigd. Voor deze fiscaal gefaciliteerde beëindiging is onder meer vereist dat tijdig een juist en volledig ingevuld informatieformulier naar de Belastingdienst wordt gestuurd. In de praktijk is gebleken dat hieraan in een aantal gevallen niet is voldaan. Dit besluit voorziet, met terugwerkende kracht tot en met 1 april 2017, in een verlenging van de termijn voor het aanleveren van het juist en volledig ingevulde informatieformulier bij het afkopen van een pensioen in eigen beheer of het omzetten hiervan in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (hierna fiscaal gefaciliteerd beëindigen PEB). Ook bevat dit besluit een herstelmogelijkheid voor als de (gewezen) partner het informatieformulier niet heeft medeondertekend. Het [besluit van 18 oktober 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041490), nr. 2018-23862 is geactualiseerd, daarbij is een situaties toegevoegd waarin alsnog een informatieformulier kan worden ingeleverd. Tevens zijn de in onderdeel 3.2 genoemde voorwaarden waaronder een herstel mogelijk is voor een ingediend informatieformulier geherformuleerd. 1.1. Gebruikte begrippen en afkorti"},{"i":4105,"b":"Besluit van 25 juni 2013, houdende uitvoering van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 2 mei 2013, nr. 379877; Gelet op [artikel 2, tweede lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=2), [artikel 3, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=3), en [artikel 17 van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=17); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 juni 2013, nr. W03.13.0141/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 juni 2013, nr. 398877; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Van overschrijding van de in [artikel 2h, vierde lid, van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=2h) bedoelde drempel is sprake in de volgende gevallen: - a). de beheerskosten en andere inhoudingen die verband houden met het beheer van auteurs- en naburige rechten in het jaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, bedragen meer dan 15% van het bedrag dat in dat jaar is geïnd, - b). de beheerskosten en andere inhoudingen die verband houden met het beheer van auteurs- en naburige rechten in het jaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, bedragen meer dan 15% van het bedrag dat in dat jaar is verdeeld, of - c). de beheerskosten en andere inhoudingen die verband houden met het beheer van auteurs- en naburige rechten in het jaar waarop het jaarverslag betrekking heeft ten opzichte van de beheerskosten en andere inhoudingen die verband houden met het beheer van auteurs- en naburige rechten in het voorafgaande jaar zijn gestegen met meer dan de consumentenprijsindex van het jaar wa"},{"i":3333,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 24 mei 2023 nr. BOACAT2023/027, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Voorne aan Zee Gelezen het verzoek van de gemeente Voorne aan Zee van 3 april 2023, welke ik ontving op 17 mei 2023, en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048215&artikel=2&z=2023-06-02&g=2023-06-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Voorne aan Zee, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte"},{"i":9697,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Venezuela tot herstel der diplomatieke betrekkingen tussen beide landen De Regeering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de Regeering van de Vereenigde Staten van Venezuela, bezield door den oprechten wensch om de diplomatieke betrekkingen tusschen de beide Staten te herstellen, hebben tot hare Gevolmachtigden benoemd, t. w.: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden den Heer W. B. ENGELBRECHT, Speciaal Gedelegeerde der Nederlanden, en De President der Vereenigde Staten van Venezuela den Heer Dr. E. GIL BORGES, Minister van Buitenlandsche Zaken, die na elkander hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, zijn overeengekomen nopens het volgende: Art. 1 De diplomatieke betrekkingen tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vereenigde Staten van Venezuela zullen hersteld zijn na de bekrachtiging van dit verdrag. Art. 2 De beide Regeeringen zullen het protocol van 20 Augustus 1894 blijven toepassen. Art. 3 Tot tijd en wijle, dat een handelsverdrag gesloten zal worden, zullen de Hooge Contracteerende Partijen elkander wederkeerig de behandeling verzekeren op den voet der meest begunstigde natie ter zake van alles wat betreft den handel, de nijverheid en de scheepvaart. Deze behandeling zal om niet geschieden, indien de aan eene derde Mogendheid te verleenen concessie om niet geschiedt; indien zoodanige concessie voorwaardelijk geschiedt, dan zal zij slechts worden toegestaan tegen hetzelfde of een evenredig voordeel, waaromtrent door de beide Partijen bij overeenkomst zal worden bepaald. Art. 4 De Heer H. THIELEN zal voor de bevoegde Venezolaansche Gerechten de aanspraken jegens den Venezolaanschen Staat kunnen doen gelden, gegrond op de verliezen, die hij beweert, dat de firma H. THIELEN & Co. geleden heeft ten gevolge der gebeurtenissen, welke in Caracas hebben plaats gehad op 13 en 14 December 1908. De Hooge Contracteerende Partijen komen ove"},{"i":5448,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 25 november 2015, nr. IENM/BSK-2015/232271, houdende vaststelling van regels inzake het toezicht op rechtstreeks bindende Europese regels op het gebied van de vergoeding voor het minimumtoegangspakket (Regeling toezicht uitvoeringsverordening vergoeding minimumtoegangspakket) Gelet op Uitvoeringsverordening (EU) 2015/909 van de Europese Commissie van 12 juni 2015 betreffende de modaliteiten voor de berekening van de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien (PbEU 2015, L 148) en op [artikel 81 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=81); BESLUIT: Artikel 1 1. De Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving van de artikelen 3 tot en met 6, 8 en 9 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/909 van de Europese Commissie van 12 juni 2015 betreffende de modaliteiten voor de berekening van de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien (PbEU 2015, L 148). 2. [Artikel 76, tweede lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=76) is van toepassing op overtreding van de artikelen 3 tot en met 6, 8 en 9 van de Uitvoeringsverordening genoemd in het eerste lid. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 december 2015. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toezicht uitvoeringsverordening vergoeding minimumtoegangspakket. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2913,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 27 maart 2007, nr. DJZ/BR/0325-07, tot aanvulling van een beleidsregel voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (stage en uitwisseling jongeren) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7), en [10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=10); Gelet op de [artikelen 9.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.1) en [9.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.2); Besluit: artikel Enig Voor subsidieverlening in het kader van het programma Stage en uitwisseling voor jongeren geldt in aanvulling op het bij Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 22 februari 2006, [nr. DJZ/BR/0201-2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019597) onder de werkingssfeer van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 gebrachte Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 10 mei 2005, [nr. DSI/MY-169/05](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018314): Jongeren die vervolgd worden in verband met een misdrijf komen niet in aanmerking voor een stage of uitwisseling ten laste van dit programma."},{"i":680,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 22 november 2004, Directie Arbeidsveiligheid en -gezondheid, nr. A&G/W&O/2004/11466, tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de verwijzing naar certificatieschema’s Artikel I Wijzigt de Arbeidsomstandighedenregeling. Artikel II Vervallen Artikel III 1. Deze regeling, met uitzondering van onderdeel N van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017557&artikel=I&z=2007-01-01&g=2007-01-01) en [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017557&artikel=II&z=2007-01-01&g=2007-01-01), treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Onderdeel N van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017557&artikel=I&z=2007-01-01&g=2007-01-01) treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2003. 3. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017557&artikel=II&z=2007-01-01&g=2007-01-01) treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2004. Gelet op [artikel 1.5e, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5e); Besluit: Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6637,"b":"Regeling van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 22 november 2023, kenmerk 3720916-1056526-LZ, houdende wijziging van de Subsidieregeling ADL-assistentie in verband met het vaststellen van een subsidieplafond voor 2024 Gelet op [artikel 7.1.1, vierde lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=7.1.1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling ADL-assistentie. Artikel II Op aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend, op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn vastgesteld blijft het recht van toepassing zoals dat luidde onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2024. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5538,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 december 2013, 2013-0000170957, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan DUO in verband met het register buitenlandse kinderopvang Gelet op [artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: - 1. Aan de directeur-generaal Dienst Uitvoering Onderwijs wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van alle benodigde handelingen verband houdende met het register buitenlandse kinderopvang, zoals bepaald in of krachtens de [artikelen 1:48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.48), [1:48a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.48a) en [1:48b van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.48b), met uitzondering van de bevoegdheid om nadere regels te stellen. - 2. Aan de directeur-generaal Dienst Uitvoering Onderwijs wordt mandaat en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van alle benodigde handelingen die betrekking hebben op klacht-, bezwaar-, en (hoger) beroepsprocedures, voor zover deze verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in artikel 1, met dien verstande dat hij geen besluit neemt op een bezwaarschrift tegen een besluit dat hij in mandaat heeft genomen. - 3. De directeur-generaal Dienst Uitvoering Onderwijs kan zijn bevoegdheden, genoemd in artikel 1 en artikel 2, in een door hem te bepalen omvang mandateren of doorverlenen aan onder hem ressorterende functionarissen, met dien verstande dat hij geen mandaat verleent tot het nemen van een besluit op een bezwaarschrift aan dezelfde functionaris aan wie mandaat is verleend tot het nemen van het besluit waartegen het bezwaarschrift zich richt. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7113,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 21 november 2025, nr. 2025-0000649909, tot wijziging van de bedragen, genoemd in de artikelen 13, eerste lid, onderdelen a en b, 14, eerste lid, 17, tweede lid, en 20, eerste en tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, tot vaststelling van de minimum-inkomensijkpunten, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van die wet, alsmede tot wijziging van de bedragen, genoemd in artikel 2a, tweede lid, onderdelen b en c, van het Besluit op de huurtoeslag (Regeling huurtoeslaggrenzen 2026) Gelet op [artikel 27, eerste, derde en vierde lid, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=27), en [artikel 2a, vierde lid, van het Besluit op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008763&artikel=2a); Besluit: § 1. Wijziging van de [Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659) en het [Besluit op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008763) Artikel 1 Wijzigt de Wet op de huurtoeslag. Artikel 2 Wijzigt het Besluit op de huurtoeslag. § 2. Vaststelling van bedragen ingevolge de [Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659) Artikel 3 Het minimum-inkomensijkpunt, bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=17), is: - a. voor een eenpersoonshuishouden: € 23.425; - b. voor een meerpersoonshuishouden: € 31.500; § 3. Slotbepalingen Artikel 4 De [Regeling huurtoeslaggrenzen 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050605) wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling huurtoeslaggrenzen 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5569,"b":"Besluit van 22 mei 1997, houdende regels omtrent de tenuitvoerlegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en de verpleging van ter beschikking gestelden en overige verpleegden strafrechtstoepassing (Reglement verpleging ter beschikking gestelden) Op de voordracht van de Onze Minister van Justitie, van 21 november 1996, nr. 591920/96/6; Gelet op [artikel 89 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89) en de [artikelen 37**c** , eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37c), [38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38), en [38**a**, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38a) en voorts de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=5), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=6), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=8), [10, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=10), [15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=15), [16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=16), [18, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=18), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=19), [26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=26), [40, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=40), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=45), [51, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=51), [70, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=70), en [75 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=75); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 11 oktober 1996, nr. RA 88"},{"i":5546,"b":"Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ en vaststelling kosten van verstrekkingen en vergoedingen 2013 gelet op [artikel 91, derde lid van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), alsmede [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.2), [artikel 4.4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4), [artikel 4.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5) en [artikel 4.8 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.8), [artikel 10, tweede lid Administratiebesluit bijzondere ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=10), alsmede [artikel 4:81, eerste lid Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); heeft in zijn vergadering van 21 januari 2013 besloten: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Definities 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **het jaar t:** het kalenderjaar waarop de uitkering betrekking heeft; - b. **het jaar t + 1:** het op het jaar t volgende kalenderjaar; - c. **het jaar t + 3:** het jaar dat ligt 3 jaar na het jaar t; - d. **AWBZ:** [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - e. **AFBZ:** Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Hoofdstuk 2. Voorschotten op beheerskosten voor zorgverzekeraars en verbindingskantoren Artikel 2. Vaststelling voorschotten beheerskosten 1. Het college stelt gelijktijdig met de toekenning van het beheerskostenbudget de voorschotten op uitkeringen van het beheerskostenbudget op grond van de [artikelen 4.4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4) en [4.5, derde lid van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5) voor de zorgverzekeraars en de verbindingskantoren vast. 2. De voorschotten bedragen, behoudens afrondingsverschillen, ten hoogste"},{"i":5650,"b":"Subsidiekader 2022 Vrijwilligerswerk bij de Sanctietoepassing (VBS) 1. Inleiding Bij de sanctietoepassing zijn vrijwilligers actief om justitiabelen op verschillende manieren te begeleiden en zo de kansen op een duurzame reintegratie en het terugdringen van recidive te vergroten. De doelstellingen van de vrijwilligersorganisaties sluiten daarmee aan bij de doelstellingen van Justitie en Veiligheid: een humane tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen die, vanuit een persoonsgerichte benadering, moeten leiden tot een veilige terugkeer en een succesvolle re-integratie in de samenleving. Door vrijwilligers gericht in te zetten in het detentie en re-integratietraject van justitiabelen wordt een nuttige en noodzakelijke bijdrage geleverd aan de terugkeer van (ex-) justitiabelen naar de samenleving. Dit sluit aan bij de ambities die met de [Wet Straffen en Beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) worden nagestreefd. Het hebben van sociale contacten is voor (ex-) justitiabelen van groot belang om zich weer geaccepteerd te voelen en niet terug te vallen in oud gedrag. Juist door de vrijwillige inzet en persoonlijke binding van vrijwilligers kunnen nieuwe positieve relaties ontstaan. Voor personen voor wie de datum van terugkeer in de Nederlandse samenleving nog ver weg is of uitblijft, dient de inzet van vrijwilligers voornamelijk ter versterking van het humane detentieklimaat. Het belang van vrijwilligers voor detentie wordt onderstreept in de visie op gevangenisstraffen: ‘Recht doen, kansen bieden. Naar effectievere gevangenisstraffen’1Kamerstukken II 2017/19, 29 279, nr. 439 Via onderhavig subsidiekader wordt de inzet van vrijwilligers vormgegeven. Het subsidiekader bevat achtereenvolgens: In het subsidiekader blijft voor 2022 de bekostigingsgrondslag ‘het aantal actieve vrijwilligers per organisatie’ gehandhaafd. Hierbij geldt dat niet-actieve (‘slapende’) vrijwilligers niet meegerekend mogen worden. Aan de volgende aangewezen vrijwilligersorgani"},{"i":3586,"b":"Besluit van 27 augustus 2021 tot uitvoering van de Wet inburgering 2021 (Besluit inburgering 2021) Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Hoofdstuk 3. De inburgeringsplicht Hoofdstuk 2. Inburgeringsplichtig Hoofdstuk 5. De taak van het college Hoofdstuk 6. Sociale lening Hoofdstuk 7. Handhaving Hoofdstuk 8. Overheidscertificering en keurmerk Hoofdstuk 9. Informatiebepalingen Hoofdstuk 10. Financiële bepalingen Hoofdstuk 11. Wijziging van andere algemene maatregelen van bestuur Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 12.1. Intrekken [Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674) Het [Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674) wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op degene op wie de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) van toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770). Artikel 12.1a. Overgangsrecht [Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674) 1. In afwijking van [artikel 4.13, vierde lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=4.13), wordt de schuld, bedoeld in dat artikel, door Onze Minister ambtshalve, geheel of gedeeltelijk kwijtgescholden volgens de bij regeling, krachtens artikel 4.13, eerste lid, van dat besluit, aangewezen gevallen. 2. In [artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=4.5), wordt «over de maand oktober» gelezen als «over de maand september». 3. Bij de vaststelling van het termijnbedrag op grond van [artikel 4.8 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=4.8) stelt Onze Minister de draagkracht van de debiteur ambtshalve vast overeenkomstig [artikel 4.10 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=4.10)."},{"i":7139,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 21 oktober 2007, nr. DJZ2007096818, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende regels terzake van verplichte afkoop van jaarlijkse bijdragen, die krachtens de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan particuliere huurwoningen 1985 zijn toegekend aan gemeenten (Regeling verplichte afkoop voorzieningen particuliere huurwoningen 2007) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van het Invoeringsbesluit Wet stedelijke vernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011957&artikel=2); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepaling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. gemeente: gemeente jegens wie een verbintenis bestaat; - b. Minister: Minister voor Wonen, Wijken en Integratie; - c. PHW: Regeling geldelijke steun voorzieningen aan particuliere huurwoningen 1985, zoals die regeling luidde op 31 december 1986; - d. verbintenis: verbintenis die voortvloeit uit de PHW; - e. verhuurverklaring: formulier, inhoudende de gegevens op grond waarvan wordt bepaald of een bijdrage kan worden toegekend op grond van de PHW. Paragraaf 2. Aangepaste regels voor toekenning van nog openstaande bedragen met een vervaldatum voor 1 november 2007 Artikel 2 1. Indien er jegens een gemeente op grond van een verbintenis nog een bedrag openstaat met een vervaldatum in de periode van 1 november 2006 tot 1 november 2007, en er jegens die gemeente een beschikking is genomen op grond van de PHW voor de periode 1 november 2005 tot 1 november 2006, kent de Minister dat bedrag toe. 2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend op grond van de PHW, uitgaande van de beschikking, bedoeld in het eerste lid. 3. De Minister kent aan een gemeente bij een beschikking het totaal aan bedragen toe dat op grond van het eerste lid kan worden toegekend. Het toegekende bedrag wordt uiterlijk op 31 december 2007 uitbetaald. Artikel 3 1. Indien er jegens een gemeente op grond van een verbintenis nog een bedrag openstaat met een"},{"i":7123,"b":"Regeling betreffende het voor de akten van de burgerlijke stand en de dubbelen of de afschriften te gebruiken papier en de voor het opmaken van deze stukken te hanteren middelen Gelet op [artikel 10 van het Besluit burgerlijke stand 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=10), Stb. 1994, 160; Besluit: Artikel 1 1. Akten van de burgerlijke stand, met uitzondering van akten van erkenning van ontkenning van het vaderschap door de moeder en van naamskeuze, dienen op zodanige wijze met toepassing van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006909&artikel=2&z=2015-09-01&g=2015-09-01) te noemen middelen vervaardigd te zijn dat zij gedurende een termijn van ten minste honderd jaren houdbaar en goed leesbaar zijn. 2. Het bepaalde in het eerste lid wat betreft de houdbaarheid en leesbaarheid is eveneens van toepassing op het vervaardigen van dubbelen of afschriften van akten van de burgerlijke stand alsmede van latere vermeldingen, behorend bij akten of dubbelen dan wel afschriften. 3. Voor zover de tekst van akten vooraf is gedrukt, moet deze zijn uitgevoerd in ten minste een tienpuntsletter. Artikel 2 1. Voor de akten van de burgerlijke stand, met uitzondering van de akten van erkenning van ontkenning van het vaderschap door de moeder en van naamskeuze, voor de afschriften alsmede voor daarbij behorende latere vermeldingen mag uitsluitend wit normaal 1-schrijfpapier van het formaat A4 worden gebruikt. In bijzondere gevallen kan afgeweken worden van het voorgeschreven formaat schrijfpapier. 2. Voor de dubbelen van de akten van de burgerlijke stand en de daarbij behorende latere vermeldingen, mag uitsluitend gebruikt worden: - a. wit normaal 1-schrijfpapier, of - b. een CD-ROM die voldoet aan de normen van ISO 9660 en ISO 10149. 3. De akten van de burgerlijke stand en de daarbij behorende latere vermeldingen mogen uitsluitend worden vervaardigd: - a. met een schrijfpen of een ander schrijfmiddel, mits zwarte schrijfinkt wordt gebruikt;"},{"i":3352,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 24 maart 2017 nr. BOACAT2017/024, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Oosterhout Gelezen het verzoek van de gemeente Oosterhout van 7 februari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland – West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039417&artikel=2&z=2017-05-02&g=2017-05-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van APV handhaver 1, APV handhaver 2 en Haven- en Marktmeester in dienst van de gemeente Oosterhout, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoe"},{"i":4847,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 18 juli 2021, nr. IENW/BSK-2021/201382, houdende mandatering van de Directeur Kustwacht tot bevoegde autoriteit voor maritieme beveiliging als bedoeld in artikel 6 van de verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129) (Mandaatbesluit Directeur Kustwacht uitvoering verordening (EG) nr. 725/2004 inzake havenbeveiliging) Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Havenbeveiligingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016991&artikel=2) en [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); BESLUIT: Artikel 1 Aan de Directeur Kustwacht wordt mandaat verleend tot het uitoefenen van de bevoegdheden van bevoegde autoriteit voor maritieme beveiliging als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129). Artikel 2 De gemandateerde kan, ten aanzien van de aan hem op grond van dit besluit verleende bevoegdheid, ondermandaat verlenen. Artikel 3 De gemandateerde voert bij de hem toegekende bevoegdheden een ordentelijke en voor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat inzichtelijke administratie. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Directeur Kustwacht uitvoering verordening (EG) nr. 725/2004 inzake havenbeveiliging. Het besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4848,"b":"Besluit van de directeur van de directie Openbaarmaking van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 maart 2024, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het hoofd van de afdeling Passieve openbaarmaking van de directie Openbaarmaking voor het in behandeling nemen en besluiten op verzoeken op grond van de Wet open overheid (Mandaatbesluit directie Openbaarmaking) Gelet op [artikel 1, tweede lid van het Mandaatbesluit Hoofddirectie bedrijfsvoering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048315&artikel=1), Besluit: Artikel 1 1. Aan het hoofd van de afdeling Passieve openbaarmaking van de directie Openbaarmaking wordt mandaat verleend ten aanzien van het nemen van besluiten op verzoeken op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) en daarmee samenhangende beslissingen, voor zover deze verzoeken de aangelegenheden van de clusters als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onderdelen a tot en met i van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2) betreffen. 2. Aan het hoofd van de afdeling Passieve openbaarmaking van de directie Openbaarmaking wordt mandaat verleend ten aanzien van het behandelen van beroepsprocedures vanwege niet tijdig beslissen naar aanleiding van verzoeken op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit directie openbaarmaking Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4849,"b":"Besluit van de directeur Personeel en Organisatie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 29 mei 2018, 2281025/18/DP&O, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de manager van de afdeling Dienstverlening, ressorterend onder de directeur (Mandaatbesluit directie Personeel en Organisatie 2018) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Mandaatregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030842&artikel=3) en [artikel 1 van de Mandaatregeling pSG-cluster Ministerie van Veiligheid en Justitie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034027&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel b, van de Mandaatregeling pSG Ministerie van Veiligheid en Justitie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034027&artikel=1) aan de directeur Personeel en Organisatie verleende ondermandaat wordt ondermandaat verleend aan de manager van de afdeling Dienstverlening voor het beheer en de uitvoering van salaris-technische aangelegenheden vanuit de werkgeversverantwoordelijkheid. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040984&artikel=1&z=2018-06-08&g=2018-06-08) genoemde manager kan geen ondermandaat verlenen. Artikel 3 De [Mandaatregeling directie Personeel en Organisatie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035140) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit directie Personeel en Organisatie 2018. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2016."},{"i":4818,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 8 mei 2023 (kenmerk 4607222/23/DP&O), houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen ten aanzien van de aangelegenheden die het beheer van het bureau van de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen (Mandaatregeling beheer bureau NRM) betreffen Gelet op [artikel 2 Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034176&artikel=2) en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), en [artikel 4.6 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Nationaal Rapporteur Mensenhandel:** de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen als bedoeld in [artikel 1 van de Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kindere](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034176&artikel=1)n; - b. **het bureau:** het bureau ter ondersteuning van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel als bedoeld in [artikel 2, eerste lid Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034176&artikel=2); - c. **het instituut:** het instituut de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid van de Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034176&artikel=2) - d. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie en Veiligheid besluiten te nemen; - e. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de Minist"},{"i":4188,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 14 juli 2021, nr. IENW/BSK-2021/192050, houdende vaststelling van het subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling VeiligheidNL voor het jaar 2021 Gelet op [artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8) en [artikel 4, tweede lid, van de Subsidieregeling VeiligheidNL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040088&artikel=4); BESLUIT: artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Subsidieregeling VeiligheidNL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040088&artikel=4) wordt voor de periode vanaf 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021 vastgesteld op € 89.658,– voor het doen van onderzoek en € 110.087,– voor het geven van voorlichting. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1712,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2007, houdende regels ter zake van de aan ondernemers, die groenten en fruit naar Japan en Taiwan exporteren, op te leggen heffing voor het jaar 2008 (Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95),[100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 19 juni 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van groenten en fruit is over de door hem naar Japan en Taiwan uitgevoerde groenten en fruit aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het kalenderjaar 2008, ten behoeve van de financiering van controles van groenten en fruit die naar Japan en Taiwan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde."},{"i":2837,"b":"Wijziging percentage levensonderhoud 1986 Overwegende, dat het Indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1985 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1984; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1986 worden verhoogd, worden vastgesteld op 1,1. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1986."},{"i":1977,"b":"Wet van 12 december 2002, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel I) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2003 wenselijk is maatregelen te treffen betreffende de modernisering van de arbeidsmarkt, de combinatie van werk en levensloop, milieu en mobiliteit, alsmede enkele regelingen af te schaffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IX Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel X Vervallen Artikel XI Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel XII Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel XIII Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel XIV Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel XV Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel XVA Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XVI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XVII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XVIII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIX Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XX De [Wet tijdelijke fiscale stimulering van de aankoop van schone personenauto's en bestelauto's](ht"},{"i":5764,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 november 2006, nr. MEVA/BO-2720821, houdende vaststelling van regels inzake de verstrekking van subsidies voor de opleidingen tot advanced nurse practitioner en physician assistant (Subsidieregeling opleiding tot advanced nurse practitioner en opleiding tot physician assistant) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet volksgezondheidssubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de minister: de Minister voor Langdurige Zorg en Sport; - b. bevoegd gezag: het college van bestuur van een hogeschool die van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een goedkeuring heeft verkregen om een opleiding tot advanced nurse practitioner of een opleiding tot physician assistant aan te bieden en die door genoemd ministerie hiervoor wordt bekostigd; - c. opleiding tot advanced nurse practitioner: een HBO-zorgmasteropleiding in de gezondheidszorg met een duur van 24 maanden; - d. opleiding tot physician assistant: een HBO-zorgmasteropleiding in de gezondheidszorg met een duur van 30 maanden; - e. buitenschoolse kosten: kosten die gemaakt worden door de zorgwerkgever in het kader van de HBO-zorgmasteropleidingen tot advanced nurse practitioner of tot physician assistant; Artikel 2 1. De minister verstrekt op aanvraag van het bevoegd gezag voor maximaal de duur van de opleiding subsidie ten behoeve van de buitenschoolse kosten van de opleidingen tot advanced nurse practitioner en tot physician assistant. 2. De subsidie per student bedraagt een vast normatief bedrag van € 1.964 per maand voor maximaal de duur van de opleiding. De subsidie wordt door het bevoegd gezag doorbetaald aan de zorgwerkgever. 3. De subsidie wordt vastgesteld door vermenigvuldiging van de som van het aantal maanden per student dat de opleiding daadwerkelijk is gevolgd met het bedrag, genoemd in het tweede lid. Artikel 3 1. De subsidieaanvraag wordt vóór"},{"i":4482,"b":"Circulaire Definitie Dienstongeval In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie (2005–2007) is afgesproken om de regionale verschillen in arbeidsvoorwaarden te harmoniseren. Met de politievakorganisaties is in het voorjaar 2008 overeenstemming bereikt over het eerste deel van de op landelijk niveau te harmoniseren arbeidsvoorwaarden. Eén van de onderwerpen betreft het aanmerken van een ongeval als dienstongeval, bijvoorbeeld tijdens teambuildingsactiviteiten of buiten diensttijd. Het [Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516) (Barp) hanteert de volgende definitie voor een dienstongeval ([artikel 1, eerste lid, onderdeel z, van het Barp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1)): een ongeval, welke in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten. Uit jurisprudentie volgt dat ongevallen tijdens teambuildingsactiviteiten die door het korps worden georganiseerd, en waaraan de ambtenaar verplicht deelneemt, en hij of zij daarnaast niet kan kiezen aan welke onderdelen en in welke mate hij of zij deelneemt, moeten worden aangemerkt als een dienstongeval. Daarbij geldt dat het ongeval niet aan schuld of onvoorzichtigheid van de betrokken ambtenaar te wijten mag zijn. Bijvoorbeeld door niet tijdig aan te geven dat hij of zij een relevante beperking heeft. Er zijn voorbeelden van teambuildingsactiviteiten, waarbij de betrokken ambtenaar zonder een goede lichamelijke conditie verplicht meedeed aan survival-activiteiten in de Ardennen. De schade die hieruit voortkomt, raakt niet alleen de betrokken ambtenaar. Ook de organisatie lijdt schade omdat bijvoorbeeld het dienstrooster niet goed ingevuld kan worden. Daarom is het belangrijk dat bij teambuildingsactiviteiten de werkgever zorgt voor een passende activiteit, zeker als de be"},{"i":1733,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 27 juni 2006, houdende de vaststelling van een heffing over de teelt van groenten en fruit, voor het jaar 2007 (Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2007) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 20 juni 2006; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de teelt van groenten en fruit, uitgangsmateriaal daaronder begrepen, wordt uitgeoefend; | | --- | --- | --- | | b. | het bewerken: | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | c. | het verduurzamen: | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze producten, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden; | | d. | de productwaard"},{"i":1734,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2007, houdende de vaststelling van een heffing over de teelt van groenten en fruit, voor het jaar 2008 (Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95),[100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 19 juni 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de teelt van groenten en fruit, uitgangsmateriaal daaronder begrepen, wordt uitgeoefend; | | --- | --- | --- | | b. | bewerken: | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | c. | verduurzamen: | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze producten, al dan niet voorlop"},{"i":1735,"b":"Verordening van het Productschap Tuinbouw van 26 september 2000, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van maatregelen gericht op verbetering van de energie-efficiëntie voor het jaar 2001 (Verordening PT heffing verbruik aardgas 2001) op voorstel van de Sectorcommissie voor energie; gelet op [artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en op de artikelen 14, 15 en 19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998; besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de artikelen 2 en 3 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998. 2. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | productschap: | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | bestuur: | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | d. | onderneming: | de onderneming waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. | ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming drijft; | | f. | heffingsplichtige: | de ondernemer die ingevolge deze heffingsverordening heffing verschuldigd is. | | g. | energiebedrijf: | het energiebedrijf waarvan de heffingsplichtige aardgas of warmte afneemt; | | h. | groeiproces van tuinbouwproducten: | het groeiproces van tuinbouwproducten als bedoeld in de beschikking van de staatssecretaris van Financiën, inzake de toepassing van [post a 32 van de bij de Wet op de Omzetbelasting 1968 behorende tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&bijlage=I); | | i. | warmte/kracht-installatie: | een voorziening, strekkende tot gecombineerde opwekking van warme en kracht, waarbij de daarbij opgewekte warmte wordt aangewend ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten, door het installeren van krachtwerktuigen en daarbij behorende voorzieningen; | | j. | indirect aardgasverbruik: | het door de heffingsplichtige afnemen va"},{"i":1736,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2002, houdende de vaststelling van een heffing op verduurzaamde producten voor het jaar 2003 (Verordening PT heffing verduurzaamde groenten en fruit 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](onbekend) en [2 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de voorzitter: | de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | het bestuur: | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | c. | het verduurzamen: | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze producten, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden; | | d. | de fabrikant: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin fruit, groenten, of daaruit verkregen producten worden verduurzaamd; | | e. | de omzet: | de verkoopwaarde af fabriek van de door de fabrikant gedurende een kalenderjaar verduurzaamde groenten en fruit, met uitzondering van de in de bij deze verordening behorende bijlage genoemde producten; | | f. | de heffingsplichtige: | de fabrikant die ingevolge deze verordening heffing verschuldigd is. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De fabrikant is jaarlijks aan het Productschap Tuinbouw een heffing verschuldigd ten behoeve van aangelegenheden als milieuprojecten, onderzoek, kwaliteitscontrole en afzetbevordering, alsmede de algemene kosten van het Productschap Tuinbouw. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid wordt opg"},{"i":1737,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2003, houdende de vaststelling van een heffing op verduurzaamde producten voor het jaar 2004 (Verordening PT heffing verduurzaamde groenten en fruit 2004) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=15) en [19 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](onbekend); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 26 juni 2003; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. de voorzitter: | de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | | b. het bestuur: | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | c. het verduurzamen: | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze producten, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden; | | d. de fabrikant: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin fruit, groenten, of daaruit verkregen producten worden verduurzaamd; | | e. de omzet: | de verkoopwaarde af fabriek van de door de fabrikant gedurende een kalenderjaar verduurzaamde groenten en fruit, met uitzondering van de in de bij deze verordening behorende bijlage genoemde producten; | | f. de heffingsplichtige: | de fabrikant die ingevolge deze verordening heffing verschuldigd is. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De fabrikant is jaarlijks aan het Productschap Tuinbouw een he"},{"i":6500,"b":"Besluit van 3 december 2002 tot wijziging van het Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1999 in verband met de overdracht van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het besluit en een aanpassing van de bijdragesystematiek Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juni 2002, nr. EB2002/75507; Gelet op [artikel 17 van de Financiële-verhoudingswet](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 30 september 2002, nr. W04.02.0258/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 november 2002, nr. EB2002/91716; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1999. Artikel II Bijdragen voor de kosten van opsporingen en ruimingen die zijn aangevangen vóór 1 januari 2003 worden verleend op de voet van het [Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1999](onbekend), zoals dat luidde voorafgaand aan die datum. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang 1 januari 2003. De [onderdelen I en N van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014378&artikel=I&z=2003-01-01&g=2003-01-01), werken terug tot en met 1 januari 2000. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5988,"b":"Besluit van 4 september 2012, houdende regels ter uitvoering van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 27 april 2012, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 254194; Gelet op de [artikelen 2:7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031814&artikel=2:7), [2:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031814&artikel=2:9), [2:28, eerste lid en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031814&artikel=2:28), [3:2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031814&artikel=3:2), [3:7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031814&artikel=3:7), [3:15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031814&artikel=3:15), en [3:20, eerste lid van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031814&artikel=3:20); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 mei 2012, nr. W03.12.0149/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 29 augustus 2012, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 294806; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties in werking treedt. Artikel 1 Het model van het certificaat, bedoeld in de [artikelen 2:7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031814&artikel=2:7), en [2:28, eerste lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031814&artikel=2:28), wordt als volgt vastgesteld: bedoeld in artikel 4 van Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 november"},{"i":1786,"b":"Verzamelbesluit dividendbelasting 2025 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat een deel van het beleid voor de dividendbelasting.** 1. Inleiding Dit besluit vervangt het [besluit van 29 november 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047583), nr. 2022-25322 (Stcrt. 2022, 32364). De wijzigingen betreffen: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Teruggaaf op de voet van [artikel 10 Wet DB 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=10) [Artikel 10, eerste lid, Wet DB 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=10) bepaalt dat aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen op zijn verzoek teruggaaf wordt verleend van de in een kalenderjaar ingehouden dividendbelasting. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 10, tweede, derde, vijfde en zesde lid, Wet DB 1965, genoemde lichamen. Ik keur goed dat vooruitlopend op de teruggaaf van [artikel 10 Wet DB 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=10), reeds in het jaar van inhouding ongelimiteerd verzoeken om teruggaaf kunnen worden ingediend. 3. Toerekenen van aandelen aan vaste inrichting 3.1. Inleiding Er bestaat behoefte aan zekerheid over de vraag of aandelen in een vennootschap kunnen worden toegerekend aan een vaste inrichting in Nederland. Immers, als de deelnemingsvrijstelling van toepassing is bij de vaste inrichting ten aanzien van de aandelen in een vennootschap, is geen dividendbelasting verschuldigd over de uitkering van dividend vanuit de vennootschap naar de vaste inrichting ([artikel 4, eerste lid, onderdeel a, Wet DB 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=4)). Verder is de vraag of aandelen in een vennootschap toegerekend kunnen worden aan een vaste inrichting van belang voor de mogelijkheid om een fiscale eenheid te vormen tussen de vaste inrichting en de vennootschap ([artikel 15, achtste lid, We"},{"i":5419,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 december 2024, nr. MBO/49264021, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan het Nationaal coördinatiepunt NLQF (Regeling subsidieverstrekking Nationaal coördinatiepunt NLQF) Gelet op [artikel 1.4, vijfde lid, van de Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058&artikel=1.4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beleidsplan:** beleidsplan als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050561&artikel=6&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - **instellingssubsidie:** instellingssubsidie als bedoeld in [artikel 1.1 van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.1); - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **Nationaal Coördinatiepunt NLQF:** Nationaal Coördinatiepunt NLQF als bedoeld in [artikel 3 van het Besluit NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050303&artikel=3). Artikel 2. Toepassing [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Deze regeling geldt in aanvulling op de [Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603). Artikel 3. Instellingssubsidie 1. Nationaal Coördinatiepunt NLQF kan een instellingssubsidie aanvragen voor de uitvoering van zijn wettelijke taken, bedoeld in [artikel 1.4, tweede lid, van de Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058&artikel=1.4). 2. Indien er gedurende het eerste kalenderjaar sprake is van een onvoorziene groei van aanvragen als bedoeld in [artikel 1.4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058&artikel=1.4) kan het Nationaal Coördinatiepunt NLQF in afwijking van [artikel 8.2, eerste lid, van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=8.2) een aanvullende sub"},{"i":1791,"b":"Wet van 13 december 1996, houdende aanpassing van de loon- en inkomstenbelasting c.a., met het oog op vereenvoudiging van de wetgeving en vermindering van de administratieve lasten van het bedrijfsleven (Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) en in samenhang daarmee enige andere wetten aan te passen, met het oog op vermindering van de administratieve lasten van het bedrijfsleven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. ARTIKEL V Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. ARTIKEL VI Wijzigt de Wet op de vermogensbelasting 1964. ARTIKEL VII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. ARTIKEL VIII Wijzigt de Invorderingswet 1990. ARTIKEL IX Wijzigt de Coördinatiewet Sociale Verzekering. ARTIKEL X Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen. ARTIKEL XI Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. ARTIKEL XII Ter demping van het effect van artikel II, onderdeel I, op de loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen als bedoeld in [artikel 26, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=26) kan bij de aldaar bedoelde ministeriële regeling voor de kalenderjaren 1997 en 1998 in zoverre van dat lid worden afgeweken. ARTIKEL XIII Het koninklijk besluit van 8 oktober 1996 (**Stb.** 488) tot wijziging van het [Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 19"},{"i":1788,"b":"Voorschriften van Bangladesh tot uitvoering van het op 13 juli 1993 tussen Nederland en Bangladesh gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting Regeling inzake vermindering en vrijstelling van belasting van Bangladesh op dividenden, interest, en royalty's, genoten door inwoners van Nederland Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan het op 13 juli 1993 tussen Nederland en Bangladesh gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, en het Protocol bij dat Verdrag (Trb. 1993, 145 en Trb. 1994, 42), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van het Verdrag en onderdelen van het Protocol: - a. vermindering tot 15 percent van de belasting van Bangladesh op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Bangladesh is aan een inwoner van Nederland, die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b); - b. vermindering tot 10 percent van de belasting van Bangladesh op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Bangladesh is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een venootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het onmiddellijk ten minste 10 percent bezit van het kapitaal van het lichaam in Bangladesh dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel a); - c. algehele vrijstelling van de belasting van Bangladesh op uit Bangladesh afkomstige interest, indien deze wordt betaald aan de Nederlandsche Bank (artikel 11, derde lid, onderdeel b); - d. algehele vrijstelling van de belasting van Bangladesh op uit Bangladesh afkomstige interest, indien deze wordt betaald aan de Regering van Nederland (artikel 11, derde lid, onderdeel c); - e. algehele vrijstelling van de belasting van Bangladesh op uit Bangladesh afkomstige interes"},{"i":1774,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2007, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Tuinbouw ressorterende ondernemers in de sector boomkwekerijproducten op te leggen heffing (Verordening PT vakheffing boomkwekerijproducten 2007) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor boomkwekerijproducten, d.d. 9 mei 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT Algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verder verstaan onder: | a. | voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | --- | --- | --- | | b. | boomkwekerijproducten: | winterharde en half-winterharde houtgewassen, welke niet vervroegd of verlaat zijn, alsmede delen daarvan en voorts vaste planten en wortelstokken; | | c. | kweken van boomkwekerijproducten: | het ter verkrijging van een oogst van boomkwekerijproducten brengen, hebben of houden in al dan niet overdekte grond van boomkwekerijproducten of van zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan, alsmede het ter bevordering van het"},{"i":1784,"b":"Vervanging archiefbescheiden Centraal Archief Belastingdienst Apeldoorn 1999 Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) en gelet op de machtiging afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, d.d. 4 juni 1999, kenmerk R&B/OSTA/99/571. Besluit: Over te gaan tot vervanging van archiefbescheiden uit het Centraal Archief van de Belastingdienst te Apeldoorn. De vervanging van de archiefbescheiden vindt plaats door middel van microverfilming volgens de standaardeisen substitutieverfilming van de Rijksarchiefdienst. De originele archiefbescheiden zullen aansluitend vernietigd worden. Bij de overweging om tot vervanging over te gaan is rekening gehouden met de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed en het belang van de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, voor recht- of bewijszoekenden en voor het historisch onderzoek. De vervanging betreft de volgende archiefbescheiden: Memories van successie over de periode 1990 tot en met 1996 van de navolgende kantoren: Kantoren Groningen; Kantoren Friesland; Kantoren Drenthe; Kantoren Overijssel; Kantoren Flevoland; Kantoren Gelderland; Kantoren Utrecht; Kantoren Noord-Holland; Kantoren Zuid-Holland; Kantoren Zeeland; Kantoren Noord-Brabant; Kantoren Limburg. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1789,"b":"Wet van 18 december 2013 tot wijziging van enkele wetten met het oog op de bestrijding van fraude in de toeslagen en fiscaliteit (Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit) Artikel I Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel II Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel III Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel VI 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2014, met dien verstande dat: - a. de wijziging ingevolge [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034496&artikel=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01), voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot vergrijpen die zijn begaan op of na 1 januari 2014; - b. de wijzigingen ingevolge [artikel I, onderdeel Ba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034496&artikel=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01), en [artikel III, onderdelen I, J en K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034496&artikel=III&z=2024-01-01&g=2024-01-01), voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot verzuimen en vergrijpen die zijn begaan op of na 1 januari 2014. 2. [Artikel II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034496&artikel=II&z=2024-01-01&g=2024-01-01), werkt terug tot en met 1 december 2013. 3. In afwijking van het eerste lid treden het in [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034496&artikel=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01), opgenomen [artikel 13, vijfde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=13), [artikel II, onderdelen D, F en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034496&artikel=II&z=2024-01-01&g=2024-01-01), het in [artikel III, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034496&artikel=III&z=2024-01-01&g=2024-01-01), o"},{"i":1778,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 10 november 2010, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Tuinbouw ressorterende ondernemers in de sector boomkwekerijproducten op te leggen heffing (Verordening PT vakheffing boomkwekerijproducten 2011) gelet op [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor boomkwekerijproducten, d.d. 20 oktober 2010; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verder verstaan onder: | a. | bestuur: | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | boomkwekerijproducten: | winterharde en half-winterharde houtgewassen, die niet vervroegd of verlaat zijn, alsmede delen daarvan en voorts vaste planten en wortelstokken; | | c. | heffingsgrondslag: | het verkoopbedrag van de in een kalenderjaar verhandelde en afgeleverde boomkwekerijproducten, verminderd met het inkoopbedrag van de in hetzelfde kalenderjaar ingekochte boomkwekerijproducten. Op dit verschil kunnen in mindering worden gebracht: | | d. | inkoopbedrag: | het bruto inkoopfactuurbedrag (eindbedrag van de factuur) waarover de BTW wordt berekend; | | e. | jaarrnutatie: | inflatie over een jaar in procenten volgens de consumentenprijsindex van het CBS in de maand januari; | | f. | kweken van boomkwekerijproducten: | het ter verkrijging van een oogst van boomkwekerijproducten brengen, hebben of houden in al dan niet overdekte grond van boomkwekerijproducten of van zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan, alsmede het ter bevordering van het verkrijgen van een oogst van boomkwekerijproducten, ve"},{"i":1796,"b":"Wet van 20 december 2017 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 en enkele andere wetten (Wet afschaffing van de btw-landbouwregeling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving inzake omzetbelasting aan te passen in verband met de afschaffing van de btw-landbouwregeling; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel II Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel III Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel IV Wijzigt de Wet opslag duurzame energie. Artikel V 1. Voor de toepassing van dit artikel, met uitzondering van het derde lid, wordt onder goederen en diensten verstaan: - a. onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen; - b. roerende zaken waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft of waarop hij zou kunnen afschrijven indien hij aan een zodanige belasting zou zijn onderworpen. 2. De ondernemer die in het belastingtijdvak dat eindigde op 31 december 2017 geen omzetbelasting was verschuldigd op grond van [artikel 27 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=27) zoals dat artikel luidde op 31 december 2017, past met betrekking tot goederen en diensten die op 1 januari 2018 bij hem in gebruik zijn, [artikel 15, zesde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=15) en de bij dat artikel vastgestelde ministeriële regeling toe. Voor de op 1 januari 2018 nog resterende boekjaren waarover herziening moet plaatsvinden vindt, voor zover deze goederen en diensten voor belaste handelingen zullen worden gebruikt gedurende de periode waarover nog herziening plaatsvindt, de aftrek van belasting in één keer plaats in de aa"},{"i":1803,"b":"Wet van 16 oktober 2023 tot wijziging van de Algemene douanewet met betrekking tot cameratoezicht en verwerking persoonsgegevens (Wet cameratoezicht douane) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens bij het gebruik van camera’s door de douane expliciet in de wet op te nemen en daarbij de waarborgen en voorwaarden hiervoor vast te leggen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet cameratoezicht douane. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":3623,"b":"Besluit van 18 oktober 2004, houdende regels over de tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang (Besluit tegemoetkoming kosten kinderopvang) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 augustus 2004, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/KO/2004/54428, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 7, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=7), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=18), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=34), [94, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=94), [95, vierde lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=95); De Raad van State gehoord (advies van 9 september 2004 no. W12.04.0408/IV; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 oktober 2004, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/KO/2004/64987, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan: Geldt voor kalenderjaren die aanvangen op of na 1 januari 2005. Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017); - b. dagopvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen; - c. maximum uurprijs: de maximaal voor kinderopvangtoeslag en voor tegemoetkomingen van de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in aanmerking komende prijs per zestig minuten geboden kinderopvang; - d. kosten van kinderopvang: het aantal uren kinderopvang per kind, vermenigvuldigd met de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in [artikel 1.7, tweede lid, van"},{"i":3189,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 1 november 2017 nr. BOACAT2017/075, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Almelo Gelezen het verzoek van de gemeente Almelo van 25 oktober 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41), van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar; [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040184&artikel=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Handhaver Toezicht en Veiligheid of Controleur Openbare Ruimte in dienst van de gemeente Almelo, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in onderdeel 6.4 van de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Neder"},{"i":2888,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2018 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2017 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2016; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,3%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaosche Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2018. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2018."},{"i":3321,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 9 september nr. BOACAT2022/067, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Smallingerland Gelezen het verzoek van de gemeente Smallingerland van 7 september 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047160&artikel=2&z=2022-09-29&g=2022-09-29). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver publiek domein in dienst van de gemeente Smallingerland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling"},{"i":4058,"b":"Besluit toezicht en opsporing vervoer gevaarlijke stoffen Handelende mede namens de Ministers van Justitie, van Defensie, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en de staatssecretarissen van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=34) en [44 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=44); Besluit: § 1. Toezicht op de naleving van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen Artikel 1 Als ambtenaren in de zin van [artikel 34, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=34) worden aangewezen de aan de de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport die belast zijn met toezicht en opsporing. Artikel 2 Als ambtenaren in de zin van [artikel 34, tweede lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=34) worden aangewezen de commandant en de controleurs van het Korps militaire controleurs gevaarlijke stoffen. Artikel 3 Als ambtenaren in de zin van [artikel 34, derde lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=34) worden aangewezen: - a. de ambtenaren van de divisie Scheepvaart van de Inspectie Leefomgeving en Transport, voor zover het betreft: - 1º. het vervoer per zeeschip over de binnenwateren, - 2º. bouw, inrichting en uitrusting van schepen; - b. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane; - c. de controle-ambtenaren van de Keuringsdienst van Waren, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij inzake vuurwerk bevoegd zijn. § 2. Opsporing Artikel 4 Als ambtenaren, bedoeld in [artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=44), worden aangewezen de in [artikel 1](https://wetten.over"},{"i":4584,"b":"Emergency trust De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Dit besluit dient ter vervanging van het besluit van 15 juni 1988, nr. DB88/3940 en is opnieuw uitgebracht naar aanleiding van de Belastingherziening 2001. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Ik ben van oordeel dat het onder trustverband brengen en houden van vermogensbestanddelen in een zgn. emergency trust voor de Nederlandse belastingheffing geen betekenis heeft gedurende de periode voor het ontstaan van de noodsituatie, als tot dat tijdstip het volledige economische belang bij en de zeggenschap over de desbetreffende vermogensbestanddelen bij de insteller van de trust blijven. Of daarvan sprake is zal in ieder individueel geval concreet moeten worden beoordeeld. Als aan die voorwaarden wordt voldaan wordt het in trustverband brengen van vermogensbestanddelen niet als vervreemding aangemerkt, zodat er geen sprake is van onttrekking, winstrealisatie of van desinvestering in de zin van artikel 3.47 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Met betrekking tot de fiscaalrechtelijke gevolgen van het intreden van een noodsituatie constateer ik dat daarover verschillende visies denkbaar zijn. Ik geef er de voorkeur aan op dat vlak thans geen standpunt in te nemen. Wel verklaar ik mij bereid in voorkomende gevallen verzoeken om aan het inroepen en bestaan van de noodtoestand geen gevolgen te verbinden indien de noodtoestand binnen een bepaalde periode (de afkoelingsperiode) weer ongedaan wordt gemaakt in welwillende overweging te nemen mits deze afkoelingsperiode niet langer dan zes maanden heeft geduurd. Als voorwaarden voor inwilliging van een dergelijk verzoek zullen tenminste de volgende omstandigheden gelden: Dit besluit treedt in werking met ingang van het belastingjaar 2001."},{"i":3953,"b":"Besluit van 26 januari 2009, houdende nadere regeling van de rechtspositie van de vice-president van de Raad van State, de staatsraden, de president en overige leden van de Algemene Rekenkamer, alsmede van de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen (Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2008, 2008-00000558625, directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024788&artikel=2), en [3, tweede lid, van de Wet rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024788&artikel=3) en [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125); De Raad van State gehoord (advies van 7 januari 2009, nr. W04.08.0567/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 januari 2009, nr. 2009-0000011628; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De vice-president van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de leden van de Raad van State en de staatsraden, de overige leden in gewone dienst van de Algemene Rekenkamer en de substituut-ombudsmannen die in verband met de vervulling van hun ambt zijn verhuisd, ontvangen een verhuiskostenvergoeding, indien zij zich met de verhuizing binnen een afstand van 25 kilometer van de Raad van State, de Algemene Rekenkamer onderscheidenlijk de Nationale ombudsman hebben gevestigd en de afstand tussen de oude woning en de Raad van State, de Algemene Rekenkamer onderscheidenlijk de Nationale ombudsman ten minste 50 kilometer bedroeg. 2. De verhuiskostenvergoeding bestaat uit: - a. een bedrag voor de kosten verbonden aan het vervoer van de betrokken"},{"i":3589,"b":"Besluit van 1 maart 2005, houdende regels omtrent het definiëren, ordenen en beschikbaarstellen van gegevens in het primair en (voortgezet) speciaal onderwijs (Besluit informatievoorziening WPO/WEC) Op de voordracht van Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 18 november 2004, nr. WJZ/2004/54540 (2565), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 171, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=171), [172, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=172), en [173, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=173) en de [artikelen 157, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=157), [158, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=158), en [159, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=159); De Raad van State gehoord (advies van 4 februari 2005, nr. W05.04.0561/III); Gezien het nader rapport van Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 24 februari 2005, nr. 2005/5407 (2565), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Onze minister: Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; school: een school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) dan wel [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); bevoegd gezag: een bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) dan wel [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in"},{"i":3712,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie van 20 oktober 2011, nr. 2011056228, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeur van het Agentschap SZW ter uitvoering van een aantal regelingen op het terrein van inburgering (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Agentschap SZW Regelingen Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gezien de schriftelijke instemming van de directeur van het Agentschap SZW van 1 augustus 2011, Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [artikel 32, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32); Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van het Agentschap SZW wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van alle benodigde werkzaamheden, waaronder het vaststellen en ondertekenen van stukken, ter voorbereiding en uitvoering van het bepaalde in de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611), het [Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674) de [Wet Participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039), het [besluit Participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025044) en overige regelgeving gericht op subsidieverstrekking, bekostiging en inburgering, waaronder begrepen: - a. het vaststellen en verlenen van voorschotten op de rijksbijdrage aan gemeenten; - b. het vaststellen en verlenen van de rijksbijdrage aan gemeenten. Artikel 2 Aan de directeur van het Agentschap SZW wordt: - a. mandaat verleend tot het nemen van besluiten op bezwaar tegen besluiten bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030581&artikel=1&z=2011-11-03&g=2011-11-03), voor z"},{"i":3773,"b":"Besluit van 20 december 2007, houdende bepalingen in verband met de invoering van markttoezicht op het aanbod van dienstverlening door registerloodsen en een herziening van de loodsgeldtariefstructuur (Besluit markttoezicht registerloodsen) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 1 oktober 2007, nr. HDJZ/SCH/2007 - 1217, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=21), [27d, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27d), en [27l, eerste en derde lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27l); De Raad van State gehoord (advies van 25 oktober 2007, nr. W09.07.0356/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 december 2007, nr. HDJZ/SCH/2007-1654, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **A-tarief:** tarief voor de aanvullende diensten, bedoeld in [artikel 4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023123&hoofdstuk=4&paragraaf=2&artikel=4.5&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - –. **bevoegde autoriteit:** de bevoegde autoriteit, bedoeld in [artikel 1 van het Loodsplichtbesluit 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=1); - –. **bijzonder transport:** hetgeen op grond van [artikel 1, vijfde lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=1) mede wordt verstaan onder schip of zeeschip en hetgeen bij of krachtens [artikel 4 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4) wordt verstaan onder een bijzonder transport; - –. **call:** combinatie van een inkomende en uitgaande reis in hetzelfde zeehavengebied; - –. **cluster van zusterschepen:** twee of meer zusterschepen die door dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon worden geëx"},{"i":2643,"b":"Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken van 2 juni 2005, nr. WJZ 5032571, over door het college als bedoeld in artikel 2 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit uit te oefenen taken op het gebied van duurzame concurrentie, efficiënte kosten, kwaliteit, toegang en tarieftransparantie in de elektronische communicatiesector (Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken over door het college uit te oefenen taken in de elektronische communicatiesector) Gelet op [artikel 19 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008807&artikel=19), [hoofdstuk 6a van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&hoofdstuk=6a), [artikel 3 van de Regeling minimumpakket huurlijnen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016708&artikel=3) en [artikel 3.2 van de Regeling universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016709&artikel=3.2); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. prijsmaatregel: een verplichting als bedoeld in [artikel 6a.7, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=6a.7) betreffende het beheersen van tarieven of een verplichting als bedoeld in [artikel 6a.13, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=6a.13); - c. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2). 2. De definities, bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1) en [artikel 1.1 van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=1.1), zijn van toepassing. § 2. Duurzame concurrentie A"},{"i":4626,"b":"Handhavingskader CO-stelsel, Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw 1. Inleiding Dit handhavingskader bevat een specifieke toelichting op de handhavingstaak van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) in het stelsel van certificering van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (CO-stelsel) en de wijze waarop de TloKB invulling geeft aan deze taak. 1.1. Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw De TloKB is een zelfstandig bestuursorgaan en heeft hoofdtaken ten aanzien van drie stelsels: kwaliteitsborging bouw, erkende kwaliteitsverklaringen en werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Binnen het CO-stelsel, zie figuur 1, voert de TloKB de volgende deeltaken uit, die tot doel hebben de kwaliteit te verbeteren van de werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties met het oog op reductie van koolmonoxide-ongevallen: 1.2. Doel handhavingskader Dit handhavingskader bevat een algemene toelichting op de handhavingstaak van de TloKB in het CO-stelsel en de wijze waarop de TloKB invulling geeft aan deze taak. 1.3. Wettelijke basis handhavingskader Dit handhavingskader is op te vatten als een beleidsregel. [Artikel 4:83 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83) bepaalt dat de bekendmaking van een beleidsregel zijn wettelijke basis vermeldt. De juridische grondslag voor het toezicht en de handhaving door de TloKB in het CO-stelsel is het [Besluit van de minister van 7 mei 2024, nr.2024-0000233924, tot verlening van mandaat en machtiging aan de TloKB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049702), ten behoeve van de uitvoering van de wettelijk taken certificering werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties die voortvloeien uit [artikel 92 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=92) juncto [artikel 3 Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=3).2Staatscourant 2022, 10597 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl) 1.4. M"},{"i":1837,"b":"Wet van 24 december 1992, tot vaststelling van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de aanpassing van de wetgeving inzake accijnzen aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (92/12/EEG van 25 februari 1992; **PbEG** L 76) wenselijk is een afzonderlijke wettelijke regeling in te voeren voor het stelsel van heffing van de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Belastbaar feit Artikel 1 Krachtens deze wet wordt een verbruiksbelasting geheven ter zake van de uitslag en de invoer van alcoholvrije dranken. Artikel 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. vervaardigen van alcoholvrije dranken: elk handelen waarbij of waardoor die goederen ontstaan of de voor de belastingheffing relevante samenstelling daarvan wordt gewijzigd; - b. inrichting: iedere plaats waar op grond van de bepalingen van deze wet alcoholvrije dranken onder schorsing van belasting mogen worden vervaardigd, mogen worden verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen worden ontvangen en mogen worden verzonden; - c. douane-entrepot: de regeling douane-entrepot, bedoeld in artikel 240, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie; - d. plaats voor tijdelijke opslag: een ruimte voor tijdelijke opslag of een andere plaats die is aangewezen of goedgekeurd voor de opslag van goederen in tijdelijke opslag als bedoeld in artikel 147, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie; - e. lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie; -"},{"i":2705,"b":"Beschikking overschrijving stukken betreffende schepen Overwegende dat ten gevolge van de intrekking van de Maatregel Schepen (Stb. 1948, 1 359) de beschikking van de Minister van Financiën van 29 mei 1952, nr. 95 (Stcrt. 1952, 104) herziening behoeft; Gelet op artikel 1 van de wet van 28 februari 1947 (Stb. H 66) en het Koninklijk besluit van 4 juni 1973 (Stb. 272), Besluit: Artikel 1 1. Ter gelegenheid van de aanbieding van een stuk betreffende schepen en bestemd om te worden overgeschreven in de openbare registers gehouden aan de kantoren van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers, moet, in afwijking van het bepaalde in onderdeel 1, tweede lid, van de beschikking van de Minister van Financiën van 9 november 1949, nr. 188 (Stcrt. 1949, 222) , behoudens hetgeen hierna in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003541&artikel=2&z=1983-01-01&g=1983-01-01) is bepaald, mede worden ingeleverd een afschrift van dat stuk, voldoende aan bepaalde vormvereisten. 2. Onderdeel II van de beschikking van de Minister van Financiën van 9 november 1949, nr. 188 (Stcrt. 1949, 222), is van toepassing. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003541&artikel=1&z=1983-01-01&g=1983-01-01) wordt geen afschrift ingeleverd van de volgende, ingevolge de Maatregel teboekgestelde schepen (Stb. 1982, 626) ingediende stukken: - 1. verzoek tot teboekstelling van een zeeschip of zeevissersschip in aanbouw; - 2. verzoek tot teboekstelling van een binnenschip in aanbouw; - 3. verzoek tot teboekstelling als afgebouwd schip van een zeeschip of zeevissersschip dat reeds als schip in aanbouw is teboekgesteld; - 4. verzoek tot teboekstelling als afgebouwd schip van een binnenschip dat reeds als schip in aanbouw is teboekgesteld; - 5. verzoek tot teboekstelling van een zeeschip of zeevissersschip; - 6. verzoek tot teboekstelling van een binnenschip; - 7. verklaring dat een schip de hoedanigheid van Nederlands schip zal behouden; - 8. aangift"},{"i":1838,"b":"Wet van 27 juni 2002, houdende de Wet op het BTW-compensatiefonds Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen dat het wenselijk is gemeenten, provincies en regionale openbare lichamen te compenseren voor de lasten van de heffing van omzetbelasting om daarmee de afweging tussen het zelf uitvoeren van activiteiten en het uitbesteden daarvan te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Deze wet treedt in werking voor provincies en gemeenten. Artikel 1 1. In deze wet en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; - b. BTW-richtlijn 2006: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2006, L 347); - c. publiekrechtelijk lichaam: een provincie, dan wel een gemeente; - d. regionaal openbaar lichaam: een openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20); - e. omzetbelasting: de belasting die wordt geheven in de lidstaten van de Europese Unie krachtens de nationale wetgeving die is gebaseerd op de BTW-richtlijn 2006, alsmede de belasting die het karakter van een omzetbelasting heeft en krachtens de nationale wetgeving wordt geheven in de EVA-staten genoemd in artikel 2, onderdeel b, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; - f. bijdrage: bijdrage aan een publiekrechtelijk lichaam of regionaal openbaar lichaam ter financiering van uitgaven inzake omzetbelasting onder bij deze wet te stellen voorwaarden; - g. tijdvak: kalenderjaar waarin het recht op bijdrage of de verschuldigdheid ervan ontstaat; - h. fonds: het BTW-compensatiefonds; - i. uitkeringsjaar: het kalenderjaar waarover het recht op uitkering onts"},{"i":1839,"b":"Wet van 7 januari 1971, houdende regelen inzake de opheffing van de afdeling effectenregistratie van de Raad voor het Rechtsherstel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter uitvoering van artikel VII van de Rijkswet van 9 maart 1967, **Stb.** 163, houdende regelen inzake de opheffing van de Raad voor het Rechtsherstel, thans ook regelen vast te stellen inzake de opheffing van de afdeling effectenregistratie van die raad en enige daarmede verband houdende voorzieningen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I 1. De afdeling effectenregistratie van de Raad voor het Rechtsherstel wordt opgeheven. 2. De rechten en verplichtingen van deze afdeling gaan over op het land Nederland. 3. Onze Minister van Financiën is belast met het beheer over de archiefbescheiden van deze afdeling. Artikel II De taak en de bevoegdheden van de afdeling effectenregistratie van de Raad voor het Rechtsherstel, met uitzondering van die, genoemd in [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002742&artikel=III&z=1971-10-01&g=1971-10-01), gaan over op Onze Minister van Financiën. Artikel III 1. De taak en de bevoegdheden die krachtens de wet toekomen aan de afdeling effectenregistratie van de Raad voor het Rechtsherstel ter uitvoering van de artikelen 52-61**a**, 62, eerste en tweede lid, en 82-83**bis** van het Besluit herstel rechtsverkeer (**Stb.** E 100), gaan over op de arrondissementsrechtbank te Amsterdam. 2. Op de rechtsgang voor de rechtbank zijn de bepalingen van het Besluit herstel rechtsverkeer betreffende de rechtsgang voor de afdeling effectenregistratie van overeenkomstige toepassing. Artikel IV 1. Van de beslissingen van Onze Minister van Financiën krachtens artikel II en van die van de rechtbank te Amsterdam krachtens [artikel III](http"},{"i":1646,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2002, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de vruchtenwijnhandel in Nederland voor het jaar 2003 (Verordening PT bestemmingsheffing vruchtenwijn jaar 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19, van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de sectorcommissie Groenten en Fruit, d.d. 20 juni 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 2](onbekend) en [3, van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | het productschap: | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | het bestuur: | het bestuur van het productschap; | | c. | de voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | d. | de vruchtenwijn: | een gegiste drank die is bereid uit het sap van ander fruit dan druiven, met een alcoholgehalte van ten minste 1,2 volumeprocenten bij 20°C; | | e. | de ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld en die vruchtenwijn invoert dan wel uitslaat in de zin van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251). | § 2. Heffing Artikel 2 De ondernemer is voor het jaar 2003 verplicht voor vruchtenwijn aan het productschap een heffing te betalen ten bedrage van € 0,21 per hectoliter ter zake van de invoer dan wel de uitslag in de zin van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251). Artikel 3 1. In de gevallen waarin op basis van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251)"},{"i":2728,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2010 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2010, doch niet later dan 15 januari 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,439 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2010 en eindigende met 15 januari 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid"},{"i":2690,"b":"Beschikking financieel beheer bureau beheer landbouwgronden Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op de [artikelen 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=32) en [35 van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=35) (Stb. 1981, 248), Besluit: Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze beschikking is het bureau te beschouwen als een departementale organisatie-eenheid van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 2. Met inachtneming van het bepaalde in de [artikelen 2 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005618&artikel=2&z=2002-01-01&g=2002-01-01) van deze beschikking en onverminderd het bepaalde in de [Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386) (Stb. 1981, 248), hierna verder te noemen de wet, is voor het bureau met betrekking tot het beheer van de begroting en het beheer der geldmiddelen het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 5 van de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075) 1976, van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 1. Onder inkomsten en uitgaven, als bedoeld in artikel 33 van de wet, worden zowel voor de begroting als voor de rekening en verantwoording, verstaan de geldelijke ontvangsten en bepalingen, als bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=16) 1976. 2. De begroting van het bureau wordt onderverdeeld in artikelen, die betrekking hebben op de inkomsten en de uitgaven. 3. Voor de in een kalenderjaar aan te gane verplichtingen wordt, voor zover deze tot uitgaven in latere jaren zullen leiden, naast de raming van de uitgaven van het kalenderjaar een raming van die verplichtingen opgenomen, tenzij de omvang daarvan niet kan worden bepaald, danwel die verplichtingen per begrotingsartikel een bedrag van € 115.000,- niet te boven gaan. Artikel 3 De aan de in artikel 30 van"},{"i":3341,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 11 oktober 2022 nr. BOACAT2022/070, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Westland Gelezen het verzoek van gemeente Westland van 8 juni 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047319&artikel=2&z=2024-07-03&g=2024-07-03). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving openbare ruimte in dienst van gemeente Westland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domei"},{"i":4381,"b":"Besluit van 8 december 2005, houdende regels met betrekking tot de werkzaamheden en procedures van de Raad voor plantenrassen (Besluit werkzaamheden Raad voor plantenrassen) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 1 september 2005, TRCJZ/2005/2598, Directie Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 1999/105/EG](31999L0105) van de Raad van de Europese Unie van 22 december 1999 betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (PbEG L 11), op [richtlijn nr. 2002/53/EG](32002L0053) van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (PbEG L 193) en op [richtlijn nr. 2002/55/EG](32002L0055) van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (PbEG L 193); Gelet op de [artikelen 3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=3), [25, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=25), [35, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=35), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=59), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=84), [85](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=85) en [87, tweede, derde en zesde lid, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=87); De Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 2005, no. W11.05.0399/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 1 december 2005, nr. TRCJZ/2005/3477, Directie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040); - b. Raad: Raad voor plantenrassen, bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":1844,"b":"Wet van 22 juni 2000, tot wijziging van de Wet op de studiefinanciering, de Wet tegemoetkoming studiekosten, de Beroepswet en enige andere wetten, alsmede enige rechtspositionele voorzieningen in verband met de opheffing van het College van beroep studiefinanciering (Wet opheffing College van beroep studiefinanciering) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het College van beroep studiefinanciering op te heffen en de taken van dit College op te dragen aan de rechtbanken en de Centrale Raad van Beroep; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de studiefinanciering. Artikel II Wijzigt de Wet tegemoetkoming studiekosten. Artikel III Wijzigt de Beroepswet. Artikel IV Wijzigt de Wet veiligheidsonderzoeken. Artikel V Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. Artikel VI 1. De voorzitter, de vice-voorzitter, het lid of het plaatsvervangend lid van, dan wel de gerechtsauditeur bij het College van beroep studiefinanciering die op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet voorkomt op een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde plaatsinglijst, wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet van rechtswege met behoud van bezoldiging benoemd of geplaatst in het voor hem in die plaatsinglijst genoemde rechterlijk ambt of ambt van gerechtsauditeur bij het voor hem in die plaatsingslijst genoemde gerecht, tenzij hij op dat tijdstip reeds op zijn verzoek in een ander ambt is benoemd of geplaatst. 2. Indien de voorzitter, een vice-voorzitter of een lid van het College van beroep studiefinanciering ingevolge het eerste lid, dan wel op eigen verzoek, in een ander rechterlijk ambt wordt benoemd, is [artikel 7a van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=7a) v"},{"i":1846,"b":"Wet van 19 februari 1986, houdende intrekking van de Wet openbaar lichaam Rijnmond Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot opheffing van het openbaar lichaam Rijnmond; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. de datum van opheffing: de datum van inwerkingtreding van deze wet; - b. het openbaar lichaam: het openbaar lichaam Rijnmond, bedoeld in artikel 2 van de Wet openbaar lichaam Rijnmond (**Stb.** 1964, 427); - c. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; - d. de gemeenten: de tot het openbaar lichaam Rijnmond behorende gemeenten; - e. ambtenaar: hij die krachtens aanstelling of krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht op de dag, voorafgaande aan de datum van opheffing in dienst is van het openbaar lichaam; - f. rechten en verplichtingen: alle rechten en verplichtingen behoudens die welke voortvloeien uit het dienstverband van ambtenaren. Artikel 2 1. De Wet openbaar lichaam Rijnmond wordt ingetrokken. 2. Het openbaar lichaam wordt opgeheven. § 2. Rechtskracht van voorschriften en uitoefening van bevoegdheden van het openbaar lichaam Artikel 3 1. De door het openbaar lichaam gegeven voorschriften, geldende op de dag voorafgaande aan de datum van opheffing, behouden gedurende twee jaren na die datum hun rechtskracht, voor zover het ingevolge [artikel 6, eerste, onderscheidenlijk tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003919&paragraaf=2&artikel=6&z=1994-01-01&g=1994-01-01), bevoegde gezag deze voorschriften voor zijn grondgebied niet eerder vervallen verklaart. 2. Door het bestuur van het openbaar lichaam genomen besluiten worden met ingang van de dag, waarop de desbetreffende bevoegdheden krachtens [artikel 7, eerste onderscheidenlijk"},{"i":2852,"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1997 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1996 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1995; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1997 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1.7. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingsper-centage levensonderhoud 1997."},{"i":2949,"b":"Besluit van 14 juni 2024, houdende aanwijzing van de strafbare feiten als bedoeld in artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Besluit aanwijzing Halt-feiten 2024) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 17 januari 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5168009; Gelet op [artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77e); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 april 2024, nr. W16.24.00006/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 7 juni 2024, nr. 5475757; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Halt-afdoening: een voorstel tot deelneming aan een project als bedoeld in [artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77e). Artikel 2 1. Een Halt-afdoening kan worden aangeboden indien: - a. een strafbaar feit van geringe ernst is begaan; - b. het strafbare feit eenvoudig is vast te stellen; - c. de verdachte het strafbare feit bekent; en - d. het strafbare feit en de verdachte zich lenen voor een pedagogische benadering. 2. Een Halt-afdoening kan ten hoogste twee keer worden aangeboden. Artikel 3 De strafbare feiten waarvoor een Halt-afdoening kan worden aangeboden door de opsporingsambtenaar zijn: - a. de [artikelen 139d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=139d), en [139e van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=139e); - b. [artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=141), voor zover het betreft openlijk geweld tegen goederen waarbij per dader de schade niet meer dan € 1.150 mag bedragen en de totale schade de € 5.750 niet te boven mag gaan; - c. [artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artike"},{"i":3099,"b":"Besluit van 29 april 1970, houdende vaststelling van het Besluit beleggingsinstellingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 29 december 1969, nr. B 69/23370, Directie Wetgeving directe belastingen; Gelet op artikel 28, eerste lid, en tweede lid, letter **b,** en artikel 31, derde lid, letters **a, b** en **c,** van de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) (**Stb.** 469); De Raad van State gehoord (advies van 21 januari 1970, nr. 8); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 22 april 1970, nr. B 70/1850, Directie Wetgeving directe belastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Dit besluit verstaat onder wet: de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672). Artikel 1a Indien een beleggingsinstelling heeft gekozen voor het vormen van een herbeleggingsreserve als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002705&artikel=4&z=2020-01-01&g=2020-01-01), wordt in afwijking van artikel 8 van de wet, niet tot de winst gerekend het in het [tweede lid van artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002705&artikel=4&z=2020-01-01&g=2020-01-01) bedoelde bedrag. Artikel 2 1. Het in [artikel 28, tweede lid, onderdeel **b,** van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) bedoelde gedeelte van de winst is het positieve bedrag van de voor uitdeling beschikbare winst verminderd met de te verrekenen uitdelingstekorten. 2. Als voor uitdeling beschikbare winst wordt aangemerkt het bedrag van de in het jaar genoten belastbare winst: - a. verminderd met een evenredig gedeelte van: - 1°. de aan commissarissen toegekende beloningen voor zover deze op grond van [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=11) niet aftrekbaar zijn; - 2°. de voordelen uit hoofde van een gecontroleerd lichaam die op grond van [artikel 13ab van de wet](ht"},{"i":3070,"b":"Besluit van 3 december 2004, houdende nadere regels over de bedrijfsvergunning en het veiligheidsattest voor spoorwegondernemingen die gebruikmaken van hoofdspoorwegen (Besluit bedrijfsvergunning en veiligheidsattest hoofdspoorwegen) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 september 2003, nr. HDJZ/S&W/2003-1879, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 95/18/EG](31995L0018) van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 1995 betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen (PbEG L 143), artikel 32 van [richtlijn nr. 2001/14/EG](32001L0014) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (PbEG L 75) en de [artikelen 28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=28), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=31), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=35) en [55, tweede lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=55); De Raad van State gehoord (advies van 19 december 2003, nr. W09.03.0391/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 november 2004, nr. HDJZ/S&W/2004-2883, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: wet: [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007). Hoofdstuk 2. Bedrijfsvergunning § 1. Algemeen Artikel 2 De bedrijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=28), wordt op naam van de spoorwegonderneming gesteld, met vermelding van de namen van de deelnemende natuurlijke personen dan wel rechtspersonen. § 2. Goede naam Artikel 3 Een spoorwegonderneming"},{"i":2725,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2007 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2007, doch niet later dan 15 januari 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,626 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2007 en eindigende met 15 januari 2008 de notariële akte t"},{"i":4280,"b":"Besluit vergunning vriendenloterij 2017-2021 **Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 23 december 2016, kenmerk 10234, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van een gelegenheid als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de kansspelen.** Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan de VriendenLoterij, een Naamloze Vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Amsterdam met nummer 41126395 (hierna: de vergunninghouder), vergunning voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021. Aan deze vergunning zijn de navolgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de loterijen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Vergund kansspel B. Afdracht ten behoeve van het algemeen belang C. Bescherming van kwetsbare groepen D. Bescherming van consumenten E. Betrouwbaarheid en integriteit F. Controle, rapportage en toezicht G. Overig Bijlage A Niet opgenomen."},{"i":3748,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 7 december 2018, nr. WJZ/18055953, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging voor het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2019 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Handelende met instemming van de Minister van Economische Zaken en Klimaat; Gezien de schriftelijke instemming van de secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur-generaal Klimaat en Energie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur Regio van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de Chief Economist van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur Bedrijfsvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur Bureau Bestuursraad van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur Communicatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, het hoofd van de afdeling Financiële Diensten en Administratie van de directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de algemeen directeur Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan ond"},{"i":4621,"b":"Beleidsregel van de Nederlandsche Bank N.V. van 30 maart 2022 houdende regels met betrekking tot de tijdige indiening van toezichtrapportages De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) heeft het volgende beleid vastgesteld met betrekking tot de handhaving van overtredingen van rapportageverplichtingen waarop DNB op grond van de [artikelen 1:79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79) en [1:80 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [artikel 48 van de Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=48), artikelen 175 en 176 van de Pensioenwet en de [artikelen 170](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=170) en [171 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=171), een bevoegdheid tot handhaven heeft (Handhavingsbeleid DNB voor tijdige indiening van toezichtrapportages). § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit beleid wordt verstaan onder: - a. **basisbedrag:** een bij wet vastgesteld basisbedrag voor boetecategorie 1, 2 en 3; - b. **begunstigingstermijn:** de termijn waarbinnen een instelling aan een last onder dwangsom moet voldoen zonder dat dwangsommen worden verbeurd; - c. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - d. **instelling:** eenieder die bij of krachtens wettelijk voorschrift verplicht is een toezichtrapportage bij DNB in te dienen; - e. **maximumbedrag:** een bij wet vastgesteld maximumbedrag voor boetecategorie 1, 2 en 3; - f. **minimumbedrag:** een bij wet vastgesteld minimumbedrag voor boetecategorie 1, 2 en 3; - g. **recidive:** de omstandigheid dat tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaar zijn verlopen sinds het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding; - h. **toezichtrapportage:** elke wettelijk verplichte rapportage die een instelling periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen ve"},{"i":4704,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 april 2022, 2022-0000079265, tot instelling van het Adviespanel beoordeling Tijdelijke subsidieregeling onderzoek en experimenten duurzame inzetbaarheidsinterventies (Instellingsbesluit Adviespanel beoordeling aanvragen Tijdelijke subsidieregeling onderzoek en experimenten duurzame inzetbaarheidsinterventies) Gelet op de [artikelen 12 van de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek en experimenten duurzame inzetbaarheidsinterventies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046626&artikel=12) en [2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **adviespanel:** Adviespanel beoordeling aanvragen [Tijdelijke subsidieregeling onderzoek en experimenten duurzame inzetbaarheidsinterventies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046626), bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046651&artikel=2&z=2024-01-20&g=2024-01-20); - **Minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - **preadvies:** advies dat vrijblijvend kan worden aangevraagd om een conceptaanvraag te toetsen, als bedoeld in a[rtikel 11a van de regeling](onbekend); - **regeling:** [Tijdelijke subsidieregeling onderzoek en experimenten duurzame inzetbaarheidsinterventies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046626). Artikel 2. Instelling adviespanel 1. Er is een Adviespanel beoordeling aanvragen [Tijdelijke subsidieregeling onderzoek en experimenten duurzame inzetbaarheidsinterventies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046626). 2. Het adviespanel wordt ingesteld met ingang van 23 mei 2022 en wordt opgeheven met ingang van 23 mei 2028. 3. Leden van het adviespanel zijn ook na 23 mei 2028 te consulteren door de Minister in verband met de rechten en plichten die voortvloeien uit de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046651&artik"},{"i":4622,"b":"Besluit van de Inspecteur-generaal van de Inspectie Justitie en Veiligheid namens de Minister voor Medische Zorg en de Minister van Justitie en Veiligheid, van 14 oktober 2021 tot vaststelling van het Handhavingsbeleid Experiment Gesloten Coffeeshopketen Inspectie Justitie en Veiligheid Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8, eerste lid, van de Wet Experiment Gesloten Coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=8), [artikel 6 van het Besluit houdende aanwijzing van toezichthouders naleving Wet experiment gesloten coffeeshopketen en het verlenen van mandaat en machtiging voor de uitvoering en handhaving van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043743&artikel=6) Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Algemeen 1.1. Definities 1.2. Doel en grondslag De IJenV, de NVWA en de burgemeesters van de deelnemende gemeenten zijn belast met het toezicht op de naleving van de regelgeving EGC. De IJenV houdt toezicht op de naleving van de normen die zien op de geslotenheid van de coffeeshopketen vanaf de teelt bij de aangewezen teler tot en met de verkoop door coffeeshophouders aan de consument. Het toezicht van de IJenV omvat ook toezicht op de naleving van de eisen rondom afvalverwerking, beveiliging van de productielocaties en het vervoer van de hennep of hasjiesj naar de coffeeshops. Welke normen dit betreft, is nader uitgewerkt in de bijlage bij dit besluit. De IJenV voert haar toezicht uit door middel van fysieke inspecties bij de telers en coffeeshops. Daarnaast voert de IJenV digitaal toezicht uit middels het door de overheid beschikbaar gestelde elektronische systeem (hierna: Track&Trace). Bevindingen in een digitale inspectie kunnen aanleiding vormen voor een (nadere) fysieke inspectie. De IJenV is bevoegd tot toezicht en handhaving van voormelde normen, voor zover deze zien op de telers. De IJenV houdt ook toezi"},{"i":2780,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2007 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2007, doch niet later dan 15 juni 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,433 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2007 en eindigende met 15 juni 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&a"},{"i":3900,"b":"Besluit van 4 juli 2000, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de optometrist (Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied optometrist) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 maart 2000, CSZ/BO-2052921; Gelet op [artikel 34 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34); Gezien het advies van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (advies van 15 mei 1996); De Raad van State gehoord (advies van 14 april 2000, no. W13.00.0120/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 juni 2000, CSZ/BO-2073487; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Registratie instellingen en opleidingen: het register, bedoeld in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13). § 2. Titel Artikel 2 Het recht tot het voeren van de titel van optometrist is voorbehouden aan degene aan wie een getuigschrift is uitgereikt waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van een opleiding voor optometrie die is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen en die voldoet aan de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011461&paragraaf=3&artikel=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011461&paragraaf=3&artikel=4&z=2023-01-01&g=2023-01-01). § 3. Opleiding Artikel 3 1. Een opleiding voor optometrie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011461&paragraaf=2&artikel=2&z=2023-01-01&g=2023-01-01) omvat zowel theoretisch als praktisch onderwijs, dat gericht is op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de beroepsuitoefening van de optometrist die betrekking hebben op het gebied van desk"},{"i":4652,"b":"Besluit van 17 mei 2024, houdende regels betreffende toegankelijkheidsvoorschriften voor e- boekdiensten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/882 van de Europese Commissie en de Raad van 17 april 2019 inzake toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU, 2019, L 151) (Implementatiebesluit toegankelijkheidsvoorschriften e-boekdiensten) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 6 juli 2023, nr. WJZ/1181277 (ID13221) directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [Richtlijn (EU) 2019/882](32019L0882) van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten en [artikel 5c van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915&artikel=5c); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 maart 2024, nr. W05.23.00166/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 mei 2024, nr. WJZ/45594848, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definities In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Commissariaat voor de Media:** Commissariaat voor de Media als bedoeld in [artikel 7.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.1); - **consument:** natuurlijke persoon die een e-boekdienst afneemt voor andere doeleinden dan zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit; - **dienstverlener:** natuurlijke of rechtspersoon die een e-boekdienst verleent op de markt van de Unie of aanbiedt consumenten in de Unie een e-boekdienst te verlenen; - **e-boekdienst:** dienst voor het ter beschikking stellen van digitale bestanden met een elektronische versie van een boek, die kunnen worden geopend, doorgebladerd, gelezen en gebruikt, alsmede van de software, daaronder begrepen diensten op basis van"},{"i":2642,"b":"Beleidsregels uitvoering Regeling beëindiging veehouderijtakken Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 1. Dit besluit bevat beleidsregels die door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit worden toegepast bij overtreding van de voorwaarden welke van toepassing zijn op het verlenen van subsidie op grond van de [Regeling beëindiging veehouderijtakken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234). 2. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. regeling: [Regeling beëindiging veehouderijtakken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234); - b. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. aanvrager: degene die overeenkomstig [paragraaf 5 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234&paragraaf=5) een aanvraag tot subsidieverlening heeft ingediend. Artikel 2 Indien niet is voldaan aan [artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234&artikel=7), in samenhang met [artikel 27, eerste lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234&artikel=27), wordt het totale subsidiebedrag met 10 procent verminderd. Artikel 3 Indien niet is voldaan aan [artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234&artikel=7), wordt de subsidieverlening ingetrokken. Artikel 4 1. Indien niet is voldaan de in artikel 12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gestelde voorwaarde dat de gebouwen zijn afgebroken, zullen de desbetreffende gebouwen alsnog binnen een door de minister te stellen termijn moeten worden afgebroken. Het deel van het subsidiebedrag op grond van [artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 4° en 5°, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011234&artikel=14) dat betrekking heeft op de nog niet afgebroken gebouwen, wordt op nihil vastgesteld. 2. Indien de gebouwen niet binnen d"},{"i":4282,"b":"Besluit van 13 oktober 2012, houdende de vaststelling van de verhoging van enige bedragen, genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget (Besluit verhoging bedragen kindgebonden budget 2013) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 september 2012, nr. IVV/LZW/2012/13876; Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 september 2012, No.W12.12.0367/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 oktober 2012, nr. IVV/LZW/2012/14122; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Extra verhoging bedragen kindgebonden budget De bedragen, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2) worden als volgt verhoogd: - a. het in onderdeel b genoemde bedrag van € 1478,– tot € 1553,–; - b. het in onderdeel c genoemde bedrag van € 1661,– tot € 1736,–; - c. het in onderdeel d genoemde bedrag van € 1661,–, tot € 1736,–. Artikel 2. Intrekking [Besluit verhoging bedragen kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029240) Het [Besluit verhoging bedragen kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029240) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verhoging bedragen kindgebonden budget 2013. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4508,"b":"Circulaire overgangsregeling artikel 5.3.5, vijfde lid, Vuurwerkbesluit Inleiding Deze circulaire is bedoeld als toelichting op [artikel 5.3.5, vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=5.3.5). De betrokken overgangsbepaling is in het Vuurwerkbesluit opgenomen bij besluit van 9 december 2009, houdende aanpassing van het Vuurwerkbesluit en enkele andere besluiten ter implementatie van richtlijn nr. 2007/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen (PbEU L 154) (Stb. 605). De circulaire maakt duidelijk welke vuurwerkartikelen onder de overgangsbepaling vallen en dus nog tot en met 3 juli 2013 zonder CE-markering verhandeld en gebruikt mogen worden. Hiertoe zijn lijsten met artikelnummers opgesteld. Deze lijsten maken onderdeel uit van deze circulaire. De lijsten zijn gepubliceerd op de website van het landelijke meld- en informatiepunt, onderdeel van de VROM-Inspectie. De lijsten zijn tevens ter inzage gelegd bij het Centrum Documentaire Informatie van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijnstraat 8 te ’s-Gravenhage. Overgangsbepaling [Artikel 5.3.5, vijfde lid van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=5.3.5) bepaalt dat vuurwerk dat voor 4 juli 2010 in Nederland in de handel is gebracht, tot en met 3 juli 2013 in Nederland mag worden verhandeld of gebruikt overeenkomstig het [Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360) zoals dat gold op 3 juli 2010. Deze bepaling is opgesteld na consultatie van de Europese Commissie over het toepassen van artikel 21, vijfde lid, van richtlijn nr. 2007/23/EG (hierna: Pyrorichtlijn) in Nederland. De Europese Commissie oordeelde desgevraagd dat in de Nederlandse situatie, waarbij geen sprake is van een feitelijk toelatingssysteem (zoals in veel andere Lidstaten wel het geval is), de werking van deze overgangsbepaling van de Pyrorichtlijn"},{"i":4594,"b":"Besluit van 4 december 2025 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen (Fiscaal verzamelbesluit 2025) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 4 oktober 2025, nr. 2025002236; Gelet op [Richtlijn (EU) 2023/2226](32023L2226) van de Raad van 17 oktober 2023 tot wijziging van [Richtlijn 2011/16/EU](32011L0016) betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, de [artikelen 1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.11), [2.14bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14bis) en [3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54), [artikel 1a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=1a), [artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=1), [artikel 1.2 van de Wet bronbelasting 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&artikel=1.2), [artikel 38 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=38) en [artikel 28 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=28); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 5 november 2025, no. W06.25.00279/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 27 november 2025, nr. 2025-0000530845; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Artikel III Wijzigt het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. Artikel IV Wijzigt het Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard. Artikel V Wijzigt het Uitvoeringsbesluit verzamel- en verificatievereisten voor rapporterende platformexploitanten. Artikel VI Wijzigt het Invoeringsbesluit Invorderingswet 1990"},{"i":3895,"b":"Besluit van 19 juli 1997, houdende regels inzake de opleiding tot arts (Besluit opleidingseisen arts) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 november 1996, CSZ/Beno-9614443; Gelet op [artikel 18 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=18); Gezien het advies van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (advies van februari 1996, B1/'96); De Raad van State gehoord (advies van 11 februari 1997, no. W13.96.0562); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 1997, CSZ/BO-9710602; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251). Artikel 2 Om in het krachtens artikel 3 van de wet ingestelde register van artsen te kunnen worden ingeschreven, is vereist het bezit van een door een universiteit als bedoeld in [hoofdstuk 7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&hoofdstuk=7) uitgereikt getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene met goed gevolg het examen heeft afgelegd ter afsluiting van een opleiding tot arts die voldoet aan [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008846&artikel=3&z=2024-07-01&g=2024-07-01) van dit besluit. Artikel 3 1. De opleiding tot arts is erop gericht dat de betrokkene de competenties verwerft, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008846&bijlage=1&z=2024-07-01&g=2024-07-01) bij dit besluit en begrip heeft van de kennisaspecten, bedoeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008846&bijlage=2&z=2024-07-01&g=2024-07-01) bij dit besluit, in samenhang met de lijst van vraagstukken rondom gezondheid en ziekte, bedoeld in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008846&bijlage=3&z=2024-07-01&g=2"},{"i":7487,"b":"Besluit van 24 november 2005, houdende de aanwijzing van de Raad voor de rechtspraak als het orgaan waaraan de gegevens ten behoeve van het register als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, en het register als bedoeld in artikel 222b, eerste lid, van de Faillissementswet dienen te worden doorgegeven Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 juli 2005, Directie Wetgeving, nr. 5361247/05/6; Gelet op de [artikelen 19, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=19), en [222a, vierde lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=222a); De Raad van State gehoord (advies van 22 juli 2005, nr. W03.05.0303/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 22 november 2005, nr. 5387304/05/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 19, vierde lid, 19a, 222a, vierde lid en 222b van de Faillissementswet in werking treden. Artikel 1 Als het orgaan waaraan de griffier de gegevens, genoemd in [artikel 19, eerste lid, onder 1° tot en met 6° van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=19) doorgeeft ten behoeve van het in [artikel 19a van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=19a) genoemde register, wordt aangewezen de Raad voor de rechtspraak. Artikel 2 Als het orgaan waaraan de griffier de gegevens, genoemd in [artikel 222a, eerste lid, onder 1° tot en met 4° van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=222a) doorgeeft ten behoeve van het in [artikel 222b van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=222b) genoemde register, wordt aangewezen de Raad voor de rechtspraak. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [artikelen 19, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=19), [19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=19a), [222a, vier"},{"i":6701,"b":"Wet van 13 maart 1997 tot wijziging van de Gemeentewet, houdende opneming daarin van de bevoegdheid van de burgemeester om woningen, niet voor het publiek toegankelijke lokalen of bij die woningen of lokalen behorende erven te sluiten bij verstoring van de openbare orde Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) voor de burgemeester de bevoegdheid op te nemen om woningen, niet voor het publiek toegankelijke lokalen of bij die woningen of lokalen behorende erven te sluiten bij verstoring van de openbare orde; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Gemeentewet. ARTIKEL II Onze Minister van Binnenlandse Zaken zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van [artikel 174**a** van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=174a) in de praktijk. ARTIKEL III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7492,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 22 maart 2011, nr. WJZ/11022184, inzake het aanwijzen van aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten ten behoeve van het verzorgen van elektronisch transport van gegevens in buitengewone omstandigheden (Beleidsregel aanwijzen aanbieders telecommunicatie in verband met buitengewone omstandigheden) Handelende na overleg met de Ministers van Veiligheid en Justitie en van Defensie; Gelet op [artikel 14. 6, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14.6) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 1. Op grond van [artikel 14.6, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14.6) worden aangewezen aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten die de volgende diensten aanbieden: - a. openbare vaste spraaktelefonie, - b. openbare mobiele spraaktelefonie of - c. toegang tot breedbandinternet. 2. Ten aanzien van elke dienst, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, wordt een zodanig aantal aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten aangewezen dat ten minste 80% marktaandeel in de desbetreffende dienstverlening is vertegenwoordigd. 3. De aanwijzing geschiedt in volgorde van aflopende omvang van marktaandeel van de aanbieders in het aanbieden van een in het eerste lid, onder a tot en met c, bedoelde dienst. Artikel 2 1. Bij de aanwijzing op grond van [artikel 14.6, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14.6) gelden ten aanzien van een aan te wijzen aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of openbare telecommunicatiedienst de volgende criteria: - a. hij heeft een openbaar telecommunicatienetwerk i"},{"i":5955,"b":"Besluit van 30 september 2019 tot uitvoering van de Ambtenarenwet 2017 (Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 juli 2019, nr. 2019-0000347223; Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=1), [3a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=3a), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=5), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=7) en [13a van de Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=13a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 september 2019, nr. WO4.19.0229/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 september 2019, nr. 2019-0000487192; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947); - b. **ambtenaar:** ambtenaar als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=1); - c. **overheidswerkgever:** overheidswerkgever als bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=2). Artikel 2. Aanwijzing functies als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=1) Als functies als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=1) worden aangewezen de functies van: - a. hoofd van een consulaire post; - b. degene die belast is met de heffing of invordering van provinciale belastingen, gemeentelijke belastingen of waterschapsbelastingen; - c. belastingdeurwaarder bij een provincie, gemeente of waterschap; - d. toezichthouder en buitengewoon opsporingsambtenaar bij een provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als b"},{"i":6704,"b":"Wet van 4 juni 1992, houdende aanpassing van een aantal wetten aan de eerste tranche van de Algemene wet bestuursrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de invoering van de eerste tranche van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) wenselijk is dat de andere wetten daarmee in overeenstemming worden gebracht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Ministerie van Algemene Zaken Artikel I1 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel I2 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk II. Ministerie van Buitenlandse Zaken Artikel II1 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk III. Ministerie van Justitie Artikel III1 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III2 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III3 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III4 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III5 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III6 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III7 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III8 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III9 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III10 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III11 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III12 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk IV. Ministerie van Binnenlandse Zaken Artikel IV1 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV2 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV3 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV4 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV5 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV6 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV7 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV8 Bevat wijzigingen"},{"i":7477,"b":"Zetelovereenkomst voor de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen) Het Koninkrijk der Nederlanden, en De Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen), Gelet op het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) van 25 februari 2005; In acht nemende het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen), en het bepaalde in artikel 1.6 van genoemd Verdrag; Overwegende dat ingevolge artikel 1.5 van genoemd Verdrag de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen) haar zetel heeft te ’s-Gravenhage en dat het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen) is gevestigd te ’s-Gravenhage; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a. „Verdrag”, het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) van 25 februari 2005; - b. „Hoge Verdragsluitende Partijen”, het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden; - c. „Protocol”, het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen); - d. „Organisatie”, de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen); - e. „Bureau”, het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen); - f. „Directeur-Generaal”, de Directeur-Generaal van het Bureau; - g. „Regering”, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden; - h. „Verdrag van Wenen”, het Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer van 18 april 1961; - i. „Kantoorruimten van de Organisatie”, het terrein en de gebouwen in gebruik van de Organisatie voor de uitoefening van haar officiële taken; - j. „Archieve"},{"i":7437,"b":"Wet van 9 september 2004 tot wijziging van de Waterleidingwet (eigendom waterleidingbedrijven) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het gewenst is de [Waterleidingwet](onbekend) te wijzigen teneinde te verzekeren dat de eigendom van waterleidingbedrijven in handen van de overheid blijft; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Waterleidingwet. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III In afwijking van [artikel 3j van de Waterleidingwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002246&artikel=3j) kan, voor de periode gedurende welke dat nodig is voor de uitvoering van een plan tot reorganisatie als bedoeld in [hoofdstuk III van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002246&hoofdstuk=III), een distributiegebied worden toegewezen aan een waterleidingbedrijf dat niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel f, onder 2°, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002246&artikel=1). Artikel IV Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6780,"b":"Wet van 18 maart 2010 tot wijziging van de Wet voorkeursrecht gemeenten (vereenvoudiging bekendmaking en aanbiedingsprocedure) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling van de bekendmaking en de aanbiedingsprocedure in de [Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391) verder te vereenvoudigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet voorkeursrecht gemeenten. Artikel II Wijzigt de Wet agrarisch grondverkeer. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IV 1. Indien een verkoper de gemeente in de gelegenheid heeft gesteld een onroerende zaak te kopen als bedoeld in [artikel 10 van de Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391&artikel=10) zoals deze gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft ten aanzien van de afhandeling van die koopprocedure van toepassing de [Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391) zoals deze gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 2. Indien een verkoper op grond van [artikel 14 van de Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391&artikel=14) zoals deze gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een verzoek tot ontheffing heeft ingediend, blijft ten aanzien van de afhandeling van dat verzoek de [Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391) van toepassing zoals deze gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 3. Indien een besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing van gronden genomen is voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft ten aanzien van de bekendmaking, inwerkingtreding en mededeling van dat besluit van toepassing de [Wet voo"},{"i":6850,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 7 maart 2024, kenmerk 5083002, houdende beperking van de openbaarheid van het Archief Huwelijksdispensatie, 1e Aanvulling (1993–2020) van het Ministerie van Justitie Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d.24 februari 2024, met Proza-kenmerk 100626-2. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief Huwelijksdispensatie, 1e Aanvulling (1993–2020) van het Ministerie van Justitie Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummer | Openbaar per 1 januari | | --- | --- | | 936 | 2086 | | 937 | 2082 | | 938 | 2075 | | 939 | 2066 | | 940 | 2084 | | 941 | 2085 | | 942 | 2086 | | 943 | 2076 | | 944 | 2083 | | 945 | 2085 | | 946 | 2084 | | 947 | 2085 | | 948 | 2076 | | 949 | 2084 | | 950 | 2083 | | 951 | 2084 | | 952 | 2086 | | 953 | 2082 | | 954 | 2077 | | 955 | 2086 | | 956 | 2085 | | 957 | 2077 | | 958 | 2087 | | 959 | 2087 | | 960 | 2087 | | 961 | 2085 | | 962 | 2086 | | 963 | 2087 | | 964 | 2082 | | 965 | 2086 | | 966 | 2088 | | 967 | 2086 | | 968 | 2087 | | 969 | 2087 | | 970 | 2086 | | 971 | 2087 | | 972 | 2087 | | 973 | 2078 | | 974 | 2089 | | 975 | 2079 | | 976 | 2087 | | 977 | 2088 | | 978 | 2087 | | 979 | 2079 | | 980 | 2079 | | 981 | 2086 | | 982 | 2088 | | 983 | 2079 | | 984 | 2080 | | 985 | 2088 | | 986 | 2088 | | 987 | 2087 | | 988 | 2088 | | 989 | 2088 | | 990 | 2088 | | 991 | 2081 | | 992 | 2090 | | 993 | 2086 | | 994 | 2081 | | 995 | 2080 | | 996 | 2090 | | 997 | 2089 | | 998 | 2054 | | 999 | 2"},{"i":7268,"b":"Wet van 30 september 2010 tot invoering van een nieuw griffierechtenstelsel in burgerlijke zaken (Wet griffierechten burgerlijke zaken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet tarieven in burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001852) te vervangen door een nieuwe regeling en dat in verband hiermee ook enkele andere wetten dienen te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goed gevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister voor Rechtsbescherming; - b. **Hoge Raad:** de Hoge Raad der Nederlanden; - c. **zaken die bij dagvaarding worden ingeleid:** zaken als bedoeld in [artikel 78 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=78); - d. **zaken waarbij een verzoek wordt ingediend:** zaken als bedoeld in [artikel 261 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=261). Artikel 2 De bedragen die genoemd zijn in deze wet en in de tabel die als bijlage bij deze wet is gevoegd, kunnen jaarlijks met ingang van 1 januari bij regeling van Onze Minister worden gewijzigd, voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. Hoofdstuk 2. De heffing van griffierechten bij de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad § 1. De griffierechten in zaken die bij dagvaarding of met een verzoekschrift worden ingeleid en in vorderingszaken en verzoekzaken bij de Hoge Raad Artikel 3 1. In zaken die bij dagvaarding worden ingeleid, wordt op de eerste roldatum, dan wel in zaken als bedoeld in [artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=254)"},{"i":6830,"b":"BESCHIKKING REGISTRATIE VERPLAATSTE PERSONEN Gelet op het [Besluit registratie verplaatste personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002253) (Stb. 1957, 358). Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze beschikking wordt verstaan onder: Artikel 2 Zowel het verplaatsingsformulier als het verwijzingskaartje worden van rijkswege kosteloos beschikbaar gesteld. Artikel 3 De invulling van het verplaatsingsformulier en het verwijzingskaartje geschiedt bij voorkeur met behulp van een schrijfmachine. Indien van een schrijfmachine geen gebruik kan worden gemaakt, geschiedt de invulling met anilinepotlood. Artikel 4 De extern-verplaatste persoon wordt geregistreerd door de burgemeester van de gemeente van werkelijk verblijf, met gebruikmaking van het verplaatsingsformulier. Artikel 5 Van het verplaatsingsformulier is deel A bestemd voor de burgemeester van de gemeente, waar de extern-verplaatste persoon is gehuisvest, deel B voor de burgemeester van de gemeente, in welker bevolkingsregister de extern-verplaatste persoon is opgenomen, en deel C voor een nader aan te wijzen centrale instantie. Artikel 6 1. De delen A van de verplaatsingsformulieren, te zamen vormende het verplaatsingsregister A, worden terstond na registratie gezinsgewijze gerangschikt in één alfabetisch-lexicografische verzameling volgens de geslachtsnamen van de gezinshoofden en de afzonderlijk levende personen. Voor gehuwde vrouwen en weduwen geschiedt de rangschikking in volgorde van de geslachtsnaam van de echtgenoot, onderscheidenlijk van de laatstoverleden echtgenoot. 2. Indien ten name van een zelfde persoon reeds het deel A van een vroeger verplaatsingsformulier in het verplaatsingsregister A voorkomt, wordt dit deel achter het nieuw aangelegde exemplaar geplaatst en daaraan gehecht. 3. Voor een stiefkind, welks geslachtsnaam afwijkt van die van zijn stiefvader, wordt in het verplaatsingsregister A een verwijzingskaartje geplaatst. 4. Het verplaatsingsregister A wordt ter gemeentesecretarie"},{"i":6726,"b":"Wet van 25 augustus 2023 tot wijziging van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting in verband met de tweede evaluatie van de wet, het actieplan ter ondersteuning van donorkinderen en de omvorming van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting tot publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om in verband met de tweede evaluatie van de wet, het actieplan ter ondersteuning van donorkinderen en de omvorming van de Stichting donorgegevens kunstmatige donorbevruchting tot publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan de [Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2024/325 gesteld op 1 januari 2025. Artikel I Wijzigt de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Artikel II De voorzitter en leden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn benoemd als voorzitter onderscheidenlijk lid van het bestuur van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting, worden met ingang van dat tijdstip benoemd tot voorzitter onderscheidenlijk lid van het College, ieder voor de resterende duur van diens benoemingsperiode. Artikel III 1. De gegevens die de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting ter uitvoering van haar taken in bewaring en in beheer heeft op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden overgedragen aan het College. 2. Archiefbescheiden van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting betreffende zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn afgedaan, worden overgedragen aan het College, voor zover zij niet overeenkomstig de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":7473,"b":"Wet van 1 juli 1992, tot herziening van het scheidingsprocesrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het procesrecht in verband met scheiding te herzien en de daarmede samenhangende bepalingen in het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en het Burgerlijk Wetboek te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI 1. Procedures inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, waarin de inleidende dagvaarding is betekend dan wel het inleidend verzoekschrift is ingediend voor het tijdstip van in werking treden van deze wet, worden, met inbegrip van een eis die in het geding bij wege van reconventie is of wordt gedaan, beheerst door het recht dat vóór dat tijdstip gold. 2. Bevat wijzigingen in deze regelgeving. 3. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze wet in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6816,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 9 november 2012, nr. IENM/BSK-2012/205680, houdende aanwijzing van erkende rechtspersonen voor onderzoek in het kader van certificering Wet zeevarenden Gelet op [artikel 48d, eerste en tweede lid, van de Zeevaartbemanningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124&artikel=48d), na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel JJ, van de wet van 6 juli 2011 (Stb. 394) inzake implementatie van het Maritiem arbeidsverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030386&artikel=I), 2006, aan te halen als Wet zeevarenden; Besluit: Artikel 1 Als erkende rechtspersonen, bevoegd tot het verrichten van onderzoeken als bedoeld in [artikel 39, derde lid, van de Wet bemanning zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=39) mede in samenhang met [artikel 37, vijfde lid, van de Wet bemanning zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=37) worden aangewezen: - a. American Bureau of Shipping (ABS) te Houston, USA; - b. Bureau Veritas (BV) te Neuilly-sur-Seine, Frankrijk; - c. DNV GL AS te Høvik, Noorwegen; - d. Lloyd's Register Group LTD (LR) te Londen, Verenigd Koninkrijk; - e. Nippon Kaiji Kyokai General Incorporated Foundation (ClassNK) te Tokio, Japan; - f. RINA Services S.p.A. te Genua, Italië; - g. Indian Register of Shipping te Mumbai, India. Artikel 2 De ingevolge [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032218&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) aangewezen rechtspersonen blijven voldoen aan de erkenningscriteria, opgenomen in [artikel 4.6.9, eerste en tweede lid, van de Regeling bemanning zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051068&artikel=4.6.9). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 2a Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit erkende rechtspersonen voor onder"},{"i":6781,"b":"Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet voorkeursrecht gemeenten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de reikwijdte van de [Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391) uit te breiden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet voorkeursrecht gemeenten. Artikel II Wijzigt de Pachtwet. Artikel III [Artikel 10, tweede lid, onderdeel **d**, van de Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391&artikel=10), zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing ten aanzien van overeenkomsten als bedoeld in dat onderdeel, die voor dat tijdstip zijn gesloten. Artikel IV Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V De tekst van de [Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391) wordt in het Staatsblad geplaatst. Artikel VI Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5901,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 17 oktober 2017, nr. IENM/BSK-2017/241941, houdende de subsidieverstrekking aan de Stichting CROW over de jaren 2018 tot en met 2022 inzake de OV-Klantenbarometer (Tijdelijke subsidieregeling Stichting CROW inzake de OV-Klantenbarometer 2018–2022) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=16), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22) en [24, derde en vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **OV-Klantenbarometer:** landelijk klanttevredenheidsonderzoek in het openbaar vervoer; - **Stichting CROW:** Stichting CROW, kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, gevestigd te Ede. Artikel 2. Doel van de subsidie De minister kan Stichting CROW jaarlijks gedurende het tijdvak van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022 op aanvraag subsidie verstrekken met als doel klanttevredenheid te onderzoeken in het openbaar vervoer en de resultaten daarvan te publiceren als de OV-Klantenbarometer. Artikel 3. Subsidiabele activiteiten Voor subsidieverstrekking komen in aanmerking: - a. activiteiten in het kader van de voorbereiding van het onderzoek, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040"},{"i":7455,"b":"Wet van 11 december 2019 tot wijziging van de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES en de Handelsregisterwet 2009 BES Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele verbeteringen en vereenvoudigingen aan te brengen in de regels over de Kamers van Koophandel en Nijverheid en het handelsregister op Bonaire, Saba en Sint Eustatius; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES. Artikel II Wijzigt de Handelsregisterwet 2009 BES. Artikel III Tot 1 januari van het eerste kalenderjaar na het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043100&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01), worden de besturen van de Kamers gevormd door de leden van de desbetreffende Kamers die zijn gekozen op grond van de [Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238) zoals die luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel G. [Artikel 5a van de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238&artikel=5a) is voor het eerst van toepassing op de besturen van de Kamers die vanaf 1 januari van het eerste kalenderjaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel G, aantreden. Artikel IV Na inwerkingtreding van deze wet berust de op de [artikelen 3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028503&artikel=3), [5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028503&artikel=5), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028503&artikel=7), [8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028503&artikel=8), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028503&art"},{"i":7252,"b":"Wet van 17 maart 1979, houdende regelen inzake aansprakelijkheid voor schade door kernongevallen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot de aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt door kernongevallen, in verband met het op 29 juli 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie en het op 31 januari 1963 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot aanvulling van eerstgenoemd Verdrag; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: **Verdrag van Parijs:** het op 29 juli 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie (**Trb.** 1961, 27; 1962, 64), zoals dit Verdrag is gewijzigd bij het op 28 januari 1964 te Parijs gesloten Aanvullend Protocol bij dit Verdrag (**Trb.** 1964, 178), bij het op 16 november 1982 te Parijs gesloten Protocol bij dit Verdrag (**Trb.** 1983, 80) en bij het op 12 februari 2004 te Parijs gesloten Protocol bij dit Verdrag (Trb. 2005, 89); **Verdrag van Brussel:** het op 31 januari 1963 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot aanvulling van het Verdrag van Parijs (**Trb.** 1963, 171), zoals dit Verdrag is gewijzigd bij het op 28 januari 1964 te Parijs gesloten Aanvullend Protocol bij dit Verdrag (**Trb.** 1964, 179), bij het op 16 november 1982 te Parijs gesloten Protocol bij dit Verdrag (**Trb.** 1983, 81) en bij het op 12 februari 2004 te Parijs gesloten Protocol bij dit Verdrag (Trb. 2005, 90); **Gezamenlijk Protocol:** het op 21 september 1988 te Wenen tot stand gekomen Gezamenlijk Protocol betreffende de toepassing van het Verdrag van Wenen en het Verd"},{"i":7496,"b":"Beleidsregel kosteloos beëindigingsrecht artikel 7.2 Telecommunicatiewet De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op de [artikelen 7.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.2), [15.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1), en [15.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.4), in samenhang gelezen met [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Titel 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. **Tw:** [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - c. **Abonnee:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die partij is bij een overeenkomst met een aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst, voor de levering van dergelijke diensten, als bedoeld in [artikel 1.1 onder p van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - d. **Aanbieder:** een aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst of een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in [artikel 1.1 onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1) respectievelijk artikel 1.1 onder h van de Tw, alsmede een aanbieder van een programmadienst als bedoeld in artikel 1.1 onder bbb van de Tw; - e. **Overeenkomst:** de overeenkomst van een aanbieder met een abonnee voor de levering van een of meerdere diensten als bedoeld in [artikel 1.1 onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1) en/of artikel 1.1 onder bbb van de Tw; - f. **Beding:** een schriftelijke of mondelinge voorwaarde die in een overeenkomst met een abonnee is opgenomen. Een onderdeel of een eigens"},{"i":7434,"b":"Wet van 9 februari 2022 tot wijziging van de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming en enige andere wetten in verband met de herschikking van de Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking) (PbEU 2019, L 178) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het nodig is wetgeving aan te passen ter uitvoering van de Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking) (PbEU 2019, L 178); Zo is het, dat Wij, de Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud. Artikel IV Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel V Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 10. Artikel VA De [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046311&artikel=I&z=2022-08-01&g=2022-08-01), [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046311&artikel=II&z=2022-08-01&g=2022-08-01) en [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046311&artikel=IV&z=2022-08-01&g=2022-08-01) van deze wet zijn van toepassing op procedures, authentieke akten en geregistreerde overeenkomsten als bedoeld in artikel 100, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen"},{"i":6868,"b":"Besluit van 11 maart 1991, ter uitvoering van artikel 1105 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 18 juli 1990, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek nr. 24355/690; Gelet op [artikel 1105 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1105); De Raad van State gehoord (advies van 27 augustus 1990, nr. W03.90.0337); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 februari 1991, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 46946/91/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De schadevergoeding die de vervoerder wegens het niet nakomen van de op hem uit hoofde van [artikel 1095 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1095) rustende verplichtingen mogelijkerwijs is verschuldigd, is beperkt tot een bedrag van € 3,40 per kilogram. Artikel 2 Het aantal kilogrammen waarvan ter berekening van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005015&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01) genoemde bedrag wordt uitgegaan, is het op de vrachtbrief vermelde gewicht van de beschadigde of niet afgeleverde zaak, dan wel verpakking. Indien geen vrachtbrief is uitgegeven, wordt uitgegaan van het aantal kilogrammen dat de beschadigde of niet afgeleverde zaak, dan wel verpakking bij haar terbeschikkingstelling ten vervoer had. Bij de berekening van dit aantal kilogrammen wordt rekening gehouden met [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005015&artikel=3&z=2002-01-01&g=2002-01-01). Artikel 3 1. Indien de verpakking van de zaak door of vanwege de vervoerder ter beschikking is gesteld of de zaken onverpakt ten vervoer ter beschikking zijn gesteld en onverschillig of de verpakking al dan niet verloren is gegaan of beschadigd is, wordt uitgegaan van het aantal kilogrammen dat de zaak zonder haar verpakking woog. 2. Indien de verpakking van de zaak niet door of vanwege de vervoerder te"},{"i":6705,"b":"Wet van 25 juni 2014 tot wijziging van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en enige andere wetten in verband met de stroomlijning van het door de Autoriteit Consument en Markt te houden markttoezicht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in verband met de instelling van de Autoriteit Consument en Markt het door haar te houden markttoezicht zoveel mogelijk te stroomlijnen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt. Artikel II Wijzigt de Aanbestedingswet 2012. Artikel III Wijzigt de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V Wijzigt het Burgerlijk Wetboek boek 3. Artikel VI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek boek 6. Artikel VII Wijzigt de Drinkwaterwet. Artikel VIII Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel IX Wijzigt de Gaswet. Artikel X Wijzigt de Loodsenwet. Artikel XI Wijzigt de Mededingingswet. Artikel XII Wijzigt de Postwet 2009. Artikel XIII Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel XIV Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel XV Wijzigt de Warmtewet. Artikel XVI Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel XVII Wijzigt de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiency. Artikel XVIII Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel XIX Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel XX Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel XXI Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel XXII Wijzigt de Wet post BES. Artikel XXIII Wijzigt de Wet telecommunicatievoorzieningen BES. Artikel XXIV Wijzigt de Wijzigingswet Elektriciteitswet 1998 en Gaswet (nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer). Artikel XXV Wijzigt de Wijzigingswet Elektriciteitswet 1998, enz. (implementatie richtli"},{"i":7468,"b":"Wet van 28 oktober 1991, houdende aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet teboekgestelde Luchtvaartuigen (Stb. 1957, 72), voor wat betreft beslag op en executie van schepen en luchtvaartuigen, aan de regels betreffende executie en beslag, in dat wetboek opgenomen bij de Wet van 7 mei 1986 (Stb. 295) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en de Wet teboekgestelde Luchtvaartuigen (**Stb.** 1957, 72), voor wat betreft beslag op en executie van schepen en luchtvaartuigen, aan te passen aan de regels betreffende executie en beslag, in dat wetboek opgenomen bij de Wet van 7 mei 1986 (**Stb.** 295); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Wijziging van het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk II. Wijziging van de Wet teboekgestelde Luchtvaartuigen (stb. 1957. 72) Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk III. Wijziging in enige andere wetten Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere re"},{"i":7247,"b":"Verschaffen van informatie inzake eigendomsverhoudingen binnen de gezondheidszorg in Nederland Aan alle besturen van inrichtingen voor gezondheidszorg als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder c van de Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=1) 1. Inleiding Voorliggende circulaire vormt een nadere uitwerking van de circulaire van 4 april 1997 (FBZ/PBIZ 96700), waarin ik u mijn beleid inzake eigendomsverhoudingen in de gezondheidszorg heb uiteengezet. De circulaire van 4 april 1997 zend ik u hierbij ter herinnering nogmaals toe. Doel van deze nadere circulaire is in de eerste plaats om aan te geven in welke gevallen volledig eigendom en in welke gevallen huur de door mij gewenste eigendomsverhouding is. In de tweede plaats om enkele zaken te verhelderen waarover sinds de circulaire van 4 april 1977 veelvuldig vragen zijn gerezen. Het betreft met name: specifieke situaties (paragraaf 3); De beoordelingsmethodiek, die op hoofdlijnen al staat beschreven in de circulaire van 4 april 1997, heb ik opgesteld aan de hand van uitvoeringstoetsen die door het College voor ziekenhuisvoorzieningen (College), het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg (COTG), en de Ziekenfondsraad (ZFR) aan mij zijn toegezonden. 2. Eigendom of huur? Beoordelingskader en toepassing Basis voor de beoordeling vormt de constatering dat de noodzaak een zorgvoorziening naar eigen ontwerp te realiseren of aan te passen groter is naarmate het gebruiksdoel meer specifieke eisen stelt aan de voorziening en de gebruiksduur lang is. In dat geval is bouw in eigen beheer vereist met volledig eigendom. Al naar gelang minder specifieke eisen (behoeven te) worden gesteld en sprake is van een beperkte gebruiksduur, vormen koop of het verkrijgen van een gebruiksrecht (huur, lease, erfpacht etc.) goede alternatieven voor het in eigen beheer bouwen van een voorziening. Voor onderstaande voorzieningen beschouw ik niet volledig eigendom maar huur als de aangewezen eigend"},{"i":7399,"b":"Wet van 24 december 1998 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en van enige andere wetten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het Burgerlijk Wetboek, het [Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002014) en enige andere wetten enkele wijzigingen van wetstechnische of ondergeschikte aard aan te brengen in verband met geconstateerde wetstechnische onvolkomenheden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking als Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 enz. (Flexibiliteit en zekerheid) in werking treedt. ARTIKEL I Wijzigt het Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL II Wijzigt het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945. ARTIKEL III Wijzigt de Werkloosheidswet. ARTIKEL IV Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. ARTIKEL V Wijzigt de Faillissementswet. ARTIKEL VI Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. ARTIKEL VII Wijzigt de Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 enz. (Flexibiliteit en zekerheid). ARTIKEL VIII Wijzigt de Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 enz. (Flexibiliteit en zekerheid). ARTIKEL IX Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL X Wijzigt Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL XI Wijzigt het Wetboek van Koophandel. ARTIKEL XII Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de ondernemingsraden, enz. ARTIKEL XIII Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de ondernemingsraden en titel 7.10 (arbeidsovereenkomst) nieuw Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL XIV Wijzigt de Ziektewet. ARTIKEL XV Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. ARTIKEL XVI Wijzigt de Wet overheidspersoneel onder de"},{"i":1861,"b":"Wet van 16 december 2020 tot wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en enkele andere wetten met het oog op verbetering van de uitvoerbaarheid van toeslagen (Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel IIA Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel III Wijzigt de Wet op de zorgtoeslag. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel V 1. De in [artikel IV, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044577&artikel=IV&z=2022-01-01&g=2022-01-01), opgenomen [artikelen 26a](onbekend) en [26b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](onbekend) vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot berekeningsjaren die aanvangen op of na 1 januari 2021. 2. [Artikel 38 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=38) zoals dat luidde op 31 december 2020 blijft van toepassing met betrekking tot berekeningsjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2021. Artikel VI Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2021 met dien verstande dat: - a. [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044577&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01) en [artikel IV, onderdelen A, onder 7, F en H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044577&artikel=IV&z=2022-01-01&g=2022-01-01), in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld; - b. [artikel IIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044577&artikel=IIA&z=2022-01-01&g=2022-01-01) en [artikel IV, onderdelen B, Da en K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044577&artikel=IV&z=2022-01-01&g=2022-01-01), met ingang van 1 januari 2022 in werking treden; - c. [artikel IV, onderdeel Lc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044577&artikel=IV&z=2022-01-0"},{"i":6651,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 31 oktober 2011, nr. WJZ /11154967, houdende wijziging van de Subsidieregeling innoveren en van de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2011 Gelet op [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), en [25 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling innoveren. Artikel II Wijzigt de Subsidieregeling innoveren. Artikel III Wijzigt de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2011. Artikel IV Op aanvragen om subsidie, die vóór de inwerkingtreding van de [onderdelen B, C, D en E van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030616&artikel=I&z=2011-11-22&g=2011-11-22) zijn ingediend en op subsidies die vóór die datum zijn verstrekt, blijven de [artikelen 4.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=4.2), [4.19, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=4.19), [4.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=4.22) en [4.23 van de Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=4.23) van toepassing, zoals die onmiddellijk vóór dat tijdstip luidden. Artikel V Deze regeling treedt in werking met ingang van 22 november 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6871,"b":"Besluit van 15 november 1982, houdende regelen ter uitvoering van de artikelen 153 lid 4 en 263 lid 4 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 10 september 1982, nr. 447/682; Gelet op de [artikelen 153 lid 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=153) en [263 lid 4 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=263); De Sociaal Economische Raad gehoord (advies van 18 december 1981); De Raad van State gehoord (advies van 25 oktober 1982, nr. 2491/07/8242); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 11 november 1982, nr. 550/682; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als prijsindexcijfer, bedoeld in de [artikelen 153, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=153), en [263, vierde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=263) wordt aangewezen de prijsindex van de bruto investeringen in vaste activa van bedrijven. Artikel 2 In aanmerking zal worden genomen de ontwikkeling van deze prijsindex sedert 1971. Artikel 3 Het bedrag, genoemd in [artikel 153, tweede lid onder **a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=153) en [263, tweede lid onder **a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=263), moet worden afgerond op een veelvoud van twee en een half miljoen gulden. Artikel 4 Het bedrag wordt niet opnieuw vastgesteld wanneer het bedrag waartoe verhoging of verlaging zonder afronding zou leiden, minder dan twee miljoen gulden afwijkt van het laatst vastgestelde bedrag. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":7392,"b":"Wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) en de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315) zodanig te wijzigen dat een jaarlijkse huurverhoging mede afhankelijk is van een tweede categorie huishoudinkomens van de huurder en de overige bewoners van een woonruimte; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel III Indien het peiljaar, bedoeld in [artikel 252a, tweede lid, onderdeel d, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=252a), het kalenderjaar 2011 of 2012 is, wordt in onderdeel b van dat artikellid voor «de uitkomst van 108% van het twaalfvoud van het bedrag per maand, bedoeld in [artikel 8 lid 1 onderdeel a van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8) als geldend op 1 januari van het peiljaar» gelezen: de uitkomst van 108% van het twaalfvoud van het bedrag per maand, bedoeld in artikel 8 lid 1 onderdeel a van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, als geldend op 1 januari van het peiljaar, te verminderen met het werknemersaandeel in de premie, bedoeld in [artikel 25 lid 2 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=25) en te vermeerderen met de vergoeding ingevolge [artikel 46 lid 1 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.ov"},{"i":7322,"b":"Besluit van 3 september 2007, houdende wijziging van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 juli 2007, nr. AP/PSW/2007/29293, directie Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 33, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=33) en [artikel 33, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=33) en [artikel 38a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=38a); De Raad van State gehoord (advies van 25 juli 2007, nr. W05.07.0234/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 augustus 2007, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, nr. AP/PSW/2007/33814, directie Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs. Artikel II. Overgangsregeling Met betrekking tot de betrokkene wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, blijft [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007800&artikel=41) van toepassing zoals dat artikel luidde op de dag voor de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Artikel III. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Artikel IIa. Omhangbepaling Dit besluit berust op [artikel X van de Wet"},{"i":6832,"b":"Besluit van 7 maart 2014 tot uitvoering van de artikelen 5, tweede lid, 11, eerste lid, en 14 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES (Besluit aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 7 februari 2014, nr. 480001; Gelet op de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028254&artikel=5), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028254&artikel=11) en [14 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028254&artikel=14); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 februari 2014, nr. WO3.14.0028/11; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 4 maart 2014, nr. 487919; Hebben goedgevonden en verstaan: Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028254); - b. **motorrijtuigen:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028254&artikel=1); - c. **verzekeraar:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028254&artikel=1). Verzekerde som Artikel 2 De som waarvoor de verzekering van aansprakelijkheid, bedoeld in [artikel 14 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028254&artikel=14), voor een motorrijtuig ten minste moet zijn gesloten, bedraagt USD 50.280,– per gebeurtenis. Artikel 3 In afwijking van het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034932&artikel=2&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bepaalde bedraagt voor een motorrijtuig dat is ingericht tot het vervoer van meer dan zes personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, de verzekerde som ten minste USD 8.380,– maal het betreffende aantal, met een maximum van USD 167.600,– per gebeurtenis."},{"i":6800,"b":"Wet van 21 februari 2009 tot aanpassing van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de toetreding door het Koninkrijk tot het op 2 mei 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol van 1996 tot wijziging van het op 19 november 1976 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb. 1997, 300) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is [Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034) aan te passen in verband met de toetreding door het Koninkrijk tot het op 2 mei 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol van 1996 tot wijziging van het op 19 november 1976 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Burgerlijk Wetboek Boek 8. Artikel II Op de aansprakelijkheid voor een voorval dat heeft plaatsgevonden voor de dag van inwerkingtreding van deze wet blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7289,"b":"Wet van 25 januari 2023, houdende wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de technische eenmaking van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Wet technische eenmaking Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het burgerlijk procesrecht te vereenvoudigen door de verschillende versies van artikelen in het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en enige andere wetten terug te brengen tot één versie. Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) Artikel I Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel II [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048027&hoofdstuk=1&artikel=I&z=2025-07-01&g=2025-07-01) heeft betrekking op het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals dat luidt voor de procedures, vorderingen, verzoeken en gerechten waarvoor de [Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038353) (Stb. 2016, 288) niet in werking is getreden overeenkomstig artikel II van het Besluit van 25 januari 2017 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van diverse onderdelen van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288), de [Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met"},{"i":7318,"b":"Besluit van 16 oktober 2009, houdende wijziging van het Besluit personenvervoer 2000, het Arbeidstijdenbesluit vervoer en het Reglement rijbewijzen in verband met de invoering van de boordcomputer taxi, de afschaffing van de vergunning voor collectief personenvervoer en een technische wijziging in verband met het elektronisch vervoerbewijs Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 april 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/430 sector S&W, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=4), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=8), [13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=13), [74, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=74), [86, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=86), en [104, eerste lid, onderdelen a, c, d en e, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=104), de [artikelen 4:3, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=4:3), [5:12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12), [7:6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=7:6), [8:5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=8:5), en [9:2, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=9:2) en de [artikelen 21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), [22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22), en [artikel 127, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=127); De Raad van State gehoord (advies van 3 juli 2009, nr. W09.09.0133/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Watersta"},{"i":1862,"b":"Wet van 10 december 2025 tot wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet hersteloperatie toeslagen en enkele andere wetten met het oog op het verbeteren van het toeslagenstelsel en het aanpassen van enkele aanvraagtermijnen van bepaalde regelingen inzake de hersteloperatie toeslagen (Wet verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing termijnen hersteloperatie toeslagen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! Doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen waarmee de toeslagen worden verbeterd door wijzigingen aan te brengen in de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) en enkele andere wetten en dat het wenselijk is om ten aanzien van de hersteloperatie toeslagen de aanvraagdatum voor aanvullende compensatie of tegemoetkoming werkelijke schade te verlengen en een uiterste aanvraagdatum op te nemen voor de regeling inzake een tegemoetkoming voor gedupeerde aanvragers van huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebonden budget; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel II Wijzigt de Wet hersteloperatie toeslagen. Artikel III Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel IV - a. Wijzigt deze wet en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. - b. Wijzigt de Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen. Artikel V Onze Minister van Financiën zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VI Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2026, met dien verstande dat: - a. [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052018&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [artikel III]("},{"i":6789,"b":"Ziektekostentegemoetkoming per 1 januari 2001 I. Samenvatting Het niveau van de tegemoetkoming in de ziektekosten op basis van het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006855) (Btzr) vanaf 1 januari 2001 is onveranderd ten opzichte van 2000. II. Inleiding In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1 juni 1999 - 1 augustus 2000 is vastgelegd dat de Btzr-bijdrage wordt gehandhaafd op het niveau van 1999 tot het moment waarop de Btzr-bijdrage het niveau bereikt van het totaal van de helft van de MOOZ-bijdrage, de helft van de WTZ-bijdrage en 50% van het bedrag van de component 'polis' van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Plan Bureau ten behoeve van het Centraal Economisch Plan wordt geraamd. Vervolgens wordt de Btzr-bijdrage jaarlijks vastgesteld op 50% van het totaal van de MOOZ-bijdrage, de WTZ-bijdrage en het bedrag van de component 'polis' van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Plan Bureau wordt geraamd. III. Berekening van de ziektekostentegemoetkomingen volgens de nieuwe systematiek De MOOZ-bijdrage en de WTZ-bijdrage zijn voor het jaar 2001 vastgesteld op f 18,50 respectievelijk f 38,80 per maand. Het bedrag van de component 'polis' van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis is door het Centraal Plan Bureau geraamd op f 2143 per jaar. Op basis van de nieuwe systematiek worden de bedragen: IV. Vaststelling van de ziektekostentegemoetkomingen per 1 januari 2001 Aangezien de bedragen zoals die zijn vastgesteld voor 1999 hoger zijn dan de bedragen berekend volgens de nieuwe systematiek worden de bedragen van 1999 in 2001 gehandhaafd. Het bedrag van de tegemoetkoming per maand is vanaf 1 januari 2001: Ik verzoek u met het bovenstaande rekening te houden. Inlichtingen uitsluitend voor afdelingen Personeelszaken van geadresseerden bij mevrouw Van Ogtrop, mevrouw Schröter respectieve"},{"i":7380,"b":"Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de toegang tot het enquêterecht aan te passen en de waarborgen bij een beroep op het enquêterecht te versterken; Zo is het, dat Wij de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van zaken waarin het verzoek als bedoeld in [artikel 345 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=345) is ingediend voor dat tijdstip, met dien verstande dat de wijzigingen van [artikel 353 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=353) en [artikel 358 lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=358) wel van toepassing zijn op de in de eerste zinsnede genoemde zaken. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7490,"b":"Accountantsprotocol Gegevensvraag Wlz-gegevens, vanaf oplevering 2025 1. Inleiding 1.1. Inleiding Dit accountantsprotocol heeft betrekking op Wlz-gegevens die nodig zijn voor de risicoverevening [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), zoals bedoeld in de ‘Gegevensuitvraag (voorheen Handboek Informatie Zorgverzekeringswet)’ (hierna: Gegevensuitvraag) van Zorginstituut Nederland. Deze gegevens hebben betrekking op Wlz-geïndiceerden en worden daarom opgevraagd bij de Wlz-uitvoerders voor de aan hen toegewezen zorgkantoren (per zorgkantoorregio). De Wlz-uitvoerder dient de gevraagde Wlz-gegevens, zoals beschreven in de Gegevensuitvraag uiterlijk 1 juni in bij Zorginstituut Nederland en de NZa. Hierbij dient de Wlz-uitvoerder ook een bestuursverklaring en een rapport inzake overeengekomen specifieke werkzaamheden in. Het doel van dit accountantsprotocol is het verstrekken van aanwijzingen over de reikwijdte en diepgang van het accountantsonderzoek en het in dat kader af te geven rapport inzake overeengekomen specifieke werkzaamheden ten aanzien van de door de Wlz-uitvoerder opgestelde bestuursverklaring bij het bestand Wlz-gegevens en het onderliggende bestand Wlz-gegevens. Dit protocol is voor onbepaalde tijd opgesteld. Dit protocol is geldig vanaf 1 januari 2024. De accountant voert de opdracht tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden uit volgens [standaard 4400](onbekend) en geeft de bevindingen weer in een rapport inzake overeengekomen specifieke werkzaamheden. De accountant voert de werkzaamheden uit op de bestuursverklaring bij het bestand Wlz-gegevens en het onderliggende bestand ‘Wlz-gegevens jaar T’. 1.2. Definities 1.3. Wet- en regelgeving Voor de accountantswerkzaamheden betreffende de Wlz-gegevens is de volgende wet- en regelgeving van toepassing: 1.4. Inwerkingtreding De raad van bestuur van de NZa heeft op 15 april 2025 dit protocol vastgesteld. Dit protocol treedt in werking met ingang van de dag"},{"i":7300,"b":"Wet van 20 december 2023 tot verlaging van de eigen bijdrage in de huurtoeslag voor de jaren 2024 en verder (Wet verlaging eigen bijdrage huurtoeslag) Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de eigen bijdrage in de huurtoeslag met ingang van 1 januari 2024 te verlagen door een jaarlijks wisselend bedrag op de normhuren in mindering te brengen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De overeenkomstig [artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=16) berekende basishuur wordt: - a. in 2024 verlaagd met € 37,72; - b. in 2025 verlaagd met € 37,14; - c. in 2026 verlaagd met € 48,15; - d. in 2027 verlaagd met € 47,57; - e. in 2028 verlaagd met € 46,99; - f. in 2029 en latere jaren verlaagd met € 46,42. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 3 Deze wet wordt aangehaald als: Wet verlaging eigen bijdrage huurtoeslag. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7266,"b":"Wet van 8 oktober 2014 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging van en de invoering van een elektronische dienstverlening bij de burgerlijke stand (Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het in het kader van de lastenverlichting wenselijk is voor de burger een aantal procedures op het terrein van de burgerlijke stand te vereenvoudigen en in verband daarmee te voorzien in de mogelijkheid van elektronische dienstverlening, in het bijzonder bij geboorte, overlijden, voornemen om in het huwelijk te treden en voorgenomen registratie van een partnerschap; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Wijzigt de Wet op de lijkbezorging. Artikel III Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel IIIA Wijzigt de Wijzigingswet tot herziening van Titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, enz. (Stb. 1993/555). Artikel IV 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. Bij koninklijk besluit kan voor iedere gemeente worden bepaald dat de aangifte van geboorte of overlijden of de melding van een voorgenomen huwelijk of de voorgenomen registratie van een partnerschap in elektronische vorm kan worden gedaan, alsmede dat akten van de burgerlijke stand elektronisch kunnen worden opgemaakt en uittreksels of afschriften daarvan elektronisch kunnen worden verstrekt. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, coll"},{"i":6709,"b":"Wet van 10 februari 2021 tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met aanscherping van de nieuwedienstenprocedure, modernisering van procedures voor de benoeming van raden van toezicht en besturen, modernisering van het bestuur en verduidelijking van de positie van de Ster, alsmede technische verbeteringen onder meer in verband met taken van het Commissariaat voor de Media Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de procedure bij nieuwe of significant gewijzigde aanbodkanalen te verduidelijken in de wet en tevens onderdelen ter aanscherping van de besluitvorming daarover toe te voegen, dat het tevens wenselijk is de procedures voor de benoeming van de raden van toezicht van de NPO, de RPO, de NOS en de NTR, en voor de benoeming van het Commissariaat voor de Media en het bestuur van het Stimuleringsfonds voor de journalistiek aan te passen aan actuele opvattingen over governance, mede in het licht van de specifieke posities van de betrokken organisaties op het terrein van de publieke media, alsmede dat het wenselijk is het bestuur van de Ster te moderniseren en de positie van de Ster in het publieke mediabestel te verduidelijken, en dat het ten slotte wenselijk is enige technische verbeteringen aan te brengen onder meer ten behoeve van de uitvoering van taken door het Commissariaat voor de Media, en dat het daartoe noodzakelijk is de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel II A. Op de benoeming van de eerste raad van toezicht van de Stichting Etherreclame zijn de [artikelen 2.99b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.99b) en [2.99c Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":6658,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 april 2008, nr. WJZ/2008/7091 (2663), tot wijziging van de Subsidieregeling kinderopvang in verband met de vaststelling van aanvraagtijdvakken, subsidieplafonds en thema’s voor het jaar 2008 en in verband met de toepasselijkheid van de Wet overige OCW-subsidies en wijziging van de Regeling Wet kinderopvang in verband met de vaststelling van het gemeentelijk jaarverslag Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en [7 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=7) en [artikel 67, tweede lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=67); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling kinderopvang. Artikel II De [Subsidieregeling kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018209), zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op de financiële afwikkeling van voor bedoeld tijdstip verleende subsidies. Artikel III Wijzigt de Regeling Wet kinderopvang. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage 1 Wijzigt de Subsidieregeling kinderopvang. Bijlage 2 Ligt ter inzage bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Deze regeling zal met de toelichting en de daarbij behorende bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023843&bijlage=2&z=2008-05-11&g=2008-05-11), die met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling ter inzage ligt bij de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap."},{"i":6703,"b":"Wet van 16 juli 2005 tot wijziging van hoofdstuk 18 van de Wet milieubeheer (Handhavingsstructuur) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het belang van een doelmatige handhaving van de milieuwetgeving wenselijk is de regeling met betrekking tot de handhaving in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) aan te vullen met bepalingen die de handhavingsstructuur betreffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt deze wet. Artikel III Wijzigt kamerstuk 27008. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Wijzigt de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water. Artikel VI Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Justitie binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VII De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met dien verstande dat [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018611&artikel=I&z=2005-11-10&g=2005-11-10), voorzover het betreft [artikel 18.3e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.3e), en [artikel 18.3f, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.3f), niet eerder in werking treedt dan met ingang van 1 januari 2005. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7242,"b":"Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake auteursrecht (WCT) (1996) Preambule De Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de bescherming van de rechten van auteurs op hun werken van letterkunde en kunst op een zo doeltreffend en eenvormig mogelijke wijze te ontwikkelen en te verzekeren, Erkennend de noodzaak tot invoering van nieuwe internationale regels en tot verduidelijking van de interpretatie van bepaalde bestaande regels teneinde adequate oplossingen te vinden voor de vraagstukken die zijn ontstaan als gevolg van nieuwe economische, maatschappelijke, culturele en technologische ontwikkelingen, Erkennend dat de ontwikkeling en de convergentie van informatie- en communicatietechnologieën een ingrijpende invloed hebben op de schepping en op het gebruik van werken van letterkunde en kunst, Benadrukkend de uitzonderlijke betekenis van de bescherming van het auteursrecht als aanmoediging voor literaire en kunstzinnige scheppingen, Erkennend de noodzaak tot behoud van het evenwicht tussen de rechten van auteurs en het grotere algemeen belang, met name op het gebied van onderwijs, onderzoek en de toegang tot informatie, zoals in de [Berner Conventie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003977) tot uitdrukking komt, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Verhouding tot de [Berner Conventie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003977) 1. Dit Verdrag is een bijzondere schikking in de zin van [artikel 20 van de Berner Conventie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003977&artikel=20) voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst ten aanzien van de Verdragsluitende Partijen die landen zijn van de Unie welke bij die Conventie is opgericht. Dit Verdrag staat niet in verband met andere verdragen dan de [Berner Conventie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003977) en doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen krachtens andere verdragen. 2. Niets in dit Verdrag houdt een afwijking in van de bestaande"},{"i":7467,"b":"Wet van 3 juni 2020 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet in verband met de herziening van het beslag- en executierecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het beslag- en executierecht in het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) te herzien om het bestaansminimum van schuldenaren beter te borgen, beslaglegging en executie effectiever en efficiënter te maken en te voorkomen dat beslaglegging uitsluitend wordt ingezet als pressiemiddel; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel II Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet. Artikel IV Onze Minister voor Rechtsbescherming zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V Op beslagen die zijn gelegd voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven het [Tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&boek=Tweede) en het [Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&boek=Derde) van toepassing, zoals deze voor de datum van inwerkingtreding van deze wet golden. Artikel VI Wijzigt deze wet, de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, en de Verzamelwet SZW 2020. Artikel VII De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden ge"},{"i":7310,"b":"Besluit van 28 november 2023 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met het beperken van emissies van kooldioxide door werkgebonden personenmobiliteit Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 16 mei 2023, nr. IENW/BSK-2022/93717, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [4.13a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.13a), [16.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.1), [16.139, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.139), [18.22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.22), en [20.6, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 oktober 2023, nr. W17.23.00121/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van, nr. IENW/BSK-2023/214366, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel II Wijzigt het Omgevingsbesluit. Artikel III In 2025 kan worden volstaan met het verstrekken van gegevens als bedoeld in [artikel 18.15, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving](onbekend) over de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024. In dat geval wordt in de [artikelen 18.11, tweede lid, onder c en d](onbekend), en 18.15, eerste lid, onder a, van dat besluit in plaats van «1 januari van het kalenderjaar, bedoeld in artikel 18.15, eerste lid,» gelezen «1 juli van het kalenderjaar, bedoeld in artikel 18.15, eerste lid,». Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024, met uitzondering van artikel I, onder B, voor zover het betreft [artikel 18.12, tweede en derde lid, va"},{"i":6692,"b":"Wet van 19 december 1996 tot wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met het omvormen van de met de inning van de omroepbijdragen belaste dienst van Koninklijke PTT Nederland N.V. tot een publiekrechtelijk vormgegeven zelfstandig bestuursorgaan Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de met de inning van de omroepbijdragen belaste dienst van Koninklijke PTT Nederland N.V. om te vormen tot een publiekrechtelijk vormgegeven zelfstandig bestuursorgaan, en aan dit bestuursorgaan de bevoegdheid toe te kennen een aantal met de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) strijdige gedragingen op administratiefrechtelijke wijze af te doen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Mediawet. ARTIKEL II Wijzigt de Provinciewet. ARTIKEL III 1. In afwijking van [artikel 122**g** van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=122g), is het personeel van de Dienst omroepbijdragen tot een bij of krachtens wet te bepalen datum werkzaam krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Het personeel is tot die datum geen overheidswerknemer in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel **a**, van de Wet privatisering Abp. 2. De personen die op de in het eerste lid bedoelde datum behoren tot het personeel van de Dienst omroepbijdragen, zijn met ingang van die datum van rechtswege aangesteld als ambtenaar in dienst van de Dienst omroepbijdragen met een rechtspositie die in totaliteit ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold krachtens zijn arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. ARTIKEL IV 1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Koninklijke PTT Nederland N.V. stellen gezamenlijk een lijst vast van de namen en functies van de personen die krachtens arbeidso"},{"i":6798,"b":"Besluit van 28 november 2013, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur in verband met de Wet basisregistratie personen (Aanpassingsbesluit basisregistratie personen) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 oktober 2013, nr. 2013-0000614292; Gelet op de [artikelen 125, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125), en [134, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=134), [47, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=47), [44, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=44), [4, vierde lid, van de Wet controle op rechtspersonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015049&artikel=4), [27b, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=27b), [28, zesde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=28), [22, vijfde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=22), [33, zesde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=33), [18, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18), [24, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=24), [434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=434a), [22k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22k) en [77ff, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77ff), [6 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=6), [54, eerste lid](https:"},{"i":1863,"b":"Wet van 24 juni 1992, tot wijziging van het hoofdstuk Financiële bepalingen van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en van enige andere wetten, onder meer ter omzetting van de bestemmingsheffingen op brandstoffen in verbruiksbelastingen van brandstoffen, geheven naar het koolstofgehalte en de energie-inhoud van de brandstoffen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor het jaar 1992 vooruitlopend op verdere maatregelen met ingang van het jaar 1993 de bestemmingsheffingen op brandstoffen in het hoofdstuk Financiële bepalingen van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (**Stb.** 1988, 133) te vervangen door verbruiksbelastingen van brandstoffen, geheven onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën naar het koolstofgehalte en de energie-inhoud van de brandstoffen, alsmede met het oog op de budgettaire situatie de opbrengst van deze belastingen ten opzichte van de opbrengst van de bestemmingsheffingen op brandstoffen te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Vervallen Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV 1. Indien deze wet in werking treedt met ingang van 1 juni 1992 bedraagt, in afwijking in zoverre van artikel 61**i**, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, het tarief vanaf het tijdstip van inwerkingtreding tot 1 januari 1993 voor: | a. ongelode lichte olie, per hectoliter | f 2,61 | | --- | --- | | b. gelode lichte olie, per hectoliter | f 2,41 | | c. halfzware olie, per hectoliter | f 4,11 | | d. gasolie en lichte stookolie, die zijn bestemd voor ander gebruik dan voor het op de weg aandrijven van motorrijtuigen, per hectoliter | f 4,11 | | e. andere gasolie en lichte stookolie, per hectoliter | f 2,66 | | f. zware sto"},{"i":6829,"b":"Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) Het Koninkrijk België, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, Bezield door de wens: de verdragen, de eenvormige wetten en de wijzigingsprotocollen inzake Benelux merken en tekeningen of modellen te vervangen door een enkel verdrag waarin zowel het merkenrecht als het tekeningen- of modellenrecht systematisch en overzichtelijk geregeld worden; snelle en efficiënte procedures in te voeren voor de aanpassing van de Benelux-regelgeving aan de Gemeenschapsregelgeving en reeds door de drie Hoge Verdragsluitende Partijen bekrachtigde internationale verdragen; het Benelux-Merkenbureau en het Benelux-Bureau voor Tekeningen of Modellen te vervangen door de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken, tekeningen of modellen) die door middel van beslissings- en uitvoeringsorganen met eigen en aanvullende bevoegdheden haar taak uitoefent; de nieuwe Organisatie een structuur te geven die de huidige opvattingen inzake internationale organisaties weerspiegelt en de onafhankelijkheid ervan, met name door middel van een protocol inzake voorrechten en immuniteiten, garandeert; de nieuwe Organisatie dichter bij het bedrijfsleven te brengen door de bevoegdheden ervan ten volle te benutten zodat ze nieuwe taken op het gebied van de intellectuele eigendom kan vervullen en decentrale bijkantoren kan oprichten; aan de nieuwe Organisatie, op niet-exclusieve basis, een evaluatiebevoegdheid en initiatiefrecht toe te kennen bij de aanpassing van het Benelux-recht inzake merken en tekeningen- of modellen; Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben hiertoe als hun Gevolmachtigden aangewezen: Zijne Excellentie de Heer K. DE GUCHT, Minister van Buitenlandse Zaken, Zijne Excellentie de Heer B. R. BOT, Minister van Buitenlandse Zaken, Zijne Excellentie de Heer J. ASSELBORN, Minister van Buitenlandse Zaken, die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volma"},{"i":1864,"b":"Wet van 27 april 1989, tot herziening van de belastingheffing naar aanleiding van de voorstellen van de commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige onjuistheden te herstellen in de Wet vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomensbelasting, de Wet invoering en aanvulling van de vereenvoudiging van de tariefstructuur in de loon- en inkomstenbelasting en wijziging van de regeling betreffende aftrekposten en de Wet op de inkomstenbelasting 1964; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX 1. In afwijking van artikel 45, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zijn tevens persoonlijke verplichtingen over kalenderjaren of gedeelten van kalenderjaren die eindigen vóór 1 januari 1990 verschuldigde premies en premievervangende belasting ingevolge de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) (**Stb.** 1985, 181) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (**Stb.** 1965, 429) alsmede bij wege van aanslag geheven dan wel verhaalde premies en premievervangende belasting ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (**Stb.** 1967, 655), de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (**Stb.** 1987, 90) en de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":7449,"b":"Wet van 23 december 1994, houdende overgangsregeling voor de heffing van motorrijtuigenbelasting inzake motorrijtuigen met een tenaamstelling van het kentekenbewijs van voor het kalenderjaar 1988, en vervanging van het wisseldisconto van De Nederlandsche Bank N.V. door de voorschotrente van De Nederlandsche Bank N.V. in de Wet op de accijns en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een overgangsregeling te treffen voor de heffing van motorrijtuigenbelasting inzake motorrijtuigen met een tenaamstelling van het kentekenbewijs van voor het kalenderjaar 1988 die als gevolg van wijziging van de belastingwet met ingang van 1 januari 1994 onder het begrip personenauto zijn gebracht, alsmede de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 aan te passen in verband met het vervallen van het wisseldisconto van De Nederlandsche Bank N.V.; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Artikel IV van de wet van 16 december 1993 tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met verruiming van het begrip personenauto ( **Stb.** 1993, 673) is niet van toepassing met betrekking tot motorrijtuigen die als gevolg van die wet personenauto zijn geworden in de zin van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 en waarvan de dagtekening van deel II van het ingevolge de Wegenverkeerswet afgegeven kentekenbewijs een vroegere datum is dan 1 januari 1988. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Voor de toepassing van de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overhe"},{"i":7459,"b":"Wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet personenvervoer 2000 in verband met de structurele regeling van de overgang van werknemers bij de overgang van een concessie voor openbaar vervoer alsmede van de Spoorwegwet in verband met de begrenzing van stamlijnen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een permanente status te verlenen aan de bepalingen betreffende de overgang van werknemers bij overgang van een concessie voor openbaar vervoer en dat het wenselijk is voor een deel van de hoofdspoorwegen een afwijkende begrenzing te kunnen hanteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel II Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel III Een spoorweg waarop de dag voorafgaand aan de aanwijzing als hoofdspoorweg het [Reglement op de Raccordementen 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002526) van toepassing was en die in overeenstemming was met de in [dat Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002526) opgenomen voorschriften, wordt met ingang van de dag waarop deze spoorweg wordt aangewezen als hoofdspoorweg, aangemerkt als in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens [artikel 6 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=6). Artikel IV Toestemmingen die ingevolge [artikel 13, onderdeel d, van het Reglement op de Raccordementen 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002526&artikel=13) zijn verleend en gelden op het tijdstip waarop een spoorweg wordt aangewezen als hoofdspoorweg, worden met ingang van de dag dat de spoorweg is aangewezen als hoofdspoorweg, aangemerkt als vergunningen verleend op grond van [artikel 19, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=19). Artikel V Deze wet treedt in werking o"},{"i":6826,"b":"Beleidsregel goedkeuring besluiten tot sluiten overeenkomst van opdracht ex Boek 7 Burgerlijk Wetboek BES Wettelijke bepalingen Artikel 168 1. **Het bestuurscollege is in ieder geval bevoegd:** - a. ... - b. ... - c. ... - d. **ambtenaren, niet zijnde de eilandgriffier en de op de griffie werkzame ambtenaren, te benoemen, te bevorderen, te schorsen en te ontslaan.** 2. **Besluiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden genomen op grond van het door het bestuurscollege vastgestelde regels inzake de benoeming, bevordering, schorsing en ontslag van ambtenaren. Deze regels bevatten in ieder geval de gronden voor deze besluiten.** 3. **Besluiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, behoeven de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger. De goedkeuring kan slechts onthouden worden wegens strijd met het recht of op een grond, die is neergelegd in de regels, bedoeld in het tweede lid.** 4. **Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot het sluiten van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek BES, op grond waarvan de opdrachtnemer ten behoeve van het openbaar lichaam voor meer dan een maand en gedurende ten minste 16 uur gemiddeld per week werkzaamheden verricht of laat verrichten door derden.** Artikel 204 1. **De Rijksvertegenwoordiger is in ieder geval belast met:** - a. ... - b. ... - c. **het goedkeuren van besluiten tot het sluiten van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek BES, op grond waarvan de opdrachtnemer ten behoeve van het openbaar lichaam voor meer dan een maand en gedurende ten minste 16 uur gemiddeld per week werkzaamheden verricht of laat verrichten door derden.** Artikel 400 1. **De overeenkomst van opdracht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan h"},{"i":6787,"b":"Ziektekostentegemoetkoming per 1 januari 1999 Circulaire aan de ministers De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. I. Samenvatting In deze circulaire worden de ziektekostentegemoetkomingen bekendgemaakt zoals deze per 1 januari 1999 voor betrokkene (en zijn medebetrokkenen) gaan gelden. II. Inleiding De tegemoetkoming die op basis van het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](onbekend) (Btzr) aan de desbetreffende ambtenaar wordt toegekend, is per maand gelijk aan de som van een basisbedrag en de helft van de MOOZ-omslagbijdrage en van de WTZ-pooling. Jaarlijks wordt deze tegemoetkoming per 1 januari aangepast. Het basisbedrag wordt gewijzigd overeenkomstig het gewogen gemiddelde van de procentuele wijziging van de premies die door een aantal niet op winst-gerichte ziektekostenverzekeraars worden vastgesteld voor een verzekering tegen ziektekosten. Deze door Vektis BV berekende wijziging bestaat per 1 januari 1999 – ten opzichte van 31 december 1998 – uit een stijging van 11,4%. De MOOZ-omslagbijdrage en de WTZ-pooling zijn eveneens verhoogd. Voor een volwassene bedraagt de MOOZ-omslagbijdrage thans f 19,80 (was f 13,90) per maand. Het bedrag van de WTZ-pooling bedraagt voor een volwassene f 34,00 (was f 30,00) per maand. III. Ziektekostentegemoetkomingen per 1 januari 1999 De tegemoetkomingen per maand, zoals die gelden vanaf 1 januari 1999, worden als volgt vastgesteld: Ik verzoek u met het bovenstaande rekening te houden. Inlichtingen uitsluitend voor afdelingen Personeelszaken van geadresseerden bij de heer Martens respectievelijk het secretariaat van de afdeling Arbeidsvoorwaarden en Sociaal Beleid (telefoon (070) 302 69 04 respectievelijk 302 68 47)."},{"i":6765,"b":"Wet van 12 juni 2008, houdende wijziging van de Wet toezicht accountantsorganisaties en Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, ter implementatie van richtlijn nr. 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PbEU L 157) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat [richtlijn nr. 2006/43/EG](32006L0043) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de [Richtlijnen 78/660/EEG](31978L0660) en [83/349/EEG](31983L0349) van de Raad, en houdende intrekking van [Richtlijn 84/253/EEG](31984L0253) van de Raad (PbEU L 157) noopt tot aanpassing van de [Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468) en [Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IIIA Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IIIB Wijzigt de Provinciewet. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Wijzigt de Wet tuchtrechtspraak accountants. Artikel VI 1. [Artikel 12b van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=12b) is niet van toepassing op auditorganisaties van een derde land die verklaringen als bedoeld in dat lid afgeven, onder de in het tweede lid genoemde voorwaarden. 2. Een auditorganisatie van een d"},{"i":6774,"b":"Wet van 6 oktober 1999 tot wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en in verband daarmee enkele andere wetten, teneinde de effectiviteit van het bedrijfseconomisch toezicht te vergroten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en in verband daarmee enkele andere wetten te wijzigen teneinde de effectiviteit van het bedrijfseconomisch toezicht te vergroten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Artikel II Wijzigt de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf. Artikel III Wijzigt de Wet toezicht kredietwezen 1992. Artikel IV Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Artikel V Wijzigt de Wet toezicht beleggingsinstellingen. Artikel VI Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet. Artikel VII Wijzigt de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IX Wijzigt de Mededingingswet. Artikel X Gedurende drie jaar na inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen G en L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010760&artikel=I&z=1999-11-17&g=1999-11-17), en [artikel II, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010760&artikel=II&z=1999-11-17&g=1999-11-17), dient een verzekeraar, in afwijking van de termijn genoemd in de [artikelen 72, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509&artikel=72), en [100, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509&artikel=100), onderscheidenlijk in [artikel 33, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf](https://wetten.ov"},{"i":6736,"b":"Wet van 24 april 2024 tot wijziging van de Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en van de Wet goed verhuurderschap (verlenging, wijziging en handhaving van de maximering en verkorting van de verjaringstermijn voor huurverhogingen) Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045063) te verlengen, de maximering te wijzigen en de handhaving te verbeteren alsmede de verjaringstermijn voor huurverhogingen ten aanzien van woonruimte te verkorten; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel IV Wijzigt de Wet goed verhuurderschap. Artikel IVa Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt binnen drie jaar na inwerkingtreding van [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049633&artikel=III&z=2025-01-01&g=2025-01-01) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van 1 mei 2024 met uitzondering van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049633&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01) dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel II, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049633&artikel=II&z=2025-01-01&g=2025-01-01), dat in werking treedt met"},{"i":6838,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 november 2007, nr. GMT/IB 2811386, houdende aanwijzing personen en instantie die het donorregister kunnen inzien of raadplegen Gelet op [artikel 6 van het Besluit donorregister](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009352&artikel=6); Besluit: artikel Enig 1. Een persoon die geregistreerd staat in het donorregister kan zijn eigen registratie elektronisch inzien. 2. De Nederlandse Transplantatie Stichting te Leiden wordt met ingang van 1 januari 2008 aangewezen als instantie door welker tussenkomst raadpleging van het donorregister plaatsvindt. 3. Aan de aanwijzing van de Nederlandse Transplantatie Stichting wordt het voorschrift verbonden dat de wijze van raadpleging geschiedt overeenkomstig het Handboek NTS donorregister zoals vastgesteld op 3 augustus 1998. 4. Met ingang van 1 september 2008 worden de volgende instellingen die zorg verlenen, als bedoeld in [artikel 5 van de Wet toelating zorginstelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=5), aangewezen als instanties die rechtstreeks het donorregister kunnen raadplegen: - a. Academisch Ziekenhuis Maastricht; - b. Medisch Spectrum Twente; - c. Universitair Medisch Centrum Utrecht; - d. Medisch Centrum Leeuwarden; - e. Ziekenhuis De Gelderse Vallei, en - f. ZorgSaam Ziekenhuis Terneuzen. 5. Aan de aanwijzing van de in het vierde lid bedoelde instellingen wordt het voorschrift verbonden dat de wijze van raadpleging geschiedt volgens het door het bestuur van de zorginstelling ingevolge [artikel 23 van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=23) vastgesteld protocol. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1 1. Een persoon die geregistreerd staat in het donorregister kan zijn eigen registratie elektronisch inzien. 2. De Nederlandse Transplantatie Stichting te Leiden wordt met ingang van 1 januari 2008 aangewezen als instantie door welker tussenkomst raadpleging v"},{"i":6737,"b":"Wet van 18 oktober 2001, houdende wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet milieugevaarlijke stoffen en de Wet bodembescherming (verbetering handhavingsbevoegdheden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de toedeling van bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden in de Wet milieubeheer en enkele andere milieuwetten te verbeteren en aan te vullen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wet milieugevaarlijke stoffen. Artikel III Wijzigt de Wet bodembescherming. Artikel IV [Artikel 18.2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.2) en [artikel 95 van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=95) zoals deze artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven met betrekking tot een beschikking tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds is gegeven, van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. Artikel V Wijzigt deze Wet. Artikel VI Wijzigt de Wijzigingswet Wet milieubeheer, enz. (structuur beheer afvalstoffen) en de Wet milieubeheer. Artikel VII Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6649,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 juli 2025, nr. 2025-0000069509, houdende wijziging van de Subsidieregeling ESF+ 2021–2027 in verband met de openstelling van een nieuw aanvraagtijdvak voor sectoren, enige wijzigingen in de subsidieverstrekking en enige technische wijzigingen [KetenID WGK027673] Gelet op [Verordening (EU) 2021/1057](32021R1057) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van de [Verordening (EU) nr. 1296/2013](32013R1296) (PbEU 2021, L 231) en de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling ESF+ 2021-2027. Artikel II 1. [Artikel 2e.11 van de Subsidieregeling ESF+ 2021–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046622&artikel=2e.11), zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze regeling, is tevens van toepassing op subsidies die voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend. 2. [Artikel 2e.17, tweede lid, aanhef, van de Subsidieregeling ESF+ 2021–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046622&artikel=2e.17), zoals die luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op subsidies die voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6841,"b":"Besluit van 28 december 1985, houdende aanwijzing van rijkseigendommen die in eigendom, beheer en onderhoud overgaan op de gemeente Noordoostpolder Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 20 december 1985, nr. BT85/U1202, Directoraat-Generaal Binnenlands Bestuur, Directie Bestuurszaken, Afdeling Toezichtsbeleid, en van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 23 december 1985, nr. R 48335, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken, en van de Staatssecretaris van Financiën, van 23 december 1985, nr. 385-15865, Generale Thesaurie, Directie der Domeinen, Afdeling Rentambten; Overwegende, dat het wenselijk is ter uitvoering van artikel 8, eerste lid, van de Wet van 19 januari 1962 tot instelling van een gemeente Noordoostpolder en voorlopige indeling van die gemeente bij de provincie Overijssel (**Stb.** 11) aan te wijzen de rijkseigendommen (wegen, kunstwerken en fietspaden), welke in eigendom, beheer en onderhoud op de gemeente Noordoostpolder overgaan, alsmede te bepalen de voorwaarden en het tijdstip van overgang; Gelet op artikel 8, eerste lid van voornoemde wet; Gehoord de raad der gemeente Noordoostpolder (brief van 26 september 1985); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De onderstaande onroerende rijkseigendommen gaan in eigendom, beheer en onderhoud over op de Gemeente Noordoostpolder, hierna te noemen de gemeente, met ingang van 1 januari 1991. De wegpercelen, kadastraal bekend gemeente Noordoostpolder. | Sectie | Nummer | Oppervlakte in m2 | Benaming | | --- | --- | --- | --- | | A | 441 ∗ | – | Onderduikerstocht | | | 442 | 32 280 | Weg van Ongenade | | | 449 | 28 820 | Onderduikersweg | | | 552 ∗ | – | Karel Doormanweg | | | 553 ∗ | – | Karel Doormanweg | | | 555 ∗ | – | Karel Doormanweg | | | 665 ∗ | – | Klutendwarstocht | | | 717 ∗ | – | Karel Doormanweg | | | 808 | 6 330 | Fietspad Nagelerweg-Vliegtuigweg | | | 892 | 2 838 | Loswal Zuidervaart | | | 980 ∗ | – | Kamperweg | | | 98"},{"i":6691,"b":"Wet van 7 november 2011 tot wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enkele andere wetten, in verband met de instelling van het zelfstandig bestuursorgaan CAK Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op het waarborgen van een goede dienstverlening aan cliënten een zelfstandig bestuursorgaan CAK in te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel II Wijzigt de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Artikel III Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning. Artikel IV Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel V Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel Va Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel VI Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel VII In afwijking van [artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21), stelt de Minister geen beleidsregels vast voor zover het Zorginstituut hiertoe bevoegd is op grond van [artikel 41, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=41). Artikel VIII 1. Aanvragen gedaan bij en besluiten genomen door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CAK met betrekking tot de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614), de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), de [Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) en de [Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031), voor zover de uitvoering van die wetten, op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet aan de besloten vennootsc"},{"i":6770,"b":"Wet van 12 maart 1998 tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 teneinde de effectiviteit van deze wet op enkele punten te verbeteren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet toezicht kredietwezen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792) te wijzigen teneinde de effectiviteit van deze wet op enkele punten te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet toezicht kredietwezen 1992. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de economische delicten. ARTIKEL III De Bank kan, ten aanzien van een kredietinstelling die een dochtermaatschappij of bijkantoor van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling is en waaraan, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792&artikel=6) of [38, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792&artikel=38) een vergunning is verleend, indien zij van oordeel is dat de toezichthoudende autoriteit van de Staat waar de buitenlandse kredietinstelling gevestigd is geen of onvoldoende geconsolideerd toezicht uitoefent, deze vergunning op grond van dit oordeel niet eerder dan een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet intrekken. ARTIKEL IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6689,"b":"Wet van 3 december 2009 tot wijziging van enkele bijzondere wetten in verband met de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in enkele bijzondere wetten de beslistermijnen aan te passen met het oog op de inwerkingtreding van de [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Ministerie van Justitie Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk 2. Ministerie van Economische Zaken Artikel II Wijzigt de Gaswet. Hoofdstuk 3. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Artikel III Wijzigt de Flora- en faunawet. Artikel IV Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998. Artikel V Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Artikel VI Wijzigt de Wet op de dierenbescherming. Hoofdstuk 4. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Artikel VII Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Artikel VIII Wijzigt de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten. Artikel IX Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel X Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel XI Wijzigt de Ziektewet. Artikel XII Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel XIII Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel XIV Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel XV Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel XVI Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Hoofdstuk 5. Ministerie van Verkeer en Waterstaat Artikel XVII Vervallen Artikel XVIII Wijzigt de Belemmeringenwet Privaatrecht. Hoofdstuk 6. Minister"},{"i":5956,"b":"Besluit van 23 februari 1965, houdende uitvoering van artikel 18 van de Noodwet rechtspleging Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 14 januari 1965, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 12/665; Gelet op [artikel 18 van de Noodwet rechtspleging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002457&artikel=18); De Raad van State gehoord (advies van 3 februari 1965, nr. 43); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 16 februari 1965, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 69/665; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bevoegdheden, welke de [Noodwet rechtspleging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002457) aan Onze Minister van Justitie toekent, worden voor zolang de verbinding tussen een gebied en Onze Minister is verbroken, uitgeoefend door Onze Commissaris in de provincie, waarin dat gebied is gelegen. Bij de vervulling van deze taak pleegt Onze Commissaris, zo mogelijk, overleg met het College van procureurs-generaal. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**, waarin het is geplaatst. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** en de **Nederlandse Staatscourant** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":7258,"b":"Wet van 1 juli 2022 tot wijziging van enkele belastingwetten (Wet aanvullende fiscale koopkrachtmaatregelen 2022) Artikel I Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel II Wijzigt de Wet op de omzetbelasting. Artikel III 1. De omzetbelasting die na 30 juni 2022 wordt verschuldigd ter zake van leveringen en diensten ter zake waarvan ingevolge [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046871&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01) het tarief met ingang van 1 juli 2022 wordt verlaagd en die worden verricht vóór de laatstgenoemde datum, wordt berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht. 2. Ingeval omzetbelasting in de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022 wordt verschuldigd ter zake van leveringen en diensten ter zake waarvan ingevolge [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046871&artikel=II&z=2025-01-01&g=2025-01-01) het tarief met ingang van 1 januari 2023 wordt verhoogd, wordt hetgeen meer verschuldigd zou zijn geweest indien de belasting zou zijn berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht, alsnog verschuldigd op het tijdstip van de afrekening van de verbruiksperiode. 3. De omzetbelasting die na 31 december 2022 wordt verschuldigd ter zake van leveringen en diensten ter zake waarvan ingevolge [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046871&artikel=II&z=2025-01-01&g=2025-01-01) het tarief met ingang van 1 januari 2023 wordt verhoogd en die worden verricht in de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022, wordt berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht. Artikel IV Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel V [Artikel 27a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a) vindt bij het begin van het kalenderjaar 2023 geen toepassing op de bedragen, genoemd in [artikel 27, eerste lid, onderdeel a, tweede bedrag, ond"},{"i":7391,"b":"Wet van 27 januari 2011 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn 2008/122/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde aspecten van overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling (PbEU L 33/10) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de [Richtlijn 2008/122/EG](32008L0122) van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde aspecten van overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling moet worden omgezet in bepalingen van nationaal recht en dat daartoe [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290), de [Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586) en enige andere wetten moeten worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel III Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel IV Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel V De artikelen II en III zijn niet van toepassing op overeenkomsten die vóór het inwerkingtreden van deze wet zijn gesloten. Artikel VI Deze wet treedt in werking op 23 februari 2011. Wordt het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst later uitgegeven, dan treedt zij in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en"},{"i":7273,"b":"Wet van 19 april 2017 tot integratie van de Wet huurcommissieregeling BES in een Wet maatregelen huurwoningmarkt Caribisch Nederland onder gelijktijdige aanpassing van eerstgenoemde wet, van Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek BES en de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES (Wet maatregelen huurwoningmarkt Caribisch Nederland) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is tegelijk met het voorstel van wet tot aanpassing van [Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752), de bepalingen van de [Wet huurcommissieregeling BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028558) te integreren in een nieuw wetsvoorstel en deze bepalingen waar mogelijk te rangschikken, te vereenvoudigen, te actualiseren alsmede in een aantal artikelen inhoudelijke wijzigingen aan te brengen en voorts de [Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218) aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Huurprijzen en huurcommissie Afdeling 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - a. **gebrek:** gebrek als bedoeld in [artikel 7a:1603i van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752&artikel=1603i); - b. **huur en verhuur, huurprijs, servicekosten en woning:** hetgeen daaronder wordt verstaan in de [derde afdeling van titel 7 van Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752&afdeling=Derde); - c. **huurcommissie:** huurcommissie als bedoeld in [artikel 1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039553&hoofdstuk=1&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=1.4&z=2025-02-12&g=2025-02-12); - d. **inflatiepercentage:** het o"},{"i":7478,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot aanpassing van wetten ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119) en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (Aanpassingswet Algemene verordening gegevensbescherming) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is enige wetten aan te passen ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119); Gelet op [artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=10); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Justitie en Veiligheid Artikel 1.1. [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel 1.2. [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel 1.3. [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) Wijzigt de Wet beëdigde tolken en vertalers. Artikel 1.4. [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen"},{"i":6833,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 12 januari 2005, nr. 5328240/04/DJJ, houdende aanvaarding van de rechtspersoon als bedoeld in de artikelen 254, tweede lid, en 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Gelet op de [artikelen 254, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=254), en [302, tweede en derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=302); Besluit: Artikel 1 De Stichting Nidos, statutair gevestigd te Utrecht, wordt aanvaard als rechtspersoon, bedoeld in de [artikelen 254, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=254), en [302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=302). Artikel 2 1. De stichting Nidos voert haar taken uit met in achtneming van het kenbaar gemaakte regeringsbeleid met betrekking tot minderjarige vreemdelingen over wie zij de voogdij en gezinsvoogdij uitoefent. 2. De Stichting Nidos voldoet aan de voorschriften met betrekking tot de inrichting van de sturings- en subsidierelatie. Artikel 3 Ter zake van de aanvaarding geldt als voorwaarde dat niet eerder dan na twee jaren en niet later dan na verloop van vijf jaren na 1 januari 2005 en in aansluiting bij het evaluatiemoment van de Wet op de jeugdzorg een evaluatie plaatsvindt, waarbij de volgende onderwerpen aan de orde zijn: - a. zijn er op grond van aantallen nog steeds voldoende gronden voor uitoefening van de voogdij, de voorlopige voogdij en de (voorlopige) ondertoezichtstelling door de Stichting Nidos, in plaats van door een stichting als bedoeld in [artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637&artikel=1)? - b. is voldaan aan de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017896&artikel=2&z=2005-01-19&g=2005-01-19) opgenomen voorwaarden, en - c. op welke wijze is voorzien in scheiding van voogdij en opvang? Artikel 4 Di"},{"i":1865,"b":"Wet van 19 december 1991, tot verhoging van de accijns van sigaretten en kerftabak Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de budgettaire situatie en mede in het licht van de Europese ontwikkelingen de accijns van sigaretten en kerftabak te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De accijns van rooktabak, pruimtabak en snuif wordt per 1 februari 1992, per 1 juli 1992 en per 1 januari 1993 zodanig verhoogd dat de totale accijns voor de meest gevraagde prijsklasse rooktabak met ingang van: - -. 1 februari 1992: f 36,86 per kilogram bedraagt; - -. 1 juli 1992: f 45,26 per kilogram bedraagt; - -. 1 januari 1993: f 53,66 per kilogram bedraagt. Artikel 2 De accijns van sigaretten wordt per 1 februari 1992, per 1 juli 1992 en per 1 januari 1993 zodanig verhoogd dat de totale accijns voor de meest gevraagde prijsklasse sigaretten met ingang van: - -. 1 februari 1992: f 103,16 per 1000 stuks bedraagt; - -. 1 juli 1992: f 111,16 per 1000 stuks bedraagt; - -. 1 januari 1993: f 119,56 per 1000 stuks bedraagt dan wel het bedrag dat overeenkomt met 57 percent van de kleinhandelsprijs van de meest gevraagde prijsklasse sigaretten indien dit per 1000 stuks berekend hoger is. Artikel 3 1. Bij ministeriële regeling worden telkens met ingang van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005345&artikel=1&z=1993-01-01&g=1993-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005345&artikel=2&z=1993-01-01&g=1993-01-01) genoemde tijdstippen de tarieven van de accijns bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel C, onder 1°, onderscheidenlijk onderdeel D, van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) van tabaksfabrikaten (**Stb.** 1964, 208) dan wel, indien de [Wet op de accijns](https://wet"},{"i":7068,"b":"Overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en IJsland, anderzijds, betreffende de deelname van IJsland aan de gezamenlijke nakoming van de verbintenissen van de Unie, haar lidstaten en IJsland voor de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering De Europese Unie (hierna ook „de Unie” genoemd), het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, enerzijds en IJsland anderzijds (hierna „de partijen” genoemd), Herinnerend aan het volgende: In de gemeenschappelijke verklaring van 8 december 2012 in Doha is bepaald dat de gekwantificeerde verbintenissen inzake emissiebeperking en -reductie voor de Unie, haar lidstaten, Kroatië en IJsland, voor de tweede verbintenisperiode van het [Protocol van Kyoto](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001538) gebaseerd zijn op de veronderstelling dat deze verbintenissen gezamenlijk zullen worden nagekomen in overeenstemming met [artikel 4 van het protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001538&artikel=4), dat [artikel 3, lid 7 ter, van het Protocol van Kyoto](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001538&artikel=3) zal worden toegepast op de gezamenlijke toegewezen hoeveelheid uit hoofde van de overeenkomst inzake de gezamenlijke nakoming door de Europese Unie, haar lidstaten, Kroatië en IJsland, en dat het niet op"},{"i":7428,"b":"Wet van 29 november 2000 tot wijziging van de regeling van de productenaansprakelijkheid in het Burgerlijk Wetboek in verband met uitbreiding tot landbouwproducten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289) dient te worden aangepast aan [richtlijn nr. 1999/34/EG](31999L0034) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 mei 1999 tot wijziging van [richtlijn 85/374/EEG](31985L0374) van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PbEG L141/20); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel II Op de aansprakelijkheid van producenten terzake van voor het in werking treden van deze wet in het verkeer gebrachte producten, is het tot dat tijdstip geldende recht van toepassing. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5885,"b":"Tijdelijke regeling van de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering van 14 juni 2024 nr. 2024-0000349322, houdende subsidie maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor het Caribisch deel van het Koninkrijk **Handelende in overeenstemming met de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Financiën, de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister voor Klimaat en Energie en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;** Gelet op de[artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3) en [4, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=7), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14), en [20 van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=20); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **Caribisch deel van het Koninkrijk:** Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten; - **gemeenschap:** de nazaten van tot slaaf gemaakten en de groep mensen met wie ze op basis van gedeelde kenmerken, belangen of een gevoel van saamhorigheid verbonden zijn; - **initiatieven:** projecten als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049977&artikel=5&z=2025-11-01&g=2025-11-01); - **minister:** Minister van Binnenlandse Zak"},{"i":6660,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/A&Z/2005/86698, houdende wijziging van de Subsidieregeling kinderopvang Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3) en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling kinderopvang. Artikel II Ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling verleende subsidies blijft de [Subsidieregeling kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018209), zoals deze voor bedoeld tijdstip luidde, van toepassing op de financiële afwikkeling van die subsidies. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de daarbij behorende toelichting en bijlage in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7299,"b":"Wet van 19 oktober 1998 tot verhoging van de grens van de bevoegdheid van de kantonrechters en van de appellabiliteit van vonnissen van deze rechters in burgerlijke zaken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de grens van de bevoegdheid van de kantonrechters en van de grens van de appellabiliteit van vonnissen van deze rechters in burgerlijke zaken te verhogen, en dat het derhalve nodig is de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830), het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten aan te passen alsmede een regel van overgangsrecht tot stand te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. ARTIKEL II Wijzigt Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL III Wijzigt de Pachtwet. ARTIKEL IV Wijzigt de Jachtwet. ARTIKEL V Wijzigt de Waterstaatswet 1900. ARTIKEL VI De bepalingen van deze wet zijn niet van toepassing op zaken die door het uitbrengen van een inleidende dagvaarding zijn aangevangen vóór de dag waarop deze wet in werking treedt, ook als in die zaken na die dag hoger beroep wordt ingesteld. ARTIKEL VII Indien het bij [koninklijke boodschap van 12 mei 1993 ingediende voorstel van wet houdende regels ter bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten (Flora- en faunawet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640) op het in [artikel VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009949&artikel=VIII&z=1999-01-01&g=1999-01-01) bedoelde tijdstip tot wet is verheven en in werking is getreden, komt artikel IV van het onderhavige wetsvoorstel te vervallen. ARTIKEL VIII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,"},{"i":6710,"b":"Wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Mediawet in verband met het bevorderen van een gezamenlijke strategie en duidelijke regie met betrekking tot de programmering van de landelijke publieke omroep, alsmede het aanbrengen van een helderder afbakening tussen toezicht, bestuur en professionele werkprocessen binnen de organisatie van de landelijke publieke omroep Artikel I Wijzigt de Mediawet. Artikel II De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht, bedoeld in [artikel 18a, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=18a), worden in afwijking van het derde lid van genoemd artikel voor de eerste maal benoemd voor een termijn die eindigt op 1 september 2008. Onze Minister kan deze termijn met ten hoogste twee jaren verlengen. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel I, onderdeel T](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018610&artikel=I&z=2006-10-06&g=2006-10-06), dat in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. [Artikel I, onderdeel AA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018610&artikel=I&z=2006-10-06&g=2006-10-06), werkt terug tot en met 31 december 2003. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Mediawet te wijzigen in verband met het bevorderen van een gezamenlijke strategie en duidelijke regie met betrekking tot de programmering van de landelijke publieke omroep, alsmede het aanbrengen van een helderder afbakening tussen toezicht, bestuur en professionele werkprocessen binnen de organisatie van de landelijke publieke omroep; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,"},{"i":7405,"b":"Wet van 14 mei 1998, houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en van enige andere wetten (Flexibiliteit en zekerheid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de flexibiliteit in het arbeidsbestel te vergroten met handhaving van een adequaat beschermingsniveau voor werknemers, alsmede de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming voor de opzegging van een arbeidsverhouding toe te kennen aan de Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en in verband daarmee het Burgerlijk Wetboek, het [Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002014) en enige andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL II Wijzigt het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. ARTIKEL IV Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. ARTIKEL V Wijzigt de Wet melding collectief ontslag. ARTIKEL VI Wijzigt de Werkloosheidswet. ARTIKEL VII Wijzigt de Uitvoeringswet Europees Verdrag inzake rechtspositie migrerende werknemers. ARTIKEL VIII Wijzigt de Wet van 14 september 1995 houdende bijzondere bepalingen voor handelsvertegenwoordigers (Stb. 506). ARTIKEL IX Wijzigt de Wet van 11 september 1991 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de ontslagbescherming van buitenlandse werknemers (Stb. 1991, 473). ARTIKEL X Wijzigt de Wet van 23 december 1992, houdende enkele correcties in de Pensioen- en spaarfondsenwet en in enige andere wetten (Stb. 1993, 15). ARTIKEL XI Wijzigt de Wet op de Europese ondernemingsraden. ARTIKEL XII Wijzigt de Faillissementswet. ARTIKEL XIII Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. ARTIKEL XIV Wijz"},{"i":7294,"b":"Wet van 18 december 1991, tot intrekking van de Eenvormige wet inzake de internationale koop van roerende lichamelijke zaken en de Eenvormige wet inzake de totstandkoming van internationale koopovereenkomsten betreffende roerende lichamelijke zaken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Eenvormige wet inzake de internationale koop van roerende lichamelijke zaken en de Eenvormige wet inzake de totstandkoming van internationale koopovereenkomsten betreffende roerende lichamelijke zaken in te trekken en in verband daarmee enige voorzieningen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De Eenvormige wet inzake de internationale koop van roerende lichamelijke zaken (**Stb.** 1971, 780) en de Eenvormige wet inzake de totstandkoming van internationale koopovereenkomsten betreffende roerende lichamelijke zaken (**Stb.** 1971, 781) worden ingetrokken. 2. De Eenvormige wet inzake de internationale koop van roerende lichamelijke zaken blijft van toepassing op overeenkomsten die voor 1 januari 1992 zijn gesloten. 3. De Eenvormige wet inzake de totstandkoming van internationale koopovereenkomsten betreffende roerende lichamelijke zaken blijft van toepassing wanneer het voorstel tot het sluiten van de overeenkomst voor 1 januari 1992 is gedaan. Artikel 2 Indien ingevolge enige regel van internationaal privaatrecht Nederlands recht van toepassing is op een internationale koop van roerende zaken in de zin van het op 11 april 1980 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken (**Trb.** 1981, 184), is dat verdrag van toepassing. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1992. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en d"},{"i":6717,"b":"Wet van 17 juni 2004 tot wijziging van de Provinciewet en de Gemeentewet in verband met aanpassing van de procedure tot benoeming van de commissaris van de Koning en de burgemeester en in verband met het tijdelijk verruimen van de periode gedurende welke ontheffing van het woonplaatsvereiste van de burgemeester mogelijk is Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de benoemingsprocedure van de commissaris van de Koning en de burgemeester op het punt van de openbaarheid van de aanbeveling te wijzigen en dat het tevens wenselijk is de periode gedurende welke ontheffing van het woonplaatsvereiste van de burgemeester mogelijk is, tijdelijk te verruimen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Provinciewet. Artikel II Wijzigt de Gemeentewet. Artikel III In afwijking van [artikel 71, tweede lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=71) kan de raad de burgemeester die in de periode 1 juni 2003 tot 1 mei 2006 is benoemd dan wel wordt benoemd, tot 1 mei 2007 ontheffing dan wel aanvullende ontheffing verlenen van de verplichting om de werkelijke woonplaats in de gemeente te hebben. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7403,"b":"Wet van 21 april 2011 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet ter implementatie van Richtlijn 2009/44/EG van het Europees Parlement en de Europese Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft (PbEU L 146/37) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat [Richtlijn 2009/44/EG](32009L0044) van het Europees Parlement en de Europese Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van [Richtlijn 98/26/EG](31998L0026) betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en [Richtlijn 2002/47/EG](32002L0047) betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft (PbEU L 146/37) dient te worden omgezet) in Nederlands recht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Faillissementswet. Artikel Ia Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III A. Een systeem dat als zodanig is aangemerkt voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft dit voor de toepassing van de gewijzigde versie van de richtlijn 2009/44/EG van het Europees Parlement en de Europese Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft. B. Een overboekingsopdracht die in een systeem is ingevoerd v"},{"i":6755,"b":"Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met de invoering van een verbod op dienstverrichting door derdelandverzekeraars Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) op het gebied van dienstverrichting naar Nederland door levens- en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is in overeenstemming te brengen met artikel 162 van [richtlijn 2009/138/EG](32009L0138) van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU 2009, L 335) door invoering van een verbod op dienstverrichting; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II 1. Het is een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet toegestaan om in afwijking van [artikel 2:45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:45), onderscheidenlijk [artikel 2:46, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:46) het verzekeringsbedrijf uit te oefenen, indien hij: - a. op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bevoegd was het verzekeringsbedrijf uit te oefenen via het verrichten van diensten naar Nederland; en - b. binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze wet een volledige aanvraag voor een vergunning op grond van [artikel 2:27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:27), dan wel [artikel 2:40, ee"},{"i":6753,"b":"Wet van 23 maart 2016 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van richtlijn nr. 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PbEU 2014, L 60/34) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [richtlijn nr. 2014/17](32014L0017)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de [Richtlijnen 2008/48/EG](32008L0048) en [2013/36](32013L0036)/EU en Verordening (EU) [nr. 1093/2010](32993L2010) (PbEU 2014, L [60/34](31960L0034)) welke voorziet in de harmonisatie van bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen, in Nederland dient te worden geïmplementeerd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel IV [Artikel 1:20 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:20) zoals dat artikel luidde op het moment voor inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op overeenkomsten inzake hypothecair krediet die vóór 21 maart 2016 zijn gesloten. Artikel V Wijzigt de Overgangswet nieuw Burge"},{"i":6862,"b":"Besluit burgerlijke stand BES Hoofdstuk 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand, de registers van de burgerlijke stand, de akten en de dubbelen, de latere vermeldingen, de afschriften en uittreksels en de in verband met het opmaken van bepaalde akten over te leggen bescheiden Afdeling 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand Artikel 1 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand en de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand verrichten hun ambtsbezigheden in het bureau van de burgerlijke stand. 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand en de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand kunnen ook elders binnen het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba ambtsbezigheden verrichten voor zover daartoe gewichtige redenen bestaan. Artikel 2 Het bestuurscollege wijst, voor zoveel nodig, de ambtenaar van de burgerlijke stand aan die belast is met de leiding van de dienst. Artikel 3 Het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba verschaft de ambtenaren van de burgerlijke stand kantoorruimte alsmede alle materiële voorzieningen welke voor een behoorlijke uitoefening van hun taak vereist zijn. Het bezoldigt voorts het personeel nodig om de ambtenaren van de burgerlijke stand bij te staan. Artikel 4 Het personeel, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028607&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=3&z=2022-04-01&g=2022-04-01), wordt, de ambtenaren van de burgerlijke stand gehoord, door het bestuurscollege benoemd en ontslagen. Het ontvangt van de ambtenaar van de burgerlijke stand, onder wiens leiding het zijn werkzaamheden verricht, zijn instructie en is aan hem of de ambtenaar die hem vervangt, onmiddellijk ondergeschikt. Artikel 5 De ambtenaar van de burgerlijke stand verricht, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten, onverwijld de werkzaamheden vereist voor het houden der registers. Afdeling 2. De registers van de burgerlijke stand en de dubbelen van de akten Artikel 6 1. De registers van de burgerlijke stand zijn losbladig."},{"i":6769,"b":"Wet van 14 december 1995, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 ter uitvoering van de Richtlijn inzake de depositogarantiestelsels Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet toezicht kredietwezen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792) te wijzigen ter uitvoering van [richtlijn 94/19/EG](31994L0019) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (**PbEG** L 135); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II De ingevolge [artikel 84 van de Wet toezicht kredietwezen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792&artikel=84) geldende garantieregeling blijft van toepassing op een kredietinstelling die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder **b**, is geregistreerd, totdat de minister van Financiën ten aanzien van die kredietinstelling een besluit heeft genomen als bedoeld in het derde lid van dat artikel, doch uiterlijk tot 1 januari 1996. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7284,"b":"Wet van 13 oktober 1950, houdende regelen met betrekking tot de aansprakelijkheid van de Overheid voor handelingen, verricht tijdens of ten gevolge van de bezetting Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, regelen te stellen met betrekking tot de aansprakelijkheid van de Overheid voor handelingen, verricht tijdens of tengevolge van de bezetting, alsmede enige andere gevolgen van de bezetting te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De Staat en de overige publiekrechtelijke lichamen zijn niet gebonden door overeenkomsten, in bezet gebied van Nederland gesloten, indien deze overeenkomsten ingevolge een verklaring van de rechter, bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002065&artikel=7&z=2021-04-01&g=2021-04-01), niet rechtstreeks zijn voortgevloeid uit des bezetters verplichting tot het herstel of de verzekering van de openbare orde en het openbare leven, noch feitelijk hiertoe strekten of hebben bijgedragen. 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op overeenkomsten van geldlening waarbij het recht van de schuldeiser blijkt uit een schuldbrief aan toonder of uit een inschrijving in een Grootboek der Nationale Schuld. Artikel 2 De Staat en de overige publiekrechtelijke lichamen zijn niet aansprakelijk voor de betaling van schadeloosstelling wegens vordering of onteigening, in bezet gebied van Nederland gedaan, indien deze vordering of onteigening ingevolge een verklaring van de rechter, bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002065&artikel=7&z=2021-04-01&g=2021-04-01), niet rechtstreeks is voortgevloeid uit des bezetters verplichting tot het herstel of de verzekering van de openbare orde en het openbare leven, noch feitelijk hiertoe strekte of heeft bijgedragen. Artik"},{"i":7321,"b":"Besluit van 2 juni 2004, houdende wijziging van het Besluit personenvervoer 2000 in verband met de invoering van het vereiste van vakbekwaamheid voor de taxibestuurder Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 december 2003, nr. HDJZ/S&W/2003-2841, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 104 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=104); De Raad van State gehoord (advies van 2 februari 2004, nr. W09.03.0525/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 25 mei 2004, nr. HDJZ/S&W/2004-1178, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit personenvervoer 2000. Artikel II 1. [Artikel 76, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=76) is niet van toepassing op de bestuurder die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in het bezit is van een geldige chauffeurspas en ten genoegen van Onze Minister aantoont te beschikken over een praktische ervaring van ten minste drie jaar in het besturen van een taxi. 2. Chauffeurspassen die zijn afgegeven op basis van [artikel 76 van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=76), zoals dat artikel luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en een geldigheidstermijn hebben die afloopt na 1 januari 2006, behouden hun geldigheid voor de duur van de termijn waarvoor ze zijn afgegeven, mits de bestuurder vóór 1 januari 2006 voldoet aan [artikel 76, eerste lid, onder d, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=76). Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6797,"b":"Aanpassing voorschriften ingevolge het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel v.w.b. de maximum verrekeningsbedragen voor verwarming e.d Inleiding In deze circulaire worden de maximale verrekeningsbedragen voor verwarming, energie en water bekendgemaakt en de huurwaarde voor dienstwoningen, die per 1 juli 2011 van toepassing zijn. Voor de ambtenaar voor wie al inhoudingen op grond van het [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632) plaatsvinden, worden de wijzigingen automatisch toegepast. Verhoging van de economische huurwaarde van dienstwoningen De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn voor de uitvoering van [artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), dienen per 1 juli 2011 met 1,3% te worden verhoogd. Deze verhoging is vastgesteld in overeenstemming met de Belastingdienst. Woningen die op of na 1 juli 2010 gereed zijn gekomen, vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 1,3%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. Maximale bedragen voor verwarming, energie en water De bedragen, die de ambtenaar maximaal verschuldigd is voor het genot van verwarming, energie en leidingwater genoemd in [artikel 3, eerste lid, onder b tot en met e, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), wijzigen op de gebruikelijke wijze aan de hand van de consumentenprijsindex over de periode van april 2010 tot en met maart 2011. Kilometervergoeding voor privé-gebruik dienstauto Het verschuldigde bedrag"},{"i":7324,"b":"Besluit van 1 december 1999 tot verhoging van de grensbedragen, genoemd in de artikelen 396 lid 1 en 397 lid 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 14 oktober 1999, no. 793681/99/6 Gelet op de artikelen 11, 12 en 27 van de vierde [richtlijn nr. 78/660/EEG](31978L0660) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PbEG L 222), zoals gewijzigd door [richtlijn nr. 99/60/EG](31999L0060) van de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 (PbEG L 162), welke wijziging betrekking heeft op een herziening van de in ecu uitgedrukte bedragen; Gelet op [artikel 398 lid 4 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=398); De Raad van State gehoord, advies van 5 november 1999, no. W03.99.0518/l; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 23 november 1999, nr. 805090/99/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Wijzigt boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2 Wijzigt boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 3 De bepalingen van dit besluit zijn voor het eerst van toepassing op de jaarrekening, het bestuursverslag en de daaraan toe te voegen overige gegevens over het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2000. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7506,"b":"Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens 2018 Besluit: Artikel 1. Definities IIIn dit besluit wordt verstaan onder: - a. **UWV:** het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [Hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. **dagloon:** het dagloon, bedoeld in het [Dagloonbesluit werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033471); - c. **gemiddeld aantal arbeidsuren:** het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek als bedoeld in [artikel 16, tweede lid, Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16); - d. **arbeidsverleden:** de kalenderjaren op basis waarvan de uitkeringsduur wordt bepaald, zoals bedoeld in [artikel 42 WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42) en [artikel 15 WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=15); - e. **wekeneis:** het aantal kalenderweken dat de werknemer gewerkt moet hebben, om in aanmerking te komen voor het recht op uitkering, zoals bedoeld in [artikel 17 WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=17) en [artikel 58 WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=58); - f. **verrekenen van inkomsten:** het geheel of gedeeltelijk niet uitbetalen van uitkering als bedoeld in de [artikelen 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=44), [artikel 58 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=58) en [artikel 3:48 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:48) en het korten van inkomen als bedoeld in de [artikelen 31 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=31), [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=21), [52](https://wetten.overhe"},{"i":1866,"b":"Wet van 15 december 1995, houdende vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het belang van de werkgelegenheid maatregelen te treffen ter vermindering van bepaalde loonkosten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. inhoudingsplichtige: hetgeen daaronder wordt verstaan voor de heffing van de loonbelasting; - b. loontijdvak: hetgeen daaronder wordt verstaan voor de heffing van de loonbelasting; - c. loon: loon in de zin van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471), verminderd met daarin begrepen: - 1°. loon uit vroegere dienstbetrekking; - 2°. loon ter zake waarvan de belasting ingevolge [artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31) wordt geheven van de inhoudingsplichtige; - d. vervallen; - e. aangiftetijdvak: het tijdvak waarover krachtens [artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=19) de loonbelasting moet worden betaald; - f. vervallen; - g. vervallen; - ga. vervallen; - h. zeeschip: een schip ten aanzien waarvan de [Wet bemanning zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681) van toepassing is, dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren en dat in het kader van een onderneming grotendeels op zee wordt geëxploiteerd voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee, het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdom"},{"i":6811,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 juni 2021 tot wijziging van de Omgevingsregeling vanwege het opnemen van regels over landinrichting, onteigening en kostenverhaal en tot wijziging en intrekking van enige andere regelingen (Aanvullingsregeling grondeigendom Omgevingswet) Handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 12.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=12.26), [13.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=13.21) en [16.139, derde lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.139); BESLUITEN: Hoofdstuk 1. Aanvulling en wijziging [Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528) Artikel 1.1. ([Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528)) Wijzigt de Omgevingsregeling. Hoofdstuk 2. Intrekking regelingen Artikel 2.1. (intrekken regelingen) De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Regeling herverkaveling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016895); - b. [Regeling inrichting landelijk gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020800); - c. [Regeling uitgiftevoorwaarden grondbankstelsel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003558); en - d. [Regeling uitkeringen beperkingengebied Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015341). Hoofdstuk 3. Overgangsrecht § 3.1. Overgangsbepaling [Regeling uitkeringen beperkingengebied Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015341) Artikel 3.1. (uitkering ter bestrijding van kosten) Als voor de inwerkingtreding van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) een aanvraag om een uitkering als bedoeld in de [Regeling uitkeringen beperkingengebied Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015341) is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk"},{"i":7433,"b":"Wet van 7 april 2011 tot wijziging van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (wettelijke grondslag verschillende waardering energieprestaties huurwoningen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is een wettelijke grondslag te creëren voor het bij algemene maatregel van bestuur stellen van regels omtrent de waardering van de energieprestatie van huurwoningen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel aIa In de [artikelen IA tot en met IE](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029908&artikel=Ia&z=2014-01-01&g=2014-01-01) wordt verstaan onder: - a. **huurcommissie:** huurcommissie als bedoeld in [artikel 3a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - b. **huurprijs:** huurprijs als bedoeld in [artikel 7: 237, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=237); - c. **zelfstandige woning:** zelfstandige woning als bedoeld in [artikel 7: 234 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=234). Artikel Ia De op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029908&artikel=I&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van deze wet bij de huurcommissie aanhangige verzoeken als bedoeld in [artikel 9a, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=9a), zoals dat lid laatstelijk luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Aa, van deze wet, worden behandeld met toepassing van dat lid, zoals dat laatstelijk luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Aa, van deze wet. Artikel Ib Vervallen Artikel Ic Vervallen Artikel Id"},{"i":7297,"b":"Wet van 11 december 2023 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek in verband met het afschaffen van tijdelijke huurcontracten (Wet vaste huurcontracten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om tijdelijke huurcontracten af te schaffen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel Ia Wijzigt de Faillissementswet. Artikel Ib Wijzigt de Leegstandwet. Artikel Ic Wijzigt de Woningwet. Artikel II Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel IIa Wijzigt de Wet goed verhuurderschap. Artikel III Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet vaste huurcontracten. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7286,"b":"Wet van 23 april 1879, tot regeling der heffing van regten wegens de verrigtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat de heffing van regten wegens de verrigtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand regeling vordert; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Geene gelden mogen worden geheven ter zake van het opmaken van akten of andere verrigtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand, behalve in de gevallen en op de wijze bij of krachtens deze wet voorzien. Artikel 2 1. Er is een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen recht verschuldigd - a. voor elk afschrift van een akte van de burgerlijke stand als bedoeld in [artikel 23b, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=23b); - b. voor elk uittreksel als bedoeld in [artikel 23b, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=23b); - c. voor elke verklaring van huwelijksbevoegdheid als bedoeld in [artikel 49a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=49a); - d. voor elke attestatie de vita, als bedoeld in [artikel 19k van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=19k) en - e. voor elk meertalig uittreksel uit een akte van de burgerlijke stand; - f. voor elk meertalig modelformulier als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/1191 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de bevordering van het vrije verkeer van burgers door vereenvoudigde overlegging van bepaalde openbare documenten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening nr. 1024/2012 (PbEU 2016, L 200). Afschr"},{"i":7314,"b":"Besluit van 9 december 2009 tot wijziging van het Besluit etikettering energiegebruik personenauto’s in verband met de vaststelling van de constanten en waarden voor bepaling van de referentie CO2-uitstootnorm voor de etikettering van personenauto’s Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 21 september 2009, nr. WJZ / 9153805, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Gelet op [richtlijn nr. 1999/94/EG](31999L0094) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto’s (PbEG 2000, L 12), en op [artikel 6 van de Wet energiebesparing toestellen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003916&artikel=6); De Raad van State gehoord (advies van 30 september 2009, nr. W10.09.0379/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 4 december 2009, nr. WJZ / 9197019, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit etikettering energiegebruik personenauto's. Artikel II Voor 2010 en 2011 gelden de constanten en waarden die daartoe door de RDW zijn bekendgemaakt met inachtneming van de wijze van berekening, bedoeld in [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026878&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), in plaats van de in 2009 vastgestelde constanten en waarden op grond van [bijlage 4, onderdeel II, van het Besluit etikettering energiegebruik personenauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&bijlage=4) zoals die luidde op het tijdstip voor de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden g"},{"i":7483,"b":"Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (Aanwijzing wet justitiële en strafvorderlijke gegevens) I. Samenvatting Deze aanwijzing geeft aan in welke gevallen, onder welke voorwaarden en aan wie het Openbaar Ministerie informatie kan verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden. De aanwijzing is een uitwerking van [titel 2A van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&titeldeel=2A) (Wjsg) met uitsluiting van het beheer van strafvorderlijke gegevens zoals bedoeld in [artikel 39a lid 2 Wjsg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=39a). Voor de verstrekking binnen de strafrechtspleging geldt onverminderd hetgeen hierover is bepaald in onder andere [artikel 39e Wjsg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=39e) en het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903). II. Bevoegdheid en mandaatverlening Het College van procureurs-generaal is de ‘verantwoordelijke’ voor de verwerking van strafvorderlijke gegevens ([art. 39a lid 1 Wjsg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=39a)). Dat betekent dat het College verantwoordelijk en beslissingsbevoegd is voor alle verstrekkingen. Het College mandateert de bevoegdheden zoals gegeven in [titel 2A van de Wjsg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&titeldeel=2A) tot het verwerken van strafvorderlijke en justitiële gegevens aan de hoofden van de parketten, het hoofd van de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal, de directeur van de Dienstverleningsorganisatie Openbaar Ministerie en de directeur van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie. Mandaat voor de beslissing op bezwaarschriften wordt enkel verleend aan het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal. Mandaat tot het behandelen van beroepschriften wordt verleend aan de medewerkers van de afdeling Bestu"},{"i":6725,"b":"Wet van 22 november 2012 tot wijziging van de Wet bodembescherming met het oog op het terugbrengen van de administratieve en bestuurlijke lasten en enkele verbeteringen van de uitvoering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is dat de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) op korte termijn wordt aangepast met het oog op het terugbrengen van de administratieve en bestuurlijke lasten en enkele verbeteringen van de uitvoering; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bodembescherming. Artikel II Wijzigt de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel V Op een beperkingenbesluit als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, onder 2°, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016876&artikel=1), blijft de [Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016876) van toepassing zoals die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032394&artikel=II&z=2013-07-01&g=2013-07-01) van deze wet luidde, voor zover de uit dat beperkingenbesluit voortvloeiende publiekrechtelijke beperking onmiddellijk voor dat tijdstip nog van kracht was. Artikel VI Na de inwerkingtreding van deze wet berust het [Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007044) op [artikel 28, zesde lid, van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=28). Artikel VII De artikelen van deze wet treden in werking o"},{"i":6664,"b":"Regeling van 14 april 2004, nr. DJZ/BR/0185-04, tot wijziging van de subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken met betrekking tot subsidiëring van thematische organisaties voor ontwikkelingssamenwerking (Thematische medefinanciering) Gelet op [artikel 3, eerste en tweede lid, van de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010178&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken. Artikel II Op voor inwerkingtreding van deze regeling op grond van [hoofdstuk II, afdeling 3, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&afdeling=3) verleende subsidies, blijft de de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173) zoals luidend voor inwerkingtreding van deze regeling van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6822,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 1 september 2003, nr. IAZ2003/707M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Afdeling Bewindvoering (juni 1945) / Afdeling Juridische Zaken en Bewindvoering (juli 1945) / Directie Bewindvoering (1951 van de administratie) / Algemeen beheer der Generale Thesaurie (1940) 1945–1954 (1965) (Archiefregeling voor de archieven van de voormalige afdeling/directie Bewindvoering, afdeling Juridische Zaken en Bewindvoering van het Ministerie van Financiën) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gelet op het advies van de directeur van het Nationaal Archief over de beperkingen voor de openbaarheid van archieven van 21 oktober 2002 met het kenmerk C/V/02/3485; Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Afdeling Bewindvoering (juni 1945) / Afdeling Juridische Zaken en Bewindvoering (juli 1945) / Directie Bewindvoering (1951 van de administratie) / Algemeen beheer der Generale Thesaurie (1940) 1945–1954 (1965) de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 18, 26, 30, 32, 41, 44, 49, 51, 60, 62, 64–67, 73, 76, 77, 80, 87, 89, 96, 102, 111, 116, 118, 121, 139, 142–149, 156–159a, 160, 161, 163, 169, 204, 206, 222, 226, 228, 236, 238, 266–269, 272, 277–279,"},{"i":6845,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 29 november 2024, nr. 89968218, houdende algemeen belang besluit pilot stimulering vezelteelten Overwegende dat een opdracht wordt verstrekt aan het Nationaal Groenfonds voor de uitvoering van een pilot, waarbij het Nationaal Groenfonds koopovereenkomsten met boeren aangaat. In deze overeenkomst ligt vast dat de boer een geldbedrag ontvangt, met als voorwaarde dat deze later (na het oogsten van de vezelgewassen en het laten verwerken tot bouwmateriaal) koolstofcertificaten (Dutch construction stored carbon credits) levert aan het Nationaal Groenfonds. Het Nationaal Groenfonds zal, zodra de boeren koolstofcertificaten hebben geleverd, deze koolstofcertificaten op een later moment weer verkopen op de markt. Met deze activiteit betreedt het Nationaal Groenfonds de private markt van koolstofcertificaten, en voert daarmee een economische activiteit uit in de zin van de [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691); Gezien het algemeen belang van stimulering teelt biobased gewassen, mede in kader van het klimaatbeleid en de Kaderrichtlijn Water, is het noodzakelijk en proportioneel dat het Nationaal Groenfonds koolstofcertificaten kan in- en verkopen. Zonder deze stimulans voor boeren zal de teelt van biobased gewassen waarschijnlijk nauwelijks toenemen, aangezien het verdienmodel van boeren dan tekort schiet. De verkoop van koolstofcertificaten is noodzakelijk om met het beperkte overheidsbudget te zorgen voor blijvende ondersteuning van boeren, en langjarig perspectief; **Besluit:** Artikel 1 De volgende economische activiteiten wordt aangewezen als activiteiten, die plaatsvinden in het algemeen belang als bedoeld in [artikel 25h, vijfde en zesde lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25h): - a. het door middel van een aanbestedingsprocedure verhandelen van koolstofcertificaten door het Groenfonds om de markt voor Biobased bo"},{"i":5917,"b":"Toepassing toezicht op toegelaten instellingen (BBSH) Geacht college/bestuur, Inleiding Op 28 juni 1999 heb ik de Tweede Kamer schriftelijk (TK 98/99 24508, nr. 52) geïnformeerd over de wijze waarop ik in de periode tot aan de eventueel uit de Nota wonen in de 21e eeuw voortvloeiende nieuwe regelgeving toezicht wil houden op de werkzaamheden van de toegelaten instellingen (t.i.). De fundamentele discussie over de taak en plaats van t.i.’s zal plaatsvinden in het kader van de Nota wonen in de 21e eeuw. In de interimfase – tussen huidige regelgeving en de conclusies naar aanleiding van de Nota Wonen – wil ik een toezichtsbeleid voeren dat geen onnodige belemmeringen opwerpt om adequaat in te spelen op de marktveranderingen, maar anderzijds ook geen precedenten schept die de beslissingsmarge na de toekomstdiscussie nu al te zeer oprekt. Met deze circulaire informeer ik u over de wijze van toepassing van het toezicht in de interimfase. Samengevat komt dit neer op een beleid dat weliswaar op de inhoud ruimer is dan de formele speelruimte die het [BBSH](onbekend) geeft, maar een beoordelingskader kent dat vooraf een oordeel geeft over bepaalde voorgenomen activiteiten. Toezicht op de toegelaten instellingen 1. Aanleiding a. Huidige [BBSH](onbekend) In het [Besluit beheer sociale-huursector](onbekend) (BBSH), laatstelijk gewijzigd per besluit van 17 december 1998 (Stb. 1998 nr. 722), is vastgelegd dat t.i.’s uitsluitend werkzaam zijn op het gebied van de volkshuisvesting, verbijzonderd in de volgende prestatievelden: het betaalbaar huisvesten van de doelgroep, het zorgdragen voor de kwaliteit van het woningbezit, het betrekken van bewoners(organisaties) bij beleid en beheer, de continuïteit op financieel terrein en de leefbaarheid (het laatste prestatieveld is toegevoegd in 1997). Bovengenoemde prestatievelden worden ook wel aangeduid als de kerntaken of kernactiviteiten van de t.i.. Met name door de toevoeging van het prestatieveld leefbaarheid is het werkterrein van de c"},{"i":6686,"b":"Wet van 26 april 1995, tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht alsmede nadere aanpassing van een aantal wetten aan de Algemene wet bestuursrecht (Leemtewet Awb) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het na de invoering van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) wenselijk is gebleken de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) en een aantal andere wetten op een aantal punten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) c.a. Artikel 1.I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 1.II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 1.III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 1.IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 1.V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 1.VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 1.VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk 2. Ministerie van Justitie Artikel 2.I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.XIV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2.XV"},{"i":6821,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 1 september 2003, nr. IAZ2003/710M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het archief, van de Beheerder van Nederlandsche eigendommen later de afdeling beheer van Nederlandsche eigendommen ressorterend onder het bureau van de Financiële Raad van de ambassade der Nederlanden te Londen 1940–1959 (Archiefregeling van de Beheerder van Nederlandsche eigendommen later de afdeling beheer van Nederlandsche eigendommen ressorterend onder het bureau van de Financiële Raad van de ambassade der Nederlanden te Londen) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gelet op het advies van de directeur van het Nationaal Archief over de beperkingen voor de openbaarheid van archieven van 21 oktober 2002 met het kenmerk C/V/02/3485; Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Beheerder van Nederlandsche eigendommen later de afdeling beheer van Nederlandsche eigendommen ressorterend onder het bureau van de Financiële Raad van de ambassade der Nederlanden te Londen 1940–1959 de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 1–57, 62, 202, 204, 246, 265, 247, 277, 279, 293, 298, 308, 309, 314, 316, 319, 326, 347, 352, 359, 377 is slechts mogelijk na ondertekening door de v"},{"i":6682,"b":"Wet van 14 juni 2001 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en de Waterschapswet met betrekking tot gedeputeerden, wethouders en waterschapsbestuurders Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het facultatieve karakter van de bepalingen in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers met betrekking tot gedeputeerden en wethouders op te heffen en die wet van overeenkomstige toepassing te doen zijn op leden van het dagelijks bestuur van een waterschap; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 25 maart 2000. Artikel l Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel ll Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel lll Wijzigt de Waterschapswet. Artikel lV 1. Op een uitkering die op grond van een verordening als bedoeld in [artikel 131 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=131) is toegekend ter zake van een aftreden vóór de inwerkingtreding van deze wet blijft die verordening van toepassing. Gedeputeerde staten onderscheidenlijk burgemeester en wethouders kunnen echter die uitkering ten gunste van de belanghebbende herzien met toepassing van de bepalingen van de in de eerste volzin genoemde wet. 2. Een pensioen dat is toegekend op grond van een verordening als bedoeld in de [vijfde afdeling van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](onbekend) wordt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beschouwd als te zijn toegekend krachtens de [vijfde afdeling van de Algemene pensioenwet politieke](onbekend) ambtsdragers. 3. Het eerste en het tweede lid gelden overeenkomstig voor een uitkering of een pensioen, toegekend op grond van een verorden"},{"i":7307,"b":"Wetboek van Koophandel BES **Algemene bepaling** Artikel 1 Het Burgerlijk Wetboek BES is, voor zover daarvan bij dit Wetboek niet is afgeweken, ook op de in dit Wetboek behandelde onderwerpen toepasselijk. boek Eerste. van de koophandel in het algemeen titel Tweede. Van enige soorten van vennootschap afdeling Eerste. Algemene bepaling Artikel 10 De in deze titel genoemde vennootschappen worden geregeerd door de overeenkomsten van partijen, door dit Wetboek en door het burgerlijk recht. afdeling Tweede. Van de vennootschap onder een firma en van die bij wijze van geldschieting of en commandite genaamd Artikel 11 De vennootschap onder een firma is de maatschap, tot de uitoefening van een bedrijf onder een gemeenschappelijke naam aangegaan. Artikel 12 Iedere vennoot, die daarvan niet is uitgesloten, is bevoegd ten name van de vennootschap te handelen, gelden uit te geven en te ontvangen, en de vennootschap aan derden en derden aan de vennootschap te verbinden. Artikel 13 Handelingen, welke niet tot de vennootschap betrekkelijk zijn of tot welke de vennoten volgens de overeenkomst niet bevoegd zijn, worden onder de bepaling van [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028278&boek=Eerste&titeldeel=Tweede&afdeling=Tweede&artikel=12&z=2025-07-01&g=2025-07-01) niet begrepen. Artikel 14 In een vennootschap onder een firma is iedere vennoot wegens de verbintenissen der vennootschap hoofdelijk verbonden. Artikel 15 De vennootschap bij wijze van geldschieting, anders en commandite genaamd, wordt aangegaan tussen een persoon, of tussen meer dan een hoofdelijk verbonden vennoten, en een of meer andere personen als geldschieters. Artikel 16 Een vennootschap kan alzo tegelijkertijd zijn een vennootschap onder een firma, ten aanzien van de vennoten onder de firma, en een vennootschap bij wijze van geldschieting, ten aanzien van de geldschieter. Artikel 17 1. Behoudens de uitzondering, in het [tweede lid van artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028278&boe"},{"i":7438,"b":"Wet van 23 november 1992, tot wijziging van een aantal sociale verzekeringswetten inzake vrijwillige verzekering voor personen werkzaam in het buitenland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de mogelijkheden van toelating tot de vrijwillige verzekering voor de werknemersverzekeringswetten bij werkzaamheden in het buitenland te verruimen en de bepalingen inzake de vrijwillige verzekering te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI. Overgangsbepalingen 1. het\"het\" moet zijn \"Het\" Landelijk instituut sociale verzekeringen laat, op zijn verzoek, tot de vrijwillige verzekering bedoeld in [Hoofdstuk IV van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&hoofdstuk=IV) (**Stb.** 1987, 88) of tot de vrijwillige verzekering bedoeld in [Hoofdstuk VI van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&hoofdstuk=VI) (**Stb.** 1987, 89) toe de persoon jonger dan 65 jaar, die in Nederland woont en die op de dag waarop deze wet in werking treedt, voldoet aan de voorwaarden bedoeld in [artikel 64, eerste lid, onderdeel **i**, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=64) of [artikel 81, eerste lid, onderdeel **i**, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=81). 2. Een verzoek tot toelating tot de vrijwillige verzekering als bedoeld in het eerste lid dient te worden ingediend binnen twaalf weken na de dag, waarop deze wet in werking treedt."},{"i":7293,"b":"Wet van 14 juni 2001 tot het aanpassen voor het tijdvak van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 van enige huursubsidieparameters, genoemd in de Huursubsidiewet, aan het maximale huurverhogingspercentage en het met ingang van 1 juli 2001 niet aanpassen van de vermogensgrenzen, genoemd in de Huursubsidiewet en de Wet bevordering eigenwoningbezit Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor het tijdvak van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 enige huursubsidieparameters aan te passen met het in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 15 van de Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221&artikel=15), genoemde maximale huurverhogingspercentage, en de vermogensgrenzen, genoemd in de [Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659) en de [Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919), met ingang van 1 juli 2001 niet aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De bedragen die zijn genoemd in de [artikelen 13, eerste lid, onderdelen a en b (maximale huurgrenzen)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13), en [20, eerste en tweede lid (kwaliteitskortingsgrens en aftoppingsgrenzen), van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=20) worden voor het tijdvak dat loopt van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002, in afwijking van [artikel 27, eerste en derde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=27), met ingang van 1 juli 2001 aangepast met het in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 15 van de Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221&artikel=15), genoemde maximale huurverhogingspercentage. Artikel 2 1. De bedragen die"},{"i":6735,"b":"Wet van 27 maart 2018 tot wijziging van de Wet luchtvaart (Omvorming Stichting Airport Coordination Netherlands tot publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat de Stichting Airport Coordination Netherlands wordt omgevormd tot een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel II Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gaan de vermogensbestanddelen van de Stichting Airport Coordination Netherlands onder algemene titel over op ACNL. Artikel III Archiefbescheiden van de Stichting Airport Coordination Netherlands betreffende zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn afgedaan, worden overgedragen aan ACNL voor zover zij niet overeenkomstig de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Artikel IV In wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij de Stichting Airport Coordination Netherlands is betrokken, treedt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ACNL in de plaats van de Stichting Airport Coordination Netherlands. Artikel V 1. Indien het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is gelegen op of na het moment van inwerkingtreding van de [Wet normalisering rechtspositie ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039393), is: - a. ieder personeelslid van Stichting Airport Coordination Netherlands van rechtswege ontslagen en werkzaam bij ACNL op basis van een overeenkomst naar burgerlijk recht met een rechtspositie die in totaliteit ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij Stichting Airport Coordination Netherlands; - b. in"},{"i":6666,"b":"Regeling van de Minister van Asiel en Migratie van 13 januari 2026, nummer 7047164, houdende wijziging van de Subsidieregeling ondersteuning zelfstandig vertrek 2023 (derde wijziging) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en [4 van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=4) en [artikel 2, eerste lid, van het Kaderbesluit overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling ondersteuning zelfstandig vertrek 2023. Artikel II Op subsidies die voor 1 januari 2026 zijn aangevraagd blijft de [Subsidieregeling ondersteuning zelfstandig vertrek 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048465), zoals die luidde voor inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6754,"b":"Wet van 1 december 2011 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met introductie van een meldingsplicht voor bepaalde cash settled instrumenten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) te wijzigen in verband met introductie van een meldingsplicht voor bepaalde cash settled instrumenten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II 1. Een ieder die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, naar hij weet of behoort te weten, beschikt over tenminste vijf procent van het kapitaal in een uitgevende instelling als bedoeld in [artikel 5:33, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:33) doet daarvan binnen vier weken na dat tijdstip melding aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten: - a. indien hij daarvan niet eerder melding heeft gedaan; of - b. indien hij daarvan eerder melding heeft gedaan maar het aantal en de soort aandelen door de inwerkingtreding van deze wet gewijzigd zijn ten opzichte van de laatst gedane melding. 2. De melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan overeenkomstig het [Besluit melding zeggenschap en kapitaal belang in uitgevende instellingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020416). Aan de verplichting op grond van het eerste lid is voldaan indien ter zake van hetzelfde feit een onverwijlde melding is gedaan op grond van de [artikelen 5:38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:38), [5:39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:39), [5:40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":7282,"b":"Wet van 27 juli 1998, houdende regels ter bevordering van het overleg tussen huurders en verhuurder van woongelegenheden (Wet op het overleg huurders verhuurder) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is wettelijke regels te stellen ter bevordering van het overleg tussen huurders van woongelegenheden en de verhuurder daarvan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - b. woongelegenheid: - 1°. woning; - 2°. standplaats als bedoeld in [artikel 1, onder j, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=1); en - 3°. woonwagen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder l, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=1); - c. wooncomplex: een verzameling van ten minste 25 in elkaars nabijheid gelegen woongelegenheden welke financieel, administratief, qua bouwwijze of anderszins een eenheid vormen; - d. verhuurder: een toegelaten instelling als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=19), dan wel een eigenaar van ten minste 25 voor verhuur bestemde woongelegenheden in Nederland, of degene die door die eigenaar gevolmachtigd is namens hem op te treden; - e. huurder: huurder van een woongelegenheid van een verhuurder als bedoeld onder d, welke huurder daarin zijn hoofdverblijf heeft; - f. huurdersorganisatie: vereniging of stichting, die als doelstelling heeft het behartigen van de belangen van huurders en: - 1°. van welke het bestuur wordt gekozen of aangewezen door en uit de huurders die zij vertegenwoordigt; - 2°. die de huur"},{"i":7461,"b":"Wet van 9 december 1999 tot wijziging van de Wet personenvervoer voor het taxivervoer (deregulering taxivervoer) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van marktgerichte verhoudingen en de kwaliteit in het taxivervoer wenselijk is de regels voor het verrichten van taxivervoer fasegewijs te dereguleren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet personenvervoer. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III 1. Tot twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet, behoudens verlenging bij koninklijk besluit op grond van [artikel XIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010955&artikel=XIII&z=2001-01-01&g=2001-01-01), worden vergunningen krachtens de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) slechts verleend voor het verrichten van taxivervoer binnen en vanuit een van de gebieden, zoals die op de datum voor inwerkingtreding van deze wet golden op grond van artikel 57, tweede lid, van de Wet personenvervoer, zoals dat op deze datum luidde. 2. In afwijking van het eerste lid kan een vergunning worden verleend voor een gebied bestaande uit twee of meer van de gebieden bedoeld in het eerste lid. Artikel IV 1. Onze Minister kan tot twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet, behoudens verlenging bij koninklijk besluit op grond van [artikel XIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010955&artikel=XIII&z=2001-01-01&g=2001-01-01), een vergunning voor het verrichten van taxivervoer als bedoeld in de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) weigeren op grond van de vraag naar taxivervoer binnen het gebied waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld over de te hanteren"},{"i":6667,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 mei 2020, nr. WJZ/24500912, houdende vaststelling van de subsidieplafonds van de Subsidieregeling praktijkleren voor het studiejaar 2019–2020, alsmede wijziging van de Subsidieregeling praktijkleren in verband met het invoegen van een voorschotronde en een herziening van de berekeningswijze van het subsidiebedrag voor 2020 Gelet op [artikel 2.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.7),[artikel 4 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4), en [artikel 14, eerste lid, van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=14); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverstrekking op grond van de [Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144) zijn voor het studiejaar 2019–2020 ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar: - a. voor subsidies als bedoeld in [artikel 4 van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=4): € 194.800.000; - b. voor subsidies als bedoeld in [artikel 6 van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=6): € 4.000.000; - c. voor subsidies als bedoeld in [artikel 8 van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=8): € 2.800.000; en - d. voor subsidies als bedoeld in de [artikelen 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=9a), [9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=9c) en [10 van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=10): € 1.300.000. Artikel 2. Wijziging [Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144) Wijzigt de Subsidieregeling praktijkleren. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uit"},{"i":6690,"b":"Wet van 24 januari 2002 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep (kosten bestuurlijke voorprocedures) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een regeling te treffen inzake de vergoeding van de kosten van de bezwaarschriftprocedure en het administratief beroep; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel III [Artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:75), zoals dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing, indien het besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is genomen. Artikel IV [Artikel 13a van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=13a), zoals dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing, indien het besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is genomen. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1867,"b":"Wet van 16 december 2020 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wet vliegbelasting) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is in de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168) een vliegbelasting op te nemen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De lengte van het eerste belastingtijdvak bedraagt negen maanden. Artikel I Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel Ia Wijzigt de Wet minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking. Artikel Ib Onze Minister van Financiën zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de vliegbelasting als bedoeld in [hoofdstuk VII van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&hoofdstuk=VII) in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip, waarbij kan worden bepaald wat de lengte van het eerste belastingtijdvak wordt. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet vliegbelasting. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1868,"b":"Wet van 15 december 1971, houdende voorzieningen met betrekking tot de tijdelijke verhoging of verlaging van belasting op grond van conjuncturele overwegingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele voorzieningen te treffen in verband met tijdelijke verhoging of verlaging van belasting op grond van conjuncturele overwegingen, zowel wat betreft de met ingang van 1 januari 1972 toe te passen verhoging als wat betreft de handhaving van goedkeuring bij de wet van beschikkingen tot verhoging of verlaging; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Krachtens artikel 1 van de Wet tot tijdelijke verhoging of verlaging van belasting op grond van conjuncturele overwegingen (**Stb.** 1970, 605) verhoogt Onze Minister van Financiën de in dat artikel genoemde belastingen met een percentage van vijf en beëindigt hij de verhoging ingevolge zijn beschikking van 30 december 1970, nr. A70/18382 (**Stcrt.** 252), een en ander met ingang van 1 januari 1972. De verhoging blijft achterwege voor de omzetbelasting geheven naar de in artikel 9, eerste lid, en in [artikel 20, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=20) (**Stb.** 329) opgenomen tarieven. Voorts kan verhoging van de in de vorige volzin bedoelde omzetbelasting achterwege blijven bij latere vervanging van het voor de overige belastingen geldende percentage. 2. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verhoging: - a. behoeft niet een termijn van twee maanden tussen het tot stand komen van de beschikking en 1 januari 1972 in acht te worden genomen; - b. gaat het aan de Staten-Generaal te zenden afschrift van de beschikking niet vergezeld van een nota; - c. blijft het zenden aan de Staten-Generaal van een voorstel van wet tot goedke"},{"i":6863,"b":"Besluit van 21 oktober 2004, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet documentatie vennootschappen (Besluit documentatie vennootschappen) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 21 juli 2004, nr. 5299128/04/6; Gelet op de [artikelen 3, tweede lid, onder f](onbekend), [4, tweede lid](onbekend), [5, tweede lid](onbekend), en [8, tweede lid, van de Wet documentatie vennootschappen](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 16 augustus 2004, nr. W03.04.0388/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 15 oktober 2004, nr. 5312336/04/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet documentatie vennootschappen in werking treedt. Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet controle op rechtspersonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015049); - b. relevant strafbaar feit: een strafbaar feit dat verband houdt met het doel of de werkzaamheid van de rechtspersoon; - c. transactie: het voldoen aan voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging, als bedoeld in [artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) en in de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=36) en [37 van de Wet economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=37). Paragraaf 2. Bronnen van de registratie Artikel 2 Als bestuursorganen of diensten die zijn belast met de opsporing van strafbare feiten of met het toezicht op financiële instellingen, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, onder e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015049&artikel=3), worden aangewezen: - a. de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken; - b. de Autoriteit Financiële Markten; - c. de bestuursorganen die op grond van de Wet milieubeheer of op grond van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) bevoegd zijn tot h"},{"i":6699,"b":"Wet van 25 oktober 2023 tot wijziging van de Gemeentewet, de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en enkele andere wetten in verband met uitbreiding van de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester en de gezaghebber ter handhaving van de openbare orde en om enkele omissies te herstellen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat voor sluiting van woningen een specifieke wettelijke grondslag essentieel is en het wenselijk is de bevoegdheid van de burgemeester en de gezaghebber uit te breiden om woningen, niet voor het publiek toegankelijke lokalen of bij die woningen of lokalen behorende erven te sluiten ter handhaving van de openbare orde, en in verband hiermee en ter wegneming van enkele omissies in Europees Nederland de bevoegdheid van verhuurders te wijzigen om een huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden en de bevoegdheid tot onteigening te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II Wijzigt de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IV Vervallen. Artikel V Wijzigt de Omgevingswet. Artikel Va Onze Minister van Justitie en Veiligheid zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1869,"b":"Wet van 22 augustus 2022, houdende regels voor het in rekening brengen van een vrachtwagenheffing voor het rijden met een vrachtwagen op aangewezen wegvakken (Wet vrachtwagenheffing) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat om, mede gelet op [Richtlijn 1999/62/EG](31999L0062) van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtwagens (PbEG 1999, L 187) een vrachtwagenheffing in te voeren met het oog op een gelijk speelveld voor buitenlandse en Nederlandse houders van vrachtwagens, in verband daarmee de belasting zware motorrijtuigen af te schaffen, de motorrijtuigenbelasting voor vrachtwagens te verlagen en gelden te bestemmen voor innovatie en verduurzaming van de vervoerssector; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanhangwagen:** aanhangwagen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 17, van [Verordening (EU) 2018/858](32018R0858); - **boordapparatuur:** boordapparatuur als bedoeld in [artikel 1 van de Wet implementatie EETS-richtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586&artikel=1); - **CO2-emissie:** hoeveelheid aan CO2 die vrijkomt tijdens het gebruik van een vrachtwagen; - **CO2-emissieklassen:** indeling als bedoeld in artikel 7 octies bis, tweede lid, onderdelen a tot en met e, van [Richtlijn 99/62/EG](31999L0062); - **dienstaanbieder:** hoofddienstaanbieder of EETS-aanbieder; - **dienstverleningsovereenkomst:** overeenkomst als bedoeld in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&hoofdstuk=4&artikel=8&z=2026-03-01&g=2"},{"i":1870,"b":"Wet van 8 december 2011 tot wederzijdse bijstand in de Europese Unie bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 2012 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van de op 16 maart 2010 door de Raad van de Europese Unie vastgestelde [Richtlijn 2010/24](32010L0024)/EU betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PbEU 2010, L 84); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Deze wet strekt tot uitvoering van de op 16 maart 2010 door de Raad van de Europese Unie vastgestelde [Richtlijn 2010/24](32010L0024)/EU betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PbEU 2010, L 84) en geeft regels over de door Nederland te verlenen en te vragen bijstand bij de invordering van de in het tweede lid bedoelde schuldvorderingen die in een andere lidstaat onderscheidenlijk in Nederland ontstaan. 2. Deze wet is van toepassing op schuldvorderingen die voortvloeien uit: - a. alle vormen van belastingen en rechten, geheven door of ten behoeve van een lidstaat of zijn territoriale of staatkundige onderdelen, lokale overheden daaronder begrepen, dan wel ten behoeve van de Europese Unie; - b. restituties, interventies en andere maatregelen die deel uitmaken van het stelsel van volledige of gedeeltelijke financiering door het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), met inbegrip van in het kader van deze maatregelen te innen bedragen; - c. heffingen en andere rechten uit hoofde van de gemee"},{"i":7471,"b":"Wet 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) te wijzigen in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Dit artikel is gedeeltelijk in werking getreden in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI. Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Dit artikel is in werking getreden in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI. 1. Ten aanzien van een procedure bij de civiele rechter waarbij het exploot voor de datum van inwerkingtreding van deze wet rechtsgeldig is betekend, blijft het recht van toepassing zoals dat voor die datum gold. 2. Dit lid is nog niet in werking getreden. Artikel IV 1. Het recht zoals dit gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de verplichting om langs elektronische weg te procederen, blijft van toepassing op: - a. beroep tegen een voor dat tijdstip bekendgemaakt besluit, - b. hoger beroep, verzet of beroep in cassatie tegen een voor dat tijdstip bekendgemaakte uitspraak van de bestuursrechter, - c. een voor dat tijdsti"},{"i":7285,"b":"Wet van 6 juli 2000, houdende nieuwe regels omtrent het openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer (Wet personenvervoer 2000) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op het bevorderen van een betere afstemming van het aanbod van personenvervoer op de vraag, alsmede het bevorderen van periodieke betwistbaarheid in het regionaal openbaar vervoer wenselijk is om nieuwe regels te stellen omtrent het openbaar vervoer, het besloten busvervoer en het taxivervoer; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen § 1. Definities Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **auto:** personenauto op ten minste vier wielen, zoals nader omschreven bij ministeriële regeling, ingericht voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen; - **Autoriteit Consument en Markt:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - **besloten busvervoer:** personenvervoer per bus, niet zijnde openbaar vervoer; - **betaaldienst:** betaaldienst in de zin van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - **betaaldienstverlening in het openbaar vervoer:** samenstel van betaaldiensten en andere diensten dat de betaalwijzen ondersteunt; - **betaalwijze:** elke manier om te kunnen voldoen aan de betalingsverplichting voor het openbaar vervoer; - **bus:** motorrijtuig, al dan niet voorzien van een aanhangwagen, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen; - **communautaire vergunning:** vergunning als bedoeld in artikel 4 van verordening 1073/2009/EG; - **concessie"},{"i":6716,"b":"Wet van 25 november 2013 tot wijziging van de Postwet 2009 ter invoering van ex ante toezicht op een postvervoerbedrijf met aanmerkelijke marktmacht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om ex ante toezicht op de postmarkt in te voeren voor zover een postvervoerbedrijf aanmerkelijke marktmacht heeft; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Postwet 2009. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Indien deze wet in werking treedt na 1 januari van enig kalenderjaar, wordt de overkomstduur als bedoeld in [artikel I, onderdeel D, subonderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034247&artikel=I&z=2017-08-01&g=2017-08-01), in dat kalenderjaar voor het gehele jaar bepaald overeenkomstig [artikel 16, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=16), zoals dat luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7270,"b":"Wet huurcommissie-regeling BES Inleidende bepaling Hoofdstuk I Artikel 1 In elk der openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt door het bestuurscollege een huurcommissie ingesteld die bevoegd is voor het desbetreffende openbare lichaam. Artikel 2 [Vervallen] Art 2bis 1. Het is verboden op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als verhuurder een hogere huurprijs onder welke naam of in welke vorm ook, te bedingen voor het gebruik van een woning dan de huurprijs voor de woning geldende op of laatstelijk voor 1 maart 1977, indien niet die hogere huurprijs door de betrokken huurcommissie is goedgekeurd of vastgesteld, met dien verstande dat de huurprijs per jaar niet meer mag bedragen dan 8% van de totale bouwkosten, waaronder begrepen de waarde van de grond, van de betreffende woning. 2. Is een woning voor of op 1 maart 1977 niet verhuurd geweest, dan vraagt de verhuurder aan de huurcommissie schatting van de huurprijs van 1 maart 1977, indien deze schatting nog niet heeft plaats gehad en geldt als die huurprijs de som, welke door de huurcommissie als huurprijs van 1 maart 1977 wordt geschat met dien verstande dat de huurprijs per jaar niet meer mag bedragen dan 8% van de totale bouwkosten, waaronder begrepen de waarde van de grond, van de betreffende woning. Die schatting kan door de huurcommissie ook ambtshalve geschieden. 3. Nieuw gebouwde, op of na 1 maart 1977 voor het eerst in gebruik genomen, woningen mogen niet verhuurd worden, tenzij de huurcommissie de huurprijs, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de huurder of verhuurder heeft vastgesteld. Bij deze vaststelling van de huurprijs houdt de huurcommissie rekening met de totale bouwkosten, waaronder begrepen de waarde van de grond, van de betreffende woning, met dien verstande dat de huurprijs per jaar niet meer dan 12% van de bouwkosten bedragen. 4. De eilandsraad kan de in de voorgaande leden genoemde percentages verhogen of verlagen. Aan de verhoging of verlaging kunnen voorwaa"},{"i":7479,"b":"Wet van 5 februari 2009 tot aanpassing van enige wetten in verband met de invoering van het burgerservicenummer (Aanpassingswet burgerservicenummer) Hoofdstuk 1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Hoofdstuk 1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Hoofdstuk 3. Ministerie van Financiën Artikel 3.1 Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel 3.2 Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel 3.3 Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel 3.4 Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel 3.5 Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Hoofdstuk 3. Ministerie van Financiën Hoofdstuk 5. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Hoofdstuk 6. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Hoofdstuk 7. Ministerie van Verkeer en Waterstaat Hoofdstuk 8. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Hoofdstuk 9. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Hoofdstuk 4. Ministerie van Justitie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige wetten te wijzigen in verband met de invoering van het burgerservicenummer; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1.1 Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel 1.2 Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel 1.3 Wijzigt de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. Artikel 1.4 Wijzigt de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer. Hoofdstuk 2. Ministerie van Economische Zaken Artikel 2.1 Wijzigt de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek. Artikel 4.1 Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel 4.2 Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 4.3 Wijzigt het Wetboek v"},{"i":7295,"b":"Wet van 21 november 2002 tot vaststelling van afdeling 7.4.6 van het Burgerlijk Wetboek (huur van bedrijfsruimte) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [vijfde afdeling van de zevende titel van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006000&afdeling=Vijfde) met betrekking tot de huur van bedrijfsruimte te vervangen door een nieuwe [zesde afdeling van de vierde titel van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&afdeling=6) en de [Huurwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002066) in te trekken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel III De [Huurwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002066) wordt ingetrokken. Artikel IV Wijzigt Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel V Wijzigt Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel VI Wijzigt de Onteigeningswet. Artikel VII Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel VIII Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel IX Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel X Wijzigt de Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken. Artikel XI Vervallen Artikel XII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met dien verstande dat artikel 290 lid 1 tot de inwerkingtreding van het bij Koninklijke Boodschap van 8 juni 1995 ingediende wetsvoorstel tot vaststelling en invoering van afdeling 7.1.12 (huurkoop onroerende zaken) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, als volgt luidt: 1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op huur en verhuur van bedrijfsruimte. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges"},{"i":5945,"b":"Tweede verlenging aanstelling wegbereiders leerlinggebonden financiering (lgf) Inleiding Met deze publicatie wordt de aanstelling van de Wegbereiders lgf verlengd van 1 januari 2003 tot 1 januari 2004. De Wegbereiders lgf zijn in 1998 in het kader van het traject Leerlinggebonden financiering van start gegaan. In de beginfase lag de nadruk van de werkzaamheden van de wegbereiders lgf op de coördinatie en de ondersteuning bij de vorming van rec’s fen de coördinatie van de expertiseontwikkeling ten behoeve van de rec’s. In de loop der jaren is het takenpakket van de Wegbereiders lgf uitgebreid en zijn accenten verlegd van de vorming van rec’s fnaar de inhoudelijke inrichting daarvan. De taakstelling van de Wegbereiders lgf is opgenomen in de voorlichtings-publicatie ”[Verlenging aanstelling Wegbereiders lgf](onbekend)” die op 20 december 2000 in het Gele Katern is gepubliceerd. In het laatste jaar zijn de activiteiten gericht op: In het najaar van 2003 zal overleg worden gevoerd met het georganiseerde onderwijsveld over de wijze waarop na 1 januari 2004 voorzien kan worden in de begeleiding van de rec’s en de positionering van activiteiten die nog niet zijn afgerond of waarvan voortzetting wenselijk is. Aanwijzing Wegbereiders De minister heeft voor de periode 1 januari 2003 tot 1 januari 2004 aangewezen als Wegbereiders leerlinggebonden financiering: Positionering De Wegbereiders voeren hun taken binnen vastgestelde en zich ontwikkelende beleidskaders onder verantwoordelijkheid van het ministerie uit. Zij opereren in overleg met (vertegenwoordigers van) het veld, maar hebben ten aanzien van deze derden geen verantwoordingsplicht. Secretariaat De secretariële en organisatorische ondersteuning aan de Wegbereiders wordt verleend door de Stichting Ondersteuning Projecten in Overheidssectoren te Den Haag. Werkwijze De Wegbereiders stellen een activiteitenplan op met werkzaamheden voor 2003. Het plan gaat vergezeld van een begroting van de kosten voor de uitvoering van de"},{"i":6671,"b":"Regeling van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 16 december 2025 tot wijziging van de Subsidieregeling startbijdrage mediation Gelet op [artikel 42c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=42c); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling startbijdrage mediation. Artikel II Deze regeling is van toepassing op mediation waarvan de verwijzing door het gerecht naar een mediator heeft plaatsgevonden op of na 1 januari 2026. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7317,"b":"Besluit van 14 april 2016 tot wijziging van enige besluiten, in het kader van de uitvoeringsovereenkomst voor de sector Defensie als gevolg van de bovensectorale loonruimteovereenkomst 2015–2016 Hoofdstuk 1. Toekenning van een eenmalige uitkering 2015 aan het defensiepersoneel Hoofdstuk 1. Toekenning van een eenmalige uitkering 2015 aan het defensiepersoneel Artikel 2 Wijzigt het Besluit personenchauffeurs defensie. Artikel 3 Wijzigt het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 4 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Hoofdstuk 3. Salarisverhoging met ingang van 1 september 2015 Hoofdstuk 4. Salarisverhoging met ingang van 1 januari 2016 Hoofdstuk 3. Salarisverhoging met ingang van 1 september 2015 Artikel 5 Wijzigt het Besluit personenchauffeurs defensie. Artikel 6 Wijzigt het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 7 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Hoofdstuk 4. Salarisverhoging met ingang van 1 januari 2016 Hoofdstuk 5. Slotbepalingen Artikel 8 Wijzigt het Besluit personenchauffeurs defensie. Artikel 9 Wijzigt het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 10 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Hoofdstuk 5. Slotbepalingen Op de voordracht van de Minister van Defensie van 14 maart 2016, nr. BS/2016004338; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [artikel 12 van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 maart 2016, nr. W07.16.0056/II); Gezien het nader rapport van de Minister van Defensie van 11 april 2016, nr. BS/2016005711; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De volgende betrokkenen hebben aanspraak op een eenmalige nominale bruto uitkering 2015 ter grootte van maximaal € 500: - a. de militair aangesteld bij het beroepspersoneel die op 1 september 2015 met aanspraak op bezoldiging in werkelijk"},{"i":6650,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 1 september 2017, nr. IENM/BSK-2017/196072, tot wijziging van de Subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart in verband met een aanpassing van het subsidieplafond Gelet op [artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart. Artikel II De in deze regeling vastgestelde verhoging van het in [artikel 4 van de Subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037968&artikel=4) bedoelde plafond is van toepassing op subsidieaanvragen die voor 1 maart 2017 op grond van [artikel 7 van die subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037968&artikel=7) zijn ingediend. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6848,"b":"Besluit van 27 augustus 2024, houdende regels met betrekking tot benoeming, schorsing en het ontslag van tot het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden horende personen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie van 16 augustus 2024, nr. 4401355; Gelet op [artikel 34 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=34); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De benoeming, schorsing en het ontslag van tot het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden horende personen geschiedt door de toetsingscommissie, voor zover het aan de functie verbonden salaris niet hoger is dan het maximumsalaris van schaal 16 van de toepasselijke rechtspositieregeling. Artikel 2 Het [Besluit van 23 oktober 2017, houdende benoeming, schorsing en het ontslag van secretariaat toetsingscommissie inzet bevoegdheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040206) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit, dat zal worden geplaatst in het Staatsblad."},{"i":6766,"b":"Wet van 16 juli 2005 tot wijziging van de Wet toezicht beleggingsinstellingen met het oog op de modernisering van de wet en implementatie van richtlijn nr 2001/107/EG en richtlijn 2001/108/EG van 21 januari 2002 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet toezicht beleggingsinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004809) te wijzigen met het oog op ontwikkelingen in de markt voor beleggingsinstellingen en het toezicht op beleggingsinstellingen en dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan de [Richtlijnen nrs. 2001/107/EG](32001L0107) en [2001/108/EG](32001L0108) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 januari 2002 tot wijziging van [Richtlijn 85/611/EEG](31985L0611) van de Raad van de Europese Gemeenschappen tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) met het oog op reglementering van beheermaatschappijen en vereenvoudigde prospectussen respectievelijk betreffende beleggingen van icbe's (PbEG L41); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht beleggingsinstellingen. Artikel II Wijzigt de Noodwet financieel verkeer. Artikel III Wijzigt Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel IV Wijzigt de Wet economische delicten. Artikel V Het verbod, bedoeld in [artikel 4 (nieuw) van de Wet toezicht beleggingsinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004809&artikel=4), is tot de eerste dag van de zevende maand na het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018606&artikel=I&z=2005-09-01&g=2005-09-01), van deze wet niet van toepassing op de werkzaamheden van een beleggingsinstelling die op het tijdstip van inwerkingtre"},{"i":7302,"b":"Wet van 16 juni 1994, tot voortzetting van de tijdelijke verhoging van op grond van de Wet individuele huursubsidie toe te kennen bijdragen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de reeds bestaande compensatie voor de optredende huurstijging voor de ontvangers van huursubsidie uit de lage inkomensgroepen tijdelijk voort te zetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In afwijking van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder **a**, van de Wet individuele huursubsidie vervangt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met ingang van 1 juli 1994 voor de periode van 1 juli 1994 tot en met 30 juni 1995 het bedrag, genoemd in artikel 7, eerste lid, onder **a**, van die wet door een bedrag, gelijk aan het te vervangen bedrag, verhoogd met 31/2%, en daarna afgerond op het naasthogere veelvoud van f 5. Artikel 2 In afwijking van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder **c**, van de Wet individuele huursubsidie vervangt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met ingang van 1 juli 1994 voor de periode van 1 juli 1994 tot en met 30 juni 1995 het eerste bedrag, genoemd in artikel 7, derde lid, alsmede het eerste bedrag, genoemd in artikel 7**a**, onder **c**, van die wet door een bedrag, gelijk aan het te vervangen bedrag, eerst verminderd met f 780, vervolgens verhoogd met 31/2%, daarna verhoogd met f 780 en tenslotte afgerond op het naasthogere veelvoud van f 5. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 1994. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7248,"b":"Vervallenverklaring tenaamstelling personen zonder Nederlands adres en overleden personen Kenmerk JBZ.18.12294 **De directie van de RDW maakt bekend dat de tenaamstelling van een aantal voertuigen in het kentekenregister waarvan de eigenaar of houder niet langer in Nederland woont, vervallen zal worden verklaard. Dit geldt ook voor een aantal voertuigen in het kentekenregister waarvan de eigenaar of houder blijkens de Basisregistratie Personen als overleden is geregistreerd.** De tenaamstellingen worden vervallen verklaard omdat naar het oordeel van de directie van de RDW is gebleken dat de eigenaar of houder van de betreffende voertuigen niet in Nederland traceerbaar dan wel overleden is. De directie baseert dit oordeel op: Vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de bewaking van de zuiverheid van het kentekenregister als basisregistratie is de RDW van oordeel dat de zuiverheid van het kentekenregister is gediend met de verwijdering van de hier bedoelde registraties. Dit alles leidt tot het navolgende besluit. **BESLUIT:** De vervallenverklaring van een tenaamstelling heeft tot gevolg dat met het betreffende voertuig geen gebruik meer mag worden gemaakt van de openbare weg. Erfgenamen of andere belanghebbenden kunnen de vervallenverklaring voorkomen door vóór de voorgenomen datum van vervallenverklaring het voertuig over te schrijven op naam van een Nederlandse eigenaar of houder. Overschrijving is mogelijk bij een kentekenloket, een RDW-keuringsstation of een RDW-balie. Na overschrijving op naam van een in Nederland wonende eigenaar of houder zullen voor de betreffende voertuigen de voertuigverplichtingen gehandhaafd gaan worden. Dit betekent dat, voor zover van toepassing, voor het voertuig een WAM-verzekering moet zijn afgesloten, een APK- goedkeuringsrapport moet zijn afgegeven en dat motorrijtuigenbelasting wordt geheven. Als met het voertuig (tijdelijk) geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg kan handhaving van de voertuigverplichtingen worden voorkomen d"},{"i":6752,"b":"Wet van 25 september 2008 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PbEU L 390) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en enige andere wetten te wijzigen in verband met de implementatie van [richtlijn nr. 2004/109/EG](32004L0109) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van [Richtlijn 2001/34/EG](32001L0034) (PbEU L 390); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving. Artikel V Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel VI Vervallen Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7429,"b":"Wet van 30 november 2000 tot wijziging van titel 7.10 (arbeidsovereenkomst) van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot vakantie en ouderschapsverlof Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gedeeltelijke afwijking bij schriftelijke overeenkomst van de regeling van de vakantie-aanspraken die het wettelijk minimum te boven gaan mogelijk te maken alsmede de aanspraak op ouderschapsverlof te verdubbelen indien de werknemer door geboorte of erkenning dan wel in verband met adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de zorg voor meerdere kinderen krijgt en dat in verband hiermee het Burgerlijk Wetboek dient te worden gewijzigd, Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt Burgerlijk Wetboek Boek 7. ARTIKEL II Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan een aanspraak op vakantie is overeengekomen die het in [artikel 634 van titel 7.10 van het Burgerlijk Wetboek](onbekend) bedoelde minimum te boven gaat, kan gedurende drie jaar na dat tijdstip, in afwijking van de [artikelen 635, lid 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=635), [638, lid 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=638), en [640, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=640), voorzover die aanspraak dat minimum te boven gaat, slechts bij die overeenkomst of regeling van [artikel 635, leden 1 tot en met 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=635), de in [artikel 638, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=638) genoemde termijn en [artikel 640, lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=640), worden afgeweken. ARTIKEL IIA Indien de werknemer met ingang va"},{"i":7244,"b":"Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883, zoals herzien te Brussel op 14 december 1900, te Washington op 2 juni 1911, te 's-Gravenhage op 6 november 1925, te Londen op 2 juni 1934, te Lissabon op 31 oktober 1958 en te Stockholm op 14 juli 1967 en zoals gewijzigd te Stockholm op 28 september 1979 Artikel 1 1). De landen, voor welke dit Verdrag geldt, vormen een Unie tot bescherming van de industriële eigendom. 2). De bescherming van de industriële eigendom omvat de octrooien van uitvinding, de gebruiksmodellen, de tekeningen of modellen van nijverheid, de fabrieks- of handelsmerken, de dienstmerken, de handelsnaam en de aanduidingen van herkomst of benamingen van oorsprong, zomede de bestrijding van de oneerlijke mededinging. 3). Onder industriële eigendom wordt verstaan de ruimste opvatting daarvan; hij heeft niet alleen betrekking op nijverheid en handel in eigenlijke zin, maar evenzeer op het gebied der landbouw- en mijnbouwnijverheid en op alle vervaardigde of natuurlijke voortbrengselen, bij voorbeeld: wijnen, granen, tabaksbladeren, vruchten, vee, mineralen, minerale wateren, bieren, bloemen, meel. 4). Onder de octrooien van uitvinding zijn begrepen de verschillende soorten van octrooien van nijverheid, welke door de wetgevingen van de landen der Unie erkend zijn, zoals octrooien van invoer, verbeteringsoctrooien, aanvullingsoctrooien en -certificaten, enz. Artikel 2 1). De onderdanen van elk van de landen der Unie zullen in alle andere landen der Unie, wat betreft de bescherming van de industriële eigendom, de voordelen genieten, welke de onderscheidene wetten op dit ogenblik aan de nationalen toekennen, dit alles onverminderd de rechten, welke door dit Verdrag in het bijzonder worden toegekend. Dientengevolge zullen zij dezelfde bescherming hebben als dezen en hetzelfde wettelijk verhaal tegen elke inbreuk op hun rechten, mits zij de voorwaarden en formaliteiten nakomen, aan de nationalen opgelegd. 2). Echter kan voor h"},{"i":6819,"b":"Afgifte verklaringen vakbekwaamheid verzekeringstussenpersonen Gelet op de artikelen 9 en 10 vierde lid, laatste zin, van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1976, houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden van verzekeringsagent en assurantiemakelaar (ex groep 630 CITI) en houdende met name overgangsmaatregelen voor deze werkzaamheden (nr. 77/92/EEG, Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1977, nr. L 26, blz. 14, van 31 januari 1977); Gezien het advies van de Commissie van Advies, bedoeld in artikel 2 van de Wet Assurantiebemiddeling; Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt onder ‘Richtlijn’ verstaan: de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1976 houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden van verzekeringsagent en assurantiemakelaar (ex groep 630 CITI) en houdende met name overgangsmaatregelen voor deze werkzaamheden (nr. 77/92/EEG, Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1977, nr. L 26/14, van 31 januari 1977). Artikel 2 Het verzoek, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Richtlijn, om in Nederland de in artikel 2 van de Richtlijn bedoelde werkzaamheden te mogen uitoefenen en de documenten tot staving van dit verzoek, waaronder de documenten, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Richtlijn, moeten worden ingediend bij de Sociaal-Economische Raad. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 15 juli 1980 en wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt."},{"i":6657,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 januari 2007, nr. AV/A&Z/2007/2614, tot wijziging van de Subsidieregeling kinderopvang in verband met de vaststelling van een aanvraagtijdvak, de beleidsvoornemens en subsidieplafonds voor subsidiëring in het jaar 2007 Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3) en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling kinderopvang. Artikel II 1. Het [Besluit van de Minister van Sociale Zaken en werkgelegenheid van 28 april 2005, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/A&Z/2005/31182 tot vaststelling van een aanvraagtijdvak, beleidsvoornemens en subsidieplafonds voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018271) (Stcrt. 89) onderscheidenlijk de [Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 23 januari 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/A&Z/2005/87537, tot vaststelling van een aanvraagtijdvak, beleidsvoornemens en subsidieplafonds voor subsidiëring in het jaar 2006 op grond van de Subsidieregeling kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019474) (Stcrt. 21) worden ingetrokken. 2. Het besluit onderscheidenlijk de regeling, genoemd in het eerste lid, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling, blijven van toepassing op de afwikkeling van de subsidie, voor zover verleend op grond van dat besluit onderscheidenlijk die regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7260,"b":"Wet van 3 juli 2013 houdende nieuwe regels voor een basisregistratie personen (Wet basisregistratie personen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter bevordering van de doelmatige voorziening van persoonsgegevens, in het bijzonder bij de vervulling van overheidstaken, de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens te moderniseren, de regelgeving te vereenvoudigen en de mogelijkheid te verruimen om gegevens op te nemen over niet-ingezetenen ten aanzien van wie de Nederlandse overheid taken vervult en derhalve nieuwe regels te stellen ter zake van de basisregistratie personen, daarbij in aanmerking nemend dat uitvoering wordt gegeven aan richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281) en dat ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer uitvoering dient te worden gegeven aan [artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=10); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Algemeen Artikel 1.1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **de basisregistratie:** de basisregistratie personen, bedoeld in [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&hoofdstuk=1&paragraaf=1&artikel=1.2&z=2025-11-11&g=2025-11-11); - c. **de persoonslijst:** het geheel van gegevens, bedoeld in [artikel 2.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&hoofdstuk=2&afdeling=1&paragraaf=3&artikel=2."},{"i":1871,"b":"Wet van 18 december 2013 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de wijziging van de percentages belasting- en invorderingsrente (Wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de belastingrente voor de vennootschapsbelasting te koppelen aan de wettelijke rente voor handelstransacties, met een minimum van 8%, en voor de belastingrente voor de overige belastingmiddelen en de invorderingsrente een minimum van 4% in te voeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel II Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel III [Artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=30hb) en [artikel 29 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=29), zoals die artikelen luidden op 31 december 2013, blijven van toepassing bij de renteberekening over renteperiodes gelegen voor 1 april 2014. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7309,"b":"Besluit van 7 februari 2004 tot verhoging van de grensbedragen, genoemd in de artikelen 396 lid 1 en 397 lid 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 9 december 2003, Directie Wetgeving, nr. 5258717/03/6; Gelet op de artikelen 11, 12 en 27 van de vierde [richtlijn nr. 78/660/EEG](31978L0660) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PbEG L 222), zoals gewijzigd door [richtlijn nr. 2003/38/EG](32003L0038) van de Raad van de Europese Unie van 13 mei 2003, welke wijziging betrekking heeft op een herziening van de in euro uitgedrukte bedragen en zoals gewijzigd door [richtlijn 2003/51/EG](32003L0051) van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 (PbEG L 178). Gelet op [artikel 398, vierde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=398); De Raad van State gehoord, advies van 8 januari 2004, no. W03.03 0520/I; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 januari 2004, nr. 5266040/04/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel 2 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel 3 De bepalingen van dit besluit zijn voor het eerst van toepassing op de jaarrekening, het bestuursverslag en de daaraan toe te voegen overige gegevens over het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2004. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2004. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7388,"b":"Wet van 30 maart 2022 tot wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het verkorten van de wettelijke betaaltermijn tot 30 dagen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de uiterste betaaltermijn voor grote ondernemingen die een handelsovereenkomst sluiten met kleine of middelgrote ondernemingen te verkorten tot 30 dagen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel II Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel IIa Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat zendt in overeenstemming met Onze Minister voor Rechtsbescherming binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7389,"b":"Wet van 18 april 2017 tot wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het tegengaan van onredelijk lange betaaltermijnen Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om aanvullende maatregelen te nemen om te voorkomen dat grote ondernemingen onredelijk lange betaaltermijnen afdwingen en dat daartoe een uiterste betaaltermijn van zestig dagen gaat gelden voor grote ondernemingen die een handelsovereenkomst sluiten met zelfstandig ondernemers of kleine of middelgrote ondernemingen en dat daartoe [artikel 119a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=119a) dient te worden aangepast; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel II Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel IIa Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7288,"b":"Wet van 17 maart 2005 tot uitvoering van richtlijn nr. 2001/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (Wet rol werknemers bij de Europese vennootschap) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de [richtlijn nr. 2001/86/EG](32001L0086) van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (PbEG L 294) moet worden uitgevoerd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. De rol van de werknemers bij de Europese vennootschap (SE) Definities Artikel 1:1 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: **betrokken dochteronderneming of vestiging**: een dochteronderneming of vestiging van een deelnemende vennootschap, die volgens het voorstel tot oprichting van een SE bij die oprichting een dochteronderneming of vestiging van de SE wordt; **bijzondere onderhandelingsgroep**: de overeenkomstig [artikel 1:8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018115&hoofdstuk=1&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=1:8&z=2022-01-01&g=2022-01-01), ingestelde groep die tot doel heeft met de deelnemende vennootschappen te onderhandelen over de vaststelling van regelingen met betrekking tot de rol van de werknemers in de SE; **deelnemende vennootschappen**: de vennootschappen die rechtstreeks deelnemen aan de oprichting van een SE; **dochteronderneming van een vennootschap**: een onderneming waarop door de moederonderneming een overheersende invloed kan worden uitgeoefend zoals omschreven in [artikel 1:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018115&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=1:2&z=2022-01-01&g=2022-01-01); **informatie**: inlichtingen die door de SE worden verstrekt"},{"i":7456,"b":"Wet van 14 februari 1998 tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en titel 7.10 (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk Wetboek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de effectiviteit van de medezeggenschap in ondernemingen te bevorderen alsmede de werknemers bescherming te bieden tegen het eenzijdig wijzigen van arbeidsvoorwaarden en dat in verband hiermee enkele wijzigingen in de [Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747) en in het Burgerlijk Wetboek dienen te worden aangebracht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. ARTIKEL II Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL III Wijzigt de Arbeidstijdenwet. ARTIKEL IV Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. ARTIKEL V Wijzigt de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen. ARTIKEL VI Wijzigt het bij koninklijke boodschap van 7 maart 1997 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en van enige andere wetten (Flexibiliteit en zekerheid) (Kamerstukken II, 1996/97, 25 263). ARTIKEL VII Een personeelsvertegenwoordiging als bedoeld in [artikel 1:7, onderdeel g, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=1:7) zoals deze bepaling luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, wordt geacht te zijn ingesteld op grond van [artikel 35c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=35c) of [35d van de Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=35d). ARTIKEL VIII Indien de arbeidsvoorwaarden van een werknemer op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet mede door een reglement als bedoeld in artikel 613 van boek 7 van h"},{"i":6662,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 juli 2025, nr. BZ2518248, tot wijziging van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met betrekking tot subsidieverstrekking voor capaciteitsversterking van maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010178&artikel=3) en [artikel 2 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006. Artikel II [Afdeling 4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=4), zoals deze luidde op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op subsidies die voor die datum zijn verstrekt en blijft van toepassing op voor inwerkingtreding van deze regeling bekendgemaakte beleidsregels en subsidieplafonds als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7315,"b":"Besluit van 29 september 2020 tot wijziging van het Besluit ex artikel 85 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, het Besluit ex artikel 110 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek en het Besluit ex artikel 983 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 5 juni 2020, nr. 2927386; directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 85](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=85), [110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=110) en [983 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=983); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, gedateerd 1 juli 2020, nr. W16.20.0167/II; Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming 23 september, nr. 3024340 directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit ex artikel 85 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt het Besluit ex artikel 110 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel III Wijzigt het Besluit ex artikel 983 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel IV Dit besluit is slechts van toepassing ten aanzien van aansprakelijkheid voortvloeiende uit ongevallen die zich na de inwerkingtreding van dit besluit hebben voorgedaan. Artikel V Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7303,"b":"Wet van 23 december 1953, houdende voorzieningen ten aanzien van enige tijdens de oorlog gehouden registers van de burgerlijke stand Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen ten aanzien van enige tijdens de oorlog gehouden registers van de burgerlijke stand; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet is uitsluitend de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand in de zin van het besluit van 26 Maart 1942, **Stb.** C 20. Hij bewaart de buitengewone registers van de burgerlijke stand, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002124&artikel=1&z=1954-01-07&g=1954-01-07) van genoemd besluit, alsmede het buitengewone register van echtscheidingen bedoeld in artikel 3 van het besluit van 28 Maart 1945, **Stb.** F 30. 2. Op de verrichtingen van de buitengewone ambtenaar van de burgerlijke stand met betrekking tot de buitengewone registers is de wet van 23 April 1879, **Stb.** 72, zoals deze is gewijzigd, van toepassing. De rechten krachtens artikel 2 van die wet geheven, komen ten bate van de kas der gemeente 's-Gravenhage. 3. Onze Minister van Justitie treft nadere voorzieningen ten aanzien van de dubbelen der buitengewone registers. Artikel 2 Akten van geboorte, van gesloten huwelijk en van overlijden worden in de buitengewone registers niet meer opgenomen, tenzij deze gebeurtenissen plaats vonden vóór 1 Juni 1945 en aan de buitengewone ambtenaar van de burgerlijke stand blijkt, dat in een bepaald geval bij de inschrijving belang bestaat. Artikel 3 Het Koninklijk besluit van 28 Maart 1945 (**Stb.** F 30) wordt ingetrokken. Artikel 4 1. De tijdens de bezetting hier te lande door Duitse ambtenaren van de bu"},{"i":1872,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 13 november 2007, houdende wijziging van de vaststelling van de bedragen van de bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2006 (Wijziging 2006-1 Besluit PT bijzondere heffing teelt fruit en champignons 2006) gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Verordening PT bijzondere heffing teelt fruit en champignons 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018503&artikel=4); gehoord de Commissie voor groenten en fruit d.d. 25 oktober 2007; Besluit: Artikel 1 Voor de volgende, in het [eerste lid van artikel 4 van de Verordening PT bijzondere heffing fruit en champignons 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018503&artikel=4) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2006 als volgt vastgesteld: | Groep | Omschrijving | Bedrag | | --- | --- | --- | | 32 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van appelen: | € 73,65 per ha | | 33 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van peren: | € 109,63 per ha | | 34 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van klein fruit: | € 310,01 per ha | | 34a | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de opengrond van blauwe bessen: | € 150,00 per ha | | 35 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van overige pit- en steenvruchten: | € 165,21 per ha | | 36 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van zwarte bessen en zure kersen: | € 36,72 per ha | | 60 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt onder glas van fruit: | € 7,58 per are | | 75 | Teeltbakken beschikbaar voor de teelt van champignons: | € 0,82 per m2 teeltoppervlakte | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Wijziging 2006-1 Besluit PT bijzondere heffing teelt fruit en champignons 2006. Dit besluit en de toelichting worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsor"},{"i":7451,"b":"Wet van 12 maart 2009 tot wijziging van de Wet op de huurtoeslag (uitvoeringstechnische wijzigingen) Artikel I Wijzigt de Wet op de huurtoeslag. Artikel IA [Vervallen] Artikel II 1. In afwijking van [artikel 27, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=27) worden de in die leden genoemde bedragen, met uitzondering van de bedragen, bedoeld in [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=14) (norminkomen), niet gewijzigd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet. 2. Bij de eerste wijziging na de inwerkingtreding van deze wet van de bedragen, genoemd in de [artikelen 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=17) (bij minimum-inkomensijkpunt behorende normhuur), en [18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=18) (bij referentie-inkomensijkpunt behorende normhuur), wordt een correctie aangebracht naar de mate waarin de huurprijsontwikkeling op 1 juli van het direct aan de datum van inwerkingtreding van deze wet voorafgaande kalenderjaar afweek van de verwachting waarvan werd uitgegaan bij de aanpassing van die bedragen met ingang van 1 juli van dat kalenderjaar. Artikel IIA Wijzigt de Aanpassingswet vierde tranche Awb (kamerstuk 31124). Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar met uitzondering van: - a. [artikel I, onderdelen B, I en K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025562&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 januari 2008, en - b. [artikel IIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025562&artikel=IIA&z=2010-01-01&g=2010-01-01) dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst. Allen, di"},{"i":1873,"b":"Wijziging regelingen i.v.m. wijziging belastingvrije autokilometervergoeding (sector rijk) In de [circulaire](onbekend) van 5 december, nr. AD2001/U97362, is u onder punt D medegedeeld dat in de Eerste Kamer der Staten-Generaal ter behandeling lag het voorstel van wet inzake het Belastingplan 2002-III. Daarin is opgenomen dat de belastingvrije autokilometervergoeding van € 0,27 gewijzigd wordt in € 0,28. De Eerste Kamer heeft hiermee ingestemd. Dit betekent voor de volgende regelingen dat De desbetreffende verzamel ministeriële regeling van 13 december 2001, waarin bovenvermelde wijzigingen zijn opgenomen, doe ik u hierbij toekomen."},{"i":7292,"b":"Wet van 27 juni 1990, tot tijdelijke verhoging van op grond van de Wet individuele huursubsidie toe te kennen bijdragen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om met het oog op het behoud van de koopkracht bepaalde bijdragen die op grond van de Wet individuele huursubsidie worden verstrekt tijdelijk te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I In afwijking van artikel 25, aanhef en onder **a** van de Wet individuele huursubsidie (**Stb.** 1990, 394) vervangt onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het bedrag, genoemd in artikel 7, eerste lid, onder **a,** van deze wet met ingang van 1 juli 1991 voor de periode van 1 juli 1991 tot 1 juli 1992 door een bedrag, gelijk aan het te vervangen bedrag, verhoogd met 4½ procent en daarna afgerond op het naast hogere veelvoud van f 5,-. Artikel II In afwijking van artikel 25, aanhef en onder **c,** van de Wet individuele huursubsidie vervangt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het eerste bedrag, genoemd in artikel 7, derde lid, van deze wet met ingang van 1 juli 1991 voor de periode van 1 juli 1991 tot 1 juli 1992 door een bedrag, gelijk aan het te vervangen bedrag, eerst verminderd met f 780,-, vervolgens verhoogd met 4½ procent, daarna verhoogd met f 780,- en tenslotte afgerond op het naast hogere veelvoud van f 5,-. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 1990. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7291,"b":"Wet van 15 mei 2019, houdende regels voor de inzet van gewapende particuliere maritieme beveiligers aan boord van Nederlandse koopvaardijschepen (Wet ter Bescherming Koopvaardij) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling te treffen op grond waarvan Nederlandse koopvaardijschepen bij de doorgang van gevaarlijke zeegebieden gebruik kunnen maken van gewapende particuliere maritieme beveiligers indien niet in militaire bescherming kan worden voorzien; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanwenden van geweld:** het gebruiken van geweld en het dreigen met geweld, waaronder wordt begrepen het ter hand nemen van een vuurwapen; - **beschermingsmaatregelen:** plannings- en operationele maatregelen van scheepsbeheerders en kapiteins voor de bescherming tegen piraterij; - **geaccrediteerde certificerende instelling:** een instelling die is geaccrediteerd door een accrediterende instantie voor het uitgeven van een ISO-certificaat aan de hand van een normdocument van de International Organization for Standardization; - **geweld:** elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken; - **geweldsmiddel:** de krachtens [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&hoofdstuk=3&artikel=8&z=2022-02-01&g=2022-02-01) van deze wet aangewezen uitrusting en bewapening waarmee geweld kan worden uitgeoefend; - **ISO-certificaat:** verklaring waarmee een certificerende instelling kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat het hierin genoemde maritieme beveiligingsbedrijf voldoet aan het in de verklaring genoemde normdocu"},{"i":6733,"b":"Wet van 3 april 2008 tot wijziging van de Wet luchtvaart ter implementatie van richtlijn nr. 2006/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 inzake een communautaire vergunning van luchtverkeersleiders (PbEU L 114) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) te wijzigen in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2006/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 inzake een communautaire vergunning van luchtverkeersleiders (PbEU L 114); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel II Vervallen Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring afgegeven als bedoeld in de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) voor de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023790&artikel=I&z=2010-07-07&g=2010-07-07), van deze wet wordt gelijkgesteld met een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring afgegeven in overeenstemming met de vereisten van de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555). Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7398,"b":"Wet van 28 juni 2012 tot wijziging van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van het Verdrag van Athene betreffende het vervoer van passagiers en hun bagage over zee van 1974, zoals gewijzigd bij het Protocol van 2002 (Trb. 2011, 110), en ter uitvoering van Verordening (EG) 392/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers bij ongevallen (Pb EU L 131) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in verband met de bekrachtiging van het Verdrag van Athene betreffende het vervoer van passagiers en hun bagage over zee van 1974, zoals gewijzigd door het Protocol van 2002 (Trb. 2011, 110), en voor de uitvoering van [Verordening (EG) 392/2009](32009R0392) van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers bij ongevallen, [Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034) aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 8. Artikel II 1. Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. 2. Ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een besluit dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is bekend gemaakt, blijft het recht zoals dat voor dat tijdstip gold van kracht. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6876,"b":"Besluit van 22 augustus 1991, tot uitvoering van artikel 448 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 26 maart 1991, Stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 49922/91/6; Gelet op [artikel 448 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=448); De Raad van State gehoord (advies van 3 mei 1991, nr. W03.91.0167); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 14 augustus 1991, Stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 143735/91/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het bedrag bedoeld in [artikel 448 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=448) wordt gesteld op telkens € 227. 2. Dit bedrag wordt jaarlijks met ingang van 1 januari van rechtswege gewijzigd met het ingevolge [artikel 402**a** van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) vast te stellen percentage. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1992. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":6804,"b":"Wet van 6 december 2001 tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de wetgeving aan te passen aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, alsmede enige voorzieningen te treffen die zowel samenhangen met de herziening van het procesrecht als met wetsvoorstel 27 181, houdende de [Wet organisatie en bestuur gerechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013099); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1 Wijzigt de Gemeentewet. Artikel 2 Wijzigt de Provinciewet. Artikel 3 Wijzigt de Wet algemene regels herindeling. Hoofdstuk 2. Ministerie van Buitenlandse Zaken artikel Enig Wijzigt de Uitvoeringswet Rechtsvorderingsverdrag 1905. Hoofdstuk 3. Ministerie van Economische Zaken Artikel 1 Wijzigt de Handelsregisterwet 1996. Artikel 2 Wijzigt de Wet op de Registeraccountants. Hoofdstuk 4. Ministerie van Financiën Artikel 1 Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel 2 Wijzigt de Wet aansprakelijkheid kernongevallen. Artikel 3 Wijzigt de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf. Artikel 4 Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Artikel 5 Wijzigt de Wet vereenvoudiging wijze uitbrengen exploiten aan Grootboek 1946. Artikel 6 Wijzigt de Wet tot beëindiging van overheidstaken m.b.t. voormalige Wees- en Momboirkamers. Hoofdstuk 5. Ministerie van Justitie Artikel 1 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2 Wijzigt de Auteurswet 1912. Artikel 3 Wijzigt Boek 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 4 Wijzigt de Faillissementswet."},{"i":6790,"b":"Ziektekostentegemoetkoming per 1 januari 2002 I. Samenvatting Het niveau van de tegemoetkoming in de ziektekosten op basis van het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](onbekend) (Btzr) vanaf 1 januari 2002 is onveranderd ten opzichte van 2001. II. Inleiding In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1 juni 1999 - 1 augustus 2000 is vastgelegd dat de Btzr-bijdrage wordt gehandhaafd op het niveau van 1999 tot het moment waarop de Btzr-bijdrage het niveau bereikt van het totaal van de helft van de MOOZ-bijdrage, de helft van de WTZ-bijdrage en 50% van het bedrag van de component 'polis' van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Plan Bureau ten behoeve van het Centraal Economisch Plan wordt geraamd. Vervolgens wordt de Btzr-bijdrage jaarlijks vastgesteld op 50% van het totaal van de MOOZ-bijdrage, de WTZ-bijdrage en het bedrag van de component 'polis' van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Plan Bureau wordt geraamd. III. Berekening van de ziektekostentegemoetkomingen volgens de nieuwe systematiek De MOOZ-bijdrage en de WTZ-bijdrage zijn voor het jaar 2002 vastgesteld op € 6,80 respectievelijk € 19,52 per maand. Het bedrag van de component 'polis' van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis is door het Centraal Plan Bureau geraamd op € 1021,29 per jaar. Op basis van de nieuwe systematiek worden de bedragen: IV. Vaststelling van de ziektekostentegemoetkomingen per 1 januari 2002 Aangezien de bedragen zoals die zijn vastgesteld voor 1999 hoger zijn dan de bedragen berekend volgens de nieuwe systematiek worden de bedragen van 1999 in 2002 gehandhaafd. Het bedrag van de tegemoetkoming per maand is vanaf 1 januari 2002: Ik verzoek u met het bovenstaande rekening te houden. Inlichtingen uitsluitend voor afdelingen Personeelszaken van geadresseerden bij mevrouw Van Ogtrop respectievelijk het secretariaat van de afdeling Pensioenen Social"},{"i":6741,"b":"Wet van 4 maart 2010 tot wijziging van de Wet op de architectentitel (beroepservaring, bij- en nascholingsregeling voor stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten, wijzigingen in verband met de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, alsmede enige andere wijzigingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189) om te vormen tot een krachtiger kwaliteitsinstrument door beroepservaring te eisen voor de inschrijving in het architectenregister en de bij- en nascholing uit te breiden tot stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten en voorts om het zelfstandig bestuursorgaan op privaatrechtelijke grondslag, de Stichting bureau architectenregister, in die wet te vervangen door een zelfstandig bestuursorgaan op publiekrechtelijke grondslag, waarop de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) van toepassing is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de architectentitel. Artikel II In de [artikelen III tot en met VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027415&artikel=III&z=2015-01-01&g=2015-01-01) wordt verstaan onder: - **bureau:** bureau architectenregister als bedoeld in [artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=2a); - **Onze Minister:** Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel III 1. Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen A tot en met E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027415&artikel=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01), zijn de personeelsleden van de Stichting bureau architectenregister van w"},{"i":7257,"b":"Wet van 30 mei 1963, betreffende verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met het op 7 januari 1955 te Brussel tussen Nederland, België en Luxemburg gesloten verdrag betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering in zake motorrijtuigen (**Trb.** 1955, nr. 16), en de aanvullende overeenkomst hierop van 3 juli 1956 (**Trb.** 1956, nr. 75) noodzakelijk, en ook overigens wenselijk is, een regeling te treffen omtrent de verplichte verzekering tegen burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe motorrijtuigen aanleiding kunnen geven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet worden verstaan onder motorrijtuigen: alle rij- of voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven over de grond te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het rij- of voertuig zelf aanwezig dan wel door electrische tractie met stroomtoevoer van elders; als een deel daarvan wordt aangemerkt al hetgeen aan het rij- of voertuig is gekoppeld of na koppeling daarvan is losgemaakt of losgeraakt, zolang het nog niet buiten het verkeer tot stilstand is gekomen; verzekerden: zij wier aansprakelijkheid overeenkomstig de bepalingen van deze wet is gedekt; benadeelden: zij die schade hebben geleden welke grond oplevert voor toepassing van deze wet, alsmede hun rechtverkrijgenden; vergunning: een vergunning die een schadeverzekeraar ingevolge de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) behoeft voor de uitoefening van de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen; verzekeraar: een schadeverzekeraar die ingevolge de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overhei"},{"i":7267,"b":"Wet van 24 maart 2023, houdende regels ter bevordering van goed verhuurderschap en het voorkomen en tegengaan van ongewenste verhuurpraktijken (Wet goed verhuurderschap) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen waarmee misstanden bij het verhuren van woon- en verblijfsruimte kunnen worden voorkomen en tegengegaan; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **arbeidsmigrant:** onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie die zijn hoofdverblijf niet in Nederland heeft en in Nederland verblijft om tijdelijke werkzaamheden te verrichten; - **beheerder:** burgemeester en wethouders of een door hen aangewezen: - a. andere natuurlijke of rechtspersoon dan de verhuurder die uit hoofde van beroep of bedrijf op het terrein van de huisvesting werkzaam is, en aan wie een vergunning als bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048028&hoofdstuk=4&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is of kan worden verleend; - b. toegelaten instelling; of - c. dochtermaatschappij; - **dochtermaatschappij:** dochtermaatschappij van een toegelaten instelling als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1); - **gebouw:** gebouw als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1); - **toegelaten instelling:** toegelaten instelling als bedoeld in [artikel 19 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=19); - **verhuurbemiddelaar:** natuurlijke of rechtspersoon die als de lasthebber, bedoeld in [artikel 414, eerste lid, van Boek"},{"i":6809,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens inzake toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdend verkeer van gegevens Preambule De Partijen bij dit aanvullend Protocol bij het [Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002783), dat op 28 januari 1981 te Straatsburg werd opengesteld voor ondertekening (hierna te noemen „het Verdrag\"); Ervan overtuigd dat toezichthoudende autoriteiten, die hun taken in volledige onafhankelijkheid uitoefenen, deel uitmaken van de doeltreffende bescherming van personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens; Gelet op het belang van de informatiestroom tussen volkeren; Overwegend dat vanwege de toename van het aantal grensoverschrijdende uitwisselingen van persoonsgegevens de doeltreffende bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, en in het bijzonder van het recht op persoonlijke levenssfeer, met betrekking tot dergelijke uitwisselingen van persoonsgegevens gewaarborgd moet worden; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Toezichthoudende autoriteiten 1. Elke Partij stelt een of meer autoriteiten verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de maatregelen in haar nationale recht waarmee uitvoering wordt gegeven aan de grondbeginselen vervat in de [hoofdstukken II en III van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002783&hoofdstuk=II) en in dit Protocol. - a. Daartoe beschikken de bedoelde autoriteiten in het bijzonder over onderzoeks- en interventiebevoegdheden, alsmede over de bevoegdheid om in rechte op te treden dan wel de bevoegde gerechtelijke autoriteiten te attenderen op schendingen van bepalingen van nationaal recht, welke bepalingen uitvoering geven aan de grondbeginselen, bedoeld in het eerste lid van artikel 1 van dit Protocol. - b. Elke toezichthoudende autoriteit"},{"i":7251,"b":"Wet van 13 maart 2019 tot wijzing van de Wet op de huurtoeslag in verband met het laten vervallen van de bepaling dat de eigen bijdrage in de huurtoeslag wordt geïndexeerd met het percentage van de netto-bijstandsontwikkeling indien dat percentage lager is dan het percentage van de huurprijsontwikkeling en van de maximale inkomensgrenzen vanaf welke geen huurtoeslag wordt toegekend (Wet aanpassing indexering eigen bijdrage huurtoeslag en het vervallen van de maximale inkomensgrenzen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in de [Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659) de bepaling dat de eigen bijdrage in de huurtoeslag wordt geïndexeerd met het percentage van de netto-bijstandsontwikkeling indien dat percentage lager is dan het percentage van de huurprijsontwikkeling en de maximale inkomensgrenzen vanaf welke geen huurtoeslag wordt toegekend te laten vervallen teneinde een eenduidige indexering van de eigen bijdrage in de huurtoeslag te bereiken en armoedeval te beperken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de huurtoeslag. Artikel II Wijzigt de Woningwet. Artikel III De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpassing indexering eigen bijdrage huurtoeslag en het vervallen van de maximale inkomensgrenzen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6767,"b":"Wet van 7 maart 2013 tot wijziging van de Wet van 6 maart 2003, houdende bepalingen met betrekking tot het toezicht op collectieve beheersorganisaties voor auteurs- en naburige rechten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de [Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779) wordt gewijzigd, om het toezicht op collectieve beheersorganisaties te versterken en uit te breiden en te voorzien in de instelling van een onafhankelijke geschillencommissie voor de beslechting van geschillen over de vergoeding voor het gebruik van beschermde werken en prestaties; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten. Artikel II 1. De instemming, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=3), geldt alleen voor besluiten die worden genomen na de inwerkingtreding van deze wet. 2. De [artikelen 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=18) en [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=19) zijn niet van toepassing op overtredingen begaan voor de inwerkingtreding van deze wet. 3. De [artikelen 21 tot en met 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=21) zijn niet van toepassing op procedures waarvan de dagvaarding of het verzoekschrift vóór of op de dag van inwerkingtreding ervan is uitgebracht. Artikel III Wijzigt de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten. Artikel IV Wijzigt de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of ond"},{"i":1874,"b":"Wijziging van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 en vaststelling ministeriële regeling in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken Gelet op [artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en onderdeel b, onder 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11), alsmede op [artikel V, achtste en negende lid, onder c, van de Wet van 18 december 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007756&artikel=V), Stb. 659; Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 Artikel II Indien op het tijdstip waarop de [Wet van 18 december 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007756), Stb. 659, in werking treedt, blijkt, dat door toepassing van de terugwerkende kracht, bedoeld in [artikel V, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007756&artikel=V), meer of minder belasting verschuldigd is dan bij toepassing van de wettelijke bepalingen zoals die luidden onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007756), wordt de ondernemer de meer verschuldigde belasting op dat tijdstip verschuldigd. De verschuldigd geworden belasting wordt op de voet van [artikel 14 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=14) voldaan. De minder verschuldigd geworden belasting wordt aan hem op zijn verzoek teruggegeven. Artikel III 1. Het percentage van de stichtingskosten, bedoeld in [artikel V, negende lid, onderdeel c, van de Wet van 18 december 1995 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op belastingen van rechtsverkeer en enkele andere belastingwetten in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007756&artikel=V) (Stb. 659), wordt gesteld op 7, te vermeerderen met 0,15 percentpunt voor elk geheel jaar dat is verstreken sinds het ti"},{"i":6713,"b":"Wet van 21 december 2016 tot wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings- en opslagvergunningen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168) het belang van de veiligheid te versterken, de regie te nemen op vergunningen voor de opsporing, winning en opslag en de wet op enkele andere punten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel IIIa Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. In dat besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan [artikel 12 van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=12). Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6757,"b":"Wet van 7 juni 2023, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met enkele wijzigingen inzake het bestuur en de inrichting van academische ziekenhuizen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enkele bepalingen die het bestuur en de inrichting van academische ziekenhuizen regelen aan te passen gelet op recente ontwikkelingen de samenwerking met universiteiten betreffende; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel II 1. [Artikel 321 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=321) is van overeenkomstige toepassing op de overdracht van de activa en de passiva van het openbare academische ziekenhuis bij de openbare universiteit te Amsterdam aan het bijzondere academisch ziekenhuis bij de bijzondere universiteit te Amsterdam, bedoeld in onderdeel j van de [bijlage bij de wet](onbekend), zoals deze bijlage luidde voor de inwerkingtreding van deze wet. 2. Alle rechten en plichten van het openbare academische ziekenhuis bij de openbare universiteit te Amsterdam gaan, voor zover zij niet reeds eerder zijn overgedragen, van rechtswege over op het bijzondere academisch ziekenhuis te Amsterdam, bedoeld in onderdeel j van de [bijlage bij de wet](onbekend). Artikel III. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6778,"b":"Wet van 14 juni 2002 tot wijziging van onder anderen de artikelen 10 en 26 van de Wet voorkeursrecht gemeenten in verband met het tegengaan van de ontwijking van het voorkeursrecht van gemeenten bij de verwerving van onroerende zaken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het ontwijken van het voorkeursrecht van gemeenten bij de verwerving van onroerende zaken tegen te gaan en daartoe onder anderen de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391&artikel=10) en [26 van de Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391&artikel=26) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet voorkeursrecht gemeenten. Artikel II 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. Ten aanzien van overeenkomsten als bedoeld in [artikel 10, tweede lid, aanhef, en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391&artikel=10) zoals luidend vóór inwerkingtreding van deze wet, die in de openbare registers als bedoeld in dat onderdeel, zijn ingeschreven: - a. vóór 22 mei 2001, blijft de wet van toepassing zoals deze luidde vóór inwerkingtreding van deze wet; - b. op of na 22 mei 2001, maar vóór inwerkingtreding van deze wet, is het bepaalde in artikel 10, eerste lid, niet van toepassing, indien de vervreemding geschiedt binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze wet. 3. Ten aanzien van overeenkomsten als bedoeld in [artikel 10, tweede lid, aanhef, en onder e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391&artikel=10) zoals luidend vóór inwerkingtreding van deze wet, die als akte notarieel zijn verleden of onderhands zijn geregistreerd, als bedoeld in dat onde"},{"i":6665,"b":"Regeling van 19 januari 2004, nr. DJZ/BR/0908-03, tot wijziging van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken (overgangsmaatregel projecten cultuur en ontwikkeling) Gelet op [artikel 3, eerste en tweede lid, van de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010178&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken. Artikel II Subsidie op grond van [Hoofdstuk II, Afdeling 5a van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&afdeling=5a) kan uitsluitend worden verleend voor aanvragen die voor 1 januari 2004 zijn ingediend. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 17 mei 2002. [Hoofdstuk II, Afdeling 5a van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&afdeling=5a) vervalt met ingang van 1 januari 2005. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6706,"b":"Wet van 8 november 1993, houdende wijziging van de Luchtvaartwet met betrekking tot luchtvervoersvergunningen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is het in de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) neergelegde stelsel voor Luchtvervoersvergunningen aan te passen aan het bepaalde in [verordening (EEG) nr. 2407/92](31992R2407) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1992 betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen (**PbEG** L 240). Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Vrijstellingen, in individuele gevallen verleend op basis van artikel 16, zesde lid, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, worden geacht ontheffingen te zijn, verleend krachtens artikel 16**d**, eerste lid. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. [Artikel I, aanhef en onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006232&artikel=I&z=1994-02-18&g=1994-02-18), wat betreft het vervallen in artikel 16 van het cijfer een van het eerste lid en het tweede tot en met vijfde lid, en onder B, wat betreft de artikelen 16**a** en 16**b**, werkt terug tot en met 1 januari 1993. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7395,"b":"Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek Boek 7, enz. (tijdelijke huurkorting) Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel Ia 1. In afwijking van [artikel 271, eerste lid, tweede, derde en vijfde zin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=271) kan de duur van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 271, eerste lid, tweede zin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek op schriftelijk verzoek van de huurder worden verlengd met een of meer maanden doch niet tot een later datum dan 1 juli 2021. 2. Het verzoek wordt gedaan niet later dan een week nadat de verhuurder de huurder schriftelijk heeft geïnformeerd over de dag waarop de huur verstrijkt dan wel indien de verhuurder de huurder vóór de datum van inwerkingtreding van dit artikel schriftelijk heeft geïnformeerd over de dag waarop de huur verstrijkt, niet later dan een week na de datum van inwerkingtreding van dit artikel. 3. Bij koninklijk besluit kan de toepassing van dit artikel worden verlengd tot 1 januari 2022. 4. Indien uitvoering is gegeven aan het derde lid: - a. kunnen huurovereenkomsten die overeenkomstig het eerste lid zijn verlengd, nogmaals worden verlengd overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid; - b. wordt in afwijking van het tweede lid, indien de verhuurder de huurder vóór 1 juli 2021 schriftelijk heeft geïnformeerd over de dag waarop de huur verstrijkt en die huur verstrijkt na 30 juni 2021, het in dat lid bedoelde verzoek gedaan vóór 9 juli 2021. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel III Wijzigt de Woningwet. Artikel IIIa Wijzigt de Wet maatregelen huurwoningmarkt Caribisch Nederland. Artikel IV Wijzigt de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. Artikel V Wijzigt het voorstel van Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI Deze wet treedt, met uitzondering van [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045019"},{"i":6839,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 december 2013, nr. HO&S/572464, tot aanwijzing van personen belast met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 Gelet op [artikel 9.1a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=9.1a), Besluit: Artikel 1 De personen, werkzaam bij Dienst Uitvoering Onderwijs, Uitvoering en Dienstverlening/Onderwijsvolgers/Juridische zaken en Handhaving, afdeling Handhaving en Inspectie uit Groningen, te belasten met het toezicht bedoeld in [artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Dit besluit zal worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":6847,"b":"Besluit van 28 november 2013, houdende regels ter uitvoering van de Wet basisregistratie personen (Besluit basisregistratie personen) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 oktober 2013, nr. 2013-0000602327; Gelet op [richtlijn nr. 95/46/EG](31995L0046) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281) en de [artikelen 1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.6), [1.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.10), [1.14, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.14), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.6), [2.7, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.7), [2.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.31), [2.33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.33), [2.34, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.34), [2.37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.37), [2.43, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.43), [2.49, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.49), [2.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.65), [2.67, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.67), [2.69, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.69) j° 2.7, tweede en vierde lid, [2.70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.70), [2.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.77), [2.78, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.78), [2.79, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&ar"},{"i":6801,"b":"Wet van 17 december 1997 tot aanpassing van wetgeving aan de invoering van het geregistreerd partnerschap in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (Aanpassingswet geregistreerd partnerschap) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de invoering van het geregistreerd partnerschap in [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) wenselijk is andere wetten daarmee in overeenstemming te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Algemene Zaken Artikel 1 Wijzigt de Wet verplaatsing bevolking. Artikel 2 Wijzigt de Wet ministeriële verantwoordelijkheid. Hoofdstuk 2. Ministerie van Binnenlandse Zaken Artikel 1 Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel 2 Wijzigt de Wet op de lijkbezorging. Artikel 3 Wijzigt de Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders. Artikel 4 Wijzigt de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer. Artikel 5 Wijzigt de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement. Artikel 6 Wijzigt de Kieswet. Artikel 7 Wijzigt de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag. Artikel 8 Wijzigt de Algemene wet gelijke behandeling. Artikel 9 Wijzigt de Gemeentewet. Hoofdstuk 3. Ministerie van Defensie Artikel 1 Wijzigt de Wet gewetensbezwaren militaire dienst. Artikel 2 Wijzigt de Oorlogswet voor Nederland. Artikel 3 Wijzigt de Uitkeringswet gewezen militairen. Hoofdstuk 4. Ministerie van Economische zaken Artikel 1 Wijzigt de Vestigingswet Bedrijven 1954. Artikel 2 Wijzigt de Wet op de Registeraccountants. Artikel 3 Wijzigt de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten. Artikel 4 Wijzigt de Wet op het consumentenkrediet. Hoofdstuk 5. Ministerie van Financiën Artikel 1 Wijzigt de Comptabiliteitswet. Artikel 2 Wijzigt de Natuu"},{"i":6270,"b":"Wet van 5 juli 2012 tot samenvoeging van de gemeenten Dirksland, Goedereede, Middelharnis en Oostflakkee Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Dirksland, Goedereede, Middelharnis en Oostflakkee samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. **Opheffing en instelling van gemeenten** Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Dirksland, Goedereede, Middelharnis en Oostflakkee opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Goeree-Overflakkee ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Dirksland, Goedereede, Middelharnis en Oostflakkee, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. **Overige bepalingen** Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Goeree-Overflakkee wordt de op te heffen gemeente Middelharnis aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36) in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Dirksland, Goedereede, Middelharnis en Oostflakkee wordt de nieuwe gemeente Goeree-Overflakkee aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artike"},{"i":6676,"b":"Wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling Nationaal Programma GO in verband met het opnemen van een nieuwe subcategorie industrieel onderzoek en het aanvullen van de subsidieplafonds en de minimumbedragen voor de jaren 2005 en 2006 Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3) en [4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Tijdelijke subsidieregeling Nationaal Programma GO. Artikel II 1. Projectvoorstellen die betrekking hebben op industrieel onderzoek dat gericht is op het aanmerkelijk verbeteren van gegevensinfrastructuur en die in het kader van het Nationaal Programma Gebruikersondersteuning 2001–2005 in het jaar 2002 zijn ingediend worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling aangemerkt als aanvragen voor subsidie als bedoeld in [artikel 2 van de Tijdelijke subsidieregeling Nationaal Programma GO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015827&artikel=2). 2. In afwijking van [artikel 7 van de Tijdelijke subsidieregeling Nationaal Programma GO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015827&artikel=7) geeft de Minister van Verkeer en Waterstaat ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde aanvragen de beschikking tot subsidieverlening binnen 8 weken na de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6857,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 december 2015 nr. BOACAT2015/072, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Arriva Personenvervoer Nederland Gelezen het verzoek van Arriva Personenvervoer Nederland van 8 december 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: [De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.] Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037327&artikel=2&z=2016-04-30&g=2016-04-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van domein Openbaar Vervoer in dienst van Arriva Personenvervoer Nederland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, als genoemd in [onderdeel 9.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het"},{"i":7296,"b":"Wet van 16 juni 2005, houdende regels met betrekking tot het in gebruik geven van grond ten behoeve van de verkoop van motorbrandstoffen aan wegen in beheer bij het Rijk (Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomsten voor het gebruik van grond ten behoeve van de verkoop van motorbrandstoffen aan wegen in beheer bij de Staat door middel van een veiling toe te wijzen, teneinde aldus de prijsconcurrentie op de markt van motorbrandstoffen langs wegen in beheer bij het Rijk te vergroten, de toetredingsmogelijkheden tot die markt te verruimen, en de Staat een vergoeding te bieden voor zijn bijdrage aan het tot stand brengen van die markt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Definities Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **doorzet:** aantal verkochte liters motorbrandstoffen; - **exploitant:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming drijft wier werkzaamheden bestaan of mede bestaan uit de verkoop van motorbrandstoffen; - **gebruiksvergoeding:** bedrag dat een huurder ieder jaar aan de Staat moet voldoen voor het gebruik van een locatie; - **houder van de gegevens:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die beschikt over gegevens ten behoeve van het biedboek; - **huurder:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die een locatie huurt of in erfpacht heeft van de Staat; - **huurovereenkomst:** overeenkomst tussen de Staat en een wederpartij, de huurder, die de huurder het recht geeft een locatie te gebruiken voor de vestiging van een verkooppunt van motorbrandstoffen; - **kaartliters:** aantal liters motorbrandstoffen dat via een merkgebonden kaart is verkocht; - **locatie:** gedeelte van een verzorgingsplaats, beste"},{"i":6731,"b":"Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet inburgering (vrijwillige inburgering, persoonlijk inburgeringsbudget en harmoniseren handhavingstermijnen) Artikel I Wijzigt de Wet inburgering. Artikel II Wijzigt de Wet participatiebudget. Artikel III Vervallen Artikel IV Het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7), en [31, tweede lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=31) zoals die bepalingen luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen C en Ia](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026848&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van deze wet, blijft van toepassing ten aanzien van de termijnen voor het behalen van het inburgeringsexamen die vóór dat tijdstip zijn aangevangen, respectievelijk ten aanzien van de verlenging van die termijnen. Artikel V Na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026848&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van deze wet berust het [Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674) mede op [artikel 19, vierde lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=19) en op [artikel 15, tweede lid, van de Wet participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039&artikel=15). Artikel VI 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van de [artikelen I, onderdelen A, onder 1, 2 en 3, D en H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026848&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [II, onderdelen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026848&artikel=II&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026848&artikel=III&z=2010-01-01&g=2010-01-01) die in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende genoemde arti"},{"i":5958,"b":"Besluit van 19 juni 2023 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten ter uitvoering van Verordening 2022/858 betreffende een proefregeling voor marktinfrastructuren op basis van distributed ledger-technologie (Uitvoeringsbesluit DLT pilot regime verordening) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 maart 2023, 2023-0000027042, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2022/858](32758R2022) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende een proefregeling voor marktinfrastructuren op basis van distributed ledger-technologie, en tot wijziging van [Verordeningen (EU) nr. 600/2014](32014R0600) en [(EU) nr. 909/2014](32014R0909) en [Richtlijn 2014/65](32014L0065)/EU (PbEU 2022, L 151) en de [artikelen 1:3a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:3a), [1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), en [1:50a van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:50a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 april 2023, nr. W06.23.00079/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 13 juni 2023, 2023-0000027670, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit DLT pilot regime verordening. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1875,"b":"Wijziging Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (verlaging van het algemene tarief) Gelet op [artikel 15, vijfde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=15) (Stb. 329), [post a 32 van de bij die wet behorende tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&bijlage=I), alsmede [artikel 23 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=23) (Stb. 423); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel II In afwijking in zoverre van [artikel 15, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002634&artikel=15) bedraagt voor boekjaren die aanvangen vóór 1 oktober 1992 en eindigen na 30 september 1992 de verschuldigde belasting over het bedrag van de aldaar bedoelde kosten 13 percent voor zover deze kosten zijn toe te rekenen aan het vóór 1 oktober 1992 gelegen deel van het boekjaar en 12 percent voor zover zij zijn toe te rekenen aan het daarna gelegen deel van het boekjaar. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 1992."},{"i":6732,"b":"Wet van 23 januari 2019 tot wijziging van diverse wetten op het terrein van de volksgezondheid in verband met de versterking van het handhavingsinstrumentarium van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en enkele andere wijzigingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op een versterking van het toezicht op de naleving van wetten op het terrein van de volksgezondheid wenselijk is het handhavingsinstrumentarium van de Inspectie voor de gezondheidszorg uit te breiden en enkele andere wijzigingen door te voeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Artikel II Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel III Wijzigt de Geneesmiddelenwet. Artikel IV Wijzigt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V Wijzigt de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Artikel VI Wijzigt de Embryowet. Artikel VII Wijzigt de Jeugdwet. Artikel VIII Wijzigt de Opiumwet. Artikel IX Wijzigt de Tijdelijke wet ambulancezorg. Artikel X Wijzigt de Wet afbreking zwangerschap. Artikel XI Wijzigt de Wet foetaal weefsel. Artikel XII Wijzigt de Wet inzake bloedvoorziening. Artikel XIII Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel XIV Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel XV Wijzigt de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen. Artikel XVI Wijzigt de Wet op bijzondere medische verrichtingen. Artikel XVII Wijzigt de Wet op de orgaandonatie. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op het bevolkingsonderzoek. Artikel XIX Wijzigt de Wet toelating zorginstellingen. Artikel XX Wijzigt de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal. Artikel XXI Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Ar"},{"i":6700,"b":"Wet van 28 juni 2007 tot wijziging van de Gemeentewet, de Wet op de waterhuishouding en de Wet milieubeheer in verband met de introductie van zorgplichten van gemeenten voor het afvloeiend hemelwater en het grondwater, alsmede verduidelijking van de zorgplicht voor het afvalwater, en aanpassing van het bijbehorende bekostigingsinstrument (verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de zorg voor het afvloeiend hemelwater en het grondwater in stedelijk gebied, alsmede nadere regels te stellen met betrekking tot de zorg voor het afvalwater, en dat wordt voorzien in een bijbehorend bekostigingsinstrument; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II Wijzigt de Wet op de waterhuishouding. Artikel III Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel IV 1. Uiterlijk binnen vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel III, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022391&artikel=III&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van deze wet stelt de gemeenteraad een gemeentelijk rioleringsplan vast dat voldoet aan [artikel 4.22, tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=4.22) zoals gewijzigd door deze wet. 2. [Artikel 4.22, tweede lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=4.22), zoals dat luidde voor het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, blijft, zolang de in het eerste lid genoemde termijn niet is verstreken, van toepassing op een gemeentelijk rioleringsplan, als bedoeld in [artikel 4.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=4.22), dat uiterlijk binnen die termijn is vastgest"},{"i":5883,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 12 september 2018, nr. IENW/BSK-2018/116306, houdende vaststelling van de Tijdelijke subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart 2018–2019 (Tijdelijke subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart 2018–2019) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [8, eerste lid en tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=9), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22) en [23, vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Innovatieraad Binnenvaart:** door het bedrijfsleven ingesteld college van deskundigen uit de binnenvaartsector ten behoeve van het stimuleren van de innovatie in de binnenvaart; - **Kaderbesluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381); - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **project:** experimenteel ontwikkelingsproject, haalbaarheidsproject gericht op experimentele ontwikkeling, haalbaarheidsproject gericht op industrieel onderzoek, industrieel onderzoeksproject, innovatiecluster- exploitatieproject of innovatiecluster- investeringsproject dat aan [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041347&artikel=2&z=2019-10-12&g=2019-10-12) voldoet; - **staatssteun:** steunmaatregelen als omschreven in artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Artikel 2. Doel van de subsidieregeling Doel van deze regeling is het verstrekken van financiële bijdragen aan de binnenvaartsector ten behoeve van projecten die bijdragen aan de duurzaamheid van de sector door reductie van CO2-, NOX-, PM- emissies of methaanslip. Artike"},{"i":7436,"b":"Wet van 18 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van Richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Vreemdelingenwet 2000 te wijzigen ter implementatie van [Richtlijn 2011/51](32011L0051)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot wijziging van [Richtlijn 2003/109/EG](32003L0109) van de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU L 2011, 132); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II Wijzigt de Wet inburgering. Artikel IIa Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 10. Artikel III. (Overgangsrecht) 1. Een op grond van [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, met daarop de aantekening «EG-langdurig ingezetene», wordt aangemerkt als een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in [artikel 45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45a). 2. Een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), met daarop de aantekening «EG-langdurig ingezetene», wordt aangemerkt als een aanvraag van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in [artikel 45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45a). 3. Een bezwaarschrift tegen een beschikking waarin de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning"},{"i":7283,"b":"Wet van 21 december 2000 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht (Wet openstelling huwelijk) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het huwelijk open te stellen voor personen van hetzelfde geslacht en daartoe [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt deze wet. Artikel III Onze Minister van Justitie zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de effecten van deze wet in de praktijk, daarbij in het bijzonder betrekkend de verhouding tot het geregistreerd partnerschap. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet openstelling huwelijk. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7450,"b":"Wet van 16 december 1993, tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met verruiming van het begrip personenauto Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de fiscale wetgeving het begrip personenauto nader te definiëren, alsmede om nog enige andere wijzigingen aan te brengen in de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Indien vóór 1 januari 1994 geregistreerde motorrijtuigen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen **a** en **b**, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 zoals dat luidde op 31 december 1993, in een zodanige staat worden gebracht dat zij een personenauto of motorrijwiel worden in de zin van artikel 3 onderscheidenlijk artikel 4 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, zoals die luidden op 31 december 1993, is belasting van personenauto’s en motorrijwielen verschuldigd. De belasting is verschuldigd door degene op wiens naam het motorrijtuig is geregistreerd. 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid, is voor motorrijtuigen die vóór 1 januari 1993 zijn geregistreerd en die uiterlijk op 1 juli 1994 door het aanbrengen van zijruiten of zitplaatsen in de laadruimte in een zodanige staat zijn gebracht dat deze een personenauto zijn, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen verschuldigd bij de vervreemding van de personenauto na 1 juli 1994, mits vanaf het tijdstip waarop het motorrijtuig een personenauto is geworden, de motorrijtuigenbelasting is betaald naar het tarief voor personenauto’s. De belasting is in die gevallen verschuldigd door degene op wiens naam de personenauto onmiddellijk vóór"},{"i":6846,"b":"Besluit van 7 juni 2017, houdende regels omtrent de algemene toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte (Besluit toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 februari 2017, kenmerk 949043-148746-WJZ; Gelet op [artikel 2a, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915&artikel=2a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 april 2017, no. W13.17.0030/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 juni 2017, kenmerk 949036-148746-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915). Artikel 2 1. Onze Minister bevordert binnen de sectoren van de verschillende terreinen waarop de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915) van toepassing is de totstandkoming van actieplannen ter uitvoering van [artikel 2a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915&artikel=2a). 2. Onze Minister bevordert dat bij het opstellen van de actieplannen representatieve organisaties van personen met een handicap of chronische ziekte worden betrokken. 3. Representatieve organisaties van personen met een handicap of chronische ziekte kunnen op verzoek van Onze Minister of uit eigen beweging, aan Onze Minister informatie verschaffen over de uitvoering van het eerste lid. Artikel 3 1. In een actieplan wordt beschreven op welke wijze een sector werkt aan de geleidelijke verwezenlijking van de algemene toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte. 2. Daartoe bevat een actieplan in elk geval de volgende elementen: - a."},{"i":6750,"b":"Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PbEU L 267) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [richtlijn nr. 2009/110/EG](32009L0110) van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de [Richtlijnen 2005/60/EG](32005L0060) en [2006/48/EG](32006L0048) en tot intrekking van [Richtlijn 2000/46/EG](32000L0046) (PbEU L 267), welke voorziet in een vergunningenstelsel voor elektronischgeldinstellingen, in Nederland dient te worden geïmplementeerd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Wijzigt de Wet inzake de geldtransactiekantoren. Artikel V Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel VI Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001. Artikel VII Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel VIII Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IX Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel X Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel XI Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel XII Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel XIII Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel XIV Wijzigt de Zie"},{"i":7319,"b":"Besluit van 31 oktober 2006 tot wijziging van het Besluit personenvervoer 2000 in verband met het gebruik van een elektronisch vervoerbewijs in het openbaar vervoer Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 juli 2006, nr. HDJZ/S&W/2006-809, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=30), [49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=49), [70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=70), en [74, tweede lid, onder a van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=74); De Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2006, nr. W09.06.0262/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 25 oktober 2006, nr. HDJZ/S&W/2006-1654, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit personenvervoer 2000. Artikel II 1. De [artikelen 44, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=44), en [47 van het Besluit personenvervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=47), zoals die luidden voor inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing voor de reiziger die gebruik maakt van het openbaar vervoer op basis van een vervoerbewijs, niet zijnde een elektronisch vervoerbewijs als bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=32), of [artikel 30, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=30). 2. Wijzigt dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van onderdeel D dat in werking treedt met ingang van 1 april 2007. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij horende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1877,"b":"Wijziging Uitvoeringsregeling accijns Gelet op [artikel 78, vierde lid, van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=78) (Stb. 1991, 561); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel II 1. Tot 1 september 1995 mogen accijnszegels die voldoen aan het gestelde in de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005355&artikel=40), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005355&artikel=41), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005355&artikel=42) en [43 van de Uitvoeringsregeling accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005355&artikel=43) zoals die luidden op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze regeling, worden vervaardigd en aangebracht op verpakkingen van sigaren en pijptabak, mits deze vóór 1 september 1995 worden uitgeslagen of ingevoerd. 2. Tot 1 juli 1996 mogen accijnszegels die voldoen aan het gestelde in de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005355&artikel=40), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005355&artikel=41), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005355&artikel=42) en [43 van de Uitvoeringsregeling accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005355&artikel=43) zoals die luidden op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze regeling, worden vervaardigd en aangebracht op verpakkingen van sigaren als bedoeld in [artikel 6, derde lid, van het Aanduidingenbesluit tabaksprodukten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006920&artikel=6) (Stb. 1994, 720), mits deze vóór 1 juli 1996 worden uitgeslagen of ingevoerd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na plaatsing in de Staatscourant."},{"i":6764,"b":"Wet van 30 juni 2005 tot wijziging van de Wet subsidiëring politieke partijen houdende verhoging van de subsidiebedragen, verbreding van de subsidiabele doelen en aanpassing van de subsidiegrondslag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, ter verbetering van de financiële positie en het functioneren van politieke partijen, de subsidiebedragen, genoemd in de [Wet subsidiëring politieke partijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010465) te verhogen, de subsidiegrondslagen te wijzigen en de subsidiabele doelen te verbreden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet subsidiëring politieke partijen. Artikel II Voor de toepassing van de [Wet subsidiëring politieke partijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010465) ten aanzien van het kalenderjaar 2004 geldt dat de in [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010465) bedoelde subsidie aan een politieke partij tevens verstrekt kan worden voor in [artikel 5 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010465&artikel=5) bedoelde uitgaven die samenhangen met activiteiten in het kalenderjaar 2005. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en werkt terug tot en met 1 januari 2004. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6831,"b":"Beschikking standplaatsen en ambtsgebieden van de secretariaten van de huurcommissies Overwegende, dat het gewenst is de standplaatsen en het ambtsgebied van de secretariaten van de Huurcommissie te wijzigen, Besluit: Artikel 1 Secretariaten van de Huurcommissie zijn gevestigd | **Te** | | --- | | Amsterdam | | Arnhem | | Breda | | Groningen | | Haarlem | | 's-Hertogenbosch | | Maastricht | | Rijswijk | | Rotterdam | | Utrecht | | Zwolle | Artikel 2 De beschikking van 15 augustus 1988, nr. MOI 1588001 (Stcrt. 158) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze beschikking wordt geplaatst in de Staatscourant. Artikel 4 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juli 1994. Artikel 5 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking standplaatsen en ambtsgebieden van de secretariaten van de huurcommissies. Afschriften van deze beschikking worden gezonden aan gedeputeerde staten der onderscheidene provincies, de voorzitters en secretarissen der onderscheidene huurcommissies, de directeur-generaal van de Volkshuisvesting, de Accountantsdienst van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":6688,"b":"Wet van 24 december 1998 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Beroepswet, de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet op de Raad van State, de Wet op de studiefinanciering, de Wet tarieven in burgerlijke zaken en andere wetten ter verhoging van de opbrengst van de griffierechten (verhoging van de opbrengst van griffierechten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de opbrengst van de verschillende vast rechten en griffierechten te doen verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. ARTIKEL II Wijzigt de Beroepswet. ARTIKEL III Wijzigt de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en de Algemene wet inzake rijksbelastingen. ARTIKEL V Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945. ARTIKEL VI Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers. ARTIKEL VII Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. ARTIKEL VIII Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. ARTIKEL IX Wijzigt de Wet op de Raad van State. ARTIKEL X Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. ARTIKEL XI Wijzigt de Wet op de studiefinanciering. ARTIKEL XII WIjzigt de Wet tarieven in burgerlijke zaken. ARTIKEL XIII Wijzigt de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945. ARTIKEL XIV Wijzigt de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers. ARTIKEL XV 1. Indien op de dag waarop deze wet in werking treedt een vast recht verschuldigd of voldaan is, blijft hierop het oude recht van toepassing. 2. Indien op de dag waarop deze wet in werking treedt tegen een besluit beroep openstaat op een administ"},{"i":6659,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 juli 2009, nr. WJZ/2009/132105 (2693), tot wijziging van de Subsidieregeling kinderopvang in verband met de vaststelling van aanvraagtijdvakken, subsidieplafonds en thema’s voor het jaar 2009 Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2), en [4 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling kinderopvang. Artikel II De [Subsidieregeling kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018209) zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling blijft van toepassing op de financiële afwikkeling van voor bedoeld tijdstip verleende subsidies. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6869,"b":"Besluit van 11 maart 1991, ter uitvoering van artikel 1157 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 18 juli 1990, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek nr. 24355/690; Gelet op [artikel 1157 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1157); De Raad van State gehoord (advies van 10 september 1990, nr. W03.90.0336); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 februari 1991, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 46944/91/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De schadevergoeding die de vervoerder mogelijkerwijs verschuldigd is in geval van vertraging van een reiziger en verlies, beschadiging of vertraging van diens bagage, is beperkt tot een bedrag van € 1500. In geval van vervoersdiensten als bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, van Verordening (EU) Nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (Pb EU L 55) is de schadevergoeding die de vervoerder mogelijkerwijs verschuldigd is in geval van verlies of beschadiging van bagage van een reiziger, beperkt tot een bedrag van € 1500 per stuk. 2. De schadevergoeding die de vervoerder mogelijkerwijs is verschuldigd uit hoofde van [artikel 1147 van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1147) is beperkt tot een bedrag van € 1.000.000 per reiziger met een maximum van € 15.000.000 per gebeurtenis. In geval van vervoersdiensten als bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, van Verordening (EU) Nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (Pb EU L 55), waarbij de schadevergoeding die de vervoerder uit hoofde van artikel 1147 van Boek 8 van het Burgerl"},{"i":6858,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 oktober 2025 nr. BOACAT2025/180, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Arriva Personenvervoer Nederland B.V Gelezen het verzoek van Arriva Personenvervoer Nederland B.V. van 19 augustus 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie Parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051638&artikel=2&z=2025-12-09&g=2025-12-09). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Steward Boa-OV, medewerker Service & Veiligheid teammanager en vakspecialist BOA in dienst van Arriva Personenvervoer Nederland B.V. zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behor"},{"i":1878,"b":"Wijziging Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (2000) Gelet op [artikel 18 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=18), Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 Artikel II Met betrekking tot een notariële akte verleden vóór 1 juni 2000, blijft toepassing van de in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011248&artikel=I&z=2000-04-01&g=2000-04-01) opgenomen wijzigingen van [artikel 21a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006736&artikel=21a) achterwege indien: - a. aangetoond wordt dat de akte is gebaseerd op een overeenkomst van vóór 1 april 2000, en - b. de verkrijger of namens deze de notaris verklaart dat van de in verband met de verkrijging van de onroerende zaak of zaken verkregen roerende zaak of zaken geen specificatie is opgemaakt. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2000. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6679,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 14 september 2007 nr. 5505825/07, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (zevenenzestigste wijziging) Gelet op de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) en [24 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24) en [artikel 3.101 van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.101); Besluit: Artikel I Wijzigt het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Artikel II A. Tot en met 23 september 2007 blijven de [artikelen 3.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9), [3.33a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a), [3.33d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33d) en [3.34i, Voorschrift Vreemdelingen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34i) van toepassing zoals deze golden direct voorafgaand aan inwerkingtreding van deze regeling, ten aanzien van de vreemdeling die woon- of verblijfplaats heeft in een gemeente gelegen in de politieregio Drenthe, Flevoland, Friesland, Groningen, IJsselland, Noord en Oost Gelderland, Twente, Gooi- en Vechtstreek dan wel Utrecht. B. Tot en met 14 oktober 2007 blijven de [artikelen 3.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9), [3.33a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a), [3.33d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33d) en [3.34i, Voorschrift Vreemdelingen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34i) van toepassing zoals deze golden direct voorafgaand aan inwerkingtreding van deze regeling, ten aanzien van de vreemdeling die woon- of verblijfplaats heeft in een gemeente gelegen in de politieregio Rotterdam-Rijnmond, Hollands Midden, Zeeland, Zuid-Holland-Zuid, dan wel Haaglanden. C. Tot en met 4 november 2007 blijven de [artikelen 3.9, ee"},{"i":6844,"b":"Besluit van 25 juni 2012, houdende aanwijzing van zeeschepen ten aanzien waarvan artikel 693 en de afdelingen 12 en 12a van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zijn Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 5 april 2012, nr. 247315; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 mei 2012, no. W.12.0114/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 juni 2012, nr. 273409; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 [Artikel 693](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=693) en [afdeling 12 van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&afdeling=12) zijn niet van toepassing ten aanzien van: - a. schepen die uitsluitend varen op Nederlandse binnenwateren of wateren, binnen of dicht grenzend aan beschutte wateren of gebieden waar Nederlandse havenvoorschriften gelden; - b. onbemande schepen die niet van middelen tot werktuiglijke voortstuwing zijn voorzien; - c. oorlogsschepen en marinehulpschepen; - d. niet commercieel gebruikte overheidsschepen; - e. reddingsvaartuigen; - f. pleziervaartuigen. Artikel 2 [Artikel 693](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=693) en [afdeling 12a van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&afdeling=12A) zijn niet van toepassing op onoverdekte zeevissersschepen die in de regel niet buiten het zicht van de Nederlandse kust worden gebracht. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6661,"b":"Regeling van 1 december 2010, nr. DJZ/BR/0873-10, van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken tot wijziging van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op aanpassing van de wijze van subsidieverlening voor activiteiten, gericht op structurele armoedebestrijding in ontwikkelingslanden Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=2) en [3 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006. Artikel II De bepalingen van de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366), zoals luidend voor inwerkingtreding van deze regeling, blijven van toepassing op voor inwerkingtreding van deze regeling verstrekte subsidies en op de toepassing van voor inwerkingtreding van deze regeling bekendgemaakte beleidsregels en subsidieplafonds op grond van [artikel 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vindt voor het eerst toepassing op de verstrekking van subsidies voor het subsidietijdvak dat met ingang van 1 januari 2011 aanvangt."},{"i":6854,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 juni 2004, nr. CIBG/BMC 2481432, houdende het verlenen van bevoegdheid tot het aangaan van overeenkomsten tot verkoop van hennep, hennephars en de preparaten daarvan Besluit: Artikel 1 Aan het Hoofd van het Bureau voor Medicinale Cannabis wordt de bevoegdheid verleend om namens de Minister overeenkomsten tot verkoop van hennep, hennephars en de preparaten daarvan, aan te gaan. Artikel 2 Aan mevrouw mr. N.V. Barkmeijer, jurist bij het Bureau voor Medicinale Cannabis wordt de bevoegdheid verleend om bij afwezigheid of verhindering van het Hoofd van het Bureau voor Medicinale Cannabis overeenkomsten tot verkoop van hennep, hennephars en de preparaten daarvan, aan te gaan. Artikel 3 Het besluit van 17 november 2003 (GMT/BMC 2417883) waarin het Hoofd van het Bureau voor Medicinale Cannabis ondervolmacht heeft gekregen wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening in de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7301,"b":"Wet van 25 juli 1947, tot het treffen van maatregelen in zake de vernieuwing van hypothecaire inschrijvingen ten hypotheekkantore te Nijmegen Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is gebleken, maatregelen te treffen inzake de vernieuwing van hypothecaire inschrijvingen, genomen ten kantore van bewaring van de hypotheken, het kadaster en de scheepsbewijzen te Nijmegen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Met afwijking van de bepaling van artikel 1236 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle vóór of op 20 September 1944 ten kantore van bewaring van de hypotheken, het kadaster en de scheepsbewijzen te Nijmegen genomen hypothecaire inschrijvingen op onroerende zaken onderworpen aan vernieuwing binnen een tijdvak van één jaar, aanvangende op een door Onzen Minister van Financiën vast te stellen tijdstip. Artikel 2 1. De aanvraag tot vernieuwing geschiedt door of namens den schuldeischer of door of namens dengene die ten genoegen van den hypotheekbewaarder aantoont, dat hij belanghebbende is. Zij geschiedt door tusschenkomst van een notaris. 2. Te dien einde worden ten kantore van bewaring te Nijmegen overgelegd twee door hem die de aanvraag doet, onderteekende borderellen bevattende: - 1°. vermelding van den schuldeischer en den schuldenaar op het tijdstip van opmaking van de borderellen; indien de schuldeischer een andere is dan die ten tijde van de oorspronkelijke inschrijving, behoort tevens, ten genoegen van den hypotheekbewaarder, opgave te worden gedaan van de wijze waarop of van de titels uit welke de tegenwoordige schuldeischer zijn recht heeft verkregen; - 2°. opgave der woonplaats, door den schuldeischer gekozen binnen den kring van voormeld kantoor; wijkt deze woonplaats af van de in het borderel der oorspronkelijke inschrijving gekoze"},{"i":1879,"b":"Wijziging Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (2008) Gelet op [artikel 67, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67), [artikel 67, tweede lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=67) en [artikel 10, tweede lid, onderdeel b, van de Registratiewet 1970](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=10); Besluit: Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2007/250. Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel II. Overgangsbepaling Tot het moment waarop het bij koninklijke boodschap van 1 juni 2006 ingediende voorstel van wet, houdende algehele herziening van de douanewetgeving (Algemene douanewet) (kamerstukken 30 580) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, wordt de bekendmaking van gegevens door ambtenaren van de Belastingdienst/Douane die bij wettelijk voorschrift als toezichthouder, controle- of opsporingsambtenaar zijn aangewezen, zoals die bekendmaking geschiedt op grond van [artikel 67, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67) of op grond van [artikel 67, tweede lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=67), zoals die artikelen luidden op 31 december 2007, aangemerkt als bekendmaking die noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan en geacht te zijn opgenomen in vorenstaande Ministeriële regeling. Artikel III. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008 Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6668,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 september 2013-0000124864, tot wijziging van de Subsidieregeling scholing jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen (evaluatie) Gelet op de [artikelen 2:29, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:29), en [3:49, eerste en tweede lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:49); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling scholing jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen. Artikel II Op subsidie, verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling blijft van toepassing de [Subsidieregeling scholing jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018795) zoals deze gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 september 2013. Deze regeling zal met de toelichting en de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018795&bijlage=1) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6714,"b":"Wet van 18 december 2008 tot wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de adviesverplichting van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij aanvragen om een monumentenvergunning voor beschermde gebouwde monumenten te beperken, als gevolg waarvan de administratieve en bestuurlijke lasten voor het Rijk, de provincies, de gemeenten en de burgers zullen verminderen; dat het gelet op het bestand aan beschermde gebouwde monumenten wenselijk is zeer terughoudend te zijn met aanwijzing als beschermd monument van monumenten op verzoek van belanghebbenden; dat het wenselijk is andere procedurele vereenvoudigingen door te voeren; dat in verband daarmee de [Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471) dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Monumentenwet 1988. Artikel II 1. Verzoeken als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471&artikel=3), zoals die bepaling op 31 december 2008 luidde, betreffende voor 1 januari 1940 vervaardigde monumenten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, onder 1, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471&artikel=1) die voor 1 januari 2009 zijn ingediend, worden afgehandeld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de [Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471), zoals [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471) op 31 december 2008 luidde. 2. Bezwaar- en beroepschriften tegen een besluit met betrekking tot een verzoek als bedoeld in het eerste lid worden afgehandeld overeenkomstig het bepaa"},{"i":7441,"b":"Wet van 17 december 1998 tot wijziging van de Wet conflictenrecht huwelijk Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten; Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet conflictenrecht huwelijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004619) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet conflictenrecht huwelijk. ARTIKEL II 1. [Artikel 4 van de Wet conflictenrecht huwelijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004619&artikel=4), zoals dit door deze wet komt te luiden, is van toepassing op huwelijken die na de dag van de inwerkingtreding van deze wet ten overstaan van buitenlandse diplomatieke en consulaire ambtenaren zijn voltrokken. 2. Huwelijken die na 1 januari 1990 en voor de dag van de inwerkingtreding van deze wet ten overstaan van buitenlandse diplomatieke en consulaire ambtenaren in overeenstemming met het recht van de door hen vertegenwoordigde staat zijn voltrokken worden, tenzij zulks onverenigbaar zou zijn met de openbare orde, als geldig aangemerkt indien de ene partij uitsluitend of mede de Nederlandse nationaliteit bezit en de andere partij uitsluitend of mede de nationaliteit van de door de diplomatieke of consulaire ambtenaar vertegenwoordigde staat. ARTIKEL III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de uitgifte van het Staatsblad waarin zij is geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7448,"b":"Wet van 9 juni 1994, houdende wijziging van de Wet individuele huursubsidie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet individuele huursubsidie te wijzigen onder meer teneinde de controleerbaarheid en handhaafbaarheid van een aantal in deze wet opgenomen bepalingen te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. De uitzondering met betrekking tot het in artikel 16, eerste volzin, van de Wet individuele huursubsidie genoemde maximumbedrag, die was gemaakt in artikel 17, eerste lid, van die wet, zoals die bepaling luidde op 30 juni 1994, blijft gelden voor de huurder van een woning voor wie zij op die datum toepassing vond, zolang de huurder het genot van de woning behoudt. 2. Deze wet is niet van toepassing op aanvragen om en verstrekkingen van een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet individuele huursubsidie, die betrekking hebben op tijdvakken als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van die wet, die zijn verstreken vóór 1 juli 1994. 3. In afwijking van het tweede lid blijft artikel 27, tweede lid, van de Wet individuele huursubsidie, zoals die bepaling luidde op 30 juni 1994, gelden voor een aanvraag die betrekking heeft op een tijdvak waarvan de datum van aanvang is gelegen voor 1 juli 1994, met dien verstande dat de aanvraag uiterlijk op 30 september 1994 wordt ingediend. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V De tekst van de Wet individuele huursubsidie wordt in het **Staatsblad** geplaatst. Artikel VI Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 1994. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenare"},{"i":7396,"b":"Wet van 30 juni 2010 tot tijdelijke verruiming van de mogelijkheid in artikel 668a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan in verband met het bevorderen van de arbeidsparticipatie van jongeren Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in verband met de economische crisis de arbeidsparticipatie van jongeren tot 27 jaar te bevorderen en daartoe het Burgerlijk Wetboek tijdelijk te wijzigen opdat tussen deze jongeren en hun werkgevers meer opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen worden aangegaan alvorens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II [Lid 6 van artikel 668a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=668a) is niet van toepassing op werknemers van wie de arbeidsovereenkomst op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 668a lid 1 en lid 3. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IV De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij worden geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7316,"b":"Besluit van 23 april 2001, houdende wijziging van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 in verband met wijziging van het tijdstip waarop een scheiding van tafel en bed is geëindigd, en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een aantal bepalingen van de Wet van 13 december 2000, houdende wijziging van de regeling in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het naamrecht, de voorkoming van schijnhuwelijken en het tijdstip van de totstandkoming van de scheiding van tafel en bed alsmede enige andere wetten (Stb. 2001, 11) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 12 maart 2001, Directie Wetgeving, nr. 5084986/01/06; Gelet op de [artikelen 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=116) en [176 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=176), alsmede de [artikelen VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011937&artikel=VI) en [VII van de Wet van 13 december 2000, houdende wijziging van de regeling in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het naamrecht, de voorkoming van schijnhuwelijken en het tijdstip van de totstandkoming van de scheiding van tafel en bed alsmede van enige andere wetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011937&artikel=VII) (Stb. 2001, 11); De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 2001, no. W03.01.0141/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van 19 april 2001, Directie Wetgeving, nr. 5093037/01/06; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het besluit Huwelijksgoederenregister 1969. Artikel II Van een verklaring van de echtgenoten dat de scheiding van tafel en bed door verzoening heeft opgehouden te bestaan, als bedoeld in [artikel 177 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=177), zoals dit tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, die tot dat tijdstip in het huwelijksgoederenregister kon worden ingeschreven, maar daarin"},{"i":6727,"b":"Wet van 12 maart 2009 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake colleges van bestuur en raden van toezicht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om te komen tot een deugdelijk intern toezicht binnen instellingen als bedoeld in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625); dat het daartoe nodig is te komen tot een heldere scheiding van taken en bevoegdheden binnen de bestuurslagen van deze instellingen en een uniforme naamgeving van de desbetreffende organen en dat in verband daarmee de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II. Overgangsbepaling Gedurende 6 maanden na de inwerkingtreding van deze wet kan worden afgeweken van de daarin opgenomen wijzigingen. Voor zover van deze wet wordt afgeweken, blijven de [artikelen 1.1.1, onderdeel w2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1), [1.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.3), [2.2.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.4), [2.5.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.3), [2.5.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.4), [2.8.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.8.2), [4.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=4.1.3), [9.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=9.1.4), [9.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=9.1.5) en [9.1.7](https"},{"i":6859,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 juni 2015, nr. BOACAT2015/020, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij HTM Personenvervoer N.V Gelezen het verzoek van het Sectorhoofd Controle en Veiligheid van HTM Personenvervoer N.V. van 15 mei 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036720&artikel=2&z=2015-06-26&g=2015-06-26). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Controleur BOA I of Controleur BOA III in dienst van HTM Personenvervoer N.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein Domein IV Openbaar Vervoer, van [bijlage A-I van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029447&bijlage=A-I). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3."},{"i":6674,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 december 2006, nr. KVI 2006333133, houdende wijziging van de Subsidieregeling voor motorrijtuigen met emissiearme dieselmotor en recht op teruggaaf BPM, in verband met de wet van 22 november 2006 tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 en van enige andere wetten (omzetting teruggaafregeling bestelauto’s ondernemers in vrijstellingsregeling) (Stb. 607) (aanpassing aan vrijstellingsregeling Wet BPM) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13) en [artikel 17 van het Besluit milieusubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010065&artikel=17); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de wet van 22 november 2006 tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 en van enige andere wetten (omzetting teruggaafregeling bestelauto’s ondernemers in vrijstellingsregeling) (Stb. 607) in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling voor motorrijtuigen met emissiearme dieselmotor en recht op teruggaaf BPM. Artikel II Op een aanvraag tot subsidievaststelling, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling voor motorrijtuigen met emissiearme dieselmotor en recht op teruggaaf BPM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019692&artikel=4) voor een motorrijtuig ten aanzien waarvan teruggaaf van belasting is verleend, als bedoeld in [artikel 15b, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=15b) zoals die luidde voor de inwerkingtreding van artikel I van de wet tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 en van enige andere wetten (omzetting teruggaafregeling bestelauto’s ondernemers in vrijstellingsregeling) blijft de [Subsidierege"},{"i":6792,"b":"Ziektekostentegemoetkoming per 1 januari 2004 I. Samenvatting In deze circulaire wordt het niveau van de tegemoetkoming in de ziektekosten op basis van het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](onbekend) (Btzr) vanaf 1 januari 2004 bekendgemaakt. II. Inleiding De Btzr-tegemoetkoming wordt jaarlijks vastgesteld op 50% van het totaal van de MOOZ-bijdrage, de WTZ-bijdrage en het bedrag van de component 'polis' van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze ten behoeve van het Centraal Economisch Plan door het Centraal Plan Bureau wordt geraamd. III. Ziektekostentegemoetkomingen per 1 januari 2004 De MOOZ-bijdrage en de WTZ-bijdrage zijn voor het jaar 2004 vastgesteld op € 120 respectievelijk € 393,60 per jaar. Het bedrag van de component 'polis' van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis is door het Centraal Plan Bureau geraamd op € 1316,71 per jaar. Het bedrag van de tegemoetkoming per maand is vanaf 1 januari 2004: Ik verzoek u met het bovenstaande rekening te houden. Inlichtingen uitsluitend voor afdelingen Personeelszaken van geadresseerden bij mevrouw Van Ogtrop respectievelijk het secretariaat van de afdeling Arbeidsvoorwaarden (telefoon (070) 426 6900, respectievelijk (070) 426 6996)."},{"i":6860,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 26 mei 2025 nr. BOACAT2025/130, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij HTM Personenvervoer N.V Gelezen het verzoek van HTM Personenvervoer N.V. van 20 mei 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051084&artikel=2&z=2025-06-26&g=2025-06-26). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar openbaar vervoer in dienst van HTM Personenvervoer N.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, zoals opge"},{"i":7306,"b":"Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Boek Eerste. De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad titel Eerste. Algemene bepalingen afdeling Eerste. Rechtsmacht van de Nederlandse rechter Artikel 1 Onverminderd het omtrent rechtsmacht in verdragen en EG-verordeningen bepaalde en onverminderd [artikel 13a van de Wet algemene bepalingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001833&artikel=13a) wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beheerst door de volgende bepalingen. Artikel 2 In zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht indien de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Artikel 3 In zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid, met uitzondering van zaken als bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&boek=Eerste&titeldeel=Eerste&afdeling=Eerste&artikel=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&boek=Eerste&titeldeel=Eerste&afdeling=Eerste&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht indien: - a. hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, - b. het verzoek betrekking heeft op een bij dagvaarding ingeleid of in te leiden geding ten aanzien waarvan de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, of - c. de zaak anderszins voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is. Artikel 4 1. Indien de [Verordening (EU) nr. 2019/1111](32019R1111) van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (PbEU L178) niet van toepassing is, wordt de rechtsmacht van de rechter met betrekking tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbindin"},{"i":7462,"b":"Wet van 6 juni 2011 tot aanpassing van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven in verband met uitbreiding van de categorieën van personen die recht hebben op een uitkering uit het fonds en verruiming van de gevallen waarin men aanspraak kan maken op een dergelijke uitkering, aanpassing aan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en enkele andere aanpassingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de categorieën van personen die aanspraak kunnen maken op een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven uit te breiden, de gevallen waarin men aanspraak kan maken op een dergelijke uitkering te verruimen, de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) van toepassing te verklaren op de Commissie die met het beheer van schadefonds is belast en de [Wet schadefonds geweldsmisdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979) en enkele andere wetten op nog enkele andere punten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Artikel II Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IV Aan de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel d en tweede lid, onderdelen c, d, en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=3), en [4, eerste lid, van de Wet schadefonds geweldmisdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=4), zoals deze komen te luiden na inwerkingtreding van deze wet, wordt slechts toepassing gegeven voor zover het geweldsmisdrijf, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, is gepleegd na inwerkingtreding van deze wet. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden gepl"},{"i":1880,"b":"Wijziging van de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 en bepaling van de voorwaarden waaronder de tegemoetkoming in artikel VI van de Wet van 12 juni 1997 tot wijziging van de Wet op de motorrijtuigenbe-lasting 1994 en van enkele andere wetten in verband met herziening van de tariefstructuur voor vrachtauto’s (Stb. 245) kan worden verkregen Gelet op de [artikelen 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=7), en [37f van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=37f), [artikel VI van de Wet van 12 juni 1997 tot wijziging van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en van enkele andere wetten in verband met herziening van de tariefstructuur voor vrachtauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008734&artikel=VI)(Stb. 245) en [artikel 7a, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbe-lasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007311&artikel=7a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel II 1. Het verzoek om toepassing van [artikel VI van de Wet van 12 juni 1997 tot wijziging van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en van enkele andere wetten in verband met herziening van de tariefstructuur voor vrachtauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008734&artikel=VI) (Stb. 245) gaat vergezeld van - a. een afschrift van het kentekenbewijs van de vrachtauto; - b. een schriftelijke verklaring van de houder dat de koppelinrichting van de vrachtauto niet wordt gebruikt voor het voortbewegen van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg; en - c. een schriftelijke verklaring van de houder dat hij, alvorens de vrachtauto te verbinden met een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, de inspecteur schriftelijk daarvan op de hoogte zal stellen. 2. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. 3. De beschikking eindigt -"},{"i":7446,"b":"Wet van 31 mei 1995, houdende wijziging van de Wet individuele huursubsidie en wijziging van de wet van 21 juni 1989 tot aanpassing van de Wet individuele huursubsidie naar aanleiding van de voorstellen van de commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om met ingang van 1 juli 1995 wijzigingen aan te brengen in het mechanisme voor de jaarlijkse aanpassingen van de individuele huursubsidie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. In afwijking van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder **a**, van de Wet individuele huursubsidie vervangt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met ingang van 1 juli 1995 voor de periode van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996: - a. het bedrag, genoemd in artikel 7, eerste lid, onder **a**, van die wet door een bedrag, gelijk aan het te vervangen bedrag, verhoogd met 2,5%, en daarna afgerond op het naasthogere veelvoud van f 5 en - b. de bedragen, genoemd in artikel 7, eerste lid, onder **b**, en 16 door bedragen, gelijk aan de te vervangen bedragen, verhoogd met 4,5% en daarna afgerond op het naasthogere veelvoud van f 5. 2. In afwijking van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder **c**, van de Wet individuele huursubsidie vervangt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met ingang van 1 juli 1995 voor de periode van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996 het eerste bedrag, genoemd in artikel 7, derde lid, alsmede het eerste bedrag, genoemd in artikel 7**a**, onder **c**, van die wet door een bedrag, gelijk aan het te vervangen bedrag, eerst verminderd met f 780, vervolgens ve"},{"i":7385,"b":"Wet van 29 september 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het evenwichtiger maken van de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in het bestuur en de raad van commissarissen van grote naamloze en besloten vennootschappen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in het bestuur en de raad van commissarissen van grote naamloze en besloten vennootschappen evenwichtiger te maken en dat daartoe [Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045) dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II Vijf jaar na inwerkingtreding wordt deze wet geëvalueerd. Artikel IIb In [onderdelen B en D van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045731&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01) zijn de voorgestelde [artikelen 166 lid 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=166) en [276 lid 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=276) van toepassing op boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari van het jaar waarin deze wet in werking treedt. Artikel III 1. Deze wet, met uitzondering van artikel IIA, treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, en vervalt acht jaar na de datum van inwerkingtreding van de wet. 2. Artikel IIA treedt in werking acht jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houde"},{"i":6842,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, van 10 oktober 2018, nr. 2373355, houdende aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren op het Besluit subsidie rechtspersonen voor voogdij en gezinsvoogdij vreemdelingen 2015 en op subsidies ten behoeve van opvang en begeleiding van alleenstaande minderjarige vreemdelingen op grond van artikel 48a van de Wet Justitie-subsidies Gelet op de [artikelen 5 van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=5) en [4:59, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:59); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen op grond van het [Besluit subsidie rechtspersonen voor voogdij en gezinsvoogdij vreemdelingen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035771) en aan een subsidie ten behoeve van de opvang en begeleiding van alleenstaande minderjarige vreemdelingen op grond van [artikel 48a van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48a) zijn belast de ambtenaren van de Inspectie Justitie en Veiligheid. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2016. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7476,"b":"Wet van 22 februari 2023 tot wijziging van de Woningwet (huurverlaging 2023 voor huurders met lager inkomen) Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat huurders van toegelaten instellingen met een inkomen van ten hoogste 120% van het minimuminkomensijkpunt een huurverlaging krijgen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Woningwet. Artikel Ia Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de betaalbaarheid van huren voor huurders, de doorstroming in de sociale huursector, de financiële positie en investeringscapaciteit van verhuurders en de gevolgen daarvan voor investeringsopgaven van verhuurders en regionale verschillen tussen verhuurders. Artikel II Met ingang van 1 januari 2024 worden de bedragen, genoemd in [artikel 54a, eerste en tweede lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=54a) aangepast met het percentage, bedoeld in [artikel 27, derde lid, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=27) waarmee met ingang van die datum de in dat lid genoemde bedragen zijn aangepast. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 maart 2023. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7463,"b":"Wet van 21 februari 2004, houdende wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en van de Faillissementswet in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2001/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 maart 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van verzekeringsondernemingen (PbEG L 110) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan Richtlijn nr. 2001/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 maart 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van verzekeringsondernemingen (PbEG L 110), teneinde regels te geven met betrekking tot grensoverschrijdende aspecten van insolventieprocedures waaraan verzekeringsondernemingen kunnen worden onderworpen en dat het mede naar aanleiding daarvan wenselijk is de in de [Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509) opgenomen bepalingen inzake de liquidatie van verzekeringsondernemingen over te hevelen naar de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Artikel II Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III Op de afhandeling van een noodregeling of van een faillietverklaring die wordt vastgesteld onderscheidenlijk uitgesproken vóór de datum waarop deze wet in werking treedt, blijft het vóór die datum geldende recht van toepassing. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7485,"b":"Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen bij de Rijksoverheid Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers. Besluit: tot het vaststellen van de hier bijgevoegde Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen waarin persoonsgegevens zijn opgenomen, bij de rijksoverheid. Aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer **Inleiding** De onderhavige aanwijzingen strekken ertoe voor de gehele rijksdienst richtlijnen te stellen waarmee bij de inrichting, het beheer en het gebruik van geautomatiseerde systemen, waarin persoonsgegevens zijn opgenomen, rkening dient te worden gehouden. Deze richtlijnen hebben vooral ten doel te verzekeren dat met betrekking tot de werking van die systemen voldoende waarborgen bestaan voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Zij vinden hun grond in de werkzaamheden van de Staatscommissie-Koopmans. Deze commissie heeft onder meer tot taak advies uit te brengen over wettelijke of andere maatregelen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het gebruik van geautomatiseerde registratiesystemen voor persoonsgegevens. De Staatscommissie heeft op 29 januari 1974 een interimrapport uitgebracht met voorlopige denkbeelden en de hoofdlijnen van een daarmee overeenkomende wettelijke regeling (Privacy en persoonsregistratie, Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage 1974). Het is duidelijk, gezien de gecompliceerdheid van de betreffende materie, dat met de totstandkoming van definitieve wettelijke voorzieningen op dit gebied nog de nodige tijd kan zijn gemoeid. De Staatscommissie heeft dan ook in haar interimrapport een beroep gedaan op alle betrokkenen om in afwachting daarvan de problemen verbonden aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zelf onder ogen te zien en alvast voorzieningen te treffen waar dit mogeli"},{"i":7466,"b":"Wet van 1 oktober 2014 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Burgerlijk Wetboek in verband met het transparanter en voor een breder publiek toegankelijk maken van de executoriale verkoop van onroerende zaken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de executoriale verkoop van onroerende zaken transparanter en voor een breder publiek toegankelijk te maken en dat daartoe het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en het Burgerlijk Wetboek dienen te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel III Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel IV [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035637&artikel=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01) is niet van toepassing op de executie van een onroerende zaak, een aandeel daarin of een beperkt recht daarop, waarvan de aanzegging overeenkomstig [artikel 544 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=544) heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van deze wet. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1881,"b":"Besluit van 18 december 2019 tot wijziging van de Algemene douanewet, enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel II 1. Als administratieplichtigen als bedoeld in [artikel 10.8, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) worden mede aangewezen levensverzekeraars in de zin van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) die een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen als bedoeld in [hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Q, tweede lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011354&artikel=I) verzekeren. 2. Als gegevens en inlichtingen als bedoeld in [artikel 10.8, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) worden met betrekking tot het recht, bedoeld in het eerste lid, aangewezen: - a. de naam, het adres en de geboortedatum van de gerechtigde tot de uitkering of verstrekking; - b. de waarde in het economische verkeer van het recht op 31 december 2020; - c. het gezamenlijke bedrag van de tot en met 31 december 2020 betaalde premies; - d. het gezamenlijke bedrag van de tot en met 31 december 2020 genoten uitkeringen en verstrekkingen. 3. Een administratieplichtige als bedoeld in het eerste lid is gehouden de gegevens en inlichtingen te verstrekken op de door de inspecteur voorgeschreven wijze. De gegevens en inlichtingen dienen uiterlijk te worden verstrekt op 31 januari 2021. Artikel III Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Artikel IV Wijzigt het Besluit beleggingsinstellingen. Artikel V Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. Artikel VI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Artikel VII Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel VIII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns. Artikel IX Wijzigt h"},{"i":7447,"b":"Wet van 24 juni 1992, tot wijziging van de Wet individuele huursubsidie ter beperking en herschikking van de uitgaven voor individuele huursubsidie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat in verband met de noodzaak tot beperking van de uitgaven aan individuele huursubsidie en een meer gerichte inzet van de individuele huursubsidie het wenselijk is enige wijzigingen aan te brengen in de Wet individuele huursubsidie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI In afwijking van artikel 25, aanhef en onder **a**, van de Wet individuele huursubsidie vervangt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met ingang van 1 juli voor de periode van 1 juli 1992 tot en met 30 juni 1993 het bedrag, genoemd in artikel 7, eerste lid, onder **a**, van die wet door een bedrag, gelijk aan het te vervangen bedrag, verhoogd met 4½ procent en daarna afgerond op het naasthogere veelvoud van f 5,-. Artikel VII In afwijking van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder **a**, van de Wet individuele huursubsidie vervangt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met ingang van 1 juli voor de periode van 1 juli 1993 tot en met 30 juni 1994 het bedrag, genoemd in artikel 7, eerste lid, onder **a**, van die wet door een bedrag, gelijk aan het te vervangen bedrag, verhoogd met 4½ procent en daarna afgerond op het naasthogere veelvoud van f 5,-. Artikel VIII 1. Deze wet is niet van toepassing op aanvragen om en verstrekkingen van een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van d"},{"i":6856,"b":"Besluit van 26 maart 1942, houdende bepalingen nopens het ten aanzien van Nederlanders in Groot-Brittannië en Noord-Ierland opmaken van authentieke akten betreffende geboorten, gesloten huwelijken en gevallen van overlijden en de regeling van de overschrijving van de akten, bedoeld bij de artikelen 35, 60 en 61 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandsche Zaken van 16 Maart 1942, N°. 69/J.2243; Overwegende, dat het wenschelijk is ten aanzien van Nederlanders in Groot-Brittannië en Noord-Ierland de mogelijkheid te scheppen authentieke akten op te maken betreffende geboorten, gesloten huwelijken en gevallen van overlijden en de overschrijving van de akten bedoeld en de artikelen 35, 60 en 61 van het Burgerlijk Wetboek nader te regelen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken worden ten aanzien van Nederlanders in Groot-Brittannië en Noord-Ierland registers gehouden van geboorte, gesloten huwelijk en overlijden. Deze registers zijn genaamd: \"buitengewone registers van den burgerlijken stand\". 2. In deze registers, welke, voorzoover daarvan bij dit besluit niet wordt afgeweken, zullen voldoen aan de eischen in de artikelen 16, 17, 18, 19 en 25, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek gesteld aan de overeenkomstige registers van den burgerlijken stand, zullen worden opgenomen geboorten, gesloten huwelijken en gevallen van overlijden van Nederlanders, welke na 14 Mei 1940 in Groot-Brittannië en Noord-Ierland hebben plaats gevonden. 3. Mede zullen in die registers worden opgenomen de akten, bedoeld bij de artikelen 35, 60 en 61 van het Burgerlijk Wetboek. 4. Inschrijving in de registers kan geschieden op grond van mondelinge of schriftelijke aangifte of ambtshalve. Artikel 2 1. Van alle registers wordt een dubbel gehouden. 2. Alle bladzijden van de registers moeten door of vanwege Onzen Minister van Justitie worden gewaarmerkt. Artikel 3 1. Onzen Minister van Binnenlandsch"},{"i":7407,"b":"Wet van 4 september 2003 tot wijziging van de Comptabiliteitswet houdende bepalingen inzake het beheer van liquide middelen van rechtspersonen die collectieve middelen beheren, inzake de financiering van die rechtspersonen en inzake de beheersing van het EMU-saldo voor zover dit saldo door het financieel beheer van deze rechtspersonen wordt beïnvloed (Eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is in de Comptabiliteitswet 2001 onder meer bepalingen op te nemen ter beperking van de financiële risico's die kunnen voortvloeien uit het beheer van liquide middelen door rechtspersonen die collectieve middelen beheren en inzake de beheersing van het EMU-saldo voor zover dat saldo wordt beïnvloed door het financieel beheer van deze rechtspersonen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001. Artikel II 1. Het [eerste en tweede lid van artikel 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=45) zijn gedurende zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing voor op het moment van inwerkingtreding van deze wet op een andere wijze uitgezette liquide middelen. 2. Het [eerste en tweede lid van artikel 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=45) zijn voorts in aansluiting op de periode van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, gedurende zes maanden niet van toepassing op uitgezette liquide middelen die binnen de in het eerste lid bedoelde periode van zes maanden door de betrokken rechtspersoon bij Onze betrokken Minister zijn aangemeld, teneinde afspraken te maken over de periode waarbinnen de betrokken rechtspersoon alsnog aan [artikel 45, eerste lid, dan wel tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=45), zal vo"},{"i":2691,"b":"Beschikking grondbankstelsel Gelet op de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=57) en [58 van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=58) (Stb. 1981, 248) en op [artikel 2 van het Besluit grondbankstelsel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003548&artikel=2) (Stb. 1982, 692); Gehoord de commissie beheer landbouwgronden; Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. **'commissie':** commissie beheer landbouwgronden als bedoeld in [artikel 30 van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=30); - b. **'uitgifte':** uitgifte in erfpacht van landbouwgronden door het bureau; - c. **'aanvrager':** degene, die op de voet van deze beschikking een aanvrage voor uitgifte heeft ingediend; - d. **'sub-commissie':** subcommissie van de provinciale commissie beheer landbouwgronden, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Instellingsbeschikking provinciale commissies beheer landbouwgronden (Stcrt. 1982, 236); - e. **'bedrijfsomvang':** de bedrijfsomvang naar de toestand op het tijdstip van de, bij het indienen van de aanvrage, laatst bekende, in [artikel 24 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=24) bedoelde, landbouwtelling; - f. **'s.b.e.':** standaardbedrijfseenheden, te weten de door het Landbouw-Economisch Instituut berekende verhoudingsgetallen, die een beoordeling mogelijk maken van de produktie-omvang van het gehele bedrijf, alsmede van de afzonderlijke produktierichtingen, zoals aangegeven op de bij deze beschikking behorende bijlage; - g. **'akkerbouwbedrijf':** bedrijf waarvan de bedrijfsomvang van de sector akkerbouw, in s.b.e. uitgedrukt, ten minste 80% van de totale bedrijfsomvang uitmaakt; - h. **'Landinrichtingcommissie':**commissie als bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van de Landinrichtingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"i":4376,"b":"Besluit W.V.C.-commissie bezwaarschriften Awb Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsomschrijving Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **de commissie:** de VWS-commissie bezwaarschriften Awb. Artikel 2 1. De commissie heeft tot taak te adviseren omtrent het nemen van beslissingen op bezwaar, die betrekking hebben op het terrein van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 2. Op verzoek van de Minister die het aangaat, kan de commissie voorts adviseren omtrent door die minister te nemen beslissingen op bezwaar. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit: - a. een voorzitter, tevens lid; - b. plaatsvervangend voorzitters, tevens leden; - c. leden, te benoemen uit de kring van personen die uit hoofde van hun kennis van het terrein van volksgezondheid, welzijn en sport of anderszins kunnen bijdragen aan de werkzaamheden van de commissie; - d. leden, aan te wijzen door de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, behorende tot de functionarissen van deze directie. 2. De leden bezitten de hoedanigheid van meester in de rechten dan wel de in Nederland behaalde graad Master of Laws en zijn bekend met de praktijk van het bestuursrecht. 3. De minister benoemt, schorst en ontslaat de leden, bedoeld in het eerste lid, onder a, b en c. 4. De leden, bedoeld in het eerste lid, onder a, b en c, worden voor ten hoogste vier jaar benoemd. 5. Herbenoeming kan tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden. Artikel 4. Werkwijze van de commissie De minister voegt aan de commissie een secretariaat toe. Het secretariaat bestaat uit medewerkers van de directie Wetgeving en Juridische Zaken van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 5 - 1. De commissie behandelt een bezwaar in de volgende samenstelling: de voorzitter of een van zijn plaatsvervang"},{"i":5291,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 31 mei 2024, kenmerk 2024-0000334410, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor het jaar 2024 (Regeling bekostiging financieel toezicht 2024) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9); BESLUITEN: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder geconsolideerde jaarrekening: jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van personen die een groep of groepsdeel vormen en andere in de consolidatie meegenomen personen, als één geheel zijn opgenomen. Artikel 2 1. Voor het kalenderjaar 2024 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9), voor de personen die onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten vallen, bedoeld in [bijlage 1, onderdeel B, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&bijlage=1), als volgt vastgesteld: | Toezichtcategorie | Maatstaf | Bandbreedtes | Tarieven | | --- | --- | --- | --- | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | | € 2.568 vermeerderd met: | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | 0 tot en met 5.000 PC | € 7,77 per PC | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >5.000 to"},{"i":4660,"b":"Wet van 25 januari 2017, houdende wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in verband met de omzetting van Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (Implementatiewet richtlijn privaatrechtelijke handhaving mededingingsrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [Richtlijn 2014/104](32014L0104)/EU van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 349/1) moet worden omgezet in bepalingen van nationaal recht en dat daartoe [Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289) en het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) moeten worden gewijzigd; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel III [Artikel 193r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=193r) in [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039172&artikel=I&z=2018-09-19&g=2018-09-19) en [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039172&artikel=II&z=2018-09-19&g=2018-09-19) zijn niet van toepassing op zaken die voor 26 december 2014 bij de rechter aanhangig zijn gemaakt. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van 26 december 2016. Indien het Staatsblad waarin deze wet word geplaatst, wordt uitgegeven na 26 december 2016, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Implem"},{"i":1885,"b":"Besluit van 9 april 1999, houdende wijziging van het Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing en van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen in verband met de aanpassing aan de derde tranche Awb Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 12 maart 1999, nr. FO99/U59966; Gelet op de [artikelen 235](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=235) en [246a van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=246a); De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 1999, nr. W04.99.0122/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 6 april 1999, nr. FO99/63314; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt het Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing. ARTIKEL II Wijzigt het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. ARTIKEL III 1. Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit wordt de uitoefening door of namens het college van burgemeester en wethouders van de in het [Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007466) opgenomen bevoegdheden, die voor dat tijdstip heeft plaatsgevonden: - a. in het kader van de heffing van gemeentelijke belastingen, geacht te zijn verricht door de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=231), bedoelde gemeenteambtenaar; - b. in het kader van de invordering van gemeentelijke belastingen, geacht te zijn verricht door de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=231) bedoelde gemeenteambtenaar. 2. Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit wordt de uitoefening door of namens het college van burgemeester en wethouders van de in de [artikelen 1, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004912&artikel=1), [5](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":4260,"b":"Besluit van 6 juli 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 39, vierde lid van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1984, 94) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 30 maart 1984, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. DVV/BV-U 4911 III; Gelet op [artikel 39, vierde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=39) (**Stb.** 1984, 94); De Raad van State gehoord (advies van 16 mei 1984, nr. W 13.84.0156/26.4.19.); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 21 juni 1984, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. DVV/BV-U5202; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor het verstrekken van afschriften van bescheiden die betrekking hebben op beslissingen als bedoeld in [artikel 38, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=38) (**Stb.** 1984, 94), geldt als tarief van de voor die afschriften verschuldigde vergoeding, het tarief dat ingevolge de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) (**Stb.** 1978, 581) is verschuldigd als vergoeding voor het verstrekken van fotocopieën. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":4340,"b":"Besluit van de directeur-generaal Politie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 21 november 2018, kenmerk DGP/R&S/2419686 houdende verlening van ondertekeningsmandaat aan de directeur Politieel Beleid en Taakuitvoering (Besluit verlening ondertekeningsmandaat DGPOL 2018) Gelet op [artikel 5 van het Organisatie- en Mandaatbesluit BZK-BES 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031745&artikel=5), de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031763&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031763&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031763&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031763&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031763&artikel=6) en [7 van de Regeling verlening ondermandaat korpsbeheer politie en brandweer BES 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031763&artikel=7) en [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037328&artikel=1) en [5 van het Besluit mandaatverlening aan korpschef KPBES en algemeen commandant brandweer BES 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037328&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Ondertekeningsmandaat 1. Van het ingevolge [artikel 1 van de Regeling verlening ondermandaat korpsbeheer politie en brandweer BES 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031763&artikel=1) aan de directeur-generaal Politie verleende ondermandaat met betrekking tot de bevoegdheden van het bevoegd (werkgevers)gezag van de ambtenaren van het politiekorps Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt ondertekeningsmandaat verleend aan de directeur Politieorganisatie en -middelen en Staf. 2. Van het ingevolge [artikel 5 van de Regeling verlening ondermandaat korpsbeheer politie en brandweer BES 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031763&artikel=5) aan de directeur-generaal Politie verleende ondermandaat met betrekking tot de bevoegdheden van het bevoegd (werkgevers)gezag van de ambtenaren van het brandweerkorps Bonaire, Sint Eustati"},{"i":4855,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 maart 2014, nr. MinBuZa 2014.94582, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging inzake uitvoering van de Geodata for Agriculture and Water Facility 2013–2014 (Mandaatbesluit G4AW) Gelet op [afdeling 10.1.1.van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 1. Aan de directeur van het Netherlands Space Office wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besluiten te nemen, rechtshandelingen te verrichten en de daartoe benodigde voorbereidingshandelingen te verrichten met het oog op de toepassing van het [besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 26 juli 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033745), nr. MinBuZa-2013.218333, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Geodata for Agriculture and Water Facility 2013–2014)1Stcrt. 2013, nr. 22108 alsmede met het oog op de toepassing van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) voor zover samenhangend met de toepassing van dat besluit. 2. Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat en machtiging verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besluiten te nemen op bezwaarschriften tegen besluiten, bedoeld in het eerste lid, die door de directeur van het Netherlands Space Office of door onder hem ressorterende functionarissen namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn genomen of behandeld. Voorts wordt aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland mandaat en machtiging verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking beroepsprocedures te v"},{"i":2573,"b":"Beleidsregels van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 december 2012, Directie Kinderopvang, nr. KO/ 2012/16947, houdende werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen (Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen 2013) Gelet op de [artikelen 1.64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.64) en [2.22 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.22); Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017); - b. **toezichthouder:** toezichthouder, bedoeld in [artikel 1. 61 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.61); - c. **inspectierapport:** inspectierapport, bedoeld in [artikel 1.63 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.63); - d. **risicomodel:** het door GGD GHOR Nederland ontwikkelde risicomodel voor toezicht; - e. **risicoprofiel:** inschatting van de mate waarin: - 1°. in het kindercentrum op verantwoorde wijze kinderopvang geboden wordt en blijft worden; - 2°. door tussenkomst van het gastouderbureau op verantwoorde wijze gastouderopvang geboden wordt en blijft worden; - f. **vestiging:** een vestiging als bedoeld in [artikel 1, onder j, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=1), van een gastouderbureau of waar buitenschoolse opvang of dagopvang plaatsvindt. Paragraaf 2. Onderzoek toezichthouder kindercentrum en gastouderbureau Artikel 2. Onderzoek voor registratie 1. De werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld in [artikel 1.62, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.62) in verband met het kindercentrum of het gastouderbureau bestaan in ieder geval uit: - a. een bureauonderzoek van verkregen zakelijke gege"},{"i":5131,"b":"Prestatiebeschrijvingsbeschikking De Nederlandse Zorgautoriteit, heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) en [5 van hoofdstuk 4 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.5) **op basis van de beleidsregel:** Prestatiebekostiging multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type 21Diabetes Mellitus type 2 voor personen ≥ 18 jaar., CVR2Cardiovasculair risicomanagement., COPD3**Chronic Obstructive Pulmonary Disease.**) **en gelet op:** [Wmg-artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [art. 56 lid 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56) en [53 lid 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=53) **besloten:** dat rechtsgeldig **door:** zorgaanbieders die de hieronder omschreven prestatie(s) contracteren en leveren; en zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 1 onder c sub2 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) (hierna te noemen: Hoofdcontractant) **aan:** alle ziektekostenverzekeraars met welke een rechtsgeldige schriftelijke overeenkomst als genoemd in de beleidsregel ‘Prestatiebekostiging multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type 2, CVR, COPD)’ is afgesloten en alle verzekerden van ziektekostenverzekeraars met welke een rechtsgeldige overeenkomst is afgesloten **prestatiebeschrijving:** de prestatie, zoals beschreven in de beleidsregel Prestatiebekostiging multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type 2, CVR, COPD): in rekening kan worden gebracht als is voldaan aan de voorwaarden zoals omschreven in: **En dat rechtsgeldig door:** zorgaanbieders die door de Hoofdcontractant zijn gecontracteerd tot levering van een of meer delen van de hierboven beschreven prestaties **aan:** de Hoofdcontractant **in rekening kan worden gebracht:** de desbetreffende deelprestatie"},{"i":4501,"b":"Circulaire nieuwe werkwijze verspreiding circulaires/aankondigingen binnen en buiten het Rijk Aanleiding Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties brengt jaarlijks diverse circulaires uit die betrekking hebben op de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie binnen de sector Rijk. Een deel van de circulaires geeft beleidslijnen met het verzoek daaraan uitvoering te geven. De overige circulaires informeren over aanpassingen in de regelgeving die meestal kort daarop worden gepubliceerd in Staatsblad of Staatscourant. Alle circulaires worden op dit moment in de Staatscourant gepubliceerd en per post verspreid aan belanghebbenden en geïnteresseerden binnen en buiten de sector Rijk. De tendens is dat de Rijksoverheid informatie zoveel mogelijk digitaal aanbiedt. Dit heeft er toe geleid de huidige werkwijze te herzien. Nieuwe situatie Met ingang van 1 juli 2011 is de Signalering Arbeidsvoorwaarden & Rechtspositie Rijk van start gegaan waarvoor iedereen die dat wenst zich kan aanmelden. Via de Signalering wordt melding gemaakt van alle in de Staatscourant gepubliceerde circulaires. De verzending van circulaires per post komt hiermee te vervallen. In 2011 zullen de circulaires bij wijze van overgang nog wel per post worden verzonden. Circulaires met een informerend karakter zullen met ingang van 2012 niet meer verschijnen. In plaats daarvan wordt via de Signalering melding gemaakt van in gang gezette wijzigingen en van de publicatie van aangepaste regelgeving in Staatsblad of Staatcourant. Aanmelden Indien u Signalering Arbeidsvoorwaarden & Rechtspositie Rijk automatisch wilt ontvangen kunt u zich aanmelden via onderstaande link: https://fd7.formdesk.com/BZK/aanmelden_SARR Rijksportaal Personeel Belanghebbenden en geïnteresseerden binnen de sector Rijk hebben daarnaast toegang tot het Rijksportaal Personeel, via http://portal.rijksweb.nl. Ook daar wordt melding gemaakt van circulaires en aangepaste regelgeving en wordt indien nodig de informatie op Rijksportaal"},{"i":2549,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 12 mei 2014, nr. IENM/BSK-2014/94206, houdende vaststelling van beleidsregels inzake vergunningen voor geregeld en ongeregeld luchtvervoer (Beleidsregel vergunningen voor geregeld en ongeregeld luchtvervoer) Gelet op de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=16) en [16b van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=16b) en [artikel 3 van het Besluit ongeregeld luchtvervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002965&artikel=3); Besluit: § 1. Vergunningen voor geregeld luchtvervoer Artikel 1 Op het verlenen van een vergunning als bedoeld in de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=16) en [16b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=16b) voor het uitvoeren van geregeld luchtvervoer zijn de in deze paragraaf opgenomen beleidsregels van toepassing. Artikel 2 De aanvraag voor een vergunning voor het uitvoeren van geregeld luchtvervoer door een in Nederland gevestigde EU-luchtvaartmaatschappij voldoet aan de volgende luchtrechtelijke vereisten: - a. de luchtverkeersrechten voor de aangevraagde vergunning zijn beschikbaar onder de luchtvaartovereenkomst die de grondslag biedt voor het op de betreffende route uit te voeren vervoer, - b. de EU-luchtvaartmaatschappij voldoet aan de internationaal geldende eisen ten aanzien van de exploitatie en veiligheid en beschikt in dat kader over een vergunning als bedoeld in [artikel 16a van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=16a) en een vergunning als bedoeld in [4.1 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=4.1). Artikel 3 1. Het is alleen aan duurzaam in Nederland gevestigde EU-luchtvaartmaatschappijen toegestaan om geregeld luchtvervoer vanuit Nederland uit te voeren op grond van de Nederlandse rechten onder een bilaterale of multilaterale luchtvaartovereenkomst. 2. Een in Ned"},{"i":4314,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 13 december 2019 tot verlenging van de looptijd van beleidsregels voor subsidieverlening met het oog op de financiering van ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden (DRIVE) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels subsidieverlening (financiering ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden (DRIVE)). Artikel II Met ingang van 1 januari 2021 kan geen gebruik meer worden gemaakt van de mogelijkheid tot garantieverlening, vermeld in [paragraaf 2.2 van de bijlage bij het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 3 juni 2015, nr. MINBUZA-2015.284090, tot vaststelling van beleidsregels voor subsidieverlening met het oog op de financiering van ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden (DRIVE)](onbekend). Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4703,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 29 november 2024, nr. WJZ/ 89741558, houdende instelling van de Adviescommissie Stelseltoezicht Vleesketen Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - b. **adviescommissie:** adviescommissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050502&artikel=2&z=2025-07-11&g=2025-07-11). Artikel 2. Instelling Er is een Adviescommissie Stelseltoezicht Vleesketen. Artikel 3. Taak 1. De adviescommissie heeft als taak de minister te adviseren over de werking en het functioneren van het stelsel in de vleesketen. 2. De adviescommissie richt zich in het bijzonder op: - a. het op onafhankelijke wijze verkrijgen van inzicht in de werking en het functioneren van het stelsel, met oog voor toezicht en handhaving, beleid, huidige wet- en regelgeving en de sector; - b. de vraag of de nodige stappen door betrokken actoren worden gezet om de publieke belangen voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn te borgen; - c. de vraag of deze stappen het gewenste effect hebben op het vergroten van het vertrouwen in het stelsel; - d. het doen van aanbevelingen op de werking van het stelsel. Artikel 4. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De adviescommissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste twee andere leden. 2. De voorzitter en de op voordracht van de voorzitter andere leden worden door de minister benoemd. De voorzitter en de andere leden kunnen door de minister worden geschorst en ontslagen. 3. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 4. De adviescommissie kan zich door gastdeskundigen op het gebied van voedselveiligheid, dierenwelzijn en dierge"},{"i":2651,"b":"Beleidsregels van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 december 2021, kenmerk 3290096-1020857-PZO, inzake het gebruik van de bevoegdheid om een verklaring omtrent het gedrag op te vragen in het kader van de Wet toetreding zorgaanbieders (Beleidsregels VOG Wtza) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=5), en [7, tweede lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=7); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en inleiding Paragraaf 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Paragraaf 2. Inleiding Dit beleid heeft betrekking op de manier waarop de minister zijn bevoegdheden als bedoeld in de [artikelen 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=5), en [7, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=7) uitoefent. Deze artikelen en [artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045000&artikel=4) brengen met zich dat de minister een zorgaanbieder kan verzoeken om een VOG te verstrekken, indien de minister kennis heeft van feiten of omstandigheden op grond waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat niet of niet langer wordt voldaan aan de eisen voor het afgeven van een VOG. Wanneer een VOG verstrekt moet worden, dient de aanvrager of houder van een toelatingsvergunning hiervoor bij de dienst Justis van het Ministerie van Justitie en Veiligheid een aanvraag in. Justis beoordeelt of een VOG wordt verstrekt. Dit is een apart besluitvormingstraject. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft geen bevoegdheid om te beoordelen of een VOG verstrekt kan worden. Feiten en omstandigheden die de minister redelijkerwijs aanleiding kunnen geven tot het vermoeden dat niet of niet langer wordt voldaan aan de eisen voor het"},{"i":4161,"b":"Besluit van 23 oktober 2012, houdende aanwijzing van de voorwerpen, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet, en tot vaststelling van nadere regels over de hoogte en de verschuldigdheid van de vergoeding, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 5 oktober 2012, nr. 309523; Gelet op [artikel 16c, zesde lid, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16c), en [artikel 10, onderdeel e, van de Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=10); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 oktober 2012, nr. W03.12.0398/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 22 oktober 2012, nr. 314233, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De vergoeding en de voorwerpen waarop deze rust, bedoeld in [artikel 16c van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16c), zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit. De stichting die is aangewezen overeenkomstig [artikel 16e van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16e) kan Onze Minister van Veiligheid en Justitie voorstellen doen tot wijziging van deze bijlage. Artikel 2 1. Het totaal van de geïnde vergoedingen, bedoeld in [artikel 16c van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16c), dat door de in [artikel 16d van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16d) bedoelde rechtspersoon niet in de vijf kalenderjaren volgend op het kalenderjaar van inning onder de rechthebbenden is verdeeld, wordt in het daarop volgende kalenderjaar, vermeerderd met de daarover ontvangen rente en andere baten, als zijnde niet verschuldigd in mindering gebracht op de door fabrikanten en importeurs, bedoeld in artikel 16c, tweede lid, van de Auteurswet, voor dat kalenderjaar verschuldigde vergoedingen. Indien er in het laatstgenoemde kalender"},{"i":1889,"b":"Besluit van 23 december 1994, tot wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989; maatregelen met het oog op het fiscale vestigingsklimaat Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 28 oktober 1994, nr. IFZ94/1275M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken; Gelet op [artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=38); De Raad van State gehoord (advies van 21 december 1994, nr. W06.94.0670); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 22 december 1994, nr IFZ94/1525U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Het bedrag aan buitenlands onzuiver inkomen dat op de voet van artikel 3, derde of vierde lid van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 zoals dat luidde tot en met 31 december 1994, alsmede op de voet van artikel 3, tweede of derde lid, van het Besluit voorkoming dubbele belasting zoals dat luidde tot en met 31 december 1989, over de acht jaren voorafgaande aan het jaar 1995 bij de berekening van de vermindering van de voorkoming als bedoeld in artikel 2 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 nog in aanmerking dient te worden genomen, wordt vermeerderd met het saldo van de afzonderlijke bedragen van het buitenlandse onzuivere inkomen over die jaren die afkomstig zijn uit een Mogendheid waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat de wijze van vrijstelling van inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting zelfstandig omschrijft en die op de voet van de hiervoor genoemde bepalingen nog in aanmerking dienen te worden genomen. 2. Ingeval het op de voet van het eerste lid vastgesteld saldobedrag negatief is, wordt dit bedrag geacht afkomstig te zijn uit het jaar 1990. Op dit bedrag blijft artikel 3, vierde lid,"},{"i":1890,"b":"Besluit van 7 november 1991, houdende wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 11 december 1990, nr IFZ90/2066, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken; Gelet op [artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=38) (**Stb.** 1959, 301); De Raad van State gehoord (advies van 13 augustus 1991, nr. W06.91.0026); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 24 oktober 1991, nr. IFZ91/1280, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, onderdeel **b,** van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 blijven bij het bepalen van het bedrag van de inkomstenbelasting dat volgens de Wet op de inkomstenbelasting 1964 verschuldigd zou zijn zonder toepassing van dit besluit, investeringsbijdragen en desinvesteringsbetalingen buiten aanmerking. Onder investeringsbijdragen en desinvesteringsbetalingen worden verstaan de bijdragen en betalingen welke ingevolge hoofdstuk VA van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dit hoofdstuk luidde onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 1990, als zodanig worden aangemerkt. Artikel III Indien in de kalenderjaren 1990 en 1991 danwel in de boekjaren 1989/1990, 1990/1991 en 1991/1992 voorzover deze zijn aangevangen voor de inwerkingtreding van dit besluit, toepassing van artikel 3, tweede lid, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 zoals deze bepaling luidde op 1 januari 1990 zou leiden tot een grotere vermindering ter voorkoming van dubbele belasting dan zou voortvloeien uit de toepassing van dat artikel zoals dat luidt na de wijziging door [artikel I, onderdeel A, onder 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005261"},{"i":4336,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 augustus 2020, kenmerk 1728183-208615-WJZ, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmacht aan de programmadirecteur van de programmadirectie COVID-19 Gelet op [artikel 16a, eerste lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a) en [artikel 17, eerste lid, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De volgende functionaris heeft voor de duur van de programmadirectie COVID-19 de bevoegdheid om in naam van de Minister besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van de programmadirectie: De heer H. van Faassen, programmadirecteur. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1895,"b":"Besluit van 24 december 1992, tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit accijns in verband met de afschaffing van de fiscale grenzen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 11 november 1992, nr. WV 92/538, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Gelet op de [artikelen 2, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=2), [2a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=2a), [2b, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=2b), [2g, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=2g), [3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=3), [5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=5), [50b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=50b), [50d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=50d), [50f, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=50f), [64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=64), [66a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=66a), [70, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=70), [71, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=71), [80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=80) en [86b, derde lid, van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=86b) (Stb. 1991, 561), en [artikel III, eerste lid, van de Wet van 24 december 1992 tot wijziging van de Wet op de accijns in verband met de afschaffing van de fiscale grenzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005808&artikel=III) (Stb. 1992, 711); De Raad van State gehoord (advies van 18 december 1992, nr. W06.92.0544); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 23 december 1992, nr. WV 92/685, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Di"},{"i":1896,"b":"Besluit van 27 februari 1996 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 15 november 1995, nr. WV95/859 M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Gelet op artikel 15, eerste lid, aanhef, van de [Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740); De Raad van State gehoord (advies van 22 januari 1996, nr. W06.95.0614); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 21 februari 1996, nr. WV 96/41U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst, en werkt voor [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007913&artikel=I&z=1996-03-01&g=1996-03-01), terug tot en met 31 maart 1995, 18.00 uur, met dien verstande dat op verzoek van de belastingplichtige met betrekking tot verkrijgingen die hebben plaatsgevonden in de periode tussen 31 maart 1995, 18.00 uur, en de inwerkingtreding van dit besluit, artikel 15, eerste lid, onderdelen **e** en **h**, van de wet, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de Wet van 18 december 1995 (**Stb.** 660) en [artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002770&artikel=5) zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing zijn. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":2775,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2011 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2011, doch niet later dan 15 april 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,351 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2011 en eindigende met 15 april 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":2883,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2013 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2012 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2011; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,6. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2013. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2013."},{"i":4020,"b":"Besluit van de algemene raad van 4 november 2024 tot vaststelling van een subsidieplafond (Besluit subsidieplafond 2025) gelet op [afdeling 4.2.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.2); gelet op [artikel 2.36c van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.36c); gelet op [artikel 3 van de Beleidsregel subsidies NOvA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039970&artikel=3); stelt de navolgende bepalingen vast: Artikel 1. Subsidieplafond 2025 1. Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 2.36c, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.36c) en [artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel subsidies NOvA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039970&artikel=3) wordt voor subsidieverleningen in het boekjaar 2025 van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 vastgesteld op € 3.600.000. 2. De algemene raad verlaagt het subsidieplafond indien: - a. de financiële bijdrage voor het betreffende kalenderjaar lager dan het voorstel wordt vastgesteld; - b. er lopende het boekjaar substantiële tekorten of financiële tegenvallers ontstaan ten opzichte van de begroting; Artikel 2. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidieplafond 2025."},{"i":3564,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 23 december 2021, kenmerk 2670125, houdende beperking van de openbaarheid van het archief Rijkspolitie in de provincie Friesland, District Leeuwarden, 1970–1991 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Tresoar te Leeuwarden d.d. **24 november 2021**, met kenmerk zaaknummer **1164522**. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Rijkspolitie in de provincie Friesland, District Leeuwarden, 1970 – 1991 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 3 | 2056 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046330&artikel=1&z=2022-02-24&g=2022-02-24), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de Provincie Friesland, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046330&artikel=1&z=2022-02-24&g=2022-02-24), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van, de rijksarchivaris in de Provincie Friesland die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief Rijkspolitie in de provinci"},{"i":4311,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 26 augustus 2021 nr. DGBI/, 212 14 231 inzake de verlengbaarheid van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroepen in de FM-band, inzake de verlengbaarheid van de vergunning voor commerciële radio-omroep in de AM-band en inzake de verlengbaarheid van niet-gekoppelde vergunningen voor digitale radio-omroep in laag 4 (2021) Gelet op [artikel 18, tweede lid, aanhef en onder a, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio in de FM-band, de vergunning voor commerciële radio-omroep in de AM-band en de niet-gekoppelde vergunningen voor digitale radio-omroep in laag 4, genoemd in kolom 1 van tabel 1, zijn verlengbaar om redenen van algemeen economisch belang, als bedoeld in [artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18). | Vergunning analoog | Bijlage wijziging vergunning analoog | (Gekoppelde) DAB-vergunning | Bijlagen DAB-vergunning | | --- | --- | --- | --- | | Kavel B01 | 1 | 8B | 4, 5, 6, 9 | | Kavel B02 | 1 | 8B | 4, 5, 6, 9 | | Kavel B03 | 1 | 8B | 4, 5, 6, 9 | | Kavel B04 | 1 | 8B | 4, 5, 6, 9 | | Kavel B05 | 1 | 8B | 4, 5, 6, 9 | | Kavel B06 | 1 | 5B | 4, 5, 6, 11 | | Kavel B07 | 1 | 5B | 4, 5, 6, 11 | | Kavel B08 | 1 | 5B | 4, 5, 6, 11 | | Kavel B09 | 1 | 12B | 4, 5, 6, 12 | | Kavel B10 | 1 | 5A | 4, 5, 6, 7 | | Kavel B11 | 1 | 5A | 4, 5, 6, 7 | | Kavel B12 | 1 | 5A | 4, 5, 6, 7 | | Kavel B13 | 1 | 7C-N | 4, 5, 6, 8 | | Kavel B14 | 1 | 7C-N | 4, 5, 6, 8 | | Kavel B15 | 1 | 7C-N | 4, 5, 6, 8 | | Kavel B16 | 1 | 5A | 4, 5, 6, 7 | | Kavel B17 | 1 | 6A | 4, 5, 6, 10 | | Kavel B18 | 1 | 6A | 4, 5, 6, 10 | | Kavel B19 | 1 | 6A | 4, 5, 6, 10 | | Kavel B20 | 1 | 12B | 4, 5, 6, 12 | | Kavel B21 | 1 | 7C-Z | 4, 5, 6, 13 | | Kavel B22 | 1 | 7C-Z | 4, 5, 6, 13 | | Kavel B23 | 1 | 7C-Z | 4, 5,"},{"i":3903,"b":"Besluit van 22 augustus 1997, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de tandprotheticus (Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied tandprotheticus) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juni 1997, CSZ/BO-978516; Gelet op [artikel 34 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34); Gezien het advies van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (adviezen van 8 juli 1994 en 4 oktober 1996); De Raad van State gehoord (advies van 24 juli 1997, No. W13.97.0346); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 augustus 1997, CSZ/BO-9712646; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. opleidingsinstelling: een rechtspersoon die een organisatorisch verband in stand houdt dat een opleiding tot tandprotheticus verzorgt; - b. studiepunt: veertig uren studie; - c. studielast: het aantal studiepunten per opleidingsonderdeel. § 2. Titel Artikel 2 Het recht tot het voeren van de titel van tandprotheticus is voorbehouden aan degene aan wie een getuigschrift is uitgereikt waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van een opleiding tot tandprotheticus die is gegeven door een door Onze Minister aangewezen opleidingsinstelling. § 3. Opleiding Artikel 3 1. Een opleiding als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008882&paragraaf=2&artikel=2&z=1997-12-01&g=1997-12-01) omvat ten minste de volgende onderdelen: - a. het centrale vakgebied tandprothetiek, met een studielast van ten minste 15 studiepunten, omvattende ten minste inleiding tot de tandprothetiek, tandtechniek in de tandprothetiek, behandelprincipes en praktijk van de tandprothetiek, alsmede onderzoeken en behandelen van de mond van de patiënt in het kader van het gebied van deskundigheid zoals omschreve"},{"i":3876,"b":"Besluit van 25 juni 1997 tot uitvoering van de Huursubsidiewet, met uitzondering van de bepalingen van die wet betreffende de beheersing van de huurlasten en de huursubsidieuitgaven (Huursubsidiebesluit) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 maart 1997, nr. MJZ 97092973, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=4), [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=11), [28, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=28), en [46 van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=46), alsmede op [artikel 34, derde lid, van de Huisvestingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005674&artikel=34), [70, vijfde en zesde lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=70), [34, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34), 9, zevende lid, van de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden, [7a, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet](onbekend) en 102 van de Organisatiewet sociale voorzieningen 1997; De Raad van State gehoord (advies van 4 juni 1997, nr. W08.97.0165); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 juni 1997, nr. MJZ 97109564, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 juli 1997. HOOFDSTUK 1. DEFINITIES Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659). Hoofdstuk 2. Bijzondere gevallen Artikel 2 1. Op verzoek blijft voor de toepassing van [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=2), van [artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten."},{"i":3408,"b":"Besluit van 7 februari 2013 tot wijziging van het Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk, het Besluit SUWI en het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met de invoering van continue screening in de kinderopvang (Besluit continue screening kinderopvang) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 november 2012, nr. KO/B/2012/16341, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; Gelet op de [artikelen 1.47a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.47a), en [2.4a van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.4a), [artikel 73, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=73) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=2), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=9) en [13, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=13); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 december 2012, No. W12.12.0452/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 februari 2013, nr. KO/B/2013/508, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Artikel II Wijzigt het Besluit SUWI. Artikel III Wijzigt het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel IV Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2013. Artikel VI Dit besluit wordt"},{"i":2772,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2008 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2008, doch niet later dan 15 april 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,828 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2008 en eindigende met 15 april 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":3845,"b":"Besluit van de Algemeen directeur van de Dienst Nationaal Coördinator Groningen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 maart 2026, kenmerk NCG50710624, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Dienst Nationaal Coördinator Groningen (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging NCG 2026) Gelet op de instemming van de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 februari 2026, kenmerk 2026-0000072006; Gelet op artikelen 6.5 en 6.6 van het Mandaatbesluit BZK 2025 Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **afdeling:** organisatieonderdeel onder leiding van een manager; - –. **Algemeen directeur:** de algemeen directeur van de Dienst Nationaal Coördinator Groningen; - –. **besluit:** dit Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging NCG 2026; - –. **bijzonder projectleider:** een door de Algemeen directeur aangewezen functionaris voor het leiden van een niet-alledaags project; - –. **directeur:** de directeur Dienstverlening, de directeur Bedrijfsvoering, de directeur Eemsdelta of de directeur Stad & Ommeland van de Dienst Nationaal Coördinator Groningen; - –. **manager:** een onder een directeur ressorterende leidinggevende van een afdeling van de Dienst Nationaal Coördinator Groningen; - –. **P&O-aangelegenheden:** de aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget; - –. **projectleider:** een door een directeur of manager aangewezen functionaris om de rol van projectleider te vervullen met betrekking tot een project; - –. **projectmanager:** een door een directeur of manager aangewezen functionaris om de rol van projectmanager te vervullen met betrekking tot een project; - –. **programmamanager:** een door een directeur of manager aangewezen functionaris om de rol van programmamanager te vervullen met betrekking tot een programma; - –. **regiodir"},{"i":3161,"b":"Besluit van 5 oktober 2023 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met het aanhouden van bufferstroken ter uitvoering van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van de Commissie van 30 september 2022 tot verlening van een door Nederland gevraagde derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEU 2022, L 277) (Besluit bufferstroken meststoffen) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 juli 2023, nr. WJZ/28017316; gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van de Commissie van 30 september 2022 tot verlening van een door Nederland gevraagde derogatie op grond van [Richtlijn 91/676/EEG](31991L0676) van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEU 2022, L 277), [artikel 2 Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=2) en [artikel 4.3, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 augustus 2023, nr. W11.23.00217/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 oktober 2023, nr. WJZ/34535741, uitgebracht mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bufferstroken meststoffen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het"},{"i":5909,"b":"Tijdelijke subsidieregels Innovatiegelden 2019 tot en met 2022 gelet op de [artikelen 1.2, eerste lid aanhef en onder a, sub i, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039469&artikel=1.2), [1.4 eerste tot en met vierde lid van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039469&artikel=1.4); besluit: vast te stellen de navolgende Tijdelijke subsidieregels Innovatiegelden 2019 tot en met 2022 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regels wordt verstaan onder: - a. **bibliotheek:** lokale bibliotheek als bedoeld in [artikel 1, lid 1 onder c, van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=1); - b. **bibliotheeknetwerk:** netwerk van lokale bibliotheken, POI’s en de KB als bedoeld in [artikel 7 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=7); - c. **innovatieagenda:** gezamenlijke innovatieagenda netwerk openbare bibliotheekvoorzieningen; - d. **Innovatieraad:** adviesraad van de Koninklijke Bibliotheek; - e. **KB:** Koninklijke Bibliotheek. - f. **POI:** provinciale ondersteuningsinstelling als bedoeld in [artikel 1, lid 1 onder e, van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=1); Artikel 2. Doelstellingen Met het verstrekken van de subsidies streeft de KB de volgende doelen na: - a. het versterken en stimuleren van de innovatiekracht van het bibliotheeknetwerk; - b. het versterken van de digitale transitie in het bibliotheeknetwerk; - c. het ondersteunen van de doorgroei en uitrol van kansrijke innovatieve initiatieven. Artikel 3. Subsidieplafond 1. Het subsidieplafond is vastgesteld op € 200.000,– per jaar. 2. Het subsidieplafond is, voor zover van toepassing, inclusief BTW. Artikel 4. Subsidiabele activiteiten 1. In het kader van de activiteit ‘het aansturen van het netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen’ als b"},{"i":5036,"b":"Ondermandaat- en machtigingsbesluit Directeur Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst 2024 Gelet op [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041001&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041001&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041001&artikel=7) en [9 van de Mandaatregeling Defensie Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 en de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041001&artikel=9) en [artikel 3, eerste lid van het Ondermandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit SG Defensie 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046552&artikel=3) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Wiv 2017:** [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896); - b. **Wvo:** [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277); - c. **MIVD:** Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - d. **Directeur van de MIVD:** Hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Artikel 2. Uitsluiting van mandaatverlening Dit besluit is niet van toepassing ten aanzien van de onderwerpen bedoeld in de ondermandaatbeschikking personele bevoegdheden militair personeel MIVD, de ondermandaatbeschikking personele bevoegdheden burgerlijke ambtenaren MIVD en het ondermandaatbesluit uitvoerende bevoegdheden BARD MIVD. Artikel 3. Mandaat en machtiging ([Wiv 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896)) 1. Ten behoeve van de mandaatregeling worden de navolgende functionarissen aangewezen als autoriteit voor het verlenen van toestemming voor de inzet van (bijzondere) bevoegdheden en gegevensverstrekkingen voor zover deze regeling in het mandaat daartoe voorziet: - A. Het Hoofd van het Werkverband Inlichtingen, voor zover het gaat om de inzet van bevoegdheden of gegevensverstrekkingen door of ten behoeve van teams/bureaus die onder diens verantwoordelijkheid vallen; - B. Het"},{"i":5064,"b":"Opleiding coördinator taal Inleiding In het opleidingsjaar 2001-2002 wordt voor het eerst de post-hbo opleiding ’Coördinator Taal’ uitgevoerd. Voorafgaand daaraan vindt vanaf april 2001 de intake plaats, evenals twee voorbereidingsbijeenkomsten in demaanden mei en juni. Het ministerie van OCenW stelt faciliteiten beschikbaar voor 200 cursisten per jaar. Algemeen De coördinator taal kan een centrale rol spelen op de basisschool bij het doorvoeren van vernieuwingen en verbeteringen op het gebied van taalonderwijs. De coördinator taal voert in overleg met management en leerkrachten van de school en in overleg met de inspectie stapsgewijs de verbeteringen in die ertoe leiden dat: Naast het individuele leertraject van deelnemers is de opleiding direct van belang voor de processen in de school-praktijk van de deelnemer. Het management en het team van de school worden nadrukkelijk betrokken bij de opleiding. De directeur is enkele keren aanwezig bij de opleiding. In de school dient ruimte te zijn om activiteiten vanuit de opleiding uit te voeren. Doel De opleiding beoogt leraren op te leiden tot coördinator taal. De coördinator taal vervult op school een rol als initiator van processen waarbij hij zijn collega’s enthousiasmeert en een bijdrage levert aan het taalbeleid van de school. Als coördinator zal hij zijn collega’s moeten kunnen coachen in het omgaan met de leer- en toetsmaterialen die worden gebruikt. Aan het eind van de opleiding beschikt de school over een uitgelijnd taalbeleidsplan, waarin elementen van interactief taalonderwijs zijn verwerkt. Opzet en duur Bij de start van de opleiding vindt met elke deelnemer en bij voorkeur ook met de schoolleider een intakegesprek plaats. De opleiding wordt verzorgd in vijftien bijeenkomsten, waarvan twee plaatsvinden vóór de zomervakantie. De opleiding duurt een jaar (voorafgegaan door een intake en twee voorbereidingsbijeenkomsten). Inhoud In de opleiding komen de volgende onderwerpen geïntegreerd aan de orde: Interactief"},{"i":4034,"b":"Besluit van 12 januari 2016, houdende regeling van enkele onderwerpen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van beslissingen van de tuchtrechter voor de advocatuur (Besluit tenuitvoerlegging tuchtrechtspraak advocatuur) Op de voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie van 11 december 2015, nr. 714516; Gelet op de [artikelen 48, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=48), en [48ab, tweede lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=48ab); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 december 2015, nr. W03.15.0437/II); Gezien het nader rapport van de Minister van Veiligheid en Justitie van 6 januari 2016, nr. 720109; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **hof van discipline:** hof van discipline, bedoeld in [artikel 51, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=51); - –. **raad van discipline:** raad van discipline, bedoeld in [artikel 46aa, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=46aa); - –. **wet:** [Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093). Artikel 2 De tenuitvoerlegging van een beslissing als bedoeld in [artikel 48ab, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=48ab), of [48ac, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=48ac) geschiedt door Onze Minister voor Rechtsbescherming. Artikel 3 Dit besluit berust mede op [artikel 48ac, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=48ac). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2016. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tenuitvoerlegging tuchtrechtspraak advocatuur. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3482,"b":"Besluit van 27 November 1953, tot uitvoering van artikel 4, vierde lid, en artikel 5, tweede lid, der Zondagswet Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 28 October 1953, U no. 7480, afdeling Binnenlands Bestuur, bureau Bestuurszaken; Gelet op [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002120&artikel=4), vierde lid, en [artikel 5, tweede lid, van de Zondagswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002120&artikel=5); De Raad van State gehoord (advies van 17 November 1953, No. 18); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 23 November 1953, No. 7714, afdeling Binnenlands Bestuur, bureau Bestuurszaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Niet als openbare vermakelijkheden in de zin van de [Zondagswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002120) zullen worden beschouwd: toneelvoorstellingen, filmvoorstellingen, concerten en andere openbare bijeenkomsten, welke in besloten ruimten worden gehouden en de geestelijke, zedelijke of culturele verheffing of ontwikkeling van het publiek ten doel hebben. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na die zijner afkondiging. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":3188,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 27 februari 2026 nr. BOACAT2026/016, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Alkmaar VTH Gelezen het verzoek van gemeente Alkmaar VTH van 17 februari 2026 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052402&artikel=2&z=2026-05-25&g=2026-05-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving in dienst van gemeente Alkmaar VTH zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de"},{"i":4103,"b":"Besluit van 5 december 2017 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2015, L 337) (Besluit uitvoering verordening SFTR) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 3 november 2017, 2017-0000209653, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), en [1:94, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:94); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 november 2017, nr. W06.17.0363III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 1 december 2017, 2017-0000226300, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Artikel II Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering verordening SFTR. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3726,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 december 2022, nr. WJZ/22233987, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam betreffende het verstrekken van subsidies ten laste van de Rijkscofinanciering op grond van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging college van burgemeester en wethouders van Rotterdam inzake subsidieverstrekking Rijkscofinanciering Regeling Europese EZK-en LNV-subsidies 2021) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder college van burgemeester en wethouders verstaan: college van burgemeester en wethouders van Rotterdam zijnde beheerautoriteit van het Programma EFRO 2021–2027 West-Nederland. Artikel 2 Aan het college van burgemeester en wethouders wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het verstrekken van subsidies ten laste van de Rijkscofinanciering op grond van [hoofdstuk 4 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045685&hoofdstuk=4), voor zover het subsidies betreft die verband houden met het Programma EFRO 2021–2027 West-Nederland. Artikel 3 Aan het college van burgemeester en wethouders wordt mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047655&artikel=2&z=2022-12-21&g=2022-12-21), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep. Artikel 4 1. Het college van burgemeester en wethouders kan voor de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.n"},{"i":4193,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 12 april 2016, nr. MinBuZa-2016.208308, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Flexibel fonds Strategische partnerschappen pleiten en beïnvloeden 2016–2020) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 4.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [Afdeling 4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=4) met het oog op de financiering van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan duurzame groei en inclusieve ontwikkeling in lage en laagmiddeninkomenslanden door de ondersteuning van maatschappelijke organisaties bij activiteiten op het terrein van pleiten en beïnvloeden (flexibel fonds Strategische partnerschappen pleiten en beïnvloeden 2016–2020) geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 een subsidieplafond van € 9.250.000,–. Artikel 2 Voor subsidieverlening in het kader van het flexibel fonds Strategische partnerschappen pleiten en beïnvloeden 2016–2020 gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande van het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. Bijlage Achtergrond In het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 20 februari 2015, nr. MinBuZa-2015.70005, tot vaststelli"},{"i":4873,"b":"Besluit van de voorzitter van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal van 18 april 2024, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de leden van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal ten aanzien van de aangelegenheden die het beheer van het bureau van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal betreffen (Mandaatbesluit leden beheer bureau ATKM) Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Mandaatregeling beheer bureau ATKM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049053&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Autoriteit:** de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal als bedoeld in [artikel 2 van de Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048064&artikel=2); - b. **het bureau:** de organisatie van medewerkers die feitelijk werkzaam zijn voor de Autoriteit; - c. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie en Veiligheid besluiten te nemen; - d. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie en Veiligheid privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie en Veiligheid handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 Van het ingevolge [artikel 2, tweede lid, van de mandaatregeling beheer bureau ATKM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049053&artikel=2) aan de voorzitter van de Autoriteit verleende mandaat wordt ten aanzien van de dagelijkse leiding over het bureau ondermandaat, volmacht en machtiging verleend aan de leden van de Autoriteit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2023. Artikel 4 Dit besluit wordt aangeha"},{"i":7014,"b":"Wet van 20 juni 1990, tot goedkeuring van het op 28 januari 1981 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (Trb. 1988, 7) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 28 januari 1981 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (**Trb.** 1988, 7) ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 28 januari 1981 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, waarvan de Engelse en Franse tekst alsmede de vertaling in het Nederlands zijn geplaatst in het **Tractatenblad** 1988, nr. 7, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 1. Bij de aanvaarding wordt een verklaring afgelegd in de zin van artikel 3, tweede lid, onderdeel **a**, van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004796&artikel=1&z=1991-12-13&g=1991-12-13) bedoelde Verdrag waarin worden opgesomd de categorieën persoonsregistraties bedoeld in artikel 2, eerste, tweede en derde lid, onderdelen **b** en **c**, van de Wet persoonsregistraties (**Stb.** 1988, 665), onderscheidenlijk de persoonsregistraties aangewezen ingevolge artikel 54, vierde lid, van die wet. 2. De regering wordt gemachtigd de verklaring bedoeld in het voorgaande lid te wijzigen indien met betrekking tot een of meer van de daarin opgenomen categorieën persoonsregistraties bij of krachtens wet regels worden gesteld ter beschermin"},{"i":5000,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 oktober 2011, nr. Z/F-3081722, tot nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2011 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2011) Gelet op [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3) en [4.4 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2011 zijn voor de beheerskosten AWBZ van de zorgverzekeraars, de verbindingskantoren en het CAK tezamen, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), extra middelen besteedbaar ter grootte van € 2,500 miljoen. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 26 september 2011, terug tot en met 27 september 2011. Artikel 3 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2011. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4986,"b":"Model jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2019 1. Algemeen 1.1. Inleiding Het CAK is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het CAK is belast met het uitvoeren van uit wetten en regelingen voortvloeiende publiekrechtelijke werkzaamheden. Op 1 januari 2017 is de uitvoering van de burgerregelingen en de buitenlandtaak overgegaan van het Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) naar het CAK. Als gevolg hiervan dient het CAK zich over het jaar 2019 te verantwoorden over de uitvoering van de burgerregelingen en de buitenlandtaak. Hierbij treft u het Model jaarverslaggeving CAK ten behoeve van de door het CAK op te stellen bestuurlijke verantwoording burgerregelingen over het jaar 2019 aan. In dit model zijn zowel de burgerregelingen als de buitenlandtaak opgenomen. Op de werkvloer van het CAK wordt over beide taken gesproken als burgerregelingen. Om die reden spreken wij in dit model over de burgerregelingen. In dit model worden de criteria aangegeven waaraan de bestuurlijke verantwoording burgerregelingen moet voldoen. Dit hoofdstuk beschrijft de verantwoordingsplicht van het CAK over de uitvoering van de burgerregelingen. Het inhoudelijk takenpakket van de burgerregelingen vloeit voort uit nationale en internationale wet- en regelgeving. Dit zijn de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz), de Europese [verordeningen (EG) nrs. 883/2004](32004R0883) en [987/2009](32009R0987) betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels, de Europese richtlijn over grensoverschrijdende zorg en bilaterale sociale zekerheidsverdragen. De burgerregelingen bestaan uit 18 specifieke taken en regelingen: Ook beschrijft dit hoofdstuk welke verantwoordingsdocumenten het CAK voor het jaar 2019 moet aanleveren voor de verantwoording over de uitvoering van deze regelingen bij het Minist"},{"i":5007,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 november 2018, kenmerk 1434097-182759-Z, houdende vaststelling van een nadere aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2018 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2018 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 4,236 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040273&artikel=1). Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041530&artikel=1&z=2019-06-13&g=2019-06-13) genoemde bedrag is € 1,420 miljoen bestemd voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) en € 2,816 miljoen voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken van Wlz-uitvoerders. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5132,"b":"Prestatiebeschrijvingsbeschikking De Nederlandse Zorgautoriteit, heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg) **op basis van de beleidsregel:** ‘[Integrale bekostiging multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032741) (DM type 21Diabetes Mellitus type 2 voor personen ≥ 18 jaar, VRM2Cardiovasculair risicomanagement, COPD3**Chronic Obstructive Pulmonary Disease**) (CU/BR-7074)’ **en gelet op:** [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50, lid 1, onderdelen a en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) jo., [artikel 52 onderdeel e Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) **besloten:** dat rechtsgeldig **door:** zorgaanbieders die integraal bekostigde multidisciplinaire zorg aan patiënten met chronische aandoeningen leveren als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715) (Zvw) en zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 1 onder c sub 2 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) (hierna te noemen: Hoofdcontractant) **aan:** alle ziektekostenverzekeraars met welke een rechtsgeldige schriftelijke overeenkomst als genoemd in de beleidsregel ‘Integrale bekostiging multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type 2, VRM, COPD)’ is afgesloten en alle verzekerden van ziektekostenverzekeraars met welke een rechtsgeldige overeenkomst is afgesloten **de prestatie:** zoals beschreven in de beleidsregel ‘Integrale bekostiging multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type 2, VRM, COPD)’: in rekening kan worden gebracht mits is voldaan aan de voorwaarden zoals omschreven in: **En dat rechtsgeldig door:** zorgaanbieders die door de Hoofdcontra"},{"i":7881,"b":"Besluit van 8 juni 2023 tot beperking openbaarheid – Commissie van Advies inzake Rekening-courant, Giro en Clearing, De Nederlandsche Bank gelezen het advies van Algemene Rijksarchivaris van 13 januari 2022 met kenmerk 30263061; gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b en c van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) BESLUITEN: Beperkingen te stellen aan de openbaarheid van Archief DNB, afdeling Rekening-courant, Giro en Clearing, 1915–1992 volgens de hierna gegeven specificatie. Daarbij zijn naast de beperkingsgrond in een daaraan gekoppelde tabel de betrokken inventarisnummers, de bijbehorende beperkingsduur en het daaraan verbonden jaar van openbaarmaking vermeld. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeerzijn de navolgende inventarisnummer(s) beperkt openbaar. Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de navolgende inventarisnummer(s) beperkt openbaar. Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel van derden zijn de navolgende inventarisnummer(s) beperkt openbaar. Bij de bovengenoemde beperkingen is afgeweken van het advies van de Algemene Rijksarchivaris van het Nationaal Archief. In het advies wordt een kortere termijn geadviseerd voor de B (50 jaar) en C (30 jaar) beperking. Deze kortere termijn achten wij niet passend voor deze inventarisnummers. De unieke positie van DNB maakt dat wij een langere termijn noodzakelijk en rechtvaardig achten. Raadpleging, gebruik of vervaardiging van reproducties van de onder bovengenoemde inventarisnummers bewaarde archiefbescheiden is tot het moment van openbaarmaking uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Algemene Rijksarchivaris. Aan deze toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. Dit besluit treedt in"},{"i":5070,"b":"Besluit van de algemeen directeur van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van 10 oktober 2023, nr. RCE/42145325, houdende de vaststelling van het Organisatie- en ondermandaatbesluit Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2023 (Organisatie- en ondermandaatbesluit Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2023) Met goedkeuring van de directeur-generaal Cultuur en Media van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [artikel 10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=2), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=11), [14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=14a), [14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=14c) en [15 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=15); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **rijksdienst:** Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, - b. **algemeen directeur:** directeur van de rijksdienst, als bedoeld in [artikel 1, onder h, van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=1), - c. **directeur Kennis & Advies:** directeur die aan het hoofd staat van de afdelingen als bedoeld in de bijlage bij dit besluit, - d. **afdelingshoofd:** degene die aan het hoofd staat van een afdeling als bedoeld in de bijlage bij dit besluit en direct-leidinggevende is van de medewerkers van de afdeling, - e. **programmaleider:** degene die uit hoofde van zijn functie leiding geeft aan een programma, - f. **projectleider:** degene die leiding geeft aan een project dat volgens het bestedingsplan d"},{"i":3048,"b":"Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: richtingaanwijzer Hoofdstuk 4. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: inhoudelijke regels Hoofdstuk 5. Milieubelastende activiteiten: modules Hoofdstuk 6. Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk Hoofdstuk 7. Activiteiten in de Noordzee Hoofdstuk 8. Activiteiten rond rijkswegen Hoofdstuk 9. Activiteiten rond spoorwegen Hoofdstuk 2. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: algemeen Hoofdstuk 11. Activiteiten die de natuur betreffen Hoofdstuk 12. Landinrichtingsactiviteiten Hoofdstuk 13. Activiteiten die cultureel erfgoed betreffen Hoofdstuk 14. Activiteiten die werelderfgoed betreffen Hoofdstuk 15. Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden Hoofdstuk 16. Grondwateronttrekkingen en ontgrondingen op land en in regionale wateren Hoofdstuk 17. Afval van schepen in binnenwateren Hoofdstuk 18. Overige en slotbepalingen Bijlage I. bij [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=1&afdeling=1.1&artikel=1.1&z=2023-01-01&g=2023-01-01) van dit besluit (begrippen) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage II. bij de [artikelen 3.39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.2&paragraaf=3.2.13&artikel=3.39&z=2023-01-01&g=2023-01-01), [3.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.2&paragraaf=3.2.13&artikel=3.40&z=2023-01-01&g=2023-01-01), [3.184](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.5&paragraaf=3.5.11&artikel=3.184&z=2023-01-01&g=2023-01-01), [3.195](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.5&paragraaf=3.5.11&artikel=3.195&z=2023-01-01&g=2023-01-01) en [3.196](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afde"},{"i":4634,"b":"Huurbeleid Geacht College, Met deze circulaire stel ik u op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het huurbeleid. Ik verzoek u het onderstaande onder de aandacht te brengen van zowel de sociale als de particuliere verhuurders en zo mogelijk de huurdersorganisaties in uw gemeente. Wetsvoorstel procesvereisten Op 2 april heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel ’procesvereisten’ verworpen. Dit betekent dat deze vereisten op de huurverhogingen van en na 1 juli 1996 niet van toepassing zijn. De Landelijke Centrales van woningcorporaties, de Raad voor Onroerende Zaken en de Woonbond zijn evenwel van oordeel, dat regels en procedures voor het overleg tussen verhuurders en huurdersorganisaties nodig zijn. De Landelijke Centrales hebben hun leden gewezen op de wenselijkheid om bij huurverhoging overeenkomstig de procesvereisten te handelen. Hierover hebben zij hun leden voorgelicht. Verder heeft de Raad voor Onroerende Zaken zijn leden opgeroepen toepassing te geven aan de model-omgangscode die de Raad samen met de Woonbond voor de particuliere huursector heeft ontwikkeld. Overigens zijn voor de huurverhogingen vanaf 1 juli 1996 de bestaande vormvereisten voor de voorstellen tot wijziging van de huurprijs (de zogenaamde huuraanzegging) van zelfstandige woonruimte onder de huursombenadering ongewijzigd gebleven ([artikel 19 Huurprijzenwet woonruimte](onbekend) (HPW)). Dit betekent onder meer dat verhuurders bij een huuraanzegging van meer dan 5,5 % gebruik moeten maken van het voorgeschreven huurverhogingsformulier (model 2.2340.2500.4) en deze huurverhoging dienen toe te lichten aan de hand van de woningwaardering (model 2.2340.2500.5) dan wel een naar inhoud en indeling overeenkomend formulier. Overigens kunnen verhuurders die het oude formulierensetje nog in voorraad hebben, eerst deze formulieren opmaken alvorens de huidige formulieren te gebruiken. Huurprijzen na ingrijpende verbetering van woningen De Tweede Kamer heeft het zogenaamde Huursomwetsvoors"},{"i":3522,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 december 2020, tot geheimverklaring van de overheidsopdracht tot beheer, onderhoud en ondersteuning van Aanvraagstations en Reisdocumenten Aanvraag- en Archiefstations Gelet op [artikel 2.23 van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23); Besluit: Artikel 1 Geheim wordt verklaard de opdracht ten behoeve van het beheer, onderhoud en ondersteuning van aanvraagstations (“AS”), mobiele vingerafdrukopname-apparaten (“MVA”) en Reisdocumenten Aanvraag- en Archiefstations (“RAAS”) (hierna tezamen en afzonderlijk “reisdocumentenconfiguraties”), en het leveren van daarmee integraal verbonden hard- en software. Artikel 2 De diensten en leveringen bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044814&artikel=1&z=2021-02-13&g=2021-02-13) behelzen: - •. het doorvoeren en distribueren van verbeteringen in de standaard- en maatwerkprogrammatuur, documentatie en instructies van de reisdocumentenconfiguraties; - •. het leveren van hard- en software die integraal onderdeel uitmaken van de reisdocumentenconfiguraties; - •. het doorvoeren en distribueren van verbeteringen in de standaard- en maatwerkprogrammatuur, documentatie en instructies van het nieuwe Basisregister; - •. het in ontvangst nemen van geleverde generieke hard- en software en het testen op bruikbaarheid van de reisdocumentenconfiguraties; - •. het in opdracht vervangen van (onderdelen van) reisdocumentenconfiguraties; - •. het oplossen van verstoringen, al dan niet in samenwerking met de leverancier van de generieke hard- en software - •. het leveren van formulieren voor het plaatsen van een foto en het zetten van een handtekening; - •. het (beveiligd) opslaan in fysieke ruimtes van de voorraden reisdocumentenconfiguraties (of onderdelen ervan) en van de opstartkaarten voor het gebruik van de genoemde reisdocumentenconfiguraties; - •. het verpakken en geprotocolleerd distribu"},{"i":1920,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 18 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/246521, houdende wijziging van de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer (indexering 2013), houdende wijziging van de Regeling taxibestuurders 2005 (aanpassing exameneis taxibestuurders) en houdende vrijstelling van de verplichting om het vergunningbewijs op zichtbare wijze in de taxi te plaatsen Gelet op de [artikelen 76, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=76), en [81, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=81), en [artikel 82, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=82); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer. Artikel II Wijzigt de Regeling taxibestuurders 2005. Artikel III Vervallen Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2013, met uitzondering van de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032736&artikel=I&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032736&artikel=II&z=2016-01-01&g=2016-01-01) die in werking treden met ingang van 1 februari 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4315,"b":"Besluit van 8 december 2009, houdende verlenging van de periode in artikel 43e, derde lid, Auteurswet Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 10 november 2009, 5627559/09/6; Gelet op [artikel 43e, derde lid, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=43e) en [richtlijn nr. 2001/84/EG](32001L0084) van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk, PbEG 2001, L 272/32; De Raad van State gehoord (advies van 19 november 2009, nr. W03.09.0475/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 2 december 2009, nr. 5630757/09/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De in [artikel 43e, tweede lid, Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=43e) bedoelde periode wordt verlengd tot 1 januari 2012. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2742,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2006 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2006, doch niet later dan 15 februari 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,487 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2006 en eindigende met 15 februari 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.n"},{"i":4169,"b":"Besluit van 23 december 1999 tot vaststelling van de overhevelingstoeslag 2000 en de overhevelingstoeslag 2001 Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 december 1999, directie Algemeen- en Sociaal-Economische Aangelegenheden, nr. ASEA/LIV/99/77536; Gelet op [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006353&artikel=2), en [9, tweede lid, van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006353&artikel=9); De Raad van State gehoord (advies van 16 december 1999, no. W12.99.0613/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 december 1999, directie Algemeen- en Sociaal- Economische Aangelegenheden, nr. ASEA/LIV/99/77549; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De overhevelingstoeslag over het jaar 2000 is gelijk aan 2,15% van het loon van de werknemer, met een maximum van f 1830,–. 2. In afwijking van het eerste lid is de overhevelingstoeslag over het jaar 2000 gelijk aan 5,45% van de uitkering, met een maximum van f 4640,–, indien het betreft: - a. een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding, als bedoeld in [artikel 11, vierde lid onder a, van de Wet op de loonbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11), gedaan door een lichaam of persoon als bedoeld in artikel 11b van die wet, door het Rijk of door een lager publiekrechtelijk lichaam, indien deze reeds voor 1 januari 1999 werd verstrekt, of - b. een uitkering ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet op de loonbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11), welke ten laste komt van het Rijk of de Stichting Pensioenfonds ABP, behoudens voor zover krachtens [artikel 30 van de Wet Financiële voorzieningen Privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=30) over die uitkering een inhouding inzake arbeidsongeschiktheid plaats heeft gevonde"},{"i":2743,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2007 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,00 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2007, doch niet later dan 15 februari 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,404 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2007 en eindigende met 15 februari 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl"},{"i":3004,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 3 juli 2020 nr. WJZ/ 20035404, houdende aanwijzing toezichthouders Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (Besluit aanwijzing toezichthouders Kaderwet EZK- en LNV-subsidies 2020) Artikel 1 Als personen, belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Kaderwet EZK en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919) bepaalde, worden aangewezen: - a. de met toezicht belaste medewerkers van de Auditdienst Rijk; - b. de met toezicht belaste medewerkers van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; - c. de met toezicht belaste medewerkers van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Artikel 2 Het [Besluit houdende aanwijzing toezichthouders Kaderwet EZ-subsidies 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035074) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt ten aanzien van artikel 1 terug tot en met 1 januari 2020. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Kaderwet EZK- en LNV-subsidies 2020. Gelet op [artikel 8, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=8); Besluiten: Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2866,"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 26 oktober 2012, nr. 316193, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2013 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2013) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2013 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,7. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2013. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3883,"b":"Besluit van de Minister voor Klimaat en Energie van 21 november 2022, nr. WJZ/ 22484211, tot openstelling van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2023 Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=2), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=4), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=5), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=8), en [9, tweede lid, van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=9); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **netlevering:** elektriciteit die op het elektriciteitsnet wordt ingevoed; - **netto P50-waarde vollasturen:** aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van een locatie en een productie-installatie die gebruik maakt van windenergie, is bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%; - **niet-netlevering:** elektriciteit die op een installatie wordt ingevoed; - **regeling:** [Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882). Artikel 2. (subsidieplafond en aanvraagperiode) 1. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit op grond van [artikel 2, derde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=2), die wordt aangevraagd in de periode van 9 januari 2023, 09:00 uur, tot 1 november 2023, 17:00 uur, wordt vastgesteld op € 150.000.000. 2. Per categorie productie-installaties kan in de periode, bedoeld in het eerste lid, per locatie waarop de productie-installatie wordt aangebracht, ten hoogste één aanvraag worden ingediend. Artikel 3. (aanwijzing categorieën productie-installaties) 1. Als cat"},{"i":2499,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 27 maart 2024, over daadwerkelijk herstel van schade en het aanbieden van een vaste vergoeding en een aanvullende vaste vergoeding (Beleidsregel schadeafhandeling Tijdelijke wet Groningen) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Instituut:** Instituut Mijnbouwschade Groningen, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=2); - **de werkwijze:** [Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046981); - **wet:** [Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252). Artikel 2. Daadwerkelijk herstel 1. Het Instituut biedt de aanvrager ter uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 2, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=2) en [artikel 1a.1, eerste lid, van de Regeling Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048350&artikel=1a.1), de mogelijkheid aan om zijn schade af te handelen door de te treffen maatregelen in natura uit te voeren of de door de aanvrager gemaakte redelijke kosten voor daadwerkelijk herstel van de schade te vergoeden, tot een maximum van € 60.000. 2. Indien de aanvrager kiest voor deze mogelijkheid verricht het Instituut geen onderzoek naar het causaal verband tussen de door de aanvrager gemelde fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs mijnbouwschade kan zijn als bedoeld in [artikel 177a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=177a) en beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of de gasopslag bij de Norg of de gasopslag bij Grijpskerk. 3. Bij de toepassing van dit artikel zijn de voorwaarden, genoemd in [artikel 2.8, tweede lid, onderdelen a, d en f"},{"i":3165,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 5 april 2017 nr. BOACAT2017/031, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Maassluis Gelezen het verzoek van de gemeente Maassluis van 7 november 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039460&artikel=2&z=2017-04-14&g=2017-04-14). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van senior medewerker Handhaving en Toezicht of medewerker toezicht in dienst van de afdeling Openbare Orde en Wijkbeheer van de gemeente Maassluis, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het gr"},{"i":4659,"b":"Besluit van 8 december 2016 tot wijziging van het Besluit toezicht accountantsorganisaties en enige andere besluiten ter implementatie van richtlijn nr. 2014/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen (PbEU 2014, L 158) en ter implementatie van verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang (PbEU 2014, L 158) (Implementatiebesluit wijzigingsrichtlijn en verordening wettelijke controles jaarrekeningen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 6 oktober 2016, 2016-0000161034, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=8), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=11), [12e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=12e), [18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=18), [18b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=18b), [19, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=19), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=21), [21a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=21a), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=22), [25a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=25a), [55, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=55) en [artikel VI van de Implementatiewet wijzigingsrichtlijn en verordening wettelijke controles jaarrekeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038679&artikel=VI); De Afdeling advisering van"},{"i":4342,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 7 maart 2023, nr. IENW/BSK-2023/60968, houdende verlening van mandaat en machtiging aan de Chief Executive Officer van ProRail B.V. voor de uitvoering van de Tijdelijke subsidieregeling opstellen en rangeren spoorgoederenvervoer 2023 – 2025 Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de Chief Executive Officer van ProRail B.V. d.d. 20 december 2022, kenmerk XMSMQK424VQC-173075960-71148; BESLUIT: Artikel 1 Aan de Chief Executive Officer van ProRail B.V. wordt mandaat verleend tot: - a. het beslissen op aanvragen om subsidieverlening, bedoeld in [artikel 11 van de Tijdelijke subsidieregeling opstellen en rangeren spoorgoederenvervoer 2023 – 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047662&artikel=11), alsmede het intrekken of wijzigen van de subsidieverlening; - b. het ambtshalve vaststellen van de subsidie, bedoeld in [artikel 13 van de Tijdelijke subsidieregeling opstellen en rangeren spoorgoederenvervoer 2023 – 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047662&artikel=13), alsmede het intrekken of wijzigen van de subsidievaststelling; en - c. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in de onderdelen a en b, met inachtneming van [artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3). Artikel 2 Aan de Chief Executive Officer van ProRail B.V. wordt machtiging verleend tot: - a. het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en uitvoering van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047955&artikel=1&z=2023-03-11&g="},{"i":4300,"b":"Besluit tot het verlenen van ondermandaat inzake de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022 (RINFIN 2022) Gelet op [artikel 5, derde lid, van de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=5); Gelet op [artikel 6, eerste lid, sub c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=6), jo, artikel 6, derde lid, van de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022; Gelet op [artikel 5, eerste lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022)1wetten.nl - Regeling - Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020 - BWBR0043022 (overheid.nl); Besluit: Artikel 1 Aan de Chief Information Officer Douane (CIO Douane) wordt ondermandaat verleend voor de verantwoordelijkheden als bedoeld in [artikel 6, tweede lid, Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=6). Artikel 2 Aan de CIO Douane wordt ondermandaat verleend voor het beheer van overheidsinformatie als bedoeld in [Hoofdstuk 3 van de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&hoofdstuk=3): - –. vervanging, conform [RINFIN2022 artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=11) - –. vernietiging, conform [RINFIN2022 artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=12) - –. overbrenging naar Nationaal Archief, conform [RINFIN2022 artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=13) - –. conversie, migratie en emulatie, conform [RINFIN2022 artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=14) - –. vervreemding, conform [RINFIN2022 artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=15) - –. overdracht bij organisatieveranderingen conform [RINFIN2022 artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=16) Artikel 3 De CIO is bevoegd de in dit besluit opgenomen bevoegdheden te ondermand"},{"i":3669,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 17 augustus 2016, nr. IENM/BSK-2016/165661, houdende verlening mandaat en machtiging aan de Autoriteit Consument en Markt ter uitvoering van artikel 96a, eerste lid, van de Spoorwegwet Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de Autoriteit Consument en Markt daterend van 20 juli 2016; BESLUIT: Artikel 1 De Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2), wordt mandaat en machtiging verleend tot het vragen van de gegevens en inlichtingen en het bepalen van de termijn, bedoeld in [artikel 96a, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=96a). Artikel 2 De Autoriteit Consument en Markt kan met betrekking tot haar bevoegdheden als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038429&artikel=1&z=2016-08-19&g=2016-08-19) ondermandaat en machtiging verlenen aan één of meer ambtenaren werkzaam voor haar organisatie. Artikel 3 Indien uitvoering wordt gegeven aan de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038429&artikel=1&z=2016-08-19&g=2016-08-19) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038429&artikel=2&z=2016-08-19&g=2016-08-19) luidt de ondertekening: DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU, namens deze: gevolgd door functieaanduiding, de handtekening en de naam van de betrokken functionaris aan wie mandaat, ondermandaat of machtiging is verleend. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte"},{"i":2682,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 4 april 2008, nr. 5539317/08/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van een BankGiro Loterij Overwegende dat de geldigheidsduur van de [beschikking BankGiro Loterij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015027) op 30 april 2008 verstrijkt; Overwegende dat BankGiro Loterij N.V., gevestigd te Amsterdam, bij brief van 9 augustus 2007 heeft verzocht haar opnieuw vergunning te verlenen voor het organiseren van de BankGiro Loterij; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) en [34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34), en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=2) en [5 van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=5); Gezien het advies van het College van toezicht op de kansspelen van 27 september 2007, nr. C.821/07; Besluit: Artikel I Een beschikking af te geven die komt luiden als volgt: In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. het besluit: het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067); - c. de Minister: de Minister van Justitie; - d. de vennootschap: BankGiro Loterij N.V., gevestigd te Amsterdam; - e. de holding: Holding Nationale Goede Doelen Loterijen N.V., gevestigd te Amsterdam; - f. de stichting aandelen: de Stichting Aandelen Nationale Goede Doelen Loterijen, gevestigd te Amsterdam; - g. BankGiro Loterij: een kansspel als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), waarbij het nummer van een bankrekening, onderscheidenlijk een girorekening, deel uitmaakt van het lotnummer waarmee de deelnemers meedingen naar prijzen die door loting of trekking worden verkregen; - h. extra spel: een kansspe"},{"i":4756,"b":"Besluit van 21 april 2022, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming (Kaderbesluit overige JenV-subsidies) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, gedaan mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming van 5 oktober 2021, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3562409; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en [4 van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord advies van 2 maart 2022, nr.W16.21.0304/II; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, uitgebracht mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming van 14 april 2022, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3946181; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Kaderwet overige JenV-subsidies in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **algemene groepsvrijstellingsverordening:** verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187/1), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; - –. **de-minimisverordening:** [verordening (EU) nr. 1407/2013](32013R1407) van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352/1) en [verordening (EU) nr. 360/2012](32012R0360) van de Commissie van 25 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch bela"},{"i":6468,"b":"Besluit van 20 februari 2023 tot wijziging van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders in verband met de werkzaamheden voor verplichte bevragingen Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 16 december 2022, nr. 4371581; directie Wetgeving en Juridische Zaken. Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=2) en de [artikelen 240](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=240) en [434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=434a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 februari 2023, nr. W16.22.00207/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 9 februari 2023 nr. 4470542; directie Wetgeving en Juridische Zaken. Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Artikel II De tarieven in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012638&artikel=2) die golden op grond van het [Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012638), zoals dat luidde voor 1 maart 2023, blijven van toepassing met betrekking tot de vergoeding van ambtshandelingen die voor die datum zijn verricht. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2023. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2989,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 29 juni 2016, nr. WJZ/16082842, houdende aanwijzing toezichthouders 2016 Visserijwet 1963 (Besluit aanwijzing toezichthouders 2016 Visserijwet 1963) Gelet op [artikel 54a, eerste lid, van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=54a); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving als bedoeld in [artikel 54a, eerste lid, van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=54a) worden aangewezen de ambtenaren van: - a. de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - b. de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane; - c. het Ministerie van Economische Zaken, werkzaam als Medewerker wadden of als Medewerker afhandeling en ontwikkeling met als specialisatie vakdeskundige visserij; - d. de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek, werkzaam als Medewerker handhaving; - e. de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing, werkzaam als Toezichthouder of Senior Toezichthouder; - f. de gemeenten Schagen, Texel, Hollandse Kroon, Oldambt, Sluis, Hulst, Vlissingen, Dongeradeel en De Marne, werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar, van de gemeenten Katwijk en Zandvoort, werkzaam als gemeentelijk opsporingsambtenaar, van de gemeenten Terschelling en Eemsmond, werkzaam als medewerker handhaving/controleur, van de gemeente Het Bildt, werkzaam als coördinator handhavingsbureau, van de gemeente Ferwerderadeel, werkzaam als Waddencoördinator of als buitengewoon opsporingsambtenaar en van de gemeente Harlingen, werkzaam als havenbeambte of als buitengewoon opsporingsambtenaar, voor het toezicht op de naleving van de [artikelen 52a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=52a) en [52b van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=52b) en [artikel 120 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030288&artikel=120). Artikel 2 Het [Besl"},{"i":2595,"b":"Beleidsregels CAK inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2023 gelet op [artikel 9a tot en met 9d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9a), [18a tot en met 18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18a), en [34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a), alsmede [paragraaf 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&paragraaf=4a) en [paragraaf 5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&paragraaf=5); besluit om de volgende beleidsregels vast te stellen: Artikel 1. De melding van de zorgverzekering als bedoeld in [artikel 18c van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c) (wanbetalers) 1. Voor de toepassing en de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18f), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18g) en [34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a) maakt het CAK gebruik van de gegevens die de zorgverzekeraar verschaft op grond van de regeling ingevolge [artikel 92 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=92), van de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) en van de gegevens uit de UWV-polisadministratie. 2. Het CAK maakt nadere werkafspraken met de zorgverzekeraars over de wijze en het tijdstip van aanlevering van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en eventueel andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":3228,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, van 2 september 2024 nr. BOACAT2024/101, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Dordrecht Gelezen het verzoek van de gemeente Dordrecht van 30 augustus 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050214&artikel=2&z=2024-09-21&g=2024-09-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver of senior handhaver of teamcoördinator domein II in dienst van de gemeente Dordrecht, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, z"},{"i":4676,"b":"Instelbesluit CTC 2024 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit actualiseert de mededeling van 14 oktober 2010, nr. DGB/2010/6307M (** **Stcrt. 2010, 16697** **). De herziening bestaat voornamelijk uit een actualisatie van de taakomschrijving.** 1. Inleiding Binnen de Belastingdienst is de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering (CTC) actief. Dit besluit bevat de instelling en de taakomschrijving van de CTC. Het besluit is een actualisatie van de [mededeling van 14 oktober 2010, nr. DGB/2010/6307M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028897) (Stcrt. 2010, 16697). De actualisatie bestaat onder meer uit het opnemen van de uitvoeringscoördinatie van de aanpak van dividendstripping in de taakomschrijving van de CTC. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Taken van de CTC De CTC heeft de volgende taken. 3. Werkwijze van de CTC Uit de voornoemde taken vloeit voort dat de CTC verantwoordelijk is voor het waarborgen van de eenheid van beleid en uitvoering op de aan hem toegewezen terreinen. Om die reden melden medewerkers van de Belastingdienst bij de CTC gevallen die op de voormelde terreinen liggen waarbij een standpuntbepaling precedentwerking zou kunnen hebben en daarom opgevat zou kunnen worden als (een begin van) beleid. De CTC verstrekt een bindend advies in gevallen van concernfinanciering, de innovatiebox, gevallen waarin mogelijk sprake is van dividendstripping en aan deze onderwerpen verwante problematiek, onder meer over de toepassing van: Uitgezonderd zijn de onderwerpen waarvoor het Behandelteam Internationale Fiscale Zekerheid (Behandelteam IFZ) van de Belastingdienst is aangewezen als eerste behandelaar op grond van het [Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042342). Het Behandelteam IFZ stemt met de CTC de mogelijke beleidsmatige aspecten af die samenhangen met deze onderwerpen en die nog niet eerder als beleid zijn gepubliceerd, alsmed"},{"i":3509,"b":"Besluit Fiscaal Bestuursrecht **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit actualiseert en vervangt het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) van 15 oktober 2021, nr. 2021-9584 (** **Stcrt. 2021, 44622** **), zoals gewijzigd bij besluit van 18 januari 2023, nr. 2023-26730 (** **Stcrt. 2023, 1519** **). Naar aanleiding van de ontvlechting van de Belastingdienst, Toeslagen en Douane als zelfstandige directoraten-generaal, is verduidelijkt hoe dit besluit uitwerkt voor de Douane. Dit heeft geleid tot diverse technische aanpassingen. Voorts is paragraaf 20 (bewaarplicht) herzien en paragraaf 23, lid 17, vervallen. Afgezien van enkele redactionele aanpassingen is het besluit voor het overige niet gewijzigd.** § 1. Inleiding Het Besluit Fiscaal Bestuursrecht is een verzamelbesluit met beleidsregels op het terrein van het fiscale bestuursrecht. Het besluit heeft vooral betrekking op het formele belastingrecht, maar gaat ook in op enkele civielrechtelijke aspecten. Dit besluit vervangt het [Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 15 oktober 2021, nr. 2021-9584](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045752) (Stcrt. 2021, 44622), zoals gewijzigd bij besluit van 18 januari 2023, nr. 2023-26730 (Stcrt. 2023, 1519). Op 11 januari 2020 besloot de Minister van Financiën om Toeslagen en Douane een zelfstandige positie te geven als directoraat-generaal, naast het directoraat-generaal van de Belastingdienst waar zij tot dan toe onderdeel van uitmaakten. Het besluit is in lijn gebracht met deze ontvlechting. Dit heeft geleid tot technische aanpassingen in de paragrafen: [2](onbekend), [5](onbekend), [6](onbekend), [11](onbekend), [12](onbekend), [19](onbekend), [20](onbekend), [21](onbekend), [23](onbekend), [24](onbekend), [25](onbekend), [27](onbekend), [28](onbekend) en [29](onbekend) en een inhoudelijke aanpassing door [lid 17 van paragraaf 23](onbekend) te laten vervallen. Het vervallen van lid 17 heeft als gevolg dat het beleid verruimd wordt. [Par"},{"i":3736,"b":"Besluit van de directeur-generaal van Rijkswaterstaat van 19 april 2021, met kenmerk RWS-2021/9455 houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan functionarissen voor de duur van het programma Zuidasdok en houdende wijziging van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijkswaterstaat 2013 ten aanzien van een tweetal verduidelijkingen Gelet op [artikel 21, tweede lid, onderdeel b, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=21) en [artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Functies 1. Er is een programmadirecteur Zuidasdok, een directeur bedrijfsvoering Zuidasdok en een directeur uitvoering Zuidasdok. 2. De in het eerste lid genoemde functionarissen ressorteren onder de hoofdingenieur-directeur van het organisatieonderdeel Rijkswaterstaat Grote Projecten en Onderhoud. Artikel 2. Bevoegdheden 1. De aan de directeur-generaal verleende bevoegdheden worden, met inachtneming van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034184&artikel=3) en [12 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijkswaterstaat 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034184&artikel=12), eveneens gemandateerd aan de in het [eerste artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045130&artikel=1&z=2021-05-15&g=2021-05-15) bedoelde functionarissen. 2. Aan de in het [eerste artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045130&artikel=1&z=2021-05-15&g=2021-05-15) bedoelde functionarissen worden geen bevoegdheden verleend in HRM-aangelegenheden. Artikel 3. Verlening volmacht en machtiging De aan de directeur-generaal verleende volmacht en machtiging worden, met inachtneming van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034184&artikel=3) en [12 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijkswaterstaat 2013](https://wetten.ove"},{"i":3229,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 12 mei 2025 nr. BOACAT2025/125, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Edam-Volendam Gelezen het verzoek van gemeente Edam-Volendam van 29 april 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051025&artikel=2&z=2025-05-15&g=2025-05-15). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Edam-Volendam, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de"},{"i":3702,"b":"Besluit mandaat Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute 2009 Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:5, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:5); Gezien de schriftelijke instemming van de President-directeur van ProRail van 11 juni 2009 en 28 augustus 2009 en de Directeur Projecten van ProRail van 11 juni 2009; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. **ProRail:** ProRail B.V. gevestigd te Utrecht. Artikel 2 Aan de directeur Projecten van ProRail wordt mandaat verleend om namens de Minister besluiten te nemen op verzoeken om schadevergoeding in het kader van de [Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008228), met uitzondering van het beslissen op bezwaarschriften tegen voornoemde besluiten. Artikel 3 Aan de directeur Projecten van ProRail wordt mandaat verleend om namens de Minister besluiten te nemen inzake de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij niet tijdig beslissen op verzoeken als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026432&artikel=2&z=2009-10-01&g=2009-10-01), met uitzondering van het beslissen op bezwaarschriften tegen voornoemde besluiten. Artikel 4 1. De directeur Projecten van ProRail kan schriftelijk ondermandaat verlenen om bij zijn afwezigheid zijn in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026432&artikel=2&z=2009-10-01&g=2009-10-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026432&artikel=3&z=2009-10-01&g=2009-10-01) bedoelde bevoegdheid te laten uitoefenen door een plaatsvervanger. 2. Van een ondermandaat als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk kennis gegeven aan de Minister. Artikel 5 Bij de uitoefening van het mandaat neemt de directeur Projecten van ProRail, alsmede de i"},{"i":3751,"b":"Besluit van de directeur-generaal van Rijkswaterstaat van 4 september 2014, met kenmerk RWS-2014/39744 houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de projectmanager van het project Modernisering Objecten Bediening Zeeland (MOBZ) (Besluit mandaat, volmacht en machtiging projectmanager Modernisering Objecten Bediening Zeeland (MOBZ)) Gelet op [artikel 23, tweede lid, onderdeel b, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=23) en [artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Functie 1. Er is een projectmanager van het project Modernisering Objecten Bediening Zeeland (MOBZ). 2. De in het eerste lid genoemde functionaris ressorteert onder de hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Centrale Informatievoorziening (CIV). Artikel 2. Bevoegdheden De aan de directeur-generaal verleende bevoegdheden worden, met inachtneming van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034184&artikel=3) en [12 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijkswaterstaat 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034184&artikel=12), eveneens gemandateerd aan de projectmanager van het project Modernisering Objecten Bediening Zeeland (MOBZ). Artikel 3. Verlening volmacht en machtiging De aan de directeur-generaal verleende volmacht en machtiging worden, met inachtneming van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034184&artikel=3) en [12 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijkswaterstaat 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034184&artikel=12), eveneens verleend aan de projectmanager van het project Modernisering Objecten Bediening Zeeland (MOBZ). Artikel 4. Grensbedrag Het mandaat, de volmacht en machtiging verleend aan de projectmanager van het project Modernisering Objecten Bediening Zeeland (MOBZ) voor verpli"},{"i":3752,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 24 april 2024, nr IENW/BSK-2024/93989, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan ProRail B.V. voor de uitvoering van bevoegdheden op grond van de Spoorwegwet en de Omgevingswet (Besluit mandaat, volmacht en machtiging ProRail 2024) Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:5), [10:6 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6), en [10:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Gezien de instemming van de chief executive officer van ProRail B.V. d.d. 3 april 2024; BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **chief executive officer:** chief executive officer van ProRail; - **ProRail:** ProRail B.V., gevestigd te Utrecht; - **projectbesluit:** besluit tot aanleg of wijziging van een spoorweg als bedoeld in [artikel 5.46, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.46). Artikel 2 1. Aan de chief executive officer wordt mandaat verleend om besluiten te nemen inzake omgevingsvergunningen, maatwerkvoorschriften en toestemmingen om een gelijkwaardige maatregel toe te passen als bedoeld in [hoofdstuk 9 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=9), voor zover: - a. deze alleen betrekking hebben op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg; en - b. de bevoegdheid daartoe bij of krachtens de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) bij de minister is belegd. 2. Aan de chief executive officer wordt mandaat verleend om besluiten te nemen inzake onthe"},{"i":4048,"b":"Besluit van 17 april 2002, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter van de Commissie innovatie openbaar bestuur Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 april 2002, MPA 2002/U 63309 Directoraat Generaal Management en Personeelsbeleid, Directie Arbeidszaken Overheid. Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met ingang van 1 mei 2002 ontvangt de voorzitter van de Commissie innovatie openbaar bestuur een vaste beloning van € 1154,62 per maand. Artikel 2 De voorzitter van de Commissie innovatie openbaar bestuur zal onder meer de volgende werkzaamheden verrichten: - a. voorbereiden van de vergaderingen van de Commissie en van het dagelijks bestuur, in overleg met het secretariaat van de commissie; - b. voorzitten van de commissievergaderingen; - c. voorzitten van de vergaderingen van het dagelijks bestuur; - d. extern vertegenwoordigen van de Commissie; - e. bekendheid geven aan de activiteiten van de commissie bijvoorbeeld op conferenties, via interviews en met presentaties; - f. bezoeken afleggen aan organisaties binnen het openbaar bestuur die experimenten uitvoeren; - g. beheersmatige onderwerpen van het secretariaat van de Commissie mede beoordelen en goedkeuren; - h. opdrachtgever zijn van de secretaris van de Commissie. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3960,"b":"Besluit van den 26sten Maart 1868, houdende regeling van den overgang van adellijke titels bij regt van eerstgeboorte Overwegende, dat het noodzakelijk is het bestaande verschil van gevoelen omtrent den overgang bij regt van eerstgeboorte van adellijke titels door stellige voorschriften op te heffen; Op de voordragt van Onzen Minister van Justitie, van den 17den Februarij 1868, 2de afdeeling, no. 105; Den Raad van State gehoord (advies van den 10den Maart 1868, no. 10); Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Justitie, van den 20sten Maart 1868, 2de afdeeling, no. 115; Gelet op art. 63 der Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Wanneer adellijke titels zijn verleend of in het vervolg verleend mogten worden, met bepaling van overgang bij regt van eerstgeboorte op de wettige mannelijke afstammelingen of nakomelingen van den oorspronkelijk begiftigde in den mannelijken stam, gelden omtrent dien overgang de volgende regelen: - 1°. Na overlijden van den oorspronkelijk begiftigde gaat de titel over op zijn' eerstgeboren zoon en vervolgens of, bij vóóroverlijden van dezen laatste, onmiddellijk op de wettige mannelijke afstammelingen van den eerstgeboren zoon, met dien verstande, dat onder dezen steeds de oudste in leven zijnde van den oudsten mannelijken staak bij uitsluiting van alle anderen tot het voeren van den titel geregtigd is. - 2°. Bij ontstentenis van wettige mannelijke afstammelingen van den eerstgeboren zoon gaat de titel over op zijne broeders en hunne wettige mannelijke afstammelingen uit den mannelijken stam, met dien verstande dat de oudere broeder, met zijne nakomelingen, steeds den jongeren broeder met diens nakomelingen uitsluit, en dat verder steeds de oudste van den oudsten staak bij uitsluiting van alle anderen tot het voeren van den titel geregtigd is. - 3°. Het regt tot het voeren van den titel gaat eerst verloren na het overlijden van den oorspronkelijk begiftigde en van alle zijne wettige man"},{"i":3445,"b":"Besluit van 6 juli 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur betreffende de bepaling van de financiële draagkracht ingevolge de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, Stb. 1984, 94 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 30 maart 1984, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. DVV/BV-U 4911 II; Gelet op [artikel 33, vijfde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=33) (**Stb.** 1984, 94); De Raad van State gehoord (advies van 16 mei 1984, nr. W.13.84.0155/25.4.19); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 21 juni 1984, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. DVV/BV-U5204; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - -. de wet: de [Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664); - -. de minimum-grondslag: het bedrag bedoeld in [artikel 10, achtste lid, onder **a**, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=10); - -. de maximum-grondslag: het bedrag bedoeld in [artikel 10, achtste lid, onder **b**, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=10). Artikel 2 1. Bij het bepalen van de financiële draagkracht van het burger-oorlogsslachtoffer ter zake van de toekenning van een tegemoetkoming in kosten van voorzieningen als bedoeld in [artikel 33, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=33) wordt als zijn inkomen aangemerkt: - a. de uitkering berekend op grond van [hoofdstuk II, paragraaf 3, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&paragraaf=3) met uitzondering van de toeslagen, bedoeld in de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=19), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=21) en [22](https://wetten"},{"i":4190,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 5 december 2018, nr. IENM/BSK-2018/224789 houdende vaststelling van het subsidieplafond voor het jaar 2019 op grond van de Subsidieregeling verwijderen asbestdaken voor het jaar 2019 Gelet op [artikel 8, tweede lid, onderdeel e, van het Kaderbesluit subsidies IenM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8) en [artikel 4, tweede lid, van de Subsidieregeling verwijderen asbestdaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037274&artikel=4); Besluit: artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Subsidieregeling verwijderen asbestdaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037274&artikel=4) wordt voor het jaar 2019 vastgesteld op € 8.800.000,00. Hiermee is het totaal beschikbare budget voor deze subsidieregeling bereikt. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2510,"b":"Beleidsregel Tarieventabel Handhaving Centraal Bureau voor de Statistiek Algemeen Het doel van de bestuursrechtelijke handhaving van de responsverplichting (verder: handhaving) is om de volledigheid van de respons binnen de wettelijke inzendtermijn van verplichte statistieken te verhogen. Dit bevordert de tijdigheid en kwaliteit van de CBS statistieken. De uitvoering van handhaving gebeurt door een zelfstandig organisatieonderdeel van het CBS (verder: handhavingsorganisatie). Zowel voor de bestuurlijke boete als de last onder dwangsom geldt dat de hoogte van de boete, respectievelijk de te verbeuren dwangsom, wordt bepaald door een afweging van de aard, ernst en omvang van de overtreding met inachtneming van het wettelijke maximum van de bestuurlijke boete. De Tarieventabel Handhaving Centraal Bureau voor de Statistiek (verder: tarieventabel) geeft voor deze afweging richtlijnen. Deze tarieventabel is door de Directeur-Generaal van de Statistiek vastgesteld en geldt vanaf 1-1-2009 voor alle overtredingen van het niet nakomen van de responsverplichting die vanaf deze datum door de handhavingsorganisatie worden geconstateerd. Last onder dwangsom De handhavingsorganisatie past in eerste instantie het handhavingsinstrument van de last onder dwangsom toe. Hiermee wordt nadrukkelijk beoogd om de gevraagde gegevens alsnog te verkrijgen. De duur van de begunstigingstermijn1 bedraagt in alle gevallen 14 kalenderdagen. De hoogte van de te verbeuren dwangsom is in eerste instantie achtereenvolgens afhankelijk van: In de onderstaande tabellen zijn voor de verschillende categorieën de te verbeuren dwangsommen per dag alsmede de maximaal te verbeuren totale dwangsom weergegeven. Indien een onderneming, vrije beroepsbeoefenaar, instelling of rechtspersoon binnen twaalf maanden voorafgaand aan de datum van de overtreding voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister wordt de te verbeuren dwangsom verlaagd met 50%. In uitzonderlijke en bijzondere gevallen kan de te verb"},{"i":3636,"b":"Besluit van 20 februari 2024, houdende nadere eisen met betrekking tot de kwaliteit van incassodienstverlening, de hoogte van het tarief van de registratie, een aanpassing van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, alsmede de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Besluit kwaliteit incassodienstverlening) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 26 april 2023, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4620802; Gelet op de [artikelen 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=5), [13, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=13), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=20), en [30 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=30) en [artikel 96, vijfde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=96); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2023, nr. W16.23.00106/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 14 februari 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5185572; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1.1. Begrippen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **incassodienstverlener:** degene die buitengerechtelijke incassowerkzaamheden als bedoeld in [artikel 1 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=1) verricht of aanbiedt; - **incassomedewerker:** persoon die belast is met het verrichten of aanbieden van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden; - **operationeel leidinggevende:** persoon die leiding geeft aan het verrichten of aanbieden van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden; - **schuldenaar:** de natuurlijk persoon die zijn woonplaats in Nederland heeft en die gehouden is"},{"i":3230,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 september 2015 nr. BOACAT2015/042, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Gemeente Ede, Milieu en Welzijn Gelezen het verzoek van de gemeente Ede van 19 maart 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2015/30171 gesteld op 1 november 2015. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037001&artikel=2&z=2015-10-02&g=2015-10-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver en coördinator in het domein Milieu en Welzijn in dienst van de gemeente Ede, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu en Welzijn, van [bijlage A-I van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694&bijlage=A). 2. De opsporingsbevoegdheid, bed"},{"i":3703,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 november 2013, nr. 2013-0000722358, houdende de verlening van mandaat en machtiging in verband met het RNI Convenant Dienstverlening aan de daarbij aangesloten gemeenten (Besluit mandaat Registratie Niet-Ingezetenen) Gelet op [artikel 10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien het RNI Convenant Dienstverlening en de daarin overeengekomen werkzaamheden genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034319&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie personen in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **aangesloten gemeenten:** de in de Bijlage bij dit besluit genoemde gemeenten; - c. **het convenant:** het RNI Convenant Dienstverlening afgesloten tussen de Minister en de aangesloten gemeenten afzonderlijk; - d. **het college van burgemeester en wethouders:** het college van burgemeester en wethouders van een aangesloten gemeente; - e. **de wet:** de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715). Artikel 2 1. Ter uitvoering van het convenant wordt aan het college van burgemeester en wethouders mandaat verleend voor het nemen van besluiten die verband houden met: - a. de inschrijving in de basisregistratie bedoeld in de [artikel 2.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.66), in samenhang met [artikel 2.67, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.67); - b. de opneming van persoonsgegevens op grond van [paragraaf 2.2.3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.3) in verband met die inschrijving of in verband met een verzoek van de ingeschrevene op gr"},{"i":4082,"b":"Besluit van 24 december 1997, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden Waz) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 november 1997, nr. SV/WV/97/4894; Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 17 december 1997, no. W12.97.0761); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 1997, nr. SV/WV/97/5431; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656). § 2. Beperking van de kring van verzekerden Artikel 2. Personen die uitsluitend buiten Nederland werken 1. Niet verzekerd is de persoon, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009283&paragraaf=2&artikel=4&z=2005-12-29&g=2005-12-29), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009283&paragraaf=3&artikel=5&z=2005-12-29&g=2005-12-29) of [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009283&paragraaf=4&artikel=6&z=2005-12-29&g=2005-12-29) van de wet, die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht. 2. Voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde periode van drie maanden worden perioden, gedurende welke de in het eerste lid bedoelde arbeid buiten Nederland wordt onderbroken wegens ziekte, gebreken, zwangerschap, bevalling of werkloosheid, beschouwd als perioden waarin uitsluitend buiten Nederland arbeid wordt verricht, tenzij tijdens deze perioden arbeid in Nederland wordt verricht. 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder arbeid buiten Nederl"},{"i":4761,"b":"Wet van 29 februari 1996, houdende vaststelling regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Economische Zaken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo wij in overweging genomen hebben, dat de totstandkoming van de derde tranche van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) het wenselijk maakt de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ en de Kaderwet specifieke uitkeringen EZ te vervangen door nieuwe regels die een wettelijk kader scheppen voor de verstrekking van subsidies door de Minister van Economische Zaken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: - a. Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister die belast is met de zorg voor één of meer beleidsterreinen, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2&z=2025-09-01&g=2025-09-01), ieder voor zover het betreft het beleidsterrein waarvoor hij verantwoordelijk is; - b. Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur of Onze Minister die belast is met de zorg voor één of meer beleidsterreinen, bedoeld in [artikel 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2a&z=2025-09-01&g=2025-09-01), ieder voor zover het betreft het beleidsterrein waarvoor hij verantwoordelijk is; of - c. Onze Minister van Klimaat en Groene Groei of Onze Minister die belast is met de zorg voor één of meer beleidsterreinen, bedoeld in [artikel 2b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2b&z=2025-09-01&g=2025-09-01), ieder voor zover het betreft het beleidsterrein waarvoor hij verantwoordelijk is. Artikel 2 1. Onze Minister, bedoeld in [artikel 1, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artike"},{"i":3559,"b":"Besluit van 11 december 2018 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft en enige andere besluiten (Besluit herstel en afwikkeling van verzekeraars) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 17 september 2018, 2018-0000158337 directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:80, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [3:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:288i1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:288i1), [3A:38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:38), [3A:81, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:81), [3A:82, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:82), [3A:89, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:89), [3A:113, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:113), [3A:118, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:118), [3A:134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:134) en [3A:138, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:138), van de Wet op het financieel toezicht; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 oktober 2018, nr. W06.18.0287/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 6 december 2018, FM 2018-0000179950, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft. Artikel III Wijzigt het Besluit reikwijdtebepalingen Wft. Artikel IV Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel V"},{"i":4802,"b":"Mandaatbeschikking Stichting Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling Handelende in overeenstemming met de Stichting Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling; Besluit: Artikel 1 De Directeur van de Stichting Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling is gemachtigd om namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij stukken te ondertekenen in verband met door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te verlenen subsidies als bedoeld in [artikel 3 van de Regeling Subsidiëring Extra Impuls natuur- en milieu-educatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007927&artikel=3), volgens door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op te stellen richtlijnen. Artikel 2 De ondertekening, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007950&artikel=1&z=1996-03-28&g=1996-03-28), luidt: ’DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ, voor deze: DE DIRECTEUR VAN DE STICHTING NATIONALE COMMISSIE VOOR INTERNATIONALE SAMENWERKING EN DUURZAME ONTWIKKELING’. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 15 maart 1996. Deze beschikking wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":3401,"b":"Besluit van 30 januari 1997, houdende regels betreffende een aanvullend beschermingscertificaat voor gewasbeschermingsmiddelen (Besluit certificaat gewasbeschermingsmiddelen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 13 september 1996, nr. 96056959 WJA/W; Gelet op [verordening (EG) nr. 1610/96](31996R1610) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 198) en op [artikel 98 van de Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=98) ; De Raad van State gehoord (advies van 10 december 1996, nr. W10.96.0440); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 januari 1997, nr. 97000144 WJA/W; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. verordening: de [verordening (EG) nr. 1610/96](31996R1610) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor gewasbeschermingsmiddelen (**PbEG** L 198); - b. basisoctrooi: een octrooi als bedoeld in artikel 1, onder 9, van de verordening; - c. certificaat: een aanvullend beschermingscertificaat als bedoeld in artikel 1, onder 10, van de verordening; - d. rijkswet: de [Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118). Artikel 2 1. Ten aanzien van de aanvraag van een certificaat zijn de artikelen 24, derde lid, 38, eerste lid, 91 en 92 van de rijkswet van overeenkomstige toepassing. 2. Indien niet is voldaan aan artikel 8 van de verordening of aan de artikelen 24, derde lid, 38, eerste lid, en 92 van de rijkswet, geeft het bureau daarvan binnen twee maanden na de datum van indiening van de aanvraag van een certificaat schriftelijk kennis aan de aanvrager, onder opgave van de voorschriften waaraan niet is voldaan. Artikel 30, tweede lid, van de rijkswet is van overee"},{"i":3200,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 november 2015 nr. BOACAT2015/056, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Amsterdam, afdeling Wonen Gelezen het verzoek van de gemeente Amsterdam, afdeling Wonen van 6 oktober 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037169&artikel=2&z=2015-12-02&g=2015-12-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder in dienst van de gemeente Amsterdam, afdeling Wonen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein."},{"i":2501,"b":"Beleidsregel schietlawaai defensieterreinen Ministerie van Defensie, tav Hoofddirecteur Bedrijfsvoering Met deze brief informeer ik u over de vergunningverlening op grond van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) (Wm) en de [Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779) (Wabo) met betrekking tot de geluidhinder veroorzaakt door schietinrichtingen van uw ministerie, waar jaarlijks meer dan 3 miljoen schoten worden afgevuurd, explosieven uit luchtvaartuigen worden geworpen, springterreinen en handgranaatbanen1Zie noot 4.. Ik ben voornemens dergelijke geluidhinder in het vervolg te beoordelen op een beoordelingswijze die overeenkomt met de beoordelingswijze voor schietinrichtingen die met ingang van 1 januari 2016, met de inwerkingtreding van de zogenaamde ‘4e tranche wijziging van het Activiteitenbesluit’ (Stb. 2015, nr. 337), vallen onder het [Activiteitenbesluit milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022762) (algemene regels). Hiermee wordt de beoordelingswijze van geluid afkomstig van vergunningplichtige militaire schietinrichtingen op basis van de beleidsnota ‘Beleid inzake Militair Schietgeluid’ van 25 februari 2013 2IenM/BSK-2013/32303 (hierna: beleidsnota) verlaten. De nieuwe beoordelingswijze houdt in dat de geluidsbelasting veroorzaakt door een vergunningplichtige schietinrichting wordt berekend door middel van een nieuwe rekenmethode die afwijkt van de momenteel geldende beleidsnota en die beter rekening houdt met het specifieke karakter van het schietgeluid. Deze methode is beschreven in [bijlage 9 van de Activiteitenregeling milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022830&bijlage=9). Voorts wordt door mij in het kader van de beoordeling van uw vergunningaanvraag een voorkeurswaarde van 50 dB Bs,dan en een maximale waarde van 60 dB Bs,dan aangehouden op de gevels van woningen en andere geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de [Wet geluidhinder](http"},{"i":3811,"b":"Besluit van de directie van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants houdende regels inzake ondermandaat en machtiging (Besluit ondermandaat en machtiging directie NBA) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gelet op het [Besluit mandaat en machtiging bestuur NBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034104); Besluit als volgt: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - –. **directie:** de directie, bedoeld in [artikel 18, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=18); - –. **wet:** de [Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573). Artikel 2 De directie verleent ondermandaat en machtiging aan het hoofd financiële administratie om besluiten te nemen en handelingen te verrichten ter uitvoering van het bepaalde in [artikel 31 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=31). Artikel 3 1. De directie verleent ondermandaat en machtiging aan het hoofd regelgeving om besluiten te nemen en handelingen te verrichten ter uitvoering van het bepaalde in [artikel 38 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=38), met uitzondering van het besluit waarin de weigeringsgrond, bedoeld in [artikel 39, eerste lid, onder e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=39), aan de orde is. 2. De directie verleent ondermandaat en machtiging aan het hoofd regelgeving om besluiten te nemen en handelingen te verrichten ter uitvoering van het bepaalde in [artikel 43 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=43). Artikel 4 De directie verleent ondermandaat en machtiging aan het hoofd regelgeving om besluiten te nemen en handelingen te verrichten ter uitvoering van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252). Artikel 5 De directie verleent ondermandaat en machtiging"},{"i":7544,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2022, nr. 22557363, inhoudende openbaarmaking van de subsidiegegevens Gemeenschappelijk landbouwbeleid over het EU-boekjaar 2022 Gelet op: De artikelen 111 tot en met 114 van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van [Verordeningen (EEG) nr. 352/78](31978R0352), [(EG) nr. 165/94](31994R0165), [(EG) nr. 2799/98](31998R2799), [(EG) nr. 814/2000](32000R0814), [(EG) nr. 1290/2005](32005R1290) en [(EG) nr. 485/2008](32008R0485) van de Raad (PbEU 2013, L347); De artikelen 57 tot en met 62 van [Verordening (EU) nr. 908/2014](32014R0908) van de Commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie (PbEU 2014, L255); Artikel 6 van [Verordening (EU) nr. 2016/679](32579R2016) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (PbEU 2016, L119); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - •. **Europees Landbouwgarantiefonds:** Europees Landbouwgarantiefonds, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) (‘ELGF’); - •. **Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling:** Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) (‘ELFPO’); - •. **Verordening (EU) nr. 1306/2013:** [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32"},{"i":3231,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 februari 2026 nr. BOACAT2026/013, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Ede Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: De wijziging is in werking getreden op 11 maart 2026 (Stcrt. 2026/9159). Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052356&artikel=2&z=2026-04-10&g=2026-04-10). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Integraal handhaver, senior handhaver, teamcoördinator, medewerker meldkamer, teamleider en afdelingsmanager in dienst van gemeente Ede zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het gro"},{"i":3425,"b":"Besluit van 24 oktober 1997, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de diëtist, de ergotherapeut, de logopedist, de mondhygiënist, de oefentherapeut, de orthoptist en de podotherapeut (Besluit diëtist, ergotherapeut, logopedist, mondhygiënist, oefentherapeut, orthoptist en podotherapeut) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juni 1997, CSZ/BO-978517; Gelet op [artikel 34 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34); Gezien de adviezen van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (adviezen van 8 juli 1994, 23 november 1994 en 4 oktober 1996); De Raad van State gehoord (advies van 26 augustus 1997, No. W13.97.348); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 oktober 1997, CSZ/BO-9714 270; Hebben goedgevonden en verstaan: HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALING Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Registratie instellingen en opleidingen: het register als bedoeld in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13); - b. preventieve mondzorg: primaire preventie met betrekking tot de mondzorg en secundaire en tertiaire preventie op het gebied van de parodontologie en cariologie. HOOFDSTUK II. DIËTIST § 1. Titel Artikel 2 Het recht tot het voeren van de titel van diëtist is voorbehouden aan degene aan wie een getuigschrift is uitgereikt waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van een opleiding voor voeding en diëtetiek die is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen en die voldoet aan het in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008975&hoofdstuk=II&paragraaf=2&artikel=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008975&hoofdstuk=II&paragraaf=2&artikel=4&z=2023-01-01&g="},{"i":3575,"b":"Besluit van 11 december 2006, houdende wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft ter implementatie van richtlijn nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177) en richtlijn nr. 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177) (Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 26 september 2006, nr. FM2006-02251 M; Gelet op de [artikelen 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:57, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:259, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:259), [3:280b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:280b), [4:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:22) en[5:58, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:58) en de [richtlijnen nr. 2006/48/EG](32006L0048) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177), en nr. [2006/49/EG](32006L0049) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177); De Raad van State gehoord, advies van 20 oktober 2006, nr. W06.060417/IV; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 4 december 2006, nr. FM2006-02508 U; Hebben goedgevonden en verstaan:"},{"i":3232,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 3 september 2015 nr. BOACAT2015/39, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Ede Gelezen het verzoek van de gemeente Ede van 4 augustus 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037004&artikel=2&z=2018-10-12&g=2018-10-12). Artikel 2 De personen werkzaam in de functie van senior handhaver, handhaver/toezichthouder, coördinator toezicht en handhaving en meldkamer medewerker bij de afdeling Toezicht in dienst van de gemeente Ede, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein 1, Openbare Ruimte, van [bijlage A-I van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694&bijlage=A). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ge"},{"i":3572,"b":"Besluit Hybridemismatches **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor de hybridemismatchmaatregelen die opgenomen zijn in afdeling 2.2A van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Dit besluit is een actualisering van het besluit van 1 oktober 2021, nr. 2021-20014 (Stcrt. 2021, 42915). De actualisering bestaat uit de toevoeging van een additioneel voorbeeld van een situatie waarin onder omstandigheden sprake kan zijn van zogenoemd ‘dubbel in aanmerking genomen inkomen’. In verband hiermee zijn ook redactionele wijzigingen aangebracht.** 1. Inleiding Op 1 januari 2020 is de [Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042934) in werking getreden door opname van zogenoemde ‘hybridemismatchmaatregelen’ in [afdeling 2.2A van de Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&afdeling=2.2a). Deze wetgeving beoogt belastingontwijking door gebruik te maken van hybridemismatches tussen zowel de EU-lidstaten onderling als tussen de EU-lidstaten en derde staten te bestrijden. Hybridemismatches zijn situaties waarin een belastingvoordeel wordt behaald door gebruik te maken van de verschillen tussen vennootschapsbelastingstelsels; meer in het bijzonder door gebruik te maken van verschillen in de fiscale behandeling (kwalificatie) van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen. Hybridemismatches kunnen ertoe leiden dat De hybridemismatchmaatregelen hebben als gevolg dat vergoedingen, betalingen, lasten of verliezen bij het bepalen van de winst onder omstandigheden van aftrek worden uitgesloten of tot de winst worden gerekend. De eerste ervaringen met de nieuwe wetgeving hebben geleid tot dit beleidsbesluit. In dit beleidsbesluit zijn een aantal beleidsstandpunten opgenomen met betrekking tot de toepassing van de hybridemismatchmaatregelen. De Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering is verantwoordelijk voor de eenheid van beleid"},{"i":3290,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 25 april 2025 nr. BOACAT2025/124, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Nieuwegein Gelezen het verzoek van de gemeente Nieuwegein van 17 april 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051005&artikel=2&z=2025-05-07&g=2025-05-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar (domein I) in dienst van gemeente Nieuwegein, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen i"},{"i":3104,"b":"Besluit van 4 juni 2021, houdende regels betreffende de benoemingsprocedure voor leden van de Sociaal-Economische Raad en de onverenigbaarheid van functies (Besluit benoemingsprocedure SER) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 maart 2021, nr. 2021-0000042060; Gelet op de [artikelen 4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=4), [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=6), en [7 van de Wet op de Sociaal-Economische Raad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=7); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 april 2021, no. W12.21.0068/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 juni 2021, nr. 2021-0000073775, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **organisatie:** een organisatie die overeenkomstig [artikel 4, tweede lid, van de Wet op de Sociaal-Economische Raad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=4) is aangewezen tot het benoemen van een of meer leden van de Raad; - c. **Raad:** de Sociaal-Economische Raad; - d. **wet:** [Wet op de Sociaal-Economische Raad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058). Artikel 2 Onze Minister en de betrokken organisatie of organisaties stellen de persoon, ten aanzien van wie het voornemen bestaat te worden benoemd tot lid of plaatsvervangend lid van de Raad, van dat voornemen in kennis. Artikel 3 1. Onze Minister en de betrokken organisatie of organisaties stellen de voorzitter van de Raad van een benoeming in kennis. 2. De voorzitter van de Raad vergewist zich ervan dat de benoemde persoon heeft ingestemd met de benoeming en voldoet aan de eisen die zijn gesteld bij of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058). 3. De voorzitter van de Raad doet van een benoeming door ee"},{"i":2882,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2012 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2011 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2010; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,1. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2012. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2012."},{"i":2980,"b":"Besluit aanwijzing politieholsters Gelet op [artikel 18, tweede lid, van de Bewapeningsregeling politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=18); Besluit: Artikel 1 Als holsters, bedoeld in [artikel 18, tweede lid, van de Bewapeningsregeling politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=18), voor het verdekt dragen van het pistool merk Walther, type P5, worden goedgekeurd voor gebruik door politieambtenaren die optreden in burgerkleding: - 1. De holster van het merk 5.11 Tactical, ten behoeve van het pistool van het merk Walther type P5, in combinatie met het modulair draagsysteem van het merk 5.11 Tactical; - 2. De holster van het merk Blade Tech, type belt holster (molded loop) voor het pistool merk Walther, type P5; - 3. De holster van het merk De Buffel, type Yaqui. De voornoemde holsters zijn zowel in een linkshandige als in een rechtshandige uitvoering toegestaan. Artikel 2 Andere holsters voor het verdekt dragen van het pistool merk Walther, type P5 mogen gebruikt worden tot uiterlijk één maand na dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2961,"b":"Besluit van de Chief Veterinary Inspector van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 5 augustus 2021, houdende aanwijzing van diverse lidstaten in verband met de verplichting tot reiniging en ontsmetting van in Nederland gebrachte vervoermiddelen voor evenhoevigen, pluimvee of broedeieren (Besluit aanwijzing lidstaten in verband met reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen) gelet op [artikel 2.10f, eerste, tweede en vijfde lid, van het Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217&artikel=2.10f) en [artikel 4 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=4); Besluit: Artikel 1 1. Als lidstaten op het grondgebied waarvan een uitbraak van een voor evenhoevigen besmettelijke dierziekte is bevestigd als bedoeld in [artikel 2.10f, eerste, tweede en vijfde lid, van het Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217&artikel=2.10f) worden aangewezen: - a. Roemenië; - b. Litouwen; - c. Polen; - d. Slowakije; - e. Griekenland; - f. Letland; - g. Duitsland. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, heeft alleen betrekking op vervoermiddelen als bedoeld in [artikel 2.10f, eerste en tweede lid, van het Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217&artikel=2.10f) waarmee evenhoevigen zijn vervoerd. 3. Als lidstaten op het grondgebied waarvan een uitbraak van een voor pluimvee of broedeieren besmettelijke dierziekte is bevestigd als bedoeld in [artikel 2.10f, eerste, tweede en vijfde lid, van het Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217&artikel=2.10f) worden aangewezen: - a. Duitsland; - b. Denemarken; - c. Frankrijk; - d. Polen; - e. Bulgarije; - f. Roemenië; - g. Tsjechië; - h. Estland; - i. Litouwen. 4. De aanwijzing, bedoeld in het derde lid, heeft alleen betrekking op vervoermiddelen als bedoeld in [artikel 2.10f,"},{"i":3620,"b":"Besluit van 18 mei 2009, houdende de vaststelling van kerndoelen voor het speciaal onderwijs (Besluit kerndoelen WEC) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sharon A.M. Dijksma, van 19 augustus 2008, nr. WJZ/39370 (2638), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 13, zevende lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=13); De Raad van State gehoord (advies van 12 maart 2009, nr. W05.08.0382/I); Gezien het nader rapport van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sharon A. M. Dijksma, van 13 mei 2009, nr. WJZ122559 (2638), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Vastgesteld wordt een Besluit Kerndoelen WEC, als volgt: Artikel 1. Kerndoelen speciaal onderwijs De kerndoelen, bedoeld in [artikel 13, zevende lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=13) worden voor de verschillende onderwijssoorten vastgesteld als aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025979&bijlage=1&z=2022-08-01&g=2022-08-01) en [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025979&bijlage=2&z=2022-08-01&g=2022-08-01) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kerndoelen WEC. Bijlage 1. bij Besluit kerndoelen WEC De eerste generatie kerndoelen speciaal onderwijs met uitzondering van kerndoelen voor zeer moeilijk lerende leerlingen of meervoudig gehandicapte leerlingen Preambule Deze kerndoelen zijn van toepassing voor het onderwijs aan leerlingen met een enkelvoudige beperking en/of stoornis in de basisschoolleeftijd, met uitzondering van zeer moeilijk lerenden. Het onderwijs aan deze groep leerlingen bevordert brede vorming. Het onderwijsaanbod richt zich in elk geval op de emotionele en de ver"},{"i":3537,"b":"Besluit van 22 augustus 1991, tot uitvoering van artikel 12 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 20 september 1989, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 505/689; Gelet op [artikel 12 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 15 januari 1990, nr. W03.89.0562); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 14 augustus 1991, Stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 143744/91/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De gemeente vordert dat de vinder zaken die behoren tot de kleding, uitrusting en wapening van militairen van de krijgsmacht aan haar in bewaring geeft en draagt deze zaken over aan de daartoe door Onze Minister van Defensie aangewezen militaire instellingen. Artikel 2 Als groep van niet-kostbare zaken, bedoeld in [artikel 12 onder **b** van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288&artikel=12), wordt aangewezen: zaken die een waarde van niet meer dan € 450 hebben. Artikel 3 Van de aangifteplicht van [artikel 5 lid 1 onder **a** van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288&artikel=5) worden vrijgesteld en voor de afwikkeling van vondsten worden gelijkgesteld met een gemeente: - a. de vervoerders als bedoeld in de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) - b. de N.V. Luchthaven Schiphol voor het luchtvaartterrein Schiphol. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1992. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit gevonden voorwerpen. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan een afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":4415,"b":"Bestuursreglement CIZ Het zelfstandig bestuursorgaan CIZ, vertegenwoordigd door de Voorzitter van de Raad van Bestuur, heeft – gelet op [artikel 7.1.3. van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=7.1.3) (Wlz) en [artikel 11 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11) – besloten tot wijziging van het Bestuursreglement CIZ zoals vastgesteld op 13 december 2017. Aanleiding voor de wijziging is de wijziging in voorzitterschap van de Raad van Bestuur per 1 februari 2021. Na wijziging luidt de tekst van het Bestuursreglement als volgt: Begripsbepalingen **In dit bestuursreglement wordt verstaan onder:** Artikelen 1. De Raad van Bestuur 2. Uitoefening taken en bevoegdheden 3. Ondersteuning en vervanging van de bestuurder 4. Besluiten van beheersmatige aard De Raad van Bestuur draagt er zorg voor dat het CIZ zich als een publiekrechtelijk orgaan bij zijn bedrijfsvoering zoveel mogelijk richt op datgene wat gebruikelijk is bij de rijksoverheid, onverlet de eigen verantwoordelijkheid van het CIZ. 5. Tegenstrijdige belangen 6. De Bestuurstafel 7. Bestuurlijke besluitvorming 8. Openheid en externe verantwoording door de bestuurder 9. Toezicht door de Minister De Minister houdt toezicht op het CIZ. De Raad van Bestuur verleent en bevordert binnen de organisatie de volledige medewerking aan de uitvoering van de toezichthoudende taken. 10. Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging De Voorzitter stelt een mandaatregeling vast. Hierin worden mandaat, volmacht en machtigingen en daaraan gerelateerde bevoegdheden beschreven en de reikwijdte c.q. het organisatieonderdeel van het CIZ waarop dit van toepassing is. 11. Raad van Advies 12. Audit Advies Commissie 13. Commissies 14. Klachtenregeling De Raad van Bestuur stelt, met inachtneming van [hoofdstuk 9 van de Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9), een klachtenregeling vast"},{"i":4793,"b":"Loonheffingen, wijziging beloningen; cafetariaregelingen De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 15 juli 2016, nr. BLKB2016/765M (** **Stcrt. 2016, 39196** **). Aan onderdeel 3 is een voorbeeld toegevoegd over een budgetregeling.** 1. Inleiding In de uitvoeringspraktijk van de loonheffingen bestaat behoefte aan verduidelijking van de wetstoepassing bij zogenoemde cafetariaregelingen zoals een individueel keuzebudget. Dit zijn regelingen op grond waarvan een werknemer de vorm of het genietingsmoment van zijn beloning kan kiezen. Uit het grote aantal vragen aan de Belastingdienst over de fiscale gevolgen van een dergelijke keuze blijkt grote behoefte aan rechtszekerheid te bestaan. In het belang van de rechtszekerheid, ter verduidelijking en ter bevordering van een uniforme behandeling voor de loonheffingen zet ik hieronder het beleid op dit gebied uiteen. In onderdeel 2 van dit besluit is hiertoe een algemeen toetsingskader geschetst voor aan werknemers geboden keuzes van arbeidsvoorwaarden of beloningsbestanddelen. Hierbij staat centraal de beoordeling van de realiteitswaarde van dergelijke keuzes. Onderdeel 3 bevat een aantal voorbeelden van situaties waarin een keuze al dan niet de door betrokkenen beoogde gevolgen voor de loonheffingen heeft. Verder bevat onderdeel 3 een opsomming van de elementen die een werkgever in een cafetariaregeling en in een aanvulling op de arbeidsovereenkomst kan opnemen. Dit besluit is een algemeen kader voor de toetsing van wijzigingen van beloningen en met name van cafetariaregelingen. Het kan, gelet op het aantal en de diversiteit van de denkbare situaties, geen uitsluitsel bieden voor de rechtstoepassing in elk concreet geval. Hierom is het raadzaam een voorgenomen wijziging van de beloning vooraf aan de Belastingdienst voor te leggen voor uitsluitsel over de gevolgen voor de loonheffingen. Ten opzichte van het [besluit van 15 juli 2016](https://wetten.ov"},{"i":3210,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 26 januari 2024 nr. BOACAT2024/010, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Bloemendaal Gelezen het verzoek van de gemeente Bloemendaal van 26 januari 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049328&artikel=2&z=2024-02-06&g=2024-02-06). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Boa team toezicht en handhaving in dienst van gemeente Bloemendaal, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in he"},{"i":3368,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 28 november 2025 nr. BOACAT2025/202, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Omgevingsdienst Utrecht (ODU) Gelezen het verzoek van Omgevingsdienst Utrecht (ODU) van 21 november 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051936&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving in dienst van Omgevingsdienst Utrecht (ODU) zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk"},{"i":4155,"b":"Besluit van de Minister voor Klimaat en Energie van 19 april 2023, nr. WJZ/ 26957559, tot vaststelling van de definitieve correctiebedragen Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking voor 2022 (Besluit vaststelling definitieve correctiebedragen voor 2022 bij de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking) Gelet op [artikel 6, tweede lid, van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=6); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **netlevering:** elektriciteit die op het elektriciteitsnet wordt ingevoed; - **niet-netlevering:** elektriciteit die op een installatie wordt ingevoed; - **openstellingsbesluit 2021:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883); - **openstellingsbesluit 2022:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046275); - **regeling:** [Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882). Artikel 2. (vaststelling definitief correctiebedrag) Voor een categorie productie-installaties als bedoeld in de eerste en tweede kolom van onderstaande tabel wordt het definitieve correctiebedrag, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=6), voor 2022 vastgesteld op het bedrag dat is opgenomen in de derde kolom van onderstaande tabel. | 1 | 2 | 3 | | --- | --- | --- | | Artikel [openstellingsbesluit 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883) | Omschrijving categorie | Definitief correctiebedrag 2022 in euro/kWh | | [Artikel 3, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883&artikel=3) | Zonne-energie, kleinverbruikers-aansluiting | 0,202 | | [Artikel 3, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883&artikel=3) | Zonne-energie, grootverbruikers-aansluiting |"},{"i":4145,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 6 juli 2016, nr. BZ-2016.389931 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidieverstrekking door middel van vouchers voor activiteiten van MKB-ondernemingen, kennisinstellingen en niet-gouvernementele organisaties gericht op het betreden van de markt van internationale organisaties (Vouchers internationale organisaties) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverstrekking in het kader van Vouchers internationale organisaties gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 Voor subsidieverstrekking in het kader van Vouchers internationale organisaties geldt voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2016 geldt een subsidieplafond van € 100.000. Artikel 3 De minister verdeelt de beschikbare middelen in volgorde van ontvangst van de aanvragen. Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het plafond zou worden overschreden, stelt de minister de volgorde van verstrekking vast door middel van loting. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 15 juli 2021, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. Bijlage 1. Doel en doelgroep Zaken doen met internationale organisaties, zoals de Wereldbank, VN-organisaties en EU-instellingen, is complex. Het vergt tijd en geld, met name voor partijen die nieuw zijn op deze markten. Om deze partijen hierbij te ondersteunen bi"},{"i":1927,"b":"Wijziging van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, de Algemene douaneregeling en de Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES in verband met enkele aanpassingen van de organisatie en het besturingsmodel van de Belastingdienst De Staatssecretaris van Financiën, Gelet op de [artikelen 2, derde lid, onderdeel b, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2), [3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=3), en [84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=84), [artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:3), [artikel 1.1, aanhef en onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=1.1), de [artikelen 2, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=2), en [5, tweede lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=5), [artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=2) en [artikel 1, onderdelen h en i, van het Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027859&artikel=1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Artikel II Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES. Artikel IV Vervallen Artikel V Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1928,"b":"Wijziging van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Algemene douaneregeling en Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES in verband met de instelling van het Landelijk kantoor Belastingregio’s Gelet op de [artikelen 2, derde lid, onderdeel b, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2), [3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=3), en [84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=84), [artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:3), [artikel 1.1, aanhef en onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=1.1), de [artikelen 2, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=2), en [5, tweede lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=5), [artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=2) en [artikel 1, onderdelen h en i, van het Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027859&artikel=1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Artikel II Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES. Artikel IV Vervallen Artikel V Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029663&artikel=I&z=2011-07-01&g=2011-07-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029663&artikel=II&z=2011-07-01&g=2011-07-01) terugwerken tot en met 1 januari 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1929,"b":"Wijzigingsregeling Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990, enz Gelet op de artikelen 8b, 23, 30b, 36, 45, 46 en 47a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de artikelen 11, 13, 15, 28 en 34a van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 22 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965, de artikelen 4, 18 en 19 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 33 van de Wet op de omzetbelasting 1968, de artikelen 6, 7 en 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 26 van de Invorderingswet 1990; Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 1990 Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 1990 Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 1990 Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 1990 Artikel V Wijzigt de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 1990 Artikel VI Wijzigt de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 1990 Artikel VII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 1990 Artikel VIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 1990 Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 1990 Artikel X Wijzigt de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 1990 Artikel XI Met betrekking tot gevallen waarin een S&O-vermindering heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat luidde op 31 december 1995, blijven de bepalingen van artikel 1, tweede lid, onderdelen q en r, en hoofdstuk VA van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 van kracht naar de tekst zoals die luidde op 31 december 1995. Artikel XII Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1996. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen I tot en met VII, die ter inzage worden gelegd op de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën."},{"i":3117,"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking archieven van de Consulentschappen in de provincie Noord-Brabant van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1937–1990 Inventaris 1719 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van het algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 115 | 1-1-2052 | | 323 | 1-1-2027 | | 324 | 1-1-2055 | | 325 | 1-1-2048 | | 326 | 1-1-2028 | | 327 | 1-1-2039 | | 328 | 1-1-2039 | | 329 | 1-1-2033 | | 330 | 1-1-2044 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045298&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris van provincie Noord-Brabant heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045298&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris van provincie Noord-Brabant. De rijksarchivaris van provincie Noord-Brabant kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045298&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwordi"},{"i":4132,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 december 2021, kenmerk 3296335-1021773-GMT, houdende vaststelling van beleidsregels en subsidieplafond inzake het subsidiëren van de Kickstart Medicatieoverdracht (Besluit vaststelling beleidsregel subsidiëring kickstart medicatieoverdracht) Gelet op [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Vaststellen beleidsregel De beleidsregel inzake het subsidiëren van de Kickstart Medicatieoverdracht wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Subsidieplafond 1. Voor de subsidieverlening op grond van dit besluit is een totaalbedrag van € 28.300.000 beschikbaar. 2. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag na onderlinge weging van de aanvragen, overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 3. Inwerkingtreding en vervaldatum Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 juli 2027. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit zal worden aangehaald als: Besluit vaststelling beleidsregel subsidiëring Kickstart Medicatieoverdracht 2022–2027. Bijlage. Beleidsregel inzake het subsidiëren van de kickstart medicatieoverdracht Deze bijlage hoort bij het Besluit vaststelling beleidsregel subsidiëring Kickstart Medicatieoverdracht 2022. Inhoudsopgave **Hoofdstuk 1 – Doelstellingen Kickstart Medicatieoverdracht** 1.1. Doel Kickstart Medicatieoverdracht 1.2. Achtergrond en aanleiding 1.3. Beoogd resultaat Kickstart Medicatieoverdracht **Hoofdstuk 2 – Subsidiabele activiteiten en subsidievoorwaarden** 2.1. Aanvrager van de subsidie 2.2. Beoogde activiteiten 2.3. Subsidievoorwaarden 2.4. Subsidieverplichtingen 2.5. Staatssteun **Hoofdstuk 3 – Subsidieplafond en wegingscriteria** 3.1. Subsidieplafond en wijze van verdeling 3.2."},{"i":3705,"b":"Besluit mandaat Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor de uitvoering van de Wet veiligheidsregio’s en van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen van 11 februari 2020, nr. 2804339 Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), Gezien de instemming van de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van 17 januari 2020 met kenmerk MD202004INSTHH. Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **Rijksdienst voor Ondernemend Nederland:** Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. - −. **algemeen directeur:** de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Artikel 2 Aan de algemeen directeur wordt mandaat en volmacht verleend tot: - a. het nemen van besluiten en het sluiten van overeenkomsten in het kader van de uitvoering van [artikel 55, tweede tot en met vierde lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=55) en de [artikelen 4 tot en met 11 van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4) met inbegrip van de ministeriële regelingen, bedoeld in voornoemde artikelen van de [Wet tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637), alsmede de beleidsregels die betrekking hebben op het verstrekken van een tegemoetkoming in de schade en kosten bij een ramp als bedoeld in [artikel 1 van de Wet Veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=1); - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in"},{"i":1930,"b":"Wijzigingsregeling Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, enz Gelet op de artikelen 1, [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.5), [3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.20), [3.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.34), [3.36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.36), [3.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42), [3.42a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42a), [3.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52), [3.143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.143), [3.145](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.145), [3.156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.156), [3.157](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.157), [5.18a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.18a), [6.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.15), [6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.17), [6.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.23), [6.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.26), [8.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.14), [8.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.21) en [10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.10), de [artikelen 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=8a), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=13), [15b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=15b), [15c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=15c), [16b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=16b), [16c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=16c), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":4229,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 oktober 2023, nr. MBO/41901226, houdende de vaststelling van de subsidieplafonds van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027 voor het kalenderjaar 2024 Gelet op [artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&artikel=5); Besluit: artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&artikel=5) voor het kalenderjaar 2024 wordt: - a. voor de aanvraagperiode van 1 januari 2024 tot en met 31 januari 2024 vastgesteld op € 20 miljoen, en - b. voor de aanvraagperiode van 1 juni 2024 tot en met 30 juni 2024 vastgesteld op € 10 miljoen. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4858,"b":"Besluit van het hoofd van de Passagiersinformatie-eenheid Nederland van 20 augustus 2024, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het plaatsvervangend hoofd van de Passagiersinformatie-eenheid Nederland inzake de behandeling van de rechten van betrokkene (Mandaatbesluit hoofd PI-NL 2024) Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Mandaatbesluit PI-NL 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050159&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, van het Mandaatbesluit PI-NL 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050159&artikel=1) aan hoofd van de Passagiersinformatie-eenheid Nederland verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de rechten van betrokkenen, bedoeld in [artikel 17 van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=17) juncto de [artikelen 24a tot en met 28 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=25) ondermandaat verleend aan het plaatsvervangend hoofd van de Passagiersinformatie-eenheid Nederland. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit hoofd PI-NL 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2524,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 juli 2023, nr. 2023-0000394473, tot vaststelling van het toetsingskader voor verzoeken in het kader van artikel 10a van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10a Wet Avv 2023) Gelet op [artikel 10a van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987&artikel=10a); Besluit: Artikel 1. Uitgangspunten verzoeken [artikel 10a Wet Avv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987&artikel=10a) 1. Bij verzoeken op grond van [artikel 10a, eerste tot en met vierde lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987&artikel=10a) worden de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048393&bijlage=I&z=2023-07-15&g=2023-07-15) bij deze beleidsregel opgenomen uitgangspunten door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gehanteerd. 2. Bij verzoeken op grond van [artikel 10a, vijfde lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987&artikel=10a) worden de in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048393&bijlage=II&z=2023-07-15&g=2023-07-15) bij deze beleidsregel opgenomen uitgangspunten door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gehanteerd. Artikel 2. Intrekking [Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10a Wet Avv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043173) De [Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10a Wet Avv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043173) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 juli 2023"},{"i":5528,"b":"Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 12 december 2023, nr. WJZ/ 41337641, houdende regels inzake de vergunningverlening kavel Beta in windenergiegebied IJmuiden Ver (Regeling vergunningverlening kavel Beta in windenergiegebied IJmuiden Ver) Gelet op de [artikelen 10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=10), [12a, tweede, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=12a), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14), [14a, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14a), [15a, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=15a), [24, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=24), en [25b, derde en vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=25b); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** degene die de aanvraag heeft ingediend; - **kavel:** kavel Beta in het windenergiegebied IJmuiden Ver zoals aangewezen in [Kavelbesluit kavel Beta in windenergiegebied IJmuiden Ver](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049198) (Stcrt. 2023, 35270); - **minister:** Minister voor Klimaat en Energie; - **P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie:** de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, die dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%; - **verbonden rechtspersoon:** alle rechtspersonen en vennootschappen die behoren tot de groep of groepsmaatschappij waartoe de aanvrager behoort en joint ventures waarin de aanvrager deelneemt; - **wet:** [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 1. Een aanvraag voor een vergunning voor de kavel wordt ingediend in de periode van 29 febru"},{"i":2779,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2006 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31, onderdeel i, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i, van die regeling, stelt op 16 mei 2006, doch niet later dan 15 juni 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,516 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2006 en eindigende met 15 juni 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&a"},{"i":4395,"b":"Besluit wijziging subsidieplafonds categorieën I en III ex Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2025–2028 (verdeling flexibele budget en volledige honorering van enkele dossiers) Op basis van [artikel 1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048742&artikel=1.4), [artikel 2.4 zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048742&artikel=2.4) en [artikel 2.5 en van de Deelregeling Meerjarige Productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048742&artikel=2.5); Besluit: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2024/23749. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. subsidieplafonds Voor de periode 2025–2028 zijn per kalenderjaar de volgende bedragen beschikbaar voor het verstrekken van subsidies: Categorie I: € 8.900.000 Categorie II: € 18.750.000 Categorie III: € 10.459.912 Artikel 2. inwerktreding Dit besluit wordt bekendgemaakt via de website van het Fonds Podiumkunsten en de Staatscourant en treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Aldus vastgesteld in de vergadering van het bestuur van het Fonds Podiumkunsten,"},{"i":7081,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van de Staat Israël, De wens koesterende een Overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Nalatenschappen waarop de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op nalatenschappen van overledenen wier woonplaats bij hun overlijden in een van de Staten of in beide Staten was. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten. 2. Als belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht worden beschouwd alle belastingen die ter zake van overlijden worden geheven in de vorm van belasting over de nalatenschap in zijn geheel, van belasting over verkrijgingen krachtens erfrecht, van rechten van overgang, of van belastingen over schenkingen „mortis causa”. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a). voor Nederland: - -. het recht van successie, - -. het recht van overgang bij overlijden; - b). voor Israël: - -. de belasting van nalatenschappen en - -. het recht van overgang bij overlijden. 4. Deze Overeenkomst is ook van toepassing op alle belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht die in de toekomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden"},{"i":3196,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 7 maart 2025 nr. BOACAT2025/110, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Amstelveen Gelezen het verzoek van gemeente Amstelveen van 19 februari 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050847&artikel=2&z=2025-07-29&g=2025-07-29). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving II en medewerker handhaving III in dienst van gemeente Amstelveen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen"},{"i":4252,"b":"Besluit van 10 december 2025, houdende wijziging van het Besluit houders van dieren vanwege een verbod op het gebruik van elektrische veedrijfmiddelen bij dieren in de veehouderij (Besluit verbod gebruik elektrische veedrijfmiddelen bij dieren in de veehouderij) [KetenID WGK025475] Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 28 mei 2025, nr. WJZ / 97536380; Gelet op [artikel 2.1, derde en vijfde lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 juli 2025 nr. W11.25.00131/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 8 december 2025, nr. WJZ / 101094965; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit houders van dieren. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2025, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verbod gebruik elektrische veedrijfmiddelen bij dieren in de veehouderij. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4031,"b":"Besluit van 16 augustus 2003, houdende vaststelling van tarieven voor vergoedingen als bedoeld in de artikelen 3, 4, 6, 7, 17 en 18 van de Wet tarieven in strafzaken (Besluit tarieven in strafzaken 2003) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 21 mei 2003, kenmerk 5226041/03/6; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=7), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=17) en [18 van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=18); De Raad van State gehoord (advies van 10 juli 2003, nr. W03.03.0191/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 12 augustus 2003, directie Wetgeving, nr. 5236339/03/6; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Definitiebepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. dubbelrapportage: een psychiatrische en psychologische rapportage tezamen; - b. milieurapportage: rapportage over de leefomgeving van de onderzochte persoon; - c. monorapportage: een psychiatrische of psychologische rapportage; - d. tripelrapportage: een dubbelrapportage aangevuld met een milieurapportage; - e. de wet: de [Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406); - f. ziekenhuisvoorziening: instelling als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=1) die als zodanig is toegelaten dan wel een academisch ziekenhuis als bedoeld in [artikel 1.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.4). 2. In dit besluit en de daarop rustende bepalingen is voor hetgeen wordt verstaan onder psychiatrisch ziekenhuis en ps"},{"i":4110,"b":"Besluit van de directeur-bestuurder van het Nederlands Fonds voor de Film tot vaststelling van subsidieplafonds voor subsidiëring Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904), en gelet op [artikel 7 van het Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050596&artikel=7), [artikel 3 van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047791&artikel=3), [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050627&artikel=3) en [4 van het Deelreglement Ontwikkeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050627&artikel=4), [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049271&artikel=13), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049271&artikel=20), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049271&artikel=21) en [24 van het Deelreglement Realisering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049271&artikel=24), [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050632&artikel=13) en [16 van het Deelreglement Distributie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050632&artikel=16) en de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050634&artikel=12) en [22 van het Deelreglement Filmactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050634&artikel=22); Besluit: Artikel I Het subsidieplafond van het [Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland voor filmproducties voor het kalenderjaar 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050650) is € 19.300.000,– (zegge: negentienmiljoen driehonderdduizend euro) verdeeld over vier aanvraagrondes. (€ 4.800.000,– (zegge: vier miljoen achthonderdduizend euro) per aanvraagronde). Per aanvraagronde worden als eerste alle internationale coproducties gehonoreerd tot maximaal 70% van het budget. Artikel II Het subsidieplafond van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland voor high end series voor het kalenderjaar 2025 is € 9.000.000,– (zegg"},{"i":3866,"b":"Besluit ondertekening convenant handhaving milieuwet- en regelgeving Gelet op de brief d.d. 29 augustus 1997 (Kamerstukken II, 22 343, nr. 29) van de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat en van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, inzake de structuur en cultuur van de handhaving van milieuwet- en regelgeving; Overwegende, dat in bovengenoemde brief d.d. 29 augustus 1997 de voornemens zijn opgenomen inzake de versterking van de samenwerking tussen de handhavingspartners; Overwegende, dat ter verwezenlijking van de voornemens, in 1999, in elke provincie één of meer convenanten zullen worden gesloten door de instanties die belast zijn met de handhaving van de milieuwet- en regelgeving in die provincie; Overwegende, dat de Inspectie van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu, namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, partij zal zijn bij de convenanten; Besluit: Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Artikel 2 De regionaal inspecteur en de plaatsvervangend regionaal inspecteur worden gemachtigd om namens de Minister convenanten te ondertekenen, voor de provincies welke binnen hun werkgebied vallen. Artikel 3 1. De minister, gehoord de hoofdinspecteur, kan aanwijzingen geven over de uitoefening van de door hem verleende machtiging, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010232&artikel=2&z=1999-02-14&g=1999-02-14). 2. De regionaal inspecteur of de plaatsvervangend regionaal inspecteur verschaft de minister en de hoofdinspecteur, uit eigen beweging of op hun verzoek inlichtingen over de uitoefening van de verleende bevoegdheid. Artikel 4 Indien toepassing wordt gegeven aan [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010232&artikel=2&z=1999-02-14&g=1999-02-14), luidt de ondertekening: de Minister van Volkshuisvesting,"},{"i":4239,"b":"Besluit houdende vaststelling van twee vergunningen voor digitale omroep zoals deze na de procedure van veiling zullen worden verleend Gelet op [artikel 3, derde lid, onderdeel c, van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=3); Besluit: Ingevolge het besluit van de Minister van 5 november 2008 (Stcrt. 2008, 227) worden twee vergunningen voor digitale omroep verdeeld. Beide vergunningen alsmede de voorschriften en beperkingen die hieraan zullen worden verbonden zijn in de [bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024724&bijlage=A&z=2009-01-01&g=2009-01-01) en [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024724&bijlage=B&z=2009-01-01&g=2009-01-01) vastgesteld. Die onderdelen van de vergunning die pas na de procedure van veiling kunnen worden vastgesteld, zijn niet opgenomen in de [bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024724&bijlage=A&z=2009-01-01&g=2009-01-01) en [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024724&bijlage=B&z=2009-01-01&g=2009-01-01). Hierbij valt te denken aan de naam van de toekomstige vergunninghouder. De inhoud van de CD-rom, bedoeld in bijlage III van beide vergunningen, kan tot en met 31 mei 2009 worden geraadpleegd op de website van Agentschap Telecom, www.agentschap-telecom.nl. Bijlage A Modelvergunning A De Staatssecretaris van Economische Zaken Gelezen de aanvraag van [naam] te [plaats] van [datum], kenmerk [kenmerk]; Gelet op de [artikelen 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3) en [3.5 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.5) en op [artikel 16 van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=16); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Economische Zaken; - b. **ITU:** Internationale Telecommunicatie Unie; - c. **MIFR:** Master International Frequency Register, zijnde het register waarin radios"},{"i":4641,"b":"Besluit van 8 april 2022, houdende regels met betrekking tot de registratie van uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies ter implementatie van artikel 31 van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn (Implementatiebesluit registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 21 december 2021, 2021-0000257758, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; Gelet op de [artikelen 5, tweede lid, derde lid, onderdeel f en vierde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=6), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=7), [8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=8), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=9), [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=10) en [18, tweede lid van de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 februari 2022, nr. W06.21.0386/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 6 april 2022, 2022-0000054066, directie Financiële Markten, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definities In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder wet verstaan: [Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156). Artikel 2. Doelen trust Uit het register volgt voor welk van de volge"},{"i":3974,"b":"Besluit van 8 oktober 1969, tot uitvoering van de artikelen 13 en 14 van de Kernenergiewet Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 5 april 1967, no. 667/321 W.J.A., de Centrale Raad voor de Kernenergie gehoord; Gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=14), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=26), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=73) en [76 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=76) (**Stb.** 1963, 82); De Raad van State gehoord (advies van 26 april 1967, no. 51); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 3 oktober 1969, no. 669/658 W.J.A.; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan onder: - **wet:** [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402); - **register:** register als bedoeld in [artikel 13, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=13); - **Onze Minister:** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - **gehalte:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=1); - **verrijkingsgraad:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=1). 2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder: - a. **ertsen:** andere stoffen dan splijtstoffen en ertsen waaruit splijtstoffen kunnen worden verkregen en die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten; - b. **voorhanden hebben:** vervaardigen, bewerken, hanteren en opslaan. § 2. Het register Arti"},{"i":3319,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 19 april 2023 nr. BOACAT2023/018, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Sittard-Geleen Gelezen het verzoek van de gemeente Sittard-Geleen van 24 maart 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048102&artikel=2&z=2023-06-19&g=2023-06-19). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Sittard-Geleen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage"},{"i":3891,"b":"Besluit van 23 augustus 2016, houdende eisen opleiding ter voorbereiding op het beroep van gerechtsdeurwaarder, alsmede regeling van het maximum aantal kandidaat-gerechtsdeurwaarders dat ten behoeve van zijn stage onder verantwoordelijkheid van één gerechtsdeurwaarder werkzaam kan zijn (Besluit opleiding en stage gerechtsdeurwaardersambt) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **de wet:** de [Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197); - –. **stagiair:** degene voor wie een stageverplichting in de zin van [artikel 26 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=26) geldt. Artikel 2 1. Onze Minister erkent een opleiding als bedoeld in [artikel 25, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=25) slechts indien voor deze opleiding een accreditatie, als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel q, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), of een toets nieuwe opleiding, als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, is verleend. 2. De opleiding voorziet in ieder geval in gedegen overdracht van kennis en vaardigheden ten aanzien van: - a. het bepaalde bij en krachtens de [Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197); - b. het burgerlijk recht en in het bijzonder het recht betreffende rechtspersonen, goederenrecht en verbintenissenrecht; - c. het burgerlijk procesrecht; - d. het executie- en beslagrecht; - e. de beroepsethiek; - f. het Nederlandse staats- en bestuursrecht, en - g. de Nederlandse taal. 3. De opleiding verzorgt in voldoende mate, maar ten minste voor een duur die overeenstemt met [artikel 25, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=25), een praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening. Artikel 3 1. Bij een verzoek tot erkenning wordt door de aanvrager een afschrift overgelegd van de voor de opleiding"},{"i":4377,"b":"Besluit van 10 juli 2019, houdende regels met betrekking tot de waardering van vorderingen uit hoofde van een verzekering in geval van een faillietverklaring van een verzekeraar (Besluit waardering verzekeringsvorderingen in faillissement) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 16 mei 2019, 2019-0000070363, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming; Gelet op [artikel 213l, vierde lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=213l); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juni 2019, nr. W06.19.0120/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 5 juli 2019, 2019-0000086038, directie Financiële Markten, uitgebracht mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Reikwijdte Dit besluit is van toepassing op de waardering van vorderingen uit hoofde van een verzekering in faillissement. Artikel 2. Definities 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **verordening solvabiliteit II:** gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van [Richtlijn 2009/138/EG](32009L0138) van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU 2015, L 12); - b. **relevante risicovrije rentetermijnstructuur:** de risicovrije rentetermijnstructuur van spot rentes, berekend overeenkomstig de artikelen 43 tot en met 46 van de verordening solvabiliteit II, zonder matchingsopslag, zonder volatiliteitsaanpassing en zonder gebruikmaking van de ultimate forward rate, met dien verstande dat voor de rentelooptijden waarvoor geen risicovrije spotmarktrente tot stand komt, de relevante risicovrije rentetermijnstructuur berekend wordt met de eenjaars forward rate onder de vooronderstelling dat de eenjaars forward rate voor deze rentelooptijden gelijk is"},{"i":4304,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit van 23 november 2021, 300008/01.251.949, tot het verlenen van een vergunning, als bedoeld in artikel 27a, eerste lid, van de Wet op de kansspelen, aan Lotto B.V., ingeschreven in het handelsregister van Nederland onder KvK-nummer 41151075 De raad van bestuur van de Kansspelautoriteit heeft besloten aan Lotto B.V. een vergunning te verlenen tot het organiseren van een lotto als bedoeld in [artikel 27a, tweede lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27a), in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke voorschriften voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2026. Aan deze vergunning zijn op grond van [artikel 27c, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27c) de volgende vergunningvoorschriften verbonden:"},{"i":4668,"b":"Besluit van 20 juli 1953, tot vaststelling van regelen ter uitvoering van de Inkwartieringswet Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog en van Marine van 30 Juni 1953, No. 3963; Gelet op de [Inkwartieringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002111); De Raad van State gehoord (advies van 7 Juli 1953, La. No. 17); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 17 Juli 1953, Nr. 380.394 BIJ/Nr. Minmar 329781/249071; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Inkwartieringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002111); - b. Onze Minister: Onze Minister van Defensie. Artikel 2 In dit besluit wordt mede verstaan onder: - a. vordering in eigendom: de in eigendomneming krachtens [artikel 28 der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002111&artikel=28), alsmede de beschikbaarstelling in eigendom vanwege de gemeente krachtens [artikel 6 der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002111&artikel=6); - b. vordering in gebruik: de ingebruikneming krachtens [artikel 28 der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002111&artikel=28), alsmede de beschikbaarstelling in gebruik vanwege de gemeente krachtens [artikel 6 der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002111&artikel=6). Artikel 3 1. Geen verstrekkingen worden gevorderd indien daardoor de uitoefening van een beroep of bedrijf in ernstige mate wordt belet of belemmerd. 2. Het in het voorgaande lid gestelde lijdt uitzondering in geval van buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, indien en voor zover de commandant, die vordert, van oordeel is dat het belang waarvoor de vordering geschiedt voorrang dient te hebben op de voorziening in de essentiële behoeften van de volkshuishouding, tenzij het betreft zaken en diensten van vitaal belang voor de functionnering van bedrijven, welke zijn opgenomen op een door Onze Minister in ov"},{"i":3504,"b":"Besluit van 8 juni 2015, houdende regels over het financieel beheer van de politie (Besluit financieel beheer politie) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 19 februari 2015, nr. 616920, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën; Gelet op [artikel 30, tweede lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=30); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 april 205, nr. W03.15.0037/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 juni 2015, nr. 635432, uitgebracht mede in overeenstemming met Onze Minister van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **algemene bijdrage:** bijdrage voor het geheel van werkzaamheden dat wettelijk tot de taak van de politie behoort, niet zijnde een bijzondere bijdrage; - b. **bijzondere bijdrage:** bijdrage voor een specifiek omschreven doel; - c. **begrotingsjaar:** het kalenderjaar waarvoor de begroting dient; - d. **verslagjaar:** het kalenderjaar waarover verslag wordt uitgebracht; - e. **begroting:** de begroting, bedoeld in [artikel 34 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=34); - f. **meerjarenraming:** de meerjarenraming, bedoeld in [artikel 34 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=34); - g. **managementrapportage:** rapportage van de korpschef aan Onze Minister waarin wordt ingegaan op de financiële stand van zaken van de politie; - h. **jaarrekening:** de jaarrekening, bedoeld in [artikel 35 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=35); - i. **jaaraanschrijving:** de jaaraanschrijving, bedoeld in [artikel 45 van het Besluit beheer politie](onbekend). Artikel 2 1. De begroting en de meerjarenraming geven duidelijk en stelselmatig inzicht in de geraamde baten en lasten, de geraamde invester"},{"i":3560,"b":"Besluit van 3 december 2004, houdende bepalingen met betrekking tot de spoorweginfrastructuur (Besluit spoorweginfrastructuur) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 december 2003, nr. HDJZ/S&W/2003-1876, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=6), [8 tot en met 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=8), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=23), en [87 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=87); De Raad van State gehoord (advies van 2 maart 2004, nr. W09.03.0543/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 november 2004, nr. HDJZ/S&W/2004-2894, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - gebruik van een hoofdspoorweg: met een spoorvoertuig rijden over of stilstaan op een hoofdspoorweg; - wet: [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007). § 2. Eigenschappen en keuring van de hoofdspoorweginfrastructuur Artikel 2 1. Bij ministeriële regeling worden eisen gesteld waaraan hoofdspoorweginfrastructuur moet voldoen. 2. Deze eisen hebben onder meer betrekking op aspecten als bedoeld in [artikel 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=6). Artikel 3 1. Onze Minister kan ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017626&paragraaf=2&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01). 2. De beheerder legt bij zijn aanvraag voor een ontheffing de bescheiden over en verstrekt de inlichtingen die Onze Minister noodzakelijk acht. 3. Onze Minister vermeldt in de beschikking tot ontheffingverlening in ieder geval: - a. de eisen waarvan ontheffing is verleend; - b. de beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing zijn verb"},{"i":4598,"b":"Fiscale beleidsregels november 2004 De Staatssecretaris van Financiën geeft kennis van het volgende. In de maand november 2004 zijn de volgende beleidsregels op de website www.minfin.nl geplaatst. In verband met het bepaalde in [artikel 2:14, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14) liggen deze beleidsregels, vanaf datum publicatie op de website, tevens ter inzage bij de afdeling Bibliotheek en documentatie van het Ministerie van Financiën, Korte Voorhout 7 te Den Haag. Vraag en antwoordbesluit internationaal belastingrecht Besluit van 16/11/2004, nr. IFZ2004-828M Vaststelling modellen Besluit van 05/11/2004, nr. CPP2004-2142M Ruilverkaveling en overdrachtsbelasting Besluit van 17/11/2004, nr. CPP2004-1679M Sociaal-ethische fondsen Besluit van 17/11/2004, nr. CPP2004-2534M Toerekening inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner Besluit van 11/11/2004, nr. CPP2004-1545M Obligatielening met 'loss absorption' clausule als onderdeel van securitisatiestructuur Besluit van 03/11/2004, nr. CPP2004-1954M Goed koopmansgebruik Besluit van 16/11/2004, nr. CPP2004-814M [Besluit tijdelijk beheer DigiD](onbekend) Besluit van 28/10/2004, nr. DGB2004-5283M Loonbelasting/premie volksverzekeringen. Publicatie fiscale beoordelingen CAO-teksten Besluit van 29/10/2004, nr. CPP2004-2377M Bij dit moederbesluit horen 12 branchespecifieke CAO-besluiten Loonbelasting. Inkoop van pensioen in een eindloonregeling Besluit van 03/11/2004, nr. CPP2004-1657M Loonbelasting, WVA. Afdrachtvermindering zeevaart; begrip kortstondige onderbreking bij zwangerschap Besluit van 03/11/2004, nr. CPP2004-878M Belastingverdrag Zweden-Nederland Besluit van 26/10/2004, nr. DGB2004-4601M Inwerkingtreding Verdrag met Nieuw-Zeeland Besluit van 27/10/2004, nr. IFZ2004-726M Voorkoming van dubbele belasting en uitvoering arrest Europese Hof van Justitie Besluit van 25/10/2004, nr. IFZ2004-728M Wederzijdse bijstand tussen Estland en"},{"i":3650,"b":"Besluit van 30 april 2021, houdende wijziging van het Besluit beheer verpakkingen 2014 in verband met het opnemen van een doelstelling voor gescheiden inzameling van metalen drankverpakkingen en het invoeren van statiegeld op metalen drankverpakkingen (Besluit maatregelen metalen drankverpakkingen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 21 december 2020, nr. IENW/BSK-2020/226801, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 9.5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2), en [15.32, eerste lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.32); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 februari 2021, nr. W17.20.0505/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 23 april 2021, nr. IenW/BSK-2021/54585, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit beheer verpakkingen 2014. Artikel II 1. [Artikel I, onderdelen A, E, F en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045135&artikel=I&z=2022-12-31&g=2022-12-31) treden in werking met ingang van 31 december 2022. 2. [Artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045135&artikel=I&z=2022-12-31&g=2022-12-31), treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. 3. [Artikel I, onderdelen C en D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045135&artikel=I&z=2022-12-31&g=2022-12-31), treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit maatregelen metalen drankverpakkingen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4228,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 2 november 2017, nr. MBO-1255120 inzake de vaststelling van de subsidieplafonds van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo voor het kalenderjaar 2018 Gelet op [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2), [artikel 3.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=3.3), en [artikel 4.3, tweede lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=4.3); Besluit: artikel Enig 1. Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2), voor het kalenderjaar 2018 wordt: - a. voor het onderdeel van het investeringsbudget, bedoeld in [artikel 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2), van de regeling, vastgesteld op € 172,5 miljoen, en - b. voor het onderdeel van het investeringsbudget, bedoeld in[artikel 2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2), van de regeling vastgesteld op € 24 miljoen. 2. Het subsidieplafond voor het resultaatafhankelijk budget studiewaarde, bedoeld in [artikel 3.3, eerste lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=3.3) voor het kalenderjaar 2018 wordt vastgesteld op € 107 miljoen. 3. Het subsidieplafond voor het resultaatafhankelijk budget bpv, bedoeld in [artikel 4.3, tweede lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=4.3) voor het kalenderjaar 2018 wordt vastgesteld op € 60 miljoen. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3998,"b":"Besluit van 8 april 2003, houdende aanwijzing van zaken en diensten waarvoor de vergoeding moet worden aangemerkt als servicekosten (Besluit servicekosten) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 november 2002, nr.MJZ2002093297, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op [artikel 237 lid 3 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=237); De Raad van State gehoord (advies van 17 januari 2003, nr. W08.02.0517/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 april 2003, nr. MJZ2003025731, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De vergoeding voor de in de bij dit besluit behorende bijlage genoemde zaken en diensten wordt in ieder geval aangemerkt als servicekosten als bedoeld in [artikel 237 lid 3 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=237). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit servicekosten. Bijlage. behorende bij [artikel 1 van het Besluit servicekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014932&artikel=1&z=2014-07-01&g=2014-07-01) 1. Warmtevoorzieningen a. de levering van elektriciteit, gas, olie en verwarmd water, dan wel een andere vorm van energie voor het verwarmen van het woonruimtegedeelte van het gehuurde en de gemeenschappelijke gedeelten; b. het gebruik en het aflezen van warmtemeters en verbruiksmeters. 2. Nutsvoorzieningen a. de levering van elektriciteit, gas en water voor het verbruik in het woonruimtegedeelte van het gehuurde en in de gemeenschappelijke gedeelten en voor het gebruik van de gemeenschappelijke voorzieningen; Het verrichten van kleine herstellingen die krachtens [artikel 217 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overhe"},{"i":4291,"b":"Besluit van 26 maart 1982, houdende verhoging van de taxa wegens verlening van adeldom Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 3 december 1981, nr. B81/U3140, Directoraat-Generaal Binnenlands Bestuur, Directie Binnenlands Bestuur, Afdeling Bestuurlijk-Juridische Zaken; Gezien het advies van de Hoge Raad van Adel van 21 januari 1981, nr. 80/136-26; Gelet op [artikel 74 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=74); De Raad van State gehoord (advies van 26 januari 1982; nr. 820120/10); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 18 maart 1982, nr. B82/236, Directoraat-Generaal Binnenlands Bestuur, Directie Binnenlands Bestuur, Afdeling Bestuurlijk-Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Bij het verlenen van adeldom is wegens taxa verschuldigd voor: verheffing € 1 633,61 inlijving € 680,67 erkenning € 363,02 2. Bij het nadien verlenen van een (hogere) titel is verschuldigd voor de verlening van de titel van: ridder € 544,54 baron € 680,67 burggraaf € 816,80 graaf € 952,94 markies € 1 157,14 hertog € 1 361,34 prins € 1 905,88 3. Voor verandering of vermeerdering van geslachtswapen is verschuldigd: € 136,13 Artikel 2 Met ingang van 1 januari 1983 is anderhalf maal, met ingang van 1 januari 1984 tweemaal en met ingang van 1 januari 1985 twee en een halfmaal van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003489&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01) genoemde bedragen verschuldigd. Artikel 3 De verschuldigde taxa worden berekend volgens het tarief geldend op het ogenblik van indiening van het verzoek dat tot de gunstverlening heeft geleid. Artikel 4 Alle kosten van vervaardiging der diploma's zijn ten laste van degenen, voor wie het diploma bestemd is. Artikel 5 Bij verlening van een titel die in rangorde niet direct volgt op het reeds door de verzoeker gevoerde predikaat of de door hem gevoerde titel, worden ook de bedragen voor de overgesprongen titel(s) in rekening ge"},{"i":3114,"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking van de archieven van de Consulentschappen in de provincie Utrecht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1897–1987 Inventaris RPU Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 167 | 1-1-2042 | | 296 | 1-1-2033 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045290&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Utrecht heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045290&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Utrecht. De rijksarchivaris in de provincie Utrecht kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045290&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris provincie Utrecht. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit b"},{"i":3344,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 juni 2021 nr. BOACAT2021/029, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Zaanstad Gelezen het verzoek van de gemeente Zaanstad van 7 april 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [Artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045343&artikel=2&z=2021-09-30&g=2021-09-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Handhaving I,II,III,IV; Beleidsuitvoering 0 en III; Administratief en secretarieel II in dienst van de gemeente Zaanstad, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, O"},{"i":2834,"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1982 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen per 30 september 1981 ten minste één procent afwijkt van het indexcijfer der lonen per 30 september 1980; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1982 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1982."},{"i":2799,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2010 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2010, doch niet later dan 15 november 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,320 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2010 en eindigende met 15 november 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.n"},{"i":2907,"b":"Besluit van 4 mei 2016, houdende regels tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en enige andere uitvoeringsbesluiten in verband met het van toepassing worden van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269) (Besluit aanpassingen aan het Douanewetboek van de Unie) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 8 april 2016, AFP/2016/330M; Gelet op [artikel 30 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=30), de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=3.1), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=3.2), [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3) en [10.2 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.2), de [artikelen 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=78) en [111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=111), de [artikelen 1:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:4), [1:19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:19) en [12:1 van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=12:1), [artikel 85 van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=85), de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=9), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=12) en [39 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=39), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=4) en [38 van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=4), [artikel 12b van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":3119,"b":"Besluit beperking openbaarheid Hoofdbedrijfschap Agragrische Groothandel (HBAG) en taakvoorgangers, [2011] 2003–2014 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 9 november 2015, met kenmerk 15876. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van **Hoofdbedrijfschap Agragrische Groothandel (HBAG) en taakvoorgangers, [2011] 2003–2014** Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | | | | Nummer 130 | 2085 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040369&artikel=1&z=2016-02-11&g=2016-02-11), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040369&artikel=1&z=2016-02-11&g=2016-02-11), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van ‘Verklaring van Overbrenging van Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel (HBAG en taakvoorgangers)’"},{"i":3005,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit tot aanwijzing van toezichthouders van de Kansspelautoriteit 2026 (kenmerk 01.366.617) Gelet op [artikel 34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34) en [artikel 24, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=24); Besluit: Artikel 1 Alle personen werkzaam bij de Kansspelautoriteit, met uitzondering van de directeur van de directie Spelersbescherming & Bestuursadvisering, de teammanager van het team Juridische Zaken en de medewerkers van het team Juridische Zaken, worden aangewezen als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens: - a. de [Wet op de kansspelen, met uitzondering van titel VA, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&paragraaf=2); - b. de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282). Artikel 2 Het [Besluit aanwijzing toezichthouders Kansspelautoriteit 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046485) (Staatscourant 2012, nr. 8415) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Kansspelautoriteit 2026. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3407,"b":"Besluit van 3 oktober 2007 tot vaststelling van de consumentenprijsindex voor de herziening van de kinderbijslagbedragen (Besluit consumentenprijsindex voor kinderbijslagbedragen) Op de voordracht van Onze Minister voor Jeugd en Gezin van 23 augustus 2007, nr. DBO 2794410; Gelet op [artikel 13, zesde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13); De Raad van State gehoord (advies van 3 september 2007, nr. W13.07.0315/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Jeugd en Gezin van 27 september 2007, nr. DBO 2800882; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onder de consumentenprijsindex, bedoeld in [artikel 13, derde en vierde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13) wordt verstaan de consumentenprijsindex alle huishoudens afgeleid, zoals die voor elke kalendermaand wordt berekend en door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gepubliceerd. Artikel 2 Het [Besluit begripsomschrijving prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006843) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2007. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit consumentenprijsindex voor kinderbijslagbedragen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1964,"b":"Wet van 18 december 1997, houdende wijzigingen van technische aard van enige belastingwetten c.a Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is technische reparaties in enkele belasting- en daarmee samenhangende wetten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de vermogensbelasting 1964. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. ARTIKEL V Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. ARTIKEL VI Wijzigt de Invorderingswet 1990. ARTIKEL VII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. ARTIKEL VIII Wijzigt de Wet op de accijns. ARTIKEL IX Wijzigt de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. ARTIKEL X Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. ARTIKEL XI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. ARTIKEL XII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. ARTIKEL XIII Wijzigt de Wet van 13 december 1995 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de invoering van een regulerende energiebelasting. ARTIKEL XIV Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. ARTIKEL XV Wijzigt de Mededingingswet. ARTIKEL XVI Wijzigt de Coördinatiewet Sociale Verzekering. ARTIKEL XVII Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. ARTIKEL XVIII Wijzigt de Wet sociale werkvoorziening. ARTIKEL XIX Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. ARTIKEL XX Wijzigt de Successiewet 1956. ARTIKEL XXI Wijzigt de Wet inschakeling werkzoekenden. ARTIKEL XXII Wijzigt de Aanpassingswet derde tranche Awb . ARTIKEL XXIII Wijzigt de Aanpassingswet derde tranche Awb II. ARTIKEL XXIV Ingeval de samenloop van voorstel"},{"i":3463,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 15 september 2024 nr. 2024-0000024769, tot het vaststellen en uitvoeren van het erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor de bouw en tot het verlenen van mandaat en machtiging aan de toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw (Besluit erkend stelsel en uitvoering, mandaat en machtiging) Gelet op [artikel 4.3, eerste lid, onder a van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), de [artikelen 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=1.2) en [2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=2.15) en [bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I), en [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van het bestuur van de toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw overeenkomstig [artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) d.d. 1 mei 2024; BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - b. **wet:** [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885); - c. **besluit:** [Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297); - d. **erkend stelsel:** een door de minister erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor de bouw, als bedoeld in [artikel 2.15 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=2.15); - e. **beoordelingsrichtlijn:** een grondslag voor certificatie; - f. **kwaliteitsverklaring bouw:** kwaliteitsverklaring bouw als bedoeld in [bijlage I van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - g. **instituut:** geaccrediteerde, onafhankelijke en deskundige in"},{"i":3659,"b":"Besluit mandaat certificering binnenvaartschepen tevens handelend in de hoedanigheid van bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 1.16.2 en 1.16.13 van [bijlage 1a van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=1a) (ADN) en als voorzitter van de commissie van deskundigen, bedoeld in [artikel 1.19 van de Binnenvaartregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=1.19); Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de instemming van de ingevolge dit besluit gemandateerden, blijkend uit de met hen gesloten ‘Agreements governing the authorisation of statutory survey and certification services for inland waterway vessels’ d.d. 8 april 2011 (IENM/IVW-2011/4352, IENM/IVW-2011/4353 en IENM/IVW-2011/4354); Besluiten: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **ADN:** Accord Européen relatif au Transport International des Marchandises Dangereuses par voie de Navigation (ADN); - **bevoegde autoriteit:** de minister, de voorzitter van de commissie van deskundigen, bedoeld in [artikel 1, 19 van de Binnenvaartregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=1.19), dan wel de bevoegde autoriteit, bedoeld in het [Randnummer 1.16.2 van tabel 1 van bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=4) in samenhang met [artikel 1, onderdeel b, onder 2°, van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&artikel=1); - **inspecteur-generaal:** inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **wet:** [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009). Artikel 2 1. De in [artikel 9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":3325,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 12 maart 2025 nr. BOACAT2025/114, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Terschelling Gelezen het verzoek van de gemeente Terschelling van 20 februari 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050849&artikel=2&z=2026-04-09&g=2026-04-09). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van gemeentelijke handhaver in dienst van gemeente Terschelling, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervul"},{"i":3374,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 november 2015 nr. BOACAT2015/060, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Utrecht Gelezen het verzoek van het Hoofd Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Utrecht van 30 oktober 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037206&artikel=2&z=2015-12-10&g=2015-12-10). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van inspecteur Bijzondere Handhaving in dienst van de gemeente Utrecht, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Neder"},{"i":1968,"b":"Wet van 16 december 1999 tot wijziging van de regulerende energiebelasting en de inkomstenbelasting met het oog op het bevorderen van energiezuinig en milieuvriendelijk gedrag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van een verdere vergroening van het fiscale stelsel wenselijk is maatregelen te treffen teneinde energiezuinig en milieuvriendelijk gedrag te bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel II Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Artikel III Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 worden voorts niet tot de bedrijfsmiddelen gerekend, bedrijfsmiddelen ter zake waarvan voor de datum van inwerkingtreding van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010985&artikel=II&z=2000-07-07&g=2000-07-07) door een natuurlijk persoon of lichaam verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt en welke daarna door de belastingplichtige zijn verworven en bestemd zijn om – direct of indirect – hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan de persoon die of het lichaam dat voor de datum van inwerkingtreding van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010985&artikel=II&z=2000-07-07&g=2000-07-07) verplichtingen is aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt, dan wel aan een natuurlijk persoon of lichaam waartoe degene die voor de datum van inwerkingtreding van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010985&artikel=II&z=2000-07-07&g=2000-07-07) verplichtingen is aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt in een verhouding staat als is omschreven in het achtste lid van voornoemd artikel 11 of in [artikel 8, derde lid, onderdeel b of c, van de Wet"},{"i":4630,"b":"Herziening beloningsbeleid sector Rijk per 1-1-1997 «Circulaire aan de ministers» Inleiding/managementinformatie In mijn [circulaire](onbekend) van 22 september 1995, kenmerk AD95/U915, kondigde ik onder meer aan dat ik bij afzonderlijke circulaire nog nadere informatie zou verstrekken over de wijzigingen in het beloningsbeleid per 1 januari 1997. Bij deze voldoe ik daaraan. Met de wijziging van het beloningsbeleid per 1 januari 1997 wordt de ruimte voor het management om binnen de salarisschalen in individuele gevallen beloningsbeslissingen te kunnen nemen, vergroot. Hierdoor wordt het mogelijk gemaakt dat aan de ambtenaar – indien en zolang hij uitstekend functioneert – ook een salaris kan worden toegekend dat hoger is dan het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal. In samenhang hiermee komt echter ten aanzien van de ambtenaren voor wie een salarisschaal geldt de functioneringstoelage als beloningsinstrument te vervallen. Voor ’lopende’ functioneringstoelagen, toegekend op grond van [artikel 12b van het BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&artikel=12b) zal een overgangsvoorziening worden getroffen. Voor de toelagen, toegekend met toepassing van het [tweede lid van artikel 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&artikel=12b), zal gelden dat deze kunnen blijven gelden tot het moment waarop het bevoegd gezag een nieuwe beslissing heeft genomen, doch uiterlijk tot 1 januari 2000. Hier dient het bevoegd gezag dus – eventueel – een afzonderlijke actie te ondernemen. Voor de toelagen, toegekend op grond van het [eerste lid van artikel 12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&artikel=12b), behoeft een afzonderlijke beslissing niet te worden genomen. Naar hun aard zullen deze toelagen immers in de loop van 1997 van rechtswege aflopen. De herziening van het beloningsbeleid gaat gepaard met een herstructurering van de salarisschalen van het [BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630). De ambtenare"},{"i":4178,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Coördinatie, handhaving en crisisbeheersing vanaf 1945 (Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 1 september nr. bca-2008.04950/2); Besluit: Artikel 1 De op dit besluit betrekking hebbende ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ‘Coördinatie, handhaving en crisisbeheersing over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":2655,"b":"Beleidsregels waarderen en belonen medewerkers EZ Gelet op [artikel 71 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=71); Gehoord het Departementaal Georganiseerd Overleg en de Departementale Ondernemingsraad van het Ministerie van Economische Zaken; Besluit: Artikel 1 Het gesprek als bedoeld in [artikel 71, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=71) vindt voor medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken plaats op de wijze die is beschreven in de Nota waarderen en belonen medewerkers EZ, die is opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 2 Wijzigt het Beoordelingsvoorschrift Ministerie van Economische Zaken 1998. Artikel 3 Ingetrokken worden: - a. het Beoordelingsvoorschrift CBS en - b. de [Beleidsregels bewust belonen EZ](onbekend). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels waarderen en belonen medewerkers EZ. Dit besluit zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant."},{"i":4257,"b":"Besluit van 20 april 2018 tot vaststelling van bedragen voor nadeel van naasten dat niet in vermogensschade bestaat (Besluit vergoeding affectieschade) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 8 januari 2018, nr. 2182801; Gelet op de [artikelen 107, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=107), en [108, derde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=108); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 januari 2018, nr. No.W16.18.0002/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 17 april 2018, nr. 2245339; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, bedoeld in [artikel 107, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=107), en [artikel 108, derde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=108) zijn: | | ernstig en blijvend letsel | overlijden | ernstig en blijvend letsel door een misdrijf | overlijden door een misdrijf | | --- | --- | --- | --- | --- | | echtgenoten en geregistreerde partners (a) | € 15.000 | € 17.500 | € 17.500 | € 20.000 | | levensgezellen (b) | € 15.000 | € 17.500 | € 17.500 | € 20.000 | | minderjarige kinderen en ouders (c en d) | € 15.000 | € 17.500 | € 17.500 | € 20.000 | | meerderjarige thuiswonende kinderen en ouders (c) | € 15.000 | € 17.500 | € 17.500 | € 20.000 | | pleegkinderen en ouders (e en f) | € 15.000 | € 17.500 | € 17.500 | € 20.000 | | meerderjarige niet-thuiswonende kinderen en ouders (c en d) | € 12.500 | € 15.000 | € 15.000 | € 17.500 | | zorg in gezinsverband (e en f) | € 15.000 | € 17.500 | € 17.500 | € 20.000 | | overige nauwe persoonlijke relaties (g) | € 12.500 | € 15.000 | € 15.000 | € 17.500 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergoeding affectieschade. Artikel 3 Dit besluit treedt in werk"},{"i":5534,"b":"Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 5 maart 2022, nr. WJZ/ 21196433, houdende regels inzake de vergunningverlening windenergiegebied Hollandse Kust (west) kavel VII (Regeling vergunningverlening windenergiegebied Hollandse Kust (west) kavel VII) Gelet op de [artikelen 10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=10), [12a, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=12a), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14), [14a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14a), [15a, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=15a), [25b, derde en vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=25b); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **kavel VII:** kavel VII van het windenergiegebied Hollandse Kust (west) zoals aangewezen in [Kavelbesluit VII windenergiegebied Hollandse Kust (west)](onbekend) (Stcrt. 2022, nr. 3428); - **minister:** Minister voor Klimaat en Energie; - **P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie:** de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, die dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%; - **wet:** [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 De aanvraag voor een vergunning voor kavel VII wordt ingediend in de periode tussen 14 april 2022 en 12 mei 2022, 17:00 uur. Artikel 3 1. Het ontwerp voor het windpark, bedoeld in [artikel 12a, vierde lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=12a), omvat ten minste: - a. een windenergie-opbrengstberekening die is opgesteld door een onafhankelijke organisatie met expertise op het gebied van windenergie-opbrengstberekeninge"},{"i":5817,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 4 april 2024, nr. OVO/44668746, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan scholen voor het verbeteren van de basisvaardigheden met bewezen effectieve interventies (Subsidieregeling verbetering basisvaardigheden voor scholen 2024) Gelet op [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71), [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11), [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71), en [artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **achterstandsscore:** achterstandsscore voor het vmbo, havo en vwo op 1 oktober 2022 dan wel achterstandsscore voor het praktijkonderwijs op 1 oktober 2022, zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek en gepubliceerd op 7 maart 2024, of achterstandsscore als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=1) voor het primair onderwijs; - **basisvaardigheden:** vaardigheden op het gebied van taal, rekenen of wiskunde, en burgerschap of digitale geletterdheid; - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **Caribisch Nederland:** Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - **CUMI-leerling:** leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022](https://wetten.over"},{"i":1974,"b":"Wet van 18 december 2003 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 mede naar aanleiding van het Belastingplan 2004 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de ingevolge het Belastingplan 2004 opgenomen specifieke uitgaven binnen de buitengewone uitgavenregeling van de inkomstenbelasting uit te breiden met eigen bijdragen voor extramurale zorg op grond van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) en met farmaceutische hulpmiddelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet. Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Onder toepassing van [artikel 16 van de Tijdelijke Referendumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012701&artikel=16) treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2004, met dien verstande dat [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016211&artikel=I&z=2004-01-01&g=2004-01-01) en [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016211&artikel=II&z=2004-01-01&g=2004-01-01) toepassing vinden nadat [artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1) bij het begin van het kalenderjaar 2004 is toegepast. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5858,"b":"Besluit van de Minister voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van 4 december 2019, nr. 2019-0000623511, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging ter uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Tijdelijk Mandaatbesluit AIVD) Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), In aanmerking genomen het [koninklijk besluit van 1 november 2019, No. 2019002307, houdende enkele tijdelijke voorzieningen voor de periode dat Minister drs. K.H. Ollongren niet in staat is haar taken als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Vice-Minister-President uit te oefenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042757) alsmede de brief van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 1 november 2019, nr. 3710811, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake herschikking van taken en functies binnen het kabinet; Besluit: Artikel 1 Alle mandaten, volmachten en machtigingen vóór 1 november 2019 verleend op basis van het [Mandaatbesluit BZK 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041316), de daarop gebaseerde besluiten en overige besluiten inzake mandaat, volmacht of machtiging met betrekking tot aangelegenheden betreffende de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, worden met ingang van deze datum aangemerkt als verleend door de Minister voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Artikel 2 1. Ondertekening van besluiten en stukken op grond van mandaat vindt plaats op de volgende wijze: De Minister voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, namens deze, (handtekening) (naam) (aanduiding functie gemandateerde). 2. Bij ondertekening van besluiten en stukken op grond van volmacht wordt de aanduiding van de Minister voorafgegaan door: Namens de Staat der Nederlanden. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk Mandaatbesluit AIVD. Artikel 4 1. Dit besluit treedt in werking met inga"},{"i":5861,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Medische Zorg van 14 mei 2024, kenmerk 3827699-1065264-GMT, over de tijdelijke toepassing van artikel 3, tweede lid, Wet geneesmiddelenprijzen in verband met de beschikbaarheid van geneesmiddelen (Tijdelijke beleidsregel maximumprijzen geneesmiddelen 2024) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 3, tweede lid, van de Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **minister:** Minister voor Medische Zorg; - **productgroep:** één of meer geneesmiddelen met dezelfde werkzame bestanddelen, van dezelfde of nagenoeg dezelfde sterkte en in dezelfde farmaceutische vorm; - **regeling:** [Regeling maximumprijzen geneesmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008023); - **verzoek:** verzoek als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867&artikel=3); - **wet:** [Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867). Artikel 2 In verband met de beschikbaarheid van geneesmiddelen met een beperkte jaaromzet kan de minister op verzoek de maximumprijs van de geneesmiddelen binnen de productgroep waartoe het geneesmiddel waarvoor een verzoek wordt ingediend, behoort, vaststellen op de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049717&artikel=3&z=2024-07-01&g=2024-07-01) genoemde wijze indien: - a. de totale jaaromzet in Nederland van de productgroep waartoe het geneesmiddel behoort, lager is dan € 1 miljoen; - b. er ten aanzien van een artikelnummer van één of meer geneesmiddelen in de productgroep waartoe het geneesmiddel behoort bij aanvang van de referentieperiode, bedoeld in [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049717&artikel=4&z=2024-07-01&g=2024-07-01), twee jaar is verstreken vanaf de marktintroductie. Artikel 3 1."},{"i":5860,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 december 2022, tot vaststelling van een tijdelijke beleidsregel inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op elektrische laadpunten op verzorgingsplaatsen Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=2) en [3 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=3) en de [artikelen 4:2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2), en [4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. (begrippen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **vergunning:** omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een verzorgingsplaats die behoort bij een weg in beheer bij het Rijk, als bedoeld in [artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, aanhef en onderdeel 1°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), in samenhang met [artikel 8.16, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=8.16); - **wet:** [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885). Artikel 2. (reikwijdte) Deze beleidsregel gaat over de toepassing van de [artikelen 5.11, eerste lid, aanhef en onder f, onderdeel 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.11), [5.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.12), [5.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.18), gelezen in samenhang met de [artikelen 5.28, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.28), [5.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.34) en [5.36 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.36), alsmede van [artikel 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten"},{"i":6318,"b":"Wet van 25 maart 1971, tot instelling van een gemeente Dronten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is over te gaan tot instelling van een gemeente Dronten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Instelling van een gemeente Artikel 1 Ingesteld wordt een gemeente, genaamd Dronten. Artikel 2 Het gebied van de gemeente Dronten wordt als volgt bepaald: uitgaande van het punt van samenkomst van de grens tussen de gemeente Kampen (provincie Overijssel) en de gemeente Doornspijk (provincie Gelderland), waarvan de coördinaten in het stelsel van de rijksdriehoekmeting zijn: X = + 32384,16 en Y = + 40495,55, gelegen in het Veluwemeer wordt de grens, gaande in algemeen zuidelijke richting, gevormd door de grens tussen de gemeenten Doornspijk, Elburg en Ermelo en het openbaar lichaam \"Zuidelijke IJsselmeerpolders\", vastgesteld bij wet van 9 maart 1968, **Stb.** 118, houdende \"wijziging en vaststelling van de grens tussen de gemeenten Doornspijk, Elburg, Ermelo, Harderwijk, Putten en Nijkerk en het openbaar lichaam \"Zuidelijke IJsselmeerpolders\", tevens wijziging en vaststelling van de grens tussen de provincie Gelderland en dat openbaar lichaam, tot het punt, waarvan de coördinaten in het stelsel van de rijksdriehoekmeting zijn: X = + 20257,24 en Y = + 24988,88, gelegen in het Veluwemeer. Vanaf laatstgenoemd punt wordt de grens, gaande in algemeen noordwestelijke richting, gevormd door de kortste verbindingslijnen tussen achtereenvolgens dit punt en de punten, waarvan de coördinaten in het stelsel van de rijksdriehoekmeting zijn: X = + 18837,31 ; Y = + 27850,97 X = + 18657,48 ; Y = + 27761,29 X = + 18379,14 ; Y = + 28319,58 X = + 18076,51 ; Y = + 28168,51 X = + 18241,40 ; Y = + 29649,34 X = + 17172,79 ; Y = + 30842,65 X = + 17821,65 ; Y = + 31419,45 X ="},{"i":4141,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 29 maart 2019, Min-BuZa.2019.3184-25, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma SDG Results: Access to renewable energy) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) met het oog op resultaatgerichte financiering van activiteiten op het gebied van de verbetering van toegang tot hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2026 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma SDG Results: Access to renewable energy worden ingediend vanaf 1 juli 2019 tot en met 27 september 2019, 12.00 uur Nederlandse tijd. 2. Voor aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidieprogramma SDG Results: Access to renewable energy geldt een nader bekend te maken openstellingsperiode. 3. Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Subsidieprogramma SDG Results: Access to renewable energy worden ingediend aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier vermelde bescheiden.1Het aanvraagformulier is geplaatst op https://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/sdg-7-results. Artikel 3 1. Voor subsidieverlening in het kader van het Su"},{"i":4573,"b":"Douane-entrepot type E met procedures van douane-entrepot type D De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Vraag Met ingang van 1 juli 2001 zijn de wettelijke bepalingen over de regeling douane-entrepots van [Verordening (EEG) nr. 2913/92](31992R2913) (‘CDW’) en [Verordening (EEG) nr. 2454/93](31993R2454) (‘TVo.CDW’) gewijzigd. Procedures van het douane-entrepot type D kunnen ook worden toegepast bij het douane-entrepot type E. In de vergunning douane-entrepot type E moeten voorwaarden daarvoor worden opgenomen. Bij een douane-entrepot type E kan ingeval van het brengen in het vrije verkeer van goederen de domiciliëringsprocedure worden toegepast, en dient de heffingsgrondslag van de goederen (aard, douanewaarde en hoeveelheid) te worden toegepast die geldt op het tijdstip van het brengen in het vrije verkeer (uitslag). Bij een douane-entrepot type D dient ingeval van het brengen in het vrije verkeer van goederen het volgende te worden toegepast: douane-entrepot type D (inslag). Op verzoek van de vergunninghouder kan als heffingsgrondslag worden gebruikt de heffingsgrondslag die geldt op het tijdstip van het brengen in het vrije verkeer (uitslag). Antwoord Een vergunning kan slechts worden afgegeven als de vergunninghouder de waarborgen biedt voor een goed verloop van de regeling douane-entrepot en de douane het toezicht en de controle kan verrichten zonder dat administratieve maatregelen moeten worden genomen die niet in verhouding staan tot de economische behoeften."},{"i":4294,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 augustus 2025, nr. 2025-0000177483, tot het verlenen van mandaat en machtiging met betrekking tot het basisexamen inburgering aan de directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Besluit verlenen mandaat en machtiging basisexamen inburgering aan directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst) Handelend met instemming van de Minister van Asiel en Migratie en de directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; Gelet op [titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=10.1); Besluit: Artikel 1. Verlening mandaat en machtiging 1. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verleent mandaat en machtiging aan de directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid om de bevoegdheid uit te oefenen, zoals neergelegd in [artikel 3.71a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71a), zowel bij besluiten in eerste aanleg als in bezwaar, beroep en hoger beroep. 2. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verleent mandaat en machtiging aan de directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid om de werkzaamheden te verrichten die verband houden met de uitoefening van de bevoegdheid, genoemd in het eerste lid. 3. De directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid kan het mandaat en de machtiging, genoemd in het eerste en tweede lid, doorverlenen aan onder hem ressorterende functionarissen, een en ander voor zover dat in overeenstemming is met de taak en functie van de desbetreffende functionarissen. Artikel 2. Slotbepaling 1. Dit besluit treedt in werking met ingang va"},{"i":3181,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 5 juli 2017 nr. BOACAT2017/045, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Afdeling Veiligheid Toezicht en Handhaving van de gemeente Valkenburg aan de Geul in het domein I, Openbare Ruimte Gelezen het verzoek van de Teamleider Veiligheid Toezicht en Handhaving van de gemeente Valkenburg aan de Geul van 13 juni 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburgen de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b) [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039782&artikel=2&z=2017-09-18&g=2017-09-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Toezichthouder integraal-Boa Domein I in dienst van de afdeling Veiligheid Toezicht en Handhaving van de gemeente Valkenburg aan de Geul, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, als genoemd in [onderde"},{"i":2020,"b":"Wet van 4 november 2004 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met de invoering van een aftrekverbod voor de aankoopkosten van een deelneming Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het mede om budgettaire redenen noodzakelijk is een aftrekbeperking in te voeren voor de aankoopkosten van een deelneming; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II 1. Indien een belastingplichtige vóór 1 januari 2000 een deelneming heeft verworven en de aanslag vennootschapsbelasting of de beschikking bedoeld in [artikel 20b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=20b) over het jaar van de verwerving van de deelneming bij de inwerkingtreding van deze wet nog niet onherroepelijk vaststaat, komen de kosten ter zake van de verwerving van die deelneming in dat jaar en de daaropvolgende jaren bij de bepaling van de winst niet in aftrek, behoudens voor zover de aftrek voortvloeit uit de toepassing van [artikel 13ca](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ca) of [13d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13d). De eerste volzin is niet van toepassing voor zover de belastingplichtige op of vóór 13 december 2002 in de aangifte over het jaar van de verwerving of in een bezwaar- of beroepschrift met betrekking tot dat jaar al aanspraak had gemaakt op aftrek van die kosten; alsdan komen de kosten slechts in aftrek in het jaar waarin de deelneming wordt vervreemd aan een niet met hem verbonden lichaam of een niet met hem verbonden natuurlijk persoon, een en ander als bedoeld in [artikel 10a, vierde lid of vijfde lid, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasti"},{"i":4607,"b":"Besluit van 22 november 2022 als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Geïntegreerde Aanwijzing 2023–2026) Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=6); Besluiten: Artikel 1 1. Voor de uitvoering van de in [artikel 8, tweede lid, onder a en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=8), onderscheidenlijk [artikel 10, tweede lid, onder a, c en e, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=10), bedoelde taken, worden de volgende onderwerpen van onderzoek aangewezen: - a. Politieke intenties, activiteiten en opinies van regeringen, instellingen en inwoners van specifiek benoemde landen of regio’s. Voor alle landen en regio’s van onderzoek geldt dat deze worden bezien vanuit de vraag wat de werkelijke motieven van de belangrijkste actoren zijn, wat de feitelijke invloed is van de regering en welke doelen worden nagestreefd; - b. Het tijdig onderkennen en signaleren van en reageren op ontwikkelingen in landen of regio’s die een potentiële dreiging ten aanzien van de nationale veiligheid vormen. Hiertoe worden gevraagd en ongevraagd gegevens verzameld over landen en regio’s die niet zijn aangewezen op grond van onderdeel a; - c. Onderzoeksthema’s met betrekking tot organisaties en personen, die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten, aanleiding geven tot het ernstig vermoeden, dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen voor de staat. - d. Onderzoek dat nodig is voor het treffen van maatregelen ter voorkoming van activiteiten die ten doel hebben de veiligheid of paraatheid van de krijgsmacht te schaden, ter bevordering van een juist verloop van mobilisatie en concentratie der strijdkrachten en ten behoe"},{"i":4784,"b":"Legal Status (Local Employees) Regulations 2020 **Version as amended with effect from 1 January 2023** Chapter 1. General provisions Article 1.1. Definitions The following definitions are used in these Regulations: - a. **mission:** a diplomatic representation, a consular representation or a permanent representation to an international organisation of the Kingdom of the Netherlands abroad; - b. **head of mission:** the head of a mission; - c. **HDPO:** the director of the Human Resources Department of the Ministry of Foreign Affairs; - d. **employer:** the State of the Netherlands; - e. **employee:** a person employed at a mission on an employment contract subject to local regulations; - f. **family members:** an employee’s partner and dependent children; - g. **partner:** - 1°. a spouse; - 2°. a registered partner; or - 3°. a partner with whom an unmarried employee cohabits and runs a joint household, with a view to long-term cohabitation, on the basis of a cohabitation agreement executed by a civil-law notary stating the mutual rights and obligations of the cohabitees in respect of their cohabitation and joint household. Only one person may be deemed to be an employee’s partner at any given time. A person deemed to be an employee’s partner only loses this status on the day this person ceases to be a partner within the meaning of this point of this article; - h. **dependent children:** the children of an employee or an employee’s partner, including adopted children and stepchildren, who are under 18 and for whom the employee bears full financial responsibility or more than half of the financial responsibility; - i. **mission version:** a document laying out detailed regulations, based on these Regulations, specifically for the country in which a mission is located; - j. **occupational health service:** the medical officer or health service designated by the head of mission to assist the head of mission in the provision of occupational health support to employees; -"},{"i":2646,"b":"Beleidsregels verdeling besteedbare middelen beheerskosten zorgverzekeraars AWBZ 2010 gelet op [artikel 91, eerste lid, Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.5, eerste en tweede lid van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5) en de [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026940); heeft in zijn vergadering van 21 december 2009 besloten: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. **zorgverzekeraar:** een zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=1); - b. **verbindingskantoor:** een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2 Het college keert het voorlopig vastgesteld en definitief vastgesteld beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027056). § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2010 Artikel 3 1. Het college verdeelt in het jaar 2010 een totaal bedrag van 3,785 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de zorgverzekeraars. 2. Het college stelt in januari 2010 voor iedere zorgverzekeraar, anders dan in de hoedanigheid van verbindingskantoor, een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de middelen voor het kalenderjaar 2010 ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). Artikel 4 Het college verdeelt het in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027146&paragraaf=2&artikel=3&z=2011-01-26&g=2011-01-26) genoemde totaalbedrag als volgt: - a. een derde deel van het bedrag, welk deel betrekking heeft op de op verzekerden geri"},{"i":2905,"b":"Besluit van 2 augustus 2012 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de verhoging van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat (Besluit aanpassing wetten inzake verhoging AOW-leeftijd) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juli 2012, nr. IVV/OOG/12/10289; Gelet op [artikel V, eerste lid, van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031799&artikel=V); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 juli 2012, no. W12.12.0271/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 augustus 2012, nr. IVV/OOG/2012/11962; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd in werking treedt. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel I Wijzigt de Garantiewet Surinaamse pensioenen. Artikel II Wijzigt de Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960. Artikel III Wijzigt de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps. Artikel IV Wijzigt de Wet bevordering eigenwoningbezit. Artikel V Wijzigt de Wet inburgering. Artikel VI Wijzigt de Wet op de huurtoeslag. Artikel VII Wijzigt de Wet tot het stellen van nadere regels in verband met introductie toeslagregeling ten aanzien van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 en enkele andere overzeese pensioenwetten alsmede actualiseren van die wetten. Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie Artikel VIII Wijzigt de TNO-wet. Artikel IX Wijzigt de Visserijwet 1963. Ministerie van Infrastructuur en Milieu Artikel X Wijzigt de Loodsenwet. Artikel XI Wijzigt de Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Artikel XII Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel XIV Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wet"},{"i":3543,"b":"Besluit van 17 december 1992, houdende wijziging van grenzen tussen de gemeenten Leidschendam, Nootdorp en Zoetermeer Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 14 december 1992, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, nr. BW92/2468; Gelet op artikel III, eerste lid, van de Wet van 13 mei 1991, houdende procedurele bepalingen met betrekking tot wijziging van de gemeentelijke of provinciale indeling (**Stb.** 315); De Raad van State gehoord (advies van 10 december 1992, nr. WO4.92.0520); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 14 december 1992, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, nr. BW92/2468; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Met ingang van de datum van herindeling wordt de grens tussen de gemeenten Leidschendam en Nootdorp als volgt gewijzigd: - a. vanaf het snijpunt van de grens tussen de gemeenten Leidschendam en Rijswijk met de percelen, kadastraal bekend gemeente Stompwijk, sectie G, nrs. 1331 en 1340, volgt de nieuwe gemeentegrens de grens tussen de percelen, kadastraal bekend gemeente Stompwijk, sectie G, nrs. 1331 enerzijds en 1340, 1337 en 1338 anderzijds tot het noordoostelijk hoekpunt van laatstgenoemd perceel; - b. van daar af volgt de nieuwe gemeentegrens een rechte lijn naar het zuidwestelijk hoekpunt van het perceel, kadastraal bekend gemeente Stompwijk, sectie G, nr. 1339 en vervolgens de grens tussen de percelen, kadastraal bekend gemeente Stompwijk, sectie G, nr. 1331 en F, nrs. 3199 en 2858 enerzijds en sectie G, nr. 1339 en F, nrs. 3198 en 2857 anderzijds tot het zuidoostelijke hoekpunt van het perceel, kadastraal bekend gemeente Stompwijk, sectie F, nr. 2858; - c. van daar af volgt de nieuwe gemeentegrens in zuidoostelijke richting de grens tussen de percelen, kadastraal bekend gemeente Stompwijk, sectie F, nrs. 3030 enerzijds en 2857 en 3356 anderzijds tot het punt met als coördinaten in het verschoven stelsel van de rijksdriehoeksmeting zijn x = 85700,97 en y = 452899,"},{"i":4007,"b":"Besluit SONT tarieven en voorwerpen thuiskopievergoeding 2025 De tarieven en voorwerpen (apparaten) van de thuiskopievergoeding worden in 2025 gewijzigd zoals weergeven in onderstaande tabel: Voor refurbished voorwerpen die door een onderneming worden aangeboden aan eindgebruikers geldt een tarief dat met 40% verlaagd is ten opzichte van het tarief in de tabel."},{"i":3440,"b":"Besluit van de directeur Financieel-Economische Zaken van 1 januari 2020, nr. 4091298, houdende doorverlening mandaat, volmacht en machtiging aan een medewerker binnen de directie Financieel-Economische Zaken Gelet op het besluit van de secretaris-generaal van 1 januari 2020, tot verlening van ondermandaat, overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=10) en [14 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Doorverlenen ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging 1. De aan de directeur Financieel-Economische Zaken krachtens ondermandaat toegekende bevoegdheden, als omschreven in de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=11) en [14 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=14), kunnen krachtens het hierbij verleende ondermandaat worden uitgeoefend door de plaatsvervangend directeur Financieel-Economische Zaken. 2. De plaatsvervangend directeur Financieel-Economische Zaken maakt van de aan hem verleende bevoegdheden uitsluitend gebruik: - a. bij tijdelijke afwezigheid van de directeur Financieel-Economische Zaken; - b. in andere gevallen voor zover het aangelegenheden betreft die door de directeur Financieel-Economische Zaken aan hem zijn toevertrouwd. Artikel 2. Beperkingen ondervolmacht 1. Van de ondervolmacht zijn uitgesloten: - a. de bevoegdheid tot het opleggen van ordemaatregelen en straffen zoals genoemd in de cao-Rijk; - b. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, anders dan op initiatief van de medewerker zelf. Artikel 3. Regels, procedures, instructies mandaat De bevoegdheden als bedoeld in artikel 1 worden uitgeoefend uitsluitend voor zover het aangelegenheden betreffen die behoren tot het werkterrei"},{"i":4494,"b":"Circulaire Introductie bij gemeenten van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers 1. Inleiding Hierbij informeer ik u over de totstandkoming van het [Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522) (Stb. 2018, 386), en de daarbij behorende [Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041573) (Stcrt 2018, 66006). In deze regelgeving zijn de rechtspositieregels van alle voorzitters, dagelijks bestuurders en volksvertegenwoordigers van de gemeenten, provincies en waterschappen, in één besluit en één regeling samengevoegd. Dit is het sluitstuk van een meerjarig traject1Eerdere onderdelen van dit traject zijn in juni 2013 (Stb. 2013, 222) en in juni 2014 (Stb. 2014, 230) tot stand gekomen., waarbij de vroegere zeven rechtspositiebesluiten en onderliggende regelingen met betrekking tot deze ambtsdragers, zijn gemoderniseerd, en waar mogelijk geharmoniseerd. Harmonisatie is bereikt door voor vergelijkbare decentrale politieke ambtsdragers vergelijkbare artikelen op te nemen. Verschillen die enkel historisch waren te verklaren of die intussen achterhaald bleken te zijn, zijn weggenomen. Vervolgens is in het kader van het streven naar modernisering bezien of de voorzieningen nog adequaat waren met het oog op het functioneren van de politieke ambtsdrager. Dit besluit is tot stand gebracht in nauwe samenwerking met vertegenwoordigers van de koepels (IPO, VNG en Unie van Waterschappen) en van de negen beroepsgroepen van de decentrale politieke ambtsdragers. In gezamenlijkheid is gekomen tot een afgewogen pakket aan arbeidsvoorwaarden dat voor de verschillende groepen ambtsdragers eenvormig, transparant, uitlegbaar en zo eenvoudig mogelijk in de uitvoering is. Verschillen in hoogte van vergoedingen en systematiek zijn vervangen door eigentijdse en adequate voorzieningen die het functioneren van de ambtsdragers versterken. In §2 wordt een opsomming geg"},{"i":3171,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 6 juni 2019 nr. BOACAT2019/028, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Afdeling Veiligheid & Wijken, team Handhaving Sociale Zekerheid (Fraudebestrijding) van de gemeente Tilburg Gelezen het verzoek van de gemeente Tilburg van 30 april 2019 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland - West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042295&artikel=2&z=2019-08-01&g=2019-08-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver fraudebestrijding in dienst bij de afdeling Veiligheid & Wijken, team Handhaving Sociale Zekerheid (Fraudebestrijding) van de gemeente Tilburg, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon o"},{"i":2965,"b":"Besluit van 16 juli 2020, houdende aanwijzing van de locaties en de werkgebieden van de meldkamers, bedoeld in artikel 25a, eerste lid, van de Politiewet 2012 (Besluit aanwijzing meldkamers) Op de voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid van 24 juni 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken; nr. 2952148; Gelet op het [artikel 25a, tweede lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 juli 2020, no. W16.20.0206/II); Gezien het nader rapport van de Minister van Justitie en Veiligheid van 14 juli 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken; nr. 2967650; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De onderstaande meldkamers hebben als locatie de achter die meldkamer vermelde gemeente, en als werkgebied de daarachter vermelde regio of regio’s uit de bijlage, bedoeld in [artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=8): | a. Noord-Nederland | Drachten | Groningen, Fryslân, Drenthe; | | --- | --- | --- | | b. Oost-Nederland | Apeldoorn | IJsselland, Twente, Noord- en Oost-Gelderland, Gelderland-Midden, Gelderland-Zuid; | | c. Midden-Nederland | Hilversum | Utrecht, Flevoland, Gooi en Vechtstreek; | | d. Noord-Holland | Haarlem | Noord-Holland-Noord, Zaanstreek-Waterland, Kennemerland; | | e. Amsterdam | Amsterdam | Amsterdam-Amstelland; | | f. Den Haag | Den Haag | Haaglanden, Hollands Midden; | | g. Rotterdam | Rotterdam | Rotterdam-Rijnmond, Zuid-Holland-Zuid; | | h. Zeeland-West-Brabant | Bergen op Zoom | Zeeland, Midden- en West-Brabant; | | i. Oost-Brabant | Den Bosch | Brabant-Noord, Brabant-Zuidoost; | | j. Limburg | Maastricht | Limburg-Noord, Limburg-Zuid. | Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juli 2020. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als"},{"i":4510,"b":"Circulaire procedureregels voor de benoeming van een gezaghebber I. Het openstellen van de vacature II. Het schetsen van een profiel III. De sollicitatiebrief IV. Het inwinnen van inlichtingen door de Rijksvertegenwoordiger V. Instelling, samenstelling en werkwijze van de vertrouwenscommissie VI. De handelwijze bij het niet-naleven van hetgeen in V is bepaald Besteedt de eilandsraad of de vertrouwenscommissie naar het oordeel van de Rijksvertegenwoordiger onvoldoende zorg aan de in V omschreven punten, dan zal de Rijksvertegenwoordiger in elk stadium van de procedure kunnen afzien van (verdere) contacten met de vertrouwenscommissie. De Rijksvertegenwoordiger bepaalt in deze situatie hoe verder gehandeld wordt. VII. Procedure, indien de raad geen vertrouwenscommissie instelt Besluit de eilandsraad geen vertrouwenscommissie in te stellen, dan bereidt de Rijksvertegenwoordiger zijn aanbeveling voor zonder inachtneming van de navolgende twee punten. VIII. De selectie van kandidaten ten behoeve van de vertrouwenscommissie IX. De bevindingen van de vertrouwenscommissie X. De aanbeveling van de Rijksvertegenwoordiger XI. Screening Voorafgaand aan de voordracht zal de voor te dragen kandidaat door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden gescreend. De screening zal bestaan uit naslag bij de AIVD en fiscaal onderzoek. XII. Het motiveren van de afwijking van de opvatting van de vertrouwenscommissie"},{"i":4456,"b":"Circulaire 2019 (onkosten)vergoeding voor politieke ambtsdragers van gemeenten, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties **Met ingang van 1 januari 2019 zullen circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers uitsluitend nog bekend worden gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website** **www.politiekeambtsdragers.nl****. U kunt zich met een RSS-feed abonneren op deze site. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering. Gedurende het jaar 2018 worden bij wijze van overgangsmaatregel de circulaires ook nog per post verzonden.** Door middel van deze circulaire wordt u, zoals elk jaar gebruikelijk, geïnformeerd over de wijzigingen van de bedragen van de (onkosten)vergoedingen voor burgemeesters, wethouders, raadsleden en commissieleden per 1 januari 2019. Omdat het doorvoeren van deze wijzigingen in de regelgeving tijd vergt, wordt u, vooruitlopend op het formeel van kracht worden van die wijzigingen, door middel van deze circulaire geïnformeerd over de aanstaande wijzigingen voor burgemeesters, wethouders en raadsleden. U kunt deze wijzigingen nu al doorvoeren. Over de wijzigingen van de bezoldigingsbedragen die per 1 juli 2018 voor de burgemeesters en de wethouders zijn doorgevoerd en over de tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering voor raadsleden bent u reeds bij circulaire van 9 augustus 2018, kenmerk 2018-0000660726, geïnformeerd. Deze bedragen zijn omwille van het totaaloverzicht nogmaals in deze circulaire opgenomen. 1. Relevante ontwikkelingen De vergoeding van raadsleden in gemeenten tot 24.000 inwoners wordt verhoogd en gelijkgesteld aan de vergoeding die hoort bij de inwonersklasse 24.001 – 40.000 inwoners. De verhoging van de vergoeding gaat gelden met terugwerkende kracht, vanaf het moment waarop de raadsleden zijn aangetreden als raadslid op 29 maart 2018. Zie voor meer informatie hierover paragraaf 11. Met ingang van 1 ja"},{"i":4045,"b":"Besluit van 16 juni 2015, houdende nieuwe nadere regels betreffende toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen en nadere regels betreffende wooncoöperaties (Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015) Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Hoofdstuk III. Algemene bepalingen inzake toegelaten instellingen Hoofdstuk IV. Rechtsvorm en organisatie van toegelaten instellingen Hoofdstuk II. Wooncoöperaties Hoofdstuk II. Wooncoöperaties Hoofdstuk II. Wooncoöperaties Hoofdstuk VIII. Verdere bepalingen inzake toegelaten instellingen Hoofdstuk III. Algemene bepalingen inzake toegelaten instellingen Afdeling 1. Toepassing van [artikel II, tweede tot en met zevende, tiende en elfde lid, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036530&artikel=II) Afdeling 2. Intrekking en wijziging van op de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181) gebaseerde algemene maatregelen van bestuur Afdeling 3. Wijziging van wetten en van op andere wetten dan de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181) gebaseerde algemene maatregelen van bestuur § 2. Vereffening § 2. Vereffening Artikel 132 Vervallen Artikel 133 Vervallen Artikel 134 Vervallen Artikel 135 Vervallen Artikel 136 Vervallen Artikel 137 Vervallen Artikel 138 Vervallen Artikel 139 Vervallen Artikel 140 Vervallen Artikel 141 Vervallen Artikel 142 Vervallen Artikel 143 Vervallen Artikel 144 Vervallen Artikel 145 Vervallen Artikel 146 Vervallen Afdeling 4. Slotbepalingen Bijlage 1. bij [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=19&z=2015-07-01&g=2014-12-05) van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2. bij [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=19&z=2015-07-01&g=2014-12-05) van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisves"},{"i":4042,"b":"Besluit van 19 september 2023, houdende regels ter uitvoering van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Besluit tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 22 juni 2023, nr. IENW/BSK-2023/168584, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 4a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517&artikel=4a), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517&artikel=6), [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517&artikel=10), en [10a, eerste lid, van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517&artikel=10a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 juli 2023, nr. W17.23.00154/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 11 september 2023, nr. IENW/BSK-2023/239436, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **wet:** [Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517); - **KvK-nummer:** het nummer, bedoeld in [artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=9). - **KvK-vestigingsnummer:** een door een Kamer van Koophandel toegekend uniek nummer aan een vestiging van een onderneming in het handelsregister als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=11), of indien sprake is van een rechtspersoon waar geen onderneming aan toebehoort als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=14). Hoofdstuk 2. Regels over inzet en kenbaar maken gebruik tech"},{"i":3461,"b":"Besluit van 11 maart 2002, houdende regels betreffende een communautair energie- efficiëntie-etiketteringsprogramma voor kantoorapparatuur (Besluit Energy Star-etiketteringsprogramma) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 25 januari 2002, nr. WJZ 02003829; Gelet op [verordening (EG) nr. 2422/2001](32001R2422) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende een communautair energie-efficiëntie-etiketteringsprogramma voor kantoorapparatuur (PbEG L 332), en de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003916&artikel=6) en [21 van de Wet energiebesparing toestellen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003916&artikel=21); De Raad van State gehoord (advies van 21 februari 2002, nr. W.10.02.0050/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 4 maart 2002, nr. WJZ 02010860; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het is verboden het gemeenschappelijk logo, bedoeld in artikel 3, onder a, van [verordening (EG) nr. 106/2008](32008R0106) van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende een programma van de Unie voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur te gebruiken anders dan in overeenstemming met deze verordening. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Energy Star-etiketteringsprogramma. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3532,"b":"Besluit van 25 juni 1993, houdende regels voor het georganiseerd overleg in de sector Defensie Op de voordracht van Onze minister van Defensie van 1 februari 1993, nr. PAV2210/93002671; Gelet op [artikel 12, onder **p**, van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12), [artikel 125, eerste lid, onder **m** van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) 1929 en artikel 2, onder **m**, van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen; De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 1993, nr. W07.93.0060); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 16 juni 1993, nr. PAV 2210/93008962; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; - b. militaire ambtenaar: de militaire ambtenaar, genoemd in [artikel 1, eerste en tweede lid van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1); - c. ambtenaar: de ambtenaar, genoemd in [artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=1); - d. centrale: een centrale van verenigingen, welke zich mede ten doel stellen het behartigen van de belangen van de militaire ambtenaren of de ambtenaren op het terrein van de rechtstoestand; - e. sectorcommissie: de commissie, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006042&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - f. ministerie: het Ministerie van Defensie en de daaronder ressorterende diensten, bedrijven en instellingen; Hoofdstuk 2. Het overleg met de sectorcommissie Defensie Artikel 2 Er is een sectorcommissie Defensie voor het georganiseerd overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van militaire ambtenaren en ambtenaren. Artikel 3 1. Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand, met inbegrip van de algemene"},{"i":2535,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 december 2012, nr. VO/440230, houdende regels omtrent instandhouding dan wel bekostiging van scholen onder de opheffingsnorm in verband met een uitzonderlijke situatie Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 108, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=108): Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **bevoegd gezag:** het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - b. **leerling:** leerling als bedoeld in [artikel 5.8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.8); - c. **minister:** de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - d. **school:** een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1), met uitzondering van een school voor praktijkonderwijs; - e. **teldatum:** teldatum als bedoeld in [artikel 5.8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.8); - f. **uitzonderingsschool:** een school met een leerlingaantal onder de opheffingsnorm die instandgehouden dan wel bekostigd wordt in verband met een uitzonderlijke situatie; - g. **wet:** [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212). Artikel 2. Datum aanvraag en beslissing Indien een aanvraag als bedoeld in [artikel 4.25, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.25), voor 1 maart voorafgaand aan het schooljaar waar de aanvraag betrekking op heeft, wordt ingediend, beslist de minister voor 15 april. Artikel 3. Uitzonderingsscholen vanwege uitzonderlijke omstandigheden 1. Indien het bevoegd gezag aantoont dat sprake is van uitz"},{"i":3948,"b":"Besluit van 10 november 2015, houdende regels ter uitvoering van de artikelen 41 tot en met 46 van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU 2013, L 182) en van artikel 6 van Richtlijn 2013/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2007/14/EG van de Commissie tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG (PbEU 2013, L 294) (Besluit rapportage van betalingen aan overheden) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 16 september 2015, nr. 684628, gedaan mede namens Onze Minister van Financiën; Gelet op [artikel 392a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=392a) en [artikel 5:25w, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:25w); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 2015, nr. W03.15.0328/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 6 november 2015, nr. 700493; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking behoudens ten aanzien van uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 1, onde"},{"i":4803,"b":"Mandaatbesluit 2002 Wet op het consumentenkrediet Gelet op [artikel 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:8) en [10:9 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Gelet op het koninklijk besluit van 11 mei 2001 waarbij de Minister van Financiën belast wordt met de zorg voor het consumentenkrediet, met uitzondering van schuldbemiddeling; Gezien [artikel 10:4 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en de schriftelijke instemming van de Stichting Toezicht Effectenverkeer van 26 februari 2002, kenmerk JZ-PB-02020819; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 De Autoriteit Financiële Markten oefent in naam van de Minister de volgende bevoegdheden uit: - a. het ingevolge de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=11) en [12 Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=12) beslissen op een aanvraag om een vergunning; - b. het ingevolge de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=13) en [14a Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=14a) verlenen van een vergunning, en het sturen van een schriftelijke bevestiging als bedoeld in [artikel 14b, eerste lid, Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=14b) alsmede het daarbij genoemde verzoeken tot het verschaffen van gegevens en bescheiden; - c. het ingevolge [artikel 14 Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=14) onder beperkingen verlenen van een vergunning, en het verbinden van voorschriften aan een vergunning; - d. het ingevolge [artikel 14c Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=14c) verbinden van voorschriften aan een vergunning"},{"i":3681,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 9 april 2015, kenmerk 630364/15/DP&O, tot het verlenen van mandaat en machtiging aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in verband met het vaststellen van de selectielijst op grond van de Archiefwet 1995 (Besluit mandaat en machtiging in verband met selectielijst Archiefwet 1995) Handelend met instemming van de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de instemming van de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; BESLUIT: Artikel 1 Aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt mandaat en machtiging verleend om de selectielijst, bedoeld in [artikel 5, tweede lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) of een basisselectiedocument te ontwerpen en vast te stellen, voor zover het betreft de personeelsdossiers die berusten bij de baten-lastendienst P-Direkt. Artikel 2 De secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in het voorgaande artikel, ondermandaat en machtiging verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2838,"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1989 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1988 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1987; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1989 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1989."},{"i":3972,"b":"Besluit van 5 maart 1977 strekkend tot vaststelling en tevens tot bepaling van het tijdstip van inwerkingtreding van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van artikel 222a van de Faillissementwet zoals ingevoegd bij de Wet van 6 mei 1976 (Stb. 1976, 280) houdende wijzigingen van enige bepalingen van de Faillissementwet en tevens strekkend tot bepaling van het tijdstip van inwerkingtreding van voornoemde Wet van 6 mei 1976 Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 20 januari 1977, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht nr. 27/677; Gelet op [artikel 222**a**, tweede lid van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=222a), zoals ingevoegd bij de Wet van 6 mei 1976, houdende wijzigingen van enige bepalingen van de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) (**Stb.** 280) en mede gelet op artikel II van voornoemde Wet van 6 mei 1976; De Raad van State gehoord (advies van 2 februari 1977, nr. 6); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 februari 1977, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht nr. 103/677; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In het ingevolge [artikel 222**a**, eerste lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=222a) ter griffie van elke rechtbank berustende openbare register wordt aantekening gehouden van de na de inwerkingtreding van dit Besluit plaats gehad hebbende rechtsfeiten, zoals vermeld in het bij dit Besluit behorende model. Artikel 2 Het register bestaat uit kaarten volgens het bij dit Besluit behorende model. Artikel 3 Elke kaart van het register bevat slechts de gegevens met betrekking tot de aan het hoofd daarvan vermelde schuldenaar aan wie voorlopig of definitief surséance van betaling is verleend. Artikel 4 Het kaartregister wordt in alfabetische volgorde aangehouden. Onze Minister van Justitie kan hieromtrent nadere voorschriften geven. Artikel 5 De Wet van 6 mei 1976 (**Stb.** 1976, 280) en di"},{"i":2031,"b":"Zweedse uitvoeringsvoorschriften belastingovereenkomst Nederland-Zweden 1991 Besluit: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 18 juni 1991 tussen Nederland en Zweden gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 1991, 108 en 1992, 20) kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. Vermindering tot 15 percent van de Zweedse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Zweden is aan een inwoner van Nederland, die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, eerste volzin). - b. Vrijstelling van Zweedse belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Zweden is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een venootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het Zweedse lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, tweede volzin). De in onderdeel a van dit artikel vermelde vermindering wordt berekend over het bruto bedrag van de dividenden. De in onderdeel a van dit artikel vermelde vermindering is niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden in Zweden een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting of in Zweden zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort (artikel 10, vierde lid). Artikel 2. Zweedse regeling Ter uitvoering van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005678&artikel=1&z=1997-06-19&g=1997-06-19) is van Zweeds"},{"i":4379,"b":"Besluit van 14 juni 2013, houdende uitvoering van de Wet wegvervoer goederen en houdende wijziging van het Besluit personenvervoer 2000 en het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (Besluit wegvervoer goederen) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 18 februari 2013, nr. IenM/BSK-2012/198667, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 2.1, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.1) en [2.8a, zevende lid, van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.8a), [4, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=4), [5a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=5a), [5b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=5b), [76d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=76d), [83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=83) en [104 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=104), en [2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=2), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=9), en [13, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=13); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 april 2013, no.W14.13.0041/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 11 juni 2013, nr. IenM/BSK-2013/99408, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het verlies van de betrouwbaarheid van een vervoerder is een onevenredig strenge sanctie indien naar het oordeel van de NIWO een door haar vast te stellen minimumaantal veroordelingen en sancties jegens een vervoerder niet is overschreden. Bij het bepalen van dit aantal houdt de NIWO rekening met de aard van de overtreding"},{"i":2422,"b":"Beleidsregel handhaving en invordering jaarverantwoording **Grondslag** Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (Awb), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot een haar toekomende of onder haar verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheid. De NZa houdt op grond van [artikel 16, sub e, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) (hierna: Wmg) toezicht op de naleving van [artikel 40b van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40b). Artikel 40b van de Wmg voorziet in de verplichting voor een zorgaanbieder om zich jaarlijks te verantwoorden door het openbaar maken van een jaarverantwoording. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in [artikel 3 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - **CJIB:** Centraal Justitieel Incassobureau; - **Convenant NZa-CJIB:** Convenant inzake het Innen en Incasso arrangement dat door het CJIB in opdracht van de NZa wordt ingezet voor de aangeleverde vorderingen; - **CIBG:** uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport als bedoeld in [artikel 13 Regeling openbare jaarverantwoording WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045649&artikel=13); - **zorgaanbieder:** natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - **combinatie-instelling:** zorgaanbieder die tevens - 1). jeugdhulpaanbieder als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel 1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1) of gecertificeerde instelling is;"},{"i":3979,"b":"Besluit Rendementen gesubsidieerde woningbouw augustus 2012 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2012, doch niet later dan 15 september 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,722 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2012 en eindigende met 15 september 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepass"},{"i":2037,"b":"Aankoop effecten met spaarloon Bij [circulaire AD97/U869](onbekend) van 28 november 1997 deelde ik u onder andere mede, dat mij uit een onderzoek dat ik had doen instellen was gebleken, dat de aankoop van effecten met spaarloon binnen de [Spaarloonregeling rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006585) mogelijk was en dat de regeling daarvoor niet hoefde te worden aangepast. Naar aanleiding van de genoemde circulaire berichtte de Inspecteur der Belastingen mij dat hij zich niet in deze benadering kon vinden. Hij stelde zich op het standpunt dat zonder wijziging van de [Spaarloonregeling rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006585) het ten laste van deze spaarloonregeling kopen van effecten niet geoorloofd is. Om die reden was ik voornemens de regeling in kwestie op dit punt te doen aanpassen. Inmiddels was mij evenwel gebleken dat banken weigerden te voldoen aan verzoeken van deelnemers aan de [Spaarloonregeling rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006585) om effecten te mogen aankopen van hun spaarloon. Besloten werd dan ook dit punt op te nemen met de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB). De NVB stelde dat de effectentransacties in kwestie gecompliceerd en zeer arbeidsintensief zijn. Voorzover er toch behoefte zou bestaan aan deblokkering voor effectenaankoop, zou ieder ministerie voor elk afzonderlijk geval contact moeten opnemen met de betrokken financiële instelling. Dit met als doel afspraken te maken met deze instelling om hen te vrijwaren van aanspraken die samenhangen met het niet naleven van de geldende regels door de betrokkenen. Voor de ministeries zou dit laatste een extra uitvoeringslast (controle) en risico met zich brengen. De werkgever is en blijft als inhoudingsplichtige namelijk verantwoordelijk voor de afdracht van belasting en premies, ook wanneer mocht blijken dat niet overeenkomstig de vigerende (fiscale) regelgeving is gehandeld. Ik ben van mening dat van de werkgevers binnen de sec"},{"i":7016,"b":"Wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel II Wijzigt het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel III Wijzigt het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IV Wijzigt het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel V Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel VI Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel VII 1. Ten aanzien van de verdere behandeling door een kantongerecht, een arrondissementsrechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet aanhangig zijn, blijft het recht zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing. 2. Ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een beslissing van een kantongerecht, arrondissementsrechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is tot stand gekomen en de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend blijft het recht zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing. 3. In afwijking van het tweede lid kan het rechtsmiddel req"},{"i":4215,"b":"Besluit vaststelling Subsidieplafonds 2022 Stichting Nederlands Fonds voor de Film Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904), en gelet op [artikel 7 van het Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044475&artikel=7), [artikel 3 van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044642&artikel=3), [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044508&artikel=3) en [4 van het Deelreglement Ontwikkeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044508&artikel=4), [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044509&artikel=19) en [22 van het Deelreglement Realisering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044509&artikel=22), [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044551&artikel=8), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044551&artikel=13) en [16 van het Deelreglement Distributie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044551&artikel=16) en [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044640&artikel=12), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044640&artikel=18) en [23 van het Deelreglement Filmactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044640&artikel=23); Besluit: Artikel I Het subsidieplafond van het [Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044642) voor filmproducties voor het kalenderjaar 2022 is € 21.930.000,– (zegge: eenentwintig miljoen negenhonderddertig duizend euro). (€ 5.480.000,– (zegge: vijf miljoen vierhonderdtachtigduizend euro) per aanvraagronde). Per aanvraagronde worden als eerste alle internationale coproducties gehonoreerd tot maximaal 70% van het budget. Artikel II Het subsidieplafond van het [Deelreglement Ontwikkeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044508) ten behoeve van Slatefunding ontwikkeling speelfilm voor 2021–2022 is € 540.000,– (zegge: vijfhonderdveertig duizend e"},{"i":4147,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 19 maart 2015 nr. DSO/GA-83/15, tot vaststelling van beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (SRGR Partnerschappen 2016–2020) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) op het terrein van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten aan Nederlandse rechtspersonen gelden voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 Aanvragen om in aanmerking te komen voor een partnerschap in het kader van SRGR partnerschappen 2016–2020 worden ingediend in de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot 1 juni 2015, 12.00 uur aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1Het aanvraagformulier is met de daarbij behorende annex ook geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties Artikel 3 De selectie van de SRGR partners vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste daaraan voldoen het eerst voor een SRGR partnerschap in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwi"},{"i":4735,"b":"Intrekking beleidsregels voor uitgifte locaties voor benzinestations langs rijkswegen Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder exploitant: een handelaar die als ondernemer met de vereiste overheidstoestemming een benzinestation exploiteert of heeft geëxploiteerd en die ten gevolge van de aanleg van een rijksweg in zijn bedrijf is geschaad. Artikel 2 Onverminderd de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014185&artikel=3&z=2002-11-13&g=2002-11-13) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014185&artikel=4&z=2002-11-13&g=2002-11-13) worden de volgende beleidsregels ingetrokken: - a. Regeling van de Minister van Economische Zaken van 26 juni 1972 ten aanzien van de uitgifte en exploitatie van benzinestations langs rijkswegen; - b. Regels ten aanzien van vergunningen voor benzinestations langs rijkswegen (Stcrt. 1972, 218); - c. Regels ten aanzien van de uitgifte en exploitatie van benzinestations langs rijkswegen van 15 maart 1984; - d. Regeling toewijzing benzinestations langs rijkswegen (Stcrt. 1984, 49). Artikel 3 1. De toewijzing aan een benzineverkoopmaatschappij van een benzinestation langs een rijksweg, die overeenkomstig de in artikel 2 genoemde beleidsregels heeft plaatsgevonden voor inwerkingtreding van dit besluit, wordt geëerbiedigd met inachtneming van hetgeen in het op 13 april 2000 gesloten Convenant `Alternatief traject MDW Benzine Hoofdwegennet' is overeengekomen. 2. De aanwijzing van een exploitant van een benzinestation, die overeenkomstig de in artikel 2 genoemde beleidsregels heeft plaatsgevonden voor inwerkingtreding van dit besluit, wordt geëerbiedigd met inachtneming van hetgeen in het op 8 november 2001 gesloten Convenant `Onderliggende rechtsrelaties' is overeengekomen. 3. Indien een aanwijzing als bedoeld in het twee"},{"i":2426,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 17 februari 2010, nr. WJZ/9222263, houdende vaststelling van beleidsregels met betrekking tot de handhaving van splitsingsplannen door de Raad van bestuur van de Nederlandse mededingingsautoriteit (Beleidsregel handhaving splitsingsplannen) Gelet op de [artikelen 5d van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=5d) en [IXc, eerste en tweede lid, van de Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020608&artikel=IXc) in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer; Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020608) in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer; - b. **splitsingsplan:** het splitsingsplan, bedoeld in [artikel IXb, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020608&artikel=IXb); - c. **splitsingskosten:** de kosten, bedoeld in [artikel IXa, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020608&artikel=IXa). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing indien met het oog op de naleving van [artikel IXa, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020608&artikel=IXa) wordt gekozen voor een balansvoorziening voor splitsingskosten. Artikel 3 1. In de balansvoorziening worden alleen toekomstige splitsingskosten opgenomen die verband houden met activiteiten of handelingen die reeds hebben plaatsgevonden. 2. De verklaring van een onafhankelijke deskundige, bedoeld in [artikel IXc, eerste of tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020608&artikel=IXc) bevat dan tevens een verklaring omtrent: - a. de juistheid van de ten aanzien van de voor de balansvoorziening gehanteerde oorspronkelijke uitgangspunten; - b. de aann"},{"i":6219,"b":"Wet van 11 december 2024 tot wijziging van de Omgevingswet, de Gaswet en de Warmtewet in verband met gemeentelijke instrumenten voor de warmtetransitie in de gebouwde omgeving (Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele bepalingen in te voegen in de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) en de [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440) met het oog op een adequaat instrumentarium voor het realiseren van de warmtetransitie in de gebouwde omgeving; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gaswet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II Wijzigt de Omgevingswet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IIa Wijzigt de Warmtewet. Artikel III Wijzigt de Energiewet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6220,"b":"Wet van 9 februari 2012 tot het geven aan gemeenten van de verantwoordelijkheid voor schuldhulpverlening (Wet gemeentelijke schuldhulpverlening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gemeenten een wettelijke taak te geven met betrekking tot schuldhulpverlening; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **cliënt:** persoon aan wie op grond van deze wet schuldhulpverlening wordt gegeven; - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **inwoner:** degene die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven; - **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - **schuldhulpverlening:** het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg. Artikel 2. Plan 1. De gemeenteraad stelt een plan vast dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente. 2. De gemeenteraad stelt het plan telkens voor een periode van ten hoogste vier jaren vast. Het plan kan tussentijds gewijzigd worden. 3. Het plan bevat de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid betreffende integrale schuldhulpverlening en het voorkomen dat inwoners schulden aangaan die ze niet kunnen betalen. 4. In het plan wordt in ieder geval aangegeven: - a. welke resultaten de gemeente in de door het plan bestreken periode wenst te behalen; - b. welke maatregelen de gemeenteraad en het college nemen om de kwaliteit te borgen van de wijze waarop de integrale schuldhu"},{"i":6218,"b":"Wet van 16 maart 1995, houdende gemeentelijke indeling van het tot de provincie Flevoland behorende zuidelijke deel van het IJsselmeer en opheffing van het openbaar lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het tot de provincie Flevoland behorende zuidelijke deel van het IJsselmeer gemeentelijk in te delen en in verband daarmee het openbaar lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders op te heffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling wordt het tot de provincie Flevoland behorende zuidelijke deel van het IJsselmeer gemeentelijk ingedeeld bij de gemeenten Almere en Lelystad, zodat de nieuwe grenzen van beide gemeenten komen te lopen als aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 2 1. De Wet openbaar lichaam \"Zuidelijke IJsselmeerpolders\" wordt met ingang van de datum van herindeling ingetrokken. 2. Het openbaar lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders wordt met ingang van de datum van herindeling opgeheven. Artikel 3 Ten aanzien van de rechtskracht van voorschriften en de overgang van rechten en verplichtingen zijn de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=28), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=30), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=37), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=44), [50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=50) en [70 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=70) van overeenkomstige toepassing. Artikel 4 Ter uitvoering van de [artikelen 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), derde lid en"},{"i":3689,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 30 maart 2015, nr. WJZ/15032196, houdende het verlenen van mandaat en machtiging aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake de vaststelling van selectielijsten op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, te weten de personeelsdossiers van medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken (Besluit mandaat en machtiging secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vaststelling selectielijsten met betrekking tot personeelsdossiers van medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken) Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Besluit: Artikel 1 Aan de secretaris–generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het vaststellen, wijzigen en intrekken van selectielijst(en) als bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) met betrekking tot de personeelsdossiers van medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken. Artikel 2 1. De secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036491&artikel=1&z=2015-04-02&g=2015-04-02) bedoeld bevoegdheden, ondermandaat en machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende functionarissen. 2. Het verlenen van ondermandaat en machtiging alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk en wordt bekendgemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit"},{"i":4067,"b":"Besluit van 11 februari 1958, tot regeling van de aanwijzing van afgevaardigden van Nederland in de Vergadering van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 8 februari 1958, Directie Integratie Europa, no. 21547; Gelet op artikel 21, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, zoals dit luidt krachtens artikel 2 van de \"Overeenkomst betreffende bepaalde instellingen, welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben\" (**Trb.** 1957, 93), op artikel 138, eerste lid van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (**Trb.** 1957, 91) en op artikel 108, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (**Trb.** 1957, 92); Overwegende, dat het wenselijk is een nadere regeling te treffen voor de aanwijzing van de afgevaardigden uit het Koninkrijk der Nederlanden in de Vergadering voorzien in bovengenoemde Verdragen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De aanwijzing van de afgevaardigden uit het Koninkrijk der Nederlanden zal geschieden door de beide Kamers der Staten-Generaal. De wijze van aanwijzing wordt door beide Kamers der Staten-Generaal in onderling overleg vastgesteld. Artikel 2 Ons besluit van 23 augustus 1952 (**Stb.** 452) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van het **Staatsblad,** waarin het is geplaatst. Onze Minister van Buitenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** en in de **Staatscourant** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal."},{"i":437,"b":"Regeling verlening volmacht UWV De Staat der Nederlanden, waarvan de zetel gevestigd is te 's-Gravenhage, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verleent aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan de zetel gevestigd is te Amsterdam, de volmacht om in het kader van de uitvoering van de volgende regelingen namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: **UWV**: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam **Regelingen**: het [Besluit Werkloosheid Onderwijs- en Onderzoekspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006445), het [Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012177), alsmede hoofdstuk III, hoofdstuk IV en hoofdstuk VI, [artikel 44, van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007800&artikel=44). Artikel 2 UWV is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de regelingen namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. Artikel 3 UWV is bevoegd tot het doorverlenen van volmacht aan bij UWV in dienst zijnde functionarissen op de wijze zoals nader geregeld in het interne mandaatbesluit van UWV. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op 1 april 2004."},{"i":3249,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 maart 2025 nr. BOACAT2025/113, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Harderwijk Gelezen het verzoek van de gemeente Harderwijk van 13 januari 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050891&artikel=2&z=2025-10-20&g=2025-10-20). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver II en III in dienst van- de gemeente Harderwijk, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de"},{"i":7137,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 21 oktober 2007, nr. DJZ2007096828, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende regels omtrent verplichte afkoop van jaarlijkse bijdragen, die krachtens de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 zijn toegekend aan gemeenten (Regeling verplichte afkoop hoogniveaurenovatie 2007) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van het Invoeringsbesluit Wet stedelijke vernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011957&artikel=2); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepaling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. gemeente: gemeente jegens wie verbintenissen bestaan die voortvloeien uit de RGSVH; - b. Minister: Minister voor Wonen, Wijken en Integratie; - c. RGSVH: Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987, zoals die regeling luidde op 31 december 1991; - d. verbintenis: verbintenis die voortvloeit uit de RGSVH. Paragraaf 2. Subsidie ter beëindiging van verbintenissen van het Rijk jegens gemeenten Artikel 2 1. De Minister stelt bij beschikking het totaalbedrag vast, waartegen de nog resterende verbintenissen jegens een gemeente worden afgekocht. 2. De Minister voegt bij de beschikking een totaaloverzicht van de nog resterende verbintenissen jegens die gemeente en de daarbij behorende afkoopbedragen. Artikel 3 1. Per verbintenis van het Rijk jegens een gemeente wordt het subsidiebedrag vastgesteld overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid. 2. Voor elk jaar van de nog resterende looptijd van de verbintenis wordt het bedrag aan geldelijke steun, dat het Rijk op grond van die verbintenis aan de gemeente verschuldigd is, contant gemaakt door middel van deling van dat bedrag door (1 + i)n. Hierbij is ‘i’ de disconteringsvoet en ‘n’ het aantal jaren vanaf de eerste vervaldatum van een bedrag aan geldelijke steun na 31 oktober 2007 tot aan de laatste vervaldatum. 3. De overeenkomstig het tweede lid berekende bedragen worden gesommeerd. Het resultaat"},{"i":2605,"b":"Besluit van het bestuur van ZonMw van 27 augustus 2025, houdende vaststelling van de Beleidsregels handhaving subsidiebepalingen ZonMw in verband met het verlagen van de subsidievaststelling bij het niet tijdig voldoen aan de aanlevering van de controle- of Sisa-verklaring en het ontbreken van een goedkeurende accountantsverklaring Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluiten: De Beleidsregels handhaving subsidiebepalingen ZonMw zijn als volgt: Artikel 1 1. Deze beleidsregels zijn van toepassing op subsidies met werkelijke kosten vanaf € 125.000 die worden verstrekt door ZonMw. 2. Deze beleidsregels zijn niet van toepassing voor zover bij enig wettelijk voorschrift ten aanzien van een subsidie anders is bepaald. 3. In deze beleidsregels wordt onder verklaring verstaan een controleverklaring of een Sisa-verklaring van de accountant. Sisa-verklaring staat voor Single Information Single Audit; er wordt per boekjaar één keer informatie geleverd waar één audit op plaatsvindt. Artikel 2 Iedere subsidieontvanger is verplicht om binnen 13 weken na afloop van het project een eindverantwoording (inhoudelijk eindverslag en een financiële eindverantwoording) inclusief een goedkeurende controleverklaring van de accountant aan te leveren. Artikel 3 Een universitair medische centra of universiteit is verplicht om binnen 8 maanden na afloop van enig jaar om het jaaroverzicht (alle in dat jaar afgesloten projecten met een subsidie van € 125.000 of meer) te completeren met een goedkeurende Sisa-verklaring van de accountant. Artikel 4 1. Indien de verklaring 7 maanden na de gestelde termijn niet is aangeleverd (behoudens overmacht) wordt op het bedrag van de vast te stellen subsidie of het relevante subsidieonderdeel een bedrag in mindering gebracht van 10%. 2. Indien de verklaring 9 maanden na de gestelde termijn niet is aangeleverd (behoudens overmacht) wordt op het bedrag van de vast te stellen su"},{"i":2077,"b":"Besluit van 27 november 2020 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit en enkele andere besluiten met het oog op het beschermen van de bodem, met inbegrip van het grondwater, en het duurzaam en doelmatig gebruik van de bodem (Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 6 april 2020, nr. IENW/BSK-2020/49546, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op de kaderrichtlijn afvalstoffen, de kaderrichtlijn water, de nitraatrichtlijn, de nec-richtlijn, Richtlijn nr. 86/278/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG 1986, L 278), de [artikelen 2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [4.3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [5.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), [5.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.11), [5.18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.18), [5.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.26), [5.34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.34), [16.43, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.43), [18.2, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.2), [19.0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=19.0), [20.10, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.10), en [22.2, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR003788"},{"i":2079,"b":"Besluit van 16 december 2020 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit en enkele andere besluiten in verband met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet (Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 13 juli 2020, nr. WJZ / 20186584, mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de vogelrichtlijn, de habitatrichtlijn, de Europese cites-regelgeving, de Europese flegt-regelgeving, de Europese houtregelgeving, de Europese invasieve-exotenregelgeving, de Europese zeehondenregelgeving, de wildklemverordening, EU-[richtlijn 2017/853](32017L0853) over de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens, het verdrag van Bern, het verdrag van Bonn, het walvisverdrag, de benelux-overeenkomst over jacht en vogelbescherming, de Tweede Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie met betrekking tot de bescherming van de vogelstand M(76)15, de Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie strekkende tot de limitatieve opsomming van de te bezigen geweren en munitie bij de jacht op de onderscheiden wildsoorten (M(83)17 en de Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie met betrekking tot de jacht en vogelbescherming M(96)8; Gelet op de [artikelen 2.18, eerste lid, onder f, onder 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.18), 2.18, vierde lid, onder b, [2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=3.13), [3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=3.15), [3.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=3.16), [4.3, eerste, tweede lid en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [5.1](h"},{"i":3973,"b":"Besluit van 3 juli 2018, houdende voorschriften in verband met de traceerbaarheid van implantaten ter bescherming van de gezondheid van cliënten (Besluit registratie implantaten) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 29 maart 2018, kenmerk 1314863-174608-WJZ; Gelet op [artikel 7b, eerste en vijfde lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=7b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 april 2018, no. W13.18.0077/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 27 juni 2018, kenmerk 1314857-174608-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (totstandkoming implantatenregister ter bescherming gezondheid cliënten) in werking treedt. Artikel 1 De verplichtingen tot registratie en verstrekking van gegevens, bedoeld in [artikel 7b, eerste en tweede lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=7b), zijn van toepassing op de implantaten, of onderdelen daarvan, die genoemd zijn in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De gegevens over implantaten die ingevolge [artikel 7b, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=7b) worden aangetekend in het dossier van de cliënt, betreffen: - a. de naam van de zorgaanbieder; - b. de naam van de fabrikant van het implantaat; - c. de productnaam van het implantaat; - d. het producttype van het implantaat; - e. de unieke aanduiding van het implantaat; - f. het lot- of serienummer van het implantaat; - g. de datum van de implantatie; - h. de datum van explantatie van het implantaat, indien hiervan sprake is; en - i. de datum van overlijden van die cliënt, indien hiervan sprake is. Artikel 3 Indien een zorgverlener een implantaat explanteert, is de verplichting, bedoeld in"},{"i":3173,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 31 maart 2022, nr. BOACAT2022/008, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Utrecht Gelezen het verzoek van de gemeente Utrecht van 3 februari 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046525&artikel=2&z=2022-04-13&g=2022-04-13). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Vakspecialist E, Vakspecialist F, Vakspecialist G in dienst van de gemeente Utrecht, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de ["},{"i":2847,"b":"Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1998 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1997 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1996; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1998 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2.3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1998."},{"i":3194,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 26 maart 2024 nr. BOACAT2024/025, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Ameland Gelezen het verzoek van de gemeente Ameland van 11 maart 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049524&artikel=2&z=2024-04-05&g=2024-04-05). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver openbare ruimte in dienst van gemeente Ameland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie g"},{"i":3250,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 juli 2024 nr. BOACAT2024/061, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Harlingen Gelezen het verzoek van de gemeente Harlingen van 14 mei 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049997&artikel=2&z=2024-07-18&g=2024-07-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van gemeente Harlingen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, I, zoals opgenomen in de [bijlage bi"},{"i":4513,"b":"Circulaire Specifieke aandachtspunten Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers voor gemeenten, d.d. 10 december 2019, kenmerk 2019-0000652446 **Van verzending circulaires naar publicatie op internet** **De circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers worden uitsluitend nog bekend gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant), op de website** **www.rijksoverheid.nl** **en op de website** **www.politiekeambtsdragers.nl**. **U kunt zich****inschrijven****op de e-mailattendering. Als u zich hebt ingeschreven voor deze e-mailattendering, ontvangt u een attendering zodra er een circulaire op de site wordt gepubliceerd. De eerdere RSS-attendering is niet meer werkzaam.** 1. Inleiding Bij [circulaire van 28 november 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041643) bent u geïnformeerd over de totstandkoming van het [Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522) (Stb. 2018, 386), en de daarbij behorende [Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041573) (Stcrt 2018, 66006). Nadien is een aantal wijzigingen ingevoerd bij [besluit van 5 juli 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042417), Stb. 2019, 260, en bij regeling van 6 februari 2019, Stcrt. 2019, 7580. Verder is via signalen uit de praktijk gebleken dat er op bepaalde onderdelen meer duidelijkheid moest worden geboden of nadere regelgeving moest worden aangekondigd. In deze circulaire worden de relevante onderwerpen toegelicht. De fiscale aspecten zijn afgestemd met het ministerie van Financiën. In **bijlage 1** is in een **overzicht per onderwerp** een **hyperlink** opgenomen in welke circulaire u hierover nadere informatie kunt vinden. Op die manier kunt u eenvoudig nagaan waar u de **actuele informatie** kunt vinden. 2. ICT: overgangsrecht met betrekking tot verstrekking Vóór 2019 was het voor gemeenten mogelijk om aan hun pol"},{"i":2624,"b":"Beleidsregels projectsubsidie ontwikkeling imamopleidingen Overwegende dat: – de Tweede Kamer de regering heeft verzocht om aan imams die in Nederland gaan werken de voorwaarde te stellen dat zij een Nederlandse imamopleiding hebben gevolgd omdat dit noodzakelijk is voor de integratie van de moslimgemeenschap in Nederland; – de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in een brief aan de Tweede Kamer, mede namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, heeft geschetst hoe zij denkt te komen tot de vorming van opleidingen voor imams in Nederland, waaronder een traject dat betrekking heeft op het stimuleren van initiatieven voor imamopleidingen; – islamitische organisaties, onderwijsinstellingen anders dan de bekostigde universiteiten, en overige geïnteresseerde partijen, de mogelijkheid moeten krijgen om met tijdelijke financiële ondersteuning vanuit de overheid, plannen uit te werken om te komen tot een curriculum van een theologische opleiding voor islamitisch geestelijke bedienaren (imams) en/of islamitisch geestelijk verzorgers, met een daarbij behorend beroepsprofiel; Gelet op [artikel 48s van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48s); Besluit: Artikel 1. Doelomschrijving De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie kan besluiten tot verlening van een subsidie ten behoeve van de ontwikkeling van een curriculum van een theologische opleiding voor islamitisch geestelijke bedienaren (imams) en/of islamitisch geestelijke verzorgers en een daarbij behorend beroepsprofiel. Artikel 2. Projectbudget 1. Ten behoeve van de realisatie van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018218&artikel=1&z=2005-04-30&g=2005-04-30) bedoelde curriculum en het bijbehorende beroepsprofiel is een projectbudget beschikbaar van € 400.000,–. 2. Het projectbudget is bestemd voor de ontwikkeling van een curriculum, voor de activiteiten van de adviescommissie als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overhei"},{"i":3259,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 november 2024 nr. BOACAT2024/110, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Heusden Gelezen het verzoek van gemeente Heusden van 8 oktober 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050392&artikel=2&z=2024-11-13&g=2024-11-13). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar/gebied BOA/ jeugd BOA in dienst van gemeente Heusden zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in d"},{"i":3422,"b":"Besluit van 25 februari 2022, houdende regels over diergeneesmiddelen en gemedicineerde diervoeders (Besluit diergeneesmiddelen 2022) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 december 2021, nr. WJZ / 21298679, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [Verordening (EU) 2019/6](31906R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van [Richtlijn 2001/82/EG](32001L0082) (PbEU 2019, L 4), [Verordening (EU) 2019/4](31904R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van gemedicineerde diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [Richtlijn 90/167/EEG](31990L0167) van de Raad (PbEU 2019, L 4), [Verordening (EU) 2016/429](32329R2016) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid («diergezondheidswetgeving») (PbEU 2016, L 84), [Richtlijn 96/22/EG](31996L0022) van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van β-agonisten en tot intrekking van de [Richtlijnen 81/602/EEG](31981L0602), [88/146/EEG](31988L0146) en [88/299/EEG](31988L0299) (PbEG 1996, L 125), Verordening (EU) [2017/625](32017L0625) van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen"},{"i":3744,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 30 januari 2023, nr. WJZ/ 22496139, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan enkele decentrale overheden ter uitvoering van de EZK-cofinanciering op grond van de Subsidieregeling JTF 2021-2027 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging inzake uitvoering EZK-cofinanciering Subsidieregeling JTF 2021-2027) Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), en [10:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Gezien de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant, het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam op grond van [artikel 10:4, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **Gedeputeerde Staten:** de Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant; - –. **SNN:** het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland; - –. **het college:** het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam. Artikel 2 Aan Gedeputeerde Staten, SNN en het college wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het verstrekken van subsidies ten laste van de EZK-cofinanciering op grond van [hoofdstuk 9 van de Subsidieregeling JTF 2021-2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047689&hoofdstuk=9). Artikel 3 Aan Gedeputeerde Staten, SNN en het college wordt, ieder voor zich, mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047845&artikel=1&z=2023-02-04&g=2023-02-04), waaronder het nemen v"},{"i":2833,"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1980 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen vastgesteld krachtens [artikel 9, achtste lid, der Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9), per 30 september 1979 ten minste één procent afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1978; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1980 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 6. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1980."},{"i":3887,"b":"Besluit van 18 augustus 1982, houdende nadere regels betreffende de opgave van de hoeveelheid bijdragende olie als bedoeld in artikel 5 van de Wet schadefonds olietankschepen Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, van 21 april 1982, no. 682/367 W.J.A.; Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003400&artikel=5) en [12 van de Wet schadefonds olietankschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003400&artikel=12) (**Stb.** 1981, 294); De Raad van State gehoord (advies van 30 juni 1982, no. 2235/14/8224); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 11 augustus 1982, no. 682/733 W.J.A.; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit wordt onder wet verstaan: de [Wet schadefonds olietankschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003400) (**Stb.** 1981, 294). 2. Bijdragende olie wordt aangemerkt als te zijn ontvangen in de zin van artikel 5 van de wet zodra deze, na een aanvoer over zee als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder **a** of **b**, van het Verdrag, in Nederland wordt opgeslagen. 3. Voor de toepassing van het bij en krachtens artikel 5, eerste lid, van de wet bepaalde wordt als degene, die in een kalenderjaar bijdragende olie heeft ontvangen, aangemerkt een in Nederland gevestigde persoon, die in dat kalenderjaar - a. bijdragende olie in Nederland voor zichzelf heeft bewerkt of verwerkt, dan wel heeft doen bewerken of verwerken, dan wel - b. bijdragende olie op de binnenlandse markt heeft verhandeld, voor zover de in dat jaar ontvangen bijdragende olie door hem of te zijnen behoeve door een ander bij de ontvangst in opslag is genomen. 4. Voor zover niet ingevolge het derde lid een persoon wordt aangemerkt als degene die in een kalenderjaar bijdragende olie heeft ontvangen, wordt voor de toepassing van het bij en krachtens artikel 5, eerste lid, van de wet bepaalde als zodanig aangemerkt degene, die de in dat jaar o"},{"i":4751,"b":"Besluit van 6 november 1991, houdende vaststelling van het Kadasterbesluit Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 januari 1991, nr. MJZ24191041, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=2), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=45), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=56), [57, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=57), [59, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=59), [64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=64), [65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=65), [67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=67), [70, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=70), [73, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=73), [74, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=74), [75, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=75), [87, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=87), [89, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=89), [91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=91), [94, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=94), [96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=96), [98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=98), [102, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=102), en [105, eerste en tweede lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=105) (**Stb.** 1991, 570); De Raad van State gehoord, advies van 13 augustus 1991, no. W08.91.0049; Gezien het nader"},{"i":3285,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 29 maart 2016 nr. BOACAT2016/021, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Maastricht Gelezen het verzoek van gemeente Maastricht van 15 februari 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037789&artikel=2&z=2016-05-25&g=2016-05-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van BOA Openbare Ruimte of Wijkgebonden medewerker in dienst van de gemeente Maastricht, afdeling V&L Handhaven OR, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noo"},{"i":3169,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 februari 2017 nr. BOACAT2017/013, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de afdeling Stadstoezicht van de gemeente Almere Gelezen het verzoek van de gemeente Almere van 2 februari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039254&artikel=2&z=2017-05-08&g=2017-05-08). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Handhaver Openbare Ruimte in dienst van de afdeling Stadstoezicht van de gemeente Almere, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederl"},{"i":3093,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 18 oktober 2009, nr. WJZ/9154325, houdende bekendmaking van het via de procedure van veilen verdelen van vergunningen voor frequentieruimte in de 2,6 GHz-band Besluit op grond van [artikel 3.3, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=2), en [3, eerste en derde lid, van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=3) het volgende: Besluit: Artikel 1 Ten behoeve van het gebruik van frequentieruimte voor terrestrische elektronische communicatie worden er: - a. ten minste 25 en ten hoogste 38 vergunningen beschikbaar gesteld voor het gebruik van de frequentieruimte binnen het frequentiebereik 2500–2690, en - b. een vergunning beschikbaar gesteld voor het gebruik van de frequentieruimte binnen het frequentiebereik 2010–2019,7. Artikel 2 De vergunningen bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026544&artikel=1&z=2009-10-28&g=2009-10-28) worden verleend door middel van de procedure van een veiling overeenkomstig de [Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen 2,6 GHz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026545). Artikel 3 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst. Het besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het is geplaatst."},{"i":4535,"b":"Circulaire Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting Circulaire aan de colleges van burgemeester en wethouders en aan de besturen van toegelaten instellingen, MG 95-25 van 19 juli 1995 In verband met de inwerkingtreding van de [Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007419) heb ik de circulaire MG 95-25 verzonden aan de Colleges van burgemeester en wethouders en de besturen van toegelaten instellingen. Daar deze circulaire te omvangrijk is om in zijn geheel te worden gepubliceerd in de Staatscourant, geef ik op deze wijze bekendheid aan het bestaan ervan. In de circulaire wordt ingegaan op de inhoud van de [Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007419) en op de procedurele kanten van de wet. Tevens wordt uiteengezet op welke wjze gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheden, die de [Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007419) en de op deze wet gebaseerde regelgeving geven. De circulaire ligt voor een ieder ter inzage van de maandag tot en met de vrijdag, tussen 9.00 en 16.00 uur, op het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Rijnstraat 8, afdeling Bibliotheek, kamer C 01.60, Den Haag. Een afschrift van de circulaire wordt op verzoek toegezonden. Een dergelijk verzoek dient te worden gericht aan het Ministerie van VROM, DGVH/BVH, Helpdesk, Postbus 7008, 8007 HA Zwolle, telefoon: 038 - 695252."},{"i":3149,"b":"Besluit van 12 april 2003, houdende uitvoering van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Besluit BIBOB) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 oktober 2002, nr. EA2002/88934, directoraat-generaal Openbare Orde en Veiligheid, mede namens Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=1), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=5), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=7), [16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=16), [27, eerste lid, onderdeel i, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=27), en [46 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=46); De Raad van State gehoord (advies van 28 november 2002, nr. W04.02.0448/I); Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie van 27 maart, nr EA2003/55758, directoraat-generaal Openbare Orde en Veiligheid, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: de [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798). Artikel 2 Als rechtspersoon met een overheidstaak als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=1), worden aangewezen de zelfstandige bestuursorganen van de in de bijlage bij dit besluit genoemde rechtspersonen. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Het Bureau stelt jaarlijks de bijdrage in de kosten van het advies, bedoeld in [artikel 16 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":2083,"b":"Wet van 19 februari 2020 tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten met het oog op het beschermen van de bodem, met inbegrip van het grondwater, en het duurzaam en doelmatig gebruik van de bodem (Aanvullingswet bodem Omgevingswet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) aan te vullen met regels met het oog op de bescherming van de bodem, met inbegrip van het grondwater, en het duurzaam en doelmatig gebruik van de bodem; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijzigingen in de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) Artikel 1.1. ([Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885)) Wijzigt de Omgevingswet. Hoofdstuk 2. Intrekken en wijziging van andere wetten Paragraaf 2.1. Intrekken van de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) Artikel 2.1. (intrekken [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994)) De [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) wordt ingetrokken. Paragraaf 2.2. Wijziging van andere wetten Artikel 2.2. ([Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2.3. ([Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789)) Wijzigt de Kaderwet subsidies I en M. Artikel 2.4. ([Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919)) Wijzigt de Wet bevordering eigenwoningbezit. Artikel 2.5. ([Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245)) Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel 2.6. ([Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063)) Wijzi"},{"i":4364,"b":"Besluit van 8 mei 2006, houdende algemene eisen ten aanzien van het horen van personen per videoconferentie (Besluit videoconferentie) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 13 januari 2006, 5396943/06/1; Gelet op [artikel 97 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=97); De Raad van State gehoord (advies van 13 maart 2006, nr. W03.06.0013/I); Gezien het nader rapport van 28 april 2006, nr. 5415979/06/6 van Onze Minister van Justitie en Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het horen van een vreemdeling in een beroepsprocedure tegen een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94) en [96 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=96), kan per videoconferentie geschieden, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tussen de betrokken personen totstandkomt. 2. De rechtbank beslist of van videoconferentie gebruik wordt gemaakt. Artikel 2 1. In de navolgende gevallen wordt geen gebruik gemaakt van videoconferentie, tenzij met instemming van de verdachte of diens raadsman: - a. ten aanzien van de verdachte, die in de desbetreffende zaak wordt voorgeleid voor de rechter-commissaris in verband met de inbewaringstelling; - b. ten aanzien van de verdachte, bij de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting van de meervoudige kamer. 2. Van toepassing van videoconferentie wordt bovendien geen gebruik gemaakt indien de te horen persoon een zodanige auditieve of visuele handicap heeft waardoor redelijkerwijs kan worden verondersteld dat videoconferentie afbreuk doet aan zijn inbreng of positie in het strafproces, dan wel aan de rechten van andere procesdeelnemers. 3. In afwijking van het eerste lid kan van videoconferentie gebruik worden gemaakt indien de meervoudige kamer"},{"i":3449,"b":"Besluit van 12 december 2016, houdende regels inzake eindapparaten ter implementatie van richtlijn 2008/63/EG (Besluit eindapparaten) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 3 oktober 2016, nr. WJZ/ 16143703; Gelet op [richtlijn nr. 2008/63/EG](32008L0063) van de Commissie van 20 juni 2008 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur (PbEG 2008, L 162) en op [artikel 18.2, onder b, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=18.2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 november 2016, nr. W15.16.0310/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 8 december 2016, nr. WJZ /16181108; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Telecommunicatiewet (implementatie van richtlijn 2014/30/EU en richtlijn 2014/53/EU) (Stb. 2016/58) in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **eindapparaten:** - i. apparaten of radioapparaten die per draad, per optische vezel of via elektromagnetische golven direct of indirect zijn aangesloten op de netwerkaansluitpunten van een openbaar telecommunicatienetwerk ten behoeve van overbrenging, verwerking of ontvangst van informatie; een aansluiting is indirect wanneer een apparaat of radioapparaat geplaatst is tussen het eindapparaat en het netwerkaansluitpunt van een openbaar telecommunicatienetwerk; - ii. satellietgrondstation-apparaten; - b. **satellietgrondstation-apparaten:** radioapparaten die kunnen worden gebruikt voor uitzenden of voor uitzenden en ontvangen, of uitsluitend voor ontvangen van radiocommunicatiesignalen door middel van satellieten of andere systemen in de ruimte. Artikel 2 Een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk publiceert de technische specificaties van de netwerkaansluitpunten op genoegzame wijze op de eigen internetpagina, voordat via deze netwerkaansluitpunten diensten aan het publie"},{"i":3670,"b":"Besluit van 4 oktober 2022 van het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants houdende regels inzake mandaat en machtiging (Besluit mandaat en machtiging bestuur NBA 2022) Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen Artikel 2 Het bestuur verleent mandaat en machtiging aan de directie om: - a. alle besluiten te nemen ter uitvoering van artikel 30, eerste lid, van de wet en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=3), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=9) en [10 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=10) en de daarmee verband houdende handelingen te verrichten; - b. alle besluiten te nemen ter uitvoering van [artikel 30, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=30) en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039810&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039810&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039810&artikel=6) en [7 van de Verordening op de kosten kwaliteitsbeoordelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039810&artikel=7) en de daarmee verband houdende handelingen te verrichten; - c. alle besluiten te nemen ter uitvoering van het bepaalde in [artikel 31 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=31) en de daarmee verband houdende handelingen te verrichten; - d. alle besluiten te nemen op aanvragen als bedoeld in [artikel 38, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=38) en de daarmee verband houdende handelingen te verrichten met uitzondering van besluiten tot weigering van een inschrijving met toepassing van [artikel 39, eerste lid, onderdeel e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=39); - e. alle besluiten te nemen als bedoeld in [artikel 43, eerste li"},{"i":4283,"b":"Besluit van 11 oktober 2006 tot verhoging van de grensbedragen, genoemd in de artikelen 396 lid 1 en 397 lid 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van richtlijn 2006/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 (PbEU L 224) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 22 augustus 2006, 5434909/06/6 Directie Wetgeving; Gelet op de artikelen 11, 12 en 27 van de vierde [richtlijn nr. 78/660/EEG](31978L0660) van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PbEG L 222), zoals gewijzigd door [richtlijn 2006/46/EG](32006L0046) van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006, tot wijziging van [Richtlijnen 78/660/EEG](31978L0660) van de Raad betreffende de jaarrekening en van bepaalde vennootschapsvormen, [83/349/EEG](31983L0349) van de Raad betreffende de geconsolideerde jaarrekening, [86/635/EEG](31986L0635) van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen en [91/674/EEG](31991L0674) van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen (PbEU L 224); Gelet op [artikel 398 lid 4 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=398); De Raad van State gehoord, advies van 31 augustus 2006, nr. W03.06.0359/I; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 4 oktober 2006, nr. 5444622/06/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel 2 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel 3 Dit besluit is van toepassing op jaarrekeningen en jaarverslagen die worden opgesteld over de boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2007. De bepalingen van dit besluit kunnen worden toegepast op de jaarrekening en het bestuursverslag die worden opgesteld over het boekjaar dat is aangevangen op of na 1 januari 2006. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag"},{"i":4444,"b":"Bijdragebeschikking Professionaliseringsfonds Burgemeesters 2006–2007 Nederlands Genootschap van Burgemeesters Overwegende dat: Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters zich ten doel stelt om faciliteiten aan te bieden aan alle burgemeesters ten behoeve van het voortdurend professioneel uitoefenen van het ambt; Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters daartoe organisatorische voorzieningen treft, onder de naam ‘Professionaliseringsfonds Burgemeesters’; Deze faciliteiten de kwaliteit van het openbaar bestuur, waarvoor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zorg draagt, ten goede komen; In het Georganiseerd Overleg Burgemeesters van 5 december 2005 is overeenstemming bereikt over de financiering van het Professionaliseringsfonds Burgemeesters voor de periode 2006–2007; Een aanvraag voor een bijdrage van middelen voor het Professionaliseringsfonds Burgemeesters, inclusief een beleidsplan, door het Nederlands Genootschap van Burgemeesters bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ingediend; Het wenselijk is regels vast te stellen betreffende de aan het fonds toe te kennen bijdragen en het beheer van de toegekende middelen. Besluit: Artikel 1. Bijdragen 1. Op aanvraag van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB) kent de minister, op basis van de in de meerjarenraming van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opgenomen bedragen, een bijdrage toe aan het NGB. 2. In de huidige meerjarencijfers van het ministerie is voor de periode 2006 tot en met 2007 een bijdrage van totaal 1.5 miljoen euro voorzien. 3. De minister verstrekt op basis van het beleidsplan met daarbij gevoegde begrotingen van het NGB en aanvullende informatie, in overleg met het NGB, een voorschot van maximaal 80% van deze bijdrage gespreid over de begrotingsjaren 2006–2007. 4. Na ontvangst van de beleidsverantwoording, de financiële eindverantwoording en een goedkeurende accountantsverklaring, waaruit blijk"},{"i":4205,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 1 november 2008, nr. DAO-699/08, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring van activiteiten op het gebied van Human Resources Development ten behoeve van China (Azië-faciliteit voor China) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=10) en [artikel 8.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.4); Besluit: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2087,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 oktober 2021, kenmerk 3266624-1017495-PZO, inzake de aanpassing van de afbakening van de beschikbaarheidbijdrage spoedeisende hulp Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 27 augustus schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2020/21, 29 247, nr. 335) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - –. **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - –. **Bijlage:** [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](onbekend); - –. **verstrekken:** verlenen en vaststellen; - –. **SEH:** spoedeisende hulp; - –. **ANW-uren:** avond-, nacht- en weekenduren; Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op spoedeisende hulp als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 7 van de [Bijlage](onbekend). Artikel 3. Spoedeisende hulp 1. De zorgautoriteit verstrekt een beschikbaarheidbijdrage voor zorg als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 7, van de [bijlage](onbekend) waar: - a. op een in die [bijlage](onbekend) bedoelde afdeling SEH 7x24 uur minimaal één door de KNMG geregistreerde SEH-arts of één arts SEH en één SEH-verpleegkundige aanwezig is, en - b. de volgende zorgverleners bereikbaar zijn gedurende de avond- nacht- en weekenduren: - •. Anesthesioloog, - •. Anesthesieassistent, - •. Apothekersassistent, - •. Cardioloog, - •. Orthopedisch chirurg of traumachirurg, - •. Vaatchi"},{"i":2874,"b":"Beschikking van de Minister voor Rechtsbescherming van 15 oktober 2020, nr. 3052992, directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2021 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2021) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in[artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2021 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2021. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2979,"b":"Besluit aanwijzing plaatsen in gebruik bij TNO als verboden plaats Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 29 juni 2022, nr. BS2022013208, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Gelet op [artikel I van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als verboden plaats in de zin van de [Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074) worden aangewezen de volgende bij TNO in gebruik zijnde gedeelten van gebouwen: - a. Locatie TNO Oude Waalsdorperweg 63 Den Haag 0D vleugel (kelder). Kadastraal bekend: gemeente ’s-Gravenhage, sectie X 5967. - b. Locatie TNO Lange Kleiweg 137 Rijswijk, ruimten 935 en 937 van gebouw 91 (Toxlab). Kadastraal bekend: gemeente Rijswijk, sectie G 3069. - c. Locatie TNO Ypenburgse Boslaan 2 Den Haag, gebouwen (bunkers) 8, 9, 10, 11 en 17. Kadastraal bekend: gemeente ’s-Gravenhage, sectie BG 3378. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046977&artikel=1&z=2022-07-28&g=2022-07-28) aangewezen verboden plaatsen worden als zodanig aangegeven door borden met de tekst: Verboden plaats ingevolge de [Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074). Verboden toegang voor onbevoegden. 2. De in het eerste lid, bedoelde borden worden aangebracht binnen het gebouw bij elke ingang van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046977&artikel=1&z=2022-07-28&g=2022-07-28) genoemde gebouwen of gedeelten daarvan, duidelijk zichtbaar voor een ieder die het gebouw of deel daarvan betreedt. Artikel 3 Ingetrokken worden: - a. het [koninklijk besluit van 25 maart 1986, houdende aanwijzing van enige gebouwen te ’s-Gravenhage en Wassenaar als verboden plaatsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003931) (Stb. 1986, 198); - b. het koninklijk besluit van 1 december 1988, nr. 28, houdende aanwijzing van enige gebouwen van TNO te ’s-Grave"},{"i":4312,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 17 augustus 2016, nr. WJZ / 16122672, inzake verlengbaarheid van de vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroepen in de FM-band Gelet op [artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor de niet-landelijke commerciële radio in de FM-band, genoemd in kolom 1 van tabel 1 zijn verlengbaar om redenen van bevordering van de overgang van analoge naar digitale techniek als bedoeld in [artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18). | Kavel | Dossiernummer | | --- | --- | | **B01** | 5055310 | | **B02** | 5055311 | | **B03** | 5055312 | | **B04** | 5055313 | | **B05** | 5055314 | | **B06** | 5055315 | | **B07** | 5055316 | | **B08** | 5055317 | | **B09** | 5055318 | | **B10** | 5055319 | | **B11** | 5055320 | | **B12** | 5055321 | | **B13** | 5055322 | | **B14** | 5055323 | | **B15** | 5055324 | | **B16** | 5055325 | | **B17** | 5055326 | | **B18** | 5055327 | | **B19** | 5055328 | | **B20** | 5055329 | | **B21** | 5055330 | | **B22** | 5055331 | | **B23** | 5055332 | | **B24** | 5055333 | | **B25** | 5055334 | | **B26** | 5055335 | | **B28** | 6165305 | | **B29** | 6165306 | | **B30** | 6165307 | | **B32** | 6165309 | | **B33** | 6165310 | | **B34** | 6165311 | | **B35** | 6165312 | | **B36** | 6165313 | | **B37** | 6165314 | | **B38** | 6815850 | Artikel 2 Een vergunning als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038435&artikel=1&z=2016-12-21&g=2016-12-21) is verlengbaar voor een vaste periode die aanvangt op 1 september 2017 en loopt tot en met 31 augustus 2022. Artikel 3 De vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038435&artikel=1&z=2016-12-21&g=2016-12-21), worden met ingang van 1 september 2017 gewijzigd overeenkomstig [bijlage 1](h"},{"i":3730,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 15 januari 2009, nr. RB/2008123259, na overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging voor de uitvoering van de Saneringsregeling asbestwegen derde fase (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Dienst Landelijk Gebied Saneringsregeling asbestwegen derde fase) Gezien de schriftelijke instemming van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 11 december 2008 met kenmerk DLG 2008/62769; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van de Dienst Landelijk Gebied wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten respectievelijk het verrichten van handelingen in het kader van de uitvoering van de [Saneringsregeling asbestwegen derde fase](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021724), met uitzondering van [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021724&paragraaf=3) van die regeling. Artikel 2 Aan de directeur van de Dienst Landelijk Gebied wordt: - a. mandaat verleend tot het nemen van besluiten op bezwaar tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025221&artikel=1&z=2009-01-25&g=2009-01-25), voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen; - b. machtiging verleend tot het verrichten van alle voorbereidende werkzaamheden of handelingen met betrekking tot het nemen van besluiten op bezwaar als bedoeld onder a; - c. machtiging verleend tot het voeren van beroepsprocedures over besluiten als bedoeld onder a. Artikel 3 De directeur van de Dienst Landelijk Gebied kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025221&artikel=1&z=2009-01-25&g=2009-01-25) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025221&artikel=2&z=2009-01-25&g=2009-01-25), ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan één of meer onder hem ressorterende fu"},{"i":2652,"b":"Beleidsregels voor de toekenning van teeltplanschade op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties maakt bekend dat bij de vaststelling van de tegemoetkoming in teeltplanschade ([art. 4, eerste lid, onderdeel e van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4)) de volgende grondslagen zullen worden gehanteerd voor de berekening van de voor vergoeding in aanmerking komende teeltplanschade. Berekeningswijze Het in aanmerking te nemen schadebedrag wegens teeltplanschade, bedoeld in onderdeel e van de wet, wordt berekend volgens de formule: A x B x C - D waarbij Toelichting Op grond van [artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4) heeft de gedupeerde recht op een tegemoetkoming in (onder meer) teeltplanschade, waaronder wordt verstaan het financieel verlies door een mindere opbrengst dan redelijkerwijze mocht worden verwacht in de schadeperiode. De hoogte van de tegemoetkoming is gerelateerd aan de hoogte van deze schade. Bij de vraag welke opbrengst redelijkerwijze mocht worden verwacht doet zich het probleem voor dat een belangrijk deel van de betrokken producten op dat moment nog niet geoogst en verhandeld werd. In dit opzicht verschilt de situatie van die van 1995. Bovendien heeft de ervaring uit 1995 geleerd dat het vaststellen van een schadebedrag van grote aantallen gedupeerden een bewerkelijk en weinig transparant proces is vanwege de vele onzekerheden die daarbij in de overwegingen betrokken moeten worden. Gezien de noodzaak tot een eenduidige en snelle schadeafhandeling, met inachtneming van de eisen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid zal bij de vaststelling van de schade worden uitgegaan van de hiervoor genoemde uitgangspunten en normbedragen. Voor de meest relevante gew"},{"i":3699,"b":"Besluit van het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit van 11 november 2021, houdende de verlening van mandaat, ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directeur-bestuurder en de functionarissen van de Nederlandse Emissieautoriteit (Besluit mandaat, ondermandaat, volmacht en machtiging Dienst NEa) Gelet op [artikel 10:3, eerste lid, van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [artikel 5 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging NEa 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045702&artikel=5) en het Bestuursreglement NEa 2021; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **afdelingshoofden:** de afdelingshoofden van de Dienst Nederlandse Emissieautoriteit; - b. **bedrag:** het bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW); - c. **bestuur:** het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit; - d. **directeur-bestuurder:** de directeur-bestuurder van de Nederlandse Emissieautoriteit; - e. **P&O-aangelegenheden:** aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget; - f. **teammanagers:** de teammanagers van de Dienst Nederlandse Emissieautoriteit. § 2. Taakverdeling Artikel 2 1. Aan de afdelingshoofden wordt, ieder voor zich, mandaat, ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op hun werkterrein, met uitzondering van de P&O-aangelegenheden, met dien verstande dat het aangaan van financiële verplichtingen een bedrag van € 143.000 niet te boven gaat. 2. Aan de afdelingshoofden wordt tevens, ieder voor zich, voor de onder hen ressorterende medewerkers volmacht en machtiging verleend voor: - a. het verlenen van verlof en kort buitengewoon verlof; - b. het verlenen van zwangerschaps-, bevallings- en ouderschapsverlof; - c. het afhandelen van verzoeken inzake de opleiding van personeel; - d. het accorderen van P-Direkt aanvragen; - e. het accorderen van aanvragen voor dienstreizen en het goedkeuren v"},{"i":2096,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 december 2016, kenmerk 1061321-159037-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de bekostiging van het schoonhouden van de woonruimte bij een modulair pakket thuis op grond van de Wet langdurige zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 7 november 2016 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2016/2017, 34 104, nr. 149 en Kamerstukken I 2016/2017 34 104, H) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet erin dat met ingang van 1 januari 2017 ook voor het modulair pakket thuis vaste tarieven en prestatiebeschrijvingen gelden voor het schoonhouden van de woonruimte, bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1). Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing met de toelichting in de Staatscourant."},{"i":4653,"b":"Besluit van 12 september 2024, houdende regels over toegankelijkheid van elektronische communicatiediensten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/882 van de Europese Commissie en de Raad van 17 april 2019 inzake toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019, L 151) (Implementatiebesluit toegankelijkheidsvoorschriften elektronische communicatiediensten) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 18 september 2023, nr. WJZ / 33497209; Gelet op de [artikelen 7a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7a.2) en [7a.4 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7a.4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 april 2024, nr. W18.23.00285/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 10 september 2024, nr. WJZ / 86696457; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. (Definities) In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **geharmoniseerde norm:** geharmoniseerde norm als bedoeld in artikel 2, punt 1, onder c, van [Verordening (EU) nr. 1025/2012](32012R1025) van het Europees Parlement betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de [Richtlijnen 89/686/EEG](31989L0686) en [93/15/EEG](31993L0015) van de Raad alsmede de [Richtlijnen 94/9/EG](31994L0009), [94/25/EG](31994L0025), [95/16/EG](31995L0016), [97/23/EG](31997L0023), [98/34/EG](31998L0034), [2004/22/EG](32004L0022), [2007/23/EG](32007L0023), [2009/23/EG](32009L0023) en [2009/105/EG](32009L0105) van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking [87/95/EEG](31987L0095) van de Raad en Besluit [nr. 1673/2006/EG](33573L2006) van het Europees Parlement en de Raad; - **technische specificaties:** technische specificaties die zijn vastgesteld door de Europese Commissie op grond van artikel 15, derde lid, van [richtlijn (EU) 2019/882](32019L0882); - **wet:** [Telecommunicatiewet](https://we"},{"i":4324,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 17 mei 2016, nr. IENM/BSK-2016/77864, houdende verlening van mandaat en machtiging aan de Chief Executive Officer van ProRail B.V. voor de uitvoering van de Tijdelijke subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de instemming van de Chief Executive Officer van ProRail B.V. d.d. 25 april 2016; Besluit: Treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de Tijdelijke subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten wordt geplaatst (Stcrt. 2016/25885). Artikel 1 Aan de Chief Executive Officer van ProRail B.V. wordt mandaat verleend tot: - a. het beslissen op aanvragen om subsidieverlening, bedoeld in [artikel 6 van de Tijdelijke subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037971&artikel=6), alsmede het intrekken of wijzigen van de subsidieverlening; - b. het ambtshalve vaststellen van de subsidie, bedoeld in [artikel 7 van de Tijdelijke subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037971&artikel=7), alsmede het intrekken of wijzigen van de subsidievaststelling; - c. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in de onderdelen a en b, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 Aan de Chief Executive Officer van ProRail B.V. wordt machtiging verleend tot: - a. het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding van de in [arti"},{"i":3187,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 april 2016 nr. BOACAT2016/026, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Alkmaar Gelezen het verzoek van gemeente Alkmaar van 4 april 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037859&artikel=2&z=2016-05-16&g=2016-05-16). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving in dienst van Unit Stadstoezicht van de gemeente Alkmaar, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervullin"},{"i":13018,"b":"Besluit van de directie van het CBR tot digitale vervanging van archiefbescheiden berustend bij de divisie Rijgeschiktheid, niet zijnde archiefbescheiden die ingevolge de selectielijst CBR voor bewaring in aanmerking komen gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), Besluit: Artikel 1 Over te gaan tot routinematige digitale vervanging van de volgende archiefbescheiden, niet zijnde archiefbescheiden die ingevolge de selectielijst CBR voor bewaring in aanmerking komen: archiefbescheiden, berustend bij de divisie Rijgeschiktheid, zijnde klantdossiers van de units Vorderingen, Medisch en Bezwaar en Beroep, die zijn gearchiveerd vanaf 1 januari 2007, en in de toekomst nog te ontvangen of op te maken archiefbescheiden uit klantdossiers. Artikel 2 De vervanging vindt plaats door het vervaardigen van een digitale kopie. De originele papieren archiefbescheiden zullen worden vernietigd. De digitaal opgeslagen archiefbescheiden zullen gedurende de vastgestelde bewaartermijnen in goede, geordende en toegankelijke staat worden bewaard. Artikel 3 De wijze waarop vervanging geschiedt, is vastgelegd in het Handboek digitale vervanging archiefbescheiden CBR Rijgeschiktheid. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na uitgifte van de Staatscourant waarin dit besluit is gepubliceerd."},{"i":5074,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juli 2019, nr. 2019-0000097657, houdende toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan onder de directeur-generaal Werk ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit DG Werk 2019) Gelet op de [artikelen 8, derde lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=8), en [23, eerste lid, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=23); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directeur-generaal:** de directeur-generaal Werk; - b. **directie:** een van de organisatieonderdelen, genoemd in [artikel 2, onderdelen a tot en met f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042435&paragraaf=2&artikel=2&z=2026-02-19&g=2026-02-19); - c. **directeur:** een functionaris die leiding geeft aan een directie; - d. **afdeling BMO:** afdeling bedrijfsvoering en managementondersteuning; - e. **hoofd BMO:** een functionaris die leiding geeft aan de afdeling BMO. § 2. Organisatie Artikel 2 Onder de directeur-generaal ressorteren: - a. de directie Arbeidsmarkt en Sociaal-Economische Aangelegenheden; - b. de directie Arbeidsverhoudingen; - c. de directie Gezond en Veilig Werken; - d. de directie Internationale Zaken; - e. de directie Collectieve arbeidsovereenkomsten; - f. de directie Kinderopvang; - g. het bureau Directoraat Generaal Werk-control; - h. de afdeling BMO. § 3. Verantwoordelijkheden Artikel 3 1. Elk van de directeuren is verantwoordelijk voor: - a. het leiding geven aan de eigen directie; - b. het door tussenkomst van de directeur-generaal adviseren van de bewindspersonen ten aanzien van het werkterrein van de eigen directie en het attenderen van hen op politiek of maatschappelijk gevoelige aspecten; - c. het coördineren van de beleidsontwikkeling en -uitvoering van de e"},{"i":6629,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 25 september 2025, nr. 5042441 houdende wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden en Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting in verband met toevoeging van de afdeling voor intensief toezicht waaronder de plaatsingscriteria en de voorwaarden voor plaatsing Gelet op [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=14), [artikel 15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=15), en [artikel 26 van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=26); Gezien het advies van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming van 14 februari 2024, kenmerk 5100434; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Penitentiaire beginselenwet (aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie) in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden. Artikel II Wijzigt de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting. Artikel III Deze regeling heeft gedurende vier maanden na inwerkingtreding van deze regeling geen gevolgen ten aanzien van voor de inwerkingtreding van deze regeling op grond van [artikel 16, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=16) genomen beslissingen tot onderbrenging van een gedetineerde in een afdeling voor intensief toezicht. Artikel IV Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [wet van 14 juli 2025 houdende wijziging van de Penitentiaire beginselenwet in verband met aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051297) (Stb. 2025, 197) in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5804,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 juli 2017, nr. POVO/1222853, houdende regels met betrekking tot subsidieverstrekking aan bevoegde gezagsorganen ten behoeve van toekomstvast internet in het primair en voortgezet onderwijs (Subsidieregeling toekomstvast internet po en vo) Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Gelet op [artikel en 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1. van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **schoollocatie:** locatie van een school, bedoeld in [artikel 1, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), of van een deel van een school dat zich op een andere locatie bevindt dan die school, van een nevenvestiging bedoeld in artikel 1, van de Wet op het primair onderwijs, of van een deel van een nevenvestiging dat zich op een andere locatie bevindt dan die nevenvestiging, van een school, bedoeld in [artikel 1, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=1), of van een nevenvestiging, bedoeld in [artikel 16, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=16); - **schoollocatie BES:** locatie van een school, bedoeld in [artikel 1, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), van een school, bedoeld in [artikel 1, van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=1), of van een nevenvestiging, bedoeld in [artikel 123, van de Wet voortg"},{"i":12164,"b":"Besluit van 26 oktober 2017 nr. 2017001808, houdende departementale herindeling met betrekking tot de maatschappelijke stage Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 25 oktober 2017, nr. 3213937; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de maatschappelijke stage, voor zover deze voor 26 oktober 2017 was opgedragen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 De taken van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040150&artikel=1&z=2017-11-03&g=2017-11-03) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040150&artikel=2&z=2017-11-03&g=2017-11-03) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 26 oktober 2017. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de ministeries."},{"i":5290,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 31 mei 2023 kenmerk 2023-0000112901, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor het jaar 2023, en tot herstel van de normbedragen en woonlasten in de Regeling financiële markten BES 2012 (Regeling bekostiging financieel toezicht 2023) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9) en [artikel 7:17, zesde lid, van het Besluit financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=7:17); BESLUITEN: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder geconsolideerde jaarrekening: jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van personen die een groep of groepsdeel vormen en andere in de consolidatie meegenomen personen, als één geheel zijn opgenomen. Artikel 2 1. Voor het kalenderjaar 2023 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9), voor de personen die onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten vallen, bedoeld in [bijlage 1, onderdeel B, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&bijlage=1), als volgt vastgesteld: | Toezichtcategorie | Maatstaf | Bandbreedtes | Tarieven | | --- | --- | --- | --- | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | | € 2.460 vermeerderd met: | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | 0 tot en met 5.000 PC | €"},{"i":5807,"b":"Subsidieregeling uitelkaar.nl 2020 gelet op [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c), waarin is bepaald dat het bestuur van de Raad met het oog op de verlening van rechtsbijstand subsidie kan verstrekken voor bijzondere doeleinden en projecten, Besluit: de volgende regeling vast te stellen. Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **uitelkaar.nl:** het bijzondere project uitelkaar.nl opgezet door BV Justice42, ten behoeve van (online) geschiloplossing waarbij de rechtzoekende zelf de regie houdt over zijn scheidingszaak; - b. **de wet:** de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - c. **c. het besluit:** het [Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277); - d. **de Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - e. **het bestuur:** het bestuur van de Raad, bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - f. **gebruiker:** de rechtzoekende overeenkomstig [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1), die via uitelkaar.nl gebruik maakt van een dienstverlener, zijnde een bemiddelaar, een beslisser of een reviewer als in deze regeling omschreven; - g. **dienstverlener:** de bemiddelaar, beslisser of reviewer die bij de Raad voor Rechtsbijstand ingeschreven staat en een overeenkomst met uitelkaar.nl is aangegaan, heeft voldaan aan de daartoe vastgestelde, door de Raad goedgekeurde deelnamevoorwaarden en heeft ingestemd met deze subsidieregeling; - h. **dienstverlening:** de werkzaamheden verricht door een dienstverlener; - i. **bemiddelaar:** de advocaat en / of mediator die op verzoek begeleiding en advies biedt bij het maken van afspraken; - j. **beslisser:** de advocaat die op verzoek een beslissing neemt ov"},{"i":2102,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2010, nr. Z/F-3038646, tot aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2011 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2011) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2011 € 206,484 miljoen. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 12 december 2010, terug tot en met 13 december 2010. Artikel 3 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2011. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2104,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 januari 2013, kenmerk Z- 3146008, inzake de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2013 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2013) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2013 € 169,283 miljoen. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 31 december 2012, terug tot en met 1 januari 2013. Artikel 3 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2013. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2105,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 januari 2014, kenmerk 178661-114563-Z, inzake de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2014 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2014 € 173,875 miljoen. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 31 december 2013, terug tot en met 1 januari 2014. Artikel 3 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2106,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 maart 2015, kenmerk 702090-131223-Z, inzake de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2015 (Aanwijzing besteedbare middelen Wlz 2015) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2015 € 144,421 miljoen. Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036415&artikel=1&z=2015-03-18&g=2015-03-18) genoemde bedrag is € 69,281 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) en € 75,140 miljoen voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2015. Artikel 4 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2015. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5927,"b":"Toezichtbeleid erkenninghouders RDW 2018 Gelet op de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), het [Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951), de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671), het [Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386), het [Besluit Personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982) en [artikel 4:83 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83); Besluit: Artikel 1 1. Het toezichtbeleid erkenninghouders RDW wordt vastgesteld volgens [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040731&bijlage=I&z=2019-06-25&g=2019-06-25). 2. [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040731&bijlage=I&z=2019-06-25&g=2019-06-25) bestaat uit: - a. Algemeen Deel - b. Bijlage Erkenninghouder APK 2018; - c. Bijlage Erkenninghouder Tachografen 2019; - d. Bijlage Erkenninghouder Gasinstallatie 2018; - e. Bijlage erkenninghouder Boordcomputer Taxi 2018; - f. Bijlage Erkenning Tenaamstelling 2018; - g. Bijlage Export Dienstverlening 2018; - h. Bijlage Bedrijfsvoorraad & Handelaarskentekenbewijzen 2018; - i. Bijlage Bevoegdheid Versnelde inschrijving 2018; - j. Bijlage Erkenning Kentekenplaatfabrikanten en/of Lamineerder (GAIK) 2018; - k. Bijlage APK Keurmeester 2018; - l. Bijlage Tachograaftechnicus 2019. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 april 2018. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Toezichtbeleidsbrief erkenninghouders RDW 2018. Bijlage I Algemeen Deel Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW 2018 Hoofdstuk 1. – Toelichting op de Toezichtbeleidsbrief 1.1. Toelichting Dit is het Algemeen Deel van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. Als erkenninghouder bent u gerechtigd een aantal taken uit te voeren namens de RDW. Het uitvoeren van deze taken kent een grote verantwoordelijkheid. De RDW houdt hier toezicht op. Hoe en waarom de RDW toezicht houdt, is vastgelegd in het toez"},{"i":7219,"b":"Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen betreffende het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, Hebben besloten hiertoe een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG Artikel 1 Dit Verdrag bepaalt het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime. Het is niet van toepassing: - 1. op onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten; - 2. op erfrechtelijke aanspraken van de langstlevende echtgenoot; - 3. op de handelingsbekwaamheid van echtgenoten. Artikel 2 Het Verdrag is van toepassing zelfs indien de nationaliteit of de gewone verblijfplaats van de echtgenoten niet die is van een Verdragsluitende Staat, dan wel indien het recht dat op grond van de navolgende artikelen van toepassing is, niet het recht is van een Verdragsluitende Staat. HOOFDSTUK II. TOEPASSELIJK RECHT Artikel 3 Het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het interne recht dat de echtgenoten vóór het huwelijk hebben aangewezen. De echtgenoten kunnen slechts een van de volgende rechtsstelsels aanwijzen: - 1. het recht van een Staat waarvan een van de echtgenoten de nationaliteit bezit op het tijdstip van die aanwijzing; - 2. het recht van de Staat op welks grondgebied een van de echtgenoten zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip van die aanwijzing; - 3. het recht van de eerste Staat op welks grondgebied een van de echtgenoten na het huwelijk een nieuwe gewone verblijfplaats vestigt. Het aldus aangewezen recht is van toepassing op hun gehele vermogen. De echtgenoten kunnen echter, ongeacht of zij tot de in de voorgaande leden bedoelde aanwijzing zijn overgegaan, met betrekking tot het geheel of een gedeelte van de onroerende goederen het recht aanwijzen van de plaats waar die goederen zijn gelegen. Zij kunnen eveneens bepalen dat op onroerende goederen"},{"i":6455,"b":"Besluit van 16 juli 1994, houdende wijziging van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn Op de voordracht van onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 24 december 1993, nr. RVR 165025, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868 en op de resoluties van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 5 mei 1988 (protocollen 1988-I-34, 1988-I-35 en 1988-I-36); De Raad van State gehoord (advies van 11 april 1994, nr. W09.93.0853); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 juli 1994, nr. RV 178268, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV. Overgangsbepalingen 1. De voorschriften van de artikelen 11.08, tweede lid, onderdeel **b**, en 11.10, achtste lid, tweede volzin, betreffende de slanglengte, zijn slechts van toepassing op schepen waarvan de kiel werd gelegd na 30 september 1984, alsmede op veranderingen van de desbetreffende onderdelen. 2. Indien echter de toepassing van de in de artikelen 11.08, tweede lid, onderdeel **a**, en 11.10, eerste tot en met zesde lid, bedoelde voorschriften na afloop van de overgangstermijn in de praktijk moeilijk uitvoerbaar is of tot onevenredig hoge kosten leidt, kan de Commissie van Deskundigen op grond van aanbevelingen, berustend op een gemeenschappelijk besluit van de bevoegde organen van de Oeverstaten en van België, afwijkingen van deze voorschriften toestaan. Deze afwijkingen moeten in het certificaat van onderzoek worden vermeld. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende"},{"i":7154,"b":"Studiefaciliteitenregeling burgerlijke ambtenaren defensie Gelet op [artikel 94a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=94a) Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **‘de ambtenaar’:** degene bedoeld in [artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=1); - b. **‘studiefaciliteiten’:** - a. studieverlof als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043998&artikel=3&z=2021-03-04&g=2021-03-04); - b. tegemoetkoming in studiekosten als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043998&artikel=4&z=2021-03-04&g=2021-03-04); - c. **‘het hoofd defensieonderdeel’:** het hoofd defensieonderdeel als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=3). - d. **‘ontslag’:** elke beëindiging van het dienstverband; - e. **‘Uitkering’:** een uitkering op grond van het [Besluit Uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006041) of een uitkering op grond van het [Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010510) Artikel 2. Algemene voorwaarden - 1. De ambtenaar die voor studiefaciliteiten in aanmerking wenst te komen dient de aanvraag daartoe in de regel in voor de aanvang van de studie. Hij laat deze aanvraag vergezeld gaan van de voor de beoordeling door het hoofd defensieonderdeel noodzakelijke gegevens en van een schatting van de te maken studiekosten. - 2. Het hoofd defensieonderdeel kan, alvorens studiefaciliteiten te verlenen, een studieadvies of in bijzondere gevallen – na overleg met de ambtenaar – een psychologisch advies inwinnen. Tenzij dez"},{"i":7146,"b":"Register curatele en huwelijksgoederen Gezien het verzoek van de Minister van Justitie van 15 augustus 1969, Stafafdeling Wetgeving Nieuw B.W., nr. 310/669; Gelet op artikel 20 van het Archiefbesluit, Besluit: Artikel 1 De Minister van Justitie wordt gemachtigd de overbrenging naar de rijksarchiefbewaarplaatsen van de tot het curateleregister behorende kaarten en van de in de huwelijksgoederenregisters opgenomen kaarten en stukken op te schorten als is aangegeven in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002719&artikel=2&z=1970-08-24&g=1970-08-24) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002719&artikel=3&z=1970-08-24&g=1970-08-24). Artikel 2 De overbrenging van de tot het curateleregister behorende kaarten heeft plaats binnen een tijdvak van tien jaar nadat honderdentien jaar sedert de geboortedatum van de personen, op wie die kaarten betrekking hebben, zijn verstreken. Artikel 3 De overbrenging van de in de huwelijksgoederenregisters opgenomen stukken en van de tot deze registers behorende klapperkaarten heeft plaats: - 1. ten aanzien van de vóór 1 januari 1970 opgenomen stukken, binnen een tijdvak van tien jaar nadat honderd jaar sedert 31 december na de datum van inschrijving zijn verstreken; - 2. ten aanzien van de na 1 januari 1970 opgenomen stukken, binnen een tijdvak van tien jaar nadat honderd jaar sedert de datum van sluiting van het huwelijk zijn verstreken; - 3. ten aanzien van de tot de huwelijksgoederenregisters behorende klapperkaarten terzelfder tijd als de overbrenging van het laatste op de kaart vermelde stuk. Artikel 4 Deze beschikking, welke zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant, werkt terug tot 1 januari 1970."},{"i":6553,"b":"Besluit van 2 oktober 2003 tot wijziging van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning, het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 en het Rechtspositiebesluit wethouders Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 juli 2003,nr. BW2003/609106, DGOB/BFO; Gelet op de [artikelen 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=44) en [66 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=66) en de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=43) en [65 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=65); De Raad van State gehoord (advies van 15 augustus 2003 nr. W04.03.0283/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 12 september 2003, nr. BW2003/77310, directoraat-generaal Koninkrijksrelaties en Bestuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het [Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006738). Artikel II Wijzigt het [Rechtspositiebesluit gedeputeerden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006533). Artikel III Wijzigt het [Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743). Artikel IV Wijzigt het [Rechtspositiebesluit wethouders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006535). Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat: - a. [artikel 7 van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006738&artikel=7) terugwerkt tot en met 1 juli 2002, en - b. gedeputeerde staten kunnen bepalen dat in afwijking van het bepaalde onder a, tot de inwerkingtreding van dit besluit overeenkomstige toepassing wordt gegeven aan de regeling van de vergoe"},{"i":7190,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen toezicht op Rechtspersonen, beleidsterrein Privaatrecht 1945-2000 (Minister van Economische Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 oktober 2005, nr. arc-2005.02633/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren voor het toezicht op Rechtspersonen, onderdeel van het beleidsterrein Privaatrecht vanaf 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":4512,"b":"Circulaire schadevergoedingen 1. Inleiding 1.1. De schadevergoedingsregeling in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) De wetgever heeft in de [artikelen 15.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.20) en [15.21 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.21) (WM) bepaald in welke gevallen de overheid een vergoeding toekent aan een vergunninghouder die door een milieubeschikking van die betreffende overheid kosten moet maken of schade lijdt, waarin niet op een andere wijze is of kan worden voorzien. Het gaat hier om kosten of schade die redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening van de vergunninghouder behoren te blijven. Deze schadevergoedingsregeling is de uitwerking in de milieuwetgeving van het stelsel van bestuurscompensatie waarvoor [artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4) de algemene grondslag vormt. Op grond hiervan dient een bestuursorgaan bij besluitvorming de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af te wegen. Ook bij besluiten over vergunningen op grond van de milieuwetgeving, veelal genomen door Burgemeester en Wethouders of door Gedeputeerde Staten, zal moeten worden nagegaan of de nadelige gevolgen van het besluit voor de vergunninghouder niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen (milieu)doelen. Doet zich een zodanige omstandigheid voor en is dat besluit op zichzelf gerechtvaardigd door het daarmee te dienen doel dan dient aan de vergunninghouder financiële compensatie te worden geboden voor het onevenredig zware nadeel. Van een zodanige situatie zal, gegeven het beginsel ’de vervuiler betaalt’, slechts zelden sprake zijn. 1.2. Het bevoegd gezag kent toe, de Minister stemt in Volgens de [artikelen 15.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.20) en [15.21 van de WM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.21) di"},{"i":5623,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA meststoffen (IB03-SPEC 07, versie 03) De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 47 van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=47), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](onbekend); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA meststoffen beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03) (AIB), de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen van de regelgeving in het domein meststoffen. Overtredingen die door de inspecteur/ toezichthouder worden waargenomen die niet in dit IB03-SPEC 07 zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven, teneinde een klasseindeling en een interventie te bepalen. 2. Definities en wettelijke basis 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities/ afkortingen opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215). 2.2. Wettelijke basis In het domein meststoffen gelden voornamelijk nationale regels. Deze zijn deels opgesteld ter uitwerking van Europese bepalingen in de Nitraatrichtlijn. De derogatie is gebaseerd op een EU-beschikking die specifiek aan Nederland is verleend. De wettelijke basis voor het Specifiek interventiebeleid NVWA meststoffen is: 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van de overtreding Overtredingen worden ingedeeld"},{"i":5774,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 oktober 2015, nr. 2015-0000050611, houdende regels voor de subsidiëring van het Professionaliseringsfonds Burgemeesters (Subsidieregeling Professionaliseringsfonds Burgemeesters) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdeel f, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), en [20 van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=20); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **Genootschap:** het Nederlands Genootschap voor Burgemeesters. Artikel 2 1. De minister kan aan het Genootschap subsidie verstrekken voor activiteiten op het terrein van verdere professionalisering van het ambt van burgemeester met als doel een zo goed mogelijke uitoefening van dat ambt. 2. De subsidie wordt voor een boekjaar verstrekt. Een boekjaar is gelijk aan een kalenderjaar. Artikel 3 De subsidie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037103&artikel=2&z=2015-10-24&g=2015-10-24), bedraagt ten hoogste het bedrag dat uit de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties blijkt. Artikel 4 Het Genootschap dient de aanvraag tot subsidieverlening uiterlijk in op 30 november voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft. Artikel 5 De minister verstrekt in januari een voorschot op de subsidie dat gelijk is aan de verleende subsidie. Artikel 6 1. Het Genootschap vormt een egalisatiereserve als bedoeld in [artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:72). 2. De jaarlijkse toevoeging aan de egalisatiereserve bedraagt ten hoogste 5 proc"},{"i":1996,"b":"Wet van 15 december 1995 tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet op belastingen van rechtsverkeer (wijziging van enige fiscale wetten in het kader van lastenverlichting voor het midden- en kleinbedrijf) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op het bevorderen van de werkgelegenheid wenselijk is de positie van het midden- en kleinbedrijf te versterken door fiscale maatregelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Artikel 10, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vindt geen toepassing met betrekking tot de na de totstandkoming van deze wet door Onze Minister krachtens het vierde lid van dat artikel te treffen regeling welke ertoe strekt de willekeurige afschrijving van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen door een belastingplichtige ten aanzien van wie artikel 44**m**, derde lid, van die wet toepassing vindt, te beperken tot het investeringsbedrag waarop artikel 11, eerste lid, van die wet ten hoogste toepassing vindt. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1996. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6119,"b":"Besluit van 19 augustus 2009, houdende regels in verband met verordeningen (EG) nrs. 1332/2008, 1333/2008 en 1334/2008 (Warenwetbesluit additieven, aroma's en enzymen in levensmiddelen) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 juli 2009, VGP/VV 2938337, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken, en van Justitie; Gelet op: [verordening (EG) nr. 1332/2008](32008R1332) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 (PbEU L 354) inzake voedingsenzymen en tot wijziging van [richtlijn 83/417/EEG](31983L0417) van de Raad, [verordening (EG) nr. 1493/1999](31999R1493) van de Raad, [richtlijn 2000/13/EG](32000L0013), [richtlijn 2001/112/EG](32001L0112) van de Raad en [verordening (EG) 258/97](31997R0258); [verordening (EG) nr. 1333/2008](32008R1333) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (PbEU L 354); [verordening (EG) nr. 1334/2008](32008R1334) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 (PbEU L 354) inzake aroma’s en bepaalde voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen voor gebruik in levensmiddelen en tot wijziging van [verordening (EG) nr. 1601/91](31991R1601) van de Raad, [verordening nr. (EG)2232/96](31996R2232), [verordening (EG) nr. 110/2008](32008R0110) en [richtlijn 2000/13/EG](32000L0013); en de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [13, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14), en [32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 16 juli 2009, no. W13.09.0226/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksg"},{"i":5662,"b":"Subsidieplafondbesluit Aangepast Lezen Instellingssubsidies 2022 Gelet op [artikel 5 van de Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2020–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=5); BESLUIT: I Voor het jaar 2022 de volgende subsidieplafonds ter zake [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2020–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832) vast te stellen: Het subsidieplafond voor de in [artikel 3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=3), vermelde activiteit ‘de verzorging van de eerstelijnsvoorziening voor het publiek’ is voor het jaar 2022 vastgesteld op € 2.076.000,–. Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2020–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832), de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen uitvoerden. Het subsidieplafond voor de in [artikel 3, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=3), vermelde activiteiten ‘productie en levering’ is voor het jaar 2022 vastgesteld op € 9.610.000,– en onderverdeeld in twee deelplafonds: - 1. € 1.672.000,– voor de ‘productie en levering’ als bedoeld in [artikel 7, derde lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=7); - 2. € 7.938.000,– voor de ‘productie en levering’ inclusief de veilige opslag en back-up van de bestanden voor de productie van aangepaste leesvormen als bedoeld in [artikel 7, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=7). Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2020–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832), de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen uitvoerden. II Dit besluit treedt in werking op de dag na de dag van bekendmaking."},{"i":5593,"b":"Ruling, gemengde kosten wetgeving Oort en cost-plus ruling De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten Mij is de vraag voorgelegd hoe de sinds 1 juli 1989 geldende beperking in de aftrek van gemengde kosten (artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 jo. artikel 8a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; ingevoerd bij Wet van 28 april 1989, Stb. 124) moet worden toegepast in de situatie waarin de winstbepaling op cost-plus-basis is toegestaan op grond van het cost-plus-besluit d.d. 25 april 1985 (084-2737; Vpb’69, nr. 1.00.51). Bij deze methode van winstbepaling die vooral van pas komt bij niet rechtstreeks winstgenererende activiteiten die in gelieerde verhoudingen worden verricht, wordt op de door de ondernemingen gemaakte kosten (met uitzondering van zogenaamde verschotten) een winstopslag berekend. In het costplus-besluit wordt voor bijvoorbeeld hulp- en ondersteunende activiteiten de winstopslag in beginsel op vijf percent gesteld. Op deze vraag is door mij het volgende antwoord gegeven. De beperking in de aftrek van gemengde kosten zoals die bij Wet van 28 april 1989, Stb. 124 in artikel 8a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is neergelegd maakt geen onderscheid in de wijze van winstbepaling. Dat betekent dat de beperking in de aftrek ook van toepassing is in de situatie waarin de winst op cost-plus-basis wordt vastgesteld. In een eenvoudig cijfervoorbeeld werkt dit als volgt uit:"},{"i":7187,"b":"Wet van 19 mei 2011 tot vaststelling en invoering van Boek 10 (Internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek (Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de bestaande wettelijke regelingen ter zake van het internationaal privaatrecht te consolideren en, voorafgegaan door een Titel Algemene bepalingen, onder te brengen in een nieuw Boek van het Burgerlijk Wetboek; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel III Wijzigt de Wet algemene bepalingen. Artikel IIIa Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel IIIB Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel IV De volgende wetten worden ingetrokken: - a. de [Wet conflictenrecht namen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580) - b. de [Wet conflictenrecht huwelijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004619) - c. de [Wet conflictenrecht huwelijksbetrekkingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006144) - d. de [Wet conflictenrecht huwelijksvermogensregime](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005286) - e. de [Wet van 25 maart 1981, Stb. 166, houdende regeling van het conflictenrecht inzake de ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed en de erkenning daarvan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003384) - f. de [Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016986) - g. de [Wet conflictenrecht afstamming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013513) - h. de [Wet conflictenrecht adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015330) - i. de [Wet conflictenrecht corporaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009192) - j. de [Wet conflictenrecht goederenrec"},{"i":5537,"b":"Regeling verlening mandaat klachtbehandeling niet-registertolken en -vertalers ingezet door de IND Gelet op [hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Wet:** de [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704); - b. **klachtencommissie:** de klachtencommissie zoals bedoeld in [artikel 16, tweede lid van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=16); - c. **register:** het register, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2); - d. **lijst:** de lijst, bedoeld in [artikel 2, derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2); - e. **beëdigde tolken en vertalers:** tolken en vertalers opgenomen in het register; - f. **lijsttolken en -vertalers:** tolken en vertalers opgenomen op de lijst; - g. **niet-geregistreerde tolken en vertalers:** tolken en vertalers die niet opgenomen zijn in het register of op de lijst; - h. **IND:** Immigratie- en Naturalisatiedienst. Artikel 2 Aan de klachtencommissie wordt mandaat verleend tot het behandelen van klachten over niet- geregistreerde tolken en vertalers, ingezet door de IND, op dezelfde wijze als klachten over beëdigde tolken en vertalers en lijsttolken en -vertalers behandeld worden. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 2025. De Regeling verlening mandaat klachtbehandeling niet-registertolken ingezet door de IND van 4 juni 2009, zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 22 juni 2009, nr. 112, wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als Regeling verlening mandaat klachtbehandeling niet-registertolken en -vertalers ingezet door de IND. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden ge"},{"i":2107,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 februari 2016, kenmerk 907190-146383-Z, inzake de besteedbare middelen ter dekking van de beheerkosten Wlz 2016 (Aanwijzing besteedbare middelen Beheerskosten Wlz 2016) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2016 € 148,687 miljoen. Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037633&artikel=1&z=2016-02-19&g=2016-02-19) genoemde bedrag is € 71,203 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) en € 77,484 miljoen voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken. Artikel 3 Uit het bedrag, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037633&artikel=2&z=2016-02-19&g=2016-02-19), voor de overige bij of krachtens de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken wordt structureel per jaar in totaal maximaal een bedrag van € 7,500 miljoen beschikbaar gesteld voor onafhankelijke cliëntondersteuning. De kosten worden naar werkelijke kosten en na goedkeuring van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vergoed. Indien niet alle kosten uit het bedrag kunnen worden vergoed, worden de kosten naar evenredigheid van de in aanmerking komende en goedgekeurde kosten per zorgkantoor vergoed. Artikel 4 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Artikel 5 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2016. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5773,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juni 2013, nr. 2013-0000329553, houdende regels voor de subsidiëring van het Huis voor democratie en rechtsstaat (Subsidieregeling ProDemos) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdelen d en f, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), en [18, eerste lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=18); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **stichting:** Stichting Huis voor democratie en rechtsstaat. Artikel 2 1. De minister verstrekt aan de stichting een subsidie met het oog op: - –. het overdragen van kennis over de democratische rechtsstaat, de werking van de instituties daarvan, de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) en het constitutioneel bestel in ruime zin; - –. het aanbieden van activiteiten en cursussen die de deelname aan democratische processen bevorderen, en - –. het promoten en bevorderen van actief democratisch burgerschap door middel van: - a. het aanbieden van samenhangende programma’s en educatieve activiteiten en excursies in en vanuit een door de minister aan te wijzen gebouw in ’s-Gravenhage; - b. het ontvangen en rondleiden van bezoekers van het Binnenhofcomplex; - c. het bevorderen en begeleiden van bezoek van Nederlandse scholieren aan het parlement; - d. het aanbieden van samenhangende programma’s en educatieve activiteiten en excursies vanuit diverse locaties in Nederland; - e. het ontwikkelen en aanbieden van informatie en ander materiaal voor gebruik in en buiten het onderwijs; - f. het ontwikkelen en aanbieden van interactieve toepassingen"},{"i":6303,"b":"Wet van 8 juli 2020, houdende splitsing van de gemeente Haaren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeente Haaren op te heffen en het grondgebied toe te voegen aan de gemeenten Boxtel, Oisterwijk, Tilburg en Vught; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, overgang grondgebied en rechtsopvolging Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling wordt de gemeente Haaren opgeheven. Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling worden delen van het grondgebied van de op te heffen gemeente Haaren toegevoegd aan de gemeenten Boxtel, Oisterwijk en Vught. 2. Met ingang van de datum van herindeling wordt een deel van het grondgebied van de op te heffen gemeente Haaren toegevoegd aan de gemeente Tilburg door een grenswijziging van de gemeente Tilburg. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde toevoegingen van grondgebied vinden plaats zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 Voor de op te heffen gemeente Haaren wordt de gemeente Oisterwijk aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=44), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen anders dan genoemd in [artikel 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45); - d. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid"},{"i":6038,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ecuador inzake de export en handhaving van socialezekerheidsuitkeringen De Republiek Ecuador en het Koninkrijk der Nederlanden, Hierna genoemd de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid tot stand te brengen; Gelet op de intentie van Nederland de Nederlandse socialezekerheidsuitkeringen te betalen aan personen die wonen of verblijven in Ecuador, de samenwerking tussen de twee staten te regelen en bij te dragen aan de handhaving van de wetgeving inzake de Nederlandse sociale zekerheid in Ecuador; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. Ten behoeve van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied\": met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; met betrekking tot de Republiek Ecuador het Ecuadoraans grondgebied; - b. „wetgeving\": de wetgeving genoemd in artikel 2; - c. „bevoegde autoriteit\": met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; met betrekking tot de Republiek Ecuador, de Directeur-generaal van het Ecuadoraans Instituut voor Sociale Zekerheid; - d. „bevoegd orgaan\": met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden ten aanzien van de in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c genoemde takken van sociale zekerheid het „Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen\" of enige andere instantie bevoegd tot het uitvoeren van taken die momenteel door dat orgaan uitgevoerd worden en ten aanzien van de in artikel 2, eerste lid, onder d, e en f genoemde takken van sociale zekerheid: de „Sociale Verzekeringsbank\"; en voor wat betreft de wetgeving inzake de sociale bijstand: de instelling die door de bevoegde Nederlandse autoriteit wordt aangewezen; met betrekking tot de Republiek Ecuador is dit het Ecuadoraans Instituut voor Sociale Zekerheid; - e. „uitvoeringsorgaan\": elke organisatie die een rol speel bij de uitvoerin"},{"i":2108,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 januari 2017, kenmerk 1046904-158168-Z, houdende de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 201 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2017 € 153,753 miljoen. Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039111&artikel=1&z=2017-01-24&g=2017-01-24) genoemde bedrag is € 74,602 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) en € 79,151 miljoen voor de overige bij of krachtens [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken. Artikel 3 Uit het bedrag, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039111&artikel=2&z=2017-01-24&g=2017-01-24), voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4 tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), wordt aan zorgkantoren incidenteel in totaal maximaal een bedrag van € 1,500 miljoen beschikbaar gesteld om zorgkantoren te compenseren in de beheerskostenbudgetten voor kosten die gemaakt worden in de zaken tegen frauderende zorgverleners en tegen cliënten die niet te goeder trouw zijn. Het betreft hier zaken die onder de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) zijn ontstaan, maar in 2017 nog tot kosten hebben geleid. Indien niet alle kosten uit het bedrag kunnen worden vergoed, worden de kosten naar evenredigheid van de in aanmerking komende en goedgekeurde kosten per zorgkantoor vergoed. Artikel 4 Uit het bedrag, bedoeld in [artikel 2](ht"},{"i":6617,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 21 november 2014, nr. IENM/BSK-2014/249145, tot wijziging van de Regeling CROS in verband met de transitie naar de Omgevingsraad Schiphol Gelet op [artikel 8.36 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.36); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling CROS. Artikel II 1. Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling wordt de rol van de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol bedoeld in [artikel 8.34 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.34) vervuld door de Omgevingsraad Schiphol. 2. Vanaf het moment dat voor de eerste maal door middel van verkiezingen vertegenwoordigers van bewonersorganisaties zijn gekozen, vervangen deze gekozen vertegenwoordigers in de commissie de vertegenwoordigers van gemeenten die als inwoner niet tevens bestuurder zijn benoemd. Artikel III Wijzigt de Regeling CROS. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6559,"b":"Besluit van 31 maart 2015 tot wijziging van het Reglement rijbewijzen, het Besluit rijonderricht motorrijtuigen 2009 en het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met de invoering van de rijbewijsplicht voor bestuurders van landbouw- en bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, en enkele wijzigingen van technische aard Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 19 januari 2015, nr. IenM/BSK-2014/218880, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=10), [110a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=110a), [110b, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=110b), [111, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111), [113, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=113), [116, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=116), [118, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=118), [119, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=119), [120, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=120), [132, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132), [132a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132a), en [133, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=133), de [artikelen 9, eerste, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=9), [9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=9a), [9b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=9b), [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=10), [12a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=12a), [12b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":7211,"b":"Verdrag inzake de toetreding van de Helleense Republiek tot het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), Overwegende dat de Helleense Republiek, door lid te worden van de Gemeenschap, zich verplicht heeft om toe te treden tot het [Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003771), ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, Hebben besloten dit Verdrag te sluiten en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Paul De Keersmaeker, Staatssecretaris voor Europese Zaken en Landbouw, toegevoegd aan de Minister voor Buitenlandse Betrekkingen Hare Majesteit de Koningin van Denemarken: Uffe Ellemann-Jensen, Minister van Buitenlandse Zaken van Denemarken De President van de Bondsrepubliek Duitsland: Hans-Werner Lautenschlager, Onderminister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland De President van de Helleense Republiek: Theodoros Pangalos, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van de Helleense Republiek De President van de Franse Republiek: Roland Dumas, Minister voor Europese Zaken van de Franse Republiek De President van Ierland: Peter Barry, Minister van Buitenlandse Zaken van Ierland De President van de Italiaanse Republiek: Giulio Andreotti, Minister van Buitenlandse Zaken van de Italiaanse Republiek Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg: Colette Flesch, Minister van Buitenlandse Zaken van de Regering van het Groothertogdom Luxemburg Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: W. F. van Eekelen, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van Nederland H. J. Ch. Rutten, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger van Nederla"},{"i":5592,"b":"Risicobeoordeling bestaande stoffen § 1. Inleiding Deze circulaire is het resultaat van de inspraak op de voorpublikatie van de ontwerp-regeling risicobeoordeling bestaande stoffen (Stcrt. 1994, 177). Naar aanleiding van de voorpublikatie is een groot aantal sterk uiteenlopende reacties binnengekomen. Het bedrijfsleven had bezwaren tegen de ontwerp-regeling, terwijl deze door werknemers-, consumenten- en milieu-organisaties juist werd onderschreven. Met deze circulaire is rekening gehouden met de uiteenlopende standpunten. Een circulaire berust niet op een wettelijk voorschrift en kan derhalve geen burgers bindende bepalingen bevatten; hiermee is voldaan aan de wens van het bedrijfsleven om geen bindende regeling tot stand te brengen. Anderzijds is voldaan aan de wens van werknemers-, consumenten- en milieu-organisaties hen bij de risicobeoordeling te betrekken. Met de dag dat deze circulaire in werking treedt, 15 juli 1995, wordt de Mededeling inzake optreden Minister van VROM als rapporteur voor prioriteitsstof (Stcrt. 1994, 177) ingetrokken. § 2. Doel van de circulaire Deze circulaire heeft betrekking op twee EG-verordeningen: Met deze circulaire wordt ten eerste beoogd aan te geven op welke wijze fabrikanten en importeurs, alsmede eventuele anderen, het beste de stukken aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kunnen overleggen, als ze daartoe verplicht zijn op grond van de basisverordening. Dit advies wordt gegeven omwille van een soepele uitvoering van de basisverordening. Daarnaast is in deze circulaire weergegeven op welke wijze de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) procedureel uitvoering zal geven aan diens in het kader van de basisverordening toebedeelde taken. Over deze procedure wordt op dit moment in Europees verband gesproken. Indien dit overleg leidt tot concrete afspraken zal worden bezien of, en zo ja: hoe, deze circulaire wordt aangepast. In deze circulaire wor"},{"i":6414,"b":"Besluit van 24 juli 2010 tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen in verband met vaststelling van de parameters voor fondsen Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juni 2010, nr. AV/PB/2010/12710; Gelet op de [artikelen 138, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=138), [140, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=140) en [144, eerste lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=144) en de [artikelen 133, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=133), [135, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=135) en [139, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=139); De Raad van State gehoord (advies van 25 juni 2010, nr. W12.10.0196/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juli 2010, nr. AV/PB/2010/13349; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. Artikel II Vervallen Artikel III Wijzigt het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5635,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 februari 2026 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA voedselveiligheid bij horeca, ambachtelijke productie, retail en instellingen (IB03-SPEC 37, versie 11) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), [artikel 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [artikel 13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA voedselveiligheid bij horeca, ambachtelijke productie, retail en instellingen beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB) en de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969), de interventies voor het betreffende werkterrein. Het interventiebeleid is van toepassing op bedrijven die op grond van artikel 6 van [Verordening (EG) nr. 852/2004](32004R0852) geregistreerd zijn (of zouden moeten zijn) en die rechtstreeks leveren aan de eindverbruiker en/of – eventueel als nevenactiviteit – leveren aan andere detailhandel en/of horeca. 2. Definities en wettelijke basis 2.1. Definities Voor algemene definities wordt verwezen naar het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) en de [Verordening (EG) Nr. 852/2004](32004R0852). Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het AIB. 2.2. Wettelijke basis Voor toezicht op de voedselveiligheid gelden zowel Europese als nationale regels. De wettelijk"},{"i":2110,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 december 2018, kenmerk 1434540-182777-Z, houdende aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2019 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2019 € 196,383 miljoen. Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041753&artikel=1&z=2019-01-01&g=2019-01-01) genoemde bedrag is € 79,630 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), € 24,347 miljoen voor de SVB voor de uitvoering van de taak, bedoeld in [artikel 3.3.3, zevende lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) en € 92,406 miljoen voor de overige bij of krachtens die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken van de Wlz-uitvoerders. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5295,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 november 2017, nr. 2017-0000031576, tot vaststelling van de beleidsindicatoren die door provincies in de programma’s en programmaverantwoording worden opgenomen Gelet op de [artikelen 8, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014606&artikel=8), en [25, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014606&artikel=25); Besluit: Artikel 1 Provincies hanteren voor het toelichten van de maatschappelijke effecten in de programma’s en de programmaverantwoording de beleidsindicatoren die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Indien de voor een beleidsindicator relevante gegevens niet door de bronhouder kunnen worden verstrekt, neemt de provincie bij de beleidsindicator op: gegevens niet beschikbaar. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beleidsindicatoren provincies. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040204&artikel=1&z=2017-11-16&g=2017-11-16) van de Regeling beleidsindicatoren provincies | | Kerntaak | Taakveld | Naam indicator | Eenheid | Bron(houder) | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 1. | Duurzame ruimtelijke ontwikkeling waaronder waterbeheer | Kwaliteit oppervlaktewater | Waterkwaliteit (oppervlaktewater) | % van de waterlichamen met een goede ecologische kwaliteit | Informatiehuis Water | | 2. | Milieu, energie en klimaat | Luchtverontreiniging | Emissie van broeikasgassen | Totale emissie broeikasgassen (uitgedrukt in CO2-equivalenten) in absolute aantallen (in tonnen uitstoot) | Klimaatmonitor RWS | | 3. | Milieu, energie en klimaat | Duurzaamheid | Hernieuwbare energie | Totale productie van hernieuwbare energie in petajoule (PJ) | Klimaatmonitor RWS | |"},{"i":7827,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 mei 2018, 2018-0000086086, tot benoeming van de voorzitter van de kwaliteitstafel bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde en vaststelling vergoeding Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2) en [4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **De kwaliteitstafel:** de kwaliteitstafel bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde; - b. **De voorzitter:** de onafhankelijke voorzitter van de kwaliteitstafel. Artikel 2. Taken van de voorzitter De voorzitter heeft tot taak: - a. Betrokken partijen te ondersteunen om gezamenlijk tot plannen, uitwerkingen, oplossingen, implementatie en ideeën te komen om de kwaliteit van de beroepen van bedrijfsarts en verzekeringsarts te verbeteren; - b. als boegbeeld en ambassadeur van de kwaliteitstafel op te treden; - c. de bijeenkomsten van de kwaliteitstafel voor te zitten, de agenda voor te bereiden en contacten te onderhouden met de deelnemende partijen; - d. het voeren van verkennende gesprekken met alle deelnemende partijen voorafgaand aan de eerste bijeenkomst; - e. ten minste twee maal per jaar te rapporteren over de voortgang van de kwaliteitstafel aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 3. Benoeming 1. Tot voorzitter wordt voor de periode van 1 mei 2018 tot 1 mei 2019 benoemd mevrouw drs. J.A.H. van Veen. 2. Vervallen. Artikel 4. Uitvoering werkzaamheden 1. De voorzitter kan in overleg met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit te voeren werkzaamheden nader regelen. 2. In het secretariaat van de kwaliteitstafel wordt voorzien door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 5."},{"i":6278,"b":"Wet van 25 mei 1998 tot samenvoeging van de gemeenten Gulpen en Wittem Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Gulpen en Wittem samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Gulpen en Wittem opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Gulpen-Wittem ingesteld, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 De nieuwe gemeente Gulpen-Wittem bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Gulpen en Wittem. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Gulpen-Wittem wordt de op te heffen gemeente Wittem aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Gulpen en Wittem wordt de nieuwe gemeente Gulpen-Wittem aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 6 1. Voor de nieuwe gemeente Gulpen-Wittem die bij deze wet wordt ing"},{"i":5494,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2023, kenmerk 3704792-1055150-Z, houdende Regeling vaststelling van de standaardpremie en bestuursrechtelijke premies voor 2024 Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4) en de [artikelen 18d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d), en [18e, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18e); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=1), bedraagt voor het berekeningsjaar 2024 € 1.987. Artikel 2 Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2024. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6199,"b":"Wet van 20 juni 2002, houdende regels inzake de bevordering van integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur met betrekking tot beschikkingen of overheidsopdrachten (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat bestuursorganen over de mogelijkheid beschikken om bepaalde subsidies of vergunningen te weigeren of in te trekken indien er sprake is van gevaar dat strafbare feiten zullen worden gepleegd of van het vermoeden dat strafbare feiten zijn gepleegd, alsook om bepaalde overheidsopdrachten niet te gunnen of een overeenkomst terzake te ontbinden indien door bedrijven niet of niet meer wordt voldaan aan de vereisten inzake betrouwbaarheid, en dat bestuursorganen zich bij het nemen van die beslissingen daaromtrent kunnen laten adviseren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen Paragraaf 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **advies:** het advies, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=9&z=2025-07-16&g=2025-07-16); - **beschikking:** een beschikking ter zake van een subsidie, alsmede een beschikking ter zake van een vergunning, toekenning, goedkeuring, erkenning, registratie, aanwijzing of ontheffing voor zover: - 1°. bij de wet is bepaald dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&hoofdstuk=1&paragraaf=1.2&artikel=3&z=2025-07-16&g=2025-07-16), kan worden geweigerd, dan wel ingetrokken, of - 2°. bij de wet is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bed"},{"i":7579,"b":"Besluit van 28 november 2019, houdende nadere regels betreffende de veiligheid en integriteit van openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten (Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 14 oktober 2019, nr. WJZ / 19232889; Gelet op [artikel 11a.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11a.1), en [18.12 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=18.12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 oktober 2019, nr. W18.19.0320/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 28 november 2019, nr. WJZ / 19271909; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop gebaseerde regelgeving wordt verstaan onder: - –. **beheer:** onderhoud of aansturing van apparatuur of programmatuur van een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk of een openbare elektronische communicatiedienst, - –. **producten of diensten:** apparatuur, programmatuur, beheer en aanverwante dienstverlening. Artikel 2 1. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven met betrekking tot de in [artikel 11a.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11a.1) bedoelde technische en organisatorische maatregelen en kunnen technische en organisatorische eisen worden gesteld aan aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten. 2. Indien dat naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is om risico’s voor de veiligheid en integriteit van diens netwerk of dienst die de nationale veiligheid of de openbare orde raken te beheersen, legt Onze Minister, in overleg met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk of -dienst een verplichting op om in de daarbij aangewezen onderdelen van die"},{"i":5136,"b":"Procedure voor indiening en behandeling van verzoeken tot benoeming tot notaris Circulaire aan – de Staatscourant – de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie – Bureau Financieel Toezicht De Circulaire met betrekking tot dit onderwerp van 9 december 1999 met kenmerk 770456/899 wordt vervangen door deze Circulaire. De inhoud van de voorgaande circulaire over dit onderwerp is niet gewijzigd en integraal in deze circulaire overgenomen, met uitzondering van: In de [artikelen 6 tot en met 8 van de nieuwe Wet op het notarisambt](onbekend) is in verband met de invoering van een vrijere vestigingsregeling de procedure van benoeming tot notaris geheel herzien. In [artikel 8, eerste lid](onbekend), is bepaald dat de kandidaat-notaris die voor benoeming in aanmerking wenst te komen bij de minister van Justitie een verzoek daartoe moet indienen en daarbij bewijsstukken moet overleggen waaruit blijkt dat hij voldoet aan de benoemingsvoorwaarden van [artikel 6](onbekend). Om te bevorderen dat bij de verzoeken de juiste bijlagen worden gevoegd en de verzending of aanbieding van de stukken op de juiste wijze geschiedt, geef ik hieronder enige nadere informatie. Voorts geef ik aan hoe de volgorde van behandeling van de verzoeken en – in geval van verzoeken voor een zelfde vestigingsplaats – de volgorde waarin besloten zal worden wordt bepaald. Het verzoek om benoeming tot notaris dient te worden gericht aan de Staatssecretaris van Justitie. Het verzoek moet met de hierna te noemen bijlagen in drievoud worden ingediend. Indien verzoeker echter in meerdere arrondissementen als kandidaat-notaris werkzaam is geweest dan in het arrondissement waar hij op het moment van indiening werkzaam is, legt hij voor ieder arrondissement, waar hij werkzaam is geweest, een extra exemplaar van het verzoek met bijlagen over. Om een correcte verwerking van het verzoek zoveel mogelijk te waarborgen dient het verzoek, met uitsluiting van andere mogelijke wijzen van indiening, op één van de volgende wijze"},{"i":5067,"b":"Besluit van de algemene rijksarchivaris van het Nationaal Archief van 18 december 2025, houdende de vaststelling van een nieuwe (onder)mandaatregeling voor het Nationaal Archief (Organisatie- en mandaatbesluit Nationaal Archief 2026) Gelet op [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=8) en [11 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=11), en [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=25) en [26, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=26); Besluit: Artikel 1. Organisatie Nationaal Archief 1. Het Nationaal Archief staat onder leiding van de algemeen directeur/algemene rijksarchivaris. Daarnaast is er een plaatsvervangend algemeen directeur/directeur Archieven, Dienstverlening en Innovatie. 2. De aansturing door de algemeen directeur/algemene rijksarchivaris en de plaatsvervangend algemeen directeur/directeur Archieven, Dienstverlening en Innovatie van de in het derde lid genoemde afdelingen vindt plaats op basis van een portefeuilleverdeling. 3. Het Nationaal Archief bestaat uit de volgende afdelingen, die worden geleid door een hoofd: - a. Afdeling bestuurszaken en bedrijfsvoering; - b. Afdeling collectie; - c. Afdeling dienstverlening; - d. Afdeling digitalisering; - e. Afdeling infrastructuur en services; - f. Afdeling kennis en advies; - g. Afdeling onderzoek en presentatie; - h. Afdeling portfoliomanagement en programma’s. 4. Binnen de afdelingen zijn de volgende teammanagers werkzaam: - a. Afdeling bestuurszaken en bedrijfsvoering: - 1°. teammanager bedrijfsvoering; - 2°. teammanager communicatie en marketing. - b. Afdeling collectie: - 1°. teammanager beheren en behouden; - 2°. teammanager verwerven; - 3°. teammanager locatie Emmen; - 4°. operationeel manager locatie Emmen. - c. Afdeling dienstverlening: - 1°. teammanager archiefonderzoek, diensten en klantcontact; - 2°. teammanager depotbeheer"},{"i":7599,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende een Informatiestatuut, alsmede regels inzake inrichting van de begroting en het financieel verslag van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatieautoriteit Gelet op de [artikelen 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008807&artikel=18) en [21 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008807&artikel=21); Besluit: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Wijze van informatie-uitwisseling De in deze regeling genoemde informatie die tussen de minister en het college wordt uitgewisseld, wordt in ieder geval op een toegankelijke wijze aangeleverd, waar mogelijk gebruikmakend van informatietechnologie. Artikel 3. Reactie minister op verzoeken van het college tot initiëring of wijziging van regelgeving De minister beslist zo mogelijk binnen een termijn van zes weken op een verzoek van het college tot initiëring of wijziging van de regelgeving op het gebied van elektronische communicatie en post. Hoofdstuk II. Informatie wederzijds te verstrekken ten behoeve van de taakuitoefening van beide partijen Artikel 4. Informatie aan college over beleid en regelgeving 1. De minister informeert het college tijdig over voornemens tot formulering of aanpassing van beleid danwel regelgeving op het gebied van, danwel relevant voor, de taakuitoefening van het college. Het college kan, indien het dat gewenst acht een advies uitbrengen aan de minister. 2. In ieder geval verstrekt de minister het college de aan het criterium van het eerste lid beantwoordende: - a. beleidsnota’s; - b. ontwerpen van wet, inclusief de memorie van toelichting; - c. ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur; - d. reacties op adviezen van de Raad van State en op de schriftelijke inbreng van de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal; - e. ontwerp-ministeriële regelingen; - f. concept-vergunningen en vergunningvoorschrift"},{"i":5162,"b":"Rechten bij invoer, economische douaneregeling behandeling onder douanetoezicht; alternatief bewijs wederuitvoer De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Aan mij is de vraag voorgelegd over alternatief bewijs voor de wederuitvoer bij de economische douaneregeling behandeling onder douanetoezicht. De vraag en het antwoord zijn hierna opgenomen. Vraag De economische douaneregeling behandeling onder douanetoezicht wordt beëindigd als aan de invoergoederen of de behandelde producten een nieuw toegestane douanebestemming wordt gegeven. Wederuitvoer is een nieuw toegestane douanebestemming. Deze bestemming wordt aangetoond met exemplaar nummer 3 voor de afzender/exporteur van het formulier Enig document EX 3. Dit exemplaar wordt echter niet altijd overgelegd. Antwoord"},{"i":5159,"b":"Besluit van 5 augustus 1960, houdende regelen inzake het opnieuw rangschikken en opnieuw vaststellen van de ouderdom in rang van beroepsmilitairen beneden de rang van tweede-luitenant, die behoren tot de Koninklijke Luchtmacht Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 28 juni 1960, Directie Militair Personeel, nr. P. 118.307/B; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); Gezien het verslag van de Commissie B voor georganiseerd overleg in zaken van belang voor de rechtstoestand van militairen; De Raad van State gehoord (advies van 19 juli 1960, nr. 16); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 3 augustus 1960, nr. P. 118.307/F; Overwegende: dat ter zake van het rangschikken van de beroepsmilitairen beneden de rang van tweede-luitenant, die behoren tot de Koninklijke Luchtmacht, welk rangschikken tot dusver niet is kunnen geschieden op voor alle diensten gelijke wijze en naar gelijke maatstaven, thans de gewenste eenheid kan worden bewerkstelligd, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. militair: de mannelijke militair beneden de rang van tweede-luitenant, die behoort tot het beroepspersoneel van de Koninklijke Luchtmacht, met uitzondering van degene die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit nog niet of nog deelneemt aan een opleiding tot het volgen waarvan hij bij het aangaan van de verbintenis als beroepsmilitair is bestemd; - b. rang: de effectieve rang die een militair definitief bekleedt; - c. diensttijd: - 1°. de werkelijke militaire diensttijd welke op grond van de Pensioenwet voor de landmacht 1922 bij toekenning van een diensttijdpensioen in aanmerking kan worden gebracht om met pensioen te worden vergolden, - 2°. de werkelijke militaire diensttijd verkregen vóór het tijdstip waarop het achttiende levensjaar is volbracht. Artikel 2 1. Het rangschikken ter voorbereiding van het vaststellen van de"},{"i":2112,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 23 november 2020, kenmerk 1780095-214089-Z, houdende vaststelling van een aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2021 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2021) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2021 €254,224 miljoen. Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044421&artikel=1&z=2021-01-01&g=2021-01-01) genoemde bedrag is € 90,820 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), € 128,901 miljoen voor de overige bij of krachtens die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken van de Wlz-uitvoerders en € 34,503 miljoen voor de SVB voor de uitvoering van de taak, bedoeld in [artikel 3.3.3, zevende lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2021. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5279,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 29 mei 2012, nr. WJZ / 12063076, houdende regels inzake de algemene doorvoervergunning N008 voor militaire goederen met eindbestemming bondgenoten (Regeling algemene doorvoervergunning NL008) Gelet op de [artikelen 6a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=6a), en [6b, tweede lid, van het Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=6b); Besluit: § 1. **Begripsbepalingen** Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - −. **besluit:** het Besluit strategische goederen; - −. **EORI-nummer:** het nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel 18, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie Communautair douanewetboek; - −. **gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen:** de lijst van goederen waarop Gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie van toepassing is; - −. **inspecteur:** de directeur-generaal Douane. § 2. **Algemene doorvoervergunning** Artikel 2 1. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie verleent een algemene doorvoervergunning voor de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031620&paragraaf=2&artikel=3&z=2021-06-23&g=2021-06-23) bedoelde categorieën van militaire goederen indien aan de in [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031620&paragraaf=3&artikel=4&z=2021-06-23&g=2021-06-23) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031620&paragraaf=3&artikel=5&z=2021-06-23&g=2021-06-23) genoemde voorwaarden is voldaan. 2. Aan de algemene doorvoervergunning zijn de in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031620&paragraaf=4&artikel=6&z=2021-06-23&g=2021-06-23) genoemde voorschriften verbonden. Artikel 3 De algemene doorvoervergunning NL008 geldt voor militaire goederen"},{"i":2113,"b":"Besluit van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 13 januari 2022, kenmerk 3294400-1021540-Z, houdende vaststelling van een aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2022 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2022) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2022 € 275,166 miljoen. Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046220&artikel=1&z=2022-01-22&g=2022-01-22) genoemde bedrag is € 95,157 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), € 140,398 miljoen voor de overige bij of krachtens die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken van de Wlz-uitvoerders en € 39,611 miljoen voor de Sociale verzekeringsbank voor de uitvoering van de taak, bedoeld in [artikel 3.3.3, zevende lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2021, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2022. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2114,"b":"Besluit van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 13 december 2022, kenmerk 3471063-1040004-Z, houdende vaststelling van een aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2023 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2023) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2023 € 303,646 miljoen. Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047646&artikel=1&z=2023-01-01&g=2023-01-01) genoemde bedrag is € 102,845 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), € 154,930 miljoen voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken van de Wlz-uitvoerders en € 45,871 miljoen voor de Sociale verzekeringsbank voor de uitvoering van de taak, bedoeld in [artikel 3.3.3, zevende lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2022, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 2023. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5684,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Media van 14 januari 2025, nr. VO/1502027, houdende regels voor subsidieverstrekking ter ondersteuning van het beproeven van conceptexamenprogramma’s (Subsidieregeling beproeven examenprogramma’s) Gelet op [artikelen 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) of [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **beproeven:** toetsen van de conceptexamenprogramma’s in de praktijk op consistentie, bruikbaarheid en effectiviteit onder begeleiding van SLO; - **bovenbouw:** leerjaar 3 of 4 van het mavo of vbo, leerjaar 4 of 5 van het havo of leerjaar 4, 5 of 6 van het vwo; - **categoraal gymnasium:** vestiging die uitsluitend gymnasium aanbiedt; - **categoraal vwo:** vestiging die uitsluitend vwo aanbiedt; - **conceptexamenprogramma:** conceptexamenprogramma, gepubliceerd op de website slo.nl, voor een vak, genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050706&bijlage=1&z=2026-01-29&g=2026-01-29) of [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050706&bijlage=2&z=2026-01-29&g=2026-01-29) van deze regeling; - **denominatie:** achtergrond van een school, opgedeeld in openbaar, bijzonder en overig; - **gymnasium:** vestiging van een school voor vwo waar in ieder geval voortgezet onderwijs gegeven wordt in Latijnse taal en cultuur en Griekse taal en cultuur; - **havo:** havo als bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de WVO 2020](https:/"},{"i":2119,"b":"Aanwijzing bevelvoerende militairen met bevoegdheden als bedoeld in art. 59 Gelet op [artikel 59, eerste lid, van de Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=59); Besluiten: Artikel 1 Als bevelvoerende militairen die de bevoegdheden bedoeld in [artikel 59 van de Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=59) kunnen uitoefenen worden aangewezen: - de commandant van een oorlogsschip; - de commandant van de Eerste amfibische gevechtsgroep van het Korps mariniers; - de commandant van de Tweede amfibische gevechtsgroep van het Korps mariniers; - de commandant van een bataljon van het Korps mariniers; - de officier-detachementscommandant bij de Koninklijke marine en bij de Koninklijke luchtmacht; - de militaire attachés. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de [Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789) (Stb. 1990, 370) in werking treedt."},{"i":8392,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 7 juni 2010, nr. WJZ/10083738, houdende aanwijzing van het hoofd van het begeleidingsteam als bedoeld in artikel 12 van de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens Gelet op [artikel 12, eerste lid, van de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007434&artikel=12); Gezien de schriftelijke instemming van de Minister van Financiën en van de Algemeen directeur Douane; Besluit: Artikel 1 Als hoofd van het begeleidingsteam als bedoeld in [artikel 12 van de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007434&artikel=12) wordt aangewezen de directeur-generaal Douane als bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=4). Artikel 2 Het [Besluit aanwijzing hoofd begeleidingsteam Uitvoeringswet verdrag chemische wapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025165) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2010. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing hoofd begeleidingsteam Uitvoeringswet verdrag chemische wapens 2010. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5252,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu tot aanwijzing van kaarten ten behoeve van het vervoer van gehandicapten in verband met het gebruik van het trottoir en het voetpad door gehandicapte bestuurders van bijzondere snorfietsen Gelet op [artikel 5, vijfde en zesde lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=5); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994, enz. (aanwijzing van bromfietsen waarvoor geen Europese typegoedkeuring is vereist teneinde de toelating van bijzondere bromfietsen tot het verkeer te vereenvoudigen) (Stb. 2010/744) in werking treedt. Artikel 1 Kaarten ten behoeve van het vervoer van gehandicapten als bedoeld in [artikel 5, vijfde en zesde lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=5) zijn: - a. de OV-Begeleiderskaart; - b. de Valyspas; en - c. de WMO-pas. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 30 september 2010 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanwijzing van bromfietsen waarvoor geen Europese typegoedkeuring is vereist teneinde de toelating van bijzondere bromfietsen tot het verkeer te vereenvoudigen en van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in verband met het herstel van enkele onvolkomenheden (Stb. 744) in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7488,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 19 juni 2019, nr. 2624982, houdende de vaststelling van de tijdstippen en de wijze van het verstrekken van passagiersgegevens door de luchtvaartmaatschappijen aan de passagiersinformatie-eenheid (Aanwijzingsbesluit verstrekking passagiersgegevens aan de passagiersinformatie-eenheid) Gelet op [artikel 4, tweede lid, onder a en vijfde lid van de Wet gebruik passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=4), Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven in werking treedt. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. Passagiersgegevens, Passagiersinformatie-eenheid, luchtvaartmaatschappij en vlucht: passagiersgegevens, Passagiersinformatie-eenheid, luchtvaartmaatschappij en vlucht als bedoeld in [artikel 1 van de Wet gebruik passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=1). 2. Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/759: Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/759 van de Europese Commissie van 28 april 2017 betreffende de door luchtvaartmaatschappijen te gebruiken gemeenschappelijke protocollen en dataformaten bij het doorgeven van PNR-gegevens aan passagiersinformatie-eenheden. Artikel 2 1. De passagiersgegevens worden 48 en 24 uur voor de geplande vertrektijd van een vlucht door een luchtvaartmaatschappij langs elektronische weg aan de Passagiersinformatie-eenheid verstrekt. 2. Indien 24 uur voor de geplande vertrektijd van een vlucht van een bepaalde passagier geen passagiersgegevens beschikbaar zijn, verstrekt de luchtvaartmaatschappij de passagiersgegevens van de betreffende passagier niet later dan twee uur voor de geplande vertrektijd, voor zover de luchtvaartmaatschappij op dat moment over deze gegevens beschikt. Arti"},{"i":6405,"b":"Besluit van 17 september 2007, houdende wijziging van het Besluit donorregister in verband met wijziging van het donorformulier Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 juli 2007, kenmerk GMT/IB 2786181, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie; Gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=10); De Raad van State gehoord (advies van 9 augustus 2007, no. W13.07.0264/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 september 2007, kenmerk DWJZ/SWW-2793034, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit donorregister. Artikel II Vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit aan de ingezetenen, bedoeld in [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723), zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715), toegezonden donorformulieren en donorformulieren die vóór deze datum in omloop zijn, kunnen ook na inwerkingtreding van dit besluit worden gebruikt om in het donorregister aantekening te maken van de wilsbeschikking omtrent orgaandonatie van betrokkene. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5239,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 juli 2015, 2015-0000160660, tot Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 Gelet op [artikel 6, vijfde lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=6), [6, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=6), [6, vierde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=6) en [artikel 3:17, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:17); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bestuurder:** - 1. de bestuurder van een vennootschap, bedoeld in [artikel 132](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=132) of [242 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=242), of - 2. ingeval de bestuurder een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon, die de werkzaamheden voor de vennootschap als bestuurder feitelijk verricht; - b. **echtgenoot:** de persoon die met de bestuurder is gehuwd of op grond van [artikel 1 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=1) met de echtgenoot wordt gelijk gesteld of als gehuwd wordt aangemerkt; - c. **vennootschap:** een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid als bedoeld in de [Titels 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&titeldeel=4) en [5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&titeldeel=5). Artikel 2 1. Onder de directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=6), [artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=6), [artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wer"},{"i":5515,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 februari 2010, nr. BJZ2010002774 houdende vaststelling van een tenderperiode en subsidieplafond voor het jaar 2010 krachtens de Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds Gelet op de [artikelen 1.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022174&artikel=1.2), en [1.5 van de Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022174&artikel=1.5); Besluit: Artikel 1 1. Als periode in 2010 na afloop waarvan de aanvragen om subsidie krachtens de [Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022174) die in die periode zijn ontvangen, worden behandeld, wordt vastgesteld: 22 maart 2010 tot en met 29 april 2010. 2. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op aanvragen als bedoeld in het eerste lid, ontvangen in de in dat lid genoemde periode, wordt vastgesteld op € 36.800.000. 3. Van het bedrag, genoemd in het tweede lid, wordt € 1.000.000 gereserveerd voor aanvragen waarvan de subsidiabele kosten minder bedragen dan € 200.000. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5643,"b":"Staffelbesluit pensioenen De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het Staffelbesluit pensioenen van 20 december 2019, nr. 2019-21333 in verband met de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen per 1 juli 2023. Tevens zijn de berekeningsgrondslagen geactualiseerd.** 1. Inleiding De inwerkingtreding van de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) per 1 januari 2007 heeft in de praktijk geleid tot de ontwikkeling van zowel individuele als collectieve premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten. Na inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen per 1 juli 2023 zijn deze overeenkomsten niet meer toegestaan. Echter, met toepassing van [artikel 220i van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=220i), dan wel [artikel 214g van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=214g) en [artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=38q) kunnen bestaande overeenkomsten ook na 30 juni 2023 tijdelijk worden voortgezet. Gebleken is dat de fiscale kwalificaties van de individuele en collectieve premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten niet duidelijk waren. Daarom verduidelijkt dit besluit, evenals de voorgaande besluiten de fiscale regels voor pensioenregelingen die de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) tot 1 juli 2023 aanduidde als een premie- of kapitaalovereenkomst. Ook wijst het besluit sommige soorten premie- en kapitaalovereenkomsten aan als fiscale pensioenregelingen. Net als de voorgenoemde besluiten bevat dit besluit ‘nettostaffels’. Deze staffels bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Het gebruik van de staffels kan bijdragen aan betere transparantie van kosten in pensioenregelingen. De aanwijzingen als pensioenregeling in dit besluit berusten o"},{"i":5625,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 april 2025 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA naleving voorschriften exotische muggen (IB03-SPEC 09, versie 03) De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), [artikel 64 van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=64), [artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10) en het [Algemeen Interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA naleving voorschriften exotische muggen beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB), de klassenindeling van en de interventies voor de beoordeling van specifieke overtredingen van de wetgeving gericht tegen vestiging en verspreiding van invasieve exotische muggen. Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in dit IB03-SPEC 09 zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de NVWA teneinde een interventie te bepalen. 2. Afkortingen en wettelijke basis 2.1. Afkortingen 2.2. Wettelijke basis Op onderhavig terrein gelden alleen nationale regels om vestiging en verspreiding van invasieve exotische muggen te voorkomen en gelden er productvoorschriften voor Lucky Bamboo. De wettelijke bepalingen die van belang zijn voor dit specifiek interventiebeleid betreffen: 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van de overtreding Overtredingen worden ingedeel"},{"i":5767,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 april 2019 nr. WJZ/6093459, houdende regels voor de verstrekking van subsidie aan rijksmonumenteneigenaren voor de in 2019 gemaakte drukkende onderhoudskosten in het kader van een vóór 2019 aangevangen onderhoudsproject (Subsidieregeling overgang afschaffing fiscale aftrek van uitgaven voor monumentenpanden) Gelet op [artikel 7.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.1), [artikel 4 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **drukkende onderhoudskosten:** drukkende onderhoudskosten als bedoeld in [artikel 6.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.31), zoals dat luidde op 31 december 2018; - **eigenaar:** natuurlijke persoon: - a. die in 2019 een rijksmonument als eigen woning als bedoeld in [artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111), zoals dat luidde op 31 december 2018, heeft; of - b. voor wie een rijksmonument in 2019 als bezitting wordt aangemerkt die volgens [artikel 5.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.1), zoals dat luidde op 31 december 2018, in de belastingheffing op grond van die wet wordt betrokken en waarvan de waardeveranderingen die persoon direct of indirect grotendeels aangaan; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **rijksmonument:** rijksmonument als bedoeld in [artikel 1.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1). Artikel 2. Toepassi"},{"i":6010,"b":"Vaststelling modelformulieren akten van uitreiking en dagvaarding (straf) Aan: - de Hoge Raad der Nederlanden - het college van procureurs-generaal - de Raad voor de Rechtspraak De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Graag uw aandacht voor het volgende. In mei 2002 gaat een pilot van start met de opvolger van het COMPAS-systeem, het zogenaamde GPS (Geïntegreerd Processysteem Strafrecht). Dit experiment biedt mij de gelegenheid om ten behoeve van de strafrechtketen nieuwe dagvaardingformulieren en akten van uitreiking te introduceren. De pilot loopt bij het parket van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch, maar zal, wat betreft de verspreiding van de formulieren, landelijke effecten hebben. Met name burgers, de bezorgers van TPG (voorheen PTT-post) en de medewerkers van de gerechtelijke diensten zullen met die effecten te maken krijgen. De nieuwe formulieren worden gebruikt bij de vervolging van de overtreding als bedoeld in [artikel 8 van de Wegenverkeerwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8). Dat houdt in, dat naast de nu door mij nieuw vastgestelde formulieren voorlopig de bestaande akten van uitreiking en dagvaardingformulieren ook in gebruik blijven. De bedoeling is het gebruik van de oude formulieren zo snel mogelijk af te bouwen. Een en ander is echter afhankelijk van het invoeringstraject van het GPS. Op grond van [artikel 589 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) dient het model van de akte van uitreiking door mij te worden vastgesteld. Eventuele nadere voorschriften dienen in de Staatscourant te worden gepubliceerd. De vaststelling doe ik bij deze. Nu het een pilot betreft met een beperkte reikwijdte en ook de bestaande akten en dagvaardingen nog in gebruik blijven, zie ik dat als een nader voorschrift, waarvan de publicatie in de Staatscourant binnenkort zal plaatsvinden. Bijgaand treft u exemplaren van de vastgestelde modellen aan. Ik verzoek u binnen uw orga"},{"i":5604,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 april 2025 vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA attractie- en speeltoestellen (IB03-SPEC 46, versie 09) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA attractie- en speeltoestellen beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03) (AIB) en het [Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048026) (WAS 2023), de klasse-indeling en interventies voor specifieke overtredingen binnen het toezichtdomein attractie- en speeltoestellen. Overtredingen die door de inspecteur worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. Begrippen 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215). Certificaat afgegeven door een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister) aangewezen keuringsinstelling (AKI), waaruit blijkt dat het attractie- of speeltoestel is goedgekeurd en voldoet aan de eisen van het"},{"i":2121,"b":"Aanwijzing bevoegde auditinstellingen GBA (Bestuur & Management Consultants) Gelezen het schriftelijke verzoek van de firma Bestuur & Management Consultants (BMC) van 10 augustus 1999 om ingevolge paragraaf 1.5 van de circulaire van 14 juli 1999, kenmerk BPR99/U71885 (Strct. 1999, nr. 149), houdende voorschriften inzake de uitvoering van de verplichte periodieke controle van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (verder: de circulaire), aangewezen te worden als instelling die bevoegd is tot de uitvoering van de periodieke GBA-audit, en de bijlage, zijnde het rapport van de Stichting Raad voor Accreditatie van 22 juli 1999, Registratienummer N 001, waaruit blijkt dat genoemde firma aan de in paragraaf 1.5 en bijlage 2 van de circulaire gestelde criteria voor de bekwaamheid van de instellingen die GBA-audits uitvoeren en hun medewerkers voldoet; Besluit Artikel 1 De firma Bestuur & Management Consultants (BMC) wordt aangewezen als bevoegde audit-instelling tot uitvoering van de periodieke GBA-audit, als bedoeld in de circulaire. Artikel 2 1. Tot de uitvoering van het inhoudelijke deel respectievelijk het procesmatige deel van een audit, als bedoeld in hoofdstuk 2 respectievelijk hoofdstuk 3 van de circulaire, zijn de medewerkers van de firma Bestuur & Management Consultants (BMC) bevoegd, die blijkens een toetsingsrapport van de Raad voor Accreditatie voldoen aan de in paragraaf 1.5 en bijlage 2 van de circulaire genoemde criteria. 2. Een lijst met de namen van de in het eerste lid bedoelde medewerkers wordt periodiek door of namens de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid op een gepaste wijze aan de gemeentebesturen bekend gemaakt. Artikel 3 De firma Bestuur & Management Consultants (BMC) en de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010684&artikel=2&z=1999-09-01&g=1999-09-01), bedoelde medewerkers, zijn verplicht de periodieke GBA-audit uit te voeren conform de bij of krachtens de [Wet gemeentelijke basisadministr"},{"i":2122,"b":"Aanwijzing bevoegde auditinstellingen GBA (Deloitte & Touche Certification B.V.) Gelezen het schriftelijke verzoek van de firma Deloitte & Touche Certification B.V. van 9 augustus 1999 om ingevolge paragraaf 1.5 van de circulaire van 14 juli 1999, kenmerk BPR99/U71885 (Strct. 1999, nr. 149), houdende voorschriften inzake de uitvoering van de verplichte periodieke controle van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (verder: de circulaire), aangewezen te worden als instelling die bevoegd is tot de uitvoering van de periodieke GBA-audit, en de bijlage, zijnde het rapport van de Stichting Raad voor Accreditatie van 22 juli 1999, Registratienummer N 002, waaruit blijkt dat genoemde firma aan de in paragraaf 1.5 en bijlage 2 van de circulaire gestelde criteria voor de bekwaamheid van de instellingen die GBA-audits uitvoeren en hun medewerkers voldoet; Besluit: Artikel 1 De firma Deloitte & Touche Certification B.V. wordt aangewezen als bevoegde audit-instelling tot uitvoering van de periodieke GBA-audit, als bedoeld in de circulaire. Artikel 2 1. Tot de uitvoering van het inhoudelijke deel respectievelijk het procesmatige deel van een audit, als bedoeld in hoofdstuk 2 respectievelijk hoofdstuk 3 van de circulaire, zijn de medewerkers van de firma Deloitte & Touche Certification B.V. bevoegd, die blijkens een toetsingsrapport van de Raad voor Accreditatie voldoen aan de in paragraaf 1.5 en bijlage 2 van de circulaire genoemde criteria. 2. Een lijst met de namen van de in het eerste lid bedoelde medewerkers wordt periodiek door of namens de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid op een gepaste wijze aan de gemeentebesturen bekend gemaakt. Artikel 3 De firma Deloitte & Touche Certification B.V. en de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010685&artikel=2&z=1999-09-01&g=1999-09-01), bedoelde medewerkers, zijn verplicht de periodieke GBA-audit uit te voeren conform de bij of krachtens de [Wet gemeentelijke basisadministratie"},{"i":2123,"b":"Aanwijzing bevoegde autoriteit inzake afgifte diploma's, certificaten enz. op het gebied van de architectuur Overwegende dat ingevolge artikel 28 van de EEG-richtlijn van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PbEG, L 223), zoals gewijzigd bij de EEG-richtlijnen van 20 december 1985 (PbEG 1985, L 376) en van 27 januari 1986 (PbEG 1986, L 27), hierna te noemen: de richtlijn, de autoriteiten en instanties moeten worden aangewezen die in Nederland gemachtigd zijn tot afgifte en ontvangst van de in de richtlijn genoemde diploma's, certificaten, andere titels en overige documenten en gegevens; Overwegende voorts dat artikel 2 van de statuten van de Stichting bureau architectenregister erin voorziet dat die stichting kan worden belast met het afgeven van attesten en verklaringen als bedoeld in of ter uitvoering van de richtlijn; Besluit: Artikel 1 De Stichting bureau architectenregister, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de architectentitel (Stb. 1987, 347), is belast met het afgeven van: - a. getuigschriften als bedoeld in artikel 11, onderdeel h, zevende en achtste streepje, van de richtlijn; - b. attesten als bedoeld in artikel 22, derde lid, tweede en derde streepje, van de richtlijn; - c. attesten als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de richtlijn; - d. verklaringen houdende de in artikel 27 van de richtlijn bedoelde bevestiging van de echtheid van de in Nederland afgegeven getuigschriften en diploma's, bedoeld in artikel 11, onderdeel h, vijfde tot en met achtste streepje, van de richtlijn, en - e. verklaringen houdende de bevestiging dat een Nederlands getuigschrift, genoemd in de ingevolge artikel 7, tweede lid, van de richtlijn in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte lijst, en behaald na een opleiding"},{"i":5519,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 april 2011, nr. 2011-2000031222, tot vaststelling van een verhoogd subsidieplafond ten behoeve van de afhandeling van aanvragen op voet van de Tijdelijke subsidieregeling maatwerkadviezen voor woningen Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13), Besluit: Artikel 1 Bij de afhandeling van aanvragen om subsidie op grond van de [Tijdelijke subsidieregeling maatwerkadviezen voor woningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025997) geldt voor 2010 een, op 15 december 2010 uitgeput zijnd, subsidieplafond van € 10.676.000,–. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 15 december 2010. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5613,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. van 10 januari 2025 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA diervoeder (IB03-SPEC 35, versie 06) De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA diervoeder beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03), de klassenindeling van en interventies voor de beoordeling van specifieke overtredingen van de diervoederwetgeving. Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in dit IB03-SPEC 35 zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven teneinde een interventie te bepalen. 2. Begrippen en wettelijke basis 2.1. Begrippen In aanvulling op de definities en begrippen uit het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03) geldt de volgende definitie: 2.2. Wettelijke basis 1 Algemene Levensmiddelenverordening en in [uitvoeringsverordening (EU) 931/20112](32011R0931) 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van de overtreding Overtredingen worden ingedeeld naar de klassen zoals gedefinieerd in het [Algemeen Interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). De ernst van de overtreding wordt onder and"},{"i":5139,"b":"Procedures voor totstandkoming en bekendmaking rijksregelgeving I. Inleiding Het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) geeft regels omtrent het proces van de totstandkoming en afkondiging van rijksregelgeving. Zo is in [artikel 15, eerste lid, van het Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=15) bepaald dat de Koning een ontwerp van rijkswet gelijktijdig met de indiening bij de Staten-Generaal aan de vertegenwoordigende lichamen van de Nederlandse Antillen en van Aruba zendt. [Artikel 22, eerste lid, van het Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=22) geeft regels voor de afkondiging van rijkswetten en algemene maatregelen van rijksbestuur. Een nadere uitwerking van [artikel 22 van het Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=22) is gegeven in de Reglementen voor de Gouverneurs. Op ambtelijk niveau worden procedures gehanteerd ter uitvoering van deze Statuutbepalingen. Deze procedures zijn onder meer neergelegd in het rondschrijven van 14 september 1955 van de minister van Overzeese Rijksdelen1Kamerstukken II 1955/56, 4100 XIII, nr. 12, zie ook W.H. van Helsdingen, Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Wordingsgeschiedenis, commentaar en praktijk, 's-Gravenhage 1957, blz. 361, 362. en in het Draaiboek voor de wetgeving2Ministerie van Justitie, Draaiboek voor de wetgeving, Den Haag 2002.. Zij zijn ontstaan in de jaren direct na de totstandkoming van het [Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) en in de loop der jaren niet aan de stand der techniek aangepast of herzien. Gelet op de mogelijkheden die de informatietechnologie heden ten dage biedt, is het met name uit het oogpunt van efficiency wenselijk deze werkafspraken tegen het licht te houden en waar mogelijk verbeteringen aan te brengen. De wijzigingen zoals verwoord in deze circulaire hebben dan ook tot doel de procedures adequater en efficiënter te maken."},{"i":5273,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 mei 2007, nr. MC/U-2770011, houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet marktordening gezondheidszorg (Regeling aanwijzing toezichthouders WMG) Gelet op [artikel 72, eerste lid, onder a, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=72); Besluit: Artikel 1 Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) worden aangewezen: - –. de directeur van de directie Zorgverzekeringen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. de directeur van de directie Patiënt en Zorgordening van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. daartoe door de directeur van de directie Patiënt en Zorgordening aangewezen ambtenaren van zijn directie. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2006. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als Regeling aanwijzing toezichthouders Wmg. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5532,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 23 november 2018, nr. WJZ/18199760, houdende nadere regels tot vergunningverlening windenergie op zee voor de kavels III en IV van het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) (Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavels III en IV Hollandse Kust (zuid)) Gelet op de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14), [23, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=23), en [24, derde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=24); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **kavel III:** kavel III van het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) zoals aangewezen in [Kavelbesluit III windenergiegebied Hollandse Kust (zuid)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040556) (Stcrt. 2018, 2543); - **kavel IV:** kavel IV van het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) zoals aangewezen in [Kavelbesluit IV windenergiegebied Hollandse Kust (zuid)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040532) (Stcrt. 2018, 2497); - **Minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie:** de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%; - **wet:** [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 1. De aanvraag voor een vergunning voor kavel III of kavel IV wordt ingediend in de periode tussen 1 maart 2019 en 14 maart 2019, 17:00 uur. 2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld. Artikel 3 1. Het ontwerp voor het windpark, bedoeld in [artikel 23, tweede lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel="},{"i":5531,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 13 oktober 2017, nr. WJZ/17122295, houdende nadere regels tot vergunningverlening windenergie op zee voor de kavels I en II van het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) (Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavels I en II Hollandse Kust (zuid)) Gelet op de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14), [23, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=23), en [24, derde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=24); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **kavel I:** kavel I van het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) zoals aangewezen in Kavelbesluit I windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) (Stcrt. 2016, 67082); - **kavel II:** kavel II van het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) zoals aangewezen in Kavelbesluit II windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) (Stcrt. 2016, 67120); - **minister:** Minister van Economische Zaken; - **P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie:** de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%; - **wet:** [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 1. De aanvraag voor een vergunning voor kavel I of kavel II wordt ingediend in de periode tussen 15 december 2017 en 21 december 2017, 17:00 uur. 2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. Artikel 3 1. Het ontwerp voor het windpark, bedoeld in [artikel 23, tweede lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=23), omvat ten minste: - a. een windenergie-opbrengstberekening die is opgesteld door een onafhankelijke organisatie met experti"},{"i":5533,"b":"Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 5 maart 2022, nr. WJZ/ 21307522, houdende regels inzake de vergunningverlening windenergiegebied Hollandse Kust (west) kavel VI (Regeling vergunningverlening windenergiegebied Hollandse Kust (west) kavel VI) Gelet op de [artikelen 10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=10), [12a, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=12a), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14), [14a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14a), [15a, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=15a), [25b, derde en vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=25b); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **kavel VI:** kavel VI van het windenergiegebied Hollandse Kust (west) zoals aangewezen in [Kavelbesluit VI windenergiegebied Hollandse Kust (west)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046360) (Stcrt. 2022, nr. 4381); - **minister:** Minister voor Klimaat en Energie; - **P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie:** de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, die dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%; - **wet:** [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 De aanvraag voor een vergunning voor kavel VI wordt ingediend in de periode tussen 14 april 2022 en 12 mei 2022, 17:00 uur. Artikel 3 1. Het ontwerp voor het windpark, bedoeld in [artikel 12a, vierde lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=12a), omvat ten minste: - a. een windenergie-opbrengstberekening die is opgesteld door een onafhankelijke organisatie met expertise op het gebied van"},{"i":5530,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 13 december 2019, nr. WJZ/ 19201387, houdende nadere regels tot vergunningverlening windenergie op zee voor het kavel V van het windenergiegebied Hollandse Kust (noord) (Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavel V Hollandse Kust (noord)) Gelet op de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14), [23, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=23), en [24, derde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=24); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **flexibiliteit van het leveringsprofiel van een windpark:** mate waarin de levering van elektriciteit aan het net op zee in de tijd niet rechtstreeks afhankelijk is van de windcondities op het moment van de levering; - **kavel V:** kavel V van het windenergiegebied Hollandse Kust (noord) zoals aangewezen in Kavelbesluit V windenergiegebied Hollandse Kust (noord) (Stcrt. 2019, nr. 24545); - **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie:** de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, die dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%; - **TRL:** schaal die aangeeft hoe dicht een bepaalde innovatie bij de marktintroductie zit volgens de verdeling die door de Europese Commissie wordt toegepast in het onderzoeks- en innovatieprogramma Horizon 2020 (https://ec.europa.eu/research/participants/data/ref/h2020/other/wp/2018-2020/annexes/h2020-wp1820-annex-g-trl_en.pdf); - **wet:** [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 1. De aanvraag voor een vergunning voor kavel V wordt ingediend in de periode tussen 2 april 2020 en 30 april 2020, 17:00 uur. 2. De aanvraa"},{"i":6486,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 6 april 2020, nr. BZ.2020.5133-33, tot wijziging van het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 24 augustus 2016 tot vaststelling van beleidsregels voor het verstrekken van subsidie in het kader van onderdeel 1 van het Dutch Trade and Investment Fund (Wijziging Dutch Trade and Investment Fund) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel I wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels verstrekken subsidie (onderdeel 1 Dutch Trade and Investment Fund). Artikel II De [bijlage bij het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 24 augustus 2016 tot vaststelling van beleidsregels voor het verstrekken van subsidie in het kader van onderdeel 1 van het Dutch Trade and Investment Fund](onbekend) blijft van toepassing op de aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze wijziging zijn ingediend en op financieringen die voor de inwerkingtreding van deze wijziging zijn verstrekt. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5766,"b":"Regeling van de Minister voor Jeugd en Gezin van 17 december 2009, nr. JZ/LJ-2977004, houdende vaststelling van regels voor de rechtstreekse subsidiëring van het huisvesten, verzorgen en opvoeden van kinderen of pleegkinderen van binnenschippers, kermisexploitanten en circusartiesten (Subsidieregeling opvang kinderen van ouders met trekkend/varend bestaan) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5) en [7 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=7); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **binnenschipper:** schipper die met zijn gezin aan boord van een bedrijfsmatig voor de binnenvaart gebruikt schip woont, alsmede een aldaar met zijn gezin wonende en werkzame werknemer van een zodanige schipper of van een binnenvaartrederij; - c. **kermisexploitant:** ondernemer die het kermisbedrijf uitoefent of een werknemer van een zodanige ondernemer, indien deze ten behoeve van zijn werkzaamheden gedurende ten minste vier maanden per jaar met zijn gezin een trekkend bestaan leidt; - d. **circusartiest:** ondernemer die het circusbedrijf uitoefent of een werknemer van een zodanige ondernemer, indien deze ten behoeve van zijn werkzaamheden gedurende tenminste vier maanden per jaar met zijn gezin een trekkend bestaan leidt; - e. **kind:** kind of pleegkind van een binnenschipper, kermisexploitant of circusartiest; - f. **internaat:** gebouw of een samenstel van gebouwen waarin kinderen huisvesting, verzorging en opvoeding wordt geboden of een gezinshuis; - g. **exploitant:** een privaatrechtelijke rechtspersoon die een of meerdere voorzieningen in stand houdt die zijn gericht op het huisvesten, verzorgen en opvoeden van kinderen in een internaat of in een pleeggezin; - h. **pleeggezin:** gezin van een ander"},{"i":6051,"b":"Besluit van 18 november 2005, houdende regels over de vergoedingen die verschuldigd zijn voor door de Nationale ombudsman ontvangen klachten (Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman 2006) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 oktober 2005, 2005-0000244367, CZW; Gelet op [artikel 1c, tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=1c); De Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2005, nr. W04.05.0452/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 november 2005, nr. 2005-0000276117; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. verzoekschrift: schriftelijk verzoek als bedoeld in [artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:18); - c. openbare lichamen: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 1. De vergoeding, bedoeld in [artikel 1c, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=1c), bedraagt: - a. voor provincies: € 0,0061 per 26 september 2025 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025: € 0,0077 per inwoner per jaar; - b. voor gemeenten: € 0,2321 per 26 september 2025 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025: € 0,2845 per inwoner per jaar; - c. voor waterschappen: € 0,0116 per 26 september 2025 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025: € 0,0147 per ingezetene per jaar; - d. voor openbare lichamen: USD 0,1989 per 26 september 2025 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025: USD 0,2497 per inwoner per jaar. 2. Voor de berekening van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en b, wordt uitgegaan van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijf"},{"i":5652,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 19 mei 2017, nr. ICE-31/2017, tot vaststelling van een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieplafond Cultuur en Ontwikkeling II 2017–2020) Gelet op [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [artikel 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 8.1, eerste lid, sub b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.1), en [artikel 8.3, eerste lid, sub a, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.3); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 8.1, eerste lid, sub b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.1), en [artikel 8.3, eerste lid, sub a, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.3) in het kader van Cultuur en Ontwikkeling geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 een subsidieplafond van € 6.700.000. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5482,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 november 2010, nr. Z/F-3034281, houdende vaststelling van het premiepercentage voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten 2011 Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt voor het jaar 2011 vastgesteld op 12,15. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage AWBZ 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5576,"b":"Besluit van 2 december 2005 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur houdende regels met betrekking tot reïntegratie (Reïntegratiebesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 juli 2005, Directie Sociale verzekeringen, nr. SV/R&S/05/51579; Gelet op [artikel 2.17, achtste lid, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019058&artikel=2.17), de [artikelen 52d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=52d) en [87 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=87), de [artikelen 34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34), [35, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), en [36, eerste lid, onderdeel a, en vierde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=36), de [artikelen 65c, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65c), [65d, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65d), en [65e van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65e), de [artikelen 59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59b), [59f, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59f), en [59g, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59g) en de [artikelen 67a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67a), [67b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67b), en [67c van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67c); De Raad van State gehoord (advies van 10 augustus 2005, No. W12.05.0322/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van"},{"i":5138,"b":"Procedureregels bij de benoeming van een commissaris van de Koningin Circulaire aan de provinciale besturen Op grond van de wijziging van de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) (wetsvoorstel 25 444), die op 10 juli j.l. door de Eerste Kamer is aanvaard, is het nodig de [circulaire uit 1991 met betrekking tot de procedureregels bij een benoeming van een commissaris van de Koningin](onbekend) te herzien. De wijziging omvat onder andere: De herziene procedureregels zijn als bijlage bij deze brief gevoegd. Het Staatsblad waarin voornoemde wijziging van de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) is opgenomen, zend ik u separaat toe. Bijlage I. Het openstellen van de vacature II. Het schetsen van een profiel III. De sollicitatiebrief IV. De instelling, samenstelling en werkwijze van een vertrouwenscommissie V. De handelwijze bij het niet-naleven van in IV is bepaald Besteden de staten of de vertrouwenscommissie naar het oordeel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onvoldoende zorg aan de in IV omschreven punten, dan bepaalt de minister hoe verder gehandeld wordt. VI. De selectie van kandidaten ten behoeve van de vertrouwenscommissie VII. De bevindingen van de vertrouwenscommissie VIII. De aanbeveling van de staten IX. Het motiveren van de afwijking van de aanbeveling van de staten"},{"i":5618,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 5 december 2025 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA fytosanitaire wetgeving (IB03-SPEC 04, versie 03) De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 22 van de Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=22), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA fytosanitaire wetgeving beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB), de klasseindeling en de interventies voor de specifieke overtredingen van de regelgeving met betrekking tot fytosanitaire wet- en regelgeving. Overtredingen met betrekking tot de fytosanitaire wetgeving waarin deze beleidsregel niet voorziet worden voorgelegd aan de verantwoordelijke binnen de NVWA voor dit domein. 2. Begrippen en wettelijke basis Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215). 2.1. Definities In aanvulling op de definities en begrippen uit het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) gelden de volgende definities: Schadelijke organismen kunnen in drie categorieën worden ingedeeld: Op basis van een bedrijfsinspectie afgegeven faciliteit die een bedrijf in staat stelt logistieke handelingen te verrichten, te vergemakkelijken of markten te betreden. De erkenning kan zijn op basis van"},{"i":5617,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Justitie en Veiligheid van 28 juni 2024 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA experiment gesloten coffeeshopketen (IB03-SPEC 30, versie 04) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8 van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=8), de [artikelen 10, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA experiment gesloten coffeeshopketen beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB), de klasseindeling van en de interventies voor specifieke overtredingen van de wetgeving bij het experiment gesloten coffeeshopketen. De NVWA houdt toezicht op de naleving van de normen die zien op de teelt en de kwaliteit van de hennep of hasjiesj, de verpakking hiervan, en het afficheringsverbod voor de telers. 1**Een uitwerking van de verdeling van toezichts- en handhavingstaken is opgenomen in het Toezicht- en handhavingsarrangement EGC.** Welke normen dit betreft, is nader uitgewerkt in de bijlage. De NVWA is bevoegd tot handhaving van voormelde normen, voor zover deze zien op de telers. Voor wat betreft overtreding van de op grond van [artikel 21, tweede lid, van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=21) (Besluit EGC) aan de aanwijzing te verbinden eis dat voldaan moet worden aan de [Wet gewasbesch"},{"i":7178,"b":"Wet van 26 maart 1992, tot uitvoering van het op 16 september 1988 te Lugano tot stand gekomen Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met Protocollen en Verklaringen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er aanleiding is om voorziening te treffen tot uitvoering van het op 16 september 1988 te Lugano tot stand gekomen Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met Protocollen en Verklaringen (**Trb.** 1989, 58); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het bepaalde in de artikelen 2-10 van de Wet van 4 mei 1972, **Stb.** 240, houdende uitvoering van het op 27 september 1968 te Brussel tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap tot stand gekomen Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met Protocol (**Trb.** 1969, 101), strekt mede tot uitvoering van het op 16 september 1988 te Lugano tot stand gekomen Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met Protocollen en Verklaringen (**Trb.** 1989, 58). Artikel 2 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5543,"b":"Regeling vierjarige subsidies literair-educatieve organisaties Nederlands Letterenfonds 2025–2028 gelet op het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), besluit: Besluit De volgende regeling Vierjarige subsidies literair-educatieve organisaties Nederlands Letterenfonds 2025–2028 vast te stellen § 1. Algemeen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **andere overheden:** provincies of gemeenten; - **auteurs:** professionele literaire makers, waaronder schrijvers, vertalers, illustratoren of performers die zich richten op presentatie van een eigen literaire creatie; - **het bestuur:** het bestuur van de Stichting Nederlands Letterenfonds; - **bestuursorgaan:** een bestuursorgaan in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - **eigen inkomsten:** het totaal van de directe opbrengsten (totale publieksinkomsten, sponsorinkomsten en totale overige inkomsten), indirecte inkomsten en totale bijdragen uit private middelen. Hieronder vallen niet: overheidssubsidies, waardering vrijkaarten, baten in natura, rente-inkomsten en kapitalisatie van vrijwilligers. - **Het Letterenfonds:** de Stichting Nederlands Letterenfonds; - **hij:** onder hij wordt tevens verstaan iedere andere genderaanduiding die door de betreffende persoon wordt ervaren als passend; - **landelijk belang:** activiteiten op het terrein van de literatuur die onderscheidend zijn in kwaliteit en bijdragen aan de pluriformiteit van de literaire infrastructuur; - **regionaal belang:** activiteiten en aanbod op terrein van literatuur die onderscheidend zijn en bijdragen aan de lokale en/of regionale literaire infrastructuur buiten de Randstad; - **literatuu"},{"i":5560,"b":"Registratiewet 1970, vermelding BSN en RSIN in het elektronische aangiftebericht **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat een goedkeuring voor situaties waarin een voor de overdrachtsbelasting belastingplichtige verkrijger op het tijdstip van de verkrijging nog geen Burgerservicenummer of Rechtspersonen Samenwerkingsverbanden Informatienummer heeft en dit daardoor niet in het elektronische aangiftebericht kan worden vermeld.** 1. Inleiding In onderdeel 2 van dit besluit is een goedkeuring opgenomen die erin voorziet dat onder omstandigheden de vermelding van het Burgerservicenummer (BSN) of het Rechtspersonen Samenwerkingsverbanden Informatienummer (RSIN) in het elektronische aangiftebericht achterwege kan blijven en afzonderlijk door de notaris of verkrijger wordt aangeleverd bij de Belastingdienst. De goedkeuring in dit besluit wordt verleend met toepassing van [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63) (de hardheidsclausule). 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Nog geen BSN/RSIN op tijdstip verkrijging Op grond van het bepaalde in [artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Registratiewet 1970](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034017&artikel=4) doet de notaris aangifte overdrachtsbelasting door registratie van de akte, bedoeld in [artikel 3 van de Registratiewet 1970](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=3), alsmede door het insturen van een elektronisch bericht, het zogenoemde elektronische aangiftebericht. Met ingang van 1 januari 20221Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 31 december 2020 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen (Stcrt 2020, 64029) is de voorgeschreven inhoud van het elektronische aangiftebericht uitgebreid, waardoor meer informatie door de notaris via het aangiftebericht wordt verstrekt.2Artikel 4, eerste lid, van de Uitvoerin"},{"i":6904,"b":"Besluit van 27 augustus 1991, houdende overbrenging in eigendom, beheer en onderhoud bij de Gemeente Zeewolde van enige in die gemeente gelegen weggedeelten Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken van 18 maart 1991, nr. F 091/105/1, Directoraat-Generaal Openbaar Bestuur en van Verkeer en Waterstaat van 22 januari 1991, nr. RJI 83289, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken, en van de Staatssecretaris van Financiën van 5 augustus 1991, nr. DOM 91/2880, Directie der Domeinen, Afdeling Inspecties en Rentambten; Gelet op artikel 16, eerste lid, van de Wet van 6 juli 1983 tot instelling Gemeenten Almere en Zeewolde (**Stb.** 328); Gehoord de Raad van de Gemeente Zeewolde (brief van 22 december 1989, nr. 892138/JC/gs); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De onderstaande onroerende rijkseigendommen gaan met ingang van de dag, volgende op die van de dagtekening van dit besluit in eigendom, beheer en onderhoud over op de Gemeente Zeewolde. De wegpercelen, kadastraal bekend Gemeente Zeewolde: | Sectie | Nummer | Opp. in m2 | Benaming | | --- | --- | --- | --- | | Sectie B | 497 | 32.930 | Adelaarspad | | | 659 | 21.625 | Winkelweg-west | | | 680 * | ± 14.945 | Adelaarspad | | Sectie D | 424 * | ± 11.459 | Kluutweg | | | 426 * | ± 128 | Kluutweg | Een en ander met inbegrip van de wegverhardingen, bermen, wegstrookbeplantingen, glooiingen, wegslootgedeelten en duikers. * = gedeeltelijk; voor de hiervoor van toepassing zijnde grenzen, zie de hierbij gevoegde grenskaarten. Artikel 2 De Gemeente Zeewolde treedt door de overbrenging in eigendom, beheer en onderhoud van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005179&artikel=1&z=1991-12-01&g=1991-12-01) omschreven werken tegenover derden in de rechten en verplichtingen van het Rijk te dier zake. Artikel 3 De overbrenging in eigendom bij de Gemeente Zeewolde van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005179&artikel=1&z=1991-12-01&g"},{"i":6077,"b":"Inkomstenbelasting. Kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning, beleggingsrecht eigen woning en vóór 2001 bestaande kapitaalverzekeringen in box 3 (Verzamelbesluit kapitaalverzekeringen, SEW en BEW) **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit vervangt het besluit van 15 mei 2017, nr. 2017-81019 (** **Stcrt. 2017, 28246** **), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 maart 2023, nr. 2023-27660 (** **Stcrt. 2023, 8905** **). In dit besluit zijn alleen beleidsmatige onderwerpen opgenomen. Voor zover nog relevant zijn de onderwerpen met een toelichtend karakter opgenomen in een vraag- en antwoorddocument.** 1. Inleiding In dit besluit zijn de beleidsstandpunten opgenomen op het terrein van kapitaalverzekeringen en de kapitaalverzekering eigen woning (KEW), spaarrekening eigen woning (SEW) en het beleggingsrecht eigen woning (BEW). Eenvoudshalve worden de KEW, SEW en het BEW hierna tezamen KEW genoemd, tenzij anders aangegeven. De beleidsstandpunten over de KEW zijn van overeenkomstige toepassing op Brede Herwaarderingskapitaalverzekeringen die op basis van het premieverleden op grond van [hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AL, eerste lid, tweede volzin van de Invoeringswet Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011354&hoofdstuk=2) op 31 december 2000 ‘op weg waren’ naar een uitkeringsvrijstelling. Dit wordt bij de beleidsstandpunten niet vermeld, alleen afwijkingen van dit uitgangspunt worden genoemd. 1.1. Wijzigingen ten opzichte van vorige besluit De goedkeuring over de bandbreedte-eis ná een wijziging van de premie als gevolg van een wijziging van de eigenwoningrente is uitgebreid, waardoor de goedkeuring ook geldt als de overschrijding van de bandbreedte het gevolg is van een te hoge rentestand (onderdeel 3.1.1). Veel andere wijzigingen van het besluit zijn redactioneel waarmee geen inhoudelijke wijzigingen zijn beoogd. Zo zijn bijvoorbeeld [onderdeel 5.1](onbekend) (omzetting in twee soortgelijke"},{"i":5554,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 mei 2025, nr. MBO/52081367, houdende wijziging van het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2025 van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027 Gelet op de [artikelen 2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3), [2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.2.3), [5.9 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9), en [artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&artikel=5) Besluit: Artikel I. Vaststelling subsidieplafond voor het kalenderjaar 2025 [Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883) Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&artikel=5) voor het kalenderjaar 2025 wordt: - a. voor de aanvraagperiode van 1 januari 2025 tot en met 31 januari 2025 vastgesteld op € 4.325.526,67; en - b. voor de aanvraagperiode van 1 juni 2025 tot en met 30 juni 2025 vastgesteld op € 7.674.473,33. Artikel II. Wijziging [Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883) Wijzigt de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027. Artikel III. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. De regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5624,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 maart 2024 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid Nagoya protocol (IB03-SPEC 06, versie 01) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 4 van de Wet implementatie Nagoya Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037150&artikel=4), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen Interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het specifiek interventiebeleid Nagoya protocol beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB), de klassenindeling van en interventies voor de specifieke overtredingen van de wetgeving in het domein natuur, specifiek voor de [Wet implementatie Nagoya Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037150). Gebruikers in Nederland van genetische bronnen uit het buitenland worden door de NVWA gecontroleerd op het zorgvuldig gebruik van deze bronnen in het kader van het Nagoya Protocol. Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de Afdeling Expertise van de Divisie Regie & Expertise van de Directie Handhaven teneinde een interventie te bepalen. 2. Definities en wettelijke basis In aanvulling op de definities en begrippen uit het AIB gelden de onderstaande definities. 2.1. Definities 2.2. Wettelijke basis Voor het Nagoya protocol gelden zowel internationale, EU- als nationale regels. De belangrijkste wettelijke bepalingen die van belang zijn voor dit specifiek interventiebeleid zijn neergelegd in: 3. Werkwijze 3."},{"i":6028,"b":"Regeling van 28 januari 2005, nr. FO2005/0000008072, tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 2002 Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9) en [artikel 6 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2002 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017973&bijlage=1&z=2005-02-13&g=2005-02-13) bij deze regeling. Artikel 2 Voor het uitkeringsjaar 2002 worden de bedragen, bedoeld in [artikel 6 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=6), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017973&bijlage=2&z=2005-02-13&g=2005-02-13) bij deze regeling. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage 1 | Nr. | Maatstaven | Bedragen (euro’s) | | --- | --- | --- | | 1 | OZB (per eenheid van € 2.268) | -5,08 | | 2 | Inwoners | 148,52 | | 3 | Inwoners *bodemfactor buitengebied | 0,80 | | 4 | Jongeren | 179,40 | | 5 | Ouderen | 47,59 | | 6-a | Inwoners Waddengemeenten, eerste schijf | 188,44 | | 6-b | Inwoners Waddengemeenten, tweede schijf | 146,75 | | 6-c | Inwoners Waddengemeenten, derde schijf | 32,49 | | 7 | Lage inkomens | 367,47 | | 8 | Bijstandsontvangers | 489,92 | | 9 | Uitvoeringskosten bijstand | 1.156,58 | | 10 | Schaalfactor bijstand | 224.925,94 | | 11 | Uitkeringsontvangers | 169,83 | | 12 | Minderheden | 291,47 | | 13 | Klantenpotentieel lokaal | 64,19 | | 14 | Klantenpotentieel regionaal | 26,48 | | 15 | Leerlingen | 242,19 | | 15-a | Extra leerlingen st"},{"i":6013,"b":"Vaststelling subsidietijdvakken en subsidieplafonds regelingen Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 2026 Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904) en gelet op de bepalingen met betrekking tot de subsidietijdvakken en subsidieplafonds in de onderstaande subsidieregelingen, Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel I. [Regeling Vormgeving 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050547) 1. De Subsidietijdvakken voor de [Regeling Vormgeving 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050547) in het kalenderjaar 2026 zijn: - a. 25 februari 2026 tot en met 3 maart 2026; - b. 12 augustus 2026 tot en met 18 augustus 2026. 2. Een subsidietijdvak opent op de openingsdatum om 15.00 CE(S)T en sluit om 16.00 CE(S)T op de sluitingsdatum. 3. Het subsidieplafond voor het eerste subsidietijdvak bedraagt € 663.000. 4. Het subsidieplafond voor het tweede subsidietijdvak bedraagt € 650.000. 5. Een onderbesteding in het eerste subsidietijdvak wordt toegevoegd aan het tweede subsidietijdvak. 6. Per subsidietijdvak worden maximaal 70 aanvragen behandeld in fase II, waarvan maximaal 15 herziene aanvragen en 15 vervolgaanvragen. Artikel II. [Regeling Architectuur 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050552) 1. De subsidietijdvakken voor de [Regeling Architectuur 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050552) in het kalenderjaar 2026 zijn: - a. 5 januari 2026 tot en met 19 januari 2026; - b. 18 maart 2026 tot en met 24 maart 2026; - c. 13 augustus 2026 tot en met 19 augustus 2026. 2. Een subsidietijdvak opent op de openingsdatum om 15.00 CE(S)T en sluit om 16.00 CE(S)T op de sluitingsdatum. 3. Het subsidieplafond bedraagt € 385.000 per subsidietijdvak. 4. Een onderbesteding in het eerste en tweede subsidietijdvak wordt toegevoegd aan het derde subsidietijdvak. 5. Per subsidietijdvak worden maximaal 50 aanvragen behandeld in fase II, w"},{"i":6071,"b":"Besluit van 25 november 2024 tot wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met de uitbreiding van de verplichting van CO2-meters in scholen, wijziging van de regels voor droge blusleidingen en toegankelijkheidseisen van gebouwen en verduidelijking van de regels voor vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit en vergunningvrije gevallen omgevingsplanactiviteit (Verzamelbesluit Besluit bouwwerken leefomgeving 2024) Op de voordracht van Onze minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 juni 2024, nr. 2024-0000344265; Gelet op de [artikelen 4.3, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), en [5.1, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 juli 2024, nr.W04.24.00140/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 18 november 2024, nr. 2024-0000826964; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel II 1. [Artikel I, onderdelen A, B, C, D, E, F, G, H, I en II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050515&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01), treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. 2. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050515&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01), onderdelen J, K, L, M, N, O, P, Q, R, S, T, U, V, W, X, subonderdelen 1, 2, 3, ten aanzien van [artikel 4.182, vierde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=4.182), en 4, Y, Z, AA, BB, CC, DD, EE, FF, GG, HH en JJ, treedt in werking met ingang van 1 juli 2025. 3. [Artikel I, onderdeel X, subonderdeel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050515&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01), ten aanzien van [artikel 4.182, derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving](htt"},{"i":2128,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 november 2013, kenmerk 171319-113432-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake contracteerruimte AWBZ 2014 en enkele andere aangelegenheden Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 11 oktober 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2013/14, 30 597, nr. 379); Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. werkingssfeer en uitvoering aanwijzing 1. Deze aanwijzing is van toepassing op zorg waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (hierna: AWBZ) aanspraak bestaat. 2. De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: zorgautoriteit) stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig voor 1 januari 2014 regels of beleidsregels vast. Paragraaf 2. Contracteerruimte 2014 Artikel 2. startpunt en algemene uitgangspunten 1. De zorgautoriteit stelt de totale contracteerruimte voor 2014 vast via dezelfde systematiek als voor de jaren 2005 tot en met 2013 is toegepast en gebruikt daarbij als startpunt 100 procent van de totale contracteerruimte 2013 zoals de zorgautoriteit die heeft vastgesteld, waaronder mede begrepen de niet-benutte contracteerruimte 2013. 2. Onder de contracteerruimte 2014 wordt ook begrepen de € 25 miljoen extra middelen in verband met aanpassing van de tarieven vervoer, waarmee de contracteerruimte 2013 incidenteel werd verhoogd. 3. Wat betreft de kapitaallasten vallen de normatieve huisvestingscomponenten (hierna: nhc's), net als in 2013, binnen de contracteerruimte met inachtneming van de door de zorgautoriteit ontworpen overgangsregeling. Het totaal van de nhc’s binnen de contracteerruimte komt hiermee in 2014 op 30"},{"i":5551,"b":"Regeling werkwijze en bevoegdheden Inspectie Veiligheid Defensie Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Defensie; - b. **inspectie:** Inspectie Veiligheid Defensie; - c. **Inspecteur-Generaal:** Inspecteur-Generaal Veiligheid; - d. **voorval:** - •. een onveilige situatie: een situatie die, wanneer er geen actie wordt ondernomen, zou kunnen leiden tot een incident of ongeval; - •. een incident: een gebeurtenis die het potentieel heeft de dood van of letsel aan een persoon dan wel schade aan een zaak of het milieu te veroorzaken; - •. een ongeval: een gebeurtenis die de dood van of letsel aan een persoon dan wel schade aan een zaak of het milieu veroorzaakt. Artikel 2 De inspectie is belast met: - a. het toezicht op de taakuitvoering op het gebied van veiligheid – waaronder de naleving van wet- en regelgeving – bij Defensie in binnen- en buitenland, met inbegrip van oefeningen en operaties in missiegebieden; - b. het instellen en leiden van onderzoeken naar ernstige voorvallen en overige voorvallen, ter beoordeling van de Inspecteur-Generaal; - c. het voorafgaand toetsen van de uitvoerbaarheid van beleid en de handhaafbaarheid van uitvoeringsregels op het gebied van veiligheid; - d. het gevraagd en ongevraagd adviseren van de Minister ten aanzien van alle vraagstukken op het gebied van de veiligheid. Artikel 3 1. De dagelijkse leiding van de inspectie berust bij de Inspecteur-Generaal. 2. De Inspecteur-Generaal stelt een protocol vast over de wijze waarop de inspectie haar onderzoeken uitvoert en maakt dit protocol bekend in de Staatscourant. Artikel 4 De Inspecteur-Generaal wijst inspecteurs aan, belast met toezichtactiviteiten en onderzoeken op het gebied van veiligheid. Artikel 5 1. Bij de uitoefening van zijn taak draagt een inspecteur een legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door de Inspecteur-Generaal. 2. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de inspecteur en vermeldt in ieder geval naam en functie. 3"},{"i":5140,"b":"Besluit van 17 december 2004, houdende regels betreffende asbest en asbesthoudende producten (Productenbesluit asbest) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 juli 2004, nr. MJZ2004060995, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op artikel 5 van [richtlijn nr. 83/477/EEG](31983L0477) van de Raad van 19 september 1983 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk (PbEG L 263), artikel 3 van [richtlijn nr. 83/478/EEG](31983L0478) van de Raad van 19 september 1983 (PbEG L 263), houdende vijfde wijziging (asbest) van [richtlijn nr. 76/769/EEG](31976L0769) van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten, artikel 7, eerste gedachtestreepje, van [richtlijn nr. 87/217/EEG](31987L0217) van de Raad van 19 maart 1987 inzake voorkoming en vermindering van verontreiniging van het milieu door asbest (PbEG L 85), artikel 2, vijfde lid, tweede volzin, en zesde lid, eerste volzin, van [richtlijn nr. 98/12/EG](31998L0012) van de Commissie van 27 januari 1998 (PbEG L 81) tot aanpassing aan de technische vooruitgang van [richtlijn nr. 71/320/EEG](31971L0320) van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, [richtlijn nr. 1999/77/EG](31999L0077) van de Commissie van 26 juli 1999 (PbEG L 207) tot zesde aanpassing aan de technische vooruitgang van bijlage I bij [richtlijn nr. 76/769/EEG](31976L0769), artikel 3, tweede lid, tweede volzin, van [richtlijn nr. 2002/78/EG]"},{"i":7210,"b":"Verdrag inzake de toetreding van de Helleense Republiek tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie, zoals deze zijn gewijzigd bij het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland Preambule De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Overwegende dat de Helleense Republiek, door lid te worden van de Gemeenschap, zich verplicht heeft om toe te treden tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en tot het Protocol betreffende de uitlegging van dat Verdrag door het Hof van Justitie, zoals deze zijn gewijzigd bij het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en te dien einde onderhandelingen met de Lid-Staten van de Gemeenschap te beginnen om daarin de noodzakelijke aanpassingen aan te brengen, Hebben besloten dit Verdrag te sluiten en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Jean Gol, Vice-eerste Minister, Minister van Justitie en institutionele hervormingen; Hare Majesteit de Koningin van Denemarken: Erik Ninn-Hansen, Minister van Justitie; De President van de Bondsrepubliek Duitsland: Hans Arnold Engelhard, Bondsminister van Justitie; Dr. Günther Knackstedt, Ambassadeur van de Bondsrepubliek Duitsland in Luxemburg De President van de Helleense Republiek: Georges-Alexandre Mangakis, Minister van Justitie; De President van de Franse Republiek: Robert Badinter, Zegelbewaarder, Minister van Justitie; De President van Ierland: Seân Doherty, Minister van Justitie; De President van de Italiaanse Republiek: Clelio Darida, Minister van J"},{"i":5657,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 7 januari 2008, nr. DJZ/BR-1155/07, tot vaststelling van een plafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieplafond Stabiliteitsfonds 2008) Gelet op de [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en de [artikelen 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.4) en [3.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=3.1); Besluiten: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van de [artikelen 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.4) en [3.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=3.1) ten behoeve van activiteiten op het gebied van vrede, veiligheid en ontwikkelinggeldt voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 een subsidieplafond van € 0,00. Artikel 2 Dit besluit is niet van toepassing op subsidieverlening voor activiteiten op het gebied van kleine wapens als bedoeld in het [besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 2 juni 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016799), nr. DMV/VG-302/04a, en niet op subsidieverlening voor activiteiten op het gebied van humanitaire ontmijning als bedoeld in het [besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 15 februari 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021312), nr. DMV/HH-1024/06. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5597,"b":"Onderlinge regeling inzake de ICT-voorziening in de rechtshandhavingketen van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten alsmede van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Samenwerkingsregeling ICT rechtshandhavingketen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland) Overwegende, dat de landen het wenselijk achten een optimale informatie-uitwisseling binnen en tussen de rechtshandhavingketens van de landen en diensten van de landen te bevorderen; dat de landen een verantwoord en efficiënt beheer van de ICT-voorzieningen nastreven; dat de landen het wenselijk achten dit beheer gezamenlijk in te richten en te regelen; Gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); Komen het volgende overeen: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de ministers:** de Minister van Justitie, Veiligheid en Integratie van Aruba, de Minister van Justitie van Curaçao, de Minister van Justitie van Sint Maarten en de Minister van Justitie en Veiligheid van Nederland; - b. **ICT-voorziening:** de door het Plan Veiligheid Nederlandse Antillen en de beheerorganisatie opgeleverde, alsmede in de toekomst te verwerven centrale computer infrastructuur, programmatuur en decentrale voorzieningen; - c. **landen:** Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland voor zover het Bonaire, Sint Eustatius en Saba betreft. Artikel 2 De landen werken samen met betrekking tot de ICT-voorziening in de rechtshandhavingsketen en op de wijze bij of krachtens deze onderlinge regeling bepaald. Artikel 3 De eigendom van de hardware en de software van de ICT-voorziening, inclusief de licenties, wordt beheerd door de landen gezamenlijk. Artikel 4 1. De ministers dragen zorg voor de inrichting van de beheerorganisatie ten behoeve van de ICT-voorziening van de landen uiterlijk op het tijdstip van beëindiging van het Protocol Plan Veiligheid Nederlandse Antillen. 2. De beheerorganisatie bezit rechtspersoonlijkh"},{"i":2129,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg 19 november 2019, kenmerk 1613272-198762-PZo op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de coördinatiefunctie verblijf Gelet op [artikelen 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 14 oktober 2019 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2018/2019, 31 765, nr. 452) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) inzake de coördinatiefunctie verblijf; Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **coördinatiefunctie verblijf:** functie tenminste bestaande uit: - ○. triage, - ○. 24/7 bereikbaarheid en inzicht in beschikbare capaciteit van verblijfsmogelijkheden, - ○. monitoring en evaluatie van de uitoefening van de functie en - ○. kwaliteit- en effectmeting regionale coördinatiefunctie; - –. **eerstelijnsverblijf:** zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12) voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met zorg zoals huisartsen plegen te bieden al dan niet gepaard gaande met verpleging en verzorging of paramedische zorg. - –. **prestatiebeschrijving:** beschrijving, bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - –. **triage:** het sorteren en classificeren (indelen) van de aangemelde patiënt met als doel de aard en de urgentie van de zorgbehoefte en de passende (zorg)setting te bepalen. Het betreft een professionele afweging op grond van de actuele zorgvraag, de prognose en de situatie van de patiënt, waarbij naast gebruikmaking van het triageprotocol en beschikbaarheid van relevante kennis en vaardigheden de coördinatiefunctie zeven dagen in de week minimaal to"},{"i":7241,"b":"Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen De staten die partij zijn bij dit Verdrag, Overwegend dat de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen algemeen aanvaard wordt als een beginsel van internationaal gewoonterecht, Indachtig de beginselen van het internationale recht vervat in het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), Ervan overtuigd dat een internationaal verdrag inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen bevorderlijk zou zijn voor de rechtsstaat en rechtszekerheid, in het bijzonder wat betreft de betrekkingen tussen staten en natuurlijke personen of rechtspersonen en zou bijdragen aan de codificatie en ontwikkeling van het internationale recht en de harmonisering van de praktijk op dit gebied, Gelet op ontwikkelingen in de statenpraktijk wat betreft de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen, Bevestigend dat de regels van het internationaal gewoonterecht van toepassing blijven op aangelegenheden die niet geregeld worden door de bepalingen van dit Verdrag, Zijn het volgende overeengekomen: DEEL I. INLEIDING Artikel 1. Reikwijdte van dit Verdrag Dit Verdrag is van toepassing op de immuniteit van staten en hun eigendommen van de rechtsmacht van de rechters van een andere staat. Artikel 2. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „rechter” elke instantie van een staat, ongeacht haar benaming, die bevoegd is tot het verrichten van rechterlijke taken; - b. „staat” - i. de staat en zijn verschillende regeringsinstanties; - ii. de onderdelen van een federale staat of de staatkundige onderdelen van de staat die bevoegd zijn tot het verrichten van handelingen ten behoeve van de uitoefening van soevereine bevoegdheden en in die hoedanigheid optreden; - iii. agentschappen of instanties van de staat of andere entiteiten, voor zover zij bevoegd zijn tot optreden ten beho"},{"i":5556,"b":"Register ’Niet bekostigde educatie’ van instellingen met diploma-erkenning (artikel 1.4a.1 WEB) Op grond van [artikel 6a.1.1.WEB](onbekend) wordt jaarlijks vóór de aanvang van het nieuwe studiejaar door middel van een publicatie in Uitleg Gele katern bekendgemaakt aan welke instellingen, die opleidingen educatie verzorgen, het recht is verleend om voor die opleidingen diploma’s en certificaten uit te reiken als bedoeld in [artikel 7.4.6. van de Wet Educatie en beroepsonderwijs](onbekend) (Web) en voor welke door deze instellingen verzorgde opleidingen die diploma-erkenning geldt. Hiervoor worden gegevens van de instellingen opgenomen in het register ”Niet-bekostigde educatie”. Voor deze jaarlijkse publicatie is de situatie bepalend op 1 juni(peildatum) voorafgaand aan de bekendmaking. In het register ”Niet bekostigde educatie” per 1 juni 2003 dat u hierbij aantreft zijn acht instellingen opgenomen die het recht op diploma-erkenning hebben verkregen als bedoeld in [artikel 1.4a.1. van de Web](onbekend). Register ’Niet bekostigde educatie’ van instellingen met diploma-erkenning ([artikel 1.4a.1. WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4a.1)) | Brinnr. | Naam instelling | Plaats en Correspondentieadres | Code Opleiding | Naam Opleiding | | --- | --- | --- | --- | --- | | 24GE | Instituut Notenboom | Eindhoven Kerkakkerstraat 34 5616 HC | 30001 30002 30003 | Mavo Havo Vwo | | 24HX | Luzac College Breda | Breda Parkstraat 12-14 4818 SJ | 30001 30002 30003 | Mavo Havo Vwo | | 24JN | Instituut B.O.S. | Tilburg Smidspad 57 5046 JB | 30001 30002 30003 | Mavo Havo Vwo | | 24JY | Stichting De Nieuwe School | Amsterdam Herengracht 274 1016 BW | 30001 30002 30003 | Mavo Havo Vwo | | 25AR | Instituut De Boer | Arnhem Postbus 828 6800 AV | 30001 30002 30003 | Mavo Havo Vwo | | 25AT | Dag/AvondschooI Drs. R.R. Vrijbergen | Leiden Breestraat 18 2311 CR | 30001 30002 30003 | Mavo Havo Vwo | | 25CU | STEBO particuliere VAVO voor Mavo, Havo en Vwo | Utrecht Nieuw"},{"i":6474,"b":"Besluit van 28 november 2019 tot wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 in verband met de jaarlijkse indexering van de vergoedingen voor psychiaters en psychologen Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 15 oktober 2019, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2724577; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=3) en [6, eerste lid, van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 november 2019, nr. W16.19.0345/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 25 november 2019, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2757873; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Artikel II De in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042936&artikel=I&z=2020-01-01&g=2020-01-01) vastgestelde tarieven gelden voor opdrachten die zijn verstrekt op of na 1 januari 2020. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7230,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten op het gebied van het burgerlijk recht Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de Bondspresident van de Republiek Oostenrijk, De wens koesterende om de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van in burgerlijke zaken gegeven rechterlijke beslissingen alsmede van authentieke akten te regelen, Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot Hun Gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: De Heer dr. H. R. van Houten, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, De Bondspresident van de Republiek Oostenrijk: De Heer dr. Claus Winterstein, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van de Republiek Oostenrijk in het Koninkrijk der Nederlanden, Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Het onderhavige Verdrag is op 1 september 1996 vervangen door het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gedaan te Lugano op 16 september 1988, voor zover de toepassing van dat Verdrag reikt op grond van zijn artikelen 1 en 56. Het onderhavige Verdrag is op 1 december 1998 vervangen door het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, voor zover de toepassing van dat Verdrag reikt op grond van zijn artikelen 1, 54, tweede lid en 56. Het onderhavige Verdrag is op 1 maart 2002 vervangen door de Verordening van 2002, voor zover de toepassing van de Verordening reikt op grond van zijn artikelen 1, 66 en 70. Het onderhavige Verdrag is op 1 maart 2005 vervangen door de EG-Verordening 2201/2003, voor zover de toepassing van de Verordening reikt op grond van zijn artikelen 1 en 64 (Trb. 2005/62). Artikel 1 (1). Dit Verdrag is van"},{"i":6906,"b":"Besluit van de Staatssecretarissen van Financiën, van 29 maart 2020, nr. 2020-66979, houdende benoeming van twee personeelsraadspersonen bij de Belastingdienst (Besluit personeelsraadspersonen Belastingdienst 2020) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a). **Ministerie:** het Ministerie van Financiën; - b). **Staatssecretarissen:** de staatssecretarissen van Financiën; - c). **SG:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën; - d). **DG:** de directeur-generaal van de Belastingdienst, de directeur-generaal Toeslagen en de directeur-generaal Douane; - e). **Personeelsraadspersonen:** de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043376&artikel=2&z=2021-04-21&g=2021-04-21) als zodanig bedoelde personen; - f). **Betrokkene:** een medewerker, voormalig medewerker, stagiair, vrijwilliger, oproepkracht, gedetacheerde dan wel een persoon of organisatie die zich op een andere wijze in relatie tot de organisatie verhoudt. Artikel 2. Instelling Er zijn personeelsraadspersonen Belastingdienst. Zij zijn niet werkzaam bij het Ministerie. Artikel 3. Taak De personeelsraadspersoon heeft tot taak: - a). het op laagdrempelige wijze ophalen en ontvangen van signalen van betrokkenen over mogelijke onrechtmatigheden, daaronder ook begrepen meldingen van vermoedens van misstanden; - b). het verzamelen, inventariseren en zo mogelijk verifiëren van signalen; - c). het zo nodig inwinnen van nadere inlichtingen naar aanleiding van signalen; - d). het beoordelen in hoeverre de signalen aanleiding geven tot enigerlei vervolgprocedure; - e). het rapporteren aan de SG, in afschrift aan de DG, over signalen en een advies over de bijbehorende opvolging. Artikel 4. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. Als personeelsraadspersonen worden benoemd de heer A.M. Hol en mevrouw H.A.G. Splinte"},{"i":4974,"b":"Procedure van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit van 3 april 2018, kenmerk 01.030.408, voor de behandeling van klachten van derden over vergunninghouders waar de Kansspelautoriteit toezicht op houdt (Meldingsprocedure vergunninghouders) Gelet op [artikel 14, derde lid van het bestuursreglement Kansspelautoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033146&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Melding maken 1. Een ieder kan bij de Kansspelautoriteit melding maken van een situatie met betrekking tot een vergunninghouder. 2. Een melding kan per telefoon, e-mail, brief of op de website van de Kansspelautoriteit worden ingediend. Artikel 2. Behandeling 1. De melder ontvangt een ontvangstbevestiging. 2. De Kansspelautoriteit registreert de melding. 3. De Kansspelautoriteit kan naar aanleiding van een melding contact opnemen met de aanbieder van het kansspel. 4. De melder ontvangt geen inhoudelijke bericht over de afhandeling van de melding of eventueel onderzoek naar aanleiding van de melding, tenzij daartoe aanleiding bestaat."},{"i":6031,"b":"Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat tot vaststelling van een beleidsregel inzake het beëindigen van het verstrekken van financiële bijdrage ten behoeve van de vervaardiging of verwerving van omroepprogramma’s (VenW-beleidsregel beëindiging verstrekking financiële bijdragen aan omroepprogramma’s) Besluit: Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2009/80. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **omroepprogramma:** een programma-onderdeel als bedoeld in [artikel 1, onder g, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=1); - b. **financiële bijdrage:** een geldelijk bedrag op grond van een privaatrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in [artikel 32, eerste lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32), danwel een subsidie als bedoeld in [artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:21). Artikel 2 Met het oog op de vervaardiging en verwerving van een omroepprogramma wordt geen financiële bijdrage verstrekt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: VenW-beleidsregel beëindiging verstrekking financiële bijdragen aan omroepprogramma’s. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6577,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 17 februari 2017, nr. MinBuza-2016.125869, tot wijziging van beleidsregels en vaststelling van een subsidieplafond voor subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Demonstratieprojecten, Haalbaarheidsstudies en Investeringsvoorbereidingsstudies) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidieverlening ex Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Demonstratieprojecten, Haalbaarheidsstudies en Investeringsvoorbereidingsstudies). Artikel II 1. Subsidie in het kader van Demonstratieprojecten, Haalbaarheidsstudies en Investeringsvoorbereidingsstudies wordt verleend in twee ronden. 2. Voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2017 geldt een subsidieplafond van € 7,5 miljoen voor het ondersteunen van Nederlandse MKB-ondernemingen die zich richten op nieuwe activiteiten in zowel opkomende als ontwikkelde markten. Het subsidieplafond voor de eerste ronde bedraagt de helft van het jaarplafond. Indien het plafond voor de eerste ronde niet volledig wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het plafond voor de tweede ronde. 3. Voor activiteiten in ontwikkelingslanden geldt vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 juli 2017 een subsidieplafond € 2 miljoen. Het subsidieplafond voor de tweede ronde wordt voor aanvang van de indieningstermijn van de tweede ronde bekendgemaakt. 4. Aanvragen voor een subsidie in het kader van Demonstratieprojecten, Haalbaarheidsstudies e"},{"i":6235,"b":"Wet van 6 juli 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enige andere wetten in verband met het afschaffen van specifiek interbestuurlijk toezicht (Wet interbestuurlijk toezicht gemeentelijke inkomens- en werkvoorzieningen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is specifieke toezichtsarrangementen voor interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van inkomensvoorzieningen en werkvoorzieningen door colleges van burgemeester en wethouders af te schaffen en daartoe de wetten die deze voorzieningen regelen aan te passen en tevens in verband daarmee de regeling van de taak van de Inspectie Werk en Inkomen in de [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel II. Wijziging van de [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel III. Wijziging van de [Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903) Wijzigt de Wet sociale werkvoorziening. Artikel IV. Wijziging van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel V. Wijziging van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere e"},{"i":7539,"b":"Besluit van 27 november 2025, houdende regels inzake gegevensverwerking bij discriminatie op de BES [KetenID WGK26213] Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 juli 2025, nr 2025-0000404643/CZW/CZ; Gelet op [artikel I, vijfde lid, van de Wet bescherming tegen discriminatie op de BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051827&artikel=I); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 oktober 2025, nr W04.25.00172/I; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 november 2025, nr 2025-0000649944/CZW/CZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **ADV BES:** antidiscriminatievoorziening op Bonaire, Sint Eustatius en Saba die de taken als bedoeld in [artikel I van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051827&artikel=I) uitvoert; - **backoffice:** voorziening die ondersteuning en facilitering biedt aan de ADV BES; - **bezoeker:** natuurlijke persoon die de ADV BES fysiek of elektronisch benadert en om ondersteuning bij discriminatie verzoekt; - **beschikbaarheid:** de mate waarin een informatiesysteem in bedrijf en toegankelijk is op het moment dat een organisatie het nodig heeft; - **frontoffice:** loket op de BES waarin de ADV BES haar diensten verleent; - **informatieveiligheid:** het vaststellen van de vereiste betrouwbaarheid van informatieverwerking en informatiesystemen ter waarborging van vertrouwelijkheid, beschikbaarheid en integriteit alsmede het treffen, onderhouden en controleren van een samenhangend pakket van bijbehorende maatregelen, gericht op de uitoefening van de taken als bedoeld in [artikel I van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051827&artikel=I); - **informatiesysteem:** het geheel van gegevensverzamelingen, de daarbij behorende personen, processen en programmatuur alsmede de getroffen voorzieningen voor opslag, verwerking"},{"i":5113,"b":"Overgangsregeling Besluit woninggebonden subsidies 1993 Gelet op de artikelen 12, onderdeel h, onder 2°, en 52 van het Besluit woninggebonden subsidies (Stb. 1991, 440), Besluit: Artikel 1 1. De Regeling nadere voorschriften accountantsverklaring woninggebonden subsidies (Stcrt. 1991, 187) wordt met ingang van 1 januari 1993 ingetrokken, behoudens het bepaalde in het tweede lid. 2. De in het eerste lid genoemde regeling blijft van toepassing op verklaringen als bedoeld in artikel 12, onderdeel h, onder 2°, van het Besluit woninggebonden subsidies, betrekking hebbend op budgetten in de zin van dat besluit toegekend voor het jaar 1992. Artikel 2 1. De Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens 1992 (Stcrt. 1991, 187) wordt met ingang van 1 januari 1993 ingetrokken, behoudens het bepaalde in het tweede tot en met het zesde lid. 2. Op de bouw, de melding van voltooiing en de exploitatie van standplaatsen, waarvoor vóór 1 januari 1993 geldelijke steun op voet van de in het eerste lid genoemde regeling is verleend, blijft die regeling, behoudens het bepaalde in het vierde lid, van toepassing zoals zij op het tijdstip van de beslissing van de minister tot verlening daarvan luidde. 3. Aanvragen om verlening van geldelijke steun op voet van de in het eerste lid genoemde regeling, die vóór 1 januari 1993 bij de minister zijn ingediend en waarop de minister op die datum nog niet heeft beslist, worden behandeld op voet van die regeling zoals zij luidde op het tijdstip van die indiening. 4. De minister kan het normbedrag voor constante en variabele exploitatiekosten van standplaatsen, bedoeld in artikel 14 van de in het eerste lid genoemde regeling, wijzigen. De minister maakt het gewijzigde normbedrag bekend in de Staatscourant. 5. De Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens (Stcrt. 1989, 211) blijft van toepassing op de aanleg, verbetering en exploitatie van standplaatsen, ten aanzien waarvan in 1991 jaarlijkse bijdragen zijn verstrekt op voet van d"},{"i":5786,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 10 juni 2013, nr. 2013-0000329676, houdende regels voor de subsidiëring van de Stichting Arbeids- en Opleidingsfonds Rijk (Subsidieregeling Stichting A en O-fonds Rijk) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdelen d, f en g, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), en [18, eerste lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=18); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister voor Wonen en Rijksdienst; - b. **stichting:** Stichting Arbeids- en Opleidingsfonds Rijk. Artikel 2 1. De minister verstrekt aan de stichting een subsidie voor het uitvoeren van activiteiten of het subsidiëren van projecten ten behoeve van het stimuleren van arbeidsmarkt-, werkgelegenheids- en opleidingsactiviteiten. 2. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. 3. De minister kan slechts in overeenstemming met de Centrales van Overheidspersoneel besluiten de subsidie, bedoeld in het eerste lid, niet meer te verstrekken; de minister neemt hierbij een termijn van drie jaar in acht. Artikel 3 1. De subsidie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033554&paragraaf=1&artikel=2&z=2018-12-19&g=2018-12-19), bedraagt, behoudens de aanvullende middelen, bedoeld in het tweede lid, ten hoogste het bedrag dat uit de begroting van de Minister voor Wonen en Rijksdienst blijkt. 2. De minister kan in overeenstemming met de Centrales van Overheidspersoneel uit de beschikbare arbeidsvoorwaardenruimte aanvullende middelen aan de stichting toekennen. § 2. De subsidieverlening Artikel 4 De stichting dient de aanvraag tot subsidieverlening"},{"i":6469,"b":"Besluit van 24 juni 2020 tot wijzing van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, het Besluit beëdigde tolken en vertalers en het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met het instellen van minimumtarieven en het borgen van de kwaliteit en integriteit van beëdigde tolken en vertalers Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 9 december 2019, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2765142; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=3), en [6, eerste lid, van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=6), de [artikelen 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=3), [4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=4), en [8, tweede lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=8) en de [artikelen 7:15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:15), [7:28, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:28) en [8:75, eerste lid, vierde zin, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:75); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 maart 2020, nr. W16.19.0405/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 22 juni 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2918127; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Artikel II Wijzigt het Besluit beëdigde tolken en vertalers. Artikel III Wijzigt het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel IV [Artikel 11 van het Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=11) zoals dat luidde voorafgaand aan inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":2133,"b":"Aanwijzing Dienst Landelijke service bij regelingen (LASER) als bewaarder inbeslaggenomen voorwerpen Gelet op [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007823&artikel=1), [aanhef en onderdeel c, van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen](onbekend); Besluit: Artikel 1 Als bewaarder als bedoeld in de [aanhef van artikel 1 van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007823&artikel=1) wordt aangewezen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4645,"b":"Besluit van 15 juli 2014 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten ter implementatie van de richtlijn kapitaalvereisten en de verordening kapitaalvereisten (Implementatiebesluit richtlijn en verordening kapitaalvereisten) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 24 april 2014, FM/2014/0727 M, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [3:8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:8), [3:17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:54), [3:57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:58), [3:62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:62a), [3:62b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:62b), [3:74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:74a) en [4:9b van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9b) en [richtlijn nr. 2013/36](32013L0036)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van [Richtlijn 2002/87/EG](32002L0087) en tot intrekking van de [Richtlijnen 2006/48/EG](32006L0048) en [2006/49/EG](32006L0049) (PbEU 2013, L 176); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 juli 2014, nr. W06.14.0110/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 10 juli 2014, FM/2014/1124 U, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit prudentiële regels"},{"i":2783,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2010 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2010, doch niet later dan 15 juni 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,229 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2010 en eindigende met 15 juni 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&ar"},{"i":2781,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2008 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit : Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2008, doch niet later dan 15 juni 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,674 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2008 en eindigende met 15 juni 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&"},{"i":3437,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 16 december 2020, nr. Min-Buza.2020.6288-23, tot doorverlening van mandaat, volmacht en machtiging (Besluit doorverlening mandaat, volmacht en machtiging BZ 2021) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044511&artikel=3) en [4 van de Regeling mandaat, volmacht en machtiging BZ 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044511&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Aan de directeuren-generaal, de plaatsvervangend directeuren-generaal, de directeuren, de plaatsvervangend directeuren, de chefs de poste en de plaatsvervangend chefs de poste wordt mandaat verleend als bedoeld in [artikel 3, eerste tot en met derde lid, van de Regeling mandaat, volmacht en machtiging BZ 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044511&artikel=3). Artikel 2 Aan de directeuren-generaal, de directeuren en de chefs de poste, zijnde de budgethouders, bedoeld in bijlage 1 van het Besluit Financieel Beheer BZ 1998, wordt volmacht en machtiging verleend als bedoeld in [artikel 4, eerste en tweede lid, van de Regeling mandaat, volmacht en machtiging BZ 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044511&artikel=4). Artikel 3 Mandaat, volmacht en machtiging als bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044543&artikel=1&z=2021-05-01&g=2021-05-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044543&artikel=2&z=2021-05-01&g=2021-05-01) worden uitgeoefend met inachtneming van de [Regeling mandaat, volmacht en machtiging BZ 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044511). Artikel 4 Het [Besluit doorverlening mandaat, volmacht en machtiging BZ 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039379)1Stcrt. 2017, nr. 16334 wordt ingetrokken. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2020. Artikel 6 Dit besluit wordt aangehaald als: Bes"},{"i":2532,"b":"Beleidsregel uitstel aanvraag om herregistratie Het NRGD kan vanwege persoonlijke omstandigheden een aanvrager 6 maanden langer de tijd geven om een aanvraag om herregistratie in te dienen. Daarna kan het NRGD een aanvrager, bij uitzondering, nog eenmalig 6 maanden uitstel geven van een aanvraag om herregistratie. Persoonlijke omstandigheden kunnen dan liggen in de sfeer van ziekte of een overlijden van een naaste. Het NRGD kan bij het niet gelijktijdig aflopen van registraties een aanvrager ambtshalve 6 maanden uitstel geven om een aanvraag in te dienen om gelijktijdige behandeling van de aanvragen om herregistratie mogelijk te maken. Die termijn kan eenmalig met nog eens 6 maanden worden verlengd. Het mandaat om te beslissen tot uitstel ligt bij de directeur van het Bureau NRGD, met de mogelijkheid van ondermandaat aan de beleids- en beheermedewerkers. **Toelichting:** **In de praktijk blijkt het wenselijk om een aanvrager langer de tijd te geven om een aanvraag om herregistratie in te dienen. Bijvoorbeeld wanneer een aanvrager vanwege persoonlijke omstandigheden er niet in is geslaagd om tijdig het vereiste aantal rapporten op te maken. Het is gebruikelijk dat een aanvrager dan zes maanden uitstel krijgt en hoogstens een jaar.** **Het Bureau kan ook ambtshalve uitstel verlenen van het doen van een aanvraag om herregistratie om de toetsing van aanvragen te kunnen clusteren. Dat kan wenselijk zijn bij de kleinere deskundigheidsgebieden waar buitenlandse toetsers naar Nederland moeten komen voor het beoordelen van een aanvraag. Of wanneer een aanvrager meerdere registraties heeft die op verschillende data verlopen en het praktischer is om die aanvragen in een keer af te handelen.** Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 12 juli 2024."},{"i":3255,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 28 maart 2023 nr. BOACAT2023/014, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Helmond Gelezen het verzoek van gemeente Helmond van 9 maart 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048034&artikel=2&z=2023-04-06&g=2023-04-06). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Toezicht & Handhaving in dienst van de gemeente Helmond, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinl"},{"i":3531,"b":"Besluit van 19 maart 2007, houdende uitvoeringsvoorschriften krachtens de Geneesmiddelenwet (Besluit Geneesmiddelenwet) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 juli 2006, kenmerk GMT/MVG 2697861; Gelet op de [artikelen 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=65), [66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=66), en [75, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=75); De Raad van State gehoord (advies van 14 september 2006, no. W.13.06.0290/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 maart 2007, kenmerk DWJZ/SWW-2754188; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Geneesmiddelenwet in werking treedt. Paragraaf 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505); - b. register: het register, bedoeld in [artikel 61, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=61); - c. gevestigde apotheker: de apotheker die staat ingeschreven in het register; - d. apotheekhoudende huisarts: de huisarts die ingevolge de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505) bevoegd is om geneesmiddelen ter hand te stellen; - e. voorschrijver: een beroepsbeoefenaar als bedoeld in [artikel 36, veertiende lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=36); - f. apotheekhoudende: de gevestigde apotheker of de apotheekhoudende huisarts. Paragraaf 2. Voorschriften met betrekking tot de bereiding, terhandstelling en etikettering van geneesmiddelen in de apotheek Artikel 2 Geneesmiddelen die in een apotheek zijn bereid, niet zijnde geneesmiddelen voor onderzoek, worden slechts ter hand gesteld indien zij voldoen aan de voorschriften van de Europese Farmacopee of, bij ont"},{"i":4564,"b":"Deelregeling programmeringssubsidies Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 4 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten +](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022753&artikel=4) Besluit: Paragraaf 1. : Algemeen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **band:** een groep muzikanten, ensemble of andersoortig muzikaal samenwerkingsverband dat regelmatig in vaste samenstelling optreedt, dan wel een solo-muzikant of dj; - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **festival:** reeks van onderling samenhangende activiteiten die gedurende een in de tijd beperkte periode onder een gemeenschappelijk noemer worden georganiseerd; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **Nederland:** Het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Artikel 1.2. Subsidievormen Het bestuur kan subsidie verstrekken in een of meer van de volgende vormen: - a). programmeringssubsidie reguliere programmering in theater- en concertzalen; - b). programmeringssubsidie kleinschalige of incidentele programmering; - c). programmeringssubsidie festivals; - d). programmeringssubsidie podia popmuziek; - e). programmeringssubsidie incidentele concerten popmuziek; - f). programmeringssubsidie festivals popmuziek. Artikel 1.3. Beperking Het bestuur kan een aanvraag geheel of gedeeltelijk weigeren als op enig moment voor een bepaalde activiteit meerdere subsidies zouden worden ontvangen op basis van deze regeling. Artikel 1.4. Aanvraag of verzoek 1. Een aanvraag of verzoek wordt ingediend met behulp van een door het bestuur opgesteld formulier voor de betreffende subsidievorm. 2. Het bestuur kan een of meer aanvraagrondes per subsidievorm vaststellen. De bijbehorend"},{"i":2867,"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 oktober, nr. 438935, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2014 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2014) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2014 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 0,9. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2014. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2698,"b":"Beschikking instantloterij 2011–2015 Overwegende dat de geldigheidsduur van de Beschikking instantloterij 2011 (2) op 30 september 2011 verstrijkt; Gelezen het verzoek van de Stichting de Nationale Sporttotalisator (De Lotto) van 6 juli 2011 haar vergunning te verlenen voor het organiseren van de instantloterij; Gehoord het advies van het College van toezicht op de kansspelen van 23 maart 2011 C.256/11 en 25 mei 2011, nr. C.415/11; Gelet op de [artikelen 14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14b), [14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c) en [34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34) (Stb. 1964, 483); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. **de staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; - c. **de stichting:** Stichting de Nationale Sporttotalisator; - d. **het college:** het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - e. **instantloterij:** een loterij als bedoeld in [artikel 14a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14a); - f. **verkooppunt:** een inrichting als bedoeld in [artikel 14c, tweede lid, onder b. van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c); - g. **uitgifte van deelnamebewijzen:** het door de stichting afgeven van deelnamebewijzen aan de verkooppunten; - h. **prijzenreserve:** een reservering die is opgebouwd uit niet geïnde prijzen. Artikel 2 1. Aan de stichting wordt voor de duur van drie jaar en drie maanden, te rekenen van 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2014 vergunning verleend tot het organiseren van instantloterijen. 2. Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning worden de in"},{"i":2782,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2009 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2009, doch niet later dan 15 juni 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,908 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2009 en eindigende met 15 juni 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&ar"},{"i":2136,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie (nr. 432592/594/NE) houdende aanwijzing van de direct toezichthouder van de Spoorwegpolitie Overwegende dat het wenselijk is voor de in artikel 3, hoofdstuk 2, afdeling 1 van de Invoeringswet Politiewet 1993 genoemde termijn een toezichthouder aan te wijzen voor de opsporingsambtenaren en buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Spoorwegpolitie; Gelet op [artikel 142, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); Besluit: Artikel 1 De korpschef van het Korps landelijke politiediensten treedt op als direct toezichthouder voor de opsporingsambtenaren en de buitengewoon opsporingsambtenaren werkzaam bij het onderdeel Spoorwegpolitie van de NS Beveiliging Services. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 april 1994. Deze beschikking wordt geplaatst in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad."},{"i":3501,"b":"Besluit van 22 juni 2023, houdende vaststelling van regels omtrent experimenten voor een pensioenregeling voor zelfstandigen (Besluit experiment pensioenregeling zelfstandigen) Op de voordracht van Onze Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 24 februari, 2023-0000100036; Gelet op [artikel 150a van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=150a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 april 2023, nr. W12.23.00041/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 19 juni 2023, nr. 2023-000032463; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definities In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **derdepijlerlijfrente:** fiscaal gefaciliteerd product als bedoeld in de [artikelen 3.125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.125) en [3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126a), die niet voortkomt uit een arbeidsrechtelijke overeenkomst en waarop de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) en de [Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092) niet van toepassing zijn, met als doel het genereren van pensioeninkomen voor de zelfstandige; - b. **experiment:** tijdelijke mogelijkheid om een pensioenregeling als bedoeld in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) aan zelfstandigen te bieden om op basis daarvan sparen voor de oude dag door zelfstandigen te stimuleren; - c. **wet:** [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809); - d. **zelfstandige:** een zelfstandige of een directeur-grootaandeelhouder in de zin van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809). Artikel 2. Openstellen pensioenregeling 1. In afwijking van [artikel 117, eerste en vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002080"},{"i":3256,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 2 februari 2016 nr. BOACAT2016/010, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Hengelo Gelezen het verzoek van het Afdelingshoofd Stadstoezicht van de gemeente Hengelo van 26 januari 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27). Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037592&artikel=2&z=2017-02-21&g=2017-02-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Toezichthouder Openbare Ruimte, Senior Toezichthouder Openbare Ruimte, Havenmeester en Marktmeester, in dienst van de gemeente Hengelo, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het [domein I, Openbare ruimte, als genoemd in onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleg"},{"i":2138,"b":"Aanwijzing discriminatie Samenvatting Deze aanwijzing geeft een kader en regels voor de strafrechtelijke aanpak van discriminatie. Het betreft de strafrechtelijke discriminatiebepalingen ([artikel 137c tot en met 137g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=137c) en [artikel 429quater van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=429quater)), in deze aanwijzing aangeduid als specifieke discriminatiefeiten, en strafbare feiten met een discriminatieaspect (omschreven in [artikel 44bis Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=44bis)), in deze aanwijzing aangeduid als strafbare feiten met een discriminatieaspect. 1. Achtergrond 1.1. Beschermd belang Discriminatie is een uiting van onverdraagzaamheid tegenover bepaalde mensen en groepen vanwege hun persoonskenmerken. Het komt op verschillende manieren en op allerlei maatschappelijke terreinen tot uiting. In verschillende wetten zijn daarom regels opgenomen om de samenleving tegen discriminatie te beschermen. Het openbaar ministerie (OM) is belast met de aanpak van de vormen van discriminatie die strafbaar zijn gesteld in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854). Discriminatie is niet zonder gevolgen. Mensen kunnen hierdoor ervaren dat zij niet zichzelf kunnen zijn of dat zij vanwege hun persoonskenmerken worden belemmerd in hun deelname aan het maatschappelijk verkeer. Discriminatie kan er ook toe leiden dat groepen door anderen als minderwaardig worden gezien en zelfs dat geweld tegen hen legitiem wordt geacht. Het vormt daarmee een bedreiging van de openbare orde. Discriminatie raakt zodoende niet alleen individuen of groepen mensen met gemeenschappelijke kenmerken, maar de gehele maatschappij. Met de strafbaarstelling van discriminatie heeft de wetgever op het oog gehad individuele personen, het onbelemmerd maatschappelijk functioneren van individuen en groepen, en de openbare orde te beschermen. Gelet op"},{"i":4435,"b":"Bestuursreglement van de Lcsh De Landelijke commissie sociale hygiëne, gelet op [artikel 11b, derde lid, van de Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=11b), besluit het volgende bestuursreglement vast te stellen: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. **de Alcoholwet:** de [Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458); - b. **de Lcsh:** de Landelijke Commissie Sociale Hygiëne zoals genoemd in de [Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458), afgekort met de Commissie; - c. **de Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - d. **het ministerie:** het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - e. **voorzitter:** de voorzitter van de Commissie; - f. **lid / leden:** lid / leden van de Commissie waaronder de voorzitter; - g. **de secretaris:** ambtelijk secretaris van de Commissie; - h. **sociale hygiëne:** zoals gedefinieerd in het [Alcoholbesluit art. 4.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045211&artikel=4.1a)[bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045211&bijlage=II). Artikel 2. Juridische grondslag 1. Dit bestuursreglement is het reglement als bedoeld in [artikel 11b, derde lid van de Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=11b). 2. Indien en voor zover een bepaling uit dit bestuursreglement in strijd is met de wet blijft de betreffende bepaling buiten werking. 3. Dit bestuursreglement is vastgesteld door de Commissie, en daarna goedgekeurd door de Minister. Artikel 3. Samenstelling Commissie 1. De Minister benoemt de leden voor een periode van ten hoogste vier jaar, conform [artikel 11b, tweede lid, van de Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=11b). De leden kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar. 2. De Commissie bestaat conform [artikel 11b, eerste lid, van de Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&ar"},{"i":5266,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 maart 2022, nr. 3903171, directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot aanwijzing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 16d van de Auteurswet en artikel 11 van de Wet op de naburige rechten Gelet op [artikel 16d, eerste lid, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16d) en [artikel 11 van de Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=11), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de stichting:** Stichting de Thuiskopie, statutair gevestigd te Amsterdam; - b. **de vergoeding:** de vergoeding, bedoeld in [artikel 16c van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16c), alsmede de vergoeding, bedoeld in [artikel 11 van de Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=11) in samenhang met artikel 16c van de Auteurswet. Artikel 2. Aanwijzing Als rechtspersoon belast met de inning en verdeling van de vergoeding wordt aangewezen: de stichting. Artikel 3. Intrekken aanwijzing De [Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 18 mei 2017, nr. 2077202 tot aanwijzing van de rechtspersoon belast met de inning en de verdeling van de vergoeding, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet en in artikel 10, onderdeel e, van de Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039584) wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2022. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3671,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 27 september 2008, nr. WJZ/8142836, houdende regels inzake mandaat en machtiging aan het bestuur van de Stichting Euregio Maas-Rijn betreffende de uitvoering van de Regeling EFRO programmaperiode 2007–2013 (Besluit mandaat en machtiging bestuur Stichting EMR) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van het bestuur van de Stichting Euregio Maas-Rijn; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Minister: de Minister van Economische Zaken; - b. EMR: het bestuur van de Stichting Euregio Maas-Rijn. Artikel 2 1. Aan EMR wordt mandaat en machtiging verleend om besluiten te nemen en handelingen te verrichten met betrekking tot subsidieverstrekking op grond van de [Regeling EFRO doelstelling 3 programmaperiode 2007–2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023118), voor zover het subsidies betreft die verband houden met het Operationeel Programma voor Euregio Maas-Rijn. 2. EMR gaat niet over tot het verlenen van een subsidie voordat de Minister een schriftelijke verklaring heeft afgegeven omtrent de maximale hoogte van de subsidie. Artikel 3 1. Aan EMR wordt mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaarschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024571&artikel=2&z=2008-10-09&g=2008-10-09), waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften. 2. Aan EMR wordt machtiging verleend voor het voeren van verweer in de gevallen waarin beroep is ingesteld tegen een beslissing op bezwaarschrift die EMR heeft genomen. Artikel 4 In het geval de Minister een mededeling aan EMR doet dat een besluit als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024571&artikel=2&z=2008-10-09&g=2008-10-09) niet door EMR zal worden behandeld, wordt ten aanzien van die aangelegenheid mandaat en machtiging verle"},{"i":3806,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken van 14 december 2017, nr. 3971434 houdende ondermandaat diensthoofden van het ministerie van Algemene Zaken Gelet op de [artikelen 5](onbekend), [7](onbekend), [8 tot en met 12 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2017](onbekend); Besluit: Artikel 1. Doorverlenen ondermandaat Aan de diensthoofden wordt ondermandaat verleend op wijze zoals beschreven in [paragraaf 4.1. van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2017](onbekend). De in [artikel 5, derde lid, van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2017](onbekend) genoemde bevoegdheden zijn van de verlening van dit ondermandaat uitgezonderd. Artikel 2. Ondermandaat Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van ondermandaat gelijk gesteld de verlening van: - a. volmacht om namens de minister voor de Staat privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - b. machtiging om namens de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 3. Regels, procedures, instructies mandaat Bij uitoefening van het ondermandaat, handelen de diensthoofden zoveel mogelijk in overeenstemming met het bepaalde in [artikel 13 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2017](onbekend). Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 11 december 2017. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondermandaat diensthoofden van het ministerie van Algemene Zaken. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Een afschrift van dit besluit wordt gezonden naar de Algemene Rekenkamer."},{"i":3040,"b":"Besluit tot aanwijzing vervoersdienst waarvoor het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein In overeenstemming met het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg; Gelet op [artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20); Besluit: Artikel 1 1. Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg is bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdienst, die de daarbij aangegeven stations verbindt: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Maastricht - Kerkrade | Maastricht-Randwijck – Maastricht – Meerssen – Houthem-St. Gerlach – Valkenburg – Schin op Geul – Klimmen-Ransdaal – Voerendaal – Heerlen – Landgraaf – Eygelshoven – Chèvremont – Kerkrade Centrum | 2. Het eerste lid laat onverlet de rechten als bedoeld in artikel 2, van de concessie bedoeld in [artikel 69d, tweede lid van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=69d), voor het hoofdrailnet, als bedoeld in [artikel 69b van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=69b) tussen de stations Maastricht-Randwijck – Maastricht. 3. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid heeft betrekking op het openbaar vervoer per trein na 9 december 2006. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3312,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 6 november 2024 nr. BOACAT2024/114, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente ’s-Hertogenbosch Gelezen het verzoek van gemeente ’s-Hertogenbosch van 21 oktober 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050411&artikel=2&z=2024-11-15&g=2024-11-15). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver domein II in dienst van gemeente 's-Hertogenbosch zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de ["},{"i":7587,"b":"Besluit van 7 juli 2020, houdende regels met betrekking tot het via een centraal elektronisch systeem geautomatiseerd ontsluiten van identificerende gegevens alsmede enkele andere gegevens door banken en andere betaaldienstverleners (Besluit verwijzingsportaal bankgegevens) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 16 juni 2020, 2020-0000090763, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Gelet op de [artikelen 1:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81) en [3:267i van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:267i) en de [artikelen 126nc, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126nc), en [126nd, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126nd); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 juni 2020, nr. W06.20.0137/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 3 juli 2020, 2020-0000122784, directie Financiële Markten, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **aangesloten partijen:** partijen die op grond van [artikel 3:267i van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:267i) zijn aangesloten op het verwijzingsportaal bankgegevens; - b. **bevoegde autoriteiten:** de instanties en functionarissen, genoemd in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043903&paragraaf=4&artikel=6&z=2022-01-01&g=2022-01-01) van dit besluit; - c. **verwijzingsportaal bankgegevens:** het centraal elektronisch systeem, bedoeld in [artikel 3:267i van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:267i); - d. **wet:** [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 2 Identificerende gegevens en gegevens over"},{"i":4040,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, van 10 januari 2025, nr. 5912046, houdende de tijdelijke aanwijzing van Heerlen als overige zittingsplaats 2025 Gelet op [artikel 21b, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21b); Gehoord de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal; Besluit: Artikel 1 Voor de periode van 1 februari 2025 tot 1 augustus 2027 wordt als overige zittingsplaats van de rechtbank Limburg aangewezen: Heerlen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt op 1 augustus 2027. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3416,"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende bepalingen met betrekking tot enkele definities uit artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Besluit definitiebepalingen Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 26 juni 2006, nr. FM 2006-01571 M; Gelet op artikel 1 van [richtlijn nr. 87/102/EEG](31987L0102) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PbEG L 42), artikel 2 van [richtlijn nr. 2003/71/EG](32003L0071) van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van [richtlijn 2001/34/EG](32001L0034) (PbEU L 345) en [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); De Raad van State gehoord (advies van 20 juli 2006, nr. W06.06.0267/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 9 oktober 2006, nr. FM 2006-01837 U; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - b. afgeleide instrumenten voor de overdracht van kredietrisico: financiële instrumenten als bedoeld in Bijlage I, Deel C, onderdeel 8 van [richtlijn nr. 2004/39/EG](32004L0039) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten tot wijziging van de [richtlijnen 85/611/EEG](31985L0611) en [93/6/EEG](31993L0006) van de Raad en van [richtlijn 2000/12/EG](32000L0012) van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van [richtlijn 93/22/EEG](31993L0022) van de Raad (PbEU L 145). Artikel 2 Als beleggingsobject in de zin van onderdeel b van de definitie van beleggingsobject in [arti"},{"i":2147,"b":"Aanwijzing exameneenheden centrale examens vmbo-groen examenjaar 2008, 2009 en eventueel 2010 Gelet op: [artikel 39 van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004593&artikel=39); [artikel 7 van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004593&artikel=7) in samenhang met de examenprogramma’s landbouw en landbouw-breed vmbo; de [Regeling examenprogramma’s landbouw en landbouw-breed vmbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017183), 9 september 2004, TRCJZ/2004/5209 van 9 september 2004 (Staatscourant nr. 182 van 22 september 2004); de Wijziging regeling examenprogramma’s landbouw en landbouw-breed vmbo, 9 september 2004, TRCJZ/2004/5210 (Staatscourant nr. 182 van 22 september 2004); de regeling Invoering van het centraal schriftelijk en praktisch examen (cspe) in de kaderberoepsgerichte leerweg VO/OK-2006/12881 van 28 april 2006, (Staatscourant nr. 89 van 8 mei 2006) Abusievelijk is de terugwerkende kracht vastgesteld op 1 augustus 2007. Artikel 1. Aanwijzing exameneenheden 2008, 2009 en, indien van toepassing, 2010 Voor het afdelingsprogramma landbouw en het intrasectorale programma landbouw-breed zijn de exameneenheden die in de examenjaren 2008, 2009 en, indien van toepassing, 2010 centraal worden geëxamineerd, opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Bekendmaking De regeling zal met de bijlagen in de Staatscourant worden gepubliceerd. Daarnaast is de regeling te raadplegen via www.cfi.nl van CFI, Agentschap van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De bijlagen kunnen ook worden geraadpleegd op Examenblad.nl (www.examenblad.nl). Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling is bekendgemaakt, en werkt terug tot 1 augustus 2007. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzing exameneenheden centra"},{"i":6652,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 1 oktober 2012, nr. WJZ/12302026, tot wijziging van de Subsidieregeling innoveren en de Subsidieregeling sterktes in innovatie (steunaspecten) Gelet op [artikel 4 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), Besluit: Artikel I Een aanvraag om subsidie krachtens een op het [Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796) gebaseerde regeling wordt afgewezen, indien de aanvrager reeds vóór de datum van indiening van de aanvraag met de subsidiabele activiteiten of het project is begonnen. Artikel II Wijzigt de Subsidieregeling sterktes in innovatie. Artikel III Wijzigt de Subsidieregeling innoveren. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2615,"b":"Beleidsregels near shore windpark Gelet op [artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluiten: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. **near shore windpark** een opstelling van permanente windturbines met een totaal constant geïnstalleerd vermogen van ten hoogste 100 MW voor de Nederlandse kust als bedoeld in de Project-planologische kernbeslissing Locatiekeuze Demonstratieproject Near Shore Windpark, deel 3 (Kamerstukken II 2000/2001, 27 041, nr. 4), dat een aansluiting op het Nederlandse elektriciteitsnet heeft, en geschikt is voor de opstelling van ten minste 1 en ten hoogste 2 tijdelijke windturbines; - b. **permanente windturbines** windturbines die worden geïnstalleerd voor een exploitatieperiode van ten hoogste 20 jaar met een vermogen van ten minste 1,5 MW die voor plaatsing op het land gecertificeerd zijn, en aangepast zijn aan de omstandigheden op zee; - c. **tijdelijke windturbines** windturbines met een vermogen van ten minste 3 MW die voor een periode van ten hoogste 3 jaar worden geïnstalleerd; - d. **overeenkomst** de overeenkomst betreffende de uitvoering van het demonstratieproject near shore windpark alsmede de informatievoorziening daaromtrent zoals opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012921&bijlage=1&z=2001-10-28&g=2001-10-28) bij deze beleidsregels; - e. **deelnemer** de ondernemer die of het samenwerkingsverband dat deelneemt aan de selectie betreffende het sluiten van de overeenkomst; - f. **ondernemer** een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt; - g. **samenwerkingsverband** een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen; - h. **groep** een economische eenheid, waarin organisatorisch"},{"i":4477,"b":"Circulaire betreffende acties tsunamiramp Azië Aan: de Ministers De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. In het kader van de hulpacties ten behoeve van de slachtoffers van de ramp in Azië hebben werkgevers en werknemers in het bedrijfsleven en bij de overheid een aantal hartverwarmende initiatieven genomen. Het betreft hier onder meer het schenken van een of meer uren salaris, het doneren van vakantie-uren en het zich aanmelden als vrijwilliger om ter plaatse hulp te verlenen. Ter ondersteuning van die initiatieven zal het Ministerie van Financiën het equivalent van de belasting- en premieopbrengsten van door werknemers gedoneerde vakantie-uren overmaken aan giro 555 van de Samenwerkende Hulporganisaties ten behoeve van de hulp aan de slachtoffers van de zeebeving in Azië. Hiermee kan alsnog het volledige bedrag aan donaties via vakantie-uren ten goede komen aan de nationale actie. De bijzondere maatregel met betrekking tot de loonheffing en premie werknemersverzekeringen geldt alleen voor situaties waarbij de werknemer afziet van vakantie-uren en is niet van toepassing op het schenken van een of meer uren salaris. Om voor deze bijzondere maatregel in aanmerking te komen moeten uiterlijk 31 maart 2005 de volgende gegevens zijn aangeleverd bij de aanspreekpunten van de Belastingdienst (zie www.belastingdienst.nl): Bovendien geldt als voorwaarde dat de betaling aan de hulporganisaties eveneens uiterlijk 31 maart 2005 moet hebben plaatsgevonden. Omdat het de overheidswerkgever niet past om ambtenaren die vakantie-uren, bedoeld in [artikel 22 van het ARAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=22), willen verkopen ten behoeve van de slachtoffers van de ramp in Azië te beperken in het aantal uren dat zij willen verkopen, is besloten dat geen maximum geldt voor het aantal vakantie-uren dat voor dit doel wordt verkocht en dat geen rekening behoeft te worden gehouden met het minimum aantal vakantie-uren, bedoeld in [artikel 22, derti"},{"i":3296,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 23 juni 2023 nr. BOACAT2023/036, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Noordwijk Gelezen het verzoek van de gemeente Noordwijk van 14 juni 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048406&artikel=2&z=2023-08-17&g=2023-08-17). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver openbare ruimte in dienst van de gemeente Noordwijk, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geld"},{"i":3812,"b":"Besluit van de directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in de functie van hoofd van de Visadienst, van 16 februari 2022, nr. 3852710, houdende verlening van ondermandaat en -machtiging (Besluit ondermandaat en -machtiging Hoofd Visadienst 2022) Gelet op [artikel 3 van het Mandaatbesluit Hoofd Visadienst 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035767&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Ondermandaat en -machtiging te verlenen van de hem ingevolge het [Mandaatbesluit Hoofd Visadienst 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035767) toegekende bevoegdheden aan: - a. de in de bijlage bij dit besluit genoemde en onder hem ressorterende functionarissen, voor zover het gaat om het nemen van besluiten dan wel instellen van rechtsmiddelen en het in rechte vertegenwoordigen in rechterlijke procedures als bedoeld in [artikel 1, a tot en met d, van het Mandaatbesluit Hoofd Visadienst 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035767&artikel=1), een en ander voor zover dat in overeenstemming is met de taak en functie van de betreffende functionaris; - b. de ambtenaren belast met de grensbewaking als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder b en d, van het Mandaatbesluit Hoofd Visadienst 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035767&artikel=3), voor zover het gaat om het nemen van besluiten als bedoeld in [artikel 1, onder a en b, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035767&artikel=1); - c. de ambtenaren belast met toezicht als bedoeld in artikel in [artikel 3, eerste lid, onder c en d, van het Mandaatbesluit Hoofd Visadienst 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035767&artikel=3), voor zover het gaat om het nemen van besluiten als bedoeld in [artikel 1, onder a en b, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035767&artikel=1). Artikel 2 Het [Besluit ondermandaat en -machtiging Hoofd Visadienst 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044251) wordt in"},{"i":5310,"b":"Regeling cultuurparticipatie provincies en gemeenten 2009–2012 **1 september 2008** Overwegende dat: Er op 2 april 2008 tussen de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) bestuurlijke afspraken over de stimulering van de cultuurparticipatie zijn gemaakt Het wenselijk is een regeling op te stellen op basis waarvan de decentralisatie- uitkering cultuurparticipatie wordt vastgesteld Besluit: Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **fonds:** de stichting Fonds voor Cultuurparticipatie, het fonds is een stichting als bedoeld in [artikel 9 van de Wet op Specifiek Cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=9); - b. **bestuur van het fonds:** het bestuur van het fonds, als bedoeld in artikel 5 van de statuten van het fonds; - c. **minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - d. **provincies:** de 12 provincies; - e. **gemeenten:** de 35 gemeenten met meer dan 90.000 inwoners en/of de cultuurconvenantpartners. De lijst met gemeenten is opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026360&bijlage=1&z=2008-09-21&g=2008-09-21) bij deze regeling. In de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026360&bijlage=1&z=2008-09-21&g=2008-09-21) is een nader onderscheid gemaakt tussen de 26 gemeenten enerzijds (meer dan 90.000 inwoners peildatum 1 januari 2007 en/of de cultuurconvenantpartners) en de G9 te weten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Maastricht, Arnhem, Enschede en Groningen anderzijds; - f. **deelnemer:** een college van burgemeester en wethouders van een gemeente of gedeputeerde staten van een provincie; - g. **programmalijnen:** amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur; - h. **amateurkunst:** het actief beoefenen van kunst, uit passie, liefhebberij of engagement, zonder daarmee primair in het levensonderhoud te willen voorzien; - i. **cultuureducatie:** de verza"},{"i":2894,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2024 van 6 augustus 2023, nummer 2023/1 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2023 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2022; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 5,4%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Landscourant van Curaçao en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2024."},{"i":2157,"b":"Aanwijzing herziening ten nadele Samenvatting Met deze aanwijzing geeft het College van procureurs-generaal aan in welke gevallen herziening ten nadele van de gewezen verdachte kan worden aangevraagd. Achtergrond Nadat een verdachte is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging kunnen gegevens bekend worden die de rol van de gewezen verdachte in een nieuw daglicht stellen. Dat kan het geval zijn wanneer, bijvoorbeeld door de toegenomen mogelijkheden op het gebied van DNA-onderzoek, nieuw forensisch bewijsmateriaal ten nadele van de gewezen verdachte naar voren is gekomen. Een ander voorbeeld is het bekend worden dat door een getuige of deskundige meineed is gepleegd. Als het ernstig vermoeden bestaat dat de verdachte wel zou zijn veroordeeld als die gegevens tijdens het onderzoek op de terechtzitting wel bij de rechter bekend zouden zijn geweest, is wenselijk dat de zaak opnieuw aan de rechter kan worden voorgelegd. Per 1 oktober 2013 is de [Wet herziening ten nadele](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033284) in werking getreden.1Wet van 11 april 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een regeling betreffende herziening ten nadele van de gewezen verdachte (Wet herziening ten nadele), Stb. 138 (Kamerstukken 32 044). Deze wet maakt herziening ten nadele van de gewezen verdachte na een eerdere vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging mogelijk. Het is een ingrijpend rechtsmiddel en om die reden is het aantal gronden waarop herziening kan plaatsvinden beperkt. Om diezelfde reden is herziening ten nadele enkel mogelijk op aanvraag van het College van procureurs-generaal en is een tegen de gewezen verdachte gericht opsporingsonderzoek enkel toegestaan onder strenge voorwaarden en omkleed met procedurele waarborgen. In welke gevallen is herziening ten nadele mogelijk Op grond van [artikel 482a van het Wetboek van Strafvordering (Sv)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=482a) kan de Hoge Raad op"},{"i":7013,"b":"Wet van 10 mei 2006 tot goedkeuring van het op 25 februari 2005 te Den Haag tot stand gekomen Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), met Protocol (Trb. 2005, 96) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 25 februari 2005 te Den Haag tot stand gekomen Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), met Protocol (Trb. 2005, 96) ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 25 februari 2005 te Den Haag tot stand gekomen Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) met Protocol waarvan de Nederlandse en Franse tekst zijn geplaatst in Tractatenblad 2005, 96, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Artikel 1a 1. Een ontwerp van een besluit van het Comité van Ministers als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, van het op 25 februari 2005 te Den Haag tot stand gekomen Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), met Protocol (Trb. 2005, 96), wordt, voordat daaromtrent enigerlei besluitvorming door het Comité van Ministers plaatsvindt, terstond nadat de tekst van dat ontwerp tot stand is gekomen, aan de Staten-Generaal voorgelegd. 2. Instemming van de Staten-Generaal is vereist voor"},{"i":5168,"b":"Besluit van 15 oktober 2018, houdende regels inzake de rechtspositie van staten- en commissieleden, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, raads- en commissieleden, wethouders, burgemeesters en de leden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en de voorzitters van de waterschappen (Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers) Hoofdstuk 1. Algemeen Hoofdstuk 1. Algemeen Hoofdstuk 3. Gemeenten Afdeling 3.0. Algemeen Afdeling 2.1. Algemeen Paragraaf 1. Beloning raadslid Paragraaf 2. Vergoedingen en voorzieningen raadslid Artikel 3.1.6. Onkostenvergoeding 1. Een raadslid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van de gemeenteraad een onkostenvergoeding voor de aan de uitoefening van het raadlidmaatschap verbonden kosten van € 223,50 per maand. 2. Een raadslid dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetreden of overleden, ontvangt de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand. 3. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Artikel 3.1.7. Reiskostenvergoeding 1. Een raadslid heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding van: - a. reiskosten en, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, verblijfkosten voor het bijwonen van vergaderingen van de gemeenteraad en commissies, en - b. reis- en verblijfkosten voor reizen binnen en buiten de gemeente gemaakt voor de uitoefening van de functie. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Artik"},{"i":7011,"b":"Gastlandverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Commissie voor Vermiste Personen The Kingdom of the Netherlands and the International Commission on Missing Persons, Bearing in mind the policy of the Kingdom of the Netherlands to promote the development of the international legal order; Welcoming the wish of the International Commission on Missing Persons to establish an office in the Kingdom of the Netherlands; Noting that the International Commission on Missing Persons was established as an intergovernmental organization under the “[Agreement on the Status and Functions of the International Commission on Missing Persons](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006432)” of 15 December 2014; Desiring to lay down conditions concerning the privileges, immunities, facilities, and services of and related to the International Commission on Missing Persons in the territory of the Kingdom of the Netherlands as are necessary for the fulfillment of the purposes of the International Commission on Missing Persons; Have agreed as follows: Article 1. Use of terms For the purpose of this Agreement: - a). “Agreement” means this Host State Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the International Commission on Missing Persons; - b). “Host State” means the Kingdom of the Netherlands; - c). “ICMP” means the International Commission on Missing Persons; - d). “Parties” means the ICMP and the host State; - e). “Vienna Convention” means the [Vienna Convention on Diplomatic Relations](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004345) of 18 April 1961; - f). “Director-General” means the Director-General of the ICMP and during his or her absence, any other official specifically designated to act on his or her behalf; - g). “Directors of ICMP Departments” means the Directors of ICMP Departments and during his or her absence, any other official specifically designated to act on his or her behalf; - h). “Officials” means persons, however denominated and a"},{"i":7012,"b":"Generiek toestemmingsbesluit nevenactiviteiten – cluster 1 (verkoop programma’s en fragmenten door landelijke publieke media-instellingen aan derden aan de hand van Tarievenlijst hergebruik archiefmateriaal Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid) A. Aard en strekking besluit B. Juridisch kader C. Status van de activiteit D. Motivering en randvoorwaarden E. Openbaarmaking F. Besluit G. Register Bijlage 1. Juridisch kader - 1. **De NPO en de publieke media-instellingen mogen alleen na voorafgaande toestemming van het Commissariaat nevenactiviteiten verrichten** - 2. **Nevenactiviteiten zijn activiteiten, directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitvoering van de publieke media-opdracht, met uitzondering van verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136.** - 3. **Toestemming kan alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke omroep, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is.** - 4. **In afwijking van het eerste lid is geen voorafgaande toestemming van het Commissariaat nodig voor het bij wijze van experiment van beperkte omvang en duur verrichten van nevenactiviteiten die bestaan uit het leveren van goederen of diensten, met inbegrip van rechten en verplichtingen aan:** - a. **mediabedrijven ten behoeve van de versterking en verbetering van de nieuws- en informatievoorziening; of** - b. **culturele instellingen.** - 5. **De NPO en de publieke media-instellingen melden nevenactiviteiten als bedoeld in het vierde lid bij het Commissariaat.** - 6. **Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:** - a. **de wijze van melden;** - b. **de omvang en duur van het experiment;** - c. **de aard en inhoud van de nevenactiviteiten; en** - d. **de samenwerking met de in het v"},{"i":5217,"b":"Regeling aanwijzing bromfietsen of motorfietsen ten behoeve van vrijstelling van de helmdraagplicht Gelet op de [artikelen 4b, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b), en [36, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36) en artikel 60, tweede lid, onderdeel c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Onder de vermelding in deze regeling van een EG-richtlijn wordt verstaan hetgeen daaronder wordt begrepen in [artikel 1.2 van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=1.2), met inbegrip van de ingevolge [artikel 1.3, eerste lid, van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=1.3) bekendgemaakte wijzigingen. [Artikel 1.3, tweede lid, van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=1.3) is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 1. Door de Dienst Wegverkeer wordt een type bromfiets, niet zijnde brommobiel, of motorfiets als bedoeld in artikel 60, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens op aanvraag aangewezen ten behoeve van een vrijstelling van de helmdraagplicht als bedoeld in artikel 60, indien dit type: - a. een typegoedkeuring op grond van artikel 22 van de wet heeft verkregen, - b. volgens een aan de Dienst Wegverkeer overgelegd testrapport voldoet aan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012978&paragraaf=2&artikel=4&z=2014-01-01&g=2014-01-01) opgenomen eisen, en - c. voldoet aan het gestelde in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012978&paragraaf=2&artikel=5&z=2014-01-01&g=2014-01-01). 2. In de aanwijzing worden de zitplaatsen genoemd waarvoor de vrijstelling geldt. 3. De aanwijzing van een type bromfiets, niet zijnde brommobiel, of motorfiets wordt door de Directeur van de Dienst Wegverkeer bekendgemaakt in de Staatscourant."},{"i":5008,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 juni 2019, kenmerk 1525326-190188-Z, houdende Nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2019 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019) Artikel 1 Voor het jaar 2019 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 13,900 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041753&artikel=1). Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042285&artikel=1&z=2019-06-13&g=2019-06-13) genoemde bedrag is € 2,800 miljoen bestemd voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) en € 11,100 miljoen voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken van Wlz-uitvoerders. Artikel 3 Wijzigt de Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018. Artikel 4 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019. 2. [Artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042285&artikel=3&z=2019-06-13&g=2019-06-13) werkt in afwijking van het eerste lid terug tot en met 1 januari 2018. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019. Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5072,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juli 2019, nr. 2019-0000097640, houdende de inrichting van de directie Arbeidsmarkt en Sociaal-Economische Aangelegenheden, alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Arbeidsmarkt en Sociaal-Economische Aangelegenheden (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit ASEA 2019) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042435&artikel=3), en [15 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directeur-generaal Werk 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042435&artikel=15); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directie:** de directie Arbeidsmarkt en Sociaal-Economische Aangelegenheden van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **directeur:** de directeur Arbeidsmarkt en Sociaal-Economische Aangelegenheden. § 2. Organisatie en taken Artikel 2 De directie bestaat uit: - a. de afdeling Strategie, Arbeidsmarkt en Stelsels & Regelingen; - b. de afdeling Collectieve Sector en Inkomensbeleid; - c. de Chief Science Officer. Artikel 3 Het hoofd van de afdeling Strategie, Arbeidsmarkt en Stelsels & Regelingen is verantwoordelijk voor: - a. de ontwikkeling van, advisering over en uitwerking van de algemene kaders van het arbeidsmarktbeleid, wat de analyse van de huidige en verwachte arbeidsmarktsituatie en het internationale arbeidsmarktbeleid (EMCO) omvat; - b. het beleid ten aanzien van scholing, waarbij het gaat om bevordering van de kwaliteit van de beroepsbevolking en het verbeteren van de aansluiting tussen scholing en de arbeidsmarkt; - c. het niveau van het minimumloon en de koppeling van de uitkeringen daaraan en het beleid met betrekking tot de loonkostenontwikkeling; - d. het vanuit een economische invalshoek ondersteunen van beleidstrajecten op het gehele SZW-domein, het verrichten van economische beleidsanalyses"},{"i":5071,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 december 2015, 2015-0000305829, houdendede inrichting van de afdeling Budgetbeheer, secretariaat en bedrijfsvoering-SZI, alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van het hoofd van de afdeling Budgetbeheer, secretariaat en bedrijfsvoering-SZI (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit afdeling BSB-SZI 2015) Gelet op de[artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel k, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=3), en [10 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directeur-generaal Sociale Zekerheid en Integratie 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=10); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **BSB-SZI:** de afdeling Budgetbeheer, secretariaat en bedrijfsvoering-SZI van het ministerie; - b. **teamleider van het team secretariaat-SZI:** de functionaris die rechtstreeks ressorteert onder het hoofd van de afdeling Budgetbeheer, secretariaat en bedrijfsvoering-SZI. § 2. Organisatie en taken Artikel 2 BSB-SZI bestaat uit het team Financieel beheer en bedrijfsvoering-SZI, het team secretariaat-SZI en de DG-controller. Artikel 3 1. Het hoofd van BSB-SZI is tevens teamleider van het team Financieel beheer en bedrijfsvoering-SZI. 2. De teamleider van het team secretariaat-SZI is verantwoordelijk voor de managementondersteuning van de onder de directeur-generaal ressorterende organisatieonderdelen. 3. De DG-controller is verantwoordelijk voor beheersmatig en beleidsinhoudelijk ondersteunen van de directeur-generaal bij de aansturing van de onder hem ressorterende directies. § 3. Bevoegdheden ten behoeve van de directeur-generaal en de onder de directeur-generaal ressorterende organisatieonderdelen Artikel 4 Aan de teamleider van het team secretariaat-SZI wordt mandaat en machtiging verleend met betrekking tot: - a. het afdoen van informatieve brieven, die betrekkin"},{"i":5148,"b":"Protocol Accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2023 1. Inleiding De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) steunt bij het uitvoeren van de toezichtstaken op de controlewerkzaamheden van de accountant van het CAK. Dit Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2023 (hierna: protocol)1Op basis van artikel 31 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) kan de NZa regels stellen voor de inhoud en inrichting van de controleverklaring en van het accountantsverslag zoals bedoeld in artikel 4.3.1 van de Wlz. Artikel 6.2.6 (lid 1) van de Wlz geeft aan dat artikel 4.3.1 (lid 1 tot en met 4) van de Wlz van overeenkomstige toepassing is op het CAK. beschrijft de minimale werkzaamheden van de accountant alsook de op te leveren accountantsproducten. De NZa heeft in het Model Jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording 2023 (hierna: model) voorschriften opgenomen voor de inrichting van de bestuurlijke verantwoording van het CAK. Dit protocol geeft richtlijnen voor het door de accountant uit te voeren onderzoek naar de in de bestuurlijke verantwoording opgenomen matrix bestuurlijke verantwoording van in- en uitgaande financiële stromen op kasbasis en toelichtingen daarop (hierna: matrix) en de financiële overzichten van de activa en passiva van de financiële stromen en toelichtingen daarop (hierna: financiële overzichten)2Zie paragraaf 3.2, component 2 en 3.. Het onderzoek betreft in de basis een controleopdracht conform Standaard 800 van de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). De overige onderdelen van de bestuurlijke verantwoording3Zie paragraaf 3.2, component 1. worden voor dit onderzoek aangemerkt als ‘andere informatie’, waarop Standaard 720 van de NV COS van toepassing is. In de bestuurlijke verantwoording legt het CAK verantwoording af met betrekking tot de uitvoering van vier wettelijke regelingen en taken. Dit betreffen: De accountant geeft de uitkomst van zijn onderzoek weer in een gecombineerde controleverkl"},{"i":5105,"b":"Overdracht pensioenkapitaal – waarde-overdracht pensioenrechten bij het 4%-circuit/pensioenbreuk De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Waarde-overdracht is erop gericht pensioenverlies bij verandering van werkgever (pensioenbreuk) te voorkomen. Op 1 januari 1994 is een nieuw circuit voor waarde-overdracht van pensioen van start gegaan onder de naam 4%-circuit. Bij deze overdrachten treedt de Stichting 4%-circuit voor Waarde-overdracht te Rijswijk (ZH) op als coördinator. De berekening van de overdrachtswaarde vindt plaats op basis van een rekenrente van 4%, zonder rentestandskorting. De overdrachten vinden plaats onder omstandigheden die vergelijkbaar zijn met overdrachten in het kader van het SDS-circuit, welke onder bepaalde voorwaarden fiscaal geruisloos kunnen plaatsvinden (Infobulletin volgnrs. 87/560 en 92/512). Ik heb ermee ingestemd dat onder de hierna vermelde voorwaarden ook aan een overdracht in het kader van het 4%-circuit voor de van dienstbetrekking veranderende werknemer geen gevolgen voor de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen zijn verbonden. De hiervoor bedoelde voorwaarden zijn:"},{"i":7000,"b":"Eerste Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, voor ondertekening opengesteld op 19 juni 1980 De Hoge Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Verwijzende naar de gemeenschappelijke verklaring, gehecht aan het [Verdrag betreffende het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003771), voor ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, Hebben besloten een protocol te sluiten waarbij aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de bevoegdheid wordt toegekend om genoemd Verdrag uit te leggen en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Paul de Keersmaeker Staatssecretaris voor Europese Zaken en Landbouw, toegevoegd aan de Minister voor Buitenlandse Betrekkingen Hare Majesteit de Koningin van Denemarken: Knud Erik Tygesen Staatssecretaris de President van de Bondsrepubliek Duitsland: Irmgard Adam-Schwaetzer Adjunct-Minister van Buitenlandse Zaken de President van de Helleense Republiek: Théodoros Pangalos Onderminister van Buitenlandse Zaken Zijne Majesteit de Koning van Spanje: Francisco Fernandez Ordonez Minister van Buitenlandse Zaken de President van de Franse Republiek: Philippe Louët Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur de President van Ierland: Brian Lenihan Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken de President van de Italiaanse Republiek: Gianni Manzolini Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg: Jacques Poos Vice-Voorzitter van de Regering, Minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Samenwerking, Minister van Economische Zaken en Middenstand, Minister van de Schatkist Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: H. van den Broek Minister van Buitenlandse Zaken de President van de Portugese Republi"},{"i":7001,"b":"Besluit van 10 december 2007 van de Minister van Financiën houdende aanpassing van de bijlagen A en B bij het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie (Eerste wijzigingsbesluit aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie) Gelet op [artikel 4 van het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017117&artikel=4); In overeenstemming met de Ministers van Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Verkeer en Waterstaat, Economische Zaken, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Besluit: Artikel I Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie. Artikel II Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie. Artikel III Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie. Artikel IV Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie. Artikel V Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie. Artikel VI 1. Voor de op grond van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023041&artikel=I&z=2007-12-20&g=2007-12-20) aangewezen rechtspersonen geldt dat de toepassing van [artikel 45, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=45) zodanig in de tijd gefaseerd zal geschieden, dat de op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog op een andere wijze uitgezette liquide middelen van de betrokken rechtspersonen, op een naar het oordeel van de Minister van Financiën doelmatige wijze in ’s Rijks schatkist zullen worden opgenomen. 2. De Minister van Financiën stelt binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit na overleg met de in het eerste lid bedoelde rechtspersonen voor elke rechtspersoon een tijdschema vast ter uitvoering van"},{"i":7002,"b":"Europese Overeenkomst betreffende de verlening van medische hulp aan personen die tijdelijk in het buitenland verblijven De Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende de van belang zijnde bepalingen van de Slotakte van de Conferentie inzake Veiligheid en Samenwerking in Europa; Herinnerend aan de aanbevelingen van de Europese regionale conferenties, van de Internationale Arbeidsorganisatie over de ontwikkeling van de samenwerking op het gebied van de sociale zekerheid; Rekening houdend met het belang van de problemen op het gebied van de sociale zekerheid die moeten worden opgelost in verband met de uitbreiding van de onderlinge banden tussen deze Staten en de toeneming van het aantal personen die tijdelijk verblijven op het grondgebied van een andere Staat dan de Staat krachtens de wetgeving waarvan zij recht op medische hulp hebben; Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst, wordt verstaan onder: - a). „Overeenkomstsluitende Partij”: iedere Staat die een akte van bekrachtiging heeft nedergelegd; - b). „wetgeving”: de wetten, regelingen en statutaire bepalingen die van kracht zijn op de datum van ondertekening van deze Overeenkomst of later van kracht worden voor het gehele grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij of voor enig deel daarvan en die betrekking hebben op de stelsels van sociale zekerheid waaronder de verlening van medische hulp - met inbegrip van de nationale gezondheidsdiensten - valt; - c). „overeenkomst inzake sociale zekerheid”: iedere bilaterale of multilaterale overeenkomst die voor twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen uitsluitend verbindend is of zal zijn, alsmede iedere multilaterale overeenkomst die verbindend is of zal zijn voor ten minste twee Overeenkomstsluitende Partijen en een of meer andere Staten ten aanzien van de verlening van medische hulp; - d). „bevoegde autoriteit”: de minister, ministers dan wel de daarmee vergelijkbare autoriteit, onder wie op"},{"i":6999,"b":"Curatele- en huwelijksgoederenregister Gezien het verzoek van de Minister van Justitie van 15 augustus 1969, Stafafdeling Wetgeving Nieuw B.W., nr. 310/669; Gelet op artikel 20 van het Archiefbesluit; Besluit: Artikel 1 De Minister van Justitie wordt gemachtigd de overbrenging naar de rijksarchiefbewaarplaatsen van de tot het curateleregister behorende kaarten en van de in de huwelijksgoederenregisters opgenomen kaarten en stukken op te schorten als is aangegeven in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002720&artikel=2&z=1970-11-01&g=1970-11-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002720&artikel=3&z=1970-11-01&g=1970-11-01). Artikel 2 De overbrenging van de tot het curateleregister behorende kaarten heeft plaats binnen een tijdvak van tien jaar nadat honderdtien jaar sedert de geboortedatum van de personen, op wie die kaarten betrekking hebben, zijn verstreken. Artikel 3 De overbrenging van de in de huwelijksgoederenregisters opgenomen stukken en van de tot deze registers behorende klapperkaarten heeft plaats: - 1. ten aanzien van de vóór 1 januari 1970 opgenomen stukken, binnen een tijdvak van tien jaar nadat honderd jaar sedert 31 december na de datum van inschrijving zijn verstreken; - 2. ten aanzien van de na 1 januari 1970 opgenomen stukken, binnen een tijdvak van tien jaar nadat honderd jaar sedert de datum van sluiting van het huwelijk zijn verstreken; - 3. ten aanzien van de tot de huwelijksgoederenregisters behorende klapperkaarten te zelfder tijd als de overbrenging van het laatste op de kaart vermelde stuk. Artikel 4 Deze beschikking, welke zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant, werkt terug tot 1 januari 1970."},{"i":7004,"b":"Europese Overeenkomst betreffende personen die deelnemen aan procedures voor de Europese Commissie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Gelet op het [Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000), ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen „het Verdrag”); Overwegende dat het voor een betere verwezenlijking van de doelstellingen van het[Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000) wenselijk is dat aan personen die deelnemen aan procedures voor de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (hierna te noemen „de Commissie”) of voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna te noemen „het Hof”) bepaalde immuniteiten worden toegekend en faciliteiten worden verleend; Verlangende te dien einde een overeenkomst te sluiten, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. De personen op wie de onderhavige Overeenkomst van toepassing is, zijn: - (a). vertegenwoordigers van de Overeenkomstsluitende Partijen, benevens de adviseurs en de rechtskundige raadslieden die hen bijstaan; - (b). personen die deelnemen aan de procedures aanhangig gemaakt bij de Commissie ingevolge [artikel 25 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=25), hetzij voor zichzelf, hetzij als vertegenwoordigers van indieners van verzoekschriften, bedoeld in het genoemde artikel 25; - (c). advocaten, procureurs of hoogleraren in de rechtswetenschappen die deelnemen aan de procedures om een der personen bedoeld in het eerste lid, letter **b,** van dit artikel, bij te staan; - (d). personen gekozen door de afgevaardigden van de Commissie om hen bij te staan in procedures voor het Hof; - (e). getuigen, deskundigen en andere personen opgeroepen door de Commissie of het Hof om deel te nemen aan een procedure voor de Commissie of het Hof. 2. In deze Overeenkomst wordt onder de t"},{"i":4891,"b":"Besluit van de Directeur Operatiën I van de Justitiële Informatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 4 februari 2022, nr. Alg. 6261 houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Operatiën I Justid 2022) Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit Justid 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045173&artikel=1) aan de Directeur Operatiën I van de Justitiële Informatiedienst verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de manager Business Operations Office; - b. de manager Digitalisering- en Archiveringsdienst; - c. de manager IT Operations; - d. de manager Portalen en Samenwerking; - e. de manager Verbindingen en Veiligheid. Artikel 2 Het [Mandaatbesluit Technologie Justid 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036925) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2021. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Operatiën I Justid 2022. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5055,"b":"Besluit tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging tot het uitvoeren van paspoortsignalering en de tenuitvoerlegging door de Algemeen Directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) aan Openbaar Ministerie / LP-Fast In aanmerking nemende het geldende [Organisatiebesluit van de Minister van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293); In aanmerking nemende het geldende [Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties van de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699); Overwegende dat het CJIB namens de Minister voor Rechtsbescherming verantwoordelijk is voor het uitvoeren van paspoortsignalering en de tenuitvoerlegging; Overwegende de behoefte een ondermandaatregeling vast te stellen voor het uitvoeren van paspoortsignalering en de tenuitvoerlegging; Het uitvoeren van paspoortsignalering en de tenuitvoerlegging vindt plaats overeenkomstig: [Paspoortwet, artikel 18 lid 2, a en onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=18) 1 Paspoortwet, artikel 18 lid 2: Weigering of vervallenverklaring kan geschieden op verzoek van Onze Minister van Justitie en Veiligheid in het Europese deel van Nederland, indien het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon zich door verblijf buiten de grenzen van de landen van het Koninkrijk aan tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken, terwijl die persoon in het Europese deel van Nederland: a. onherroepelijk is veroordeeld tot: 1°. een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel van vier maanden of meer. [Paspoortbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044308) [Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012810) Overwegende de behoefte een ondermandaatregeling vast te stellen voor het uitvoeren van paspoortsignalering en de tenuitvoerlegging. Overwegende de [artikelen 10.1 tot en met 10.12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl"},{"i":7577,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen minister van Algemene Zaken beleidsterrein Telecommunicatie en Post vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 5 februari 2009 nr. bca-2008.05120/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit behorende ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Algemene Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Telecommunicatie en Post over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":2159,"b":"Aanwijzing huiselijk geweld en kindermishandeling Samenvatting Deze aanwijzing geeft een kader en regels voor de strafrechtelijke aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. ‘Huiselijk geweld en kindermishandeling’ wordt in deze aanwijzing als verzamelbegrip gehanteerd. Soms wordt kortweg gerefereerd aan ‘huiselijk geweld’ of ‘geweld in de privésfeer’. Met deze termen wordt steeds hetzelfde bedoeld. Deze aanwijzing bevat niet het kader voor de strafrechtelijke aanpak van **seksueel** geweld in de privésfeer; dat is beschreven in de Aanwijzing zeden. De uitgangspunten zijn: 1. Achtergrond 1.1. Huiselijk geweld – algemene probleemstelling Huiselijk geweld is geweld dat gepleegd wordt in de privésfeer. De term ‘huiselijk’ is hier dus niet gericht op de locatie, maar op de relatie tussen pleger en slachtoffer. Huiselijk geweld kan dus ook op andere plekken dan binnenshuis plaatsvinden. Het kan gaan om1Dit betreft een niet-limitatieve opsomming. (ex-)partnergeweld, eergerelateerd geweld, ex-partnerstalking, vrouwelijke genitale verminking, kindermishandeling, ouder(en)mishandeling, huwelijksdwang, achterlating, bigamie en huwelijkse gevangenschap, maar ook om geweld in (zorg)instellingen waar (semi-) permanent wordt verbleven. Huiselijk geweld heeft vaak een stelselmatig karakter en het risico op herhaling is groot. Dat komt onder andere doordat de verdachte van het geweld zich in de directe persoonlijke omgeving van het slachtoffer bevindt. Het slachtoffer staat bij huiselijk geweld-kwesties in een relatie van afhankelijkheid en/of onvrijheid ten opzichte van de pleger. Uit onderzoek blijkt daarbij dat vrouwen onevenredig vaak getroffen worden.2Onder andere: Prevalentiemonitor CBS Huiselijk Geweld en Seksueel Geweld 2020. De materiële- en immateriële schade van dit soort incidenten aan het individu en de maatschappij is enorm. In veel gevallen van geweld in de privésfeer blijven dader en slachtoffer deel uitmaken van elkaars leefomgeving. Slachtoffers van huiseli"},{"i":5027,"b":"Normering en schaallengte bij de centrale examens vbo, mavo, havo en vwo met ingang van het jaar 2000 1. Inleiding Bij de invoering van open vragen in de examens moderne vreemde talen wordt het huidige systeem van normering met een cesuur en een vaste schaal van 50 pt losgelaten. Overwogen is of het systeem van de 100-schaal met: c.e.-cijfer = (score +V)/10 ook voor deze vakken zou kunnen gelden. Daar bleken overwegende bezwaren tegen te bestaan. Vervolgens is onderzocht of een uniform normeringssysteem voor deze vakken en voor alle andere vakken mogelijk was, zodat de twee bestaande systemen van omzetting score in cijfer konden worden vervangen door een enkel systeem. Daar is uiteindelijk voor gekozen. Het algemeen bestuur van de CEVO heeft besloten om met ingang van examenjaar 2000 een nieuw systeem te hanteren voor de omzetting van score naar cijfer. De directe aanleiding was dat per 2000 bij alle centrale examens gebruik gemaakt zal worden van de open vraagvorm, dus ook bij de moderne vreemde talen. Daarnaast was er de wenselijkheid een einde te maken aan het naast elkaar bestaan van twee methoden voor de omzetting van score naar cijfer. Bovendien zal er bij de profielexamens niet meer sprake zijn van een vaste lengte van de scoreschaal, waardoor het bepalen van het cijfer iets ingewikkelder zal worden dan alleen het verplaatsen van de komma in de behaalde score. 2. Uitgangspunten Het nieuwe systeem voor de omzetting van score naar cijfer is gebaseerd op de volgende vier uitgangspunten: Hierbij wordt onder de score verstaan: de **zuivere score,** dus uitsluitend de punten die aan de kandidaat zijn toegekend voor goede antwoordelementen. Er zal derhalve geen sprake meer zijn van scorepunten-vooraf en/of scorepunten-bijtelling (in geval van cesuuraanpassing). 3. Het normeringsvoorschrift Het normeringsvoorschrift bestaat uit twee onderdelen: 3.1. De hoofdrelatie De hoofdrelatie geeft aldus het examencijfer als functie van de score: C = 9,0* (S/L) + N ............."},{"i":5084,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 december 2015, 2015-0000305670, de inrichting van de directie Samenleving en Integratie alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Samenleving en Integratie (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Samenleving en Integratie 2015) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=3), en [10 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directeur-generaal Sociale Zekerheid en Integratie 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=10); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **S&I:** de directie Samenleving en Integratie van het ministerie; - b. **MT:** het management team van de directie Samenleving en Integratie. § 2. Organisatie en taken Artikel 2 Het MT van S&I wordt gevormd door de directeur, de portefeuillehouders en de directiesecretaris. Artikel 3 Het MT is verantwoordelijk voor de volgende taken: - a. de uitvoering en beleidsmatige doorontwikkeling van de [Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770), de afbouw van de oude stelsels onder de [Wet inburgering 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) en de Wet inburgering 2013 en de uitvoering van het opdrachtgeverschap van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), het Centraal Bureau voor de Statistiek en het College voor Toetsen en Examens (CvTE); - b. de ketenregie op inburgering stimuleren tussen onder andere DUO, COA, IND, Divosa, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Blik op Werk, CvTE, vertegenwoordigers van inburgeraars en taalkoepels op basis van gezamenlijke ketendoelen, overleggen en managementinformatie; - c. de borging van een lerend inburgeringsstelsel door middel van onder andere de uitvoering en dooro"},{"i":7049,"b":"Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, regelende de samenwerking tussen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland op het gebied van de overdracht van personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen op grond van een veroordeling tot een vrijheidsstrafBottom of Form Overwegende, dat de optimale resocialisatie van gedetineerden gediend is bij een detentie in het land waar deze gedetineerden de sterkste banden hebben met de lokale gemeenschap en dat dit in gevallen vereist dat de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke vonnissen wordt overgedragen aan een ander land binnen het Koninkrijk; Overwegende, dat in gevallen van overdracht van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke vonnissen zowel de interne rechtsgelijkheid als de rechtszekerheid is gediend bij een volledige overdracht van verantwoordelijkheden, verplichtingen en bevoegdheden aan het aangezochte land; Gelet op [artikel 38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) en [artikel 40 van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=40); Komen het volgende overeen: Artikel 1. Doel van deze regeling 1. Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, hierna ook aan te duiden als de landen en elk afzonderlijk als land, verklaren zich bereid om de tenuitvoerlegging van onherroepelijke strafrechtelijke vonnissen waarin door een rechter van een van de landen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, aan een ander land over te dragen teneinde de tenuitvoerlegging zoveel mogelijk dienstbaar te maken aan de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij. Deze overdracht geschiedt onder de in deze regeling voorgeschreven voorwaarden en op de in deze regeling omschreven wijze. 2. Onder Nederland wordt in deze regeling zowel Bonaire, Sint Eustatius en Saba als het Europese deel van het Koninkrijk verstaan. 3. Onder ‘Koninkrijk’ wordt verstaan: alle landen binn"},{"i":7047,"b":"Omzetbelasting, accijns, belasting op personenauto's en motorrijwielen, motorrijtuigenbelasting, overdrachtsbelasting, energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie en belasting op leidingwater, diplomatieke vrijstellingen **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat beleid met betrekking tot diplomatieke vrijstellingen van omzetbelasting, accijns, belasting op personenauto's en motorrijwielen, motorrijtuigenbelasting, overdrachtsbelasting, energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie en belasting op leidingwater.** 1. Inleiding 1.1. Begrippen en afkortingen Voor de toepassing van dit besluit worden de volgende begrippen en afkortingen gehanteerd: 1.2. Achtergrond De [artikelen 32 tot en met 40 UrAWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006736&artikel=32) bevatten een aantal belastingvrijstellingen voor ambassades, consulaten, internationale organisaties, militaire begraafplaatsen, vertegenwoordigers en functionarissen. Deze vrijstellingen zijn gebaseerd op [artikel 39 AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=39). In dit besluit, dat dient ter vervanging van [Besluit IFZ2002/1208M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028044) van 21 januari 2003, worden verschillende vrijstellingen nader uitgewerkt. Dit besluit heeft hoofdzakelijk een toelichtend karakter. Er is niet beoogd de vrijstellingen te verruimen, tenzij dit uitdrukkelijk is aangegeven. In dit besluit wordt een onderscheid gemaakt tussen de vrijstellingen die gelden voor het **officieel gebruik**: het gebruik door de vertegenwoordigingen of internationale organisaties zelf, en de vrijstellingen voor het **persoonlijk gebruik**: het gebruik door de vertegenwoordigers of de functionarissen. Daarbij wordt ingegaan op de algemene voorwaarden voor, alsmede op een aantal andere van belang zijnde aspecten van de vrijstellingen. Verder worden enkele procedurele aspecten toegelicht. De belangrijkste wijziging"},{"i":5164,"b":"Rechten bij invoer, economische douaneregeling behandeling onder douanetoezicht; technische eisen De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Aan mij is de vraag voorgelegd over technische eisen bij de economische douaneregeling behandeling onder douanetoezicht. De vraag en het antwoord zijn hierna opgenomen. Vraag De economische douaneregeling behandeling onder douanetoezicht kan worden toegepast als goederen in verband met technische eisen worden behandeld voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht. Wat moet worden verstaan onder technische eisen die aan goederen worden gesteld voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht zoals is aangegeven in artikel 551, lid 1 van [Verordening (EEG) nr. 2454/93](31993R2454)? Antwoord Bij de economische douaneregeling behandeling onder douanetoezicht wordt onder technische eisen verstaan, eisen die ingevolge communautaire en/of nationale wet- en regelgeving aan goederen worden gesteld voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht, zoals eisen op terreinen van gezondheid, milieu en veiligheid (artikel 551, lid 1 van [Verordening (EEG) nr. 2454/93](31993R2454) en artikel 1 van [Verordening (EEG) nr. 2913/92](31992R2913)). Eisen van de zijde van belanghebbenden zoals die in verband met een verdere distributie van de goederen kunnen daaronder niet worden gerangschikt."},{"i":2161,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juli 2013, kenmerk 128996-106225-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering prestatiebekostiging eerstelijnsdiagnostiek Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 11 maart 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2012/13, 33 578, nr. 1) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gezien het verslag van een schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2012/13, 33 578, nr. 3) van 30 mei 2013; Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **EDC:** eerstelijns diagnostisch centrum. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op eerstelijnsdiagnostiek voor zover geleverd door EDC’s of zelfstandige trombosediensten. Artikel 3. uitvoering aanwijzing Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit tijdig vóór 1 januari 2014 (beleids)regels vast. Artikel 4. maximumtarieven De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2014 voor eerstelijnsdiagnostiek maximumtarieven als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) vast. Artikel 5. transitiemodel en afwikkeling oude jaren 1. De zorgautoriteit stelt voor de overgang van begrotingsbekostiging naar prestatiebekostiging voor EDC’s en zelfst"},{"i":7576,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen en de onder hem ressorterende actoren Telecommunicatie en Post vanaf 1945 (Minister van Buitenlandse Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 5 februari 2009 nr. bca-2008.05120/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit behorende ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Telecommunicatie en Post over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":2418,"b":"Beleidsregel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 september 2025, nr. 2025-0000539215, omtrent de goedkeuringsprocedure die de Kieswet voorschrijft (Beleidsregel goedkeuringsprocedure regelingen Kiesraad) Gelet op [artikelen A 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_7), [A 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_11), [N 10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=N_10), [N 29, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=N_29), [Na 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Na_14), [Na 31, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Na_31), [O 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=O_7), [O 20, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=O_20), [P 1e, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=P_1e), [P 1f, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=P_1f), [P 22, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=P_22), [T 11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=T_11), [W 1, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=W_1), [W 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=W_2), en [W 4, tweede lid van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=W_4); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet kwaliteitsbevordering uitvoering verkiezingsproces in werking treedt. § 1. Bestuursreglement Artikel 1 De Kiesraad verzoekt voor het vastgestelde bestuursreglement, als bedoeld in [artikel 11 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11) juncto [artikel A 7 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_7), om de goedkeuring van de minister. Artikel 2 De Kiesraad voegt bij het verz"},{"i":2162,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 26 juni 2018, kenmerk 1342565-176534-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering van prestatiebeschrijvingen en maximumtarieven voor de Gecombineerde Leefstijl Interventie (GLI) Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 26 april 2018 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2017/18, 32 793, nr. 300) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2019 voor de Gecombineerde Leefstijl Interventie prestatiebeschrijvingen en maximumtarieven vast."},{"i":2163,"b":"Aanwijzing inzake de informatie-uitwisseling in het kader van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (552i Sv.) 1. Samenvatting Deze Aanwijzing beschrijft de bevoegdheidsverdeling tussen de politie1Dit geldt evenzeer voor de Koninklijke Marechaussee in het kader van artikel 6 lid 1 van de Politiewet. In dit lid is een aantal politietaken aan de KMar opgedragen. en het Openbaar Ministerie (OM) voor wat betreft het behandelen van inkomende internationale rechtshulpverzoeken. Zo kan de politie in beginsel het (politiële) verzoek uit het buitenland zelfstandig afhandelen, als het buitenland verzoekt om politiegegevens die beschikbaar zijn in de nationale politiebestanden. Als het buitenland echter verzoekt om (het verkrijgen van) informatie waarvoor dwangmiddelen moeten worden toegepast, moet het verzoek worden doorgeleid naar het OM. Doorgeleiding naar het OM moet o.a. ook plaatsvinden, wanneer bijzondere opsporingsbevoegdheden nodig zijn om de informatie te verkrijgen of wanneer de gevraagde informatie nodig is als bewijsmiddel in het buitenland. 2. Achtergrond Inleiding, doel en juridisch kader De basis voor deze Aanwijzing is gelegen in [artikel 552i lid 4 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=552i) (Sv).2Artikel 552i lid 4 Sv bepaalt: ‘Bij de afdoening van een verzoek neemt de krachtens het tweede lid bevoegde autoriteit de door de officier van justitie gegeven algemene en bijzondere aanwijzingen in acht.’ In [artikel 552i Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=552i) is de bevoegdheidsverdeling beschreven tussen de officier van justitie en de politie bij de behandeling van rechtshulpverzoeken uit het buitenland. De hoofdregel is dat ieder verzoek om rechtshulp uit het buitenland naar de officier van justitie wordt (door)gezonden. Onder rechtshulpverzoeken valt ook de politiële samenwerking waaronder de internationale informatie-uitwisseling. In de praktijk blijkt bij die laatste vorm van sa"},{"i":2165,"b":"Aanwijzing inzake korting 2000 op de aanvaardbare kosten van de algemene ziekenhuizen Gelet op [artikel 14, eerste lid, van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, (brief van 26 oktober 1999, kenmerk Ho/at/A/99/133), vastgesteld in de vergadering van 18 oktober 1999; Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 11 november 1999, kenmerk Z/P-2015490), Besluiten: Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onderdeel A, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010905&artikel=1&z=1999-12-03&g=1999-12-03) (ziekenhuizen), van het [Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342) als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, en voor zover het organen betreft waarop FB-beleidsregels van toepassing zijn de beleidsregels vast, zodanig dat op de aanvaardbare kosten exclusief het PAAZ-gedeelte vanaf 1 januari 2000 ten opzichte van de aanvaardbare kosten, zoals die zijn of zullen worden goedgekeurd of vastgesteld per 31 december 1999 een verlaging wordt gerealiseerd van incidenteel in totaal f 46,7 miljoen. 2. Met inachtneming van het eerste lid kan het Cotg de beleidsregels zodanig vorm geven dat deze in het bijzonder betrekking hebben op instellingen waar gedurende een of enkele jaren de gerealiseerde productie is achtergebleven bij de productie-afspraken. Artikel 2 In de in het [eerste artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010905&artikel=1&z=1999-12-03&g=1999-12-03) bedoelde beleidsregels ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staat"},{"i":2164,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake korting 1998 op de aanvaardbare kosten van de FB-ziekenhuizen Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, (brief van 23 oktober 1997, kenmerk HO/tbk/A/97/124, vastgesteld in de vergadering van 20 oktober 1997); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief 6 november 1997, kenmerk VPZ/P-974000) Besluiten: Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) wijzigt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009058&artikel=1&z=1997-12-05&g=1997-12-05), nummer 1 (ziekenhuizen), van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, en voorzover het organen betreft waarop de FB-richtlijnen van toepassing zijn, de richtlijnen zodanig dat vanaf 1 januari 1998 de richtlijnen, die door het Cotg zijn vastgesteld ter uitvoering van de aanwijzing van 6 december 1996 (brief [VPZ/P-962924](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008385)) voor zover het betreft de in artikel 1, lid 1 van die aanwijzing vastgelegde incidentele verlaging met f 100 mln, worden omgezet in richtlijnen, die bewerkstelligen dat genoemde incidentele verlaging een structureel karakter krijgt. Artikel 2 In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van de onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg, bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambsthalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2166,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 september 2008, nr. CZ/FBI-2874233, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake taakstelling ziekenhuizen 2009 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 11 juni 2008 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2007/2008, 29 248, nr. 48); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg waarop in 2009 de budgetsystematiek van toepassing is, te weten: algemene en categorale ziekenhuizen (inclusief long/astmacentra), academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra en dialysecentra, verder te noemen ziekenhuizen. Artikel 2 Aan ziekenhuizen wordt per 1 januari 2009 een taakstelling van structureel € 15 miljoen (prijspeil 2007) opgelegd. Artikel 3 Voor de verdeling van de vermelde taakstelling over de ziekenhuizen gelden de volgende uitgangspunten: - 1. De toedeling van het macro taakstellingsbedrag naar het niveau van de individuele ziekenhuizen dient te geschieden op basis van het aandeel van het individuele ziekenhuis in het macrobudget in het basisjaar. - 2. Het basisjaar waarop het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen betrekking hebben en de daarbij te hanteren peildatum worden door de zorgautoriteit nader vastgesteld. - 3. Het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen hebben betrekking op het A- en B-segment tezamen. - 4. Het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen worden uitsluitend geschoond voor loonkosten medisch specialisten en agio’s, inclusief schoning voor loonkosten medisch specialisten en agio’s academische component (waarbij de technische uitwerking van deze schoning mede afhankelijk is van de keuze van het basisjaar) alsmed"},{"i":2167,"b":"Aanwijzing inzake taakstelling ziekteverzuim Gelet op [artikel 13 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=13); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 13 mei 2004, kenmerk Z/P-2479829 en Z/P- 2479833); Besluit: Artikel 1 Het College tarieven gezondheidszorg stelt voor de organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1, onder A, nummers 1 tot en met 29b, 30 en 31, D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1) en in [artikel 2b van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=2), zodanige beleidsregels vast dat dit resulteert in een korting over de loongevoelige component. Deze korting betreft 0,14% in de tweede helft van 2004 (per 1 juli 2004). Voor het hele jaar 2005 0,14%. Voor 2006 wordt dit percentage verhoogd naar 0,21% en vanaf 2007 structureel verhoogd naar 0,28%. De beleidsregel dient in te gaan per 1 juli 2004. De maatregel wordt niet toegepast op de in 2004 daadwerkelijk vrij overeengekomen DBC-tarieven in het kader van de beleidsregels I-672 en I-673 en vanaf 2005 voor de daadwerkelijk vrij overeengekomen DBC-tarieven in segment B. Artikel 2 In de in het eerste artikel bedoelde beleidsregels ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het College tarieven gezondheidszorg bij het ontbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin ze wordt geplaatst. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Op grond van [artikel 7 :1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1) kan het CTG binnen zes weken na de dag waarop het aangevallen besluit bekend is gemaakt, een bezwaarschrift indienen bij het bestuursorga"},{"i":6981,"b":"Burgerlijk Wetboek Boek 2, Rechtspersonen Boek 2. Rechtspersonen Titel 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. De Staat, de provincies, de gemeenten, de waterschappen, alsmede alle lichamen waaraan krachtens de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) verordenende bevoegdheid is verleend, bezitten rechtspersoonlijkheid. 2. Andere lichamen, waaraan een deel van de overheidstaak is opgedragen, bezitten slechts rechtspersoonlijkheid, indien dit uit het bij of krachtens de wet bepaalde volgt. 3. De volgende artikelen van deze titel, behalve [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&boek=2&titeldeel=1&artikel=5&z=2025-01-01&g=2025-01-01), gelden niet voor de in de voorgaande leden bedoelde rechtspersonen. Artikel 2 1. Kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, bezitten rechtspersoonlijkheid. 2. Zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Met uitzondering van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&boek=2&titeldeel=1&artikel=5&z=2025-01-01&g=2025-01-01) gelden de volgende artikelen van deze titel niet voor hen; overeenkomstige toepassing daarvan is geoorloofd, voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen. Artikel 3 Verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en stichtingen bezitten rechtspersoonlijkheid. Artikel 4 1. Een rechtspersoon ontstaat niet bij het ontbreken van een door een notaris ondertekende akte voor zover door de wet voor de totstandkoming vereist. Het ontbreken van kracht van authenticiteit aan een door een notaris ondertekende akte verhindert het ontstaan van de rechtspersoon slechts, indien die rechtspersoon in een bij die akte gemaakte uiterste wilsbeschikking in het leven zou zijn geroepen. 2. Vernietiging van de rechtshandeling waardoor een rechtspersoon is ontst"},{"i":7610,"b":"Instellingsregeling Regieraad ICT Politie Handelende in overeenstemming met de Minister van Justitie; Gehoord het Korpsbeheerdersberaad, de Raad van Hoofdcommissarissen en het Hoofdofficierenberaad; Gelet op het Convenant politie 1999, gesloten tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de korpsbeheerders van de regionale politiekorpsen, kenmerk EA99/U72651, waarin is uitgesproken dat gezamenlijk geformuleerd beleid door de regio’s en de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie op het gebied van Informatie en Communicatie Technologie (ICT) noodzakelijk is, Besluit: Artikel 1 Er is een Regieraad ICT Politie, hierna te noemen: de regieraad. Artikel 2 De regieraad draagt zorg voor: - a). de ontwikkeling, de implementatie, de evaluatie en de bijstelling van het ICT-beleid van de Nederlandse politie; - b). een gelijkwaardig basisniveau van ICT-voorzieningen en een homogene basisinformatievoorziening bij de politiekorpsen; - c). de ontwikkeling van standaarden voor netwerkvoorzieningen, hardware en software, ten behoeve van de politiekorpsen onderling en ten behoeve van de aansluiting tussen de politiekorpsen en de door de regieraad aangewezen derden. Artikel 3 Ter uitvoering van zijn taken stelt de regieraad, na overleg met het Korpsbeheerdersberaad, de Raad van Hoofdcommissarissen, en het Hoofdofficierenberaad, een masterplan ICT op voor de periode 2000 - 2005 en zendt dit ter goedkeuring aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Na goedkeuring door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verleent de regieraad opdracht tot uitvoering van het plan. Artikel 4 De regieraad stelt op basis van het goedgekeurde masterplan ICT jaarlijks een jaarplan en een begroting op en zendt deze ter goedkeuring aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan eisen stellen ten aanzien van de indieningstermijn, de inhoud e"},{"i":5090,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 november 2017, nr. 2017-0000168256, houdende de inrichting van de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel, alsmede de doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Bedrijfsvoering (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit OBP 2017) Gelet op de [artikelen 3, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=3), en [8 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit plaatsvervangend secretaris-generaal 2009 SZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=8); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directie:** de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel; - b. **directeur:** de directeur Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel - c. **SSO:** Shared Service Organisatie; - d. **hrm:** human resource management; - e. **liaison- en afnemerstaken:** alle werkzaamheden die voortvloeien uit deelname van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan een SSO of aan een interdepartementaal samenwerkingsverband of uit contracten met andere leveranciers in het betreffende domein; - f. **FMH:** FM Haaglanden, facilitair interdepartementaal samenwerkingsverband; - g. **SSC-ICT:** Shared Service Centrum-ICT; - h. **RIS:** Rijksinkoop Samenwerking; - i. **CDI:** Coördinerend directeur inkoop; - j. **O&P Rijk:** Organisatie & Personeel Rijk; - k. **P-Direkt:** Salaris- en personeelsadministratie dienstverlener binnen het Rijk; - l. **RvIHH:** Rijksorganisatie voor Informatiehuishouding. § 2. Organisatie Artikel 2 1. De directie bestaat uit de volgende afdelingen: - a. de afdeling Fysieke en Digitale Werkomgeving; - b. de afdeling Human Resource Management; - c. de afdeling Ondersteuning, Beheer en Evenementen; - d. de afdeling Strategieontwikkeling, Control en Informatie. 2. Het hoofd van de afdeling Strategieontwikkeling, Control en Informatie"},{"i":5100,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 februari 2020, nr. 2020-0000004496, houdende de inrichting van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering, alsmede de doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering (Organisatie-, Mandaat- en Volmachtbesluit DSU 2019) Gelet op de [artikelen 3, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=3), en [8 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit plaatsvervangend secretaris-generaal 2009 SZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=8); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 - a. **directie DSU:** de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering; - b. **afdeling:** een afdeling van de directie DSU; - c. **SVC:** de afdeling Sturing, Verantwoording en Control; - d. **UV:** de afdeling Uitvoering; - e. **UEC:** de afdeling Uitvoering Expertisecentrum; - f. **IV:** de afdeling Informatievoorziening; - g. **FDC:** de afdeling Financieel Dienstencentrum, met de volgende clusters: - i. beheer; - ii. concernadministratie; - iii. betalen; - iv. Bekostiging Subsidies en Vorderingenbeheer; - v. staf; - h. **LO-Plein:** de afdeling Leer- en Ontwikkelplein; - i. **directeur:** de directeur van de directie DSU; - j. **plaatsvervangend directeur:** de plaatsvervangend directeur van de directie DSU; - k. **afdelingshoofd of hoofd:** het hoofd van een afdeling; - l. **clustermanager:** een functionaris die leiding geeft aan een cluster van het FDC; - m. **teamleider:** een functionaris die leiding geeft aan een team binnen de afdelingen UV of UEC, IV, het LO-Plein of binnen een cluster van het FDC; - n. **controller:** een functionaris die de activiteiten rond de planning en control cyclus coördineert en bewaakt; - o. **Europese fondsen:** in ieder geval het Europees Sociaal Fonds plus (ESF en ESF+), het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), he"},{"i":2169,"b":"Aanwijzing inzake tussenbalanskorting algemene ziekenhuizen Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14), laatstelijk gewijzigd bij wet van 20 november 1991; Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (advies van 28 maart 1995, kenmerk Ho/mvd/A/95/019, vastgesteld in de vergadering van 20 maart 1995); Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 10 april 1995, kenmerk VMP/O-951170), Besluiten: Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) wijzigt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007358&artikel=1&z=1995-05-11&g=1995-05-11), nummer 1 (voor zover het de algemene ziekenhuizen betreft), van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, de richtlijnen per 1 januari 1995 zodanig dat op de aanvaardbare kosten structureel een verlaging wordt gerealiseerd van f 22,5 mln. en incidenteel voor het jaar 1995 een verlaging wordt gerealiseerd van f 45 mln. Artikel 2 a. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007358&artikel=1&z=1995-05-11&g=1995-05-11) bedoelde structurele verlaging zal worden geconcretiseerd: - door een verlaging met 1,24% van de richtlijnen voor neurochirurgie, neonatologie, brandwonden, chronisch intermitterende beademing, aids, hartchirurgie, PTCA, IVF, beenmergtransplantatie, dialyse en radiotherapie; - door voor het resterende bedrag een verlaging te realiseren van de bedragen, die in de richtlijn ’Functiegerichte budgettering’ zijn vastgesteld voor de parameters gewogen opnamen, verpleegdag, gewogen 1e polikliniekbezoek, dagverpleging, de poliklinische bevallingen (M9) en de poliklinische infuusverstrekkingen cytostatica (M14). Daartoe zullen de maximumbedragen worden verlaagd. Dez"},{"i":7029,"b":"Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Overwegend de plicht van Staten uit hoofde van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) het universele respect voor, en de eerbiediging van, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te bevorderen, Gelet op de [Universele verklaring van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008), In herinnering roepend het [Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001016), het [Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001017) en de overige relevante internationale instrumenten op het gebied van mensenrechten, humanitair recht en het internationaal strafrecht, Voorts in herinnering roepend de Verklaring inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, op 18 december 1992 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bij resolutie 47/133, Doordrongen van het buitengewoon ernstige karakter van gedwongen verdwijning, wat een misdrijf vormt en, onder bepaalde omstandigheden omschreven in het internationale recht,een misdrijf tegen de menselijkheid vormt, Vastbesloten gedwongen verdwijningen te voorkomen en straffeloosheid in het geval van gedwongen verdwijningen te bestrijden, Overwegend het recht van alle personen niet te worden blootgesteld aan gedwongen verdwijningn en het recht van slachtoffers op gerechtigheid en schadeloosstelling, Het recht van elk slachtoffer bevestigend op het kennen van de waarheid omtrent de omstandigheden van een gedwongen verdwijning en het lot van de verdwenen persoon en het recht op de vrijheid hiertoe inlichtingen in te winnen, te ontvangen en te verstrekken, Zijn de volgende artikelen overeengekomen: DEEL I Artikel 1 1. Niemand wordt blootgesteld aan ged"},{"i":5093,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 juli 2012, HVSV/2012/9664, houdende de inrichting van de programmadirectie Huisvesting SZW en VWS alsmede de doorverlening van de vertegenwoordigingsbevoegdheden van de programmadirecteur Huisvesting SZW en VWS (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit programmadirectie Huisvesting SZW en VWS) Gelet op de [artikelen 3, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=3), en [8 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit plaatsvervangend secretaris-generaal 2009 SZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=8); Besluit: § 1. **Algemeen** Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de programmadirectie:** de tijdelijke programmadirectie Huisvesting SZW en VWS; - b. **SSC ICT:** Shared Service Center Informatie en Communicatie Technologie; - c. **FM Haaglanden:** Facilitair interdepartementaal samenwerkingsverband. § 2. **Organisatie** Artikel 2 1. De programmadirectie heeft geen afdelingen. 2. De programmadirectie bestaat uit een programmadirecteur, twee projectmanagers, projectleiders en project- en stafmedewerkers. De stafmedewerkers zijn de projectsecretarissen, de communicatieadviseur en de medewerker financiën, planning en control. 3. De programmadirecteur en de projectmanagers vormen tezamen de programmaleiding. § 3. **Verantwoordelijkheden** Artikel 3 De twee projectmanagers zijn verantwoordelijk voor: - a. het realiseren van de huisvesting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport conform planning en budget; - b. het uitwerken van mogelijke scenario’s inclusief de daarbij behorende financiële consequenties; - c. het onderhouden van contacten met de Rijksgebouwendienst, SSC-ICT en FM Haaglanden; - d. het voorbereiden van stuurgroepbijeenkomsten en het adviseren van de programmadirecteur daarover; - e. het aansturen van de proje"},{"i":5167,"b":"Rechtspersoonlijkheid van Chinese Cooperative Joint Venture De Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken deelt namens de staatssecretaris van Financiën het volgende mede. Mij is aandacht gevraagd voor de behandeling van de Chinese Cooperative Joint Venture (hierna: CJV). In de Toelichtende Nota bij het op 13 mei 1987 te Beijing ondertekende belastingverdrag tussen Nederland en de Chinese Volksrepubliek is aangegeven dat de CJV ten tijde van de ondertekening van het belastingverdrag in China geen rechtspersoonlijkheid bezat en voor de Chinese belastingheffing geen zelfstandige betekenis had. Als gevolg van een latere wetswijziging in China (Law of the People's Republic of China on Chinese-Foreign Cooperative Joint Ventures van 13 april 1988) is het voor een CJV mogelijk geworden om als rechtspersoon actief te zijn en voor de belastingheffing in China als zodanig te worden behandeld. In verband met het bovenstaande ben ik van mening dat voor de toepassing van het belastingverdrag met China en van de relevante bepalingen van het nationale belastingrecht de CJV niet in alle gevallen als fiscaal transparant kan worden aangemerkt en dat aan de hand van de feiten zal moeten worden onderzocht of een CJV al dan niet transparant is."},{"i":5077,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 mei 2020, nr. 2020-0000058877, houdende de inrichting van de directie CIO-office en Integrale Veiligheid alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur CIO-office en Integrale Veiligheid (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie CIV SZW 2020) Gelet op de [artikelen 3, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=3), en [8, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit plaatsvervangend secretaris-generaal 2009 SZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=8); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directie:** de directie CIO-office, Informatie voor Beleid en Bedrijfsvoering en Veiligheid; - b. **directeur:** de directeur CIO-office, Informatie voor Beleid en Bedrijfsvoering en Veiligheid; - c. **CIO:** Chief Information Officer, de functionaris als bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&artikel=3), en [artikel 9, eerste lid, van het Besluit CIO-stelsel Rijksdienst 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&artikel=9); - d. **CISO:** Chief Information Security Officer, de functionaris als bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&artikel=5), en [artikel 9, derde lid, van het Besluit CIO-stelsel Rijksdienst 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&artikel=9); - e. **Besluit CIO-stelsel:** het [Besluit CIO-stelsel Rijksdienst 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613); - f. **beveiligingsautoriteit:** de functionaris als bedoeld in [artikel 3 van het Besluit BVA-stelsel Rijksdienst 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&artikel=3); - g. **functionaris gegevensbescherming:** de functionaris zoals bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming, artikel 37, eerste lid; - h. **IV:** informatievoorzieni"},{"i":4896,"b":"Mandaatbesluit provincies Gelderland en Overijssel Saneringsregeling asbestwegen tweede fase**Besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 januari 2003, nr. DGM/SAS/SN/2003000829 houdende verlening van mandaat voor de uitvoering van de Saneringsregeling asbestwegen tweede fase (Mandaatbesluit provincies Gelderland en Overijssel Saneringsregeling asbestwegen tweede fase)** Gezien de schriftelijke instemming van gedeputeerde staten van de provincie Overijssel d.d. 1 oktober 2002, met kenmerk EMT/2002/3297, en van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland d.d. 24 oktober 2002 met kenmerk MW2002.29573; Besluit: Artikel 1 1. Aan het hoofd van de onderafdeling Afvalbewerking en Hergebruik van de dienst Milieu en water van de provincie Gelderland wordt mandaat verleend tot het geven van beschikkingen op aanvragen voor het doen verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 3 van de Saneringsregeling asbestwegen tweede fase, voorzover wegen en stroken, waarop die aanvragen betrekking hebben, zijn gelegen op het grondgebied van de provincie Gelderland, alsmede tot het intrekken of wijzigen van deze beschikkingen overeenkomstig artikel 7 van de Saneringsregeling asbestwegen tweede fase. 2. Aan het adjuncthoofd van de eenheid Water en Bodem van de provincie Overijssel wordt mandaat verleend tot het geven van beschikkingen op aanvragen voor het doen verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 3 van de Saneringsregeling asbestwegen tweede fase, voorzover wegen en stroken, waarop de aanvragen betrekking hebben, zijn gelegen op het grondgebied van de provincie Overijssel, alsmede tot het intrekken of wijzigen van deze beschikkingen overeenkomstig artikel 7 van de Saneringsregeling asbestwegen tweede fase. 3. De functionarissen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden tevens gemachtigd tot het afdoen van alle op de daarin bedoelde beschikkingen betrekking hebbende stukken. Artikel 2 1. Aan het hoofd van de onde"},{"i":7028,"b":"Wet van 25 mei 1962, houdende instelling van een Bijstandkorps van burgerlijke rijksambtenaren, dat bestemd is voor dienst in Nederlands-Nieuw-Guinea Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de voortschrijdende ontwikkeling in Nederlands-Nieuw-Guinea wenselijk is bij de wet regelen te stellen betreffende de rechtstoestand van Nederlanders, die ten dienste van het openbaar bestuur aldaar werkzaam zijn of zullen zijn; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: het Bijstandkorps: het Bijstandkorps bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002370&artikel=2&z=2002-01-01&g=2002-01-01); Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; de Gouverneur: de Gouverneur van Nederlands-Nieuw-Guinea; Nederlander: Nederlander in de zin van de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap. 2. Tenzij het tegendeel blijkt, zijn in deze wet onder leden van het Bijstandkorps gewezen leden van dat korps begrepen. Artikel 2 1. Er is een Bijstandkorps van burgerlijke rijksambtenaren, dat bestemd is voor dienst in Nederlands-Nieuw-Guinea. 2. De leden van het Bijstandkorps worden in openbare dienst aangesteld om in Nederlands-Nieuw-Guinea werkzaam te zijn. 3. Zij worden als zodanig met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen door Ons of door Onze Minister aangesteld en ontslagen. Artikel 3 1. Alleen Nederlanders kunnen tot lid van het Bijstandkorps worden aangesteld. 2. Wij kunnen in bijzondere gevallen anderen dan Nederlanders tot lid van het Bijstandkorps aanstellen. Artikel 4 1. De leden van het Bijstandkorps worden, tenzij het tot aanstelling bevoegde gezag anders bepaalt, ter beschikking g"},{"i":5069,"b":"Besluit van de Directeur van de Rijksorganisatie Beveiliging en Logistiek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 januari 2026 houdende verlening van ondermandaat, alsmede het doorgeven van volmacht en machtiging van onder de Directeur ressorterende ambtenaren Gelet op het [Mandaatbesluit BZK 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051453) en gelet op het [Organisatiebesluit BZK 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051449); Besluit: Hoofdstuk 1. Hoofd- en overlegstructuur Artikel 1. Organisatieonderdelen 1. De Rijksorganisatie Beveiliging en Logistiek (RBL) bestaat uit vier organisatieonderdelen: - a. Interdepartementale Post en Koeriersdienst (IPKD); - b. Rijksbeveiliging (RBO); - c. Bedrijfsvoering (BV); - d. Strategische en Bestuurlijke Zaken (SBZ). 2. De RBL kent een onafhankelijk Bureau Integriteit. Artikel 2. beschrijving organisatieonderdelen - a). Het organisatieonderdeel IPKD heeft als hoofdtaak het uitvoeren van de koeriers- en transportdiensten voor alle organisaties van het Rijk met als doel borging van stabiliteit, uniformiteit en samenhang in de post- en koeriersdiensten en transport van de rijksoverheid. - b). Het organisatieonderdeel IPKD bestaat uit 2 afdelingen: - 1). Koerier en Transport (K&T); - 2). Rijksdocumenten (RD). - c). De IPKD wordt geleid door een algemeen manager IPKD, en elke afdeling door een manager. - a). Het organisatieonderdeel RBO operatie heeft als hoofdtaak het verzorgen van de beveiliging van vitale rijksobjecten, werklocaties en cruciale infrastructuren, ook wel bekend als bedrijfskritische locaties. Dit omvat bouwkundige, elektronische en organisatorische maatregelen ter bescherming van de 'Te Beschermen Belangen' (TBB) van de rijksoverheid op basis van risicomanagement. TBB omvat personen, informatie, systemen, materieel, goederen, imago en objecten. - b). Het organisatieonderdeel RBO operatie bestaat uit 4 regionale afdelingen: Elke regio bestaat uit teams met beveiligers. Da"},{"i":7564,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken, houdende voorschriften inzake de toepassing van NEN-normen op de uitwisseling van algemene persoonsgegevens tussen geautomatiseerde systemen in gebruik bij de rijksoverheid en op de presentatie van adresgegevens daaruit Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad: Gelet op het Besluit informatievoorziening in de rijksdienst 1990 (Stcrt. 1991, 20); Gezien het advies van de Voorlopige Raad voor de Persoonsinformatievoorziening van 23 april 1992; Besluit: Artikel 1 Departementen van algemeen bestuur en daaronder ressorterende diensten, bedrijven en instellingen laten de uitwisseling van algemene persoonsgegevens tussen geautomatiseerde systemen en de fysieke presentatie van adresgegevens uit geautomatiseerde systemen met toepassing van NEN-NORM 1888 en NEN-NORM 5825 plaatsvinden. Artikel 2 1. De toepassing van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005634&artikel=1&z=1993-01-01&g=1993-01-01) bedoelde normen op de uitwisseling van algemene persoonsgegevens en op de presentatie van adresgegevens geschiedt uiterlijk binnen vier jaren na de inwerkingtreding van dit besluit, met dien verstande dat zij: - a. bij bestaande geautomatiseerde systemen die daartoe de mogelijkheid bieden met onmiddelijke ingang, en - b. bij de invoering van nieuwe of de herziening van bestaande geautomatiseerde systemen vanaf het moment van de ingebruikneming van het nieuwe of herziene geautomatiseerde systeem, plaatsvindt. 2. Ten aanzien van geautomatiseerde systemen, waarvan de invoering meerdere jaren in beslag neemt en met de invoering waarvan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds een aanvang is gemaakt, kan de Minister van Binnenlandse Zaken op verzoek van en in overeenstemming met de Minister die het aangaat, toestaan dat de in het eerste lid bedoelde termijn van vier jaren wordt overschreden. Artikel 3 Het Besluit standaardadressering (Stcrt. 1988, 49) wordt ingetrokken. Artikel 4"},{"i":2172,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 oktober 2013, nr. MC-132621-106922, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake verlengen bekostigingswijze ADL-assistentie Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 27 mei 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan beide Kamers der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2012/13, 30 597, nr. 298); Besluit: artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: zorgautoriteit) voorziet erin dat de bekostiging van ADL-assistentie met ingang van 1 januari 2014 kan blijven plaatsvinden op dezelfde voet als aangegeven in de [Aanwijzing van 25 oktober 2011 inzake de bekostiging van ADL-assistentie 2012-2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030585) (Stcrt. 2011, 19623)."},{"i":5045,"b":"Besluit van de Algemeen Directeur van het CIBG van 30 januari 2024, nr. CIBG 24-06539, houdende verlening van ondermandaat aan de hoofden van enkele afdelingen van het CIBG tot het nemen van besluiten alsook voor het ondertekenen van stukken Gelet op [artikel 16, tweede lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan de hoofden van de hierna te noemen afdelingen wordt ondermandaat verleend om namens de Minister voor Langdurige Zorg, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en de te voeren correspondentie te ondertekenen, deze taken uitsluitend voor zover betrekking hebbend op het eigen werkterrein: - –. Applicatie- en Servicemanagement; - –. Authenticatie en Gegevensverstrekking; - –. CIO Office; - –. Delivery; - –. Farmatec; - –. Functioneel Beheer; - –. HRM; - –. Klant en Communicatie; - –. Bureau LCH; - –. Publieke Knooppunten en Registers; - –. Toelating en Toezicht. Artikel 2 Het [Ondermandaatbesluit Agentschap CIBG 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037187) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Ondermandaatbesluit CIBG. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de **Staatscourant** worden geplaatst."},{"i":5099,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 augustus 2015, nr. 2015-0000232534, houdende de inrichting van de directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit WBJA 2015) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024991&artikel=3), en [11 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit secretaris-generaal SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024991&artikel=11); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **WBJA:** de directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden van het ministerie; - b. **afdeling WAS:** de afdeling Wetgeving Arbeidsrelaties en Sociale Verzekeringen; - c. **afdeling ABWA:** de afdeling Arbeidsmarkt, Bestuurlijk en Wetgeving Algemeen; - d. **afdeling JA-BBS:** de afdeling Juridische Aangelegenheden – Bijstand, Bedrijfsjuridisch en Subsidies; - e. **afdeling JA-SVIA:** de afdeling Juridische Aangelegenheden – Sociale Verzekeringen, Internationaal en Arbeid; - f. **BO:** Bureau Ondersteuning; - g. **teamleider BO:** de functionaris die rechtstreeks ressorteert onder het hoofd van het Bureau Ondersteuning. § 2. Organisatie en taken afdelingen Artikel 2 WBJA bestaat uit: - a. de afdeling Wetgeving; - b. de afdeling WAS; - c. de afdeling ABWA; - d. de afdeling JA-BBS; - e. de afdeling JA-SVIA; - f. BO. Artikel 3 1. Het hoofd van de afdeling Wetgeving is verantwoordelijk voor de volgende taken: - a. het bevorderen van de kwaliteit van de wet- en regelgeving van het ministerie; - b. het behandelen van wetgevende aspecten van departements- en rijksbrede onderwerpen; - c. het ontwerpen van de teksten van alle wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op het terrein van het ministe"},{"i":4987,"b":"Model jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2020 **Bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2020** 1. Algemeen 1.1. Inleiding Het CAK is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het CAK is belast met het uitvoeren van uit wetten en regelingen voortvloeiende publiekrechtelijke werkzaamheden. Op 1 januari 2017 is de uitvoering van de burgerregelingen en de buitenlandtaak overgegaan van Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) naar het CAK. Als gevolg hiervan dient het CAK zich over het jaar 2020 te verantwoorden over de uitvoering van de burgerregelingen en de buitenlandtaak. Hierbij treft u het Model jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen aan, ten behoeve van de door het CAK op te stellen bestuurlijke verantwoording burgerregelingen over het jaar 2020. In dit model worden de criteria aangegeven waaraan de bestuurlijke verantwoording burgerregelingen moet voldoen. In dit model zijn zowel de burgerregelingen als de buitenlandtaak opgenomen. Op de werkvloer van het CAK wordt over beide taken gesproken als burgerregelingen. Om die reden spreken wij in dit model over de burgerregelingen. Dit hoofdstuk beschrijft de verantwoordingsplicht van het CAK over de uitvoering van de burgerregelingen. Het inhoudelijk takenpakket van de burgerregelingen vloeit voort uit nationale en internationale wet- en regelgeving. Dit zijn de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz), de Europese [Verordeningen (EG) nrs. 883/2004](32004R0883) betreffende coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels en [987/2009](32009R0987) tot vaststelling van de wijze van toepassing van [Verordening (EG) nr. 883/2004](32004R0883) betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels, de Europese [Richtlijn 2011/24](32011L0024)/EU betreffende de toepassing van de rechten van pati"},{"i":4990,"b":"Model Jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2023 1. Inleiding Dit Model Jaarverslaggeving CAK vormt een uitwerking van de afspraken voor het financieel verslag als onderdeel van de bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2023 van het CAK. Het CAK moet de verantwoordingsdocumenten vergezeld van de controleverklaring en het accountantsverslag vóór 1 juli van het jaar volgend op het verslagjaar toezenden aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De regels voor het accountantsonderzoek en de op te leveren accountantsproducten heeft de NZa vastgelegd in het Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2023 (hierna: protocol). In de bestuurlijke verantwoording burgerregelingen legt het CAK verantwoording af met betrekking tot de uitvoering van 18 wettelijke regelingen en taken. Dit betreffen: Het Ministerie van VWS beoordeelt de uitvoering van de (begrotingsgefinancierde) burgerregelingen. Dit betreffen de hierboven genoemde taken 1 en 2. De NZa houdt toezicht op de rechtmatige uitvoering van de premiegefinancierde burgerregelingen. Dit betreffen de hierboven genoemde taken 3 tot en met 18. Om toezicht uit te kunnen oefenen moeten de NZa en het Ministerie van VWS over informatie beschikken. [Artikel 27 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=27) en [artikel 6.2.6 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.2.6) (juncto [artikel 4.3.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.1)) wijzen de verantwoordingsdocumenten en de accountantsproducten aan die jaarlijks door het CAK moeten worden ingediend. Op basis van [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=27) en [artikel 31 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=31) kan de NZa regels stellen voor de wijze waarop het CAK haar verantwoordingsdocumenten inricht. Door"},{"i":5009,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 23 november 2020, kenmerk 1780092-214088-Z, houdende vaststelling van een nadere aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2020 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2020) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2020 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 13,043 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042861&artikel=1). Artikel 2 Van het bedrag in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044422&artikel=1&z=2020-12-02&g=2020-12-02) genoemd van € 13,043 miljoen is € 5,707 miljoen bestemd voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), € 3,686 miljoen bestemd voor de overige bij of krachtens die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken van Wlz-uitvoerders en € 3,650 miljoen voor de Sociale verzekeringsbank. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2020. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2020. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5118,"b":"Besluit van 10 juli 2007, houdende regels over de hoogst toelaatbare pachtprijs (Pachtprijzenbesluit 2007) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 april 2007, No. TRCJZ/2007/1255, Directie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 327, eerste lid, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=327); De Raad van State gehoord (advies van 23 mei 2007, No. W11.07.0109/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 3 juli 2007, No. TRCJZ/2007/2124, Directie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. (definities) In dit besluit wordt verstaan onder: - –. bedrijveninformatienet: informatienet, waarin de gegevens worden verzameld, bedoeld in [verordening nr. 79/65/EEG](31965R0079) van de Raad van 15 juni 1965 tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Europese Economische Gemeenschap (PbEG 109); - –. verpachte waarde: 50% van de waarde van landbouwgrond in onverpachte staat in het jaar voorafgaand aan het jaar, waarin de regeling, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022448&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) in werking treedt; - –. Standaardopbrengst: maatstaf om de economische bedrijfsomvang vast te stellen, die is gebaseerd op de standaardwaarde van de brutoproductie, die wordt vastgesteld volgens verordening (EG) nr. 1242/2008 van de Commissie van 8 december 2008 houdende invoering van een communautaire typologie van de landbouwbedrijven (PbEU L 335); - –. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - –. pachtprijsgebied: gebied als bedoeld in de bijlage bij dit besluit; - –. reële lange kapitaalmarktrente: effectief rendement van de 10-jarige Euro Interest Rate Swap verminderd met de inflatie; - –. vergoeding voor eigen a"},{"i":6951,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Natuurlijke Personen vanaf 1945 (Minister van Buitenlandse Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17-12-2007, arc-2007-04229/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Natuurlijke Personen over de periode 1945–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":5229,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 23 september 2019, nr. WJZ/ 19192416, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het najaar van 2019 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2019) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3, eerste lid, onderdelen a en c, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel c, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [27, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [43a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=43a), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":4908,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 september 2021, nr. 2021-0000473446, houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in verband met de verstrekking van uitkeringen en subsidie ter verbetering van de digitale dienstverlening (Mandaatbesluit RVO inzake Innovatiebudget) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van 8 september 2021, kenmerk MD2021102INSTAC; Besluit: Artikel 1 1. Aan de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten te nemen met betrekking tot de uitvoering van het [Tijdelijk besluit specifieke uitkering verbetering digitale dienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043818). 2. Het mandaat, volmacht en de machtiging, bedoeld in het eerste lid, heeft mede betrekking op alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en ter uitvoering van de besluiten en de met de verstrekking van uitkeringen samenhangende besluiten, daaronder begrepen het nemen van besluiten op bezwaarschriften, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in mandaat is genomen, en op het voeren van beroepsprocedures. Artikel 2 1. Aan de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrel"},{"i":5059,"b":"Ondermandaten functionarissen Rijksvastgoedbedrijf in afwijking van artikel 7, eerste en tweede lid van het Mandaatbesluit Rijksvastgoedbedrijf 2020 gelet op het [Tijdelijk besluit mandaat, volmacht en machtiging van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049993); besluit Artikel 1. – Financiële ondermandaten In afwijking van [artikel 7, eerste en tweede lid van het Mandaatbesluit Rijksvastgoedbedrijf 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043265&artikel=7) worden de volgende ondermandaten aan functionarissen werkzaam bij het Rijksvastgoedbedrijf verstrekt: - 1. Het ondermandaat voor (meerjarige) verplichtingen die financiële gevolgen hebben of kunnen hebben is voor de onderstaande functionarissen per verplichting beperkt tot de volgende grensbedragen in euro’s en exclusief btw: | Directeur | 15.000.000 | | --- | --- | | Afdelingshoofd | 7.000.000 | | Sectiehoofd | 2.000.000 | | Clusterhoofd | 500.000 | - 2. Het ondermandaat voor (meerjarige) verplichtingen die financiële gevolgen hebben of kunnen hebben is voor de onderstaande functionarissen per verplichting beperkt tot de volgende grensbedragen in euro’s en exclusief btw: | Projectleider met A-status | 7.000.000 | | --- | --- | | Projectleider met B-status | 2.000.000 | | Projectleider met C-status | 70.000 | | Projectleider met D-status | 7.000 | Artikel 2. – Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant."},{"i":5169,"b":"Besluit van 25 november 2013, houdende de afwijking op een aantal onderdelen van de rechtspositieregels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries voor het personeel van de Kamer van Koophandel (Rechtspositiebesluit Kamer van Koophandel) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 1 oktober 2013, nr. WJZ / 13161429; Gelet op [artikel 15, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=15) en [artikel 16 van het Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889&artikel=16); De Raad van State gehoord (advies van 16 oktober 2013, nr. W15.13.0351/IV); Gezien het nader rapport van de Minister van Economische Zaken van 18 november 2013, nr. WJZ / 13176256; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet op de Kamer van Koophandel in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ARAR:** [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950); - b. **BBRA:** [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630); - c. **wet:** [Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331); - d. **Kamer:** Kamer van Koophandel, genoemd in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=2). Artikel 2 1. Voor het personeel van de Kamer wordt op de in de [artikelen 2, tweede lid, tot en met 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034325&artikel=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van dit besluit genoemde wijze afgeweken van de rechtspositieregels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij de ministeries. 2. Daar waar in het [ARAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950), met uitzondering van [artikel 110g, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=110g), of in het [BBRA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) staat «van het R"},{"i":4889,"b":"Regeling van de hoofdofficier van justitie te Den Bosch houdende het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeur bedrijfsvoering Overwegende dat bij besluit van 18 december 2009, nummer PaG/14398 het mandaat, de volmacht en de machtiging verleend aan de voorzitter van het Bestuur van de regio Den Bosch, is geregeld; Dat de directeur bedrijfsvoering specifieke taken en verantwoordelijkheden heeft ten aanzien van de bedrijfsvoering; Dat er aanleiding is om de directeur bedrijfsvoering mandaat, volmacht en machtiging te verlenen om zijn bedrijfsvoering taken uit te kunnen oefenen; Dat de regeling van mandaat, volmacht en machtiging ertoe dient om de (regionale) samenwerking te faciliteren en de voorzitter van het Bestuur en de directeur bedrijfsvoering – samen met de fungerend hoofdofficier van justitie – de mogelijkheid te geven om aan die regionale samenwerking inhoud en vorm te geven; Gelet op de [Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950), het [Besluit Algemene Rechtspositie Politieambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516), de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365), de [Mandaatregeling niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026664) en de [Mandaatregeling beheer openbaar ministerie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026644) en het [Mandaatbesluit openbaar ministerie (arrondissementsparketten) 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027872); Gezien het advies van de ondernemingsraad van het arrondissementsparket te Den Bosch van 23 maart 2010; Besluit: Paragraaf 1. Definities Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - 1. **Ambtenaar:** de rijksambtenaren aangesteld bij het arrondissementsparket Den Bosch, die zijn belast met taken op het gebied van bedrijfsvoering; - 2. **Be"},{"i":5228,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 14 september 2018, nr. WJZ/18200470, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het najaar van 2018 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2018) Gelet op [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3, eerste lid, onderdelen a en c, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel c, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [27, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [43a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=43a), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":2177,"b":"Aanwijzing mensenhandel Samenvatting Deze aanwijzing beschrijft en geeft regels voor de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel en geeft aan met welke instanties en op welke wijze het openbaar ministerie (OM) samenwerkt bij de aanpak van mensenhandel. Uitgangspunten zijn: 1. Achtergrond 1.1. Wijzigingen Ten opzichte van de [vorige aanwijzing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033564) zijn enkel kleine wijzigingen doorgevoerd. Het betreft de verwerking van veranderde regelgeving (de implementatie van [Richtlijn 2011/36](32011L0036)/EU: PbEU 2011, L 101/1) en van wijzigingen in de werkwijze van het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM) (in § 1.3.). Daarnaast zijn er kleine redactionele verbeteringen doorgevoerd. 1.2. Mensenhandel is gericht op uitbuiting Mensenhandel is moderne slavernij. ‘Uitbuiting’ is de centrale term waar het gaat om mensenhandel. De bekendste variant is seksuele uitbuiting. Als verzamelnaam voor mensenhandel anders dan in de zin van seksuele uitbuiting wordt de term “overige uitbuiting” gebruikt. Het gaat daarbij vooral om arbeidsuitbuiting in reguliere arbeid of diensten, zoals in de horeca, de uitzendsector, bij de uitvoering van grote infrastructurele projecten of in de land- en tuinbouw. Andere vormen van uitbuiting zijn gedwongen bedelarij, gedwongen orgaanverwijdering en het onder dwang laten plegen van criminele activiteiten (criminele uitbuiting). Mensenhandel vormt een grove inbreuk op de menselijke waardigheid en de lichamelijke en geestelijke integriteit van slachtoffers en wordt gezien als schending van fundamentele mensenrechten (art. 4 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)). Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verbiedt mensenhandel expliciet.1**PbEU** 2016, C 202/389. Daarom krijgt mensenhandel, zowel nationaal als internationaal, al jaren prioriteit in de opsporing en vervolging en staat er een zware strafbedreiging op mensenhandel. 1"},{"i":4476,"b":"Circulaire bereddingskosten evacués Geacht gemeentebestuur! Inleiding Op verzoek van de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft het kabinet geld uitgetrokken voor de vergoeding van bereddingskosten die door particulieren zijn gemaakt vanwege de wateroverlast die begin ’95 optrad of dreigde op te treden. Ter uitvoering van dit kabinetsbesluit heb ik bijgaande regeling vastgesteld. Ik verzoek u van deze regeling kennis te nemen en aan de uitvoering hiervan mee te werken. Dit beroep op uw medewerking is tot stand gekomen na overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Inhoud van de regeling 1. Het begrip ’bereddingskosten’ In de praktijk is er bij particulieren vaak geen duidelijk onderscheid te maken tussen evacuatiekosten en bereddingskosten. In de regeling gaat het om de kosten die zijn gemaakt voor het treffen van preventieve maatregelen door burgers teneinde waterschade te beperken of te voorkomen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan kosten voor het demonteren van keukens en het aanleggen van nooddijkjes rond de woning. 2. Doelgroep van de op te stellen regeling De regeling is van toepassing voor ieder die noodzakelijke kosten gemaakt heeft om schade te voorkomen of te beperken, ongeacht de vraag of er in zijn gemeente water gestaan heeft. Men denke aan de vele evacués in Gelderland wier huizen – gelukkig – niet zijn overstroomd. Zij moeten op dezelfde wijze worden behandeld als bijvoorbeeld de gedupeerden in de overstroomde gemeenten in Limburg. Er is alleen sprake van noodzakelijke kosten als er voor de betreffende burgers een evacuatiegebod of evacuatieadvies gold, of als burgers ten gevolge van daadwerkelijke overstroming genoodzaakt waren hun woonruimte te verlaten en ontruimen. Deze mensen kwamen reeds in aanmerking voor de zgn. f 500,– regeling. Dit betreft zowel burgers in de ’natte’ gebieden, als in de ’droge’ gebieden. (Ongeacht de vraag of zij een uitkering voor waterschade via het Nationaal Rampenfonds hebben ontvangen.) Conclusie: De op"},{"i":4822,"b":"Besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging ter uitvoering van de bevoegdheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 inclusief de afhandeling van bezwaar- en (hoger) beroepschriften dienaangaande (Mandaatbesluit beschermde stads- en dorpsgezichten) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gelet op de schriftelijke instemming als bedoeld in artikel 10:4 Awb van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de secretaris-generaal van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de directeur-generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs, en de directeur van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed d.d. 25 maart 2010 met kenmerk WJZ/2010/199614; Gelet op het [Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543); Gelet op de [Regeling behandeling bezwaarschriften OCW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023195); Besluit: Artikel 1 1. Aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend met betrekking tot: - a). het aanwijzen van een stads- of dorpsgezicht als beschermd stads- of dorpsgezicht en het intrekken van een zodanige aanwijzing, als bedoeld in [artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471&artikel=35); - b). het niet-ontvankelijk, danwel gegrond of ongegrond verklaren van een bezwaarschrift dat gericht is tegen een besluit als bedoeld in [artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471&artikel=35), met dien verstande dat hij geen besluit op bezwaar neemt met betrekking tot een bezwaarschrift tegen een besluit"},{"i":2179,"b":"Aanwijzing militaire autoriteit Handelend in overeenstemming met de Minister van Justitie; Gelet op [artikel 32, eerste lid, van het Besluit op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009080&artikel=32); Besluit: Artikel 1 Als militaire autoriteit, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, van het Besluit op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009080&artikel=32) wordt aangewezen: - a. de op grond van [artikel 154, onder b en c, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=154) aangewezen hulp-officier van justitie van de Koninklijke marechaussee; - b. de bevelvoerende militairen, bedoeld in [artikel 59, eerste lid, van de Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=59), voor zover geen functionaris als bedoeld in onderdeel a van dit artikel ter plaatse is en diens komst niet kan worden afgewacht. Artikel 2 Het besluit van de Minister van Defensie van 30 januari 1992, nr. C 92/202 92000266 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2180,"b":"Aanwijzing OM-Afdoening Samenvatting In deze aanwijzing wordt de regeling van de [Wet OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074) besproken die in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) (Sv) is opgenomen. De Wet OM-afdoening maakt kort gezegd mogelijk dat het Openbaar Ministerie (OM), in plaats van een transactie aan te bieden, een zaak zelf buitengerechtelijk kan bestraffen. Deze aanwijzing richt zich tot het OM in zijn rol bij de afdoening van zaken door middel van een strafbeschikking1Zie bijlage 2 voor een overzicht van de beleidsregels van het College van procureurs-generaal met betrekking tot de politiestrafbeschikking, de bestuurlijke strafbeschikking overlast, de bestuurlijke strafbeschikking milieu- en keurfeiten en de fiscale strafbeschikking.. Naast de strafbeschikking, uitgevaardigd door de officier van justitie op grond van [artikel 257a Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257a), kan een strafbeschikking op grond van [artikel 257b Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257b) worden uitgevaardigd door de (buitengewoon) opsporingsambtenaar. Voorts kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd door een daartoe aangewezen lichaam of persoon, met een publieke taak belast, op grond van [artikel 257ba Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257ba). Tot slot kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd door het bestuur van 's Rijks belastingen (fiscale delicten) op grond van [artikel 76 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=76) of door de inspecteur van Douane (douane delicten) op grond van [artikel 10:15 van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=10:15). Het uitvaardigen van een strafbeschikking is een daad van vervolging. In tegenstelling tot een transactie, berust een strafbeschikking op een schuldvaststelling; een strafbeschikking"},{"i":2538,"b":"Beleidsregel van de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) toetsing vergunningen beroepsgoederenvervoer over de weg aan de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) Beleidsregel van de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) inzake toepassing van regels van de [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) op de toetsing van vergunningen beroepsgoederenvervoer (Beleidsregel toetsing vergunningen beroepsgoederenvervoer aan de Wet Bibob) Hoofdstuk 1. Definities en toepassing Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Bureau Bibob:** Bureau, bedoeld in de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=8) en [9, eerste lid, van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=9); - b. **Minister:** Minister van Verkeer en Waterstaat; - c. **Wet Bibob:** [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798); - d. **Besluit Bibob:** [Besluit bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014964); - e. **misdrijf:** strafbare feiten als bedoeld in het [Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede) en [artikel 2, eerste, tweede, derde lid en vijfde lid, van de Wet economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=2); - f. **strafbaar feit:** feit dat aanleiding kan zijn tot strafvervolging en is bedreigd met een strafrechtelijke sanctie; - g. **NIWO:** Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie, als bedoeld in de [Wet goederenvervoer over de weg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005443); - h. **vergunning:** vergunning als bedoeld in [artikel 5, eerste lid en derde lid, van de Wet goederenvervoer over de weg](https://wett"},{"i":4186,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 31 januari 2022, nr. IENW/BSK-2022/12407, houdende vaststelling van de speerpunten voor het jaar 2022 op grond van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027 Gelet op [artikel 3, tweede en derde lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=3); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027 in werking treedt. Artikel 1 In de bijlage bij dit besluit worden voor 2022 drie speerpunten vastgesteld als bedoeld in [artikel 3, tweede en derde lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=3). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270) in werking treedt. Bijlage. Speerpunten Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027 voor het jaar 2022 I. Transparante samenwerking tussen bedrijven binnen een industrieel cluster Dit speerpunt richt zich op intensievere en transparante samenwerking tussen de bedrijven binnen een industrieel cluster1Een cluster betreft een groep ondernemingen gevestigd op dezelfde locatie. waarmee ook de individuele veiligheidsprestaties van de deelnemende bedrijven op structurele wijze sterk verbeterd worden. Onderzoek van TU Delft2‘(Petro)chemische clusters en veiligheid:Een clusterspecifieke rangschikking van veiligheidsparameters’, oktober 2021, TU Delft. laat zien, dat ‘samenwerking’ de sleutel is voor het doelmatig en transparant beheren en beheersen van onderlinge risico’s binnen indu"},{"i":4799,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 augustus 2005, nr. DGAMB/05/66119, houdende toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan de projectdirecteur Leren en Werken (Mandaat projectdirectie Leren en Werken) Gelet op [artikel 22, eerste lid, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016199&artikel=22); Besluit: Artikel 1 De projectdirectie Leren en Werken ressorteert onder de directeur-generaal Werk, en tevens onder de directeur-generaal Hoger Onderwijs en Beroepsonderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 De projectdirecteur Leren en Werken heeft tot taak om in lijn met de Lissabondoelstellingen te bereiken dat in verschillende leeftijdscategorieën meer Nederlanders een opleiding in het hoger onderwijs afronden, en tevens om het aantal werkenden en werkzoekenden met een startkwalificatie substantieel te verhogen. Artikel 3 De projectdirecteur Leren en Werken is bevoegd om namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besluiten te nemen en handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, voor zover zij verband houden met de taken en verantwoordelijkheden, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018705&artikel=2&z=2009-01-01&g=2009-01-01). Artikel 4 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 maart 2005. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Mandaat projectdirectie Leren en Werken. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2576,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 1 april 2020, nr. WJZ/20007206, houdende beleidsregel inzake de wijziging van de vergunning windenergie op zee voor de kavel V Hollandse Kust (noord) Gelet op [artikel 17, vierde lid van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **aanvraag:** aanvraag om wijziging van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17); - **minister:** minister van Economische Zaken en Klimaat; - **regeling:** [Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavel V Hollandse Kust (noord)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043064); - **wet:** [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op de wijziging op aanvraag van een vergunning die overeenkomstig [artikel 22 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=22) is verleend voor kavel V, als bedoeld in [artikel 1 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043064&artikel=1). Artikel 3 1. Een aanvraag gaat vergezeld van een toelichting die inzichtelijk maakt wat de invloed van de beoogde wijziging van de vergunning is op: - a. de locatie van de productie-installatie; - b. het nominale vermogen van de productie-installatie; - c. de mate waarin wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14); - d. de uitvoerbaarheid van het plan; - e. de technische haalbaarheid van het plan; - f. de financiële haalbaarheid van het plan; - g. de economische haalbaarheid van het plan; of - h. de data van ingebruikname van 95% van het windpark en van het"},{"i":3300,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 18 november 2015 nr. BOACAT2015/062, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Oss Gelezen het verzoek van gemeente Oss van 4 november 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037217&artikel=2&z=2018-08-02&g=2018-08-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver openbare ruimte in dienst van de gemeente Oss, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4, van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie g"},{"i":4530,"b":"Circulaire vervoer gevaarlijke stoffen door wegtunnels 1. Aanleiding, doel en reikwijdte van deze circulaire De Minister van Infrastructuur en Milieu (IenM) heeft de exclusieve bevoegdheid om beperkingen te stellen aan het vervoer van gevaarlijke stoffen (VGS) door een wegtunnel. In dat geval wordt de tunnel in de [VLG-regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054)1VLG-regeling: Regeling Vervoer over Land van Gevaarlijke stoffen. ondergebracht bij één van de tunnelcategorieën uit het ADR2ADR: Accord européen relatif au transport international de marchandises Dangereuses par Route.. Deze circulaire strekt ertoe vooraf duidelijkheid te geven over de redenen voor de beslissing om een wegtunnel in een bepaalde tunnelcategorie onder te brengen en over de wijze waarop de Minister tot die beslissing komt. In de praktijk is gebleken dat zowel wegbeheerders als overheden en bedrijfsleven behoefte hebben aan die duidelijkheid. De Minister past voor alle tunnels de ADR-voorschriften toe en hanteert het uitgangspunt dat het VGS zo min mogelijk beperkt dient te worden. Maakt een tunnel deel uit van een route die van belang is voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, dan legt de Minister geen beperkingen op, tenzij hij van oordeel is dat sprake is van een essentiële oeververbinding of een (andere) bijzondere situatie. Bij een bijzondere situatie is maatwerk nodig. Deze circulaire is van toepassing op beslissingen over zowel de tunnelcategorie van nieuwe tunnels als de (wijziging van) de tunnelcategorie van in gebruik zijnde tunnels, voor zover zich hiertoe een aanleiding voordoet. Met ‘tunnels’ worden alle wegtunnels op het Nederlandse grondgebied bedoeld, zowel op het hoofdwegennet als op het onderliggende wegennet. Daarnaast geeft de circulaire inzicht in de toepasselijke regels en richtlijnen en in de wijze waarop de keuze tot indeling van een tunnel in een tunnelcategorie wordt onderbouwd. In deze circulaire is het vigerende beleid vastgelegd.3Het vigerende belei"},{"i":3197,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 27 april 2021, nr. BOACAT2021/011 strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Amsterdam Gelezen het verzoek van gemeente Amsterdam van 8 april 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045074&artikel=2&z=2021-04-29&g=2021-04-29). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van sociale recherche in dienst van gemeente Amsterdam, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelat"},{"i":4100,"b":"Besluit van 12 oktober 2017 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband met de uitvoering van verordening (EU) nr. 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PbEU 2016, L 171) (Besluit uitvoering verordening financiële benchmarks) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 31 augustus 2017, 2017-0000165710, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:80, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [1:82, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:82), [4:22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:22), [4:33, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:33); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 september 2017, nr. W06.17.0258/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 4 oktober 2017, 2017-0000192893, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Artikel II Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel III Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018, met uitzondering van artikel II, dat in werking treedt met ingang van 1 juli 2018. Artikel V Dit bes"},{"i":3892,"b":"Besluit van 9 december 2016 betreffende de opleiding van rechters en officieren van justitie (Besluit opleiding rechters en officieren van justitie) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 10 augustus 2016, nr.785326; Gelet op de [artikelen 5d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=5d), [5f, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=5f) en [54 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=54) en [artikel 145, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=145); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 september 2016, nr.W03.16.0225/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, Directie wetgeving en Juridische Zaken van 5 december 2016, nr. 2001324; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **Betrokkene:** degene die benoembaar is als rechter in opleiding of officier in opleiding; - –. **Opleiding:** de opleiding, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038892&paragraaf=2&artikel=2&z=2017-01-01&g=2017-01-01). § 2. De opleiding Artikel 2 Er is een opleiding die ten doel heeft toekomstige rechters en officieren van justitie de kennis, de vaardigheden en de ervaring te verschaffen, die nodig zijn om het ambt van rechter dan wel het ambt van officier van justitie te kunnen uitoefenen. De opleiding omvat een introductiefase en een opleidingsfase. Artikel 3 De rechter in opleiding en de officier in opleiding volgen de opleiding overeenkomstig hetgeen daaromtrent met hen is afgesproken. Zij houden zich daarbij aan door of namens diens functionele autoriteit gegeven aanwijzingen. § 3. Toelating tot en duur van de opleiding Artikel 4 Onze Minister, indien het een opleiding tot officier van justitie betreft, respectievelijk he"},{"i":4121,"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2005 Mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2005 worden de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020305&bijlage=1&z=2006-09-22&g=2006-09-22) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage 1. De bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2005 | Nr. | Verdeelmaatstaf | Bedragen per eenheid | | --- | --- | --- | | 1 | Motorrijtuigenbelasting | –55,52 *niet in euro’s; het bedrag betreft het rekentarief voor de inkomstenmaatstaf (per € 45,38 hoofdsom). | | 2a | Inwoners | 20,72 | | 2b | Inwoners boven 640.000 | 10,02 | | 3a | Inwoners in stedelijke gebieden | 12,49 | | 3b | Inwoners in landelijke gebieden | 17,50 | | 4 | Land | 42,11 | | 5 | Water | 31,83 | | 6 | Groen | 17,13 | | 7 | Gewogen weglengte | 20.722,23 | | 8 | Warmtekrachtkoppeling | 0,61 | | 9 | Vast bedrag | 5.300.750,79 | Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2565,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 9 april 2015 nr. IENM/BSK-2015/69273, betreffende het verwerven van woningen langs basisnetroutes Paragraaf 1. Inleiding en achtergrond Paragraaf 2. Oplossen van knelpunten bij de invoering van het basisnet (bestaande woningen bij basisnetroutes) en bij infrastructurele ontwikkelingen Paragraaf 3.1. Reikwijdte van deze aankoopregeling Paragraaf 3.2. Beroep op de aankoopregeling en termijn Paragraaf 4. Uitvoering door Rijkswaterstaat Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":2788,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2006 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,00 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2006, doch niet later dan 15 december 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,454 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2006 en eindigende met 15 december 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overhei"},{"i":6594,"b":"Besluit van 11 oktober 1999, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 juli 1999, nr GZB/VVB/992740, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [richtlijn nr. 97/4/EG](31997L0004) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 januari 1997 (PbEG L 43) houdende wijziging van [Richtlijn nr. 79/112/EEG](31979L0112) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, op [richtlijn nr. 1999/10/EG](31999L0010) van de Commissie van 8 maart 1999 (PbEG L 69) houdende afwijkingen van artikel 7 van [richtlijn 79/112/EEG](31979L0112) van de Raad inzake de etikettering van levensmiddelen, op artikel II, eerste lid, van de Wijzigingswet 1988 Warenwet, alsmede op [artikel 8, onder a en c, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8); De Raad van State gehoord (advies van 20 augustus 1999, no. W13.99.0330/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 oktober 1999, met nummer GZB/VVB/993936, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen. Artikel II Wijzigt het Warenwetbesluit Doorstraalde waren. Artikel III Wijzigt het Warenwetbesluit Meel en brood. Artikel IV Wijzigt het Warenwetbesluit Verduurzaamde vruchtenprodukten. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 14 februari 2000, met dien verstande dat eet- of drinkwaren die vóór 14 februari 2000 zijn geëtiketteerd, nog verhandeld mogen worden tot de voorraden zijn uitverkocht. Lasten en bevelen dat dit besluit met de da"},{"i":5550,"b":"Regeling WBO-vergunning digitalisering bevolkingsonderzoek borstkanker Gezien het verzoek d.d. 1 mei 2006 van de Stichting Preventicon te Utrecht, de Stichting Bevolkingsonderzoek Borstkanker Noord-Nederland te Groningen en de Stichting Bevolkingsonderzoek Borstkanker Zuidwest Nederland, te Rotterdam, om een vergunning als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005699&artikel=3), voor een vergunning voor het bevolkingsonderzoek borstkanker. Het betreft drie proefbevolkingsonderzoeken ter voorbereiding op landelijke invoering van digitale mammografie in het bevolkingsonderzoek naar borstkanker; Gezien het advies van de Gezondheidsraad van 21 december 2006, kenmerk 2006/05WBO; Gelet op [artikel 3 van de Wet op het bevolkingsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005699&artikel=3) (Stb. 1992, 611)en de [artikelen 2 tot en met 5 van het Besluit bevolkingsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007499&artikel=2) (Stb. 1995, 399); Overwegende dat sprake is van een bevolkingsonderzoek in de zin van de [Wet op het bevolkingsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005699) (hierna: WBO). Er is sprake van een ‘aanbod’ zoals bedoeld in [artikel 1, onder c, van de WBO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005699&artikel=1), aangezien screening op borstkanker aangeboden wordt aan vrouwen in de leeftijdscategorie 50-75 jaar; Overwegende dat het een bevolkingsonderzoek als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de WBO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005699&artikel=2), betreft, waarvoor een vergunning verplicht is. Het bevolkingsonderzoek is op kanker gericht; Overwegende dat het in de aanvraag beschreven project tevens een wetenschappelijk onderzoek, zoals bedoeld in [artikel 3, derde lid, WBO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005699&artikel=3) is. Het project is primair gericht op het beantwoorden van wetenschappelijke vraagstellingen; Overwegende"},{"i":6580,"b":"Besluit van 6 juni 2025 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving in verband met de verlenging van de tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken (Wijzigingsbesluit verlenging tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken) [KetenID WGK027363] Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 23 januari 2025, nr. IENW/BSK-2024/371867, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 4.3, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 maart 2025, nr. W17.25.00016/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 3 juni 2025, nr. IENW/BSK-2025/121683, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Wijzigingsbesluit verlenging tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6578,"b":"Besluit van 20 september 2010, houdende vaststelling van een aantal wijzigingen van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement, het Besluit Rijnvaartpolitiereglement 1995, het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990, het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen, het Scheepvaartreglement territoriale zee, het Besluit verkeersinformatie en verkeersaanwijzingen scheepvaartverkeer, het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer, het Besluit houdende het van toepassing verklaren van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, het Scheepvaartreglement Eemsmonding en het Besluit statistische gegevens scheepvaartverkeer Op de voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 mei 2010, nr. CEND/HDJZ-2010/581 sector SCH, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de Richtlijn van het Europees parlement en de raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van [Richtlijn 82/714/EEG](31982L0714) van de Raad (2006/87/EG), en op de [artikelen 4, eerste lid, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=9), [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=18), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=20) en [31, elfde lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=31); De Raad van State gehoord (advies van 8 juli 2010, nr. W09.10.0201/IV); Gezien het nader rapport van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 september 2010, nr. CEND/HDJZ-2010/1125 sector SCH, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement. Artikel II Wijzigt het Binnenvaartpolitiereglement. Artikel III Wijzigt het Besluit Rijnvaartpolitiereglement 1995. Artikel IV Wijzigt het Scheepvaartreglement Wester"},{"i":6575,"b":"Besluit van 17 februari 2016 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000, houdende de invoering van bijzondere procedurele bepalingen die kunnen worden toegepast in situaties waarin sprake is van een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen en enkele andere wijzigingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 18 december 2015, nr. 717478 Gelet op de [artikel 37, eerste lid, van de Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=37); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 januari 2016, nr. W03.15.0450/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 februari 2016, nr. 732592; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel II [Artikel 3.109ca van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.109ca) blijft buiten toepassing in zaken waarin het onderzoek naar de aanvraag ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit reeds is gestart. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2016. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6015,"b":"Besluit tot vaststelling bedragen per eenheid provinciefonds 2003 Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9); Besluiten: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2003 worden de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019578&bijlage=1&z=2006-03-01&g=2006-03-01) bij deze regeling. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage 1. De bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2003 | Nr. | Verdeelmaatstaf | Bedragen per eenheid | | --- | --- | --- | | 1 | Motorrijtuigenbelasting | –55,62*niet in euro’s; het bedrag betreft het rekentarief voor de inkomstenmaatstaf (per € 45,38 hoofdsom). | | 2a | Inwoners | 22,25 | | 2b | Inwoners boven 640.000 | 10,10 | | 3a | Inwoners in stedelijke gebieden | 13,79 | | 3b | Inwoners in landelijke gebieden | 17,68 | | 4 | Land | 45,92 | | 5 | Water | 31,49 | | 6 | Groen | 17,30 | | 7 | Gewogen weglengte | 24.315,63 | | 8 | Warmtekrachtkoppeling | 0,72 | | 9 | Vast bedrag | 4.964.453,10 | Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6020,"b":"Besluit van 6 maart 2002, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de commissies, bedoeld in artikel 19 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 13 november 2001, nummer 5133198/01/6, gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 19 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410&artikel=19); De Raad van State gehoord (advies van 28 januari 2002, nr. WO3.01.0608/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 25 februari 2002, nr. 5151613/02/6, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip dat de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in werking treedt. Artikel I Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410); - b. arrondissementen: de arrondissementen, bedoeld in de [Wet op de rechterlijke indeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002080); - c. de zorgvuldigheidseisen: de zorgvuldigheidseisen, omschreven in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410&artikel=2). Hoofdstuk II. Commissies Artikel 2 1. Er zijn vijf regionale commissies voor de toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding als bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410&artikel=3). 2. De commissies zijn gevestigd te Groningen, Arnhem, Haarlem, Rijswijk en 's-Hertogenbosch. Artikel 3 Tot toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding is bevoegd: - a. de commissie te Groningen indien het overlijden heeft plaatsgevonden in de provincie"},{"i":3193,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 31 mei 2022 nr. BOACAT2022/041, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Alphen aan den Rijn Gelezen het verzoek van de gemeente Alphen aan den Rijn van 23 mei 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046741&artikel=2&z=2022-06-13&g=2022-06-13). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van controleur openbaar gebied in dienst van de afdeling Team Toezicht en Handhaving bij de gemeente Alphen aan den Rijn, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I"},{"i":4184,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 19 december 2023, nr. IENW/BSK-2023/323883, houdende vaststelling van de speerpunten voor het kalenderjaar 2024 en het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2024 als bedoeld in de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027 Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=3), en [4, derde lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=4); BESLUIT: Artikel 1 Voor het kalenderjaar 2024 worden de in de bijlage bij dit besluit opgenomen drie speerpunten vastgesteld als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=3). Artikel 2 Voor het kalenderjaar 2024 wordt het subsidieplafond als bedoeld in [artikel 3, derde lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=3) als volgt vastgesteld: - 1. Het subsidieplafond voor projecten die kwalificeren als project a, project b of project c bedraagt € 1.950.000. - 2. Het subsidieplafond voor projecten die kwalificeren als project d bedraagt € 50.000. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Bijlage. Speerpunten, behorend bij [artikel 3, tweede lid van de tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=3) voor het jaar 2024 I. Transparante samenwerking tussen bedrijven binnen een industrieel cluster Dit speerpunt richt zich op intensievere en transparante samenwerking tussen de bedrijven binnen een industrieel cluster1Een cluster betreft een groep ondernemingen geve"},{"i":6167,"b":"Besluit van 30 augustus 2019, houdende vaststelling van regels in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen en tot wijziging van enkele Warenwetbesluiten (Warenwetbesluit uitvoering verordening officiële controles en andere officiële activiteiten) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 25 juni 2019, kenmerk 1543759-192289-WJZ; Gelet op Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), (EU) [nr. 1151/2012](32012R1151), (EU) [nr. 652/2014](32014R0652), (EU) [2016/429](32329R2016) en (EU) [2016/2031](32031R2016) van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen [(EG) nr. 1/2005](32005R0001) en [(EG) nr. 1099/2009](32009R1099) van de Raad en de Richtlijnen [98/58/EG](31958R0098), [1999/74/EG](31974R1999), [2007/43/EG](31943R2007), [2008/119/EG](32019R2008) en [2008/120/EG](32020R2008) van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen [(EG) nr. 854/2004](32004R0854) en [(EG) nr. 882/2004](32004R0882) van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen [89/608/EEG](32508R0089), [89/662/EEG](32562R0089), [90/425/EEG](32325R0090), [91/496/EEG](32396R0091), [96/23/EG](31923R0096), [96/93/EG](31993R0096) en [97/78/EG](31978R0097) van de Raad en Besl"},{"i":3760,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 30 maart 2010, nr. DDS2010010102, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging ter uitvoering van de Tijdelijke stimuleringsregeling inburgering op de werkvloer Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gezien de schriftelijke instemming van de directeur van het Agentschap SZW van maart 2010; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van het Agentschap SZW wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van alle benodigde werkzaamheden, waaronder het vaststellen en ondertekenen van stukken, ter uitvoering van het bepaalde in de [Tijdelijke stimuleringsregeling inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027486) op de werkvloer. Artikel 2 Aan de directeur van het Agentschap SZW wordt mandaat en machtiging verleend met betrekking tot het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken, die betrekking hebben op de afhandeling van administratieve stukken inzake klacht-, bezwaar- en beroepsprocedures, voor zover deze verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027484&artikel=1&z=2010-04-13&g=2010-04-13), en met dien verstande dat hij geen besluit op bezwaar neemt met betrekking tot een bezwaarschrift tegen een besluit dat hij in mandaat heeft genomen. Artikel 3 De directeur van het Agentschap SZW kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, genoemd in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027484&artikel=1&z=2010-04-13&g=2010-04-13) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027484&artikel=2&z=2010-04-13&g=2010-04-13), ondermandaat, volmacht en machtiging in een door hem te bepalen omvang verlenen aan onder de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ressorterende functionarissen, met dien verstande dat hij geen ondermandaat verleent aan de functionaris aan wie door hem ondermandaat tot het"},{"i":3668,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 30 januari 2014, nr. MinBuZa.2014-58763, tot het verlenen van mandaat en machtiging aan de algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek van het ministerie van Veiligheid en Justitie met betrekking tot subsidieverlening voor projecten voor de vrijwillige, duurzame terugkeer en herintegratie van ex-asielzoekers Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 Aan de algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek van het ministerie van Veiligheid en Justitie wordt mandaat verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking: - a. besluiten te nemen inzake subsidieverlening op grond van [artikel 2.5 van de Subsidieregeling ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.5), met inachtneming van de daartoe vastgestelde beleidsregels; - b. te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 De algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek van het ministerie van Veiligheid en Justitie wordt gemachtigd tot het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding van de besluiten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034762&artikel=1&z=2014-02-04&g=2014-02-04). Artikel 3 De algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek van het ministerie van Veiligheid en Justitie kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034762&artikel=1&z=2014-02-04&g=2014-02-04) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034762&artikel=2&z=2014-02-04&g=2014-02-04), ondermandaat en machtiging verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 4 Dit besluit treed"},{"i":4841,"b":"Besluit van de algemeen directeur van de Dienst JUSTIS van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 24 februari 2021, nr. 3216722, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de algemeen directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Dienst JUSTIS 2020) Gelet op [artikel 1, aanhef en onder f van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1), [artikel 3, eerste lid, sub b van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en [artikel 3 Regeling financieel beheer van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040757&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, aanhef en onder f, van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de algemeen directeur van de Dienst JUSTIS verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de plaatsvervangend directeur; - b. de afdelingsmanagers van de lijnorganisatie: - 1°. de afdelingsmanager Verlening en Toetsing (V&T); - 2°. de afdelingsmanager Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG); - 3°. de afdelingsmanager Landelijk Bureau Bibob (LBB); - 4°. de afdelingsmanager Toezicht Rechtspersonen, Analyse, Controle en Kennisgeving (TRACK); - 5°. de afdelingsmanager Klant Contact Centrum (KCC). - c. de afdelingsmanagers van de staforganisatie: - 1°. de afdelingsmanager Juridische Zaken en Uitvoeringsbeleid (JZU); - 2°. de afdelingsmanager Stafbureau, Innovatie en Organisatie (SIO); - 3°. de afdelingsmanager Control, Kwaliteit en Auditing (CKA); - 4°. de afdelingsmanager Informatievoorziening (IV). Artikel 2 Als werkgever als bedoeld in de CAO Rijk, worden aangewezen de ambtenaren, genoemd in kolom 1 van [bijlage"},{"i":2650,"b":"Beleidsregels VOG-NP-RP 202 De minister besluit dat de [Beleidsregels 2024 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een Verklaring Omtrent het Gedrag van natuurlijke personen en rechtspersonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049901), vastgesteld bij besluit van 1 juli 2024 worden ingetrokken en vervangen door onderstaande beleidsregels. De nieuwe beleidsregels treden in werking met ingang van 1 juli 2025. Paragraaf 1. Inleiding Het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) geeft op grond van de [Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194) (Wjsg) namens de bewindspersoon een Verklaring Omtrent het Gedrag af aan natuurlijke personen (VOG) en aan rechtspersonen (VOG RP). Voor aanvragen van een VOG door een natuurlijk persoon wordt een onderscheid gemaakt tussen aanvragen waarbij, naast dat justitiële gegevens een weigeringsgrond opleveren, ook politiegegevens wel of geen zelfstandige weigeringsgrond mogen zijn. Resumerend bestaan de volgende drie soorten aanvragen van een VOG: 1. VOG Bij een aanvraag voor een VOG wordt onderzoek gedaan naar het justitiële verleden van een natuurlijk persoon. Uitsluitend justitiële gegevens mogen voor deze aanvraag een weigeringsgrond vormen voor de afgifte van de VOG. 2. VOG politiegegevens Bij een aanvraag voor een VOG politiegegevens wordt onderzoek gedaan naar de justitiële gegevens en politiegegevens van een natuurlijk persoon. Zowel justitiële gegevens als politiegegevens mogen voor deze aanvraag een zelfstandige weigeringsgrond vormen voor de afgifte van de VOG politiegegevens. 3. VOG RP Bij een aanvraag voor een VOG-RP wordt onderzoek gedaan naar het justitiële verleden van een rechtspersoon en haar (on)middellijke bestuurders, vennoten, maten of beheerders. Uitsluitend justitiële gegevens mogen voor deze aanvraag een weigeringsgrond vormen voor de afgifte van de VOG RP. Voor alle soorten VOG-aanvragen geldt dat het belang van de aanvrager wordt"},{"i":4320,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 januari 2026, kenmerk 2025-0000697166, tot verlening van de bevoegdheid tot aanwijzing van de kasbeheerder van het Financieel Diensten Centrum Gelet op de [artikelen 10.3.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10.4. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien het schriftelijke verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 augustus 2025 met kenmerk 2025-0000211316; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur Financieel Economische Zaken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt de bevoegdheid verleend tot aanwijzing van de kasbeheerder en plaatsvervangend kasbeheerder, ten behoeve van de taken en verantwoordelijkheden van het Financieel Diensten Centrum betreffende het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3302,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 3 april 2024 nr. BOACAT2024/024, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Pijnacker-Nootdorp Gelezen het verzoek van gemeente Pijnacker-Nootdorp van 16 februari 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049560&artikel=2&z=2024-04-12&g=2024-04-12). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Pijnacker-Nootdorp, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de"},{"i":2848,"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1981 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen per 30 september 1980 ten minste één procent afwijkt van het indexcijfer der lonen per 30 september 1979; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1981 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 4. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1981."},{"i":2622,"b":"Besluit van de Inspecteur-generaal van de Inspectie van Justitie en Veiligheid namens de Minister voor Medische Zorg en de Minister van Justitie en Veiligheid, van 7 juli 2022, houdende de vaststelling van beleidsregel met betrekking tot prioritering EGC (Beleidsregels prioritering IJenV EGC) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8, eerste lid van de Wet Experiment Gesloten Coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=8), [artikel 6 van het Besluit inhoudende aanwijzing van toezichthouders naleving Wet experiment gesloten coffeeshopketen en het verlenen van mandaat en machtiging voor de uitvoering en handhaving van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043743&artikel=6) Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Inleiding De Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) houdt toezicht op de naleving van de normen die voortvloeien uit de [Wet Experiment Gesloten Coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818), het [Besluit Experiment Gesloten Coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738) en de [Regeling Experiment Gesloten Coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043749), voor zover het betreft de geslotenheid van de keten betreft, inclusief beveiliging (bij de telers) en vervoer. De Inspectie heeft een beperkte toezichtscapaciteit. Naast de periodieke inspecties werkt de Inspectie daarom risicogestuurd. Dat wil zeggen dat zij op basis van informatie die zij vergaart, waaronder signalen en handhavingsverzoeken, steeds opnieuw bepaalt bij welke telers en coffeeshophouders de grootste risico’s zijn ten aanzien van de geslotenheid van de keten. De Inspectie hanteert daarbij een prioriteitsbeleid. Dit prioriteringsbeleid vormt een houvast op basis waarvan prioriteiten worden aangebracht in de keuze van signalen en handhavingsverzoeken. Het prioriteringsbeleid maakt inzi"},{"i":3863,"b":"Besluit Ondernemingsfaciliteiten **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit actualiseert het Besluit Ondernemingsfaciliteiten van 25 mei 2018, nr. 2018-50125 en bevat het beleid over de ondernemingsfaciliteiten in de overdrachtsbelasting. Onderdeel 2.7 uit het besluit van 25 mei 2018 is vervallen. De onderdelen 2.71Dit beleidsonderdeel is mede tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:052:2022:11, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl (en de bijbehorende subonderdelen 2.7.12Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:052:2023:3, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl, 2.7.2 en 2.7.33Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:052:2022:12, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl), 4.2 en 7 zijn nieuw. Verder is onderdeel 3.4 inhoudelijk gewijzigd en is de inleidende tekst van de onderdelen 3.9, 4.1 en 4.2 verduidelijkt. De overige onderdelen zijn inhoudelijk ongewijzigd gebleven en waar nodig uitsluitend redactioneel aangepast. Het besluit van 25 mei 2018, nr. 2018-50125 en het besluit van 14 november 1997, VB97/1540 worden ingetrokken.** 1. Inleiding De overdrachtsbelasting kent een aantal ondernemingsfaciliteiten in de vorm van vrijstellingen. Deze vrijstellingen zijn opgenomen in [artikel 15, eerste lid, onderdelen b, e, f, h en q, WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15). Dit besluit bevat het beleid over de ondernemingsfaciliteiten. Het besluit actualiseert en vervangt het [besluit van 25 mei 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040965), nr. 2018-50125 (Stcrt. 2018, 30213). Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 6 juni 2025, nr. 2025-10082, (Stcrt. 2025-20464). De wijziging betrof de onderdelen 2.2, 4.2 en het vervallen van de onderdelen 6 en 6.1. Onderdeel 2 bevat het b"},{"i":4654,"b":"Besluit van 24 januari 2022 tot wijziging van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector ter implementatie van de richtlijn verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van banken en beleggingsondernemingen (Implementatiebesluit verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van banken en beleggingsondernemingen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 7 december 2021, 2021-0000241219, directie Financiële Markten; Gelet op [Richtlijn (EU) 2019/879](32019L0879) van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van [Richtlijn 2014/59](32014L0059)/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en [Richtlijn 98/26/EG](31998L0026) (PbEU 2019, L 150) en [artikel 1:81, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 december 2021, nr. W06.21.0364/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 19 januari 2022, 2022-0000002127, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van banken en beleggingsondernemingen Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4473,"b":"Circulaire bekwaamheidseisen buitengewoon opsporingsambtenaar Samenvatting De eisen voor de bekwaamheid van buitengewoon opsporingsambtenaren zijn vastgelegd in de vorm van eindtermen. Op mijn verzoek heeft de Citogroep voorstellen gedaan ter actualisering van de tot nu toe gehanteerde eindtermen. Door middel van deze circulaire worden de geactualiseerde eindtermen door mij vastgesteld. 1. Inleiding Bij [circulaire van 28 oktober 2002, kenmerk 5193598/502/CBK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014151), heb ik de eisen van bekwaamheid die aan een buitengewoon opsporingsambtenaar worden gesteld en de wijze waarop getoetst wordt of de buitengewoon opsporingsambtenaar aan deze eisen voldoet, bekendgemaakt. De bekwaamheidseisen zijn vastgelegd in de vorm van eindtermen, die betrekking hebben op de basiskennis en basisvaardigheden waarover iedere buitengewoon opsporingsambtenaar moet beschikken. Geconstateerd is dat de thans geldende eindtermen als gevolg van gewijzigde wetgeving niet meer aansluiten op de huidige wetgeving. Hierdoor wordt het construeren van vragen en de voorbereiding van kandidaten op het examen bemoeilijkt. In mijn opdracht heeft de Citogroep de eindtermen nader geactualiseerd en aangepast. 2. (Invoering) herziene eindtermen Bijgaand treft u aan een document waarin de geactualiseerde eindtermen zijn opgenomen. De eindtermen zijn door de Examencommissie buitengewoon opsporingsambtenaar, waarin vertegenwoordigers van bijzondere opsporingsdiensten, de politie, de opleidingsinstituten en specifieke categorieën buitengewoon opsporingsambtenaren zitting hebben, vastgesteld. De Examencommissie buitengewoon opsporingsambtenaren heeft besloten dat vanaf 1 januari 2006 op grond van de geactualiseerde eindtermen zal worden geëxamineerd. Voor de goede orde merk ik op dat het eindtermendocument dient als kader voor toetsing van de bekwaamheid van buitengewoon opsporingsambtenaren. Indien binnen de kaders van het eindtermendocument wetswijzigingen mochten pla"},{"i":3271,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 februari 2025, nr. BOACAT2025/107, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Krimpenerwaard Gelezen het verzoek van gemeente Krimpenerwaard van 9 januari 2025 en de adviezen van de Hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050819&artikel=2&z=2025-03-12&g=2025-03-12). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerker handhaving I, II, III en IV, met de werknaam buitengewoon opsporingsambtenaar binnen het team openbare orde en veiligheid in dienst van gemeente Krimpenerwaard zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage"},{"i":3330,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 mei 2021 nr. BOACAT2021/010 strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Venlo Gelezen het verzoek van gemeente Venlo van 24 februari 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27). Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b) [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045121&artikel=2&z=2021-05-12&g=2021-05-12). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerker VHT in dienst van gemeente Venlo, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend)"},{"i":3565,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 23 december 2021, kenmerk 2671127, houdende beperking van de openbaarheid van de Archieven van de Rijkspolitie in de provincie Noord-Brabant, Districten Eindhoven, ’s-Hertogenbosch en Breda, (1937) 1945–1993 (1995) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemeen rijksarchivaris d.d. **24 november 2021** met kenmerk zaaknummer **1164524.** Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de Archieven van de Rijkspolitie in de provincie Noord-Brabant, Districten Eindhoven, ’s-Hertogenbosch en Breda, (1937) 1945–1993 (1995) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per 1 januari | | --- | --- | | 25 | 2061 | | 26 | 2063 | | 27 | 2063 | | 29 | 2067 | | 30 | 2066 | | 31 | 2067 | | 32 | 2068 | | 33 | 2067 | | 34 | 2069 | | 35 | 2068 | | 36 | 2068 | | 118 | 2053 | | 123 | 2058 | | 124 | 2061 | | 125 | 2059 | | 126 | 2059 | | 127 | 2059 | | 128 | 2059 | | 129 | 2059 | | 146 | 2069 | | 147 | 2068 | | 148 | 2064 | | 149 | 2068 | | 150 | 2070 | | 151 | 2069 | | 152 | 2068 | | 153 | 2068 | | 154 | 2069 | | 155 | 2068 | | 156 | 2069 | | 157 | 2067 | | 158 | 2069 | | 159 | 2068 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046335&artikel=1&z=2022-02-24&g=2022-02-24), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de Provincie Noord-Brabant, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inv"},{"i":4277,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 25 november 2014, kenmerk 8785, inzake verlening van een vergunning tot het organiseren van sportprijsvragen en lotto’s, inclusief toegevoegd cijferspel Op grond van de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=16), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=21), [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27a), [27b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27b) en [27c van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27c) (hierna: de wet) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan de Lotto B.V., gevestigd te Rijswijk met KvK-nummer 41151075 (hierna: de vergunninghouder), een vergunning voor de periode van 16 januari 2015 tot en met 31 december 2016. Aan deze vergunning zijn de volgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de kansspelen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Bestuursstructuur B. Aangeboden kansspelen C. Afdracht D. Bescherming van consumenten E. Toezicht en controle F. Rapportage en verslaglegging"},{"i":2554,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 27 november 2013, nr. WJZ/13123850, houdende beleidsregel omtrent het verlagen van subsidie in het kader van verordening (EG) nr. 1198/2006 inzake het Europees Visserijfonds (Beleidsregel verlagen subsidie EVF) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris besluit voor subsidies voor visserij in het kader van [verordening (EG) nr. 1198/2006](32006R1198) van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 2006 inzake het Europese Visserijfonds (PB L 223/1) tot het verlagen van subsidie in het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034285&artikel=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) genoemde geval op basis van de in de [afdelingen 4.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.5) en [4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.6) genoemde bevoegdheden. Artikel 2 Indien een subsidieontvanger niet voldoet aan de subsidieverplichtingen inzake de voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen in artikel 32 en 33 van [verordening (EG) nr. 498/2007](32007R0498) van de Commissie van 26 maart 2007 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van [verordening (EG) nr. 1198/2006](32006R1198) van de Raad inzake het Europees Visserijfonds, wordt de subsidie lager vastgesteld. De verlaging bedraagt drie procent van het gehele subsidiebedrag. Artikel 3 1. Indien een niet-naleving als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034285&artikel=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) wordt geconstateerd wordt de subsidieontvanger eenmalig een termijn van maximaal tien werkdagen geboden om alsnog te voldoen aan de in dat artikel bedoelde verplichtingen. 2. Indien overeenkomstig het eerste lid een hersteltermijn wordt geboden, wordt de subsidie verlaagd nadat de hersteltermijn is verstreken en het herstel niet heeft plaatsgevonden. 3. I"},{"i":4310,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 26 augustus 2021 nr. DGBI/212 14 203, inzake de verlengbaarheid van vergunningen voor landelijke commerciële radio-omroepen in de FM-band Gelet op [artikel 18, tweede lid, aanhef en onder a, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor landelijke commerciële radio in de FM-band, genoemd in kolom 1 van tabel 1, zijn verlengbaar om redenen van algemeen economisch belang, als bedoeld in [artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18). | Kavel | Dossiernummer | | --- | --- | | Kavel A01 | 5055301 | | Kavel A02 | 5055305 | | Kavel A03 | 5055302 | | Kavel A04 | 5055306 | | Kavel A05 | 5055307 | | Kavel A06 | 5055303 | | Kavel A07 | 6815880 | | Kavel A08 | 6634716 | | Kavel A09 | 5797976 | Artikel 2 Een vergunning als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045546&artikel=1&z=2021-08-31&g=2021-08-31) is verlengbaar voor een vaste periode die aanvangt op 1 september 2022 en loopt tot en met 31 augustus 2025. Artikel 3 Indien een vergunning als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045546&artikel=1&z=2021-08-31&g=2021-08-31) wordt verlengd, wordt zij met ingang van 1 september 2022 gewijzigd overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045546&bijlage=1&z=2021-08-31&g=2021-08-31). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verlengbaarheid vergunningen landelijke commerciële radio FM-band 2021. Bijlage 1. Wijzigingen te verlengen vergunningen landelijke commerciële radio-omroepen voor de FM-band De artikelen behorende bij de vergunningen, bedoeld in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&arti"},{"i":4637,"b":"Besluit van 8 februari 2019 tot wijziging van het Besluit Prudentiële regels Wft, het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft en het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft ter implementatie van richtlijn 2015/2366/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betaaldiensten in de interne markt, houdende wijzing van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PbEU 2015, L 337) (Implementatiebesluit herziene richtlijn betaaldiensten) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 7 december 2018, 2018-00000185850, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:5a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:5a), [1:81, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:3b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3b), [2:3c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3c), [2:106a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:106a), [2:107a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:107a), [3:17, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:18), [3:29c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:29c), [3:57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:111b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:111b), [4:17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:17) en [4:22, eerste en tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:22); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 januari 2019, nr. W06.18.0400/III); Gezien het nader rapport van Onze Minis"},{"i":4472,"b":"Circulaire van 8 juli 2008, nr. DGM/BREM 2008066914, ter bekendmaking van de wijze van verkrijging van een uitkering uit het Gemeentefonds en het Provinciefonds in verband met de Stimulering van Lokale Klimaatinitiatieven (SLOK) Met deze circulaire wil ik u informeren over een onderdeel van mijn beleid, gericht op de transitie naar een zo duurzaam en efficiënt mogelijke energievoorziening. Ik voeg met het oog hierop middelen toe aan het Gemeentefonds en het Provinciefonds, waarvoor u in aanmerking kunt komen. Voor dit onderdeel van mijn beleid is respectievelijk € 31,5 miljoen en € 3,5 miljoen beschikbaar. De middelen zijn gericht op stimulering van gemeentelijke en provinciale klimaatinitiatieven en zullen de komende jaren vanaf 2008 gespreid als decentralisatie-uitkering/integratie-uitkering beschikbaar komen (zie voor een toelichting op deze begrippen blz. 31 van de meicirculaire Gemeentefonds; www.minbzk.nl/112563/pagina). Gemeenten en provincies worden uitgenodigd terzake beleid te voeren. Aanvragen kunnen worden ingediend voor 1 september 2009. Zij zullen worden beoordeeld op basis van datum van binnenkomst, waarbij geldt: op is op. 1. Aanleiding en doelstelling De hierboven bedoelde uitkering is een vervolg op de [Subsidieregeling BANS klimaatconvenant](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013383) die als doel had de uitvoering van het lokale klimaatbeleid door gemeenten en provincies, gericht op de CO2-reductie, te stimuleren. De uitkering dient tevens ter ondersteuning van het met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in november 2007 gesloten klimaatakkoord 2007–2011. Die middelen zijn niet alleen bedoeld voor CO2-reductie, maar ook voor het verminderen van andere broeikasgassen die op lokaal gebied worden uitgestoten, zoals lachgas en methaan. De projecten die voor een uitkering aan gemeenten in aanmerking komen, moeten voldoen aan de bij deze circulaire behorende [Prestatiekaart lokaal klimaatbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024186&"},{"i":3505,"b":"Besluit van 18 december 2006, houdende regels met betrekking tot het financiële toetsingskader op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/84673; Gelet op de [artikelen 116, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=116), [126, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=126), [128, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=128), [131, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=131), [132, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=132), [135, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=135), [136, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=136), [137, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=137), [138, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=138), [140, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=140), [141, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=141), [143, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=143), [144, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=144), [145, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=145), [147, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=147), en [203, vierde lid van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=203) en de [artikelen 114, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=114), [121, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=121), [123, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=123), [126, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR001883"},{"i":2574,"b":"Beleidsregel van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 15 mei 2025, nr. WJZ/ 97892204, houdende beleidsregels inzake de wijziging en intrekking van de vergunning windenergie op zee voor kavel I-A in windenergiegebied Nederwiek (Beleidsregel wijziging en intrekking van de vergunning windenergie op zee voor kavel I-A in windenergiegebied Nederwiek) Gelet op [artikel 17, eerste en vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **intrekkingsaanvraag:** aanvraag voor intrekking van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17); - **kavel I-A:** kavel I-A als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling vergunningverlening kavel I-A in windenergiegebied Nederwiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051043&artikel=1); - **minister:** Minister van Klimaat en Groene Groei; - **wet:** [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752); - **wijzigingsaanvraag:** aanvraag voor wijziging van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op een wijzigingsaanvraag en intrekkingsaanvraag ten aanzien van kavel I-A. Artikel 3 1. De minister beschouwt de verstrekte gegevens en bescheiden voldoende voor de beoordeling van de wijzigingsaanvraag en voor de voorbereiding van de beschikking indien de aanvrager hiermee inzichtelijk maakt hoe de beoogde wijziging van de vergunning van invloed is op: - a. de locatie van de productie-installatie; - b. het geïnstalleerde vermogen van de productie-installatie; - c. de mate waarin wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdelen d en f, van de wet](https:"},{"i":3492,"b":"Besluit van 20 augustus 1956, houdende uitvoering van artikel 8 van de Instellingswet Productschap voor Zuivel Op de voordracht van Onze Ministers voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken van 12 juli 1956, no. B. 4609, Dir. W.J.A.; Overwegende, dat het wenselijk is te bepalen in welke gevallen Onze Minister van Economische Zaken voor de toepassing van de [Instellingswet Productschap voor Zuivel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002205) (**Stb.** 1956, 93) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104) (**Stb.** 1950, K 22) ten aanzien van het Produktschap voor Zuivel mede als betrokken Minister wordt aangemerkt; Gelet op artikel 8 van eerstgenoemde wet; De Raad van State gehoord (advies van 31 juli 1956, no. 32); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 15 augustus 1956, no. B. 4832, Dir. W.J.A.; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van de [Instellingswet Productschap voor Zuivel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002205) (**Stb.** 1956, 93) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104) (**Stb.** 1950, K 22) ten aanzien van het Produktschap voor Zuivel wordt Onze Minister van Economische Zaken mede als betrokken Minister aangemerkt, voor zoveel betreft - a. verordeningen, die bindende regelen inhouden voor de detailhandel in melk en melk- en zuivelprodukten; - b. verordeningen, die regelen inhouden, welke de mededinging beperken tussen degenen, die ondernemingen drijve"},{"i":3260,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 30 juni 2017 nr. BOACAT2017/043, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Hilversum Gelezen het verzoek van de teammanager Toezicht van de gemeente Hilversum van 26 juni 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039733&artikel=2&z=2017-09-05&g=2017-09-05). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerker Handhaving II (afdeling Publiekszaken, team Toezicht) in dienst van de gemeente Hilversum, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied v"},{"i":4933,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 4 december 2009, nr. 5620763/09, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de voorzitter van het College gerechtelijk deskundigen ten aanzien van de aangelegenheden die het beheer van het bureau van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen betreffen (Mandaatregeling beheer bureau NRGD) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), [artikel 32, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32), [artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **het College:** het College gerechtelijk deskundigen, bedoeld in [artikel 3 van het Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=3); - b. **het bureau:** het bureau ter ondersteuning van het College; - c. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie besluiten te nemen; - d. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. Aan de voorzitter van het College wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend ten aanzien van de aangelegenheden die het beheer van het bureau betreffen. 2. De voorzitter wordt toegestaan het mandaat, de volmacht en de machtiging door te geven aan de secretaris van het College. Artikel 3 1. De voorzitter van het College wordt aangewezen als"},{"i":2217,"b":"Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken Samenvatting De aanwijzing heeft betrekking op toezeggingen van het openbaar ministerie (OM) aan verdachten dan wel veroordeelden, die strekken tot het vorderen van strafvermindering in ruil voor het afleggen van een getuigenverklaring in een strafzaak tegen een (andere) verdachte. Daarnaast heeft de aanwijzing betrekking op toezeggingen die niet strekken tot het vorderen van strafvermindering, maar wel van betekenis kunnen zijn voor de bereidheid van de getuige tot het afleggen van een verklaring (gunstbetoon). Achtergrond De Aanwijzing Toezeggingen aan getuigen in strafzaken sluit aan op de gelijknamige Wet (Stb. 2005, 254, Kamerstukken 26 294), de Wet van 12 mei 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het niet afleggen van een getuigenverklaring na een daartoe strekkende toezegging (Stb. 2005, 255, Kamerstukken 28 017) en het [Besluit getuigenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019359) van 23 december 2005 (Stb. 2006, 21, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 11 juli 2018, Stb. 2018, 246). 1. Bereik van de aanwijzing 2. Uitgangspunten 3. Wanneer toezegging? 4. Toelaatbare toezeggingen 5. Niet toelaatbare toezeggingen De officier van justitie mag geen toezeggingen doen met betrekking tot:5**Kamerstukken II** 2004/05, 28 017 en 26 294, nr. 8. 6. Positie van de getuige De kroongetuige kan zich ten tijde van de onderhandelingen over de overeenkomst en de totstandkoming hiervan laten bijstaan door een raadsman. Aan de getuige die nog geen raadsman heeft, wordt een raadsman toegevoegd ([artikel 226h, eerste lid, Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=226h)). De officier van justitie stelt in ieder geval twee voorwaarden aan de kroongetuige die hij in een zo vroeg mogelijk stadium van de onderhandelingen aan de getuige kenbaar maakt: Voorts kunnen afspraken worden gemaakt over de mate waarin de kroongetuige een beroep zal doen op het verschoningsrecht dat h"},{"i":2218,"b":"Aanwijzing toezichthouder naleving Tijdelijke regeling subsidie experimenten open bestel Overwegende dat in het kader van de experimenten open bestel subsidies worden verstrekt aan opleidingen in de zin van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682), die eerder niet bekostigd werden; Overwegende dat het wenselijk is dat er toezicht wordt gehouden op de naleving van de [Tijdelijke regeling subsidie experimenten open bestel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020467) (Stcrt. 2006, 220) en meer in het bijzonder op de naleving van de van overeenkomstig van toepassing verklaarde bepalingen van bovengenoemde [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Wet overige OCenW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=10); Besluit: Als toezichthouder aan te wijzen: de inspecteur-generaal van het onderwijs en de onder haar ressorterende inspectieambtenaren."},{"i":7886,"b":"Besluit vaststelling vergoedingen Adviescommissie Kredietcommissie Garantie Ondernemingsfinanciering Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel Enig 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie Kredietcommissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,17. 2. Aan de andere leden van de Adviescommissie Kredietcommissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,17. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie Kredietcommissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,085. 2. Aan de andere leden van de Adviescommissie Kredietcommissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,085."},{"i":2533,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu houdende voorschriften ter uitvoering van Verordening (EG) 1178/2011, bijlage I (deel FCL), artikel FCL.945, met betrekking tot verplichtingen voor instructeurs (Beleidsregel uitvoering artikel FCL.945) Gelet op artikel FCL.945 van Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig [Verordening (EG) nr. 216/2008](32008R0216) van het Europees Parlement en de Raad, bijlage I (deel FCL), subdeel J, artikel FCL.945, en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **artikel FCL.945:** artikel FCL.945 van bijlage I (deel FCL), van verordening (EU) nr. 1178/2011; - **bevoegde autoriteit:** bevoegde autoriteit als bedoeld in [Verordening (EG) nr. 216/2008](32008R0216) van het Europees parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van [Richtlijn 91/670/EEG](31991L0670), [Verordening (EG) nr. 1592/2002](32002R1592) en [Richtlijn 2004/36/EG](32004L0036) (PbEU L 79) en nadien gewijzigd, en de verordeningen die zijn vastgesteld krachtens voornoemde Verordening, tenzij deze taken bij of krachtens wettelijk voorschrift elders zijn belegd; - **verordening (EU) nr. 1178/2011:** verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en nadien gewijzigd. Artikel 2 1. De specifieke machtiging, bedoeld in artikel FCL.945, inzak"},{"i":15224,"b":"Uitvoeringsregeling Opiumwet Gelet op de [artikelen 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=4), en [7 van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=7); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941); - b. **opiumwetmiddel:** een middel als bedoeld in [lijst I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&bijlage=I) of [lijst II van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&bijlage=II); - c. **ontheffing:** een ontheffing als bedoeld in [artikel 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=6). Paragraaf 2. Vergoedingen Artikel 2 1. De vergoeding voor de behandeling van een aanvraag voor een ontheffing van een verbod als bedoeld in: - a. de [artikelen 2, aanhef en onder B, C of D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=2), [2a, eerste lid, aanhef en onder B, C of D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=2a), en [3, aanhef en onder B, C of D, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=3) bedraagt € 1.000; - b. de [artikelen 2, aanhef en onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=2), [2a, eerste lid, aanhef en onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=2a), en [3, aanhef en onder A, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=3) bedraagt € 100. 2. De jaarlijkse vergoeding voor een ontheffing van een verbod als bedoeld in de [artikelen 2, aanhef en onder, B, C, of D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=2), [2a, eerste lid, aanhef en onder B, C of D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=2a), en [3, aanhef en onder B, C, of D, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=3) bedraagt € 700. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing op een aanv"},{"i":3653,"b":"Besluit van de Directeur van het Bureau Financieel Toezicht van 11 december 2018, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt Gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); gelet op het [Instellingsbesluit baten-lastendienst P-Direkt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362) van 11 februari 2009; gelet op het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 juli 2009 houdende de Oprichting van een Shared Service Center HRM voor Personeelsregistratie en Salarisadministratie Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën van 11 februari 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362); - b. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Directeur van het Bureau Financieel Toezicht handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het Bureau Financieel Toezicht. 2. Met betrekking tot de Algemene verordening gegevensbescherming: - a. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd om in het kader van de dienstverlening aan het Bureau Financieel Toezicht verwerkingen van persoonsgegevens uit te voeren als verwerker in de zin van artikel 4, achtste onderdeel, van de Algemene verordening gegevensbescherming. De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst 2017. De machtiging wordt geacht te gelden als rechtshandeling in de zin van artikel 28, derde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming. - b. De directeur P-Direkt heeft geen machtiging tot uitvoering van de artikel 16 tot en met 18 van de Algemene verordening"},{"i":3069,"b":"Besluit van 27 oktober 1964, houdende vaststelling van het \"Besluit bedragen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen\" Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 17 september 1964, nr. 332/664, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, mede namens Onze Ministers van Financiën en van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [artikel 22 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=22); De Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 1964 Nr. 26); Gezien het nader rapport van 20 oktober 1964, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, Nr. 387/664; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415); - b. motorrijtuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de wet. Artikel 2 1. De som waarvoor de verzekering van aansprakelijkheid, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=3), voor een motorrijtuig ten minste moet zijn gesloten, bedraagt: - a. voor schade aan personen € 6.450.000 per gebeurtenis; - b. voor schade aan zaken € 1.300.000 per gebeurtenis. 2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, bedraagt voor een motorrijtuig dat is ingericht tot het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, de verzekerde som ten minste € 10.836.000 per gebeurtenis. Artikel 2a De som, waarvoor de verzekering van aansprakelijkheid, bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=3a), voor een motorrijtuig ten minste moet zijn gesloten, bedraagt € 10.000.000 per gebeurtenis. Artikel 3 Bovendien moet voor een motorrijtuig, dat wordt gebezigd voor vervoer krachtens een geldige vergunning als bedoeld in [artikel 4 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=4),"},{"i":3809,"b":"Besluit van de directeur van het agentschap CIBG van 18 augustus 2017 houdende regels inzake het verlenen van ondermandaat en machtiging betreffende aangelegenheden die verband houden met het beheer van het lerarenregister en registervoorportaal en de opname en doorhaling van leraren in het lerarenregister en het registervoorportaal (Besluit ondermandaat en machtiging directeur agentschap CIBG inzake het beheer van het lerarenregister en registervoorportaal) Gelet op [artikel 2 van het Besluit mandaat en machtiging directeur agentschap CIBG inzake het beheer van het lerarenregister en registervoorportaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039802&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Aan de Chief Operational Officer van het agentschap CIBG en aan het hoofd van de afdeling Registers en Knooppunten 1 van het agentschap CIBG wordt, ieder voor zich, ondermandaat en machtiging verleend ten aanzien van het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen zoals bedoeld in [artikel 1, onder a tot en met e, van het Besluit mandaat en machtiging directeur agentschap CIBG inzake het beheer van het lerarenregister en registervoorportaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039802&artikel=1). Artikel 2 De uit dit besluit voor de Chief Operational Officer en het hoofd van de afdeling Registers en Knooppunten 1 voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op de door de Chief Operational Officer en het hoofd van de afdeling Registers en Knooppunten 1 daartoe aangewezen plaatsvervangers. Artikel 3 Een afschrift van dit besluit wordt gezonden aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en aan degenen aan wie krachtens dit besluit ondermandaat en machtiging is verleend. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 juli 2017. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit"},{"i":9725,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen inzake het gebruik van een penitentiaire inrichting in Nederland voor de tenuitvoerlegging van bij Noorse vonnissen opgelegde vrijheidsstraffen Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen (hierna „de partijen”), Overwegende dat er intensieve bilaterale samenwerking is tussen de partijen op het gebied van het strafrecht in Europees verband; Overwegende dat de Partijen de tenuitvoerlegging van bij vonnis opgelegde vrijheidsstraffen essentieel achten voor het functioneren van de rechtsstaat; Overwegende dat in Noorwegen een tekort bestaat aan penitentiaire capaciteit en dat het huren van penitentiaire capaciteit in een andere staat gezien wordt als een kortetermijnoplossing voor deze uitdaging; Overwegende dat als gevolg van de huidige penitentiaire capaciteit van Nederland de tenuitvoerlegging van bij Noorse vonnissen opgelegde vrijheidsstraffen in een penitentiaire inrichting in Nederland kan worden bewerkstelligd; Overwegende dat de partijen internationale normen op het gebied van de mensenrechten erkennen en erdoor gebonden zijn; Overwegende dat de toepassing van dit Verdrag wordt beheerst door deze omstandigheden; Zijn het volgende overeengekomen: DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Vervallen Artikel 2. Doel en reikwijdte Vervallen Artikel 3. Wederzijdse verplichtingen Vervallen Artikel 4. Toepasselijk recht Vervallen Artikel 5. Persoonsgegevens Vervallen Artikel 6. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de directeur Vervallen Artikel 7. Personeel Vervallen DEEL II. BEPALINGEN BETREFFENDE DE TENUITVOERLEGGING VAN VONNISSEN Artikel 8. Plaatsing van gedetineerden Vervallen Artikel 9. Tenuitvoerlegging van verlof en vrijlating Vervallen Artikel 10. Klachten en rechtsvorderingen van gedetineerden Vervallen Artikel 11. Vervoer van gedetineerden Vervallen Artikel 12. Medische verzorging buiten de penitentiaire inrichting Vervallen Artikel 13. Ontvluchting"},{"i":4200,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/294075, houdende vaststelling van het subsidieplafond op grond van de Rijkscofinancieringsregeling Interreg V voor het jaar 2018 Gelet op [artikel 5, vijfde lid, van de Rijkscofinancieringsregeling Interreg V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037018&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 5, vijfde lid, van de Rijkscofinancieringsregeling Interreg V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037018&artikel=5) wordt voor de periode vanaf 15 februari 2018 tot en met 31 december 2018 vastgesteld op € 1.200.000,–. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 februari 2018. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4303,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 augustus 2015, kenmerk 823000-140345-OBP, houdende het verlenen van P-mandaat aan functionarissen van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen in oprichting Gelet op [artikel 7, derde lid, van de Mandaatregeling personele aangelegenheden VWS 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022933&artikel=7); Besluit: Artikel 1 Aan de heer ing. P. Terlouw MCM, kwartiermaker van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen in oprichting, wordt mandaat verleend inzake alle te nemen personele besluiten met betrekking tot medewerkers van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen in oprichting. Aan mevrouw M.R.M. Petit MCC, plaatsvervangend kwartiermaker, wordt mandaat verleend inzake alle te nemen personele besluiten met betrekking tot medewerkers van het tijdelijk programmabureau van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen in oprichting. Aan de heer drs. J.N.M. Timmers RA MGA, hoofd team subsidies VWS van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen in oprichting, wordt mandaat verleend inzake alle te nemen personele besluiten met betrekking tot medewerkers van het team subsidies VWS van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen in oprichting. Hiervan zijn uitgezonderd deHiervan zijn uitgezond personele besluiten die zijn voorbehouden aan de Secretaris-Generaal en de plv. Secretaris-Generaal op grond van de [Mandaatregeling Personele Aangelegenheden VWS 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022933). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2015. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3028,"b":"Besluit van 11 juli 2014, houdende aanwijzing van twee leden van het College van Toezicht inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige Koning Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 4 juli 2014, kenmerk 3135331, gedaan mede namens Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Wet van 4 december 2013, houdende regeling van het ouderlijk gezag over de minderjarige Koning en het toezicht daarop](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034369&artikel=3), Stb. 2013, 534; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 juli 2014, nr. W01.14.0223/1); Gezien het nader rapport van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 11 juli 2014, nr. 3135508, uitgebracht mede namens Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben besloten en besluiten: Als leden van het College van Toezicht de volgende twee Nederlanders aan te wijzen: - –. Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Beatrix Wilhelmina Armgard, Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, Prinses van Lippe-Biesterfeld; - –. Jhr. mr. Frans Ferdinand Feyo de Beaufort. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan een afschrift zal worden gezonden aan Hare Majesteit Koningin Máxima, de in dit besluit genoemden, de vice-president van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer, de president van de Hoge Raad der Nederlanden, de verenigde vergadering der Staten-Generaal, en de Hoge Colleges van Staat."},{"i":3243,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 16 mei 2023 nr. BOACAT2023/022, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Gorinchem Gelezen het verzoek van de teamleider team Toezicht en Handhaving van de gemeente Gorinchem van 13 februari 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048185&artikel=2&z=2023-07-01&g=2023-07-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van gemeentelijk opsporingsambtenaar of toezichthouder in dienst van de gemeente Gorinchem, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein"},{"i":2649,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken, houdende beleidsregels omtrent het verstrekken van informatie over verificatieonderzoeken in India en Pakistan Gelet op de [artikelen 7:4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:4), [8:29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:29), en [8:45, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:45); Gelet op [artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Over de bronnen, methoden en technieken van het verificatieonderzoek in het kader van de behandeling van een verzoek om legalisatie van documenten in India en Pakistan alsmede de in dat verband opgestelde stukken, wordt geen informatie verstrekt, op grond van de in de [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013833&bijlage=1&z=2002-07-19&g=2002-07-19) bij dit besluit vermelde overwegingen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage 1. Noodzaak van geheimhouding bij verificatieonderzoeken in India Doel 1. Deze notitie beoogt het belang aan te tonen van volledige geheimhouding van (de identiteit van) onderzoekers, bronnen, methoden & technieken en schriftelijke stukken bij verificatieonderzoeken in India. 2. Belanghebbenden verzoeken bij kennisneming van de uitkomst van verificatieonderzoeken in India regelmatig om openbaarmaking van (de identiteit van) onderzoekers, bronnen, methoden & technieken en schriftelijke stukken aangewend door de Minister van Buitenlandse Zaken in dergelijke verificatieonderzoeken. Opbouw notitie 3. In deze notitie zal allereerst worden ingegaan op sociale omstandigheden in India, althans voor zover deze van belang zijn in verificatieonderzoeken. Daarna worden doel en noodzaak van dergelijke onderzoeken aangegeven. Vervolgen"},{"i":2219,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 december 2019, nr. Min-Buza.2019.4641-10, houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet normering topinkomens op het terrein van Buitenlandse Zaken (Aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Buitenlandse Zaken) Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.1) en [5.3 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), alsmede [titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **WNT:** de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249); - b. **Eenheid toezicht WNT:** de als zodanig aangeduide eenheid, bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c van het Besluit BZK-toezicht en handhaving WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042396&artikel=1). Artikel 2. Gebundeld toezicht op de naleving van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) 1. De ambtenaren werkzaam bij de Eenheid toezicht WNT worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) ten aanzien van rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen waarvoor de Minister van Buitenlandse Zaken in de WNT is aangewezen als Onze Minister wie het aangaat. 2. De bevoegdheid om namens de Minister van Buitenlandse Zaken inlichtingen te vorderen van de organisaties genoemd in [artikel 5.3 van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), wordt uitgeoefend door het Hoofd TEA die leiding geeft aan de Eenheid toezicht WNT. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en"},{"i":3838,"b":"Besluit van de directeur-generaal Belastingdienst namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 november 2023, nr. 2023-23527 houdende ondermandaat, volmacht en machtiging betreffende de uitvoering van de Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging betreffende de uitvoering van de Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden) Gelet op: Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 10, eerste en tweede lid, van de Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046129&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a). **Functionarissen:** functionarissen van het directoraat-generaal Belastingdienst, directie Belastingdienst/Particulieren, Toezicht Bezwaar en Beroep, Team IBR te Eindhoven zoals opgenomen in een mandaatregister. - b). **Tegemoetkoming:** een tegemoetkoming op grond van de [Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046129). Artikel 2. Volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van (onder)mandaat gelijkgesteld de verlening van volmacht en machtiging. Artikel 3. Reikwijdte ondermandaat 1. Aan de functionarissen wordt, ieder voor zich, ondermandaat verleend voor het beslissen op een aanvraag voor tegemoetkoming. 2. Aan de functionarissen wordt, ieder voor zich, ondermandaat verleend om de tegen de in het eerste lid bedoelde besluiten gerichte bezwaren te behandelen en daarop te beslissen. 3. Aan de functionarissen wordt, ieder voor zich, machtiging verleend tot de behandeling van procedures bij de rechtbanken en in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep en t"},{"i":3817,"b":"Besluit van de Raad voor Toezicht houdende regels inzake ondermandaat en machtiging (Besluit ondermandaat en machtiging Raad voor Toezicht) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gelet op het [Besluit mandaat en machtiging bestuur NBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034104); Besluit als volgt: Artikel 1 De Raad voor Toezicht verleent ondermandaat en machtiging aan het hoofd toezicht en kwaliteit en de secretaris Raad voor Toezicht om besluiten te nemen en handelingen te verrichten ter uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033786&artikel=6) en [24 van de Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033786&artikel=24). Artikel 2 Het krachtens ondermandaat of machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: Het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants, namens deze, de Raad voor Toezicht, namens deze: (handtekening) (naam functionaris) (functie) Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2014. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondermandaat en machtiging Raad voor Toezicht."},{"i":4126,"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2010 Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2010 worden de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030177&bijlage=1&z=2011-07-02&g=2011-07-02) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage 1 De bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), over het uitkeringsjaar 2010. | nr | Verdeelmaatstaf | bedragen per eenheid | | --- | --- | --- | | 1 | Motorrijtuigenbelasting | –55,52 | | 2a | Inwoners | 19,93 | | 2b | Inwoners boven 640.000 | 11,84 | | 3a | Inwoners in stedelijke gebieden | 12,89 | | 3d | Inwoners in landelijke gebieden | 18,25 | | 4 | Land | 45,48 | | 5 | Water | 32,52 | | 6 | Groen | 16,74 | | 7 | Gewogen weglengte | 21.001,57 | | 8 | Warmtekrachtkoppeling | 0,66 | | 9 | Vast bedrag1 | 7.894.478,81 | | 9a | Vast bedrag Fryslân | 8.847.478,81 | | 9b | Vast bedrag Groningen | 7.948.665,72 | 1Exclusief vast bedrag Fryslân en Groningen."},{"i":4063,"b":"Besluit toezichthouders Subsidieregeling breedband Kenniswijk Gelet op [artikel 6 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van [artikel 10 van de Subsidieregeling breedband Kenniswijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013686&artikel=10) zijn belast de medewerkers van het agentschap LASER van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor zover zij binnen LASER belast zijn met het toezicht op de uitvoering van die regeling. Artikel 2 De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, bedoeld in [artikel 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toezichthouders Subsidieregeling breedband Kenniswijk. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3535,"b":"Besluit van 6 oktober 1997, houdende regels voor geslachtsnaamswijziging Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 26 juni 1997, Directie Wetgeving, nr. 635454/97/6; Gelet op artikel 7, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; De Raad van State gehoord (advies van 20 augustus 1997, nr. W03.97.003148); Gezien het nader rapport van de Staatsecretaris van Justitie van 30 september 1997, nr. 654392/97/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Gronden voor wijziging van geslachtsnamen, algemeen Artikel 1 1. De geslachtsnaam van een persoon wordt op zijn verzoek of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger gewijzigd, indien - a. de naam op zichzelf of in verband met het beroep, de maatschappelijke positie of een persoonlijke hoedanigheid van de betrokkene kennelijk onwelvoeglijk of bespottelijk is; - b. de naam zo veelvuldig voorkomt dat zij onvoldoende onderscheidend vermogen heeft; - c. de naam niet-Nederlands is en toebehoort aan personen die door naturalisatie of door het doen van een kennisgeving de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen, of aan hun afstammelingen in rechte lijn; ten tijde van de naturalisatie of de kennisgeving dient de in [artikel 12, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12) genoemde grond tot wijziging te hebben bestaan; - d. de verzoeker aantoont dat de naam in de akten van de burgerlijke stand sinds de invoering daarvan (1810–1838) onjuist is gespeld en in de volgens de verzoeker juiste spelling sindsdien is gevoerd; - e. de naam Nederlands is en verzoeker aantoont dat hij dan wel een van zijn bloedverwanten in de opgaande lijn voordien een daarmee overeenstemmende Friese naam had en het verzoek gericht is op de verkrijging van de desbetreffende Friese naam in de huidige Friese spelling of - f. de Friese naam is weergegeven in de Nederlandse spelling en het verzoek gericht is op de verkrijging van de desbetreffende Friese naam in de huidige Fri"},{"i":2304,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 april 2013, nr. 353422, tot aanwijzing van stichting Halt als Halt-bureau en tot intrekking van het Mandaatbesluit stichting Halt Nederland (Aanwijzingsbesluit stichting Halt) Gelet op [artikel 48g van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48g), [artikel 3 van de Regeling Halt 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032680&artikel=3) en [artikel 10:8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:8); Besluit: Artikel 1 Als Halt-bureau in de zin van [artikel 48g van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48g) wordt aangewezen Stichting Halt. Artikel 2 Ingetrokken worden: - a. het [Mandaatbesluit stichting Halt Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014726) (Stcrt. 2003, nr. 38); - b. de Aanwijzing Halt-bureaus in de zin van artikel 2 van de Aanwijzingsregeling Halt-bureaus (Stcrt. 2008, nr. 139); - c. de [Regeling Halt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014540) (Stcrt. 2002, nr. 249). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit stichting Halt. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3577,"b":"Besluit van 21 november 2015, houdende regels met betrekking tot de vergoeding minimumtoegangspakket en de toegang tot dienstvoorzieningen en de levering van diensten op het gebied van spoor en houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur ter implementatie van richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PbEU 2012, L 343/32) (Besluit implementatie richtlijn 2012/34/EU tot instelling van één Europese spoorwegruimte) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 10 juli 2015 nr. IENM/BSK-2015/121487, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PbEU 2012, L 343/32) en de [artikelen 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=31), [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=61), [62, vierde lid, zesde lid, onderdelen a en d, en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=62), [67, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=67), [68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=68), en [68a, tweede lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=68a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 september 2015, No.W14.15.0238/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 13 november 2015, nr. IenM/BSK-2015/192671, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop rustende bepalingen, wordt verstaan onder: - **alternatief traject:** alternatief traject als bedoeld in artikel 3, onderdeel 9, van [richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU; - **dienstregelingsjaar:** de period"},{"i":2957,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 23 februari 2026 tot aanwijzing van de Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk als klachtadviescommissie Gelet op [artikel 9:14, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14), de Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen Rijk en het [Besluit instelling Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051145); BESLUIT: Artikel 1 1. De Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk, zoals ingesteld met het [Besluit instelling Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051145) (Stcrt. 2025, 19890), wordt aangewezen als een klachtadviescommissie als bedoeld in [artikel 9:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14) voor: - a. het Ministerie van Financiën als genoemd in [artikel 1, onderdeel a, van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=1), en de daaronder ressorterende organisaties zonder rechtspersoonlijkheid, en - b. een tijdelijk programmadirectoraat-generaal als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=11). 2. De zelfstandige bestuursorganen van het Ministerie van Financiën, waaronder die zonder rechtspersoonlijkheid, vallen niet onder deze aanwijzing. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 30 juni 2025. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3722,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 11 december 2017, nr. WJZ / 17080334, houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging aan de raad van bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek voor aangelegenheden met betrekking tot subsidieverstrekking op grond van paragraaf 3.16.3a van de Regeling nationale EZ-subsidies (Besluit mandaat, volmacht en machtiging bestuur NWO inzake subsidieverstrekking op grond van paragraaf 3.16.3a van de Regeling nationale EZ-subsidies) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de raad van bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek; Besluit: Artikel 1 Aan de raad van bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke handelingen en het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de subsidieverstrekking op grond van [paragraaf 3.16.3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&paragraaf=3.16.3a), [paragraaf 3.16.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&paragraaf=3.16.4) en [titel 3.23 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&titeldeel=3.23). Artikel 2 Aan de raad van bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek wordt tevens mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040361&artikel=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep. Artikel 3 In het geval de Minister van Economische Zaken en Klimaat een mededeling doet aan de raad van bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappeli"},{"i":2308,"b":"Aanwijzingsbesluit toezichthouders Wet buitenlandse schepen Gelet op [artikel 5, eerste lid, van de Wet buitenlandse schepen](onbekend); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Wet buitenlandse schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016993) bepaalde worden aangewezen de ambtenaren die op grond van [artikel 1, onderdeel k, van de Wet havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=1) j° [artikel 2 van de Regeling havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009630&artikel=2) zijn aangewezen, alsmede de ambtenaren, die ingevolge [artikel 5 van de Regeling onderzoeken ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013384&artikel=5) zijn aangewezen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van heden. Dit besluit zal worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":2778,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2005 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2005, doch niet later dan 15 juni 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,704 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2005 en eindigende met 15 juni 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&ar"},{"i":2777,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2004 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i, artikel 56, tweede lid, artikel 57, eerste lid, en artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 mei 2004, doch niet later dan 15 juni 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,810 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2004 en eindigende met 15 juni 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), i"},{"i":3154,"b":"Besluit van 6 februari 2001, houdende vaststelling van de regels rond het recht op een bijzonder militair invaliditeitspensioen vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en op bijzonder militair nabestaandenpensioen (Besluit bijzondere militaire pensioenen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 19 februari 1999, nr. P/99000777; Gelet op [artikel 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 27 april 1999, No. W07.99.0081/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 1 februari 2001, nr. P/2001000558; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Besluit AO/IV: het [Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223); - b. militair, berekeningsgrondslag: hetgeen in het [Besluit AO/IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223) onder die begrippen wordt verstaan; - c. pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; - d. nabestaande, partner, wees: hetgeen in het pensioenreglement onder die begrippen wordt verstaan; - e. invaliditeit met dienstverband: invaliditeit als bedoeld in [artikel 2, derde lid, van het Besluit AO/IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223&artikel=2); - f. AOW: de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221); - g. Anw: de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795); - h. AOW-pensioen: het tot een jaarbedrag herleid en met de vakantie-uitkering verhoogd pensioen ingevolge de [AOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) dat de rechthebbende naast zijn pensioen ingevolge dit besluit geniet, in relatie tot het invaliditeitspensioen inclusief het AOW-pensioen van zijn partner en in r"},{"i":7582,"b":"Besluit van 4 oktober 2012, houdende regels omtrent de doeleinden waarvoor de politie en de rijksrecherche, met inachtneming van de Wet politiegegevens, gegevens verwerken, de categorieën van gegevens die daartoe worden verwerkt, de terbeschikkingstelling en verstrekking van gegevens alsmede de wijze van verwerking (Besluit verplichte politiegegevens) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 18 november 2011, nr. 5716361/11/6; Gelet op de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=21), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=24) en [54 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=54) en de [artikelen 6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=6), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=11), [15, tweede lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 januari 2012, nr. W03.11.0501/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 28 september 2012, nr. 251196; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **centrale verwijzingsindex:** de door Onze Minister aangewezen systeem- en toepassingsprogrammatuur met behulp waarvan een overzicht kan worden verkregen van de herkenningsdienstgegevens van de politie of diensten waarin een geregistreerde voorkomt en met behulp waarvan rechtstreekse toegang tot die onderlinge gegevensverwerking kan worden verkregen; - b. **signalering:** een in verband met de uitvoering van de politietaak noodzakelijke kennisgeving over een persoon of een goed; - c. **criminele-inlichtingeneenheid:** een onderdeel van een regionale of landelijke eenheid, onderscheidenlijk van de rijksrecherche, belast met het, ten behoeve van de recherchefunctie, verwerken van gegevens die noodzakelijk zijn voor de opspor"},{"i":7689,"b":"Regeling rechten betrokkenen bij de verwerking van persoonsgegevens van het Vervangingsfonds en Participatiefonds Gelet op Hoofdstuk III, artikel 15 t/m 21 Algemene Verordening Gegevensbescherming; Besluiten de volgende regeling vast te stellen: § 1. Definities Artikel 1. Definities en toepassingsbereik 1. Deze regeling is van toepassing op verzoeken om inzage in, rectificatie van, wissing van, beperking van, overdracht van en bezwaar tegen verwerking door het Vervangingsfonds en het Participatiefonds van persoonsgegevens in het kader van zijn (wettelijke) taken en alle bezwaren hieromtrent. 2. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **AVG:** de Algemene Verordening Gegevensbescherming; - b. **Vervangingsfonds:** de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs als bedoeld in [artikel 183 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=183) dan wel [artikel 169 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=169); - c. **Participatiefonds:** de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs als bedoeld in [artikel 184 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=184) dan wel [artikel 170 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=170); - d. **persoonsgegeven:** alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon; - e. **verwerken van persoonsgegevens:** een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde"},{"i":7008,"b":"Faillissementswet BES Titel I. Van faillissement afdeeling Eerste. Van de faillietverklaring Artikel 1 1. De schuldenaar, die in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zijner schuldeischers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard. 2. De faillietverklaring kan ook worden uitgesproken om redenen van openbaar belang, op de vordering van het Openbaar Ministerie. Artikel 2 1. De faillietverklaring geschiedt door de rechter in eerste aanleg. Deze is daartoe bevoegd, indien: - a. de schuldenaar in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba zijn woonplaats heeft, of, aldaar woonplaats gehad hebbend, met achterlating van schulden zich buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba heeft begeven; - b. de schuldenaar, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba geen woonplaats hebbend, aldaar een beroep of bedrijf uitoefent. 2. De aangifte, het verzoek of de vordering daartoe moet worden ingediend ter griffie van het gerecht in eerste aanleg in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waar de schuldenaar zijn woonplaats heeft of laatstelijk gehad heeft, dan wel in het geval omschreven in lid 1 sub b, waar hij een kantoor heeft. 3. Ten aanzien van vennoten onder een firma kan de indiening ook geschieden in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waar het kantoor der vennootschap is gevestigd. 4. Wordt in de gevallen bedoeld bij het tweede of derde lid of in het geval bedoeld bij [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028917&titeldeel=I&afdeling=Eerste&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bij meer dan één uitspraak op verschillende dagen de faillietverklaring uitgesproken, dan heeft alleen de eerst gedane uitspraak rechtsgevolgen. Hebben de uitspraken op dezelfde dag plaats, dan heeft alleen de uitspraak op het verzoek, ingediend in het openbaar lichaam Bonaire, en bij gebreke daarvan het verzoek,"},{"i":7616,"b":"Meldplicht datalekken Wet bescherming persoonsgegevens Beleidsregels voor toepassing van [artikel 34a van de Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=34a) Op 1 januari 2016 gaat de meldplicht datalekken in. Deze meldplicht houdt in dat organisaties (zowel bedrijven als overheden) onverwijld een melding moeten doen bij de Autoriteit Persoonsgegevens zodra zij een ernstig datalek hebben. En in een aantal gevallen moeten zij het datalek ook melden aan de betrokkenen (de mensen van wie de persoonsgegevens zijn gelekt). Iedereen heeft recht op eerbiediging en bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en een zorgvuldige omgang met zijn persoonsgegevens. De regels hiervoor zijn vastgelegd in de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) (Wbp). Hierin staat dat u de persoonsgegevens die u verwerkt moet beveiligen tegen verlies en tegen onrechtmatige verwerking ([artikel 13 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=13)). Een datalek moet worden gemeld aan de Autoriteit Persoonsgegevens als het leidt tot een aanzienlijke kans op ernstige nadelige gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens, of als het ernstige nadelige gevolgen heeft voor de bescherming van persoonsgegevens ([artikel 34a, eerste lid, Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=34a)). Het datalek moet daarnaast ook worden gemeld aan de betrokkene indien het waarschijnlijk ongunstige gevolgen zal hebben voor diens persoonlijke levenssfeer (artikel 34a, tweede lid, Wbp). Bij de beslissing of u een gebeurtenis die zich heeft voorgedaan moet melden aan de Autoriteit Persoonsgegevens, en eventueel daarnaast ook aan de betrokkene, moet u een aantal afwegingen maken. Het onderstaande schema geeft deze afwegingen weer. Er is alleen sprake van een datalek als zich daadwerkelijk een beveiligingsincident heeft voorgedaan. Bij een beveiligingsincident moet u bijvoorbeeld denken aan het kwijtraken van een USB-stick, d"},{"i":2744,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2008 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2008, doch niet later dan 15 februari 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,618 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2008 en eindigende met 15 februari 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.n"},{"i":3930,"b":"Besluit van 24 juni 2010, houdende regels over het personeel van de brandweer, functies voor de bedrijfsbrandweer, functies binnen de GHOR en functies binnen de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing en het overleg over het personeel van de brandweer (Besluit personeel veiligheidsregio’s) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 februari 2010, nr. 2009-0000506161, CZW/WVOB; Gelet op de [artikelen 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=18) en [31, vierde lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=31); De Raad van State gehoord (advies van 15 april 2010, nr. W04.10.0062/1); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 juni 2010, nr. 2010-0000398206; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet veiligheidsregio's in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **functie:** samenstel van te verrichten werkzaamheden; - b. **diploma:** diploma als bedoeld in [artikel 18, vierde lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=18). Hoofdstuk 2. Functies Artikel 2 1. Bij ministeriële regeling worden voor het personeel van de brandweer regels gesteld over de functies, genoemd in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027841&bijlage=1&z=2017-12-01&g=2017-12-01) en [1A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027841&bijlage=1a&z=2017-12-01&g=2017-12-01), en de daarbij behorende eisen over de bekwaamheid. 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de volgende functies binnen de GHOR: - a. algemeen commandant geneeskundige zorg; - b. directeur publieke gezondheid, voor zover het de GHOR-taken betreft; - c. hoofd acute gezondheidszorg; - d. hoofd informatie geneeskundige zorg; - e. hoofd ondersteuning geneeskundige zorg; - f"},{"i":2618,"b":"Beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2004 Op verzoek van de werkgever wordt een ontheffing verleend als bedoeld in [artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002014&artikel=8), voor de bij die ontheffing aan te wijzen werknemers of groepen van werknemers, indien gedurende ten minste 2 kalenderweken en gedurende ten hoogste 24 kalenderweken, ten minste 20% van de aan de werkgever ter beschikking staande arbeidscapaciteit niet kan of naar verwachting niet zal kunnen worden benut, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend. Een ontheffing wordt verleend voor een periode van ten hoogste 6 weken en kan op verzoek van de werkgever drie maal worden verlengd, telkens voor een periode van ten hoogste 6 weken. Geen ontheffing wordt verleend:"},{"i":4134,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 oktober 2025, nr. 2025-0000224867, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond op grond van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (Het Sociaal Innovatiefonds) Gelet op [artikel 2 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=2) en de [artikelen 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.2) en [1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3), Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening van [artikel 1.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.2) gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. De subsidieverlening voor het Landelijk Sociaal Innovatiefonds (hierna: SIF) geldt voor de periode vanaf de ingangsdatum van het subsidieverleningsbesluit tot het einde van de projectperiode van vijf jaar. Hierbij geldt een subsidieplafond van EUR 6,795 mln. 2. De op grond van het in het eerste lid genoemde beschikbare middelen zijn als volgt verdeeld over de volgende doelstellingen: - a. **De uitvoering ter dekking van de werkgeversondersteuning en het fondsenbeheer** (maximaal EUR 420.000 per jaar t/m 2029 en EUR 315.000 in 2030 en 2031). De uitvoering is tweeledig: - •. Het stimuleren en ondersteunen van werkgevers bij het doen van investeringen om groepen mensen met een ondersteuningsbehoefte duurzaam aan te nemen. - •. De uitvoering van het fondsenbeheer. Hieronder valt in ieder geval (de uitvoering van het) verstrekken, beheren, administreren en monitoren van de leningen. - b. **Het verstrekken van leningen vanuit het SIF aan werkgevers** (maximaal EUR 4,8 mln.). 3. Voorstellen voor subsidie dienen beide doelstellingen te omvatten. 4. Meerjarige subsidies worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in [artikel 4:43 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.ov"},{"i":4712,"b":"Instellingsbesluit Comité van Toezicht Plattelandsontwikkelingsplan Nederland Gelet op artikel 48, derde lid, van [verordening (EG) nr. 1257/99](31999R1257) van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (PbEG L 160); In overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu en de Minister van Verkeer en Waterstaat; Na overleg met de provincies, Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 Er is een Comité van Toezicht voor het Plattelandsontwikkelingsplan, hierna te noemen: het comité. Artikel 3 Het comité heeft ten aanzien van het Plattelandsontwikkelingsplan de volgende taken: - a. toezien op de voortgang van de uitvoering van het Plattelandsontwik-kelingsplan met de daarin opgenomen rijksregelingen en provinciale programma's teneinde een volledige besteding te waarborgen van de op grond van [verordening (EG) nr. 1257/99](31999R1257) door de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de uitvoering van het Plattelandsontwik-kelingsplan beschikbaar gestelde middelen, en daarover te rapporteren aan de minister, de betrokken ministers en de gedeputeerde staten; - b. voorbereiden en zo nodig coördineren van de besluitvorming door de minister, en voorzover van toepassing de betrokken ministers, respectievelijk de gedeputeerde staten, met betrekking tot de rijksregelingen respectievelijk de provinciale programma's; - c. beoordelen van de jaarlijkse voortgangsrapportages als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van [verordening (EG) nr. 1257/99](31999R1257), haar bevindingen terzake vast te leggen en kenbaar te maken aan de minister, de betrokken ministers en de gedeputeerde staten; - d. doen van voorstellen tot wijziging van het Plattelandsontwikkelingsplan aan de minister, de betrokken ministers en de gedeputeerde staten teneinde een volledige besteding te waarborgen"},{"i":2571,"b":"Beleidsregel van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 februari 2009, nr. DWJZ/BWJP-2885174, inzake het niet verstrekken van financiële bijdragen ten behoeve van programma's van omroepinstellingen Gelet op [artikel 32, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32), [artikel 2 van de Kaderwet VWS-Subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=2) en [artikelen 4:23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23), en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verstrekt geen financiële bijdragen met het oog op de aankoop, totstandkoming dan wel uitzending van een programma als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1), indien een zodanig programma inhoudelijk de behandeling van één of meer onderwerpen op het terrein van het ministerie tot onderwerp heeft. Artikel 2 Deze beleidsregel is niet van toepassing op het verstrekken van financiële bijdragen die voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel zijn verstrekt of toegezegd. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel VWS niet verstrekken bijdragen omroepprogramma’s. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3087,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 6 maart 2020, nr. WJZ/20062913, inzake de keuze voor het instrument veiling van vergunningen voor mobiele communicatie in de 700, 1400 en 2100 MHz-band en de vaststelling van de te veilen vergunningen Gelet op [artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10) en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor mobiele communicatie genoemd in tabel 1, met de daaraan te verbinden voorschriften en beperkingen zoals vastgesteld in de [bijlagen 1 tot en met 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043245&bijlage=1&z=2020-03-07&g=2020-03-07), worden verleend met toepassing van een veiling als bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). | Vergunning | Omschrijving | Aantal beschikbare vergunningen | Bijlage | | --- | --- | --- | --- | | K | vergunning voor het gebruik van frequentieruimte van twee keer 5 MHz binnen het frequentiebereik 703–733 MHz gepaard met 758–788 MHz waarbij tussen beide frequentieruimten van 5MHz steeds een afstand is van 55 MHz | 6 | [1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043245&bijlage=1&z=2020-03-07&g=2020-03-07) | | L | vergunning voor het gebruik van frequentieruimte van 5 MHz binnen het frequentiebereik 1452–1492 MHz | 8 | [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043245&bijlage=2&z=2020-03-07&g=2020-03-07) | | M | vergunning voor het gebruik van frequentieruimte van twee keer 5MHz binnen het frequentiebereik 1920–1980 MHz gepaard met 2110–2170 MHz waarbij tussen beide frequentieruimten van 5 MHz steeds een afstand is van 190 MHz | 12 | [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043245&bijlage=3&z=2020-03-07&g=2020-03-07) | Artikel 2 De transitievergunning die ambtshalve op grond van [artikel 3.8a v"},{"i":3971,"b":"Besluit van 15 juli 1998, houdende nadere regels omtrent vorm en inhoud van het register in de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Besluit register schuldsaneringsregeling) Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 14 december 1998, nr. 530132/95/6; Gelet op [artikel 294, tweede lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=294); De Raad van State gehoord (advies van 4 januari 1996, nr. W03.95.0688); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 6 juli 1998, nr. 704652/98/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking als de Invoeringswet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen in werking treedt. Artikel 1 Het register, bedoeld in [artikel 294, eerste lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=294) wordt ingericht volgens het bij dit besluit behorende model. Artikel 2 Indien het op 23 juni 1998 door de Eerste Kamer aanvaarde voorstel van wet, houdende inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan de wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen (Invoeringswet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen) (Kamerstukken II 1993/94, 23 429) tot wet wordt verheven en in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit register schuldsaneringsregeling. Model register schuldsanering | Beslissingen in eerste aanleg | Beslissingen in eerste aanleg | Beslissingen in beroep | Besl. in cassatie | | --- | --- | --- | --- | | | | | | | **Beslissingen op een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling** | **Beslissingen op een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling** | | | | | | | | | 1. | Verzoek tot toepassing afgewezen bij vonnis van: | 1. | 1. | | 2. | Voorlopige toepassing uitgesproken bij vonnis van: | 2. | 2. | | 3. | Na voorlopige toepassing definitieve toepassing afgewezen bij vonnis van: |"},{"i":2974,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 3 juni 2009, nr. 5602950/09/6, tot aanwijzing van de organisatie waaraan derden elektronische adressen kunnen opgeven voor het elektronisch laten van derdenbeslag en tot aanwijzing van het bestuursorgaan waaraan deurwaarders informatie kunnen opvragen in het kader van derdenbeslag Gelet op [artikel 475, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475), en [artikel 475g, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475g); Besluit: Artikel 1 De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders wordt aangewezen als de organisatie, bedoeld in [artikel 475, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475). Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2009. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2851,"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1996 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1995 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1994; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1996 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1.1. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1996."},{"i":3797,"b":"Besluit van 4 juli 2007, houdende regels aangaande de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten (Besluit OM-afdoening) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 3 april 2007, directie Wetgeving, nr. 5476193/07/6, Gelet op de [artikelen 257b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257b), [257d, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257d), en [572, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=572), en de [artikelen 22e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22e), [22k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22k), [74, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74), en [77ff, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77ff); Voorts gelet op de [artikelen 1, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=1), [2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=2), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=4), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=9), en [13, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=13), [artikel 126 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=126) en de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=39) en [41 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=41); De Raad van State gehoord (advies van 23 mei 2007, nr.W03.07.0090/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 29 juni 2007, directie Wetgeving, nr. 5491696/07/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet OM-afdoening in werking treedt. H"},{"i":3145,"b":"Besluit van 13 oktober 2012, houdende regels over de bewapening, de uitrusting en de kleding van de politie en de bijzondere bijstandseenheden alsmede regels over de taakuitvoering door de politie en de eisen aan de bekwaamheid van de ambtenaren van politie en van de bijzondere bijstandseenheden (Besluit bewapening en uitrusting politie) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en Onze Minister van Defensie van 17 oktober 2011; Gelet op de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=21), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=22) en [59, vijfde lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=59); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 januari 2012, nr. W03.11.0470/II); Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en van Defensie van 5 oktober 2012, nr. 286450; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Bewapening en uitrusting Artikel 1 1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a of c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), met een rang als bedoeld in [artikel 1, onderdelen a tot en met h, van het Besluit rangen politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006981&artikel=1); - b. **pistool:** semi-automatisch pistool, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter; - c. **semi-automatisch schoudervuurwapen:** semi-automatisch schoudervuurwapen, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter; - d. **automatisch schoudervuurwapen:** automatisch schoudervuurwapen, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter; - e. **granaatwerper:** een granaatwerper, kaliber 40mm; - f. **repeteervuurwapen:** een repeteervuurwapen, kaliber 12; - g. **pepperspray:** spuitbus met Oleoresin Capsicum (OC) of Pelargonylvanillylamide (PAVA); - h. **aanhoudings- en ondersteuningstea"},{"i":3385,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 maart 2017 nr. BOACAT2017/020, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Deventer Gelezen het verzoek van gemeente Deventer van 28 februari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039342&artikel=2&z=2017-05-23&g=2017-05-23). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder BOA en senior toezichthouder BOA in dienst van de gemeente Deventer, Team Toezicht en Handhaving, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zov"},{"i":7590,"b":"Beveiligingsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen, Hierna gezamenlijk te noemen „de partijen” en elk afzonderlijk „partij”, Geleid door de wens de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens te waarborgen, in het belang van de nationale veiligheid, komen het volgende overeen: Artikel 1. Doel Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die uit hoofde van dit Verdrag worden uitgewisseld tussen of gegenereerd door de partijen of tussen of door opdrachtnemers of andere rechtspersonen onder hun rechtsmacht. In het Verdrag worden de beveiligingsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „Gerubriceerd contract”, een contract, met inbegrip van eventuele voorafgaande contractonderhandelingen, waarbij voor de uitvoering toegang of mogelijk toegang tot gerubriceerde gegevens vereist is of waarbij deze gecreëerd worden. - b. „Gerubriceerde gegevens”, gegevens die of materiaal dat door een van de partijen als gerubriceerd worden of wordt aangemerkt, waarvan de ongeoorloofde bekendmaking, verandering, compromitering of het verlies de belangen van een of beide partijen zou kunnen schaden. - c. „Bevoegde beveiligingsautoriteit”, de overheidsautoriteit in een partij die verantwoordelijk is voor de implementatie van en toezicht op dit Verdrag. De bevoegde beveiligingsautoriteit kan een deel van zijn verantwoordelijkheden delegeren aan een gemachtigde bevoegde beveiligingsautoriteit. - d. „Opdrachtnemer”, elke rechtspersoon die bevoegd is contracten aan te gaan. - e. „Veiligheidsmachtiging bedrijfslocatie”, de vaststelling door de bevoegde beveiligingsautoriteit dat een bedrijfslocatie passende beveiligingsmaatregelen heeft genomen voor de toegang tot en omgang"},{"i":7589,"b":"Besluit van 3 augustus 2004, houdende aanwijzing van de gegevens over een gebruiker en het telecommunicatie-verkeer met betrekking tot die gebruiker die van een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst kunnen worden gevorderd (Besluit vorderen gegevens telecommunicatie) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 17 maart 2004, nr. 5275464/04/6; Gelet op [artikel 126n, eerste lid, tweede volzin](onbekend), en [artikel 126u, eerste lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 22 april 2004, nr. W03.04.0125/l); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 20 juli 2004, nr. 5298172/04/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 18 maart 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en andere wetten in verband met de aanpassing van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens terzake van telecommunicatie (vorderen gegevens telecommunicatie) (Stb. 105) in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. gebruiker: een gebruiker als bedoeld in [artikel 138h van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=138h); - b. nummer: een nummer als bedoeld in [artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1). Artikel 2 De volgende gegevens worden aangewezen als gegevens in de zin van [artikel 126n, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126n), [artikel 126u, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126u), en [artikel 126zh, eerste lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zh): - a. de naam, het adres en de woonplaats van de gebruiker; - b. de nummers van de gebruiker; - c. de naam, het adres, de woonplaats en het nummer van de natu"},{"i":3266,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 november 2021, nr. BOACAT2021/060, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Hulst Gelezen het verzoek van de gemeente Hulst van 5 november 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045899&artikel=2&z=2021-11-26&g=2021-11-26). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van BOA in dienst van de gemeente Hulst, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde"},{"i":3373,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 23 juli 2015 nr. BOACAT2015/031, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Hardinxveld-Giessendam Gelezen het verzoek van de gemeente Hardinxveld-Giessendam, afdeling BurgerBalie, cluster Vergunningen en Handhaving, van 13 juli 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdamen de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036903&artikel=2&z=2015-08-01&g=2015-08-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder bij de gemeente Hardinxveld-Giessendam, afdeling BurgerBalie, cluster Vergunningen en Handhaving, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte van [bijlage A-I van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694&bijlage=A). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon ops"},{"i":2999,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 14 december 2025, nr. WJZ/102303353, tot aanwijzing van toezichthouders voor de Energiewet (Besluit aanwijzing toezichthouders Energiewet) Gelet op [artikel 5.18, tweede lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=5.18); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **gedelegeerde verordening 2024/1366:** Gedelegeerde [Verordening (EU) 2024/1366](32024R1366) van de Commissie van 11 maart 2024 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2019/943](32019R0943) van het Europees Parlement en de Raad door middel van de vaststelling van een netcode inzake sectorspecifieke regels voor met cyberbeveiliging samenhangende aspecten van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen; - **wet:** [Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714). Artikel 2 Met het toezicht op de naleving, bedoeld in [artikel 5.18, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=5.18), zijn belast: - a. de inspecteur-generaal der mijnen en de onder hem vallende ambtenaren met de functiebenamingen inspecteur, senior inspecteur, coördinerend/specialistisch inspecteur en inspecteur/medewerker toezicht, voor zover het betreft het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 3.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.48), [3.74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.74) en [3.79, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.79), ten aanzien van onderwerpen die betrekking hebben op de veiligheid in verband met gas; - b. de ambtenaren met de functiebenamingen inspecteur, senior inspecteur, coördinerend/specialistisch inspecteur en inspecteur/medewerker toezicht van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken, ten aanzien van: - 1°. de [artikelen 2.46, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2"},{"i":4657,"b":"Besluit van 20 januari 2016 tot wijziging van het Besluit melding zeggenschap in uitgevende instellingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en het Besluit openbare biedingen Wft ter implementatie van richtlijn nr. 2013/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2007/14/EG van de Commissie tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG (PbEU 2013, L 294) (Implementatiebesluit wijziging richtlijn transparantie) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 15 december 2015, 2015-0000021959, directie Financiële Markten; Gelet op [Richtlijn nr. 2013/50](32013L0050)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van [Richtlijn 2004/109/EG](32004L0109) van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, [Richtlijn 2003/71/EG](32003L0071) van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en [Richtlijn 2007/14/EG](32007L0014) van de Commissie tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van [Richtlijn 2004/109/EG](32004L0109) (PbEU 2013, L 294), alsmede de [artikelen 1:80, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, eerste lid](ht"},{"i":3393,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 7 juni 2021 nr. BOACAT2021/022, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Steenwijkerland Gelezen het verzoek van gemeente Steenwijkerland van 21 april 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045473&artikel=2&z=2024-05-17&g=2024-05-17). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van - a). Controleur Openbare Ruimte - b). Toezichthouder Milieu, welzijn en infrastructuur in dienst van de gemeente Steenwijkerland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, II Milieu welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd t"},{"i":4829,"b":"Mandaatbesluit BZK inzake wijzigingen van het ABRO 2026 voorschrift in overeenstemming met de Minister van Defensie, Besluit: De secretaris-generaal mandaat te geven de directeur-generaal Digitalisering en Overheidsorganisatie aan te wijzen om de volgende taak uit te voeren: Het in samenspraak met de daartoe bevoegde functionaris bij het Ministerie van Defensie wijzigen van het vastgestelde ABRO-voorschrift (ABRO 2026), waarin beveiligingsmaatregelen zijn omschreven ten aanzien van Bijzondere Opdrachten. Dit besluit geldt vanaf 1 januari 2026 en volgt het gezamenlijke besluit op van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van de Minister van Defensie van 1 december 2025 ter aanvulling op [Kaderbesluit ABRO rijksdienst](onbekend), kenmerk 2025-0000040251, Stcr. 2025, 39538. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3195,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 23 september 2024 nr. BOACAT2024/105, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Amersfoort Gelezen het verzoek van de gemeente Amersfoort van 6 september 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050235&artikel=2&z=2024-10-01&g=2024-10-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver in dienst van de gemeente Amersfoort, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de"},{"i":3477,"b":"Besluit van 29 augustus 1990, houdende regels met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de gijzeling als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder c, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 25 juni 1990, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 21767/690; Gelet op [artikel 28, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=28) (**Stb.** 1989, 300); De Raad van State gehoord (advies van 23 juli 1990, nr. W03.90.0272); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 20 augustus 1990, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 23925/690; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder - a. wet: de [Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581) (**Stb.** 1989, 300). - b. gijzeling: de gijzeling als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet. Artikel 2 De gijzeling wordt ten uitvoer gelegd in het huis van bewaring. Ten aanzien van militairen wordt de gijzeling ten uitvoer gelegd in het huis van bewaring overeenkomstig de bepalingen van het besluit van 9 juni 1982, **Stb.** 334. Artikel 3 De officier van justitie kan, voor de tenuitvoerlegging van de gijzeling de nodige bijzondere of algemene last geven aan de deurwaarders en aan de ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Zij zijn verplicht onmiddellijk aan de vordering van de officier van justitie te voldoen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 1990. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":3227,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 juli 2022 nr. BOACAT2022/045, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Dordrecht Gelezen het verzoek van gemeente Dordrecht van 20 juni 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046980&artikel=2&z=2022-09-05&g=2022-09-05). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van teamleider, teamcoördinator, dagcoördinator, adviseur of handhaver in dienst van gemeente Dordrecht, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de"},{"i":2842,"b":"Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1990 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1989 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1988; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1990 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,6. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1990."},{"i":2971,"b":"Besluit aanwijzing opleidingsinstelling Wsnp Gelet op: [Artikel 48c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48c) en [48d van de Wet Justitiesubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48d) (Staatsblad 1996, nr. 334); Artikel I onder M, N en O van de Wet van 7 maart 2013 tot wijziging van de Wet Justitie-subsidies onder meer in verband met de inwerkingtreding van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking (Staatsblad 2013, 96) [Titel III van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&titeldeel=III) (Staatsblad 1998, nrs. 445 en 447 en Staatsblad 2007, 192 en 222); [Artikel 5 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033711&artikel=5) (Staatsblad 2013, nr. 308); Hoofdstuk 2.4. van de Beleidsregels inschrijving bewindvoerders en bewindvoerderorganisaties Wsnp in het register [Regeling van de Minister van Justitie van 23 juli 2009, nr. 5612426/09 houdende verlening van mandaat aan de Raad voor rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch betreffende het verlenen van subsidies en het vaststellen van beleidsregels dienaangaande](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026208) (Staatscourant 2009, 11554); [Besluit ondermandatering Raad voor Rechtsbijstand Wsnp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031025) (Staatscourant 30 december 2011, 23891); stelt de Raad voor Rechtsbijstand het Besluit aanwijzing opleidingsinstelling Wsnp als volgt vast: Artikel 1. Begrippen en definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Wsnp:** [Wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009730); - b. **Vergoedingenbesluit:** [Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033711); - c. **Basisopleiding:** opleiding die wordt afgerond met een diploma bewindvoerder Wsnp - d. **Beleid PE:** beleid permanente educatie Wsnp - e. **Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - f. **Bewindvo"},{"i":4575,"b":"Douanerechten/Indeling in de goederennomenclatuur van bepaalde LCD-monitoren De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten: In dit besluit wordt het besluit van 8 juli 2005, nr. CPP2005/1372M ter zake van de indeling van bepaalde LCD-monitoren ingetrokken. De intrekking is spoedshalve reeds medegedeeld bij het telefaxbericht van 9 februari 2006, nr. BCPP 2006/389 M. 1. Intrekking van een beleidsbesluit Op 29 december 2005 (PbEU L 346) is [Verordening nr. 217/2005](32005R0217) van 23 december 2005 gepubliceerd. In deze Verordening is de indeling in de goederennomenclatuur van bepaalde LCD-monitoren vastgesteld. Deze verordening is in werking getreden op 18 januari 2006. In verband daarmede kan de indeling zoals verwoord in het beleidsbesluit van 8 juli 2005, nr. CPP2005/1372M niet meer worden toegepast. Voorzover de LCD-monitoren beantwoorden aan de omschrijving als bedoeld in [Verordening (EG) nr. 493/2005](32005R0493) (PbEU L82 van 31 maart 2005, blz.1) wordt de heffing van het douanerecht geschorst tot en met 31 december 2006. Het besluit van 8 juli 2005, nr. CPP2005/1372M ter zake van de indeling van bepaalde LCD-monitoren is met ingang van 18 januari 2006 ingetrokken. 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 18 januari 2006. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4284,"b":"Besluit verhoging subsidieplafond Deelregeling theaterteksten Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 1.5, tweede lid van de Deelregeling theaterteksten Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039482&artikel=1.5) Besluit: Artikel 1. subsidieplafond Voor subsidies aan individuen in de vorm van een werkbijdrage theatertekst als bedoeld in [artikel 1.2 van de Deelregeling theaterteksten Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039482&artikel=1.2) geldt in 2025 het volgende: | verhoging | nieuw subsidieplafond | | --- | --- | | 75.000 | 350.000 | Artikel 2. inwerktreding - a. Dit besluit wordt bekendgemaakt via de website van het Fonds Podiumkunsten en gepubliceerd in de Staatscourant - b. Dit besluit treedt in werking met ingang van 5 november 2025. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 5 november 2025 treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 5 november 2025."},{"i":4812,"b":"Besluit van het hoofd van de Afdeling Analyse Nationale Veiligheid van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 januari 2024, nr. 5164881, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het plaatsvervangend hoofd van die afdeling (Mandaatbesluit Analyse Nationale Veiligheid NCTV 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel b, van het Mandaatbesluit Strategie, Analyse Nationale Veiligheid en Bedrijfsvoering NCTV 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049334&artikel=1) aan het hoofd van de Afdeling Analyse Nationale Veiligheid verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die die afdeling betreffen ondermandaat verleend aan het plaatsvervangend hoofd van de Afdeling Analyse Nationale Veiligheid. Artikel 2 Het [Mandaatbesluit Analyse NCTV 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047460) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Analyse Nationale Veiligheid NCTV 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3588,"b":"Besluit van 21 maart 2018, houdende regels voor een systeem van informatie-uitwisseling betreffende bovengrondse en ondergrondse infrastructuur van netten en netwerken ter voorkoming van graafschade en ter bevordering van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid (Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2017, nr. WJZ/17195871; Gelet op [richtlijn 2014/61](32014L0061)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid (PbEU 2014, L 155) en de [artikelen 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=8), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=22), [28, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=29), en [30 van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=30) en [artikel 3.37, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.37); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 december 2017, No.W18.17.0390/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 maart 2018, nr. WJZ/18013217; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **beheerdersinformatie:** i"},{"i":3969,"b":"Besluit van 18 juli 2009, houdende instelling van het Nederlands register gerechtelijk deskundigen en kwaliteitseisen aan deskundigen in strafzaken (Besluit register deskundige in strafzaken) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 28 november 2008, nr. 5576404/08/6; Gelet op de [artikelen 51i, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51i) en [51k, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51k); De Raad van State gehoord (advies van 26 januari 2009, nr. W03.08.0519/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juli 2009, nr. 5606193/09/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet deskundige in strafzaken in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie; - b. **register:** het landelijk openbaar register, bedoeld in [artikel 51k van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51k), met als volledige benaming het Nederlands register gerechtelijk deskundigen; - c. **geregistreerde deskundige:** degene die als deskundige in het register is ingeschreven; - d. **het College:** het College, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - e. **de secretaris:** de secretaris van het College, bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - f. **het bureau:** het bureau ter ondersteuning van het College, bedoeld in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=11&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - g. **aanvrager:** degene die bij het College een aanvraag tot registratie heeft ingediend. Artikel 2 Het register heeft ten doel de gebruikmaking van deskundigen in strafzaken, die naar het oordeel va"},{"i":2776,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2012 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2012, doch niet later dan 15 april 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,677 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2012 en eindigende met 15 april 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel"},{"i":3814,"b":"Besluit van de Raad voor de Praktijkopleidingen houdende regels inzake ondermandaat en machtiging aan SRA stagebureau Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gelet op het [Besluit mandaat en machtiging bestuur NBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034104); Besluit als volgt: Artikel 1 De Raad voor de Praktijkopleidingen verleent ondermandaat en machtiging aan SRA stagebureau om besluiten te nemen en handelingen te verrichten ter uitvoering van de bevoegdheden of taken van het bepaalde in: - –. de [artikelen 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=8), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=20), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=22) en [27 van de Verordening op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=27); - –. de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=2), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=5), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=11), [18, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=19), [20, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=20), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=22), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=24), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=26), [58, tweede lid, van de Nadere voorschriften op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=58). Artikel 2 Het krachtens ondermandaat of machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: Het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants, namens deze, de Raad voor de Pr"},{"i":2321,"b":"Aanwijzingsregeling Vereniging het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars als Informatiecentrum Gelet op de [artikelen 27b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=27b), en [27e van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=27e): Besluiten: De Vereniging het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars, statutair gevestigd te 's-Gravenhage, met ingang van 15 juli 2003 aan te wijzen als Informatiecentrum dat tot taak heeft informatie te verstrekken aan benadeelden teneinde hen in staat te stellen een vordering tot schadevergoeding in te dienen. De werkzaamheden ter uitvoering van zijn taak worden bekostigd uit de ingevolge artikel 2, negende lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen aan hem betaalde bijdragen. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2322,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 oktober 2007, nr. WJZ 7120116, houdende regels inzake het afgeven van verklaringen omtrent uitoefening van werkzaamheden ter uitvoering van richtlijn nr. 2005/36/EG (Aanwijzingsregeling vestiging in de EU 2007) Gelet op artikel 56, derde lid, juncto de artikelen 11, 17, 18 en 19 van richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255), en [artikel 28, aanhef en onder a, van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009276&artikel=28); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. richtlijn: richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255); - b. Kamer: de Kamer van Koophandel, bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=2). Artikel 2 1. Als instantie, bevoegd tot het op verzoek afgeven van een verklaring van daadwerkelijke en geoorloofde uitoefening in Nederland van een van de in Bijlage IV van de richtlijn vermelde werkzaamheden, wordt aangewezen de kamer in het gebied waarin de werkzaamheden van de aanvrager geheel of in hoofdzaak hebben plaatsgevonden. 2. In afwijking van het eerste lid kan een kamer in het gebied waarin de werkzaamheden van de aanvrager geheel of in hoofdzaak hebben plaatsgevonden de verklaring laten afgeven door een andere kamer indien bij eerstgenoemde kamer slechts incidenteel verzoeken om de in het eerste lid bedoelde verklaringen worden ingediend. Artikel 3 1. Een verklaring wordt uitsluitend afgegeven indien de aanvrager voldoet aan een van de in de artikelen 17, 18 en 19 van de richtlijn genoemde voorwaarden. 2. De in het eerste lid bedoelde verklaring bevat een opgave van de feiten op grond waarvan zij wordt afgegev"},{"i":2323,"b":"Besluit van 23 juni 1988, houdende vaststelling van het Academisch Statuut Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, mede namens Onze Minister van Landbouw en Visserij, van 16 oktober 1987, nr. 9419/4610, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de artikelen 11, tweede lid, 12, tweede, vierde en vijfde lid, 13, vijfde lid, 16, eerste, tweede en vierde lid, 17, eerste, tweede en derde lid, 18, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 19, 20, eerste lid, 21, tweede lid, 22, tweede lid, 24, tweede lid, 28, eerste lid, 29, eerste lid, 30 en 231, vierde lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (**Stb.** 1986, 414); Voorts gelet op [artikel D.3 van de Invoeringswet W.W.O.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003991&artikel=D.3) (**Stb.** 1986, 388), artikel 5 van de Tijdelijke wet taakverdeling w.o., artikel 7 van de Wet maatregelen 1987-1991 inzake voorzieningen w.o. en artikel 31, derde lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs; Gezien de adviezen van de universiteiten en van de Onderwijsraad (advies van 15 mei 1987, nr. 3A/416 T); De Raad van State gehoord (advies van 11 april 1988, nr. W05.87.0576); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, mede namens Onze Minister van Landbouw en Visserij, van 13 juni 1988, nr. 88010708/4610, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemeen deel Afdeling I. Algemene bepaling Artikel 1 Vervallen Afdeling II. De studierichtingen § 1. Algemene bepalingen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen § 2. Experimentele studierichtingen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen § 3. Vrije studierichtingen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen § 4. Vrij doctoraal examen Artikel 12 Vervallen § 5. In deeltijdse vorm verzorgde studierichtingen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Verva"},{"i":2324,"b":"Adoptie en verkrijging Nederlanderschap Aan: De Minister van Buitenlandse Zaken De Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen De Gevolmachtigde Minister van Aruba De Burgemeesters (t.a.v. de hoofden Burgerzaken) Inleiding Op 1 oktober 1998 is [artikel 5 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](onbekend) (RWN) gewijzigd (zie Stb. 1998, 303 en 476 ). Vooruitlopend op de verschijning van een nieuwe Handleiding voor de toepassing van de [Rijkswet op het Nederlanderschap](onbekend) doe ik u hierbij alvast de toelichting op [artikel 5 RWN](onbekend), zoals deze in de nieuwe Handleiding gaat verschijnen, toekomen. Deze toelichting kan vooralsnog worden opgenomen in de losbladige versie van de Handleiding van augustus 1994 als bldz. 7 tot en met 7 d. Het gewijzigde [artikel 5 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5) Artikel 5 Toelichting Bij Rijkswet van 14 mei 1998, Stb. 303, welke wet in werking is getreden op 1 oktober 1998, is [artikel 5 van de RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5) gewijzigd. In dit artikel wordt de verkrijging van het Nederlanderschap door adoptie geregeld. Deze wijziging heeft plaatsgevonden in verband met de uitvoering van het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie. Dit verdrag is eveneens op 1 oktober 1998 in werking getreden. Het Verdrag voorziet in de erkenning van rechtswege van adopties die conform het verdrag tot stand zijn gekomen in alle verdragsstaten (zie bijlage 1). Het verdrag verplicht Nederland dus om een in een andere verdragsstaat, in overeenstemming met het verdrag tot stand gekomen adoptie te erkennen. De wijziging van de Rijkswet houdt daarmee verband. Sterke adoptie Tot 1 oktober 1998 kon, onder voorwaarden het Nederlanderschap door adoptie slechts worden verkregen indien de adoptie in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba tot stand was gekomen. Vanaf 1 o"},{"i":2325,"b":"Afgeleide identificatie De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. 1. Inleiding Bij de implementatie van de spaarrenterichtlijn zijn in de artikelen 4g en 4h van de Wet op de internationale bijstandverlening bij de heffing van belastingen (WIB) eisen opgenomen met betrekking tot de identificatie van personen uit andere lidstaten van de Europese Unie die rentebetalingen uit Nederland ontvangen. Met ingang van 1 januari 2004 moet een in Nederland gevestigde uitbetalende instantie de identiteit en de woonplaats van de in een andere lidstaat wonende uiteindelijk gerechtigde bepalen op basis van de gegevens die vermeld staan in het paspoort of op de officiële identiteitskaart. De woonplaats kan ook worden vastgesteld op basis van een ander door de uiteindelijk gerechtigde overgelegd bewijskrachtig document. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat strekt ter implementatie van de spaarrenterichtlijn heeft de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) aandacht gevraagd voor de problemen die zich met betrekking tot de identificatie kunnen voordoen indien personen een bankrekening openen via het Internet. Het is in die situatie niet nodig dat een persoon fysiek aan de balie van de desbetreffende instelling verschijnt. In de nota naar aanleiding van het verslag bij genoemd wetsvoorstel is aangegeven, dat ook in de hier bedoelde situatie een deugdelijke identificatie van de persoon vereist blijft. In dat kader speelt de afgeleide identificatie, bedoeld in artikel 4 van de Wet identificatie bij dienstverlening (WID), een belangrijke rol. Gelet op de gerechtvaardigde belangen van de banken en het uitgangspunt administratieve lasten zoveel mogelijk te voorkomen, is bij de behandeling van het wetsvoorstel goedgekeurd dat voor de vaststelling van de identiteit en de woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde bij het openen van een internetbankrekening ook de verstrekking van een gewaarmerkte kopie van de in de artikelen 4g en 4h van de WIB geno"},{"i":4085,"b":"Besluit van 14 april 2023, houdende regels voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor textielproducten (Besluit uitgebreide producentenverantwoordelijkheid textiel) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van, nr. IenW/BSK-, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 9.5.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 december 2022, nr. W17.22.00077/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van, nr. IenW/BSK-, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. (definities en reikwijdte) 1. In dit besluit en de erop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **huishoudtextiel:** tafel-, bed- en huishoudlinnen als bedoeld in hoofdstuk 63, deel I, post 6302, van afdeling XI van deel II van bijlage I bij [Verordening (EEG) nr. 2658/87](31987R2658); - **in de handel brengen:** voor het eerst in Nederland op de markt aanbieden van een product; - **kleding:** consumenten- en bedrijfskleding als bedoeld in de hoofdstukken 61 en 62 van afdeling XI van deel II van bijlage I bij [Verordening (EEG) nr. 2658/87](31987R2658); - **op de markt aanbieden:** in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik; - **producent:** degene die beroepsmatig, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, textielproducten in de handel brengt; - **textielproducten:** textielproducten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, in samenhang met artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van [Verordening (EU) nr. 1007/2011](32011R1007); - **textielvezel:** textielvezel als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, in samenhang met artikel 5 en bijlage I bij [Verordening (EU) nr. 1007/2011](32011R1007); - **Verordening (EU) nr. 100"},{"i":3792,"b":"Besluit van 27 augustus 2018, houdende grenzen aan de door de Bloedvoorzieningsorganisatie uit te voeren niet-wettelijke activiteiten (Besluit niet-wettelijke activiteiten Bloedvoorzieningsorganisatie) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 19 juni 2018, kenmerk 1364167-177965-WJZ; Gelet op [artikel 3, vierde lid, van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 juli 2018, no. W13.18.0151/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 16 augustus 2018, kenmerk 1364161-177965-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet inzakebloedvoorziening (risicobeheersing binnen de Bloedvoorzieningsorganisatie) (Stb. 2018/136) in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **niet-wettelijke activiteiten:** alle activiteiten van de Bloedvoorzieningsorganisatie die niet voortvloeien uit de taken, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=3); - **staf-en concerndiensten:** diensten die het bestuur ondersteunen bij het maken van beleid en bij het sturen en beheersen van de organisatie en ondersteunende diensten ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden van de organisatie; - **dochteronderneming:** elke onderneming waarover de Bloedvoorzieningsorganisatie overheersende invloed kan uitoefenen. Artikel 2 De totale kosten van de niet-wettelijke activiteiten van de Bloedvoorzieningsorganisatie met uitzondering van staf- en concerndiensten ten behoeve van dochterondernemingen, zijn niet meer dan tien procent van de totale kosten van de Bloedvoorzieningsorganisatie in het betreffende begrotingsjaar. Artikel 3 De totale kosten van de staf- en concerndiensten die binnen de Bloedvoorzieningsorganisatie worden uitgevoerd ten behoeve van de"},{"i":3301,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 10 november 2025 nr. BOACAT2025/186, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Oss Gelezen het verzoek van gemeente Oss van 9 oktober 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051765&artikel=2&z=2025-11-19&g=2025-11-19). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver Openbare Ruimte in dienst van gemeente Oss zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten"},{"i":3847,"b":"Besluit van de directeur van de Stichting Bloembollenkeuringsdienst van 10 juni 2022, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Stichting Bloembollenkeuringsdienst (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging Stichting Bloembollenkeuringsdienst 2022) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging keuringsdiensten 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044854); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **de BKD:** de Stichting Bloembollenkeuringsdienst; - c. **de wet:** de [Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194); - d. **de regeling:** de [Regeling plantgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044863). Artikel 2 1. Aan de adjunct-directeur, het hoofd keuringsbeleid en kwaliteit, hoofd buitendienst, teamleiders buitendienst, de keurmeesters, de teamleider service center en de medewerkers service center van de BKD wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor: - a. de registratie, bedoeld in artikel 65 van [verordening 2016/2031](32031R2016); - b. het verrichten van taken ten behoeve van de afgifte van een fytosanitair uitvoercertificaat als bedoeld in artikel 100 van [verordening 2016/2031](32031R2016) met uitzondering van de afgifte van een fytosanitair uitvoercertificaat en het eindonderzoek van de voor export gereedstaande zending; - c. de registratie, bedoeld in artikel 65 van [verordening 2016/2031](32031R2016). 2. Aan de adjunct-directeur, het hoofd buitendienst en het hoofd keuringsbeleid en kwaliteit van de BKD wordt, ieder voor zich, machtiging verleend voor de uitgifte van legitimatiebewijzen aan de medewerkers van de BKD die zijn aangewezen als toezichthouder bedoeld in [artikel 22, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":3007,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 26 mei 2018, DGETM/MC 17172892, houdende aanwijzing toezichthouders Metrologiewet en Waarborgwet 1986 (Besluit aanwijzing toezichthouders Metrologiewet en Waarborgwet 1986) Gelet op [artikel 27 van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=27) en [artikel 52 van de Waarborgwet 1986](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009275&artikel=52); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&hoofdstuk=5) en [artikel 39 van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=39) zijn belast de inspecteurs van de directies Apparatuur, Infrastructuur en Digitale Weerbaarheid van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=23), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=24) en [39 van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=39) ten aanzien van niet-automatische weegwerktuigen als bedoeld in [artikel 6 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=6) die worden gebruikt voor een meettaak als bedoeld in [artikel 3, onderdelen e en f, van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=3) zijn belast de toezichthoudende ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 3 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=23), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=24) en [39 van de Metrologiewet](https://wetten.ove"},{"i":4488,"b":"Circulaire GBA en woonfraude 1. **Inleiding** In deze circulaire verzoek ik uw medewerking bij het voorkomen en bestrijden van woonfraude. Onrechtmatige bewoning tast de leefbaarheid in wijken aan. Daarom moet dit met kracht worden bestreden1Onrechtmatige bewoning, onrechtmatige doorverhuur, onrechtmatig gebruik en bewoning door illegalen zijn uiteenlopende fenomenen die vallen onder het verzamelbegrip woonfraude.. Dit vraagt om de inzet van verschillende instrumenten en samenwerking tussen betrokken partijen, zowel op lokaal als landelijk niveau2Kamerstukken II, vergaderjaar 2006/07, 30800 XI, nr. 96.. Relevante wetgeving in deze is o.a. de [Huisvestingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005674), de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181), maar ook de [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723) (Wgba). Bij de aanpak van woonfraude speelt het adres dat is opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) een cruciale rol. Onrechtmatige bewoning kan sneller worden opgespoord en beter worden bestreden door samenwerking tussen afdelingen binnen de gemeente en met anderen, zoals woningbouwcorporaties. Ook de afdeling burgerzaken kan een belangrijke impuls geven aan de bestrijding van woonfraude. Deze circulaire biedt u hiervoor een aantal handvatten. 2. **Mogelijkheden GBA** Voor de afdeling burgerzaken bestaan de volgende mogelijkheden om woonfraude te voorkomen en te bestrijden. 2.1. **Oppakken van signalen** De burger is verplicht aangifte te doen van verblijf en adres of van verhuizing in de gemeente van vestiging ([artikel 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=65) en [66 Wgba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=66)). De gemeente kan verlangen dat de burger de aangifte ondersteunt met bewijsstukken, bijvoorbeeld een verklaring van de verhuurder dat deze akkoord gaat met medeverhuur/onderverhuur of een huur- of"},{"i":4273,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 25 november 2014, kenmerk 8787, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van de postcodeloterij Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan de Nationale Postcode Loterij N.V., gevestigd te Amsterdam met KvK-nummer 41183598 (hierna: de vergunninghouder), een vergunning voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016. Aan deze vergunning zijn de volgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de kansspelen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Bestuursstructuur B. Aangeboden kansspel C. Afdracht ten behoeve van het algemeen belang D. Bescherming van consumenten E. Toezicht en controle F. Rapportage en verslaglegging G. Overig"},{"i":4669,"b":"Innovatieboxbesluit 2025 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 13 december 2021, nr. 2021-22459** (**Stcrt. 2021, 48152****). Er is een aantal nieuwe vragen en antwoorden toegevoegd.** 1. Inleiding Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat dit besluit niet ziet op de innovatiebox van [artikel 12b (oud) van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12b), zoals dit gold tot en met 31 december 2016. Hierop is het [besluit van 1 september 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035509), nr. BLKB2014/1054M (Stcrt. 2014, nr. 25141) van toepassing. Dit besluit is een actualisering van het besluit van [Besluit van 13 december 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046088), nr. 2021-22459 (Stcrt. 2021, 48152). De actualisering bestaat uit de volgende nieuwe vragen en antwoorden: Verder zijn bij deze actualisering ter verduidelijking de volgende onderdelen (nieuwe nummering) aangevuld: Voor het overige is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Wel zijn redactionele wijzigingen aangebracht. De Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering is verantwoordelijk voor het waarborgen van de eenheid van beleid en uitvoering bij onder andere de toepassing van de innovatiebox. Gevallen waarin een standpuntbepaling precedentwerking zou kunnen hebben, legt de inspecteur daarom voor aan de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering (Instelbesluit CTC 2024). In dit besluit wordt voor de onderdelen de volgorde van de wettekst van de [artikelen 12b tot en met 12bg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12b) en [artikel 34d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=34d) aangehouden. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. [Artikel 12b Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12b) 2.1. Geruisloze omzetting en innovatiebox Kan ee"},{"i":7153,"b":"Schenk- en erfbelasting, verkrijging door aanstaande of voormalige echtgenoot of partner, wijziging huwelijkse voorwaarden, pleegkind De minister van Financiën heeft het volgende besloten. **In dit besluit zijn de besluiten van 8 maart 2004, nr. CPP2003/2026M, 21 juni 2007, nr. CPP2007/1223M en 14 oktober 2008, nr. CPP2008/1426M samengevoegd en geactualiseerd. In dit besluit is het beleid opgenomen voor de schenk- en erfbelasting voor een verkrijging door de aanstaande of voormalige echtgenoot of partner, wijziging huwelijksgoederenregime en pleegkind. In onderdeel 2.5 is nieuw beleid opgenomen voor echtgenoten die van tafel en bed zijn gescheiden. Het beleid over schenkingen tussen echtgenoten bij wijziging van hun huwelijksgoederenregime is verduidelijkt. De in onderdeel 3 van het besluit CPP2007/1223M opgenomen goedkeuring is vervallen per 1 januari 2010. Dit is toegelicht in onderdeel 2.6. In onderdeel 2.7. is aangegeven dat de regeling voor mantelzorgers ook geldt voor de ouder die mantelzorg verleende aan zijn kind.** **Tevens is de tekst redactioneel aangepast aan de wijzigingen (in de terminologie) per 1 januari 2010 van de Successiewet.** 1. Inleiding In dit besluit behandel ik het beleid voor de schenk- en erfbelasting voor een verkrijging door: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen Iemand die een schenking of making verkrijgt van een aanstaande of ex-echtgenoot of partner kan hierover schenk- of erfbelasting zijn verschuldigd. De hoogte van de verschuldigde belasting is afhankelijk van de geldende vrijstelling en het geldende tarief. Hierbij wordt aangesloten bij de (familierechtelijke) relatie op het moment van schenking of overlijden. Als gevolg hiervan wordt een verkrijging door een aanstaande of een ex-echtgenoot belast naar tariefgroep II ([artikel 24, eerste lid, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=24)). Hetzelfde geldt voor een verkrijging door een ex-partner, iemand"},{"i":4635,"b":"Huursubsidiewet, in het bijzonder de prestatienormen Circulaire aan de colleges van b. en w. 1. Inleiding Op 17 november 1995 heeft het Kabinet voorstellen gedaan voor de toekomstige vormgeving van het instrument individuele huursubsidie. In maart en april is hierover met de Tweede Kamer gedebatteerd. Er is veelvuldig en uitvoerig overleg gevoerd met VNG, koepelorganisaties en Woonbond. In november 1996 is het wetsvoorstel voor de [Huursubsidiewet](onbekend) ter behandeling naar de Tweede Kamer gestuurd. In januari 1997 heeft het debat in de Tweede Kamer plaatsgevonden en inmiddels is het wetsvoorstel naar de Eerste Kamer gezonden. Het is de bedoeling dat deze wet de huidige [Wet Individuele Huursubsidie](onbekend) per 1 juli 1997 zal gaan vervangen. Over de inhoud van het wetsvoorstel wil ik u nu op hoofdlijnen informeren. Na de definitieve parlementaire behandeling van de nieuwe [Huursubsidiewet](onbekend) zal een uitgebreid voorlichtingstraject plaatsvinden voor alle betrokkenen. De informatie in deze circulaire is dan ook onder voorbehoud van de instemming van de Eerste Kamer. Wanneer het wetsvoorstel in de huidige vorm wordt aangenomen, betekent dat huishoudens met lagere inkomens extra ondersteuning krijgen. Praktisch alle huursubsidie-ontvangers gaan er op vooruit. De nieuwe wet is voornamelijk gunstig voor huishoudens in de duurdere huurwoningen. Van de huidige huursubsidie-ontvangers zal, bij een verwachte huurstijging van ca. 3,5%, 70% zelfs een huurdaling ervaren per 1 juli 1997. Dat voordeel kan oplopen tot aanzienlijke bedragen. ’Waarom nu een MG-circulaire ?’, zult u zich wellicht afvragen. Deze circulaire betreft een follow-up op de info-bladen, de eerste van november 1996 (’De belangrijkste punten uit de nieuwe [Huursubsidiewet](onbekend)’) en de tweede van maart 1997 (’de nieuwe [Huursubsidiewet](onbekend)’). Door u nu reeds te informeren is er gelegenheid om u voor te bereiden. Huursubsidie zal in de praktijk een belangrijk onderdeel blijven van he"},{"i":4373,"b":"Besluit van 25 november 1997, houdende vrijstelling van branchebeschermingsovereenkomsten in nieuwe winkelcentra van het verbod van mededingingsafspraken (Besluit vrijstelling branchebeschermingsovereenkomsten) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 28 augustus 1997, nr. 97053011 WJA/W; Gelet op [artikel 15, eerste lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=15); De Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 1997, nr. W10.97.0567); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 20 november 1997, nr. 97072394 WJA/W; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. winkelcentrum: een naar opzet van de bouw en in organisatie en presentatie afgebakende groep van voor het publiek toegankelijke vestigingen van ondernemingen die rechtstreeks goederen of diensten aan eindgebruikers plegen te leveren; - b. branchebeschermingsovereenkomst: een overeenkomst tussen een onderneming die eigenaar of beheerder is van een winkelcentrum en een in dat winkelcentrum gevestigde of zich vestigende andere onderneming, die strekt tot het beperken van de toelating tot dat winkelcentrum van ondernemingen die rechtstreeks gelijke of gelijksoortige goederen of diensten aan eindgebruikers plegen aan te bieden als reeds in het winkelcentrum gevestigde of zich vestigende ondernemingen. Artikel 2 [Artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=6) geldt niet voor een branchebeschermingsovereenkomst gedurende zes jaar na de datum waarop de huur is aangevangen van de eerste zich in het desbetreffende winkelcentrum vestigende onderneming. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1998. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vrijstelling branchebeschermingsovereenkomsten. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaat"},{"i":3291,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 6 oktober 2025 nr. BOACAT2025/175, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Nijkerk Gelezen het verzoek van gemeente Nijkerk van 21 augustus 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Oost- Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051606&artikel=2&z=2025-10-21&g=2025-10-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van gemeentelijk handhaver in dienst van gemeente Nijkerk zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinli"},{"i":4319,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 maart 2018, kenmerk 1266736-171004-FEZ, tot verlening van de bevoegdheid tot aanwijzing en intrekking van een zodanige aanwijzing van de kasbeheerder van het Financieel Diensten Centrum Gelet op de [artikelen 10.3.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10.4. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien het schriftelijke verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 juli 2017; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur Financieel Economische Zaken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt de bevoegdheid verleend tot aanwijzing en tot intrekking van een zodanige aanwijzing van de kasbeheerder en plaatsvervangend kasbeheerder, ten behoeve van de taken en verantwoordelijkheden van het Financieel Diensten Centrum betreffende het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 Het [besluit van 22 mei 2015, houdende het verlenen van volmacht en machtiging aan het Financieel Diensten Centrum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036650) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2017. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4317,"b":"Besluit van 15 oktober 1953, houdende de derde verlenging van de in artikel 7, eerste lid, van de Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen (Stb. K 451) eerstbedoelde termijn Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 14 September 1953, 6e Afdeling, No. 2116; Overwegende dat het wenselijk is de in [artikel 7, eerste lid, van de Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002065&artikel=7) (**Stb.** K 451) eerstbedoelde termijn opnieuw te verlengen; De Raad van State gehoord (advies van 29 September 1953, No. 25); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 9 October 1953, 6e Afdeling, No. 2207; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel 1 De in [artikel 7, eerste lid, der Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002065&artikel=7) gestelde termijn van een jaar na de inwerkingtreding van die wet, welke termijn bij Ons besluit van 27 September 1952 (**Stb.** 485) tot drie jaar is verlengd, wordt nader verlengd tot vier jaar na de inwerkingtreding van die wet. Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**, waarin het is geplaatst. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":4752,"b":"Kaderbesluit bpm **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 12 december 2022, nr. 2022-264440. Diverse onderdelen zijn ingekort ten behoeve van de leesbaarheid. Daarnaast zijn enkele onderdelen komen te vervallen omdat het belang hiervan is komen te vervallen, o.a. vanwege codificatie en wetswijzigingen. In onderdeel 3 (nieuw) zijn diverse standpunten van de kennisgroep Auto verwerkt die zien op het bepalen van de handelsinkoopwaarde in de aangifte bpm. Tot slot is de goedkeuring in onderdeel 7.2 in lijn gebracht met de wijziging van de uitvoeringsregeling per 1 januari 2024.** 1. Inleiding In dit besluit zijn standpunten aangepast, verduidelijkt of toegevoegd over de volgende onderwerpen: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Maatstaf van heffing Voor een bijzondere personenauto en een motorrijwiel wordt de bpm berekend over de netto catalogusprijs. Hoofdregel is dat de bpm (per 1 januari 2025) berekend wordt over de CO2-uitstoot. Er zijn echter situaties waarin de catalogusprijs voor personenauto’s en bestelauto’s alsnog van belang kan zijn voor de berekening van de bpm. Is er geen catalogusprijs bekend, dan moet deze door vergelijking worden bepaald. Tot de catalogusprijs behoort de waarde van de voorzieningen die zijn aangebracht door of namens de fabrikant of importeur ([artikel 9, negende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=9)). Voor een aantal van deze situaties geef ik hierna aan hoe de catalogusprijs door vergelijking kan worden vastgesteld. 2.1. Kampeerauto Als een gesloten bestelauto wordt gebruikt als basis voor een qua wielbasis van die bestelauto afwijkende kampeerauto en voldoet aan de voorwaarden in artikel 5aa van het uitvoeringsbesluit, wordt de bpm berekend over de catalogusprijs van een zoveel mogelijk met de verkregen kampeerauto vergelijkbare gesloten bestelauto. Dit geldt ook als een kampeerauto is afgeleid van een ander soo"},{"i":3774,"b":"Besluit van 1 juni 2022, houdende tarieven voor het vervaardigen van kopieën op verzoek op grond van de Wet open overheid (Besluit maximumtarieven open overheid) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 maart 2022, nr. 2022-0000126631; Gelet op [artikel 8.6, derde lid, van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=8.6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 mei 2022, nr. W04.22.00032/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 mei 2022, nr. 2022-0000256833; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op het verstrekken van informatie op verzoek op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754), door een orgaan, persoon of college als bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=2.2). Artikel 2 1. Indien op grond van [artikel 8.6, tweede lid, van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=8.6) een vergoeding in rekening wordt gebracht voor de vervaardiging van kopieën van documenten op A4- of A3-formaat, bedraagt deze per afdruk op papier maximaal het bedrag zoals opgenomen in de tarieventabel in de bijlage. 2. De bedragen in de tarieventabel kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. Artikel 3 Indien een vergoeding in rekening wordt gebracht, wordt de aanvrager hiervan voorafgaand aan het vervaardigen van de kopieën op de hoogte gesteld en wordt een schatting gegeven van de kosten. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [hoofdstuk 4 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&hoofdstuk=4) in werking treedt. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na dat tijdstip, treedt het in werking met"},{"i":3835,"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging afdeling Verzekering Burgers Gezien [artikel 4A van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=4a) van 1 januari 20171Gepubliceerd in Staatscourant 2016, nr. 71039, 28 december 2016., waarbij aan hem mandaat, volmacht en machtiging is verleend voor het nemen van de in dat artikel genoemde primaire besluiten; Gezien de in [artikel 15 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=15) van 1 januari 2017 neergelegde toestemming van de voorzitter van het CAK aan de manager van de afdeling Backoffice om voor de aan hem toegekende bevoegdheden ondermandaat te verlenen; Gezien [artikel 20, tweede lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=20) van 1 januari 2017, waarbij aan hem mandaat, volmacht en machtiging is verleend voor het nemen van de in dat artikellid genoemde primaire personeelsbesluiten; Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het Besluit:** het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946) van 1 januari 2017. - b. **manager:** de manager van de afdeling Wanbetalers en Onverzekerden. - c. **teammanager:** de teammanager van de afdeling Wanbetalers, te weten: mevrouw N.A. Klumper. - d. **manager FA:** de manager van de afdeling FA/Grootboek, te weten: mevrouw A. Kooistra-Vink. Artikel 2. primaire besluiten vaststellen en herzien – regeling Wanbetalers en Onverzekerden De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - –. voor het voorbereiden, nemen en bekendmaken van primaire besluiten tot het vaststellen of herzien van rechten en verplichtingen in het kader van de burgerregelingen, waartoe het CAK bevoegd is bij of krachtens de [artikelen 9a t/m 9d](https://wetten.overheid."},{"i":3986,"b":"Besluit van 19 juli 1958, houdende reservering van een gedeelte der bezoldiging van bepaalde groepen reserve-personeel der krijgsmacht tijdens de periode gedurende welke zij nog geen rechten kunnen ontlenen aan de pensioenwetten voor de zee- en landmacht 1922 Op de voordracht van Onze Minister voor Defensie van 21 december 1957, nr. P. 110.531/J/DG, en nr. Minmar 553374/357455; Gelet op de wet van 22 mei 1958 (**Stb.** 267) tot wijziging van de Pensioenwet bijzondere groepen reserve-personeel 1956 (**Stb.** 1957, 37), van de Pensioenwet 1922 (**Stb.** 240) en van de Pensioenwetten voor de zee- en landmacht 1922 (**Stb.** 65 en 66); De Raad van State gehoord (advies van 11 februari 1958, nr. 33); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 15 juli 1958, nr. P. 110.531/2-C en nr. Minmar 559177/357455; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Dit besluit verstaat onder \"Onze Minister\": Onze Minister van Marine of Onze Minister van Oorlog, al naar gelang het betreft een militair, behorende tot het personeel der Koninklijke marine-reserve of een militair behorende tot het reserve-personeel der landmacht. Artikel 2 1. Dit besluit is van toepassing op een militair, behorende tot het personeel der Koninklijke marine-reserve of tot het reserve-personeel der landmacht, die vrijwillig verplichtingen heeft aanvaard als zodanig doorlopende werkelijke dienst te verrichten, indien en zolang hij geen reservist is in de zin van de Pensioenwet bijzondere groepen reserve-personeel 1956. 2. Dit besluit is niet van toepassing op een reserve-officier, op wie de wet van 22 december 1938 (**Stb.** 504) of de Bijzondere pensioenwet reserve-personeel landmacht (**Stb.** J 344) van toepassing is. Artikel 3 Van de bezoldiging van een militair, op wie dit besluit van toepassing is, worden maandelijks zodanige bedragen gereserveerd, als daarop wegens bijdrage voor eigen pensioen en verhaal van bijdrage voor weduwen- en wezenpensioen zouden zijn ingehouden, indien hij reservist in"},{"i":4148,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 7 mei 2014, nr. DSO/MO-113/2014 tot vaststelling van beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Strategische partnerschappen pleiten en beïnvloeden 2016–2020) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op de [artikelen 4.1 tot en met 4.7 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.1); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [afdeling 4 Strategische partnerschappen pleiten en beïnvloeden van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=4) gelden voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 Aanvragen om in aanmerking te komen voor een strategisch partnerschap in het kader van Strategische partnerschappen pleiten en beïnvloeden 2016–2020 worden ingediend in de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot 1 september 2014 12.00 uur aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1Het aanvraagformulier is met de daarbij behorende annexen, ook geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerkig-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties. Artikel 3 De selectie van de strategische partners vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het ee"},{"i":3254,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 15 februari 2021 nr. BOACAT2021/003, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Heerlen Gelezen het verzoek van de gemeente Heerlen van 10 februari 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b) [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044836&artikel=2&z=2024-06-20&g=2024-06-20). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Boa Domein openbare ruimte, in dienst van de gemeente Heerlen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domei"},{"i":2337,"b":"Regeling van het bestuur van ZorgOnderzoek Nederland, houdende vaststelling van de Algemene subsidiebepalingen ZonMw (Algemene subsidiebepalingen ZonMw) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009385&artikel=3), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009385&artikel=9) en [11 van de Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009385&artikel=11); Besluit vast te stellen de volgende Algemene subsidiebepalingen ZonMw: Deze Regeling bevat regels voor subsidiebesluiten die door of namens het bestuur van ZonMw worden genomen. Op de subsidiebesluiten van ZonMw is verder onder meer de volgende wet- en regelgeving van toepassing: de [Algemene wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Awb); de geldende [Aanwijzingen voor Subsidieverstrekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027023) en de geldende Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit, de geldende Gedragscode Biosecurity, de geldende Code Openheid Dierproeven en de overige op de website van ZonMw [www.zonmw.nl](http://www.zonmw.nl) genoemde geldende gedragscodes. Deze Regeling kan buiten toepassing zijn ingeval ZonMw financieringsinstrumenten uitvoert die geheel of gedeeltelijk door een andere worden opdrachtgever gefinancierd. Dat is het geval wanneer dat met die andere partij is afgesproken en in de subsidieoproep wordt vermeld welke regels wel van toepassing zijn. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze Algemene subsidiebepalingen ZonMw en de Toelichting behorende daarbij wordt verstaan onder: - **activiteit(en):** activiteit(en) verricht door een begunstigde ter verwezenlijking van de doelstellingen van ZonMw, met het oog waarop de subsidie kan worden verstrekt; - **aanvrager:** een Nederlandse rechtspersoon of in geval van een persoonsgebonden subsidie een natuurlijk persoon die de subsidie aanvraagt en ontvangt, als bedoeld in [artikel 1.3](https://wetten.overheid"},{"i":2338,"b":"Algemene wet bestuursrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge [artikel 107, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=107) de wet algemene regels van bestuursrecht dient vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Titel 1.1. Definities en reikwijdte Artikel 1:1 1. Onder bestuursorgaan wordt verstaan: - a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of - b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed. 2. De volgende organen, personen en colleges worden niet als bestuursorgaan aangemerkt: - a. de wetgevende macht; - b. de kamers en de verenigde vergadering der Staten-Generaal; - c. onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, alsmede de Raad voor de rechtspraak en het College van afgevaardigden; - d. de Raad van State en zijn afdelingen; - e. de Algemene Rekenkamer; - f. de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=9), en ombudsmannen en ombudscommissies als bedoeld in [artikel 9:17, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9&titeldeel=9.2&afdeling=9.2.1&artikel=9:17&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - g. de voorzitters, leden, griffiers en secretarissen van de in de onderdelen **b** tot en met **f** bedoelde organen, de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal en de advocaten-generaal bij de Hoge Raad, de besturen van de in onderdeel c bedoelde organen alsmede de voorzitters van die besturen, alsmede de commissies uit het midden van de in de onderdelen **b** tot en met **f** bedoelde organen; - h. de commissie van t"},{"i":2339,"b":"Besluit van 10 juni 1994, houdende regels inzake de taken die de commissaris van de Koning op grond van artikel 126 Grondwet als rijksorgaan vervult Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 24 januari 1994, nr. BK94/226, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, afdeling Kabinetszaken; Gelet op [artikel 182 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=182), [artikel 61 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=61), de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=25), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=32), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=34) en [35 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=35) en artikel IV van de wet tot wijziging van de wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau, en van de wet van 29 september 1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw, alsmede instelling van het Kapittel voor de civiele orden; De Raad van State gehoord (advies van 5 april 1994, nr. WO4.94.0081); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 30 mei 1994, nr. BK94/816; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De commissaris bevordert de door hem noodzakelijk geachte samenwerking tussen in zijn provincie werkzame rijksambtenaren en personen deel uitmakend van de krijgsmacht, en tussen deze functionarissen en het provinciaal bestuur, de gemeentebesturen en de waterschapsbesturen. Artikel 2 1. De commissaris is bevoegd bij in de provincie werkzame rijksambtenaren en personen deel uitmakend van de krijgsmacht inlichtingen in te winnen en met hen overleg te plegen. Deze functionarissen zijn, behoudens het bepaalde in het tweede lid, verplicht de gevraagde inlichtingen te verstrekken en aan het overleg deel te nemen. 2. Indien de in het eerste lid bedoelde functionarissen weigeren de op grond van deze ambtsinstruct"},{"i":2340,"b":"Besluit van 8 april 1994, houdende regels met betrekking tot een nieuwe Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar en de maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde personen kunnen worden onderworpen Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van 8 december 1993, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 415284/93/6 en nr. EA 93/U 3630, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, nr. CWW 85/008; Gelet op [artikel 9 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=9); De Raad van State gehoord (advies van 28 maart 1994, nr. W.O. 3.93.0838); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 7 april 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 433019/94/6, nr. EA 94/U1149, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder ambtenaar: - a. de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), en de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onder c of d, van die wet, die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak; - b. de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), en de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onder c en d, van die wet, die is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie dan wel de rijksrecherche, voor zover het betreft de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=1) en 2 en [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&hoofdstuk=5); - c. degene die is benoemd tot aspirant voor de duur dat hij de praktijkstage volgt; - d. de militair"},{"i":2341,"b":"Ambtstoelage burgemeesters 1. Ambtstoelage burgemeesters In [artikel 16, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994](onbekend) is bepaald dat de ambtstoelage van burgemeesters per 1 januari van elk jaar wordt herzien aan de hand van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar. De genoemde consumenteprijsindex voor 2001 is bepaald op 117.6. In 2000 was dat indexcijfer bepaald op 112.3. Dit houdt in dat de bedragen van de ambtstoelage per 1 januari 2002 worden verhoogd met 4.7%. Voor uw informatie meld ik u dat het indexcijfer is gebaseerd op gegevens van het CBS van medio november 2001. Met ingang van 1 januari 2002 worden de bedragen genoemd in [artikel 16, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994](onbekend) als volgt gewijzigd: 2. Algemene informatie over de eurobedragen Bij [besluit](onbekend) van 14 september 2001, Staatsblad 2001, 415, zijn de guldenbedragen in de officiële regelingen reeds omgerekend naar eurobedragen. Dit geldt ook voor de guldenbedragen van bovengenoemde ambtstoelage. Om te komen tot de eurobedragen die met ingang van 1 januari 2002 gelden, zijn deze eurobedragen verhoogd met de bovengenoemde indexcijfers (3,6% resp. 4,7%). 3. Ambtstoelage in relatie met het jaarinkomen dat aan het ABP wordt verstrekt De ambtstoelage mag niet worden meegenomen bij de vaststelling van het jaarinkomen dat jaarlijks aan het ABP wordt verstrekt. In dat kader wijs ik u op het volgende. Op grond van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP wordt onder inkomen verstaan het tot een jaarbedrag te herleiden vast salaris dat op 1 januari van het desbetreffende jaar voor de deelnemer geldt, vermeerderd met de vakantie-uitkering over dat salaris. Naast het vaste salaris en de daarbij behorende vakantie-uitkering dienen vaste toelagen eveneens te worden betrokken bij de vaststelling van het jaarinkomen. Dit voor zover de toelagen als beloning voor verrichtte arbeid gelden en niet op"},{"i":4574,"b":"Douane, verzamelzendingen bij uitvoer De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **In dit besluit wordt onder bepaalde voorwaarden toegestaan voor zogenaamde verzamelzendingen bij uitvoer één uitvoeraangifte te doen.** 1. Inleiding In [artikel 38 van de Douaneregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008032&artikel=38) zoals die gold tot 1 augustus 2008, was een bepaling opgenomen met betrekking tot verzamelzendingen bij uitvoer. Het vervallen van deze bepaling zou kunnen leiden tot een veelvoud aan aangiften en de daaraan verbonden administratieve lasten bij het bedrijfsleven en de Douane. Daarom heb ik besloten deze bepaling in de vorm van een beleidsbesluit te continueren. Daarmee wordt tevens vooruitgelopen op de inwerkingtreding van artikel 115 van de [Verordening (EG) Nr. 450/2008](32008R0450) van het Europees parlement en de Raad van 23 april 2008 dat een soortgelijke bepaling bevat. Deze verordening treedt uiterlijk in werking op 24 juni 2013. Met die bepaling wordt een bij invoer mogelijke werkwijze ook van toepassing bij uitvoer. Voor invoer is nu een vergelijkbare regeling opgenomen in artikel 81 van de [Verordening (EEG) 2913/92](31992R2913) van de Raad van 12 oktober 1992. Bij het geven van de toestemming wordt een onderscheid gemaakt tussen gewone uitvoerzendingen en zendingen die betrekking hebben op de proviandering van zeeschepen. 2. Algemeen 2.1. Wettelijke regeling Voor een uitvoerzending met twee of meer goederensoorten waarvan de tariefonderverdeling verschilt volgt per goederensoort een afzonderlijke aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling uitvoer. 2.2. Goedkeuring 2.2.1. Provisie of scheepsbehoeften Ik keur goed dat voor een uitvoerzending, die betrekking heeft op goederen die als scheepsprovisie of scheepsbehoeften worden afgeleverd en die bestaat uit goederen waarvan de tariefonderverdelingen verschillend zijn, als goederenomschrijving wordt vermeld ‘scheepsprovisie’ onderscheidenlijk ‘scheepsbehoeften’. B"},{"i":4041,"b":"Besluit van 4 juli 1946, tot tijdelijke afwijking van het Koninklijk besluit van 20 mei 1933, Stb. 292, tot vaststelling van een algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 73a der Wet op het Notarisambt Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van 22 Mei 1946, Afdeeling A.S., No. 1106; Overwegende, dat het noodzakelijk is tijdelijk af te wijken van het bepaalde in Ons besluit van 20 Mei 1933, **Staatsblad** No. 292, tot vaststelling van een algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 73 **a** der Wet op het Notarisambt, gelijk dit artikel is vastgesteld bij de wet van 15 Mei 1931 (**Staatsblad** No. 195); Den Raad van State gehoord (advies van 18 Juni 1946, No. 18); Gezien het nader rapport van Onze voornoemden Minister van 2 Juli 1946, Afdeeling A.S., No. 1246; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met betrekking tot het opmaken van de staten van kosten, welke het toezicht op de nakoming van de verplichting der notarissen tot boekhouding over de jaren 1944 en 1945 hebben medegebracht, en tot den omslag van deze kosten, worden, in afwijking in zooverre van het bepaalde in de artikelen 16-21 van Ons vorengenoemd besluit van 20 Mei 1933, **Staatsblad** nr. 292, de navolgende bepalingen in acht genomen. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002018&artikel=1&z=1946-07-12&g=1946-07-12) bedoelde staten van kosten worden opgemaakt vóór 1 September 1946. De in de kosten te begrijpen rente wordt berekend: - a. voor zooveel betreft de kosten over het jaar 1944 over twee en een half jaar naar een rentevoet, welke gelijk is aan het wisseldisconto van de Nederlandsche Bank, geldende op 1 Juli 1944; - b. voor zooveel betreft de kosten over het jaar 1945 over anderhalf jaar naar een rentevoet, welke gelijk is aan het wisseldisconto van de Nederlandsche Bank, geldende op 1 Juli 1945. Artikel 3 1. De in artikel 18 van Ons bovengenoemde besluit van 20 Mei 1933, **Staatsblad** nr. 292, bedoelde opgaven dienen te worden ged"},{"i":4298,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 augustus 2020, kenmerk 1727117-208534-OBP, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmacht aan de programmadirecteur van de programmadirectie COVID-19 Gelet op de [artikelen 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a), [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17) en [artikel 10 van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Voor de duur van het programma COVID-19 heeft de heer mr. H. van Faassen, programmadirecteur, de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma en met inachtneming van de kaders die gelden voor een Directeur, zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923), de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710) en de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en geldt vanaf 14 september 2020. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2343,"b":"Arrest Hoge Raad inzake belastbaarheid vergoeding parkeer-, tol- en veergelden Circulaire aan de Ministers In zijn arrest van 28 juni 1995, nr. 30.255, heeft de Hoge Raad een uitspraak van het Hof Amsterdam van 8 april 1994 betreffende het niet belastbaar zijn van een vergoeding inzake parkeer-, tol- en veergelden vernietigd. Uit dit arrest blijkt onder meer dat indien de parkeer-, tol- en veergelden met een kredietkaart of via voorschotten voor rekening van de werkgever komen, er voor de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen sprake is van een vergoeding in geld. Dit brengt mee dat een dergelijke vergoeding tot het bedrag waarmee de maximaal onbelast te vergoeden kilometervergoeding wordt overschreden, tot het loon moet worden gerekend. In de nota’s van toelichting van het [Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889) en het [Reisbesluit buitenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006842) is hierover vermeld dat de betaling van de parkeer- en veergelden met een kredietkaart van de werkgever en het verstrekken van een plaatsbewijs voor een pont of een parkeerkaart door de werkgever beide onbelast zijn. Gelet op het arrest van de Hoge Raad is dit wat betreft het betalen met een kredietkaart door de werkgever niet juist. Ik verzoek u in voorkomend geval met het vorenstaande rekening te houden."},{"i":3815,"b":"Besluit van de Raad voor de Praktijkopleidingen houdende regels inzake ondermandaat en machtiging aan Stagebureau USG Finance Professionals (Besluit ondermandaat en machtiging Raad voor de Praktijkopleidingen aan Stagebureau USG Finance Professionals) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gelet op het [Besluit mandaat en machtiging bestuur NBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034104); Besluit als volgt: Artikel 1 De Raad voor de Praktijkopleidingen verleent ondermandaat en machtiging aan Stagebureau USG Finance Professionals om besluiten te nemen en handelingen te verrichten ter uitvoering van de bevoegdheden of taken van het bepaalde in: - –. de [artikelen 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=8), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=22) en [27 van de Verordening op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=27); - –. de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=2), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=5), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=11), [18, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=19), [20, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=20), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=22), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=24), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=26), [58, tweede lid, van de Nadere voorschriften op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=58). Artikel 2 Het krachtens ondermandaat of machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: Het best"},{"i":4536,"b":"Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (algemene versie) Algemeen Deze circulaire heeft als doel de [circulaire van 1 november 2014 (met kenmerk 2014-0000234272)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035667) te wijzigen. Deze wijzigingen betreffen aanpassingen van de bedragen van de dwangsom bij niet tijdig beslissen als gevolg van een indexering per 1 januari 2019 (Stcrt. 2018, nr. 65542). Daarnaast is per 1 oktober 2016 de [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) niet langer van toepassing op verzoeken op grond van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) en [Wet hergebruik van overheidsinformatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036795). De ingangsdatum van de onderhavige circulaire is 1 maart 2019. Per deze datum vervalt de [circulaire van 1 november 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035670). Op 1 oktober 2009 is de [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) (hierna: Wet dwangsom) in werking getreden. Deze wet biedt burgers meer doeltreffende rechtsmiddelen tegen niet tijdig beslissen door de overheid. In deze circulaire wordt de betekenis van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (hierna: Wet dwangsom) voor bestuursorganen van zowel het Rijk als de decentrale overheden toegelicht. Deze versie is geschikt voor al het overheidspersoneel. Tegelijk met deze circulaire is een [versie van deze circulaire voor juristen](onbekend) werkzaam bij bestuursorganen (kenmerk 2018- 0000972168) vastgesteld. 1. Wat is het doel van de wet? De [Wet dwangsom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) wil burgers een effectiever rechtsmiddel geven tegen te trage besluitvorming door het bestuur. Deze wet geeft meer mogelijkheden om op te komen tegen niet tijdige beslissingen van een bestuursorgaan. De wet bevat hiervoor een tweetal regelingen voor die gevallen w"},{"i":4915,"b":"Mandaatbesluit toekenning definitieve AOW-gatcompensatie Defensie 2018 Besluit De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bestuur:** het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP; - b. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Defensie. Artikel 2 De Staatssecretaris verleent aan het bestuur mandaat om namens hem besluiten te nemen ter uitvoering en op grond van de onderstaande regelingen: - a. [Artikel 26 van het Inkomstenbesluit Militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=26) voor zover het betreft de toekenning van de AOW-gatcompensatie zoals getoetst door de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 1 juni 2017, zaaknummer: 16/7070 MPW en bij besluit van het huidige kabinet is verhoogd naar 100% van de gerechtvaardigde aanspraak, zoals bepaald in de Defensienota 2018. - b. [Artikel 62 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=62) voor zover het betreft de toekenning van de AOW-gatcompensatie zoals getoetst door de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 26 april 2017, zaaknummer: 16/6835 AW, en 22 februari 2018, zaaknummer: 16/1000 AW, en bij besluit van het huidige kabinet is verhoogd naar 100% van de gerechtvaardigde aanspraak, zoals bepaald in de Defensienota 2018. Artikel 3 Het bestuur legt een voorgenomen besluit, voor zover dit voortkomt uit de uitvoering van in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041356&artikel=2&z=2018-09-10&g=2018-09-10) genoemde regelingen voor aan de Staatssecretaris indien: - a. het bestuur gerede twijfels heeft over het in een individueel geval toepassen van een regeling, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041356&artikel=2&z=2018-09-10&g=2018-09-10) en - b. het naar het oordeel van het bestuur een geval betreft dat grote beleidsmatige of financiële gevolgen kan hebben voor het Ministerie van Defensie, dan wel"},{"i":4920,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 23 juni 2011, nr. 5693331/11, houdende verlening van mandaat ten aanzien van de bevoegdheid tot verlening van de status van buitengewoon agent van politie in Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Mandaatbesluit verlening status buitengewoon agent van politie BES) Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=10) en [artikel 35, eerste lid, van het Besluit buitengewone agenten van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175&artikel=35); Besluit: Artikel 1 Het aanstellen, opleggen van disciplinaire straffen of maatregelen, schorsen en ontslaan van buitengewoon agent van politie, zoals beschreven in de [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175&hoofdstuk=2), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175&hoofdstuk=6) en [7 van het Besluit buitengewone agenten van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175&hoofdstuk=7), geschiedt door de korpschef van het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit verlening status buitengewoon agent van politie BES. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a De behandeling van een klacht die is ingediend over een gedraging van een buitengewoon agent van politie, bedoeld in [artikel 18, tweede lid, van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=18), geschiedt door de korpschef van het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4914,"b":"Besluit van het hoofd van de Afdeling Strategie, Staf en Juridische zaken van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 januari 2024, nr. 5164888, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het plaatsvervangend hoofd van die afdeling (Mandaatbesluit Strategie, Staf en Juridische Zaken NCTV 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel a, van het Mandaatbesluit Strategie, Analyse Nationale Veiligheid en Bedrijfsvoering NCTV 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049334&artikel=1) aan het hoofd van de Afdeling Strategie, Staf en Juridische zaken verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die die afdeling betreffen ondermandaat verleend aan het plaatsvervangend hoofd van de Afdeling Strategie, Staf en Juridische zaken. Artikel 2 Het [Mandaatbesluit Strategie NCTV 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047458) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Strategie, Staf en Juridische zaken NCTV 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4913,"b":"Besluit van de directeur Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 januari 2024, nr. 5164834, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur Strategie, Analyse Nationale Veiligheid en Bedrijfsvoering ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Strategie, Analyse Nationale Veiligheid en Bedrijfsvoering NCTV 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van het Mandaatbesluit NCTV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042181&artikel=1) aan de directeur Strategie, Analyse Nationale Veiligheid en Bedrijfsvoering verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun afdeling dan wel academie betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van de Afdeling Strategie, Staf en Juridische zaken; - b. het hoofd van de Afdeling Analyse Nationale Veiligheid; - c. het hoofd van de Afdeling Bedrijfsvoering; - d. de decaan van de NCTV Academie. Artikel 2 De in [artikel 1, onder a tot en met d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049334&artikel=1&z=2024-02-10&g=2024-02-10), genoemde functionarissen wordt toegestaan elkaar volledig te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars bevoegdheden. Artikel 3 Het [Mandaatbesluit Strategie, Analyse en Bedrijfsvoering NCTV 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047449) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2022 onderscheidenlijk, voor zover het de verlening van ondermandaat aan de decaan van de NCTV Academie betreft, tot en met 1 september 2022. Artikel"},{"i":4921,"b":"Mandaatbesluit Voorzitter Commissie advies- en verwijspunt klokkenluiden Gelet op [artikel 9, derde lid, van het Tijdelijk besluit Commissie advies- en verwijspunt klokkenluiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030492&artikel=9), de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [artikel 32, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32); Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de Commissie advies- en verwijspunt klokkenluiden wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor de P&O-aangelegenheden ten aanzien van het personeel dat de minister aan de Commissie advies- en verwijspunt klokkenluiden ter beschikking stelt. Onder P&O-aangelegenheden wordt verstaan: aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget. 2. In uitzondering op het eerste lid geldt het mandaat, de volmacht en de machtiging niet voor de volgende aangelegenheden: - a. beslissingen op bezwaarschriften inzake personeelsaangelegenheden; - b. besluiten ten aanzien van ambtenaren voor wie salarisschaal 14 of hoger van [bijlage B van het BBRA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) geldt, respectievelijk kandidaten voor functies, waarvoor die salarisschalen gelden, inhoudende: - 1°. het opdragen van een andere functie buiten het werkterrein van de Commissie op basis van [artikel 57 van het ARAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=57); - 2°. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden buiten het werkterrein van de Commissie op basis van [artikel 58 van het ARAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=58); - 3°. het opleggen van disciplinaire straffen op grond van [artikel 81 van het ARAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=81); - 4°. het schorsen van een ambtenaar op"},{"i":4918,"b":"Besluit van de directie van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) houdende verlening van ondertekeningsmandaat (Mandaatbesluit van de NIWO) Gelet op [afdeling 10.1.1 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) (Awb); Gelet op [artikel 2.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.1) en [artikel 4.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.1), en [artikel 4.3a, eerste lid van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.3a) (WWG), [artikel 4, tweede lid, onder d van het Reglement werkwijze NIWO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039066&artikel=4); Overwegende dat het noodzakelijk is voor de doelmatige uitvoering van de wettelijke taken van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) om de bevoegdheid van de directie tot het nemen van besluiten middels het opstellen van een mandaatbesluit om ondertekeningsmandaat van besluiten te verlenen aan afdelingshoofden van de NIWO; Besluit: Artikel 1. Definitiebepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Besluit:** besluit als bedoeld in [artikel 1:3 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) dat gericht is op een rechtsgevolg voor een of meer rechtssubjecten. - b. **WWG:** [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800). - c. **Reglement:** [Reglement werkwijze NIWO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039066) van 2 januari 2017. - d. **Directie:** orgaan van de NIWO als bedoeld in [artikel 4.3 van de WWG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.3). - e. **Ondertekeningsmandaat:** de bevoegdheid als bedoeld in [artikel 10:11 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:11) om namens de directie besluiten te ondertekenen. Artikel 2. Ondertekeningsmandaat 1. Aan een afdelingshoofd binnen het orgaan van de directie wordt onde"},{"i":2352,"b":"Bekendmaking rijksbijdrage educatie 2004 Op grond van [artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625), maakt de minister jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage ten behoeve van educatie voor de gemeenten voor het daaropvolgende jaar wordt verstrekt. Meegedeeld wordt tevens op welke wijze deze is berekend. De bedragen vindt u in onderstaand overzicht; de berekeningswijze van de rijksbijdrage, inclusief de overgangsregeling, is opgenomen in het [Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646) (Stb.1999, 368). De gemeenten ontvangen binnenkort de beschikkingen. De rijksbijdrage voor 2004 luidt per gemeente als volgt:"},{"i":3936,"b":"Besluit van 15 december 2011, houdende regels inzake het procesdossier en de kennisneming en de verstrekking van afschriften van processtukken gedurende het voorbereidende onderzoek (Besluit processtukken in strafzaken) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 21 september 2011, nr. 5710255/11/6; Gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=32), [51b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51b), [149a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=149a), en [257b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257b) en [artikel 11 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=11); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 31 oktober 2011, nr. W03.11.0401/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 8 december 2011, nr. 5711609/11/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Definitiebepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de wet:** het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); - b. **processtukken:** stukken als bedoeld in [artikel 149a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=149a); - c. **procesdossier:** verzameling van processtukken die tijdens het opsporingsonderzoek aan het dossier zijn of worden toegevoegd. Paragraaf 2. Procesdossier tijdens het opsporingsonderzoek Artikel 2 1. Tijdens het opsporingsonderzoek draagt het openbaar ministerie zorg voor een, naar de stand van het onderzoek, zo volledig mogelijk procesdossier. 2. Het procesdossier wordt eenvormig ingericht. 3. Elk procesdossier bevat een inhoudsopgave, tenzij het dossier, gelet op de aard van de zaak, bestaat uit slechts enkele stukken. Artikel 3 1. Indien het procesdossier een strafzaak betreft van een misdrijf dat met z"},{"i":4485,"b":"Circulaire EG-betekeningsverordening Op 31 mei a.s. zal in werking treden de op 29 mei 2000 door de Raad van de Europese Unie vastgestelde [verordening (EG) Nr. 1348/2000](32000R1348) inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PbEG L160/37) (hierna: de verordening). De verordening noopt ertoe enige wettelijke voorzieningen te treffen ter uitvoering van de verordening, en daarbij de bestaande wetgeving aan de verordening aan te passen. Een daartoe strekkend wetsvoorstel is inmiddels aan de Raad van State voor advies voorgelegd. Omdat het tijdstip van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel vermoedelijk na 31 mei a.s. gelegen zal zijn, kunnen er vragen rijzen omtrent de betekenis en gevolgen van de verordening tot dat tijdstip. Met deze brief wordt beoogd daaromtrent duidelijkheid te brengen. Ik verzoek u om de inhoud van deze brief binnen uw organisatie bekend te maken aan degenen die het aangaat. 1. Algemeen; werkingssfeer De verordening strekt ertoe de zendingen tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of handelszaken met het oog op betekening en kennisgeving te verbeteren en te versnellen ten opzichte van de huidige internationale regelgeving. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben op de voet van artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, te kennen gegeven dat zij aan de aanneming en toepassing van deze verordening wensen deel te nemen. Denemarken neemt, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, niet deel aan de aanneming van deze verordening. Deze verordening bindt Denemarken dan ook niet en is niet op deze lid"},{"i":4002,"b":"Besluit van 28 juli 1992, tot de vaststelling van het sociaal beleidskader reorganisatie politiebestel Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van 4 oktober 1991, nr. PRP91/U319; Gelet op artikel 15 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (**Stb.** 1991, 674); De Raad van State gehoord (advies van 8 mei 1992, nummer WO3.91.566); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken a.i., mede namens Onze Minister van Justitie van 16 juli 1992, PRP92/338; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Ministers: Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken; - b. ambtenaar: - 1°. degene die als ambtenaar is genoemd in artikel 1 van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975 (**Stb.** 1977, 172); - 2°. degene die als ambtenaar is genoemd in artikel 1 van het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958 (**Stb.** 1957, 547); - 3°. degene die als ambtenaar is genoemd in [artikel 1 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=1) (**Stb.** 1931, 248) en die werkzaam is binnen het Korps Rijkspolitie; - 4°. degene die door of vanwege een gemeente als ambtenaar is aangesteld om binnen een gemeentelijk politiekorps werkzaam te zijn en wiens loonkosten worden bestreden uit de op basis van het Besluit Vergoeding politiekosten 1986 (**Stb.** 610) verstrekte doeluitkering; - 5°. degene die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor onbepaalde tijd in dienst is van het Rijk en die werkzaam is binnen het Korps Rijkspolitie; - 6°. degene die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor onbepaalde tijd in dienst is van een gemeente en die werkzaam is binnen een gemeentelijk politiekorps; - 7°. degene die krachtens een ambtelijke aanstelling dan wel een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor onbepaalde tijd werkzaam is bij de diensten en instellingen"},{"i":4717,"b":"Instellingsbesluit Evaluatiecommissie Bureau Financieel Toezicht Overwegende dat [artikel 113 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=113) voorschrijft dat de Minister van Justitie telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag zendt over de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het functioneren van het Bureau Financieel Toezicht (BFT), en het laatste verslag bij brief d.d. 9 november 2004 aan de Tweede Kamer is gezonden; Overwegende dat het takenpakket van het BFT de afgelopen jaren is uitgebreid met het toezicht in het kader van de Gerechtsdeurwaarderswet en de [Wet identificatie bij dienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006330) en de [Wet melding ongebruikelijke transacties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006331); Overwegende dat de Gerechtsdeurwaarderswet thans partieel wordt geëvalueerd door de Commissie evaluatie Gerechtsdeurwaarderswet (Commissie Van der Winkel); Overwegende dat de Commissie evaluatie [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388) (Commissie Hammerstein) aanbevelingen heeft gedaan voor de versterking van het toezicht en het scheiden van toezicht en tuchtrecht, en er voor de uitwerking van deze aanbevelingen thans een wetsvoorstel in voorbereiding is; Overwegende dat het wenselijk is om thans de organisatorische vraagstukken met betrekking tot het BFT te evalueren en advies in te winnen met het oog op de positionering van het BFT; Besluit: Artikel 1 Er is een Evaluatiecommissie Bureau Financieel Toezicht, hierna te noemen Evaluatiecommissie. Artikel 2 - –. de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het BFT te beoordelen; - –. te adviseren hoe de effectiviteit van het instrumentarium van het BFT vergroot kan worden; - –. te adviseren over de wijze waarop het BFT het meest efficiënt en effectief gepositioneerd kan worden, mede in het licht van de taakstelling die voortkomt uit het coalitieakkoord van het kabinet"},{"i":3432,"b":"Besluit van 18 april 2018, houdende regels met betrekking tot het verrichten van DNA-onderzoek in het kader van de uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Besluit DNA-onderzoek Wiv 2017) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie van 22 december 2017, nr. 2017-0000212750; Gelet op [artikel 43, achtste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=43); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 maart 2018, no. W04.17.0403/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, uitgebracht mede namens Onze Minister van Defensie van 17 april 2018, nr 2018-0000177542; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896); - b. **DNA-onderzoek:** onderzoek als bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=43); - c. **DNA-profielenregistratie:** de registratie, bedoeld in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040851&paragraaf=5&artikel=7&z=2018-05-01&g=2018-05-01); - d. **NEN-EN ISO/IEC 17025:** algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, uitgegeven door het Nederlandse Normalisatie-Instituut, zoals deze luidden in januari 2007; - e. **sporenidentificatienummer:** uniek nummer waarmee een drager van DNA-sporen uniek wordt geïdentificeerd. Paragraaf 2. Veiligstellen van celmateriaal Artikel 2 1. Een voorwerp met daarop mogelijk celmateriaal dat door de dienst is meegenomen voor DNA-onderzoek wordt, zolang dat celmateriaal niet is veiliggesteld, door de dienst geconditioneerd opgeslagen. Van dit voorwerp wordt in een daartoe ingerichte ruim"},{"i":2354,"b":"Regeling van de Asiel en Migratie van 4 april 2025, nr. 6265994, houdende een specifieke uitkering voor gemeenten in verband met de bekostiging van huisvesting van vergunninghouders in doorstroomlocaties (Bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **deelnemende gemeente in de regio:** gemeente in de regio van een doorstroomgemeente die samen met die doorstroomgemeente een doorstroomlocatie realiseert in de doorstroomgemeente; - –. **doorstroomgemeente:** gemeente die een doorstroomlocatie realiseert binnen de eigen gemeentegrenzen; - –. **doorstroomlocatie:** een locatie met woonruimtes, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=1), waarin tijdelijk huisvesting wordt geboden aan vergunninghouders die door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers zijn gekoppeld aan de doorstroomgemeente of deelnemende gemeenten in de regio; - –. **koppelgemeente:** gemeente waaraan een vergunninghouder door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers is gekoppeld voor huisvesting; - –. **Onze Minister:** de Minister van Asiel en Migratie; - –. **regionale doorstroomlocatie:** doorstroomlocatie die gerealiseerd wordt door een doorstroomgemeente samen met één of meerdere deelnemende gemeenten in de regio; - –. **transitiekosten:** kosten die een gemeente maakt voor het geschikt maken of realiseren van een gebouw als doorstroomlocatie; - –. **uitvoeringskosten:** kosten die een gemeente maakt voor de exploitatie van de doorstroomlocatie; - –. **vergunninghouder:** vreemdeling als bedoeld in [artikel 3, derde lid, onder c, e, k en l, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdeli"},{"i":3473,"b":"Besluit van 23 oktober 1986, houdende regels betreffende het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 18 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 17 juli 1986, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. U 8604 I; Gelet op [artikel 18 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=18) (**Stb.** 1986, 360); Gehoord de Buitengewone Pensioenraad en de Stichting Pelita; De Raad van State gehoord (advies van 21 augustus 1986, nr. W13.86.0397); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 13 oktober 1986, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. 8870; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968) (Stb. 1986, 360); - b. de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); - c. de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - d. de belanghebbende: de deelnemer aan het verzet in de zin van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968). Artikel 2 1. Het geneeskundig onderzoek bedoeld in [artikel 18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=18), geschiedt door een geneeskundig adviseur, door de Raad of de Sociale verzekeringsbank aan te wijzen, of diens plaatsvervanger. 2. Op verzoek van de belanghebbende wijst de Raad of de Sociale verzekeringsbank bovendien een andere, door de belanghebbende gekozen, arts aan, die het onderzoek bijwoont of de in het vorige lid bedoelde arts schriftelijk van advies dient. 3. Bi"},{"i":4139,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp van 20 december 2024, nr. BZ2410991, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mine Action en Clustermunitie Programma III 2025–2030) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7) en [10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=10); Gelet op de [artikelen 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.5) en [2.6, sub d, f en h, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.6); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.5) en [2.6, sub d, f en h, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.6) met het oog op de financiering van activiteiten op het gebied van ontmijnen, het verwijderen van clustermunitie en capaciteitsversterking van nationale **mine action** autoriteiten, die strekken tot het bevorderen van vrede en veiligheid na afloop van een gewapend conflict (Mine Action en Clustermunitie Programma III 2025–2030), gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Voor subsidieverlening in het kader van het Mine Action en Cluster Munitie Programma III 2025–2030 geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 een subsidieplafond van € 78.750.000, dat als volgt over de afzonderlijke typen activiteiten wordt verdeeld: - a). € 60.750.000 voor activiteiten gericht op **mine action** activiteiten; - b). € 14.000.000 voor activiteiten gericht op capaciteitsversterking van nationale **mine action** autoriteit"},{"i":4475,"b":"Circulaire benoeming, klankbordgesprekken en herbenoeming burgemeesters Hierbij doe ik u de vernieuwde circulaire benoeming, herbenoeming en klankbordgesprekken burgemeester toekomen. Ten opzichte van de oude circulaire uit 2012 zijn er belangrijke wijzigingen. In de eerste plaats zijn in deze circulaire de wijzigingen van de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) die per 1 februari 2016 in werking zijn getreden verwerkt.1Wet van 4 november 2015 (Stb. 2015, 426) houdende wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Waterschapswet. De belangrijke wijzigingen die hieruit voorvloeien zijn de volgende: In de tweede plaats is naast deze circulaire tevens de **Handreiking Burgemeesters, benoeming, herbenoeming, klankbordgesprekken en afscheid** (hierna: handreiking), geheel vernieuwd. Deze handreiking is complementair aan deze circulaire en bevat naast tips nog verdere procesinformatie. Deze handreiking is te vinden op de website www.politiekeambtsdragers.nl. In de derde plaats is van de gelegenheid gebruik gemaakt om op grond van de praktijkervaringen in de afgelopen jaren een aantal aanpassingen aan te brengen ter verduidelijking van de diverse stappen in de procedure. In de vierde plaats is in de omkaderde blokken in de tekst een geactualiseerde toelichting op de artikelen opgenomen. In de vijfde plaats zijn bij deze circulaire bouwstenen voor een verordening op de vertrouwenscommissie gevoegd. Ter toelichting nog het volgende. In de vorige versie van de circulaire werd de term functioneringsgesprek gebruikt voor het gesprek met de gemeenteraad over het functioneren van de burgemeester. Deze term past meer in een hiërarchische werkrelatie en is in die zin minder gelukkig en kan een verkeerde indruk wekken van het bedoelde karakter van deze gesprekken tussen de raad en de burgemeester. De gemeenteraad bespreekt het functioneren van de burgemeester als de bestuurlijke partner van de"},{"i":3026,"b":"Besluit van 18 juni 2025, nr. 2025001383, aanwijzing tot ‘verboden plaatsen’ Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 18 juni 2025, nr. 8803226; Gelet op de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I) en [IV van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=IV); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 Als ‘verboden plaats’ in de zin van [artikel 1 van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I) wordt met ingang van 1 juli 2025 aangewezen: - a. de ruimten CP.-1.C02, CP.-1.A06, CP.-1.A20, CP.00.A15, CP.00.C15, CP.00.C16, CZ.02.A16, verdieping 1 t/m 6 van bouwdeel C-passage, verdieping 3 en 4 van bouwdeel C-zuid en het postgebied AZ in het gebouw Bezuidenhoutseweg 73 te ’s-Gravenhage; - b. het Catshuis, Adriaan Goekooplaan 10 te ’s-Gravenhage; - c. het datacenter in het gebouw Buitenhof 34 te ’s-Gravenhage; - d. de ruimten in gebruik bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) in het gebouw van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), Oude Waalsdorperweg 63 te ’s-Gravenhage. - e. de ruimten in gebruik bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) in het gebouw van de Raad van State, Kneuterdijk 22 te ’s-Gravenhage; - f. de ruimte Z07-418 in de zuidtoren van het gebouw Turfmarkt 147 te ’s-Gravenhage; Artikel 2 De krachtens [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051133&artikel=1&z=2025-08-01&g=2025-08-01) aangewezen ‘verboden plaatsen’ worden als zodanig aangegeven op de deuren toegang gevende tot de in artikel 1 genoemde ruimten, vermeldende: ‘Verboden toegang voor onbevoegden – Verboden plaats ingevolge de [Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074)’. Artikel 3 Het [besluit van 24 maart 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050937) (nr."},{"i":3209,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 maart 2023 nr. BOACAT2023/012, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Bergen op Zoom Gelezen het verzoek van de gemeente Bergen op Zoom van 3 maart 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047971&artikel=2&z=2023-11-16&g=2023-11-16). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Handhaving in dienst van de gemeente Bergen op Zoom, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bi"},{"i":2614,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 augustus 2017, kenmerk MC-U-165460, houdende de vaststelling van beleidsregels inzake de meldplicht geweld tussen cliënten Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 24, vijfde lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=24) en [artikel 9.2, vierde lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=9.2); Besluiten: 1. Inleiding Sinds 1 januari 2015 is de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925), en sinds 1 januari 2016 is de [Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173) (hierna: Wkkgz) van kracht. Op grond van [artikel 4.1.8, eerste lid, onder b, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.1.8) en [artikel 11, eerste lid, onder b, van de Wkkgz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=11) zijn jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en zorgaanbieders (hierna: aanbieders) verplicht geweld (in de zorgrelatie) onverwijld bij de IJZ, IVenJ en de IGZ (hierna: de inspecties) te melden. Onder geweld (in de zorgrelatie) wordt onder meer verstaan lichamelijk en/of geestelijk geweld **tussen cliënten** die gedurende ten minste een dagdeel in dezelfde accommodatie verblijven. Deze meldplicht omvat ook minder ernstig geweld tussen cliënten. Minder ernstig geweld tussen cliënten komt bij sommige cliëntenpopulaties veelvuldig voor. Afzonderlijke melding aan de inspecties van elk van deze gebeurtenissen leidt tot een onevenredige verzwaring van de administratieve lasten voor aanbieders en de uitvoeringslasten van de inspecties. Dat minder ernstig geweld tussen cliënten plaatsvindt, kan niettemin een indicatie zijn van verhoogd risico voor de veiligheid van clië"},{"i":2755,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2010 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2010, doch niet later dan 15 augustus 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,437 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2010 en eindigende met 15 augustus 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":3934,"b":"Besluit proceskosten bestuursrecht BES Artikel 1 Een vergoeding van de kosten als bedoeld in de [artikelen 50, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=50), en [58, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=58), kan uitsluitend betrekking hebben op: - a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - b. kosten van een getuige of deskundige die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht; - c. reis- en verblijfskosten van een partij; - d. verletkosten van een partij; en - e. kosten van uitreksels uit openbare registers, interinsulaire en internationale telefaxen, interinsulaire en internationale telefoongesprekken alsmede telegrammen. Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 50, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=50), en [58, vierde lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=58). Artikel 2 1. Het bedrag van de kosten wordt in de uitspraak als volgt vastgesteld: - a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in [artikel 1, sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028477&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10): overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief; - b. ten aanzien van de kosten, bedoeld in [artikel 1, sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028477&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10): de vergoeding die ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES is verschuldigd; - c. ten aanzien van de kosten bedoeld in [artikel 1, sub c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028477&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10): overeenkomstig [artikel 15, eerste lid, van het Besluit tarieven in burgerlijke zaken BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028448&artikel=15); - d. ten aanzien van de kosten bedoeld in [artikel 1, sub d](https://wetten.over"},{"i":4484,"b":"Circulaire Effecten wijziging Wet Kinderopvang per 1 januari 2007 Inleiding Met deze circulaire informeer ik u over de effecten die de aanstaande, van het wetsvoorstel Belastingplan 2007 deel uitmakende, wijziging van de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) heeft op werkgevers en werknemers van het Rijk, opdat rekening gehouden kan worden met aanpassingen van de administratieve processen met betrekking tot de uitvoering van de genoemde [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017). De wijziging van de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) heeft een beoogde ingangsdatum van 1 januari 2007. Deze datum is onder voorbehoud en afhankelijk van aanvaarding van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer, dat op 12 december 2006 wordt verwacht. Effecten van de wijziging van de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) op de Rijksoverheid De doorwerking van deze effecten op de rijksoverheid is als volgt. Hieronder worden de bedrijfsvoeringaspecten vermeld, waarop de volgende acties ondernomen moeten worden. Bedrijfsvoeringaspecten Algemene effecten Onderstaand treft u andere effecten aan die door de wijziging van de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) plaatsvinden. Dit gedeelte is meer van algemene aard omdat deze wijziging een doorwerking kan hebben in de privé situatie van de ambtenaar. Deze effecten kunnen zowel op overheids- als op niet-overheidswerkgevers van toepassing zijn. Bijlage 1. Tegemoetkoming in kosten kinderopvang | (Gezamenlijk) toetsingsinkomen | (Gezamenlijk) toetsingsinkomen | Tegemoetkoming Rijk als percentage van de kosten van kinderopvang (inclusief vaste toeslag) | Tegemoetkoming Rijk als percentage van de kosten van kinderopvang (inclusief vaste toeslag) | | --- | --- | --- | --- | | Van | Tot | Eerste Kind | Tweede en volgend kind | | lager dan | € 16.394 | 96,5% | 96,5% | | € 16.395 | € 17.486 | 96,1% | 96,5% | | € 17.487 | € 18.57"},{"i":3103,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 26 maart 2013 nr. IENM/BSK-2013/46052, houdende benoeming leden Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart en de Eemscommissie Artikel 1. Benoeming leden Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart Permanent Commissaris van toezicht op de Scheldevaart zijn: - –. een directeur van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu belast met maritieme zaken; - –. de Hoofdingenieur-Directeur van het organisatie-onderdeel Zee & Delta, voorheen de dienst Noordzee en Zeeland, van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat. Artikel 2. Benoeming leden Permanente Nederlands-Duitse Eemscommissie Lid van de Eemscommissie zijn: - –. een directeur van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu belast met maritieme zaken; - –. de Hoofdingenieur-Directeur van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat onder wiens verantwoordelijkheid het nautisch beheer van de Eems valt; en - –. een door de Directeur Generaal Ruimte en Water aan te wijzen ambtenaar. Artikel 3. Intrekken besluiten De volgende besluiten worden ingetrokken: - a. Het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 februari 2008 houdende eervol ontslag en benoeming van een permanent commissaris van toezicht op de Scheldevaart (HDJZ/SCH/2008-153) (Stcrt 44); - b. Het besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 1 juni 2012 houdende eervol ontslag en benoeming van een permanent commissaris van toezicht op de Scheldevaart (IENM/BSK-2012/80996) (Stcrt 12062); - c. Het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 17 september 2009, nr. DJZ/BR/0559-2009, tot wijziging van de samenstelling van de Permanente Nederlands-Duitse Eemscommissie (Stcrt 14386). Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang 1 april 2013 met dien verstande dat [artikel 1, aanhef en tweede gedachtestreepje](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033090&artikel=1&z=2013-04-01&g=2013-04-01"},{"i":2379,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 11 mei 2020, nr. PO/24137474, houdende regels voor een experiment ten behoeve van onderzoek naar een andere dag- en weekindeling in het kader van de noodmaatregelen voor het lerarentekort in het primair onderwijs in de gemeenten Amsterdam, Almere, Den Haag, Rotterdam en Utrecht (Beleidsregel andere dag- en weekindeling op scholen in de G5) Gelet op [artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718&artikel=2) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **G5-gemeenten:** gemeente Amsterdam, de gemeente Almere, de gemeente Den Haag, de gemeente Rotterdam en de gemeente Utrecht; - **minister:** minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; - **noodplan:** plan van bevoegde gezagsorganen en gemeenten in de G5-gemeenten betreffende noodmaatregelen lerarentekort genaamd Noodplan lerarentekort Amsterdam, Actie in perspectief (Den Haag), Slim organiseren (Rotterdam), Actieplan Utrecht Leert of Noodplan lerarentekort Almere; - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) of [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **WEC:** [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - **WPO:** [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420). Artikel 2. Doel experiment Het doel van het experiment is om bij de deelnemende scholen te onderzoeken: - a. welke impact de mogelijkheid om bij een tekort in de formatie van een school af te wijken van de wettelijke voorschriften genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043523&artikel=3&z=2024-07-12&g=2024-07-12), onder de aldaar genoemde voorwaarden, heeft op de omgang met d"},{"i":3483,"b":"Besluit van 8 december 1964, tot toepassing van artikel 4 van de Wet installaties Noordzee Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 30 september 1964, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nummer 354/664; Gelet op [artikel 4 van de Wet installaties Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002467&artikel=4). De Raad van State gehoord (advies van 28 oktober 1964, no. 40); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 4 december 1964, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nummer 455/664: Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit worden onder installaties ter zee verstaan: installaties als bedoeld in [artikel 1 van de Wet installaties Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002467&artikel=1). Artikel 2 Voor de toepassing van de wettelijke voorschriften waarbij de betrekkelijke bevoegdheid van de rechter in strafzaken en van het openbaar ministerie is geregeld, worden feiten begaan op installaties ter zee, alsmede daarop verrichte of te verrichten ambtsdaden, gelijkgesteld met feiten, onderscheidenlijk ambtsdaden, binnen het rechtsgebied van de rechtbank Amsterdam. De zaak wordt behandeld en beslist door de kantonrechter van de rechtbank. Artikel 3 De opsporingsambtenaren die zijn tewerkgesteld bij een landelijke eenheid als bedoeld in [artikel 25, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25) en de buitengewone opsporingsambtenaren die zijn aangewezen overeenkomstig [artikel 3 van de Wet installaties Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002467&artikel=3), zijn op installaties ter zee bevoegd tot al hetgeen waartoe zij binnen hun ambtsgebied bevoegd zijn. Artikel 4 Deurwaarders en ambtenaren, bevoegd tot het ten uitvoer leggen van rechterlijke uitspraken binnen het rechtsgebied van de rechtbank Amsterdam, zijn daartoe mede bevoegd op installaties ter zee, Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van"},{"i":7326,"b":"Besluit van 24 november 2008 tot wijziging van enkele besluiten ter uitvoering van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek in verband met verhoging van de aansprakelijkheidslimiet in het binnenlands personenvervoer Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 13 oktober 2008, nr. 5567039/08/6, Directie Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=110) en [1157 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1157); De Raad van State gehoord (advies van 5 november 2008, nr. W03.08.0441/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 18 november 2008, nr. 5573589/08/6, Directie Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit ex artikel 110 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt het Besluit ex artikel 1157 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel III Dit besluit is slechts van toepassing op ongevallen die zich na de inwerkingtreding hebben voorgedaan. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4468,"b":"Circulaire aanpassingsregeling pensioenen 2006, vaststelling franchise en inhoudingspercentages Zoals u bekend is, vindt aanpassing (‘indexatie’) van de pensioenen van politieke ambtsdragers plaats in overeenstemming met de aanpassing van ABP-pensioenen. De berekeningsgrondslagen en de pensioenen vastgesteld en toegekend ingevolge de Appa worden ingaande 1 januari 2006 met 0,17% verhoogd. Aan de aanpassing is terugwerkende kracht gegeven tot en met 11 april 2005. Dit leidt tot een nabetaling aan degenen die op 31 december 2005 recht op pensioen hadden van 0,13%, betrekking hebbend op het tijdvak van 11 april 2005 of de latere ingangsdatum van het pensioen, tot 1 januari 2006. Voorts bestaat aanspraak op een eenmalige uitkering, ten bedrage van 0,11%. De nabetaling en de uitkering ineens worden berekend van het ná inbouw en franchise vastgestelde pensioenbedrag op jaarbasis op 31 december 2005. Een ministeriële regeling op grond van [artikel 157 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=157), waarin de onderhavige aanpassing zal worden neergelegd, zal binnenkort in de Staatscourant worden geplaatst. De Appa-pensioenen worden berekend volgens het eindloonsysteem met toepassing van één franchisebedrag. Voor dit bedrag wordt in de Appa verwezen naar ‘de’ franchise die op grond van het pensioenreglement van het ABP geldt voor het overheidspersoneel. Voor de berekening van het Appa-pensioen is gezocht naar een equivalent van één voor een eindloon geldende franchise. Die is gevonden in het franchisebedrag dat het ABP toepast voor de vaststelling van de aanspraken op ouderdoms- en nabestaandenpensioen die tot 1 januari 2004 onder het eindloonsysteem zijn opgebouwd. Dit is per 1 januari 2004 een bedrag van € 15.450,– per jaar (artikel 18e.1, lid 2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP). De franchise voor 2005 was ook vastgesteld op € 15.450,–. Voor 2006 wordt de franchise gewijzigd in €"},{"i":3349,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 1 oktober 2025 nr. BOACAT2025/176, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Zwolle Gelezen het verzoek van gemeente Zwolle van 10 september 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Oost- Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051584&artikel=2&z=2025-10-21&g=2025-10-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving in dienst van gemeente Zwolle zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijst"},{"i":2671,"b":"Besluit van 1 augustus 1956, ter uitvoering van de Beroepswet Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 20 juni 1956, Afdeling Wetgeving, No. 241/656; Gelet op de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170&artikel=10), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170&artikel=24), [28-30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170&artikel=28), [54](onbekend), [55](onbekend), [104-106](onbekend), [130](onbekend), [132](onbekend) en [144 der Beroepswet](onbekend) (**Stb.** 1955, 47); De Raad van State gehoord (advies van 3 juli 1956, no. 19); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde minister van 31 juli 1956, Afdeling Wetgeving, no. 285/656; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Raden van Beroep Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 3a Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Vervallen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen Artikel 23 Vervallen Artikel 24 Vervallen Artikel 25 Vervallen Artikel 26 Vervallen Artikel 27 Vervallen Hoofdstuk II. De Centrale Raad van Beroep § 1. Algemene bepalingen Artikel 28 Vervallen Artikel 28a 1. De rang van ouderdom van dienst tussen hen die eenzelfde ambt bekleden, wordt geregeld naar de dagtekening en zo nodig naar het nummer van de besluiten van benoeming. 2. Zijn verscheidene personen tot éénzelfde ambt benoemd bij één besluit, dan wordt de rang van ouderdom geregeld naar de volgorde waarin zij in het besluit worden genoemd. Artikel 28b Vervallen Artikel 28c Vervallen. Artikel 29 Vervallen. Artikel 30 Zij die de Centrale Raad van Beroep als griffier bijstaan, dragen hetzelfde costuum als de overeenkomstige ambtenaren van een gerechtshof. Artikel 31 De president roep"},{"i":4421,"b":"Bestuursreglement Dopingautoriteit Gelet op [artikel 8 van de Wet uitvoering antidopingbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041439&artikel=8) en [artikel 11 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11) besluit de voorzitter van de Dopingautoriteit het volgende reglement vast te stellen. Dit reglement wordt aangeduid als ‘Bestuursreglement Dopingautoriteit’. Binnen de kaders die voor het governancemodel tussen eigenaar – opdrachtgever – Dopingautoriteit in de governancevisie1‘Concernsturing VWS, uitgangspunten voor de governance tussen VWS en Concernorganisaties’, vastgesteld in de Bestuursraad Bedrijfsvoering d.d. 5 juli 2018 zijn beschreven, legt de Dopingautoriteit in dit document regels over taakuitoefening, samenwerking en besluitvorming, integriteit, mandaat en volmacht vast. Op deze manier wordt mede invulling gegeven aan de Code Goed Bestuur Publieke Dienstverleners van de Handvestgroep Publiek Verantwoorden. Begripsbepalingen Dit bestuursreglement verstaat onder: Artikelen 1. De Voorzitter 2. Uitoefening taken en bevoegdheden van de voorzitter 3. Ondersteuning en vervanging van de voorzitter 4. Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging De voorzitter stelt een mandaat- en volmachtregeling vast. Hierin worden mandaat, volmacht en machtigingen, en de daaraan gerelateerde bevoegdheden beschreven, evenals de reikwijdte en het organisatieonderdeel van de Dopingautoriteit waarop deze van toepassing zijn. 5. Besluiten van beheersmatige aard De voorzitter draagt er zorg voor dat de Dopingautoriteit zich als publiekrechtelijk orgaan bij haar bedrijfsvoering processen zo veel mogelijk richt op hetgeen voldoet aan de uitgangspunten, kaders en beleid zoals die bij de Rijksoverheid gelden, onverlet de eigen verantwoordelijkheid van de Dopingautoriteit. 6. De vergaderingen van de bestuurstafel 7. Bestuurlijke besluitvorming 8. Tegenstrijdige belangen 9. Raad van Advies 10. Commissies 11. Va"},{"i":3064,"b":"Besluit artikel 10a Wet Vpb 1969 **De Staatsecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat het beleid voor artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Dit besluit is een actualisering van het besluit van 25 maart 2013, nr. BLKB2013/110M (** **Stcrt. 2013, 8768** **) dat laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 10 februari 2022, nr. 2022-1669 (** **Stcrt. 2022, 5018** **).** 1. Inleiding In [artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) is bepaald dat rente ter zake van schulden in bepaalde situaties niet aftrekbaar is. In dit beleidsbesluit is een aantal beleidsstandpunten opgenomen met betrekking tot de toepassing van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering (CTC) is verantwoordelijk voor de eenheid van beleid en uitvoering bij (onder andere) de toepassing van [artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a). Gevallen waarin een standpuntbepaling precedentwerking zou kunnen hebben, legt de inspecteur voor aan de CTC ([Instelbesluit CTC 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049409)). De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63). 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. [Artikel 10a Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) en fraus legis [Artikel 10a Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) gaat vooraf aan [artikel 15b Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15b) (vanaf 1 januari 2019), de [artikelen 12aa Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12aa) e.v., de [artikelen 15bd Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15bd)"},{"i":4565,"b":"Deelregeling projectsubsidies Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 4 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022753&artikel=4) Besluit: Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - **podiumkunstenaar:** iemand die artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd is in de professionele podiumkunstpraktijk in Nederland; - **concours:** een competitie gericht op podiumkunstenaars die aan het begin van een professionele carrière staan waarbij het wedstrijdelement het verbindende element tussen de activiteiten vormt; - **maker:** iemand die artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten en artistiek-inhoudelijk eindverantwoordelijk is voor het totstandkomen van voorstellingen of concerten. Artikel 1.2 Het bestuur kan subsidie verstrekken in de vorm van een productiesubsidie of een subsidie nieuwe maker voor activiteiten die bijdragen aan de kwaliteit en diversiteit in de podiumkunsten in Nederland en het opbouwen en bereiken van een publiek daarvoor. Artikel 1.3. De aanvraag 1. Een aanvraag wordt ingediend met behulp van een door het bestuur opgesteld aanvraagformulier voor de betreffende subsidievorm. 2. Een aanvraag wordt alleen in behandeling genomen als het volledig ingevulde aanvraagformulier tijdig is ontvangen door het fonds en vergezeld gaat van de op het formulier vermelde bijlagen. 3. Het bestuur kan een of meer aanvraagrondes per jaar per subsidievorm vaststellen. De bijbehorend"},{"i":2513,"b":"Beleidsregel tegemoetkoming schade bij aangewezen besmettelijke dierziekten Gelet op [artikel 86, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=86) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662); - b. **tegemoetkoming:** tegemoetkoming in de schade als bedoeld in [artikel 86, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=86); - c. **maatregelen:** maatregelen als bedoeld in [artikel 22 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=22). Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op het toekennen van tegemoetkomingen voor zover deze voortvloeien uit maatregelen, die zijn getroffen na 20 januari 2003. Artikel 3 Het bedrag van de tegemoetkoming wordt vastgesteld zonder verlaging als bedoeld in [artikel 86, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=86). Artikel 4 Dit besluit kan worden aangehaald als: Beleidsregel tegemoetkoming schade bij aangewezen besmettelijke dierziekten. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3105,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Consulentschappen Provincie Gelderland LNV 1948–1993 Inventaris CLV-GELDER Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 2 september 2021 met kenmerk 286281227 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 1356 | 1-1-2035 | | 1357 | 1-1-2055 | | 1358 | 1-1-2037 | | 1359 | 1-1-2059 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045700&artikel=1&z=2021-10-16&g=2021-10-16), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045700&artikel=1&z=2021-10-16&g=2021-10-16), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland. De rijksarchivaris in de provincie Gelderland kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045700&artikel=1&z=2021-10-16&g=2021-10-16) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werkin"},{"i":3619,"b":"Besluit van 18 augustus 1988, betreffende bekendmaking van openbare ledenvergaderingen en ontwerpen van verordeningen van de corporatie Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 april 1988, nr. S/J 30.743/88, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=14), tweede lid en [16, tweede lid van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=16) (**Stb.** 1988, 353); De Raad van State gehoord (advies van 14 juni 1988, no. W09.88.0220); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 augustus 1988, no. S/J 31.336/88, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Kennisgeving van openbare ledenvergaderingen van de corporatie Artikel 1 Kennisgeving omtrent ledenvergaderingen van de corporatie, bedoeld in [artikel 14, tweede lid van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=14) (**Stb.** 1988, 353), geschiedt ten minste zes weken tevoren door: - a. toezending van de agenda aan de leden van de corporatie, en - b. plaatsing van een mededeling in de **Staatscourant**. Artikel 2 De agenda en de mededeling, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004390&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2021-07-01&g=2021-07-01), bevatten in elk geval: - a. plaats, dag en aanvangsuur van de behandeling van het ontwerp van de verordening; - b. het gegeven dat de ledenvergadering openbaar is voor zover het de behandeling van het ontwerp van een verordening betreft. Hoofdstuk II. Kennisgeving van ontwerpen van verordeningen Artikel 3 Tegelijk met de agenda van de openbare ledenvergadering wordt de tekst van het ontwerp van de verordening, welke ter vergadering aan de orde zal komen, aan de leden van de corporatie toegezonden. Artikel 4 Tegelijk met de kennisgeving van de openbare ledenvergadering wordt van het ontwerp van de verordening, we"},{"i":9104,"b":"Protocol bij het Verdrag ter bestrijding van de valse munterij I. Uitleggingen. Op het oogenblik van onderteekening van het Verdrag hetwelk de dagteekening draagt van heden, verklaren de ondergeteekende Gevolmachtigden ten aanzien van de verschillende bepalingen van het Verdrag de hieronder uiteengezette uitleggingen te aanvaarden. Het is wel verstaan: - 1°. Dat de vervalsching van een op een bankbiljet geplaatsten stempel, waarvan het gevolg is dit in een bepaald land geldig te maken, als een vervalsching van het biljet zal worden beschouwd. - 2°. Dat het Verdrag geen inbreuk maakt op het recht der Hooge Verdragsluitende Partijen om in haar binnenlandsche wetgeving naar eigen goedvinden de beginselen, volgens welke een lichter vonnis dan wel geen vonnis kan worden opgelegd, alsmede het recht van gratie en dat van amnestie te regelen. - 3°. Dat de in artikel 4 van het Verdrag vervatte regel geenerlei wijziging medebrengt van de binnenlandsche regels, die de straffen vaststellen in geval van samenloop van strafbare feiten. Deze regel verzet zich niet er tegen, dat hetzelfde individu, hetwelk tegelijk de vervalscher en de uitgever is, slechts als vervalscher vervolgd wordt. - 4°. Dat de Hooge Verdragsluitende Partijen slechts gehouden zijn de rogatoire commissiën uit te voeren binnen de door nationale wetgeving gestelde grenzen. II. Voorbehouden. De Hooge Verdragsluitende Partijen, die de hieronder vermelde voorbehouden maken, maken daarvan haar aanvaarding van het Verdrag afhankelijk; haar deelneming onder deze voorbehouden wordt door de andere Hooge Verdragsluitende Partijen aanvaard. - 1°. De Regeering van Britsch-Indië maakt het voorbehoud, dat artikel 9 niet van toepassing is op Britsch-Indië, waar het niet binnen de bevoegdheden van de wetgevende macht valt den bij dit artikel gestelden regel uit te vaardigen. - 2°. In afwachting van den afloop van de onderhandelingen betreffende de afschaffing van de consulaire rechtsmacht, waarvan de onderdanen van zekere Moge"},{"i":7169,"b":"Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 Gelet op de [artikelen 3, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=3), [4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=4), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=6), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=8), [9, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=9), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=10), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=14), [17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=17), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=20), en [34 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=34) (Stb. 709). Besluit: Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=3), [4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=4), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=8), [9, dertiende en veertiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=9), [10, vijfde, zevende en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=10), [10a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=10a), [10c, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=10c), [14a, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=14a), [14b, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=14b), [15a, zevende en dertiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=15a), en [17, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=17"},{"i":3601,"b":"Besluit van 29 maart 1994, houdende toepassing van artikel 38 van de Financiële-Verhoudingswet 1984 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, van 6 december 1993, nr. fip 93/680; Gelet op [artikel 89 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89), artikel 38 van de Financiële-Verhoudingswet 1984 en [artikel 32, derde lid, van de Wet herverdeling wegenbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005697&artikel=32); Gezien de adviezen van de Raad voor de gemeentefinanciën van 10 oktober 1990, nr. 67547 Rgf 81/28, en van 17 maart 1993, nr. Rgf 04.10/003.003, en van het Interprovinciaal Overleg van 4 mei 1993, nr. I 776/93; De Raad van State gehoord (advies van 28 februari 1994, nr. W04.93.0821); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, van 25 maart 1994, nr. fip 94/177; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet herverdeling wegenbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005697); - b. WUW-bijdrage: een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 10, eerste lid, juncto artikel 9, eerste lid, van de Wet Uitkeringen Wegen. Artikel 2 1. Aan elk van de gemeenten, genoemd in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006567&bijlage=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006567&bijlage=2&z=2002-01-01&g=2002-01-01) en [3 bij dit besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006567&bijlage=3&z=2002-01-01&g=2002-01-01), wordt, in verband met de geleidelijke toevoeging aan de algemene uitkering van een gedeelte van de middelen gemoeid met de specifieke uitkering op grond van de Wet Uitkeringen Wegen, over de jaren 1993 tot en met 2017 jaarlijks een uitkering uit het Gemeentefonds gedaan. 2. De in het eerste lid genoemde uitkering bedraagt het totaal van de bedragen ui"},{"i":4495,"b":"Circulaire Introductie bij provincies van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers Van verzending circulaires naar publicatie op internet **Met ingang van 1 januari 2019 zullen circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers uitsluitend nog bekend worden gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website** **www.politiekeambtsdragers.nl**. **U kunt zich met een RSS-feed abonneren op deze site via****https://feeds.politiekeambtsdragers.nl/circulaires.rss**. **Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering. Vanwege het belang dat de introductie van dit rechtspositiebesluit bij alle betrokkenen bekend is, wordt onderhavige circulaire ook nog per post verzonden.** 1. Inleiding Hierbij informeer ik u over de totstandkoming van het [Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522) (Stb. 2018, 386), en de daarbij behorende [Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041573) (Stcrt 2018, 66006). In deze regelgeving zijn de rechtspositieregels van alle voorzitters, dagelijks bestuurders en volksvertegenwoordigers van de gemeenten, provincies en waterschappen, in één besluit en één regeling samengevoegd. Dit is het sluitstuk van een meerjarig traject1Eerdere onderdelen van dit traject zijn in juni 2013 (Stb. 2013, 222) en in juni 2014 (Stb. 2014, 230) tot stand gekomen., waarbij de vroegere zeven rechtspositiebesluiten en onderliggende regelingen met betrekking tot deze ambtsdragers, zijn gemoderniseerd, en waar mogelijk geharmoniseerd. Harmonisatie is bereikt door voor vergelijkbare decentrale politieke ambtsdragers vergelijkbare artikelen op te nemen. Verschillen die enkel historisch waren te verklaren of die intussen achterhaald bleken te zijn, zijn weggenomen. Vervolgens is in het kader van het streven naar modernisering bezien of de voorzieningen nog"},{"i":4742,"b":"Besluit van 16 september 2020 tot aanvulling en wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit, de intrekking en wijziging van andere besluiten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringsbesluit Omgevingswet) Op de voordracht van Onze Minister voor Milieu en Wonen van 20 februari 2020, nr. 2020-0000071964, Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie, Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Justitie en Veiligheid, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de bio-verordening, de grondwaterrichtlijn, de kaderrichtlijn afvalstoffen, de kaderrichtlijn water, de mer-richtlijn, de nec-richtlijn, de nitraatrichtlijn, de richtlijn autowrakken, de richtlijn duurzaam gebruik van pesticiden, de richtlijn energie-efficiëntie, de richtlijn industriële emissies, de richtlijn middelgrote stookinstallaties, de richtlijn milieustrafrecht, de richtlijn offshore veiligheid, de richtlijn omgevingslawaai, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn prioritaire stoffen, de richtlijn storten afvalstoffen, de richtlijn toegang tot milieu-informatie, de richtlijn winningsafval, het SEA-protocol, de Seveso-richtlijn en de smb-richtlijn, de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221), de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346), de [Drank- en Horecawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458), de [Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338), de [Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521), de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416),"},{"i":4401,"b":"Besluit van 8 september 2014, houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met het opheffen van de product- en bedrijfschappen Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 juni 2014, 610378-122657-VGP, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [8, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8) en [artikel 4, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 juli 2014, no. W13.14.0217/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 september 2014, 654011-124892-VGP, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit Gereserveerde aanduidingen. Artikel II Wijzigt het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen. Artikel III Archiefbescheiden van de bedrijfslichamen betreffende zaken die op grond van dit besluit en het besluit van 3 februari 2014, houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met het opheffen van de product- en bedrijfschappen en aanpassing van het Warenwetbesluit cosmetische producten 2011 (Stb. 2014, 81) worden behartigd door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, worden overgedragen aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voor zover zij niet overeenkomstig de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Artikel IV Wijzigt het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Lasten en bevelen dat dit besluit me"},{"i":4487,"b":"Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations In deze circulaire wordt het interimbeleid weergegeven ten aanzien van de beoordeling van externe veiligheidsrisico’s van LNG1LNG (Liquefied Natural Gas) is vloeibaar gemaakt aardgas.-tankstations. Deze circulaire is gericht aan het bevoegd gezag dat te maken heeft met de vergunningverlening voor milieu en de ruimtelijke ordening in relatie tot de LNG-tankstations. De laatste jaren heeft de ontwikkeling van LNG als brandstof voor motorvoertuigen een vlucht genomen. Er zijn momenteel enige tientallen initiatieven om LNG-tankstations te realiseren. Er is een rekenmethodiek ontwikkeld om de externe veiligheidsrisico’s van deze inrichtingen te berekenen. Daarnaast wordt het omgevingsveiligheidsbeleid gemoderniseerd, waarbij de effecten van ongevallen een rol zullen innemen naast de nu in het [Besluit externe veiligheid inrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016767) (Bevi) gehanteerde risicobenadering. In dat verband wordt verwezen naar het onderdeel ‘Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid’ van de bijlage ‘Bewust omgaan met veiligheid: rode draden’ bij de brief aan de Eerste Kamer van 10 juli 20142EK 2013–2014, 32 862, nr L. Op 18 augustus 2014 is de brief bij de nota ‘Bewust Omgaan met Veiligheid: Rode Draden’, aan de Tweede Kamer gezonden (Vergaderjaar 2013-2014, Kamerstuk 28 663 nr. 60)(https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-368483) en het bijbehorende uitvoeringsprogramma, dat ik op 18 december 2014 naar de Tweede Kamer heb gezonden3Brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Uitvoeringsprogramma Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid. Kenmerk IENM/BSK-2014/268067. Verdere uitwerking vindt plaats in het kader van de in voorbereiding zijnde Omgevingswet en uitvoeringsregelgeving. Aanleiding en noodzaak Het aanwijzen van LNG-tankstations als inrichtingen die onder de werking van het huidige [Bevi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016767) vallen, zou de nodige tijd in beslag nemen. Gelet"},{"i":3029,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 13 december 2019, nr. DGA-DAD/19300759, tot aanwijzing van C-Mark B.V. als gemachtigde instantie als bedoeld in artikel 31, eerste lid, Verordening 2017/625 Gelet op artikel 31, tweede lid, verordening (EU) nr. 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), (EU) [nr. 1151/2012](32012R1151). (EU) [nr. 652/2014](32014R0652), (EU) [2016/429](32329R2016) en (EU) [2016/2031](32031R2016) van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen [(EG) nr. 1/2005](32005R0001) en [(EG) nr. 1099/2009](32009R1099) van de Raad en de Richtlijnen [98/58/EG](31958R0098), [2007/43/EG](31943R2007), [2008/119/EG](32019R2008) en [2008/120/EG](32020R2008) van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen [(EG) nr. 854/2004](32004R0854) en [(EG) nr. 882/2004](32004R0882) van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen [89/608/EEG](32508R0089), [89/662/EEG](32562R0089), [90/425/EEG](32325R0090), [91/496/EEG](32396R0091), [96/23/EG](31923R0096), [96/93/EG](31993R0096) en [97/78/EG](31978R0097) van de Raad en Besluit [92/438/EEG](32338R0092) van de Raad (verordening officiële controles) (Pb EU L 95), [artikel 6.3 Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3) en [artikel 3 Besluit uitvoering verordening officiële controles diergezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042383&artikel=3); Overwegende dat; C-Mark B.V. in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit monsters neemt in het kader van de officiële"},{"i":2394,"b":"Beleidsregel CAK inning eigen bijdrage AWBZ en WMO gelet op de [artikelen 49 Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=49) (AWBZ) en [artikel 16 Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031&artikel=16) (Wmo), in aanmerking nemende dat het CAK inzicht wenst te geven in zijn innings- of invorderingsbeleid met toepassing van de bevoegdheid tot belangenafweging ([artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4)), besluit om de volgende beleidsregel vast te stellen: I. Inleiding De wettelijke taak van het CAK is het vaststellen en innen van de eigen bijdrage ([artikel 49 AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=49) en [artikel 16 Wmo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031&artikel=16)). Per 1 januari 2013 volgt uit het [Bijdragebesluit zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253) ([Bbz, artt. 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=3a), [11a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=11a) en [16c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=16c)) en uit het [Besluit maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020379) ([Bmo, artt. 4.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020379&artikel=4.1b) en [4.4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020379&artikel=4.4a)), dat indien het CAK de eigen bijdrage vaststelt of herziet binnen 24 maanden nadat de voor die actie benodigde gegevens zijn ontvangen, er geen begrenzing is aan de periode waarover de (herziene) eigen bijdrage kan worden vastgesteld of herzien. II. Doelstelling van de beleidsregel Het CAK vindt het, in verband met de rechtszekerheid van degene die zorg of ondersteuning ontvangt, onwenselijk dat degene die de eigen bijdrage verschuldigd is, als gevolg van een late aanlevering van gegevens, over een periode langer dan 3 zorgjaren een eigen bijdrage dient"},{"i":4439,"b":"Bestuursreglement ZonMw 2019 Tekst van het bestuursreglement van de organisatie ZorgOnderzoek Nederland, tevens domeinreglement van het NWO domein Medische Wetenschappen, tevens bestuursreglement van het samenwerkingsverband ZonMw, zoals goedgekeurd door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en door de raad van bestuur NWO en vastgesteld door het bestuur ZonMw 1. Inleiding Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. **bestuur ZonMw:** het bestuur als bedoeld in artikel 2.1 van de Samenwerkingsovereenkomst ZON * NWO; - b. **bestuursreglement NWO:** bestuursreglement als bedoeld in [artikel 8 van de NWO-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=8); - c. **directeur:** directeur van ZonMw als bedoeld in [artikel 6 Wet ZON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009385&artikel=6) en artikel 2.3 van de Samenwerkingsovereenkomst ZON * NWO tevens secretaris van het bestuur ZonMw, secretaris van ZON en secretaris van het bestuur van het MW Domein; - d. **Minister van VWS:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - e. **MW Domein:** domein Medische Wetenschappen van NWO; - f. **NWO:** Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in [artikel 2 van de NWO-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=2); - g. **NWO-wet:** [Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191); - h. **(deel)programma:** samenhangend geheel van projecten, experimenten, onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in [artikel 1 Wet ZON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009385&artikel=1); - i. **programmacommissie:** commissie ingesteld ten behoeve van de ontwikkeling, uitvoering en implementatie van een programma; - j. **werkgroep:** werkgroep ingesteld ter ondersteuning of ter overneming van een gedeelte van de taak van een programmacommissie; - k. **Wet ZON:** [Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland](https://"},{"i":2582,"b":"Beleidsregel zeevaartbemanning Gelet op [artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Toepassing van resoluties en circulaires uitgegeven door de Internationale Maritieme organisatie (IMO) Bij de toepassing van de krachtens de [Zeevaartbemanningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124) geldende voorschriften uit het SOLAS-verdrag1Het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen. en het STCW-verdrag2Het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, het STCW-verdrag ( Trb 1981, 144). en de daarbij behorende codes en verplichte resoluties, worden de nadere invullingen, interpretaties en aanbevelingen gehanteerd zoals vervat in de in onderstaande tabel 1 genoemde resoluties en circulaires van de Internationale Maritieme Organisatie. | Resolutie/circulaire | Resolutie/circulaire | Grondslag | Grondslag | | --- | --- | --- | --- | | A.890(21) | PRINCIPLES OF SAFE MANNING, zoals gewijzigd door resolutie A.955(23). | SOLAS hoofdstuk V voorschrift 14 | **Zeevaartbemanningswet artikel 8** | | STCW.7/Circ.15 | DATA REQUIRED TO BE INCLUDED IN DOCUMENTARY EVIDENCE OF TRAINING LEADING TO THE AWARD OF A CERTIFICATE OF COMPETENCY | | **Erkenningsregeling opleidingen Zeevaartbemanning art. 2, lid 3, sub e** | | STCW.7/Circ.13 | ISSUES TO BE CONSIDERED WHEN INTEGRATING COMPUTER-BASED TECHNOLOGIES INTO THE TRAINING AND ASSESSMENT OF SEAFARERS | | **Erkenningsregeling opleidingen Zeevaartbemanning artikel 4** | Artikel 2. Afgifte monsterboekjes De inspecteur-generaal Verkeer en Waterstaat verstrekt op grond van [artikel 97, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart](https://wetten.overhe"},{"i":4262,"b":"Besluit van 21 januari 2009 houdende vaststelling van regels met betrekking tot de hoogte van de vergoeding voor adviescolleges en commissies (Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 november 2008, 2008-0000560740, directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op [artikel 2, vierde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en op [artikel 89, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89); De Raad van State gehoord (advies van 10 december 2008, nr. W04.08.0508/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 januari 2009, nr. 2008-000626938; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775). Artikel 2 De vergoeding per vergadering, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), bedraagt ten hoogste 3% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn, met dien verstande dat aan de voorzitter van een adviescollege of van een commissie een vergoeding per vergadering kan worden toegekend van maximaal 130% van de hoogte van de vergoeding per vergadering die aan de andere leden van het desbetreffende adviescollege of de desbetreffende commissie wordt toegekend. Artikel 3 Voor de toepassing van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01) wordt als een vergadering beschouwd: - a. een verg"},{"i":5540,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 november 2021, nr. 2021-0000413275, houdende regels met betrekking tot de verstrekking van een specifieke uitkering aan de provincies Noord-Holland, Utrecht, Limburg, Zeeland, Overijssel, Groningen en Zuid-Holland ten behoeve van een kwalitatief hoogwaardige en duurzame woon- en leefomgeving in acht NOVI-gebieden Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aangewezen provincies:** de provincies Noord-Holland, Utrecht, Limburg, Zeeland, Overijssel, Groningen en Zuid-Holland; - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **NOVI-gebied:** regionale samenwerking tussen een of meer ministers die het aangaat en besturen van andere overheden zoals aangewezen in hoofdstuk 5 van de Nationale Omgevingsvisie van september 2020, en definitief aangewezen in de Kamerbrieven van 17 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 34 682, nr. 80) en 7 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 34 682, nr. 83), waarbij de deelnemers zich inspannen om de meervoudige NOVI-opgaven op te lossen. Artikel 2. Doel van de uitkering De minister verstrekt een specifieke uitkering aan de aangewezen provincies ten behoeve van het zorg dragen voor een kwalitatief hoogwaardige en duurzame woon- en leefomgeving in de NOVI-gebieden met oog op hiermee samenhangende opgaven waaronder ten minste wordt verstaan klimaatadaptatie, verduurzaming, stikstof, energietransitie, circulaire economie, transitie landbouw, bodemgesteldheid, logistiek, verstedelijking en krimp. Artikel 3. Activiteiten waarvoor de uitkering wordt verstrekt 1. De minister verstrekt een specifieke uitkering aan de aangewezen provincies voor de activiteiten die worden ondernomen ten behoeve van het plan van aanpak van het NOVI-gebied en waarvoor in de beschikking een specifieke uitker"},{"i":2396,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Natuur en Stikstof van 19 april 2022, nr. WJZ/ 21312619, over de beoordeling van aanvragen van certificaten voor handel binnen de Europese Unie en van aanvragen van invoervergunningen en wederuitvoercertificaten voor olifantenivoor (Beleidsregel certificaten EU handel, invoer en wederuitvoer olifantenivoor) Gelet op de artikelen 4, eerste en vijfde lid, 5, eerste en derde lid, en 8, eerste en derde lid, van verordening (EG) nr. 338/97 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997 L 61), [artikel 3.37 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.37) in samenhang met [artikel 3.14, aanhef en onderdeel a, van de Regeling natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038668&artikel=3.14), en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Afrikaanse olifant:** Afrikaanse olifant (Loxodonta africana), voor zover opgenomen in bijlage A bij de CITES-basisverordening; - **Aziatische olifant:** Aziatische olifant (Elephas maximus), genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening; - **bewerkt ivoor:** ivoor dat geheel of ten dele ingesneden, gevormd of verwerkt is, maar geen hele slagtanden in enige vorm omvat, behalve wanneer het snijwerk zich over het volledige oppervlak uitstrekt; - **CITES-basisverordening:** verordening (EG) nr. 338/97 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61); - **ivoor:** ivoor afkomstig van de Afrikaanse olifant of de Aziatische olifant; - **museum:** permanente instelling zonder winstoogmerk ten dienste van de samenleving en haar ontwikkeling, die openstaat voor het publiek en die het materiële en immateriële erfgoed van de mensheid en ha"},{"i":5096,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 december 2008, nr. BSG/2008/35059, houdende toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan onder de secretaris-generaal ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit secretaris-generaal 2009) Gelet op de [artikelen 4, vierde lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=4), en [23, eerste lid, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=23); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of de Minister van Werk en Participatie, afhankelijk van wie het aangaat; - b. **directie:** een van de organisatieonderdelen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024991&paragraaf=2&artikel=2&z=2026-04-16&g=2026-04-16); - c. **directeur:** een functionaris die leiding geeft aan een directie; - d. **RCN:** Rijksdienst Caribisch Nederland. § 2. Organisatie Artikel 2 Onder de secretaris-generaal ressorteren: - a. de directie Communicatie; - b. de directie Financieel Economische Zaken; - c. de directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden; - d. de directie Bestuursondersteuning. § 3. Verantwoordelijkheden Artikel 3 1. Elk van de directeuren is verantwoordelijk voor: - a. het leiding geven aan de eigen directie; - b. het door tussenkomst van de secretaris-generaal adviseren van de bewindspersonen ten aanzien van het werkterrein van de eigen directie en het attenderen van hen op politiek of maatschappelijk gevoelige aspecten; - c. het coördineren van de beleidsontwikkeling en -uitvoering van de eigen directie met de beleidsontwikkeling en -uitvoering van de andere onderdelen van het ministerie en van andere ministeries; - d. het zorgdragen voor een effectieve en efficiënte be"},{"i":2417,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 28 september 2017, nr. WJZ / 17055112, betreffende het sluiten en openen van gebieden voor de visserij op aal en wolhandkrab (Beleidsregel gesloten gebieden voor visserij op aal en wolhandkrab) Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 5:10, tweede lid, onderdeel f, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.10) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **aal:** Anguilla anguilla; - **PCB:** polychloorbifenyl; - **wolhandkrab:** Eriocheir sinensis. Artikel 2 1. De gehalten aan dioxines en PCB’s in aal in een bepaald gebied worden in opdracht van de Minister van Economische zaken onderzocht door middel van een mengmonster bestaande uit minimaal 15 niet paairijpe alen met een lengte van 53 tot en met 75 centimeter, dat representatief is voor de vangst van de beroepsvisser. 2. Indien een lengte van 53 tot en met 75 centimeter niet representatief is voor de vangst van aal van de beroepsvisser in een bepaald gebied, kan van deze lengtes worden afgeweken. Artikel 3 1. Het vissen met de vistuigen aaldogger, aalfuik, aalhoekwant, aalkistje, aalzegen, ankerkuil, electrovisapparaat, peur, visfuik of de kreeftenkorf, dan wel met een ander vistuig dat hoofdzakelijk wordt gebruikt of is bestemd voor de vangst van aal of wolhandkrab, wordt in ieder geval verboden, indien in het desbetreffende gebied gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren: - a. de som van dioxines en dioxineachtige PCB’s (WHO-PCDD/F-PCBTEQ) in het mengmonster hoger is dan 8,8 picogram voor WHO-PCDD/F-PCBTEQ per gram versgewicht, of - b. de som van PCB 28, PCB52, PCB101, PCB138, PCB153 en PCB180 (ICES – 6) in het mengmonster hoger is dan 250 nanogram voor ICES – 6 per gram versgewicht. 2. Het vissen met de in het eer"},{"i":3585,"b":"Besluit van 27 december 1995, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur tot uitvoering van de artikelen 117, eerste tot en met derde lid, en 118 van het Wetboek van Strafvordering betreffende de bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 28 november 1995, directie wetgeving nr. 527684/95/6. Gelet op [artikelen 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=118), eerste lid en [119**a** van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=119a); De Raad van State gehoord (advies van 20 december 1995, no. WO3.95.0660. Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 21 december 1995, directie wetgeving nr. 531971/95/6. Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als bewaarders, bedoeld in [artikel 118, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=118), worden aangewezen: - a. degene die als kasbeheerder ingevolge [artikel 3, eerste lid, Besluit kasbeheer 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030604&artikel=3) juncto [artikel 1, derde lid, onder a, Regeling kasbeheer 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030597&artikel=1) is aangewezen bij het openbaar ministerie, voor de bewaring van geld, voor zover het beslag niet dient om de waarheid aan de dag te brengen of op last van de officier van justitie wegens een bijzondere reden op andere wijze moet worden bewaard; - b. de door Onze Minister van Economische Zaken aangewezen dienst voor de bewaring van de navolgende voorwerpen: - 1. levende en dode dieren, daaronder begrepen delen en producten van dieren; - 2. voedingsmiddelen en dranken; - 3. levende en dode planten, daaronder begrepen delen en producten van planten, met uitzondering van de planten als bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=2) en [3 van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=3)"},{"i":2658,"b":"Beleidsregels van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 december 2021, kenmerk 3290096-1020857-PZO, inzake het toepassen van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur in het kader van de Wet toetreding zorgaanbieders (Beleidsregels Wet Bibob Wtza) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=5) en [7 van de Wet toetreding zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=7); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Het onderhavige beleid heeft betrekking op de manier waarop de minister zijn bevoegdheden als bedoeld in de [artikelen 5, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=5), en [7, derde lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=7) uitoefent. Deze artikelen brengen met zich dat de minister de toelatingsvergunning kan weigeren of intrekken ingeval en onder de voorwaarden, bedoeld in [artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=3), of voorschriften aan de toelatingsvergunning kan verbinden als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van die wet. In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Hoofdstuk 2. [Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) Paragraaf 1. Inleiding De [Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) is een bestuursrechtelijk instrument en is bedoeld om te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert door onder meer vergunningen te verstrekken die gebruikt worden voor illegale praktijken zoals bijvoorbeeld geld witwassen of frauderen. Om die reden heeft de minister de bevoegdheid gekregen om de achtergrond van betrokkene te (laten) onderzoeken. De Wet Bibob is bedoeld als ultimum remedium, da"},{"i":2434,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 januari 2021,2021-0000005816, tot vaststelling van een beleidsregel ten behoeve van uitoefening van de bevoegdheid om als fout of onzeker aangemerkte kosten voor bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers te vergoeden indien het niet vergoeden tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden (Beleidsregel hardheidsclausule Tozo 1) Gelet op artikel [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 21, derde lid, van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043402&artikel=21); Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **Bestuursverklaring:** de verklaring die voldoet aan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044782&artikel=4&z=2021-02-06&g=2021-02-06) gestelde eisen; - –. **Hardheidsclausule:** de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 21, derde lid, van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043402&artikel=21); - –. **Het besluit:** de [Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043402); - –. **Tozo 1:** de periode, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044782&artikel=2&z=2021-02-06&g=2021-02-06). Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op het gebruik van de hardheidsclausule met betrekking tot algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van [het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043402) aangevraagd in de periode tot en met 31 mei 2020. Artikel 3. Voorwaarden toepassing hardheidsclausule 1. Kosten die als fout of onzeker zijn aangemerkt worden met toepassing van hardheidsclausule volledig vergoed indien: - a. de kosten als fout of onzeker z"},{"i":4827,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 22 maart 2013, nr. IENM/BSK-2013/32934, houdende mandatering burgemeesters van havengemeenten in verband met de uitvoering van de taak van duly authorized officer als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening nr. (EG) 725/2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129) (Mandaatbesluit burgemeesters havengemeenten ter uitvoering verordening (EG) nr. 725/2004 inzake havenbeveiliging) Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel 1 Aan de burgemeesters van: - 1. Rotterdam; - 2. Moerdijk; - 3. Harlingen; - 4. Vlissingen; - 5. Terneuzen, en - 6. Borssele wordt mandaat verleend ten aanzien van het uitoefenen van de bevoegdheden van de bevoegde autoriteit, bedoeld in [artikel 18 van de Regeling havenstaatcontrole 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029373&artikel=18). Artikel 2 De gemandateerden kunnen, ten aanzien van de aan hen op grond van dit besluit verleende bevoegdheid, ondermandaat verlenen. Artikel 3 De gemandateerden voeren bij de hun toegekende bevoegdheid een ordentelijke en voor de minister inzichtelijke administratie. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit burgemeesters havengemeenten uitvoering [verordening (EG) nr. 725/2004](32004R0725) inzake havenbeveiliging. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3066,"b":"Besluit van 9 maart 2009, houdende regels met betrekking tot de basisregistraties adressen en gebouwen (Besluit basisregistraties adressen en gebouwen) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 december 2008, nr. BJZ208111827, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=6), [10, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=10), [17, eerste lid, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=17), [19, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=19), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=28), [37, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=37), en [42, vierde lid, van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=42); De Raad van State gehoord (advies van 17 december 2008, nr. W08.08.0518/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 maart 2009, nr. BJZ2009015523, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466). Artikel 2 De beslissing omtrent de indeling van het grondgebied van de gemeente in een of meer woonplaatsen bevat in het belang van een goede registratie in ieder geval: - a. de officiële schrijfwijze van de naam van de woonplaats; - b. de geometrie van de woonplaats, vastgelegd in overeenstemming met de krachtens [artikel 17, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=17) gestelde regels. Artikel 3 De beslissing omtrent de vaststelling van een openbare ruimte bevat in het be"},{"i":2439,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 4 december 2009, nr. WJZ/9217858, inzake de inschrijving van limited liability partnerships in het handelsregister Gelet op [artikel 54c, eerste lid, van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009276&artikel=54c); Besluit: Dat de kamers bij de inschrijving van een **limited liability partnership** geen gebruik maken van de bevoegdheid op grond van [artikel 5, tweede lid, van het Handelsregisterbesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024067&artikel=5), om de inschrijving te weigeren op de grond dat niet alle vennoten opgegeven zijn indien ten minste de volgende vennoten of partners wel opgegeven worden: Deze beleidsregel berust op [artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21). Deze beleidsregel zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De kamers van koophandel passen deze beleidsregel toe met ingang met ingang van de dag na de datum waarop deze beleidsregel in de Staatscourant is geplaatst. Deze beleidsregel zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4595,"b":"Fiscale behandeling van Europese economische samenwerkingsverbanden (EESV) 1. Algemeen In deze aanschrijving worden de fiscale aspecten uiteengezet van het bij de Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1985, nr. 2137/85 (Pb. EG L199/1), (bijgevoegd en hierna genoemd: de verordening) in het leven geroepen Europese economische samenwerkingsverband (hierna: EESV). Deze nieuwe rechtsvorm is in het bijzonder bedoeld voor zogenaamde joint ventures tussen ondernemingen uit verschillende Lid-Staten van de EG. De verordening, die verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke Lid-Staat, is op 1 juli 1989 in werking getreden. De verordening laat echter op enkele punten de Lid-Staten ruimte om in de nationale sfeer wettelijke voorzieningen te treffen. Zo is in de Wet van 28 juni 1989 (Stb. 245) tot uitvoering van de hierboven genoemde verordening onder meer bepaald, dat een samenwerkingsverband waarvan de zetel in Nederland is gevestigd rechtspersoonlijkheid bezit. Het EESV heeft onder meer de volgende kenmerken: In het onderstaande wordt ingegaan op de fiscale aspecten voor de ondernemers in de zin van artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de lichamen die zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting die deelnemen in een EESV. Het resultaat van de werkzaamheid van het samenwerkingsverband, de winst, wordt op grond van artikel 40 van de verordening niet belast bij het EESV zelf maar bij de leden. Deze leden worden direct in de heffing van de inkomsten- of vennootschapsbelasting betrokken als waren de in het EESV behaalde voordelen rechtstreeks door hen genoten (‘transparence fiscale’). Met betrekking tot de overige belastingen zijn in de verordening geen bepalingen opgenomen. Voor die belastingen geldt onverkort de nationale wetgeving en geldt dus geen ‘transparence fiscale’. 2. Het EESV en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, alsmede de Wet op de inkomstenbelasting 1964 2.1. Algemeen Het EESV is ni"},{"i":5588,"b":"Rijksbesluit houdende aanwijzing van te bewaken en te beveiligen objecten Gelet op [artikel 1, derde lid, van de Rijkswet geweldgebruik defensiepersoneel in de uitoefening van de bewakings- en beveiligingstaak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007949&artikel=1); Besluit: Artikel 1 De in de bijlage bij dit besluit opgenomen objecten worden aangewezen als te bewaken en te beveiligen objecten. Artikel 2 1. Aan de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Zeestrijdkrachten en de Commandant Luchtstrijdkrachten wordt mandaat verleend om, ieder voor zover het hem aangaat, namens de minister objecten aan te wijzen als voor een termijn van ten hoogste 12 weken te bewaken en te beveiligen objecten. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, wordt hetzij in de Staatscourant dan wel in de Curaçaosche Courant of het Afkondigingsblad van Aruba geplaatst, hetzij op een andere door degene die de betrokken aanwijzing vaststelt voor dat geval aan te geven wijze kenbaar gemaakt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2000. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Rijksbesluit houdende aanwijzing van te bewaken en te beveiligen objecten. Bijlage bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011635&artikel=1&z=2008-10-01&g=2008-10-01) van het Rijksbesluit houdende aanwijzing van te bewaken en te beveiligen objecten Objecten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011635&artikel=1&z=2008-10-01&g=2008-10-01) van het Rijksbesluit houdende aanwijzing van te bewaken en te beveiligen objecten, zijn: A.. Vaste objecten - 1. militaire oefenterreinen en schietterreinen; - 2. militaire kazernes, legerplaatsen, mobilisatiecomplexen, forten en kampen; - 3. militaire vliegbases en vliegkampen, vluchtleidings- en gevechtsleidingscentra, alsmede militaire gedeelten van civiele luchtvaartterreinen; - 4. marinebases en -havencomplexen; - 5. militaire werkplaatsen en onderhoudsbedrijven; - 6. POMS-sites, militaire depots, ma"},{"i":2464,"b":"Beleidsregel houdende bepalingen met betrekking tot het aanvragen en behandelen van aanvragen voor nadeelcompensatie in verband met de uitvoering van het ‘spoorse deel’ van de uitvoering van het project Spoorzone Delft (Beleidsregel nadeelcompensatie Spoorzone Delft) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. **de NKL 1999:** de [Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010461) (NKL 1999) (Stcrt. 1999, 97); - c. **de Overeenkomst:** de Overeenkomst inzake verleggingen van kabels en leidingen buiten beheersgebied tussen de Minister van Verkeer en Waterstaat en Energie-Ned, VELIN en VEWIN (Stcrt. 1999, 97); - d. **Spoorzone Delft:** de in het bij besluit van 23 februari 2006 door de gemeenteraad van Delft vastgestelde bestemmingsplan ‘Spoorzone’ voorziene herontwikkeling van een gebied in het centrum van Delft, dat op hoofdlijnen bestaat uit de bouw van een viersporige spoortunnel, ongeveer 1.500 nieuwe woningen, 50.000 m2 kantoorruimte, waaronder een stadskantoor, en een nieuw station; - e. **het ‘spoorse deel’ van het project Spoorzone Delft:** het deel van het project Spoorzone Delft, dat op hoofdlijnen bestaat uit de volgende in het bij besluit van 23 februari 2006 door de gemeenteraad van Delft vastgestelde bestemmingsplan ‘Spoorzone’ voorziene deelprojecten: - A –. het deelproject Spoorinfrastructuur: de (gefaseerde) aanleg van de in het bestemmingsplan voorziene tunnel ten behoeve van vier sporen, waarbij twee sporen direct worden aangelegd, inclusief toeritten, kruising Prinses Irenetunnel, DSM, overige kunstwerken en tijdelijke maatregelen, evenals het terugbrengen van de functionaliteit Phoenixstraat, geogr"},{"i":2467,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 11 mei 2015, nr. WJZ/15062267, houdende beleidsregel inzake de toepassing door de Autoriteit Consument en Markt van artikel 7.4a van de Telecommunicatiewet (Beleidsregel netneutraliteit) Gelet op [artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21); Besluit: Artikel 1 Bij de toepassing van [artikel 7.4a van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.4a) houdt de Autoriteit Consument en Markt er rekening mee dat het begrip internettoegangsdienst dat in artikel 7.4a van de Telecommunicatiewet wordt gebruikt ruim moet worden uitgelegd om omzeiling van de netneutraliteitsbepaling te voorkomen. Uitsluitend het via de internetverbinding leveren van toegang tot één enkele losse inhoudsdienst of toepassing is van artikel 7.4a uitgesloten. Zodra aan een eindgebruiker via de internetverbinding meer dan één losse dienst wordt geleverd is sprake van het aanbieden van een internettoegangsdienst in de zin van artikel 7.4a. Dit betekent dat bij een combinatie van internettoegang met een losse dienst (dus toegang tot één inhoudsdienst of toepassing) de netneutraliteitsregels van toepassing zijn op deze combinatie. Artikel 2 De internettoegangsdienst, bedoeld in [artikel 7.4a van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.4a) is een openbare elektronische communicatiedienst als bedoeld in [artikel 1.1. onder g van de Telecommunicatiewe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1)t. Van een internettoegangsdienst is geen sprake als deze niet voor het publiek beschikbaar is. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel netneutraliteit. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaa"},{"i":3035,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 15 oktober 2018, nr. WJZ/18250666, tot aanwijzing van de delen van hoogspanningsnetten als bedoeld in artikel 22a van de Elektriciteitswet 1998 Gelet op [artikel 22a, eerste lid, onderdeel b, en zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=22a); Besluit: Artikel 1 Als deel van een systeem als bedoeld in [artikel 3.27, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.27), zijn de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041518&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bij dit besluit opgenomen delen aangewezen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Bijlage 1. Aangewezen delen van netten als bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041518&artikel=1&z=2020-02-11&g=2020-02-11) | **Gemeente** | **Andere gemeenten** | **Benaming tracé** | **Lijn code** | **Kv** | **Beheerder** | **Van mastnummer of station** | **Van code** | **Tot mastnummer of station** | **Tot code** | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Albrandswaard | | Rotterdam Waalhaven – Geervliet | RTW-GVN | 150 | TenneT | 11 | RTW-GVN-150-11 | 16 | RTW-GVN-150-16 | | Almelo | | Almelo Mosterdpot – Almelo Tusveld | AMLM-AMLT | 110 | TenneT | 5 | AMLM-AMLT-110-5 | 15 | AMLM-AMLT-110-15 | | Amersfoort | Bunschoten | Bunschoten – Soest | BSTN-SOS | 150 | TenneT | 83 | BSTN-SOS-150-83 | 87 | BSTN-SOS-150-87 | | Apeldoorn | | Apeldoorn – Kattenberg | APD-KBG | 150 | TenneT | Station Apeldoorn | APD | 140 | APD-KBG-150-140 | | Apeldoorn | | Apeldoorn – Woudhuis | APD-WHS | 150 | TenneT | Station Apeldoorn | APD | 21 | APD-WHS-150-21 | | Apeldoorn | | Woudhuis – Apeldoorn Laan van Zodiak | WHS-ALZ | 150 | TenneT | 209 | WHS-HTH-150-209 | 215 | WHS-HTH-150-215 | | Arnhem | | Kattenberg – Elst | KGB-ELT | 150 | TenneT | 61 | KBG-ELT-150-61 | 67 | KBG-ELT-150-67 | | A"},{"i":3747,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 15 december 2025, nr. WJZ/102572219, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging (Besluit mandaat, volmacht en machtiging KGG 2025) Handelende met instemming van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Gezien de schriftelijke instemming van de volgende functionarissen van het Ministerie van Economische Zaken: de secretaris-generaal, de directeur-generaal Economie en Digitalisering, de directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie, de directeur Bestuurlijke en Politieke Zaken, de directeur Europese en Internationale Zaken, de directeur Financieel-Economische Zaken, de directeur Wetgeving en Juridische Zaken, de directeur Toezicht Economische Veiligheid en Eigenaars- en Aandeelhoudersadvisering, de directeur Communicatie, de directeur Informatievoorziening en de directeur Mens en Organisatie; en van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur de directeur Bestuurlijke en Politieke Zaken en de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Klimaat en Groene Groei; - b. **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei; - c. **directeur Financieel-Economische Zaken:** directeur Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei; - d. **hoofden van dienst:** - 1°. de directeur Financieel-Economische Zaken; - 2°. de directeur-generaal Realisatie Groene Groei; - 3°. de directeur-generaal Klimaat en Energie; - 4°. de secretaris-directeur van de Wetenschapp"},{"i":2795,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2006 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2006, doch niet later dan 15 november 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,472 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2006 en eindigende met 15 november 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.n"},{"i":6510,"b":"Besluit van 20 december 2007 tot wijziging van enige fiscale Uitvoeringsbesluiten Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971. Artikel III Wijzigt het Besluit beleggingsinstellingen. Artikel IV Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Artikel V Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Artikel VI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Artikel VII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990. Artikel VIII Wijzigt het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Artikel IX De wijziging ingevolge [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023165&artikel=III&z=2009-01-01&g=2009-01-01) vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2008. Artikel X 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008 met uitzondering van [artikel V, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023165&artikel=V&z=2009-01-01&g=2009-01-01), dat met ingang van 1 januari 2009 in werking treedt. 2. [Artikel VIII, onderdelen A, C, D en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023165&artikel=VIII&z=2009-01-01&g=2009-01-01), werkt terug tot en met 1 januari 2007. Op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 20 november 2007, DB 2007-00630; Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Directe Belastingen, Directie Douane en Verbruiksbelastingen en Directie Internationale Fiscale Zaken; Gelet op de [artikelen 18a, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18a), en [34 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=34), [artikel 5 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=5), [artikel 15, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15), de [artikelen 8, vijfde lid](https://"},{"i":3788,"b":"Besluit van 24 juli 2010, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de positie van de referent in het reguliere vreemdelingenrecht en versnelling van de vreemdelingenrechtelijke procedure, in verband met de implementatie van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155), in verband met de openbare orde en enkele andere onderwerpen (Besluit modern migratiebeleid) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 15 april 2010, nr. 5649364/10/6; Gelet op de [artikelen 2a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2a), [2b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2b), [2h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2h), [3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3), [8, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12), [14, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), [16a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16a), [17, tweede lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), [22, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=23), [24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24), [28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), [48, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=48),"},{"i":3790,"b":"Besluit van 19 juni 2019, houdende Nadere regels over oproepovereenkomsten Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 april 2019, nr. 2019-0000053086; Gelet op [artikel 628a, tiende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=628a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 mei 2019, No.W12.19.0101/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 juni 2019, nr.2019-0000084195, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als oproepovereenkomst als bedoeld in [artikel 628a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=628a) wordt niet beschouwd: een arbeidsovereenkomst waarin de arbeidsomvang is vastgelegd als één aantal uren per tijdseenheid als bedoeld in artikel 628a, negende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en daarnaast aan de werknemer: - a. consignatie als bedoeld in [artikel 1:7, eerste lid, onderdeel g, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=1:7) is opgelegd, mits daar een geldelijke vergoeding of compensatie in de vorm van betaalde vrije tijd tegenover staat; - b. een bereikbaarheidsdienst als bedoeld in [artikel 5.19:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=5.19:3), [5.20:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=5.20:4), [5.21:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=5.21:2), [5.21:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=5.21:3) of [5.27:2 van het Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=5.27:2) is opgelegd, mits daar een geldelijke vergoeding of compensatie in de vorm van betaalde vrije tijd tegenover staat; of - c. een aanwezigheidsdienst als bedoeld in [artikel 1:1 van het Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=1:1) is opgelegd, mits daar een geldelijk"},{"i":3789,"b":"Besluit van 16 december 2021, houdende regels met betrekking tot vergoeding van schade van exploitanten van kolencentrales in verband met de beperking van de CO2-emissie (Besluit nadeelcompensatie productiebeperking kolencentrales) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat – Klimaat en Energie van 5 november 2021, nr. WJZ/20267590; Gelet op [artikel 4, vijfde lid, van de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905&artikel=4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 december 2021, nr. W18.21.0334/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat – Klimaat en Energie van 14 december 2021, nr. WJZ / 21306198; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **maatregel:** maatregel ter beperking van de productie van CO2 bij het opwekken van elektriciteit met behulp van kolen, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905&artikel=3); - **vergoeding:** vergoeding, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905&artikel=4); - **wet:** [Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905). Artikel 2. Grondslag van de schadevergoeding 1. De vergoeding wordt berekend voor de periode waarin [artikel 3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905&artikel=3) van toepassing is. 2. De vergoeding bedraagt het verschil tussen de contante waarde van de verwachte netto vrije kasstroom zonder dat de maatregel zou worden toegepast en de contante waarde van de verwachte netto vrije kasstroom bij toepassing van de maatregel. 3. Tot de te vergoeden schade behoren tevens: - a. kosten in verband met de niet-nakoming van overeenkomsten die voor 9 december 2020 zijn gesloten als gevolg van de ma"},{"i":3552,"b":"Besluit van 20 juni 2014 tot wijziging van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning, het Rechtspositiebesluit burgemeesters, het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, het Rechtspositiebesluit wethouders, het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, het Waterschapsbesluit en het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES in verband met de harmonisering en modernisering van deze besluiten (Besluit harmonisering en modernisering rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers) Artikel I Wijzigt het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning. Artikel II Wijzigt het Rechtspositiebesluit burgemeesters. Artikel III Wijzigt het Rechtspositiebesluit gedeputeerden. Artikel IV Wijzigt het Rechtspositiebesluit wethouders. Artikel V Wijzigt het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden. Artikel VI Wijzigt het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Artikel VII Wijzigt het Waterschapsbesluit. Artikel VIII Wijzigt het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES. Artikel IX Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2014 met dien verstande dat [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035247&artikel=I&z=2014-10-15&g=2014-10-15), terugwerkt tot en met 15 september 2013 en de [artikelen II, onderdeel H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035247&artikel=II&z=2014-10-15&g=2014-10-15), [IV, onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035247&artikel=IV&z=2014-10-15&g=2014-10-15), en [VI, onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035247&artikel=VI&z=2014-10-15&g=2014-10-15), terugwerken tot en met 27 maart 2014 en met dien verstande dat [artikel VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035247&artikel=VIII&z=2014-10-15&g=2014-10-15) in werking treedt met ingang van 15 oktober 2014. Artikel X Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit harmonisering en modernisering rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers. Op de voordracht"},{"i":3033,"b":"Besluit van 27 mei 2020, nr. 2020001061, aanwijzing verboden plaats Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 mei 2020, nr. 91f30132-or1-1.0; Gelet op de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I) en [IV van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=IV); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als ‘verboden plaats’ in de zin van [artikel 1 van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I) worden met ingang van 1 november 2020 aangewezen het bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) in gebruik zijnde gebouw gelegen in de gemeente Zoetermeer, Europaweg 2. Als ‘verboden plaats’ in de zin van [artikel 1 van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I) worden met ingang van 01 juni 2020 aangewezen de ten behoeve van de Cyber Intel/Info Cel (CIIC) bij het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) in gebruik zijnde ruimtes, de daarbij behorende technische ruimte en de uitwijkmogelijkheid op de 4e etage Noord van het gebouw Turfmarkt 147, te ’s-Gravenhage. Artikel 2 De krachtens [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043673&artikel=1&z=2020-06-20&g=2020-06-20) aangewezen verboden plaatsen worden als zodanig aangegeven op de deuren toegang gevende tot de in artikel 1 bedoelde ruimten, vermeldende: ‘Verboden toegang voor onbevoegden – Verboden plaats ingevolge de [Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074)’. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juni 2020. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 mei 2020, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 juni 2020. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bela"},{"i":2868,"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 november 2014, nr. 580132, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2015 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2015) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2015 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 0,8. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2015. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5602,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid Alcoholwet (IB03-SPEC 29, versie 03) De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 41, eerste lid, onderdeel a, van de Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=41), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA Alcoholwet beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB), de klasseindeling van en de interventies voor de beoordeling van specifieke overtredingen van de wetgeving in het domein alcohol. Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in dit IB03-SPEC 29 zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven teneinde een interventie te bepalen. 2. Definities en wettelijke basis 2.1. Definities In aanvulling op de definities en begrippen uit het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) gelden de volgende definities: 2.2. Wettelijke basis De belangrijkste wettelijke bepalingen die van belang zijn voor dit specifiek interventiebeleid zijn de [Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458) (voorheen: Drank- en Horecawet) en het daarop gebaseerde [Alcoholbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045211). 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van"},{"i":5661,"b":"Subsidieplafondbesluit Aangepast Lezen Instellingssubsidies 2021 Gelet op [artikel 5 van de Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2020-2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=5); BESLUIT: I Voor het jaar 2021 de volgende subsidieplafonds ter zake [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2020-2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832) vast te stellen: Het subsidieplafond voor de in [artikel 3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=3), vermelde activiteit ‘de verzorging van de eerstelijnsvoorziening voor het publiek’ is voor het jaar 2021 vastgesteld op € 1.900.000,- Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2020-2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832), de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen uitvoerden. Het subsidieplafond voor de in [artikel 3, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=3), vermelde activiteiten ‘productie en levering’ is voor het jaar 2021 vastgesteld op € 9.470.000,- en onderverdeeld in twee deelplafonds: - 1. € 1.650.000,- voor de ‘productie en levering’ als bedoeld in [artikel 7, derde lid onder, a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=7); - 2. € 7.820.000,- voor de ‘productie en levering’ inclusief de veilige opslag en back-up van de bestanden voor de productie van aangepaste leesvormen als bedoeld in [artikel 7, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=7). Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2020-2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832), de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen uitvoerden. II Dit besluit treedt in werking op de dag na de dag van bekendmaking. Aldus vastgesteld op 29"},{"i":2572,"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 mei 2022, 3357024-1028239-VGP, houdende het vaststellen van een actielimiet en een limietwaarde voor tetrodotoxine in levende tweekleppige weekdieren (Beleidsregel Warenwet TTX in levende tweekleppige weekdieren 2022) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 3, eerste lid, van het Warenwetbesluit uitvoering verordening officiële controles en andere officiële activiteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042548&artikel=3) en [artikel 6, eerste lid, van de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034872&artikel=6); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **tweekleppige weekdieren:** tweekleppige weekdieren als gedefinieerd in bijlage I, punt 2.1, van [verordening (EG) 853/2004](32004R0853); - –. **NVWA:** de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - –. **partij:** partij levende tweekleppige weekdieren; - –. **productiegebied:** productiegebied als bedoeld in [artikel 2 van de Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034872&artikel=2); - –. **TTX:** tetrodotoxine; - –. **uitvoeringsverordening (EU) 2019/627:** Uitvoerings[verordening (EU) 2019/627](32527R2019) van de Commissie van 15 maart 2019 tot vaststelling van eenvormige praktische regelingen voor de uitvoering van officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong overeenkomstig [Verordening (EU) 2017/625](32525R2017) van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2074/2005 van de Commissie wat officiële controles betreft (PbEU 2019, L 131); - –. **verordening (EG) 853/2004:** [Verordening (EG) nr. 853/2004](32004R0853) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschrifte"},{"i":3345,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, van 9 september 2024 nr. BOACAT2024/103, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Zeist Gelezen het verzoek van de gemeente Zeist van 3 september 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050203&artikel=2&z=2024-09-18&g=2024-09-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Toezicht en Handhaving C/B/A in dienst van de gemeente Zeist, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten"},{"i":3248,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 23 november 2021, nr. BOACAT2021/034, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Hardenberg Gelezen het verzoek van de gemeente Hardenberg van 2 juni 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045939&artikel=2&z=2024-06-06&g=2024-06-06). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Hardenberg, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de bijlage bij de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447). 2. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het d"},{"i":3733,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister en Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, het Algemeen Bestuur van NWO en het NWO Gebiedsbestuur Aard- en Levenswetenschappen van 8 juni 2009, nr. WJZ/9098704, houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging aan de directeur NSO inzake aangelegenheden van het Netherlands Space Office (Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur NSO) Gelet op [artikel 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:11 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:11); Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur Dienst Uitvoering en de directeur NSO; Besluiten: Artikel 1 1. De Minister van Economische Zaken, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister en Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en het NWO Gebiedsbestuur Aard- en Levenswetenschappen, respectievelijk het NWO Gebiedsbestuur Exacte Wetenschappen namens het Algemeen Bestuur van NWO verlenen, ieder voor zich, aan de directeur NSO mandaat, volmacht en machtiging voor de aangelegenheden bedoeld in de bijlage van dit besluit. 2. De directeur NSO kan voor de in het eerste lid bedoelde aangelegenheden ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende functionarissen. 3. De uit dit besluit voor de directeur NSO voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op een opdrachtmanager van de directie NSO, met uitzondering van de bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging. Artikel 2 1. De Minister van Economische Zaken verleent aan de algemeen directeur Agentschap NL mandaat en machtiging voor het behandelen van bezwaarschriften tegen besluiten die op grond van dit besluit door de directeur NSO of door onder hem ressorterende functionarissen namens de Minister van"},{"i":2911,"b":"Besluit aanvullend beleid bewindvoerdersubsidie Gezien: – [Artikel 48c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48c) en [48d van de Wet justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48d); – [Artikel 4:46 t/m 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:46); – [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012226&artikel=2) en [4 van het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012226&artikel=4); – [Titel III van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&titeldeel=III); – [Artikel 3:306 ev BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=306); Stelt aanvullend beleid vast ten aanzien van de bewindvoerdersubsidie Wsnp. Besluit: 1. Indien de Raad, in het kader van de vaststelling van de bewindvoerdersubsidie, niet over de benodigde gegevens beschikt betreffende het verloop c.q. de afloop van een schuldsanering vraagt hij deze informatie schriftelijk op bij de bewindvoerder. 2. De bewindvoerder dient naar aanleiding van dit verzoek de gevraagde gegevens binnen een periode van vier weken aan de Raad te overleggen. Indien de bewindvoerder niet binnen deze periode aan het verzoek kan voldoen dient hij de Raad schriftelijk om uitstel te vragen. Dit uitstel wordt verleend voor een periode van maximaal vier weken. 3. De Raad kan, indien de benodigde gegevens voor uitbetaling van de bewindvoerdersubsidie niet binnen de in artikel 2 gestelde termijn bij de Raad zijn aangeleverd, tot vijf jaar na de datum van verzending van het in artikel 1 gedane verzoek, de aanspraak op de bewindvoerdersubsidie voor de desbetreffende zaak aan de bewindvoerder geheel of gedeeltelijk ontzeggen. 4. Tegen het besluit van de Raad om het vastgestelde subsidiebedrag te verlagen kan de bewindvoerder op grond van het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) bezwaa"},{"i":3734,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 december 2021, nr. Min-BuZa.2021.11092-7, houdende bepalingen omtrent mandaat, volmacht en machtiging op het terrein van het exportbeleid Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 In aanvulling op en voor de duur van het koninklijk [besluit van 16 november 2021, houdende overgang van de bevoegdheid ten aanzien van het exportbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045918)1Stcrt. 2021, nr. 47705. geldt mandaat, volmacht en machtiging, verleend of doorverleend voor de uitoefening namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van bevoegdheden, als mandaat, volmacht en machtiging om namens de Minister van Buitenlandse Zaken besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen te verrichten. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 augustus 2021. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4027,"b":"Besluit taakverdeling Bestuur Kadaster 2025 Gelet op [artikel 7 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=7); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen De begripsomschrijvingen opgenomen in [artikel 1 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=1) gelden ook voor het onderhavige besluit. Artikel 2. Takenpakket voorzitter Het takenpakket van de voorzitter van het bestuur behelst de algemene leiding van de Dienst en omvat in ieder geval: - a. het leiding geven aan het bestuur met inachtneming van hetgeen daarover is bepaald in het Reglement Raad van Bestuur Kadaster 2021; - b. al hetgeen behoort tot de aandachtsgebieden van het bestuur en niet aan de plaatsvervangend voorzitter als taak is opgedragen; - c. het dragen van de primaire verantwoordelijkheid voor de gang van zaken bij de directie Data, Governance en Vernieuwing, de directie Financiën en Control en de directie Bestuur en Strategie, als genoemd in [artikel 2, eerste lid van het Reglement inrichting organisatie Kadaster 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045385&artikel=2); - d. het dragen van de primaire verantwoordelijkheid voor de gang van zaken bij de Programmadirectie Tactische Beheerorganisatie Omgevingswet, als genoemd in [artikel 2, eerste lid van het Reglement inrichting organisatie Kadaster 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045385&artikel=2); - e. het vervangen van de plaatsvervangend voorzitter bij diens afwezigheid of verhindering. Artikel 3. Takenpakket plaatsvervangend voorzitter Het takenpakket van de plaatsvervangend voorzitter van het bestuur omvat in ieder geval: - a. het dragen van de primaire verantwoordelijkheid voor de gang van zaken bij de directie Operatie, Dienstverlening en Registratie, de directie Personeel en Organisatie en de directie Beheer en Ontwikkeling Informatie Technologie als genoemd in [artikel 2, eerste lid van het Reglement inrichting organisatie Kadaster 2021]("},{"i":2757,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2012 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2012, doch niet later dan 15 augustus 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,540 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2012 en eindigende met 15 augustus 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artik"},{"i":3899,"b":"Besluit van 6 maart 2020, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de klinisch technoloog (Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied klinisch technoloog) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 10 februari 2020, kenmerk 1644168-201565-WJZ; Gelet op de [artikelen 33c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=33c), [33d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=33d), [41, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=41), en [94 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=94); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 februari 2020, no. W13.20.0027/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 2 maart 2020, kenmerk 1644159-201565-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling § 2. Titelbescherming § 2. Titelbescherming § 4. Deskundigheid § 3. Opleiding Artikel 6 Onze Minister kan voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van de Wet van 24 april 2019, houdende wijziging van de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) in verband met het opnemen van de klinisch technoloog in de lijst van registerberoepen en het toekennen van bepaalde voorbehouden handelingen aan klinisch technologen (Stb. 2019, 182) reeds besluiten op aanvragen tot inschrijving in het register voor klinisch technologen. Indien Onze Minister in dat geval besluit tot inschrijving, wordt de inschrijving van kracht met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, als bedoeld in de eerste volzin. § 6. Overige bepalingen Artikel 7 Wijzigt het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid. Artikel 8 Wijzigt het Registratiebesluit BIG. Artikel 9 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2020, met uitzondering van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043"},{"i":3211,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 mei 2021, nr. BOACAT2021/017, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Breda Gelezen het verzoek van gemeente Breda van 23 april 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045114&artikel=2&z=2024-01-30&g=2024-01-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Regel toepasser en Handhaving A/B/C; Procescoördinator A, Leidinggevende E en Beleidsadviseur A in dienst van gemeente Breda, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare"},{"i":3824,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 12 maart 2021, kenmerk 1841400-219512-OBP, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmachten aan de directeur ter coördinatie van de COVID-19-programma’s Gelet op de [artikelen 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a), [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17) en [artikel 10 van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Voor de duur dat coördinatie van de programma’s rondom COVID-19 nodig wordt bevonden heeft een directeur de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van deze COVID-19-programma’s. Voor specifiek deze werkzaamheden kan deze directeur tevens optreden als plaatsvervangend Directeur-Generaal, met inachtneming van de kaders zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923), de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710) en de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768). Artikel 2 Het [besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 september 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044125), kenmerk 1745465-210229-OBP, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmacht aan de directeur van de directie COVID-19 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2021. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2707,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2005 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984, alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 april 2005, doch niet later dan 15 mei 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,680 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2005 en eindigende met 15 mei 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00052"},{"i":2785,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2012 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984. Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2012, doch niet later dan 15 juni 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,665 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2012 en eindigende met 15 juni 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweed"},{"i":3414,"b":"Besluit Deelnemingsvrijstelling **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor de deelnemingsvrijstelling. Dit besluit is een actualisering van het besluit van 9 maart 2020, nr. 2020-0000000002 (** **Stcrt. 2020, 15230** **). Gewijzigd of nieuw toegevoegd zijn de onderdelen 2.1.1.2, 2.1.2, 2.1.3, 2.1.3.1, 2.1.3.2, 2.1.3.3, 2.1.3.4, 2.1.3.5, 2.1.3.6, 2.2.1.3, 2.6, 2.6.1, 2.6.2, 2.7.1, 2.7.4, 2.11.1.6, 2.16.2, 2.17, 2.17.1, 2.17.2, 2.17.3, 6.1, 6.1.1, 6.1.2, 6.2.1, 6.2.2, 7.1.2, 8.5.2, 8.6.1, 8.9.1, 8.14 en 8.14.1.1. Daarnaast zijn in het besluit redactionele wijzigingen aangebracht waarmee geen inhoudelijke wijziging is beoogd. Ten slotte is als gevolg van de wijziging van artikel 13d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en het vervallen van de onderdelen 4.2 (oud) en 11.3 (oud) een aantal onderdelen vernummerd.** 1. Inleiding Dit besluit geeft een nadere invulling aan de artikelen die zien op de deelnemingsvrijstelling. Het besluit volgt de volgorde van de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672). In onderdeel 2 tot en met 13 wordt ingegaan op de [artikelen 13 tot en met 13k van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13). De onderdelen 14 en 15 regelen het intrekken van het voorgaande besluit en de inwerkingtreding van het onderhavige besluit. De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op de zogenoemde hardheidsclausule van [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63). 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. [Artikel 13 Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13) [Artikel 13, eerste lid, Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13) regelt dat voordelen uit hoofde van een deelneming, alsmede de kosten ter zake van de"},{"i":3984,"b":"Besluit van 27 november 2002, houdende regels met betrekking tot het reprografisch verveelvoudigen van auteursrechtelijk beschermde werken door in het algemeen belang werkzame instellingen (Besluit reprografisch verveelvoudigen) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 8 juli 2002, nr. 5173614/02/6, Directie Wetgeving, Sector Privaatrecht; Gelet op [artikel 16b, zesde lid, van de Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16b); De Raad van State gehoord (advies van 27 september nr. W03.02.0295/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 25 november 2002, nr. 5198459/02/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886) - b. overheid: - 1°. lichamen en organen waaraan bij of krachtens de wet een taak ten behoeve van de openbare dienst is opgedragen, - 2°. lichamen en organen die door de onder 1° bedoelde lichamen en organen in het leven zijn geroepen en waaraan een taak ten behoeve van de openbare dienst is opgedragen; - c. bibliotheken: - 1°. bibliotheken zonder winstoogmerk die in belangrijke mate de publieke dienstverlening tot taak hebben, - 2°. andere bibliotheken, doch slechts voor zover deze een functie vervullen in het leenverkeer met de onder 1° bedoelde bibliotheken; - d. onderwijsinstellingen: instellingen waar onderwijs wordt gegeven vanwege de overheid of vanwege een rechtspersoon zonder winstoogmerk; - e. andere in het algemeen belang werkzame instellingen: instellingen wier uitgaven geheel of hoofdzakelijk uit door de overheid ter beschikking gestelde gelden worden bekostigd. Artikel 2 1. Onverminderd [artikel 16b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16b), wordt, mits de in [artikel 16h van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16h) bedoelde vergoeding wordt betaald, niet als inbreuk op het auteursrecht beschouwd het vervaardigen of d"},{"i":4540,"b":"Circulaire van 2 november 2009, nr. DGM/K&L 2009060686, ter bekendmaking van de wijze van verkrijging van een bijdrage uit het Gemeentefonds voor planstudies op grond van het Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden (IKS) Aan de colleges van burgemeester en wethouders, Geachte colleges, Met deze circulaire informeer ik u over de uitvoering van het Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden (IKS). Het IKS is een onderdeel van de Innovatieagenda Energie, een van de pijlers van ‘Nieuwe Energie voor het Klimaat. Werkprogramma Schoon en Zuinig’. Voor dit programma ben ik op zoek naar gemeenten die voor zichzelf een koploperpositie zien weggelegd en mee willen doen in een gezamenlijk kennistraject. De beschikbare middelen kunnen door gemeenten worden ingezet voor de uitvoering van planstudies en voor de uitvoering van praktijkproeven. Deze circulaire heeft alleen betrekking op de uitvoering van planstudies. Hiervoor is 1 miljoen euro beschikbaar. De eerste gemeenten die zich aanmelden en die voldoen aan de onderstaande voorwaarden komen voor een bijdrage in aanmerking.De bijdragen worden in het eerste kwartaal van 2010 beschikbaar gesteld. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van deze circulaire tot en met 15 december 2009. 1. Het Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden Bij ongewijzigd beleid bereiken de steden de doelstelling klimaatneutraal pas in 2080. In de praktijk blijkt dat aanzienlijke doorbraken – die nodig zijn om de status klimaatneutraal te bereiken – alleen mogelijk zijn door over de grenzen van sectoren, beleidsterreinen en specifieke technologieën heen te kijken. Op langere termijn is klimaatneutraliteit uitsluitend te bereiken door een integrale en verbindende aanpak over de energietransitiethema’s heen. Het IKS stimuleert gemeenten om integrale gebiedsgerichte projecten uit te voeren en faciliteert gemeenten met (proces)innovaties, kennis en handreikingen richting klimaatneutraliteit. Het langetermijn-perspectief van h"},{"i":3387,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 3 juli 2015, nr. BOACAT2015/024, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Toezicht en Handhaving Lelystad B.V Gelezen het verzoek van het Werkbedrijf Lelystad B.V. van 8 mei 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036860&artikel=2&z=2017-04-12&g=2017-04-12). Artikel 2 Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 3 juli 2015, nr. BOACAT2015/024, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Toezicht en Handhaving Lelystad B.V. De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder openbare ruimte/parkeercontroleur in dienst van Toezicht en Handhaving Lelystad B.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein 1 Openbare Ruimte, van [bijlage A-I van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029447&bijlage=A-I). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover"},{"i":3897,"b":"Besluit van 10 oktober 2002, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de huidtherapeut (Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied huidtherapeut) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 maart 2002, IBE/BO-2266393; Gelet op [artikel 34 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34); Gezien het advies van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (advies van november 1996); De Raad van State gehoord (advies van 11 juni 2002, No. W13.02.0149/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 oktober 2002, IBE/BO-2313 195; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Registratie instellingen en opleidingen: het register, bedoeld in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13). § 2. Titel Artikel 2 Het recht tot het voeren van de titel van huidtherapeut is voorbehouden aan degene aan wie een getuigschrift is uitgereikt waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van een opleiding voor huidtherapie die is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen en die voldoet aan de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014115&paragraaf=3&artikel=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014115&paragraaf=3&artikel=4&z=2023-01-01&g=2023-01-01). § 3. Opleiding Artikel 3 1. Een opleiding voor huidtherapie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014115&paragraaf=2&artikel=2&z=2023-01-01&g=2023-01-01) omvat zowel theoretisch als praktisch onderwijs, dat gericht is op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de huidtherapeutische beroepsuitoefening die betrekking hebben op h"},{"i":5757,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 6 juli 2023, nummer 4718821, houdende regels voor de subsidiëring van projecten ter ondersteuning van zelfstandig vertrek van vreemdelingen en gemeenschapsonderdanen uit Nederland (Subsidieregeling ondersteuning zelfstandig vertrek 2023) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en [4 van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=4) en [artikel 2, eerste lid, van het Kaderbesluit overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=2), Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **brutoloon:** brutosalaris, inclusief vakantiegeld, een beloning in de vorm van een dertiende maand en eindejaarsuitkering, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst; - **CAO:** een collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001937&artikel=1); - **directe loonkosten:** loonkosten van personeel, waarbij de gerealiseerde uren direct betrekking hebben op deelnemers aan het project dan wel loonkosten van personeel die direct te relateren zijn aan de uitvoering van subsidiabele activiteiten; - **DT&V:** Dienst Terugkeer en Vertrek; - **financieringsplan:** een beschrijving van de benodigde en beschikbare financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, waaronder in ieder geval een liquiditeitsplan waaruit blijkt op welke wijze de projectkosten gefinancierd worden; - **FX EURP:** Frontex EU Reintegration Programma; - **gemeenschapsonderdaan:** onderdaan van de lidstaten van de Europese Unie, of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, of van de Zwitserse Bondsstaat, alsmede hun familieleden als bedoeld in [artikel 1 van de"},{"i":4736,"b":"Besluit van 2 juli 2015 tot intrekking van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 5 maart 2015, nr. WJZ/737689 (10473), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 33, tweede lid, van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=33), [artikel 33, tweede lid, van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=33) en de [artikelen XXIb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035254&artikel=XXIb) en [XXId van de Wet werk en zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035254&artikel=XXId); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 april 2015, nr. W05.15.0060/l); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 juni 2015, nr. 782838, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Het Rechtspositiebesluit WPO/WEC wordt ingetrokken. Artikel II Het [Rechtspositiebesluit WPO/WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015136) zoals dat luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit blijft van toepassing op een voor dat tijdstip genomen beslissing als bedoeld in [artikel 60, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=60) en [artikel 63, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=63). Artikel III Dit besluit treedt in werking op 1 augustus 2015. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Artikel IIa. Omhangbepaling Dit besluit berust op [artikel X van de Wet tot wijziging van enige wetten in verband met de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren in het onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042739&artikel=X). Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het S"},{"i":2487,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 april 2024. Nr. MBO/45666836, houdende een uitleg van de regels voor het aanbieden van oriëntatieprogramma’s aan mbo-studenten op de niveaus 2, 3 en 4 Gelet op de [artikelen 1.3.5, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.3.5), [2.2.1, derde lid, onderdeel j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.1), [7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2), [7.2.7, derde lid, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.7), [8.1.1, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.1.1), en [11.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=11.1), juncto [4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81)en de [artikelen 1.3.1, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=1.3.1), [2.2.1, derde lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.2.1), [7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.2.2), [8.1.1, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=8.1.1) en [10.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=10.2) Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepaling Artikel 1. Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **beroepsopleiding:** opleiding als bedoeld in de [artikelen 7.1.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.1.2), en [7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2) of artikel juncto [7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wett"},{"i":7034,"b":"Besluit van 15 januari 2021, houdende regels over de verkiezing van de bestuursleden van de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES (Kiesbesluit Kamers van Koophandel en Nijverheid BES 2021) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 3 november 2020, nr. WJZ / 20267079; Gelet op [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238&artikel=3), [artikel 5, vierde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238&artikel=5), [artikel 5a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238&artikel=5a), [artikel 6, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238&artikel=6), en [artikel 9, tweede lid, van de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238&artikel=9); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 december 2020, nr. W18.20.0404/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 13 januari 2021, nr. WJZ / 20313542; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het Bestuurscollege:** het Bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de Kamer is gevestigd; - b. **het Gerecht:** het Gerecht in eerste aanleg van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba dat zittingsplaats heeft in het openbaar lichaam waar de Kamer is gevestigd; - c. **de secretaris:** de secretaris van de Kamer; - d. **de verkiezingscommissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238&artikel=9); - e. **de wet:** de [Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238). Paragraaf 2. Vertegenwoordiger van een onderneming of een rechtspersoon die kiesgerechtigde is Artikel 2 1. De vertegenwoordiger van een onderneming of een rechtspersoon, met uitzondering van verenigingen en stichtingen, bedoeld in de [artikelen 3, tw"},{"i":5086,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 augustus 2017, 2017-0000141577, tot de inrichting van de directie Toezicht, alsmede de toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan de onder de directeur ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Toezicht 2017) Gelet op de [artikelen 5, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039965&artikel=5), en [12 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal SZW 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039965&artikel=12); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **afdeling IKC:** de afdeling Inspectiebreed Kenniscentrum; - **directeur:** de directeur van de directie Toezicht; - **directie:** de directie Toezicht; - **opdrachtgever:** de directeur, de programmamanager of de projectleider; - **programmamanager:** de functionaris die in zijn rol opdrachtnemer is en verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van één of meer programmaplannen en de realisatie van de programmadoelen binnen de daarvoor gegeven kaders, waaronder begrepen tijd, geld, capaciteit, in het vastgestelde programmaplan; - **projectleider:** de functionaris die in zijn rol verantwoordelijk is voor de ontwikkeling en realisatie van één of meer projecten en de gestelde doelstellingen; - **vakgroep:** een vakgroep die valt onder de directie Toezicht dan wel de directie Meldingen en Verzoeken; - **vakgroep MHC:** de vakgroep Major Hazard Control; - **vakgroep P&P:** de vakgroep Programma- & Projectmanagement. § 2. Organisatie Artikel 2. Organisatie directie 1. De directie bestaat uit: - a. een aantal programmamanagers op tactisch niveau; - b. de vakgroep P&P, waarbinnen teams zijn ingericht; - c. de vakgroep MHC, waarbinnen teams zijn ingericht; - d. de afdeling IKC, waarbinnen teams zijn ingericht. 2. De programmamanagers op tactisch niveau ressortere"},{"i":2724,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2006 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,00 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2006, doch niet later dan 15 januari 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,417 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2006 en eindigende met 15 januari 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid."},{"i":4295,"b":"Besluit tot het verlenen van mandaat en volmacht aan APG Service Partners B.V. ter zake van de uitvoering van Regeling voor substantieel bezwarende functies Gelet op de [artikelen 10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:12 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) Besluit De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Minister:** Minister voor Wonen en Rijksdienst; - **Opdrachtnemer:** APG Service Partners B.V.; - **Opdrachtgever:** De Staat der Nederlanden, in casu, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directoraat-Generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk, Directie Organisatie- en Personeelsbeleid; - **Regeling:** [Regeling substantieel bezwarende functies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036442). Artikel 2 1. Opdrachtnemer is bevoegd om namens de Minister al die besluiten te nemen die Opdrachtgever bij of krachtens de [Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036442) bevoegd is te nemen. 2. Opdrachtnemer is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de [Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036442) namens de Minister te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. 3. Opdrachtnemer is bevoegd om inzake de uitvoering van de [Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036442) namens de Minister in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie. Indien het een zaak betreft met een kennelijk aanmerkelijk financieel of rechtspositioneel belang, oefent Opdrachtnemer deze bevoegdheid niet uit dan na verkregen instemming van de Minister en in voorkomend geval de ex-werkgever van de wederpar"},{"i":4057,"b":"Besluit van 16 augustus 2006, houdende regels ter zake van de uitvoering van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Besluit toezicht accountantsorganisaties) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 22 juni 2006, nr. FM 2006-1525 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Marktgedrag en Effectenverkeer; Gelet op [richtlijn nr. 2006/43/EG](32006L0043) van 17 mei 2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de wettelijke accountantscontrole van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen en tot wijziging van de [Richtlijnen 78/660/EEG](31978L0660) en [83/349/EEG](31983L0349) van de Raad (PbEU L 157), de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=8), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=11), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=15), [18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=19), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=21), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=22), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=25), [26, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=26), [41, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=41), en [55, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=55); De Raad van State gehoord (advies van 20 juli 2006, no. W06.06.0253/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 8 augustus 2006, nr. FM 2006-1908 U; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - beroepsorganisatie: Nederlandse beroepsorganisatie van accountants, bedoeld in [artikel 2,"},{"i":2594,"b":"Beleidsregels CAK inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2018 gelet op [artikel 9a tot en met 9d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9a), [18a tot en met 18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18a), en [34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a), alsmede [paragraaf 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&paragraaf=4a) en [paragraaf 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&paragraaf=5) van de Regeling zorgverzekering; besluit om de volgende beleidsregels vast te stellen: Artikel 1. De melding van de zorgverzekering als bedoeld in [artikel 18c van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c) (wanbetalers) 1. Voor de toepassing en de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18f), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18g) en [34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a) maakt het CAK gebruik van de gegevens die de zorgverzekeraar verschaft op grond van de regeling ingevolge [artikel 92 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=92), van de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) en van de gegevens uit de UWV-polisadministratie. 2. Het CAK maakt nadere werkafspraken met de zorgverzekeraars over de wijze en het tijdstip van aanlevering van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en eventueel andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":6885,"b":"Besluit van 11 april 2024, houdende regels waarmee tijdelijk wordt afgeweken van de Wet basisregistratie personen in het kader van een experiment met beperking van de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie personen (Besluit experiment dataminimalisatie basisregistratie personen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 oktober 2023, nr. 2023-0000614128; Gelet op de [artikelen 1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.10), [1.14, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.14), en [4.16a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en zesde lid, van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=4.16a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 februari 2024, nr. W04.23.00314/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 april 2024, nr. 2024-0000130306; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **autorisatiebesluit:** besluit als bedoeld in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.2) of [3.3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.3); - **centrale voorziening:** voorziening als bedoeld in [artikel 1.9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.9); - **de wet:** de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715); - **het experiment:** het experiment, bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049596&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2024-04-22&g=2024-04-22); - **informatie:** de uitkomst van de bewerking, bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049596&hoofdstuk=2&artikel=2.3&z=2024-04-22&g=2024-04-22); - **systeembeschrijving:** beschrijving van de aspecten die zijn aan"},{"i":7922,"b":"Vaststelling vergoeding leden Adviescommissie exportkredietverzekering opkomende markten Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 De leden van de Adviescommissie exportkredietverzekering opkomende markten ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 124,79. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van aanvragen, schades en incassomaatregelen op grond van de herverzekeringsovereenkomst voor Oost-Europa en andere opkomende markten en de herverzekeringsovereenkomst voor Opkomende markten ontvangen de leden van de Adviescommissie exportkredietverzekering opkomende markten jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en op een voorbereidingstijd van 4 uur per vergadering. Artikel 3 Het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken, kenmerk BEB/BHI/FIB 02034196, van 5 juli 2002 houdende vaststelling van een vergoeding voor de leden van de Adviescommissie Exportkredietverzekening Opkomende Markten, wordt ingetrokken. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3732,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 maart 2019, nr. WJZ/18070514, aan de directeur van Kiwa CBS B.V. betreffende het classificeren van slachtrunderen en slachtvarkens (Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur Kiwa CBS B.V. betreffende het classificeren van slachtrunderen en slachtvarkens) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de directeur van Kiwa CBS B.V.; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van Kiwa CBS B.V. wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met het classificeren van slachtrunderen en slachtvarkens ingevolge de [artikelen 2:18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=2:18), [2:20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=2:20), [2:23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=2:23), [2:26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=2:26), [3:20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=3:20), [3:23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=3:23a), [3:24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=3:24) en [3:26, onderdeel b, van de Regeling marktordening vlees](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=3:26). Artikel 2 Aan de directeur van Kiwa CBS B.V. wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met het verzenden van facturen voor de werkzaamheden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042080&artikel=1&z=2019-04-02&g=2019-04-02), die zijn gebaseerd op door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vastgestelde tarieven al"},{"i":3731,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 26 maart 2015, nr. IENM/BSK-2015/29930, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer ter handhaving van de in de ITS-Regeling opgenomen gedelegeerde verordeningen ter uitvoering van richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende het kader voor het invoeren van intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen (PbEU 2010, L 207) (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Dienst Wegverkeer inzake handhaving van de gedelegeerde ITS-verordeningen) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer van 18 maart 2015, kenmerk JBZ2015/12058; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de ITS-Regeling in werking treedt. Artikel 1 Aan de algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer wordt mandaat verleend met betrekking tot de volgende bevoegdheden: - a. het opleggen van een last onder dwangsom, bedoeld in [artikel 169 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=169), in geval van herhaaldelijke of voortdurende overtreding van de voorschriften van gedelegeerde verordening (EU) 885/2013 of gedelegeerde verordening (EU) 886/2013 als bedoeld in [artikel 1.1 van de ITS-Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036478&artikel=1.1); - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 Aan de algemee"},{"i":2516,"b":"Beleidsregel inzake de verstrekking van een tijdelijk bewijsschrift taxi ten behoeve van het verkorten van de procedure voor het verkrijgen van een chauffeurspas als bedoeld in artikel 75 van het Besluit personenvervoer 2000 (Beleidsregel tijdelijk bewijsschrift taxi) Gelet op de [artikelen 88](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=88) en [93 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=93); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. besluit: [Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982); - b. regeling: [Regeling taxibestuurders 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018667); - c. CBR: Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Artikel 2 1. Bij niet-naleving van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 75, eerste tot en met het derde lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=75), zal worden afgezien van toepassing van [artikel 93 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=93), indien de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht in het bezit is van een geldig, behoorlijk leesbaar, tijdelijk bewijsschrift en dit aanwezig houdt in die auto. 2. De bestuurder van een auto die uitsluitend beperkte taxidiensten verricht als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018667&artikel=1) kan in plaats van het in het eerste lid bedoelde tijdelijke bewijsschrift volstaan met het in het bezit hebben en het aanwezig houden in die auto van een tijdelijk bewijsschrift onder beperkingen. 3. Het tijdelijk bewijsschrift en het tijdelijk bewijsschrift onder beperkingen zijn geldig voor een periode van vier weken, gerekend vanaf de datum van verstrekking. Artikel 3 1. Een aanvraag voor een chauffeurspas bedoeld in [artikel 76, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel"},{"i":3111,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief betreffende Notaris-standplaatsen van het Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving ressorterend onder het Ministerie van Justitie 1842–2007, toegang nr. 2.09.91 (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archief van het Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving ressorterend onder het Ministerie van Justitie (1842–2007) bevattende de hierboven genoemde archieven, de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":2440,"b":"Beleidsregel inschrijvingskenmerk bedrijfsvoorraad Gelet op [artikel 3.6 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.6); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **minister** Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. **register** Nederlandse register voor burgerluchtvaartuigen. Artikel 2 1. De eigenaar van een luchtvaartuig behorende tot de bedrijfsvoorraad kan bij de minister een inschrijvingskenmerk aanvragen als bedoeld in [artikel 3.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.6). 2. De minister geeft een inschrijvingskenmerk als bedoeld in het eerste lid op indien: - a. het luchtvaartuig behoort tot de eigendom en de bedrijfsvoorraad van een rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in [artikel 3.25 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.25) is verleend; - b. de bij invoer eventueel vereiste douaneformaliteiten zijn vervuld, dan wel hiervoor vrijstelling is verkregen; - c. het luchtvaartuig niet in enig ander luchtvaartuigregister is ingeschreven, en - d. de eigenaar de volgende gegevens heeft verstrekt: - 1°. de typeaanduiding van het luchtvaartuig, en - 2°. het serienummer van het luchtvaartuig. 3. Het inschrijvingskenmerk wordt op het luchtvaartuig aangebracht op de wijze als bedoeld in de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012878&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012878&artikel=16) en [17 van de Regeling inschrijving Nederlandse burgerluchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012878&artikel=17). 4. Het inschrijvingskenmerk mag voor ten hoogste 6 maanden op het luchtvaartuig worden aangebracht, welke termijn eenmaal voor ten hoogste dezelfde periode kan worden verlengd. 5. Indien het luchtvaartuig wordt overgedragen aan een andere eigenaar dienen de volgende gegevens door de oude eigenaar aan de minister te worden verstrekt: - a. de typeaanduiding van het luchtvaartuig; - b"},{"i":5242,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van inzake aanwijzing en gebruik frequentieruimte commerciële radio-omroep Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 82e van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=82e), en [artikel 53c, tweede lid, van het Mediabesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004237&artikel=53c); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **muziek:** uitgezonden muziekproductie, al dan niet in samenloop met spraak die dient ter aankondiging of afkondiging daarvan. Artikel 2 1. De frequentieruimte in de FM-band, aangewezen in het tweede lid, wordt slechts gebruikt voor het uitzenden van radioprogramma's van commerciële omroepinstellingen, die overwegend bestaan uit nieuws, actualiteiten en informatie, gericht op de Nederlandse samenleving. Een radioprogramma wordt aangemerkt als een radioprogramma, bedoeld in de vorige volzin, indien: - a. het radioprogramma in elk geval wordt uitgezonden gedurende de uren van 07.00 uur tot 19.00 uur; - b. het radioprogramma tussen 07.00 uur en 19.00 uur meer dan 70 procent nieuws, actualiteiten en informatie bevat; en - c. in het radioprogramma tussen 07.00 uur en 19.00 uur en tussen 19.00 uur en 23.00 uur, voor zover in laatstgenoemde uren wordt uitgezonden, ten minste eenmaal per uur op het hele uur en tussen 23.00 uur en 07.00 uur, voor zover in deze uren wordt uitgezonden, ten minste eenmaal per twee uur op het hele uur een programmaonderdeel bestaande uit nieuws is opgenomen. 2. Als frequentieruimte als bedoeld in het eerste lid wordt aangewezen de frequentieruimte in de FM-vergunning A04, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014740&artikel=2&z=2024-11-26&g=2024-11-26) van de Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen landelijke commerciële radioomroep 2023. 3. Bij de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt de zendtijd besteed aan recla"},{"i":5243,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 november 2010, nr. DLZ/SFI-U-3030940, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake Contracteerruimte AWBZ 2011 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 29 september 2010 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal over de zakelijke inhoud van mijn voornemen aan de Nederlandse Zorgautoriteit een aanwijzing te geven (Kamerstukken II 2009/10, 30 597, nr. 157); Besluit: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Werkingssfeer 1. Deze aanwijzing is van toepassing op zorg waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat. 2. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, waar nodig regels en beleidsregels vast. Hoofdstuk II. Financiële middelen Artikel 2. Totale contracteerruimte De zorgautoriteit bepaalt de totale contracteerruimte voor het jaar 2011 via dezelfde systematiek als voor de jaren 2005 tot en met 2010 is toegepast. De zorgautoriteit berekent de totale contracteerruimte voor 2011 met inachtneming van de volgende onderdelen: - 1. **startpunt** Startpunt voor het bepalen van de totale contracteerruimte voor het jaar 2011 is 100% van de totale contracteerruimte voor het jaar 2010 zoals de zorgautoriteit die heeft vastgesteld, waaronder mede begrepen de niet-benutte contracteerruimte 2010. De extra middelen in verband met de doelmatige uitvoering [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) 2010, te weten 0,5% van de totale contracteerruimte anticiperend op de jaarlijkse onderuitputting, worden niet opgenomen in de contracteerruimte 2011. De productieafspraken betrekking hebbend op de in de loop van in 2010 nieuw in gebruik genomen of uitgebreide intramurale capaciteit worden aan het startpunt op ja"},{"i":4223,"b":"Besluit vaststelling subsidieplafonds en indiendata 2026 Gelet op [artikel 4:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:25); Gelet op [artikel 1.5, eerste lid, van de Deelregeling composities en libretto's Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036773&artikel=1.5); Gelet op [artikel 1.5, eerste lid van de Deelregeling projectsubsidies Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029367&artikel=1.5); Gelet op [artikel 8, eerste lid van de Deelregeling programma urban projecten Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040670&artikel=8); Gelet op [artikel 4.3 van de regeling Upstream: Music](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046574&artikel=4.3); Gelet op [artikel 1.6 eerste lid, van de Deelregeling programmeringssubsidies Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029360&artikel=1.6); Gelet op [artikel 1.6 eerste lid, van de Deelregeling Internationaliseringssubsidies Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030540&artikel=1.6); Gelet op [artikel 6 eerste lid, van de regeling Programma Internationale Promotie Dutch Performing Arts](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044891&artikel=6) Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Tekst en compositie 1. Voor **ontwikkelbeurs muziekauteur** als bedoeld in [artikel 2.1 van de Deelregeling composities en libretto’s Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036773&artikel=2.1) geldt in 2026 het volgende: | | subsidieplafond | indiendatum | | --- | --- | --- | | Ronde 1 | 303.000 | 25 maart 2026 | | Ronde 2 | 303.000 | 16 september 2026 | 2. Voor **subsidies voor het verlenen van een opdracht compositie en libretto** als bedoeld in [artikel 3.1 van de Deelregeling composities en libretto’s Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036773&artikel=3.1) geldt in 2026 het volge"},{"i":7924,"b":"Werkwijze informanten ACM 2017 § 1. Inleiding Bij haar toezicht op de naleving van wet- en regelgeving is de Autoriteit Consument en Markt (ACM) afhankelijk van informatie. Als een persoon informatie heeft over een mogelijke overtreding dan is het belangrijk dat hij/zij de ACM hierover informeert. Deze informatie kan namelijk zeer waardevol zijn voor het onderzoek naar die overtreding. In de praktijk is gebleken dat sommige personen die voor de ACM informatie hebben niet met naam en toenaam genoemd willen worden in een onderzoeksdossier en hun identiteit alleen bekend willen maken aan een beperkt aantal personen die werkzaam zijn bij de ACM. Deze werkwijze beschrijft de mogelijkheden daartoe en de uitgangspunten die daarbij gelden en geeft inzicht in de (grenzen van de) waarborgen die de ACM biedt. Verder regelt de werkwijze een aantal praktische zaken zoals de manier waarop informatie kan worden ingediend. Personen die beschikken over informatie over eventuele overtredingen en wensen dat hun identiteit alleen bekend wordt bij een beperkt aantal personen bij de ACM, maar niet daarbuiten, worden in deze werkwijze aangeduid als informanten. Omdat de werkwijze ziet op informanten, is deze bijvoorbeeld niet van toepassing als de ACM op een andere wijze informatie verkrijgt. Bijvoorbeeld indien personen een aanvraag indienen tot het nemen van een handhavingsbesluit of indien er een verzoek wordt ingediend om clementie. § 2. Definities § 3. Waarborgen geheimhouding identiteit § 4. Wijze van informatie indienen § 5. Slotbepalingen"},{"i":2441,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 16 april 2018, nr. RWS-2018/13729, houdende vaststelling van een beleidsregel voor de instelling van een veiligheidszone voor windparken op zee (Beleidsregel instelling veiligheidszone windparken op zee) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 6.10 van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=6.10); BESLUIT: Artikel 1. Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op het op grond van [artikel 2.40 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.40) instellen van veiligheidszones rondom windparken in de Nederlandse territoriale zee en de Nederlandse exclusieve economische zone. Artikel 2. Algemeen verbod varen in windpark 1. In een besluit tot het instellen van een veiligheidszone wordt bepaald dat het verboden is zich in de veiligheidszone te bevinden of in de veiligheidszone enig voorwerp te hebben of te doen hebben. 2. In een besluit tot het instellen van een veiligheidszone wordt bepaald dat het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet geldt voor het zich met een vaartuig in de veiligheidszone bevinden: - a. in verband met de aanleg, de inspectie, het testen, de reparatie, het onderhoud, de verandering, vernieuwing of verwijdering van onderzeese kabels, meetmasten, transformatorstations en andere objecten van de exploitant; - b. om diensten te verlenen voor exploitatie van het windpark of vervoer van personen of goederen van en naar het windpark ten behoeve van exploitatie van het windpark; - c. in het kader van toezicht op de naleving en de handhaving van wettelijke voorschriften; - d. in het kader van onderzoek in opdracht van de rijksoverheid; of - e. met toestemming van de exploitant van het windpark. 3. In een besluit tot het instellen van een veiligheidszone wordt bepaald dat het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet geldt voo"},{"i":3647,"b":"Besluit van 23 februari 2021 tot het stellen van regels ten aanzien van de loonkostensubsidie Participatiewet met betrekking tot het bepalen van de doelgroep, de uniforme bepaling van de loonwaarde en het moment van uitbetalen van de loonkostensubsidie (Besluit loonkostensubsidie Participatiewet 2021) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 december 2020, nr. 2020-0000160093; Gelet op [artikel 10e van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=10e) en [artikel 10a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=10a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 januari 2021, nr. W12.20.0456/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 februari 2021, nr. 2021-0000035086, Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **hoofdtaak:** een taak, of meerdere taken of handelingen met in de werkzaamheden onderlinge samenhang, waaraan de werknemer ten minste 1/16 deel van de werktijd per week en 30 minuten van de werktijd per werkdag besteedt; - –. **kwaliteit:** het gemiddelde aantal geproduceerde eenheden of diensten over een relevante periode dat bruikbaar is en voldoet aan de gestelde kwaliteit; - –. **loonwaardedeskundige:** de door het college voor het bepalen van de loonwaarde aangewezen natuurlijke persoon; - –. **netto werktijd:** de tijd die de werknemer besteedt aan het verrichten van handelingen behorend tot een hoofdtaak; - –. **normfunctie:** de functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort die wat betreft samenstelling van de werkzaamheden het dichtst tegen de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden van de potentiële werknemer aan ligt; - –. **tempo:"},{"i":7341,"b":"Wet van 10 april 1997 tot wijziging van de artikelen 5 en 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en in verband daarmede van enige andere artikelen van dit Wetboek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het recht met betrekking tot de verkrijging van de geslachtsnaam, zoals geregeld in [artikel 5 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=5) te wijzigen, alsmede de bevoegdheid van de gehuwde of gehuwd geweest zijnde vrouw om de naam van haar echtgenoot te voeren, ook te geven aan de gehuwde of gehuwd geweest zijnde man; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL II Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Overgangsbepalingen ARTIKEL III 1. Indien een kind, dat als ongeboren kind voor de inwerkingtreding van deze wet is erkend, na de inwerkingtreding van deze wet wordt geboren, stelt, in afwijking van [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=5), de ambtenaar van de burgerlijke stand de ouders in staat naamskeuze te doen ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte. [Artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=5) is overigens van toepassing. 2. Indien voor de inwerkingtreding van deze wet een adoptie is uitgesproken die na de inwerkingtreding van deze wet in kracht van gewijsde gaat, stelt, in afwijking van [artikel 5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=5), de ambtenaar van de burgerlijke stand de adoptiefouders of het kind in staat naamskeuze te doen ter gelegenheid van de toevoeging van de latere vermelding van de adoptie aan de akte van geboorte. [Artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=5) is overige"},{"i":7350,"b":"Wet van 30 september 1993, tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de advisering over en inning van kinderalimentaties Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is uit een oogpunt van efficiency de adviserende en requestrerende taak van de raden voor de kinderbescherming te beëindigen en de inning van kinderalimentaties door de raden voor de kinderbescherming onder te brengen bij één instantie alsmede deze tegen betaling van kosten te doen geschieden en dat in verband daarmee [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) en het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) wijziging behoeven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Indien het bij koninklijke boodschap van 8 januari 1992 ingediende voorstel van wet tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht tot wet is verheven en in werking is getreden, vervalt [onderdeel B van artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006164&artikel=II&z=1994-03-01&g=1994-03-01), zodra het tot wet is verheven; In het [eerste lid van artikel 810 van de Zesde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=810) wordt alsdan na \"minderjarigen\" ingevoegd: , uitgezonderd die welke zijn levensonderhoud betreffen. Overgangsbepalingen Artikel IV 1. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingevolge het tot dan toe geldende [artikel 408](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=408) bestaande betaalbaarstellingen aan"},{"i":6645,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 13 februari 2013, nr. WJZ/12043892, tot wijziging van de Subsidieregeling energie en innovatie ter wijziging van de voorwaarden in het programma Risico's dekken voor aardwarmte Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=7), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=15), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), [23, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=23), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25), [32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=32), [34, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=34), en [44 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=44); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling energie en innovatie. Artikel II Wijzigt de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2013. Artikel III Op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling als gevolg van [artikel 3.4.2, eerste lid, van de Subsidieregeling energie en innovatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026952&artikel=3.4.2) zijn verstrekt, blijft de regeling van toepassing zoals die onmiddellijk voor dat tijdstip luidde. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6076,"b":"Besluit van 6 november 2025, houdende wijziging van enkele besluiten op het terrein van Justitie en Veiligheid en op het terrein van Asiel en Migratie in verband met aanpassingen van overwegend technische aard (Verzamelbesluit Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie 2026) [KetenID WGK026338] Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken van 30 mei 2025, nr. 6420835, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, I. Coenradie, en Onze Minister van Asiel en Migratie; Gelet op [artikel 16, derde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=16), de [artikelen 18, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=18), [238, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=238), en [244 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=244), [artikel 9 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=9), [artikel 5 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=5), de [artikelen 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2a), [46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54) en [112 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=112), [artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77e), de [artikelen 51ac, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51ac), [51k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51k), [6:1:15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:1:15), [6:4:8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"i":6407,"b":"Besluit van 24 december 1992, houdende wijziging van het Besluit douane en accijnzen (aanpassing aan de voltooiing van de interne markt) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 12 november 1992, nr. WD.92/687, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, directie Wetgeving Douane; Gelet op de artikelen 3, 20, 21, 25, 32, 45, 46, 185 en 220**a** van de Wet inzake de douane (**Stb.** 1992, 54), [artikel 1 van de Statistiekwet 1950](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002064&artikel=1) (**Stb.** 1962, 367) en artikel 9, tweede lid, onderdeel **b**, van de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) (**Stb.** 329); De Raad van State gehoord (advies van 18 december 1992, nr. W06.92.0547); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 22 december 1992, nr. WD.92/807, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, directie Wetgeving Douane; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV 1. De vergunningen verleend op grond van het Besluit in- en uitvoer met aangifte achteraf (**Stb.** 1978, 97) worden, voor zover deze niet hun belang hebben verloren, tot uiterlijk 1 juli 1993 aangemerkt als vergunningen verleend op grond van respectievelijk de artikelen 37**a** of 37**l** van het Besluit inzake de douane of artikel 17 van de [verordening (EEG) nr. 3269/92](31992R3269) van 10 november 1992 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (**PbEG** L 326). 2. Met ingang van 1 juli 1993 kunnen de vereenvoudigde procedures welke zijn gebaseerd op de in het eerste lid genoemde artikelen slechts worden toegepast indien een vergunning op grond van het desbetreffende artikel is verleend. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI De tekst van het Besluit inzake de douane wordt door Onze Minister van Justitie in het **Staatsblad** geplaatst. A"},{"i":5328,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 26 maart 2022, nr. IENW/BSK-2022/60989, houdende vaststelling van het subsidieplafond en de aanvraagperiode subsidies in het kader de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2022–2026 voor het jaar 2022 Gelet op [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), en [artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Aanvraagperiode Aanvragen voor subsidie in het kader van de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2022–2026 kunnen worden ingediend met ingang van 1 april 2022 tot en met 1 september 2022. Artikel 2. Subsidieplafond 2022 Het subsidieplafond voor aanvragen in de aanvraagperiode, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046486&artikel=1&z=2022-04-01&g=2022-04-01), bedraagt: - a. € 4.000.000 voor projecten als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2022–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046454&artikel=3); - b. € 3.000.000 voor projecten als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2022–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046454&artikel=3). Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2022. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7376,"b":"Wet van 7 juni 2022 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet basisregistratie personen in verband met het van rechtswege ontstaan van gezamenlijk gezag door erkenning Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) en de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715) te wijzigen teneinde door erkenning van een minderjarig kind van rechtswege gezamenlijk gezag te laten ontstaan; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Wijzigt de Wet basisregistratie personen. Artikel III [Artikel 251b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=251b) is niet van toepassing op een erkenning, gedaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5463,"b":"Regeling vaststelling Aanwijzingen inzake protocol handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Besluit: Artikel 1 Vastgesteld worden de als bijlage bij deze regeling gevoegde Aanwijzingen inzake protocol. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Aanwijzingen voor de rijksdienst inzake protocol Aanwijzing 1 Doelmatigheid, dienstvaardigheid en soberheid zijn uitgangspunten bij protocol Protocol kan worden omschreven als een samenstel van voorschriften en gebruiken die bijdragen aan een gestructureerde benadering van ontvangsten, bezoeken en bijzondere bijeenkomsten en gebeurtenissen. De functie van protocol bevordert een respectvolle omgang tussen personen die recht doet aan verwachtingen over en weer, formele verhoudingen en uiteenlopende situaties en tegelijkertijd aandacht heeft voor maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van gastheerschap, waardering en medeleven. In de rijksdienst worden de departementale werkzaamheden op dit gebied verricht door of in afstemming met medewerkers die beschikken over specifieke deskundigheid en ervaring op dit terrein. Dit geldt in elk geval voor de activiteiten ten behoeve van bewindspersonen maar hetzelfde kan gelden voor hoofdambtenaren (o.a. de top management groep in de algemene bestuursdienst) en andere rijksambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een daaronder ressorterend deel van de rijksoverheid. Deze aanwijzingen zijn van toepassing op de ministers en staatssecretarissen en degenen die werkzaam zijn bij de ministeries en de daaronder ressorterende onderdelen van de rijksoverheid. Het is van belang dat ministeries kunnen beschikken over medewerkers die door expertise en ervaring op het gebied van protocol ingezet worden voor de uitvoering van activiteiten op dit gebied of daarbij van advies dienen. De directie kabinet en protocol van het ministerie van Buitenlandse Zaken vervult in inte"},{"i":6630,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 25 april 2018, nr. VO/1321293, tot wijziging van de Regeling subsidie zij-instroom 2017 in verband met het aanwijzen van een trainingsprogramma, het vaststellen van een nieuwe aanvraagtermijn voor de trainingsprogramma’s en het vaststellen van regels in geval een zij-instromer het dienstverband beëindigt Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5), [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [artikel 4, tweede lid, van de Regeling subsidie zij-instroom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039459&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling subsidie zij-instroom 2017. Artikel II Met inachtneming van [artikel 4, tweede lid, van de Regeling subsidie zij-instroom 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039459&artikel=4) wordt het volgende verdiepende trainingsprogramma aangewezen: Trainees in Onderwijs Met inachtneming van [artikel 4, tweede lid, van de Regeling subsidie zij-instroom 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039459&artikel=4) wordt een bedrag van € 1.000.000 daarvoor aangewend. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6514,"b":"Besluit van 23 november 2010, houdende wijziging van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft, het Besluit openbare biedingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft en het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wijzigingsbesluit financiële markten 2011) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 september 2010, FM/2010/16940 M, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 1:81, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:12, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:12), [3:9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:9), [3:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:72, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:72), [3:73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:73), [3:99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:99), [3:259, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:259), [4:10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:10), [4:20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:20), [4:72, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:72), [4:73, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:73), en [5:76, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:76), [artikel 105, tiende lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=105)"},{"i":6511,"b":"Besluit van 22 december 2011 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsbesluiten Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Artikel III Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Artikel IV 1. Ten aanzien van een werknemer ten aanzien van wie de bewijsregel, bedoeld in [artikel 10ea van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10ea), of, voor zover de inhoudingsplichtige een keuze heeft gemaakt als bedoeld in [artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=39c), de bewijsregel, bedoeld in [artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=9) zoals dat luidde op 31 december 2010, op 31 december 2011 wordt toegepast: - a. blijft [artikel 10ee van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10ee) zoals dat luidde op 31 december 2011, onderscheidenlijk [artikel 9d van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=9d) zoals dat vóór toepassing van [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031017&artikel=III&z=2013-01-01&g=2013-01-01) luidde op 31 december 2010, van toepassing ingeval op 31 december 2011 niet meer dan 5 jaar van de looptijd van de bewijsregel, bedoeld in [artikel 10ec, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10ec), onderscheidenlijk [artikel 9b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=9b) zoals dat luidde op 31 december 2010, is verstreken; - b. is artikel [10ee van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10ee), onderscheidenlijk [artikel 9d van het Uitvoeringsbes"},{"i":6512,"b":"Besluit van 20 december 2012 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsbesluiten Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Artikel III Het [Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489) zoals dat luidde op 31 december 2010 wordt als volgt gewijzigd: - A. In [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=8) wordt na het derde lid, onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot vijfde tot en met achtste lid, een lid ingevoegd, luidende: - 4. De in het tweede lid, onderdeel b, onder 2°, opgenomen voorwaarde geldt niet indien de door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de wet meer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de aanvang van een eerdere tewerkstelling in Nederland woonachtig was op een afstand van meer dan 150 kilometer van de grens van Nederland exclusief de territoriale zee van Nederland en de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in [artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010480&artikel=1), en die eerdere tewerkstelling niet eerder dan acht jaren voor de nieuwe tewerkstelling is aangevangen. - B. In [artikel 9b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=9b), wordt «ingaande op de eerste dag van de tewerkstelling door de inhoudingsplichtige» vervangen door: ingaande op de eerste dag van de tewerkstelling door de inhoudingsplichtige en eindigende op de laatste dag van het loontijdvak na het loontijdvak waarin die tewerkstelling is geëindigd. Artikel IV Wijzigt het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971. Artikel V Wijzigt het Besluit fiscale eenheid 2003. Artikel VI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. Artikel VII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belast"},{"i":5324,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 26 februari 2015, nr. WJZ/15030700, houdende regels inzake het gebruik van frequentieruimte zonder vergunning en zonder meldingsplicht en intrekking van de Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning 2008 (Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning en zonder meldingsplicht 2015) Gelet op [artikel 3.9, onderdelen a tot en met c, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.9), alsmede [artikel 2, eerste en derde lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **actieve medische implantaten:** het radiodeel van actieve implanteerbare medische apparatuur dat is ontworpen om, volledig of gedeeltelijk, op operatieve of medische wijze in het menselijk lichaam of in het lichaam van een dier te worden geïmplanteerd en, indien van toepassing, de bijbehorende buiten het lichaam bestaande apparatuur; - b. **ALD (Assistive Listening Devices):** radiocommunicatiesystemen waarmee slechthorenden hun gehoorvermogen kunnen verbeteren; - c. **apparatuur voor modelbesturing:** radioapparatuur voor afstandsbesturing en telemetrie die gebruikt wordt om de beweging van modellen te besturen in de lucht, op het land of in het water; - d. **apparatuur voor radiodeterminatie:** radioapparatuur die wordt gebruikt om de positie, snelheid of andere kenmerken van een object vast te stellen of om informatie te verkrijgen over deze parameters; - e. **besluit:** [Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895); - f. **bodemradar (Ground Prenetrating Radar):** radioapparaat voor de opsporing of het verkrijgen van beelden van objecten onder de grond of het bepalen van de fysische eigenschappen van de grond; - g. **breedbanddatatransmissieapparatuur:** radioapparatuur die die gebruik maakt van breedbandmodulatietechnieken om toegang te krijgen tot spec"},{"i":6550,"b":"Besluit van 12 juni 2013 tot wijziging van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning, het Rechtspositiebesluit burgemeesters, het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, het Rechtspositiebesluit wethouders, het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, het Waterschapsbesluit en het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES in verband met een wijziging in de regeling inzake ambtswoningen en enkele andere wijzigingen Artikel I Wijzigt het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning. Artikel II Wijzigt het Rechtspositiebesluit burgemeesters. Artikel III Wijzigt het Rechtspositiebesluit gedeputeerden. Artikel IV Wijzigt het Rechtspositiebesluit wethouders. Artikel V Wijzigt het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden. Artikel VI Wijzigt het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Artikel VII Wijzigt het Waterschapsbesluit. Artikel VIII Wijzigt het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES. Artikel IX Voor de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2013 compenseert de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de aan de Belastingsdienst verschuldigde nageheven loonbelasting en nagevorderde inkomstenbelasting in verband met de ambtswoning van de commissaris, de burgemeester en de Rijksvertegenwoordiger over deze periode. Artikel X 1. Een uitkering op grond van een uitkeringsregeling op basis van [artikel 9 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006536&artikel=9) aan raadsleden, die uiterlijk aanvangt op de datum van aftreden van de leden van de raad in de oude samenstelling na de raadsverkiezingen van 2014, of een herindelingsverkiezing na publicatie van dit besluit maar vóór de raadsverkiezingen in 2014, wordt verstrekt tegen de voorwaarden van de verordening, zoals die gold op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit. 2. Een uitkering op grond van een uitkeringsregeling op basis van [artikel 8 van h"},{"i":5475,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en de Staatssecretaris van Economische Zaken, van 15 april 2014, nr. IENM/BSK-2014/80467, houdende vaststelling van het formulier voor het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet bescherming Antarctica (Regeling vaststelling formulier vergunningaanvragen Wet bescherming Antarctica) Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Besluit bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009867&artikel=2); Besluiten: Artikel 1 Als formulier, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van het Besluit bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009867&artikel=2), wordt vastgesteld het als bijlage bij deze regeling behorende aanvraagformulier. Artikel 2 Op aanvragen die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling blijft de regeling, genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035069&artikel=3&z=2015-01-29&g=2015-01-29), van toepassing. Artikel 3 De [Regeling van de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 2 november 2000, houdende de vaststelling van het formulier voor het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011752) (Stcrt. 2000, 237) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling formulier vergunningaanvragen Wet bescherming Antarctica. Bijlage. bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035069&artikel=1&z=2015-01-29&g=2015-01-29) Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6513,"b":"Besluit van 27 november 2009 houdende wijziging van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft, het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit reikwijdtebepalingen Wft, en het Besluit toezicht accountantsorganisaties (Wijzigingsbesluit financiële markten 2010) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 9 september 2009, FM/2009/1927 M; Generale Thesaurie, directie Financiële Markten, afdeling Algemeen en internationaal; Gelet op de [artikelen 1:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [1:102, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:102), 2:69a, zesde lid, [2:117, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:117), [2:122, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:122), [3:36, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:36), [3:259, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:259), [4:9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9), [4:11, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:11), [4:15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:15), [4:18c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:18c), [4:20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:20), [4:26, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:26), [4:47, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:47), en 4:71a van de Wet op het financieel toezicht en [artikel 26 van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=26);"},{"i":6545,"b":"Besluit van 1 mei 2003 tot wijziging van het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 november 2002, nr. 5192820/02/6; Gelet op [artikel 238, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=238); De Raad van State gehoord (advies van 13 januari 2003, nr. W03.02.0491/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 23 april 2003, nr. 5221423/03/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op de jeugdhulpverlening (advies- en meldpunten kindermishandeling) in werking treedt. De inwerkingtredingsdatum was oorspronkelijk 1 mei 2003 maar is gewijzigd door een verbeterblad. Artikel I Wijzigt het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming. Artikel II 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de [Wet van 26 september 2002 houdende wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening in verband met de advies- en meldpunten kindermishandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014071) (Stb. 2002, 515) in werking treedt. 2. In afwijking van het eerste lid, doet de raad voor de kinderbescherming uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding in situaties als bedoeld in [artikel 2a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008125&artikel=2a), mededeling aan het advies- en meldpunt kindermishandeling dat werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6562,"b":"Besluit van 14 september 2018, houdende tijdelijke regels ten behoeve van een experiment met de elektronische aanvraag van rijbewijzen Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens Onze Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 9 november 2017, nr. IENM/BSK-2017/272092, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 113, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=113), [116, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=116), en [186, eerste lid, onderdeel c, en vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=186); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 januari 2018, nr. W17.17.0368/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 augustus 2018, nr. IENW/BSK-2018/160304, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel II Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk. Artikel III 1. [Hoofdstuk VIIIc van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&hoofdstuk=VIIIc) vervalt 6 jaren na inwerkingtreding van dit besluit. 2. De voorschriften van [Hoofdstuk VIIIc van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&hoofdstuk=VIIIc) blijven, nadat dit hoofdstuk is vervallen, van toepassing op elektronische aanvragen van rijbewijzen die voorafgaand aan dit moment zijn ingediend. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat di"},{"i":6128,"b":"Besluit van 29 januari 1986, houdende regelen met betrekking tot bepaalde ladders en trappen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 24 januari 1985, DG Vgz/VVP/P, nr. 80093, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, P. H. van Zeil en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. Kappeyne van de Coppello; Overwegende dat het wenselijk is met betrekking tot de veiligheid van bepaalde ladders en trappen regelen te stellen ter voorkoming van lichamelijk letsel; Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14), [14a](onbekend), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=16) en [16a van de Warenwet](onbekend) (**Stb.** 1935, 793); De Adviescommissie [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) gehoord (advies van 10 juni 1983, nr. 13451(11)15); De Raad van State gehoord (advies van 21 juni 1985, no. W13.85.0102/21.5.25); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 16 januari 1986, DG Vgz/VVP/P, nr. 82331, uitgebracht mede namens voornoemde Staatssecretaris van Economische Zaken en voornoemde Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **draagbaar klimmaterieel:** de waar, bestaande uit bomen of stijlen en treden of sporten alsmede beslag en al dan niet voorzien van een daarmee één geheel uitmakend platform of standplaats, bedoeld om één gebruiker tegelijk de mogelijkheid te verschaffen een hoogteverschil te overbruggen dan wel een verhoogde c.q. verlaagde standplaats te bieden, en die bedoeld is om zonder mechanische hulpmiddelen te worden getransporteerd; - b. **bomen of stijlen:** de onderdelen van draagbaar klimmaterieel, die ten doel hebben de treden of sporten op een vaste af"},{"i":6536,"b":"Besluit van 22 juli 2004 tot wijziging van het Kansspelenbesluit in verband met de wijziging van de afdrachtpercentages Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 10 december 2003, nr. 5258994/03/6; Gelet op de [artikelen 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=6), en [29 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=29); De Raad van State gehoord (advies van 6 februari 2004, nr. W03.03.0522/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 16 juli 2004, nr. 5297600/04/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Kansspelenbesluit. Artikel II Op vergunningen die, op grond van [artikel 3 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3), zijn verleend voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijft het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing, met dien verstande dat op vergunningen, verleend aan Nationale Postcode Loterij N.V., de Stichting Algemene Loterij Nederland, BankGiro Loterij N.V. en Sponsor Loterij N.V., het recht zoals dat geldt vanaf de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing is. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6566,"b":"Besluit van 4 juni 2007 tot aanpassing van enige reglementen in verband met wijziging van de regeling inzake het afleggen van de eed of belofte door de deskundige leden bij enige bijzondere kamers van gerechten (aanpassing regeling afleggen eed bijzondere kamers gerechten) Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 april 2007, nr. 5480994/07/6; Gelet op de [artikelen 48, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=48), [66, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=66), [67, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=67), en [69, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=69); De Raad van State gehoord (advies van 16 mei 2007, nr. W03.07.0121/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 22 mei 2007, nr. 5485797/07/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement voor de bijzondere kamer bij het gerechtshof te Arnhem. Artikel II Wijzigt het Reglement voor de ondernemingskamer. Artikel III Wijzigt het Reglement voor de pachtkamers. Artikel IV 1. De deskundige leden, bedoeld in de [artikelen 48, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=48), [66, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=66), [67, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=67), en [69, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=69), die op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit werkzaam zijn bij de ondernemingskamer, de pachtkamer of de bijzondere kamer bij het gerechtshof te Arnhem, en de eed of belofte, hetzij bij het desbetreffende hetzij bij het naast hoger gelegen gerecht hebben afgelegd, worden geacht te zijn beëdigd bij het gerecht dat vanaf inwerkingtreding van dit besluit bevoegd is. 2. De bij de Hoge Raad aanwezige registers, bedoeld in [artikel 5 van het Reg"},{"i":6517,"b":"Besluit van 6 december 2013 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft en enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingsbesluit financiële markten 2014) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 16 juli 2013, FM/2013/1316M, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:50a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:50a), [1:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:3.0a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0a), [2:3.0b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0b), [2:3.0d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0d), [2:3.0g, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0g), [2:3.0i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0i), [2:3.0k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0k), [2:3.0m, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0m), [2:6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:6), [2:54j, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:54j), [2:54l, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:54l), [2:54m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:54m), [2:106.0a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:106.0a), [3:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:62a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:62a), [3:63, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:63), [3:73a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&ar"},{"i":6527,"b":"Besluit van 15 maart 2005 tot wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in verband met het beheer van afvalstoffen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 december 2004, nr. MJZ2004125279, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 1.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), [8.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.2), [8.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.5), [8.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.7), [8.17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.17), [8.35, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.35), en [10.46, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.46); De Raad van State gehoord (advies van 21 januari 2005, nr. W08.04.0595/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 maart 2005, nr. MJZ2005024701, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Artikel II Wijzigt het Wijzigingsbesluit Inrichtingen- en vergunningenbesluit (besluitvorming van marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit). Artikel III Wijzigt het Besluit inzamelen afvalstoffen. Artikel IV Indien de aanvraag tot het geven van een beschikking waarop dit besluit betrekking heeft, is ingediend voor het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, blijft het tot dat tijdstip geldende recht, met uitzondering van de [artikelen 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005829&artikel=2.3), [7.2, tweede lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005829&artikel=7.2), [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005829&artikel=8.3) e"},{"i":7073,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije betreffende de regels van technische aard ter toepassing van de op 11 mei 1959 gesloten Overeenkomst nopens handelsschulden van personen woonachtig in Turkije Le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas et le Gouvernement de la République de Turquie, Désireux de déterminer les modalités techniques d'application de l'Accord sur les dettes commerciales de personnes résidant en Turquie, signé à Paris le 11 mai 1959 (appelé ci-dessous „Accord Multilatéral”), En exécution de l'Article 13 de l'Accord Multilatéral, Sont convenus de ce qui suit: Article I 1. Les dispositions du présent Accord s'appliquent à toutes dettes telles qu'elles sont définies à l'Article 3 de l'Accord Multilatéral de personnes résidant en Turquie envers des personnes résidant au Royaume des Pays-Bas (appelées ci-dessous respectivement „débiteur” et „créancier”). - (a). L'accord international faisant l'objet du sous-paragraphe (**v**) de l'Article 4 de l'Accord Multilatéral est le Traité de l'Atlantique Nord, signé à Washington le 4 avril 1949. - (b). Aux fins des Articles 5, 8 et 14 de l'Accord Multilatéral l'institution appropriée du Royaume des Pays-Bas est „De Nederlandsche Bank N.V.”. Article II 1. La Banque Centrale de la République de Turquie (appelée cidessous „Banque Centrale”) établira et adressera, aussitôt que possible, à „De Nederlandsche Bank N.V.” les listes prévues au paragraphe 2 ci-dessous. „De Nederlandsche Bank N.V.” effectuera, conformément aux dispositions de l'Article 14 (**c**) de l'Accord Multilatéral, les vérifications nécessaires, en particulier pour déterminer si les dettes figurant sur ces listes sont encore en instance de transfert, et informera la Banque Centrale des résultats. 2. La Banque Centrale établira les listes suivantes dans l'ordre chronologique des dates d'enregistrement des demandes de transfert adressées à la Banque Centrale par les débiteurs: - (a). une liste, intitulée"},{"i":7930,"b":"Wet van 23 April 1948, houdende verklaring van het algemeen nut van de naasting van de aandelen in het maatschappelijk kapitaal van De Nederlandsche Bank N.V. door de Staat en regeling dier naasting Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de aandelen in het maatschappelijk kapitaal van De Nederlandsche Bank N.V. in eigendom te doen overgaan op de Staat der Nederlanden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Wij verklaren, dat het algemeen nut vordert, dat de aandelen in het maatschappelijk kapitaal van De Nederlandsche Bank N.V. worden genaast door de Staat der Nederlanden. 2. De bepalingen van de [Onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842) zijn op deze naasting niet van toepassing. Artikel 2 De aandelen in het maatschappelijk kapitaal van De Nederlandsche Bank N.V. zijn van het tijdstip af, waarop dit artikel in werking treedt, door de Staat genaast en aan deze in volle en vrije eigendom overgegaan. Artikel 3 1. Hem, wiens aandeel ingevolge het bepaalde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002039&artikel=2&z=1948-08-01&g=1948-08-01) is genaast, wordt, met inachtneming van de bepalingen dezer wet, een inschrijving verstrekt in het Grootboek der 2½-procents Nationale Schuld, bedoeld in artikel 1 van de Grootboekwet, ten belope van het tweevoud van het nominale bedrag van dat aandeel. 2. De rente van de in het eerste lid bedoelde inschrijving gaat in op de eerste dag na afloop van het laatste boekjaar van De Nederlandsche Bank N.V., voorafgaande aan het tijdstip van het in werking treden van dit artikel, waarover het dividend betaalbaar is gesteld. 3. Onze Minister van Financiën is gemachtigd, ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid, inschrijvingen te openen in het Grootboek der 2½-procents"},{"i":3515,"b":"Besluit forfaitair bedrag en verruiming compensatieregeling **De Staatssecretaris van Financiën heeft in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het volgende besloten.** **Dit besluit regelt dat de Belastingdienst/Toeslagen op korte termijn een forfaitair bedrag aan compensatie of tegemoetkoming kan uitkeren aan ouders die gedupeerd zijn door problemen rondom de kinderopvangtoeslag. Daarnaast regelt dit besluit dat de doelgroep van de compensatieregeling wordt verruimd.** 1. Inleiding De Belastingdienst/Toeslagen probeert in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag – belegd bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen – zo snel en zorgvuldig mogelijk alle gedupeerde ouders recht te doen door het vaststellen van compensaties, tegemoetkomingen en herzieningen van de kinderopvangtoeslag (hierna: compensatie en tegemoetkoming). Om ouders sneller recht te kunnen doen heeft het Kabinet een aantal aanvullende maatregelen aangekondigd. Een van die maatregelen betreft het uitkeren van een forfaitair bedrag van € 30.000 aan alle gedupeerde ouders die een verzoek voor herstel hebben ingediend. Daarnaast zal de compensatieregeling worden verbreed, zodat het onderscheid in de berekening van de compensatie en tegemoetkoming tussen de compensatieregeling en de hardheidsregeling verdwijnt. Dit besluit bevat twee goedkeuringen waarmee vooruitlopend op wetgeving alvast uitvoering wordt gegeven aan deze maatregelen. 2. Forfaitair bedrag aan compensatie en tegemoetkoming 2.1. Doelgroep Op grond van de regelingen van de [artikelen 49 (hardheidsregeling)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=49), [49b (compensatieregeling)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=49b) en [49c (O/GS-tegemoetkomingsregeling) van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=49c) (Awir), de herzieningsmogelijkheid in het kader van herstel kinderopvangtoeslag, bedoeld in d"},{"i":5234,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 11 maart 2020, nr. WJZ/ 20030806, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het voorjaar van 2020 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3, eerste lid, onderdelen a, c en d, tweede lid, onderdeel a en b, derde lid, onderdeel a, c en d, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [27, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [43a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=43a), [44, eerste lid](https://wetten.o"},{"i":6576,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 15 november 2023, MINBUZA-2023.20128-7, tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 8 januari 2019, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma DHI 2019–2023) en tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Zesde openstelling, wijziging beleidsregels en wijziging aanduiding Subsidieprogramma DHI) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Aanvragen voor subsidie in de zesde openstelling van het Subsidieprogramma DHI1Stcrt. 2019, 1360; gewijzigd bij besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 25 november 2019, Stcrt. 2019, nr. 65567, bij Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 18 januari 2022, MINBUZA-2021.11176-41, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 8 januari 2019, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma DHI 2019–2023) (Vierde openstelling en wijziging beleidsregels Subsidieprogramma DHI 2019–2023) en bij Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 21 no"},{"i":6579,"b":"Besluit van 15 december 2004 tot verlenging van de gemeenschappelijke regelingen die zijn getroffen krachtens de Kaderwet bestuur in verandering Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 december 2004, nr. 2004-0000044861; Gelet op [artikel 1 van de Wet van 9 december 2004 tot extra verlenging van de gemeenschappelijke regelingen die krachtens de Kaderwet bestuur in verandering zijn getroffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017666&artikel=1); Hebben goedgevonden en verstaan: - –. de Regeling Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, - –. de Gemeenschappelijke regeling Bestuur Regio Utrecht, - –. de Regeling stadsgewest Haaglanden 1995, - –. de gemeenschappelijke regeling stadsregio Rotterdam, - –. de Regeling Regio Twente, - –. de Gemeenschappelijke regeling Regionaal orgaan Amsterdam, - –. de gemeenschappelijke regeling Regionaal Openbaar Lichaam Arnhem-Nijmegen, te verlengen tot uiterlijk 1 januari 2007. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6017,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 19 juni 2006, nr. DVL/0803/2006, tot vaststelling van beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op de [artikelen 9.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.1) en [9.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van de [artikelen 9.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.1) en [9.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.2) gelden voor de periode 2007–2010 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. Subsidiekader NCDO 2007–2010 **I. Uitgangspunten** Het draagvlak voor internationale samenwerking en duurzame ontwikkeling in de Nederlandse samenleving is groot. Ruim driekwart van de bevolking steunt de omvang van het overheidsbudget op dit terrein, of wil dit zelfs verhoogd zien. Daarnaast geven burgers zelf fors aan internationale goede doelen en zijn zij actief in particuliere initiatieven, zowel in het buitenland als in meningsvormingsactiviteiten in Nederland zelf. Ondanks deze – door de tijd heen constante – grote maatschappelijke steun voor internationale samenwerking, treden er veranderingen op in het draagvlak. Zo staat internationale samenwerking laag op het prioriteitenlijstje van de burger (in vergelijking met andere beleidsthema’s als werk, zorg, veiligheid) en is er groeiende scepsis over de effectiviteit van internationale samenwerking. Mede"},{"i":7942,"b":"Wet van 14 november 1991, houdende aanpassing van de Wet op het consumentenkrediet aan de Boeken 3, 5 en 6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek alsmede enige correctie in de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815) aan te passen aan de [Boeken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288) en [6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289) alsmede enige correcties aan te brengen in het zesde en zevende gedeelte Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IIA Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IIB Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IVA Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IVB Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IVC Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V 1. De [artikelen 68**a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=68a) tot en met [75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=75) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=79) tot en met [81 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=81) gelden mede voor de wijzigingen die bij deze wet worden aangebracht in de [Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815). 2. De [artikelen 40](https://wet"},{"i":4213,"b":"Besluit vaststelling subsidieplafonds 2019 Koninklijke Bibliotheek Het Algemeen Bestuurscollege van de Koninklijke Bibliotheek, Koninklijke Bibliotheek BESLUIT Voor het jaar 2019 de volgende subsidieplafonds ter zake van de [Tijdelijke regels subsidieverstrekking Aangepast Lezen 2019–2022](onbekend) vast te stellen: a. Subsidieplafond ‘Bijdrage vrijwilligers’ Het subsidieplafond voor de in [artikel 8, eerste lid](onbekend), vermelde activiteit ‘bijdrage vrijwilligers’ bedraagt € 96.000. Het beschikbare budget wordt naar evenredigheid verdeeld. b. Subsidieplafond ‘Projectsubsidies met een indieningsdatum’ Het subsidieplafond voor de in [artikel 9, tweede lid, onder a](onbekend), vermelde projectsubsidies met een indieningsdatum bedraagt € 250.000. Het tijdvak waarin deze subsidies kunnen worden aangevraagd is de maand mei van ieder jaar. Voor deze projectsubsidies geldt als verdeelsleutel dat indien de aanvragen, waarop niet afwijzend is beslist, het subsidieplafond overschrijden, het Algemeen Bestuurscollege deze aanvragen rangschikt en de subsidie verleent op volgorde van de rangschikking. Het Algemeen Bestuurscollege beoordeelt en rangschikt de aanvragen op basis van de criteria ‘kwaliteit’ en ‘de mate waarin de activiteit bijdraagt aan het realiseren van de in [artikel 4](onbekend) genoemde doelstellingen’. Naarmate een aanvraag beter aan deze criteria voldoet, wordt deze hoger gerangschikt. De rangschikkingscriteria wegen beide even zwaar. Binnen het criterium ‘de mate waarin de activiteit bijdraagt aan het realiseren van de in [artikel 4](onbekend) genoemde doelstellingen’ weegt iedere doelstelling even zwaar. c. Subsidieplafond ‘Projectsubsidies zonder indieningsdatum vooral gericht op verankering van Aangepast Lezen in de openbare (lokale) bibliotheek of de landelijke digitale openbare bibliotheek’ Het subsidieplafond voor de in [artikel 9, tweede lid, onder b](onbekend), vermelde projectsubsidies zonder indieningsdatum vooral gericht op verankering van Aange"},{"i":3168,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 3 maart 2015 nr. BOACAT2015/008, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Schouwen-Duiveland Gelezen het verzoek van het Hoofd Handhaving van de afdeling Openbare Werken, Cluster Handhaving van de gemeente Schouwen-Duiveland van 19 februari 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Zeeland – West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036402&artikel=2&z=2018-04-20&g=2018-04-20). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder Openbare Ruimte, waaronder de [Drank- en Horecawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458), werkzaam voor de afdeling Openbare Werken, Handhaving van de gemeente Schouwen-Duiveland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, van [bijlage A-I van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029447&bijlage=A-I). 2. De opspo"},{"i":3755,"b":"Besluit mandaat, volmacht en machtiging secretaris-generaal Algemene Zaken Besluit: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Aan de minister blijft voorbehouden de bevoegdheid tot het nemen van besluiten en het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, neergelegd in een document, gericht tot: - a. de Koningin; - b. de Raad van Ministers (van het Koninkrijk) of een daaruit gevormde onderraad of een commissie; - c. een minister of een staatssecretaris; - d. een autoriteit in binnen- of buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of een staatssecretaris; - e. de Voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de Voorzitter van een uit en van die Kamers gevormde commissie; - f. de Raad van State (van het Koninkrijk); - g. het Presidium van de Algemene Rekenkamer of - h. de Nationale ombudsman. 2. Aan de minister blijft eveneens voorbehouden de bevoegdheid tot het nemen van een besluit inzake een bezwaar tegen een besluit dat door de minister dan wel door de secretaris-generaal is genomen. 3. Aan de minister blijft evenzo voorbehouden de bevoegdheid tot het verrichten van een andere handeling dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling ten opzichte van een van de in het eerste lid genoemden. 4. Het derde lid geldt niet ten aanzien van handelingen met een louter informatief karakter ten opzichte van een van de in het eerste lid, onder f tot en met h genoemden. Artikel 3 1. Onverminderd [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009405&artikel=2&z=1998-03-21&g=1998-03-21), wordt aan de secretaris-generaal mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die naar aard of inhoud niet een zodanig gewicht hebben dat zij door de minister behoren te worden afgedaan. 2. Het mandaat omvat mede de bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels. Artikel 4 1. De secretaris-generaal wordt toegestaan van het aan hem verleende mandaat ondermandaat te verlenen aan: - a."},{"i":3350,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 februari 2017 nr. BOACAT2017/012, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Handhaving & Toezicht van de gemeente Amsterdam Gelezen het verzoek van de directeur Handhaving & Toezicht van de gemeente Amsterdam van 13 februari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039255&artikel=2&z=2017-05-12&g=2017-05-12). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Veiligheidsteam Openbaar Vervoer in dienst van de gemeente Amsterdam, Handhaving & Toezicht, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, als genoemd in [onderdeel 9.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in he"},{"i":7963,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 december 2023, nr. 5111654, houdende een specifieke uitkering voor regionale openbare lichamen, provincies of gemeenten in verband met de bekostiging van acute opvang aan ontheemden uit Oekraïne vanwege de oorlogssituatie in Oekraïne (Bekostigingsregeling eerste opvang ontheemden Oekraïne door Regionale openbare lichamen) De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **eerste opvang:** een voorziening waar ontheemden uit Oekraïne zich melden om van daaruit te worden geplaatst in een gemeentelijke opvangvoorziening als bedoeld in [artikel 1, onder b, van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046503&artikel=1); - b. **gemeentelijke gezondheidsdienst:** de gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in [artikel 14, tweede lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=14); - c. **geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio:** de geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio als bedoeld in [artikel 32 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=32); - d. **ontheemde:** de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet als bedoeld in [artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1), omdat hij onder de reikwijdte valt van het Uitvoeringsbesluit van 4 maart 2022 van de [richtlijn 2001/55/EG](32001L0055) of een verlenging daarvan; - e. **regionaal openbaar lichaam:** een openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8), die namens de deelnemende gemeenten de taken ten behoeve van de coördinatie van de"},{"i":6636,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 20 november 2020, kenmerk 1781977-214221-LZ, houdende wijziging van de Subsidieregeling ADL-assistentie en de Tijdelijke subsidieregeling extramurale behandeling Gelet op [artikel 11.1.5, eerste en tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.1.5) en [7.1.1, vierde lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=7.1.1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling ADL-assistentie. Artikel II Wijzigt de Tijdelijke subsidieregeling extramurale behandeling. Artikel III [Artikel 1.3, eerste en tweede lid, van de Subsidieregeling ADL-assistentie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035951&artikel=1.3) zoals dat luidde voor inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044403&artikel=I&z=2020-12-01&g=2020-12-01), blijft van toepassing op de aanvrager van de subsidie als bedoeld in artikel 1.3 derde en vierde lid van de Subsidieregeling ADL-assistentie. Artikel IV Op aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend, op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn vastgesteld blijft het recht van toepassing zoals dat luidde onmiddellijk vóór dat tijdstip. Artikel V Deze regeling treedt in werking de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3656,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 9 maart 2024, nr. WJZ/ 38214153, tot vaststelling van het besluit mandaat algemeen directeur CJIB ten behoeve van RDI Artikel 1 Aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het uitvaardigen van dwangbevelen en de daaruit voortvloeiende uitvoering van executiegeschillen, en voor het treffen van betalingsregelingen die voortvloeien uit bestuurlijke sancties die in mandaat door de Inspecteur-generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur of onder deze ressorterende medewerkers zijn opgelegd. Artikel 2 1. De algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau kan voor de aan hem op grond van dit besluit toekomende bevoegdheden ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan onder hem ressorterende medewerkers van het Centraal Justitieel Incassobureau. 2. Het verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk en wat de formulering betreft in overeenstemming met de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 3 Aan de Inspecteur Generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur wordt mandaat verleend om per geval of in het algemeen instructies te geven ter zake van de uitoefening van de bij of krachtens dit besluit aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau toekomende bevoegdheden. Artikel 4 De uit dit besluit voor de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op zijn plaatsvervanger. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 6 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat algemeen directeur CJIB ten behoeve van RDI. Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000553"},{"i":3498,"b":"Besluit van 14 december 2018, houdende bepalingen voor een experiment met beroepsopleidingen en kwalificaties met een regionale specialisatie in het middelbaar beroepsonderwijs (Besluit experiment geregionaliseerde beroepsopleidingen en kwalificaties mbo) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 juni 2018, nr. WJZ/1376337(8771), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 11a.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=11a.1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 september 2018, nr. W05.18.0172/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 december 2018, nr. WJZ/1395628 (8771), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **bekostigde instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1), die uit ’s Rijks kas wordt bekostigd; - **bestaand keuzedeel:** keuzedeel als bedoeld in [artikel 7.1.3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.1.3) dat is vastgesteld op grond van [artikel 7.2.4, tweede lid, onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4); - **bestaande kwalificatie:** kwalificatie als bedoeld in [artikel 7.1.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.1.3) die is vastgesteld op grond van [artikel 7.2.4, tweede lid, onder a tot en met c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4); - **bijlage:** bijlage bedoeld in [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041819&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2023-01-01&g=2023-01-01), van dit Besluit, bestaande uit een overzicht van kwalificaties waarop een geregionaliseerde kwalificatie kan word"},{"i":4833,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 19 november 2004, nr. 5329852/05/DJJ, houdende verlening van mandaat aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers tot het nemen van besluiten inzake beëindiging van het verstrekken van leefgelden aan ex-ama’s alsmede verlening van procesbevoegdheid terzake (Mandaatbesluit COA) Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), en [10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1 1. Aan het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) wordt mandaat verleend van de bevoegdheid om besluiten te nemen ter uitvoering van de beleidsregels van de Minister van Justitie tot beëindiging van verstrekking van leefgelden aan ex-ama’s (beleidsregels van de Minister van Justitie van 19 november 2004, nr. 5318904/04/DJJ). 2. Aan het bestuur van het COA wordt toegestaan ondermandaat te verlenen van de in het eerste lid gemandateerde bevoegdheid. Artikel 2 1. Aan het bestuur van het COA wordt machtiging verleend om de Minister van Justitie in rechte te vertegenwoordigen met betrekking tot de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017547&artikel=1&z=2005-01-16&g=2005-01-16) bedoelde besluiten. 2. Aan het bestuur van het COA wordt toegestaan de in het eerste lid bedoelde machtiging door te geven aan functionarissen werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het COA. Artikel 3 Het bestuur van het COA verschaft de Minister van Justitie eenmaal per twaalf weken inlichtingen over de uitoefening van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017547&artikel=1&z=2005-01-16&g=2005-01-16) en [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017547&artikel=2&z=2005-01-16&g=2005-01-16) bedoelde bevoegdheden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit is geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt"},{"i":3032,"b":"Besluit van 31 maart 2026, nr. 2026-0000006786, houdende aanwijzing als verboden plaats Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 maart 2026, nr. 2026-0000116833; Gelet op de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I) en [IV van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=IV); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als verboden plaats ingevolge [artikel I van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I) worden aangewezen de door de AIVD in gebruik zijnde ruimtes in het gebouw gelegen in de gemeente Den Haag, Turfmarkt 147. Artikel 2 De krachtens [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052479&artikel=1&z=2026-04-01&g=2026-04-01) aangewezen verboden plaatsen worden als zodanig aangegeven op de deuren toegang gevende tot de in artikel 1 bedoelde ruimten, vermeldende: ‘Verboden toegang voor onbevoegden – Verboden plaats ingevolge de [Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074)’. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2026. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":3679,"b":"Besluit mandaat en machtiging havenmeester Rotterdam Gelet op [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=5), en [artikel 7, vijfde lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=7); Besluit: Artikel 1 1. Aan de havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V., wordt mandaat en machtiging verleend om voor zover het scheepvaartwegen betreft in beheer bij het Rijk, benedenstrooms kilometerraai 991.7 van de Nieuwe Maas of benedenstrooms kilometerraai 998 van de Oude Maas: - a. beslissingen te nemen met betrekking tot en zorg te dragen voor het aanbrengen of verwijderen van een verkeersteken als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=5), - b. vrijstelling of ontheffing te verlenen als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=7) van een gebod of verbod, aangegeven met een verkeersteken als bedoeld onder a, en - c. besluiten te nemen met betrekking tot bekendmakingen als bedoeld in [artikel 8 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=8). 2. Aan de havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V., wordt voorts mandaat verleend tot het op verzoek van de kapitein van een schip verlenen van ontheffing als bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=35) van de bij of krachtens [artikel 12c, tweede lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=12c) gestelde regels, en tot het maken van aantekening daarvan in het ladingjournaal als bedoeld in [artikel 36, achtste lid, van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=36). Artikel"},{"i":4153,"b":"Besluit van 21 februari 2020, houdende de vaststelling van de betalingstermijn op grond van artikel 34, derde lid, van de Wet op de Kamer van Koophandel Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 15 januari 2020, nr. WJZ / 19315464; Gelet op [artikel 34, derde lid, van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=34); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 januari 2020, nr. W18.20.0006/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 19 februari 2020, nr. WJZ / 20030781; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De betalingstermijn, bedoeld in [artikel 34, derde lid, van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=34), wordt vastgesteld op vier weken. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2625,"b":"Beleidsregels Protocollaire Basisadministratie De Minister van Buitenlandse Zaken; Overwegende dat het wenselijk is ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer regels te stellen omtrent het beheer en het gebruik van de geautomatiseerde basisadministratie met persoonsgegevens over geprivilegieerden; Gelet op het Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer 1961; Gelet op het Verdrag van Wenen inzake Consulaire Betrekkingen 1963; Gelet op het Verdrag nopens de Voorrechten en Immuniteiten van de Verenigde Naties 1946; Gelet op het Verdrag nopens de Voorrechten en Immuniteiten van Gespecialiseerde Organisaties 1947; Gelet op de zetelovereenkomsten met in Nederland gevestigde internationale organisaties; Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Gelet op de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Minister: de Minister van Buitenlandse Zaken; - b. PROBAS: de geautomatiseerde basisadministratie met persoonsgegevens over geprivilegieerden; - c. geprivilegieerden: leden van diplomatieke zendingen en van consulaire posten, de leden van het administratieve en technische personeel van diplomatieke zendingen en van consulaire posten, de inwonende gezinsleden van de hiervoor bedoelde personen en andere personen die krachtens internationaal recht een bijzondere verblijfsrechtelijke status hebben, niet zijnde Nederlanders, en Nederlanders dan wel personen die op grond van de Vreemdelingenwet in Nederland verblijf hebben en werkzaam zijn bij internationale organisaties of diplomatieke vertegenwoordigingen; - d. DPG: de Directie Protocol en Gastlandzaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken; - e. afnemer: een bestuursorgaan; - f. derde: elke andere persoon of instelling dan een afnemer en de geprivilegieerde. Artikel 2. PROBAS 1. De Minister is ten aanzien van PROBAS de"},{"i":7975,"b":"Beleidsregel experiment deelname ggz aan verkennend gesprek Grondslag Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel b, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Onder verwijzing naar [artikel 58 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58), is in de voorliggende beleidsregel een experiment opgenomen. De daartoe vereiste aanwijzing van 19 juni 2024 met kenmerk 3845202-1066569-PZO, bedoeld in [artikel 59, aanhef en onder f, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), is door de Minister van VWS met brief van 19 juni 2024, met kenmerk 3843651-1066569-PZO, aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - •. **geneeskundige ggz:** geneeskundige ggz als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - •. **ggz:** geestelijke gezondheidszorg; - •. **ggz professional:** beroepen zoals bedoeld in de Veldnorm beroepen in de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg; - •. **mentale gezondheidsnetwerk:** samenwerkingsverband in een regio tussen sociaal domein, huisartsen en ggz dat actief is voor, tijdens en na zorg- en ondersteuningstrajecten; - •. **verkennend gesprek:** de uitgangspunten van het verkennend gesprek zijn vastgelegd in de ‘Werkwijze ontwikkeling Mentale gezondheidsnetwerken Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is zorgaanbieders en zorgverzekeraars in een mentale gezondheidsnetwerk de mogelijkheid te bieden een experiment aan te gaan met de bekostiging van het verkennend gesprek waarbij kan worden afgeweken van de reguliere bekostiging van geneeskundige ggz. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassin"},{"i":8013,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 24 augustus 2015, JZ/A-015-00026.001,tot mandaat en machtiging afgifte medische verklaringen voor de luchtvaart 2015 Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), en [10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [artikel 15 van de Regeling geneeskundige instanties, geneeskundigen en medische verklaringen voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010686&artikel=15) en artikel MED.A.040, onderdeel f, van Verordening(EU) nr. 1178/2011 van de Europese Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig [Verordening (EG) nr. 216/2008](32008R0216) van het Europees parlement en de Raad (PbEU L 311); Gezien de gebruikers- en dienstverleningsovereenkomsten met de geautoriseerde geneeskundigen en de geautoriseerde geneeskundige instanties, die zijn genoemd in de bijlage onder A en B bij dit besluit, alsmede gezien de deelovereenkomst tussen de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Defensie inzake de uitvoering van de functie van luchtvaartgeneeskundige binnen de aeromedical section van 23 januari 2008 en de dienstverleningsovereenkomsten met de overige luchtvaartgeneeskundigen die als medisch beoordelaar voor de bewindspersoon werkzaam zijn; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **bewindspersoon:** Minister van Infrastructuur en Milieu, indien de in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036989&artikel=3&z=2015-09-05&g=2015-09-05), bedoelde bevoegdheden op diens terrein liggen, of Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, indien die bevoegdheden op het terrein van de laatstgenoemde liggen; - **medisch certificaat:** certificaat als bedoeld in Bijlage IV (Part Med), van de verordening; - **medische ver"},{"i":8018,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juni 2022, kenmerk 3379982-1030684-OBP, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmachten aan de programmadirecteur en diens plaatsvervanger van het programma Covid-19 Volksgezondheid Gelet op de [artikelen 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a), [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17) en [artikel 10 van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Voor de duur van het programma Covid-19 Volksgezondheid heeft een programmadirecteur de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma en met inachtneming van de kaders zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923), de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710) en de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768). Artikel 2 Voor de duur van het programma Covid-19 Volksgezondheid kan diens programmadirecteur een van de leden van het managementteam als plaatsvervanger aanwijzen die bij diens verhindering of afwezigheid de besluiten kan nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen kan verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma en met inachtneming van de kaders zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923), de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710) en de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met"},{"i":8019,"b":"Besluit van de Directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, van 23 februari 2015, nr. 071/2015 DG AvdZ/WvdW, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging ter uitvoering van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 en de Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Besluit en Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013) Gelet op [artikel 6 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Besluit en Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036366&artikel=6); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Besluit en Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 in werking treedt Artikel 1 De directeur Milieu & Veiligheid, het hoofd van het Centrum Veiligheid Stoffen en Producten, het plaatsvervangend hoofd van het Centrum Veiligheid Stoffen en Producten en het hoofd van de afdeling Gentechnologie en Biologische Veiligheid (die ook wel de roepnaam hoofd Bureau GGO gebruikt) van het Centrum Veiligheid Stoffen en Producten, wordt de bevoegdheden als bedoeld in de [artikelen 2 tot en met 6 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Besluit en Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036366&artikel=2) in ondermandaat, volmacht en machtiging verleend. Artikel 2 Indien uitvoering wordt gegeven aan artikel 1, luidt de ondertekening: DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT voor deze: gevolgd door functieaanduiding, de handtekening en de naam van de betrokken functionaris aan wie ondermandaat, volmacht of machtiging is verleend. Artikel 3 Het B"},{"i":8055,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Kansspelen 1945–2000 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 april 2007 nr. arc-2007.03707/10); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Kansspelen over de periode 1945–2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022240)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022240) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8074,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Volksgezondheidssubsidies vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 24 augustus 2006, nr. arc-2006.03077/9); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op het beleidsterrein Volksgezondheidssubsidies over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument volksgezondheidssubsidies 1945– Selectielijst voor de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert Lijst van afkortingen AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur AWBZ: [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) BSD: Basis Selectie Document PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek Stb.: Staatsblad Stcrt.: Staatscourant SZ: Ministerie van Sociale Zaken SZV: Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid TNO: Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek Trb.: Tractatenblad VTO: Vroegtijdige onderkenning van ontwikkelingsstoornissen VWS: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport WVC: Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur ZON: ZorgOnderzoek Nederland Verantwoording **Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven** Ingevolge [artikel 3 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=3) (**Stb**. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ worden niet slechts papieren do"},{"i":8089,"b":"Circulaire wijziging meldingsprocedure Wet ziekenhuisvoorzieningen Aan de besturen van alle inrichtingen voor gezondheidszorg, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=1) (excl. Academische Ziekenhuizen, Verzorgingshuizen, Gezinsvervangende tehuizen en Dagverblijven) De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. 1. Inleiding De meldingsregeling [Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753) is op 1 januari 1996 voor het laatst gewijzigd. Over deze wijziging en de praktische toepassing van de regeling informeerde ik u met mijn brieven van 19 december 1995, kenmerk FPB/EP/95793, van 26 augustus 1996, kenmerk FBZ/PBIZ 96380 en van 25 november 1997, kenmerk FBZ/PBIZ 97633. De werking van de meldingsregeling is, op mijn verzoek, door het College bouw ziekenhuisvoorzieningen (College bouw) geëvalueerd. In deze evaluatie concludeert het College bouw dat de regeling, na een gewenningsperiode, in de praktijk goed werkt. Het College bouw ziet echter nog mogelijkheden om de werking van de regeling te verbeteren en heeft daartoe enkele aanbevelingen gedaan. Op grond van deze aanbevelingen heb ik besloten de procedure aan te passen. De aanpassingen worden in deze circulaire beschreven. De regeling waarin ik de aanpassingen heb verwerkt is als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012526&bijlage=1&z=2001-01-01&g=2001-01-01) bij deze circulaire gevoegd. 2. Huidige procedure en vereenvoudigde indiening Een instellingsbestuur dat een bouwinitiatief wil uitvoeren, kan met een melding volstaan als het initiatief valt onder de voorwaarden genoemd in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit uitzondering toestemmingsprocedures Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003255&artikel=2) (WZV). Een initiatief moet gemeld worden voordat met de uitvoering wordt gestart. Het College tarieven gezondheidszor"},{"i":8199,"b":"Selectielijst neerslag handelingen Commissie Medische Ethiek LUMC op het beleidsterrein openbare en bijzondere academische ziekenhuizen over de periode 1985–2000 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 augustus 2003, nr. arc-2003.5356/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Commissie Medische Ethiek van het Leids Universitair Medisch Centrum op het beleidsterrein openbare en bijzondere academische ziekenhuizen over de periode 1985–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8222,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Studiefinanciering vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2006 (nr. arc-2006.02763/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Studiefinanciering over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument studiefinanciering 1995–2003 (actualisatie) **Directie Informatisering/afdeling InformatieDiensten** **Hans ’t Hoen** Afkortingen BaMa: Bachelor Masterstructuur Bsd: basisselectiedocument Bve: beroepsonderwijs en volwasseneneducatie hbo: hoger beroeps onderwijs EU: Europese Unie HOOP: Hoger Onderwijs- en Onderzoeksplan IB-Groep: Informatie Beheer Groep IBO: Interdepartementaal beleidsonderzoek ISO: Interstedelijk Studenten Overleg LCW: [Les- en cursusgeld Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188) LSVb: Landelijke Studenten Vakbond OER: onderwijs- en examenreglement OV-jaarkaart: Openbaar Vervoer Jaarkaart voor studenten Stoeb: Student op eigen benen VO 18+: tegemoetkoming studiekosten 18 jaar en ouder VSNU: Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten WHW: [Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) wo: wetenschappelijk onderwijs WSF: [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) WSF2000: [Wet op de Studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) WTOS: [Wet tegemoetkoming onderwij"},{"i":2922,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 5 juli 2022, nr. WJZ/22233414, houdende aanwijzing van de beheerautoriteit en de auditautoriteit voor het Programma EFRO 2021-2027 West-Nederland Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **verordening 2021/1060:** [Verordening (EU) Nr. 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231); - –. **Programma EFRO 2021-2027 West-Nederland:** programma als bedoeld in artikel 21 van [verordening 2021/1060](32960R2021) dat de provincies Flevoland, Zuid- en Noord-Holland en Utrecht beslaat. Artikel 2 1. Het College van burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam wordt aangewezen als beheerautoriteit, bedoeld in artikel 71, eerste lid, van [verordening 2021/1060](32960R2021) voor het Programma EFRO 2021-2027 West-Nederland. 2. De directeur van de Auditdienst Rijk, wordt aangewezen als auditautoriteit, bedoeld in artikel 71, eerste lid, van [verordening 2021/1060](32960R2021) voor het Programma EFRO 2021–2027 West-Nederland. Artikel 2a Het monitoringcomité, zoals ingesteld bij besluit van het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam in de hoedanigheid als beheerautoriteit op 6 september 2022 (Gb. 2022, 408495), wordt aangewezen als monitoringcomité als bedoeld in artikel 38 van [verordening (EU) 2021/1060](32960R2021). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Gelet op [artikel 3 van de Uitvoeringswet"},{"i":8318,"b":"Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend, Gezien het bepaalde in het [Europese Verdrag betreffende uitlevering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001010), opengesteld voor ondertekening te Parijs op 13 december 1957 (hierna te noemen „het Verdrag”) en in het bijzonder de artikelen [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001010&artikel=3) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001010&artikel=9) van dit Verdrag; Overwegende dat het wenselijk is deze artikelen aan te vullen, ten einde de bescherming van de mensheid en van individuele personen te verhogen, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I Artikel 1 Voor de toepassing van [artikel 3 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001010&artikel=3), worden niet als politieke delicten beschouwd: - a). misdrijven tegen de menselijkheid bedoeld in het [Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005551), aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 9 december 1948; - b). inbreuken bedoeld in [artikel 50 van het Verdrag van Genève van 1949 voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005565&artikel=50), [artikel 51 van het Verdrag van Genève van 1949 voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005410&artikel=51), [artikel 130 van het Verdrag van Genève van 1949 betreffende de behandeling van krijgsgevangenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005584&artikel=130) en [artikel 147 van het Verdrag van Genève van 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005569&artikel=147); - c). alle soortgelijke niet reeds in de hierboven bedoelde bepalingen van d"},{"i":7213,"b":"Verdrag inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, en tot het Eerste en het Tweede Protocol betreffende de uitlegging ervan door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), Zijn overeengekomen hetgeen volgt: TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 De Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek treden toe tot: - a. het [Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003771), ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, hierna „Verdrag van 1980” te noemen, met de aanpassingen en wijzigingen die daarin zijn aangebracht: - – bij het op 10 april 1984 te Luxemburg ondertekende [Verdrag, hierna „Verdrag van 1984” te noemen, betreffende de toetreding van de Helleense Republiek tot het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002437); - – bij het op 18 mei 1992 te Funchal ondertekende [Verdrag, hierna „Verdrag van 1992” te noemen, betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001073); - – bij het op 29 november 1996 te Brussel ondertekende [Verdrag, hierna „Verdrag van 1996”"},{"i":7222,"b":"Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, gebaseerd in het bijzonder op de eerbiediging van de heerschappij van het recht, alsmede van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Overwegende dat het wenselijk is de bescherming van ieders rechten en fundamentele vrijheden, en in het bijzonder het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, uit te breiden gezien de toeneming van het grensoverschrijdende verkeer van langs geautomatiseerde weg verwerkte persoonsgegevens; Opnieuw bevestigend te zelfder tijd hun stellingname ten gunste van de vrijheid van informatie, zonder hierbij acht te slaan op grenzen; Erkennende dat het noodzakelijk is de fundamentele waarde van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en die van het vrije verkeer van informatie tussen de volkeren met elkaar in overeenstemming te brengen; Zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Onderwerp en doel Dit Verdrag heeft tot doel op het grondgebied van elke Partij aan iedere natuurlijke persoon, ongeacht zijn nationaliteit of verblijfplaats, de eerbiediging van zijn rechten en fundamentele vrijheden te waarborgen en met name zijn recht op persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende persoonsgegevens („gegevensbescherming”). Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder „persoonsgegevens” verstaan: iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („betrokkene”); - b. wordt onder „geautomatiseerd bestand” verstaan: iedere verzameling gegevens die langs geautomatiseerde weg wordt verwerkt; - c. omvat „geautomatiseerde verwerking”: de volgende geheel of gedeeltelijk lang"},{"i":7238,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van Australië inzake de toewijzing van heffingsrechten met betrekking tot bepaalde inkomsten van natuurlijke personen en tot het vaststellen van een procedure voor onderling overleg ter zake van wijzigingen van verrekenprijzen Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van Australië, („de partijen”), Erkennend dat de partijen een verdrag hebben gesloten inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen, en Geleid door de wens een verdrag te sluiten inzake de toewijzing van heffingsrechten met betrekking tot bepaalde inkomsten van natuurlijke personen en tot het vaststellen van een procedure voor onderling overleg ter zake van wijzigingen van verrekenprijzen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide partijen. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn: - a. in Australië, de inkomstenbelasting die wordt geheven uit hoofde van de federale wet van Australië; (hierna te noemen „Australische belasting”). - b. op Aruba, de volgende belastingen: (hierna te noemen „Arubaanse belasting”). - i. de inkomstenbelasting; - ii. de loonbelasting; en - iii. de winstbelasting; 2. Dit Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van dit Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de partijen doen elkaar binnen een redelijke termijn mededeling van alle wezenlijke wijzigingen van de belastingwetten waarop dit Verdrag van toepassing is. 3. Dit Verdrag is niet van toepassing op belastingen die worden geheven door staten, gemeenten, lokale autoriteiten of andere staatkundige onderdelen of bezittingen van een partij. Artikel"},{"i":7235,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake de overbrenging van gevonniste personen Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, Geleid door de wens de vriendschappelijke betrekkingen en de samenwerking tussen beide Staten te bevorderen en met name de justitiële samenwerking te bevorderen; Ernaar strevend vraagstukken met betrekking tot de overbrenging van gevonniste personen in onderlinge overeenstemming te regelen; Ernaar strevend gevonniste personen de mogelijkheid te bieden hun vrijheidsbenemende straf of maatregel in hun land te ondergaan, teneinde hun resocialisatie te bevorderen; Vastbesloten elkaar, overeenkomstig de regels en voorwaarden bepaald in dit Verdrag, wederzijds in zo ruim mogelijke mate samenwerking te verlenen bij de overbrenging van personen die zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel; Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: TITEL I. OVERBRENGING VAN GEVONNISTE EN GEDETINEERDE PERSONEN Hoofdstuk 1. Algemene beginselen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. de uitdrukking „veroordeling\": elke straf of veiligheidsmaatregel door een rechter opgelegd en met zich meebrengende vrijheidsbeneming wegens een strafbaar feit; - b. de uitdrukking „gevonniste persoon\": een persoon die op het grondgebied van een der Staten onherroepelijk is veroordeeld en is gedetineerd; - c. de uitdrukking „de Staat van veroordeling\": de Staat waarin de veroordeling werd uitgesproken tegen de persoon die kan worden of reeds is overgebracht; - d. de uitdrukking „de Staat van tenuitvoerlegging\": de Staat waarnaar de gevonniste persoon kan worden of reeds is overgebracht, teneinde zijn veroordeling te ondergaan. Artikel 2 Elke gevonniste persoon op wie dit Verdrag van toepassing kan zijn, dient door de Staat van veroordeling op de hoogte te worden gebracht van de mogelijkheid die dit Verdrag hem biedt om te worden overgebracht naar zijn land voor de tenuitvoerlegging van"},{"i":7225,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke zaken HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN en DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, De wens koesterende, om de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke zaken te regelen, Zijn overeengekomen, een verdrag te sluiten, en hebben tot Hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: De Heer mr. J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland: De Heren Dr. J. Löns, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te 's-Gravenhage, en Prof. dr. A. Bülow, Directeur-Generaal bij het Bondsministerie van Justitie. De gevolmachtigden zijn, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, het volgende overeengekomen: Het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken vervangt per 1 februari 1973 het onderhavige Verdrag, en wel op grond van artikel 55 van het Verdrag van 1968 en de genoemde inwerkingtreding ervan. Echter, de vervanging geldt slechts met inachtneming van de beperkingen van de artikelen 54, tweede alinea, en 56 van het genoemde Verdrag en slechts voor zover de toepassing van dat Verdrag op grond van zijn artikel 1 reikt. De EG-Verordening 44/2001 vervangt per 1 maart 2002 het onderhavige Verdrag, en wel op grond van artikel 69 van de Verordening en de genoemde inwerkingtreding ervan. Echter, de vervanging geldt slechts met inachtneming van de beperkingen van de artikelen 66, tweede lid, en 70 van de Verordening en slechts voor zover de toepassing van de Verordening op grond van haar artikel 1 reikt. De EG-Verordening 1346/2000 vervangt per 31 mei 2002 het onderhavige Verdrag, en wel op grond van artikel 4"},{"i":7217,"b":"Verdrag inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens de voltrekking van huwelijken en de erkenning van de geldigheid van huwelijken te vergemakkelijken, hebben besloten hiertoe een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. DE VOLTREKKING VAN HET HUWELIJK Artikel 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de vereisten die in een Verdragsluitende Staat voor de voltrekking van het huwelijk worden gesteld. Artikel 2 De vorm van de huwelijksvoltrekking wordt beheerst door het recht van de Staat waar het huwelijk wordt voltrokken. Artikel 3 Het huwelijk wordt voltrokken: - 1. wanneer de aanstaande echtgenoten voldoen aan de materiële vereisten, gesteld in het interne recht van de Staat waar het huwelijk wordt voltrokken, en een van hen de nationaliteit van die Staat bezit of er zijn gewone verblijfplaats heeft; of - 2. wanneer elk der aanstaande echtgenoten voldoet aan de materiële vereisten, gesteld in het interne recht dat toepasselijk is ingevolge de verwijzingsregels van de Staat waar het huwelijk wordt voltrokken. Artikel 4 De Staat waar het huwelijk wordt voltrokken kan van de aanstaande echtgenoten elk dienstig bewijs verlangen van de inhoud van een vreemd recht dat ingevolge de voorgaande artikelen van toepassing is. Artikel 5 Het recht dat door dit hoofdstuk als toepasselijk is aangewezen, wordt slechts dan niet toegepast indien zulks kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van de Staat waar het huwelijk wordt voltrokken. Artikel 6 Een Verdragsluitende Staat kan, in afwijking van artikel 3, onder 1, zich het recht voorbehouden ten aanzien van de echtgenoot die niet de nationaliteit van die Staat bezit en er geen gewoon verblijf houdt, zijn interne recht niet toe te passen op de materiële huwelijksvereisten. HOOFDSTUK II. DE ERKENNING VAN DE GELDIGHEID VAN HET HUWELIJK Artikel 7 Dit hoofdstuk is van toepassing op de erkenning in een Verdragsluitend"},{"i":2740,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2004 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 58 derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en gelet op artikel 31 onderdeel l, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel 1 van die regeling, stelt op 16 januari 2004, doch niet later dan 15 februari 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,717 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2004 en eindigende met 15 februari 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":7237,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de wederkerige erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en van Haar andere Rijken en Gebieden, Hoofd van de Commonwealth (hierna te noemen: „Hare Britse Majesteit”); De wens koesterende om op grondslag van wederkerigheid een regeling te treffen voor de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken, Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en hebben tot hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie de Heer H. J. de Koster, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken; Hare Britse Majesteit: Voor het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland: Zijne Excellentie Sir Isham Peter Garran, K. C. M. G., Harer Britse Majesteits Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te 's-Gravenhage en De Right Honourable Lord Gardiner, Lord High Chancellor van Groot-Brittannië; Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, zijn overeengekomen als volgt: Het onderhavige Verdrag is in de verhouding Nederland-Verenigd Koninkrijk vanaf 1 januari 1987 vervangen door het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 54, tweede lid, en artikel 56 van het Verdrag van 1968. Het onderhavige Verdrag blijft echter volledig van kracht in de verhouding Nederland, enerzijds, en het Baljuwschap Guernsey, het Baljuwschap Jersey, het eiland Man en Hong Kong, anderzijds; het blijft eveneens van kracht tussen de Nederlandse Antillen, Aruba en het Verenigd Koninkrijk (Trb. 1987/56). Algemene bepalingen Artikel I Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „gebied”:"},{"i":6556,"b":"Besluit van 25 februari 2000, houdende wijziging van de Regeling ziektekostenvoorziening defensiepersoneel Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 24 augustus 1999, nr. P/99005157; Gelet op de [artikelen 125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [134 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=134) alsmede [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 10 december 1999, nr. WO.99.0475/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 21 februari 2000, nr. P/2000000207; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikelen I, III en IV werken terug tot en met 1 januari 2000. Artikel II werkt terug tot en met 1 januari 1999. Artikel I Wijzigt Regeling ziektekostenvoorziening defensiepersoneel. Artikel II Betrokkenen die zich vrijwillig hebben ingeschreven voor een verzekering ingevolge [artikel 90a van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=90a) kunnen tot 1 januari 2001 de te hunnen laste blijvende ziektekosten met betrekking tot een aaneengesloten tijdvak dat korter is dan twaalf maanden en eindigt op de dag vóór de datum van inschrijving, binnen een periode van zes maanden, voor het verlenen van een tegemoetkoming in aanmerking brengen. Artikel III Voor betrokkenen die behoren tot het gewezen militair personeel bedoeld in [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011182&artikel=I&z=2000-03-31&g=2000-03-31), en die zijn geboren in 1935, 1936 of 1937, blijft de tekst van [artikel 9 van de Regeling ziektekostenvoorziening defensiepersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008817&artikel=9) van toepassing zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit be"},{"i":5254,"b":"Regeling betreffende de aanwijzing van rechtspersonen, bevoegd tot het verrichten van onderzoeken als bedoeld in artikel 8 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Regeling aanwijzing klassenbureaus Wet voorkoming verontreiniging door schepen) Gelet op [richtlijn 94/57/EG](31994L0057) van de Raad van de Europese Unie van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PbEG L319) en op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=8); Besluit: Artikel 1 Het register, bedoeld in [artikel 5 van de Vaartuigenwet 1930 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028292&artikel=5) bevat ten minste de volgende gegevens: - a. type, naam, bouwplaats en afmeting van het vaartuig; - b. naam en contactgegevens eigenaar; - c. datum van registratie; - d. gegevens met betrekking tot het casco; - e. type, merk en vermogen van de motor; - f. ligplaats; - g. letter en nummer, bedoeld in [artikel 2 van de Vaartuigenwet 1930 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028292&artikel=2); - h. gegevens met betrekking tot de vergunning, bedoeld in [artikel 6 van de Vaartuigenwet 1930 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028292&artikel=6). Artikel 2 Op de aanwijzing van rechtspersonen bedoeld in [artikel 8, derde lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=8), zijn de [artikelen 2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014652&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014652&artikel=4) en [5 van de Regeling erkende organisaties Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014652&artikel=5) van toepassing. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscouran"},{"i":6518,"b":"Besluit van 28 november 2014 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingsbesluit financiële markten 2015) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 15 juli 2014, FM/2014/1143 M, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op de [artikelen 1:50a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:50a), [1:81, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [3:17, tweede lid, aanhef en onderdelen c en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:28a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:28a), [3:29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:29), [3:33a, eerste lid, onderdeel b, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:33a), [3:33b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:33b), [3:57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:72, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:72), [3:73b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:73b), [3:116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:116), [3:263, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:263), [3:267, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:267), [4:9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9), [4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel c, onder 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), [4:15, tweede lid, aanhef en onderdeel b onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:15), [4:20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:20), [4:22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl"},{"i":6632,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 20 april 2015, nr. IENM/BSK-2015/77857 tot wijziging van de Regeling vakbekwaamheid bestuurders 2012 ter voldoening aan richtlijn 2003/59/EG (vakbekwaamheid bestuurders) Gelet op [artikel 151h, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=151h); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling vakbekwaamheid bestuurders 2012. Artikel II [Artikel 23b van de Regeling vakbekwaamheid bestuurders 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031458&artikel=23b) zoals het luidde op 31 mei 2015 blijft van toepassing op de bestuurder, bedoeld in dat artikel, die voor 1 maart 2015 een geneeskundig verslag als bedoeld in [artikel 100, derde lid, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=100) bij het CBR heeft overgelegd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7088,"b":"Overgangsregeling II huurgewenningsbijdrage domeinwoningen Besluit: Artikel I De Regeling huurgewenningsbijdrage, zoals zij laatstelijk luidde voor 1 juli 1988 (Stcrt. 1987, 75) wordt, bij toepassing van de [Overgangsregeling huurgewenningsbijdrage domeinwoningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004464) (Stcrt. 1988, 253) gelezen als volgt: Artikel 1, eerste lid, wordt gelezen als volgt: - 1. In plaats van de omschrijving van begripsbepaling ‘c. huurprijs’ wordt gelezen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onderdeel c, van de Wet individuele huursubsidie (Stb. 1990, 394). - 2. In plaats van de omschrijving van begripsbepaling ‘d. inkomen’ wordt gelezen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, en achtste lid, van de Wet individuele huursubsidie. - 3. In plaats van de omschrijving van de begripsbepaling ‘e, duurzaam samenwonen’ wordt gelezen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 5, eerste lid, van de Wet individuele huursubsidie. In artikel 3, derde lid, wordt - 1. in plaats van [artikel 59 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=59) gelezen: [artikel 70 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=70) (Stb. 1991, 439); - 2. tussen ‘op voet van’ en ‘de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987’ gelezen: de Regeling woninggebonden subsidies niet-budgetbeherende gemeenten (Stcrt. 1991, 197), de geheel of ten dele ter uitvoering van het Besluit woninggebonden subsidies (Stb. 1991, 440) strekkende gemeentelijke subsidieverordening.. Artikel 5, derde lid, wordt gelezen: **3.** Voor de vaststelling van de hoogte van de bijdrage wordt van de hogere huurprijs ten hoogste in aanmerking genomen: - a. indien de huurder op de dag, met ingang waarvan hij de hogere huur voor het eerst verschuldigd is, de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, het hoogste huurbedrag in de huursubsidietabel die ten aanzien van hem van toepassin"},{"i":7193,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst handelingen beleidsterrein Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen over de periode 1964–2000, OCW en Financiën Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 2 oktober 2003, nr. arc-2003.5955/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen over de periode 1964–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De categorieën 1, 2, 3, 4, 5 en 7 van de ‘lijst van te vernietigen en te bewaren archiefbescheiden van het onder het Ministerie van Financiën ressorterende Bureau Schade-afwikkeling’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Financiën en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, nr. CD/A91.709 d.d. 24 juni 1991 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 155 d.d. 13-8-1991)) worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":7220,"b":"Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst Preambule De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), Geleid door de wens om op het gebied van het internationaal privaatrecht verder te gaan met de in de Gemeenschap reeds begonnen eenmaking van het recht, met name ter zake van de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen, Verlangende eenvormige regels op te stellen voor het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: TITEL I. TOEPASSINGSGEBIED Artikel 1. Toepassingsgebied 1. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen. 2. Zij zijn niet van toepassing op - a). De staat en bevoegdheid van natuurlijke personen, behoudens artikel 11; - b). verbintenissen uit overeenkomst betreffende: - -. testamenten en erfenissen; - -. huwelijksgoederenrecht; - -. rechten en verplichtingen wit familierechtelijke betrekkingen tussen ouders en kinderen, uit bloedverwantschap, huwelijk en aanverwantschap, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen jegens onwettige kinderen; - c). verbintenissen uit wissels, cheques, orderbriefjes, alsmede andere verhandelbare waardepapieren, voor zover de verbintenissen uit deze andere papieren het gevolg zijn van hun verhandelbaarheid; - d). overeenkomsten tot arbitrage en tot aanwijzing van een bevoegde rechter; - e). kwesties behorende tot het recht inzake vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen, zoals de oprichting, de rechts- en handelingsbevoegdheid, het inwendig bestel en de ontbinding van vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen, alsmede de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten en de organen voor de schulden van de vennootschap, de vereniging of de rechtsperso"},{"i":6634,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 oktober 2006, nr. DMO/PO-U-2719873, houdende wijziging van de Regeling verantwoording kosten Wvg-woonvoorzieningen Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011196&artikel=4) en [6 van het Besluit rijksvergoeding Wvg-woonvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011196&artikel=6); Besluit: Artikel I A. Wijzigt de Regeling verantwoording kosten Wvg-woonvoorzieningen. B. Voor het jaar 2006 worden vastgesteld de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011273&artikel=1) bedoelde: - 1. bijlage Aanvraag voorschot Besluit rijksvergoeding Wvg-woonvoorzieningen 2006 ten behoeve van het model van de aanvraag van een voorschot op de rijksvergoeding voor woonvoorzieningen; - 2. bijlage Kostenopgave Besluit rijksvergoeding Wvg-woonvoorzieningen 2006 ten behoeve van het model van de kostenopgave. C. Voor het jaar 2006 worden vastgesteld de in [artikel 1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011273&artikel=1a) bedoelde: - 1. bijlage Accountantsverklaring Besluit rijksvergoeding Wvg-woonvoorzieningen ten behoeve van het model van de accountantsverklaring; - 2. bijlage Controle- en rapportageprotocol 2006 ten behoeve van het model van het controle- en rapportageprotocol. Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage 1 Niet opgenomen. Bijlage 2 Niet opgenomen. Bijlage 3 Niet opgenomen. Bijlage I Niet opgenomen. Deze regeling zal met toelichting en bijbehorende bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6111,"b":"Besluit van 21 maart 1996, houdende verlening van enige vrijstellingen van de verboden van de Winkeltijdenwet Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 18 januari 1996, nr. 96003321 WJA/W; Gelet op de [artikelen 5 en 8 van de Winkeltijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007952&artikel=5); De Raad van State gehoord (advies van 19 februari 1996, nr. W10.96.0019); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 20 maart 1996, nr. 96018847 WJA/W; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: wet: de [Winkeltijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007952); feestdagen: Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag en eerste en tweede Kerstdag; automaat: een toestel, waaruit goederen, hetzij door inwerping van geldstukken, hetzij door betaling op andere wijze, kunnen worden betrokken, zonder dat daartoe onmiddellijke medewerking van andere personen dan degene, die de goederen betrekt, vereist is. Artikel 2. (apotheken) De in artikel 2, eerste lid, van de wet vervatte verboden gelden niet ten aanzien van apotheken. Artikel 3. (ziekenhuizen en verpleeghuizen) 1. De in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007952&artikel=2) vervatte verboden gelden niet ten aanzien van winkels in of op het terrein van ziekenhuizen en verpleeghuizen, waar uitsluitend of hoofdzakelijk eet- en drinkwaren, prentbriefkaarten, nieuwsbladen en tijdschriften alsmede bloemen en planten plegen te worden verkocht. 2. De in [artikel 2, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007952&artikel=2) vervatte verboden gelden in of op het terrein van ziekenhuizen en verpleeghuizen niet ten aanzien van het te koop aanbieden en verkopen van eet- en drinkwaren, prentbriefkaarten, nieuwsbladen en tijdschriften alsmede bloemen en planten. Artikel 4. (stations) 1. De in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":7229,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Burundi betreffende de status van het burgerlijke en militaire personeel van de Nederlandse en Burundese ministeries van defensie, aanwezig op hun onderscheiden grondgebieden, in het kader van het partnerschap voor de ontwikkeling van de veiligheidssector in Burundi Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2009/134 gesteld op 17 augustus 2010. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2010/213 gesteld op 17 augustus 2011. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2011/154 gesteld op 17 augustus 2012. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2012/148 gesteld op 17 augustus 2013. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2014/14 gesteld op 17 augustus 2014. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2014/152 gesteld op 17 augustus 2015. Article 1. Définitions Vervallen Article 2. Critères d’entrée et de sortie Vervallen Article 3. Discipline et juridiction Vervallen Article 4. Importation et exportation Vervallen Article 5. Armes et uniformes Vervallen Article 6. Permis de conduire Vervallen Article 7. Demande d’indemnités Vervallen Article 8. Assistance médicale et dentaire Vervallen Article 9. Règlement des litiges Vervallen Article 10. Application pour les Pays-Bas Vervallen Article 11. Entrée en vigueur et résiliation Vervallen EN FOI DE QUOI les soussignés, dûment autorisés à cet effet par leurs gouvernements respectifs, ont signé et scellé cet accord. FAIT à Bujumbura, le 17 du mois d’août de l'an 2009 en deux exemplaires originaux, en langue française. **Pour le Royaume des Pays-Bas:** JEANNETTE SEPPEN Chargé d’Affaires **Pour la République du Burundi:** AUGUSTIN NSANZE Ministre des Relations Extérieures et de la Coopération Internationale"},{"i":7232,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tunesië inzake het vervoer over de weg van personen en goederen en transitovervoer De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Tunesië, hun staten hierna te noemen de „Verdragsluitende Partijen\"; Geleid door de wens bij te dragen aan de ontwikkeling van economische en handelsbetrekkingen tussen hun landen; Besloten hebbend de samenwerking op het gebied van het vervoer over de weg te bevorderen; Overtuigd van het belang en de wederzijdse voordelen van een verdrag inzake het vervoer over de weg en transitovervoer; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Reikwijdte 1. Dit Verdrag is van toepassing op vervoer over de weg, uitgevoerd door vervoersondernemers die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij zijn gevestigd, met gebruikmaking van voertuigen die op dat grondgebied zijn geregistreerd, waarbij het punt van vertrek of van bestemming op dat grondgebied is gelegen en waarbij sprake is van doorvoer over dat grondgebied alsmede over het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij. 2. Dit Verdrag laat de rechten en verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen krachtens andere internationale overeenkomsten onverlet. Artikel 2. Begripsomschrijvingen In dit Verdrag wordt verstaan onder: „Vervoersondernemer\": een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die van de bevoegde autoriteit een vergunning heeft verkregen om internationaal vervoer van personen of goederen over de weg te verrichten: - a. als ondernemer die beroepsmatig vervoersactiviteiten verricht, krachtens specifieke nationale wetgeving inzake het beroep van vervoersondernemer, - b. als ondernemer voor eigen rekening die de vervoersactiviteiten verricht als nevenactiviteit binnen het geheel aan activiteiten van zijn onderneming of vereniging. „voertuig\": - a. elk wegvoertuig gebouwd of ingericht voor: - –. het vervoer van personen en met meer dan negen (9) zitpl"},{"i":6519,"b":"Besluit van 18 februari 2016 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingsbesluit financiële markten 2016) Artikel I Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel III Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel IV Wijzigt het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft. Artikel V Wijzigt het Besluit reikwijdtebepalingen Wft. Artikel VI Wijzigt het Besluit financiële markten BES. Artikel VII Wijzigt het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft. Artikel VIII Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Artikel IX Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2016, met uitzondering van [artikel I, onderdeel S](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037721&artikel=I&z=2016-04-01&g=2016-04-01), dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 januari 2016. Artikel X Dit besluit wordt aangehaald als: Wijzigingsbesluit financiële markten 2016. Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 15 september 2015, FM/2015/1319 M, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:80, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:3.0d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0d), [2:3.0i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0i), [2:3.0m, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0m), [2:3b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3b), [2:3c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&arti"},{"i":7226,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland ter verdere vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals geregeld bij het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN en DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, Verlangend het rechtsverkeer, zoals geregeld bij het Haagse [Verdrag van 1 maart 1954 betreffende de burgerlijke rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002016), tussen de beide Staten verder te vereenvoudigen, Zijn overeengekomen een verdrag te sluiten en hebben tot Hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: De Heer mr. J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland: De Heren Dr. J. Löns, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te 's-Gravenhage, en Prof. dr. A. Bülow, Directeur-Generaal bij het Bondsministerie van Justitie. De gevolmachtigden zijn, na uitwisseling van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, het volgende overeengekomen: Betekening of mededeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken Artikel 1 (1). Gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken, die uit een van beide Staten afkomstig zijn, worden rechtstreeks toegezonden, en wel - a). wanneer zij bestemd zijn voor personen in de Bondsrepubliek Duitsland, door de bevoegde Nederlandse rechterlijke autoriteiten aan de President van het Landgericht of het Amtsgericht in welks gebied de persoon, voor wie het stuk bestemd is, verblijft, - b). wanneer de betekening moet geschieden aan personen in Nederland, door de bevoegde Duitse rechterlijke autoriteiten aan de Officier van Justitie bij de Arrondissements-Rechtbank in welker gebied de persoon, voor wie het stuk bestemd is, verblijft. (2). De genoemde autoriteiten bedienen zich bij de aanvragen en de verdere briefwisseling van hun eigen landstaal. Artikel 2 Is de autoriteit, aan wie het stuk is toegezonden,"},{"i":7206,"b":"Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Dominicaanse Republiek Het Koninkrijk der Nederlanden en de Dominicaanse Republiek, hierna te noemen „de Partijen”; Geleid door de wens de internationale samenwerking op het gebied van het strafrecht verder te ontwikkelen en het voor onderdanen van elk van de Partijen die gedetineerd zijn als gevolg van het plegen van een strafbaar feit mogelijk te maken hun veroordelingen binnen hun eigen samenleving te ondergaan, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „veroordeling”: elke straf of vrijheidsbenemende maatregel wegens een strafbaar feit opgelegd door een rechter; - b. „vonnis”: een beslissing of bevel van een rechter waarbij een veroordeling wordt uitgesproken; - c. „gevonniste persoon”: een persoon die bij onherroepelijk vonnis is veroordeeld door een rechter van een van de Partijen en zijn veroordeling ondergaat in de Staat van veroordeling; - d. „de Staat van veroordeling”: de Staat waarin veroordeling is uitgesproken. Met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden wordt onder de Staat van veroordeling verstaan: Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten, al naargelang in welk van die delen van het Koninkrijk de veroordeling heeft plaatsgevonden; - e. „de Staat van tenuitvoerlegging”: de Staat waarnaar de gevonniste persoon kan worden of reeds is overgebracht, teneinde zijn veroordeling te ondergaan. Met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden wordt onder de Staat van tenuitvoerlegging verstaan: Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten, al naargelang in welk van die delen van het Koninkrijk de gevonniste persoon zijn hoofdverblijf heeft, tenzij dit Verdrag anders bepaalt; - f. het ministerie van Justitie: in de Dominicaanse Republiek, het Bureau van de Procureur-Generaal van de Republiek en in het Koninkrijk der Nederlanden het ministerie van Veiligheid en Justitie van"},{"i":6624,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 17 november 2016, nr. WJZ / 16174370, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-subsidies houdende een wijziging van titel 3.2 betreffende de TKI-toeslag Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=34), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=44) en [50 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=50); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling nationale EZ-subsidies. Artikel II Op aanvragen voor TKI-toeslag die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend, op TKI-toeslag die vóór de inwerkingtreding van deze regeling is verleend en op TKI-toeslag die vóór de inwerkingtreding van deze regeling is vastgesteld, blijft de [Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474) van toepassing zoals die luidde onmiddellijk vóór dat tijdstip. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7092,"b":"Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek te vervangen door Boek 1 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek en, in verband daarmede, dit boek alsmede het tweede, derde en vierde boek en de slotbepaling van het Burgerlijk Wetboek, het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827), het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en andere wetten te wijzigen, en overgangsbepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg dert Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Inleidende bepaling Inleidende bepaling De in deze wet zonder nadere aanduiding aangehaalde bepalingen zijn bepalingen van de nieuwe boeken van het Burgerlijk Wetboek. Titel 1. Overgangsbepalingen in verband met [Boek 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) Artikel 1 1. [Artikel 4 lid 4 van Boek 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=4) is ook van toepassing op aanhangige of nog in te dienen verzoeken tot wijziging van voornamen, verkregen vóór het tijdstip van in werking treden van [Boek 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656), met dien verstande dat de bevoegdheid van de rechter wordt beoordeeld naar de wet, geldende op het tijdstip van indiening van het verzoek. 2. [Artikel 4 lid 2 van Boek 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=4) is ook van toepassing, indien wijziging wordt verzocht van voornamen, verkregen vóór het tijdstip van in werking treden van [Boek 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656). Artikel 2 [Artikel 6 van Boek 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=6) is ook van toepassing op akten v"},{"i":8329,"b":"Aanvullend Protocol II bij het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied De ondertekenende gevolmachtigden, door hun onderscheiden Regeringen daartoe volledig gemachtigd, Ervan overtuigd dat het [Verdrag tot het verbod van kernwapens in Latijns-Amerika](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006343) dat, overeenkomstig de aanbevelingen van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties, vervat in Resolutie 1911 (XVIII) van 27 november 1963, is gesloten en ondertekend, een belangrijke stap betekent ter verzekering van de niet-verspreiding van kernwapens, Zich ervan bewust, dat de niet-verspreiding van kernwapens geen doel op zichzelf is, doch veeleer een middel ter verwezenlijking van algemene en volledige ontwapening in een later stadium, en Verlangend, voor zover in hun vermogen ligt ertoe bij te dragen dat een einde wordt gemaakt aan de bewapeningswedloop, in het bijzonder op het gebied van de kernwapens, en dat de vrede in de wereld, gegrondvest op wederzijdse eerbied en of de soevereine gelijkheid van de Staten, wordt versterkt, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Het statuut van denuclearisatie van Latijns-Amerika ten aanzien van oorlogsdoeleinden als omschreven, afgebakend en vervat in het [Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), waarvan dit Protocol een bijlage is, wordt ten aanzien van alle daarin uitdrukkelijk genoemde doelstellingen en bepalingen door de Partijen bij dit Protocol volledig geëerbiedigd. Artikel 2 De door de ondertekenende gevolmachtigden vertegenwoordigde Regeringen nemen derhalve de verplichting op zich er op geen enkele wijze toe bij te dragen, dat op de grondgebieden waarop dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006343) ingevolge zijn [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006343&artikel=4) van toepassing is, handelingen worden verricht, die een inbreuk betekenen op de verplichtingen omschreven in [artike"},{"i":6549,"b":"Besluit van 16 december 2009 houdende wijziging van enkele rechtspositiebesluiten politieke ambtsdragers in verband met de samenvoeging van inwonersklassen en enkele technische aanpassingen Artikel I Wijzigt het Rechtspositiebesluit burgemeesters. Artikel II Wijzigt het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning. Artikel III Wijzigt het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Artikel IV Wijzigt het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden. Artikel V Wijzigt het Rechtspositiebesluit wethouders. Artikel VI [Artikel I, onderdeel J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), is niet van toepassing op burgemeesters die gebruik maken van een regeling die de gemeente op of voor 31 december 2008 heeft getroffen ter verstrekking van een hypothecaire geldlening ter verkrijging van een eigen woning. Artikel VII 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. De [artikelen I, onderdelen B tot en met J en L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [III, onderdelen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=III&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [IV, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=IV&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en [V, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=V&z=2010-01-01&g=2010-01-01), werken terug tot en met 1 januari 2009. 3. De [artikelen I, onderdeel M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), en [V, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=V&z=2010-01-01&g=2010-01-01), werken terug tot en met 1 april 2009. 4. [Artikel I, onderdeel N](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026906&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgeg"},{"i":6554,"b":"Besluit van 16 juli 2001 tot wijziging van rechtspositiebesluiten ten aanzien van de gemeente- en provinciebestuurders Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 mei 2001, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, nr. BW2001/U1008; Gelet op de [artikelen 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=44), [66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=66), [95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=95) en [96 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=96) en de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=43), [65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=65) en [93 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=93); De Raad van State gehoord (advies van 21 juni 2001, No W04.01.0255/I); Gezien het nader rapport van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 5 juli 2001, nr. BW2001/U75794, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 2001. Artikel I Wijzigt het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning. Artikel II Wijzigt het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994. Artikel III Wijzigt het Rechtspositiebesluit gedeputeerden. Artikel IV Wijzigt het Rechtspositiebesluit wethouders. Artikel V Wijzigt het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden. Artikel VI Wijzigt het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Artikel VII 1. Degene die in de periode van 1 januari 1998 tot 25 maart 2000 het ambt heeft bekleed van gedeputeerde of wethouder kan voor elk van de jaren 1998, 1999 en 2000, waarover hij premie heeft betaald voor de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), verzoeken om een tegemoetkoming waarvan de hoogte wordt berekend op de wijze als aangegeven in de volgende leden. 2. De hoogte van de tegemoetkoming wordt voor elk"},{"i":2810,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 11 december 2009, nr. 5634022/09/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van sportprijsvragen, de lotto en het cijferspel Overwegende dat de geldigheidsduur van de [Beschikking Sporttotalisator](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009239) op 12 december 2009 verstrijkt; Gelezen het verzoek van de Stichting de Nationale Sporttotalisator van 5 oktober 2009, haar opnieuw vergunning te verlenen voor het organiseren van sportprijsvragen, de lotto en het cijferspel; Gezien het advies de adviezen van het College van toezicht op de kansspelen van 29 oktober 2009 (C.793/09); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) (Stb. 1964, 483); - b. **de minister:** de Minister van Justitie; - c. **de stichting:** de Stichting de Nationale Sporttotalisator, gevestigd te Rijswijk; - d. **cijferspel:** een kansspel als bedoeld in [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=15), en [artikel 27a, derde lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27a); - e. **prijzenreserve:** een reservering ten laste van het voor uitkering aan prijzen bestemde bedrag; - f. **medewerkende verenigingen:** verenigingen en stichtingen aangesloten bij sportbonden die op hun beurt zijn vertegenwoordigd in de Vereniging ‘NOC*NSF’, bij welke formulieren ten behoeve van het afsluiten van een abonnement voor deelneming aan Lotto Jackpot Abonnement verkrijgbaar worden gesteld; - g. **verkooppunten:** ondernemers bij welke de deelnameformulieren aan Lotto’s en sportprijsvragen verkrijgbaar worden gesteld; - h. **het college:** het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33). Artikel 2 1. Aan de stichting wordt vergunnin"},{"i":8330,"b":"Aanvullend Protocol inzake aansprakelijkheid en schadeloosstelling van Nagoya-Kuala Lumpur bij het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid De Partijen bij dit Aanvullende Protocol, Partij zijnde bij het [Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid bij het Verdrag inzake biologische diversiteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001513), hierna te noemen „het Protocol”, Rekening houdende met Beginsel 13 van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling, Opnieuw bevestigende de voorzorgsbenadering die is opgenomen in Beginsel 15 van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling, Erkennende de noodzaak op een met het [Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001513) verenigbare wijze te voorzien in passende bestrijdingsmaatregelen bij schade of een gerede kans op schade, Herinnerend aan [artikel 27 van het Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001513&artikel=27), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel Het doel van dit Aanvullende Protocol is bij te dragen aan het behoud en duurzaam gebruik van biologische diversiteit, waarbij ook rekening wordt gehouden met de risico’s voor de gezondheid van de mens, door het vaststellen van internationale voorschriften en procedures op het gebied van aansprakelijkheid en schadeloosstelling met betrekking tot gemodificeerde levende organismen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen 1. De uitdrukkingen gebezigd in [artikel 2 van het Verdrag inzake biologische diversiteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136&artikel=2), hierna te noemen „het Verdrag”, en [artikel 3 van het Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001513&artikel=3) zijn van toepassing op dit Aanvullende Protocol. 2. Voor de toepassing van dit Aanvullende Protocol wordt voorts verstaan onder: - a. de „Conferentie van de Partijen die als Vergadering van de Partijen bij het [Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001513) fungeert”: de Conferentie van de Partijen bij het [Verdrag](https://wet"},{"i":2741,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2005 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,0 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 januari 2005, doch niet later dan 15 februari 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,671 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2005 en eindigende met 15 februari 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":8331,"b":"Aanvullend Protocol No. 2 bij de Herziene Rijnvaartakte De Bondsrepubliek Duitsland, Het Koninkrijk België, De Franse Republiek, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Zwitserse Bondsstaat, Overwegende dat er bepaalde moeilijkheden zijn gerezen bij de toepassing en de uitlegging van enkele artikelen van de [Herziene Rijnvaartakte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363) van 17 oktober 1868 in de versie van 20 november 1963, zijn overeengekomen daarin de volgende wijzigingen en aanvullingen aan te brengen: Artikel I Wijzigt de Herziene Rijnvaartakte; Mannheim, 17 oktober 1868. Artikel II Wijzigt de Herziene Rijnvaartakte; Mannheim, 17 oktober 1868. Artikel III De bepalingen van de [Herziene Rijnvaartakte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363) en van de later daarin aangebrachte wijzigingen worden afgeschaft, voor zover zij momenteel nog in werking zijn en onverenigbaar zijn met het onderhavige Protocol. Artikel IV Dit Aanvullend Protocol dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij het Secretariaat van de Centrale Commissie teneinde in haar archief te worden bewaard. De Secretaris-Generaal maakt een proces-verbaal van de nederlegging der akten van bekrachtiging op. Hij zendt aan elk der ondertekenende Staten een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de akten van bekrachtiging, alsmede van het proces-verbaal van de nederlegging. Artikel V Dit Aanvullend Protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de nederlegging van de zesde akte van bekrachtiging bij het Secretariaat van de Centrale Commissie. De Secretaris-Generaal stelt de andere ondertekenende Staten hiervan in kennis. Artikel VI Dit Aanvullend Protocol, opgesteld in een enkel exemplaar in de Duitse, de Franse en de Nederlandse taal, wordt bewaard in het archief van de Centrale Commissie; in geval van verschil is de Franse tekst doorslaggevend. Een door de Secretaris-Generaa"},{"i":8332,"b":"Aanvullend Protocol op het Verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit De Lid-Staten van de Raad van Europa, die dit aanvullende Protocol hebben ondertekend, Overwegende, dat het wenselijk is dat de toepassing van het [Verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004452), op 6 mei 1963 te Straatsburg ondertekend, hierna te noemen „het Verdrag”, wordt uitgebreid en bevorderd, Overwegende, dat dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004452) alleen dan volledig doeltreffend is indien daaraan een regeling verbonden wordt voor het uitwisselen van gegevens tussen de Verdragsluitende Partijen over de verkrijging van hun nationaliteit door onderdanen van andere Verdragsluitende Partijen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Elke Verdragsluitende Partij verbindt zich, aan een andere Verdragsluitende Partij mededeling te doen van iedere verkrijging van haar nationaliteit door een meerderjarige of door een minderjarige die onderdaan is van deze Staat welke is geschied overeenkomstig de voorwaarden genoemd in [artikel 1 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004452&artikel=1). Artikel 2 1. Deze mededeling moet gedaan worden door middel van een formulier volgens bijgevoegd model binnen een periode van niet meer dan zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de verkrijging van de nationaliteit van kracht is geworden. De op het formulier gedrukte tekst wordt opgesteld in alle talen van de Lid-Staten van de Raad van Europa en in de talen van de niet-Lid-Staten die tot het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004452) zijn toegetreden. De Secretaris-Generaal van de Raad doet de nodige vertalingen tot stand brengen en doet deze toekomen aan de Regeringen van de Lid-Staten van"},{"i":8333,"b":"Aanvullend Protocol voor procedureregels inzake de ontwikkelingssamenwerking ingevolge artikel 11 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende ontwikkelingssamenwerking GEDAAN te 's-Gravenhage op 10 juli 1989 in twee exemplaren, in de Nederlandse taal. De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van Nederland (w.g.) P. BUKMAN De Minister van Financiën van de Republiek Suriname (w.g.) S. Ch. MUNGRA"},{"i":8334,"b":"Aanvullend Verdrag inzake de afschaffing van de slavernij, de slavenhandel en met slavernij gelijk te stellen instellingen en praktijken **Preambule** De Staten welke partij zijn bij dit Verdrag Overwegende, dat de vrijheid het geboorterecht is van ieder mens; Indachtig het feit dat de volkeren van de Verenigde Naties in het Handvest hun vertrouwen in de waardigheid en de waarde van de mens opnieuw hebben bevestigd; Overwegende, dat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, welke is geproclameerd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties als het gemeenschappelijk ideaal waarnaar alle volkeren en landen dienen te streven, wordt verklaard dat niemand in slavernij of horigheid zal worden gehouden en dat de slavernij en de slavenhandel in iedere vorm verboden zullen zijn; Erkennende, dat sinds het sluiten van het op 25 september 1926 te Genève ondertekende Verdrag inzake de slavernij, dat ten doel had de afschaffing van de slavernij en de slavenhandel te verzekeren, verdere voortgang is gemaakt op de weg naar dit doel; In aanmerking nemende het Verdrag betreffende gedwongen arbeid van 1930 en daarna door de Internationale Arbeidsorganisatie op het gebied van gedwongen of verplichte arbeid getroffen maatregelen; Zich er echter van bewust zijnde, dat de slavernij, de slavenhandel en met slavernij gelijk te stellen instellingen en praktijken nog niet in alle delen der wereld zijn opgeheven; Derhalve besloten hebbende, dat het Verdrag van 1926, hetwelk van kracht blijft, nu uitgebreid dient te worden met een aanvullend verdrag dat ten doel heeft zowel de nationale als de internationale inspanningen gericht op de afschaffing van de slavernij, de slavenhandel en met slavernij gelijk te stellen instellingen en praktijken te vergroten; Zijn overeengekomen als volgt: AFDELING I. Met slavernij gelijk te stellen instellingen en praktijken Artikel 1 Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag neemt alle uitvoerbare en noodzakelijke wettelijke en andere maatr"},{"i":8335,"b":"Aanvullend Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende rechtsgedingen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en van Haar andere Rijken en Gebieden, Hoofd van de Commonwealth (hierna te noemen „Hare Britse Majesteit”); De wens koesterende het tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk gesloten Verdrag tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen, welk Verdrag op 31 mei 1932 te Londen ondertekend is, aan te vullen; Hebben besloten tot dat doel een aanvullend Verdrag te sluiten en hebben te dien einde tot hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie de Heer H. J. de Koster, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken; Hare Britse Majesteit: Voor het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland: Zijne Excellentie Sir Isham Peter Garran, K. C. M. G., Harer Britse Majesteits Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te 's-Gravenhage en De Right Honourable Lord Gardiner, Lord High Chancellor van Groot-Brittannië; Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Werkingssfeer van het Verdrag en begripsomschrijvingen 1. Tenzij uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald, is dit Verdrag slechts van toepassing op burgerlijke zaken, daaronder begrepen zaken, waarover in oneigenlijke rechtspraak wordt beslist. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a). „gebieden”: - 1). waar het betreft het Verenigd Koninkrijk, Engeland en Wales, Schotland en Noord-Ierland en die gebieden, waar dit Verdrag van kracht is uit hoofde van een uitbreiding ingevolge artikel VII, eerste lid, onder a); en - 2). waar het betreft het Koninkrijk der Nederlanden, het Europese gedeelte van het Koninkrijk en elk ander deel van het Koninkrijk waar dit"},{"i":8336,"b":"Aanvullend (vrijwillig) pensioen voor leden van het Europees Parlement De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. 1. Inleiding Leden van het Europees Parlement (hierna: EP) hebben de mogelijkheid deel te nemen aan de ‘Regeling voor het aanvullend (vrijwillig) Pensioenfonds’ voor leden van het EP. Deze regeling staat los van het pensioenrecht dat Nederlandse leden van het EP reeds hebben op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Regelmatig bereiken mij vragen over de fiscale behandeling van het recht op uitkeringen en van de uitkeringen zelf. Om hierover duidelijkheid te verschaffen en de eenheid van uitvoering te waarborgen, geef ik in dit besluit een overzicht van de fiscale aspecten van de Regeling voor het aanvullend (vrijwillig) Pensioenfonds (hierna: de Regeling). Voor de goede orde merk ik nog op dat het beoordelen van de fiscale gevolgen van de Regeling onderscheid moet worden gemaakt tussen het recht op uitkeringen (de aanspraak), uitgewerkt in onderdeel 4.1 en 4.2, en de uitkeringen zelf die in de toekomst zullen gaan vloeien, uitgewerkt in onderdeel 4.3 van dit besluit. 2. Inhoud van de Regeling Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Regeling hebben leden die ten minste drie jaar de vrijwillige pensioenbijdrage hebben betaald na ambtsbeëindiging tot aan hun overlijden recht op pensioen ingaande op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum waarop zij de 60-jarige leeftijd hebben bereikt. De pensioenbijdrage (hierna: premie) komt voor 1/3 deel ten laste van het parlementslid. Ik leid uit deze bepaling af dat gedurende de eerste drie jaren van deelname en premiebetaling een voorwaardelijk recht op uitkering bestaat. Pas als is voldaan aan de voorwaarde van drie jaar premiebetaling, ontstaat een onvoorwaardelijk recht (aanspraak). Europarlementariërs die hun deelname aan de Regeling tijdens hun ambtsperiode beëindigen, hebben recht op terugbetaling van de premies die zij zelf hebben betaald. De premies"},{"i":6202,"b":"Wet van 28 februari 2002 tot wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten tot dualisering van de inrichting, de bevoegdheden en de werkwijze van het gemeentebestuur (Wet dualisering gemeentebestuur) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de inrichting, de bevoegdheden en de werkwijze van het gemeentebestuur te dualiseren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke Referendumwet. Treedt, met uitzondering van artikel I, onderdeel PPP, in werking met ingang van 1 januari 2003 ten aanzien van de gemeenten Axel, Bemmel, Bergen, Dalfsen, Denekamp, Echt, Hardenberg, Heerjansdam, Hof van Twente, Hontenisse, Hulst, Kesteren, Olst-Wijhe, Oostburg, Oss, Overbetuwe, Raalte, Ravenstein, Rijssen, Sas van Gent, Sittard-Geleen, Sluis-Aardenburg, Steenwijk, Susteren, Terneuzen, Venlo, Zwartewaterland en Zwijndrecht. Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel III Wijzigt de Kieswet. Artikel IV Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel IVa Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V 1. De in [artikel I, onderdeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013462&artikel=I&z=2012-10-01&g=2012-10-01) MMMM, bedoelde verordeningen worden vastgesteld vóór de vaststelling van de begroting over het jaar 2004, doch uiterlijk op 15 november 2003. De in dit onderdeel bedoelde accountantsverklaring en het in dit onderdeel bedoelde verslag van bevindingen voldoen met ingang van het jaar 2004 aan de in dit onderdeel gestelde eisen. 2. De in [artikel I, onderdelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013462&artikel=I&z=2012-10-01&g=2012-10-01) en NNNN, bedoelde verordeningen, de in [artikel I, onderdelen D, N](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":5802,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 3 september 2025, kenmerk 4196411-1086983-DMO, houdende regels voor het subsidiëren van activiteiten ter versterking van de Tweede Wereldoorlog herinneringssector (Subsidieregeling ter versterking van de Tweede Wereldoorlog herinneringssector) [KetenID WGK027850] Gelet op [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraagtijdvak 1:** de periode van 3 november 2025 09:00 uur tot en met 6 januari 2026 13:00 uur; - **aanvraagtijdvak 2:** de periode van 1 mei 2026 09:00 uur tot en met 15 juni 2026 13:00 uur; - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard; - **Holocaust:** systematische vervolging van en genocide op Joden, Sinti en Roma door de Nazi’s en hun bondgenoten voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog; - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling De subsidie is een subsidie als bedoeld in [artikel 1.5, onderdeel d, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.5). Artikel 3. Doel van de regeling De regeling heeft tot doel het realiseren van activiteiten die bijdragen aan de kennisoverdracht van inwoners van het Koninkrijk der Nederlanden over de Holocaust of over gebeurtenissen die in de aanloop naar, tijdens, of in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden en weinig maatschappelijke aandacht hebben, namelijk: - a). gebeurtenissen in Nederlands-Nieuw-Guinea; - b). gebeurtenissen in het Caribisch deel van het Koninkrijk en Suriname; - c)"},{"i":8337,"b":"Aanvullende Akte bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage van 6 november 1925 betreffende het internationaal depot van tekeningen of modellen van nijverheid, herzien te Londen op 2 juni 1934 De Overeenkomstsluitende Staten, Overwegende, dat het geldelijk tekort van de Unie van 's-Gravenhage betreffende het internationale depot van tekeningen of modellen van nijverheid zal blijven toenemen zolang niet alle staten die partij zijn bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage van 6 november 1925, herzien te Londen op 2 juni 1934, partij zullen zijn bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage van 28 november 1960, Bewust van de noodzaak om, ten einde in deze stand van zaken verbetering te brengen, aanvullende taxen in te voeren boven die welke in de Overeenkomst van 's-Gravenhage, herzien te Londen, zijn bepaald, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen EN FOI DE QUOI, les Plénipotentiaires soussignés, après avoir présenté leurs pleins pouvoirs, reconnus en bonne et due forme, ont apposé leur signature. FAIT à Monaco, le 18 novembre 1961."},{"i":8338,"b":"Aanvullende Akte van 10 november 1972 houdende wijziging van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten De Verdragsluitende Staten, Overwegende, dat het stelsel van bijdragen van de Unie-Staten voorzien in het [Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004510) van 2 december 1961, in het licht van de ervaring die sinds het in werking treden van dit Verdrag is verkregen, geen voldoende verscheidenheid tussen de Unie-Staten toelaat wat betreft het aandeel van elk hunner in het totaal van de bijdragen, en Voorts overwegende, dat het wenselijk is over te gaan tot wijziging van de bepalingen van dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004510), enerzijds betreffende de bijdragen van de Unie-Staten en anderzijds betreffende het stemrecht in geval van achterstalligheid in de betaling van deze bijdragen, Met inachtneming van de bepalingen van [artikel 27 van genoemd Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004510&artikel=27) Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Wijzigt het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten; Parijs, 2 december 1961. Artikel II Wijzigt het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten; Parijs, 2 december 1961. Artikel III De bepalingen van [artikel 26, zesde lid, van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004510&artikel=26) zijn slechts van toepassing indien alle Unie-Staten deze Aanvullende Akte hebben bekrachtigd of tot deze zijn toegetreden. Artikel IV De Unie-Staten worden ingedeeld in die van de in deze Aanvullende Akte voorziene klassen, welke hetzelfde aantal eenheden bevat als de klasse welke zij hebben gekozen uit hoofde van de toepassing van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004510), tenzij zij bij nederlegging van hun akten van bekrachtiging of toetreding de wens te kennen geven in een andere klasse, voorzien in deze Aanvullende Akte, ingedeeld te worden. Artikel V 1). Dez"},{"i":8339,"b":"Aanvullende Overeenkomst betreffende de geldigheid voor het Vorstendom Liechtenstein van de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, leden van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Zwitserse Bondsstaat, het Vorstendom Liechtenstein, Overwegende dat het Vorstendom Liechtenstein overeenkomstig het Verdrag van 29 maart 1923 met Zwitserland een douane-unie vormt en dat dit Verdrag niet voor alle bepalingen van de op 22 juli 1972 ondertekende Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Zwitserse Bondsstaat geldigheid voor het Vorstendom Liechtenstein verleent; Overwegende dat het Vorstendom Liechtenstein de wens te kennen heeft gegeven dat alle bepalingen van genoemde overeenkomst voor Liechtenstein zullen gelden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen GEDAAN te Brussel, de tweeëntwintigste juli negentienhonderdtweeënzeventig."},{"i":6988,"b":"Burgerlijk Wetboek Boek 8, Verkeersmiddelen en vervoer Boek 8. Verkeersmiddelen en vervoer I. Algemene bepalingen Titel 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit wetboek worden onder schepen verstaan alle zaken, geen luchtvaartuig zijnde, die blijkens hun constructie bestemd zijn om te drijven en drijven of hebben gedreven. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen zaken, die geen schepen zijn, voor de toepassing van bepalingen van dit wetboek als schip worden aangewezen, dan wel bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op zaken, die schepen zijn. 3. Voortbewegingswerktuigen en andere machinerieën worden bestanddeel van het schip op het ogenblik dat, na hun inbouw, hun bevestiging daaraan zodanig is als deze ook na voltooiing van het schip zal zijn. 4. Onder scheepstoebehoren worden verstaan de zaken, die, geen bestanddeel van het schip zijnde, bestemd zijn om het schip duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn te herkennen, alsmede die navigatie- en communicatiemiddelen, die zodanig met het schip zijn verbonden, dat zij daarvan kunnen worden afgescheiden, zonder dat beschadiging van betekenis aan hen of aan het schip wordt toegebracht. 5. Behoudens afwijkende bedingen wordt het scheepstoebehoren tot het schip gerekend. Een afwijkend beding kan worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in [afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&afdeling=2). 6. Voor de toepassing van het derde, het vierde en het vijfde lid van dit artikel wordt onder schip mede verstaan een schip in aanbouw. Artikel 2 1. In dit wetboek worden onder zeeschepen verstaan de schepen die als zeeschip teboekstaan in de openbare registers, bedoeld in [afdeling 2 van titel 1 van Boek 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&afdeling=2), en de schepen die niet teboekstaan in die registers en blijkens hun constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee zijn bestemd. 2. Bij algemene maatregel van"},{"i":6515,"b":"Besluit van 27 oktober 2011, houdende wijziging van het Besluit bekostiging financieel toezicht, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Besluit definitiebepalingen Wft, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft en het Besluit toezicht financiële verslaggeving (Wijzigingsbesluit financiële markten 2012) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 19 juli 2011, nr. FM/2011/9320M; Gelet op de [artikelen 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), [1:81, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [4:9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9), [4:14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), [4:25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:25), [4:72, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:72), [4:73, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:73), [5:44, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:44) en [artikel 18, derde lid, van de Wet toezicht financiële verslaggeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020369&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 31 augustus 2011, nr. W06.11.0299/III); Gezien het nader rapport van de Minister van Financiën van 25 oktober 2011, nr. FM/2011/9635U; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bekostiging financieel toezicht. Artikel II Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel III Wijzigt het Besluit definitiebepalingen Wft. Artikel IV Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel V Wijzigt het Beslu"},{"i":8341,"b":"Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten Het Koninkrijk België, Canada, De Franse Republiek, De Bondsrepubliek Duitsland, Het Koninkrijk der Nederlanden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en De Verenigde Staten van Amerika. Overwegende, dat **artikel 8, eerste lid onder b** van het Verdrag inzake de betrekkingen tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland - zoals die is gewijzigd bij bijlage I van het op 23 oktober 1954 te Parijs ondertekende Protocol tot beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland - voorziet in het sluiten van nieuwe regelingen tot vaststelling van de rechten en verplichtingen van de krijgsmachten van de Drie Mogendheden en van andere Staten die krijgsmachten op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland hebben; Overwegende, dat volgens die bepaling de nieuwe regelingen dienen te worden gebaseerd op het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, ondertekend te Londen op 19 juni 1951, aangevuld met die regelingen die noodzakelijk zijn met het oog op de bijzondere omstandigheden die zich voordoen met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gelegerde krijgsmachten; Overwegende, dat de Noordatlantische Raad, in overeenstemming met artikel XVIII, derde lid, van het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, heeft besloten de toetreding van de Bondsrepubliek Duitsland tot dat Verdrag goed te keuren, onder het voorbehoud dat deze toetreding eerst van kracht wordt, nadat alle Staten die partij zijn bij de nieuwe overeenkomsten deze overeenkomsten hebben bekrachtigd of goedgekeurd; Overwegende, dat het tweede lid van de P"},{"i":2620,"b":"Beleidsregels Openbaar Ministerie, rijden onder invloed Op 1 februari treden de volgende Polaris-OBM-regelingen in werking die alle zijn aangepast aan fase 1B van de [Wet OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074) 3.01.39. Recidive bij rijden onder invloed Beschrijving De invloed van recidive op het aantal strafpunten wijkt bij handelen in strijd met [artikel 8 WVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8) af van dat bij andere Polaris delicten. De strafverhogende werking bij de 8 WVW-delicten is gebaseerd op de systematiek van vroegere richtlijnen en het schalentarief van [artikel 8, lid2, van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8), volgens hetwelk elke schaal hoger vier extra strafpunten betekent. Is er sprake van recidive, dan wordt het aantal strafpunten eveneens met vier verhoogd. Recidive dient bepaald te worden door te tellen hoe vaak in de 5 jaar voorafgaand aan de datum waarop het nieuwe feit is gepleegd een soortgelijk delict heeft geleid tot een onherroepelijke veroordeling danwel strafbeschikking of tot een betaalde transactie. Het begrip ‘soortgelijk’ heeft zowel betrekking op de aard van het delict als de omvang er van. Beleidssepots dienen bij de recidivebepaling buiten beschouwing gelaten te worden. Aan first offenders en eenmalige recidivisten kan, indien het aantal sanctiepunten dat toelaat, een transactie worden aangeboden of een strafbeschikking worden uitgevaardigd. Meermalen recidive is altijd een indicatie voor dagvaarden, ongeacht het aantal sanctiepunten.Bij ernstige vormen van recidive kan natuurlijk worden afgeweken van de door de Polaris-richtlijnen aangegeven straf. Soort factor Basisfactor Antwoordmogelijkheden Uitgangspunt indien onbekend Geen recidive. Bijzonderheden Geen. Zie basisdelicten 4.01.01. Obm regeling rijden onder invloed motorvoertuigen Beschrijving Binnen de verkeersrichtlijnen is de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtu"},{"i":6158,"b":"Besluit van 8 april 2003, houdende regels voor bepaalde voor menselijke voeding bestemde suikers (Warenwetbesluit suikers) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 december 2002, VGB/VL 2342791, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Economische Zaken, en van Justitie; Gelet op [richtlijn nr. 2001/111/EG](32001L0111) van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2001 inzake bepaalde voor menselijke voeding bestemde suikers (PbEG 2002, L 10), alsmede op [artikel 8, eerste lid, onder a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [artikel 13, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), en [artikel 32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 14 februari 2003, nummer W13.02.0577/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 maart 2003, VGB/VL 2368655, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Economische Zaken, en van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **suiker**: gezuiverde en gekristalliseerde sacharose; - b. **vloeibare suiker**: waterige oplossing van sacharose; - c. **vloeibare invertsuiker**: waterige oplossing van door hydrolyse gedeeltelijk geïnverteerde sacharose; - d. **invertsuikerstroop**: waterige, eventueel gekristalliseerde oplossing van door hydrolyse gedeeltelijk geïnverteerde sacharose; - e. **glucosestroop**: gezuiverde en geconcentreerde waterige oplossing van voedingssuikers, verkregen uit zetmeel of inuline; - f. **dextrose**: gezuiverde en gekristalliseerde D-glucose; - g. **fructose**: gezuiverde en gekristalliseerde D-fructose; - h. **verordening (EG) 1265/69**: [verordening (EEG) nr. 1265/69](31969R1265) van de Commissie"},{"i":6179,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 november 2023, 3719196-1056311-VGP, houdende de aanwijzing van Nutri-Score als voedselkeuzelogo en van de gebruiksvoorwaarden ervan (Warenwetregeling aanwijzing voedselkeuzelogo) Gelet op: de artikelen 36 en 38 van [Verordening (EU) nr. 1169/2011](32011R1169) van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van [Verordeningen (EG) nr. 1924/2006](32006R1924) en [(EG) nr. 1925/2006](32006R1925) van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [Richtlijn 87/250/EEG](31987L0250) van de Commissie, [Richtlijn 90/496/EEG](31990L0496) van de Raad, [Richtlijn 1999/10/EG](31999L0010) van de Commissie, [Richtlijn 2000/13/EG](32000L0013) van het Europees Parlement en de Raad, [Richtlijnen 2002/67/EG](32002L0067) en [2008/5/EG](32008L0005) van de Commissie, en [Verordening (EG) nr. 608/2004](32004R0608) van de Commissie (PbEU 2011, L 304); artikel 23 van [Verordening (EG) nr. 1924/2006](32006R1924) van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (PbEU 2006, L 404); [artikel 11, eerste en derde lid, van het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033323&artikel=11); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **Nutri-Score:** Uniemerk dat door Santé publique France is geregistreerd bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie; - –. **Gebruiksvoorwaarden:** de regels voor gebruik van Nutri-Score, gepubliceerd op [www.nutriscorevoorbedrijven.nl](onbekend), getiteld ‘Nutri-Score reglement’. Artikel 2 Nutri-Score wordt aangewezen als voedselkeuzelogo. Bij het gebruik van Nutri-Score worden de gebruiksvoorwaarden in acht genomen. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling aanwi"},{"i":6143,"b":"Besluit van 13 december 1993, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit Invoer levensmiddelen uit derde landen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 19 augustus 1993, nr. DGVgz/VVP/L 931301, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=9), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13) en [14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14); Gezien het advies van de Adviescommissie [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) van 9 juni 1993, nummer 14678/(4/6)5; De Raad van State gehoord (advies van 19 oktober 1993, nr. W13.93.0571); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 29 november 1993 nr. DGVgz/VVP/L 932308, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **bindend EG-besluit:** een krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap met betrekking tot eet- en drinkwaren tot stand gekomen verordening, richtlijn of beschikking, die in het belang van de volksgezondheid regels stelt ten aanzien van de invoer, of het na invoer verhandelen daarvan, in de Europese Unie van eet- of drinkwaren die: - 1°. afkomstig zijn uit of van oorsprong zijn uit een gebied of een land waar een besmettelijke ziekte heerst, die via die eet- of drinkwaren op de mens kan worden overgebracht; of - 2°. een gevaarlijke stof of micro-organisme bevatten, waardoor die eet- of drinkwaren niet geschikt zijn voor menselijke consumptie; - b. **Richtlijn 92/118/EEG** : [Richtlijn 92/118/EEG](31992L0118) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 dece"},{"i":8342,"b":"Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag van 19 juni 1951 tussen de Staten die Partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten met betrekking tot de in het Koninkrijk der Nederlanden gestationeerde Duitse strijdkrachten Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, Gelet op het Noord-Atlantisch Verdrag van 4 april 1949, Indachtig hun Verdrag inzake de stationering van strijdkrachten van de Bondsrepubliek Duitsland in het Koninkrijk der Nederlanden van 6 oktober 1997, Ingevolge het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten van 19 juni 1951, In overeenstemming met de Nederlands-Duitse notawisseling van 18 maart 1993, Geleid door de wens voor het verblijf van de Bundeswehr, haar leden en hun gezinsleden in het Koninkrijk der Nederlanden aanvullende regelingen te treffen die vergelijkbaar zijn met die welke voor het Nederlandse militaire personeel, de leden van de civiele dienst van de Nederlandse strijdkrachten en hun gezinsleden in de Bondsrepubliek Duitsland gelden, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel van de Overeenkomst Het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten van 19 juni 1951 (hierna te noemen „Navo-Status Verdrag\") wordt wat betreft de rechten en verplichtingen van de strijdkrachten van de Bondsrepubliek Duitsland op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden aangevuld met de bepalingen van deze Aanvullende Overeenkomst. Artikel 2. Begripsbepalingen 1. Bundeswehr: de „krijgsmacht\" en de „civiele dienst\" van de Bondsrepubliek Duitsland als bedoeld in artikel I, eerste lid, onder a respectievelijk b, van het NAVO-Status Verdrag. 2. Gezinslid: de echtgeno(o)t(e) van een lid van de krijgsmacht of van de civiele dienst, alsmede een kind van een zodanig lid, dat van hem of haar afhankelijk is voor zijn onderhoud. Indien een lid van"},{"i":5143,"b":"Protocol Accountantsonderzoek CAK Bestuurlijke verantwoording 2018 1. Inleiding Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben in het Model Jaarverslaggeving CAK Bestuurlijke verantwoording 2018 voorschriften opgenomen voor de inrichting van de bestuurlijke verantwoording 2018 van het CAK. Het model bevat modellen waarmee het CAK zijn bestuurlijke verantwoording moet inrichten. De regels voor het accountantsonderzoek en voor de inhoud en inrichting van het accountantsverslag hebben VWS en de NZa vastgelegd in dit Protocol Accountantsonderzoek CAK Bestuurlijke verantwoording 2018 (protocol).1Op basis van artikel 31 Wmg kan de NZa regels stellen voor de inhoud en inrichting van de verklaring en van het accountantsverslag zoals bedoeld in artikel 4.3.1 Wlz. Artikel 6.2.6 (lid 1) Wlz geeft aan dat artikel 4.3.1 (lid 1 tot en met 4) Wlz van overeenkomstige toepassing is op het CAK. Dit protocol geeft richtlijnen voor het door de externe accountant uit te voeren onderzoek naar de: Het doel van dit protocol is niet om de aanpak van het onderzoek voor te schrijven, maar om de kaders te geven waarbinnen het onderzoek moet plaatsvinden. De accountant is zelfstandig verantwoordelijk voor het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van voldoende en geschikte controle-informatie als basis voor zijn oordeel. De accountant hanteert het protocol als kader voor zijn werkzaamheden. Daarnaast laat hij zich leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA), de Verordening inzake onafhankelijkheid van de accountant bij assurance opdrachten (VIO) en de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). De externe accountant geeft de uitkomst van zijn onderzoek weer in: Het CAK moet de verantwoordingsdocumenten vergezeld van de accountantsproducten vóór 1 juli2De aanleverdatum zoals overeengekomen tussen partijen is gevolgd voor het verantwoor"},{"i":8343,"b":"Aanvullende Overeenkomst op het Nederlands-Tsjechoslowaakse Handelsverdrag van 20 januari 1923 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Tsjechoslowakije zijn, na ondertekening van het Protocol, houdende voorlopige toepassing der Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, waarvan de authenticiteit werd vastgesteld door de Slotakte, goedgekeurd aan het einde van de tweede zitting der Voorbereidende Commissie van de Conferentie der Verenigde Naties over Handel en Werkgelegenheid en getekend te Genève op 30 October 1947, het volgende overeengekomen: Artikel I Van de dag af der (zelfs voorlopige) inwerkingstelling door beide partijen der Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel zullen de verdragsrechten, vastgesteld bij de Aanvullende Overeenkomst van 9 April 1934 op het Handelsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tsjechoslowakije, getekend te Den Haag, op 20 Januari 1923, niet langer worden toegepast. Beide Regeringen komen overeen, dat het invoerrecht voor Edammer en Goudse kaas van Nederlandse oorsprong, vastgesteld in de Aanvullende Schikking van 1 December 1931, in verband met de algemene herwaardering van het Tsjechoslowaakse tarief, vastgesteld zal worden op 500 Kcs. per 100 kg. Artikel II In geval één der beide partijen de toepassing van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel zou staken, zullen beide Regeringen binnen zes maanden in onderhandeling treden. De in de Algemene Overeenkomst genoemde tariefsconcessies, welke te Genève tussen Tsjechoslowakije en de z.g. „Benelux”-landen (de Belgisch Luxemburgse Economische Unie en Nederland) zijn overeengekomen, zullen tussen beide partijen van kracht blijven tot de inwerkingtreding van de nieuwe overeenkomst, die zij zullen sluiten, uitgaande van de directe en indirecte concessies, die zij genieten krachtens de Algemene Overeenkomst. Niettemin kunnen de in de Algemene Overeenkomst genoemde concessies, welke te Genève"},{"i":5085,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 december 2015, 2015-0000305694, houdende de inrichting van de directie Stelsel en Volksverzekeringen alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Stelsel en Volksverzekeringen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Stelsel en Volksverzekeringen 2015) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=3), en [10 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directeur-generaal Sociale Zekerheid en Integratie 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=10); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **SV:** de directie Stelsel en Volksverzekeringen van het ministerie; - b. **SUWI-organisaties:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5), de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6) en het Inlichtingenbureau, genoemd in [artikel 63 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=63); - c. **Wet SUWI:** de [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060). § 2. Organisatie en taken afdelingen Artikel 2 De directie SV bestaat uit de volgende taakvelden: - a. taakveld Strategie & Stelsel, Kennis & Onderzoek; - b. taakveld Eigenaarschap zbo’s; - c. taakveld Handhaving en Gegevensuitwisseling; - d. taakveld Volksverzekeringen. Artikel 3 Het hoofd van het taakveld Strategie & Stelsel, Kennis & Onderzoek is verantwoordelijk voor de volgende algemene taken: - a. het ontwikkelen van een strategische visie op de werking van het stelsel van werk en inkomen; - b. het verrichten van analyses en het uitvoeren van strategische verkenningen voor de lan"},{"i":5144,"b":"Protocol Accountantsonderzoek CAK Bestuurlijke verantwoording 2019 **Bestuurlijke verantwoording 2019** Vastgesteld op 3 maart 2020 1. Inleiding Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben in het [Model Jaarverslaggeving CAK Bestuurlijke verantwoording 2019](onbekend) voorschriften opgenomen voor de inrichting van de bestuurlijke verantwoording 2019 van het CAK. Het model bevat modellen waarmee het CAK zijn bestuurlijke verantwoording moet inrichten. De regels voor het accountantsonderzoek en voor de inhoud en inrichting van het accountantsverslag hebben VWS en de NZa vastgelegd in dit Protocol Accountantsonderzoek CAK Bestuurlijke verantwoording 2019 (protocol).1Op basis van artikel 31 Wmg kan de NZa regels stellen voor de inhoud en inrichting van de verklaring en van het accountantsverslag zoals bedoeld in artikel 4.3.1 Wlz. Artikel 6.2.6 (lid 1) Wlz geeft aan dat artikel 4.3.1 (lid 1 tot en met 4) Wlz van overeenkomstige toepassing is op het CAK. Dit protocol geeft richtlijnen voor het door de externe accountant uit te voeren onderzoek naar de: Het doel van dit protocol is niet om de aanpak van het onderzoek voor te schrijven, maar om de kaders aan te geven waarbinnen het onderzoek moet plaatsvinden. De accountant is zelfstandig verantwoordelijk voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden ter verkrijging van voldoende en geschikte controle-informatie als basis voor zijn oordeel. De accountant hanteert het protocol als kader voor zijn werkzaamheden. Daarnaast laat hij zich leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de [Verordening gedrags- en beroepsregels accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635) (VGBA), de [Verordening inzake onafhankelijkheid van de accountant bij assurance opdrachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034652) (VIO) en de [Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043234) (NV COS). De ex"},{"i":7093,"b":"Protocol betreffende de rechtsbescherming van de personen in dienst van het Benelux-Merkenbureau en het Benelux-Bureau voor tekeningen of modellen De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op het [Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof inzake de rechtsbescherming van de personen in dienst van de Benelux Economische Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004547), ondertekend te 's-Gravenhage op 29 april 1969, Verlangende aan de personen in dienst van het Benelux-Merkenbureau en van het Benelux-Bureau voor tekeningen of modellen dezelfde rechtsbescherming te verlenen als die, welke door genoemd [Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004547) is toegekend aan de personen in dienst van de Benelux Economische Unie, Gelet op het door de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad op 30 november 1973 uitgebrachte advies, Hebben tot dat doel besloten een Protocol te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1. Definities Vervallen Rechtsbescherming Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Slotbepalingen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend. GEDAAN te Brussel, op 11 mei 1974, in drievoud, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek. Rechtsbescherming Slotbepalingen"},{"i":6546,"b":"Besluit van 2 september 1994, houdende wijziging van de Premiespaarregeling Rijksambtenaren 1968 met betrekking tot de toegang van de regeling voor militaire ambtenaren en burgerambtenaren werkzaam bij het Ministerie van Defensie Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 16 juni 1994, nr. PAV6185/94015632; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 25 juli 1994, nr. W07.94.0371); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 29 augustus 1994, nr. PAV6185/94019332; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. De militaire ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1) die vóór 1 januari 1994 op zijn bijzondere spaarrekening in de zin van artikel 4 van de Premiespaarregeling Rijksambtenaren 1968 een op zijn bezoldiging ingehouden bedrag had uitstaan, komt in aanmerking voor de toekenning van een spaarpremie over dat bedrag met overeenkomstige toepassing van die regeling. 2. De militaire ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1) die vóór 1 januari 1994 betalingen heeft verricht in de zin van artikel 5 van de Premiespaarregeling Rijksambtenaren 1968 komt in aanmerking voor de toekenning van een premie met overeenkomstige toepassing van die regeling. Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. 2. [Artikel I, onder B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006901&artikel=I&z=1994-09-30&g=1994-09-30), werkt terug tot en met 1 april 1993. 3. [Artikel I, onder A](https://wetten.ove"},{"i":3795,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 1 november 2021, nr. 3612099 strekkende tot een noodoplossing voor het verlengen van boa-aktes naar aanleiding van de grootschalige IT-storing binnen Justis Gelet op [artikel 6, tweede en derde lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=6). Besluit: Voor individuele boa-aktes, alsmede categoriale besluiten, waarvan de geldigheidsduur in de periode van 1 november 2021 tot 2 januari 2022 verloopt geldt dat deze hun geldigheid zullen behouden gedurende twee maanden volgend op de datum waarop de geldigheid zou verlopen. Dit onder dezelfde voorwaarden als waaronder deze aktes reeds waren verleend. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2011,"b":"Wet van 18 december 1995, tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op belastingen van rechtsverkeer en enkele andere belastingwetten in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen ter bestrijding van het ongewenste gebruik van wettelijke regelingen met betrekking tot onroerende zaken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst, en werkt met uitzondering van [artikel II, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007756&artikel=II&z=1995-12-29&g=1995-12-29), [artikel III, onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007756&artikel=III&z=1995-12-29&g=1995-12-29).2, en het in [artikel III, onderdeel H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007756&artikel=III&z=1995-12-29&g=1995-12-29), opgenomen [artikel 55 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=55), terug tot en met 31 maart 1995, 18.00 uur. 2. Met betrekking tot verkrijgingen als bedoeld in [artikel III, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007756&artikel=III&z=1995-12-29&g=1995-12-29), vangt de in het in [artikel III, onderdeel H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007756&artikel=III&z=1995-12-29&g=1995-12-29) opgenomen artikel 54, eerste lid, bedoelde termijn niet eerder aan dan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 3. Met betrekking to"},{"i":4349,"b":"Besluit van 16 juli 2013, houdende vaststelling van de minimumeisen voor de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 mei 2013, kenmerk 118705-104010-WJZ, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 5a, vijfde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=5a), [7b, vijfde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=7b), [5b, vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=5b), [9a, vijfde lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=9a), [artikel 16 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=16), [16, negende lid, van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=16), [1.3.9, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.3.9), [5, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=5), [1.21, vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.21), [4b, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=4b), [3a, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=3a), [1.51a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.51a) en [2.9a, vijfde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteits"},{"i":3462,"b":"Besluit van 8 april 2016, houdende regels voor archeologische opgravingen (Besluit Erfgoedwet archeologie) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 11 september 2015, nr. WJZ/811629 (10522), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 5.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=5.1), en [5.5, van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=5.5); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 november 2015, nr. W05.15.0317/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 1 april 2016, nr. WJZ/870410 (6723), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanwijzing:** aanwijzing als bedoeld in [artikel 5.2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=5.2). - **certificaathouder:** degene in het bezit van een certificaat afgegeven door een certificerende instelling; - **certificerende instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 5.2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=5.2); - **wet:** [Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521). Hoofdstuk 2. Uitzonderingen op het opgravingsverbod Artikel 2.1. Universiteiten en hogescholen 1. Het opgravingsverbod in [artikel 5.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=5.1), is niet van toepassing op universiteiten en hogescholen als bedoeld in de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682), voor zover het opgravingen betreft die zijn verbonden met het onderwijs, bedoeld in [artikel 1.3, eerste en derde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.3). 2. De [artikelen 5.4, eerste en tweede lid](htt"},{"i":6228,"b":"Wet van 18 juli 2009 tot herindeling van de gemeenten Horst aan de Maas, Meerlo-Wanssum, Sevenum en Venray Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Horst aan de Maas, Sevenum en een deel van de gemeente Meerlo-Wanssum samen te voegen en het andere deel van de gemeente Meerlo-Wanssum toe te voegen aan de gemeente Venray; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling en grenswijziging van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Horst aan de Maas, Meerlo-Wanssum en Sevenum opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Horst aan de Maas ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Horst aan de Maas, Sevenum en een deel van de op te heffen gemeente Meerlo-Wanssum, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 Met ingang van de datum van herindeling wordt de grens van de gemeente Venray gewijzigd, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Horst aan de Maas wordt de op te heffen gemeente Horst aan de Maas aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Horst aan de Maas en Sevenum wordt de nieuwe gemeente Horst aan de Maas aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39)"},{"i":6019,"b":"Besluit van 21 februari 2006, houdende vaststelling van nadere regels over de verplichting tot betaling van het volgrecht en vaststelling van de hoogte van het volgrecht Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 8 juni 2005, nr. 5355752/05/6, Directie Wetgeving, Sector Privaatrecht; Gelet op [artikel 43b van de Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=43b); De Raad van State gehoord (advies van 24 juni 2005, nr. W03.05.0219/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 15 februari 2006, nr. 5403483/06/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Auteurswet 1912 (volgrecht t.b.v. auteur oorspronkelijk kunstwerk) (Stb. 2006/60) in werking treedt. Artikel 1 De vergoeding, bedoeld in [artikel 43a, eerste lid, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=43a) is niet verschuldigd bij de verkoop van een origineel van een kunstwerk: - a. waarvan de verkoopprijs niet hoger is dan € 3.000, of - b. dat de verkoper minder dan drie jaren voor deze verkoop heeft verkregen van de maker van dat werk, en de verkoopprijs niet hoger is dan € 10.000, of - c. door een persoon, niet handelend als een professionele kunsthandelaar, aan een museum dat handelt zonder winstoogmerk en is opengesteld voor het publiek. Artikel 2 De vergoeding, bedoeld in [artikel 43a, eerste lid, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=43a) wordt als volgt berekend, met dien verstande dat het totaal niet meer bedraagt dan € 12.500: - a. 4% van het deel van de verkoopprijs tot en met € 50.000; - b. 3% van het deel van de verkoopprijs van € 50.000,01 tot en met € 200.000; - c. 1% van het deel van de verkoopprijs van € 200.000,01 tot en met € 350.000; - d. 0,5% van het deel van de verkoopprijs van € 350.000,01 tot en met € 500.000; en - e. 0,25% van het deel van de verkoopprijs hoger dan € 500.000. Artikel 3 De in [artikel 1](https://wetten.ov"},{"i":4882,"b":"Besluit van de directeur van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 6 juni 2023, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit NCSC 2023 Ministerie van Justitie en Veiligheid) Gelet op [artikel 3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Gelet op het bepaalde in het [Mandaatbesluit Hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699); Gelezen het bepaalde in [artikel 63h1 van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=63h1); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel j, van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de directeur van het Nationaal Cyber Security Centrum verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun unit of afdeling betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van de unit Operatie; - b. het hoofd van de unit Samenwerking en Kennisuitwisseling; - c. het hoofd van de unit Informatievoorziening en Techniek; - d. het hoofd van de afdeling Staf. Artikel 2 Aan de directeur van het Nationaal Cyber Security Centrum blijft voorbehouden: - a. de bevoegdheid om beslissingen te nemen inzake aanstelling, bevordering en ontslag van en het treffen van disciplinaire maatregelen jegens functionarissen op functies van schaal 13 en hoger; - b. de bevoegdheid tot inhuur van interim-management, organisatie- en formatieadvies, communicatieadvies en beleidsadvies. Artikel 3 Onverminderd het bepaalde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048278&artikel=2&z=2023-06-17&g=2023-06-17) worden de in [artikel 1, onderdeel a tot en met d](https://wette"},{"i":4568,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 maart 2025, kenmerk 4043552-1077338-Z, houdende vaststelling van een derde nadere aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2024 (Derde nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2024) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2024 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 2,629 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050461&artikel=1). Artikel 2 Het bedrag, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050867&artikel=1&z=2025-03-22&g=2025-03-22), is bestemd voor de Sociale verzekeringsbank. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Derde nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2378,"b":"Beleidsregel afvoersysteem voor werkdekken van vissersvaartuigen Gelet op [artikel 2.16, eerste en tweede lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](onbekend); Besluit: Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op vissersvaartuigen die zijn geregistreerd in het register, bedoeld in [artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen](onbekend). Artikel 2 1. Een afvoersysteem als bedoeld in [artikel 2.16, eerste en tweede lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](onbekend) wordt in elk geval als efficiënt aangemerkt indien het voldoet aan de volgende voorwaarden: - a. aan de achterzijde van de visverwerkingsruimte is een dwarsscheeps geplaatste afvoergoot met aan stuurboord- en bakboordzijde aangebrachte lensputten die geschikt zijn voor het afvoeren van spoelwater en visafval, aan de voorzijde kan worden volstaan met het aan stuurboord- en bakboordzijde aanbrengen van een lensput; - b. op elke aan de achterzijde van de visverwerkingsruimte aangebrachte lensput is een lenspomp van voldoende capaciteit aangesloten die geschikt is voor het overboord pompen van het spoelwater en het visafval en deze lensputten staan met elkaar in verbinding zodat elke lenspomp kan dienen als reserve voor de andere pomp; - c. indien de afvoergoot is aangebracht in een dekgedeelte dat niet de volle breedte van de visverwerkingsruimte beslaat, kan worden volstaan met het aanbrengen van één lensput waarop ten minste twee onafhankelijke lenspompen zijn aangesloten, die ieder geschikt en van voldoende capaciteit zijn voor het overboord pompen van het spoelwater en het visafval; - d. de lensputten aan de voorzijde van de visverwerkingsruimte zijn aangesloten op een afzonderlijke lenspomp; - e. de lensputten aan de voorzijde van een visverwerkingsruimte die is gelegen boven een andere visverwerkingsruimte kunnen worden gelensd op de lensputten van de onderste visverwerkingsruimte, mits hiermee rekening is gehouden bij het bepalen van de capaciteit van de desbetreffende lenspomp of l"},{"i":2963,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 juni 2016, nr. DGBI-I&K/16083120, houdende aanwijzing van de managementautoriteit, de certificeringsautoriteit, de auditautoriteit en het Comité van Toezicht voor het samenwerkingsprogramma Euregio Maas-Rijn 2014–2020 Gelet op: artikel 21, eerste lid, van verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling ‘Europese territoriale samenwerking’ (PbEU L 247/359); artikel 47, derde lid, van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1083/2006](32006R1083) van de Raad (PbEU L 347/320); de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034784&artikel=3) en [5 van de Uitvoeringswet EFRO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034784&artikel=5); Gezien het verzoek van het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg van 10 mei 2016 en van 20 mei 2016; Gezien het verzoek van de directeur van de Auditdienst Rijk van 17 mei 2016; Gezien de aanvaarding van de uitnodiging tot deelname aan het samenwerkingsprogramma door deelname aan het Comité van Toezicht van INTERREG V A Euregio Maas-Rijn 2014–2020 op 4 maart 2016 Gezien de overeenkomst tussen de programmapartners inzake de uitvoering van het programma voor grensoverschrijdende samenwerking INTERREG V A Euregio Maas-Rijn 2014–2020; Gezien de vaststelling van het R"},{"i":6563,"b":"Besluit van 27 augustus 2003, houdende wijziging van het Reglement rijbewijzen ter implementatie van richtlijn nr. 2000/56/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 14 september 2000 tot wijziging van richtlijn nr. 91/439/EEG van de Raad betreffende het rijbewijs (PbEG L 237) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 juli 2003, nr. HDJZ/AWW/2003–1447, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 2000/56/EG](32000L0056) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 14 september 2000 tot wijziging van [richtlijn 91/439/EEG](31991L0439) van de Raad betreffende het rijbewijs (PbEG L 237) en op [artikel 111, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); De Raad van State gehoord (advies van 4 augustus 2003, nr. W09.03.0295/V; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 augustus 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-1854, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I [Wijzigt het Reglement rijbewijzen.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074) Artikel II Wijzigt het [Reglement rijbewijzen.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074) Artikel III Ten aanzien van voertuigen onderscheidenlijk combinaties van voertuigen, vóór de datum van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen H tot en met K, van dit besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015514&artikel=I&z=2004-04-01&g=2004-04-01) in gebruik als examenvoertuig onderscheidenlijk als examencombinatie voor het praktijkexamen voor de rijbewijscategorieën C, E bij C, D en E bij D blijven de [artikelen 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=73), [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=74), [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=76) en [77 van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=77) zoals die artikelen luidden vóór de datum"},{"i":4538,"b":"Circulaire WGA premieverhaal 2010 Met deze circulaire wordt het premiepercentage voor werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA) vanaf 1 januari 2010 op nihil gesteld. Een werkgever mag op grond van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) zijn lasten voor de uitvoering van WGA voor maximaal de helft verhalen op zijn werknemer. Hoewel deze lasten per werkgever binnen de sector Rijk verschillen is bij de introductie van de premie WGA afgesproken om voor het verhaal op de rijksambtenaar van één premiepercentage uit te gaan. Dat percentage wordt jaarlijks vastgesteld op basis van de gegevens van de werkgever in de sector Rijk met de laagste WGA lasten. In december 2009 werd het premiepercentage voor het jaar 2010 aldus vastgesteld op 0,1%. Thans blijkt echter, dat de laagste WGA lasten binnen de sector op een ander niveau liggen, zodat het premiepercentage vanaf 1 januari 2010, met terugwerkende kracht, op nihil kan worden gesteld. P-Direkt zorgt er voor, dat vanaf februari 2010 geen WGA premie meer op het salaris van de ambtenaar verhaald wordt en dat de premie van de maand januari gerestitueerd wordt. Ik verzoek u om de bij uw organisatie werkzame ambtenaren via een bericht op uw intranetsite van de inhoud van de premiewijziging op de hoogte te stellen."},{"i":3816,"b":"Besluit van de Raad voor de Praktijkopleidingen houdende regels inzake ondermandaat en machtiging (Besluit ondermandaat en machtiging Raad voor de Praktijkopleidingen) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gelet op het [Besluit mandaat en machtiging bestuur NBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034104); Besluit als volgt: Artikel 1 De Raad voor de Praktijkopleidingen verleent ondermandaat en machtiging aan het hoofd educatie en praktijkopleidingen en de beleidsmedewerker educatie en praktijkopleidingen om besluiten te nemen en handelingen te verrichten ter uitvoering van de bevoegdheden of taken van de [Verordening op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795) en de [Nadere voorschriften op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049), met uitzondering van het bepaalde in [artikel 6, derde lid, van die verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=6). Artikel 2 Het krachtens ondermandaat of machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: Het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants, namens deze, de Raad voor de Praktijkopleidingen, namens deze: (handtekening) (naam functionaris) (functie) Artikel 3 Het [Besluit ondermandaat en machtiging Raad voor de Praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034147) van (Stcrt. 2013, 30105) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondermandaat en machtiging Raad voor de Praktijkopleidingen."},{"i":4496,"b":"Circulaire Inwerkingstelling Uitvoeringsovereenkomst Akkoord van Schengen Circulaire aan de Korpschefs Politieregio's en de Commandant der Koninklijke Marechaussee; i.a.a. de Procureurs-Generaal (fgd. Directeuren van Politie) De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Op 26 maart 1995 wordt de Uitvoeringsovereenkomst bij het Akkoord van Schengen in werking gesteld voor wat betreft de landen: België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Portugal en Spanje. Het circulatierecht geldt niet voor houders van een tot één of meerdere Schengenstaten territoriaal beperkt visum. Ik verzoek u de onder u ressorterende ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen terzake in te lichten. Bovenstaande aanwijzingen zullen voor zover nodig, te zijner tijd in de [Vreemdelingencirculaire 1994](onbekend) worden verwerkt."},{"i":2583,"b":"Beleidsregels aanvraag ontheffing als bedoeld in de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus Gelet op [artikel 5, vierde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Een aanvraag tot ontheffing, bedoeld in [artikel 5, vierde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=5), wordt ingediend bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, door: - a. het College van procureurs-generaal, indien de betrokkene als officier van justitie aangesteld is of zal worden; - b. de korpsbeheerder van het desbetreffende regionale politiekorps, indien de betrokkene als politieambtenaar, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder a en c, of tweede lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=3) aangesteld is of zal worden; - c. de betrokkene zelf, indien hij als politieambtenaar, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder a en c, of tweede lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=3), bij het Korps landelijke politiediensten aangesteld is of zal worden, door tussenkomst van en na overleg met de korpschef van het Korps landelijke politiediensten; - d. de betrokkene zelf, indien hij als opsporingsambtenaar bij de Koninklijke marechaussee aangesteld is of zal worden, door tussenkomst van en na overleg met de commandant van de Koninklijke marechaussee; - e. de werkgever voor de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar, indien de betrokkene als buitengewoon opsporingsambtenaar aangesteld is of zal worden. Artikel 2 Een aanvraag tot ontheffing wordt slechts ingewilligd, indien de functie als opsporingsambtenaar en de werkzaamheden bij de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau zich zodanig tot elkaar verhouden dat het gevaar voor vermenging van taken en het gevaar voor overdra"},{"i":3190,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 9 mei 2022 nr. BOACAT2022/032, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Almelo Gelezen het verzoek van de gemeente Almelo van 22 maart 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046661&artikel=2&z=2023-03-16&g=2023-03-16). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder of handhaver openbare ruimte in dienst van de gemeente Almelo, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Re"},{"i":4164,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 26 november 2007, nr. DJZ/BR/1133-2007, tot vaststelling van een overgangsbepaling voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (ORET) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op de [artikelen 7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) en [7.3, onder h, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.3); Besluit: Artikel 1 1. Op aanvragen voor subsidieverlening in het kader van het programma voor ontwikkelingsrelevante exporttransacties (ORET) die voor 1 augustus 2007 zijn ingediend en op 31 december 2007 nog in behandeling zijn, blijven de beleidsregels, vastgesteld bij [besluit van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 5 mei 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019831), zoals gewijzigd bij besluit van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 29 maart 2007, van toepassing. 2. Op aanvragen als bedoeld in het eerste lid, die in 2007 zijn ingediend blijft tevens het [besluit van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 1 december 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020686) tot vaststelling van een subsidieplafond, zoals gewijzigd bij besluit van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 29 maart 2007, van toepassing. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008 Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7586,"b":"Besluit van 15 december 2016, houdende nadere regels betreffende de verwerking van persoonsgegevens in verband met de selectieve woningtoewijzing ter beperking van overlastgevend en crimineel gedrag Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 5 september 2016, nr. 2016-0000563899, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op [artikel 5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019388&artikel=5) en [artikel 10b, achtste en negende lid, van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019388&artikel=10b), en [artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 november 2016, nr. W04.16.0246/l); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst, in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie, van 12 december 2016, nr. 2016-0000777688, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek, enz. (selectieve woningtoewijzing ter beperking overlastgevend en crimineel gedrag) in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **bestand:** gestructureerd geheel van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4, onderdeel 6, van de Algemene verordening gegevensbescherming; - –. **bereidverklaring:** schriftelijke verklaring van of namens de eigenaar van een woonruimte dat hij bereid is die woonruimte aan de aanvrager van de huisvestingsvergunning in gebruik te geven; - –. **functionaris voor de gegevensbescherming:** functionaris voor de gegevensbescherming als bedoeld in artikel 37 van de Algemene verordening gegevensbescherming; - –. **persoonsgegevens:** persoonsgegev"},{"i":4875,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 december 2004, nr. TRCJZ/2004/6409, houdende verlening van mandaat en volmacht aan ambtenaren van de Dienst Regelingen (Mandaatbesluit LNV Dienst Regelingen 2005) Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Paragraaf 2. Financieel mandaat en machtiging Artikel 6 Vervallen Paragraaf 3. Bestuursdwang, last onder dwangsom, dwangbevel, invordering, aanwijzing deskundigen, hertaxatie Artikel 7 Vervallen Paragraaf 4. Bezwaar, beroep en procesmachtiging Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Paragraaf 5. De binnenvisserij, kustvisserij en visserijzone Artikel 11 Vervallen Paragraaf 6. De Flora- en faunawet Artikel 12 Vervallen Paragraaf 7. De Boswet Artikel 13 Vervallen Paragraaf 8. Het Programma Beheer Artikel 14 Vervallen Paragraaf 9. De Kaderregeling subsidiëring natuurprojecten Artikel 15 Vervallen Paragraaf 10. De Landbouwwet Artikel 16 Vervallen Paragraaf 11. Het Stimuleringskader Artikel 17 Vervallen Paragraaf 12. Meststoffenwetgeving Artikel 18 Vervallen Paragraaf 13. Gezondheids- en welzijnswet voor dieren Artikel 19 Vervallen Paragraaf 14. Overige aangelegenheden Artikel 20 Vervallen Paragraaf 15. Overige bepalingen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen Artikel 23 Vervallen Artikel 24 Vervallen Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst. Paragraaf 1. Algemeen Paragraaf 2. Financieel mandaat en machtiging Paragraaf 3. Bestuursdwang, last onder dwangsom, dwangbevel, invordering, aanwijzing deskundigen, hertaxatie Paragraaf 4. Bezwaar, beroep en procesmachtiging Paragraaf 5. De binnenvisserij, kustvisserij en visserijzone Paragraaf 6. De Flora- en faunawet Paragraaf 7. De Boswet Paragraaf 8. Het Programma Beheer Paragraaf 9. De Kaderregeling subsidiëring natuurprojecten Paragraaf 10. De Landbouwwet Paragraaf 11. Het Stimuleringskader Paragraaf 12. Meststoffenwe"},{"i":3424,"b":"Besluit van 12 november 2012, houdende regels inzake diervoeders (Besluit diervoeders 2012) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 12 juli 2012, nr. 283165, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en na overleg met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [Verordening (EG) nr. 999/2001](32001R0999) van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PbEG 2001, L 147); [Richtlijn 2002/32/EG](32002L0032) van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (PbEG 2002, L 140); [Verordening (EG) nr. 178/2002](32002R0178) van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG 2002, L 31); [Verordening (EG) nr. 1829/2003](32003R1829) van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PbEU 2003, L 268); [Verordening (EG) nr. 1830/2003](32003R1830) van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levenmiddelen en diervoeders en tot wijziging van [Richtlijn 2001/18/EG](32001L0018) (PbEU 2003, L 268); [Verordening (EG) nr. 1831/2003](32003R1831) van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PbEU 2003, L 268); [Verordening (EG) nr. 2160/2003](32003R2160) van het Europees Parlement en de Raad va"},{"i":3058,"b":"Besluit van 22 april 2025, houdende vaststelling van regels over afwijkend gebruik van frequentieruimte (Besluit afwijkend gebruik frequentieruimte) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 30 november 2022, nr. WJZ / 22518489; Gelet op [artikel 3.22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22), en [18.12, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=18.12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 januari 2023, nr. W18.22.00184/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 17 april 2025, nr. WJZ / 98210353; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **afwijkend gebruik van frequentieruimte:** met apparatuur, die voldoet aan [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050986&hoofdstuk=1&artikel=1.3&z=2025-04-29&g=2025-04-29) van dit besluit, inbreuk maken op normaal gebruik van de frequentieruimte, waaronder het onderzoeken, aftasten ten einde informatie te vergaren, en tijdelijk verstoren van frequenties, alsmede het toegang verwerven tot frequenties en het tijdelijk onmogelijk maken van communicatie via frequenties; - **frequentieband:** frequentieruimte binnen de in het frequentieplan, bedoeld in [artikel 3.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.1), aangegeven internationale bandgrenzen; - **onbemand mobiel object:** een zich autonoom of op afstand bestuurd, zich verplaatsend object waaronder drones, robots, voertuigen en vaartuigen; - **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken; - **verantwoordelijke:** - –. Bij de politie: de korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27), als het afwijkend gebruik wordt toegepast door ambtenaren van politie die"},{"i":3067,"b":"Besluit van 25 oktober 2017, houdende regels met betrekking tot de basisregistratie ondergrond (eerste tranche) (Besluit basisregistratie ondergrond) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 26 juni 2017, nr. IenM/BSK-2017/141798, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=9), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=10), [23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=23), en [30, derde lid, van de Wet basisregistratie ondergrond](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=30); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 augustus 2017, nr. W14.17.0181/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 23 oktober 2017, nr. IenM/BSK-2017/224255, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **document:** document in welke vorm dan ook met voor de registratie ondergrond relevante gegevens; - **registratieobject:** beschrijving van een object in of waarneming of schematische weergave van de werkelijkheid, waarover onderling samenhangende gegevens worden vastgelegd; - **wet:** [Wet basisregistratie ondergrond](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095). Hoofdstuk 2. Het register brondocumenten ondergrond § 1. Bodem- en grondonderzoek Artikel 2.1.1 Als brondocument met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde registratieobjecten wordt uitsluitend aangewezen een document met de resultaten van een onderzoek in het kader van een verkenning dat door of in opdracht van een bestuursorgaan is uitgevoerd. Artikel 2.1.2 Met betrekking tot het registratieobject geotechnisch sondeeronderzoek binnen de categorie verkenningen wordt als brondocument aangewezen een document met: - a. de resulta"},{"i":4633,"b":"Het handhavingsbeleid van de AFM en DNB § 1. Inleiding Hieronder wordt ingegaan op het beleid1In 2003 is reeds een handhavingsbeleid bekend gemaakt onder de titel ‘Nota inzake het handhavingsbeleid van de Autoriteit Financiële markten, De Nederlandsche Bank en de Pensioen- & Verzekeringskamer’. Deze beleidsregels zijn in 2008 en thans in 2020 herzien en geactualiseerd. dat door de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank N.V. (DNB), hierna: “de toezichthouders”, wordt toegepast voor de handhaving van de bepalingen van de financiële wet- en regelgeving2Hiermee worden in ieder geval de navolgende wetten en de daarop gebaseerde regelgeving bedoeld: Wet op het financieel toezicht (Wft), Wet handhaving consumentenbescherming (Whc), Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018), Pensioenwet (Pw), Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb), Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000), Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), Sanctiewet 1977 (Sw), Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta), Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni), Wet financiële markten BES (Wfm BES), en Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES (Wwft BES) en de verordeningen als opgenomen in het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten en waarvoor de AFM en/of DNB als bevoegde toezichthouders zijn aangewezen. waarop zij toezicht houden, uit hoofde van de hun bij die wetten toegewezen toezichtstaken. De toezichthouders richten zich op het doen naleven van de normen die in de financiële wet- en regelgeving zijn neergelegd. Uitgangspunt is dat eenieder zich uit eigen beweging normconform gedraagt. Het reguliere toezicht levert daaraan een belangrijke bijdrage. Wanneer het reguliere toezicht niet het gewenste effect heeft of naar verwachting zal hebben, kan normconform gedrag worden bereikt door de inzet van instrumenten (hierna: “handhavingsinstrumenten”). Het hiern"},{"i":4074,"b":"Besluit tot volmacht Colleges financieel toezicht Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het College:** het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=2) onderscheidenlijk het College Aruba financieel toezicht, bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Landsverordening Aruba Financieel Toezicht en het College financieel toezicht Bonaire, Sint Eustatius en Saba, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=2); - b. **voorzitter:** voorzitter van het College; - c. **secretaris:** secretaris van het College. Artikel 2 Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van volmacht gelijkgesteld de verlening van machtiging. Artikel 3 1. Aan de voorzitter wordt volmacht verleend voor aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied. 2. De volmacht heeft geen betrekking op het aangaan en beëindigen van arbeidsovereenkomsten dan wel het aangaan en beëindigen van detacheringsovereenkomsten ten aanzien van medewerkers die aan de secretaris worden toegevoegd en het nemen van besluiten met rechtspositionele gevolgen voor medewerkers met salarisschaal 15 of hoger zoals neergelegd in de CAO Rijk. De volmacht voor deze aangelegenheden is voorbehouden aan de directeur-generaal Koninkrijksrelaties. 3. De voorzitter is bevoegd onder"},{"i":3517,"b":"Besluit van 9 juli 2020, houdende de vaststelling van de periode waarover het inkomen ten behoeve van het garantiebedrag Wajong in aanmerking wordt genomen (Besluit garantiebedrag) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 juni 2020, nr. 2020-0000071198; Gelet op [artikel 8:8, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=8:8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 juni 2020, No. W12.20.0170/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 juli 2020, nr. 2020-0000079379; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder Wajong: [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657). Artikel 2. Periode vaststelling inkomen ten behoeve van het garantiebedrag 1. De periode, bedoeld in [artikel 8:8, tweede lid, van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=8:8) is voor de jonggehandicapte die in het jaar 2020 inkomen geniet sinds: - a. de maand november of eerder: de maanden december 2019 tot en met november 2020; - b. de maand december: de maand januari 2021. 2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden slechts de maanden in aanmerking genomen waarin inkomen is genoten. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid, is de periode, bedoeld in [artikel 8:8, tweede lid, van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=8:8), voor de jonggehandicapte die in het jaar 2020 inkomen heeft in de vorm van belastbare winst uit onderneming, het jaar 2021. 4. Voor de jonggehandicapte die op grond van [artikel 8:8, vierde lid, van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=8:8) recht heeft op een inkomensvoorziening of arbeidsongeschiktheidsuitkering ter hoogte van het garantiebedrag is de periode"},{"i":5145,"b":"Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2020 Bestuurlijke verantwoording 2020 1. Inleiding 1.1. Algemeen Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben in het [Model jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording 2020](onbekend) (verder: model) voorschriften opgenomen voor de inrichting van de bestuurlijke verantwoording 2020 van het CAK. De regels voor het accountantsonderzoek en voor de inhoud en inrichting van het accountantsverslag hebben VWS en de NZa vastgelegd in dit Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2020 (verder: protocol)1Op basis van artikel 31 Wmg kan de NZa regels stellen voor de inhoud en inrichting van de verklaring en van het accountantsverslag zoals bedoeld in artikel 4.3.1 Wlz. Artikel 6.2.6 (lid 1) Wlz geeft aan dat artikel 4.3.1 (lid 1 tot en met 4) Wlz van overeenkomstige toepassing is op het CAK.. Dit protocol geeft richtlijnen voor het door de externe accountant uit te voeren onderzoek naar de in de bestuurlijke verantwoording 2020 opgenomen matrices bestuurlijke verantwoording en financiële verantwoording (verwezen wordt naar het model [paragraaf 2.1 ad 3](onbekend)). Het onderzoek betreft in de basis een controleopdracht conform Standaard 805 van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA). De overige onderdelen van de bestuurlijke verantwoording worden voor dit onderzoek aangemerkt als ‘andere informatie’ (verwezen wordt naar het model bij paragraaf 2.1), waarop Standaard 720 van de NBA van toepassing is. In de bestuurlijke verantwoording legt het CAK verantwoording af met betrekking tot de uitvoering van 13 taken en regelingen. Hiervan is een aantal reeds afgeschaft en vindt enkel nog de afwikkeling plaats door het CAK. Dit betreft als volgt: **Aflopende regelingen:** **Doorlopende regelingen:** Het doel van dit protocol is niet om de aanpak van het onderzoek voor te schrijven, maar om de kaders aan te geven"},{"i":3925,"b":"Besluit van 16 augustus 2006, houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en bijstand (Besluit WWB 2007) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juli 2006, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/SFI/06/54989; Gelet op de [artikelen 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=40), [69, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=69), [70, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=70), [73, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=73), en [74, derde lid, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=74); De Raad van State gehoord (advies van 13 juli 2006, nr. W12.06.0264/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 augustus 2006, nr. W&B/SFI/06/62412; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703); - b. **IOAW:** [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044); - c. **IOAZ:** [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163); - d. **Bbz 2004:** [Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015711); - e. **uitkering:** de uitkering, bedoeld in [artikel 69, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=69), inclusief een uitkering voor de lasten van de door het college toegekende algemene bijstand aan zelfstandigen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Bbz 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015711&artikel=2); - f. **gemeentelijke uitkeringslasten op grond van de PW:** de lasten in het jaar twee"},{"i":8368,"b":"Algemeen Reglement van de Wereldpostunie (Herschikking, aangenomen door het Congres van Doha 2012) Gelet op [artikel 22.2 van de op 10 juli 1964 te Wenen tot stand gekomen Constitutie van de Wereldpostunie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004459&artikel=22), hebben de ondergetekenden, gevolmachtigden van de Regeringen van de lidstaten van de Unie, in gemeenschappelijk overleg en onder voorbehoud van [artikel 25.4 van genoemde Constitutie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004459&artikel=25), in dit Algemeen Reglement de volgende bepalingen vastgelegd die borg staan voor de toepassing van de [Constitutie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004459) en het functioneren van de Unie. HOOFDSTUK I. ORGANISATIE, TAKEN EN FUNCTIONEREN VAN CONGRESSEN, DE RAAD VAN BESTUUR, DE POSTRAAD EN DE ADVIESCOMMISSIE DEEL 1. CONGRES Artikel 101. Organisatie en bijeenroepen van Congressen en buitengewone Congressen ([Const. 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004459&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004459&artikel=15)) 1. Uiterlijk vier jaar na het einde van het jaar gedurende welk het voorgaande Congres heeft plaatsgevonden, komen de vertegenwoordigers van de lidstaten in Congres bijeen. 2. Elke lidstaat laat zich bij het Congres vertegenwoordigen door een of meerdere gevolmachtigden die door hun Regering met de benodigde bevoegdheden zijn bekleed. Een lidstaat kan zich indien nodig laten vertegenwoordigen door de delegatie van een andere lidstaat. Een delegatie kan naast haar eigen land evenwel slechts één ander land vertegenwoordigen. 3. In beginsel wijst elk Congres het land aan waarin het volgende Congres plaatsvindt. Indien deze aanwijzing praktisch onuitvoerbaar blijkt, is de Raad van Bestuur bevoegd een land aan te wijzen waar het Congres zitting houdt, na overleg met dit land. 4. Na overleg met het Internationaal Bureau stelt de uitnodigende Regering de definitieve datum en exacte plaats van het Congres vast. In beginsel een"},{"i":6969,"b":"Burgerlijk Wetboek BES Boek 1 Boek 1. Personen- en familierecht Titel 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Allen die zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevinden, zijn vrij en bevoegd tot het genot van de burgerlijke rechten. 2. Persoonlijke dienstbaarheden, van welke aard of onder welke benaming ook, worden niet geduld. Artikel 2 Het kind waarvan een vrouw zwanger is, wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan. Artikel 3 1. De graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het getal der geboorten, die de bloedverwantschap hebben veroorzaakt. Hierbij telt een erkenning, de verlening van brieven van vaderschap of een adoptie als een geboorte. 2. Door huwelijk ontstaat tussen de ene echtgenoot en een bloedverwant van de andere echtgenoot aanverwantschap in dezelfde graad als er bloedverwantschap bestaat tussen de andere echtgenoot en diens bloedverwant. 3. Door ontbinding van het huwelijk wordt de aanverwantschap niet opgeheven. Titel 2. Het recht op de naam Artikel 4 1. Een ieder heeft de voornamen die hem in zijn geboorteakte zijn gegeven. 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert in de geboorteakte voornamen op te nemen die ongepast zijn, of overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen, tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn. 3. Geeft de aangever geen voornamen op, of worden deze alle geweigerd zonder dat de aangever ze door een of meer andere vervangt, dan geeft de ambtenaar ambtshalve het kind een of meer voornamen, en vermeldt hij uitdrukkelijk in de akte dat die voornamen ambtshalve zijn gegeven. 4. Wijziging van de voornamen kan op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gelast door de rechter in eerste aanleg. Artikel 5 1. Indien een kind in familierechtelijke betrekking staat tot één ouder, heeft het de geslachtsnaam van die ouder. 2. Indien een kind door erkenning in familierechtelij"},{"i":8369,"b":"Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa De Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, de Ierse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groot-Hertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk Zweden, de Turkse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland; Aangezien de Raad van Europa, de vertegenwoordigers van de Leden en het Secretariaat op het grondgebied van de Leden, krachtens artikel 40, lid (**a**) van het Statuut van de Raad van Europa, die voorrechten en immuniteiten genieten welke nodig zijn voor de uitoefening van hun functies; Aangezien krachtens de bepalingen van lid (**b**) van vorengenoemd Artikel, de Leden van de Raad zich hebben verbonden, een overeenkomst te sluiten ten einde de bepalingen van genoemd lid ten uitvoer te leggen; Aangezien overeenkomstig het vorengenoemde lid (**b**), het Comité van Ministers de Regeringen der Leden heeft aanbevolen onderstaande bepalingen aan te nemen; Komen overeen als volgt: TITEL I. Persoonlijkheid, bevoegdheid Artikel 1 De Raad van Europa bezit rechtspersoonlijkheid. Hij heeft de bevoegdheid overeenkomsten aan te gaan, roerende en onroerende goederen te verwerven en te vervreemden en in rechte te verschijnen. In deze aangelegenheden zal de Secretaris-Generaal optreden namens de Raad van Europa. Artikel 2 De Secretaris-Generaal werkt te allen tijde samen met de bevoegde autoriteiten van de Leden ten einde een goede rechtsbediening te bevorderen, de inachtneming van de politie-reglementen te verzekeren en elk misbruik van de voorrechten, immuniteiten, vrijdommen en faciliteiten, welke in dit Verdrag zijn genoemd, te voorkomen. TITEL II. Eigendommen, Fondsen en Bezittingen Artikel 3 De Raad, zijn eigendommen en bezittingen, waar deze ook gelegen zijn en wie deze ook onder zich heeft, zijn vrijgesteld van rechtsvervolging, behoudens wannee"},{"i":8370,"b":"Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van met de grens verband houdende vraagstukken en andere tussen beide landen bestaande problemen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Bondsrepubliek Duitsland, Verlangend, de vriendschappelijke betrekkingen tussen de beide landen te bevorderen en zo gunstig mogelijke voorwaarden te scheppen voor de door beide staten gevolgde politiek van westelijke samenwerking en Europese integratie, Zijn overeengekomen, tussen Hun beide landen bestaande meningsverschillen binnen de door het recht geboden mogelijkheden aan een algemene verdragsregeling te onderwerpen, En hebben daartoe tot Hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken, en de Heer H. R. van Houten, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland: de Heer Heinrich von Brentano, Bondsminister voor Buitenlandse Zaken, en de Heer Rolf Lahr, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur, Die, na uitwisseling van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 Ter regeling van het verloop der gemeenschappelijke landgrens, van de grenswateren, van het grondbezit in de nabijheid van de grens, van het grensoverschrijdende verkeer over land en via de binnenwateren en van andere met de grens verband houdende vraagstukken wordt het Grensverdrag gesloten. Ter regeling van de samenwerking in de Eemsmonding wordt het Eems-Dollardverdrag gesloten. Inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging wordt het Financiële Verdrag gesloten. Ter beslissing over geschillen inzake de uitlegging of toepassing van de Herziene Rijnvaartakte van 1868 (Akte van Mannheim) wordt een Overeenkomst tot aanvaarding van de verplichte rechtsmacht van het Interna"},{"i":6967,"b":"Bijstellingsregeling accijns, belasting van personenauto’s en motorrijwielen, motorrijtuigenbelasting, belastingen op milieugrondslag en Provinciewet 2019 Gelet op de [artikelen 27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a) en [84c van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84c), [artikel 16b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=16b), [artikel 81a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=81a), [artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=90), [artikel 222 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222), de [artikelen XV tot en met XXI van de Wet uitwerking Autobrief II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038313&artikel=XIX) en [artikel VIII van Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041769&artikel=VIII); Besluit: Artikel I Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel II Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel III Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel IV Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel V Wijzigt de Provinciewet. Artikel VI [Artikel 84a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84a) vindt geen toepassing op de in [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041775&artikel=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), opgenomen verhogingen van de accijns. Artikel VII 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Bijstellingsregeling accijns, belasting van personenauto’s en motorrijwielen, motorrijtuigenbelasting, belastingen op milieugrondslag en Provinciewet 2019. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8371,"b":"Algemene Akte nopens vreedzame regeling van internationale geschillen HOOFDSTUK I. — Verzoening. Artikel 1 Geschillen, van welken aard ook tusschen twee of meer Partijen, die tot deze Algemeene Akte zijn toegetreden, welke niet opgelost zijn kunnen worden langs den diplomatieken weg, zullen, behoudens eventueele voorbehouden, bedoeld in artikel 39, worden onderworpen aan de verzoeningsprocedure overeenkomstig de in dit Hoofdstuk vervatte regelen. Artikel 2 De in het vorige artikel bedoelde geschillen zullen voor een vaste of bijzondere Verzoeningscommissie worden gebracht, door de bij het geschil betrokken partijen ingesteld. Artikel 3 Op het verzoek, dat te dien einde door een Verdragsluitende Partij tot een der andere Partijen wordt gericht, zal binnen zes maanden een vaste Verzoeningscommissie moeten worden ingesteld. Artikel 4 Tenzij de betrokken partijen anders overeenkomen, zal de Verzoeningscommissie worden samengesteld als volgt: - 1. De Commissie zal bestaan uit vijf leden. De partijen zullen ieder één hiervan benoemen, die gekozen zal kunnen worden uit haar respectievelijke onderdanen. De drie andere commissarissen zullen in gemeen overleg worden gekozen uit de onderdanen van derde Mogendheden. Deze laatsten zullen van verschillende nationaliteit moeten zijn, zullen niet hun gewoon verblijf moeten hebben op het grondgebied van de betrokken partijen en zich niet in dienst van deze partijen mogen bevinden. De partijen zullen onder deze drie commissarissen den voorzitter van de Commissie aanwijzen. - 2. De commissarissen zullen benoemd worden voor drie jaar. Zij zullen herkiesbaar zijn. De in gemeen overleg benoemde commissarissen zullen met goedvinden der partijen in den loop van hun mandaat vervangen kunnen worden. Iedere partij zal intusschen altijd kunnen overgaan tot de vervanging van den door haar benoemden commissaris. Niettegenstaande hun vervanging zullen de commissarissen in functie blijven voor de beëindiging van de loopende werkzaamheden. - 3. Er"},{"i":8372,"b":"Algemene Overeenkomst betreffende de privileges en immuniteiten van de Internationale Politie Organisatie – INTERPOL The States Parties to this General Agreement: **Considering** that the International Criminal Police Organization – INTERPOL (“ICPO-INTERPOL”) aims, under the terms of its Constitution, to ensure and promote the widest possible mutual assistance between all criminal police authorities within the limits of the domestic laws of its Member Countries and in the spirit of the Universal Declaration of Human Rights, and to establish and develop all institutions likely to contribute effectively to the prevention and suppression of ordinary law crimes, **Reaffirming** the principles and purposes set out in the ICPO-INTERPOL’s Constitution, **Considering** that, in accordance with paragraph 3 of Article 30 of the ICPO-INTERPOL’s Constitution, all the ICPO-INTERPOL’s Member Countries shall do their best to assist the Secretary General and the staff of the ICPO-INTERPOL in the discharge of their functions, **Considering** that, in accordance with Article 31 of the ICPO-INTERPOL’s Constitution, the ICPO-INTERPOL needs the constant and active cooperation of its Member Countries, who should do all within their power which is compatible with the legislation of their countries to participate diligently in its activities, **Considering** that the ICPO-INTERPOL’s mandate, activities and operations take place in the territory of all its Member Countries, with the consequent mobility of persons, goods and services required to carry out these activities and operations, **Considering** also that the Representatives of the Member Countries, the Members of Certain of the ICPO-INTERPOL’s Bodies, and the Officials of the ICPO-INTERPOL must enjoy privileges and immunities in order to discharge their functions on behalf of the ICPO-INTERPOL with complete independence, **Considering** that the purpose of such privileges and immunities is not to benefit individuals but to ensure th"},{"i":8373,"b":"Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel De Regeringen van het Gemenebest van Australië, het Koninkrijk België, de Verenigde Staten van Brazilië, Birma, Canada, Ceylon, de Republiek Chili, de Republiek China, de Republiek Cuba, de Tsjechoslowaakse Republiek, de Franse Republiek, India, Libanon, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Nieuw-Zeeland, het Koninkrijk Noorwegen, Pakistan, Zuid-Rhodesia, Syrië, de Unie van Zuid-Afrika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika; Erkennende, dat hun betrekkingen op het gebied van handel en economie dienen te zijn gericht op verhoging van de levensstandaard, werkgelegenheid voor iedereen en een ruim, gestadig toenemend, reëel inkomen en een grote, gestadig toenemende, effectieve vraag, volledig gebruik van 's werelds hulpbronnen en uitbreiding van de produktie en de goederenruil; Geleid door de wens bij te dragen tot de verwezenlijking van deze doeleinden door het aangaan, op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel, van overeenkomsten die een aanzienlijke verlaging van douanetarieven en een aanzienlijke vermindering van andere handelsbelemmeringen, zomede de afschaffing van discriminerende behandeling in het internationale handelsverkeer, beogen; Zijn door middel van hun vertegenwoordigers het volgende overeengekomen: De Engelse en Franse tekst van de Overeenkomst is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De vertaling is gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De Overeenkomst wordt voorlopig toegepast per 1 januari 1948, zie Trb. 1951/53. Het verdrag is aangevuld en gewijzigd door de in rubriek J van Trb. 1954/129 en rubriek J van Trb. 1956/29 genoemde Protocollen, Overeenkomsten, etc. DEEL I Artikel I. Algehele meestbegunstiging 1. Ten aanzien van in- en uitvoerrechten en enigerlei heffingen terzake van of in verband met in- of uitvoer of terzake van de overmaking naar of uit het buitenland van gelden ter betaling van import"},{"i":6968,"b":"Besluit van 25 juni 1993, houdende bepalingen betreffende de algemene rechtspositie van burgerlijke ambtenaren bij het Ministerie van Defensie Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 1 februari 1993, nr. PAV 2210/93002671; Gelet op [artikel 125 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) 1929; De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 1993, nr. W07.93.0061); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 16 juni 1993, nr. PAV2210/93008950; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Ambtenaar in de zin van dit besluit In dit besluit en de daarop berustende bepalingenen wordt verstaan onder ambtenaar, degene die bij het Ministerie van Defensie in burgerlijke openbare dienst is aangesteld. Artikel 2. Niet toepasselijkheid van dit besluit 1. Dit besluit is niet van toepassing op Onze Minister. 2. De [hoofdstukken 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&hoofdstuk=4&z=2025-04-01&g=2025-04-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&hoofdstuk=5&z=2025-04-01&g=2025-04-01) zijn niet van toepassing op ambtenaren met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen worden voor hen voor elk betrokken dienstvak de nodige bepalingen vastgesteld. 3. Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld, zijn niet van toepassing: - a. [hoofdstuk 2, paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&hoofdstuk=2&paragraaf=4&z=2025-04-01&g=2025-04-01); - b. de [hoofdstukken 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&hoofdstuk=4&z=2025-04-01&g=2025-04-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&hoofdstuk=5&z=2025-04-01&g=2025-04-01); - c. [hoofdstuk 6, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":8374,"b":"Algemene Overeenkomst inzake technische samenwerking tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, Overwegende, dat de volkeren van de gebieden van het Koninkrijk der Nederlanden en van de Verenigde Staten van Amerika een gemeenschappelijk belang hebben bij de economische en sociale vooruitgang, en dat de gezamenlijke pogingen tot uitwisseling van technische kennis en bekwaamheid ertoe zullen bijdragen dat dit doel wordt bereikt, en Overwegende, dat de uitwisseling van technische kennis en bekwaamheid de wederzijdse veiligheid van beide volkeren zal versterken en hun hulpbronnen zal ontwikkelen in het belang van het handhaven van hun veiligheid, en Overwegende, dat de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika zijn overeengekomen mede te werken tot het bevorderen van het internationaal begrip en een goede internationale verstandhouding en tot het handhaven van de wereldvrede, en die stappen te nemen welke zij onderling kunnen overeenkomen teneinde de oorzaken van internationale spanning weg te nemen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Toepassing Deze Overeenkomst is van toepassing op de gebieden Suriname en de Nederlandse Antillen (hierna te noemen „de Gebieden”) voor welker internationale betrekkingen de Nederlandse Regering verantwoordelijk is. Artikel II. Bijstand en Samenwerking 1. De Regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Nederlandse Regering verbinden zich met elkander samen te werken bij het uitwisselen van technische kennis en bekwaamheid en bij daarmede in verband staande werkzaamheden welke erop gericht zijn bij te dragen tot een evenwichtige en geïntegreerde ontwikkeling van de economische hulpbronnen en de productie-capaciteit van de Gebieden waarop deze Overeenkomst van toepassing is. Speciale programma's ten aanzien van de tech"},{"i":8375,"b":"Alomvattend Kernstopverdrag Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag (hierna te noemen „de Staten die Partij zijn\") Verwelkomend de verdragen en andere positieve maatregelen die de voorgaande jaren zijn getroffen op het gebied van nucleaire ontwapening, met inbegrip van reductie van kernwapenarsenalen, alsmede op het gebied van het voorkómen van nucleaire proliferatie in al haar aspecten, Onderstrepend het belang van de volledige en spoedige uitvoering van genoemde verdragen en maatregelen, Ervan overtuigd dat de huidige internationale situatie de gelegenheid biedt verdere effectieve maatregelen te treffen voor nucleaire ontwapening en ter bestrijding van de proliferatie van kernwapens in al haar aspecten, en verklarende hun intentie om dergelijke maatregelen te treffen, Onderstrepend derhalve de noodzaak om systematische en progressieve inspanningen om wereldwijd het aantal kernwapens terug te dringen voort te zetten, met het uiteindelijke oogmerk deze wapens uit te bannen, en te komen tot een algemene en volledige ontwapening onder strikt en doeltreffend internationaal toezicht, Erkennend dat het staken van alle proefexplosies van kernwapens en alle andere kernexplosies, door middel van beperking van de ontwikkeling en kwalitatieve verbetering van kernwapens en beëindiging van de ontwikkeling van geavanceerde nieuwe typen kernwapens, een effectieve maatregel vormt voor nucleaire ontwapening en non-proliferatie in al haar aspecten, Voorts erkennend dat de beëindiging van al deze nucleaire explosies een betekenisvolle stap vormt op weg naar de verwezenlijking van een systematisch proces voor het bereiken van nucleaire ontwapening, Ervan overtuigd dat de meest effectieve wijze om kernproeven te beëindigen het sluiten van een universeel verdrag inzake een alomvattend verbod op kernproeven is, dat internationaal en effectief verifieerbaar is, hetgeen reeds lange tijd een van de belangrijkste streefdoelen van de internationale gemeenschap is geweest op het ge"},{"i":6965,"b":"Besluit van 26 maart 1986, houdende voorwaarden schone en beperkt schone personenauto's Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 4 november 1985, nr. 085-2934, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Wet houdende tijdelijke fiscale maatregelen ter bevordering van het gebruik van ongelode benzine en de aankoop van schone en van beperkt schone personenauto’s (**Stb.** 1986, 112); De Raad van State gehoord (advies van 17 december 1985, nr. W06.85.0580/09.5.51); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 20 maart 1986, nr. 085-3436, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Wet houdende tijdelijke fiscale maatregelen ter bevordering van het gebruik van ongelode benzine en de aankoop van schone en van beperkt schone personenauto’s (**Stb.** 1986, 112) wordt als een schone onderscheidenlijk beperkt schone personenauto aangemerkt een personenauto die is bestemd om te worden voortbewogen door een kracht die wordt ontleend aan lichte olie als is bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel **a**, onder 1°, van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) van minerale oliën (**Stb.** 1964, 207) en die behoort tot een type motorrijtuig waarvan is vastgesteld dat de uitworp van verontreinigende uitlaatgassen niet hoger is dan de in grammen per proef uitgedrukte grenswaarden die zijn gesteld in onderscheidenlijk het tweede lid en het derde lid. 2. Voor een als schoon aan te merken type personenauto: | Met een cilinderinhoud van | is de grenswaarde voor | is de grenswaarde voor | is de grenswaarde voor | | ---"},{"i":6966,"b":"Besluit wijziging huurprijzen woonwagens gelet op artikel 4, vierde lid, van de Overgangsregeling Besluit woninggebonden subsidies; Besluit: De huurprijs bedoeld in artikel 20 van de Regeling geldelijke steun huurwoningen met ingang van 1 juli 1994 vast te stellen op de huurprijs zoals in het kader van hiervoor genoemde regeling per 1 juli 1993 is bepaald, verhoogd met 5,5%."},{"i":6971,"b":"Burgerlijk Wetboek BES Boek 3 Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen Titel 1. Algemene bepalingen Afdeling 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten. Artikel 2 Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. Artikel 3 1. Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken. 2. Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn. Artikel 4 1. Al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak. 2. Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak. Artikel 5 Inboedel is het geheel van tot huisraad en tot stoffering en meubilering van een woning dienende roerende zaken, met uitzondering van boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard. Artikel 6 Rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij te zamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten. Artikel 7 Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan. Artikel 8 Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte recht is bezwaard. Artikel 9 1. Natuurlijke vruchten zijn zaken die volgens verkeersopvatting als vruchten van andere zaken worden aangemerkt. 2. Burgerlijke vruchten zijn rechten die volgens verkeersopvatting als vruchten van goederen worden aangemerkt. 3. De afzonderlijke termijnen van een lijfrente gelden als vr"},{"i":6970,"b":"Burgerlijk Wetboek BES Boek 2 Boek 2. Rechtspersonen Titel 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. De bepalingen van deze titel gelden voor de in dit boek in afzonderlijke rechtsvormen geregelde rechtspersonen: de stichting, de stichting particulier fonds,de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap. 2. [Artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028744&boek=2&titeldeel=1&artikel=3&z=2020-07-08&g=2020-07-08) geldt ook voor andere rechtsvormen die als rechtspersoon hebben te gelden. Voor zover het tegendeel niet uit de wet voortvloeit en de aard van de rechtspersoon zich niet daartegen verzet kunnen de overige bepalingen van deze titel analogisch worden toegepast op die andere rechtspersonen. 3. Van de bepalingen van dit boek kan slechts worden afgeweken voor zover dat uit de wet blijkt. Artikel 2 1. Een rechtspersoon ontstaat niet bij het ontbreken van een door een notaris ondertekende akte, voor zover door de wet voor de totstandkoming vereist. Het ontbreken van kracht van authenticiteit aan een door een notaris ondertekende akte verhindert het ontstaan van de rechtspersoon niet, tenzij het gaat om een uiterste wilsbeschikking. 2. Vernietiging van de rechtshandeling waardoor een rechtspersoon is ontstaan, tast diens bestaan niet aan. Het vervallen van de deelneming van een of meer oprichters van een rechtspersoon heeft op zichzelf geen invloed op de rechtsgeldigheid van de deelneming der overblijvende oprichters. 3. Is ten name van een niet bestaande rechtspersoon een vermogen gevormd, dan verklaart de rechter op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie dat dit vermogen toebehoort aan een bij die beschikking in het leven geroepen rechtspersoon in de voorgewende rechtsvorm. Tenzij een andere oplossing de rechter geraden voorkomt ontbindt de rechter die rechtspersoon bij dezelfde beschikking. Het [zesde tot en met het achtste lid van artikel 24](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":8376,"b":"Arbitrage- en verzoeningsverdrag tussen Nederland en Frankrijk HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN en DE PRESIDENT VAN DE FRANSCHE REPUBLIEK Geleid door de vriendschapsbetrekkingen die gelukkig het Nederlandsche en het Fransche volk vereenigen, In aanmerking nemende het arbitrageverdrag tusschen Nederland en Frankrijk den 6den April 1904 gesloten, op 29 December 1909 verlengd en tot op heden in werking gebleven, Verlangende daarvoor bepalingen in de plaats te stellen die voortaan, in overeenstemming met den vooruitgang van het volkenrecht, in alle gevallen de vreedzame beslechting veroorloven van de geschillen en conflicten, van welken aard ook, die tusschen de beide landen mochten rijzen. Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben elk als hunne gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, HoogstDerzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; De President der Fransche Republiek: den Heer ARISTIDE BRIAND, Afgevaardigde, Oud-President van den Ministerraad, Minister van Buitenlandsche Zaken; den Heer HENRI FROMAGEOT, rechtsgeleerd raadsman van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken, Commandeur van het Legioen van Eer; Die, na hunne volmachten te hebben uitgewisseld welke wederzijds in goeden en deugdelijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 De Hooge verdragsluitende Partijen verplichten zich wederkeerig om in geen enkel geval anders dan langs vreedzamen weg de oplossing te zoeken van de geschillen of conflicten, van welken aard ook, welke mochten rijzen tusschen Frankrijk en Nederland en welke niet binnen redelijken tijd langs de gewone diplomatieke wegen mochten kunnen zijn opgelost. Artikel 2 Alle geschillen, van welken aard ook, die tot voorwerp hebben een recht ingeroepen door een der Hooge verdragsluitende Partijen en betwist door de andere, en welke niet in onderlinge overeenstemming langs de gewone diplomatieke wegen mochten kun"},{"i":4766,"b":"Wet van 19 juni 1997, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kaderwet SZW-subsidies) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de totstandkoming van de derde tranche van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) het wenselijk maakt een wettelijk kader te scheppen voor de verstrekking van subsidies door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of Onze Minister die belast is met de zorg voor een of meer onderdelen van het beleid, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=2&z=2016-01-01&g=2016-01-01). 2. Deze wet is van toepassing op de verstrekking van subsidie door Onze Minister, behoudens indien die subsidie wordt verstrekt krachtens een andere wet. Artikel 2 Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in: - a. het werkgelegenheidsbeleid en het arbeidsmarktbeleid; - b. het arbeidsomstandighedenbeleid; - c. het arbeidsverhoudingenbeleid; - d. het inkomensbeleid; - e. het sociale zekerheidsbeleid; - f. het kinderopvangbeleid; - g. het inburgeringsbeleid en het integratiebeleid. Artikel 3 1. Onverminderd [hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&hoofdstuk=3) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister terzake van de verstrekking van subsidie regels worden gesteld met betrekking tot: - a. de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en wie daarvoor in aanmerking komt; - b. het bedrag van de subsidie dan wel de w"},{"i":2850,"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1992 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1991 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1990; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1992 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3,7. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1992."},{"i":2700,"b":"Beschikking van de minister van Justitie van 6 november 2009, nr. 5627198/09, houdende instelling van de taskforce aanpak kinderporno en kindersekstoerisme Besluit als volgt: Artikel 1 Er is een taskforce bestrijding vervaardigen, verspreiden en downloaden van kinderpornografisch materiaal en bestrijding kindersekstoerisme. Artikel 2 De taskforce levert een bijdrage aan het bereiken van de volgende doelstellingen: - •. het reduceren van het vervaardigen, verspreiden en downloaden van kinderpornografisch beeldmateriaal en het bestrijden van kindersekstoerisme; - •. het bevorderen van de verandering in de aanpak van kinderporno bij de politie en openbaar ministerie zoals voorzien in het landelijk verbeterprogramma politie en op basis van de versterkte coördinatie van kinderporno bij het OM; - •. het volgen van de resultaten van de proeftuin kinderpornografie en het tot een oplossing brengen van de knelpunten die zich hierin voordoen; - •. het bevorderen van de samenwerking met private partijen, zoals onder andere in de ICT dienstverlening, om de verspreiding en het downloaden van kinderpornografische afbeeldingen te verstoren in Nederland; - •. het bevorderen van de ontwikkeling en het toepassen van innovatieve opsporingsmethoden; - •. het bevorderen van een bewustwordingsproces van de risico’s die kleven aan het gebruik van internet. Artikel 3 De taskforce bestaat uit de daarvoor aangewezen partijen die betrokken zijn bij de problematiek van de kinderpornografie en die een bijdrage kunnen leveren aan het voorkomen en aanpakken daarvan. De partijen die aan de taskforce deelnemen, doen dat met behoud van hun eigen verantwoordelijkheid. Artikel 4 De taskforce heeft als taken: - •. het signaleren van knelpunten bij de aanpak van het vervaardigen, verspreiden en downloaden van kinderpornografie en bestrijding kindersekstoerisme, het oplossen dan wel het adresseren daarvan; - •. het ondersteunen van de programmatische aanpak met behulp van het barrièremodel; - •. het volge"},{"i":8380,"b":"Benelux-Overeenkomst betreffende de uitoefening van de advocatuur De Regeringen van de Beneluxlanden, die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat de voortdurend verdergaande economische integratie van de Beneluxlanden en de toeneming van de gemeenschappelijke rechtsregels het gewenst maken de uitoefening van de advocatuur en daarmede de rechtsbedeling te vergemakkelijken; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. De advocaten die in een van de Overeenkomstsluitende Staten zijn ingeschreven, kunnen in burgerlijke zaken, strafzaken en administratieve zaken pleiten voor de rechtsprekende instanties van de andere Overeenkomstsluitende Staat, mits zij worden bijgestaan door een advocaat die gerechtigd is te pleiten ter plaatse waar zij aldus werkzaam zijn, en wel met dezelfde voorrechten en dezelfde verplichtingen als de advocaat die hen bijstaat. 2. Het recht om te pleiten omvat het recht het dossier in te zien en het recht om de gedetineerde te bezoeken. Artikel 2 De advocaten dragen in voorkomend geval het costuum van de balie waartoe zij behoren of het costuum van de ontvangende balie. Artikel 3 1. De beoordeling van overtredingen van de ereregelen door de advocaat in de uitoefening van de in artikel 1 genoemde werkzaamheden behoort tot de bevoegdheid van de tuchtrechtelijke autoriteiten van de ontvangende balie, onverminderd de bevoegdheid van de tuchtrechtelijke autoriteiten van de balie waartoe de betrokken advocaat behoort. 2. De raad van toezicht van de orde der ontvangende balie kan de advocaat voor een periode van ten hoogste een jaar het recht ontzeggen om de in artikel 1 genoemde werkzaamheden te verrichten binnen het arrondissement waar de ontvangende balie is gevestigd. Indien en voor zover de spoed zulks vereist, heeft de deken of stafhouder van de raad dezelfde bevoegdheid. 3. De tuchtrechtelijke autoriteiten van de balie waartoe de betrokken advocaat behoort worden ingelicht omtrent de beslissing en de omstandigheden die tot die beslissi"},{"i":7215,"b":"Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie, zoals deze zijn gewijzigd bij het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en bij het Verdrag inzake de toetreding van de Helleense Republiek Preambule De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Overwegende dat het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, door lid te worden van de Gemeenschap, zich verplicht hebben om toe te treden tot het Verdrag van Brussel betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en tot het Protocol betreffende de uitlegging van dat Verdrag door het Hof van Justitie, zoals deze zijn gewijzigd bij het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en bij het Verdrag inzake de toetreding van de Helleense Republiek, en te dien einde onderhandelingen met de Lid-Staten van de Gemeenschap te beginnen om daarin de noodzakelijke aanpassingen aan te brengen, Zich ervan bewust dat de Lid-Staten van de Gemeenschap en de Lid-Staten van de Europese Vrijhandelsassociatie op 16 september 1988 te Lugano het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken hebben gesloten, waardoor de beginselen van het Verdrag van Brussel worden uitgebreid tot de Staten die partij zijn bij dit Verdrag; Hebben besloten dit Verdrag te sluiten en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: de heer Jacques de Lentdecker Kabinetschef van de Minister van Justitie H"},{"i":6640,"b":"Regeling van de Minister van Asiel en Migratie en de Minister van Justitie en Veiligheid van 21 augustus 2024, nummer 5608784, houdende wijziging van de Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021–2027 Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=2) en [3, eerste lid, van de Wet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en de [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5) en [8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=8); Besluiten: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021–2027. Artikel II Subsidies die op basis van specifieke maatregelen zijn verleend voor de inwerkingtreding van deze regeling berusten na inwerkingtreding van deze regeling op [artikel 4a](onbekend). Artikel III 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6635,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 december 2025, 2025-0000529860, directie Financiële Markten, tot wijziging van de regelingen ter vaststelling van de tarieven voor de jaren 2020 tot en met 2025 in verband met de doorberekening van de kosten van eenmalige handelingen voor het financieel toezicht [KetenID WGK028170] Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9); BESLUITEN: Artikel I Wijzigt de Regeling bekostiging financieel toezicht 2020. Artikel II Wijzigt de Regeling bekostiging financieel toezicht 2021. Artikel III Wijzigt de Regeling bekostiging financieel toezicht 2022. Artikel IV Wijzigt de Regeling bekostiging financieel toezicht 2023. Artikel V Wijzigt de Regeling bekostiging financieel toezicht 2024. Artikel VI Wijzigt de Regeling bekostiging financieel toezicht 2025. Artikel VII De in de [artikelen I tot en met V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051889&artikel=I&z=2025-12-03&g=2025-12-03) genoemde regelingen, zoals die regelingen na inwerkingtreding van deze regeling luiden, zijn van toepassing op heffingsbesluiten over de jaren 2020 tot en met 2024 die nog niet onherroepelijk zijn. Artikel VIII 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051889&artikel=VI&z=2025-12-03&g=2025-12-03) werkt terug tot en met 13 juni 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7214,"b":"Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), Overwegende dat het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland door lid te worden van de Gemeenschap zich verplicht hebben om toe te treden tot het [Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke, en handelszaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004663) en tot het [Protocol betreffende de uitlegging van dat Verdrag door het Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003476) en te dien einde onderhandelingen met de oorspronkelijke Lid-Staten van de Gemeenschap te beginnen om daarin de noodzakelijke aanpassingen aan te brengen, Hebben besloten om dit Verdrag te sluiten en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Renaat van Elslande, Minister van Justitie; Hare Majesteit de Koningin van Denemarken: Nathalie Lind Minister van Justitie; de President van de Bondsrepubliek Duitsland: Dr. Hans-Jochen Vogel, Bondsminister van Justitie; de President van de Franse Republiek: Alain Peyrefitte, Zegelbewaarder, Minister van Justitie; de President van Ierland: Gerard Collins, Minister van Justitie; de President van de Italiaanse Republiek: Paolo Bonifacio, Minister van Justitie; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg: Robert Krieps, Minister van Onderwijs, Minister van Justitie; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Prof. Mr. J. de Ruiter, Minister van Justitie; Hare Majesteit d"},{"i":8382,"b":"Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Verlangende in de drie landen de mogelijkheid van een eenvormige wetgeving op het stuk van de dwangsom te openen; Overwegende, dat deze eenmaking kan bijdragen tot verhoging van de met het oog op de ontwikkeling van de Benelux Economische Unie geboden rechtszekerheid; Gelet op het door de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad op 16 juni 1972 uitgebrachte advies, Hebben besloten, te dien einde, een Overeenkomst te sluiten inzake het vaststellen in België, in Luxemburg en in Nederland van een eenvormige wet betreffende de dwangsom en zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Elk der Overeenkomstsluitende Partijen verbindt zich de eenvormige wet betreffende de dwangsom, vervat in de bijlage van deze Overeenkomst, in haar wetgeving op te nemen met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst hetzij in een der oorspronkelijke teksten, hetzij in beide teksten. Artikel 2 Elk der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht in haar wetgeving de eenvormige wet aan te vullen met bepalingen waarin aangelegenheden worden geregeld waarvoor geen regeling is voorzien, mits die bepalingen niet strijdig zijn met de Overeenkomst en met voornoemde wet. Artikel 3 1. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen staat het vrij alle of sommige rechtsvorderingen tot nakoming van arbeidsovereenkomsten van het toepassingsgebied van de eenvormige wet uit te sluiten. 2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 kan ten aanzien van deze Overeenkomst en de eenvormige wet geen enkel voorbehoud worden gemaakt. Artikel 4 Ter uitvoering van [artikel 1, lid 2, van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&artikel=1) worden de bepalingen van deze Overeenkomst en van de eenvormige wet aangewezen als gemeensch"},{"i":7236,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand inzake de overbrenging van gevonniste personen en de samenwerking bij de tenuitvoerlegging van strafvonnissen Het Koninkrijk der Nederlanden en Het Koninkrijk Thailand, Rekening houdende met de wet- en regelgeving van de Partijen over de tenuitvoerlegging van strafvonnissen; Geleid door de wens bij de tenuitvoerlegging van strafvonnissen samen te werken; Overwegende dat het belang van de rechtsbedeling met deze samenwerking gediend is; Geleid door de wens succesvolle resocialisatie van gevonniste personen in de samenleving te bevorderen; Overwegende dat deze doelstellingen het beste kunnen worden verwezenlijkt door vreemdelingen die ten gevolge van het plegen van een strafbaar feit de vrijheid is ontnomen, in de gelegenheid te stellen de hen opgelegde sanctie in hun eigen samenleving te ondergaan; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „overdragende Staat\": de Partij van waaruit de gevonniste persoon kan worden of is overgedragen; - b. „ontvangende Staat\": de Partij waarnaar de gevonniste persoon kan worden of is overgedragen; - c. „gevonniste persoon\": een persoon die terzake van een strafbaar feit gedetineerd moet blijven in een gevangenis, een ziekenhuis of een andere inrichting in de overdragende Staat krachtens een in die Staat afgegeven rechterlijk bevel; - d. „sanctie\": elke door een rechter in de overdragende Staat opgelegde vrijheidsbenemende straf of maatregel van bepaalde of onbepaalde duur. Artikel 2. Algemene beginselen Een op het grondgebied van een Partij gevonniste persoon kan, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, naar het grondgebied van de andere Partij worden overgebracht teneinde de aan hem opgelegde sanctie te ondergaan. Artikel 3. Reikwijdte Toepassing van het Verdrag gebeurt onder de volgende voorwaarden: - a. het handelen of nalaten op grond waarvan de sanctie werd opgelegd"},{"i":3988,"b":"Besluit van 15 september 1994, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement van politie voor de Rijnvaart Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 juni 1994, nr. RVR 173295, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868 en op de resoluties van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 1 december 1993 (protocol 1993-II-19) en van 18 mei 1994 (protocol 1994-I-19); Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4) en [19 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=19); De Raad van State gehoord (advies van 9 augustus 1994, nr. W09.94 0362); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 september 1994, nr. RV 181819, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is van kracht het Reglement van politie voor de Rijnvaart met de daarbij behorende bijlagen, dat is gevoegd bij dit besluit en dat kan worden aangehaald als \" Rijnvaartpolitiereglement 1995\". Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bepaalt wie de bevoegde autoriteit of de bevoegde autoriteiten zijn, bedoeld in het Rijnvaartpolitiereglement 1995. Artikel 4 1. De verplichting van artikel 3.02, tweede lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 geldt voor schepen die niet tot een der oeverstaten of België behoren, alsmede voor kleine schepen in de zin van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, niet eerder dan met ingang van 1 januari 1996. 2. De verplichtingen van artikel 4.05, derde lid, tweede volzin, en vierde lid, tweede volzin, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 gelden tot 1 januari 1998 uitsluitend voor schepen, samenstellen en bijzondere transporten bedoeld in artikel 12.01, eerste lid, van"},{"i":3563,"b":"Besluit houdende aanwijzing van Duitse militaire bewakers met geweldbevoegdheid Gelet op [artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van de Rijkswet geweldgebruik bewakers militaire objecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014738&artikel=1); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet geweldgebruik bewakers militaire objecten in werking treedt. Artikel 1 1. Als militairen als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van de Rijkswet geweldgebruik bewakers militaire objecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014738&artikel=1) worden aangewezen: militairen van de Duitse krijgsmacht. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt slechts voor de bewaking van voor de binationale doeleinden van het 1 (Duits/Nederlandse) legerkorps gebruikte faciliteiten of gebouwen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de [Rijkswet geweldgebruik bewakers militaire objecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014738) in werking treedt. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit houdende aanwijzing van Duitse militaire bewakers met geweldbevoegdheid. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7039,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 2 oktober 2025, nr. 6707255, houdende toestemming tot het verstrekken van justitiële gegevens aan De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Autoriteit Financiële Markten ten behoeve van het vaststellen van de betrouwbaarheid van specifieke personen in de financiële sector (Machtigingsbesluit verstrekking justitiële gegevens beoordeling betrouwbaarheid van specifieke personen in de financiële sector) Overwegende dat: De Nederlandsche Bank op grond van [artikel 5, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=5) tot taak heeft om vast te stellen of de betrouwbaarheid van personen als bedoeld in de [artikelen 3:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:9), [3:9a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:9a), [3:11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:11), [3:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:13), [3:37 derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:37), [3:47 eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:47), en [3:99, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:99) buiten twijfel staat; De Nederlandsche Bank op grond van [artikel 5, tweede lid, van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=5) tot taak heeft om de betrouwbaarheid van een persoon op grond van een verordening als bedoeld in [artikel 1:24, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), te beoordelen; De Nederlandsche Bank op grond van [artikel 10, vijfde lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=10) tot taak heeft vast te stellen of de betrouwbaarheid van personen als bedoe"},{"i":7362,"b":"Wet van 16 september 1999 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van een regeling voor de vervanging van verloren gegane aandeelbewijzen alsmede intrekking van de Effectenvernieuwingswet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter vervanging van de Effectenvernieuwingswet een regeling op te nemen in het [Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045) voor de vervanging van verloren gegane aandeelbewijzen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL II 1. De Effectenvernieuwingswet wordt ingetrokken. 2. Een aanvraag tot vervanging die is ingediend onder de werking van de Effectenvernieuwingswet wordt beheerst door de bepalingen van die wet. ARTIKEL III Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":2415,"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 april 2011, nr. KO/2011/6871, tot uitvoering van de Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen bij het op aanvraag gelijkstellen van getuigschriften van beroepsopleidingen, die zijn vereist om te voldoen aan de kwaliteitseisen voor gastouder op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Beleidsregel gelijkstelling beroepsopleiding gastouders) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=10), [10a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=10a), en [10b, derde lid, van de Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=10b); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **aanvrager:** natuurlijk persoon die een aanvraag heeft ingediend voor de aanwijzing van een getuigschrift van een beroepsopleiding als identiek diploma of vergelijkbaar diploma; - b. **beroepsopleiding:** opleiding, bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, c, d, of e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2) of [artikel 7.3a, eerste of tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a); - c. **erkenning van een beroepskwalificatie:** het aanwijzen van een beroepsopleiding waardoor de aanvrager, indien hij in het bezit is van een getuigschrift van die beroepsopleiding, voldoet aan de in [artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=13) opgenomen eis; - d. **gastouder:** g"},{"i":7464,"b":"Wet van 18 december 2024 tot wijziging van de Wet verlaging eigen bijdrage huurtoeslag, de Wet op de huurtoeslag en enkele andere wetten ter verbetering van de koopkracht en vereenvoudiging van de regeling Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling van de huurtoeslag te vereenvoudigen en de eigen bijdrage van huurtoeslagontvangers verder te verlagen teneinde de koopkracht te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet verlaging eigen bijdrage huurtoeslag. Artikel II Wijzigt de Wet op de huurtoeslag. Artikel III Wijzigt de Wet op de huurtoeslag Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel V Wijzigt de Huisvestingswet 2014. Artikel VI Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel VII De in [artikel 18, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=18) genoemde bedragen kunnen met ingang van 1 januari 2025 bij ministeriële regeling worden verhoogd. Artikel VIII A. Wijzigt deze wet. B. Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de huurtoeslag (vereenvoudiging van de huurtoeslag). Artikel IX Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2025, met uitzondering van de [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050593&artikel=IV&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050593&artikel=V&z=2026-01-01&g=2026-01-01) die in werking treden met ingang van 1 juli 2025 en met uitzondering van de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050593&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050593&artikel=III&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050593&artikel=VI&z=2026-01-01&g=2026-01-"},{"i":7046,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Zwitserse Regering betreffende beroepsmatig vervoer van personen langs de weg in internationaal regiem Le Conseil fédéral suisse, d'une part, et Le Gouvernement des Pays-Bas, d'autre part, estimant que le développement actuel du tourisme dans les relations entre les Pays-Bas et la Suisse comporte l'utilisation toujours plus intense de moyens de transports routiers et qu'il est nécessaire, tout en tenant compte des intérêts légitimes des chemins de fer, d'introduire une réglementation, ont résolu de conclure l'accord suivant: § 1. Transports occasionnels par autocars Les entrepreneurs de transport établis dans l'un des deux États contractants peuvent effectuer librement des transports touristiques de personnes sur le territoire de l'autre État contractant si les conditions suivantes de l'accord sur la „liberté de la route” sont remplies: - a. les mêmes personnes sont transportées par le même véhicule au cours d'un voyage circulaire partant et devant se terminer dans le pays d'immatriculation du véhicule, ou - b. les mêmes personnes sont transportées par le même véhicule au cours d'un voyage partant d'une localité d'un des États contractants à destination de l'autre État, sous réserve toutefois que le véhicule revienne à vide au pays de départ, sauf autorisation spéciale. § 2. Transports réguliers de personnes par autocars et voitures de tourisme 1. Les services réguliers de lignes restent régis dans les deux pays par les dispositions spéciales, qui sont expressément réservées. 2. Pour le trafic international de lignes, les transporteurs ont besoin d'une concession ou autorisation conformément aux dispositions légales de chacun des deux États contractants. 3. La concession n'est délivrée que si les États traversés sont d'accord sur l'organisation ou le maintien des services en cause. Il est procédé de même pour la suppression d'une ligne existante. 4. Les demandes d'établissement d'un service de ligne internationale doivent êt"},{"i":7044,"b":"Mandaatsbesluit uitvoering Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren Defensie Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 De Staatssecretaris verleent aan het bestuur van het ABP mandaat tot het nemen van besluiten ter uitvoering van de FLO-regeling. Artikel 3 Het ABP legt een voorgenomen besluit, voor zover dit voortkomt uit de uitvoering van de FLO-regeling, voor aan de Staatssecretaris indien: - a. het bestuur van het ABP gerede twijfels heeft over het in een individueel geval toepassen van de FLO-regeling en/of - b. het naar het oordeel van het bestuur van het ABP een geval betreft dat grote beleidsmatige en/of financiële gevolgen kan hebben voor het Ministerie van Defensie, dan wel kan leiden tot precedentwerking. Artikel 4 1. Het bestuur van het ABP kan het hem aan [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008110&artikel=2&z=1996-08-29&g=1996-08-29) ontleende mandaat geheel of gedeeltelijk mandateren aan andere dan de in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008110&artikel=5&z=1996-08-29&g=1996-08-29) genoemde functionarissen van het ABP. 2. De verlening van een mandaat door het bestuur van het ABP geschiedt schriftelijk. 3. De verlening van een mandaat door het bestuur van het ABP behoeft de goedkeuring van de Staatssecretaris. Artikel 5 De Staatssecretaris verleent mandaat aan de functionarissen van Juridische en Fiscale Zaken van de Bedrijfs-eenheid Pensioenen van het ABP te beslissen op een bezwaarschrift ten aanzien van de ingevolge [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008110&artikel=2&z=1996-08-29&g=1996-08-29) genomen besluiten. Artikel 6 De Staatssecretaris verleent aan het bestuur van het ABP bevoegdheid in rechte op te treden, indien tegen een ingevolge [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008110&artikel=4&z=1996-08-29&g=1996-08-29) danwel [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008110&artikel=5&z=1996-08-29&g=1996-08-29) ge"},{"i":7036,"b":"KunstKoopregeling 1. Inleiding De Mondriaan Stichting, stimuleringsfonds voor beeldende kunst, vormgeving en museale activiteiten, heeft met Fortis Bank een overeenkomst gesloten waardoor particulieren een renteloze lening kunnen aanvragen voor de aanschaf van beeldende kunst bij een aantal geselecteerde galeries. De Mondriaan Stichting vergoedt de rente die voor de lening verschuldigd is direct aan de bank. De particuliere koper kan hierdoor op afbetaling een kunstwerk kopen zonder rente te betalen. De Mondriaan Stichting beoogt met de Kunst**Koop**regeling de particuliere markt te versterken en de verkoop van kwalitatief hoogwaardige hedendaagse beeldende kunst te bevorderen. De Kunst**Koop**regeling wil potentiële kopers stimuleren kunst aan te schaffen en zo de verkoop van hedendaagse beeldende kunst vergroten. Om budgettaire redenen en om het streven naar voldoende kwaliteit geldt de regeling alleen voor kunst die gekocht wordt bij als verkooppunt toegelaten galeries. Deze regeling is een deelreglement als bedoeld in artikel 5 lid 2 van het Algemeen Reglement van de Mondriaan Stichting. Het Algemeen Reglement is op aanvraag bij de Mondriaan Stichting verkrijgbaar. Deze regeling vervangt eerdere versies van de Kunst**Koop**regeling. 2. Wie kunnen een aanvraag indienen Een aanvraag kan worden ingediend door een in Nederland gevestigde galerie. Als galerie definiëren wij een professionele, economisch zelfstandig functionerende en voor publiek vrij toegankelijke ruimte waar aaneensluitende wisselende tentoonstellingen plaatsvinden met als doel het verkopen van kunstwerken van hedendaagse beeldend kunstenaars of vormgevers die nog niet eerder door derden zijn verhandeld. De galerie dient ten minste zes wisselende aaneensluitende tentoonstellingen per jaar te houden en minstens drie dagen en gedurende minimaal vijftien uur per week geopend te zijn voor het publiek. De openstelling dient algemeen te zijn en dus niet op afspraak. Het organiseren van tentoonstellingen g"},{"i":2419,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 november 2025, nr. 49479, over het gebruik van APU en taxiën met het minimaal noodzakelijk aantal motoren op de luchthaven Eelde (Beleidsregel handhaving APU-gebruik en taxiën met het minimaal noodzakelijk aantal motoren op de luchthaven Eelde als bedoeld in artikel 7 en 8 van het Luchthavenbesluit) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) in samenhang met het [artikel 11.15 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.15) alsmede [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051670&artikel=7) en [8 van het Luchthavenbesluit Eelde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051670&artikel=8); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder - –. **AIP:** Aeronautical Information Publication; - –. **APU:** Auxiliary Power Unit of hulpaandrijvingseenheid; - –. **ILT-Luchtvaartautoriteit:** onderdeel van de Inspectie Leefomgeving en Transport dat onder meer belast is met het toezicht op de naleving van het Luchthavenbesluit; - –. **GPU:** Ground Power Unit, een externe mobiele eenheid voor het leveren van elektriciteit aan stilstaande vliegtuigen; - –. **FPU:** Fixed Power Unit, een externe vaste eenheid voor het leveren van elektriciteit aan stilstaande vliegtuigen; - –. **Luchthavenbesluit:** [Luchthavenbesluit Eelde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051670); - –. **PCA:** Preconditioned Air, een mobiele of vaste eenheid voor het leveren van geconditioneerde lucht aan stilstaande vliegtuigen. Artikel 2 1. De ILT-Luchtvaartautoriteit houdt toezicht op: - a). de duur van het gebruik van de APU door de gezagvoerder terwijl het vliegtuig stilstaat op de afhandelingsplaats; - b). het gebruik van het minimaal noodzakelijk aantal motoren door de gezagvoerder tijdens het taxiën van, naar en over de start- en landingsbaan; - c). de beschikbaarheid en kwaliteit van de"},{"i":8388,"b":"Benelux-Verdrag inzake grensoverschrijdende en interterritoriale samenwerking Het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door: de Federale Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Duitstalige Gemeenschapsregering, de Waalse Regering, de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, hierna genoemd „de Partijen”, Gelet op het [Verdrag tot instelling van de Benelux Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047), en in het bijzonder [artikel 6, tweede lid, onder f)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047&artikel=6), Gelet op de [Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004011), ondertekend te Madrid op 21 mei 1980 alsmede het [Aanvullend Protocol nr. 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001289) van 9 november 1995, [Protocol nr. 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001410) van 5 mei 1998 en [Protocol nr. 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004026) van 16 november 2009 bij deze kaderovereenkomst; Gelet op de [Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale samenwerkingsverbanden of autoriteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002714), ondertekend te Brussel op 12 september 1986, en het [Protocol, gedaan te Brussel op 22 september 1998, tot aanvulling van deze Benelux-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002977); Met voldoening vaststellende dat territoriale samenwerkingsverbanden of autoriteiten op het grondgebied van de Lidstaten van de Benelux Unie, de hiervoor vermelde [Benelux-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002714) veelvuldig voor hun onderlinge grensoverschrijdende samenwerking gebruiken; Vaststellende dat de samenwerkingsverbanden die tot stand zijn gekomen op basis van deze [Benelux-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002714) de dee"},{"i":5218,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 28 februari 2008, nr. WJZ 8024254, houdende aanwijzing van categorieën productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2008 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008) Gelet op de [artikelen 31, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=31), en [77c van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=77c) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29) en [32, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32) en [artikel 6, eerste lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023563&artikel=6); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit stimulering duurzame energieproductie in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: de Minister van Economische Zaken; - b. besluit: het [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - c. productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op land: een productie-installatie die niet is opgericht in de territoria"},{"i":7053,"b":"Overeenkomst betreffende de afgifte van meertalige uittreksels uit akten van de burgerlijke stand De Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend, verlangend de voorschriften te verbeteren betreffende de afgifte van meertalige uittreksels uit bepaalde akten van de burgerlijke stand, met name wanneer zij bestemd zijn om in het buitenland te worden gebruikt, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Uittreksels uit akten van de burgerlijke stand betreffende geboorte, huwelijk of overlijden worden, wanneer een belanghebbende partij dit verzoekt of wanneer het gebruik ervan een vertaling noodzakelijk maakt, opgemaakt in de vorm van de formulieren A, B en C die als bijlagen bij deze Overeenkomst zijn gevoegd. In iedere Overeenkomstsluitende Staat worden deze uittreksels slechts afgegeven aan personen die bevoegd zijn letterlijke afschriften te verkrijgen. Artikel 2 De uittreksels worden opgemaakt op grondslag van de oorspronkelijke in de akte vermelde gegevens en de later op de akte gestelde kantmeldingen. Artikel 3 Iedere Overeenkomstsluitende Staat is bevoegd de formulieren die als bijlagen bij deze Overeenkomst zijn gevoegd, aan te vullen met vakjes en symbolen ter aanduiding van andere gegevens of kantmeldingen van de akte, op voorwaarde dat de tekst ervan vooraf is goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand. Iedere Overeenkomstsluitende Staat is evenwel bevoegd een vakje toe te voegen dat voor vermelding van een identificatienummer is bestemd. Artikel 4 Alle gegevens die op de formulieren moeten worden opgenomen, worden geschreven in Latijnse drukletters; zij kunnen bovendien worden geschreven in de lettertekens van de taal die is gebruikt bij het opmaken van de akte waarop zij betrekking hebben. Artikel 5 De data worden geschreven in Arabische cijfers; zij geven achtereenvolgens aan, onder de symbolen Jo, Mo en An, de dag, de maand en het jaar. De dag en de maand worden aangeduid door twee cijfers, het jaar"},{"i":6964,"b":"Besluit voorlopige akten burgerlijke stand BES Hoofdstuk 1. Het verbod van verkeer en andere buitengewone omstandigheden, de voorlopige akten van geboorte en overlijden en de indeling en de inhoud van de voorlopige akten van geboorte en overlijden Afdeling 1. Het verbod van verkeer en andere buitengewone omstandigheden Artikel 1 Wanneer ten gevolge van een verbod van verkeer of ten gevolge van andere buitengewone omstandigheden de ambtenaar van de burgerlijke stand van een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waar een persoon is geboren of overleden, ontbreekt of niet bereikbaar is, kan een voorlopige akte van geboorte of overlijden worden opgemaakt buiten de registers van de burgerlijke stand door een ambtenaar van de burgerlijke stand van een van de andere openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een buitengewone ambtenaar van de burgerlijke stand, de gezaghebber of een lid van het bestuur van het openbare lichaam waar de geboorte of het overlijden plaatsvond, een notaris of een ten kantore van een notaris werkzame kandidaat-notaris, een advocaat, een door Onze Minister van Defensie aangewezen officier van de krijgsmacht of een door Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaar. Artikel 2 Wanneer ten gevolge van een verbod van verkeer of ten gevolge van andere buitengewone omstandigheden de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba waar een persoon is geboren of overleden, naar zijn oordeel verhinderd wordt overeenkomstig bij of krachtens het in het Burgerlijk Wetboek BES bepaalde een akte van geboorte of overlijden in de registers op te nemen, maakt hij buiten die registers een voorlopige akte op, waarbij hij voor het overige, zoveel als het naar zijn oordeel mogelijk is, [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028439&hoofdstuk=1&afdeling=1&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10), en de [artikelen 6 tot en met 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002843"},{"i":7106,"b":"Regeling constanten en waarden voor berekening van relatieve energiezuinigheid van personenauto’s voor 2026 en 2027 Gelet op [artikel 8 van het Besluit etikettering energiegebruik personenauto' s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&artikel=8) van 3 november 2000 en de [Regeling relatieve zuinigheid personenauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032215) van 31 oktober 2012; Besluit: A De constanten en waarden voor de in de [Regeling relatieve zuinigheid personenauto's](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032215) opgenomen regressieformules en de daarbij behorende waarden van de gemiddelde CO2-uitstoot voor personenauto's met benzine als brandstof alsmede voor personenauto's met diesel als brandstof voor de kalenderjaren 2026 en 2027 als volgt vast te stellen: B Alvast de aangepaste constanten en waarden te publiceren op basis van de voorgenomen regelgeving die per 2026 zal gaan gelden. De constanten en waarden voor de in de voorgenomen Regeling relatieve energiezuinigheid personenauto's 2026 opgenomen berekeningsmethode voor de energie-efficiëntieklasse voor personenauto's voor de kalenderjaren 2026 en 2027 worden als volgt vastgesteld: Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7102,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 2 december 2021, 2021-0000229697, directie Financiële Markten, houdende regels met betrekking tot de maximumbedragen van aansprakelijkheid bij nucleaire ongevallen (Regeling aansprakelijkheid kernongevallen) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat; Gelet op de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003234&artikel=5), en [8, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheid kernongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003234&artikel=8); BESLUIT: Artikel 1 1. In afwijking van [artikel 5, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheid kernongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003234&artikel=5) gelden voor de volgende exploitanten ten aanzien van de daarbij genoemde kerninstallaties bedragen van aansprakelijkheid zoals bepaald in de onderstaande tabel. | COVRA NV ten aanzien van de radioactief afval opslag- en verwerkingsfaciliteiten te Nieuwdorp | € 100 miljoen | | --- | --- | | De TU-Delft ten aanzien van de Hoger Onderwijs Reactor te Delft | € 70 miljoen | | Urenco Nederland BV ten aanzien van de uraniumverrijkingsfabrieken te Almelo | € 100 miljoen | | De Nuclear Research and consultancy Group v.o.f. ten aanzien van de Hoge Flux Reactor en de overige nucleaire installaties op de Onderzoekslocatie Petten | € 250 miljoen | 2. De in het eerste lid opgenomen bedragen gelden tot en met 31 december 2026. Artikel 2 In afwijking van [artikel 5, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheid kernongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003234&artikel=5) zijn exploitanten voor het vervoer van nucleaire stoffen aansprakelijk voor € 80 miljoen. Artikel 3 De installaties van de exploitanten Nuclear Research and consultancy Group v.o.f. en Urenco Nederland BV worden aangemerkt als één installatie in de zin van [artikel 8, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheid kenongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":5578,"b":"Besluit van 14 juni 2011 tot herstel van technische gebreken en het aanbrengen van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Reparatiebesluit BZK 2011) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 mei 2011, nr. 2011-2000172496,DCB/CZW/WSG; Gelet op [artikel 89 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89), [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125), [artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50), de [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723), [artikel 5, vierde lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5), de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) en [artikel 18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18), en [artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 mei 2011, nr. W04.11.0165/l); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 juni 2011, nr. 2011-2000212907; Hebben goed gevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit beschikbaarstelling ambtenaren aan Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Artikel II Wijzigt het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel III Wijzigt het Besluit inburgering. Artikel IV Wijzigt het Kiesbesluit. Artikel V Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel VI Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":5603,"b":"Specifiek interventiebeleid NVWA algemene productveiligheid (IB03-SPEC 45, versie 08) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), [artikel 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), in samenhang met [artikel 13a, eerste en tweede lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen Interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA algemene productveiligheid beschrijft, de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen in het toezichtdomein algemene productveiligheid en geeft daarmee invulling aan het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03) (AIB). Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. Begrippen 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215). 2.2. Afkortingen **AIB Algemeen interventiebeleid van de NVWA-IB03** **CE Conformité Européenne** **EU Europese Unie** **NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit** **OW Officiële waarschuwing** **NL Nederland** **PV Proces-verbaal pro justitia (zie algemeen interventiebeleid voor definitie)** **RvB Rapport van Bevindingen** **SPEC Specifiek interventiebeleid** **VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport** **Wed Wet op de economische delicten** **WvSr Wetboek van Strafrec"},{"i":5611,"b":"Specifiek interventiebeleid NVWA diergeneesmiddelen (IB03-SPEC 03, versie 10) Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 20 oktober 2025 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA diergeneesmiddelen (IB03-SPEC 03, versie 10) De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA diergeneesmiddelen beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB), de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen van de regelgeving met betrekking tot diergeneesmiddelen en gemedicineerde diervoeders en geeft daarmee invulling aan het AIB. Eén van de meest voorkomende overtredingen binnen domein diergeneesmiddelen betreft het onjuist of onvolledig invullen van het voedselketeninformatie (VKI-) formulier. De tenlastelegging voor deze overtreding komt niet terug in de bijlage van dit document, maar is geïntegreerd in [IB03-SPEC 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049217) voedselveiligheid industriële productie, gezien deze overtreding haar oorsprong in andere wetgeving vindt. Overtredingen die door de inspecteur/ toezichthouder worden waargenomen en die niet in het [IB03-SPEC 03](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049259) diergeneesmiddelen zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise va"},{"i":7108,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 oktober 2006, nr. DJZ2006309407, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende regels terzake van afkoop van jaarlijkse bijdragen, die krachtens de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan particuliere huurwoningen 1985 zijn toegekend aan gemeenten (Regeling eenmalige subsidies afkoop voorzieningen particuliere huurwoningen 2006) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van het Invoeringsbesluit Wet stedelijke vernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011957&artikel=2); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepaling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. gemeente: gemeente jegens wie verbintenissen bestaan die voortvloeien uit de PHW; - b. minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - c. PHW: Regeling geldelijke steun voorzieningen aan particuliere huurwoningen 1985, zoals deze regeling luidde op 31 december 1986. Paragraaf 2. Subsidie ter beëindiging van verbintenissen van het Rijk jegens gemeenten die voortvloeien uit de PHW Artikel 2 1. De minister nodigt de gemeenten uit een aanvraag in te dienen tot vaststelling van een eenmalige subsidie ter beëindiging per 1 oktober 2006 van de verbintenissen jegens die gemeente die voortvloeien uit de PHW. De uitnodiging gaat in ieder geval vergezeld van een totaaloverzicht waarop die verbintenissen zijn vermeld en het totaalbedrag waartegen die verbintenissen worden afgekocht. 2. De gemeente kan tot 10 november 2006 de aanvraag indienen door de akkoordverklaring en de overige gevraagde stukken ondertekend terug te zenden. Indien in de uitnodiging voor die terugzending een later tijdstip wordt genoemd dan 10 november 2006, kan de gemeente dat tijdstip aanhouden voor het terugzenden van de stukken. 3. De minister stelt de eenmalige subsidie vast indien alle gemeenten tijdig een aanvraag hebben ingediend. 4. Indien een of meer gemeenten geen aanvraag hebben ingediend, kan de min"},{"i":7107,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 oktober 2006, nr. DJZ2006309392, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende regels omtrent afkoop van jaarlijkse bijdragen, die krachtens de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 zijn toegekend aan gemeenten (Regeling eenmalige subsidies afkoop hoogniveaurenovatie 2006) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van het Invoeringsbesluit Wet stedelijke vernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011957&artikel=2); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepaling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. gemeente: gemeente jegens wie verbintenissen bestaan die voortvloeien uit de RGSVH; - b. minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - c. RGSVH: Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987, zoals deze regeling luidde op 31 december 1991. Paragraaf 2. Subsidie ter beëindiging van verbintenissen van het Rijk jegens gemeenten die voortvloeien uit de RGSVH Artikel 2 1. De minister nodigt de gemeenten uit een aanvraag in te dienen tot vaststelling van een eenmalige subsidie ter beëindiging per 1 oktober 2006 van de verbintenissen jegens de gemeente die voortvloeien uit de RGSVH. De uitnodiging gaat in ieder geval vergezeld van een totaaloverzicht waarop die verbintenissen zijn vermeld en het totaalbedrag waartegen die verbintenissen worden afgekocht. 2. De gemeente kan tot 10 november 2006 de aanvraag indienen door de akkoordverklaring en de overige gevraagde stukken ondertekend terug te zenden. Indien in de uitnodiging voor die terugzending een later tijdstip wordt genoemd dan 10 november 2006, kan de gemeente dat tijdstip aanhouden voor het terugzenden van de stukken. 3. De minister stelt de eenmalige subsidie vast indien alle gemeenten tijdig een aanvraag hebben ingediend. 4. Indien een of meer gemeenten geen aanvraag hebben ingediend, kan de minister in afwijking van het derde lid beslui"},{"i":5595,"b":"Wet van 31 mei 2001 tot samenvoeging van de gemeenten 's-Graveland, Nederhorst den Berg en Loosdrecht, tevens wijziging van de grens tussen de provincies Noord-Holland en Utrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten 's-Graveland, Nederhorst den Berg en Loosdrecht samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten 's-Graveland, Nederhorst den Berg en Loosdrecht opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Wijdemeren ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten 's-Graveland, Nederhorst den Berg en Loosdrecht, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Wijdemeren ingedeeld bij de provincie Noord-Holland, waarbij de grens tussen de provincies Utrecht en Noord-Holland wordt gewijzigd, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Wijdemeren wordt de op te heffen gemeente Nederhorst den Berg aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten 's-Graveland, Nederhorst den Berg en Loosdrecht wordt de nieuwe gemeente Wijdemeren aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heff"},{"i":6470,"b":"Besluit van 28 augustus 2012 tot wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 in verband met de hoogte van de vergoedingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 6 juli 2012, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 12.001696; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=3), en [6, eerste lid, van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 juli 2012, nr. W03.12.0260/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 augustus 2012, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 288805; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Artikel II De bij dit besluit vastgestelde tarieven gelden voor opdrachten die op of na de datum van inwerkingtreding zijn verstrekt. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6520,"b":"Besluit van 4 mei 2017 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES en het Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft (Wijzigingsbesluit financiële markten 2017) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 28 februari 2017, 2017-0000032122, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 3:57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [4:9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9), [4:14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), [4:15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:15), [4:25a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:25a), [4:37o, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:37o), [5:38, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:38), de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3), en de [artikelen 5.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=5.11) en [5.12, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=5.12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 april 2017, nr. W06.17.0060/lll); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 26 april 2017, 2017-0000086171, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft. Artikel III Wijzigt het Besluit prudentiële regels W"},{"i":4768,"b":"Wet van 2 november 2006, houdende regels betreffende zelfstandige bestuursorganen (Kaderwet zelfstandige bestuursorganen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is basisregels vast te stellen betreffende zelfstandige bestuursorganen op het niveau van de centrale overheid; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. zelfstandig bestuursorgaan: een bestuursorgaan van de centrale overheid dat bij de wet, krachtens de wet bij algemene maatregel van bestuur of krachtens de wet bij ministeriële regeling met openbaar gezag is bekleed, en dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister; - b. Onze Minister: Onze Minister wie het aangaat. Artikel 2 1. Deze wet is niet van toepassing op zelfstandige bestuursorganen die uitsluitend met openbaar gezag zijn bekleed voor zover zij bevoegd zijn besluiten te nemen op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). 2. Op zelfstandige bestuursorganen die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn ingesteld, is deze wet van toepassing indien dit in de in [artikel 1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2022-07-01&g=2022-07-01), bedoelde wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling is bepaald. Artikel 3 1. Een zelfstandig bestuursorgaan kan uitsluitend worden ingesteld indien: - a. er behoefte is aan onafhankelijke oordeelsvorming op grond van specifieke deskundigheid; - b. er sprake is van strikt regelgebonden uitvoering in een groot aantal individuele gevallen; - c. participatie van maatschappelijke organisaties in verband met de aard van de betrokken bestuurstaak bijzonder aangewezen moet worden geacht. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige t"},{"i":4052,"b":"Besluit van 22 januari 2002, houdende vaststelling van regels omtrent de toepassing van enige maatregelen in het belang van het onderzoek (Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 oktober 2001, nr. 512753/01/6; Gelet op [artikel 61a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=61a); De Raad van State gehoord (advies van 2 januari 2002, no. W03.01.0555/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 15 januari 2002, nr. 5143486/02/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop Stb. 2001/532 in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. confrontatie: een onderzoek waarbij het uiterlijk van een verdachte door een getuige wordt geobserveerd om vast te stellen of de verdachte door deze persoon wordt herkend als betrokkene bij een strafbaar feit; - c. meervoudige confrontatie: een confrontatie waarbij de verdachte en minimaal vijf andere personen die uiterlijk gelijkenis vertonen met de verdachte, worden getoond; - d. geuridentificatieproef: een onderzoek waarbij door een daarvoor gecertificeerde politiespeurhond onder leiding van zijn vaste geleider een geurvergelijking wordt uitgevoerd; - e. observatiecel: een cel waarin de ingeslotene permanent kan worden geobserveerd; - f. permanente observatie: het stelselmatig waarnemen, al dan niet via technische hulpmiddelen, van het gedrag van een ingeslotene; - g. gewezen verdachte: een persoon die bij onherroepelijke einduitspraak is vrijgesproken van een misdrijf als bedoeld in [artikel 482a, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=482a), waarbij opzettelijk de dood van een ander is veroorzaakt, dan wel daarvoor is ontslagen van alle rechtsvervolging zonder dat daarbi"},{"i":2998,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 18 december 2013, nr. IENM/ILT-2013/74125, houdende aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren en verlening van mandaat, volmacht en machtiging in verband met de bestuursrechtelijke handhaving van de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk (Besluit aanwijzing toezichthouders en mandaat Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk) Gelet op [artikel 5.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=5.10) voor zover het betreft [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034449&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), en [10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) voor zover het betreft de [artikelen 2 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034449&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01); Gezien de instemming van de gemandateerden; Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van de [Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031686) zijn belast de functionarissen, genoemd in de bij dit besluit behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034449&bijlage=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01). Artikel 2 1. Aan de functionarissen, genoemd in de bij dit besluit behorende [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034449&bijlage=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van de overige daarmee verband houdende handelingen ter bestuursrechtelijke handhaving van de [Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031686). 2. De functionarissen, bedoeld in het eerste lid, kunnen voor de in het eerste lid bedoel"},{"i":5309,"b":"Regeling criteria en voorwaarden aanwijzing rechtspersoon BES Treedt in werking om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 Voor aanwijzing als lichaam waarvan het personeel wordt aangemerkt als werknemer in de zin van de [Pensioenwet ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714) komt slechts in aanmerking een rechtspersoon, die is een stichting, vereniging of naamloze vennootschap. Artikel 2 Een stichting of vereniging komt slechts in aanmerking voor een aanwijzing als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028786&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), indien deze: - a. als doelstelling of mede als doelstelling heeft het verrichten van werkzaamheden die door de overheid worden aangemerkt als behorende tot een terrein van belangenbehartiging dat de overheid zich als eigen zorg aantrekt, met dien verstande dat gewaarborgd is dat: - 1°. de werkzaamheid van de rechtspersoon geharmoniseerd is met het overheidsbeleid, en - 2°. voor wat betreft de arbeidsvoorwaardenregeling ten aanzien van de vaststelling van de salarissen en de overige arbeidsvoorwaarden normen worden gehanteerd die zoveel mogelijk overeenkomen met die welke gelden voor vergelijkbaar personeel van overheidsdiensten die taken verrichten welke met die van de rechtspersoon vergelijkbaar zijn; - b. in een zodanige financiële verhouding tot de overheid staat dat de uitgaven van de rechtspersoon jaarlijks geheel of ten dele worden gefinancierd uit de openbare kas. Artikel 3 Een naamloze vennootschap komt slechts in aanmerking voor een aanwijzing als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028786&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), indien deze is opgericht door de voormalige rechtspersoon de Nederlandse Antillen of het voormalige eilandgebied Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel de Staat der Nederlanden of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba dan wel dat de o"},{"i":6338,"b":"Wet van 2 juli 1997 tot samenvoeging van de gemeenten Weert en Stramproy Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Weert en Stramproy samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Weert en Stramproy opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Weert ingesteld. Artikel 3 De nieuwe gemeente Weert bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Weert en Stramproy. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Weert wordt de op te heffen gemeente Weert aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Weert en Stramproy wordt de nieuwe gemeente Weert aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 6 1. Voor de nieuwe gemeente Weert die bij deze wet wordt ingesteld, wordt een tussentijdse raadsverkiezing gehouden als bedoeld in [artikel 52, e"},{"i":5267,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 22 mei 2007 tot aanwijzing van de rechtspersoon belast met de inning en de verdeling van de vergoeding, bedoeld in artikel 16c van de Auteurswet 1912 en in artikel 10, onderdeel e, van de Wet op de naburige rechten Gelet op [artikel 16d, eerste lid, van de Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16d) en [artikel 10, onderdeel e, van de Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de stichting: Stichting De Thuiskopie, statutair gevestigd te Amsterdam; - b. de vergoeding: de vergoeding, bedoeld in [artikel 16c van de Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16c), alsmede de vergoeding, bedoeld in [artikel 10, onderdeel e, van de Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=10) in samenhang met [artikel 16c van de Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16c); - c. derde organisatie: een organisatie waarmee de stichting samenwerkt of door wie de stichting werkzaamheden laat verrichten in verband met de inning en de verdeling van vergoedingen; - d. College van Toezicht: het College van Toezicht, bedoeld in de [Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779). Artikel 2. Aanwijzing Als rechtspersoon belast met de inning en verdeling van de vergoeding wordt voor de duur van vijf jaar aangewezen: de stichting. Artikel 3. Derde organisaties 1. Een overeenkomst van de stichting met een derde organisatie, die ertoe strekt dat bij de inning en verdeling van vergoedingen wordt samengewerkt met of werkzaamheden worden verricht door deze derde organisatie, wordt uitsluitend voor bepaalde tijd aangegaan. 2. In een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval opgenomen: - a. binnen welke term"},{"i":7038,"b":"Maatregel 15 (2009) Aan land gaan van personen van passagiersschepen in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is De vertegenwoordigers, Gelet op de toenemende ontwikkeling van toeristische activiteiten in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is en de mogelijke gevolgen van deze activiteiten voor het Antarctisch milieu, met inbegrip van zijn flora en fauna, en voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek; Zich bewust van hun verantwoordelijkheid te waarborgen dat toeristische activiteiten verlopen op een veilige en voor het milieu verantwoorde manier die verenigbaar is met de doelstellingen van het Verdrag inzake Antarctica; De samenwerking van de toeristenindustrie onderkennend bij de inspanningen om te waarborgen dat haar activiteiten duurzaam zijn en verenigbaar met de doelstellingen van het Verdrag inzake Antarctica; Doordrongen van gevaren voor passagiersschepen die varen in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is en geleid door de wens de veiligheid van mensenlevens op zee te bevorderen; Geleid door de wens de kans op olielozingen op zee ten gevolge van incidenten met grote toeristenschepen in Antarctica te minimaliseren; In herinnering roepend resolutie 4 (2007); Herinnerend aan het bestaan van resoluties met aanbevelingen voor specifieke plaatsen; Bevelen hun Regeringen aan de volgende Maatregel goed te keuren in overeenstemming met artikel IX, vierde lid, van het Verdrag inzake Antarctica:"},{"i":7045,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Australische Regering betreffende de deblokkering van eigendommen welke onderworpen waren aan speciale maatregelen ten gevolge van de vijandelijke bezetting van Nederland Minister van Buitenlandse Zaken, Canberra, 26 April 1950. Mijnheer de Gezant, Ik heb de eer te verwijzen naar vorige onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Australische Gemenebest betreffende de deblokkering van zich in Nederland en Australië bevindende eigendommen, welke onderscheidenlijk toebehoren aan personen in Australië en Nederland en welke onderworpen waren aan speciale maatregelen ten gevolge van de vijandelijke bezetting van Nederland. De Australische Regering verstaat dat de volgende Overeenkomst bereikt is tussen onze beide Regeringen: „Artikel 1 Tenzij het tegendeel blijkt, geldt voor de uitleg van deze Overeenkomst: „Persoon” betekent natuurlijke persoon. „Instelling” omvat enigerlei firma, overheidslichaam, regeringsinstantie, maatschap en vennootschap, al of niet rechtspersoonlijkheid bezittende. „Nederland” betekent het Koninkrijk der Nederlanden, met inbegrip van zijn Overzeese Gebiedsdelen. „Australië” omvat de gebiedsdelen behorende tot of onder bestuur van Australië. „Beheerder” betekent de Beheerder van Vijandelijke Eigendommen in Australië. Artikel 2 De Beheerder verstrekt de Nederlandse Legatie te Canberra of zodanige andere vertegenwoordiger, als de Nederlandse Regering mocht aanwijzen, volledige gegevens met betrekking tot: - (a). Alle gelden, welke aan de Australische Regering betaald zijn ingevolge de „National Security (Enemy Property) Regulations” en de „Trading with the Enemy Act 1939—1947” (verder aangeduid als „de wetten van het Gemenebest”) ten behoeve van personen in Nederland en van instellingen gevestigd in Nederland; en - (b). Alle andere gelden en eigendommen, toebehorende aan personen in Nederland en instellingen, gevestigd in Nederland, wel"},{"i":8391,"b":"Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971 De landen van de Unie, gelijkelijk bezield door de wens op een zo doeltreffend en eenvormig mogelijke wijze de rechten der auteurs op hun werken van letterkunde en kunst te beschermen, Het belang erkennend van de werkzaamheden van de herzieningsconferentie van Stockholm in 1967, Hebben besloten de door de Conferentie van Stockholm aangenomen Akte te herzien met ongewijzigde handhaving van de artikelen 1 tot en met 20 en 22 tot en met 26 van die Akte. Dientengevolge zijn de ondergetekende gevolmachtigden, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, het volgende overeengekomen: Artikel 1 De landen waarvoor deze Conventie geldt, vormen een Unie voor de bescherming van de rechten der auteurs op hun werken van letterkunde en kunst. Artikel 2 1). De term „werken van letterkunde en kunst” omvat alle voortbrengselen op het gebied van letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preken en andere werken van dien aard; toneelwerken of dramatisch-muzikale werken; choreografische werken en pantomimes; muzikale composities met of zonder woorden; cinematografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van teken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer- en lithografeerkunst; fotografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van toegepaste kunst; illustraties en aardrijkskundige kaarten; tekeningen, schetsen en plastische werken, betrekking hebbende op de aardrijkskunde, de topografie, de bouwkunde of de"},{"i":7191,"b":"Besluit van 13 maart 2014, houdende de totstandkoming van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 137 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (percentage pandbeleningsvergoeding) en de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 11 september 2013 tot aanvulling van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek met een nieuwe titel 2D (regels met betrekking tot pandbeleningen (Stb. 2013, 350) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 19 februari 2014, nr. 484343, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op [artikel 137 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=137) en artikel VI van de wet van 11 september 2013 tot aanvulling van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek met een nieuwe titel 2D (regels met betrekking tot pandbeleningen) (Stb. 2013, 350); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 februari 2014, nr. W03.14.0042/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 10 maart 2014, nr. 491164, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het percentage bedoeld in [artikel 137 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=137) bedraagt 4,5. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034949&artikel=1&z=2014-07-01&g=2014-07-01) bedraagt het percentage voor pandbeleningsovereenkomsten, gesloten vóór 1 juli 2015, 9. Artikel 3 De wet van 11 september 2013 tot aanvulling van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek met een nieuwe titel 2D (regels met betrekking tot pandbeleningen) (Stb. 2013, 350) en dit besluit treden in werking met ingang van 1 juli 2014. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6478,"b":"Besluit van 23 juni 2008 tot wijziging van het Besluit toezicht accountantsorganisaties en inwerkingtreding van de wet van 12 juni 2008 houdende wijziging van de Wet toezicht accountantsorganisaties en Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, ter implementatie van richtlijn nr. 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PbEU L 157) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 10 juni 2008, nr. FM 2008-00664 M; Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=8), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=11), [12c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=12c), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=15), [18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=18), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=22) en [40 van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=40); De Raad van State gehoord (advies van 18 juni 2008, nr. W06.08.0217/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 20 juni 2008 (nr. FM 2008-01524 M); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit toezicht accountantsorganisaties. Artikel II [Artikel 15a van het Besluit toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020184&artikel=15a) is niet van toepassing op jaarverslagen die betrekking hebben op boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2008. Artikel III Met ingang van de dag na datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst treden in werking: Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsb"},{"i":7085,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Spanje regelende de burgerlijke luchtlijnen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Spaanse Regering, geleid door de wens het burgerlijk luchtvervoer tussen Nederland en Spanje te bevorderen, sluiten hierbij de navolgende Overeenkomst betreffende de exploitatie van geregelde luchtvervoersdiensten tussen hare landen: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar wederkerig de rechten, opgesomd in de hieraan gehechte Bijlage, welke vereist zijn om de, in de Bijlage vervatte, internationale burgerlijke luchtlijnen en diensten in te stellen, onverschillig of deze diensten onmiddellijk dan wel op een later tijdstip, naar verkiezing van de Overeenkomstsluitende Partij, aan welke de rechten worden verleend, zullen worden geopend. Artikel II Elk van de luchtdiensten, genoemd in de Bijlage, heeft het recht in werking te treden, zodra de Overeenkomstsluitende Partij, welke krachtens Artikel I het recht heeft gekregen een of meer ondernemingen aan te wijzen om de betreffende lijn te exploiteren, die aanwijzing zal hebben gedaan. De Overeenkomstsluitende Partij, die dat recht zal hebben toegekend, zal, behoudens het bepaalde in het hiernavolgende Artikel VI, aan de belanghebbende onderneming of ondernemingen de benodigde exploitatievergunning moeten verlenen, hetgeen zij zonder dralen zal doen. Artikel III Teneinde elke bevoorrechting te voorkomen en gelijkheid van behandeling te verzekeren, wordt overeengekomen dat: - a). elk der Overeenkomstsluitende Partijen voor het gebruik van luchthavens en andere faciliteiten billijke en redelijke tarieven kan opleggen of toestemming kan geven tot het opleggen daarvan. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen neemt echter op zich, dat deze tarieven niet hoger zullen zijn dan die, welke zouden worden betaald voor het gebruik van bedoelde luchthavens en faciliteiten door haar eigen luchtvaartuigen gebezigd op soortgelijke internationale diensten; - b). op motorb"},{"i":7089,"b":"Overgangsregeling koophuur 2001 Gelet op [Hoofdstuk II, artikel I, onderdeel AKad, tweede lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend); Besluit: Artikel 1 Deze regeling geeft uitvoering aan [Hoofdstuk II, artikel I, onderdeel AKad, tweede lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend). Artikel 2 De voordelen uit een koophuurwoning als bedoeld in [Hoofdstuk II, artikel I, onderdeel AKad, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend) worden bepaald met toepassing van [artikel 3.112 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.112) voor de gehele woning. De voordelen worden gesteld op 35% van het ingevolge de eerste volzin bepaalde bedrag. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Overgangsregeling koophuur 2001. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5260,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 september 2017, nr. MBO/1214093, inzake het aanwijzen van digitale vaardigheden als opleiding educatie alsmede wijziging van de Regeling eindtermen educatie 2013 vanwege het vaststellen van eindtermen voor deze opleiding (Regeling digitale vaardigheden educatie 2018) Gelet op de [artikelen 7.3.1, eerste lid, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.3.1), en [7.3.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.3.3); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing opleidingen educatie 1. De opleiding digitale vaardigheden wordt aangewezen als opleiding educatie als bedoeld in [artikel 7.3.1, eerste lid, onder f, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.3.1). 2. Voor het taalschakeltraject, bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=8), worden de volgende opleidingen educatie, bedoeld in [artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.3.1), aangewezen: - a. taalschakeltraject naar de basisberoepsopleiding; - b. taalschakeltraject naar de vakopleiding; - c. taalschakeltraject naar de middenkaderopleiding; - d. taalschakeltraject naar het hoger beroepsonderwijs, profiel Maatschappij, economie en informatietechnologie; - e. taalschakeltraject naar het hoger beroepsonderwijs, profiel Natuur, techniek en gezondheid; - f. taalschakeltraject naar het wetenschappelijk onderwijs, profiel Maatschappij, economie en informatietechnologie; en - g. taalschakeltraject naar het wetenschappelijk onderwijs, profiel Natuur, techniek en gezondheid. Artikel 2. Eindtermen Wijzigt de Regeling eindtermen educatie 2013. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 4. Citeertit"},{"i":6530,"b":"Besluit van 19 mei 2017 tot wijziging van het Besluit detectie radioactief besmet schroot, het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen, het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen, het Besluit OM-afdoening, het Besluit registratie, splijtstoffen en ertsen, het Besluit stralingsbescherming, het Besluit van 18 december 2012 tot wijziging van het Besluit stralingsbescherming en enkele andere besluiten in verband met de vereenvoudiging van de wettelijke regels en de vermindering van administratieve lasten voor ondernemingen die met ioniserende straling werken en het herstel van enkele wetstechnische gebreken en leemten, het Besluit vergoedingen Kernenergiewet, het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen, het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet en het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet in verband met de Wet tot wijziging van de Kernenergiewet in verband met de instelling van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (Stb. 2016, 180) (Wijzigingsbesluit instelling Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming) Op de voordracht van Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan mede namens Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst, van 10 januari 2017 nr. IenM/BSK-2016/308532, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=4), [13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=13), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=14), [15c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15c), [16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=16), [21, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=21), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=29), [31, eerste lid](ht"},{"i":5882,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 27 juni 2017, nr. IENM/BSK-2017/67339, houdende regels voor de verstrekking van een tijdelijke subsidie aan het International Groundwater Resources Assessment Centre (Tijdelijke subsidieregeling IGRAC 2016-2021) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), en [4 van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **IGRAC:** Stichting International Groundwater Resources Assessment Centre; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **subsidieontvanger:** IGRAC. Artikel 2 1. De Minister kan voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2021 op aanvraag per twee boekjaren subsidie verstrekken aan de subsidieontvanger voor het verrichten van niet-economische activiteiten door IGRAC als bedoeld in artikel 6 van het op 6 december 2016 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO) inzake het International Groundwater Resources Assessment Centre in Nederland als een centrum onder auspiciën van UNESCO (categorie 2) (Trb. 2016, 198). 2. Voor activiteiten van IGRAC als bedoeld in het eerste lid, wordt geen subsidie verstrekt voor zover voor dergelijke activiteiten een subsidie is of wordt verstrekt door een ander bestuursorgaan dan wel hiervoor andere inkomsten van derden zonder tegenprestatie zijn of worden verkregen. Artikel 3 [Afdeling 4.2.8. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":5921,"b":"Toestemming statutenwijziging pensioen BV De plaatsvervangend Directeur-Generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. In het verleden is in statuten van pensioenfondsen veelal de bepaling opgenomen dat voor wijziging van bepaalde – voor de vrijstelling van vennootschapsbelasting essentiële – statutaire bepalingen de toestemming van de minister van Financiën is vereist. Op 1 januari 1992 is de Wet van 12 december 1991 tot wijziging van onder meer het fiscale regime voor directiepensoenlichamen (Brede Herwaardering) in werking getreden. Door deze wijziging vallen zogenaamde directiepensioenlichamen voortaan buiten de vrijstelling. Met betrekking tot de met ingang van 1 januari 1992 niet meer vrijgestelde pensioenlichamen is de fiscale grond aan de vereiste toestemming voor statutenwijziging komen te ontvallen. Waar wijziging van bepaalde statutaire bepalingen volgens de statuten ‘slechts kan plaatsvinden met toestemming van de minister van Financiën’ blijft deze toestemming echter van betekenis voor het (civielrechtelijk) kunnen effectueren van voorgenomen statutenwijzigingen. Omdat het met betrekking tot de voor de vennootschapsbelasting niet langer vrijgestelde (directie)pensioenlichamen niet doelmatig is verzoeken om toestemming voor statutenwijziging nog langer individueel te behandelen, verleen ik door middel van dit besluit een generale toestemming voor de wijziging van de statuten van zodanige lichamen, voor zover die toestemming volgens de te wijzigen statuten is vereist."},{"i":6543,"b":"Besluit van 30 augustus 2010, houdende wijziging van het Mijnbouwbesluit in verband met een wijziging in het bevoegd gezag ten aanzien van kalksteengroeven Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 12 juli 2010, nr. WJZ / 10099217; Gelet op [artikel 52, eerste en tweede lid, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=52); De Raad van State gehoord (advies van 28 juli 2010, nr. W.10.10.0360/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 24 augustus 2010, nr. WJZ / 10122936; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Mijnbouwbesluit. Artikel II 1. Op aanvragen betreffende een vergunning als bedoeld in de [artikelen 146](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=146) of [151 van het Mijnbouwbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=151) die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend en waarop op dat tijdstip nog niet is beslist, wordt beslist met toepassing van het recht zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip. 2. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een ontwerp van een besluit tot wijziging of intrekking van een vergunning als bedoeld in [artikel 146](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=146) of [151 van het Mijnbouwbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=151) ter inzage is gelegd en op dat tijdstip daaromtrent nog geen besluit is genomen, wordt dat besluit genomen met toepassing van het recht zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip. 3. Ten aanzien van bezwaarprocedures en beroepsprocedures tegen een besluit op grond van de [artikelen 146](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=146) of [151 van het Mijnbouwbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=151) dat is genomen vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit dan wel met toepassing van het eerste of tweede lid, b"},{"i":7019,"b":"Indexering vaste toelage onregelmatig werken personenchauffeurs I. Inleiding/managementinformatie In het [Besluit personenchauffeurs Rijksdienst](onbekend) is onder meer geregeld dat de personenchauffeur met een volledige arbeidsduur voor het werken op onregelmatige uren een vaste toelage ten bedrage van f 250,- bruto per maand ontvangt. Deze toelage is echter sinds 1998 niet aangepast omdat de indexering ervan niet is geregeld. Indexering van de vaste toelage is echter wel op zijn plaats omdat deze toelage een vast onderdeel uitmaakt van het inkomen van de personenchauffeur. Met de centrales van overheidspersoneel is afgesproken om in het [Besluit personenchauffeur Rijksdienst](onbekend) de indexering van deze toelage met terugwerkende kracht tot 1 januari 1998 te regelen. De indexering is gelijk aan het percentage waarmee een algemene wijziging van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel plaatsvindt. Daarnaast is afgesproken om reeds voorafgaand aan de formalisering van de indexering over te gaan tot de uitvoering daarvan. De inhoud van deze circulaire strekt daartoe. II. Inhoud In het besluit personenchauffeurs is de rechtspositie van de personenchauffeur geregeld. Onder meer is in [artikel 7](onbekend) van dit besluit geregeld dat iedere personenchauffeur per maand een vaste toelage van f 250,- krijgt in verband met het werken op onregelmatige uren ongeacht het gegeven of de chauffeur daadwerkelijk is ingeroosterd voor deze uren. Het werk van de personenchauffeur brengt immers met zich mee dat veelal op onregelmatige uren wordt gewerkt. Voor chauffeurs met een onvolledige werktijd wordt de toelage vastgesteld op een evenredig deel van de toelage bij een volledige werktijd. Deze vaste toelage is een bestanddeel van het inkomen van de ambtenaar en telt derhalve mee bij de berekening van zijn pensioen en zijn aanspraken in het kader van de sociale zekerheid. In dat kader is indexering van de vaste toelage op zijn plaats omdat de andere bestanddelen van het in"},{"i":5034,"b":"Omgevingswet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om, mede gelet op internationaalrechtelijke verplichtingen en [artikel 21 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=21), met het oog op duurzame ontwikkeling, samenhangende, doelmatige en vereenvoudigde regels te stellen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Afdeling 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1.1. (begripsbepalingen) 1. De bijlage bij deze wet bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen. 2. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in een bijlage bij een algemene maatregel van bestuur op grond van deze wet zijn ook van toepassing op een ministeriële regeling op grond van deze wet, tenzij in die regeling anders is bepaald. Afdeling 1.2. Toepassingsgebied en doelen Artikel 1.2. (fysieke leefomgeving) 1. Deze wet gaat over: - a. de fysieke leefomgeving, en - b. activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. 2. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval: - a. bouwwerken, - b. infrastructuur, - c. watersystemen, - d. water, - e. bodem, - f. lucht, - g. landschappen, - h. natuur, - i. cultureel erfgoed, - j. werelderfgoed. 3. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval aangemerkt gevolgen die kunnen voortvloeien uit: - a. het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan, - b. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, - c. activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt, - d. het nalaten van activiteiten. 4. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze w"},{"i":5035,"b":"Onderlinge regeling van Sint Maarten en Nederland als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut van Koninkrijk der Nederlanden tot versterking van het grenstoezicht van Sint Maarten (Onderlinge regeling versterking grenstoezicht Sint Maarten) Overwegende dat: het in het belang van de bevolking van Sint Maarten is maatregelen te nemen die een ordentelijk en voorspoedig verloop van de wederopbouw van Sint Maarten bevorderen; een van die maatregelen ziet op de versterking van het grenstoezicht; de landen op 24 november 2017 zijn overeengekomen een onderlinge regeling te treffen waarin bindende afspraken worden gemaakt over de uitvoering en versterking van het grenstoezicht door de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) en de Douane Nederland in Sint Maarten, met als doel een goed functionerend, ordentelijk en ongecompromitteerd grenstoezicht op personen en goederen in Sint Maarten; deze afspraken rekening houden met de afspraken gemaakt bij de onderlinge [regeling tussen Curaçao, Sint Maarten en Nederland, regelende de samenwerking tussen de landen op het gebied van de vreemdelingenketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027352) (Stcrt. 2010, 3443); het grenstoezicht in crisissituaties en tijden van wederopbouw in Sint Maarten extra kwetsbaar is; om die reden de regeringen van de landen het noodzakelijk achten dat het grenstoezicht in Sint Maarten substantieel wordt versterkt; bestaande bedreigingen van het welzijn van de bevolking van Sint Maarten, met name via de grenzen in het bijzonder bestaan uit zware drugs- en wapencriminaliteit, migratiecriminaliteit, de instroom van illegale arbeidsmigranten en ongecontroleerde geld- en goederenstromen; naar het oordeel van de regeringen van de landen, Sint Maarten op dit moment ondersteuning behoeft bij het bewaken van de in- en uitstroom en personen en goederen aan de grenzen en daarom extra inzet van de KMar en de Douane Nederland – onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie van Sint Maarten –"},{"i":7054,"b":"Overeenkomst betreffende de overname van onregelmatig binnengekomen of verblijvende personen De Regeringen van het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en van de Republiek Polen, hierna genoemd de Overeenkomstsluitende Partijen, in het kader van de totstandbrenging van een gemeenschappelijk visumbeleid van de Overeenkomstsluitende Partijen, gebonden aan het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985, ter compensatie van in het bijzonder de belasting welke uit een visumvrij reizigersverkeer van de onderdanen van de Overeenkomstsluitende Partijen van deze Overeenkomst kan voortvloeien, ernaar strevend de overname van onregelmatig binnengekomen of verblijvende personen in een geest van samenwerking en op basis van wederkerigheid te vergemakkelijken, met de bereidheid ook Regeringen van andere Staten tot toetreding tot deze Overeenkomst uit te nodigen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Iedere Overeenkomstsluitende Partij neemt op verzoek van een andere Overeenkomstsluitende Partij, zonder formaliteiten, de persoon over die niet of niet meer voldoet aan de op het grondgebied van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij geldende voorwaarden voor binnenkomst of verblijf, voor zover kan worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hij de nationaliteit van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij heeft. 2. De verzoekende Overeenkomstsluitende Partij neemt deze persoon onder dezelfde voorwaarden terug, indien uit een later onderzoek blijkt, dat deze op het moment van het verlaten van het grondgebied van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij niet de nationaliteit van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij had. Artikel 2 1. Op verzoek van een Overeenkomstsluitende Partij neemt een Overeenkomstsluitende Partij via wier buitengrens de persoon is binnengekomen die niet of niet meer voldoet aan de op het grondgebied van de verzoekende Overee"},{"i":8395,"b":"Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Uitvoeringswet verdrag chemische wapens Gelet op [artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007434&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Uitvoeringswet verdrag chemische wapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007434) bepaalde, worden aangewezen: de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Uitvoeringswet verdrag chemische wapens. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5053,"b":"Besluit van het College van procureurs-generaal houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging ten aanzien van aangelegenheden van het Openbaar Ministerie die niet het beheer van het Openbaar Ministerie betreffen (Ondermandaatbesluit niet-beheersaangelegenheden van het College van procureurs-generaal 2017) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en het [Mandaatbesluit niet-beheersaangelegenheden Openbaar Ministerie 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039392) (**Stcrt.** 2025, nr. 26092); Besluit: Artikel 1. (de hoofdofficier van justitie en de hoofdadvocaat-generaal) 1. Aan de hoofden van de parketten wordt ondermandaat verleend ten aanzien van: - a. het nemen van besluiten op verzoeken op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen; - b. het nemen van besluiten op verzoeken op grond van de [Wet hergebruik van overheidsinformatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036795) en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen; - c. het beslissen op klachten als bedoeld in [titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=9.1) ten aanzien van onder hen ressorterende medewerkers. 2. Aan de hoofden van de parketten wordt volmacht verleend voor het toekennen van schadevergoeding ter hoogte van maximaal € 10.000,– naar aanleiding van buitengerechtelijke verzoeken om schadevergoeding in verband met strafvorderlijk optreden dat aan het Openbaar Ministerie kan worden toegerekend. 3. Het ondermandaat en de volmacht ten aanzien van de in het eerste lid, onder a en b, en het tweede lid genoemde aangelegenheden kan slechts één hiërarchisch niveau worden doorgegeven. Artik"},{"i":5126,"b":"Besluit staatssecretaris van Financiën 20 september 1999, nr. IFZ99/1044 De directeur-generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Functionarissen en stafleden van de Verenigde Naties en van de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties zijn vrijgesteld van belasting op de salarissen en emolumenten die door de organisatie aan hen betaald worden op grond van artikel V, par. 18, van het verdrag van 13 februari 1946 nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties respectievelijk op grond van artikel VI, par. 19, van het verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties. Op basis van de voorwaarden genoemd in de resolutie van 7 maart 1995, nr. IFZ95/223 inzake belastingheffing van functionarissen en deskundigen van de Verenigde Naties en van de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties zijn \"experts on mission\" of \"short term consultants\" niet als stafleden aan te merken en komen daarom niet in aanmerking voor vrijstelling van belastingen op de aan hen betaalde vergoedingen. Om in een concrete situatie te bepalen of wellicht toch sprake is van een staflidmaatschap zijn in genoemde resolutie enkele vuistregels geformuleerd. Hieraan zijn de staffrules van de Wereldbank getoetst. Voor de Wereldbank is nu aan de hand van die staffrules vastgesteld dat de (short term) consultants bij de Wereldbank behandeld worden als stafleden, die in dienstbetrekking staan tot de organisatie, met alle arbeidsrechtelijke rechten en verplichtingen vandien en dat de reglementen voor stafleden van de organisatie op hen van toepassing zijn. Short term consultants van de Wereldbank kunnen daarmee beschouwd worden als functionarissen van een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties, die ingevolge artikel VI, par. 19, van het VN-verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de VN, vrijstelling genieten van belasting op salarissen en emol"},{"i":5115,"b":"Wet van 16 Juni 1950, houdende vaststelling van een overgangsregeling met betrekking tot de bevoegdheid der notarissen, in verband met de overgang van de gemeente Urk naar het arrondissement Zwolle bij de wet van 29 Maart 1950, Stb. K 113 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een overgangsregeling vast te stellen met betrekking tot de bevoegdheid der notarissen, in verband met de overgang van de gemeente Urk naar het arrondissement Zwolle bij de wet van 29 Maart 1950 (**Staatsblad** N°. K 113); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De notarissen in het arrondissement Alkmaar, aangesteld vóór 1 April 1950, zijn bevoegd hun ambtsbediening uit te oefenen binnen de gemeente Urk. Artikel 2 Voor het verlijden van akten van boedelscheiding en de daarmede samenhangende akten, waarbij de tegenwoordigheid en goedkeuring van de kantonrechter wordt vereist, is een notaris, als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002062&artikel=1&z=1950-06-24&g=1950-06-24), mede bevoegd zijn ambtsbediening uit te oefenen in de gemeente Zwolle, indien de erfenis in de gemeente Urk is opengevallen. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na die van haar plaatsing in het Staatsblad. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5294,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 maart 2016, nr. 2016-0000177572, tot vaststelling van de beleidsindicatoren die door gemeenten in de programma’s en programmaverantwoording worden opgenomen Gelet op de [artikelen 8, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014606&artikel=8), en [25, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014606&artikel=25); Besluit: Artikel 1 Gemeenten hanteren voor het toelichten van de maatschappelijke effecten in de programma’s en de programmaverantwoording de beleidsindicatoren, die zijn opgenomen in de bijlage behorende bij deze regeling. Artikel 2 Indien de voor een beleidsindicator relevante gegevens niet door de bronhouder kunnen worden verstrekt, neemt de gemeente bij de beleidsindicator op: gegevens niet beschikbaar. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het [besluit van 5 maart 2016, houdende wijziging van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in verband met de invoering van een aantal wijzigingen die bijdragen aan de interne sturing door provinciale staten en de raad alsmede aan een betere vergelijkbaarheid tussen provincies en tussen gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037728) (Stb. 101) in werking treedt. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037783&artikel=1&z=2016-04-14&g=2016-04-14) van de Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 maart 2016, nr. 2016-0000177572, tot vaststelling van de beleidsindicatoren die door gemeenten in de programma’s en programmaverantwoording worden opgenomen | | Taakveld | Naam Indicator | Eenheid | Bron | | --- | --- | --- | --- | --- | | 1. | 0. Bestuur en ondersteuning | Formatie | Fte per 1.000 inwoners | Eigen gegevens | | 2. | 0. Bestuur en ondersteuning | Bezetting | Fte per 1.000 inwoners | Eigen"},{"i":7239,"b":"Verdrag tussen Nederland en Groot-Brittannië betreffende de eigendom en het onderhoud van onderzeese kabels **Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden** en in HoogstDerzelver naam **Hare Majesteit de Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk**, en **Hare Majesteit de Koningin van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland, Keizerin van Indië,** wenschende dat de twee onderzeesche telegraafkabels, zoowel als alle nieuwe onderzeesche kabels, hetzij voor telegraphische, hetzij voor telephonische doeleinden, welke de kusten van de twee landen verbinden of zullen verbinden, in den vervolge het gemeenschappelijk eigendom van detwee landen zullen zijn, hebben, tot het aangaan van een verdrag, daartoe als HoogstDerzelver Gevolmachtigden aangewezen: **Hare Majesteit de Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk der Nederlanden**, den heer WILLEM HENDRIK DE BEAUFORT, Minister van Buitenlandsche Zaken, en **Hare Majesteit de Koningin van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland, Keizerin van Indië,** den heer HENRY HOWARD, HoogstDerzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij het Nederlandsche Hof, die, na overlegging van hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 De overeenkomst van den 15den Maart 1880, gewijzigd bij de overeenkomst van den 30sten Maart 1889, wordt bij het tegenwoordig verdrag ingetrokken en vervangen door de volgende bepalingen. Artikel 2 De gelegde en te leggen onderzeesche kabels tusschen Nederland en het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland zullen het gemeenschappelijk eigendom zijn van de twee landen. Dientengevolge zullen zonder onderling goedvinden van beide landen geene vergunningen worden gegeven tot aanleg en exploitatie van onderzeesche kabels tusschen de Nederlandsche en Britsche kusten. Artikel 3 Nederland zal de helft van den eigendom van de twee bestaande, thans aan het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britan"},{"i":6972,"b":"Burgerlijk Wetboek BES Boek 4 [oud] Boek Vierde. [oud] Artikelen 1884 t/m 2012 [vervallen] Algemene slotbepaling Artikel 2031 1. De [Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) is niet van toepassing op de termijnen gesteld in de [artikelen 253p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253p), [280, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=280), [281, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=281), [377d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=377d), [383, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=383), [434, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=434), [435, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=435), [451, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=451), en [452, zevende lid, van Boek 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=452) en [252 van Boek 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028745&artikel=252), alsmede in [titel 7, afdeling 4, van Boek 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028751&afdeling=4) en de [zevende titel A van Boek 7A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752&titeldeel=Zevende_a). 2. Onder algemeen erkende feestdagen worden in dit wetboek verstaan de in [artikel 3 van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3) als zodanig genoemde en de bij of krachtens dat artikel daarmede gelijkgestelde dagen."},{"i":6974,"b":"Burgerlijk Wetboek BES Boek 5 Boek 5. Zakelijke rechten Titel 1. Eigendom in het algemeen Artikel 1 1. Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben. 2. Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij van de zaak gebruik te maken, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen. 3. De eigenaar van de zaak wordt, behoudens rechten van anderen, eigenaar van de afgescheiden vruchten. Artikel 2 De eigenaar van een zaak is bevoegd haar van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen. Artikel 3 Voor zover de wet niet anders bepaalt, is de eigenaar van een zaak eigenaar van al haar bestanddelen. Artikel 4 Hij die een aan niemand toebehorende roerende zaak in bezit neemt, verkrijgt daarvan de eigendom. Artikel 5 1. Hij die een onbeheerde zaak vindt en onder zich neemt, is verplicht: - a. met bekwame spoed overeenkomstig het tweede lid, eerste zin, van de vondst aangifte te doen, tenzij hij terstond na de vondst daarvan mededeling heeft gedaan aan degene die hij als eigenaar of als tot ontvangst bevoegd mocht beschouwen; - b. met bekwame spoed tevens overeenkomstig het tweede lid, tweede zin, mededeling van de vondst te doen, indien deze is gedaan in een woning, een gebouw of een vervoermiddel, tenzij hij krachtens onderdeel a, slot, ook niet tot aangifte verplicht was; - c. de zaak bij het openbaar lichaam in bewaring te geven, indien deze dat vordert. 2. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde aangifte wordt bij het openbaar lichaam gedaan. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde mededeling geschiedt bij degene die de woning, het gebouw of vervoermiddel in gebruik of exploitatie heeft, dan wel bij degene die daar voor hem toezicht houdt. 3. De vinder is te allen tijde bevoegd de zaak bij het openbaar lichaam in bewaring te geven. Zolang hij dit niet doet, is hij verplicht zelf voor bewaring en o"},{"i":4813,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 11 juni 2013, nr. IENM/BSK-2013/98205, houdende mandatering van de bevoegdheid van de Minister van Infrastructuur en Milieu, bedoeld in artikel 40, Wet maritiem beheer BES (Mandaatbesluit artikel 40 Wet maritiem beheer BES) Gelet op [artikel 40 van de Wet maritiem beheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028550&artikel=40); BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **wet:** [Wet maritiem beheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028550). Artikel 2 1. Aan de gezaghebbers van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt mandaat verleend voor het uitoefenen van de bevoegdheden van de Minister van Infrastructuur en Milieu, bedoeld in [artikel 40 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028550&artikel=40). 2. Uitvoering van het mandaat, bedoeld in het eerste lid, geschiedt overeenkomstig het Rampenbestrijdingsplan Caribisch Nederland. Artikel 3 Een document dat ondertekend wordt op grond van dit besluit vermeldt aan het slot: DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU, namens deze, DE GEZAGHEBBER VAN HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE, onderscheidenlijk SINT EUSTATIUS, onderscheidenlijk SABA, gevolgd door de handtekening en de naam van de desbetreffende gezaghebber. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit artikel 40 Wet maritiem beheer BES. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3287,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 16 mei 2019 nr. BOACAT2019/023, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Moerdijk Gelezen het verzoek van de gemeente Moerdijk van 6 mei 2019 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland – West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042219&artikel=2&z=2019-05-21&g=2019-05-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van BOA/Toezichthouder domein I, in dienst van de gemeente Moerdijk, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Rege"},{"i":2635,"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten zorgverzekeraars AWBZ 2013 gelet op [artikel 91, eerste lid, Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.4 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4) en de [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032800), heeft in zijn vergadering van 21 januari 2013 besloten: § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. zorgverzekeraar: een zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=1); - b. verbindingskantoor: een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2 Het college keert het voorlopig vastgesteld en definitief vastgesteld beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032880). § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2013 Artikel 3 1. Het college verdeelt in het jaar 2013 een totaal bedrag van 4,108 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de zorgverzekeraars. 2. Het college stelt in januari 2013 voor iedere zorgverzekeraar, anders dan in de hoedanigheid van verbindingskantoor, een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de middelen voor het kalenderjaar 2013 ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). Artikel 4 Het college verdeelt het in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032882&paragraaf=2&artikel=3&z=2013-02-13&g=2013-02-13) genoemde totaalbedrag als volgt: - a. een derde deel van het bedrag verdeelt het college over de zorgverzekeraars op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrek"},{"i":3568,"b":"Besluit van 28 februari 2002, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 februari 2002, nr. BW02/58674, Directie Bestuurlijke en Financiële Organisatie; Gelet op [artikel XII van de Wet dualisering gemeentebestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013462&artikel=XII); Hebben goedgevonden en verstaan: De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke Referendumwet. artikel Enig 1. Onder toepassing van [artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet](onbekend) treedt de [Wet dualisering gemeentebestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013462), met uitzondering van artikel I, onderdelen DDa, II, ZZ, PPP en GGGG, en artikel XI, in werking met ingang van 7 maart 2002. 2. In afwijking van het eerste lid treedt de [Wet dualisering gemeentebestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013462), met uitzondering van artikel I, onderdeel PPP, in werking met ingang van 1 januari 2003 ten aanzien van de gemeenten Axel, Bemmel, Bergen, Dalfsen, Denekamp, Echt, Hardenberg, Heerjansdam, Hof van Twente, Hontenisse, Hulst, Kesteren, Olst-Wijhe, Oostburg, Oss, Overbetuwe, Raalte, Ravenstein, Rijssen, Sas van Gent, Sittard-Geleen, Sluis-Aardenburg, Steenwijk, Susteren, Terneuzen, Venlo, Zwartewaterland en Zwijndrecht. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3059,"b":"Besluit algemeen nut investeringen **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit is beleid opgenomen over de voorwaarden waaraan een investering moet voldoen om als algemeen nut investering te kwalificeren en daarmee binnen de kaders van het bestedings-criterium te blijven. Met dit beleid wordt uitvoering gegeven aan de toezegging die ik in het kader van de verbetervoorstellen van de giftenaftrek en ANBI/SBBI-regeling heb gedaan aan de Tweede Kamer.** 1 Kamerstukken II, 2018/19, 35 026, nr. 63, blz. 9 en Kamerstukken II, 2018/19, 35 026, nr. 67, p. 7. 1. Inleiding In [artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5b) en [hoofdstuk 1a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006736&hoofdstuk=1a) zijn de voorwaarden opgenomen waaraan een instelling moet voldoen om de ANBI-status te kunnen verkrijgen of te behouden. Eén van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan, is het bestedingscriterium. In de praktijk bestaat onduidelijkheid over het antwoord op de vraag wanneer een zogenaamde ‘impact investment’ al dan niet in strijd is met het bestedingscriterium. In overleg met een werkgroep vanuit de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF) zijn voorwaarden opgesteld waaraan een dergelijke investering moet voldoen om als algemeen nut investering te kunnen worden aangemerkt. Voldoet een investering aan deze voorwaarden, dan valt de investering in ieder geval binnen de kaders van het bestedingscriterium. De voorwaarden zijn opgenomen in dit besluit. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Bestedingscriterium ANBI’s moeten hun inkomsten daadwerkelijk besteden aan de algemeen nuttige doelstelling. Een ANBI moet meer dan 90% van haar bestedingen algemeen nuttig doen. Zij mag daarom niet meer vermogen aanhouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten b"},{"i":6445,"b":"Besluit van 25 oktober 2011, houdende wijziging van het Besluit opneming buitenlandse kinderen ter adoptie Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 23 september 2011, Directie Wetgeving, nr. 5709936/11/6; Gelet op [artikel 4, aanhef en onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=4), en [artikel 5, derde lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=5); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 oktober 2011, nr. W03.11.0402/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 24 oktober 2011, Directie Wetgeving, nr. 5714133/11/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. Artikel II Aspirant-adoptiefouders die op de dag van inwerkingtreding van dit besluit als aspirant-adoptiefouders staan ingeschreven bij de Stichting adoptievoorzieningen, zijn het in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004582&artikel=6), vastgestelde bedrag verschuldigd volgens het tot dan geldende tarief. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4727,"b":"Instellingsbesluit Stuurgroep decentralisatie Friese taal naar de provincie Fryslân Mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Gelet op het bestuursakkoord Rijk-provincies 2008–2011, tot stand gekomen op 4 juni 2008; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **stuurgroep:** Stuurgroep decentralisatie Friese taal naar de provincie Fryslân; - b. **bestuursakkoord:** bestuursakkoord Rijk-provincies 2008–2011; - c. **Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - d. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Er is een Stuurgroep decentralisatie Friese taal naar de provincie Fryslân. Artikel 3 1. De stuurgroep heeft tot taak een nadere uitwerking te geven aan de afspraak inzake de Friese taal, zoals neergelegd in het bestuursakkoord, en daartoe: - a. concrete voorstellen te doen om rijkstaken en -bevoegdheden op het terrein van de Friese taal zoveel mogelijk naar de provincie Fryslân te decentraliseren waarbij de samenhang tussen beleidsruimte en financiële verantwoordelijkheid nadrukkelijk punt van aandacht zal zijn; - b. concrete voorstellen te doen voor de operationalisering van een samenhangende decentralisatie en coördinatie van taken en bevoegdheden die verband houden met de Friese taal. 2. De stuurgroep wordt gevraagd uiterlijk 1 januari 2010 te rapporteren aan de Minister en de Staatssecretaris, de overige betrokken bewindslieden en aan het college van gedeputeerde staten van de provincie Fryslân. 3. Na het uitbrengen van het rapport is de stuurgroep opgeheven. Artikel 4 1. De stuurgroep bestaat uit de volgende leden: - −. dhr. mr. R.J. Hoekstra (voorzitter) - −. mw. drs. M.J. Sanders-ten Holte - −. dhr. prof.dr. J. de Ridder - −. mw. drs. M.C.M. Waanders - −. dhr. prof.dr. P.J.J. Zoo"},{"i":2665,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 29 april 2020, nr. IENW/BSK-2020/55012, houdende benoeming en toekenning van vergoedingen aan de voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (Benoemingsbesluit raad van toezicht KNMI 2020–2023) Gelet op [artikel 6, vierde lid, van de Wet taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=6) en artikel 6, vijfde lid, van de Wet taken meteorologie en seismologie in samenhang met [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); BESLUIT: Artikel 1. Benoeming voorzitter en leden Tot leden van de raad van toezicht, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de Wet taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=6), worden benoemd: - a. De heer drs. F. J. M. Crone, tevens voorzitter; - b. De heer prof. dr. ir. A. A. M. Holtslag; - c. De heer prof. dr. ir. H. A. Dijkstra; - d. De heer drs. L. H. M. Kohsiek; - e. Mevrouw ing. A. G. Nijhof MBA; - f. De heer dr. A. Kuipers; - g. De heer dr. rer. nat. A. P. H. Oth. Artikel 2. Secretaris De raad van toezicht wordt bijgestaan door een secretaris als bedoeld in [artikel 14, tweede lid, van de Regeling taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037394&artikel=14), die in overeenstemming met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat door de voorzitter van de raad van toezicht wordt gekozen. Artikel 3. Periode De benoeming geschiedt voor de periode van 1 januari 2020 tot 1 januari 2024. Artikel 4. Werkwijze De raad van toezicht bepaalt zijn eigen werkwijze. De werkwijzen van de raad van toezicht wordt vastgelegd in een reglement. Artikel 5. Vergoeding 1. De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht ontvangen per vergadering een vergoeding. 2. De vergoeding per vergadering van de leden"},{"i":3594,"b":"Besluit van 26 januari 2017, houdende regels voor de inrichting van en de orde tijdens het politieverhoor waaraan de raadsman deelneemt (Besluit inrichting en orde politieverhoor) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 12 oktober 2016, nr. 2003018; Gelet op de [artikelen 28d, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=28), en [61a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=61a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 november 2016, nr. W03.16.0330/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 16 januari 2017, nr. 2032152; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de wet:** het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); - b. **de raadsman:** de raadsman, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=28); - c. **de verhorende ambtenaar:** de opsporingsambtenaar die de verdachte verhoort; - d. **verhoorruimte:** de ruimte die wordt gebruikt voor het verhoren van de verdachte. Artikel 2 De verhorende ambtenaar heeft de leiding over het verhoor en handhaaft de orde binnen het verhoor en de verhoorruimte. Artikel 3 In de verhoorruimte neemt de raadsman zoveel mogelijk plaats naast de verdachte, en neemt de verhorende ambtenaar zoveel mogelijk plaats tegenover de verdachte en zijn raadsman. Artikel 4 De raadsman beantwoordt geen vragen namens de verdachte, tenzij met instemming van de verhorende ambtenaar en de verdachte. Artikel 5 1. De raadsman richt zijn opmerkingen en verzoeken tot de verhorende ambtenaar. 2. Behoudens het bepaalde in [artikel 28d, eerste lid, derde volzin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=28d) en in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039179&artikel=6&z=2017-03-01&g=2017-03-01) van dit beslui"},{"i":3063,"b":"Besluit van 5 april 2006 tot uitvoering van artikel 10 van Richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (Besluit artikel 10 overnamerichtlijn) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 8 juli 2005, nr. 5362278/05/6; Gelet op artikel 10 van [Richtlijn 2004/25/EG](32004L0025) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod en [artikel 391 lid 5 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=391); De Raad van State gehoord (advies van 28 september 2005, nr. W03.05.0309/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 maart 2006, Directie Wetgeving, nr. 5411517/06/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In het bestuursverslag van een vennootschap, waarvan aandelen of met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), wordt mededeling gedaan omtrent: - a. de kapitaalstructuur van de vennootschap, het bestaan van verschillende soorten aandelen en de daaraan verbonden rechten en plichten en het percentage van het geplaatste kapitaal dat door elke soort wordt vertegenwoordigd; - b. elke beperking door de vennootschap van de overdracht van aandelen of met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen; - c. deelnemingen in de vennootschap waarvoor een meldingsplicht bestaat overeenkomstig de [artikelen 5:34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:34), [5:35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:35) en [5:43 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:43); - d. bijzondere zeggenschapsrechten verbonden aan aandelen en de naam van de gerechtigde; -"},{"i":3237,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 1 september 2025, nr. BOACAT2025/173, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Ermelo Gelezen het verzoek van gemeente Ermelo van 26 augustus 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051456&artikel=2&z=2025-11-27&g=2025-11-27). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving III in dienst van gemeente Ermelo zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domein"},{"i":4549,"b":"Circulaire wijzigingen in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) 2011 (CvdK, enz.) 1. Algemeen Op 18 november 2011 is de [Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030652) gepubliceerd in Staatsblad 2011, 531. Allereerst is een uitvloeisel van genoemde wetswijziging de verplichte aansluiting van uw provincie bij het Pensioenregister. In paragraaf 2 wordt aangegeven wat dit voor uw provincie betekent. De aansluiting wordt voor uw provincie verzorgd door Loyalis Maatwerk Administraties (LMA). Tevens is in de wet verduidelijkt dat de inkomenselementen die in de [Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) worden verrekend, worden bepaald aan de hand van de bepalingen van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353). Uit de uitvoeringspraktijk van de Appa en een gerechtelijke uitspraak was namelijk naar voren gekomen dat er onduidelijkheid bestaat over de invulling en afbakening van de verschillende inkomensbegrippen. Dit zou het ongewenste gevolg kunnen hebben dat de verrekening van (neven-) inkomsten voor de politieke ambtsdragers, tijdens en na de ambtsvervulling, niet op dezelfde wijze plaatsvindt. Het gaat dan in het bijzonder om de begrippen winst uit een of meer ondernemingen en belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid. In paragraaf 3 wordt hierop ingegaan. Voor de provinciale uitvoering van de [Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) zijn er verder ook andere relevante wijzigingen als gevolg van deze wet. Hierop wordt in paragraaf 4 ingegaan. Deze wijzigingen zijn in per 19 november 2011 ingegaan. Eén daarvan is keuzemogelijkheid om de dekking van nabestaandenpensioen ook na deelnemerschap in stand te houden. Hierop wordt ingegaan in paragraaf 4.1. Van uw provincie wordt op dit punt actie verwacht. Uw provincie dient betrokkene namelijk te informeren. De provincie dient degenen waarvan het recht op een Appa-uitkering in de periode van 1"},{"i":4079,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp van 17 juli 2024, nr.BZ2402484, tot vaststelling van een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 19 september 2022, Min-BuZa.2022.12321-35, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Tweede openstelling en wijziging Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2022–2025) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2022–2025 worden ingediend vanaf 5 augustus 2024 tot en met 15 september 2024, 12.00 uur Nederlandse tijd. Artikel 2 Voor subsidieverlening in het kader van de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2022–2025 geldt voor 5 augustus 2024 tot en met 31 december 2025 een subsidieplafond van: - a. € 0 miljoen voor activiteiten van ondernemingen en maatschappelijke organisaties om hun internationale waardeketens te verduurzamen (eerste pijler). - b. € 200.000 voor ondersteuning van maatschappelijke organisaties voor hun rol bij de implementatie van IMVO-convenanten (tweede pijler). Artikel 3 Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2022–2025). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dat"},{"i":4572,"b":"Besluit van 30 november 1973, houdende regelen betreffende het vorderen van gelden ter bestrijding van de kosten, verbonden aan de uitvoering van de Distributiewet 1939 Op de voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw en Visserij van 26 november 1973, nr. 673/639 W.J.A.; Overwegende, dat regelen dienen te worden gesteld betreffende het vorderen van gelden ter bestrijding van de kosten, verbonden aan de uitvoering van de [Distributiewet 1939](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001997) (**Stb.** 633); Gelet op [artikel 10, eerste lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001997&artikel=10); De Raad van State gehoord (advies van 28 november 1973, nr. 3); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 29 november 1973, nr. 673/665 W.J.A.; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken. Artikel 2 1. Ter bestrijding van de kosten, die aan de uitvoering van de [Distributiewet 1939](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001997) (**Stb.** 633) zijn verbonden, kan Onze Minister vorderen: - a. bijdragen ter zake van het krachtens die wet verlenen van vergunningen tot aflevering van distributiegoederen; - b. bijdragen ter zake van het krachtens die wet uitreiken van bescheiden. 2. De maatstaf, waarnaar de in het eerste lid, onder **a**, bedoelde bijdragen worden berekend, wordt door Onze Minister vastgesteld. Deze maatstaf kan voor verschillende categorieën van gevallen verschillend zijn. De bijdrage kan 1½% van de verkoopwaarde der betrokken goederen niet te boven gaan. 3. De in het eerste lid, onder **b**, bedoelde bijdragen worden door Onze Minister vastgesteld. Zij bedragen ten hoogste € 4,54. Artikel 3 1. De in [artikel 2, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029541&artikel=2&z=2012-12-07&g=2012-12-07), bedoelde bijdrage is verschuldigd door degene, te wiens behoeve de ver"},{"i":2736,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2010 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975; Gelet op artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986; Gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988; Gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984; Gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2010, doch niet later dan 15 maart 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,223 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2010 en eindigende met 15 maart 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":4514,"b":"Circulaire ter bekendmaking van de wijze van verkrijging van een decentralisatie-uitkering uit het Gemeentefonds ten behoeve van projecten van gemeenten tot opheffen of verminderen van knelpunten rondom het spoor (Circulaire spoorse doorsnijdingen 2e tranche) Aan de colleges van burgemeester en wethouders, Geachte colleges, Met deze circulaire wil ik u informeren over een onderdeel van mijn beleid, gericht op het verminderen of opheffen van de barrièrewerking van hoofdspoorwegen (verder: spoor) in stedelijk gebied. 1. Aanleiding en doelstelling Uit de evaluatie van de eerste tranche spoorse doorsnijdingen, de [Regeling eenmalige uitkering spoorse doorsnijdingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019584) van 2006, blijkt dat de regeling een succes is geweest. De regeling had een subsidieplafond van € 300 miljoen (prijspeil 2006). De aanvragen die voor 1 juni 2006 zijn ingediend zijn alle beoordeeld. Diverse projecten zijn afgewezen. Geen enkele aanvraag is afgewezen wegens het bereiken van het subsidieplafond, maar omdat niet voldaan werd aan de in de regeling gestelde criteria (inhoudelijk en/of financieel). Aan meer dan 60 projecten is in totaal ruim 240 miljoen euro uitgekeerd. Mede door dit succes heeft het kabinet, via de Begroting 2009, voor een tweede tranche spoorse doorsnijdingen 141 miljoen euro ter beschikking gesteld. Ook met deze tweede tranche wordt beoogd gemeenten te helpen met een financiële bijdrage om de barrièrewerking van hoofdspoorwegen in stedelijk gebied te verminderen of op te heffen. Op veel plekken in Nederland doorsnijdt het spoor stedelijk gebied. Deze circulaire geeft de wijze van verkrijging weer van een decentralisatie-uitkering uit het Gemeentefonds aan gemeenten die aan het spoor liggen, op een of andere manier hinder van het spoor ondervinden en bestaande, vergevorderde plannen hebben om de hinder te verminderen maar hier nog niet voldoende financiële middelen voor hebben. Enkel gemeenten die om of aan het spoor gelokaliseerd"},{"i":4612,"b":"Gewijzigde aanvraagprocedure diploma-erkenning Deel I. Algemene informatie aanvragen diploma-erkenning 1. Algemeen 1.1. Inleiding Deze publicatie bevat informatie over de procedure voor het aanvragen van diploma-erkenning voor niet bekostigde instellingen, dan wel bekostigde instellingen die niet bekostigde beroepsopleidingen willen aanbieden. Deze aanvraag geldt ook als aanmelding van de diploma-erkenning van de betreffende opleiding(en) voor registratie in het centraal register beroepsopleidingen (crebo). Met ingang van 1 augustus 2012 is de wet tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web) betreffende de beroepsgerichte kwalificatiedossiers door het Parlement aangenomen en worden opleidingen volgens de beroepsgerichte kwalificatiestructuur (BKS) verzorgd. Aanvragen diploma-erkenning moeten ingediend worden op grond van [artikel 1.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1), gelezen in samenhang met [artikel 6.2.1, van de Web](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.2.1). Aanvragen kunt u het gehele jaar door indienen. Eenmaal verkregen erkenningen blijven van kracht tot de opleiding(en) niet langer worden verzorgd of de erkenning door de minister wordt ingetrokken. De beroepsgerichte kwalificatiedossiers en de indeling van de dossiers in opleidingsdomeinen zijn gepubliceerd in de ‘[Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031310)’, te vinden via de link http://wetten.overheid.nl. Indien er nieuwe dossiers en/of aanpassingen aan bestaande dossiers zijn, zullen deze bekendgemaakt worden. Het verkrijgen van diploma-erkenning betekent dat aan het met goed gevolg afleggen van examens (of onderdelen van examens) van een beroepsopleiding een diploma als bedoeld in [artikel 7.4.6 van de Web](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.6) is verbonden. 1.2. Verplichtingen bij diploma-erkenning **Artikel 1.4.1, eerste lid, van de We"},{"i":3410,"b":"Besluit van 28 mei 2025, houdende regeling van technische, personele en organisatorische maatregelen en nadere regels omtrent gegevensbeschermingsaudits ter uitvoering van de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid en wijziging van het Besluit politiegegevens, alsmede tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid (Besluit coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 7 februari 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6156363; Gelet op [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049262&artikel=3), [artikel 5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049262&artikel=5), en [artikel 11 van de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049262&artikel=11) en [artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 maart 2025, nr. W16.25.00037/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, van 27 mei 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6388928; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definitie In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049262). Artikel 2. Werkwijze 1. Onze Minister legt het doel en de afbakening van de werkzaamheden vast die worden verricht ter uitvoering van [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049262&artikel=2). 2. Indien op grond van [artikel 7, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049262&artikel=7) persoonsgegevens worden verstrekt legt Onze Minister vast: - a. of er sprake is van bijzondere categorieën van persoonsgegevens of van persoonsgegevens van s"},{"i":2687,"b":"Beschikking consignatie van gelden Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=4), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=6), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=7), [9, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=9), [10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=10) en [11, derde lid, van de Wet op de consignatie van gelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=11); Besluit: Vast te stellen de navolgende beschikking Consignatie van gelden, met één bijlage. Beschikking consignatie van gelden Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder wet: de wet van 27 augustus 1980, Staatsblad 473 ([Wet op de consignatie van gelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338)). Artikel 2 Als rekening als bedoeld in [artikel 3, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=3), wordt aangewezen de rekening, nr. 552770 van het Ministerie van Financiën bij de Postbank. Artikel 3 Als ambtenaar bedoeld in [artikel 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=4), wordt aangewezen de Directeur van de Centrale Directie Financieel Economische Zaken van het Ministerie van Financiën. Artikel 4 Het model van het bewijs van consignatie, bedoeld in [artikel 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=6) wordt vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003370&bijlage=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01) van deze beschikking. Artikel 5 1. De bekendmakingen bedoeld in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=7), en [artikel 10, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=10) vinden plaats in de loop van de maand februari. 2. De in [artikel 11, eerste lid, van de wet]"},{"i":4804,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 januari 2005, nr. IBE-2544885, houdende verlening van mandaat en machtiging aan SenterNovem Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur van SenterNovem van 7 december 2004, kenmerk ZJZ0429330; Besluit: Artikel 1 Aan de algemeen directeur van Agentschap NL, hierna te noemen: de algemeen directeur, wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten op grond van het [Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014472) met betrekking tot de uitvoering van ICES/KIS projecten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met inachtneming van de in december 2004 gemaakte afspraken VWS-ZonMw-SenterNovem; - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a. Artikel 2 1. De algemeen directeur is gemachtigd tot het afdoen van alle stukken die betrekking hebben op besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017882&artikel=1&z=2010-03-24&g=2010-03-24). 2. De algemeen directeur is gemachtigd ten aanzien van verweerschriften en beroepschriften in administratiefrechtelijke procedures, gericht tot een administratieve rechter, ten behoeve van het vertegenwoordigen van de minister in administratiefrechtelijke procedures bij de administratieve rechter en tot het afdoen van alle stukken die daarop betrekking hebben. Artikel 3 De algemeen directeur kan zijn bevoegdheid bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017882&artikel=1&z=2010-03-24&g=2010-03-24) ondermandateren en ter zake van zijn bevoegdheden bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017882&artikel=2&z=2010-03-24&g=2010-03-24) machtiging verlenen aan een of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 4 De ondertekening van stukken namens de minister luidt als volgt: De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, namens deze: (gevolgd door han"},{"i":2645,"b":"Beleidsregels verdeling besteedbare middelen beheerskosten verbindingskantoren AWBZ 2010 Gelet op [artikel 91, eerste lid, Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.5, eerste en tweede lid van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5) en de [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026940); heeft in zijn vergadering van 21 december 2009 besloten: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. **regio:** regio zoals genoemd in de Beschikking van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 november 2008, nr. Z/VU-2892517, houdende de aanwijzing van administratie-instellingen bijzondere ziektekosten, Staatscourant nr. 232, 28 november 2008; - b. **budgethouder:** houder van een persoonsgebonden budget krachtens [subsidieparagraaf 2.6 van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&paragraaf=2.6); - c. **verbindingskantoor:** een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2 Het college keert het voorlopig vastgestelde, het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027056). § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2010 Artikel 3 1. Het college verdeelt in het jaar 2010 een totaal bedrag van 159,117 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de verbindingskantoren. 2. Het college stelt in januari 2010 voor ieder verbindingskantoor een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de besteedbare middelen voor de beheerskosten ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Z"},{"i":6023,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 20 juli 2007, nr. DCO-382/07, tot vaststelling van een subsidieplafond voor de periode 1 oktober 2007 – 31 december 2008 voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (onderzoek) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en de [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.2) en [6.3 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.3); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.2) en [6.3 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.3) in het kader van het programma Onderzoek en Innovatie geldt voor de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 december 2008 een subsidieplafond van € 25.000.000. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4075,"b":"Besluit Totaalwinst **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een samenvoeging van de volgende vijf besluiten over winstbepaling voor de totaalwinst: Besluit van 24 januari 2006, nr. CPP2005/3134M, Besluit van 20 juni 2018, nr. 2018-81323, Besluit van 13 oktober 2004, nr. CPP2004/1616M, Besluit van 23 april 2020, nr. 2020-54978, en Besluit van 24 augustus 2004, nr. CPP2004/1912M. Daarnaast is het besluit inhoudelijk en redactioneel aangepast. De inhoudelijke wijzigingen bestaan uit:** 1. Inleiding In dit besluit zijn vijf besluiten over winstbepaling voor de totaalwinst samengevoegd tot een meeromvattend besluit ‘Besluit Totaalwinst’. De besluiten zijn samengevoegd om het overzicht voor en de bekendheid bij de gebruiker te vergroten en het actualiseren te vereenvoudigen. Daarnaast biedt dit besluit in de toekomst ruimte om goedkeuringen en standpunten te publiceren die zien op de winstbepaling voor de totaalwinst, maar de omschrijving of inhoud van de afzonderlijke besluiten te buiten gaan. Het gaat om de volgende vijf besluiten die achtereenvolgens in dit besluit zijn opgenomen. In dit besluit zijn inhoudelijk de volgende wijzigingen aangebracht. Met het samenvoegen van de besluiten en de overige wijzigingen zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Vermogensetikettering 2.1. Lijfrenteverplichting na staking van de onderneming Een lijfrenteverplichting kan na staking van de onderneming niet tot het ondernemingsvermogen blijven behoren, omdat daarmee de grenzen der redelijkheid worden overschreden. Bij de staking van een onderneming heeft namelijk in het algemeen te gelden dat een tot het ondernemingsvermogen behorend activum, dat niet wordt overgedragen aan een derde, naar het privévermogen wordt overgebracht. Op deze regel is een uitzondering van toepassing indien sprake is van uit de ondernemingssfeer stammende onzekerheden omtrent de afwikkeling van dat activum. In dat geval bl"},{"i":6021,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst Bureau Financieel Toezicht Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van het Bureau Financieel Toezicht (BFT) en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijsten worden ingetrokken, behalve voor het organisatieonderdeel Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP): - •. [Basisselectiedocument (BSD) van het Bureau Financieel Toezicht (BFT) en de Commissies van Deskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032541), vastgesteld in 2012 - •. Selectielijst Bureau Financieel Toezicht 1999, vastgesteld in 2009 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op https://www.nationaalarchief.nl/archiveren/kennisbank/vastgestelde-selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":4737,"b":"Invoering aangepaste reisdocumenten Circulaire aan de burgemeesters De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. In de circulaire van 27 augustus 1997 (RDB97/U691-RD) heb ik u geïnformeerd over de laatste details van de 1 oktober-operatie. Naar aanleiding van vragen van een aantal gemeenten wil ik u in deze circulaire nogmaals op een aantal zaken wijzen. Fototang De aangepaste reisdocumenten zijn tezamen met de fototang(en) inmiddels aan u geleverd. Indien u tussen 11 april en 1 oktober 1997 een nieuwe printerconfiguratie (bestaande uit een printer, een kwaliteitslezer èn een laminator) heeft aangeschaft, ontvangt u na 1 oktober kosteloos een extra fototang. Voor nabestellingen in verband met uitbreiding van het aantal in gebruik zijnde fototangen geldt eveneens dat de levering van deze extra fototangen na 1 oktober zal plaatsvinden. De procedure voor verhuizing/herindeling van een gemeente is als volgt: Inmiddels heeft het ministerie van Verkeer en Waterstaat besloten dat de fototang per 1 oktober ook gebruikt mag worden voor de rijbewijzen. U wordt door dit ministerie hierover in een circulaire geïnformeerd. Voor het bestellen van fototangen verwijs ik u naar onze circulaire van 27 augustus j.l. (RDB97/U691-RD). Kenmerkenfolder In de Nieuwsbrief Reisdocumenten nummer 17 en nummer 18 wordt melding gemaakt van een nieuw beveiligingskenmerk: de getwijnde garendraad. Deze bestaat uit een bordeauxrode, een okergele en een witte draad. Onder een uv-lamp zou de witte draad rood moeten oplichten. Recentelijk is gebleken dat dit in sommige gevallen niet het geval is. Dit staat beschreven in de kenmerkenfolder van het Nationaal Paspoort. Inname en vernietiging oude blanco reisdocumenten Voor de volledige procedure ter inname en vernietiging van de oude reisdocumenten verwijs ik u naar voornoemde circulaire van 27 augustus j.l. Voor de goede orde breng ik nogmaals een aantal zaken onder uw aandacht. Aan het eind van de laatste werkdag van september dient in"},{"i":3295,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 6 augustus 2018 nr. BOACAT2018/045, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Noordwijk Gelezen het verzoek van de gemeente Noordwijk van 16 juli 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041246&artikel=2&z=2018-08-17&g=2018-08-17). Artikel 2 De personen die, werkzaam in de functie van APV handhaver, Parkeercontroleur of Drank- en Horecawet toezichthouder in dienst van de gemeente Noordwijk, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Ar"},{"i":3652,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 april 2023, 2023-0000229338, tot machtiging van de ILT tot het uitoefenen van handhavingsbevoegdheden met betrekking tot de detacheringsverklaring Gelet op de [artikelen 10:2 tot en met 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:10), de [artikelen 9e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=9e), [9f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=9f) en [9g van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=9g) en [artikel 2, vierde lid, van het Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031032&artikel=2); Gezien de schriftelijke instemming van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 12 oktober 2021; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Implementatiewet Richtlijn 2020/1057/EU inzake detachering in de wegvervoersector in werking treedt. Artikel 1 1. Aan de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport, bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van het Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031032&artikel=1), wordt machtiging verleend voor het verrichten van handelingen die verband houden met de aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toekomende bevoegdheden bij een wegcontrole als bedoeld in de [artikelen 9f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=9f), en [9g van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=9g). 2. De inspecteur-generaal kan voor de in het eerste lid bedoelde handelingen machtiging verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de [Implementatiewet Richtlijn 2020/1057/EU inzake detachering in de we"},{"i":3348,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 maart 2022, nr. BOACAT BOACAT2022/010 strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Zwolle Gelezen het verzoek van gemeente Zwolle van 28 januari 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); artikel 55b van het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046443&artikel=2&z=2022-03-22&g=2022-03-22). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerker Toezicht Openbare Ruimte in dienst van gemeente Zwolle, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het, II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage"},{"i":3918,"b":"Toeslagen. Besluit benoeming en vergoeding leden Oudercommissie **Besluit van 12 juli 2021, nr. 2021-129006** **Dit besluit regelt de benoeming en vergoeding van de oudercommissie. De leden van de oudercommissie adviseren de Belastingdienst/Toeslagen bij het herstel van de problemen met de kinderopvangtoeslag.** De Staatssecretaris van Financiën besluit, gelet op als volgt. 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: 2. Benoeming voorzitters en andere leden 3. Vergoeding voorzitter Aan de voorzitter wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18, trede 10, van de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn en de arbeidsduurfactor op 12/36. 4. Vergoeding andere leden De andere leden ontvangen een vaste vergoeding van € 170 per bijeenkomst. In afwijking van de vorige zin ontvangt het lid als bedoeld in onderdeel 2c een vaste vergoeding van € 270 per bijeenkomst. 5. Werkzaamheden oudercommissie 1 mei 2020 tot en met 6 juli 2020 De instellingsregeling werkt terug tot 7 juli 2020. De voorzitter en de andere leden hebben sinds 1 mei 2020 werkzaamheden uitgevoerd voor de oudercommissie. Om te formaliseren dat de voorzitter en de andere leden ook voor die periode een vergoeding krijgen, verklaar ik de onderdelen 3 en 4 van overeenkomstige toepassing op de periode 1 mei 2020 tot en met 6 juli 2020. 6. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 7 juli 2020. Dit besluit vervalt met ingang van de datum waarop de Instellingsregeling vervalt of wordt ingetrokken.1Zie artikel 9 Instellingsregeling. 7. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit oudercommissie. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4762,"b":"Wet van 13 april 2006, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (Wet overige BZK-subsidies) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet overige BiZa-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009055) te vervangen door een nieuwe regeling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 2 1. Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten die passen in het beleid inzake: - a. het bevorderen van de democratische rechtsstaat; - b. het decentraal bestuur; - c. het management en personeelsbeleid van de openbare dienst; - d. de Koninkrijksrelaties en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - e. het bouwen, het wonen en de woonomgeving. 2. Onze Minister kan voorts subsidies verstrekken voor activiteiten op het gebied van de onderwerpen, die zijn genoemd in de begrotingsstaat, onderdeel uitgaven en verplichtingen, behorend bij de wet, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of de begrotingsstaten van Wonen en Rijksdienst voor het desbetreffende jaar, of voor een voorafgaand jaar, voor zover daarin een beschikking tot subsidieverstrekking is gegeven. Indien bij de aanvang van enig jaar bedoelde wet nog niet in werking is getreden, wordt tot die inwerkingtreding het voorstel daartoe in aanmerking genomen. Artikel 3 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Mi"},{"i":2735,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2009 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2009, doch niet later dan 15 maart 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,670 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2009 en eindigende met 15 maart 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":8444,"b":"CCMO-Richtlijn gebruik National Collaboration Platform (NCP) Richtlijn van de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek, de CCMO, krachtens [artikel 24, eerste lid, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=24) (WMO), inzake het gebruik van het National Collaboration Platform (NCP) door erkende Medisch-Ethische Toetsingscommissies (METC’s). Artikel 1 Voor de registratie van het proces van beoordeling van medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen dient een erkende medisch-ethische toetsingscommissie (METC) gebruik te maken van het NCP. Het betreft medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen dat valt onder de [Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408) (WMO), de [Embryowet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013797), de [Verordening (EU) 2017/745](32017R0745) (Medical Device Regulation (MDR)) en de [Verordening (EU) 2017/746](32017R0746) (In Vitro Diagnostics Regulation (IVDR)). Artikel 2 De onderdelen van het beoordelingsproces die door een erkende METC in het NCP dienen te worden vastgelegd, zijn opgenomen in de bij deze richtlijn behorende bijlage. Artikel 3 Ten behoeve van de registratie als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050733&artikel=1&z=2025-02-03&g=2025-02-03) van deze richtlijn maakt een erkende METC gebruik van het landelijke dossiernummer. Artikel 4 Deze richtlijn treedt in werking met ingang van 3 februari 2025. Deze richtlijn vervangt de CCMO-richtlijn Gebruik Webportal ToetsingOnline. Laatste richtlijn zal worden ingetrokken zodra de bij start van het NCP nog lopende beoordelingen in ToetsingOnline zijn afgerond en alle indieningen en rapportages van medisch- wetenschappelijke onderzoeken worden ontvangen via het NCP. Artikel 5 Deze richtlijn met de bijlage als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050733&artikel=2&z=2025-02-03&g=2025-02-03) zal met de toel"},{"i":2593,"b":"Beleidsregels CAK inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2017 Gelet op [artikel 9a tot en met 9d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9a), [18a tot en met 18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18a), en [34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a), alsmede [paragraaf 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&paragraaf=4a) en [paragraaf 5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&paragraaf=5), In aanmerking nemende dat de [Wet van 8 april 2016 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet en andere wetten in verband met de overgang van een aantal taken van het Zorginstituut Nederland naar het CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037917), welke – zoals bepaald bij Staatsblad 2016, nr. 442 – in werking treedt per 1 januari 2017; Besluit om de volgende beleidsregels vast te stellen: Artikel 1. De melding van de zorgverzekering als bedoeld in [artikel 18c van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c) (wanbetalers) 1. Voor de toepassing en de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18f), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18g) en [34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a) maakt het CAK gebruik van de gegevens die de zorgverzekeraar verschaft op grond van de regeling ingevolge [artikel 92 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=92), van de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) en van de gegevens uit de UWV-polisadministratie. 2. Het CAK maakt nadere werkafspraken met de zorgverzekeraars over de wijze en het tijdstip van aanleverin"},{"i":2973,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 26 juni 2018, nr. WJZ/18139550, houdende aanwijzing van een organisatie als bedoeld in artikel 14 van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken Gelet op [artikel 14 van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=14); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **RVO.nl:** Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **wet:** [Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728). Artikel 2 1. Als organisatie bedoeld in [artikel 14 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=14) wordt RVO.nl aangewezen. 2. RVO.nl heeft tot taak: - a. het gebundeld doorgeleiden naar de Dienst van graafmeldingen, afkomstig van agrariërs die bij RVO.nl zijn geregistreerd in verband met de uitvoering van landbouwregelingen, en van oriëntatieverzoeken, voor zover deze graafmeldingen en oriëntatieverzoeken betrekking hebben op graafwerkzaamheden met een diepgang van ten hoogste 50 cm in grond die in eigendom of beheer is van de grondroerder; - b. de door de Dienst ten aanzien van deze graafmeldingen en oriëntatieverzoeken verstrekte gebiedsinformatie aan de desbetreffende agrariërs ter beschikking te stellen. Artikel 3 Het Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 13 december 2010, nr. WJZ/101877380, tot verlenging van Besluit niet handhaven graafwerkzaamheden tot 50 cm ten behoeve van agrarische activiteiten (Stcrt. 2010, nr. 20406) en het [Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 30 juni 2011, nr. WJZ/11098378, tot aanwijzing van een organisatie als bedoeld in artikel 12 van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR003026"},{"i":2903,"b":"Besluit van 27 november 2012 tot aanpassing van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak en enkele andere besluiten in verband met de herziening van de gerechtelijke kaart (Besluit aanpassing rechtspositionele bepalingen herziening gerechtelijke kaart) Artikel I Wijzigt het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel II Wijzigt het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak. Artikel III Wijzigt het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers. Artikel IV Wijzigt het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren. Artikel V Wijzigt het Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraak. Artikel VI Wijzigt het Kostuum- en titulatuurbesluit rechterlijke organisatie. Artikel VII Wijzigt het Reglement voor de bijzondere kamer bij het gerechtshof te Arnhem. Artikel VIII Wijzigt het Reglement voor de ondernemingskamer. Artikel IX Degenen voor wie op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit is vastgesteld dat zij het ambt van fungerend hoofdofficier vervullen bij het arrondissementsparket te Haarlem, onderscheidenlijk het arrondissementsparket te ’s-Hertogenbosch, onderscheidenlijk het arrondissementsparket te Zwolle-Lelystad en uit dien hoofde een salaris ontvangen van € 8412,44 of € 8685,54 per maand, vermenigvuldigd met de voor hen geldende arbeidsduurfactor, en voor wie ingevolge [artikel CXI, vierde lid, van de Wet herziening gerechtelijke kaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031789&artikel=CXI) de benoeming van rechtswege wordt gewijzigd in een benoeming als plaatsvervangend hoofdofficier van justitie en van rechtswege wordt vastgesteld dat zij hun ambt vervullen bij het arrondissementsparket Noord-Holland, het arrondissementsparket Oost-Brabant, onderscheidenlijk het arrondissementsparket Midden-Nederland, ontvangen, in afwijki"},{"i":4405,"b":"Besluit van 11 mei 2020, houdende regels met betrekking tot verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van het versnellen van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving (Besluit Woningbouwimpuls 2020) Op de voordracht van Onze Minister voor Milieu en Wonen van 13 maart 2020, nr. 2020-0000139923; Gelet op [artikel 81, tweede lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=81); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 april 2020, No.W04.20.0061/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 mei 2020, nr. 2020-0000185061; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanvraagtijdvak:** de termijn waarbinnen een aanvraag voor een specifieke uitkering kan worden ingediend; - **betaalbare woning:** - 1°. sociale huurwoning: huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens als bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13); - 2°. huurwoning voor middenhuur: huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13), en ten hoogste: - i. het bedrag als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=2); of - ii. het onder i bedoelde bedrag met inbegrip van een vermeerdering als bedoeld in [artikel 8a, eerste, derde, vierde of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=8&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor zover het gaat om een huurwoning als bedoeld in die leden; - 3°. betaalbare koopwoning: koopwoning met een koopprijs vrij op naam bij eerste verkoop van ten hoogste de geïndexeerde bovengrens,"},{"i":4765,"b":"Wet van 24 december 1998, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking (Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de totstandkoming van de derde tranche van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) het nodig maakt wettelijke regels op te stellen voor de verstrekking van subsidies door Onze Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister voor Ontwikkelingssamenwerking; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij goed vinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder «Onze Minister»: Onze Minister van Buitenlandse Zaken of Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Artikel 2 Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in het beleid ten aanzien van: - a. het bevorderen van de internationale rechtsorde; - b. het bevorderen van vrede en veiligheid; - c. het behartigen van politieke belangen in het buitenland; - d. het bevorderen van ontwikkelings- en transitieprocessen in andere landen; - e. het behartigen van sociale, culturele en economische belangen in het buitenland; - f. het voorlichten op het terrein van het buitenlands beleid en het bevorderen van mondiale bewustwording in Nederland; - g. het bevorderen van onderzoek en advisering ter ondersteuning van het buitenlands beleid; - h. het lenigen van menselijke noden ten gevolge van crises; - i. het bevorderen van de internationale economische betrekkingen en - j. het bevorderen van het welzijn van het personeel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Artikel 3 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling worden de activiteiten waar"},{"i":4739,"b":"Invoering open vragen moderne vreemde talen bij de centrale examens vbo, havo en vwo 1. Open vragen moderne vreemde talen in vwo en havo Zoals uit de syllabus blijkt, zullen in de nieuwe examens vwo en havo ook open vragen voorkomen. Voor havo zullen de examens moderne vreemde talen voor het eerst ook open vragen bevatten in het jaar2000, voor het vwo in 2001. Ook in de examens oude stijl zullen wegens de overlap met nieuw (enige) open vragen voorkomen. Voor toelichting en voorbeelden van deze vragen zij verwezen naar de syllabi die vorig jaar om deze tijd door het Cito aan alle scholen zijn toegezonden. Exemplaren van deze syllabi kunnen, voor elke moderne vreemde taal afzonderlijk, worden besteld bij: 2. Open vragen moderne vreemde talen in mavo en vbo In beginsel was al bij de invoering van de nieuwe eindexamenprogramma’s bij het examen van1997 beslo-ten dat in de examens moderne vreemde talen in mavo en vbo ook open vragen zouden worden opgenomen. Dit besluit wordt geëffectueerd bij de centrale examens van 2000: in dat jaar zullen dus ook enige open vragen in de centrale examens moderne vreemde talen mavo en vbo voorkomen. Leerlingen zullen in het algemeen aan dergelijke vragen reeds gewend zijn: ongeveer dezelfde vraagtypen komen ook voor in de afsluitingstoetsen van de basisvorming. In de leestoetsen van Engels, Frans en Duits zijn tal van voorbeelden van dergelijke opgaven te vinden. Hieronder wordt een nadere beschrijving met enkele voorbeelden gegeven. Tot en met het schooljaar2001 – 2002 worden de centrale examens in mavo en vbo afgenomen volgens de examen-programma’s van1994 (eerste examenjaar1997). Inhoude-lijke wijzigingen vinden dus niet plaats, wel worden nieuwe vraagvormen in de examens opgenomen. De landelijke examens vbo-B zullen met ingang van de examens van2001 worden gebaseerd op het programma voor de basisberoepsgerichte leerweg van1999. 3. Gebruik van het Nederlands in open vragen De open vragen worden in het Nederlands gesteld. In een enkel g"},{"i":3086,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 2 februari 2024, nr. DG ED/DE 44619100, inzake de keuze voor het instrument veiling van vergunningen voor mobiele communicatie in de 3,5 GHz-band en de vaststelling van de te veilen vergunningen Gelet op [artikel 3.10, vierde lid van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10) en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: Artikel 1 1. De vergunningen voor mobiele communicatie voor het gebruik van de frequentieruimte binnen het frequentiebereik 3450 – 3750 MHz worden verleend met toepassing van een veiling als bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). 2. De aan de vergunningen, bedoeld in het eerste lid, te verbinden voorschriften en beperkingen worden voor zover dat reeds mogelijk is, vastgesteld in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049386&bijlage=1&z=2024-02-15&g=2024-02-15) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049386&bijlage=2&z=2024-02-15&g=2024-02-15) en toegelicht in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049386&bijlage=3&z=2024-02-15&g=2024-02-15). Artikel 2. (beschikbare vergunningen) De vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049386&artikel=1&z=2024-02-15&g=2024-02-15), worden geveild in 3 vergunningen met een omvang van 60 MHz in het eerste deel van de primaire fase van de veiling en 12 vergunningen met een omvang van 10 MHz in het tweede deel van de primaire fase van de veiling. Artikel 3. (onverdeelde vergunningen) In het geval dat vergunningen met een omvang van 60 MHz niet verdeeld worden in het eerste deel van de primaire fase van de veiling, wordt de frequentieruimte van deze vergunningen toegevoegd aan het tweede deel van de primaire fase van de veiling en in vergunningen van 10 MHz geve"},{"i":3634,"b":"Besluit kwalificatie Braziliaanse interest on net equity **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit wordt ingegaan op de kwalificatie van de betalingen van Braziliaanse “Interest on net equity” voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en Brazilië.** 1. Inleiding In de praktijk blijkt onduidelijkheid te bestaan over de kwalificatie van de Braziliaanse “Juros sobre o capital próprio” (in het Engels aangeduid met “Interest on net equity” dan wel “Allowance for corporate equity”) voor de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen met betrekking tot het inkomen1Trb. 1990, nr. 67. (hierna: “het Belastingverdrag”). Deze kwalificatie is van belang in verband met de hoogte van de op basis van het Belastingverdrag door Nederland eventueel te verlenen tax sparing credit. In dit besluit wordt toegelicht hoe deze “Interest on net equity” voor de toepassing van het Belastingverdrag geduid moet worden. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Kwalificatie van IoNE In Brazilië is het mogelijk om – naast regulier dividend – de aandeelhouders ook een IoNE te betalen. Dit is een vergoeding op basis van de omvang van het (netto) eigen vermogen. Naar Braziliaans civiel recht is deze vergoeding op één lijn te stellen met dividend. Voor Braziliaanse fiscale doeleinden wordt de vergoeding echter behandeld als interest. De betaling is aftrekbaar bij de betalende vennootschap en belast bij de aandeelhouder. Voor Nederlandse fiscale doeleinden wordt de IoNE aangemerkt als een voordeel uit hoofde van aandelenbezit. In de situatie dat dit een voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling kwalificerend aandelenbezit betreft was hierop tot 1 januari 2016 de deelnemingsvrijstelling van [artikel 13 Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13) van toepassing. P"},{"i":3151,"b":"Besluit van 23 november 2016, houdende vaststelling van de grondslag voor de bijdrage van zelfstandig bestuursorganen voor het gebruik van de rijksincassovoorziening (Besluit bijdrage rijksincassovoorziening) Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 7 juli 2016, nr. 2016-0000390751; Gelet op [artikel 21b, derde en vierde lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 5 september 2016, no. W04.16.014-I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 november 2016, nr. 2016-0000708747; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aangeboden vordering:** een vordering die door een aangesloten organisatie dan wel een andere instantie wordt aangeboden aan het Centraal Justitieel Incassobureau om met gebruikmaking van de rijksincassovoorziening te innen; - **aangesloten organisatie:** een zelfstandig bestuursorgaan dat ingevolge een besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst als bedoeld in [artikel 21a van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21a) gebruik maakt van de rijksincassovoorziening; - **bijdrage:** de bijdrage die aan een aangesloten organisatie in rekening wordt gebracht voor de kosten voor de instandhouding van de rijksincassovoorziening; - **jaar:** kalenderjaar; - **kosten:** kosten voor de instandhouding van de rijksincassovoorziening; - **Onze Minister:** Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - **rijksincassovoorziening:** de voorziening die in stand wordt gehouden door het Centraal Justitieel Incassobureau voor rijksbrede clustering van incasso van aangeboden vorderingen van bestuursorganen. Artikel 2 De bijdrage per jaar bestaat uit: - a. een vooraf vastgesteld deel, dat betrekking heeft op de vaste kosten in het desbetreffende j"},{"i":3556,"b":"Besluit heffingskortingen **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 19 september 2023, nr.** **2023/17530 (** **Stcrt. 2023, 24923** **). In dit besluit zijn goedkeuringen opgenomen voor de toepassing van de heffingskortingen in de inkomstenbelasting, de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen.** 1. Inleiding 1.1. Opzet besluit Dit besluit bevat goedkeuringen met betrekking tot verschillende heffingskortingen in de inkomstenbelasting, de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen. Onderdeel 2 bevat het beleid dat betrekking heeft op alle elementen van de standaardheffingskorting. Onderdeel 3 bevat verschillende goedkeuringen met betrekking tot de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Tot slot bevat onderdeel 4 beleid met betrekking tot de korting voor groene beleggingen. 1.2. Wijzigingen besluit Hieronder staan de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het [Besluit van 19 september 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471), nr. 2023-17530. 1.3. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Toepassing heffingskortingen in loonbelasting voor uitgezonden ambtenaren Een naar het buitenland uitgezonden Nederlander, die in dienstbetrekking staat tot de Staat der Nederlanden, wordt geacht in Nederland te wonen.1Artikel 2.2, tweede lid, Wet IB 2001. Deze fictie leidt ertoe dat diegene voor de toepassing van de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) wordt behandeld als binnenlandse belastingplichtige en derhalve recht heeft op (de belastingdelen van) de heffingskortingen, ondanks de feitelijk buitenlandse woonplaats. In tegenstelling tot de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) is in de [Wet LB 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) geen vergelijkbare woonplaatsfictie opgenomen. Als gevolg daarvan worden uitgezonden ambtenaren voor de Wet LB 1964 aangemerkt als in het buitenland woonachtige werkne"},{"i":2864,"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 november 2010, nr. 5674611/10/6 tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2011 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2011) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2011 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 0,9. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2011. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4886,"b":"Mandaatbesluit NVAO 2017 Gelet op: Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs van 3 september 2003, zoals nadien gewijzigd (Trb. 2013, nr. 35); [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); [Accreditatiebesluit WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030676); Decreet tot bekrachtiging van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs (codex hoger onderwijs); Decreet betreffende de versterking van het hoger beroepsonderwijs in Vlaanderen; Bestuursreglement NVAO. Overwegende dat het Comité van Ministers in zijn vergadering van 5 december 2016 heeft besloten de bestuurlijke structuur van de NVAO effectiever te maken, hetgeen wat betreft aanvragen van Nederlandse hoger onderwijsinstellingen onder andere inhoudt dat het Algemeen Bestuur zijn hieronder in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039777&artikel=1&z=2017-09-01&g=2017-09-01), nader omschreven bevoegdheden mandateert aan het Dagelijks Bestuur en dat het Dagelijks Bestuur zijn hieronder in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039777&artikel=2&z=2017-09-01&g=2017-09-01), nader omschreven bevoegdheden op zijn beurt (onder)mandateert aan de Directeur Nederland en bij diens afwezigheid of ontstentenis aan diens door het Dagelijks Bestuur aangewezen plaatsvervanger, en hetgeen wat betreft aanvragen van instellingen gevat in het decreet tot bekrachtiging van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs en het decreet betreffende de versterking van het hoger beroepsonderwijs in Vlaanderen inhoudt dat het Algemeen Bestuur zijn hieronder in [artikel 1, tweede lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039777&artikel=1&z=2017-09-01&g=2017-09-01) bevoegdheden mandateert aan"},{"i":3644,"b":"Besluit van 3 oktober 2005, houdende regels met betrekking tot de subsidiëring ten behoeve van de bouw van woningen in stedelijke regio’s gedurende de periode 1 januari 2005 – 31 december 2009 (Besluit locatiegebonden subsidies 2005), en tot wijziging van het Besluit woninggebonden subsidies 1995 (vervallen legesvrijdom voor toegelaten instellingen) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 juni 2005, nr. MJZ2005127310, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 81, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=81), en [88 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=88); De Raad van State gehoord (advies van 1 september 2005, nr. W08.05.0277/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 september 2005, nr. MJZ2005182515, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. rechtstreekse regio: regio genoemd in [bijlage 2, tabel A, kolom 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018822&bijlage=2&z=2009-11-15&g=2009-11-15) ; - b. niet-rechtstreekse regio: regio genoemd in [bijlage 2, tabel B, kolom 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018822&bijlage=2&z=2009-11-15&g=2009-11-15); - c. tijdvak: periode die begint op 1 januari 2005 en eindigt op 31 december 2009; - d. convenant woningbouwafspraken: convenant waarin afspraken zijn opgenomen tussen Onze Minister, een rechtstreekse regio en de provincie waarin het grondgebied van die rechtstreekse regio is gelegen, respectievelijk tussen Onze Minister en een provincie, omtrent de realisatie en subsidiëring van de bouw van woningen op het gebied van die rechtstreekse regio, respectievelijk op het gebied van de in die provincie gelegen niet-rechtstreekse regio’s; - e. toevoeging aan de woningvoorraad: elke door ni"},{"i":4696,"b":"Instellingsbeschikking Raad voor de divisie Centrale Recherche Informatie Overwegende dat er ten behoeve van het Korps landelijke politiediensten een Raad voor het Korps landelijke politiediensten is die jaarlijks de stukken, bedoeld in [artikel 39 van Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=39), vaststelt; Overwegende dat de Raad voor het Korps landelijke politiediensten voorts adviseert over het beheer, de taken en de taakvervulling van het Korps landelijke politiediensten; Overwegende dat de taken van de divisie Centrale Recherche Informatie van het Korps landelijke politiediensten in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde specialistische werkzaamheden met zich meebrengen; Overwegende dat voor de uitvoering van deze werkzaamheden een goede samenwerking met alle bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betrokken personen en instanties noodzakelijk is; Overwegende dat het – onverminderd de taakstelling van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten – gewenst is dat ter bevordering van deze samenwerking een Raad voor de divisie Centrale Recherche Informatie wordt ingesteld; Besluit: Artikel 1 Er is een Raad voor de divisie Centrale Recherche Informatie. Artikel 2 1. De Raad voor de divisie Centrale Recherche Informatie heeft tot taak te adviseren over de strategische aspecten van de samenwerking tussen de divisie Centrale Recherche Informatie en alle andere bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betrokken personen en instanties. 2. Bij de uitoefening van zijn taak laat de Raad voor de divisie Centrale Recherche Informatie aangelegenheden met betrekking tot het beheer buiten beschouwing. 3. De Raad voor de divisie Centrale Recherche Informatie stelt omtrent zijn werkwijze regels vast. Artikel 3 1. In de Raad voor de divisie Centrale Recherche Informatie hebben zitting: - aº. als voorzitter, tevens lid: - 1. een procureur-generaal bij een gerechtshof; - bº. als leden: - 2°. een ("},{"i":6197,"b":"Wet van 16 september 1954, houdende administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te geven omtrent het beroep tegen besluiten en handelingen van publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Algemene bepaling Artikel 1 Vervallen Titel II. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven Artikel 2 Er is een College van Beroep voor het bedrijfsleven, verder te noemen het College, gevestigd te 's-Gravenhage. Artikel 3 1. Bij het College zijn werkzaam: - a. leden met rechtspraak belast, en - b. gerechtsambtenaren. 2. De leden met rechtspraak belast, werkzaam bij het College zijn: - a. senior raadsheren; - b. raadsheren; - c. raadsheren-plaatsvervangers. Artikel 4 Het bepaalde bij en krachtens de [afdelingen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&afdeling=1), [1A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&afdeling=1a), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&afdeling=2) en [6 van hoofdstuk 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&afdeling=6) is, met uitzondering van de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=3), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=9), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=11), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=20), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21), [21b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21b), [21c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21c) en [23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=23a), van overeenkomst"},{"i":7224,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Bermuda (zoals gemachtigd door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot natuurlijke personen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van Bermuda (zoals gemachtigd door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland), Geleid door de wens het Verdrag inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen, heden op 8 juni 2009 te Londen gesloten, aan te vullen door het sluiten van een Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting van natuurlijke personen met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Natuurlijke personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op natuurlijke personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende partijen. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een partij of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: - –. de inkomstenbelasting; - –. de loonbelasting; - b. in Bermuda: - –. elke belasting geheven door Bermuda die in wezen gelijk is aan de bestaande belastingen van Nederland waarop dit Verdrag van toepasssing is, met uitzondering van de **„payroll tax”**; 3. Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de partijen doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die in hun belastingwetgevingen zijn aangebracht. HOOFDSTUK II. BEGRIPSO"},{"i":686,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 23 augustus 2022, nr. 4095996, houdende wijziging van de Regeling aanvullende arbeidsvoorwaarden luchtvaart politie in verband met de formalisering van een afspraak uit de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst 2021 sector Politie Gelet op [artikel 21, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=21); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling aanvullende arbeidsvoorwaarden luchtvaart politie. Artikel II In afwijking van [artikel 4, eerste lid, van de Regeling aanvullende arbeidsvoorwaarden luchtvaart politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044408&artikel=4) heeft de vlieger in het jaar 2021 recht op een eenmalige verhoging ten bedrage van 8,33% vermenigvuldigd met 11/12 van de door hem in dat jaar genoten luchtvaarttoelage. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2021. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6100,"b":"Besluit van 7 juni 2002, houdende bepalingen met betrekking tot voorzieningen voor ministers en staatssecretarissen (Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 maart 2002, directoraat-generaal Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties, directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, nr. CW02/U61907; Gelet op [artikel 2, tweede en derde lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006286&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 12 april 2002, nr. W04.02.0121/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 mei 2002, directoraat-generaal Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties, directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, nr. CW02/U73895; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 2001. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. jaarlijkse bezoldiging: het twaalfvoud van de bezoldiging in de zin van [artikel 1, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006286&artikel=1), vermeerderd met de aanspraak op de vakantie-uitkering; - c. gezinsleden: de echtgenoot, levenspartner of geregistreerde partner van een minister of staatssecretaris en de kinderen, stief- en pleegkinderen van hemzelf, zijn echtgenoot, levenspartner of geregistreerde partner, voor zover zij met hem samenwonen; - d. ministerie: ministerie waar een minister of staatssecretaris werkzaam is; - e. BTW: belasting over de toegevoegde waarde (omzetbelasting); - f. BPM: belasting van personenauto's en motorrijwielen; - g. ROB: prijs van reparatie, onderhoud en banden. Artikel 2 1. Ministers en staatssecretarissen die in verband met de vervulling van hun ambt zijn verhuisd, ontvangen een verhuiskostenvergoeding i"},{"i":8451,"b":"Conventie betreffende hospitaalschepen Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Koning van Pruisen; Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk; Koning van Bohemen enz., enz. en Apostolisch Koning van Hongarije; Zijne Majesteit de Koning van België, Zijne Majesteit de Keizer van China; Zijne Majesteit de Keizer van Corea; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken; Zijne Majesteit de Koning van Spanje; de President der Vereenigde Staten van Amerika; de President der Vereenigde Staten van Mexico; de President der Fransche Republiek; Zijne Majesteit de Koning van Griekenland; Zijne Majesteit de Koning van Italië; Zijne Majesteit de Keizer van Japan; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groot-Hertog van Luxemburg, Hertog van Nassau; Zijne Hoogheid de Vorst van Montenegro; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; de President der Republiek Peru; Zijne Keizerlijke Majesteit de Shah van Perzië; Zijne Majesteit de Koning van Portugal en der Algarven enz.; Zijne Majesteit de Koning van Rumenië; Zijne Majesteit de Keizer van Rusland; Zijne Majesteit de Koning van Servië; Zijne Majesteit de Koning van Siam en de Zwitsersche Bondsraad, Overwegende, dat de op 29 Juli 1899 te 's Gravenhage gesloten overeenkomst tot toepassing op den zeeoorlog van de beginselen der Conventie van Genève van 22 Augustus 1864 door bepalingen ten gunste der hospitaalschepen het beginsel der tusschenkomst van het Roode Kruis in de zeeoorlogen heeft gehuldigd; Wenschende eene overeenkomst aan te gaan, ten einde door verdere bepalingen de taak dier schepen te vergemakkelijken; Hebben tot hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Koning van Pruisen: den heer VON SCHLOEZER, H.D. Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te 's Gravenhage; Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk, Koning van Bohemen enz., enz. en Apostolisch Koning van Hongarije: den heer ALEXANDER OKOLICSANYI D'OKOLICSNA, H.D. Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te 's Gravenhage; Zijne Majes"},{"i":8452,"b":"Cultureel accoord tussen Nederland en Luxemburg Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden ter eenre, en Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg ter andere, Bezield door de gelijke wens om de betrekkingen op het gebied van onderwijs, wetenschap en kunst tussen beide landen te versterken, Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten betreffende de culturele en intellectuele betrekkingen tussen beide landen en hebben tot hare gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Mr. D. U. Stikker, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandse Zaken; Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg: Zijne Excellentie de Heer Auguste Collart, Hoogstderzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te 's-Gravenhage; Die, na wederzijdse overlegging van hun respectieve volmachten, dewelke in goede en behoorlijke vorm zijn bevonden, zijn nopens de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 Het onderhavige Verdrag heeft ten doel, de samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur tussen beide landen zoveel mogelijk te bevorderen en een geregelde uitwisseling tot stand te brengen van personen, materiaal en documentatie op genoemd gebied. Artikel 2 Met het oog op de problemen, die de uitvoering van dit Verdrag zal opwerpen, wordt een gemengde Commissie ingesteld. Deze zal bestaan uit zes leden: ieder der Verdragsluitende Partijen wordt door drie leden vertegenwoordigd. De samenstelling en de werkzaamheden van de Commissie worden door de volgende beginselen beheerst: - I. De leden van de Commissie worden voor Nederland benoemd door de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, voor Luxemburg door de Minister van Nationale Opvoeding, Kunsten en Wetenschappen. De lijst der leden van iedere Verdragsluitende Partij wordt langs de diplomatieke weg aan de Regering der andere Partij ter goedkeuring toegezonden. - II. De gemengde Commissie vergadert in pleno telkenmale als de noodzak"},{"i":8453,"b":"Cultureel-akkoord tussen Nederland en Frankrijk De Regeering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, ter eenre, en De Voorloopige Regeering der Fransche Republiek ter andere; Bezield door den gelijken wensch om hare betrekkingen op het gebied van onderwijs, wetenschap en kunst te versterken; Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten betreffende de cultureele en intellectueele betrekkingen tusschen beide landen en hebben tot hare gevolmachtigden benoemd, te weten: De Regeering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Dr. J. J. Gielen, Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, Mr. E. Star Busmann, Tijdelijk Zaakgelastigde te Parijs; De Voorloopige Regeering der Fransche Republiek: den Heer Georges Bidault, President der Voorloopige Regeering en Minister van Buitenlandsche Zaken, den Heer Naegelen, Minister der Nationale Opvoeding, Die het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 Het Verdrag heeft ten doel, door bestendig contact tusschen de beide Partijen de goede betrekkingen tusschen beide landen op het gebied van onderwijs, wetenschap en kunst op een hechte basis te grondvesten en te ontwikkelen. Artikel 2 Met het oog op de problemen, die de uitvoering van dit Verdrag zal opwerpen, wordt een permanente gemengde Commissie ingesteld. Deze zal bestaan uit tien leden; ieder der Verdragsluitende Partijen wordt door vijf leden vertegenwoordigd. De samenstelling en de werkzaamheden van deze Commissie worden door de volgende beginselen beheerscht: - 1. De leden der Commissie worden voor Nederland benoemd door den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen; voor Frankrijk door den Minister der Nationale Opvoeding. De lijst der leden van iedere Verdragsluitende Partij wordt langs den diplomatieken weg aan de Regeering der andere Partij ter goedkeuring doorgezonden. - 2. De gemengde Commissie vergadert in pleno telkenmale als de noodzakelijkheid daartoe gevoeld wordt en tenminste eenmaal 's jaars, om beurten in Nederland en in Frankrijk."},{"i":4137,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp van 26 maart 2025, nr.BZ2514509, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Trade Relations Programma 2026–2028) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) met het oog op subsidiëring van activiteiten gericht op bevordering van internationale handel en innovatiesamenwerking van ondernemingen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2028 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Trade Relations Programma 2026–2028 worden ingediend vanaf 2 juni 2025 tot en met 30 september 2025, 15.00 uur Nederlandse tijd. 2. Aanvragen voor subsidie in het kader van de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Trade Relations Programma 2026–2028 worden ingediend vanaf 1 juni 2026 tot en met 30 september 2026, 15.00 uur Nederlandse tijd. 3. Aanvragen voor subsidie in het kader van de derde openstelling van het Subsidieprogramma Trade Relations Programma 2026–2028 worden ingediend vanaf 1 juni 2027 tot en met 30 september 2027, 15.00 uur Nederlandse tijd. 4. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Trade Relations Programma 2026–2028 worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulie"},{"i":4928,"b":"Besluit van het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving van 16 april 2025, nr. IENW/BSK-2025/98887, tot het verlenen van mandaat en machtiging aan de algemeen secretaris van het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving tot het nemen van besluiten op verzoeken om informatie als bedoeld in de Wet open overheid (Mandaatbesluit Wet open overheid OFL) Gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Awb), in het bijzonder de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en de [Wet overleg fysieke leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008410); BESLUIT: De (onder)gemandateerde functionaris ondertekent besluiten namens het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving met de volgende formulering: **Het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving,** **namens deze,** **[handtekening van de (onder)gemandateerde functionaris]** **[naam van de (onder)gemandateerde functionaris],** **[functie van de (onder)gemandateerde functionaris].** Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Wet open overheid OFL. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4772,"b":"Besluit van 6 oktober 1994, houdende uitvoering van de Wegenverkeerswet 1994 Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 juni 1993, nr. RV 151906, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622); De Raad van State gehoord (advies van 18 oktober 1993, nr. W09.93.0363); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1994, nr. R 183051; Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bedrijfsvoorraad:** te verhandelen, bewaren of bewerken voertuigen waarvan een erkend bedrijf bedrijfsvoorraad de eigendom heeft verkregen; - **bedrijfsvoorraad deel I B:** deel I B van een kentekenbewijs van een bij ministeriële regeling vastgesteld model, afgegeven door een erkend bedrijf bedrijfsvoorraad, ten behoeve van voertuigen die in de bedrijfsvoorraad zijn opgenomen; - **bedrijfsvoorraadpas:** pas als bedoeld in [artikel 48, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - **bijzonder kenteken:** kenteken als bedoeld in [artikel 38 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=38); - **emissieklasse:** klasse van uitstoot van broeikasgassen, verontreinigende gassen en deeltjes door een voertuig; - **erkend bedrijf bedrijfsvoorraad:** natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een erkenning overeenkomstig [artikel 62 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=62) is verleend; - **erkend bedrijf exportdienstverlening:** natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een erkenning overeenkomstig [artikel 66a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=66a) is verleend; - **erk"},{"i":4819,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 7 mei 2015, nr. 632570, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging inzake beheeraangelegenheden en enkele rechtspositionele bevoegdheden aan de directeur bedrijfsvoering van de Hoge Raad der Nederlanden (Mandaatregeling beheer en bevoegdheden directeur bedrijfsvoering Hoge Raad 2015) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), [artikel 32, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32) en de [Organisatieregeling beheer Hoge Raad 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036621); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Hoge Raad:** gezamenlijke organisatie van de Hoge Raad der Nederlanden, bestaande uit de raad, het parket en de directie bedrijfsvoering; - b. **beheersorganisatie:** beheersorganisatie als bedoeld in [artikel 2 van de Organisatieregeling beheer Hoge Raad 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036621&artikel=2); - c. **beheeraangelegenheid:** taak die in het kader van het beheer wordt verricht binnen de beheersorganisatie; - d. **gerechtsauditeur:** gerechtsauditeur als bedoeld in [artikel 72 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=72); - e. **gerechtsambtenaar:** ambtenaar op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam bij een gerecht. - f. **rechterlijke ambtenaren:** alle in [artikel 1, onderdeel b, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=2) bedoelde rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij de Hoge Raad; - g. **Wrra:** [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365); - h. **Brra:** [Besluit rec"},{"i":8454,"b":"Cultureel Verdrag tussen Nederland en Griekenland De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Griekenland; Verlangend, de vriendschapsbanden, welke de beide landen op zo gelukkige wijze verenigen, nauwer aan te halen door haar verschillende culturele betrekkingen uit te breiden; Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en hebben haar Gevolmachtigden benoemd die, daartoe behoorlijk gemachtigd, het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 De Verdragsluitende Partijen zullen zoveel mogelijk haar goede betrekkingen op intellectueel gebied en op het gebied van onderwijs, wetenschap en kunst uitbreiden. Artikel 2 Teneinde de in artikel 1 vermelde doelstellingen te bereiken, zullen de Verdragsluitende Partijen, zo mogelijk door het toekennen van beurzen, de uitwisseling van hoogleraren en leden van wetenschappelijke en culturele instellingen bevorderen. Zij zullen kunstmanifestaties, zoals tentoonstellingen, concerten, lezingen, welke betrekking hebben op de cultuur van het andere land, aanmoedigen, evenals de culturele uitwisseling op het gebied van film, radio en sport. Artikel 3 De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen zullen in gemeenschappelijk overleg de maatregelen nemen, welke nodig zijn voor het ten uitvoer leggen van de bepalingen van bovenstaande artikelen. Te dien einde wordt in elk van beide landen een commissie ingesteld, wier taak het is, aan de Regering voorstellen te doen betreffende de uitvoering van dit Verdrag. De diplomatieke vertegenwoordiger van de andere Verdragsluitende Partij kan worden uitgenodigd, deel te nemen aan de besprekingen van deze commissie. Artikel 4 Dit Verdrag zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen zo spoedig mogelijk te Athene worden uitgewisseld Het Verdrag zal in werking treden op de dag der uitwisseling van de akten van bekrachtiging. Artikel 5 Dit Verdrag zal van kracht blijven gedurende een tijdvak van vijf jaren. Indien het niet zes maanden v"},{"i":3503,"b":"Besluit van 31 januari 2019, houdende regels over de directies Financieel Economische Zaken van de ministeries (Besluit FEZ van het Rijk) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 10 december 2018, nr. 2018-0000183116; Gelet op [artikel 4.20, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 januari 2019, no.WO6.18.0382/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 28 januari 2019, 2019-0000008884); Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen 1. De begrippen van [artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=1.1) zijn van overeenkomstige toepassing op dit besluit. 2. In dit besluit wordt verstaan onder: - **directeur FEZ:** de persoon die belast is met de dagelijkse leiding van de directie Financieel-Economische Zaken; - **directie FEZ:** het dienstonderdeel van een ministerie dat belast is met de financieel-economische aangelegenheden van het ministerie; - **zelfstandig bestuursorgaan:** een bestuursorgaan als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=1). § 2. Organisatie Artikel 2. Organisatie Onze Minister die belast is met de leiding van een ministerie draagt er zorg voor dat de directie FEZ rechtstreeks ressorteert onder de secretaris-generaal van het ministerie, tenzij in overeenstemming met Onze Minister van Financiën anders is overeengekomen. Artikel 3. Aangaan en beëindigen arbeidsovereenkomst 1. Het aangaan van de arbeidsovereenkomst met de directeur FEZ van een ministerie geschiedt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën. 2. Het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de directeur FEZ van een ministerie geschiedt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën. § 3. Taken Artikel 4. Tak"},{"i":2821,"b":"Beschikking vaststelling van de eisen, waaraan de lokalen moeten voldoen, welke door de gemeentebesturen beschikbaar worden gesteld voor de herkeuring, bedoeld in de IJkwet 1997 (Staatsblad no. 693) Gelet op artikel 11, eerste lid, van het Reglement op de maten, gewichten, meet- en weegwerktuigen 1939 (Staatsblad no. 664), zooals dit is gewijzigd bij het Koninklijk besluit van 17 December 1946 (Staatsblad no. G 365); Heeft goedgevonden te bepalen: 1. Het voor een zitting voor de herkeuring, bedoeld in [artikel 11, vierde lid, onder **a**, van de IJkwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009082&artikel=11) (Stb. 1989, 10), door het gemeentebestuur aan te wijzen lokaal moet bij voorkeur in het gemeentehuis gelegen zijn en dient van de openbare weg af gemakkelijk toegankelijk te zijn. Het dient ten minste vier meter in het vierkant te zijn, voor grootere gemeenten evenwel ruimer. Het moet voorts goed verlicht zijn en in het koude jaargetijde behoorlijk verwarmd zijn, een stevige vloer bezitten en geheel ter beschikking staan van degene die met de herkeuring is belast. De toegangsdeur tot het lokaal mag niet in de buitenlucht uitkomen, maar moet verbinding geven met een vestibule, gang of kamer, die als wachtvertrek dienst kan doen. 2. Het lokaal moet aan redelijke eischen van netheid en ordelijkheid voldoen en niet zijn een pakhuis, bergplaats of dergelijke ruimte. Een lokaal is ongeschikt voor het houden van hoogerbedoelde zitting, indien daarin gedurende het tijdvak van twee uren vóór het begin tot twee uren na afloop van de zitting sterke drank in het klein zou worden verkocht, geschonken, toegediend of verstrekt. 3. Het lokaal moet goed zijn schoongemaakt en ten minste één uur vóór den aanvang der zitting in order gebracht, van de na te noemen meubelen voorzien en geheel beschikbaar zijn. 4. In het lokaal dienen aanwezig te zijn vier stoelen en vier stevige tafels (geen planken op schragen), waarvan één ter lengte van ten minste 2,25 meter en ter breedte van"},{"i":2689,"b":"Beschikking deviezenrechtelijke status Nederlandse militairen Gezien het verzoek van de Minister van Defensie, d.d. 18 juli 1984, kenmerk CWW 82/048, aangevuld op 18 augustus 1994, kenmerk C 94/746; Gelet op [artikel 1, onder a, ten vierde, van de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens de [Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547) bepaalde, worden de navolgende natuurlijke personen als ingezetenen aangewezen, voorzover zij geen ingezetenen zijn ingevolge [artikel 1, onder a, ten eerste, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547&artikel=1): - a. vrijwillig dienende leden van de Nederlandse krijgsmacht, die zich voor de uitoefening van de dienst in het buitenland bevinden; - b. dienstplichtige leden van de Nederlandse krijgsmacht, die zich voor de uitoefening van de dienst in het buitenland bevinden; - c. burgerpersoneel in dienst van het Ministerie van Defensie, dat bij een onderdeel van de Nederlandse krijgsmacht in het buitenland te werk is gesteld; - d. burgerambtenaren in dienst van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen die zijn geplaatst bij een ten behoeve van de Nederlandse krijgsmacht in het buitenland opgerichte Nederlandse school; - e. Nederlandse personen, werkzaam in dienst van de hiernagenoemde Nederlandse, niet commerciële organisaties, die in het buitenland militaire tehuizen beheren: - 1. de Koninklijke Nederlandse Bond ‘Pro Rege’, - 2. de Stichting Militaire Tehuizen van het Humanistisch Thuisfront, en, - 3. de Stichting Jeugdwerk West-Duitsland; - f. de bij een persoon behorende tot één van de hierboven genoemde categorieën inwonende echtgenoot en kinderen; en, - g. naaste bloedverwanten van een persoon behorende tot één van de hierboven genoemde categorieën, die financieel of om gezondheidsredenen afhankelijk zijn voor zodanige pe"},{"i":8455,"b":"Cultureel Verdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk De Nederlandse Regering en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, bezield door de wens een Verdrag te sluiten met het doel, door vriendschappelijke uitwisseling en samenwerking in hun respectieve landen een zo volledig mogelijk begrip te bevorderen zowel van de werkzaamheid op intellectueel, artistiek en wetenschappelijk gebied als van de zeden en gewoonten in het andere land, hebben dienovereenkomstig gevolmachtigden tot dit doel benoemd, die, daartoe door hun respectieve Regeringen behoorlijk gemachtigd, als volgt zijn overeengekomen: Artikel I Ieder der Verdragsluitende Regeringen zal haar beste krachten inspannen om aan universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs op haar grondgebied de oprichting te verwezenlijken van leerstoelen of lectoraten voor de taal, letterkunde en geschiedenis van het grondgebied van de andere Verdragsluitende Regering, alsmede voor andere leervakken, op dat gebied betrekking hebbende. Artikel II Aan ieder der Verdragsluitende Regeringen zal worden toegestaan, op het grondgebied van de andere culturele instellingen te vestigen, mits met inachtneming der algemene door de ter plaatse geldende wetten gestelde voorschriften inzake de vestiging van dergelijke instellingen. Onder de benaming „instelling” zijn begrepen scholen, bibliotheken en filmcollecties, die zich bewegen op de gebieden waarmede het onderhavige Verdrag bemoeienis heeft. Artikel III De Verdragsluitende Regeringen zullen tussen haar beider grondgebied de uitwisseling bevorderen van docenten en ander personeel van instellingen van hoger onderwijs, leraren en onderwijzers, studenten, wetenschappelijke onderzoekers en vertegenwoordigers van andere beroepen en takken van werkzaamheid. Artikel IV Ieder der Verdragsluitende Regeringen zal studiebeurzen beschikbaarstellen, in dier voege, dat studenten en afgestudeerden van het land van de ene Verdragsluitende Regering"},{"i":4090,"b":"Besluit van 18 mei 1966, tot uitvoering van artikel 15, tweede lid, van de Vorderingswet 1962 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Onze Ministers van Justitie en van Financiën van 25 mei 1964, no. 665/540 W.J.A.; Overwegende, dat aanvullende regelen moeten worden gesteld omtrent de vaststelling van de schadeloosstelling in geval van vordering krachtens de [Vorderingswet 1962](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002393) (**Stb.** 587) van het eigendomsrecht op een roerende zaak, zomede regelen omtrent de vaststelling van de schadeloosstelling in geval van vordering krachtens die wet van een recht tot gebruik van een zaak; Gelet op [artikel 15, tweede lid, van de Vorderingswet 1962](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002393&artikel=15); De Raad van State gehoord (advies van 1 juli 1964, no. 96); Gezien het nader rapport van voornoemde Staatssecretaris en Onze voornoemde Ministers van 12 mei 1966, no. 666/289 W.J.A.; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In geval van vordering van het eigendomsrecht op een roerende zaak bedraagt het totaal der uit te keren schadeloosstellingen: de waarde van de zaak, zonodig vermeerderd met een vergoeding van bijkomende schade, welke door rechthebbenden op schadeloosstelling is geleden als rechtstreeks en onvermijdelijk gevolg van de uitvoering van de vorderingsbeschikking. 2. In geval van vordering van een recht tot gebruik van een zaak bedraagt het totaal der uit te keren schadeloosstellingen: de waarde van het gevorderde recht, zonodig vermeerderd met een vergoeding van bijkomende schade als in het eerste lid bedoeld. 3. Ten aanzien van de verdeling van het in het tweede lid bedoelde totaalbedrag over de rechthebbenden op schadeloosstelling is [paragraaf 15.3.1 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&paragraaf=15.3.1), voor zover mogelijk, van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 1. Bij het vaststellen van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":4930,"b":"Mandaatbesluit Zvd-regeling Gelet op artikel 10:3 Algemene wet bestuursrecht; Gezien de raamovereenkomst van 11 mei 2001, kenmerk MPA2001/72465 inzake uitvoering Regeling ziektekostenvoorziening defensiepersoneel, Besluit: Artikel 1 Het bestuur van KPMG Flexsourcing B.V., hierna te noemen KPMG, is bevoegd om namens de Minister van Defensie al die besluiten te nemen die de Minister van Defensie bij of krachtens de [Regeling ziektekostenvoorziening defensiepersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008817) (Zvd) bevoegd is te nemen. Artikel 2 KPMG is bevoegd om verzoeken in het kader van de Wet Openbaarheid van Bestuur, dan wel in het kader van de Wet Nationale Ombudsman, voor zover die verband houden met de uitvoering van de Zvd, namens de Minister van Defensie af te handelen. Artikel 3 KPMG is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de Zvd namens de Minister van Defensie te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. KPMG informeert de Directeur Arbeidsvoorwaardenbeleid over bezwaarschriften waarin de rechtsgeldigheid van de toegepaste regeling of van onderdelen daarvan ter discussie wordt gesteld. Artikel 4 KPMG is bevoegd om inzake de uitvoering van de Zvd namens de Minister van Defensie in rechte op te treden en om namens de Minister van Defensie tegen rechterlijke uitspraken ter zake hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie. Indien het een zaak betreft met een kennelijk aanmerkelijk financieel of rechtspositioneel belang, oefent KPMG deze bevoegdheid niet uit dan na verkregen instemming van de Minister van Defensie. KPMG is in dat geval wel bevoegd om vooruitlopend hierop zo nodig voorlopig hoger beroep of cassatie in te stellen. Artikel 5 Voor wat betreft het mandaat onderscheidenlijk de volmacht, bedoeld in dit besluit, is KP"},{"i":8471,"b":"Deelregeling Kunst Presentatie Internationaal Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het stimuleren van de bekendheid van en de internationale waardering voor relevante hedendaagse beeldende kunst uit Nederland zodat de internationale positie van beeldend kunstenaars uit Nederland wordt versterkt door het verstrekken van bijdragen aan internationaal erkende hedendaagse kunstpodia die werk van kunstenaars uit Nederland tonen. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een bijdrage Kunst Presentatie Internationaal kan worden verstrekt aan buitenlandse instellingen en kunstenaars, gezamenlijk of individueel voor het tonen van werk van levende beeldende kunstenaars uit Nederland. 2. De bijdrage wordt alleen verstrekt indien de instelling, waar de presentatie plaatsvindt als belangrijkste doel heeft werk te tonen en niet primair is gericht op verkoop. 3. De presentatie dient betrekking te hebben op een kunstenaar of groep kunstenaars, die artistiek inhoudelijk actief is in de beeldende kunsten en in die hoedanigheid ingebed in de professionele beeldende kunstpraktijk in Nederland. 4. De kunstenaar voor wie de bijdrage wordt aangevraagd dient ofwel: - •. ten minste drie jaar professioneel werkzaam te zijn als beeldend kunstenaar; of - •. ten minste drie jaar een hbo-opleiding aan een opleidingsinstituut voor beeldende kunsten te hebben gevolgd en minimaal één jaar professioneel werkzaam te zijn als beeldend kunstenaar. Als het een instituut voor beeldende kunst en vormgeving betreft, moet een beeldende kunst curriculum zijn gevolgd; of - •. één jaar professioneel werkzaam zijn als beeldend kunstenaar en ingeschreven staan in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel, dan wel een vergelijkbare buitenlandse organisatie. 5. Bij wijze van uitzondering kan een bijdrage Kunst Presentatie Internationaal worden aangevraagd door een buitenlands platform om werk te tonen"},{"i":4958,"b":"Besluit van de Bestuurskamer van 22 december 2008, houdende mandatering aan de secretaris van de Bestuurskamer van de bevoegdheden van de Bestuurskamer in het kader van de heffing op grond van artikel 46a van de Wet op de ondernemingsraden (Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2009) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Verordening heffing scholing en vorming van ondernemingsraadsleden 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025056&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2009 in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. secretaris: secretaris van de Bestuurskamer; - b. verordening: [Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025056). § 2. Mandaatverlening Artikel 2 1. De secretaris kan namens de Bestuurskamer besluiten nemen op grond van [artikel 2, eerste lid, van de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025056&artikel=2). 2. De secretaris kan ondermandaat verlenen. § 3. Slotbepalingen Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025056) in werking treedt. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2009."},{"i":4960,"b":"Besluit van de Bestuurskamer van 5 november 2010, houdende mandatering aan de secretaris van de Bestuurskamer van de bevoegdheden van de Bestuurskamer in het kader van de heffing op grond van artikel 46a van de Wet op de ondernemingsraden (Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2011) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029359&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2011 in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. secretaris: secretaris van de Bestuurskamer; - b. verordening: [Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029359). § 2. Mandaatverlening Artikel 2 1. De secretaris kan namens de Bestuurskamer besluiten nemen op grond van [artikel 2, eerste lid, van de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029359&artikel=2). 2. De secretaris kan ondermandaat verlenen. § 3. Slotbepalingen Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029359) in werking treedt. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2011."},{"i":8472,"b":"Derde Aanvullend Protocol bij de Handelsovereenkomst van 29 juni 1951 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland zum Handelsabkommen vom 18. Januar 1951 zwischen der Regierung der Bundesrepublik Deutschland und der Regierung des Königreichs der Niederlanden vom 18. Januar 1952. Der im Artikel V des Handelsabkommens vom 18. Januar 1951 eingesetzte Gemischte Regierungsausschuss ist in der Zeit vom 10. bis 18. Januar 1952 in Bonn zusammengetreten und hat in den nachstehenden Punkten Übereinstimmung erzielt: Ziffer 1 (a). Gemäss Artikel II, Absatz 2 des Handelsabkommens vom 18. Januar 1951 wird mit Rücksicht auf die mit dem 1. Januar 1952 in der deutschen Liste der ohne mengenmässige Beschränkungen einzuführenden Waren eingetretenen Veränderungen die dem Handelsabkommen vom 18. Januar 1951 beigefügte Liste A durch die in der Anlage 1 zu diesem Zusatzprotokoll aufgeführten Kontingente ergänzt. (b). Ferner werden die in der Liste A aufgeführten Kontingente, wie in Anlage 2 zu diesem Zusatzprotokoll angegeben, geändert oder gestrichen. Ziffer 2 (a). Gemäss Artikel III, Absatz 2 des Handelsabkommens vom 18. Januar 1951 wird mit Rücksicht auf die mit dem 1. September 1951 in der niederländischen Liberalisierungsliste eingetretenen Veränderungen die dem Handelsabkommen vom 18. Januar 1951 beigefügte Liste B durch die in der Anlage 3 zu diesem Zusatzprotokoll aufgeführten Kontingente ergänzt. (b). Ferner werden die in der Liste B aufgeführten Kontingente, wie in Anlage 4 zu diesem Zusatzprotokoll angegeben, geändert. Ziffer 3 Dieses Zusatzprotokoll tritt am Tage seiner Unterzeichnung rückwirkend für den 1. Januar 1952 in Kraft. Geschehen zu Bonn in zwei Ausfertigungen am 18. Januar 1952. Der Vorsitzende der Deutschen Delegation (gez.) MUELLER-GRAAF (Dr. C. H. Mueller-Graaf) Der Vorsitzende der Niederländischen Delegation (gez.) TEPPEMA (Dr. S. Th. J. Teppema)"},{"i":8473,"b":"Derde Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna de „lidstaten” genoemd, en de Europese Unie enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, hierna „Mexico” genoemd, anderzijds, hierna gezamenlijk de „partijen” genoemd, Overwegende dat de [Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001400), hierna de „Overeenkomst” genoemd, op 8 december 1997 te Brussel is ondertekend en op 1 oktober 2000 in werking is getreden; Overwegende dat het [eerste aanvullende protocol bij de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001649) om rekening te houden met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cypr"},{"i":4973,"b":"Besluit van 12 oktober 2006, tot uitvoering van artikel 2 van de Metrologiewet en ter implementatie van enkele Europese richtlijnen (Meeteenhedenbesluit 2006) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 5 september 2006, nr. WJZ 6066164; Gelet op [richtlijn 80/181/EEG](31980L0181) van de Raad van 20 december 1979 (PbEG L 39) inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten op het gebied van de meeteenheden, en tot intrekking van [Richtlijn 71/354/EEG](31971L0354), op [richtlijn 76/766/EEG](31976L0766) van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake alcoholtabellen (PbEG L 262), op [richtlijn 71/347/EEG](31971L0347) van de Raad van 12 oktober 1971 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de meting van het natuurgewicht van granen (PbEG L 239) en [artikel 2 van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 14 september 2006, no. W10.06.0379/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 9 oktober 2006, nr. WJZ 6074955; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517); - b. SI: het Internationale stelsel van meeteenheden (Système International); - c. SI-grondeenheden: de eenheden, genoemd in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020422&paragraaf=2&artikel=3&z=2020-06-13&g=2020-06-13); - d. afgeleide SI-eenheden: de eenheden, bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020422&paragraaf=2&artikel=5&z=2020-06-13&g=2020-06-13). § 2. Erkende meeteenheden Artikel 2 1. De erkende meeteenheden om daarin grootheden uit te drukken zijn: - a. de SI-grondeenheden; - b. afgeleide SI-eenheden; - c. de overige eenheden, genoemd in deze"},{"i":8474,"b":"Derde Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, de Republiek Estland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland; hierna „de lidstaten” genoemd, en de Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd, enerzijds, en de Republiek Chili, hierna „Chili” genoemd, anderzijds, hierna gezamenlijk „de overeenkomstsluitende partijen” genoemd, Overwegende dat de [Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap (hierna „de Gemeenschap”) en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001575) (hierna „de Overeenkomst”), op 18 november 2002 te Brussel is ondertekend en op 1 maart 2005 in werking is getreden; Overwegende dat het (eerste) [aanvullende protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001613), dat verband houdt met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, Hongarije, Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie, op 16 april 2003 in Athene is ondertekend en op 1 mei 2004 in werking is getreden; Overwegende dat het [tweede aanvullende procotol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":8475,"b":"Derde Aanvullend Protocol bij het Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa De ondertekenende Regeringen, Leden van de Raad van Europa, die het [Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781) hebben ondertekend of partij bij genoemd Verdrag zijn en tegelijkertijd Lid zijn van het Vestigingsfonds van de Raad van Europa voor nationale vluchtelingen en bevolkingsoverschotten; Gelet op de bepalingen van de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005105&artikel=I) en [IX, letter (g) van het Statuut van genoemd Fonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005105&artikel=IX); Gelet op [artikel 40 van het Statuut van de Raad van Europa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005506&artikel=40); Geleid door de wens de wettelijke voorschriften ten aanzien van de eigendommen, bezittingen en werkzaamheden, alsmede de rechtspositie van de organen en de functionarissen van het Vestigingsfonds nader te omschrijven; Overwegende dat het noodzakelijk is de verwezenlijking van de statutaire doeleinden van het Fonds te vergemakkelijken door een zo groot mogelijke vermindering van de directe en de indirecte belastingen die drukken op de werkzaamheden van het Fonds en die uiteindelijk moeten worden gedragen door degenen aan wie het Fonds leningen verstrekt; Geleid door de wens wat het Vestigingsfonds betreft de bepalingen van het [Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781) aan te vullen, Komen overeen als volgt: TITEL I. [STATUUT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005105), PERSOONLIJKHEID, BEVOEGDHEID Artikel 1 Het [Statuut van het Vestigingsfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005105) van de Raad van Europa, zoals goedgekeurd door het Comité van Ministers in Resolutie (56) 9, of zoals gewijzigd door dit Comité, of door het College van Bewindvoerders,"},{"i":8491,"b":"Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961, zoals gewijzigd door het Protocol tot wijziging van het Enkelvoudige Verdrag inzake verdovende middelen, 1961 Preambule De Partijen, Bezorgd om de gezondheid en het welzijn der mensheid, Erkennende, dat het geneeskundig gebruik van verdovende middelen onmisbaar blijft voor het verzachten van pijn en lijden en dat voldoende maatregelen moeten worden genomen om te verzekeren, dat verdovende middelen voor die doeleinden beschikbaar zijn, Erkennende, dat verslaving aan verdovende middelen een ernstig kwaad vormt voor de mens persoonlijk en vele sociale en economische gevaren met zich medebrengt voor de mensheid, Zich bewust van hun plicht om dit kwaad te voorkomen en te bestrijden, Overwegende, dat doeltreffende maatregelen tegen het misbruik van verdovende middelen een gecoördineerd en wereldomspannend optreden vereisen, Beseffende, dat een dergelijk wereldomspannend optreden internationale samenwerking nodig maakt, die geleid wordt door dezelfde beginselen en gericht is op gemeenschappelijke doelstellingen, Erkennende, dat de Verenigde Naties bevoegd zijn op het gebied van het toezicht op verdovende middelen en verlangende te bewerkstelligen, dat de desbetreffende internationale organen binnen het kader van die Organisatie worden geplaatst, Verlangende een algemeen aanvaardbaar internationaal verdrag te sluiten ter vervanging van de bestaande verdragen inzake verdovende middelen, waarbij het gebruik van die verdovende middelen beperkt wordt tot gebruik voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden en waarbij maatregelen worden genomen ter verzekering van een voortdurende internationale samenwerking en een voortdurend internationaal toezicht voor het bereiken van die doelstellingen, Komen overeen als volgt: Artikel 1. Definities 1. Behalve voorzover uitdrukkelijk anders is bepaald of waar het zinsverband een andere uitleg vereist, gelden in het gehele Verdrag de volgende definities: - (a). **„Comité”** betekent"},{"i":7858,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2026 herzien Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2026 vastgesteld op 7,63%. Artikel 2 Het [Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051824) (Besluit van 11 november 2025, Staatscourant 2025, 39955) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2026 herzien. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":8476,"b":"Derde Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering De lidstaten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Geleid door de wens hun individuele en gezamenlijke vermogen om op te treden tegen criminaliteit te versterken; Gelet op de bepalingen van het [Europees Verdrag betreffende uitlevering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001010) (ETS nr. 24), opengesteld voor ondertekening te Parijs op 13 december 1957, (hierna te noemen „het Verdrag”) alsmede de twee Aanvullende Protocollen daarbij (ETS nr. 86 en nr. 98), onderscheidenlijk gedaan te Straatsburg op 15 oktober 1975 en 17 maart 1978; Overwegend dat het wenselijk is het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001010) in bepaalde opzichten aan te vullen teneinde de uitleveringsprocedure te vereenvoudigen en te bespoedigen, wanneer de gezochte persoon instemt met uitlevering. Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Verplichting tot uitlevering volgens de verkorte procedure De Verdragsluitende partijen verplichten zich ertoe om elkaar, overeenkomstig de verkorte procedure voorzien in dit Protocol, personen die in overeenstemming met [artikel 1 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001010&artikel=1) worden gezocht uit te leveren, mits deze personen daarmee instemmen en de aangezochte partij zijn toestemming daarvoor heeft gegeven. Artikel 2. Instelling van de procedure 1. Indien overeenkomstig [artikel 16 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001010&artikel=16) om de voorlopige aanhouding van de gezochte persoon is verzocht, is de uitlevering bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005510&artikel=1&z=2012-11-01&g=2012-11-01) van dit Protocol niet afhankelijk van het indienen van een verzoek om uitlevering en het overleggen van de vereiste documenten overeenkomstig [artikel 12 van"},{"i":7843,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2011 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2011 vastgesteld op 5,10%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2011. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":8477,"b":"Derde Protocol bij de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten De Leden van de Wereldhandelsorganisatie van wie de **Lijsten van specifieke verbintenissen**1)[Red: De lijsten zijn niet afgedrukt, maar liggen ter inzage bij het Export-informatiecentrum van het Ministerie van Economische Zaken, bij de parlementaire documentatiedienst van de Tweede Kamer te Den Haag, bij de Staten van de Nederlandse Antillen te Willemstad en bij de Staten van Aruba te Oranjestad.] van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten betreffende het verkeer van natuurlijke personen als [Bijlage](onbekend) bij dit Protocol zijn gevoegd, Na onderhandelingen onder de voorwaarden van het Ministeriële [Besluit betreffende onderhandelingen over het verkeer van natuurlijke personen](onbekend), aangenomen te Marrakesh op 15 april 1994, Gezien de uitkomst van deze onderhandelingen, Gezien het Besluit betreffende het verkeer van natuurlijke personen, aangenomen door de Raad voor de Handel in Diensten op 30 juni 1995, Komen het volgende overeen: 1 De bepalingen inzake het verkeer van natuurlijke personen in de Lijst van specifieke verbintenissen van een Lid, worden bij de inwerkingtreding van dit Protocol ten aanzien van dat Lid, vervangen of aangevuld door de verbintenissen betreffende het verkeer van natuurlijke personen die als bijlage bij dit Protocol zijn gevoegd. 2 Dit Protocol staat open voor aanvaarding, door ondertekening of op andere wijze voor de betrokken Leden, tot en met 30 juni 1996. 3 Dit Protocol treedt in werking op de dertigste dag volgend op 1 januari 1996 voor die Leden die het vóór die datum hebben aanvaard, en voor die leden die het na die datum aanvaarden, doch niet na 30 juni 1996, treedt dit Protocol in werking 30 dagen na de datum van de aanvaarding. Indien een Lid wiens Lijst als bijlage bij dit Protocol is gevoegd, dit Protocol op die datum niet heeft aanvaard, wordt de zaak doorverwezen naar de Raad voor de Handel in Diensten ter bestudering e"},{"i":8478,"b":"Document van de Staten die Partij zijn bij het Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa The Republic of Armenia, the Republic of Azerbaijan, the Republic of Belarus, the Kingdom of Belgium, the Republic of Bulgaria, Canada, the Czech Republic, the Kingdom of Denmark, the French Republic, the Republic of Georgia, the Federal Republic of Germany, the Hellenic Republic, the Republic of Hungary, the Republic of Iceland, the Italian Republic, the Republic of Kazakhstan, the Grand Duchy of Luxembourg, the Republic of Moldova, the Kingdom of the Netherlands, the Kingdom of Norway, the Republic of Poland, the Portuguese Republic, Romania, the Russian Federation, the Slovak Republic, the Kingdom of Spain, the Republic of Turkey, Ukraine, the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland and the United States of America, which are the States Parties to the [Treaty on Conventional Armed Forces in Europe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002009) of November 19, 1990, hereinafter referred to as the States Parties, Committed to meeting the objectives and requirements of the [Treaty on Conventional Armed Forces in Europe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002009) of November 19, 1990, hereinafter referred to as the Treaty, while responding to the historic changes which have occurred in Europe since the Treaty was signed, Recalling in this context the undertaking in paragraph 4 of the Joint Declaration of Twenty-Two States signed in Paris on November 19, 1990, to maintain only such military capabilities as are necessary to prevent war and provide for effective defence and to bear in mind the relationship between military capabilities and doctrines, and confirming their commitment to that undertaking, Having met together at a joint Extraordinary Conference chaired by the Hellenic Republic in Vienna on February 5, 1993, pursuant to [Article XXI, paragraph 2, of the Treaty](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002009&artikel=XXI) and Section VII,"},{"i":7884,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Herverzekering van export- en importkredieten en investeringsgaranties vanaf 1945 (Minister van Buitenlandse Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 mei 2007, nr. arc-2007.03707/13); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Herverzekering van export- en importkredieten en investeringsgaranties over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":5227,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 7 juli 2017, nr. WJZ/17088351, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het najaar van 2017 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2017) Gelet op [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3, eerste lid, onderdelen a en c, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel c, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [27, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [43a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=43a), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&ar"},{"i":6959,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 september 2022, kenmerk 3441170-1035589-OBP, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmachten aan de programmadirecteur van het programma Begeleiding verkoop Intravacc Gelet op de [artikelen 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a), [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17) en [artikel 10 van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Voor de duur van het programma Begeleiding verkoop Intravacc heeft een programmadirecteur de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma en met inachtneming van de kaders zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923), de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710) en de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768). Artikel 2 Voor de duur van het programma Begeleiding verkoop Intravacc kan de programmadirecteur een van de onder diens verantwoordelijkheid ressorterende medewerkers aanwijzen die bij diens verhindering of afwezigheid de besluiten kan nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen kan verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma en met inachtneming van de kaders zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923), de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710) en de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking m"},{"i":8479,"b":"Douaneovereenkomst inzake containers PREAMBULE De Overeenkomstsluitende Partijen, Bezield door de wens het gebruik van containers voor internationaal vervoer tot ontwikkeling te brengen en te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan: - a). onder „rechten en heffingen ter zake van de invoer” niet alleen de invoerrechten, doch tevens alle rechten en heffingen, hoe ook genaamd, welke ter zake van de invoer worden geheven; - b). onder „container” een bergingsmiddel (liftvan, losse tank of ander soortgelijk bergingsmiddel), dat: alsmede de normale toebehoren en uitrusting van de container, mits deze toebehoren en uitrusting met de container zijn ingevoerd; de term „container” omvat geen vervoermiddelen, noch de gebruikelijke verpakking; - i). een duurzaam karakter heeft en uit dien hoofde voldoende stevig is voor herhaald gebruik; - ii). speciaal is ontworpen om het vervoer van goederen met verschillende vervoermiddelen te vergemakkelijken zonder tussentijdse in- en uitlading van die goederen zelf; - iii). voorzien is van inrichtingen welke het hanteren van de container vergemakkelijken, in het bijzonder bij het overladen van het ene vervoermiddel op of in het andere; - iv). zodanig is ontworpen, dat het gemakkelijk kan worden gevuld en geledigd, en - v). een binnenwerkse inhoudsruimte heeft van ten minste één kubieke meter, - c). onder „personen” zowel natuurlijke personen als rechtspersonen, tenzij uit het zinsverband het tegendeel volgt. HOOFDSTUK II. Tijdelijke invoer met vrijstelling van rechten en heffingen ter zake van de invoer en zonder toepassing van invoerverboden en invoerbeperkingen Artikel 2 Elke Overeenkomstsluitende Partij zal, onder voorwaarde van wederuitvoer en met inachtneming van de andere bepalingen van de artikelen 3 tot en met 6 hierna, met vrijstelling van rechten en heffingen ter zake van de invoer en zonder toepassing van invoerverbod"},{"i":8480,"b":"Douaneovereenkomst inzake de tijdelijke invoer van beroepsmateriaal PREAMBULE De Overeenkomstsluitende Partijen, Vergaderende onder auspiciën van de Internationale Douaneraad en van de Verdragsluitende Partijen bij de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en met medewerking van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, Gelet op voorstellen gedaan door vertegenwoordigers van de internationale handel en andere belanghebbenden, ter verruiming van de bepalingen betreffende de tijdelijke invoer met vrijstelling van rechten bij invoer, Ervan overtuigd, dat de aanvaarding van algemene regelen betreffende de tijdelijke invoer van beroepsmateriaal met vrijstelling van rechten bij invoer de internationale uitwisseling van gespecialiseerde kennis en techniek zal vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a. „rechten bij invoer”, de douanerechten en alle andere rechten en belastingen, geheven bij of ter zake van de invoer, alsmede alle accijnzen en binnenlandse belastingen waaraan ingevoerde goederen zijn onderworpen, echter met uitzondering van leges en heffingen die beperkt zijn tot de geschatte kosten van verleende diensten en die geen verkapte bescherming van binnenlandse produkten inhouden, noch het karakter hebben van fiscale heffingen op de invoer; - b. „tijdelijke invoer”, de tijdelijke invoer met vrijstelling van rechten bij invoer en van invoerverboden en -beperkingen onder voorwaarde van wederuitvoer; - c. „de Raad”, de organisatie ingesteld bij het op 15 december 1950 te Brussel gesloten [Verdrag houdende instelling van een Internationale Douaneraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003093); - d. „persoon”, zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon, tenzij uit het tekstverband anders blijkt. HOOFDSTUK II. Tijdelijke invoer Artikel 2 Iedere Overeenkomstsluitende Partij die gebonden is door een bijlage b"},{"i":8482,"b":"Douaneovereenkomst inzake de tijdelijke invoer van wetenschappelijk materiaal Preambule De Overeenkomstsluitende Partijen bij deze Overeenkomst, tot stand gekomen onder auspiciën van de Internationale Douaneraad met medewerking van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO), Overwegende, dat de ontwikkeling van het wetenschappelijk onderzoek en het onderwijs van doorslaggevend belang is voor de economische en sociale vooruitgang, Ervan overtuigd, dat de aanvaarding van algemene faciliteiten voor de tijdelijke invoer van materiaal voor wetenschappelijk onderzoek of onderwijs met vrijstelling van rechten en belastingen daartoe een wezenlijke bijdrage kan vormen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - (a). „wetenschappelijk materiaal”: de instrumenten, apparaten, machines en hun toebehoren, welke worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek of onderwijs; - (b). „rechten en heffingen bij invoer”: de invoerrechten en alle andere rechten, belastingen, leges en heffingen geheven bij of ter zake van de invoer van goederen, met uitzondering van de leges en heffingen die beperkt zijn tot de geschatte kosten van verleende diensten; - (c). „tijdelijke invoer”: de tijdelijke invoer met vrijstelling van rechten en belastingen bij invoer en zonder toepassing van invoerverboden en -beperkingen, onder voorwaarde van wederuitvoer; - (d). „erkende instellingen”: openbare of particuliere wetenschappelijke- of onderwijsinstellingen, welke voornamelijk niet-winstgevende doeleinden nastreven en die toestemming hebben van de bevoegde autoriteiten van het land van invoer om wetenschappelijk materiaal tijdelijk in te voeren; - (e). „bekrachtiging”: de bekrachtiging, de aanvaarding of de goedkeuring; - (f). „de Raad”: de organisatie ingesteld bij het op 15 december 1950 te Brussel gesloten [Verdrag houdende instelling van een Internationale Douaneraad](https://wet"},{"i":8481,"b":"Douaneovereenkomst inzake de tijdelijke invoer van pedagogisch materiaal Preambule De Overeenkomstsluitende Partijen bij deze Overeenkomst, tot stand gekomen onder auspiciën van de Internationale Douameraad met medewerking van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO), Overwegende dat het internationale verkeer van pedagogisch materiaal een belangrijke bijdrage vormt voor de ontwikkeling van het onderwijs en de beroepsopleiding, die van fundamenteel belang zijn voor economische en sociale vooruitgang, Ervan overtuigd dat de aanvaarding van algemene faciliteiten voor de tijdelijke invoer van pedagogisch materiaal met vrijstelling van rechten en belastingen daartoe een doeltreffende bijdrage kan vormen, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - (a). „pedagogisch materiaal”: alle materiaal dat wordt gebruikt voor het onderwijs of de beroepsopleiding en in het bijzonder de modellen, instrumenten, apparaten, machines en hun toebehoren, opgenomen in de niet-limitatieve lijst welke als bijlage bij deze Overeenkomst is gevoegd; - (b). „rechten en belastingen bij invoer”: de invoerrechten en alle andere rechten, belastingen, leges en heffingen geïnd bij of ter zake van de invoer van goederen, met uitzondering van de leges en heffingen die beperkt zijn tot de geschatte kosten van verleende diensten; - (c). „tijdelijke invoer”: de tijdelijke invoer met vrijstelling van rechten en belastingen bij invoer en zonder toepassing van invoerverboden en -beperkingen, onder voorwaarde van wederuitvoer; - (d). „erkende instellingen”: openbare of particuliere instellingen voor onderwijs of beroepsopleiding, welke voornamelijk geen winstgevende doeleinden nastreven en die toestemming hebben van de bevoegde autoriteiten van het land van invoer om pedagogisch materiaal tijdelijk in te voeren; - (e). „bekrachtiging”: de bekrachtiging, de aanvaarding of de goedkeuring; - ("},{"i":8483,"b":"Douaneovereenkomst inzake faciliteiten voor de invoer van goederen bestemd om op tentoonstellingen, beurzen, congressen of soortgelijke manifestaties te worden getoond of gebruikt PREAMBULE De Overeenkomstsluitende Partijen, Vergaderende onder auspiciën van de Internationale Douaneraad, met medewerking van de Economische Commissie voor Europa (E.C.E.) van de Verenigde Naties en de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (U.N.E.S.C.O.), Gelet op voorstellen gedaan door vertegenwoordigers van de internationale handel en andere belanghebbenden, Geleid door de wens het tonen van goederen op tentoonstellingen, beurzen, congressen of soortgelijke manifestaties van commerciële, technische, godsdienstige, opvoedkundige, wetenschappelijke, culturele of liefdadige aard te vergemakkelijken, Ervan overtuigd, dat de aanvaarding van algemene regelen betreffende de douanebehandeling van zodanige goederen aanzienlijke voordelen zal geven aan de internationale handel en de internationale uitwisseling van denkbeelden en kennis zal bevorderen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a. „manifestatie”: met uitzondering van tentoonstellingen die voor particuliere doeleinden, in winkels of handelsgebouwen zijn ingericht met het oog op de verkoop van buitenlandse goederen; - 1. een tentoonstelling, beurs of soortgelijke manifestatie van handel, industrie, landbouw en nijverheid; of - 2. een tentoonstelling of een manifestatie die in hoofdzaak voor een liefdadig doel wordt gehouden; of - 3. een tentoonstelling of een manifestatie die in hoofdzaak wordt gehouden met een wetenschappelijk, technisch, ambachtelijk, artistiek, opvoedkundig of cultureel, sportief, godsdienstig of kerkelijk doel of ter bevordering van de vriendschap tussen volkeren; of - 4. een bijeenkomst van vertegenwoordigers van internationale organisaties of internationale groeperingen van organisaties; of -"},{"i":8484,"b":"Douaneovereenkomst inzake het carnet A.T.A. voor de tijdelijke invoer van goederen PREAMBULE De Overeenkomstsluitende Partijen, Vergaderende onder auspiciën van de Internationale Douaneraad en van de Verdragsluitende Partijen bij de [Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel](onbekend) (GATT) en met medewerking van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO), Gelet op voorstellen gedaan door vertegenwoordigers van de internationale handel en andere belanghebbenden ter vereenvoudiging van de formaliteiten inzake de tijdelijke invoer van goederen met vrijstelling van rechten bij invoer, Ervan overtuigd, dat aanvaarding van algemene regelen betreffende de tijdelijke invoer van goederen met vrijstelling van rechten bij invoer, aanzienlijke voordelen zal geven aan internationale, commerciële of culturele activiteiten en een hogere mate van overeenstemming en eenvormigheid in de douanesystemen van de Overeenkomstsluitende Partijen zal verzekeren, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen en toelating Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - (a). „rechten bij invoer”, de douanerechten en alle andere rechten en belastingen, geheven bij of ter zake van de invoer, alsmede alle accijnzen en binnenlandse belastingen waaraan ingevoerde goederen zijn onderworpen, echter met uitzondering van leges en heffingen die beperkt zijn tot de geschatte kosten van verleende diensten en die geen verkapte bescherming van binnenlandse produkten inhouden, noch het karakter hebben van fiscale heffingen op de invoer; - (b). „tijdelijke invoer”, de tijdelijke invoer met vrijstelling van rechten bij invoer, onder de voorwaarden neergelegd in de Overeenkomsten bedoeld in artikel 3 van deze Overeenkomst, of onder de voorwaarden van de wetten en andere voorschriften van het land van invoer; - (c). „doorvoer”, het vervoer van goederen van een douanekantoor van het gebied van een Overeenkomstsluitende Partij naar"},{"i":8488,"b":"Economische Partnerschapsovereenkomst tussen de CARIFORUM-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds Antigua en Barbuda, het Gemenebest van de Bahama's, Barbados, Belize, het Gemenebest Dominica, de Dominicaanse Republiek, Grenada, de Republiek Guyana, de Republiek Haïti, Jamaica, Saint Christopher en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, de Republiek Suriname, de Republiek Trinidad en Tobago, hierna de „Cariforum-staten” genoemd, enerzijds, en het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507), hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, en de Europese Gemeenschap, anderzijds, Gelet op het Herziene Verdrag van Chaguaramas tot oprichting van de Caribische Gemeenschap, met inbegrip van de gemeenschappelijke markt en economie van de Caricom, het Verdrag van Basseterre tot oprichting van de Organisatie van Oost-Caribische staten en de Overeenkomst tot oprichting van een vrijhandelsgebied tussen de Caribische Gemeenschap en de Dominicaanse Republiek, enerzijds, en het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), anderzijds; Gelet op de [Partnerschapsovereenkomst tus"},{"i":8485,"b":"Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst) De Overeenkomstsluitende Partijen, Vervuld van de wens het internationale vervoer van goederen met wegvoertuigen te vergemakkelijken, Overwegende dat de verbetering van de vervoersvoorwaarden een van de essentiële factoren vormt voor de ontwikkeling van de onderlinge samenwerking, Zich uitsprekend voor vereenvoudiging en harmonisatie van de administratieve formaliteiten op het gebied van het internationale vervoer, in het bijzonder aan de grenzen, Zijn overeengekomen als volgt: Hoofdstuk I. ALGEMENE BEPALINGEN a). BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a). „TIR-vervoer” het vervoer van goederen van een douanekantoor van vertrek naar een douanekantoor van bestemming, overeenkomstig de zogeheten TIR-regeling, die is vastgesteld bij deze Overeenkomst; - b). „TIR-operatie” het gedeelte van een TIR-vervoer dat in een Overeenkomstsluitende Partij wordt verricht van een douanekantoor van vertrek of binnenkomst (doorgang) naar een douanekantoor van bestemming of uitgang (doorgang); - c). „begin van een TIR-operatie” het feit dat het wegvoertuig, de vervoerscombinatie of de container zijn aangeboden voor controle bij het douanekantoor van vertrek of van binnenkomst (doorgang), tezamen met de lading en het daarop betrekking hebbende carnet TIR en dat het carnet TIR door het douanekantoor is aanvaard; - d). „beëindiging van een TIR-operatie” het feit dat het wegvoertuig, de vervoerscombinatie of de container zijn aangeboden voor controle bij het douanekantoor van bestemming of van uitgang (doorgang), tezamen met de lading en het daarop betrekking hebbende carnet TIR; - e). „zuivering van een TIR-operatie” de erkenning door de douaneautoriteiten dat de TIR-operatie in een Overeenkomstsluitende Partij op correcte wijze is beëindigd. Dit wordt door de douaneautoriteiten vastgesteld aan de hand van een vergelij"},{"i":8486,"b":"Douaneovereenkomst inzake welzijnsgoederen voor zeevarenden Preambule De Overeenkomstsluitende Partijen bij deze Overeenkomst, tot stand gekomen onder auspiciën van de Internationale Douaneraad op initiatief en met medewerking van de Internationale Arbeidsorganisatie, Geleid door de wens het welzijn van zeevarenden aan boord van in het internationale zeeverkeer varende schepen te bevorderen, Ervan overtuigd, dat aanvaarding van eenvormige douanebepalingen ter vergemakkelijking van de overbrenging van welzijnsgoederen en het gebruik daarvan door zeevarenden daartoe kan bijdragen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijving en werkingssfeer Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - (a). „welzijnsgoederen”, de goederen bestemd voor culturele, opvoedende, recreatieve, godsdienstige of sportieve activiteiten van zeevarenden en in het bijzonder boeken en drukwerken, audio-visueel materieel, sportartikelen, artikelen voor spelbeoefening en andere vormen van vrijetijdsbesteding en goederen voor de uitoefening van de eredienst (gewaden daaronder begrepen), zoals vermeld in de lijst van voorbeelden die als Bijlage bij deze Overeenkomst is gevoegd; - (b). „zeevarenden”, alle personen die aan boord van een schip worden vervoerd en die een taak hebben bij de functionering of de dienst van het schip op zee; - (c). „inrichtingen van culturele of sociale aard”, de tehuizen, clubs en ontspanningslokalen voor zeevarenden die worden beheerd hetzij door officiële organisaties, hetzij door godsdienstige organisaties of andere organisaties die geen winst beogen, alsmede de plaatsen voor de eredienst waar geregeld diensten voor zeevarenden worden gehouden; - (d). „rechten en belastingen bij invoer”, de douanerechten en alle andere rechten, belastingen, leges en heffingen, geheven bij of ter zake van de invoer van goederen, met uitzondering van de leges en heffingen die beperkt zijn tot de geschatte kosten van verleende diensten; - (e). „bekrachtiging”,"},{"i":8487,"b":"Douaneovereenkomst inzake wisselstukken gebezigd voor de herstelling van EUROP-wagons De Overeenkomstsluitende partijen, Bezield door de wens het gebruik van EUROP-wagons te vergemakkelijken bij het verkeer tussen de spoorwegadministraties, welke deze wagons gemeenschappelijk bezigen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan: - a). onder „rechten en heffingen terzake van de invoer” de invoerrechten, zomede alle rechten en heffingen, welke terzake van de invoer worden geheven; - b). onder „EUROP-wagons” de wagons, welke overeenkomstig de daartoe tussen de betrokken spoorwegadministraties overeengekomen bepalingen zijn onderworpen aan het stelsel van gemeenschappelijk gebruik; - c). onder „bezittende administratie” de spoorwegadministratie, aan wie de desbetreffende wagons toebehoren of, indien het wagons betreft welke toebehoren aan de Europese Maatschappij tot financiering van spoorwegmaterieel (EUROFIMA), de spoorwegadministratie waaraan de wagons bij wijze van huurkoop of op soortgelijke wijze ter beschikking zijn gesteld; - d). onder „gebruikende administratie” elke andere spoorwegadministratie, welke deelneemt aan het stelsel van gemeenschappelijk gebruik van EUROP-wagons en op wier net de desbetreffende wagons zich bevinden. Artikel 2 Een gebruikende administratie mag wisselstukken uit eigen voorraad aanbrengen aan EUROP-wagons, mits: - a). deze wisselstukken in het land van deze administratie werden belast met de binnenlandse rechten en heffingen en, in voorkomend geval, met de rechten en heffingen terzake van de invoer; - b). de aanbrenging geen aanleiding geeft tot teruggaaf van rechten en heffingen of tot het geheel of gedeeltelijk verlenen van andere voordelen welke bij uitvoer zijn voorzien. Artikel 3 De herstelling van EUROP-wagons door een gebruikende administratie met aanwending van wisselstukken uit eigen voorraad mag niet tot gevolg hebben dat die wagons bij o"},{"i":8489,"b":"Economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds Preambule Partijen bij de overeenkomst het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de lidstaten van de Europese Unie” genoemd, en de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Botswana, het Koninkrijk Lesotho, de Republiek Mozambique, de Republiek Namibië, de Republiek Zuid-Afrika, en het Koninkrijk Swaziland, hierna de „staten van de ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika die partij zijn bij de economische partnerschapsovereenkomst” , anderzijds („de SADC-EPO-staten”), gezien de wens van de partijen hun handelsbetrekkingen te versterken en nauwe en duurzame banden tot stand te brengen op basis van partnerschap en samenwerking, ervan overtuigd dat deze overeenkomst de economische en handelsbetrekkingen tussen de partijen verder zal verdiepen en stimuleren, met de wens op het grondgebied van de partijen nieuwe werkgelegenheid te creëren, investeringen aan te trekken en de levensstandaard te verbeteren, en daarbij duurzame ontwikkeling te bevorderen, zich bewust van het belang van samenwerk"},{"i":8490,"b":"Elfde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, betreffende herstructurering van het bij dat Verdrag ingestelde controlemechanisme De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Protocol bij het op 4 november 1950 te Rome ondertekende [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000) (hierna te noemen „het Verdrag”), hebben ondertekend, Overwegende dat het dringend noodzakelijk is het bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000) ingestelde controlemechanisme te herstructureren, teneinde de doeltreffendheid van de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden door het Verdrag te handhaven en te verbeteren, voornamelijk gezien de toeneming van het aantal verzoekschriften en het groeiend aantal leden van de Raad van Europa, Overwegende dat het derhalve wenselijk is enkele bepalingen van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000) te wijzigen teneinde, met name, de bestaande Europese Commissie en het bestaande Europese Hof voor de Rechten van de Mens te vervangen door een nieuw permanent Hof, Gelet op Resolutie nr. 1, aangenomen op de Europese Ministeriële Conferentie inzake de rechten van de mens, gehouden te Wenen op 19 en 20 maart 1985, Gelet op Aanbeveling 1194 (1992), aangenomen door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa op 6 oktober 1992, Gelet op het besluit inzake hervorming van het controlemechanisme van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000), genomen door de staatshoofden en regeringsleiders van de Lidstaten van de Raad van Europa in de Verklaring van Wenen van 9 oktober 1993, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Wijzigt het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Rome, 04-11-1950 Artikel 2 1. Wijzigt het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhede"},{"i":8492,"b":"Erkenning Limburgs onder deel II Europees Handvest Gelezen het verzoek van gedeputeerde staten van Limburg van 19 november 1996; Gelet op artikel 3, eerste lid, van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (Trb. 1993, 1 en 199); In overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Besluit: 1. het Limburgs te erkennen onder deel II van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden; 2. de Staten-Generaal over dit besluit te informeren; 3. de verklaring inzake de aanvaarding van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden aan te vullen in de zin van besluit 1. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst."},{"i":8493,"b":"Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, hierna „lidstaten” genoemd, en de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor kolen en staal, hierna „de Gemeenschap” genoemd, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, hierna „Jordanië” genoemd, anderzijds, Gelet op het belang van de historische banden tussen de Gemeenschap, haar lidstaten en Jordanië en hun gemeenschappelijke waarden, Overwegende dat de Gemeenschap, haar lidstaten en Jordanië deze banden wensen te versterken en duurzame betrekkingen op basis van wederkerigheid, solidariteit, partnerschap en gezamenlijke ontwikkeling tot stand wensen te brengen, Gelet op het belang dat de partijen hechten aan de beginselen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), en in het bijzonder aan de eerbiediging van de mensenrechten en de politieke en economische vrijheden waarop de Associatie is gegrondvest, Gelet op de politieke en economische ontwikkelingen van de laatste jaren in Europa en het Midden-Oosten, Zich bewust van de noodzaak gezamenlijk te streven naar versterking van de politieke stabiliteit en de economische ontwikkeling in de regio door middel van bevordering van regionale samenwerking, Verlangende een regelmatige"},{"i":8494,"b":"Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en de Republiek Bulgarije, anderzijds Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „Lid-Staten\" te noemen, en de Europese Economische Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, hierna „de Gemeenschap\" te noemen, enerzijds, en de Republiek Bulgarije, hierna „Bulgarije\" te noemen, anderzijds, Gelet op het belang van de traditionele banden tussen de Gemeenschap, haar Lid-Staten en Bulgarije, en hun gemeenschappelijke waarden, Erkennende dat de Gemeenschap en Bulgarije deze banden wensen te versterken en nauwe, duurzame betrekkingen tot stand willen brengen op grond van het wederzijds belang en wederkerigheid, waardoor Bulgarije zal kunnen deelnemen aan het proces van Europese integratie, en aldus de betrekkingen versterken en uitbreiden die in het verleden tot stand zijn gebracht, met name door de op 8 mei 1990 ondertekende Overeenkomst inzake handel en commerciële en economische samenwerking, Gelet op de mogelijkheden die het ontstaan van een nieuwe democratie in Bulgarije biedt voor betrekkingen van een nieuw gehalte, Gelet op de verbintenis van de Gemeenschap en haar Lid-Staten en van Bulgarije tot versterking van de politieke en economische vrijheden, die de grondslag van de associatie vormen, Erkennende het fundamentele karakter van de democrat"},{"i":8510,"b":"Europees Verdrag inzake de adoptie van kinderen (herzien) Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden is, teneinde de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfgoed zijn te beschermen en te verwezenlijken; Overwegend dat er, hoewel het instituut van adoptie van kinderen bestaat in het recht van alle lidstaten van de Raad van Europa, in deze landen uiteenlopende opvattingen blijven bestaan over de beginselen die op adoptie van toepassing moeten zijn evenals verschillen tussen adoptieprocedures en tussen de rechtsgevolgen van adoptie; Gelet op het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508) en in het bijzonder op [artikel 21 daarvan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508&artikel=21); Gelet op het [Verdrag van Den Haag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001342); Gelet op Aanbeveling 1443 (2000) van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa inzake „internationale adoptie: kinderrechten eerbiedigen” en het Witboek van de Raad van Europa inzake de beginselen voor het vaststellen van en de rechtsgevolgen van ouderschap; Erkennend dat sommige bepalingen van het Europees verdrag inzake de adoptie van kinderen uit 1967 (ETS nr. 58) achterhaald zijn en in strijd met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; Erkennend dat de betrokkenheid van kinderen bij familierechtelijke procedures die op hen betrekking hebben, verbeterd is door het Europees Verdrag van 25 januari 1996 inzake de uitoefening van de rechten van kinderen (ETS nr. 160) en door de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; Overwegend dat aanvaarding van gezamenlijk"},{"i":8514,"b":"Europees Verdrag inzake de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van internationale niet-gouvernementele organisaties IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention. DONE at Strasbourg, this 24th day of April 1986, in English and French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe and to any State invited to accede to this Convention."},{"i":6592,"b":"Besluit van 29 oktober 1999, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Doorstraalde waren en van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 juli 1999, nr. GZB/VVB/993223, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op: – [richtlijn 1999/2/EG](31999L0002) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 februari 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lid-staten inzake de behandeling van voedsel en voedselingrediënten met ioniserende straling (PbEG L 66); – [richtlijn 1999/3/EG](31999L0003) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 februari 1999 betreffende vaststelling van een communautaire lijst van voedsel en voedselingrediënten die mogen worden behandeld met ioniserende straling (PbEG L 66); en – [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [artikel 5, eerste lid, onder a en b, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [artikel 8, onder a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), en [artikel 9, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=9); De Raad van State gehoord (advies van 23 september 1999, no. W13.99.0420/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 oktober 1999 met nummer GZB/VVB/2007477, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit Doorstraalde waren. Artikel II Wijzigt het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 20 september 2000, met dien verstande dat eet- en drinkwaren die voldoen aan het [Warenwetbesluit Doorst"},{"i":8518,"b":"Europees Verdrag inzake de wettelijke bescherming van diensten die op voorwaarden toegankelijk zijn Preambule De Lidstaten van de Raad van Europa, andere Staten en de Europese Gemeenschap die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Indachtig Aanbeveling Nr. R (91)14 van het Comité van Ministers inzake de rechtsbescherming van gecodeerde televisiediensten; Overwegende dat piraterij van decodeerapparatuur voor gecodeerde televisiediensten overal in Europa nog steeds een probleem vormt; Vaststellend dat nieuwe soorten diensten en apparatuur voor voorwaardelijke toegang, alsmede nieuwe vormen van illegale toegang daartoe, zijn ontstaan sinds de aanneming van de bovengenoemde aanbeveling; Vaststellend dat er grote ongelijkheid bestaat tussen de Europese Staten wat betreft de wetgeving ten behoeve van de bescherming van diensten die op voorwaarden toegankelijk zijn; Vaststellend dat illegale toegang de economische levensvatbaarheid bedreigt van de organisaties die omroepdiensten en diensten van de informatiemaatschappij leveren en, als gevolg daarvan, de diversiteit kan aantasten van de programma's en diensten die worden aangeboden aan het publiek; Overtuigd van de noodzaak een gemeenschappelijk beleid te volgen gericht op de bescherming van diensten die op voorwaarden toegankelijk zijn; Ervan overtuigd dat strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of andere sancties een effectieve rol kunnen spelen bij de preventie van illegale activiteiten tegen diensten met voorwaardelijke toegang; Van mening dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan illegale activiteiten die worden uitgevoerd voor commerciële doeleinden; Rekening houdend met bestaande internationale instrumenten die bepalingen bevatten gericht op de bescherming van diensten die op voorwaarden toegankelijk zijn, Zijn het volgende overeengekomen: Afdeling I. Algemene bepalingen Artikel 1. Onderwerp en doel D"},{"i":8519,"b":"Europees Verdrag inzake het toezicht op voorwaardelijk veroordeelden of voorwaardelijk in vrijheid gestelden Preambule De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden; Vastbesloten tot samenwerking bij de bestrijding der misdadigheid; Overwegende dat zij met het oog daarop bij ieder in een der Lid-Staten gewezen vonnis op het grondgebied der andere Verdragsluitende Partijen behoren te zorgen voor de sociale reclassering van de voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde delinquenten enerzijds en voor de tenuitvoerlegging van de straf, indien aan de gestelde voorwaarden niet wordt voldaan anderzijds, Zijn het volgende overeengekomen: TITEL I. Beginselen Artikel 1 1. De Verdragsluitende Partijen verbinden zich elkaar overeenkomstig de hierna volgende bepalingen de wederzijdse rechtshulp te verlenen die nodig is voor de sociale reclassering van de in artikel 2 bedoelde delinquenten. Deze rechtshulp bestaat in het houden van toezicht op de delinquenten, welk toezicht enerzijds tot uitdrukking komt in maatregelen die een gedragsverbetering alsook de wederaanpassing van deze delinquenten aan het maatschappelijk leven kunnen vergemakkelijken en anderzijds door een waakzaam oog te houden op hun gedrag, ten einde, zo nodig, hetzij alsnog een vonnis over hen uit te kunnen spreken, hetzij een reeds eerder tegen hen gewezen vonnis ten uitvoer te kunnen leggen. 2. De Verdragsluitende Partijen leggen, overeenkomstig de hiernavolgende bepalingen, de tegen de delinquent uitgesproken vrijheidsstraf of met vrijheidsberoving gepaard gaande maatregel, waarvan de toepassing was opgeschort, ten uitvoer. Artikel 2 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder een „delinquent” verstaan hij, die op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen: - (a). bij rechterlijke beslissing is veroordeeld met daaraan verbonden"},{"i":8523,"b":"Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Zich bewust van de groeiende verontrusting in verband met de toename van daden van terrorisme; Verlangende doeltreffende maatregelen te nemen ten einde te verzekeren dat de daders niet aan strafvervolging en bestraffing ontkomen; Overtuigd dat uitlevering een bijzonder doeltreffend middel is om dit resultaat te bereiken, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Ten behoeve van uitlevering tussen Verdragsluitende Staten, wordt geen van de hierna te noemen strafbare feiten beschouwd als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend feit of een feit ingegeven door politieke motieven: - a). de strafbare feiten vallend onder het [Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004424), ondertekend te 's-Gravenhage op 16 december 1970; - b). de strafbare feiten vallend onder het [Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003604), ondertekend te Montreal op 23 september 1971; - c). de strafbare feiten waarbij een ernstige aanslag is gepleegd tegen het leven, de fysieke integriteit of de vrijheid van personen die recht hebben op internationale bescherming, met inbegrip van diplomatieke ambtenaren; - d). strafbare feiten die ontvoering, gijzeling of wederrechtelijke vrijheidsberoving inhouden; - e). de strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van bommen, (hand-) granaten, raketten, automatische vuurwapens of bombrieven of -pakjes, voor zover dit gebruik gevaar voor personen oplevert; - f). de poging tot één van de bovengenoemde strafbare feiten of de deelneming eraan als medepleger of medeplichtige van een persoon die een zodanig feit"},{"i":3245,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 juli 2021 nr. BOACAT2021/031, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Gouda Gelezen het verzoek van de gemeente Gouda van 12 april 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045441&artikel=2&z=2021-07-22&g=2021-07-22). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Controleur Openbare ruimte A en B in dienst van de gemeente Gouda, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 - a. De buitengewoon opsporingsambtenaar in domein I, Openbare ruimte is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten als genoemd in **onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporin"},{"i":8555,"b":"Gastlandverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Raad van Europa betreffende de zetel van het register van schade veroorzaakt door de agressie van de Russische Federatie tegen Oekraïne The Kingdom of the Netherlands and the Council of Europe, Bearing in mind the policy of the Kingdom of the Netherlands to promote the development of the international legal order; Noting that by Resolution of the Committee of Ministers [CM/Res(2023)3](onbekend) of 12 May 2023 the Council of Europe established the Enlarged Partial Agreement on the Register of Damage Caused by the Aggression of the Russian Federation against Ukraine as a platform for intergovernmental co-operation, acting within the institutional framework of the Council of Europe; Welcoming the wish of the Council of Europe to establish a seat for the Register of Damage Caused by the Aggression of the Russian Federation against Ukraine in the Kingdom of the Netherlands; Desiring to lay down conditions concerning the privileges, immunities, facilities, and services of and related to the Register of Damage Caused by the Aggression of the Russian Federation against Ukraine in the territory of the Kingdom of the Netherlands as are necessary for the fulfillment of the purposes of the Register of Damage Caused by the Aggression of the Russian Federation against Ukraine; Have agreed as follows: Article 1. Use of terms For the purpose of this Agreement: - a). “Agreement” means this Host State Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the Council of Europe; - b). “Host State” means the Kingdom of the Netherlands; - c). “Register” means the Register of Damage Caused by the Aggression of the Russian Federation against Ukraine as created by Resolution CM/Res (2023)3 of the Committee of Ministers of the Council of Europe establishing the Enlarged Partial Agreement on the Register of Damage Caused by the Aggression of the Russian Federation against Ukraine; - d). “Parties” means the Council of Europe and the ho"},{"i":8561,"b":"Gedeeltelijke herziening van het Radioreglement Geneva, 1988 (WARC Orb-88) Preamble The World Administrative Radio Conference, Geneva, 1979, resolved in its Resolution 3 that a World Administrative Radio Conference be convened, in two sessions to guarantee in practice for all countries equitable access to the geostationary-satellite orbit and the frequency bands allocated to space services. The Plenipotentiary Conference (Nairobi, 1982), in its Resolution 1, included such a conference in the Union's calendar of conferences. In its Resolution 8, it also instructed the Administrative Council to consider the inclusion, in the agenda of the First Session, of the question of the planning of the bands allocated to the fixed-satellite service and reserved exclusively for feeder links for the broadcasting-satellite service. The Administrative Council, at its 38th Session (1983), following consultations with the Members of the Union, adopted Resolution 895, by which it took the necessary steps to convene the First Session of this World Administrative Radio Conference, to be held in Geneva for a duration of five and a half weeks. Accordingly, the First Session of the World Administrative Radio Conference on the Use of the Geostationary-Satellite Orbit and the Planning of the Space Services Utilizing It, (WARC Orb-85), was held in Geneva from 8 August to 15 September 1985 and adopted a Report to the Second Session. This Report included the principles and methods to guarantee in practice for all countries equitable access to the geostationary orbit and frequency bands allocated to space services as well as the technical parameters to be used for planning. It also contained guidelines for the work to be carried out by the permanent organs of the Union in preparation for the Second Session of the Conference. At its 41st session (1986), the Administrative Council, by its Resolution 953, established the agenda for the Second Session of the Conference. At its 42nd session (1987), th"},{"i":8579,"b":"Handels- en Betalingsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Argentinië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Argentinië, trouw aan de geest van samenwerking, die hen bezielt, verlangend de banden, welke hun onderscheiden landen verbinden, nauwer aan te halen, de economische betrekkingen tussen hen te verruimen en in het bijzonder het handelsverkeer te bevorderen, in aanmerking nemend de beginselen van het multilaterale stelsel van handel en betalingen, zoals die zijn neergelegd in de „Note de Paris” dd 30 mei 1956, hebben besloten een Handels- en Betalingsovereenkomst te sluiten, met welk doel de aangewezen Gevolmachtigden, daartoe voldoende bevoegd, het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 De handel en de betalingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Argentinië zullen door deze Overeenkomst worden geregeld in overeenstemming met de beginselen, zoals overeengekomen door de Republiek Argentinië en de deelnemende landen en welke zijn vervat in de „Note de Paris” dd 30 mei 1956. HOOFDSTUK I. Handelsregime Artikel 2 Partijen zullen elkander, uitgaande van het beginsel van de behandeling van de meestbegunstigde natie, de grootst mogelijke faciliteiten verlenen, die verenigbaar zijn met hun onderscheidene wetgevingen op het stuk van wetten, reglementen en voorschriften betreffende de invoer, de uitvoer, de verkoop, de aankoop, het vervoer, de verdeling en het gebruik van de natuurlijke of vervaardigde produkten van oorsprong uit het gebied van de andere Partij. Artikel 3 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal een liberale invoerpolitiek handhaven ten aanzien van Argentijnse produkten, zonder dat evenwel beperkingen op de invoer van bepaalde produkten noodzakelijk uitgesloten zijn. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal er zich in beginsel van onthouden kwantitatieve restricties of verboden in te stellen bij de invoer van welk produkt ook van oorsprong uit Arg"},{"i":11943,"b":"Besluit van 29 januari 2007, nr. 2007-0000020428, tot het stellen van beperkende bepalingen op de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen werkarchief van jhr. mr. H.F. van Kinschot Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van het werkarchief van jhr. mr. H.F. van Kinschot 1949–1987 , de volgende beperking gesteld: - 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in het inventarisnummer 108 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen rijksarchief gehanteerde Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. Het formulier is tevens via het Internet te benaderen op de site van het Nationaal Archief. - 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft tot inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, in overeenstemming met het bij of krachtens de [Archiefwet"},{"i":8618,"b":"Wet van 19 mei 2021 tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met de implementatie van de Richtlijn (EU) 2019/789 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s en tot wijziging van Richtlijn 93/83/EEG van de Raad (Implementatiewet richtlijn online omroepdiensten) Allen, die deze zullen lezen of horen lezen saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886) en de [Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921) te wijzigen in verband met de implementatie van de Richtlijn (EU) 2019/789 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s en tot wijziging van [Richtlijn 93/83/EEG](31993L0083) van de Raad (PbEU 2019, L 130); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Auteurswet. Artikel II Wijzigt de Wet op de naburige rechten. Artikel IIa Wijzigt de Databankenwet. Artikel III [Artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045195&artikel=I&z=2021-06-07&g=2021-06-07), en [artikel II, onderdeel H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045195&artikel=II&z=2021-06-07&g=2021-06-07), zijn vanaf 7 juni 2025 van toepassing op toestemming die is verkregen voor een door [artikel 12c van de Auteurswet](onbekend) bestreken openbaarmaking van een werk en een door [artikel 14b van de We"},{"i":8625,"b":"Wet van 22 april 2020 tot wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en de Wet toezicht trustkantoren 2018 in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PbEU 2018, L 156) (Implementatiewet wijziging vierde anti-witwasrichtlijn) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de [Richtlijnen 2009/138](32009L0138)/en [2013/36](32013L0036)/EU (PbEU 2018, L 156); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel II Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren 2018. Artikel III Wijzigt de Sanctiewet 1977. Artikel IV Wijzigt de Wet op de parlementaire enquête 2008. Artikel IVa Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel V 1. De verplichting, bedoeld in [artikel 23b van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme](onbekend), is tot zes maanden na inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel P](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043558&artikel=I&z=2020-07-10&g=2020-07-10), niet van toepassing op een aanbieder als bedoeld in artikel 23b van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme die voor inwerki"},{"i":8626,"b":"Wet van 12 oktober 2016 tot wijziging van de Wet toezicht accountantsorganisaties, het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2014/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen (PbEU 2014, L 158) en ter implementatie van verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang (PbEU 2014, L 158) (Implementatiewet wijzigingsrichtlijn en verordening wettelijke controles jaarrekeningen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de implementatie van [richtlijn nr. 2014/56](32014L0056)/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 tot wijziging van [Richtlijn 2006/43/EG](32006L0043) betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen (PbEU 2014, L 158) en verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang (PbEU 2014, L 158) noopt tot aanpassing van de [Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468), het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel II Wijzigt de Wet op het accountantsberoep. Artikel III Wijzigt de Wet tuchtrechtspraak accountants. Artikel IV Wijzigt Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel V Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel VI Deze"},{"i":8627,"b":"Wet van 25 augustus 2023 tot wijziging van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en de Wet op het financieel toezicht in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2021/2118 tot wijziging van Richtlijn 2009/103/EG betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PbEU 2021, L 430) (Implementatiewet zesde richtlijn motorrijtuigenverzekering) Artikel I Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Artikel II Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel IIa Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. In afwijking van het vorige lid treedt het in [artikel I, onderdeel O](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048683&artikel=I&z=2024-07-10&g=2024-07-10), opgenomen [artikel 26d van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=26d) in werking met ingang van 23 juni 2023. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 22 juni 2023, treedt het in artikel I, onderdeel O, opgenomen artikel 26d van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, en werkt dit artikel terug tot en met 23 juni 2023. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet zesde richtlijn motorrijtuigenverzekering. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Richtlijn (EU) 2021/2118](32021L2118) van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 tot wijziging van [Richtlijn 2009/103/EG](32009L0103) betreffende de verzekering tegen"},{"i":8632,"b":"Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992 (Fondsverdrag 1992) De Staten, Partijen bij dit Verdrag, Partij zijnde bij het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, tot stand gekomen te Brussel op 29 november 1969, Zich bewust van de gevaren van verontreiniging, verbonden aan het vervoer van olie in bulk over de wereldzeeën, Overtuigd van de noodzaak waarborgen te scheppen voor een passende vergoeding aan personen die schade lijden door verontreiniging veroorzaakt door het ontsnappen of doen wegvloeien van olie uit schepen, Overwegende dat het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie van 29 november 1969, door te voorzien in een regeling tot vergoeding van schade door verontreiniging in de Verdragsluitende Staten, alsmede van de kosten van maatregelen ter voorkoming of ter beperking van zodanige schade, waar ook genomen, een aanzienlijke stap voorwaarts betekent op de weg naar dit doel, Overwegende evenwel dat dit stelsel enerzijds niet in alle gevallen volledige vergoeding biedt aan slachtoffers van schade door verontreiniging door olie, en anderzijds de financiële lasten van de scheepseigenaars verzwaart; Voorts overwegende dat de economische gevolgen van schade door verontreiniging door olie, veroorzaakt door het ontsnappen of doen wegvloeien van olie welke door schepen in bulk over zee wordt vervoerd, niet uitsluitend ten laste behoren te komen van de scheepvaart, doch ten dele dienen te worden gedragen door degenen die financiële belangen hebben bij de vervoerde olie, Overtuigd van de noodzaak een regeling tot schadevergoeding en schadeloosstelling op te stellen ter aanvulling van het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, teneinde enerzijds een volledige vergoeding te waar"},{"i":8633,"b":"Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969 De Verdragsluitende Regeringen, Verlangende eenvormige beginselen en regels vast te stellen met betrekking tot het bepalen van de tonnage van schepen, die internationale reizen maken; Overwegende dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Verdrag, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Algemene verplichting krachtens het Verdrag De Verdragsluitende Regeringen verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en van de daarbij behorende Bijlagen die geacht worden een integrerend deel te vormen van dit Verdrag. Elke verwijzing naar dit Verdrag sluit een gelijktijdige verwijzing naar de Bijlagen in zich. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, verstaan onder: - (1). „Voorschriften”: de Voorschriften opgenomen in de bijlagen behorende bij dit Verdrag; - (2). „Administratie”: de Regering van de Staat wiens vlag het schip voert; - (3). „internationale reis”: een zeereis van een land waarop dit Verdrag van toepassing is, naar een buiten dat land gelegen haven of omgekeerd. Te dien einde wordt elk gebied voor welks internationale betrekkingen een Verdragsluitende Regering verantwoordelijk is of waarover de Verenigde Naties als gezagsorgaan het beheer uitoefenen, als een afzonderlijk land beschouwd; - (4). „bruto-tonnage”: de maat van de totale inhoud van een schip vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag; - (5). „netto-tonnage”: de maat van de nuttige capaciteit van een schip vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag; - (6). „nieuw schip”: een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium van aanbouw bevindt op of na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag; - (7). „bestaand schip”: een schip dat niet is een nieuw schip; - (8). „lengte”: 96 procent van de lengte van de lastlijn op 85 procent van de kleinste holte naar de m"},{"i":8635,"b":"Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 De Partijen bij dit Verdrag, Geleid door de wens de veiligheid van mensenlevens en goederen op zee te bevorderen en het mariene milieu te beschermen door het in onderling overleg opstellen van internationale normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst. Overwegend dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag 1. De Partijen verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en van de Bijlage daarbij, die een integrerend deel vormt van dit Verdrag. Elke verwijzing naar dit Verdrag houdt tezelfdertijd een verwijzing naar de Bijlage in. 2. De Partijen verbinden zich alle wetten, besluiten, beschikkingen en voorschriften uit te vaardigen en alle andere maatregelen te nemen, die nodig zijn voor de volledige tenuitvoerlegging van dit Verdrag, ten einde te verzekeren dat, uit het oogpunt van de beveiliging van mensenlevens en eigendommen op zee en van de bescherming van het mariene milieu, de zeevarenden aan boord van een schip wat hun vakbekwaamheid en lichamelijke conditie betreft geschikt zijn om hun taak te vervullen. Artikel II. Begripsomschrijvingen Bij de toepassing van het Verdrag gelden, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, de volgende begripsomschrijvingen: - (a). ‘Partij’ betekent een Staat voor wie het Verdrag in werking is getreden; - (b). ‘Administratie’ betekent de Regering van de Partij waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren; - (c). ‘Diploma’ is een geldig document, welke naam ook dragend, dat is afgegeven door of namens de autoriteit van de Administratie of erkend door de Administratie en dat de houder ervan het recht geeft, dienst te doen op de wijze als wordt vermeld in dat do"},{"i":8636,"b":"Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen Preambule De Partijen bij dit Verdrag, opgesteld onder auspiciën van de Internationale Douaneraad, Verlangende de internationale handel te vergemakkelijken, Verlangende het verzamelen, vergelijken en analyseren van statistieken, in het bijzonder die betreffende de buitenlandse handel, te vergemakkelijken, Verlangende de kosten te verminderen die worden gemaakt als gevolg van het opnieuw omschrijven, indelen en coderen van goederen wanneer die in het internationale handelsverkeer overgaan van het ene indelingssysteem naar het andere, alsmede de standaardisering van handelsdocumenten en de overdracht van gegevens te vergemakkelijken, Overwegende dat de ontwikkeling van de technologie en de veranderingen in de structuur van de internationale handel ingrijpende wijzigingen nodig maken in het Verdrag inzake de nomenclatuur voor de indeling van goederen in de douanetarieven, gedaan te Brussel op 15 december 1950, Tevens overwegende dat de mate van verbijzondering die door Regeringen en handelskringen voor douane- en statistiekdoeleinden wordt verlangd, thans veel groter is dan die welke is te vinden in de nomenclatuur, opgenomen in de bijlage bij bovengenoemd Verdrag, Overwegende dat het voor het voeren van internationale handelsbesprekingen van belang is om over nauwkeurige en vergelijkbare gegevens te beschikken, Overwegende dat het geharmoniseerde systeem is bedoeld om te worden gebruikt voor de vrachttarieven en de statistieken van de verschillende soorten goederenvervoer, Overwegende dat het geharmoniseerde systeem is bedoeld om in zo ruim mogelijke mate te worden opgenomen in commerciële systemen voor de omschrijving en de codering van goederen, Overwegende dat het geharmoniseerde systeem is bedoeld om de totstandkoming te bevorderen van een zo nauw mogelijke correlatie tussen de statistieken van de buitenlandse handel enerzijds, en de produktiestatistie"},{"i":8637,"b":"Internationaal Verdrag houdende wijziging van het op 20 mei 1875 te Parijs gesloten Verdrag ter verzekering van de internationale eenheid en de volmaking van het Metrieke stelsel en van het bij dat Verdrag behorende Reglement **1°. van het op 20 Mei 1875 te Parijs gesloten verdrag ter verzekering van de internationale eenheid en de volmaking van het metrieke stelsel;** **2°. van het bij dat verdrag behoorend Reglement,** Gesloten tusschen: Duitschland, de Argentijnsche Republiek, Oostenrijk, België, Brazilië, Bulgarije, Canada, Chili, Denemarken, Spanje, de Vereenigde Staten van Amerika, Finland, Frankrijk, Groot-Britannië, Hongarije, Italië, Japan, Mexico, Noorwegen, Peru, Portugal, Roemenië, de Staat der Serven, Kroaten en Slovenen, Siam, Zweden, Zwitserland en Uruguay. De ondergeteekenden, gevolmachtigden van de Regeeringen der hierboven genoemde Landen, ter Conferentie te Parijs bijeen, zijn het volgende overeengekomen: Art. 1 Wijzigt het Verdrag ter verzekering van de internationale eenheid en de volmaking van het metrieke stelsel; Parijs, 20 mei 1875. Art. 2 Wijzigt het Verdrag ter verzekering van de internationale eenheid en de volmaking van het metrieke stelsel; Parijs, 20 mei 1875. Art. 3 Elke Staat kan tot dit verdrag toetreden door daarvan kennis te geven aan de Fransche Regeering, die daarvan mededeeling zal doen aan alle aangesloten Staten en aan den voorzitter van het Comité international des Poids et Mesures. Elke nieuwe toetreding tot het verdrag van 20 Mei 1875 brengt als verplichting mede toetreding tot het huidige verdrag. Art. 4 Dit verdrag zal bekrachtigd worden. Elke mogendheid zal binnen den kortst mogelijken termijn hare bekrachtiging doen toekomen aan de Fransche Regeering, door wier zorgen hiervan mededeeling zal worden gedaan aan de andere Landen, die onderteekend hebben. De bekrachtigingsoorkonden zullen bewaard blijven in de archieven der Fransche Regeering. Dit verdrag zal voor elk Land, dat onderteekend heeft, in werking treden op den"},{"i":8639,"b":"Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten **Preambule** De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Overwegende, dat, overeenkomstig de in het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) verkondigde beginselen, erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld, Erkennende, dat deze rechten voortvloeien uit de inherente waardigheid van de menselijke persoon, Erkennende, dat, overeenkomstig de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008), het ideaal van de vrije mens die vrijheid als staatsburger een politieke vrijheid geniet, en die vrij is van vrees en gebrek, slechts kan worden verwezenlijkt indien er omstandigheden worden geschapen, waarin een ieder zijn burgerrechten en zijn politieke rechten, alsmede zijn economische, sociale en culturele rechten kan uitoefenen, Overwegende, dat, krachtens het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), de Staten verplicht zijn de universele eerbied voor en de inachtneming van de rechten en vrijheden van de mens te bevorderen, Zich ervan bewust dat op de individuele mens, uit hoofde van de plichten die hij heeft tegenover anderen en tegenover de gemeenschap waartoe hij behoort, de verantwoordelijkheid rust te streven naar bevordering en inachtneming van de in dit Verdrag erkende rechten, Zijn overeengekomen als volgt: DEEL I Artikel 1 1. Alle volken bezitten het zelfbeschikkingsrecht. Uit hoofde van dit recht bepalen zij in alle vrijheid hun politieke status en streven zij vrijelijk hun economische, sociale en culturele ontwikkeling na. 2. Alle volken kunnen ter verwezenlijking van hun doeleinden vrijelijk beschikken over hun natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen, evenwel onverminderd verplichtingen voortvloeiend uit internationale economisc"},{"i":8640,"b":"Internationaal Verdrag inzake de beperking van schadelijke aangroeiwerende verfsystemen op schepen De Partijen bij dit Verdrag, Gelet op het feit dat wetenschappelijke studies en onderzoeken door regeringen en bevoegde internationale organisaties hebben aangetoond dat bepaalde aangroeiwerende verfsystemen die op schepen worden gebruikt een aanmerkelijk risico van toxiciteit en andere blijvende gevolgen voor ecologisch en economisch belangrijke mariene organismen vormen en tevens dat de gezondheid van de mens kan worden geschaad als gevolg van de consumptie van besmette eetbare zeedieren, In het bijzonder gelet op de ernstige bezorgdheid betreffende aangroeiwerende verfsystemen waarin organische tinverbindingen als biociden worden gebruikt en ervan overtuigd dat het in het milieu brengen van dergelijke organische tinverbindingen geleidelijk moet worden uitgebannen, In herinnering roepend dat Hoofdstuk 17 van Agenda 21, aangenomen door de VN-Conferentie inzake Milieu en Ontwikkeling, 1992, een oproep doet aan Staten om maatregelen te nemen teneinde de verontreiniging door organische tinverbindingen die in aangroeiwerende verfsystemen worden gebruikt te verminderen, Eveneens in herinnering roepend dat de door de Algemene Vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie op 25 november 1999aangenomen resolutie A.895(21) de Mariene Milieu Commissie (MEPC) van de Organisatie aanspoort voortvarend de ontwikkeling ter hand te nemen van een mondiaal wettelijk bindend instrument teneinde de schadelijke gevolgen van aangroeiwerende verfsystemen met spoed aan te pakken, Indachtig de in Beginsel 15 van de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling bedoelde voorzorgsbenadering waarnaar eveneens in de door MEPC op 15 september 1995 aangenomen Resolutie MEPC.67(37) wordt verwezen, Erkennend het belang van de bescherming van het mariene milieu en de gezondheid van de mens tegen de nadelige effecten van aangroeiwerende verfsystemen, Eveneens erkennend dat het gebruik van"},{"i":8641,"b":"Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties De Verdragsluitende Staten, geleid door de wens de rechten van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties te beschermen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De krachtens dit Verdrag toegekende bescherming laat onverlet en is op generlei wijze van invloed op de bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst. Derhalve mag geen bepaling van dit Verdrag zo worden uitgelegd dat daardoor aan deze bescherming afbreuk zou worden gedaan. Artikel 2 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder nationale behandeling verstaan de behandeling toegekend door de nationale wetgeving van de Verdragsluitende Staat waar aanspraak op bescherming wordt gemaakt: - (a). aan uitvoerende kunstenaars die zijn onderdanen zijn, ten aanzien van uitvoeringen die op zijn grondgebied plaats vinden, worden uitgezonden of voor het eerst zijn vastgelegd; - (b). aan producenten van fonogrammen die zijn onderdanen zijn, ten aanzien van fonogrammen die voor het eerst zijn vastgelegd of openbaar gemaakt op zijn grondgebied; - (c). aan omroep organisaties die hun hoofdkantoor hebben op zijn grondgebied, ten aanzien van radio-uitzendingen via zendinstallaties die op zijn grondgebied zijn gelegen. 2. De nationale behandeling is onderworpen aan de in dit Verdrag speciaal gewaarborgde bescherming en speciaal voorziene beperkingen. Artikel 3 Voor de toepassing van dit Verdrag: - (a). wordt onder „uitvoerende kunstenaars” verstaan acteurs, zangers, musici, dansers en andere personen die acteren, zingen, reciteren, declameren, spelen of anderszins werken van letterkunde of kunst uitvoeren; - (b). wordt onder „fonogram” verstaan iedere uitsluitend hoorbare vastlegging van klanken van een uitvoering of van andere klanken; - (c). wordt onder „producent van fonogrammen” verstaan de natuurlijke- of de rechtspersoon die de klanken van e"},{"i":8642,"b":"Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Overwegende, dat het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) is gegrondvest op de beginselen van de waardigheid en de gelijkheid van alle mensen, en dat alle Lid-Staten zich plechtig hebben verbonden om, in samenwerking met de organisatie, gemeenschappelijk en elk voor zich te streven naar de verwezenlijking van een der doelstellingen van de Verenigde Naties, namelijk te bevorderen en aan te moedigen dat de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ten aanzien van allen overal ter wereld daadwerkelijk worden geëerbiedigd zonder onderscheid naar ras, geslacht, taal of godsdienst, Overwegende, dat de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) plechtig verkondigt dat alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten worden geboren en dat een ieder aanspraak heeft op alle rechten en vrijheden die daarin worden vermeld, zonder enig onderscheid, in het bijzonder wat betreft ras, huidskleur of nationale afkomst, Overwegende, dat alle mensen gelijk zijn voor de wet en aanspraak hebben op gelijke bescherming door de wet tegen elke vorm van discriminatie en tegen elke vorm van aanzetting daartoe, Overwegende, dat de Verenigde Naties het kolonialisme en alle daarmede samengaande praktijken van rassenscheiding en rassendiscriminatie, ongeacht de vorm waarin en de plaats waar deze voorkomen, hebben veroordeeld en dat in de Verklaring inzake het verlenen van onafhankelijkheid aan gekoloniseerde landen en volkeren van 14 december 1960 (Resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering) de noodzaak hieraan terstond en onvoorwaardelijk een einde te maken, werd bevestigd en plechtig verkondigd, Overwegende, dat in de Verklaring van de Verenigde Naties van 20 november 1963 (Resolutie 1904 (XVIII) van de Algemene Vergadering) inzake de uitbanning van alle v"},{"i":8638,"b":"Internationaal Verdrag inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in verband met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen, 1996 De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag Zich bewust van de gevaren verbonden aan het wereldwijde vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen; Overtuigd van de noodzaak waarborgen te scheppen voor een passende, onverwijlde en doeltreffende vergoeding aan personen die schade lijden door voorvallen in samenhang met het vervoer over zee van deze stoffen; De wens koesterend eenvormige internationale regels en procedures aan te nemen voor het nemen van beslissingen in kwesties van aansprakelijkheid en het verschaffen van een vergoeding in zodanige gevallen; Overwegende dat de economische gevolgen van de schade veroorzaakt door het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen dienen te worden gedragen door de gezamenlijke maritieme sector en de betrokken ladingbelanghebbenden; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. wordt onder „schip” verstaan: alle zeeschepen en zeegaande vaartuigen van welk type ook; - 2. wordt onder „persoon” verstaan: iedere natuurlijke of rechtspersoon of maatschap, alsmede ieder publiekrechtelijk of privaatrechtelijk lichaam, al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittend, met inbegrip van een Staat of zijn staatsrechtelijke onderdelen; - 3. wordt onder „eigenaar” verstaan: de persoon of personen die als eigenaar van het schip zijn geregistreerd of, indien er geen registratie heeft plaatsgevonden, de persoon of personen die het schip in eigendom hebben. Indien evenwel een schip eigendom is van een Staat en geëxploiteerd wordt door een maatschappij die in die Staat geregistreerd staat als de exploitant van het schip, betekent „eigenaar” een zodanige maatschappij; - 4. wordt onder „ontvanger” verstaan hetzij: - a. de persoon die feitelijk de bijdragende lading ontvangt die wordt"},{"i":8644,"b":"Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1992 (Aansprakelijkheidsverdrag 1992) De Staten, Partijen bij dit Verdrag, zich bewust van de gevaren van verontreiniging, verbonden aan het vervoer van olie in bulk over de wereldzeeën, overtuigd van de noodzaak waarborgen te scheppen voor een passende vergoeding aan personen die schade lijden door verontreiniging veroorzaakt door het ontsnappen of doen wegvloeien van olie uit schepen, de wens koesterende eenvormige internationale regels en procedures te aanvaarden voor het nemen van beslissingen in kwesties van aansprakelijkheid en het verschaffen van een passende vergoeding in zodanige gevallen, zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. wordt onder „schip” verstaan: alle zeeschepen en andere zeegaande vaartuigen, van welk type ook, gebouwd of aangepast voor het vervoer van olie in bulk als lading, met dien verstande dat een schip dat olie en andere soorten lading kan vervoeren alleen als een schip wordt beschouwd, wanneer het daadwerkelijk olie in bulk als lading vervoert en tijdens iedere reis na een zodanig vervoer, tenzij wordt aangetoond dat het geen residuen van zulk vervoer van olie in bulk aan boord heeft. - 2. wordt onder „persoon” verstaan iedere natuurlijke persoon of maatschap, alsmede ieder publiekrechtelijk of privaatrechtelijk lichaam, al of niet rechtspersoonlijkheid bezittend, hieronder begrepen een Staat of zijn staatsrechtelijke onderdelen; - 3. wordt onder „eigenaar” verstaan: de persoon of personen die als eigenaar van het schip zijn teboekgesteld of, indien er geen teboekstelling heeft plaatsgehad, de persoon of personen, die het schip in eigendom hebben. Indien evenwel een schip eigendom is van een Staat en geëxploiteerd wordt door een maatschappij die in die Staat teboekstaat als de exploitant van het schip, betekent „eigenaar” een zodanige maatschappij; - 4. wordt onder „Staat waarin het schip is"},{"i":8646,"b":"Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee, 1979 De Verdragsluitende Partijen, Gelet op het grote belang dat in diverse verdragen wordt gehecht aan het verlenen van hulp aan personen die op zee in nood verkeren, en aan het treffen door elke kuststaat van passende en doeltreffende maatregelen voor het houden van kustwacht en voor diensten voor opsporing en redding, Voorts gelet op Aanbeveling 40, aanvaard door de Internationale Conferentie inzake de beveiliging van mensenlevens op zee, 1960, waarin de wenselijkheid wordt erkend de werkzaamheden met betrekking tot de veiligheid op en boven zee tussen een aantal intergouvernementele organisaties te coördineren, Verlangend deze werkzaamheden te verbeteren en te bevorderen door een internationaal plan voor opsporing en redding op zee op te stellen, dat beantwoordt aan de behoeften van het scheepvaartverkeer, met betrekking tot de redding van in nood verkerende personen op zee, Geleid door de wens de samenwerking te bevorderen tussen de organisaties op het gebied van opsporing en redding over de gehele wereld en tussen degenen die deelnemen aan opsporings- en reddingsacties op zee, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag De Partijen verbinden zich ertoe, alle wettelijke of andere passende maatregelen te nemen die nodig zijn voor de volledige uitvoering van het Verdrag en de bijbehorende Bijlage, die een integrerend deel van het Verdrag vormt. Tenzij uitdrukkelijk anders vermeld, houdt een verwijzing naar het Verdrag tevens een verwijzing naar de Bijlage daarbij in. Artikel II. Andere verdragen en interpretatie 1. Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan de codificering en ontwikkeling van het zeerecht door de Conferentie van de Verenigde Naties inzake het zeerecht, bijeengeroepen ingevolge Resolutie 2750 (XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, noch aan de huidige of toekomstige aanspraken en rechtsopvattingen van een staat met betrekking tot he"},{"i":8647,"b":"Internationaal Verdrag inzake optreden in volle zee bij ongevallen die verontreiniging door olie kunnen veroorzaken De Staten, Partijen bij dit Verdrag, Zich bewust van de noodzaak de belangen van hun volken te beschermen tegen de ernstige gevolgen van een ongeval op zee dat het gevaar schept van verontreiniging door olie van zee en kusten, Overtuigd dat in deze omstandigheden maatregelen van buitengewone aard ter bescherming van die belangen nodig zouden kunnen zijn in volle zee en dat deze maatregelen geen inbreuk maken op het beginsel van de vrije zee, zijn overeengekomen als volgt: Artikel I 1. De Partijen bij dit Verdrag kunnen in volle zee de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn ter voorkoming, vermindering of opheffing van ernstig en dreigend gevaar voor hun kust of daarmede samenhangende belangen door verontreiniging of dreigende verontreiniging van de zee door olie, na een ongeval op zee of na met zulk een ongeval verband houdende handelingen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zeer ernstige schade tot gevolg zullen hebben. 2. Er worden evenwel ingevolge dit Verdrag geen maatregelen genomen tegen oorlogsschepen of andere schepen die eigendom zijn van of geëxploiteerd worden door een Staat en die te dien tijde slechts worden gebruikt in dienst van de overheid voor andere dan handelsdoeleinden. Artikel II Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. wordt onder „ongeval op zee” verstaan een aanvaring, stranding of een ander ongeval bij de navigatie of een ander voorval aan boord van een schip of daarbuiten dat materiële schade of dreigend gevaar van materiële schade aan een schip of zijn lading tot gevolg heeft; - 2. wordt onder „schip” verstaan: - (a). elk zeeschip, van welk type ook, en - (b). elk drijvend voorwerp met uitzondering van een installatie of een andere inrichting voor de exploratie en de exploitatie van de rijkdommen van de zeebedding en de oceaanbodem en de ondergrond daarvan; - 3. wordt onder „olie” verstaan: ruwe olie, stooko"},{"i":8648,"b":"Internationaal Verdrag inzake plantgenetische bronnen voor voedsel en landbouw Preambule De verdragsluitende partijen, Overtuigd van het speciale karakter van plantgenetische bronnen voor voedsel en landbouw, hun bijzondere kenmerken en problemen, die bijzondere oplossingen vereisen; Verontrust door de voortdurende achteruitgang van die bronnen; Zich bewust van het feit dat plantgenetische bronnen voor voedsel en landbouw de gezamenlijke zorg zijn van alle landen, gezien het feit dat zij allemaal in hoge mate afhankelijk zijn van plantgenetische bronnen voor voedsel en landbouw uit andere landen; Erkennend dat het behouden, exploreren, verzamelen, karakteriseren, evalueren en documenteren van plantgenetische bronnen voor voedsel en landbouw van wezenlijk belang zijn voor het bereiken van de doelstellingen van de Verklaring van Rome inzake de Wereldvoedselzekerheid en het Actieplan van de Wereldvoedseltop en voor een duurzame ontwikkeling van de landbouw voor huidige en toekomstige generaties, en dat er een dringende noodzaak bestaat om de capaciteit van de ontwikkelingslanden en de landen met een overgangseconomie te versterken teneinde dergelijke taken te verwezenlijken; Nota nemend van het feit dat het Wereldactieplan inzake het behoud en het duurzame gebruik van plantgenetische bronnen voor voedsel en landbouw een internationaal overeengekomen referentiekader vormt voor dergelijke activiteiten; Bovendien erkennend dat plantgenetische bronnen voor voedsel en landbouw de onmisbare grondstof vormen voor genetische veredeling van gewassen, door middel van selectie door boeren, klassieke plantenveredeling of moderne biotechnologieën, en dat ze van essentieel belang zijn voor de aanpassing aan onvoorziene veranderingen in het milieu en toekomstige menselijke behoeften; Bevestigend dat de bijdragen die boeren uit alle streken van de wereld, met name in de gebieden van oorsprong en diversiteit, hebben geleverd, op dit moment leveren en in de toekomst zullen leveren aan b"},{"i":8650,"b":"Internationaal Verdrag tegen doping in de sport **Preambule** De Algemene Conferentie van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, hierna aangeduid als UNESCO, bijeengekomen te Parijs van 3 tot en met 21 oktober 2005 tijdens haar 33e zitting, Overwegend dat het doel van UNESCO is een bijdrage te leveren aan vrede en veiligheid door samenwerking tussen naties te bevorderen door middel van onderwijs, wetenschap en cultuur, Verwijzend naar bestaande internationale instrumenten inzake mensenrechten, Zich bewust van resolutie 58/5 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 3 november 2003, betreffende sport als middel om onderwijs, gezondheid, ontwikkeling en vrede te bevorderen, en met name paragraaf 7 daarvan, Zich er tevens van bewust dat sport een belangrijke rol dient te spelen bij de bescherming van de gezondheid, bij morele en culturele vorming en lichamelijke opvoeding en bij het bevorderen van wederzijds begrip en vrede in de wereld, Gelet op de noodzaak internationale samenwerking gericht op het uitbannen van doping in de sport te bevorderen en te coördineren, Bezorgd over het gebruik door sporters van dopingmiddelen in de sport en de gevolgen daarvan voor hun gezondheid, het beginsel van fair play, het uitbannen van bedrog en de toekomst van de sport, Indachtig het feit dat doping een bedreiging vormt voor de ethische beginselen en educatieve waarden vervat in het Internationale Handvest voor Lichamelijke Opvoeding en Sport van UNESCO en in het Olympisch Handvest, In herinnering roepend dat de [Overeenkomst ter bestrijding van doping](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004757) en het Aanvullend Protocol daarbij aangenomen in het kader van de Raad van Europa instrumenten van internationaal publiekrecht zijn, die ten grondslag liggen aan nationaal antidopingbeleid en aan intergouvernementele samenwerking, Herinnerend aan de Aanbevelingen inzake doping aangenomen tijdens de tweede, derde en vierde"},{"i":8651,"b":"Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Indachtig de doelstellingen en beginselen, vervat in het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten, In het bijzonder erkennende dat een ieder recht heeft op leven, vrijheid en veiligheid van zijn persoon, zoals vermeld in de [Universele Verklaring van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) en het [Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001017), Opnieuw bevestigende het beginsel van gelijke rechten en zelfbeschikking der volken, zoals vastgelegd in het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en de Verklaring inzake de beginselen van het volkenrecht betreffende vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen de Staten overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, alsmede in andere daarop betrekking hebbende resoluties van de Algemene Vergadering, Overwegende dat het nemen van gijzelaars een misdaad is dat de internationale gemeenschap met diepe zorg vervult, en dat een ieder die een gijzelingshandeling pleegt overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag hetzij dient te worden vervolgd, hetzij dient te worden uitgeleverd, Ervan overtuigd dat het dringend noodzakelijk is internationale samenwerking tussen Staten te ontwikkelen bij het ontwerpen en aannemen van doeltreffende maatregelen ter voorkoming, vervolging en bestraffing van alle gijzelingshandelingen als uitingen van internationaal terrorisme, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. Een ieder die een andere persoon (hierna te noemen de „gijzelaar”) overmeestert of van zijn vrijheid berooft en dreigt te doden, te verwonden of van zijn vrijheid beroofd te houden teneind"},{"i":8742,"b":"Notawisselingen tussen de regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, enerzijds, en de regering van de Verenigde Staten van Amerika, anderzijds, houdende een verdrag inzake de toepassing van non-proliferatie-waarborgen op aan Taiwan geleverd licht verrijkt uranium Erkennend dat de Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna te noemen de Troika) en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika (hierna te noemen de Verenigde Staten) de gemeenschappelijke wens koesteren ervoor te zorgen dat laagverrijkt uraan dat naar Taiwan wordt overgebracht voor gebruik in vreedzame kernenergie-activiteiten en eventueel bijzonder nucleair materiaal dat daaruit wordt vervaardigd niet wordt gebruikt voor het vervaardigen of anderszins verwerven van kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen; Erkennend dat de Troika tracht ervoor te zorgen dat laagverrijkt uraan dat in de Troika-landen wordt vervaardigd en bijzonder nucleair materiaal dat daaruit wordt vervaardigd in Taiwan onderworpen is aan nucleaire non-proliferatiewaarborgen die overeenstemmen met het nonproliferatie-beleid van de Troika; Erkennend dat laagverrijkt uraan dat van de Troika-landen wordt overgebracht naar het grondgebied van de Verenigde Staten voor verwerking tot brandstof en heroverdracht naar Taiwan zal zijn onderworpen aan de Overeenkomst tot Samenwerking bij het vreedzaam gebruik van kernenergie tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Verenigde Staten van Amerika die op 7 november 1995 en 29 maart 1996 te Brussel werd ondertekend en op 12 april 1996 in werking trad (hierna te noemen de „VS-Euratom-overeenkomst\"), zolang het in de Verenigde Staten van Amerika is; Erkennend dat ingevolge artikel 8, eerste lid, onder C, alinea i, van de VS-Euratom-overeenkomst de heroverdracht van laagverrijkt ura"},{"i":8656,"b":"Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij De Partijen bij het Verdrag, Zich bewust van de noodzaak tot behoud van het milieu in het algemeen en van het mariene milieu in het bijzonder, Erkennend dat het opzettelijk, onachtzaam, dan wel bij ongeluk, lozen van olie en andere schadelijke stoffen door schepen een ernstige bron van verontreiniging vormt, Voorts erkennend het belang van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie, 1954, als de eerste multilaterale overeenkomst die werd gesloten met de bescherming van het milieu als voornaamste oogmerk en haar waardering uitsprekende voor de belangrijke bijdrage die genoemd Verdrag heeft geleverd aan het behoeden van de zeeën en de kustgebieden voor verontreiniging, Geleid door de wens een einde te maken aan de opzettelijke verontreiniging van het mariene milieu door olie en andere schadelijke stoffen, en de lozing bij ongeluk van dergelijke stoffen tot een minimum te beperken, Overwegende dat dit doel het beste kan worden bereikt door het opstellen van regels met een universele strekking die niet beperkt zijn tot verontreiniging door olie, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag (1). De Partijen bij het Verdrag verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en van die Bijlagen daarbij door welke zij zijn gebonden, ter voorkoming van de verontreiniging van het mariene milieu door het lozen van schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten, in strijd met dit Verdrag. (2). Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald houdt elke verwijzing naar dit Verdrag tegelijkertijd een verwijzing in naar de Protocollen en Bijlagen daarbij. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de volgende betekenis, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald: - (1). „Voorschriften”:"},{"i":8657,"b":"Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten van 2 december 1961, zoals herzien te Genève op 10 november 1972, 23 oktober 1978, en 19 maart 1991 HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Akte: - i. wordt verstaan onder „dit Verdrag”: deze Akte (van 1991) van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten; - ii. wordt verstaan onder „de Akte van 1961 /1972”: het [Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004510) van 2 december 1961, zoals gewijzigd bij de Aanvullende Akte van 10 november 1972; - iii. wordt verstaan onder „de Akte van 1978”: de Akte van 23 oktober 1978 van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten; - iv. wordt verstaan onder „kweker”: - -. de persoon die een ras heeft gekweekt of ontdekt en ontwikkeld, - -. de persoon die de werkgever is van bovengenoemde persoon of die opdracht heeft gegeven tot het werk van laatstbedoelde, wanneer de wetgeving van de desbetreffende Verdragsluitende Partij zulks bepaalt, of - -. de rechtverkrijgende van de hierboven als eerste of tweede genoemde persoon, naargelang het geval; - v. wordt verstaan onder „het kwekersrecht”: het recht van de kweker waarin dit Verdrag voorziet; - vi. wordt verstaan onder „ras”: een plantengroep binnen een botanisch taxon van de laagst bekende rang, welke groep, ongeacht of volledig wordt voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een kwekersrecht, kan worden - -. gedefinieerd aan de hand van de expressie van de eigenschappen die het resultaat is van een bepaald genotype of een combinatie van genotypen; - -. onderscheiden van elke andere groep planten op grond van ten minste één van die eigenschappen; en - -. beschouwd als een eenheid, gezien zijn geschiktheid om onveranderd te worden vermeerderd. - vii. wordt verstaan onder „Verdragsluitende Partij”: een Staat of intergouvernementele organisatie die partij is bij dit Verdrag;"},{"i":8658,"b":"Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten De Verdragsluitende Staten, Overtuigd van het belang van de bescherming van kweekprodukten zowel voor de ontwikkeling van de landbouw op hun grondgebied als ter waarborging van de belangen van de kwekers; Zich bewust van de bijzonder problemen die de erkenning en de bescherming van het recht van de kweker op dit gebied oproepen en in het bijzonder van het feit, dat het algemeen belang beperkingen aan de vrije uitoefening van een dergelijk recht kan opleggen; Overwegende, dat het zeer wenselijk is, dat deze problemen, waaraan een groot aantal Staten terecht belang hecht, door ieder van hen worden opgelost volgens eenvormige en duidelijk omschreven beginselen; Er naar strevende op basis van deze beginselen een overeenkomst tot stand te brengen, welke het ook andere Staten, die zich met dezelfde problemen bezig houden, mogelijk zal maken toe te treden; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 (1). Dit Verdrag strekt ertoe aan de kweker van een nieuw plantenras of aan zijn rechtverkrijgende een recht toe te kennen en te verzekeren, waarvan de inhoud en de wijze van uitoefening hierna zijn omschreven. (2). De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, hierna genoemd Unie-Staten, vormen tezamen een Unie tot bescherming van kweekprodukten. (3). De zetel van de Unie en van haar permanente organen is gevestigd te Genève. Artikel 2 (1). Iedere Unie-Staat kan het recht van de kweker, bedoeld in dit Verdrag, erkennen door verlening van een bijzondere titel van bescherming of van een octrooi. Evenwel mag een Unie-Staat waarvan de nationale wetgeving beide vormen van bescherming toelaat, voor eenzelfde botanisch geslacht of eenzelfde botanische soort slechts voorzien in één van beide vormen. (2). Het woord ras in de zin van dit Verdrag omvat iedere cultivar, iedere cloon, lijn, stam en hybride, die geteeld kan worden en die voldoet aan de bepalingen van artikel 6, lid (1), onder**c)** en **d).** Artikel 3 (1). De natuurlij"},{"i":8659,"b":"Internationaal Verdrag tot bescherming van vogels De Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend, zich bewust van het gevaar voor uitsterven, dat zekere vogelsoorten bedreigt, anderzijds verontrust over de getalsvermindering van andere soorten, in het bijzonder van de trekvogelsoorten, overwegende, dat uit het oogpunt van de wetenschap, van de natuurbescherming en van de economie der afzonderlijke landen in beginsel alle vogels behoren te worden beschermd, hebben de noodzaak erkend het Verdrag tot bescherming van de voor de landbouw nuttige vogels, ondertekend te Parijs op 19 Maart 1902, te herzien en zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 Dit Verdrag heeft de bescherming ten doel van de in het wild levende vogels. Artikel 2 Onverminderd de uitzonderingen, vervat in de artikelen 6 en 7 van dit Verdrag, dienen beschermd te worden: - a. alle vogels ten minste gedurende hun voortplantingsperiode en buitendien de trekvogels gedurende hun terugkeer naar hun broedplaatsen, met name in de maanden Maart, April, Mei, Juni en Juli; - b. gedurende het gehele jaar: die soorten, welke met uitsterven worden bedreigd of van bijzonder belang zijn voor de wetenschap. Artikel 3 Onverminderd de uitzonderingen, vervat in de artikelen 6 en 7 van dit Verdrag, is het verboden enige dode of levende vogel, die in strijd met de bepalingen van dit Verdrag is gevangen of gedood, of enig deel daarvan in te voeren, uit te voeren, te vervoeren, te verkopen, te koop aan te bieden, te kopen, te schenken of onder zich te hebben gedurende het tijdvak, waarin de soort is beschermd. Artikel 4 Onverminderd de uitzonderingen, vervat in de artikelen 6 en 7 van dit Verdrag, is het verboden gedurende het tijdvak waarin een bepaalde soort beschermd is, met name gedurende de voortplantingsperiode, in aanbouw zijnde of bewoonde nesten van in het wild levende vogels te verwijderen of te vernielen, eieren of schalen van eieren, dan wel broedsels daarvan weg te nemen, te beschadigen, te vervoere"},{"i":8661,"b":"Internationaal Verdrag van Nairobi inzake het opruimen van wrakken, 2007 De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Zich bewust van het feit dat wrakken die niet worden opgeruimd, gevaar kunnen opleveren voor de scheepvaart of het mariene milieu, Overtuigd van de noodzaak uniforme internationale regels en procedures aan te nemen om te waarborgen dat wrakken onverwijld en op doeltreffende wijze worden opgeruimd en dat de daarmee gemoeide kosten worden vergoed, Vaststellend dat veel wrakken zich kunnen bevinden binnen het grondgebied van Staten, met inbegrip van de territoriale zee, De voordelen onderkennend die verwezenlijkt kunnen worden door middel van uniformiteit in de rechtsstelsels die van toepassing zijn op de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor het opruimen van gevaarlijke wrakken, Indachtig het belang van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, gedaan te Montego Bay op 10 december 1982, en van het internationaal gewoonterecht van de zee, en de daaruit voortvloeiende noodzaak dit Verdrag in overeenstemming daarmee te implementeren, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. wordt verstaan onder „Verdragsgebied” de exclusieve economische zone van een Staat die Partij is, vastgesteld overeenkomstig het internationale recht, of, indien een Staat die Partij is een dergelijke zone niet heeft vastgesteld, een gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee van die Staat, door die Staat vastgesteld overeenkomstig het internationale recht, en dat zich niet verder uitstrekt dan 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van zijn territoriale zee wordt gemeten; - 2. wordt verstaan onder „schip” een zeeschip, ongeacht het type, met inbegrip van draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, onderwatervaartuigen, drijvende vaartuigen en drijvende platforms, met uitzondering van platforms die ingezet worden bij de exploratie, exploitatie of productie van minerale rijkd"},{"i":8662,"b":"Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977 De Partijen bij het Verdrag, Geleid door de wens de beveiliging van schepen in het algemeen en de beveiliging van vissersvaartuigen in het bijzonder te bevorderen, Indachtig de voortreffelijke bijdrage van de Internationale Verdragen voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee alsmede van de Internationale Verdragen betreffende de Uitwatering van Schepen tot het bevorderen van de veiligheid van schepen, Erkennend dat vissersvaartuigen zijn vrijgesteld van vrijwel alle dwingende bepalingen van genoemde Internationale Verdragen, Derhalve geleid door de wens in onderlinge overeenstemming eenvormige beginselen en voorschriften vast te stellen betreffende de constructie en uitrusting van vissersvaartuigen dienende tot de beveiliging van zodanige vaartuigen en hun bemanningen, Overwegend dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Verdrag, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag De Partijen zullen uitvoering geven aan de bepalingen van dit Verdrag, en van de Bijlage daarbij, die een integrerend deel vormt van dit Verdrag. Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, houdt een verwijzing naar het Verdrag terzelfder tijd een verwijzing naar de Bijlage in. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Bij de toepassing van het Verdrag wordt, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, verstaan onder: - (a). „Partij”: een Staat waarvoor het Verdrag in werking is getreden. - (b). „Vissersvaartuig” of „vaartuig”: elk vaartuig dat gebruikt wordt voor het bedrijfsmatig vangen van vis, walvissen, zeehonden, walrussen of andere levende rijkdommen van de zee. - (c). „Organisatie”: de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie. - (d). „Secretaris-Generaal”: de Secretaris-Generaal van de Organisatie. - (e). „Administratie”: de Regering van de Staat wiens vlag het vaartuig gerechtigd is te voeren. Artikel 3. Toepassing Het Verdrag is v"},{"i":8663,"b":"Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten Preambule De Verdragsluitende Partijen, Erkennende de noodzaak van internationale samenwerking bij het bestrijden van ziekten en plagen van planten en plantaardige producten en bij het voorkomen van de internationale verspreiding daarvan en vooral van het binnendringen daarvan in kwetsbare gebieden; Erkennende dat fytosanitaire maatregelen technisch gerechtvaardigd en doorzichtig moeten zijn en niet zodanig mogen worden toegepast dat deze hetzij een middel worden voor willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie, hetzij een verkapte beperking, met name ten aanzien van de internationale handel; Geleid door de wens zorg te dragen voor een nauwe coördinatie van de hierop gerichte maatregelen; Geleid door de wens een kader te verschaffen voor de ontwikkeling en toepassing van geharmoniseerde fytosanitaire maatregelen en voor de opstelling van internationale standaarden hiervoor; Rekening houdend met de internationaal aanvaarde beginselen die gelden voor de bescherming van de gezondheid van planten, mensen en dieren, alsmede voor de bescherming van het milieu; en Zich bewust van de overeenkomsten gesloten naar aanleiding van de Uruguay Ronde van multilaterale handelsbesprekingen, met inbegrip van de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen; zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Doelstelling en verantwoordelijkheid 1. Met het doel te komen tot een gemeenschappelijk en doeltreffend optreden ter voorkoming van het verspreiden en binnendringen van ziekten en plagen van planten en plantaardige producten en ter bevordering van het nemen van passende maatregelen ter bestrijding daarvan, verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe de wettelijke, technische en administratieve maatregelen te treffen die in dit Verdrag en in aanvullende overeenkomsten ingevolge het bepaalde in artikel XVI zijn neergelegd. 2. Elke Verdragsluitende Partij aanvaardt, onverminderd de ingevolge andere international"},{"i":8669,"b":"Internationale Overeenkomst betreffende de oprichting te Parijs van een Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten De Regeeringen van de Argentijnsche Republiek, België, Brazilië, Bulgarije, Denemarken, Egypte, Spanje, Finland, Frankrijk, Groot-Britannië, Griekenland, Guatemala, Hongarije, Italië, Luxemburg, Marokko, Mexico, het Vorstendom Monaco, Nederland, Peru, Polen, Portugal, Roemenië, Siam, Zweden, Zwitserland, de Tsjechoslowaaksche Republiek en Tunis, het wenschelijk geoordeeld hebbende het Internationaal Bureau voor Besmettelijke Veeziekten op te richten, bedoeld in den wensch, uitgesproken den 27sten Mei 1921, op de Internationale Conferentie voor het Bestudeeren van Besmettelijke Veeziekten, hebben besloten, tot dat doel een overeenkomst te sluiten en zijn omtrent het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Hooge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om een Internationaal Bureau voor Besmettelijke Veeziekten op te richten en in stand te houden, welks zetel te Parijs gevestigd is. Artikel 2 Het Bureau werkt onder de bevelen en het toezicht van een Comité, bestaande uit afgevaardigden van de Verdragsluitende Regeeringen. De samenstelling en de bevoegdheden van dit Comité, alsmede de organisatie en de bevoegdheden van bovengenoemd Bureau worden vastgesteld door de organieke statuten, die bij deze overeenkomst zijn gevoegd en die beschouwd worden er een integreerend deel van uit te maken. Artikel 3 De kosten van inrichting, alsmede de jaarlijksche uitgaven voor de werking en het onderhoud van het Bureau worden gedekt door de bijdragen van de Verdragsluitende Staten, vastgesteld onder de voorwaarden, voorzien in de organieke statuten, bedoeld in artikel 2. Artikel 4 De bedragen, welke de bijdrage vertegenwoordigen van elk der Verdragsluitende Staten, worden door deze in het begin van ieder jaar door tusschenkomst van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken van de Fransche Republiek bij de „Caisse des dépôts et consignations” te Parijs gestort, waar zi"},{"i":8671,"b":"Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures **Preambule** De Partijen bij deze Overeenkomst, tot stand gekomen onder auspiciën van de Internationale Douaneraad, Verlangende de verschillen tussen de douaneprocedures en -praktijken van de Overeenkomstsluitende Partijen die het internationale handelsverkeer en andere internationale betrekkingen kunnen belemmeren weg te nemen, Wensende daadwerkelijk bij te dragen tot de ontwikkeling van dit handelsverkeer en deze betrekkingen door de douaneprocedures en -praktijken te vereenvoudigen en te harmoniseren en de internationale samenwerking te bevorderen, Opmerkende dat de aanzienlijke voordelen die een vereenvoudiging van het internationale handelsverkeer met zich brengt, kunnen worden verkregen zonder de kwaliteit van de douanecontroles in het gedrang te brengen, Erkennende dat deze vereenvoudiging en harmonisatie gerealiseerd kunnen worden door toepassing van, in het bijzonder, de hierna volgende beginselen: tenuitvoerlegging van programma's die in een voortdurende modernisering van de douaneprocedures en -praktijken voorzien en, zodoende, de doelmatigheid en doeltreffendheid daarvan bevorderen, toepassing van douaneprocedures en -praktijken op een voorspelbare, consistente en transparante wijze, beschikbaar stellen aan belanghebbenden van alle noodzakelijke informatie in verband met de douanewetgeving, voorschriften en de administratieve richtlijnen, procedures en praktijken, toepassing van moderne technieken, zoals risicomanagement en accountantscontroles, en een zo intensief mogelijk gebruik van systemen voor automatische gegevensverwerking, samenwerking, waar dienstig, met andere nationale autoriteiten, andere douanediensten en het bedrijfsleven, toepassing van relevante internationale normen, beschikbaar stellen aan belanghebbenden van eenvoudige administratieve en juridische beroepsprocedures, Ervan overtuigd dat de invoering van een internationaal instrument waarin de v"},{"i":8672,"b":"Internationale Overeenkomst inzake het gebruik van IMSO-grondstations aan boord van schepen binnen de territoriale zee en de havens De Staten die Partij bij deze Overeenkomst zijn (hierna te noemen: „de Partijen”), Geleid door de wens de in Aanbeveling 3 van de Internationale Conferentie over de Totstandkoming van een Internationaal Maritiem Satellietsysteem, 1975-1976, beoogde doeleinden te verwezenlijken, en Besloten hebbende de berichtgeving bij noodgevallen en voor de beveiliging van mensenlevens op zee, alsmede de doelmatigheid in het beheer van schepen, te verbeteren, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. Krachtens het bepaalde in deze Overeenkomst en in overeenstemming met de ingevolge het internationale recht vastgestelde rechten met betrekking tot de scheepvaart geven de Partijen in hun territoriale zeeën en in hun havens toestemming tot het gebruik van goedgekeurde grondstations aan boord van schepen, die deel uitmaken van het satellietsysteem voor maritieme berichtgeving dat beschikbaar wordt gesteld door de Internationale Organisatie voor Maritieme Satellieten (INMARSAT), en naar behoren zijn geïnstalleerd aan boord van schepen die de vlag van enige andere Partij voeren (hierna te noemen: „de INMARSAT-grondstations aan boord van schepen”). 2. Deze toestemming is te allen tijde beperkt tot het gebruik van de frequenties van het mobiele maritieme satellietsysteem door de INMARSAT-grondstations aan boord van schepen en wordt verleend onder het voorbehoud dat deze grondstations de desbetreffende bepalingen van het Radioreglement van de Internationale Telecommunicatie-Unie en de in artikel 2 van deze Organisatie genoemde voorwaarden in acht nemen. Artikel 2 1. Het gebruik van een INMARSAT-grondstation aan boord van een schip is afhankelijk van de vervulling van de volgende voorwaarden: - a). het mag geen inbreuk maken op de rust en de openbare orde en veiligheid van de Kuststaat; - b). het mag geen nadelige storing veroorzaken voor de andere radiodienst"},{"i":8674,"b":"Internationale Overeenkomst nopens het gebruik van de aanduidingen van herkomst en van de benamingen van kaassoorten De Overeenkomstsluitende Partijen, Het nut erkend hebbende van een internationale regeling en samenwerking om het rechtmatig gebruik van de aanduidingen van herkomst en van de benamingen van kaas te waarborgen, Overwegende, dat het van belang is, in den vervolge deze aanduidingen van herkomst en deze benamingen te definiëren, zulks onder vermelding van de onderscheidene kenmerkende eigenschappen van de kaas, teneinde de oorspronkelijkheid en het gebruik ervan te beschermen en de voorlichting der afnemers mogelijk te maken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich alle maatregelen te nemen welke, in de door haar binnenlandse wetgeving vereiste vorm, de toepassing verzekeren van de beginselen en maatregelen, vastgesteld in de hieronder volgende artikelen 2 tot en met 9. Zij verbinden zich met name, op haar grondgebied te verbieden en te onderdrukken het gebruik, in de talen van het land zelf of in een vreemde taal, van aanduidingen van herkomst, benamingen en aanduidingen van kaas, welke in strijd zijn met deze beginselen. Deze verbintenis betreft alle vermeldingen houdende onjuiste aanduidingen omtrent herkomst, soort, aard of specifieke eigenschappen van de kaas, aangebracht op deze kaas of op producten die voor kaas zouden kunnen worden gehouden en in de handel gebracht, ingevoerd, in opslag gehouden, aangeboden of verkocht worden, onverschillig of deze voor het land zelf of voor uitvoer bestemd zijn; zij betreft ook de vermeldingen, gebezigd op verpakkingen, facturen, vrachtbrieven en handelsdocumenten alsmede in reclame, merken, namen, opschriften en afbeeldingen. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op goederen in transito. Artikel 2 Het woord „kaas” wordt slechts gebruikt voor het al of niet gerijpte product dat, na de stremming van de melk, de room, de geheel of gedeeltelijk a"},{"i":8675,"b":"Internationale Overeenkomst om de invoer van handelsmonsters, handelsstalen en reclamemateriaal te vergemakkelijken De Regeringen, welke deze Overeenkomst hebben ondertekend, **Ervan overtuigd,** dat aanvaarding van uniforme regelen betreffende de invoer van monsters en stalen van allerlei soorten goederen, onverschillig of het betreft natuurproducten dan wel vervaardigde goederen, en van reclamemateriaal, uitbreiding van de internationale handel zal bevorderen, **Zijn overeengekomen** als volgt: Artikel I. Definities Voor de toepassing van deze Overeenkomst: - (a). wordt onder de uitdrukking „invoerrechten” verstaan de douanerechten en alle andere rechten en belastingen, geheven bij of ter zake van de invoer, alsmede alle accijnzen en binnenlandse belastingen, waaraan ingevoerde goederen zijn onderworpen, echter met uitzondering van leges en heffingen, welke beperkt zijn tot de geschatte kosten van de bewezen diensten en welke geen verkapte bescherming van binnenlandse producten inhouden noch het karakter hebben van fiscale heffingen op de invoer; - (b). wordt onder de uitdrukking „personen” zowel natuurlijke als rechtspersonen verstaan; - (c). wordt met het gebied van een Overeenkomstsluitende Partij bedoeld het moederland en elk ander gebied voor welks buitenlandse betrekkingen deze Overeenkomstsluitende Partij verantwoordelijk is en ten aanzien waarvan de Overeenkomst, overeenkomstig artikel XIII, mede van toepassing is. Artikel II. Vrijstelling van invoerrechten voor monsters en stalen met onbeduidende waarde 1. Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent vrijstelling van invoerrechten voor in haar gebied ingevoerde monsters en stalen van alle soorten goederen, mits dergelijke monsters en stalen een onbeduidende waarde hebben en slechts kunnen dienen tot het opnemen van bestellingen voor in te voeren goederen van de soort, welke de monsters en stalen vertegenwoordigen. Om vast te stellen of de waarde van de monsters en stalen al dan niet onbeduidend is, kunnen d"},{"i":8676,"b":"Internationale Overeenkomst tot bescherming der onderzeese telegraafkabels, met additioneel artikel Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg; Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Koning van Pruissen; Zijne Excellentie de President van den Argentijnschen Bond, Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk, Koning van Bohemen enz. en Apostolisch Koning van Hongarije; Zijne Majesteit de Koning der Belgen; Zijne Majesteit de Keizer van Brazilië, Zijne Excellentie de President der Republiek Costa-Rica; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken; Zijne Excellentie de President der Dominicaansche Republiek; Zijne Majesteit de Koning van Spanje; Zijne Excellentie de President der Vereenigde Staten van Amerika; Zijne Excellentie de President der Vereenigde Staten van Columbia; Zijne Excellentie de President der Fransche Republiek; Hare Majesteit de Koningin van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, Keizerin van Indië; Zijne Excellentie de President der Republiek Guatemala; Zijne Majesteit de Koning der Hellenen; Zijne Majesteit de Koning van Italië; Zijne Majesteit de Keizer der Ottomanen; Zijne Majesteit de Shah van Perzië; Zijne Majesteit de Koning van Portugal en van Algarvië; Zijne Majesteit de Koning van Rumenië; Zijne Majesteit de Keizer aller Russen; Zijne Excellentie de President der Republiek Salvador; Zijne Majesteit de Koning van Servië; Zijne Majesteit de Koning van Zweden en Noorwegen, en Zijne Excellentie de President der Oostelijke Republiek Uruguay; wenschende de instandhouding der telegrafische gemeenschap, die plaats heeft door middel van onderzeesche kabels, te verzekeren, hebben besloten te dien einde eene overeenkomst te sluiten en tot hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groothertog van Luxemburg: den heer baron VAN ZUYLEN VAN NYEVELT, Hoogstdeszelfs buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Parijs, enz., enz., enz.; Zijne Majesteit de Keizer van Duitsc"},{"i":8677,"b":"Internationale overeenkomst voor veilige containers (CSC) Preambule De Overeenkomstsluitende Partijen, De noodzaak erkennende tot het handhaven van een hoge graad van veiligheid voor mensen bij het hanteren, stapelen en vervoeren van containers, Zich bewust van de noodzaak tot het vergemakkelijken van het internationale containervervoer, In verband hiermee de voordelen erkennende van het vorm geven aan gemeenschappelijke internationale veiligheidseisen, Overwegende dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een overeenkomst, Hebben besloten tot het formaliseren van aan de constructie te stellen eisen ter waarborging van de veiligheid bij het hanteren, stapelen en vervoeren van containers tijdens normale werkzaamheden en zijn te dien einde Overeengekomen als volgt: Artikel I. Algemene verplichting krachtens deze Overeenkomst De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich tot het geven van uitvoering aan de bepalingen van deze Overeenkomst en van de daaraan gehechte Bijlagen, die een integrerend deel uitmaken van deze Overeenkomst. Artikel II. Definities Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent, tenzij nadrukkelijk anders is vermeld: - 1. „Container”: een hulpmiddel bij het vervoer: - a). van duurzame aard en dienovereenkomstig stevig genoeg voor herhaald gebruik; - b). dat speciaal is ontworpen ter vergemakkelijking van het vervoer van goederen door een of meer vervoermiddelen, zonder tussentijdse in- en uitlading van die goederen; - c). dat is ontworpen om te kunnen worden vastgezet en/of gemakkelijk hanteerbaar te zijn, en te dien einde is voorzien van hoekstukken; - d). van zodanige afmetingen, dat de oppervlakte, begrensd door de vier onderste hoekstukken, hetzij: onder de benaming „container” vallen niet voertuigen of verpakkingsmateriaal; containers op een verrijdbaar onderstel zijn echter wel hieronder begrepen. - i). ten minste 14 m2 is, - ii). hetzij ten minste 7 m2 is, indien het is uitgerust met bovenhoekstukken; - 2. „Hoekstu"},{"i":8678,"b":"Internationale Regeling tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, zoals gewijzigd door het Protocol van 4 mei 1949 Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Koning van Pruisen, in naam van het Duitsche Rijk, Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Zijne Majesteit de Koning van Denemarken, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, de President der Fransche Republiek, Zijne Majesteit de Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland en der Overzeesche Britsche Bezittingen, Keizer van Indië, Zijne Majesteit de Koning van Italië, Zijne Majesteit de Koning van Portugal en der Algarven, Zijne Majesteit de Keizer aller Russen, Zijne Majesteit de Koning van Zweden en Noorwegen, en de Zwitsersche Bondsraad: bezield door den wensch om zoowel aan meerderjarige door geweld of bedrog misleide vrouwen, als aan minderjarige meisjes of vrouwen afdoende bescherming te verzekeren tegen den misdadigen handel bekend onder den naam van „Handel in Vrouwen en Meisjes”, hebben besloten eene regeling te maken, ten einde bepalingen vast te stellen geschikt ter bereiking van dat doel, en hebben tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den heer ridder DE STUERS, Hoogstderzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij den President der Fransche Republiek; Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Koning van Pruisen: Zijne Doorluchtige Hoogheid, Prins VON RADOLIN, Hoogstdeszelfs Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur bij den President der Fransche Republiek; Zijne Majesteit de Koning der Belgen: den heer A. LEGHAIT, Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij den President der Fransche Republiek; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken: den heer graaf F. REVENTLOW, Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij den President der Fransche Republiek; Zijne Majesteit de Koning van Spanje: Zijne Excellentie den heer F."},{"i":8679,"b":"Interne Overeenkomst inzake het Financiële Protocol De Vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap, in het kader van de Raad bijeen, Gelet op het [Financiële Protocol gehecht aan de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije](onbekend), Overwegende, dat de interne voorwaarden voor de toepassing van genoemd [Financieel Protocol](onbekend) dienen te worden vastgesteld, Hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen: HOOFDSTUK I. Leningen tegen bijzondere voorwaarden Artikel 1 De leningen bedoeld in [artikel 3 van het Financiële Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004316&artikel=3) worden verstrekt door de Europese Investeringsbank die optreedt krachtens een opdracht van de Lid-Staten. Artikel 2 De verrichtingen van de Bank die verband houden met deze opdracht, geschieden voor rekening en risico van de Lid-Staten, ongeacht de oorsprong van de gebruikte middelen. Het risico bij iedere lening wordt tussen de Lid-Staten verdeeld naar evenredigheid van hun onderscheiden in artikel 4 vastgestelde aandelen. Artikel 3 De financiering van de in deze Overeenkomst bedoelde leningen geschiedt: - a). hetzij door middel van gelden die met name gedurende een aanvangsperiode van twee jaar direct of indirect door de Lid-Staten ter beschikking van de Bank worden gesteld; - b). hetzij door middel van gelden die de Bank bijeen kan brengen door: - 1. het geheel of gedeeltelijk mobiliseren van de leningen; - 2. het opnemen van onderhandse leningen bij overheids- of semi-overheidsinstellingen. Artikel 4 Het bedrag van 242 miljoen rekeneenheden genoemd in het bij artikel 8 van het Complementaire Protocol gewijzigde [artikel 3, lid 2, van het Financiële Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004316&artikel=3) wordt als volgt over de Lid-Staten omgeslagen: | | miljoen rekeneenheden | | --- | --- | | -België -Denemarken -Bondsrepubliek Du"},{"i":8745,"b":"Onderlinge regeling ex artikel 38, eerste lid, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, inzake de samenwerking tussen de landen bij de implementatie van verdragen Overwegende, dat de landen vorm wensen te geven aan de samenwerking, bedoeld in [artikel 27, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=27), bij het treffen van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de implementatie van verdragen; Komen het volgende overeen: Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen I en II van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treden. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. Indien is besloten dat een verdrag dient te gelden voor het gehele Koninkrijk en implementatiemaatregelen noodzakelijk zijn voordat het verdrag bekrachtigd kan worden, stelt elk van de landen zo spoedig mogelijk een implementatieplan op. 2. Indien een land wenst dat een ander verdrag waarvoor implementatiemaatregelen noodzakelijk zijn voor dat land gaat gelden, kan het een implementatieplan opstellen. Artikel 2 In een implementatieplan wordt in ieder geval vermeld: - a. welke maatregelen getroffen moeten worden voordat het verdrag voor het land bekrachtigd kan worden; - b. binnen welke termijn deze maatregelen getroffen kunnen worden; - c. of de uitvoering van het verdrag substantiële gevolgen kan hebben voor de begroting van het land; en - d. of er rapportageverplichtingen voortvloeien uit het verdrag. Artikel 3 Bij het opstellen van een implementatieplan wordt zoveel mogelijk het model gevolgd dat als bijlage bij deze onderlinge regeling is gevoegd. Artikel 4 1. Een implementatieplan dat door Aruba, Curaçao of Sint Maarten is opgesteld of aangepast, wordt door tussenkomst van de Gevolmachtigde Minister gezonden aan de andere Gevolmachtigde Ministers en aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland"},{"i":8680,"b":"Interpretatie begrip \"gelieerd persoon\" in art. 36 Verdrag met de Verenigde Staten De Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Aan mij is de vraag voorgelegd hoe het begrip \"gelieerd persoon\" in artikel 36, lid 2, van het belastingverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika van 1992 moet worden geïnterpreteerd. Na daarover met de Amerikaanse autoriteiten te hebben overlegd heb ik geantwoord dat zowel Nederland als de Verenigde Staten van Amerika zich op het standpunt stellen dat het begrip \"gelieerd persoon\" in artikel 36 dient te worden opgevat overeenkomstig het gelijkluidende begrip \"gelieerd persoon\" in artikel 35, lid 2 van dat verdrag met inachtneming van de toelichting in de briefwisseling van 13 oktober 1993 die is gevoerd bij het protocol van dezelfde datum tot wijziging van het verdrag (Kamerstukken l/ll 1993/94, 23 496, nrs. 130 en 1)."},{"i":8682,"b":"Investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds De Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, enerzijds, hierna samen de „EU-partij” genoemd, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds, hierna „Vietnam” genoemd, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, Erkennende dat zij een langdurig en sterk partnerschap hebben, dat is gebaseerd op de gemeenschappelijke beginselen en waarden die zijn weergegeven in de **Kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds**, die op 27 juni 2012 in Brussel is ondertekend (hierna „[Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005871)” genoemd), alsmede belangrijke economische, handels- en investeringsbanden, die onder meer tot uiting komen in de **Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam** die op 30 juni 2019 in Hanoi is ondertekend (hierna „Vrijhandelsovereenkomst” genoemd); Geleid door de wens, consistent met het kader van hun economische betrekkingen, hun banden verder aan te halen, en ervan overtuigd dat deze overeenkomst een nieuw klimaat voor de ontwikkeling van de wederz"},{"i":8683,"b":"Kaderovereenkomst inzake de oprichting van de International Solar Alliance (ISA) Wij, de partijen bij deze Overeenkomst, In herinnering roepend de Verklaring van Parijs over de International Solar Alliance van 30 november 2015 en de gedeelde ambitie om gezamenlijke inspanningen te leveren die nodig zijn om de financieringskosten en de kosten van technologie te verlagen, meer dan 1000 miljard dollar aan investeringen te mobiliseren die nodig zijn tegen 2030 voor een grootschalige toepassing van zonne-energie, en de weg vrij te maken voor toekomstige technologieën die aan de behoeften zijn aangepast, Erkennend dat zonne-energie aan landen een ongekende kans biedt om te zorgen voor welvaart, energiezekerheid en duurzame ontwikkeling voor hun bevolking, Erkennend dat er specifieke en gemeenschappelijke belemmeringen zijn die een snelle en massale schaalvergroting van zonne-energie in deze landen nog steeds in de weg staan, Bevestigend dat deze belemmeringen kunnen worden aangepakt als de landen die rijk zijn aan zonne-energie op een gecoördineerde wijze handelen, met een sterke politieke impuls en vastberadenheid, en dat een betere harmonisatie en bundeling van de vraag naar onder meer financiering van zonne-energie, technologieën, innovatie of capaciteitsopbouw, tussen landen, een krachtig middel zullen vormen om de kosten te verlagen, de kwaliteit te verhogen en betrouwbare en betaalbare zonne-energie binnen het bereik van iedereen te brengen, **Verenigd** in hun wens om onderling een doeltreffend coördinatie- en besluitvormingsmechanisme op te zetten, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Doel De partijen richten hierbij een International Solar Alliance (hierna „ISA” genoemd) op, waarmee zij gezamenlijk de belangrijkste gemeenschappelijke uitdagingen voor de schaalvergroting van zonne-energie in overeenstemming met hun behoeften zullen aanpakken. Artikel II. Richtsnoeren 1. De leden ondernemen gecoördineerde acties via programma's en activiteiten die op vrijwi"},{"i":8684,"b":"Kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Thailand, anderzijds de Europese Unie, hierna „de EU” genoemd, en het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, lidstaten van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, enerzijds, en het Koninkrijk Thailand, hierna „Thailand” genoemd, anderzijds, hierna „de partijen” genoemd, Gezien de traditionele vriendschapsbanden tussen de partijen en de nauwe historische, politieke en economische banden die hen verenigen; Gezien het bijzondere belang dat de partijen hechten aan het omvattende karakter van hun wederzijdse betrekkingen; Bevestigend dat de partijen gehecht zijn aan de democratische beginselen, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals deze zijn vastgelegd in de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) die op 10 december 1948 is aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN), en in andere toepasselijke internationale mensenrechteninstrumenten; Bevestigend dat de partijen gehecht zijn aan de beginselen van de rechtsstaat en goed bestuur en streven naar economische en sociale vooruitgang ten bate van hun bevolking, rekening houdend met de vereisten inzake milieubescherming en de beginselen van duurzame ontwikkeling, alsmede de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, aangenomen bij"},{"i":8686,"b":"Kaderovereenkomst inzake handel en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar Lid-Staten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507), hierna „Lid-Staten” te noemen, en de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, Rekening houdend met de traditionele vriendschapsbanden tussen de Republiek Korea, de Europese Gemeenschap en haar Lid-Staten; Opnieuw bevestigend dat Partijen gehecht zijn aan de democratische beginselen en de fundamentele rechten van de mens, zoals die zijn vastgelegd in de [Universele Verklaring van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008); Bevestigend dat Partijen een regelmatige politieke dialoog tot stand wensen te brengen tussen de Europese Unie en de Republiek Korea, gebaseerd op gemeenschappelijke waarden en ambities; Erkennende dat de [Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel](onbekend)(GATT) een belangrijke rol heeft gespeeld bij de bevordering van de internationale handel in het algemeen en de bilaterale handel in het bijzonder, en dat zowel de Republiek Korea als de Europese Gemeenschap grote waarde hechten aan de beginselen van vrijhandel en markteconomie waarop de bovengenoemde Overeenkomst is gebaseerd; Opnieuw bevestigend dat zowel de Republiek Korea als de Europese Gemeenschap en haar Lid-Staten plechtig beloofd hebben dat zij zich zullen houden aan de verplichti"},{"i":8687,"b":"Kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek der Filipijnen, anderzijds de Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd, en het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, enerzijds, en de Republiek der Filipijnen, hierna „de Filipijnen” genoemd, anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, Gezien de traditionele vriendschapsbanden tussen de partijen en de nauwe historische, politieke en economische banden die hen verenigen; Gezien het bijzondere belang dat de partijen hechten aan het alomvattende karakter van hun wederzijdse betrekkingen, Overwegende dat de partijen van mening zijn dat deze overeenkomst deel uitmaakt van de bredere betrekkingen tussen hen, die mede tot stand zijn gekomen door overeenkomsten waarbij beide zijden partij zijn, Bevestigend dat de partijen gehecht zijn aan de eerbiediging van de democratische beginselen en de mensenrechten, neergelegd in de [Universele Verklaring van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) van de Verenigde Naties en in andere relevante internationale mensenrechteninstrumenten waarbij zij partij zijn; Bevestigend dat de partijen gehecht zijn aan de beginselen van de rechtsstaat en goed bestuur en streven naar economische en sociale voor"},{"i":8689,"b":"Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds De Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd, en Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, Ierland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, De Republiek Hongarije, Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de lidstaten” genoemd, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, Gelet op hun traditionele vriendschapsbanden en op de historische, politieke en economische relaties die hen binden, Herinnerend aan de [kaderovereenkomst inzake handel en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001374), die op 28 oktober 1996 in Luxemburg is ondertekend en op 1 april 2001 in werking is getreden; Gezien het versnelde proces waarbij de Europese Unie een eigen identiteit op de gebieden buitenlands beleid en veiligheid en justitie aan het krijgen is; Zich bewust van de groeiende rol en verantwoordelijkheid die de Republiek Korea in de internationale gemeenschap op zich neemt; Wijzend op de alomvattende aard van hun betrekkingen en het belang van aanhoudende inspanningen om de algehele samenhang te handhaven; Bevesti"},{"i":8690,"b":"Kaderovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake militaire samenwerking Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, hierna te noemen „de partijen”, Opnieuw bevestigend hun verplichtingen voor het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en het internationaal recht, Indachtig hun gemeenschappelijk belang bij de internationale vrede, Geleid door de wens hun goede en vriendschappelijke banden te intensiveren, De wens tot uitdrukking brengend samenwerkingsbanden met betrekking tot onderwerpen van gemeenschappelijk belang te ontwikkelen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt het kader vastgesteld voor militaire samenwerking tussen de partijen op de volgende gebieden: - 1. Veiligheids- en defensiebeleid; - 2. Uitwisseling van officiële bezoeken en delegaties op uiteenlopende niveaus; - 3. Uitwisseling van beroepsmilitairen en deskundigen op militair gebied; - 4. Deelname aan cursussen en stages bij militaire scholen en opleidingscentra; - 5. Deelname aan bilaterale trainingsoefeningen; - 6. Defensie-industrie; - 7. Wetenschap en technologie, onderzoek, ontwikkeling, overdracht en aanschaf van defensiematerieel; - 8. Technische samenwerking; - 9. Samenwerking op het gebied van vredesoperaties; - 10. Samenwerking op het gebied van militaire geschiedenis, archieven en museumkunde; - 11. Samenwerking op uiteenlopende, door beide partijen in onderlinge overeenstemming vastgestelde gebieden. Artikel 2 De uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006174&artikel=1&z=2025-08-01&g=2025-08-01) van deze Overeenkomst genoemde samenwerkingsactiviteiten worden door middel van een passend juridisch instrument in onderlinge overeenstemming tussen beide partijen vastgesteld. Artikel 3 Teneinde een doelmatige toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst te waarborgen, komen beide partijen overeen per"},{"i":8692,"b":"Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden De Lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Kaderverdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het bereiken van een grotere eenheid tussen zijn leden met het oogmerk de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfdeel vormen te beschermen en te verwezenlijken; Overwegende dat een van de wijzen waarop dat doel dient te worden nagestreefd is de handhaving en de verdere verwezenlijking van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Geleid door de wens een nadere uitwerking te geven aan de Verklaring van de Staatshoofden en Regeringsleiders van de Lidstaten van de Raad van Europa die op 9 oktober 1993 te Wenen is aangenomen; Vastbesloten het bestaan van nationale minderheden op hun onderscheiden grondgebieden te beschermen; Overwegende dat de omwentelingen in de geschiedenis van Europa hebben getoond dat de bescherming van nationale minderheden van wezenlijk belang is voor de stabiliteit, de democratische veiligheid en de vrede in dit werelddeel; Overwegende dat een pluralistische en werkelijk democratische samenleving niet alleen de etnische, culturele, linguïstische en godsdienstige identiteit van elke persoon die tot een nationale minderheid behoort, dient te eerbiedigen, maar ook passende voorwaarden dient te scheppen om het mogelijk te maken deze identiteit uit te drukken en haar te beschermen en te ontwikkelen; Overwegende dat het scheppen van een klimaat van verdraagzaamheid en dialoog noodzakelijk is om mogelijk te maken dat de culturele verscheidenheid niet een bron en een factor van verdeeldheid is, maar een bron en een factor van verrijking voor elke samenleving; Overwegende dat de totstandkoming van een verdraagzaam en welvarend Europa niet alleen afhankelijk is van samenwerking tussen Staten, maar ook grensoverschrijdende samenwerking vereist tussen lokale en regionale overheden, zonder afbreuk te doen aan de constitutie en de t"},{"i":8693,"b":"Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving Preambule De lidstaten van de Raad van Europa, ondertekenaars van dit Verdrag, Overwegend dat een van de doelen van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, teneinde de idealen en beginselen, gebaseerd op eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, die hun gemeenschappelijk erfgoed zijn te beschermen en te bevorderen; Erkennend de noodzaak mensen en menselijke waarden centraal te stellen in een breder en interdisciplinair concept van cultureel erfgoed; Benadrukkend de waarde en het potentieel van cultureel erfgoed dat verantwoord wordt gebruikt als bron van duurzame ontwikkeling en kwaliteit van leven in een voortdurend veranderende samenleving; Erkennend dat elke persoon het recht heeft, de rechten en vrijheden van anderen eerbiedigend, betrokken te zijn bij het cultureel erfgoed van diens keuze, als een aspect van het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven, vastgelegd in de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties](onbekend) (1948) en gewaarborgd door het [Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten](onbekend) (1966); Overtuigd van de noodzaak iedereen in de samenleving te betrekken bij het voortdurende proces van definiëren en zorg dragen voor cultureel erfgoed; Overtuigd van de juistheid van het beginsel van erfgoedbeleid en educatieve initiatieven waarin al het cultureel erfgoed gelijkwaardig wordt behandeld om zo de dialoog tussen culturen en religies te bevorderen; Verwijzend naar de diverse instrumenten van de Raad van Europa, met name het [Europees Cultureel Verdrag](onbekend) (1954), de [Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa](onbekend) (1985), het [Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed](onbekend) (1992, herzien) en het [Europees landschapsverdrag](on"},{"i":8697,"b":"Langlopende Overeenkomst inzake economische, industriële en technische samenwerking tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Socialistische Republiek Roemenië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Socialistische Republiek Roemenië: geleid door de wens een nieuwe bijdrage te leveren, op een duurzame grondslag en tot hun wederzijds voordeel, aan de ontwikkeling en de diversificatie van hun wederzijdse economische betrekkingen, verlangend op doeltreffender wijze gebruik te maken van de mogelijkheden geboden door hun economisch potentieel en door de technische vooruitgang der beide landen, door de uitbreiding van de agrarische, industriële en economische samenwerking, die zij van groot belang achten voor de uitbreiding van hun economische samenwerking, gezien de Langlopende Handelsovereenkomst gesloten op 8 december 1970 te Brussel en de Overeenkomst inzake economische, industriële en technische samenwerking, ondertekend te 's-Gravenhage op 20 juli 1967, erkennende het nut van langlopende overeenkomsten die de grondslagen kunnen leggen voor een duurzame economische, industriële en technische samenwerking, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe de ontwikkeling van de economische, industriële en technische samenwerking tussen de beide landen te bevorderen ten einde te zamen bij te dragen tot de vooruitgang van hun economische betrekkingen. In dit verband zijn de Overeenkomstsluitende Partijen het erover eens dat het van belang is het de ondernemingen en economische organisaties van hun landen te vergemakkelijken zoveel mogelijk gebruik te maken van de mogelijkheden tot samenwerking in het kader van alle bestaande of voorgenomen plannen of projecten in hun landen. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen streven ernaar binnen de grenzen van hun mogelijkheden en met inachtneming van de rechten en plichten die zij als leden van de GATT hebben, met inb"},{"i":8698,"b":"Langlopende Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Bulgarije inzake de ontwikkeling van de economische, industriële en technische samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Bulgarije, verwijzend naar de Overeenkomst van 31 maart 1969 inzake economische, industriële en technische samenwerking en naar de Langlopende Handelsovereenkomst tussen de Benelux Economische Unie en de Volksrepubliek Bulgarije van 13 mei 1970, verlangend de positieve resultaten die zijn verkregen bij de economische, industriële, landbouwkundige en technische samenwerking, te bestendigen en uit te breiden, verlangend de mogelijkheden die de ontwikkeling van hun landen biedt zo goed mogelijk te benutten, ten einde deze samenwerking verder te versterken, geleid door de wens aan de ontwikkeling van hun wederzijdse economische betrekkingen een nieuwe bijdrage te leveren op basis van gelijkgerechtigdheid en wederzijds belang, erkennend het nut van het aannemen van langlopende regelingen die gericht zijn op een stabiele en duurzame samenwerking, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen EN FOI DE QUOI, les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Accord. FAIT à La Haye, le 11 décembre 1974, en deux exemplaires originaux, en langue française. **Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas:** (s.) M. VAN DER STOEL **Pour le Gouvernement de la République Populaire de Bulgarie:** (s.) I. NEDEV"},{"i":8699,"b":"Leningsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds en de Regering van het Koninkrijk België anderzijds, Gezien het besluit C (49) 94 genomen door de Raad van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking in zijn vergadering van 2 Juli 1949, betreffende het stelsel van intra-Europese betalingen voor de dienst 1949-1950 en in het bijzonder paragraaf II van dit besluit. Gezien het besluit C (49) 120 genomen door de Raad van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake intra-Europese Betalingen en Compensaties voor de dienst 1949-1950, alsmede het besluit C (49) 138 van dezelfde Raad, houdende goedkeuring van het Protocol tot voorlopige toepassing van de voornoemde Overeenkomst inzake Betalingen en Compensaties. Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Regering van het Koninkrijk België opent hierbij ten gunste van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden een crediet in Belgische franken gelijkwaardig aan acht en dertig millioen U.S.A. dollars (U.S.A. $ 38 000 000) ter financiering van het tekort van het guldensgebied tegenover het Belgisch monetaire gebied, zoals dit tekort zal worden vastgesteld door toepassing van het Verdrag inzake intra-Europese Betalingen en Compensaties gesloten te Parijs op 7 September 1949. Artikel 2 Het crediet bedoeld in artikel 1 zal eerst dan door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden mogen worden gebruikt, nadat een tekort ten opzichte van het Belgisch monetaire gebied, gelijk aan de tegenwaarde van U.S.A. $ 52 000 000 zal zijn gedekt door middel van trekkingsrechten die aan de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zijn verleend krachtens het voornoemde Verdrag inzake Betalingen en Compensaties. Artikel 3 I. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal het crediet, bedoeld in artikel 1, moeten besteden door gelijktijdig gebruik te maken, ter dekking van het te"},{"i":8700,"b":"Maasverdrag De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, het Brussels Hooofdstedelijk Gewest van België, het Vlaams Gewest van België, het Waals Gewest van België, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Overwegend de door de Verdragspartijen van het Verdrag inzake de bescherming van de Maas, gesloten te Charleville-Mézières op 26 april 1994, verrichte werkzaamheden en verlangend de bestaande samenwerking te versterken tussen de Staten en Gewesten die betrokken zijn bij de bescherming en het gebruik van het water in het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas, Ernaar strevend zorg te dragen voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het water en van de aquatische ecosystemen van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas, teneinde recht te doen aan het waardevolle karakter van haar wateren, oevers, oevergebieden en kustwateren, Geleid door de gezamenlijke wens om samen te werken teneinde een duurzame ontwikkeling tot stand te brengen en de wil om, elk voor zich, de passende maatregelen voor een integraal beheer van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas te treffen teneinde een duurzaam en integraal waterbeheer te bereiken, in het bijzonder rekening houdend met de multifunctionaliteit van de Maas, Teneinde in het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas gezamenlijk zorg te dragen voor de afstemming die op grond van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid noodzakelijk is, Gelet op het feit dat de tenuitvoerlegging van het onderhavig Verdrag en van de Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid vereist dat in de schoot van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas, al naar gelang de te beha"},{"i":8701,"b":"Memorandum betreffende de beëindiging van de reorganisatie van het Koninklijk Nederlands-Indonesisch Leger (KNIL) Djakarta, 14 Juli 1950. (w.g.) Drs. MOH. HATTA, **Minister-President van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië.** (w.g.) Dr. H. M. HIRSCHFELD, **Hoge Commissaris van het Koninkrijk der Nederlanden in Indonesië.**"},{"i":8740,"b":"Notawisseling tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de samenvoeging van de douanebehandeling aan de grensovergang Elten-Spijk en Elten-Babberich AUSWÄRTIGES AMT V 3-81. SA 47 Verbalnote Das Auswärtige Amt beehrt sich, der Königlich Niederländischen Botschaft unter Bezugnahme auf Artikel 1 Absatz 5 des Abkommens vom 30. Mai 1958 zwischen der Bundesrepublik Deutschland und dem Königreich der Niederlande über die Zusammenlegung der Grenzabfertigung und über die Einrichtung von Gemeinschafts- oder Betriebswechselbahnhöfen an der deutsch-niederländischen Grenze mitzuteilen, dass die Regierung der Bundesrepublik Deutschland das Schreiben des Bundesministers der Finanzen vom 4. Mai 1971 - III B/2 - Z 1108 (Nie) - 28/71 - und das Schreiben des Niederländischen Staatssekretärs der Finanzen vom 9. Juni 1971 — B 71/ 9119 - zur Kenntnis genommen hat, durch welche gemäss Artikel 1 Absatz 4 Buchstabe a) des Abkommens folgende Vereinbarung getroffen wird:"},{"i":8703,"b":"Memorandum van overeenstemming inzake de samenwerking op het terrein van de beheersing van crisissen met mogelijke grensoverschrijdende gevolgen tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg Het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg Geleid door de wens naar optimalisering van hun samenwerking bij crisissen die grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben; Overwegende het verhoogde risico op voorvallen of ongevallen aan de grenzen van de Beneluxlanden door de aanwezigheid van onder meer: nucleaire installaties; SEVESO-bedrijven; vervoer en opslag van gevaarlijke stoffen; een netwerk van leidingen voor de voorziening van aardgas en andere gevaarlijk geachte producten; een netwerk voor het transport van hoogspanning; een spoorwegnet; een wegennet; vliegverkeer; waterwegen; landbouwbedrijven met risico’s op besmettelijke dierziekten; een niet te miskennen risico op aardbevingen aan de Belgisch-Nederlandse grens; een hydrologisch net; vitale infrastructuur. Overwegende het besluit van 12 september 2003 tot herstructurering van de door het Memorandum van Senningen ingestelde overlegstructuren waarbij drie nieuwe thema’s zijn benoemd die geschikt zijn voor een nauwere samenwerking in Benelux-verband: veiligheid, antidrugsbeleid en grensoverschrijdende samenwerking bij ongevallen en rampen; Gelet op het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, de Overgangsovereenkomst, het Uitvoeringsprotocol en het Protocol van Ondertekening, die op 3 februari 1958 te Den Haag werden ondertekend; Gelet op het op 4 juni 1996 te Senningen tot stand gekomen Memorandum van Overeenstemming inzake de samenwerking op het terrein van politie, justitie en immigratie tussen de ministers van Justitie van Nederland, België en Luxemburg, de ministers van Binnenlandse Zaken van Nederland en België en de minister van de Force publique van Luxemburg, hierna genoemd het „Memorandum van Overeenstemming v"},{"i":8705,"b":"Memorandum van Overeenstemming tussen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de fase van het definitieve ontwerp van de voorgestelde Europese Transsone Windtunnel Inleiding 1 De Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna te noemen: de Regeringen, Kennis genomen hebbend van de werkzaamheden die in Fase 1 (zie Aanhangsel) zijn verricht door de „Project Group for Transonic Wind Tunnel Definition” (Projectgroep voor de omschrijving van een Transsone Windtunnel) onder de auspiciën van de „NATO Defence Research Group” (NAVO-Researchgroep t.b.v. de Verdediging), teneinde een technisch basisconcept op te stellen van een transsone windtunnel met een hoog getal van Reynolds, die aan de Europese behoeften voldoet, alsmede van de overige werkzaamheden die als Fase 2.1, de Fase van het Voorlopige Ontwerp, zijn verricht krachtens het Memorandum van Overeenstemming (Bijlage bij AC/259-D/650: AC/243-D/545) tussen de Regeringen dat sedert 4 januari 1978 van kracht is, Bevestigen opnieuw hun wens de samenwerking bij dit project, hierna te noemen: de Europese Transsone Windtunnel (ETW), voort te zetten. Grondslag van de samenwerking 2 Bijgevolg wordt in dit Memorandum van Overeenstemming (hierna te noemen: dit MvO) de overeenkomst opgenomen dat de Regeringen overgaan tot de uitvoering van Fase 2.2, de Fase van het Definitieve Ontwerp, en tijdens deze Fase onderling overleg plegen met het vaste voornemen over te gaan tot de uitvoering van Fase 3 van het project, die betrekking heeft op de bouw en de exploitatie van de ETW. Het overleg vindt plaats op de grondslag van de „Principles for Phase 3, the Construction and Operation of the ETW” (Grondbeginselen voor Fase 3, de bouw en de exploitatie van de ETW), vastgelegd in de Bijlag"},{"i":8706,"b":"Memorandum van overeenstemming tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika over samenwerking inzake defensiematerieel **Preamble** The Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the United States of America, duly represented by their Ministers of Defense: Intending to increase their respective defense capabilities through more efficient cooperation in the fields of research and development, production and procurement in order to: Make the most cost-effective and rational use of the resources available for defense, Ensure the widest possible use of standard or interoperable equipment, Develop and maintain an advanced industrial and technological capability for the North Atlantic Alliance, and particularly with respect to the parties to this Memorandum of Understanding (MOU), and Seeking to improve the present situation and to strengthen their military capability and economic position through the further acquisition of standard or interoperable equipment, and Recalling that they had agreed, as members of the Alliance, to maximum cooperation in procurement as set forth in Annex A to NATO Document C-M(73)51 (revised), dated 20 August 1973, Have entered into this Memorandum of Understanding in order to achieve the above aims. This Memorandum of Understanding sets out the guiding principles governing mutual cooperation in research and development, production and procurement of conventional defense equipment. The two Governments conclude this MOU to strengthen the North Atlantic Alliance. In so doing, the Governments are fully aware that the Independent European Program Group (IEPG) wants to enhance equipment collaboration by more comprehensive and systematic arrangements. They therefore agree that in the event of a possible conflict between agreements entered into between the IEPG and the Government of the United States, and this MOU, the parties hereto will consult with a view to amending this MOU. The two Governments"},{"i":8713,"b":"Nieuw Europees samenwerkingsverband op geologisch gebied Vier Europese, nationale geologische diensten hebben samen een Europees Economisch Samenwerkingsverband opgericht onder de naam European Geological Surveys EEIG, gevestigd te Princetonlaan 6, 3584CB Utrecht, en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder het nummer 30238987. De vier geologische diensten zijn: TNO, Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek uit Nederland; BRGM, Bureau de Recherches Géologiques et Minières uit Frankrijk; NGU, Norges Geologiske Undersøkelse uit Noorwegen; IGME, Instituto Geológico y Minero de España uit Spanje. Het Europees Economisch Samenwerkingsverband heeft als doel: het doen van onderzoek, het geven van adviezen en het leveren van diensten op geologisch gebied ten behoeve van het duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en het milieu."},{"i":8714,"b":"NL accreditation requirements for GDPR code of conduct monitoring bodies The Dutch Data Protection Authority (in Dutch: de Autoriteit Persoonsgegevens, hereinafter: AP), Whereas Article 41(1)of the General data Protection Regulation (GDPR) 2016/679 of 26 April 2016 states that compliance monitoring of approved codes of conduct may be carried out by an impartial monitoring body which has an appropriate level of expertise in relation to the subject-matter of the code and is accredited for that purpose by the competent supervisory authority; Whereas Article 41 (3) GDPR provides that the competent supervisory authority submits the draft requirements for accreditation of a body referred to in paragraph 1 of this Article to the Board pursuant to the consistency mechanism referred to in Article 63 and Article 64 (1) (c); Whereas Article 57, opening lines and under p, GDPR, stipulates that each supervisory authority is responsible for drawing up and publishing the requirements for the accreditation of a body for the supervision of codes of conduct on the basis of Article 41 of the GDPR; Whereas [Article 6 (2) of the Dutch General Data Protection Regulation Implementation Act](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=6) (in Dutch: Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, hereinafter: UAVG) stipulates that the AP is the supervisory authority referred to in Article 51 (1) of the GDPR; Whereas the European Data Protection Board (EDPB) has adopted: Guidelines 1/2019 on Codes of Conduct and Monitoring Bodies under Regulation 2016/679, in particular para 60; Whereas the Guidelines 1/2019 set out a number of requirements which the proposed monitoring body needs to meet in order to gain accreditation. In particular the following requirements should be met: Whereas the EDPB has adopted: ‘Opinion 07/2020 on the draft decision of the competent supervisory authority of Netherlands regarding the approval of the requirement for accreditation of a code of con"},{"i":8716,"b":"Noordzeeverklaring tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Duitsland, Denemarken, Frankrijk, Groot-Brittannië en Zweden En foi de quoi les Plénipotentiaires dûment autorisés à cet effet ont signé la présente Déclaration et y ont apposé leurs cachets. Fait à Berlin le 23 avril 1908."},{"i":8717,"b":"Notawisseling bevattende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen houdende bepalingen inzake de privileges en immuniteiten te verlenen aan verbindingsofficieren die door het Koninkrijk Noorwegen bij Europol te 's-Gravenhage gedetacheerd worden 1. Begripsomschrijvingen In dit verdrag wordt verstaan onder: - a. „verbindingsofficier\", elke functionaris die in overeenstemming met artikel 14 van de Overeenkomst bij Europol wordt geplaatst; - b. „Regering\", de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden; - c. „autoriteiten van de gaststaat\", overheids-, gemeentelijke of andere autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden, naar gelang het geval is in het kader van en in overeenstemming met de wetten en gebruiken die in het Koninkrijk der Nederlanden van toepassing zijn; - d. „zendstaat\", het Koninkrijk Noorwegen; - e. ``archief van de verbindingsofficier\", alle dossiers, correspondentie, documenten, manuscripten, computer- en mediagegevens, foto's, films, video- en geluidsopnamen die toebehoren aan of in het bezit zijn van de verbindingsofficier, alsmede enig ander soortgelijk materiaal dat naar het unanieme oordeel van de zendstaat en de Regering deel uitmaakt van het archief van de verbindingsofficier. 2. Voorrechten en immuniteiten 1. Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag genieten de verbindingsofficier en zijn gezinsleden die deel uitmaken van zijn huishouding en niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, in en ten aanzien van het Koninkrijk der Nederlanden dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke worden verleend aan de leden van het diplomatieke personeel door het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer. 2. De immuniteit die aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde personen wordt verleend, strekt zich niet uit tot: - i. civiele vorderingen van derden wegens schade, met inbegrip van lichamelijk letsel of overlijden ten gevolge van verkeersongevallen die door deze personen zijn veroo"},{"i":8719,"b":"Notawisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Eastern Africa Standby Brigade Coordination Mechanism (EASBRICOM) betreffende de samenwerking ter ondersteuning van de Eastern Africa Standby Force AMBASSADE VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN Nairobi, 4 oktober 2010 No. NAI-D/2010/154 Note Verbale De Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden biedt het Eastern Africa Standby Brigade Coordination Mechanism – het Secretariaat van de Eastern Africa Standby Force – haar complimenten aan en heeft de eer een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Eastern Africa Standby Brigade Coordination Mechanism voor te stellen ter zake van de samenwerking tot versterking van alle dimensies van capaciteitsopbouw en vredesoperaties in Oost-Afrika onder de volgende voorwaarden: Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en het Eastern Africa Standby Brigade Coordination Mechanism (EASBRICOM) – het Secretariaat van de Eastern Africa Standby Force (EASF), (hierna te noemen „de verdragsluitende partijen”), Gelet op de noodzaak van versterking van de samenwerking ten behoeve van vrede en veiligheid in Afrika en de verdere ontwikkeling van de structuur voor vrede en veiligheid van de Afrikaanse Unie waarvan EASF deel uitmaakt en de noodzaak de capaciteit binnen EASBRICOM en de structuren onder EASBRICOM in de Oost-Afrikaanse regio verder te ontwikkelen, Gelet op het Vestigingsverdrag tussen EASBRICOM en de Regering van de Republiek Kenia met als doel EASBRICOM en de eraan ondergeschikte structuren in Kenia te vestigen, gesloten te Nairobi op 28 mei 2008, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Reikwijdte De verdragsluitende partijen blijven de nauwe samenwerking voortzetten teneinde alle vormen van capaciteitsopbouw te versterken en de Eastern Africa Standby Force optimaal voor te bereiden op mogelijke inzetten in alle scenario's voorzien door de Afrikaanse Unie in de context van de African Standby Force. Artikel 2. Nederlandse ondersteuning vo"},{"i":8722,"b":"Notawisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk betreffende de huisvesting van een deel van de diplomatieke missie van het Verenigd Koninkrijk in het Ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden te 's-Gravenhage Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2016/109 gesteld op 8 juli 2017. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2015/108 gesteld op 8 juli 2016. Article 1 Vervallen Article 2 Vervallen Article 3 Vervallen Article 4 Vervallen Article 5 Vervallen Article 6 Vervallen Article 7 Vervallen Article 8 Vervallen Article 9 Vervallen Article 10 Vervallen Article 11 Vervallen Article 12 Vervallen If the foregoing is acceptable to the United Kingdom, the Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands has the honour to propose that this Note and the Note in reply of the Embassy of the United Kingdom shall constitute an agreement between the Kingdom of the Netherlands and the United Kingdom which shall enter into force on the date of the Note in reply. The Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands avails itself of this opportunity to renew to the Embassy of the United Kingdom the assurances of its highest consideration. **Embassy of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland in the Netherlands** **The Hague**"},{"i":8721,"b":"Notawisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Mali betreffende de status van militair en civiel personeel van de Nederlandse en Malinese Ministeries van Defensie, aanwezig op elkaars grondgebied voor activiteiten in het kader van militaire samenwerking Si les dispositions ci-dessus agréent au gouvernement de la République du Mali, l’Ambassade du Royaume des Pays-Bas a l’honneur de proposer que la présente note et la note en réponse du Ministère des Affaires Etrangères et de la Coopération Internationale de la République du Mali constituent un accord entre le Royaume des Pays-Bas et la République du Mali, qui entrera en vigueur à la date de réception de la réponse du Ministère des Affaires Etrangères et de la Coopération Internationale de la République du Mali. L’Ambassade du Royaume des Pays-Bas saisit cette occasion pour renouveler au Ministère des Affaires Etrangères et de la Coopération Internationale de la République du Mali les assurances de sa très haute considération. **Le Ministère des Affaires Etrangères** **et de la Coopération Internationale de la République du Mali** **Koulouba**"},{"i":8723,"b":"Notawisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Slovenië inzake privileges en immuniteiten voor verbindingsofficieren die door Slovenië bij Europol te 's-Gravenhage gedetacheerd worden 1. Begripsomschrijvingen In dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „verbindingsofficier\", elke functionaris die in overeenstemming met artikel 14 van het Samenwerkingsverdrag bij Europol wordt geplaatst; - b. „Regering\", de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden; - c. „autoriteiten van de gastheerstaat\", autoriteiten van de centrale of gemeentelijke overheid of andere autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden, naar gelang het geval is, in het kader van en in overeenstemming met de wetten en gebruiken die in het Koninkrijk der Nederlanden van toepassing zijn; - d. „zendstaat\", de Republiek Slovenië; - e. „archief van de verbindingsofficier\", alle dossiers, correspondentie, documenten, manuscripten, computer- en mediagegevens, foto's, films, video- en geluidsopnamen die toebehoren aan of in het bezit zijn van de verbindingsofficier, alsmede enig ander soortgelijk materiaal dat naar het unanieme oordeel van de zendstaat en de Regering deel uitmaakt van het archief van de verbindingsofficier. 2. Voorrechten en immuniteiten 1. Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag genieten de verbindingsofficier en zijn gezinsleden die deel uitmaken van zijn huishouding en niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, in en ten aanzien van het Koninkrijk der Nederlanden dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke worden verleend aan de leden van het diplomatieke personeel door het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer. 2. De immuniteit die aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde personen wordt verleend, strekt zich niet uit tot: - i. civiele vorderingen van derden wegens schade, met inbegrip van lichamelijk letsel of overlijden ten gevolge van verkeersongevallen die door deze personen zijn veroorzaakt; of - ii. strafrechtel"},{"i":8727,"b":"Notawisseling tot wijziging van het Protocol behorende bij het Handelsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tsjechoslowaakse Republiek Veuillez agréer, Monsieur le Ministre, les assurances de ma parfaite considération. Praha, le 17 octobre 1924. Dr. V. GIRSA. **Son Excellence** **Monsieur Dr.** HENDRIK MULLER VAN WERENDYCKE, **Envoyé Extraordinaire et Ministre Plénipotentiaire,** **à Praha.**"},{"i":8728,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Braziliaanse Regering houdende een voorlopige overeenkomst tot regeling der handelsbetrekkingen 2. Rogo a Vossa Excellencia o obsequio de confirmar o seu accôrdo com as clausulas acima. Aproveito a opportunidade para renovar a Vossa Excellencia os protestos da minha alta consideraçao. M. DE PIMENTEL BRANDÃO. **A Sua Excellencia** **O Senhor Doutor C. H. J. SCHULLER TOT PEURSUM,** **Enviado Extraordinario e Ministro Plenipotenciario** **de Sua Majestade a Rainho dos Paizes Baixos.**"},{"i":8729,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Britse Regering inzake de uitoefening van rechten en verplichtingen welke ten aanzien van de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde Nederlandse militaire eenheden voortvloeien uit twee op 26 mei 1952 te Bonn gesloten en op 23 oktober 1954 te Parijs herziene Verdragen **(zoals gewijzigd bij Bijlage 11 bij het Protocol tot beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1954)** De Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland komen het volgende overeen: Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229. DEEL EEN. – ALGEMEEN Artikel 1. Definities In dit Verdrag en de daarbij behorende Bijlagen worden aan de volgende uitdrukkingen de hierna vermelde betekenissen gehecht: - 1. **Het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland:** het gebied waarover de Bondsrepubliek rechtsmacht uitoefent, met inbegrip van zijn wateren en het luchtruim boven dat gebied en die wateren. - 2. **De Drie Mogendheden:** de Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Franse Republiek. - 3. **Andere staat van herkomst:** iedere Mogendheid, met uitzondering van de Drie Mogendheden, welke krachtens een overeenkomst met de Drie Mogendheden of een van haar, op het ogenblik van inwerkingtreding van dit Verdrag krijgsmachten gestationeerd heeft op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland; en iedere andere Mogendheid welke in de toekomst eventueel krijgsmachten gestationeerd zal hebben op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, - (a). vóór het inwerkingtreden van de regelingen betreffende de Duitse Verdedigingsbijdrage: krachtens een overeenkomst met de Drie Mogendheden, of een van hen, voor zover die andere Mogendheid niet, met toestemming van de Drie Mogendheden, een afzonderlijke overeenkomst met de Bondsrepubliek Duitsland sluit inzake de"},{"i":8730,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Deense Regering houdende een verdrag inzake voorrechten en immuniteiten te verlenen aan verbindingsofficieren die vanwege de Deense Regering bij Europol te 's-Gravenhage worden tewerkgesteld 1. Definitions In this Agreement: - a). “Liaison officer” means: any official seconded to Europol in accordance with Article 5 of the Europol Convention; - b). “Government” means the Government of the Kingdom of the Netherlands; - c). “Host State authorities” means such State, municipal or other authorities of the Kingdom of the Netherlands as may be appropriate in the context of and in accordance with the laws and customs applicable in the Kingdom of the Netherlands; - d). “Member State” means the Kingdom of Denmark; - e). “Archives of the liaison officer” means all records, correspondence, documents, manuscripts, computer and media data, photographs, films, video and sound recordings belonging to or held by the liaison officer, and any other similar material which in the unanimous opinion of the Member State and the Government forms part of the archives of the liaison officer. 2. Privileges and immunities 1. Subject to the provisions of this Agreement, the liaison officer and members of his family who form part of his household and do not possess Dutch nationality, shall enjoy in and vis-à-vis the Kingdom of the Netherlands the same privileges and immunities as are conferred on members of the diplomatic staff by the Vienna Convention on Diplomatic Relations of 18 April 1961. 2. The immunity granted to persons mentioned in paragraph 1 of this Article shall not extend to either: - (i). civil action by a third party for damages, including personal injury or death, arising from a traffic accident caused by any such person, and is without prejudice to Article 32 of the Europol Convention; or - (ii). criminal and civil jurisdiction over acts performed outside the course of their official duties. 3. The obligations of Sending States and their"},{"i":8732,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Franse Regering houdende een overeenkomst betreffende het internationale goederenvervoer langs de weg Pour la délégation française: **L'Inspecteur Général des Ponts** **et Chaussées,** **Chef du Service du Contrôle** **des Transports Routiers,** (s.) L. ROBERT. Pour la délégation néerlandaise: **Le Directeur au Ministère des** **Transports et du Waterstaat,** (s.) K. VONK."},{"i":8733,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Franse Regering houdende een verdrag inzake voorrechten en immuniteiten te verlenen aan verbindingsofficieren die vanwege de Franse Regering bij Europol te 's-Gravenhage worden tewerkgesteld 1. Définitions Au fin du présent Accord, on entend par: - a). «officier de liaison», tout agent détaché auprès d'Europol, conformément à l'article 5 de la convention Europol; - b). «gouvernement», le gouvernement du Royaume des Pays-Bas; - c). «les autorités de l'État d'accueil», les autorités gouvernementales, municipales ou autres du Royaume des Pays-Bas en fonction du contexte et en vertu des lois et coutumes applicables au Royaume des Pays-Bas; - d). «État membre», la République française; - e). «archives de l'officier de liaison»: l'ensemble des dossiers, correspondances, documents, manuscrits, données sur supports informatiques ou autres, photographies, films, enregistrements vidéo et sonores appartenant à l'officier de liaison, ou détenus par lui, et tout autre matériel similaire qui, de l'avis unanime de l'État membre et du gouvernement, fait partie des archives de l'officier de liaison. 2. Privilèges et immunités 1. Sous réserve des dispositions du présent échange de notes, l'officier de liaison, ainsi que les membres de sa famille qui font partie de son ménage et qui ne possèdent pas la nationalité néerlandaise, jouiront au sein du Royaume des Pays-Bas et à son égard des mêmes privilèges et immunités que ceux accordés aux membres du personnel diplomatique en vertu de la convention sur les relations diplomatiques, signée à Vienne le 18 avril 1961. 2. L'immunité accordée aux personnes visées au paragraphe 1 de cet article ne s'étend pas aux actions civiles engagées par un tiers en cas de dommages corporels ou autres, ou d'homicide, survenus lors d'un accident de la circulation causé par ces personnes, sans préjudice de l'article 32 de la convention Europol. L'immunité de la juridiction pénale et civile ne s'appliquera pas aux act"},{"i":8734,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Griekse Regering houdende een verdrag inzake voorrechten en immuniteiten te verlenen aan verbindingsofficieren die vanwege de Griekse Regering bij Europol te 's-Gravenhage worden tewerkgesteld 1. Definitions In this Agreement: - a). “Liaison officer” means: any official seconded to Europol in accordance with Article 5 of the Europol Convention; - b). “Government” means the Government of the Kingdom of the Netherlands; - c). “Host State authorities” means such State, municipal or other authorities of the Kingdom of the Netherlands as may be appropriate in the context of and in accordance with the laws and customs applicable in the Kingdom of the Netherlands; - d). “Member State” means the Hellenic Republic; - e). “Archives of the liaison officer” means all records, correspondence, documents, manuscripts, computer and media data, photographs, films, video and sound recordings belonging to or held by the liaison officer, and any other similar material which in the unanimous opinion of the Member State and the Government forms part of the archives of the liaison officer. 2. Privileges and immunities 1. Subject to the provisions of this Agreement, the liaison officer and members of his family who form part of his household and do not possess Dutch nationality, shall enjoy in and vis-à-vis the Kingdom of the Netherlands the same privileges and immunities as are conferred on members of the diplomatic staff by the Vienna Convention on Diplomatic Relations of 18 April 1961. 2. The immunity granted to persons mentioned in paragraph 1 of this Article shall not extend to either: - (i). civil action by a third party for damages, including personal injury or death, arising from a traffic accident caused by any such person, and is without prejudice to Article 32 of the Europol Convention; or - (ii). criminal and civil jurisdiction over acts performed outside the course of their official duties. 3. The obligations of Sending States and thei"},{"i":8735,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Ierse Regering houdende een verdrag inzake voorrechten en immuniteiten te verlenen aan verbindingsofficieren die vanwege de Ierse Regering bij Europol te 's-Gravenhage worden tewerkgesteld 1. Definitions In this Agreement: - a). “Liaison officer” means: any official seconded to Europol in accordance with Article 5 of the Europol Convention; - b). “Government” means the Government of the Kingdom of The Netherlands; - c). “Host State authorities” means such State, municipal or other authorities of the Kingdom of The Netherlands as may be appropriate in the context of and in accordance with the laws and customs applicable in the Kingdom of The Netherlands; - d). “Member State” means Ireland; - e). “Archives of the liaison officer” means all records, correspondence, documents, manuscripts, computer and media data, photographs, films, video and sound recordings belonging to or held by the liaison officer, and any other similar material which in the unanimous opinion of the Member State and the Government forms part of the archives of the liaison officer. 2. Privileges and immunities 1. Subject to the provisions of this Agreement, the liaison officer and members of his family who form part of his household and do not possess Dutch nationality, shall enjoy in and vis-à-vis the Kingdom of The Netherlands the same privileges and immunities as are conferred on members of the diplomatic staff by the Vienna Convention on Diplomatic Relations of 18 April 1961. 2. The immunity granted to persons mentioned in paragraph 1 of this Article shall not extend to either: - (i). civil action by a third party for damages, including personal injury or death, arising from a traffic accident caused by any such person, and is without prejudice to Article 32 of the Europol Convention; or - (ii). criminal and civil jurisdiction over acts performed outside the course of their official duties. 3. The obligations of Sending States and their personnel that a"},{"i":8736,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Luxemburgse Regering houdende een verdrag inzake voorrechten en immuniteiten te verlenen aan verbindingsofficieren die vanwege de Luxemburgse Regering bij Europol te 's-Gravenhage worden tewerkgesteld 1. Définitions Au fin du présent Accord, on entend par: - a). «officier de liaison», tout agent détaché auprès d'Europol, conformément à l'article 5 de la Convention Europol; - b). «gouvernement», le gouvernement du Royaume des Pays-Bas; - c). «les autorités de l'État d'accueil», les autorités gouvernementales, municipales ou autres du Royaume des Pays-Bas en fonction du contexte et en vertu des lois et coutumes applicables au Royaume des Pays-Bas; - d). «État membre», le Grand-Duché de Luxembourg; - e). «archives de l'officier de liaison»: l'ensemble des dossiers, correspondances, documents, manuscrits, données sur supports informatiques ou autres, photographies, films, enregistrements vidéo et sonores appartenant à l'officier de liaison, ou détenus par lui, et tout autre matériel similaire qui, de l'avis unanime de l'État membre et du gouvernement, fait partie des archives de l'officier de liaison. 2. Privilèges et immunités 1. Sous réserve des dispositions du présent échange de notes, l'officier de liaison, ainsi que les membres de sa famille qui font partie de son ménage et qui ne possèdent pas la nationalité néerlandaise, jouiront au sein du Royaume des Pays-Bas et à son égard des mêmes privilèges et immunités que ceux accordés aux membres du personnel diplomatique en vertu de la Convention sur les relations diplomatiques, signée à Vienne le 18 avril 1961. 2. L'immunité accordée aux personnes visées au paragraphe 1 de cet article ne s'étend pas aux actions civiles engagées par un tiers en cas de dommages corporels ou autres, ou d'homicide, survenus lors d'un accident de la circulation causé par ces personnes, sans préjudice de l'article 32 de la Convention Europol. L'immunité de la juridiction pénale et civile ne s'appliqu"},{"i":8738,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Zweedse Regering houdende een verdrag inzake voorrechten en immuniteiten te verlenen aan verbindingsofficieren die vanwege de Zweedse Regering bij Europol te 's-Gravenhage worden tewerkgesteld 1. Definitions In this Agreement: - a. “Liaison officer” means: any official seconded to Europol in accordance with Article 5 of the Europol Convention; - b. “Government” means the Government of the Kingdom of the Netherlands; - c. “Host State authorities” means such State, municipal or other authorities of the Kingdom of the Netherlands as may be appropriate in the context of and in accordance with the laws and customs applicable in the Kingdom of the Netherlands; - d. “Member State” means the Kingdom of Sweden; - e. “Archives of the liaison officer” means all records, correspondence, documents, manuscripts, computer and media data, photographs, films, video and sound recordings belonging to or held by the liaison officer, and any other similar material which in the unanimous opinion of the Member State and the Government forms part of the archives of the liaison officer. 2. Privileges and immunities 1. Subject to the provisions of this Agreement, the liaison officer and members of his family who form part of his household and do not possess Dutch nationality, shall enjoy in and vis-à-vis the Kingdom of the Netherlands the same privileges and immunities as are conferred on members of the diplomatic staff by the Vienna Convention on Diplomatic Relations of 18 April 1961. 2. The immunity granted to persons mentioned in paragraph 1 of this Article shall not extend to either: - i). civil action by a third party for damages, including personal injury or death, arising from a traffic accident caused by any such person, and is without prejudice to Article 32 of the Europol Convention; or - ii). criminal and civil jurisdiction over acts performed outside the course of their official duties. 3. The obligations of Sending States and their perso"},{"i":8747,"b":"Overeenkomst betreffende de afgifte van een verklaring van verscheidenheid van familienamen De Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, verlangend de moeilijkheden te verminderen die worden ondervonden door bepaalde personen aan wie volgens de wet van een Staat een andere familienaam wordt toegekend dan die waarmee zij in een andere Staat worden aangeduid, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De verklaring van verscheidenheid van familienamen, waar deze Overeenkomst in voorziet, is bestemd om personen die, ten gevolge van verschillen in wetgeving tussen bepaalde Staten, op gebieden als huwelijk, afstamming en adoptie, niet met dezelfde familienaam worden aangeduid, het bewijs van hun identiteit te vergemakkelijken. 2. De verklaring heeft geen ander doel dan de vaststelling dat, met de verschillende daarin vermelde familienamen, volgens uiteenlopende wetgevingen een en dezelfde persoon wordt aangeduid. De verklaring doet geen afbreuk aan de werking van wettelijke bepalingen omtrent de naam. Artikel 2 De in het vorige artikel bedoelde verklaring moet, op vertoon van bewijsstukken, aan iedere belanghebbende worden afgegeven, hetzij door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Staat waarvan hij onderdaan is, hetzij door de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Staat volgens de wet waarvan hem, hoewel hij onderdaan van een andere Staat is, een andere familienaam is toegekend dan die welke uit de toepassing van zijn nationale wet volgt. Artikel 3 Een op de voet van deze Overeenkomst afgegeven verklaring wordt in iedere Overeenkomstsluitende Staat aanvaard als bewijs van de juistheid van hetgeen daarin betreffende de verschillende familienamen van de aangeduide persoon is vermeld, behoudens bewijs van het tegendeel. Artikel 4 Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden met onderdanen van een Overeenkomstsluitende Staat gelijkgesteld vluchtelingen en staatlozen wi"},{"i":8748,"b":"Overeenkomst betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen De Algemene Conferentie van de UNESCO, de Organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur, tijdens de 33e zitting te Parijs van 3 tot en met 21 oktober 2005 bijeen, Bevestigend dat culturele diversiteit inherent is aan de mensheid, Zich ervan bewust dat de culturele diversiteit tot het gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid behoort en tot ieders voordeel moet worden gekoesterd en bewaard, In het besef dat culturele diversiteit een rijke, gevarieerde wereld creëert, die het aantal keuzes vergroot en menselijke capaciteiten en waarden bevordert, en dus een drijfveer is voor de duurzame ontwikkeling van gemeenschappen, volkeren en naties, Eraan herinnerend dat culturele diversiteit, die zich in een kader van democratie, tolerantie, sociale gerechtigheid en wederzijds respect tussen volkeren en culturen kan ontplooien, een noodzakelijke voorwaarde is voor lokale, nationale en internationale vrede en veiligheid, De nadruk leggend op het belang van culturele diversiteit voor de volledige verwezenlijking van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden die zijn afgekondigd in de [Universele Verklaring van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) en in andere universeel erkende instrumenten, Onderstrepend dat cultuur als strategisch element in het nationale en internationale ontwikkelingsbeleid en in de internationale ontwikkelingssamenwerking moet worden geïntegreerd, tevens rekening houdend met de Millenniumverklaring van de VN (2000) die de nadruk legt op de uitroeiing van de armoede, Overwegend dat cultuur in de loop van de tijd en in de ruimte diverse vormen aanneemt en dat deze diversiteit tot uiting komt in de originaliteit en de pluraliteit van de identiteiten en de cultuuruitingen van de volkeren en de samenlevingen die samen de mensheid uitmaken, Erkennend dat traditionele kennis als bron van immateriële en"},{"i":8749,"b":"Overeenkomst betreffende de bouw en exploitatie van een Europese Synchrotronstralingsinstallatie De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Koninkrijk Denemarken, De Regering van de Republiek Finland, De Regering van de Franse Republiek, De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, De Regering van de Italiaanse Republiek, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, De Regering van het Koninkrijk Noorwegen, De Regering van de Russische Federatie, De Regering van het Koninkrijk Spanje, De Regering van het Koninkrijk Zweden, De Regering van de Zwitserse Bondsstaat, De Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna te noemen de „Overeenkomstsluitende Partijen” Er wordt overeengekomen dat de Regeringen van het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, het Koninkrijk Noorwegen en het Koninkrijk Zweden gezamenlijk zullen optreden als een enkele Overeenkomstsluitende Partij; Ook wordt overeengekomen dat de Regeringen van het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden gezamenlijk optreden als een enkele Overeenkomstsluitende Partij; Met de erkenning dat de regering van de Russische Federatie toetreedt tot dit Verdrag als een nieuwe Overeenkomstsluitende Partij volgens het Protocol van toetreding ondertekend op 23 juni 2014 en 15 juli 2014; Met de wens de Europese positie in de wereld verder te consolideren en de wetenschappelijke samenwerking te versterken over de disciplinaire en nationale grenzen; Met de erkenning dat synchrotronstraling in de toekomst van grote betekenis zal zijn op verschillende gebieden en voor vele industriële toepassingen; In de hoop dat andere Europese landen nemen ook zullen deelnemen aan de activiteiten die zij samen willen ondernemen in het kader van dit Verdrag; Voortbouwend op de succesvolle samenwerking tussen Europese wetenschappers in het kader van de Europese Stichting voor Wetenschappen (European Science Foundation) en op de voorbereidende werkzaamheden die werden uitgevoer"},{"i":8750,"b":"Overeenkomst betreffende de deelname van de Republiek Kroatië aan de Europese Economische Ruimte De Europese Unie, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten van de Europese Unie” genoemd, IJsland, het Vorstendom Liechtenstein, het Koninkrijk Noorwegen, hierna „de EVA-staten” genoemd, gezamenlijk hierna de „huidige overeenkomstsluitende partijen” genoemd, en de Republiek Kroatië, Overwegende dat op 9 december 2011 te Brussel het [Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005638) (hierna „het Toetredingsverdrag” genoemd) is ondertekend; Overwegende dat, op grond van [artikel 128 van de te Porto op 2 mei 1992 ondertekende Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001070&artikel=128), elke Europese staat die tot de Gemeenschap toetreedt, moet vragen partij te worden bij de [Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001070) (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd); Overwegende dat de Republiek Kroatië heeft verzocht een overeenkomstsluitende partij bij de [EER-overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001070) te worden, Overwegende dat de voorwaarden voor de deelname dienen te worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de huidige overeenkomstsluitende parti"},{"i":8751,"b":"Overeenkomst betreffende de deelname van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Hongarije, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek aan de Europese Economische Ruimte De Europese Gemeenschap, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna de „EG-lidstaten\" te noemen de Republiek IJsland, het Vorstendom Liechtenstein, het Koninkrijk Noorwegen, hierna de „EVA-staten\" te noemen gezamenlijk hierna de „huidige overeenkomstsluitende partijen\" te noemen en de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, Overwegende dat het [Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001642) (hierna het „Toetredingsverdrag\" te noemen) werd ondertekend te Athene op 16 april 2003; Overwegende dat, op grond van [artikel 128 van de te Porto op 2 mei 1992 ondertekende Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001070&artikel=128), elke Europese Staat die tot de Gemeenschap toetreedt, moet vragen partij te worden bij de [Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":5977,"b":"Besluit van 25 november 2024 tot wijziging van het Besluit EU-verordeningen Wft en enkele andere besluiten in verband met Verordening (EU) 2022/2554 en Richtlijn (EU) 2022/2556 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector (Uitvoeringsbesluit verordening digitale operationele weerbaarheid) Op voordracht van Onze Minister van Financiën van 5 september 2024, 2024-0000417864 directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2022/2554](32022R2554) van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 1060/2009](32009R1060), [(EU) nr. 648/2012](32012R0648), [(EU) nr. 600/2014](32014R0600), [(EU) nr. 909/2014](32014R0909) en [(EU) 2016/1011](32016R1011) (PbEU 2022, L 333), [Richtlijn 2022/2556](32022L2556) van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 tot wijziging van de [Richtlijnen 2009/65](32009L0065)/EC, [2009/138/EG](32009L0138), [2011/61/EU](32011L0061), [2013/36/EU](32013L0036), [2014/59/EU](32014L0059), [2014/65/EU](32014L0065), [(EU) 2015/2366](32015L2366) en [(EU) 2016/2341](32016L2341) (PbEU 2022, L 333), de [artikelen 1:3a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:3a), [1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), en [1:94, eerste lid, onderdeel i, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:94), [artikel 143 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=143) en [artikel 138 van de Wet verplichte beroe"},{"i":8752,"b":"Overeenkomst betreffende de erkenning van beslissingen inzake de vaststelling van een geslachtswijziging De Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, Geleid door de wens op het grondgebied van hun Staten de erkenning te bevorderen van beslissingen inzake de vaststelling van de geslachtswijziging van een persoon, gegeven op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Gerechtelijke of bestuurlijke onherroepelijke beslissingen inzake de vaststelling van de geslachtswijziging van een persoon, gegeven door de bevoegde autoriteiten in een Overeenkomstsluitende Staat, worden in de andere Overeenkomstsluitende Staten erkend, indien de betrokkene op de datum waarop hij het verzoek indiende onderdaan was van de Staat waarin de beslissing is gegeven of in die Staat zijn gewone verblijfplaats had. Artikel 2 De erkenning van de in artikel 1 van deze Overeenkomst bedoelde beslissingen kan worden geweigerd in de volgende gevallen: - a. wanneer de lichamelijke aanpassing niet is verwezenlijkt en in de desbetreffende beslissing is vastgesteld; - b. wanneer de erkenning strijdig is met de openbare orde van de Overeenkomstsluitende Staat waarin de beslissing wordt ingeroepen; - c. wanneer de beslissing is verkregen door bedrog. Artikel 3 De Staat die een beslissing in de zin van deze Overeenkomst erkent, voegt op grond van deze beslissing en overeenkomstig de bepalingen van zijn nationale recht, een latere vermelding toe aan de geboorteakte van de betrokkene die in die Staat is opgemaakt of ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Artikel 4 Deze Overeenkomst wordt bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd en de akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Zwitserse Bondsraad. Artikel 5 1. Elke Staat die lid is van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand kan toetreden tot deze Overeenkomst. Zulks geldt evenzo"},{"i":8753,"b":"Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte de Europese Gemeenschap, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en IJsland, het Vorstendom Liechtenstein, het Koninkrijk Noorwegen, hierna de OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN te noemen; OVERTUIGD van de bijdrage die een Europese Economische Ruimte zal leveren aan de totstandbrenging van een Europa gebaseerd op vrede, democratie en mensenrechten; OPNIEUW BEVESTIGEND de hoge prioriteit die wordt toegekend aan de bevoorrechte relatie tussen de Europese Gemeenschap, haar Lid-Staten en de EVA-Staten gebaseerd op nabuurschap, traditionele gemeenschappelijke waarden en een Europese identiteit; VASTBESLOTEN op basis van de beginselen van de markteconomie bij te dragen aan de mondiale vrijmaking van de handel en internationale samenwerking op handelsgebied, met name in overeenstemming met de bepalingen van de [Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel](onbekend) en de [Overeenkomst betreffende de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005057); OVERWEGENDE het oogmerk een dynamische en homogene Europese Economische Ruimte tot stand te brengen, gebaseerd op gemeenschappelijke regels en gelijke mededingingsvoorwaarden, en voorzien van een passend uitvoeringsmechanisme, mede op gerechtelijk niveau, een en ander op basis van gelijkheid en"},{"i":8754,"b":"Overeenkomst betreffende de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling Artikel I. Doelstellingen De doelstellingen van de Bank zijn: - i. Het ondersteunen van de wederopbouw en ontwikkeling van de grondgebieden van de leden door het investeren van kapitaal voor productieve doeleinden te vergemakkelijken, met inbegrip van het herstel van de door oorlog vernietigde of ontwrichte economieën, de omschakeling van productiefaciliteiten naar behoeften in vredestijd en het aanmoedigen van de ontwikkeling van productiefaciliteiten en middelen in minder ontwikkelde landen. - ii. Het bevorderen van particuliere investeringen in het buitenland door middel van garanties of deelnemingen in leningen en andere investeringen door particuliere beleggers; en wanneer particulier kapitaal niet tegen redelijke voorwaarden te verkrijgen is, het aanvullen van particuliere investeringen, door op passende voorwaarden gelden voor productieve doeleinden beschikbaar te stellen uit haar eigen kapitaal, door haar opgenomen gelden en uit haar andere middelen. - iii. Het bevorderen van een evenwichtige groei op de lange termijn van de internationale handel en de handhaving van het evenwicht op de betalingsbalansen door aanmoediging van internationale investeringen ten behoeve van de ontwikkeling van de productiemiddelen van de leden, hetgeen bijdraagt aan verhoging van de productiviteit, van de levensstandaard en van de arbeidsvoorwaarden op hun grondgebieden. - iv. Het afsluiten van de door haar verstrekte of gegarandeerde leningen in verband met internationale leningen, die door andere kanalen verstrekt zijn, op dusdanige wijze dat nuttiger en dringender projecten, zowel grote als kleine, het eerst ter hand genomen worden. - v. Het leiden van haar werkzaamheden waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de invloed van internationale investeringen op de economische toestand op de grondgebieden van de leden en, in de jaren onmiddellijk volgend op de oorlog, het verlenen van hulp bij het"},{"i":8755,"b":"Overeenkomst betreffende de Internationale Financieringsmaatschappij De regeringen namens welke deze Overeenkomst ondertekend is, komen overeen als volgt: Inleidend artikel De Internationale Financierings Maatschappij (hierna genoemd de Maatschappij) is opgericht en handelt in overeenstemming met de volgende bepalingen: Artikel I. Doelstelling De Maatschappij heeft ten doel de economische ontwikkeling te bevorderen door het aanmoedigen van de groei van productieve particuliere ondernemingen in landen-leden, in het bijzonder in de minder ontwikkelde gebieden, en daarmede de werkzaamheden van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (hierna te noemen de Bank) aan te vullen. Bij de uitvoering van deze doelstelling zal de Maatschappij: - (i). tezamen met particuliere investeerders medewerking verlenen bij de financiering van de oprichting, verbetering en uitbreiding van productieve particuliere ondernemingen, welke zullen bijdragen tot de ontwikkeling van haar landen-leden door het verrichten van investeringen, zonder garantie tot terugbetaling door de regering van het betrokken land dat lid is van de Maatschappij in gevallen waar voldoende particulier kapitaal niet op redelijke voorwaarden beschikbaar is; - (ii). trachten mogelijkheden tot investeren, binnen- en buitenlands particulier kapitaal en ervaren leiding tezamen te brengen; en - (iii). trachten de stroom van particulier binnen- en buitenlands kapitaal naar productieve investeringen in landen-leden te stimuleren en behulpzaam te zijn bij het tot stand brengen van voorwaarden, welke daartoe bevorderlijk zijn. De Maatschappij laat zich in al haar beslissingen leiden door de bepalingen van dit artikel. Artikel II. Lidmaatschap en kapitaal Afdeling 1. **Lidmaatschap** - (a). De oorspronkelijke leden van de Maatschappij zijn die in het bijbehorende Schema A genoemde leden van de Internationale Bank die op of vóór de in artikel IX, afdeling 2 (c) genoemde datum het lidmaatschap der Maatschappij aanvaarden."},{"i":8756,"b":"Overeenkomst betreffende de Internationale Ontwikkelingsassociatie De Regeringen namens welke deze Overeenkomst is ondertekend, Overwegende: Dat onderlinge samenwerking voor constructieve economische doeleinden, een gezonde ontwikkeling van de wereldeconomie en een evenwichtige groei van de internationale handel bevorderlijk zijn voor internationale betrekkingen die bijdragen tot het handhaven van de vrede en de welvaart der wereld; Dat een versnelling der economische ontwikkeling die een hogere levensstandaard en economische en sociale vooruitgang in de minderontwikkelde landen bevordert, niet alleen wenselijk is in het belang van deze landen doch tevens in het belang van de internationale gemeenschap als geheel; Dat de verwezenlijking van deze doeleinden vergemakkelijkt zou worden door een toeneming van de internationale kapitaalstroom, zowel uit openbare als uit particuliere bron, ter ondersteuning van de ontwikkeling van de hulpbronnen in de minderontwikkelde landen, komen als volgt overeen: Inleidend artikel De Internationale Ontwikkelingsassociatie (hierna genoemd „de Associatie”) is opgericht en oefent haar werkzaamheden uit overeenkomstig de volgende bepalingen: Artikel I. Doelstellingen De Associatie heeft tot doel in de minderontwikkelde gebieden van de wereld waar deze Overeenkomst van toepassing is, de economische ontwikkeling te bevorderen en de produktiviteit te verhogen om er op die wijze de levensstandaard te verhogen in het bijzonder door het verstrekken van financiële middelen voor hun belangrijke ontwikkelingsbehoeften op voorwaarden die soepeler zijn en minder zwaar op de betalingsbalans drukken dan die van gebruikelijke leningen, en aldus de ontwikkelingsdoeleinden van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (hierna genoemd „de Bank”) te bevorderen en haar werkzaamheden aan te vullen. De Associatie laat zich in al haar beslissingen leiden door de bepalingen van dit artikel. Artikel II. Lidmaatschap; eerste bijdragen - a). De oorspron"},{"i":8757,"b":"Overeenkomst betreffende de Internationale Organisatie voor het Recht inzake Ontwikkeling De ondertekenende Partijen, Erkennende het belang van het recht in het ontwikkelingsproces en de noodzaak juristen op te leiden met het oog op ontwikkeling: Vaststellende dat het Internationaal Instituut voor het Recht inzake Ontwikkeling (IDLI) in 1983 werd opgericht als een internationale niet-gouvernementele organisatie naar Nederlands recht om juristen uit ontwikkelingslanden te helpen zich verder te bekwamen in het onderhandelen over overeenkomsten en het adviseren bij de uitvoering van transacties op het gebied van ontwikkelingshulp, buitenlandse investeringen, internationale handel en andere internationale zakelijke transacties; Vaststellende dat het IDLI in de eerste driejaar van zijn werkzaamheden cursussen, seminars en trainings/werkgroepen heeft aangeboden, die door meer dan 480 deelnemers uit bijna 80 landen werden bijgewoond. Vaststellende dat het IDLI ter ondersteuning van zijn activiteiten thans kan bogen op aanzienlijke financiële middelen, afkomstig van een verscheidenheid aan regeringen, internationale organisaties en stichtingen, alsook uit de private sector; Vaststellende dat bereidheid van de Regering van Italië om onderhandelingen aan te gaan over een zetelovereenkomst zodra het IDLI internationale status heeft verkregen; en Zijn ervan overtuigd dat het thans wenselijk is dat het Internationaal Instituut voor het Recht inzake Ontwikkeling wordt opgericht als een internationale organisatie, met passende bestuursvorm, rechtspersoonlijkheid en status; Derhalve zijn de Partijen nu als volgt overeengekomen: Artikel I. Oprichting en status 1. Hierbij wordt opgericht als internationale organisatie het Internationaal Instituut voor het Recht inzake Ontwikkeling, hierna te noemen het „Instituut” of het „IDLI”. 2. Het IDLI bezit volledige rechtspersoonlijkheid en beschikt over die bevoegdheden welke nodig kunnen zijn voor de uitoefening van zijn taken en de verwezen"},{"i":8758,"b":"Overeenkomst betreffende de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee Preambule De Regeringen van de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst, Deelgenomen hebbende aan het werk van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee, die in 1902 te Kopenhagen is ingesteld als uitvloeisel van in 1899 te Stockholm en in 1901 te Christiania gehouden conferenties en die als taak heeft gekregen het uitvoeren van een programma van internationaal onderzoek van de zee. Verlangende genoemde Raad een nieuw statuut te geven, ten einde de uitvoering van zijn programma te vergemakkelijken, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 De taak van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee, hierna te noemen „de Raad”, omvat: - (a). het bevorderen en stimuleren van het wetenschappelijk speurwerk en onderzoekingen, zulks in verband met de bestudering van de zee en, in het bijzonder, van haar levende rijkdommen; - (b). het opstellen der daartoe benodigde programma's en het organiseren, in overleg met de Overeenkomstsluitende Partijen, van wetenschappelijk speurwerk en onderzoekingen welke nodig zouden blijken te zijn; - (c). het publiceren of op andere wijze bekend maken van de resultaten van het onder zijn auspiciën uitgevoerde wetenschappelijk speurwerk en onderzoekingen, of publikatie daarvan stimuleren. Artikel 2 De Raad houdt zich bezig met de Atlantische Oceaan en de aangrenzende zeeën en in het bijzonder met de Noordatlantische Oceaan. Artikel 3 (1). De Raad wordt in stand gehouden overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst (2). De zetel van de Raad blijft in Kopenhagen gevestigd. Artikel 4 De Raad streeft naar het maken en in stand houden van werkafspraken met andere internationale organisaties, die verwante doeleinden hebben en zal zoveel mogelijk met deze samenwerken, in het bijzonder met betrekking tot het verstrekken van wetenschappelijke gegevens, die worden gevraagd. Artikel 5 De Overeenkomstsluitende Partijen verplichten zich de Raad alle inl"},{"i":8739,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse Regering en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland houdende een verdrag inzake voorrechten en immuniteiten te verlenen aan verbindingsofficieren die vanwege de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland bij Europol te 's-Gravenhage worden tewerkgesteld 1. Definitions In this Agreement: - a). “Liaison Officer” means: any official seconded to Europol in accordance with Article 5 of the Europol Convention; - b). “Government” means the Government of the Kingdom of the Netherlands; - c). “Host State authorities” means such State, municipal or other authorities of the Kingdom of the Netherlands as may be appropriate in the context of and in accordance with the laws and customs applicable in the Kingdom of the Netherlands; - d). “Member State” means the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland; - e). “Archives of the Liaison Officer” means all records, correspondence, documents, manuscripts, computer and media data, photographs, films, video and sound recordings belonging to or held by the Liaison Officer, and any other similar material which in the unanimous opinion of the Member State and the Government forms part of the archives of the Liaison Officer. 2. Privileges and immunities 1. Subject to the provisions of this Agreement, the Liaison Officer and members of his family who form part of his household and do not possess Dutch nationality, shall enjoy in and vis-à-vis the Kingdom of the Netherlands the same privileges and immunities as are conferred on members of the diplomatic staff by the Vienna Convention on Diplomatic Relations of 18 April 1961. 2. The immunity granted to persons mentioned in paragraph 1 of this Article shall not extend to either: - (i). civil action by a third party for damages, including personal injury or death, arising from a traffic accident caused by any such person, and is without prejudice to Article 32 of the Europol Conve"},{"i":8765,"b":"Overeenkomst betreffende de van Duitsland te ontvangen herstelbetalingen, de instelling van een Intergeallieerde Organisatie voor Herstelbetalingen en de teruggave van monetair goud De Regeringen van Albanië, de Verenigde Staten van Amerika, Australië, België, Canada, Denemarken, Egypte, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk Groot Brittannië en Noord-Ierland, Griekenland, India, Luxemburg, Noorwegen, Nieuw-Zeeland, Nederland, Tsjecho-Elowakije, de Zuid-Afrikaanse Unie en Joego-Slavië, ten einde een billijke verdeling te verkrijgen van het totaal der goederen, die overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst en de voorzieningen, welke zijn getroffen te Potsdam, op 1 Augustus 1945, tussen de Regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk Groot Brittannië en Noord-lerland en de Unie der Socialistische Sowjet Republieken, worden of zullen worden verklaard beschikbaar te zijn als van Duitsland te ontvangen herstelbetalingen (verder genoemd „Duitse Herstelbetalingen”), met de bedoeling een Intergeallieerde Organisatie voor Herstelbetalingen in te stellen en een billijke procedure vast te stellen voor de teruggave van monetair goud, Zijn overeengekomen als volgt: DEEL I. Duitse herstelbetalingen Artikel 1. Aandelen in de herstelbetalingen A. De Duitse herstelbetalingen (met uitzondering van de fondsen, die moeten worden toegewezen volgens de bepalingen van artikel 8 van Deel I van deze overeenkomst) worden op de volgende wijze in categorieën verdeeld: - **Categorie A**, omvattend alle vormen van Duitse herstelbetalingen, met uitzondering van die, welke begrepen zijn in categorie B, - **Categorie B**, omvattend de gehele industriële outillage en andere kapitaalgoederen, die uit Duitsland worden weggevoerd, zomede de koopvaardijschepen en de binnenschepen. B. Iedere ondertekenende Regering heeft recht op een percentage van de totale waarde der goederen van categorie A, alsook op een percentage van de totale waarde der goederen van categorie B, zoa"},{"i":8766,"b":"Overeenkomst betreffende de vaststelling van de familierechtelijke betrekking tussen het onwettige kind en zijn moeder De Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat en de Turkse Republiek, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, Verlangende de voorschriften betreffende de vaststelling van de familierechtelijke betrekking tussen het onwettige kind en zijn moeder met elkaar in overeenstemming te brengen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Wanneer een vrouw in de akte van geboorte van een onwettig kind als de moeder van dit kind wordt vermeld, staat door deze vermelding de familierechtelijke betrekking tussen het kind en de moeder vast. Deze familierechtelijke betrekking is niettemin voor betwisting vatbaar. Artikel 2 Wanneer de moeder niet in de akte van geboorte wordt vermeld, is zij bevoegd om ten overstaan van de bevoegde autoriteit van elk der Overeenkomstsluitende Staten een verklaring af te leggen, waarbij zij het kind als het hare erkent. Artikel 3 Wanneer de moeder in de akte van geboorte wordt vermeld, is zij niettemin bevoegd om ten overstaan van de bevoegde autoriteit van elk der Overeenkomstsluitende Staten een verklaring af te leggen, waarbij zij het kind als het hare erkent, indien zij aantoont dat een zodanige verklaring noodzakelijk is om te voldoen aan de eisen van de wet van een niet-Overeenkomstsluitende Staat. Artikel 4 Omtrent de geldigheid van de erkenning is in de artikelen 2 en 3 niets beslist. Artikel 5 Voor elke Overeenkomstsluitende Staat geldt, dat het bepaalde in artikel 1 slechts betrekking heeft op geboorten vallende na de inwerkingtreding van de Overeenkomst. Artikel 6 Deze Overeenkomst dient te worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Zwitserse Bondsraad. Deze doet van elke nederle"},{"i":8767,"b":"Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, de President van de Franse Republiek, de President van Ierland, de President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, de President van de Portugese Republiek, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Overwegende het doel, gesteld door de Europese Raad van Straatsburg van 8/9 december 1989, van harmonisatie van hun asielbeleid; Besloten hebbende, getrouw aan hun gemeenschappelijke humanitaire traditie, vluchtelingen een passende bescherming te garanderen, overeenkomstig de bepalingen van het [Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002), zoals gewijzigd bij het [Protocol van New York](onbekend) van 31 januari 1967, hierna „Verdrag van Genève” respectievelijk „Protocol van New York” genoemd; Overwegende het gemeenschappelijk doel van een ruimte zonder binnengrenzen waarin met name het vrije verkeer van personen gewaarborgd is volgens de bepalingen van het [Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), zoals gewijzigd bij de Europese Akte; Zich bewust van de noodzaak maatregelen te nemen om te voorkomen dat de verwezenlijking van dit doel leidt tot situaties waarin de asielzoeker te lang in het ongewisse blijft over het gevolg dat aan zijn verzoek kan worden gegeven en verlangend aan elke asielzoeker de waarborg te geven dat zijn aanvraag door een van de Lid-Staten wordt behandeld en te vo"},{"i":8770,"b":"Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht De overeenkomstsluitende lidstaten, Overwegende dat samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie op het gebied van octrooien aanzienlijk bijdraagt aan het integratieproces in Europa, in het bijzonder door de totstandbrenging van een interne markt binnen de Europese Unie, die wordt gekenmerkt door het vrije verkeer van goederen en diensten, en de instelling van een systeem dat waarborgt dat de concurrentie op de interne markt niet wordt verstoord; Overwegende dat de gefragmenteerde markt voor octrooien en de aanzienlijke verschillen tussen de nationale rechtspraaksystemen nadelig zijn voor innovatie, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen, die moeilijkheden ondervinden hun octrooirechten te handhaven en zich te verdedigen tegen ongegronde vorderingen en vorderingen betreffende octrooien die nietig verklaard zouden moeten worden; Overwegende dat het [Europees Octrooiverdrag](onbekend) (hierna genoemd „EOV”), dat door alle lidstaten van de Europese Unie is bekrachtigd, in één enkele procedure voor het verlenen van Europese octrooien door het Europees Octrooibureau voorziet; Overwegende dat octrooihouders krachtens Verordening (EU) nr. 1257/20121)Verordening (EU) Nr. 1257/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2012 tot het uitvoering geven aan nauwere samenwerking op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming (**PbEU** L 361 van 31 december 2012, blz. 1), met inbegrip van latere wijzigingen. voor hun Europese octrooien kunnen verzoeken om eenheidswerking teneinde eenheidsoctrooibescherming te verkrijgen in de lidstaten van de Europese Unie die deelnemen aan de nauwere samenwerking; Geleid door de wens de handhaving van octrooien en het verweer tegen ongegronde vorderingen en octrooien die nietig verklaard zouden moeten worden te verbeteren en de rechtszekerheid te vergroten door het instellen van een eengemaakt octrooigerecht voor geschillen over inbreuken op"},{"i":8768,"b":"Overeenkomst betreffende de vrijwillige bijdragen bestemd voor de uitvoering van het project tot het behoud van de tempels van Aboe Simbel Overwegende dat, zoals reeds verscheidene malen door de Algemene Conferentie van de Unesco is verklaard, de monumenten van Aboe Simbel, die worden bedreigd door de bouw van de Assoeandam, die de Verenigde Arabische Republiek heeft ondernomen ter verzekering van de economische ontwikkeling van het land en ter bevordering van het welzijn van haar bevolking, behoren tot het culturele erfdeel van de gehele mensheid, Herinnerende aan de verklaringen van de President van de Verenigde Arabische Republiek betreffende het behoud van dit culturele erfdeel, dat zijn land voor de mensheid in bewaring heeft, Constaterende dat het door de Regering van de Verenigde Arabische Republiek aanvaarde project tot behoud van deze tempels, dat het in gedeelten afbreken daarvan en herbouw op dezelfde plaats, doch op een hoger gelegen niveau, beoogt, nadien is aanbevolen door de verschillende bevoegde technische commissies en de goedkeuring heeft ontvangen van de Uitvoerende Commissie van de Actie tot behoud van de monumenten in Nubië, Verlangende bij te dragen tot het behoud van de monumenten van Aboe Simbel, zodat deze ook door komende generaties kunnen worden bewonderd en op hun juiste waarde geschat, Gehoor gevende aan de te dien einde door de Organisatie voor onderwijs, wetenschap en cultuur van de Verenigde Naties verzonden oproepen tot internationale samenwerking op dit gebied, Zijn de Overeenkomstsluitende Lid-Staten en geassocieerde leden van de Unesco als volgt overeengekomen: Artikel I 1. Ieder der Overeenkomstsluitende Lid-Staten of geassocieerde leden van de Unesco verbindt zich bij te dragen aan de uitvoering van het project tot behoud van de tempels van Aboe Simbel door in het hiertoe door de Directeur-Generaal van de Organisatie voor onderwijs, wetenschap en cultuur van de Verenigde Naties, hierna te noemen „de Directeur-Generaal”, ingeste"},{"i":8769,"b":"Overeenkomst betreffende de wederzijdse geheimhouding van uitvindingen die voor de verdediging van belang zijn en waarvoor octrooiaanvragen zijn ingediend De Regeringen van België, Canada, Denemarken, Frankrijk, de Bondsrepubliek Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Portugal, Turkije, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika, Partij bij het op 4 april 1949 te Washington gesloten [Noordatlantische Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760); Verlangende de economische samenwerking tussen enige of alle Partijen te bevorderen, zoals overeengekomen in [artikel 2 van het verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760&artikel=2); Gelet op de wederzijdse verplichting die zij ingevolge het bepaalde in [artikel 3 van het verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760&artikel=3) op zich hebben genomen, hun individueel en collectief1)[Red: In de Franse tekst ontbreken de woorden „en collectief”.] vermogen om een gewapende aanval te weerstaan, door zichzelf voortdurend en op doelmatige wijze te versterken en elkander hulp te verlenen2)[Red: In de Engelse tekst ontbreken de woorden „en elkander hulp te verlenen”.], te handhaven en te ontwikkelen; Overwegende dat de omstandigheid dat een uitvinding die van belang is voor de verdediging en het onderwerp van een octrooiaanvrage of verleend octrooi uitmaakt, aan geheimhouding wordt onderworpen, gewoonlijk het verbod meebrengt om voor dezelfde uitvinding een octrooiaanvrage in te dienen in andere landen, de landen van de NAVO daaronder begrepen; Overwegende dat de uit dit verbod voortvloeiende beperking van het grondgebied waarbinnen uitvindingen beschermd worden, de aanvragers om octrooi kan schaden en dientengevolge aan de economische samenwerking van de landen van de NAVO afbreuk kan doen; Overwegende dat de wederzijdse bijstand de mededeling van de uitvindingen die voor de verdediging van belang zijn, over en weer wenselijk maakt en dat een dergelijke"},{"i":8771,"b":"Overeenkomst betreffende het geven van gelegenheid aan schepelingen ter koopvaardij om zich voor geslachtsziekten te doen behandelen De President der Argentijnsche Republiek, Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Republiek Cuba, Zijne Majesteit de Koning van Denemarken en van IJsland, de President van de Finsche Republiek, de President van de Fransche Republiek, Zijne Majesteit de Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland en van de Britsche Overzeesche Gebieden, Keizer van Indië, de President van de Grieksche Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Italië, Zijne Doorluchtige Hoogheid de Prins van Monaco, de President van de Republiek Peru, Zijne Majesteit de Koning van Roemenië, Zijne Majesteit de Koning van Zweden, den tijd gekomen achtende voor een gemeenschappelijk optreden om aan de schepelingen ter koopvaardij de gewenschte gelegenheid te geven zich voor geslachtsziekten te doen behandelen, hebben besloten tot dat doel een overeenkomst te sluiten en hebben tot gevolmachtigden benoemd, te weten: De President van de Argentijnsche Republiek: den Heer A. BLANCAS, Zijn Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning der Belgen; Zijne Majesteit de Koning der Belgen: den Heer HYMANS, Hoogstdeszelfs Minister van Buitenlandsche Zaken; De President van de Republiek Cuba: den Heer LUIS R. DE MIRANDA Y DE LA RUA, Zijn Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning der Belgen; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken en van IJsland: den Heer OTTO KRAG, Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning der Belgen; De President van de Finsche Republiek: den Heer YRJÖ SAASTAMOINEN, Zaakgelastigde van Finland bij Zijne Majesteit den Koning der Belgen; De President der Fransche Republiek: den Heer MAURICE HERBETTE, Ambassadeur van de Fransche Republiek bij Zijne Majesteit den Koning der Belgen; Zijne Majesteit de Koning van het Vereen"},{"i":8772,"b":"Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds De Regeringen namens welke deze Overeenkomst getekend is, komen overeen als volgt: De Engelse tekst van de Overeenkomst is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. 1945/F 318. De vertaling is gepubliceerd in Stb. 1945/F 318. De Overeenkomst is in werking getreden op 27 december 1945, zie Trb. 1956/153. De Overeenkomst is gewijzigd volgens Trb. 1968/106. artikel Inleidend (i). Het Internationale Monetaire Fonds is opgericht en handelt in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst zoals oorspronkelijk vastgesteld en later gewijzigd. (ii). Ten einde het Fonds in staat te stellen tot zijn verrichtingen en transacties houdt het Fonds een Algemene Afdeling en een Bijzondere Trekkingsrechtenafdeling in stand. Het lidmaatschap van het Fonds verleent het recht tot deelneming in de Bijzondere Trekkingsrechtenafdeling. (iii). De ingevolge deze Overeenkomst toegestane verrichtingen en transacties lopen via de Algemene Afdeling, die, in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst, bestaat uit de Algemene Middelenrekening, de Bijzondere Aanwendingsrekening en de Investeringsrekening, met dien verstande dat verrichtingen en transacties betreffende bijzondere trekkingsrechten via de Bijzondere Trekkingsrechtenafdeling lopen. Artikel I. Doelstellingen De doelstellingen van het Internationale Monetaire Fonds zijn: - (i). Het bevorderen van internationale samenwerking op monetair gebied door een permanente instelling, die het apparaat voor overleg en samenwerking inzake internationale monetaire problemen verschaft. - (ii). Het vergemakkelijken van de uitbreiding en de evenwichtige groei van de internationale handel en daardoor het bijdragen tot de bevordering en instandhouding van een hoog niveau van werkgelegenheid en van reëel inkomen, alsmede tot de ontwikkeling van de produktieve middelen van alle leden: dit zijn de voornaamste doelstellingen van het economische beleid. - (iii). Het bevorderen van koer"},{"i":8775,"b":"Overeenkomst betreffende maïs, sorgho, tarwe van doorsnee-kwaliteit, rijst en pluimvee DONE at Geneva this seventh day of March 1962, in the English and French languages, both authentic."},{"i":8793,"b":"Overeenkomst inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Venezuela hierna aangeduid als de Overeenkomstsluitende Partijen, geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door onderdanen van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreft, in het besef dat overeenstemming omtrent de aan zulke investeringen toe te kennen behandeling, het kapitaalverkeer en de uitwisseling van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Bij de ondertekening van deze Overeenkomst inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela hebben de gemachtigde vertegenwoordigers van beide Overeenkomstsluitende Partijen overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen, die een integrerend deel van deze Overeenkomst vormen: 1. Ad artikel 1, letter b, iii: Een Overeenkomstsluitende Partij kan verlangen dat de in artikel 1, letter b, onder iii, bedoelde rechtspersonen bewijs overleggen van dat toezicht ten einde de in de bepalingen van deze Overeenkomst voorziene voordelen te kunnen genieten. Als aanvaardbaar bewijs kan bijvoorbeeld worden beschouwd: - a. dat de rechtspersoon een dochteronde"},{"i":8801,"b":"Overeenkomst inzake de internationale uitwisseling van publikaties De Algemene Vergadering van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, van 4 november tot 5 december 1958 te Parijs bijeengekomen voor haar tiende zitting, Ervan overtuigd dat voor een vrije uitwisseling van gedachten en kennis tussen de volken van de wereld uitbreiding van de internationale uitwisseling van publikaties onontbeerlijk is, Overwegende het belang dat het [Statuut van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003155) aan de internationale uitwisseling van publikaties hecht, Gezien de behoefte aan een nieuwe internationale overeenkomst inzake de uitwisseling van publikaties, Kennis genomen hebbende van de voorstellen inzake de internationale uitwisseling van publikaties, welk onderwerp punt 15.4.1 van de agenda van de zitting vormt, Besloten hebbende, tijdens haar negende zitting, dat deze voorstellen internationaal geregeld zouden dienen te worden door aanvaarding van een internationale overeenkomst, Aanvaardt heden, de derde december 1958, deze Overeenkomst. Artikel 1. Uitwisseling van publikaties De Overeenkomstsluitende Staten verbinden zich ertoe, overeenkomstig het bepaalde in deze Overeenkomst, de uitwisseling van publikaties zowel tussen gouvernementele organen als niet-gouvernementele instellingen van opvoedkundige, wetenschappelijke en technische of culturele aard, die het maken van geldelijk gewin niet beogen, aan te moedigen en te bevorderen. Artikel 2. Werkingssfeer 1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst kunnen de volgende publikaties in aanmerking komen voor uitwisseling, voor eigen gebruik, niet voor wederverkoop, tussen de organen en instellingen bedoeld in artikel 1 van deze Overeenkomst: - a). publikaties van opvoedkundige, juridische, wetenschappelijke en technische, culturele en voorlichtende aard, zoals boeken, kranten en tijdschriften, kaarten en plattegrond"},{"i":8820,"b":"Overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie Whereas [Article XV.C of the Statute of the International Atomic Energy Agency](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004777&artikel=XV) provides that the legal capacity, privileges and immunities referred to in that Article shall be defined in a separate agreement or agreements between the Agency, represented for this purpose by the Director General acting under the instructions of the Board of Governors, and the Members; Whereas an Agreement Governing the Relationship between the Agency and the United Nations has been adopted in accordance with [Article XVI of the Statute](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004777&artikel=XVI); and Whereas the General Assembly of the United Nations, contemplating the unification as far as possible of the privileges and immunities enjoyed by the United Nations and by the various agencies brought into relationship with the United Nations, has adopted the Convention on the Privileges and Immunities of the Specialized Agencies, and a number of Members of the United Nations have acceded thereto; The Board of Governors Has approved, without committing the Governments represented on the Board, the text below, which in general follows the Convention on the Privileges and Immunities of the Specialized Agencies; and Invites the Members of the Agency to consider and, if they see fit, to accept this Agreement. Article I. Definitions **Section 1** In this Agreement: - (i). The expression “the Agency” means the International Atomic Energy Agency; - (ii). For the purposes of Article III, the words “property and assets” shall also include property and funds in the custody of the Agency or administered by the Agency in furtherance of its statutory functions; - (iii). For the purposes of Articles V and VIII, the expression “representatives of Members” shall be deemed to include all Governors, representatives, alternates, advisers, technic"},{"i":2617,"b":"Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken van 30 november 2016, nr. WJZ/16138270, houdende vaststelling van de beleidsregels omtrent het omzetten van S&O-verklaringen (Beleidsregels omzetten S&O-verklaringen) Gelet op [artikel 30, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=30); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Economische Zaken; - **omzettingsverzoek:** verzoek om één of meer S&O-verklaringen die op naam van de overdragende S&O-inhoudingsplichtige zijn afgegeven, over te dragen aan een overnemende S&O-inhoudingsplichtige; - **overdragende S&O-inhoudingsplichtige:** S&O-inhoudingsplichtige wiens S&O-verklaring wordt overgedragen; - **overnemende S&O-inhoudingsplichtige:** S&O-inhoudingsplichtige die het verzoek doet om een S&O-verklaring overgedragen te krijgen; - **wet:** [Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746). Artikel 2 1. Een overnemende S&O-inhoudingsplichtige kan met een beroep op [artikel 30, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=30) juncto [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63) een omzettingsverzoek indienen bij de minister. 2. Een omzettingsverzoek heeft betrekking op de overdracht van de gehele S&O-verklaring. Artikel 3 De minister kan een omzettingsverzoek goedkeuren indien: - a. sinds het tijdstip van afgifte van de S&O-verklaring niet meer dan vijf jaren zijn verstreken; - b. de S&O-verklaring betrekking heeft op een periode vallende binnen het kalenderjaar 2016 of later; - c. er sprake is van: - 1.°. een overgang onder algemene titel, zoals een fusie als bedoeld in [artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=30"},{"i":8832,"b":"Overeenkomst inzake gecentraliseerde vrijmaking, betreffende de toewijzing van de nationale inningskosten die worden ingehouden wanneer de traditionele eigen middelen ter beschikking van de EU-begroting worden gesteld De overeenkomstsluitende partijen, lidstaten van de Europese Unie: Gelet op [Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003144) (hierna „het besluit” te noemen), Gelet op Verordening van de Raad (EG/Euratom) nr. 1150/2000 van 22 mei 2000 houdende toepassing van het bovengenoemde besluit betreffende het stelsel van eigen middelen (hierna „de verordening” te noemen), Overwegende dat de gecentraliseerde vrijmaking en andere vereenvoudigingen van douaneformaliteiten in de zin van [Verordening (EG) nr. 450/2008](32008R0450) van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna „het gemoderniseerde douanewetboek” te noemen) kan bijdragen aan het scheppen van gunstige voorwaarden voor het handelsverkeer, Overwegende dat, zolang het gemoderniseerde douanewetboek nog niet van toepassing is, deze voordelen worden geboden door de grensoverschrijdende vergunning in de zin van artikel 1, punt 13, van [Verordening (EG) nr. 2454/93](31993R2454) van de Commissie, Gezien de verklaring van de Raad van 25 juni 2007 over het delen van de kosten van de inning van rechten, over btw en over statistiek in het kader van het systeem van gecentraliseerde vrijmaking, en de verklaring van de Raad en de Commissie van 25 juni 2007 over de evaluatie van de werking van het systeem van gecentraliseerde vrijmaking, Met inachtneming van de artikelen 17 en 120 van het gemoderniseerde douanewetboek waarin, respectievelijk, de geldigheid van de door douaneautoriteiten genomen beslissingen in de gehele Gemeenschap wordt erkend, en de bewijskracht van de resultaten van verificaties op het gehele grondgeb"},{"i":8864,"b":"Overeenkomst nopens verschillende vraagstukken betreffende het stelsel toepasselijk op de Rijnvaart België, Frankrijk en Nederland, Vervuld met den wensch, voor zoover hen betreft, het stelsel, van toepassing op de scheepvaart op den Rijn en op de aangrenzende wateren, bedoeld in de Overeenkomst van Mannheim van 17 October 1868, op bepaalde punten nauwkeuriger te omschrijven en aan te vullen, zonder evenwel inbreuk te maken op het beginsel van samenwerking tusschen alle Staten, die, evenals zijzelven, geroepen zijn, deel uit te maken van de gemeenschap van den Rijn, zijn omtrent de navolgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 Goederen, welke over den Rijn Straatsburg bereiken dan wel verlaten, kunnen, om te worden aangemerkt als zijnde rechtstreeks vervoerd in den zin van de Fransche wetgeving, zonder onderscheid worden overgeladen, met of zonder opslag in entrepôt, in de Belgische havens Antwerpen en Gent en in de Nederlandsche havens Amsterdam, Dordrecht en Rotterdam met inbegrip van Vlaardingen, Schiedam en Hoek van Holland. De documenten, welke moeten worden overgelegd om de voordeelen te genieten van bovenbedoelde regeling, worden bepaald door de Fransche wetgeving. Alle faciliteiten, welke door Frankrijk mochten worden verleend aan goederen, welke in doorvoer worden vervoerd door een der havens bedoeld in het eerste lid, zullen worden uitgebreid tot alle andere havens genoemd in dat lid. Artikel 2 De in artikel 1 vastgestelde regeling zal, voor wat betreft de goederen, welke in doorvoer worden vervoerd door de Nederlandsche havens, worden toegepast: - a). op den dag van inwerkingtreding van deze overeenkomst, op goederen afkomstig uit de Nederlandsche overzeesche gebiedsdeelen; - b). een jaar na dien dag op goederen afkomstig van, of bestemd voor de Fransche havens (met inbegrip van de Algerijnsche havens); - c). twee en een half jaar na dienzelfden dag op goederen afkomstig van, of bestemd voor de Fransche koloniën en protectoraten; - d). vier jaar na den"},{"i":8882,"b":"Overeenkomst ter uitvoering van artikel 45, eerste lid, van de Aanvullende Overeenkomst van 3 augustus 1959, zoals gewijzigd bij de Overeenkomsten van 21 oktober 1971, 18 mei 1981 en 18 maart 1993, bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten Ter uitvoering van artikel 45, eerste lid, van de Aanvullende Overeenkomst van 3 augustus 1959, zoals gewijzigd bij de Overeenkomsten van 21 oktober 1971, 18 mei 1981 en 18 maart 1993, bij het Verdrag tussen de Staten die Partij zijn bij het Noordatlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten (hierna te noemen de „Aanvullende Overeenkomst\"), zijn het Koninkrijk België, Canada, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en de Verenigde Staten van Noord-Amerika het volgende overeengekomen: DEEL I. Procedure voor de indiening van jaarprogramma's voor manoeuvres en andere oefeningen Artikel 1 1. De autoriteiten van een krijgsmacht dienen bij de Bondsminister van Defensie, met afschriften aan de desbetreffende Military District Commands voor de coördinering qua plaats en tijd, uiterlijk 1 april van elk kalenderjaar hun jaarprogramma's voor manoeuvres en andere oefeningen voor het volgende kalenderjaar in, waaraan eenheden deelnemen met een sterkte van ten minste een brigade in geval van tactische oefeningen met troepen, of van meer dan 1500 manschappen in geval van tactische oefeningen zonder troepen. Er dient naar te worden gestreefd in de jaarprogramma's manoeuvres en andere oefeningen op te nemen van eenheden met een sterkte van ten minste een bataljon/regiment in geval van tactische oefeningen met troepen, of van ten hoogste 1500 manschappen in geval van tactische oefeningen zo"},{"i":8889,"b":"Overeenkomst tot instelling van de Europese Conferentie inzake Moleculaire Biologie De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst, Zich bewust van de belangrijke rol van de moleculaire biologie in de vooruitgang van de wetenschap en het welzijn van de mensheid; Overwegende dat zich de noodzaak doet gevoelen de op dit gebied reeds bestaande internationale samenwerking, door middel van intergouvernementele maatregelen, te voltooien en te intensiveren; Verlangende binnen Europa tot samenwerking te komen op het terrein der moleculaire biologie, met de bedoeling activiteiten te bevorderen die, uit wetenschappelijk oogpunt, van bijzondere waarde zijn; Gelet op de aanvaarding door de Europese Organisatie inzake Moleculaire Biologie (hierna te noemen de „EMBO”) van de bepalingen van deze Overeenkomst, voor zover deze op haarzelf betrekking hebben; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I. Instelling van de Conferentie Hierbij wordt een Europese Conferentie inzake Moleculaire Biologie, hierna te noemen „de Conferentie”, ingesteld. Artikel II. Doelstellingen 1. De Conferentie brengt tussen Europese Staten samenwerking tot stand bij het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek zowel op het gebied van de moleculaire biologie als op andere daarmede nauw verband houdende terreinen van onderzoek. 2. Het onder verantwoordelijkheid van de Conferentie uit te voeren Algemene Programma omvat in de eerste plaats: - (a). het voorzien in de behoefte aan beurzen voor opleiding, onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; - (b). het verlenen van bijstand aan universiteiten en andere instellingen van hoger onderwijs die gasthoogleraren willen ontvangen; - (c). het vaststellen van cursusprogramma's, alsmede het organiseren van studiebijeenkomsten, gecoördineerd met de programma's van universiteiten en andere instellingen van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. De uitvoering van het Algemene Programma wordt door de Conferentie toevertrouwd aan de EMBO. Het Algemene Programma, of de wi"},{"i":8901,"b":"Overeenkomst tot oprichting van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds De Staten die bij deze Overeenkomst partij zijn en de Afrikaanse Ontwikkelingsbank zijn overeengekomen hierbij het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds op te richten, waarop de onderstaande bepalingen van toepassing zijn: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 (1). Overal waar de onderstaande uitdrukkingen in deze Overeenkomst worden gebezigd, wordt daaraan de hieronder aangegeven betekenis gehecht, tenzij uit het zinsverband duidelijk blijkt of het zinsverband vereist dat een andere betekenis aan deze termen moet worden toegekend: - „Fonds”, het bij deze Overeenkomst opgerichte Afrikaanse Ontwikkelingsfonds; - „Bank”, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank; - „lid”, een lid van de Bank; - „deelnemer”, de Bank en elke Staat die partij wordt bij deze Overeenkomst; - „deelnemende Staat”, een andere deelnemer dan de Bank; - „oorspronkelijk deelnemer”, de Bank en elke deelnemende Staat die deelnemer wordt krachtens artikel 57, eerste lid; - „bijdrage”, de bedragen waarvoor de deelnemers krachtens de artikelen 5, 6 of 7 hebben ingeschreven; - „rekeneenheid”, een rekeneenheid met een waarde van 0,81851265 gram fijn goud; - „vrij inwisselbare valuta”, de valuta van een deelnemer ten aanzien waarvan het Fonds na overleg met het Internationale Monetaire Fonds bepaalt dat deze, wat betreft de werkzaamheden van het Fonds, voldoet aan de voorwaarden voor vrije inwisselbaarheid in andere valuta’s; - „President”, „Raad van Bestuur” en „ College van Bewindvoerders”, onderscheidelijk de President, de Raad van Bestuur en het College van Bewindvoerders van het Fonds en, wat de bestuurders en de bewindvoerders betreft, mede de plaatsvervangende bestuurders en plaatsvervangende bewindvoerders wanneer deze als bestuurders onderscheidenlijk bewindvoerders optreden; - „regionaal”, deel uitmakend van het Afrikaanse vasteland of de Afrikaanse eilanden. (2). De vermelding van Hoofdstukken, artikelen, leden en bijlagen heeft betrekking"},{"i":8902,"b":"Overeenkomst tot oprichting van het Europees Centrum voor weersvoorspellingen op middellange termijn De verdragsluitende Staten in deze conventie Erkennend dat aan weer gebonden bedreigingen voor leven en gezondheid, en voor economie en eigendom in toenemende mate van belang zijn; Ervan overtuigd dat de verbetering van weersvoorspellingen op middellange termijn bijdraagt aan de bescherming en veiligheid van de bevolking; Er voorts van overtuigd dat het hiertoe uitgevoerde wetenschappelijke en technische onderzoek een waardevolle stimulans levert voor de ontwikkeling van de meteorologie in Europa; Overwegende dat het ter verwezenlijking van dit doel en deze doelstellingen noodzakelijk is middelen aan te wenden op een schaal die ver uitgaat boven wat normaal op nationaal niveau praktisch is om dit doel en deze doelstellingen te bereiken; Het belang opmerkend voor de Europese economie van een aanzienlijke verbetering in weersvoorspellingen op middellange termijn; Opnieuw bevestigend dat de vestiging van een autonoom Europees centrum met internationale status de passende manier is om dit doel en deze doelstellingen te bereiken; Overtuigd dat een dergelijk centrum waardevolle bijdragen kan leveren voor de ontwikkeling van de wetenschappelijke basis voor milieubewaking; Opmerkend dat een dergelijk centrum tevens kan helpen met de postuniversitaire training van wetenschappers; Verzekerend dat de activiteiten van een dergelijk centrum bovendien een noodzakelijke bijdrage zullen vormen voor bepaalde programma’s van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) en andere aardobservatieprogramma’s van ruimtevaartorganisaties; Overwegende het belang dat de oprichting van een dergelijk centrum kan hebben voor de ontwikkeling van de Europese industrie op het gebied van gegevensverwerking; De bereidheid realiserend om het lidmaatschap van een dergelijk centrum tot meer Staten uit te breiden; komen het volgende overeen: Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geh"},{"i":8903,"b":"Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie Het Koninkrijk Denemarken De Bondsrepubliek Duitsland De Franse Republiek De Staat Israël De Italiaanse Republiek Het Koninkrijk der Nederlanden De Republiek Oostenrijk Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland Het Koninkrijk Zweden De Zwitserse Bondsstaat, partijen bij de [Overeenkomst tot instelling van de Europese Conferentie inzake Moleculaire Biologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004298) (hierna te noemen „ECMB”), ondertekend te Genève op 13 februari 1969; Overwegende dat de bestaande internationale samenwerking op het gebied van de moleculaire biologie uitgebreid dient te worden door de oprichting van een Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie en gelet op de hiertoe strekkende voorstellen ingediend door de Europese Organisatie inzake Moleculaire Biologie (hierna te noemen „EMBO”); Gelet op het besluit van 28 juni 1972 waarbij de ECMB haar goedkeuring heeft gehecht aan het plan voor een zodanig Laboratorium overeenkomstig het [derde lid van artikel II van genoemde Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004298&artikel=II), krachtens hetwelk Bijzondere Projecten kunnen worden uitgevoerd; Geleid door de wens de voorwaarden en bedingen waaronder het Laboratorium wordt opgericht en geëxploiteerd zodanig vast te leggen dat enige wijziging in de [Overeenkomst tot instelling van de ECMB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004298) daarop niet van invloed kan zijn; Gelet op de aanvaarding door de ECMB van de bepalingen in deze Overeenkomst voor zover deze op haar zelf betrekking hebben; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Oprichting van het Laboratorium 1. Hierbij wordt een Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie opgericht (hierna te noemen „het Laboratorium”) als een intergouvernementele instelling. 2. De zetel van het Laboratorium is gevestigd te Heidelberg in de Bondsrepubliek Duitsland. Artikel II. Doeleinde"},{"i":8916,"b":"Overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en de Republiek Kazachstan betreffende de terug- en overname Het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, die krachtens de bepalingen van de op 11 april 1960 gesloten [Benelux-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246) gemeenschappelijk optreden (de Benelux-Staten) en de Republiek Kazachstan, hierna genoemd „de Partijen”, Ernaar strevend hun gezamenlijke wens strekkende tot het efficiënt bestrijden van de illegale immigratie van hun respectieve onderdanen alsmede van de onderdanen van een derde Staat te herbevestigen, Ernaar strevend de samenwerking tussen de Partijen te bevorderen en, op basis van wederkerigheid, de terug- en overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied van een andere Partij zijn binnengekomen en/of verblijven, en de doorgeleiding van te verwijderen personen overeenkomstig de internationaalrechtelijke normen te vergemakkelijken, Ernaar strevend een verplichting tot overname van de onderdanen van een derde Staat tussen de Partijen tot stand te brengen, onder de voorwaarden in deze Overeenkomst genoemd, Bezorgd dat deze terug- en overname snel en veilig moet plaatsvinden, volgens procedures die de menselijke waardigheid waarborgen, Erkennend dat het noodzakelijk is de rechten en vrijheden van de mens in acht te nemen en erop wijzend dat deze Overeenkomst geen afbreuk doet aan de rechten en verplichtingen van de Partijen die voortvloeien uit de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](onbekend) (UVRM) van 10 december 1948 en het internationaal recht, met name uit het [Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen](onbekend), als gewijzigd bij het [Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen](onbekend), het [Verdrag van 28 september 1954 betreffende de status van staatlozen](onbekend), het [Intern"},{"i":8904,"b":"Overeenkomst tot oprichting van het Multilaterale Agentschap voor Investeringsgaranties De Overeenkomstsluitende Staten, Gezien de noodzaak de internationale samenwerking op het gebied van de economische ontwikkeling te versterken en de bijdrage van buitenlandse investeringen in het algemeen en van particuliere buitenlandse investeringen in het bijzonder tot deze ontwikkeling te stimuleren; Erkennend dat de toestroming van buitenlandse investeringen naar de ontwikkelingslanden zou worden vergemakkelijkt en verder bevorderd door vermindering van de zorgen met betrekking tot niet-commerciële risico's; Ernaar strevend de toestroming van kapitaal en technologie voor produktiedoeleinden naar de ontwikkelingslanden te vergroten op voorwaarden die verenigbaar zijn met hun behoeften, beleid en doeleinden met betrekking tot hun ontwikkeling, en op de grondslag van billijke en vaste normen voor de behandeling van buitenlandse investeringen; Ervan overtuigd dat het Multilaterale Agentschap voor Investeringsgaranties een belangrijke rol kan spelen bij het bevorderen van buitenlandse investeringen, daarbij programma's voor nationale en regionale investeringsgaranties en particuliere verzekeraars van niet-commerciële risico's aanvullend; en Beseffend dat dit Agentschap zoveel mogelijk aan zijn verplichtingen dient te voldoen zonder gebruikmaking van zijn niet-volgestorte kapitaal en dat het daartoe nodig is de investeringsvoorwaarden verder te verbeteren; Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I. OPRICHTING, STATUS, DOELEINDEN EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1. Oprichting en status van het Agentschap (a). Hierbij wordt het Multilaterale Agentschap voor Investeringsgaranties opgericht (hierna te noemen: „het Agentschap”) (b). Het Agentschap heeft volledige rechtspersoonlijkheid en is, in het bijzonder, bevoegd: - (i). overeenkomsten te sluiten; - (ii). roerende en onroerende goederen te kopen en te verkopen; en - (iii). gerechtelijke procedures aan te spannen. Artikel 2. Doelei"},{"i":8917,"b":"Overeenkomst tussen de Beneluxlanden en de Republiek Korea inzake de afschaffing van de visumplicht De Regeringen van de Beneluxlanden, gezamenlijk optredend op grond van de op 11 april 1960 te Brussel ondertekende [Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246), en de Regering van de Republiek Korea, Verlangende, de formaliteiten met betrekking tot het reisverkeer van hun onderscheiden onderdanen verder te vereenvoudigen en aan te passen aan de situatie die is ontstaan door de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt verstaan: onder „Beneluxlanden”: het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; onder „Beneluxgebied”: de gezamenlijke grondgebieden in Europa van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel 2 Onderdanen van de Beneluxlanden die in het bezit zijn van een geldig nationaal paspoort mogen ongeacht de plaats van vertrek voor een verblijf van ten hoogste drie maanden zonder visum de Republiek Korea binnenkomen. Er wordt geen zekerheidstelling geëist en het geldige nationale paspoort is ook voor hun vertrek uit dat land het enige vereiste document. Artikel 3 Onderdanen van de Republiek Korea die in het bezit zijn van een geldig nationaal paspoort mogen ongeacht de plaats van vertrek voor een verblijf van ten hoogste drie maanden zonder visum het Beneluxgebied binnenkomen. Er wordt geen zekerheidstelling geëist en het geldige nationale paspoort is ook voor hun vertrek uit dat gebied het enige vereiste document. Artikel 4 Voor een verblijf van meer dan drie maanden dienen de onder de bepalingen van deze Overeenkomst vallende personen daartoe vóór hun vertrek, door tuss"},{"i":8907,"b":"Overeenkomst tot uitbreiding van de bevoegdheid van de autoriteiten belast met de registratie van de erkenning van onwettige kinderen De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat en de Turkse Republiek, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, verlangende om aan de onderdanen van hun onderscheiden staten de gelegenheid te geven onwettige kinderen te erkennen op het gebied van de andere Overeenkomstsluitende Staten op dezelfde wijze als zij het zouden kunnen doen op het gebied van hun eigen staat, en daardoor zulke erkenningen te vergemakkelijken, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt de verklaring waarbij een persoon te kennen geeft de vader van een onwettig kind te zijn, aangeduid met de woorden „erkenning met familierechtelijk gevolg” of met de woorden „erkenning zonder familierechtelijk gevolg”, naar gelang deze verklaring al dan niet de strekking heeft om een familierechtelijke betrekking te leggen tussen degene die de verklaring aflegt en het onwettig kind waarop de verklaring betrekking heeft. Artikel 2 In het gebied van de Overeenkomstsluitende Staten welker wetgeving slechts erkenning zonder familierechtelijk gevolg kent, worden de onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Staten welker wetgeving erkenning met familierechtelijk gevolg kent, tot erkenning met familierechtelijk gevolg toegelaten. Artikel 3 In het gebied van de Overeenkomstsluitende Staten welker wetgeving slechts erkenning met familierechtelijk gevolg kent, worden de onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Staten welker wetgeving erkenning zonder familierechtelijk gevolg kent, tot erkenning zonder familierechtelijk gevolg toegelaten. Artikel 4 Van de verklaringen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 worden door de ambtenaar"},{"i":8908,"b":"Overeenkomst tot vrijstelling van legalisatie voor bepaalde akten en documenten De Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend en die lid zijn van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, verlangend tussen de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst, voor bepaalde akten of documenten vrijstelling te verlenen van legalisatie of soortgelijke formaliteiten, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt onder legalisatie uitsluitend verstaan de formaliteit waarbij een bevestigende verklaring wordt afgegeven omtrent de echtheid van de handtekening op een akte of document, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van de akte of het document heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de identiteit van het zegel of het stempel op de akte of het document. Artikel 2 Elke Overeenkomstsluitende Staat aanvaardt zonder legalisatie of soortgelijke formaliteit: - 1. de akten en documenten betreffende de burgerlijke stand, de handelingsbevoegdheid of de familierechtelijke status van natuurlijke personen, hun nationaliteit, hun woon- of verblijfplaats, ongeacht voor welk gebruik zij zijn bestemd, - 2. alle andere akten en documenten, wanneer deze worden overgelegd ten behoeve van de voltrekking van het huwelijk of het opmaken van een akte van de burgerlijke stand, op voorwaarde dat deze zijn voorzien van datum en handtekening en, in voorkomend geval, van het zegel of stempel van de autoriteit van een andere Overeenkomstsluitende Staat die deze heeft afgegeven. Artikel 3 Wanneer een akte of een document zoals bedoeld in artikel 2 niet is toegezonden langs diplomatieke weg of langs een andere officiële weg, kan de autoriteit waaraan deze akte of dit document wordt aangeboden, in geval van ernstige twijfel ten aanzien van de echtheid van de handtekening, of de identiteit van het zegel of het stempel, dan wel de hoedanigheid van de ondertekenaar, het desbetreffende stuk doen onderzoeken door de autoriteit die dit heeft afgegeven. Artikel 4 Om een"},{"i":8926,"b":"Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Raad van Europa betreffende het uitreiken aan militaire en burger-oorlogsinvaliden van een internationaal bonboekje voor het herstellen van prothesen en orthopedische apparaten De ondertekenende Regeringen van de Lid-Staten van de Raad van Europa, Overwegende, dat verbeteringen in de verstrekking van prothesen en orthopedische apparaten een belangrijk aspect vormen van de sociale vooruitgang in de Lid-Staten, welke volgens de [preambule](onbekend) en [artikel 1 van het Statuut van de Raad van Europa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005506&artikel=1) een van de belangrijkste doelstellingen van de Raad is; Gelet op het beginsel van gelijkheid op sociaal en medisch gebied tussen onderdanen van verschillende Lid-Staten, hetgeen reeds heeft geleid tot de voorbereiding van de Interim-Overeenkomsten betreffende sociale zekerheid, het [Europese Verdrag betreffende sociale en medische bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005096), alsook van de [Overeenkomst betreffende de uitwisseling van oorlogsverminkten ten behoeve van medische behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005100); Verlangende alle oorlogsinvaliden, voor zover dezen ressorteren onder de bevoegde instanties in de Lid-Staten, in de gelegenheid te stellen, prothesen of orthopedische apparaten kosteloos te doen herstellen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Er wordt een internationaal bonboekje ingesteld voor het herstellen van prothesen en orthopedische apparaten, dat uitsluitend aan militaire en burgerlijke oorlogsinvaliden zal worden uitgereikt. 2. Het boekje zal overeenkomstig de Voorschriften, vervat in de bijlage bij deze Overeenkomst, worden uitgereikt en gebruikt. Artikel 2 Elk der Overeenkomstsluitende Partijen verbindt zich de geldigheid van het boekje over haar gehele gebied te doen uitstrekken, zowel ten aanzien van de overheidsorganen als de particuliere ondernemingen waarmede zij contracten heeft aangegaan. Artik"},{"i":6357,"b":"Wijziging normbedragen exploitatiebijdragen standplaatsen woonwagens en toepassing subsidieafbraakpercentage Geacht bestuur/college, 1. Herziening normbedragen standplaatsen Jaarlijks worden de subsidiebijdragen in de constante en variabele exploitatiekosten van standplaatsen op voet van de Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens 1992 aangepast aan opgetreden prijswijzigingen. In artikel 1 van bijgaande regeling zijn de bedragen voor 2002 vastgelegd. De regeling is van belang voor die gemeenten die geen gebruik hebben gemaakt van de [Regeling afkoop geldelijke steun woonwagens en standplaatsen](onbekend) (brutering). 2. Continuering subsidieafbraakpercentage Voor de periode van 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 wordt bij de berekening van de jaarlijkse bijdragen voor huurwoonwagens en standplaatsen uitgegaan van een subsidieafbraakpercentage van 3,8, zoals U reeds is aangekondigd in [MG 2002-02](onbekend) van 28 januari 2002. In artikel 2 van bijgaande regeling is dit vastgelegd. 3. Inlichtingen Voor nadere informatie naar aanleiding van deze circulaire kunt U zich wenden tot de afdeling Uitvoering van de Directie IBS van het DG Wonen te Den Haag, telefoonnummer 070-3392207."},{"i":7528,"b":"Besluit van 17 juli 2012 tot vaststelling van de procedure voor verlenging van vergunningen als bedoeld in artikel 20.2 van de Telecommunicatiewet ten behoeve van de continuïteit van dienstverlening (Besluit continuïteit mobiele telecommunicatiedienstverlening) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 9 mei 2012, nr. WJZ/12046260; Gelet op de [artikelen 3.3, negende en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3), [3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.5) en [18.12 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=18.12) en [artikel 20.2 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.2) juncto artikel 13k van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 31 mei 2012, nr. W15.12.0158/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 16 juli 2012, nr. WJZ/12078478; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Verlenging ten behoeve van de continuïteit van dienstverlening Artikel 1 1. Indien zich rondom een procedure van vergunningverlening omstandigheden voordoen die dat naar het oordeel van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie nodig maken, kan Onze Minister besluiten dat een vergunning als bedoeld in [artikel 20.2 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.2) voor een door Onze Minister te bepalen termijn kan worden verlengd om te voorkomen dat de continuïteit van de dienstverlening in gevaar kan komen. 2. In het geval een vergunning wordt verlengd kunnen de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen worden gewijzigd en kunnen nieuwe voorschriften en beperkingen aan de vergunning worden toegevoegd, waaronder het voorschrift bedoeld in [artikel 16, derde lid, van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":18115,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden Code-archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965–1974 (2.05.313) Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het besluit van: [de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 juli 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026113) (Staatscourant 2009, nr. 10840) houdende de beperking op de openbaarheid. Besluit: Artikel 1 De openbaarheid van de in de bijlage bij dit besluit genoemde archiefbescheiden, geborgen onder de inventarisnummers van het Code-archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (1965–1974), nummer archiefinventaris 2.05.313, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot maximaal 1 januari van het jaar vermeld in de tweede kolom van de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De algemene rijksarchivaris stelt de inventarisnummers genoemd in de bijlage beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 3 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden vóór dat datum dat de openbaarheidsbeperking conform de bijlage bij dit besluit vervalt, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefbescheiden gesteld zijn, opgeheven. Dit is van toepassing voor zover de archiefbescheiden een persoonsdossier betreffen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. bij het Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in het Code-archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965–1974 (2.05.313) | Inventarisnummers | Openbaar vanaf 1 januari van het jaar hieronder genoemd, of, indien sprake is van een persoonsdossier, vanaf het moment dat de persoon op wie het dossier betrekking he"},{"i":4004,"b":"Besluit SONT tarieven en voorwerpen thuiskopievergoeding 2018 – 30 augustus 2017, Ministerie van Veiligheid en Justitie De tarieven en voorwerpen van de thuiskopievergoeding voor 2018 komen als volgt te luiden: Het tarief op CD-r en DVD-r komt te vervallen."},{"i":4005,"b":"Besluit SONT tarieven en voorwerpen thuiskopievergoeding 2021–2023 De tarieven en voorwerpen (apparaten) van de thuiskopievergoeding voor de periode 2021–2023 komen als volgt te luiden: **Voor refurbished voorwerpen die door een onderneming worden aangeboden aan eindgebruikers, geldt een tarief dat met 40% verlaagd is ten opzichte van het tarief in de tabel.**"},{"i":4368,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 9 maart 2026, nr. WJZ/ 104198051, tot voortzetting mandaat, volmacht en machtiging SG, pSG en directeur FEZ beleidsterreinen KGG (Besluit voortzetting mandaat, volmacht en machtiging SG, pSG en directeur FEZ beleidsterreinen KGG) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 1. Voor 23 februari 2026 door de Minister van Klimaat en Groene Groei verleende mandaten, volmachten en machtigingen aan de secretaris-generaal en de directeur Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei worden met ingang van 23 februari 2026 aangemerkt als mandaten, volmachten en machtigingen verleend door de Minister van Klimaat en Groene Groei dan wel de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei aan de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal en de directeur Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. De bepalingen omtrent (onder)mandaatverleningen in het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging KGG 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051991) zijn van overeenkomstige toepassing. 2. De verdeling van de bevoegdheden tussen de secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, bedoeld in het eerste lid, volgt de systematiek van het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052019), met dien verstande dat de bevoegdheden verbonden aan de eigenaarsrol en de hoedanigheid van aandeelhouder toekomen aan de plaatsvervangend secretaris-generaal. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 23 februari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voortzetting mandaat, volmacht en machtiging SG, pSG en directe"},{"i":8951,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka inzake technische samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka, Opnieuw de vriendschappelijke betrekkingen tussen de beide Staten en hun volken bevestigend; Geleid door de vaste wens deze betrekkingen te verstevigen; Voorts geleid door de wens de technische samenwerking te bevorderen en te dien einde het noodzakelijke juridische en administratieve kader te scheppen; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I 1. Het doel van deze Overeenkomst is de technische samenwerking te bevorderen en te dien einde het juridische en administratieve kader te scheppen voor projecten van technische samenwerking waartoe de bevoegde administratieve autoriteiten van beide Partijen besluiten ten einde uitvoering te geven aan deze Overeenkomst. 2. Een besluit samen te werken als bedoeld in het eerste lid, de bijdragen aan zulke projecten en de wijze waarop de projecten worden uitgevoerd, worden in elk afzonderlijk geval vastgelegd in een tussen de onderscheiden bevoegde administratieve autoriteiten tot stand te brengen akkoord, overeenkomstig de beginselen vervat in deze Overeenkomst. Artikel II In verband met de projecten zal de Regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka: - a. de Nederlandse adviseurs, deskundigen, technici, vertegenwoordigers of employés, die door de Nederlandse Regering ter beschikking worden gesteld (hierna te noemen „het Nederlandse personeel”) krachtens de bepalingen van deze Overeenkomst vrijstellen van alle belastingen en andere fiscale heffingen ten aanzien van alle hun door de Nederlandse Regering betaalde vergoedingen; - b. een snelle inklaring, vrij van invoerrechten, bevorderen van door het Nederlandse personeel in Sri Lanka ingevoerde beroepsuitrusting. Deze bepaling heeft ook betrekking op bonafide persoonlijke bezittingen en huisraad en één motorv"},{"i":8950,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Coöperatieve Republiek Guyana betreffende Tropenbos, het programma van onderzoek en ontwikkeling in vochtige tropenbos-landen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Coöperatieve Republiek Guyana (hierna te noemen de „Overeenkomstsluitende Partijen”), Het gevaar erkennend van de voortdurende achteruitgang van het tropisch regenwoud in de wereld, en de belangrijke rol van onderzoek, onderwijs, opleiding en voorlichting ter vergemakkelijking van de maatregelen die nodig zijn ter vermindering van de achteruitgang en de ontbossing ten einde de ontwikkeling van het tropisch regenwoud te verbeteren; Erkennend dat er binnen de staten met tropische wouden behoefte bestaat aan wetenschappelijke kennis ter vergemakkelijking van het doelmatige beheer en gebruik en de doelmatige ontwikkeling van deze wouden voor hun volken; Overwegend het initiatief van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden tot bevordering van een internationaal gecoördineerd onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma inzake het tropisch regenwoud, Tropenbos genaamd; Overwegend de noodzaak en de wenselijkheid van de totstandkoming van zulk een onderzoek- en ontwikkelingsprogramma in Guyana, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I 1. De Overeenkomstsluitende Partijen stellen gezamenlijke pogingen in het werk om Tropenbos in Guyana te bevorderen en ten uitvoer te leggen. 2. Tropenbos, het programma van werkzaamheden in Guyana, dat is goedgekeurd door de krachtens artikel IV ingestelde Commissie, maakt deel uit van het programma van de Regering van Guyana in het kader van het Actieplan inzake Tropische Bosbouw om haar tropisch regenwoud te behouden, tot ontwikkeling te brengen en te beheren ten bate van haar volk. Artikel II De doelstellingen van Tropenbos in Guyana zijn: - a. het vergaren van de vitale gegevens die nodig zijn ter opstelling van doordachte plannen om het tropisch regenwoud in Guyana te behouden en tot ontwik"},{"i":8964,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek betreffende het internationaal wegvervoer De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Portugese Republiek, Verlangende het vervoer van personen en goederen over de weg tussen de beide Staten, alsmede het transitovervoer over hun grondgebied te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De in Nederland of in Portugal gevestigde ondernemingen zijn gemachtigd reizigers- of goederenvervoer te verrichten met motorvoertuigen die in een van beide landen zijn ingeschreven, hetzij tussen de grondgebieden van de beide landen, hetzij in transito over het grondgebied van een van beide Overeenkomstsluitende Partijen, onder de voorwaarden in deze Overeenkomst omschreven. 2. Binnenlands vervoer van reizigers of goederen tussen twee op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij gelegen plaatsen met een op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij ingeschreven voertuig, is verboden. 3. Wat het goederenvervoer betreft, kunnen de Overeenkomstsluitende Partijen overeenkomen vervoer naar een derde land toe te staan op de voorwaarden nedergelegd in het in artikel 19 van deze Overeenkomst genoemde Protocol. I. Reizigersvervoer Artikel 2 Alle reizigersvervoer tussen de beide landen of in transito over hun grondgebied, verricht met voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, is aan een stelsel van vooraf te verlenen vergunningen onderworpen, met uitzondering van vervoer als bedoeld in artikel 3 van deze Overeenkomst. Artikel 3 1. Niet onderworpen aan een stelsel van vooraf te verlenen vergunningen zijn: - a. toeristisch ongeregeld vervoer verricht met voertuigen die gedurende de gehele rit één bepaalde groep reizigers vervoeren en op het punt van vertrek terugkeren zonder onderweg reizigers op te nemen of af te zetten; - b. ongeregeld vervoer, al dan niet toeristisch, waarbij de binnenkomst beladen geschi"},{"i":3785,"b":"Besluit van 31 oktober 1966, houdende regelen naar welke een toeslag kan worden verleend op pensioenen van in Suriname en de Nederlandse Antillen gevestigde gewezen militairen en van hun nabestaanden Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 6 september 1966, Directie gezamenlijke militaire personeelsdiensten en pensioenen, afd. pensioenen en wachtgelden, nr. P. 123.583/3-V; Overwegende, dat het wenselijk is de pensioenen van bepaalde militairen en van hun nabestaanden, die metterwoon gevestigd zijn in Suriname of de Nederlandse Antillen, te verhogen met een toeslag; De Raad van State gehoord (advies van 12 oktober 1966, nr. 47); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 28 oktober 1966, nr. P. 125.583/4-H; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder \"gewezen militair\": de ontslagen militair, die op de dag voorafgaande aan zijn laatste ontslag als militair de bestemming had doorlopend dienst te doen uitsluitend in Suriname of de Nederlandse Antillen. Artikel 2 De gewezen militair, aan wie als zodanig een pensioen is toegekend ingevolge de bij of krachtens de [Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955) vastgestelde bepalingen, heeft gedurende de tijd, dat hij metterwoon is gevestigd in Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba, recht op een toeslag op dat pensioen. Artikel 3 1. Het bedrag van de toeslag, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002545&artikel=2&z=2003-05-23&g=2003-05-23), is voor een gewezen militair, aan wie ontslag is verleend met ingang van een dag, liggende na 31 december 1965, gelijk aan het bedrag, waarmede - a. het bedrag dat het pensioen, met inbegrip van de aanvullingen en verhogingen doch zonder toepassing van de [Aanpassingsregeling pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007576) zou hebben belopen, indien de op het tijdstip van ingang van het ontslag voor hem geldende pensioengrondslag voor elk voor pens"},{"i":18486,"b":"Rijksbesluit van 25 november 1999, houdende regels met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen ingevolge het Wetboek van Militair Strafrecht, de Wet militair tuchtrecht en de Wet militaire strafrechtspraak (Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 14 juli 1999, nr. CST99/0117/016 99002114, directie juridische zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=21), [36b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=36b), [44a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=44a), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=59), [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=71) en [135 van het Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=135), de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788&artikel=46), [65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788&artikel=65), [80p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788&artikel=80p), [92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788&artikel=92), [98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788&artikel=98), [103](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788&artikel=103) en [105 van de Wet militair tuchtrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788&artikel=105) en de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=6), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=9), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=11), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=18), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=23), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=33), en [61 van de Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artik"},{"i":3442,"b":"Besluit van het hoofd van het Kabinet Minister-President, secretariaat Ministerraad, van 1 januari 2020, nr. 4091299, houdende doorverlening mandaat, volmacht en machtiging aan de medewerkers binnen het Kabinet Minister-President, secretariaat Ministerraad van het Ministerie van Algemene Zaken Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=5) en [8 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Doorverlenen ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging 1. Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal in zijn hoedanigheid van plaatsvervangend hoofd van het Kabinet Minister-President, secretariaat Ministerraad, wordt ondermandaat verleend voor de uitoefening van de aan het hoofd van het Kabinet Minister-President, secretariaat Ministerraad, krachtens [artikel 5 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=5) verleende bevoegdheden. 2. De medewerker, genoemd in lid 1 maakt van het ondermandaat uitsluitend gebruik: - a. bij afwezigheid van het hoofd Kabinet Minister-President, secretariaat Ministerraad; - b. in andere gevallen voor zover het aangelegenheden betreft die door het hoofd, van het Kabinet Minister-President, secretariaat Ministerraad, aan hem zijn toevertrouwd. Artikel 2. Beperkingen ondervolmacht 1. Van de ondervolmacht zijn uitgesloten: - a. de bevoegdheid tot het opleggen van ordemaatregelen en straffen zoals genoemd in de CAO-Rijk; - b. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, anders dan op initiatief van de medewerker zelf. Artikel 3. Doorverlenen ondervolmacht 1. Aan de Secretaris Ministerraad wordt ondervolmacht verleend voor de volgende bevoegdheden: - a. het nemen van beslissingen op het gebied van personeelsbeleid, waaronder begrepen het in dienst nemen van medewerkers; - b. het toekennen van beloningen voor de onder de Secretaris Ministerraad ressorterende medewerkers. Artikel 4. Be"},{"i":3220,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 19 december 2022, nr. BOACAT2022/076, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente De Ronde Venen Gelezen het verzoek van de gemeente De Ronde Venen van 21 oktober 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047748&artikel=2&z=2023-11-01&g=2023-11-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar domein I in dienst van de gemeente De Ronde Venen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk"},{"i":3288,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 16 juli 2024 nr. BOACAT2024/087, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Moerdijk Gelezen het verzoek van de gemeente Moerdijk van 10 juli 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050055&artikel=2&z=2024-07-24&g=2024-07-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving I en medewerker handhaving III in dienst van gemeente Moerdijk, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgeno"},{"i":8976,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Italië betreffende het wegvervoer De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Italiaanse Republiek, verlangende de ontwikkeling van het wegvervoer van hun onderdanen in het kader van hun economische en culturele betrekkingen te bevorderen, uitgaande van de akkoorden van Genève betreffende de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van het wegverkeer, opgesteld onder auspiciën van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties; gepubliceerd op 16 november 1950, document E/ECE/TRANS/SC1/98, besloten hebbende onderling een overeenkomst te sluiten met het doel de reeds bestaande faciliteiten uit te breiden, zijn het volgende overeengekomen: Vervoer van personen Artikel 1 Elk der Overeenkomstsluitende Partijen verleent aan de vervoersondernemingen, gevestigd op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, de vrijheid om zonder enige vergunning of voorafgaande formaliteit de volgende soorten van personenvervoer over de weg te verrichten: - a). internationaal vervoer van personen als groep in eenzelfde voertuig gedurende een reis welke hetzij in een zee- of luchthaven in het land van vestiging begint en een andere plaats dan een zee- of luchthaven in het andere land tot bestemming heeft; hetzij in een andere plaats dan een zee- of luchthaven in het land van vestiging begint en een zee- of luchthaven in het andere land tot bestemming heeft; hetzij in een andere plaats dan een zee- of luchthaven in het land van vestiging begint en een dergelijke plaats in het andere land tot bestemming heeft; onder voorbehoud echter, dat het voertuig leeg terugkeert naar het land van vestiging, behoudens bijzondere vergunning; - b). transito-vervoer dat haar grondgebied kruist zonder dat er personen worden opgenomen of afgezet. Artikel 2 De bevoegde autoriteiten van elk der Overeenkomstsluitende Partijen zullen de vergunningsprocedure met mildheid toepassen voor onder"},{"i":3135,"b":"Besluit van 11 september 1998, houdende uitzondering respectievelijk aanwijzing van bestuursorganen als bedoeld in de Wet Nationale ombudsman en de Wet openbaarheid van bestuur (Besluit bestuursorganen WNo en Wob) Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 15 april 1998, 98M003527, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mr. J. Kohnstamm; Gelet op [artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=1a) onderscheidenlijk [artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=1a); De Raad van State gehoord (advies van 10 juli 1998, nr. W01.98.0149); Gezien het nader rapport van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 8 september 1998, 98M007702, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 30 juni 1998 Artikel 1 Als bestuursorgaan als bedoeld in [artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=1a), zijn uitgezonderd: - a. de Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in [artikel 16 van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=16), voor zover belast met andere werkzaamheden dan welke voortvloeien uit onderscheidenlijk verband houden met de coördinatie van de programma's van de instellingen die zendtijd hebben gekregen voor landelijke omroep, onderscheidenlijk met het indelen van de zendtijd van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor de landelijke omroep; - b. de Nederlandsche Bank N.V., voor zover belast met de werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken op grond van de [artikelen 2, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=2), en [3 van de B"},{"i":8980,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Mali inzake de tewerkstelling van Nederlandse vrijwilligers De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Republiek Mali, Geleid door de wens door uitwisseling van kennis en vakkennis, de goede verstandhouding en vriendschappelijke betrekkingen tussen de volken der beide landen te verstevigen; Zijn overeengekomen de deelneming te organiseren van Nederlandse vrijwilligers aan de ontwikkelingstaken die ondernomen worden in de Republiek Mali en wel op de onderstaande voorwaarden. Artikel I Vervallen Artikel II Vervallen Artikel III Vervallen Artikel IV Vervallen Artikel V Vervallen Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIII Vervallen EN FOI DE QUOI les soussignés, dûment autorisés à cet effet ont signé le présent Accord. FAIT à Dakar le 11 avril 1979 en double exemplaire en langue française. **Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas** (s.) E. E. S. DE JONGH Ambassadeur Extraordinaire et Plénipotentiaire du Royaume des Pays-Bas **Pour le Gouvernement de la République du Mali** (s.) SEYDOU TRAORE Secrétaire Général du Ministère des Affaires Etrangères et de la Coopération Internationale"},{"i":8981,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Niger inzake de tewerkstelling van Nederlandse vrijwilligers De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Niger Geleid door de wens de goede betrekkingen tussen hun volken te versterken door middel van de uitwisseling van kennis en vakbekwaamheid. Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen EN FOI DE QUOI les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Accord. FAIT à Niamey, le 11 février 1981, en deux exemplaires en langue française. **Pour le Gouvernement du** **Royaume des Pays-Bas,** le Chargé d'Affaires a.i. de l'Ambassade du Royaume des Pays-Bas en République du Niger, Premier Secrétaire d'Ambassade, (s.) A. E. MOSES **Pour le Gouvernement de la** **République du Niger** le Ministre des Affaires Etrangères et de la Coopération a.i., (s.) H. ALGABIT"},{"i":4309,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 23 juni 2016 nr. WJZ/16092077, inzake verlengbaarheid van de vergunningen voor landelijke commerciële radio-omroepen voor de FM-band Gelet op [artikel 18, tweede lid, onderdeel b, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor landelijke commerciële radio in de FM-band, genoemd in kolom 1 van tabel 1, zijn verlengbaar om redenen van bevordering van de overgang van analoge naar digitale techniek als bedoeld in [artikel 18, tweede lid, onderdeel b, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18). | **Kavel** | **Dossiernummer** | | --- | --- | | **Kavel A01** | 5055301 | | **Kavel A02** | 5055305 | | **Kavel A03** | 5055302 | | **Kavel A04** | 5055306 | | **Kavel A05** | 5055307 | | **Kavel A06** | 5055303 | | **Kavel A07** | 6815880 | | **Kavel A08** | 6634716 | | **Kavel A09** | 5797976 | Artikel 2 Een vergunning als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038267&artikel=1&z=2016-07-14&g=2016-07-14) is verlengbaar voor een vaste periode die aanvangt op 1 september 2017 en loopt tot en met 31 augustus 2022. Artikel 3 De vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038267&artikel=1&z=2016-07-14&g=2016-07-14), worden gewijzigd overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038267&bijlage=1&z=2016-07-14&g=2016-07-14). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verlengbaarheid vergunningen landelijke commerciële radio FM-band 2016. Bijlage 1. Wijzigingen te verlengen vergunningen landelijke commerciële radio-omroepen voor de FM-band De artikelen behorende bij de vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038267&artikel=1&z=2016-07-14&g=2016-"},{"i":17889,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 1 mei 2018, nr. 2250459, houdende wijziging van het Instellingsbesluit Landelijke adviescommissie plaatsing longstay forensische zorg in verband met een aanpassing van de benoemings- en herbenoemingstermijn van de voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden Besluit: Het wordt als volgt gewijzigd: Artikel I Wijzigt het Instellingsbesluit Landelijke adviescommissie plaatsing longstay forensische zorg. Artikel II. Overgangsbepaling In afwijking van [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031541&artikel=4), kan de Minister de voorzitter of een lid, waarvan de herbenoemingstermijn van drie jaar verstrijkt, voor een tweede maal aansluitend herbenoemen voor een periode van ten hoogste één jaar. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3377,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 7 september 2022 nr. BOACAT2022/062, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Provincie Fryslân Gelezen het verzoek van Provincie Fryslân van 22 augustus 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047143&artikel=2&z=2022-09-12&g=2022-09-12). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Nautisch Handhaver in dienst van Provincie Fryslân, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals"},{"i":9074,"b":"Protocol bij de Kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna de „lidstaten” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Unie, hierna „de Europese Unie” genoemd enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, hierna „Vietnam” genoemd, anderzijds, voor de toepassing van dit protocol hierna gezamenlijk „de overeenkomstsluitende partijen” genoemd, gezien de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie per 1 juli 2013; overwegende dat de[kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005871), hierna „de overeenkomst” genoemd, op 27 juni 2012 te Brussel is ondertekend; overwegende dat het [Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europes"},{"i":3778,"b":"Besluit van 14 april 2016, houdende regels omtrent de eisen waaraan meetinstrumenten moeten voldoen voordat zij in de handel worden gebracht, in gebruik worden genomen of worden gebruikt, alsmede omtrent conformiteitsbeoordelingen van meetinstrumenten en verplichtingen van marktdeelnemers en tot wijziging van het Meeteenhedenbesluit 2006 (Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 29 januari 2016, nr. WJZ / 16006109; Gelet op [richtlijn 2014/31](32014L0031)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van niet-automatische weegwerktuigen (PbEU L 96), [richtlijn 2014/32](32014L0032)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten (PbEU L 96), [richtlijn 2009/34/EG](32009L0034) van het Europees Parlement en de Europese Unie van 23 april 2009 betreffende voor meetmiddelen en metrologische controlemethoden geldende algemene bepalingen, [richtlijn 75/107/EEG](31975L0107) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der Lid-Staten inzake flessen gebruikt als tapmaat (PbEG L 96) en de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=5), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=9), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=26) en [36 van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=36), [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002697&artikel=3), en [artikel 66, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=66); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 maart 2016, nr. W15.16.002"},{"i":5622,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 november 2025 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA levensmiddelen microbiologie (IB03-SPEC 44, versie 10) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), [artikel 10 van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA levensmiddelen microbiologie beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03), hierna: AIB, de interventiegrenzen voor specifieke overtredingen binnen het toezichtdomein (levensmiddelen)microbiologie voor bedrijven die een verplichting hebben ten aanzien van de [verordening 2073/2005](32005R2073). Op andere overtredingen met betrekking tot levensmiddelen microbiologie dan in dit document beschreven, is het [Specifiek interventiebeleid NVWA voedselveiligheid industriële productie, vis, zuivel en eieren (IB03-SPEC 39)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049217) van toepassing. Laatstgenoemd document heeft betrekking op voorschriften waarvan de naleving in beginsel tijdens een inspectie in het bedrijf kan worden vastgesteld. Voor deze beleidsregel IB03-SPEC 44 is dit pas na analyse van het monster op het laboratorium toepasbaar. 2. Definities en wettelijke basis Voor definities wordt verwezen naar het AIB. 2.2. Wettelijke basis De wettelijke basis voor het Specifiek interventiebeleid NVWA levensmiddelen microbiologie is: 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van de overtreding Overtredingen worden ingedeeld"},{"i":9088,"b":"Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken Artikel 1. Lidmaatschap van de Unie van Madrid De Staten die Partij zijn bij dit Protocol (hierna te noemen „de overeenkomstsluitende Staten”), zelfs wanneer zij geen Partij zijn bij de [Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken, zoals herzien te Stockholm in 1967 en zoals gewijzigd in 1979](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005273) (hierna te noemen „de Schikking van Madrid (Stockholm)”), en de organisaties bedoeld in artikel 14, eerste lid, letter b, die Partij zijn bij dit Protocol (hierna te noemen „de overeenkomstsluitende Organisaties”) zijn lid van dezelfde Unie als die waarvan de landen die Partij zijn bij de Schikking van Madrid (Stockholm) lid zijn. Met „overeenkomstsluitende Partijen” worden in dit Protocol telkens zowel overeenkomstsluitende Staten als overeenkomstsluitende Organisaties bedoeld. Artikel 2. De verkrijging van bescherming door middel van internationale inschrijving 1. Wanneer een aanvrage om de inschrijving van een merk is ingediend bij de Administratie van een overeenkomstsluitende Partij, of wanneer een merk is ingeschreven in het register van de Administratie van een overeenkomstsluitende Partij, kan, met inachtneming van de bepalingen van dit Protocol, de persoon ten name van wie die aanvrage (hierna te noemen „de basisaanvrage”) of die inschrijving (hierna te noemen „de basisinschrijving”) is geschied, bescherming van zijn merk verkrijgen op het grondgebied van de overeenkomstsluitende Partijen door dat merk te doen inschrijven in het register van het Internationale Bureau van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (hierna onderscheidenlijk te noemen „de internationale inschrijving”, „het internationale register”, „het Internationale Bureau” en „de Organisatie”), mits, - (i). ingeval de basisaanvrage is ingediend bij de Administratie van een overeenkomstsluitende Staat of ingeval de basisinsch"},{"i":2661,"b":"Beleidsregels van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 oktober 2014, houdende wettelijke erkenning van specialistentitels als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Beleidsregels wettelijke erkenning specialistentitel Wet BIG) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluit de volgende beleidsregels vast te stellen met betrekking tot het wettelijk erkennen van een specialistentitel als bedoeld in [artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14) ‘Wet BIG’: 1. Inleiding Deze beleidsregels bevatten het toetsingskader van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: ‘de Minister’) voor de behandeling van verzoeken tot een wettelijke erkenning van specialistentitels conform [artikel 14 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14). Deze beleidsregels dienen er toe het beleid betreffende de beoordeling van dergelijke verzoeken nader bekend te maken. De Minister kan bepalen dat een titel als wettelijk erkende specialistentitel van een beroep in de individuele gezondheidszorg wordt aangemerkt. De Minister dient verzoeken tot wettelijke erkenning van een specialistentitel te beoordelen op wenselijkheid ter bevordering van de goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Een dergelijk verzoek dient ingediend te worden door middel van een aanvraag door een organisatie van beoefenaren van een beroep als bedoeld in [artikel 3 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3). Voorwaarde is dat deze organisatie een specialistenregister heeft ingesteld en daaraan een privaatrechtelijke titel heeft verbonden. In een specialistenregister staan ingeschreven beroepsbeoefenaren die een bijzondere deskundigheid hebben verworven met betrekking tot de uitoefening van een deelgebied van hun beroep. Verzoeken worden beoordeeld aan de hand van de wettelijke cri"},{"i":9305,"b":"Uitvoeringsbesluit verdrag chemische wapens BES Hoofdstuk 1. begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **wet:** de [Wet verdrag chemische wapens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028248); - **CAS-registratienummer:** registratienummer van de Chemical Abstracts Service (CAS), genoemd in het verdrag; - **Lijst 1, Lijst 2 en Lijst 3:** de lijsten 1, 2 en 3, opgenomen in onderdeel B van de Bijlage inzake stoffen bij het verdrag; - **onderscheiden organische stof:** elke chemische verbinding van het element koolstof, met uitzondering van zijn oxiden, sulfiden en metaalcarbonaten, te onderscheiden door middel van de chemische naam, de structuurformule, indien bekend, en het CAS-registratienummer, indien toegekend; - **produktiecapaciteit:** de hoeveelheid van een stof die per jaar zou kunnen worden geproduceerd met behulp van het technologische proces dat wordt gebruikt of, indien het proces nog niet operationeel is, gebruikt zal worden in de desbetreffende inrichting; - **ton:** een metrieke ton, zijnde 1.000 kg. Hoofdstuk 2. aanwijzing van te verstrekken gegevens Artikel 2 1. Degene die een inrichting in bedrijf neemt waarop [artikel 3, tweede of derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028248&artikel=3) van toepassing is verstrekt tenminste zeven maanden voor de productie aanvangt aan Onze Minister de volgende gegevens: - a. het adres en kadastrale aanduiding van de inrichting; - b. een technische beschrijving van de inrichting, met inbegrip van een inventarislijst van de apparatuur en gedetailleerde schema’s. 2. Van voorgenomen veranderingen ten opzichte van de in het eerste lid bedoelde opgave wordt tenminste zeven maanden voordat de veranderingen zullen plaatsvinden aan Onze Minister mededeling gedaan. 3. Degene die een inrichting in bedrijf houdt waarop [artikel 3, tweede of derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028248&artikel=3) van toepassi"},{"i":4458,"b":"Circulaire Aanhoudings- en ondersteuningseenheden (AOE 'en) 1. Inleiding Deze circulaire voorziet in een beleidsregel voor registratie van de inzet van aanhoudings- en ondersteuningseenheden (hierna: AOE’en), alsmede in het niveau waarop de toestemming voor de inzet binnen het Openbaar Ministerie dient te worden verleend. Hierbij is aangegeven welke hoofdofficier van justitie bevoegd is toestemming te verlenen wanneer één of meer aanhoudingen dienen plaats te vinden in een ander arrondissement dan dat waar het onderzoek verricht wordt. Met de AOE’en wordt bedoeld de AOE’en van de regionale politiekorpsen als bedoeld in [artikel 8 van het Bbrp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006560&artikel=8), alsmede de AOE van de Brigade Speciale beveiligingsopdrachten van de Koninklijke marechaussee en de AOE van het KLPD. De AOE van het KLPD bestaat uit personeel van de DSI maar is juridisch een gescheiden organisatie. Voor beide organisaties zijn de bestaande toestemmingslijnen, inzetprocedures en de bewapeningsregelingen onverkort van kracht. 2. Wijzigingen ten opzichte van de vorige circulaire De onderhavige circulaire is naar aanleiding van de adviezen van de commissie evaluatie herinrichting stelsel van speciale eenheden (de ‘commissie Dessens’) op het volgende punt gewijzigd: 3. Doelstelling De belangrijkste taak van de AOE’en is het verrichten van aanhoudingen in situaties waarbij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen. De inzet van een AOE is erop gericht om geweld te voorkomen of te beheersen. Door snel en verrassend op te treden wordt bij de aanhoudingen van gevaarlijke verdachten het gevaar voor de politie en voor derden tot een minimum beperkt. 4. Juridisch kader voor de inzet In [artikel 8, eerste lid, van het Besluit beheer regionale politiekorpsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006560&artikel=8) (hierna: Bbrp) is aangegeven dat een AOE uitsluitend tot taak heeft op te treden"},{"i":9098,"b":"Protocol bij het Noord-Atlantisch Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Griekenland en de Republiek Turkije De Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag, ondertekend te Washington op 4 April 1949, In de overtuiging, dat de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied verhoogd zal worden door de toetreding van het Koninkrijk Griekenland en de Republiek Turkije tot dat Verdrag, Komen als volgt overeen: Artikel I Bij het inwerkingtreden van dit Protocol zal de Regering van de Verenigde Staten van Amerika namens alle Partijen aan de Regering van het Koninkrijk Griekenland en de Regering van de Republiek Turkije een uitnodiging doen toekomen tot toetreding tot het Noord-Atlantisch Verdrag zoals dit zou worden gewijzigd door artikel II van dit Protocol. Daarna zullen het Koninkrijk Griekenland en de Republiek Turkije, in overeenstemming met artikel 10 van het Verdrag, beiden Partij worden op de datum waarop zij hun akten van toetreding nederleggen bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika. Artikel II Wijzigt het Noord-Atlantisch Verdrag; Washington, 4 mei 1949. Artikel III Dit Protocol zal in werking treden wanneer elk van de Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag de Regering van de Verenigde Staten van Amerika mededeling heeft gedaan van haar aanvaarding van dit Protocol. De Regering van de Verenigde Staten van Amerika zal aan alle Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag mededeling doen van de datum van ontvangst van elke zodanige mededeling en van de datum van inwerkingtreding van dit Protocol. Artikel IV Dit Protocol, waarvan de Engelse en de Franse tekst gelijkelijk authentiek zijn, zal worden nedergelegd in het archief van de Regering van de Verenigde Staten van Amerika. Gewaarmerkte afschriften daarvan zullen door deze Regering worden overgelegd aan de Regeringen van alle Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag. The present Protocol, of which the English and French texts are equally authentic, shall be deposited in the Archives of the Govern"},{"i":9099,"b":"Protocol bij het Noord-Atlantisch Verdrag inzake de toetreding van Spanje De Partijen bij het op 4 april 1949 te Washington ondertekende [NoordAtlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), Ervan overtuigd dat de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied door de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot [dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) verhoogd zal worden, Komen als volgt overeen: Artikel I Bij de inwerkingtreding van dit Protocol zal de Secretaris-Generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie uit naam van alle Partijen aan de Regering van het Koninkrijk Spanje een uitnodiging doen toekomen, tot het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) toe te treden. In overeenstemming met [artikel 10 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760&artikel=10) wordt het Koninkrijk Spanje partij op de dag waarop het een akte van toetreding nederlegt bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika. Artikel II Dit Protocol treedt in werking wanneer elk der Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) aan de Regering van de Verenigde Staten van Amerika mededeling heeft gedaan dat zij het Protocol aanvaardt. De Regering van de Verenigde Staten van Amerika stelt alle Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag in kennis van de datum van ontvangst van iedere mededeling van aanvaarding en van de datum van inwerkingtreding van dit Protocol. Artikel III Dit Protocol, waarvan de Engelse en de Franse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt in het archief van de Regering van de Verenigde Staten van Amerika nedergelegd. Behoorlijk gewaarmerkte afschriften worden door die Regering aan de Regeringen van alle Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) toegezonden. IN WITNESS WHEREOF, the undersigned plenipotentiaries have signed the present Protocol. Opened for signature at Brussels th"},{"i":9100,"b":"Protocol bij het op 20 juni 1960 gesloten Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Belgie betreffende de verbetering van het Kanaal van Terneuzen naar Gent en de regeling van enige daarmede verband houdende aangelegenheden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk België, Wensende zodanige voorzieningen te treffen dat schepen met de maximale afmetingen van 256 m lengte, 34 m breedte en 12,25 m diepgang op een zo veilig en zo doelmatig mogelijke wijze het Nederlandse gedeelte van het kanaal van Terneuzen naar Gent met het daarin gelegen sluizencomplex kunnen passeren, Gelet op de bepalingen van het op 20 juni 1960 gesloten Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de verbetering van het kanaal van Terneuzen naar Gent en de regeling van enige daarmede verband houdende aangelegenheden, Zijn overeengekomen als volgt: Titel I. Uit te voeren werken Artikel 1 1. Ten einde het kanaal van Terneuzen naar Gent op Nederlands grondgebied aan te passen voor de vaart met schepen met de maximale afmetingen 256 m lengte, 34 m breedte en 12,25 m diepgang, wordt overgegaan tot: - a). het opstellen van twee lichtenlijnen te Sluiskil en Sas van Gent; - b). het doen van onderzoek gericht op de verbetering van de mond van de buitenhaven te Terneuzen en het uitvoeren van de werken die, op grond van dit onderzoek, de invaartmogelijkheden verbeteren; - c). het opruimen van de dukdalven nrs. 7, 9 en 11 in de buitenhaven te Terneuzen; - d). het doen van onderzoek gericht op de verbetering van de invaartmogelijkheden bij de Westsluis te Terneuzen en het uitvoeren van de werken die, op grond van dit onderzoek, bijdragen tot de verbetering van de invaart; het uitvoeren van werken aan de westzijde van de sluis die op grond van de na de uitvoering van de werken aan de oostzijde opgedane ervaring van de invaartmogelijkheden noodzakelijk blijken; - e). het doen van een onderzoek naar de verbetering"},{"i":9101,"b":"Protocol bij het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) De Partijen bij dit Protocol, Partij zijnde bij het [Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005177), gedaan te Genève op 19 mei 1956, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Protocol wordt onder „Verdrag” verstaan het [Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005177). Artikel 2 Wijzigt het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR); Genève, 19 mei 1956. Slotbepalingen Artikel 3 1. Dit Protocol staat open voor ondertekening door de Staten, die het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005177) hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden en die hetzij lid zijn van de Economische Commissie voor Europa, hetzij overeenkomstig paragraaf 8 van het mandaat van deze Commissie met raadgevende stem tot die Commissie zijn toegelaten. 2. Dit Protocol blijft openstaan voor toetreding door elke van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde Staten, die Partij zijn bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005177). 3. De Staten, die overeenkomstig paragraaf 11 van het mandaat van deze Commissie aan zekere werkzaamheden van de Economische Commissie voor Europa kunnen deelnemen en die toegetreden zijn tot het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005177), kunnen Partij bij dit Protocol worden door toetreding na de inwerkingtreding ervan. 4. Dit Protocol staat open voor ondertekening te Genève van 1 september 1978 tot en met 31 augustus 1979. Na deze datum staat het open voor toetreding. 5. Dit Protocol is onderworpen aan bekrachtiging nadat de betrokken Staat het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005177) heeft bekrachtigd of ertoe is toegetreden."},{"i":9102,"b":"Protocol bij het Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict De Hoge Verdragsluitende Partijen zijn overeengekomen als volgt: In faith whereof the undersigned, duly authorized, have signed the present Protocol. Done at The Hague, this fourteenth day of May, 1954, in English, French, Russion and Spanish, the four texts being equally authoritative, in a single copy which shall be deposited in the archives of the United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization, and certified true copies of which shall be delivered to all the States referred to in paragraphs 6 and 8 as well as to the United Nations."},{"i":9103,"b":"Protocol bij het Verdrag inzake de permanente neutraliteit en exploitatie van het Panamakanaal Aangezien het handhaven van de neutraliteit van het Panamakanaal niet alleen belangrijk is voor de handel en veiligheid van de Verenigde Staten van Amerika en de Republiek Panama, maar tevens voor de vrede en de veiligheid van het westelijk halfrond en voor de belangen van de wereldhandel; Aangezien het neutraliteitsregime dat de Verenigde Staten van Amerika en de Republiek Panama zijn overeengekomen te handhaven, de permanente toegang tot het Kanaal door schepen van alle naties op grondslag van volledige gelijkheid verzekert; Aangezien genoemd regime inzake een doeltreffende neutraliteit de beste bescherming voor het Kanaal vormt en een waarborg is dat geen vijandelijke handeling tegen het Kanaal wordt ondernomen; Zijn de Verdragsluitende Partijen bij dit Protocol overeengekomen als volgt: Artikel I De Verdragsluitende Partijen aanvaarden hierbij het regime van permanente neutraliteit voor het Kanaal neergelegd in het Verdrag inzake de Permanente Neutraliteit en Exploitatie van het Panamakanaal en verenigen zich met de doelstellingen van het Verdrag. Artikel II De Verdragsluitende Partijen komen overeen het regime van permanente neutraliteit van het Kanaal zowel in tijd van oorlog als in vredestijd na te leven en te eerbiedigen en te garanderen dat schepen die onder hun vlag varen, de geldende regels strikt in acht nemen. Artikel III Dit Protocol staat open voor toetreding door alle Staten ter wereld en treedt voor elke Staat in werking op het tijdstip van nederlegging van zijn akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten."},{"i":9105,"b":"Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden De Regeringen die dit Protocol hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Vastbesloten om stappen te doen teneinde de collectieve handhaving te verzekeren van bepaalde rechten en vrijheden die niet zijn genoemd in [Titel I van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&titeldeel=I), ondertekend te Rome op 4 November 1950 (hierna te noemen “het Verdrag”), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Bescherming van eigendom Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. Artikel 2. Recht op onderwijs Niemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies die de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt, eerbiedigt de Staat het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen. Artikel 3. Recht op vrije verkiezingen De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om met redelijke tussenpozen vrije, geheime verkiezingen te houden onder voorwaarden die de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen. Artikel 4. Territoriale werkingssfeer Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan op het tijdstip van de ondertekening of bekrachtiging van dit Protocol of op ieder"},{"i":2346,"b":"Bankbedrijf, mutatietarief remisierprovisie De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Bij de tweede herdruk van de Bijlage bij de aanschrijving van 25 juli 1979, nr. 279-12007, is hierin het mutatietarief opgenomen, zijnde een vergoeding voor mutaties in geadministreerde effectendepots. Vooralsnog wordt deze provisie in rekening gebracht bij de volgende handelingen: Het mutatietarief wordt met ingang van 1 maart 1983 ingevoerd. Voorts zijn in genoemde bijlage opgenomen de prestaties van remisiers. Deze kunnen worden omschreven als het in samenwerking met een effectenhandelaar begeleiden van effectenorders. Ter zake van de samenwerking wordt in het algemeen tussen de effectenhandelaar en de remisier een overeenkomst gesloten overeenkomstig het daartoe door de Vereniging voor de Effectenhandel opgestelde model. Op grond van deze overeenkomst ontvangt de remisier als beloning voor het aanbrengen van cliënten een bepaald percentage van de aan de cliënt berekende provisiën wegens aan- en verkoop van effecten. Geen provisie wordt uitbetaald in gevallen waarin geen overeenkomst van koop- en verkoop van effecten totstandkomt."},{"i":7163,"b":"Besluit van 29 november 1996 ter uitvoering van artikel 1065 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 februari 1996, Directie Wetgeving, nr. 537685/96/6; Gelet op artikel 1065 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek; De Raad van State gehoord (advies van 22 maart 1996, nr. W03.96.0055); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 20 november 1996, Directie Wetgeving, nr. 589133/96/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het bedrag van het in artikel 1065 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde fonds beloopt, behoudens de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008364&artikel=3&z=2025-03-01&g=2025-03-01) bedoelde gevallen, - a. wanneer het vorderingen betreft terzake van dood of letsel die niet zijn vorderingen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008364&artikel=2&z=2025-03-01&g=2025-03-01) (personenfonds): - 1°. voor een schip, niet bestemd tot het vervoer van zaken, in het bijzonder een passagiersschip, 450 rekeneenheden per kubieke meter waterverplaatsing tot het vlak van de grootst toegelaten diepgang, vermeerderd voor schepen voorzien van mechanische voortbewegingswerktuigen met 1.576 rekeneenheden voor elke kilowatt van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen; - 2°. voor een schip dat is bestemd voor het vervoer van zaken, 450 rekeneenheden per ton laadvermogen van het schip, vermeerderd voor schepen voorzien van mechanische voortbewegingswerktuigen met 1.576 rekeneenheden voor elke kilowatt van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen; - 3°. voor een duw- of sleepboot, 1.576 rekeneenheden voor elke kilowatt van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen; - 4°. voor een duwboot die op het tijdstip waarop de schade is veroorzaakt, hecht met duwbakken in een duweenheid was gekoppeld, het overeenkomstig 3° berekende bedrag, vermeerderd met 225 rekeneenheden per ton laadvermogen van de geduwde bakken; deze vermeerdering vindt ni"},{"i":4775,"b":"Klachtenregeling De Nederlandse Publieke Omroep, als bedoeld in Hoofdstuk 9 Algemene Wet Bestuursrecht Vastgesteld bij besluit van de raad van bestuur d.d. 11 november 2008. De Raad van Bestuur van de Nederlandse Omroep Stichting, Handelend onder de naam de Nederlandse Publieke Omroep, hierna de NPO; Gelet op [hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9); Heeft de volgende klachtenregeling vastgesteld: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Awb:** de [Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). - b. **Raad van bestuur:** de raad van bestuur van de NPO. - c. **Raad van toezicht:** de raad van toezicht van de NPO. - d. **Medewerker:** persoon die ten tijde van de omstreden gedraging werkzaam is bij en onder verantwoordelijkheid van de NPO, met inbegrip van zelfstandigen, uitzendkrachten, gedetacheerden en stagiaires. - e. **Directe leidinggevende:** persoon die de gezagsverhouding over een medewerker uitoefent. - f. **Klachtbehandeling:** het onderzoek van een klacht met inachtneming van [afdeling 9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=9.2) en [9.3 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=9.3). - g. **Klachtbehandelaar:** degene die ingevolge [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024787&artikel=6&z=2008-12-10&g=2008-12-10) de klacht in behandeling neemt en afdoet. - h. **Klachtadviesprocedure:** de procedure als bedoeld in [afdeling 9.3. Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=9.3). - i. **Klachtafdoening:** de schriftelijke bekendmaking aan de klager van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht alsmede van de eventuele conclusies die daaraan worden verbonden als bedoeld in [artikel 9:12, eerste lid Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:12). Artikel 2. Doel Het doel van deze regeling is het geven van een procedure voor"},{"i":9109,"b":"Protocol inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij voorvallen van verontreiniging door gevaarlijke en schadelijke stoffen van 2000 De Partijen bij dit Protocol, Partij zijnde bij het [Internationaal Verdrag inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002364), gesloten te Londen op 30 november 1990, Gelet op Resolutie 10, aangenomen door de Conferentie inzake internationale samenwerking bij de voorbereiding op en de bestrijding van olieverontreiniging van 1990, inzake uitbreiding van het toepassingsgebied van het [Internationaal Verdrag inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002364) van 1990 tot schadelijke en gevaarlijke stoffen, Voorts gelet op het feit dat uit hoofde van Resolutie 10 van de Conferentie inzake internationale samenwerking bij de voorbereiding op en de bestrijding van olieverontreiniging van 1990, de Internationale Maritieme Organisatie, in samenwerking met alle belanghebbende internationale organisaties, haar werkzaamheden heeft geïntensiveerd ten aanzien van alle aspecten van voorbereiding op, bestrijding van en samenwerking bij voorvallen van verontreiniging door gevaarlijke en schadelijke stoffen, Gelet op het beginsel „de vervuiler betaalt” als algemeen beginsel van internationaal milieurecht, Indachtig de ontwikkeling van een strategie voor het opnemen van voorzorgsbenadering in het beleid van de Internationale Maritieme Organisatie, Tevens indachtig het feit dat, bij een voorval van verontreiniging door gevaarlijke en schadelijke stoffen, onmiddellijk en doeltreffend optreden noodzakelijk is om de schade die uit een dergelijk voorval kan voortvloeien tot een minimum te beperken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Algemene bepalingen 1. De Partijen verplichten zich, afzonderlijk of gezamenlijk, alle passende maatregelen te nemen,"},{"i":3142,"b":"Besluit van 30 oktober 2018, houdende regels ter uitvoering van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 4 juli 2018, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2306334, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Defensie, Economische Zaken en Klimaat, Financiën en Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op richtlijn (EU) 2016/1148, uitvoeringsverordening (EU) 2018/151 en de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=6), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=9), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=15) en [34 van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=34); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 juli 2018, nummer W16.18.0203/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 24 oktober 2018, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2346717, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Defensie, Economische Zaken en Klimaat, Financiën en Infrastructuur en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder wet verstaan: [Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515). Artikel 2. (aanwijzing aanbieders van een essentiële dienst) Als aanbieders van een essentiële dienst of categorieën van zodanige aanbieders worden aangewezen: | **Sector** | **Aanbieder** | **Essentiële dienst** | | --- | --- | --- | | **Energie: elektriciteit** | De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit, bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1) | Transmissie en distributie van elektricitei"},{"i":3635,"b":"Besluit van 30 mei 2012 tot het stellen van eisen aan de Kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen (Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 maart 2012, nr. KO/2012/3708; Gelet op de [artikelen 1.50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.50), [1.56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.56), [1.56b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.56b) en [2.6, tweede lid van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 april 2012, nr. W12.12.0080/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 mei 2012, nr. KO/2012/4396; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Kwaliteitseisen gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bemiddelingsmedewerker:** de medewerker, werkzaam bij het gastouderbureau, die bemiddelt tussen gastouder en vraagouder en die daartoe de voorziening voor gastouderopvang bezoekt; - **groep:** een eenheid die bestaat uit een aantal door een gastouder op te vangen kinderen; - **huiselijk geweld:** huiselijk geweld als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=1.1.1); - **kindermishandeling:** kindermishandeling als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **meldcode:** meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling; - **melding:** melding aan Veilig Thuis van huiselijk geweld of kindermishandeling of van een vermoeden daarvan; - **Veilig Thuis:** Veilig Thuis-organisatie als bedoeld in [ar"},{"i":9135,"b":"Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen De Hoge Verdragsluitende Partijen bij dit Protocol, Lid-Staten van de Europese Unie, Onder verwijzing naar de akte van de Raad van de Europese Unie van de zevenentwintigste september negentienhonderd zesennegentig, Wensend ervoor te zorgen dat hun strafwetgeving doeltreffend bijdraagt tot de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, Erkennend het belang dat de [Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001473) heeft met het oog op de bestrijding van fraude met betrekking tot de communautaire ontvangsten en uitgaven, Zich ervan bewust dat de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen geschaad of bedreigd kunnen worden door andere strafbare feiten, met name daden van omkoping welke begaan kunnen worden tegen of door nationale zowel als communautaire ambtenaren, die belast zijn met de inning, het beheer of de besteding van communautaire middelen waarop zij controle uitoefenen, Overwegende dat bij dergelijke daden van omkoping personen van verschillende nationaliteit en in dienst van verschillende openbare instanties of instellingen betrokken kunnen zijn en dat het, ter wille van een doeltreffend optreden tegen dergelijke internationaal vertakte operaties, van belang is dat het laakbare karakter ervan in het strafrecht van de Lid-Staten volgens vergelijkbare maatstaven wordt beoordeeld, Constaterend dat in verscheidene Lid-Staten de strafwetgeving inzake ambtsdelicten in het algemeen en omkoping in het bijzonder alleen betrekking heeft op handelingen die door of tegen hun nationale ambtenaren worden verricht, en niet of slechts in uitzonderlijke gevallen ook op gedragingen waarbij communautaire ambtenaren of ambtenaren van andere Li"},{"i":9147,"b":"Protocol tot wijziging van de Regeling tot beteugeling van de verspreiding van ontuchtige uitgaven, Parijs, 4 mei 1910 De Partijen bij dit Protocol, overwegende, dat krachtens de Regeling tot beteugeling van de verspreiding van ontuchtige uitgaven, ondertekend te Parijs op 4 Mei 1910, de Regering van de Franse Republiek belast was met zekere functies; overwegende, dat genoemde Regering heeft aangeboden de door haar krachtens voornoemde Regeling uitgeoefende functies over te dragen aan de Verenigde Naties, en overwegende, dat het dienstig is, dat de Verenigde Naties deze functies van nu af op zich nemen, komen hierbij als volgt overeen: Artikel 1 De Partijen bij dit Protocol verbinden zich om ten opzichte van elkander, overeenkomstig de bepalingen van dit Protocol, volledige rechtskracht toe te kennen aan de wijzigingen van deze Akte, welke in de bijlage van dit Protocol zijn vermeld, alsmede om deze in werking te doen treden en de toespassing er van te verzekeren. Artikel 2 De Secretaris-Generaal stelt de tekst op van de Regeling van 4 Mei 1910 tot beteugeling van de verspreiding van ontuchtige uitgaven, als herzien overeenkomstig dit Protocol, en zendt afschriften hiervan ter kennisneming aan de Regeringen van elk Lid van de Verenigde Naties en van elke Staat niet-Lid, door wie dit Protocol kan worden ondertekend of aanvaard. Hij nodigt Partijen bij voornoemde Regeling uit de gewijzigde tekst van deze Akte toe te passen, zodra de wijzigingen van kracht zijn geworden, zelfs indien zij nog niet in staat zijn geweest Partij bij dit Protocol te worden. Artikel 3 Dit Protocol kan ondertekend of aanvaard worden door alle Partijen bij de Regeling van 4 Mei 1910 tot beteugeling van de verspreiding van ontuchtige uitgaven, aan wie de Secretaris-Generaal te dien einde een afschrift van dit Protocol heeft toegezonden. Artikel 4 Staten kunnen Partij worden bij dit Protocol door: - a. ondertekening zonder voorbehoud van aanvaarding: - b. ondertekening met voorbehoud van aanvaar"},{"i":9151,"b":"Protocol tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de gevolgen van de Duitse eenwording voor de bilaterale verdragsrelaties Tussen de delegaties van de Regering van het Koninkrijk der Neder landen en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland is op 2 en 3 juli 1991 in 's-Gravenhage, op 21 oktober 1991 en op 25 januari 1994 in Bonn overleg gevoerd met het doel, in verband met de totstandkoming van de eenheid van Duitsland, overeenstemming te bereiken over de territoriałe werkingssfeer van de volkenrechtelijke verdragen die tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland voor 3 oktober 1990 van kracht waren, alsmede over de verdere toepassing, de wijziging of het vervallen van volkenrechtelijke verdragen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de voormalige Duitse Democratische Republiek. GEDAAN te Bonn, op 25 januari 1994, in twee exemplaren, in de Nederlandse en de Duitse taal. **Leider van de delegatie van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden** (w.g) A. BOS **Leider van de delegatie van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland** (w.g) EITEL"},{"i":9156,"b":"Protocol van 1992 tot wijziging van het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1971 De Partijen bij dit Protocol, Bestudeerd hebbend het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1971, en het daarbij behorende Protocol van 1984, Vastgesteld hebbend dat het Protocol van 1984 bij dat Verdrag, waarbij wordt voorzien in een ruimere werkingssfeer van het Verdrag en in een verhoging van de vergoeding, niet in werking is getreden, Het belang bevestigend van de handhaving van de levensvatbaarheid van het internationale stelsel van aansprakelijkheid voor verontreiniging door olie en van vergoeding van schade, Zich bewust van de noodzaak de zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de inhoud van het Protocol van 1984 te verzekeren, Het voordeel voor de Partij zijnde Staten erkennend van een regeling waarbij voor een overgangsperiode het gewijzigde Verdrag bestaat naast en in aanvulling op het oorspronkelijke Verdrag, Ervan overtuigd dat de economische gevolgen van schade door verontreiniging voortvloeiend uit het vervoer door schepen van olie in bulk over zee dienen te blijven gedeeld door de scheepvaart en door degenen die financiële belangen hebben bij de vervoerde olie, Indachtig de aanneming van het [Protocol van 1992 tot wijziging van het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003263), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Het Verdrag dat door de bepalingen van dit Protocol wordt gewijzigd is het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1971, hierna te noemen het „Fondsverdrag, 1971”. Ten aanzien van Staten die Partij zijn bij het Protocol van 1976 bij het Fondsverdrag,"},{"i":9160,"b":"Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij De Partijen bij dit Protocol, Partij zijnde bij het [Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003287) Erkennend de noodzaak luchtverontreiniging door schepen te voorkomen en te beheersen, Herinnerend aan beginsel 15 van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling waarin wordt opgeroepen tot een preventieve aanpak, Overwegend dat deze doelstelling het best kan worden verwezenlijkt door het sluiten van een protocol van 1997 tot wijziging van het [Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol daarbij van 1978](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Te wijzigen verdrag Het verdrag dat door dit Protocol wordt gewijzigd is het [Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol daarbij van 1978](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241) (hierna te noemen het „Verdrag”). Artikel 2. Toevoeging van Bijlage VI aan het Verdrag Bijlage VI getiteld Voorschriften voor de voorkoming van luchtverontreiniging door schepen, waarvan de tekst is opgenomen in de Bijlage bij dit Protocol, wordt toegevoegd. Artikel 3. Algemene verplichtingen 1. Het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241) en dit Protocol dienen, tussen de Partijen bij dit Protocol, tezamen te worden gelezen en geïnterpreteerd als een enkel verdrag. 2. Elke verwijzing naar dit Protocol houdt tegelijkertijd een verwijzing in naar de Bijlage hierbij. Artikel 4. Wijzigingsprocedure Bij toepassing van [artikel 16 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241&artikel=16) op een wijziging van Bijlage VI en de aanhangsels daarbij,"},{"i":8743,"b":"OCCAR-Beveiligingsverdrag tussen de Regering van de Franse Republiek, de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van de Italiaanse Republiek en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland De leden van OCCAR (Organisation Conjointe de Coopération en matière d’Armement), opgericht bij het Verdrag inzake de oprichting van OCCAR, ondertekend op 9 september 1998 te Farnborough („OCCAR-Verdrag”), en waarnaar wordt verwezen in artikel 2 van het OCCAR-Verdrag, Hierna te noemen „de partijen”, zich ervan bewust dat het verrichten van de taken van OCCAR de uitwisseling van gerubriceerde gegevens vereist; voornemens de beveiliging van gerubriceerde gegevens die door OCCAR worden gegenereerd of aan OCCAR worden overgebracht te waarborgen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „gerubriceerde gegevens” verstaan alle gegevens, documenten of materiaal waarvan de ongeoorloofde bekendmaking de belangen van de partijen of OCCAR zou kunnen schaden, ongeacht of dergelijke gegevens van OCCAR zelf afkomstig zijn of worden ontvangen van de partijen, en die als zodanig zijn aangemerkt door een rubriceringsniveau. 2. Dergelijke gerubriceerde gegevens worden aangeduid met hetzij een nationale rubricering of door de markering „OCCAR” tezamen met het passende rubriceringsniveau zoals vermeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0007039&artikel=3&z=2004-09-24&g=2004-09-24). Artikel 2 Elke partij - a. beschermt en beveiligt gerubriceerde gegevens die door OCCAR worden gegenereerd of aan OCCAR worden overgebracht, - b. handhaaft de rubricering van de gegevens en kent aan deze gerubriceerde gegevens de mate van beveiliging toe die past bij de rubricering die door de opsteller is toegekend, - c. gebruikt deze gerubriceerde gegevens niet voor doeleinden anders dan vastgelegd in het OCCAR-Verdrag of in programmaspecifieke regelingen, - d. maakt"},{"i":9166,"b":"Protocol van facultatieve ondertekening inzake de verplichte beslechting van geschillen De staten die partij zijn bij dit Protocol en bij een of meer van de zeerechtverdragen, aanvaard door de van 24 februari tot 27 april 1958 te Genève gehouden Conferentie van de Verenigde Naties over zeerecht, Uitdrukking gevende aan hun verlangen, ten aanzien van alle kwesties die hen aangaan en die verband houden met een geschil ontstaan ten gevolge van de uitlegging of toepassing van enigerlei artikel van de zeerechtverdragen van 29 april 1958, een beroep te doen op de verplichte rechtsmacht van het Internationale Gerechtshof, tenzij het verdrag in een andere wijze van beslechting voorziet of de partijen binnen een redelijke termijn hieromtrent overeenstemming hebben bereikt, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Geschillen welke ontstaan tengevolge van de uitlegging of toepassing van een der zeerechtverdragen, vallen binnen de verplichte rechtsmacht van het Internationale Gerechtshof en kunnen derhalve door iedere partij bij het geschil die Partij is bij dit Protocol door middel van een rekwest aan het Hof worden voorgelegd. Artikel II Deze verplichting heeft betrekking op alle bepalingen van elk der zeerechtverdragen, behalve de [artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van het Verdrag inzake de visserij en de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005199&artikel=4), waarop de [artikelen 9, 10, 11 en 12 van dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005199&artikel=9) van toepassing blijven. Artikel III De Partijen kunnen binnen een tijdvak van twee maanden nadat de ene Partij aan de andere als haar mening te kennen heeft gegeven, dat er een geschil bestaat, overeenkomen geen beroep te doen op het Internationale Gerechtshof, doch op een scheidsrechterlijk tribunaal. Na het verstrijken van genoemd tijdvak kan iedere Partij bij dit Protocol het geschil door middel van een rekwest aan het Hof voorleggen. Artikel IV 1."},{"i":9167,"b":"Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken De Partijen bij dit Protocol, Partij zijnde bij het [Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002799), Indachtig de uit hoofde van [dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002799) op hen rustende verplichting passende maatregelen te treffen om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke gevolgen, voortvloeiend of vermoedelijk voortvloeiend uit activiteiten van de mens die veranderingen veroorzaken of vermoedelijk veroorzaken in de ozonlaag, Erkennende dat de uitworp van bepaalde stoffen over de gehele wereld de ozonlaag dusdanig kan afbreken en anderszins veranderen, dat daaruit vermoedelijk schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en het leefmilieu voortvloeien, Zich bewust van de mogelijke klimatologische gevolgen van de uitworp van deze stoffen, Beseffende dat maatregelen ter bescherming van de ozonlaag tegen afbraak gebaseerd zouden moeten zijn op ter zake dienende wetenschappelijke kennis, rekening houdend met technische en economische overwegingen, Vastbesloten de ozonlaag te beschermen door middel van voorzorgsmaatregelen die beogen de totale mondiale uitworp van stoffen die de ozonlaag afbreken op billijke wijze te beheersen, met het uiteindelijke doel deze uitworp geheel uit te bannen gebaseerd op ontwikkelingen in de wetenschappelijke kennis, rekening houdend met technische en economische overwegingen en met de bijzondere behoeften van ontwikkelingslanden, Erkennende dat er een bijzondere regeling noodzakelijk is om tegemoet te komen aan de behoeften van de ontwikkelingslanden, met inbegrip van het verschaffen van extra financiële middelen en het verschaffen van toegang tot de desbetreffende technologieën, indachtig het feit dat de hoeveelheid benodigde financiële middelen voorspeld kan worden, en dat die middelen een aanzienlijk verschil kunnen maken in de mate waarin de wereld in sta"},{"i":9171,"b":"Protocol van toetreding tot de Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van Ecuador Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland„ partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, en de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Colombia (hierna „Colombia” genoemd), de Republiek Peru (hierna „Peru” genoemd) en de Republiek Ecuador (hierna „Ecuador” genoemd), hierna „de overeenkomstsluitende Andeslanden” genoemd, anderzijds, Overwegende dat de [handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005911) (hierna de „overeenkomst” genoemd), op 26 juni 2012 te Brussel is ondertekend en dat een aantal van haar bepalingen zijn toegepast op grond van [artikel 330](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005911&artikel=330) ervan, tussen de Europese Unie en Peru sinds 1 maart 2013 en tussen de Europese Unie en Colombia sinds 1 augustus 2013; Overwegende dat het [Verdrag betreffende de toetreding van Republiek Kroatië tot de Europese Unie](https://wette"},{"i":9172,"b":"Protocol van toetreding van de Regering van de Russische Federatie tot het Verdrag van 16 december 1988 inzake de bouw en de werking van een \"European Synchrotron Radiation Facility\" (Europese synchrotronstralingsfaciliteit) De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Koninkrijk Denemarken, De Regering van de Republiek Finland, de Regering van de Franse Republiek, De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, De Regering van de Italiaanse Republiek, De regering van het Koninkrijk der Nederlanden, De Regering van het Koninkrijk Noorwegen, De Regering van het Koninkrijk Spanje, De Regering van het Koninkrijk Zweden, De Regering van de Zwitserse Confederatie, De Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, die het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002889) hebben ondertekend inzake de bouw en de exploitatie van de „European Synchrotron Radiation Facility” op 16 december 1988 in Parijs (met uitzondering van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, die op 9 december 1991 ondertekende), hierna genoemd het Verdrag, enerzijds, en de regering van de Russische Federatie, anderzijds, Overwegende dat de Overeenkomstsluitende Partijen, zoals verwoord in de preambule van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002889), hopen dat andere Europese landen zullen deelnemen aan de activiteiten die zij zich voorstellen te ondernemen uit hoofde van dit Verdrag, Overwegende dat de Raad van de „European Synchrotron Radiation Facility” (ESRF, hierna te noemen de Vennootschap) met eenparigheid van stemmen in oktober 2011, in overeenstemming met het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002889), de Russische Federatie heeft uitgenodigd om toe te treden tot het Verdrag op dezelfde voorwaarden als de Overeenkomstsluitende Partijen, Overwegende dat de Raad van de Vennootschap op 18 juni 2012 met eenparigheid van stemmen een resolutie aannam om, in ov"},{"i":9176,"b":"Raamovereenkomst inzake technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Peru De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Peru, teneinde de vriendschappelijke betrekkingen tussen beide landen en hun bevolking te versterken, vanuit hun wens technische samenwerking te bevorderen en hiervoor het noodzakelijke juridische en bestuurlijke kader te scheppen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel I 1. Doel van deze Overeenkomst is het bevorderen van technische samenwerking en het scheppen van een juridisch en bestuurlijk kader voor de samenwerkingsprojecten die op besluit van de bevoegde bestuurlijke autoriteiten van beide Partijen worden uitgevoerd in het kader van technische samenwerking. 2. Een beslissing tot samenwerking zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, de bijdragen aan een project en de vorm waarin dit zal worden uitgevoerd, moeten voor ieder geval apart worden vastgesteld in een speciaal administratief akkoord, dat tot stand zal komen in onderling overleg tussen beide bevoegde bestuurlijke autoriteiten. 3. De Peruaanse Regering wijst de Minister van Buitenlandse Zaken aan als bevoegde bestuurlijke autoriteit. De Nederlandse Regering wijst de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan als de bevoegde bestuurlijke autoriteit. Artikel II De Peruaanse Regering is met betrekking tot een project gehouden: - a. Het Nederlandse personeel vrij te stellen van alle belastingen en andere fiscale heffingen op vergoedingen die zij betaald krijgen van de Nederlandse Regering; - b. Het Nederlandse personeel vrij te stellen van invoerrechten en andere fiscale heffingen op nieuwe of gebruikte huisraad en persoonlijke bezittingen die naar Peru worden geïmporteerd binnen zes maanden na aankomst van de deskundige. Deze periode kan onder speciale omstandigheden worden verlengd, mits die goederen weer uit Peru worden geëxporteerd op het moment van vertrek of binnen een bepaald tijdsbestek dat in dat verband door de"},{"i":3235,"b":"Besluit van de Staatsecretaris van Justitie en Veiligheid, van 4 september 2024 nr. BOACAT2024/102, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Enschede Gelezen het verzoek van de gemeente Enschede van 2 september 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050195&artikel=2&z=2025-02-01&g=2025-02-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van integraal handhaver of senior handhaver in dienst van de gemeente Enschede, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen i"},{"i":1108,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, dividendbelasting, Europees recht, kwalificatie rechtsvormen De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 18 december 2004, nr. CPP2004/2730 (Wijziging moeder-dochterrichtlijn en kwalificatie rechtsvormen). Enkele nieuwe beleidsstandpunten zijn in dit besluit opgenomen. De belangrijkste wijzigingen en nieuwe standpunten worden hierna beschreven. De kwalificatievragen zijn deels geherformuleerd en nader toegelicht. Daarbij is de weging van de vragen veranderd. Hierdoor is de mogelijkheid ontstaan dat buitenlandse samenwerkingsvormen, afhankelijk van de wijze van inrichting, verschillend worden beoordeeld. Ook is de lijst met getoetste buitenlandse samenwerkingsverbanden geactualiseerd en wordt thans opgenomen op de site van de Belastingdienst. Deze lijst heeft een indicatief karakter gekregen.** 1. Inleiding In het [besluit van 18 december 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017850), nr. CPP2004/2730M, staan kaders waarbinnen wordt getoetst of een buitenlands samenwerkingsverband dan wel een buitenlandse rechtsvorm voor de Nederlandse belastingheffing als een transparant of als een zelfstandig lichaam moet worden aangemerkt. Dit besluit vervangt voornoemd besluit. Naar aanleiding van de opgedane ervaringen met voormeld besluit van 18 december 2004, is besloten het besluit aan te passen. Met het aangepaste toetsingskader wordt beoogd in te spelen op de wensen van de praktijk. Ook wordt thans de mogelijkheid open gehouden dat een individuele beoordeling afwijkt van de tot dan toe beoordeelde gevallen. Ter verduidelijking van dit besluit is in een bijlage het toetsingskader in een schema weergegeven. Tot slot is de lijst van gekwalificeerde samenwerkingsverbanden omwille van de flexibiliteit via de site van de Belastingdienst te raadplegen. Deze lijst is tevens geactualiseerd. In onderdeel 2 wordt de reikwijdte van het besluit aangegeven en in"},{"i":1107,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, dividendbelasting, bronbelasting. Vermijden van dubbele belasting onder de toepassing van de belastingverdragen en andere regelingen ter vermijding van dubbele belasting De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit beleidsbesluit is een actualisering van het besluit van 18 april 2023, nr. 2023-2897 (** **Stcrt. 2023, 12301** **) en bevat het beleid over het vermijden van dubbele belasting onder de toepassing van de belastingverdragen, het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 en andere regelingen ter vermijding van dubbele belasting. In dit besluit zijn beleidswijzigingen aangebracht, nieuwe beleidsbeslissingen opgenomen en standpunten verduidelijkt.** 1. Inleiding Nederland belast inwoners over hun wereldinkomen. Voor de in het wereldinkomen begrepen buitenlandse inkomensbestanddelen waarover het heffingsrecht op basis van een belastingverdrag of een andere regeling ter vermijding van dubbele belasting (primair) aan een ander land is toegewezen, verleent Nederland een vermindering tot het vermijden van dubbele belasting. In het desbetreffende verdrag of de desbetreffende andere regeling is bepaald voor welke inkomsten een vermindering van belasting wordt verleend, of de vermindering wordt verleend volgens de vrijstellings- of verrekeningsmethode en welk bedrag aan buitenlandse (bron)belasting voor verrekening in aanmerking komt. In dit besluit is het beleid over de (technische) wijze van bepaling van de vermindering geactualiseerd. De volgende onderdelen zijn toegevoegd aan dit besluit: Verder is een tweetal aanpassingen aangebracht in verband met wijzigingen in het [Besluit voorkoming dubbele belasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012095) per 1 januari 2025. De goedkeuring voor de verrekening van buitenlandse belasting op sporters- of artiesteninkomsten in de vennootschapsbelasting is toegespitst op de boekjaren die zijn aangevangen vóór 1 januari 2025 (onderdeel 3.5.1). Daar"},{"i":5174,"b":"Rechtspositieregeling lid Raad van bestuur UWV Gelet op [artikel 5, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Artikel 2. Beloning 1. De beloning wordt bij beschikking vastgesteld, waarbij de [Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) in acht wordt genomen. 2. Het bedrag van de beloning is inclusief een vakantie- en een eindejaarsuitkering overeenkomstig de bepalingen van de voor het UWV geldende CAO. 3. De beloning, bedoeld in het eerste lid, wordt, met uitzondering van vakantie- en eindejaarsuitkering, uitbetaald in gelijke maandelijkse termijnen. De vakantie- en eindejaarsuitkering worden eens per jaar uitbetaald, in de maanden mei respectievelijk december van ieder jaar. 4. Het bedrag van de beloning wordt aangepast aan de ontwikkeling van het bezoldigingsmaximum, bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.3). Artikel 3. Kostenvergoedingen 1. Een lid heeft recht op een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de regeling van het UWV voor het vergoeden van reis- en verblijfkosten. 2. Een lid ontvangt een representatievergoeding overeenkomstig het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950). Artikel 4. Verlof Een lid heeft aanspraak op de verloffaciliteiten die gelden voor de personen in dienst van het UWV. Artikel 5. Arbeidsongeschiktheid In geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, zwangerschap of bevalling zijn de bepalingen ten aanzien van doorbetaling van de bezoldiging van het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":9205,"b":"Richtlijnen opneming buitenlandse kinderen ter adoptie 2000 Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=5) en [8 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=8); Besluit: Artikel 1 1. Een beginseltoestemming betreft slechts de opneming van één buitenlands kind ter adoptie; toestemming kan echter worden verleend voor de opneming van: - a. broer(s) en/of zuster(s), dan wel - b. twee of meer kinderen, al dan niet uit één familie, tussen wie een, in beginsel door middel van bescheiden aangetoonde, zodanige relatie bestaat dat zij bezwaarlijk gescheiden kunnen worden. 2. In beide gevallen dient uit onderzoek, verricht door de raad voor de kinderbescherming, de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders voor de verzorging en opvoeding van meer dan een buitenlands kind aannemelijk te zijn geworden. Artikel 2 1. Indien een aspirant-adoptiefouder op het tijdstip van indiening van het verzoek om verlening van een beginseltoestemming de leeftijd van tweeënveertig jaren heeft bereikt, kan dit verzoek worden ingewilligd indien bijzondere omstandigheden inwilliging wenselijk maken. Op bijzondere omstandigheden kan geen beroep worden gedaan in de volgende gevallen: - a. bij een verzoek om verlening van een beginseltoestemming van twee met elkaar gehuwde aspirant-adoptiefouders tezamen: - indien beide aspirant-adoptiefouders op het tijdstip van de indiening van het verzoek de leeftijd van vierenveertig jaren hebben bereikt, of - indien redelijkerwijs te verwachten is dat de oudste aspirant-adoptiefouder op het tijdstip van de beslissing over de verlening van een beginseltoestemming de leeftijd van zesenveertig jaren zal hebben bereikt. - b. bij een verzoek om verlening van een beginseltoestemming van één aspirant-adoptiefouder alleen, indien die aspirant-adoptiefouder op het tijdstip van de indiening van het verzoek"},{"i":9206,"b":"Richtlijnen voor gebruik CS-traangas Overwegende dat het gewenst is het gebruik van CS-traangas door de politie te reguleren c.q. dit te beperken, Besluiten vast te stellen de volgende richtlijnen. Artikel 1. **Het gebruik van CS-traangas in gesloten ruimten** Het gebruik van CS-traangas in gesloten ruimten is slechts geoorloofd om iemand aan te houden, van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dat tegen personen zal gebruiken dan wel ander levensbedreigend geweld tegen personen zal aanwenden. Artikel 2. **Het gebruik van CS-traangas anders dan in gesloten ruimten** Het gebruik van CS-traangas anders dan in gesloten ruimten is – indien andere middelen falen of naar redelijkheid te verwachten is dat deze zullen falen – slechts geoorloofd ter verspreiding van samenscholingen of volksmenigten, die een ernstige en onmiddellijke bedreiging vormen voor de veiligheid van personen en/of goederen. Artikel 3. **Toestemmingsprocedure** 1. Het gebruik van CS-traangas door de politie is, behalve in een situatie waarin een beroep kan worden gedaan op hetgeen in [artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=41) is bepaald, slechts geoorloofd in opdracht van de algemeen commandant of de terzake bevoegde meerdere na vooraf verkregen toestemming van het bevoegd gezag. 2. De meerdere die overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid, bevel geeft tot het daadwerkelijk verspreiden van CS-traangas moet bij dit bevel aangeven hoeveel CS-traangasgranaten gebruikt mogen worden. Artikel 4. **Waarschuwing** Voorafgaand aan het gebruik van CS-traangas moet de politie – overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van de Bijstandsinstructie Gemeentepolitie, respectievelijk artikel 8 van de Instructie Korps Rijkspolitie– een duidelijke waarschuwing geven dat traangas gebruikt zal worden. Artikel 5. **Vluchtwegen** Voorafgaand aan het gebruik van traangas moet de pol"},{"i":9207,"b":"Rijkswet van 7 juli 1994, houdende regeling betreffende de goedkeuring en bekendmaking van verdragen en de bekendmaking van besluiten van volkenrechtelijke organisaties Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat, ingevolge [artikel 91, eerste en tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91), de wet dient te bepalen de gevallen waarin geen goedkeuring van verdragen of van het voornemen tot opzegging daarvan is vereist en de wijze waarop de goedkeuring wordt verleend, en dat het voorts wenselijk is de in [artikel 95 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=95) bedoelde wettelijke regeling inzake de bekendmaking van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties aan te passen, onder meer vanwege wijzigingen die hebben plaatsgevonden in de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) en in het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154); Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Onze Minister van Buitenlandse Zaken verstrekt periodiek aan de Staten-Generaal en aan de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten een lijst van ontwerp-verdragen over de totstandkoming waarvan voor het Koninkrijk onderhandeld wordt. 2. De in het eerste lid bedoelde lijst bevat per ontwerp-verdrag een opgave van: - a. de strekking; - b. de bij de onderhandelingen betrokken toekomstige verdragspartijen; - c. in voorkomend geval, de internationale organisatie onder auspiciën waarvan de onderhandelingen worden gevoerd; - d. de meest betrokken ministeries. 3. Op de in het eerste lid bedoelde lijst worden niet opgenomen ontwerp-verdragen ten aanzien waar"},{"i":9208,"b":"Rijkswet van 14 februari 1994, houdende goedkeuring van het op 18 juni 1992 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Raamverdrag inzake vriendschap en nauwere samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 18 juni 1992 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Raamverdrag inzake vriendschap en nauwere samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91), de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 18 juni 1992 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Raamverdrag inzake vriendschap en nauwere samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, waarvan de tekst is geplaatst in **Tractatenblad** 1992, 103, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 Voorzover de in artikel 2, derde lid, van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006462&artikel=1&z=1994-03-02&g=1994-03-02) genoemde verdrag bedoelde nadere overeenkomsten of accoorden verdragen vormen, worden deze aan de goedkeuring van de Staten-Generaal onderworpen. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**, waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad**, het **Publikatieblad van de Nederlandse Antillen** en in het **Afkondigingsblad van Aruba** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zull"},{"i":9209,"b":"Rijkswet van 24 december 1958, houdende goedkeuring van het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, alvorens te kunnen worden bekrachtigd, ingevolge [artikel 60, lid 2, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=60) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, waarvan de tekst, alsmede de vertaling in het Nederlands, in het **Tractatenblad** 1954, nr. 40, is geplaatst, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 De goedkeuring is niet vereist voor de overeenkomsten, bedoeld in de artikelen 1, 3, 6, 7, 9, 10, 15, 16, 18, 19 en 23 van het in het voorgaande artikel genoemde verdrag. Artikel 3 Deze Rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na heden. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad,** het **Gouvernementsblad van Suriname,** het **Publicatieblad van de Nederlandse Antillen** en het **Gouvernementsblad van Nederlands Nieuw-Guinea** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":2758,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2004 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i, artikel 56, tweede lid, artikel 57, eerste lid, en artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 juni 2004, doch niet later dan 15 juli 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,791 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2004 en eindigende met 15 juli 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=8"},{"i":9228,"b":"Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System) (GNSS) De Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap” te noemen, en Het Koninkrijk België, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, Ierland, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, De Republiek Hongarije, Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, hierna „de lidstaten” te noemen, enerzijds, en Het Koninkrijk Marokko, hierna „Marokko” te noemen, anderzijds, hierna „de partijen” te noemen, Gezien de gemeenschappelijke belangen bij de ontwikkeling van een mondiaal satellietnavigatiesysteem (GNSS) voor civiel gebruik, Erkennende het belang van Galileo als bijdrage aan de navigatie- en informatie-infrastructuur in de Europese Gemeenschap en Marokko, Gezien de toenemende ontwikkeling van GNSS-toepassingen in Marokko, de Gemeenschap en andere gebieden in de wereld, In de wens de samenwerking tussen Marokko en de Gemeenschap te intensiveren, hierbij rekening houdend met de op 1 maart 2000 in werking getreden [Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001337), anderzijds1)PB L 70 van 18.3.2000, blz. 3. (hierna „de Associatieovereenkomst van maart 2000” te noemen), Hebben overeenstemming bereik"},{"i":9232,"b":"Schikking betreffende de internationale inschrijving van fabrieks- of handelsmerken De ondergeteekenden, gevolmachtigden van de Regeeringen der bovengenoemde Staten; Gezien artikel 15 der internationale overeenkomst van den 20sten Maart 1883 tot bescherming van den industrieelen eigendom; Hebben in gemeen overleg en onder voorbehoud van bekrachtiging de volgende schikking vastgesteld: Artikel 1 De onderdanen of burgers van elken der contracteerende Staten zullen zich in al de andere Staten de bescherming hunner, bij het dépôt in het land van oorsprong aangenomen fabrieks- of handelsmerken kunnen verzekeren tegen dépôt der gezegde merken aan het Internationaal Bureau te Bern, gedaan door tusschenkomst der Administratie van gezegd land van oorsprong. Artikel 2 Met de onderdanen of burgers der contracteerende Staten worden gelijkgesteld de onderdanen of burgers der niet tot deze schikking toegetreden Staten, die, op het grondgebied, waarover de bij die schikking tot stand gebrachte Vereeniging van beperkten omvang zich uitstrekt, voldoen aan de voorwaarden vastgesteld in art. 3 der Algemeene Overeenkomst tot bescherming van den industrieelen eigendom. Artikel 3 Het Internationaal Bureau zal de overeenkomstig artikel 1 gedeponeerde merken onmiddellijk inschrijven. Het zal van die inschrijving aan de contracteerende Staten kennis geven. De ingeschreven merken zullen worden openbaar gemaakt in een bijvoegsel van het blad van het Internationaal Bureau door middel van een cliché verstrekt door dengeen die het merk deponeert. Indien deze verlangt, dat een bepaalde kleur in zijn merk als onderscheidingsteeken dienst zal doen, zal hij gehouden zijn: - 1°. dit uitdrukkelijk te verklaren en de inzending van zijn merk vergezeld te doen gaan van eene beschrijving, waarin bedoelde kleur wordt aangegeven; - 2°. bij zijne aanvrage gekleurde exemplaren van bedoeld merk te voegen, welke exemplaren zullen worden gehecht aan de kennisgevingen van inschrijving uitgaande van het Internatio"},{"i":9233,"b":"Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken van 14 april 1891, zoals herzien te Brussel op 14 december 1900, te Washington op 2 juni 1911, te 's-Gravenhage op 6 november 1925, te Londen op 2 juni 1934, te Nice op 15 juni 1957 en te Stockholm op 14 juli 1967 en zoals gewijzigd te Genève op 28 september 1979 Artikel 1 (1). De landen, voor welke deze Schikking geldt, vormen een bijzondere Unie voor de internationale inschrijving van merken. (2). De onderdanen van elk der overeenkomstsluitende landen zullen zich in alle andere landen, die bij deze Schikking partij zijn, de bescherming kunnen verzekeren van hun in het land van oorsprong ingeschreven merken voor waren of diensten, door middel van het depot van genoemde merken bij het Internationale Bureau voor de intellectuele eigendom (hierna te noemen „het Internationale Bureau”) bedoeld in het Verdrag tot oprichting van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (hierna te noemen „de Organisatie”), gedaan door de tussenkomst van de Administratie van genoemd land van oorsprong. (3). Als land van oorsprong zal worden beschouwd het land van de bijzondere Unie, waar de inzender een daadwerkelijke en wezenlijke inrichting van nijverheid of handel heeft; indien hij een dergelijke inrichting niet heeft in een land van de bijzondere Unie, het land van de bijzondere Unie waar hij zijn woonplaats heeft; indien hij geen woonplaats heeft in de bijzondere Unie, het land van zijn nationaliteit ingeval hij onderdaan is van een land van de bijzondere Unie. Artikel 2 Met de onderdanen van de overeenkomstsluitende landen worden gelijkgesteld de onderdanen der niet tot deze Schikking toegetreden landen, die, op het grondgebied van de door deze gevormde bijzondere Unie, voldoen aan de voorwaarden, vastgesteld bij [artikel 3 van het Verdrag van Parijs voor de bescherming van de industriële eigendom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004120&artikel=3). Artikel 3 (1). Iedere aanvrage voor intern"},{"i":9234,"b":"Schikking van Madrid van 14 april 1891 betreffende de internationale inschrijving van fabrieks- of handelsmerken, herzien te Brussel op 14 december 1900, te Washington op 2 juni 1911, te 's-Gravenhage op 6 november 1925 en te Londen op 2 juni 1934 De Ondergetekenden, behoorlijk daartoe gemachtigd, hebben, in gemeen overleg, de volgende tekst vastgesteld, welke zal vervangen de overeenkomst van Madrid van 14 April 1891, herzien te Brussel op 14 December 1900, te Washington op 2 Juni 1911 en te 's-Gravenhage op 6 November 1925, te weten: Artikel 1 1. De onderdanen van elk der contacterende landen zullen zich in al de andere landen de bescherming kunnen verzekeren van hun in het land van oorsprong ingeschreven fabrieks- of handelsmerken, door middel van het depôt van genoemde merken bij het Internationaal Bureau te Bern, gedaan door de tussenkomst van de Administratie van genoemd land van oorsprong. 2. Voor de omschrijving van het land van oorsprong geldt de desbetreffende bepaling van artikel 6 van het algemeen verdrag tot bescherming van de industriële eigendom. Artikel 2 Met de onderdanen van de contracterende landen worden gelijkgesteld de onderdanen der niet tot deze overeenkomst toegetreden landen, die, op het grondgebied van de door deze gevormde Unie van beperkte omvang, voldoen aan de voorwaarden, vastgesteld bij artikel 3 van het algemeen verdrag. Artikel 3 1. Iedere aanvrage voor internationale inschrijving zal moeten worden aangeboden op het formulier, voorgeschreven door het reglement van uitvoering, en de Administratie van het land van oorsprong van het merk zal de verklaring afgeven, dat de aanduidingen, die op dat aanvraagformulier voorkomen, overeenstemmen met die van het nationale register. 2. Indien de inzender de kleur als onderscheidend kenmerk van zijn merk verlangt, zal hij gehouden zijn: - 1°. hiervan melding te maken en bij de inzending een verklaring te voegen, welke de verlangde kleur of vereniging van kleuren aanwijst; - 2°. bij zijn aanvrag"},{"i":9236,"b":"Slotdocument van de Buitengewone Conferentie van Staten Partij bij het Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa The Republic of Armenia, the Republic of Azerbaijan, the Republic of Belarus, the Kingdom of Belgium, the Republic of Bulgaria, Canada, the Czech and Slovak Federal Republic, the Kingdom of Denmark, the French Republic, the Republic of Georgia, the Federal Republic of Germany, the Hellenic Republic, the Republic of Hungary, the Republic of Iceland, the Italian Republic, the Republic of Kazakhstan, the Grand Duchy of Luxembourg, the Republic of Moldova, the Kingdom of the Netherlands, the Kingdom of Norway, the Republic of Poland, the Portuguese Republic, Romania, the Russian Federation, the Kingdom of Spain, the Republic of Turkey, Ukraine, the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland and the United States of America, which are the States Parties to the [Treaty on Conventional Armed Forces in Europe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002009) of November 19, 1990, hereinafter referred to as the States Parties, Reaffirming their determination to bring into force the [Treaty on Conventional Armed Forces in Europe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002009) of November 19, 1990, hereinafter referred to as the Treaty, by the time of the Helsinki Summit Meeting of the Conference on Security and Cooperation in Europe on July 9-10, 1992, Desiring to meet the objectives and requirements of the [Treaty](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002009) while responding to the historic changes which have occurred in Europe since the Treaty was signed, Recalling in this context the undertaking in paragraph 4 of the Joint Declaration of Twenty-Two States signed in Paris on November 19, 1990, to maintain only such military capabilities as are necessary to prevent war and provide for effective defence and to bear in mind the relationship between military capabilities and doctrines, and confirming their commitment to that undertaking,"},{"i":9245,"b":"Statuut van de Internationale Rijst Commissie Preamble The Fourth Session of the Conference of the Food and Agriculture Organization of the United Nations (hereinafter referred to as “the Organization”), having considered the recommendations of the Rice Meeting held in Baguio, Philippines, in March 1948, as approved in principle by the Council of the Organization at its meeting in April 1948, approved the establishment of an International Rice Commission (hereinafter referred to as “the Commission”) in accordance with the provisions of the Draft Constitution drawn up at the Rice Meeting at Baguio. Article I. Object The object of the Commission, which is established within the framework of the Organization, shall be to promote national and international action with respect to production, conservation, distribution and consumption of rice, except matters relating to international trade. Article II. Membership Members of the Commission shall be such Member Nations and Associate Members of the Organization, as may accept this Constitution in accordance with the provisions of Article VIII hereof. As regards Associate Members, the Constitution of the Commission shall in accordance with the provision of Article XIV-5 of the Constitution of the Organization and Rule XXI-3 of the General Rules of the Organization be submitted by the Organization to the authority having responsibility for the international relations of such Associate Members. Article III. Seat The seat of the Commission shall be the same place as the seat of the headquarters of the Organization's Regional Office for Asia and the Far East. Article IV. Functions The Commission shall have the functions of: - a. keeping under review the scientific, technical and economic problems that bear upon the object of the Commission as stated in Article I; - b. encouraging and co-ordinating research on the above-mentioned problems and promoting its practical application; - c. undertaking, where necessary and appropriate, c"},{"i":9246,"b":"Statuut van de Internationale Studiegroep voor Koper Oprichting 1 Vervallen Doelstelling 2 Vervallen Definities 3 Vervallen Taken 4 Vervallen Lidmaatschap 5 Vervallen Bevoegdheden van de Groep 6 Vervallen Zetel 7 Vervallen Besluitvorming 8 Vervallen Permanente Commissie 9 Vervallen Commissies en hulporganen 10 Vervallen Secretariaat 11 Vervallen Samenwerking met anderen 12 Vervallen Betrekkingen met het Gemeenschappelijk Fonds 13 Vervallen Rechtspositie 14 Vervallen Begrotingsbijdragen 15 Vervallen Statistieken en informatie 16 Vervallen Jaarlijkse evaluatie en verslagen 17 Vervallen Marktontwikkeling 18 Vervallen Studies 19 Vervallen Verplichtingen van de leden 20 Vervallen Wijzigingen 21 Vervallen Inwerkingtreding 22 Vervallen Opzegging 23 Vervallen Beëindiging 24 Vervallen Voorbehouden 25 Vervallen"},{"i":3090,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 9 november 2024, nr. DGED/DE, 53066414, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, inzake de keuze voor het instrument veiling voor de uitgifte van niet-landelijke commerciële FM-vergunningen en de niet-landelijke commerciële DAB-vergunningen (Besluit bekendmaking veiling vergunningen niet-landelijke commerciële radio-omroep 2024) Gelet op [artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10), en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep in de FM-band en de DAB-band (174–230 MHz), genoemd in tabellen 1 en 2, worden, met de daaraan te verbinden voorschriften en beperkingen, verleend met toepassing van een veiling als bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). | Pakket (Bestaande uit (FM- en DAB-vergunning | FM -vergunning | Demo-grafisch bereik FM-vergunning | Bijlagen FM-vergunning | DAB-vergunning (frequentieblok) | Demo-grafisch bereik DAB-allotment | Bijlagen DAB-vergunning | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | NLCO1 | B01 | 14,72% | 1,3,4 | 8B | 18,84% | 31,33 | | NLCO2 | B02 | 8,79% | 1,3,5 | 8B | 18,84% | 31,33 | | NLCO3 | B03 | 4,43% | 1,3,6 | 8B | 18,84% | 31,33 | | NLCO4 | B04 | 4,55% | 1,3,7 | 8B | 18,84% | 31,33 | | NLCO5 | B05 | 16,29% | 1,3,8 | 8B | 18,84% | 31,33 | | NLCO6 | B06 | 16,02% | 1,3,9 | 5B | 23,38% | 31,37 | | NLCO7 | B07 | 3,25% | 1,3,10 | 5B | 23,38% | 31,37 | | NLCO8 | B08 | 6,03% | 1,3,11 | 5B | 23,38% | 31,37 | | NLCO9 | B09 | 2,14% | 1,3,12 | 12B | 19,77% | 31,38 | | NLCO10 | B10 | 2,32% | 1,3,13 | 5A | 3,78% | 31,34 | | NLCO11 | B11 | 1,12% | 1,3,14 | 5A | 3,78% | 31,34 | | NLCO12 | B12 | 2,76% | 1,3,15 | 5A | 3,78% |"},{"i":4776,"b":"Besluit van 23 januari 1989, houdende regels betreffende de met het buitengewoon pensioen te verrekenen inkomsten, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 12 juli 1988, DVV/WJZ/U-11958; Gelet op [artikel 16, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=16) (**Stb.** 1986, 360); Gehoord de Buitengewone Pensioenraad, de Commissie Indisch Verzet en de Stichting Pelita; De Raad van State gehoord (advies van 17 november 1988, nr. W13.88.0387); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 6 januari 1989, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. DVV/WJZ/U-12868 I; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968) (**Stb.** 1986, 360); - b. de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - c. de gepensioneerde: degene, aan wie krachtens de wet een buitengewoon pensioen is toegekend. 2. Voor de toepassing van dit besluit worden mede als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt degenen die als zodanig worden aangemerkt ingevolge het bepaalde bij of krachtens [artikel 1, derde tot en met vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=1) (**Stb.** 1990, 129). Artikel 2 1. Als het bedrag van de te verrekenen inkomsten, bedoeld in de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=16) en [23 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=23), wordt, behoudens het bepaalde in of krachtens [artikel 16, tweede lid, onder b, derde en vierde lid, van de wet](https://w"},{"i":4060,"b":"Besluit van 10 december 2015 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector ter vaststelling van nadere regels voor het toezicht op kredietunies (Besluit toezicht kredietunies) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 10 september 2015, FM/2015/1296 M, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:80, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [2:54p, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:54p), [3:10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:10), [3:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:18, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:18), [3:29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:29), [3:53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:57, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:63, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:63), [3:71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:71), [3:72, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:72); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 2015, nr. W06.15.0313/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 7 december 2015, 2015-0000021463, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft. Artikel III Wijzigt het uit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan versch"},{"i":3164,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 maart 2023 nr. BOACAT2023/013, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij afdeling Stadstoezicht van de gemeente Eindhoven Gelezen het verzoek van het hoofd van de afdeling Handhaving van de gemeente Eindhoven van 6 maart 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047977&artikel=2&z=2025-04-02&g=2025-04-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver van de Afdeling Handhaving van de gemeente Eindhoven, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein"},{"i":3337,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 mei 2022 nr. BOACAT2022/022, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Weert Gelezen het verzoek van de gemeente Weert van 11 maart 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046648&artikel=2&z=2022-05-11&g=2022-05-11). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar Publieke Ruimte in dienst van de gemeente Weert, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regelin"},{"i":4758,"b":"Kaderregeling exploitatiesubsidies onderzoek en wetenschap Gelet op [artikel 4 van de Wet overige OCenW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4); Besluit: Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Doelomschrijving De minister kan exploitatiesubsidies verlenen voor de financiering van instellingen op het gebied van onderzoek en wetenschap anders dan bedoeld in [artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:21). Artikel 3. Subsidieaanvrager 1. De subsidie kan slechts worden verleend aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de statutaire doelstelling past binnen het doel van de subsidieverlening. 2. De subsidie kan worden verleend indien de subsidieaanvrager een rol vervult op het gebied van onderzoek en wetenschap en indien de instelling is opgenomen in de Rijksbegroting OCenW, hoofdstuk onderzoek en wetenschapsbeleid onder de kop exploitatiesubsidies. Artikel 4. Subsidiebedrag Bij de subsidieverlening maakt de minister het maximaal beschikbare subsidiebedrag bekend. Artikel 5. Subsidieplafond 1. Het subsidieplafond is gelijk aan het bedrag in de Rijksbegroting OCenW, hoofdstuk onderzoek en wetenschapsbeleid vermeld onder exploitatiesubsidies. 2. In afwijking van het eerste lid wordt het subsidieplafond voor het jaar 2002 apart bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 6. Begrotingsvoorbehoud In het geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in [artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:34), worden de op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013566&paragraaf=1&artikel=2&z=2009-07-01&g=2009-07-01) verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander voor zover"},{"i":4885,"b":"Mandaatbesluit NOVEM Subsidieprogramma PMZ 2001 en GAVE 2001 Gezien de schriftelijke instemming van de directeur van de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu B.V., d.d. 14 mei 2001, met kenmerk 01/0123/931/00300; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder NOVEM: de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu B.V.. Artikel 2 1. Aan de directeur van de NOVEM, de manager Duurzaam Produceren en de clustermanager, voor zover verband houdende met zijn taak, wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten, krachtens het [Besluit milieusubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010065), voor zover deze verband houden met de uitvoering van het Subsidieprogramma productgerichte milieuzorg 2001. 2. Aan de directeur van de NOVEM, de manager Duurzame Energie en de clustermanager, voor zover verband houdende met zijn taak, wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten, krachtens het [Besluit milieusubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010065), voor zover deze verband houden met de uitvoering van het Subsidieprogramma klimaatneutrale gasvormige en vloeibare energiedragers 2001. 3. De functionarissen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden tevens gemachtigd tot het afdoen van alle op de daarin bedoelde besluiten betrekking hebbende stukken. Artikel 3 1. Alvorens de functionarissen, bedoeld in [artikel 2, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012717&artikel=2&z=2001-08-26&g=2001-08-26), een beslissing nemen op een aanvraag om subsidie als bedoeld in het Subsidieprogramma productgerichte milieuzorg 2001 wordt een onafhankelijke commissie gehoord. 2. De commissie bestaat uit ten hoogste vijf leden, waaronder begrepen de voorzitter. 3. De leden van de commissie worden door NOVEM, de Minister gehoord, benoemd voor een periode van twee jaar. 4. Een lid van de commissie kan door NOVEM, de Minister gehoord, eenmaal worden herbenoemd voor ten hoogste twee jaar. 5. Aan de leden van de commissie kan door NO"},{"i":3191,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 september 2015 nr. BOACAT2015/043, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Gemeente Almere, Werk & Inkomen Gelezen het verzoek van de Projectmanager van de afdeling Werk & Inkomen van 17 augustus 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037007&artikel=2&z=2015-09-16&g=2015-09-16). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Almere, Afdeling Werk & Inkomen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, van [bijlage A-I van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694&bijlage=A). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen"},{"i":4646,"b":"Besluit van 10 juli 2015 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft en enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten ter implementatie van de richtlijn solvabiliteit II en de verordening solvabiliteit II (Implementatiebesluit richtlijn en verordening solvabiliteit II) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 19 maart 2015, FM/2015/0378 M, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:49), [2:51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:51), [2:53, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:53), [2:121, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:121), [3:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:18, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:18), [3:53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:54, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:54), [3:55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:55), [3:55a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:55a), [3:57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:59, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:59), [3:62, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:62), [3:67, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:6"},{"i":2972,"b":"Besluit aanwijzing opleidingsinstellingen Wbtv Gelet op: [artikel 8 van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=8) (Stb. 2007, 375; hierna: de Wbtv); de [artikelen 11, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=11), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=13) en [14 van het Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=14) (Stb. 2008, 555, hierna: het Besluit btv); [artikel 14 van het Besluit Uitwijklijst Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033582&artikel=14) (Staatscourant 2013 nr. 17541); [artikel 2.2 van de Gedragscode voor tolken en vertalers in het kader van de Wbtv](onbekend) (Stb. 2009, 15358, hierna: de Gedragscode); de Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 januari 2011 tot wijziging van de Regeling houdende aanwijzing tot bewerker en verlening van mandaat en machtiging van de Minister van Justitie aan de raad voor de rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch betreffende het register beëdigde tolken en vertalers, (Stcrt. 19 januari 2011, 1030); stelt de Raad voor Rechtsbijstand het volgende Besluit aanwijzing opleidingsinstellingen Wbtv vast: Begrippen en definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Wbtv:** [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704); - b. **Besluit btv:** [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033582); - c. **Beleid PE:** Beleid permanente educatie Wbtv - d. **Rbtv:** Register beëdigde tolken en vertalers; - e. **Uitwijklijst:** een lijst van tolken en vertalers, zoals bedoeld in [artikel 2, derde lid, van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2); - f. **Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - g. **tolk:** een tolk die is ingeschreven in het Rbtv of is geplaatst op de Uitwijklijst; - h. **vertaler:** een vertaler die is ingeschreven"},{"i":2591,"b":"Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar 1. Inleiding In de strafrechtelijke handhaving van de lokale veiligheid, leefbaarheid en de naleving van (specialistische) regels is een belangrijke rol weggelegd voor buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna: boa’s). Het doel van het boa-beleid is om de kwaliteit van de strafrechtelijke handhaving door de boa’s te borgen en te verbeteren zodat boa’s deze belangrijke rol op een kwalitatief goede wijze kunnen invullen. Het boa-bestel vormt het kader waarbinnen deze professionalisering van de boa plaatsvindt. Deze Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar maken onderdeel uit van dit boa-bestel. In verband met de door de praktijk geuite wens tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inhuur is een wijziging in deze Beleidsregels aangebracht in die zin dat inhuur nu mogelijk is in de domeinen I, III en IV. Waar de verhouding tussen politie en boa’s eerder werd gedefinieerd in termen van operationele regie is dat nu in navolging van landelijke afspraken gewijzigd in operationele samenwerking om zo het belang van goede samenwerking te benadrukken. Tevens zijn wijzigingen aangebracht in de systematiek van de permanente her- en bijscholing en is de tekst van domein II geactualiseerd. Als onderdeel daarvan is onder meer de verplichting tot het volgen van een vervolgopleiding in domein II komen te vervallen. Ten slotte zijn op diverse onderdelen verduidelijkingen en kleine correcties aangebracht. Deze wijzigingen treden in werking een dag na publicatie in de Staatscourant. 2. De buitengewoon opsporingsambtenaar De Minister van Justitie en Veiligheid verleent een titel van opsporingsbevoegdheid indien de noodzaak voor (extra) opsporingsbevoegdheid is aangetoond en de betreffende persoon heeft voldaan aan de betrouwbaarheidseis en bekwaamheidseis. Deze toekenning geschiedt formeel tijdens de beëdiging van een persoon als boa door of namens de Minister van Justitie en Veiligheid. De Minister van Justitie en Veiligheid kan bepale"},{"i":3832,"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging afdeling Bezwaar & Beroep CAK Gezien [artikel 4B van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=4b) van 1 januari 20171Gepubliceerd in Staatscourant 2016, nr. 71039, 28 december 2016., waarbij aan hem volmacht en machtiging is verleend voor het vertegenwoordigen van het CAK in executiegeschillen inzake de burgerregelingen; Gezien [artikel 13 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=13) van 1 januari 2017 waarbij aan hem mandaat, volmacht en machtiging is verleend voor bevoegdheden in het kader van de afwikkeling van bezwaar- en beroepschriften en mediation; Gezien de in [artikel 15 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=15) van 1 januari 2017 neergelegde toestemming van de voorzitter van het CAK aan de manager van de afdeling Bezwaar & Beroep om voor de aan hem toegekende bevoegdheden in verband met de behandeling van executiegeschillen, bezwaren en beroepen, alsmede mediation, ondermandaat te verlenen; Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. : definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het Besluit:** het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946) van 1 januari 2017. - b. **manager:** de manager van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - c. **senior functionarissen:** de senior functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - d. **functionarissen:** de functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - e. **mediationvertegenwoordigers:** medewerkers van het CAK die zijn aangewezen om het CAK te vertegenwoordigen in mediation. Artikel 2. : behandelen bezwaarschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - –. voor het ondertekenen van ex"},{"i":4354,"b":"Besluit van 16 juni 2004, houdende regeling betreffende het vervallen van de causaliteitseis voor de toekenning van een vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten van voorzieningen en het voortzetten van een vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten van voorzieningen na het overlijden van de gerechtigde in de wetten voor oorlogsgetroffenen (Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 mei 2004, kenmerk OHW-U-2475721; Gelet op [artikel 11a, tweede en derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=11a), [artikel 3, zevende en achtste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=3), [artikel 15, tweede en derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=15), [artikel 21a, tweede en derde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=21a) en [artikel 33a, eerste en tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=33a); De Raad van State gehoord (advies van 25 mei 2004, nummer W13.04.0169/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juni 2004, kenmerk OHW-U-2486973; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het vervallen van de causaliteitseis, bedoeld in [artikel 11a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=11a), [artikel 3, zevende lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=3) en [artikel 15, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten."},{"i":2897,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden Overwegende, dat het indexcijfer der cao-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 september 2007 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 september 2006; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 2,2. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Aruba. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2008. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden."},{"i":3314,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 2 juni 2021 nr. BOACAT2021/013, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Schagen Gelezen het verzoek van gemeente Schagen van 23 maart 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045196&artikel=2&z=2021-06-03&g=2021-06-03). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Handhaver II in dienst van gemeente Schagen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar, evenals de als onbezoldigd ambtenaar ingehuurde Handhavers II. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor e"},{"i":3166,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, van 12 augustus 2025 nr. BOACAT2025/161, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Zwolle Gelezen het verzoek van de gemeente Zwolle van 11 juni 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051397&artikel=2&z=2025-10-24&g=2025-10-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Zwolle, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de"},{"i":3167,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 mei 2024 nr. BOACAT2024/040, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de afdeling Onderwijs en Leerplicht, gemeente Amsterdam Gelezen het verzoek van de afdeling Onderwijs en Leerplicht, gemeente Amsterdam van 26 april 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049719&artikel=2&z=2024-08-09&g=2024-08-09). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Leerplichtambtenaar in dienst van de gemeente Amsterdam, afdeling Onderwijs en Leerplicht, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein III, Onderwijs, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het gron"},{"i":2792,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2010 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,0 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2010, doch niet later dan 15 december 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,321 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2010 en eindigende met 15 december 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid"},{"i":3800,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 22 februari 2006, nr. DJZ/BR/0201-2006, tot omzetting van op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken vastgestelde beleidsregels en subsidieplafonds met het oog op subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7), en [10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=10); Gelet op de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366); Besluiten: Artikel I Subsidieverlening op grond van het [Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039) en de in de bijlage vermelde artikelen van de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366) geschiedt met inachtneming van de in de bijlage vermelde, op grond van de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173) vastgestelde subsidieplafonds en beleidsvoornemens. De in de vorige volzin bedoelde beleidsvoornemens en subsidieplafonds zijn van toepassing voor de duur van het tijdvak waarvoor zij waren vastgesteld en zoals deze luidden voor inwerkingtreding van de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366). Tenzij anders vermeld zijn de subsidieplafonds niet van toepassing op subsidieverlening namens de Minister van Buitenlandse Zaken of de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking door Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en"},{"i":4107,"b":"Besluit van 7 mei 2004, houdende regels met betrekking tot universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen (Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 10 juli 2003, nrs. WJZ 3025210 en WJZ 3025247; Gelet op [richtlijn nr. 2002/22/EG](32002L0022) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn) (PbEG L 108), [richtlijn nr. 2002/58/EG](32002L0058) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (PbEG L 201), en de [artikelen 7.4, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.4), [7.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.5), [7.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.6), [7.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.8), [9.1, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=9.1), [9.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=9.2), [9.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=9.4), [12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=12.1), [18.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=18.2) en [18.12 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=18.12); De Raad van State gehoord (adviezen van 14 augustus 2003, nr. W10.03.0310/II en 25 september 2003, nr. W10.03.0309/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 3 mei 2004, nr. WJZ 4028408; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektron"},{"i":4580,"b":"Besluit van 19 december 2025 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten (Eindejaarsbesluit 2025) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 28 november 2025, nr. 2025002779; Gelet op de [artikelen 5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.20) en [7.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.8), [artikel 18g van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18g), de [artikelen 7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=7.3), [7.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=7.5), [8.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=8.8) en [8.13 van de Wet minimumbelasting 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&artikel=8.13), [artikel 21 van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21), [artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11), de [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=30) en [37b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=37b), de [artikelen 24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=24a) en [59 van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=59) en de [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=38) en [66a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=66a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 december 2025, nr. W06.25.00353/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2025, nr. 2025-0000608361. Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzi"},{"i":3453,"b":"Besluit van 14 april 2016, houdende regels in verband met de deponering van bescheiden in het handelsregister langs elektronische weg (Besluit elektronische deponering handelsregister) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 15 februari 2016, nr. WJZ / 16020769; Gelet op [artikel 19a van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=19a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 maart 2016, nr. W15.16.0028/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 11 april 2016, nr. WJZ / 16051186; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **boekjaar:** boekjaar als bedoeld in [artikel 10a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=10a); - **SBR:** Standard Business Reporting, een nationale standaard voor de digitale uitwisseling van bedrijfsmatige rapportages waarmee door middel van een gemeenschappelijke rapportagetaal gegevens eenmalig op een gestandaardiseerde wijze worden vastgelegd waardoor zij eenvoudig hergebruikt kunnen worden voor verschillende rapportages; - **uitgevende instelling:** uitgevende instelling als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1). Artikel 2 1. Een rechtspersoon waarop [artikel 395a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=395a), of [396, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=396) van toepassing is, deponeert de bescheiden, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037858&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), langs elektronische weg via SBR, te beginnen met de bescheiden die zien op het boekjaar ingaande op of na 1 januari 2016. 2. Een rechtspersoon waarop [artikel 397, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":2688,"b":"Beschikking deviezenrechtelijke status Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers Gezien het verzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken, d.d. 15 juni 1987, kenmerk ABZ/RJ-047 201, aangevuld bij brief van 15 augustus 1994, kenmerk HDBZ/AB-u797/94; Gelet op [artikel 1, onder a, ten vierde, van de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens de [Wet financiële betrekkingen buitenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547) bepaalde, worden navolgende natuurlijke personen als ingezetenen aangewezen: de aan vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland verbonden diplomatieke, beroepsconsulaire, administratieve en technische ambtenaren van Nederlandse nationaliteit, alsmede de in [artikel 120 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=120) (Stb. 1986, 611) bedoelde uitgezonden werknemers van Nederlandse nationaliteit, alsmede hun echtgenoten en bij hen inwonende kinderen. Artikel 2 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking deviezenrechtelijke status Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers. Artikel 3 Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekend gemaakt. Zij treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 mei 1994."},{"i":4771,"b":"Kennisgeving aan de importeurs mbt invoer van suiker van de GN-codes 1701 en 1702 vanuit Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de Federatieve Republiek Joegoslavië, Kosovo, en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (de Westelijke Balkan) Aan het hoofd van de Directie Douane en de hoofden van de douanedistricten Kennisgeving aan de importeurs mbt invoer van suiker uit voormelde landen Op 26 juni 2002 heeft de Europese Commissie een bericht gepubliceerd aan importeurs die suiker in de Gemeenschap invoeren die als van oorsprong uit voormelde landen (PB (EG) C 152 van 26 juni 2002, pagina 14) wordt aangegeven. Kosovo is gedefinieerd bij Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999. In dit bericht stelt de Europese Commissie importeurs ervan in kennis dat gegronde twijfel bestaat over de juiste toepassing van de preferentiële regelingen voor suiker uit voormelde landen en over de geldigheid van de oorsprongsbewijzen die in de Europese Gemeenschap worden overgelegd voor de uit die landen afkomstige suiker van de GN-codes 1701 en 1702. Volgens de Europese Commissie vloeit deze gegronde twijfel voort uit het feit dat sinds begin 2001 een aanzienlijke en snelle toename is geregistreerd van de preferentiële invoer van suiker in de Gemeenschap uit voormelde landen, ondanks het feit dat de landen in kwestie in het recente verleden niet voldoende suiker voor eigen consumptie konden produceren. In die periode is de uitvoer van suiker uit de Gemeenschap naar voormelde landen met ongeveer dezelfde hoeveelheid toegenomen. De Europese Commissie vindt deze ontwikkeling van de handel in beide richtingen zeer opmerkelijk en er zijn aanwijzingen van fraude. De importeurs uit de Gemeenschap, die de oorsprongsbewijzen overleggen om een preferentiële behandeling te krijgen, worden er dus op gewezen dat zij alle nodige voorzorgsmaatregelen moeten treffen en dat bij het in het vrije verkeer brengen van bedoelde goederen een douaneschuld kan ontstaan"},{"i":18582,"b":"Vaststellingsbesluit Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000 (Minister van Defensie) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 november 2004, nr. arc-2004.1462/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken, als vakminister en als vakminister in Londen, binnen het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting (periode 1940–1993)’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Buitenlandse Zaken, nr. 98.22.RWS/JW d.d. 8 januari 1998 (gepubliceerd in de Staatscourant 1998, 142 d.d. 30 juli 1998)) wordt ingetrokken, voor wat betreft de handelingen 10, 80, 281, 288, 295, 296, 302, 305, 337, 340, 343, 351, 353, 357, 365, 368 en 369 van de Minister van Buitenlandse Zaken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017948) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18937,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 maart 2017 nr. BOACAT2017/019, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Stichting Het Drentse Landschap Gelezen het verzoek van de directeur van de Stichting Het Drentse Landschap van 23 februari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039345&artikel=2&z=2017-03-21&g=2017-03-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van rayonbeheerder of vrijwillig toezichthouder in dienst van de Stichting Het Drentse Landschap, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggin"},{"i":7069,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland enerzijds en de Regeringen van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden anderzijds, inzake het overnemen van personen aan de grens De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland enerzijds, en de Regeringen van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, gezamenlijk optredend op grond van de tussen hen gesloten [Overeenkomst van 11 april 1960, inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246), anderzijds, Verlangend het overnemen van personen aan de gemeenschappelijke grens te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Het in de bepalingen van deze Overeenkomst gebezigde begrip „Beneluxlanden” omvat het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden. Het begrip „Beneluxgebied” omvat het grondgebied van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden in Europa. Artikel 2 Voor zover volgens de bepalingen van deze Overeenkomst het bezit van de Duitse nationaliteit voorwaarde is voor het overnemen van een persoon, strekt zich de verplichting tot overname uit tot alle personen die Duits onderdaan zijn in de zin van artikel 116 van de Grondwet voor de Bondsrepubliek Duitsland. Artikel 3 (1). De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland neemt Duitse onderdanen die de autoriteiten van een der Beneluxlanden voornemens zijn uit het Beneluxgebied te verwijderen, zonder formaliteiten en zonder tussenkomst van haar diplomatieke vertegenwoordigingen over, voor zover kan worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat deze personen de Duitse nationaliteit bezitten. (2). Het bezit van de Duitse nationaliteit kan worden aangetoond of aannemelijk gemaakt aan de hand van een „Heimatschein”, een nationaliteitsbewijs (Staatsangehörigkeitsausweis), een naturalisatiebew"},{"i":7070,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van de Republiek Hongarije en Regeringen van de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) betreffende de overname van onregelmatig verblijvende personen De Regering van de Republiek Hongarije enerzijds (hierna genoemd „de Overeenkomstsluitende Partij\") en de Regeringen van de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden), die krachtens de bepalingen van de op 11 april 1960 gesloten [Benelux-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246) gemeenschappelijk optreden anderzijds, ernaar strevend de overname van personen die zich illegaal op het grondgebied van de Staat van een andere Overeenkomstsluitende Partij ophouden, dat wil zeggen die niet of niet meer voldoen aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst of verblijf, en de doorgeleiding van te repatriëren personen in een geest van samenwerking en op basis van wederkerigheid te vergemakkelijken, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Definities en werkingssfeer In deze Overeenkomst dient te worden verstaan onder - a. „grondgebied\": - –. van de Republiek Hongarije: het grondgebied van de Republiek Hongarije; - –. van de Benelux-Staten: het gezamenlijke grondgebied in Europa van het Koninkrijk België, van het Groothertogdom Luxemburg en van het Koninkrijk der Nederlanden; - b. „derde land\": elke Staat die niet de Republiek Hongarije of geen Benelux-Staat is; - c. „onderdaan van een derde land\": een ieder die geen onderdaan van de Republiek Hongarije of van één der Benelux-Staten is; - d. „verblijfstitel\": elke vergunning, ongeacht van welke aard, met uitzondering van het visum, het transitvisum en de tijdelijke toelating tot verblijf die wordt afgegeven tijdens de periode van de behandeling van een asielverzoek door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen en die de betrokkene recht geeft op een wettige binnenkomst en een wettig ve"},{"i":3115,"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking op de archieven van de Consulentschappen in de provincie Groningen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1910–1987 (1992) Inventaris RG Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 167 | 1-1-2030 | | 484 | 1-1-2022 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045294&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de algemeen rijksarchivaris heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045294&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Groningen. De rijksarchivaris in de provincie Groningen kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045294&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Groningen. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 D"},{"i":4499,"b":"Circulaire inzake printers voor reisdocumenten «Circulaire» De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Deze circulaire strekt tot vervanging van de circulaire van 15 november 1994 (PRD94.51.U407). Het ontwerp van die circulaire werd niet genotificeerd overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van [richtlijn nr. 83/189/EEG](31983L0189) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (Pb. EG L 109), laatstelijk gewijzigd bij [richtlijn 94/10/EG](31994L0010) van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 maart 1994 (PbEG L 100). Om alsnog aan deze verplichting tot notificatie te voldoen, is deze circulaire als bijlage bij de paspoortuitvoeringsregelingen op 5 augustus 1997 in ontwerp aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen genotificeerd (notificatienrs. 97/0440/NL; 97/0441/NL; 97/0442/NL). De ontwerp-circulaire is op 24 september 1997 tevens gemeld aan het Secretariaat van de Wereld Handelsorganisatie, ter voldoening aan artikel 2, negende lid, van het op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Verdrag inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) (notificatienrs. 97.638; 97.639; 97.640). De onderstaande tekst van deze circulaire is identiek aan de tekst van de circulaire van 15 november 1994 (PRD94.51.U407) die hierbij wordt ingetrokken. De hieronder bedoelde specificaties van de documentenprinter zijn eveneens genotificeerd en worden als bijlage bij deze circulaire opnieuw vastgesteld en voorgeschreven in het bijgevoegde document RDB97/U613 van 8 december 1997. De circulaire en de bijgevoegde printspecificaties zijn ingevolge [artikel 46, tweede lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 1995](onbekend) en [ingevolge artikel 22, tweede lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Koninklijke Marechaussee 1995](onbekend) tevens van overeenkomstige toepassing op de ingevolge die regelingen met de verstrekking"},{"i":3578,"b":"Besluit van 26 november 2021 tot wijziging van het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft, Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband met Richtlijn (EU) 2019/1160 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU met betrekking tot de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging (PbEU 2019, L 188) (Besluit implementatie richtlijn grensoverschrijdende distributie van beleggingsinstellingen en icbe’s) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 september 2021, 2021-0000190069, directie Financiële Markten; Gelet op [Richtlijn (EU) 2019/1160](32019L1160) van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van [Richtlijnen 2009/65/EG](32009L0065) en [2011/61](32011L0061)/EU met betrekking tot de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging (PbEU 2019, L 188) en de [artikelen 1:81, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:122a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:122a), en [4:37p, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:37p); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 oktober 2021, nr. W06.21.0305/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 24 november 2021, 2021-0000219298, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel III Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit implementatie richtlijn grensoverschrijdende distributie van"},{"i":9308,"b":"Uitvoeringsovereenkomst betreffende de samenwerking, begeleiding en ondersteuning in het kader van de opdrachten in toepassing van de vreemdelingenwetgevingen op het grondgebied van de Benelux-landen Het Koninkrijk België, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden hierna genoemd „de Verdragsluitende Partijen”, Gelet op [artikel 62, tweede lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006758&artikel=62), gedaan te Brussel op 23 juli 2018 (hierna: „Politieverdrag”), Overwegende dat de verschillende specifieke modaliteiten van uitvoering met betrekking tot het vervoer en de begeleiding van personen in het kader van de toepassing van de vreemdelingenwetgeving dienen te worden bepaald overeenkomstig [artikel 25, vierde lid, van het Politieverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006758&artikel=25), Overwegende dat de procedures als bedoeld in de Uitvoeringsafspraak betreffende de samenwerking, begeleiding en ondersteuning bij repatriëringsmaatregelen over het grondgebied van de Benelux-landen, gedaan te Brussel op 16 juni 2016, daar het geëigende uitgangspunt voor vormen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel 1. Deze Uitvoeringsovereenkomst heeft ten doel de verschillende specifieke modaliteiten van uitvoering met betrekking tot het vervoer en de begeleiding van personen in het kader van de toepassing van de vreemdelingenwetgeving als bedoeld in [artikel 25, vierde lid, van het Politieverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006758&artikel=25), vast te leggen. Deze uitvoeringsmodaliteiten betreffen de samenwerking tussen de Benelux-landen inzake het vervoer, de begeleiding en de ondersteuning in het kader van de opdrachten in toepassing van de vreemdelingenwetgeving. 2. Deze Uitvoeringsovereenkomst laat onverlet het besluitvormingsproces inzake de overname of repatriëring van de betrokken"},{"i":3455,"b":"Besluit van 1 april 2021, houdende regels over elektronische publicatie van algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen (Besluit elektronische publicaties) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 mei 2020, nr. 2020-0000255276; Gelet op de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=15), [16, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=16), [19, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=19), en [20, tweede en derde lid, van de Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=20), [artikel 69, eerste en vijfde lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=69), de [artikelen 5.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.16), [5.44b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.44b), [15.8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=15.8), [16.139, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.139), [19.12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=19.12), en [20.26, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.26), [artikel 18, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=18), de [artikelen 7.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.4), en [7.6, eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.6), [artikel X, derde lid, van de Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037120&artikel=X), de [artikelen 8.40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [8.41, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.41), [8.42, vijfde lid](https"},{"i":9309,"b":"Uitvoeringsovereenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada bij de briefwisseling tussen de beide landen, ondertekend op 10 april 1952, houdende een overeenkomst ter bescherming van de rechten van bona fide houders van Canadese effecten IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorized thereto, have signed this Agreement and have affixed thereto their seals. DONE, in duplicate, this eighth day of February, nineteen hundred and sixty-three at Ottawa. **For the Government of the Kingdom of The Netherlands:** (sd.) A. H. J. LOVINK L.S. **For the Government of Canada:** (sd.) GEORGE NOWLAN L.S."},{"i":3223,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 1 mei 2023 nr. BOACAT2023/019, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Den Helder Gelezen het verzoek van gemeente Den Helder van 3 april 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048137&artikel=2&z=2023-08-02&g=2023-08-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver openbare ruimte in dienst van de gemeente Den Helder, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinl"},{"i":9311,"b":"Uitvoeringsprotocol tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Russische Federatie inzake de uitvoering van de Overnameovereenkomst tussen de Russische Federatie en de Europese Gemeenschap van 25 mei 2006 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Russische Federatie, hierna genoemd „de Partijen”, de wens de noodzakelijke voorwaarden vast te leggen voor de uitvoering van de Overnameovereenkomst tussen de Russische Federatie en de Europese Gemeenschap van 25 mei 2006, hierna genoemd „de Overeenkomst”, in overeenstemming met artikel 20 van de Overeenkomst, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Bevoegde autoriteiten 1. De bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de bepalingen van de Overeenkomst zijn: aan Russische zijde: centrale bevoegde autoriteit – Federale Migratiedienst; bevoegde autoriteiten – Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Russische Federatie en Federale Veiligheidsdienst van de Russische Federatie. aan Nederlandse zijde: centrale bevoegde autoriteit – Dienst Terugkeer en Vertrek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; bevoegde autoriteiten – Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland en Ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden. 2. De Partijen brengen elkaar onverwijld via diplomatieke weg op de hoogte van iedere wijziging in de in lid 1 van dit artikel vastgestelde lijst van bevoegde autoriteiten. 3. Voor de uitvoering van dit Uitvoeringsprotocol delen de centrale bevoegde autoriteiten elkaar onverwijld, binnen dertig (30) kalenderdagen na de inwerkingtreding van dit Uitvoeringsprotocol, hun contactgegevens schriftelijk mede. Artikel 2. Indiening en beantwoording van het overnameverzoek 1. Het overnameverzoek, opgesteld in overeenstemming met artikel 7 van de Overeenkomst, wordt per post of koerier door de centrale bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij ingediend bij d"},{"i":9339,"b":"Universele Verklaring van de Rechten van de Mens Preambule Overwegende, dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld; Overwegende, dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan en dat de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en geloof zullen genieten, en vrij zullen zijn van vrees en gebrek, is verkondigd als het hoogste ideaal van iedere mens; Overwegende, dat het van het grootste belang is, dat de rechten van de mens beschermd worden door de suprematie van het recht, opdat de mens niet gedwongen worde om in laatste instantie zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen tyrannie en onderdrukking; Overwegende, dat het van het hoogste belang is om de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen tussen de naties te bevorderen; Overwegende, dat de volkeren van de Verenigde Naties in het [Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143)hun vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de mens en in de gelijke rechten van mannen en vrouwen opnieuw hebben bevestigd, en besloten hebben om sociale vooruitgang en een hogere levensstandaard in groter vrijheid te bevorderen; Overwegende, dat de Staten, welke Lid zijn van de Verenigde Naties, zich plechtig verbonden hebben om, in samenwerking met de Organisatie van de Verenigde Naties, overal de eerbied voor en de inachtneming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te bevorderen; Overwegende, dat het van het grootste belang is voor de volledige nakoming van deze verbintenis, dat een ieder begrip hebbe voor deze rechten en vrijheden; Op grond daarvan proclameert de Algemene Vergadering deze Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als het gemeenschappelijk door al"},{"i":9340,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Exportbevordering, internationaal ondernemen en samenwerking vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 juli 2006, nr. arc-2006.03029/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Exportbevordering, internationaal ondernemen en samenwerking over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":9341,"b":"Veiligheidsovereenkomst tussen de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje betreffende de bescherming van gerubriceerde informatie van de European Gendarmerie Force (EUROGENDFOR) De Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje, hierna te noemen „de Partijen”, Overwegende de Intentieverklaring betreffende EUROGENDFOR, ondertekend te Noordwijk op 17 september 2004; Overwegende [artikel 12 van het Verdrag tussen de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje tot oprichting van de European Gendarmerie Force (EUROGENDFOR)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005856&artikel=12), getekend te Velsen (Nederland) op 18 oktober 2007; In het besef dat voor de uitvoering van de aan EUROGENDFOR opgedragen taken en het bereiken van de doelen van EUROGENDFOR de uitwisseling van gerubriceerde informatie noodzakelijk is; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Reikwijdte en doel 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op gerubriceerde informatie van EUROGENDFOR, zoals omschreven in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006669&artikel=2&z=2020-12-05&g=2020-12-05) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006669&artikel=3&z=2020-12-05&g=2020-12-05), ongeacht of die informatie haar oorsprong heeft binnen EUROGENDFOR of ontvangen is van de Partijen in het belang van EUROGENDFOR. 2. Het doel van deze Overeenkomst is het beschermen van gerubriceerde informatie van EUROGENDFOR teneinde de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van die informatie te waarborgen. 3. De Partijen en EUROGENDFOR beschermen alle gerubriceerde en als zodanig gemarkeerde informatie die ontstaat dan wel wordt uitgewisseld in het kader van EUROGENDFOR. Artikel 2. Definities In deze Overeenkomst gelden de volgende definities: - a. Onder „g"},{"i":7155,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, van 18 januari 2022 nr. 2022-0000019027, houdende regels met betrekking tot een subsidieregeling voor verduurzaming en onderhoud voor verhuurders (Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, vijfde lid, onderdeel b, en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [11, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14), en [20 van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=20); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **adres:** adres als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=1); - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 zoals laatst gewijzigd bij [Verordening (EU) 2023/1315](32023R1315), waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2023, L 167); - **biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal:** isolatiemateriaal waarvan ten minste 70% van de massa bestaat uit biobased materiaal als bedoeld in de EN16575:2014, zoals blijkt uit de materiaalsamenstelling van het product genoemd in de environmental product declaration van de fabrikant, en met een maximale milieukostenindicator van 1,9, genoemd in de categorie 1-kaart als bedoeld in de Nat"},{"i":9343,"b":"Verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit De Lid-Staten van de Raad van Europa, die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende, dat de Raad van Europa tot doel heeft een grotere eenheid tussen zijn Leden tot stand te brengen; Overwegende, dat meervoudige nationaliteit een bron van moeilijkheden vormt en dat een gezamenlijk streven om de gevallen van meervoudige nationaliteit die zich tussen de Lid-Staten voordoen, zoveel mogelijk te beperken, beantwoordt aan het door de Raad van Europa nagestreefde doel; Overwegende, dat het wenselijk is, dat personen die de nationaliteit van twee of meer Verdragsluitende Partijen bezitten, hun militaire verplichtingen jegens één van die partijen behoeven na te komen; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit Artikel 1 1. Meerderjarige onderdanen van de Verdragsluitende Partijen verliezen hun nationaliteit, indien zij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring de nationaliteit van een andere Partij verkrijgen door naturalisatie, optie of herstel in die nationaliteit; aan hen mag geen vergunning worden gegeven hun vroegere nationaliteit te behouden. 2. Indien zij op dezelfde wijze de nationaliteit van een andere Partij verkrijgen, verliezen minderjarige onderdanen van de Verdragsluitende Partijen eveneens hun nationaliteit, mits hun nationale wet in die mogelijkheid voorziet en de omtrent bevoegdheid of vertegenwoordiging gestelde regels in acht zijn genomen; aan hen mag geen vergunning worden verleend hun vroegere nationaliteit te behouden. 3. Met uitzondering van hen die gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, verliezen eveneens hun nationaliteit minderjarige kinderen die op het tijdstip en ten gevolge van de naturalisatie, de optie of het herstel in de nationaliteit van hun vader en moeder, van rechtswege de nationaliteit van een andere Verdragsluitende Partij v"},{"i":9357,"b":"Verdrag betreffende de eenmaking van enige beginselen van het octrooirecht De Lid-Staten van de Raad van Europa, die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende, dat de Raad van Europa zich ten doel stelt een grotere eenheid tussen zijn Leden te verwezenlijken ten einde onder meer hun economische en sociale vooruitgang te bevorderen door het sluiten van overeenkomsten en door het volgen van een gemeenschappelijke gedragslijn op economisch, sociaal, cultureel, wetenschappelijk, juridisch en administratief gebied; Overwegende, dat de eenmaking van enige beginselen van het Octrooirecht voor de industrie en de uitvinders van nut zal kunnen zijn, dat zij de technische vooruitgang zal kunnen bevorderen en tot het doen ontstaan van een internationaal octrooi zal kunnen bijdragen; Gelet op [artikel 15 van het Verdrag tot bescherming van de Industriële Eigendom, dat ondertekend is te Parijs op 20 maart 1883 en herzien te Brussel op 14 december 1900, te Washington op 2 juni 1911, te 's-Gravenhage op 6 november 1925, te Londen op 2 juni 1934 en te Lissabon op 31 oktober 1958](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004120&artikel=15), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 In de Verdragsluitende Staten zal octrooi worden verleend voor iedere uitvinding die voor toepassing op het gebied van de nijverheid vatbaar is, nieuw is en op uitvinderswerkzaamheid berust. Een uitvinding die aan deze voorwaarden niet voldoet kan geen voorwerp vormen van een rechtsgeldig octrooi. Een octrooi, dat nietig wordt verklaard omdat de uitvinding niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt beschouwd als nietig van de aanvang af. Artikel 2 De Verdragsluitende Staten zijn niet gehouden octrooi te verlenen voor: - (a). uitvindingen waarvan de openbaarmaking of de toepassing strijdig zou zijn met de openbare orde of de goede zeden, met dien verstande dat niet als strijdig in deze zin zal worden beschouwd het enkele feit, dat de toepassing van een uitvinding door een wettelijke of reglementaire bepal"},{"i":9359,"b":"Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (aanvullende bepalingen) De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen in haar vijfenvijftigste zitting op 14 oktober 1970, In aanmerking nemende dat het [Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen, (herzien), 1949](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005515), nauwkeurig omschreven bepalingen bevat met betrekking tot zaken als slaapverblijven, eetverblijven en recreatieruimten, ventilatie, verwarming, verlichting en sanitaire voorzieningen aan boord van schepen, Overwegende dat de snelle ontwikkelingen in de constructie en exploitatie van moderne schepen de mogelijkheid biedt tot het verbeteren van de huisvesting van de bemanning, Besloten hebbende bepaalde voorstellen aan te nemen met betrekking tot de huisvesting van de bemanning, welk onderwerp als tweede punt op de agenda van de zitting is geplaatst, Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag ter aanvulling van het [Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen, (herzien), 1949](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005515), Neemt heden, de 30ste oktober 1970, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning (aanvullende bepalingen), 1970: DEEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen DEEL II. VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE VERBLIJVEN VAN DE BEMANNING Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen DEEL III. TOEPASSING VAN HET VERDRAG OP BESTAANDE SCHEPEN Artikel 13 Vervallen DEEL IV. SLOTBEPALINGEN Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Art"},{"i":9373,"b":"Verdrag betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau, en aldaar bijeengekomen in haar tweeëndertigste zitting op 8 juni 1949, Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de zitting voorkomt, Vastgesteld hebbende, dat deze voorstellen de vorm van een Internationaal Verdrag dienen te krijgen, aanvaardt, de eerste juli van het jaar negentienhonderd negenenveertig, het volgende Verdrag, dat kan worden aangehaald als Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, (1949): Artikel 1 1. Werknemers moeten een toereikende bescherming genieten tegen handelingen ingegeven door een afwijzende houding jegens het vakverenigingswezen, die hen discrimineren in de sfeer van de arbeid. 2. Deze bescherming moet met name geboden worden tegen handelingen die erop gericht zijn: - a. het in dienst nemen van een werknemer afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat hij geen lid wordt van een vakvereniging of zijn lidmaatschap daarvan opzegt; - b. de werknemer te ontslaan of op andere wijze te benadelen, op grond van zijn lidmaatschap van een vakvereniging of van zijn deelneming aan vakverenigingswerkzaamheden buiten de arbeidstijd of, met toestemming van de werkgever, tijdens de arbeidstijd. Artikel 2 1. De organisaties van werknemers en van werkgevers moeten een toereikende bescherming genieten tegen elke inmenging van de een in zaken van de ander, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van elkaars agenten of leden, bij hun oprichting, de uitoefening van hun werkzaamheden of bij het beheer van hun organisaties. 2. In het bijzonder wordt in dit artikel onder inmeng"},{"i":9389,"b":"Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) Met toepassing van de artikelen 6 en 19, § 2 van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer, ondertekend te Bern op 9 mei 1980, hierna te noemen „COTIF 1980”, heeft van 26 mei tot en met 3 juni 1999 te Vilnius de vijfde Algemene Vergadering van de Intergouvernementele organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF) plaatsgevonden. Overtuigd van de noodzaak en het nut van een intergouvernementele organisatie die zich voorzover mogelijk met alle aspecten van het internationale spoorwegvervoer op het niveau van de Staten bezighoudt, overwegende dat met het oog daarop en rekening houdende met de toepassing van de COTIF 1980 door 39 staten in Europa, Azië en Afrika, alsook door de spoorwegondernemingen in deze Staten, de OTIF hiervoor de meest aangewezen organisatie is, gelet op de noodzaak de COTIF 1980, met name de Uniforme Regelen CIV en de Uniforme Regelen CIM, aan te passen aan de nieuwe behoeften van het internationale spoorwegvervoer, overwegende dat de veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke goederen in het internationale spoorwegvervoer vereist het RID om te zetten in een publiekrechtelijk stelsel, waarvan de toepassing niet meer afhankelijk is van het sluiten van een vervoerovereenkomst, onderworpen aan de Uniforme Regelen CIM, overwegende dat sinds de ondertekening van het Verdrag op 9 mei 1980 de politieke, economische en juridische veranderingen die in een groot aantal Lidstaten hebben plaatsgevonden, nopen tot het opstellen en ontwikkelen van uniforme voorschriften die zich uitstrekken tot andere rechtsgebieden die voor het internationale spoorwegverkeer van belang zijn, overwegende dat de Staten, door rekening te houden met bijzondere openbare belangen, meer doeltreffende maatregelen zouden moeten nemen voor het wegnemen van de belemmeringen die thans nog bestaan bij de grensoverschrijding in het internationale spoorwegverkeer, overwegende dat in het belang van het"},{"i":9403,"b":"Verdrag betreffende thuiswerk De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau, en aldaar bijeengekomen op 4 juni 1996 in haar drieëntachtigste zitting; en Herinnerend aan het feit dat veel internationale arbeidsverdragen en aanbevelingen waarin algemeen toepasbare normen betreffende arbeidsvoorwaarden zijn neergelegd, van toepassing zijn op thuiswerkers; en Gelet op het feit dat de specifieke omstandigheden die thuiswerk kenmerken, het wenselijk maken de toepassing van die verdragen en aanbevelingen op thuiswerkers te verbeteren en deze aan te vullen met normen die rekening houden met de speciale aard van thuiswerk; en Besloten hebbend tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot thuiswerk, welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de zitting voorkomt; en Vastgesteld hebbend dat deze voorstellen de vorm dienen te krijgen van een internationaal verdrag; neemt heden, de twintigste juni van het jaar negentienhonderd zesennegentig het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als het Thuiswerkverdrag, 1996. Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder „thuiswerk” verstaan: werk dat een persoon, hierna te noemen een thuiswerker, verricht - i. in zijn of haar woning of in een andere ruimte van zijn of haar keuze die niet de arbeidsplaats van de werkgever is; - ii. tegen vergoeding; - iii. waaruit een product of dienst voortvloeit zoals aangegeven door de werkgever, ongeacht wie de gebruikte apparatuur, het materiaal of andere voor die prestatie benodigde middelen levert, tenzij deze persoon de benodigde mate van autonomie en economische onafhankelijkheid bezit om als zelfstandige te worden aangemerkt krachtens de nationale wet- en regelgeving of gerechtelijke beslissingen; - b. worden personen met de status van werknemer geen thuiswerkers in de zin van dit Verdrag door hun werk als werknemer eenvoudigweg af en toe thuis te v"},{"i":5677,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, houdende Subsidieregeling ADL-assistentie Gelet op [artikel 7.1.1 van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=7.1.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393); - –. **ADL-aanbieder:** privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die ADL-assistentie verleent; - –. **ADL-assistentie:** gedurende het gehele etmaal direct oproepbare assistentie bij algemene dagelijkse levensverrichtingen in en om de ADL-woning, waaronder alarmopvolging bij een noodoproep; - –. **ADL-cluster:** cluster als bedoeld in [artikel 1.3, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035951&hoofdstuk=1&artikel=1.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - –. **ADL-eenheid:** ruimte in de omgeving van de ADL-woningen van waaruit de ADL-assistent wordt opgeroepen; - –. **ADL-woning:** woning die deel uitmaakt van een aantal bij elkaar horende rolstoeldoorgankelijke woningen; - –. **Covid-19:** de ziekte veroorzaakt door coronavirus-SARS-CoV-2; - –. **jaarrekening:** jaarrekening als bedoeld in [artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=361); - –. **minister:** minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **oordeel van het CIZ:** besluit als bedoeld in [artikel 5.2.1 van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=5.2.1) waaruit blijkt dat de verzekerde in aanmerking komt voor ADL-assistentie; - –. **verzekerde:** persoon die overeenkomstig de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) is verzekerd; - –. **wet:** [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - –. **"},{"i":9419,"b":"Verdrag inzake clustermunitie De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Uiterst bezorgd over het feit dat de burgerbevolking en individuele burgers de voornaamste slachtoffers blijven van gewapende conflicten, Vastbesloten voorgoed een einde te maken aan het lijden en verlies van mensenlevens dat veroorzaakt wordt door clustermunitie op het moment van het gebruik ervan, wanneer zij niet werkt zoals bedoeld of wanneer zij wordt achtergelaten, Bezorgd dat resten van clustermunitie burgers, waaronder vrouwen en kinderen, doden of verminken, de economische en sociale ontwikkeling in de weg staan, onder andere door het verlies van middelen van bestaan, herstel en wederopbouw na conflicten belemmeren, de terugkeer van vluchtelingen en in eigen land ontheemden vertragen of beletten, van negatieve invloed kunnen zijn op nationale en internationale vredesopbouw en humanitaire hulpverlening en andere ernstige gevolgen hebben die vele jaren na het gebruik van de clustermunitie kunnen aanhouden, Tevens uiterst bezorgd over de gevaren van de omvangrijke nationale voorraden clustermunitie die voor operationeel gebruik worden aangehouden en vastbesloten de snelle vernietiging ervan te waarborgen, Van mening dat het noodzakelijk is op doeltreffende, gecoördineerde wijze een effectieve bijdrage te leveren aan de opgave de resten van clustermunitie overal ter wereld te verwijderen en de vernietiging ervan te waarborgen, Tevens vastbesloten de volledige verwezenlijking van de rechten van alle slachtoffers van clustermunitie te waarborgen en hun inherente waardigheid erkennend, Vastberaden zich tot het uiterste in te spannen om slachtoffers van clustermunitie hulp te bieden, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, en te zorgen voor hun maatschappelijke en economische integratie, Erkennend de noodzaak slachtoffers van clustermunitie hulp te bieden die toegesneden is op hun leeftijd en geslacht en daarbij rekening te houden met de bijzondere be"},{"i":9420,"b":"Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa De Republiek Armenië, de Republiek Azerbeidzjan, de Republiek Belarus, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, Canada, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Republiek Georgië, de Helleense Republiek, de Republiek Hongarije, de Republiek IJsland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Kazachstan, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Moldavië, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Noorwegen, Oekraïne, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Russische Federatie, de Slowaakse Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Tsjechische Republiek, de Republiek Turkije, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika, hierna te noemen de Partijen, Geleid door het Mandaat voor onderhandelingen over conventionele strijdkrachten in Europa van 10 januari 1989, Geleid door de doelstellingen van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa, in het kader waarvan de onderhandelingen over dit Verdrag vanaf 9 maart 1989 in Wenen werden gevoerd, Herinnerend aan hun verplichting zich in hun onderlinge betrekkingen, alsook in hun internationale betrekkingen in het algemeen, te onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een Staat, of enige andere vorm van dreiging met of gebruik van geweld die onverenigbaar is met de doelstellingen en beginselen van het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), Zich bewust van de noodzaak militaire conflicten in Europa te voorkomen, Zich bewust van de door hen alle gedeelde verantwoordelijkheid om te streven naar de verwezenlijking van grotere stabiliteit en veiligheid in Europa, Ernaar strevend de militaire confrontatie te vervangen door een nieuw patroon van veiligheidsbetrekkingen tussen alle Partijen, gebaseerd op vreedzame samenwerking, en aldus bi"},{"i":9421,"b":"Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Aangespoord door de grootse vooruitzichten die voor de mensheid in het verschiet liggen als gevolg van het binnendringen van de mens in de kosmische ruimte, Zich bewust van het gemeenschappelijk belang voor de gehele mensheid van de vorderingen op het gebied van het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte voor vreedzame doeleinden, Van oordeel zijnde dat het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte moeten worden voortgezet ten dienste van alle volkeren onafhankelijk van de graad van hun economische of wetenschappelijke ontwikkeling, Verlangend bij te dragen tot internationale samenwerking op grote schaal wat betreft de wetenschappelijke en de juridische aspecten van het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte voor vreedzame doeleinden, Van oordeel zijnde dat een dergelijke samenwerking zal bijdragen tot de groei van onderling begrip en de versteviging van de vriendschappelijke betrekkingen tussen de Staten en volkeren, In herinnering brengend Resolutie 1962 (XVIII), getiteld „Verklaring houdende rechtsbeginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte”, welke resolutie op 13 december 1963 met algemene stemmen is aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, In herinnering brengend Resolutie 1884 (XVIII), waarin een beroep wordt gedaan op de Staten zich te onthouden van het brengen in een baan om de aarde van voorwerpen die kernwapens of andere wapens van massavernietiging vervoeren, of van het installeren van zodanige wapens op hemellichamen, welke resolutie op 17 oktober 1963 met algemene stemmen is aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, Rekening houdend met Resolutie 110 (II) van 3 november 1947 van de Algemene Vergader"},{"i":9422,"b":"Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict De Hoge Verdragsluitende Partijen, Vaststellende, dat culturele goederen ernstige schade hebben geleden gedurende de jongste gewapende conflicten en dat zij als gevolg van de ontwikkeling van de techniek der oorlogvoering, in steeds ernstiger mate worden bedreigd met vernietiging; Ervan overtuigd, dat schade, toegebracht aan culturele goederen, ongeacht aan welk volk zij toebehoren, schade betekent aan het culturele erfdeel van de gehele mensheid, aangezien ieder volk zijn bijdrage levert aan de wereldcultuur; Overwegende, dat de instandhouding van het culturele erfdeel van groot belang is voor alle volkeren der wereld en dat het van belang is, dit erfdeel internationaal te beschermen; Geleid door de beginselen betreffende de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, vastgelegd in de Verdragen van 's-Gravenhage van 1899 en van 1907 en in het Pact van Washington van 15 April 1935; Overwegende, dat deze bescherming alleen doeltreffend kan zijn indien zowel nationaal als internationaal maatregelen worden genomen om deze bescherming in vredestijd te organiseren; Vastbesloten alle mogelijke maatregelen te nemen ter bescherming van culturele goederen; Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen betreffende de bescherming Artikel 1. Definitie van culturele goederen Voor de toepassing van dit Verdrag worden beschouwd als culturele goederen, welke ook hun oorsprong of wie ook hun eigenaar is: - a). roerende of onroerende goederen, welke van groot belang zijn voor het cultureel erfdeel van ieder volk, zoals monumenten van bouwkunst, kunst of geschiedenis, hetzij van godsdienstige, hetzij van wereldlijke aard; terreinen van oudheidkundig belang; groepen gebouwen, welke, als een geheel, uit een oogpunt van geschiedenis of kunst van belang zijn; kunstwerken; handschriften, boeken en andere voorwerpen, welke uit e"},{"i":9423,"b":"Verdrag inzake de bescherming van de Rijn De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, van de Franse Republiek, van het Groothertogdom Luxemburg, van het Koninkrijk der Nederlanden, van de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Gemeenschap, geleid door de wens om vanuit een integrale visie te werken aan een duurzame ontwikkeling van het ecosysteem van de Rijn die recht doet aan het waardevolle karakter van de rivier, oevers en oevergebieden, met de bedoeling hun samenwerking tot behoud en verbetering van het ecosysteem Rijn te versterken, onder verwijzing naar het [Verdrag van 17 maart 1992 inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001174) alsmede naar het [Verdrag van 22 september 1992 inzake de bescherming van het marine milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001119), rekening houdend met de in het kader van de Overeenkomst van 29 april 1963 nopens de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn tegen verontreiniging en de Aanvullende Overeenkomst van 3 december 1976 uitgevoerde werkzaamheden, overwegende dat de door de [Overeenkomst van 3 december 1976 inzake de bescherming van de Rijn tegen chemische verontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003698) en door het actieprogramma „Rijn” van 30 september 1987 bereikte verbeteringen van de waterkwaliteit dienen te worden voortgezet, zich bewust van het feit dat de sanering van de Rijn ook noodzakelijk is om het ecosysteem van de Noordzee in stand te houden en te verbeteren, zich bewust van het feit dat de Rijn een belangrijke Europese vaarweg is en voor uiteenlopende doelen wordt gebruikt, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit Verdrag wordt verstaan onder - a). „Rijn” de Rijn vanaf het uitstromen uit het Bodenmeer en, in Nederland, de armen Bovenrijn, Bijlands Kanaal, Pannerdensch Kanaal, IJssel, Nederrijn,"},{"i":9425,"b":"Verdrag inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed De Algemene Conferentie van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, hierna aangeduid als UNESCO, bijeengekomen te Parijs van 29 september tot en met 17 oktober 2003 tijdens haar tweeëndertigste zitting, **Verwijzend** naar bestaande internationale instrumenten inzake mensenrechten, met name de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) uit 1948, het [Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001016) uit 1966 en het [Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001017) uit 1966, **Overwegend** het belang van het immaterieel cultureel erfgoed als drijvende kracht achter culturele diversiteit en als waarborg voor duurzame ontwikkeling, zoals benadrukt in de Aanbeveling inzake de bescherming van traditionele cultuur en folklore van UNESCO uit 1989, in de Universele Verklaring betreffende culturele diversiteit van UNESCO uit 2001 en in de Verklaring van Istanbul uit 2002, aangenomen door de Derde Rondetafel van ministers van Cultuur, **Overwegend** de diepgewortelde onderlinge afhankelijkheid tussen immaterieel cultureel erfgoed en materieel en natuurlijk erfgoed, **Erkennend** dat de processen van globalisering en sociale transformatie niet alleen de voorwaarden scheppen voor een hernieuwde dialoog tussen gemeenschappen, maar, net als het verschijnsel van intolerantie, ook leiden tot een ernstige dreiging van achteruitgang, verdwijning en vernietiging van het immaterieel cultureel erfgoed, met name als gevolg van een gebrek aan middelen om dergelijk erfgoed te beschermen, **Zich bewust** van de algemene wil en de gemeenschappelijke zorg het immaterieel cultureel erfgoed van de mensheid te beschermen, **Erkennend** dat gemeenschappen, met name inheemse gemeenschappen, groepen en,"},{"i":9427,"b":"Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten De Verdragsluitende Partijen, Erkennende dat wilde dieren in hun geweldige vormenrijkdom waarin zij voorkomen een onvervangbaar bestanddeel zijn van de natuurlijke systemen der aarde, die voor het welzijn van de mens behouden dienen te worden; Zich ervan bewust dat iedere menselijke generatie verantwoordelijkheid draagt voor de rijkdommen der aarde voor de komende generaties en tot taak heeft ervoor te zorgen dat dit erfgoed wordt behouden en dat, wanneer hiervan gebruik wordt gemaakt, zulks op verstandige wijze geschiedt; Zich bewust van de steeds toenemende betekenis van wilde dieren, voor ons leefmilieu en vanuit ecologisch, genetisch, wetenschappelijk, esthetisch, recreatief, cultureel, educatief, sociaal en economisch oogpunt; Bezorgd, met name, over die wilde dieren die tijdens hun trek landsgrenzen passeren, of bepaalde landen verlaten; Erkennende dat op de Staten de plicht rust de trekkende soorten wilde dieren die binnen hun landsgrenzen leven of hun landen passeren, te beschermen; Ervan overtuigd dat een doeltreffend behoud en beheer van de trekkende soorten van wilde dieren om gezamenlijke maatregelen vraagt van de zijde van alle Staten binnen de landsgrenzen waarvan deze soorten een deel van hun levenscyclus doorbrengen; Herinnerend aan Aanbeveling 32 van het Actieplan, aanvaard door de Conferentie van de Verenigde Naties over het Leefmilieu (Stockholm, 1972), waarvan de zevenentwintigste zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met voldoening heeft kennis genomen; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Uitlegging 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, wordt verstaan onder: - a. „Trekkende soorten”: de gehele populatie of een geografisch gescheiden deel van de populatie van een bepaalde soort of lager taxon wilde dieren, waarvan een belangrijk gedeelte één of meer landsgrenzen periodiek en op een te voorziene wijze overschrijdt; - b. „Mate en aard van de bescherming van e"},{"i":9431,"b":"Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Gelet op de noodzaak de bescherming van kinderen in internationale situaties te verbeteren, Geleid door de wens conflicten te vermijden tussen hun rechtsstelsels ten aanzien van de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bescherming van kinderen, Herinnerend aan het belang van internationale samenwerking voor de bescherming van kinderen, Bevestigend dat het belang van het kind voorop dient te staan, Vaststellend dat het Verdrag van 5 oktober 1961 betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen herziening behoeft, Verlangend hiertoe gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen, rekening houdend met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG Artikel 1 1. Dit Verdrag heeft tot doel: - a. de Staat aan te wijzen welks autoriteiten bevoegd zijn maatregelen te nemen ter bescherming van de persoon of het vermogen van het kind; - b. het recht aan te wijzen dat door die autoriteiten in de uitoefening van hun bevoegdheid dient te worden toegepast; - c. het op de ouderlijke verantwoordelijkheid toepasselijke recht te bepalen; - d. de erkenning en de tenuitvoerlegging van de bedoelde beschermende maatregelen in alle Verdragsluitende Staten te verzekeren; - e. tussen de autoriteiten van de Verdragsluitende Staten een zodanige samenwerking tot stand te brengen als noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de doelstellingen van dit Verdrag. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag omvat de term „ouderlijke verantwoordelijkheid” het ouderlijk gezag of iedere overeenkomstige gezagsverhouding waarin de"},{"i":9432,"b":"Verdrag inzake de bevordering en bescherming van investeringen tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Bahrein De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Bahrein, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens hun van oudsher bestaande vriendschapsbanden te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, In het besef dat overeenstemming over de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen” verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken en alle andere zakelijke rechten, zoals hypotheekrechten, panden en onderpanden, alsmede alle overige soortgelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en knowhow; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen. - b. omvat de term „onderdanen” met betrekking tot elk van de Verdragsluitende Partijen: - i. natuurlijke personen die de nationaliteit van die Verdragsluite"},{"i":9433,"b":"Verdrag inzake de bevordering en bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Burundi Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Burundi, Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de investeerders van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, In het besef dat overeenstemming inzake de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen, zal stimuleren en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Eensgezind van oordeel dat deze doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt zonder ten koste te gaan van maatregelen die op het grondgebied van elk van beide Verdragsluitende Partijen worden toegepast ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het milieu. Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investering” verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen, en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en knowhow; - v. rechten verleend krachtens de wet of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. wordt"},{"i":9434,"b":"Verdrag inzake de bevordering en de bescherming van investeringen tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Korea De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Korea (hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen), Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de investeerders van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, In het besef dat overeenstemming over de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. wordt onder de term „investeringen\" verstaan alle soorten vermogensbestanddelen in het bezit van of onder al dan niet rechtstreeks toezicht van een investeerder van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij en omvat deze term in het bijzonder, doch niet uitsluitend: Veranderingen in de vorm waarin vermogensbestanddelen worden geïnvesteerd of opnieuw worden geïnvesteerd doen geen afbreuk aan het feit dat zij investeringen zijn. - a. roerende en onroerende zaken en andere eigendomsrechten zoals hypotheken, pandrechten, huurcontracten of onderpanden; - b. aandelen en effecten in, schuldbewijzen van en andere vormen van deelneming in een lichaam of een zakelijke onderneming en in verband daarmee verworven rechten of belangen; - c. aanspraken op geld of op iedere prestatie uit hoofde van een overeenkomst die economische waarde heeft; - d. intellectuele eigendomsrechten met inbegrip van rechten met be"},{"i":9435,"b":"Verdrag inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zambia De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zambia (hun Staten hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen\"), Geleid door de wens hun van oudsher bestaande vriendschapsbanden te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, In het besef dat overeenstemming over de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen\" verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken en alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en knowhow; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen. - b. omvat de term „onderdanen\" met betrekking tot elk van de Verdragsluitende Partijen: - i. natuurlijke personen die de nationaliteit van die Verdragsluitende Partij hebben; - ii. rechtspersonen die zij"},{"i":9436,"b":"Verdrag inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten Het Koninkrijk der Nederlanden En de Verenigde Arabische Emiraten, hierna te noemen de verdragsluitende partijen, Geleid door de wens hun van oudsher bestaande vriendschapsbanden te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door onderdanen van de ene verdragsluitende partij op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij, In het besef dat overeenstemming over de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de verdragsluitende partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen van belang is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen” verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen, zoals hypotheken, vruchtgebruik, panden en onderpanden; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties, waardepapieren, plaatsingen, schuldbrieven, leningen en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, zoals auteursrechten, handelsmerken, octrooien, industriële ontwerpen en andere industriële eigendomsrechten, technische werkwijzen, goodwill en knowhow; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht of bij overeenkomst en vergunning ingevolge de wet, met uitzondering van de natuurlijke hulpbronnen wat betreft de Verenigde Arabische Emiraten. De rechten inzake"},{"i":9437,"b":"Verdrag inzake de coproductie van films tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China („de verdragsluitende partijen”); Overwegende dat de filmindustrie van beide landen baat heeft bij nauwere wederzijdse samenwerking bij de productie van films; Ernaar strevend voort te bouwen op de samenwerking op filmgebied tussen beide landen en deze uit te breiden; Geleid door de wens de coproductie van films te versterken en te faciliteren, hetgeen bevorderlijk kan zijn voor de filmindustrie van beide landen en voor de ontwikkeling van hun culturele en economische uitwisselingen; Ervan overtuigd dat deze uitwisselingen bijdragen aan het verbeteren van de betrekkingen tussen beide landen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1.1. Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. betekent „coproducent” filmproductiebedrijven of producenten uit China of filmproductiebedrijven of producenten uit Nederland die betrokken zijn bij het maken van een gecoproduceerde film, of omvat, met betrekking tot met derden gecoproduceerde films ingevolge [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006554&artikel=6&z=2016-06-03&g=2016-06-03), coproducenten die geen onderdanen van China of Nederland zijn; - b. is een „gecoproduceerde film” een film die door één of meer producenten uit China („de Chinese coproducent”) in samenwerking met één of meer producenten uit Nederland („de Nederlandse coproducent”) is gemaakt door middel van een gezamenlijke investering en gezamenlijk copyright, en omvat een film waarop [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006554&artikel=6&z=2016-06-03&g=2016-06-03) van toepassing is. Een gecoproduceerde film bevat een minimale creatieve en financiële bijdrage van elke coproducent, zoals vervat in de Bijlage; - c. betekent „film” een samenstelling van beelden of van beelden en geluiden, die op"},{"i":9438,"b":"Verdrag inzake de culturele betrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Mexico De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Verenigde Staten van Mexico, Verlangend, de traditionele vriendschapsbanden die de twee volkeren verbinden nauwer aan te halen en de betrekkingen tussen de twee landen op het gebied van het onderwijs, de wetenschappen en dat der kunsten te versterken, Hebben besloten een Verdrag inzake de culturele betrekkingen te sluiten en hebben te dien einde als Gevolmachtigden benoemd: De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Mr. J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken; en De Regering van de Verenigde Staten van Mexico, de Heer José Gorostiza, Minister van Buitenlandse Betrekkingen, Die, na hun in goede vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, het volgende zijn overeengekomen: Artikel I Teneinde in hun respectievelijke landen een betere kennis van de cultuur van het andere land te bevorderen, zullen de Verdragsluitende Partijen elkaar, zoveel als mogelijk is, bijstaan bij: - a). de verspreiding van boeken, tijdschriften en andere publikaties; - b). het organiseren van conferenties, concerten en toneelvoorstellingen; - c). het organiseren van tentoonstellingen op het gebied der kunst en andere tentoonstellingen met een cultureel karakter; - d). het organiseren van radiouitzendingen, de verspreiding van grammofoonplaten en soortgelijke middelen; - e). het vertonen van films met een wetenschappelijk, opvoedkundig of cultureel karakter; - f). het uitwisselen van copieën van in de officiële archieven en bibliotheken van elk der twee landen aanwezige documenten die van belang zijn voor het andere land, mits de wettelijke bepalingen van elk der landen zich niet tegen uitwisseling op dit gebied verzetten. Artikel II De Verdragsluitende Partijen bevorderen tussen de onderscheiden landen de uitwisseling van professoren, onderzoekers op wetenschappelijk gebied en studenten, alsmede van a"},{"i":9440,"b":"Verdrag inzake de deelneming van buitenlanders aan het openbare leven op plaatselijk niveau De lidstaten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden is, ten einde de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfgoed zijn te beschermen en te verwezenlijken en hun economische en sociale vooruitgang te bevorderen onder eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Opnieuw hun gehechtheid bevestigend aan de universele en ondeelbare aard van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gebaseerd op de waardigheid van alle mensen; Gelet op de artikelen 10, 11, 16 en 60 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Overwegende dat het verblijf van buitenlanders op het nationale grondgebied thans een blijvend kenmerk van de Europese samenlevingen is; Overwegende dat buitenlandse ingezetenen op plaatselijk niveau in het algemeen dezelfde plichten hebben als staatsburgers; Zich bewust van de actieve deelneming van buitenlandse ingezetenen aan het leven en de ontwikkeling van de welvaart van de plaatselijke gemeenschap, en overtuigd van de noodzaak hun integratie in de plaatselijke gemeenschap te verbeteren, met name door verruiming van de mogelijkheden om deel te nemen aan plaatselijke openbare aangelegenheden, Zijn als volgt overeengekomen: DEEL I Artikel 1 1. Iedere Partij past de bepalingen van de Hoofdstukken A, B en C toe. Iedere Verdragsluitende Staat kan evenwel verklaren, bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, dat hij zich het recht voorbehoudt de bepalingen van Hoofdstuk B of Hoofdstuk C, dan wel van beide, niet toe te passen. 2. ledere Partij die heeft verklaard dat zij slechts één of twee hoofdstukken zal toepassen, kan op enig later tijdstip de Secretaris-Generaal te kennen geven dat zij ermede instemt de b"},{"i":9441,"b":"Verdrag inzake de doorvoerhandel van en naar Staten zonder zeekust **Preambule** De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, In herinnering brengende, dat de Verenigde Naties ingevolge [artikel 55 van hun Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143&artikel=55) voorwaarden van economische vooruitgang en de oplossing van internationale economische vraagstukken dienen te bevorderen, Gelet op resolutie 1028 (XI) van de Algemene Vergadering de landen zonder zeekust en de uitbreiding van de internationale handel betreffende, waarmede „onder erkenning van de behoefte van landen zonder zeekust aan toereikende doorvoermogelijkheden bij het bevorderen van de internationale handel”, de regeringen van de Lid-Staten werd verzocht „de behoeften van de Lid-Staten zonder zeekust ten aanzien van de doorvoerhandel ten volle te erkennen en deze staten met het oog daarop toereikende faciliteiten op het gebied van het daarop betrekking hebbende internationale recht en gebruik toe te staan, daarbij rekening houdende met de uit de economische ontwikkeling in de toekomst voortvloeiende behoeften van de landen zonder zeekust”, In herinnering brengend [artikel 2 van het Verdrag inzake de volle zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005224&artikel=2), dat bepaalt dat, aangezien de volle zee voor alle naties open is, geen enkele Staat op wettige wijze enig deel van de volle zee aan zijn soevereiniteit kan onderwerpen, alsmede [artikel 3 van het genoemde Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005224&artikel=3), dat bepaalt: Ten einde de vrijheid van de zee te kunnen genieten op gelijke voet met kuststaten, dienen Staten die geen zeekust hebben, vrije toegang tot de zee te hebben. Te dien einde dienen Staten die gelegen zijn tussen de zee en een Staat die geen zeekust heeft, in gemeenschappelijk overleg met laatstbedoelde Staat en in overeenstemming met de bestaande internationele verdragen: aan de staat die geen zeekust heeft, op basis van wederkerigheid, vrije do"},{"i":9443,"b":"Verdrag inzake de erkenning van de internationale rechtspersoonlijkheid van het Internationaal Aardappelcentrum (CIP) Overwegende dat: de Peruaanse regering bij Hoog Decreet aangenomen in 1967 het Internationaal Aardappelcentrum heeft opgericht (hierna te noemen het CIP of het Centrum) met de status van internationale instantie binnen Peru; het CIP sinds 1972 een integrerend deel vormt van de internationale adviesgroep inzake landbouwonderzoek (hierna te noemen de IAL), een consortium van de nationale regeringen, multilaterale agentschappen voor technische bijstand, privé-stichtingen en andere instellingen die uiteenlopende internationale onderzoekscentra ondersteunen teneinde de landbouwproductie van de ontwikkelingslanden te verbeteren en te vergroten; en ondanks het feit dat de Peruaanse regering aan het CIP de status van internationale instantie binnen Peru heeft toegekend, het algemene mandaat van het Centrum vereist dat het CIP formeel door de staten waarmee het samenwerkt wordt erkend als zijnde een instelling met een internationale juridische status; Komen de Partijen bij dit Verdrag overeen de internationale rechtspersoonlijkheid van het Internationaal Aardappelcentrum te erkennen, overeenkomstig de bepalingen van het internationaal recht en de overige noodzakelijke voorwaarden die het Centrum in staat stellen doeltreffend te werken en aldus zijn doelstellingen te bereiken. De Partijen bij dit Verdrag zijn, derhalve, het volgende overeengekomen: Artikel 1. Erkenning van de internationale rechtspersoonlijkheid 1. Bij deze wordt de internationale rechtspersoonlijkheid van het Internationaal Aardappelcentrum erkend. Als internationale organisatie voert het CIP zijn taken uit en streeft het zijn doelen en doelstellingen na in overeenstemming met de wetten van de landen waarop zijn activiteiten zijn gericht. 2. Het CIP verricht zijn activiteiten in overeenstemming met de bijgevoegde statuten, die eventueel kunnen worden gewijzigd in overeenstemming met de bepali"},{"i":6234,"b":"Wet van 27 juni 1985, tot instelling van een provincie Flevoland, indeling bij die provincie van de gemeenten Almere, Dronten, Lelystad en Zeewolde en overgang naar die provincie van de gemeenten Noordoostpolder en Urk; tevens houdende wijziging van de Provinciewet en enkele andere wetten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een provincie Flevoland in te stellen, de gemeenten Almere, Dronten, Lelystad en Zeewolde en een gedeelte van het Markermeer bij die provincie in te delen en de gemeenten Noordoostpolder en Urk naar die provincie te doen overgaan en de grens van het openbaar lichaam \"Zuidelijke IJsselmeerpolders\" te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. de datum van instelling: de datum van inwerkingtreding van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003816&paragraaf=I&artikel=2&z=1996-01-01&g=1996-01-01) van deze wet; - b. Onze Ministers: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - c. de provincie: de provincie Flevoland; - d. ambtenaar: tenzij deze wet anders bepaalt, degene die krachtens aanstelling bij of krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met het Ministerie van Binnenlandse Zaken onderscheidenlijk het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, de provincies Overijssel en Gelderland en de gemeenten Almere, Dronten, Lelystad en Zeewolde werkzaamheden verricht welke verband houden met de uitoefening van provincietaken op het grondgebied dat tot de provincie zal behoren; - e. rechten en verplichtingen: tenzij deze wet anders bepaalt, alle rechten en verplichtingen behoudens die welke voortvloeien uit het dienstverband van de ambtenaren; - f. overgaand gebied: het grondgebied van de gemeenten Noordoost"},{"i":9446,"b":"Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal en kerninstallaties De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Onder erkenning van het recht van alle Staten kernenergie te ontwikkelen en toe te passen voor vreedzame doeleinden, en het recht te genieten van de voordelen die uit een vreedzame toepassing van kernenergie kunnen voortvloeien, Overtuigd van de noodzaak de internationale samenwerking en de overdracht van nucleaire technologie betreffende de vreedzame toepassing van kernenergie te vergemakkelijken, Indachtig dat fysieke beveiliging van wezenlijk belang is voor de bescherming van de volksgezondheid, de veiligheid, het milieu en de nationale en internationale veiligheid, Indachtig de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van goed nabuurschap, vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten, Overwegend dat ingevolge de bepalingen van [artikel 2, vierde lid, van het Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143&artikel=2) het volgende van toepassing is: „In hun internationale betrekkingen onthouden alle Leden zich van bedreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van enige Staat of van elke andere handelwijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties”, In herinnering brengend de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme als bijlage bij de resolutie van de Algemene Vergadering 49/60 van 9 december 1994, Geleid door de wens de potentiële gevaren die gevormd worden door illegale handel, het wederrechtelijk toe-eigenen en gebruiken van kernmateriaal en de sabotage van kernmateriaal en kerninstallaties af te wenden en vaststellend dat de fysieke beveiliging tegen dergelijke daden in nationaal en internationaal opzicht een bron van toenemende zorg is geworden, Ernstig bezorgd"},{"i":6088,"b":"Besluit van 20 december 2016 tot wijziging van het Besluit SUWI en enkele andere AMvB’s van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in verband met de toegang tot het doelgroepregister, het opnemen van leerlingen uit het praktijkonderwijs in het doelgroepregister zonder voorafgaande beoordeling en kleine technische wijzigingen (Verzamelbesluit SZW 2017) Artikel I. [Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029368) Wijzigt het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. Artikel II. [Besluit consumentenprijsindex voor kinderbijslagbedragen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022744) Wijzigt het Besluit consumentenprijsindex voor kinderbijslagbedragen. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III. [Besluit ex artikel 66a ANW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009723) Wijzigt het Besluit ex artikel 66a ANW. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV. [Besluit gelijkstelling loondervingsuitkering Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004092) Wijzigt het Besluit gelijkstelling loondervingsuitkering Toeslagenwet. Artikel V. [Besluit SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013267) Wijzigt het Besluit SUWI. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI. [Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182) Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999. Artikel VII. [Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070) Wijzigt het Besluit Wfsv. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIII. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017, met dien verstande dat [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038935&artikel=II&z=2017-01-01&g=2017-01-01) terug werkt tot en met 1 juli 2016, [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038935&artikel=III&z=2017-01-01&"},{"i":12999,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 8 april 2026, nr. 2026-0000149542, tot verlenging van de instellingsduur, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Instellingsbesluit landelijke versnellingstafel woningbouw Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Instellingsbesluit landelijke versnellingstafel woningbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048175&artikel=3), Besluit: artikel Enig De instellingsduur, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Instellingsbesluit landelijke versnellingstafel woningbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048175&artikel=3) wordt met één jaar verlengd tot en met 19 april 2027. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6431,"b":"Besluit 26 juni 2024 tot wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte (modernisering van het waarderingsstelsel voor onzelfstandige woonruimte) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 maart 2024, nr. 2024-0000009230; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 mei 2024, nr. W04.24.00065/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 juni 2024, 2024-0000019122; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit huurprijzen woonruimte. Artikel II Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties zendt binnen vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6334,"b":"Wet van 7 juli 1994, tot samenvoeging van de gemeenten Sint Philipsland en Tholen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Sint Philipsland en Tholen samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Sint Philipsland en Tholen opgeheven. 2. Met ingang van de datum van herindeling wordt een nieuwe gemeente Tholen ingesteld. Deze nieuwe gemeente omvat het grondgebied van de op te heffen gemeenten Sint Philipsland en Tholen. Artikel 2 Als gemeente, bedoeld in [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), eerste en tweede lid, en [artikel 52, eerste lid, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=52) wordt aangewezen de gemeente Tholen. Artikel 3 Als gemeente, bedoeld in artikel 41, derde lid, en artikel 45, tweede lid, van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006800&artikel=2&z=1994-08-12&g=1994-08-12) bedoelde wet wordt aangewezen de nieuwe gemeente Tholen. Artikel 4 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 5 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 6 Ter uitvoering van [artikel 56, vierde lid, van de Wet op het basisonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=56) wordt de stichtingsnorm voor basisscholen met ingang van de datum van herindeling voor de nieuwe gemeente Tholen vastgesteld op 200. Artikel 7 Ter uitvoering van [artikel 107**c**, eerste lid, van de Wet op het basisonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=107c) wordt de opheffingsnorm voor basisscholen met ingang van de datum van herindeling voor de nieuwe gemeente Tholen vastgesteld op 52. Artikel 8 Deze wet treedt in werking op een bij koni"},{"i":9404,"b":"Verdrag betreffende veiligheid bij het gebruik van asbest De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen op 4 juni 1986, in haar tweeënzeventigste Zitting, Gelet op de op dit gebied betrekking hebbende internationale arbeidsverdragen en aanbevelingen, en in het bijzonder op het Verdrag en de Aanbeveling betreffende beroepskanker, 1974, het Verdrag en de Aanbeveling betreffende het werkmilieu (luchtverontreiniging, lawaai en trillingen), 1977, het Verdrag en de Aanbeveling betreffende beroepsveiligheid en gezondheid, 1981, het Verdrag en de Aanbeveling betreffende bedrijfsgeneeskundige diensten, 1985, de lijst van beroepsziekten, zoals herzien in 1980 en gehecht aan het [Verdrag betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004636), 1964, alsmede de in 1984 door het Internationale Arbeidsbureau gepubliceerde Praktijk-handleiding inzake veiligheid bij het gebruik van asbest, waarin de beginselen voor een nationaal beleid en maatregelen op nationaal niveau zijn vastgelegd, Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot veiligheid bij het gebruik van asbest, welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de Zitting voorkomt, en Vastgesteld hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal Verdrag dienen te krijgen, Aanvaardt heden, de vierentwintigste juni van het jaar negentienhonderd zesentachtig het volgende Verdrag, dat kan worden aangehaald als Verdrag betreffende asbest, 1986: DEEL I. TOEPASSINGSGEBIED EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing op alle bezigheden die blootstelling van werknemers aan asbest tijdens de arbeid met zich meebrengen. 2. Een Lid dat dit Verdrag bekrachtigt, kan, na raadpleging van de betrokken meest representatieve organisaties van werkgevers en van werknemers en op basis van een b"},{"i":6417,"b":"Besluit van 30 augustus 2013 tot wijziging van het Besluit financiële verhouding 2001 in verband met het vaststellen en wijzigen van enkele verdeelmaatstaven (2013) Artikel I Wijzigt het Besluit financiële verhouding 2001. Artikel II De algemene uitkering zoals deze voor iedere gemeente wordt berekend overeenkomstig dit besluit, wordt voor de compensatie voor het afschaffen van het gebruikersdeel van de OZB voor woningen over de jaren 2010 tot en met 2013 vermeerderd of verminderd met een bedrag genoemd in de bijlage bij dit besluit. Vrijvallende middelen als gevolg van het afbouwen van de compensatie komen ten goede van het gemeentefonds. Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat: - a. artikel I, onderdeel C, terugwerkt tot en met 1 januari 2008; - b. artikel I, onderdeel E, onder 9, terugwerkt tot en met 1 januari 2009; - c. artikel II terugwerkt tot en met 1 januari 2010; - d. artikel I, onderdelen B, E, onder 1, 4, 6 en 11 terugwerken tot en met 1 januari 2011; - e. artikel I, onderdelen A, D, onder 1 tot en met 4, E, onder 5 en 7 terugwerken tot en met 1 januari 2012; - f. artikel I, onderdelen D, onder 5, E, onder 2, 3 en 8 terugwerken tot en met 1 januari 2013; 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel I, onderdelen D, onder 6, en E, onder 10 in werking met ingang van 1 januari 2014 en treedt artikel I, onderdeel E, onder 12, in werking met ingang van 1 januari 2015. Bijlage. behorende bij [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033867&artikel=II&z=2013-12-01&g=2013-01-01) van het Besluit tot wijziging van het Besluit financiële verhouding 2001 in verband met het vaststellen en wijzigen van enkele verdeelmaatstaven (2013) Compensatie voor het afschaffen van het gebruikersdeel van de OZB voor woningen over de jaren 2010 tot en met 2013 Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse"},{"i":14111,"b":"Besluit van de Minister van Financiën d.d. 13 december 2007, nr. BenC 2007-2260 M, Directie Bedrijfsvoering en Communicatie, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archief van de directie Financieringen, over de periode 1927–1994 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het door het Project Wegwerken Archief-achterstanden bewerkte deel van archief van de directie Financieringen, over de periode 1927–1994, met de inventarisnummers zoals opgenomen in de bijlage, de in het [volgende artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023351&artikel=2&z=2008-01-19&g=2008-01-19) genoemde beperkingen gesteld voor een termijn van vijftig jaren gerekend vanaf het jaar van de datering van de archiefbescheiden, echter minimaal durende tot 2017 en maximaal durende tot 2045. Artikel 2 Raadpleging van de in het [vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023351&artikel=1&z=2008-01-19&g=2008-01-19) genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruikt gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Bijlage | Inv.Nr. | Sluitingsjaar dossier | Aantal jaren beperkt | Beperkt tot 1 januari | | --- | --- | --- | --- | | 137 | 1966 | 50 | 2017 | | 117 | 1973 | 50 | 2023 | | 118 | 197"},{"i":7367,"b":"Wet van 26 mei 2021 tot wijziging van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES ter uitvoering van het op 23 maart 2001 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie, 2001 (Trb. 2005, 329) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in verband met de bekrachtiging van het op 23 maart 2001 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie, 2001 (Trb. 2005, 329) regelen vast te stellen tot uitvoering van dit verdrag in de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, en daartoe [Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028753) aan te vullen en te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 8. Artikel II Op de aansprakelijkheid voor een voorval dat heeft plaatsgevonden voor de dag van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":14118,"b":"Regeling beperking toekenning nummers Gelet op [artikel 4.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.2), en [artikel 4.3, tweede lid, onderdeel a, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. informatienummer: nummer dat in een door de Minister van Economische Zaken op grond van [artikel 4.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.1) vastgesteld nummerplan is bestemd als nummer voor een informatiedienst; - c. kort informatienummer: informatienummer bestaande uit minder dan 11 cijfers; - d. geharmoniseerd nummer: nummer in een door de Minister van Economische Zaken op grond van [artikel 4.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.1) vastgesteld nummerplan dat voor dezelfde dienst en met dezelfde nummerlengte tegelijkertijd meerdere keren kan worden toegekend. - e. carrierselectienummer: nummer dat in een door de Minister van Economische Zaken op grond van [artikel 4.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.1) vastgesteld nummerplan is bestemd als nummer voor een carrierselectiedienst. Artikel 2 De volgende nummers in een door de Minister van Economische Zaken op grond van [artikel 4.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.1) vastgesteld nummerplan kunnen slechts worden toegekend aan en gereserveerd worden voor de in [artikel 4.2, eerste lid, onder a en b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.2) genoemde categorieën aanbieders: - a. geografische nummers; - b. nummers voor mobiele telefonie; - c. nummers voor semafonie; - d. persoonlijke assistent-diensten; - e. nummers uit de 085-serie of uit de 091-serie; - f. nummers voor virtual private networks; - g. nummers voor telexdiensten; - h. nummers uit d"},{"i":9471,"b":"Verdrag inzake de toepassing van artikel 65 van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, In hun hoedanigheid van Verdragsluitende Staten bij het [Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003819) (Europees Octrooiverdrag) van 5 oktober 1973, Opnieuw hun wens bevestigend de samenwerking tussen de Europese Staten op het gebied van de bescherming van uitvindingen te bevorderen, Gelet op [artikel 65 van het Europees Octrooiverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003819&artikel=65), Erkennend het belang van de doelstelling de kosten van het vertalen van Europese octrooien te verminderen, De noodzaak benadrukkend voor brede instemming met deze doelstelling, Vastbesloten daadwerkelijk tot die kostenvermindering bij te dragen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Vrijstelling van vertaalvereisten 1. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag en een officiële taal heeft die tevens een van de officiële talen van het Europees Octrooibureau is, verleent vrijstelling van de vertaalvereisten voorzien in [artikel 65, eerste lid, van het Europese Octrooiverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003819&artikel=65). 2. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag en geen officiële taal heeft die tevens een van de officiële talen van het Europees Octrooibureau is, ziet af van de vertaalvereisten voorzien in [artikel 65, eerste lid, van het Europese Octrooiverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003819&artikel=65), indien het Europese octrooi is verleend in de door die Staat voorgeschreven officiële taal van het Europees Octrooibureau, of in die taal is vertaald en verstrekt overeenkomstig de in artikel 65, eerste lid, van het Europese Octrooiverdrag, genoemde voorwaarden. 3. De in het tweede lid bedoelde Staten behouden het recht te eisen dat een vertaling van de conclusies in een van hun officiële talen wordt verstrekt overeenkomstig de in [artikel"},{"i":9476,"b":"Verdrag inzake de vertegenwoordiging bij de internationale koop van roerende zaken De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Geleid door de wens gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen betreffende de vertegenwoordiging bij de internationale koop van roerende zaken, Indachtig de doelstellingen van het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, Overwegend dat de ontwikkeling van de internationale handel op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel een belangrijke rol speelt bij het bevorderen van vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten, indachtig de Nieuwe Internationale Economische Orde, Van oordeel zijnd dat de aanneming van eenvormige regels die van toepassing zijn op de vertegenwoordiging bij de internationale koop van roerende zaken en waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende sociale, economische en juridische stelsels, zou bijdragen tot het wegnemen van juridische belemmeringen in de internationale handel en de ontwikkeling van de internationale handel zou bevorderen, Zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing wanneer een persoon, de vertegenwoordiger, bevoegdheid heeft of voorgeeft bevoegdheid te hebben voor rekening van een andere persoon, de vertegenwoordigde, met een derde een overeenkomst te sluiten voor de koop van roerende zaken. 2. Dit Verdrag betreft niet alleen de totstandkoming van een zodanige overeenkomst door de vertegenwoordiger, maar ook alle door hem verrichte handelingen met het oog op de totstandkoming van die overeenkomst of in verband met de uitvoering ervan. 3. Dit Verdrag betreft alleen de betrekkingen tussen de vertegenwoordigde of de vertegenwoordiger enerzijds en de derde anderzijds. 4. Het is van toepassing ongeacht of de vertegenwoordiger handelt in eigen naam of in die van de vertegenwoordigde. Artikel 2 1. Dit Verdrag is alleen van toepassing wanneer de vertegenwoordig"},{"i":9478,"b":"Verdrag inzake de visserij De Regeringen van Oostenrijk, België, Denemarken, Frankrijk, de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Geleid door de wens, een duurzaam visserijregime in te stellen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Iedere Verdragsluitende Partij erkent het recht van elk der andere Verdragsluitende Partijen, het in de artikelen 2 tot en met 6 van dit Verdrag omschreven visserijregime in te stellen. 2. Iedere Verdragsluitende Partij behoudt echter het recht, het regime dat op de datum waarop dit Verdrag voor ondertekening is opengesteld door haar wordt toegepast te blijven toepassen indien dat regime voor de visserij van andere landen gunstiger is dan het in de artikelen 2 tot en met 6 omschreven regime. Artikel 2 De kuststaat heeft, binnen een zone van zes mijl, gemeten van de basislijn van zijn territoriale zee, de uitsluitende visrechten en de uitsluitende rechtsbevoegdheid ten aanzien van visserij aangelegenheden. Artikel 3 Binnen de zone tussen zes en twaalf mijl, gemeten van de basislijn van de territoriale zee, worden de visrechten alleen uitgeoefend door de kuststaat en door die andere Verdragsluitende Partijen die in de periode tussen 1 januari 1953 en 31 december 1962 gewoon zijn geweest, de visserij in die zone uit te oefenen. Artikel 4 Vissersschepen van andere Verdragsluitende Partijen dan de kuststaat die krachtens de bepalingen van artikel 3 de visserij mogen uitoefenen, mogen deze niet bedrijven op visstapels of op visgronden die aanzienlijk afwijken van die waarop zij gewoon zijn geweest de visserij uit te oefenen. De kuststaat kan de naleving van deze regel afdwingen. Artikel 5 1. Binnen de in artikel 3 genoemde zone is de kuststaat bevoegd de visserij te regelen en naleving van deze regeling, met inbegrip van regelingen ter uitvoering van internationale maatregelen tot instandhouding van de visstand, af te dw"},{"i":9480,"b":"Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide De Verdragsluitende Partijen, In overweging genomen hebbende de verklaring van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, nedergelegd in haar resolutie 96 (I) gedagtekend 11 December 1946, dat genocide een misdrijf is krachtens internationaal recht, in strijd met de geest en de doelstellingen van de Verenigde Naties en veroordeeld door de beschaafde wereld; Erkennende, dat te allen tijde genocide de mensheid grote verliezen heeft toegebracht; en Overtuigd, dat, teneinde de mensheid van deze afschuwelijke gesel te verlossen, internationale samenwerking noodzakelijk is; Komen hierbij als volgt overeen: Artikel I De Verdragsluitende Partijen stellen vast, dat genocide, ongeacht of het feit in vredes- dan wel in oorlogstijd wordt bedreven een misdrijf is krachtens internationaal recht, welk misdrijf zij op zich nemen te voorkomen en te bestraffen. Artikel II In dit Verdrag wordt onder genocide verstaan een van de volgende handelingen, gepleegd met de bedoeling om een nationale, ethnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen: - a. het doden van leden van de groep; - b. het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep; - c. het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging; - d. het nemen van maatregelen, bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen; - e. het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep. Artikel III Strafbaar zijn de volgende handelingen: - a. genocide; - b. samenspanning om genocide te plegen; - c. rechtstreeks en openbaar aanzetten tot genocide; - d. poging tot genocide; - e. medeplichtigheid aan genocide. Artikel IV Zij, die genocide of een der andere in artikel III genoemde feiten plegen, worden gestraft, onverschillig of zij constitutioneel verantwoordel"},{"i":9495,"b":"Verdrag inzake het Europees Bossen Instituut De Partijen bij dit Verdrag, hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen\", In herinnering brengend de op bossen betrekking hebbende beslissingen aangenomen tijdens de Conferentie van de Verenigde Naties inzake Milieu en Ontwikkeling in 1992, de actievoorstellen van de**Intergovernmental Panel on Forests** en het**Intergovernmental Forum on Forests**, het uitgebreide werkprogramma inzake biologische diversiteit in bossen in het kader van het [Verdrag inzake biologische diversiteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136) alsmede het resultaat van de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling; Erkennend de vooruitgang en resultaten geboekt bij de implementatie van de verplichtingen van de Ministeriële Conferenties inzake de bescherming van bossen in Europa; Zich bewust van de veranderende aard van op Europese bos- en bosbouw betrekking hebbende kwesties en de bezorgdheid in de samenleving en de noodzaak relevante wetenschappelijke gegevens te genereren met het doel tot goede besluitvorming te komen; Overwegend dat het Europees Bosseninstituut in 1993 is opgericht als een vereniging naar Fins recht die bijdraagt aan het onderzoek naar bosbouw, bossen en het behoud van bossen op Europees niveau; Indachtig de toegevoegde waarde van het internationaal verankeren van het onderzoek naar bosbouw en bossen; Geleid door de wens op internationaal niveau samen te werken aan onderzoek naar bosbouw en bossen en daarbij dubbel werk te voorkomen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Het Instituut Het Europees Bosseninstituut (hierna te noemen het Instituut) wordt bij dezen opgericht als een internationale organisatie. De zetel is gevestigd in Joensuu, Finland. Artikel 2. Doelstellingen en taken 1. Het doel van het Instituut is het verrichten van onderzoek op pan-Europees niveau naar bosbeleid, met inbegrip van de milieuaspecten, naar de ecologie, het meervoudig gebruik, de hulpbronnen en de gezondheid van Europese bossen e"},{"i":9507,"b":"Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Overtuigd van de noodzaak een gezamenlijk strafrechtelijk beleid te voeren dat is gericht op de bescherming van de maatschappij; Overwegende dat de bestrijding van de zware criminaliteit, die in toenemende mate een internationaal probleem wordt, het gebruik van moderne en doeltreffende methoden vergt op internationaal niveau; In de mening dat een van die methoden behelst de daders de opbrengsten van misdrijven te ontnemen; Overwegende dat voor de verwezenlijking van die doelstelling tevens een goed werkend systeem van internationale samenwerking zal moeten worden opgezet; zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. GEBRUIKTE TERMEN Artikel 1. **Gebruikte termen** Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder - a. „opbrengsten”: elk economisch voordeel dat uit strafbare feiten is verkregen. Dit kunnen alle voorwerpen zijn zoals omschreven in dit artikel, letter b; - b. „voorwerpen”: goederen van enigerlei aard, lichamelijk of onlichamelijk, roerend of onroerend, alsmede rechtsbescheiden waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van die goederen blijken; - c. „hulpmiddelen”: alle voorwerpen die op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, zijn gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt om één of meer strafbare feiten te begaan; - d. „confiscatie”: een straf of maatregel opgelegd door een rechter na een procedure in verband met één of meer strafbare feiten, welke straf of maatregel leidt tot het blijvend ontnemen van de beschikkingsmacht over voorwerpen; - e. „basisdelict”: elk strafbaar feit waaruit opbrengsten zijn voortgekomen die het voorwerp kunnen worden van een delict zoals omschreven in artikel 6 van deze Overeen"},{"i":6883,"b":"Besluit van 11 februari 1966, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 993, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 januari 1966, Hoofdafdeling Privaatrecht, Onderafdeling Internationaal Privaatrecht, Nr. 2/166; Gelet op [artikel 993, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=993); De Raad van State gehoord (advies van 19 januari 1966, Nr. 38); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 4 februari 1966, Hoofdafdeling Privaatrecht, Onderafdeling Internationaal Privaatrecht, Nr. 48/166; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het bepaalde in [artikel 993, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=993) geldt tevens, wanneer een beslissing, gegeven door een administratieve autoriteit van een vreemde Staat, in Nederland uitvoerbaar is krachtens het op 15 april 1958 te 's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen (**Trb.** 1959, 187). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**, waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":9510,"b":"Verdrag inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en het Gemenebest van de Bahama's The Kingdom of the Netherlands, in respect of Curaçao, and the Commonwealth of The Bahamas (hereinafter, “the Parties”); Being parties to the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), opened for signature at Chicago on December 7, 1944; Desiring to contribute to the progress of regional and international civil aviation; Desiring to conclude an agreement for the purpose of establishing and operating Air Services between and beyond their respective Territories; Desiring to ensure the highest level of safety and security in International Air Service; Have agreed as follows: CHAPTER I. INTRODUCTION Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement, unless otherwise defined, the term: - 1. “Aeronautical Authorities” means, in the case of the Commonwealth of The Bahamas, the Bahamas Civil Aviation Authority; in the case of the Kingdom of the Netherlands, in respect of Curaçao, the Minister responsible for Civil Aviation; or, in both cases, any person or body authorized to perform the functions at present exercised by said authorities; - 2. “Agreed Services” means Air Services on the specified routes for the carriage of passengers, cargo and mail, separately or in combination; - 3. “Agreement” means this Agreement, its Annex, and any amendments thereto; - 4. “Air Service”, “International Air Service”, “Airline” and “stop for non-traffic purposes” shall have the meaning respectively assigned to them in [Article 96 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96); - 5. “Designated Airline” means an Airline or Airlines designated and authorized in accordance with [Article 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006652&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2016-12-08&g=2016-12-08) (Designation and Authorization) of this Agreement; - 6. “the Convention” means the [Conventio"},{"i":9511,"b":"Verdrag inzake nucleaire veiligheid Preambule De Verdragsluitende Partijen, Zich ervan bewust dat het voor de internationale gemeenschap van belang is ervoor te zorgen dat het gebruik van kernenergie veilig, goed gereguleerd en milieuverantwoord is; De noodzaak opnieuw bevestigend van het blijven bevorderen van een hoog niveau van nucleaire veiligheid over de gehele wereld; Opnieuw bevestigend dat de verantwoordelijkheid voor nucleaire veiligheid berust bij de Staat die rechtsmacht over een kerninstallatie heeft; Geleid door de wens een doeltreffend nucleaire-veiligheidscultuur te bevorderen; Beseffend dat ongevallen in kerninstallaties grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben; Indachtig het [Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003800) (1979), het [Verdrag inzake vroegtijdige kennisgeving van een nucleair ongeval](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002139) (1986) en het [Verdrag inzake de verlening van bijstand in het geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002141) (1986); Het belang bevestigend van internationale samenwerking ter verbetering van de nucleaire veiligheid via bestaande bilaterale en multilaterale mechanismen en de totstandkoming van dit tot een inspanning verplichtende Verdrag; Erkennend dat dit Verdrag de verplichting met zich meebrengt fundamentele veiligheidsbeginselen voor kerninstallaties toe te passen, en niet zozeer gedetailleerde veiligheidsnormen, en dat er internationaal vastgestelde richtlijnen met betrekking tot veiligheid bestaan, die van tijd tot tijd worden bijgewerkt en die derhalve als leidraad kunnen dienen met betrekking tot eigentijdse middelen om een hoog niveau van veiligheid te bereiken; Bevestigend de noodzaak van een spoedige aanvang van de totstandbrenging van een internationaal verdrag inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval zodra het nog lopende proces van ontwi"},{"i":9513,"b":"Verdrag inzake ontwikkelingssamenwerking tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Socialistische Republiek Vietnam De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen „Nederland”) en de Regering van de Socialistische Republiek Vietnam (hierna te noemen „Vietnam”); Opnieuw de vriendschappelijke betrekkingen bevestigend die tussen beide Staten en hun volken bestaan; Ter naleving van de bilaterale verdragen die onlangs tussen de twee Staten zijn gesloten; In het besef dat inachtneming van democratische beginselen, algemene internationale rechtsbeginselen, alsmede mensenrechten, nationale soevereiniteit en de gelijkheid tussen naties belangrijke beginselen zijn in de betrekkingen tussen de twee landen; Geleid door de wens samen te werken met het doel om ontwikkelingsprocessen te ondersteunen door middel van projecten en programma's en hiertoe, in aanvulling op de inspanningen die Vietnam levert, het juridische en administratieve kader te scheppen voor de tewerkstelling van personeelsleden en de invoer van middelen vanuit Nederland in Vietnam; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Begripsbepalingen In dit Verdrag wordt, tenzij uit de context anders blijkt: - 1. onder „personeelsleden” verstaan personen die geen staatsburgers en geen ingezetene zijn van Vietnam en die: ten aanzien van wie Nederland voorstellen heeft gedaan ter zake van tewerkstelling in het kader van projecten en programma's, welke voorstellen door Vietnam zijn aanvaard; - a. in dienst zijn van Nederland; of - b. in dienst zijn van bedrijven of instellingen waarmee Nederland of Vietnam een overeenkomst inzake de uitvoering van projecten en programma's heeft gesloten; of - c. in dienst zijn van Vietnam als suppletie-deskundigen; - 2. onder „gezinsleden” verstaan de echtgenoot of echtgenote en kinderen onder de leeftijd van 18 jaar die voor hun levensonderhoud van personeelsleden afhankelijk zijn; - 3. onder „projecten en programma's” verstaan ontwikkel"},{"i":9520,"b":"Verdrag inzake technische en financiële samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Georgië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Bevoegde Autoriteit van Georgië (hierna te noemen „de Partijen\" Opnieuw de vriendschappelijke betrekkingen tussen de beide landen en hun volken bevestigend; Indachtig het feit dat respect voor de democratische grondbeginselen, de algemene grondbeginselen van het volkenrecht en de mensenrechten de basis vormen voor de betrekkingen tussen de twee landen; Geleid door de wens samen te werken met het doel de economische en sociale gevolgen van de structurele aanpassing van de Georgische economie te verzachten en de sociale en economische omstandigheden in Georgië te verbeteren teneinde de ontwikkeling van een vrijemarkteconomie te bevorderen door middel van projecten en programma's en met dat oogmerk, in aanvulling op de inspanningen van Georgië, een juridisch en administratief kader te scheppen voor de tewerkstelling van personeelsleden en de invoer van middelen vanuit het Koninkrijk der Nederlanden in Georgië; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Werkingssfeer 1. Dit Verdrag is van toepassing op projecten en programma's die zijn overeengekomen tussen de bevoegde Nederlandse en Georgische autoriteiten. 2. De in het eerste lid genoemde projecten en programma's kunnen op bilaterale basis of in samenwerking met derden worden uitgevoerd, in welk geval alle betrokken partijen, indien nodig, overeenkomen in welke mate dit Verdrag van toepassing is op de derde partij. 3. Beide Partijen komen jaarlijks een lijst van projecten en programma's overeen die vallen onder de werkingssfeer van dit artikel. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „middelen\": onder andere voor Georgië om niet verkregen door of namens het Koninkrijk der Nederlanden in het kader van de projecten en programma's. - a. vermogen; - b. goederen, verbruiksartikelen,"},{"i":5175,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 26 oktober 2020 (kenmerk 2984427/20/DP&O), houdende regels met betrekking tot de rechtspositie van de voorzitter en de overige leden van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit (Rechtspositieregeling raad van bestuur Ksa) Gelet op [artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister voor Rechtsbescherming; - b. **wet:** [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - c. **Ksa:** kansspelautoriteit, bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - d. **raad:** raad van bestuur Ksa, bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - e. **voorzitter:** voorzitter van de raad; - f. **lid:** lid van de raad, niet zijnde de voorzitter; - g. **Cao Rijk:** de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. Artikel 2 1. De bezoldiging van de voorzitter bedraagt het salaris overeenkomstig het salaris van een lid van de topmanagementgroep als bedoeld in Hoofdstuk 17, Groep A van de Cao Rijk, op basis van een gemiddelde arbeidsduur van 36 uur per week. Indien uit de Cao Rijk een aanpassing van de salarisbedragen volgt, wordt de bezoldiging van de voorzitter met een gelijk percentage aangepast. 2. De bezoldiging van een lid bedraagt het salaris overeenkomstig schaal 18 van Hoofdstuk 17, Groep B van de Cao Rijk, op basis van een gemiddelde arbeidsduur van 36 uur per week. Indien uit de Cao Rijk een aanpassing van de salarisbedragen volgt, wordt de bezoldiging van het lid met een gelijk percentage aangepast. Artikel 3 Boven en behalve het salaris, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044300&artikel=2&z=2020-11-05&g=2020-11-05), ontvangen de voorzitter en de leden, vakantie-uitkering ov"},{"i":6422,"b":"Besluit van 7 februari 2003 tot wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (locatiewijziging en verkorting vergunningprocedure introductie in het milieu) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 23 januari 2002, nr. MJZ2002005511, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=24); De Raad van State gehoord (advies van 30 mei 2002, no. W08.02.0047/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 3 februari 2003, nr. MJZ2003006986, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen. Artikel II Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in [artikel 23 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004703&artikel=23) die is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, wordt beslist overeenkomstig het [Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004703), zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sedert de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5256,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 1 juli 2015 houdende de aanwijzing van de leden van de korpsleiding alsmede de leden van de leiding van de landelijke en de regionale eenheden (Regeling aanwijzing leden korpsleiding en leiding landelijke en regionale eenheden) Gelet op [artikel 28, derde lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=28) en [artikel 2 van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Naast de korpschef bestaat de leiding van de politie, bedoeld in [artikel 28, derde lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=28), uit vier directeuren. Artikel 2 Naast de politiechef bestaat de leiding van een landelijke eenheid uit de volgende leden: - a. een hoofd Operatiën, tevens plaatsvervangend politiechef; - b. tenminste één hoofd Operatiën; - c. een hoofd Bedrijfsvoering. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2015. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing leden korpsleiding en leiding landelijke en regionale eenheden. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd. Artikel 2a Naast de politiechef bestaat de leiding van een regionale eenheid uit de volgende leden: - a. een hoofd Operatiën, tevens plaatsvervangend politiechef; - b. een hoofd Operatiën; - c. een hoofd Bedrijfsvoering. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd."},{"i":5514,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 juni 2007, nr. DJZ2007015961, houdende vaststelling van een tenderperiode en subsidieplafond voor het jaar 2007 krachtens de Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds Gelet op de [artikelen 1.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022174&artikel=1.2), en [1.5 van de Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022174&artikel=1.5); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet op het Waddenfonds in werking treedt. Artikel 1 1. Als periode in 2007 na afloop waarvan de aanvragen om subsidie krachtens de [Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022174) die in die periode zijn ontvangen, worden behandeld, wordt vastgesteld: 10 september 2007 tot en met 19 oktober 2007. 2. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op aanvragen als bedoeld in het eerste lid, ontvangen in de daar genoemde periode, wordt vastgesteld op € 40.463.992. 3. Van het bedrag, genoemd in het tweede lid, wordt € 1.000.000 gereserveerd voor aanvragen waarvan de subsidiabele kosten minder bedragen dan € 200.000. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet op het Waddenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020858) in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9535,"b":"Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties Aangezien [art. 104 van het Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143&artikel=104) bepaalt, dat de Organisatie op het gebied van ieder van haar Leden zodanige rechtsbevoegdheid zal bezitten, als nodig zal zijn voor de uitoefening van haar functies en het verwezenlijken van haar doeleinden, en Aangezien [art. 105 van het Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143&artikel=105) bepaalt, dat de Organisatie op het gebied van ieder van haar Leden zodanige voorrechten en immuniteiten zal genieten, als nodig zullen zijn voor het verwezenlijken van haar doeleinden en dat vertegenwoordigers van de Leden van de Verenigde Naties en functionarissen van de Organisatie eveneens zodanige voorrechten en immuniteiten zullen genieten, als nodig zullen zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies in verband met de Organisatie, Heeft derhalve de Algemene Vergadering in een resolutie, aangenomen op 13 Februari 1946, het volgende Verdrag goedgekeurd en stelt zij voor, dat ieder Lid van de Verenigde Naties hiertoe zal toetreden. Artikel I. Rechtspersoonlijkheid. § 1. De Verenigde Naties zullen rechtspersoonlijkheid bezitten. Zij zullen de bevoegdheid hebben: - (**a**) Overeenkomsten aan te gaan; - (**b**) Onroerend en roerend goed te verwerven en hierover te beschikken; - (**c**) In rechte te verschijnen. Artikel II. Eigendommen, fondsen en bezittingen. § 2. De Verenigde Naties, haar eigendommen en bezittingen, waar deze ook gelegen zijn, en wie deze ook onder zich heeft, zullen vrijgesteld zijn van rechtsvervolging, behoudens wanneer de Verenigde Naties in een bijzonder geval uitdrukkelijk afstand zullen hebben gedaan van haar immuniteit. Het is echter wel verstaan, dat afstand van immuniteit zich niet uitstrekt tot enige maatregel van tenuitvoerlegging. § 3. De gebouwen en de terreinen van de Verenigde Naties zullen onschendbaar"},{"i":9545,"b":"Verdrag over de status en werkzaamheden van de Internationale Commissie voor Vermiste Personen De partijen bij dit Verdrag, Bezorgd over het feit dat er in de wereld momenteel jaarlijks grote aantallen personen vermist raken als gevolg van gewapende conflicten, mensenrechtenschendingen, natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen en andere oorzaken: Vaststellend dat het probleem van vermiste personen landsgrenzen overschrijdt en dat de kwestie van vermiste personen in toenemende mate als een mondiaal probleem wordt gezien dat een structureel en duurzaam internationaal antwoord rechtvaardigt; In het besef dat er in de afgelopen twee decennia belangrijke vorderingen zijn geboekt bij het aanpakken van de kwestie, waaronder wettelijk onderbouwde inspanningen om vermiste personen op te sporen en het gebruik van moderne forensische methoden om nauwkeurig vast te stellen wat hen overkomen is; Zich bewust van de gevolgen voor samenlevingen en families wanneer de vermisten niet worden opgespoord, waaronder het leed dat wordt veroorzaakt wanneer onbekend is waar geliefden zich bevinden of onder welke omstandigheden zij verdwenen zijn; Vaststellend dat voornamelijk mannen vermist raken, met name als gevolg van gewapende conflicten en mensenrechtenschendingen, en dat degenen die achterblijven, vrouwen en kinderen, bijzonder kwetsbaar zijn; Erkennend de inspanningen van gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties om de kwestie van vermiste personen wereldwijd aan te pakken; Bevestigend dat staten alle praktische stappen dienen te ondernemen om vermiste personen op te sporen, in het kader van hun verplichtingen uit hoofde van het internationale recht, in het bijzonder mensenrechteninstrumenten en de [artikelen 32-34 van het Aanvullend Protocol I bij de Verdragen van Genève](onbekend); Gelet op de uitgebreide ervaring met kwesties rond vermiste personen die dankzij de Internationale Commissie voor Vermiste Personen is opgedaan en onder de toezegging de wettelijke kad"},{"i":5727,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 maart 2026, nr. MBO/62696879 houdende het opnieuw vaststellen van de vervallen Subsidieregeling instructeursbeurs 2025 om mogelijk te maken dat voor de studiejaren 2026–2027 en 2027–2028 subsidie voor herhaalaanvragen wordt verstrekt (Subsidieregeling herhaalaanvragen instructeursbeurs mbo 2026–2028) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bachelor of associate degree-opleiding:** opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), die is opgenomen in het Register Instellingen en Opleidingen en wordt verzorgd door een erkende onderwijsinstelling; - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1.1, onderdelen a en b van de begripsbepaling van bevoegd gezag, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **DUO:** Dienst Uitvoering Onderwijs; - **herhaalaanvraag:** aanvraag voor een opleiding als bedoeld in [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052480&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=3&z=2026-04-01&g=2026-04-01), waarvoor reeds eenmaal of tweemaal subsidie is verstrekt op grond van de [Subsidieregeling instructeursbeurs mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042462) of op grond van de [Subsidieregeling instructeursbeurs mbo 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050886); - **instructeur:** personeelslid van een instelling, niet zijnde docent, belast met onderwijsonde"},{"i":13149,"b":"Compensatieregeling Coronacrisis Musea 7.500 en meer bezoekers Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Definities In de regeling wordt verstaan onder: - 1. **het fonds:** het Mondriaan Fonds, - 2. **het bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds, - 3. **eigen inkomsten:** de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de goedgekeurde jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening: Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten: - a. publieksinkomsten; en - b. overige inkomsten, zijnde: - 1. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten; - 2. indirecte opbrengsten; en - 3. overige bijdragen. - a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; - b. overige bijdragen uit publieke middelen; - c. rentebaten; - d. bijdragen in natura; - e. kapitalisatie van vrijwilligers; - f. waardering vrijkaarten; en - g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap. Artikel 2. Doel Het fonds kan subsidie verstrekken in de vorm van een bijdrage aan musea die van vitaal belang zijn voor de lokale culturele infrastructuur en die liquiditeitsproblemen hebben of verwachten te krijgen, om deze musea zo veel mogelijk in stand te houden. Artikel 3. Doelgroep De bijdrage kan worden aangevraagd door een publiekstoegankelijke instelling die: - 1. als kernactiviteit het beheer en behoud van een collectie van cultureel erfgoed van regionaal en/of nationaal belang heeft en bij het afstoten het bepaalde in de [Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521) en de Leidraad voor het Afstoten van Museale Objecten (LAMO) volgt en waar mogelijk het waardestellend kader van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; - 2. beschikt over een registratie in het museumregister van Stichting Museumregister Nederland; en - 3. in de jaren 2017 en 2018 gemiddeld 7.500 en meer betalende bezoek"},{"i":3793,"b":"Besluit van 2 oktober 2024, houdende de aanwijzing van het Nationaal coördinatiepunt NLQF, de vaststelling van de kwalificatieniveaus van het NLQF alsmede de wijze waarop deze corresponderen met de kwalificatieniveaus van het EQF en het stellen van regels over de vaststelling van het NLQF-niveau van non-formele opleidingen en over het NLQF-register (Besluit NLQF) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Vaststelling NLQF-niveau van non-formele opleidingen Artikel 11. Gelijkgestelde vaststelling 1. Dit besluit is van overeenkomstige toepassing op een non-formele opleiding waarvan voorafgaand aan het moment van inwerkingtreding van de [Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058) het NLQF-niveau is vastgesteld door Stichting CINOP, Stichting CINOP – ecbo of Stichting CINOP Publiek. 2. [Hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050303&hoofdstuk=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01) van dit besluit is van toepassing op een aanvraag tot vaststelling van het NLQF-niveau van een non-formele opleiding die bij Stichting CINOP – ecbo of Stichting CINOP Publiek is ingediend voorafgaand aan het moment van inwerkingtreding van de [Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058), maar waarop op dat moment nog geen besluit is genomen. 3. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari van het zevende jaar na de datum van inwerkingtreding van de [Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058). Artikel 12. Wijziging van het [Uitvoeringsbesluit WHW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152) Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WHW 2008. Artikel 13. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt, met uitzondering van [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050303&hoofdstuk=3&artikel=12&z=2025-01-01&g=2025-01-01), in werking op het moment waarop de [Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058) in werking treedt. 2. [Artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050303&hoofdstuk=3"},{"i":9558,"b":"Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de waardigheid van het menselijk wezen met betrekking tot de toepassing van de biologie en de geneeskunde: Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde Preambule De Lidstaten van de Raad van Europa, de andere Staten en de Europese Gemeenschap, ondertekenaars van dit Verdrag, Indachtig de [Universele Verklaring van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008), afgekondigd op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties; Indachtig het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000) van 4 november 1950; Indachtig het [Europees Sociaal Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021) van 18 oktober 1961; Indachtig het [Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001017) en het [Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001016) van 16 december 1966; Indachtig het [Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002783) van 28 januari 1981; Tevens indachtig het [Verdrag inzake de rechten van het kind](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508) van 20 november 1989; Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het bereiken van een grotere eenheid tussen zijn leden, en dat een van de middelen om dit doel te bereiken is de handhaving en de verdere verwezenlijking van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Zich bewust van de snelle ontwikkelingen in de biologie en de geneeskunde; Overtuigd van de noodzaak het menselijk wezen, als individu en lid van de menselijke soort te eerbiedigen, en erkennende dat het van belang is de waardigheid van het menselijk wezen te waarborgen; Zich ervan bewust dat een verkeerd gebruik van de biologie en de"},{"i":9560,"b":"Verdrag tot herziening van het Tractaat van 19 april 1839, voor zoveel het Luxemburg betreft In naam der zeer Heilige en Ondeelbare Drieëenheid. Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groothertog van Luxemburg, in aanmerking nemende de verandering in den toestand van het Groothertogdom gebragt ten gevolge van de losmaking der banden, waardoor het aan den voormaligen Duitschen Bond gehecht was, heeft Hunne Majesteiten den Keizer van Oostenrijk, den Koning der Belgen, den Keizer der Franschen, de Koningin van het Vereenigde Koningrijk van Groot-Brittannie en Ierland, den Koning van Pruissen en den Keizer aller Russen uitgenoodigd, Hunne vertegenwoordigers in eene conferentie te Londen te doen bijeenkomen, ten einde zich met de gevolmagtigden van Zijne Majesteit den Koning Groothertog te verstaan omtrent de nieuwe schikkingen, welke in het algemeen belang van den vrede te nemen zullen zijn. En Hunne genoemde Majesteiten, na die uitnoodiging te hebben aangenomen, hebben in gemeen overleg besloten in te stemmen met den wensch door Zijne Majesteit den Koning van Italie uitgedrukt, om deel te nemen aan eene beraadslaging, die bestemd is om een nieuw onderpand van zekerheid voor de handhaving der algemeene rust daar te stellen. Dien ten gevolge hebben Hunne Majesteiten, in overeenstemming met den Koning van Italie, tot dat doel een verdrag willende sluiten, tot Hunne gevolmagtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groothertog van Luxemburg, den heer ADOLPH baron BENTINCK, Zijner Majesteits kamerheer en Minister van Staat, Hoogstdeszelfs buitengewoon gezant en gevolmagtigd minister bij Hare Britsche Majesteit, kommandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, ridder-grootkruis der orde van de Eikenkroon; den baron VICTOR DE TORNACO, Minister van Staat, Voorzitter der Regering van het Groothertogdom, Hoogstdeszelfs kamerheer in buitengewone dienst, grootkruis der orde van de Eikenkroon, grootkruis der Leopoldsorde van Belgie, ridder der Pruiss"},{"i":9628,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Bosnië-Herzegovina inzake internationaal vervoer over de weg Het Koninkrijk der Nederlanden en Bosnië-Herzegovina, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, de ontwikkeling te bevorderen van het vervoer van goederen en personen over de weg in, naar en vanuit hun landen en in doorvoer over hun grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Werkingssfeer 1. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op het internationaal vervoer van goederen en personen over de weg tegen betaling of beloning of voor eigen rekening tussen de grondgebieden van de Verdragsluitende Partijen, in doorvoer over hun grondgebieden, naar of van derde landen, en op cabotage, verricht door vervoerders die voertuigen gebruiken zoals omschreven in artikel 2 van dit Verdrag. 2. Dit Verdrag laat onverlet de rechten en verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen voortvloeiend uit andere verdragen. 3. De toepassing van dit Verdrag doet geen afbreuk aan de toepassing door het Koninkrijk der Nederlanden, als Lidstaat van de Europese Unie, van het recht van de Europese Unie. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „vervoerder\", een persoon (met inbegrip van een rechtspersoon) die op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen gevestigd is en die overeenkomstig de desbetreffende nationale wetten en voorschriften in het land van vestiging wettig toegelaten is tot de markt voor het vervoer van goederen of personen over de weg tegen betaling of beloning of voor eigen rekening; - 2. „voertuig\", een motorvoertuig of een combinatie van voertuigen waarvan ten minste het motorvoertuig geregistreerd is op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen en dat uitsluitend gebruikt wordt en uitgerust is voor het vervoer van goederen of personen per bus; - 3. „cabotage\", het exploiteren van vervoer"},{"i":9629,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Bosnië-Herzegowina inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en Bosnië-Herzegowina hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, In het besef dat overeenstemming over de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen” verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en knowhow; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen. - b. omvat de term „onderdanen” met betrekking tot elk van de Verdragsluitende Partijen: - i. natuurlijke personen die de nationaliteit van die Verdragsluitende Partij hebben; - ii. rechtspersonen die zijn opgericht krachtens het recht van die Verdragsluitende Partij; - iii. rechtsperso"},{"i":3378,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 11 oktober 2018 nr. BOACAT2018/058, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de provincie Overijssel Gelezen het verzoek van de Eenheid Publieke Dienstverlening van de provincie Overijssel van 20 september 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041442&artikel=2&z=2018-10-17&g=2018-10-17). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder bij de Eenheid Publieke Dienstverlening en als toezichthouder Vaarwegbeheer van de eenheid Wegen en Kanalen in dienst van de provincie Overijssel, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opspori"},{"i":9642,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Democratische Volksrepubliek Algerije inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Democratische Volksrepubliek Algerije, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de investeerders van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, In het besef dat een verdrag inzake de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen’’ verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en knowhow; - v. rechten verleend krachtens de wet of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. wordt onder de term „investeerders’’ verstaan: - i. natuurlijke personen die de nationaliteit van een Verdragsluitende Partij hebben en investeringen doen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij; - ii. rechtspersonen of andere orga"},{"i":9643,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Dominicaanse Republiek inzake maritieme afbakening Het Koninkrijk der Nederlanden en de Dominicaanse Republiek (hierna tezamen te noemen „de partijen” en elk afzonderlijk „partij”); Overwegend dat de betrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Dominicaanse Republiek gebaseerd zijn op het beginsel van goed nabuurschap; Overwegend dat het wenselijk is de maritieme zones in het Caribisch gebied waarover de twee staten respectievelijk hun soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefenen, af te bakenen; Gelet op het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee](onbekend) („UNCLOS”), gesloten te Montego Bay op 10 december 1982, waarbij het Koninkrijk der Nederlanden en de Dominicaanse Republiek partij zijn; Gelet op de verdragen betreffende de maritieme afbakening ondertekend door de partijen met hun onderscheiden omringende landen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. In dit Verdrag wordt de afbakening van alle maritieme zones in de Caribische Zee tussen de partijen vastgelegd. 2. Een besluit van een partij tot instelling, uitbreiding of wijziging van haar maritieme zones dient in overeenstemming te zijn met dit Verdrag. Artikel 2 1. De maritieme afbakening tussen de partijen is gebaseerd op equidistantie en is de geodetische lijn die gevormd wordt door de volgende punten, aangeduid met hun geografische coördinaten: | Punt | Noorderbreedte | Westerlengte | | --- | --- | --- | | 1 | 15°24'37“ | 69°34'45“ | | 2 | 15°14'17“ | 68°51'51“ | 2. De geografische coördinaten van de in het eerste lid van dit Verdrag vastgestelde punten worden uitgedrukt volgens het geodetisch referentiesysteem WGS 84 (World Geodetic System 1984). 3. Ter illustratie is deze afbakening aangegeven op zeekaart INT402, die als bijlage bij dit Verdrag gaat. Artikel 3 lndien een enkele geologische structuur of delfstoffenveld dat aardolie of aardgas bevat zich uitstrekt over de in [artikel 2](https://wet"},{"i":9645,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Politiedienst (Europol) betreffende de zetel van Europol The Kingdom of the Netherlands and the European Police Office Having regard to the conclusion of the European Council of 29 October 1993 that Europol shall be established in the Netherlands; Whereas the [Europol Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001323) entered into force on 1 October, 1998; With reference to [article 37 of the Europol Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001323&artikel=37); Have agreed as follows: Article I. Definitions In this Agreement: - a). “Convention” means the [Convention based on Article K.3 of the Treaty on European Union, on the establishment of a European Police Office](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001323); - b). “Europol” means the European Police Office; - c). “Protocol” means the [Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001343) concluded on 241)[Red: Bedoeld is 19.] June 1997 in accordance with [article 41, paragraph 1 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001323&artikel=41); - d). “Government” means the Government of the Kingdom of the Netherlands; - e). “Host State authorities” means such State, municipal or other authorities of the Kingdom of the Netherlands as may be appropriate in the context of and in accordance with the laws and customs applicable in the Kingdom of the Netherlands; - f). “Headquarters” means the area, any building, land or facilities ancillary thereto, irrespective of ownership, used by Europol on a permanent basis or from time to time to carry out its official functions; - g). “Staff” means the Director, Deputy Directors and the employees of Europol as referred to in [Article 30 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001323&artikel=30), with the exception of the local staff as referred to in Article 3 of the Staff Regulations; - h). “Director” means the Director of Europol referred to in [Articl"},{"i":18140,"b":"Besluit No. 98.003882 houdende naamswijziging van het Ministerie van Binnenlandse Zaken Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken dd. 3 augustus 1998, kenmerk 98M006707 Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel de naam van het ministerie van Binnenlandse Zaken te wijzigen in: ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":2734,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2008 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2008, doch niet later dan 15 maart 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,695 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2008 en eindigende met 15 maart 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":3101,"b":"Besluit van 13 maart 2025, houdende bepalingen over het bemannen van zeeschepen (Besluit bemanning zeeschepen) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 11 juni 2024, nr. IenW/BSK-2024/153686, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen, het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144) en de bij dat verdrag behorende bindende bijlagen, het op 7 juli 1995 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel van vissersschepen van de Internationale Maritieme Organisatie (Trb. 2013, 218), het op 23 februari 2006 in Genève tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen en aanhangselen, het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen, [Richtlijn (EU)2022/993](32022L0993) van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2022 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEU 2022, L 169), [Richtlijn 2009/13/EG](32009L0013) van de Raad van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) inzake het verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 en tot wijziging van [Richtlijn 1999/63/EG](31999L0063) (PbEG 2009, L 124) en Richtlijn (EU) 2017/ 159 van de Raad van 19 december 2016 tot uitvoering van de op 21 mei 2012 door het Algemeen Comité van de landbouwcoöperaties van de Europese Unie (COGECA), de"},{"i":3906,"b":"Besluit van 3 oktober 1997, houdende regels inzake de opleiding tot tandarts (Besluit opleidingseisen tandarts) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 oktober 1996, CSZ/BenO-9610517); Gelet op [artikel 20 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=20); Gezien het advies van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (advies van 16 februari 1996, B1/'96); De Raad van State gehoord (advies van 3 februari 1997, No. W13.96.0461); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 september 1997, CSZ/BO 9715396; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251). Artikel 2 Om in het krachtens [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008949&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van de wet ingestelde register van tandartsen te kunnen worden ingeschreven, is vereist het bezit van een door een universiteit als bedoeld in [hoofdstuk 7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&hoofdstuk=7) uitgereikt getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene met goed gevolg het examen heeft afgelegd ter afsluiting van een opleiding tot tandarts die voldoet aan de [artikelen 2a tot en met 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008949&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van dit besluit. § 2. Opleidingseisen Artikel 3 1. De opleiding tot tandarts is gericht op het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheid voor alle werkzaamheden die verband houden met de preventie, de diagnose en de behandeling van afwijkingen en ziekten van tanden, mond, kaken en omliggende weefsels en meer in het bijzonder de volgende aspecten van de tandheelkundige beroepsuitoefen"},{"i":12052,"b":"Besluit beperking openbaarheid archieven Bedrijfsvereniging voor de Steen-, cement-, glas- en keramische industrie, Bedrijfsvereniging voor de Chemische Industrie en Bedrijfsvereniging voor de Voedings- en Genotmiddelenindustrie Gelet op [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van de archieven van - a. Bedrijfsvereniging voor de steen-, cement-, glas- en keramische industrie (BV09) over de periode 1950-1992 met een omvang van 3,410 strekkende meter; - b. Bedrijfsvereniging voor de Chemische Industrie (BV13) over de periode (1949) 1950-1992 met een omvang van 2,69 strekkende meter; - c. Bedrijfsvereniging voor de Voedings- en Genotmiddelenindustrie (BV17) over de periode (1930) 1951-1988 met een omvang van 4,06 strekkende meter. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045975&artikel=1&z=2021-12-04&g=2021-12-04) genoemde archieven worden door UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht. 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de in de eerste kolom genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom genoemde jaartal. | **BV-nr./inventarisnummers:** | geheel openbaar met ingang van januari: | | --- | --- | - a. **BV09** | 123 | 2039 | | --- | --- | | 124 | 2039 | | 125 | 2040 | | 126 | 2043 | | 127 | 2046 | - b. **BV13** | 98 | 2029 | | --- | --- | | 99 | 2030 | | 100 | 2031 | | 101 | 2032 | | 102 | 2034 | | 103 | 2036 | | 104 | 2038 | | 105 | 2039 | | 106 | 2041 | | 107 | 2043 | | 108 | 2045 | | 109 | 2047 | | 110 | 2048 | | 111 | 2049 | | 112 | 2050 | | 113 | 2051 | | 114 | 2052 | | 115 | 2053 | | 116 | 2054 | | 117 | 2055 | | 118 | 2056 | | 119 | 2057 | | 120 | 2058 | | 121 | 2059 | |"},{"i":17302,"b":"Regeling eisen kamer justitiële jeugdinrichtingen Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=17); Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële kinderbescherming van 12 oktober 2000, kenmerk: 5056746/00/TH/rb; Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Algemeen 1. De kamer is zodanig uitgevoerd en ingericht dat zij voldoet aan de eisen die het karakter van de inrichting, de Arbeidsomstandighedenwet en de brandveiligheidvoorschriften daaraan stellen. 2. Bij toewijzing van een kamer aan een jeugdige is de kamer schoon, in goede staat en zonder gebreken. Paragraaf 2. De inrichting van de kamer Artikel 3 Met een afwijkingsmarge van 10% heeft de kamer minimaal een vloeroppervlak van 10 vierkante meter, een breedte van 2 meter en een vrije hoogte van 2,5 meter. Artikel 4 1. In de kamer zijn in de buitenwand een of meer ramen aangebracht. 2. Het totaal oppervlak van het raam of de ramen bedraagt minstens 0,75 vierkante meter. Artikel 5 In de binnenwand van de kamer bevindt zich een slechts van buitenaf afsluitbare deur. Artikel 6 1. In de kamer is een verwarming met een bedienkraan aangebracht. 2. De verwarming heeft een zodanige capaciteit dat bij een buitentemperatuur van minus 10 graden C en een windsnelheid van 10 meter per seconde in de kamer een temperatuur van 18 graden C kan worden bereikt. 3. De kamer is voorzien van een ventilatiemogelijkheid waardoor op natuurlijke dan wel mechanische wijze lucht kan worden aangevoerd. Artikel 7 De kamer is voorzien van een intercom of bel waarmee vanuit de kamer te allen tijde het inrichtingspersoneel kan worden opgeroepen. Artikel 8 De kamer is voorzien van een van binnenuit en al dan niet van buitenaf bedienbare verlichting met voldoende lichtsterkte, conform de aanbevelingen binnenverlichting volgens geldende NEN normen binnenverlichting functionele eisen,"},{"i":18603,"b":"Wet van 30 augustus 2025 houdende vaststelling van regels ten behoeve van de verdediging en de bescherming van de belangen van het Koninkrijk en de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde alsmede het voldoen aan (financiële) afspraken binnen de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en andere bondgenootschappen (Wet financiële defensieverplichtingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om te komen tot de vastlegging van een minimumbudget voor defensie om op afdoende wijze invulling te kunnen geven aan de verplichtingen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=3) en [artikel 97 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=97) alsmede het voldoen aan (financiële) afspraken binnen de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en andere bondgenootschappen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Defensiebudget 1. Ten einde uitvoering te geven aan de verplichtingen die voortvloeien uit [artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=3) en [artikel 97 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=97) stellen de regering en de Staten-Generaal jaarlijks voldoende middelen ter beschikking op de begrotingsstaat van het Ministerie van Defensie. 2. Met ingang van het begrotingsjaar volgend op het jaar van inwerkingtreding van dit artikel bedragen de defensie-uitgaven, overeenkomstig afspraken gemaakt binnen de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), het equivalent van ten minste twee procent van het bruto"},{"i":9650,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens (OVCW) betreffende de zetel van de OVCW Het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens Overwegende dat het [Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens](onbekend) ter oprichting van de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens in werking is getreden op 29 april 1997, Overwegende dat krachtens [artikel VIII, derde lid, van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001193&artikel=VIII) de zetel van de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens zal worden gevestigd te 's-Gravenhage, het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op de bepalingen van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001193) betreffende de rechtspositie, voorrechten en immuniteiten van de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens en haar organen, alsmede de voorrechten en immuniteiten van de Delegatieleiders, plaatsvervangers en adviseurs verbonden aan de Delegatieleiders, Permanente Vertegenwoordigers, leden van de Permanente Vertegenwoordigingen, afgevaardigden van de Staten die Partij zijn, en de Directeur-Generaal en de personeelsleden van de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens, Mede gelet op de bepalingen in de Bijlagen 2 en 3 van de Resolutie inzake de oprichting van de Voorbereidende Commissie voor de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens, Overwegende dat voor de vestiging van de zetel van de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden ('s-Gravenhage) een verdrag dient te worden gesloten; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „het Verdrag”: het [Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wape"},{"i":9652,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Federale Republiek Brazilië inzake samenwerking ter zake van defensiegerelateerde aangelegenheden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Federale Republiek Brazilië, hun staten hierna gezamenlijk te noemen „de partijen” en afzonderlijk de „partij”, Geleid door hun gezamenlijke opvatting dat onderlinge samenwerking op defensiegebied de relatie tussen de partijen ten goede zal komen; en Geleid door de wens de verschillende vormen van samenwerking tussen de partijen te versterken op basis van wederzijds belang, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Reikwijdte De samenwerking tussen de partijen, die wordt beheerst door de beginselen van gelijkheid, wederkerigheid en wederzijds belang in overeenstemming met de nationale wetgeving en internationale verplichtingen van elke partij, dient de volgende doelen: - a. bevorderen van samenwerking tussen de partijen ten behoeve van defensiegerelateerde aangelegenheden, in het bijzonder op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, logistieke ondersteuning en de verwerving van defensieproducten en -diensten; - b. uitwisselen van informatie en ervaringen verworven op het gebied van operaties, met inbegrip van operaties in het kader van internationale vredesoperaties; - c. uitwisselen van ervaringen op het gebied van defensietechnologie; - d. deelnemen aan gecombineerde militaire opleidingen en trainingen, aan gezamenlijke militaire oefeningen, alsmede uitwisselen van informatie op deze terreinen; - e. samenwerken ten behoeve van andere defensiegerelateerde aangelegenheden die voor beide partijen van wederzijds belang kunnen zijn. Artikel 2. Samenwerking Samenwerking tussen de partijen ten behoeve van defensiegerelateerde aangelegenheden kan door middel van de volgende activiteiten worden geïmplementeerd: - a. wederzijdse bezoeken van hoge delegaties aan civiele en militaire eenheden; - b. vergaderingen tussen vergelijkbare defensie"},{"i":9653,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Nepal inzake \"techische assistentie bij het opstellen van biodiversiteitsprofielen in Nepal\" De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Nepal, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I 1. De beide Regeringen zullen gezamenlijk het project „Technische assistentie bij het opstellen van biologische diversiteitsprofielen in Nepal\" uitvoeren. 2. De belangrijkste doelstelling van dit project is het in stand houden en verzekeren van een duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen. 3. De duur van het project is bepaald op 1 (een) jaar, te rekenen vanaf de datum van ondertekening van dit Verdrag. 4. De waarde van de bijdrage van de Nederlandse Regering wordt geraamd op hf. 506.232/ - (vijfhonderdzesduizendentweehonderdtweeëndertig Nederlandse gulden). Artikel II De beide Regeringen stellen in onderlinge overeenstemming een Projectdocument op waarin gedetailleerd is aangegeven de bijdrage die beide partijen leveren, het aantal Nederlandse personeelsleden en hun taakomschrijving, de duur van hun deelname aan het project en een beschrijving van de uitrusting en materialen die ter beschikking zullen worden gesteld. Artikel III De Regering van het Koninkrijk Nepal treft alle nodige maatregelen om het Nederlandse personeel vrij te stellen van voorschriften of andere wettelijke bepalingen die een belemmering kunnen vormen voor de uitvoering van de uit hoofde van dit Verdrag bedoelde werkzaamheden, en verleent hun de nodige faciliteiten om een snelle en doeltreffende uitvoering te bevorderen van het project, zoals dit is beschreven in het door de beide Regeringen goedgekeurde werkplan. De Regering van het Koninkrijk Nepal - 1. verstrekt de Nederlandse personeelsleden, hun echtgenotes of echtgenoten en de personen te hunnen laste kosteloos en zonder onnodige vertraging de benodigde visa, vergunningen en machtigingen; - 2. verleent de Nederlandse personeelsleden toe"},{"i":9656,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bulgarije inzake internationaal vervoer over de weg De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en De Regering van de Republiek Bulgarije hun Staten hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, de ontwikkeling te bevorderen van het vervoer van goederen en personen over de weg tussen, naar en vanuit hun landen en in doorvoer door hun landen, Zijn het volgende overeengekomen: DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Werkingssfeer 1. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op het internationaal vervoer van goederen en personen over de weg tegen betaling of voor eigen rekening tussen de grondgebieden van het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bulgarije, in doorvoer door deze landen, naar of van derde landen, en op cabotage, verricht door vervoerders die voertuigen gebruiken zoals omschreven in artikel 2 van dit Verdrag. 2. Dit Verdrag laat de rechten en verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen voortvloeiend uit andere verdragen onverlet. 3. De toepassing van dit Verdrag doet geen afbreuk aan de toepassing door het Koninkrijk der Nederlanden, als lidstaat van de Europese Unie, van het recht van de Europese Unie. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing en uitvoering van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „Vervoersondernemer\": een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen geregistreerd is en die tegen betaling of voor eigen rekening personen of goederen vervoert overeenkomstig de vereisten van de nationale wetgeving die de toegang tot het beroep van vervoersondernemer en tot de markt regelt. - 2. „Voertuig\": een motorvoertuig: - –. zelfstandig of een combinatie van voertuigen; - –. bedoeld voor het vervoer van personen of goederen over de weg, en dat c.q. die als eigendom of uit hoofde van een huur- of leasecontract ter beschikking van de"},{"i":4663,"b":"Besluit van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg, van 12 januari 2026, 4299382-1091493-DMO, houdende de vaststelling van regels betreffende het toekennen van het Valys Standaard Persoonlijk Kilometerbudget voor aanvragers zonder bewijsdocument gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 13 van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13), namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en voor de uitvoering van Argonaut Advies B.V., besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - •. **Valys-taxivervoer:** bovenregionaal sociaal-recreatief taxivervoer (meer dan 25 kilometer of vijf OV-zones in Nederland) voor mensen met een mobiliteitsbeperking; - •. **Valys-pashouder:** een persoon die vanwege een bovenregionale sociaal-recreatieve reisbehoefte een taxipas voor Valys heeft ontvangen; - •. **Valys-vervoerpas:** de (fysieke) pas die aan de chauffeur getoond moet worden; - •. **indicatiebesluit:** besluit als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel d, van de Algemene Voorwaarden van Transvision B.V., betreffende de organisatie en het (laten) uitvoeren van bovenregionaal Valys-vervoer ten behoeve van personen met een mobiliteitsbeperking; - •. **Valys Standaard PKB (persoonlijk kilometerbudget):** het door het Ministerie van VWS jaarlijks vastgestelde aantal kilometers dat een Valys-pashouder met Standaard PKB met de Valys-taxi mag reizen tegen gereduceerd tarief; - •. **openbaar vervoer:** personenvervoer dat openbaar toegankelijk is; - •. **reizigersassistentie:** een daartoe getrainde assistent die de reiziger op een trein- en/of busstation helpt bij het in- en uitstappen; - •. **chronisch:** feitelijk blijvend, langdurig bestaand en een belemmering vormend voor het dagelijks leven; - •. **bovenregionaal:** een reisafstand van minimaal 25 kilometer; - •. **bewijsdocument:** een documen"},{"i":9658,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Costa Rica inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Costa Rica, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens hun van oudsher bestaande vriendschapsbanden te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de investeerders van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, In het besef dat overeenstemming over de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de duurzame economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen” verstaan alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en know-how; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. omvat de term „onderdanen” met betrekking tot elk van de Verdragsluitende Partijen de volgende personen: - i. natuurlijke personen die ingevolge de grondwet en het recht van de Verdragsluitende Partij de nationaliteit van die Verdragsluitende Partij hebben; of - ii. rechtsper"},{"i":4365,"b":"Besluit van 11 december 2006, houdende regels ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Besluit voorkoming verontreiniging door schepen) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 23 augustus 2006, nr. HDJZ/SCH/2006-1285, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op het op 2 november 1973 te Londen totstandgekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Trb. 1975, 147) met het op 17 februari 1978 te Londen totstandgekomen Protocol bij dat Verdrag (Trb. 1978, 188), op Bijlage IV van het op 4 oktober 1991 te Madrid totstandgekomen Protocol betreffende milieubescherming bij het Verdrag inzake Antarctica (Trb. 1992, 110), het op 5 oktober 2001 te Londen totstandgekomen Internationaal Verdrag inzake de beperking van schadelijke aangroeiwerende verfsystemen op schepen (Trb. 2004, 44), [richtlijn nr. 2000/59/EG](32000L0059) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332), [richtlijn nr. 2005/33/EG](32005L0033) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 juli 2005 tot wijziging van [richtlijn 1999/32/EG](31999L0032) wat het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen betreft (PbEU L 191), en de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=8), [8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=8a), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=9), [10](https://wet"},{"i":9660,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Filipijnen inzake de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen ingevolge Voorschrift I/10 van het STCW-Verdrag van 1978 Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Filipijnen: Handelend in overeenstemming met de procedures bedoeld in voorschrift I/10 van de bijlage bij het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (STCW-Verdrag) van 1978, zoals gewijzigd in 1995; Voorts handelend in overeenstemming met artikel 9 van Richtlijn 98/35/EG van de Raad van 25 mei 1998 van de Europese Unie; Erkennend de doelstellingen neergelegd in het Memorandum of Understanding inzake maritiem vervoer tussen het Ministerie van Verkeer en Waterstaat van het Koninkrijk der Nederlanden en het Departement van Transport en Communicatie van de Republiek der Filipijnen ter bevordering van de samenwerking en het wederzijds begrip op het gebied van maritiem vervoer en aanverwante activiteiten; Met inachtneming van de richtlijnen inzake regelingen tussen Partijen bij het STCW-Verdrag, goedgekeurd door de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie tijdens haar drieënzeventigste zitting in mei 2000; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat van Nederland, hierna te noemen „de Administratie\" is de bevoegde autoriteit voor het Koninkrijk der Nederlanden. De Maritime Training Council (MTC), hierna te noemen de „partij die vaarbevoegdheidsbewijzen afgeeft\", is de bevoegde autoriteit voor de Republiek der Filipijnen. 2. De instantie die optreedt voor de Administratie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van dit Verdrag is de Inspectie Verkeer en Waterstaat, Divisie Scheepvaart, van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. 3. De instanties die optreden voor de partij die vaarbevoegdheidsbewijzen afgeeft en verantwoordelijk is voor de uitvoering van dit Verdrag zijn de „Professional Regulat"},{"i":3542,"b":"Besluit van 3 juni 2023, houdende regels inzake de gegevensverwerking in het kader van de Wet goed verhuurderschap Op de voordracht van Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 20 maart 2023, nr. 2023-0000130290, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048028&artikel=4), en [artikel 20, achtste lid, van de Wet goed verhuurderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048028&artikel=20); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 mei 2023, nr. W04.23.00066/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 30 mei 2023, nr. 2023-0000274031, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **meldpunt:** meldpunt als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048028&artikel=4); - –. **wet:** [Wet goed verhuurderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048028). Hoofdstuk 2. Gegevensverwerking bij het meldpunt Artikel 2 1. De persoonsgegevens, bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048028&artikel=4), die het meldpunt verwerkt in het kader van een melding, worden verwijderd: - a. op het moment dat is vastgesteld dat de melding ongegrond of onjuist is; - b. direct nadat de melder door het meldpunt is doorverwezen naar een andere instantie, tenzij deze persoonsgegevens worden verwerkt ten behoeve van dossieropbouw; - c. op het moment dat naar aanleiding van de melding besloten wordt niet over te gaan tot bestuurlijke handhaving, tenzij deze persoonsgegevens worden verwerkt ten behoeve van dossieropbouw; - d. op het moment dat het besluit tot bestuurlijke handhaving ten gevolge van de melding onherroepelijk wordt. 2. Indien de melding en de persoonsgegevens verwerkt worden ten behoeve van de"},{"i":3493,"b":"Besluit van 22 december 1989, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, houdende vaststelling van een gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds en voor de Ziektewet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 december 1989, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/SVW/89/6613; Gelet op [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9), vierde lid, en [29, achtste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=29), artikel 19, vierde lid, en 37**b**, vijfde lid, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, artikel 41**a**, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, [artikel 5**b**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002470&artikel=5b), vierde lid, en [artikel 16**b**, tweede lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002470&artikel=16b), [artikel 1, vijfde lid, van de Algemene Bijstandswet](onbekend), [artikel 10, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=10), [artikel 10, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=10), artikel 3, tweede lid, onderdeel **b**, van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies, [artikel 6, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002822&artikel=6), [artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=85) en [artikel 61, eerste lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=61); De Raad van State gehoord (advies van 15 december 1989, nr. W12.89.0698); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van S"},{"i":2662,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie van 25 april 2018, nr. 2018-0000251025, houdende vaststelling van beleidsregels met betrekking tot de uitvoering van de Wiv 2017 (Beleidsregels Wiv 2017) Gelet op de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=16), [19, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=19), [29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=29), [48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=48), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=62), [64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=64), [88, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=88), [artikel 89, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=89); Besluiten: Artikel 1. (definitiebepaling) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896); - b. **dienst:** de AIVD of de MIVD; - c. **wegingsnotitie:** de vastlegging van de uitkomst van de weging als bedoeld in [artikel 88, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=88) en die strekt tot het aangaan van een samenwerkingsrelatie als bedoeld in artikel 88, eerste lid, van de wet. - d. **partnerdienst:** een daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- of veiligheidsdienst van een ander land, zoals bedoeld in [artikel 88 van de Wiv 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=88). Artikel 2. (geen verstrekking van uit OOG-interceptie op de kabel verkregen ongeëvalueerde gegevens zonder voorafgaande wegingsnotitie) Ongeëvalueerde gegevens die met toepassing van de bijzondere bevoegdheid ex [artikel 48, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&a"},{"i":9670,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Moldavië inzake betaalde werkzaamheden door afhankelijke gezinsleden van leden van diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire posten Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Moldavië, (hierna elk afzonderlijk te noemen „partij” en tezamen „partijen”); Geleid door de wens op basis van wederkerigheid afhankelijke gezinsleden van leden van diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire posten van een van de partijen op het grondgebied van de andere partij toe te staan betaalde werkzaamheden te verrichten; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag, - a. betekent „vertegenwoordiging”: de diplomatieke vertegenwoordiging en/of consulaire post; - b. betekent „leden van de vertegenwoordiging”: het hoofd van de vertegenwoordiging en de leden van het diplomatiek, consulair, administratief, technisch en ondersteunend personeel van een vertegenwoordiging van de zendstaat die taken vervullen bij deze vertegenwoordigingen en die noch de nationaliteit hebben van de ontvangende staat noch permanent in die staat verblijven; - c. betekent „afhankelijk gezinslid”: - i. de echtgenoot/echtgenote van een lid van de vertegenwoordiging die deel uitmaakt van zijn of haar huishouden; - ii. de (geregistreerde) partner van een lid van de vertegenwoordiging die deel uitmaakt van zijn of haar huishouden op voorwaarde dat er bewijs wordt overgelegd van het bestaan van een geregistreerd partnerschap of van een officiële door een notaris opgestelde samenlevingsovereenkomst; - iii. een ongehuwd, financieel afhankelijk kind van een lid van de vertegenwoordiging dat niet fulltime betaalde werkzaamheden verricht en: - ○. tussen de leeftijd van 16 tot en met 24 jaar is; - ○. tussen de leeftijd van 25 tot en met 27 jaar is en ingeschreven is als voltijdstudent bij een reguliere onderwijsinstelling in de ontvangende staat; of - ○. een fysieke of verstandelijke beperking heef"},{"i":9672,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Moldavië inzake internationaal vervoer over de weg Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Moldavië hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, de ontwikkeling te bevorderen van het vervoer van goederen en personen over de weg in, naar en vanuit hun landen en in doorvoer over hun grondgebied, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Toepassingsgebied 1. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op het internationaal vervoer van goederen en personen over de weg tegen betaling of voor eigen rekening tussen de Verdragsluitende Partijen, in doorvoer over hun grondgebied, naar of van derde landen, en op cabotage, verricht door vervoerders met voertuigen zoals omschreven in [artikel 2 van dit Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001284&artikel=2&z=1997-12-01&g=1997-12-01). 2. Dit Verdrag laat de rechten en verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen voortvloeiend uit andere internationale verdragen onverlet. 3. De toepassing van dit Verdrag doet geen afbreuk aan de toepassing door het Koninkrijk der Nederlanden, als Lidstaat van de Europese Unie, van het recht van de Europese Unie. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „vervoerder\": een persoon (met inbegrip van een rechtspersoon) die in een der Verdragsluitende Partijen gevestigd is en die overeenkomstig de desbetreffende nationale wetten en voorschriften in het land van vestiging wettig is toegelaten tot de markt voor het vervoer van goederen of personen over de weg tegen betaling of voor eigen rekening; - 2. „voertuig\": een motorvoertuig of combinatie van voertuigen waarvan ten minste het motorvoertuig is geregistreerd in een der Verdragsluitende Partijen en dat uitsluitend wordt gebruikt en is uitgerust voor het vervoer van goederen of het vervoer van personen per bus; - 3. „cabotage\": het explo"},{"i":12878,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Toerisme vanaf 1945 (Minister van Economische Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 september 2006, nr. arc-2006.03149/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde [selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Toerisme over de periode vanaf 1945](onbekend) en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De nummers 28 (gewestelijke aangelegenheden en voorlichting), 29 en 30 (toerisme) van Hoofdstuk VI Handel, ambacht en diensten van de ‘Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken behorende tot het archief van het Ministerie van Economische Zaken’ vastgesteld bij beschikking van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, nr. MH 465/878 d.d. 14 juni 1965 en nr. OKN 117173, d.d. 7 sept. 1965, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, nr. M.M.A./Ar-u-2423 II, d.d. 15-9-1987 gepubliceerd in de Staatscourant nr. 1987-214 d.d. 5/11/1987 worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18860,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 19 maart 2018 nr. BOACAT2018/017, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Leisurelands Exploitatie B.V Gelezen het verzoek van Leisurelands Exploitatie B.V. van 6 maart 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040790&artikel=2&z=2018-04-05&g=2018-04-05). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van regiobeheerder, regiomedewerker of onderhoudsmedewerker in dienst van Leisurelands B.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artike"},{"i":17362,"b":"Regeling medisch specialistische zorg met kenmerk NR/CU-266 Op grond van de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), alsmede de [beleidsregel ‘Prestaties en tarieven medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030241)’, stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vast. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op instellingen voor medisch specialistische zorg (met uitzondering van sanatoria), audiologische centra, trombosediensten, instellingen voor erfelijkheidsadvisering en instellingen die geriatrische revalidatiezorg leveren. Deze regeling is voorts van toepassing op solisten als bedoeld in artikel 13 van de beleidsregel ‘Prestaties en tarieven medisch specialistische zorg’ en op zorgaanbieders die mondzorg leveren zoals kaakchirurgen die bieden. Deze regeling is niet van toepassing op abortuszorg geleverd door abortusklinieken en aanbieders van gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en generalistische basis GGZ, als bedoeld in de beleidsregels ‘Prestaties en tarieven gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg’ en ‘Generalistische basis GGZ’, met uitzondering van de relevante GGZ-prestaties die zijn opgenomen in bijlage 4 (overige zorgproducten) van deze regeling. Artikel 2. Doel van de regeling In deze regeling legt de NZa regels vast die zorgaanbieders die op grond van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037256&artikel=1&z=2016-01-01&g=2016-01-01) onder de reikwijdte van deze regeling vallen in acht moeten nemen bij het leveren en registreren van prestaties en tarieven van medisch specialistische zorg, audiologische zorg, trombosezorg, zorg in het kader van erfelijkheidsadvisering, geriatrische r"},{"i":17165,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 9 juni 2016, nr. 768104 houdende verlening van mandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand ten aanzien van besluiten omtrent de verlening van kosteloze rechtskundige bijstand krachtens de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES (Mandaatbesluit toevoeging kosteloze rechtskundige bijstand BES 2016) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028200&artikel=2), [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028200&artikel=2a), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028200&artikel=3), en [4, van de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028200&artikel=4) en [artikel 2, eerste lid, van de Regeling kosteloze rechtskundige bijstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028809&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Kaart:** de kaart, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028200&artikel=2) en [2a, eerste lid van de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028200&artikel=2a); - b. **Het bestuur van de raad:** het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - c. **Wet:** [Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028200); - d. **Regeling:** [Regeling kosteloze rechtskundige bijstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028809); - e. **Mandaat:** de bevoegdheid om namens de minister van Veiligheid en Justitie besluiten te nemen; - f. **Volmacht:** de bevoegdheid om namens de minister van Veiligheid en Justitie privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - g. **Machtiging:** de bevoegdheid om namens de minister van Veiligheid en Justitie handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een pri"},{"i":17455,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 26 november 2020, nr. PO/BenS/ 26079464, houdende regels over het verstrekken van subsidie aan de expertisecentra onderwijszorg in Caribisch Nederland (Regeling subsidie expertisecentra onderwijszorg CN) Gelet op de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=29), en [69, tweede lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=69), de [artikelen 70, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=70), en [150, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=150), en de [artikelen 3.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=3.5), en [3.6, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=3.6); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **eilandelijk zorgplan:** eilandelijk zorgplan als bedoeld in [artikel 27 van de WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=27), [artikel 11.17 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=11.17) en [artikel 3.3 van de WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=3.3); - **EOZ:** expertisecentrum onderwijszorg als bedoeld in [artikel 28, eerste lid, van de WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=28), [artikel 11.18 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=11.18) en [artikel 3.4, eerste lid, van de WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=3.4); - **inspectie:** Inspectie van het onderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=1); - **instelling voor middelbaar beroepsonderwijs:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de WEB BES](https://wetten.o"},{"i":18482,"b":"Besluit van 19 november 2003, houdende bepalingen omtrent de tarieven voor consulaire dienstverrichting en tot inwerkingtreding van de Rijkswet op de consulaire tarieven (Rijksbesluit op de consulaire tarieven) Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 8 september 2003, nr. DJZ/BR-0910/2003; Gelet op [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013618&artikel=2), [artikel 6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013618&artikel=6), [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013618&artikel=8) en [artikel 11 van de Rijkswet op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013618&artikel=11), [artikel 7, eerste lid, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=7) en artikel 2 van de Wet van 9 mei 1890 tot nadere regeling van de heffing en bestemming der Kanselarijleges; De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 16 oktober 2003, nr. W02.03.0380/II/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 10 november 2003, nr. DJZ/BR-909/2003; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Diensten waarvoor op grond van [artikel 2, eerste lid, van de Rijkswet op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013618&artikel=2) vergoeding aan Onze Minister is verschuldigd, zijn: - a. het afgeven van een grosse van, een afschrift van of een uittreksel uit een akte van de burgerlijke stand; - b. het voltrekken van een huwelijk; - c. het opmaken van een notariële akte; - d. het afgeven van een grosse van, een afschrift van, of een uittreksel uit een notariële akte; - e. handelingen van vrijwillige rechtspraak; - f. het horen of ondervragen van een getuige of deskundige in een burgerlijke zaak op last van de rechter in het Koninkrijk, daaronder begrepen het opmaken van een proces-verbaal; - g. het opmaken van een laissez-passer voor een stoffelij"},{"i":17939,"b":"Wet van 7 april 2005 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Penitentiaire beginselenwet en enige andere wetten onder meer naar aanleiding van evaluatieonderzoeken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het naar aanleiding van evaluatieonderzoeken van de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709), de regelgeving omtrent de terbeschikkingstelling en het jeugdstrafrecht en reacties uit de praktijk wenselijk is gebleken de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709), de [Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765), de [Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756) en enige andere wetten op een aantal punten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Artikel II Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Artikel III Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel IV Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel V Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel VI Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VII Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel VIII Wijzigt de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Artikel IX Wijzigt de Gratiewet. Artikel X Wijzigt de Overleveringswet. Artikel XI Wijzigt de wet van 7 juli 1988, houdende wijziging van de Wet van 19 november 1986, Stb. 587 tot herziening van de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet gevangeniswezen en enkele andere wetten omtrent de maatregel van terbeschikkingstelling en enige andere onderwerpen die"},{"i":17333,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, houdende regels inzake de Wet langdurige zorg (Regeling langdurige zorg) Gelet op de [artikelen 3.1.1, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.1.1), [3.1.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.1.2), [3.2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.2.2), [3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.2.5), [3.3.2.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.2.3), [3.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.5.2), [3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.5.3), [3.6.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.2), [3.6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.3), [3.6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.4), [3.6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.5), [3.6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.6), [3.6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.7), [3.7.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.7.2), [4.2.1, tweede lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=4.2.1), [artikel 21, derde lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182&artikel=21), de [artikelen 9.1.2, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=9.1.2), [9.1.3, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=9.1.3), [11.1.5, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.1.5), [11.1.8, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.1.8), en [artikel 49e, eerste lid, van"},{"i":18048,"b":"Besluit van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Defensie, Directie Noord-Oost Nederland, Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen 1870–2001, bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Overwegende dat een aantal dossiers in het archief van het Ministerie van Defensie, Directie Noord-Oost Nederland, Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (1870) 1970–2001 beperkingen aan de openbaarheid behoeft: Gelet op [artikel 15, lid 1, onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 21-07-2016, met kenmerk EDOC-#1042432-v1. Besluit: Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat en zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 376 | 2042 | | 377 | 2040 | | 420 | 2041 | | 434 | 2046 | | 444 | 2046 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief van het Ministerie van Defensie, Directie Noord-Oost Nederland, Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (1870) 1970–2001’."},{"i":2511,"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 oktober 2021, nr. WJZ/ 21135426, tot vaststelling van beleidsregels voor de beoordeling van aanvragen om een tegemoetkoming in de kosten van het aanleveren van gegevens door PAS-melders Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **initiatiefnemer:** initiatiefnemer van een project die voor dat project in de periode van 1 juli 2015 tot 29 mei 2019 een melding heeft gedaan en die ter verificatie zijn gegevens heeft verstrekt aan de Minister ten behoeve van het legaliseren van dat project, bedoeld in [artikel 1.13a van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=1.13a); - **Minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - **project:** project waarvoor een meldingsplicht gold op grond van [artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036688&artikel=8), zoals dat luidde tot 1 januari 2017, of [artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038668&artikel=2.7), zoals dat luidde op 28 mei 2019; - **RVO:** Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; - **verificatie:** toets door de bevoegde gezagen of een project voldoet aan de voorwaarden voor het legaliseren van gemelde projecten; - **verklaring de-minimissteun:** verklaring van de initiatiefnemer waarin deze bevestigt dat subsidieverlening niet zal leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van [verordening (EU) nr. 1407/2013](32013R1407), onderscheidenlijk artikel 3, tweede lid, van [verordening (EU) nr. 1408/2013](32013R1408); - **verordening (EU) nr. 1407/2013:** [verordening (EU) nr. 1407/2013](32013R1407) van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing v"},{"i":9677,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Peru inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Peru, hierna aangeduid als de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. omvat de term „investeringen\" alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - iii. recht op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele en de industriële eigendom (zoals auteursrechten, octrooien, industriële ontwerpen en modellen, handelsmerken of dienstmerken, en handelsnamen), technische werkwijzen, goodwill en know-how; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. omvat de term „onderdanen\" met betrekking tot elk van beide Verdragsluitende Partijen: - i. natuurlijke personen die de nationaliteit"},{"i":9696,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika betreffende de onderwerping van geschillen aan een permanente Internationale Commissie voor onderzoek en verslag Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President der Vereenigde Staten van Amerika, wenschende de tusschen hen bestaande vriendschapsbanden te versterken en evenzeer den algemeenen vrede te bevorderen, hebben besloten tot dat doel een verdrag te sluiten, waartoe Zij als hunne Gevolmachtigden hebben benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Ridder W. L. F. C. VAN RAPPARD, Hoogst Derzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij de Vereenigde Staten van Amerika; en De President der Vereenigde Staten: Zijne Excellentie WILLIAM JENNINGS BRYAN, Secretaris van Staat; Die, na elkander hunne wederzijdsche volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende artikelen zijn overeengekomen. Artikel I De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen dat alle geschillen van welken aard ook, die tusschen hen mochten ontstaan en waarvan de beslechting niet wordt voorzien in vroeger aangegane arbitrageverdragen en overeenkomsten, of indien de bepalingen dier verdragen en overeenkomsten feitelijk niet worden toegepast, ter fine van onderzoek en verslag zullen worden onderworpen, nadat alle diplomatieke middelen ter regeling dezer geschillen gefaald hebben, aan eene Permanente Internationale Commissie, die zal worden benoemd op de wijze voorgeschreven in het volgend artikel; en zij komen overeen noch den oorlog te verklaren, noch vijandelijkheden te beginnen loopende dat onderzoek en totdat het verslag zal zijn ingediend. Artikel II De Internationale Commissie zal bestaan uit vijf leden als volgt te benoemen: Eén lid zal worden gekozen door iedere Regeering uit hare eigen onderdanen; één lid zal worden gekozen door iedere Regeering uit onderdanen van een derde Mogendheid; het vijfde lid zal in gemeen overleg do"},{"i":4667,"b":"INKWARTIERINGSBESCHIKKING 1953 Gelet op de bepalingen van de [Inkwartieringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002111) en het [Inkwartieringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002113), Stelt de volgende uitvoeringsvoorschriften vast: HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: Artikel 2 Uit de aard van hun betrekking moeten geacht worden bij de legers te behoren, in de zin van [artikel 2 der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002111&artikel=2): - a. degenen, die ingevolge [artikel 70 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002113&artikel=70) de motorrijtuigen van de verzamelplaats in de gemeente naar de plaats van bestemming brengen; - b. niet-militairen, die werkzaam zijn in militaire staven, diensten, inrichtingen en bedrijven. Artikel 3 1. Tot het doen van een aanvraag als bedoeld in [artikel 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002111&artikel=6) zijn bevoegd: - a. de Commandant Landstrijdkrachten; - b. de Commandant Zeestrijdkrachten; - c. de regionale militaire commandanten; - d. de commandanten van de Lokaal Facilitaire Dienst, ieder voor wat betreft zijn verzorgingsgebied; - e. de commandanten van onderdelen, van detachementen of van transporten en alleenreizende militairen, doch slechts indien de aanvraag op generlei wijze tijdig door de bevoegde commandant van de Lokaal Facilitaire Dienst kan plaatshebben. 2. De aanvraag van een van de onder 1–5 van lid 1 genoemde autoriteiten geschiedt door middel van een door hem aan de burgemeester gericht schriftelijk verzoek. 3. De aanvraag van een onder 6 van lid 1 genoemde militair geschiedt, met uitzondering van alleenreizende officieren, onder overlegging van een marsorder, reisopdracht of andere opdracht, welke moet bevatten: - a. naam, rang en functie van de officier, die het stuk afgeeft; - b. naam, rang en legernummer van de commandant van het onderdeel of van de alleenreizende militair; - c. plaats"},{"i":9698,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de VN Wereld Toerisme Organisatie (UNWTO) ten behoeve van het houden van een UNWTO-conferentie “Happiness 360” Relating to the holding of the UNWTO Happiness 360 Conference (hereinafter referred to as the “Conference”) in Oranjestad, Aruba on 13 and 14 September 2016 by the Government of Aruba (hereinafter referred to as the “Government”); Whereas the Government of the Kingdom of Netherlands (hereinafter, the [“Government”]), duly represented by its Ambassador to Spain, H.E. Mr. Johanes Hendrik Mattheus Van Bonzel, will be hosting the Conference which is of special interest of the Ministry of Tourism, Transport, Primary Sector and Labour, the institution in charge of supporting activities that contribute to the development of tourism in Aruba; Whereas the World Tourism Organization (hereinafter referred to as “UNWTO” or “the Organization”), represented by its Secretary General, Mr. Taleb Rifai, is a specialized agency of the United Nations and the leading public international organization in the field of tourism, with a membership encompassing 163 countries and territories and more than 500 Affiliate Members representing the private sector, educational institutions, tourism associations ‎and local tourism authorities; Whereas UNWTO wishes to conduct a Conference on how effective synergy between tourism and culture can create happiness in the tourism sector and countries in general and the Government is willing and able to host it; Now therefore, the Parties have agreed as follows: I. Privileges, immunities and facilities Vervallen II. Conditions for organizing the Conference Vervallen IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized thereto, have concluded this Agreement. DONE in Madrid, on 18 August 2016, in two originals, in the English language. **For the Kingdom of the Netherlands, in respect of Aruba,** BARTJAN WEGTER Deputy Head of Mission **For the World Tourism Organization,** TALEB RIFAI Secretary-G"},{"i":3340,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 10 oktober 2017 nr. BOACAT2017/066, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Westland Gelezen het verzoek van gemeente Westland van 11 september 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040087&artikel=2&z=2017-10-20&g=2017-10-20). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van uitvoerend medewerker I, toezichthouder Openbare Ruimte van de gemeente Westland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulli"},{"i":9712,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens Het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg, Hierna gezamenlijk te noemen „de partijen” en elk afzonderlijk „partij”, Geleid door de wens een systeem vast te stellen voor het regelen van de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens die zijn gegenereerd of uitgewisseld in het kader van de samenwerking tussen de partijen of tussen publieke of private entiteiten onder hun rechtsmacht, Geleid door de wens de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens te waarborgen, in het belang van de nationale veiligheid, komen het volgende overeen: Artikel 1. Doel en reikwijdte 1. Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen de partijen, tussen een partij en een opdrachtnemer onder de rechtsmacht van de andere partij, of tussen opdrachtnemers onder de rechtsmacht van de respectieve partijen, of die worden gegenereerd in het kader van dit Verdrag. In dit Verdrag worden de beveiligingsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. 2. De partijen nemen alle passende maatregelen krachtens hun nationale wet- en regelgeving om de beveiliging van gerubriceerde gegevens in overeenstemming met dit Verdrag te waarborgen. 3. Dit Verdrag is van toepassing op alle activiteiten, contracten of overeenkomsten waarbij gerubriceerde gegevens betrokken zijn die na de inwerkingtreding van dit Verdrag tussen de partijen worden uitgevoerd of gesloten. 4. Dit Verdrag vormt geen basis om de partijen ertoe te verplichten gerubriceerde gegevens te verstrekken of uit te wisselen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. **„Verdrag”**, dit document met inbegrip van de Bijlage daarbij. - b. **„Gerubriceerd contract”**, elke wettelijk afdwingbare overeenkomst voor het leveren van goederen of d"},{"i":3706,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 16 november 2024 (2024-515548) houdende verlening van mandaat op het terrein van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel betreffende de uitvoering van de Wet open overheid (Besluit mandaat tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel uitvoering Wet open overheid) Gelet op de [artikelen 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=2.1) en [4.1 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=4.1); Gelet op [artikel 4, eerste lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=4); Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. **tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel:** het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel, bedoeld in [artikel 1 van het besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën van 11 januari 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050102&artikel=1) (2021-261153) houdende de instelling van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel en het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeuren-generaal van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel; - c. **Woo-verzoek:** een verzoek om informatie op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). Artikel 2. Volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van volmacht en machti"},{"i":9733,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaamse Gewest betreffende de aanleg van de nieuwe sluis Terneuzen Het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en het Vlaamse Gewest, anderzijds, hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen”, Verwijzend naar: het op 20 juni 1960 te Brussel tot stand gekomen [Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de verbetering van het kanaal van Terneuzen naar Gent](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006046) en de regeling van enige daarmee verband houdende aangelegenheden; het op 21 december 2005 te Middelburg tot stand gekomen [Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest, anderzijds, inzake de samenwerking op het gebied van het beleid en het beheer in het Schelde-estuarium](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003047); het op 21 december 2005 te Middelburg tot stand gekomen [Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003048). Overwegende dat: Nederland en Vlaanderen op 11 maart 2005 in een memorandum van overeenstemming zijn overeengekomen om gezamenlijk de maritieme toegankelijkheid van de Kanaalzone Gent-Terneuzen te verkennen; bij deze verkenning is geconcludeerd dat er zich wat de toegankelijkheid in de Kanaalzone Gent-Terneuzen betreft nu en straks problemen kunnen voordoen op het terrein van afmetingen, beschikbaarheid en betrouwbaarheid van het bestaande sluizencomplex; Nederland en Vlaanderen met het oog hierop verschillende oplossingsrichtingen hebben onderzocht en het resultaat van dat onderzoek in een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) hebben neergelegd; het Stakeholders Advies Forum (SAF) de oplossingsrichtingen in de MKBA heeft getoetst op oplossend vermogen en in januari 2009 de Verdragsluitende Partijen heeft geadviseerd zich te richten op de aanleg van een n"},{"i":3346,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 26 mei 2025 nr. BOACAT2025/129, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Zoetermeer Gelezen het verzoek van gemeente Zoetermeer van 20 maart 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051086&artikel=2&z=2026-05-21&g=2026-05-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Zoetermeer, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de"},{"i":9734,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Mongolië inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen The Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of Mongolia, hereinafter referred to as the Contracting Parties, Desiring to strengthen the traditional ties of friendship between their countries, to extend and intensify the economic relations between them particularly with respect to investments by the nationals of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party, Recognizing that agreement upon the treatment to be accorded to such investments will stimulate the flow of capital and technology and the economic development of the Contracting Parties and that fair and equitable treatment of investment is desirable, Have agreed as follows: Article 1 For the purposes of the present Agreement: - a). the term “investments” shall comprise every kind of asset and more particularly, though not exclusively: - (i). movable and immovable property as well as any other rights in rem in respect of every kind of asset; - (ii). rights derived from shares, bonds and other kinds of interests in companies and joint ventures; - (iii). title to money, to other assets or to any performance having an economic value; - (iv). rights in the field of intellectual property, technical processes, goodwill and know-how; - (v). rights granted under public law, including rights to prospect, explore, extract and win natural resources. - b). the term “nationals” shall comprise with regard to either Contracting Party: - (i). natural persons having the nationality of that Contracting Party; - (ii). legal persons constituted under the law of that Contracting Party; - (iii). legal persons not constituted under the law of that Contracting Party but controlled, directly or indirectly, by natural persons as defined in (i) or by legal persons as defined in (ii) above. - c). the term “territory” shall mean: - (i). with respect to Mongolia, the t"},{"i":9739,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Zwitserland nopens overneming van onderdanen en oud-onderdanen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de Bondsraad van den Zwitserschen Bond, wenschende in gemeen overleg te regelen de terugbrenging naar hun vaderland van burgers of onderdanen van elk der verdragsluitende Staten die uit het grondgebied van de andere Partij worden uitgezet, hebben te dien einde tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Jonkheer DE MAREES VAN SWINDEREN, Hoogst-Derzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; De Bondsraad van den Zwitserschen Bond: den Heer CARLIN, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van den Zwitserschen Bond bij Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, die, na uitwisseling van hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten, omtrent het volgende zijn overeengekomen: En foi de quoi, les plénipotentiaires respectifs ont signé le présent traité en double expédition et y ont apposé leurs cachets. Fait à La Haye, le 7 mai 1910. (**L.S.**) R. DE MAREES VAN SWINDEREN. (**L.S.**) CARLIN."},{"i":9740,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds en de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest, anderzijds inzake de samenwerking op het gebied van het beleid en het beheer in het Schelde-estuarium Het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en De Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest, anderzijds, hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen’’, Verwijzend naar de lange en hechte samenwerking tussen enerzijds Nederland en anderzijds België en Vlaanderen, die haar aanvang heeft genomen bij de totstandkoming van het Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België van 19 april 1839, Overwegende dat krachtens het Protocol van besprekingen tussen Belgische, Luxemburgse en Nederlandse ministers in Luxemburg op 29, 30 en 31 januari 1948 de Technische Scheldecommissie werd opgericht, die werd belast met het uitvoeren van studies omtrent het beheer van de Schelde, Wensende de langdurige goede samenwerking in de Technische Scheldecommissie te versterken en te ontwikkelen door de oprichting van de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie, Overwegende dat de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie het gezamenlijk beleid en beheer van het Schelde-estuarium tot doel heeft, Overwegende dat de Verdragsluitende Partijen hun samenwerking wensen te richten op een dynamische ontwikkeling en optimalisatie van de veiligheid, de toegankelijkheid en de natuurlijkheid van het Schelde-estuarium, en met betrekking tot het beleid en het beheer van het Schelde-estuarium bijkomende verbintenissen wensen aan te gaan, die gestalte zullen krijgen in opeenvolgende plannen, programma’s en projecten, Overwegende dat de uitvoering van deze plannen, programma’s en projecten zal bijdragen tot het behoud van de fysieke systeemkenmerken van het Schelde-estuarium; komen het volgende overeen: Hoofdstuk I. INLEIDING Artikel 1. Begripsbepalingen In dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „Nederland’’: het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden; - b. „Vlaanderen’’: d"},{"i":9741,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Vlaams Gewest tot herziening van het Reglement ter uitvoering van artikel IX van het Tractaat van 19 april 1839 en van hoofdstuk II, afdelingen 1 en 2, van het Tractaat van 5 november 1842, zoals gewijzigd, voor wat betreft het loodswezen en het gemeenschappelijk toezicht daarop (Scheldereglement) De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en de Regering van het Koninkrijk België en de Vlaamse Regering, anderzijds; Overwegende dat het, gezien de ontwikkeling van het scheepvaartverkeer op de Westerschelde en het kanaal van Gent naar Terneuzen, wenselijk is het Reglement van 20 mei 1843 ter uitvoering van artikel IX van het Tractaat van 19 april 1839 en van hoofdstuk II, afdelingen 1 en 2, van het Tractaat van 5 november 1842, zoals gewijzigd, voor wat betreft het loodswezen en het gemeenschappelijk toezicht daarop, te herzien; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Het Reglement van 20 mei 1843 ter uitvoering van artikel IX van het Tractaat van 19 april 1839 en van hoofdstuk II, afdelingen 1 en 2, van het Tractaat van 5 november 1842, zoals gewijzigd, wordt vervangen door het reglement, zoals in de bijlage bij dit Verdrag gevoegd, verder te noemen het Scheldereglement. Artikel 2 Dit Verdrag, alsmede het in de bijlage opgenomen Scheldereglement, kunnen in overeenstemming tussen de Verdragsluitende Partijen worden gewijzigd. Artikel 3 Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na die waarin de Verdragsluitende Partijen elkaar hebben meegedeeld dat aan de voor hen terzake geldende constitutionele vereisten is voldaan. HOOFDSTUK I. DEFINITIES Artikel 1 Voor de toepassing van dit reglement en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder: - 1. Scheldevaarder: ieder schip dat de Schelde, haar mondingen of het kanaal van Gent naar Terneuzen bevaart, voor zover het geen haven dan wel anker- of ligplaats op het Nederlandse gedeelte van die wate"},{"i":9742,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden met betrekking tot Aruba en de Verenigde Staten van Amerika inzake douanevoorinspectie The Government of the Kingdom of the Netherlands, in respect of Aruba, and the Government of the United States of America (hereinafter referred to as the Parties); Considering that preclearance, the procedure of conducting in Aruba inspection by United States inspection agencies required for entry into the United States of passengers and crew destined nonstop to the United States in flight of aircraft, facilitates travel between the two countries; and Considering that the laws of the two countries governing merchandise or articles the entry of which is prohibited are sufficiently similar to enable United States organizations to carry out their missions, subject to provisions of facilities adequate to enable them to use their resources efficiently and to ensure proper security safeguards for passengers, aircraft crew, baggage and aircraft stores entering the United States; Agree as follows: Article I For the purposes of the Agreement: - a). \"Air Carrier\" means a commercial enterprise that provides public transportation by aircraft for remuneration, hire or other consideration; - b). \"Aircraft Commander\" means any person serving on a private aircraft who is in charge or has command of its operation and navigation; - c). \"Post-clearance\" means the clearance of aircraft, crew, passengers, and goods in the territory of the United States of America; - d). \"Preclearance Area\" means a part of an airport terminal and its grounds designated by Aruban authorities within which Preclearance Officers exercise specified powers and authorities. This area will be determined as set forth in the Facilities Annex to the Agreement. Any future changes to the Preclearance Area shall be agreed to by the implementing authorities. - e). \"Preclearance Officer\" means an officer designated by the Government of the United States to carry out preclearance in the ter"},{"i":9746,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Caribische Gemeenschap tot vaststelling van de voorwaarden voor het verlenen aan Curaçao van de status van geassocieerd lid van de Caribische Gemeenschap Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao (hierna te noemen „Curaçao”) en de Caribische Gemeenschap (hierna te noemen „CARICOM”) (tezamen „de partijen” genoemd); Gelet op artikel 231 van het Herziene Verdrag van Chaguaramas tot oprichting van de Caribische Gemeenschap met inbegrip van de CARICOM interne markt en economie (hierna te noemen „het Herziene Verdrag”), waarin wordt bepaald dat de Conferentie van Regeringsleiders van CARICOM elke Caribische Staat of elk Caribisch Gebied kan toelaten tot het geassocieerd lidmaatschap van CARICOM onder de voorwaarden die de Conferentie passend acht; Gelet op de bestaande en mogelijk toekomstige betrokkenheid van Curaçao bij gebieden van functionele samenwerking met CARICOM; Erkennend dat artikel 28 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden Curaçao de mogelijkheid biedt geassocieerd lidmaatschap van CARICOM te verkrijgen; Komen hierbij het volgende overeen: Artikel I. Voorwaarden Aan Curaçao wordt, overeenkomstig het besluit van de Conferentie van Regeringsleiders van CARICOM, genomen tijdens haar achtendertigste intersessionele bijeenkomst in Caucus op 4 juni 2024, de status van geassocieerd lid van CARICOM verleend onder de volgende voorwaarden: - i. het recht van Curaçao om de vergaderingen van de Conferentie van Regeringsleiders en de Raad van Ministers van de Gemeenschap bij te wonen; - ii. het recht om (zonder stemrecht) deel te nemen aan de beraadslagingen van de organen en instanties van de Gemeenschap, met uitzondering van de Raad voor Buitenlandse en Gemeenschapsbetrekkingen, teneinde de belangen van Curaçao bij specifieke programma’s en maatregelen te behartigen, met inbegrip van het recht om programma’s en maatregelen voor te stellen of te wijzigen, en om te dele"},{"i":4748,"b":"Inzet van middelen over en weer tussen inburgering nieuwkomers en educatie In de fase van voorbereiding van beide regelingen die in voorliggend Gele Katern worden gepubliceerd, heeft CFI via het Uitvoeringsoverleg BVE deze voor commentaar voorgelegd aan vertegenwoordigers van belanghebbende organisaties. Uit het ontvangen commentaar blijkt onduidelijkheid over het afzonderlijk verantwoorden van de rijksbijdragen educatie en inburgering in relatie tot de mogelijkheid om beide rijksbijdragen (deels) ontschot in te zetten. In verband hiermee wordt onderstaand een toelichting gegeven op de verantwoordingssystematiek die voor deze rijksbijdragen geldt. Door de invoering van de [WIN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544) wordt voor de inburgering een aparte verantwoording gevraagd. In het Bekostigingsbesluit WIN is de verantwoording van de middelen geregeld en de mogelijkheid opgenomen dat middelen die in enig jaar niet besteed kunnen worden aan nieuwkomers ingezet worden voor reguliere educatie. Daarnaast kan de gemeente besluiten geld te reserveren voor de inburgering in komende jaren. Het kan echter ook voorkomen dat in enig jaar de middelen die een gemeente ontvangt voor de inburgering vannieuwkomers niet toereikend zijn. De gemeente kan dan besluiten het educatieve programma van het inburgeringsprogramma (voor) te financieren uit de rijksbijdrage educatie. In de [WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) is geregeld dat de rijksbijdrage Educatie mag worden aangewend voor de educatieve programma’s van de inburgering nieuwkomers. Het bovenstaande betekent dat een gemeente bij het afsluiten van de contracten met de ROC’s afspraken moet maken over de inzet van de onderscheiden budgetten. Voor de **rijksbijdrage educatie** geldt dat deze in zijn geheel door middel van contracten belegd moet zijn bij één of meerdere ROC’s voor de uitvoering van de educatieve activiteiten. N.B. Alleen de middelen die in enig jaar worden terugontvangen van een ROC, kun"},{"i":9747,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Internationale Politie Organisatie inzake de privileges en immuniteiten van de Internationale Politie Organisatie tijdens de Tweeëntwintigste Amerikaanse Regionale Conferentie The Kingdom of the Netherlands, in respect of Curaçao, and the International Criminal Police Organization (hereinafter referred to as “ICPO-Interpol” or “the Organization”), In anticipation of the 22nd Americas Regional Conference of ICPO-INTERPOL, which will be held in Curaçao from 1 July to 3 July 2013, have agreed to the following: Article 1. Entry into the host country territory Vervallen Article 2. Privileges and immunities of the organization Vervallen Article 3. Inviolability of archives and correspondence of the Organization Vervallen Article 4. Foreign exchange Vervallen Article 5. Exemption from customs duties Vervallen Article 6. Privileges and immunities of participants Vervallen Article 7. Diplomatic privileges Vervallen Article 8. Use of immunities Vervallen Article 9. Settlement of Disputes Vervallen Article 10. Entry into Force Vervallen IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized thereto, have concluded this Agreement. DONE at Willemstad, 21 February 2013, and at1)[Red.: Kennelijk dient hier „Lyon, 15 April” te worden gelezen.], 2013, in duplicate, in the English language. **For the Kingdom of the Netherlands, in respect of Curaçao,** N.G. NAVARRO Mr Nelson G. Navarro Minister of Justice of Curaçao **For the International Criminal Police Organization,** JM. LOUBOUTIN Ronald K. Noble Secretary General par délégation JM. Louboutin"},{"i":8528,"b":"Europese Overeenkomst betreffende de uitwisseling van geneesmiddelen van menselijke oorsprong De Regeringen voor welke deze Overeenkomst is ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Overwegende dat geneesmiddelen van menselijke oorsprong uiteraard slechts door toedoen van de menselijke donor kunnen worden verkregen en derhalve slechts in beperkte hoeveelheden beschikbaar zijn; Overwegende dat het in hoge mate wenselijk is dat de lid-staten, in een geest van Europese saamhorigheid, elkaar helpen door deze geneesmiddelen te verschaffen, indien de noodzakelijkheid zich daartoe doet gevoelen; Overwegende dat dergelijke wederzijdse hulp alleen mogelijk is, indien de eigenschappen en het gebruik van deze geneesmiddelen onderworpen zijn aan door de lid-staten gemeenschappelijk vast te stellen regelen en indien voor de invoer van deze geneesmiddelen de nodige faciliteiten en vrijstellingen worden verleend; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „geneesmiddelen van menselijke oorsprong” verstaan menselijk bloed en daaruit bereide produkten. De bepalingen van deze Overeenkomst kunnen door een briefwisseling tussen twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen worden uitgebreid tot andere geneesmiddelen van menselijke oorsprong. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich, zo zij over een voldoende voorraad voor eigen behoeften beschikken, om geneesmiddelen van menselijke oorsprong ter beschikking te stellen van andere Partijen die deze dringend nodig hebben, en dat slechts tegen betaling van de kosten van het verwerven, bereiden en verzenden van bedoelde geneesmiddelen. Artikel 3 Geneesmiddelen van menselijke oorsprong zullen ter beschikking van de andere Overeenkomstsluitende Partijen worden gesteld onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat er geen winst op wordt gemaakt, dat zij alleen voor geneeskundige doeleinden zullen worden gebruikt en dat zij slechts aan de door de betrokken Regeringen aangewezen in"},{"i":3025,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 januari 2006, nr. TRCJZ/2006/160, houdende aanwijzing toezichthouders Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 Gelet op [artikel 89 van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=89); Besluit: Artikel 1 1. Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving als bedoeld in [artikel 89, eerste lid, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=89) worden aangewezen de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. Als personen belast met het toezicht op de naleving als bedoeld in [artikel 89, eerste lid, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=89) worden aangewezen: - a. de keurmeesters en controleurs van de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen; - b. de keurmeesters en controleurs van de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Zaaizaad- en plantgoedwet 2005. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2006. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3856,"b":"Besluit van de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 mei 2023, nr. WJZ / 26882847, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan de secretaris-directeur van de RDA (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de secretaris-directeur RDA) Gelet op [artikel 9 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=9); Besluit: Artikel 1 1. Aan de secretaris-directeur van de Raad voor Dierenaangelegenheden wordt volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op zijn werkterrein met dien verstande dat het aangaan van financiële verplichtingen een bedrag van € 100.000 per verplichting niet te boven gaat. 2. Aan de secretaris-directeur wordt tevens voor de onder hem ressorterende medewerkers ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor: - a. het verlenen van verlof en kort buitengewoon verlof; - b. het verlenen van zwangerschaps-, bevallings-, en ouderschapsverlof; - c. het aangaan van verplichtingen en het afhandelen van verzoeken inzake de opleiding van personeel; - d. het accorderen van P-Direkt aanvragen; - e. het accorderen van aanvragen voor dienstreizen en het goedkeuren van reiskostendeclaraties. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2022. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de secretaris-directeur RDA. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9757,"b":"Verdrag tussen Nederland en Roemenië tot beslechting van geschillen door rechtspraak, arbitrage en verzoening Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning van Roemenië, bezield met het verlangen de vriendschapsbanden, die Nederland en Roemenië vereenigen, nauwer aan te halen en de vreedzame beslechting te bevorderen van de geschillen en conflicten die de twee landen mochten verdeelen, hebben besloten daartoe een verdrag te sluiten en hebben tot Hare wederzijdsche Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; Zijne Majesteit de Koning van Roemenië: den Heer GEORGES G. MIRONESCO, Hoogstdeszelfs Minister van Buitenlandsche Zaken; die, na elkaar mededeeling te hebben gedaan van hun wederzijdsche volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen. Artikel 1 De Hooge verdragsluitende Partijen verbinden zich wederzijds om in geen enkel geval anders dan langs vreedzamen weg de oplossing te zoeken van geschillen of conflicten die tusschen Nederland en Roemenië mochten ontstaan en die niet binnen redelijken tijd mochten kunnen worden opgelost langs de gewone diplomatieke wegen. Artikel 2 Alle rechtsgeschillen, die niet op vriendschappelijke wijze langs de gewone diplomatieke wegen mochten kunnen worden geregeld, zullen ter berechting worden voorgelegd, hetzij aan het Permanente Hof van Internationale Justitie, hetzij aan een scheidsgerecht zooals hierna is voorzien. De bepaling van de vorige zinsnede is niet toepasselijk op geschillen ontstaan uit feiten, die hebben plaats gehad vóór de totstandkoming van dit Verdrag en die tot het verleden behooren en evenmin op geschillen over vragen die het internationale recht overlaat aan de uitsluitende bevoegdheid van Staten. De geschillen, voor wier oplossing een speciale procedure wordt voorzien in andere verdragen, die tus"},{"i":9763,"b":"Verdrag van Beijing inzake audiovisuele uitvoeringen Preamble The Contracting Parties, Desiring to develop and maintain the protection of the rights of performers in their audiovisual performances in a manner as effective and uniform as possible, Recalling the importance of the Development Agenda recommendations, adopted in 2007 by the General Assembly of the Convention Establishing the World Intellectual Property Organization (WIPO), which aim to ensure that development considerations form an integral part of the Organization’s work, Recognizing the need to introduce new international rules in order to provide adequate solutions to the questions raised by economic, social, cultural and technological developments, Recognizing the profound impact of the development and convergence of information and communication technologies on the production and use of audiovisual performances, Recognizing the need to maintain a balance between the rights of performers in their audiovisual performances and the larger public interest, particularly education, research and access to information, Recognizing that the [WIPO Performances and Phonograms Treaty (WPPT)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004061) done in Geneva on December 20, 1996, does not extend protection to performers in respect of their performances fixed in audiovisual fixations, Referring to the Resolution concerning Audiovisual Performances adopted by the Diplomatic Conference on Certain Copyright and Neighboring Rights Questions on December 20, 1996, Have agreed as follows: Article 1. Relation to Other Conventions and Treaties 1. Nothing in this Treaty shall derogate from existing obligations that Contracting Parties have to each other under the [WPPT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004061) or the [International Convention for the Protection of Performers, Producers of Phonograms and Broadcasting Organizations](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004329) done in Rome on October 26, 1961. 2. Pro"},{"i":9764,"b":"Verdrag van Boedapest inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiverlening INLEIDENDE BEPALINGEN Artikel 1. Oprichting van een Unie De Staten die partij zijn bij dit Verdrag (hierna te noemen: „de Verdragsluitende Staten”), vormen een Unie voor de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiprocedure. Artikel 2. Begripsomschrijvingen In dit Verdrag en in het Uitvoeringsreglement wordt verstaan: - (i). onder verwijzingen naar een „octrooi” verwijzingen naar octrooien van uitvinding, uitvinderscertificaten, gebruikscertificaten, gebruiksmodellen, aanvullingsoctrooien of aanvullingscertificaten, aanvullingen bij uitvinderscertificaten en aanvullingen bij gebruikscertificaten; - (ii). onder „depot van een micro-organisme”, naar gelang van het zinsverband waarin deze woorden zijn gebruikt, de volgende, overeenkomstig dit Verdrag en het Uitvoeringsreglement verrichte, handelingen: de overdracht van een micro-organisme aan een internationale depositaris, die dit organisme ontvangt en aanvaardt, of de opslag van zulk een micro-organisme door de internationale depositaris, of zowel deze overdracht als deze opslag; - (iii). onder „octrooiprocedure” alle administratieve of gerechtelijke procedures met betrekking tot een aanvrage om octrooi of een octrooi; - (iv). onder „publikatie ten behoeve van de octrooiprocedure” de officiële publikatie of de officiële terinzagelegging van een aanvrage om octrooi of van een octrooi; - (v). onder „intergouvernementele organisatie voor de industriële eigendom” een organisatie die een verklaring ingevolge artikel 9, eerste lid, heeft neergelegd; - (vi). onder „bureau voor de industriële eigendom” een instantie van een Verdragsluitende Staat of een intergouvernementele organisatie voor de industriële eigendom, die bevoegd is octrooien te verlenen; - (vii). onder „instituut voor bewaarneming” een instelling die zich bezighoudt met de ontvangst, de aan"},{"i":9765,"b":"Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel **Preambule** De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Overwegend dat mensenhandel een schending van de mensenrechten is en een aantasting van de waardigheid en de integriteit van de mens; Overwegend dat mensenhandel kan uitmonden in slavernij van de slachtoffers; Overwegend dat eerbied voor de rechten van slachtoffers, bescherming van slachtoffers en maatregelen om mensenhandel te bestrijden de belangrijkste doelstellingen dienen te zijn; Overwegend dat alle maatregelen of initiatieven gericht op de bestrijding van mensenhandel niet-discriminatoir moeten zijn en rekening moeten houden met gendergelijkheid en de rechten van het kind; Herinnerend aan de verklaringen van de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten tijdens de 112e (14–15 mei 2003) en de 114e (12–13 mei 2004) zitting van het Comité van Ministers waarin de Raad van Europa werd opgeroepen krachtiger maatregelen tegen mensenhandel te nemen; Indachtig het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000) (1950) en de protocollen daarbij; Indachtig de volgende aanbevelingen van het Comité van Ministers aan de lidstaten van de Raad van Europa: Aanbeveling No. R (91) 11 inzake seksuele uitbuiting, pornografie en prostitutie van en handel in kinderen en jonge volwassenen; Aanbeveling No. R (97) 13 inzake intimidatie van getuigen en de rechten van de verdediging; Aanbeveling No. R (2000) 11 ter bestrijding van de mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting en Aanbeveling Rec (2001) 16 inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting; Aanbeveling Rec (2002) 5 inzake de bescherming van vrouwen tegen geweld; Indachtig de volgende aanbevelingen van de Parlementaire Vergadering van de"},{"i":4662,"b":"Besluit van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg, van 12 januari 2026, 4299382-1091493-DMO, houdende de vaststelling van regels betreffende het toekennen van het Valys Hoog Persoonlijk Kilometerbudget gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 13 van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13), namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en voor de uitvoering van Argonaut Advies B.V., besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - •. **Valys-taxivervoer:** bovenregionaal sociaal-recreatief taxivervoer (boven 25 kilometer of vijf OV-zones in Nederland) voor mensen met een mobiliteitsbeperking; - •. **Valys-pashouder:** een persoon die vanwege een bovenregionale sociaal-recreatieve reisbehoefte een taxipas voor Valys heeft ontvangen; - •. **Valys-vervoerpas:** de fysieke pas die aan de chauffeur getoond moet worden; - •. **indicatiebesluit:** een besluit waarin naar aanleiding van een sociaal-medische beoordeling wordt vastgesteld of een aanvrager wel of geen recht heeft op een Valys Hoog Persoonlijk Kilometerbudget; - •. **gemachtigde:** een persoon die op wettelijke grond of op basis van schriftelijk bewijs bevoegd is namens de Valys-pashouder te handelen; - •. **ketenreis:** een rit waarvan één of twee delen verloopt via Valys-vervoer en het overige van de reis door (aanvullend) Openbaar Vervoer. - •. **kilometerbudget:** het door het Ministerie van VWS jaarlijks vastgestelde aantal kilometers dat een Valys-pashouder met de Valys-taxi mag reizen tegen gereduceerd tarief; - •. **openbaar vervoer:** personenvervoer dat openbaar toegankelijk is; - •. **reizigersassistentie:** een daartoe getrainde assistent die de reiziger op een trein- en/of busstation helpt bij het in- en uitstappen; - •. **Hoog PKB:** het Valys Hoog persoonlijk kilometerbudget; - •. **chronische belemmer"},{"i":9870,"b":"Besluit van 9 april 2024 tot wijziging van het Besluit inburgering 2021, het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 en het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de afschaffing van de verblijfsgrond voor vermogende vreemdelingen en andere aanpassingen die voortvloeien uit ontwikkelingen in de uitvoeringspraktijk en jurisprudentie alsmede van herstel van onduidelijkheden van de implementatie van EU-richtlijnen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 6 oktober 2023, nr. 4943059; Gelet op de [artikelen 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12), [14, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), [17, eerste lid, onderdeel g, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18), [46, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=46), [60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=60) en [112 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=112), [artikel 3, vijfde lid, van de Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=3) en [artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 december 2023, nr. W16.23.00311/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 2 april 2024, nr. 5279956; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel II. [afschaffing verblijfsgrond vermogende vreemdelingen] Wijzigt het Besluit inburgering 2021. Artikel III. [afschaffing verblijfsgrond vermogende vreemdelingen] Wijzigt het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022. Artikel I"},{"i":9820,"b":"Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, tot het waarborgen van bepaalde rechten en vrijheden die niet reeds in het Verdrag en in het eerste Protocol daarbij zijn opgenomen De Regeringen die dit Protocol hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Vastbesloten om maatregelen te nemen teneinde de collectieve handhaving te verzekeren van bepaalde rechten en vrijheden die niet zijn genoemd in [Titel I van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&titeldeel=I), ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen „het Verdrag”) en in de [artikelen 1 tot en met 3 van het eerste Protocol bij het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001001&artikel=1), ondertekend te Parijs op 20 maart 1952, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Verbod van vrijheidsbeneming wegens schulden Aan niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen op de enkele grond dat hij niet in staat is een contractuele verplichting na te komen. Artikel 2. Vrijheid van verplaatsing 1. Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft binnen dat grondgebied het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen. 2. Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten. 3. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. 4. De in het eerste lid genoemde rechten kunnen ook, in bepaalde omschreven gebieden, worden onderworpen aan beperkingen die bij de wet zijn voorzi"},{"i":9821,"b":"Vijfde Protocol bij de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten De Leden van de Wereldhandelsorganisatie (hierna te noemen „de WTO”) van wie de Lijsten van specifieke verbintenissen1)[Red: De lijsten zijn niet opgenomen, maar liggen ter inzage bij het Export-informatiecentrum van het Ministerie van Economische Zaken, bij de parlementaire documentatiedienst van de Tweede Kamer te Den Haag, bij de Staten van de Nederlandse Antillen te Willemstad en bij de Staten van Aruba te Oranjestad. De lijsten zijn niet vertaald.] en Lijsten van uitzonderingen van de toepassing van artikel II van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten betreffende financiële diensten1)[Red: De lijsten zijn niet opgenomen, maar liggen ter inzage bij het Export-informatiecentrum van het Ministerie van Economische Zaken, bij de parlementaire documentatiedienst van de Tweede Kamer te Den Haag, bij de Staten van de Nederlandse Antillen te Willemstad en bij de Staten van Aruba te Oranjestad. De lijsten zijn niet vertaald.] als Bijlage bij dit Protocol zijn gevoegd (hierna te noemen de „Betrokken Leden”), Na onderhandelingen onder de voorwaarden van het Tweede Besluit betreffende financiële diensten, aangenomen door de Raad voor de handel in diensten op 21 juli 1995 (S/L/9), Komen het volgende overeen: 1 Bij de inwerkingtreding van dit Protocol ten aanzien van een bepaald Lid, worden de rubrieken financiële diensten van de Lijst van specifieke verbintenissen en van de Lijst van uitzonderingen van de toepassing van artikel II van dat Lid, vervangen door een Lijst van specifieke verbintenissen en een Lijst van uitzonderingen van de toepassing van artikel II betreffende financiële diensten die als bijlage bij dit Protocol zijn gevoegd. 2 Dit Protocol staat open voor aanvaarding, door ondertekening of op andere wijze voor de betrokken Leden, tot en met 29 januari 1999. 3 Dit Protocol treedt in werking op de dertigste dag volgend op de datum van aanvaarding hiervan door alle"},{"i":2458,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Milieu (Beleidsregel last onder dwangsom Wet wegvervoer goederen overbelading) Gelet op [artikel 5.2 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=5.2), de [artikel en 4:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [5:32 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:32), [artikel 23 van het Organisatie- en mandaatbesluit Verkeer en Waterstaat 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028076&artikel=23) en [artikel 2 van het Instellingsbesluit Inspectie Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012546&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. Een last onder dwangsom wordt opgelegd na constatering van een overtreding van de in de bijlage bij deze beleidsregel genoemde bepalingen van de [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800) en de [Regeling wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025704). 2. De hoogte van de last onder dwangsom wordt vastgesteld in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de werking van de last onder dwangsom. 3. In de bijlage zijn vermeld per soort overtreding de hoogte en de maximumhoogte van de dwangsom. Artikel 2 Van overbelading is sprake indien de wettelijke norm van de aslasten dan wel van het totaal gewicht van een vrachtauto, als bedoeld in [artikel 1.1 de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=1.1), dan wel van de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa wordt overschreden. Artikel 3 De looptijd van een last onder dwangsom bedraagt één jaar. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel last onder dwangsom Wet wegvervoer goederen overbelading. Artikel 5 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage. bij [artikel"},{"i":13037,"b":"Besluit vervanging personeelsdossiers Nederlands Forensisch Instituut Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **selectielijst:** de [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869) die op 16 augustus 2007 namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Justitie, kenmerk C/S&A/07/1516 is vastgesteld naar [artikel 5, tweede lid onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) (Stcr. 2007, 225); - b. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362) (Stcrt. 2009, 43); - c. **regeling:** de [Regeling digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Justitie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775) (Stcrt. 2010, 9361, gewijzigd bij [besluit Stcrt. 2011, nr. 22848, art. 69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030837&artikel=69)). Artikel 2 De archiefbescheiden van het Nederlands Forensisch Instituut met betrekking tot de personeelsdossiers, zoals beschreven in de [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869), zijn en worden vervangen door reproducties met inachtneming van de [regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775). Artikel 3 De [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869) en de [regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775) bevat waarborgen met betrekking tot [artikel 2, eerste lid onder c en d van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 4 De digitale reproductie berust bij P-Direkt. Artikel 5 Het Handboek Substitutie voor het Nederlands Forensisch Instituut is een bijlage bij dit besluit en wordt met dit besluit tevens vastgesteld. Bijlage Ligt ter"},{"i":1980,"b":"Wet van 14 december 2000 tot wijziging van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, de Natuurschoonwet 1928, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Coördinatiewet Sociale Verzekering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen ter bestrijding van oneigenlijk gebruik met betrekking tot de overdrachtsbelasting, de [Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939) en de werkingssfeer van de [Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939) te verruimen met het oog op de fiscale stimulering van natuurbeheer en dat het voorts wenselijk is de regeling in de loonbelasting en de vennootschapsbelasting inzake werknemersopties aan te passen en in de loonbelasting een regeling te treffen voor verlof en verlofsparen en tevens voor de werknemersverzekeringen een regeling te treffen voor verlof overeenkomstig die voor de loonbelasting; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I, onderdelen B, C, onder 2 en 3 werken terug tot en met 28 februari 2000. Artikel I Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel II Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Artikel III Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel IV Wijzigt de Gemeentewet. Artikel V Wijzigt de Wijzigingswet Natuurschoonwet 1928 enz. (verruiming fiscale faciliteiten ten behoeve van de aanleg van bossen). Artikel VI 1. Een landgoed dat bestaat uit onroerende zaken die krachtens [artikel 1, tweede lid, van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1) zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan het in [artikel X, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011980&artikel=X&z=2007-06-01&g=2007-06-01), bedoelde tijdstip als één onroerende zaak werden aa"},{"i":13448,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van Financiën van 23 augustus 2013, nr. WJZ / 13118247, tot instelling van het baten-lastenagentschap Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit wordt de status van baten-lastendienst als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10) verleend. 2. De tenaamstelling van het baten-lastenagentschap komt te luiden: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Artikel 2 Het [Instellingsbesluit tijdelijke baten-lastendienst Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030455) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2013. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastenagentschap Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9823,"b":"Voorlopige handelsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Roemenië DE NEDERLANDSCHE REGEERING en DE ROEMEENSCHE REGEERING, wenschende de ontwikkeling der handelsbetrekkingen tusschen Nederland en Roemenië te bevorderen, hebben in afwachting van de sluiting van een definitief handelsverdrag besloten, een voorloopige handelsovereenkomst aan te gaan en hebben te dien einde tot hare gevolmachtigden benoemd: de Nederlandsche Regeering: Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, Minister van Buitenlandsche Zaken; de Roemeensche Regeering: den Heer ALEXANDRE DUILIUS ZAMFIRESCO, Zaakgelastigde van Roemenië te 's-Gravenhage, die omtrent het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 De onderdanen en de vennootschappen op het gebied van handel, nijverheid, financiën, verzekering, vervoer en verkeerswezen en in het algemeen alle ondernemingen met rechtspersoonlijkheid van een der Hooge Verdragsluitende Partijen zullen op het gebied van de andere de behandeling van de meestbegunstigde natie genieten voor wat betreft hun persoon, hun goederen, hun rechten en belangen op voorwaarde, dat zij zich gedragen overeenkomstig de wetten en voorschriften betreffende de toelating, het verblijf, de vestiging, de uitoefening van den handel en de nijverheid of van elke andere beroepsbezigheid, de verkrijging en het bezit van roerende en onroerende goederen, alsmede voor wat betreft alle belastingen, lasten of bijdragen van welken aard ook. Eveneens zullen de voortbrengselen van den bodem en van de nijverheid van elk der beide Hooge Verdragsluitende Partijen op het gebied van de andere de behandeling van de meestbegunstigde natie genieten voor wat betreft den invoer en den uitvoer, den opslag in entrepôts, den wederuitvoer en den doorvoer en in het algemeen voor wat betreft alle maatregelen van toepassing op de genoemde voortbrengselen. Evenzoo zullen de schepen van elk der beide Hooge Verdragsluitende Partijen in het gebied van de andere de behandeling van de meestbeguns"},{"i":9824,"b":"Voorlopige Overeenstemming inzake aangelegenheden betreffende de diepzeemijnbouw Artikel 1 (1). Geen der Partijen verleent een vergunning met betrekking tot een aanvrage, of verzoekt om registratie van een aanvrage, betreffende een gebied begrepen in: - a. een gebied bestreken door een andere aanvrage ingediend in overeenstemming met de overeenkomsten inzake vrijwillige regeling van geschillen gesloten op 18 mei 1983 en 15 december 1983 en welke aanvrage nog bij een andere Partij in behandeling is; - b. een gebied waarop aanspraak wordt gemaakt in een andere aanvrage die is ingediend in overeenstemming met de nationale wetgeving en deze Overeenkomst, - (i). voorafgaand aan de ondertekening van deze Overeenkomst, of - (ii). eerder dan de desbetreffende aanvrage voor een vergunning of het desbetreffende verzoek om registratie, en die nog bij een andere Partij in behandeling is; of - c. een door een andere Partij in overeenstemming met deze Overeenkomst verleende vergunning. (2). Geen der Partijen verricht zelf diepzeemijnbouwwerkzaamheden in een gebied met betrekking waartoe zij, overeenkomstig dit artikel, niet een vergunning verleent of om registratie verzoekt. Artikel 2 De Partijen gaan, voor zover mogelijk, onverwijld over tot behandeling van de aanvragen. Hiertoe verricht elke Partij met redelijke spoed een eerste bestudering van elke aanvrage, teneinde vast te stellen of deze voldoet aan de minimumvoorwaarden inzake aanvragen krachtens haar nationale wetgeving, en stelt daarna vast of de aanvrager in aanmerking komt voor de verlening van een vergunning. Artikel 3 Elke Partij stelt de andere Partijen onmiddellijk in kennis van elke aanvrage voor een vergunning die zij aanvaardt, met inbegrip van reeds ontvangen aanvragen, en van elke wijziging in een zodanige aanvrage. Elke Partij doet tevens de andere Partijen onmiddellijk kennisgeving, nadat zij stappen heeft ondernomen met betrekking tot een aanvrage voor een vergunning of stappen met betrekking tot een verlee"},{"i":6446,"b":"Besluit van 1 april 2004 tot wijziging van het Besluit opneming buitenlandse kinderen ter adoptie in verband met kosten algemene voorlichting Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 28 oktober 2003, Directie Wetgeving, nr. 5251953/03/6; Gelet op de [artikelen 4, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=4), en [5 derde lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=5); De Raad van State gehoord (advies van 1 december 2003, nr.WO3.0453/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 25 maart 2004, Directie Wetgeving, nr. 5276731//04/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. Artikel II Ten aanzien van aspirant-adoptiefouders die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit het voor bedoeld tijdstip geldende bedrag hebben voldaan of aan wie een verzoek tot betaling daarvan reeds is verzonden, blijft [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004582&artikel=6), zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7342,"b":"Wet van 21 december 1995 tot wijziging van de Auteurswet 1912 en de Wet op de naburige rechten in verband met de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 november 1992, PbEG 1992, L 346/61 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 november 1992, betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (92/100/EEG, **PbEG** 1992, L 346) noodzakelijk is de [Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886) en de [Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. Deze wet laat vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet verrichte exploitatiehandelingen onverlet. 2. Voor het verhuren van een werk in de zin van de [Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886) en van een prestatie in de zin van de [Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921), waarvan de verhuurder aantoont dat hij daarover vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op rechtmatige wijze de beschikking heeft gekregen, wordt de rechthebbende geacht toestemming te hebben gegeven, onverminderd het recht van de rechthebbende op een billijke vergoeding. 3. Het recht op een billijke vergoeding bedoeld in [artikel 12a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=12a), en [artikel 45d, zesde zin, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000188"},{"i":9825,"b":"VPB, internationaal, BRK, houdstermaatschappijen met dubbele vestigingsplaats De Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Aan mij is een vraag voorgelegd over houdstermaatschappijen met dubbele vestigingsplaats in de zin van artikel 25 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK). De vraag en het antwoord zijn hieronder opgenomen. Vraag In artikel 25 BRK is een specifieke bepaling opgenomen voor houdstermaatschappijen die zijn opgericht naar het recht van een van de betrokken landen, maar ingevolge artikel 34, tweede lid, BRK worden geacht inwoner te zijn van een van de andere landen. De winst van een dergelijke maatschappij mag in het eerstbedoelde land worden belast naar een percentage dat 4 niet te boven gaat. Kan deze bepaling worden toegepast op een naar Nederlands recht opgerichte houdstermaatschappij waarvan de werkelijke leiding naar de Nederlandse Antillen is verplaatst? Antwoord Nee, artikel 25 BRK wordt niet toegepast op een naar Nederlands recht opgerichte houdstermaatschappij waarvan de werkelijke leiding naar de Nederlandse Antillen is verplaatst."},{"i":5285,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 17 november 2015, nr. WJZ /15147641, houdende vaststelling van het bedrag, bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van de Telecommunicatiewet voor verlengde 2.100 MHz-vergunningen (Regeling bedrag verlenging vergunningen 2.100 MHz 2015) Gelet op [artikel 3.15, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.15); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. **minister:** Minister van Economische Zaken; - c. **bedrag:** bedrag als bedoeld in [artikel 3.15, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.15); - d. **vergunning:** vergunning voor gepaarde frequentieruimte in de band 1.920-1.980 MHz tot en met 2.110-2.170 MHz. Artikel 2 1. De houder van een vergunning waarvan de geldigheidsduur is verlengd van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020 is voor het gebruik van de onder de verlengde vergunning vallende frequentieruimte een bedrag verschuldigd. 2. De hoogte van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is: | Kenmerk vergunning | Bedrag | | --- | --- | | 2000/DGTP/00/3948/TvM | € 17.721.000 | | 2000/DGTP/00/3949/TvM | € 17.721.000 | | 2000/DGTP/00/3950/TvM | € 11.814.000 | | 2000/DGTP/00/3951/TvM | € 11.814.000 | | AT-EZ/6781535 – E1 | € 5.907.000 | | AT-EZ/6781557 – E2 | € 5.907.000 | Artikel 3 1. De houder van de vergunning, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037215&artikel=2&z=2015-11-24&g=2015-11-24), betaalt het op grond van artikel 2 verschuldigde bedrag binnen zes weken nadat het besluit tot vaststelling van het bedrag door de minister aan hem bekend is gemaakt. 2. De betalingen worden verricht door bijschrijving op IBAN NL 77 RBOS 0569 9940 20 ten name van Ministerie van Economische Zaken, Agentschap Telecom, onder vermelding van het factuurnummer. 3. De minister kan een geldschuld jegens de h"},{"i":5296,"b":"Regeling beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten verbindingskantoren AWBZ 2009 Gelet op [artikel 91, eerste lid Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.5, eerste en tweede lid van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5) en de [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024986); Heeft in zijn vergadering van 15 december 2008 besloten: Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. **regio:** regio zoals genoemd in de Wijziging aanwijzing van administratie-instellingen bijzondere ziektekosten; - b. **budgethouder:** houder van een persoonsgebonden budget krachtens [subsidieparagraaf 2.6 van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&paragraaf=2.6); - c. **verbindingskantoor:** een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2 Het CVZ verdeelt in het jaar 2009 een totaal bedrag van 160,714 miljoen euro over de verbindingskantoren. Ter bepaling van de middelen die voor ieder verbindingskantoor afzonderlijk voor het jaar 2009 ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten voor zijn beheerskosten besteedbaar zijn, stelt het CVZ voor ieder van hen een voorlopig budget vast. Artikel 3 Het college verdeelt het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025242&artikel=2&z=2010-02-07&g=2010-02-07) genoemde totaalbedrag als volgt: - a. een bedrag van 19,831 miljoen euro wordt op basis van een bedrag van € 177,36 per PGB budgethouder verdeeld; - b. een bedrag van 0,139 miljoen euro voor één verbindingskantoor voor de afvloeiingsregeling uitvoering beroepsgang eigen bijdrage zonder verblijf; - c. een bedrag van 4,797 miljoen euro op basis van een gelijk bedrag per verbindingskantoor; - d. een bedra"},{"i":5283,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 28 oktober 2011, nr. WJZ/11151311, houdende regels inzake de algemene overdrachtsvergunning NL006 voor reparatie, onderhoud en revisie (Regeling algemene overdrachtsvergunning NL006) Gelet op [richtlijn 2009/43](32009L0043) van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PbEU L 146) en de [artikelen 20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=20), [25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=25), en [26, tweede lid, van het Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=26); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **besluit:** het [Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139); - –. **EORI-nummer:** het nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel 18, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie Communautair douanewetboek; - –. **gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen:** de lijst van goederen waarop het Gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie van toepassing is; - –. **inspecteur:** de directeur-generaal Douane; - –. **reparatie, onderhoud en revisie:** het verhelpen van herstelbare gebreken, het in goede staat houden of weer in goede en bruikbare staat brengen van militaire goederen, met inbegrip van incidentele verbeteringen ten opzichte van het oorspronkelijke product, tenzij dit resulteert in een verbetering in de functionele capaciteit van de militaire goederen of militaire goederen nieuwe of additionele functies krijgen. § 2. Algemene overdrachtsvergunning Artikel 2 1. De Minister van Buitenlandse Zaken v"},{"i":4892,"b":"Besluit van de Directeur Operatiën II van de Justitiële Informatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 4 februari 2022, nr. Alg. 6261, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Operatiën II Justid 2022) Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit Justid 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046430&artikel=1) aan de Directeur Operatiën II van de Justitiële Informatiedienst verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de manager Justitiële Gegevens en Rechtshulp; - b. de manager Klant Contact Service; - c. de manager Opsporing; - d. de manager Persoonsinformatie. Artikel 2 Het [Mandaatbesluit Operatie Justid 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039394) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2021. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Operatiën II Justid 2022. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6929,"b":"Besluit van 25 januari 2002 tot vaststelling van de titels en het predikaat van Máxima Zorreguieta en van de titels, namen en het predikaat van de kinderen die geboren mochten worden uit het huwelijk van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Willem-Alexander Claus George Ferdinand, Prins van Oranje, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Jonkheer van Amsberg met Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Máxima der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, mevrouw van Amsberg Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Justitie van 22 januari 2002, nr. CW2002/U52684, gedaan mede namens Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken; Gelezen het advies van de Hoge Raad van Adel van 10 mei 2001; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Wet op de adeldom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006667&artikel=2) en [artikel 5, twaalfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met ingang van het tijdstip van de voltrekking van het huwelijk van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Willem-Alexander Claus George Ferdinand, Prins van Oranje, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje- Nassau, Jonkheer van Amsberg met Máxima Zorreguieta, worden haar de titels «Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau» verleend met het predikaat «Koninklijke Hoogheid». Artikel 2 De kinderen die geboren mochten worden uit het huwelijk van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Willem-Alexander Claus George Ferdinand, Prins van Oranje, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Jonkheer van Amsberg met Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Máxima der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, mevrouw van Amsberg, dragen de titels en namen «Prins (Prinses) der Nederlanden, Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» met het predikaat «Koninklijke Hoogheid». Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van he"},{"i":7870,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2009 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 6,49%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,44%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024839&artikel=1&z=2009-01-01&g=2009-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2009 vastgesteld op 5,59%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,44%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2009. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5753,"b":"Subsidieregeling nieuwe agrarische schadeverzekeringen 2003 Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Na overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op artikel 87, derde lid, onderdeel c, EG-Verdrag; Gelet op de communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouwsector; Gelet op de Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun in de vorm van garanties; Gelet op de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen bij beschikking nr. SG (2003) D/232294 van 16 oktober 2003; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009194&artikel=2) en [4 van de Kaderwet LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009194&artikel=4); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. verzekeraar: een schadeverzekeraar als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) die in Nederland het bedrijf van schadeverzekeraar mag uitoefenen in de branche Brand en natuurevenementen of de branche Andere schaden aan zaken; - c. Dienst Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - d. normale opbrengst: gemiddelde opbrengst in de betrokken productierichting op het bedrijf van verzekerde over de voorafgaande drie jaren waarbij een voorafgaand jaar waarin in de betrokken productierichting op het bedrijf van verzekerde een, ten opzichte van andere bedrijven met dezelfde productierichting, aanmerkelijk productieverlies is geleden, buiten beschouwing wordt gelaten; - e. risicofactor: kans dat de garantie door de verzekeraar wordt ingeroepen gebaseerd op ervaringen met het inroepen van garanties van onder soortgelijke omstandigheden toegekende garanties; - f. minimumverzekeringspremie: minimumbedrag dat verzekeri"},{"i":5236,"b":"Regeling aanwijzing certificaat Overgangsopleiding HBO-huidtherapie Gelet op [artikel 107a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=107a); Besluit: Artikel 1 Als getuigschrift als bedoeld in [artikel 107a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=107a) op basis waarvan de titel huidtherapeut mag worden gevoerd, wordt aangewezen het certificaat Overgangsopleiding HBO-huidtherapie, afgegeven door de Hogeschool van Utrecht te Utrecht. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2003. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing certificaat Overgangsopleiding HBO-huidtherapie. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9829,"b":"Vriendschapsverdrag tussen Nederland en Perzië Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden eenerzijds en Zijne Keizerlijke Majesteit de Shah van Perzië anderzijds in gelijke mate bezield met den wensch om de aloude vriendschapsbetrekkingen tusschen de beide landen te versterken, hebben besloten een vriendschapsverdrag te sluiten en hebben daartoe tot Hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den heer LEENDERT PIETER JOHAN DE DECKER, zaakgelastigde der Nederlanden te Teheran; Zijne Keizerlijke Majesteit de Shah van Perzië: Zijne Excellentie M. MOHAMAD ALI KHAN FARZINE, Minister van Buitenlandsche Zaken; die na elkaar mededeeling te hebben gedaan van hun wederzijdsche volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 Er zal een onschendbare vrede en oprechte en voortdurende vriendschap bestaan tusschen het Keizerrijk Perzië en het Koninkrijk der Nederlanden, evenals tusschen de onderdanen der twee Staten. Artikel 2 De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen om Hun diplomatieke betrekkingen voort te zetten in overeenstemming met de grondbeginselen en de practijk van het algemeene internationale recht. Zij komen overeen, dat de diplomatieke vertegenwoordigers van elk Harer op het grondgebied van de andere, onder voorwaarde van wederkeerigheid, de door de grondbeginselen en de practijk van het algemeene internationale recht bevestigde behandeling zullen genieten, een behandeling, die in geen enkel geval, minder gunstig kan zijn, dan die wordt toegekend aan de diplomatieke vertegenwoordigers van de meest begunstigde natie. Artikel 3 De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen om aan arbitrage te onderwerpen alle geschillen, die tusschen Haar mochten rijzen naar aanleiding van de toepassing of de uitlegging der bepalingen van alle verdragen en overeenkomsten, die tusschen Haar zijn of zullen worden gesloten, artikel 2 van dit Verdrag daaronder begrepen, en w"},{"i":7869,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2008 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 6,54%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,44%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023062&artikel=1&z=2008-01-01&g=2008-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2008 vastgesteld op 5,69%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,44%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2008. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":6288,"b":"Wet van 4 juni 2010 tot samenvoeging van de gemeenten Lith en Oss Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Lith en Oss samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Lith en Oss opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Oss ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Lith en Oss zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Oss wordt de op te heffen gemeente Oss aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Lith en Oss wordt de nieuwe gemeente Oss aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5 1. Voor de nieuwe gemeente Oss wordt een tussentijdse raadsverkiezing als bedoeld in [artikel 52, tweede lid, onderdeel a, van de Wet algemene re"},{"i":5948,"b":"Uitvoering en handhaving van het asbestbeleid door gemeenten Circulaire aan: de colleges van burgemeester en wethouders de besturen van de gemeentelijke samenwerkingsverbanden de regionale inspecteurs voor de volkshuisvesting de regionale inspecteurs voor de milieuhygiëne de medisch milieukundigen van de GGD het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten Op 27 juli en 6 september 1994 heeft mijn ambtsvoorganger u twee circulaires gezonden over uitvoering en handhaving van het asbestbeleid door gemeenten. Ik doe u hierbij recente informatie over het bovengenoemde onderwerp toekomen. Deze informatie betreft de doe-het-zelfset voor het verwijderen van asbesthoudende vloerbedekking (paragraaf 1 en bijlage), een diskette met standaardvoorschriften voor het verwijderen van bepaalde asbestbevattende materialen door particulieren (paragraaf 2), een overzicht van asbestverwijderende bedrijven met KOMO-procescertificaat (paragraaf 3) en de inwerkingtreding van het [Asbest-verwijderingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006006) (paragraaf 4). Ik verzoek de colleges van burgemeester en wethouders en de besturen van de gemeentelijke samenwerkingsverbanden deze circulaire, inclusief bijlage, te verstrekken aan de afdelingen of diensten Bouw- en Woningtoezicht, Milieuzaken, Juridische Zaken, Voorlichting en GGD binnen uw organisatie. Wanneer er binnen uw organisatie een medewerker is die fungeert als aanspreekpunt voor asbestzaken, verzoek ik u deze eveneens te informeren. 1. Doe-het-zelfset In de bijlagen bij de circulaire d.d. 27 juli 1994 staat dat medio 1994 een project is gestart dat zou moeten leiden tot: In de bovengenoemde circulaire staat tevens dat het project naar verwachting eind 1994 zou zijn afgerond en dat gemeenten zouden worden geïnformeerd over de resultaten van het project. U ontvangt hierbij de toegezegde informatie. De bijlage bij de onderhavige circulaire bevat informatie voor gemeenten en gemeentelijke samenwerkingsverbanden over de d"},{"i":6301,"b":"Wet van 15 september 2005 tot samenvoeging van de gemeenten Sassenheim, Voorhout en Warmond Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Sassenheim, Voorhout en Warmond samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Sassenheim, Voorhout en Warmond opgeheven. Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Teylingen ingesteld. 2. De nieuwe gemeente Teylingen bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Sassenheim, Voorhout en Warmond, met dien verstande dat de grens van de nieuwe gemeente komt te lopen zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Grenswijzigingen van een gemeente die niet wordt opgeheven Artikel 3 De grenzen van de gemeente Oegstgeest worden gewijzigd, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 3. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Teylingen wordt de op te heffen gemeente Sassenheim aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Sassenheim, Voorhout en Warmond wordt de nieuwe gemeente Teylingen aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, d"},{"i":5887,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 22 april 2024, nr. IENW/BSK-2024/122680, houdende vaststelling van tijdelijke regels ter stimulering van demonstraties Maritiem Masterplan (Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan) Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3) en de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=9), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [15, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), [23, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23) en [26, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=26); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **experimentele ontwikkeling:** ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **grote onderneming:** onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **Human Capital-activiteiten:** activiteiten als bedoeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049626&bijlage=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - **industrieel onderzoek:** onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **JMDP:** Joint Maritime Digital Platform als bedoeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049626&bijlage=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - **Kad"},{"i":6882,"b":"Besluit van 11 maart 1991, ter uitvoering van artikel 983 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 18 juli 1990, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek nr. 24355/690; Gelet op [artikel 983 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=983); De Raad van State gehoord (advies van 10 september 1990, nr. W03.90.0331); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 februari 1991, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 46950/91/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De schadevergoeding, die de vervoerder mogelijkerwijs is verschuldigd uit hoofde van [artikel 974 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=974) is beperkt tot 400.000 rekeneenheden per reiziger. 2. In het geval dat de schadeloosstelling wordt bepaald in de vorm van een rente mag het gekapitaliseerde bedrag 400.000 rekeneenheden per reiziger niet te boven gaan. Artikel 2 1. De schadevergoeding, die de vervoerder mogelijkerwijs is verschuldigd in geval van vertraging van een reiziger en verlies, beschadiging of vertraging van diens bagage, is beperkt tot een bedrag van € 1.500. 2. De schadevergoeding die de vervoerder mogelijkerwijs verschuldigd is in geval van een als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of schip en de zaken aan boord daarvan is beperkt tot een bedrag van € 9 100per voertuig of schip. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip, waarop Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek in werking treedt. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State. Artikel 2a De rekeneenheid, genoemd in dit besluit, is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. De bedragen die in dit besluit zijn uitgedrukt in rekeneenhed"},{"i":6479,"b":"Besluit van 24 mei 2000, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur op grond van onder meer de Wet op het primair onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, drs. K.Y.I.J. Adelmund, van 16 februari 2000, nr. WJZ/2000/ 49269 (3706), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 185 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=185) en op [artikel V, vijfde en zevende lid](onbekend), en [artikel VI, vijfde en zevende lid, van de Wet van 2 april 1998 tot wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het totstandbrengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra (Stb. 1998, 228)](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 31 maart 2000, No. W05.00.0061/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, drs. K.Y.I.J. Adelmund, van 18 mei 2000, nr. WJZ/2000/17 418 (3706), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. Wijziging [besluit trekkende bevolking WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833) Wijzigt het Besluit trekkende bevolking WPO. Artikel II. Wijziging [besluit oude eigendoms- en huurscholen WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004190) Wijzigt het Besluit oude eigendoms- en huurscholen WPO. Artikel III. Wijziging [bekostigingsbesluit WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004259) Wijzigt het Bekostigingsbesluit WEC. Artikel IV. Wijziging [bekostigingsbesluit W.V.O.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672) Wijzigt het Bekostigingsbesluit W.V.O. Artikel V. Intrekking Huisvestingsbesluit WVO/WCBO Het Huisvestingsbesluit WVO/WCBO wordt ingetrokken. Artikel VI. Overgangsrecht overdracht gebouwen, terreinen en roerende zaken scholen gehuisvest in een gebouw 1"},{"i":5717,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 februari 2026, nr. WJZ/61832636, houdende regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van grote restauratieopgaven van niet-woonhuisrijksmonumenten (Subsidieregeling grote restauratieopgaven niet-woonhuisrijksmonumenten) Gelet op de [artikelen 7.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.3), juncto [7.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.7) en [7.5, eerste lid, van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **AGVV:** [Verordening (EU) 651/1024](31024R0651) van de Europese Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187/1); - **eigenaar:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht heeft op een rijksmonument; - **groen monument:** rijksmonument of zelfstandig onderdeel zijnde een aanleg die geheel of gedeeltelijk bestaat uit beplanting, zoals een park- of tuinaanleg, met dien verstande dat verdedigingswerken zonder een rijksbeschermde groenaanleg niet worden aangemerkt als groen monument; - **inspectierapport:** rapport dat de technische of fysieke staat van een rijksmonument beschrijft, en dat is opgesteld door een ter zake deskundige persoon of instantie; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **kerkelijk dienstgebouw in kerkelijk gebruik:** rijksmonument of zelfstandig onderdeel dat functioneel bij een gebouw hoort dat in oorsprong uitsluitend of voor een overwegend deel is vervaardigd voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging, vanwege het rechtstreeks met die gezamenlijke belijdenis in dat gebouw verbonden huidige gebruik; - **kerkgeb"},{"i":9830,"b":"Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, en de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Korea, hierna „Korea” genoemd, anderzijds, Erkennende dat zij een langdurig en sterk partnerschap hebben, dat is gebaseerd op de gemeenschappelijke beginselen en waarden die zijn weergegeven in de [Kaderovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004159), Geleid door de wens, consistent met het kader van hun algemene betrekkingen, hun nauwe economische banden verder aan te halen, en ervan overtuigd dat deze overeenkomst een nieuw klimaat voor de ontwikkeling van de wederzijdse handel en investeringen door de partijen tot stand zal brengen, Ervan overtuigd dat deze overeenkomst een uitgebreidere en betrouwbare markt voor goederen en diensten alsmede een stabiel en voorspelbaar investeringsklimaat tot stand zal brengen, en aldus het concurrentievermogen van hun ondernemingen op mondiale markten zal versterken, Opnieuw bevestigende dat zij het Handvest van de Verenigde Naties, ondertekend te San Francisco"},{"i":9831,"b":"Wapenhandelsverdrag Preambule De staten die partij zijn bij dit Verdrag, Geleid door de doelstellingen en beginselen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), Herinnerend aan [artikel 26 van het Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143&artikel=26) waarmee beoogd wordt de totstandkoming en de handhaving van de internationale vrede en veiligheid te bevorderen op een wijze waarbij een zo gering mogelijk deel van wat de wereld aan mensen en middelen te bieden heeft wordt uitgetrokken voor bewapening, De noodzaak onderstrepend de illegale handel in conventionele wapens te voorkomen en uit te bannen en de omleiding ervan naar de illegale markt of voor onbevoegd eindgebruik en onbevoegde eindgebruikers te beletten, mede met het oog op het plegen van terroristische daden, De legitieme veiligheidsbelangen van staten erkennend, alsmede belangen van politieke, economische en commerciële aard ten aanzien van de internationale handel in conventionele wapens, Opnieuw het soevereine recht van elke Staat bevestigend uitsluitend op zijn grondgebied conventionele wapens te reguleren en hierop toezicht te houden ingevolge zijn eigen rechtsstelsel of constitutionele systeem, Erkennend dat vrede en veiligheid, ontwikkeling en mensenrechten de pijlers vormen van het systeem van de Verenigde Naties en de basis voor de collectieve veiligheid en erkennend dat ontwikkeling, vrede, veiligheid en mensenrechten met elkaar verbonden zijn en elkaar wederzijds versterken, In herinnering roepend de Richtlijnen van de Ontwapeningscommissie van de Verenigde Naties voor internationale wapenoverdrachten in het kader van resolutie 46/36H van de Algemene Vergadering van 6 december 1991. Gelet op de bijdrage via het actieprogramma van de Verenigde Naties ter voorkoming, bestrijding en uitbanning van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens in al zijn aspecten, alsmede het [Protocol tegen de illegale ve"},{"i":4989,"b":"Model Jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2022 1. Algemeen 1.1. Inleiding Het CAK is een zelfstandig bestuursorgaan met een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het CAK is belast met het uitvoeren van uit wetten en regelingen voortvloeiende (publiekrechtelijke) werkzaamheden. Op 1 januari 2017 is de uitvoering van de burgerregelingen en de buitenlandtaak overgegaan van Zorginstituut Nederland (het Zorginstituut) naar het CAK. Als gevolg hiervan dient het CAK zich over het jaar 2022 te verantwoorden over de uitvoering van de burgerregelingen en de buitenlandtaak. Hierbij treft u het Model Jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen (inclusief buitenlandtaak) aan, ten behoeve van de door het CAK op te stellen bestuurlijke verantwoording burgerregelingen over het jaar 2022. In dit model worden de criteria aangegeven waaraan de bestuurlijke verantwoording burgerregelingen moet voldoen. In dit model zijn zowel de burgerregelingen als de buitenlandtaak opgenomen. Op de werkvloer van het CAK wordt over beide taken gesproken als burgerregelingen. Om die reden spreken wij in dit model verder over de burgerregelingen. Dit hoofdstuk beschrijft de verantwoordingsplicht van het CAK over de uitvoering van de burgerregelingen. Het inhoudelijk takenpakket van de burgerregelingen vloeit voort uit internationale en nationale wet- en regelgeving. Dit zijn de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz), de Europese [Verordeningen (EG) nrs. 883/2004](32004R0883) betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels en [987/2009](32009R0987) tot vaststelling van de wijze van toepassing van [Verordening (EG) nr. 883/2004](32004R0883) betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels, de Europese [Richtlijn 2011/24](32011L0024)/EU betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdend"},{"i":5761,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 14 april 2023, nr. VO/37841750, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan vestigingen van scholen voor het deelnemen aan het programma Ontwikkelkracht (Subsidieregeling Ontwikkelkracht) Gelet op [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71), [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11), [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71), en [artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **Caribisch Nederland:** Bonaire, Saba en Sint Eustatius; - **co-creatielab:** thematisch lab binnen het programma Ontwikkelkracht waarin onderwijsprofessionals en onderzoekers samenwerken aan (nieuwe) effectieve aanpakken voor onderwerpen waar op vestigingen grote behoefte aan is; - **co-creërende vestiging:** vestiging die in een co-creatielab intensief meewerkt aan het ontwikkelen van effectieve aanpakken; - **deelnemende vestiging:** vestiging die in een co-creatielab meewerkt aan het onderzoeken van (nieuwe) effectieve aanpakken, door een aanpak te implementeren en de resultaten te monitoren; - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **evidence-informed interventie:** wetenschappelijk bewezen aanpak of werkwijze die aantoonbaar bijdraagt aan onderwijsverbetering waarbij zowel ken"},{"i":9834,"b":"Wet van 16 december 1992, tot goedkeuring en uitvoering van de op 26 mei 1992 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake de exploitatie van de voorkomens in het Markhamveld en de afname van bitumina daaruit, met bijlagen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de op 26 mei 1992 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake de exploitatie van de voorkomens in het Markhamveld en de afname van bitumina daaruit (**Trb.** 1992, 99) ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden, en dat ter uitvoering van deze Overeenkomst enige wettelijke voorzieningen moeten worden getroffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De op 26 mei 1992 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake de exploitatie van de voorkomens in het Markhamveld en de afname van bitumina daaruit, met twee bijlagen, waarvan de Nederlandse en de Engelse tekst zijn geplaatst in **Tractatenblad** 1992, 99, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **Markham-overeenkomst**: de op 26 mei 1992 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake de exploitatie van de voorkomens in het Markhamveld en de afname van bitumina daaruit; **voorkome"},{"i":9835,"b":"Wet van 7 augustus 1953, houdende goedkeuring en uitvoering van het Verdrag van Londen van 19 Juni 1951 tussen de Staten, die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het Verdrag van Londen van 19 Juni 1951 tussen de Staten, die partij zijn bij het Noord Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, alvorens te kunnen worden bekrachtigd, ingevolge [artikel 60, lid 2 der Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=60) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alsmede dat ter uitvoering van dit Verdrag enige nadere voorzieningen dienen te worden getroffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het Verdrag van Londen van 19 Juni 1951 tussen de Staten, die partij zijn bij het Noord Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, waarvan de tekst in **Tractatenblad** 1951, nr. 114 is geplaatst, wordt voor het Rijk in Europa goedgekeurd. Artikel 2 1. Bij de opsporing en het onderzoek van strafbare feiten, waarvan ingevolge het bepaalde in artikel VII van het bij deze Wet goedgekeurde Verdrag een rechter van de Staat van herkomst kennis neemt, zijn de Nederlandse opsporingsambtenaren, het openbaar Ministerie en de rechter-commissaris verplicht op verzoek van de met de vervolging van deze feiten belaste autoriteit van de Staat van herkomst of van een officier van de strijdkrachten van die Staat hun medewerking te verlenen. 2. Bij de in het voorgaande lid bedoelde medewerking zijn de daar bedoelde ambtenaren bevoegd tot alle handelingen, welke de wet ter voorbereiding van de vervolging en berechting kent in zaken, waarvan de Nederlandse rechter kennis neemt, met inachtneming overigens van hetgeen in het volgend art"},{"i":7079,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de regeling van vermogensrechtelijke vraagstukken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsregering van de Republiek Oostenrijk zijn ter definitieve regeling van nog niet opgeloste vermogensrechtelijke vraagstukken het volgende overeengekomen: I 1. Ten vervolge op de teruggave van Oostenrijks vermogen in Nederland krachtens de verklaring van de Nederlandse Regering van 1951, waarvan de tekst als Bijlage I hierbij wordt gevoegd, verplicht de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zich, de Oostenrijkse Bondsregering voor een definitieve regeling van de tussen beide Staten bestaande vermogensrechtelijke vraagstukken een totaalbedrag van f 1 750 000 (een miljoen zevenhonderdvijftig duizend Nederlandse guldens) ter beschikking te stellen. 2. De Oostenrijkse Bondsregering verklaart, dat zij dit bedrag zal gebruiken ter regeling van de door haar vertegenwoordigde aanspraken en dat zij bij de Nederlandse Regering geen verdere aanspraken op teruggave van op grond van de wettelijke voorschriften inzake vijandelijk vermogen in het Koninkrijk der Nederlanden onder beheer gestelde vermogensbestanddelen, welke op het ogenblik, dat zij onder beheer werden gesteld, het eigendom waren van personen, die toentertijd de Oostenrijkse nationaliteit bezaten of deze sindsdien hebben verkregen, langs diplomatieke weg aanhangig zal maken of ondersteunen. De onder 3 (**a**), (**b**), (**c**) en (**d**) vermelde aanspraken behoren niet tot de aanspraken ten aanzien waarvan de Oostenrijkse Regering aldus heeft verklaard niet te zullen interveniëren. 3. Afgezien van bovengenoemde betaling verklaart de Nederlandse Regering zich tot het volgende bereid: - (a). Vermogensbestanddelen van Oostenrijkse onderdanen, welke door het Nederlandse Beheersinstituut niet daadwerkelijk onder beheer konden worden gesteld, worden, zonder berekening van beheerskosten of belastingen door het Beheersinstituut,"},{"i":4904,"b":"Besluit van 26 april 2012 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directie BDF, afdeling FIS, nr. 2012-0000246448, tot vaststelling van een mandaatregeling voor de Rijksvertegenwoordiger van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Mandaatbesluit Rijksvertegenwoordiger) Besluit: Artikel 1 Aan de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=1) wordt mandaat verleend tot het verstrekken van verklaringen van geen bezwaar jegens het benoemen of herbenoemen van vertegenwoordigers van een bestuurscollege of een openbaar lichaam in een privaatrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in [artikel 9, zesde lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=9). Artikel 2 Het mandaat van de Rijksvertegenwoordiger is niet van toepassing op het weigeren van verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031547&artikel=1&z=2012-07-01&g=2012-07-01). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2012. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Rijksvertegenwoordiger. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7274,"b":"Wet van 9 april 2021 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de huurprijsverhogingen voor geliberaliseerde huurovereenkomsten te maximeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel Ia Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel IIIa Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel IIIb Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt binnen tweeënhalf jaar na inwerkingtreding van de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045063&artikel=I&z=2024-04-27&g=2024-04-27) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045063&artikel=II&z=2024-04-27&g=2024-04-27) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IIIc Wijzigt deze wet. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met uitzondering van de [artikelen IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045063&artikel=Ia&z=2024-04-27&g=2024-04-27), [IIIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045063&artikel=IIIa&z=2024-04-27&g=2024-04-27) en [IIIAa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045063&artikel=IIIaa&z=2024-04-27&g=2024-04-27) die in werking treden met ingang van 1 mei 2029. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle mini"},{"i":5971,"b":"Besluit van 7 juni 2000, houdende intrekking van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet en vervanging door het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 (Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 5 april 2000, nr. WJZ/2000/11620 (1711), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op de [artikelen 4, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=4), [5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=5), en [6, vierde en vijfde lid, van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=6); De Raad van State gehoord (advies van 4 mei 2000, nr. W05.00.0145/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 26 mei, nr. 2000/21484 (1711), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders bepaald, verstaan onder: - **cursist:** degene die een opleiding volgt als bedoeld in [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011400&hoofdstuk=3&artikel=15&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **cursusgeld:** krachtens [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011400&hoofdstuk=3&artikel=15&z=2026-01-01&g=2026-01-01) vastgesteld bedrag; - **cursusgeldplichtige:** cursist of indien deze minderjarig is, de wettelijke vertegenwoordiger; - **lesgeld:** krachtens [artikel 5, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=5) voor het desbetreffende studiejaar vastgestelde bedrag; - **lesgeldplichtige:** degene die krachtens de wet lesgeld is verschuldigd; - **teldatum:** bij of krachtens de [Wet voortgez"},{"i":7841,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2009 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2009 vastgesteld op 5,85%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2009. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7842,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2010 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld op 5,77%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2010. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5805,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 maart 2024, kenmerk 3789648-1063016-S, houdende regels voor de subsidiëring van topsportevenementen 2024–2028 (Subsidieregeling topsportevenementen 2024–2028) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **CIT:** Coördinatie- en Informatiepunt Topsportevenementen; - **dienst van algemeen economisch belang:** dienst als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - **evenementenorganisator:** privaatrechtelijke rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het organiseren van topsportevenementen; - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **nationale sportbond:** organisatie die voldoet aan de voorwaarden van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049525&artikel=2&z=2025-08-16&g=2025-08-16); - **Nationale Topsportevenementen Strategie 2021–2030:** gezamenlijke evenementenstrategie, ontwikkeld door de Minister, NOC*NSF en Vereniging Sport en Gemeenten; - **strategisch kader topsport 2032:** gezamenlijke topsportstrategie, ontwikkeld door de Minister, NOC*NSF en Vereniging Sport en Gemeenten; - **topsportevenement:** samenhangend geheel van wedstrijden in een bepaalde periode in een tak of takken van sport die kan of kunnen bijdragen aan het nationale topsportbeleid. Artikel 2. Subsidiabele activiteiten 1. De Minister kan aan een nationale sportbond of een evenementenorganisator subsidie verstrekken voor de organisatie van een topsportevenement. 2. Een nationale sportbond is een landelijke sportorganisatie die: - a. de belangen van de aangesloten sporters of sportverenigingen behartigt; - b. zich bezighoudt met het opleiden van trainers en coaches, talentontwikkeling, het organiseren van de"},{"i":7872,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2011 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 9,70%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,55%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029074&artikel=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2011 vastgesteld op 8,32%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,55%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2011. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7873,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2012 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 9,65%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,51%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030692&artikel=1&z=2012-01-01&g=2012-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2012 vastgesteld op 8,31%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,51%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2012. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5749,"b":"Regeling van 21 december 2005, nr. DJZ/BR/1307-2005, houdende nadere regels met betrekking tot de verstrekking van subsidies door de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking (Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=2) en [3 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=3); Besluiten: Afdeling 1. Algemeen Paragraaf 1. Begripsomschrijving Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. ontwikkelingslanden: landen, vermeld in de door het Development Assistence Committee (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) meest recent vastgestelde List of Recipients of Official Development Assistence; - b. Kaderwet: [Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010178); - c. Subsidiebesluit: [Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039). Afdeling 2. Mensenrechten, goed bestuur, internationale rechtsorde, internationale samenwerking Paragraaf 1. Mensenrechten Artikel 2.1 De Minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten die niet op grond van een van de overige bepalingen van deze regeling voor subsidie in aanmerking kunnen komen en die strekken tot of dienstig zijn aan de bevordering van de naleving van mensenrechten. Paragraaf 2. Maatschappelijke transformatie Artikel 2.2 De minister kan met het oog op de bevordering van de sociale en politieke aspecten van transformatieprocessen naar een democratisch en marktgeoriënteerd bestel subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die niet op grond van een van de overige bepalingen van deze regeling voor subsidie in aanmerking kunnen komen en die strekken tot of dienstig zijn aan: - a. vestiging en versterking van pluriforme, democratische rechtsstaten; - b. de opbouw van een maatsch"},{"i":9841,"b":"Wet van 21 januari 2026 tot wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (Pb EU 2022, L 275) (Wet implementatie EU-richtlijn toereikende minimumlonen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag aan te passen in verband met de implementatie van [Richtlijn (EU) 2022/2041](32022L2041) van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (Pb EU 2022, L 275); Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638) Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Artikel II. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie EU-richtlijn toereikende minimumlonen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":4895,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 oktober 2023, nr. 2023-0000038103, houdende mandaat, volmacht en machtiging PROambt Advies b.v Gelet op [artikel 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de overeenkomst tussen het Rijk en PROambt Advies b.v. tot uitvoering van de [Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) e.a., alsmede de opbouwadministratie, d.d. 4 oktober 2023; Gezien de instemming van dhr. J. van den As, directeur van PROambt Advies b.v. d.d. 10 oktober 2023; Besluit: Artikel 1 Dit besluit ziet op de uitvoering van de navolgende regelingen: - a. de [Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691), voor pensioen, uitkeringen en re-integratie van Ministers en staatssecretarissen; - b. de [Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691), voor pensioen, uitkeringen en re-integratie van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; - c. de [Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691), voor pensioen, uitkeringen en re-integratie van de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - d. de [Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372), voor pensioen, uitkeringen en re-integratie van de Nationale ombudsman en zijn substituut; - e. de [Wet vergoedingen leden Eerste Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402), voor de overeenkomstige toepassing van pensioen, uitkeringen en re-integratie van de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) ten aanzien van de voorzitter; - f. het [Besluit pensioen politieke ambtsdragers"},{"i":9842,"b":"Wet van 22 april 2004 tot wijziging van de Telecommunicatiewet en enkele andere wetten in verband met de implementatie van een nieuw Europees geharmoniseerd regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten en de nieuwe dienstenrichtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) en andere wetten te wijzigen in verband met de implementatie van [Richtlijn nr. 2002/19/EG](32002L0019) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en de interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (PbEG L 108), [Richtlijn nr. 2002/20/EG](32002L0020) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (PbEG L 108), [Richtlijn nr. 2002/21/EG](32002L0021) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (PbEG L 108), [Richtlijn nr. 2002/22/EG](32002L0022) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (PbEG L 108), [Richtlijn nr. 2002/58/EG](32002L0058) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (PbEG L 201), alsmede [Richtlijn nr. 2002/77/EG](32002L0077) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (PbEG L 249); Zo is"},{"i":6937,"b":"Regeling van de Minister van Financiën, houdende vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden als bedoeld in artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](onbekend); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2005: | Categorie 1 | € 82,80 | | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | --- | | Categorie 2 | € 27,60 | | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | € 82,80 | | voor autobussen en vrachtauto's; | | Categorie 4 | € 82,80 | | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 5 | € 165,60 | | voor trekkers met opleggers; | | Categorie 6 | € 27,60 | | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 27,60 | | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 27,60 | | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5002,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 januari 2014, kenmerk Z-178400-114504, houdende nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2013 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2013) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2013 is voor de beheerskosten AWBZ van de zorgverzekeraars en de verbindingskantoren ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), € 2,769 miljoen minder beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032800&artikel=1). Artikel 2 De verbindingskantoren leggen in hun jaarrekening over het jaar 2013 vast welk budget beheerskosten voor de uitvoering van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) is ontvangen en hoeveel in dat jaar is besteed voor de uitvoering van de AWBZ. De verschillen worden als overschotten dan wel tekorten in de jaarrekening opgeteld bij de primo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2013 en in de jaarrekening vastgelegd als de ultimo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2013. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 8 december 2013, terug tot en met 9 december 2013. Artikel 4 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2013. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2431,"b":"Besluit van het college van toezicht van de Nederlandse orde van advocaten van 29 september 2025 tot vaststelling van de beleidsregel handhaving gelet op [artikel 45h van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45h); gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); overwegende dat: het college van toezicht tot taak heeft om toe te zien op de werking van het toezicht, bedoeld in [artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45a), [artikel 24, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=24), [artikel 14, tweede lid, onderdeel b Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=14) en de klachtbehandeling door de deken ingevolge [46c van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=46c); het college van toezicht op grond van [artikel 45h van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45h) beleidsregels dient vast te stellen voor de uitoefening van de taken ingevolge [artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45a), [artikel 24, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=24), [artikel 14, tweede lid, onderdeel b Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=14), en [artikel 46c van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=46c); besluit: Artikel I. Beleidsregel handhaving De beleidsregel handhaving, zoals opgenomen in de bijlage behorende bij dit artikel, wordt vastgesteld. Artikel II. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 en wordt aangehaald a"},{"i":5092,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 maart 2025, nr. 2025-0000025341, houdende de inrichting van het programma-directoraat-generaal Werk aan Uitvoering en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan onder de programma-directeur-generaal Werk aan Uitvoering ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit programma-directeur-generaal Werk aan Uitvoering 2023) Gelet op de [artikelen 8, derde lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=8), en [23, eerste lid, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=23); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **programma-directeur-generaal:** de programma-directeur-generaal Werk aan Uitvoering (WaU); - b. **programmadirectie:** een van de organisatieonderdelen, genoemd in [artikel 2, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050859&paragraaf=2&artikel=2&z=2025-03-21&g=2025-03-21); - c. **programmadirecteur:** een functionaris die leidinggeeft aan een programmadirectie. § 2. Organisatie Artikel 2 1. Onder de programma-directeur-generaal ressorteren: - a. de programmadirectie Werk aan Uitvoering; - b. de programmadirectie Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voor Mensen. 2. De programmadirectie Werk aan Uitvoering is slechts beheersmatig ondergebracht bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Inhoudelijke sturing van de programmadirectie Werk aan Uitvoering vindt, met tussenkomst van de programma-directeur-generaal, plaats door de Ministeriële Commissie Publieke Dienstverlening (MCPD) en de Ambtelijke Commissie Publieke Dienstverlening (ACPD). § 3. Verantwoordelijkheden Artikel 3 Elk van de programmadirecteuren is verantwoordelijk voor: - a. het leiding geven aan de eigen programmadirectie; - b. het samen met de programma-directeur-generaal adviser"},{"i":5814,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 21 maart 2023, nr. VO/37438332, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan prioriteitsscholen voor het verbeteren van de basisvaardigheden met bewezen effectieve interventies (Subsidieregeling verbetering basisvaardigheden voor prioriteitsscholen 2023) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **basisteam:** ondersteuningsnetwerk van een school dat bestaat uit partijen die de scholen op maat kunnen helpen, ontzorgen en ondersteunen; - **basisvaardigheden:** vaardigheden op het gebied van taal, rekenen of wiskunde en burgerschap of digitale geletterdheid; - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **evidence-informed interventie:** aanpak op basis van kennis uit wetenschap en praktijk over wat onder welke voorwaarden werkt in het onderwijs; - **Caribisch Nederland:** Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **leerling:** leerling als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=1), [artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046160&artikel=1) of [artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=6.7); - **interventiekaart:** overzicht op de website van het Nationaal Programma Onderwijs dat is te vinden via [https://www.nponderwijs.nl/basisvaardigheden](onbekend), waarop evidence-informed"},{"i":5061,"b":"Openstelling extra ronde subsidieaanvragen onder regeling ‘Muziek in ieder kind’ Het Fonds voor Cultuurparticipatie stelt een derde ronde open voor de indiening van subsidieaanvragen onder de tenderregeling ‘Muziek in ieder kind’. Dit zal de laatste ronde zijn waarin aanvragen voor muziekeducatieve projecten kunnen worden ingediend. Ten behoeve van deze ronde geldt in aanvulling op de Regeling ‘Muziek in ieder kind’ van 9 december 2009 (Staatscourant 2009, nr. 20112) het volgende: De termijn voor indiening van aanvragen voor de derde ronde sluit op 15 september 2010. De uitvoering van projecten waarvoor in deze ronde subsidie wordt aangevraagd mag niet starten voor 1 januari 2011. Projecten kunnen binnen de [regeling ‘Muziek in ieder kind’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026927) worden ondersteund voor maximaal drie schooljaren te rekenen vanaf de startdatum van de regeling, derhalve tot en met het schooljaar 2012–2013. Voor deze derde en laatste ronde voor muziekeducatieve projecten geldt een subsidieplafond van € 2.000.000,–. Het bestuur van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie."},{"i":5040,"b":"Ondermandaat, -Volmacht en -Machtigingsbesluit Koninklijke Marechaussee 2019 Gelet op [artikel 3, eerste lid, van het Ondermandaat, -Volmacht en -Machtigingsbesluit SG Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034185&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Bevoegdheden Plaatsvervangend Commandant KMar Aan de **Plaatsvervangend Commandant KMar**, wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen ter uitvoering van de taken die ingevolge [artikel 4 van het Subtaakbesluit KMar 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043241&artikel=4) tot zijn werkterrein behoren. Artikel 2. Bevoegdheden Directeur Operaties Aan de **Directeur Operaties**, dan wel bij diens afwezigheid zijn plaatsvervanger, wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen ter uitvoering van de taken die ingevolge [artikel 5 van het Subtaakbesluit KMar 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043241&artikel=5) tot zijn werkterrein behoren. Artikel 3. Bevoegdheden Directeur Personeel en Bedrijfsvoering Aan de **Directeur Personeel en Bedrijfsvoering**, dan wel bij diens afwezigheid zijn plaatsvervanger, wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen ter uitvoering van de taken die ingevolge [artikel 6 van het Subtaakbesluit KMar 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043241&artikel=6) tot zijn werkterrein behoren. Artikel 4. Bevoegdheden hoofd Financiën en Control Aan het **hoofd Financiën en Control**, dan wel bij diens afwezigheid zijn plaatsvervanger, wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen ter uitvoering van de taken die ingevolge [artikel 7 van het Subtaakbesluit KMar 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043241&artikel=7) tot zijn werkterrein behoren. Artikel 5. Bevoegdheden Chef Kabinet Aan **Chef Kabinet**, dan wel bi"},{"i":7887,"b":"Besluit van 27 maart, nr. 2017000511 tot het verlenen van toestemming aan De Nederlandsche Bank N.V. voor het verstrekken van een tegemoetkoming aan bepaalde depositohouders die een vergoeding hebben ontvangen uit hoofde van het depositogarantiestelsel Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 22 maart 2017, 2017-0000055401, directie Financiële Markten; Overwegende dat het wenselijk is dat een tegemoetkoming wordt verstrekt aan bepaalde personen die als houders van gegarandeerde deposito’s sinds 1 juli 1995 een vergoeding hebben ontvangen uit hoofde van het depositogarantiestelsel; Gelet op [artikel 9, onderdeel c, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan De Nederlandsche Bank N.V. wordt toestemming verleend om ten laste van ’s Rijks schatkist een tegemoetkoming in overeenstemming met [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039445&artikel=2&z=2017-04-12&g=2017-04-12) van dit besluit te verstrekken aan bepaalde personen die als houders van gegarandeerde deposito’s sinds 1 juli 1995 van De Nederlandsche Bank N.V. een vergoeding hebben ontvangen uit hoofde van een depositogarantiestelsel in de zin van [richtlijn 94/19/EG](31994L0019) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG 1994, L 135). Artikel 2 1. De tegemoetkoming omvat een bedrag ter hoogte van de wettelijke rente die, gezien de termijn voor het uitkeren van de vergoeding ingevolge [richtlijn 94/19/EG](31994L0019) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG 1994, L 135), verschuldigd zou zijn geweest op het moment van uitkering maar niet is uitgekeerd, met dien verstande dat wettelijke rente uitsluitend geacht wordt verschuldigd te zijn geweest indien het volledige bedrag aan wettelijke rente ten minste € 10 zou hebben bedragen. 2. De tegemoetkoming omvat tevens de wettelijke rente over het bedrag, bed"},{"i":6457,"b":"Besluit van 14 maart 2017 tot wijziging van het Besluit stimulering duurzame energieproductie in verband met de uitsluiting van subsidie in het geval van negatieve elektriciteitsprijzen en enkele andere wijzigingen Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 12 december 2016, nr. WJZ / 16188771; Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 januari 2017 nr. W.15.16.0414/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 10 maart 2017, nr. WJZ / 17032408; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit stimulering duurzame energieproductie. Artikel II Voor ministeriële regelingen die op grond van het [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735) zijn vastgesteld en die in werking zijn getreden voor de inwerkingtreding van dit besluit, geldt het Besluit stimulering duurzame energie zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":9843,"b":"Wet van 15 mei 2012 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet, de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met de implementatie van richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/601/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankenautoriteit) de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PbEU 2010, L 331) (Wet implementatie Omnibus I-richtlijn) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de implementatie van [richtlijn 2010/78](32010L0078)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de [Richtlijnen 98/26/EG](31998L0026), [2002/87/EG](32002L0087), [2003/6/EG](32003L0006), [2003/41/EG](32003L0041), [2003/71/EG](32003L0071), [2004/39/EG](32004L0039), [2004/109/EG](32004L0109), [2005/60/EG](32005L0060), [2006/48/EG](32006L0048), [2006/49/EG](32006L0049) en [2009/65/EG](32009L0065) wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankenautoriteit), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PbEU 2010, L 331) noodzakelijk is de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860), de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) en de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831)"},{"i":5923,"b":"Toezichtbeleid Erkenninghouders, Keurmeesters en Technici RDW Gelet op de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), het [Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671), het [Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951), het [Besluit voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025554), de [Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669), de [Regeling tachografen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1.1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Aanvrager:** de natuurlijke persoon die namens hemzelf of als tekenbevoegde van een rechtspersoon een erkenning of een overname van een erkenning aanvraagt bij de RDW. - **Attentie:** een brief of opmerking in een rapportage om u bewust te maken van een bepaalde situatie zodat u maatregelen kunt nemen om te voorkomen dat u een overtreding begaat of om een overtreding ongedaan te maken. Dit heeft geen gevolgen voor uw erkenning. - **Aanwijzing:** een concrete aanwijzing die wordt gegeven of een maatregel die wordt genomen ter voorkoming van een overtreding, om een bepaald doel te bereiken of een situatie te beheersen. Onderneemt u geen of niet voldoende actie dan kan dit gevolgen hebben voor uw erkenning. - **Bedrijfsadres:** het officiële adres waar uw bedrijf is gevestigd. Dit adres wordt geregistreerd bij de Kamer van Koophandel (KvK) als bezoekadres en dient in beginsel als de formele locatie voor de activiteiten die u uitvoert ten behoeve van de specifieke erkenning. - **CVO:** Certificaat van Overeenstemming - **Erkenning:** de door de RDW verleende toestemming om handelingen als bedoeld in [artikel 4aud van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aud) alsmede handelingen met betrekking tot tachografen te mogen verrichten."},{"i":6293,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot samenvoeging van de gemeenten Nuth, Onderbanken en Schinnen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Nuth, Onderbanken en Schinnen samen te voegen tot de nieuwe gemeente Beekdaelen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en grenswijziging van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Nuth, Onderbanken en Schinnen opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Beekdaelen ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Nuth, Onderbanken en Schinnen, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Beekdaelen wordt de op te heffen gemeente Nuth aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Nuth, Onderbanken en Schinnen wordt de nieuwe gemeente Beekdaelen aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening"},{"i":6557,"b":"Besluit van 18 juli 1996, houdende wijziging van de Regeling ziektekostenvoorziening overheidspersoneel Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 11 juni 1996, nr. AB96/U707, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Arbeidsverhoudingen en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [134 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=134); [artikel 16 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=16); [artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50); artikel 20, tweede lid, van de Wet op het basisonderwijs; artikel 28, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs; de [artikelen 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=39), [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=61) en [76 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=76); [artikel 4 van de Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718&artikel=4); artikel 58, tweede lid, van de Wet op de onderwijsverzorging; de [artikelen 4.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=4.5), [4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=4.6), [9.74, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=9.74), [10.10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=10.10), [11.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=11.12), [16.23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=16.23), en [16.27 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=16.27); de [artikelen 14, eerste lid]"},{"i":6552,"b":"Besluit van 21 januari 1997 tot wijziging van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden en het Rechtspositiebesluit wethouders Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, A. G. M. van de Vondervoort, van 25 november 1996, Directoraat-generaal Openbaar Bestuur, afdeling Bestuur en Wetgeving, nr. BW96/U2178; Gelet op de [artikelen 43, eerste lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=43) en [artikel 44, eerste lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=44); De Raad van State gehoord (advies van 12 december 1996, no. W04.96.0559). Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 9 januari 1997; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 1997. ARTIKEL I Wijzigt het Rechtspositiebesluit gedeputeerden. ARTIKEL II Wijzigt het Rechtspositiebesluit wethouders. ARTIKEL III Aan de wethouder van wie de bezoldiging is vastgesteld op een bedrag dat gelijk is aan de bezoldiging die voor hem zou hebben gegolden indien de vervanging van de bijlage, bedoeld in [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008504&artikel=II&z=1997-04-06&g=1997-04-06), niet zou hebben plaatsgevonden, wordt een eenmalige uitkering toegekend van f 250,–. ARTIKEL IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag twee maanden na datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 1997. Bijlage. Tabel bezoldiging wethouders | Klasse | Inwonertal | Inwonertal | Tijdsbestedings-norm in % | Bezoldiging per 1-1-1997 | | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | tot en met | – 2 000 | 25 | f 4 895,– (f 1 224,–) | | 2 | 2 001 | – 4 000 | 35 | f 4 895,– (f 1 713,–) | | 3 | 4 001 | – 8 000 | 45 | f 5 536,– (f 2 491,–) | | 4 | 8 001 | – 14 000 | 55 | f 6 765,– (f 3 721,–) | | 5A | 14 001 | – 18 000 | 70 | f 7 069,– (f 4 948,–) | | 5B | 18 001 | – 24 000 | 100 | f 7 069,– | | 6 | 24 001 | – 40 000 | 100 | f 7 726,–"},{"i":6509,"b":"Besluit van 30 juni 2014, houdende wijziging van diverse besluiten betreffende dieren en dierlijke producten in verband met de opheffing van de bedrijfslichamen Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 6 mei 2014, nr. WJZ / 14071864, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [verordening (EG) nr. 999/2001](32001R0999) van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PbEG 2001, L 147), [richtlijn 2009/157/EG](32009L0157) van de Raad van 30 november 2009 betreffende raszuivere fokrunderen (PbEU 2009, L 323), [richtlijn 90/427/EEG](31990L0427) van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen (PbEG 1990, L 224), richtlijn nr. 89/361/EEG van de Raad van 30 mei 1989 betreffende raszuivere fokschapen en -geiten (PbEG 1989, L 153), richtlijn nr. 88/661/EEG van de Raad van 19 december 1988 betreffende de zoötechnische normen die gelden voor fokvarkens (PbEG 1988, L 382), beschikking 2006/427/EG van de Commissie van 20 juni 2006 houdende vaststelling van methoden inzake prestatieonderzoek en van methoden voor de beoordeling van de genetische waarde van raszuivere fokrunderen (PbEU 2006, L 169), beschikking 90/256/EEG van de Commissie van 10 mei 1990 houdende vaststelling van methoden inzake prestatieonderzoek en beoordeling van de genetische waarde van raszuivere fokschapen en -geiten (PbEG 1990, L 145), beschikking 89/507/EEG van de Commissie van 18 juli 1989 tot vaststelling van methoden inzake prestatieonderzoek en bepaling van de fokwaarde van raszuivere en hybride fokvarkens (PbEG 1989, L 247), de [artikelen 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=55), [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=76) en [96 van de Gezon"},{"i":7878,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2017 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld op 9,20%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038842&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld op 7,95%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2017. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5366,"b":"Regeling openbaarheid van bestuur, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Overwegende dat de toepassing van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) (Stb. 1991, 703) aanleiding geeft tot het vaststellen van een regeling ter uitvoering van die wet met betrekking tot het beleidsterrein van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op de [Aanwijzingen inzake openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005469) (Stcrt. 1992, 84); Besluit: Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder Artikel 2 1. Er is een register waarin worden opgenomen: - a. de onder verantwoordelijkheid van de minister werkzame instellingen, diensten en bedrijven en - b. de niet-ambtelijke adviescommissies met taken betreffende het beleidsterrein van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 2. Het register vermeldt de namen, adressen en informatiepunten van de instellingen, diensten en bedrijven van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 3. Het register ligt voor een ieder ter inzage bij de Directie Voorlichting en Externe Betrekkingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 4. Met het bijhouden van het register is belast de Directie Voorlichting en Externe Betrekkingen. Artikel 3 Als gemachtigd ambtenaar wordt aangewezen de secretaris-generaal. Artikel 4 1. De informatiepunten voor de in het register vermelde instellingen, diensten en bedrijven worden aangewezen door de leiding daarvan. 2. De informatiepunten bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zijn vermeld in deel 1 van het register als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005754&hoofdstuk=I&artikel=2&z=1992-12-12&g=1992-12-12). Hoofdstuk II. Informatie op verzoek Artikel 5 1. Het behandelen van verzoeken om informatie en vragen daaromtrent geschiedt door de dienstonderdelen die met de voorlichting zijn belast, voor zover het niet door de min"},{"i":5156,"b":"Protocol werkwijze toezicht KB-stelsel 1. Inleiding Dit protocol bevat een specifieke uitwerking van de processen in het kader van het toezicht door de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) op de instrumentaanbieders binnen het domein van kwaliteitsborging voor het bouwen (KB-stelsel).1[Toezichtkader KB-stelsel | Publicatie | Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (tlokb.nl)](https://www.tlokb.nl/binaries/tlokb/documenten/publicaties/2023/8/14/index/Toezichtkader%2BKB-stelsel.pdf) 1.1. Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw De TloKB is een zelfstandig bestuursorgaan en heeft hoofdtaken ten aanzien van drie stelsels: kwaliteitsborging bouw, erkende kwaliteitsverklaringen en werkzaamheden aan gas-verbrandingsinstallaties. Binnen het KB-stelsel, zie figuur 1, voert de TloKB de volgende deeltaken uit, die tot doel hebben de verbetering van de bouwkwaliteit aan de hand van aantoonbare kwaliteit van bouwwerken en het vermogen om stelselmatig te leren van tekortkomingen: 1.2. Doel protocol Dit **Protocol werkwijze toezicht KB-stelsel**geeft antwoord op de vraag hoe de TloKB haar toezichts- en handhavingswerkprocessen heeft ingericht. Dit protocol geeft instrumentaanbieders, kwaliteitsborgers, opdrachtnemers (bouwers) en het bevoegd gezag inzicht in hoe TloKB haar toezicht voorbereidt, uitvoert, rapporteert, besluit en publiceert en wat de TloKB daarbij van deze partijen verwacht. 1.3. Wettelijke basis protocol Dit protocol is op te vatten als een beleidsregel. [Artikel 4:83 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83) (Awb) bepaalt dat de bekendmaking van een beleidsregel zijn wettelijke basis vermeldt. De wettelijke basis voor deze beleidsregel is [artikel 7ak van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ak) (Wonw). Dit artikel regelt onder meer de toezichttaak van de TloKB in het kader van [Afdeling 1a. Kwaliteitsborging voor het bouwen van de Woningwet](onbekend). De am"},{"i":6867,"b":"Besluit van 15 maart 1991, ter uitvoering van artikel 110 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 18 juli 1990, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 24355/690, mede gedaan namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [artikel 110 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=110); De Raad van State gehoord (advies van 10 september 1990, nr. W03.90.0339); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 februari 1991, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 46956/91/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De schadevergoeding, die de vervoerder mogelijkerwijs is verschuldigd uit hoofde van [artikel 105 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=105) is beperkt tot een bedrag van: - a. € 1.000.000 per reiziger met een maximum van € 15.000.000 per gebeurtenis in geval van vervoer over de weg of over krachtens [artikel 1, eerste lid, van de Locaalspoor- en Tramwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866&artikel=1) aangewezen locaalspoorwegen, of over krachtens [artikel 2, eerste lid, van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=2) aangewezen lokale spoorwegen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=3). In geval van vervoersdiensten als bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, van Verordening (EU) Nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (Pb EU L 55), waarbij de schadevergoeding die de vervoerder uit hoofde van [artikel 105 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=105) is verschuldigd meer bedraagt dan € 15.000.000 per gebeurtenis en de scha"},{"i":5170,"b":"Besluit van 27 oktober 2008, houdende de afwijking op een aantal onderdelen voor het personeel van de Kamers van Koophandel van de rechtspositieregels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries (Rechtspositiebesluit Kamers van Koophandel) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 juli 2008, nr. WJZ/8083077; Gelet op [artikel 14, derde lid, van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009276&artikel=14); De Raad van State gehoord (advies van 14 augustus 2008, nr. W10.08.0340/IIII); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 21 oktober 2008, nr. WJZ/8156570; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ARAR:** [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950); - b. **BBRA:** [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630); - c. **kamer:** een kamer van koophandel en fabrieken. Artikel 2 1. Voor het personeel van een kamer wordt op de in de [artikelen 2, tweede lid, tot en met 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024699&artikel=2&z=2009-01-01&g=2009-01-01) van dit besluit genoemde wijze afgeweken van de rechtspositieregels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij de ministeries. 2. Daar waar in het [ARAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950), met uitzondering van [artikel 110g, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=110g), of het [BBRA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) staat «van het Rijk» of «uit ’s Rijks kas» wordt telkens gelezen: van een kamer respectievelijk door de kamer waar betrokkene in dienst is. Daar waar in het [ARAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950) staat «de rijksdienst» of «de Rijksdienst» wordt telkens gelezen: een kamer. Artikel 3 De bepalingen met betrekking tot de Algemene Bestuursdienst, bedoeld in ["},{"i":9844,"b":"Wet van 24 juni 2015 tot wijziging van de Implementatiewet richtlijn solvabiliteit II en de Implementatiewet richtlijn financiële conglomeraten I ter implementatie van de richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EU en 2009/138/EG alsmede de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PbEU 2014, L 153) (Wet implementatie Omnibus II-richtlijn) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van [richtlijn 2014/51](32014L0051)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van de [Richtlijnen 2003/71/EG](32003L0071) en [2009/138/EG](32009L0138), alsmede de Verordeningen (EG) nr. [1060/2009](32960L2009), (EU) nr. [1094/2010](32994L2010) en (EU) nr. [1095/2010](32995L2010) wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PbEU 2014, L 153) noodzakelijk is de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) met die richtlijn in overeenstemming te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Implementatiewet richtlijn solvabiliteit II. Artikel II Wijzigt de Implementatiewet richtlijn financiële conglomeraten I. Artikel III Wijzigt de Faillissementswet. Artikel IIIa Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel IIIb 1. Ter voorbereiding op de invoeri"},{"i":9845,"b":"Wet van 5 juni 2024 tot wijziging van de Wet hergebruik van overheidsinformatie en enkele andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2019/1024/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie (Wet implementatie Open data richtlijn) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is nadere regels te stellen over het hergebruik van overheidsinformatie in verband met de implementatie van [Richtlijn nr. 2019/1024/EU](32019L1024) van het Europees parlement en de Raad van 20 juni 2019; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet hergebruik van overheidsinformatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036795) Wijzigt de Wet hergebruik van overheidsinformatie. Artikel II. Wijziging [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) Wijzigt de Archiefwet 1995. Artikel III. Wijziging [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777) Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel IV. Wijziging [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541) Wijzigt de Kadasterwet. Artikel V. Wijziging [Wegenverkeerswet 1994](onbekend) Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel VI. Wijziging van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) Wijzigt de Wet open overheid. Artikel VII. Samenloop Archiefwet 20.. Wijzigt de Archiefwet 20.. Artikel VIII. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel IX. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie Open data richtlijn. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteite"},{"i":9858,"b":"Wet van 14 februari 1998, houdende regeling van de samenstelling en de werkzaamheden van de Staatscommissie tot voorbereiding van de te nemen maatregelen ter bevordering van de codificatie van het internationaal privaatrecht, ingesteld bij koninklijk besluit van 20 februari 1897, Stcrt. 1897, nr. 46 (Wet op de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79), in samenhang met de [Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159), regels te stellen met betrekking tot de samenstelling en de werkzaamheden van de Staatscommissie tot voorbereiding van de te nemen maatregelen ter bevordering van de codificatie van het internationaal privaatrecht, ingesteld bij koninklijk besluit van 20 februari 1897, Stcrt. 1897, nr. 46; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 januari 1997. Artikel 1 1. De Staatscommissie tot voorbereiding van de te nemen maatregelen ter bevordering van de codificatie van het internationaal privaatrecht, ingesteld bij koninklijk besluit van 20 februari 1897, Stcrt. 1897, nr. 46, in deze wet verder te noemen de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht, bestaat uit ten minste tien en ten hoogste twintig leden. 2. De leden worden benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar. Zij kunnen telkens voor een periode van ten hoogste vier jaar worden herbenoemd. Onder de leden worden de voorzitter en de ondervoorzitters in functie benoemd. 3. Op de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht zijn de artikelen 10 en 11, tweede lid, tweede zin, van de [Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159) niet van toe"},{"i":4901,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 juli 2020, houdende verlening van mandaat en machtiging aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in verband met de subsidieverstrekking inzake de stimulering van e-health thuis ten tijde van de coronacrisis (Mandaatbesluit Rijksdienst voor Ondernemend Nederland inzake de Stimuleringsregeling E-health Thuis COVID-19 2.0) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de instemming van de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; Besluit: Artikel 1 Aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, verder te noemen de algemeen directeur, wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten op grond van de [Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455) voor zover het gaat om subsidies op grond van de [Stimuleringsregeling E-health Thuis COVID-19 2.0](onbekend), en - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 De algemeen directeur is gemachtigd: - a. tot het verrichten van alle feitelijke handelingen en het afdoen van alle stukken die betrekking hebben op besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043915&artikel=1&z=2020-07-23&g=2020-07-23), en - b. ten aanzien van verweer- en beroepschriften in administratiefrechtelijke procedures, het vertegenwoordigen van de minister in deze procedures en tot het afdoen van alle stukken en het verrichten van alle feitelijke handelingen die daarop betrekking hebben. Artikel 3 Bij afwezigheid of verhindering van de algemeen directeur worden, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheden uitge"},{"i":4900,"b":"Mandaatbesluit regelgevende bevoegdheden defensie Gelet op: [artikel 15a van het Besluit dienstreizen defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007956&artikel=15); [artikel 168a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=168a); [artikel 20 van het Verplaatsingskostenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006039&artikel=20); [artikel 21 van het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008113&artikel=21); [artikel 25a van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=25a); [artikel 9 van de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003538&artikel=9); [artikel 25 van het Verplaatsingskostenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005137&artikel=25); [artikel 6, tweede lid, van het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007212&artikel=6); [artikel 7, tweede lid, van het Besluit procedure geneeskundig onderzoek verzetsmilitairen en ondergedoken militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003262&artikel=7); [artikel 3a van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=3a); Besluit: Artikel 1. Regelgevende bevoegdheid Aan de Hoofddirecteur Personeel van het Directoraat-Generaal Beleid wordt mandaat verleend om namens de Minister van Defensie ministeriële regelingen vast te stellen als bedoeld in: - –. de [hoofdstukken 2 tot en met 12 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&hoofdstuk=2); - –. de [hoofdstukken 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&hoofdstuk=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&hoofdstuk=5) en [7 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overhe"},{"i":5021,"b":"Nadere voorschriften inzake de werkwijze van het bestuur Gelet op [artikel 20 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=20); Stelt de volgende nadere voorschriften vast: Artikel 1 In deze nadere voorschriften wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: - –. **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=29); - –. **pbo-orgaan:** orgaan dat binnen de beroepsorganisatie belast is met het zo nodig bij wege van mandaat uitoefenen van taken die eigen zijn aan het publiekrechtelijke karakter van de beroepsorganisatie; - –. **verordening:** [verordening op het bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033794); Artikel 2 Bij het vormgeven van strategie besteedt het bestuur in ieder geval aandacht aan: - a. de implementatie en haalbaarheid van de strategie; - b. de kansen en risico’s voor de beroepsorganisatie en haar leden; - c. de operationele en financiële doelen van de beroepsorganisatie en de invloed ervan op de toekomstige positie in relevante markten; - d. het publiek belang; - e. de belangen van derde belanghebbenden; en - f. andere voor de beroepsorganisatie relevante aspecten, zoals een goede zorg voor het milieu, sociale- en personeelsaangelegenheden, eerbiediging van mensenrechten en bestrijding van corruptie en omkoping. Artikel 3 In aanvulling op de taak, bedoeld in [artikel 2c, derde lid, van de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033794&artikel=2c), heeft de audit- en riskcommissie tot taak toezicht te houden op de hoogste leidinggevenden van het bureau en de directie ten aanzien van: - a. de relatie met en de naleving van aanbevelingen en opvolging van opmerkingen van de accountant; - b. de financiering van de beroepsorganisatie; - c. de toepassing van informatie- en communicatietechnologie door de beroepsorganisatie; en - d. het risicomanagement in het alge"},{"i":5022,"b":"Nationale Algemene Uitvoervergunning NL 010 (items voor informatiebeveiliging) Gelet op artikel 9, tweede lid, van de [Verordening (EG) nr. 428/2009](32009R0428) van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik, en [artikel 4b van het Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=4b); Overwegende, dat een nationale algemene uitvoervergunning die wordt verleend ingevolge artikel 9, vierde lid, van [Verordening (EG) nr. 428/2009](32009R0428) mede dient te worden gedefinieerd in de nationale wetgeving of in de nationale praktijk; Besluit: Tot het afgeven van de volgende Nationale Algemene Vergunning. § 1. Goederen § 2. Geldigheid, toepassingsbereik § 3. Uitsluitingsgronden § 4. Mededeling § 5. Registratie § 6. Rapportage § 7. Inwerkingtreding"},{"i":5891,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 29 november 2017, nr. IENM/BSK-2017/285018, houdende regels voor het subsidiëren van het onderwerken van graanresten na de oogst (Tijdelijke subsidieregeling onderwerken graanresten 2018–2022) Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **onderwerken:** bij de oogst van graan hakselen van stro en onderwerken van graanresten na de oogst zodanig, dat een perceel niet meer aantrekkelijk is voor op graanresten foeragerende ganzen; - **uitvoeringsovereenkomst:** tussen de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de Minister, enerzijds, en een eigenaar of pachter van één of meer percelen, anderzijds, gesloten overeenkomst ‘Uitvoeringsovereenkomst versneld onderwerken graanresten 2018–2022’. Artikel 2. Doel Deze regeling heeft tot doel om graanresten versneld onder te laten werken zodat de percelen niet meer aantrekkelijk zijn voor op graanresten foeragerende ganzen, waarmee het risico van aanvaringen tussen vliegtuigen en ganzen in het gebied op en rond de luchthaven Schiphol wordt beperkt. Artikel 3. Subsidieverlening De minister kan op aanvraag jaarlijks een subsidie verstrekken voor het onderwerken van percelen in het kader van de aanpak van vogelaanvaringen op en rondom de luchthaven Schiphol. Artikel 4. Subsidieontvangers en reikwijdte 1. In aanmerking voor een subsidie als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040265&artikel=3&z=2018-01-01&g=2018-01-01) komen eigenaren of pachters: - a. van percelen die zich bevinden in het gebied dat op de in de [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040265&bijlage=1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) opgenomen kaart gearceerd is weergegeven, en - b. die een uitvoeringsovereenkomst met de minister hebben ge"},{"i":7877,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2016 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op 9,30%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037289&artikel=1&z=2016-01-01&g=2016-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op 8,25%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2016. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5082,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 november 2019, 2019-0000112449, houdende de inrichting van de directie Opsporing, alsmede de toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan de onder de directeur ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Opsporing 2019) Gelet op de [artikelen 5, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039965&artikel=5), en [12 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal SZW 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039965&artikel=12); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **afdeling Recherche W&I:** afdeling Recherche Werk & Inkomen; - b. **directie:** de directie Opsporing; - c. **directeur:** de directeur van de directie Opsporing; - d. **IMI:** het Team Intelligence, Meldingen & Infodesk; - e. **NOW:** Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid; - f. **TCI:** het Team Criminele Inlichtingen. § 2. De organisatie en taken van de afdelingen Artikel 2. Organisatie directie 1. De directie bestaat uit de volgende afdelingen: - a. de afdeling Recherche W&I, waarbinnen de volgende rechercheteams zijn ingericht: - 1°. Rechercheteams op meerdere locaties; - 2°. Tijdelijk Team NOW; - b. de afdeling Recherche Zorgfraude, waarbinnen rechercheteams zijn ingericht; - c. de afdeling Recherche Arbeidsuitbuiting, waarbinnen rechercheteams zijn ingericht; - d. de afdeling Opsporingsinformatie, waarbinnen de volgende teams zijn ingericht: - 1°. IMI; - 2°. TCI; - e. de afdeling Opsporingsondersteuning, waarbinnen de volgende teams zijn ingericht: - 1°. Digitaal Expertise Centrum; - 2°. Opsporingsdeskundigheid. 2. Aan het hoofd van iedere afdeling staat een afdelingshoofd. 3. De afdelingshoofden worden bijgestaan door onder hen ressorterende teamleiders. § 3. Verantwoordelijkheden Artikel 3. Verantwoordelijkheden"},{"i":7574,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bescherming van Persoonsgegevens 1968- (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2007, nr. arc-2007.03507/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bescherming van Persoonsgegevens over de periode 1968–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":6482,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 juli 2013, nr. DJZ/BR/0534-2013, tot bekendmaking van de tweede openstelling van het Private Sector Investeringsprogramma en tot wijziging van de het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 december 2012, nr. DDE583/2012, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor het Private Sector Investeringsprogramma Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel I Het nader bekend te maken subsidieplafond voor het tweede beoordelingstijdvak als bedoeld in [artikel 4, derde lid, van het besluit van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 december 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032419&artikel=4), nr. DDE583/2012, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor het Private Sector Investeringsprogramma wordt, onder het voorbehoud dat de begrotingswetgever voldoende middelen ter beschikking stelt, bepaald op € 54.000.000. Voor PSI in de Arabische regio (Algerije, Egypte, Irak, Jemen, Jordanië, Libië, Marokko, de Palestijnse gebieden en Tunesië) kunnen verplichtingen worden aangegaan tot een maximum van € 8.000.000. Voor alle overige PSI-landen kunnen verplichtingen worden aangegaan tot een maximum van € 46.000.000. Indien uit de beoordeling van de subsidieaanvragen voor één van deze categorieën blijkt dat onvoldoende aanvragen voor subsidiëring in aanmerking komen om het daarvoor bestemde deel van het subsidieplafond uit te putten, kunnen de daarmee gemoeide middelen worden benut voor subsidiëring van aanvragen uit de andere categorie, die aan de criteria van het beleidskader voldoen, maar wegens uitputting van het daarvoor"},{"i":6048,"b":"Besluit van 3 juni 1994, nr. IFZ 94/331 Onlangs is in het Verenigd Koninkrijk specifieke wetgeving geïntroduceerd met betrekking tot een bepaald soort inkomen, de zogenoemde kunstmatige dividenden op buitenlandse effecten (manufactured dividends on overseas securities). De uitdrukking 'overseas dividend' betekent elke interest, elk dividend of elke andere jaarlijkse betaling betaald met betrekking tot overseas securities. 'Overseas securities' zijn: Ingevolge de Britse wetgeving zijn kunstmatige dividendbetalingen gedaan aan een natuurlijke persoon of aan een lichaam teneinde die persoon of dat lichaam een vergoeding te geven voor het feit dat hij bij voorbeeld als gevolg van het tijdelijk uitlenen van zijn effecten een bedrag aan dividend of interest waartoe hij uit hoofde van die effecten gerechtigd was niet heeft ontvangen. De betaling van kunstmatige dividenden doet zich in het bijzonder voor bij 'stock loan'. Hierbij draagt de eigenaar van effecten bij overeenkomst de effecten tijdelijk over aan de inlener van die effecten, die naar Brits recht juridisch eigenaar van die effecten wordt. Aan het einde van de 'stock loan' is de inlener verplicht effecten van dezelfde soort terug te geven aan de uitlener: op hem rust niet de verplichting dezelfde effecten terug te geven als die aan hem geleend waren. Voor het verkrijgen van de goedkeuring van de Inland Revenue voor stock loan transacties is zelfs vereist dat de inlener de effecten aan een derde verkoopt. Is er gedurende de uitleenperiode dividend of interest op de uitgeleende effecten betaald, dan is het gebruikelijk dat de inlener aan de uitlener ter compensatie een vergoeding (kunstmatig dividend) betaalt. De hoogte van die vergoeding is een zaak van onderhandelingen tussen uitlener en inlener. De uitlener zal er uiteraard naar streven een bedrag te ontvangen dat, in economische zin, gelijk is aan het bedrag van het werkelijke dividend of de werkelijke interest. Het doel van de Britse wetgeving is geweest te ver"},{"i":5262,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 november 2018, nr. 2018-0000173036, tot aanwijzing ontwikkelingsorganisaties als bedoeld in de artikelen 35, derde lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet, 63a, derde lid, onderdeel b, van de Algemene nabestaandenwet, en 1, onderdeel b, van het Besluit regels export uitkeringen (Regeling aanwijzing organisaties voor ontwikkelingssamenwerking 2019) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; Gelet op de [artikelen 35, derde lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=35), [63a, derde lid, onderdeel b, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=63a), en [1, onderdeel b, van het Besluit regels export uitkeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011049&artikel=1); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing organisaties voor ontwikkelingssamenwerking 1. Als organisaties voor ontwikkelingssamenwerking als bedoeld in de [artikelen 35, derde lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=35), [63a, derde lid, onderdeel b, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=63a), en [1, onderdeel b, van het Besluit regels export uitkeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011049&artikel=1) worden aangewezen: - a. per datum lidmaatschap de organisaties die lid zijn van de brancheverenigingen voor ontwikkelingssamenwerking, voor wat betreft organisaties die ontwikkelingssamenwerking niet als hoofdtaak hebben uitsluitend voor zover er naar het oordeel van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking sprake is van uitzending in het kader van ontwikkelingssamenwerking: - –. Vereniging Partos, ingeschreven in het Handelsregister onder nr. KvK 34214586, statutair gevestigd te Amsterdam, Ellermanstraat 18B, 1114AK; of - –. Veren"},{"i":12361,"b":"Besluit instelling adviescommissie voor de oorsprong 1980 Overwegende, dat de Beschikking instelling adviescommissie voor de oorsprong (Stcrt. 1976, 234) aanpassing behoeft voor wat betreft de aanwijzing van vertegenwoordigers uit het midden der Kamers van Koophandel en Fabrieken, zulks als gevolg van een organisatorische wijziging; dat het mede gelet op de inmiddels opgetreden veranderingen in de samenstelling van de commissie aanbeveling verdient de instellingsbeschikking nader vast te stellen; Besluiten: Artikel 1 Er is een adviescommissie – in dit besluit nader te noemen commissie – die tot taak heeft om de Ministers van Economische Zaken, van Financiën en van Landbouw en Visserij, alsmede de gezamenlijke Kamers van Koophandel en Fabrieken, desgevraagd of uit eigen beweging, van advies te dienen met betrekking tot de uitvoering van het bepaalde in het [Besluit afgifte oorsprongsverklaringen 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003067) (Stb. 605) en de daarop berustende regelingen en met betrekking tot daarmede verband houdende onderwerpen. Artikel 2 1. De commissie bestaat uit ten hoogste 13 leden. 2. De Ministers van Economische Zaken, van Financiën en van Landbouw en Visserij wijzen ieder voor zich ten hoogste twee ambtelijke vertegenwoordigers in de commissie aan. De Vereniging van Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland wijst uit het midden van de secretarissen, adjunct-secretarissen of secretariaatsmedewerkers van de Kamers van Koophandel en Fabrieken ten hoogste 6 vertegenwoordigers in de commissie aan. 3. Maast de vertegenwoordigers, bedoeld in het voorgaande lid, wijst de Minister van Economische Zaken een voorzitter van de commissie aan. 4. De Minister van Economische Zaken voorziet in het secretariaat van de commissie. 5. De Ministers en de Vereniging, bedoeld in het tweede lid, kunnen tevens voorzien in de plaatsvervanging van de door hen aangewezen leden van de commissie. 6. De commissie bestaat op het tijdstip van de inwerkingtredi"},{"i":6330,"b":"Wet van 18 april 2002 tot samenvoeging van de gemeenten Heerjansdam en Zwijndrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Heerjansdam en Zwijndrecht samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Heerjansdam en Zwijndrecht opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Zwijndrecht ingesteld, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 De nieuwe gemeente Zwijndrecht bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Heerjansdam en Zwijndrecht. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Zwijndrecht wordt de op te heffen gemeente Zwijndrecht aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Heerjansdam en Zwijndrecht wordt de nieuwe gemeente Zwijndrecht aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 6 1. Voor de nieuwe"},{"i":7882,"b":"Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen BES Artikel 1. Uitbreiding kring verzekerden De volgende personen, die de leeftijd van vijftien jaar, doch nog niet die van 27 jaar hebben bereikt en die niet op grond van [artikel 5, eerste lid, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=5) zijn verzekerd, zijn verzekerd op grond van de [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459): - a. het buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba wonende kind, voor wie degene, die voldoet aan [artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=5), recht heeft op kinderbijslag BES op grond van de [Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347); - b. het buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba wonende kind, voor wie een ingezetene van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba recht heeft op kinderbijslag BES op grond van de [Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347). Artikel 2. Beperking kring verzekerden Niet verzekerd op grond van de [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) is: - a. de ingezetene, die buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba in dienstbetrekking arbeid verricht en ten aanzien van die arbeid op grond van een een in het land, waar hij werkt, geldende wettelijke regeling voor de geldelijke gevolgen van ouderdom is verzekerd; - b. degene, die niet geacht kan worden blijvend binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba te wonen en die voor binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van bij ministeriële regeling aan te wijzen internationale organisaties; - c. degene, voor wie bij ministeriële rege"},{"i":9847,"b":"Wet van 21 april 2011 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van richtlijn nr. 2007/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 september 2007 tot wijziging van Richtlijn 92/49/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2002/83/EG, 2004/39/EG, 2005/68/EG en 2006/48/EG wat betreft procedureregels en evaluatiecriteria voor de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van deelnemingen in de financiële sector (PbEU L 247) (Wet implementatie richtlijn deelnemingen in de financiële sector) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is dat [richtlijn nr. 2007/44/EG](32007L0044) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 september 2007 tot wijziging van [Richtlijn 92/49/EEG](31992L0049) van de Raad en de [Richtlijnen 2002/83/EG](32002L0083), [2004/39/EG](32004L0039), [2005/68/EG](32005L0068) en [2006/48/EG](32006L0048) wat betreft procedureregels en evaluatiecriteria voor de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van deelnemingen in de financiële sector (PbEU L 247) in de Nederlandse wetgeving wordt omgezet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Een mededeling die is afgegeven op grond van [artikel 3:108, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:108) wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als verklaring van geen bezwaar, verleend op grond van [artikel 3:95, eerste lid, onderdeel a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:95). Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie richtlijn deelnemingen in de financiële sector. Artikel IV Deze wet treedt in werking me"},{"i":5025,"b":"Nevenfunctie-circulaire 1995 1. Inleiding In verband met de naderende verkiezingen van de provinciale staten op 8 maart a.s. informeer ik u hierbij over het beleid ten aanzien van de melding, openbaarmaking en vergoeding voor werkzaamheden in het kader van nevenfuncties door commissarissen van de Koningin, gedeputeerden en statenleden. In de [brief van 18 februari 1994](onbekend) (nr. BW94/U336-BK94/479) van de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken is deze circulaire U reeds toegezegd. De noodzaak voor deze circulaire is gelegen in het feit dat een aantal nieuwe artikelen ter zake in de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) per 1 januari 1994 is opgenomen en anderzijds uit het vervallen per medio 1992 van de [circulaire van 25 juli 1988](onbekend) (B88/U524) met betrekking tot melding en openbaarmaking van nevenfuncties van personen die een openbaar ambt vervullen. Hierdoor kan bij bestuurders onduidelijkheid ontstaan over hoe ten aanzien van nevenfuncties gehandeld dient te worden. De tekst van de circulaire is zowel gebaseerd op de [circulaire van 18 februari 1994](onbekend) die aan de gemeenten is gezonden, als op praktijkvoorbeelden, zoals deze zich hebben voorgedaan in gemeenten sinds de gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar. De circulaire is als volgt opgebouwd. In paragraaf 2 worden de bepalingen uit de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) ten aanzien van de melding, openbaarmaking en vergoeding voor werkzaamheden van nevenfuncties vermeld, alsmede de bepalingen ter zake uit de [Wet gemeenschap- pelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) (Wgr). In paragraaf 3 ga ik in op het vervullen van nevenfuncties door bestuurders. Voor zover er ten aanzien van de commissaris van de Koningin, de gedeputeerden en de statenleden gemeenschappelijke, overeenkomstige bepalingen gelden, worden die in algemene, samenvattende zin behandeld. In onderdeel 2 van paragraaf 3 wordt nader in"},{"i":5076,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 december 2013, houdende de inrichting van de directie Bestuursondersteuning alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Bestuursondersteuning (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie BO SZW 2013) § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de directie BO:** de directie Bestuursondersteuning van het ministerie; - b. **de directeur:** de directeur Bestuursondersteuning; - c. **de afdelingshoofden:** het hoofd van de afdeling Kabinetszaken, Managementondersteuning en Stukkenverkeer (KMS), het hoofd van de afdeling Supportteam Innovatie (SI) en het hoofd van de afdeling Bestuursadvies (BA); - d. **de teamleider:** de teamleider die ressorteert onder het Hoofd Kabinetszaken, Managementondersteuning en Stukkenverkeer. § 2. Organisatie Artikel 2 De directie BO bestaat uit de volgende onderdelen: - a. de afdeling Bestuursadvies; - b. de afdeling Kabinetszaken, Managementondersteuning en Stukkenverkeer; - c. de afdeling Supportteam Innovatie; - d. Programmateams. § 3. Verantwoordelijkheden Artikel 3 Het hoofd van de afdeling Bestuursadvies is verantwoordelijk voor de volgende algemene taken: - a. het waarborgen van de kwaliteit, de samenhang en de tijdigheid van de ambtelijke advisering en het bevorderen van integrale besluitvorming; - b. het beoordelen en zo nodig van commentaar voorzien van stukken ten behoeve van de leden van de Bestuursraad SZW en de bewindspersonen; - c. het gevraagd en ongevraagd adviseren en ondersteunen van de leden van de Bestuursraad SZW en de bewindspersonen; - d. het adviseren over (mogelijke) belangrijke politieke ontwikkelingen op de kortere termijn en bijdragen aan de reflectie op ontwikkelingen op de middellange termijn; - e. het ondersteunen van de leiding in het bevorderen van de samenwerking binnen het departement en het leggen van verbindingen en het sturen op voortgang"},{"i":4909,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 april 2023, OWB/38021585, houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in verband met de subsidieverstrekking inzake de Subsidieregeling matching Horizon Europe (Mandaatbesluit RVO inzake Subsidieregeling matching Horizon Europe) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), en [10:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Gezien de instemming van de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van 19 april 2023, kenmerk MD202323INSTAC; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Subsidieregeling matching Horizon Europe in werking treedt. Artikel 1 Aan de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna: RVO), verder te noemen de algemeen directeur, wordt mandaat verleend tot: - a). het nemen van besluiten namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, ter uitvoering van de [Subsidieregeling matching Horizon Europe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048107), en - b). het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 Aan de algemeen directeur wordt volmacht en machtiging verleend tot: - a). het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en ter uitvoering van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048108&artikel=1&z=2023-04-29&g=2023-04-29) bedoelde besluiten; - b). het indienen van verweer- en beroepschriften in bestuursrechtelijke procedures, inclusief het aantekenen van hoger beroep, het vertegenwoordigen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap"},{"i":6284,"b":"Wet van 30 juni 2005 tot samenvoeging van de gemeenten Katwijk, Rijnsburg en Valkenburg Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Katwijk, Rijnsburg en Valkenburg samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Katwijk, Rijnsburg en Valkenburg opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Katwijk ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Katwijk, Rijnsburg en Valkenburg, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Katwijk wordt de op te heffen gemeente Katwijk aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Katwijk, Rijnsburg en Valkenburg wordt de nieuwe gemeente Katwijk aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5 1. Voor de nieuwe gemeente Katwijk wordt een"},{"i":9850,"b":"Wet van 10 juli 2023 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de aanpassing van de kleineondernemersregeling (Wet implementatie Richtlijn kleineondernemersregeling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk en wenselijk is de wetgeving inzake de omzetbelasting aan te passen overeenkomstig [Richtlijn (EU) 2020/285](32020L0285) van de Raad van 18 februari 2020 tot wijziging van [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen en [Verordening (EU) nr. 904/2010](32010R0904) betreffende de administratieve samenwerking en uitwisseling van inlichtingen voor doeleinden van toezicht op de juiste uitvoering van de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen (PbEU 2020, L 62); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel II 1. De ondernemer die in Nederland is gevestigd en die met ingang van 1 januari 2025 de vrijstelling, bedoeld in [artikel 25a, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](onbekend), zoals dat artikel komt te luiden na inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048552&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01), wil toepassen, doet hiervan melding bij de inspecteur uiterlijk op 3 december 2024. De melding geschiedt op een door de inspecteur voorgeschreven wijze en bevat ten minste de jaaromzet in Nederland tijdens het kalenderjaar 2024 tot het tijdstip waarop de melding wordt gedaan. De inspecteur kan bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat de ondernemer niet in aanmerking komt voor toepassing van de vrijstelling, indien aannemelijk is dat niet zal worden voldaan aan de gest"},{"i":9851,"b":"Wet van 20 december 2017 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 en van verordening nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter uitvoering van richtlijn nr. 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van [richtlijn 2002/92/EG](32002L0092) en [richtlijn 2011/61](32011L0061)/EU (herschikking) (PbEU 2014, L 173) en verordening nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2014, L 173); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel IV Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel V Wijzigt de Wet giraal effectenverkeer. Artikel VI Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel VII Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VIII Een beleggingsonderneming met een zetel in een staat die geen lidstaat is die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beschikt over een vergunning om in Nederland beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten en geen bijkantoor in Nederland heeft, behoeft tot 1 januari 2019 niet te vo"},{"i":6200,"b":"Wet van 8 april 2016 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid van een civielrechtelijk bestuursverbod (Wet civielrechtelijk bestuursverbod) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met bestrijding van faillissementsfraude wenselijk is de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) te wijzigen om de mogelijkheid van de oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod in te voeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Faillissementswet. Artikel II [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037864&artikel=I&z=2016-07-01&g=2016-07-01) is van toepassing op een faillissement dat na de inwerkingtreding van deze wet is uitgesproken, alsmede op feiten en omstandigheden die na de inwerkingtreding van deze wet zijn gelegen. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet civielrechtelijk bestuursverbod. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":14321,"b":"Regeling houdende wijziging van de Regeling opvang asielzoekers Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling opvang asielzoekers Artikel II Met betrekking tot gedoogden, voor wie een bijdrage is verstrekt voor beroepsoriëntatie en -scholing op de voet van de overeenkomst, zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van deze wijziging, wordt geen bijdrage verstrekt in de kosten van een opvangprogramma. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zijn wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 1993. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11916,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 6 september 2016, nr. WJZ/16132642, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap inzake de keuze voor het instrument veiling van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep kavels B27 en B31, de vaststelling van die ontwerp-vergunningen, en de vaststelling van de daaraan te koppelen ontwerp-vergunningen voor digitale radio-omroep Gelet op [artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10) en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor de niet-landelijke commerciële radio in de FM-band met de daaraan, voor zover nu reeds mogelijk, te verbinden voorschriften en beperkingen, genoemd in tabel 1, worden verleend met toepassing van een veiling, bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). | Kavel | Bijlage | | --- | --- | | **B27** | [1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038505&bijlage=1&z=2016-09-13&g=2016-09-13) | | **B31** | [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038505&bijlage=2&z=2016-09-13&g=2016-09-13) | Artikel 2 De procedure van de veiling vangt aan op 15 september 2016. Artikel 3 De vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038505&artikel=1&z=2016-09-13&g=2016-09-13), zijn nader bestemd voor niet-landelijke commerciële radio-omroep. Artikel 4 De voorschriften en beperkingen behorende bij de aan de vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038505&artikel=1&z=2016-09-13&g=2016-09-13), te koppelen vergunningen voor digitale radio-omroep worden, voor zover dat nu reeds mogelijk is, vastgesteld in de [bijlagen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038505&bijlage=3&z=2016-09-13&g=2016-09-13) respectiev"},{"i":11917,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 14 augustus 2017, nr. TM/ 17124060, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, inzake de keuze voor het instrument veiling van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep kavels B30, B32 en B33, de vaststelling van die vergunningen, en de vaststelling van de daaraan te koppelen vergunningen voor digitale radio-omroep Gelet op [artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10) en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio in de FM-band met de daaraan, voor zover nu reeds mogelijk, te verbinden voorschriften en beperkingen, genoemd in tabel 1, worden verleend met toepassing van een veiling, bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). | Kavel | Bijlage | | --- | --- | | **B30** | [1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039919&bijlage=1&z=2017-08-25&g=2017-08-25) | | **B32** | [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039919&bijlage=2&z=2017-08-25&g=2017-08-25) | | **B33** | [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039919&bijlage=3&z=2017-08-25&g=2017-08-25) | Artikel 2 De procedure van de veiling vangt aan op 28 augustus 2017. Artikel 3 De vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039919&artikel=1&z=2017-08-25&g=2017-08-25), zijn nader bestemd voor niet-landelijke commerciële radio-omroep. Artikel 4 De voorschriften en beperkingen behorende bij de aan de vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039919&artikel=1&z=2017-08-25&g=2017-08-25), te koppelen vergunningen voor digitale radio-omroep worden, voor zover dat reeds mogelijk is, vastgesteld in de [bijlagen 4](https://w"},{"i":5031,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 29 juni 2016, nr. 914558, houdende regels inzake de verlening van mandaat en machtiging aan Stichting EP-Nuffic in verband met de Europese beroepskaartprocedure (OCW-mandaatbesluit Europese beroepskaartprocedure voor niet in Nederland gereglementeerde beroepen) Gezien de [artikelen 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [14, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=14) en [30b van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=30b); Gezien ook Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983 van de Commissie van 24 juni 2015 betreffende de procedure voor de afgifte van de Europese beroepskaart en de toepassing van het waarschuwingsmechanisme overeenkomstig [Richtlijn 2005/36/EG](32005L0036) van het Europees Parlement en de Raad; Besluit: Artikel 1. Verlening mandaat Aan de bestuurder van stichting EP-Nuffic wordt mandaat en machtiging verleend voor het in behandeling nemen van aanvragen, het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen in verband met de uitvoering van hetgeen krachtens [artikel 30b van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=30b) is bepaald alsmede in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983 van de Commissie van 24 juni 2015 betreffende de procedure voor de afgifte van de Europese beroepskaart en de toepassing van het waarschuwingsmechanisme overeenkomstig [Richtlijn 2005/36/EG](32005L0036) van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2015, L159). Artikel 2. Bezwaar Aan de bestuurder van stichting EP-Nuffic wordt tevens mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaarschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038240&artikel=1&z=2018-06-21&g=2018-06-21), waaron"},{"i":5032,"b":"Besluit van 3 juli 2018, houdende procedurele regels en regels over algemene onderwerpen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsbesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2017, nr. IenM/BSK-2017/167181, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op het Europees landschapsverdrag, de habitatrichtlijn, de grondwaterrichtlijn, de kaderrichtlijn afvalstoffen, de kaderrichtlijn mariene strategie, de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning, de kaderrichtlijn water, het Londen-protocol, de mer-richtlijn, het PRTR-protocol, de PRTR-verordening, de richtlijn havenontvangstvoorzieningen, de richtlijn industriële emissies, de richtlijn inspraak en toegang tot de rechter, de richtlijn luchtkwaliteit, de richtlijn omgevingslawaai, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn stedelijk afvalwater, de richtlijn storten afvalstoffen, de richtlijn toegang tot milieu-informatie, de richtlijn winningsafval, het SEA-protocol, de Seveso-richtlijn, de smb-richtlijn, het verdrag van Aarhus, het verdrag van Espoo, het verdrag van Granada, het verdrag van Valletta, het VN-Zeerechtverdrag, de vogelrichtlijn, het werelderfgoedverdrag, de zwemwaterrichtlijn en de [artikelen 2.20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.20), [4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [5.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.7), [5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.9), [5.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.10), [5.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.11), [5.12, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.12), [5.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":9853,"b":"Wet van 8 maart 2017, houdende implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315) Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de [richtlijn 2012/29](32012L0029)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU, 14 november 2012, L 315) noodzaakt tot wijziging van het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en enkele andere wetten: Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt de Wet tarieven in strafzaken. Artikel III Wijzigt de Waterschapswet. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI 1. Deze wet is van toepassing op alle op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet aanhangige strafzaken. 2. Anders dan in het eerste lid bepaald, is [artikel 51ac, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51ac), van toepassing op strafzaken waarin het opsporingsonderzoek begint op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet, voor zover het genoemde lid andere strafbare feiten betreft dan bedoeld in [artikel 51e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51e). Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevele"},{"i":4994,"b":"Motiveringsplicht bij huurverhoging van meer dan het inflatiepercentage Geacht College, 1. Inleiding In mijn [circulaire van 18 februari 2000](onbekend) (MG 2000-03) heb ik u geïnformeerd over het huurbeleid voor de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2001. Eén van de elementen die in die [circulaire](onbekend) nader is toegelicht, betrof het voornemen van de regering om de grens, boven welke de verhuurder een huurverhoging nader moet motiveren, te verlagen van 5,5 naar 2,2% (inflatie). In die [circulaire](onbekend) heb ik aangegeven dat daartoe een wetsvoorstel1Wijziging van de [Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221) en van [de wet van 19 juni 1996 tot wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte, de Wet op de huurcommissies en de Wet individuele huursubsidie in verband met de zogenaamde huursombenadering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008111) (Stb. 323) (wijziging percentages) (kamerstukken I, 1999-2000, 27 063, nr. 230). in procedure was gebracht. Op 30 mei 2000 heeft de Eerste Kamer met dit wetsvoorstel ingestemd. In het overleg met de Tweede en Eerste Kamer is ook de wijze waarop de huurverhoging gemotiveerd moet worden, uitdrukkelijk een punt van aandacht geweest. Hierbij ging het om mijn voornemen de individuele huurder inzicht te geven in het huurprijs-, onderhouds- en verbeteringsbeleid van de verhuurder dat op de door hem gehuurde woning van toepassing is. In zowel de Tweede als de Eerste Kamer is de wenselijkheid van het uitvoerig informeren van de individuele huurder over deze onderwerpen onderschreven. Naar aanleiding van de beraadslaging in de Eerste Kamer en de korte voorbereidingstijd voor verhuurders om aan deze extra motivering vorm te geven, heb ik evenwel besloten voor het eerstkomende huurverhogingsjaar (1 juli 2000 tot en met 30 juni 2001) deze aanvullende informatie nog niet voor te schrijven, maar pas voor de periode vanaf 1 juli 2001 hiervoor een gewijzigd formulier vast te stellen. Ik lic"},{"i":5277,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 november 2007, nr. DLZ/SFI-2817774, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake voorbereiding invoering zorgzwaartepakketten AWBZ 2009 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 1 november 2007 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2007–2008, 26 631, nr. 231); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat en die wordt geleverd door instellingen die zijn toegelaten voor de functie verblijf, in combinatie met de functies persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als omschreven in het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149). Artikel 2 Deze aanwijzing strekt tot voorbereiding van de invoering van een bekostigingswijze op grond van zorgzwaartepakketten voor zorg als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023018&artikel=1&z=2007-12-14&g=2007-12-14). De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, werkt voor zover mogelijk de bekostigingsprincipes uit in ontwerpen voor beleidsregels. Waar nodig stelt de zorgautoriteit regels vast. Artikel 3 De zorgautoriteit: - a. stelt ontwerp-prestatiebeschrijvingen vast voor te onderscheiden zorgzwaartepakketten; - b. stelt ontwerp-tarieven vast als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder a, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57), die ten hoogste in rekening zouden mogen worden gebracht voor de prestatiebeschrijvingen als bedoeld onder a, verder te noemen ZZP-tarieven; - c. verplicht instellingen en AWBZ-verzekeraars gezamenlijk, volgens doo"},{"i":9854,"b":"Wet van 9 maart 2018 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet marktordening gezondheidszorg, de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling ter implementatie van de richtlijn nr. 2016/97/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (herschikking) (PbEU 2016, L 26) (Wet implementatie richtlijn verzekeringsdistributie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van richtlijn nr. 2016/97/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (herschikking) (PbEU 2016, L 26); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel III Wijzigt de Pensioenwet. Artikel IV Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel V Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VII Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie richtlijn verzekeringsdistributie. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":4902,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 september 2022, kenmerk 3424323-1033616-GMT, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in verband met de subsidieverstrekking inzake subsidiëring van activiteiten die binnen de reikwijdte van Important Projects of Common European Interest op het gebied van Health vallen (Mandaatbesluit Rijksdienst voor Ondernemend Nederland inzake de Subsidieregeling IPCEI Health) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de instemming van de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **algemeen directeur:** de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 Aan de algemeen directeur wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten op grond van de [Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455) en het verrichten van alle benodigde werkzaamheden, waaronder het tekenen van stukken, ter voorbereiding en uitvoering van de [Subsidieregeling IPCEI Health](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046873). Artikel 3 Aan de algemeen directeur wordt: - a. mandaat verleend tot het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049815&artikel=2&z=2024-06-19&g=2024-06-19), voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen; - b. machtiging verleend ten aanzien van verweer- en beroepschriften in administratieve procedures, het vertegenwoordigen van de Minister"},{"i":6121,"b":"Besluit van 28 maart 2023, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de veiligheid van attractie- en speeltoestellen (Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 maart 2022, kenmerk 2346444-1007078-WJZ; Gelet op de [artikelen 1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1), [4, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [5, eerste, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7), [7a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7a), [8, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [9, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=9), [11a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=11a), [13d, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13d), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14), [19, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=19), en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 juni 2022, no. W13.22.00034/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 maart 2023, kenmerk 3396870-1007078-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aangewezen instelling:** een krachtens [artikel 7a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7a) met betrekking tot de keuring van attractie- en speeltoestellen aangewezen instelling; - –. **attractietoestel:** al dan niet permanent geïnstalleerde inrichti"},{"i":7005,"b":"Europese Overeenkomst betreffende personen die deelnemen aan procedures voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens De Lidstaten van de Raad van Europa, die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Gelet op het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000), ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen „het Verdrag”); Gelet op de Europese Overeenkomst betreffende personen die deelnemen aan procedures voor de Europese Commissie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, ondertekend te Londen op 6 mei 1969; Gelet op Protocol nr. 11 bij het Verdrag inzake herstructurering van het bij het Verdrag ingestelde controlemechanisme, ondertekend te Straatsburg op 11 mei 1994 (hierna te noemen „Protocol nr. 11 bij het Verdrag”), dat een permanent Europees Hof voor de Rechten van de Mens instelt (hierna te noemen „het Hof”), dat de Europese Commissie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens vervangt; Overwegende, in het licht van deze ontwikkeling, dat het voor een betere verwezenlijking van de doelstelling van het Verdrag raadzaam is dat personen die deelnemen aan procedures voor het Hof bepaalde immuniteiten en faciliteiten worden verleend door een nieuwe Overeenkomst, de Europese Overeenkomst betreffende personen die deelnemen aan procedures voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna te noemen „deze Overeenkomst”), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De personen op wie deze Overeenkomst van toepassing is, zijn: - a. personen die deelnemen aan procedures aanhangig gemaakt bij het Hof als partij, als vertegenwoordiger of adviseur van een partij; - b. getuigen en deskundigen opgeroepen door het Hof, alsmede andere personen die door de President van het Hof zijn uitgenodigd om deel te nemen aan procedures. 2. In deze Overeenkomst wordt onder de term „Hof\" mede verstaan comités, Kamers, een college van de Grote Kamer, de Grote Kamer en de rechte"},{"i":9855,"b":"Wet van 15 juli 2016 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet handhaving consumentenbescherming, de Wet op de economische delicten en het Wetboek van strafvordering in verband met de implementatie van Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (PbEU 2014, L 173) en Richtlijn nr. 2014/57/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik (PbEU 2014, L 173) (Wet implementatie verordening en richtlijn marktmisbruik) Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel Ia Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel V Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel VI 1. Op overtredingen van de bij of krachtens de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) gestelde regels, die plaatsvonden voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038407&artikel=I&z=2016-08-11&g=2016-08-11), zijn de [artikelen 1:81 tot en met 1:83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81) niet van toepassing. Op die overtredingen blijft artikel 1:81 van de Wet op het financieel toezicht van toepassing zoals dat artikel luidde voor dat tijdstip. 2. Op besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie wegens overtreding van bij of krachtens de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) gestelde regels, die zijn genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038407&artikel=I&z=2016-08-11&g=2016-08-11), blijven de [artikelen 1:97 tot en met 1:101 van de Wet op h"},{"i":13262,"b":"Wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale onderhoudswet 2010) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2010 wenselijk is in een aantal wetten technische en redactionele verbeteringen alsmede enkele wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IIIa Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel IV Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel IVa Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel V Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel VI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VIII Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel IX Wijzigt de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling. Artikel X Wijzigt het Belastingplan 2009. Artikel XI Wijzigt de Wet werken aan winst. Artikel XII Wijzigt de Wijzigingswet Wet inkomstenbelasting 2001, enz. (Fiscale Onderhoudswet 2009). Artikel XIII Wijzigt de Aanpassingswet burgerservicenummer. Artikel XIV Deze wet treedt, zo nodig met terugwerkende kracht, in werking met ingang van 1 januari 2010, met dien verstande dat: - a. [artikel II, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026986&artikel=II&z=2011-01-01&g=2011-01-01), terugwerkt tot en met 28 december 2000; - b. [artikel I, onderdeel Be](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026986&artikel=I&z=2011-01-01&g=2011-01-01), terugwerkt tot en met 1 januari 2001; - c. [artikel I, onderdelen 0Aa, A en B](https://wetten.ov"},{"i":6444,"b":"Besluit van 6 juli 2011, houdende wijziging van het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied fysiotherapeut (herformulering opleidingseisen en regeling directe toegankelijkheid) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 april 2011, DWJZ/JBA&J-3061122; Gelet op de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=28) en [29, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=29); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 juni 2011, no. W13.11.0152/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 juni 2011, DWJZ/JBA&J-3071018; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied fysiotherapeut. Artikel II Een bevoegdheid tot inschrijving in het register van fysiotherapeuten, bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorgzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3), komt ook na inwerkingtreding van dit besluit toe aan de houder van een getuigschrift dat: - a. is behaald voor de inwerkintreding van dit besluit, en - b. voldoet aan de vereisten, gesteld in het [Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied fysiotherapeut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008962), zoals dat luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2011, met dien verstande dat de [onderdelen D, E en F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030268&artikel=I&z=2011-08-01&g=2011-08-01) terugwerken tot en met 1 januari 2006. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":9856,"b":"Wet van 23 december 2015 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 in verband met de implementatie van aanpassingen in de Moeder-dochterrichtlijn (Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de deelnemingsvrijstelling en -verrekening in de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) aan te passen overeenkomstig [Richtlijn 2014/86](32014L0086)/EU van de Raad van 8 juli 2014 tot wijziging van [Richtlijn 2011/96](32011L0096)/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2014, L 219) en dat het noodzakelijk is de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de [Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515) aan te passen ter implementatie van de antimisbruikbepaling uit [Richtlijn 2015/121](32015L0121)/EU van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van [Richtlijn 2011/96](32011L0096)/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2015, L 21); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":3947,"b":"Besluit van 25 oktober 1994, houdende vaststelling van regels ten aanzien van de rangen van de politie Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 1 juni 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nummer EA94/U1612, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, nummer 439825/594/GBJ; Gelet op [artikel 51 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=51); De Raad van State gehoord (advies van 27 juni 1994, nummer W04.94.0339); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 10 oktober 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nummer EA94/2256; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Voor de ambtenaren, bedoeld in [artikel 2 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of zijn belast met de opsporing van alle strafbare feiten, gelden de volgende rangen: - a. eerste hoofdcommissaris; - b. hoofdcommissaris; - c. commissaris; - d. hoofdinspecteur; - e. inspecteur; - f. brigadier; - g. hoofdagent; - h. agent; - i. surveillant van politie; - j. aspirant. 2. Een in het eerste lid eerdergenoemde rang is hoger dan een later genoemde rang. Artikel 2 1. De volgende rangen zijn verbonden aan de volgende functies: - a. aspirant voor degene die op grond van de [artikelen 3, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=3), [3bis, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=3bis), of [3a van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=3a) is aangesteld als aspirant, vrijwilliger-aspirant, ambtenaar in opleiding ondersch"},{"i":9857,"b":"Wet van 20 april 1994, houdende bepalingen inzake niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of van het Europees Parlement uit te oefenen openbare betrekkingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op [artikel 57, vierde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=57) (**Stb.** 1987, 458) wenselijk is te bepalen welke andere openbare betrekkingen dan de in de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) vermelde niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal kunnen worden uitgeoefend, alsmede ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Akte betreffende de rechtstreekse verkiezing van de leden van het Europees Parlement (**Trb.** 1976, 175) nadere bepalingen op te nemen over het verenigen van openbare betrekkingen met het lidmaatschap van het Europees Parlement en voorts rechtspositionele voorzieningen te treffen voor gevallen waarin bepaalde openbare betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten-Generaal of met dat van het Europees Parlement kunnen worden uitgeoefend; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn: - a. Nationale ombudsman of substituut-ombudsman; - b. plaatsvervangend procureur-generaal bij de Hoge Raad. 2. De volgende ambten kunnen niet gelijktijdig worden uitgeoefend met het lidmaatschap van de Staten-Generaal: - a. commissaris van de Koning; - b. militair ambtenaar in werkelijke dienst; - c. ambtenaar bij de Raad van State, de Algemene Rekenkamer of het bureau van de Nationale ombudsman; - d. ambtenaar bij een ministerie, alsmede de daaronder ressorterende instellingen, diensten en bedrijven; - e. lid van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen"},{"i":5304,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 september 2006, nr. DMO/PO-U-2707742, houdende vaststelling van het totaalbedrag van de bijdragen 2006 in het kader van het Besluit bijdrage AWBZ-gemeenten (Regeling bijdrage AWBZ-gemeenten 2006) Gelet op [artikel 2, vierde lid, van het Besluit bijdrage AWBZ-gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013062&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Het totaalbedrag van de bijdragen, bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bijdrage AWBZ-gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013062&artikel=1), bedraagt voor het kalenderjaar 2006 € 23.321.099,–. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bijdrage AWBZ-gemeenten 2006. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5940,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 november 2019, kenmerk 1596789-197231-Z, houdende vaststelling van een tweede nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2019 Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2019 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 5,812 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Nadere Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042285&artikel=1). Artikel 2 Van het in artikel 1 genoemde bedrag is € 3,709 miljoen bestemd voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) en € 2,103 miljoen voor de overige bij of krachtens die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken van Wlz-uitvoerders. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7078,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden (de Benelux-staten) en de Republiek Kosovo betreffende de terug- en overname van onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende personen en haar Uitvoeringsprotocol Het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, die krachtens de bepalingen van de op 11 april 1960 gesloten Benelux-Overeenkomst gemeenschappelijk optreden (de BENELUX-Staten), en de Republiek Kosovo, hierna genoemd „de Partijen”, Ernaar strevend de samenwerking tussen de Partijen te bevorderen en de onderlinge communicatie te verbeteren teneinde beter uitvoering te geven aan de wetgeving en regelgeving inzake het personenverkeer, Ernaar strevend hun gezamenlijke wens strekkende tot het efficiënt bestrijden van de illegale immigratie van Benelux-onderdanen of Kosovaarse staatsburgers alsmede van de onderdanen van een derde Staat te herbevestigen, Ernaar strevend de internationaalrechtelijke verplichting tot terugname van eigen onderdanen ten uitvoer te brengen, en met name [artikel 12, lid 4, van het internationale Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001017&artikel=12), Ernaar strevend een verplichting tot overname van de onderdanen van een derde Staat tussen de Partijen tot stand te brengen, onder de voorwaarden in deze Overeenkomst genoemd, Ernaar strevend, op basis van wederkerigheid, de terug- en overname van personen die onregelmatig op het grondgebied van een andere Partij zijn binnengekomen en/of verblijven, en de doorgeleiding van te verwijderen personen te vergemakkelijken, Bezorgd dat deze terug- en overname snel en veilig moet plaatsvinden, volgens procedures die de menselijke waardigheid waarborgen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Definities en werkingssfeer Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - 1. „grondgebied”: - –. voor de Benelux-S"},{"i":6172,"b":"Besluit van 8 juni 1998, houdende het Warenwetbesluit Vlees, gehakt en vleesproducten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 oktober 1997, nr. GZB/VVB/975553, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op beschikking nr. 97/534/EG van de Commissie van 30 juli 1997 houdende verbod, in verband met overdraagbare spongiforme encefalopathieën, op het gebruik van risicomateriaal (PbEG L 216), op artikel 11, eerste lid, van de Wijzigingswet 1988 Warenwet, alsmede op [artikel 4, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [artikel 8, onder b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12) en [artikel 14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14); De Raad van State gehoord (advies van 18 december 1997, no. W13.97.0642); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 juni 1998 met nummer GZB/VVB/982331, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1:. algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **slachtdier:** runderen (de soorten Bubalus bubalis en Bison bison daaronder begrepen), varkens, schapen, geiten en eenhoevigen en niet-gedomesticeerde landzoogdieren, niet zijnde lagomorfen, die in gevangenschap zijn gekweekt, gehouden en geslacht; - b. **vlees:** alle voor menselijke consumptie geschikte delen van als landbouwhuisdier gehouden slachtdieren; - c. **separatorvlees:** vlees dat machinaal is afgescheiden van beenderen met daaraan vastzittend vlees; - d. **gehakt vlees:** vlees dat in kleine stukken is gehakt of door een gehaktmolen is gehaald; - e. **kruiderijen:** zout voor mensel"},{"i":6893,"b":"Besluit Inkoopkader Individuele Re-integratieovereenkomst UWV 2016 Gelet op het bepaalde in [artikel 4.6 van de Regeling SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013280&artikel=4.6); Besluit: Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert per 1 juli 2016 bij het uitvoeren van de individuele re-integratieovereenkomst de voorwaarden zoals opgenomen in het Inkoopkader 2016-2020 Re-integratiediensten voor klanten met een AG- of ZW-uitkering. Het Inkoopkader is te benaderen via www.uwv.nl/zakelijk. Artikel 2 Het [Besluit Inkoopkader Individuele Re-integratieovereenkomst UWV 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033352), gepubliceerd in de **Staatscourant** van 30 april 2013, nummer 11203, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2016. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Inkoopkader Individuele Re-integratieovereenkomst UWV 2016. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":6157,"b":"Besluit van 21 januari 2011, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit speelgoed 2011 Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 november 2010, kenmerk VGP/VC 3035418, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Veiligheid en Justitie; Gelet op [richtlijn nr. 2009/48/EG](32009L0048) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (PbEU L 170), alsmede op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7a), [8, onderdelen a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [9, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=9), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12) , [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13) en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 december 2010, nr. W13.10.1541/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 januari 2011, VGP/VC 3044644, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Veiligheid en Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **richtlijn 2009/48/EG:** [richtlijn nr. 2009/48/EG](32009L0048) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (PbEU L 170); - b. **speelgoed:** hetgeen [richtlijn 2009/48/EG](32009L0048) daaronder verstaat; - c. **fabrikant:** hetgeen [richtlijn 2009/48/EG](32009L0048) daaronder verstaat; - d. **gemachtigde:** hetgeen [richtlijn 2009/48/EG](32009L0048) daaronder verst"},{"i":5127,"b":"Besluit van 25 maart 2009, houdende regels betreffende de postale dienstverlening (Postbesluit 2009) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 november 2007, nr. WJZ 7137300; Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=2), [15, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=15), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=17), [29, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=29), en [65, tweede lid, van de Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=65); De Raad van State gehoord (advies van 7 december 2007, nr. W.10.07.450/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 24 maart 2009, nr. WJZ / 9054333; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Postwet 2009 in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572); - b. **vergoeding:** de vergoeding, bedoeld in [artikel 64, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=64); - c. **enkelstukstarief:** het overeenkomstig de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=24) en [25 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=25) vastgestelde tarief voor het postvervoer ten aanzien van afzonderlijke poststukken van een bepaalde soort binnen een bepaalde gewichtsklasse of voor afzonderlijke postvervoerdiensten; - d. **relevante omzet:** de in een bepaald kalenderjaar door een postvervoerbedrijf, met het verrichten van postvervoerdiensten binnen Nederland gerealiseerde omzet; - e. **postpakket:** een geadresseerd verpakt poststuk, dat zaken, niet zijnde brieven, bevat. Artikel 2 Als ander geadresseerd stuk als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, o"},{"i":4996,"b":"Mutaties gegarandeerde leningen eigen woningen met toepassing van de rijksdeelneming Circulaire aan de Colleges van Burgemeester en Wethouders De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Geacht College, Met mijn [circulaire MG 94-40](onbekend), van 25 november 1994, informeerde ik U inzake de intrekking van de [Regeling deelneming in garanties woninggebonden subsidies](onbekend) met ingang van 1 januari 1995. In de regeling en de daarbij behorende toelichting is onder andere aangegeven hoe er dient te worden gehandeld bij verzoeken om een opvolgende garantie, alsmede bij overige mutaties in reeds lopende gemeentegaranties met rijksdeelneming. Ten aanzien van een opvolgende garantie staat daarover in de regeling ([artikel IV](onbekend)) bepaald, dat het Rijk slechts deelneemt in het verlies dat voortvloeit uit een besluit van de gemeente tot een opvolgende garantie, indien het inkomen van de aanvrager getoetst is door de gemeente overeenkomstig de normen gesteld door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW). In de toelichting op dat artikel, waarin tevens staat aangegeven hoe te handelen bij verzoeken om overige mutaties in reeds lopende gemeentegaranties met rijksdeelneming, wordt evenwel gesproken over het door de gemeente laten uitvoeren van een toets (op basis van de normen van eerder genoemde stichting) door de financier bij wie de eigenaar-bewoner de desbetreffende lening destijds heeft afgesloten. Hierdoor is onduidelijkheid ontstaan over de vraag welke instantie er nu dient te toetsen bij verzoeken om een opvolgende garantie, danwel bij overige mutaties in reeds lopende gemeentegaranties met rijksdeelneming. Bovendien wordt inmiddels de noodzaak van een toets bij elke mutatie in twijfel getrokken. Reden waarom ik in overleg met de VNG en het WEW heb besloten de [regeling tot intrekking van de Regeling deelneming in garanties woninggebonden subsidies](onbekend), alsmede de daarbij behorende toelichting, met terugwerkende kracht tot en"},{"i":7876,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2015 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op 9,50%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035869&artikel=1&z=2015-01-01&g=2015-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op 8,40%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2015. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":9862,"b":"Wet van 30 september 2004 tot wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet openbaarheid van bestuur en enige andere wetten (Wet uitvoering Verdrag van Aarhus) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat wettelijke voorzieningen moeten worden getroffen ter uitvoering van het op 25 juni 1998 te Aarhus (Denemarken) totstandgekomen Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, door middel van wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet openbaarheid van bestuur en enige andere wetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wet openbaarheid van bestuur. Artikel III Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel IV Wijzigt de Archiefwet 1995. Artikel V Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998. Artikel VI Wijzigt de Wet op de waterhuishouding. Artikel VII Wijzigt de Wet rampen en zware ongevallen. Artikel VIII Op de ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet ingestelde beroepen tegen beschikkingen op grond van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) dan wel de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376), blijven de bepalingen van voornoemde wetten, zoals die luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing. Artikel IX Wijzigt de Wet openbaarheid van bestuur. Artikel X Wijzigt de Wijzigingswet Wet Nationale ombudsman en de Wet openbaarheid van bestuur. Artikel XI Wijzigt deze wet. Artikel XII Wijzigt het wetsvoorstel Wet kwaliteitsbevordering rampenbestrijding (28 644). Artikel XIII Wijzigt deze wet. Artikel XIV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministe"},{"i":9863,"b":"Wet Verdrag Chemische Wapens BES Hoofdstuk 1. Begripsomschrijving Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **verdrag:** het op 13 januari 1993 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens (Trb. 1993, 162); - b. **minister:** Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; - c. **stoffen:** chemische elementen en hun verbindingen, zoals zij voorkomen in hun natuurlijke toestand of bij produktie ontstaan, met inbegrip van additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit van het produkt en de onzuiverheden ten gevolge van het produktieprocédé; - d. **giftige stoffen:** stoffen die door hun fysische of chemische inwerking op levensprocessen van mensen en dieren de dood, tijdelijke functie-aantasting of blijvend letsel kunnen veroorzaken; - e. **precursoren:** chemische agens die zijn betrokken bij enigerlei stap in de produktie van een giftige stof, ongeacht de wijze van produktie, waartoe mede behoren hoofdbestanddelen van binaire of meerdere bestanddelen bevattende chemische systemen; - f. **chemische wapens:** - 1. giftige stoffen en hun precursoren, uitgezonderd die, bestemd voor ingevolge het verdrag niet verboden doeleinden, zolang de soorten en hoeveelheden met die doeleinden in overeenstemming zijn; en of - 2. munitie en andere inzetmiddelen, ontworpen om de dood of ander letsel te veroorzaken door de toxische eigenschappen van giftige stoffen, die kunnen vrijkomen als gevolg van het gebruik van zodanige munitie en andere inzetmiddelen; en of - 3. uitrusting ontworpen voor gebruik dat rechtstreeks verband houdt met het gebruik van munitie en andere inzetmiddelen; - g. **inrichting:** een inrichting als bedoeld in Afdeling I, onderdeel 6, van de Verificatiebijlage van het verdrag; - h. **fabriekscomplex fabriek en eenheid:** hetgeen daaronder wordt verstaan"},{"i":9869,"b":"Besluit van 12 oktober 2021 tot Wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 24 juni 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3396991; Gelet op [Richtlijn (EU) 2019/1937](32019L1937) van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PbEU 2019, L 305) en [artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=47); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 juli 2021, nr. W16.21.0164/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 7 oktober 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3530407; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop het voorstel van wet tot wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders en enige andere wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) en enige andere wijzigingen in werking treedt (Stb. 2023/29). Artikel I Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie. Artikel II [Paragraaf 2 van hoofdstuk VII.a van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&paragraaf=2) zoals die luidde op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op een melding van een vermoeden van een misstand die is gedaan voor de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Indien het bij koninklijke boodschap van 1 juni 2021 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de [Wet Huis voor klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852) en enige andere wetten ter implementatie van [Richtlijn (EU) 2019/1937](32019L1937) van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 ("},{"i":5146,"b":"Protocol Accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2021 **Bestuurlijke verantwoording 2021** 1. Inleiding 1.1. Algemeen Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben in het [Model Jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046809) (verder: model) voorschriften opgenomen voor de inrichting van de bestuurlijke verantwoording 2021 van het CAK. De regels voor het accountantsonderzoek en voor de inhoud en inrichting van het accountantsverslag hebben het Ministerie van VWS en de NZa vastgelegd in dit Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2021 (verder: protocol)1Op basis van artikel 31 van de Wmg kan de NZa regels stellen voor de inhoud en inrichting van de verklaring en van het accountantsverslag zoals bedoeld in artikel 4.3.1 van de Wlz. Artikel 6.2.6 (lid 1) van de Wlz geeft aan dat artikel 4.3.1 (lid 1 tot en met 4) van de Wlz van overeenkomstige toepassing is op het CAK.. Dit protocol geeft richtlijnen voor het door de externe accountant uit te voeren onderzoek naar de in de bestuurlijke verantwoording 2021 opgenomen matrices bestuurlijke verantwoording en financiële overzichten van de activa en passiva en toelichtingen daarop (verwezen wordt naar het [model paragraaf 2.1.1 ad 1 en 2](onbekend)). Het onderzoek betreft in de basis een controleopdracht conform Standaard 800 van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA). De overige onderdelen van de bestuurlijke verantwoording worden voor dit onderzoek aangemerkt als ‘andere informatie’ (verwezen wordt naar het model bij paragraaf 2.1.1 ad 3), waarop Standaard 720 van de NBA van toepassing is. In de bestuurlijke verantwoording legt het CAK verantwoording af met betrekking tot de uitvoering van 7 taken en regelingen. Hiervan is een aantal reeds afgeschaft en vindt enkel nog de afwikkeling plaats door het CAK. Dit betreft: **Aflopende regelingen:** **D"},{"i":9871,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 25 maart 2021, Min-BuZa.2021.7692-21, tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 8 september 2016, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidieverstrekking voor activiteiten van MKB-ondernemingen gericht op de bevordering van duurzaam internationaal ondernemen, en tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 20 november 2020, Min-BuZa.2020.6142-19, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidieverstrekking voor activiteiten van MKB-ondernemingen gericht op de bevordering van duurzaam internationaal ondernemen en tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 8 september 2016, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidieverstrekking voor activiteiten van MKB-ondernemingen gericht op de bevordering van duurzaam internationaal ondernemen (Wijziging Vouchers internationaal ondernemen) Gelet op de [artikelen 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond voor subsidieverstrekking activiteiten MKB-ondernemingen (bevordering van duurzaam internationaal ondernemen (Vouchers internationaal ondernemen)). Artikel II Wijzigt het Besluit vaststelling subsidieplafond voor subsidieverstrekking en wijzigingsbesluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond voor subsidieverstrekking activiteiten MKB-ondernemingen gericht op bevordering van duurzaam internationaal ondernemen (Subsidieplafond 2021 en wijziging Vouchers internationaal ondernemen). Artikel III Dit be"},{"i":6287,"b":"Wet van 29 mei 2006 tot samenvoeging van de gemeenten Liemeer, Nieuwkoop en Ter Aar Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Liemeer, Nieuwkoop en Ter Aar samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Liemeer, Nieuwkoop en Ter Aar opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Nieuwkoop ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Liemeer, Nieuwkoop en Ter Aar, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Nieuwkoop wordt de op te heffen gemeente Nieuwkoop aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Liemeer, Nieuwkoop en Ter Aar wordt de nieuwe gemeente Nieuwkoop aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5 1. Voor de nieuwe gemeente"},{"i":9872,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 23 juli 2015, MINBUZA-2015.350493 tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 2 februari 2015, nr. Minbuza-2015.19324, tot vaststelling van enkele subsidieplafonds (internationaal ondernemen) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit vaststelling enkele subsidieplafonds (internationaal ondernemen). Artikel II Dit besluit is uitsluitend van toepassing op aanvragen op grond van de [Subsidieregeling internationaal ondernemen 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034488) en de [Subsidieregeling missievouchers 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035361), waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit nog niet is beslist. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7020,"b":"Besluit van 12 april 2005, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de inkomsten van burgerlijke ambtenaren bij het Ministerie van Defensie (Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie) en tot wijziging van enkele besluiten in verband met technische wijzigingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Overige bezoldiging Hoofdstuk 4. Bezoldiging tijdens ziekte Hoofdstuk 5. Bezoldiging tijdens bijzondere situaties Hoofdstuk 6. Overige inkomsten Hoofdstuk 7. Tegemoetkoming ziektekostenverzekering Hoofdstuk 8. Verschuldigde bedragen Hoofdstuk 9. Slotbepalingen Artikel 62. Hardheidsclausule Indien de billijkheid dat vordert, kan Onze Minister de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming toekennen. Artikel 63. [Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482) Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement. Artikel 64. [Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006043) Wijzigt het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 65. [Besluit dienstreizen defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007956) Wijzigt het Besluit dienstreizen defensie. Artikel 66. [Besluit georganiseerd overleg sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006042) Wijzigt het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie. Artikel 67. [Besluit personenchauffeurs defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010280) Wijzigt het Besluit personenchauffeurs defensie. Artikel 68. [Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003538) Wijzigt de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht. Artikel 69. [Besluit procedure geneeskundig onderzoek verzetsmilitairen en ondergedoken militairen](https://wett"},{"i":9873,"b":"Wijziging Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid ter implementatie van richtlijn nr. 2000/56/EG Gelet op de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=17), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=19), [19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=19a), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=24), [103, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=103), [111 tot en met 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=111), [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=118), [118a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=118a), [145, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=145), en [193 van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=193); Besluit: Artikel I Wijzigt Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid ter implementatie van [richtlijn nr. 2000/56/EG](32000L0056). Artikel II Coderingen ter aanduiding van beperkingen in de rijbevoegdheid, aangebracht in rijbewijzen die zijn afgegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, behouden hun geldigheid voor de duur waarvoor die rijbewijzen zijn afgegeven. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 30 september 2003. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7529,"b":"Besluit controleprotocol authentieke gegevens basisregistratie topografie (TOP10NL) Het bestuur van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers Gelet op [artikel 7u, tweede lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=7u); Besluit: Artikel 1 Als controleprotocol authentieke gegevens, bedoeld in [artikel 7u, tweede lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=7u), wordt, voor zover betreffend het topografisch bestand TOP10NL, bedoeld in [artikel 1a, tweede lid, onderdeel a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=1a), vastgesteld het Controleprotocol authentieke gegevens basisregistratie topografie (TOP10NL), dat als bijlage bij dit besluit gaat. Artikel 2 Wijzigt het Besluit Controleprotocol authentieke gegevens. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit controleprotocol authentieke gegevens basisregistratie topografie (TOP10NL). Bijlage Ligt ter inzage bij alle kantoren van het Kadaster en is gepubliceerd op www.kadaster.nl. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage die ter inzage zal worden gelegd. Met ingang van het tijdstip waarop het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030975&artikel=1&z=2011-12-29&g=2011-12-29) genoemde besluit in werking treedt, wordt het onderhavige besluit bij alle kantoren van het Kadaster ter inzage gelegd gedurende de tijden waarop die kantoren voor het publiek zijn geopend, en kan een elektronische versie van dat besluit worden gedownload van de website van het Kadaster (www.kadaster.nl). Van deze terinzagelegging en mogelijkheid tot downloaden wordt mededeling gedaan in de Staatscourant."},{"i":6614,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 22 augustus 2022, nr. IENW/BSK-2022/164528, tot wijziging van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming in verband met de splitsing van de opleidingseisen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming meet- en regeltoepassingen Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Gelet op [artikel 5.7, zesde lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=5.7); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming. Artikel II 1. Een diploma Toezichthoudend medewerker stralingsbescherming meet- en regeltoepassingen als bedoeld in [artikel 5.22, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040509&artikel=5.22), dat is afgegeven na het volgen van een opleiding die voldeed aan de eisen zoals die golden voor de inwerkingtreding van deze regeling, blijft geldig voor alle meet- en regeltoepassingen als bedoeld in het genoemde artikel. 2. Op een opleiding meet- en regeltoepassingen die wordt gevolgd op de dag voor de inwerkingtreding van deze regeling, en de afgifte van een diploma voor die opleiding blijft de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming met de daarin opgenomen eindtermen voor deze opleiding, zoals deze golden op de dag voor de inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7359,"b":"Wet van 16 september 1993, tot vaststelling van bepalingen voor de jaarrekening van verzekeringsmaatschappijen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de wet moet worden aangepast aan de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1991 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen (**PbEG** L 374 van 31 december 1991); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. 2. De in deze wet vervatte voorschriften behoeven niet te worden toegepast met betrekking tot boekjaren die aanvangen voor 1 januari 1995. Voor zover de in deze wet vervatte voorschriften met betrekking tot zulk een boekjaar worden toegepast, moet dat in de toelichting worden vermeld. Het tweede zinsdeel van artikel 363 lid 5 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek behoeft evenwel niet te worden toegepast in het eerste boekjaar, waarop de in deze wet vervatte voorschriften worden aangewend. 3. Indien de in de toelichting te vermelden verkrijgings- of vervaardigingsprijs van de beleggingen die op de grondslag van de actuele waarde worden gewaardeerd, voorafgaande aan het boekjaar waarin de bepalingen van deze wet worden toegepast, slechts ten koste van onevenredige uitgaven of tijdverlies kan worden vastgesteld, mag voor de toepassing van artikel 442 lid 3, onder **a**, in plaats van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs de waarde vanaf dit boekjaar worden opgegeven; in de toelichting wordt hiervan melding gemaakt. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worde"},{"i":9874,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 4 december 2013, nr. IENM/BSK-2013/142441, tot wijziging van de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid en enkele andere ministeriële regelingen in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2012/36/EU Gelet op [richtlijn nr. 2012/36](32012L0036)/EU van de Commissie van 19 november 2012 tot wijziging van [richtlijn 2006/126/EG](32006L0126) van het Europese Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs (Pb EU 2012 L 321), [richtlijn 2006/126/EG](32006L0126) van het Europese Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs (PbEG 2006 L 403), de [artikelen 111, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111), en [118, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=118) en de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=16), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=19), [22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=22a), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=24), [103, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=103), [111 tot en met 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=111), [145, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=145), [193](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=193) en [195 van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=195); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid. Artikel II Wijzigt de Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën A1, A2 en A.. Artikel III Wijzigt de Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën B en E bij B. Artikel IV Wijzigt de Regeling eisen theorie-examens rijbewijscategorieën C"},{"i":7902,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 12 december 2016 houdende regels ingevolge artikel 108, derde lid, en artikel 111, zesde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft met betrekking tot de posten van de vereiste en de aanwezige liquiditeit voor kredietunies en de weging daarvan (Regeling liquiditeit kredietunies Wft 2017) Na raadpleging van de betrokken representatieve organisaties; Gelet op de [artikelen 2:54o tot en met 2:54q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:54o) en [3:63 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:63); Gelet op [hoofdstuk 11 (Liquiditeit) van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&hoofdstuk=11), in het bijzonder [artikel 108, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=108), en [artikel 111, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=111); BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling en de Bijlage wordt verstaan onder: - a. **Besluit:** het [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - b. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.. Artikel 2 1. Deze regeling is van toepassing op kredietunies met zetel in Nederland die vergunningplichtig zijn op grond van [artikel 2:54o van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:54o). 2. De liquiditeitsposten die de aanwezige liquiditeit van een kredietunie vormen, als bedoeld in [artikel 111, derde lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=111), alsmede de weging van die liquiditeitsposten, worden vastgesteld zoals opgenomen onder actiefposten in de onderstaande tabel. De liquiditeitsposten die de vereiste liquiditeit van een kredietunie vormen, als bedoeld in [artikel 108, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=108), alsmede de weging van die liquiditeitsposten, worden vastges"},{"i":4910,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 12 augustus 2014, nr. 2014-0000439657, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging ter uitvoering van een aantal wetten, besluiten, regelingen en beschikkingen op het terrein van Wonen en Bouwen (Mandaatbesluit RVO Regelingen Wonen en Bouwen) Gezien de schriftelijke instemming van de directeur-generaal van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten met betrekking tot de uitvoering van de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035571&bijlage=1&z=2025-11-20&g=2025-11-20) genoemde wetten, besluiten, regelingen en beschikkingen; - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt: - a. volmacht en machtiging verleend tot het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en ter uitvoering van de besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035571&artikel=1&z=2025-11-20&g=2025-11-20); - b. machtiging verleend tot het instellen en het voeren van beroep, hoger beroep en voorlopige voorziening procedures over besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035571&artikel=1&z=2025-11-20&g=2025-11-20). Artikel 3 Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten met betrekking tot de uitvoering van de in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035571&bijlage=2&z=2025-11-20&g=2025-11-20) genoemde wetten, besluiten en regelingen met dien verstande dat besluiten tot intrekking, wijziging en terugvordering van subsidies en budgetten slechts na voorafgaande toestemming van de Minister van Volkshuisvesti"},{"i":9875,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 juni 2006, nr. VGP/PSL 2686332, houdende een wijziging van de Regeling Verpakkingen- en gebruiksartikelen (Warenwet) in verband met richtlijnen nr. 2005/31/EG en 2005/79/EG Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op: – [richtlijn nr. 2005/31/EG](32005L0031) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2005 (PbEU L 110) tot wijziging van [Richtlijn 84/500/EEG](31984L0500) van de Raad wat betreft een verklaring van overeenstemming en prestatiecriteria voor de analysemethode voor keramische voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen; – [richtlijn 2005/79/EG](32005L0079) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 november 2005 (PbEU L 302) tot wijziging van [Richtlijn 2002/72/EG](32002L0072) inzake materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen; – de [artikelen 3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=3), en [4 van het Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling Verpakkingen- en gebruiksartikelen (Warenwet). Artikel II Wijzigt de Regeling Verpakkingen- en gebruiksartikelen (Warenwet). Artikel III Materialen en voorwerpen van kunststof die bestemd zijn om met levensmiddelen in aanraking te komen en die voldoen aan [deel A, hoofdstuk I, onderdelen 1.2, 2.1, 2.2, 2.3 en 2.5, van de Regeling Verpakkingen- en gebruiksartikelen (Warenwet)](onbekend), zoals die onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019946&artikel=I&z=2006-11-19&g=2006-11-19) luidde, mogen nog worden verhandeld tot 19 november 2007. Artikel IV Keramische materialen die bestemd zijn om met levensmiddelen in aanraking te komen en die voldoen aan de [Regeling Verpakki"},{"i":9876,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 november 2008, nr. VGP/PSL 2893617, houdende een wijziging van de Regeling Verpakkingen- en gebruiksartikelen (Warenwet) in verband met richtlijn nr. 2008/39/EG Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op: [richtlijn nr. 2008/39/EG](32008L0039) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 maart 2008 (PbEU L 63) tot wijziging van [Richtlijn 2002/72/EG](32002L0072) inzake materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen; de [artikelen 3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=3), en [4 van het Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling Verpakkingen- en gebruiksartikelen (Warenwet). Artikel II Wijzigt de Regeling Verpakkingen- en gebruiksartikelen (Warenwet). Artikel III 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 7 maart 2009. 2. De vervaardiging en de invoer van materialen en voorwerpen van kunststof die bestemd zijn om met levensmiddelen in aanraking te komen en die niet voldoen aan de Regeling Verpakkingen- en gebruiksartikelen (Warenwet), zoals die luidde voordat zij werd gewijzigd door deze regeling, zijn met ingang van 7 maart 2010 verboden. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5950,"b":"Uitvoering periodieke GBA-audit Aan: -het College van buremeester en wethouders -i.a.a de hofden burgerzaken en de audit-instellingen De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Bijgaand informeer ik u omtrent de wijze van uitvoering van de verplichte periodieke controle van de gemeentelijke basisadministraties (verder: GBA-audit). De periodieke audit maakt onderdeel uit van het wetsvoorstel tot wijziging van de [Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723) dat momenteel bij de Tweede Kamer aanhangig is (kamerstukken II, 1998-1999, 26 228). Om de aangekondigde uitvoering van de audits op tijd te kunnen starten en een soepel verloop daarvan te waarborgen, is vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze wetswijziging, die zal terugwerken tot 1 juli 1999, de inhoud van de beoogde regelgeving betreffende de GBA-audit in deze circulaire opgenomen. Deze circulaire vervalt van rechtswege op het moment dat de wetswijziging in werking treedt. De geplande ingangsdatum van de audit was 1 juli 1999. Deze datum is evenwel niet haalbaar gebleken. In het kader van het aanwijzen van audit-instellingen voor de GBA-audit heeft een examen plaatsgevonden. Als gevolg van onvolkomenheden bij dit examen waren de resultaten ervan niet bruikbaar om tot aanwijzing van auditoren te kunnen overgaan. Daarom is in overleg met de audit-instellingen besloten tot een nieuw examen, dat in week 26 en in verband met de vakantieperiode eveneens medio augustus zal worden afgenomen. Gezien het bovenstaande is de feitelijke start van de GBA-audit met twee maanden verschoven naar 1 september 1999. De gemeenten waar de uitvoering van de GBA-audit voor de tweede helft van 1999 was gepland, worden geacht de GBA-audit in de maanden september tot en met december 1999 te laten uitvoeren, met de mogelijkheid van een geringe uitloop in het begin van het jaar 2000. De betrokken gemeenten worden binnenkort nog separaat bij brief geïnformeerd. In deze circulaire komen achtereenvolgens"},{"i":12651,"b":"Besluit tot intrekking van nadere regels en beleidsregel 1. Doel van dit besluit Dit besluit beoogt enkele verouderde, onnodige of in onbruik geraakte nadere regels en beleidsregel in te trekken. 2. Intrekking 2.1. Intrekking nadere regels De Nederlandse Zorgautoriteit besluit de volgende nadere regels in te trekken: 2.2. Intrekking beleidsregel De Nederlandse Zorgautoriteit besluit de volgende beleidsregel in te trekken: 3. Overgangsbepaling 3.1. Nadere regels De in art. 2.1 genoemde nadere regels blijven van toepassing op gedragingen (handelen en nalaten) van zorgaanbieders die onder de werkingssfeer van die regeling vielen en die zijn aangevangen – en al dan niet beëindigd – in de periode dat die regeling gold. 3.2. Beleidsregel De in art. 2.2 genoemde beleidsregel blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die beleidsregel en die betrekking hebben op de periode waarvoor die beleidsregel gold. 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling ingevolge [artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=20) wordt geplaatst."},{"i":13138,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 6 maart 2020, nr. WJZ/20063207, tot vaststelling van de maximale hoeveelheid frequentieruimte voor mobiele communicatie (Capregeling frequenties mobiele communicatie 2020) Gelet op [artikel 3.11, eerste en tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.11); Besluit: Treedt in werking met ingang van de datum waarop de Regelingaanvraag- en veilingprocedure vergunningen 700, 1400 en 2100 MHz inwerking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **3,5 GHz-band:** frequentieruimte binnen het frequentiebereik 3450–3750 MHz; - –. **concentratieverordening:** [verordening (EG) nr. 139/2004](32004R0139) van de Raad van de Europese Unie van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen; - –. **frequentieruimte voor mobiele communicatie:** frequentieruimte binnen het frequentiebereik 703–733 MHz gepaard met 758–788 MHz, 791–821 MHz gepaard met 832–862 MHz, 880–915 MHz gepaard met 925–960 MHz, 1452–1492 MHz, 1710–1780 MHz gepaard met 1805–1875 MHz en 1920–1980 MHz gepaard met 2110–2170 MHz en 2500–2690 MHz, met uitzondering van frequentieruimte binnen het frequentiebereik 2565–2570 MHz, 2590–2595 MHz, 2615–2620 MHz, 2685–2690 MHz en 3450–3750 MHz; - –. **frequentieruimte voor mobiele communicatie lager dan 1 GHz:** frequentieruimte binnen het frequentiebereik 703–733 MHz gepaard met 758–788 MHz, 791–821 MHz gepaard met 832–862 MHz en 880–915 MHz gepaard met 925–960 MHz; - –. **gebruiken van frequentieruimte:** - 1. houden van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte, zowel voor eigen gebruik als voor verhuur, - 2. huren van frequentieruimte, en - 3. anderszins verkregen bevoegdheid om frequentieruimte te gebruiken voor eigen elektronische communicatiediensten. Artikel 2 Deze regeling geldt niet: - a. op en met betrekking tot installaties ter zee in de zin van de [Wet installaties Noordzee](https://wet"},{"i":13102,"b":"Besluitvorming Assyrisch/Aramees **Overwegende dat:** de Adviescommissie Talen Wbtv zijn grondslag vindt in de [Regeling van de Raad voor Rechtsbijstand van 6 augustus 2015, houdende de instelling van de Adviescommissie Talen Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036939) (Stcrt 2015, nr. 25102); de Adviescommissie Talen Wbtv advies uitbrengt over de wettelijke competentie taalvaardigheid; de Raad voor Rechtsbijstand aanleiding heeft gezien om advies in te winnen bij de Adviescommissie Talen Wbtv omtrent de linguïstische casuïstiek rondom het Assyrisch en het Aramees; De Adviescommissie Talen Wbtv op 31 januari 2020 advies heeft uitgebracht: **Stelt vast dat:** Het Assyrisch in de door de Raad voor Rechtsbijstand gehanteerde taallijst is opgenomen; Het Assyrisch in de door de Raad voor Rechtsbijstand gehanteerde taallijst is opgenomen als spreek- en schrijftaal; Het Aramees als niet-voorkeursnaam van het Assyrisch wordt gehanteerd in de door de Raad voor Rechtsbijstand gehanteerde taallijst; De term ‘Assyrisch’ niet in overeenstemming is met de wetenschappelijke terminologie voor het Aramees; Het Aramees bestaat uit verschillende dialecten waarbij onderlinge verstaanbaarheid niet is gewaarborgd; Het Aramees (Suryoyo) een dialect binnen het (modern) Aramees is, zoals dat wordt gesproken en gebruikt in delen van zuidoost Turkije en Syrië; Het Aramees (Suryoyo) voornamelijk een spreektaal is; Het Aramees (Suret) een verzamelnaam van variëteiten binnen het binnen het (modern) Aramees is, zoals dat wordt gesproken en gebruikt in delen van zuidoost Turkije, Irak en Iran; Het Aramees (Suret) voornamelijk een spreektaal is; Het West-Aramees (Syrië) een dialect binnen het (modern) Aramees is; Het West-Aramees (Syrië) voornamelijk een spreektaal is; Het Mandees (Irak) een dialect binnen het (modern) Aramees is; Het Mandees (Irak) voornamelijk een spreektaal is. **Besluit dat:** **Slotbepalingen** Dit besluit wordt aangehaald als ‘**Besluitvorming Assyrisch/Aramees**’."},{"i":11911,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 1 maart 2026, nr. 2026-58678, houdende bekendmaking van de taken waarmee de Staatssecretarissen van Financiën in het bijzonder zijn belast Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3), houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris (Stb. 1951, 24); Gezien het koninklijk besluit van 23 februari 2026, nr. 2026000410, waarbij E. Eerenberg is benoemd tot Staatssecretaris van Financiën (Stcrt. 2026, 8185); Gezien het koninklijk besluit van 23 februari 2026, nr. 2026000411, waarbij S.Th.P.H. Palmen-Schlangen is benoemd tot Staatssecretaris van Financiën (Stcrt. 2026, 8186); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Financiën, de heer E. Eerenberg, is binnen de grenzen van het door de Minister van Financiën vastgestelde beleid, in het bijzonder belast met: - a. fiscale aangelegenheden; - b. aangelegenheden betreffende de Belastingdienst; - c. aangelegenheden betreffende Toeslagen uitvoering algemeen, waaronder in ieder geval wordt begrepen de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) en de uitvoering van kinderopvangtoeslag, zorgtoeslag en huurtoeslag; - d. aangelegenheden betreffende vereenvoudiging/stelselherziening toeslagen; - e. aangelegenheden betreffende de Douane; - f. aangelegenheden betreffende de financiële verhoudingen tussen het Rijk en de decentrale overheden; - g. aangelegenheden betreffende Domeinen Roerende Zaken; - h. aangelegenheden betreffende Holland Casino NV en de Nederlandse Loterij BV; - i. aangelegenheden betreffende exportkredietverzekeringen en -faciliteiten. Artikel 2 De Staatssecretaris van Financiën, mevrouw S.Th.P.H. Palmen-Schlangen, is als Staatssecretaris Herstel Toeslagen binnen de grenzen van"},{"i":14140,"b":"Regeling bijdragen URBAN-programma’s Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Ten behoeve van de uitvoering van de operationele programma’s van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, verstrekt het Rijk een bijdrage van het in kolom A van de bij deze regeling behorende bijlage genoemde bedrag. Dit bedrag kan met toepassing van de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008461&artikel=6&z=2001-07-13&g=2001-07-13) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008461&artikel=7&z=2001-07-13&g=2001-07-13) worden verminderd. Artikel 3 Ten behoeve van de betaling van kosten in verband met de uitvoering van de operationele programma’s, alsmede ten behoeve van de uitvoering van aanvullende projecten in de wijken waarvoor de operationele programma’s zijn opgesteld, verstrekt het Rijk een bijdrage ter hoogte van het in kolom B van de bij deze regeling behorende bijlage genoemde bedrag. Artikel 4 De gemeente ontvangt het bedrag van de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008461&artikel=2&z=2001-07-13&g=2001-07-13) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008461&artikel=3&z=2001-07-13&g=2001-07-13) bedoelde bijdragen in drie gelijke, met ingang van het jaar 1996 te verstrekken jaarlijkse termijnen, met dien verstande dat de Minister daarbij rekening kan houden met de voortgang van de uitvoering van het operationeel programma. Artikel 5 Het gemeentebestuur zendt een afschrift van de verslaglegging die over de uitvoering van het operationeel programma aan de Commissie wordt gezonden aan de Minister. Artikel 6 Indien de Commissie een deel van de door haar verleende bijdrage van de Minister terugvordert omdat het gemeentebestuur een bedrag niet overeenkomstig het operationeel programma heeft besteed, vermindert de Minister de rijksbijdrage, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008461&artikel=2&z=2001-07-13&g=2001-07-13), met het teruggevorderde bedrag. Artikel 7 Indi"},{"i":9877,"b":"Regeling tot wijziging van de Regeling voorkoming verontreiniging door schepen in verband met de op grond van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen vast te stellen nationale eisen Gelet op het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Trb. 1975, 147) met het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag (Trb. 1978, 188), de [artikelen 35, eerste lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=35) en de [artikelen 8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=8), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=15), [20, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=20), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=26), [32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=32), en [38, eerste lid, van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=38); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling voorkoming verontreiniging door schepen. Artikel II Resoluties A.495(XII), A.446(XI) en A.673(16) worden bekendgemaakt door ter inzage legging bij de bibliotheek van de Hoofddirectie Juridische Zaken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9878,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 13 december 2011, nr. WJZ/11067701, tot wijziging van de subsidieregeling innoveren en de subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen ten behoeve van het Innovatiefonds MKB+ Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=15), [23, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=23), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25), en [42, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=42); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling innoveren. Artikel II Wijzigt de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. Artikel III Op aanvragen om subsidie die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend en op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt, op grond van de [Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855) en de [Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024902), zijn de betreffende regelingen van toepassing zoals deze luidden direct voor de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9879,"b":"Regeling van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 1 maart 2013, nr. MinBuZa-2013.17510, tot wijziging van de Subsidieregeling internationaal excelleren en tot vaststelling van enkele subsidieplafonds Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4) en [16 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16) en op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling internationaal excelleren. Artikel II 1. Als perioden in 2013, waarin subsidieaanvragen kunnen worden ingediend krachtens de in kolom 2 genoemde besluiten en de in kolom 3 genoemde artikelen, in voorkomende gevallen verbijzonderd naar de in kolom 4 omschreven of aangeduide groepen van aanvragers, projecten of aanvragen, worden vastgesteld de daarbij behorende perioden, genoemd in kolom 5. 2. Als subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies als bedoeld in het eerste lid wordt per in kolom 5 genoemde periode vastgesteld: het daarbij behorende in kolom 6 genoemde bedrag. | Nr | Besluit | Artikel | Groep | Openstelling 2013 | Plafond € | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | [Subsidieregeling internationaal excelleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983) (demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies en kennisverwerving) | [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983&artikel=3.1), [4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983&artikel=4.1), [5.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983&artikel=5.19) | M.b.t. de landen Bangladesh, Brazilië, China, Egypte, Ethiopië, Ghana, India, Indonesië, Kenia, Maleisië, Nigeria, Oekraïne en Turkije | 01-04 t/m 31-12 | 3.500.000 | | 2 | Subsidieregeling internationaal excelleren (demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies en kennisverwervi"},{"i":13106,"b":"Besluitvorming Koerdisch Kermandji **Overwegende dat:** de Adviescommissie Talen Wbtv zijn grondslag vindt in de [Regeling van de Raad voor Rechtsbijstand van 6 augustus 2015, houdende de instelling van de Adviescommissie Talen Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036939) (Stcrt 2015, nr. 25102); de Adviescommissie Talen Wbtv advies uitbrengt over de wettelijke competentie Taalvaardigheid; de Raad voor Rechtsbijstand aanleiding heeft gezien om advies in te winnen bij de Adviescommissie Talen Wbtv over de Koerdische varianten Kermandji en Bahdini; De Adviescommissie Talen Wbtv op 5 juli 2017 advies heeft uitgebracht; **Stelt vast dat:** **Besluit dat:** Dit besluit wordt aangehaald als Besluitvorming Koerdisch Kermandji. Bekendmaking vindt plaats door publicatie in de Staatscourant. Dit besluit treedt in werking één dag na publicatie in de Staatscourant."},{"i":13311,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 maart 2005, nr. IBE/BO-2564888, houdende de goedkeuring van de wijzigingsregeling van de KNMG van 7 december 2004 inzake de opleiding en registratie van specialisten Gelet op [artikel 14, eerste en zesde lid van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); Besluit: Het besluit – Wijzigingsregeling specialisten geneeskunst 2004 goed te keuren. Dit besluit zal samen met het desbetreffende besluit van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":13110,"b":"Bevoegdheden onderwijzers en kleuterleiders (m/v) met Surinaamse akten Gelet op artikel 3, derde lid van de Wet op het basisonderwijs; De Onderwijsraad gehoord (advies van 30 mei 1986, nr. O.R. 5/155 P), Besluit: Artikel 1 Met de akte van bekwaamheid als onderwijzer, bedoeld in artikel 116, eerste lid onder d, van de Wet op het basisonderwijs, worden gelijkgesteld: - a. de akte van bekwaamheid van de derde rang, voor 1 januari 1981 behaald in Suriname; - b. de akte van bekwaamheid van de tweede rang, voor 1 januari 1981 behaald in Suriname; - c. de akte van bekwaamheid als onderwijzer, voor 1 januari 1962 behaald in Suriname; - d. de akte van bekwaamheid als onderwijzer, na 31 december 1961 doch vóór 1 januari 1981 behaald in Suriname. Artikel 2 Met de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer, bedoeld in artikel 116, eerste lid onder e van de Wet op het basisonderwijs worden gelijkgesteld: - a. de akte van bekwaamheid als onderwijzer van de eerste rang, voor 1 januari 1962 behaald in Suriname; - b. de akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer, voor 1 januari 1981 behaald in Suriname; - c. de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer, na 31 december 1961 doch voor 1 januari 1981 behaald in Suriname; Artikel 3 Met de akte van bekwaamheid als leidster, bedoeld in artikel 116, eerste lid onder b van de Wet op het basisonderwijs worden gelijkgesteld: - a. de akte van bekwaamheid als onderwijzeres-A, na 31 december 1955 doch voor 1 januari 1981 behaald aan de opleidingsschool voor onderwijzeressen-A in Suriname; - b. de akte van bekwaamheid als onderwijzeres aan een kleuterschool (akte A), na 31 december 1955 doch voor 1 januari 1981 uitgereikt vanwege de ‘Evangelische Broedergemeente’ in Suriname; - c. de akte van bekwaamheid als onderwijzeres aan een bewaarschool (akte A), na 31 december 1955 doch voor 1 januari 1981 uitgereikt vanwege de ‘Evangelische Broedergemeente’ in Suriname; - d. de akte van bekwaamheid als leidster bij het kleuteronderwi"},{"i":13118,"b":"Verordening inzake de aanwijzing van regionale loodsstations, alsmede inzake de vaststelling van de bevoegdheden van registerloodsen (Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995) Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=4), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15) en [16 van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=16) (Stb. 1988, 353); Besluit: De verordening, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=4) wordt als volgt vastgesteld: Hoofdstuk 1. Regionale loodsstations Artikel 1 De volgende regionale loodsstations worden vastgesteld: - a. voor de regionale loodsencorporatie Noord: - 1. Delfzijl, - 2. loodsstation Harlingen; - b. voor de regionale loodsencorporatie Amsterdam-IJmond: - 1. Den Helder, - 2. IJmuiden/Amsterdam; - c. voor de regionale loodsencorporatie Rotterdam-Rijnmond: - 1. Rijnmond, - d. voor de regionale loodsencorporatie Scheldemonden: - 1. Scheldemonden. Artikel 2 1. Tot het regionale loodsstation Delfzijl behoren de scheepvaartwegen, genoemd in de [bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet (Stb. 1988, 352), onder punt I, nummer 1](onbekend). 2. Tot het regionale loodsstation Harlingen behoren de scheepvaartwegen, genoemd in de [bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet, onder punt I, de nummers 2](onbekend), – althans de Vlierede, en 3 – althans de trajecten tussen Vlierede, Terschelling, Vlieland, Harlingen, Kornwerderzand, en de trajecten tussen die gebieden of plaatsen en Den Oever, Oude Schild en de Rede van Texel. 3. Tot het regionale loodsstation Den Helder behoren de scheepvaartwegen, genoemd in de [bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet, onder punt I, de nummers 2](onbekend), – althans de Rede van Texel en 3, – althans de trajecten tussen de Rede van Texel, Oude Schild, en Den Oever, en de trajecten tussen die gebieden of plaatsen en Kornwerderzand en Harlingen en de Vliered"},{"i":9880,"b":"Regeling van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 21 juli 2014, nr. MinBuZa.-2014.361940, tot wijziging van de Subsidieregeling internationaal excelleren Gelet op [artikel 2 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling internationaal excelleren. Artikel II Op subsidies verstrekt voor inwerkingtreding van deze regeling blijven de [Subsidieregeling internationaal excelleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983), zoals geldend voor inwerkingtreding van deze regeling, en de op die subsidies betrekking hebbende voorschriften vermeld in [artikel 1.5 van de Subsidieregeling internationaal excelleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983&artikel=1.5), zoals luidend na inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing. Artikel III Wijzigt de Subsidieregeling internationaal excelleren. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin hij geplaatst wordt en werkt terug tot en met 1 juli 2014. Deze regeling zal met bijbehorende bijlage en de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13086,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 december 2025, kenmerk 57892002, houdende wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Tresoar Gelet op [artikel 97 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=97); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de [Gemeenschappelijke regeling Tresoar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045479). Artikel 2 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stemt in met het wijzigingsbesluit van de Gemeenschappelijke regeling Tresoar zoals voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal per 10 november 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 723, nr. 4 en Kamerstukken I 2024/25, 36 723, nr. C). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":13646,"b":"Instellingsbesluit Welzijnscommissie Vogelgriepuitbraak 2014 Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Economische Zaken; - b. **de commissie:** de Welzijnscommissie Vogelgriepuitbraak 2014. Artikel 2 1. Er is een Welzijnscommissie Vogelgriepuitbraak 2014. 2. De commissie heeft in het kader van de bestrijding van de in november 2014 begonnen uitbraak van Hoog Pathogene Aviaire Influenza (vogelgriep) tot taak: - a. na te gaan of de ruimingsacties op een uit het oogpunt van dierenwelzijn verantwoorde wijze worden uitgevoerd; - b. aanbevelingen te doen voor oplossingen van welzijnsproblemen die zich voordoen. Artikel 3 1. De commissie rapporteert wekelijks over de totale welzijnssituatie aan de staatssecretaris. 2. De commissie brengt binnen drie maanden na intrekking van de laatste regeling met maatregelen, specifiek gericht op de bestrijding van de vogelgriepuitbraak die begon in november 2014, haar schriftelijke eindrapport uit aan de staatssecretaris. Artikel 4 Te rekenen vanaf 23 november 2014 worden voor de periode tot de vervaldatum van dit besluit tot lid van de commissie benoemd: - a. mevrouw prof. dr. F. Ohl, tevens voorzitter; - b. de heer dr. R. Stolp. Artikel 5 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. 2. De commissie voorziet in haar secretariaat. 3. De staatssecretaris kan een waarnemer aanwijzen die het recht heeft de vergaderingen van de commissie bij te wonen. 4. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat ministerie. 5. De commissie verstrekt desgevraagd aan de staatssecretaris de voor de uitoefening van zijn taak benod"},{"i":12646,"b":"Besluit tot instelling Adviescommissie bezwaarschriften bouwfraude V&W Gelet op [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13); Overwegende dat het wenselijk is een adviescommissie in te stellen ten behoeve van de voorbereiding van de besluitvorming door de minister van bezwaarschriften van personeelsleden van V&W tegen besluiten die jegens hen als zodanig zijn genomen door, namens of op voordracht van de minister, waarbij hun rechtspositioneel belang rechtstreeks is betrokken verband houdende met de bouwfraude; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder - a. de Minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. het ministerie: het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de daaronder ressorterende diensten; - c. Commissie: de commissie bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017655&artikel=2&z=2005-02-01&g=2005-02-01); - d. voorzitter: de voorzitter van de commissie bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017655&artikel=3&z=2005-02-01&g=2005-02-01); - e. besluit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - f. medewerker: personeelslid van het ministerie, aangesteld krachtens het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950); - g. bezwaarde: medewerker die een bezwaarschrift heeft ingediend; - h. bezwaarschrift: een bezwaarschrift als bedoeld in [artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5). Artikel 2. De Commissie voor de bezwaarschriften 1. Er is een commissie voor de advisering bezwaarschriften bouwfraude. 2. De Commissie heeft tot taak het horen van belanghebbenden en het adviseren van de minister over de te nemen beslissingen op aan haar door de minister voorgelegde bezwaren van medewerkers tegen besluiten en handelingen die jegens hen als zoda"},{"i":9881,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 4 juli 2012, nr. WJZ / 11155512, tot wijziging van de Subsidieregeling internationaal excelleren (Finance for International Business) Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=2), [3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=34) en [44 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=44); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling internationaal excelleren. Artikel II Wijzigt de Subsidieregeling internationaal excelleren. Artikel III Op aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt, blijft de [Subsidieregeling internationaal ondernemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026819) van toepassing zoals die onmiddellijk voor dat tijdstip luidde. Artikel IV Wijzigt de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2012. Artikel V Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 juli 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9882,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 19 juni 2012, nr. WJZ/12057021, houdende wijziging van de Subsidieregeling internationaal excelleren in verband met de invoering van de Transitiefaciliteit alsmede wijziging van de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2012 Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5) en [16 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling internationaal excelleren. Artikel II Wijzigt de Subsidieregeling internationaal excelleren. Artikel III Wijzigt de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2012. Artikel IV Op subsidies die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt en op aanvragen die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling nog niet is beslist blijft de [Subsidieregeling internationaal excelleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983) van toepassing zoals zij voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling luidde. Artikel V Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2012. Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5972,"b":"Besluit van 9 november 2005, houdende regels ter uitvoering van de Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 5 juli 2005, nr. TRCJZ/2005/848, Directie Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [richtlijn nr. 91/676/EEG](31991L0676) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraat uit agrarische bronnen (PbEG L 375) en [verordening (EEG) nr. 259/93](31993R0259) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PbEG L 30); Gelet op de [artikelen 1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1), [1a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1a), [6, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=6), [6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=6a), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=59), [59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=59a), [59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=59b), [59c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=59c), [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=61) en [61a van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=61a) en gelet op [artikel 23 van de Destructiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002244&artikel=23); De Raad van State gehoord (advies van 21 oktober 2005, no. W11.05.0329/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 oktober 2005, nr. TRCJZ/2005/3179, Directie Juridische Zaken;"},{"i":9885,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 4 maart 2013, nr. WJZ/13023889, tot wijziging van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen alsmede wijziging van de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2012 (garantie scheepsnieuwbouwfinanciering) Gelet op [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25), [30, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=30), [32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=32), en [44 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=44); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. Artikel II Wijzigt de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2013. Artikel III Met betrekking tot kredietovereenkomsten die zijn gesloten in de periode van 1 januari 2013 tot de datum van inwerkingtreding van deze regeling dient de financier de aanvraag om een garantstelling in binnen dertig dagen na die inwerkingtreding. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9886,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2019, nr. WJZ/ 19085872, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in verband met de implementatie van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn Gelet op [Richtlijn 91/676/EEG](31991L0676) van de Raad van 12 december 1991 betreffende de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEU L 375) de [artikelen 11, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), en [35, eerste lid, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=35) en [artikel 21a, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=21a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Meststoffenwet (implementatie zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn) (Stb. 2019/520) in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Artikel III 1. Meldingen die zijn gedaan op grond van [artikel 32, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&artikel=32) worden na de inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043057&artikel=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van deze regeling aangemerkt als meldingen als bedoeld in [artikel 33, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&artikel=33). 2. Vervallen. Artikel IV Indien het bij koninklijke boodschap van 27 juni 2019 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Meststoffenwet in verband met de implementatie van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn (Kamerstukken 35 233) tot wet is verheven en die wet in werking treedt, treedt deze regeling op hetzelfde moment in werking, met uitzondering van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043057&artikel=II&z=2021-01-0"},{"i":9887,"b":"Wet van 2 december 2015 tot wijziging van onder meer de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties in verband met de implementatie van Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt («de IMI-verordening») Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is onder meer de [Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066) te wijzigen ter uitvoering van [Richtlijn nr. 2013/55](32013L0055)/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 november 2013 tot wijziging van [Richtlijn 2005/36/EG](32005L0036) betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt («de IMI-verordening») Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijziging van de [Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066) Artikel 1 Wijzigt de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Hoofdstuk 2. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1. [Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189) Wijzigt de Wet op de architectentitel. Hoofdstuk 3. Ministerie van Infrastructuur en Milieu Artikel 1. [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541) Wijzigt de Kadasterwet. Artikel 2. [Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365) Wijzigt de Loodsenwet. Artikel 3. [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":4964,"b":"Mandatering bestuurs-bevoegdheden aan ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen Besluit: Artikel I De ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen met volgende functies: Inspecteur-Generaal der Mijnen, plaatsvervangend Inspecteur-Generaal der Mijnen, Hoofdinspecteur en Inspecteur van het Staatstoezicht op de Mijnen zijn bevoegd tot het stellen van een eis als bedoeld in artikel 5.14:6 van het [Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687). Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1996. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4963,"b":"Besluit van de Toezichtkamer van de Sociaal-Economische Raad van 8 februari 2013, houdende mandatering) van enkele bevoegdheden van de Toezichtkamer (Mandaatverleningsbesluit Toezichtkamer 2013) Gelet op de [Verordening bestuurlijke taken SER](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032870); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder secretaris: de secretaris van de Toezichtkamer. § 2. Mandaatverlening Artikel 2 1. De secretaris kan namens de Toezichtkamer een besluit nemen: - a. op grond van [artikel 10:31 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:31) voor zover het de verdaging van een besluit omtrent goedkeuring betreft; - b. op grond van [artikel 120, tweede lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=120). 2. De secretaris kan ondermandaat verlenen. § 3. Slotbepalingen Artikel 3 Het [Mandaatverleningsbesluit Toezichtkamer 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027170) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dag van bekendmaking in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatverleningsbesluit Toezichtkamer 2013. Deze verordening zal met de toelichting in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie worden geplaatst."},{"i":4970,"b":"Mededelingen over de eindexamens 2004 voor vwo, havo, vmbo en vavo (septembermededeling) I. Mededelingen van algemene aard I.1. Wijzigingen in 2003/2004 Met uitzondering van één categorie vakken, geldt dat de CEVO-normen in 2004 bindend zijn voor alle centrale examens. De centrale examens in de beroepsgerichte programma’s in de basisberoepsgerichte leerweg kennen als enige in 2004 nog geen bindende normering. Anders dan in 2003 zijn de CEVO-normen in 2004 bindend voor: De minister heeft dit besluit genomen en meegedeeld aan de Tweede Kamer. De brief aan de Tweede Kamer (kenmerk VO/OI/2003/35047, datum 9 juli 2003) is te vinden op www.minocw.nl/vmbo. Het Centraal schriftelijk en praktisch examen (cspe) in de basisberoepsgerichte leerweg (BB) is een examenvorm voor de beroepsgerichte programma’s (afdelingsvakken en intrasectorale programma’s), waarbij de vaktheorie en praktijk geïntegreerd worden getoetst. Cspe is een samentrekking van cse (centraal schriftelijk examen) en cpe (centraal praktisch examen). Omdat de praktijkopdrachten centraal staan, vergt het cspe een vergelijkbare organisatie als het cpe. De minister heeft besloten dat het cspe in 2005 de enige vorm is van het centraal examen beroepsgericht BB. U zie hiervoor de eerder genoemde brief aan de Tweede Kamer. In 2004 is de keuze aan de scholen: óf cpe BB/cse BB óf cspe BB. Deze keuze kan per beroepsgericht programma verschillen. Wat niet kan is dat binnen één beroepsgericht vak een gedeelte van de BB-leerlingen het cspe aflegt, terwijl de overige leerlingen cpe en cse doen. Iedere vmbo-school maakt per beroepsgericht programma de keuze bekend via het inschrijfformulier van de IB-groep waarmee de centrale examens besteld worden. Dit inschrijfformulier moet uiterlijk 1 november 2003 bij de IB-groep ingeleverd zijn. De regelingen die de scholen de mogelijkheid bieden om in 2004 te kiezen voor het cspe zijn gepubliceerd in Uitleg Gele katern nr. 19 van 10 september 2003: Het bulletin vmbo-speciaal dat op 17 se"},{"i":4966,"b":"Maximum ziektekostenpremie per 1 januari 2001 I. Inleiding Sinds 1 januari 2000 zijn de mogelijkheden ziektekosten in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming op grond van de [Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008818) (Zvr) genormeerd tot: In deze circulaire wordt het maximum bedoeld onder 1 bekendgemaakt. II. Maximum ziektekostenpremie per 1 januari 2001 Het bedrag van de ziektekostenpremie dat maximaal in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de tegemoetkoming op basis van de [Zvr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008818) is per 1 januari 2001: Ik verzoek u met het bovenstaande rekening te houden. Inlichtingen uitsluitend voor afdelingen Personeelszaken van geadresseerden bij mevrouw Van Ogtrop, mevrouw Schröter respectievelijk het secretariaat van de afdeling Pensioenen Sociale Zekerheid en Zorg (telefoon (070) 426 6900, 426 8049 respectievelijk 426 6996)."},{"i":4967,"b":"Maximumverlies medegerechtigden, referentiebedrag, onttrekking De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Artikel 3.9 Wet IB 2001 strekt ertoe het fiscaal in aanmerking te nemen verlies bij medegerechtigden te beperken tot het vermogen van een subjectieve onderneming. Deze beperking komt er kort gezegd op neer dat gedurende de periode van medegerechtigdheid in totaal niet meer verlies kan worden genomen dan het referentiebedrag, zijnde de boekwaarde van het fiscaal eigen vermogen van de onderneming van de belastingplichtige ten tijde van het ontstaan van de medegerechtigheid voorzover dat eigen vermogen niet is beclaimd vanwege fiscale reserves, vermeerderd met hetgeen hij later heeft gestort en verminderd met hetgeen hij later heeft onttrokken. Toepassing van artikel 3.9 Wet IB 2001 leidt er in het algemeen toe dat het fiscaal in aanmerking te nemen verlies niet uitgaat boven het bedrag van het commercieel geleden verlies. Door commanditaire vennootschappen worden zowel tijdens het bestaan als ter gelegenheid van de staking ervan uitkeringen gedaan aan de commanditaire vennoten, de medegerechtigden. Dergelijke uitkeringen worden aangemerkt als onttrekkingen in de zin van artikel 3.9, tweede lid, Wet IB 2001 en verlagen zodoende het referentiebedrag. Het is mogelijk dat een dergelijke verlaging van het referentiebedrag tot gevolg heeft dat een bijtelling op grond van artikel 3.9, eerste lid, Wet IB 2001 moet plaatsvinden. In voorkomende situaties kan dit tot gevolg hebben dat een genoten fiscale faciliteit in de vorm van een extracomptabele aftrekpost als de investeringsaftrek alsnog geheel of gedeeltelijk wordt teruggenomen (hetgeen ingaat tegen de beoogde stimulerende werking ervan) en de stakingsvrijstelling haar werking verliest (hetgeen als een onbedoeld effect kan worden aangemerkt). Ik keur derhalve goed dat een verlaging van het referentiebedrag achterwege blijft:"},{"i":4969,"b":"Mededeling nr. 13, nieuwe verordening betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen Algemeen A. Samenvatting Op 1 oktober 2000 is de nieuwe verordening (EG) nr. 2037/2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen in werking getreden. Met deze verordening zijn de maatregelen tegen de ozonlaag afbrekende stoffen op een aantal punten verscherpt. Deze verordening vervangt Verordening (EG) nr. 3093/94. B. Wettelijke bepalingen Bij [Verordening (EG) nr. 2037/2000](32000R2037) (Pb. EG L 244 van 29 september 2000), zoals gewijzigd bij de Verordeningen (EG) nrs. 2038/2000 en 2039/2000 (Pb. EG L 244 van 29 september 2000) zijn maatregelen vastgesteld betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen. De verordening is van toepassing op de productie, de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen, het gebruik, de terugwinning, de recycling en de regeneratie alsmede de vernietiging van chloorfluorkoolstoffen, andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen, halonen, tetrachloorkoolstof 1,1,1,-trichloorethaan, methylbromide, broomfluorkoolwaterstoffen en chloorfluorkoolwaterstoffen, op de rapportage van gegevens over die stoffen en op de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen en het gebruik van die stoffen bevattende producten en apparatuur. De verordening is bovendien van toepassing op de productie, de invoer, het op de markt brengen en het gebruik van broomchloormethaan. De nationale bepalingen ter uitvoering van deze verordening (het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten 1995 , moeten nog worden aangepast. Naar verwachting zal het nieuwe besluit in het voorjaar 2001 in werking treden. Belangrijkste wijzigingen ten opzichte van [Verordening 3093/94](31994R3093) C. Belangrijkste wijzigingen De belangrijkste wijzigingen zijn de volgende: Begripsbepalingen en werkingssfeer D. Inleidende bepalingen In artikel 1 van de verordening is de werkingssfeer van de verordening nader omschreven (zie hiervoor onderdeel B). In artikel 2 van de verordening zijn de definities opgen"},{"i":4968,"b":"MDW-operatie Wet Geluidhinder Circulaire aan besturen van provincies en gemeenten Geacht College, 1. Inleiding Bij brief van 14 augustus 1996 (Kamerstukken II 1995/96, 24036, nr. 26) heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de voorgenomen herziening van het geluidhinderinstrumentarium in het kader van het project ’Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit’ (MDW). Genoemde brief en het advies van de MDW-werkgroep Wet geluidhinder treft u bijgaand aan. Op 22 oktober 1996 is het MDW-advies besproken in de Vaste commissie van de Tweede Kamer voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De commissie ziet het belang in van een herziening van het geluidinstrumentarium en stemt in met de planning van het vervolgtraject. De inhoudelijke opmerkingen van de commissie zullen worden meegenomen bij de uitwerking van het MDW-advies in het kader van het Project Modernisering Instrumentarium Geluidbeleid (MIG). In deze brief informeer ik u over het MDW-advies en het kabinetsstandpunt en ga ik kort in op het vervolgtraject. Ik ga tevens in op de uitvoering van de huidige taken in het kader van de Wet geluidhinder en aanverwante wet- en regelgeving en de wijze waarop nader informatie over het project verkregen kan worden. 2. Hoofdlijnen MDW-advies Wet geluidhinder De hoofdlijnen van het MDW-advies ’Het geluid geordend’ zijn als volgt. Vanwege het lokale karakter van de geluidhinder en de ruime gemeentelijke ervaring met geluidhinder wordt een verdere decentralisatie voorgesteld van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden op het gebied van het geluidhinderbeleid. In het MDW-advies wordt in concreto voorgesteld om de gemeenteraad in een nota een doelstelling te laten vaststellen voor de geluidhinderbestrijding op haar grondgebied alsmede het beleid en de maatregelen om die doelstelling te realiseren. Volgens de werkgroep moet de gemeenteraad zelf de bevoegdheid krijgen om voor elk gebied binnen de gemeente de maximale geluidnormen vast te stellen. Op centraal ni"},{"i":4965,"b":"Maximum ziektekostenpremie per 1 januari 2000 I. Inleiding In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1 juni 1999 – 1 augustus 2000 is vastgelegd dat de mogelijkheden ziektekosten in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming op grond van de [regeling Ziektekostenvoorziening rijkspersoneel](onbekend) (Zvr) per 1 januari 2000 worden genormeerd tot: In deze circulaire wordt het maximum bedoeld onder 1. bekendgemaakt. II. Maximum ziektekostenpremie per 1 januari 2000 Het bedrag van de ziektekostenpremie dat maximaal in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de tegemoetkoming op basis van de [Zvr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008818) is per 1 januari 2000: Ik verzoek u met het bovenstaande rekening te houden. Inlichtingen uitsluitend voor afdelingen Personeelszaken van geadresseerden bij mevrouw Van Ogtrop, respectievelijk het secretariaat van de afdeling Pensioenen Sociale Zekerheid en Zorg (telefoon (070) 426 69 00 respectievelijk 426 69 96)."},{"i":7567,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 november 2020, nr. 2020-0000158163, houdende aanwijzing van de Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen (hierna: Stichting VOMES) als verwerker als bedoeld in artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming en verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Stichting VOMES ter uitvoering van het beheer van het Register Veilig Werken met Explosieve Stoffen Gelet op de [artikelen 1.5k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5k), [4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.8) en [4.10 van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.10), artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Minister besluiten te nemen; - b. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de Minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - c. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Minister handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - d. **vertegenwoordigingsbevoegdheid:** de bevoegdheid om namens de Minister, onder diens verantwoordelijkheid en met inachtneming van diens algemene en bijzondere aanwijzingen, besluiten te nemen, dan wel handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - e. **Stichting VOMES:** Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen; - f. **register:** het Register veilig werken met explosieve stoffen, bedoeld in [artikel 4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.8) en [4.10 van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://we"},{"i":9889,"b":"Wet van 7 oktober 2010 tot wijziging van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van het op 23 maart 2001 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie, 2001 (Trb. 2005, 329) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in verband met de bekrachtiging van het op 23 maart 2001 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie, 2001 (Trb. 2005, 329) regelen vast te stellen tot uitvoering van dat Verdrag, alsmede [Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034) daaraan aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 8. Artikel II Wijzigt de Wet aansprakelijkheid olietankschepen. Artikel III Wijzigt de Wet schadefonds olietankschepen. Artikel IV 1. Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. 2. Ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een besluit dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, blijft het recht zoals dat voor dat tijdstip gold van toepassing. Artikel V Op de aansprakelijkheid voor een voorval dat heeft plaatsgevonden voor de dag van inwerkingtreding van deze wet blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9892,"b":"Wet van 8 juni 2000 tot wijziging van de Mediawet en de Tabakswet (implementatie wijziging richtlijn «Televisie zonder grenzen») Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) en de [Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302) te wijzigen ter implementatie van [richtlijn nr. 97/36/EG](31997L0036) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 juni 1997 tot wijziging van [Richtlijn 89/552/EEG](31989L0552) van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PbEG L 202); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Mediawet. ARTIKEL II Wijzigt de Tabakswet. ARTIKEL III Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011404&artikel=I&z=2004-02-13&g=2004-02-13), aan de Staten- Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van [artikel 1, onderdeel yy](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=1), en [hoofdstuk IVA van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&hoofdstuk=IVA) en de op dat hoofdstuk berustende bepalingen. ARTIKEL IV De tekst van de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) wordt in het Staatsblad geplaatst. ARTIKEL V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaa"},{"i":9893,"b":"Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van de Mijnbouwwet in verband met implementatie van richtlijn nr. 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PbEG L 140) en van Ospar Decision 2007/2 on the storage of carbon dioxide streams in geological formations Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de Mijnbouwwet regels op te nemen in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van [richtlijn 85/337/EEG](31985L0337) van de Raad, de [richtlijnen 2000/60/EG](32000L0060), [2001/80/EG](32001L0080), [2004/35/EG](32004L0035), [2006/12/EG](32006L0012) en [2008/1/EG](32008L0001) en verordening (EG) nr. [1013/2006](32913L2006) (PbEG L 140) van het Europees Parlement en de Raad en van Ospar Decision [2007/2](32007L0002) on the storage of carbon dioxide streams in geological formations; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel Ia Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel II 1. Op een vergunning voor permanent opslaan van CO2 die is verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft de [Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168) zoals die gold voor dat tijdstip van toepassing tot 25 juni 2011. 2. De houder van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22 van de Mijnbouwwet](h"},{"i":9894,"b":"Rijkswet van 21 april 2017, houdende wijziging van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen in verband met het informeren van de Staten-Generaal over een ieder verbindende bepalingen van verdragen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de parlementaire betrokkenheid bij internationaal recht de [Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006799) te wijzigen teneinde de Staten-Generaal te informeren over een ieder verbindende bepalingen van verdragen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen. Artikel Ia Onze Minister van Buitenlandse Zaken stuurt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet een verslag aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9895,"b":"Wet van 9 oktober 2008 tot aanpassing van de wet van 11 december 1980, houdende uitvoering van het op 18 maart 1970 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en handelszaken (Stb. 653), de wet van 24 december 1958, houdende uitvoering van het op 1 maart 1954 te ’s-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Stb. 677) en de wet van 12 juni 1909 tot uitvoering van het op 17 juli 1905 te ’s-Gravenhage gesloten verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Stb. 141) aan de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen dat het wenselijk is gebleken de [wet van 11 december 1980, houdende uitvoering van het op 18 maart 1970 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en handelszaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003362) (Stb. 653), de [wet van 24 december 1958, houdende uitvoering van het op 1 maart 1954 te ’s-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002306) (Stb. 677) en de [wet van 12 juni 1909 tot uitvoering van het op 17 juli 1905 te ’s-Gravenhage gesloten verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001875) (Stb. 141) op enige punten aan te passen aan de [Uitvoeringswet EG-bewijsverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016763); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringswet Bewijsverdrag. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringswet Rechtsvorderingsverdrag 1954. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringswet Rechtsvorderingsverdrag 1905. Artikel IV Op rogatoire commissies die ontvangen zijn voor de inwerkingtreding van deze w"},{"i":9896,"b":"Wet van 10 november 2011 tot wijziging van de Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, uitvoering van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen alsmede algemene bepalingen met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van ontvoerde kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan en van de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming in verband met afschaffing van de procesvertegenwoordigende bevoegdheid van de centrale autoriteit in zaken van internationale kinderontvoering en kinderbescherming, alsmede, in teruggeleidingszaken, de concentratie van rechtspraak, introductie van de bevoegdheid van de rechter om te beslissen aan het hoger beroep in teruggeleidingszaken schorsende werking te verlenen, en beperking van het beroep in cassatie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de procesvertegenwoordigende bevoegdheid van de centrale autoriteit in zaken op grond van de verdragen inzake de civiele aspecten van internationale kinderontvoering en kinderbescherming af te schaffen en in teruggeleidingszaken de rechtspraak te concentreren, de bevoegdheid aan de rechter te verlenen om te beslissen dat het instellen van appel tegen teruggeleidingsbeschikkingen schorsende werking heeft, en het beroep in cassatie te beperken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringswet verdragen inzake internationale ontvoering van kinderen. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming. Artikel"},{"i":9903,"b":"Zesde Aanvullend Protocol bij het Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend, Gelet op het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000), ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen „het Verdrag”); Gelet op [Protocol nr. 11 bij het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001271) betreffende herstructurering van het bij dat Verdrag ingestelde controlemechanisme, ondertekend te Straatsburg op 11 mei 1994 (hierna te noemen „Protocol nr. 11 bij het Verdrag”), dat een permanent Europees Hof voor de Rechten van de Mens instelt (hierna te noemen „het Hof”), dat de Europese Commissie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens vervangt; Tevens gelet op [artikel 51 van het Verdrag](onbekend) waarin wordt bepaald dat de rechters gedurende de uitoefening van hun functie de voorrechten en immuniteiten genieten bedoeld in [artikel 40 van het Statuut van de Raad van Europa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005506&artikel=40) en de op grond van dat artikel gesloten overeenkomsten; In herinnering brengend het [Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781), ondertekend te Parijs op 2 september 1949 (hierna te noemen „het Algemeen Verdrag”), en het [tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005576), [vierde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004574) en vijfde Protocol daarbij; Overwegende dat een nieuw Protocol bij het [Algemeen Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781) raadzaam is om voorrechten en immuniteiten aan de rechters van het Hof te verlenen; Zijn het volgende overgekomen: Artikel 1 In aanvulling op de in [artikel 18 van het Algemeen Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781&artikel=18) bedoelde voorrechten en immuniteiten wor"},{"i":4199,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 december 2020, nr. MBO/26255276, houdende de vaststelling van het subsidieplafond van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019-2022 voor het kalenderjaar 2021 Gelet op [artikel 4, tweede en derde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019-2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041553&artikel=4); Besluit: Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2021/90. artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 4, tweede en derde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019-2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041553&artikel=4) voor het kalenderjaar 2021 wordt: - a. voor de aanvraagperiode van 1 januari 2021 tot 1 februari 2021 vastgesteld op € 15 miljoen; en - b. voor de aanvraagperiode van 1 juni 2021 tot 1 juli 2021 vastgesteld op € 10 miljoen. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3807,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van 14 november 2023, nr. TRCVWA/2023/4938, houdende het verlenen van ondermandaat en machtiging aan functionarissen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit voor het werkterrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Besluit ondermandaat en machtiging aan functionarissen van de NVWA voor het werkterrein van VWS 2023) Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de afdelingshoofden van de Divisie Inspectie:** de afdelingshoofden van de afdelingen van de Divisie Inspectie, directie Handhaven, van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - b. **de Chief Food Safety Officer:** de Chief Food Safety Officer van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - c. **de Chief Product Safety Officer:** de Chief Product Safety Officer van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - d. **de Chief Veterinary Inspector:** de Chief Veterinary Inspector van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - e. **de teamleiders van de Divisie Juridische Zaken:** de teamleiders van de teams van de Divisie Juridische Zaken, directie Strategie, van de Nederlandse Voedsel-en Warenautoriteit; - f. **de inspecteurs van de afdeling Import:** de assistent- inspecteurs, de inspecteurs, de senior inspecteurs, bij de afdeling Import bij de directie Handelstoezicht, van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - g. **de medewerkers bij de afdeling Exportcertificering op afstand:** de senior inspecteurs en overige certificerende functionarissen bij de afdeling Exportcertificering op afstand bij de directie Handelstoezicht; - h. **het COKZ:** de stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken; - i. **verordening (EG) 853/2004:** [Verordening (EG) nr. 853/2004](32004R0853) van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 139); - j. **de inspecteurs van de afdeling Co"},{"i":2784,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, mei 2011 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984. Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand mei 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 mei 2011, doch niet later dan 15 juni 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,299 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 mei 2011 en eindigende met 15 juni 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tweed"},{"i":10797,"b":"Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Overwegende dat wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart de veiligheid van personen en goederen in gevaar brengen, de exploitatie van luchtdiensten ernstig aantasten en het vertrouwen dat de volkeren der wereld stellen in de veiligheid der burgerluchtvaart ondermijnen, Overwegende dat zodanige gedragingen hen ernstig verontrusten, Overwegende dat, ten einde zodanige gedragingen te voorkomen, er dringende behoefte bestaat aan passende maatregelen ter bestraffing van de daders; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. Aan een strafbaar feit maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk: - a. een daad van geweld begaat tegen een persoon aan boord van een luchtvaartuig tijdens de vlucht, indien deze daad naar haar aard de veiligheid van dat luchtvaartuig in gevaar kan brengen; - b. een luchtvaartuig in bedrijf vernielt of daaraan schade toebrengt die het ongeschikt voor een vlucht maakt of van zodanige aard is dat zijn veiligheid tijdens de vlucht in gevaar wordt gebracht; - c. in een luchtvaartuig in bedrijf, op welke wijze dan ook, een voorwerp of substantie plaatst of doet plaatsen, waarvan waarschijnlijk is dat deze dit luchtvaartuig zal vernielen of er schade aan zal toebrengen, die het ongeschikt voor een vlucht maakt of van zodanige aard is dat zijn veiligheid tijdens de vlucht in gevaar wordt gebracht; of - d. hulpmiddelen ten behoeve van de luchtvaart vernielt of beschadigt, dan wel hun werking hindert, indien een van deze gedragingen van zodanige aard is dat daardoor de veiligheid van luchtvaartuigen tijdens de vlucht in gevaar wordt gebracht; - e. gegevens doorgeeft waarvan hij weet dat zij onjuist zijn, daardoor de veiligheid van een luchtvaartuig tijdens de vlucht in gevaar brengend. 1 bis. Aan een strafbaar feit maakt zich schuldig hij die wederrechtel"},{"i":9914,"b":"Aanwijzing ambtenaren, als Bedoeld in Artikel 72 van de Luchtvaartwet Gelet op [artikel 72 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=72) (Stb. 1958, 47), Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren, bedoeld in bovengenoemd artikel, worden aangewezen de directeur-generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst. Artikel 2 Zijn beschikking van 17 september 1959, nr. PZ/P 6463, Rijksluchtvaartdienst, wordt ingetrokken."},{"i":9925,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 10 december 2025, nr. WJZ/ 102863373, tot aanwijzing van elektronische kanalen voor het verzenden van berichten. (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Ministerie van Klimaat en Groene Groei) Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer in werking treedt. Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzing elektronische kanalen per proces Als kanalen voor ieder afzonderlijk proces worden aangewezen de kanalen zoals vermeld in de bijlage bij dit besluit. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit aanwijzingsbesluit treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van de [Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048252). Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Ministerie van Klimaat en Groene Groei. Bijlage. – Kanalen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052079&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | Bericht | Specifiek kanaal | | --- | --- | | Woo-verzoek | WooContactWJZ@minezk.nl | | Bezwaar als bedoeld in [Afdeling 7.1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=7.1) | WJZ-bb@minezk.nl | | Klacht ([hoofdstuk 9 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9)) | [https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-klimaat-en-groene-groei/contact-met-kgg"},{"i":4613,"b":"Circulaire van de Minister van Verkeer en Waterstaat aan de hoofdingenieur-directeuren in de regionale directies van de Rijkswaterstaat, met uitzondering van de directie Noordzee, alsmede de hoofdingenieur-directeur van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling, inzake de gewijzigde procedure ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht Zoals u bekend is wordt de procedure ingevolge de [Belemmeringenwet Privaatrecht](onbekend), welke leidt tot een door de Minister van Verkeer en Waterstaat op te leggen plicht tot het gedogen van de aanleg en/of instandhouding, dan wel verplaatsing van een openbaar werk, gevoerd vanuit de Hoofddirectie van de Waterstaat. De praktijk ingevolge de [Belemmeringenwet Privaatrecht](onbekend) tot op heden Sedert het verschijnen van het Rondschrijven van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 24 december 1971, no. HW/ROO 82 133, gericht aan de colleges van Gedeputeerde Staten in de provincies, betreffende de versnelling van de procedure bij toepassing van de [Belemmeringenwet Privaatrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001936), worden de verzoeken om toepassing van deze wet rechtstreeks ingediend bij de dagelijkse besturen van de provincies. Gedeputeerde Staten van de betreffende provincie vervullen vervolgens een coördinerende rol in de te doorlopen procedure en brengen uiteindelijk verslag en advies uit aan de Minister van Verkeer en Waterstaat. Nadat ook andere departementen (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dan wel Economische Zaken), de hoofdingenieur-directeur in de betrokken regionale directie van de Rijkswaterstaat, alsmede in voorkomende gevallen de hoofdingenieur-directeur van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling van hun adviezen hebben doen blijken, kan vervolgens ter hoofddirectie na toetsing aan de wettelijke criteria de ministeriële beschikking, houdende oplegging van de gedoogplicht, worden voorbereid en genomen. De taak"},{"i":3023,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 12 december 2019, nr. WJZ/19081477, tot aanwijzing toezichthouders voor de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie Gelet op [artikel 5 van de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905&artikel=5); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie in werking treedt. Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij de [Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905) worden aangewezen de inspecteurs werkzaam bij de Nederlandse Emissieautoriteit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905) in werking treedt. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9946,"b":"Beleidsregel goedkeuring wijzigingen van luchtvaartuigen Gelet op [artikel 89, eerste lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=89); Maakt bekend: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: Artikel 2 Met het ontwerp van een wijziging van een luchtvaartuig wordt als typewijziging ingestemd, nadat is aangetoond dat het gewijzigde luchtvaartuig voldoet aan de luchtwaardigheidseisen, bedoeld in de [artikelen 72 tot en met 74 van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=72). Artikel 3 1. Met het ontwerp van een wijziging van een luchtvaartuig wordt geacht te zijn ingestemd indien: - a. - 1º. met het ontwerp van de wijziging is ingestemd als Nederlands STC voor het betreffende type luchtvaartuig, - 2º. met het ontwerp van de wijziging is ingestemd als typewijziging voor het betreffende type luchtvaartuig, - 3º. met eenzelfde wijziging reeds eerder is ingestemd voor het betreffende type luchtvaartuig, - 4º. indien een aldus gewijzigd luchtvaartuig reeds eerder in Nederland is toegelaten, - 5º. het de inbouw van een in Nederland toegelaten uitrustingsstuk voor het betreffende type luchtvaartuig betreft; - 6º. een STC is afgegeven door een lidstaat van de JAA overeenkomstig de procedures van JAR 21, - 7º. een STC is afgegeven door de primair certificerende autoriteit en het betreft een gevalideerd(e) - 1. zweefvliegtuig of motorzweefvliegtuig, - 2. vleugelvliegtuig met een maximaal toegelaten startmassa van 5700 kg of minder, of - 3. helikopter met een maximaal toegelaten startmassa van 2700 kg of minder, of - 8º. Service Informatie is verstrekt en de wijziging is goedgekeurd door de primair certificerende autoriteit; - b. - 1º. de uitvoerende heeft vastgesteld dat de wijziging geen invloed heeft op de geluidsproductie van het luchtvaartuig, of - 2º. de Minister heeft verklaard dat de gewijzigde configuratie van het luchtvaartuig voldoet aan de op het tijdstip va"},{"i":9947,"b":"Beleidsregel van de Minister van Verkeer en Waterstaat inzake de instemming met tarieven van luchtvaartmaatschappijen als bedoeld in het Tarievenbesluit geregeld luchtvervoer Gelet op [artikel 2 van het Tarievenbesluit geregeld luchtvervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004913&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van het Wijzigingsbesluit Tarievenbesluit geregeld luchtvervoer, enz. (Stb. 2009/145) in werking treedt. Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Niet-communautaire luchtvaartmaatschappij:** een luchtvaartmaatschappij die niet beschikt over een geldige, door een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1008/2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PbEG L 293/3) afgegeven exploitatievergunning. Artikel 2 De beleidsregel is van toepassing op het verzoek om instemming met tarieven van niet-communautaire luchtvaartmaatschappijen als bedoeld in het [Tarievenbesluit geregeld luchtvervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004913). Artikel 3 1. Onverminderd [artikel 5 van het Tarievenbesluit geregeld luchtvervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004913&artikel=5) keurt de Minister van Verkeer en Waterstaat tarieven van luchtvaartmaatschappijen goed indien deze in redelijke verhouding staan tot de volledig toegerekende kosten op lange termijn van de aanvragende luchtvaartmaatschappij met inachtneming van andere relevante factoren. 2. Als andere relevante factoren, als bedoeld in het eerste lid, gelden in ieder geval: - a. de behoefte van de consumenten; - b. de noodzaak van een bevredigende opbrengst van de investering; - c. de concurrentie op de markt, inclusief de tarieven van de andere luchtvaartmaatschappijen die dezelfde route bedienen; en - d. de noodzaak om dumping te voorkomen. 3. Het feit dat een voorgesteld tarief lager is dan de tarieven van andere luchtvaartmaatschappijen, is geen voldoende reden o"},{"i":9948,"b":"Beleidsregel inzake het uitvoeren van verkeersvluchten door vliegers die 60 jaar of ouder zijn Gelet op [artikel 20 van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=20); maakt bekend: Artikel 1 1. Houders van een vliegbewijs B3, B2 of B1 die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt, zijn totdat ze 65 jaar zijn, bevoegd op te treden als bestuurder van een vliegtuig tijdens verkeersvluchten indien - a. de bemanning uit meer dan één vlieger bestaat, en - b. de houder de enige vlieger binnen de bemanning is die 60 jaar of ouder is. 2. De vliegbewijzen, genoemd in het vorige lid, worden bij verlenging voorzien van de aantekening: only valid for public transport flights if the holder is member of a multi-pilot crew and the only pilot in the flight crew who has attained age 60 Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":9949,"b":"Beleidsregel kostenverhaal, artikel 75 Wet bodembescherming april 2007 1. Inleiding Met toepassing van de richtlijnen zoals neergelegd in de beleidsregel kostenverhaal, [artikel 75 Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=75)1Stcrt. 2002, 81, p.23. heeft de toenmalige uitvoeringsorganisatie Kostenverhaal van het Directoraat-Generaal Milieubeheer een groot aantal kostenverhaalszaken afgehandeld. Met ingang van 1 januari 2005 houdt Bodem+2Website: www.bodemplus.nl., onderdeel van SenterNovem, zich in opdracht van achtereenvolgens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) en thans de Minister, bezig met de wettelijke taak kostenverhaal. Daartoe heeft de staatssecretaris de bevoegdheid tot het behandelen van kostenverhaalszaken formeel gemandateerd aan SenterNovem.3Besluit mandaat, volmacht en machtiging SenterNovem Bodem+, Stcrt. 2004, 243, p. 16. SenterNovem is een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. Het Ministerie van VROM heeft in samenwerking met Bodem+ het beleid inzake kostenverhaal opnieuw bezien en waar nodig aangepast. Dit heeft geleid tot de onderhavige beleidsregel die de in 2002 gepubliceerde beleidsregel vervangt. 2. Achtergrond beleidsregel op grond van [artikel 75 Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=75) 2.1. Wettelijke taak kostenverhaal Bij de uitvoering van de wettelijke taak kostenverhaal wordt Bodem+ door provincies en gemeenten voorzien van gegevens, die noodzakelijk zijn voor de onderbouwing van een individuele kostenverhaalzaak. De Staat wordt in rechte vertegenwoordigd door de Landsadvocaat. Kostenverhaal vindt plaats op grond van [artikel 75 Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=75) (Wbb). De Staat kan de kosten die zijn gemaakt voor onderzoek en sanering verhalen op de veroorzaker van de bodemverontreiniging op grond van [artikel 75 lid 1](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":9950,"b":"Beleidsregel van de Minister van Verkeer en Waterstaat omtrent de uitleg van artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **beheerder:** beheerder als bedoeld in [artikel 1, onderdeel h, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=1); - b. **gerechtigde:** gerechtigde als bedoeld in [artikel 57 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=57); - c. **Onze Minister:** Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 1. [Artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=17) is van toepassing indien: - a. de wijziging die door de beheerder wordt aangebracht in de technische of functionele eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur wordt uitgevoerd op verzoek van derden dan wel op eigen initiatief, en - b. de wijziging die door de beheerder wordt aangebracht in de technische of functionele eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur de gebruiksmogelijkheden van de hoofdspoorwegen aanmerkelijk verandert. 2. [Artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=17) is ook van toepassing bij twijfel of er sprake is van een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Artikel 3 Van een aanmerkelijke wijziging in de gebruiksmogelijkheden van de hoofdspoorwegen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027834&artikel=2&z=2010-07-02&g=2010-07-02), is in ieder geval sprake bij: - a. het saneren van een hoofdspoorweg of van gedeelten daarvan; - b. het saneren van een spoorwegemplacement, zijnde een als zodanig aangewezen deel van de hoofdspoorweg als bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van het Besluit spoorverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR001"},{"i":9951,"b":"Besluit van 7 december 2023, IENW/BSK-2023/355923 tot vaststelling van de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024 (Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024) Gelet op de [artikelen 4:126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:126) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen en toepassingsbereik 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **wet:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). 2. Deze beleidsregel heeft betrekking op een aanvraag als bedoeld in [artikel 4:126 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:126) om vergoeding van schade waarvan de aanvrager stelt dat die is veroorzaakt door de Minister. Hoofdstuk 2. Procedurebepalingen Artikel 2. Aanvraag 1. De aanvrager maakt gebruik van een door de Minister vastgesteld formulier. 2. In aanvulling op de [artikelen 4:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:1), [4:2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2), en [4:127 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:127) bevat een aanvraag mede: - a. indien een onderneming om een vergoeding van inkomensschade vraagt: de jaarrekeningen en de maandcijfers van in ieder geval de drie jaren voorafgaand aan het schadejaar en de maandcijfers van het lopende schadejaar, voorzien van een handtekening van de bestuurder van de onderneming of bij een accountantsrapport een handtekening van een accountant; - b. bij schade wegens gederfde huurinkomsten: een afschrift van de huurovereenkomst of gebruiksovereenkomst en een eigendomsakte; - c. bij schade geleden door een onderneming: een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. 3. De Minister bevestigt de ontva"},{"i":9952,"b":"Besluit van 20 december 2023, nr. IENW/BSK-2023/377178, tot vaststelling van de Beleidsregel nadeelcompensatie verleggen kabels en leidingen vanwege rijkswaterstaatswerken, rijkswegen en hoofdspoorwegen 2024 Gelet op de [artikelen 4:126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:126) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen en toepassingsbereik Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **beperkingengebied:** het gebied, bedoeld in de [bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A](onbekend), voor een rijkswaterstaatswerk, rijksweg en hoofdspoorweg; - **buitenleiding:** een kabel of leiding die buiten het beperkingengebied ligt en valt onder één van de werken van algemeen belang als bedoeld in [hoofdstuk 10 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&hoofdstuk=10); - **droge infrastructuur:** een rijksweg en hoofdspoorweg; - **hoofdspoorweg:** een door de minister op grond van [artikel 2 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=2) als zodanig aangewezen of aan te wijzen spoorweg; - **kabel:** een sterke, buigzame, verbinding, bestaande uit een of meer geleiders welke zijn samengesteld uit draden van metaal of glasvezel en geschikt voor het transport van elektrische energie of elektrische signalen of optische signalen; - **kruisende leiding:** een leiding of kabel die, krachtens vergunning of melding, kruisend door, op, boven, onder of in een rijkswaterstaatswerk, rijksweg of hoofdspoorweg; - **langsleiding:** een leiding of kabel die, krachtens vergunning of melding, parallel is gelegd aan, boven, onder op of in een rijkswaterstaatswerk, rijksweg of hoofdspoorweg is gelegd; - **leiding:** een buis, vervaardigd van een duurzaam materiaal zoals staal, beton of kunststof en geschikt voor het transport van vloeistoffen en gassen; - **maatwerkvoorschrif"},{"i":9953,"b":"Beleidsregel natuurcompensatie en Tracéwet 1. Inleiding en doel In het Structuurschema Groene Ruimte (SGR) is als uitgangspunt vastgelegd, dat in bepaalde gebiedscategorieën in principe geen ruimtelijke ingrepen mogen plaatsvinden. Volgens het ’nee-tenzij’-principe zijn dergelijke ingrepen alleen toegestaan indien er sprake is van een aantoonbaar zwaarwegend maatschappelijk belang en bij gebrek aan alternatieven. Op grond van het SGR dient de initiatiefnemer dan het verlies aan natuur, bos en/of recreatie te compenseren. Als gebiedscategorieën waarop dit compensatiebeginsel van toepassing is zijn in het SGR aangemerkt: Het compensatiebeginsel dient gestalte te krijgen in de vorm van mitigatie en compensatie. Onder mitigatie wordt verstaan het verminderen van nadelige effecten van ingrepen/activiteiten op de omgeving door bepaalde maatregelen. Dergelijke maatregelen hebben een directe, fysieke relatie met het te maken werk, in die zin dat zij worden uit-gevoerd aan, op of onder het werk zelf (denk aan ecoducten, dassentunnels en geluidsschermen). Onder compensatie wordt verstaan het creëren van nieuwe waarden die vergelijkbaar zijn met de verloren gegane waarden. Gaat het om volledig onvervangbare waarden dan heeft compensatie betrekking op het creëren van zo vergelijkbaar mogelijke waarden. In tegenstelling tot mitigerende maatregelen kunnen compenserende maatregelen ook buiten het beheersgebied van een werk liggen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat compensatie in principe in de directe omgeving van de ingreep moet plaatsvinden en zoveel mogelijk aansluitend aan een gebied met vergelijkbare waarden. Het voorgaande is van belang indien op grond van de [Tracéwet](onbekend) de aanleg van infrastructuur in een SGR-gebied wordt overwogen. Volgens de lijn van het SGR zal moeten worden aangetoond dat de ingreep noodzakelijk is en zal voldoende zekerheid moeten worden geboden omtrent de realisering van de mitigerende en compenserende maatregelen. Deze lijn geldt evenzeer v"},{"i":9954,"b":"Beleidsregel Natuurschoonwet 1928 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit vervangt het besluit van 29 juni 2011, nr. BLKB2011/310M** 1 Gewijzigd bij besluit van 19 augustus 2015, nr. BLKB2015/449M. **en bevat het beleid over de fiscale faciliteiten in de Natuurschoonwet 1928. De voorwaarden in onderdeel 3 zijn aangepast aan de elektronische wijze van registreren van notariële akten. Onderdeel 4 is nieuw en omschrijft de voorwaarden waaronder aandelen in een landgoed BV/NV gecertificeerd kunnen worden. De onderdelen 5, 8 en 9 zijn herschreven, zonder dat een inhoudelijke wijziging is bedoeld.** 1. Inleiding Landgoederen kunnen op verzoek van de eigenaar worden aangemerkt (gerangschikt) als landgoed in de zin van de [Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939) (NSW). De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en de Minister van Financiën geven gezamenlijk aan de eigenaar van het NSW-landgoed een beschikking af. Het nemen van deze gezamenlijke beschikkingen is aan de onderscheidene uitvoerende diensten gemandateerd. De beschikkingen worden namens de beide ministers ondertekend door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). In het [Rangschikkingsbesluit NSW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004914) zijn nadere voorwaarden opgenomen voor de rangschikking als NSW-landgoed. De [NSW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939) voorziet in fiscale faciliteiten (schenk- en erfbelasting en overdrachtsbelasting) voor de verkrijgers van gerangschikte NSW-landgoederen. Op deze faciliteiten kan gedurende 25 jaar na de verkrijging worden teruggekomen. In dit besluit wordt ingegaan op de fiscale faciliteiten in de NSW en er zijn goedkeuringen in opgenomen. In onderdeel 3.1. en 3.2. zijn goedkeuringen opgenomen voor de toepassing van [artikel 9a NSW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9a). Een voorwaarde bij deze goedkeuringen is aangepast aan de gewijzigde"},{"i":9955,"b":"Beleidsregel van het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit van 17 december 2020, nr. NEA-2020/21858, houdende regels met betrekking tot de handhaving van regels ter uitvoering van het Europese emissiehandelssysteem 2021 (Beleidsregel Nederlandse Emissieautoriteit ETS 2021) Gelet op de handhavingsbevoegdheden van het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit als bedoeld in de [artikelen 18.6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.6a) en [18.16a van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16a), artikel 16 van de ETS-[richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 181), en [artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - −. **het bestuur:** het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit als bedoeld in [artikel 2.3 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=2.3); - −. **MRV:** Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig [Richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (PbEU 2018, L334); - −. **regeling:** [Regeling handel in emissierechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032413); - −. **VKTE:** Gedelegeerde verordening (EU) nr. 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10bis van [Richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L59); - −. **VATVA:** Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1842 van de Commissie van 31 oktober 2019 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van"},{"i":9956,"b":"Beleidsregel ontheffingen luchtwaardigheid Gelet op [artikel 3.21 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.21); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 Aan de houder van een luchtvaartuig dat: - a. niet luchtwaardig is, of - b. niet voorzien is van een geldig bewijs van luchtwaardigheid, wordt, indien de houder aantoont, dat een dringende noodzaak bestaat dat met dat luchtvaartuig een vlucht of een aantal vluchten wordt uitgevoerd en dat hij passende maatregelen zal nemen om zowel de interne veiligheid als de externe veiligheid in voldoende mate te waarborgen, een ontheffing verleend van het verbod als bedoeld in [artikel 3.8, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.8). Artikel 2 1. Een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016401&paragraaf=1&artikel=1&z=2004-07-14&g=2004-07-14), wordt ingediend bij de Inspecteur-generaal Verkeer en Waterstaat, en omvat ten minste: - a. de reden van de dringende noodzaak van de vlucht of vluchten; - b. de gewenste duur van de ontheffing. 2. Een aanvraag gaat vergezeld van: - a. voor in Nederland geregistreerde luchtvaartuigen: een kopie van een luchtwaardigheidsverklaring van een erkend bedrijf; eventueel ondersteund door gegevens van de houder van het goedgekeurde ontwerp van het luchtvaartuig, of de houder van een daartoe geschikte DOA als bedoeld in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012651&artikel=24) of [26 van het Besluit luchtwaardigheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012651&artikel=26) of erkenning als Erkend Inspecteur als bedoeld in [Hoofdstuk 6 van de Regeling erkenningen luchtwaardigheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012877&hoofdstuk=6), inclusief een voorstel voor eventuele beperkingen; - b. voor niet in Nederland geregistreerde luchtvaartuigen: - 1°. een kopie van het bewijs van inschrijving; - 2°. een kopie van de luchtwaardigheidsver"},{"i":9957,"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Financiën van 27 oktober 2020, nr. WJZ/ 18182476, inzake de voorwaarden voor openstelling van landgoederen (Beleidsregel openstelling landgoederen Natuurschoonwet 1928) Gelet op [artikel 7, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7) en op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (evaluatie Natuurschoonwet 1928) (Stb. 2020, 331) in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **buitenplaats:** een onroerende zaak als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004914&artikel=1); - –. **de Ministers:** de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Financiën; - –. **landgoed:** landgoed als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1); - –. **openstellingsregels:** regels voor het openstellen voor het publiek van een landgoed of een gedeelte van een landgoed; - –. **publiek:** wandelaars; - –. **wet:** [Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939). Artikel 1.2 1. Deze beleidsregel geldt voor de in [artikel 7, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7) bedoelde goedkeuring door de Ministers van openstellingsregels. 2. De goedkeuring dient voor elk landgoed afzonderlijk te worden aangevraagd. 3. De goedkeuring wordt slechts verleend als het landgoed en de openstellingsregels voor het landgoed voldoen aan de in deze beleidsregel opgenomen voorwaarden. 4. Het gestelde over landgoederen in deze beleid"},{"i":9958,"b":"Beleidsregel van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden van 23 oktober 2024 inzake de toepassing van artikel 44 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 in het kader van werkzame stoffen en metabolieten uit gewasbeschermingsmiddelen die het toelatingscriterium voor oppervlaktewater structureel overschrijden (Beleidsregel toepassing artikel 44 Verordening (EG) nr. 1107/2009 bij structurele overschrijdingen van het toelatingscriterium in oppervlaktewater Ctgb 2024) gelet op artikel 44 in samenhang met de artikelen 4 en 29 van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) in samenhang met [Verordening (EU) 546/2011](32011R0546) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begrippen Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Bestrijdingsmiddelenatlas:** digitale applicatie ([https://www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl](https://www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl/)) uitgegeven door het Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden en gefinancierd door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, in samenwerking met Rijkswaterstaat WVL, UvW, RIVM en Ctgb, waarin op grond van meetgegevens van regionale waterbeheerders een landelijk beeld van werkzame stoffen in verhouding tot verschillende normen, waaronder het toelatingscriterium voor gewasbeschermingsmiddelen, in het oppervlaktewater wordt gegeven. - **Ctgb:** College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. - **Gewasbeschermingsmiddel:** gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107). - **Meetpunt:** locatie waarop stoffen worden gemeten, veelal meerdere meetmomenten in het jaar. - **Metaboliet:** omzettingsproduct van een werkzame stof. - **Monitoringsresultaten:** uitslagen op meetpunten betreffende werkzame stoffen en/of metabolieten in oppervlaktewater zoals gerapporteerd in de Bestrijdingsm"},{"i":9959,"b":"Beleidsregel toepassing en beoordeling lozingseisen rijkswateren Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) in samenhang met de [artikelen 6.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=6.2), [6.20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=6.20), en [8.1, eerste lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=8.1), het [Activiteitenbesluit milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022762), het [Besluit lozen buiten inrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029789), het [Besluit lozing afvalwater huishoudens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022910) en het [Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. lozingseis: voorschrift over de toegestane concentraties stoffen in te lozen afvalwater; - b. empirische lozingseis: lozingseis die is bepaald op basis van een historische meetreeks van de concentraties stoffen in het te lozen afvalwater; - c. theoretische lozingseis: andere lozingseis dan een empirische lozingseis; - d. uitgebreide meetonzekerheid: onzekerheidsinterval rond het analyseresultaat dat met 95% betrouwbaarheid de werkelijke waarde bevat; - e. omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in [artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, onder 1°, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1); - f. maatwerkvoorschrift: voorschrift als bedoeld in [artikel 2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=2.13), [artikel 6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.7), [artikel 7.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=7.7) of [artikel 17.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":9962,"b":"Beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid van 18 januari 2022, nr. 3789369, ten behoeve van de vaststelling van de tegemoetkoming in de teeltplanschade bedoeld in artikel 8 van de Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021 De Minister van Justitie en Veiligheid maakt bekend dat bij de vaststelling van de tegemoetkoming in de teeltplanschade, bedoeld in [artikel 8 van de Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045602&artikel=8) in juli 2021 (Staatscourant 2021, 40211), uitgegaan wordt van de in de bijlage opgenomen standaardopbrengst (SO-)normen per product per hectare. Bijlage Onderstaande tabel geeft de te hanteren SO-normen (in euro per ha) voor de meest gangbare gewassen | **Gewas** | **SO basisjaren 2016–20201** | | --- | --- | | wintertarwe | 2.010 | | wintergerst | 1.610 | | zomertarwe | 1.760 | | zomergerst | 1.510 | | pootaardappelen | 11.350 | | consumptieaardappelen | 7.270 | | suikerbieten | 3.110 | | zaaiuien | 6.920 | | erwten (droog te oogsten) | 970 | | snijmais | 1.650 | | luzerne | 980 | | chicorei | 3.850 | | spelt | 1.790 | | winterpeen | 10.530 | | **Gewas** | **SO basisjaren 2015–20192** | | blijvend grasland3 | 1.180 | | tijdelijk grasland3 | 1.180 | | natuurlijk grasland | 350 | 1 2020 betreft voorlopige uitkomsten voor de akkerbouwgewassen. 2 De prijs van 11 cent is het prijsniveau van 2017 (het midden van 2015-2019). 3 Per kg droge stof (d.s.) is de normatieve opbrengst 11 cent bij 10.700 kg d.s. per ha. De 25% laagste bedrijven scoren ruim 25% lager en de 25% beste ruim 25% hoger gemeten in d.s. (bron Flynth kringloopwijzer)."},{"i":9965,"b":"Beleidsregel waterdichte afsluiting van dekopeningen van vissersvaartuigen Gelet op [artikel 2.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=2.3), en [artikel 2.6, eerste lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=2.6); Besluit: Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op vissersvaartuigen die zijn geregistreerd in het register,bedoeld in [artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009353&artikel=4). Artikel 2 In deze beleidsregel wordt verstaan onder een bak: de overdekte constructie op het werkdek die zich vanaf de voorsteven uitstrekt over een afstand die, vanuit de voorloodlijn gemeten, ten minste 7% van de lengte van het vaartuig bedraagt en waarvan de zijden over ten minste die afstand worden gevormd door de zijbeplating van het vaartuig. Artikel 3 1. De lengte van de bak wordt gemeten van het voorste punt van de bak, gelegen op hart schip op de aansnijding van het bakdek met de voorsteven, tot aan het 'einde' van de bak. 2. Bij een bak waarvan de zijden uitsluitend worden gevormd door de zijbeplating van het vaartuig, moet worden gerekend dat het einde van de bak ligt op het punt waar de zijbeplating is opgetrokken tot een hoogte die de vereiste verschansingshoogte met 750 mm overschrijdt of tot het niveau van het bakdek, indien dit laatste lager is. 3. Bij een bak waarvan de zijden vanaf het hoogste punt eerst worden gevormd door de zijbeplating van het vaartuig en vervolgens worden voortgezet in de vorm van langsscheepse schotten die op een bepaalde afstand uit de zijde van het vaartuig zijn geplaatst, ligt het einde van de bak op een afstand 'S' gemeten uit het voorste punt van de bak, waarbij S = l - b1a/b2 volgens onderstaande figuur: Artikel 4 Indien een vaartuig is voorzien van een bak waarvan de lengte minder bedraagt dan of gelijk is aan 15% van de lengte van het vaartuig, behoeft een dergelijke bak niet te wor"},{"i":9971,"b":"Regeling van de bewaarder van het kadaster en de openbare registers, houdende vaststelling beleidsregels voor teboekstelling van privéschepen en luchtvaartuigen in de openbare registers als bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES (Beleidsregels teboekstelling privéschepen en luchtvaartuigen BES) Gelet op [artikel 10 van de Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=10); Besluit: Hoofdstuk 1. Privéschepen 1.1. Verzoek teboekstelling 1. De bewaarder verricht de teboekstelling van een privéschip door inschrijving van het verzoek tot teboekstelling in de openbare registers. 2. De bewaarder verricht de teboekstelling voor ieder schip onder een eigen nummer. 1.2. Privéschip 1. De bewaarder ziet erop toe dat het verzoek tot inschrijving van een privéschip naast een verklaring van de eigendom, eveneens inhoudt de verklaring van de eigenaar dat naar zijn beste weten het schip voor teboekstelling als zeeschip vatbaar is, bedoeld in [artikel 194, vierde lid, vierde volzin, van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028753&artikel=194). 2. Bij het verzoek tot inschrijving van een privéschip verlangt de bewaarder stukken waaruit naar zijn oordeel genoegzaam blijkt dat het een verzoek tot inschrijving van een privéschip betreft als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=2). 1.3. In aanbouw zijnd privéschip 1. De bewaarder ziet erop toe dat het verzoek tot inschrijving van een in aanbouw zijnd privéschip naast een verklaring van de eigendom, eveneens inhoudt een bewijs dat het schip in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in aanbouw is. 2. Een privéschip in aanbouw kan worden te boek gesteld, zodra de bewaarder aannemelijk is gemaakt dat met de bouw van het schip is begonnen en dat het schip in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in aanbouw is. 3. De bewaarder verlangt van de eigenaar die op"},{"i":9972,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 18 maart 2013, nr. IENM/BSK-2013/47385, houdende vaststelling van beleidsregels voor het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit inzake het tijdelijk afzien van handhaving van de regels voor de handel in broeikasgasemissierechten met betrekking tot bepaalde luchtvaartactiviteiten (Beleidsregels tijdelijk niet-handhaven bij ETS luchtvaart) Gelet op [artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21) en het voorstel van de Europese Commissie van 20 november 2012 voor een Besluit van het Europees Parlement en van de Raad tot tijdelijke afwijking van [Richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en van de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (COM(2012) 697);1Zie: http://ec.europa.eu/clima/policies/transport/aviation/docs/com_2012_697_en.pdf Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. **de emissieautoriteit:** de emissieautoriteit, bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1); - b. **EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten:** [Richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van [Richtlijn 96/61/EG](31996L0061) van de Raad (PbEU L 275); - c. **wet:** [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245). Artikel 2 1. Ten aanzien van een vliegtuigexploitant waarop [afdeling 16.2.2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&afdeling=16.2.2) van toepassing is, legt het bestuur van de emissieautoriteit geen last onder dwangsom of bestuurlijke boete op grond van [artikel 18.6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.6a) on"},{"i":9977,"b":"Beschikking vrijstelling Rijksluchtvaartdienst en Hoofddirectie Telecommunicatie en Post Gelet op artikel D 4.2, van het Besluit radio-elektrische inrichtingen (Stb. 1988, 552); Besluit: Artikel 1 Aan de Rijksluchtvaartdienst (RLD) en de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post van het ministerie van Verkeer en Waterstaat (HTP) wordt vrijstelling verleend van een machtiging voor de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van zendinrichtingen. Artikel 2 De vrijstelling van Rijksluchtvaartdienst is van toepassing voor zover de zendinrichtingen worden gebruikt ten behoeve van de eigen dienstuitoefening. Artikel 3 De vrijstelling van de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post is van toepassing voor zover de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van zendinrichtingen noodzakelijk is voor de uitoefening van de haar opgedragen taak. Artikel 4 De inrichtingen behoeven niet te zijn van een toegelaten type. Artikel 5 1. De beschikkingen aanwijzing dienstonderdelen PTT en vrijstelling machtigingsvereiste Rijksluchtvaartdienst van 22 augustus 1985 worden ingetrokken. 2. Deze beschikking treedt in werking met ingang van de inwerkingtreding van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen en kan worden aangehaald als: Beschikking vrijstelling Rijksluchtvaartdienst en Hoofddirectie Telecommunicatie en Post."},{"i":413,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 februari 2006, nr. OHW-U-2657055, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2005 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2005: 100/2196 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":407,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 november 2015, 2015-0000292026, tot vaststelling van de premiepercentages en het maximumpremieloon werknemers- en volksverzekeringen en de opslag kinderopvangtoeslag voor 2016 Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Wfsv:** de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745); - b. **AWf-premie:** het deel van de premie, bedoeld in [artikel 27 van de Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=27), dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds; - c. **Ufo-premie:** het premiepercentage, bedoeld in [artikel 31 van de Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=31), voor de premie verschuldigd door overheidswerkgevers als middel tot dekking van uitgaven ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid. Artikel 2. Awf-premie De AWf-premie wordt voor het jaar 2016 vastgesteld op 2,44%. Artikel 3. Vervangende premie voor de sectorfondsen Het gemiddelde premiepercentage, bedoeld in [artikel 28, tweede lid, van de Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=28), wordt voor het jaar 2016 vastgesteld op 2,16%. Artikel 4. Ufo-premie De Ufo-premie wordt voor het jaar 2016 vastgesteld op 0,78%. Artikel 5. Basispremie Arbeidsongeschiktheidsfonds De basispremie, bedoeld in [artikel 36 van de Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=36), wordt voor het jaar 2016 vastgesteld op 5,88%. Artikel 6. Maximumpremieloon Het bedrag, bedoeld in [artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=17), wordt voor het jaar 2016 vastgesteld voor een loontijdvak van: - a. een jaar op: € 52.763; - b. een maand op: € 4.396,91; - c. vier weken op: € 4.058,69; - d. een week op: € 1.014,67; - e. een dag op: € 202,93. Artikel 7. Maximumpremieloon bij afwijkend loontijdvak in verband met vakantiebonnen, vakantietoeslagbo"},{"i":436,"b":"Regeling houdende nadere regels met betrekking tot de veiligheid en certificering van in de Nederlandse Antillen en Aruba geregistreerde zeeschepen (Regeling veiligheid Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse zeeschepen) Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen en de Minister van Toerisme en Transport van Aruba; Gelet op de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=12), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=22), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=32), [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=46), [48, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=48), [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=51), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=54), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=58) en [65 van het Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=65), de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=5), [26e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=26e), en [26f van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=26f) en de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017726&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2022-07-06&g=2022-07-06) van deze regeling genoemde Codes; Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **besluit:** [Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880); - –. **Caribische handelszone:** Caribische handelszone (Caribbean Trading Area) als omschreven in de CCSS-Code; - –. **CCSS-Code:** in het kader van het op 9 februari 1996 te Barbados tot stand gekomen Memorandum van overeenstemming inzake toezicht op schepen door de havenstaat vastgestelde Code voor de veiligheid van vrachtschepen waarmee reizen worden onderno"},{"i":430,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 februari 2024, kenmerk 3762073-1060853-WJZ, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2023 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2023: **100** 3.198 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":417,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 februari 2010, nr. OHW-U-2982152, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2009 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2009: 100 —— 2425 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2010. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":415,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 januari 2008, nr. OHW-U-2824691, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2007 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2007: 100/2285 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7554,"b":"Besluit van de clusterdirecteur Gegevens van de directie Centrale Administratieve Processen van 18 november 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen het cluster Gegevens wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":14275,"b":"Regeling van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 23 juni 2023, nr. MinBuza.2023.15246-27 houdende invoering van een vergunningplicht voor de uitvoer van geavanceerde productieapparatuur voor halfgeleiders die niet zijn genoemd in bijlage I van Verordening 2021/821 (Regeling geavanceerde productieapparatuur voor halfgeleiders) Gelet op [artikel 4 van het Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - −. **exporteur:** exporteur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 3, van de Verordening producten voor tweeërlei gebruik; - −. **geavanceerde productieapparatuur voor halfgeleiders:** productieapparatuur, programmatuur en technologie, en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor, als bedoeld in de bijlage bij deze regeling; - −. **inspecteur:** de directeur-generaal Douane; - −. **Minister:** de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp; - −. **uitvoer:** uitvoer als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de Verordening producten voor tweeërlei gebruik; - −. **Verordening producten voor tweeërlei gebruik:** [Verordening (EU) 2021/821](32721R2021) van het Europees parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik (herschikking) (PbEU 2021, L 206). Artikel 2 Het is verboden zonder vergunning van de Minister geavanceerde productieapparatuur voor halfgeleiders uit te voeren uit Nederland. Artikel 3 1. Een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048439&artikel=2&z=2025-11-25&g=2025-11-25) wordt gedaan door de exporteur en ingediend bij de inspecteur. 2. De aanvraag bevat in ieder geval: - a. de naam en het adres van de exporteur; - b. de bestemming, met inbegrip van de eindbestemming, van de geavanceerde"},{"i":7551,"b":"Besluit mandaatverlening, machtiging en tekenbevoegdheid Wet bescherming persoonsgegevens 2017 Gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037135&artikel=13) en [14 van het Organisatie- en mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037135&artikel=14) en de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038862&artikel=5) en [6 van het Organisatie- en mandaatbesluit directoraat-generaal Belastingdienst 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038862&artikel=6); Besluit: Artikel 1 1. De algemeen directeuren, landelijk directeuren en directeuren van de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, genoemd in [artikel 3, eerste lid, onderdelen a1, b1, b2, c1, c2, d en f, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=3), hebben mandaat voor het nemen van besluiten als bedoeld in de [artikelen 30, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=30), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36), [38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=38), [40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=40) en [41 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=41), alsmede voor het nemen van beslissingen op het bezwaar tegen voornoemde besluiten. 2. De functionarissen, genoemd in het eerste lid, kunnen met betrekking tot het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid ondermandaat verlenen aan door hen aan te wijzen medewerkers van de Belastingdienst. 3. De functionarissen, genoemd in het eerste lid, en de medewerkers, bedoeld in het tweede lid, oefenen de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, niet uit voor zover de afhandeling uitdrukkelijk is voorbehouden door een hogergeplaatste functionaris dan wel de afhandeling"},{"i":6327,"b":"Wet van 16 juli 2001 tot samenvoeging van de gemeenten Dodewaard, Echteld en Kesteren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Dodewaard, Echteld en Kesteren samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Dodewaard, Echteld en Kesteren opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Kesteren ingesteld. Artikel 3 De nieuwe gemeente Kesteren bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Dodewaard, Echteld en Kesteren met dien verstande dat het gebied Medel overgaat van de op te heffen gemeente Echteld naar de gemeente Tiel, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Kesteren wordt de op te heffen gemeente Kesteren aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Dodewaard, Echteld en Kesteren wordt de nieuwe gemeente Kesteren aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. de [artikelen 44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel="},{"i":6435,"b":"Besluit van 31 augustus 2010 tot wijziging van het Besluit inburgering, het Besluit participatiebudget en enkele andere besluiten (wijzigingen inburgeringsplicht en verdeelsleutel participatiebudget) Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 2 juni 2010, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Justitie, nr. BJZ2010014471, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 5, vierde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5), [6, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), [18, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=18), [24a, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=24a), en [31, derde lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=31), [artikel 2, vierde en vijfde lid, van de Wet participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039&artikel=2), [artikel 4 van de Wet wettelijke grondslag bdu siv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026724&artikel=4) en [artikel 2a, tweede lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2a); De Raad van State gehoord (advies van 15 juli 2010, nr. W08.10.0208/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 27 augustus 2010, uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Justitie, nr. BJZ2010021296, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit inburgering. Artikel II Wijzigt het Besluit participatiebudget. Artikel III Wijzigt het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid. Artikel IV Het in het tijdvak dat loopt van 1 januari 20"},{"i":6605,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 13 oktober 2010, nr. WJZ/10144037, tot wijziging van enkele subsidieregeling in verband met het Uniform Subsidiekader, de toepasselijkheid van enkele subsidies op Bonaire, Sint Eustatius en Saba en enkele andere wijzigingen Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=15), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), en [25 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling energie en innovatie. Artikel II Wijzigt de Subsidieregeling innoveren. Artikel III Wijzigt de Subsidieregeling internationaal excelleren. Artikel IV Wijzigt de Subsidieregeling internationaal ondernemen. Artikel V Wijzigt de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. Artikel VI Wijzigt de Subsidieregeling sterktes in de regio. Artikel VII Wijzigt de Subsidieregeling sterktes in innovatie. Artikel VIII Op aanvragen om subsidie die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend en op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt, op grond van de [Subsidieregeling energie en innovatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026952), de [Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855), de [Subsidieregeling internationaal excelleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983), de [Subsidieregeling internationaal ondernemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026819), de [Subsidiereg"},{"i":6584,"b":"Besluit van 14 mei 2013, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Besluit modern migratiebeleid in verband met de aanpassing van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 maart 2013, nr. 363361; Gelet op [artikel 14, tweede en derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 april 2013, nr. W03.13.0066/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 7 mei 2013, nr. 381922; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel II Wijzigt het Besluit modern migratiebeleid. Artikel III 1. Dit besluit blijft buiten toepassing op ambtshalve verlening van de vergunning, bedoeld in [artikel 3.56 (oud)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56) in geval de aanvraag tot een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) voor inwerkingtreding van dit besluit is ingediend tenzij het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven voor de vreemdeling gunstiger is. 2. Dit besluit blijft buiten toepassing ten aanzien van vreemdelingen die ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit een vergunning op grond van [artikel 3.56 (oud)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56) bezitten, dan wel na inwerkingtreding van dit besluit deze vergunning verleend krijgen, tenzij het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven voor de vreemdeling gunstiger is. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op 1 juni 2013. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6586,"b":"Besluit van 19 november 2014 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de introductie van een grondslag voor toelating van startende buitenlandse ondernemers en het afschaffen van de meldplicht voor kort verblijf van vreemdelingen van buiten de Europese Unie Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 22 september 2014, nr. 559785; Gelet op de [artikelen 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18), en [54, eerste lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 2014, no. W03.14.0340/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 november 2014, nr. 583638; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel II Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt twee jaar na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035804&artikel=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01), aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten daarvan in de praktijk. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015, met dien verstande dat [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035804&artikel=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01), in werking treedt met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 januari 2014. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6591,"b":"Besluit van 19 december 2006, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen en van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten, inzake residuen van bestrijdingsmiddelen op of in levensmiddelen Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 oktober 2006, VGP/VV 2723136, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken, en van Justitie; Gelet op [verordening (EG) nr. 396/2005](32005R0396) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 februari 2005 (PbEU L 70) tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van [richtlijn 91/414/EG](31991L0414) van de Raad, alsmede op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14), en [32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 16 november 2006, no. W13.06.0462/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2006, VGP/VV 2732571, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken en van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 wordt ingetrokken. Artikel I Wijzigt de Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen. Artikel II Wijzigt het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten. Artikel III Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de [Regeling residuen van bestrijdingsmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003658) op [artikel 13a, derde lid, onder a, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandelin"},{"i":6440,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 29 januari 2015, nr. IENM/BSK-2014/258091, tot wijziging van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken voor de uitvoering van diverse subsidieregelingen en -programma's en enige andere regelingen en besluiten op het terrein van het ministerie van Infrastructuur en Milieu 2014 in verband met toevoeging van de Regeling ammoniak en veehouderij aan de bijlage Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de schriftelijke instemming van de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het ministerie van Economische Zaken van 9 januari 2015, kenmerk RVO_JZ_Inst_150105; BESLUIT: Artikel I Wijzigt het Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken voor de uitvoering van diverse subsidieregelingen en -programma's en enige andere regelingen en besluiten op het terrein van het ministerie van Infrastructuur en Milieu 2014. Artikel II Ten aanzien van bezwaarschriften en beroepschriften die voor inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend in het kader van de [Regeling ammoniak en veehouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013629) heeft de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het ministerie van Economische Zaken na inwerkingtreding van dit besluit geen bevoegdheid die bezwaarschriften te behandelen of een procedure naar aanleiding van die beroepschriften bij de rechter te voeren. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7533,"b":"Besluit van 30 augustus 2018 tot bepaling van categorieën van politiegegevens als bedoeld in artikel 24 van de Wet politiegegevens (Besluit ex artikel 24 Wet politiegegevens) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, 28 mei 2018, nr. 2278631, directie wetgeving en juridische zaken; Gelet op [artikel 24, eerste en tweede lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=24); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 juli 2018, nummer nr. W16.18.0135/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie van 27 augustus 2018, nr. 2318143; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. (aanwijzing categorieën van politiegegevens) Als categorieën politiegegevens als bedoeld in [artikel 24, eerste en tweede lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=24) worden aangewezen: - a. politiegegevens die worden verwerkt op grond van [artikel 8 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=8), - b. politiegegevens die worden verwerkt op grond van [artikel 9 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=9), - c. politiegegevens die worden verwerkt op grond van [artikel 10 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=10), - d. politiegegevens die worden verwerkt op grond van [artikel 13 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=13). Artikel 2. (inwerkingtreding) Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2018. Artikel 3. (citeertitel) Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ex artikel 24 Wet politiegegevens. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in"},{"i":6095,"b":"Wet van 16 oktober 2023, houdende wetstechnische wijzigingen en andere wijzigingen van ondergeschikte aard in de Omgevingswet en enkele wetten die daarmee verband houden (Verzamelwet Omgevingswet 2023) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) en enkele wetten die daarmee verband houden wetstechnische wijzigingen of andere wijzigingen van ondergeschikte aard aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. ([Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885)) Wijzigt de Omgevingswet. Artikel II. ([Aanvullingswet geluid Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247)) Wijzigt de Aanvullingswet geluid Omgevingswet. Artikel III. ([Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043371)) Wijzigt de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet. Artikel IV. ([Aanvullingswet natuur Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044063)) Wijzigt de Aanvullingswet natuur Omgevingswet. Artikel V. ([Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VI. ([Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287)) Wijzigt de Bekendmakingswet. Artikel VII. ([Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755)) Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel VIII. ([Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440)) Wijzigt de Gaswet. Artikel IX. ([Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416)) Wijzigt de Gemeentewet. Artikel X. ([Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660)) Wijzigt de Invoeringswet Omgevingswet. Artikel XI. ([Mijnbouwwet]("},{"i":9979,"b":"Besluit van 5 maart 2012 tot aanvulling van de opschriften op het vaandel van de Koninklijke Luchtmacht Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 28 februari 2012, nr. BS2012004192, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het vaandel van de Koninklijke Luchtmacht wordt aangevuld met het opschrift «Kosovo 1999». Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":9984,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 13 oktober 2021, nr. IENW/BSK-2021/252197, houdende aanwijzing van Stichting Milieukeur als bevoegde instantie betreffende de EU-milieukeur Gelet op [artikel 2.51, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=2.51); BESLUIT: Artikel I Stichting Milieukeur wordt aangewezen als bevoegde instantie, bedoeld in [artikel 2.51, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=2.51). Artikel II Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2022."},{"i":9981,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 januari 2019, nr. IENW/BSK-2019/3104, houdende aanwijzing van de functionaris bedoeld in artikel 8a.39, derde lid, onder b, van de Wet luchtvaart, van de ambtenaar bedoeld in artikel 8a.39, vierde lid, eerste volzin, van de Wet luchtvaart en van de functionaris bedoeld in artikel 8a.40, eerste lid, van de Wet luchtvaart Gelet op [artikel 8a.39, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.39), [artikel 8a.39, vierde lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.39), en [artikel 8a.40, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.40); Besluit: Artikel 1 Als functionaris van de exploitant van de luchthaven als bedoeld in [artikel 8a.39, derde lid, onder b, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.39), wordt aangewezen: de President-Directeur van de N.V. Luchthaven Schiphol. Artikel 2 Als ambtenaar als bedoeld in artikel [8a.39, vierde lid, eerste volzin, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.39), wordt aangewezen: de Directeur-Generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken. Artikel 3 Als functionaris van de exploitant van de luchthaven als bedoeld in [artikel 8a.40, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.40), wordt aangewezen: de President-Directeur van de N.V. Luchthaven Schiphol. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9983,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 januari 2018, nr. IENM/BSK-2018/5952, houdende aanwijzing van methoden of producten, bedoeld in voorschrift 5.1.7 van bijlage 2 van de Regeling legionellapreventie in drinkwater en warm tapwater Gelet op [voorschrift 5.1.7 van bijlage 2 van de Regeling legionellapreventie in drinkwater en warm tapwater](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030166&bijlage=2); BESLUIT: Artikel 1 Voor het BIFIPRO koperzilverionisatiesysteem gelden de volgende voorschriften: - 1. Als minimale spoelfrequentie wordt op basis van de uitgevoerde pilots vastgesteld een spoelfrequentie van minimaal eens in de twee weken. - 2. Onderdeel a van [voorschrift 5.1.6 van bijlage 2 van deze regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030166&bijlage=2) is niet van toepassing, indien de spoelfrequentie niet eerder wordt verlaagd dan dat er op de betreffende locatie minimaal een half jaar sprake is van een stabiele situatie, zowel met betrekking tot zowel de gehalten van koper- en zilverionen in het behandelde water als de afwezigheid van legionellabacteriën. Artikel 2 Voor het ICA koperzilverionisatiesysteem gelden de volgende voorschriften: - 1. Als minimale spoelfrequentie wordt op basis van de uitgevoerde pilots vastgesteld een spoelfrequentie van minimaal eens per maand. - 2. Onderdeel a van [voorschrift 5.1.6 van bijlage 2 van deze regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030166&bijlage=2) is niet van toepassing, indien de spoelfrequentie niet eerder wordt verlaagd dan dat er op de betreffende locatie minimaal een half jaar sprake is van een stabiele situatie, zowel met betrekking tot zowel de gehalten van koper- en zilverionen in het behandelde water als de afwezigheid van legionellabacteriën. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018. Dit besluit zal met de toelichting in de Staa"},{"i":9986,"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders luchtvaart Gelet op artikel 73, eerste lid, van de Luchtvaartwet, [artikel 11.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.1) en [artikel 102, eerste lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=102); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving bedoeld in [artikel 73, eerste lid, onderdeel a, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=73), [artikel 11.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.1), de [artikelen 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=62), [64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=64) en [65 van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=65) en [artikel 8a.3, eerste lid, van de Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586&artikel=8a.3) worden aangewezen: - a. de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport; - b. de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport, die zijn belast met toezicht; - c. de ambtenaren van de Dienst specialistische operaties van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 1. Als personen, bedoeld in [artikel 73, eerste lid, onderdeel b, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=73) worden aangewezen, de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013478&artikel=1&z=2025-09-04&g=2025-09-04) van dit Besluit genoemde ambtenaren, alsmede de havenmeesters en assistent-havenmeesters van de luchthavens Ameland, Budel, Drachten, Eelde, Eindhoven, Hilversum, Hoogeveen, Lelystad, Maastricht-Aachen, Midden Zeeland, Onstwedde, Rotterdam, Schiphol, Seppe, Terlet, Teuge en Texel. 2. Als personen, bedoeld i"},{"i":9990,"b":"Besluit van 24 oktober 2001, houdende bepalingen met betrekking tot het toezicht als bedoeld in artikel 10 van de Spoorwegwet, alsmede overige aanpassingen van besluiten samenhangende met de instelling van de Inspectie Verkeer en Waterstaat Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 augustus 2001, nr. CDJZ/BBI/2001-1079, Centrale Directie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=10), de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=14), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=17) en [159, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=159), [artikel 13 van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002195&artikel=13), [artikel 41, tweede lid, van de Wet vervoer binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005319&artikel=41), [artikel 74c van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74c), [artikel 4, eerste lid, van de Wet vrachtprijzen vervoer van kolen en staal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002418&artikel=4), [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125), de [artikelen 1303, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1303), en [1321 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1321), [artikel 584f, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=584f), [artikel 10, vierde jo. derde lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=10), [artikel 9, eerste en derde lid, van de Mijnwet 1903](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001870&artikel=9) en [artikel 26 van de Mijnwet con"},{"i":9998,"b":"Besluit beperking openbaarheid van het archief van het Kabinet van de MinisterMinisterie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 1901 – 1993 d.d. 20 februari 2024 Gelet op [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 15 januari 2024 met het kenmerk 43488846 Besluit Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), zijn de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar per 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 232 | 1-1-2026 | | 240 | 1-1-2028 | | 266 | 1-1-2042 | | 267 | 1-1-2032 | | 273 | 1-1-2030 | | 278 | 1-1-2026 | | 279 | 1-1-2045 | | 280 | 1-1-2029 | | 311 | 1-1-2024 | | 312 | 1-1-2041 | | 332 | 1-1-2026 | | 345 | 1-1-2027 | | 346 | 1-1-2028 | | 348 | 1-1-2025 | | 352 | 1-1-2039 | | 357 | 1-1-2024 | | 361 | 1-1-2026 | | 363 | 1-1-2035 | | 364 | 1-1-2035 | | 365 | 1-1-2027 | | 379 | 1-1-2024 | | 385 | 1-1-2046 | | 388 | 1-1-2032 | | 394 | 1-1-2026 | | 395 | 1-1-2025 | | 405 | 1-1-2025 | | 409 | 1-1-2030 | | 424 | 1-1-2039 | | 442 | 1-1-2032 | | 444 | 1-1-2025 | | 448 | 1-1-2028 | | 450 | 1-1-2034 | | 463 | 1-1-2024 | | 467 | 1-1-2024 | | 469 | 1-1-2026 | | 470 | 1-1-2024 | | 473 | 1-1-2026 | | 477 | 1-1-2028 | | 479 | 1-1-2025 | | 480 | 1-1-2024 | | 481 | 1-1-2025 | | 483 | 1-1-2026 | | 486 | 1-1-2025 | | 501 | 1-1-2024 | | 502 | 1-1-2024 | | 503 | 1-1-2024 | | 515 | 1-1-2025 | | 516 | 1-1-2024 | | 517 | 1-1-2024 | | 526 | 1-1-2024 | | 527 | 1-1-2024 | | 529 | 1-1-2024 | | 533 | 1-1-2026 | | 535 | 1-1-2024 | | 536 | 1-1-2026 | | 538 | 1-1-2025 | | 540 | 1-1-2027 | | 542 | 1-1-2026 | | 547 | 1-1-2027 |"},{"i":9999,"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking van het archief van de Provinciale Directie voor de Bedrijfsontwikkeling in Utrecht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (1947) 1963–1983 (1984) Inventaris PDBU Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is inventarisnummer 27 beperkt openbaar tot 1 januari 2027 Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045289&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Utrecht heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045289&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris van de provincie Utrecht. De rijksarchivaris van de provincie Utrecht kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045289&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris van de provincie Utrecht. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscour"},{"i":3170,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 april 2023 nr. BOACAT2023/020, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Afdeling Veiligheid & Wijken, team Stadstoezicht van de gemeente Tilburg Gelezen het verzoek van de teammanager afdeling Veiligheid en Wijken, team Toezicht en Handhaving van de gemeente Tilburg van 5 april 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland – West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048126&artikel=2&z=2025-07-22&g=2025-07-22). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver, coördinator openbaar gebied, coördinator cameratoezicht en senior handhaver in dienst bij de afdeling Veiligheid en Wijken, team Toezicht en Handhaving van de g"},{"i":10007,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 april 2024, nr. IENW/BSK-2024/69679, houdende beperking van het aantal verleners van grondafhandelingsdiensten op de luchthaven Schiphol Gelet op [artikel 5, tweede lid, van de Regeling grondafhandeling luchtvaartterreinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009365&artikel=5); BESLUIT: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2024/14862. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **dienstregelingsperiode:** het zomer- of het winterseizoen volgens de in de dienstregelingen van luchtvaartmaatschappijen gebezigde indeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van [Verordening nr. 95/93](https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31993R0095) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van ‘slots’ op communautaire luchthavens (PBEG L 14); - **grondafhandelingsdiensten:** de in de bijlage bij [Richtlijn nr. 96/67/EG](31996L0067) van de Raad van de Europese Unie van 15 oktober 1996 betreffende de toegang tot de grondafhandelingsmarkt op de luchthavens van de Gemeenschap (PbEG L 272/36) genoemde diensten die op een luchtvaartterrein aan een gebruiker worden verleend; - **handelsverkeer met passagiers:** verkeersvluchten van luchtvaartmaatschappijen die open staan voor individuele boekingen voor passagiers en die betreffen: geregelde vluchten, zijnde lijnvluchten of commerciële vluchten uitgevoerd op een vaste route volgens een gepubliceerde dienstregeling, en niet-geregelde vluchten, zijnde chartervluchten in het passagiersvervoer of commerciële vluchten met passagiers met een ongeregeld karakter; - **luchthaven:** luchthaven Schiphol; - **Regeling:** [Regeling grondafhandeling luchtvaartterreinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009365). Artikel 2 1. Het aantal verleners van grondafhandelingsdiensten ten behoeve van handelsverkeer met passagiers op de luchthaven is beperkt tot drie in ieder van de volgen"},{"i":10010,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden archief Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst, 1919–1982, nummer toegang 2.16.5240 Gelet op [artikel 15 eerste lid onder b, en tweede lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van het Directoraat-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst, 1919–1982, nummer toegang 2.16.5240. Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot **1 januari**van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Jaar | | --- | --- | | 6366–6367, 7397, 7399, 11069 | 2024 | | 1399, 6353, 7396, 7398, 7400 | 2025 | | 882–883, 2927, 6371, 6526, 7389–7393, 25751 | 2026 | | 886, 888, 2926, 2928, 2931, 2943, 3826, 3835, 22143 | 2027 | | 2930, 2933, 2945, 22144–22147 | 2028 | | 2932, 2934, 3824, 3831 | 2029 | | 884, 3833, 4809, 4816 | 2030 | | 775, 3828–3830, 3797, 22650 | 2031 | | 2941 | 2032 | | 885, 4811, 4815 | 2033 | | 2937, 2944, 3832, 4808, 4810, 4814, 4817–4818, 6203, 12481 | 2034 | | 745, 748, 881, 887, 2831–2833, 2854, 2935–2936, 2938–2940, 3834, 4067, 4812–4813, 4819, 5283, 5296–5298, 6204–6206, 7272, 12150, 20911–20913 | 2035 | | 3775–3776, 3778, 3785, 5540–5551, 8207, 8209–8211 | 2036 | | 2790, 2863, 2866, 2868–2870, 2875–2876, 3774, 3777, 3779–3782, 3783–3784, 3786, 3827, 4807, 8208, 8212 | 2037 | | 2864, 2867, 2871–2874, 2878, 2929, 3787–3788, 4798–4799, 4801–4804, 4806 | 2038 | | 2865, 2879–2880, 2882, 2885, 2891–2892, 2895–2896, 3789, 4796–4797, 4800, 4805, 5733, 6621, 6627, 12345, 22139 | 2039 | | 2881, 2883, 2886–2890, 2893–2894, 2897–2898, 2900–2902, 2906, 2908–2910, 2912, 3791–3796, 3798, 3800–3801, 3803–3805, 6114, 6169, 22140 | 2040 | | 1125–1127, 1976–1978, 2899, 2903–2905, 2907, 2913–2915, 2917–2922–2925, 3799, 3802, 3806, 3809–3811, 3813, 6993, 9191–9192, 22141 | 2041 | | 2717, 2785, 2916, 3808, 3812,"},{"i":10019,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 17 juni 2022 nr. BOACAT2022/043, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij DCMR Milieudienst Rijnmond Gelezen het verzoek van DCMR Milieudienst Rijnmond van 28 maart 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2022/19018. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046802&artikel=2&z=2022-08-01&g=2022-08-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van ‘Specialist’ (schaal 10, 11 en 12), de functie van ‘Tactisch/Operationeel leidinggevende’ (schaal 12), de functie van ‘Regisseur/verbinder’ (schaal 14) en de functie van ‘Realisator/Ondersteuner’(schaal 8), in dienst van DCMR Milieudienst Rijnmond, en als zodanig zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals op"},{"i":6980,"b":"Burgerlijk Wetboek Boek 10, Internationaal Privaatrecht Boek 10. Internationaal privaatrecht Titel 1. Algemene bepalingen Artikel 1 De in dit Boek en andere wettelijke regelingen vervatte regels van internationaal privaatrecht laten de werking van voor Nederland bindende internationale en communautaire regelingen onverlet. Artikel 2 De regels van internationaal privaatrecht en het door die regels aangewezen recht worden ambtshalve toegepast. Artikel 3 Op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter is het Nederlandse recht van toepassing. Artikel 4 Indien de vraag welke rechtsgevolgen aan een feit toekomen bij wijze van voorvraag in verband met een andere, aan vreemd recht onderworpen vraag moet worden beantwoord, wordt de voorvraag beschouwd als een zelfstandige vraag. Artikel 5 Onder de toepassing van het recht van een staat wordt verstaan de toepassing van de rechtsregels die in die staat gelden met uitzondering van het internationaal privaatrecht. Artikel 6 Vreemd recht wordt niet toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Artikel 7 1. Bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn bepalingen aan de inachtneming waarvan een staat zo veel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen, zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moeten worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overigens van toepassing is. 2. De toepassing van het recht waarnaar een verwijzingsregel verwijst, blijft achterwege, voor zover in het gegeven geval bepalingen van Nederlands bijzonder dwingend recht toepasselijk zijn. 3. Bij de toepassing van het recht waarnaar een verwijzingsregel verwijst, kan gevolg worden toegekend aan bepalingen van bijzonder dwingend recht van een vreemde staat waarmee het geval nauw is verbonden. Bij de beslissing of aan deze bepalingen gevolg moet worden toegekend, wordt rekening gehouden met hun aard en strekking alsm"},{"i":10062,"b":"Besluit intrekking aanwijzing militair luchtvaartterrein Valkenburg Handelende na overleg met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Overwegende dat het militaire luchtvaartterrein Valkenburg door de minister van Defensie is aangewezen op grond van de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267); Overwegende dat rond het militaire luchtvaartterrein Valkenburg door de staatssecretaris van Defensie in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op grond van de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) een geluidszone is vastgesteld; Overwegende dat in de brief van de minister van Defensie aan de Tweede Kamer d.d. 16 september 2003 (kamerstuk 29200 X, 4), in het Structuurschema Militaire Terreinen 2 (kamerstuk 28114, 16) en in de Nota Ruimte (kamerstuk 29435, 154) de beëindiging van de militaire functies van het militaire luchtvaartterrein Valkenburg is aangekondigd; Overwegende dat de militaire functies van het militaire luchtvaartterrein Valkenburg zijn beëindigd; Gelet op [artikel 29, lid 1 van de Luchtvaartwet](onbekend); Besluit: Artikel 1 1. Het besluit van de minister van Defensie tot het aanwijzen van het militaire luchtvaartterrein Valkenburg nr. 221.195/T van 4 mei 1960 (Stcrt. 95) en aangevuld met het besluit nr. 221.195/2A van 26 juni 1961 (Stcrt. 128) wordt ingetrokken. 2. Het besluit van de staatssecretaris van Defensie tot het vaststellen van de geluidszone rond het militaire luchtvaartterrein Valkenburg nr. MG93089854 van 9 november 1993 (Stcrt. 219) wordt ingetrokken. Artikel 2 Aan degene die door dit besluit schade lijdt of zal lijden wordt op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, voor zover die schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd. Artikel 3 Dit besluit tre"},{"i":1046,"b":"Wet van 24 juni 2015, houdende goedkeuring van het Besluit heffing bestrijding dierziekten (Goedkeuringswet Besluit heffing bestrijding dierziekten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat de diergezondheidsheffing is ingevoerd met het Besluit heffing bestrijding dierziekten en dat [artikel 110a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=110a) vereist dat uiterlijk drie maanden na inwerkingtreding van dat besluit een voorstel voor een goedkeuringswet dient te worden gezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het Besluit van 16 oktober 2014, houdende regels ter zake van heffingen in verband met de gezondheidszorg voor dieren ([Besluit heffing bestrijding dierziekten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035682)) (Stb. 2014, 390) wordt goedgekeurd. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze wet wordt aangehaald als: Goedkeuringswet Besluit heffing bestrijding dierziekten. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6188,"b":"Wet van 1 december 2021 tot wijziging van de Loodsenwet en enige andere wetten in verband met de actualisatie van het markttoezicht op het aanbod van dienstverlening door registerloodsen (Wet actualisatie markttoezicht registerloodsen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het noodzakelijk is om in verband met de actualisatie van het markttoezicht op het aanbod van dienstverlening door registerloodsen en de tuchtrechtspraak geldend voor loodsen, de Loodsenwet te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Loodsenwet. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III De volgende wetten worden ingetrokken: - 1. [Wet van 7 juli 1994, houdende wijziging van de Loodsenwet en de Scheepvaartverkeerswet in verband met de herziening van de financiële relatie tussen het Rijk en de loodsen, de invoering van een verkeersbegeleidingstarief en een aantal technische wijzigingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006808); - 2. [Wet markttoezicht registerloodsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023140). Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet actualisatie markttoezicht registerloodsen Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":10066,"b":"Besluit van 3 februari 2011, houdende vaststelling van voorschriften inzake de kerndoelen WPO BES (Besluit kerndoelen WPO BES) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 september 2010, nr. WJZ/236423 (2710), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=11), en [artikel 12, vierde lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2010, no. W05.10.449/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 31 januari 2011, nr. WJZ 255997 (2710), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 1 De kerndoelen, bedoeld in de [artikelen 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=11), en [12, vierde lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=12), worden vastgesteld als aangegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2011 in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kerndoelen WPO BES. Bijlage. kerndoelen [WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280) Basisonderwijs bevordert brede vorming van kinderen. Het onderwijs richt zich op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling, op de ontwikkeling van de creativiteit en het verwerven van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden. De kerndoelen zijn een operationalisering hiervan. Het geheel van samenhangende en daarom doorgenummerde kerndoelen geeft een beeld van het inhoudelijk aanbod van het basis"},{"i":10067,"b":"Besluit kwaliteit drinkwater BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **ISO-norm 17025:** norm 17025, getiteld «Algemene eisen aan de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria» van de Internationale Organisatie voor Standaardisatie; - b. **Onze Minister:** Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op: - a. drinkwater als bedoeld in de [Wet drinkwater BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028180), behoudens voor zover die bij of krachtens die wet van de werking van die wet zijn uitgesloten; - b. drinkwater verpakt in flessen of andersoortig klein verpakkingsmateriaal, niet zijnde mineraal water; en - c. drinkwater dat in enig levensmiddelenbedrijf wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen, voor zover dit water in direct contact komt of kan komen met deze producten of stoffen. Artikel 3 Bij dit besluit horen de volgende bijlagen: - a. [Bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028642&bijlage=A&z=2010-10-10&g=2010-10-10). Minimum kwaliteitseisen, omvattende de volgende onderdelen: - Ia. Microbiologische parameters, openbare of interne watervoorziening. - Ib. Microbiologische parameters, drinkwater verpakt in flessen of andersoortig klein verpakkingsmateriaal - II. Chemische parameters - IIIa. Indicatoren – bedrijfstechnische parameters - IIIb. Indicatoren – organoleptische – esthetische parameters - IIIc. Indicatoren – signaleringsparameters; - b. [Bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028642&bijlage=B&z=2010-10-10&g=2010-10-10). Bewaking en audit bij een openbare of een interne watervoorziening, omvattende de volgende tabellen: Tabel I. Bewaking en audit parameters voor drinkwater geleverd door een openbare of interne watervoorziening Tabel II. Meetfrequenti"},{"i":10068,"b":"Besluit van 9 september 1998, houdende regels betreffende producten die kwik bevatten (Besluit kwikhoudende producten Wms 1998) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 juni 1998, nr. MJZ 98058648, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=24); De Raad van State gehoord (advies van 24 juli 1998, nr. W08.98.0289); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 september 1998, nr. MJZ 98085552, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1.1 1. In dit besluit wordt verstaan onder «kwikverordening»: Verordening (EU) nr. 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008 (PbEU 2017, L 137). 2. In dit besluit wordt verstaan onder «kwik», «kwikverbinding», «mengsel», «kwikhoudend product» en «kwikafval» hetgeen hieronder wordt verstaan in artikel 2 van de kwikverordening. 3. In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij:** aanbieder van een dienst zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van [Richtlijn (EU) 2015/1535](32015L1535) van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241); - –. **marktdeelnemer:** marktdeelnemer als bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van de EU-verordening markttoezicht; - –. **op de markt aanbieden:** op de markt aanbieden als bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van de EU-verordening markttoezicht. Artikel 1.2 Vervallen § 2. Handelingen met kwikhoudende producten Artikel 2.1 Vervallen Artikel 2.2 1."},{"i":10120,"b":"Besluit van de directeur-generaal Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 3 april 2023, nr. 26818476, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2023 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2023) Gelet op [artikel 10 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=10); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur-generaal:** de directeur-generaal Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **de directeuren:** de directeur Programmabureau Transitie, de directeur Netwerkfaciliteit en de programmadirecteur Uitvoering Aanpak Piekbelasting; - c. **de managers:** de manager Programmabeheersing en Risicomanagement en de manager Rijkskaders en Interne Organisatie; - d. **de manager grondzaken:** de manager Grondzaken van het directoraat-generaal Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied; - e. **het MT DG RTLG:** het collectief van de onder a tot en met d bedoelde functionarissen; - f. **de MT-leden:** de leden van de managementteams van het directoraat-generaal Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met uitzondering van het MT DG RTLG en de directeuren. § 2. Taakverdeling tussen de directeur-generaal en de onder hem ressorterende medewerkers Artikel 2 Aan de directeur-generaal is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling b"},{"i":10126,"b":"Besluit van 28 november 2005, houdende regels met betrekking tot het gebruik van organische oplosmiddelen in verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen en tot wijziging van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer (Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen Wms) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 23 september 2005, nr. DJZ2005181912, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [richtlijn nr. 2004/42/EG](32004L0042) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 inzake de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen, en tot wijziging van [Richtlijn 1999/13/EG](31999L0013) (PbEU L 143), op de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=24) en [39, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=39) en op [artikel 8.44 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.44); De Raad van State gehoord (advies van 13 oktober 2005, nr. W08.05.0417/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 november 2005, nr. DJZ2005202959, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. [richtlijn 2004/42](32004L0042): [richtlijn nr. 2004/42/EG](32004L0042) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 inzak"},{"i":16688,"b":"Besluit van 16 januari 2004, houdende regels met betrekking tot de aanpassing van eigen bijdragen rechtsbijstand (Besluit aanpassing eigen bijdragen rechtsbijstand) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 15 december 2003, nr. 5261054/03/6; Gelet op [artikel 35, zesde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=35); De Raad van State gehoord (advies van 8 januari 2004, nr. W03.03.0533/I; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 12 januari 2004, nr. 5264836/04/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bedragen van de eigen bijdragen, genoemd in [artikel 35, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=35) worden eenmalig met vijfendertig procent verhoogd. Artikel 2 Indien voor het moment van inwerkingtreding van dit besluit een toevoeging is verleend, wordt voor het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage uitgegaan van het bedrag zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanpassing eigen bijdragen rechtsbijstand. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10123,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 10 augustus 2024, nr. WJZ/ 63120894, tot openstelling van de Subsidieregeling grootschalige productie opschaling volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse voor 2024 en vaststelling van het voorlopig correctiebedrag (Besluit openstelling Subsidieregeling grootschalige productie opschaling volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse 2024) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en de [artikelen 2.1](onbekend), [3.11, tweede lid](onbekend), en [6.13, vierde lid, van de Subsidieregeling grootschalige productie opschaling volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse](onbekend); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt onder regeling de [Subsidieregeling grootschalige productie opschaling volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse](onbekend) verstaan. Artikel 2. Subsidieplafond en aanvraagperiode 2024 1. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de realisatie van een waterstofproductie-installatie en de productie van volledig hernieuwbare waterstof met die waterstofproductie-installatie op grond van [artikel 2.1, derde lid van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050156&artikel=2.1), die wordt aangevraagd in de periode van 15 oktober 2024, 9:00 uur, tot en met 28 november 2024, 17:00 uur, wordt vastgesteld op € 998.330.000. 2. Het percentage dat ten hoogste per subsidieontvanger kan worden verstrekt, bedoeld in [artikel 2.1, derde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050156&artikel=2.1), is 50 procent van het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3. Vaststelling voorlopig correctiebedrag 2024 Het voorlopige correctiebedrag, bedoeld in [artikel 6.13, vierde lid, van de regeling](onbekend), wordt voor 2024 vastgesteld op de som van de volgende correcties: - a. € 3,8131/kg waterstof voor gemiddelde kosten voor het produceren van waterstof m"},{"i":10127,"b":"Besluit van 23 augustus 1977, houdende overbrenging van de monsteringswerkzaamheden alsmede van de Waterschoutsambten te Amsterdam en Rotterdam van het Departement van Justitie naar het Departement van Verkeer en Waterstaat Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 augustus 1977, nr. J/S 23236, Directoraat-Generaal van Scheepvaart, mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op artikel 86 der Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Justitie wordt ontheven van de zorg voor de werkzaamheden betreffende het monsteren van schepelingen als bedoeld in de [Hoofdstukken II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001985&hoofdstuk=II) en [III van het Schepelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001985&hoofdstuk=III) (**Stb.** 1937, 242). Artikel 2 Aan de taak van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wordt toegevoegd de zorg voor de werkzaamheden als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003123&artikel=1&z=1978-01-01&g=1978-01-01) van dit besluit. Artikel 3 In verband met het bepaalde in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003123&artikel=1&z=1978-01-01&g=1978-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003123&artikel=2&z=1978-01-01&g=1978-01-01) van dit besluit maken de Waterschouten te Amsterdam en Rotterdam, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Schepelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001985&artikel=1) (**Stb.** 1937, 242), en de onder hen ressorterende diensten niet langer deel uit van het Departement van Justitie maar worden opgenomen in de organisatie van het Departement van Verkeer en Waterstaat. Artikel 4 Het bepaalde in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003123&artikel=1&z=1978-01-01&g=1978-01-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003123&artikel=2&z=1978-01-01&g=1978-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003123&artikel=3&z=1978-01-01&g=1978-01-01) va"},{"i":10124,"b":"Besluit houdende opheffing van de ministeries van Economische Zaken en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en instelling van een ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 14 oktober 2010, kenmerk 3096272; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit worden opgeheven. Artikel 2 Er is een ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Artikel 3 Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt belast met de behartiging van alle aangelegenheden die voor 14 oktober 2010 waren opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 4 De taken van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie worden dienovereenkomstig vastgesteld. Artikel 5 1. De verplichtingen ten aanzien van het personeel en de zorg voor overige beheersaangelegenheden van het voormalige ministerie van Economische Zaken en het voormalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gaan over op het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. 2. De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in het eerste lid bedoelde overgang worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat me"},{"i":10128,"b":"Besluit van 30 september 1960, houdende overdracht van de bevoegdheden ingevolge de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers (Stb. 1947, H 420) van de Minister van Verkeer en Waterstaat aan de Minister van Maatschappelijk Werk Op de voordracht van Onze Minister van Maatschappelijk Werk van 28 september 1960, afdeling Bijzondere Maatschappelijke Zorg/C 1, nr. U 30744, mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig Met ingang van 1 oktober 1960 worden de bevoegdheden van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat ingevolge de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers (**Stb.** 1947, H 420) overgedragen aan Onze Minister van Maatschappelijk Werk. Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Maatschappelijk Werk zijn belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van Ministers, de Hoge Colleges van Staat, de Departementen van Algemeen Bestuur en de Buitengewone Pensioenraad."},{"i":10125,"b":"Besluit houdende opheffing van de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat en instelling van een ministerie van Infrastructuur en Milieu Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 14 oktober 2010, kenmerk 3096271; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het ministerie van Verkeer en Waterstaat worden opgeheven. Artikel 2 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van wonen, wijken, integratie en de Rijksgebouwendienst, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie. 2. De taken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 1. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van energie, met inbegrip van de Nederlandse emissie-autoriteit, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. De taken van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 4 1. Onze Minister van Buitenlandse Zaken wordt belast met de behartiging van de coördinatie en bevordering van het Europese en internationale milieubeleid, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. De taken van het ministerie van Buitenlandse Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 5 Er is een ministerie van Infrastructuur en Milieu. Artikel 6 1. Onze Min"},{"i":4890,"b":"Regeling van de hoofdofficieren van justitie van de Arrondissementsparketten Dordrecht en Rotterdam houdende het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de regionaal directeur bedrijfsvoering Overwegende dat bij besluit van 18 december 2009, nummer PaG/14389 het mandaat, de volmacht en de machtiging verleend aan de voorzitter van het Bestuur, is geregeld; Dat de regionaal directeur bedrijfsvoering specifieke taken en verantwoordelijkheden heeft ten aanzien van de bedrijfsvoering; Dat er aanleiding is om de regionaal directeur bedrijfsvoering mandaat, volmacht en machtiging te verlenen om zijn bedrijfsvoering taken uit te kunnen oefenen; Dat de regeling van mandaat, volmacht en machtiging ertoe dient om de (regionale) samenwerking te faciliteren en de hoofdofficieren van justitie en de regionaal directeur bedrijfsvoering de mogelijkheid te geven om aan die regionale samenwerking inhoud en vorm te geven; Gelet op de [Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950), het [Besluit Algemene Rechtspositie Politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516), de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365), de [Mandaatregeling niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026664) en de [Mandaatregeling beheer openbaar ministerie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026644) en het [Mandaatbesluit openbaar ministerie (arrondissementsparketten) 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027872); Gezien het advies van de regionale ondernemingsraad van 21 juni 2010; Besluit: Paragraaf 1. **Definities** Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - 1). **Ambtenaren:** de rechterlijke en niet rechterlijke ambtenaren aangesteld bij de arrondissementsparketten Dordrecht en Rotterdam; - 2). **Bedrijfsvoering:** de dienstverlening op het te"},{"i":5103,"b":"Regeling van de directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het ministerie van Veiligheid en Justitie van 3 augustus 2012, nr. 286999, houdende de organisatie van de dienstonderdelen bij het openbaar ministerie (Organisatieregeling dienstonderdelen OM 2012) Gelet op [artikel 3 tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=4) en [43 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=43); Besluit: Artikel 1. Landelijke diensten De volgende landelijke diensten ressorteren onder het College van procureurs-generaal: - a. het bureau ontnemingswetgeving openbaar ministerie (BOOM); - b. centrale verwerking openbaar ministerie (CVOM); - c. de dienstverleningsorganisatie openbaar ministerie (DVOM); - d. de Rijksrecherche. Artikel 2. Bureau ontnemingswetgeving openbaar ministerie Het bureau ontnemingswetgeving openbaar ministerie (BOOM) heeft met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot taak: - a. het verlenen van ondersteuning aan de portefeuillehouder van het College van procureurs-generaal; - b. het verlenen van algemene faciliteiten aan het openbaar ministerie; - c. het verlenen van zaakondersteuning aan de zaaksofficier; - d. het verlenen van ondersteuning aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau. Artikel 3. Centrale verwerking openbaar ministerie De centrale verwerking openbaar ministerie (CVOM) heeft tot taak: - a. beslissingen voor te bereiden in het kader van: - ○. de [Wet OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074) voor de in [artikel 3.3, onderdelen a en b van het Besluit OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022233&artikel=3.3) aangewezen zaken waarin een strafbeschikking is uitgevaardigd conform de [artikelen 257"},{"i":4905,"b":"Mandaatbesluit RvIHH 2024 Gelet op het **Mandaatbesluit BZK 2023** inzake het mandaat, ondermandaat en plaatsvervanging van directeuren; En de hoofdstructuur Rijksorganisatie voor Informatiehuishouding (RvIHH) (het O&F-rapport) en de daarbij behorende capaciteitsverdeling van de eenheden; Besluit inzake ondermandaat, volmacht en machtiging het navolgende: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Leiding 1. De directeur RvIHH (CEO) (functietitel: algemeen directeur) vormt de algemene leiding van de RvIHH. 2. Elke organisatie-eenheid wordt geleid door een manager (functietitel: unit-directeur), te weten - a. Manager van de Unit Operatie (COO) - b. Manager van de Unit Innovatie & Vernieuwing (CInO) - c. Manager van de Unit Strategie & Kennis (CIO) - d. Manager van de Unit Bedrijfsvoering (CFO) 3. De plaatsvervanger van de directeur RvIHH is de manager van de Unit Strategie & Kennis (CIO). Artikel 2. Organisatie-eenheden en vervanging 1. RvIHH bestaat uit vier eenheden: - a. Unit Operatie; - b. Unit Innovatie & Vernieuwing; - c. Unit Strategie & Kennis; - d. Unit Bedrijfsvoering. 2. Elke eenheid bestaat uit een aantal afdelingen; elke afdeling kan uit een of meer teams bestaan. De indeling is vermeld in [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050191&bijlage=1&z=2024-12-25&g=2024-12-25). 3. De afdelingen worden geleid door een **afdelingshoofd** (functietitel: afdelingsmanager); de teams worden geleid door een **teamleider** (functietitel: teammanager). Enkele teams hebben geen teamleider, maar worden direct door het afdelingshoofd aangestuurd. 4. Bij afwezigheid van een manager mag een daartoe aangewezen andere manager op hetzelfde niveau en binnen dezelfde eenheid diens ondermandaat tijdelijk overnemen (horizontale vervanging), tenzij de hogere manager dit ondermandaat terugneemt. Artikel 3. Financieel mandaat 1. Het mandaat van de **directeur RvIHH** is opgenomen in het [Mandaatbesluit BZK 2023](https://we"},{"i":4988,"b":"Model Jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2021 1. Algemeen 1.1. Inleiding Het CAK is een zelfstandig bestuursorgaan met een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het CAK is belast met het uitvoeren van uit wetten en regelingen voortvloeiende (publiekrechtelijke) werkzaamheden. Op 1 januari 2017 is de uitvoering van de burgerregelingen en de buitenlandtaak overgegaan van Zorginstituut Nederland (het Zorginstituut) naar het CAK. Als gevolg hiervan dient het CAK zich over het jaar 2021 te verantwoorden over de uitvoering van de burgerregelingen en de buitenlandtaak. Hierbij treft u het Model Jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen (inclusief buitenlandtaak) aan, ten behoeve van de door het CAK op te stellen bestuurlijke verantwoording burgerregelingen over het jaar 2021. In dit model worden de criteria aangegeven waaraan de bestuurlijke verantwoording burgerregelingen moet voldoen. In dit model zijn zowel de burgerregelingen als de buitenlandtaak opgenomen. Op de werkvloer van het CAK wordt over beide taken gesproken als burgerregelingen. Om die reden spreken wij in dit model verder over de burgerregelingen. Dit hoofdstuk beschrijft de verantwoordingsplicht van het CAK over de uitvoering van de burgerregelingen. Het inhoudelijk takenpakket van de burgerregelingen vloeit voort uit internationale en nationale wet- en regelgeving. Dit zijn de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz), de Europese [Verordeningen (EG) nrs. 883/2004](32004R0883) betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels en [987/2009](32009R0987) tot vaststelling van de wijze van toepassing van [Verordening (EG) nr. 883/2004](32004R0883) betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels, de Europese [Richtlijn 2011/24](32011L0024)/EU betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdend"},{"i":5041,"b":"Ondermandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit MLA 2014 Gelet op [artikel 3, eerste lid, van het Ondermandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit SG Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034185&artikel=3); Besluit De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. Aan de Plaatsvervangend Directeur Militaire Luchtvaart Autoriteit mandaat, volmacht en machtiging doorverleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen ter uitvoering van de taken die ingevolge [artikel 22 van het Algemeen Organisatiebesluit Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034157&artikel=22) tot het werkterrein van de Directeur Militaire Luchtvaart Autoriteit behoren. Artikel 2 De verlening van bevoegdheden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036176&artikel=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01), is niet van toepassing op: - a. de bevoegdheid tot het beslissen op een bezwaarschrift, indien degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, het besluit krachtens mandaat heeft genomen; - b. stukken, bestemd voor de Nationale Ombudsman; - c. voordrachten voor onderscheidingen. Artikel 3 Het Ondermandaat, -volmacht en -machtigingsbesluit MLA 2008 wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2014. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Ondermandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit MLA 2014. Dit besluit zal met de toelichting worden geplaatst op de MP (10-003)-site. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant."},{"i":5049,"b":"Besluit van de directeur-generaal Mobiliteit, van 15 november 2023, nr. IENW/BSK-2023/310995, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Ondermandaatbesluit directoraat-generaal Mobiliteit 2023) Gelet op [artikel 27, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27); BESLUIT: Artikel 1. Verlening ondermandaat Aan de directeuren, programmadirecteuren, afdelingshoofden en programmanagers, bedoeld in [artikel 7, derde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=7), worden de door de Minister aan de directeur-generaal Mobiliteit verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27), voor zover die behoren bij hun taken, bedoeld in artikel 7, achtste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023, in ondermandaat verleend. Artikel 2. Omvang ondermandaat Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049352&artikel=1&z=2024-02-13&g=2024-02-13) verleende ondermandaat omvat niet de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar. Artikel 3. Intrekking Het [Ondermandaatbesluit directoraat-generaal Mobiliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042033) wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Ondermandaatbesluit directoraat-generaal Mobiliteit 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5111,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen betreffende de grensscheiding tussen de beide Rijken onder de gemeenten Winterswijk van Nederlandse zijde en Barlo van Pruisische zijde WINTERSWIJK, **den 22sten Augustus** 1879. Ingevolge de bevelen der Nederlandsche en der Koninklijk Pruissische Regeringen zal de Rijksgrens tusschen de gemeenten Winterswijk en Barlo, welke tusschen de grenssteenen nos. 758 en 759 onduidelijk is geworden, op nieuw aangewezen worden. Tot dat einde zijn heden alhier bijeengekomen: voor het Koningrijk der Nederlanden als commissarissen: het lid van Gedeputeerde Staten der provincie Gelderland mr. J.E. H. baron VAN NAGELL, huize Ampsen bij Lochem, en de ingenieur-verificateur van het kadaster W. F. BRUINIER te Zutphen; voor het Koningrijk Pruissen: de Landrath BUCHOLTZ, van Borken, als commissaris bijgestaan door den kadaster-controleur SCHUMANN (voor technische hulp), uit Bocholt. Dit protocol is in dubbel opgemaakt en onderteekend, en een exemplaar daarvan aan wederzijdsche commissarissen ter hand gesteld. (**get.**) V. NAGELL. (**get.**) BUCHOLTZ. » BRUINIER. » SCHUMANN."},{"i":10130,"b":"Besluit van 25 mei 1987, houdende overdracht van de departementale taak met betrekking tot het beheer van de staatswateren Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 18 mei 1987, nr. 377496; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Onze Minister van Landbouw en Visserij wordt belast met de beheerstaak over de visserij in de staatswateren, voor zover thans opgedragen aan Onze Minister van Financiën, en de taak van beide ministeries wordt dienovereenkomstig gewijzigd. 2. De organisatorische afwikkeling van zaken, verband houdende met het in het eerste lid bepaalde wordt opgedragen aan onze Minister van Binnenlandse Zaken. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Binnenlandse Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan afschrift in de **Nederlandse Staatscourant** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen en Aruba en de ministeries."},{"i":5154,"b":"Protocol werkwijze Toelating & Aanwijzing **Beter vertrouwen in kwaliteit van bouwen** Versie april 2022 Inleiding 0.1. Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw De Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) is een zelfstandig bestuursorgaan zonder rechtspersoonlijkheid en maakt deel uit van de rechtspersoon Staat. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor een adequaat toezicht op de TloKB. De Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) heeft een drietal hoofdtaken in de kwaliteitsborging voor het bouwen, bij erkende kwaliteitsverklaringen voor bouwproducten en bij het gecertificeerd werken aan gasverbrandingsinstallaties (zie figuur 1). Voor elk van de hoofdtaken voert de TloKB een aantal deeltaken uit: 0.2. Doel Dit “Protocol werkwijze Toelating & Aanwijzing” geeft antwoord op de vraag hoe de TloKB de toelating en aanwijzing in de praktijk heeft ingericht. Het protocol geeft richting aan een zo uniform mogelijke uitvoering van toelating en aanwijzing en wijst de aanvrager de weg bij een aanvraag om toelating of aanwijzing. 0.3. Wettelijke basis Dit protocol is op te vatten als een beleidsregel. [Artikel 4:83 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83) bepaalt dat de bekendmaking van een beleidsregel zijn wettelijke basis vermeldt. Voor de hoofdtaken van de TloKB is de wettelijke basis achtereenvolgens: 0.4. Principes Het protocol geeft invulling aan de missie, visie en de kernwaarden van de TloKB en draagt bij aan een beter vertrouwen in kwaliteit van bouwen. De TloKB ziet toe op het stelsel van kwaliteitsborging van bouwwerken, bouwproducten en werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Eigenaren en gebruikers krijgen zo bouwwerken die veiliger, gezonder, duurzamer, bruikbaarder en toegankelijker zijn. De TloKB speelt een publieke sleutelrol in de verbetering van de bouwkwaliteit. De TloKB laat toetsmethoden toe en ziet toe op het juiste gebruik van de"},{"i":5155,"b":"Protocol werkwijze toezicht CO-stelsel 1. Inleiding Dit protocol bevat een specifieke uitwerking van de processen in het kader van het toezicht door de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) op de schemabeheerders en de certificerende instellingen in het domein van gecertificeerde werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (CO-stelsel). 1.1. Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw De TloKB is een zelfstandig bestuursorgaan en heeft hoofdtaken ten aanzien van drie stelsels: kwaliteitsborging bouw, erkende kwaliteitsverklaringen en werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Binnen het CO-stelsel, zie figuur 1, voert de TloKB de volgende deeltaken uit, die tot doel hebben de kwaliteit te verbeteren van de werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties met het oog op reductie van koolmonoxide-ongevallen: 1.2. Doel protocol Dit **Protocol werkwijze toezicht CO-stelsel** geeft antwoord op de vraag hoe de TloKB haar toezichts- en handhavingswerkprocessen heeft ingericht. Het protocol geeft schemabeheerder en certificerende instellingen inzicht in hoe de TloKB toezicht voorbereidt en uitvoert, rapporteert, besluit, handhaaft en publiceert en wat de TloKB daarbij van de schemabeheerders en certificerende instelling verwacht. 1.3. Wettelijke basis protocol Dit protocol is op te vatten als een beleidsregel. [Artikel 4:83 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83) (Awb) bepaalt dat de bekendmaking van een beleidsregel zijn wettelijke basis vermeldt. Voor de toezichttaak binnen het CO-stelsel van de TloKB is de wettelijke basis: [artikel 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=2), [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=3) en [artikel 92 lid 3 Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=92), [Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297) ([art. 6.45](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":7840,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2008 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2008 vastgesteld op 5,80%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2008. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5125,"b":"Plantenboek toegestaan als hulpmiddel bij de centrale examens landbouw In 2003 worden op alle scholen voor vmbo centrale examens afgenomen volgens de nieuwe examenprogramma’s1[Regeling Examenprogramma’s landbouw en landbouw-breed vmbo](onbekend) (Nederlandse Staatscourant nr. 163, 24 augustus 2000). . De leerstof die getoetst kan worden op het centraal examen2De leerstof die in het examenjaar 2003 centraal geëxamineerd kan worden is bekendgemaakt in Uitleg Gele katern nr. 20a van 13 september 2000 omvat ongeveer 1/3 deel van het examenprogramma. De Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven is voornemens om bij de centrale examens voor de vakrichtingen bloembinden en -schikken, groene ruimte en plantenteelt een hulpmiddel toe te staan dat wordt aangeduid als plantenboek. Het plantenboek kan behalve bij de examens ook dienen als onderwijsleermiddel bij de lessen. Instituten, zoals educatieve uitgeverijen, kunnen een plantenboek ontwikkelen, dat door de vmbo-groen scholen gebruikt wordt tijdens de lessen. Het is dan wenselijk dat de leerlingen hetzelfde plantenboek ook mogen raadplegen bij het centrale examen. Omschreven is aan welke criteria een document dient te voldoen, wil het door de CEVO worden erkend als toegestaan plantenboek bij de centrale examens. Deze voorwaarden kunnen worden opgevraagd bij de secretaris van de CEVO. Een instituut dat een plantenboek ontwikkeld heeft dat naar zijn mening aan de gestelde criteria voldoet, kan de CEVO verzoeken om goedkeuring als toegestaan hulpmiddel bij de centrale examens plantenteelt, groene ruimte en bloembinden en -schikken. Een verzoek van die strekking kan gericht worden aan: Deze mededeling zal in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Ook via ’Het Examenblad’ (**http://examenblad.kennis-net.nl voorheen www.eindexamen.nl**), de website met alle regelingen op examengebied, kan de mededeling worden ingezien."},{"i":2461,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 november 2020, nr. 2020-0000152843, tot vaststelling van de Beleidsregel maatregelenbeleid in verband met het verwijderen van (her-)registraties (Beleidsregel maatregelenbeleid (her)registratie arbowetgeving) Gelet op [artikel 1.5p, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5p); BESLUIT: Artikel 1. Tijdelijke verwijdering (her-)registratie bij de eerste keer en bij recidive 1. Indien de minister vaststelt dat [artikel 1.5p, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5p) van toepassing is, verwijdert hij de registratie of herregistratie van de desbetreffende persoon uit een register als bedoeld in [art. 1.5j, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5j) voor de duur van maximaal zes maanden. 2. Indien de minister binnen twaalf maanden na afloop van de periode van verwijdering, bedoeld in het eerste lid, opnieuw vaststelt dat de geregistreerde dan wel geherregistreerde met zijn werkzaamheden gevaar veroorzaakt of kan veroorzaken, verwijdert hij de registratie of herregistratie van de desbetreffende persoon uit het betreffende register voor de duur van minimaal 6 en maximaal negen maanden. 3. Indien de minister binnen twaalf maanden na afloop van de periode van verwijdering, bedoeld in het tweede lid, vaststelt dat de geregistreerde dan wel geherregistreerde met zijn werkzaamheden gevaar veroorzaakt of kan veroorzaken, verwijdert hij de registratie of herregistratie van de desbetreffende persoon uit het betreffende register voor de duur van minimaal negen en maximaal twaalf maanden. 4. Indien de minister binnen twaalf maanden na afloop van de periode van verwijdering, bedoeld in het derde lid, en van elke volgende periode van verwijdering vaststelt dat de geregistreerde dan wel geherregistreerde"},{"i":1,"b":"Aanpassing Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (BZA) Algemeen Zowel op grond van nationale als van internationale ontwikkelingen is de zienswijze doorgedrongen dat omstandigheden, die in verband staan met de zwangerschap en bevalling, niet meer gelijk gesteld kunnen worden met ziekte. Deze ontwikkelingen hebben geleid tot een aanpassing van het [Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs](onbekend) (BZA), ingaande 1 december 2001 (datum inwerkingtreding [Wet arbeid en zorg](onbekend)). Opschorting ontslagtermijn Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in een aantal uitspraken, die betrekking hebben op de ontslagbescherming van werkneemsters tijdens en na de zwangerschap, aangegeven dat noch de perioden van arbeidsongeschiktheid tijdens de zwangerschapsperiode en verband houdende met de zwangerschap, noch de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, mogenworden meegeteld bij de vaststelling van de ontslagtermijnen. Naar aanleiding van deze uitspraken wordt het [BZA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007800) aangepast in die zin dat de in het [BZA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007800) opgenomen ontslagtermijn van twee jaar ([artikel 20, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007800&artikel=20)) ingeval van ontslag op grond van ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt opgeschort als sprake is van zwangerschaps- of bevallingsverlof of van arbeidsongeschiktheid tijdens de zwangerschapsperiode verband houdende met de zwangerschap. Uiteraard betekent dit dat ook als die periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof samenvalt met een periode van ziekte die niet wordt veroorzaakt door de zwangerschap of de bevalling, de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof niet mag worden meegeteld bij de vaststelling van de ontslag"},{"i":10122,"b":"Besluit van 2 mei 1975, houdende regels inzake het ongeregeld luchtvervoer Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 april 1975, nr. Jur/L 21 811, Rijksluchtvaartdienst; Gelet op [artikel 76, eerste lid onder **k** en **l**, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=76); De Raad van State gehoord (advies van 16 april 1975, nr. 17); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 24 april 1975, nr. Jur/L 22 143, Rijksluchtvaartdienst; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder ongeregeld vervoer: vluchten die niet onder een bilaterale luchtvaartovereenkomst vallen tenzij in een dergelijke overeenkomst daarover anderszins is bepaald. Toepasselijkheid van het besluit Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op alle vluchten in ongeregeld vervoer door luchtvaartmaatschappijen in, naar of uit Nederland of met Nederland als tussenstation uit of naar landen niet behorende tot de Europese Unie. Hoofdstuk II. Algemene bepalingen Toestemming Artikel 3 Voor zover bij internationale overeenkomst niet anders is bepaald mogen vluchten in ongeregeld vervoer slechts worden uitgevoerd krachtens een daartoe strekkende toestemming door Onze Minister aan de betrokken luchtvaartmaatschappij. Ontheffing Artikel 4 Het bepaalde in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002965&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2010-06-12&g=2010-06-12) geldt niet, indien door Onze Minister daarvan ontheffing is verleend. Artikel 5 Vervallen Richtlijnen Artikel 6 Bij het beslissen op een aanvraag voor ongeregeld luchtvervoer wordt in ieder geval rekening gehouden met: - a. het mogelijke negatieve effect van ongeregeld vervoer op de rentabiliteit van een reeds bestaande geregelde vlucht naar dezelfde bestemming; - b. het belang van de gebruikers bij een aan hun behoefte aangepast ongeregeld vervoer t"},{"i":5011,"b":"Besluit van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 17 oktober 2022, kenmerk 3443399-1037098-Z, houdende vaststelling van een nadere aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2022 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2022) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2022 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 16,195 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046220&artikel=1). Artikel 2 Van het bedrag in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047359&artikel=1&z=2022-10-26&g=2022-10-26) genoemd van € 16,195 miljoen is € 7,994 miljoen bestemd voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), € 4,522 miljoen bestemd voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken van Wlz-uitvoerders en € 3,679 miljoen voor de Sociale verzekeringsbank. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2022. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10131,"b":"Besluit van 12 december 1979, houdende overgang van het Directoraat-Generaal van het Rijksloodswezen van het departement van Defensie naar het departement van Verkeer en Waterstaat Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 7 december 1979, nr. 291597; Onze Minister van Defensie, van 6 december 1979, Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving en Publiekrecht, nr. 459.302/G; Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, van 7 december 1979, BSG, nr. 26973, en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, van 7 december 1979, nr. OA 79-4216/946; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I 1. Het Directoraat-Generaal van het Rijksloodswezen gaat van het departement van Defensie over naar het departement van Verkeer en Waterstaat. 2. De personeelsleden van het Directoraat-Generaal van het Rijksloodswezen gaan over in dienst van het departement van Verkeer en Waterstaat. In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden gaan volgens door Ons te geven regelen personeelsleden over in dienst van het departement van Defensie teneinde te worden ingezet voor taken in het belang van de landsverdediging. 3. De roerende en onroerende zaken van het Directoraat-Generaal van het Rijksloodswezen gaan in materieel beheer over naar het departement van Verkeer en Waterstaat. In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden gaan volgens door Ons te geven regelen roerende en onroerende zaken in materieel beheer over naar het departement van Defensie, voorzover zulks in verband met de onder 2 genoemde taken gewenst is. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1980. Onze Ministers van Defensie en van Verkeer en Waterstaat zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de R"},{"i":10135,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 12 december 2012, nr. WJZ / 12375458, houdende het vaststellen van de stoptekens voor opsporingsambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op de openbare weg en te water (Besluit stoptekens NVWA op de openbare weg en te water 2013) Handelende in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op [artikel 24, eerste lid, van Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=24); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **een opsporingsambtenaar:** een ambtenaar belast met de opsporing van economische delicten; - b. **het stopteken:** een ronde witte schijf waaromheen een rode rand met daarin de met witte letters de aanduidingen ‘STOP’ en ‘NVWA’ zijn geplaatst; - c. **het autostopteken:** een in of aan een door de opsporingsambtenaar gebruikte auto aangebrachte transparant waarin de aanduiding ‘STOP’ of ‘STOP NVWA’ in rode letters verlicht wordt; - d. **de visserij-inspectievlag:** de vlag, bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032518&artikel=4&z=2013-01-01&g=2013-01-01); - e. **de stop-vlag:** de vlag, bedoeld in [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032518&artikel=4&z=2013-01-01&g=2013-01-01). Artikel 2 Een opsporingsambtenaar van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit doet op de openbare weg de vordering tot stilhouden of doet stilhouden, omschreven in [artikel 23, vierde lid, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=23), op de navolgende wijze: - a. indien de opsporingsambtenaar tijdens de vordering gebruik maakt van een auto: door het autostopteken; - b. in de overige gevallen: - 1°. van een half uur vóór zonsopgang tot een half uur na zonsondergang: door het opsteken van het stopteken; - 2°. van een half uur na zonsondergang tot een half uur vóór zonsopgang: door het verticaal op en neer bewegen van een"},{"i":10150,"b":"Besluit tot verlening van mandaat en machtiging met betrekking tot het Binnenvaartpolitiereglement Rijkswaterstaat Midden-Nederland 2015 Gelet op [artikel 1, onderdeel b, van de Beschikking aanwijzing bevoegde autoriteiten Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017541&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. Ten aanzien van de in het tweede lid genoemde artikelen van het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628) wordt mandaat en machtiging verleend aan de volgende functionarissen werkzaam bij Rijkswaterstaat Midden-Nederland: - a. de directeur Netwerkontwikkeling; - b. het hoofd van de afdeling Vergunningen. 2. De in het eerste lid bedoelde artikelen van het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628) zijn: [1.01, onderdeel A 14°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.01); [1.09, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.09); [1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.23); [3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.15); [3.20, vijfde lid, onderdelen a en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.20); [3.25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.25); [3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.27); [3.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.28); [3.29, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.29); [4.05, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.05); [4.06, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.06); [6.08](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.08); [6.21a, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.21a); [6.28b, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.28b). Voor zover het"},{"i":4834,"b":"Besluit van het College van procureurs-generaal van 11 februari 2025, [PaG / 19951] houdende verlening van ondermandaat en het doorgegeven van volmacht en machtiging ten aanzien van beheeraangelegenheden aan de hoofden van de parketten en dienstonderdelen (Mandaatbesluit College van procureurs-generaal, beheer OM 2025) Gelet op [artikel 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) (Awb), [artikel 133 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=133) (Wet RO) en de [Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **het mandaat:** het door de minister aan het College van procureurs-generaal verleende (onder)mandaat met betrekking tot de aangelegenheden die het beheer van het openbaar ministerie betreffen respectievelijk het mandaat om rechtspositionele besluiten te nemen ten aanzien van medewerkers van het OM; - –. **leidinggevende:** leidinggevende in de zin van paragraaf 1.3 van de CAO Rijk - –. **functionele autoriteit:** de functionele autoriteit in de zin van [artikel 1, lid 2 aanhef onder e. tot en met i. van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=1). - –. **medewerker:** degene die werkzaam is bij of ten behoeve van het openbaar ministerie. - a). krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat of - b). als rechterlijk ambtenaar, genoemd in [artikel 1 onderdeel b., onder 5°, 6°, 7° en 10° van de Wet RO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=1), Artikel 2 - 1). Elke procureur-generaal is afzonderlijk gemachtigd om invulling te geven aan het mandaat. - 2). Van het mandaat wordt ten aanzien van de beheeraangelegenheden die hun parket of dienstonderdeel betreffen, ondermandaat verleend aan: - a. de hoofden van de parketten, genoemd in [artikel 134 lid 1, b. tot en met f. v"},{"i":10163,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 28 oktober 2013, nr. IENM/BSK-2013/239467, ter vaststelling van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet, bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Drinkwaterwet, voor 2014 en 2015 Gelet op [artikel 10, derde lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Overeenkomstig [artikel 10, derde lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10) is de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet voor 2014 en 2015 vastgesteld op 4.8%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10164,"b":"Besluit vaststelling ingang strengere lozingsvoorschriften gebied Zuidelijke Zuid-Afrikaanse wateren Gelet op resolutie MEPC.167(56) van de Mariene Milieucommissie van de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties, aangenomen op 13 juli 2007, en [artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=29); Besluit: artikel Enig De voorschriften 15 en 34 van Bijlage I van het Verdrag wat betreft lozingen in bijzondere gebieden worden met ingang van 1 augustus 2008 van toepassing in het gebied van de Zuidelijke Zuid-Afrikaanse wateren, bedoeld in voorschrift 1 van die Bijlage. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5263,"b":"Regeling aanwijzing oude modellen rijbewijzen Gelet op de [artikelen 174](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=174) en [183 van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=183); Besluit: Artikel 1 Als modellen van rijbewijzen, bedoeld in de [artikelen 174](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=174) en [183 van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=183), worden aangewezen de modellen 6A en 6B, opgenomen in de bijlage van de Regeling vaststelling modellen rijbewijzen en daarmee verband houdende formulieren. Artikel 2 De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 22 maart 1994, nr. HW/R 171700 (Stcrt. 63), houdende aanwijzing oude modellen rijbewijzen, wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 1996. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing oude modellen rijbewijzen. Deze regeling zal worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":5165,"b":"Rechten bij invoer, economische douaneregeling tijdelijke invoer; alternatief bewijs wederuitvoer De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Aan mij is de vraag voorgelegd over alternatief bewijs voor de wederuitvoer bij de economische douaneregeling tijdelijke invoer. De vraag en het antwoord zijn hierna opgenomen. Vraag De economische douaneregeling tijdelijke invoer wordt beëindigd als aan de invoergoederen een nieuw toegestane douanebestemming wordt gegeven. Wederuitvoer is een nieuw toegestane douanebestemming. Deze bestemming wordt aangetoond met exemplaar nummer 3 voor de afzender/exporteur van het formulier Enig document EX 3. Dit exemplaar wordt echter niet altijd overgelegd. Antwoord"},{"i":4926,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2025, nr. 2025-0000280468, tot het verlenen van mandaat en machtiging aan de Inspecteur-Generaal van de Inspectie van het Onderwijs tot het opleggen van een tijdelijk verbod tot exploitatie en het opstellen van een advies inzake het schorsen of intrekken van een vergunning als bedoeld in de Wet kinderopvang BES (Mandaatbesluit Wet kinderopvang BES) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [artikel 5.13 van de Wet kinderopvang BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=5.13), **Handelende met instemming van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,** **Gezien de schriftelijke instemming van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie van het Onderwijs van 2 december 2025.** **BESLUIT:** Artikel 1. Mandaat- en machtiging verlening 1. Aan de Inspecteur-Generaal van de Inspectie van het Onderwijs wordt mandaat en machtiging verleend voor het opleggen van een tijdelijk verbod tot exploitatie als bedoeld in [artikel 5.10 van de Wet kinderopvang BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=5.10) en het informeren van het bestuurscollege hierover. Indien de Inspecteur-Generaal van de Inspectie van het Onderwijs gebruik maakt van deze bevoegdheid informeert hij de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2. Aan de Inspecteur-Generaal van de Inspectie van het Onderwijs wordt machtiging verleend voor het opstellen van een advies inzake het schorsen of intrekken van een vergunning als bedoeld in [artikel 5.11, eerste lid van de Wet kinderopvang BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=5.11) en het sturen van een afschrift van dit advies aan de betreffende houder of gastouder. Artikel 2. Ondermandaat 1. De Inspecteur-Generaal van de Inspectie van het Onderwijs kan met"},{"i":6153,"b":"Besluit van 11 april 2018, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen 2018 en wijziging van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten, het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen 2018) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 maart 2018, nr. 2018-0000029571; Gelet op Verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen en tot intrekking van [Richtlijn 89/686/EEG](31989L0686) van de Raad (PbEU 2016, L 81), alsmede op [artikel 16, eerste en tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16) en de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7), [7a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7a), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 april 2018, no. W12.18.0052/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 april 2018, nr. 2018-0000067855; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **verordening:** verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen en tot intrekking van [Richtlijn 89/686/EEG](31989L0686) van de Raad (PbEU 2016, L 81); - b. **accreditatie:**"},{"i":5068,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 februari 2008, nr. P&O/2007/53275, houdende vaststelling van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008 (Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008) Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gehoord de departementale ondernemingsraad; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Ministerie:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - b. **bewindspersoon:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of een Minister zonder portefeuille, ondergebracht bij het Ministerie, of een Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - c. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - d. **staatssecretaris:** Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - e. **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministerie, - f. **plaatsvervangend secretaris-generaal:** plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie, - g. **directeur-generaal:** directeur-generaal van het Ministerie, - h. **hoofd van een inspectie:** inspecteur-generaal van het onderwijs of de directeur van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed, - i. **directeur:** degene die aan het hoofd staat van een beleidsdirectie, een ondersteunende directie, of een ondersteunend bureau als bedoeld in de bijlage bij dit besluit, - j. **budgethouder:** functionaris die verantwoordelijk is voor een rechtmatig en doelmatig financieel beheer van de aan hem toegewezen budgetten, - k. **direct-leidinggevende:** degene die binnen het Ministerie belast is met de dagelijkse leiding van medewerkers en ten aanzien van die medewerkers personeelsbevoegdheden heeft, - l. **bestuursraad:** bestuursraad van het ministerie bestaat uit de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal van het Onderwijs, -"},{"i":4903,"b":"Mandaatbesluit Rijksvastgoedbedrijf 2020 Gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); Gelet op de [Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429); Gelet op het [Organisatiebesluit BZK 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041314) en het [Mandaatbesluit BZK 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041316); Gelet op de [Mandaatregeling Defensievastgoed](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042218); Gelet op het [Volmacht- en machtigingsbesluit roerende zaken Rijksvastgoedbedrijf 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040970); Besluit vast te stellen het navolgende Mandaatbesluit Rijksvastgoedbedrijf 2020: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **functionaris:** een ambtenaar werkzaam bij het Rijksvastgoedbedrijf; - b. **directeur:** rechtstreeks onder de directeur-generaal ressorterende leidinggevende van de directies Portefeuillestrategie & Portefeuillemanagement, Transacties & Projecten Gebieds- en Vastgoedontwikkeling, Vastgoedbeheer en Financiën & Bestuursadvisering; - c. **afdelingshoofd:** rechtstreeks onder een directeur ressorterende leidinggevende en de rechtstreeks onder de directeur-generaal ressorterende leidinggevende van het bureau directeur-generaal en van het Atelier Rijksbouwmeester; - d. **sectiehoofd:** rechtstreeks onder een afdelingshoofd ressorterende leidinggevende; - e. **clusterhoofd:** rechtstreeks onder een sectiehoofd ressorterende leidinggevende; - f. **plaatsvervangend directeur, plaatsvervangend afdelingshoofd, plaatsvervangend sectiehoofd, plaatsvervangend clusterhoofd:** rechtstreeks onder de te vervangen leidinggevende ressorterende functionaris die door de directeur als zodanig is aangewezen; - g. **projectleider:** functionaris die door een directeur is aangewezen voor de uitvoering van een project bij het Rijksvastgoedbedrijf; - h. **werkterrein:** de taken binnen het eigen organisatieonderdeel, ove"},{"i":12935,"b":"Besluit vaststelling van de vergoeding voor opiumverloven BES Artikel 1 Terzake van de vergoedingen, bedoeld in de [artikelen 6 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028519&artikel=6) en [7 lid 1 tweede alinea van de Opiumwet 1960 Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028519&artikel=7) worden de navolgende regelen vastgesteld: - I. De verschuldigde vergoeding voor een verlof voor het vervaardigen van verdovende middelen waaronder begrepen de handelingen, bedoeld onder II en III, bedraagt voor elk kalenderjaar of gedeelte daarvan USD 56,–. - II. De verschuldigde vergoeding voor een verlof voor het bereiden, bewerken en verwerken van verdovende middelen, waaronder begrepen de handelingen, bedoeld onder III, bedraagt voor elk kalenderjaar of gedeelte daarvan USD 6,–. - III. De verschuldigde vergoeding voor een verlof voor het invoeren, uitvoeren, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, bezitten en aanwezig hebben van verdovende middelen bedraagt voor elk kalenderjaar of gedeelte daarvan USD 4,–. Artikel 2 De vergoedingen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028330&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) zijn niet verschuldigd voor een verlof, uitsluitend voor een wetenschappelijk of politioneel doel. Artikel 3 De vergoedingen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028330&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) moeten door degene, die het verlof vraagt, worden betaald op de wijze door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vastgesteld. Artikel 3a Dit besluit berust op [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028519&artikel=6), en [artikel 7, eerste lid, van de Opiumwet 1960 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028519&artikel=7). Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling van de vergoeding voor opiumverloven BES."},{"i":12941,"b":"Besluit van 18 september 2006, nr. O&I/I&D 6070574, houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie Creative Challenge Call Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie Creative Challenge Call ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie Creative Challenge Call ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van de Subsidieregeling Creative Challenge Call ontvangen alle leden van de Adviescommissie Creative Challenge Call een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van een uur per aanvraag. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12942,"b":"Besluit vaststelling vergoeding voorzitter en leden adviescommissie EFMZV 2017 Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Gelet op [artikel 2 van het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 21 augustus 2015 houdende benoeming en vergoeding van leden van de adviescommissie EFMZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036977&artikel=2); Besluit: artikel Enig 1. Voor het jaar 2017 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor de voorzitter van de adviescommissie EFMZV vastgesteld op 0,053. 2. Voor het jaar 2017 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor de overige leden van de adviescommissie EFMZV vastgesteld op 0,031. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen."},{"i":12947,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 14 juni 2007, nr. 5490708/07/6, tot vaststelling van de hoogte van de vergoeding van de voorzitter en leden van de commissie auteursrecht Gelet op [artikel 3 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De vergoeding per vergadering als bedoeld in [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) wordt voor de Commissie auteursrecht, genoemd in [artikel 3 van de Wet adviesstelsel Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008808&artikel=3), als volgt vastgesteld: - –. voor de voorzitter: € 130, - –. voor de overige leden: € 100, - –. voor de secretaris: € 100, - –. voor de adjunct-secretaris: € 100. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 22 juni 2007. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13046,"b":"Besluit vogelgriep BES Artikel 1 Dit besluit berust op de [artikelen 18.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.2.1) en [18.2.2 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.2.2). Artikel 2 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. **pluimvee:** dieren van een soort behorende tot de orde van de hoenderachtigen, waaronder kippen, kalkoenen, kwartels, parelhoenders, patrijzen, pauwen, grootpoothoenders en hokko’s, of tot de familie van de eenden, ganzen, zwanen en struisvogels. Artikel 3 Het is verboden in enig eilandgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in of door te voeren: levend pluimvee; pluimveeproducten, waaronder vlees, vleesproducten, ingewanden, veren en eieren; levende (sier-)vogelsoorten of producten daarvan als bedoeld in onderdeel b; tenzij kan worden aangetoond, middels een officieel certificaat, dat de in dit artikel bedoelde dieren en producten afkomstig zijn uit een land van oorsprong of herkomst waar geen aviaire influenza is geconstateerd. Artikel 3a 1. Bij ministeriële regeling kunnen ter voorkoming en bestrijding van aviaire influenza regels als bedoeld in [artikel 18.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.2.1) van de wet worden gesteld. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels als bedoeld in [artikel 18.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.2.2) van de wet worden gesteld over het invoeren en doorvoeren van dieren, producten van dierlijke oorsprong, alsmede van andere producten en voorwerpen die dragers van aviaire influenza kunnen zijn. Artikel 4 Dit landsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na die van de uitgifte van het Publicatieblad, waarin het geplaatst is en vervalt een jaar na zijn inwerkingtreding tenzij het binnen die tijd"},{"i":12960,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 16 oktober 2025, nr. WJZ/101352621, tot vaststelling van voorlopige tarieven GLB 2025 Gelet op de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=2), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=14) en [17 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=17); Besluit: Artikel I Vastgesteld worden de navolgende tarieven voor aanvraagjaar 2025: - A. **Voorlopige eenheidsbedragen voor basisinkomenssteun en herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid:** - 1. Het voorlopige eenheidsbedrag basisinkomenssteun voor duurzaamheid bedraagt € 158 per hectare. - 2. Het voorlopige eenheidsbedrag aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid bedraagt € 50 per hectare en de hectaregrens is 40 hectaren. - B. **Voorlopige tarieven Ecoregeling** - 1. Het voorlopige tarief voor categorie goud bedraagt € 180 per hectare. - 2. Het voorlopige tarief voor categorie zilver bedraagt € 90 per hectare. - 3. Het voorlopige tarief voor categorie brons bedraagt € 54 per hectare. - C. **Voorlopige tarief aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers** Het voorlopige tarief voor aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers bedraagt € 2.800 per jonge landbouwer. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13022,"b":"Besluit Vervanging Archiefbescheiden IND 2022 Gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 2 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [artikel 6 lid 1 en lid 2 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b), [artikel 3 lid 5 van de Archiefbeheersregels Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035264&artikel=3), [artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Archiefbeheer Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036548&artikel=9); Besluit: de besluiten vervanging archiefbescheiden, te weten: het besluit van 30 november 2018 ([Besluit Vervanging Archiefbescheiden IND 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041590)), **Staatscourant, 63933** van 30 november 2018; het besluit van 21 april 2017 [(Besluit digitale vervanging informatieknooppunt IND 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039486)), **Staatscourant, 23112** van 21 april 2017; in te trekken en te vervangen door het volgende besluit: Artikel 1 Besluit om over te gaan tot routinematige of retrospectieve digitale vervanging van archief-bescheiden van de IND en rechtsvoorgangers, die: - 1. deel uitmaken van de werkprocessen van de IND of rechtsvoorgangers; - 2. volgens de geldende selectielijst voor vernietiging of bewaring in aanmerking komen; - 3. worden ontvangen of opgemaakt na de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 2 Besluit dat bij de overweging om tot vervanging over te gaan, rekening is gehouden met de waarde van de archiefbescheiden, zoals aangegeven in [artikel 2, lid 1, aanhef en onder c en d van het Archiefbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). In [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047096&bijlage=1&z=2022-11-16&g=2022-11-16) van dit besluit wordt a"},{"i":13002,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 9 september 2020, nr. DGBI-DE/20222594, tot verlenging van de termijn voor het advies van het Adviescollege verdeling frequentieruimte commerciële radio en tot herbenoeming van de leden Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043350&artikel=3) en [artikel 4, derde lid, van de Regeling instelling Adviescollege verdeling frequentieruimte commerciële radio](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043350&artikel=4), [artikel 6, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6) en [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De termijn, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Regeling instelling Adviescollege verdeling frequentieruimte commerciële radio](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043350&artikel=4), wordt met 3 maanden verlengd tot en met 6 december 2020. Artikel 2 Te rekenen vanaf 6 september 2020 worden voor een periode van 3 maanden tot lid van het Adviescollege verdeling frequentieruimte commerciële radio herbenoemd tot en met 6 december 2020: - a. de heer dr. F.J.H. Don, te ’s-Gravenhage, tevens voorzitter; - b. mevrouw mr. dr. A. Drahmann, te Amstelveen; - c. de heer prof. dr. P.W.M Rutten, te Haarlem. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 6 september 2020. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13061,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 1 maart 2024, nr. WJZ / 45247079, houdende verlening van volmacht en machtiging aan de Raad voor plantenrassen (Besluit volmacht en machtiging LNV voor de Raad voor plantenrassen) Gelet op [artikel 60 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=60); Gezien de schriftelijke instemming van de Raad voor plantenrassen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **Raad:** Raad voor plantenrassen als bedoeld in [artikel 2 van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=2); - –. **secretaris:** secretaris als bedoeld in [artikel 3, derde lid, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=3). Artikel 2 Aan de Raad wordt op het werkterrein van de Raad volmacht en machtiging verleend voor het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen en voor de daarmee samenhangende handelingen. Artikel 3 De Raad kan aan de secretaris, en bij diens afwezigheid aan de plaatsvervangend secretaris, ondervolmacht en -machtiging verlenen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit volmacht en machtiging LNV voor de Raad voor plantenrassen. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13071,"b":"Besluit van 26 oktober 1956, houdende regelen betreffende het verlenen van vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in gewone omstandigheden aan militairen, die behoren tot het reserve-personeel der krijgsmacht Op de voordracht van Onze Minister voor Defensie van 20 oktober 1956, Nr. P 550 K/Conf en Nr. Minmar 458680/455078; Gelet op [artikel 4 van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003883&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Dit besluit verstaat onder **Onze Minister, personeel** en **werkelijke dienst** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003883&artikel=1) (**Stb.** 1989, 592). 2. Dit besluit verstaat onder **de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden** de verplichting, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdeel **a**, van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003883&artikel=4). 3. Dit besluit verstaat onder **de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in gewone omstandigheden** de verplichting, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdeel **b**, van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003883&artikel=4). 4. Dit besluit verstaat onder **Ons besluit** het Besluit mobilisatie-vrijstelling reserve-personeel (**Stb.** 1956, 469). Artikel 2 1. Aan hem, die tot het personeel behoort en die: - a. op grond van het bepaalde in Ons besluit is vrijgesteld van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden; - b. de hoedanigheid bezit als omschreven in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002237&artikel=2&z=1997-10-17&g=1997-10-17), **a**, onder nummer 13 of 14, van Ons besluit en op grond daarvan in aanmerking komt voor vrij"},{"i":12928,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 27 mei 2021, nr. ILT-2021/ 33149, houdende vaststelling van de talen bedoeld in artikel 4, derde lid, onder a, artikel 5, onder a, en artikel 6, vierde lid van de Wet pleziervaartuigen 2016 Gelet op de [artikelen 4, derde lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546&artikel=4), [artikel 5, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546&artikel=5) en [artikel 6, vierde lid van de Wet pleziervaartuigen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546&artikel=6), Besluit: Artikel 1 Als taal bedoeld in [artikel 4, derde lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546&artikel=4) en [artikel 5, onder a van de Wet pleziervaartuigen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546&artikel=5) wordt aangewezen de Nederlandse taal. Artikel 2 Als talen bedoeld in [artikel 6, vierde lid van de Wet pleziervaartuigen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546&artikel=6) worden aangewezen de Nederlandse en de Engelse taal. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14144,"b":"Regeling BN- en GN-kentekens en -kentekenbewijzen Gelet op [artikel 38, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=38) en [artikel 17, vijfde lid, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=17); Besluit: Artikel 1 Kentekens, bevattende de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers: - a. met de cijfergroepen 00–01 tot en met 69–99 worden slechts opgegeven voor motorrijtuigen waarvoor overeenkomstig de voorschriften van de Minister van Financiën een vrijstelling van belasting is gegeven onder voorwaarde van overbrenging naar het buitenland binnen een bepaalde tijd; - b. met de cijfergroepen 70–00 tot en met 88–99 worden slechts opgegeven voor motorrijtuigen en aanhangwagens waarvan de eigenaar of houder behoort tot het personeel van buitenlandse ambassades, consulaten en daarmee gelijkgestelde instellingen, voor zover daarvoor naar het oordeel van de Minister van Buitenlandse Zaken op grond van het protocol aanleiding is; - c. met de cijfergroepen 89–00 tot en met 89–99 worden slechts opgegeven voor motorrijtuigen in bijzondere gevallen voor zover naar het gezamenlijk oordeel van de Minister van Financiën en de Dienst Wegverkeer daarvoor aanleiding is; - d. met de cijfergroepen 90–00 tot en met 99–99 worden slechts opgegeven voor motorrijtuigen waarvoor overeenkomstig de voorschriften van de Minister van Financiën een voorwaardelijke vrijstelling van belasting is verleend, voor zover deze niet vallen onder onderdeel a. Artikel 2 Vervallen. Artikel 3 De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 september 1974, nr. RVW 65713, betreffende opgave bijzondere kentekens (Stcrt. 192), wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling BN- en GN-kentekens en -kentekenbewijzen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13066,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 november 2023, nr. WJZ/40654844, houdende vaststelling van voorlopige tarieven GLB 2023 Gelet op artikel 3, eerste lid, van [Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1465](32023R1465) van de Commissie van 14 juli 2023 tot verlening van financiële noodhulp aan de landbouwsectoren die worden getroffen door specifieke problemen die een impact op de economische levensvatbaarheid van landbouwproducten hebben (Pb EU 2023, L 180) en de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=2), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=14), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=17) en [27, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=27); Besluit: artikel Enig Vastgesteld worden de navolgende tarieven voor aanvraagjaar 2023: - 1. Het voorlopige eenheidsbedrag basisinkomenssteun voor duurzaamheid bedraagt € 150 per hectare. - 2. Het bedrag in het eerste lid is inclusief de buitengewone steun als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van [Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1465](32023R1465) van de Commissie van 14 juli 2023 tot verlening van financiële noodhulp aan de landbouwsectoren die worden getroffen door specifieke problemen die een impact op de economische levensvatbaarheid van landbouwproducten hebben (Pb EU 2023, L 180). - 3. Het voorlopige eenheidsbedrag aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid bedraagt € 46 per hectare en de hectaregrens is 40 hectaren. - 1. Het voorlopige tarief voor categorie goud bedraagt € 148 per hectare. - 2. Het voorlopige tarief voor categorie zilver bedraagt € 74 per hectare. - 3. Het voorlopige tarief voor categorie brons bedraagt € 44 per hectare. Het voorlopige tarief voor aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers bedraagt € 2.500 per jonge landbouwer. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepla"},{"i":12961,"b":"Besluit vaststelling voorschrift inrichting en gebruik van schietinrichtingen 2025 Besluit: Artikel 1 Vastgesteld wordt het voorschrift: - –. Voorschrift voor de inrichting en het gebruik van schietinrichtingen. Artikel 2 1. De Staatssecretaris kan schriftelijk vrijstelling of ontheffing verlenen van de regels gesteld in het in bijlage gevoegde voorschrift. De Staatssecretaris kan hieraan voorwaarden verbinden. 2. Aan het Hoofd van de sectie Militaire Commissie Gevaarlijke Stoffen (MCGS) wordt mandaat verleend voor het verlenen van vrijstellingen en ontheffingen als bedoeld in het eerste lid. 3. Bij afwezigheid of verhindering van de functionaris, bedoeld in het tweede lid treedt een door die functionaris schriftelijk aangewezen plaatsvervanger voor de duur van de afwezigheid of verhindering in diens plaats. Artikel 3 Het Hoofd van de sectie MCGS is belast met het toezicht op de naleving van het gestelde in het voorschrift. Artikel 4 Het voorschrift worden opgenomen als de MP 40-30 (van de serie ministeriële publicaties van het Ministerie van Defensie) en dit besluit vervangt het [Besluit vaststelling voorschrift inrichting en gebruik van schietinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044102) (Staatscourant 2020, nr. 48334). Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Niet opgenomen."},{"i":12934,"b":"Besluit van 14 mei 2019 tot vaststelling van de tijdstippen, bedoeld in de artikelen 12.24, 12.25 en 12.26 van de Wet studiefinanciering 2000 en 9.4 van de Wet studiefinanciering BES Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 mei 2019, nr. WJZ/7929411(7231), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 12.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=12.24), [12.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=12.25) en [12.26 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=12.26) en [9.4 van de Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=9.4); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig 1. Het tijdstip, bedoeld in de [artikelen 12.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=12.24) en [12.25 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=12.25) en [9.4 van de Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=9.4) wordt vastgesteld op 1 juni 2019. 2. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 12.26 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=12.26) wordt vastgesteld op 1 september 2019. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":13047,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 1 oktober 2014 inzake volginnovatie 2014 Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de navolgende onderdelen van [artikel 1, eerste lid, van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035463&artikel=1): 6. TKI-toeslag; 7. TKI-toeslag; 10. Eurostarsprojecten; 11. Internationaal innoveren (ITEA2-innovatieprojecten); 12. Innovatiekredieten (Klinische ontwikkelingsprojecten); 13. Innovatiekredieten (Technische ontwikkelingsprojecten); 14. Seed capital technostarters; 25. Wind op zee projecten (1. Ondersteuningsconstructies, 2. Optimalisatie van de windcentrale, 3. Intern elektrisch netwerk en aansluiting op het hoogspanningsnet, 4. Transport, Installatie en Logistiek, 5. Beheer en Onderhoud); 26. Wind op zee-haalbaarheidsstudies (1. Ondersteuningsconstructies, 2. Optimalisatie van de windcentrale, 3. Intern elektrisch netwerk en aansluiting op het hoogspanningsnet, 4. Transport, Installatie en Logistiek, 5. Beheer en Onderhoud); Gelet op de navolgende onderdelen van [artikel 3, eerste en tweede lid, van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035463&artikel=3): 2. MIT R&D samenwerkingsproject, Bijlage 1 HTSM, Thema’s 1 t/m 17; 5. MIT haalbaarheidsstudies, Bijlage 2 T&U, Thema’s 1 t/m 17; 9. MIT haalbaarheidsstudies, Bijlage 3 Logistiek, Thema’s 1 t/m 5; 10. MIT R&D samenwerkingsproject, Bijlage 3 Logistiek, Thema’s 1 t/m 5; 13. MIT haalbaarheidsstudies, Bijlage 4 LSH, Thema’s 1 t/m 10; 14. MIT R&D samenwerkingsproject, Bijlage 4 LSH, Thema’s 1 t/m 10; 16. MIT haalba"},{"i":12943,"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van het [Besluit EOS: demo en transitie-experimenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017332) ontvangen alle leden van de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van 2 uur per aanvraag. Artikel 3 Het [besluit van de Minister van Economische Zaken van 14 maart 2005, kenmerk nr. E/ESV/5016166, houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018108) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12944,"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie groeifaciliteit Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie Regeling groeifaciliteit ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie Regeling groeifaciliteit ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van de [Regeling groeifaciliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020560) ontvangen alle leden van de Adviescommissie Regeling groeifaciliteit jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van vier uur per aanvraag. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkene(n) en aan de Adviescommissie Regeling groeifaciliteit. artikel Enig 1. De voorzitter van de Adviescommissie Regeling groeifaciliteit ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 391,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie Regeling groeifaciliteit ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 301,00. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkene(n) en aan de Adviescommissie Regeling groeifaciliteit."},{"i":12945,"b":"Besluit van 20 november 2006, nr. 6099941, houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en de leden van de Adviescommissie innovatieprogramma Food and Nutrition Delta Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie innovatieprogramma Food & Nutrition Delta ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie innovatieprogramma Food & Nutrition Delta ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor voorbereidende werkzaamheden in het kader van de Adviescommissie innovatieprogramma Food & Nutrition Delta, anders dan het bijwonen van een vergadering, ontvangen alle leden een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en op een voorbereidingstijd van 1,5 uur per aanvraag. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12903,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Sociaal-Economische Raad (1956–2006) vanaf 2015 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de Sociaal-Economische Raad (SER) over de periode (1956–2006) 2015– en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Sociaal-Economische Raad als adviesorgaan van de regering en toporgaan van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie over de periode vanaf 1970–heden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015213), Stcrt.2003, nr. 139, wordt per 31 december 2014 afgesloten. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13034,"b":"Besluit vervanging inschrijvingsregister Kadaster Breda door microfoto's Gelet op [artikel 9 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=9) (Stb. 1991, 570), Besluit: Artikel 1 De inhoud van het register van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, gehouden aan het kantoor van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te Breda, wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van microfoto's, voor zover het betreft de van 3 januari 1989 tot en met 29 december 1989 verschenen delen, zijnde de delen 7719 tot en met 8005. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 1992. Zij wordt opgenomen in de Staatscourant."},{"i":12923,"b":"Besluit vaststelling selectielijst ZonMw over de periode vanaf 21 mei 2001 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor ZonMw over de periode vanaf 21 mei 2001 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst Zorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026475) (Staatscourant 6 oktober 2009, nr. 15006) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12954,"b":"Besluit van 20 oktober 2006, 20.10.2006, nr. OI/I/6086711, houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie Smart Mix Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie Smart Mix ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie Smart Mix ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van de Subsidieregeling Smart Mix ontvangen alle leden van de Adviescommissie Smart Mix jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en op een beoordelingstijd van 20 minuten per vooraanmelding en 1,5 uur per uitgewerkt programma voorstel. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12995,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 21 juni 2022, nr. WJZ/32945029, houdende verlenging van het experiment leeruitkomsten Gelet op [artikel 1.7a, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.7a); Besluiten: Artikel 1 Het experiment leeruitkomsten, bedoeld in [hoofdstuk 2 van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037837&hoofdstuk=2), wordt verlengd tot het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 20 juni 2022 bij de Tweede Kamer ingediende voorstel van wet tot wijziging van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682), houdende de verankering van eenheden van leeruitkomsten in die wet (Wet leeruitkomsten hoger onderwijs) (36 136), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, dan wel tot het tijdstip waarop dit voorstel van wet wordt ingetrokken of wordt verworpen door een der Kamers van de Staten-Generaal. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13038,"b":"Besluit vervanging personeelsdossiers Raad voor de Kinderbescherming Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **selectielijst:** de selectielijst die op 16 augustus 2007 namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Justitie, kenmerk [C/S&A/07/1516](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869) is vastgesteld naar [artikel 5, tweede lid onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) (Stcrt. 2007, 225); - b. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009 (Stcrt. 2009, 43); - c. **regeling:** de [Regeling digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Justitie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775) (Stcrt. 2010, 9361). Artikel 2 De archiefbescheiden van de Raad voor de Kinderbescherming met betrekking tot de personeelsdossiers, zoals beschreven in de selectielijst, zijn en worden vervangen door reproducties met inachtneming van de regeling. Artikel 3 De selectielijst en de regeling bevat waarborgen met betrekking tot [artikel 2, eerste lid onder c en d van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 4 De digitale reproductie berust bij P-Direkt. Artikel 5 Het Handboek Substitutie voor de Raad voor de Kinderbescherming is als bijlage bij dit besluit gevoegd en wordt met dit besluit tevens vastgesteld. Bijlage Ligt ter inzage bij de hoofd- en nevenvestigingen van de Raad voor de Kinderbescherming. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd; de bijlage ligt voor de belanghebbenden ter inzage bij de hoofd- en nevenvestigingen van de Raad voor de Kinderbescherming."},{"i":13069,"b":"Besluit van de voorzitter van het Productschap Tuinbouw, d.d. 31 maart 2009, houdende verlening van volmacht aan de secretaris van het Productschap Tuinbouw (Besluit voorzitter PT verlening volmacht 2009) gelet op [artikel 107 Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=107); gelet op [hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=10); gelet op [hoofdstuk 6 van de Verordeningen PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=6); gelet op het Organogram \"Bestuurlijke organisatie\" en het \"Jaarplan\" van het betreffende jaar; overwegende dat het om redenen van doelmatigheid, efficiëntie en motivatie wenselijk is gebruik te maken van de volmachtfiguur. Deze volmacht heeft het oog op alle privaatrechtelijke handelingen zoals het aangaan van overeenkomsten, het verlenen van opdrachten en het doen van betalingen en hiervoor te tekenen; besluit: Artikel 1. - volmacht - De voorzitter van het Productschap Tuinbouw verleent de secretaris volmacht om in zijn naam alle privaatrechtelijke handelingen - zoals het aangaan van overeenkomsten, het verlenen van opdrachten en het doen van betalingen - te verrichten en hiervoor te tekenen. Artikel 2. - ondertekening - Een privaatrechtelijke rechtshandeling welke geschiedt door de secretaris wordt als volgt ondertekend: - -. de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; - -. namens deze de secretaris - -. handtekening - -. naam Artikel 3. - slotbepalingen - 1. Het [Besluit PT verlening mandaat en volmacht aan de afdelingshoofden van het Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022324) d.d. 3 juli 2007 wordt ingetrokken voor zover het ziet op de verlening van volmacht aan de secretaris. 2. Het [Besluit PT verlening mandaat, volmacht en machtiging voorzitter en secretaris Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019834) d.d. 8 mei 2006 wordt ingetrokken voo"},{"i":12904,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten (CPE) over de periode 1988–1 juli 2012 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 december 2012, nr. aca-2012.06628/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten (CPE) over de periode 1988 – 1 juli 2012’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12946,"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie Innovatieve Zeescheepsbouw Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie Innovatieve Zeescheepsbouw ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,–. 2. De andere leden van de Adviescommissie Innovatieve Zeescheepsbouw ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,–. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van de [Subsidieregeling Innovatieve Zeescheepsbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021771) ontvangen alle leden van de Adviescommissie Innovatieve Zeescheepsbouw jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van 1,5 uur per aanvraag. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13055,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 12 oktober 2023 inzake volginnovatie 2022 Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 2.2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.2.2), [2.10.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.10.2), [2.11.2 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.11.2), [3.2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.2), [3.2.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.9), [3.4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.2), [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.4), [3.4.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.20), [3.7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.7.2), [3.8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.8.2), [3.9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [3.10.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.2), 3.10.2, tweede lid, [3.10.12b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.12b), [3.19.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.19.2), [3.22.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.22.2), [3.24.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.24.2), [3.27.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.27.2), [4.2.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&ar"},{"i":13042,"b":"Besluit van 12 juli 2018, houdende verlenging van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten Op de voordracht van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juli 2018, Secretaris-Generaal Cluster, Directie Koninkrijksrelaties; nr. 2018-0000513595 Gelet op [artikel 42, derde lid, van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I De termijn van twee jaar, bedoeld in het tweede lid van [artikel 42 van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42), zoals verlengd bij koninklijk besluit van 31 juli 2012, 14 juli 2014 en 8 juli 2016, wordt met twee jaar verlengd. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 oktober 2018. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad, het Publicatieblad van Curaçao en het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst."},{"i":2991,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2024, kenmerk 4023209-1076325-WJZ, houdende de aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren op de naleving van het Warenwetbesluit uitvoering verordening algemene productveiligheid en verordening inzake accreditatie op het terrein van Economische Zaken (Besluit aanwijzing toezichthouders algemene productveiligheid op het terrein van Economische Zaken) Gelet op [artikel 25, eerste lid, onderdeel a, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25); Besluit: Artikel 1 1. Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van [artikel 2 van het Warenwetbesluit uitvoering verordening algemene productveiligheid en verordening inzake accreditatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050525&artikel=2) worden aangewezen de ambtenaren met de functiebenamingen inspecteur, senior inspecteur, coördinerend/specialistisch inspecteur en inspecteur/medewerker toezicht van de directies Apparatuur, Infrastructuur en Digitale Weerbaarheid van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken. 2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op radioapparaten als bedoeld in [artikel 1.1. van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 13 december 2024. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 13 december 2024, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders algemene productveiligheid op het terrein van Economische Zaken. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13141,"b":"Cessantiawet BES Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **werkgever:** de werkgever, bedoeld in [artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752&artikel=1613a); - c. **werknemer:** de arbeider, bedoeld in [artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752&artikel=1613a), met uitzondering van een persoon werkzaam bij een publiekrechtelijk lichaam en een beambte of leerkracht bij het gesubsidieerd bijzonder onderwijs; - d. **cessantia-uitkering:** de eenmalige uitkering, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - e. **loon:** het loon, bedoeld in [artikel 6 van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=6); - f. **weekloon:** - 1°. bij een uurloon: het loon per uur vermenigvuldigd met het aantal werkuren per week van de betrokken werknemer, - 2°. bij een dagloon: het loon per dag vermenigvuldigd met het aantal werkdagen per week van de betrokken werknemer, - 3°. bij een maandloon: het loon per maand vermenigvuldigd met 12 en gedeeld door 52; - g. **inspecteur:** de bij regeling van Onze Minister van Financiën als zodanig aangewezen functionaris; - h. **ontvanger:** de bij regeling van Onze Minister van Financiën als zodanig aangewezen functionaris. Vaststelling van het weekloon Artikel 2 1. Indien het loon geheel of gedeeltelijk bestaat uit huisvesting, verstrekkingen in natura, onderricht of geldelijke uitkeringen waarvan de grootte niet bij voorbaat vaststaat, zoals provisie, commissie, tantième, fooien of vergoedingen voor aangenomen werk, bepalen werkgever en werknemer ter vaststelling van het loon per dag de gemiddelde waarde in het economisch verkeer daarvan met overeenkomstige toepassing van [artikel 6C van de Wet l"},{"i":11912,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 15 december 2020, nr. DGBI-DE/20170961, handelend in overeenstemming met de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, inzake de keuze voor het instrument veiling van vergunningen voor digitale radio-omroep DAB+ in laag 7 (Besluit bekendmaking veiling DAB+ laag 7) Gelet op [artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10), en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor landelijke commerciële digitale radio-omroep in laag 7 (band III) met de daaraan, voor zover nu reeds mogelijk, te verbinden voorschriften en beperkingen, genoemd in tabel 1, worden verleend met toepassing van een veiling als bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). | Vergunning | Omschrijving | Aantal beschikbare vergunningen | Bijlage | | --- | --- | --- | --- | | Laag 7 (band III) | Vergunning voor het gebruik van 1/12e deel van de capaciteit van de frequentieruimte binnen het frequentiebereik 205,584 MHz–207,120 MHz (allotment 9C)1 | 12 | 1 | 1 Alle inzet is er op gericht om tijdig, dat wil zeggen voordat partijen laag 7 in gebruik nemen, de single frequency voor deze laag internationaal gerealiseerd te hebben. Mocht de internationale coördinatie hiervoor niet (op tijd) slagen, dan kan het zijn dat partijen in Zuid-Limburg gebruik moeten maken van een ander frequentieblok dan 9C, te weten frequentieblok 5A, 7B of 8C. De verkregen vergunning wordt hier in dat geval op aangepast. Artikel 2 De aanvraag- en veilingprocedure vangt aan op de datum genoemd in [artikel 3, tweede lid van de Regeling aanvraag- en veilingprocedure digitale radio-omroep DAB+ laag 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044532&artikel=3). Artikel 3 De vergunningen, bedoe"},{"i":10190,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Kunsten vanaf 1945 (Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007, arc-2007.03635/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10195,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Milieubeheer vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 5 februari 2009, nr. bca-2008.05125/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Milieubeheer over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘[lijst Milieubeheer over de periode 1945–1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016891)’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Verkeer en Waterstaat, nr. C/S/04/1367, d.d. 21 juni 2004 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 156 d.d. 17 augustus 2004) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10197,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militaire Operatiën vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, arc-2006.03456/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Militaire Operatiën over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":1644,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 20 december 2012, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van groenten en fruit voor het jaar 2013 (Verordening PT bestemmingsheffing teelt groenten en fruit 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor groenten en fruit d.d. 14 december 2012; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: | a. productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. bestuur | : | bestuur van het productschap; | | c. voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | d. braakland | : | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld; | | e. contractteelt | : | de teelt van gewassen ingevolge een overeenkomst waarbij het teeltrisico bij de teler ligt; | | f. cultuurgrond | : | de op 15 mei 2013 beteelde grond, de nog niet beteelde grond waarbij een teelt vóór eind augustus 2013 wordt ingezet, braakland, grond die gemoeid is met het gebruik van een groeimedium met behulp waarvan groente en fruit kunnen worden geteeld; | | g. fruit | : | vers fruit; | | h. Gecombineerde opgave | : | het beschrijvingsbiljet als bedoeld in de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=24) en [25 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=25). | | i. gemeten maat | : | de oppervlakte van cultuurgrond, inclusief paden en voren die voor de teelt noodzakelijk zijn; | | j. groenten | : | verse gro"},{"i":10256,"b":"Buitentoepassingstelling voor gedeelte van 2002 van willekeurige afschrijving milieu-investeringen, energie-investeringsaftrek en milieu-investeringsaftrek Handelende na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Economische Zaken; Gelet op [artikel 3.52, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52), [aanhef en onder 1°, en onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend); Besluit: Artikel 1 De in [artikel 3.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.31) bedoelde willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen wordt buiten toepassing gesteld met betrekking tot verplichtingen die zijn aangegaan of voortbrengingskosten die zijn gemaakt op of na donderdag 26 september 2002 doch voor 1 januari 2003. Artikel 2 1. In artikel 3.42, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 26 september 2002 tot 1 januari 2003 `55 percent' vervangen door: 0 percent. 2. In artikel 3.42a, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 26 september 2002 tot 1 januari 2003 `40 percent', `30 percent' en `15 percent' vervangen door: 0 percent. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10412,"b":"Overeenkomst betreffende zeelieden-vluchtelingen Preambule De Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Noorwegen en het Koninkrijk Zweden, Zijnde Regeringen van Staten die Partij zijn bij het [Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002), Verlangende de oplossing van het probleem van de zeelieden-vluchtelingen te bevorderen in de geest van artikel [11 van bovengenoemd Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002&artikel=11), en de samenwerking met de Hoge Commissaris der Verenigde Naties voor de Vluchtelingen in de uitoefening van zijn functies voort te zetten, in het bijzonder voor wat betreft [artikel 35 van dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002&artikel=35), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I Artikel 1 Voor deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a). „[Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002)\": het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen; - b). „zeeman-vluchteling\": een ieder die, vluchteling zijnde overeenkomstig de definitie van [artikel 1 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002&artikel=1) en de verklaring of kennisgeving gedaan door de betrokken Verdragsluitende Staat overeenkomstig afdeling B van dat artikel, als zeeman in enige functie dienst doet op een koopvaardijschip, of die gewoonlijk in zijn onderhoud voorziet als zeeman op een zodanig schip. HOOFDSTUK II Artikel 2 Een zeeman-vluchteling die niet rechtmatig verblijft op het grondgebied van enige Staat en die geen recht heeft op toelating tot zodanig verblijf op het grondgebied van enige Staat - daaronder niet begrepen een Staat waar hij gegronde vrees heeft voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaa"},{"i":10475,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Paraguay inzake geregeld luchtvervoer Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Paraguay die Partijen zijn bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart dat op 7 december 1944 te Chicago tot stand kwam, hebben besloten het luchtvervoer tussen hun onderscheiden grondgebieden aan bepaalde regels te onderwerpen en zij hebben daartoe hun Gevolmachtigden aangewezen, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Mr Max van der Stoel, Minister van Buitenlandse Zaken, en Zijne Excellentie de President van de Republiek Paraguay: Zijne Excellentie Ir. Tomás Salomoni, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van Paraguay bij het Koninkrijk der Nederlanden die, na hun onderscheiden Volmachten te hebben uitgewisseld, die in goede en behoorlijke vorm hebben bevonden, de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 Voor de doeleinden van deze overeenkomst, tenzij de tekst het anders bepaalt: - 1. betekent „het Verdrag” het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, hetwelk op 7 december 1944 te Chicago tot stand kwam, met inbegrip van alle volgens artikel 90 aangenomen bijlagen van genoemd Verdrag en alle overeenkomstig de artikelen 90 en 94 van dat Verdrag aangenomen wijzigingen. - 2. betekent de uitdrukking „luchtvaartautoriteiten” voor wat betreft de Republiek Paraguay het Directoraat-Generaal voor de Burgerluchtvaart - Ministerie van Defensie van Paraguay en voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, voor Nederland de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst van Nederland, voor Suriname, de Directeur van de Luchtvaartdienst van Suriname en voor de Nederlandse Antillen, de Directeur van de Luchtvaartdienst van de Nederlandse Antillen, of in alle gevallen alle personen of instellingen gemachtigd de thans door dezen uitgeoefende functies te vervullen; - 3. betekent de uitdrukking „aangewezen luchtvaartmaatschappij” iedere luchtvaartmaatschappij"},{"i":10667,"b":"Regeling vrijstelling verbod landen en opstijgen militaire luchtvaartuigen buiten luchthavens Gelet op [artikel 10.44 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.44); Besluit: Artikel 1 Vrijstelling van het in [artikel 8.1a, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.1a) genoemde verbod om met een luchtvaartuig op te stijgen of te landen anders dan van of op een luchthaven, wordt verleend ten behoeve van: - a. militaire helikopters, in gebruik bij de Nederlandse of bondgenootschappelijke krijgsmacht; - b. onbemande militaire luchtvaartuigen, in gebruik bij de Nederlandse of bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 2 De vrijstelling geldt met betrekking tot onbemande militaire luchtvaartuigen slechts voor zover die luchtvaartuigen worden gebruikt in een gebied waar gebruik door onbemande militaire luchtvaartuigen is toegestaan. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2009. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 oktober 2009, treedt zij in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 november 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10668,"b":"Regeling houdende vrijstelling verbod landen en opstijgen helikopters algemeen maatschappelijk belang op militaire luchthavens (Regeling vrijstelling vluchten algemeen maatschappelijk belang militaire luchthavens) Gelet op [artikel 10.13 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.13); Besluit: Artikel 1 1. Ten behoeve van vluchten uit het oogpunt van algemeen maatschappelijk belang wordt vrijstelling van het in [artikel 10.13, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.13) genoemde verbod om met een burgerluchtvaartuig op te stijgen van of te landen op een militaire luchthaven verleend voor helikopters die in gebruik zijn ten behoeve van: - a. spoedeisende hulpverlening; - b. de uitoefening van politietaken als bedoeld in [artikel 3 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=3). 2. De in het eerste lid bedoelde vrijstelling wordt verleend met betrekking tot de militaire helihaven Waalsdorpervlakte. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2010. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vrijstelling vluchten algemeen maatschappelijk belang militaire luchthavens. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10731,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Drinkwatervoorziening over de periode 1913–1983: neerslag handelingen Minister van Verkeer en Waterstaat Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 november 2004, nr. arc-2004.01692/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Drinkwatervoorziening over de periode 1913–1983’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst. Basis selectie document rijksinstituut voor drinkwatervoorziening 1913–1983 Lijst van afkortingen ARA: Algemeen Rijksarchief → nu: Nationaal Archief AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten BSD: Basisselectiedocument BUGM: Bijdragenbesluit uitvoering gemeentelijk milieubeleid BWL: (Laboratorium voor) Bodem, Water en Lucht CAS: Centrale Archief Selectiedienst CoGroWa: Commissie Grondwaterwet Waterleidingbedrijven COGS: Commissie Opslag Gevaarlijke Stoffen Cowabo: (Permanente) Commissie inzake de Wateronttrekking aan de Bodem EZ: (Ministerie van) Economische Zaken IRC: International Reference Centre for community water supply → nu: IRC International Water and Sanitation Centre IVA: Instituut voor Afvalstoffenonderzoek KB: Koninklijk Besluit KIWA: Keuringsinstituut voor Waterleidingartikelen N.V. → nu: Kiwa KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap NA: Nationaal Archief; voorheen: Algemeen Rijksarchief PCDIN: Permanente Commissie Documentaire Informatiev"},{"i":3371,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 16 juni 2023 nr. BOACAT2023/037, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant Gelezen het verzoek van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant van 13 juni 2023 en de adviezen van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048474&artikel=2&z=2023-09-13&g=2023-09-13). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving in dienst van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aa"},{"i":17664,"b":"Vaststelling selectielijst van de Gecertificeerde Instellingen voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering en rechtsvoorgangers vanaf 1 november 1995 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van de Gecertificeerde Instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering en rechtsvoorgangers vanaf 1 november 1995 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst: - •. [Basisselectiedocument Bureaus Jeugdzorg vanaf 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035413), **Stcrt.**2014, nr. 21517 wordt ingetrokken vanaf 1 november 1995. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":3045,"b":"Besluit van 13 juli 1981, houdende een verbod aan de deurwaarders om exploiten te doen ter zake van beslagen op of vorderingen verband houdende met de aanwezigheid in Nederland van de fondsen bedoeld in de overeenkomst met de Verenigde Staten van 10 juli 1981 betreffende een garantiefonds Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 25 juni 1981, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 314/681; Overwegende dat ter uitvoering van de regeringsverklaring van de Democratische Volksrepubliek Algerije van 19 januari 1981, betreffende de beslechting van geschillen door de Regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Regering van de Islamitische Republiek Iran, te 's-Gravenhage een arbitragetribunaal is gevestigd, dat zal beslissen over de toewijzing van daartoe bestemde fondsen; Overwegende dat ter medewerking aan de uitvoering van deze regeringsverklaring op 10 juli 1981 te 's-Gravenhage een notawisseling heeft plaatsgevonden tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, houdende een overeenkomst betreffende een garantiefonds in verband met de beslechting van bepaalde geschillen tussen de Verenigde Staten en Iran, welke overeenkomst zal worden gepubliceerd in het **Tractatenblad**; Overwegende dat ingevolge voormelde overeenkomst de daarin bedoelde fondsen zullen worden geplaatst bij een daartoe met medewerking van De Nederlandsche Bank N.V. opgerichte afzonderlijke rechtspersoon, genaamd N.V. Settlement Bank of the Netherlands; Overwegende dat voorts ingevolge de artikelen 5 tot en met 7 van voormelde overeenkomst op Nederland de volkenrechtelijke verplichting rust, de bedoelde fondsen te vrijwaren van beslag, alsmede de onschendbaarheid te waarborgen van de genoemde vennootschappen ter zake van hun medewerking aan de uitvoering van deze overeenkomst; Gelet op artikel 9 van de Wet op de samenstelling der burgerlijke gerechten, alsmede op artikel 13**a** van de Wet van 15 mei 1829 (**Stb.** 28), houdende algemene b"},{"i":10743,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Relatienotabeleid 1974–1998 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 oktober 2005, nr. arc-2005.02633/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Relatienotabeleid in de periode 1974–1998’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van de onder het ministerie ressorterende Directie Beheer Landbouwgronden en van de onder dat ministerie ressorterende commissies en ambtenaren. Vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en de Minister van Landbouw en Visserij, van 7 september 1978 No. Dir. MMA/Ar 194.557 respectievelijk No. PAZ 273, gewijzigd bij de beschikking van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 28 juni 1993, no. A93.528.WH/NF voor zover het de categorie ‘Taak’ betreft voor de actor Directeur Staatsbosbeheer’ wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Aanvulling op het BSD Relatienotabeleid 1974–1998 geldend voor de actor ‘directeur van Staatsbosbeheer’ Concept / Versie Juli 2005 Minister van Landbouw 1. Afkortingen en begrippen NA: Nationaal Archief RAD: Rijksarchiefdienst PIVOT: Project invoering verkorting overbrengingstermijn RIO: Rapport institutioneel onderzoek BSD: basis-selectiedocument OC&W: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap WVC: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur LNV: Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit St"},{"i":2590,"b":"Beleidsregels bewust belonen AZ Overwegende, dat het noodzakelijk is nadere richtlijnen vast te stellen voor wat betreft de toekenning van extra beloningen en de basis waarop deze beloningen worden gebaseerd; Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&artikel=5), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&artikel=8) en [22a van het Bezoldigingsbesluit Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&artikel=22a); Gehoord het Departementaal Georganiseerd overleg en de Ondernemingsraad (OR), ingesteld bij het ministerie van Algemene Zaken; Besluit: Artikel 1 Het bewust belonen op grond van individueel functioneren vindt voor de medewerkers van het ministerie van Algemene Zaken plaats op de wijze die is beschreven in de regeling bewust belonen AZ 2002, die is opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 2 Het besluit tot vaststelling van de Regeling Bewust Belonen van het ministerie van Algemene Zaken van 20 maart 1998 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Artikel 4 Dit besluit zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd. Van deze ter inzage legging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant. Bijlage Ligt ter inzage bij de Centrale Afdeling Personeel en Organisatie te Den Haag."},{"i":10756,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst handelingen beleidsterrein Coördinatie Integratiebeleid Minderheden over de periode 1978–1999, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 maart 2003, nr. arc-2002.4705/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Coördinatie Integratiebeleid Minderheden over de periode 1978–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":3695,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 december 2025, nr. FEZ/57499776, tot verlening van de bevoegdheid tot aanwijzing en intrekking van een zodanige aanwijzing van de kasbeheerder van het Financieel Diensten Centrum (Besluit mandaat kasbeheer FDC OCW 2025) Gelet op de [artikelen 10.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien het verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 augustus 2025, en de instemming van de directeur Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 26 november 2025; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur Financieel Economische Zaken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt de bevoegdheid verleend tot aanwijzing en tot intrekking van een zodanige aanwijzing van de kasbeheerder en plaatsvervangend kasbeheerder, ten behoeve van de taken en verantwoordelijkheden van het Financieel Diensten Centrum betreffende het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat kasbeheer FDC OCW 2025. Artikel 3 1. Het [besluit van 24 augustus 2017, nr. FEZ/1237396, tot doorverlening bevoegdheid aanwijzing kasbeheerder FDC OCW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040031) (**Stcrt. 2017, 54955**) wordt ingetrokken. 2. Besluiten welke zijn genomen op basis van het in vorige lid bedoelde mandaat, blijven (voor zover nog van toepassing) in stand en worden vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit verondersteld te zijn genomen op basis van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051992&artikel=1&z=2025-12-20&g=2025-12-20) verleende mandaat. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant word"},{"i":10758,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst neerslag handelingen Minister van Verkeer en Waterstaat beleidsterrein Rijksbegroting periode 1940–1993 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 9 mei 2005, nr. arc-2005.02240/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1940–1993’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘lijst voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van het departement van Verkeer en Waterstaat en van de daaronder ressorterende rijksorganen, met uitzondering van het Staatsbedrijf der PTT’ (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 117, 1977), categorie 44 tot en met 53 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument voor de Minister van Verkeer en Waterstaat op het beleidsterrein beheer van de Rijksbegroting 1940–1993 1. Inleiding **1.1. Verantwoording** Het PIVOT institutioneel onderzoeksrapport Per slot van rijksrekening1Per slot van rijksrekening. Rapport van het institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein beheer van de rijksbegroting over de periode 1940–1993 in het kader van het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT)/[samenstelling: F. van Dijk]. Den Haag/Rijksarchiefdienst/PIVOT. (PIVOT-rapporten, ISSN 0928-0448;15). (RIO 15) vormt de basis voor dit basisselectiedocument (BSD). Het BSD bevat de uitkomsten, met overwegingen, van het selectieproces. Dit BSD voor de Minister van Verkeer en Waterstaat bevat de handelingen van de actor ‘vakministers’, anders dan de minister van Financiën. De handelingen zoals deze zijn opgenomen in di"},{"i":10762,"b":"Verdrag betreffende de status van vluchtelingen **Preambule** De HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, OVERWEGENDE, dat het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en de op 10 December 1948 door de Algemene Vergadering goedgekeurde [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) het beginsel hebben bevestigd, dat de menselijke wezens, zonder onderscheid, de fundamentele rechten van de mens en vrijheden dienen te genieten, OVERWEGENDE, dat de Verenigde Naties bij verschillende gelegenheden blijk hebben gegeven van haar grote bezorgdheid voor de vluchtelingen en er naar gestreefd hebben de uitoefening van deze fundamentele rechten en vrijheden door de vluchtelingen in de grootst mogelijke mate te verzekeren, OVERWEGENDE, dat het gewenst is de vroegere internationale overeenkomsten betreffende de status van vluchtelingen te herzien en te bevestigen en aan de toepassing van die overeenkomsten en aan de daarbij verleende bescherming uitbreiding te geven door middel van een nieuwe overeenkomst, OVERWEGENDE, dat het verlenen van asyl voor bepaalde landen onevenredig grote lasten kan medebrengen en dat derhalve een bevredigende oplossing van een vraagstuk waarvan de Verenigde Naties de internationale omvang en het internationale karakter hebben erkend, niet zonder internationale solidariteit kan worden bereikt, DE WENS TOT UITDRUKKING BRENGENDE, dat alle Staten, het sociale en humanitaire karakter van het vluchtelingenvraagstuk erkennende, al het mogelijke zullen doen om te voorkomen, dat dit vraagstuk een oorzaak van spanningen tussen Staten wordt, ER VAN KENNIS NEMENDE, dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen belast is met het toezicht op de toepassing van internationale verdragen welke voorzien in de bescherming van vluchtelingen, en erkennende, dat de doeltreffende coördinatie van de maatregelen welke worden genomen om dit vraagstuk op te lossen, zal a"},{"i":10763,"b":"Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand De Partijen bij dit Verdrag, Vastbesloten de betrekkingen en de samenwerking op het gebied van de milieubescherming te bevorderen; Zich bewust van het belang van de activiteiten van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties met het oog op de versteviging van deze betrekkingen en samenwerking, speciaal op het gebied van de luchtverontreiniging, waaronder het transport van lucht verontreinigende stoffen over lange afstand; Met erkenning van de bijdrage van de Economische Commissie voor Europa tot de multilaterale uitvoering van de ter zake dienende bepalingen van de Slotakte van de Conferentie inzake veiligheid en samenwerking in Europa; Rekening houdend met de in het hoofdstuk milieu van de Slotakte van de Conferentie inzake veiligheid en samenwerking in Europa geformuleerde aansporing tot samenwerking bij het bestrijden van de luchtverontreiniging en de gevolgen ervan, waaronder het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand alsmede tot de uitwerking, via internationale samenwerking, van een uitgebreid programma voor de bewaking en de evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand, te beginnen met zwaveldioxyde, welk programma mogelijk zal worden uitgebreid tot andere verontreinigende stoffen; Overwegende de ter zake dienende bepalingen van de Verklaring van de Conferentie van de Verenigde Naties met betrekking tot het leefmilieu van de mens en met name beginsel 21, waarin de gemeenschappelijke overtuiging is neergelegd dat de Staten, overeenkomstig het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en de beginselen van internationaal recht, het soevereine recht hebben hun eigen hulpbronnen te exploiteren volgens hun eigen milieubeleid, alsmede ervoor verantwoordelijk zijn dat activiteiten, verricht onder hun rechtsmacht of toezicht geen schade veroorzaken aan het milieu van and"},{"i":10768,"b":"Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan De Verdragsluitende Partijen, Zich bewust van het vitale belang, voor alle volken, van het mariene milieu en van de daarvan levende flora en fauna; Erkennende de intrinsieke waarde van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan en de noodzaak de bescherming daarvan te coördineren; Erkennende dat gezamenlijk optreden op nationaal, regionaal en mondiaal niveau van wezenlijk belang is ter voorkoming en beëindiging van de verontreiniging van de zee alsook om te komen tot een duurzaam beheer van het zeegebied, dat wil zeggen een zodanig beheer van menselijke activiteiten, dat het mariene ecosysteem het rechtmatig gebruik van de zee kan blijven dragen en kan blijven voorzien in de behoeften van de huidige en toekomstige generaties; Indachtig dat het ecologisch evenwicht en het rechtmatig gebruik van de zee worden bedreigd door verontreiniging; Gelet op de aanbevelingen van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake het leefmilieu, gehouden te Stockholm in juni 1972; Gelet ook op de resultaten van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling, gehouden te Rio de Janeiro in juni 1992; Herinnerende aan de desbetreffende bepalingen van het internationaal gewoonterecht, weergegeven in [Deel XII van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&deel=XII), en in bijzonder aan [artikel 197](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&artikel=197) betreffende de mondiale en regionale samenwerking voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu; Overwegende dat de gemeenschapelijke belangen van de bij een zelfde zeegebied betrokken Staten hen moeten brengen tot samenwerking op regionaal of subregionaal niveau; Herinnerend aan de positieve resultaten die zijn behaald in het kader van het Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee ten g"},{"i":10771,"b":"Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart Preambule Overwegende, dat de toekomstige ontwikkeling van de internationale burgerluchtvaart belangrijk kan bijdragen tot het scheppen en bewaren van vriendschap en goed begrip tussen de naties en volkeren van de wereld, doch dat misbruik daarvan een bedreiging kan worden voor de algemene veiligheid; en Overwegende, dat het wenselijk is wrijving te voorkomen en die samenwerking tussen naties en volkeren waarvan de wereldvrede afhangt, te bevorderen; Zo is het, dat de ondertekenende Regeringen, na overeenstemming te hebben bereikt omtrent bepaalde beginselen en regelingen, opdat de internationale burgerluchtvaart zich kan ontwikkelen op een veilige en ordelijke wijze en internationale luchtvervoersdiensten ingesteld kunnen worden op basis van gelijke kansen en geëxploiteerd kunnen worden op een gezonde en economische wijze; Dienovereenkomstig te dien einde dit Verdrag hebben gesloten. DEEL I. LUCHTVAART HOOFDSTUK I. Algemene beginselen en toepassing van het Verdrag Artikel 1. Soevereiniteit De Verdragsluitende Staten erkennen dat elke Staat de volledige en uitsluitende soevereiniteit heeft over de luchtruimte boven zijn grondgebied. Artikel 2. Grondgebied Voor de toepassing van dit Verdrag wordt het grondgebied van een Staat geacht te omvatten het grondgebied en de daaraan grenzende territoriale wateren welke staan onder de soevereiniteit, suzereiniteit, bescherming of het mandaat van die Staat. Artikel 3. Burgerluchtvaartuigen en staatsluchtvaartuigen (a). Dit Verdrag is uitsluitend van toepassing op burgerluchtvaartuigen, niet op staatsluchtvaartuigen. (b). Luchtvaartuigen, in gebruik voor militaire diensten, douane en politiediensten worden geacht staatsluchtvaartuigen te zijn. (c). Geen staatsluchtvaartuig van een Verdragsluitende Staat mag over het grondgebied van een andere Staat vliegen of daarop landen, anders dan met vergunning krachtens een speciale regeling of anderszins en overeenkomstig de bepalingen daa"},{"i":2345,"b":"Beleidsregel van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 1 september 2008, nr. 3068664, inzake het beëindigen van het verstrekken van financiële bijdragen ten behoeve van de uitzending van coproducties of andere omroepprogramma’s door omroepinstellingen Gelet op de regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 11 juli 2008, nr. 3067435, houdende intrekking van de Aanwijzingen inzake coproducties en andere omroepprogramma’s (Stcrt. 21 juli 2008, nr. 138); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. Coproductie: een omroepprogramma waaraan meerdere partijen, waaronder in elk geval een omroepinstelling enerzijds en een Ministerie dan wel een bestuursorgaan behorend tot de Rijksoverheid anderzijds, op basis van een door alle partijen goedgekeurd scenario en/of uitgewerkte synopsis een inhoudelijke of financiële bijdrage hebben geleverd; - b. Omroepprogramma: een programmaonderdeel als bedoeld in [artikel 1, onder g, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=1); - c. Financiële bijdrage: een geldelijk bedrag op grond van: - –. een privaatrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in [artikel 32, eerste lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32), dan wel - –. een subsidie als bedoeld in [artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:21). Artikel 2 Met het oog op de vervaardiging, aankoop, totstandkoming of uitzending van een coproductie of een ander omroepprogramma wordt geen financiële bijdrage aan derden verstrekt. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2008. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: AZ-Beleidsregel beëindiging verstrekking financiële bijdragen aan coproducties en andere omroepprogramma’s. Deze beleidsregel zal me"},{"i":3905,"b":"Besluit van 1 oktober 2019, houdende regels inzake de opleiding tot orthopedagoog-generalist Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 15 juli 2019, kenmerk 1543320-192213-WJZ; Gelet op de [artikelen 33e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=33e) en [41, vijfde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=41); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 juli 2019, no. W13.19.0232/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 26 september 2019, kenmerk 1582129-192213-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **opleidingsinstelling:** rechtspersoon die een opleiding tot orthopedagoog-generalist verzorgt; - b. **wet:** [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251). Artikel 2 Om in het krachtens [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) ingestelde register van orthopedagogen-generalist te kunnen worden ingeschreven, is vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene met goed gevolg het examen ter afsluiting van een opleiding tot orthopedagoog-generalist heeft afgelegd, uitgereikt door een krachtens [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042645&paragraaf=3&artikel=7&z=2022-12-01&g=2022-12-01) aangewezen opleidingsinstelling. § 2. Opleiding Artikel 3 1. De opleiding tot orthopedagoog-generalist bestaat uit ten minste 3.600 uren, die als volgt zijn verdeeld: - a. 810 uren theoretisch en praktisch onderwijs op het gebied van de orthopedagogiek, waarvan ten minste 90 uren supervisiesessies; - b. 2.790 uren werkervaring op het gebied van de orthopedagogiek. 2. Het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, omvat in elk geval orthopedagogische diagnostiek ten aanzien van de zorgvrager en zijn opvoedings-"},{"i":10774,"b":"Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa Preambule De Lid-Staten van de Raad van Europa en de andere ondertekenaars van dit Verdrag, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Overwegende dat het de wil van de Raad van Europa is samen te werken met andere Staten op het gebied van het behoud van de natuur; Erkennende dat de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten een natuurlijk erfgoed vormen van esthetische, wetenschappelijke, culturele, recreatieve, economische en intrinsieke waarde, en dat het van belang is dit natuurlijke erfgoed te beschermen en door te geven aan de komende generaties; Erkennende de essentiële rol van de in het wild voorkomende dieren plantesoorten bij de instandhouding van het biologisch evenwicht; Vaststellende dat tal van in het wild voorkomende dier- en plantesoorten steeds minder voorkomen en dat sommige hiervan met uitsterven worden bedreigd; Zich ervan bewust dat het in stand houden van de natuurlijke leefmilieus een van de wezenlijke bestanddelen is van de bescherming en het behoud van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten; Erkennende dat met de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten rekening dient te worden gehouden door de Regeringen bij hun nationale doelstellingen en programma’s en dat een vorm van internationale samenwerking tot stand dient te worden gebracht in het bijzonder om de trekkende diersoorten te behouden; Zich bewust zijnde van de vele verzoeken om gemeenschappelijk optreden van Regeringen of internationale instanties, met name de verzoeken van de Conferentie van de Verenigde Naties over het leefmilieu van 1972 en van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa; Verlangende in het bijzonder om, op het gebied van de instandhouding van het leven in het wild, de aanbevelingen op te volgen die zijn vervat in Resolutie nr. 2 van de Tweede Europese Mi"},{"i":4209,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 31 augustus 2015, nr. DSO/GA-213/15, tot vaststelling van een subsidieplafond voor toepassing van de beleidsregels SRGR Partnerschappen 2016-2020 Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1); Besluit: Artikel 1 1. Voor subsidieverlening in het kader van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 19 maart 2015 tot vaststelling van beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 ([SRGR Partnerschappen 2016-2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036444))1Stcrt 2015, nr 8330 geldt voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 een subsidieplafond van € 215 miljoen, dat in een bevoorschottingsritme van € 43 miljoen per jaar beschikbaar zal worden gesteld. 2. Ten laste van het plafond is € 3 miljoen per jaar beschikbaar voor activiteiten gericht op de bestrijding van kinderprostitutie, uitgevoerd door een van de partnerschappen. 3. Ten laste van het plafond is voor de periode vanaf 1 januari 2017 tot en met 31 december 2018 € 1.250.000 per jaar beschikbaar voor nader te identificeren activiteiten, in het licht van actuele behoeften of met het oog op uitbreiding van succesvolle of veelbelovende activiteiten en innovaties, waarbij geldt dat indien in één van deze jaren middelen van de voor dat jaar beschikbare middelen resteren, deze beschikbaar komen voor aanvragen die worden ingediend in het daarop volgende jaar. 4. Ten laste van het plafond is voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 € 2.500.000 beschikbaar voor nader te identificeren activiteiten, in het licht van actu"},{"i":10778,"b":"Verdrag inzake het verbod van militair of enig ander vijandelijk gebruik van milieuveranderingstechnieken De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Geleid door het belang van het versterken van de vrede en door de wens bij te dragen aan het tot staan brengen van de bewapeningswedloop en het verwezenlijken van algemene en volledige ontwapening onder strikt en doeltreffend internationaal toezicht, en aan het behoeden van de mensheid voor het gevaar van het gebruik van nieuwe middelen van oorlogvoering, Vastbesloten onderhandelingen voort te zetten om daadwerkelijke vooruitgang te bereiken op de weg naar verdere maatregelen op het gebied van de ontwapening, Erkennende dat wetenschappelijke en technische vorderingen nieuwe mogelijkheden kunnen bieden met betrekking tot de verandering van het milieu, In herinnering brengend de Verklaring van de Conferentie der Verenigde Naties inzake het Leefmilieu, die op 16 juni 1972 te Stockholm werd aangenomen, In het besef dat het gebruik van milieuveranderingstechnieken voor vreedzame doeleinden de onderlinge relatie tussen de mens en de natuur zou kunnen verbeteren en zou kunnen bijdragen tot het behoud en de verbetering van het milieu ten bate van de huidige en toekomstige generaties, Erkennende echter dat militair of enig ander vijandelijk gebruik van zodanige technieken buitengewoon schadelijke gevolgen zou kunnen hebben voor het welzijn van de mens, Geleid door de wens militair of enig ander vijandelijk gebruik van milieuveranderingstechnieken op doeltreffende wijze te verbieden, ten einde de gevaren die een zodanig gebruik voor de mensheid met zich brengt, weg te nemen en hun bereidheid bevestigend te werken aan de verwezenlijking van dit doel, Tevens geleid door de wens bij te dragen aan de versterking van het vertrouwen tussen de volken onderling en aan een verdere verbetering van de internationale toestand in overeenstemming met de doeleinden en beginselen van het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl"},{"i":10779,"b":"Verdrag inzake luchtdiensten tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Regering van de Staat Qatar De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Regering van de Staat Qatar (hierna te noemen „de partijen”); Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens een bijdrage te leveren aan de vooruitgang van de regionale en internationale burgerluchtvaart; Geleid door de wens een internationaal luchtvaartstelsel te bevorderen dat gebaseerd is op mededinging tussen luchtvaartmaatschappijen met een minimum aan overheidsbemoeienis en -regulering; Geleid door de wens een verdrag te sluiten ten behoeve van het instellen en exploiteren van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden; Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging van internationale luchtdiensten te waarborgen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is omschreven: - 1. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan, wat de regering van de Staat Qatar betreft, de minister van Transport en Communicatie; wat de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, betreft, de minister verantwoordelijk voor de burgerluchtvaart; of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die thans door de genoemde autoriteiten worden vervuld; - 2. wordt onder „overeengekomen diensten” verstaan de luchtdiensten op de omschreven routes voor het vervoer van passagiers, vracht en post, afzonderlijk of gecombineerd; - 3. wordt onder „Verdrag” verstaan dit Verdrag, de bijlage daarbij en alle wijzigingen daarvan; - 4. hebben „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij” en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden” de betekenis die daaraan in [artikel 96"},{"i":10780,"b":"Verdrag inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Argentijnse Republiek Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en de Argentijnse Republiek, hierna te noemen „de partijen”; Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens een bijdrage te leveren aan de vooruitgang van de internationale luchtvaart; Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging van internationale luchtdiensten te waarborgen; Geleid door de wens een verdrag inzake luchtdiensten te sluiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Argentijnse Republiek; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. INLEIDING Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Infrastructuur en Milieu; en wat de Argentijnse Republiek betreft, de minister van Vervoer en de Nationale Burgerluchtvaart Autoriteit; of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die thans door de genoemde autoriteiten worden vervuld; - b. wordt onder „overeengekomen dienst” en „omschreven route” verstaan respectievelijk de internationale luchtdienst overeenkomstig dit Verdrag en de route omschreven in de bijlage bij dit Verdrag; - c. wordt onder „Verdrag” verstaan dit Verdrag en de bijlage erbij opgesteld voor de toepassing ervan, alsmede elke wijziging van het Verdrag of de bijlage; - d. hebben „luchtdienst”, „internationale luchtdienst” en „luchtvaartmaatschappij” de betekenis die daaraan in [artikel 96 van het Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96) respectievelijk wordt toegekend; - e. wordt onder „verandering van luchtvaartuig” verstaan de exploitatie van een van de overeengekomen diensten door een aangewezen luchtvaartmaatschap"},{"i":10781,"b":"Verdrag inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Coöperatieve Republiek Guyana PREAMBLE The Kingdom of the Netherlands and the Cooperative Republic of Guyana, hereinafter referred to as the Contracting Parties; Being parties to the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Desiring to contribute to the progress of international civil aviation; Desiring to guarantee the highest level of safety and security in international air transport; Desiring to conclude an Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the Cooperative Republic of Guyana for Air Services between and beyond their respective Territories; Have agreed as follows: CHAPTER I. INTRODUCTION Article 1. Definitions 1. For the purpose of this Agreement: - a). the term “Aeronautical Authorities“ means for the Kingdom of the Netherlands, the Minister of Infrastructure and Water Management of the Netherlands; for the Cooperative Republic of Guyana, the Minister responsible for Transport; or, in either case, any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said Authorities; - b). the terms “Agreed Service” and “Specified Route” mean International Air Service pursuant to this Agreement and the route specified in the Annex to this Agreement respectively; - c). the term “Agreement” means this Agreement, its Annex, as well as any amendment to the Agreement or the Annex; - d). the terms “Air Service”, “International Air Service”, “Airline” and “Stop for non-traffic purposes” shall have the meaning respectively assigned to them in [Article 96 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96); - e). the term “Change of Aircraft” means the operation of one of the Agreed Services by a Designated Airline in such a way that one or more sectors of the Specified Route are flown by different aircraft; - f). the term “the Conventio"},{"i":10782,"b":"Verdrag inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka The Kingdom of the Netherlands and the Democratic Socialist Republic of Sri Lanka, hereinafter referred to as the Contracting Parties; Being parties to the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Desiring to contribute to the progress of international civil aviation; Desiring to guarantee the highest level of safety and security in International Air Service; Desiring to conclude an Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the Democratic Socialist Republic of Sri Lanka for the purpose of establishing and operating Air Services between and beyond their respective Territories; Have agreed as follows: CHAPTER I. INTRODUCTION Article 1. Definitions 1. For the purpose of this Agreement: - a. the term “Aeronautical Authorities” means for the Kingdom of the Netherlands, the Ministry of Infrastructure and Water Management; for the Democratic Socialist Republic of Sri Lanka, the Minister in charge of the subject of Civil Aviation; or, in either case, any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said Authorities; - b. the terms “Agreed Service” and “Specified Route” mean International Air Service pursuant to this Agreement and the Route specified in the Annex to this Agreement respectively; - c. the term “Agreement” means this Agreement, its Annex, as well as any amendment to this Agreement or to its Annex; - d. the terms “Air Service”, “International Air Service”, “Airline” and “Stop for non-commercial traffic purposes” shall have the meaning respectively assigned to them in [Article 96 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96); - e. the term “Change of Aircraft” means the operation of one of the Agreed Services by a Designated Airline in such a way that one or more"},{"i":10784,"b":"Verdrag inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust (met Bijlage) Preamble The Kingdom of the Netherlands and the Republic of Cote d’Ivoire, hereinafter referred to as the Contracting Parties; Being parties to the [Convention on International Civil Aviation](onbekend), opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Desiring to contribute to the progress of international civil aviation; Desiring to guarantee the highest level of safety and security in international air transport; Desiring to conclude an Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Cote d’Ivoire, for Air Services between and beyond their respective Territories; Have agreed as follows: CHAPTER I. INTRODUCTION Article 1. Definitions 1. For the purpose of this Agreement: - a). the term “Aeronautical Authorities” means: for the Kingdom of the Netherlands, the Minister of Infrastructure and Water Management of the Netherlands; for the Republic of Cote d’Ivoire, the Minister in charge of Civil Aviation; or, in either case, any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said Authorities; - b). the terms “Agreed Service” and “Specified Route” mean: International Air Service pursuant to this Agreement and the route specified in the Annex to this Agreement respectively; - c). the term “Agreement” means: this Agreement, its Annex, as well as any amendment to the Agreement or the Annex; - d). the terms “Air Service”, “International Air Service”, “Airline” and “Stop for non-traffic purposes” shall have the meaning respectively assigned to them in [Article 96 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96); - e). the term “Change of Aircraft” means: the operation of one of the Agreed Services by a Designated Airline in such a way that one or more sectors of the Specified Route are flown by different aircraft; - f). the term “the Convention” means: the [Convention on International"},{"i":10798,"b":"Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer **[Zie de Franse tekst voor een opsomming van Staatshoofden]** het nut erkend hebbende van op eenvormige wijze de voorwaarden van het internationale luchtvervoer te regelen met betrekking tot de voor dit vervoer gebezigde documenten en de aansprakelijkheid van den vervoerder, hebben tot dat doel benoemd hunne respectievelijke gevolmachtigden die, behoorlijk gemachtigd, het volgende verdrag hebben gesloten en onderteekend: HOOFDSTUK I. Onderwerp. Definities. Artikel 1 1). Dit Verdrag is toepasselijk op alle internationaal vervoer van personen, bagage of goederen, dat met luchtvaartuigen tegen betaling plaats heeft. Het is eveneens toepasselijk op het kosteloos vervoer met luchtvaartuigen, door een luchtvervoeronderneming bewerkstelligd. 2). Onder **internationaal vervoer** in de zin van dit Verdrag wordt verstaan alle vervoer, waarbij volgens de overeenkomst tussen partijen de plaats van vertrek en de plaats van bestemming, zij er al dan niet onderbreking van het vervoer of overlading, zijn gelegen hetzij op het grondgebied van twee Hoge Verdragsluitende Partijen, hetzij op het grondgebied van een enkele Hoge Verdragsluitende Partij indien een tussenlanding wordt voorzien binnen het grondgebied van een andere Staat, zelfs indien deze Staat geen Hoge Verdragsluitende Partij is. Het vervoer, zonder een zodanige tussenlanding, tussen twee punten binnen het grondgebied van een enkele Hoge Verdragsluitende Partij, wordt niet beschouwd als internationaal in de zin van dit Verdrag. 3). Het vervoer, te bewerkstelligen door verschillende opeenvolgende luchtvervoerders, wordt voor de toepassing van dit Verdrag geacht een enkel vervoer te vormen, wanneer het door de partijen als een enkele handeling is beschouwd, of het nu in de vorm van een enkele overeenkomst, dan wel in de vorm van een reeks van overeenkomsten is gesloten, en het verliest zijn internationaal karakter niet door de o"},{"i":10802,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de samenwerking inzake luchtverdediging tegen niet-militaire luchtdreigingen De Regering van het Koninkrijk België, de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, de Regering van de Franse Republiek, en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Hierna te noemen „de partijen”, Gelet op de bepalingen van het [Noord-Atlantisch Verdrag](onbekend), ondertekend te Washington op 4 april 1949; Gelet op het [Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten](onbekend), ondertekend te Londen op 19 juni 1951, hierna te noemen „NAVO Statusverdrag”; Gelet op het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), ondertekend te Chicago op 7 december 1944; Gelet op het „Accord de sécurité relatif aux échanges d’informations protégées entre le Gouvernement du Royaume de Belgique et le Gouvernement de la République française (Veiligheidsakkoord inzake uitwisseling van beschermde informatie tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek)”, ondertekend te Brussel op 19 juli 1974; Gelet op de [Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek inzake de uitwisseling van beschermde en gerubriceerde gegevens](onbekend), ondertekend te Parijs op 28 juli 1992; Gelet op het „Accord entre le Gouvernement du Grand-Duché de Luxembourg et le Gouvernement de la République française concernant l’échange et la protection réciproque des informations classifiées”, ondertekend te Luxemburg op 24 februari 2006; Gelet op het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake de bestrijding van terrorisme (2002/475/JBZ); Gelet op [Verordening (EG) nr. 549/2004](32004R0549) van het Europees Parlement en de Raad van"},{"i":10803,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Macedonische Regering inzake luchtdiensten tussen en via hun respectieve grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Macedonische Regering, waarvan de Staten hierna de Verdragsluitende Partijen worden genoemd, Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een verdrag te sluiten met het doel luchtdiensten tussen en via hun respectieve grondgebieden in te stellen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in dit Verdrag en de Bijlage daarbij de volgende begrippen de hierbij daaraan toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag van Chicago\" wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van dat Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of van het Verdrag van Chicago overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Verdragsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat; wat de Macedonische Regering betreft, het Ministerie van Vervoer en Verbindingen, Directoraat-Generaal Burgerluchtvaart; of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie te vervullen die thans door de genoemde autoriteiten wordt uitgeoefend; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij\" wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 4 van dit Verdrag; - d. het begrip „grondgebied\" heeft de betekenis"},{"i":10804,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de exploitatie van grensoverschrijdende koolwaterstoffenvelden in de Noordzee (met Bijlagen) De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, Opnieuw bevestigend dat de vriendschappelijke betrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland gebaseerd zijn op de beginselen van goed nabuurschap en bilaterale samenwerking; Verwijzend naar het [Verdrag van 24 oktober 2014 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende het gebruik en beheer van de territoriale zee van 3 tot 12 zeemijlen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006411) en de bijbehorende briefwisseling van dezelfde datum; Gelet op het [Verdrag van 8 april 1960 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005343), zoals gewijzigd op 17 november 1975, de [Aanvullende Overeenkomst daarbij van 14 mei 1962](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004413) en het [Aanvullend Protocol daarbij van 22 augustus 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005276); Gelet op het [Verdrag van 1 december 1964 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de zijdelingse begrenzing van het continentale plat in de nabijheid van de kust](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004468); Gelet op het [Verdrag van 28 januari 1971 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de begrenzing van het continentaal plat onder de Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003545); Herinnerend aan het [Verdrag van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002731), waarbij zowel het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepub"},{"i":3118,"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking op de archieven van de Rijksconsulentschappen in de provincie Drenthe van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1901–1986 Inventariskenmerk 0929 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 118 | 2024 | | 372 | 2038 | | 374 | 2048 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045287&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Drenthe heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045287&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Drenthe. De rijksarchivaris in de provincie Drenthe kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045287&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Drenthe. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden v"},{"i":10808,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake de integratie van de luchtruimbewaking tegen dreigingen die uitgaan van niet-militaire luchtvaartuigen (renegades) Het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg, Hierna te noemen „de partijen”, Gelet op de bepalingen van [artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143&artikel=51); Gelet op de bepalingen van het [Noord-Atlantisch Verdrag](onbekend), op 4 april 1949 ondertekend te Washington; Gelet op de bepalingen van het [Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten](onbekend), op 19 juni 1951 ondertekend te Londen, hierna te noemen „NAVO Statusverdrag”, tenzij anders overeengekomen in dit Verdrag; Gelet op het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), op 7 december 1944 ondertekend te Chicago; Gelet op het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (2002/475/JHA); Gelet op de verklaring inzake de bestrijding van terrorisme, aangenomen door de lidstaten van de Europese Unie tijdens de Europese Top in Brussel op 25 maart 2004; Gelet op het Operationeel Concept van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie tot versterking van de luchtverdediging van het bondgenootschap in antwoord op mogelijke terroristische aanvallen (MCM-062-02); Gelet op het [Verdrag van 27 mei 2005 tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002898); Gelet op [Verordening (EG) nr. 549/2004]("},{"i":10825,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Panama inzake luchtdiensten Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Panama, hierna te noemen de verdragsluitende partijen; Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens een bijdrage te leveren aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart; Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging in het internationale luchtvervoer te waarborgen; Geleid door de wens een verdrag te sluiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Panama ten behoeve van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. INLEIDING Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Infrastructuur en Milieu; en wat de Republiek Panama betreft, de Burgerluchtvaarautoriteit, of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die thans door de genoemde autoriteiten worden vervuld; - b. wordt onder „overeengekomen diensten” en „omschreven routes” verstaan: respectievelijk de internationale luchtdiensten overeenkomstig dit Verdrag en de routes omschreven in de bijlage bij dit Verdrag; - c. wordt onder „Verdrag” verstaan: dit Verdrag en de bijlage erbij opgesteld voor de passing ervan, alsmede elke wijziging van het Verdrag of de bijlage; - d. hebben „luchtdienst”, „internationale luchtdienst” en „luchtvaartmaatschappij” de betekenis die daaraan in [artikel 96 van het Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96) respectievelijk wordt toegekend; - e. wordt onder „verandering van luchtvaartuig” verstaan: de exploitatie van een van de overeengekomen diensten door een aangewezen luchtvaartmaatschappij op zodanige"},{"i":10826,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Slovenië inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Slovenië, partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een verdrag te sluiten meţ het doel luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden in te stellen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in dit Verdrag en de Bijlage daarbij de volgende begrippen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag van Chicago” wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag van Chicago aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of van het Verdrag van Chicago overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Verdragsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat; wat de Republiek Slovenië betreft, het Ministerie van Vervoer en Verbindingen, Autoriteit voor de Burgerluchtvaart; of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie te vervullen die verband houdt met dit Verdrag; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij\" wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 4 van dit Verdrag; - d. het begrip „grondgebied\" heeft met betrekking tot een Staat de betekenis die daaraan in artikel 2 van het Verdrag van Chicago wordt toegekend; - e. de"},{"i":10827,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Unie van Myanmar inzake luchtdiensten Preamble The Kingdom of the Netherlands and the Republic of the Union of Myanmar, hereinafter referred to as the “Contracting Parties”; Being parties to the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Desiring to contribute to the progress of regional and international civil aviation; Desiring to conclude an Agreement for the purpose of establishing and operating air services between and beyond their respective territories; Have agreed as follows: CHAPTER I. INTRODUCTION Article 1. Definitions For the purposes of this Agreement, unless otherwise stated: - a). the term “Aeronautical Authorities” means, in the case of the Republic of the Union of Myanmar, the Department of Civil Aviation of the Ministry of Transport and Communications; in the case of the Kingdom of the Netherlands, the Minister of Infrastructure and the Environment; or in both cases any other authority or person empowered to perform the functions now exercised by the said Authorities; - b). the terms “Agreed Service” and “Specified Route” mean International Air Service pursuant to this Agreement and the route specified in the Annex to this Agreement respectively; - c). the term “Agreement” means this Agreement, its Annex drawn up in application thereof, and any amendments to the Agreement or the Annex; - d). the terms “Air Service”, “International Air Service”, and “Airline” shall have the meaning respectively assigned to them in [Article 96 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96); - e). the term “Air Transportation” means the public carriage by aircraft of passengers, baggage, cargo and mail, separately or in combination, for remuneration or hire; - f). the term “Capacity” (i) in relation to an aircraft, means the payload of that aircraft available on a route or"},{"i":10828,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Slowaakse Republiek inzake luchtdiensten The Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the Slovak Republic, being parties to the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago on 7 December 1944, desiring to contribute to the progress of international civil aviation, desiring to conclude an agreement for the purpose of establishing air services between and beyond their respective territories, have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement and its Annex, unless the context otherwise requires: - a). the term \"the Convention\" means the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on 7 December 1944, and includes any annex adopted under Article 90 of that Convention and any amendment of the Annexes or the Convention under Articles 90 and 94 thereof, in so far as those Annexes and amendments have become effective for, or been ratified by both Contracting Parties, - b). the term \"aeronautical authorities\" means: for the Slovak Republic the Ministry of Transport, Communications and Public Works, for the Kingdom of the Netherlands the Minister of Transport, Public Works and Water Management, or in either case any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said Ministry or Minister as appropriate, - c). the term \"designated airline\" means an airline which has been designated and authorized in accordance with Article 3 of this Agreement, - d). the term \"territory\" in relation to a State has the meaning assigned to it in Article 2 of the Convention, - e). the terms \"air service\", \"international air service\", \"airline\" and \"stop for non-traffic purposes\" have the meaning respectively assigned to them in Article 96 of the Convention, - f). the terms \"agreed service\" and \"specified route\" mean international air service pursuant to Article 2 of this Agreement and the route speci"},{"i":10829,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Koeweit inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Koeweit, hierna te noemen de verdragsluitende partijen; Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart; Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging van internationale luchtdiensten te waarborgen; Geleid door de wens een verdrag te sluiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Koeweit ten behoeve van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. INLEIDING Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan, wat de Staat Koeweit betreft, het Directoraat-Generaal voor burgerluchtvaart; en, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Infrastructuur en Waterstaat; of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die thans door de genoemde autoriteiten worden vervuld; - b. wordt onder „overeengekomen dienst” en „omschreven route” verstaan respectievelijk een internationale luchtdienst overeenkomstig dit Verdrag en de route omschreven in de Bijlage bij dit Verdrag; - c. wordt onder „Verdrag” verstaan dit Verdrag, de Bijlage erbij, alsmede elke wijziging van het Verdrag of de Bijlage; - d. hebben „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij” en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden” de betekenis die daaraan in [artikel 96 van het Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96) respectievelijk wordt toegekend; - e. wordt onder „verandering van luchtvaartuig” verstaan de exploitatie van een van de overeengekomen diensten doo"},{"i":10830,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Syrische Arabische Republiek voor geregelde luchtdiensten Preamble The Kingdom of the Netherlands and the Syrian Arab Republic, hereinafter referred to as the Contracting Parties, being parties to the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago on 7 December 1944; desiring to contribute to the progress of international civil aviation; desiring to replace their Agreement of February 13, 1950, for the purpose of improving the established Air services; have agreed as follows: CHAPTER I. INTRODUCTION Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement: - a). the term ``Aeronautical authorities\" means: for the Kingdom of the Netherlands, the Minister of Transport, Public Works and Water Management; for the Syrian Arab Republic: the Minister of Transport or the Directorate General of Civil Aviation; or in either case any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said authorities; - b). the terms ``Agreed service\" and ``Specified route\" mean: International air service pursuant to this Agreement and the route specified in the Annex to this Agreement respectively; - c). the term ``Agreement\" means: this Agreement, its Annex(es) drawn up in application thereof and any amendments thereto; - d). the terms ``Air service\", ``International air service\", and ``Stop for non-traffic purposes\" shall have the meaning respectively assigned to them in Article 96 of the Convention; - e). the term ``Change of aircraft\" means: the operation of one of the Agreed services by a Designated airline in such a way that one or more sectors of the Specified route are flown by different aircraft; - f). the term ``Computer Reservation System (CRS)\" means: a computerized system (1) containing information about airline schedules, fares and related services and (2) through which reservations can be made and/or transportation documents can be issued; - g). the term ``the Convention\""},{"i":10831,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tsjechische Republiek inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Tsjechische Republiek, partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een verdrag te sluiten met het doel luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in dit Verdrag en de Bijlage daarbij de volgende begrippen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag van Chicago\" wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag van Chicago aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of van het Verdrag van Chicago overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Verdragsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat; wat de Tsjechische Republiek betreft, het Ministerie van Vervoer; of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie te vervullen die thans wordt vervuld door de bedoelde Minister of het genoemde Ministerie, naar gelang passend; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij\" wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 van dit Verdrag; - d. het begrip „grondgebied\" heeft met betrekking tot een Staat de betekenis die daaraan in artikel 2 van het Verdrag van Chicago word"},{"i":10832,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake samenwerking bij de veiligheid van de burgerluchtvaart The Kingdom of the Netherlands and the United States of America (hereinafter referred to collectively as the “Parties” and individually as a “Party”); Considering their common purpose of promoting civil aeronautics and safety of air commerce between the Kingdom of the Netherlands and the United States of America; Declaring their mutual commitment to the safety of international aviation; Recognizing that the Kingdom of the Netherlands and the United States of America, as parties to the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) (Chicago, 7 December 1944), have a mutual interest in ensuring the continued improvement of civil aviation safety; Desiring to cooperate in the provision of services with respect to aviation safety that may be needed by the aviation authorities of the Kingdom of the Netherlands; Seeking to promote continued cooperation in the orderly, efficient, and safe control and use of airspace of the Kingdom of the Netherlands; Have agreed as follows: Article I 1. The Agencies responsible for implementing this Agreement on behalf of the Parties (hereinafter the “Implementing Authorities”) shall be: For the United States of America: the Federal Aviation Administration (“FAA”); For the Kingdom of the Netherlands: the individual aviation authorities (including air navigation service providers) of the Kingdom of the Netherlands, namely: In respect of Aruba: the Department of Civil Aviation of Aruba or any successor agency; In respect of Curaçao: the Curaçao Civil Aviation Authority or any successor agency; In respect of the Netherlands: Civil Aviation Authority – The Netherlands or any successor agency and, as may be relevant for the implementation of this Agreement, Luchtverkeersleiding Nederland (“LVNL”) as the Air Navigation Service Provider or any successor agency;"},{"i":10833,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek China inzake de burgerluchtvaart De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China; Geleid door de wens vriendschappelijke contacten tussen hun beide volken te vergemakkelijken en wederzijdse betrekkingen tot stand te brengen op het gebied van de burgerluchtvaart door een verdrag te sluiten tussen hun Staten (hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen\"); Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld; Zijn het volgende overeengekomen betreffende de totstandkoming en exploitatie van luchtdiensten tussen en via hun respectieve grondgebieden: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, wordt in dit Verdrag verstaan onder: - 1. „luchtvaartautoriteiten\": in het geval van het Koninkrijk der Nederlanden, de Minister van Verkeer en Waterstaat, of elke persoon of instantie die bevoegd is de thans door genoemde autoriteit uitgeoefende functies te vervullen, en in het geval van de Volksrepubliek China, de Algemene Dienst Burgerluchtvaart van China, of elke persoon of instantie die bevoegd is de thans door genoemde dienst uitgeoefende functies te vervullen; - 2. „luchtvaartmaatschappij\": een luchtvervoersonderneming die internationale luchtdiensten exploiteert of de gelegenheid biedt van internationale luchtdiensten gebruik te maken; - 3. „aangewezen luchtvaartmaatschappij\": een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 van dit Verdrag; - 4. „luchtdienst\": een geregelde luchtdienst, uitgevoerd door luchtvaartuigen, bestemd voor het openbaar vervoer van passagiers, bagage, vracht of post; - 5. „internationale luchtdienst\": een luchtdienst die door het luchtruim boven het grondgebied van meer dan een Staat voert; - 6. „landing, anders dan voor verkeersdoeleinden\": een landing, gemaakt anders dan voor het opnemen of afzet"},{"i":10834,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en EUROCONTROL met betrekking tot het uitvoeren van taken voor luchtruimbeheer The Kingdom of the Netherlands, hereinafter referred to as “the Netherlands”, and the European Organisation for the Safety of Air Navigation (EUROCONTROL), hereinafter referred to as “EUROCONTROL”, hereinafter jointly referred to as “the Parties”; HAVING REGARD to the [EUROCONTROL International Convention relating to Co-operation for the Safety of Air Navigation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004802), signed at Brussels on 13 December 1960, as amended by the Protocol signed at Brussels on 12 February 1981 (hereinafter referred to as “the amended Convention”), and, in particular, to Articles 2 paragraph 2 (b), 6, paragraph 3, 11 and 12 thereof; HAVING REGARD to Article 2, paragraph 1 (m), of the consolidated version of the Convention annexed to the [Protocol consolidating the EUROCONTROL International Convention relating to Co-operation for the Safety of Air Navigation of 13 December 1960](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001670), as variously amended, done at Brussels on 27 June 1997 (hereinafter referred to as “the revised Convention”), as early implemented by Decision No 71 of the Permanent Commission of 9 December 1997 on early implementation of certain provisions in the revised Convention, in particular in respect of the role and duties of the Organisation; HAVING REGARD to Decision No. 72 of the Permanent Commission of 9 December 1997 on early implementation of certain provisions in the revised [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004802), in particular on the establishment of a Provisional Council; HAVING REGARD to the [Agreement relating to the Provision and Operation of Air Traffic Services and Facilities by EUROCONTROL at the Maastricht Area Control Centre](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002446), done at Brussels on 25 November 1986 (hereinafter referred to as “the Maastricht Agreement”);"},{"i":10922,"b":"Besluit van 18 maart 2004, houdende wijziging van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 januari 2004, kenmerk VGB/P&L 2365980, gedaan mede namens de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [richtlijn nr. 1999/45/EG](31999L0045) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200) en de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=24), [34, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=34), [36, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=36), en [39, tweede, derde en vierde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=39); De Raad van State gehoord (advies van 29 januari 2004, nr. W13.04.0038III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 maart 2004, VGB/P&L 2453523, uitgebracht mede namens de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten. Artikel II Wijzigt het Besluit risico's zware ongevallen 1999. Artikel III Wijzigt het Warenwetbesluit Speelgoed. Artikel IV 1. De verplichting, voortvloeiende uit [artikel 6d, eerste lid van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004220&artikel=6d), geldt uitsluitend ten aanzien van stoffen en preparaten die in de handel zijn gebracht vanaf het tijdstip dat [artikel"},{"i":10963,"b":"Wet van 12 juni 2008 tot wijziging van de Mijnbouwwet in verband met nieuwe regels omtrent deelneming in de opsporing en winning van koolwaterstoffen door een daartoe aangewezen vennootschap en omtrent andere taken en activiteiten van die vennootschap Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de [Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168) wordt gewijzigd in verband met het stellen van nieuwe regels omtrent deelneming in de opsporing en winning van koolwaterstoffen door een daartoe aangewezen vennootschap en de andere taken en activiteiten van die vennootschap, alsmede in verband met de bevoegdheid ten aanzien van mergelgroeven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel II 1. Een overeenkomst als bedoeld in [artikel 81, onder b, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=81) die voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024108&artikel=I&z=2011-01-01&g=2011-01-01), van deze wet tot stand is gekomen, wordt aangemerkt als een overeenkomst als bedoeld in [artikel 81, onder d, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=81), zoals [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=81) vanaf dat tijdstip komt te luiden. 2. Een overeenkomst als bedoeld in [artikel 89, onder b, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=89) die voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024108&artikel=I&z=2011-01-01&g=2011-01-01), van deze wet tot stand is gekomen, wordt aangemerkt als een overeenkomst als bedoeld in [artikel 81, onder e, van de Mijnbouwwet](https://wetten.ove"},{"i":11026,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 september 2010, nr. HO&S/BS/2010/ 227934, betreffende onder meer de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming aan rechtspersonen om graden te verlenen (Beleidsregel bevoegdheid graadverlening hoger onderwijs) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op de [artikelen 4:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 1.12, derde lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.12), [6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9) en [6.10 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.10); Besluit: § 1. Definities Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - b. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. **accreditatieorgaan:** Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, bedoeld in artikel 1 van het op 3 september 2003 te Den Haag totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs (Trb. 2003, 167); - d. **inspectie:** inspectie als bedoeld in [artikel 2 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=2); - e. **graad:** graad als bedoeld in [artikel 7.10a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.10a); - f. **aanvraag:** verzoek om toestemming; - g. **toestemming:** besluit van de minister als bedoeld in [artikel 6.9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9), op grond waarvan een rechtspe"},{"i":11027,"b":"Beleidsregel CBP richtsnoeren informatieplicht basisscholen onderwijskundig rapport De [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) (Wbp) bevat regels voor de omgang met persoonsgegevens en hanteert als uitgangspunt dat persoonsgegevens door een verantwoordelijke, zoals een basisschool, in overeenstemming met de wet, behoorlijk en zorgvuldig worden verwerkt. Met ‘wet’ wordt hier niet alleen de Wbp bedoeld maar ook andere wettelijke regelingen die betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens waaronder leerlinggegevens. Een belangrijke eis die gesteld wordt aan een rechtmatige verwerking van leerlinggegevens is het naleven van de informatieplicht. Voor basisscholen betekent dit onder meer dat zij verplicht zijn om bepaalde informatie op eigen initiatief te verstrekken aan de ouders of verzorgers (hierna: de ouders) van de basisschoolleerling (de betrokkene). De informatieplicht is geregeld in de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=33) en [34 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=34). De juiste naleving van de informatieplicht stelt de ouders van een leerling in staat om te volgen welke gegevens van de leerling worden verwerkt en op welke wijze. Op basis hiervan kan vervolgens gebruik worden gemaakt van de rechten die de betrokkene op grond van de [Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) toekomen, bijvoorbeeld het recht op inzage ([artikel 35 Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35)). Doel van dit richtsnoer Het College bescherming persoonsgegevens heeft dit richtsnoer opgesteld ter verduidelijking en concretisering voor basisscholen van de wettelijke norm met betrekking tot de informatieplicht in de [Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468). Informatieplicht met betrekking tot het onderwijskundig rapport De basisschool is volgens [artikel 42 Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":11028,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/178032, inzake het controlebeleid Dienst Uitvoering Onderwijs op het uitwonend zijn van studerenden met een toelage ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 op grond van artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000 Inhoud maatregel De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft besloten de controle van het feit of een studerende terecht in aanmerking komt voor studiefinanciering voor een uitwonende studerende, zoals bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.6) te laten uitvoeren door de Dienst Uitvoering Onderwijs. Deze controle bestaat uit de volgende stappen: Eerst vergelijkt de Dienst Uitvoering Onderwijs het door de uitwonende studerende zelf als woonadres opgegeven adres met de adresgegevens van zijn ouders. Deze vergelijking geschiedt via gegevens die de Dienst Uitvoering Onderwijs reeds van deze ouders heeft of, bij het ontbreken ervan, via uitwisseling met de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Indien uit deze bestandsvergelijking blijkt dat de adressen van de uitwonende studerende en van (een van) zijn ouder(s) overeenkomt, vindt nadere controle plaats. Komen de adressen van ouder(s) en studerende niet overeen, dan wordt de studerende beschouwd als uitwonend. Er wordt van verdere controle afgezien, zolang de studerende op hetzelfde adres blijft wonen. De nadere controle vindt plaats door het aanschrijven van de studerende. In een brief van de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt de studerende attent gemaakt op het feit dat bovengenoemde controle heeft plaatsgevonden en dat zijn woonadres volgens de gegevens van de Dienst Uitvoering Onderwijs overeenkomt met het woonadres van (een van) zijn ouder(s). In dezelfde brief biedt de Dienst Uitvoering Onderwijs de studerende de gelegenheid om aannemelijk te maken dat hij over de gecontroleerde periode niet woonachtig is geweest"},{"i":11030,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 19 februari 2020, nr. PO/BenS/17873009, houdende regels voor een experiment ruimte in onderwijstijd in het basisonderwijs (Beleidsregel experiment ruimte in onderwijstijd) Gelet op [artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718&artikel=2) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - **experiment:** het experiment ruimte in onderwijstijd bedoeld in artikel 2; - **Onze Minister:** de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - **Wpo:** [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420). Artikel 2. Het experiment ruimte in onderwijstijd Het bevoegd gezag dat met een school deelneemt aan het experiment mag op die school afwijken van: - a. de voorschriften omtrent vakanties die zijn vastgesteld op grond van [artikel 15, tweede lid, van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=15); - b. het bepaalde ten aanzien van het aantal dagen en uren onderwijs aan leerlingen in [artikel 8, negende lid, aanhef, onderdeel b, subonderdelen 1° en 2°, van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=8), met dien verstande dat leerlingen in 8 schooljaren ten minste 7.520 uren onderwijs ontvangen; en - c. [artikel 3, eerste lid, onderdeel b, en artikel 3, derde en vierde lid, van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=3), met dien verstande dat hiervan in ieder schooljaar voor ten hoogste 100 uren, van het totaal a"},{"i":11032,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 februari 2026, nr. PO/55072181, houdende regels voor een vervolgexperiment ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek naar flexibele vakanties in het kader van de onderwijstijd in het primair onderwijs (Beleidsregel experiment vervolg en verfijning van ruimte in onderwijstijd) Gelet op [artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718&artikel=2), [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), en [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **experiment:** experiment vervolg en verfijning van ruimte in; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), en [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **WEC:** [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - **WMS:** [Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685); - **WPO:** [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); - **WPO BES:** [Wet primair onderwijs BES](h"},{"i":4531,"b":"Circulaire Vliegtuigberging 1. Inleiding In de Nederlandse grond-, zee- en rivierbodem bevinden zich nog veel restanten uit de Tweede Wereldoorlog. Zo liggen er naar schatting nog 2000 vliegtuigwrakken. De exacte locatie van deze vliegtuigwrakken is in veel gevallen niet bekend. Vliegtuigwrakken waarvan de exacte locatie wel bekend is, zijn soms (maar niet altijd) door een gedenksteen dan wel een monument gemarkeerd. In ongeveer 400 van de zich in Nederland en zijn territoriale wateren bevindende wrakken zijn waarschijnlijk nog stoffelijke resten van bemanningsleden aanwezig. Met of zonder gedenksteen worden deze wrakken door de Nederlandse overheid als ‘oorlogsgraf’ beschouwd. De identiteit van de bemanningsleden is in veel gevallen niet bekend. In de vliegtuigwrakken zijn meestal explosieven aanwezig. Ook buiten de vliegtuigwrakken liggen op veel plaatsen nog explosieven en kunnen stoffelijke resten worden aangetroffen. Tenslotte kunnen zich in de vliegtuigwrakken radioactieve stoffen, zoals (met name) radioactieve aanwijsinstrumenten, en hechtgebonden asbest, zoals remvoering, brandwerend koord, doek en pakkingmateriaal bevinden. In deze circulaire schets ik de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de verschillende overheden en andere betrokkenen bij het bergen van vliegtuigwrakken en stoffelijke resten uit de Tweede Wereldoorlog en de opsporing en ruiming van de hierbij aanwezige (conventionele) explosieven. Deze circulaire geeft het kader waarbinnen en de procedures waarlangs de bij een berging, opsporing of ruiming betrokken overheden en particuliere organisaties dienen te handelen. Deze circulaire heeft tot doel aan betrokkenen informatie te verschaffen. Voornaamste betrokkene is de burgemeester, als het bevoegde gezag. Tevens wordt in het bijzonder aandacht gevraagd aan de gemeenten voor de hierin geschetste procedures. De circulaire geldt voor het Nederlands grondgebied. 2. Samenvatting Vliegtuigwrakken die zich onder de grond dan wel op de rivier- of z"},{"i":11059,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 maart 2023, nr. O&B/33591377, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Centrale Directie Rijksarchiefdienst van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode (1946) 1967–2007 (2011) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 14 maart 2023, nr. 37180407; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Centrale Directie Rijksarchiefdienst van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode (1946) 1967–2007 (2011). Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 1181 | 2045 | | 1195 | 2046 | | 1196 | 2048 | | 1198 | 2054 | | 1202 | 2033 | | 1203 | 2041 | | 1206 | 2028 | | 1210 | 2043 | | 1212 | 2044 | | 1214 | 2038 | | 1215 | 2039 | | 1217 | 2042 | | 1221 | 2044 | | 1222 | 2047 | | 1223 | 2048 | | 1226 | 2055 | | 1227 | 2051 | | 1228 | 2031 | | 1925 | 2058 | | 461 | 2068 | | 1121 | 2055 | | 1123 | 2053 | | 1124 | 2044 | | 1125 | 2044 | | 1126 | 2045 | | 1127 | 2052 | | 1128 | 2057 | | 1129 | 2051 | | 201 | 2033 | | 202 | 2048 | | 203 | 2031 | | 204 | 2031 | | 205 | 2038 | | 206 | 2043 | | 216 | 2044 | | 222 | 2034 | | 223 | 2037 | | 224 | 2032 | | 225 | 2032 | | 226 | 2033 | | 227 | 2033 | | 228 | 2040 | | 266 | 2040 | | 267 | 2038 | | 268 | 2044 | | 269 | 2042 | | 270 | 2044 | | 271 | 2044 | | 272 | 2038 | | 273 | 2047 | | 274 | 2039 | | 275 | 2043 | | 276 | 2045 | | 240 | 2051 | | 277 | 2059 | | 278 | 2061 | | 279 | 2061 | | 280 | 2059 | | 281 | 2049 | |"},{"i":11060,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 maart 2025, nr. O&B/45853463, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode 1971–2011 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 7 oktober 2024, met kenmerk 47559643; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode 1971–2011. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 1137 | 2060 | | 1136 | 2060 | | 1128 | 2060 | | 1127 | 2060 | | 1123 | 2060 | | 1118 | 2060 | | 1117 | 2060 | | 1150 | 2060 | | 1142 | 2060 | | 1141 | 2060 | | 1140 | 2060 | | 1139 | 2060 | | 1138 | 2060 | | 1089 | 2062 | | 1091 | 2062 | | 1092 | 2062 | | 1093 | 2062 | | 1094 | 2062 | | 1116 | 2061 | | 1115 | 2061 | | 1114 | 2061 | | 1113 | 2061 | | 1112 | 2061 | | 1111 | 2061 | | 1110 | 2061 | | 1109 | 2061 | | 1108 | 2061 | | 1015 | 2061 | | 1016 | 2061 | | 1017 | 2061 | | 1018 | 2061 | | 1019 | 2061 | | 1020 | 2061 | | 1021 | 2062 | | 1022 | 2062 | | 1023 | 2062 | | 1024 | 2062 | | 1025 | 2063 | | 1026 | 2062 | | 1027 | 2062 | | 1165 | 2062 | | 1175 | 2062 | | 1419 | 2063 | | 1418 | 2063 | | 1420 | 2063 | | 1421 | 2063 | | 1422 | 2063 | | 1423 | 2063 | | 1174 | 2063 | | 1176 | 2063 | | 1178 | 2063 | | 1179 | 2063 | | 1014 | 2064 | | 1013 | 2064 | | 1012 | 2064 | | 1011 | 2064 | | 1010 | 2064 | | 1009 | 2064 |"},{"i":11061,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Commissie van Toezicht over de Rijksinrichting (Tuchtschool en Rijksinternaat) voor jongens en meisjes De Hunnerberg te Nijmegen, periode 1918−1981 Als bedoeld in [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van het, naar Het Utrechts Archief, overgebrachte archief van de Commissie van Toezicht over de Rijksinrichting (Tuchtschool en Rijksinternaat) voor jongens en meisjes De Hunnerberg te Nijmegen, periode 1918−1981 de volgende beperkingen gesteld: - 1. De beperking op de openbaarheid is van toepassing op de archiefbescheiden, die in de toegang zijn opgenomen onder de inventarisnummers 1, 5, 7, 8. De beperking van de openbaarheid is van toepassing op archiefbescheiden die jonger zijn dan 75 jaar, gerekend vanaf de afsluitingsdatum. - 2. Raadpleging van de archiefbescheiden is, gelet op [art. 15 derde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de Rijksarchivaris in de provincie Utrecht. Deze toestemming kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - •. de verzoeker doet een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot inzage van de archiefbescheiden. - •. de verzoeker vult hiertoe de Verklaring voor raadpleging van niet-openbare archiefbescheiden van Het Utrechts Archief in en ondertekent het formulier. De verzoeker verklaart tevens zich te zullen houden aan de, in het formulier opgenomen, bepalingen. - •. tevens verklaart de verzoeker de bevoegdheid van de Rijksarchivaris in de provincie Utrecht te erkennen om publicatie van bepaalde, uit de ter in"},{"i":11062,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 februari 2006, nr. DDI/ST/reg 007/2005, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het consulaat en gezantschap van Costa Rica (1938–1954) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het consulaat en gezantschap van Costa Rica (1938–1954), het in de eerste tabel genoemde inventarisnummer pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 00026 | 2030 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019544&artikel=1&z=2006-02-15&g=2006-02-15) genoemde inventarisnummer, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De Directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019544&artikel=1&z=2006-02-15&g=2006-02-15) genoemde inventarisnummer, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Directeur van het Nationaal Archief. De Directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin"},{"i":11063,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 februari 2006, nr. DDI/ST/reg 010/2004, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het honoraire consulaat te Quito 1938–1946 en het archief van de Nederlandse Vertegenwoordiging in Quito 1947–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het honoraire consulaat te Quito 1938–1946 en het archief van de Nederlandse Vertegenwoordiging in Quito 1947–1954, de in de eerste tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | honoraire consulaat | | | 9 | 2019 | | Nederlandse Vertegenwoordiging | Nederlandse Vertegenwoordiging | | 28 | 2029 | | 39 | 2024 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019548&artikel=1&z=2006-02-15&g=2006-02-15) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De Directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019548&artikel=1&z=2006-02-15&g=2006-02-15) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Directeur van het Nationale archief. De Di"},{"i":11064,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 februari 2006, nr. DDI/ST/reg 007/2004, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het consulaat/consulaat-generaal/diplomatiek agentschap Caïro 1850–1949, gezantschap te Egypte (Caïro) (1881) 1921–1954 (1961) en het consulaat te Alexandrië 1895–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het consulaat/consulaat-generaal/diplomatiek agentschap Caïro 1850–1949, het gezantschap te Egypte (Caïro) (1881) 1921–1954 (1961) en het consulaat te Alexandrië 1895–1954, de in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom van deze tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | consulaat/consulaat-generaal/diplomatiek agentschap Caïro 1850–1949 | consulaat/consulaat-generaal/diplomatiek agentschap Caïro 1850–1949 | | 166 | 2013 | | 176 | 2012 | | 208 | 2020 | | consulaat te Alexandrië 1895–1954 | consulaat te Alexandrië 1895–1954 | | 6 | 2011 | | 13 | 2007 | | 15 | 2012 | | 21 | 2012 | | gezantschap te Egypte (Caïro) (1881) 1921–1954 (1961) | gezantschap te Egypte (Caïro) (1881) 1921–1954 (1961) | | 785 | 2029 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019543&artikel=1&z=2006-02-15&g=2006-02-15) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit"},{"i":11065,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 februari 2006, nr. DDI/ST/reg 008/2005, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het consulaat(-generaal) te Monrovia (Liberia) 1940–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het consulaat(-generaal) te Monrovia (Liberia) 1940–1954, het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde inventarisnummer pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom van deze tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 2 | 2028 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019542&artikel=1&z=2006-02-15&g=2006-02-15) genoemd inventarisnummer, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De Directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019542&artikel=1&z=2006-02-15&g=2006-02-15) genoemd inventarisnummer, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Directeur van het Nationaal Archief. De Directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagte"},{"i":11066,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 februari 2006, nr. DDI/ST/reg 001/2005, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging (Militaire Missie en gezantschap) te Siam/Thailand (Bangkok) 1945–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging (Militaire Missie en gezantschap) te Siam/Thailand (Bangkok) 1945–1954, de in de eerste tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 311 | 2025 | | 321 | 2026 | | 322 | 2026 | | 336 | 2022 | | 373 | 2026 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019546&artikel=1&z=2006-02-15&g=2006-02-15) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De Directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019546&artikel=1&z=2006-02-15&g=2006-02-15) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Directeur van het Nationaal archief. De Directeur van he"},{"i":3002,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 24 maart 2015, nr. WJZ/15034351, tot aanwijzing van toezichthouders op hoofdstuk 11 van de Postwet 2009 Gelet op [artikel 38, tweede lid, van de Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=38); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [hoofdstuk 11 van de Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&hoofdstuk=11) worden aangewezen de senior beleidsmedewerkers van de directie Mededinging en Consumenten van het directoraat-generaal Energie, Telecom en Mededinging van het Ministerie van Economische Zaken die zijn belast met het dossier post. Artikel 2 Het [Besluit van 15 april 2009, nr. WJZ/9062397, tot aanwijzing van toezichthouders op hoofdstuk 11 van de Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025763) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3924,"b":"Besluit van 3 mei 2022, houdende vaststelling van de voorwaarden voor de ministeriële instemming met de statuten van het participatiefonds en de gevolgen van intrekking van de aanwijzing van het participatiefonds als gevolg van de modernisering van het participatiefonds en beëindiging van het vervangingsfonds (Besluit participatiefonds 2022) Op de voordracht van Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 1 maart 2022, nr. WJZ/31523084 (ID 11478), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 191a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=191a), en [194, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=194), de [artikelen 170a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=170a), en [173, derde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=173) en [artikel 73, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=73); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 april 2022, nr. W05.22.00019/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 25 april 2022, nr. WJZ/32403508 (11478), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **bestuur:** bestuur van het participatiefonds; - **bevoegd gezag:** bij het participatiefonds, op grond van [artikel 190, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=190) of [artikel 169, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=169), aangesloten bevoegd gezag van een school of"},{"i":4099,"b":"Besluit van 11 september 2014, houdende regels ter uitvoering van de artikelen 89 en 90 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PbEU 2013, L 176) (Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 26 juni 2014, FM/2014/1019 M, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op [artikel 3:74a, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:74a) en de [artikelen 391, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=391), en [417 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=417); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 juli 2014, nr. W06.14.0209/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 5 september 2014, FM/2014/1241 U, directie Financiële Markten, uitgebracht mede namens Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. (definities) In dit besluit wordt verstaan onder: - **bank:** een bank als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); - **beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen:** een beleggingsonderneming met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in [artikel 2:96 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:96) is verleend, niet zijnde een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten en niet zijnde een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in ar"},{"i":4695,"b":"Instellingsbeschikking Raad van Advies voor het Gerechtelijk Laboratorium Overwegende dat voor de uitvoering van de kerntaken van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk een goede samenwerking met alle bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betrokken personen en instanties noodzakelijk is; Overwegende dat het gewenst is dat ter bevordering van deze samenwerking een Raad van Advies voor het Gerechtelijk Laboratorium wordt ingesteld; Besluit: Artikel 1 Er is een Raad van Advies voor het Rechtelijk Laboratorium. Hierna te noemen de Raad. Artikel 2 1. De Raad heeft tot taak de directeur van het Gerechtelijk Laboratorium te adviseren over de uitvoering van de kerntaken van het laboratorium in het perspectief van de wensen van de gebruikers van de produkten van het laboratorium met betrekking tot de aard en de kwaliteit van het forensisch onderzoek. 2. Bij de uitoefening van zijn taak kan de Raad project-/werkgroepen instellen. 3. De Raad stelt omtrent zijn werkwijze regels vast. Artikel 3 1. In de Raad hebben zitting: - a. als voorzitter tevens lid: - de portefeuillehouder Gerechtelijk Laboratorium van het College van Procureurs-generaal; - b. als leden: - de voorzitter van het landelijk overleg van Rechters-commissarissen; - een rechter met uitgebreide ervaring binnen de strafrechtsector; - twee leden van het Openbaar Ministerie, aan te wijzen door het College van Procureurs-generaal; - drie ambtenaren aan te wijzen door de Raad voor Hoofdcommissarissen; - een advocaat/procureur aan te wijzen door de Orde van Advocaten; - een vertegenwoordiger uit het Platform Bijzondere Opsporingsdiensten; - een adviserend lid van het Ministerie van Justitie; - een adviserend lid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. De personen, bedoeld in het eerste lid, worden bij afzonderlijke beschikking benoemd. Zij worden op eigen aanvraag door de Minister ontslagen. Zij kunnen voorts bij besluit van de Minister worden geschorst en ontslagen wegens"},{"i":4466,"b":"Circulaire aanpassing voorschriften (maximum verrekeningsbedragen voor verwarming e.d.) Inleiding In deze circulaire worden de maximale verrekeningsbedragen voor verwarming, energie en water bekendgemaakt, die per 1 juli 2009 van toepassing zijn. Voor de ambtenaar voor wie al inhoudingen op grond van het [Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632) plaatsvinden, worden de wijzigingen automatisch toegepast. De verhoging van de economische huurwaarde van dienstwoningen wordt in een afzonderlijke circulaire bekend gemaakt. Maximale bedragen voor verwarming, energie en water De bedragen, die de ambtenaar maximaal verschuldigd is voor het genot van verwarming, energie en leidingwater genoemd in [artikel 3, eerste lid, onder b tot en met e, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), wijzigen op de gebruikelijke wijze aan de hand van de consumentenprijsindex over de periode van april 2008 tot en met maart 2009. Kilometervergoeding voor privé-gebruik dienstauto Het verschuldigde bedrag voor het privé-gebruik van een dienstauto, zoals genoemd in [artikel 3a, eerste lid van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3a), blijft gehandhaafd op € 0,22 per afgelegde kilometer. Slotopmerkingen De ministeriële regeling, waarin de hiervoor genoemde bedragen worden opgenomen zal in de Staatscourant worden gepubliceerd. Ik verzoek u met bovengenoemde wijzigingen rekening te houden."},{"i":3009,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg en de Minister van Justitie en Veiligheid van 14 mei 2020, 1654245-202486-VGP, houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen en het verlenen van mandaat en machtiging voor de uitvoering en handhaving van die wet Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 8, eerste lid, van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=8), Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet experiment gesloten coffeeshopketen in werking treedt. Definitiebepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **aanwijzing als teler:** aanwijzing als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=5); - b. **Besluit:** [Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738); - c. **coffeeshop:** coffeeshop als bedoeld in [artikel 6a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=6a); - d. **coffeeshophouder:** coffeeshophouder als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=1); - e. **experiment:** experiment als bedoeld in [artikel 2 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=2); - f. **gemeente:** krachtens [artikel 6, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=6) aangewezen gemeente; - g. **Ministers:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Minister van Justitie en Veiligheid; - h. **Wet:** [Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818). Aanwijzing toezichthouders Artikel 2 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [artikel 6, eerste en"},{"i":11069,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 november 2013, nr. 511434, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Directie Facilitair Bedrijf en taakvoorgangers van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode 1989–2007 (2008) De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 15, lid 1, onder b en c van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 26 augustus 2013, met kenmerk 11954; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Directie Facilitair Bedrijf en taakvoorgangers; Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot | | --- | --- | | 203 | 2050 | | 241 | 2050 | | 242 | 2050 | | 243 | 2050 | | 244 | 2050 | | 245 | 2050 | Artikel 2 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot | | --- | --- | | 105–141 | 2030 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034221&artikel=1&z=2013-11-26&g=2013-11-26), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":13642,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 december 2025, nr.1783837, tot instelling van een commissie voor de visitaties van de Rijkscultuurfondsen ex artikel 9 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Instellingsbesluit visitatiecommissie 2026) Gelet op [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **visitatiecommissie:** als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052057&artikel=2&z=2025-12-30&g=2025-12-30). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een visitatiecommissie rijkscultuurfondsen. 2. De commissie heeft tot taak een visitatie uit te voeren bij de rijkscultuurfondsen, resulterend in een visitatierapport. Artikel 3. Leden 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en vier andere nog nader te benoemen leden: - a. mevrouw Brakman, tevens voorzitter; 2. Middels een wijzigingsbesluit worden nog te benoemen leden later toegevoegd. 3. Bij het ontstaan van tussentijdse vacatures in de commissie benoemt de minister nieuwe leden. Artikel 4. Werkwijze 1. De visitatiecommissie stelt haar eigen werkwijze vast, met inachtneming van een door de minister vast te stellen protocol. 2. De visitatiecommissie wordt in haar werkzaamheden bijgestaan door een secretariaat. 3. Het secretariaat wordt voorzien door het Stimuleringsfonds voor de Creatieve industrie. 4. De visitatiecommissie kan zich, na toestemming van de minister, door andere personen doen bijstaan voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is. Artikel 5. Vergoeding 1. De leden en de voorzitter van de commissie ontvangen voor het bijwonen van vergaderingen en overige bijeenkomsten in het kader van hun werkzaamheden vacatiegelden overeenkomstig [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.ov"},{"i":14104,"b":"Regeling bepalingsmethoden organisch-halogeengehalte van brandstoffen Gelet op [artikel 4 van het Besluit organisch-halogeengehalte van brandstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004501&artikel=4) (Stb. 1989, 58); Besluit: Artikel 1 1. Het gehalte aan polychloorbifenylen in brandstoffen of grondstoffen voor brandstoffen wordt gemeten volgens de in bijlage A bij deze regeling aangegeven methode. 2. Het gehalte aan organische halogeenverbindingen wordt gemeten volgens de in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004524&bijlage=B&z=2009-12-02&g=2009-12-02) bij deze regeling aangegeven methode. Artikel 2 Indien door onderzoek van vloeibare brandstoffen of grondstoffen voor brandstoffen het gehalte aan polychloorbifenylen of organische halogeenverbindingen moet worden vastgesteld, wordt de bemonstering uitgevoerd volgens de methode van de American Society for Testing and Materials, ASTM D 4057–81, of een methode die is vastgesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de hiervoor genoemde methode wordt nagestreefd. Artikel 3 1. Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het [Besluit organisch-halogeengehalte van brandstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004501) (Stb. 1989, 58) in werking treedt. 2. Zij kan worden aangehaald als Regeling bepalingsmethoden organisch-halogeengehalte van brandstoffen. Bijlage B. Meetmethode voor de bepaling van het gehalte aan organische halogeenverbindingen in minerale smeer- en systeemolie 1. Onderwerp Dit voorschrift beschrijft een methode voor de bepaling van het halogeengehalte afkomstig van niet-vluchtige, met hexaan extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) in monsters van olie op minerale basis, waarbij X staat voor de halogenen"},{"i":12920,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Vinçotte Nederland B.V. voor de periode vanaf 11 september 1997 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Vinçotte Nederland B.V. vanaf 11 september 1997 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten afgesloten en/of ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Niet opgenomen. De Staatssecretaris van Cultuur en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":2944,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 januari 2026, nr. M&C/1798931, houdende de aanwijzing van de Geschillencommissie Auteurscontractenrecht (Besluit aanwijzing Geschillencommissie Auteurscontractenrecht) Gelet op [artikel 25g, eerste lid, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=25g); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing Geschillencommissie Auteurscontractenrecht De Geschillencommissie Auteurscontractenrecht, ondergebracht bij Stichting De Geschillencommissie, statutair gevestigd te Den Haag, aan te wijzen als de geschillencommissie voor de beslechting van geschillen tussen een maker en zijn wederpartij of een derde inzake de toepassing van de [artikelen 25c tot en met 25f van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=25c). Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 2026. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit aanwijzing Geschillencommissie Auteurscontractenrecht Dit besluit zal met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11072,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 mei 2024, nr O&B/42070906, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Directie Onderzoek en Wetenschapsbeleid en taakvoorgangers van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode 1962–1997 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief 29 februari 2024, met kenmerk 44293699 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Directie Onderzoek en Wetenschapsbeleid en taakvoorgangers van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode 1962–1997. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met bijzondere persoonsgegevens van (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 100 | 2056 | | 101 | 2061 | | 102 | 2058 | | 103 | 2060 | | 104 | 2065 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049733&artikel=1&z=2024-05-29&g=2024-05-29), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in artikel 2, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [art"},{"i":4831,"b":"Besluit van de Algemeen Directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, houdende verlening van ondermandaat, alsmede het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder hem ressorterende functionarissen Gelet op de behoefte om het Mandaatbesluit CJIB 2021 te actualiseren en aan te vullen. Gelet op: het [Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=2) en [3 lid 1 aanhef onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); het [Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid artikel 1 sub e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) jo. [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=4); de [Wet open overheid (Woo) artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=4.3); de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) hoofdstuk 3 en de [Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940); de [Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) afdeling 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&afdeling=3); de [Wet politiegegevens (Wpg) paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&paragraaf=4); de [Algemene wet bestuursrecht hoofdstuk 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) en [artikelen 10:1 tot en met 10:12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:1). Besluit: Artikel 1. (algemeen) Tenzij anders bepaald in [artikelen 4 tot en met 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050640&artikel=4&z=2025-01-01&g=2025-01-01) van dit mandaatbesluit, van het ingevolge [artikel 2 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=2) aan de Algemeen Directeur van het CJIB verleende ondermandaat, wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun directie, a"},{"i":11949,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 juni 2023 houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen in Thailand, Ambassade Bangkok, (1946) 1975–2010 (2016), (Besluit Beperking Openbaarheid Ambassade Bangkok (1946) 1975–2010 (2016) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 10 mei 2023, referentienr. 37892752; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 67 | 2079 | | 101 | 2081 | | 105 | 2081 | | 200 | 2088 | | 228 | 2108 | | 229 | 2106 | | 231 | 2094 | | 232 | 2095 | | 241 | 2080 | | 242 | 2080 | | 264 | 2094 | | 266 | 2084 | | 267 | 2100 | | 268 | 2088 | | 269 | 2098 | | 270 | 2072 | | 271 | 2073 | | 274 | 2103 | | 286 | 2061 | | 343 | 2067 | | 355 | 2081 | | 356 | 2081 | | 357 | 2081 | | 358 | 2081 | | 362 | 2089 | | 363 | 2069 | | 374 | 2069 | | 375 | 2069 | | 403 | 2069 | | 405 | 2069 | | 406 | 2069 | | 407 | 2069 | | 410 | 2069 | | 463 | 2081 | | 464 | 2081 | | 467 | 2081 | | 475 | 2069 | | 481 | 2081 | | 482 | 2081 | | 484 | 2081 | | 500 | 2081 | | 501 | 2081 | | 502 | 2081 | | 616 | 2080 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | -"},{"i":11783,"b":"Beleidsregel van de directeur-generaal van de statistiek van 17 april 2023, nr. CSB-2023-056, met betrekking tot het publiceren op instellingsniveau van statistisch onderzoek op gegevens van het CBS op grond van artikel 41 Wet CBS (Beleidsregel publiceren op instellingsniveau art 41 Wet CBS) Gelet op [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=37) en [artikel 41 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=41); Besluit: Artikel 1 1. Een onderzoeksinstelling, die onderzoek doet op de gegevens van het CBS op basis van [artikel 41 van de Wet CBS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=41), mag slechts op niveau van een afzonderlijke onderneming of instelling publiceren indien één van de volgende gronden van toepassing is: - a. In een wet in formele zin is expliciet opgenomen dat de onderzoeksinstelling mag publiceren over de betreffende onderneming of instelling; of - b. De instelling waarover wordt gepubliceerd is een openbaar lichaam en: - i. het te beschrijven verschijnsel wordt regionaal ingedeeld naar de grenzen van het betreffende lichaam, bijvoorbeeld in het geval van een gemeente of veiligheidsregio; of - ii. uit de publieke taak van dit openbare lichaam op basis van een wet in formele zin vloeit voort dat geen bezwaar kan bestaan tegen openbaarmaking van herkenbare gegevens, bijvoorbeeld in het geval van provincies en gemeenten; of - c. De onderneming of instelling heeft toestemming gegeven voor deze publicatie; dit is de zogenoemde machtiging. 2. De onderzoeksinstelling motiveert schriftelijk de redenen voor publiceren op instellingsniveau en legt deze ter beoordeling voor aan het CBS. 3. Indien er twijfel of bezwaar bestaat tegen de uitvoering van het onderzoek kan de directeur-generaal van de statistiek afwijken van het eerste lid, nadat de ethische commissie van het CBS hierover is gehoord. Artikel 2 Een publicatie als bedoeld onder [artikel 1, eerste"},{"i":11086,"b":"Besluit van 26 oktober 2017 nr. 2017001807, houdende departementale herindeling met betrekking tot het groen onderwijs Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 25 oktober 2017, nr. 3213933; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van het groen onderwijs voor zover deze voor 26 oktober 2017 was opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken. Artikel 2 De taken van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040149&artikel=1&z=2017-11-05&g=2017-11-05) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040149&artikel=2&z=2017-11-05&g=2017-11-05) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 26 oktober 2017. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Minis"},{"i":12162,"b":"Besluit van 20 december 2018 nr.2018002408, houdende departementale herindeling met betrekking tot de Stichting Voorbereiding PALLAS-reactor Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 17 december 2018, kenmerk 3683863; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister voor Medische Zorg wordt belast met de behartiging van aangelegenheden betreffende de beleidsontwikkeling en uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van de Stichting Voorbereiding PALLAS-reactor op het terrein van de productie van medische radio-isotopen, voor zover deze voor 26 april 2018 was opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele, en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041815&artikel=1&z=2019-01-16&g=2019-01-16) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041815&artikel=2&z=2019-01-16&g=2019-01-16) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 26 april 2018. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister voor Medische Zorg en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscour"},{"i":13779,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 september 2007, nr. TRCJZ/2007/2968, houdende regels inzake de kwaliteit van landbouwproducten (Landbouwkwaliteitsregeling 2007) Gelet op de Europese verordeningen en richtlijnen met betrekking tot het in de handel brengen van verschillende landbouwproducten, alsmede gelet op [artikel 10 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022535&artikel=10); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 in werking treedt. Hoofdstuk 1. Biologische productiemethode Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **exploitant:** de persoon als bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van [verordening (EU) 2018/848](32748R2018); - **minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - **verordening (EG) 1580/2007:** Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (PbEU 2007, L 350); - **verordening (EU) 2020/464:** [Uitvoeringsverordening 2020/464](32364R2020) van de Commissie van 26 maart 2020 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen voor [Verordening (EU) 2018/848](32748R2018) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de documenten die nodig zijn voor de erkenning met terugwerkende kracht van perioden in het kader van de omschakeling, de productie van biologische producten en de door de lidstaten te verstrekken informatie (PbEU 2020, L 98); - **verordening (EU) 2021/279:** [Uitvoeringsverordening (EU) 2021/279](32179R2021) van de Commissie van 22 februari 2021 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van [Verordening (EU) 2018/848](32748R2018) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft controles en andere maatregelen ter waarborging van de traceerbaarheid en naleving in de biologische productie en"},{"i":12282,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 1 maart 2018, nr. MinBuza-2018.1054-18, tot geheimverklaring van opdrachten betreffende de productie van identiteitsbewijzen voor geprivilegieerden Gelet op [artikel 2.23, aanhef en onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23); Besluit: Opdrachten betreffende de productie van identiteitsbewijzen voor geprivilegieerden worden geheim verklaard in de zin van de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203). Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12138,"b":"Besluit van de directeur van de concerndirectie Innovatie & Strategie van 3 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan het afdelingshoofd van de afdeling Futuring wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":13792,"b":"Wet van 2 februari 1967, houdende liquidatie wettelijke ongevallenverzekering in verband met de invoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de regeling inzake een verplichte verzekering van loontrekkenden tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid de wettelijke ongevallenverzekering te liquideren en daarmede verband houdende voorzieningen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid; - b. Ongevallenwet 1921, Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en Zeeongevallenwet 1919: de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk de Zeeongevallenwet 1919, zoals deze wetten luidden op de dag, voorafgaande aan die, waarop zij werden ingetrokken; - c. ongeval: een ongeval, in verband met de dienstbetrekking of de uitoefening van een verzekeringsplichtig bedrijf overkomen, als bedoeld in de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of de Zeeongevallenwet 1919, alsmede hetgeen in die wetten mede als ongeval, in verband met de dienstbetrekking overkomen, werd beschouwd, dan wel daarmede werd gelijkgesteld; - d. - 1. Ongevallenfonds: het Ongevallenfonds als bedoeld in artikel 40, zesde lid, van de Ongevallenwet 1921; - 2. Landbouwongevallenfonds: het Landbouwongevallenfonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder **d**, van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922; - e. risicodrager ingevolge de Ongevallenwet 1921: de Sociale Verzekeringsbank als beheerder van het Ongevallenfonds, de werkgever aan wie krachtens artik"},{"i":12313,"b":"Besluit van 9 april 1987, houdende herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot de specifieke internaten van binnenschippers en kermisexploitanten en de door het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen erkende gemengde internaten Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 7 april 1987, nr. 376328, gedaan mede namens Onze Ministers van Onderwijs en Wetenschappen en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel Met ingang van 1 januari 1987 Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur te belasten met de zorg voor de internaten voor kinderen van binnenschippers en kermisexploitanten en de erkende gemengde internaten voor zover thans opgedragen aan Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen en de taak van beide ministeries dienovereenkomstig te wijzigen. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Ministers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Onderwijs en Wetenschappen zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat zal worden geplaatst in het **Staatsblad** en waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en Aruba en de ministeries."},{"i":12140,"b":"Besluit van 1 november 1971, houdende wijziging van de regeling betreffende de coördinatie van de civiele verdediging en van de taakverdeling van departementen Op voordracht van Onze minister-president, minister van Algemene Zaken, en van Onze minister van Binnenlandse Zaken, d.d. 26 oktober 1971, nr. 199431, in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I 1. De verantwoordelijkheid van Onze minister-president, minister van Algemene Zaken, voor de coördinatie van het beleid met betrekking tot de civiele verdediging gaat over op Onze Minister van Binnenlandse Zaken. 2. Uit hoofde van zijn coördinerende taak bevordert hij een evenwichtige opbouw van de civiele verdediging en draagt hij zorg voor de noodzakelijke samenhang van de verschillende activiteiten op het gebied van de civiele verdedigingsvoorbereiding. Hij stelt de algemene beleidsplannen op en wordt betrokken bij de voorbereiding van de daartoe benodigde deelplannen. Hij is bevoegd op de departementen alle informaties in te winnen die noodzakelijk zijn voor het vervullen van zijn coördinerende taak. Artikel II 1. De Staf voor de Civiele Verdediging staat als centraal coördinerend orgaan ten dienste van Onze minister van Binnenlandse Zaken bij de uitoefening van zijn taak als bedoeld in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002789&artikel=I&z=1971-11-01&g=1971-11-01). 2. De chef van de Staf voor de Civiele Verdediging wordt aangewezen door Ons. Artikel III 1. De Staf voor de Civiele Verdediging gaat van het departement van Algemene Zaken over naar het departement van Binnenlandse Zaken. 2. De personeelsleden van de onder 1 vermelde Staf gaan over in dienst van het departement van Binnenlandse Zaken; de roerende en onroerende zaken van deze staf gaan in materieel beheer over naar dat departement. Artikel IV Ons besluit van 26 september 1960, nr. 2, wordt hierbij ingetrokken. Artikel V Dit besluit treedt"},{"i":12293,"b":"Besluit van 17 juni 2013, nr. 13.001210, houdende gelijkstelling van 30 mei 2014, 2 januari, 4 en 15 mei 2015 en 6 mei 2016 met een algemeen erkende feestdag Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 10 juni 2013, directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving, directie Juridische en Operationele Aangelegenheden, nr. 385584; Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3) worden gelijkgesteld 30 mei 2014, 2 januari, 4 en 15 mei 2015 en 6 mei 2016. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12241,"b":"Besluit van het college van afgevaardigden van 2 december 2015 tot vaststelling van de hoogte van de financiële bijdrage (Besluit financiële bijdrage 2016) gelet op [artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=32); gezien de door de algemene raad aan het college van afgevaardigden voorgelegde begroting van inkomsten en uitgaven voor het jaar 2016; Besluit: Artikel 1. Hoogte financiële bijdrage 1. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2016 voor categorie 1 bedraagt: € 790. 2. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2016 voor categorie 2 bedraagt: € 259. Artikel 2. Slotbepalingen 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële bijdrage 2016."},{"i":12204,"b":"Besluit van de Directeur van de directie Corporate Dienst Vaktechniek van 7 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen de directie Corporate Dienst Vaktechniek wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":12223,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juni 2024, nr. 2024-0000344837, tot erkenning van het Papiaments in het Europese deel van Nederland onder deel II van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden Handelende in overeenstemming met de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, En in overeenstemming met het gevoelen van de rijksministerraad, Gelet op artikel 2, eerste lid, van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden, Besluit: Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":11087,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 11 mei 2020, nr. VO/23920412, houdende regels inzake de uitslag van het eindexamen voortgezet onderwijs in het schooljaar 2019–2020 (Besluit eindexamens voortgezet onderwijs 2020) Gelet op [artikel 29, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=29), alsmede de [artikelen 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004593&artikel=44), [52, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004593&artikel=52) en [60 van het Eindexamenbesluit VO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004593&artikel=60); Overwegende dat ter bestrijding van de uitbraak van het coronavirus Covid-19 de Minister voor medische gezondheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport respectievelijk op 17 maart, 23 maart en 24 april 2020 aanwijzingen hebben doen uitgaan op grond van [artikel 7, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=7) als gevolg waarvan onderwijsinstellingen voor voortgezet onderwijs gesloten zijn; Overwegende dat als gevolg van deze aanwijzingen een onvoorziene omstandigheid is opgetreden die een goede voorbereiding van leerlingen op het centraal examen en afname daarvan op de reguliere wijze verhindert; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen Vervallen Artikel 2. Afgelasting centrale examens in 2020 Vervallen Artikel 3. Afsluiting schoolexamen Vervallen Artikel 4. Cijfers voor het schoolexamen en het eindexamen Vervallen Artikel 5. Vaststelling uitslag Vervallen Artikel 6. Vaststelling uitslag schooljaren 2020–2021 en 2021–2022 na gespreid examen en na examen in eerder leerjaar dan het laatste Vervallen Artikel 7. Uitslag eindexamen leerwegen vmbo Vervallen Artikel 8. Uitslag eindexamen vwo en havo Vervallen Artikel 9. Voorschriften judicium cum laude Vervallen Artikel 10. Resultaatverbeteringstoets Vervallen Artikel 11. Onvoorziene omstandigheden resultaatverbetering"},{"i":12166,"b":"Besluit van 7 december 2017 nr. 2017002133, houdende departementale herindeling met betrekking tot generieke digitale overheid voor bedrijven Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 1 december 2017, kenmerk 3215411; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt belast met de behartiging, voor zover deze voor 1 december 2017 was opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, van aangelegenheden op het terrein van: - a. het randvoorwaardelijke beleid ten aanzien van digitale informatievoorziening en dienstverlening van de overheid aan bedrijven en de daaruit voortvloeiende inrichting, beschikbaarstelling, instandhouding, werking en beveiliging van generieke digitale overheidsvoorzieningen waarmee ten behoeve van ondernemingen en rechtspersonen diensten kunnen worden verleend door bestuursorganen en instanties met een publieke taak; - b. de elektronische identificatie en authenticatie ten behoeve van de toegang tot diensten van bestuursorganen en instanties met een publieke taak. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040396&artikel=1&z=2017-12-20&g=2017-12-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040396&artikel=2&z=2017-12-20&g=2017-12-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt te"},{"i":11089,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 1 december 2014, nr. WJZ / 14194325, met betrekking tot de opleidingseisen voor de verzorging en behandeling van proefdieren als bedoeld in artikel 2 van het Dierproevenbesluit 2014 (Besluit erkenning cursussen en diploma’s proefdieren) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van het Dierproevenbesluit 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=2) en [artikel 6 van de Dierproevenregeling 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&artikel=6); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **diploma:** diploma als bedoeld in [artikel 7.4.6 van de Wet educatie beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.6); - b. **getuigschrift:** getuigschrift als bedoeld in [artikel 7.11 van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.11); - c. **graad:** graad als bedoeld in [artikel 7.10a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.10a); - d. **kwalificatiedossier:** kwalificatiedossier in de zin van [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); Artikel 2 Als cursus proefdierkunde, als bedoeld in [artikel 2 van het Dierproevenbesluit 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=2), worden de volgende cursussen erkend: - a. de cursus proefdierkunde, georganiseerd door de Rijksuniversiteit Groningen; - b. de cursus proefdierkunde, georganiseerd door de Universiteit Maastricht; - c. de cursus proefdierkunde, georganiseerd door de Radboud Universiteit Nijmegen; - d. de cursus proefdierkunde, georganiseerd door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam; - e. de cursus proefdierkunde, georganiseerd door de Wageningen Universiteit, Animal Science, departement Dierwetenschappen; - f. de cursus"},{"i":12283,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 3 november 2016, nummer 2016-0000688347 tot geheimverklaring van opdrachten voor diensten, leveringen en werken ten behoeve van de renovatie van het Binnenhofcomplex en de tijdelijke huisvesting van de gebruikers van het Binnenhofcomplex Gelet op [artikel 2.23, eerste lid, onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23), Besluit: Artikel 1 Opdrachten voor diensten, leveringen en werken ten behoeve van de renovatie van het Binnenhofcomplex en de tijdelijke huisvesting van de gebruikers van het Binnenhofcomplex, worden geheim verklaard in de zin van de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van dag na de datum van plaatsing in de Staatscourant. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12219,"b":"Besluit van De Nederlandsche Bank N.V. van 21 augustus 2023 tot erkenning van de sinds 31 december 2022 van toepassing zijnde macroprudentiële maatregel van het Ministerie van Financiën van Noorwegen inhoudende een systeemrisicobufferpercentage van 4,5% (Besluit erkenning 4,5% systeemrisicobuffer Noorwegen 2023) Na openbare consultatie; Gelet op de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), in het bijzonder [artikel 3:62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:62a); Gelet op het [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420), in het bijzonder [artikel 105, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=105) en [artikel 105e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=105e); Gelet op de [Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042578), in het bijzonder [artikel 2:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042578&artikel=2:3); Gelet op [Richtlijn nr. 2013/36](32013L0036)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van [Richtlijn 2002/87/EG](32002L0087) en tot intrekking van de [Richtlijnen 2006/48/EG](32006L0048) en [2006/49/EG](32006L0049); in het bijzonder artikel 134. Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a). **Bpr:** [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - b). **CRD:** [Richtlijn nr. 2013/36](32013L0036)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van [Richtlijn 2002/87/EG](32002L0087) en tot intrekking van de [Richtlijnen 2006/48/EG](32006L0048) en [2006/49/EG](320"},{"i":12292,"b":"Besluit van 24 oktober 2016, nr. 2016001827, houdende gelijkstelling van 28 april en 26 mei 2017, 11 mei en 24 en 31 december 2018 en 31 mei en 27 december 2019 met een algemeen erkende feestdag Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 13 oktober 2016, directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving, directie Juridische en Operationele Aangelegenheden, nr. 795011; Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3) worden gelijkgesteld 28 april en 26 mei 2017, 11 mei en 24 en 31 december 2018 en 31 mei en 27 december 2019. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van verschijning van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13783,"b":"Wet van 21 mei 1981, houdende regelen omtrent leegstaande woningen en andere gebouwen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen ter bestrijding van ongerechtvaardigde leegstand van woningen en andere gebouwen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet met uitzondering van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403&hoofdstuk=III&artikel=4&z=2024-07-01&g=2024-07-01), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2024-07-01&g=2024-07-01), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403&hoofdstuk=IV&artikel=9&z=2024-07-01&g=2024-07-01) en [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403&hoofdstuk=VIII&artikel=19&z=2024-07-01&g=2024-07-01) wordt verstaan onder: - a. woning: een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, die een zelfstandige woongelegenheid vormt; - b. gebouw: gebouw als bedoeld in [artikel 1, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1); - c. eigenaar: degene, die bevoegd is tot het in gebruik geven van een woning of een gebouw; - d. leegstaan: het niet of niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht in gebruik zijn alsmede een gebruik dat de kennelijke strekking heeft afbreuk te doen aan de werking van deze wet; - e. Onze Minister: Onze Minister, belast met de zorg voor de volkshuisvesting; - f. leegstandverordening: leegstandverordening als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2024-07-01&g=2024-07-01). Artikel 4 1. Burgemeester en wethouders voeren binnen drie maanden na ontvangst van de melding, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403&hoofdstuk=III&artikel=3"},{"i":12127,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 17 mei 2021 nr. BOACAT2021/015, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Alkmaar Gelezen het verzoek van gemeente Alkmaar van 20 april 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie bij het Arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045140&artikel=2&z=2024-11-27&g=2024-11-27). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Handhaver in dienst van gemeente Alkmaar, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon ops"},{"i":12205,"b":"Besluit van de directeur Intelligence en directeur Kennis, Vaktechniek en Veiligheid van de directie FIOD van 24 november 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en de teamleiders binnen de directie FIOD wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":12210,"b":"Besluit draadomroep en kabelinrichtingen BES § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469); - b. **toezicht houdende ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 31a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=31a); - c. **kabelinrichting:** een inrichting bestemd voor telecommunicatie door middel van kabels en kabelwerken niet zijnde draadomroepinrichtingen; - d. **aanvullende machtiging:** een machtiging als bedoeld in [artikel 18b, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=18b); - e. **ontheffing:** een ontheffing als bedoeld in [artikel 19, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=19); - f. **bewijs van goedkeuring:** een bewijsstuk als bedoeld in [artikel 21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028504&paragraaf=8&artikel=21&z=2022-05-13&g=2022-05-13). Artikel 1a Dit besluit berust op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=13), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=18), [18a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=18a), [18b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=18b), [18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=18c), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=19), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=23), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=31), en [33 van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=33). § 2. Aanvraag 1. Indiening van een aanvraag Artikel 2 Een aanvraag om verlening, wijziging of intrekking van een machtiging, aanvullende machtiging of ontheffing voor een draadomroepinrichting of kabelinrichting dient te geschieden op een door Onze Minister te be"},{"i":11094,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 februari 2022, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Bangladesh, Ambassade Dhaka, Besluit Beperking Openbaarheid Bangladesh, Ambassade Dhaka (1971) 1975–2013 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 13 januari 2022, referentie 20374817; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing openbaarheid beperking per 1 januari van het jaar | | --- | --- | | 30 | 2055 | | 31 | 2059 | | 32 | 2060 | | 33 | 2057 | | 34 | 2060 | | 41 | 2050 | | 63 | 2058 | | 298 | 2072 | | 306 | 2053 | | 334 | 2074 | | 382 | 2081 | | 407 | 2088 | | 437 | 2082 | | 441 | 2082 | | 475 | 2086 | | 489 | 2086 | | 491 | 2085 | | 550 | 2078 | | 555 | 2073 | | 556 | 2073 | | 557 | 2073 | | 558 | 2073 | | 559 | 2073 | | 560 | 2073 | | 561 | 2073 | | 562 | 2073 | | 563 | 2073 | | 564 | 2073 | | 565 | 2073 | | 566 | 2073 | | 567 | 2073 | | 568 | 2073 | | 569 | 2073 | | 570 | 2073 | | 571 | 2075 | | 572 | 2071 | | 573 | 2073 | | 574 | 2074 | | 575 | 2078 | | 576 | 2078 | | 577 | 2078 | | 578 | 2073 | | 579 | 2073 | | 580 | 2073 | | 581 | 2073 | | 582 | 2073 | | 583 | 2073 | | 584 | 2078 | | 585 | 2078 | | 586 | 2080 | | 587 | 2078 | | 588 | 2079 | | 589 | 2079 | | 590 | 2078 | | 591 | 2080 | | 592 | 2080 | | 593 | 2064 | | 594 | 2081 | | 595 | 2081 | | 596 | 2081 | | 597 | 2082 | | 598 | 2082 | | 599 | 2083 | | 600 | 2084 | | 601 | 2083 |"},{"i":11924,"b":"Besluit Beleidsregels SVB 2016 Gelet op [artikel 34, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34), [artikel 47a Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=47a), [artikel 8a van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8a), de [paragrafen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033498&paragraaf=3) en [4 van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033498&paragraaf=4), [artikel 20 van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035006&artikel=20) en [artikel 9 van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022913&artikel=9), alsmede gelet op het [Boetebesluit socialezekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011708) en het [Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022445); Besluit: Artikel 1 Bij de uitvoering van de in [artikel 34 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34) genoemde wetten, de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), de [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424), de [Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033498) de [Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035006) en de [Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022913), past de Sociale verzekeringsbank het beleid toe dat is neergelegd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Het [Besluit Beleidsregels SVB 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035096) (Stcrt. 2014, nr. 13017), het [Besluit Beleidsre"},{"i":13784,"b":"Wet van 18 december 1987, tot het uitgeven en belenen van schatkistpapier en het aangaan van geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden in 1988 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is Onze Minister van Financiën te machtigen in 1988 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd in 1988 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan ter voorziening in de financieringsbehoefte van de Staat alsmede uit monetaire overwegingen. Artikel 2 De looptijd van de geldleningen zal ten hoogste vijftig jaar zijn. Artikel 3 Onze Minister van Financiën stelt met inachtneming van het bepaalde in de Wet schatkistpapier (**Stb.** 1976, 110) en deze wet de voorwaarden vast, waarop schatkistpapier wordt uitgegeven en beleend en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden worden aangegaan. Artikel 4 1. Onze Minister van Financiën kan ter zake van geldleningen welke door middel van openbare inschrijvingen worden aangegaan, aan bankiers, makelaars in effecten en commissionairs in effecten over het nominale bedrag, toegewezen op de door hun tussenkomst gedane inschrijvingen, waarvoor het verschuldigde is gestort, een provisie toekennen van ten hoogste 1/2% (een half ten honderd). 2. Onze Minister van Financiën kan aan bemiddelaars in onderhandse geldleningen over het nominale bedrag van door hun tussenkomst tot stand gekomen onderhandse geldleningen een provisie toekennen van ten hoogste 1/8% (een achtste ten honderd). Artikel 5 Het recht tot opvordering van een hoofdsom van de overeenkomstig deze wet aangegane vaste schuld, welke aflosbaar is"},{"i":12638,"b":"Besluit toevoeging in strafzaken BES § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **de Commissie:** de Commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028374&paragraaf=2&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - **on- of minvermogende:** degene wiens inkomen gelijk is aan of minder bedraagt dan het voor de sectoren, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=9) vastgestelde minimumloon; - **het wetboek:** het [Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681); - **toevoeging:** de toewijzing van een advocaat aan een ieder die daarvoor ingevolge het wetboek in aanmerking komt; - **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie; - **rechtskundige bijstand in samenhangende zaken:** de rechtskundige bijstand, door dezelfde advocaat verleend aan één persoon ter zake van verschillende strafzaken, of aan meerdere personen ter zake van dezelfde strafzaak of gelijksoortige strafzaken, welke bijstand in elk van die zaken gelijke of nagenoeg gelijke verrichtingen inhield en gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig is verleend. 2. Dit besluit berust op de [artikelen 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=61), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=62), [63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=63), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=68) en [69 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=69). § 2. De Commissie toevoeging in strafzaken Artikel 2 1. Er is een Commissie toevoeging in strafzaken. 2. De Commissie heeft tot taak: - a. een advocaat toe te voegen aan een ieder die daarvoor ingevolge het wetboek in aanmerking komt; - b. uitvoering te geven aan rechterlijke beslissingen tot toevoeging van een advocaat; - c. richtlijnen vast te stellen inzake de verlening van de recht"},{"i":11096,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair- en Voortgezet Onderwijs, van 18 juli 2022, nr. 33067320, tot intrekking van onderzoekskaders 2017 niet bekostigd primair onderwijs en voortgezet onderwijs onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2022 niet bekostigd primair onderwijs en voortgezet onderwijs Gelet op [artikel 13, eerste lid van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=13); Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 10 juni 2022 Besluit: Artikel 1 De volgende beleidsregels worden vastgesteld: - 1. Onderzoekskader 2022 voor niet bekostigd primair onderwijs ([bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046994&bijlage=I&z=2022-08-01&g=2022-08-01)); en - 2. Onderzoekskader 2022 voor niet bekostigd voortgezet onderwijs ([bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046994&bijlage=II&z=2022-08-01&g=2022-08-01)). Artikel 2 De volgende beleidsregels worden ingetrokken: - 1. Onderzoekskader 2017 niet bekostigd primair onderwijs1[Onderzoekskader 2017 niet-bekostigd primair onderwijs | Publicatie | Inspectie van het onderwijs (onderwijsinspectie.nl)](onbekend); en - 2. Onderzoekskader 2017 niet bekostigd voortgezet onderwijs2[Onderzoekskader 2017 niet-bekostigd voortgezet onderwijs | Publicatie | Inspectie van het onderwijs (onderwijsinspectie.nl)](onbekend): Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2022. Bijlage I. Onderzoekskader 2022 niet bekostigd primair onderwijs **augustus 2022** 1. Inleiding [Artikel 13 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=13) (WOT) bepaalt dat de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) haar werkwijze voor een kwaliteitsonderzoek als bedoeld in artikel 11, vastlegt in een of meer onderzoekskaders. Het maakt het handelen van de inspectie transparant voor scholen; de inspectie is hiermee aanspreekbaar o"},{"i":11098,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 november 2009, nr. CO/BIC/P-DIR/154080, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt Handelend in overeenstemming met het Kabinetsbesluit van 4 juli 2003 tot oprichting van een Shared Service Center HRM voor Personeelsregistratie en Salarisadministratie; Gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap - b. **ministerie:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. - c. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie. 2. Met betrekking tot de [Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940): - a. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd om in het kader van de dienstverlening aan het ministerie verwerkingen van persoonsgegevens uit te voeren als verwerker. De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig het Normenkader Informatiebeveiliging. De machtiging wordt geacht te gelden als verwerkersovereenkomst. - b. De directeur P-Direkt heeft geen machtiging tot uitvoering van de artikelen 16, 17 en 18 van de Algemene verordening gegevensbescherming dan na een besluit van of namens de Minister. 3. Met betrekking tot de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) wordt de directeur van P-Direkt gemachtigd: - a. om op basis van het daartoe strekkende be"},{"i":12267,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2021 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) (Wfsv) en [artikel 2.10 lid 3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=2.10); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2021 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 34.600 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 346.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.460.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2021 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,78% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,12% | | Minimumpremie werkgevers | 0,19% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,52% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,12 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2021 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,58% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 2,32% | | Minimumpremie werkgevers | 0,14% | | Gemiddeld"},{"i":12156,"b":"Besluit departementale herindeling innovatie Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 14 oktober 2010, kenmerk 3096356; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van innovatie, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 De taken van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het ministerie van Infrastructuur en Milieuworden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028853&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028853&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezo"},{"i":14021,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 oktober 2023, nr. 41107325, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor technologiedomeinen voor de Einstein Telescope (R&D regeling technologiedomeinen Einstein Telescope) Gelet op [artikel 1.2. van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** organisatie die, al dan niet namens een consortium, optreedt als aanvrager van de subsidie; - **AGVV:** [Verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Europese Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187/1); - **arm’s length-voorwaarde:** voorwaarde tussen verschillende rechtspersonen die zijn aangegaan volgens het zakelijkheidsbeginsel zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel 39bis, van de AGVV; - **consortium:** samenwerkingsverband tussen ten minste twee niet aan elkaar gelieerde partijen; - **consortiumovereenkomst:** schriftelijke ondertekende overeenkomst waarin de afspraken van het consortium met betrekking tot het project zijn vastgelegd; - **Einstein Telescope:** nog te bouwen geavanceerd observatorium voor zwaartekrachtsgolven; - **experimentele ontwikkeling:** activiteiten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de AGVV; - **fundamenteel onderzoek:** activiteiten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 84, van de AGVV; - **industrieel onderzoek:** activiteiten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de AGVV; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **onderneming:** onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de [Verordening (EU) nr. 1407/2013](32013R1407) van de Commissie van 18 december 2013 betreffend"},{"i":13260,"b":"Financiële verordening Loodswezen Gelet op [artikel 26, derde lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=26); Besluit: De verordening als bedoeld in [artikel 26, eerste lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=26) wordt vastgesteld als volgt: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - –. **afbestelling:** een van de situaties als bedoeld in [artikel 4.6, eerste lid, onder a, van het Besluit markttoezicht registerloodsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023123&artikel=4.6); - –. **ankerwacht:** een van de aanvullende loodsdiensten, als bedoeld in [artikel 4.5, onder e, van het Besluit markttoezicht registerloodsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023123&artikel=4.5); - –. **direct productieve loodstaak:** verrichting aan boord inclusief de daarop betrekking hebbende reistijd, wachttijd en beschikbaarheidsuren, loodsen op afstand of een afbestelling; - –. **indirecte productieve loodstaak:** iedere taak, niet zijnde een direct productieve loodstaak, ter uitvoering van een bij of krachtens een wet aan een registerloods opgedragen taak, alsmede elke vorm van bijscholing ten behoeve van het beroep; - –. **inzet- en planningssysteem:** inzet- en planningssysteem als bedoeld in [artikel 3, derde lid, onder a, van de Loodsenregisterverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034558&artikel=3); - –. **loodsen op afstand:** de functie-uitoefening als bedoeld in [artikel 1, onder d, van de Voorschriftenverordening registerloodsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034571&artikel=1); - –. **loodsgebied:** ieder in de tot deze verordening behorende [bijlage I, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007548&bijlage=I&z=2024-10-17&g=2024-10-17), als zodanig omschreven gebied; - –. **loodsgeld:** de krachtens wettelijk voorschrift verschuldigde bedragen in verband met het gebruik maken van de diensten van een regist"},{"i":11101,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 augustus 2025, nr 2025-0000177863, houdende verlening mandaat, volmacht en machtiging aan de Directeur-Generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs ten aanzien van de aangelegenheden die inburgering betreffen Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), Handelende met instemming van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gezien de schriftelijke instemming van de Directeur-Generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs van 1 augustus 2025. Besluit: Artikel 1 Aan de Directeur-Generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om de volgende bevoegdheden uit te oefenen die verband houden met de inburgering in Nederland: - a. het afgeven van een kennisgeving aan de inburgeringsplichtige van de in [artikel 3 van de Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=3) bedoelde inburgeringsplicht en het afgeven van een kennisgeving aan de inburgeringsplichtige van de in [artikel 11 van de Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=11) bedoelde inburgeringstermijn; - b. het verlenen van een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=4), en [artikel 7, derde lid, van de Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=7); - c. het innen van het in [artikel 2.3, derde lid, van de Regeling inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045574&artikel=2.3) vermelde bedrag voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot vrijstelling; - d. het aanwijzen van een onafhankelijke arts, die een deskundigenverklaring afgeeft over ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of"},{"i":12751,"b":"Besluit vaststelling factoren L en r boekjaar 2010 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2010 vastgesteld op 0,209603%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2010 vastgesteld op 0,318527%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 1 januari 2010. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11102,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 juli 2025, nr. 2025-0000141209, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de Dienst Uitvoering Onderwijs tot uitoefening van een aantal bevoegdheden op grond van de Participatiewet op het terrein van de eenmalige tegemoetkoming energiekosten 2023 voor studenten, voortvloeiend uit de herstelactie inzake controle uitwonendenbeurs Gelet op [artikel 78ee Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78ee) en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de schriftelijke instemming van de Directeur-Generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs; Besluit: Artikel 1 Aan de Directeur-Generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt mandaat, machtiging en volmacht verleend om de volgende bevoegdheden uit te oefenen die verband houden met de uitkering van een eenmalige tegemoetkoming energiekosten 2023 voor studenten, voortvloeiend uit de herstelactie inzake controle uitwonendenbeurs: - a). het vaststellen, verstrekken en uitbetalen van de eenmalige tegemoetkoming energiekosten voor studenten, als bedoeld in [artikel 78ee, tweede lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78ee); - b). het vaststellen, verstrekken en uitbetalen van de eenmalige tegemoetkoming energiekosten voor studenten, als bedoeld in [artikel 78ee, derde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78ee); - c). het verwerken van de persoonsgegevens als bedoeld in [artikel 78ee, zevende lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78ee). Artikel 2 Aan de Directeur-Generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt mandaat verleend met betrekking tot het nemen van besluiten op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.over"},{"i":12260,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2014 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2014 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 30.700 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 307.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.070.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2014 worden voor de premiecomponent WGA voor vaste dienstbetrekkkingen voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,51% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,49% | | Maximumpremie werkgevers | 1,96% | | Minimumpremie werkgevers | 0,12% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,27% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,44 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2014 worden voor de premiecomponent WGA voor flexibele dienstbetrekkingen voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,18% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,17% | | Maximumpremie werkgevers | 0,68% | | Minimumpremie werkgevers | 0,04% | | Gemidd"},{"i":12213,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 oktober 2023, nr. 2023-0000645507 houdende vaststelling van het Besluit draagvolgorde onderscheidingen Op voordracht van de Kanselier der Nederlandse Orden; Besluit: Artikel 1 Indien een persoon de hem toegekende, door de Nederlandse Staat ingestelde of erkende, onderscheidingen draagt, dan worden deze links op de borst ter hoogte van de oksel gedragen in de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048879&artikel=2&z=2023-11-15&g=2023-11-15) aangegeven volgorde, waarbij de hoogste onderscheiding, zijnde de onderscheiding met het laagste rangnummer, het verst van de linkerschouder wordt gedragen. Artikel 2 De volgorde waarin onderscheidingen worden gedragen, luidt als volgt: | Rangnummer | Benaming onderscheiding | Graden/klassen/medailles | | --- | --- | --- | | **A. Ridderorden en vergelijkbare onderscheidingen** | **A. Ridderorden en vergelijkbare onderscheidingen** | **A. Ridderorden en vergelijkbare onderscheidingen** | | 1 | Militaire Willems-Orde | 1.1 Ridder Grootkruis 1.2 Commandeur 1.3 Ridder der 3e klasse 1.4 Ridder der 4e klasse | | 2 | Kruis (Medaille) voor Moed en Trouw | 2.1 in zilver 2.2 in brons | | 3 | Eresabel | | | 4 | Verzetskruis | | | 5 | Eerepenning voor Menschlievend Hulpbetoon | in goud | | 6 | Orde van de Nederlandse Leeuw | 6.1 Ridder Grootkruis 6.2 Commandeur 6.3 Ridder | | 7 | Orde van Oranje-Nassau | 7.1 Ridder Grootkruis 7.2 Grootofficier 7.3 Commandeur 7.4 Officier 7.5 Ridder 7.6 Lid 7.7 Eremedaille, verbonden aan de Orde, in goud 7.8 Eremedaille, verbonden aan de Orde, in zilver 7.9 Eremedaille, verbonden aan de Orde, in brons | | **B. Huisorden** | **B. Huisorden** | **B. Huisorden** | | 8 | Huisorde van den Gouden Leeuw van Nassau | 8.1 Ridder | | 9 | Huisorde van Oranje | 9.1 Grootkruis 9.2 Groot Erekruis 9.3 Erekruis 9.4 Ridderkruis | | 10 | Kruis van Trouw en Verdienste van de Huisorde van Oranje | 10.1 in goud 10.2 in zilver | | 11 | Er"},{"i":12201,"b":"Besluit van de directeur Particulieren van de unit TBB van de directie Particulieren van 1 augustus 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen de unit TBB van de directie Particulieren wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":12317,"b":"Besluit Herinneringsembleem militaire steun aan Oekraïense strijdkrachten Besluit: Artikel 1 Ingesteld wordt het ‘Herinneringsembleem militaire steun aan de Oekraïense strijdkrachten’, hierna aangeduid als het Oekraïne-embleem. Artikel 2 Het Oekraïne-embleem wordt toegekend aan de defensiemedewerker die heeft bijgedragen aan de militaire steun aan de Oekraïense strijdkrachten ter verdediging tegen de Russische inval. Dit geldt voor diegene die: - a. op of na 24 februari 2022 in het kader van de dienstuitoefening, daartoe speciaal aangewezen, minimaal 30 dagen aaneengesloten of 45 dagen cumulatief heeft bijgedragen aan militaire steun aan de Oekraïense strijdkrachten; - b. en bij deelname aan die steun in alle opzichten een goede plichtsbetrachting en goed gedrag heeft betoond. Artikel 3 Het Oekraïne-embleem is bolrond-vormig en heeft een diameter van 27 mm. In het centrum vertoont het insigne het Nationale symbool van Oekraïne in gele kleur op een blauwe achtergrond uitgevoerd in synthetische emaille. Hieronder de wapenspreuk ‘Auxilium Libertatum’. Het geheel binnen een oranje rand. Artikel 4 Degene die in aanmerking komt voor een Oekraïne-embleem ontvangt naast het insigne tevens een op naam gestelde oorkonde. Artikel 5 Uitreiking van het Oekraïne-embleem geschiedt zo mogelijk voor het front van de eenheid waartoe de defensiemedewerker behoort. Artikel 6 Het Oekraïne-embleem wordt eenmalig toegekend. Het embleem kan ook postuum worden toegekend. Artikel 7 1. De toekenning van het Oekraïne-embleem geschiedt, namens de Minister van Defensie, door de commandant van het operationeel commando ten aanzien van het onder hem ressorterende personeel. 2. In bijzondere gevallen geschiedt de toekenning, namens de Minister van Defensie, door de Commandant der Strijdkrachten. Artikel 8 1. Het verzoek om toekenning van het Oekraïne-embleem geschiedt door de commandant van de defensiemedewerker, of door de defensiemedewerker zelf. 2. Het verzoek wordt gedaan door middel van het fo"},{"i":12307,"b":"Besluit van 4 juli 1984, houdende herindeling van departementale taken met betrekking tot het wetenschapsbeleid en het technologiebeleid Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 25 juni 1984, nr. 346128, gedaan mede namens Onze Ministers van Onderwijs en Wetenschappen, van Economische Zaken en van Binnenlandse Zaken; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Onze Minister van Economische Zaken wordt belast met de zorg voor het innovatie- en technologiebeleid. 2. De taken van Onze Ministers van Onderwijs en Wetenschappen en van Economische Zaken ten aanzien van de Nederlandse Organisatie voor Toegepast-Natuurwetenschappelijk Onderzoek, de maritieme sector, het ruimte-onderzoek en de ruimtetechnologie, de micro-electronica, internationale organisaties, innovatiegerichte onderzoeksprogramma's en nieuwe technologiegebieden ten behoeve van de marktsector worden afgebakend overeenkomstig het gestelde in de brieven van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 25 januari 1983 en van 6 september 1983 inzake de Kabinetsformatie 1982 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 1982/1983, 17 555, nrs. 49 en 55). 3. Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen is belast met het initiëren van onderzoek, gericht op het zichtbaar maken van de maatschappelijke en ethische consequenties van technologische vernieuwingen en van de invoering van die vernieuwingen. Artikel 2 De organisatorische afwikkeling, verband houdende met het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003690&artikel=1&z=1983-09-06&g=1983-09-06) bepaalde, wordt opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van heden en werkt terug tot en met 6 september 1983. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister van Binnenlandse Zak"},{"i":12274,"b":"Besluit gedragscode voor tolken en vertalers in het kader van de Wbtv Gelet op: [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=3) en [4 van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=4) (Stb. 2007, 375); [Artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=13) en [14 van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=14) (Stb. 2007, 375); [Artikel 18 van het Besluit Uitwijklijst Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033582&artikel=18) (Staatscourant 2013, 17541); de Regeling van de Staatsecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 januari 2011 tot wijziging van de Regeling houdende aanwijzing tot bewerker en verlening van mandaat en machtiging van de Minister van Veiligheid en Justitie aan de Raad voor de Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch betreffende het Register beëdigde tolken en vertalers, (Stcrt. 19 januari 2011, 1030); het advies van het Kwaliteitsinstituut Wbtv van 14 september 2023, de voorgestelde tekst herziening gedragscode tolken van 14 september 2023 en de voorgestelde tekst herziening gedragscode vertalers van 14 september 2023; Besluit: Stelt de hiernavolgende gedragscodes voor tolken en vertalers in het kader van de [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) vast: Artikel I - a. **tolk:** de in het Rbtv ingeschreven en beëdigde tolk in de zin van [artikel 1 van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=1) dan wel de op de Uitwijklijst geplaatste tolk; - b. **vertaler:** de in het Rbtv ingeschreven en beëdigd vertaler dan wel de op de Uitwijklijst geplaatste vertaler; - c. **Gedragscode:** geheel van waarden en normen voor tolken en vertalers in hun dagelijkse beroepspraktijk aan de hand van heersende opvattingen die door tolken en vertalers in acht moet worden genomen bij de uitoefenin"},{"i":12177,"b":"Besluit van 2 juli 2024, nr. 2024001709, houdende departementale herindelingen met betrekking tot inburgering en hersteloperatie Groningen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 2 juli 2024, kenmerk 4404112; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44): Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Justitie en Veiligheid wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van inburgering voor zover deze voor 2 juli 2024 was opgedragen aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049937&artikel=1&z=2024-07-06&g=2024-07-06) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049937&artikel=2&z=2024-07-06&g=2024-07-06) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Justitie en Veiligheid, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de hersteloperatie Groningen voor zover deze voor 2 juli 2024 was opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 5 De taken van het Ministerie van Economische Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 6 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049937&artikel=4&z=2024-07-06&g=2024-07-06) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049937&artikel=5&z=2024-07-06&g=2024-07-06) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Binnenl"},{"i":12235,"b":"Besluit van 1 december 1958, houdende uitvoering van artikel 5, eerste lid, onder a, van de Instellingswet Productschap voor Vis en Visproducten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie en van Onze Ministers van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken van 25 november 1958, no. U 2077, afdeling Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie; Overwegende, dat het wenselijk is op een daartoe strekkend verzoek aan het Produktschap voor Vis en Visprodukten de bevoegdheid tot enige prijsregeling te verlenen; Gelet op artikel 5, eerste lid, onder **a**, van de Instellingswet Productschap voor Vis en Visprodukten (**Stb.** 1956, 332); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onder aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder **a**, van de [Instellingswet Productschap voor Vis en Visproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002220) (**Stb.** 1956, 332) zijn begrepen: - a. de prijzen van mosselen; - b. de prijzen, waartegen aanvoerders - kwekers hieronder begrepen - en importeurs vis, andere dan mosselen, ten minste moeten afzetten; - c. de prijzen, waartegen vis, andere dan mosselen, en visprodukten, een en ander voor zover zij tot menselijk voedsel kunnen dienen, aan buitenlandse afnemers ten minste moeten worden afgezet. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1959. Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":12284,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 20 december 2022 tot geheimverklaring van de opdracht(en) in het kader van het detecteren en lokaliseren van niet toegestane communicatiemiddelen ten behoeve van de Dienst Justitiële Inrichtingen Gelet op [artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23); Besluit: Tot geheimverklaring van (de) opdracht(en) in het kader van het detecteren en het lokaliseren van niet toegestane communicatiemiddelen ten behoeve van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit Besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12285,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 24 februari 2020 tot geheimverklaring van de opdracht(en) in het kader van het verstoren van communicatie met niet-toegestane communicatiemiddelen ten behoeve van de Dienst Justitiële Inrichtingen Gelet op [artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23); Besluit: Tot geheimverklaring van (de) opdracht(en) in het kader van het verstoren van communicatie met niet-toegestane communicatiemiddelen ten behoeve van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit Besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12130,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 juli 2022, nr. 31980452, tot buitentoepassinglating van op archiefbescheiden rustende openbaarheidsbeperkingen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995, ten behoeve van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Expertisecentrum Restitutie (Besluit buitentoepassinglating openbaarheidsbeperkingen RCE en ECR) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **restitutie:** teruggave aan de oorspronkelijke eigenaar of aan diens rechtsopvolgers krachtens erfrecht van cultuurgoederen, waarvan de oorspronkelijke eigenaar het bezit onvrijwillig, door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime, heeft verloren. Artikel 2. Buitentoepassinglating openbaarheidsbeperkingen Indien de navolgende personen inzage behoeven in archiefbescheiden die in een rijksarchiefbewaarplaats of in de algemene rijksarchiefbewaarplaats berusten, blijven de eventueel op die archiefbescheiden rustende openbaarheidsbeperkingen, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), jegens hen buiten toepassing: - a. medewerkers, werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, voor zover het inzage door hen betreft ten behoeve van de bij de dienst belegde taak tot het doen van structureel onderzoek naar en het geven van voorlichting over de herkomst van cultuurgoederen die in het bezit zijn van de Nederlandse Staat en deel uit maken van de Nederlands Kunstbezit-collectie; en - b. medewerkers van het Expertisecentrum Restitutie bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies, voor zover het inzage door hen betreft ten beh"},{"i":12142,"b":"Besluit curateleregister BES Artikel 1 In het ingevolge [artikel 391 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=391) ter griffie van het gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, berustende openbaar register wordt aantekening gehouden van de volgende rechtsfeiten: - a. alle rechterlijke beslissingen ingevolge de [artikelen 378](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=378), [380, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=380), [383](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=383), [385](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=385), [387](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=387) en [389 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=389); - b. alle rechterlijke beslissingen, waarbij een onder a bedoelde beslissing wordt bevestigd, vernietigd of herroepen; - c. alle rechterlijke beslissingen tot afwijzing van een verzoek tot ondercuratelestelling in de gevallen, waarin op grond van [artikel 380 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=380) een provisioneel bewindvoerder was benoemd; - d. de benoeming en het ontslag van een bewindvoerder en opheffing van het bewind overeenkomstig [artikel 386](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=386) juncto [artikel 370 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=370). Artikel 2 Voor zover de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028379&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemde feiten de griffier van het gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet ambtshalve bekend zijn, zullen de griffiers die deze ambtshalve hebben vernomen, hem daarvan onverwijld mededeling doen. Artikel 3 1. Elke kaart van het register bevat slechts de gegeven"},{"i":12224,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 21 augustus 2019, nr. 2655834, houdende de erkenning van schietverenigingen Gelet op [artikel 6b van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=6b); Besluit: Artikel 1 Onder de voorwaarden bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042503&artikel=2&z=2019-08-28&g=2019-08-28) worden de schietverenigingen erkend als schietvereniging in de zin van [artikel 6b van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=6b), die - a. schietsportdisciplines voor vuurwapens als bedoeld in categorie A, onderdelen 6 of 7, in bijlage I van de Richtlijn aanbieden, en - b. op de datum van inwerkingtreding van dit besluit beschikken over een geldig certificaat als bedoeld in [artikel 43b, eerste lid, van de Regeling wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008800&artikel=43b). Artikel 2 1. De schietvereniging bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042503&artikel=1&z=2019-08-28&g=2019-08-28) overlegt binnen drie maanden na datum van inwerkingtreding van dit besluit aan Onze Minister: - a. een afschrift van een geldig certificaat als bedoeld in [artikel 43b, eerste lid, van de Regeling wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008800&artikel=43b), en - b. een verklaring van het bestuur van de vereniging dat zij geen kennis draagt van vrees voor misbruik van wapens of munitie door de vereniging of zijn leden. 2. Indien een schietvereniging niet beschikt over het in het eerste lid, onder a, bedoelde certificaat, overlegt de schietvereniging in plaats daarvan daarmee gelijk te stellen documentatie. Zulks ter beoordeling aan Onze Minister. 3. De erkenning vervalt indien niet binnen drie maanden na inwerkingtreding van dit besluit wordt voldaan aan de voorwaarden uit het eerste lid. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin"},{"i":12268,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2022 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) (Wfsv) en [artikel 2.10 lid 3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=2.10); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2022 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 35.300 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 882.500 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.530.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2022 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,84% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,36% | | Minimumpremie werkgevers | 0,21% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,56% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,12 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2022 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,68% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 2,72% | | Minimumpremie werkgevers | 0,17% | | Gemiddeld"},{"i":12160,"b":"Besluit departementale herindeling kindregelingen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 14 oktober 2010, kenmerk 3096356; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van het kindgebonden budget, de kinderbijslag en de tegemoetkoming ouders thuiswonende gehandicapte kinderen, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister voor Jeugd en Gezin. Artikel 2 De taken van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028851&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028851&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de mini"},{"i":12129,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 mei 2024 nr. BOACAT2024/049, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Nederlandse Kustwacht Gelezen het verzoek van de Nederlandse Kustwacht van 14 mei 2024 en de adviezen van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049741&artikel=2&z=2026-04-29&g=2026-04-29). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van ambtenaren, zoals bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042251&artikel=2) en [artikel 3, tweede lid van de Regeling organisatie Kustwacht Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042251&artikel=3) ten behoeve van de Nederlandse Kustwacht, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon"},{"i":12125,"b":"Besluit van 30 september 2010, houdende regels over het personeel en de organisatie van het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit brandweer BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 juli 2010, nr. 2010-0000461929, CZW/WSG; Gelet op de [artikelen 27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=27), [33, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=33), en [80, vierde lid, van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=80); De Raad van State gehoord (advies van 11 augustus 2010, nr. W04.10.0342/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 september 2010, nr. 2010-0000550361; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Veiligheidswet BES in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Brandweerpersoneel § 2.1. Functies Artikel 2 Bij ministeriële regeling worden voor het personeel van het brandweerkorps regels gesteld over de functies, genoemd in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028581&bijlage=1&z=2016-07-01&g=2016-07-01) en [1A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028581&bijlage=1a&z=2016-07-01&g=2016-07-01), en de daarbij behorende eisen over opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Artikel 3 1. Bij de functies, genoemd in de [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028581&bijlage=1&z=2016-07-01&g=2016-07-01), behoren functiegerichte opleidingen die worden afgesloten met een Caribisch examen, voor zover daarbij uitsluitend de aanduiding «CN» is vermeld. Voor zover bij de functies uitsluitend de aanduiding «EN» is vermeld, behoren daarbij functiegerichte opleidingen die worden afgesloten met een Europees examen, gevolgd door een op de lokale praktijk in Caribisch Nederland gerichte, beperkte bijscholing. Voor zover bij de functies de aandui"},{"i":13638,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2007, nr. OHW-U-2816601, houdende de instelling van de Toetsingscommissie behoud en toegankelijkheid erfgoed van de oorlog Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. de Toetsingscommissie: de Toetsingscommissie behoud en toegankelijkheid erfgoed van de oorlog, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023033&artikel=2&z=2007-12-20&g=2007-12-20). Artikel 2 Er is een Toetsingscommissie behoud en toegankelijkheid erfgoed van de oorlog. Artikel 3 De Toetsingscommissie heeft tot taak de Minister desgevraagd te adviseren over de cultuurhistorische waarde van erfgoedmaterialen uit of over de Tweede Wereldoorlog. De Toetsingscommissie hanteert daarbij het waardestellend kader, dat onderdeel uitmaakt van het beleidskader voor subsidiëring van het programma Erfgoed van de Oorlog. De Minister betrekt het advies bij zijn beoordeling van subsidieverzoeken die behoud of toegankelijkheid van erfgoedmateriaal betreffen. Artikel 4 Het advies wordt zomogelijk unaniem vastgesteld. Het is toegestaan dat één lid een minderheidsstandpunt inneemt, dat alsdan in het advies wordt opgenomen. Artikel 5 1. De Toetsingscommissie bestaat uit een voorzitter en zeven leden. 2. De Minister benoemt en ontslaat de voorzitter en de leden van de Toetsingscommissie. 3. De Minister benoemt de voorzitter en de leden van de Toetsingscommissie voor een periode van drie jaar, met dien verstande dat zij tussentijds kunnen worden vervangen. 4. De Minister voegt een medewerker van de Eenheid Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog aan de Toetsingscommissie toe als secretaris. 5. De Minister voegt een medewerker van de Eenheid Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog aan de Toetsingscommissie toe als adviseur. Artikel 6 Tot voorzitter van de Toetsingscommissie wordt benoemd mevrouw drs. C.E. va"},{"i":11103,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 19 juli 2013, nr. DSO/OO-230/13, houdende mandatering van bevoegdheden tot uitvoering van enkele programma’s op het gebied van het Internationaal Onderwijs Gelet op de [artikelen 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.4) en [6.5 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.5) en [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluiten: Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de Stichting Nuffic (Nederlandse Organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs) wordt mandaat en machtiging verleend om namens de minister: - a. besluiten te nemen inzake subsidieverstrekking op grond van de [artikelen 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.4) en [6.5 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.5), overeenkomstig het [besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 1 juli 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033647), DSO/OO-201/13, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006, Beleidsregels en subsidieplafond voor het Netherlands Fellowships Programme II (NFP II), het MENA (Middle-East North-Africa) Scholarship pogramme II (MSP II), het MSP Syrië programma en het Netherlands Initiative for Capacity Development in Higher Education II (NICHE II), - b. te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld onder a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door hem in mandaat is genomen. 2. De voorzitter kan van zijn op grond van het eerste lid gemandateerde bevoegdheden, ondermandaat en machtiging verlenen aa"},{"i":11104,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 9 oktober 2015, nr. MinBuZa-2015.564456, houdende mandatering van bevoegdheden tot uitvoering van een programma op het gebied van het Internationaal Onderwijs Gelet op de [artikelen 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.4) en [6.5 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.5) en [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de Stichting Nuffic (Nederlandse Organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs) wordt mandaat en machtiging verleend om namens de minister: - a. besluiten te nemen inzake subsidieverstrekking op grond van de [artikelen 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.4) en [6.5 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.5), overeenkomstig het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van de minister van Buitenlandse Zaken van 22 september 2015, nr. DVB/CU-BPZ-329/15, tot vaststelling van beleidsregels alsmede een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Beleidsregels en subsidieplafond voor het Liberation Scholarship Program), - b. te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld onder a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door hem in mandaat is genomen. 2. De voorzitter kan van zijn op grond van het eerste lid gemandateerde bevoegdheden, ondermandaat en machtiging verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen van de Stichting Nuffic. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in"},{"i":13414,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 oktober 2019 met kenmerk 2019-0000509315, tot instelling en benoeming van een commissie voor de visitatie van ProDemos 2019 gelet op het protocol visitatie t.b.v. de visitatiecommissie ProDemos van augustus 2015, nr. 2015-0000488822, Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commissie:** commissie voor de visitatie van ProDemos, genoemd in [artikel 2 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042685&artikel=2&z=2019-10-22&g=2019-10-22); - b. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **ministerie:** ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een commissie voor de visitatie van ProDemos 2019. 2. De commissie werkt volgens het protocol visitatie t.b.v. de visitatiecommissie ProDemos van augustus 2015, nr. 2015-0000488822. 3. De commissie heeft tot taak om onderzoek te doen naar: - a. de relevantie van de missie en doelstellingen van ProDemos - b. de wijze waarop ProDemos uitvoering geeft aan de opdracht die is verwoord in de Subsidieregeling ProDemos van 10 juni 2013, nr. 2013-0000329553 - c. de kwaliteit van de organisatie van ProDemos - d. de productiviteit en het publieksbereik van ProDemos - e. de condities voor continuïteit. 3. De commissie biedt de minister een rapport aan met de uitkomsten van het onderzoek. 4. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen aan ProDemos te doen. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste vier andere leden. 2. De leden van de commissie worden door de minister benoemd voor de periode 1 april 2019 tot en met 31 december 2019. 3. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen. 4. De leden van de commissie hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of"},{"i":12979,"b":"Besluit vergoedingen Commissie Onderzoek Curaçao Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), Gelet op het [Koninklijk Besluit van 8 augustus 2011, Staatscourant 2011, 15210](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030356), Besluit: Artikel 1 Aan het lid, niet zijnde de voorzitter, van de Commissie die is ingesteld bij Koninklijk Besluit van 8 augustus 2011 wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op het maximum van schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,7 fte. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 17 augustus 2011. Artikel 3 Dit besluit zal worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":12604,"b":"Besluit tijdelijke toekenning van nummers voor mobiele telefonie Gelet op [artikel 4.2, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder nummerplan verstaan het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten. Artikel 2 1. Het college kan, in afwijking van het bepaalde in bijlage 1 van het nummerplan, voor de bestemming mobiele telefonie, een tiencijferig nummer toekennen beginnende met de cijfers 063. 2. De mogelijkheid om op grond van dit besluit nummers toe te kennen als bedoeld in het eerste lid vervalt op de datum van inwerkingtreding van het in voorbereiding zijnde besluit tot wijziging van het nummerplan met dezelfde strekking als dit besluit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijke toekenning van nummers voor mobiele telefonie. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12603,"b":"Besluit tijdelijke toekenning internationale signaleringspuntcodes Gelet op artikel 4.2, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Het college kan, in afwijking van het bepaalde in de bijlage van het nummerplan, voor de bestemming internationaal netwerkpunt een vijf-cijferig nummer toekennen beginnende met de cijfers 2-142-0 tot en met 2-142-7. 2. De mogelijkheid om op grond van dit besluit nummers toe te kennen als bedoeld in het eerste lid vervalt op de datum van inwerkingtreding van het in voorbereiding zijnde besluit tot wijziging van het nummerplan met dezelfde strekking als dit besluit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijke toekenning internationale signaleringspuntcodes. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14086,"b":"Regeling bekendmaking constanten regressieformules en waarden voor gemiddelde CO2-uitstoot benzine- en dieselauto’s 2007 Gelet op [artikel 8 van het Besluit etikettering energiegebruik personenauto’ s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&artikel=8) van 3-11-2000 (Stb. 2000, nr. 475). Besluit: De Bekendmaking constanten regressieformules en waarden voor de gemiddelde CO2-uitstoot voor benzine- en dieselauto’s 2007 van 18 augustus 2006 (Stcrt. 2006, nr. 162) wordt ingetrokken. De constanten voor de in [bijlage 4 bij het Besluit etikettering energieverbruik personenauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&bijlage=4) opgenomen regressieformules, en de daarbij behorende waarden van de gemiddelde CO2-uitstoot voor personenauto’ s met benzine als brandstof, en voor personenauto’ s met diesel als brandstof, voor het kalenderjaar 2007, als volgt vast te stellen: - 1. Constanten voertuiglengte: C1, lengte: –3,0440 C2, lengte: 4,0792 C3, lengte: 0,0587 - 2. Constanten benzineauto’s: C1, benzine: 243,2040 C2, benzine: –51,3800 C3, benzine: 5,5760 - 3. Constanten dieselauto’s: C1, diesel: 206,9900 C2, diesel: –44,2490 C3, diesel: 4,7230 - 4. Waarden gemiddelde CO2-uitstoot: Gemiddelde CO2-uitstoot benzine: 167,7000 Gemiddelde CO2 -uitstoot diesel: 160,2000 Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":442,"b":"Regeling vrijstelling nachtarbeid wegvervoer Gelet op [artikel 2.6:1, eerste lid, onderdeel a, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=2.6:1); Besluiten: Artikel 1 1. Van [artikel 2.5:4, tweede lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=2.5:4) zijn vrijgesteld: - a. het vervoer van levende dieren; - b. het vervoer van ochtendkranten; - c. het vervoer van postzendingen en -pakketten; - d. collectief binnenlands vervoer van bloembollen, bloemen, planten en boomkwekerijproducten. 2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing voorzover daarover in collectief overleg overeenstemming is bereikt. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 23 maart 2005. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vrijstelling nachtarbeid wegvervoer. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":279,"b":"Wet van 13 december 2000 tot vaststelling van een kader voor de vereenvoudiging en de vernieuwing van het militaire pensioenstelsel (Kaderwet militaire pensioenen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het militaire pensioenstelsel te vereenvoudigen en vernieuwen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; - b. beroepsmilitair: militair ambtenaar als bedoeld in [artikel 1 van de Wet ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1), voor zover hij behoort tot degenen die zijn aangesteld bij het beroepspersoneel of daarmee gelijk zijn gesteld; - c. dienstplichtige: dienstplichtige in de zin van de [Kaderwet dienstplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008589); - d. reservist: militair ambtenaar als bedoeld in [artikel 1 van de Wet ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1), voor zover behorende tot het reserve-personeel; - e. fonds: Stichting Pensioenfonds ABP; - f. bestuur: bestuur van het fonds; - g. pensioenreglement: pensioenreglement van het fonds. Artikel 2. Het stelsel 1. De aanspraken op ouderdoms- en nabestaandenpensioen en de daarmee samenhangende verplichtingen van de beroepsmilitair, de gewezen beroepsmilitair en hun nagelaten betrekkingen worden, met inachtneming van de bij of op grond van deze wet vastgestelde afwijkingen en aanvullingen, neergelegd in de overeenkomst naar burgerlijk recht, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791&artikel=4). 2. De in het eerste lid bedoelde nadere overeenkomst strekt zich mede uit tot de aanspraken op militair ouderdoms-"},{"i":369,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 2 maart 2011 met betrekking tot de informatieverstrekking door pensioenfondsen die hun zetel hebben in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba (Regeling informatieverstrekking pensioenfondsen BES) Gelet op [artikel 16f van de Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=16f) (Stb. 2010, 597); Gelet op de [artikelen 34 tot en met 37 van het Besluit Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028316&artikel=34) (Stb. 2010, 370); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Bank:** De Nederlandsche Bank N.V.; - b. **Wet:** [Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712); - c. **Besluit:** [Besluit Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028316). Artikel 1.2. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op pensioenfondsen als bedoeld in [artikel 1 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=1) die hun zetel hebben in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Hoofdstuk 2. Kwartaalstaten Artikel 2.1. Modellen Met inachtneming van de [artikelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029704&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2011-03-12&g=2011-03-12) en [2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029704&hoofdstuk=2&artikel=2.3&z=2011-03-12&g=2011-03-12) en voor zover van toepassing verstrekt een pensioenfonds aan de Bank de volgende gegevens, door middel van de volgende modellen van staten als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029704&bijlage=1&z=2011-03-12&g=2011-03-12): - a. het model van staat K101: gegevens betreffende de dekkingsgraad, als bedoeld in [artikel 34, eerste lid, onderdeel f, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028316&artikel=34); - b. het model van de staten K201 tot en met K205: gegevens betreffende de specificatie van de beleggingen met betrekking tot de valuta, de risi"},{"i":311,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek inzake migratie, aanwerving en tewerkstelling van Portugese arbeiders in Nederland De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Portugese Republiek Overwegende de vriendschappelijke betrekkingen die de beide landen verenigen en hun beider behoeften met betrekking tot de arbeidsvoorziening, Verlangende een regeling te treffen nopens de migratie, de aanwerving en de tewerkstelling van Portugese arbeiders in Nederland, zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Algemene bepalingen Artikel 1 Terzake van de migratie, de aanwerving en de tewerkstelling van Portugese arbeiders in Nederland zijn bevoegd: Aan Portugese zijde, de Junta da Emigraçao (in het vervolg te noemen „Junta”). Aan Nederlandse zijde, de Directie voor de Arbeidsvoorziening van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid (in het vervolg te noemen „Directie”). Artikel 2 1. Opdat de bevoegde Portugese autoriteiten tijdig de nodige voorzieningen kunnen treffen en aan de aanvragen voldoen, zal de Directie aan de Junta ten minste eens in de zes maanden inlichtingen verstrekken over de geraamde behoeften van het Nederlandse bedrijfsleven aan Portugese arbeiders, onderverdeeld naar takken der economische bedrijvigheid, naar bedrijfsklassen en naar beroepen. 2. De Junta zal in antwoord daarop op zo kort mogelijke termijn aan de Directie mededelen in hoeverre het beschikbare aanbod van arbeidskrachten aan de vraag kan voldoen. Artikel 3 1. De Directie zal aan de Junta alle inlichtingen verschaffen betreffende de algemene loon- en arbeidsvoorwaarden en de levensomstandigheden, die voor eerdergenoemde arbeiders van belang kunnen zijn. 2. Zij zal in het bijzonder alle inlichtingen verschaffen betreffende het gemiddelde loon en de gemiddelde arbeidsduur in de verschillende sectoren van de Nederlandse industrie, het bedrag dat wegens loonbelasting, premies voor sociale verzekeringen, enz., wordt ingehouden op h"},{"i":12206,"b":"Besluit van de plaatsvervangend algemeen directeur van de directie Grote ondernemingen van 18 september 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden, regio- en unitdirecteuren en teamleiders binnen de directie Grote ondernemingen wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":11108,"b":"Besluit van de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten van 4 september 2023 tot vaststelling van de hoogte van het opleidings- en examengeld voor de beroepsopleiding advocaten (Besluit opleidings- en examengeld BA 1 maart 2024) gelet op [artikel 9c, tweede lid, onderdeel e, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9c) en [artikel 2.28, tweede lid, van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.28); Besluit: Artikel 1. Hoogte opleidings- en examengeld De hoogte van het opleidings- en examengeld bedraagt: € 13.592,77. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2024. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleidings- en examengeld BA 1 maart 2024."},{"i":685,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2018, 2018-0000767274, tot wijziging van de Ontslagregeling in verband met een wijziging van de voorwaarden voor toepassing van de overbruggingsregeling transitievergoeding Gelet op [artikel 673d, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673d); Besluit: Artikel I Wijzigt de Ontslagregeling. Artikel II [Artikel 24, tweede lid, van de Ontslagregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036599&artikel=24), zoals dat luidde op 31 december 2018, blijft van toepassing indien: - a. de arbeidsovereenkomst voor 1 januari 2019 is opgezegd; - b. de werknemer voor 1 januari 2019 schriftelijke instemming als bedoeld in [artikel 671, eerste lid, aanhef, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671) heeft gegeven; - c. de arbeidsovereenkomst is opgezegd met toestemming als bedoeld in [artikel 671a, eerste of tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a) en het verzoek om toestemming is gedaan voor 1 januari 2019; of - d. het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor 1 januari 2019 is ingediend. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13619,"b":"Instellingsbesluit Regiegroep Belvedere Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Verkeer en Waterstaat; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; - b. de regiegroep: de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015492&artikel=2&z=2003-09-06&g=2003-09-06) bedoelde Regiegroep Belvedere; - c. Belvederebeleid: het beleid verwoord in de Nota Belvedere (Kamerstukken II 1998/99, 26 663, nr. 2). Artikel 2 - 1. Er is een Regiegroep Belvedere. - 2. De regiegroep heeft tot taak het doen van voorstellen aan de minister die richting kunnen geven aan beslissingen over de te stellen prioriteiten in, en bijdragen aan het vergroten van het draagvlak voor, de uitvoering van het Belvederebeleid. Artikel 3 - 1. De regiegroep bestaat uit een voorzitter en zes leden. - 2. De minister benoemt en ontslaat de voorzitter en de leden van de regiegroep. Artikel 4 Tot voorzitter van de regiegroep wordt benoemd mw. mr. A.H. Brouwer-Korf. Artikel 5 Tot lid van de regiegroep worden benoemd: - –. dhr. Th.H.C. Peters; - –. dhr. drs. E.H.T.M. Nijpels; - –. mw. A.C. de Bruijn; - –. dhr. T. van der Torren; - –. dhr. mr. ir. H.L. Tiesinga; - –. dhr. drs. R.J.M. van Hengstum. Artikel 6 De minister voegt een medewerker van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als secretaris en een medewerker als plaatsvervangend secretaris aan de regiegroep toe. Artikel 7 De regiegroep regelt zelf zijn werkzaamheden. Artikel 8 De archiefbescheiden van de regiegroep worden na opheffing van de regiegroep of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van de Directie Cultureel Erfgoed van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Artikel 9 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag"},{"i":12777,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 maart 2017, nr. 2050307, tot vaststelling van de lijst met organisaties de een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid In overeenstemming met de gevoelen van de Rijksministerraad; Gelet op [artikel 14, vierde lid van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); Besluit: Artikel 1 De organisaties op de lijst, bedoeld in [artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zijn: - 1. Al Qa’ida en organisaties die gelieerd zijn aan al Qa’ida; - 2. Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS) en organisaties die gelieerd zijn aan ISIS; - 3. Hay'at Tahrir al-Sham (HTS) en organisaties die gelieerd zijn aan HTS. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten worden geplaatst."},{"i":12406,"b":"Besluit instelling Regiegroep Dienstverlening en e-overheid Overwegende dat door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en het Rijk in de Bestuursafspraken 2011–2015 is overeengekomen om met gebruik van de e-overheid de kwaliteit van dienstverlening aan burgers, bedrijven en instellingen te handhaven en waar mogelijk verbeteren, Dat VNG, IPO, Unie van Waterschappen, Rijk en de Manifestgroep in de Bestuurlijke Regiegroep hebben aangegeven zich onverkort gebonden te voelen aan de afspraken gemaakt in het Nationaal Uitvoeringsprogramma Programma Dienstverlening en e-Overheid (NUP) en daar ook deze kabinetsperiode uitvoering aan zullen geven, Dat de voortzetting van het NUP is gevat in de Overheidsbrede implementatieagenda voor dienstverlening en e-overheid: i-NUP, waarmee de agenda voor de e-overheid voor de periode 2011 tot en met 2014 is vormgegeven; Dat in de Bestuurlijke Regiegroep Dienstverlening en e-Overheid is afgesproken de bevindingen en aanbevelingen uit het WRR rapport iOverheid op de agenda te houden en zo de bewustwording bij de overheden te vergroten van de implicaties van het zijn van een iOverheid, Voorts overwegende dat de termijn voor instelling van de Regiegroep Dienstverlening en e-Overheid is verstreken, Besluit: Artikel 1 Er is een Regiegroep Dienstverlening en e-overheid, hierna te noemen: de regiegroep. Deze regiegroep wordt ingesteld voor de periode tot 1 januari 2015. Artikel 2 De regiegroep heeft tot taak: - a. de inhoudelijke coördinatie op het gebied van dienstverlening en e-overheid te verbeteren, - b. de samenhang van initiatieven op het terrein van dienstverlening en e-overheid te bewaken. - c. risico’s en kansen te signaleren en te agenderen op het gebied van de implicaties van het zijn van informatie-Overheid. Artikel 3 1. De regiegroep wordt voorgezeten door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en bestaat uit de leden: - a. de directeur-generaal Bestuur en"},{"i":12911,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland (SVWN) voor de periode vanaf 2015 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland (SVWN) over de periode vanaf 2015 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Bij dit besluit worden geen selectielijsten afgesloten of ingetrokken Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11190,"b":"Impuls ondersteuning in het basisonderwijs: aanvulling op het schoolbudget voor het schooljaar 2003 - 2004 Inleiding Op 9 mei 2003 is met de centrales voor overheids- en onderwijspersoneel een akkoord bereikt over de CAO sector onderwijs (PO en VO) 2003. In dit akkoord is onder andere een afspraak gemaakt over het creëren van extra ruimte voor ondersteunende functies ten behoeve van alle scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs. Deze scholen krijgen per 1 augustus 2003 structureel op jaarbasis een bedrag van € 3.308,48 toegevoegd aan hun schoolbudget. Met dit bedrag kunnen de scholen voor ongeveer een dagdeel (4 uur) per week een ondersteunende functionaris aantrekken maximaal op het niveau van schaal 4. De afgelopen jaren is gebleken dat ondersteunende functies in het onderwijs helpen om de werkdruk van directieleden en leraren te verlagen. Verder bieden deze functies de mogelijkheid het onderwijs anders in te richten, waardoor in voorkomende gevallen arbeidsmarktknelpunten kunnen worden verlicht. Deze impuls voor ondersteunende functies moet gezien worden als een eerste stap in het beschikbaar stellen vanstructurele ruimte voor ondersteunende functies in het basisonderwijs. Relatie met convenant I/D-banen In het Convenant Gesubsidieerde Arbeid Sector Onderwijs dat onlangs is gesloten met de sociale partners en de VNG is de afspraak gemaakt om ernaar te streven in 2003 in totaal 1930 van de ruim 9700 I/D-banen in de sector onderwijs om te zetten in reguliere banen. Scholen wordt daarom aanbevolen de via het schoolbudget toegekende middelen voor extra ondersteuning, waar mogelijk in samenwerking met andere scholen, in te zetten voor het regulier maken van I/D-banen. Hierbij kan ook gebruik worden gemaakt van twee eenmalige subsidiebronnen, namelijk de € 1.750 die in 2003 beschikbaar wordt gesteld voor iedere I/D-werknemer in het kader van het hierboven genoemde convenant (zie de regeling in ditzelfde Gele katern; in totaal een bedrag van i"},{"i":11110,"b":"Besluit van de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten van 7 april 2025 tot vaststelling van de hoogte van het opleidings- en examengeld voor de beroepsopleiding advocaten (Besluit opleidings- en examengeld BA 1 september 2025) gelet op [artikel 9c, tweede lid, onderdeel e, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9c) en [artikel 2.28, tweede lid, van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.28); besluit: Artikel 1. Hoogte opleidings- en examengeld De hoogte van het opleidings- en examengeld bedraagt: € 13.867,00. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2025. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleidings- en examengeld BA 1 september 2025."},{"i":13087,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 23 mei 2011, nr. ETM/IT/11058467, houdende wijziging van het Nationaal Frequentieplan 2005 [3,5 GHz-band] Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 3.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.1); Besluit: Artikel I Wijzigt het Vaststellingsbesluit Nationaal Frequentieplan 2005. Artikel II Tot en met 15 december 2015 is de nationale voetnoot HOL008 niet van toepassing op de houder van de vergunning voor het gebruik van frequentieruimte 3500–3580 MHz, kenmerk AT-EZ/5418736, bij het aanbieden van ‘vaste verbindingen’ of ‘mobiele communicatie’ met het op 1 mei 2010 aanwezige aantal opstelpunten vanuit het geografisch gebied dat ligt binnen de volgende geografische coördinaten: 52°18’04\" N en 4°57’32\" O 52°18’47\" N en 4°51’54\" O 52°20’33\" N en 4°49’39\" O 52°22’39\" N en 4°50’05\" O 52°24’07\" N en 4°52’19\" O 52°22’41\" N en 4°56’02\" O 52°22’07\" N en 4°56’49\" O Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14538,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 11 juli 2022, houdende regels voor periodiek evaluatieonderzoek 2022 (Regeling periodiek evaluatieonderzoek 2022) Gelet op [artikel 4.20, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **Beleid:** inspanningen van de overheid om met de inzet van mensen, middelen en tijd maatregelen uit te voeren om afgesproken doelstellingen te realiseren. Beleid als bedoeld in deze regeling gaat over één of meerdere beleidsinstrumenten; - **(Beleids)thema:** een inhoudelijk logisch en herkenbaar samenhangend beleidsterrein; - **Doeltreffendheid van beleid:** de mate waarin de beleidsdoelstellingen gerealiseerd worden dankzij het ingezette beleid en met zo min mogelijk ongewenste neveneffecten; - **Doelmatigheid van beleid:** de mate waarin de prestaties en effecten van beleid tegen de laagst mogelijke inzet van (financiële) middelen en ongewenste neveneffecten worden bewerkstelligd, dan wel de mate waarin met de inzet van een bepaalde hoeveelheid (financiële) middelen de maximale prestaties en effecten van beleid worden gerealiseerd tegen zo min mogelijk ongewenste neveneffecten; - **Evaluatieonderzoek:** onderzoek dat inzicht geeft in (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid. Evaluatieonderzoek kan zowel ex ante, ex durante als ex post worden uitgevoerd; - **Evaluatieparagraaf:** een toelichting bij een beleids- of wetsvoorstel over hoe het beleid wordt gemonitord en geëvalueerd; - **Minister:** de Minister die het aangaat; - **Onafhankelijk deskundige:** een methodologisch en beleidsinhoudelijk deskundige die geen verantwoordelijkheid draagt voor het te onderzoeken beleid en geen significante rol heeft gespeeld bij het evaluatieonderzoek dat ten grondslag ligt aan de periodieke rapportage; - **Periodieke rapportage over doeltreffendheid"},{"i":12715,"b":"Besluit van 25 maart 2025 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2025 worden uitgegeven ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de TT Assen Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 14 maart 2025, nr. 2025-0000071944, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2025 worden uitgegeven ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de TT Assen, zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: op de gehele voorzijde Onze beeltenis, links van het midden en daaronder de tekst «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN», de bovenste helft van de voorzijde bestaat uit punten en de onderste helft uit horizontale strepen, midden onderin het jaartal «2025»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: onder het midden een motor met rijder, op de motor zelf «10 EURO» onderscheidenlijk «5 EURO», boven de motor punten en links en rechts van de motor horizontale strepen, links van het midden en daaronder de tekst «TT Assen 100 jaar», midden onderin het teken van de muntmeester en het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050978&artikel=1&z=2025-06-27&g=2025-06-27). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 27 juni 2025. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering va"},{"i":11115,"b":"Besluit van 27 september 2019, houdende nadere regels met betrekking tot de gegevens in het register onderwijsdeelnemers, alsmede over de levering van gegevens aan het register door onderwijsinstellingen en de verstrekking van gegevens uit het register aan derden (Besluit register onderwijsdeelnemers) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 10 juli 2019, nr. WJZ/9177124 (6732), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; Gelet op de [artikelen 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=8), [12, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=12), [15, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=15), [16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=16), [17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=17), [18, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=18), [19, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=19), [20, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=20), [21, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=21), [22, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=22), en [24, tweede lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=24), de [artikelen 42a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=42a), [43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=43), en [70, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=70), de [artikelen 40b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=40b), [42, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=42), [69, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=69),"},{"i":12808,"b":"Vaststelling selectielijst CML BV vanaf 3 mei 2018 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van CMLEX BV over de periode 2018–, en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten afgesloten of ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12772,"b":"Besluit van het college van afgevaardigden van 2 april 2025 tot vaststelling van de hoogte van de financiële bijdrage (Besluit vaststelling hoogte financiële bijdrage 2025) gelet op [artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=32); gezien de door de algemene raad aan het college van afgevaardigden voorgelegde begroting van inkomsten en uitgaven voor het jaar 2025; BESLUIT: Artikel 1. Hoogte financiële bijdrage 1. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2025 voor categorie 1 bedraagt: € 291. 2. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2025 voor categorie 2 bedraagt: € 291. 3. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2025 voor categorie 3 bedraagt: € 581. 4. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2025 voor categorie 4 bedraagt: € 1.162. 5. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2025 voor categorie 5 bedraagt: € 1.744. Artikel 2. Slotbepalingen Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling hoogte financiële bijdrage 2025."},{"i":13028,"b":"Besluit vervanging archiefbescheiden Sociaal-economische Raad 2022 Gelet op: de regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161 (10265), tot wijziging van de Archiefregeling in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; [artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). Besluit(en): Artikel 1 1. over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van **Selectielijst Sociaal-economische Raad voor het selecteren van te vernietigen en permanent te bewaren archiefbescheiden over de periode (1956–2006) 2015– (**Staatscourant nr. 25708, mei 2020) voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2016, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd; 2. reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde handboek vervanging. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vervanging archiefbescheiden Sociaal-economische Raad 2022"},{"i":11118,"b":"Besluit van 18 maart 2021, houdende regels voor de toepassing en afwijking van de bij of krachtens de Wet voortgezet onderwijs BES vastgestelde voorschriften over onder meer de inrichting van het onderwijs aan de Saba Comprehensive School op Saba en Gwendoline van Puttenschool op Sint Eustatius (Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES) Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 6 november 2020, nr.25978357(9296) directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 117, eerste en tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=117) en [artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030281&artikel=1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 december 2020, nr. No.W05.20.0409/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 15 maart 2021, nr. 270804203(9296)Z, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Bevoegd gezag:** het bevoegd gezag van de school; - **CAPE:** de Caribbean Advanced Proficiency Examination; - **CCSLC:** het Caribbean Certificate of Secondary Level Competence; - **CSEC:** het Caribbean Secondary Education Certificate; - **CVQ:** de Caribbean Vocational Qualification, niveau 1 of 2; - **CXC:** de Caribbean Examinations Council, gevestigd in Barbados; - **deelcertificaat:** een certificaat voor een vak; - **praktijkonderwijs:** praktijkonderwijs als bedoeld in [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045020&hoofdstuk=2&artikel=13&z=2022-08-01&g=2022-08-01); - **ERK-niveaus:** niveaus, overeenkomstig het Europees Referentiekader voor moderne vreemde talen, van beheersing van de Nederlandse taal, waarmee de beheersing van de Nederlandse taal"},{"i":14299,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 oktober 2025, kenmerk 4240014-1089848-Z, houdende Regeling geraamde gemiddelde nominale premie 2026 [KetenID WGK028371] Gelet op [artikel 2b, tweede lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b); Besluit: Artikel 1 De geraamde gemiddelde nominale premie, bedoeld in [artikel 2b, eerste lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b) wordt voor het jaar 2026 vastgesteld op € 1.908. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geraamde gemiddelde nominale premie 2026. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13852,"b":"Muziekauteursrecht Gelet op [art. 30a der Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=30a), opgenomen bij de wet van 11 februari 1932 (Staatsblad n°. 45), met het oog op bemiddeling in zake muziekauteursrecht, alsmede op het Koninklijk besluit van 12 October 1932 (Staatsblad n°. 496), houdende den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld bij voormeld art. 30a; Heeft goedgevonden en verstaan: De ingevolge [art. 30**a** der Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=30a) voor het als bedrijf verleenen van bemiddeling in zake muziekauteursrecht vereischte toestemming wordt, met ingang van het tijdstip, waarop de wet van 11 februari 1932 (**Staatsblad** n°. 45) tot wijziging der [Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886) in werking treedt, voor onbepaalden tijd en algemeen gegeven aan de vereeniging: Het Bureau voor Muziekauteursrecht (Buma), gevestigd te Amsterdam."},{"i":13637,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 januari 2019, nr. MBO/1420991, houdende instelling van de Tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo (Instellingsbesluit Tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022) Gezien [artikel 20 Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041553&artikel=20); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **commissie:** Tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041860&artikel=2&z=2026-06-01&g=2026-06-01). Artikel 2. Instelling commissie 1. Er is een Tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo. 2. De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 januari 2019 en wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2028. 3. Leden van de commissie zijn ook na 1 januari 2028 te consulteren door de Minister in verband met de rechten en plichten die voortvloeien uit de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041860&artikel=3&z=2026-06-01&g=2026-06-01) genoemde taken van de commissie. Artikel 3. Taken commissie Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 1. De commissie is belast met: - a. het beoordelen van de subsidieaanvragen, bedoeld in [artikel 21 van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041553&artikel=21), en het adviseren van de Minister hierover; - b. het beoordelen van de voortgangsrapportages, bedoeld in [artikel 22 van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041553&artikel=22), en het adviseren van de Minister hierover; en - c. de overige taken die haar zijn opgedragen op grond van de [paragrafen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041553&paragraaf=3) en [4 van de Regeling regionaal investeri"},{"i":12636,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 28 augustus 2024, nr. IENW/BSK-2024/227830, inzake toestemming tot inzage in archiefbescheiden met betrekking tot onderzoek naar het luchtvaartongeval dat op 4 oktober 1992 in de Bijlmermeer plaatsvond, zoals bij het Nationaal Archief geborgen in de archieven van de Raad voor de Luchtvaart en het Bureau Vooronderzoek Ongevallen en Incidenten van de Rijksluchtvaartdienst, 1924–1998 (2000), nummer toegang 2.16.107 (Besluit toestemming inzage archiefbescheiden Bijlmerramp) Gelet op [artikel 3 van het Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 20 september 2022 tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in de archieven van de Raad voor de Luchtvaart en het Bureau Vooronderzoek Ongevallen en Incidenten van de Rijksluchtvaartdienst, 1924–1998 (2000), nummer toegang 2.16.107](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047278&artikel=3) (Stcrt. 2022, 27097, en rectificatie 27097-n1); BESLUIT: Artikel 1 De Minister van Infrastructuur en Waterstaat verleent eenieder die om inzage verzoekt van de in de bijlage bij dit besluit genoemde inventarisnummers toestemming als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 20 september 2022 tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in de archieven van de Raad voor de Luchtvaart en het Bureau Vooronderzoek Ongevallen en Incidenten van de Rijksluchtvaartdienst, 1924–1998 (2000), nummer toegang 2.16.107](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047278&artikel=2) (Stcrt. 2022, 27097 en rectificatie 27097-n1). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 9 september 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toestemming inzage archiefbescheiden Bijlmerramp. Bijlage. als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050185&artikel=1&z=2024-12-15&g=2024-12-15) van het Besluit to"},{"i":13175,"b":"Cusumsysteem erkenninghouder tachografen Gelet op de [artikelen 5:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137&artikel=5:1) en [5:2 van de Regeling tachografen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137&artikel=5:2); Besluit: Artikel 1. Definities 1. Voor de toepassing van deze regeling worden de begripsbepalingen van de [Regeling tachografen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137) overgenomen. 2. Voorts wordt verstaan onder: - a. **controle:** steekproef als bedoeld in [artikel 5:1 van de Regeling tachografen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137&artikel=5:1) en de second opinion als bedoeld in het Toezichtbeleid Erkenninghouders, Keurmeesters en Technici RDW alsmede onderzoeken door de politie, IL&T of RDW; - b. **cusumsysteem erkenninghouder:** het systeem van bonus- en strafpunten voor de erkenninghouder per werkplaats of mobiele onderzoekseenheid; - c. **cusumbijdrage:** de bijdrage aan straf- en bonuspunten van een controle; - d. **cusumstand:** startwaarde vermeerderd met de som van bonus- en strafpunten van de controles waarbij de cusumstand niet kleiner wordt dan 0; - e. **misser:** bij een onderzoek geconstateerde onjuist of vergeten aspect bij de werkzaamheden aan een tachograaf als bedoeld in [hoofdstuk 3 van de regeling tachografen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137&hoofdstuk=3) - f. **gradatie:** kwalificatie van een misser uitgedrukt in strafpunten bij werkzaamheden. Artikel 2. Toepassing Het cusumsysteem wordt toegepast bij controles ten behoeve van het meten van de kwaliteit van de werkzaamheden aan tachografen. Artikel 3. Gradaties 1. Gradaties worden ingedeeld in: - a. gradatie 1: een misser die de juiste werking van de tachograaf niet direct beïnvloedt, die 0,4 strafpunt oplevert; - b. gradatie 2: een lichte misser die 1,0 strafpunten oplevert; - c. gradatie 3: een geringe misser die 1,6 strafpunten oplevert; - d. gradatie 4: een ernstige misser die 3,3 strafpunten oplevert; - e. gradatie 5: een krit"},{"i":11929,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 27 april 2010, nr. 127697 houdende de benoeming en de vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie Bioraffinage Gelet op: [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=3) en [4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4); [artikel 3.5.7 van de Subsidieregeling energie en innovatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026952&artikel=3.5.7); Besluit: Artikel 1 1. Te rekenen vanaf 1 december 2009 worden voor een periode van 1 jaar tot lid van de Adviescommissie Bioraffinage benoemd: - a. de heer dr. ir. H.M.H. van Wechem te Haarlem, tevens voorzitter; - b. de heer dr. ir. Th. van Herwijnen te Haarlem; - c. de heer dr. ir. F.J. Olieman te Maarssen. - a. Aan de voorzitter van de Adviescommissie Bioraffinage wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op het maximum van schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,068. - b. Aan de andere leden van de Adviescommissie Bioraffinage wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op het maximum van schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,068. Artikel 2 Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen en aan de Adviescommissie Bioraffinage."},{"i":13958,"b":"Regeling van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid van 7 september 2001, houdende regels in verband met de verstrekking van reisdocumenten door de Minister van Buitenlandse Zaken en de hoofden van de door hem aangewezen consulaire posten in het buitenland Gelet op de artikelen 2, eerste lid, onder g, tweede en derde lid, 3, eerste, derde, vierde en zevende lid, 16, tweede lid, 26, eerste lid, onder d en derde lid, 27, eerste lid, 30, eerste lid, 31, derde lid, 40, eerste lid, onder d en zesde lid, 43, 57 en 59 van de Paspoortwet; Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen § 1. Definities en reikwijdte Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212); - b. **aanvraag, weigering, verstrekking, uitreiking, houder, wijziging, inhouding, vervallen of vervallenverklaring en vermissing:** hetgeen ingevolge [artikel 1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=1) daaronder wordt verstaan; - c. **aanvrager:** degene die een aanvraag als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=1) indient of op wie een dergelijke aanvraag betrekking heeft; - d. **register paspoortsignaleringen:** het register, bedoeld in [artikel 25, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=25); - e. **signalerende autoriteit:** de autoriteit, bedoeld in de [artikelen 18 tot en met 24 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=18), die op grond van [artikel 25 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=25) een verzoek tot weigering of vervallenverklaring heeft ingediend; - f. **basisadministratie:** de basisregistratie personen, dan wel een basisadministratie als bedoeld in [artikel 2 van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=2), dan wel een bij Landsverordening van"},{"i":13682,"b":"Wet van 28 februari 2013, houdende regels omtrent de instelling van de Autoriteit Consument en Markt (Instellingswet Autoriteit Consument en Markt) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het toezicht op markten te stroomlijnen ter bevordering van de kwaliteit van het toezicht en de bescherming van het belang van de consument, en daarom regels te stellen die het toezicht zoveel mogelijk onderbrengen bij één onafhankelijke toezichthouder; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **Autoriteit Consument en Markt:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-09-01&g=2025-09-01); - –. **bindende aanwijzing:** een zelfstandige last die wegens een overtreding wordt opgelegd; - –. **marktorganisatie:** - 1°. een rechtspersoon, natuurlijke persoon of andere entiteit handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, met inbegrip van een onderneming als bedoeld in artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - 2°. een organisatie waarin meerdere rechtspersonen, natuurlijke personen of andere entiteiten handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf verenigd zijn, met inbegrip van een ondernemersvereniging als bedoeld in artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - –. **Verordening (EU) 2016/679:** [Verordening (EU) 2016/679](32579R2016) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsge"},{"i":14113,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 december 2003, nr. DDI/ST/reg 2/2003, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het consulaat-generaal te Londen (Groot-Brittannië) (1824) 1890–1949, het Nederlandse gezantschap, later de Nederlandse Ambassade in Groot-Brittannië (Londen), (1920) 1937–1945, en het archief van de Nederlandse Ambassade te Londen (1917) 1945–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het consulaat-generaal te Londen (Groot-Brittannië) (1824) 1890–1949, het Nederlandse gezantschap, later de Nederlandse Ambassade in Groot-Brittannië (Londen), (1920) 1937–1945 en het archief van de Nederlandse Ambassade te Londen (1917) 1945–1954, de in kolom 1 van de onderstaande tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in kolom 2 van deze tabel genoemde jaartal: | 1. Inventaris- nummer | 2. Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | **Consulaat-generaal Londen (1824) 1890–1949** | **Consulaat-generaal Londen (1824) 1890–1949** | | 459 | 2025 | | 460 | 2025 | | 507 | 2019 | | 513 | 2019 | | | | | **Gezantschap, later Ambassade te Londen (1920) 1937–1945** | **Gezantschap, later Ambassade te Londen (1920) 1937–1945** | | 1243 | 2021 | | 1244 | 2016 | | 1372 | 2020 | | 1373 | 2021 | | 1374 | 2011 | | 1460 | 2019 | | 1462 | 2021 | | | | | **Ambassade Londen (1917) 1945–1954** | **Ambassade Londen (1917) 1945–1954** | | 1597 | 2024 | | 1609 | 2027 | | 1656 | 2025 | | 1668 | 2026 | | 1689 | 2025 | | 1690 | 2026 | | 1809 | 2025 | | 1839 | 2024 | | 1843 | 2026 | | 1844 | 2027 | | 1867 | 2028 | | 1868 | 2028 | | 1869 | 2028 | | 1870 | 2028 | | 1871 | 2028 | | 1872 | 2028 | | 1873 | 2028 | | 1874 | 2028 | | 1875 | 2028 | | 1876 | 2028 | | 1885 | 2024 | | 1886 | 2024 | | 1964 | 2028 | | 196"},{"i":13269,"b":"Wet van 16 oktober 2013 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2013) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VI Wijzigt de Wet bankenbelasting. Artikel VII Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VIII Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Artikel IX Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel X Wijzigt de Registratiewet 1970. Artikel XI Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel XII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel XIII Het toe te passen tarief op de levering van diensten, genoemd in [Tabel I, onderdeel b, posten 19 en 21, behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&bijlage=I), is het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop het belastbare feit zich voordoet. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XV Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XVI Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel XVII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. Artikel XIX Wijzigt Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XX Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel XXI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XXII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XXIIA Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XXIIB Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel XXIII Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel XXIV Wijzigt de Wet wederzijdse bijstand in de Europese Unie bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schul"},{"i":13080,"b":"Besluit wettelijke rente BES Artikel 1 De wettelijke rente, bedoeld in [artikel 120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028749&artikel=120), is gelijk aan de beleningsrente die door de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten laatstelijk is vastgesteld voor de eerste kalenderdag van het betreffende halfjaar, vermeerderd met 2 procentpunten. Wettelijke rente die loopt op de eerste dag van het betreffende halfjaar, wordt met ingang van dat tijdstip volgens de nieuwe rentevoet berekend gedurende een half jaar. Artikel 2 Dit besluit berust op [artikel 120, Boek 6, Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028749&artikel=120). Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als Besluit wettelijke rente BES."},{"i":13714,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 10 december 2015, nr. IENM/BSK-2015/244369, tot wijziging van de Regeling veiligheid Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense zeeschepen in verband met de inwerkingtreding voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten van de artikelen 6, 15, 41, 60, tweede lid, en 61, vierde lid, van het Schepenbesluit 2004 en de invoering van voorschriften betreffende de veiligheid van vrachtschepen en kleine commerciële schepen in het Caribisch gebied, de modernisering van de voorschriften betreffende de medische uitrusting aan boord van schepen, alsmede enige andere aanpassingen (Invoeringsregeling derde tranche Schepenbesluit 2004 Aruba, Curaçao en Sint Maarten) Handelende in overeenstemming met de Minister van Toerisme, Transport en Arbeid van Aruba, de Minister van Verkeer en Vervoer en Ruimtelijke Planning van Curaçao en de Minister van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie van Sint Maarten; Gelet op [artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38), [artikel 5, eerste lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=5), de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=12), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=22), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=32), [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=46), [48, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=48), [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=51), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=54), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=58) en [65 van het Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=65), de [artikelen 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=6.5), [6.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&art"},{"i":12901,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Schadefonds Geweldsmisdrijven vanaf 1976 (actualisatie 2014) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het handelen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven vanaf 1976 (actualisatie 2014) vast te stellen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":432,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 januari 2026, kenmerk 4334487-1093412-WJZ, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2025 [KetenID WGK028685] Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2025: **100** 3592 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13828,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 december 2008, nr. WJZ/84447 (8240), houdende uitvoeringsregels van de Mediawet 2008 (Mediaregeling 2008) Gelet op de [artikelen 2.20, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.20), [2.30, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.30), [2.44, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.44), [2.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.69), [2.157, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.157), [2.165](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.165), [2.187, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.187), [3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.1), [3.30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.30), [6.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=6.5), [8.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.8), en [artikel 9.6 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=9.6) en de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036&artikel=6) en [29 van het Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036&artikel=29); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **groep:** een groep als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **Stimuleringsfonds:** Stimuleringsfonds voor de pers, genoemd in [artikel 8.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.1); - **wet:** [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028). Hoofdstuk 2. Publieke mediadiensten Afdeling 2.1. Landelijke publieke mediadienst Artikel 2. Indien"},{"i":13827,"b":"Besluit van 3 februari 2011, houdende vaststelling van een mediabesluit voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en aanpassingen van het Besluit televisie- en radioreclame voor sterke drank BES (Mediabesluit BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 september 2010, nr. WJZ/236425 (8273), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 7, vierde lid, van de Mediawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028433&artikel=7); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2010, no. W05.10.0455/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 januari 2011, nr. WJZ 256702 (8273), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 10.10, onderdeel artikel 7, vierde lid van de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder tabaksprodukten: tabaksprodukten als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de Wet beperking tabaksgebruik BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028544&artikel=1). Artikel 2 1. Reclameboodschappen voor tabaksprodukten zijn niet gericht tot minderjarigen. 2. Reclameboodschappen voor tabaksprodukten duren niet langer dan dertig seconden. 3. Tussen twee reclameboodschappen voor tabaksprodukten verstrijken ten minste tien minuten. Artikel 3 Wijzigt het Besluit televisie- en radioreclame voor sterke drank BES. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel 10.10, onderdeel artikel 7, vierde lid van de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028129&artikel=10.10) in werking treedt. Artikel 5 Dit b"},{"i":13823,"b":"Mededeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 december 2017, 2017-0000195288, over per 1 januari 2018 gewijzigde bedragen in de Algemene Kinderbijslagwet, de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling **De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,** Gelet op [artikel 13, tweede, derde en achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13), [artikel 66, achtste lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=66) en [artikel 78, achtste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=78); **Deelt mede:** Dat met ingang van 1 januari 2018 in de hierna genoemde regelgeving, de bedragen zijn gewijzigd en als volgt luiden: A. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) B. [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) en [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) Wijzigt de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Deze mededeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13824,"b":"Mededeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 november 2017, 2017-0000185541, over per 1 januari 2018 gewijzigde bedragen in enkele wetten, besluiten en regelingen **De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,** Gelet op [artikel 2:8, tweede lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029368&artikel=2:8), [artikel 2, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=2), [artikel 9, zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9), [artikel 2.1:1, vierde lid, van het Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=2.1:1), [artikel 2, tweede en derde lid, van het Besluit tegemoetkoming Anw-ers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020863&artikel=2), [artikel 60, eerste en derde lid, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015711&artikel=60), de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035261&artikel=3), [4, tweede lid, 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035261&artikel=4), en [6, tweede lid, van het Besluit uitvoering kinderbijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035261&artikel=6), de [artikelen 1d, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d), en [1i, derde lid van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1i), de [artikelen 37, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=37), [38, eerste tot en met derde lid en vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=38), en [39, eerste lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=39), [artikel 5, derde lid, van de Regeling financiering en verantwoording IOAW, IOAZ en Bbz 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":13825,"b":"Mededeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 mei 2018, 2018-0000085753, over per 1 juli 2018 gewijzigde bedragen in enkele wetten, besluiten en regelingen **De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,** Gelet op [artikel 2:8, tweede lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029368&artikel=2:8), [artikel 2, tweede en vijfde lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=2), [artikel 9, zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9), [artikelen 37, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=37), en [38, zesde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=38), [artikel 2, vijfde lid, van de Regeling tegemoetkoming Wajongers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020632&artikel=2), [artikel 5, derde lid, van de Regeling vermogenswaardering Ioaz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011947&artikel=5), de [artikelen 3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033498&artikel=3), en [8, vierde lid, van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033498&artikel=8), [artikel 9, tweede lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=9), [artikel 1b, achtste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=1b), [artikel 15, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=15), [artikel 5, derde tot en met het zevende en tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=5), en [8, vierde, zesde en achtste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=8), [artikelen 5, vierde tot en met zesde en"},{"i":13826,"b":"Wet van 22 mei 1997, houdende nieuwe regels omtrent de economische mededinging (Mededingingswet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter vervanging van de Wet economische mededinging nieuwe regels vast te stellen omtrent mededingingsafspraken en economische machtsposities, alsmede om regels te stellen omtrent toezicht op concentraties van ondernemingen, en daarbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels betreffende de mededinging krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. Autoriteit Consument en Markt: de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - c. vervallen; - d. Verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - e. overeenkomst: een overeenkomst in de zin van artikel 101, eerste lid, van het Verdrag; - f. onderneming: een onderneming in de zin van artikel 101, eerste lid, van het Verdrag; - g. ondernemersvereniging: een ondernemersvereniging in de zin van artikel 101, eerste lid, van het Verdrag; - h. onderling afgestemde feitelijke gedragingen: onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 101, eerste lid, van het Verdrag; - i. economische machtspositie: positie van een of meer ondernemingen die hen in staat stelt de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan te verhinderen door hun de mogelijkheid te geven zich in belangrijke mate onafhankelijk van hun concurrenten, hun leveranc"},{"i":13488,"b":"Instellingsbesluit Commissie Evaluatie Beleidsplan KMar 2010 Overwegende, Dat de Koninklijke Marechaussee in 2005 met het Beleidsplan KMar 2010 een belangrijk veranderingsproces heeft ingezet; Dat de Koninklijke Marechaussee in aanvulling op de maatregelen uit het Beleidsplan KMar 2010 maatregelen heeft genomen om de aanbevelingen uit het rapport van de Commissie ‘Onderzoek Cultuur en Integriteit bij de Koninklijke Marechaussee’ (Commissie Staal) te implementeren; Dat de Koninklijke Marechaussee deze maatregelen in de periode 2005–2008 in belangrijke mate heeft geëffectueerd; Dat bij de eerste rapportage aan de Kamer is toegezegd dat na de implementatie van alle maatregelen, aan het einde van 2008, een externe evaluatie wordt uitgevoerd; Dat de Koninklijke Marechaussee in aanvulling op de maatregelen uit het Beleidsplan KMar 2010 maatregelen heeft genomen om de aanbevelingen uit het rapport van de Commissie ‘Onderzoek Cultuur en Integriteit bij de Koninklijke Marechaussee’ (Commissie Staal) te implementeren; Dat de Koninklijke Marechaussee deze maatregelen in de periode 2005–2008 in belangrijke mate heeft geëffectueerd; Dat bij de eerste rapportage aan de Kamer is toegezegd dat na de implementatie van alle maatregelen, aan het einde van 2008, een externe evaluatie wordt uitgevoerd; Besluit: Artikel 1. Commissie 1. Er is een commissie Evaluatie Beleidsplan KMar 2010. 2. Tot de voorzitter van de commissie wordt benoemd mevrouw A.M. Vliegenthart. 3. Tot de leden van de commissie worden benoemd: - a. Drs. J.R. Elffers; - b. Mr. P. Vogelzang; - c. Drs. E.H. Wellenstein. Artikel 2. Taken De commissie heeft de volgende taken: - a. onderzoek of de maatregelen die voortvloeien uit het beleidsplan KMar 2010 inclusief de aanbevelingen van de commissie Staal een effectieve bijdrage leveren aan het oplossen van de onderkende knelpunten, zoals deze zijn verwoord in Beleidsplan KMar 2010 en het rapport van de commissie Staal; - b. onderzoek of voor het oplossen van de onderkende k"},{"i":12220,"b":"Besluit van De Nederlandsche Bank N.V. van 12 januari 2023 tot erkenning van de sinds 1 mei 2022 van toepassing zijnde macroprudentiële maatregel van de Nationale Bank van België inhoudende een systeemrisicobufferpercentage van 9% (Besluit erkenning 9% systeemrisicobuffer België 2022) Na openbare consultatie; Gelet op de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), in het bijzonder [artikel 3:62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:62a); Gelet op het [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420), in het bijzonder [artikel 105, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=105) en [artikel 105e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=105e); Gelet op de [Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042578), in het bijzonder [artikel 2:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042578&artikel=2:3); Gelet op [Richtlijn nr. 2013/36](32013L0036)/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van [Richtlijn 2002/87/EG](32002L0087) en tot intrekking van de [Richtlijnen 2006/48/EG](32006L0048) en [2006/49/EG](32006L0049); in het bijzonder artikel 134; Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a). **Bpr:** [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - b). **CRD:** [Richtlijn nr. 2013/36](32013L0036)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van [Richtlijn 2002/87/EG](32002L0087) en tot intrekking van de [Richtlijnen 2006/48/EG](32006L0048) en [2006/49/EG](32006L0049), oftewel de richtli"},{"i":12326,"b":"Besluit van 29 december 1982, houdende herverdeling taken van een aantal departementen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 24 december 1982, nr. 327202, mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers; Gelet op het bepaalde in de onderdelen 1, 3 en 5 van Ons Besluit van 15 november 1982 (**Stb.** 641); Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel Met ingang van 1 januari 1983 gaan over op het departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer: - 1. de verplichtingen voor het departement van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, voortvloeiende uit het dienstverband met het personeel van het voormalige departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, voor zover behorende tot het Directoraat-Generaal voor de Milieuhygiëne, de Inspectie van de Volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu, het Rijksinstituut voor Drinkwatervoorziening, het Instituut voor Afvalstoffenonderzoek, de Centrale raad voor de milieuhygiëne, de Raad voor Milieu en Natuuronderzoek en de Voorlopige commissie voor de Milieu-effect-rapportage; - 2. de verplichtingen voor het departement van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, voortvloeiende uit het dienstverband met het personeel van de centrale en stafafdelingen van het voormalige departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, voor zover Onze Minister van Binnenlandse Zaken dat personeel plaatst in functies bij het departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - 3. de zorg van het departement van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur voor de overige beheersaangelegenheden van het voormalige departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, voor zover samenhangend met de aangelegenheden op het terrein van de Milieuhygiëne. Onze Minist"},{"i":12327,"b":"Besluit van 20 december 2004, houdende vaststelling van het hoofdrailnet, bedoeld in artikel 69b, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 (Besluit hoofdrailnet) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 december 2004, nr. HDJZ/S&W/2004-3059, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 69b, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=69b); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het hoofdrailnet bestaat uit de binnenlandse openbaar-vervoerdiensten voor het personenvervoer per trein over de spoorwegverbindingen die zijn aangegeven op het kaartbeeld in de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005, danwel, indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2004, met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit hoofdrailnet. Bijlage. behorend bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017795&artikel=1&z=2015-01-01&g=2015-01-01) van het Besluit hoofdrailnet Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12328,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 27 februari 2024, nr. WJZ/44543078, houdende de algemeenverbindendverklaring van een overeenkomst tussen handelaren in gewasbeschermingsmiddelen Gelezen het verzoek van de vereniging Agrodis van 25 september 2023 tot algemeenverbindendverklaring van haar overeenkomst tussen handelaren in gewasbeschermingsmiddelen; Gelet op [artikel 111, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=111); Besluit: Artikel 1 1. In dit besluit wordt onder ‘distributeur’, ‘gebruiker’, ‘gewasbeschermingsmiddel’ en ‘professionele gebruiker’ verstaan, hetgeen daaromtrent is bepaald in [artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=1). 2. Onder stichting CDG wordt verstaan: stichting Certificatie Distributie in Gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 2 1. De overeenkomst van 25 september 2023, inclusief het CDG-certificatieschema versie 5.0, tussen handelaren in gewasbeschermingsmiddelen verenigd in Agrodis, wordt algemeen verbindend verklaard. 2. De algemeenverbindendverklaring, bedoeld in het eerste lid, is van toepassing op een ieder die in Nederland toegelaten professionele gewasbeschermingsmiddelen op de markt brengt of deze middelen vanuit Nederland verkoopt of wederverkoopt. Artikel 3 1. In afwijking van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049421&artikel=2&z=2024-03-02&g=2024-03-02) is de overeenkomst niet van toepassing op een natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechthebbende is van een toelating en een gewasbeschermingsmiddel levert of doet leveren aan: - a. een leverancier of distributeur die beschikt over een geldig bewijs van vakbekwaamheid; - b. een professionele gebruiker met het oog op de behandeling van het zaaizaad door die gebruiker. 2. In afwijking van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049421&artikel=2&z=2024-03-02&g"},{"i":12331,"b":"Besluit van 16 november 1852, houdende bepalingen omtrent de door den Burgemeester te dragen onderscheidingsteekenen Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van den 20sten October 1852 N°. 191, 2de Afd.; Overwegende, dat, volgens [art. 76 der gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=76), de door den burgemeester te dragen onderscheidingsteekenen door Ons moeten worden bepaald, en dat het noodzakelijk is, voor te schrijven, bij welke gelegenheden die teekenen gedragen zullen moeten worden; Den Raad van State gehoord (advies van den 5den dezer, N°. 4); Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 14 November 1852 N°. 21, 2de Afd; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De onderscheidingsteekenen, door den burgemeester te dragen, bestaan in een zilveren penning, hebbende eene middellijn van veertig strepen en vertoonende aan de eene zijde het wapen des Rijks, aan de andere dat der gemeente, of, zoo de gemeente geen wapen heeft, den naam der gemeente; de penning hangende op de borst, hetzij aan eene zilveren keten, hetzij aan een oranje zijden lint; de keten of het lint op beide schouders aan den rok of het opperkleed vastgehecht. Artikel 2 De burgemeester draagt de onderscheidingsteekenen, wanneer hij: voorzit in de vergadering van den Raad; ingeval van brand, of van oproerige beweging, van zamenscholing of andere stoornis der openbare orde zich in het openbaar vertoont; uit krachte van de [artikelen 172](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=172) tot en met [175 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=175), of van eenige andere wet persoonlijk in het openbaar bevelen geeft; bij plegtige gelegenheden namens de gemeente opkomt. Artikel 3 Bij ontstentenis van den burgemeester worden de teekenen, in de bij het vorig artikel omschreven gevallen, gedragen door dengeen, die hem vervangt. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met den 1sten J"},{"i":12332,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 november 2022, kenmerk 2967416, houdende beperking van de openbaarheid op het archief Koninklijke Onderscheidingen van de afdeling Kabinetszaken 1958-1996 van het Ministerie van Justitie Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemeen Rijksarchivaris d.d. 14 oktober 2022, met kenmerk 100584. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van archief Koninklijke Onderscheidingen van de afdeling Kabinetszaken 1958-1996. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | tot 1 januari: | Inventarisnummers: | tot 1 januari: | | --- | --- | --- | --- | | 1 | 2045 | 79 | 2033 | | 2 | 2045 | 80 | 2033 | | 7 | 2031 | 81 | 2033 | | 8 | 2032 | 82 | 2033 | | 9 | 2033 | 83 | 2033 | | 10 | 2034 | 84 | 2033 | | 11 | 2035 | 85 | 2033 | | 12 | 2036 | 86 | 2031 | | 13 | 2037 | 87 | 2031 | | 14 | 2038 | 88 | 2031 | | 15 | 2039 | 89 | 2031 | | 16 | 2043 | 90 | 2031 | | 17 | 2044 | 91 | 2031 | | 18 | 2047 | 95 | 2030 | | 19 | 2045 | 96 | 2030 | | 20 | 2046 | 97 | 2030 | | 21 | 2045 | 98 | 2029 | | 22 | 2045 | 99 | 2029 | | 23 | 2045 | 101 | 2029 | | 28 | 2043 | 103 | 2030 | | 30 | 2037 | 105 | 2030 | | 31 | 2037 | 137 | 2024 | | 32 | 2037 | 138 | 2025 | | 33 | 2037 | 139 | 2026 | | 34 | 2039 | 140 | 2028 | | 35 | 2039 | 141 | 2029 | | 36 | 2047 | 142 | 2030 | | 37 | 2036 | 143 | 2040 | | 38 | 2036 | 144 | 2041 | | 39 | 2044 | 145 | 2042 | | 40 | 2040 | 149 | 2042 | | 41 | 2044 | 150 | 2042 | | 42 | 2042 | 151 | 2042 | | 43 | 2038 | 152 | 2041 | | 44 | 2043 | 153 | 2041 | | 45 | 2043 | 154 | 2041 | | 46 | 2042 | 156 | 2041 | | 47 | 2047 | 157 | 2026 | | 48 | 2036 | 158"},{"i":12333,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse zaken van 17 april 2008, nr. DDI/ST/reg. 024/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Nederlands Gezantschap in Spanje (Madrid), (1888) 1939–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Nederlands Gezantschap in Spanje (Madrid), (1888) 1939–1954, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 561 | 2027 | | 596 | 2019 | | 599 | 2027 | | 602 | 2027 | | 629-632 | 2027 | | 636 | 2025 | | 652 | 2026 | | 653 | 2018 | | 654 | 2021 | | 655 | 2027 | | 656 | 2021 | | 658-661 | 2028 | | 664 | 2021 | | 665 | 2020 | | 668 | 2022 | | 669 | 2026 | | 674 | 2027 | | 703 | 2027 | | 724 | 2030 | | 738 | 2030 | | 739 | 2030 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023792&artikel=1&z=2008-04-27&g=2008-04-27), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023792&artikel=1&z=2008-04-27&g=2008-04-27), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur"},{"i":12330,"b":"Besluit houdende benoeming en vergoeding nationaal comité dierproeven Gelet op [artikel 19, vijfde lid, van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=19) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Met ingang van 18 december 2014 worden voor een periode van vijf jaar tot lid van het nationaal comité dierproeven benoemd: - a. de heer dr. B.W.M. Koeter, tevens voorzitter; - b. mevrouw drs. H.J. Bout; - c. de heer F.C. Dales; - d. de heer prof. dr. C.F.M. Hendriksen; - e. mevrouw prof. dr. F. Ohl; - f. de heer dr. J.B. Prins; - g. de heer prof. dr. P. R. Roelfsema. Artikel 2 1. Aan de voorzitter van het nationaal comité dierproeven wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,22. 2. Aan de andere leden van het nationaal comité dierproeven wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,11. 3. Een gastdeskundige ontvangt een vergoeding per vergadering van € 256,24. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen en aan het nationaal comité dierproeven."},{"i":12329,"b":"Besluit houdende algemene voorwaarden voor omwisseling van Staatsobligaties in strips en vice versa Overwegende dat het wenselijk is algemene voorwaarden testellen met het oog op de omwisseling van obligaties van openbare leningen ten laste van de Staat der Nederlanden in strips en vice versa bij De Nederlandsche Bank N.V. te Amsterdam, Besluit: Artikel 1 Uitsluitend door de Minister van Financiën daarvoor aangewezen obligaties van openbare leningen ten laste van de Staat der Nederlanden kunnen bij De Nederlandsche Bank N.V. worden omgewisseld in strips en vice versa. Artikel 2 Een strip is een gedematerialiseerd schuldbewijs dat recht geeft op een deel van de aflossings- of rentetermijnen van obligatieleningen die op een bepaalde datum betaalbaar worden gesteld. Strips worden uitsluitend in girale vorm verkrijgbaar gesteld in coupures van elk euro 0,01. Artikel 3 Omwisseling van obligaties in strips en vice versa is alleen mogelijk door tussenkomst van een instelling die een strips-rekening aanhoudt bij De Nederlandsche Bank N.V.. Een strips-rekening is een effectenrekening waarop strips kunnen worden bij- of afgeschreven. Alleen instellingen die in belangrijke mate hun bedrijf maken van het beheren en administreren van effecten ten behoeve van derden en/of een intermediaire functie in de effectenhandel vervullen kunnen een strips-rekening aanhouden bij DNB. Artikel 4 In strips om te wisselen obligaties dienen te worden bijgeschreven op de effectenrekening van De Nederlandsche Bank N.V. bij Necigef of bij Euroclear, ten gunste van de effectenrekening van het Agentschap van het Ministerie van Financiën bij De Nederlandsche Bank N.V. Het bij te schrijven bedrag aan obligaties dient per bijschrijving ten minste euro 500.000,- te bedragen. Na bijschrijving van de obligaties worden de ingevolge omwisse ling daarvan te verkrijgen strips door De Nederlandsche Bank N.V. bijgeschreven op de strips-rekening van de betrokken instelling. Er worden geen fysieke effecten verkrij"},{"i":12005,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 april 2008, nr. DDI/ST/reg. 013/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Ambassade in Griekenland van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade in Griekenland van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 111 | 2050 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023785&artikel=1&z=2008-04-26&g=2008-04-26), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023785&artikel=1&z=2008-04-26&g=2008-04-26), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit zal met"},{"i":11946,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 7 februari 2023, kenmerk 3973239, houdende beperking van de openbaarheid van de aanvulling op het archief Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, correspondentiearchief (1945) 1957–1997 (2000) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 23 december 2022, met kenmerk 1154268. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het correspondentiearchief van de onderafdeling Documentatie van de Hoofdafdeling Staats- en Strafrecht en taakopvolgers, CA-Dossiers (1945) 1957–1997 (2000) Artikel 1 Gelet op het feit dat alle inventarisnummers genoemd in inventaris 2.09.157 bijzondere persoonsgegevens, als bedoeld in Algemene Verordening Gegevensbescherming, voorkomen zijn deze inventarisnummers met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt openbaar tot 1 januari 2025 gebaseerd op het [Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in de archieven DGBR (2.09.08), COOM (2.09.61), STPD (2.09.42.01), CABR (2.09.09), Bureau Bijzondere Jeugdzorg (2.09.42.02) en de Provinciale Inspecties en Tehuizen voor de Bijzondere Jeugdzorg in Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Limburg, Noord-Brabant, Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Holland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042624) geplaatst in de Staatscourant van 9 oktober 2019 nr. 54696. Omdat het Nationaal Archief na overbrenging mogelijk ook de persoonlijke levenssfeer van de aanvrager dient te beschermen, zal voor openbaarmaking per 1 januari 2025 een afweging plaatsvinden. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047880&artikel=1&z=2023-02-18&g"},{"i":11161,"b":"Vaststelling selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Open Universiteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Wetenschappelijk onderwijs over de periode 1985– Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Open Universiteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Wetenschappelijk onderwijs over de periode 1985–’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11162,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) vanaf 2008 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Generieke selectielijst Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Deze selectielijst geldt voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), bestaande uit de volgende deellijsten: Bestuursdepartement, ingangsdatum 1 april 2008; Dienst Uitvoering Onderwijs, ingangsdatum 1 januari 2010; Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ingangsdatum 1 januari 2016; Nationaal Archief, ingangsdatum 1 januari 2016; Inspectie van het Onderwijs, ingangsdatum 1 januari 2014; Erfgoedinspectie, ingangsdatum 1 januari 2012; Onderwijsraad, ingangsdatum 1 januari 2016; Raad voor Cultuur, ingangsdatum 1 januari 2016; Adviesraad voor Wetenschap en Technologie en Innovatie, ingangsdatum 1 januari 2016; College van Beroep voor het Hoger Onderwijs, ingangsdatum 8 oktober 1992; Commissies en bijzondere samenwerkingsverbanden, ingangsdatum 1 april 2008. Artikel 2 De selectielijsten | 001 | [Coördinatie algemeen regeringsbeleid, 1945 –](onbekend), zorgdrager OCW, Staatscourant van 18 maart 2009, nr. 53 | | --- | --- | | 003 | [Oorlogsgetroffenen, 1945 –](onbekend) , zorgdrager OCW, Staatscourant van 24 mei 2007, nr. 98 | | 004 | [Telecommunicatie en Post, 1945 –](onbekend) , zorgdrager OCW, Staatscourant van 8 april 2009, nr. 68 | | 006 | [Planning van voorzieningen in de gezondheidszorg, 1945 –](onbekend) , zorgdrager OCW, Staatscourant van 29 mei 2007, nr. 100 | | 007 | [Bekostiging en verzekering van de gezondheidszorg, 1945 –](onbekend) , zorgdrager OCW, Staatscourant van 28 november 2006, nr. 232 | | 008 | [De vaststelling van tarieven in de gezondheidszorg, 1945 –](onbekend) , zorgdrager OCW, Staatscourant van 15 november 2007, nr. 222 | | 009 | [Ouderenbeleid, 1945 –](o"},{"i":14139,"b":"Regeling bijdragen aanleg snelgroeiend bos 1988 Overwegende, dat het gewenst is een nieuwe regeling vast te stellen voor het verlenen van bijdragen ter bevordering van de aanleg van snelgroeiend bos voor de houtvoorziening op de korte termijn; Gehoord het Bosschap en de Bosbouwvoorlichtingsraad; Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Aan de eigenaar wordt op de voet van de bepalingen van deze regeling op zijn verzoek door de minister een eenmalige bijdrage van f 3000 per hectare verleend ter zake van bebossing van gronden anders dan ter voldoening aan een bestaande verplichting tot herbeplanting. Artikel 3 De bijdrage, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004416&artikel=2&z=2016-01-22&g=2016-01-22), wordt slechts verleend indien: - a. ten minste een aaneengesloten halve hectare grond wordt bebost of een door de minister daarmee gelijk te stellen aantal kilometers weg- of rijbeplanting wordt aangelegd en - b. de bebossing geschiedt met de boomsoorten behorende tot de geslachten populus (populier) of salix (wilg), dan wel met de boomsoorten Fijnspar (Picea abies), Sitcaspar (Picea sitchensis), Corsicaanse den (Pinus nigra var. maritima) of Douglas (Pseudo-tsuga menziesii). Artikel 4 Geen bijdrage wordt verleend indien: - a. de voor de toekenning van bijdragen op grond van deze regeling beschikbaar gestelde middelen blijkens een daartoe strekkende mededeling van de minister in de Staatscourant door het totaal van de voorafgaande toezeggingen zijn uitgeput dan wel overschreden zullen worden door toezegging van de gevraagde bijdrage; - b. de bebossing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvrage is beslist; - c. de beplanting naar het oordeel van de minister bosbouwkundig niet verantwoord is. Artikel 5 De eigenaar dient de opstand waarvoor een bijdrage als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004416&artikel=2&z=2016-01-22&g=2016-01-22), is verleend in stand te houden: - a. gedurende tenmi"},{"i":11174,"b":"Circulaire pilot Tussen Rijk en Onderwijs **Inleiding** Met deze circulaire informeer ik u over de pilot ‘Tussen Rijk en Onderwijs’ en vraag ik om uw medewerking. Via deze pilot krijgen 50 rijksambtenaren de kans om op vrijwillige basis de overstap te maken naar een baan als leraar op een school in het voortgezet onderwijs in de regio Den Haag. Initiatiefnemer van het project is het A+O fonds Rijk. **De pilot** Geïnteresseerde rijksambtenaren met minimaal een hbo-diploma kunnen zich aanmelden bij Manpower, het bureau dat door de Mobiliteitsorganisatie is ingeschakeld. Kandidaten krijgen een intakegesprek en worden, als zij geschikt bevonden zijn, gekoppeld aan een vacature bij een school. Dan volgt een oriëntatieperiode van maximaal drie maanden op de school. In de meeste gevallen zal deze periode naar verwachting korter duren. Deelnemers lopen mee met een leraar en kunnen op die manier proeven aan het vak en aan de schoolcultuur. Deze periode is bedoeld om een afgewogen besluit te kunnen nemen, voor zowel de kandidaat als voor de school. Gedurende deze fase doorlopen de kandidaten een EVC-procedure, die bepalend is voor het opleidingsprogramma. Na afloop van de oriëntatieperiode nemen kandidaat en school het besluit of de overstap gerealiseerd wordt. Indien de oriëntatiefase tot wederzijds genoegen is verlopen krijgt de kandidaat een tijdelijke aanstelling bij de school. Op dat moment neemt de kandidaat ontslag als rijksambtenaar. Er volgt een duaal opleidingstraject (combinatie van leren en werken), waarmee de kandidaat zijn onderwijsbevoegdheid haalt. Op dat moment krijgt de deelnemer een vaste aanstelling bij de school. **Faciliteiten vanuit BZK** Deze pilot draagt bij aan de gewenste vernieuwing van de Rijksdienst. Daarom heb ik een bedrag van circa € 2,5 miljoen beschikbaar gesteld om faciliteiten te kunnen bieden voor de rijksambtenaren die de overstap willen maken. Op 8 april 2008 heb ik een convenant gesloten met het A&O fonds Rijk en de scholen in het voor"},{"i":11176,"b":"collegebesluit Extra afnamemoment ER-examens 2ER en 3ER eerste tijdvak (P1) centrale examinering mbo, studiejaar 2016–2017 Gelet op het [Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB, artikel 6 lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); Gezien de instemming van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 26 april 2016 kenmerk 928773; Besluit: Treedt in werking op 1 augustus 2016 ten behoeve van het studiejaar 2016–2017. Artikel 1. Extra afnametijdstip ER-examens eerste tijdvak (P1) centrale examinering mbo Voor het tijdvak P1 centrale examinering mbo, studiejaar 2016–2017 wordt een Extra afnamemoment voor de ER-examens 2ER en 3ER vastgesteld als opgenomen in bijlage 1 bij dit collegebesluit. Artikel 2. Bekendmaking Het collegebesluit tot vaststelling van het Extra afnamemoment ER-examens 2ER en 3ER eerste tijdvak (P1) centrale examinering mbo, studiejaar 2016–2017, als opgenomen in de bijlage bij dit besluit, wordt geplaatst in de Staatscourant. Artikel 3. Inwerkingtreding Het collegebesluit tot vaststelling van het Extra afnamemoment ER-examens 2ER en 3ER eerste tijdvak (P1) centrale examinering mbo, studiejaar 2016–2017, treedt in werking op 1 augustus 2016 ten behoeve van het studiejaar 2016–2017. Artikel 4. Citeertitel Dit collegebesluit kan worden aangehaald als collegebesluit Extra afnamemoment ER-examens 2ER en 3ER eerste tijdvak (P1) centrale examinering mbo, studiejaar 2016–2017. Bijlage. bij het Extra afnamemoment ER-examens 2ER en 3ER eerste tijdvak (P1) centrale examinering mbo, studiejaar 2016–2017, van 30 april 2016, nummer CvTE-16.00760 **Datum: 30 april 2016** **Kenmerk: CvTE-16.00760** Voorlichtingspublicatie College voor Toetsen en Examens Extra afnamemoment ER-examens 2ER en 3ER eerste tijdvak (P1) centrale examinering mbo, studiejaar 2016–2017 Het Extra afnamemoment ER-examens 2ER en 3ER in het studiejaar 2016–2017 binnen het eerste tijdvak van de centrale examinering mbo 2F en 3F, is op 30 april 2"},{"i":11179,"b":"Deelregeling Impuls muziekonderwijs PO 2015–2020 Gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 september 2015 Besluit: Paragraaf 1. : Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **Fonds voor Cultuurparticipatie:** het bestuur van de stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - **School:** basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het Primair Onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) of een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de Expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of een school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **Schoolbestuur:** het bevoegd gezag van een basisschool als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het Primair Onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de Expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **Locatie:** een in Nederland gelegen hoofd- of nevenvestiging als bedoeld in de [Wet op het Primair Onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de Expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) en de [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280); -"},{"i":13317,"b":"Wet van 23 december 1987, houdende regelen voor de indiening en behandeling van en de beschikking op verzoekschriften om gratie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge artikel 122, eerste lid, van de herziene [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) een wettelijke regeling dient te voorzien in de aanwijzing van gerechten welke over verzoekschriften om gratie advies uitbrengen en in voorschriften omtrent de behandeling van en beschikking op zulke verzoekschriften, en dat het in dat verband wenselijk is de bepalingen van het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) die betrekking hebben op de indiening van verzoekschriften om gratie te wijzigen opdat het mogelijk zij ook gratie te verzoeken en te verkrijgen van bepaalde door de Nederlandse strafrechter opgelegde strafrechtelijke maatregelen, en voorts enkele andere wetten daaraan aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Justitie; openbaar ministerie: het openbaar ministerie dat de voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing, waarop het verzoek om gratie betrekking heeft, heeft verstrekt aan Onze Minister; verzoekschrift: een schriftelijk verzoek om gratie van een veroordeelde of een derde, ingediend op het formulier, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004257&artikel=3&z=2021-04-01&g=2021-04-01); veroordeelde: degene op wie het verzoekschrift betrekking heeft. 2. In deze wet wordt mede verstaan onder: openbaar ministerie: het openbaar ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; in Nederland: in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; een Nederlandse strafrechter: een strafrechter in de openbare licha"},{"i":11204,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 maart 2024, nr. 1502262, houdende instelling van een Programmaraad Onderwijsregio’s (Instellingsbesluit Programmaraad Onderwijsregio’s) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelend in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **commissie:** Programmaraad Onderwijsregio’s, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049534&artikel=2&z=2026-01-06&g=2026-01-06); - c. **landelijke organisaties:** organisaties die zijn vertegenwoordigd in het Bestuurlijk Overleg Leraren, te weten de sectorraden, de opleiders, de Realisatie Eenheid van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en diverse vak- en beroepsorganisaties; - d. **BO-Leraren:** Bestuurlijk Overleg Lerarenstrategie. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een commissie, genaamd de Programmaraad Onderwijsregio’s. 2. De commissie geeft gevraagd en ongevraagd advies aan de Realisatie-Eenheid op de opdracht van de maatschappelijke opgave van de onderwijsarbeidsmarkt in de onderwijsregio’s, de uitvoeringsstrategie en het realiseren van de beoogde resultaten. De commissie geeft daarbij gevraagd en ongevraagd advies op de inhoud van de opdracht, de uitvoeringsstrategie en het realiseren van de beoogde resultaten. Daarbij houdt de commissie het lange termijnperspectief voor ogen: een goed werkende (regionale) onderwijsarbeidsmarkt. 3. De commissie heeft tot taak te: - a). signaleren: nader onderzoeken en agenderen van knelpunten, dilemma’s en kansen die spelen binnen het veld rondom de vorming en werking van onderwijsregio’s; - b). reflecteren op de voortgang en effectiviteit van de uitvoering: toezichthouden en het bewaken op uitvoering van regiovormi"},{"i":14251,"b":"Regeling experiment verlenging gebruiksduur nachtelijke vertrek- en naderingsprocedures Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 8.23a, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.23a); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. LVB: het [Luchthavenverkeerbesluit Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330); - b. het experiment: het experiment ‘Verlenging gebruiksduur nachtelijke vertrek- en naderingprocedures;’ - c. gebruiksjaar 2008: de periode van 1 november 2007 tot en met 31 oktober 2008; - d. CROS: Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in [artikel 8.34 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.34); - e. KLM: Koninklijke Luchtvaart Maatschappij; - f. LVNL: Luchtverkeersleiding Nederland; - g. Schiphol: N.V. Luchthaven Schiphol; - h. SID: Standard Instrument Departure, vertrekprocedure die de piloot middels een code in de boordcomputer invoert waardoor het vliegtuig die procedure volgt vanaf de startbaan, ook wel: uitvliegroute; - i. gebruiksjaar 2009: de periode van 1 november 2008 tot en met 31 oktober 2009. Artikel 2. Doel Het experiment beoogt, teneinde een gunstig effect op de hinderbeleving te bewerkstelligen, te onderzoeken of door het langer gebruik maken van de nachtelijke vertrek- en naderingsprocedures en routes per saldo het aantal slaapverstoorden en ernstig gehinderden wordt verminderd. Artikel 3. Luchtverkeerwegen Voor de duur van het experiment wordt voor de periode tussen 6.00 uur en 6.45 uur vrijstelling verleend van de [artikelen 3.1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&artikel=3.1.1), en [3.1.3, eerste lid, van het LVB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&artikel=3.1.3), met betrekking tot de luchtverkeerwegen die zijn aangewezen op de [kaarten 5/21 en 19/21 van bijlage 1 v"},{"i":11210,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 februari 2026, nr. 62011106, houdende herinstelling van de Wetenschappelijke Expertgroep Masterplan Basisvaardigheden Gelet op [artikel 1, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=1), en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **expertgroep:** Wetenschappelijke Expertgroep Masterplan Basisvaardigheden, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052316&artikel=2&z=2026-02-21&g=2026-02-21). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Wetenschappelijke Expertgroep Masterplan Basisvaardigheden 2. De expertgroep heeft tot taak het: - a. adviseren van de minister over (deel)onderzoeken die worden opgezet voor de evaluatie van het Masterplan Basisvaardigheden; - b. bijdragen aan het valideren en opzetten van de (deel)onderzoeken voor de evaluatie van het Masterplan Basisvaardigheden; - c. adviseren van de minister over de onderzoeksresultaten van de uitgevoerde (deel)onderzoeken voor de evaluatie van het Masterplan Basisvaardigheden. Artikel 3. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De expertgroep bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zes andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 3. De benoeming geschiedt voor de duur van de expertgroep. 4. De voorzitter en overige leden kunnen op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of wegens andere zwaarwegende gronden worden geschorst en ontslagen door de minister. 5. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen. Artikel 4. Leden Voor de duur van de expertgroep worden tot lid van de expertgroep benoemd: - ○. mevrouw J. Bolhaar, afdelingshoofd Arbeid, Onderwijs en Innovatie bij het"},{"i":11994,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 juni 2007, nr. DDI/ST/reg. 011/2007, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Marine en Leger Inlichtingendienst, de Netherlands Forces Intelligence Service en de Centrale Militaire Inlichtingendienst in Nederlands-Indië, 1942-1949 (1960) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Marine en Leger Inlichtingendienst, de Netherlands Forces Intelligence Service en de Centrale Militaire Inlichtingendienst in Nederlands-Indië, 1942–1949 (1960), openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 58 | 2020 | | 239 | 2021 | | 240 | 2021 | | 600 | 2024 | | 976 | 2024 | | 1592 | 2025 | | 1593 | 2025 | | 1621 | 2025 | | 1622 | 2025 | | 1623 | 2025 | | 1624 | 2025 | | 1666 | 2025 | | 1703 | 2025 | | 1927 | 2022 | | 1950–1955 | 2022 | | 1957–1992 | 2022 | | 1993–2011 | 2021 | | 2013 | 2022 | | 2014 | 2023 | | 2063 | 2024 | | 2068 | 2022 | | 2069 | 2022 | | 2070 | 2022 | | 2110 | 2022 | | 2138 | 2022 | | 2140 | 2024 | | 2141 | 2024 | | 2150 | 2023 | | 2225–2245 | 2022 | | 2278–2280 | 2022 | | 2307 | 2016 | | 2308 | 2017 | | 2309 | 2021 | | 2310 | 2021 | | 2311 | 2025 | | 2312 | 2021 | | 2313 | 2022 | | 2314 | 2025 | | 2315 | 2022 | | 2316 | 2022 | | 2317 | 2025 | | 2318 | 2025 | | 2319 | 2025 | | 2320 | 2025 | | 2321 | 2025 | | 2322 | 2025 | | 2323 | 2023 | | 2324 | 2023 | | 2325 | 2022 | | 2326 | 2022 | | 2327 | 2014 | | 2330 | 2023 | | 2331 | 2024 | | 2332 | 2022 | | 2333 | 2022 | | 2334 | 2022 | | 2335 | 2022 | | 2336 | 2022 | | 2337 | 2022 | | 2338 | 2023 | | 2342 | 2022 | | 2343 | 2023 | | 2344 | 2023 | | 2346 | 2023 | | 2347 | 2023 | | 2351 | 2024 | | 2352"},{"i":12250,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 2 november 2022, nr. WJZ/ 22225091, tot erkenning van het gebrek aan eiwithoudende diervoerders door de situatie in Oekraïne als rampzalige omstandigheid voor de biologische productie Gelet op artikel 22, tweede lid, van [Verordening (EU) 2018/848](32748R2018) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 834/2007](32007R0834) van de Raad (PbEU 2018, L150) en artikel 1 van Gedelegeerde [Verordening (EU) 2022/1450](33350R2022), van de Commissie van 27 juni 2022 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2018/848](32748R2018) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het gebruik van niet-biologische eiwithoudende diervoeders voor de productie van biologisch vee als gevolg van de Russische invasie van Oekraïne (PbEU 2022, L228); Gelet op [artikel 6.3 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3) en [artikel 6, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022543&artikel=6); Besluit: Artikel 1 1. De Minister erkent, overeenkomstig artikel 22 van [verordening (EU) 2018/848](32748R2018) en artikel 1 van [verordening (EU) 2022/1450](33350R2022), dat het gebrek aan beschikbaarheid van eiwithoudende diervoeders uit biologische productie in Nederland als gevolg van de situatie in Oekraïne sinds de inval door Rusland op 24 februari 2022, als een rampzalige gebeurtenis moet worden beschouwd voor biologische bedrijven die biologisch gehouden varkens en pluimvee voederen met eiwithoudend diervoeder. 2. Voor de periode van 12 april 2022 tot uiterlijk 1 december 2022 kunnen door middel van ontheffing, de afwijkingen als bedoeld in de punten 1.9.3.1., onder c, en 1.9.4.2., onder c, van deel II van bijlage II bij [Verordening (EU) 2018/848](32748R2018) worden uitgebreid tot categorieën varkens en pluimvee di"},{"i":12565,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 december 2016, nr. O&B/699178, inzake de routinematige digitale vervanging archiefbescheiden personeelsdossiers, concern OCW (Besluit routinematige digitale vervanging archiefbescheiden personeelsdossiers OCW 2016) Gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6); [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); de [Regeling Informatiebeheer OCW 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033170); het [Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 november 2009, nr. CO/BIC/P-DIR/154080, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026638), gepubliceerd in de Staatscourant op 17 november 2009, nr. 17314 Besluit: Artikel 1 1. Over te gaan tot routinematige vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van het **BSD ‘Mens en Werk’**voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. Reproductie geschiedt op de wijze zoals beschreven in het vastgestelde**Handboek Digitale****Vervanging Personeelsdossiers**, onderhouden en beheerd door ministerie BZK/P-Direkt. 3. Het [Besluit routinematige digitale vervanging archiefbescheiden personeelsdossiers OCW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031381) wordt ingetrokken. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit routinematige digitale vervanging archiefbescheiden personeelsdossiers OCW 2016. Bijlage Deze bijlage bevat de eisen waaraan de uitvoering van het vervangingsproces ten minste zal"},{"i":11238,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van het onderwijs van 11 juli 2022, nr. IvhO/2022/33553859, houdende vaststelling van de organisatie van en de mandaatbevoegdheden binnen de Inspectie van het Onderwijs (Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2022) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=2), en [3, tweede lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=3), de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=11), en [14, derde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=14), [artikel 9 van de Regeling Inspectie van het onderwijs 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041185), [artikel 3 van Regeling verlening mandaat, volmacht en machtiging Inspecteur-generaal van het Onderwijs betreffende de behandeling van Wob-verzoeken over informatie tweedelijns toezicht kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035118&artikel=3) (Stcrt. 2014, 13942) en [artikel 6, derde lid, van de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032452&artikel=6); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **inspectie:** Inspectie van het Onderwijs, - –. **inspecteur-generaal:** inspecteur-generaal van de inspectie, - –. **directeur:** degene die aan het hoofd staat van een directie als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047242&bijlage=1&z=2022-10-05&g=2022-10-05) bij dit besluit, zulks voor wat betreft [paragraaf 1 van hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047242&hoofdstuk=3"},{"i":11245,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de financiering van bepaalde uitwisselingsprogramma's voor onderwijsdoeleinden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Verenigde Staten van Amerika; Overwegende dat programma's ter bevordering van het wederzijds begrip tussen de volken van de beide Staten door contacten op onderwijsgebied ten uitvoer zijn gelegd overeenkomstig de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend te 's-Gravenhage op 17 mei 1949 en gewijzigd bij een notawisseling op 22 juni 1966 (hierna te noemen „de gewijzigde Overeenkomst van 1949”); Overwegende dat de uitvoering van zodanige programma's werd vergemakkelijkt door de Amerikaanse Onderwijsstichting in Nederland, ingesteld bij de gewijzigde Overeenkomst van 1949; Gelet op de wederkerige voordelen die de bedoelde programma's hebben opgeleverd; Geleid door de wens de programma's voort te zetten en uit te breiden ter verdere versterking van de internationale betrekkingen en samenwerking en geleid door de wens de bovengenoemde Stichting hiertoe te hervormen en te reorganiseren, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. Wanneer in deze Overeenkomst de benaming „Minister van Buitenlandse Zaken” wordt gebruikt, is daaronder te verstaan de Minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten van Amerika of elke ambtenaar of beambte van de Regering der Verenigde Staten van Amerika die door hem is aangewezen om namens hem te handelen. 2. Wanneer in deze Overeenkomst de benaming „de Minister” wordt gebruikt, is daaronder te verstaan de Nederlandse Minister van Onderwijs en Wetenschappen, handelend in overleg met de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken. Artikel 2 1. De Amerikaanse Onderwijsstichting in Nederland, opgericht bij de gewijzigde Overeenkomst van 1949, wordt hierbij omgezet in de Nederland-Amerika Commissie voor Uitwisselinge"},{"i":11253,"b":"Protocol tot instelling van een Commissie van verzoening en goede diensten belast met het zoeken van een oplossing voor geschillen, welke kunnen rijzen tussen Staten die partij zijn bij het Verdrag nopens de bestrijding van discriminatie in het onderwijs De Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, bijeengekomen te Parijs voor haar twaalfde zitting van 9 november tot 12 december 1962, Het [Verdrag nopens de bestrijding van discriminatie in het onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005155) tijdens haar elfde zitting aanvaard hebbende, Geleid door de wens de uitvoering van dat [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005155) te vergemakkelijken, en Overwegende dat het, met het oog daarop, van belang is een Commissie van verzoening en goede diensten in te stellen, wier taak het zal zijn eventuele geschillen tussen Staten die partij zijn bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005155) ten aanzien van de uitvoering of de uitlegging van dat Verdrag in der minne te schikken, Aanvaardt het onderhavige Protocol op de tiende december 1962. Artikel 1 Onder auspiciën van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur wordt een Commissie van verzoening en goede diensten ingesteld, hierna te noemen de Commissie, wier taak het zal zijn eventuele geschillen tussen Staten die partij zijn bij het [Verdrag nopens de bestrijding van discriminatie in het onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005155), hierna te noemen het Verdrag, ten aanzien van de uitvoering of de uitlegging van het Verdrag, in der minne te schikken. Artikel 2 1. De Commissie telt elf leden van zedelijk hoog aanzien die om hun onpartijdigheid bekend staan en die worden gekozen door de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, hierna te noemen de Algemene Vergadering. 2. De leden van de Commissie treden op in hun p"},{"i":12295,"b":"Besluit geneeskunde BES Artikel 1 1. Uitoefening van de geneeskunde, waaronder wordt verstaan het verlenen van genees- heel-, verlos- of tandheelkundige raad of bijstand als beroep, is alleen geoorloofd aan degenen die de bevoegdheid daartoe volgens [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028449&artikel=2&z=2018-08-01&g=2018-08-01) bezitten. 2. Onder het verlenen van raad of bijstand in het vorige lid bedoeld, wordt begrepen het als beroep onderzoeken van een orgaan of een deel van het menselijk lichaam, welk orgaan of welk deel in zijn werking tekort schiet of een ander gebrek vertoont, zomede het als beroep aanraden van een middel om aan een zodanig tekort of gebrek tegemoet te komen. 3. Het toepassen van heilgymnastiek en massage op aanwijzing van en in geregeld overleg met een geneeskundige wordt, voorzover zulks volgens het eerste en het tweede lid van dit artikel wél het geval zou zijn, niet geacht te behoren tot de uitoefening van de geneeskunde, evenmin als het verstrekken van brillen en brilleglazen op voorschrift van een geneeskundige. 4. In dit besluit wordt onder Onze Minister verstaan: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 5. Dit besluit berust op [artikel 18.4.4 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.4). Artikel 2 1. Tot de uitoefening van de geneeskunde in haar volle omvang zijn bevoegd: - a. zij, die de hoedanigheid van arts hebben verkregen op de wijze zoals voorgeschreven in de terzake in Nederland geldende wettelijke bepalingen; - b. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in bijlage V, onder 5.1.1 van de [richtlijn nr. 2005/36/EG](32005L0036) betreffende de erkenning van beroepskwalificaties; - c. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in de bijlage bij dit besluit, voor zover het getuigschrift is behaald als gevolg van een opleiding die is begonnen na de desbetreffende daarbij genoemde referentiedatum e"},{"i":13703,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 februari 2005, nr. VGP/P&L 2527810, houdende intrekking gelijkstelling buitenlandse certificaten Gelet op [artikel II van de wet van 1 november 2001 tot wijziging van de Warenwet met het oog op de incorporatie van productveiligheidsvoorschriften uit de Wet op de gevaarlijke werktuigen, zulks onder intrekking van deze wet en de Stoomwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012951&artikel=II) (Stb. 557); Besluit: Artikel 1 De regelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van: - –. [10 juni 1997 (GZB/C&O/973104)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008729) (Stcrt. 109), - –. 30 september 1997 (GZB/C&O/975422) (Stcrt. 190), - –. [19 januari 1998 (GZB/C&O/977875)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009336) (Stcrt. 13) en - –. [24 februari 2000 (GZB/C&O/2042532)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011181) (Stcrt. 46), worden ingetrokken. Artikel 2 De certificaten, welke op grond van de regelingen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018056&artikel=1&z=2005-03-05&g=2005-03-05), zijn gelijkgesteld, en welke zijn afgegeven vóór de inwerkingtreding van deze regeling, blijven geldig voor de duur waarvoor zij zijn afgegeven. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14542,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 juni 2010, nr. 2010-0000147401, CZW/WVOB, houdende regels over functies voor het personeel van de veiligheidsregio’s (Regeling personeel veiligheidsregio’s) Gelet op [artikel 2 van het Besluit personeel veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027841&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet veiligheidsregio's in werking treedt. Artikel 1 1. Met betrekking tot de functies, genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027841&bijlage=1) en [bijlage 1a bij het Besluit personeel veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027841&bijlage=1a), zijn de taken die behoren tot deze functies, de competenties die vereist zijn om deze taken te vervullen, en het daarvoor vereiste competentieniveau opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027840&bijlage=A&z=2026-04-18&g=2026-04-18). 2. Met betrekking tot de functies, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van het Besluit personeel veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027841&artikel=2), zijn de taken die behoren tot deze functies, de competenties die vereist zijn om deze taken te vervullen, en het daarvoor vereiste competentieniveau opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027840&bijlage=B&z=2026-04-18&g=2026-04-18). 3. Met betrekking tot de functies, genoemd in [artikel 2, derde lid, van het Besluit personeel veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027841&artikel=2), zijn de taken die behoren tot deze functies, de competenties die vereist zijn om deze taken te vervullen, en het daarvoor vereiste competentieniveau opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027840&bijlage=C&z=2026-04-18&g=2026-04-18). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waaro"},{"i":11269,"b":"Regeling amateurradiozendexamens BES Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken; - b. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van het Besluit radioamateurs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028725&artikel=6); - c. **voorzitter:** de voorzitter van de commissie of bij ontstentenis van deze de plaatsvervangend voorzitter; - d. **kandidaat:** degene die zich voor deelneming aan een examen heeft aangemeld; - e. **examen:** een examen als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van het Besluit radioamateurs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028725&artikel=6); - f. **bewijs van bevoegdheid:** het door de minister afgegeven bewijs van bevoegdheid als radioamateur uitgereikt na een met goed gevolg afgelegd examen. Aanmelding Artikel 2 1. De voorzitter stelt de plaats, de datum en het tijdstip van de examens vast. Van de wijze van aanmelding wordt mededeling gedaan in de plaatselijke media. 2. Na voldoening van de verschuldigde vergoeding, bedoeld in [artikel 6, vierde lid, van het Besluit radioamateurs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028725&artikel=6), binnen de door de voorzitter te stellen termijn, ontvangt de kandidaat ten minste acht dagen voor het examen een schriftelijke uitnodiging tot deelneming. 3. De vergoedingen, bedoeld in het tweede lid, worden niet terugbetaald indien een kandidaat zich terugtrekt dan wel niet op het examen verschijnt. Categorieën examens Artikel 3 1. De examens worden onderverdeeld in de volgende categorieën: - a. het examen ter verkrijging van het amateurradio machtiging A; - b. het examen ter verkrijging van het amateurradio machtiging B; - c. het examen ter verkrijging van het amateurradio machtiging C; en - d. het examen ter verkrijging van het amateurradio machtiging N. 2. De in het eerste lid genoemde examens worden onderverdeeld in de volgende onderdelen: - a. radiotechniek en voorschriften; - b. opnemen en seinen"},{"i":14006,"b":"Raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Hoofdstuk 1. Het raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde cursussen mogen nascholing voor de code 95 verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificering af te geven. Ook registreert het CBR verklaringen van nascholing voor chauffeurs die aan de nascholingsplicht hebben voldaan. Tot slot houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de nascholingscursussen. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR een raamwerk nascholingscursussen en ADR opgesteld. Dit raamwerk is een document zoals wordt bedoeld in [artikel 156s van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de nascholing daadwerkelijk aan deze eisen houdt. Is dit niet het geval? Dan legt het CBR een sanctie op. De verschillende sancties en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep vindt u in dit raamwerk terug. Het is toegestaan om bij de nascholing gebruik te maken van e-learning en simulatoren. De eisen die hierbij gelden zijn opgenomen in dit raamwerk. Tot slot is in dit raamwerk een overzicht met minimumeisen per nascholingscursus opgenomen. Het CBR wijzigt het raamwerk maximaal twee keer per jaar: op 1 januari en op 1 juli. Wijzigingen worden afgestemd met de opleidingsbranche en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en actief naar alle erkende opleiders gecommuniceerd. Worden de minimumeisen in het raamwerk aangepast en zijn de wijzigingen van invloed op de certificering van een nascholingscursus? Dan wordt dit expliciet vermeld en moeten opleidingsinstituten hun opleidingsplannen binnen zes maanden"},{"i":13653,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 9 mei 2018, nr. 2018-69756 tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Licht Verstandelijk Beperkten (Instellingsbesluit werkgroep IBO Licht Verstandelijk Beperkten) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040925&artikel=2&z=2018-05-24&g=2018-05-24). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Licht Verstandelijk Beperkten. 2. De werkgroep heeft tot taak interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren naar het (toenemend) gebruik van voorzieningen door mensen met een licht verstandelijke beperking, conform de taakopdracht zoals op 5 februari 2018 gepubliceerd (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2017 / 2018, 34 775 nr. 80). 3. Het onderzoek zal moeten resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties worden gegeven waarover vervolgens afweging kan plaatsvinden. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en 8 leden. 2. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd mevrouw prof. dr. ir. G.M. van Dijk. 3. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: - –. mw. dr. M.A. Kleiboer (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) - –. mw. mr. C. Bronda (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) - –. dhr. mr. drs. D.S. Buytendorp (Ministerie van Financiën) - –. mw. drs. bc. D. Schiet (Ministerie van Algemene Zaken) - –. mw. mr. C.A.M.E. Mattijssen (Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap) - –. mw. L. P.M. Spoelman (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) - –. mw. E.J. Tieman (Ministerie van Justitie en Veiligheid) - –. mw. dr. I.B. Wiottiez (Sociaal en Cultureel Planbure"},{"i":14000,"b":"Protocol Onderzoek Zvw met oplevering in 2016 Vooraf In dit ‘Protocol onderzoek Zvw met oplevering in 2016’ (verder: protocol) geeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) voorschriften voor de controle en het onderzoek Zorgverzekeringswet (Zvw) naar: De belangrijkste wijzigingen in het Protocol zijn: De NZa maakt een voorbehoud voor wijzigingen die mogelijk in een addendum op dit Protocol bekend moeten worden gemaakt, als gevolg van het moment van uitbrengen van dit protocol. Dit protocol wordt gepubliceerd in de Staatscourant 1. Uitgangspunten 1.1. Opzet protocol Dit protocol maakt voor zover dit betrekking heeft op de zorgverzekeraar integraal onderdeel uit van de NZa Nadere Regel TH/NR-001: [Regeling controle en administratie zorgverzekeraars](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032492). Dit protocol bestaat uit een algemeen deel (hoofdstuk 1), [deel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036910&deel=A&z=2015-08-04&g=2015-08-04) werkzaamheden accountant (hoofdstuk 2 tot en met 9) en [deel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036910&deel=B&z=2015-08-04&g=2015-08-04) normenkaders zorgverzekeraar (hoofdstuk 10). Hoofdstuk 1 geeft algemene uitgangspunten van het onderzoek weer die zowel van toepassing zijn voor de accountant en/of de zorgverzekeraars [Deel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036910&deel=A&z=2015-08-04&g=2015-08-04) geeft de kaders voor de door de accountant uit te voeren controle en onderzoek naar de financiële verantwoordingen en het uitvoeringsverslag welke opgeleverd moeten worden in 2016 en de accountantsproducten die hieruit voortvloeien. [Deel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036910&deel=B&z=2015-08-04&g=2015-08-04) geeft normen waaraan zorgverzekeraars op het gebied van formele en materiële controles, gepast gebruik en fraudeonderzoek moeten voldoen. 1.2. Voorschriften accountant en zorgverzekeraar Het bestuur van de zorgverzekeraar is verantwoordelijk voor het opstellen van de verantwoordingen voor de risicov"},{"i":12119,"b":"Besluit bevoegdheid verloskundigen BES Artikel 1 1. Tot de uitoefening van de praktijk als verloskundige zijn bevoegd: - a. zij, die de hoedanigheid van verloskundige hebben verkregen op de wijze zoals voorgeschreven in de terzake in Nederland geldende wettelijke bepalingen; - b. zij, die beschikken over getuigschriften die in bijlage V, onder 5.5.2 van de [Richtlijn nr 2005/36/EG](32005L0036) betreffende de erkenning van beroepskwalificaties zijn genoemd; - c. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in de bijlage bij dit besluit, voor zover het getuigschrift is behaald als gevolg van een opleiding die is begonnen na de desbetreffende daarbij genoemde referentiedatum en indien zij is afgegeven door de daartoe bevoegde opleidingsinstelling; - d. zij, die op aanvrage van Onze Minister een verklaring hebben gekregen, inhoudende dat zij op basis van de door hen genoten opleiding vakbekwaam worden geacht om de verloskunst uit te oefenen. 2. Dit besluit berust op [artikel 18.4.4 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.4). Artikel 2 1. Onze Minister kan zich voor het afgeven van de in [artikel 1, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028370&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), bedoelde verklaring laten adviseren door een bij ministeriële regeling aangewezen commissie. 2. Bij de aanvrage bedoeld in [artikel 1, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028370&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), worden de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens overgelegd. Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 [vervallen] Artikel 5 [vervallen] Artikel 6 Het is aan een verloskundige als in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028370&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoeld, verboden de praktijk als verloskundige uit te oefenen alvorens: - 1°. hare akte van bevoegdheid, door den Directeur van het departement van Volksgezondheid voor gezien is"},{"i":13815,"b":"Besluit van de directeur Cybersecurity, Weerbaarheid Statelijke Dreigingen en Economische Veiligheid van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 januari 2024, nr. 5164820, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Cybersecurity, Weerbaarheid Statelijke Dreigingen en Economische Veiligheid NCTV 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge[artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Mandaatbesluit NCTV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=1)aan de directeur Cybersecurity, Weerbaarheid Statelijke Dreigingen en Economische Veiligheid verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun afdeling betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van de Afdeling Weerbaarheid Statelijke Dreigingen en Economische Veiligheid; - b. het hoofd van de Afdeling Cybersecurity. Artikel 2 De in[artikel 1, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049338&artikel=1&z=2024-02-10&g=2024-02-10), genoemde functionarissen wordt toegestaan elkaar volledig te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars bevoegdheden. Artikel 3 Het [Mandaatbesluit Cyber Security en Statelijke Dreigingen NCTV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042184) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2022. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Cybersecurity, Weerbaarheid Statelijke Dreigingen en Economische Veiligheid NCTV 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12233,"b":"Besluit van 27 Februari 1950 tot uitvoering van de artikelen 4, vijfde lid, en 138, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie. (Staasblad 1950, No. K 22.) Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Economische Zaken en Onze Minister van Sociale Zaken van 16 Februari 1950, no. 11193 O.B., Directie voor Wetgeving en andere Juridische Aangelegenheden; Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=4), vijfde lid, en [138, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=138): Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het aantal leden van de Sociaal-Economische Raad bedraagt zesendertig. Artikel 2 De eerste zittingsperiode van de Sociaal-Economische Raad vangt aan op 1 April 1950. Onze Staatssecretaris van Economische Zaken en Onze Minister van Sociale Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":14001,"b":"Protocol Vliegtuigbergingen en Archeologie, 26 juni 2024 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Defensie, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Gelet op [artikel 2.7, vierde lid, van het Besluit Erfgoedwet archeologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037866&artikel=2.7) Besluit: Achtergrond Per 1 april 2024 is in het [Besluit Erfgoedwet archeologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037866) een vrijstelling op het opgravingsverbod uit de [Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521) opgenomen voor bergingsactiviteiten van vliegtuigwrakken door de Minister van Defensie.1Besluit van 26 februari 2024 tot wijziging van het Besluit Erfgoedwet archeologie in verband met het toevoegen van uitzonderingen op het opgravingsverbod en enkele andere aspecten, Stb. 2024, 47.Deze taak is belegd bij Defensie vanwege de op de overheid rustende zorgplicht voor eerbiediging en bescherming van oorlogsgraven.2Artikel 130 van het op 12 augustus 1949 te Genève tot stand gekomen Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd (Trb. 1954, 192) en artikel 34 van het op 8 juni 1977 te Bern tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I) (Trb. 1994, 274). De bergingen betreffen hoofdzakelijk vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog. Het kan daarbij zowel gaan om bergingen die worden uitgevoerd binnen het kader van het **Nationaal programma berging vliegtuigwrakken met nog vermiste vliegers uit de Tweede Wereldoorlog waarin zich mogelijk stoffelijke resten van de bemanning bevinden**3Kamerbrief nationaal programma berging vliegtuigwrakken met nog vermiste vliegers uit de Tweede Wereldoorlog, Kamerstuk 32156-96. (hierna: Nationaal programma), als om bergingen die buiten dit kader worden ondernomen door de Minister van Defensie. Deze werkza"},{"i":4047,"b":"Besluit van 1 december 2006, nr. 06.004394, houdende toekenning van een vaste beloning aan de leden van de Commissie van Toezicht Terugkeer Op de voordracht van onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, van 16 november 2006 nr. DDS 5444129/06/SCV; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De leden van de Commissie van Toezicht Terugkeer ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding ter grootte van 0,15 maal het salaris conform de hoogste trede van schaal 18 van het [Bezoldigingsbesluit Rijksambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630). In deze vergoeding zijn de onkosten, waaronder reiskosten, inbegrepen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juni 2006 en vervalt op het moment van de benoeming van een definitieve commissie van toezicht voor het terugkeerproces, zoals bedoeld in [artikel 2, lid 6 van de Regeling Commissie van Toezicht Terugkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019764&artikel=2). Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12254,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2009 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2009 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | 28.200 | | --- | --- | | Grens grote/kleine werkgever | 705.000 | | Gemiddelde percentage | 0,49% | | Maximumpremie grote werkgevers | 1,96% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 1,47% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,27% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,71% | | Rekenpercentage | 0,47% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 0,69 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2009. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11320,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 15 juni 2015, nummer CvTE-15.01457, houdende vaststelling van regels voor de omzetting van scores in cijfers bij centrale examinering in het mbo (Regeling omzetting scores in cijfers bij centrale examinering mbo (2015)) Gelet op [artikel 3 van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3); en het [Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB artikel 6, eerste lid onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6). Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 2 juli 2015, nummer 783470; Besluit: Artikel 1. Omzetting score in cijfers 1. De omzetting van scores in cijfers, bedoeld in [artikel 6, eerste lid onderdeel g van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6) geschiedt voor de centrale examens Nederlandse taal en rekenen op de in de [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036876&bijlage=1&z=2017-08-01&g=2017-08-01) bij deze regeling vastgestelde wijze. 2. De omzetting van scores in cijfers, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, onderdeel g, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6) geschiedt voor de centrale examens Engels B1 en Engels B2 op de in de [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036876&bijlage=2&z=2017-08-01&g=2017-08-01) vastgestelde wijze. Artikel 2. Bekendmaking De regeling zal met de bijlage en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlage kan ook geraadpleegd worden op Examenbladmbo.nl. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2015. Artikel 4. Intrekking De [Regeling omzetting scores in cijfers bij centrale examinering mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035250), van 15 april 2014 wordt ingetrokken. Artikel 5. Citeertitel Deze reg"},{"i":3252,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 9 juli 2024 nr. BOACAT2024/063, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Heerenveen Gelezen het verzoek van de gemeente Heerenveen van 23 mei 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050003&artikel=2&z=2024-07-18&g=2024-07-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar leefbaarheid in dienst van de gemeente Heerenveen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen i"},{"i":12185,"b":"Besluit digitale vervanging archiefbescheiden KVK 2021 Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) en [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [8 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=8) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van papieren archiefbescheiden door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2 De digitale vervanging heeft betrekking op de archiefbescheiden van de KVK. Artikel 3 De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties die zijn vastgelegd in de Generieke kaders vervanging papieren documenten en het daarop gebaseerde handleiding. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit digitale vervanging archiefbescheiden KVK 2021. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 20 januari 2020. De generieke kaders vervanging papieren documenten en de handleiding liggen ter inzage bij KVK, afdeling FHI. Bijlage Liggen ter inzage bij de Kamer van Koophandel, afdeling FHI."},{"i":12540,"b":"Besluit productie en uitvoer producten op basis van melk BES § 1. Algemene voorschriften Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **rauwe melk:** melk die is afgescheiden door de melkklier van een of meer koeien, ooien, geiten of buffelkoeien, en die niet is verwarmd tot boven 40 °C en die evenmin een behandeling met een gelijkwaardig effect heeft ondergaan; - b. **warmtebehandelde melk:** melk die is verkregen door rauwe melk een warmtebehandeling te laten ondergaan van boven 40 °C of met een gelijkwaardig effect; - c. **producten op basis van melk:** zuivelproducten, dat wil zeggen producten die uitsluitend zijn verkregen uit melk, met dien verstande dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn, mogen worden toegevoegd, mits deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van één van de bestanddelen van de melk, en producten die zijn samengesteld uit melk, dat wil zeggen producten waarvan geen enkel element in de plaats komt van een melkbestanddeel of bedoeld is om daarvoor in de plaats te komen en waarvan de melk of een zuivelproduct een essentieel bestanddeel is, hetzij door de hoeveelheid, hetzij omdat het effect kenmerkend is voor deze producten; - d. **warmtebehandeling:** elke behandeling door verhitting die, onmiddellijk na de toepassing ervan, een negatieve reactie bij de fosfatasetest tot gevolg heeft; - e. **pasteurisatie:** verhitting van, in [bijlage B, hoofdstuk I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028702&bijlage=B&z=2010-10-10&g=2010-10-10), bedoelde melk verkregen uit melkpoeder, gedurende ten minste 15 seconden op een temperatuur van minimaal 71,7 °C, zodat de melk na deze behandeling negatief reageert op de fosfatasetest en positief reageert op de peroxydasetest; - f. **melkverwerkingsinrichting:** een inrichting waar producten op basis van melk worden behandeld, verwerkt en verpakt; - g. **bevoegde autoriteit:** de Inspectie voor de Volksgezondheid BES, zijnde de autoriteit van de ope"},{"i":13657,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 6 februari 2020, nr. 23665, tot instelling van de Werkgroep Toolbox Beleidsevaluatie (Instellingsbesluit Werkgroep Toolbox Beleidsevaluatie) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043212&artikel=2&z=2020-02-26&g=2020-02-26). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep Toolbox Beleidsevaluatie. 2. De werkgroep heeft tot taak om de kaders te bepalen en keuzes te maken rondom een Rijksbrede toolbox met methoden en technieken voor beleidsevaluatie. 3. De Toolbox Beleidsevaluatie zal moeten resulteren in een website waar medewerkers binnen de rijksoverheid informatie kunnen vinden met betrekking tot het uitvoeren van beleidsevaluaties. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en acht leden. 2. Tot externe voorzitter van de werkgroep wordt benoemd dr. Peter van der Knaap, werkzaam bij het SWOV. 3. Tot eerste leden van de werkgroep worden benoemd: - –. Lisette Swart, Centraal Planbureau - –. Olav-Jan van Gerwen, Planbureau voor de Leefomgeving - –. Benedikt Goderis, Sociaal Cultureel Planbureau - –. Nynke de Witte, Ministerie van Financiën - –. Jedid-Jah Jonker, Algemene Rekenkamer - –. Wendy van Asbeek, Buitenlandse Zaken - –. Carl Koopmans, SEO Economisch Onderzoek (extern) - –. Valerie Pattyn, Universiteit Leiden (extern) 4. De leden van de werkgroep werkzaam voor de overheid kunnen bij afwezigheid of verandering van baan vervangen worden door een collega van dezelfde werkgever. 5. De werkgroep kan besluiten externe leden uit te nodigen om deel te nemen aan de werkgroep. 6. De werkgroep wordt ingesteld per 15 januari 2020. 7. De werkgroep wordt"},{"i":11415,"b":"Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2012–2013 Deel 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling Het bestuur van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs besluit, gelet op de [Wet budgettering wachtgelden en instelling Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007312) ( Stb. 1995, 155 ), het [Besluit Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008102) ( Stb. 1996, 384 ) en de statuten van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs, het volgende reglement voor het Primair Onderwijs vast te stellen Toelichting op artikel 1 Deel 2. Premie Artikel 2. Verplichting tot betaling van premie Toelichting op artikel 2 **Er zijn geen toelichtingen.** Het bevoegd gezag is verplicht, op de wijze zoals bepaald in de bestuursvoorschriften, een door het Participatiefonds te bepalen bijdrage te voldoen in verband met de kosten voor werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888). Deel 3. Instroomtoets Artikel 3. Het vergoedingsverzoek Toelichting op artikel 3 Artikel 4. Toetsing Toelichting op artikel 4 **Wat de inspanningsverplichting betreft, heeft het Participatiefonds aansluiting gezocht bij de instrumenten die het bevoegd gezag conform de CAO-PO ter beschikking staan. Het Participatiefonds heeft de inspanningsverplichting in de categorieën I, II, III en IV ondergebracht.** **Middels een opgave van de soorten activiteiten welke zijn genoemd in de categorieën I en II maakt het bevoegd gezag inzichtelijk dat er personeelsbeleid is gevoerd.** **Indien het bevoegd gezag ondanks het voeren van een op het voorkomen van ontslag gericht personeelsbeleid moet overgaan tot ontslag, geeft het aan op welke wijze getracht is betrokkene binnen het gezagsbereik te herplaatsen (categorie III). Indien herplaatsing binnen"},{"i":11414,"b":"Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2011–2012 Het bestuur van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs besluit, gelet op de [Wet budgettering wachtgelden en instelling Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007312) (Stb. 1995, 155), het [Besluit Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008102) (Stb. 1996, 384) en de statuten van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs, het volgende reglement voor het Primair Onderwijs vast te stellen: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Deel 1. Begripsbepalingen Artikel 1. : Begripsbepalingen - 1. **Afvloeiingsvolgorde:** de volgorde waarin personeel voor afvloeiing in aanmerking komt. Hierin is tevens het eindigen van dienstverbanden van rechtswege betrokken. Hoofdregel is dat eerst al het tijdelijk aangestelde personeel dient te zijn afgevloeid voordat vast personeel kan worden ontslagen. - 2. **Andere gronden:** gronden welke niet genoemd zijn in enig ander lid van artikel 9 van het reglement en welke in ieder geval buiten de risicosfeer van het bevoegd gezag vallen. - 3. **Andere ontslagen:** de omvang in nettoloonkosten op jaarbasis van beëindigde of geëindigde dienstverbanden uitgezonderd het natuurlijk verloop, einde vervangingsbetrekking en het ontslag of de ontslagen waar de ontslagmelding betrekking op heeft. - 4. **Benoeming in reguliere betrekking:** een (her)benoeming in een betrekking niet zijnde een vervangingsbetrekking. - 5. **Bestuursvoorschriften:** de bestuursvoorschriften en bijlagen zoals die door het bestuur zijn vastgesteld ter bevordering van een correcte toepassing van het reglement Participatiefonds. - 6. **Bevoegd gezag:** het bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), respectievelijk het bevoegd gezag van de rechtspersoon als bedoeld in [artikel 68 WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=68), tenzij"},{"i":13623,"b":"Besluit van 26 augustus 2022 houdende de instelling van een staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050 (Instellingsbesluit staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 23 augustus 2022, nr. 2022-0000156553; Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid en derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1. Begripsbepaling Er is een staatscommissie voor demografische ontwikkelingen 2050, hierna te noemen: de staatscommissie. Artikel 2. Instelling en taak 1. De staatscommissie heeft tot taak aan de regering te adviseren over scenario’s, beleidsopties en handelingsperspectieven van de regering in relatie tot de maatschappelijke gevolgen van de demografische ontwikkelingen, in het bijzonder van vergrijzing en migratie, tot ten minste 2050 en tegen de achtergrond van de brede welvaartsbenadering. 2. De staatscommissie besteedt bij haar werkzaamheden aandacht aan: - a. de reeds door het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut en het Centraal Bureau voor de Statistiek onderzochte domeinen onderwijs, arbeid zorg en wonen; - b. de domeinen ruimtelijke ordening, de sturing van alle vormen van migratie, infrastructuur, energievoorziening, sociale zekerheid en sociale cohesie; - c. het perspectief van jongeren; - d. de gevolgen van de demografische ontwikkelingen op de domeinen voor de verschillende delen van Nederland; - e. actuele en relevante inzichten en publicaties ten aanzien van de domeinen; - f. structurele borging van de vraagstukken die samenhangen met demografische ontwikkelingen. 3. Onder het domein sturing van alle vormen van migratie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt in ieder geval begrepen: asiel, familie en gezin, arbeid, kennis en"},{"i":13112,"b":"Bevoegdhedenregeling NWO 2013 1. Inleiding De Bevoegdhedenregeling NWO 2013 regelt wie bij NWO bevoegd is om jegens derden verplichtingen aan te gaan, inclusief tekenbevoegdheid, en via welke functionarissen de interne besluitvorming die daar aan voorafgaat, verloopt. De bevoegdheden zijn steeds gekoppeld aan ofwel een NWO-orgaan – Algemeen Directeur (AD) en gebieds- en stichtingsbesturen – ofwel functionarissen en zijn in dit laatste geval het gevolg van de uitoefening van een functie. De bevoegdheden voor het NWO-bureau zijn samengevat in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034160&bijlage=1&z=2017-02-28&g=2017-02-01) met de daarbij behorende maximum bedragen per jaar waarvoor verplichtingen mogen worden aangegaan. In deze Bevoegdhedenregeling komen de volgende onderwerpen aan de orde: Hoofdstuk 1: Inleiding met de indeling binnen de NWO-organisatie naar soort besluiten, de reikwijdte van de regeling voor de NWO-organisatieonderdelen (zie [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034160&bijlage=2&z=2017-02-28&g=2017-02-01)), en een begrippenlijst Hoofdstuk 2 Algemeen bevoegdhedenkader voor de verschillende soorten besluiten Hoofdstuk 3 Het specifieke bevoegdhedenkader voor Apparaatskosten Hoofdstuk 4 Het specifieke bevoegdhedenkader voor Beleid Hoofdstuk 5 Het specifieke bevoegdhedenkader voor bezwaar, beroep bij de rechter, en Wob verzoeken Hoofdstuk 6 Ondertekeningsbevoegdheid Hoofdstuk 7 Overige bepalingen. 2.2.1. Soorten Mandaat NWO-besluiten worden voor deze Bevoegdhedenregeling als volgt onderverdeeld: Over onderwerpen die niet in bovenstaand schema zijn ondergebracht, kan alleen het Algemeen Bestuur van NWO besluiten. 2.2.4. Verbod van (de schijn van) belangenverstrengeling **Personeelsbesluiten** betreffen de NWO-werkgever, en hebben dus als reikwijdte: directie, stafafdelingen, gebieden incl. WOTRO en regieorganen, Technologiestichting STW, de onderzoeksinstituten met uitzondering van de drie B-3 stichtingen (CWI, FOM en NIOZ) e"},{"i":13631,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 22 februari 2018, nr. 2193344 houdende de instelling van de Task Force Aanpak Mensenhandel (Instellingsbesluit Task Force Aanpak Mensenhandel 2017) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de minister van Justitie en Veiligheid; - b. **staatssecretaris;** de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; - c. **Task Force:** de Task Force Aanpak Mensenhandel. Artikel 2 Er is een Task Force Aanpak Mensenhandel. Artikel 3 De Task Force levert een bijdrage aan het bereiken van de volgende doelen: - a. het komen tot een meer integrale aanpak van mensenhandel, zowel in de seks-branche als in overige sectoren; - b. het tegengaan van uitwassen in de prostitutiebranche en overige sectoren; - c. het voorkomen dat Nederland een draaipunt in de wereld wordt voor mensenhandel; - d. het voorkomen dat slachtoffers naar Nederland komen en het verbeteren van de positie van slachtoffers in Nederland. Artikel 4 In de Task Force nemen diverse partijen deel die betrokken zijn bij de problematiek van mensenhandel en die een bijdrage kunnen leveren aan het voorkomen en aanpakken daarvan. De leden van de Task Force nemen deel met behoud van hun eigen verantwoordelijkheid en met oog voor de maatschappelijke noodzaak tot een gemeenschappelijke aanpak van het fenomeen. De Taks Force speelt daarbij een aanjagende rol. Artikel 5 De Task Force heeft tot taak: - a. het bevorderen en door ontwikkelen van een integrale aanpak van mensenhandel, onder meer door het inhoudelijk volgen van aantal voorbeeldzaken; - b. het signaleren van knelpunten en het oplossen dan wel het adresseren daarvan; - c. het opstellen van een agenda waarin aan te pakken knelpunten, te bereiken doelstellingen, te behalen resultaten, te ondernemen activiteiten en de verantwoordelijkheden van de diverse partijen daarbij worden beschreven. Artikel 6 1. De Task Force wordt opnieuw ingesteld voor een periode van 3 jaar, tot 1 maart 2020"},{"i":13636,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 7 juni 2021, tot instelling van de Taskforce Onze hulpverleners veilig (Instellingsbesluit Taskforce Onze hulpverleners veilig) Gelet op de toezegging in het Algemeen Overleg Politie d.d. 5 september 2019; Gelet op de brief aan de Tweede Kamer van 31 maart 2021 (Tweede Kamer 28 684, nr. 657); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Taskforce:** de Taskforce Onze hulpverleners veilig - b. **de Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Taskforce. 2. De Taskforce heeft tot taak: - a. het signaleren van knelpunten bij de integrale aanpak van agressie en geweld tegen hulpverleners en anderen met een publieke taak - b. het formuleren van (innovatieve) maatregelen om de gesignaleerde knelpunten op te lossen, bij voorkeur **evidence based**, waaronder het benutten van communicatie middels publiekscampagnes en andere doelgroepgerichte communicatie-instrumenten, aandacht vanuit de werkgevers, aandacht voor potentiële daders, aandacht voor opvolging zoals nazorg en vervolging e.d.; - c. het periodiek monitoren van de aanpak van de onder a bedoelde knelpunten en waar nodig wegnemen van obstakels in de uitvoering en formuleren van aanvullende maatregelen; - d. het onderhouden van contacten met relevante partijen, over onderwerpen die de Taskforce raken; - e. het informeren van de Minister over de voortgang van de werkzaamheden van de Taskforce, jaarlijks vóór 1 november; - f. het formuleren van een voorstel voor de borging van de aanpak van onder a bedoelde knelpunten nadat de Taskforce zijn werkzaamheden heeft voltooid. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag en ondersteuning 1. De voorzitter en de andere leden van de Taskforce worden door de Minister benoemd. 2. De voorzitter en overige leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de Minister. 3. De benoeming geschiedt voor onbepaalde tijd. 4. Bij tussentijds vertrek van e"},{"i":13114,"b":"Bevoegdhedenregeling NWO Vastgesteld door de raad van bestuur op 26 mei 2021. 1. Algemeen 1.1. Begripsbepalingen In deze bevoegdhedenregeling gelden de begripsbepalingen zoals opgenomen in [artikel 1.1 van het Bestuursreglement NWO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039246&artikel=1.1). Daarnaast wordt in deze bevoegdhedenregeling verstaan onder: 1.2. Juridische grondslag en werkingssfeer 2. Raad van bestuur 2.1. Bevoegdheden en algemeen budgethouderschap 2.2. Uitoefening bevoegdheden raad van bestuur, bevoegdheden (vice)voorzitter en portefeuillehouder bedrijfsvoering en financiën 2.3. Beslissingen op bezwaar en procesbevoegdheid 2.4. Toekenning bevoegdheden aan organen, organisatieonderdelen en/of functionarissen: mandaten en volmachten 2.5. Hoofd bureau raad van bestuur 2.6. Hoofd afdeling interne audit 3. Domeinbestuur 3.1. Domeinbestuur: gemandateerd budgethouderschap 3.2. Domeinbestuur: uitoefening bevoegdheden 3.3. Domeinbestuur: volmacht 3.4. Domeindirecteur: budgetverantwoordelijke 3.5. Regieorgaan: overeenkomstige toepassing 1. Bovengenoemde bevoegdheden van het domein zijn van overeenkomstige toepassing op regieorganen, zoals bedoeld in [artikel 5 van het Bestuursreglement NWO](onbekend). In dat geval kan voor ‘domeinbestuur’ worden gelezen het bestuur van het regieorgaan en voor ‘domeindirecteur’ kan worden gelezen de directeur van het regieorgaan. 4. Thematische Programma’s 4.1. Thematische Programma’s: budgethouderschap en budgetverantwoordelijkheid 4.2. Thematische Programma’s: dagelijkse leiding en verantwoording 4.3. Thematische Programma’s: wijzigingsverzoeken 4.4. Thematische Programma’s: subsidiebesluiten 5. Afdeling bedrijfsvoering 5.1. De portefeuillehouder bedrijfsvoering en financiën 1. De portefeuillehouder bedrijfsvoering en financiën is de gemandateerde budgethouder voor de afdeling bedrijfsvoering en stelt het doel en de middelen vast voor de afdeling. 5.2. Directeur bedrijfsvoering: dagelijkse leiding en budgetverantwoordelijkheid"},{"i":13988,"b":"Projectregeling Co-creatie – Gemeenschappen gelet op [artikel 10, vierde lid, van de](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10)**Wet op het specifiek cultuurbeleid**; gelet op [artikel 4:23, eerste lid van de](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23)**Algemene wet bestuursrecht**; gelet op het **Algemeen Subsidiereglement** van het [Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516); met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 januari 2022; en voor de gewijzigde versie op 27 maart 2023; besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Uitleg gebruikte woorden - **Aanvrager:** een (rechts)persoon die bij het Fonds een subsidieaanvraag doet. - **Adviescommissie:** een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie. - **Algemeen Subsidiereglement:** [Algemeen Subsidiereglement Fonds voor Cultuurparticipatie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516). - **Caribisch deel van het Koninkrijk:** Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - **Co-creatie:** de methoden waarbij groepen mensen actief en gelijkwaardig betrokken zijn bij besluitvorming, beleidsvorming en/of projectuitvoering. Het resultaat is de vorming en ontwikkeling van de cultuur van een samenleving. Dit kan bijvoorbeeld gaan over taal, tradities, kunst, debat en andere culturele aspecten. Het betreft hier per definitie geen cultuureducatie of amateurkunst. - **Culturele Codes:** Code Diversiteit en Inclusie, Fair Practice Code, Governance Code Cultuur - **Culturele instelling:** een rechtspersoon die zich inzet binnen de cultuursector en ook zo staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel of een vergelijkbare organisatie. - **Cultuurbeoefening:** het actief beoefenen van, of betrokken zijn bij het maken van cultuur in de vrije tijd. Door cultuureducatie, co-creati"},{"i":13504,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 oktober 2017, houdende instelling van de commissie die onderzoek doet naar fipronil in eieren (Instellingsbesluit Commissie onderzoek fipronil in eieren) Gelet op [artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040109&artikel=2&z=2017-10-26&g=2017-10-26); - b. **de ministers:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Economische Zaken. Artikel 2. Instelling Er is een Commissie onderzoek fipronil in eieren. Artikel 3. Taak 1. De commissie heeft tot taak: - a. onderzoek te doen naar de rol en verantwoordelijkheid van de verschillende actoren in de eierketen ten aanzien van de borging van de voedselveiligheid; - b. onderzoek te doen naar de rol en verantwoordelijkheid van de verschillende actoren in de toezichtketen ten aanzien van de borging van de voedselveiligheid; - c. onderzoek te doen naar de wijze waarop de verschillende actoren (privaat en publiek) gehandeld hebben in de afhandeling van de crisis; - d. onderzoek te doen naar de wijze waarop de verschillende EU landen en de Europese Commissie gehandeld hebben en hoe er beter kan worden afgestemd; - e. het uitbrengen van een rapport waarin de uitkomsten van de onderdelen a tot en met d worden beschreven en waarin aanbevelingen worden geformuleerd. 2. De commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan haar opdracht. Artikel 4. Samenstelling, benoeming 1. De commissie bestaat uit de voorzitter, mevrouw mr. W. Sorgdrager. 2. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. 3. Bij tussentijds vertrek van de voorzitter kunnen de ministers een andere v"},{"i":14154,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 3 juni 2025, nr. IENW/BSK-2025/130201, houdende regels met betrekking tot de centrale database taxivervoer (Regeling centrale database taxivervoer) [KetenID WGK026754] Gelet op [artikel 83b, derde lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=83b); BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **Besluit:** [Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982); - **centrale applicatie:** applicatie die taxivervoergegevens ontvangt van een of meerdere registratiemiddelen en deze aanlevert aan de CDT via de CDT meldingen API; - **CDT:** centrale database taxivervoer; - **CDT Meldingen API:** voorziening voor het uitwisselen van taxivervoergegevens tussen een centrale applicatie en de CDT; - **gebeurtenis:** voorval dat plaatsvindt binnen het registratiemiddel, zijnde een melding, fout of storing; - **ICT-oplossing:** het geheel aan digitale technieken en processen voor het registreren van taxivervoergegevens en het aanleveren van deze gegevens aan de CDT; - **pauze:** een periode van tenminste 15 achtereenvolgende minuten waarin de bestuurder geen werkzaamheden verricht en vrijelijk over zijn tijd kan beschikken; - **taxivervoergegevens:** gegevens als bedoeld in [artikel 83b, tweede lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=83b); - **twee factor authenticatie:** methode waarbij de identiteit van een persoon wordt vastgesteld op basis van twee verschillende factoren. § 2. Registratie en aanlevering van taxivervoergegevens Artikel 2. (Registreren en aanleveren van taxivervoergegevens) 1. De centrale applicatie waarvan de vervoerder gebruik maakt, wordt aangesloten op de CDT als het registratiemiddel en de centrale applicatie voldoen aan de in deze regeling opgenomen voorwaarden. 2. Via de CDT Meldingen API meldt de vervoerder van welke ICT-oplossing g"},{"i":12750,"b":"Besluit vaststelling factoren L en r boekjaar 2009 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2009 vastgesteld op 0,146062%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2009 vastgesteld op 0,345043%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2009. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11798,"b":"Beleidsregel tandtechniek in eigen beheer Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met de brief van 12 juli 2012, met [kenmerk MC-U-3122855](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031816), ten behoeve van voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Tandtechniek in eigen beheer:** De tandtechnische stukken of onderdelen daarvan die door de zorgaanbieder zelf worden vervaardigd. Tandtechniek in eigen beheer ziet niet op de klinische zorg die samenhangt met het plaatsen van deze tandtechnische stukken. **Toelichting** Tandtechniek omvat werkzaamheden ten behoeve van tandtechnische werkstukken of onderdelen daarvan. Deze werkzaamheden kunnen zowel door een mondzorgaanbieder als door een tandtechnicus zelfstandig worden uitgevoerd. De zorg die gepaard gaat met het plaatsen van tandtechnische stukken wordt door de mondzorgaanbieder geleverd, voor deze zorg gelden de prestaties en tarieven zoals omschreven in de regelgeving tandheelkundige zorg, orthodontische zorg, bijzondere tandheelkunde instellingen, kaakchirurgie en Wlz-zorgaanbieders met tandartspraktijk. Zelfvervaardiging betekent vervaardiging door de zorgverlener zelf, maar kan ook betekenen dat de technieken worden vervaardigd door een tandtechnieker binnen de praktijk of binnen een bedrijf waarvan de zorgaanbieder (of zorgverlener) de eigenaar"},{"i":12264,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2018 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) en [artikel 2.10 lid 2 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=2.10); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2018 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 32.800 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 328.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.280.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2018 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,77% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,75% | | Maximumpremie werkgevers | 3,00% | | Minimumpremie werkgevers | 0,18% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,41% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,42 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2018 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,45% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,41% | | Maximu"},{"i":12756,"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2016 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2016 vastgesteld op 0,102616%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2016 vastgesteld op 0,092033%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":12410,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie, van 25 mei 2012, nr. 267619, houdende instelling van het Auditteam Voetbal en Veiligheid Overwegende dat het [instellingsbesluit van het Auditteam voetbalvandalisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015461) van 13 augustus 2003 (EA2003/74936 DGOOV/POL/BJZ) en de wijziging van het instellingsbesluit van het Auditteam voetbalvandalisme van 15 december 2006 (Nr. 2006-0000326163 DGV/POL/PVB) niet meer actueel zijn; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Auditteam: Het Auditteam Voetbal en Veiligheid. Artikel 2 Er is een Auditteam Voetbal en Veiligheid. Artikel 3 Het Auditteam heeft tot taak: - a. Het doen van feitenonderzoek naar ingrijpende incidenten van voetbalgerelateerd geweld in Nederland; - b. Het onderzoeken en analyseren van trends van (uitwassen van) gedrag van voetbalsupporters en het doen van aanbevelingen ter verbetering; - c. Het opstellen van concrete adviezen en aanbevelingen door het uitvoeren van onderzoek (audits) over de aanpak van voetbalgeweld door clubs, gemeenten, politie, Openbaar Ministerie en KNVB. Artikel 4 1. Het Auditteam bestaat uit een voorzitter en vijf leden. 2. De Minister van Veiligheid en Justitie benoemt de voorzitter en de leden van het Auditteam voor een periode van vier jaar. 3. Op verzoek van de voorzitter, of het desbetreffende lid, kan deze periode eenmalig met twee jaar worden verlengd. Artikel 5 1. De Minister van Veiligheid en Justitie kan het Auditteam een onderzoeksopdracht geven. 2. Het Auditteam brengt van dit onderzoek verslag uit aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Artikel 6 1. Een burgemeester kan bij ingrijpende incidenten het Auditteam verzoeken een feitenonderzoek te doen. 2. Het Auditteam besluit op dit verzoek na overleg met de Minister van Veiligheid en Justitie. 3. Indien het Auditteam besluit een onderzoek in te stellen, brengt het van dit onderzoek verslag uit aan de Minister van Veiligheid en Justitie en de burgemeester op w"},{"i":11989,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 mei 2007, nr. DDI/ST/reg. 012/2007, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het gezantschap, later de ambassade van Bulgarije, 1953–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het gezantschap, later de ambassade van Bulgarije, 1953–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 31 | 2040 | | 113 | 2048 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021978&artikel=1&z=2007-06-02&g=2007-06-02), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021978&artikel=1&z=2007-06-02&g=2007-06-02), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit zal met de daarbij behorende b"},{"i":12229,"b":"Besluit van 11 maart 1987, tot algemeen verbindendverklaring van de regeling omtrent de uitgifte, de verhandeling en de uitbetaling tegen inlevering van spaarbewijzen als bedoeld in artikel 2 van de Wet inzake spaarbewijzen Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen van 27 februari 1987 no. 387-1784; Gelet op [artikel 2 van de Wet inzake spaarbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003797&artikel=2) (**Stb.** 1985, 293); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Ten aanzien van ondernemingen en instellingen die spaarbewijzen uitgeven, worden algemeen verbindend verklaard: - a. de overeenkomst van 11 mei 1981 tussen De Nederlandsche Bank N.V. en de representatieve organisaties als bedoeld in [artikel 1, onder **d,** van de Wet inzake spaarbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003797&artikel=1) inzake een uniforme gedragslijn ten aanzien van niet op naam gestelde spaarbewijzen, voor zover het spaarbewijzen betreft die zijn uitgegeven na 10 mei 1981 doch voor 2 februari 1987, en - b. de overeenkomst van 2 februari 1987 tussen De Nederlandsche Bank N.V., de representatieve organisaties als bedoeld in [artikel 1, onder **d,** van de Wet inzake spaarbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003797&artikel=1) en de Postbank N.V., inzake vaststelling van een nader gepreciseerde, uniforme gedragslijn ten aanzien van niet op naam gestelde spaarbewijzen, voor zover het spaarbewijzen betreft die zijn of worden uitgegeven na 1 februari 1987. 2. De tekst van de overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid zijn als bijlagen bij dit besluit gevoegd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Overeenkomst d.d. 11 mei 1981 inzake vaststelling van een uniforme gedragslijn ten aanzien van niet op naam gestelde spaarbewijzen Gelet op de wenselijkheid om: - a. de administratieve afwikkeling van transacties in nieu"},{"i":13113,"b":"Bevoegdhedenregeling NWO 2017 Vastgesteld door de raad van bestuur, op 1 februari 2017. 1. Algemeen 1.1. Begripsbepalingen In deze bevoegdhedenregeling gelden de begripsbepalingen zoals opgenomen in [artikel 1.1 van het Bestuursreglement NWO 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039246&artikel=1.1) van 1 februari 2017. Daarnaast wordt in deze bevoegdhedenregeling verstaan onder: 1.2. Juridische grondslag en werkingssfeer 2. Raad van bestuur 2.1. Bevoegdheden en algemeen budgethouderschap 2.2. Uitoefening bevoegdheden RvB, bevoegdheden (vice-)voorzitter en portefeuillehouder BF 2.3. Beslissingen op bezwaar en procesbevoegdheid 2.4. Toekenning bevoegdheden aan organen, organisatieonderdelen en/of functionarissen: mandaten en volmachten 2.5. Hoofd bureau raad van bestuur 3. Domeinbestuur 3.1. Domeinbestuur: gemandateerd budgethouderschap 3.2. Domeinbestuur: uitoefening bevoegdheden 3.3. Domeinbestuur: volmacht 3.4. Domeindirecteur: budgetverantwoordelijke 3.5. Regieorgaan: overeenkomstige toepassing 4. Afdeling bedrijfsvoering 4.1. De portefeuillehouder BF 4.2. Directeur bedrijfsvoering: dagelijkse leiding en budgetverantwoordelijkheid 4.3. Afdelingshoofden: dagelijkse leiding en autorisatie 4.4. Personeelsbesluiten 5. Algemeen: uitoefening bevoegdheden op grond van mandaat of volmacht 5.1. Goede taakvervulling: geen misbruik van bevoegdheid 5.2. Verbod van (de schijn van) belangenverstrengeling en verbod splitsing verplichtingen 5.3. Vervangingsregeling Bij afwezigheid of ontstentenis van een bevoegd functionaris vindt vervanging plaats bij de domeinen: door een of meerdere door de directeur aangewezen functionaris(sen) en binnen de afdeling bedrijfsvoering: een functionaris met een hogere positie binnen de organisatie, mits opgenomen in het register. 5.4. Register 5.5. Ondertekening Bijlage. Bevoegdhedenmatrix | | Raad van Bestuur | Domeinbestuur | Domeindirecteur | Directeur bedrijfsvoering | Afdelingshoofden bedrijfsvoering | Hoofd bureau Raad van Bestuur"},{"i":11446,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 april 2014, nr. PO/563679, houdende regels voor subsidieverstrekking in het kader van de pilot tweetalig primair onderwijs (Subsidieregeling pilot tweetalig primair onderwijs) Gelet op de [artikelen 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=116) en [123 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=123) en [artikel 2 eerste lid van de Regeling OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028820&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **minister:** minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b). **bevoegd gezag:** bevoegd gezag van een school die toestemming heeft gekregen om deel te nemen aan de pilot tweetalig primair onderwijs. Het bevoegd gezag is tevens de subsidieontvanger. - c). **school:** basisschool als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) die toestemming heeft gekregen om deel te nemen aan de pilot tweetalig primair onderwijs; - d). **pilot tweetalig primair onderwijs:** experiment waarbij 30 tot 50 % van de onderwijstijd in het Engels of Frans of Duits wordt gegeven, met een sterke internationale oriëntatie. Artikel 2. Te subsidiëren activiteiten 1. De minister kan, in het kader van de pilot tweetalig primair onderwijs, een subsidie verstrekken aan een bevoegd gezag. 2. De subsidie wordt verstrekt, ten behoeve van scholen die van 1 augustus 2014 tot en met 31 juli 2019 of van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2019 deelnemen aan de pilot tweetalig primair onderwijs, met inachtneming van de [artikelen 3 tot en met 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035057&artikel=3&z=2016-04-01&g=2016-04-01). Artikel 3. Subsidieaanvrager 1. Een bevoegd gezag komt alleen in aanmerking voor subsidie indien zijn school in het bezit is van een besluit van de minister waarin: - a"},{"i":12967,"b":"Besluit van 17 augustus 1935, tot vaststelling van een wachtgeldregeling voor militairen der Koninklijke landmacht beneden den rang van officier Op de voordracht van Onze Ministers van Defensie en van Binnenlandsche Zaken van 4 April 1935, VIIIste Afdeeling, n°. 129, en van 12 April 1935, n°. 489II, Afdeeling Pensioenen en Wachtgelden; Gelet op [art. 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); Overwegende, dat het wenschelijk is in Ons besluit van den 30 December 1922 (**Staatsblad** n°. 774) tot vaststelling van een wachtgeldregeling voor militairen der landmacht beneden den rang van officier, zooals dat besluit laatstelijk is gewijzigd en aangevuld bij Ons besluit van 4 Februari 1931 (**Staatsblad** n°. 45), in te trekken en opnieuw vast te stellen; Den Raad van State gehoord (advies van 14 Mei 1935, n°. 30); Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Defensie en van Binnenlandsche Zaken van 30 Juli 1935, VIIIste Afdeeling, n°. 1, en van 7 Augustus 1935, n°. 489III, Afdeeling Pensioenen en Wachtgelden; Hebben goedgevonden en verstaan: A. in te trekken ons besluit van 30 December 1922 (**Staatsblad** n°. 774) tot vaststelling van een wachtgeldregeling voor militairen der landmacht beneden den rang van officier, zooals dit besluit bij verschillende besluiten is gewijzigd en aangevuld, laatstelijk bij besluit van 4 Februari 1931 (**Staatsblad** n°. 45); B. te bepalen: Artikel 1 1. Dit besluit verstaat onder \"militairen\" vrijwillig dienende militairen der landmacht beneden den rang van officier, niet behoorende tot het verlofspersoneel. 2. Aan den militair wiens dienstverband wordt verbroken of niet verlengd ter zake van opheffing van zijne betrekking of wegens verandering in de organisatie van het wapen of dienstvak, waartoe hij behoort, wordt, met inachtneming van het bepaalde in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001967&artikel=4&z=1957-01-01&g=1957-01-01) - tenzij hij op he"},{"i":13188,"b":"Deelregeling Curator Beschouwer Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het Mondriaan Fonds kan op grond van deze regeling subsidies verstrekken voor plannen die bijdragen aan de kwaliteit van de hedendaagse beeldende kunst en/of het cultureel erfgoed in Nederland en die de verbinding met het publiek vergroten. Artikel 2. Doelgroep Een bijdrage kan worden verstrekt aan natuurlijke personen, die als onafhankelijke curator/beschouwer een bijdrage leveren op het gebied van de beeldende kunst en/of erfgoed. Artikel 3. Subsidiesoort De bijdrage is bedoeld voor plannen die hetzij in de tijd begrensd zijn, hetzij leiden tot een concreet resultaat of beide als tegemoetkoming in de projectkosten en/of tijdsinvestering en kan worden verstrekt in de vorm van - –. een flexibele bijdrage voor een periode van maximaal twaalf maanden; - –. een vaste bijdrage voor een periode van maximaal twaalf maanden. Artikel 4. Weigeringsgronden Geen subsidie wordt toegekend - a. aan een rechtspersoon; - b. als honorarium voor de aanvrager; - c. voor reguliere werkzaamheden al dan niet in dienstverband; - d. voor werkzaamheden in opdracht van een instituut of organisatie; - e. voor het volgen van onderwijs (zoals bachelor, master, phd of promotieonderzoek); - f. voor een werkperiode in een gastatelier in binnen- of buitenland waarvoor het fonds een openbare oproep heeft uitgeschreven; - g. voor productie, zoals een publicatie of een tentoonstelling. Artikel 5. Aanvraag Naast de bepalingen vastgesteld in het [Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038798), in het aanvraagformulier en in de toelichting daarop, dient de aanvraag vergezeld te gaan van: - –. een toelichting op de beroepspraktijk, met een omschrijving van relevante activiteiten; - –. een cv met nadruk op de laatste twee tot vier jaar; - –. een werkplan inclusief motivering daarvan, een beschrijvin"},{"i":12109,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid KNAW Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en c van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 23 mei 2019, met kenmerk #7955061 BESLUIT, tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (1908) 1940–1993 (1995): Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 184 | 2031 | | 185 | 2047 | | 361 | 2034 | | 362 | 2042 | | 363 | 2047 | Artikel 2 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 164 | 2020 | | 165 | 2021 | | 166 | 2022 | | 167 | 2023 | | 168 | 2024 | | 169 | 2025 | | 170 | 2026 | | 171 | 2027 | | 172 | 2028 | | 173 | 2029 | | 174 | 2030 | | 175 | 2031 | | 176 | 2032 | | 177 | 2033 | | 178 | 2034 | | 179 | 2038 | | 180 | 2040 | | 181 | 2042 | | 182 | 2043 | | 183 | 2044 | | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 335 | 2020 | | 336 | 2021 | | 337 | 2022 | | 338 | 2023 | | 339 | 2024 | | 340 | 2025 | | 341 | 2026 | | 342 | 2027 | | 343 | 2028 | | 344 | 2029 | | 345 | 2030 | | 346 | 2031 | | 347 | 2032 | | 348 | 2033 | | 349 | 2034 | | 350 | 2035 | | 351 | 2036 | | 352 | 2037 | | 353 | 2038 | | 354 | 2039 | | 355 | 2040 | | 356 | 2041 | | 357 | 2042 | | 358 | 2043 | | 359 | 2044 | Artikel 3 De archiefbescheiden geborgen"},{"i":13119,"b":"Bevoegdheidsregeling DNB 2018 De Directie van De Nederlandsche Bank N.V.; Overwegende dat de vennootschap wordt vertegenwoordigd door de directie en dat deze bevoegdheid tot vertegenwoordiging mede toekomt aan de president en aan ieder der directeuren afzonderlijk; Overwegende dat de directie bevoegd is gevolmachtigden met vertegenwoordigingsbevoegdheid aan te stellen; Overwegende dat de directie mandaat kan verlenen om namens DNB besluiten te nemen in het kader van bevoegdheden die bij wet aan DNB zijn toegekend; Gelet op artikelen 6a en 7 van de Statuten van De Nederlandsche Bank N.V.; Besluit: 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: 2. Volmacht 3. Mandaat 4. Ondertekeningsmandaat Een door de directie genomen besluit kan worden ondertekend door een afzonderlijk lid van de directie. 5. Overdracht Onverminderd het in deze regeling bepaalde kunnen krachtens deze regeling verkregen bevoegdheden niet geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan een andere medewerker van DNB of een derde. 6. Bijzondere bevoegdheidsverlening De verlening van bevoegdheden, anders dan de hierin genoemde, aan medewerkers in dienst van DNB of derden gebeurt schriftelijk en is voorbehouden aan de directie, alsmede aan ieder lid daarvan. 7. Bekendmaking 8. Inwerkingtreding"},{"i":11909,"b":"Besluit Beheer Haringvlietsluizen Overwegende: dat het Haringvliet, het Hollandsch Diep en de Biesbosch vóór de uitvoering van het Deltaplan het natuurlijke overgangsgebied (estuarium) vormden tussen de zee en de Rijn en de Maas; dat het gebied met de Haringvlietdam van de directe zee-invloed werd afgesloten; dat het beheer van de sluizen in de dam sindsdien, behalve op de veiligheid tegen overstroming, vooral gericht is geweest op voordelen voor het menselijk gebruik zoals het in stand houden van een goede watervoorziening in delen van Zuid-Holland, Noord Brabant en Zeeland; dat dit heeft geleid tot verlies aan natuurlijke samenhang en kwaliteit en dat voortzetting van dit beheer op termijn bovendien tot hoge beheerskosten zal leiden; dat in verband hiermee in de derde Nota waterhuishouding, het Natuurbeleidsplan en het Rijn Actie Programma is aangegeven dat het gebied als mondingsgebied van de Rijn en de Maas niet naar wens functioneert; dat het mijn bedoeling is om na het afwegen van alle belangen de Haringvlietsluizen zo te beheren dat dit goede voorwaarden biedt voor karakteristieke estuariene levensgemeenschappen en voor duurzaam gebruik van de wateren ter weerszijden van de sluizen; dat de veiligheid tegen overstroming daarbij onveranderd gehandhaafd zal blijven; dat in een milieueffectrapport alternatieven voor het huidige beheer zijn onderzocht; dat mede op grond van dat milieueffectrapport in de vierde Nota waterhuishouding is geconcludeerd dat beheer van de Haringvlietsluizen volgens het alternatief ‘Getemd getij’ meer recht doet aan de doelstellingen van het integraal waterbeheer; dat bij beheer volgens Getemd getij de fysieke verbinding tussen het estuarium en de Voordelta, beide deel uitmakend van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in Nederland en onderdeel van het Europees ecologisch netwerk Natura 2000, grotendeels wordt hersteld; dat bij dat beheer, in termen van de Habitatrichtlijn, kan worden gesproken van een ‘gunstige staat van instandhouding’"},{"i":11908,"b":"Besluit Beheer Documentaire Informatie Sociaal-Economische Raad Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14) en [artikel 51 van de Wet op de Sociaal-Economische Raad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=51); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Conversie:** de omzetting of overzetting van digitale documenten in een ander bestandsformaat; - **Documentaire informatie (DI):** - a. alle documenten, ongeacht hun vorm, door de Sociaal-Economische Raad ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - b. alle documenten, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op de Sociaal-Economische Raad zijn overgegaan; - c. alle documenten, ongeacht hun vorm, welke als gevolg van overeenkomsten met of beschikkingen van de Sociaal-Economische Raad in een archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten; - d. reproducties, ongeacht vorm, welke bij of krachtens de wet in de plaats zijn gesteld van de onder het eerste, tweede of derde lid bedoelde documenten of welke op grond van [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) zijn vervaardigd; - **Duurzaam informatiebeheer:** informatiebeheer waarbij de toegankelijkheid, authenticiteit en betrouwbaarheid van documentaire informatie wordt gewaarborgd om achteruitgang te voorkomen en tegen te gaan, zodat tenminste honderd jaar na het ontstaan van de archiefstukken deze nog zijn te raadplegen. - **Migratie:** de overzetting van vastgelegde digitale documenten en toepassingsprogrammatuur naar een ander platform; - **Overbrenging:** het overbrengen van blijvend te bewaren archiefbescheiden naar een archiefbewaarplaats (Nationaal Archief); - **Selectie:** het geheel van activiteiten gericht op het scheiden van voor blijvende bewaring in aanmerking komende documenten en voor v"},{"i":13284,"b":"Gelijkstelling bepaalde dagen in 1990, 1991 en 1992 met algemeen erkende feestdagen Op de voordracht van Onze minister van Justitie van 3 januari 1990, Hoofddirectie Organisatie Rechtspleging en Rechtshulp, nr. 1215/889; Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3) worden gelijkgesteld 25 mei, 24 december en 31 december 1990, 10 mei en 27 december 1991 en 1 mei en 29 mei 1992. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van verschijning van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13334,"b":"Huishoudelijk reglement Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+. Artikel 2. Subsidiebureau 1. Het bestuur oordeelt over bij het Fonds Podiumkunsten ingediende aanvragen met inachtneming van het bepaalde in het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten en de op dit reglement gebaseerde deelregelingen. 2. Het subsidiebureau ondersteunt het bestuur bij de afhandeling van ingediende aanvragen en bereidt de beoordeling van ingediende aanvragen door de adviescommissies voor. Artikel 3. Integriteit medewerkers 1. Werknemers van het Fonds Podiumkunsten vervullen geen nevenfuncties die strijdig zijn met het belang van het Fonds. 2. De werknemer die een nevenfunctie wil vervullen, anders dan uit hoofde van zijn werk, bespreekt dit voornemen met het bestuur, waarna schriftelijk toestemming moet worden gegeven. 3. Werknemers onthouden zich van het vorderen van of verzoeken om geschenken, beloften, beloningen of provisie van personen met wie zij uit hoofde van hun functie in aanraking komen. 4. De werknemer is zowel tijdens als na beëindiging van de arbeidsovereenkomst jegens anderen dan werknemers, bestuursleden en toezichthouders van de werkgever verplicht tot geheimhouding omtrent alle bedrijfsaangelegenheden die hem ter kennis zijn gekomen. 5. Het bestuur zorgt ervoor dat werknemers zonder gevaar voor hun rechtspositie melding kunnen doen van (vermeende) onregelmatigheden van algemene, operationele en financiële aard. Artikel 4. Transparantie en verantwoording 1. Het bestuur evalueert periodiek de verschillende subsid"},{"i":13169,"b":"Besluit van de Sociale verzekeringsbank van 5 februari 2024, houdende controlevoorschriften als bedoeld in artikel 8g, eerste lid, van de Remigratiewet (Controlevoorschriften Remigratiewet 2024) Gelet op [artikel 8g, eerste lid, van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8g); Gelet op de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 oktober 2023; Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424); - b. **SVB:** de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - c. **remigratie-uitkering:** de uitkering, bedoeld in [artikel 4, eerste of derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=4); - d. **remigratievoorzieningen:** de voorzieningen, bedoeld in [artikel 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=4); - e. **wezenuitkering:** de uitkering, bedoeld in [artikel 5, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=5); - f. **remigrant:** de persoon, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder i, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=1), die aanspraak heeft op remigratievoorzieningen; - g. **partner:** de persoon, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder h, dan wel artikel 1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=1); - h. **gewezen partner:** degene die op basis van [artikel 5, eerste of tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=5), aanspraak heeft op remigratievoorzieningen; - i. **kind:** het kind, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder d, dan wel artikel 1, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=1); - j. **wees:** het kind dat op b"},{"i":13640,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Buitenlandse Zaken van 1 juli 2013, nr. 396425, houdende de instelling van het team Urban Search and Rescue Nederland (Instellingsbesluit USAR.NL) Besluit: Artikel 1 - a. **INSARAG:** International Search and Rescue Advisory Group, waarvan het secretariaat valt onder de Field Coordination Support Section van de Emergency Service Branch van het Office for the coordination of Humanitarian Affairs van de Verenigde Naties; - b. **Richtlijn:** INSARAG Guidelines and Methodology, vastgesteld op grond van de resolutie van de algemene Vergadering van de Verenigde Naties 57/170 van 16 december 2002 met betrekking tot Strengthening the effectiveness and coordination of International urban search and rescue assistance; - c. **EU Voluntary Pool:** Voluntary pool van het European Civil Protection Mechanism als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Commission implementing decision van 16 October 2014 (2014/762/EU) laying down rules for the implementation of Decision No 1313/2013/EU of the European Parliament and of the Council on a Union Civil Protection Mechanism and repealing Commission Decisions 2004/277/EC, Euratom and 2007/606/EC, Euratom; - d. **HUSAR:** Heavy Urban Search and Rescue team als bedoeld in E 7.3 van de Richtlijn; - e. **TAST:** Technical Assistance Support Team als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Commission implementing decision van 16 October 2014 (2014/762/EU) laying down rules for the implementation of Decision No 1313/2013/EU of the European Parliament and of the Council on a Union Civil Protection Mechanism and repealing Commission Decisions 2004/277/EC, Euratom and 2007/606/EC, Euratom; - f. **IFV:** Instituut Fysieke Veiligheid als bedoeld in [artikel 66 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=66); - g. **Veiligheidsregio:** veiligheidsregio als bedoeld in [art"},{"i":11565,"b":"Besluit van 20 december 2005 tot wijziging van het Bevoegdhedenbesluit WPO tot vaststelling van de bewijzen van bekwaamheid die bevoegdheid verlenen tot het geven van Duitse taal en Franse taal in het basisonderwijs en wijziging van het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel om de vakleerkracht voor de onderwijsactiviteiten Duitse taal en Franse taal in het basisonderwijs te introduceren Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 22 november 2005, nr. WJZ/2005/52073 (2639), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onder b.1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=3), [32a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=32a), en [186, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=186); De Raad van State gehoord (advies van 1 december 2005, nr. W05.05.0520/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 16 december 2005, nr. WJZ/2005/54945 (2639), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Bevoegdhedenbesluit WPO. Artikel II Wijzigt het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel. Artikel III Het recht zoals dat gold voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op beschikkingen en geschillen die betrekking hebben op de periode voorafgaand aan dat tijdstip. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12664,"b":"Besluit uitstel differentiatie eurovignet heeft het volgende besloten. Bij de wet van 14 december 2000 (Belastingplan 2001) worden in de [Wet belasting zware motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678) de tarieven voor het gemeenschappelijk gebruiksrecht (eurovignet) gewijzigd ingaande 1 januari a.s. De tarieven worden gedifferentieerd naargelang de milieuklasse waarin de vrachtwagens kunnen worden gerangschikt (EURO-0, EURO-I of EURO-II en schoner). De differentiatie volgt uit [richtlijn 1999/62/EG](31999L0062) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 (Pb LG 187/42) betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen. Op grond van die richtlijn dient ook het eurovignetverdrag (Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens) te worden aangepast, dat is gesloten tussen de landen waarin het eurovignet word geheven. Hiertoe hebben de eurovignetlanden een protocol voorbereid, dat op 3 november jl. stilzwijgend door het Parlement is goedgekeurd. Dit protocol moet door alle eurovignetlanden worden geratificeerd. Gebleken is evenwel dat de ratificatie van het protocol is vertraagd in één van de verdragsstaten en aanpassing van het verdrag derhalve niet voor 1 januari a.s. kan plaatsvinden. Dit betekent dat de tarieven voor het eurovignet in het verdrag op die datum nog niet zullen zijn gewijzigd. Gelet hierop keur ik goed dat voorshands de huidige tarieven nog worden toegepast. De nieuwe tarieven zullen worden toegepast nadat de ratificatie is voltooid op een datum die in overleg met de andere eurovignetlanden zal worden bepaald. Van die datum zal twee weken tevoren kennis worden gegeven in de Staatscourant."},{"i":11570,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2011, nr. 2011-2000571698, tot wijziging van de Regeling inburgering in verband met de vaststelling van het rentepercentage voor 2012 van leningen op grond van artikel 16 van de Wet inburgering en de vervanging van het in bijlage 6 bij artikel 3.3 opgenomen model van het inburgeringsdiploma Gelet op [artikel 14, derde lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=14) en [artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=4.5); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling inburgering. Artikel II Inburgeringsdiploma’s die vanaf 19 september 2011 tot de inwerkingtreding van deze regeling namens de hoofddirectie van de Dienst Uitvoering Onderwijs zijn ondertekend, worden aangemerkt als inburgeringsdiploma’s die namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn ondertekend. Artikel III 1. [Artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030948&artikel=I&z=2012-01-01&g=2012-01-01), treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2011, treedt artikel I, onderdeel A, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 1 januari 2012. 2. [Artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030948&artikel=I&z=2012-01-01&g=2012-01-01), en [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030948&artikel=II&z=2012-01-01&g=2012-01-01) treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst. Artikel I, onderdeel B, werkt terug tot en met 19 september 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12183,"b":"Besluit digitale vervanging archiefbescheiden Kadaster (veldwerken, hulpkaarten en Lijsten 78a) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) en de namens de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap door de algemene rijksarchivaris afgegeven machtiging van 20 december 2010, NA/S&B/10/5.988; Besluit: Artikel 1 Het bestuur gaat over tot digitale vervanging van archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen, - a. die: - 1°. zijn opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, en zaken betreffen die nog niet zijn afgedaan, of - 2°. zullen worden opgemaakt in de periode tot en met vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit; - b. volgens de specificaties, vastgelegd in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029735&bijlage=1&z=2011-03-24&g=2011-03-24) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029735&bijlage=2&z=2011-03-24&g=2011-03-24) behorende bij dit besluit; - c. overeenkomstig de eisen, opgenomen in de [bijlage van de Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](onbekend), en - d. met inachtneming van de waarde en het belang, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel c onderscheidenlijk d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2), alsmede wat daarover is bepaald in [artikel 4, tweede en derde lid, van de Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023395&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit digitale vervanging archiefbescheiden Kadaster (veldwerken, hulpkaarten en Lijsten 78a). Bijlage 1 Ligt ter inzage bij de Dienst voor het kadaster en de openbare registers te Apeldoorn. Bijlage 2 Ligt ter inzage bij de Dienst voor het kadaster en de openbare registers te Apeldoorn."},{"i":12788,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 september 2021, nr. WJZ/ 21202971, houdende vaststelling van de rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het voormalig Productschap voor Vee en Vlees Gelet op [artikel XLVI van de Wet opheffing bedrijfslichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&artikel=XLVI); Besluit: Artikel 1 De rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het voormalig Productschap voor Vee en Vlees wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum na die waarop het is bekendgemaakt. Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het Productschap voor Vee en Vlees Met de inwerkingtreding van de [Wet opheffing bedrijfslichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083) (hierna: Wob) op 1 januari 2015 zijn de zeventien Product- en bedrijfschappen opgeheven. In [artikel XXXIX, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&artikel=XXXIX), werd de Minister van EZ bevoegd alle rechtshandelingen te verrichten met het oog op de vereffening van het vermogens van de schappen. Op 1 januari 2019 is de Wob aangepast en werd de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister) verantwoordelijk voor de laatste fase van de vereffening van de vermogens van de schappen. Voor u ligt de Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het Productschap voor Vee en Vlees (PVV). Het schriftelijk verslag, opgenomen in Deel I, gaat vergezeld van een slotbalans op 31 december 2017 en een rekening van baten en lasten over de periode 2015 – 2017 die zijn opgenomen in Deel II, een bijlage waarin het stappenplan van de vereffening wordt toegelicht en een tweede bijlage waarin het effect van het verloop van de IBR-claim op het resterend vermogen van PVV is uitgewerkt. Het Ontwerp van de Rekening en verantwoording heeft conform [artikel XLVI, v"},{"i":13911,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 december 2008, nr. BSG/2008/35059, houdende toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan onder de secretaris-generaal ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit secretaris-generaal 2009) Gelet op de [artikelen 4, vierde lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=4), en [23, eerste lid, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=23); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of de Minister van Werk en Participatie, afhankelijk van wie het aangaat; - b. **directie:** een van de organisatieonderdelen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024991&paragraaf=2&artikel=2&z=2026-04-16&g=2026-04-16); - c. **directeur:** een functionaris die leiding geeft aan een directie; - d. **RCN:** Rijksdienst Caribisch Nederland. § 2. Organisatie Artikel 2 Onder de secretaris-generaal ressorteren: - a. de directie Communicatie; - b. de directie Financieel Economische Zaken; - c. de directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden; - d. de directie Bestuursondersteuning. § 3. Verantwoordelijkheden Artikel 3 1. Elk van de directeuren is verantwoordelijk voor: - a. het leiding geven aan de eigen directie; - b. het door tussenkomst van de secretaris-generaal adviseren van de bewindspersonen ten aanzien van het werkterrein van de eigen directie en het attenderen van hen op politiek of maatschappelijk gevoelige aspecten; - c. het coördineren van de beleidsontwikkeling en -uitvoering van de eigen directie met de beleidsontwikkeling en -uitvoering van de andere onderdelen van het ministerie en van andere ministeries; - d. het zorgdragen voor een effectieve en efficiënte be"},{"i":11604,"b":"Wet van 27 september 2019 tot wijziging van enige wetten in verband met de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren in het onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Eerste Kamer der Staten-Generaal het initiatiefvoorstel van de [Wet normalisering rechtspositie ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039393) heeft aanvaard en het in verband daarmee wenselijk is om wetten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet normalisering rechtspositie ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039393) Wijzigt de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren. Artikel II. Wijziging [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel III. Wijziging [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel IV. Wijziging [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel V. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel VI. Wijziging [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel VII. Wijziging [Wet Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191) Wijzigt de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek. Artikel VIII. Wijziging [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IX. Overgangsbepalingen 1. De aktes"},{"i":11605,"b":"Wet van 15 april 1992, tot wijziging van de Wet op de Open Universiteit met betrekking tot de bestuursorganisatie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat enkele knelpunten in de bestuursorganisatie van de Open Universiteit worden weggenomen en dat het in verband daarmee wenselijk is de Wet op de Open Universiteit te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Besluiten genomen door organen die daartoe ingevolge de Wet op de Open Universiteit zoals deze luidde voor inwerkingtreding van deze wet bevoegd waren, gelden als besluiten genomen door organen die daartoe ingevolge de Wet op de Open Universiteit, zoals gewijzigd door deze wet bevoegd zijn. Artikel III 1. Onze minister van Onderwijs en Wetenschappen draagt zorg dat binnen twee maanden na inwerkingtreding van deze wet een bestuursraad tot stand komt overeenkomstig de artikelen 22 en 23 van de Wet op de Open Universiteit. Totdat de nieuwe bestuursraad tot stand is gekomen treden de voorzitter en de door de Kroon benoemde leden van de bij inwerkingtreding van deze wet bestaande bestuursraad op als bestuursraad. 2. Binnen vier maanden nadat de bestuursraad overeenkomstig het eerste lid tot stand is gekomen stelt de bestuursraad het bestuursreglement, bedoeld in artikel 32 van de Wet op de Open Universiteit, opnieuw vast. Indien binnen deze termijn het bestuursreglement niet of niet volledig is vastgesteld, kan Onze minister van Onderwijs en Wetenschappen het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vaststellen. 3. Totdat overeenkomstig het tweede lid het bestuursreglement tot stand is gekomen blijft het bestuursreglement dat voor inwerkingtreding van deze wet van kracht was voor zover nodig van toepassing. Artikel IV Binnen drie"},{"i":12956,"b":"Besluit vaststelling vergoeding voorzitter Gemeenschappelijke Raadgevende Commissie Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: artikel Enig Aan de voorzitter van de Gemeenschappelijke Raadgevende Commissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,026. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12977,"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie duurzame scheepsbouw Gelet op [artikel 3.19.7 van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.19.7); Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie duurzame scheepsbouw wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,157. 2. Aan de andere leden van de adviescommissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,157. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking te rekenen vanaf 15 juli 2017. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergoedingen Adviescommissie duurzame scheepsbouw. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkene(n)."},{"i":13067,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, van 26 juli 2018, kenmerk 2308300, houdende de aanwijzing van vuurwapendragers bij de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (Besluit voorschrift vuurwapendragers FIOD) Gelet op [artikel 4, eerste en tweede lid van de Regeling wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008800&artikel=4), BESLUIT: Artikel 1 Aan de opsporingsambtenaren van de teams Criminele Inlichtingen, Opsporingsondersteuning, Bijzondere Bijstand, Hit and Run Cargo en Cargo Harc van de bijzondere opsporingsdienst als bedoeld in [artikel 2, onderdeel a van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2) wordt het voorschrift gegeven gedurende hun dienstuitoefening wapens en munitie voorhanden te hebben. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041239&artikel=1&z=2018-08-08&g=2018-08-08) bedoelde opsporingsambtenaren die daarvoor door de voorzitter van het managementteam van de bijzondere opsporingsdienst zijn aangewezen, kunnen bij de uitvoering van hun taak gebruik maken van: - a. peperspray, van een door de Minister van Justitie en Veiligheid goedgekeurd merk en type; - b. een korte wapenstok, van een door de Minister van Justitie en Veiligheid goedgekeurd merk en type; en - c. een semi-automatisch pistool van het merk Walther, type P99Q NL, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 23 juni 2011. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorschrift vuurwapendragers FIOD. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":12288,"b":"Besluit van 26 november 2003, nr. 03.004876, houdende gelijkstelling van 6 mei 2005, 26 mei 2006, 18 mei 2007, 27 december 2007, 28 december 2007 en 31 december 2007 met een algemeen erkende feestdag Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 november 2003, Directie Strategie Rechtspleging, nr. 5253439/803; Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3) worden gelijkgesteld 6 mei 2005, 26 mei 2006, 18 mei 2007, 27 december 2007, 28 december 2007 en 31 december 2007. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van verschijning van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12172,"b":"Besluit van 10 januari 2022 nr. 2022000017, houdende departementale herindeling met betrekking tot versterking en perspectief Groningen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 10 januari 2022, kenmerk 3758953; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van versterking en perspectief Groningen, voor zover deze voor 10 januari 2022 was opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046203&artikel=1&z=2022-01-19&g=2022-01-19) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046203&artikel=2&z=2022-01-19&g=2022-01-19) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 januari 2022. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":12306,"b":"Besluit van 14 december 1996, houdende herindeling van departementale taken Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, dd. 13 december 1996, nr. 96M009391; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken wordt belast met de zorg voor het beleid en de regelgeving gebaseerd op artikel 28 van de Emigratiewet voorzover deze tot 1 januari 1997 was opgedragen aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de Ministeries."},{"i":12305,"b":"Besluit houdende herbenoeming en vergoeding leden Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 3.16.1a van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.16.1a); Besluit: Artikel 1 Met ingang van 2 juli 2017 worden voor een periode van twee jaar tot lid van de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters benoemd: - a). de heer prof. dr. J.W.C.M. Cobbenhagen, te Maastricht, tevens voorzitter; - b). de heer J.F. Beernink, te Enschede; - c). mevrouw drs. ing. E.W.L. Verhulp, te Amsterdam; - d). de heer drs. C. A. Holland, te Arnhem; - e). de heer H. Siemerink, te Amsterdam; - f). de heer J.P. Wolters, te Groningen. Artikel 2 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,059. 2. Aan de andere leden van de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,059. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen en aan de Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters."},{"i":12186,"b":"Besluit digitale vervanging archiefbescheiden LVVN 2025 Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), en [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van papieren archiefbescheiden door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2 De digitale vervanging heeft betrekking op de archiefbescheiden van de dienstonderdelen van de hoofden van dienst, bedoeld in [artikel 1, onder d, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=1). Artikel 3 De wijze waarop de digitale vervanging geschiedt, is vastgelegd in de bijlage Handboek digitale vervanging van archiefstukken bij de Ministeries van: Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij dit besluit. Artikel 4 De digitale vervanging geldt voor het kerndepartement en niet voor personeelsdocumenten en de documentcategorieën die zijn uitgesloten van digitale vervanging zoals beschreven in de bijlage Handboek digitale vervanging van archiefstukken bij de Ministeries van: Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij dit besluit. Artikel 5 De volgende besluiten worden ingetrokken: - a. het [Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 21 november 2011, nr. DBV/1110417, tot digitale vervanging van archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030852); - b. het [Besluit van de Minister van Economische Zaken van 2 januari 2014, nr. 2013 DB/13133673 tot digitale vervan"},{"i":13049,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 2 januari 2017 inzake volginnovatie 2016 Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 3.2.2., onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.2), [3.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.3.4), [3.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.3.6), [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.4),[3.4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.8), [3.4.15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.15a), [3.4.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.20), [3.7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.7.2), [3.9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [3.10.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.2), [4.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.9), [4.2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.16), [4.2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.23), [4.2.37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.37), [4.2.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.44), [4.2.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.58), [4.2.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.65), [4.2.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.79), [4.2.107](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.107) en [4.2.113 van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.ove"},{"i":12296,"b":"Besluit gespen Herinneringsmedaille Vredesoperaties Handelende in overeenstemming met de Ministers van Buitenlandse Zaken, van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 4, eerste lid, van het Besluit Herinneringsmedaille Vredesoperaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012356&artikel=4), Besluit: Artikel 1 Als gespen behorende bij de Herinneringsmedaille Internationale Missies worden ingesteld: - a. voor deelname aan de United Nations Mission in Ethiopia and Eritrea en aan operaties ter directe ondersteuning hiervan, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van en in het luchtruim boven Ethiopië, Eritrea en Djibouti, alsmede op de rede en in de haven van Massawa: UNMEE-DJIBOUTI; - b. voor deelname aan de United Nations Peace-Keeping Force in Cyprus, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van Cyprus: UNFICYP; - c. voor deelname aan de United Nations Truce Supervision Organization, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad in Israël, Libanon, Syrië en Egypte: UNTSO; - d. voor deelname aan de United Nations International Police Task Force, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van de Republiek Bosnië-Herzegowina: UNIPTF; - e. voor deelname aan de United Nations Mission in Bosnia and Herzegovina, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van de Republiek Bosnië-Herzegowina: UNMIBH; - f. voor deelname aan de WEU-operatie Multinational Advisory Police Element, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van de Republiek Albanië: WEU MAPE; - g. voor deelname aan de European Union Monitor Mission, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van de Balkanstaten, Georgië en de grensgebieden van Zuid-Ossetië en Abchazië: EUMM; - h. voor deelname aan operaties van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, voor zover deze deelname heeft plaatsgehad op het grondgebied van de Republiek Albanië: OVSE"},{"i":12297,"b":"Besluit van 4 oktober 1944, houdende regeling van de gevolgen in bepaalde gevallen van het zich begeven in vreemden krijgs- of staatsdienst Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Justitie, van Binnenlandsche Zaken, van Koloniën, van Buitenlandsche Zaken, van Oorlog, van Marine, en van Scheepvaart en Visscherij van 25 September 1944, N°. 1675/J 2134; Overwegende, dat het, gelet op de huidige buitengewone omstandigheden, noodzakelijk is een voorziening te treffen ter voorkoming van ongewenschte gevolgen van het zich begeven in vreemden krijgs- of staatsdienst door Nederlanders en Nederlandsche onderdanen uit anderen hoofde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Door het zich na 9 Mei 1940 begeven in krijgs- of staatsdienst van een bondgenoot wordt, ook indien daartoe door Ons onderscheidenlijk door het bevoegd gezag in de overzeesche gebiedsdeelen niet reeds vóór het in werking treden van dit besluit verlof is verleend, het Nederlanderschap noch het Nederlandsch onderdaanschap verloren. Artikel 2 Voor de toepassing van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002011&artikel=1&z=2000-03-01&g=2000-03-01) wordt onder bondgenoot verstaan elke niet-vijandelijke mogendheid, elk niet-vijandelijk, door Ons erkend bewind en elke niet aan het gezag van een vijandelijke mogendheid onderworpen georganiseerde krijgsmacht, oorlog voerende of vijandelijkheden verrichtende tegen een vijandelijke mogendheid. Artikel 3 1. Wij behouden Ons voor buiten de gevallen, in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002011&artikel=1&z=2000-03-01&g=2000-03-01) bedoeld, aan Nederlanders en Nederlandsche onderdanen uit anderen hoofde, die na 9 Mei 1940 in vreemden krijgs- of staatsdienst zijn getreden, daartoe alsnog verlof te verleenen, ook zonder dat te dien aanzien een verzoek aan Ons is ingediend. 2. Voor zoover betreft in een der overzeesche gebiedsdeelen geboren Nederlandsche onderdanen, die den staat van Nederlander niet bezitten, komt gelijke"},{"i":12144,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 februari 2016, nr. 888836, houdende deelneming in de gemeenschappelijke regeling RHC Drents Archief Gelet op [artikel 97, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=97); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de [gemeenschappelijke regeling RHC Drents Archief](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042017). Artikel 2 Het [Besluit deelname Rijk aan Regeling RHC Drents Archief](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018068) (Stcrt. 2005, 175) vervalt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op een bij besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te bepalen tijdstip."},{"i":12557,"b":"Besluit Rekencommissie ova voor het VWS-veld Overwegende dat in het convenant van 20 september 1999 over de nieuwe aanpak voor de bepaling van de ova voor het VWS-veld is voorzien in het instellen van een rekencommissie, Besluit: Begripsomschrijving Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: Taak en samenstelling van de commissie Artikel 2 De taak van de rekencommissie is omschreven in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011099&artikel=5&z=2000-01-26&g=2000-01-26) van het convenant over de nieuwe aanpak voor de bepaling van de ova. Artikel 3 1. Tot lid van de commissie worden benoemd: - a. als voorzitter: drs. H.J. Brouwer, Amsterdam; - b. als lid: prof. dr. J.J.M. Theeuwes, Amsterdam; - c. als lid: prof. dr. A.H.J. Kolnaar, Tilburg. 2. De leden worden benoemd voor een tijdvak van vier jaar. Herbenoeming is tweemaal mogelijk. Secretariaat Artikel 4 De minister draagt zorg dat aan de commissie een secretariaat ter beschikking staat. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie. Werkwijze Artikel 5 1. De commissie stelt een reglement omtrent haar werkwijze vast. Het reglement wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de commissie. Het reglement wordt aan de minister gezonden. 2. [Artikel 2:5 van de Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:5) is van toepassing. Artikel 6 De leden van de commissie ontvangen een vacatiegeld, alsmede een vergoeding voor reis- en verblijfkosten. De vergoedingen worden vastgesteld overeenkomstig de hoogte van de door de Sociaal Economische Raad gehanteerde vergoedingen voor de leden van de raad en zijn commissies. Slotbepalingen Artikel 7 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin mededeling van het besluit wordt gedaan. Artikel 8 Het besluit adviescommissie VWS-overleg vervalt. Artikel 9 Dit besluit kan w"},{"i":11615,"b":"Wet van 6 november 1997 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 inzake ouderbijdragen, sponsorgelden en stichtings- en opheffingsnormen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in het primair en het voortgezet onderwijs het vrijwillige karakter van de ouderbijdragen te waarborgen, om in het primair en het voortgezet onderwijs en de educatie en het beroepsonderwijs een instemmingsbevoegdheid van het ouder-/leerlingendeel van de medezeggenschapsraad te laten gelden voor de vaststelling van de hoogte van ouderbijdragen en een instemmingsbevoegdheid te laten gelden voor de aanvaarding van sponsorgelden van zowel het personeelsdeel als het ouder-/leerlingendeel van die raad en om in het basisonderwijs de regeling voor aanpassing van stichtings- en opheffingsnormen bij gemeentelijke herindelingen te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de expertisecentra. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet medezeggenschap onderwijs 1992. ARTIKEL V Vervallen ARTIKEL VI Vervallen ARTIKEL VII Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":13590,"b":"Besluit van 23 januari 2020, nr. 2020000099, houdende instelling van een Nationale Groep van het Permanent Hof van Arbitrage (Instellingsbesluit Nationale Groep Permanent Hof van Arbitrage) Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 13 januari 2020, nr. Min-Buza.2019.4726-10; Gelet op artikel 23 van het op 29 juli 1899 te Den Haag tot stand gekomen Verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen (Stb. 1900, 163 en Trb. 1963, 157); Gelet op artikel 44 van het op 18 oktober 1907 te Den Haag tot stand gekomen Verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen (Stb. 1910, 73 en Trb. 1963, 158); Gelet op artikel 4, eerste lid, van het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Statuut van het Internationaal Gerechtshof (Trb. 1971, 55) (hierna: Statuut IGH); Gelet op artikel 36, vierde lid, van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 1999, 13) (hierna: Statuut van Rome); Gelet op paragraaf 3 van de Special Regulations for the award of the Nobel Peace Prize and the Norwegian Nobel Institute; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** Onze Minister van Buitenlandse Zaken; - **Nationale Groep:** de Nationale Groep van het Permanent Hof van Arbitrage, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043122&artikel=2&z=2021-04-30&g=2021-04-30). Artikel 2 Er is een Nationale Groep van het Permanent Hof van Arbitrage. Artikel 3 1. De Nationale Groep bestaat uit ten hoogste vier leden. Voor lidmaatschap komen achtereenvolgens in aanmerking: - a. De voorzitter van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken; - b. De rechter in het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met de Nederlandse nationaliteit die is verkozen op basis van een Nederlandse voordracht; - c. Een rechter in het Internationaal Gerechtshof met de Nederlandse nationaliteit die is verkozen op basis van een Nederlandse voo"},{"i":14125,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 20 september 2023, nummer 4880013, houdende nadere regels met betrekking tot evidente staatloosheid en het identificatiedocument voor staatlozen (Regeling betreffende evidente staatloosheid en het identificatiedocument voor staatlozen) Gelet op [artikel 6 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048458&artikel=6) en [artikel 1, eerste lid, onder a, c en d, van het Besluit evidente staatloosheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048471&artikel=1); Besluit: Artikel 1 De landen bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder a, van het Besluit evidente staatloosheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048471&artikel=1) zijn opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048651&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bij deze regeling. Artikel 2 De landen bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder c en d, van het Besluit evidente staatloosheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048471&artikel=1) zijn opgenomen in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048651&bijlage=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bij deze regeling. Artikel 3 1. Het identificatiedocument bedoeld in [artikel 6 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048458&artikel=6) is het document S, waarvan het vastgestelde model is opgenomen in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048651&bijlage=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze regeling. 2. Ter zake van de afdoening van een verzoek om het in het eerste lid bedoelde identificatiedocument te verstrekken, is de staatloze een bedrag van € 254,– verschuldigd en de minderjarige staatloze een bedrag van € 85,–. 3. De staatloze dient het verzoek, bedoeld in het tweede lid, in persoon in bij het loket van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Bij de indiening van dat verzoek maakt de staatloze gebruik van het model dat als [bijlage 4](https://wetten.overhe"},{"i":11636,"b":"Wet van 30 januari 2003 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met versnelde invoering toets nieuwe opleiding Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is slechts nieuwe opleidingen in het hoger onderwijs te laten starten die een toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet. Artikel I Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel II 1. De voordracht voor het koninklijk besluit waarbij het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel H, van de wet van 6 juni 2002 tot wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de invoering van accreditatie in het hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013747&artikel=I) (Stb. 302) wordt vastgesteld, wordt niet eerder gedaan dan nadat de toetsingskaders, bedoeld in [artikel 5a.8, zevende lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=5a.8), en de beleidsregels, bedoeld in [artikel 6.2, vierde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.2), zijn vastgesteld. 2. Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, enz. (invoering van accreditatie in het hoger onderwijs). Artikel III 1. Onder toepassing van [artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012701&artikel=16) treedt deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 12"},{"i":11637,"b":"Wet van 29 september 2011 tot wijziging van onder meer de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de instelling van het diplomaregister hoger onderwijs, beroepsonderwijs, voortgezet (algemeen volwassenen)onderwijs, NT2 en inburgering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bestrijding van diplomafraude en vermindering van administratieve lasten van onderwijsinstellingen en burgers wenselijk is om een diplomaregister in te richten en daarmee zekerheid te verschaffen over het al dan niet bezitten van een getuigschrift hoger onderwijs of een diploma beroepsonderwijs, voortgezet (algemeen volwassenen)onderwijs, Nederlands als tweede taal of inburgering; dat daartoe onder meer de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel II. Wijziging [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel III. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel IV. Wijziging [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) Wijzigt de Wet inburgering. Artikel V. Wijziging [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628) Wijzigt de Leerplichtwet 1969. Artikel Va. Wijziging [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel VI. Overgangsbepaling CRIHO, BRON, EOS en In"},{"i":11638,"b":"Wet van 9 februari 2022 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs regels te stellen over het schooladvies, de doorstroomtoets, het definitieve schooladvies en de aanmelding voor het voortgezet onderwijs, alsmede een gelijk speelveld te creëren door nieuwe regels te stellen over de stelselinrichting voor aanbieders van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) Wijzigt de Wet voortgezet onderwijs 2020. Artikel III. Wijziging [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel IV. Wijziging [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628) Wijzigt de Leerplichtwet 1969. Artikel V. Wijziging [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280) Wijzigt de Wet primair onderwijs BES. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI. Wijziging [Leerplichtwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030281) Wijzigt de Leerplichtwet BES. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VII. Wijziging [Wet op het onderwijstoezicht]("},{"i":13718,"b":"Wet van 17 maart 2021 tot aanpassing van enkele wetten ter uitvoering van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283) (Invoeringswet EOM) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat aanpassing van wetgeving nodig is ter uitvoering van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel II Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel III Wijzigt de Overleveringswet. Artikel IV Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel V Wijzigt de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten. Artikel VI Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel VII Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel VIII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden uitgelegd. Artikel IX Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet EOM. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":13730,"b":"Wet van 8 april 2020, houdende regels met betrekking tot de openbare registers voor registergoederen en de kadasters op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Kadasterwet BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat de kadasterfunctie die ondergebracht is bij de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onder de verantwoordelijkheid van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers komt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Titel 1. Toepassingsbereik van de wet Artikel 1 Deze wet is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Titel 2. Begripsbepalingen Artikel 2 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bewaarder:** bewaarder als bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&hoofdstuk=1&titeldeel=3&artikel=9&z=2024-12-11&g=2024-12-11); - **Dienst:** Dienst voor het kadaster en de openbare registers als bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - **Kadasters:** onderdelen van de Dienst als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&hoofdstuk=1&titeldeel=3&artikel=3&z=2024-12-11&g=2024-12-11); - **kadastrale registratie:** registratie als bedoeld in [artikel 55, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&hoofdstuk=3&artikel=55&z=2024-12-11&g=2024-12-11), en de kadastrale kaart van een openbaar lichaam, bedoeld in artikel 55, derde lid; - **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - **openbare registers:** openbare registers als bedoeld in [artikel 16 van Boek 3 van het Burger"},{"i":12851,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Geldvoorziening vanaf 1940 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 31 juli 2007, nr. aca-2007.03984/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Geldvoorziening, over de periode vanaf 1940](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13512,"b":"Besluit van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 17 februari 2023, nr. 2023-0000070265, tot instelling van de Commissie sociaal minimum Caribisch Nederland (Instellingsbesluit Commissie sociaal minimum Caribisch Nederland) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en Commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen; - b. **de Commissie:** de Commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047917&artikel=2&z=2023-02-28&g=2023-02-28). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie sociaal minimum Caribisch Nederland. 2. De Commissie heeft tot taak om onderzoek te doen naar - a. wat een aantal huishoudtypes nodig heeft om rond te komen en om mee te kunnen doen aan de maatschappij op respectievelijk Bonaire, Saba en Sint Eustatius, en - b. de systematiek van het sociaal minimum, inclusief mogelijke scenario’s hoe de systematiek beter kan aansluiten op wat een aantal huishoudtypes nodig heeft om rond te komen en om mee te kunnen doen aan de maatschappij. 3. De Commissie heeft tevens als taak om te reflecteren op wat de implicaties van de uitkomsten zijn voor de bredere economische context. 4. De Commissie rapporteert over haar bevindingen. Artikel 3. Instellingsduur 1. De Commissie wordt ingesteld met ingang van 1 maart 2023 en brengt haar eindrapport voor 1 oktober 2023 uit aan de Minister. 2. Indien onvoorziene omstandigheden naar het oordeel van de Commissie in de weg staan aan het tijdig uitbrengen van het rapport, dan stelt zij de Minister daarvan onverwijld op de hoogte. 3. De Minister kan de instellingsduur van de Commissie verlengen. 4. Na het uitbrengen van het eindrapport wordt de Commissie opgeheven. 5. Nadat de Commissie is opgeh"},{"i":12574,"b":"Besluit Specialisatie Gelet op: [artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2) (Stb. 2007, 375, hierna: de Wbtv); [artikel 10, tweede lid, van het Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=10) (Stb. 2008, 555: hierna: het Besluit btv); de Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 januari 2011 tot wijziging van de Regeling houdende aanwijzing tot bewerker en verlening van mandaat en machtiging van de Minister van Justitie aan de raad voor de rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch betreffende het register beëdigde tolken en vertalers, (Stcrt. 19 januari 2011, 1030); het advies van het Kwaliteitsinstituut beëdigde tolken en vertalers van 26 maart 2012. Stelt het volgende Besluit specialisatie vast: Specialisatie Artikel 1 Onder de overige specifieke bekwaamheden, zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2), worden verstaan: bekwaamheden in aanvulling op de competenties genoemd in [artikel 3 van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=3) en zoals aangewezen bij het [Besluit aanwijzen specialisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031663). Deze bekwaamheden worden aangeduid als ‘specialisatie’. Het verzoek Artikel 2 Een beëdigde tolk of beëdigde vertaler als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c en d van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=1), kan een verzoek tot het vermelden van een specialisatie in het Register beëdigde tolken en vertalers (hierna: het Rbtv) indienen. Artikel 3 Het verzoek kan uitsluitend betrekking hebben op door de Raad aangewezen specialisaties, welke zijn neergelegd in het [Besluit aanwijzen specialisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031663). Artikel 4 Het verzoek wordt ingediend door middel van het daarvoor bestemde"},{"i":12350,"b":"Koninklijk besluit van 16 september 1815, no. 70, betreffende de inlijving van Engelse adel Disponerende op de verschillende rekesten van personen uit Engelsche Geslachten afstammende en verlangende om in den Nederlandschen Adel te worden ingelijfd; Gelet op het advies van den Hoogen Raad van Adel in dato 29 Augustus 1815 No 308/112. En in aanmerking nemende dat al ware de afstamming der rekwestranten uit adelijke geslachten van Grootbrittanien bewezen, het welk echter geenszins het geval is, daaruit echter voor hen geene billijke aanspraak op inlijving zoude resulteren, alzoo in het gemelde rijk geene wederkerigheid voor Nederlandsche Edellieden te hopen is en aldaar geene adelijke personen het zij uit deze landen, het zij van andere gedeelten van Europa, in den Nationalen Adel ingelijfd worden of aan hun eenige adelijke voorregten toegekend; Hebben Goedgevonden en verstaan Artikel 1 te difficulteren in de rekesten zoo als die zijn liggende van **Cornelis Anne Mackaij**, **Pieter Melvill van Carnbee**, **P.W.L. Quarles de Quarles** C.S. en **P. Georgesz. Clifford** C.S. maar daarentegen. Artikel 2 Pieter Willem Lodewijk Quarles de Quarles, Baron des Heiligen Roomschen Rijks, in den Nederlandschen Adel in te lijven zoo als hij daarin wordt ingelijfd bij dezen. Artikel 3 - Louis Quarles - I. Quarles - Mr. P.P. Quarles - I.I. Quarles - Mr. P.N. Quarles - Cornelis Anne Mackaij - Pieter Melvill van Carnbee - Pieter Georgesz**n** Clifford - Jan Clifford - George Clifford - Gerard George Clifford en - Pieter Jan Clifford - Georges Clifford Pietersz**n** in den Adelstand van het Koningrijk der Nederlanden te verheffen, en hun en hunne nakomelingen alzoo het genot van alle de regten en voordeelen te verzekeren, welke 's Lands wetten aan dien Stand verbonden hebben of verder verbinden zullen. En zal te dezen einde ter delegatie van Onzen Hoogen Raad van Adel aan ieder van de genoemde personen een diploma worden uitgereikt en hun inmiddels door extract dezes, van hunne verhef"},{"i":12362,"b":"Besluit instelling Bedenkingencommissie Herindeling FGR BZK Gelet op [afdeling 4.1.2 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.1.2) en [artikel 2 Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039535&artikel=2&z=2017-05-11&g=2017-05-11); - b. **de minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **het ministerie:** het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - d. **de medewerker:** de medewerker die op basis van een ambtelijke aanstelling werkzaam is bij het ministerie, met uitzondering van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - e. **bevoegd gezag:** de functionaris die volgens het Mandaatbesluit BZK 2016 of een daarop gebaseerd ondermandaat bevoegd is om het besluit op de tegen het voorgenomen besluit ingediende bedenkingen te nemen; - f. **bedenking:** bedenking tegen een voorgenomen besluit tot herindeling van de functie van de medewerker in het Functiegebouw Rijk. Artikel 2 1. Er is een Bedenkingencommissie Herindeling FGR BZK. 2. De commissie heeft tot taak de medewerker te horen over zijn bedenkingen tegen een voorgenomen besluit van het bevoegd gezag tot herindeling van zijn functie in het Functiegebouw Rijk en daarover advies uit te brengen aan het bevoegd gezag. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit: - a. een voorzitter, niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de minister; - b. ten minste acht overige leden. 2. De voorzitter en de overige leden worden benoemd en ontslagen door de minister. 3. De benoeming geldt, behoudens tussentijds ontslag, voor drie jaar en kan aansluitend eenmaal voor drie jaar worden verlengd. Ingeval van tussentijds ontslag vindt een benoeming plaats van een nieuw lid. Artikel 4 De commissie wordt bijgestaan door een secreta"},{"i":12015,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 3 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 078/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het consulaat-generaal te Milaan (Italië) 1946–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het consulaat-generaal te Milaan 1946-1954, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 4 | 2027 | | 5 | 2023 | | 6 | 2023 | | 8 | 2030 | | 10 | 2029 | | 11 | 2030 | | 12 | 2030 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024689&artikel=1&z=2008-11-13&g=2008-11-13), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024689&artikel=1&z=2008-11-13&g=2008-11-13), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit zal met de daar"},{"i":14262,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 april 2022, nr. WJZ/30984886 (13746), houdende vaststelling van een nieuw financieel handboek voor de landelijke publieke media-instellingen, de NPO en de Ster (Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022) Gelet op [artikel 2.172, derde lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.172); Besluit: Artikel 1. Vaststelling handboek financiële verantwoording Op de jaarrekening van de landelijke publieke media-instellingen, de NPO en de Ster is de bij deze regeling gevoegde bijlage van toepassing. Artikel 2. Intrekking oude [Regeling financiële verantwoording](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044843) De [Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044843) wordt ingetrokken, met dien verstande dat die regeling van toepassing blijft op de verantwoording tot en met het boekjaar 2021. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2022. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022. Bijlage. als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046601&artikel=1&z=2022-04-30&g=2022-04-30) van de Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022 **Copro 21087A3** **Handboek financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022** 1. Inleiding 1.1. Ministeriële regeling Dit Handboek Financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster (hierna: Handboek), is een ministeriële regeling op grond van [artikel 2.172, derde lid, Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":12151,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, nr. WJZ/96667673 tot vaststelling van definitieve tarieven GLB 2024 Gelet op de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=2), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=14), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=17) en [27, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=27); Besluit: artikel Enig Vastgesteld worden de navolgende tarieven voor aanvraagjaar 2024: - 1. Het eenheidsbedrag basisinkomenssteun voor duurzaamheid bedraagt € 200,48 per hectare. - 2. Het eenheidsbedrag aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid bedraagt € 53,03 per hectare en de hectaregrens is 40 hectaren. - 1. Het tarief voor categorie goud bedraagt € 167,50 per hectare. - 2. Het tarief voor categorie zilver bedraagt € 67,50 per hectare. - 3. Het tarief voor categorie brons bedraagt € 27,50 per hectare. Het tarief voor aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers bedraagt € 2.800 per jonge landbouwer. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12583,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 december 2017, nr. 2017-0000633621, houdende vaststelling van het organisatiebesluit Rijksvastgoedbedrijf (Besluit taak RVB 2017) Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Definitiebepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a). **Rijksvastgoedbedrijf:** het baten-lastenagentschap Rijksvastgoedbedrijf bedoeld in [artikel 8, derde lid, onder a, van het Organisatiebesluit BZK 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038547&artikel=8); - b). **andere ministers:** ministers niet zijnde de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c). **materieelbeheer:** de zorg voor het onderhoud en de instandhouding van onroerende zaken vanaf het moment van inbeheer- of ingebruikneming tot aan het moment van afstoting; - d). **beperkt zakelijk recht:** recht van vruchtgebruik op onroerende zaak, mandeligheid, erfdienstbaarheid, erfpacht, opstal en appartementsrecht; - e). **vaststellingsovereenkomst:** vaststellingsovereenkomst met betrekking tot onroerende zaak; - f). **grondrente:** het recht om van de eigenaar van een onroerende zaak in diens hoedanigheid van eigenaar periodiek een vaste geldsom of een vaste waarde in de voortbrengselen te ontvangen; - g). **grensregeling:** regeling met betrekking tot eigendomsgrenzen van een onroerende zaak; - h). **zakelijke lasten:** belastingen en heffingen verschuldigd door de Staat als eigenaar van of beperkt zakelijke gerechtigde met betrekking tot een onroerende zaak; - i). **ondersteuning van de verwezenlijking van nationale beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving:** - 1°. het ondersteunen en uitvoeren van taken van de verantwoordelijke minister op het gebied van woningbouw en ruimtelijke ontwikkeling, en - 2°. het deelnemen"},{"i":12038,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 juli 2015, 2015-000064306, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden uit de archieven van de Directie Tewerkstelling Erkende Gewetensbezwaarden Militaire Dienst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de periode 1975–1997 en het gedeponeerde archief van de Hoofdafdeling Dienstplichtzaken van het Ministerie van Defensie over de periode 1957–1974 Gelet op [artikel 15, lid 1 onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 2 juni 2015 met kenmerk 15.697. Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 239 | 2074 | | 240 | 2070 | | 241 | 2071 | | 242 | 2071 | | 243 | 2071 | | 244 | 2071 | | 245 | 2073 | | 246 | 2071 | | 247 | 2071 | | 248 | 2071 | | 249 | 2071 | | 250 | 2071 | | 251 | 2071 | | 252 | 2071 | | 253 | 2071 | | 254 | 2071 | | 255 | 2071 | | 256 | 2071 | | 257 | 2071 | | 258 | 2072 | | 259 | 2073 | | 260 | 2072 | | 261 | 2072 | | 262 | 2072 | | 263 | 2072 | | 264 | 2072 | | 281 | 2047 | | 298 | 2045 | | 299 | 2046 | | 310 | 2031 | | 311 | 2048 | | 312 | 2042 | | 313 | 2044 | | 314 | 2040 | Artikel 2 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036846&artikel=1&z=2015-07-18&g=2015-07-18), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van docum"},{"i":12126,"b":"Besluit van 22 december 1943, houdende vaststelling van het Besluit Buitengewone Rechtspleging Op de voordracht van Onze Ministers voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk, van Algemeene Zaken, van Buitenlandsche Zaken, van Justitie, van Binnenlandsche Zaken, van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, van Financiën, van Oorlog, van Marine, van Waterstaat, van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, van Landbouw en Visscherij, van Sociale Zaken, van Koloniën en van Onze Ministers zonder Portefeuille van 10 December 1943, N°. 2724/G. 92 (**a**); Overwegende, dat de veiligheid van den Staat het dringend noodzakelijk maakt bijzondere bepalingen vast te stellen betreffende de wijze van rechtspleging in zaken, waarvan de kennisneming aan de ingevolge het [Besluit op de Bijzondere Gerechtshoven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002007) in te stellen gerechten behoort; Den Buitengewonen Raad van Advies gehoord; Hebben goedgevonden en verstaan: Inleiding Artikel 1 Ten aanzien van de rechtspleging in zaken, waarvan krachtens het [Besluit op de Bijzondere Gerechtshoven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002007) de kennisneming aan de dienvolgens in te stellen gerechten behoort, zijn - behoudens de afwijkingen, bij dit besluit voorzien - de bepalingen, vervat in het [Eerste Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste), den [Eersten tot en met den Zesden Titel van het Tweede Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&titeldeel=I), den [Eersten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&titeldeel=I) en den [Derden tot en met den Achtsten Titel van het Derde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&titeldeel=III) , den [Tweeden tot en met den Vijfden Titel van het Vierde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&titeldeel=II) en het [Zesde Boek van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Zesde), alsmede de tot uitvoering daarvan gestelde voorschriften van ove"},{"i":12133,"b":"Besluit College van Beroep inzake Bijzondere Ziektekosten BES Artikel 1 1. Benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden van het College van Beroep inzake Bijzondere Ziektekosten geschiedt voor de tijd van zes jaren. De leden en plaatsvervangende leden zijn bij hun aftreden terstond herbenoembaar. 2. Op hun verzoek wordt hen vóór het verstrijken van het in het vorig lid genoemd tijdvak door de tot benoeming bevoegde instantie ontslag verleend. 3. Bij met redenen omkleed besluit van de tot benoeming bevoegde instantie kunnen zij voorts worden ontslagen: - a. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf tot gevangenisstraf of hechtenis zijn veroordeeld; - b. wanneer zij in staat van faillissement zijn verklaard, surséance van betaling hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld; - c. wegens wangedrag of onzedelijkheid of bij herhaaldelijk gebleken achteloosheid in de uitoefening hunner functie. 4. In geval van tussentijds ontslag of overlijden van een lid of plaatsvervangend lid wordt een nieuw lid onderscheidenlijk plaatsvervangend lid benoemd voor het overblijvende deel der ambtsperiode. Artikel 2 Alvorens hun ambt te aanvaarden leggen de leden en plaatsvervangende leden in handen van de Minister de eed of belofte af dat zij de verplichtingen, aan hun ambt verbonden, naar behoren en getrouw zullen vervullen. Artikel 3 1. Het is de leden en de plaatsvervangende leden vergund reis- en verblijfkosten te declareren wanneer werkzaamheden van het College op een ander eiland dan waarop zij woonachtig zijn dienen plaats te vinden, een en ander conform het bepaalde in de Beschikking van de 20ste juni 1933, no. 700, houdende vaststelling van een regeling der vergoeding voor reis- en teerkosten, gelijk mede voor verhuiskosten binnen de Nederlandse Antillen (P.B. 1958, no. 153). 2. Het Besluit Verzekering Vliegrisico’s 1952 (P.B. 1952, no. 10) is op de leden en plaatsvervangende leden van het College van overeenkomstige toepassing"},{"i":13999,"b":"Protocol Onderzoek Zvw met oplevering in 2015 Vooraf In dit ‘Protocol onderzoek Zvw met oplevering in 2015’ (verder: Protocol) geeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) voorschriften voor de controle en het onderzoek [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) naar1Vanaf kalenderjaar 2015 worden de gegevens ten behoeve opbrengstverrekening ambulancevervoer uitgevraagd door het Zorginstituut. In 2014 zijn de huisartsenlaboratoria en de zelfstandige trombosediensten overgegaan op prestatiebekostiging en vindt geen opbrengstverrekening meer plaats.: De belangrijkste wijzigingen in het Protocol zijn: De NZa maakt een voorbehoud voor wijzigingen die mogelijk in een addendum op dit Protocol bekend moeten worden gemaakt, als gevolg van het moment van uitbrengen van dit protocol2Er is bijvoorbeeld nog geen definitief ‘herstelplan’ GGZ om de omzetonzekerheden over de oude jaren op te heffen.. Per 1.1 2015 worden integrale tarieven ingevoerd voor de medisch specialistische zorg. Met de invoering van het integrale tarief komt het onderscheid tussen het instellingskostendeel en het specialistenhonorariumdeel op de declaratie te vervallen. Het integrale tarief bevat de vergoeding voor zowel de instellingskosten als de medisch specialisten. Alleen een toegelaten instelling kan het integraal tarief declareren aan de zorgverzekeraar of patiënt. Daarnaast kunnen vrijgevestigd medisch specialisten in een solopraktijk, wanneer zij aan de daarvoor gestelde criteria voldoen, een beschikking bij de NZa aanvragen om het integraal tarief aan de zorgverzekeraar of patiënt te kunnen declareren. Op grond van [artikel 35, derde lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), mag een zorgverzekeraar geen integraal tarief vergoeden, indien de declarerende instelling niet beschikt over een WTZi-toelating of de declarerende solist (op grond van de door de NZa gestelde criteria) niet blijkt te kwalificeren als solist en/of niet in het b"},{"i":11689,"b":"Wet van 26 april 1962, tot vaststelling van een algemene kinderbijslagverzekering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte kinderbijslagverzekering; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens; - c. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823); - d. continentaal plat: de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in [artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010480&artikel=1), voor zover deze grenst aan de territoriale zee van Nederland; - e. uitreiziger: persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan de Sociale verzekeringsbank, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in [artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). Artikel 2 Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont. Artikel 3 1. Waar iemand woont en waar een lichaam"},{"i":11690,"b":"Wet van 21 december 1995, tot regeling van een verzekering voor nabestaanden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Algemene Weduwen- en Wezenwet te vervangen door een nabestaandenverzekering, waarin rekening wordt gehouden met maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste decennia; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. premie voor de volksverzekeringen: de premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745); - c. de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - d. nabestaande: de echtgenoot van degene, die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet; - e. vervallen; - f. wezenuitkering: uitkering voor een kind dat ouderloos is geworden door het overlijden van degene die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet; - g. lichaam: een rechtspersoon, een maat- en vennootschap, een samenwerkingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid die met een vereniging kan worden gelijkgesteld, een onderneming van publiekrechtelijke rechtspersonen en een doelvermogen; - h. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823); - i. gezamenlijke huishouding: een gezamenlijke huishouding als bedoeld in [artikel 3, tweede tot en met zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - j. hulpb"},{"i":12476,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 5 maart 2019, directie Financiële Markten, nr. 2019-000028707, houdende de instelling van een commissie ter advisering omtrent de keuze van de beeldenaars voor nieuw uit te geven herdenkingsmunten en munten voor verzamelaars (Besluit Muntadviescommissie 2019) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Instelling Er is een Muntadviescommissie, die tot taak heeft de Staatssecretaris van Financiën te adviseren omtrent de keuze van de beeldenaars voor nieuw uit te geven herdenkingsmunten en munten voor verzamelaars. Artikel 2. Voorzitter en leden 1. Het hoofd van de Afdeling Institutioneel Beleid en Integriteit van het Ministerie van Financiën is voorzitter van de Muntadviescommissie. 2. De voorzitter kan zich laten vervangen door een medewerker van het Ministerie van Financiën, werkzaam bij de Afdeling Institutioneel Beleid en Integriteit. 3. Het afdelingshoofd Chartaal Beleid en Strategie van De Nederlandsche Bank is secretaris van de Muntadviescommissie. 4. De secretaris kan zich laten vervangen door een medewerker van De Nederlandsche Bank, werkzaam bij de afdeling Chartaal Beleid en Strategie. 5. Tot leden van de commissie worden maximaal vier personen benoemd, waaronder in ieder geval: - a. een numismaat; - b. een beeldend kunstenaar. 6. De leden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan eenmaal voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden. 7. Een lid wordt op eigen verzoek ontslagen. Op advies van de voorzitter kan een lid voorts worden geschorst of ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. Artikel 3. Werkwijze 1. De Muntadviescommissie bepaalt de wijze waarop zij haar taak zal uitvoeren. 2. De commissie verstrekt de Staatssecretaris van Financiën desgevraagd de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. De Staatssecretaris van Financiën"},{"i":12463,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 27 mei 2016 betreffende het verlenen van een machtiging aan de stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen (Besluit machtiging NLFI in verband met overdracht aandelen A.S.R. Nederland N.V.) Gelet op [artikel 3 van de Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030033&artikel=3); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **de aandelen:** de door NLFI ten titel van beheer gehouden aandelen in A.S.R. Nederland N.V.; - **de administratievoorwaarden:** de voorwaarden van administratie Stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen; - **de greenshoe:** een optie waarbij de underwriters aandelen kunnen kopen van NLFI gelijk aan maximaal 15% van het aantal aandelen dat wordt verkocht bij de beursintroductie; - **NLFI:** stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen; - **de stock lending agreement:** de overeenkomst tussen NLFI en de underwriters voor de uitvoering van de greenshoe; - **de underwriters:** de zakenbanken die zich garant zullen stellen voor het plaatsen van de aandelen bij de beursgang. Artikel 2. Machtiging overdracht aandelen 1. Aan NLFI wordt hiermee machtiging verleend om namens de Staat de ten behoeve van de beursintroductie van A.S.R. Nederland N.V. benodigde aandelen, inclusief de greenshoe, over te dragen aan de underwriters. 2. De Staat doet ten aanzien van deze aandelen en de overdracht daarvan onder deze machtiging afstand van haar recht om bij beëindiging van de administratie deze aandelen overgedragen te krijgen onder artikel 6.2 van de administratievoorwaarden. Artikel 3. Machtiging overeenkomsten greenshoe 1. NLFI wordt hiermee gemachtigd om alle voor de greenshoe benodigde overeenkomsten aan te gaan met de underwriters. 2. In de stock lending agreement zal NLFI de voorwaarde doen opnemen dat de opbrengst van de greenshoe direct door de underwriters aan NLFI"},{"i":12456,"b":"Besluit van 9 november 2024, houdende regels over maatschappelijke ondersteuning en de bestrijding van huiselijk geweld en kindermishandeling op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit maatschappelijke ondersteuning en bestrijding huiselijk geweld en kindermishandeling BES) Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Maatschappelijke ondersteuning Hoofdstuk 3. Bestrijden huiselijk geweld en kindermishandeling Hoofdstuk 4. Verwerking van persoonsgegevens Hoofdstuk 2. Maatschappelijke ondersteuning Artikel 6.1 1. Indien een cliënt onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050401&hoofdstuk=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01) in werking treedt een maatwerkvoorziening ontvangt, behoudt deze cliënt een maatwerkvoorziening tot de eerste dag van het tweede kalenderjaar na dat tijdstip, tenzij deze cliënt niet meer op een maatwerkvoorziening is aangewezen of eerder een besluit als bedoeld in [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050401&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.8&z=2025-01-01&g=2025-01-01) of [artikel 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050401&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.9&z=2025-01-01&g=2025-01-01) wordt genomen. 2. Met betrekking tot een cliënt als bedoeld in het eerste lid, verstrekt de aanbieder van maatschappelijke ondersteuning aan Onze Minister en het bestuurscollege zo spoedig mogelijk: - a. het identificatienummer van de cliënt; - b. de reden waarom de maatwerkvoorziening is toegekend; - b. de aard, inhoud en omvang van de maatwerkvoorziening en de aanbieder van maatschappelijke ondersteuning van wie de cliënt de voorziening ontvangt. 3. Het bestuurscollege voert, met overeenkomstige toepassing van [artikel 2.6, tweede tot en met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050401&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.6&z=2025-01-01&g=2025-01-01), zonder melding als bedoeld in arti"},{"i":12459,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 april 2010, nr. BJZ2010010749, houdende machtiging van ambtenaren tot het horen van belanghebbenden ingevolge Titel IV van de onteigeningswet (Besluit machtiging ambtenaren horen belanghebbenden Titel IV onteigeningswet) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), [artikel 78 van de onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&artikel=78) en [artikel 5.4 van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=5.4), Besluit: Artikel 1 Tot het horen van degenen die op grond van [artikel 78 van de onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&artikel=78) bij de Kroon schriftelijk zienswijzen naar voren hebben gebracht of van degenen die bij de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer mondeling zienswijzen naar voren wensen te brengen tegen een ontwerp koninklijk besluit tot aanwijzing van gronden ter onteigening en tot het horen van andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 78, vierde lid, laatste volzin, van de onteigeningswet zijn gemachtigd: - 1). de onderzoekers onteigeningen, werkzaam bij de Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken; - 2). de door de directeur Bestuurlijke en Juridische Zaken aangewezen juristen, werkzaam bij de Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, die zijn belast met werkzaamheden op het vlak van onteigeningen. Artikel 2 Het [Besluit machtiging ambtenaren horen belanghebbenden onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023917), van 20 mei 2008, no. DJZ 2008 044303 (Stcrt. 2008, nr 103) blijft van toepassing op onteigeningsprocedures op voet van [Titel IV van de onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&titeldeel=IV) zoals deze luidde vóór 31 maart 2010 waarbij de terinzagelegging van een ontwerp onteigeningsbesluit heeft plaatsgehad v"},{"i":11701,"b":"Archiefbeheersregeling voor het CAK 2014 1. Inleiding Het CAK valt in zijn hoedanigheid van publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) onder de werking van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) (Stb. 1995, 276). Deze wet is samen met het [Archiefbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748) in 1995 herzien. Het hoofdbeginsel van de herziende archiefwetgeving is de verplichting voor overheidsorganen de onder hen berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. Deze verplichting geldt voor alle overheidsorganen en voor alle archiefbescheiden, in welke vorm dan ook. Dit geldt ook voor het overbrengen van archiefbescheiden naar de archiefbewaarplaats of het aanbieden voor vernietiging. Van groot belang is dat digitale gegevensverzamelingen volledig onder de bepalingen van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) vallen. De zorgdragers zijn conform [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14) (Stb. 1995, 671) verplicht ten aanzien van hun archiefbescheiden nadere beheersregels vast te stellen. In deze regels zijn de verantwoordelijkheden, bevoegdheden, en procedures vastgelegd, welke onmisbaar zijn voor een goed beheer van de archiefbescheiden. De beheersregeling geeft kort en zakelijk de regels weer die gehanteerd moeten worden. De precieze kwaliteitseisen waaraan archiefruimten en archiefbescheiden moeten voldoen zijn niet opgenomen in deze beheersregeling, maar zijn op landelijk niveau gedefinieerd in de [Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041), met latere wijzigingen. De beheersregeling moet gezien worden als een raamwerk van wettelijke voorschriften. Artikelen die een verduidelijking of een aanvulling behoeven, zijn nader toegelicht in de toelichting beh"},{"i":13984,"b":"Programma Internationale Promotie Dutch Performing Arts gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2), besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Artikel 2. Doel Om de internationale positie van de Nederlandse podiumkunsten te versterken, kent het bestuur in het kader van deze regeling financiële bijdragen toe aan in Nederland gevestigde podiumkunstinstellingen, voor de ontwikkeling en uitvoering van een strategisch plan voor marktverkenning en marktverruiming in het buitenland, om hun internationale ambitie te realiseren en intensiveren. Artikel 3. Doelgroep 1. Een aanvraag kan worden ingediend door in Nederland gevestigde instellingen die artistiek-inhoudelijk actief zijn in de podiumkunsten, en die aantoonbaar financieel en operationeel in continuïteit artistiek-inhoudelijk eindverantwoordelijk zijn voor de totstandkoming van voorstellingen of concerten. 2. Er kan niet worden aangevraagd voor activiteiten die betrekking hebben op popmuziek. Artikel 4. Adviescommissie 1. Er wordt een adviescommissie ingesteld, die adviseert over ingediende projectplannen aan het bestuur. 2. Adviseurs worden aangezocht op basis van hun kennis van en netwerk binnen de nationale of internationale podiumkunsten. Artikel 5. Invulling programma 1. Via een **open call** worden instellingen gevraagd naar hun interesse om deel te nemen aan het programma. 2. De adviescommissie beoordeelt aanmeldingen van instellingen die voldoen aan de vereisten op hun internationale potentie, zowel op artistiek als op zakelijk vlak. Een beperkt"},{"i":12606,"b":"Besluit van 26 september 2014, houdende de toekenning van een standaard aan de Koninklijke Marechaussee Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 22 september 2014, nr. BS2014027848, Directie Juridische Zaken, cluster wet- en regelgeving; overwegende, dat de Koninklijke Marechaussee op 26 oktober 1814 is opgericht als wapen bij de landmacht, dat de Koninklijke Marechaussee sedert 25 maart 1998 een zelfstandig krijgsmachtdeel vormt, dat de huidige standaard met betrekking tot de op het doek vermelde naam WAPEN DER KONINKLIJKE MARECHAUSSEE niet meer juist is; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Koninklijke Marechaussee voert een standaard, bestaande uit een standaarddoek en een standaardstok. Artikel 2 1. Het standaarddoek is een vierkant doek van oranje zijde, omzoomd met gouden franje. De lengte en de breedte van het vaandeldoek zijn vijftig centimeter. 2. Op de voorzijde is in het midden het gestileerde monogram WA in goud geborduurd met daarboven de koningskroon in de kleuren van het Koninklijk wapen. Onder het monogram WA is in goud geborduurd: 1814 KONINKLIJKE MARECHAUSSEE Het geheel van de gekroonde WA en de naam is omgeven door een doorlopende oranjetak. 3. Op de achterzijde is in kleuren geborduurd het Koninklijk wapen zonder de daarbij behorende mantel. Het Koninklijk wapen is omgeven door twee met een lint samengebonden takken van sinopel, ter linkerzijde een eikentak, ter rechterzijde een lauwertak. Het lint is uitgevoerd in de kleuren behorende bij het lint van de Militaire Willemsorde. Het geheel is omgeven door een doorlopende oranjetak. Artikel 3 1. De standaardstok is een zwarte stok, lang tweehonderd centimeter, waarvan het gedeelte dat boven in de broeking van de standaard komt, bestaat uit een bus met inwendige schroefdraad waarop de standaardtop wordt geschroefd. 2. De standaardtop bestaat uit een doosvormig voetstuk, met een daarop rustende leeuw en daaronder een eikenkrans. 3. De rustende leeuw, liggende op het doosvormige vo"},{"i":12158,"b":"Besluit van 22 februari 2007, nr. 07.000673, houdende departementale herindeling met betrekking tot integratie, inburgering en coördinatie integratie minderheden Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 22 februari 2007, nr. 3031110; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op de terreinen van integratie, inburgering en coördinatie integratie minderheden voor zover deze tot 22 februari 2007 was opgedragen aan Onze Minister van Justitie, met dien verstande dat de aangelegenheden met betrekking tot de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) blijven opgedragen aan Onze Minister van Justitie. Artikel 2 De taken van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het ministerie van Justitie worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 22 februari 2007. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":13650,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 15 oktober 2018, nr. 2018-169736, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Deeltijdwerk (Instellingsbesluit werkgroep IBO Deeltijdwerk) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041479&artikel=2&z=2018-10-27&g=2018-10-27). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Deeltijdwerk. 2. De werkgroep heeft tot taak interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren naar het beleid voor deeltijdwerk, conform de taakopdracht zoals op 18 december 2018 gepubliceerd (Kamerstukken Tweede Kamer Vergaderjaar 2018/2019 35 000 nr. 2). 3. Het onderzoek zal moeten resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties worden gegeven waarover vervolgens afweging kan plaatsvinden. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en 8 leden. 2. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd mw. Prof. dr. H. Maassen van den Brink. 3. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: - –. dhr. drs. C.J. Muselaers (Ministerie van Financiën) - –. mw. drs. I.M. Jansen (Ministerie van Algemene Zaken) - –. dhr. drs. F.W. Suijker (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) - –. mw. drs. J.M. Walraven (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) - –. dhr. drs. S. Veldhuizen (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) - –. mw. drs. C.E. Mur (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) - –. dhr. dr. A.M. Lejour (Centraal Planbureau) - –. mw. drs. J.G.F. Merens (Sociaal en Cultureel Planbureau). 4. De leden van de werkgroep werkzaam voor de overheid kunnen bij afwezigheid of verandering van baan vervangen worden door een colleg"},{"i":13644,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2008, nr. DP&O/PZ-2891439 Met instemming van de betreffende ondernemingsraden; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ministerie:** het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **de matchingscommissie:** de commissie als genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024994&artikel=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01). - c. **VWS-medewerker:** de bij het ministerie werkzame ambtenaar; - d. **dienstonderdelen:** de organisatieonderdelen zoals genoemd in [artikel 2, b tot en met g, van het Organisatiebesluit VWS 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040606&artikel=2). Artikel 2. Taak en samenstelling van de commissie De directeur OBP kan besluiten een gevolgde werving- en selectieprocedure ter beoordeling voor te leggen aan de matchingscommissie. De matchingscommissie houdt toezicht op een goede en objectieve werving- en selectie van de VWS-medewerkers. Doel is om de VWS-medewerkers een eerlijke kans te geven op een andere interne werkplek, met name ook in het licht van het 3-5-7 model. De commissie heeft tevens als taak toe te zien op de werking van het systeem van flexibele werktoedeling. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit: - a. de pSG, die tevens de rol van voorzitter bekleedt; - b. de directeur OBP; - c. een DG uit een andere kolom dan waar de vacature is; - d. een DOR-lid. 2. De commissie kan voor specialistische functies bij buitendiensten worden aangevuld met een vertegenwoordiger van het desbetreffende dienstonderdeel. Artikel 4. Werkwijze van de commissie 1. Ten aanzien van werving en selectie: - a. Wanneer een selectiecommissie alle VWS-kandidaten (incl. VWS herplaatsingskandidaten) afwijst en verzoekt extern te mogen werven, kan de directeur OBP, vooral als sprake lijkt te zijn van problematiek die meer structureel van karakter is, besluiten de gevolgde werving- en selectieprocedure ter beoordeling voor te leggen aan de mat"},{"i":13995,"b":"Protocol accountantsonderzoek financieel verslag Wlz-uitvoerders 2025 1. Inleiding 1.1. Algemeen 1.1.1. Verantwoordingsdocumenten Een Wlz-uitvoerder zendt vóór 1 juli aan de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa) een financieel verslag over het voorafgaande kalenderjaar. In het financieel verslag wordt onderscheid gemaakt tussen de beheerskosten en de kosten van verstrekking van zorg en vergoedingen1Artikel 4.3.1 Wlz. Het financieel verslag bestaat uit een algemene toelichting, een balans, een exploitatierekening en een toelichting op de balans en exploitatierekening. In het financieel verslag verantwoordt de Wlz-uitvoerder zowel de geldstromen die rechtstreeks via de Wlz-uitvoerder lopen als de geldstromen die via andere rechtspersonen lopen, zoals de betaling van zorgaanspraken via het CAK en de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De NZa heeft de voorschriften voor de inrichting van het uitvoeringsverslag en het financieel verslag nader uitgewerkt in de Regeling uitvoeringsverslag en financieel verslag Wlz-uitvoerder (hierna: Regeling uitvoeringsverslag en financieel verslag). De regeling bevat onder andere specifieke voorschriften over hoe Wlz-uitvoerders zich moeten verantwoorden in het uitvoeringsverslag en het financieel verslag. Op grond van [artikel 31 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=31) stelt de NZa regels voor de controle door de accountants van de Wlz-uitvoerders, de inhoud en inrichting van de controleverklaring en het accountantsverslag. De regels voor de inhoud en inrichting van de controle, de controleverklaring en het accountantsverslag heeft de NZa vastgelegd in dit protocol. Dit protocol geeft richtlijnen voor het door de accountant uit te voeren onderzoek naar de getrouwheid van het financieel verslag en de financiële rechtmatigheid van de verantwoorde schaden, bedrijfsopbrengsten en beheerskosten. Het doel van het protocol is niet om de aanpak van het onderzoek voor te schrijven, maar om kaders te geven waarbinne"},{"i":14066,"b":"Besluit van het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) van 18 augustus 2020 tot vaststelling van regels voor het archiefbeheer van het COA (Regeling archiefbeheer COA 2020) Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14): Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **archief:** geheel van archiefbescheiden, ongeacht hun vorm, ontvangen of opgemaakt door het COA. - b. **archiefbeheer:** het geheel van werkzaamheden om archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te behouden. - c. **archiefbeheerder:** degene die in opdracht van het COA is belast met het archiefbeheer van het Centraal Orgaan of een onderdeel daarvan. - d. **archiefbescheiden:** - 1°. bescheiden, ongeacht hun vorm, door het COA ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - 2°. bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op het COA zijn overgegaan; - 3°. bescheiden, ongeacht hun vorm, welke ingevolge overeenkomsten met of beschikkingen van instellingen of personen dan wel uit anderen hoofde in een archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten; - 4°. reproducties, ongeacht hun vorm, welke bij of krachtens de wet in de plaats zijn gesteld van de onder 1º., 2º. of 3º. bedoelde bescheiden of welke op grond van een machtiging tot substitutie zijn vervaardigd. - e. **bestuur:** het bestuur van het COA. - f. **Centraal Orgaan:** het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, bestaande uit het Centraal Bureau en afdelingen, waaronder de locaties in het land. - g. **Chief Information Officer:** de functionaris die verantwoordelijk is voor de strategie en het strategisch beleid voor informatievoorziening en ICT en de toepassing van rijksbrede kaders op dit terrein bewaakt. - h."},{"i":11702,"b":"Archiefbeheersregeling voor het CAK gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); overwegende dat juiste en kwalitatief goede documentaire activiteiten binnen het CAK wenselijk zijn; besluit vast te stellen de navolgende archiefbeheersregeling: Hoofdstuk I. Begrippenkader Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - 1. **Archief** Het geheel van archiefbescheiden, ontvangen of opgemaakt door het CAK. - 2. **Archiefbescheiden** - a). bescheiden, ongeacht hun vorm, door het CAK ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - b). bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op het CAK zijn overgegaan; - c). reproducties, ongeacht hun vorm, welke bij of krachtens de [Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) in de plaats zijn gesteld van de onder a) en b) bedoelde archiefbescheiden. - 3. **Archiefbestanddelen** Archiefbescheiden die vanwege hun oorzakelijk verband als zodanig bijeen zijn opgeslagen (dossiers). - 4. **Archiefbewaarplaats of -ruimte** Ruimte waarin archieven worden opgeslagen en die voldoet aan bij de wet gestelde inrichtingseisen. - 5. **Authenticiteit** Het behoud van de inhoud, structuur en verschijningsvorm van archiefbescheiden in hun oorspronkelijke gedaante, dat wil zeggen de gedaante die ze bij hun ontstaan hadden. - 6. **Beheer** Het in opdracht van de zorgdrager (doen) uitvoeren van de feitelijke werkzaamheden die tot doel hebben de archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te houden. - 7. **Beheerder** De werknemer of groep van medewerkers die belast is of zijn met het beheer. - 8. **Bestand** Een geheel van gegevens in een zelfde opslagformaat. - 9. **Besturingsprogramma** De programmatuur die bestemd is ter besturing van een informatiesysteem. - 10."},{"i":13423,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 12 mei 2006, nr. O&I PI 6034649, tot instelling van een adviescommissie Food & Nutrition Delta fase 2 (Instellingsbesluit Adviescommissie Food & Nutrition Delta fase 2) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de commissie: de Adviescommissie Food & Nutrition Delta fase 2; - b. de minister: de Minister van Economische Zaken. Artikel 2 1. Er is een Adviescommissie Food & Nutrition Delta fase 2. 2. De commissie heeft tot taak de minister een beoordeling te geven over het innovatieprogramma ‘Food & Nutrition Delta fase 2’ op het terrein van food en nutrition, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op: - a. de strategische betekenis voor de Nederlandse economie op basis van de verwachte duurzame en economische impact; - b. de gerichtheid op innovatieve ontwikkelingen en de hoogte van het risico dat gepaard gaat met de uitvoering; - c. de mate en wijze van ambitie, organisatie en betrokkenheid van grote, middelgrote en kleine bedrijven, kennisinstellingen en overheid; - d. de ambitie in internationaal perspectief en de kansen voor Nederland op een versterking van de internationale kennis- en concurrentiepositie; - e. de noodzaak van betrokkenheid van de overheid voor de realisatie van de ambities. 3. De commissie beoordeelt de kwaliteit en de uitvoerbaarheid van het voorgestelde programma, in samenhang met de geschetste visie, ambitie en de daaraan ten grondslag liggende strategische agenda. 4. Het advies van de commissie gaat vergezeld van een deugdelijke motivering. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en vier leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd en kunnen door de minister worden geschorst en ontslagen. 3. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep. 4. Te rekenen vanaf 1 april 2006 worden tot lid van de commissie benoemd: - a. prof.dr. L. Soete, te Maastr"},{"i":14391,"b":"Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen van 16 maart 2020, nr. 2020-0000141044, houdende nadere regels ten aanzien van de kenbaarheid van publiekrechtelijke beperkingen op onroerende zaken (Regeling kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken) Gelet op de [artikelen 15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016876&artikel=15), en [17a, vierde lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016876&artikel=17a) en [artikel 11b, elfde lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=11b); BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **brondocument:** beperkingenbesluit alsmede een op dat beperkingenbesluit betrekking hebbende beslissing in administratief beroep, rechterlijke uitspraak of vervallenverklaring als bedoeld in [artikel 15, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016876&artikel=15); - **wet:** [Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016876) Artikel 2 De identificatie van het object, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016876&artikel=15), geschiedt met inachtneming van [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043304&bijlage=II&z=2024-05-25&g=2024-05-25) op basis van een in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043304&bijlage=I&z=2024-05-25&g=2024-05-25) genoemd objecttype uit: - a. de basisregistratie adressen en gebouwen; - b. de basisregistratie grootschalige topografie, of - c. de basisregistratie kadaster. Artikel 3 1. Bij aanlevering van een brondocument worden als essentialia vermeld: - a. de wettelijke grondslag van het brondocument, genoemd in de [bijlage bij het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](onbekend); - b. de kadastrale aanduiding of identificatie van het object of de handmati"},{"i":13420,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 27 juni 2017, nr. WJZ/17054933, tot instelling van de Adviescommissie Duurzaamheid Biomassa voor Energietoepassingen (Instellingsbesluit Adviescommissie Duurzaamheid Biomassa voor Energietoepassingen) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **commissie:** de Adviescommissie Duurzaamheid Biomassa voor Energietoepassingen; - –. **de minister:** de Minister van Economische Zaken. Artikel 2 1. Er is een Adviescommissie Duurzaamheid Biomassa voor Energietoepassingen. 2. De commissie heeft tot taak: - a. het desgevraagd adviseren van de minister over de mate waarin een certificatieschema of een deel daarvan de duurzaamheidseisen van vaste biomassa borgt; - b. het toetsen van certificatieschema’s aan de geldende beheerseisen en duurzaamheidseisen voor vaste biomassa zoals vastgelegd op grond van de [Wet Milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), ten behoeve van het adviseren, bedoeld onder a; - c. het vaststellen en beheren van het protocol voor de toetsing van certificatieschema’s aan de geldende eisen; - d. het desgevraagd adviseren van de minister over de gevolgen van gesignaleerde onregelmatigheden in de toepassing van goedgekeurde certificatieschema’s. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd voor een termijn van vier jaar en kunnen worden herbenoemd. De voorzitter en de andere leden kunnen door de minister worden geschorst en ontslagen. 3. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep. 4. De commissie kan zich laten bijstaan door een of meer gastdeskundigen. Artikel 4 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. 2"},{"i":14067,"b":"Regeling archiefbeheer Kadaster Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376); - b. **de Dienst:** de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - c. **archief:** geheel van archiefbescheiden, ontvangen of opgemaakt door de Dienst en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - d. **archiefbeheer:** feitelijke werkzaamheden om de archiefbescheiden van de Dienst in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, met toepassing van de daarvoor geldende NEN-ISO standaard, en de daarbij ondersteunende standaarden en richtlijnen; - e. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1), zijnde archiefwaardige informatie en nader gespecificeerd in de ordeningsstructuur, bedoeld in [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027605&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2021-02-06&g=2021-02-06); - f. **beheerder:** directeur of hoofd van een organisatieonderdeel, dan wel domeineigenaar; - g. **documentatie:** documenten en records die door zijn nauwe verbondenheid met het archiefstuk, onderdeel is van archiefbescheiden; - h. **domeineigenaar:** persoon die verantwoordelijk is voor een werkproces; - i. **organisatieonderdeel:** een onderdeel van de Dienst, bedoeld in [artikel 1, van het Reglement inrichting organisatie Kadaster 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035964&artikel=1); - j. **raadpleging:** beschikbaarstelling van archiefbescheiden voor inzage; - k. **Recordsmanager:** degene die namens het bestuur van de Dienst belast is met de uitvoering van het archiefbeheer; - l. **s"},{"i":12880,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voeding- en productveiligheid vanaf 1945 (Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE)) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december, arc-2006.03350/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE) en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Voeding- en productveiligheid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11704,"b":"Archiefbesluit BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **wet:** [Archiefwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028369); - c. **selectielijst:** lijst als bedoeld in [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028369&artikel=7). Hoofdstuk 2. Het ontwerpen van selectielijsten, alsmede de vervanging en vervreemding van archiefbescheiden § 1. Selectie en vernietiging Artikel 2 [vervallen] Artikel 3 1. Bij het ontwerpen en vaststellen van selectielijsten, bij besluiten omtrent de vervanging van archiefbescheiden door reproducties en bij besluiten omtrent de vervreemding van archiefbescheiden wordt rekening gehouden met: - a. de taak van het betreffende overheidsorgaan; - b. de verhouding van dit overheidsorgaan tot andere overheidsorganen; - c. de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed; en - d. het belang van de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, voor recht- en bewijszoekenden en voor historisch onderzoek. - e. [vervallen] 2. Selectielijsten worden vastgesteld voor de duur van ten hoogste twintig jaar. Artikel 4 1. De zorgdrager betrekt bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste: - a. de persoon die hij binnen zijn organisatie uit hoofde van diens verantwoordelijkheid voor de informatiehuishouding daartoe heeft aangewezen; - b. indien deze is benoemd de eilandarchivaris die de beheerder is van de archiefbewaarplaats die is bestemd voor de bewaring van de archiefbescheiden van de zorgdrager; - c. een deskundige op het terrein van de relatie tussen burger en overheid en de betekenis van overheidsinformatie voor deze relatie. 2. Indien de bestuurscolleges van twee of alle openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gezamenlijk een selectielijst ontwerpen, kan volstaan worden met de betrokkenheid van een aa"},{"i":11705,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 april 2003, nr. DDI/ST/reg1/2003, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het archief, van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in ballingschap te Londen, (`Londens Archief'), (1936) 1940-1945 (1958) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in ballingschap te Londen, (`Londens Archief'), (1936) 1940-1945 (1958), de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld. 2. Raadpleging van bescheiden die geborgen zijn onder de inventarisnummers: - 1. Geheim Archief: 381, 404, 410-411, 434, 638-649, 660, 663, 669, 672, 675, 690-691, 708-712, 714-720, 853, 873, 1451-1465, 1468-1469, 1471-1474, 1476-1506, 1579-1580, 2134-2153, 2164-2203, 2209; - 2. Gewoon of Groot Archief: 2366, 2373, 2378, 2392, 2429, 2435, 2658, 3435, 3529-3551, 3560, 3568-3576, 3578-3582, 3614, 3645, 3647, 3659, 3669-3670, 3718, 3723, 3730-3737, 3784, 3789, 3792, 3805, 3816, 3868-3870, 3876, 3896, 3917-3919, 4048-4049, 4081, 4083, 4105-4106, 4108-4109, 4113, 4130-4133, 4149-4198, 4218, 4236, 4347, 4350, 4410-4419, 4444, 4520-4521, 4546, 4688, 4695-4696; - 3. Directie Buitenlandse Dienst: 4820-5050, 5099-5164; - 4. Comptabiliteit: 5390; - 6. Gedeponeerde Archieven: 5638, 5969-5971, 5974-5977, 5981, 5983, 6132-6138, 6146-6147, 6342 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Nationaal Archief gehanteerd"},{"i":11706,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 december 2009, nr. WJZ/178205 (8189), met betrekking tot de duurzaamheid en de geordende en toegankelijke staat van archiefbescheiden en de bouw en inrichting van archiefruimten en archiefbewaarplaatsen (Archiefregeling) Gelet op de [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=12) en [13, vierde lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=13); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **archiefbescheiden:** voor wat betreft: - 1°. [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&hoofdstuk=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01): archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=11); - 2°. [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&hoofdstuk=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01): archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 12 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=12); - b. **bestandsformaat:** code volgens welke digitale gegevens op een gegevensdrager zijn opgeslagen; - c. **besturingsprogrammatuur:** programmatuur bestemd voor de besturing van computers en software; - d. **conversie:** omzetting of overzetting van gegevens in een ander bestandsformaat; - e. **digitale archiefbescheiden:** archiefbescheiden die uitsluitend met behulp van besturingsprogrammatuur of toepassingsprogrammatuur geraadpleegd kunnen worden; - f. **DIN:** door het Deutsches Institut für Normung uitgegeven norm, vermeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) bij deze regeling; - g. **emulatie:** techniek waarmee een computer of toepassingsprogrammatuur zich hetzelfde gedraagt als één van een oudere generatie; -"},{"i":11707,"b":"Wet van 28 april 1995, houdende vervanging van de Archiefwet 1962 (Stb. 313) en in verband daarmede wijziging van enige andere wetten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de ontwikkelingen op het gebied van het archiefwezen het wenselijk maken de Archiefwet 1962 te vervangen en in verband daarmede enige andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. overheidsorgaan: - 1°. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of - 2°. een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed; - c. archiefbescheiden: - 1°. bescheiden, ongeacht hun vorm, door de overheidsorganen ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - 2°. bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op enig overheidsorgaan zijn overgegaan; - 3°. bescheiden, ongeacht hun vorm, welke ingevolge overeenkomsten met of beschikkingen van instellingen of personen dan wel uit anderen hoofde in een archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten; - 4°. reprodukties, ongeacht hun vorm, welke bij of krachtens de wet in de plaats zijn gesteld van de onder 1°, 2° of 3° bedoelde archiefbescheiden of welke op grond van het bepaalde in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2024-06-19&g=2024-06-19) zijn vervaardigd; - d. zorgdrager: degene die bij of krachtens de wet belast is met de zorg voor de archiefbescheiden; - e. archiefruimte: een ruimte, bestemd of aangewezen voor de bewaring van archiefbescheiden in afwach"},{"i":11708,"b":"Archiefwet BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **overheidsorgaan:** - 1°. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld; of - 2°. een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed; - c. **archiefbescheiden:** - 1°. bescheiden, ongeacht hun vorm, door een overheidsorgaan ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - 2°. bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op enig overheidsorgaan zijn overgegaan; - 3°. bescheiden, ongeacht hun vorm, welke ingevolge overeenkomsten met of beschikkingen van instellingen of personen dan wel uit andere hoofde in de archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten; - 4°. reproducties, ongeacht hun vorm, welke bij of krachtens deze wet in de plaats zijn gesteld van de archiefbescheiden, bedoeld in onderdeel c, sub 1, 2 of 3 of welke op grond van het bepaalde in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028369&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2013-01-01&g=2013-01-01) zijn vervaardigd; - d. **zorgdrager:** degene die bij of krachtens deze wet belast is met de zorg voor de archiefbescheiden; - e. **archiefruimte:** een ruimte, bestemd of aangewezen voor de bewaring van archiefbescheiden in afwachting van hun overbrenging ingevolge [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028369&hoofdstuk=II&artikel=17&z=2013-01-01&g=2013-01-01); - f. **archiefbewaarplaats:** een krachtens deze wet voor blijvende bewaring van archiefbescheiden aangewezen bewaarplaats. Artikel 2 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder overheidsorganen tevens begrepen overheidsorganen, welke voor of na de inwerkingtreding van deze wet zijn of zullen worden opgeheven. Hoofdstuk II. Archiefbesche"},{"i":11709,"b":"Auteursrechtelijk voorbehoud ontwerp EK 2000-munt Gelet op [artikel 15b van de Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b), Besluit: Artikel 1 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot het ontwerp van de voor- en de keerzijde van de vijfguldenmunt ter gelegenheid van het Europees kampioenschap voetbal, als opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage"},{"i":11710,"b":"Auteurswet BES Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen § 1. De aard van het auteursrecht Artikel 1 Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld. Artikel 2 1. Het auteursrecht gaat over bij erfopvolging en is vatbaar voor gehele of gedeeltelijke overdracht. 2. De levering vereist voor gehele of gedeeltelijke overdracht, geschiedt door een daartoe bestemde akte. De overdracht omvat alleen die bevoegdheden waarvan dit in de akte is vermeld of uit de aard of strekking van de titel noodzakelijk voortvloeit. 3. Het auteursrecht, hetwelk toekomt aan den maker van het werk, zoomede, na het overlijden des makers, het auteursrecht op niet openbaar gemaakte werken, hetwelk toekomt aan dengene, die het als erfgenaam of legataris van den maker verkregen heeft, is niet vatbaar voor beslag. § 2. De maker van het werk Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 1. Behoudens bewijs van het tegendeel wordt voor den maker gehouden hij die op of in het werk als zoodanig is aangeduid, of bij gebreke van zulk eene aanduiding, degene, die bij de openbaarmaking van het werk als maker daarvan is bekend gemaakt door hem, die het openbaar maakt. 2. Wordt bij het houden van eene niet in druk verschenen mondelinge voordracht of het uitvoeren van een niet in druk verschenen muziekwerk geene mededeeling omtrent den maker gedaan, dan wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, voor den maker gehouden hij die de voordracht houdt of het muziekwerk uitvoert. Artikel 5 1. Van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, hetwelk bestaat uit afzonderlijke werken van twee of meer personen, wordt, onverminderd het auteursrecht op ieder werk afzonderlijk, als de maker aangemerkt degene, onder wiens leiding en toezicht het gansche werk is tot stand gebracht, of bij gebreke van dien, degene, die de verschillende werken verzameld heeft. 2. A"},{"i":11711,"b":"Auteurswet Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is eene nieuwe regeling van het auteursrecht vast te stellen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen § 1. De aard van het auteursrecht Artikel 1 Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld. Artikel 2 1. Het auteursrecht gaat over bij erfopvolging en is vatbaar voor gehele of gedeeltelijke overdracht. 2. De maker, of zijn rechtverkrijgende, kan aan een derde een licentie verlenen voor het geheel of een gedeelte van het auteursrecht. 3. De overeenkomst op grond waarvan het auteursrecht geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen of waarin een exclusieve licentie wordt verleend, wordt schriftelijk aangegaan. De overdracht of de verlening van een exclusieve licentie door de maker of door een natuurlijke persoon die het auteursrecht als erfgenaam of legataris van de maker heeft verkregen, omvat alleen die bevoegdheden die uitdrukkelijk in de overeenkomst staan vermeld of die uit de aard en de strekking ervan noodzakelijkerwijs voortvloeien. De levering vereist voor overdracht geschiedt ingevolge [artikel 95 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=95) bij een daartoe bestemde akte. 4. Het auteursrecht dat toekomt aan de maker van een werk, alsmede, na het overlijden van de maker, het auteursrecht op niet openbaar gemaakte werken dat toekomt aan degene die het als erfgenaam of legataris van de maker heeft verkregen, is niet vatbaar voor beslag. 5. Het derde lid, tweede volzin, en het vierde lid zijn niet van toepassing op een maker als bed"},{"i":11712,"b":"AVWD-2021 Besluit: Artikel 1 De Algemene voorwaarden voor de uitvoering van werkzaamheden aan zaken van het ministerie van Defensie 2021 (AVWD-2021) worden vastgesteld als opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De [AVWD 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007456), vastgesteld bij besluit van de Staatssecretaris van Defensie van 21 juni 1995 (Stcrt. 1995, 128) en de Aanvullende voorwaarden voor aanneming van werk op plaatsen onder beheer van het ministerie van Defensie 1999 (AVWD-D 1999), vastgesteld bij besluit van de Staatssecretaris van Defensie van 3 augustus 1999, worden ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: AVWD-2021 Bijlage. AVWD-2021 Algemene Voorwaarden voor de uitvoering van werkzaamheden aan zaken van het ministerie van Defensie Verkorte benaming: (AVWD-2021) **Inhoudsopgave** Algemene bepalingen Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Toepassing Artikel 3 Garantie Artikel 4 Kwaliteitsborging en toezicht Artikel 5 Keuring en controle Artikel 6 Transport en risico-overgang Artikel 7 Beheer van de zaak door Opdrachtnemer Artikel 8 Afgifte en Teruggave Artikel 9 Verpakking Artikel 10 Afkomende Onderdelen Artikel 11 Gebruik van zaken van Opdrachtgever Artikel 12 Onderaanneming Artikel 13 Verwerken persoonsgegevens Artikel 14 Wijze van kennis geven Artikel 15 Geheimhouding Artikel 16 Prijs Artikel 17 Facturering Artikel 18 Betaling Artikel 19 Dreigende vertraging Artikel 20 Tekortschieten in de nakoming Artikel 21 Boete Artikel 22 Aansprakelijkheid Artikel 23 Ontbinding en opzegging Artikel 24 Behoud recht nakoming te vorderen Artikel 25 Overdracht rechten en verplichtingen uit de Overeenkomst Artikel 26 Verzekering Artikel 27 Arbeidsvoorwaarden Artikel 28 Omkoping en belangenverstrengeling Artikel 29 Nietige en vernietigde bepalingen Artikel 30 Melding in publicaties of reclame-uitingen Arti"},{"i":11713,"b":"Basisregeling Archiefbeheer van de stichting Stimuleringsfonds voor Architectuur Overwegende dat het op grond van de wet vereist is een regeling te treffen m.b.t. het beheer van de archiefbescheiden van het SfA, voor zover deze betrekking hebben op de uitoefening van de openbare taken van het SfA en deze niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats in de zin van de wet; Gelet op [artikel 41, lid 1a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=41) en [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - Beheer: de feitelijke werkzaamheden die nodig zijn om informatie in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren; - Beheerseenheid: afdelingen van het SfA die documenten registreren, ordenen en beheren daarin begrepen de gebruikte en in gebruik zijnde informatiesystemen; - Documentaire informatievoorziening (hierna te noemen DIV): het geheel van activiteiten dat ervoor zorgt dat een organisatie over de informatie beschikt die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de taken. Hieronder valt zowel het archiefbeheer als het documentatiebeheer en het actief opsporen van informatie binnen en buiten de organisatie. Concrete activiteiten hierbinnen zijn: postontvangst en -registratie, voortgangs- en afdoeningsbewaking en dossierbeheer; - Documentaire informatievoorzieningsfunctie, centrale (hierna te noemen DIV-functie): de functionaris, sectie, afdeling of andere organisatorische aanduiding voor het organisatieonderdeel die/dat verantwoordelijk is voor de totale documentaire informatievoorziening en het documentair informatiebeheer, daaronder begrepen het archiefbeheer; - Informatiesysteem: systeem van documentatie, procedures, apparatuur en programmatuur, met behulp waarvan archiefbescheiden e.a. documenten, in analoge of digitale vorm, kunnen worden geproduceerd, bewerkt, opgeslagen, verzonden,"},{"i":11714,"b":"Bedrijfshulpverleningsregeling VROM Gelet op [artikel 58a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=58a); Gelet op het Besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal; Gehoord de Bijzondere Commissie; Besluit: Artikel 1. Algemene bepalingen 1. In dit besluit wordt verstaan onder: a. minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; b. ministerie: ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; c. de dienst: de Centrale Sector; het Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting; de Rijksplanologische Dienst; het Directoraat-Generaal Milieubeheer; de Rijksgebouwendienst; d. het diensthoofd: de secretaris-generaal; de directeur-generaal van de Volkshuisvesting; de directeur-generaal van de Ruimtelijke Ordening; de directeur-generaal Milieubeheer; de directeur-generaal van de Rijksgebouwendienst; e. bedrijfshulpverlener: ambtenaar werkzaam bij het ministerie die bij besluit is aangewezen om conform [artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=15) hulp in of rond de gebouwen van het ministerie te verlenen met een of meer van de volgende taken: ontruimer; basis-bedrijfshulpverlener; EHBO’er; brandwacht; ploegleider; plaatsvervangend hoofd bedrijfshulpverlening; hoofd bedrijfshulpverlening; f. BHV: bedrijfshulpverleningsorganisatie van het ministerie. 2. Voor zolang de bedrijfshulpverlener nog in opleiding is, is deze aspirant-bedrijfshulpverlener. 3. Een bedrijfshulpverlener kan tevens met leidinggevende taken worden belast. Artikel 2. Aanwijzing als bedrijfshulpverlener - a. Aanwijzing als bedrijfshulpverlener voor onbepaalde tijd wordt schriftelijk door het diensthoofd van de betreffende dienst, waar de bedrijfshulpverlener werkzaam is, na overleg met de ondernemingsraad, verleend; - b. Aanwijzing als aspirant-bedrijfshulpverlener geschiedt op de"},{"i":12376,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie nummer 332130 van 20 december 2012, houdende de instelling van de Commissie toegang notariaat (Besluit Instelling Commissie toegang notariaat) Gelet op [artikel 8, tweede lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=8) en de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032084&artikel=4) en [5 van het Besluit op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032084&artikel=5); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Er is een Commissie toegang notariaat, verder te noemen de Commissie. Artikel 2 De Commissie heeft tot taak: de Minister adviseren omtrent de persoonlijke geschiktheid van kandidaat-notarissen voor het ambt van notaris en toegevoegd notaris. Artikel 3 Een ieder die betrokken is bij de werkzaamheden van de Commissie en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voorzover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij deze werkzaamheden de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. Artikel 4 1. De leden van de commissie worden benoemd en ontslagen door de Minister. Zij worden voor vier jaar benoemd. 2. Ter gelegenheid van de instelling van de Commissie worden tot lid van de Commissie benoemd: - a. voorzitter: de heer mr. R. Paris - b. leden: - ○. de heer drs. H.G.M. Blocks; - ○. de heer drs. A. Hoekstra; - ○. de heer mr. P. Kole (Bestuurslid Bureau Financieel toezicht); - ○. de heer mr. J.H. Oomen (Bestuurslid Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie); - c. plaatsvervangende leden: - ○. de heer mr. W.G. Huijgen; - ○. de heer mr. A.L.J. Westerhuis - d. secretaris: - ○. mevrouw mr. K.A.J. van Geest (Koninkl"},{"i":14540,"b":"Regeling van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 maart 2009, MEVA/BO-2819721, houdende regels inzake de periodieke registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg Gelet op [artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en zevende lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=8); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. **register:** register, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3); - c. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - d. **cliënt:** een ieder die zorg vraagt of aan wie zorg wordt verleend. Artikel 2 1. Voor de opname van een aantekening in een van de registers op basis van [artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=8) is een periodiek registratie certificaat vereist waaruit blijkt dat betrokkene beschikt over de voor het betrokken beroep benodigde kerncompetenties, genoemd in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025605&artikel=4&z=2024-10-01&g=2024-10-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025605&artikel=5&z=2024-10-01&g=2024-10-01), [6a tot en met 6h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025605&artikel=6a&z=2024-10-01&g=2024-10-01). Het periodiek registratie certificaat is op het moment van het indienen van de aanvrage voor opname van een aantekening in een van de registers op basis van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de wet, niet ouder dan twee jaar. 2. Het periodiek registratie certificaat wordt verstrekt door een onderwijsinstelling die opleidingen verzorgt die leiden tot een getuigschrift dat recht geeft op inschrijving in het register van fysiotherapeut, verloskundige, verpleegkundige, arts, tandarts, apotheker,"},{"i":11759,"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Autoriteit Financiële Markten inzake de toetsing van de geschiktheid van beleidsbepalers krachtens de Wet op het financieel toezicht, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet toezicht trustkantoren 2018, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, Verordening (EU) Nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU, Verordening (EU) nr. 236/2012, Verordening (EU) Nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012, Verordening (EU) Nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese sociaalondernemerschapsfondsen, Verordening (EU) Nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen en Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1129 en Richtlijn (EU) 2019/1937 (Beleidsregel geschiktheid 2012) Na overleg met de representatieve organisaties, het ministerie van Financiën en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 3:8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:8), [3:271](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:271), [4:3, vierde lid, Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:3) (Wft) juncto [artikel 2a Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=2a) (BGfo), [4:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9), en [5:29, eerste lid, Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:29); artikel 27, eerste"},{"i":11760,"b":"Beleidsregel geschiktheid Wta Na overleg met de representatieve organisaties en het ministerie van Financiën; Gelet op [artikel 16, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=16) (Wta) en [artikel 5 van het Besluit toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020184&artikel=5) (Bta); Besluit tot het vaststellen van de volgende Beleidsregel geschiktheid Wta: Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen met betrekking tot de geschiktheidstoetsing van beleidsbepalers 1.1. Definities en begrippen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a). **accountantsorganisatie:** een accountantsorganisatie, zoals bedoeld in [artikel 1 van de Wta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1), die beschikt over een vergunning die mede strekt tot het verrichten van wettelijke controles bij organisaties van openbaar belang, zoals bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=6) jo. [artikel 1 van de Wta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1); - b). **belanghebbenden:** personen, ondernemingen en instellingen ten behoeve waarvan accountantsorganisaties financiële verantwoordingen van ondernemingen of instellingen controleren en die gebruikmaken van en vertrouwen op de uitkomsten van die controles, met uitsluiting van de toezichthouder; - c). **beleidsbepaler:** een persoon die bij of krachtens de [Wta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468) moet worden getoetst op geschiktheid: - •. De natuurlijke personen die het dagelijks beleid bepalen van een accountantsorganisatie met een vergunning die mede strekt tot het verrichten van wettelijke controles bij organisaties van openbaar belang zijn geschikt in verband met de uitoefening van het bedrijf van de accountantsorganisatie. ([artikel 16, derde lid, Wta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=16); collectief I); - •. Indien een accountan"},{"i":11761,"b":"Beleidsregel Informatieverstrekking via vergelijkingssites Ingevolge [artikel 40, derde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot de informatieverstrekking namens ziektekostenverzekeraars. 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op ziektekostenverzekeraars als bedoeld in [artikel 1 sub f van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). 2. Doel van de beleidsregel Op grond van [artikel 40 lid 3 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40) dragen ziektekostenverzekeraars zorg voor de door of namens hen verstrekte of beschikbaar gestelde informatie over een product of dienst, waaronder reclame-uitingen. Deze informatie mag geen afbreuk doen aan het bepaalde bij of krachtens [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078), de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) of [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ) en de informatie mag ook niet misleidend zijn. Het doel van deze beleidsregel is om te expliciteren welke verantwoordelijkheden ziektekostenverzekeraars hebben wanneer vergelijkingssites informatie verstrekken namens de verzekeraars. 3. Juistheid informatie Als een ziektekostenverzekeraar een overeenkomst, zoals een bemiddelingsovereenkomst, sluit met de beheerder van een vergelijkingssite, draagt de verzekeraar er zorg voor dat er geen onjuiste informatie verstrekt wordt over het polisaanbod van de verzekeraar op de betreffende vergelijkingssite. 4. Specifieke en algemene informatie Informatie als bedoeld in artikel 4 omvat alle informatie over het polisaanbod van de verzekeraar, waaronder de informatie over de polisvoorwaarden en de uitleg van termen die in de beschrijving van de polis op de vergelijkingssite worden gehanteerd. 5. Inwerkingtreding en citeerregel Deze beleidsregel w"},{"i":11764,"b":"Beleidsregel Integriteitbeleid ten aanzien van zakelijke vastgoedactiviteiten Gelet op [artikel 143 Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=143), [artikel 138 Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=138) en [artikel 3:10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:10) en [3:17, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17); Gelet op [artikel 8 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=8); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - b. **zakelijke vastgoedactiviteiten:** - 1°. Projectontwikkeling in de zakelijke vastgoedsector; - 2°. Financiering van beleggingsobjecten of ontwikkelingsprojecten in de zakelijke vastgoedsector; - 3°. Beleggen in de zakelijke vastgoedsector; - c. **instelling:** - 1°. Financiële onderneming, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=10); - 2°. Pensioenuitvoerder, bedoeld in [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1); - 3°. Beroepspensioenfonds, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=1). - d. **Wwft-instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a van de Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=1) voor zover DNB is belast met het toezicht op naleving door de instelling ingevolge [artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel a van het Besluit aanwijzing toezichthouders Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024281&artikel=1); - e. **integriteitanalyse:** de analyse als bedoeld in [artikel 19 van het Besluit financieel toetsingskader pens"},{"i":11765,"b":"Beleidsregel IZA-transformaties Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg) stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Gelet op [artikel 59, aanhef en onder a, b en c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS met een brief ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Brief en aanwijzing dateren van 9 oktober 2023 en hebben als [kenmerk 3696063-1053658-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048769). De aanwijzing is gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 2023, 28922. Een aanvullende brief en aanwijzing dateren van 13 augustus 2024 en hebben als kenmerk 3871970-1068062-PZo. De aanwijzing is gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 2024, 27375. Met de aanwijzing van 3 oktober 2025 met kenmerk 4228532-1088618-PZO heeft de Minister de bovenstaande eerder gegeven aanwijzingen gewijzigd. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - •. **Wmg:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). - •. **Zorgaanbieder:** Natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":11766,"b":"Besluit van de algemene raad van 3 november 2014 tot vaststelling van de beleidsregel inzake ontheffing kantoorhouden in één arrondissement op één locatie vanwege kantoorvestiging buiten Nederland (Beleidsregel kantoorhouden buiten Nederland) gelet op [artikel 12, derde lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=12); gelet op [titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.3); stelt het navolgende besluit vast: Artikel 1. Reikwijdte van de beleidsregel kantoorhouden buiten Nederland Deze beleidsregel is van toepassing op de advocaat die op een kantooradres in Nederland op het tableau is ingeschreven en zijn kantoor wil verplaatsen naar een adres buiten Nederland en tevens op de advocaat die reeds een kantooradres buiten Nederland heeft en zijn kantoor wil verplaatsen naar een ander adres buiten Nederland. Artikel 2. Uitleg wettelijke voorschriften In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **kantoor:** de plaats waar de advocaat zijn wezenlijke beroepsactiviteiten verricht en waar het centrum van zijn beroepswerkzaamheden is gelegen. Artikel 3. Verzoek ontheffing 1. De advocaat verzoekt om ontheffing als bedoeld in [artikel 12, derde lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=12), uiterlijk twee maanden voor aanvang van de vestiging van het kantoor buiten Nederland. 2. De advocaat die na afloop van de tijdsperiode van de ontheffing buiten Nederland kantoor wil blijven houden, verzoekt opnieuw om ontheffing voor een nieuwe tijdsperiode. Artikel 4. Weigering van de ontheffing De algemene raad weigert de ontheffing in ieder geval indien: - a. de advocaat geen bijzondere redenen voor de vestiging buiten Nederland heeft gegeven; - b. de advocaat geen gegevens over waarborgen inzake het naleven van de kernwaarden heeft verstrekt; of - c. de advocaat-stagiaire een opleidingsplan heeft verstrekt met onvoldoende waarborgen of vereiste info"},{"i":13130,"b":"Boekhoudvoorschriften ISOVSO Gelet op artikel 110 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (Stb. 1984, 654); Besluit: Artikel 1 In de regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een overzichtelijke en deugdelijke administratie van de financiële gegevens van elk van de onder zijn beheer staande scholen. 2. De administratie van elke school omvat alle ontvangsten, gesplitst naar herkomst, en alle uitgaven onderscheiden naar: - a. personele uitgaven; - b. materiële uitgaven ten behoeve van: - groot onderhoud van schoolgebouwen en bijbehorende terreinen, - klein onderhoud van gebouwen en terreinen, - elektriciteitsgebruik, - waterverbruik, - verwarming, - schoonhouden, - belastingen en andere publiekrechtelijke heffingen, - verzekeringen, - beheer en bestuur, - onderhoud en vervanging van leer- en hulpmiddelen, - onderhoud van meubilair, - de commissie, - ambulante begeleiding, - de schooladministratie, - vervoer en overige kosten in verband met stage, - vervoer en overige kosten in verband met symbiose, - vervoer en overige kosten in verband met lichamelijke oefening, - vervoer en overige kosten in verband met schoolzwemmen, - de medezeggenschap, - andere voorzieningen ter verzekering van de goede gang van het onderwijs; - c. uitgaven ten behoeve van: - de huisvestingsvoorzieningen, anders dan vermeld in onderdeel b, - de vervanging van meubilair. 3. De administratie van elke school omvat een overzicht van: - a. vorderingen, - b. schulden, - c. reserveringen. 4. Aan het einde van ieder kalenderjaar wordt voor elke school een overzicht van de in de school aanwezige inventaris opgemaakt en in de administratie opgenomen waaruit in ieder geval blijkt in welk jaar de aanschaffing heeft plaatsgevonden en welke inventaris voor eigen rekening is aangeschaft. 5. Aan het einde van ieder kalenderjaar wordt voor elke school een overzicht opgesteld en in de administratie opgenomen van alle uitgaven en ontvang"},{"i":13097,"b":"Besluit van 25 juli 2024, houdende verlenging van de samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten Op de voordracht van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 juli 2024, Directoraat-Generaal Koninkrijksrelaties; nr. 2024-0000422999 Gelet op [artikel 42, derde lid, van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I De termijn van twee jaar, bedoeld in het tweede lid van [artikel 42 van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42), zoals verlengd bij koninklijk besluit van 31 juli 2012, 14 juli 2014, 8 juli 2016, 12 juli 2018, 13 juli 2020 en 7 juli 2022, wordt met twee jaar verlengd. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 oktober 2024. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad, het Publicatieblad van Curaçao en het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst."},{"i":13137,"b":"Call for research proposals on assumptions underlying Dialogue & Dissent The Hague, 13 June 2017 Netherlands Organisation for Scientific Research 1. Introduction 1.1. Background **The Dutch policy framework for civil society development: Dialogue and Dissent’** 1 https://www.government.nl/documents/regulations/2014/05/13/policy-framework-dialogue-and-dissent Civil society is the space between government, the market (businesses) and private life (family and friends), where citizens can organise themselves to pursue goals unrelated to personal or financial gain, which concern a wider group of people and are not necessarily taken care of by government. Civil societies are usually formed by countless different types of (networks of) civil society organisations (CSOs), from small to large, from professional to amateur, from formal to informal, and from democratic membership organisations to closed organisations without members2“Civil Society Organisations (CSOs) include non-governmental and not-for-profit organisations that have a presence in public life, expressing the interests and values of their members or others, based on ethical, cultural, political, scientific, religious or philanthropic considerations. A wide of array of organisations can be CSO: community groups, non-governmental organisations (NGOs), labor unions, indigenous groups, charitable organizations, faith-based organizations, professional associations, and foundations”. From: http://web.worldbank.org. The Netherlands Ministry of Foreign Affairs (MFA) has a long tradition of supporting CSOs operating in low- and lower-middle-income countries (LLMICs) for their developmental roles. The policy in this area is based on the principle that a diverse and pluralist civil society is crucial for sustainable and inclusive development. CSOs can contribute to this in various related ways: Over the past years, CSOs in LLMICs have grown steadily stronger. Organisations which previously focused exclusively on providin"},{"i":13621,"b":"Instellingsbesluit RZO Gelet op [artikel 17 van het Veteranenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035237&artikel=17) (Stb. 2014, 221); Besluit: Het Besluit tot instelling van de Raad voor civiel-militaire Zorg en Onderzoek (Instellingsbesluit RZO) komt als volgt te luiden: Artikel 1. Instelling 1. Er is een Raad van toezicht en advisering ten behoeve van het civiel-militaire zorgsysteem voor de hulpverlening aan veteranen en het wetenschappelijk onderzoek naar aandoeningen gerelateerd aan uitzendingen, hierna te noemen: de Raad (RZO). 2. De Raad is onafhankelijk adviseur van de Minister van Defensie. Artikel 2. Samenstelling 1. De Raad bestaat uit een voorzitter en maximaal 8 leden. 2. De Raad wordt ondersteund door een ambtelijk secretaris die, in overleg met de Raad, wordt aangewezen door de Hoofddirecteur Personeel van het Ministerie van Defensie. 3. De voorzitter en leden van de Raad worden op voordracht van de Raad benoemd door de Minister voor een periode van vijf jaar. Zij zijn één maal herbenoembaar. Artikel 3. Taken 1. De Raad heeft de volgende taken: - a. Het bevorderen van de samenwerking tussen alle in het civiel-militaire zorgsysteem betrokken partijen. - b. Het bevorderen van de gewenste specialisatie van de betrokken partijen in het civiel-militaire zorgsysteem, opdat het gehele zorgsysteem alle benodigde expertise bevat en de partijen goed ten opzichte van elkaar functioneren. - c. Het houden van toezicht op het functioneren van het civiel-militaire zorgsysteem voor de hulpverlening aan veteranen. - d. Het naar aanleiding van bevindingen voortkomend uit de toezichthoudende taak geven van advies aan de Minister en aan de betrokken partijen. - e. Het monitoren van recente ontwikkelingen met relevantie voor het civiel-militaire zorgsysteem voor de hulpverlening aan veteranen. - f. Het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van aandoeningen gerelateerd aan uitzendingen. 2. De Raad legt schriftelijk vast op welke wijze hij aa"},{"i":11781,"b":"Beleidsregel productplaatsing sponsoring commerciële media-instellingen 2022 Gelet op de [artikelen 3.19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.19a), [3.19b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.19b), [3.19c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.19c), [3.29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29a), [3.29d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29d), [7.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.11) en [7.12 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.12) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op het media-aanbod van commerciële media-instellingen in de zin van de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028), daaronder begrepen commerciële mediadiensten op aanvraag (zoals VOD-diensten en video-uploaders). Artikel 2. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - –. **media-aanbod:** programma-aanbod (televisie en radio) en audiovisueel media-aanbod op aanvraag (VOD-diensten en video); - –. **video:** audiovisueel media-aanbod op aanvraag dat door een gebruiker is gecreëerd en door die gebruiker of een andere gebruiker naar een videoplatform is geüpload. Artikel 3. Definitie medische behandelingen 1. Het media-aanbod bevat geen productplaatsing voor medische behandelingen ([artikel 3.19b, derde lid, onder a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.19b)). 2. Onder **medische behandelingen** wordt hierbij verstaan: behandelingen die alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn. Artikel 4. Verbod op productplaatsing 1. Media-aanbod bestaande uit nieuws, actualiteiten of consumentenzaken, media-aanbo"},{"i":14163,"b":"Regeling commissie bezwaarschriften dekens 2025 gelet op [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13); gehoord de commissie bestuursrecht, ingesteld door het dekenberaad; Overwegende dat: de deken van de orde in het arrondissement op grond van [artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45a), belast is met het toezicht op de advocaten die kantoor houden in zijn of haar arrondissement; de deken, op grond van [artikel 24, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=24) (Wwft), belast is met het toezicht op de naleving van de Wwft door de advocaten die kantoor houden in zijn of haar arrondissement; de deken, op grond van [artikel 14, tweede lid, onder b, Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=14) (Wki), belast is met het toezicht op de naleving van de Wki door de advocaten die buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verrichten of aanbieden en kantoor houden in zijn of haar arrondissement; de deken toezichthouder is als bedoeld in [artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:11); de deken bevoegd is om de overtreding van bepaalde voorschriften bestuursrechtelijk te handhaven (bijvoorbeeld met een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete); tegen deze besluiten van de deken bezwaar en beroep openstaat; het wenselijk is dat een onafhankelijke, externe commissie wordt ingesteld die belanghebbende(n) hoort over ingediende bezwaarschriften en de deken adviseert over de te nemen beslissing op bezwaar; de dekens, verenigd in het overlegorgaan dekenberaad als bedoeld in [artikel 2.5 van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.5), streven naar een uniforme werkwijze en advisering ter afhandeli"},{"i":12392,"b":"Besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 11 maart 2005, nr. DDS 5337209, tot instelling van het interventieteam toegankelijkheid Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de minister: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie; - b. het interventieteam: het interventieteam toegankelijkheid, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018099&artikel=2&z=2005-03-18&g=2005-03-18); - c. de drie andere interventieteams: het interventieteam veiligheid en jeugd; het interventieteam interetnische spanningen en het interventieteam relationele druk en geweld; - d. FORUM: het Instituut voor multiculturele ontwikkeling te Utrecht. Artikel 2 1. Er is een interventieteam toegankelijkheid. 2. Het interventieteam wordt ingesteld voor de duur van twee jaar. Artikel 3 Het interventieteam heeft tot taak: - a. het signaleren van ontwikkelingen aangaande het thema toegankelijkheid en het jaarlijks schriftelijk rapporteren over deze ontwikkelingen aan de minister; - b. het brengen van bezoeken aan en het voeren van overleg met gemeenten, instellingen of gemeenschappen waar zich problemen rondom dit thema voordoen, waarbij het interventieteam – in het geval één van de bij de problemen betrokken partijen daarom vraagt – bemiddelt tussen bedoelde partijen en deze partijen voorstellen doet om de problemen niet verder te laten escaleren, te voorkomen, dan wel op te lossen; - c. het gevraagd en ongevraagd doen van voorstellen aan gemeenten, instellingen of gemeenschappen voor de aanpak en oplossing van problemen rondom dit thema; - d. het stimuleren van contacten tussen en binnen de verschillende etnische groepen en van contacten tussen bedoelde groepen en gemeenten en relevante instellingen. Artikel 4 1. Het interventieteam bestaat uit een voorzitter en ten minste zes en ten hoogste acht andere leden. 2. Tot lid van het interventieteam zijn met ingang van 20 december 2004 benoemd: - –. de heer D. Sarian, voorzi"},{"i":12498,"b":"Besluit van de directeur Verbruiksbelastingen, Douane en Internationale aangelegenheden van 15 november 2021, Nr. 2021-0000226675, houdende ondermandatering van de competentie tot behandeling van verzoeken tot een ‘onderlinge overlegprocedure’ Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=5) en [16 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=16) alsmede [artikel 28 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=28); Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 Aan de Algemeen directeur Belastingdienst/Grote Ondernemingen wordt ondermandaat verleend tot: Het uitvoeren van de taak van de bevoegde autoriteit in het kader van regelingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing, het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (90/436/EEG) en de [Wet fiscale arbitrage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042409), voor zover die taak betrekking heeft op het uitvoering geven aan bepalingen op grond waarvan de bevoegde autoriteiten in een individueel geval in onderling overleg kunnen treden om kwesties die aanleiding geven tot een geschil over de uitleg of toepassing van één van voorgenoemde regelingen te beslechten (zogenoemde ’onderlinge overlegprocedure’). Artikel 2 Aan de Algemeen directeur Belastingdienst/Grote Ondernemingen wordt ondermandaat verleend tot: Het uitvoeren van de taak van de bevoegde autoriteit in het kader van regelingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing, voor zover die taak betrekking heeft op het uitvoering geven aan bepalingen op grond waarvan de bevoegde autoriteiten zekerheid vooraf kunnen geven over de vaststelling van een zakelijke beloning"},{"i":13915,"b":"Organisatiebesluit AIVD 2023 Gelet op [artikel 25, derde lid van het Organisatiebesluit BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043708&artikel=25); Besluit: Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, genoemd in het [Organisatiebesluit BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043708). Artikel 2 De Directies, genoemd in [artikel 10, derde lid, onder a tot en met c, van het Organisatiebesluit BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043708&artikel=10), staan onder leiding van een directeur. Artikel 3 De Directie Inlichtingen, genoemd in [artikel 10, derde lid, onder a, van het Organisatiebesluit BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043708&artikel=10), draagt zorg voor: - a. het verrichten van onderzoek; - b. het exploiteren van informatie; - c. het mobiliseren van derden; om de democratische rechtsorde en de staatsveiligheid te beschermen, de veiligheid te bevorderen en een bijdrage te leveren aan de vorming van het buitenlands beleid. Artikel 4 1. De Directie Operatiën, genoemd in [artikel 10, derde lid, onder b, van het Organisatiebesluit BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043708&artikel=10), draagt zorg voor het uitvoeren van operationele activiteiten ten behoeve van onderzoeken in het inlichtingenproces om: - a. de democratische rechtsorde en staatsveiligheid te beschermen; - b. de veiligheid te bevorderen; en - c. een bijdrage te leveren aan de vorming van het buitenlands beleid. 2. Het Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging, welke valt onder de Directie Operatiën, is, ter invulling van de taken die uit [artikel 8 tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=8) voortvloeien, aangewezen als: - a. National Security Authority (NSA) voor NAVO en EU en ESA; - b. National Communication and Information Systems Security Authority (NCSA) voor NAVO, Information"},{"i":12347,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, Indexering factoren, grondslagen en bedragen per 1 januari 2015 Gelet op de [artikelen 31a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31a), [28a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28a), [35, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=35), [18, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=18) en [25, tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=25); Besluit: Artikel 1 De pensioenbedragen, bedoeld in [artikel 31b, eerste lid, onder a, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31b) en in [artikel 28b, eerste lid, onder a, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28b), zoals zij golden op 1 juli 2014, worden met ingang van 1 januari 2015 verhoogd met 0,44%. Artikel 2 De factoren waarmee het peil der buitengewone pensioenen ingevolge de [Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) en de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035) wordt aangepast, worden met ingang van 1 januari 2015 vastgesteld als volgt: | A pensioengrondslagen 1947 per jaar in euro | A pensioengrondslagen 1947 per jaar in euro | B welvaartstoeslag vanaf 1 januari 2015 | B welvaartstoeslag vanaf 1 januari 2015 | | --- | --- | --- | --- | | van | tot en met | | | | 1.225,21 | 1.356,79 | 24.811,68 minus pensioengrondslag | 24.811,68 minus pensioengrondslag | | van | tot en met |"},{"i":14138,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming van 31 januari 2024, nr. 3337747, tot vaststelling van formulieren voor het verstrekken van gegevens en bescheiden alsmede voor de bevindingen van het eigen onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Regeling Bibob-formulieren 2024) Gelet op [artikel 7a, vijfde lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=7a); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegde instantie:** een bestuursorgaan of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is om de [Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) toe te passen; - **Bibob-rechtshandeling:** een rechtshandeling met de overheid, te weten een beschikking, overheidsopdracht of vastgoedtransactie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=1), waarop de [Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) wordt toegepast; - **Bibob-vragenformulier:** een formulier als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049314&artikel=2&z=2024-02-01&g=2024-02-01); - **formulier bevindingen eigen onderzoek:** een formulier als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049314&artikel=3&z=2024-02-01&g=2024-02-01); - **vragenlijst:** een vragenlijst als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049314&artikel=4&z=2024-02-01&g=2024-02-01); - **Wet Bibob:** [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798). Artikel 2 Het formulier voor het verstrekken van gegevens en bescheiden, bedoeld in [artikel 7a, tweede en derde lid, van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=7a), wordt vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.ov"},{"i":13871,"b":"Nummerplan internationale signaleringspuntcodes Gelet op artikel 40d, eerste lid, onder a, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen; Gezien Aanbeveling Q.708 van de Telecommunication Standardization Sector van de International Telecommunication Union (ITU-T). Besluit: Artikel 1 1. Een nummer als bedoeld in dit besluit bestaat uitsluitend uit cijfers. 2. De lengte van een nummer bedraagt vijf cijfers. 3. De in dit besluit bedoelde nummers die beschikbaar zijn voor toekenning bevinden zich uitsluitend in de nummerblokken die zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 2 Een nummer dat is toegekend, kan niet nogmaals worden toegekend. Artikel 3 Aan de toekenning van een nummer worden de volgende voorschriften verbonden: - a. de nummerhouder neemt het bij dit besluit bepaalde alsmede de geldende ITU-T aanbevelingen in acht; - b. de nummerhouder is verplicht in het kader van een door hem aangeboden of afgenomen openbare elektronische communicatiedienst het nummer te gebruiken voor een directe en internationale signaleringskoppeling ten behoeve van grensoverschrijdende openbare elektronische communicatiediensten tussen het netwerkpunt in Nederland waarvoor het nummer is aangevraagd en minimaal één ander buitenlands netwerkpunt; - c. de nummerhouder die een nummer heeft toegekend gekregen waarmee hij de in onder b bedoelde koppeling kan realiseren en daarmee in zijn behoefte kan voorzien, kan niet nog een ander nummer aanvragen voor deze koppeling. Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 7 Dit besluit wordt aangehaald als: Nummerplan internationale signaleringspuntcodes. Dit besluit met bijbehorende bijlage en toelichting wordt ter inzage gelegd bij de Onafhankelijke Post en Telecommuncatie Autoriteit. Bijlage. bedoeld in [artikel 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008836&artikel=1&z=2"},{"i":11830,"b":"Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar 1. Inleiding In de strafrechtelijke handhaving van de lokale veiligheid, leefbaarheid en de naleving van (specialistische) regels is een belangrijke rol weggelegd voor buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna: boa’s). Het doel van het boa-beleid is om de kwaliteit van de strafrechtelijke handhaving door de boa’s te borgen en te verbeteren zodat boa’s deze belangrijke rol op een kwalitatief goede wijze kunnen invullen. Het boa-bestel vormt het kader waarbinnen deze professionalisering van de boa plaatsvindt. Deze Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar maken onderdeel uit van dit boa-bestel. In verband met de door de praktijk geuite wens tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inhuur is een wijziging in deze Beleidsregels aangebracht in die zin dat inhuur nu mogelijk is in de domeinen I, III en IV. Waar de verhouding tussen politie en boa’s eerder werd gedefinieerd in termen van operationele regie is dat nu in navolging van landelijke afspraken gewijzigd in operationele samenwerking om zo het belang van goede samenwerking te benadrukken. Tevens zijn wijzigingen aangebracht in de systematiek van de permanente her- en bijscholing en is de tekst van domein II geactualiseerd. Als onderdeel daarvan is onder meer de verplichting tot het volgen van een vervolgopleiding in domein II komen te vervallen. Ten slotte zijn op diverse onderdelen verduidelijkingen en kleine correcties aangebracht. Deze wijzigingen treden in werking een dag na publicatie in de Staatscourant. 2. De buitengewoon opsporingsambtenaar De Minister van Justitie en Veiligheid verleent een titel van opsporingsbevoegdheid indien de noodzaak voor (extra) opsporingsbevoegdheid is aangetoond en de betreffende persoon heeft voldaan aan de betrouwbaarheidseis en bekwaamheidseis. Deze toekenning geschiedt formeel tijdens de beëdiging van een persoon als boa door of namens de Minister van Justitie en Veiligheid. De Minister van Justitie en Veiligheid kan bepale"},{"i":12319,"b":"Besluit van 1 februari 2000, houdende hernieuwde vaststelling van het besluit tot instelling van de Herinneringsmedaille voor Humanitaire hulpverlening bij Rampen Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 26 januari 2000, nr. DO 016/2000000179, sectie onderscheidingen; Overwegende, dat het gewenst is aan hen die van overheidswege in militair verband zijn uitgezonden en die daadwerkelijk hebben deelgenomen aan hulpacties bij rampen, als herinnering een medaille toe te kennen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er is een Herinneringsmedaille voor Humanitaire hulpverlening bij Rampen. Artikel 2 De herinneringsmedaille wordt toegekend aan hen die deel uitmakend van of tezamen met de krijgsmacht ter plaatse van een door de Minister van Defensie aangewezen rampgebied daadwerkelijk aan de hulpverlening hebben deelgenomen en daarbij in alle opzichten een goede plichtsbetrachting en een goed gedrag hebben betoond. Artikel 3 1. De herinneringsmedaille wordt toegekend met een gesp. 2. De Minister van Defensie kan gespen instellen die worden verbonden aan de herinneringsmedaille. 3. Aan hen die reeds zijn onderscheiden met de herinneringsmedaille wordt, indien zij opnieuw voor toekenning in aanmerking komen, alleen een gesp toegekend. Artikel 4 De toekenning van de herinneringsmedaille zowel als van een afzonderlijke gesp geschiedt door Onze Minister van Defensie. Artikel 5 De toekenning van de herinneringsmedaille dan wel van een gesp kan postuum geschieden. Artikel 6 1. De herinneringsmedaille is cirkelvormig met een middellijn van 35 mm.; zij is vervaardigd van gebrand zilver. De voorzijde van de medaille vertoont – op de verticale deellijn – een naar beneden gericht in de schede gestoken zwaard hetwelk is omkranst door een lauwertak. Links onder en rechts boven, iets over het zwaard reikend, twee naar elkaar gerichte rechterhanden in sterk reliëf uitgebeeld. Rechts onder zijn in kapitale letters aangebracht de woorden: DE HELPENDE HAND WERD GEBODEN. De kee"},{"i":12240,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 7 oktober 2025, nr. BZ2519842, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Besluit FemFocus) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 4.2, eerste lid, sub d, e en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.2), en [artikel 4.3, eerste lid, sub d, e en f, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.3) Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 4.2, eerste lid, sub d, e en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.2), en [artikel 4.3, eerste lid, sub d, e en f, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.3) voor activiteiten ten behoeve van capaciteitsversterking van, dienstverlening door en het voeren van dialoog door maatschappelijke organisaties in of voor lage- en middeninkomenslanden, op de thema’s (i) stimuleren van vrouwelijk ondernemerschap, (ii) tegengaan van geweld tegen vrouwen en steun aan vrouwenrechtenverdedigers en (iii) versterken van de positie van vrouwen in vrede- en veiligheidsprocessen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051628&artikel=1&z=2025-12-13&g=2025-12-13) genoemde tijdvak geldt een subsidieplafond van € 209.370.000, welke middelen als volgt zijn verdeeld over de volgende thema’s: - a). € 54.835.000 voor aanvragen gericht op het thema stimuleren van vrouwelijk ondernemerschap; - b). € 114.655.000 voor"},{"i":12693,"b":"Besluit van 12 november 2008, houdende de vaststelling van de beeldenaar van de nationale zijde van de Nederlandse twee-euromunt die in 2009 wordt uitgegeven ter gelegenheid van 10 jaar Economische en Monetaire Unie Op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 14 oktober 2008, FM 2008-2451 M, Generale Thesaurie, directie Financiële markten, afdeling Algemeen en Internationaal; Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stb. 2008/489. Artikel 1 1. De beeldenaar van de nationale zijde van de Nederlandse twee-euromunt die in 2009 wordt uitgegeven ter gelegenheid van 10 jaar Economische en Monetaire Unie is, overeenkomstig onderstaande afbeelding, in de buitenring de twaalf Europese sterren met onderin links het teken van de Muntmeester en rechts het teken van de Munt , in de kern in het midden een afbeelding van een primitieve munt met daarboven de tekst ‘NEDERLAND’ en er onder de tekst ‘EMU 1999–2009’. 2. Het randschrift van de twee-euromunt is ‘GOD * ZIJ * MET * ONS *’. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13872,"b":"Nummerplan voor pakket- en circuitgeschakelde datadiensten Wet op de telecommunicatie-voorzieningen Gelet op artikel 40d, eerste lid, onder a, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen; Gezien Aanbeveling X.121 International numbering plan for public data networks van de Telecommunication Standardization Sector van de International Telecommunication Union (ITU-T); Besluit: Artikel 1 1. Een nummer als bedoeld in dit besluit bestaat uitsluitend uit cijfers. 2. De lengte van een nummer bedraagt ten minste vier cijfers en ten hoogste veertien cijfers. Artikel 2 1. De in dit besluit bedoelde nummers die beschikbaar zijn voor toekenning of reservering beginnen uitsluitend met de cijfers 204 of 205. 2. Behoudens het gestelde in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008187&artikel=3&z=2004-05-19&g=2004-05-19) zijn er geen beperkingen in de beschikbaarheid voor toekenning of reservering van de nummers genoemd in het eerste lid. Artikel 3 1. Een nummer dat is toegekend of gereserveerd, kan niet nogmaals worden toegekend of gereserveerd. 2. Een nummer mag niet zijn opgebouwd uit een ander, korter, nummer gevolgd door één of meer cijfers. Artikel 4 Aan de toekenning of reservering van een nummer wordt het voorschrift verbonden dat de nummerhouder of de reserveringhouder het bij dit besluit bepaalde alsmede de geldende ITU-T aanbevelingen in acht neemt. Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 1996. Artikel 7 Dit besluit wordt aangehaald als: Nummerplan pakket- en circuitgeschakelde datadiensten. Dit besluit met de bijbehorende bijlage en toelichting wordt ter inzage gelegd bij de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Bijlage Ligt ter inzage bij de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11933,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 21 augustus 2015, doc.nr.:15117478, houdende benoeming en vergoeding van leden van de adviescommissie EFMZV Gelet op de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036758&artikel=2.8) en [3.1.8 van de Regeling Europese EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036758&artikel=3.1.8); Besluit: Artikel 1 Met ingang van 1 september 2015 worden voor een periode van drie jaar tot lid van de adviescommissie EFMZV benoemd: - a. de heer A.W. Bierens te Zierikzee, tevens voorzitter; - b. de heer dr. ir. C.D. de Gooijer te Wageningen; - c. de heer A.P. Ouwehand te Vijfhuizen; - d. de heer P. Roos te Den Haag; - e. de heer drs. P. Salz te Pijnacker; - f. de heer C. Taal te Den Haag; - g. de heer prof. dr. J.A.J. Verreth te Rhenen. Artikel 2 1. Aan de voorzitter wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor wordt jaarlijks vastgesteld en gepubliceerd in de Staatscourant. 2. Aan de leden wordt een vaste vergoeding per maand toegekend waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor wordt jaarlijks vastgesteld en gepubliceerd in de Staatscourant. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen en aan de adviescommissie EFMZV."},{"i":12615,"b":"Besluit van 17 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Helmand, Kandahar en Uruzgan» aan het Korps Mariniers Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016446, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Korps Mariniers wordt toegevoegd het opschrift «Helmand, Kandahar en Uruzgan» in verband met het uitvoeren van speciale en reguliere gevechtsoperaties van 2006 tot 2010 in Helmand, Kandahar en Uruzgan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12447,"b":"Besluit van 25 september 2025, houdende regels en nadere regels omtrent de kwaliteit, financiering en gegevensverwerking ten behoeve van kinderopvang in Caribisch Nederland (Besluit kinderopvang BES) [KetenID WGK013827] Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 mei 2025, nr. 2025-0000110181, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op de [artikelen 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=2.1), [2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=2.2), [2.3, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=2.3), [2.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=2.4), [2.6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=2.6), [2.10a, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=2.10a), [2.14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=2.14), [2.15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=2.15), [2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=2.17), [2.19, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=2.19), [3.2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=3.2), [3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=3.3), [3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=3.4), [3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=3.5), [3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=3.7), [3.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=3.11), [3.16, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=3.16), [4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=4.7), [5.11, tweede lid, van de Wet kinderopvang BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=5.11); De Afdeling advisering van"},{"i":13695,"b":"Intrekking delegatie bevoegdheden aan Novem Gelet op [artikel 3, vijfde lid, van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3), Besluit: Het besluit van de Minister van Economische Zaken van 8 januari 1998, nr. WJA/JZ 97081321, wordt ingetrokken, met dien verstande dat de in dat besluit genoemde bevoegdheden in stand blijven voor: - a. aanvragen om subsidie die voor de inwerkingtreding van dit besluit bij de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu B.V. zijn ingediend op grond van het Besluit subsidies energieprogramma's, het Besluit tenders industriële energiebesparing en de Subsidieregeling energiebesparings- en milieuadviezen 1998; - b. aanvragen om subsidie die na de inwerkingtreding van dit besluit bij de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu B.V. worden ingediend op grond van de Uitvoeringsregeling BSE 2000-III, bijlage I, onder A, subonderdelen A2, A5 en F2; - c. aanvragen om subsidie die na de inwerkingtreding van dit besluit bij de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu B.V. worden ingediend op grond van de Uitvoeringsregeling BSE 2001-I, bijlage I, onder A, onderdeel A; - d. bezwaarschriften tegen beschikkingen genomen op grond van de onder a, b en c bedoelde aanvragen."},{"i":13699,"b":"Besluit tot intrekking van diverse besluiten op het terrein van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat in verband met het feit dat zij hun betekenis hebben verloren Besluit: Artikel I. Intrekking besluiten Ingetrokken worden de volgende besluiten: - a. [Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 juni 1993, nr. RJW151858](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006021), tot aanwijzing positie, taak en bevoegdheid Deskundige beroepen Water (Stcrt. 127); - b. [Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 mei 1994, nr. DGSM/J30.808/94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006679), tot benoeming van de landelijke examencommissie, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het besluit van 15 april 1992, houdende regelen met betrekking tot de bevoegdheid tot het geven van verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de bevoegde personen te stellen eisen Stb. 234) (Stcrt. 103); - c. [Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 mei 1994, nr. DGSM/J30.809/94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006678), houdende benoeming van de regionale examencommissie voor de Gemeentelijke Dienst Stadsbeheer Gemeente ’s-Gravenhage, belast met het afnemen van de examens voor de regionale kwalificatie Scheveningen, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het besluit van 15 april 1992, houdende regelen met betrekking tot de bevoegdheid tot het geven van verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de bevoegde personen te stellen eisen (Stb. 234) (Stcrt. 103); - d. [Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 mei 1994, nr. DGSM/J30.810/94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006680), houdende benoeming van de regionale examencommissie voor de Nautische Sector van het Gemeentelijk Havenbedrijf Amsterdam, belast met het afnemen van de examens voor de regionale kwalificatie: regio Amsterdam/Noordzeekanaalgebied, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het besluit van 15 april 1992, ho"},{"i":14402,"b":"Regeling klachtbehandeling Commissariaat voor de Media 2018 In aanvulling op [hoofdstuk 9, titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=9.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **beklaagde:** de persoon op wiens gedraging de klacht betrekking heeft; - b. **College:** de voorzitter en de leden van het Commissariaat voor de Media, als bedoeld in [artikel 7.3 lid 1 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.3); - c. **klacht:** een melding die betrekking heeft op een gedraging jegens de klager en voldoet aan de vereisten van [artikel 9:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:4); - d. **klachtenfunctionaris:** de algemeen directeur van het Commissariaat voor de Media; - e. **medewerker:** de persoon die ten tijde van de omstreden gedraging werkzaam is bij het Commissariaat voor de Media. Artikel 2. Doel Het doel van de regeling is het geven van een interne procedure voor de behandeling van klachten ter uitwerking van de klachtregeling opgenomen in [hoofdstuk 9, titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=9.1). Artikel 3. Reikwijdte Deze regeling is uitsluitend van toepassing op de behandeling van schriftelijke klachten als bedoeld in [artikel 9:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:4). Artikel 4. Ontvangstbevestiging De ontvangst van het klaagschrift wordt uiterlijk twee weken na ontvangst schriftelijk bevestigd, tenzij de klacht binnen die termijn is afgehandeld. Bij de ontvangstbevestiging wordt een exemplaar van deze regeling gevoegd. Artikel 5. Klachtbehandeling 1. Een klacht wordt behandeld door de klachtenfunctionaris, die de behandeling van klachten over medewerkers kan overdragen aan een andere medewerker. 2. In afwijking van het eerste lid wordt ee"},{"i":14403,"b":"Regeling van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit van 25 juni 2024, kenmerk 01.320.502, voor de behandeling van klaagschriften (Regeling klachtbehandeling door de Kansspelautoriteit) Gelet op [titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=9.1), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **beklaagde:** degene over wie de klacht gaat; - b. **bestuurslid:** lid van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit; - c. **klacht:** een uiting van ongenoegen over een gedraging, handeling of nalaten door (een medewerker van) de Kansspelautoriteit, die voldoet aan de eisen van [artikel 9:4, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:4); - d. **klachtenfunctionaris:** een als zodanig aangewezen medewerker van de afdeling Juridische Zaken en Vergunningen; - e. **medewerker:** een persoon die in dienst is bij de Kansspelautoriteit of werkzaamheden verricht onder verantwoordelijkheid of ten behoeve van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit. Artikel 2 De ontvangst van de klacht wordt uiterlijk binnen twee weken na ontvangst schriftelijk of elektronisch bevestigd, tenzij de klacht binnen die termijn is afgehandeld. Bij de ontvangstbevestiging wordt een exemplaar van deze regeling gevoegd. Artikel 3 Als de klacht niet voldoet aan de eisen uit [artikel 9:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:4), krijgt de klager twee weken de tijd om dit te herstellen. Artikel 4 1. Een klacht wordt behandeld door de klachtenfunctionaris. 2. In afwijking van het eerste lid wordt een klacht tegen: - a. het hoofd van de afdeling Juridische Zaken en Vergunningen, behandeld door de voorzitter van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit; - b. een medewerker van de afdeling Juridische Zaken en Vergunningen, behandeld door een medewerker van een andere afdeling; - c. een bestuurslid behandeld"},{"i":13694,"b":"Interne klokkenluidersregeling MIVD Gelet op [hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) en [paragraaf 7.2.4. van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&sub-paragraaf=7.2.4); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **MIVD:** de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - b. **AIVD:** de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - c. **afdeling klachtbehandeling:** afdeling klachtbehandeling van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten; - d. **CTIVD:** Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten; - e. **directeur:** de directeur van de MIVD; - f. **gezamenlijke teams:** teams die onder de gedeelde verantwoordelijkheid van de MIVD en AIVD vallen, ten behoeve van de uitvoering van een gezamenlijke taak; binnen deze teams zijn zowel MIVD- als AIVD-medewerkers werkzaam; - g. **leidinggevende:** de MIVD-medewerker die de hoogste zeggenschap uitoefent binnen een team of afdeling; - h. **interne commissie misstandenbehandeling:** een commissie bestaande uit één of twee juristen van de Afdeling Juridische Zaken, een beleidsondersteunend medewerker en een ondersteunend medewerker; zij dragen zorg voor de inhoudelijke behandeling van een melding; - i. **minister:** de Minister van Defensie; - j. **misstandencoördinator:** een door de directeur van de MIVD aan te wijzen medewerker van de MIVD, welke is belast met de coördinatie van de misstandenbehandeling; - k. **misstanden coördinatiepunt MIVD:** centraal punt binnen de MIVD, onder leiding van de misstandencoördinator, waar misstanden binnenkomen; het misstanden coördinatiepunt is telefonisch, per e-mail en per post te bereiken aangaande misstanden; - l. **melder:** eenieder die betrokken is of is geweest bij de uitvoering van de [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.n"},{"i":13700,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juni 2005, nr. VGP/P&L 2583567, houdende intrekking gelijkstelling buitenlandse certificaten Gelet op [artikel II van de wet van 1 november 2001 tot wijziging van de Warenwet met het oog op de incorporatie van productveiligheidsvoorschriften uit de Wet op de gevaarlijke werktuigen, zulks onder intrekking van deze wet en de Stoomwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012951&artikel=II) (Stb. 557); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling gelijkstelling Duitse certificaten speeltoestellen. Artikel II De certificaten, welke op grond van [artikel 1 van de regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 juni 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008728) (GZB/C&O/973110) vóór de inwerkingtreding van deze regeling door de instellingen, bedoeld in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018446&artikel=I&z=2005-06-26&g=2005-06-26), zijn afgegeven, blijven geldig voor de duur waarvoor zij zijn afgegeven. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12165,"b":"Besluit van 7 januari 2013, nr. 13.000001, houdende departementale herindeling met betrekking tot dierproeven Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 21 december 2012, kenmerk 3118786; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van dierproeven, voor zover deze voor 1 januari 2013 was opgedragen aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 De taken van het ministerie van Economische Zaken en van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032759&artikel=1&z=2013-01-19&g=2013-01-19) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032759&artikel=2&z=2013-01-19&g=2013-01-19) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":15535,"b":"Wet van 25 november 2015 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2016) Artikel I. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IV. [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel V. [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) Wijzigt de Arbeidstijdenwet. Artikel VI. [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel VIa. [Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304) Wijzigt de Cessantiawet BES. Artikel VII. [Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754) Wijzigt de Kaderwet SZW-subsidies. Artikel VIII. [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel IX. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel X. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel Xa. [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel XI. [Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387) Wijzigt de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES. Artikel XII. [Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616) Wijzigt de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Artikel XIII. [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":11873,"b":"Beperkende bepalingen t.a.v. openbaarheid archiefbescheiden Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van het archief van Stamboekgegevens KNIL-militairen met Japanse Interneringskaarten afkomstig van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP) 1942-1996, de volgende beperking gesteld: - 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen Rijksarchief gehanteerde Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. - 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op hemzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie een dossier betrekking heeft toestemming geeft voor inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, overeenkomstig het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waa"},{"i":11856,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 oktober 2019, nr. 2019-0000473424, houdende vaststelling van beleidsregels inzake de toepassing van de Wet normering topinkomens met ingang van 1 januari 2020 (Beleidsregels WNT 2020) Gelet op [artikel 1.10 van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.10); Besluit: Artikel I De als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels zijn voor het jaar 2020 van toepassing op de uitvoering van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop berustende bepalingen, daaronder begrepen de uitvoering en handhaving door of namens de ministers van die wet en de daartoe door hen aangewezen ambtenaren. Artikel II Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels WNT 2020. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Bijlage. bij [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042784&artikel=I&z=2020-01-01&g=2020-01-01) van de Beleidsregels WNT 2020 **Beleidsregels WNT 2020** § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) wordt in deze beleidsregels aangehaald als “de wet” en afgekort als “WNT”. Artikel 2. Toepassingsgebied Deze beleidsregels zijn met ingang van 1 januari 2020 van toepassing op de uitvoering van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop berustende bepalingen, daaronder begrepen de uitvoering en handhaving door of namens de ministers en bij de uitoefening van toezicht op de naleving van de wet en de daarop berustende bepalingen door de daartoe door hen aangewezen ambtenaren. § 2. Reikwijdte van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) Artikel 3. Overheidsverenigingen of -stichtingen Van een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1.3, eerste lid, onderdeel b, van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.3) is onder meer sprake,"},{"i":11799,"b":"Beleidsregel tenaamstellingsloket snelle motorboten Gelet op [artikel 8.01, eerste lid, Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=8.01) en de [Regeling registratie snelle motorboten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008666), alsmede [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 De begripsbepalingen van het [Binnenvaartpolitiereglement](onbekend) zijn onverkort van toepassing. Voorts wordt verstaan onder: - **aanvrager:** de natuurlijk- of rechtspersoon die een verzoek indient voor de tenaamstelling van een snelle motorboot. - **toestemminghouder:** degene aan wie toestemming is verleend als bedoeld in deze beleidsregel. - **verzoeker:** de rechtspersoon die in het kader van deze beleidsregel toestemming vraagt zoals bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040998&artikel=2&z=2018-06-10&g=2018-06-10). Artikel 2 1. De Dienst Wegverkeer kan aan een rechtspersoon toestemming verlenen om, tegen betaling namens de aanvrager van een door deze dienst vast te stellen tarief, snelle motorboten te naam te stellen in het door deze dienst gehouden register. 2. De toestemming wordt door de Dienst Wegverkeer op aanvraag verleend indien voldaan wordt aan de eisen zoals genoemd in [artikel 3 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040998&artikel=3&z=2018-06-10&g=2018-06-10). 3. De verzoeker dient de regels zoals opgenomen in de Beleidsregel Tenaamstelling Snelle Motorboten ten aanzien van de wijze van uitvoering van de aanvraag tot tenaamstelling in acht te nemen. 4. De toestemming houdt tevens in om namens de aanvrager de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijzigingen ten aanzien van de registratie in ontvangst te nemen. 5. De toestemming wordt schriftelijk verleend door de Dienst Wegverkeer. Artikel 3 1. Met het toezicht op de naleving van de uit de toestemming voortvloeiende verplichting"},{"i":11800,"b":"Beleidsregel van de Bewaarders van het kadaster en de openbare registers van 10 december 2014, nr. 14.031511, ter uitvoering van artikel 13a van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994 Overwegende: dat [artikel 13a Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006596&artikel=13a) bepaalt dat indien in een in te schrijven stuk de kadastrale aanduiding moet worden vermeld van een onroerende zaak, die bestaat uit één of meer gedeelten van een kadastraal perceel, zulks geschiedt door, naast vermelding van de kadastrale aanduiding, een tekening naar genoegen van de bewaarder mee in te schrijven waarop de ligging van de betreffende gedeelten is weergegeven op de kadastrale kaart; dat in de toelichting op het besluit van 23 september 2014, houdende wijziging van het [Kadasterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005259) in verband met perceelsvorming met voorlopige grenzen, alsmede in de toelichting op [artikel 13a Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006596&artikel=13a), is opgenomen dat indien een aanbieder van een stuk mocht verzuimen een schets of tekening mee in te schrijven, de bewaarder de inschrijving van het stuk zal weigeren; dat blijkens de toelichting op voormeld [Kadasterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005259) het toepassingsgebied van deze bevoegdheid beperkt is tot die gevallen waarin nieuwe kadastrale percelen worden gevormd; het toepassingsgebied van deze bevoegdheid strekt zich aldus niet uit tot de gevallen als bedoeld in [artikel 6 lid 3 van het Kadasterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005259&artikel=6); dat het daarom wenselijk is vooraf aan te geven aan welke voorwaarden een tekening dient te voldoen. Besluiten: dat de tekening dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:"},{"i":12152,"b":"Besluit houdende departementale herindeling met betrekking tot buitenlandse handel Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 5 november 2012, kenmerk 3117028; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Buitenlandse Zaken wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van buitenlandse handel, voor zover deze voor 5 november 2012 was opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Artikel 2 De taken van het ministerie van Economische Zaken en van het ministerie van Buitenlandse Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032185&artikel=1&z=2012-11-09&g=2012-11-09) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032185&artikel=2&z=2012-11-09&g=2012-11-09) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 november 2012. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":13701,"b":"Intrekkingsregeling BZK 2004 Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, voor zover het betreft [artikel IX, onderdeel dd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017790&artikel=IX&z=2005-02-01&g=2005-02-01); Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën, voor zover het betreft [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017790&artikel=II&z=2005-02-01&g=2005-02-01); Handelende in overeenstemming met de Minister van Justitie, voor zover het betreft [artikel IX, onderdeel g, k en w](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017790&artikel=IX&z=2005-02-01&g=2005-02-01); Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor zover het betreft [artikel IX, o, p en q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017790&artikel=IX&z=2005-02-01&g=2005-02-01); Gelet op de artikelen die de bevoegdheid bieden om regelingen vast te stellen, te wijzigen of in te trekken in de [Wet vergoedingen leden Eerste Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402), de [Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939), de [Wet subsidiëring politieke partijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010465), de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645), de [Wet van 6 november 1997 tot wijziging van de Financiële-verhoudingswet en enkele andere wetten en regels inzake de invoering van deze wijziging in verband met een herziening van het verdeelstelsel voor het Provinciefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008995), de [Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291), de [Financiële-Verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290), het [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630), de [Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791), de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten"},{"i":13487,"b":"Besluit van de Minister van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 5 januari 2021, (nr. 2020-00000251307), houdende instelling van de Commissie Europese economie Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **De ministers:** de Minister van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken tezamen; - **De commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044702&artikel=2&z=2021-01-14&g=2021-01-14). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een commissie Europese economie. 2. De commissie heeft tot taak het verkennen en formuleren van opties voor een kabinetsinzet ten aanzien van de uitvoering van het Europees-financieel economisch beleid om de Europese economie als geheel stabieler, weerbaarder en veerkrachtiger te maken. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zes andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de ministers benoemd. Artikel 4. Leden 1. Voor de duur van de commissie worden tot lid van de commissie benoemd: - a. Prof. dr. R.M.W.J. Beetsma, tevens voorzitter; - b. Prof. dr. L.H. Hoogduin; - c. Prof. dr. C.E. de Vries; - d. Mr. drs. J.C. van Baalen; - e. Prof. dr. B.E. Baarsma; - f. Prof. dr. J.J. Graafland; - g. Drs G. J. Salden. Artikel 5. Instelling commissie 1. De commissie wordt ingesteld met ingang van de dag van inwerkingtreding van dit besluit. 2. De commissie wordt na het opleveren van het eindrapport opgeheven. Artikel 6. Secretariaat 1. De ministers voorzien in een secretariaat dat de commissie ondersteunt. De medewerkers van het secretariaat zijn geen lid van de commissie. 2. Het secretariaat is voor de"},{"i":13861,"b":"Nadere voorschriften NOCLAR Gelet op [artikel 24 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635&artikel=24); Overwegende dat accountants moeten reageren als ze een professionele dienst uitvoeren voor de eigen organisatie of voor de cliënt en zich bewust worden van informatie die erop wijst dat bij die eigen organisatie of bij die cliënt wet- en regelgeving niet wordt nageleefd, mogelijk niet wordt nageleefd of dreigt niet te worden nageleefd; Overwegende dat de fundamentele beginselen uit de [Verordening gedrags- en beroepsregels accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635) nadere invulling behoeven, zodat duidelijk is wat in deze situatie van accountants wordt verwacht; Gehoord de leden; Stelt de volgende nadere voorschriften vast: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze nadere voorschriften wordt verstaan onder: - −. **aanzienlijke schade:** ernstige nadelige gevolgen voor de eigen organisatie of voor de cliënt, de daarbij werkzame of daaraan verbonden personen, beleggers, schuldeisers, andere belanghebbenden of voor de maatschappij; - −. **accountant van een groepsonderdeel:** accountant van een groepsonderdeel als bedoeld in [paragraaf 14, onderdeel c, van Standaard 600 van de NV COS](onbekend); - −. **bevoegde instantie:** autoriteit die bij of krachtens wet is aangewezen om een relevante niet-naleving te onderzoeken; - −. **cliënt:** externe opdrachtgever van een professionele dienst waarbij geen gezagsverhouding bestaat tussen de accountant en de opdrachtgever; - −. **controleopdracht:** opdracht tot controle van financiële overzichten; - −. **eigen organisatie:** organisatie waarbij een accountant werkzaam is of waaraan hij is verbonden; - −. **eindverantwoordelijke accountant:** eindverantwoordelijke accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Nadere voorschriften kwaliteitssystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038869&artikel=1); - −. **groepsaccountant:** gr"},{"i":11812,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu houdende voorschriften ter uitvoering van Verordening (EG) 1178/2011, bijlage I (deel FCL), artikel FCL.945, met betrekking tot verplichtingen voor instructeurs (Beleidsregel uitvoering artikel FCL.945) Gelet op artikel FCL.945 van Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig [Verordening (EG) nr. 216/2008](32008R0216) van het Europees Parlement en de Raad, bijlage I (deel FCL), subdeel J, artikel FCL.945, en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **artikel FCL.945:** artikel FCL.945 van bijlage I (deel FCL), van verordening (EU) nr. 1178/2011; - **bevoegde autoriteit:** bevoegde autoriteit als bedoeld in [Verordening (EG) nr. 216/2008](32008R0216) van het Europees parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van [Richtlijn 91/670/EEG](31991L0670), [Verordening (EG) nr. 1592/2002](32002R1592) en [Richtlijn 2004/36/EG](32004L0036) (PbEU L 79) en nadien gewijzigd, en de verordeningen die zijn vastgesteld krachtens voornoemde Verordening, tenzij deze taken bij of krachtens wettelijk voorschrift elders zijn belegd; - **verordening (EU) nr. 1178/2011:** verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en nadien gewijzigd. Artikel 2 1. De specifieke machtiging, bedoeld in artikel FCL.945, inzak"},{"i":13206,"b":"Deelregeling Kunstpodia 2025–2028 Gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **het fonds:** het Mondriaan Fonds; - b. **het bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds; - c. **kunstpodium:** een organisatie met rechtspersoonlijkheid gevestigd in Nederland, die een publiekstoegankelijk podium biedt voor de presentatie van vernieuwend of experimenteel aanbod van hedendaagse beeldende kunst, die niet overwegend gericht is op het beheer van een collectie, die de programmering laat plaatsvinden in een fysieke ruimte en tot primair doel heeft hedendaagse beeldende kunst te presenteren zonder verkoopdoel en waarbij winst niet het primair oogmerk is; - d. **programma:** een serie van inhoudelijk samenhangende activiteiten gericht op presentatie, experiment, opinie en debat, zoals tentoonstellingen, discussiebijeenkomsten en lezingen; - e. **beeldend kunstenaar:** degene die op professionele wijze werk maakt binnen het kader van de beeldende kunsten; - f. **beeldende kunst:** hedendaagse en actuele vormen van verbeelding die door beeldend kunstenaars worden vervaardigd binnen één of meer van de volgende terreinen: - •. teken-, schilder- en grafische kunsten, - •. beeldhouwkunst, (sociale) sculptuur en installatiekunst, - •. conceptuele kunst, performancekunst, artistiek onderzoek, - •. niet-traditionele vormen van beeldende kunst, - •. fotografie, - •. audiovisuele, digitale, geluids- en (nieuwe) mediakunst, - •. beeldende kunsttoepassingen, - •. kunst in de openbare ruimte; - g. **aanvrager:** een kunstpodium dat een aanvraag doet; - h. **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten inclusief de bijzondere gemeentes Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - i. **bevoegd adviesorgaan:** een onder welke benaming dan ook door het best"},{"i":14246,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 juni 2014, nr. MBO/634809, houdende vaststelling onderdelen centraal examen en instellingsexamen van het generieke examenonderdeel Nederlandse taal beroepsopleidingen WEB (Regeling examinering Nederlandse taal beroepsopleidingen WEB) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken, Gelet op [artikel 7.4.3a, tweede lid, tweede volzin, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.3a), en [artikel 3, vijfde lid, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Het generieke examenonderdeel Nederlandse taal Het generieke examenonderdeel Nederlandse taal, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=3), van de basisberoepsopleiding, de vakopleiding, de middenkaderopleiding en de specialistenopleiding bestaat uit de volgende vier onderdelen, overeenkomstig [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027879&artikel=2) en [bijlage 1 van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027879&bijlage=1): - a. mondelinge taalvaardigheid met de volgende drie subonderdelen: - 1°. gesprekken, - 2°. luisteren, en - 3°. spreken; - b. lezen van zakelijke teksten; - c. schrijven; en - d. begrippenlijst en taalverzorging. Artikel 2. Verdeling centraal examen en instellingsexamen 1. Het subonderdeel luisteren, bedoeld in [artikel 1, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035256&artikel=1&z=2014-08-01&g=2014-08-01), en het onderdeel lezen van zakelijke teksten, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, worden centraal geëxamineerd. 2. De overige onderdelen en subonderdelen, bedoeld in [artikel 1,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035256&artikel=1&z=2014-08-01&g="},{"i":14256,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende nadere regels ten aanzien van het fietsenregister (Regeling fietsenregister) Gelet op [artikel 70k van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=70k); Besluit: Artikel 1. Inhoud van het register Het fietsenregister, bedoeld in [artikel 70k van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=70k), bevat de volgende gegevens, voor zover deze bij de Dienst Wegverkeer bekend zijn: - a. framenummer van de fiets; - b. indien een chip aanwezig is: het chipnummer; - c. merknaam van de fiets; - d. model- en typeaanduiding van de fiets; - e. kleur en bouwjaar van de fiets; - f. het gegeven dat de fiets bij de politie als gestolen of vermist is opgegeven; - g. naam en adres van de aangever van de diefstal of vermissing; - h. de datum van diefstal of vermissing; - i. registratiedatum en plaats van aangifte van de diefstal of vermissing, en - j. het proces-verbaalnummer van aangifte van diefstal of vermissing. Artikel 2. Verstrekking van gegevens 1. Uit het fietsenregister worden op door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze gegevens verstrekt aan de politie binnen Nederland, ten behoeve van de opsporing van gestolen en vermiste fietsen alsmede het traceren van de eigenaar van de fiets. 2. Het gegeven dat een fiets als gestolen staat geregistreerd kan onder opgave van het merk en het framenummer, dan wel onder opgave van het chipnummer op door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze aan een ieder worden verstrekt. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2008. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling fietsenregister. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14259,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 augustus 2021, kenmerk 3242401-1014062-PZO, houdende nadere regels voor het aantrekken van financiële derivaten door zorgaanbieders (Regeling financiële derivaten WMG) Gelet op [artikel 40a, derde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel II, onderdeel C, van de Aanpassingswet Wet toetreding zorgaanbieders in werking treedt. Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **financiële onderneming:** als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); - –. **financieringsbehoefte:** lening, groep leningen of nog aan te trekken lening respectievelijk groep leningen; - –. **forward starting swap:** renteswap met een overeengekomen toekomstige begindatum; - –. **interne toezichthouder:** interne toezichthouder als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=3); - –. **lidstaat:** staat die lid is van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; - –. **margin call:** het storten van een zekerheid om een uitstaande positie af te dekken; - –. **payer swap:** renteswap van de partij die een vaste rente betaalt en een variabele rente ontvangt; - –. **rating:** taxatie van de kredietwaardigheid van een financiële onderneming; - –. **ratingbureau:** bureau dat een rating verstrekt; - –. **rentecap:** financieel derivaat tussen twee partijen bij of inzake een financiering, waarbij de koper tegen betaling van een geldsom gedurende een overeengekomen periode de garantie van een ten hoogste te betalen rentetarief verkrijgt; - –. **renteswap:** financieel derivaat tussen twee partijen om gedurende een bij dat derivaat overeengekomen peri"},{"i":13204,"b":"Deelregeling Kunstenaar Start Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het stimuleren van de artistieke ontwikkeling en het cultureel ondernemerschap van startende, veelbelovende beeldend kunstenaars, zodat werk ontstaat dat een betekenisvolle bijdrage kan gaan leveren aan de hedendaagse beeldende kunst in Nederland. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een Startbijdrage kan worden verstrekt aan startende beeldend kunstenaars, die minimaal één tot maximaal vier jaar als professioneel beeldend kunstenaar werkzaam zijn. Daarbij geldt: - •. Indien de kunstenaar een hbo-bacheloropleiding met een beeldende kunstcurriculum heeft afgerond wordt de diplomadatum beschouwd als start van de professionele beroepspraktijk. Wanneer er een periode tussen de diplomadatum van de hbo-bacheloropleiding met beeldende kunstcurriculum en de start van de masteropleiding zit, wordt deze periode meegerekend als onderdeel van de professionele beroepspraktijk. - •. Indien de kunstenaar geen hbo-bacheloropleiding met een beeldende kunstcurriculum heeft afgerond wordt het moment waarop de kunstenaar voor het eerst werk presenteert binnen het circuit van de professionele beeldende kunst beschouwd als de start van de professionele beroepspraktijk. 2. Indien de aanvrager van een Startbijdrage in de vier jaar na het verlaten van een bachelor opleiding aan een hbo-instituut of in de vier jaar na de eerste presentatie binnen het circuit van de professionele beeldende kunst een master opleiding heeft gevolgd, wordt de in het eerste lid van dit artikel genoemde periode van vier jaar vermeerderd met het aantal maanden dat deze opleiding aan de tweede fase/master heeft geduurd. 3. Het in het tweede lid van dit artikel gestelde geldt niet voor die instellingen waarvoor een projectinvestering kan worden aangevraagd die door het Mondriaan Fonds verstrekt kan worden. 4. Een Startbijdrage kan slechts"},{"i":14226,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 juli 2007, nr. WJZ 7081713, houdende regels inzake een erkenning als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Metrologiewet (Regeling erkende keurders) Gelet op de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=11), en [21, tweede lid, van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=21); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517); - b. keuring: conformiteitsbeoordeling van in gebruik genomen meetinstrumenten als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=14); - c. erkenning: erkenning als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=11); - d. erkende keurder: natuurlijke persoon of rechtspersoon, aan wie een erkenning is verleend; - e. aanvrager: degene die bij een aangewezen instantie een erkenning aanvraagt; - f. kwaliteitssysteem: voor het doel geschikt geheel van mensen, middelen, alsmede handelingen en voorzorgen, noodzakelijk voor het goed uitoefenen van de werkzaamheden van een erkende keurder. Artikel 2 1. De aanvrager is in staat keuringen uit te voeren van het meetinstrument waarvoor de erkenning wordt gevraagd en beschikt daartoe over een kwaliteitssysteem. 2. Het kwaliteitssysteem bevat ten minste een duidelijke beschrijving van: - a. de kwaliteitsdoelstellingen, de organisatie van de onderneming van de aanvrager en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het personeel met betrekking tot de keuring; - b. de uit te voeren onderzoeken en proeven om na te gaan of het meetinstrument in overeenstemming is met de desbetreffende eisen die op grond van [artikel 11 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=11) zijn gesteld;"},{"i":14281,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 26 februari 2015, nr. WJZ/15030714, houdende regels inzake het gebruik van frequentieruimte zonder vergunning met meldingsplicht en wijziging van de Examenregeling frequentiegebruik 2008 (Regeling gebruik van frequentieruimte met meldingsplicht 2015) Gelet op [artikel 3.9 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.9), alsmede de [artikelen 3 tot en met 5, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **AIS (Automatic Identification System):** automatisch identificatiesysteem gebaseerd op transponder technologie; - b. **ATIS (Automatic Transmitter Identification System):** systeem dat automatisch de door Onze Minister toegewezen combinatie van letters of cijfers voor de identificatie van een schip of radioapparaat, als bedoeld in de Regionale Regeling, uitzendt; - c. **besluit:** [Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895); - d. **binnenvaart:** scheepvaart op de binnenwateren; - e. **combi-marifoon:** radioapparaat bestemd voor communicatie op de binnenwateren en op zee; - f. **EPIRB (Emergency Position Indicating Radio Beacon):** radioapparaat bestemd voor noodalarmering in de 406 MHz frequentieband en voor het lokaliseren van het baken op de frequentie 121,5 MHz; - h. **frequentiegebruik met een primaire status:** gebruik van frequentieruimte voor de uitoefening van een radiodienst die ingevolge het frequentieplan een primaire status heeft; - i. **frequentiegebruik met een secundaire status:** gebruik van frequentieruimte voor de uitoefening van een radiodienst die ingevolge het frequentieplan een secundaire status heeft; - j. **frequentieplan:** plan als bedoeld in [artikel 3.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.1); - k. **klasse van uitzending:** klasse van uitzending als bedoeld in bijlage 1 van de"},{"i":14270,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 21 augustus 1997, nr. WDB97/348M, houdende voorwaarden voor het berekenen van het belastbare bedrag in een andere geldeenheid dan de gulden Gelet op [artikel 7, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=7); Besluit: Artikel 1 Deze regeling verstaat onder: Artikel 2 1. Op verzoek van de belastingplichtige wordt het belastbare bedrag berekend in een andere geldeenheid dan de euro indien de belastingplichtige de jaarrekening over het jaar dat aanvangt met het overgangstijdstip op de voet van [artikel 362, zevende lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=362) in die andere geldeenheid opstelt. Indien artikel 362, zevende lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek niet op de belastingplichtige van toepassing is, is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing indien de belastingplichtige de jaarrekening opstelt in een andere geldeenheid en dit wordt gerechtvaardigd door de werkzaamheid van de belastingplichtige of de internationale vertakking van zijn groep. 2. Bij inwilliging van het verzoek geldt zulks met ingang van het jaar volgend op het jaar waarin het verzoek is gedaan en tot wederopzegging door de belastingplichtige, met dien verstande dat bij inwilliging van een verzoek dat wordt gedaan in het jaar waarin de belastingplicht een aanvang neemt, zulks geldt met ingang van het tijdstip waarop de belastingplicht een aanvang neemt. 3. Wederopzegging is eerst mogelijk met ingang van het jaar volgend op het jaar waarin het verzoek tot wederopzegging wordt gedaan, doch niet eerder dan met ingang van het jaar volgend op het tiende jaar na het overgangstijdstip. Indien het verzoek betrekking heeft op een fiscale eenheid als bedoeld in [artikel 15 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) is wederopzegging door de belastingplichtige die als dochtermaatschappij op"},{"i":14269,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 juni 2012, nr. CZW/S&B, 2012-0000298491, houdende nadere voorschriften met betrekking tot de functionele indeling van de begroting en jaarrekening BES (Regeling functionele indeling BES) Gelet op [artikel 16, tweede lid, van het Besluit begroting en verantwoording openbare lichamen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030060&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Het overzicht van de baten en lasten, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van het Besluit begroting en verantwoording openbare lichamen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030060&artikel=16), wordt ingedeeld volgens de functionele indeling overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2012, met dien verstande dat de functionele indeling van de begroting met ingang van het begrotingsjaar 2013 voldoet aan deze regeling. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling functionele indeling BES. Bijlage. behorende bij de Regeling functionele indeling BES **Hoofdfunctie 0. Bestuur en burgerzaken** 001 Bestuur 002 Overhead 003 Burgerzaken en verkiezingen 004 Digitalisering en basisregister 020 Beheer overige gebouwen en gronden **Hoofdfunctie 1. Veiligheid** 130 Rampenbestrijding en crisisbeheersing 140 Openbare orde en veiligheid **Hoofdfunctie 2. Infrastructuur en mobiliteit** 210 Wegen, straten en pleinen 211 Verkeersveiligheid en rijvaardigheid 220 Zeehavens 230 Luchthavens 240 Regenwaterafvoer 250 Openbaar vervoer **Hoofdfunctie 3. Economie** 300 Economische ontwikkeling 301 Economische promotie (toerisme) 302 Toezicht en handhaving economisch domein 320 Nutsvoorzieningen 341 Agrarische aangelegenheden en visserij 342 Toezichtstaken levende dieren en slacht **Hoofdfunctie 4. Onderwijs** 400 Onderwijs algemeen 440 Leerlingenvervoer 450 Preventie voortijdig schoolverlaten 480 Onderwijshuisvesting **Hoofdfunctie 5. Cultuur en sport** 510 Bibliot"},{"i":12040,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 30 augustus 2021, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Finland, Ambassade Helsinki, (Besluit Beperking Openbaarheid Helsinki, (1973) 1975–2013) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 14 juni 2021, referentie 28128233; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 86 | 2070 | | 87 | 2070 | | 102 | 2066 | | 109 | 2070 | | 131 | 2070 | | 170 | 2062 | | 172 | 2062 | | 175 | 2062 | | 176 | 2063 | | 177 | 2063 | | 240 | 2080 | | 254 | 2079 | | 279 | 2074 | | 304 | 2086 | | 323 | 2088 | | 355 | 2088 | | 371 | 2064 | | 375 | 2059 | | 378 | 2064 | | 379 | 2062 | | 380 | 2061 | | 384 | 2084 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 3 | 2022 | | 151 | 2047 | | 262 | 2053 | | 312 | 2062 | | 318 | 2080 | | 332 | 2036 | | 346 | 2061 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045594&artikel=1&z=2024-01-19&g=2024-01-19) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafga"},{"i":13280,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, kenmerk ACM/DE/2016/202154, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 (Gebiedsindelingscode elektriciteit) Gelet op [artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=36); Besluit: 1. Algemene bepalingen 1.1. Werkingssfeer en definities 1.1.1 Deze code bevat de gebiedsindeling van de netbeheerders, zoals bedoeld in [artikel 31, eerste lid, onderdeel d, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=31). 1.1.2 Uiterlijk op 1 juli van elk oneven jaar dienen de gezamenlijke netbeheerders, uitgaande van de situatie op 31 december van voorgaand jaar, een voorstel tot actualisering van de gebiedsindeling in bij de Autoriteit Consument en Markt. 1.1.3 Vervallen 2. Het landelijk hoogspanningsnet 2.1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet 2.1.1 Het landelijk hoogspanningsnet wordt beheerd door: TenneT TSO B.V., gevestigd te Arnhem, met dien verstande dat voor de met CBL belaste 150 kV netten geldt dat het beheer geschiedt voor zover dat en op een wijze die in overeenstemming is met de rechten van derden die voortvloeien uit een overeenkomst met betrekking tot dat net ex [artikel VIA van de wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020608&artikel=VIa). 2.2. De gebiedsaanduiding van het landelijk hoogspanningsnet 2.2.1 Het gebied van de in [2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037943&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&z=2017-11-16&g=2017-11-16) genoemde netbeheerder kan worden aangeduid met de in onderstaande tabel genoemde grenzen: | Netbeheerder | Spannings-niveau(s) [kV] | Netlengte per spannings-niveau [km] | Gebiedsomschrijving | | --- | --- | --- | --- | | TenneT | 110 150 220 380 | 2290 4185 703 2208 |"},{"i":13543,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 12 mei 2021, 2021-0000094671, directie Financiële Markten, tot instelling van de Evaluatiecommissie Conservatrix (Instellingsbesluit Evaluatiecommissie Conservatrix) Handelende in overeenstemming met de Raad van Commissarissen van De Nederlandsche Bank N.V.; Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **commissie:** de commissie, bedoeld in artikel 2; - **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - **Minister:** de Minister van Financiën; - **RvC DNB:** de Raad van Commissarissen van DNB. Artikel 2. Instelling en taak van de commissie 1. Er is een onafhankelijke Evaluatiecommissie Conservatrix. 2. De commissie heeft tot taak onderzoek te doen naar de handelwijze van DNB en het Ministerie van Financiën ten aanzien van de Nederlandsche Algemeene Maatschappij van Levensverzekering ‘Conservatrix’ N.V. bij de overdracht aan Trier Holding B.V. en in de periode daarna tot aan het faillissement alsmede naar de toereikendheid van het betreffende wettelijke kader. 3. De commissie richt het onderzoek naar eigen inzicht in. Artikel 3. Samenstelling en ondersteuning 1. De commissie bestaat uit twee leden. Als leden worden benoemd: - –. mevrouw mr. P.F.M. van der Meer Mohr; - –. de heer R. Konterman. 2. De commissie wordt ondersteund door een externe secretaris. 3. De commissie kan zich voorts laten ondersteunen door personen en instanties die zij nodig acht. Artikel 4. Vergoedingen 1. De leden van de commissie ontvangen voor de duur van het onderzoek een vaste vergoeding, gebaseerd op salarisschaal 18, trede 10, van paragraaf 6.3 van de laatst afgesloten CAO Rijk en een arbeidsduurfactor van 40%. 2. De kosten voor de externe secretaris en overige kosten van de commissie worden op basis van een vooraf goedgekeurde raming door de Minister en DNB vergoed. Artikel 5. Inwinnen van inli"},{"i":13539,"b":"Instellingsbesluit draaginsigne Dutchbat III Besluit: Artikel 1 1. Ingesteld wordt het draaginsigne Dutchbat III. 2. Het draaginsigne heeft de vorm van een gestileerde weergave van Dutchbat III en Srebrenica (d b s III), overeenkomstig de bij dit artikel behorende afbeelding. Het insigne is vervaardigd van mat bronskleurig metaal, breed 21 mm en lang 15 mm. Artikel 2 Het draaginsigne Dutchbat III wordt verstrekt aan de militair van de Nederlandse krijgsmacht die in de periode 6 januari 1995 tot en met 14 juli 1995 aan de VN-operatie in en nabij Srebrenica deel heeft genomen en daarbij in alle opzichten een goede plichtsbetrachting en een goed gedrag heeft betoond. Artikel 3 Het draaginsigne Dutchbat III kan worden gedragen op: - 1°. het uniform overeenkomstig het desbetreffende uniformvoorschrift; - 2°. de burgerkleding op de linker revers of dienovereenkomstige plaats. Artikel 4 Bij de uitreiking van het draaginsigne Dutchbat III ontvangt de gedecoreerde tevens een op naam gestelde oorkonde. Artikel 5 Het draaginsigne Dutchbat III kan postuum worden toegekend. Artikel 6 1. De toekenning van het draaginsigne Dutchbat III geschiedt door de Minister van Defensie. 2. De Minister van Defensie kan de toekenning intrekken op grond van feiten of omstandigheden waarvan hij bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de toekenning niet zou hebben plaatsgehad. 3. Na intrekking als bedoeld in het eerste lid is de betrokkene niet langer gerechtigd het aan de toekenning verbonden insigne te dragen en wordt dit samen met de oorkonde onverwijld aan de Minister van Defensie teruggegeven. Artikel 7 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 8 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit draaginsigne Dutchbat III. Bijlage. behorende bij [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020313&artikel=1&z=2006-11-30&g=2006-11-30) **Afbeeldi"},{"i":13537,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 11 september 2013, nr. WJZ/13131948, houdende instelling van de Deskundigengroep dierziekten (Instellingsbesluit Deskundigengroep dierziekten) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **de deskundigengroep:** de Deskundigengroep dierziekten. Artikel 2 1. Er is een Deskundigengroep dierziekten. 2. De deskundigengroep heeft tot taak de minister te adviseren over de preventie en bestrijding van dierziekten. Artikel 3 De deskundigengroep brengt zowel gevraagd als ongevraagd schriftelijk advies uit aan de minister. Artikel 4 1. De deskundigengroep bestaat uit een voorzitter en ten minste 15 en ten hoogste 25 andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd voor een periode van vier jaar. De voorzitter en de andere leden kunnen door de minister worden geschorst en ontslagen. 3. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep. 4. De deskundigengroep kan zich laten bijstaan door een of meer gastdeskundigen. Artikel 5 1. De deskundigengroep stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. 2. De minister voorziet zelf in het secretariaat van de deskundigengroep. 3. De minister kan een waarnemer aanwijzen, die het recht heeft de vergaderingen van de deskundigengroep bij te wonen. 4. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de deskundigengroep geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de deskundigengroep bewaard in het archief van dat ministerie. 5. De deskundigengroep verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van haar taak benodigde inlichtingen"},{"i":13540,"b":"Instellingsbesluit Draaginsigne Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **draaginsigne:** Draaginsigne Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers; - **militaire oorlogs- en dienstslachtoffers:** de betrokkene, bedoeld in [artikel 1, onder a, van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008406&artikel=1). Artikel 2 1. Ingesteld wordt het Draaginsigne Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers. 2. Het draaginsigne heeft de vorm van een zwaard, omgeven door een banderol met daarin opgenomen de Latijnse tekst ‘SERVIENDO LAESUS’. 3. Het draaginsigne is vervaardigd van geborsteld mat witmetaal, breed 17,4 mm en lang 30 mm. De pin op het insigne wordt met zilver vast gesoldeerd. Artikel 3 Het draaginsigne wordt verstrekt aan militaire oorlogs- en dienstslachtoffers. Artikel 4 Het draaginsigne wordt gedragen op burgerkleding op de linker revers of een dienovereenkomstige plaats. Artikel 5 Het draaginsigne wordt eenmalig verstrekt. Artikel 6 1. Het verzoek om verstrekking van het draaginsigne wordt ingediend bij het Nederlands Veteraneninstituut. 2. De verstrekking van het draaginsigne geschiedt namens de Minister van Defensie door het Nederlands Veteraneninstituut. Artikel 7 In zeer bijzondere gevallen kan de Minister van Defensie beslissen het draaginsigne toe te kennen aan degene die niet of niet volledig voldoet aan de definitie van militaire oorlogs- en dienstslachtoffers, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051104&artikel=1&z=2025-06-18&g=2025-06-18). Artikel 8 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 9 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Draaginsigne Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers"},{"i":13287,"b":"Gemeenschappelijke regeling tot instelling van een openbaar lichaam beheer archiefbescheiden en collecties gemeente Utrecht d.d. 10 februari 2017, kenmerk 1149544 Gelet op [hoofdstuk I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=I) en [IX van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=IX); Besluiten: tot het treffen van de navolgende gemeenschappelijke regeling tot de instelling van een openbaar lichaam dat de archiefbescheiden en collecties beheert die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Utrecht en de archiefbewaarplaats van de gemeente Utrecht. Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **gemeente:** de gemeente Utrecht; - c. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - d. **collecties:** de verzameling historische voorwerpen, boeken en overige schriftelijke en elektronische bescheiden in de meest ruime zin des woords, niet zijnde archiefbescheiden, in eigendom van of in beheer bij de Minister, de provincie en de gemeente voor zover het betreft voorwerpen of bescheiden bij de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie, de archiefbewaarplaats van de provincie en de archiefbewaarplaats van de gemeente; - e. **college:** het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, en - f. **provincie:** de provincie Utrecht; - g. **gedeputeerde staten:** gedeputeerde staten van de provincie. Artikel 2 1. De regeling wordt getroffen met het doel de belangen van de Minister, gedeputeerde staten en het college bij alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden, collecties, individuele documenten en dergelijke die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie, de archiefbewaarplaats van de provincie en de archiefbewaarplaats van de gemeente, in gezamenli"},{"i":13271,"b":"Wet van 25 november 2015 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2015) Artikel I Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II [Artikel 3.104, onderdeel p, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.104), zoals dat luidde op 31 december 2015, blijft van toepassing op tegemoetkomingen krachtens [artikel 2 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003&artikel=2), zoals dat luidde op 31 december 2015. Artikel III Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VI Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel IX Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel X Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XI Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel XII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XIII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XIV Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XV Wijzigt de Provinciewet. Artikel XVI Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XVII Wijzigt de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. Artikel XVIII Wijzigt de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioenen en maximering pensioengevend inkomen. Artikel XIX Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XX 1. Deze wet treedt, onder toepassing van [artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=12), in werking met ingang van 1 januari 2016, met dien verstande dat: - a. [artikel XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037254&artikel=XII&z=2016-01-01&g=2016-01-01) eerst toepassing vindt met betrekking tot t"},{"i":13263,"b":"Wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vereenvoudigingswet 2010) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om fiscale vereenvoudigingen door te voeren ter vermindering van de administratieve lasten van burgers en bedrijven en de uitvoeringskosten van de Belastingdienst alsmede ter vermindering van de regeldruk; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II [Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1) vindt geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2010 op de bedragen, genoemd in de [artikelen 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.3), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.5), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.6), [5.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.10), [5.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.13) en [5.16 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.16). Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IIIa Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel Vbis Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel Va Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VI Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VIa Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel IX Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel X 1. Wijzigt de Wet op de accijns. 2. De [artikelen 10.1](https://"},{"i":13255,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 1 juni 2005, nr. WJZ 5028518, houdende intrekking van diverse regelingen op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken (EZ-intrekkingsregeling 2005) Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor zover het betreft [artikel XVIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018377&paragraaf=1&artikel=XVIII&z=2005-06-26&g=2005-06-26); Gelet op de [artikelen 49q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=49q) en [69 van het Algemene Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=69), [artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4), [artikel 4 van het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009052&artikel=4), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009277&artikel=4), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009277&artikel=7) en [8, tweede lid, van het Besluit instelling, gebiedsindeling en bestuursgrootte kamers van koophandel en fabrieken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009277&artikel=8), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007926&artikel=2), [7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007926&artikel=7), [9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007926&artikel=9), [16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007926&artikel=16), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007926&artikel=19) en [30 van het Besluit stimulering ruimte voor economische activiteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007926&artikel=30), artikel 6 van het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologiestimulering internationale programma’s, [artikel 5 van het Besluit subsidies civiele vliegtuigontwikkeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011247&artikel=5), de [artikelen 1, onder f](https://wetten.overheid"},{"i":13244,"b":"Wijziging van de Regeling kennis, bedrevenheid en ervaring voor bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen Gelet op [artikel 23, derde lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=23); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling kennis, bedrevenheid en ervaring voor bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen. Artikel II 1. Personen die: - a. op 1 februari 1997 houder zijn van een bevoegdverklaring radio-telefonie zonder de restrictie ’VFR-flights only’ maar niet van een bevoegdverklaring blindvliegen, of - b. tot en met 31 januari 1997 voor de bevoegdverklaring radio-telefonie zonder de restrictie ’VFR-flights only’ in aanmerking komen, kunnen gedurende vier maanden na inwerkingtreding van deze regeling tot het praktijkexamen blindvliegen worden toegelaten zonder dat het vak geluidsseinen is afgerond. 2. Voor de personen, bedoeld in het eerste lid, blijft het vak geluidsseinen een afgifte-eis voor de bevoegdverklaring blind-vliegen. Artikel III 1. Het examen geluidsseinen is onbeperkt geldig. 2. Reeds behaalde examens geluidsseinen zijn eveneens onbeperkt geldig. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 1997. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij de Luchtvaartinspectie van de Rijksluchtvaartdienst, Saturnusstraat 71, te Hoofddorp."},{"i":12263,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2017 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) en [artikel 2.10 lid 2 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=2.10); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2017 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 32.200 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 322.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.220.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2017 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,76% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,74% | | Maximumpremie werkgevers | 2,96% | | Minimumpremie werkgevers | 0,18% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,39% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,47 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2017 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,40% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,35% | | Maximumpremie werkgev"},{"i":12855,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gratie vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 april 2006, nr. arc-2006.02861/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Gratie over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12839,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie vanaf 1 januari 2017 voor primaire taken en vanaf 1 januari 1946 voor bedrijfsvoeringstaken Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) over de periode vanaf 1 januari 2017 voor de primaire taken en vanaf 1 januari 1946 voor de bedrijfsvoeringstaken en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst Goederenvervoer, periode vanaf 1945](onbekend) (Staatscourant 2007, 100) wordt afgesloten voor de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Niet opgenomen. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12479,"b":"Besluit nadere voorschriften 6 mei 2025 houdende regels tot wijziging van Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (intrekking COVID-pandemie-gerelateerde standaarden) Overwegende dat de COVID-pandemie voorbij is en dat daarmee de gerelateerde Standaarden geen functie meer hebben; Gelet op [artikel 24 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635&artikel=24) (VGBA); De leden gehoord; Stelt de volgende nadere voorschriften vast: Artikel I Wijzigt de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden. Artikel II Deze nadere voorschriften treden in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant. Artikel III De [Standaarden 3900N](onbekend), [4415N](onbekend) en [4416N](onbekend) blijven evenwel van toepassing op opdrachten op grond van de NOW-regeling resp. andere Covid-19 gerelateerde subsidieregelingen, voor zover de rapporteringsperiode is aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van deze nadere voorschriften."},{"i":681,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 augustus 2009, nr. CZW/WVOB 2009-0000414307, tot wijziging van het Besluit bezoldiging politie, de Regeling bijzondere ontslaguitkering politie en de Tijdelijke regeling nachtdienstontheffing politie en tot de toekenning van bijzondere uitkeringen in de jaren 2008, 2009 en 2010, in verband met het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008–2010 Gelet op [artikel 88, achtste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=88) en de [artikelen 21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=21), [25a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=25a) en [50a van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=50a); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel II Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel III Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel IV Vervallen Artikel V Vervallen Artikel VI Wijzigt de Regeling bijzondere ontslaguitkering politie. Artikel VII Vervallen Artikel VIII Wijzigt de Tijdelijke regeling nachtdienstontheffing politie. Artikel IX 1. [Artikel VI, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026319&artikel=VI&z=2011-01-01&g=2011-01-01), van deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2008. 2. De [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026319&artikel=IV&z=2011-01-01&g=2011-01-01), [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026319&artikel=V&z=2011-01-01&g=2011-01-01) en [VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026319&artikel=VII&z=2011-01-01&g=2011-01-01) van deze regeling treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, werken terug tot en met 1 januari 2008 en vervallen met ingang v"},{"i":7374,"b":"Wet van 7 juni 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het clausuleren van het recht op contact of omgang na partnerdoding Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het belang van het kind wenselijk is om nadere regels te stellen omtrent het recht op contact of omgang van de ouder die de andere ouder heeft gedood, en dat daartoe [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel IIa Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":14389,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 januari 2021, nr. 3181155, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet kansspelen op afstand (Regeling kansspelen op afstand) Handelende na overleg met de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 31e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31e), [31f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31f), [33e, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33e), [33f, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33f), en [33g, achtste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33g), [2.1, derde en vierde lid](onbekend), [3.4, tweede lid, onder c](onbekend), [4.4, vierde lid](onbekend), [4.5, derde lid](onbekend), [4.7, vierde lid](onbekend), [4.8, zesde lid](onbekend), [4.9, vierde lid](onbekend), [4.24](onbekend), [4.33](onbekend), [4.39](onbekend), [4.40, onder a, b en c](onbekend), [4.41, zesde lid](onbekend), [4.43](onbekend), [4.44, eerste lid](onbekend), [4.51, vijfde lid](onbekend), [4.53, vierde lid](onbekend), [5.1, derde lid](onbekend), [5.2, tweede lid](onbekend), [5.3, zesde en zevende lid, van het Besluit kansspelen op afstand](onbekend), [2, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=2), [2a, eerste lid, onder b](onbekend), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=4), [6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=6), [7, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=7), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=10), [16](onbekend), [18, vierde lid](onbekend), [19, derde lid](onbekend), [20, vijfde en achtste lid](onbekend), [22, zesde lid](onbekend), [24, derde lid](onbekend), [25, tweede lid, van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](onbekend), en [9 van het K"},{"i":14393,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie houdende regels met betrekking tot de wijze van kennisgeving van ambtshandelingen van gerechtsdeurwaarders die in strijd zijn met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat Gelet op [artikel 3a, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=3a), Besluit: Artikel 1 De gerechtsdeurwaarder die opdracht ontvangt tot het verrichten van een ambtshandeling als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=3a), stelt daarvan in kennis: - a. via data-communicatie (e-mail: secretariaatdjoa<\\@>minvenj.nl) dan wel op werkdagen tussen 08.30 uur en 17.30 uur per telefoon (070-3706663) de Afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van de Directie Juridische en Operationele Aangelegenheden van het Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Veiligheid en Justitie; - b. in overige gevallen per telefoon (070-3706060) de meldkamer van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Artikel 2 1. Bij de kennisgeving verschaft de gerechtsdeurwaarder in ieder geval: - a. zijn naam, adres, plaats van vestiging en telefoonnummer; - b. gegevens met betrekking tot de aard van de opgedragen ambtshandeling; - c. de naam, het adres en de hoedanigheid van degene tegen wie de ambtshandeling moet worden verricht, en - d. indien bekend, de dag en het tijdstip waarop hij voornemens is de ambtshandeling te verrichten. 2. De gerechtsdeurwaarder die de kennisgeving doet, zendt de op de opgedragen ambtshandeling betrekking hebbende stukken via data-communicatie aan de Afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van de Directie Juridische en Operationele Aangelegenheden van het Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, onder vermelding van ‘SPOED’. In overige gevallen zendt hij de stukken aan een na de melding aan hem bekend te maken adres."},{"i":14387,"b":"Regeling justitiële documentatie en verklaringen omtrent het gedrag BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Hoofdstuk I. De strafkaart Artikel 1 1. Ten aanzien van elk op de strafkaart geregistreerd proces-verbaal zal de wijze van afdoening worden vermeld, zoals: - a. overdracht aan een ander vervolgend orgaan; - b. voeging bij een andere zaak; - c. seponering; - d. beslissing tot voorwaardelijk niet-vervolgen; - e. transactie; - f. onherroepelijke vrijspraak; - g. onherroepelijk ontslag van rechtsvervolging; - h. onherroepelijke veroordeling. 2. Het model van de strafkaart wordt vast gesteld overeenkomstig de bij deze regeling gevoegde [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028691&bijlage=I&z=2019-04-01&g=2019-04-01). 3. Deze regeling berust op de [artikelen 2, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028258&artikel=2), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028258&artikel=10), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028258&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028258&artikel=13), [14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028258&artikel=14), [15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028258&artikel=15), en [17, derde lid, van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028258&artikel=17). Artikel 2 1. De korte aanduiding van het strafbaar feit geschiedt door middel van een beknopte omschrijving. De enkele vermelding van wetsartikelen is niet toegestaan. 2. De strafkaarten van vrouwen die gehuwd of gehuwd geweest zijn, worden gesteld op de meisjesnaam. Hoofdstuk II. Registratie buitenlandse strafkaarten Artikel 3 Van onherroepelijk geworden veroordelingen gewezen door andere rechters dan die in het Gerecht in eerste aanleg en in het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Cura"},{"i":13485,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 21 februari 2021, nr. 2021-0000031623, houdende instelling van de Commissie doorstroomvennootschappen Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6), [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), en in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ministerie:** het Ministerie van Financiën; - b. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst; - c. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044905&artikel=2&z=2021-03-09&g=2021-03-09). Artikel 2. Instelling Er is een Commissie doorstroomvennootschappen. Artikel 3. Taak 1. De commissie heeft tot taak om vanuit haar deskundigheid onderzoek te doen naar het fenomeen doorstroomvennootschappen in al zijn aspecten en te adviseren over beleidsopties naar aanleiding van dit onderzoek. 2. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen te doen. 3. De commissie rapporteert over haar bevindingen (gepland de eerste helft van 2021). Artikel 4. Werkwijze De commissie verantwoordt haar werkwijze in het eindrapport. Artikel 5. Secretariaat De Staatssecretaris voorziet in het secretariaat van de commissie. Artikel 6. Vergoeding De leden van de commissie, voor zover niet vallend onder de uitzondering van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), dan wel werkzaam voor het Rijk, ontvangen een vaste vergoeding per maand, gebaseerd op salarisschaal 18, trede 10, van de CAO-Rijk. De arbeidsduurfactor is 4/36. Artikel 7. Openbaarmaking commissie Rapporten, notities, verslagen, advieze"},{"i":14424,"b":"Regeling Les- en cursusgeldwet Gelet op de [artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011400&artikel=2), [3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011400&artikel=3), [4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011400&artikel=4), [6, tweede lid, onderdeel c, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011400&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011400&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011400&artikel=8), [9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011400&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011400&artikel=10) en [14, tweede lid, onderdeel d, van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011400&artikel=14) ( Stb. 250); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - •. besluit: Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000, - •. cursist: degene die een opleiding volgt als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het besluit, - •. cursusgeldperiode: periode die gelijk is aan de duur van de opleiding met een maximum van een studiejaar, - •. cursusgeldplichtige: cursist of indien deze minderjarig is, de wettelijke vertegenwoordiger, - •. lesgeld: krachtens artikel 5, tweede lid, van de wet voor het desbetreffende studiejaar vastgestelde bedrag, - •. lesgeldplichtige: degene die krachtens de wet lesgeld is verschuldigd, - •. **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en, voor wat betreft het landbouwonderwijs, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Artikel 2. Onderwijskaart Vervallen Artikel 3. Bewijs van uitschrijving Vervallen Artikel 4. Termijnbetaling lesgeld bij inschrijving na 30 september 1. Indien de lesgeldplichtige een opdracht tot automatische incasso voor betaling van het lesgeld in een of meer termijnen heeft verstrekt en de onderwijsdeelnemer na 30 september van het studiejaar wordt ingeschreven, wor"},{"i":682,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 oktober 2003, Directie AAM/BR/03/78229, tot wijziging van de Noodwet Arbeidsvoorziening Gelet op [artikel 1, onderdeel b, van de Noodwet Arbeidsvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002759&artikel=1); Besluit: De voorzitter van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen, bedoeld in het [tweede lid van artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=3), aan te wijzen als Hoofd Arbeidsvoorziening als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Noodwet Arbeidsvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002759&artikel=1). Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":14382,"b":"Regeling invoer vis of visserij-producten uit derde landen BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Artikel 1 Indien zich op het grondgebied van een land een ziekte als in de bijlage bij deze beschikking vermeld, een zoönose, enige andere ziekte waarvan ernstige gevaren voor de gezondheid van mens en/of dier het gevolg kunnen zijn, of een risico waaraan zulke gevaren kunnen zijn verbonden voordoet of verspreidt, of indien andere redenen op veterinaire overwegingen of op de noodzaak tot bescherming van de volksgezondheid gegrond daartoe nopen, wordt, al naargelang de ernst van de situatie: - a. de invoer van visserijproducten, zowel rechtstreeks als via een ander land, uit het betreffende land of uit een deel daarvan geschorst, - b. een of meer bijzondere voorwaarden gesteld aan de visserijproducten die uit het grondgebied van het betreffende land of een deel daarvan afkomstig zijn of via dat land of landsdeel zijn doorgevoerd. Artikel 2 1. Indien aan de bevoegde instantie bij controle of inspectie van een partij visserijproducten die uit een ander land worden ingevoerd blijkt dat deze een gevaar voor de gezondheid van mens en/of dier kunnen vormen, gaat zij terstond over tot inbeslagneming en vernietiging van de betreffende partij. 2. Indien daartoe aanleiding bestaat wordt langs de daartoe geëigende kanalen terstond van de in het eerste lid bedoelde feiten kennis gegeven aan de Commissie en/of de bevoegde instanties van een of meer landen van de Europese Unie. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die der uitgifte van het Publicatieblad waarin zij geplaatst is en werkt terug tot en met 9 november 1998. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling invoer vis of visserij-producten uit derde landen BES."},{"i":14396,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 1 februari 2016, nr. IENM/BSK-2016/18281, houdende regels voor het aanwijzen en het aanmelden van keuringsinstanties voor de uitvoering van de Wet pleziervaartuigen 2016 (Regeling keuringsinstanties Wet pleziervaartuigen 2016) Gelet op [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546&artikel=8), en [artikel 17, tweede lid, van de Wet pleziervaartuigen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546&artikel=17); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **Conformiteitsbeoordeling:** het proces waarin wordt aangetoond of voor een product aan de eis van de richtlijn wordt voldaan; - **Conformiteitsbeoordelingsmodule:** de modules voor de beoordeling van conformiteit, bedoeld in de artikelen 19 tot en met 24 van de richtlijn, en bijlage II bij Besluit nr. 768/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008, betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad (PbEU 2008, L 218); - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **RvA:** de Stichting Raad voor Accreditatie, gevestigd te Utrecht. § 2. Aanvragen Artikel 2 1. Een verzoek om te worden aangewezen als keuringsinstantie op grond van [artikel 8, eerste lid, van de Wet pleziervaartuigen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546&artikel=8), vermeldt: - a. een beschrijving van de activiteiten die in het kader van de conformiteitsbeoordeling worden uitgevoerd; - b. de conformiteitsbeoordelingsmodule(s) waarvoor aanwijzing wordt gevraagd, en; - c. het in artikel 2 van de richtlijn vermelde product of de in dat artikel vermelde producten waarvoor de keuringsinstantie verklaart bekwaam te zijn. 2. Aanwijzing kan uitsluitend geschieden voor een bepaalde module als geheel. Artikel 3 Een verzoek gaat vergezeld van de volgende gegevens en bescheiden: - a. een uittreksel uit het handelsregister;"},{"i":14390,"b":"Regeling KCB-tarieven certificaten Het bestuur van de Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau voor Groenten en Fruit, gelet op [artikel 11 van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=11), heeft op 11 mei 1999 de volgende regeling vastgesteld. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder Verordening: [Verordening nr. 2251/92/EEG](31992R2251) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1992 inzake de kwaliteitscontrole van verse groenten en fruit (PbEG 1992, L 219). Artikel 2 Voor een certificaat als bedoeld in artikel 5 van de [Verordening (EG) nr. 1148/2001](32001R1148) wordt € 9,75 in rekening gebracht. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2000. Deze regeling wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":14385,"b":"Wijziging besluit tot vaststelling van termijnen ex art. 3-1 Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003528&artikel=2), [3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003528&artikel=3) en [4, eerste lid, van de Wet vervoer over zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003528&artikel=4) (Stb. 1982, 629); Besluit: Artikel 1 De in [artikel 3, eerste lid, van de Wet vervoer over zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003528&artikel=3) (Stb. 1982, 629) bedoelde termijn, welke in acht moet worden genomen bij het aankondigen van een beoogde algemene verhoging van de vervoertarieven of een beoogde wijziging in de overige vervoercondities, die een algemene verhoging van de vrachten ten doel of ten gevolge heeft wordt, tenzij hiervan bij regionaal gebruik of overeenkomst wordt afgeweken: - A. - 1º. gesteld op 75 dagen voor lijnvervoerdiensten van Nederlandse havens naar Lidstaten van de EEG en op basis van reciprociteit naar landen, die lid zijn van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, en die partij zijn bij het verdrag inzake een gedragscode voor lijnvaartconferences (Trb. 1979, 177 en 1980, 165); - 2º. gesteld op 150 dagen voor lijnvervoerdiensten van Nederlandse havens naar overige landen die partij zijn bij het verdrag, met dien verstande dat het minimumtijdvak tussen de datum waarop een algemene verhoging in werking treedt en de datum waarop, met inachtneming van bovengenoemde termijn van 150 dagen, de volgende algemene verhoging wordt aangekondigd, niet korter dient te zijn dan maanden, tenzij de bij de algemene verhoging van de vervoertarieven betrokken partijen anders zijn overeengekomen; - B. voor lijnvervoerdiensten van Nederlandse havens naar landen, die geen partij zijn bij het verdrag, op 75 dagen. Artikel 2 Als representatieve verladersorganisatie als bedoeld in de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003528&artikel=2), [3, eerste lid](https://wett"},{"i":12868,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Notarissen vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 6 augustus 2007, aca-2007.03872/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Notarissen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13422,"b":"Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand tot instelling van de Adviescommissie extra uren in strafzaken gelet op [artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:5) jo. [artikel 8, eerste lid, van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8) en de bevindingen en conclusies in het rapport Herijking Rechtsbijstand, naar een duurzaam stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand van de commissie Wolfsen, d.d. 30 november 2015 en het rapport Andere tijden van de commissie Van der Meer, oktober 2017; besluit: Een Adviescommissie extra uren in strafzaken in te stellen; Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **de Raad:** het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand; - –. **de commissie:** de Adviescommissie extra uren in strafzaken. Artikel 2. Instelling en taak 1. De Raad voor Rechtsbijstand besluit tot de instelling van een Adviescommissie extra uren in strafzaken. 2. De commissie heeft tot taak de Raad voor Rechtsbijstand te adviseren met betrekking tot de te nemen besluiten op aanvragen om toekenning van extra uren in strafzaken en vaststelling van de vergoeding daarvan, zoals bedoeld in de [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=22) en [31 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=31) (Bvr). 3. Er is een Reglement Adviescommissie extra uren in strafzaken, waarin taak en werkwijze van de commissie wordt beschreven. Artikel 3. Kosten van de commissie De leden van de commissie ontvangen vacatiegelden en een vergoeding voor reis- en verblijfkosten overeenkomstig de ‘[Vergoedingenregeling Raad voor Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014380)’ (Stb. 2003, 2). Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Dit"},{"i":13407,"b":"Instelling stuurgroep ADR/mediation Overwegende dat de Beleidsbrief ADR, ‘Meer wegen naar het recht’, Kamerstukken II, 26 352, nr. 19, beleidsvoornemens aankondigt met betrekking tot de meer gestructureerde, projectmatige introductie van mediation in de justitiële infrastructuur, in het bijzonder bij de rechterlijke organisatie en in het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand; Overwegende dat de advisering over resp. de sturing van het project ADR/mediation 2000-2002 dient te worden ingebed in een landelijke projectstructuur, gelet op de participatie van het ministerie van Justitie, de rechterlijke macht en de raden voor rechtsbijstand gezamenlijk; Besluit: Artikel 1 Er is een landelijke stuurgroep project ADR/mediation. Artikel 2 De stuurgroep voornoemd heeft tot taak: Algemene sturing van resp. advisering over het project ADR/mediation onder meer door: - mij te adviseren over de vaststelling van een landelijk kader, onder meer met betrekking tot de nadere uitwerking van de doelen van de deelprojecten, de randvoorwaarden en de indicatoren voor de meetbaarheid van het project; - het aan de opdrachtgever voordragen van de te financieren projecten mediation bij de rechterlijke organisatie en binnen het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand als ook het desgevraagd adviseren over eventuele overige deelprojecten in of annex aan de justitiële infrastructuur; - het aan de opdrachtgever doen van voorstellen voor de inrichting van de wetenschappelijke evaluatie/monitoring van de deelprojecten mediation; - het houden van toezicht op de uitvoering van de deelprojecten, waaronder begrepen toezicht op rapportage en verantwoording aan de opdrachtgever; - het doen van aanbevelingen aan de opdrachtgever omtrent de resultaten van het project ADR/mediation. Artikel 3 In de stuurgroep voornoemd hebben zitting: - a. als voorzitter: - mr. N.P. Levenkamp, directeur rechtsbijstand en juridische beroepen van het ministerie van Justitie; - b. als leden: - mr. P.J.M. van den Biggelaar,"},{"i":14384,"b":"Regeling inzake de SAR-dienst 1994 Gelet op artikel 25 van het op 7 december 1944 te Chicago totstandgekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109) en het op 27 april 1979 te Hamburg totstandgekomen Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee (Trb. 1980, 181); Besluiten: Artikel 1 Er is een Opsporings- en Reddingsdienst in Nederland, die wordt aangehaald als ‘Search and Rescue’-dienst, dan wel SAR-dienst. Artikel 2 De SAR-dienst maakt deel uit van de Kustwacht, bedoeld in [artikel 2 van de Regeling organisatie Kustwacht Nederland](onbekend). Artikel 3 De SAR-dienst is belast met de opsporing en redding van in nood verkerende bemanningen en passagiers van vliegtuigen, schepen en mijnbouwinstallaties binnen het geografische gebied waarvan de grens aan de zeezijde is omschreven in de publikatie SAR 2 circulaire 2 van de Internationale Maritieme Organisatie, zijnde de grens van de Nederlandse exclusieve economische zone, en dat zich aan de landzijde uitstrekt over de Nederlandse kustwateren, de Waddenzee, het IJsselmeer, met inbegrip van de randmeren, en de Zuidhollandse en Zeeuwse stromen. Voor incidenten met luchtvaartuigen valt het verantwoordelijkheidsgebied samen met het in het ‘European Air Navigation Plan’ van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) omschreven SAR-gebied (‘Search and Rescue Region’ – SSR). Artikel 4 De SAR-dienst beschikt voor de uitvoering van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006895&artikel=3&z=2019-07-01&g=2019-07-01) genoemde taak te allen tijde over: - a. een gecombineerd aëronautisch en maritiem reddingscoördinatiecentrum (JRCC), - b. vliegende reddingseenheden, bestaande uit vliegtuigen en helikopters ter beschikking gesteld door de ministers, en - c. reddingboten. Artikel 5 Het kustwachtcentrum, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling organisatie Kustwacht Nederland](onbekend), fungeert als het gecombineerde aëronautisch en maritiem reddingscoördinatiecentrum, b"},{"i":7917,"b":"Besluit van 9 december 2013, houdende toestemming aan De Nederlandsche Bank N.V. tot het beheer van een numismatische collectie en een numismatisch informatiesysteem (Toestemmingsbesluit De Nederlandsche Bank N.V. 2013) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, Generale Thesaurie, directie Financiële Markten, van 4 december 2013, nr. FM/ 2013/2129 M, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Overwegende dat het met het oog op de afwikkeling van de Stichting Het Geld- en Bankmuseum wenselijk is een voorziening te treffen voor de collectie die bij de Stichting Het Geld- en Bankmuseum was ondergebracht, alsmede voor het in stand houden van een door die stichting beheerde numismatisch informatiesysteem NUMIS; dat daartoe aan De Nederlandsche Bank N.V. in het algemeen belang is verzocht werkzaamheden te verrichten ten behoeve van het feitelijk beheer en de instandhouding van een numismatische collectie en een numismatisch informatiesysteem, alsmede werkzaamheden te verrichten ten behoeve van het beheer en instandhouding hiervan; Gelet op [artikel 9, aanhef en onderdeel c, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan De Nederlandsche Bank N.V. wordt toestemming verleend tot: - a. het feitelijk beheer en de instandhouding van de numismatische collectie van het Ministerie van Financiën en de numismatische collectie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het beheer, de instandhouding en het ontsluiten van de in onderdeel a bedoelde numismatische collecties in samenhang met de eigen numismatische collectie van De Nederlandsche Bank N.V.; - c. het in stand houden van een openbaar informatiesysteem en het daarin bijhouden van de meldingen zoals bedoeld in de [artikelen 5.6, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=5.6), [5.10, eerste lid](htt"},{"i":14388,"b":"Regeling kabelvliegers en kleine ballons Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op [artikel 59, tweede lid onder d en e, van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=59), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: **kabelvlieger:** een toestel, zwaarder dan lucht en niet voorzien van een voortstuwingsinrichting, dat door middel van (een) ankerkabel(s) of lijn(en) is verbonden met het aardoppervlak; **kleine ballon:** een kleine kabelballon of een kleine vrije ballon; **kleine kabelballon:** een ballon, die door middel van (een) ankerkabel(s) of lijn(en) is verbonden met het aardoppervlak en die op zeeniveau in de internationale standaardatmosfeer in geheel gevulde toestand een diameter van ten hoogste 2 m of een inhoud van ten hoogste 4 m³ heeft, dan wel een samenstel van ballons waarvan de gezamenlijke diameter of inhoud deze waarde niet te boven gaan; **kleine vrije ballon:** een ballon die niet is verbonden met het aardoppervlak en die op zeeniveau in de internationale standaard-atmosfeer in geheel gevulde toestand een diameter van ten hoogste 2 m of een inhoud van ten hoogste 4 m³ heeft, dan wel een samenstel van ballons waarvan de gezamenlijke diameter of inhoud deze waarden niet te boven gaan; **sfeerballon:** kleine vrije ballon, of samenstel van kleine vrije ballons, waarvan de hoogte of de breedte niet meer dan 75 cm bedraagt. Artikel 2. Kabelvliegers en kleine kabelballons Een kabelvlieger of kleine kabelballon wordt niet gebruikt: - a. boven een hoogte van 100 meter boven grond of water; - b. binnen een afstand van 3 km van de grens van luchthavens en zweefvliegterreinen; - c. binnen een afstand van 5 km van de grens van gecontroleerde luchthavens; - d. binnen burger laagvlieggebieden, militaire laagvlieggebieden en binnen een afstand van 5 km van militaire laagvliegroutes. Artikel 3. Kleine vrije ballons 1. Voorwerpen die door kleine ballons wo"},{"i":12044,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 juni 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in de Oeganda, Kampala (1975) 1999–2013, Besluit Beperking Openbaarheid, Kampala (1975) 1999–2013 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris van 1 juni 2023, referentie 162249; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 1 | 2086 | | 163 | 2061 | | 192 | 2079 | | 258 | 2085 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 18 | 2030 | | 87 | 2034 | | 152 | 2044 | | 170 | 2035 | | 201 | 2036 | | 209 | 2036 | | 268 | 2042 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048277&artikel=1&z=2023-06-17&g=2023-06-17), is, tot openbaring, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging in de inventarisnummers, volgens de procedures die gelden voor inzage in archieven met"},{"i":12049,"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Zuurkast archief (1959-2000) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 29 juni 2021, met kenmerk 25645091. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de secretaris ministerraad 1959–2000, het zogenaamde ‘Zuurkast’-archief. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom.Het gaat om documenten met o.a. algemene en bijzondere persoonsgegevens van (mogelijk) nog levende personen. De inventarisnummers worden van de openbaarheid beperkt tot 75 jaar na sluiting van het dossier. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 13020 | 2069 | | 13022 | 2070 | | 13025 | 2067 | | 13026 | 2068 | | 13027 | 2059 | | 13028 | 2060 | | 13030 | 2065 | | 13032 | 2076 | en Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Op de stukken van het ‘Zuurkast’-archief is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 50 of 75 jaar. Zie de toelichting voor de specificatie van de verschillende beperkingstermijnen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 13000 | 2022 | | 13001 | 2045 | | 13007 | 2021 | | 13008 | 2022 | | 13009 | 2023 | | 13010 | 2024 | | 13011 | 2024 | | 13012 | 2025 | | 13013 | 2028 | | 13014 | 2033 | | 13015 | 2040 | | 13016 | 2045 | | 13017 | 2050 | | 13018 | 2050 | | 13019 | 2046 | | 13023 | 2027 | | 13029 | 2061 | | 13033 | 2045 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers"},{"i":12163,"b":"Besluit van 14 februari 2018 nr. 2018000251, houdende departementale herindeling met betrekking tot elektrisch vervoer Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van elektrisch vervoer voortvloeiend uit de Europese en nationale regels voor elektrisch vervoer en de Green Deal Elektrisch Vervoer 2016-2020, voor zover deze voor 26 oktober 2017 was opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040650&artikel=1&z=2018-02-24&g=2018-02-24) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040650&artikel=2&z=2018-02-24&g=2018-02-24) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 26 oktober 2017. Onze Minister-President, Minister van Algemene zaken en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de min"},{"i":13645,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 18 december 2017, nr. WJZ/17198954, houdende instelling van de Welzijnscommissie Dierziekten (Instellingsbesluit Welzijnscommissie Dierziekten) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **de commissie:** de Welzijnscommissie Dierziekten. Artikel 2 1. Er is een Welzijnscommissie Dierziekten. 2. De commissie heeft in het kader van alle door de overheid opgelegde bestrijdingsmaatregelen in het kader van dierziekten tot taak: - a. de Minister te adviseren over maatregelen die zij zou kunnen nemen om het welzijn van dieren tijdens ruimingsactiviteiten en bestrijdingsmaatregelen te verbeteren; - b. de Minister te informeren over eventuele gevolgen voor het dierenwelzijn die zich als gevolg van ruimingsactiviteiten en andere bestrijdingsmaatregelen voordoen. Artikel 3 1. De commissie brengt zowel gevraagd als ongevraagd schriftelijk advies uit aan de Minister over de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040421&artikel=2&z=2024-11-20&g=2024-11-20) genoemde zaken. 2. De commissie brengt uiterlijk binnen drie maanden na het beëindigen van een dierziektecrisis een schriftelijk eindrapport uit aan de Minister over de gehele crisisperiode. Artikel 4 1. De voorzitter en de andere leden worden door de Minister benoemd voor een periode van vier jaar. De voorzitter en de andere leden kunnen door de Minister worden geschorst en ontslagen. 2. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep. 3. De commissie kan zich laten bijstaan door een of meer gastdeskundigen. Artikel 5 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. 2. De Minister voorziet in het secretar"},{"i":13502,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 7 juli 2025 (kenmerk 5446723), houdende instelling van de Commissie normering verwerking bulkdata ten behoeve van de politietaak (Instellingsbesluit Commissie normering bulkdata) Handelend in overeenstemming met de Staatsecretaris Rechtsbescherming; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **Commissie:** commissie normering verwerking bulkdata ten behoeve van de politietaak. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een commissie normering verwerking bulkdata ten behoeve van de politietaak. 2. De commissie heeft tot taak aanbevelingen te doen voor een nadere normering van het verwerken van bulkdata ten behoeve van de politietaak, waaronder begrepen is het verder verwerken van deze gegevens voor andere doeleinden. 3. De volgende onderwerpen moeten daarbij in ieder geval worden geadresseerd: - •. Een onderbouwde afbakening van de categorieën van persoonsgegevens waar de voorgestelde normering voor moet gelden - •. De invulling van doelbinding en de verenigbaarheidstoets - •. Wie de persoonsgegevens op welke wijze kan bevragen en (geautomatiseerd) analyseren - •. De toestemming voor het verder verwerken van persoonsgegevens door een onafhankelijke autoriteit - •. Bewaartermijnen - •. Notificatie - •. De inbedding in de bestaande wetgeving, met name de verhouding tussen de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463), de [Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194) en het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) - •. Verbetering van het toezicht op de uitoefening van opsporingsbevoegdheden die (mede) bestaan uit het verwerken van persoonsgegevens, zo nodig ook tijdens het uitoefenen van die bevoegdheden. 4. De commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en te beantwoorden"},{"i":12232,"b":"Besluit van 1 december 1958, houdende uitvoering van artikel 4, eerste lid, onder a, van de Instellingswet Produktschap voor Zuivel Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie en van Onze Ministers van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken van 25 november 1958, no. U 2077, afdeling Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie; Overwegende, dat het wenselijk is op een daartoe strekkend verzoek aan het Produktschap voor Zuivel de bevoegdheid tot enige prijsregeling te verlenen; Gelet op artikel 4, eerste lid, onder **a**, van de [Instellingswet Productschap voor Zuivel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002205) (**Stb.** 1956, 93); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onder aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder **a**, van de [Instellingswet Productschap voor Zuivel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002205) (**Stb.** 1956, 93) zijn begrepen de prijzen, waartegen kaas aan buitenlandse afnemers ten minste moet worden afgezet. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1959. Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":14440,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 21 maart 2026, nr. WJZ/105341340, houdende specifieke maatregelen in de beschermings- en de bewakingszone in verband met de bestrijding van hoogpathogene aviaire influenza in Oudemolen, Noord-Brabant (Regeling maatregelen beschermings- en bewakingszone hoogpathogene vogelgriep Oudemolen, Noord-Brabant 2026) Gelet op de artikelen 64, eerste lid, 65, eerste lid, en 71, eerste lid, van [verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidwetgeving’) (PbEU 2016, L 84), de artikelen 21, eerste lid, 25, eerste lid, 27, eerste en tweede lid, en 42 van gedelegeerde [verordening (EU) 2020/687](32020R0687) van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PbEU 2020, L 174) en de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.2), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.5), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.6), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.7) en [6.3, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3); Besluit: Treedt in werking om 10:23 uur. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **beschermingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052464&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2026-04-12&g=2026-04-12); - **commercieel gehouden vogels:** pluimvee of in gevangenschap levende vogels die worden gekweekt of gehouden met de bedoeling geld te verdienen"},{"i":12517,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap houdende het opheffen van de beperking aan de openbaarheid van het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) en haar taakvoorganger / taakopvolgers, (1930) 1945–1951 (1983), nummer toegang 2.08.42 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de Minister van Financiën van 10 december 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032510) met het kenmerk BEDR/2012/604 en het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 oktober 2016, nr. 56228, Gehoord hebbende de Minister van Financiën, Besluit: Artikel 1 De beperking die is gesteld aan de openbaarheid van inventarisnummers 133–177, 178–185, 227–229, 243–244, 714–717, 1037–1054, 1071, 1175, 1146–1147 op te heffen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":13508,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Financiën van 20 april 2008, nr. WJZ 8037489, houdende instelling van de Commissie regeldruk bedrijven (Instellingsbesluit Commissie regeldruk bedrijven) Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluiten: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. commissie: de Commissie regeldruk bedrijven; - b. Staatssecretarissen: de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Financiën. Artikel 2 1. Er is een Commissie regeldruk bedrijven. 2. De commissie heeft tot taak: - a. de plannen van het kabinet met betrekking tot regeldruk voor bedrijven te beoordelen; - b. vraagstukken, die nog niet in de plannen, bedoeld in onderdeel a, zijn opgenomen, te identificeren en te agenderen; - c. onderwerpen met betrekking tot regeldruk onder de aandacht te brengen richting bedrijfsleven en overheden. Artikel 3 1. De commissie wordt ingesteld voor de periode van 3 jaar. 2. De commissie bestaat uit een voorzitter, afkomstig uit de kring van het bedrijfsleven, ten minste 5 en ten hoogste 10 andere leden die afkomstig zijn uit de kring van het bedrijfsleven en 4 leden, afkomstig uit de kring van de overheid. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de Staatssecretaris van Economische Zaken, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën benoemd en kunnen door de Staatssecretaris van Economische Zaken, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën worden geschorst en ontslagen. 4. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep. 5. Te rekenen vanaf 1 april 2008 worden voor een periode van 3 jaar tot lid van de commissie benoemd uit de kring van het bedrijfsleven: - a. de heer mr. B.E.M. Wientjes te Ommen, tevens voorzitter; - b. de heer H.O. van den Berg te Amsterdam; - c. mevrouw L.L. Doude van"},{"i":13509,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 12 november 2021, nr. 3557824, houdende instelling van de Commissie rol Koninklijk Huis in zaak J.A. Poch In overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045843&artikel=2&z=2022-06-18&g=2022-06-18). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie rol Koninklijk Huis in de zaak J.A. Poch. 2. De commissie heeft tot taak te onderzoeken of er beïnvloeding heeft plaatsgevonden vanwege het Koninklijk Huis of vanuit kringen rondom het Koninklijk Huis in de zaak tegen de heer J.A. Poch, waarbij de commissie wordt gevraagd de volgende aspecten in het onderzoek mee te nemen: - –. de vraag hoe het onderzoek naar de heer J.A. Poch in de voorzomer van 2007 buiten het openbaar ministerie en de Nationale Recherche bekend kon zijn, aangezien slechts een gering aantal personen op dat moment op de hoogte was; - –. de betekenis van de door de toenmalige vicepresident van Eurojust gedane uitlatingen in zijn gesprek met de Commissie Dossier J.A. Poch. 3. De commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan haar opdracht. 4. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen te doen. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een lid. 2. Het lid heeft zitting op persoonlijke titel en oefent zijn functie uit zonder last of ruggespraak. 3. Het lid wordt door de Minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. 5. Het lid kan (op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden) worden geschorst en ontslagen door de Minister. Artikel 4. Leden Voor de duur van de commissie wo"},{"i":12669,"b":"Besluit Uitwijklijst Gelet op: [artikel 2, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2) (Stb. 2007, 375, hierna: de Wbtv); de [Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 januari 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993) tot wijziging van de Regeling houdende aanwijzing tot bewerker en verlening van mandaat en machtiging van de Minister van Veiligheid en Justitie aan de Raad voor de Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch betreffende het Register beëdigde tolken en vertalers, (Stcrt. 19 januari 2011, 1030); het advies van het Kwaliteitsinstituut beëdigde tolken en vertalers van 27 maart 2013; Stelt de Raad voor Rechtsbijstand het volgende Besluit Uitwijklijst Wbtv (hierna: het Besluit Uitwijklijst) vast: Begrippen en definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Wbtv:** [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704); - b. **Rbtv:** Register beëdigde tolken en vertalers; - c. **Besluit btv:** [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896); - d. **Uitwijklijst:** een lijst van tolken en vertalers, zoals bedoeld in [artikel 2, derde lid, van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2); - e. **Besluit PE:** [Besluit permanente educatie Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033579); - f. **ALTE:** The Association of Language Testers in Europe; - g. **toetsbaar:** een taal is toetsbaar als: - ○. in Nederland een geaccrediteerde opleiding aanwezig is op ten minste hbo-niveau waarbij de onderwijstaal de desbetreffende taal is; - ○. in Nederland een geaccrediteerde opleiding aanwezig is op ten minste hbo-niveau waarbij de desbetreffende taal aangeboden wordt en het eindniveau van de bron- of doeltaal na toetsing ten minste C1-niveau is; - ○. de Minister onafhankelijke deskundige(n) heeft aangewezen die de kennis van de desbetreffende taal kan (kunnen)"},{"i":12128,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 februari 2021 nr. BOACAT2021/004, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Stichting Het Groninger Landschap Gelezen het verzoek van de Stichting Het Groninger Landschap van 2 februari 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044870&artikel=2&z=2024-03-30&g=2024-03-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Milieu BOA in dienst van de Stichting het Groninger Landschap, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk vo"},{"i":12199,"b":"Besluit van de Directeur Operatie van de directie MKB van 31 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de regiodirecteuren en de teamleiders van de regiokantoren, die vallen onder de verantwoordelijkheid van ondergetekende, en het afdelingshoofd en de teamleiders van E-commerce van de directie MKB wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":12141,"b":"Besluit van de Directeur Datafundamenten & Analytics van de corporate dienst Datafundamenten & Analytics van 3 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en de teamleiders binnen de corporate dienst Datafundamenten & Analytics wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":13516,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 4 maart 2013, nr. WJZ / 3008668, tot instelling van de Commissie van Aanbestedingsexperts (Instellingsbesluit Commissie van Aanbestedingsexperts) Gelet op [artikel 4.27 van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=4.27); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **de Commissie:** de Commissie van Aanbestedingsexperts; - c. **een klacht:** een uiting van ongenoegen van een partij over het handelen of het nalaten van een andere partij voor zover dat handelen of nalaten binnen de werkingssfeer van de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203) valt. Artikel 2 1. Er is een Commissie van Aanbestedingsexperts. 2. De Commissie heeft tot taak: - a. het bemiddelen tussen partijen naar aanleiding van klachten; - b. het geven van niet-bindende adviezen naar aanleiding van klachten. Artikel 3 1. De Commissie bestaat uit minimaal een voorzitter en een vicevoorzitter. 2. De leden zijn onafhankelijk en onpartijdig. 3. De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid op het gebied van aanbestedingsrecht en overheidsinkoop. 4. De leden worden door de Minister benoemd voor een termijn van maximaal twee jaar en zijn herbenoembaar. 5. De leden kunnen door de Minister worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de functie of wegens andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkenen gelegen redenen. 6. De leden worden op eigen verzoek door de Minister ontslagen. Artikel 4 1. De Commissie kan zich bij de goede invulling van de in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032968&artikel=2&z=2013-04-01&g=2013-04-01), genoemde taken laten bijstaan door één of meer experts. 2. Experts worden gekozen op grond van hun bijzondere deskundigheid, kennis of ervaring op een specifiek gebied van het aanbestedingsrecht, de overheidsinkoop of de mate"},{"i":13515,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 1 maart 2013 nr. 1700483, houdende instelling van de Commissie Toekomst Forensisch Onderzoek (Instellingsbesluit Commissie Toekomst Forensisch Onderzoek) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **de Commissie:** de Commissie Toekomst Forensisch Onderzoek, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033233&artikel=2&z=2013-04-16&g=2013-04-16) Artikel 2. Instelling Er is een Commissie Toekomst Forensisch Onderzoek die de Minister van Veiligheid en Justitie adviseert over de optimale aansluiting tussen werkzaamheden die in de tien voorgenomen en deels reeds bestaande regionale onderzoeksruimten van de Nationale Politie, bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en door particuliere onderzoeksinstituten worden verricht alsmede over het werken voor commerciële derden door het NFI. Artikel 3. Taak De Commissie heeft tot taak onderzoek te doen naar: - a. de rol en werkwijze van politie, OM, NFI en particuliere instituten in onderlinge samenhang bezien om te komen tot een businesscase met daarin een integraal model van forensisch onderzoek waarbij effectiviteit en efficiency een grote rol spelen. Daarbij staat de vraag centraal hoe optimale aansluiting is te bereiken tussen werkzaamheden in de tien voorgenomen en deels reeds bestaande onderzoeksruimten van de politie, bij het NFI en door particuliere onderzoeksinstituten worden verricht. De mogelijkheden voor raamcontracten met particuliere onderzoeksinstituten worden daarbij in beeld gebracht. - b. de vraag óf en zo ja in hoeverre het NFI ruimte kan worden geboden om meer dan nu het geval is te werken voor commerciële derden. En de minister over deze twee onderdelen van advies te voorzien. Artikel 4."},{"i":12311,"b":"Besluit van 22 juli 2002, houdende de herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot kinderopvang Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 22 juli 2002, kenmerk 02M435324; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 22 juli 2002. Artikel 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van kinderopvang, voorzover deze zorg voor 22 juli 2002 was opgedragen aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 22 juli 2002. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbijbehorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":12110,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid ministerraad 1996 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en/of b Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief 22 september 2021, met kenmerk 29091276. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de notulen en bescheiden van de rijksministerraad, de ministerraad, de onderraden en de ministeriële commissies als bedoeld in de verklaring van overbrenging van de notulen en bescheiden van de ministerraad en onderraden (1 januari 1996 – 1 januari 1997). Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ([artikel 15, lid 1, sub a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)) zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar 2047, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 7849 | 2047 | | 7886 | 2047 | | 7869A | 2047 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten ([artikel 15, lid 1, sub b Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)) zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari 2047, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 7658A | 2047 | | 7661A | 2047 | | 7858A | 2047 | Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van de archiefbescheiden van de ministerraad jaargang 1996’."},{"i":14444,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 31 oktober 2011, nr. IENM/BSK-IENM/BSK-2011/145875, houdende vaststelling van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **ademalcoholgehalte:** ademalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdeel a, of derde lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8); - **beginnende bestuurder:** bestuurder als bedoeld in [artikel 8, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8); - **bloedalcoholgehalte:** bloedalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of derde lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8); - **bloedonderzoek:** onderzoek als bedoeld in [artikel 163, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=163); - **directeur:** de directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR); - **wet:** [Wegenverkeerswet 1994](onbekend). Artikel 2 1. Een vermoeden als bedoeld in [artikel 130, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130) wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage. 2. Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onderdeel B, subonderdeel III, Drogerende stoffen, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist. Artikel 3 1. Feiten of omstandigheden als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030613&paragraaf=1&artikel=2&z=2023-04-01&g=2023-04-01) kunnen blijken uit: - a. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie; - b. gegevens afkomstig van"},{"i":13041,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 7 februari 2020, nr. 4114901, houdende besluit tot vervreemding van archiefbescheiden van de Buitenlandse Inlichtingendienst/Inlichtingendienst Buitenland (blok BID/IDB 1945–1994) De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, besluit, na verkregen machtiging van 30 januari 2020 met kenmerk 18633713 van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, en gelet op [artikel 7 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=7), over te gaan tot vervreemding van de navolgende archiefbescheiden aan de Minister voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: het archief van de Buitenlandse Inlichtingendienst/Inlichtingendienst Buitenland (blok BID/IDB 1945–1994). Met de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed, met het belang van de recht- of bewijszoekenden en voor het historisch onderzoek is bij de vervreemding rekening gehouden. Per Koninklijk Besluit (KB) in 1972 is de Buitenlandse Inlichtingendienst/ Inlichtingendienst Buitenland (hierna IDB) onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Algemene Zaken geplaatst. De dienst is per 1 januari 1994 opgeheven, waarna haar taken werden overgenomen door de toenmalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (nu AIVD) en de toenmalige Militaire Inlichtingendienst (nu MIVD). Het archief betreft gegevens die zijn verwerkt door of ten behoeve van een opgeheven inlichtingen- en veiligheidsdienst. Hierop is thans de [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896) (Wiv 2017) van toepassing ([artikel 144 Wiv 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=144)). Gezien de belangen van de staat en diens bondgenoten en de verantwoordelijkheid voor de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn en de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld ([artik"},{"i":13664,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 29 januari 2016, nr. 717761, houdende instelling van de commissie Evaluatie Wet herziening gerechtelijke kaart (Instellingsregeling Commissie Evaluatie Wet herziening gerechtelijke kaart) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1. (Begripsbepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037596&artikel=2&z=2016-02-09&g=2016-02-09). Artikel 2. (Instelling en taak) 1. Er is een Commissie Evaluatie Wet herziening gerechtelijke kaart. 2. De commissie heeft tot taak: - a. Het doen van onderzoek naar de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de [Wet herziening gerechtelijke kaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031789) en haar aanbevelingen aan de Minister uit te brengen. - b. Het doen van onderzoek naar de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de Wet splitsing arrondissement Oost-Nederland in de arrondissementen Gelderland en Overijssel en haar aanbevelingen aan de Minister uit te brengen. Artikel 3. (Samenstelling, benoeming, ontslag) 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en maximaal 6 andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de Minister benoemd. 3. De benoeming geschiedt voor de duur van het onderzoek door de commissie. 4. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de Minister een ander lid benoemen. 5. De voorzitter en de andere leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de Minister. Artikel 4. (Instellingsduur en rapportageverplichting) 1. De commissie brengt voor 1 januari 2018 een eindverslag uit met betrekking tot het onderzoek, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onderdeel a](https://we"},{"i":12025,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 juni 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Estland, Ambassade Tallinn, Besluit Beperking Openbaarheid Tallinn 1991–2012 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 10 mei 2023, referentie 1224450; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 93 | 2109 | | 94 | 2085 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 85 | 2086 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048296&artikel=1&z=2023-06-21&g=2023-06-21), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging in de inventarisnummers, volgens de procedures die gelden voor inzage in archieven met bijzondere persoonsgegevens. 2. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in"},{"i":449,"b":"Reglement ontslagadviescommissie UWV 2015 Gelet op [artikel 1, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036593&artikel=1), jo [artikel 6, van de Regeling UWV ontslagprocedure](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036593&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. **Toestemming:** toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van [artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=669); - c. **Verzoek:** verzoek als bedoeld in [artikel 671a, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a); - d. **Bedrijfseconomische redenen:** bedrijfseconomische omstandigheden als bedoeld in [artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=669); - e. **Beslissingsbevoegde:** de door de Raad van bestuur van UWV daartoe gemandateerde medewerker van de afdeling Arbeidsjuridische dienstverlening van UWV die beslist op het verzoek om toestemming; - f. **Ontslagadviescommissie:** vertegenwoordigers van organisaties van werkgevers en werknemers, die de Stichting van de Arbeid als representatieve organisaties heeft aangewezen; - g. **Kamer:** de werkgeversvertegenwoordiger en de werknemersvertegenwoordiger uit de ontslagadviescommissie, die de beslissingsbevoegde desgevraagd adviseren; - h. **AJD:** de afdeling Arbeidsjuridische dienstverlening van UWV; - i. **Vestiging:** een vestiging van AJD; - j. **Voorzitter:** de medewerker van AJD die de vergadering van de kamer technisch leidt; Artikel 2. Instelling 1. UWV stelt de ontslagadviescommissie samen en regelt haar werkwijze. 2."},{"i":14477,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 2 december 2005, nr. HDJZ/LUV/2005-2297, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende nadere regels voor vluchten met een modelvliegtuig (Regeling modelvliegen) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van defensie; Gelet op [artikel 5.7 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.7) en [artikel 56 van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=56); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **modelluchtvaartuig:** luchtvaartuig, niet in staat een mens te dragen, en uitsluitend gebruikt voor luchtvaartvertoning, recreatie of sport; - **uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947:** Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947 van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 20139, L 152). Artikel 2 Onverminderd het [Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899) gelden voor een vlucht met een modelluchtvaartuig die wordt uitgevoerd in het verband van een modelluchtvaartuigclub of -vereniging, als bedoeld in artikel 2, onder 10, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947 de volgende regels: - a. de vlucht wordt slechts uitgevoerd onder omstandigheden en op locaties waarbij er vanaf de grond tijdens de gehele vlucht goed zicht is op het modelluchtvaartuig en het luchtruim daaromheen; - b. de bestuurder houdt tijdens de gehele vlucht goed zicht op het modelluchtvaartuig behalve wanneer de bestuurder wordt bijgestaan door een waarnemer die zich naast hem bevindt en zonder hulp visueel contact houdt met het modelluchtvaartuig en zo de bestuurder helpt om de vlucht veilig uit te voeren; - c. een hoogtemeter hoeft niet te worden gebruikt; - d. de vlucht wordt niet uitgevoerd buiten de daglichtperiode, zoals gepubliceerd in de luchtvaartgids; - e. de vlucht wordt niet uitgevoerd boven aaneengesloten bebouwing of kuns"},{"i":14478,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 26 juni 2017, nr. WJZ/17075625, tot aanwijzing van monomestvergistingsinstallaties als subsidiabele categorie voor 2017 in het kader van de stimulering van duurzame energieproductie (Regeling monomestvergisting 2017) Gelet op de [artikelen 2, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [36, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=36), [37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=37), [39, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=39), [40, derde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=40), [51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=51), [52, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=52), [55, derde tot en met vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=55), [56, tweede, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=56), [59, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=59), [60, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=60), [61, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=61) en [62, vierde lid en vijfde lid, onderdeel b, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=62); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **algemene uitvoeringsregeling:** [Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023563); - –. **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735);"},{"i":14479,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 september 2004, nr. SV/AL/04/64104, houdende nadere regels betreffende bekwaamheden die algemeen gebruikelijk zijn als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden) Gelet op [artikel 11 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten](onbekend); Besluit: Artikel 1. Mondelinge beheersing van de Nederlandse taal Onder mondelinge beheersing van de Nederlandse taal als bedoeld in [artikel 9, onderdeel a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011478&artikel=9) wordt verstaan: het verstaan en spreken van de Nederlandse taal voorzover dit nodig is bij functies waarvoor geen opleiding dan wel een opleidingsniveau tot afgerond basisonderwijs vereist is. Artikel 2. Eenvoudig computergebruik Onder eenvoudig computergebruik als bedoeld in [artikel 9, onderdeel a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011478&artikel=9) wordt verstaan: het bedienen van computerapparatuur voorzover dit nodig is bij functies waarvoor geen opleiding dan wel een opleidingsniveau tot afgerond basisonderwijs vereist is en waarvoor geen schriftelijke taalbeheersing nodig is. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2004. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14480,"b":"Regeling nadere uitwerking deskundigheidsgebied optometrist Gelet op [artikel 5, eerste lid, onder a, van het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied optometrist](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011461&artikel=5); Besluit: Artikel 1 1. Als farmaca als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, onder a, van het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied optometrist](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011461&artikel=5) worden aangewezen: mydriatica, cycloplegica, lokale anesthetica en kleurstoffen. 2. De aanwijzing van het mydriaticum fenylefrine betreft alleen de oplossing van 2,5%. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nadere uitwerking deskundigheidsgebied optometrist. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14490,"b":"Regeling niet-reinigbaar straalgrit Gelet op artikel 7 van het Besluit stortverbod afvalstoffen (Stb 1997, 665); besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Straalgrit is niet-reinigbaar indien: - a. een partij voor meer dan 20 gewichtsprocenten bestaat uit een droge zeeffractie met een korrelgrootte kleiner of gelijk aan 63 micron, of - b. een partij voor meer dan 5 gewichtsprocenten bestaat uit extraheerbare stoffen, of - c. de concentratie van de hieronder genoemde stoffen in een partij groter is dan de bij die stof vermelde concentratiegrenswaarde: | 1º. | cadmium en cadmiumverbindingen | 75 mg/kg ds; | | --- | --- | --- | | 2º. | chroomverbindingen (totaal) | 7500 mg/kg ds; | | | chroom(VI)verbindingen | 75 mg/kg ds; | | 3º. | koperverbindingen | 7500 mg/kg ds; | | 4º. | nikkelverbindingen | 7500 mg/kg ds; | | 5º. | lood en loodverbindingen | 7500 mg/kg ds; | | 6º. | tinverbindingen | 7500 mg/kg ds; | | 7º. | zinkverbindingen | 20000 mg/kg ds; | | 8º. | polycyclische aromatische koolwaterstoffen | 500 mg/kg ds; | | 9º. | naftaleen, anthraceen of fenantreen | 200 mg/kg ds; | | 10º. | chryseen, benzo(a)anthraceen, fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd) pyreen enbenzo(ghi)peryleen | 300 mg/kg ds; | | 11º. | extraheerbare organische halogeenverbindingen | 500 mg/kg ds; | | 12º. | organotinverbindingen (uitgedrukt als tin) | 200 mg/kg ds. | Artikel 3 De gewichtsprocenten en de concentratie van de stoffen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009203&artikel=2&z=2013-01-01&g=2013-01-01), worden gemeten door een onderzoekslaboratorium overeenkomstig de methode die is aangegeven in de bijlage. Artikel 4 Met de in deze regeling genoemde normen en richtlijnen worden gelijkgesteld normen en richtlijnen die zijn vastgesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekke"},{"i":13925,"b":"Overbrengingsbesluit notariële archiefbescheiden Gelet op het bepaalde in artikel 69a van de Wet op het Notarisambt, juncto artikel 13, vijfde lid, van de Archiefwet 1962, Besluiten: Artikel 1 De in een algemene bewaarplaats, bedoeld in artikel 69 van de Wet op het Notarisambt, opgenomen notariële archiefbescheiden, welke ouder zijn dan vijfenzeventig jaar, worden binnen een tijdvak van tien jaar ter bewaring overgebracht naar de rijksarchiefbewaarplaats in de hoofdplaats van de provincie, binnen de grenzen waarvan de betrokken notaris zijn standplaats heeft gehad. Artikel 2 De overbrenging geschiedt op last van de Minister van Justitie, die alvorens een dergelijke last te geven, terzake overleg pleegt met de Algemene Rijksarchivaris en de Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen onder welker toezicht de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002677&artikel=1&z=1969-12-12&g=1969-12-12) bedoelde algemene bewaarplaats staat. Artikel 3 De in artikel 69 van de Wet op het Notarisambt bedoelde bewaarder is verplicht zo spoedig mogelijk nadat de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002677&artikel=2&z=1969-12-12&g=1969-12-12) bedoelde last is gegeven, de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden voor overbrenging in gereedheid te brengen en van een inventaris te voorzien. Zodra zulks is geschied geeft hij daarvan kennis aan de Minister van Justitie. Artikel 4 De Minister van Justitie stelt het tijdstip van overbrenging vast na overleg met de Algemene Rijksarchivaris en de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002677&artikel=3&z=1969-12-12&g=1969-12-12) genoemde bewaarder en doet zorgdragen voor het transport naar de aangewezen bewaarplaats. Artikel 5 Van de overbrenging wordt op de wijze als in artikel 18 van het Archiefbesluit is aangegeven, een verklaring opgemaakt en ondertekend. Van deze verklaring zendt de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002677&artikel=3&z=1969-12-"},{"i":14493,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie tot uitvoering van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Regeling normbedragen voorschotverlening 2008) Gelet op de [artikelen 35, tweede en vierde lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Besluit: Artikel 1 1. Het normbedrag dat geldt voor de bepaling van de hoogte van het voorschot dat in elk kwartaal wordt verstrekt aan door de raad ingeschreven advocaten wordt vastgesteld op € 705,–. 2. Het kwartaalvoorschot bedraagt niet meer dan € 43.600,–. 3. Het kwartaalvoorschot wordt op nihil gesteld, indien minder dan tien toevoegingen zijn afgegeven in de referentieperiode, bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2008 Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling normbedragen voorschotverlening 2008. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13778,"b":"Kunst Verbinding Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Deze regeling is bedoeld om instellingen of samenwerkende partijen te stimuleren evenementen te organiseren die gericht zijn op een breed en divers publiek en daardoor een goede aansluiting houden met een veranderende maatschappij en een bijzondere bijdrage leveren aan de hedendaagse beeldende kunst. Artikel 2. Doelgroep Een bijdrage kan worden verstrekt aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon of een collectief van rechtspersonen, zonder winstoogmerk die mede het organiseren van evenementen tot doel heeft. Artikel 3. Subsidiesoort De bijdrage is bedoeld voor een evenement dat plaatsvindt in Nederland, zoals een festival of een manifestatie, en kan worden verstrekt in de vorm van een bijdrage in de kosten van een activiteit op het gebied van de hedendaagse beeldende kunst (projectsubsidie). Artikel 4. Hoogte bijdrage 1. De hoogte van de bijdrage wordt per aanvraag vastgesteld. 2. De bijdrage voor een activiteit zoals bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044480&artikel=3&z=2023-02-01&g=2023-02-01) bestaat uit een percentage van de flexibele projectkosten. In de toelichting bij het aanvraagformulier wordt dit percentage bekend gemaakt. Artikel 5. Weigeringsgronden Het bestuur kan subsidie weigeren als: - a. de aanvrager een organisatie met winstoogmerk is; - b. de aanvrager een kunstpodium of museum is; - c. de betrokken kunstenaar niet artistiek inhoudelijk actief is in de beeldende kunsten en in die hoedanigheid ingebed is in de professionele praktijk van de hedendaagse beeldende kunst in Nederland. Artikel 6. Aanvraag Naast de bepalingen vastgesteld in het [Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038798), in het aanvraagformulier en in de toelichting daarop, dient de aanvraag vergezeld te gaan van: - –. een beschrijving van de missie, de visi"},{"i":14517,"b":"Regeling Open Oproep Het bestuur van de stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit vast te stellen de navolgende regeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidies aan makers en partijen voor de uitvoering van projecten ter bevordering van de kwaliteit van de creatieve industrie. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen De in deze regeling gebruikte begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597). Binnen deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **aanvrager:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon die op grond van deze regeling een subsidieaanvraag doet bij het Stimuleringsfonds. - 2. **adviescommissie:** een onafhankelijke, door het bestuur aangestelde commissie van externe deskundigen. - 3. **beschikking:** de brief waarmee het bestuur formeel besluit over het al dan niet toekennen van de subsidie. - 4. **beschikkingsdatum:** de datum zoals vermeld op de beschikking; - 5. **beschouwer:** een schrijver, programmamaker of curator wiens werkzaamheden zich verhouden tot de creatieve industrie. - 6. **bestuur:** de bestuurder van het Stimuleringsfonds, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050825&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2025-02-19&g=2025-02-19) van de statuten. - 7. **cofinanciering:** aanvullende financiering voor het project in de vorm van een andere subsidie, sponsoring, investering, eigen inkomsten uit bijvoorbeeld kaartverkoop of bijdrage van een externe partij, naast de gevraagde subsidie van het Stimuleringsfonds. Eigen bijdragen in de vorm van investeringen of doorberekende kortingen worden niet gerekend tot cofinanciering. - 8. **creatieve industrie:** het werkterrein van de disciplines vormgeving, architectuur en digitale cultuur inclusief mogelijke cross-overs tussen deze di"},{"i":14521,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Minister van Klimaat en Groene Groei, van 13 december 2025, nr. WJZ/102735469, tot vaststelling van de subsidieplafonds en termijnen van openstelling van EZ-subsidie-instrumenten, LVVN-subsidie-instrumenten en KGG-subsidie-instrumenten (Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026) [KetenID WGK 28368] Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3), de [artikelen 5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [17, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), en [50, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=50) en [artikel 2.3 van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045685&artikel=2.3); Besluiten: Artikel 1. Openstelling [Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474) 1. Als perioden waarin subsidieaanvragen kunnen worden ingediend krachtens de in kolom 1 genoemde titels van de [Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474) en de in kolom 2 genoemde artikelen van die regeling, in voorkomende gevallen verbijzonderd naar de in kolom 3 omschreven of aangeduide groepen van aanvragers, programma’s, projecten of aanvragen, en de in kolom 4 omschreven thema’s of programmalijnen, worden vastgesteld de daarbij behorende perioden, genoemd in kolom 5. Aanvragen zijn tijdig ingediend indien zij op de genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen. 2. Als subsidieplafond wordt per in kolom 5 genoemde periode het daarbij behorende in kolom 6 genoemde bedrag vastgesteld. | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | | --- | --- | ---"},{"i":12248,"b":"Besluit financiën en personeel Kabinetten van de Gouverneurs Gelet op [artikel 19, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=19), en [21, zesde lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=21), [artikel 4 van het Instellingsbesluit Kabinet van de Gouverneur van Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030153&artikel=4), [artikel 4 van het Instellingsbesluit Kabinet van de Gouverneur van Curaçao](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028704&artikel=4) en [artikel 4 van het Instellingsbesluit Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028707&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **directeur van het Kabinet:** directeur van het Kabinet van de Gouverneur van Aruba, directeur van het Kabinet van de Gouverneur van Curaçao of directeur van het Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten; - c. **Kabinet:** Kabinet van de Gouverneur van Aruba, Kabinet van de Gouverneur van Curaçao of Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten; - d. **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - e. **directeur FEZ:** directeur van de directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - f. **directeur PRIO:** directeur van de directie Personeel, Regie, ICT en Organisatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. De directeur van het Kabinet zendt de minister jaarlijks vóór 1 januari van een begrotingsjaar een bestedingsplan ten behoeve van de aan de taakvervulling van het Kabinet verbonden uitgaven voor het volgende begrotingsjaar. 2. Voorts zendt de directeur van het Kabinet jaarlijks aan de directeur FEZ: - a. vóór 15 februari een verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het Kabinet over de perio"},{"i":13494,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid en het College van procureurs-generaal van 28 januari 2026, nr. 6789396, tot instelling van de Commissie ICT-inbreuk openbaar ministerie (Instellingsbesluit Commissie ICT-inbreuk openbaar ministerie) Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **college:** het College van procureurs-generaal; - c. **commissie:** de commissie zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052266&artikel=2&z=2026-05-01&g=2026-05-01); Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie ICT-inbreuk openbaar ministerie. 2. De commissie heeft tot taak het onderzoeken van de ICT-inbreuk bij het openbaar ministerie zoals gemanifesteerd op 17 juli 2025. Daarbij worden in elk geval de volgende elementen betrokken: - a. een terugblik op het incident; - b. de (eerste) reactie van het openbaar ministerie hierop; - c. welke stappen het openbaar ministerie op welk moment heeft gezet en welke risico’s hierbij zijn gesignaleerd; - d. het herstel na het incident en hoe dit herstel is vormgegeven. 3. De commissie betrekt hierbij onder meer de complexiteit van de strafrechtketen en de onderlinge (digitale) afhankelijkheden, bij zowel de gevolgbestrijding als de uitvoering van de noodoplossingen. 4. Naar aanleiding van haar bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen te doen, zoals over de wijze waarop incidenten in de informatiebeveiliging in de toekomst zo veel mogelijk kunnen worden voorkomen, vroegtijdig te detecteren dan wel de impact van (misbruik van) deze kwetsbaarheden kunnen worden beperkt rekening houdend met de ketenorganisaties. Artikel 3. Leden 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. 2. De commissie bestaat uit: - a. De heer J. Smit, tevens voorzitter; - b. De heer M.J.G. van Eeten; - c. De heer B. Voorbraak. Artikel 4. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De voo"},{"i":12873,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Prijsbeleid, vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 september 2007, nr. aca-2007.03991/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Prijsbeleid, over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14529,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 11 juli 2014, nr. IENM/BSK-2014/142179, houdende de vaststelling van regels betreffende het legitimatiebewijs voor gehandicapten (Regeling OV-begeleiderskaart) Gelet op [artikel 45, tweede lid, Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=45); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **OV-begeleiderskaart:** legitimatiebewijs voor gehandicapten als bedoeld in [artikel 45, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=45); - **de uitvoeringsinstantie:** Argonaut Advies B.V., gevestigd te: Soestdijkerweg 17, 3734 MG Den Dolder, waarvan bij besluit van de minister aan de directeur mandaat en machtiging is verleend voor de uitvoering van deze regeling. Artikel 2 1. Voor een OV-begeleiderskaart kunnen personen van ten minste twaalf jaar oud in aanmerking komen, die naar het oordeel van de minister ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare beperkingen van langdurige aard hebben en daardoor in redelijkheid niet in staat zijn met de gebruikelijke hulpmiddelen zelfstandig gebruik te maken van het openbaar vervoer. 2. Voor een OV-begeleiderskaart komen in ieder geval in aanmerking personen van ten minste twaalf jaar oud waarvan kan worden aangetoond dat zij: - a. ten gevolge van een aandoening of gebrek een loopbeperking hebben van langdurige aard waardoor zij, met de gebruikelijke hulpmiddelen, in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan honderd meter te lopen; - b. bij voortduring in een instelling, of andere vorm van opvang, met 24-uurszorg voor verstandelijk of lichamelijk gehandicapten verblijven; - c. lijden aan een vorm van epilepsie die dermate ernstig is dat zij daardoor niet in staat zijn zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken; - d. als gevolg van een visuele bep"},{"i":14564,"b":"Regeling rapportageverplichtingen 2024 gelet op de [artikelen 34k van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34k), [artikel 5.1, eerste en derde lid, van het Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=5.1), de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=6) en [7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=7), en [20, vijfde lid, van het Besluit werving, reclame, verslavingspreventie kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=20), de [artikelen 4.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=4.14), [4.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=4.15), [4.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=4.16), [4.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=4.17) en [4.18 van de Regeling Kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=4.18), en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033613&artikel=2) en [14 van de Regeling werving, reclame, verslavingspreventie kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033613&artikel=14), besluit de volgende regels vast te stellen: Paragraaf 1. Definities Artikel 1.1. Definities - 1. **besluit KOA:** [Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773); - 2. **besluit WRVK:** [Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412); - 3. **raad van bestuur:** raad van bestuur van de Kansspelautoriteit als bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - 4. **regeling KOA:** [Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767); - 5. **regeling WRVK:** [Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](https://wetten."},{"i":14565,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 22 oktober 2013, nr. 432999, houdende vaststelling van het recht voor inschrijving van een notariële akte in het testamentenregister (Regeling recht inschrijving aktes centraal testamentenregister) Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Wet op het centraal testamentenregister](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003080&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Het voor elke inschrijving van een notariële akte in het centraal testamentenregister te betalen recht wordt vastgesteld op € 5,50. Artikel 2 De notaris draagt het recht af door storting op de daartoe door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie aangewezen rekening. Artikel 3 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034126&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01) wordt het recht bij elke inschrijving van een notariële akte: - a. in 2012 vastgesteld op € 8,17; - b. in 2013 vastgesteld op € 7,50. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014 en werkt terug tot en met 1 januari 2012. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling recht inschrijving aktes centraal testamentenregister. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14566,"b":"Regeling rechten tijdens afzondering en separatie Gelet op [artikel 34, achtste lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=34); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 6 oktober 1998, nr. 719424; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Afzondering 1. Tijdens afzondering zijn beperkingen op de aan de verpleegde op grond van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765) toekomende rechten slechts mogelijk op de in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765) genoemde gronden. 2. Tijdens de afzondering ontvangt de verpleegde regelmatig eten en drinken. 3. Indien de afzondering plaatsvindt in een andere dan de persoonlijke verblijfsruimte, dan kan het de verpleegde worden toegestaan hem toebehorende voorwerpen bij zich te hebben. Artikel 3. Separatie 1. Tijdens de separatie kan de verpleegde de rechten vermeld in [artikel 37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=37), [artikel 38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=38), [artikel 40, derde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=40), [artikel 42, tweede lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=42) niet uitoefenen, tenzij het hoofd van de inrichting anders bepaalt. 2. Tijdens de separatie ontvangt de verpleegde regelmatig eten en drinken. 3. De verpleegde kan worden verplicht tijdens de separatie aangepaste kleding of schoeisel te dragen. 4. Tijdens de separatie kan het de verpleegde worden toegestaan hem toebehorende voorwerpen bij zich te hebben. 5. Tijdens de separatie kan toezicht op de verpleegde worden gehouden met behulp van een camera. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Deze"},{"i":2840,"b":"Beschikking wijziging-percentages levensonderhoud 1974 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens [artikel 9, achtste lid, der Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9), per 30 september 1973 ten minste één procent afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1972: Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en op artikel V van de Wet houdende regelen omtrent de indexering van uitkeringen voor levensonderhoud van 6 juli 1972, Stb. 390. Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek, waarmede in het jaar 1973 vastgestelde bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1974 worden verhoogd, wordt bepaald op 12. Artikel 2 Het percentage, bedoeld in artikel V, eerste lid, van de Wet houdende regelen omtrent de indexering van uitkeringen voor levensonderhoud (Stb. 1972, 390). waarmede in het jaar 1972 vastgestelde bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1974 worden verhoogd, wordt bepaald op 23. Artikel 3 Het percentage, bedoeld in artikel V, eerste lid, van de Wet houdende regelen omtrent de indexering van uitkeringen voor levensonderhoud (Stb. 1972, 390), waarmede in het jaar 1971 vastgestelde bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1974 worden verhoogd, wordt bepaald op 40. Artikel 4 Het percentage, bedoeld in artikel V, eerste lid, van de Wet houdende regelen omtrent de indexering van uitkeringen voor levensonderhoud (Stb. 1972, 390), waarmede bedragen voor levensonderhoud, vóór 1 januari 1971 vastgesteld, met ingang van 1 januari 1974 worden verhoogd, wordt bepaald op 54. Artikel 5 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 6 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging-percentages levensonderhoud 1974."},{"i":14568,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 1 september 2014, nr. 492909, houdende het van overeenkomstige toepassing verklaren van enkele rechtspositionele regelingen ten aanzien van de leden met rechtspraak belast en de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Regeling rechtspositie leden met rechtspraak belast en gerechtsauditeurs CRvB en CBb) Gelet op [artikel 3 van het Besluit rechtspositie leden met rechtspraak belast en gerechtsauditeurs CRvB en CBb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028987&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Op de leden met rechtspraak belast van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de senior-gerechtsauditeurs en de gerechtsauditeurs bij de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven zijn de [artikelen 2 tot en met 5 van de **Anticumulatieregeling PAS Rechterlijke Macht**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030454&artikel=2) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: - a. onder rechterlijk ambtenaar wordt verstaan: de leden met rechtspraak belast en senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven; - b. het bestuur van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit. Artikel 2 Op de leden met rechtspraak belast van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de senior-gerechtsauditeurs en de gerechtsauditeurs bij de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven zijn de [artikelen 4 tot en met 6 van de **Regeling algemene onkostenvergoeding rechterlijke ambtenaren**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031765&artikel=4) van overeenkomstige toepassing, met dien"},{"i":7605,"b":"Instellingsbesluit Commissie onderzoek elektronisch stemmen Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6): Besluiten Artikel 1 Er is een Commissie onderzoek elektronisch stemmen in het stemlokaal, hierna te noemen: de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak na te gaan of elektronisch stemmen in het stemlokaal bij verkiezingen die vallen onder de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) mogelijk is onder andere door middel van het maken van een risicoanalyse en het formuleren van de eisen die aan het elektronisch stemmen zouden moeten worden gesteld, alsmede te adviseren over de wijze waarop voor de verkiezingen kan worden vastgesteld dat aan de eisen wordt voldaan en over de wijze waarop de eisen onderhouden dienen te worden zodat vertrouwen in het elektronisch stemmen kan blijven bestaan. Artikel 3 1. Tot voorzitter, tevens lid, van de commissie is benoemd: Dhr. W.I.I. van Beek 2. Tot lid van de commissie zijn benoemd: - a. Dhr. Mr. B.B. Schneiders - b. Dhr. Prof. Ir. D.J. van Eijk - c. Dhr. Ir. R. Prins - d. Dhr. Dr. J-H. Hoepman - e. Dhr. Drs. A. Kamphuis - f. Mevr. I. Ruiter - g. Dhr. F. de Paauw Artikel 4 1. De commissie streeft ernaar haar advies uit te brengen voor 1 november 2013 aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. Na het uitbrengen van haar advies is de commissie opgeheven. Artikel 5 De archiefbescheiden van de commissie worden na haar opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14575,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 22 april 2025, nr. IENW/BSK-2025/19526, houdende regels omtrent de aanvraag van inschrijving in het vlagregister van zeeschepen en tot aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren (Regeling registratie zeeschepen) Gelet op de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048148&artikel=4), [6, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048148&artikel=6), [9, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048148&artikel=9), [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048148&artikel=11), [16, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048148&artikel=16), [21, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048148&artikel=21), en [22, aanhef en onderdeel a, van de Rijkswet nationaliteit zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048148&artikel=22); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet nationaliteit zeeschepen in werking treedt. Artikel 1. – Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt onder eigenaar, IMO-nummer, Koninkrijk, land, reder, rompbevrachting, te boek staan, vlagregister, zeeschip en zeeschip in bedrijfsmatig gebruik verstaan, hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048148&artikel=1). 2. In deze regeling wordt voorts verstaan onder: - –. **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - –. **Nederlands zeeschip:** zeeschip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is om de vlag van het Koninkrijk te voeren; - –. **NSI-nummer:** door de minister aan een zeeschip toegekend nationaal scheepsidentificatienummer; - –. **rijkswet:** [Rijkswet nationaliteit zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048148). Artikel 2. – Categorieën vlagregister In het vlagregister wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën zeeschepen: - a. zeeschepen in eigendom en in bedrij"},{"i":14576,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 januari 2010, nr. 2010-0000023760, CZW/WSG, tot vaststelling van het registratieformulier voor klachten over discriminatie en intrekking van de Stimuleringsregeling professionalisering antidiscriminatiebureaus (ADB’s) Gelet op [artikel 2, vierde lid, van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026168&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Het formulier ten behoeve van de registratie door een antidiscriminatievoorziening van klachten over discriminatie wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 2 De [Stimuleringsregeling professionalisering antidiscriminatiebureaus (ADB’s)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012267) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling registratieformulier antidiscriminatievoorzieningen. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027116&artikel=1&z=2016-11-02&g=2016-11-02) van de Regeling registratieformulier antidiscriminatievoorzieningen Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 1. Totaal aantal klachten dat bij de gemeentelijke antidiscriminatievoorziening is gemeld 2a. Wettelijke discriminatiegronden1Niet-wettelijke gronden: zie tabel 2c. Het totaal van de klachten vermeld in tabel 2a plus tabel 2c kan afwijken van het totaal aantal binnengekomen klachten, vermeld in tabel 1. Een klacht kan namelijk betrekking hebben op meer dan één categorie. Hierdoor kan er een verschil ontstaan tussen deze totalen.Tabel 2b bevat een specificatie van klachten die reeds in tabel 2a of 2c zijn genoemd. Tabel 2b is bedoeld om discriminatie van specifieke groepen zichtbaar te maken. 2b. Specifieke subcategorieën2Tabel 2b bevat een specificatie van klachten die ree"},{"i":4571,"b":"Besluit van 26 november 2014 tot uitvoering van de Wet op de dierproeven (Dierproevenbesluit 2014) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 september 2013, nr. WJZ / 13153474; Gelet op [richtlijn nr. 2010/63](32010L0063)/EU van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEU 2010, L 276) en de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=9), [10a1, zevende lid](onbekend), [10a4, eerste lid](onbekend), [10e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10e), [11a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=11a), [13f, eerste en vijfde lid](onbekend), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=14), [14a, tweede lid](onbekend), [14b, eerste lid](onbekend), [14c, tweede lid](onbekend), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=15), [15a](onbekend), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=18), en [18a, tweede lid, van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=18a) en [artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=96); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 oktober 2013, nr. W15.13.0337/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 21 november 2014, nr. WJZ / 14026568; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder «wet»: [Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081). § 2. Dierproeven en projecten Artikel 2 1. De persoon, bedoeld in [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=9), is wetenschappelijk opgeleid in een lidstaat van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte in een richting die verband houdt met de te verrich"},{"i":7361,"b":"Wet van 17 maart 1993, houdende bepalingen voor de jaarrekening van banken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de wet moet worden aangepast aan de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen 86/635/EEG van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (**PbEG** L372); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Overgangs- en slotbepalingen Artikel VI 1. Tot aan het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 1998 mogen banken als bedoeld in [artikel 415](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=415), voor zover dit geboden is om redenen van voorzichtigheid wegens de algemene risico's van haar bankbedrijf, de niet tot de vaste activa, en evenmin tot de handelsportefeuille behorende effecten als omschreven in het tweede lid, alsmede de vorderingen op bankiers en cliënten met ten hoogste 4% onderwaarderen van de verkrijgingsprijs of lagere marktwaarde of wat betreft de vorderingen van de boekwaarde. 2. De in lid 1 bedoelde effecten zijn de waardepapieren met een vaste of van de rentestand afhankelijke rente, met uitzondering van schatkistpapier en andere bij de centrale bank in het land of de landen waar de bank gevestigd is te belenen waardepapieren met een vaste of van de rentestand afhankelijke rente, en de overige effecten die niet als deelnemingen worden gehouden. 3. Indien lid 1 wordt toegepast, worden de in dat lid bedoelde effecten en vorderingen op de grondslag van de verkrijgingsprijs gewaardeerd en worden het resu"},{"i":14613,"b":"Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden Gelet op [artikel 13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=13), [artikel 15, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=15), [artikel 25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=25) en [artikel 52, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=52); Gezien op de adviezen van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 4 maart 1999, kenmerk 74766798, 27 september 1999, kenmerk 789741/99, 14 december 1999, kenmerk 805820/99 en 21 december 1999, kenmerk 796162/99; Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709); - b. besluit: de [Penitentiaire maatregel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009398); - c. maatschappelijk risico: het risico dat de gedetineerde vormt voor de maatschappij, in termen van maatschappelijke onrust, algemeen gevaar voor de openbare orde of de veiligheid van personen en de orde en de veiligheid binnen de inrichting; - d. risicoprofiel: de aanduiding van het vlucht- en maatschappelijk risico van een gedetineerde; - e. opgelegde vrijheidsstraf: de opgelegde vrijheidsstraf, dan wel het totaal van de opgelegde vrijheidsstraffen zonder aftrek van de vervroegde invrijheidstelling; - f. divisiedirecteur GW/VB: de directeur van de divisie Gevangeniswezen en Vreemdelingenbewaring van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; - fa. divisiedirecteur IZ: de directeur van de divisie Individuele Zaken van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; - g. GRIP: het Gedetineerden Recherche Intelligencepunt van de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties; - h. forensische zorg: zorg als bedoeld in [artikel 1.1, tweede lid, van de"},{"i":2891,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2021 van 6 september 2020, nummer 2020/1 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2020 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2019; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 2,7%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Landscourant van Curaçao en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2021."},{"i":4360,"b":"Besluit van 4 september 1969, tot uitvoering van de artikelen 16, 19, eerste lid, 21, 29, 30, tweede lid, 31 en 32 van de Kernenergiewet Op de voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Verkeer en Waterstaat van 23 augustus 1968, no. 668/639 W.J.A., de Centrale Raad voor de Kernenergie gehoord; Gelet op de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=16), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=19), eerste lid, [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=21), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=26), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=29), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=30), tweede lid, [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=31), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=32) en [35 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=35) (**Stb.** 1963, 82); De Raad van State gehoord (advies van 25 september 1968, no. 88); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Verkeer en Waterstaat van 3 september 1969, no. 669/585 W.J.A.; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Belgiëvaarder:** Een schip dat, tenzij nautische omstandigheden daartoe noodzaken, zonder een haven, overlaadplaats, ankerplaats of wachtplaats in Nederland aan te doen, zonder dat er laad-, los- of bunkerhandelingen worden verricht en zonder dat er sprake is van het schoonmaken, gasvrijmaken of spoelen van tanks, vaart: - 1°. van zee, over de Westerschelde, naar België; of - 2°. van België, over de Westerschelde, naar zee; - **collo**: verpakking met radioactieve inhoud, gereed voor verzending; - **geneesmiddel:** een substantie of een sam"},{"i":3622,"b":"Besluit van 10 oktober 2022, houdende regels omtrent de oprichting en inrichting van een kiescollege voor de Eerste Kamer voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn alsmede wijziging van het Kiesbesluit ten behoeve van de verkiezing van de leden van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn en de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer door de leden van dit kiescollege (Besluit kiescollege niet-ingezetenen) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 augustus 2022, nr. 2022-0000359620; Gelet op de [artikelen 19, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047384&artikel=19), en [27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047384&artikel=27), [36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047384&artikel=36), in samenhang met [artikel D 4 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=D_4), en [40, derde lid, van de Wet kiescollege niet-ingezetenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047384&artikel=40) en de [artikelen Pa 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Pa_1), in samenhang met de [artikelen D 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=D_4), [H 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=H_1), [H 3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=H_3), [H 3, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=H_3), [H 9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=H_9), en [P 20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=P_20), [Pa 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Pa_15), [Pa 16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Pa_16), [Pa 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Pa_26), [Pa 27, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Pa_27), [Ua 3, tweede lid, van Kieswet](https://wett"},{"i":3555,"b":"Besluit van 2 juli 1997 tot nadere regeling van de heffing van gelden ter bevordering van scholing en vorming van ondernemingsraadsleden bij de overheid (Besluit heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden bij de overheid) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 2 april 1997, nr. AB97/U415, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Arbeidsverhoudingen en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 46**d**, onderdeel **g**, van de Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=46d); De Raad van State gehoord (advies van 15 mei 1997, nr. W04.97.0196); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 26 juni 1997, nr. AB97/652, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Arbeidsverhoudingen en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 mei 1997. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: de Minister van Binnenlandse Zaken; - b. ondernemer: een rechtspersoon die: - –. een onderneming in stand houdt waarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht, of; - –. overheidswerkgever is; - c. overheidswerkgever: de overheidswerkgever, bedoeld in [artikel 1, onderdeel k, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267&artikel=1); - d. het Lisv: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, bedoeld in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; - e. de uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 die een of meer uitkeringsregelingen ter zake van ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid van overheidswerknemers als bedoeld in [artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de werk"},{"i":3331,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 16 april 2024 nr. BOACAT2024/036, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Vijfheerenlanden Gelezen het verzoek van de gemeente Vijfheerenlanden van 10 april 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049592&artikel=2&z=2025-07-02&g=2025-07-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar domein 1, in dienst van gemeente Vijfheerenlanden, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor"},{"i":3533,"b":"Besluit van 30 oktober 2007, houdende regels ter uitvoering van de Wet op het financieel toezicht met betrekking tot de toegang tot de Nederlandse financiële markten voor marktexploitanten en voor het exploiteren of beheren van een gereglementeerde markt en wijziging van enkele andere besluiten ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten (Besluit gereglementeerde markten Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 5 oktober 2007, nr. FM 2007-2455 M; Gelet op [richtlijn nr. 2004/39](32004L0039)EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de [richtlijnen nr. 85/611/EEG](31985L0611) en [93/6/EEG](31993L0006) van de Raad en van [richtlijn nr. 2000/12/EG](32000L0012) van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van [Richtlijn 93/22/EEG](31993L0022) van de Raad (PbEU L 145) en [richtlijn nr. 2006/73/EG](32006L0073) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van [Richtlijn 2004/39/EG](32004L0039) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PbEU L 241) alsmede de [artikelen 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [4:11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:11), [4:14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), [4:16, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:16), [4:18c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:18c), [4:19, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:19), [4:20, eerste, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002"},{"i":3357,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 23 januari 2024 nr. BOACAT2024/006, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Omgevingsdienst Groningen Gelezen het verzoek van de Omgevingsdienst Groningen van 18 januari 2024 en de adviezen van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049319&artikel=2&z=2024-02-01&g=2024-02-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van Omgevingsdienst Groningen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de fu"},{"i":3917,"b":"Besluit van 1 maart 1989, tot vaststelling van het ten hoogste toelaatbaar organisch-halogeengehalte van brandstoffen of grondstoffen van brandstoffen Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 oktober 1988, nr. MJZ 2608011, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Overwegende dat het teneinde ongewenste effecten van polychloorbifenylen en andere organische halogeenverbindingen op mens en milieu te voorkomen en teneinde uitvoering te geven aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 december 1986 tot wijziging van [Richtlijn 75/439/EEG](31975L0439) inzake de verwijdering van afgewerkte olie (**PbEG** 1987, L 42), en aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 (**PbEG** 1976, L 262) betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde stoffen en preparaten, zoals gewijzigd bij de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 oktober 1985 (**PbEG** 1985, L 269), wenselijk is regels te stellen ten aanzien van het gehalte aan die stoffen in brandstoffen en grondstoffen voor brandstoffen; Gelet op [artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=24) (**Stb.** 1985, 639); De Raad van State gehoord (advies van 21 december 1988, nr. W08.88.0621); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21-2-1989, nr. MJZ 2129035, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. brandstoffen: stoffen of preparaten, dienende voor verbranding; - b. gehalte aan polychloorbifenyle"},{"i":2933,"b":"Besluit van 9 oktober 1991, houdende aanwijzing van diensten als bedoeld in artikel 1, onder a, 2° en 3°, van de Wet op het consumentenkrediet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 mei 1991, nr. 91046398 WJA/W, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Justitie; Gelet op artikel 1, onder **a,** 2° en 3°, van de [Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815) (**Stb.** 1990, 395); Gehoord de Adviescommissie consumentenkrediet; De Raad van State gehoord (advies van 2 september 1991, nr. W10.91.0276); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 30 september 1991, nr. 91080220 WJA/W, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als dienst in de zin van artikel 1, onder **a,** 2° en 3°, van de [Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815) (**Stb.** 1990, 395) wordt aangewezen het in het kader van een reisovereenkomst vervoeren van reizigers of aan hen verstrekken van verblijf. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de [Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815) in werking treedt. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit aanwijzing diensten Wet op het consumentenkrediet. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":3359,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 februari 2023 nr. BOACAT2023/004, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Omgevingsdienst Haaglanden Gelezen het verzoek van de directeur van de Omgevingsdienst Haaglanden van 30 januari 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047887&artikel=2&z=2023-06-07&g=2023-06-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder Milieu in dienst van de Omgevingsdienst Haaglanden, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelij"},{"i":2536,"b":"Beleidsregel Uurloonschatting 2008 Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=4) en [5 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=5), [18 van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=18), [2 van de WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=2) en [2 van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2) en het [Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011478); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid: arbeid als bedoeld in [artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011478&artikel=9). - b. maatgevende arbeid: arbeid verricht door de gelijksoortige gezonde persoon als bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=4) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=5) juncto [artikel 1 WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=1), [artikel 18 WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=18), [artikel 2 WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=2) en [artikelen 2:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:2), [2:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:5) en [3:1 van de Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:1). - c. mediane uurloon: uurloon als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011478&artikel=10) - d. SBC code: een Standaard Beroepenclassificatie, waarin soortgelijke functies worden gekoppeld. Artikel 2. Berekening resterende verdiencapaciteit 1. Is de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid kleiner dan de urenomvang van de maatgevende arbe"},{"i":2901,"b":"Besluit van 25 november 2002, houdende aanpassing van enkele algemene maatregelen van bestuur op het terrein van OCenW aan de Vreemdelingenwet 2000 en wijziging van het Bekostigingsbesluit WPO in verband met een verlaging van de drempel voor de groeiregeling (Aanpassingsbesluit van enkele amvb's aan de Vreemdelingenwet 2000 en wijziging Bekostigingsbesluit WPO (verlaging drempel groeiregeling)) Artikel I Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II Wijzigt het Formatiebesluit WPO. Artikel III Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Wijzigt het Formatiebesluit WEC. Artikel V Wijzigt het Formatiebesluit W.V.O. Artikel VI Wijzigt het Inrichtingsbesluit W.V.O. Artikel VII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Maria J.A. van der Hoeven, van 13 september 2002, nr. WJZ/2002/33743 (2582), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 69, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=69), [120, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=120), [122, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=122), en [185, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=185), [artikel 117, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117) en [artikel 16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=16), en [233, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=233); De Raad van State gehoord (advies van 26 september 2002, nr. W05.02.0407/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 18 november 2002, nr. WJZ/2002/37119 (2582); Hebben goedgevonden en verstaan: Lasten en bevelen dat dit besluit met de d"},{"i":2514,"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 april 2016, nr. WJZ/16009144, houdende de regels betreffende het verstrekken van een tegemoetkoming aan beroepsvissers die schade hebben geleden als gevolg van het verbod op grond van artikel 5.10 van de Wet dieren (Beleidsregel tegemoetkoming visverbod voor het jaar 2015) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - **afschrijving:** afschrijving als bedoeld in de [artikelen 3.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.30) en [3.34 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.34); - **de-minimisverordening:** Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU 2014, L 190); - **Minister:** de Minister van Economische Zaken; - **netto jaarresultaat:** omzet verminderd met de vaste en de variabele kosten, voordat dit bedrag is verminderd met de verschuldigde inkomsten- en vennootschapsbelasting. Artikel 2 1. De Minister verstrekt op aanvraag een tegemoetkoming aan degene die tot en met 31 december 2014 viste in de wateren, bedoeld in [bijlage 16 van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&bijlage=16), en wiens overeenkomst van huur van visrecht of schriftelijke toestemming voor het stellen van vaste vistuigen in 2015 door de Minister is opgezegd onderscheidenlijk ingetrokken als gevolg van het visverbod, bedoeld in [artikel 28b van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=28b), voor zover door de aanvrager geen vervangende vislocatie is geaccepteerd. 2. De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, bedraagt het gemiddelde n"},{"i":3212,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 31 augustus 2022 nr. BOACAT2022/063, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Breda Gelezen het verzoek van gemeente Breda van 25 augustus 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047121&artikel=2&z=2022-09-08&g=2022-09-08). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van sociaal rechercheur in dienst van gemeente Breda, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie"},{"i":14640,"b":"Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 3 december 2025, nr. INV2026, tot vaststelling van een subsidieregeling Journalistieke Innovatie 2026 Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Gelet op [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3) en [8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **De-minimisverordening:** [Verordening (EU) 2023/2831](32023R2831) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, C/2023/9700, PB L 2023/2831, 15.12.2023; - b). **De-minimissteun:** steun die wordt verleend binnen de kaders van de de-minimisverordening; - c). **innovatie:** het ontwikkelen van nieuwe journalistieke producten of diensten voor de eigen organisatie of journalistieke sector en/of het aanboren van een nieuwe markt en/of voor het implementeren van nieuwe werkprocessen binnen de eigen organisatie; - d). **Stimuleringsfonds:** het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek, bedoeld in [artikel 8.2 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.2). Artikel 1.2. Doel van de subsidie Subsidieverstrekking op grond van deze regeling heeft tot doel het stimuleren van vernieuwing binnen de journalistieke sector door het ondersteunen van deelnemers bij innovatie, als bedoeld in [artikel 1.1, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052381&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2026-03-04&g=2026-03-04). Om dat doel te bereiken is deelname aan een door het Stimuleringsfonds aangeboden begeleidingsprogramma onlosmakelijk aan de subsidieverstrekking verbonden. Artikel 1.3. Subsidieperiode De subsidie wordt verstrekt voor de kosten van activiteiten die worden uitgevoerd in de periode 11 mei 2026 tot en met 25 n"},{"i":14644,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 2025-0000248607, directie Financiële Markten, houdende regels met betrekking tot de taakuitoefening en samenwerking van financiële toezichthouders Gelet op de [artikelen 1:24, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:51e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:51e), [1:65, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:65), en [1:69, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:69), alsmede de in de [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051495&bijlage=1&z=2025-10-01&g=2025-10-01) bij deze regeling aangehaalde EU-richtlijnen; BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder **wet**: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 2. Toezichthouders De toezichthouders nemen bij de uitoefening van hun taken op grond van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en bij de samenwerking met buitenlandse of Europese instanties de in de [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051495&bijlage=1&z=2025-10-01&g=2025-10-01) bij deze regeling genoemde richtlijnbepalingen in acht. Artikel 3. Intrekking De [Regeling taakuitoefening en grensoverschrijdende samenwerking financiële toezichthouders Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032529) wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling taakuitoefening toezichthouders Wft. Bijlage 1. [Richtlijn 2002/87/EG](32002L0087) (FICOD – financiële conglomeraten) **Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de raad van 16 december 2"},{"i":14645,"b":"Regeling houdende regels met betrekking tot de verstrekking en het gebruik van tachograafkaarten (Regeling tachograafkaarten) Gelet op [artikel 12.38, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=12:38), [artikel 2.4:1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=2.4:1), [artikel 2.4:12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=2.4:12) en [artikel 2.4:13, eerste lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=2.4:13), en [artikel 4b, tweede lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 6 juli 2004 tot wijziging van de Arbeidstijdenwet en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van het digitale controleapparaat (Stb. 2004, 347) in werking treedt. § 1. Reikwijdte Artikel 1 Vervallen § 2. Aanvraag en verlening Artikel 2 1. Als document, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van verordening (EU) nr. 165/2014 wordt beschouwd een geldig rijbewijs voor het besturen van een voertuig als bedoeld in [artikel 2.3:1 onder a en b, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=2.3:1). 2. Een bedrijfskaart wordt op aanvraag verleend indien de aanvrager is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in [artikel 2 van de Handelsregisterwet 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007893&artikel=2), tot een maximum van 62 exemplaren per aanvrager. 3. Een werkplaatskaart wordt op aanvraag verleend indien de aanvrager: - a. een geldige bevoegdheidspas als bedoeld in [artikel 1:1, tweede lid, van de Regeling tachografen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137&artikel=1:1) overlegt; - b. onder gezag of in de hoedanigheid van een erkenninghouder als bedoeld in [artikel 1:1, tweede lid, van de Regeling tachografen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042"},{"i":14648,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 8 december 2015, nr. IENM/BSK-2015/208759, houdende regels omtrent de overheidszorg op het gebied van meteorologie en seismologie (Regeling taken meteorologie en seismologie) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op de [artikelen 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=3), [4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=4), en [6, zesde lid, van de Wet taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=6) en de [artikelen 5.13a, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.13a), en [5.14b, vierde lid, onderdeel a, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.14b); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet taken meteorologie en seismologie in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **Calamiteit:** een zwaar ongeval of een andere gebeurtenis waarbij het leven en de gezondheid van personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate zijn geschaad of dreigen te worden geschaad; - **KNMI:** Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **raad van toezicht:** raad van toezicht, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=6); - **weeralarm:** waarschuwing voor maatschappij-ontwrichtend weer van een zodanige intensiteit dat een grote impact op de veiligheid in de samenleving wordt verwacht; - **wet:** [Wet taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074). 2. Aan de zorgplichten, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=3), wordt namens de minister uitvoering gegeven door het agentschap KNMI. Artikel 2 De ["},{"i":14649,"b":"Regeling van de minister van Veiligheid en Justitie, d.d. 8 mei 2012, nr. 227774, houdende bepalingen inzake de taakopdracht van het Nederlands Forensisch Instituut (Regeling taken NFI) Gelet op [artikel 2, onder c, sub 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029453&artikel=2) en [artikel 34 van de Organisatieregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029453&artikel=34); Besluit: Artikel 1. Taken NFI 1. Met het oog op de waarheidsvinding in strafzaken heeft het NFI de volgende kerntaken: - a. het verrichten van onafhankelijk forensisch zaakonderzoek op overwegend technisch, medisch-biologisch en natuurwetenschappelijk gebied en het ter zake daarvan uitbrengen van verslag; - b. het ontwikkelen en implementeren van nieuwe onderzoeksmethoden en technieken ter bevordering van kennis op het gebied van forensisch onderzoek; - c. het zijn van (inter)nationaal kennis- en expertisecentrum op het gebied van het forensisch onderzoek. 2. Het NFI kan ook producten of diensten leveren indien sprake is van: - a. een activiteit die in het verlengde ligt van de kerntaken, bedoeld in het eerste lid, en een onlosmakelijke samenhang heeft met de waarheidsvinding in strafzaken; - b. een activiteit die bijdraagt aan de handhaving van de (inter)nationale rechtsorde of veiligheid en waarvan het om redenen van kwaliteit, zorgvuldigheid, doelmatigheid, continuïteit of herkenbaarheid wenselijk is dat het NFI deze verricht; - c. ondersteuning bij de hulpverleningstaak van de politie, bedoeld in [artikel 2 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=2). Artikel 2. Afnemers producten en diensten NFI 1. Bij de uitvoering van de kerntaken, bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031558&artikel=1&z=2012-05-19&g=2012-05-19), levert het NFI producten of diensten aan het openbaar ministerie, de zittende magistratuur, de politie, de bijzondere opsporingsdiensten en het ministerie va"},{"i":14650,"b":"Regeling Talentontwikkeling 2025–2028 gelet op [artikel 10, vierde lid, van de **Wet op het specifiek cultuurbeleid**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gelet op [artikel 4:23, eerste lid van de **Algemene wet bestuursrecht**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); gelet op het [Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516); met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 januari 2022; en voor de gewijzigde versie op 27 maart 2023; besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Gebruikte begrippen 1. In deze regeling worden onderstaande begrippen gebruikt - a. **Activiteit:** een specifieke handeling of bezigheid die door de aanvrager wordt gestart. Bijvoorbeeld brainstorms, repetities, coachingsessies, bijeenkomsten en presentaties. Deze activiteit wordt door, of met, de doelgroep (een persoon, groep of organisatie) uitgevoerd om een specifiek effect te bereiken. - b. **Adviescommissie:** een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het [Huishoudelijk Reglement van het Fonds 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042690). - c. **Algemeen Subsidiereglement:** [Algemeen Subsidiereglement van het Fonds 2021.](https://fvcp.fra1.cdn.digitaloceanspaces.com/uploads/asr27mrt23-64380.pdf) - d. **Caribisch deel van het Koninkrijk:** de landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - e. **Caribisch Nederland:** de drie openbare lichamen van het land Nederland, zijnde de eilanden: Bonaire, Sint Eustatius en Saba - f. **Coach:** persoon die zich via informele routes heeft ontwikkeld als coach voor talenten, en aantoonbaar minstens 3 jaar actief talenten in informele netwerken begeleidt. - g. **Culturele Codes:** Code Diversiteit & Inclusie, Fair Practice Code, Governance Code Cultuur. - h. **Cultuur:** het dynamische geheel van onder andere normen, waard"},{"i":14731,"b":"Regeling uitvoering WOB Algemene Zaken Overwegende dat de toepassing van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) (Stb. 1991, 703) aanleiding geeft tot het vaststellen van een regeling ter uitvoering van die wet. Besluit: Vast te stellen de volgende regeling ter uitvoering van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252). Hoofdstuk I **Definities** Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: **Register** Artikel 2 1. Er is een register waarin worden opgenomen: - a. de onder verantwoordelijkheid van de minister werkzame instellingen, diensten en bedrijven; - b. de niet-ambtelijke adviescommissies. 2. Het register vermeldt de namen, adressen en informatiepunten van de instellingen, diensten en bedrijven. 3. Het register ligt voor een ieder ter inzage bij de bibliotheek. 4. Met het bijhouden van het register is belast de Rijksvoorlichtingsdienst. **Gemachtigd ambtenaar** Artikel 3 Als gemachtigd ambtenaar wordt aangewezen de secretaris-generaal en bij diens afwezigheid of ontstentenis de waarnemend secretaris-generaal. **Informatiepunten** Artikel 4 1. De informatiepunten binnen het ministerie zijn: - a. Hoofddirectie Rijksvoorlichtingsdienst; - b. publieksinformatie en bibliotheek; - c. secretariaat ministerraad, voor zover het ministerraadsnotulen betreft; - d. contactfunctionaris [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252), Kabinet van de Minister-President; - e. bureau Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), voor zover aangelegenheden de WRR betreffende. 2. de informatiepunten voor de in het register vermelde instellingen, diensten en bedrijven worden aangewezen door de leiding daarvan. Hoofdstuk II. Informatie op verzoek Artikel 5 1. Het behandelen van verzoeken om informatie en vragen daaromtrent geschiedt door de dienstonderdelen die met voorlichting zijn belast, voor zover het niet door de bewindspersonen zelf geschiedt, of doo"},{"i":14739,"b":"Regeling vaargebieden vissersvaartuigen Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen en met de Minister van Vervoer en Communicatie van Aruba; Gelet op de artikelen 3, derde lid, en 4, eerste lid, van [richtlijn nr. 97/70/EG](31997L0070) van de Raad van de Europese Unie van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt (PbEG L 1998, 34), alsmede op [artikel 1.6, eerste lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=1.6); Besluit: § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1. Omschrijvingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: **noordelijk vaargebied:** de wateren ten noorden van de grens die wordt gevormd door de parallel van 62° NB van de westkust van Noorwegen tot 4° WL, vandaar door de meridiaan van 4° WL tot 60°30' NB, vandaar door de parallel van 60°30' NB tot 5° WL, vandaar door de meridiaan van 5° WL tot 60° NB, vandaar door de parallel van 60° NB tot 15° WL, vandaar door de meridiaan van 15° WL tot 62° NB, vandaar door de parallel van 62° NB tot 27° WL, vandaar door de meridiaan van 27° WL tot 59° NB en vandaar door de parallel van 59° NB naar het westen, met uitzondering van de Oostzee; **zwaar drijfijs:** drijfijs dat ten minste 80% van de oppervlakte van de zee bedekt; **zuidelijk vaargebied:** de Middellandse Zee en de kustwateren van het zomervaargebied van de Atlantische Oceaan binnen een afstand van 20 mijl van de kust van Spanje en Portugal, zoals bedoeld in Hoofdstuk V van [Bijlage I bij het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&bijlage=I); besluit: het [Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342). § 2. Regionale bepalingen voor het noordelijk vaargebied Artikel 2. Toepassingsgebied Tenzij anders bepaald is deze paragraaf uitsluitend van toepassing op vissersvaartuigen die dienstdoe"},{"i":3664,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 18 juli 2019, nr. IENW/BSK-2019/136513, houdende verlening van mandaat en machtiging aan de Chief Executive Officer van ProRail B.V. voor de uitvoering van de Tijdelijke subsidieregeling stimulering goederenvervoer per spoor Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de Chief Executive Officer van ProRail B.V. d.d. 28 juni 2019; BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Tijdelijke subsidieregeling stimulering goederenvervoer per spoor in werking treedt. Artikel 1 Aan de Chief Executive Officer van ProRail B.V. wordt mandaat verleend tot: - a. het beslissen op aanvragen om subsidieverlening, bedoeld in [artikel 8 van de Tijdelijke subsidieregeling stimulering goederenvervoer per spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042466&artikel=8), alsmede het intrekken of wijzigen van de subsidieverlening; - b. het ambtshalve vaststellen van de subsidie, bedoeld in [artikel 10 van de Tijdelijke subsidieregeling stimulering goederenvervoer per spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042466&artikel=10), alsmede het intrekken of wijzigen van de subsidievaststelling; - c. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in de onderdelen a en b, met inachtneming van [artikel 10:3, derde lid Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3). Artikel 2 Aan de Chief Executive Officer van ProRail B.V. wordt machtiging verleend tot: - a. het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en uitvoering van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042469&artikel=1&z=2019-07-30&g"},{"i":14816,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2007, nr. Z/F-2817904, houdende vaststelling van de standaardpremie 2008 (Regeling vaststelling standaardpremie 2008) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie wordt voor het jaar 2008 vastgesteld op € 1.200. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie 2008. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14782,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 30 maart 2020, nr. WJZ/ 20076708, tot vaststelling van de definitieve correcties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2019 (Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2019) Gelet op [artikelen 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [31, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [39, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=39), [47, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47), en [54, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=54); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **basisbedrag:** het basisbedrag, bedoeld in de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28) of [artikel 44, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44); - –. **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - –. **regeling 2008:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - –. **regeling 2009:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - –. **regeling 2010:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - –. **regeling 2011:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030034); - –. **regeling 2012:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012](https://wetten.overheid.n"},{"i":14834,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 februari 2017, nr. 2017-0000101161, tot vaststelling van de wisselkoers en consumentenprijsindex ten behoeve van Surinaamse pensioenen over de periode januari 2008 tot en met december 2016 (Regeling vaststelling wisselkoers en consumentenprijsindex Surinaamse pensioenen 2008/2016) Artikel 1 De wisselkoersen van de Surinaamse gulden, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel a, onder 2˚ en 3˚, van de Garantiewet Surinaamse pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006298&artikel=3) worden vastgesteld in de bij dit besluit behorende [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039311&bijlage=I&z=2026-04-15&g=2026-04-15). Artikel 2 1. De consumentenprijsindexcijfers, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel b, onder 2˚ en 3˚, van de Garantiewet Surinaamse pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006298&artikel=3), worden vastgesteld in de bij dit besluit behorende [Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039311&bijlage=II&z=2026-04-15&g=2026-04-15). 2. De breuk, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder b, van de Garantiewet Surinaamse pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006298&artikel=3), is niet kleiner dan 1. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat de [bijlage behorende bij artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039311&bijlage=I&z=2026-04-15&g=2026-04-15) terugwerkt tot en met 1 januari 2008 en dat [de bijlage behorende bij artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039311&bijlage=II&z=2026-04-15&g=2026-04-15) terugwerkt tot en met 1 januari 2008. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling wisselkoers en consumentenprijsindex Surinaamse pensioenen. Bijlage I. Behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039311&artikel=1&z=2018-08"},{"i":14835,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 september 2016, kenmerk 1015003-150747-WJZ, houdende wijziging en tot intrekking van de Regeling voorschriften erkenning Wvkl (Regeling veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal) Gelet op [Richtlijn 2006/86/EG](32006L0086) van de Commissie van 24 oktober 2006 ter uitvoering van [Richtlijn 2004/23/EG](32004L0023) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de traceerbaarheidsvereisten, de melding van ernstige bijwerkingen en ernstige ongewenste voorvallen en bepaalde technische voorschriften voor het coderen, bewerken, preserveren, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (PB L 294), [Richtlijn 2015/566](32015L0566)/EU van de Commissie van 8 april 2015 tot uitvoering van [Richtlijn 2004/23/EG](32004L0023) aangaande de procedures om na te gaan of er sprake is van gelijkwaardige kwaliteits- en veiligheidsnormen voor ingevoerde weefsels en cellen (PbEU 2015, L 93), [artikel 9, vierde lid, van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014682&artikel=9), en de [artikelen 3.7, tweede lid](onbekend), en [7a.8 van het Eisenbesluit lichaamsmateriaal 2006](onbekend); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **besluit:** het [Eisenbesluit lichaamsmateriaal 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021255); - b. **EUTC:** het in het kader van de Europese Unie ontwikkelde productcoderingssysteem voor weefsels en cellen, bestaande uit een register van alle soorten weefsel en cellen die in de Unie circuleren en de overeenkomstige productcodes; - c. **productcode:** de identificatiecode voor de specifieke soort weefsel of cellen in kwestie, bedoeld in bijlage VII van [richtlijn 2006/86/EG](32006L0086), die bestaat uit de identificatiecode van het coderingssysteem voor producten die aangeeft welk coderingssysteem door de weefselinstelling wordt gehanteerd en het productnummer voo"},{"i":14836,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 5 september 2025, nr. 6691108, houdende een subsidie voor de Joodse instellingen bij het treffen van beveiligingsmaatregelen (Regeling veiligheid Joodse instellingen 2025) Gelet op [artikel 2, eerste lid, onder d, van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=2); Besluit: §. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **Joods evenement:** een evenement waarvan de beoogde doelgroep grotendeels bestaat uit Joodse Nederlanders of waarbij een optreden van een Joodse spreker of artiest onderdeel is van het programma. - **Joodse instelling:** - –. De rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid als bedoeld in [artikel 55 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=55) dan wel [artikel 4.1, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.1) die een bijzondere school voor Joods bijzonder onderwijs in stand houdt; - –. Het kerkgenootschap als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=2) voor zover zij haar leden in staat stelt de Joodse godsdienst te belijden; - –. De vereniging of stichting zonder winstoogmerk die zich krachtens haar statuten ten doel stelt het Joodse leven in Nederland te bevorderen; - –. Het samenwerkingsverband van Joodse instellingen onderling en het samenwerkingsverband van een of meerdere Joodse instellingen en gemeenten; - **minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid. - **organisator van een Joods evenement:** de natuurlijke of rechtspersoon die zonder winstoogmerk een Joods evenement organiseert. Artikel 2 1. De minister kan in het kalenderjaar 2025 subsidie verlenen aan Joodse instellingen of organisatoren van een Joods evenement bij het treffen van beveiligingsmaatregelen. 2. De subsidie bedraagt maximaal € 250.000"},{"i":19084,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 19 april 2010, nr. DDS-nummer 5646604 inzake de vervanging van papieren door digitale personeelsdossiers (Regeling digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Justitie 2010) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **selectielijst:** de selectielijst die op 16 augustus 2007 door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Justitie, [kenmerk C/S&A/07/1516](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869) is vastgesteld naar [artikel 5, tweede lid onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) (Stcrt. 2007, 225); - b. **digitale vervanging:** de vervanging van papieren personeelsdossiers, die op basis van de selectielijst voor vernietiging in aanmerking komen, door digitale bestanden; - c. **vervangingsbesluit:** een besluit tot digitale vervanging als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); - d. **bewerkersovereenkomst:** een overeenkomst als bedoeld in [artikel 14, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=14); - e. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën van 11 februari 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362); - f. **beheersorganisatie:** ‘de organisatieonderdelen die krachtens de Organisatieregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011 zijn belast met de bedrijfsvoeringstaken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Artikel 2. Reikwijdte 1. Deze regeling heeft betrekking op de wijze waarop de Minister van Justitie de bevoegdheid uitoefent tot het nemen van een vervangingsbesluit. 2. Een vervangingsbesluit heeft uitsluitend betrekking op: - a. de personeelsdossiers, genoemd in de selectielijst en waarvan het beheer bij P-Direkt"},{"i":3476,"b":"Besluit van 20 februari 1967, houdende regelen tot uitvoering van de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf en van artikel 28 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Op de voordracht van Onze Ministers van Financiën en van Jusitie van 10 januari 1967, nr. A7/383, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen; Gelet op de artikelen 8, 13, eerste en derde lid, 15, eerste lid, letters **c** en **d**, derde en vierde lid, 45, 46 en 47, tweede lid, van de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf (**Stb.** 1964, 409) en op de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=28) en [38, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=38) (**Stb.** 1963, 228); Gezien het advies van de Verzekeringskamer; De Raad van State gehoord (advies van 25 januari 1967, nr. 46); Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Financiën en van Justitie van 13 februari 1967, nr. A7/1097, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Bepalingen tot uitvoering van de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf Artikel 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: de wet: de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf (**Stb.** 1964, 409); onderneming: de onderneming, bedoeld in artikel 1, letter **d**, van de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf; vertegenwoordiger: de vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 15, eerste lid, letter **e**, van de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf. Artikel 2 Elke onderneming is verplicht, nadat zij zich overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 52, eerste lid, van de wet bij de Verzekeringskamer heeft aangemeld, elke wijziging in haar statuten of reglementen, alsmede elke wijziging in de akte van aanstelling van haar vertegenwoordiger en in de samenstelling van haar bestuur en haar raad van commissarissen binnen veertien dagen na de totstandkoming daarvan ter"},{"i":10108,"b":"Besluit van de directeur Informatievoorziening van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van 11 mei 2026, nr. 106046662, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Informatievoorziening van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Informatievoorziening van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2026) Gelet op [artikel 14 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052019&artikel=14); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **afdelingshoofden:** hoofden van de afdelingen van de directie Informatievoorziening van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **bedrag:** bedrag inclusief verschuldigde omzetbelasting (BTW); - **clustermanagers:** clustermanagers van afdelingen van de directie Informatievoorziening van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **coördinerend directeur inkoop:** coördinerend directeur inkoop van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **directeur:** directeur Informatievoorziening van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **machtigingenbeheerders eHerkenningsmiddelen:** machtigingenbeheerders eHerkenningsmiddelen van de directie Informatievoorziening van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **clustermanagerWerkomgeving & Inkoop – Dienstverlening:** clustermanager van de afdeling Werkomgeving en Inkoop – Dienstverlening van de directie Informatievoorziening van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **medewerkers Inkoopplein:** medewerkers van het Inkoopplein van de directie Informatievoorziening van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **programmamanager:** programmamanager van het programma Transparantie in Informatie van de directie Informatievoorziening van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **regisseur Dienstverlening:** senior ad"},{"i":14852,"b":"Regeling vergoedingen militairen DSI Gelet op de [artikelen 60a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=60a), [60c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=60c) en [117 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=117), [artikel 12 van het Besluit dienstreizen defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007956&artikel=12) en [artikel 12 van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=12) De Minister van Defensie Artikel 1. Begripsomschrijving In deze regeling wordt verstaan onder: - **Militair:** - 1). de militair die is geplaatst bij de Dienst Speciale Interventies (DSI) en in dat kader voor operationele inzet beschikbaar is; - 2). door de commandant van het Korps Mariniers aan te wijzen militairen, met een maximum van 142, van de Maritime Special Operations Forces indien deze voor operationele inzet beschikbaar zijn; - 3). door de commandant van de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten Koninklijke Marechaussee aan te wijzen militairen, met een maximum van 38, van de afdeling operaties 2 en deel uitmaakt van het Arrestatie en Ondersteuningsteam, indien deze voor operationele inzet beschikbaar zijn; - **VROB:** Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid. Artikel 2. Consignatie- en inzetvergoeding 1. In afwijking van artikel 7 van de VROB wordt de militair voor consignatie een vergoeding toegekend. 2. In afwijking van [artikel 12 van de Regeling dienstreizen defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039787&artikel=12) wordt de militair een tegemoetkoming voor verblijfskosten toegekend voor zover samenhangend met de operationele inzet als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039792&artikel=1&z=2026-01-15&g=2026-01-15). 3. De in het eerste lid en tweede lid bedoelde vergoedingen bedragen tezamen € 1.296,62 bruto per maand. Artikel 3. Tegemoetkoming"},{"i":14917,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 23 november 2006, nr. WJZ 6098776, houdende enkele vrijstellingen in het kader van de Metrologiewet (Regeling vrijstellingen Metrologiewet) Gelet op de artikelen 3 en 8, vijfde lid, van [richtlijn nr. 2004/22/EG](32004L0022) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004, betreffende meetinstrumenten (PbEU L 135) en de [artikelen 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=22), [23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=23), en [24, vierde lid, van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=24); Besluit: Artikel 1 [Artikel 22, eerste lid, van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=22) geldt niet; - a. voor zover in een geschrift enig ander geschrift letterlijk wordt aangehaald; - b. voor zover het gebruik betreft van andere dan in het [Meeteenhedenbesluit 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020422) genoemde meeteenheden op het gebied van de scheepvaart, de luchtvaart en het spoorwegverkeer indien dit is vastgesteld bij bindende internationale overeenkomsten of verdragen; - c. in het internationale goederen- of dienstenverkeer, voor zover het gebruik van de betrokken meeteenheid of benaming is toegelaten in het land waarmee dat verkeer plaatsvindt; - d. voor zover het betreft andere meeteenheden dan in het [Meeteenhedenbesluit 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020422) genoemde meeteenheden, indien: - 1°. die andere meeteenheden naast de in het [Meeteenhedenbesluit 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020422) genoemde meeteenheden met betrekking tot dezelfde grootheden worden gebruikt, - 2°. de aanduidingen in die andere meeteenheden bestaan uit tekens die ten hoogste even groot zijn als die waaruit de aanduidingen van de in het [Meeteenhedenbesluit 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020422) genoemde meeteenheden bestaan e"},{"i":14918,"b":"Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 19 juni 2023, 2022-0000127186, ter uitwerking van bepalingen uit het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (Regeling vrijstellingen Wet Bpf2000) Gelet op de [artikelen 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012094&artikel=5), [7, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012094&artikel=7), en [7b, vijfde lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012094&artikel=7b); Besluit: Artikel 1. Performancetoets 1. Ten behoeve van de performancetoets, uit te voeren op de wijze beschreven in de bijlage bij deze regeling, stelt het bedrijfstakpensioenfonds jaarlijks het beleggingsbeleid voor het daarop volgende kalenderjaar vast waarbij een adequate verdeling van de beleggingen is gemaakt in vastrentende en zakelijke waarden. Van een adequate verdeling tussen vastrentende en zakelijke waarden is sprake indien aannemelijk gemaakt kan worden dat die verdeling: - a. is bepaald in samenhang met het financieringsbeleid en is afgestemd op de pensioenverplichtingen, daarbij inbegrepen de reglementaire verplichtingen tot toeslagverlening, rekening houdend met het tot dan toe ter zake gevoerde beleid, zodanig dat dit over een lange termijn leidt tot een lage premie en een stabiel premieverloop; - b. is gekozen op basis van projecties die gebaseerd zijn op realistische en onderling consistente veronderstellingen; en - c. de toets op toereikendheid ten aanzien van de continue dekking van de verworven aanspraken, uitgaande van prudente veronderstellingen, heeft doorstaan. 2. Als benchmark als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012094&artikel=5) stelt het bedrijfstakpensioenfonds een normportefeuille vast. De normportefeuille wordt jaarlijks voor het daarop volgende kalenderjaar vastgesteld en is gebaseerd op de in het eerste lid bedo"},{"i":14924,"b":"Regeling wachtalarminstallatie Gelet op [artikel 276, zesde lid, van het Vissersvaartuigenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=276); Besluit: Artikel 1 1. Een wachtalarminstallatie wordt in- en uitgeschakeld door middel van een sleutelbediende schakelaar. 2. Een wachtalarminstallatie is voorzien van een tijdmeetsysteem met ten minste twee verschillende looptijden, waarvan de langste looptijd niet meer mag bedragen dan vijftien minuten. De looptijdkeuze moet sleutelbediend zijn en mag worden gecombineerd met de in het eerste lid bedoelde schakelaar. 3. Een dimbare controlelamp geeft aan dat de wachtalarminstallatie in bedrijf is. 4. Na de inschakeling van de wachtalarminstallatie start het tijdmeetsysteem. Dit tijdmeetsysteem kan op elk gewenst moment door middel van een terugsteldrukknop op nul worden teruggesteld, waarna de tijdmeting weer opnieuw begint. 5. Aan het eind van de gekozen looptijd treedt in het stuurhuis een zichtbaar en hoorbaar waarschuwingssignaal in werking. 6. Indien niet binnen zestig seconden na de inwerkingtreding van het waarschuwingssignaal, bedoeld in het vijfde lid, het tijdmeetsysteem door middel van de terugsteldrukknop op nul wordt teruggesteld, wordt een hoorbaar alarm gegeven in de verblijven van de kapitein, de stuurman alsmede andere daarvoor in aanmerking komende verblijven. 7. De terugsteldrukknop wordt niet vanaf een normale navigatiepositie zoals de stuurstoel bediend. 8. Een wachtalarminstallatie voldoet aan de als bijlage bij deze regeling opgenomen paragrafen 5 en 6 van de op 6 november 1991 aangenomen Resolutie A.694(17) van de Internationale Maritieme Organisatie. Artikel 2 1. De kapitein ziet erop toe dat de wachtalarminstallatie in werking is wanneer uitsluitend door de chef van de wacht op de brug wacht wordt gelopen. 2. Tijdens de uitoefening van de visserij mag de wachtalarminstallatie afhankelijk van de bedrijfsomstandigheden buiten werking worden gesteld, wanneer de kapitein zulks verantwo"},{"i":5215,"b":"Regeling aanwijzing bovenmaatse schepen 2011 Gelet op [artikel 4, eerste en derde lid, van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003627&artikel=4) en op de [artikelen 1.01, onderdeel A, onder 8°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.01), en [artikel 10.02, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=10.02); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarp het Wijzigingsbesluit Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement, enz. in werking treedt. Artikel 1 Een bovenmaats schip, is een schip dat zich bevindt: - a. op de vaarweg tussen de zee en Harlingen, varend via het Stortemelk, de Vliestroom, de Blauwe Slenk en het vaarwater langs de Pollendam, met inbegrip van de daaraan gelegen havens, en een diepgang heeft van 5 meter of meer, dan wel een lengte van 85 meter of meer; - b. in een betonde vaarweg tussen de zee en de haven van Den Helder, en een diepgang heeft van 5 meter of meer; - c. in de haven van Scheveningen, en een diepgang heeft van 5 meter of meer, dan wel een lengte van 80 meter of meer; - d. in de Maasmond, het Beerkanaal en het Calandkanaal, daaronder begrepen de havens aan deze vaarwegen, en een diepgang heeft van 14,30 meter of meer (zout water), dan wel een lengte heeft van 300 meter of meer; - e. de Nieuwe Waterweg, de Nieuwe Maas, daaronder begrepen de havens aan deze vaarwegen, en een diepgang heeft van 9 meter of meer, dan wel een lengte van 200 meter of meer; - f. in de Oude Maas, daaronder begrepen de daaraan gelegen havens, en een diepgang heeft van 7 meter of meer, dan wel een lengte van 135 meter of meer; - g. in de Dordtsche Kil of de daarop aansluitende vaarweg naar de havens van het Industrie- en Havenschap Moerdijk, met inbegrip van de daaraan gelegen havens, en een diepgang heeft van 5,5 meter of meer, dan wel een lengte van 135 meter of meer; - h. in de Sloehaven, en een diepgang heeft van 10 m"},{"i":14926,"b":"Regeling wapens en munitie Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, categorie I, onder 7° en categorie IV, onder 6°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=2), 2, derde lid, [3a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=3a), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=5), [7, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=7), [8, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=8), [9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=9), [10, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=10), [14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=15), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=22), [26, derde, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=26), [27 derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=27), [28a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=28a), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=31), [33, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=33), [38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=38), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=39), [40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=40), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=41), [42, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=42), [45, eerste lid, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=45) en [52, derde lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=52); Besluit: 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze regeling w"},{"i":5196,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 9 maart 2024, nr. WJZ/ 40938380, houdende regels voor het aanvragen van een verlenging van de vergunning voor Public Access Mobile Radio in de 450 – 470 MHz-band (Regeling aanvraag gedeeltelijke verlenging PAMR-vergunning 2024) Gelet op [artikel 18, achtste en vijftiende lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **PAMR-vergunning:** dat deel van de vergunning met dossiernummer 5749257 voor het gebruik van de frequentieruimte 451,76875 – 454,76875 MHz gepaard met 461,76875 – 464,76875 MHz ten behoeve van PAMR (Public Access Mobile Radio) dat op grond van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047499&artikel=1) juncto [2, tweede lid, van het Besluit gedeeltelijke verlengbaarheid PAMR-vergunning 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047499&artikel=2) verlengbaar is. Artikel 2 1. Een aanvraag om verlenging van de looptijd van de PAMR-vergunning voor de periode 18 november 2024 tot en met 30 juni 2035 wordt ingediend bij de minister. 2. De aanvraag wordt binnen vier weken te rekenen vanaf de dag van inwerkingtreding van deze regeling per post ontvangen dan wel door middel van persoonlijke overhandiging ingediend op het volgende adres: Rijksinspectie Digitale Infrastructuur, Emmasingel 1, 9726 AH Groningen, ter attentie van het team Openbare netwerken, Projectteam PAMR. De persoonlijke overhandiging vindt in de genoemde periode plaats op werkdagen tussen 8.30 uur en 16.00 uur. 3. Bij persoonlijke overhandiging van de aanvraag wordt een bewijs van ontvangst afgegeven dat is voorzien van datum en tijdstip van ontvangst en ondertekening. 4. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049460&bijlage=1&z=2024-03-15&g=2024-03-15) op"},{"i":5195,"b":"Regeling aanvraag erkenning en onkostenvergoeding goedkeuring Wet explosieven voor civiel gebruik Gelet op [artikel 19, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803&artikel=19), en [artikel 32 van de Wet explosieven voor civiel gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803&artikel=32); Besluit Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De aanvrager van een erkenning of, indien de aanvrager een rechtspersoon is, degene die onmiddellijk leiding geeft aan het bedrijf, voldoet aan de eisen met betrekking tot zedelijk gedrag, genoemd in het tweede, derde en vierde lid. 2. De in het eerste lid bedoelde persoon is niet met toepassing van [artikel 37 tot en met 37b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37) of [37d van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37d) ter beschikking van de regering gesteld. 3. De in het eerste lid bedoelde persoon is niet binnen de laatste acht jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak veroordeeld wegens overtreding van één of meer bepalingen gesteld bij of krachtens: - a. de Wet van 9 mei 1890, houdende verbodsbepalingen tegen het dragen van wapenen; - b. de Vuurwapenwet 1919; - c. de Wet tot wering van ongewenste handwapenen; - d. de Wet wapens en munitie; - e. de [artikelen 92 tot en met 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92), [115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=115), [116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=116), [121 tot en met 125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=121), [131](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=131), [141](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=141), [181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=181), [182](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=182), [191](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=191), [208](h"},{"i":5210,"b":"Regeling aanwijzing bedrijven voor het verwerken, het opslaan, het drogen of het sorteren van vlees niet bestemd voor menselijke consumptie Gelet op [artikel 2 van de Regeling Invoer vlees, bestemd voor ander gebruik dan menselijke consumptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006785&artikel=2), Besluit: Artikel 1 Als bedrijven waar het verwerken, het opslaan, het drogen of het sorteren van vlees uit andere lid-staten van de Europese Unie en uit derde landen mag plaatsvinden als bedoeld in [artikel 2, onder a tot en met d, van de Regeling invoer vlees, bestemd voor ander gebruik dan menselijke consumptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006785&artikel=2), worden aangewezen: - a. voor de verwerking van vlees tot voeder voor gezelschapsdieren: - 1. Rodi B.V., Industrieterrein De Veken 36 te Opmeer, - 2. Voks, De Volger 43 te De Rijp, - 3. Saturn Petfood B.V., Stadslaan 4 te Hattem, - 4. Rocofa Petfood B.V., Heythuyserweg 4 te Horn, - 5. Teeling Diervoerding B.V., Newtonstraat 7 te Heerhugowaard, - 6. Van Adrichem V.O.F., Broekstraat 2 te Eersel. - 7. Spillers Petfoods Benelux B.V. te IJmuiden. - 8. Dick Rood V.O.F., Oosterstraat 39 te Benningbroek, - 9. fa. Wijnbergen en Zonen, Ugchelseweg 209 te Apeldoorn, - 10. J.J. van der Sar, Slachthuiskade 16 te Almelo - b. voor de verwerking van vlees tot een farmaceutisch produkt: - 1. Diosinth B.V., Molenweg 50 te Oss, - 2. Organon Teknika B.V., Boseind 15 te Boxtel, - 3. Blokland Cold Stores Cuyk BV, Simon Homburgstraat 14 te Cuyk. - 4. Blokland Cold Stores BV, Binderskampweg 5 te Nijmegen. - c. voor de verwerking van vlees tot een technisch produkt: - 1. de Coöperatieve Stremsel- en Kleurselfabriek, Pallasweg 1 te Leeuwarden. - d. voor de opslag van vlees: - 1. Smilde B.V., Chroomstraat 14 te Zoetermeer, - 2. Gebroeders Ammers B.V. Hellingweg 22 te Broek in Waterland, - 3. G. H. Prins en Zonen B.V., Nieuwe Hemweg 55 te Amsterdam, - 4. Vriesoord B.V., Larenweg 100 te 's-Hertogenbosch, - 5. Combinatie Teysen v"},{"i":5197,"b":"Regeling aanvraag vergunning bemiddeling interlandelijke adoptie Gelet op [artikel 20, vijfde lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=20) ( Wet van 8 december 1988, Stb. 566), als gewijzigd bij de wet van 14 mei 1998 tot uitvoering van het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie en, in verband daarmee, wijziging van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 302), Besluit: Artikel 1 De gegevens die door de vergunninghouder moeten worden verstrekt in verband met het toezicht op de naleving van het bepaalde in [artikel 20, derde en vierde lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=20) dienen aan de navolgende eisen te voldoen: - a. De gegevens bevatten een nauwkeurige en voldoende gespecificeerde schriftelijke vastlegging van alle vergoedingen welke door de vergunninghouder zijn betaald voor in verband met bemiddelende werkzaamheden verrichte diensten. - b. Uit de gegevens blijkt op welke wijze door de vergunninghouder de betaling van de vergoedingen voor de in verband met zijn bemiddeling verrichte diensten is verricht. Van elke betaling is een genoegzaam bewijs van kwijting aanwezig. - c. De gegevens verschaffen inzicht in de aard en inhoud van de betrekkingen die de vergunninghouder onderhoudt met instellingen of instanties in het buitenland in verband met de bemiddeling bij de opneming ter adoptie van buitenlandse kinderen. - d. Ingeval inzake de bemiddeling bij opneming van buitenlandse kinderen ter adoptie vaste werkafspraken bestaan tussen een vergunninghouder en een instantie of organisatie in het buitenland, blijkt zulks uit de gegevens. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 1998. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5190,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 23 februari 2023, nr. WJZ/26476420, tot vaststelling van regels met betrekking tot de aanvraag en veiling van vergunningen voor landelijke commerciële FM-radio-omroep met bijbehorende vergunningen voor digitale radio-omroep in laag 2 (kanaal 11C) (Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen landelijke commerciële radio-omroep 2023) Gelet op [artikel 3.11 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.11), en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=9) en [10 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=10); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** degene die bij de Minister een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend; - **aanvraagformulier:** aanvraagformulier als bedoeld in [artikel 6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047925&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=6&z=2023-03-01&g=2023-03-01); - **activiteitsniveau:** activiteitsniveau als bedoeld in [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047925&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=25&z=2023-03-01&g=2023-03-01); - **activiteitspunt:** activiteitspunt als bedoeld in [artikel 25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047925&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=25&z=2023-03-01&g=2023-03-01); - **bankgarantie:** bankgarantie als bedoeld [artikel 8, derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047925&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=8&z=2023-03-01&g=2023-03-01); - **bekendmakingsbesluit:** [Besluit bekendmaking veiling vergunningen landelijke commerciële FM-radio-omroep 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047936); - **bod:** bod als bedoeld in [artikel 26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047925&hoofdst"},{"i":5182,"b":"Regeling tot aanpassing van een aantal regelingen van de Minister van Financiën tot vaststelling van de bedragen voor eenmalige toezichthandelingen alsmede van maatstaven, bedragen, bandbreedtes en verdeelsleutels/tarieven voor het toezicht op de financiële markten gedurende de jaren 2005, 2006 en 2007 Gelet op [artikel 1:40 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:40), [artikel 2 van de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020616&artikel=2), de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020411&artikel=5), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020411&artikel=7), en [11 van het Besluit bekostiging financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020411&artikel=11), de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016221&artikel=7), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016221&artikel=9), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016221&artikel=14), [17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016221&artikel=17), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016221&artikel=19), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016221&artikel=20) en [22, eerste en tweede lid, van de Regeling bekostiging financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016221&artikel=22), [artikel 7, vierde lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013816&artikel=7), [artikel 28 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004809&artikel=28), [artikel 186, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509&artikel=186), [artikel 91, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007477&artikel=91), [artikel 12 van de Wet melding zeggenschap in t"},{"i":5181,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 oktober 2023, nr. 2023-0000601149, houdende aanpassing van de subsidiebedragen van de Wet financiering politieke partijen voor het jaar 2024 Gelet op [artikel 8, vierde lid, van de Wet financiering politieke partijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=8); Besluit: Treedt in werking op 1 januari 2024, onmiddellijk na het tijdstip waarop artikel I, onderdeel aEa, van de Evaluatiewet Wfpp in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Wet financiering politieke partijen. Artikel II De in deze regeling genoemde bedragen zijn van toepassing op het subsidiejaar 2024. Artikel III Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2024, onmiddellijk na het tijdstip waarop [artikel I, onderdeel aEa, van de Evaluatiewet Wfpp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047385&artikel=I) in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14928,"b":"Regeling werkkleding 2001 BES Treedt in werking om 0.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05.00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 9C, vijfde lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=9c) en [artikel 6c, vijfde lid, van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=6c). Artikel 2 1. In deze regeling wordt verstaan onder werkkleding: - a. kleding, met inbegrip van schoeisel, die gedurende het uitoefenen van de dienstbetrekking of gedurende bepaalde perioden daarvan, moet worden gedragen en die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend daarvoor geschikt is; of - b. kleding, met inbegrip van schoeisel, waarvan het gebruik gedurende het uitoefenen van de dienstbetrekking of gedurende bepaalde perioden daarvan, zodanig is dat privé-gebruik daarna geheel of nagenoeg geheel niet mogelijk is. 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt kleding die niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om gedurende het uitoefenen van de dienstbetrekking of gedurende bepaalde perioden daarvan te dragen, als werkkleding aangemerkt indien: - a. de kleding is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 vierkante centimeter en - b. deze beeldmerken onlosmakelijk aan de kleding zijn aangebracht. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt een kledingsstuk, dat een onlosmakelijk onderdeel is van de werkkleding, als werkkleding aangemerkt. Het is daarbij niet relevant of vorengenoemd onderdeel van de werkkleding in het privé-leven gedragen zou kunnen worden. Artikel 3 1. De inspecteur kan, op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige dan wel de inhoudingsplichtige, vaststellen of de kleding als werkkleding kan worden aangemerkt. 2. De inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking op het in het eerste"},{"i":5184,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 7 juni 2024, nr. WJZ/ 46102628, tot vaststelling van regels met betrekking tot de aanvraag en veiling van vergunningen voor digitale radio-omroep DAB in laag 6 (Regeling aanvraag- en veilingprocedure digitale radio-omroep DAB laag 6) Gelet op [3.11 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.11), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=9) en [10 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=10); Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** degene die een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend; - **aanvraagformulier:** formulier als bedoeld in [artikel 6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049835&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=6&z=2024-06-20&g=2024-06-20); - **allotment:** het gebied dat gelegen is binnen de contouren zoals gevisualiseerd in de bijlage van de vergunning, inclusief het daar genoemde frequentieblok; - **bankgarantie:** bankgarantie als bedoeld [artikel 8, derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049835&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=8&z=2024-06-20&g=2024-06-20); - **bekendmakingsbesluit:** Besluit bekendmaking veiling vergunningen DAB laag 6; - **bod:** bod als bedoeld in [artikel 26, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049835&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=26&z=2024-06-20&g=2024-06-20), uitgebracht door een deelnemer via het elektronisch veilingsysteem van de minister en bevestigd door middel van dit elektronisch veilingsysteem, bestaande uit het aantal vergunningen dat een deelnemer voor de in een biedronde bepaalde prijs wenst te verwerven in het betreffende allotment; - **deelnemer:** aanvrager die is toegelaten tot de veiling, bedoeld in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.n"},{"i":5192,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 23 juni 2017, nr. WJZ/17097583, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de aanvraag en veiling van vergunningen voor digitale radio-omroep DAB+ in restruimte laag 4 (Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen digitale radio-omroep DAB+ laag 4) Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=9) en [10 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=10); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanvrager:** degene die een aanvraag heeft ingediend; - b. **activiteitsniveau:** totaal aantal activiteitspunten waarover een deelnemer op een gegeven moment in de veiling kan beschikken en welk aantal de maximale biedbevoegdheid van die deelnemer bepaalt om actief te zijn of te blijven in de veiling; - c. **activiteitspunt:** aan een te veilen digitale omroepvergunning toegekend punt ten behoeve van het bepalen van het activiteitsniveau van een deelnemer; - d. **allotment:** het gebied dat gelegen is binnen de contouren zoals gevisualiseerd in de betrokken bijlage van onderscheidenlijk vergunning allotment 7A, vergunning allotment 9D-N of vergunning allotment 9D-Z; - e. **bekendmakingsbesluit:** [Besluit bekendmaking veiling restruimte DAB+ laag 4](onbekend); - f. **bod:** bieding, uitgebracht door een deelnemer via het elektronisch veilingsysteem van de minister en bevestigd door middel van dit elektronisch veilingsysteem; - g. **deelnemer:** aanvrager die toegelaten is tot de betrokken veiling; - h. **minister:** minister van Economische Zaken; - i. **rente:** volgens actual/360 berekende rente op basis van de door de Europese Centrale Bank vastgestelde Euro Overnight Index Average, minus 100 basispunten, met een minimum van 0%; - j. **rondeprijs:** minimaal te bieden bedrag, vastgesteld per vergunning voor digitale radio-omroep,"},{"i":5185,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 15 december 2020, nr. WJZ/ 20035882, tot vaststelling van regels met betrekking tot de aanvraag en veiling van vergunningen voor digitale radio-omroep DAB+ in laag 7 (Regeling aanvraag- en veilingprocedure digitale radio-omroep DAB+ laag 7) Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=9) en [10 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=10); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** degene die een aanvraag om een vergunning heeft ingediend; - **allotment 9C:** het gebied dat is gelegen binnen de contouren zoals gevisualiseerd in bijlage I van de vergunning; - **bekendmakingsbesluit:** Besluit bekendmaking veiling vergunningen DAB+ laag 7; - **bod:** bod als bedoeld in [artikel 26, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044532&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=26&z=2020-12-22&g=2020-12-22), uitgebracht door een deelnemer via het elektronisch veilingsysteem van de minister en bevestigd door middel van dit elektronisch veilingsysteem, bestaande uit het aantal vergunningen dat een deelnemer voor de in een biedronde bepaalde prijs wenst te verwerven; - **deelnemer:** aanvrager die is toegelaten tot de veiling, bedoeld in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044532&hoofdstuk=5&z=2020-12-22&g=2020-12-22); - **exitbod:** exitbod als bedoeld in [artikel 26, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044532&hoofdstuk=5&paragraaf=2&artikel=26&z=2020-12-22&g=2020-12-22); - **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **verbonden rechtspersoon:** rechtspersoon als bedoeld in artikel 3 van de Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële radio-omroep; - **niet-winnende deelnemer:** deelnemer wiens bod, exitbod of exitbi"},{"i":5198,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 7 februari 2008, nr. WJZ 7119929, houdende regels voor het aanvragen om een vergunning voor het verrichten van ruimtevaartactiviteiten en registratie van ruimtevoorwerpen Gelet op [artikel 4, tweede en derde lid, van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=4) en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022944&artikel=3) en [6 van het Besluit register ruimtevoorwerpen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022944&artikel=6); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder Agentschap Telecom: Agentschap Telecom van het Ministerie van Economische Zaken. § 2. Aanvraag en wijziging vergunning ruimtevaartactiviteiten Artikel 2 1. Een aanvraag tot verlening van een vergunning voor het verrichten van ruimtevaartactiviteiten geschiedt door middel van het indienen van het formulier, zoals opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023494&bijlage=I&z=2015-07-01&g=2015-07-01). 2. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens en bescheiden: - a. een zo volledig mogelijke beschrijving van de ruimtevaartactiviteiten, inclusief een beschrijving van de kennis en ervaring waarover de aanvrager beschikt met betrekking tot het verrichten van de ruimtevaartactiviteiten; - b. gegevens over de relevante ruimtevaarttechnische informatie; - c. een bewijsstuk met betrekking tot een aansprakelijkheidsverzekering; - d. financiële bescheiden, bestaande uit: - 1°. de jaarrekening over het afgelopen boekjaar, indien aanwezig inclusief de accountantsverklaring; - 2°. een geprognosticeerde winst- en verliesrekening met toelichting; - 3°. een liquiditeitsprognose met toelichting; - 4°. een risicoanalyse waarin aangegeven wordt welke beheersmaatregelen zijn getroffen ter waarborging van de continuïteit van de ruimtevaartactiviteiten; - d. een bewijsstuk met betrekking tot de toestemming voor het gebruik van frequentieruimte"},{"i":5199,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 17 november 2015, nr. WJZ / 15147598, houdende regels voor het aanvragen van een verlenging van 2.100 MHz-vergunningen (Regeling aanvraag verlenging 2.100 MHz-vergunningen 2015) Gelet op [artikel 18, vijfde en elfde lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken, - b. **vergunning:** vergunning voor gepaarde frequentieruimte in de band 1.920-1.980 tot en met 2.110-2.170 MHz, voor zover deze ingevolge [artikel 1 van het Besluit verlengbaarheid vergunningen 2.100 MHz 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035914&artikel=1) verlengbaar is. § 2. Aanvraag verlenging Artikel 2 1. Een aanvraag om verlenging van de looptijd van een vergunning voor de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020 wordt ingediend bij de minister. 2. De aanvraag wordt ingediend in de periode die aanvangt op 27 november 2015, 00.00 uur en eindigt op 8 januari 2016, 14.00 uur en wordt per post ontvangen dan wel door middel van persoonlijke overhandiging ingediend op het volgende adres: Agentschap Telecom, Emmasingel 1, 9726 AH Groningen. 3. Bij persoonlijke overhandiging van de aanvraag wordt een bewijs van ontvangst afgegeven dat is voorzien van datum en tijdstip van ontvangst en ondertekening. 4. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het in de bijlage opgenomen model en gaat vergezeld van de in dit model genoemde gegevens en bescheiden. 5. Voor zover het de vergunningen met kenmerken 2000/DGTP/00/3949/TvM en 2000/DGTP/00/3951/TvM betreft, wordt kenbaar gemaakt of 2 keer 0,3 MHz extra frequentieruimte wordt aangevraagd, overeenkomstig [artikel 2 van het Besluit verlengbaarheid vergunningen 2.100 MHz 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035914&artikel=2). Artikel 3 Indien niet is voldaan aan [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl"},{"i":5193,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 15 april 2016, nr. WJZ/16056990, houdende vaststelling van de aanvraag- en veilingprocedure voor vergunning voor frequentieruimte ten behoeve van digitale omroep (digitale ethertelevisie) Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=9) en [10 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=10); Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken; - b. **aanvrager:** degene die een aanvraag heeft ingediend; - c. **deelnemer:** aanvrager die toegelaten is tot de veiling; - d. **bod:** een bieding, uitgebracht via het elektronisch veilingsysteem van de minister en bevestigd door middel van dit elektronisch veilingsysteem; - e. **digitale ethertelevisie:** digitale televisie, gedistribueerd via een omroepzender als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - f. **vergunning:** vergunning voor digitale ethertelevisie als omschreven in de [bijlagen van het besluit van de minister 15 april 2016, nr. 7188783](onbekend), inzake het besluit om de vergunning voor digitale omroep (digitale ethertelevisie) te veilen en de voorschriften en beperkingen vast te stellen die aan de vergunning zullen worden verbonden; - g. **vergunninghouder:** de houder van een vergunning voor digitale ethertelevisie; - h. **rente:** de volgens actual/360 berekende rente op basis van de door de Europese Centrale Bank vastgestelde Euro Overnight Index Average, minus 100 basispunten, met een minimum van 0%. Paragraaf 2. Vergunning voor digitale ethertelevisie Artikel 2 Ingevolge het [besluit van de minister van 15 april 2016, nr. 7188783](onbekend), inzake het besluit om de vergunning voor digitale omroep (digitale ethertelevisie) te veilen en de voorschriften"},{"i":5191,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 9 november 2024, nr. WJZ/ 86535155, tot vaststelling van regels met betrekking tot de aanvraag en veiling van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep (Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen niet-landelijke commerciële radio-omroep 2024) Gelet op [artikel 3.11 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.11), en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=9) en [10 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=10); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraagformulier:** aanvraagformulier als bedoeld in [artikel 2.5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050462&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.5&z=2024-11-26&g=2024-11-26); - **aanvrager:** degene die een aanvraag om een vergunning heeft ingediend; - **allotment:** gebied dat is gelegen binnen de contouren zoals gevisualiseerd in bijlage 33 tot en met 39, van het bekendmakingsbesluit; - **bankgarantie:** bankgarantie als bedoeld in [artikel 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050462&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=2.7&z=2024-11-26&g=2024-11-26); - **bekendmakingsbesluit:** [Besluit bekendmaking veiling vergunningen niet-landelijke commerciële radio-omroep 2024](onbekend); - **bod:** bod als bedoeld in [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050462&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=4.2&z=2024-11-26&g=2024-11-26) of [artikel 4.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050462&hoofdstuk=4&paragraaf=4.3&artikel=4.10&z=2024-11-26&g=2024-11-26); - **DAB-vergunning:** vergunning voor het gebruik voor digitale radio-omroep van 1/12e deel van de capaciteit in de multiplex van een allotment; - **DAB-only-vergunning:** DAB-vergunning als bedoeld in ["},{"i":5200,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 9 december 2016 nr. WJZ / 6189532, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, houdende regels inzake aanvraag verlenging middengolfvergunningen en vergunningen niet-landelijke commerciële radio-omroep in de FM-band en aanvraag verlening van vergunningen voor frequentieruimte in band III en tot wijziging van de Regeling aanwijzing en gebruik frequentieruimte commerciële radio-omroep 2003 (Regeling aanvraag verlenging en digitalisering commerciële radio-omroep 2016 (niet-landelijk en middengolf)) Gelet op [artikel 6:23, tweede lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=6.23) en de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=12) en [18, vijfde en elfde lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **commerciële radio-omroep:** radio-omroep als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1) die wordt verzorgd door een commerciële media-instelling als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet; - b. **FM-vergunning:** vergunning voor niet-landelijke commerciële radio-omroep in de FM-band die op grond van het [verlengbaarheidsbesluit Niet-landelijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038435) verlengbaar is; - c. **middengolfvergunning:** vergunning voor commerciële radio-omroep in de AM-band die op grond van het [verlengbaarheidsbesluit Middengolf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038442) verlengbaar is; - d. **minister:** Minister van Economische Zaken; - e. **kavel:** frequentie of samenstel van frequenties voor het gebruik waarvan een vergunning kan worden verleend; - f. **radioprogramma:** radioprogramma als bedoeld in [artikel 1.1, eer"},{"i":5188,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 6 maart 2020 nr. WJZ/20062897, tot vaststelling van de aanvraag- en veilingprocedure voor vergunningen voor frequentieruimte in de 700, 1400 en 2100 MHz-band ten behoeve van mobiele communicatietoepassingen en wijziging van de Regeling vergoedingen Agentschap Telecom 2020 (Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen 700, 1400 en 2100 MHz) Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=9) en [10 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=10); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanvrager:** degene die een aanvraag heeft ingediend; - –. **activiteitsniveau:** totaal aantal activiteitspunten waarover een deelnemer op een gegeven moment in de veiling kan beschikken en welk aantal de maximale biedbevoegdheid van die deelnemer bepaalt om actief te zijn of te blijven in de veiling; - –. **activiteitspunt:** aan een te veilen vergunning op grond van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043242&paragraaf=2&artikel=2&z=2020-03-07&g=2020-03-07), toegekend punt ten behoeve van het bepalen van het activiteitsniveau van een deelnemer; - –. **bekendmakingsbesluit:** [Besluit bekendmaking veiling vergunningen 700, 1400 en 2100 MHz](onbekend); - –. **bod:** bieding of biedingen, uitgebracht door een deelnemer via het elektronisch veilingsysteem van de minister en bevestigd door middel van dit elektronisch veilingsysteem; - –. **capregeling:** [Capregeling frequenties mobiele communicatie 2020](onbekend); - –. **deelnemer:** in [artikel 8 tot en met 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043242&paragraaf=4&artikel=8&z=2020-03-07&g=2020-03-07): aanvrager die toegelaten is tot de veiling, in [artikel 21 tot en met 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043242&paragraaf=7&artikel"},{"i":5201,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 2 september 2021, nr. WJZ/ 21144379, houdende regels inzake de aanvraag verlenging en digitalisering commerciële radio-omroep (middengolf en niet-landelijke FM) en verlenging niet-gekoppelde vergunning voor digitale radio-omroep (laag 4) (Regeling aanvraag verlenging en digitalisering ten behoeve van niet-landelijke commerciële radio-omroep 2021) Gelet op [artikel 3.17 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.17) en [artikel 18, vijfde en elfde lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **FM-vergunning:** vergunning voor niet-landelijke commerciële radio-omroep in de FM-band die op grond van het verlengbaarheidsbesluit verlengbaar is; - **gekoppelde vergunning voor digitale radio-omroep:** vergunning voor het gebruik van 1/12e deel van een capaciteit van het frequentieblok dat of één van de frequentieblokken in laag 4 die ingevolge nationale voetnoot HOL006 van het [Nationaal Frequentieplan 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035791) gekoppeld is of zijn aan de te verlengen FM- of middengolfvergunning; - **laag 4:** de allotments HOL2401 tot en met HOL2407, zoals opgenomen in het [Nationaal Frequentieplan 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035791); - **middengolfvergunning:** vergunning voor analoge commerciële radio-omroep hoogvermogen middengolf die op grond van het verlengbaarheidsbesluit verlengbaar is; - **Minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **niet-gekoppelde vergunning voor digitale radio-omroep in laag 4:** vergunning voor digitale radio-omroep in laag 4 waarvan het gebruik is toegestaan zonder verplichting van gelijktijdige uitzenden over een FM- of hoog vermogen middengolfvergunning en die op grond van het verlengbaarheidsbesluit verlengbaar is; - **verlengbaarheidsbesluit:** Besluit verl"},{"i":5194,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 19 april 2013, nr. WJZ/13071131, houdende vaststelling van de aanvraag- en verdeelprocedure voor enkele vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte in de FM-band, de middengolfband en band III (Regeling aanvraag- en verdeelprocedure vergunningen kavels A7, B38 en C08 met bijbehorende vergunningen voor digitale radio-omroep) Gelet op [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=8), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=9), [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=10), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=11), en [12 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=12); Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Definities 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken; - b. **bekendmakingsbesluit:** het [besluit van de Minister van Economische Zaken van 19 april 2013, nr. AT-EZ/6807463, inzake de uitgifte van drie vergunningen voor analoge commerciële radio-omroep (voor de kavels A7, B38 en C08) en drie vergunningen voor digitale radio-omroep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033305) (Stcrt. 2013, 11036); - c. **vergunning kavel A7:** vergunning als omschreven in [bijlage A van het bekendmakingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033305&bijlage=A); - d. **vergunning kavel B38:** vergunning als omschreven in [bijlage B van het bekendmakingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033305&bijlage=B); - e. **vergunning kavel C08:** vergunning als omschreven in [bijlage C van het bekendmakingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033305&bijlage=C); - f. **vergunning kavel 11C:** vergunning als omschreven in [bijlage I van het bekendmakingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033305&bijlage=I); - g. **vergunning allotment 7A:** vergunning als omschreven in"},{"i":5178,"b":"Besluit van 15 december 1994, houdende nieuwe regels inzake de reclassering Op de voordracht van Onze Minister van Justitie a.i. van 7 september 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 455985/94/6; Gelet op de [artikelen 14**d**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=14d), tweede lid, [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=16) en [22**e** van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22e), de [artikelen 147](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=147), [177](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=177), tweede lid, en [310 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=310), [artikel 19, eerste lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004028&artikel=19) en [artikel 15, eerste lid, van de Gratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004257&artikel=15); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing (advies van 24 juni 1994, nr. SR 45/94); De Raad van State gehoord (advies van 29 november 1994, no. W03.94.0564); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 14 december 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 471960/94/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. reclasseringsinstelling: een erkende instelling als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2019-06-26&g=2019-06-26); - c. penitentiaire inrichting: een gevangenis, huis van bewaring of inrichting voor stelselmatige daders; - d. taakstraf: de taakstraf, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9); - e. klachtencom"},{"i":5180,"b":"Besluit van 9 december 1969, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van artikel 7, lid 5 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 september 1969, Stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, Nr. 373/669; Gelet op artikel 7 lid 5 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; De Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 1969, Nr. 41); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 4 december 1969, Stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, Nr. 506/669; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam of tot vaststelling van de geslachtsnaam of voornamen van een persoon wordt door hem of zijn wettelijke vertegenwoordiger gedaan bij een tot Ons gericht verzoekschrift. 2. Het verzoekschrift kan worden ingediend bij Onze Minister van Justitie. Artikel 2 Onze voornoemde Minister is belast met de voorbereidende behandeling van het verzoek en stelt ter zake een onderzoek in. Hij is bevoegd overlegging van de voor het onderzoek benodigde bescheiden te vorderen. Artikel 3 1. Het in [artikel 7, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=7) bedoelde recht bedraagt € 835,–. Het bedrag is eenmaal is verschuldigd indien het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam betrekking heeft op een meerderjarige en: - a. zijn kind of twee minderjarige kinderen over wie hij het gezag uitoefent, of - b. zijn kind of twee minderjarige kinderen die tot hetzelfde gezin behoren. Het bedrag is tweemaal verschuldigd indien het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam betrekking heeft op een meerderjarige en: - a. zijn drie of meer minderjarige kinderen over wie hij het gezag uitoefent, of - b. zijn drie of meer minderjarige kinderen die tot hetzelfde gezin behoren. 2. Het verschuldigde bedrag moet worden gestort op de betaalrekening van het Ministerie van Justitie. Artikel 4 1. Wijziging va"},{"i":5214,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 augustus 2009, nr. MEVA/BO-2939356, ter uitvoering van artikel 107a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg inzake het bewijs van registratie als klinisch fysicus (Regeling aanwijzing bewijs van registratie als klinisch fysicus) Gelet op [artikel 107a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=107a); Besluit: Artikel 1 Als getuigschrift als bedoeld in [artikel 107a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=107a) op basis waarvan de titel klinisch fysicus mag worden gevoerd, wordt aangewezen het bewijs van registratie als klinisch fysicus, afgegeven door de Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica te Utrecht. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing bewijs van registratie als klinisch fysicus. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5202,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 12 oktober 2020, nr. WJZ/ 20214683, houdende regels voor het aanvragen van een verlenging van de vergunning van Mobiele TV Nederland B.V. (Regeling aanvraag verlenging MTV NL-vergunning) Gelet op [artikel 18, vijfde en elfde lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat - b. **MTVNL-vergunning:** de vergunning voor het gebruik van frequentieruimte die op grond van [artikel 1 van het Besluit verlengbaarheid vergunning Mobiele TV Nederland B.V.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044229&artikel=1) verlengbaar is. Artikel 2 1. Een aanvraag om verlenging van de looptijd van de MTVNL-vergunning voor de periode van 16 februari 2024 tot en met 31 augustus 2028 wordt ingediend bij de minister. 2. De aanvraag wordt gedaan binnen twee weken te rekenen vanaf de dag van inwerkingtreding van deze regeling. De aanvraag wordt per aangetekende post verzonden dan wel door middel van persoonlijke overhandiging ingediend op het volgende adres en met de volgende adressering: Agentschap Telecom Ter attentie van: Hoofd Media Emmasingel 1 9726 AH Groningen De aanvraag dient, indien deze per post wordt verstuurd, uiterlijk op de laatste dag van de indieningstermijn voor 16.00 uur op het voorgenoemde adres te zijn ontvangen. 3. De persoonlijke overhandiging, bedoeld in het tweede lid, vindt in de genoemde periode plaats op werkdagen tussen 10.00 uur en 12.00 uur of tussen 13.30 uur en 16.00 uur. Bij persoonlijke overhandiging wordt een bewijs van ontvangst afgegeven dat is voorzien van datum en tijdstip van ontvangst en ondertekening. 4. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044230&bijlage=1&z=2020-10-20&g=2020-10-20) opgenomen model en gaat vergezeld van de in dit model genoemde gegev"},{"i":5203,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 15 december 2025, nr. WJZ/102953095, tot vaststelling van regels met betrekking tot de aanvraag van vergunningen voor lokale commerciële radio-omroep (Regeling aanvraagprocedure bij verlening op volgorde van binnenkomst digitale commerciële radio-omroep DAB laag 6) Gelet op de [artikelen 3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.8) en [3.11 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.11) en de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=11) en [12 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=12); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** degene die een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend; - **allotment:** gebied dat gelegen is binnen de contouren zoals gevisualiseerd in de bijlage van de vergunning, inclusief het daar genoemde frequentieblok; - **minister:** Minister van Economische Zaken; - **Rijksinspectie Digitale Infrastructuur:** Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken; - **vergunning:** vergunning voor het gebruik van 1/18e deel van de capaciteit van de frequentieruimte in het allotment waar de vergunning op ziet. Hoofdstuk 2. De aanvraag van een vergunning Artikel 2. Beschikbare vergunning Deze regeling is van toepassing op aanvragen tot verlening van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte als bedoeld in nationale voetnoot HOL007 van het Nationaal Frequentieplan 2014, door middel van de procedure, bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). Artikel 3. Indiening van een aanvraag 1. Een aanvraag tot verlening van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte geschiedt door middel van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel. 2. De aanvraag"},{"i":5216,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 1 augustus 2025, nr. MBO/ 53085098, houdende de aanwijzing van de ‘Branchecode goed bestuur in het mbo 2025’ (Regeling aanwijzing Branchecode goed bestuur in het mbo 2025) Gelet op [artikel 2.5.4, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.4); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing branchecode De Code goed bestuur in het mbo 2025, die is opgenomen als de bijlage bij deze regeling, wordt aangewezen als branchecode, als bedoeld in [artikel 2.5.4, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.4). Artikel 2. Intrekking Regeling aanwijzing Branchecode goed bestuur in het mbo De [Regeling aanwijzing Branchecode goed bestuur in het mbo 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046940) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2025. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 augustus 2025, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 augustus 2025. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing Branchecode goed bestuur in het mbo 2025. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051517&artikel=1&z=2025-09-23&g=2025-09-23) Code goed bestuur mbo 2025 Inleiding Dit is de ‘Code goed bestuur in het mbo 2025, (hierna: de code) aangedragen door de MBO Raad. Alvorens in te gaan op de code zelf is het goed om aandacht te besteden aan de context waarbinnen de code moet worden bezien; de maatschappelijke opdracht van het mbo. De kerntaak van de mbo-instellingen (hierna: instellingen) is om jongeren in onze maatschappij te voorzien van goed onderwijs in een persoonsgerichte en veilige omgeving. Het uitgangspunt van dit go"},{"i":5204,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 15 oktober 2003, nr. EZT/5003904.JZ, houdende regels omtrent de aanvraag van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte en de toelatingscriteria voor het verlenen van een vergunning (Regeling aanvraag en toelating vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte) Gelet op de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=12) en [14 van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. Rijksinspectie Digitale Infrastructuur: de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Hoofdstuk 2. De aanvraag van een vergunning Artikel 2 Deze regeling is alleen van toepassing op aanvragen tot verlening van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte door middel van de procedure als bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). Artikel 3 1. Een aanvraag tot verlening van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte geschiedt door middel van een daartoe strekkend formulier. 2. De aanvraag tot verlening van een vergunning voor frequentieruimte alsmede de aanvraag tot wijziging of intrekking van een vergunning wordt ingediend bij de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur. 3. Een aanvraag voor de verlening van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte ten dienste van singlepoint-singlepoint-straalverbindingen, alsmede een aanvraag voor de verlening, wijziging of intrekking van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte ten dienste van de maritieme radiocommunicatie of voor het gebruik van frequentieruimte ten dienste van het doen van onderzoekingen kan bij de Rijksinspectie Digitale Infrastr"},{"i":5205,"b":"Regeling aanvullende uitkering gemeentefonds Gelet op [artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=12) en artikel 8 van het Besluit financiële verhouding Rijk-gemeenten; Besluiten: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: a. de ministers: de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Financiën; b. de wet: de [Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290); c. het besluit: het [Besluit financiële verhouding 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012216); d. de gemeente: de gemeente die een aanvraag heeft ingediend op grond van [artikel 12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=12). 2. De waarden bedoeld in [artikel 23, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012216&artikel=23) zijn: - a. de waarden die op grond van [artikel 220d van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=220d) buiten aanmerking gelaten worden, met uitzondering van de waarden bedoeld in onderdeel i van dat artikel; - b. de waarden van onroerende zaken ten aanzien waarvan op grond van [artikel 243 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=243) dan wel op grond van rechtstreeks werkende internationale overeenkomsten vrijstelling is verleend. Paragraaf 2. Voorschriften inzake het verslag van gedeputeerde staten en het toepassen van enkele begrippen Artikel 2 1. Het verslag van gedeputeerde staten, bedoeld in [artikel 20 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012216&artikel=20), bevat in ieder geval: - a. een beschrijving van de maatregelen die gedeputeerde staten hebben getroffen om evenwicht in de begroting van de gemeente te brengen of te houden; - b. een analyse van de ontwikkelingen in de lasten en baten van de gemeente; - c. een analyse van de ontwikkelingen in de reserves en voorzieningen van de gemeente; - d. een a"},{"i":5213,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 9 december, nr. 5577676/08, houdende aanwijzing tot bewerker en verlening van mandaat en machtiging van de Minister van Justitie aan de raad voor rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch betreffende het register beëdigde tolken en vertalers (Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:5),[10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 2, tweede en derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **raad:** de raad voor rechtsbijstand; - c. **Wet:** de [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704); - d. **Besluit:** het [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896); - e. **lijst:** de lijst, bedoeld in [artikel 2, derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2). § 2. Aanwijzen bewerker register en bijhouder lijst Artikel 2 1. De raad wordt op grond van [artikel 2, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2) aangewezen als de instelling die het register bewerkt. 2. De raad wordt op grond van [artikel 2, derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2) aangewezen als de instelling die de lijst bijhoudt. § 3. Mandaat en machtiging raad Artikel 3 1. Aan de raad wordt mandaat en machtiging verleend ten aanzien van de aan de"},{"i":5186,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 6 september 2016, nr. WJZ/16132638, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, houdende vaststelling van de aanvraag- en veilingprocedure voor enkele vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte in de FM-band en tot wijziging van de Regeling aanwijzing en gebruik frequentieruimte commerciële radio-omroep 2003 (Regeling aanvraag- en veilingprocedure kavels B27 en B31) Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=9) en [10 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=10); Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanvrager:** degene die een aanvraag heeft ingediend; - b. **bekendmakingsbesluit:** [Besluit bekendmaking veiling kavels B27 en B31](onbekend); - c. **bod:** bieding, uitgebracht via het elektronisch veilingsysteem van de minister en bevestigd door middel van dit elektronisch veilingsysteem; - d. **capaciteitseenheid:** 1/18e deel van de capaciteit van het frequentieblok dat ingevolge nationale voetnoot HOL006 van het Nationaal Frequentieplan 2014 gekoppeld is aan de vergunning voor kavel B27 respectievelijk de vergunning voor kavel B31; - e. **deelnemer:** aanvrager die toegelaten is tot de betrokken veiling; - f. **minister:** Minister van Economische Zaken; - g. **niet-landelijke commerciële radio:** frequentieruimte in de FM-band, aangewezen in [artikel 7, tweede lid, van de Regeling aanwijzing en gebruik frequentieruimte commerciële radio-omroep 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014740&artikel=7); - h. **rente:** volgens actual/360 berekende rente op basis van de door de Europese Centrale Bank vastgestelde Euro Overnight Index Average, minus 100 basispunten, met een minimum van 0%; - i. **rondeprijs:** door de minister per biedronde vastgestelde prijs"},{"i":5206,"b":"Regeling van de Minister van Asiel en Migratie tot het treffen van een aanvulling op de Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging Ministerie van Asiel en Migratie, van datum 17 december 2025 met kenmerk 7002792/25/DP&O (de Regeling aanvulling voortzettingsmandaat AenM) Handelende in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid, Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en gelet op de [Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging beleidsterreinen Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049965) (Stcrt. 2024, 23190) en de [Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging Ministerie van Asiel en Migratie 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051962) (Stcrt. 2025, 43601) Besluit: Artikel 1 in aanvulling op de [Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging beleidsterreinen Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049965) (Stcrt. 2024, 23190) en de [Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging Ministerie van Asiel en Migratie 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051962) (Stcrt. 2025, 43601) geldt: - a. voor de vóór 2 juli 2024 door of namens de secretaris-generaal van het Minister van Justitie en Veiligheid verleende mandaten, volmachten en machtigingen, voor zover de betreffende taken en bevoegdheden behoren tot de beleidsmatige en beleidsuitvoerende portefeuille van de Minister van Asiel en Migratie, worden vanaf 2 juli 2024 aangemerkt als de mandaten, volmachten of machtigingen verleend door of namens de secretaris-generaal van het Ministerie van Asiel en Migratie; - b. voor de vóór 2 juli 2024 door of namens de directeur Financieel economische zaken van het Minister van"},{"i":5207,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 23 april 2021, nr. WJZ/ 21033154, houdende aanwijzing van aanbieders van essentiële diensten op het terrein van economische zaken (Regeling aanwijzing aanbieders essentiële diensten EZK) Gelet op [artikel 2 van het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041520&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aardolieproducten:** kerosine, diesel of benzine; - **richtlijn 2009/73/EG:** [richtlijn (EG) 2009/73/EG](32009L0073) van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van [Richtlijn 2003/55/EG](32003L0055) (PbEU 2009, L 211). Artikel 2 Als aanbieders van een essentiële dienst of categorieën van zodanige aanbieders worden aangewezen: | **Sector** | Aanbieder | Essentiële dienst | | --- | --- | --- | | **Digitale infrastructuur** | Een aanbieder van een internetknooppunt als bedoeld in artikel 4, onder 13, van Richtlijn (EU) 2016/1148 waarop meer dan 300 autonome systemen zijn aangesloten | Het faciliteren van het internet- en dataverkeer | | **Digitale infrastructuur** | Een beheerder van een register voor topleveldomeinnamen die bij de Internet Assigned Number Authority (IANA) is geregistreerd en die meer dan 1.000.000 geregistreerde domeinnamen in beheer heeft | Het beheren en registreren van domeinnamen onder een topleveldomein | | **Digitale infrastructuur** | Een aanbieder van DNS-diensten als bedoeld in artikel 4, onder 14 en 15, van [Richtlijn (EU) 2016/1148](32016L1148) die ten behoeve van meer dan 400.000 geregistreerde .nl- domeinnamen authoritative DNS-diensten verleent. Indien een aanbieder een of meer partnerondernemingen of verbonden ondernemingen als bedoeld in artikel 3, tweede onderscheidenlijk derde lid, van de bijlage bij de Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine"},{"i":5209,"b":"Regeling aanwijzing administratief-technische functies gelet op [artikel 10, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Als functies, als bedoeld in [artikel 10, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=10), worden door het bevoegd gezag aangewezen de functies die voldoen aan de volgende voorwaarden: - a. de functie is niet hoger gewaardeerd dan schaal 11 van [bijlage I van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&bijlage=I); - b. er is sprake van een functie waaraan risico's en ongemakken zijn verbonden, waarbij sprake is van twee of meer van de volgende omstandigheden: - –. voor het vervullen van de functie is fysieke inspanning en behendigheid vereist; - –. er is kans op psychisch letsel uit eerstehandservaring door confrontatie met menselijk leed of schokkende gebeurtenissen door fysieke aanwezigheid bij, of horen of zien van die gebeurtenissen; - –. er is kans op het oplopen van letsel bij conflicten, bij aanhoudingen of in het verkeer; - –. er is sprake van psychische druk door het in luttele seconden moeten nemen van beslissingen in onoverzichtelijke of complexe situaties. - c. de ambtenaren in de functie werken volgens een in overwegende mate volcontinue dienstrooster of een dienstrooster met elke 16 weken ten minste 16 maal een consignatiedienst tussen 0.00 uur–06.00 uur. 2. In bijzondere situaties kan het bevoegd gezag ervan afzien de in het eerste lid genoemde functies aan te wijzen. Artikel 2 Indien het bevoegd gezag een functie aanwijst conform het [eerste artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012102&artikel=1&z=2013-09-14&g=2013-09-14), wordt dit binnen het desbetreffende onderdeel van de politie, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=1) kenba"},{"i":5208,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 22 september 2010, nr. 5669406/10/6, tot aanwijzing van aanvullende documenten waarmee ten behoeve van de uitoefening van het kiesrecht in Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan worden voldaan aan de identificatieplicht bedoeld in de Kieswet (Regeling aanwijzing aanvullende documenten identificatieplicht Kieswet BES) Gelet op de [artikelen J 24, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=J_24) en [Ya 3a van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ya_3a), en [artikel 2, tweede lid, van de Wet identificatieplicht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028575&artikel=2); Besluiten: Artikel 1 1. Voor het uitoefenen van het kiesrecht kan tevens aan de identificatieplicht worden voldaan met behulp van de in [artikel 2, eerste lid, van de Wet identificatieplicht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028575&artikel=2) genoemde documenten, voor zover deze op de dag van de stemming, bedoeld in [artikel J 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=J_1), of [Y 8, eerste lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Y_8), maximaal vijf jaren hun geldigheid hebben verloren. 2. Onder identificatieplicht als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan: - a. identificatieplicht op grond van de [artikelen Ya 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ya_1) en [Ya 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ya_13) in samenhang met [artikel J 24, eerste lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=J_24), en - b. identificatieplicht op grond van [artikel Ya 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ya_1) in samenhang met de [artikelen Y 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ya_2) en [J 24, eerste lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=J_24). Artikel 2 Deze regeling word"},{"i":5221,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 25 mei 2011, nr. WJZ/11069057, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2011 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [56, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=56), [59, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=59), [61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=61), [62, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=62), en [63, tweede lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=63); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **algemene uitvoeringsregeling:** de [Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproduct"},{"i":5187,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 2 februari 2024, nr. WJZ/ 43374524, tot vaststelling van de aanvraag- en veilingprocedure voor vergunningen voor frequentieruimte in de 3,5 GHz-band ten behoeve van mobiele communicatietoepassingen en tot wijziging van de Capregeling frequenties mobiele communicatie 2020 en de Regeling vergoedingen Rijksinspectie Digitale Infrastructuur 2024 (Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen 3,5 GHz-band 2024) Gelet op [artikel 3.11 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.11), de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=8),[9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=9) en [10 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=10), en [artikel 5 van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet en Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **3,5 GHz-band:** frequentieruimte binnen het frequentiebereik 3450–3750 MHz; - **aanvrager:** degene die een aanvraag om een vergunning heeft ingediend; - **bekendmakingsbesluit:** Besluit bekendmaking veiling vergunningen 3,5 GHz-band; - **bod:** bod als bedoeld in de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049372&hoofdstuk=4&paragraaf=2&artikel=25&z=2024-07-01&g=2024-07-01), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049372&hoofdstuk=4&paragraaf=3&artikel=32&z=2024-07-01&g=2024-07-01) of [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049372&hoofdstuk=4&paragraaf=4&artikel=41&z=2024-07-01&g=2024-07-01), uitgebracht door een deelnemer via het elektronisch veilingsysteem van de minister en bevestigd door middel van dit elektronisch veilingsysteem; - **deelnemer:** aanvrager die is toegelaten tot de veiling als bedoeld in [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":5189,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 22 december 2011, nr. WJZ / 10146523, tot vaststelling van de aanvraag- en veilingprocedure voor vergunningen voor frequentieruimte in de 800, 900 en 1800 MHz-band ten behoeve van mobiele communicatietoepassingen (Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen 800, 900 en 1800 MHz) Gelet op de [artikelen 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=2a), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=6), [6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=6a) en [8 van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=8); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanvrager:** degene die een aanvraag heeft ingediend; - b. **nieuwkomer:** de aanvrager die op het in [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031069&paragraaf=3&artikel=9&z=2012-07-11&g=2012-07-11), genoemde tijdstip geen vergunninghouder is van een of meer vergunningen voor frequentieruimte binnen het bereik van 880–915 MHz en 925–960 MHz en die ook geen deel uitmaakt van een groep waarvan een of meer leden vergunninghouder zijn van een of meer vergunningen voor frequentieruimte binnen het bereik van 880–915 MHz en 925–960 MHz; - c. **biedronde:** een primaire biedronde, de aanvullende biedronde of de toewijzingsbiedronde; - d. **onderband 800 MHz:** het frequentiebereik van 791–821 MHz; - e. **bovenband 800 MHz:** het frequentiebereik van 832–862 MHz; - f. **onderband 900 MHz:** het frequentiebereik van 880–915 MHz; - g. **bovenband 900 MHz:** het frequentiebereik van 925–960 MHz; - h. **onderband 1800 MHz:** het frequentiebereik van 1710–1780 MHz; - i. **bovenband 1800 MHz:** het frequentiebereik van 1805–1875 MHz; - j. **onderband 2100 MHz:** het frequentiebereik van 1959,7–1969,7 MHz; - k. **bovenband 2100 MHz:** het frequent"},{"i":3727,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 december 2022, nr. WJZ/22233872, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het college van gedeputeerde staten van Gelderland betreffende het verstrekken van subsidies ten laste van de Rijkscofinanciering op grond van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging college van gedeputeerde staten van Gelderland inzake subsidieverstrekking Rijkscofinanciering Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van het college van gedeputeerde staten van Gelderland; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder college van gedeputeerde staten verstaan: het college van gedeputeerde staten van Gelderland zijnde beheerautoriteit van het Programma EFRO 2021–2027 Oost-Nederland. Artikel 2 Aan het college van gedeputeerde staten wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het verstrekken van subsidies ten laste van de Rijkscofinanciering op grond van [hoofdstuk 4 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045685&hoofdstuk=4), voor zover het subsidies betreft die verband houden met het Programma EFRO 2021–2027 Oost-Nederland. Artikel 3 Aan het college van gedeputeerde staten wordt mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047653&artikel=2&z=2022-12-21&g=2022-12-21), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep. Artikel 4 1. Het college van gedeputeerde staten kan voor de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047653&artikel=2&z=2022-12-21&g"},{"i":14933,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 januari 2006, nr. TRCJZ/2006/99, houdende regels met betrekking tot de werkzaamheden van de Raad voor plantenrassen (Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen) Gelet op de [artikelen 6, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=6), [49, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=49) en [72 van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=72) en gelet op [artikel 1, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019209&artikel=1), [7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019209&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019209&artikel=8), [9, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019209&artikel=9), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019209&artikel=12), [16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019209&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019209&artikel=17), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019209&artikel=19), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019209&artikel=22), en [23 van het Besluit werkzaamheden Raad voor plantenrassen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019209&artikel=23); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. besluit: [Besluit werkzaamheden Raad voor plantenrassen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019209); - b. [richtlijn (EEG) 66/401](31966L0401): [richtlijn nr. 66/401/EEG](31966L0401) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (PbEG L 125); - c. [richtlijn (EEG) 66/402](31966L0402): [richtlijn nr. 66/402/EEG](31966L0402) van de Raad van de E"},{"i":2927,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 1075790-159883-VGP van 7 februari 2017, houdende aanwijzing bevoegde autoriteit in het kader van de gastoestellenverordening Gelet op artikel 20 van de Verordening (EU) 2016/426 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende gasverbrandingstoestellen en tot intrekking van [Richtlijn 2009/142/EG](32009L0142) (PbEU 2016, L 81); Besluit: Artikel 1 Als aanwijzende autoriteit, bedoeld in artikel 20 van de Verordening (EU) 2016/426 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende gasverbrandingstoestellen en tot intrekking van [Richtlijn 2009/142/EG](32009L0142) (PbEU 2016, L 81), wordt aangewezen: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 21 oktober 2016. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14937,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 3 november 2024, nr. 48150937, houdende vaststelling van het wetenschapsaccountantsprotocol voor de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, de Koninklijke Bibliotheek en het Biomedical Primate Research Centre (Regeling wetenschapsaccountantsprotocol OCW 2024) Gelet op [artikel 27, tweede lid, van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=27), [artikel 4, tweede lid, onderdeel e, van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [artikel 4.4, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.4); Besluit: Artikel 1. Vaststelling wetenschapsaccountantsprotocol OCW Het protocol voor de controle van en onderzoek naar de jaarverslaggeving van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, de Koninklijke Bibliotheek en het Biomedical Primate Research Centre door de accountant over het jaar 2024 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Intrekking Besluit accountantsprotocol OWB instellingen NWO – KNAW – KB – BPRC Het Besluit accountantsprotocol OWB instellingen NWO – KNAW – KB – BPRC 2022, van 30 november 2022, met de kenmerken 1322935 (NWO), 1322937 (KNAW), 1322938 (KB) en 1322939 (BPRC) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding en vervaldatum 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2031. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling wetenschapsaccountantsprotocol OCW 2024. Bijlage. bij de Regeling wetenschapsaccountantsprotocol OCW 2024 Inleiding 1"},{"i":14949,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 30 juni 2015, nr. WJZ/15031513, tot aanwijzing van productie-installaties voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op zee als een subsidiabele categorie in het kader van de stimulering van duurzame energieproductie (Regeling windenergie op zee 2015) Gelet op [artikel 3, eerste en tweede lid, van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en de [artikelen 2, tweede tot en met vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=19), [20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=20), [22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [23, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=23), [56, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=56), [60, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=60), [61, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=61), en [63, tweede lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=63); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - **kavel:** kavel als bedoeld in [artikel 1 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=1); - **kavel I:** kavel I van het windenergiegebied Borssele zoals aangewezen in het desbetreffende kavelbesluit; - **kavel II:** kavel II van het windene"},{"i":14991,"b":"Wet van 22 april 1999, houdende regels inzake het treffen van voorzieningen ten behoeve van remigratie (Remigratiewet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bepalingen vast te stellen met betrekking tot het beschikbaar stellen van voorzieningen om remigratie mogelijk te maken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **benadelingsbedrag:** bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in [artikel 5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&hoofdstuk=II&artikel=5a&z=2023-10-01&g=2023-10-01), ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan remigratievoorzieningen is verleend; - b. **bestemmingsland:** land waarin een remigrant zich gaat vestigen; - c. **hoofdverblijf:** de plaats waar een persoon zijn feitelijke woonstede heeft; - d. **kind:** meeremigrerend minderjarig eigen kind, stiefkind of pleegkind; - e. **land van herkomst:** land waar de remigrant geboren is en waarvan de remigrant de nationaliteit bezit of heeft bezeten; - f. **uitreiziger:** persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan de Sociale verzekeringsbank, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in [artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); - g. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - h. **partner:** de meeremigrerende echtgenoot, de meeremigrerende geregis"},{"i":5445,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 december 2013, houdende de regeling van het toezicht op de terugkeer van vreemdelingen (Regeling toezicht terugkeer vreemdelingen) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **inspectie:** de Inspectie Veiligheid en Justitie; - **instanties waar het toezicht wordt uitgeoefend:** de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de Koninklijke marechaussee, de Dienst Justitiële Inrichtingen, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het landelijke politiekorps of de Dienst Terugkeer en Vertrek; - **inspecteurs:** ambtenaren of andere personen werkzaam bij of voor de inspectie; - **minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - **terugkeerproces:** de handelingen, anders dan rechtshandelingen, gericht op de terugkeer van de vreemdeling naar het land van herkomst of een veilig derde land, in verband met het onrechtmatig verblijf in Nederland, de verwachting van het verlies van het verblijfsrecht op korte termijn, of de weigering van de toegang tot Nederland. Artikel 2 1. De inspectie houdt toezicht op het terugkeerproces. 2. Bij de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak, ontvangt de inspectie geen aanwijzingen van de Minister of anderen over de te hanteren methodiek, haar oordeelsvorming en de rapportage daarover. 3. De inspectie rapporteert periodiek omtrent de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde taak aan de Minister en aan andere betrokken bewindspersonen. Een afschrift van deze rapportage wordt verzonden aan de instanties waar het toezicht wordt uitgeoefend. 4. Indien een rapportage niet binnen zes weken na het uitbrengen ervan aan de Minister door de Minister of een andere bewindspersoon openbaar is gemaakt, wordt deze openbaar gemaakt door plaatsing op de website van de inspectie. 5. De inspectie brengt over de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde taak jaarlijks schriftelijk verslag uit aan de Mini"},{"i":4062,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 2 juli 2018, nr. WJZ/18126679, houdende de aanwijzing van toezichthouders van de Nederlandse emissieautoriteit (Besluit toezichthouders NEa) Gelet op [artikel 18.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.4); Besluit: Artikel 1 De inspecteurs werkzaam bij de Dienst Nederlandse Emissieautoriteit worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens: - a. de [hoofdstukken 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=16), [16a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=16a) en [16b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=16b) en de [artikelen 18.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.5), [18.5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.5a), [18.5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.5b), [18.5c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.5c) en [18.6 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.6), en - b. [paragraaf 4.1 van de Tijdelijke wet inframarginale elektriciteitsheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050059&paragraaf=4.1). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toezichthouders NEa. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3293,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 7 juli 2025, nr. BOACAT2025/144, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Nissewaard Gelezen het verzoek van de gemeente Nissewaard van 25 juni 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142), van het Wetboek van Strafvordering; [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051239&artikel=2&z=2025-07-16&g=2025-07-16). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van gemeentelijk opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Nissewaard, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de bijlage bij"},{"i":7867,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2026 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2026 vastgesteld op 10,50%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051833&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2026 vastgesteld op 9,20%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2026. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":15000,"b":"Wet van 30 november 2006 tot wijziging van diverse wetten op of in verband met het terrein van VWS, ten einde wetstechnische gebreken te herstellen en andere wijzigingen van ondergeschikte aard aan te brengen (Reparatiewet VWS 2006) Artikel I Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel IV Wijzigt de Beroepswet. Artikel V Wijzigt de Infectieziektenwet. Artikel VI Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet. Artikel VII Wijzigt de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel VIII Wijzigt de Verzamelwet sociale verzekeringen 2006 (Stb. 2005/708). Artikel IX Wijzigt de Warenwet. Artikel X Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel XI De Wet herziening overeenkomstenstelsel zorg wordt ingetrokken. Artikel XII Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel XIII Wijzigt de Wet inzake bloedvoorziening. Artikel XIV Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel XV Wijzigt de Wet klachtrecht cliënten zorgsector. Artikel XVI Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel XVII Wijzigt de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de orgaandonatie. Artikel XIX Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel XX Wijzigt de Wet toelating zorginstellingen. Artikel XXI Ingetrokken worden: - a. de [Wet van 2 februari 1995 tot wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening en enige andere wetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007228) (Stb. 225); - b. de [Wet van 29 mei 1997 tot wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening in verband met medezeggenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008704) (Stb. 272); - c. de [Wet van 29 mei 1997 tot wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening in verband met het klachtrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008705) (Stb. 273); - d. de [Wet va"},{"i":15001,"b":"Wet van 4 juni 2010 tot wijziging van diverse wetten op of in verband met het terrein van VWS, ten einde wetstechnische gebreken te herstellen en andere wijzigingen van ondergeschikte aard aan te brengen (Reparatiewet VWS 2010) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in diverse wetten op of in verband met het terrein van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wetstechnische gebreken te herstellen en andere wijzigingen van ondergeschikte aard aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Drank- en Horecawet. Artikel II Wijzigt de Kwaliteitswet zorginstellingen. Artikel III Wijzigt de Warenwet. Artikel IV Wijzigt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Artikel V Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning. Artikel VI Wijzigt de Wijzigingswet Drank- en Horecawet. Artikel VII Wijzigt de Wijzigingswet Tabakswet. Artikel VIII Wijzigt de Wijzigingswet Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Artikel IX Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel X Deze wet wordt aangehaald als: Reparatiewet VWS 2010. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6537,"b":"Besluit van 26 oktober 1995, tot wijziging van het Kansspelenbesluit Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 24 augustus 1995, Directie Wetgeving, nr. 512333/95/6; Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=6) en [29 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=29); De Raad van State gehoord (advies van 10 oktober 1995, nr. W03.95.0473); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 20 oktober 1995, Directie Wetgeving, nr. 520511/95/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid, is op een vergunning als bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3), 4 en [28 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=28), die is verleend voor de inwerkingtreding van dit besluit, het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit. 2. Ten aanzien van een vergunning als bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3), 4 en [28 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=28), die is verleend voor de inwerkingtreding van dit besluit met een geldigheidsduur van meer dan een jaar, is de jaarlijkse vergoeding bedoeld in [artikel 3**a** van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=3a) verschuldigd met ingang van de dag waarop dit besluit in werking treedt. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de wet van 18 mei 1995, **Stb.** 300, houdende wijziging van de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) in verband met het instellen van een College van toezicht op de kansspelen in werking treedt. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal"},{"i":7561,"b":"Besluit van 6 februari 2019, houdende bepalingen inzake de overeenkomstige toepassing van de Wet politiegegevens op de verwerking van persoonsgegevens door personen die als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn belast met de opsporing van strafbare feiten (Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie, van 10 oktober 2018, nr. 2382477, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=6), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=11), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=15), [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18), en [46, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=46); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 december 2018, nr. W16.18.0311/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming, mede namens Onze Minister van Defensie, van 1 februari 2019, nr.2473765, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definitiebepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463); - b. **buitengewoon opsporingsambtenaar:** de personen, bedoeld in [artikel 142, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); - c. **verwerkingsverantwoordelijke:** de werkgever, bedoeld in [artikel 1, onderdeel h, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=1); - d. **de opsporingstaak:** de opsporing van de strafbare feiten, bedoeld in de akte of aanwijzing van opsporingsbevoegdheid, bedoeld in [artikel 142, tweede lid, van het Wetboek"},{"i":15003,"b":"Wet van 12 november 2014, houdende wijziging van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector met het oog op een betere uitvoering van de wet (Reparatiewet WNT) Artikel I Wijzigt de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. Artikel II Wijzigt deze wet. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. [Artikel I, onderdeel J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035812&artikel=I&z=2014-11-28&g=2014-11-28), werkt terug tot en met 1 januari 2013. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Reparatiewet WNT. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het met het oog op een betere uitvoering van de [Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) in de praktijk noodzakelijk is enige wijzigingen in deze wet aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15004,"b":"Wet van 1 december 2021, houdende wijziging van de Wet ter Bescherming Koopvaardij houdende aanpassingen in verband met het certificerings- en vergunningstelsel, de positie van particuliere beveiligers, de scheepsbeheerder en de kapitein, de verwerking van bijzondere persoonsgegevens en herstel van enkele onvolkomenheden (Reparatiewet WtBK) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Wet ter Bescherming Koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278), enkele wijzigingen in de wet aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet ter Bescherming Koopvaardij in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Wet ter Bescherming Koopvaardij. Artikel II Deze wet treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet ter Bescherming Koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278) in werking treedt. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Reparatiewet WtBK. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15002,"b":"Wet van 20 november 2008, houdende herstel van wetstechnische gebreken in de Wet op het financieel toezicht en een aantal andere wetten (Reparatiewet Wft) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om wetstechnische gebreken en omissies te herstellen in de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en een aantal andere wetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht. Artikel III Wijzigt de Faillissementswet. Artikel IV Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel V Wijzigt de Wet op het consumentenkrediet. Artikel VI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel VII Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel VIII Wijzigt de Tijdelijke regeling invoering Wft. Artikel VIIIA Wijzigt deze wet. Artikel VIIIB Wijzigt deze wet, de Wet op het financieel toezicht en de Wet op de economische delicten. Artikel VIIIC Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het financieel toezicht, enz. (transparantievereisten informatie uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten). Artikel IX De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. [Artikel II, onderdelen E en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024889&artikel=II&z=2009-01-01&g=2009-01-01), en [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024889&artikel=IV&z=2009-01-01&g=2009-01-01) werken terug tot en met 1 januari 2007. Artikel X Deze wet wordt aangehaald als: Reparatiewet Wft. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worde"},{"i":5311,"b":"Regeling defensiesubsidies Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Defensie; - b. subsidie: aanspraak op financiële middelen, door de minister verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het ministerie geleverde goederen of diensten. § 2. Algemene subsidiebepalingen Artikel 2 Een subsidie die wordt verleend ten laste van een begroting van de uitgaven van het Rijk van het Ministerie van Defensie die nog niet is vastgesteld wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. Artikel 3 Bij gehele of gedeeltelijke beëindiging van de gesubsidieerde activiteiten is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan de minister. De hoogte van de vergoeding wordt bepaald rekening houdende met de verstrekte subsidie, de duur van de subsidiëring en de mate waarin het subsidiebedrag voor het beoogde doel is aangewend. Artikel 4 De beschikking tot subsidieverlening vermeldt in ieder geval: - a. de voorwaarde, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013110&paragraaf=2&artikel=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01); - b. de verplichting, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013110&paragraaf=2&artikel=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01), waarbij nader wordt aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald; - c. de termijn, waarbinnen de aanvraag tot vaststelling van de subsidie moet worden ingediend, in gevallen waarin de subsidie € 25.000 of meer bedraagt; en - d. de voorschotverlening, in gevallen waarin voorschotten op de subsidie worden verleend. Artikel 5 De minister onderwerpt de subsidieverstrekking elke vijf jaren aan een evaluatieonderzoek, indien subsidie wordt verstrekt gedurende meer dan vijf jaren. De resultaten van dit onderzoek bepalen mede de aanspraak op subsidieverstrekking in"},{"i":15005,"b":"Samenwerking Musea 2017 Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het stimuleren van bijzondere en duurzame samenwerking van musea onderling al dan niet met andere maatschappelijke partners door het verstrekken van bijdragen voor gezamenlijke initiatieven die het gangbare overstijgen, de relatie tussen de burger en het cultureel erfgoed versterken, een duurzaam karakter hebben, voorbeeldstellend en navolgbaar zijn door anderen en uiteindelijk leiden tot een sterkere museale sector. Het gaat daarbij om de volgende thema’s: - •. educatie, - •. publieksbereik, - •. zichtbaarheid, - •. wetenschap, - •. digitale mogelijkheden, - •. collectiebeleid. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een bijdrage kan worden aangevraagd door een museum dat is opgenomen in het Museumregister tezamen met één of meerdere andere musea binnen Nederland of internationaal en/of met een maatschappelijke partner (zoals onderwijs, andere culturele instellingen, bedrijfsleven en publiek). 2. Een bijdrage kan worden verstrekt als tegemoetkoming voor een samenwerking die beoogt bij te dragen aan een gemeenschappelijk resultaat door een gezamenlijke inspanning op ten minste een van de volgende gebieden: - •. toename van het publieksbereik door meer en/of nieuw publiek, - •. grotere zichtbaarheid van de collectie, - •. gedeelde en/of geborgde museale kennis, - •. rendabelere bedrijfsvoering door kostenreductie of omzetverhoging. 3. Een bijdrage kan worden verstrekt als tegemoetkoming voor een samenwerking die beoogt bij te dragen aan haalbaarheidsonderzoeken zoals: - •. het voorbereiden van verregaande vormen van samenwerking of fusie, - •. het inhuren van specifieke expertise, die leidt tot nauwere samenwerking op voornoemde gebieden, - •. het onderzoeken van best practises, het aangaan van intensieve (internationale) samenwerking. 4. In de toelichting bij het aanvraagformulier zijn het maximal"},{"i":15006,"b":"Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, inzake de Europese satellietnavigatieprogramma's De Europese Unie en Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, Ierland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, De Republiek Kroatië, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „lidstaten” genoemd, enerzijds, en De Zwitserse Bondsstaat, hierna „Zwitserland” genoemd, anderzijds, hierna „partij” of „partijen” genoemd, Gezien het gemeenschappelijke belang bij de ontwikkeling van een mondiaal navigatiesatellietsysteem (hierna „GNSS” genoemd) dat specifiek voor civiele doeleinden is ontworpen, Erkennende het belang van de Europese GNSS-programma's als een bijdrage tot de navigatie- en informatie-infrastructuur in de Europese Unie en Zwitserland, Gezien de toenemende ontwikkeling van GNSS-toepassingen in de Europese Unie, Zwitserland en andere gebieden in de wereld, Gezien het gemeenschappelijke belang bij de samenwerking op lange termijn tussen de Europese Unie, haar lidstaten en Zwitserland op het gebied van satellietnavigatie, Erkennende de nauwe deelname van Zwitserland aan de Galileo- en Egnos-programma's sinds de definitiefasen ervan, Gezien de resoluties van de Ruimteraad, met name „Resolutie"},{"i":15007,"b":"Regeling van 17 november 2009, houdende regels voor de samenwerking tussen de mobiele eenheden van de politie en de mobiele eenheden van de Koninklijke marechaussee (Samenwerkingsregeling mobiele eenheden) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=46); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt onder gezamenlijke inzet verstaan: een inzet van de mobiele eenheid van de Koninklijke marechaussee samen met een mobiele eenheid als bedoeld in [artikel 26, aanhef, van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=26) ten behoeve van de taken, bedoeld in de onderdelen a tot en met f van dat artikel. Artikel 2 1. Voor een gezamenlijke inzet zijn vier pelotons mobiele eenheid van de Koninklijke marechaussee beschikbaar welke ook per sectie ingezet kunnen worden. De pelotons mobiele eenheid kunnen desgewenst worden ondersteund door BRATRA-groepen en aanhoudingseenheden van de Koninklijke marechaussee. 2. De commandant van de Koninklijke marechaussee stelt jaarlijks het maximaal aantal gezamenlijke inzetten vast. Deze vaststelling laat onverlet dat de mobiele eenheid van de Koninklijke marechaussee, indien noodzakelijk, vaker kan worden ingezet op grond van [artikel 57 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=57). Artikel 3 De coördinatie van een gezamenlijke inzet berust bij het Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Artikel 4 1. Bij een gezamenlijke inzet heeft de commandant van de mobiele eenheid van de Koninklijke marechaussee de feitelijke leiding over zijn eenheid. Deze commandant staat onder leiding van een operationeel commandant van de politie. 2. De operationeel commandant draagt zorg voor de verbindingen met de onder hem gestelde commandanten. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de"},{"i":15008,"b":"Besluit van 24 juli 2010, houdende tijdelijke voorzieningen voor de samenwerking bij en de waarborging van de uitvoering van de plannen van aanpak door de landen Curaçao en Sint Maarten (Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 maart 2010, nr. 2010-0000160250, CZW, in overeenstemming met de regering van de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten; Gelet op [artikel 38, eerste en tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 29 april 2010, nr. W04.10.0085/I/K); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 juli 2010, nr. 2010-0000473843, CZW, in overeenstemming met de regering van de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten; De bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde; Overwegende, dat het wenselijk is dat er in samenwerking tussen Curaçao, Sint Maarten en Nederland, met toepassing van [Paragraaf 3 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&paragraaf=3) (Onderlinge bijstand, overleg en samenwerking) voorzieningen worden getroffen die waarborgen dat landstaken die op de datum dat Curaçao en Sint Maarten land worden binnen het Koninkrijk nog niet door Curaçao dan wel Sint Maarten kunnen worden uitgevoerd overeenkomstig de overeengekomen toetsingscriteria, vanaf de datum van transitie op een voldoende niveau worden uitgevoerd en dat Curaçao dan wel Sint Maarten op termijn deze taken wel overeenkomstig de criteria kunnen uitvoeren; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao"},{"i":15009,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 april 2007 met kenmerk SAS 2007018801, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de sanering van wegen in de omgeving van de gemeenten Hof van Twente en Harderwijk, waarin asbestbevattend materiaal is verwerkt Gelet op [artikel 15.13, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: § 1. Definities en reikwijdte Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. weg: weg, pad, erfverharding of gedeelte daarvan, alsmede andere grond die bestemd is om door rij- of ander verkeer te worden gebruikt, uitgezonderd aangrenzende bermen; - b. stroken: gedeelten van de aan een weg grenzende bermen; - c. asbestbevattende weg: weg waarin de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, beide bepaald volgens NEN 5897, uitgave december 2005, meer is dan honderd milligram per kilogram; - d. asbestbevattende stroken: stroken waarin de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, beide bepaald volgens NEN 5897, uitgave december 2005, meer is dan honderd milligram per kilogram; - e. Eternit: Eternit Fabrieken B.V., Eternit B.V. of Eternit Holding B.V., te Hof van Twente; - f. Asbestona: Martinit B.V. te Hof van Twente; - g. eigenaar: eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is handelingen te verrichten aan een asbestbevattende weg of aan asbestbevattende stroken; - h. de minister: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. Onder asbest, serpentijnasbest en amfiboolasbest wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het [Besluit asbestwegen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011619). Artikel 2 1. Deze regeling is van toepassing op wegen en stroken, gelegen binnen een straal van twaalf kilometer rond de voormalige gemeente Goor of binnen een straal van twaalf"},{"i":15010,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 januari 2003, nr. DGM/SAS/2003000830, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de sanering van wegen in de omgeving van de gemeenten Hof van Twente en Harderwijk, waarin asbestbevattend materiaal is verwerkt Gelet op [artikel 15.13, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: § 1. Definities en reikwijdte Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: a. weg: weg, pad, erfverharding of gedeelte daarvan, alsmede andere grond die bestemd is om door rij- of ander verkeer te worden gebruikt, uitgezonderd aangrenzende bermen; b. stroken: gedeelten van de aan een weg grenzende bermen met een breedte van ten hoogste een halve meter; c. asbestbevattende weg: weg waarin de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, beide bepaald volgens NEN 5897, uitgave februari 1999, meer is dan honderd milligram per kilogram; d. asbestbevattende stroken: stroken waarin de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, beide bepaald volgens NEN 5897, uitgave februari 1999, meer is dan honderd milligram per kilogram; e. Eternit: Eternit Fabrieken B.V., Eternit B.V. of Eternit Holding B.V., te Hof van Twente; f. Asbestona: Martinit B.V. te Hof van Twente; g. eigenaar: eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is handelingen te verrichten aan een asbestbevattende weg of aan asbestbevattende stroken; h. de minister: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. Onder asbest, serpentijnasbest en amfiboolasbest wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het [Besluit asbestwegen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011619). Artikel 2 1. Deze regeling is van toepassing op wegen en stroken, gelegen binnen een straal van twaalf kilometer rond de voormalige gemeent"},{"i":15011,"b":"Regeling houdende bepalingen omtrent de instelling van een gezamenlijke schadebeoordelingcommissie ten behoeve van de coördinatie van verzoeken om schadevergoeding in verband met de aanleg van de Tweede Maasvlakte (Schaderegeling Tweede Maasvlakte) Handelende in overeenstemming met het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, en de Colleges van Burgemeester en Wethouders van de Gemeenten Rotterdam en Westvoorne; Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), en onder meer [artikel 31 Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641&artikel=31), [artikel 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=49) en [artikel 26 Ontgrondingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002505&artikel=26); Besluiten: tot vaststelling van de navolgende beleidsregeling en het navolgende instellingsbesluit en het navolgende mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit. § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. verzoek: verzoek als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024048&paragraaf=2&artikel=2&z=2008-06-27&g=2008-06-27). - b. aanleg van de Tweede Maasvlakte: uitvoering van het deelproject Landaanwinning en bijbehorende natuurcompensatie, zoals omschreven in de Planologische Kernbeslissing Project Mainportontwikkeling Rotterdam (deel 4) (Stcrt. 2006, 246); - c. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat beslist op verzoeken; - d. commissie: schadebeoordelingscommissie, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024048&paragraaf=3&artikel=5&z=2008-06-27&g=2008-06-27); § 2. Beleidsregeling coördinatie schadevergoeding Tweede Maasvlakte Artikel 2. Toepassingsbereik 1. Deze regeling is van toepassing op verzoeken om vergoeding van geleden of te lijden schade als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een aan het publiek"},{"i":15012,"b":"Besluit van 5 augustus 1965, tot uitvoering van de artikelen 3, 4bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de Schepenwet Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 mei 1965, no. 30.505 J, Directoraat-Generaal van Scheepvaart; Gelet op de artikelen 3, 4**bis**, 5, 9, 17, 66 en 73 van de [Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876); Gezien de bepalingen van het vanwege Ons op 17 juni 1960 te Londen ondertekende Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1960; De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 9 juni 1965, no. 28); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 juli 1965, no. 31.032 J, Directoraat-Generaal van Scheepvaart; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1. Omschrijvingen 1. Onverminderd het bepaalde in het derde lid van dit artikel en het bepaalde in [artikel 107](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&hoofdstuk=VII&artikel=107&z=2010-10-10&g=2010-10-10) van dit besluit, wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan onder: **wet:** de [Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876); **Onze Minister:** Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; **kapitein:** elke gezagvoerder van een schip of die deze vervangt; **schepelingen:** allen die zich als scheepsofficieren of scheepsgezellen aan boord bevinden of zich als zodanig hebben verbonden; scheepsofficieren zijn de schepelingen aan wie de monsterrol de rang van officier toekent, scheepsgezellen zijn alle overige schepelingen; **gediplomeerden:** zij die in het bezit zijn van een diploma bedoeld in de Wet op de zeevaartdiploma's (Stb. 1935, 456); **Radioreglement:** het Radioreglement (Trb. 1981, 78), behorende bij het op 6 november 1982 te Nairobi tot stand gekomen Internationale Verdrag betreffende de Telecommunicatie (Trb. 1983, 164); **ISM-code:** de internationale veiligh"},{"i":15013,"b":"Besluit van 18 juni 2004, houdende regels met betrekking tot de veiligheid en certificering van zeeschepen (Schepenbesluit 2004) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 maart 2004, nr. HDJZ/SCH/2004–541, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op het op 5 april 1966 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de uitwatering van schepen (Trb. 1966, 275) en het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157), de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=3), [3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=3a), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=7) en [9 van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=9) en [artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 17 mei 2004, nr. W09.04 0116/V/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 juni 2004, nr. HDJZ/SCH/2004–1392, Hoofddirectie Juridische Zaken; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Aanvaringsverdrag:** het op 20 oktober 1972 te Londen totstandgekomen Verdrag inzake Internationale Voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee (Trb. 1974, 51); - **GT:** de maateenheid bruto-tonnage waarin de totale inhoud van een schip, vastgesteld overeenkomstig het op 23 juni 1969 te Londen totstandgekomen Verdrag betreffende de meting van schepen (Trb. 1970, 122), wordt uitgedrukt; - **IMO:** de Internationale Maritieme Organisat"},{"i":15015,"b":"Schorsing regeling bijdragen aanleg snelgroeiend bos Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Gelet op artikel 4a van de Regeling bijdragen aanleg snelgroeiend bos 1988; Besluit: Artikel 1 Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling kunnen geen aanvragen worden ingediend tot het verkrijgen van bijdragen als bedoeld in [artikel 2 van de Regeling bijdragen aanleg snelgroeiend bos 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004416&artikel=2). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant geplaatst worden."},{"i":5416,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 september 2006, nr. DJZ2006303617, houdende vaststelling van de bij de aanvraag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Subsidiebesluit experimenten en kennisoverdracht wonen over te leggen gegevens en bescheiden alsmede van het model voor de verklaring, bedoeld in artikel 6, derde lid, van dat besluit en het model voor de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 14, derde lid, van dat besluit (Regeling Subsidiebesluit experimenten en kennisoverdracht wonen) Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020333&artikel=3), [6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020333&artikel=6), en [14, vierde lid, van het Subsidiebesluit experimenten en kennisoverdracht wonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020333&artikel=14); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Subsidiebesluit experimenten en kennisoverdracht wonen in werking treedt. Artikel 1 Bij de aanvraag tot subsidieverlening, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Subsidiebesluit experimenten en kennisoverdracht wonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020333&artikel=3), worden de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020311&bijlage=I&z=2006-12-11&g=2006-12-11) bij deze regeling genoemde gegevens en bescheiden overgelegd. Artikel 2 De verklaring omtrent de minimis-steun, bedoeld in [artikel 6, derde lid, van het Subsidiebesluit experimenten en kennisoverdracht wonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020333&artikel=6), wordt opgesteld overeenkomstig het in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020311&bijlage=II&z=2006-12-11&g=2006-12-11) bij deze regeling opgenomen model. Artikel 3 De verklaring, bedoeld in [artikel 14, derde lid, van het Subsidiebesluit experimenten en kennisoverdracht wonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020333&artikel=14), wordt opgesteld overeenkomstig het in [bijlage III"},{"i":7090,"b":"Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek BES, tweede gedeelte Titel 1. Algemene Bepaling Artikel 1 De [artikelen 2 tot en met 15 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028466&artikel=2), gelden mede ter regeling van het overgangsrecht ter gelegenheid van de invoering van de landsverordeningen bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028301&titeldeel=2&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028301&titeldeel=3&artikel=10&z=2010-10-10&g=2010-10-10), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028301&titeldeel=4&artikel=27&z=2010-10-10&g=2010-10-10) en [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028301&titeldeel=5&artikel=30&z=2010-10-10&g=2010-10-10). Titel 2. Overgangsbepalingen ter zake van de invoering van de Landsverordening houdende aanpassing van het bestaande Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen en een aantal andere landsverordeningen in verband met de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek Artikel 2 In deze titel wordt onder «de wet» verstaan de Landsverordening houdende aanpassing van het bestaande Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen en een aantal andere landsverordeningen in verband met de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Artikel 3 1. Terzake van een dwangbevel of bevelschrift, uitgevaardigd vóór het tijdstip van het in werking treden der wet, blijft het voordien geldende recht van toepassing. Indien de wet voor tenuitvoerlegging van zulk een maatregel toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorschrijft, geldt dit, met inachtneming van de bepalingen van [Titel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028301&titeldeel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10), mede voor tenuitvoerlegging van de uitgevaardigde maatregel na dat tijdstip. 2. Gedingen die aanhangig zijn gemaakt vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet, worden geheel afgedaan met toepassing van de voorschriften va"},{"i":5337,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 november 2025, nr. 6844486, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken Gelet op [artikel 11:2, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=11:2) en [artikel 2 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel III Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel IV 1. [Artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:41) zoals dat lid luidde vóór 1 januari 2026 blijft van toepassing als het beroepschrift voor die datum is ontvangen. Als de eerste volzin van toepassing is en op of na 1 januari 2026 een ander beroepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen hetzelfde besluit, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere beroepschrift. 2. [Artikel 8:109, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:109) zoals dat lid luidde vóór 1 januari 2026 blijft van toepassing als het hogerberoepschrift voor die datum is ontvangen. Als de eerste volzin van toepassing is en op of na 1 januari 2026 een ander hogerberoepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen dezelfde uitspraak, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere hogerberoepschrift. Artikel V Het griffierecht in burgerlijke zaken zoals het gold vóór 1 januari 2026 blijft van toepassing: - a. voor de eiser of verzoeker die dit griffierecht voor die datum verschuldigd is geworden; - b. voor de gedaagde die verschijnt in een dagvaardingsprocedure waarin het exploot van dagvaarding voor die datum is betekend en in dat exploot een rechtsgeldige mededeling en verwijzi"},{"i":6567,"b":"Besluit van 27 oktober 2016 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft in verband met aanpassing van de solvabiliteitseisen voor verzekeraars met beperkte risico-omvang (Wijzigingsbesluit solvabiliteit verzekeraars met beperkte risico-omvang) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 9 september 2016, 2016-0000139073, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 3:53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:55), [3:57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), en [3:67, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:67); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 5 oktober 2016, nr. WO6.16.0286/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 19 oktober 2016, 2016-0000167845, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Wijzigingsbesluit solvabiliteit verzekeraars met beperkte risico-omvang. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7087,"b":"Overgangsregeling huurgewenningsbijdrage domeinwoningen Overwegende: dat ten aanzien van de herhuisvesting van de bewoners van het woonoord Lunetten faciliteiten zijn vastgesteld; dat de gezamenlijke verklaring van 21 april 1986 met betrekking tot het overleg tussen een delegatie van het Kabinet en de Badan Persatuan mede betrekking heeft op de bewoners van overgedragen domeinwoningen; dat op grond van gewekte verwachtingen de Regeling huurgewenningsbijdrage, zoals zij laatstelijk luidde voor 1 juli 1988, van kracht behoort te blijven ten aanzien van eerder genoemde bewoners; Besluit: Artikel 1 In afwijking van artikel 11 van de Regeling tot wijziging van de Regeling huurgewenningsbijdrage (Stcrt. 1988, 68) is de Regeling huurgewenningsbijdrage, zoals zij laatstelijk luidde voor 1 juli 1988 (Stcrt. 1987, 75) doch zoals zij met ingang van 1 januari 1992 met betrekking tot de in deze regeling bedoelde huurders gelezen wordt, mede van toepassing ten aanzien van degene, die - a. huurder geweest zijnde van een woning in het woonoord Lunetten in de gemeente Vught, dan wel van een aan een toegelaten instelling als bedoeld in [artikel 59, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=59) (Stb. 1964, 222) of aan een gemeente gedurende de looptijd van de huurovereenkomst overgedragen domeinwoning, aansluitend verhuist naar een andere woning, waarvan de huurprijs evenwel hoger is, dan wel - b. huurder is van een domeinwoning als bedoeld onder a, waarvan de huurprijs in verband met getroffen voorzieningen wordt verhoogd. Artikel 2 1. Deze regeling wordt geplaatst in de Staatscourant. 2. Zij treedt in werking met ingang van de dag na die van haar verschijning in de Staatscourant. 3. Zij kan worden aangehaald als: Overgangsregeling huurgewenningsbijdrage domeinwoningen."},{"i":7098,"b":"Protocol tot wijziging van het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens Preambule De Lidstaten van de Raad van Europa en de andere Partijen bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108), dat op 28 januari 1981 te Straatsburg werd opengesteld voor ondertekening (hierna te noemen „het Verdrag”), Gelet op Resolutie nr. 3 over gegevensbescherming en privacy in het derde millennium, aangenomen tijdens de 30ste Conferentie van de ministers van Justitie van de Raad van Europa (Istanboel, Turkije, 24-26 november 2010); Gelet op Resolutie 1843 (2011) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens op het internet en in de onlinemedia en Resolutie 1986 (2014) over de verbetering van de bescherming en veiligheid van gebruikers in cyberspace; Gelet op Advies 296 (2017) over het ontwerpprotocol tot wijziging van het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108) en de toelichting daarbij, aangenomen door het Permanent Comité namens de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa op 24 november 2017; Overwegende dat er sinds de aanneming van het Verdrag nieuwe uitdagingen zijn ontstaan voor de bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens; Overwegende dat ervoor moet worden gezorgd dat het Verdrag zijn vooraanstaande rol blijft spelen bij de bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en meer in het algemeen bij de bescherming van mensenrechten en fundamentele vrijheden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Wijzigt het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens; Straatsburg, 28 januari 1981. Artikel 2 Wijzigt het Verdrag tot bescherming van perso"},{"i":12787,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 september 2021, nr. WJZ/ 21203074, houdende vaststelling van de rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het voormalig Productschap Zuivel Gelet op [artikel XLVI van de Wet opheffing bedrijfslichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&artikel=XLVI); Besluit: Artikel 1 De rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het voormalig Productschap Zuivel wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum na die waarop het is bekendgemaakt. Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het Productschap Zuivel Met de inwerkingtreding van de [Wet opheffing bedrijfslichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083) (hierna: Wob) op 1 januari 2015 zijn de zeventien Product- en bedrijfschappen opgeheven. In [artikel XXXIX, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&artikel=XXXIX), werd de Minister van EZ bevoegd alle rechtshandelingen te verrichten met het oog op de vereffening van het vermogens van de schappen. Op 1 januari 2019 is de [Wob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083) aangepast en werd de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister) verantwoordelijk voor de laatste fase van de vereffening van de vermogens van de schappen. Voor u ligt de Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het Productschap Zuivel (PV). Het schriftelijk verslag, opgenomen in Deel I, gaat vergezeld van een slotbalans op 31 december 2017 en een rekening van baten en lasten over de periode 2015 – 2017 die zijn opgenomen in Deel II, een bijlage waarin het stappenplan van de vereffening wordt toegelicht en een tweede bijlage waarin het effect van het verloop van de IBR-claim op het resterend vermogen van PZ is uitgewerkt. Het Ontwerp van de Rekening en verantwoording heeft conform [artikel XL"},{"i":13329,"b":"Wet van 16 mei 2002, houdende gemeentelijke herindeling in Zeeuws-Vlaanderen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling in Zeeuws-Vlaanderen te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande gemeenten opgeheven: - Axel - Hontenisse - Hulst - Oostburg - Sas van Gent - Sluis-Aardenburg - Terneuzen Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande nieuwe gemeenten ingesteld: - Hulst - Sluis - Terneuzen 2. In tabel 1 is aangegeven uit het gebied van welke op te heffen gemeenten het gebied van elk der nieuwe gemeenten bestaat, met dien verstande dat de grenzen van de nieuwe gemeente komen te lopen zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. **Tabel 1: gebiedsbepaling nieuwe gemeenten** | Nieuwe gemeente | Bestaande uit op te heffen gemeente | | --- | --- | | Hulst | Hontenisse | | | Hulst | | Sluis | Sluis-Aardenburg | | | Oostburg | | Terneuzen | Axel | | | Sas van Gent | | | Terneuzen | Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 3 In tabel 2 zijn voor de nieuwe gemeente de op te heffen gemeenten aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. **Tabel 2** | Nieuwe gemeente | Aangewezen op te heffen gemeente | | --- | --- | | Hulst | Hulst | | Sluis | Oostburg | | Terneuzen | Terneuzen | Artikel 4 In tabel 3 staan voor de op te heffen gemeenten de nieuwe gemeenten aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":15019,"b":"Selectielijst neerslag handelingen m.b.t. Emancipatie en gelijke behandeling vanaf 1965–heden, Financiën Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 maart 2003, nr. arc-2002.4707/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Emancipatie en gelijke behandeling over de periode vanaf 1965](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14213,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 12 november 2008, nr. 5557004/08, houdende bepalingen met betrekking tot eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen (regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008) Gelet op [artikel 12, tweede lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=12); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Paragraaf 1. Begripsbepaling Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder ‘Rva 2005’: de [Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorie vreemdelingen 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959). 2. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder ‘vergunninghouder’: de vreemdeling bedoeld in [artikel 3, derde lid, onderdeel c, van de Rva 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959&artikel=3). Paragraaf 2. Feitelijk geboden verstrekkingen Artikel 2 Tot de aan de asielzoeker feitelijk geboden verstrekkingen, bedoeld in [artikel 20, tweede lid, van de Rva 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959&artikel=20), worden gerekend: - a. de aan of ten behoeve van de asielzoeker en zijn gezinsleden verstrekte financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven en de in natura verstrekte maaltijden; - b. het onderdak in een opvangcentrum of de financiële toelage ten behoeve van de huisvesting buiten een opvangcentrum; - c. de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daarvoor getroffen ziektekostenregeling. Paragraaf 3. De economische waarde Artikel 3 De economische waarde per maand, bedoeld in [artikel 20, tweede lid, van de Rva 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959&artikel=20), bedraagt: - a. van de verstrekkingen bedoeld in [artikel 2, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024733&hoofdstuk=1&paragraaf=2&artikel=2&z=2025-11-01&g=2025-11-01): de toelage bedoeld in [artikel 14, tweede lid, van de Rva 2005]"},{"i":14188,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte van 16 april 2003, nr. MJZ2003014180, houdende regels inzake de wijze van detecteren en registreren met betrekking tot aanwezigheid van ioniserende straling in schroot en de daartoe nodige vaardigheden en bekwaamheden (Regeling detectie radioactief besmet schroot) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014106&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014106&artikel=5) en [6 van het Besluit detectie radioactief besmet schroot](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014106&artikel=6); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit detectie radioactief besmet schroot](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014106); - **bijlage:** bij deze regeling behorende bijlage; - **detectielimiet:** hetgeen daaronder wordt verstaan in ISO-11929; - **integratietijd:**de periode waarover het aantal pulsen wordt gesommeerd en waaruit de telsnelheid wordt berekend; - **omgevingsdosisequivalenttempo:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&bijlage=1) juncto [bijlage 2 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&bijlage=2); - **telsnelheid:** het totaal aantal pulsen per tijdseenheid, verzameld door een detector; - **verhoogd stralingsniveau:**niveau van omgevingsdosisequivalenttempo dat gelijk is aan of hoger is dan 10 nSv.h-1 boven het omgevingsdosisequivalenttempo van het achtergrondniveau. Artikel 2 1. Detectieapparatuur voldoet aan de in deel I van de bijlage daaromtrent gestelde voorschriften of, indien zij rechtmatig is vervaardigd of op de markt gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, aan die voorschriften of aan te"},{"i":12614,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Derafshan 2007» aan het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016430, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene wordt toegevoegd het opschrift «Derafshan 2007» in verband met diverse gevechtsacties in de Derafshan-vallei. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":14065,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 juni 2021, nr. Min-BuZa.2021.8678-13, tot vaststelling van een regeling inzake de organisatie en het beheer van het archief van de Commissie van onderzoek NLA-programma in Syrië (Regeling archief Commissie van onderzoek NLA-programma in Syrië) Gelet op [artikel 12 van het Instellingsbesluit Commissie van Onderzoek NLA-programma in Syrië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044978&artikel=12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **de Minister:** de Minister van Buitenlandse Zaken; - b). **commissie:** de door Onze Minister ingestelde commissie belast met het onderzoek inzake het Non Lethal Assistance (NLA) programma dat de Nederlandse regering van 2015 tot 2018 in Syrië heeft uitgevoerd (Commissie van onderzoek NLA-programma in Syrië1Staatscourant 2021, 15469.); - c). **archief:** het archief dat door de commissie is overgedragen aan de Minister; - d). **betrokkene:** degene waarmee de commissie in het kader van haar onderzoek naar het NLA-programma in Syrië heeft gesproken waarvan het gespreksverslag in het archief van de commissie is opgenomen; - e). **gespreksverslag:** alle gegevens in het archief die betrekking hebben op hetgeen een betrokkene aan de commissie heeft verklaard als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van het Informatieprotocol Commissie van onderzoek NLA-programma in Syrië; - f). **gemachtigde:** degene die namens een betrokkene schriftelijk is gemachtigd om namens hem/haar bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek te doen tot inzage in het gespreksverslag; - g). **feitelijk beheerder van het archief:** de Directie Noord-Afrika en Midden-Oosten (DAM) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken; - h). **informatieprotocol:** het protocol als bedoeld in [artikel 7 van het Instellingsbesluit Commissie van onderzoek NLA-programma in Syrië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044978&artikel=7); - i). **beoordelaar:** de contactpersoon van"},{"i":15021,"b":"Selectielijst neerslag handelingen Minister van SZW m.b.t. de SER 1970 - heden Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 24 oktober 2000, nr. arc-2000.1596/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde 'selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren met betrekking tot de Sociaal-economische Raad over de periode 1970-heden' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [lijst van te vernietigen archiefbescheiden](onbekend) van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, vastgesteld bij beschikking MB nr. CD/A91.708 van 20 augustus 1991 en CDZA/91/1982 van 20 augustus 1991 (Staatscourant 1991, 197) wordt ingetrokken voorzover het archiefbescheiden betreft die de neerslag vormen van de in deze selectielijst beschreven handelingen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Sociaal-Economische Raad Vaststelling BSD In de periode januari 1999 tot januari 2000 is het ontwerp-BSD door de Ministeries van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Staatssecretaris van OCenW aangeboden. Hierna heeft de Staatssecretaris het ontwerp-BSD ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het ontwerp-BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 15 maart 2000 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de informatiebalie in de studiezaal van het Algemeen Rijksarchief evenals in de bibliotheken van de betrokken zorgdragers en de rijksarchieven in de provincie, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant. Tijdens het driehoeksoverleg was, op verzoek van"},{"i":13507,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 januari 2019, kenmerk 1464077-185556-J, houdende instelling van de Commissie Onderzoeksprogramma Geweld hoort nergens thuis (Instellingsbesluit Commissie Onderzoeksprogramma Geweld hoort nergens thuis) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **bewindspersonen:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister voor Rechtsbescherming; - c. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041901&artikel=2&z=2019-02-13&g=2019-02-13); - d. **programma:** het programma Geweld hoort nergens thuis. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie Onderzoeksprogramma Geweld hoort nergens thuis. 2. De commissie heeft tot taak om een gedragen en samenhangend onderzoeksprogramma vast te stellen en uit te (laten) voeren, dat bestaat uit de volgende onderdelen: - a. het bundelen, analyseren, toepasbaar maken en delen van de bestaande kennis over de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld met professionals, organisaties en gemeenten (kennissynthese). Dit mondt met ingang van 2019 in ieder geval uit in een jaarlijkse publicatie met toepasbare kennis voor het veld. - b. het vanuit een bundeling van kennisbehoeften van de professionals en op basis van de kennissynthese voorzien in een kennisprogramma, waarin wordt bepaald welk (soort) onderzoek nodig is en wie dat uitvoert (of al doet). De focus ligt op het helpen van gemeenten en professionals door hun handelingsperspectieven te verbreden om daadwerkelijk herstel van veiligheid te kunnen realiseren. Hiernaast is er ook aandacht voor de volgende specifieke onderwerpen: - i. het op wijkniveau in beeld brengen van risicofactoren; - ii. inform"},{"i":13622,"b":"Besluit instelling van het Strategisch Overleg Vitale Infrastructuur Besluit: Artikel 1 Er is een Strategisch Overleg Vitale Infrastructuur. Artikel 2 Het overleg bestaat in ieder geval uit een voorzitter, een deelnemer per vitale sector, een vertegenwoordiger van de Vereniging VNO-NCW en een vertegenwoordiger van de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie en Economische Zaken. Artikel 3 Doelstelling van het overleg is het structureel borgen van overleg tussen overheid en bedrijfsleven in het kader van de bescherming van de vitale infrastructuur. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 2006. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit SOVI. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14024,"b":"Rechtspositieregeling voorzitter RWI Gelet op [artikel 16, zevende lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=16); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen Vervallen Artikel 2. Bezoldiging Vervallen Artikel 3. Kostenvergoedingen Vervallen Artikel 4. Verlof Vervallen Artikel 5. Arbeidsongeschiktheid In geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling zijn de bepalingen ten aanzien van doorbetaling van de bezoldiging van het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950), alsmede de suppletieregeling gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de sector rijk, van overeenkomstige toepassing. Artikel 6. Ontslag en niet-herbenoeming 1. In geval van niet herbenoeming dan wel tussentijds ontslag, anders dan op eigen verzoek en anders dan ten gevolge van eigen schuld of toedoen, heeft de voorzitter in aanvulling op de reguliere aanspraak op een uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) aanspraak op een bovenwettelijke uitkering. 2. De hoogte en duur van deze uitkering worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het [Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008114). 3. De kosten van de uitvoering van dit artikel komen ten laste van het Rijk. Artikel 7. Functievervulling Vervallen Artikel 8. Uitvoering van deze regeling Vervallen Artikel 9. Citeertitel Vervallen Artikel 10. Grondslag Deze regeling berust op [artikel 83v van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=83v). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12018,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 30 september 2025, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Algerije, ambassade Algiers (1975–2013) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 12 september 2025, kenmerk 54333779; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van archiefbestand, nummer 2.05.437 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 120 | 2083 | Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 62 | 2079 | | 64 | 2098 | | 74 | 2070 | | 108 | 2059 | | 133 | 2079 | | 134 | 2099 | | 136 | 2101 | | 155 | 2070 | | 156 | 2062 | | 157 | 2065 | | 158 | 2068 | | 159 | 2065 | | 160 | 2077 | | 161 | 2074 | | 162 | 2083 | | 163 | 2085 | | 164 | 2048 | | 165 | 2099 | | 166 | 2066 | | 167 | 2082 | | 168 | 2085 | | 170 | 2063 | | 171 | 2085 | | 173 | 2068 | | 174 | 2084 | | 175 | 2084 | | 176 | 2084 | | 177 | 2071 | | 178 | 2083 | | 179 | 2079 | | 180 | 2084 | | 182 | 2065 | |"},{"i":15022,"b":"Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein adelsbeleid, adelsrecht en het decoratiestelsel (periode 1945-2000) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 april 2001, nr. arc-2000.2200/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde `selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Kapittel voor de Civiele Orden, het Kapittel der Militaire Willemsorde en het Nationaal Comité Verzetsherdenkingskruis op het beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en het decoratiestelsel over de periode 1945-2000' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument adelsbeleid, adelsrecht en het decoratiestelsel 1. De selectie **Selectiedoelstelling** Het BSD is opgesteld tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van de RAD/PIVOT, zoals die door de Minister van WVC bij de behandeling van het ontwerp van de Archiefwet 1995 in de Tweede Kamer op 13 april 1994 is verwoord. De selectiedoelstelling luidt: het mogelijk maken van een reconstructie van de hoofdlijnen van het handelen van de overheid. Door het Convent van Rijksarchivarissen is de selectiedoelstelling vertaald in de richting van de (bewaar)doelstelling van de RAD als 'het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring'. De algemene selectiedoelstelling is geoperationaliseerd voor het terrein van het adelsbeleid, adelsrecht en het decoratiestelsel. Dat wil zeggen dat de geformuleerde handelingen van de betrokken overheidsactoren zijn gewaardeerd op de bijdrage die zij leveren aan de verwezenlijking van de selectiedoelstelling. De selectie gold derhalve de vraag ten aanzien van welke hande"},{"i":15023,"b":"Selectielijst neerslag handelingen van de Dienst Domeinen Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); en de Minister van Financiën, De Raad voor Cultuur gehoord; Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Dienst Domeinen (vanaf 1945), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":12806,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Centrale Commissie Behandeling Heroïneverslaafden 1996–2010 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de Centrale Commissie Behandeling Heroïneverslaafden over de periode 1996–2010 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13760,"b":"Keurtekenplaat Waarborgwet Al meer dan 600 jaar worden edelmetalen voorwerpen gecontroleerd op het gehalte aan edelmetaal. Dit is daarmee de oudste vorm van consumenten bescherming die we in Nederland kennen. Het door een waarborginstelling afgeslagen gehalteteken garandeert het gehalte aan platina, goud, zilver of palladium in uw sieraad of gebruiksvoorwerp. In sieraden of gebruiksvoorwerpen van zilver (vanaf 8 gram), goud (vanaf 1 gram) of platina (vanaf 0,5 gram) die u in Nederland koopt, moet een in Nederland erkend gehalteteken voorkomen. Artikelen onder dit gewicht zijn vrijgesteld van het aanbrengen van een gehalteteken. Artikelen van Palladium kunnen vanaf 2010 vrijwillig voorzien worden van een palladiumteken. Op grote voorwerpen wordt naast het keurteken ook een kantoorteken en jaarletter aangebracht. Het kantoorteken geeft aan waar het voorwerp is gekeurd, de jaarletter wanneer het voorwerp is gekeurd. De huidige in gebruik zijnde kantoortekens voor platina, goud, en zilver en de jaarletters van een aantal jaren zijn hiernaast afgebeeld. Onderstaande internationale conventiegehaltetekens zijn, tezamen met een verantwoordelijkheidsteken, een gehalteaanduiding in duizendsten en een Waarborgkantoorteken, eveneens geldig in Nederland. Zie voor meer informatie: www.hallmarkingconvention.org Daarnaast zijn ook gehaltetekens van een aantal andere Europese landen in Nederland geldig. Dat betreft gehaltetekens die zijn aangebracht door een onafhankelijke instelling in het betreffende land. Voor informatie: www.verispect.nl Voor meer informatie over keuringen en het verkrijgen van een eigen verantwoordelijkheidsteken kunt u terecht bij de Nederlandse waarborginstellingen:"},{"i":13542,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 september 2024, nr. 2024-48056382, houdende instelling van de Ethische Commissie Dansen (Instellingsbesluit Ethische Commissie Dansen) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **commissie:** Ethische Commissie Dansen, zoals bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050306&artikel=2&z=2024-10-23&g=2024-10-23); - c. **ministerie:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - d. **ministeries:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport; - e. **dg’s:** Directeur-Generaal Cultuur en Media, Directeur-Generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs, Wetenschap en Emancipatie, Directeur-Generaal Volksgezondheid; - f. **alliantie:** Alliantie Dans Veilig; - g. **opvolgingscommissie:** commissie bedoeld in [Instellingsbesluit Opvolgingscommissie Dansen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050307); - h. **stuurgroep:** stuurgroep Alliantie Dans Veilig; - i. **expertgroepen:** expertgroepen Alliantie Dans Veilig; - j. **onderzoek Schaduwdansen:** “Schaduwdansen. Een onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag in het dansen”. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een onafhankelijke Ethische Commissie Dansen. 2. De commissie adviseert de alliantie en de dg’s over ethiek en integriteit in het kader van de uitvoering van de aanbevelingen uit het onderzoek Schaduwdansen, waaronder ook valt advisering aan de dg’s over de deelname van de beoogde leden van de opvolgingscommissie en aan de alliantie over de deelname van beoogde leden voor de stuurgroep en de expertgroepen. 3. De adviezen van de commissie zijn niet bindend. Wanneer de alliantie of de dg’s besluiten van het advies af"},{"i":13518,"b":"Instellingsbesluit Commissie van Onafhankelijke Deskundigen ten aanzien van de Evaluatie van het Bronbeleid Geluid Spoor Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Besluit: Artikel 1 Er is een Commissie van Onafhankelijke Deskundigen ten aanzien van de Evaluatie van het Bronbeleid Geluid Spoor, hierna te noemen: de Commissie. Artikel 2 1. De Commissie bestaat uit de volgende leden: - de heer drs. J. Laan, Rotterdam, tevens voorzitter; - de heer drs. ing. P.M. Blok, Hillegom; - de heer ir. P.H. de Vos, Loosdrecht. 2. De Commissie is een onafhankelijke commissie van deskundigen die op basis van eigen kennis haar werkzaamheden verricht. De commissie is bevoegd om kennis van derden aan te wenden voor zover dat voor de uitvoering van de werkzaamheden nodig is. 3. De Commissie wordt ondersteund door een onafhankelijke, externe secretaris. Deze secretaris wordt gefinancierd door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en is voor zijn werkzaamheden voor de Commissie uitsluitende verantwoording verschuldigd aan de Commissie. Artikel 3 1. De Commissie heeft tot taak uitvoering te geven aan de in de Planologische Kernbeslissing Betuweroute en het Tracébesluit Betuweroute vastgelegde evaluatie van het bronbeleid geluid spoor. 2. De Commissie zal ernaar streven haar werkzaamheden op 29 februari 2004 af te ronden. 3. De evaluatie dient antwoord te geven op de vragen: - Welke ontwikkelingen met betrekking tot reductie van het brongeluid zijn er gaande aan baan- en treinzijde? - Rechtvaardigen deze ontwikkelingen de verwachting dat op de Betuweroute een bronreductie van 3 dB(A) kan worden bereikt? - Zo nee, wat moet de Nederlandse overheid er dan aan doen om dit doel wél te bereiken, en wanneer? Artikel 4 De Commissie rapporteert haar bevindingen omtrent de werkzaamheden, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016464&artikel=3&z=2004-03-14&g=2004-03-14), rechtstreeks aan de Minister van"},{"i":15025,"b":"Besluit van 18 september 2003, nr. 03.003838 houdende vaststelling van een selectielijst van de Raad van State in verband met de advisering door de Raad over wet- en regelgeving in hoogste en laatste instantie Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, M.C. van der Laan, van 12 september 2003, nr. WJZ/2003/41696(8139), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met de Raad van State; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Gezien het advies van de Raad voor cultuur van 13 augustus 2001, nr. arc-2001.2806/2; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst Raad van State inzake advisering over wet- en regelgeving in hoogste en laatste instantie’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Raad van State. inzake advisering over wet- en regelgeving in hoogste en laatste instantie De handelingen zijn genummerd overeenkomstig de volgorde die in het RIO is aangehouden. Daardoor is eenduidigheid gewaarborgd en wordt het naast elkaar gebruiken van RIO en BSD vergemakkelijkt. Een handeling is een complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. De formulering van de handelingen is in de regel toegespitst op het product. Echter, een handeling als zodanig omvat alle activiteiten die leiden tot het product. Dientengevolge is de neerslag van een handeling niet beperkt tot het (eind)product, maar omvat ze alle archiefbescheiden die in verband daarmee zijn voortgebracht. Een periode is in beginsel het tijdvak waarbinnen de handeling (ongeacht de frequentie) is of kan zijn uitgevoerd, gelet op de wettelijke grondslag daarv"},{"i":13615,"b":"Instellingsbesluit Raad voor Europese en Internationale Aangelegenheden Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 25, eerste lid, van het Reglement van Orde voor de Ministerraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006501&artikel=25); Besluit: Artikel 1 Er is een Raad voor Europese en Internationale Aangelegenheden (REIA). Artikel 2 De Raad heeft tot taak het voorbereiden van de besluitvorming door de ministerraad over: - a. de hoofdlijnen van het internationale beleid - b. alle belangrijke interne en externe vraagstukken betreffende de Europese Unie, de Westeuropese Unie, de Noord Atlantische Verdragsorganisatie en de Verenigde Naties - c. de instructies voor delegaties naar belangrijke internationale vergaderingen of conferenties - d. verdragen - e. de hoofdlijnen van het defensiebeleid, met inbegrip van belangrijke investeringsbeslissingen - f. de Nederlandse deelneming aan vredesoperaties - g. de vaststelling van het landenbeleid - h. de hoofdlijnen van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en het hulpverleningsbeleid aan de Nederlandse Antillen en Aruba - i. de verdeling van de gelden binnen de homogene groep internationale samenwerking, alsook de verwerking van tegenvallers of majeure beleidsintensiveringen binnen de homogene groep. Artikel 3 1. De Raad vergadert in twee samenstellingen: - over Europese aangelegenheden in de EA-samenstelling - over internationale aangelegenheden in de IA-samenstelling 2. Vaste leden van de Raad zijn: - in de REIA-EA samenstelling: - a. de minister-president, tevens voorzitter - b. de minister van Buitenlandse Zaken, tevens coördinerend bewindspersoon - c. de minister van Binnenlandse Zaken - d. de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen - e. de minister van Defensie - f. de minister van Justitie - g. de minister van Financiën - h. de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer - i. de minister van Verkeer en Waterstaat - j. de minister van Economi"},{"i":12047,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2017, kenmerk 1238831-168232-OBP, houdende beperking van de openbaarheid van archiefbescheiden van de taakvoorgangers van de Ziekenfondsraad over de periode (1919) 1941–1948 en van het personeelsarchief over de periode 1949–1965, zoals opgenomen in het archief van de raad en taakvoorgangers (1919) 1941–1999 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gezien het advies d.d. 29 september 2017, kenmerk EDOC-# 1242224, van het Nationaal Archief; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040529&artikel=2&z=2018-03-01&g=2018-03-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040529&artikel=3&z=2018-03-01&g=2018-03-01) genoemde beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de taakvoorgangers van de Ziekenfondsraad over de periode (1919) 1941–1948 en van het personeelsarchief van de Ziekenfondsraad over de periode 1949–1965, die zijn opgenomen in de inventaris van het archief van de Ziekenfondsraad en taakvoorgangers over de periode (1919) 1941–1999 onder het in kolom 1 van de onderstaande tabel genoemde inventarisnummer. Deze beperkingen gelden tot 1 januari van het in kolom 2 van onderstaande tabel genoemde jaartal. | inventarisnummer: | beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 4325 | 2023 | | 7125 | 2024 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040529&artikel=1&z=2018-03-01&g=2018-03-01) genoemde inventarisnummers is, tot onbeperkte openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Verzoeken tot raadpleging of gebruik van"},{"i":12145,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van houdende deelneming in de Gemeenschappelijke regeling Tresoar Gelet op [artikel 97, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=97); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de Gemeenschappelijke regeling Tresoar. Artikel 2 Het [Besluit deelname Rijk aan de Gemeenschappelijke regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013738) waarbij een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, genaamd Letterhoeke, wordt ingesteld (**Stcrt.** 2002, nr. 163, p. 15) vervalt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op een bij besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media te bepalen tijdstip."},{"i":12850,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Flora en Fauna vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, arc-2006.03456/10); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Flora en Fauna over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14051,"b":"Regeling adviestoevoeging zelfredzaamheid 2026 (afgekort: Ratz) gelet op [artikel 37b van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b), waarin is bepaald dat het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand subsidie kan verstrekken ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand voor bijzondere doeleinden en projecten, besluit: de volgende subsidieregeling vast te stellen. Hoofdstuk I. algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze subsidieregeling wordt verstaan onder: - a. **advocaat:** de advocaat zoals bedoeld in het [eerste lid onder a van artikel 13 Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=13); - b. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - c. **Atz:** Adviestoevoeging zelfredzaamheid; - d. **bestuur:** het bestuur van de Raad, als bedoeld in [artikel 3 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - e. **Bvr:** het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018); - f. **het Juridisch Loket:** de Stichting het Juridisch Loket, zijnde een voorziening zoals bedoeld in het [tweede lid van artikel 7 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7); - g. **Raad:** de raad voor rechtsbijstand, als bedoeld in [artikel 2 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - h. **rechtsbijstand:** rechtsbijstand zoals bedoeld in [artikel 1 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1); - i. **rechtshulp:** het verlenen van rechtsbijstand bestaande uit het geven van eenvoudige juridische adviezen en eenvoudige belangenbehartiging, c.q. rechtsbijstand waarvoor op basis van de geldende wet- en regelgeving in het kader van de [Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) geen toevoeging wordt verstrekt vanwege zelfredzaamheid zoals bedoeld in het [tweede lid van artikel 12 onder g van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":13219,"b":"Deelregeling voor vouchers aan podiumkunstenaars in tijden van covid-19 (Regeling podiumkunstvouchers) Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten. Artikel 2. Doel Het bestuur verstrekt in het kader van deze regeling via een intermediaire organisatie podiumkunstvouchers aan podiumkunstenaars die in opdracht een werk maken of uitvoeren. Het bestuur beoogt hiermee podiumkunstenaars in staat te stellen tegen een redelijk honorarium activiteiten te ontwikkelen die passen binnen de geldende coronamaatregelen. Artikel 3. Intermediair Het Fonds wijst een aantal intermediairs aan die op hun beurt voorstellen doen voor gelegenheden waar voor derden een werk kan worden gemaakt en uitgevoerd. Voor door het Fonds goedgekeurde voorstellen wordt een voucher verstrekt. Artikel 4. Aanvrager 1. Een aanvraag kan worden ingediend door een podiumkunstenaar die een voucher heeft ontvangen of een vertegenwoordigende rechtspersoon. 2. De bij de activiteiten betrokken podiumkunstenaars dienen artistiek-inhoudelijk actief te zijn in de podiumkunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd in de professionele podiumkunstpraktijk in Nederland. Artikel 5. Voorwaarden voor het verkrijgen van een voucher 1. Een voucher wordt verstrekt ten behoeve van werken: - a. die worden gemaakt en uitgevoerd door in Nederland woonachtige podiumkunstenaars; - b. die betrekking hebben op minimaal een live-uitvoering in Nederland, waarbij rekening is gehouden met de geldende coronamaatregelen. 2. Een voucher wordt niet verstrekt ten behoeve van projecten: - a. die onvoldoende bijdragen aan de doelstelling van deze regeling; - b. waarbij onvoldoe"},{"i":13536,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 8 juli 2013, nr. IENM/BSK-2013/94942, houdende instelling van het Critical Review Team Lange Termijn Spooragenda Besluit: Artikel 1 Er is een Critical Review Team Lange Termijn Spooragenda, hierna te noemen: het Critical Review Team. Artikel 2 Het Critical Review Team heeft tot taak om advies te geven over de kwaliteit van het besluitvormingsproces en de inhoudelijke uitwerking van de Lange Termijn Spooragenda, zoals gemeld in de brief aan de Tweede Kamer, d.d. 13 februari 2013 (Kamerstukken II, 29 984, nr. 384), met name met betrekking tot de volgende onderdelen van die uitwerking: - a). de herijking van programma’s en projecten, inclusief het op te stellen afwegingskader; - b). het uitwerken van sturingsmechanismen; - c). een oordeel over de ordening; - d). het operationeel spoorconcept en verbeteraanpak van NS en Prorail; - e). het verbinden van deze producten met de concessietrajecten, het PHS en ERTMS. Artikel 3 1. Tot de leden van het Critical Review Team worden benoemd: - a). De heer drs. W.J. Kuijken (ABDTOPConsult), tevens voorzitter; - b). De heer drs. Ing. P.J.Th. Elbers (Chief Operating Officer KLM); - c). De heer J.C. de Pagter (directeur Kompas Beheer); - d). Mevrouw ir. M. van Lier Lels (onafhankelijk consultant Lels & KO B.V); - e). Mevrouw ir. A. van der Rest (manager Health, Safety and Environmental Affairs Shell); - f). De heer ir. E.D. Wiebes (wethouder Amsterdam); - g). de heer dr.ir. A.W. Veenman (Veenman Management & Consultancy); - h). De heer prof. E.T. Verhoef (verkeerseconoom Vrije Universiteit); - i). De heer prof.dr. M.J.W. van Twist (decaan en bestuurder van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur). 2. De leden worden benoemd tot het moment van opheffing van het Critical Review Team, bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033657&artikel=5&z=2013-07-13&g=2013-07-13). 3. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu kan in overleg"},{"i":14062,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 29 maart 2017, nr. 2045950 houdende regels voor de algemene informatievoorziening aan slachtoffers gelet op [artikel 51ab, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51ab), en [51ac, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51ac) en [artikel 8 van het Besluit slachtoffers van strafbare feiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038468&artikel=8). Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); - b. **slachtoffer:** de personen als bedoeld in [artikel 51a, eerste lid, onder a en c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a); - c. **minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - d. **de opsporingsambtenaar:** een ambtenaar als bedoeld in [artikel 141 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141). Artikel 2 1. De opsporingsambtenaar of andere ambtenaar van een organisatie die opsporing van strafbare feiten tot taak heeft, verstrekt het slachtoffer bij zijn eerste contact met de betrokken opsporingsambtenaar onverwijld de als bijlage bij deze regeling opgenomen en door de minister vastgestelde verklaring van rechten. 2. De verklaring van rechten wordt schriftelijk en kosteloos verstrekt. 3. Indien specifieke omstandigheden ertoe aanleiding geven dat schriftelijke verstrekking van de verklaring van rechten niet mogelijk is, wordt de verklaring van rechten mondeling verstrekt. 4. Indien een slachtoffer de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, verstrekt de opsporingsambtenaar of andere ambtenaar van een organisatie die opsporing van strafbare feiten tot taak heeft, de verklaring van rechten in beginsel aan de wettelijke vertegenwoordigers van het slachtoffer. Artikel 3 1. De verklaring van rechten is opgesteld in eenvoudige en toegankelijke b"},{"i":13401,"b":"Instelling Gemeenschappelijke Raadgevende Commissie Handelende in overeenstemming met de directeur-generaal van het Europees Ruimte Agentschap; Overwegende, dat het wenselijk is het functioneren van de Gemeenschappelijke Raadgevende Commissie, bedoeld in artikel 12 van de op 2 februari 1967 gesloten overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek, van een formele grondslag te voorzien; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 Er is een commissie ten behoeve van overleg tussen ESTEC en de Nederlandse overheid, genaamd Gemeenschappelijke Raadgevende Commissie. Artikel 3 De commissie heeft tot taak: - a. te fungeren als aanspreekpunt voor ESTEC over alle onderwerpen die betrekking hebben op het functioneren van de ESTEC-vestiging in Nederland; - b. initiatieven te nemen en activiteiten te bevorderen die bij kunnen dragen tot een positieve relatie tussen ESTEC en Nederland; - c. de door ESTEC ondervonden of voorziene knelpunten, die het directe gevolg vormen van of in verband staan met de vestiging van ESTEC in Nederland, te analyseren met als doel te komen tot geëigende aanbevelingen aan de Nederlandse autoriteiten en ESA; - d. de in onderdeel c genoemde knelpunten, voor zover deze algemeen gelden voor in Nederland gevestigde internationale organisaties, eveneens onder de aandacht te brengen van de IWWON, waarbij aan de IWWON en ESTEC verzocht kan worden daarover rechtstreeks te overleggen; - e. indien zij daartoe termen aanwezig acht, aanbevelingen te doen aan de Nederlandse autoriteiten over maatregelen die zij van belang acht voor de verdere ontwikkeling van de relatie tussen ESTEC en Nederland. Artikel 4 1. Lid van de commissie zijn: - a. een onafhankelijke voorzitter; - b. de directeur van ESTEC; - c. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Economische Zaken; - d. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Buitenlandse Zaken; - e. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Onderwi"},{"i":14108,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 april 2010, DBV/IenA/I 2995849, houdende beperking van de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van de Regeringscommissaris voor het Radiowezen, vanaf 1969 voor de Omroep, over de periode (1926–) 1947–1987 (–1989) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel derden worden de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027649&artikel=2&z=2010-05-20&g=2010-05-20) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027649&artikel=3&z=2010-05-20&g=2010-05-20) genoemde beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Regeringscommissaris voor het Radiowezen, vanaf 1969 voor de Omroep, over de periode (1926–) 1947–1987 (–1989), die zijn opgenomen in de inventaris onder het in kolom 1 van onderstaande tabel genoemde inventarisnummer. Deze beperkingen gelden tot 1 januari van het in kolom 2 van onderstaande tabel genoemde jaartal. | inventarisnummer: | niet openbaar vóór 1 januari: | | --- | --- | | 573 | 2057 | Artikel 2 Raadpleging van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027649&artikel=1&z=2010-05-20&g=2010-05-20) bedoelde archiefbescheiden is slechts mogelijk na ondertekening van het door het Nationaal Archief gehanteerde ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. Artikel 3 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van archiefbescheiden uit dossiers waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn, zonder toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De direc"},{"i":12976,"b":"Besluit vergoedingen Adviescommissie Duurzaamheid Biomassa voor Energietoepassingen 2017 Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Gelet op [artikel 5 van het Instellingsbesluit Adviescommissie Duurzaamheid Biomassa voor Energietoepassingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039699&artikel=5); Besluit: Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie Duurzaamheid Biomassa voor Energietoepassingen wordt een arbeidsduurfactor toegekend van 0,219 in 2017. 2. Aan de andere leden van de Adviescommissie Duurzaamheid Biomassa voor Energietoepassingen wordt een arbeidsduurfactor toegekend van 0,175 in 2017. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergoedingen Adviescommissie Duurzaamheid Biomassa voor Energietoepassingen 2017. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen en aan de Adviescommissie Duurzaamheid Biomassa voor Energietoepassingen."},{"i":14137,"b":"Regeling bezwarenprocedure KB Gelet op artikel 9.13 van de CAO-onderzoekinstellingen; Gelet op [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=20) juncto [artikel 9 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=9) (Wsob); Gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); Gelet op [artikel 27 lid 1 onder j. van de Wet op de Ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=27); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **Belanghebbende:** degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; - 2. **Bestuursorgaan:** het Algemeen Bestuurscollege van de Koninklijke Bibliotheek; - 3. **Besluit:** een schriftelijke beslissing, door of namens het bestuursorgaan genomen, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling; - 4. **Bevoegd gezag:** de (plaatsvervangend) Algemeen Directeur van de Koninklijke Bibliotheek; - 5. **Werknemer:** degene met wie de KB een dienstverband voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd is aangegaan; - 6. **Adviescommissie Personeel:** de bij instellingsbeschikking door het Algemeen Bestuurscollege ingestelde adviescommissie personeelsaangelegenheden KB; - 7. **Adviescommissie Subsidie:** de bij besluit van het Algemeen Bestuurscollege ingestelde adviescommissie subsidie. Hoofdstuk 2. Adviescommissie Personeel Artikel 2. Adviescommissie Personeel 1. Er is een adviescommissie Personeelsaangelegenheden Koninklijke Bibliotheek, hierna te noemen de Adviescommissie Personeel. 2. De Adviescommissie Personeel brengt advies uit over een bij het bevoegd gezag ingediend bezwaarschrift betreffende personeelsaangelegenheden. 3. In voorkomende gevallen brengt de Adviescommissie Personeel advies uit over een bij het bevoegd gezag ingediende klacht uit hoofde van de Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen KB. Artikel 3. Samenstellin"},{"i":13447,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 1 april 2015, nr. 3801559, tot instelling van de AZ commissie monitoring VWNW (Instellingsbesluit AZ commissie monitoring VWNW) Gelet op onderdeel 17 van de [Overeenkomst Sociaal Beleid Rijk: van werk naar werk (VWNW) beleid](onbekend) van 11 april 2013; Gehoord het Departementaal Georganiseerd Overleg AZ; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de minister-president, minister van Algemene Zaken; - b. **Secretaris-Generaal:** de secretaris-generaal van het ministerie van Algemene Zaken; - c. **Commissie:** de AZ commissie monitoring VWNW; - d. **DGO AZ:** Departementaal Georganiseerd Overleg bij het ministerie van Algemene Zaken; - e. **Overeenkomst:** de [Overeenkomst Sociaal Beleid Rijk: van werk naar werk (VWNW) beleid](onbekend); - f. **Besluit:** Besluit van werk naar werk beleid voor de sector Rijk 2013-2015. Artikel 2. Instelling Er is een AZ commissie monitoring VWNW. Artikel 3. Taak De commissie is belast met het monitoren van de uitvoering van de [overeenkomst](onbekend) en het besluit voor het departement en daarover tweemaal per jaar (en desgewenst tussentijds) te rapporteren aan het Sectoroverleg Rijk. Artikel 4. Samenstelling 1. De commissie bestaat uit de volgende leden: - a. De directeur Concerncontrol, tevens voorzitter; - b. De plv. directeur Concerncontrol, tevens plaatsvervangend voorzitter; - c. Twee vertegenwoordigers van de aan het DGO AZ deelnemende centrales van Overheidspersoneel. 2. De leden conform artikel 4, lid 1, sub a en b in de commissie worden benoemd, geschorst en ontslagen door de secretaris-generaal. De secretaris-generaal kan tevens plaatsvervangende leden benoemen, schorsen en ontslaan. 3. De vertegenwoordigers van de bonden conform artikel 4, lid 1, sub c in de commissie worden voorgedragen/teruggetrokken door de gezamenlijke centrales van Overheidspersoneel. 4. De secretaris-generaal voegt aan de commissie"},{"i":11976,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 2 februari 2007, nr. DDI/ST/reg 004/2007, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland te Iran, consulaat/gezantschap Teheran 1903–1945 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging te Iran, consulaat/gezantschap Teheran 1903–1945, de in de eerste tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer: | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 135 | 2019 | | 157 | 2019 | | 158 | 2020 | | 159 | 2021 | | 160 | 2020 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021197&artikel=1&z=2007-02-11&g=2007-02-11) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021197&artikel=1&z=2007-02-11&g=2007-02-11) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van"},{"i":13678,"b":"Instellingsregeling Taskforce Woningbouwproductie Overwegende, dat nader onderzoek gewenst is om oplossingsrichtingen in beeld te brengen voor knelpunten in de woningbouwproductie, dat in het overleg van 30 augustus 2001 met overheden en bouwpartijen afgesproken is dat een breed samengestelde begeleidingscommissie wordt ingesteld; Besluit I in te stellen een Taskforce Woningbouwproductie. II de taak van de onder I. genoemde Taskforce vormt het uitbrengen van een rapportage waarin wordt ingegaan op: - a. oplossingsrichtingen voor geselecteerde knelpunten in de bouwproductie voor zowel de korte als de lange termijn en voor alle betrokken partijen; - b. een uitwerking per oplossingsrichting inclusief een inschatting van de haalbaarheid van die oplossingsrichtingen; - c. een voorstel voor de partijen die de geformuleerde oplossingen in de praktijk ten uitvoer kunnen brengen; - d. per oplossing de aanknopingspunten voor het monitoren. III de Taskforce Woningbouwproductie op te dragen hem eind december 2001 te rapporteren. IV in de Taskforce Woningbouwproductie te benoemen: - tot onafhankelijk voorzitter: drs. J.W.M. Simons; - tot leden: dhr. J. van der Voet (VNG), dhr. C. van Ginneken (VNG), drs. J.E. Schoemaker (IPO), ir. P.J.M. Schumacher (AVBB), drs. ing. J. Fokkema (Neprom), drs. N. Rietdijk (NVB), drs. F.J.M. van Blokland (Bouwned), drs. E. Wilke (Aedes), dhr. J. Darwinkel (NVM), mr. E.J.L. van Hall (NVTB/KNB), ir. A. Hoelen (onafhankelijk deskundige); - tot secretaris: dhr. H. de Graaff (ministerie van VROM). V deze beschikking in de Nederlandse Staatscourant te plaatsen en in afschrift toe te zenden aan de Minister van Financiën, aan de voorzitter, de leden en de secretaris van de Taskforce Woningbouwproductie en aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":13659,"b":"Instellingsregeling adviescommissie model-verdeelsysteem kansspelopbrengsten Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1. Instelling Er is een adviescommissie model-verdeelsysteem kansspelopbrengsten, hierna te noemen: de commissie. Artikel 2. Taak De commissie heeft tot taak de Minister van Justitie te adviseren over de algemene voorwaarden die kunnen worden gesteld aan de besluitvorming over begunstiging en verdeling van de opbrengsten van kansspelen, mogelijk resulterend in een model-verdeelsysteem kansspelopbrengsten. Artikel 3. Samenstelling 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en zes leden. 2. De voorzitter en de leden worden benoemd door de Minister van Justitie. Artikel 4. Adviestermijn en opheffing commissie 1. De commissie brengt haar advies uit vóór 29 februari 2004. 2. De commissie wordt uiterlijk op de in het eerste lid genoemde datum opgeheven, tenzij voor die datum door de Minister van Justitie een andere datum wordt vastgesteld. Artikel 5. Archiefbescheiden Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Justitie. De archiefbescheiden van de commissie worden na haar opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het Ministerie van Justitie. Artikel 6. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 augustus 2003. Artikel 7. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Instellingsregeling adviescommissie model-verdeelsysteem kansspelopbrengsten. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12134,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 april 2012, nr. CZ/IPZ-3108414, houdende instelling van de Commissie Macrobeheersinstrument Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), Besluit: Artikel 1 Er is een Commissie macrobeheersinstrument. Artikel 2 De Commissie macrobeheersinstrument heeft tot taak de minister van VWS te adviseren over de operationalisering van een alternatief voor de huidige generieke vormgeving van het macrobeheersinstrument in de medisch specialistische zorg en advies te geven over de vormgeving van een macrobeheersinstrument in de geestelijke gezondheidszorg. Artikel 3 1. De Commissie Macrobeheersinstrument bestaat uit: - a. Mevrouw B.E. Baarsma, tevens voorzitter; - b. De heer C.A. de Kam, - c. De heer R.L.O. Linschoten, - d. De heer M. Varkevisser, - e. De heer I.W. Verloren van Themaat, 2. De benoeming van de leden geschiedt tot uiterlijk 1 juni 2012. Artikel 4 1. De leden van de Commissie Macrobeheersinstrument worden benoemd, geschorst en ontslagen door de minister. 2. Aan de voorzitter wordt een vergoeding toegekend van 333 euro per vergadering. Aan de overige leden van de commissie wordt een vergoeding toegekend van 256 euro per vergadering. 3. De minister draagt zorg voor het secretariaat van de Commissie Macrobeheersinstrument. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie. Artikel 5 De Commissie Macrobeheersinstrument stelt haar eigen werkwijze vast. Artikel 6 De Commissie Macrobeheersinstrument zendt uiterlijk 1 juni 2012 een eindrapportage omtrent haar bevindingen aan de minister. Artikel 7 De archiefbescheiden van de Commissie Macrobeheersinstrument worden na haar opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgedragen aan het archief van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. A"},{"i":12428,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2022, nr. 22566615, houdende inwilliging AVV-verzoek Glastuinbouwsector (groenten en fruit onder glas) Gelet op de artikelen 164 en 165 van [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347) en [paragraaf 5 van de Regeling producenten- en brancheorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035634&paragraaf=5); Gelet op de inhoud van de aanvraag van de vereniging Brancheorganisatie G&F Nederland wordt het verzoek ingewilligd onder het stellen van de hierna genoemde voorschriften en beperkingen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Verordening 1308/2013:** [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. **BO G&F:** de vereniging Brancheorganisatie G&F Nederland; - b. **Programma KijK:** het Programma Onderzoek en Innovatie Kennis in je Kas zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047732&bijlage=A&z=2023-01-01&g=2023-01-01) van dit besluit; - c. **Registratieregeling BO G&F:** Regeling verplichte registratie en gegevensverstrekking Brancheorganisatie G&F Nederland 2023–2025, zoals opgenomen in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047732&bijlage=B&z=2023-01-01&g=2023-01-01) van dit besluit; - d. **Bijdrageregeling BO G&F:"},{"i":14193,"b":"Regeling diensttijd in verband met ambtsjubilea Gelet op [artikel 75, vierde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=75); Besluit: Artikel 1 Als diensttijd voor de toepassing van een ambtsjubileumgratificatie geldt de tijd, doorgebracht: - a. in een burgerlijke dienstbetrekking bij de Nederlandse overheid, waaronder te deze mede wordt begrepen de voormalige NV ‘Artillerie-Inrichtingen’; - b. tot en met 23 december 1992 in een betrekking bij de NV Nederlandse Spoorwegen; - c. tot en met 31 december 1965 in een betrekking als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Pensioenwet 1992; - d. in een betrekking als bedoeld in de artikelen B2, B3 en U2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet; - e. tot en met 24 november 1975 in burgerlijke dienst bij de overheid in Suriname; - f. in burgerlijke dienst bij de overheid van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea en tot en met 26 december 1949 bij de voormalige Indische Pensioenfondsen; - g. in dienst bij het niet-openbaar onderwijs in de onder e en f genoemde landen en voormalige overzeese rijksdelen, voor zover zulks de belanghebbende onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling bracht of zou hebben gebracht indien hij in vaste dienst was geweest; - h. tot en met 31 december 1954 in dienst van de Republiek Indonesië, voor zover die tijd door de [Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060) wordt bestreken; - i. in Nederlandse militaire dienst of daarmede voor de toepassing van het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950) gelijkgestelde dienst, waaronder begrepen dienst bij het voormalig KNIL, de troepen in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en tot en met 24 november 1975 de troepen"},{"i":12866,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Nationale ombudsman (1964) 1982– (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 augustus 2007, nr. aca-2007.03943/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Nationale ombudsman over de periode (1964) 1982–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13666,"b":"Instellingsregeling Commissie Kosten en kostendragers van transformatie van wijken Overwegende, dat in het Nationaal Akkoord Wonen 2001-2005 afgesproken is nader onderzoek uit te voeren naar de financiële consequenties van de extra ambities in de nota Mensen, Wensen, Wonen, dat in het Nationaal Akkoord Wonen 2001-2005 afgesproken is dat een breed samengestelde begeleidingscommissie voor dit nader onderzoek wordt ingesteld; Besluit: I in te stellen een Commissie Kosten en kostendragers van transformatie van wijken. II de taak van de commissie als volgt vast te stellen: - a). de volledigheid van de aan de nota Mensen, Wensen, Wonen (Kamerstukken II 2000/2001, 27 559, nr. 2) ten grondslag liggende raming inzake de kosten en opbrengsten van de in die nota vastgelegde (extra) ambitie van de transformatieopgave van wijken, alsmede de validiteit van bijbehorende parameters te doen nagaan; - b). bij de onder a. genoemde verrichtingen uit te laten gaan van twee scenario's op het terrein van de omvang van de verkoop van huurwoningen, te weten van 25.000 en 50.000 per jaar in de periode tot 2010 en deze af te zetten tegen de trendmatige verkoopcijfers; - c). bij de onder a. genoemde verrichtingen te laten betrekken de rol van erfpacht; - d). het doen opstellen van aanbevelingen over kostendragers voor de eventuele kosten die niet uit de opbrengsten gefinancierd kunnen worden. III de commissie op te dragen hem voor 15 januari 2002 te rapporteren. IV in de commissie te benoemen: - tot onafhankelijk voorzitter: mr. H.E. Koning; - tot leden: mr. G.R. de Goede (VNG), P. van der Gugten (Proper - Stok Groep B.V.), drs. H.B. Harmsen (provincie Noord-Holland), drs. H.G. Hilverink RBA (Vesteda B.V.), ir. H.J.M. Janmaat (Moes Projectontwikkeling B.V.), dr. ir. G.R.W. de Kam (Aedes), C. Sas (gemeente Dordrecht), drs. ing. J.C.N.M. Schrama (Woningstichting Olympusgroep); - tot waarnemers: mr. L.H. Kokhuis (ministerie van VROM), drs. M.J. Gordijn (ministerie van VROM); - tot secretaris: drs"},{"i":13743,"b":"Kavelbesluit II windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3), de [Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641) en de [Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640), besluit de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu als volgt: ’s-Gravenhage, 8 december 2016 De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp Rechtsbescherming Belanghebbenden die een zienswijze naar voren hebben gebracht of die redelijkerwijs niet verweten kan worden tegen het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, kunnen tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA, Den Haag. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. Op grond van [artikel 8 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=8) is op dit besluit [hoofdstuk 1, afdeling 2, van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&afdeling=2) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de belanghebbende in het beroepschrift moet aangeven welke beroepsgronden hij aanvoert tegen het besluit. Indien hij dit niet doet, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Het wordt aanbevolen in het beroepschrift te vermelden dat de [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431) van toepassing is. II. Toelichting kavelbesluit II windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) Opgesteld door **Rijkswaterstaat** In opdracht van **Ministerie van Economische Zaken** 1. Inleiding 1.1. Nut en noodzaak Bij het akkoord over het Klimaat- en Energie"},{"i":15032,"b":"Wet van 23 oktober 1952, houdende nadere regeling inzake de sluiting van de scheepsboekhouding, aangehouden krachtens het Koninklijk besluit van 21 juni 1836, Stb. 41 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gebleken over te gaan tot een nadere regeling inzake de sluiting van de scheepsboekhouding, aangehouden krachtens het Koninklijk besluit van 21 Juni 1836, **Staatsblad** no. 41; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Indien aan een vordering een recht van voorrang is verbonden ingevolge een pand- of verbandbrief ten laste van een schip, dat is opgenomen in de scheepsboekhouding, aangehouden volgens het Koninklijk besluit van 21 Juni 1836, **Staatsblad** no. 41, welks eigenaar noch aan de hem bij artikel 26, eerste lid, van het Koninklijk besluit van 28 December 1925, **Staatsblad** no. 518, opgelegde verplichting heeft voldaan, noch ook binnen zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een verklaring van eigendom betreffende dat schip heeft doen overschrijven in het scheepsregister, wordt deze vordering zes maanden na voormelde inwerkingtreding opeisbaar en vervalt het recht van voorrang een jaar na deze inwerkingtreding. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt bij de verdeling van de opbrengst ener executie, bij de vereffening van een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap en in geval van faillissement het recht van voorrang in acht genomen, indien het beslag is gelegd, de nalatenschap is opengevallen of het faillissement is uitgesproken voordat een jaar sedert het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is verstreken. Artikel 2 1. Na verloop van één jaar sedert het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zullen in de scheepsboekhouding, aangehouden volgens het Koninklijk be"},{"i":12965,"b":"Besluit vaststelling wachtgeldpremies eigenrisicodragers Ziektewet 2003 Gelet op [artikel 85, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=85); Besluit: Artikel 1 De premies ten aanzien van eigenrisicodragers als bedoeld in [artikel 63 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=63), die ten gunste komen van de wachtgeldfondsen, bedoeld in [artikel 85, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=85), worden voor het tweede halfjaar van 2003 vastgesteld op de percentages, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014793&bijlage=1&z=2003-07-01&g=2003-07-01) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling wachtgeldpremies eigenrisicodragers Ziektewet 2003. Artikel 3 Dit besluit treedt, onder voorbehoud van goedkeuring door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in werking met ingang van 1 juli 2003. Bijlage 1 | Nr. | Sector | Premiepercentage | | --- | --- | --- | | 1 | Agrarisch bedrijf | 2,21 | | 2 | Tabakverwerkende industrie | 0,09 | | 3 | Bouwbedrijf | 1,60 | | 4 | Baggerbedrijf | 0,00 | | 5 | Hout en emballage ind., houtwaren- en borstel ind. | 0,38 | | 6 | Timmerindustrie | 0,00 | | 7 | Meubel- en orgelbouw industrie | 0,18 | | 8 | Groothandel hout, zagerijen, schaverijen en houtbereiding | 0,00 | | 9 | Grafische industrie | 1,01 | | 10 | Metaalindustrie | 0,00 | | 11 | Electrotechnische industrie | 1,50 | | 12 | Metaal- en technische bedrijfstakken | 0,55 | | 13 | Bakkerijen | 0,99 | | 14 | Suikerverwerkende industrie | 1,28 | | 15 | Slagersbedrijven | 1,09 | | 16 | Slagers overig | 0,90 | | 17 | Detailhandel en ambachten | 0,87 | | 18 | Reiniging | 0,78 | | 19 | Grootwinkelbedrijf | 0,62 | | 20 | Havenbedrijven | 0,86 | | 21 | Havenclassificeerders | 0,00 | | 22 | Binnenscheepvaart | 0,50 | | 23 | Visserij | 1,21 | | 24 | Koopvaardij | 0,00 | | 25 | Vervoer KLM | 0,03 |"},{"i":12857,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Informatie Beheer Groep vanaf 1994 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 24 juni 2008 nr. bca-2008.04926/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Informatie Beheer Groep op het beleidsterrein Informatie Beheer Groep over de periode vanaf 1994’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument informatie beheer groep **in opdracht van de Informatie Beheer Groep** **Status definitief** **Actualisatie versie ter inzage, Marjan Dik (Informatie Beheer Groep)** Deel 1: Algemeen 1. Verantwoording **1.1 Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven** Ingevolge [artikel 3 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=3) (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder **archiefbescheiden** worden niet slechts papieren documenten te verstaan, maar alle bescheiden ongeacht hun vorm die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving. Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband kent de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) zowel een vernietigingsplicht ([artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=3)) als een overbrengingsplicht ([artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=12)"},{"i":13460,"b":"Instellingsbesluit begeleidingscommissie omgangsbemiddeling Overwegende dat door de Commissie herziening scheidingsprocedure, hierna de commissie, op d.d. 2 oktober 1996 een rapport is uitgebracht; Dat in het rapport van de commissie wordt vastgesteld, dat in die gevallen waarin partijen erin slagen overeenstemming te bereiken over de scheiding en de gevolgen daarvan rechterlijke tussenkomst achterwege kan blijven; Dat de commissie heeft aanbevolen: in die gevallen waarin sprake is van een verantwoorde mate van overeenstemming de mogelijkheid te openen van een scheidingsprocedure zonder inschakeling van de rechter; dat daarbij waarborgen in het leven dienen te worden geroepen opdat mogelijke ongelijkwaardigheid van partijen geen nadelige invloed op het resultaat (een scheidingsovereenkomst) uitoefent en opdat de belangen van derden - in het bijzonder de kinderen - worden beschermd; dat de commissie het voorts wenselijk acht: dat wanneer ouders geen overeenstemming kunnen bereiken over ouderlijk gezag en omgang, de rechter de mogelijkheid krijgt in de loop van de procedure te verwijzen naar omgangsbemiddeling; dat lopende lokale experimenten met betrekking tot omgangsbemiddeling worden geïnventariseerd en geëvalueerd, teneinde tot verdere beleidsontwikkeling te komen; Dat het kabinet bij brief van 11 juli 1997 aan de voorzitter van de Tweede Kamer heeft medegedeeld het wenselijk te achten door middel van experimenten de concrete effecten van de aanbevelingen in kaart te brengen; Dat hiertoe experimenten worden opgestart die begeleiding en evaluatie behoeven binnen één jaar na aanvang van de experimenten. Doel van deze experimenten is: nagaan of deelname van partijen aan een verwijzing door de rechter naar een bemiddelingsdeskundige een positief effect heeft op de uitkomst van de procedure, ter oplossing van een conflict over de omgang; het verkrijgen van een antwoord op de vraag in welke fase van de gerechtelijke procedure verwijzing het meeste effect sorteert (voorl"},{"i":13591,"b":"Instellingsbesluit Nationale Regiegroep Aanpak Misbruik Vastgoed Besluiten als volgt: Artikel 1 Er is een Nationale Regiegroep Aanpak Misbruik Vastgoed (hierna te noemen: de Regiegroep). Het [instellingsbesluit van de Regiegroep van 25 maart 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025670) (Staatscourant 14 april 2009 nr 70) wordt gewijzigd en vervangen door het onderhavige instellingsbesluit. Artikel 2 De Regiegroep heeft als taken: - −. Het opstellen van een actieprogramma, op basis van de agenda voor de toekomst uit de brief van 7 maart 2012 van de ministers van Veiligheid en Justitie en van Financiën over de voortgang bij de bestrijding van misbruik en criminaliteit rond vastgoed aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2011-2012, 29 911, nr. 63), met duidelijk omschreven acties en producten van de deelnemende partijen. - −. Het monitoren van de voortgang van dit actieprogramma en het bij onvoldoende voortgang fungeren als aanjager. - −. Het in voorkomende gevallen (doen) evalueren van maatregelen of acties die voortvloeien uit het actieprogramma. - −. Het aanvullen van het actieprogramma indien nieuwe ontwikkelingen daartoe aanleiding geven en voor zover de leden van de Regiegroep daarmee hebben ingestemd. - −. Het bevorderen van een gezamenlijke en evenwichtige inzet van het beschikbare handhavingsinstrumentarium, binnen een geïntegreerde aanpak door toezichthouders, handhavings-, opsporings- en vervolgingsdiensten. - −. Het bewaken van de samenhang tussen de (uitvoering van) diverse maatregelen. - −. Het adresseren van in de uitvoering ervaren knelpunten of belemmeringen en het waar nodig doen van voorstellen voor aanpassing van beleid, wet- en regelgeving. - −. Het informeren van de bewindslieden over de voortgang van de werkzaamheden van de Regiegroep en de uitvoering van de maatregelen uit het actieplan, in de vorm van een jaarlijks vóór 1 februari op te stellen rapportage, op basis waarvan de bewindslieden de Tweede Kamer kunnen informeren. - −. Het vó"},{"i":13553,"b":"Instellingsbesluit Gezamenlijk Comité Terrorismebestrijding Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Besluit: Artikel 1 Er is een Gezamenlijk Comité Terrorismebestrijding (GCT). Artikel 2 Het GCT heeft tot taak: - •. het ondersteunen van de minister van Justitie in de invulling van zijn coördinerende taak terzake terrorismebestrijding; - •. het vormen van een schakel op hoog ambtelijk niveau tussen regeringsbeleid en uitvoering; - •. waken voor samenhang tussen nationaal beleid, internationaal beleid en internationale ontwikkelingen; - •. het vervullen van een brugfunctie tussen CVIN en ICV; - •. het verzorgen van ambtelijke afstemming voor en advisering aan de Raad voor de Veiligheid & Rechtsorde en / of de Raad voor Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten voor zover het betreft de besluitvorming in die raden over beleid en uitvoering op het terrein van terrorismebestrijding; - •. het bewaken van de samenhang tussen de activiteiten die worden ontplooid door de diverse organisaties op het terrein van terrorismebestrijding; Artikel 3 Het GCT is als volgt samengesteld: - –. de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (voorzitter) - –. de directeur-generaal Rechtshandhaving van het ministerie van Justitie (lid tevens plaatsvervangend voorzitter) - –. de directeur-generaal Openbare Orde en Veiligheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties - –. de voorzitter van het College van Procureurs-generaal - –. de korpschef van het KLPD tevens lid van de Raad van Hoofdcommissarissen - –. het plaatsvervangend hoofd Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties - –. de plaatsvervangend directeur van de MIVD van het ministerie van Defensie - –. de bevelhebber der Koninklijke Marechaussee - –. de raadadviseur, zijnde de plaatsvervangend coördinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van het ministerie van Algemene Zaken - –. de plaatsvervangend thesaurier-generaal"},{"i":14133,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 17 september 2012, nr. 302266 tot vaststelling van de bezoldiging van de leden en de schadeloosstelling van de plaatsvervangende leden van het College voor de rechten van de mens en de vergoeding voor de leden van de raad van advies (Regeling bezoldiging College voor de rechten van de mens) Gelet op [artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 1 van de Wet College voor de rechten van de mens in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **rijksambtenaren:** degenen die door het Rijk zijn aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn; - b. **College:** College voor de rechten van de mens, genoemd in [artikel 1 van de Wet College voor de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=1); - c. **minister:** Minister van Veiligheid en Justitie. Artikel 2 1. Het salaris van de voorzitter van het college die voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 17 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 2. Het salaris van een ondervoorzitter van het college die voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 16 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 3. Het salaris van een ander lid van het college dat voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 15 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 4. Een lid van het"},{"i":12821,"b":"Besluit vaststelling selectielijst hogescholen over de periode vanaf 8 oktober 1992 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de administratieve neerslag van de openbaar gezagtaken van de zorgdragers Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, ArtEZ hogeschool voor de kunsten, Avans Hogeschool, Aeres Groep (CAH Vilentum en Stoas Vilentum), Christelijke Hogeschool Ede, Christelijke Hogeschool Windesheim, Codarts Rotterdam, De Haagse Hogeschool, Design Academy Eindhoven, Driestar Hogeschool, Fontys Hogescholen, Gereformeerde Hogeschool, Gerrit Rietveld Academie, Hanzehogeschool Groningen, HAS Den Bosch, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Hogeschool de Kempel, Hogeschool der Kunsten Den Haag, Hogeschool Inholland, Hogeschool iPabo, Hogeschool Leiden (inclusief Hogeschool Helicon), Hogeschool Rotterdam, Hogeschool Utrecht, Hogeschool van Amsterdam, Hogeschool Van Hall Larenstein, Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, Hotelschool Den Haag, HZ University of Applied Sciences, Iselinge Hogeschool, Katholieke Pabo Zwolle, Marnix Academie, NHL Hogeschool, NHTV internationaal hoger onderwijs Breda, Saxion (inclusief Hogeschool Edith Stein), Stenden Hogeschool, Zuyd Hogeschool, over de periode vanaf 8 oktober 1992’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13305,"b":"Gezamenlijke regeling van kwalificerende regelingen Gelet op [artikel 35b, derde lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=35b); Besluiten: 1 Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 35b, derde lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=35b). 2 Als regelingen als bedoeld in [artikel 35b, derde lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=35b) worden aangewezen: - 1. Voor de Nederlandse Antillen: - a. Landsverordening ter bevordering van grondontwikkeling (P.B. 1964 no. 77), zoals deze luidde op 1 januari 1996; - b. Landsverordening ter bevordering bedrijfsvestiging en hotelbouw (P.B. 1953 no. 194), zoals deze luidde op 1 januari 1996; - c. Landsverordening belastingfaciliteiten industriële ondernemingen (P.B. 1985 no. 146), zoals deze luidde op 1 januari 1996; - d. Landsverordening op de Winstbelasting 1940 (P.B. 1965 no. 58), zoals deze luidde op 1 januari 1996; - e. Beleid ter uitvoering van vorenbedoelde Landsverordening op de winstbelasting 1940 zoals bedoeld in het Protocol van 29 mei 1992 getekend door de Staatssecretaris van Financiën van Nederland en de Ministers van Financiën van de Nederlandse Antillen en Aruba inzake de toepassing van [artikel 11 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=11) in samenhang met het Protocol van 12 augustus 1994 getekend namens de Staatssecretaris van Financiën van Nederland en de Minister van Financiën van de Nederlandse Antillen, alsmede het Protocol van 8 januari 1998, getekend door de Staatssecretaris van Financiën van Nederland en de Minister van Financiën van de Nederlandse Antillen. - f. Nader protocol van 9 januari 1996 behorende bij het voorstel van rijkswet houdende wijziging van de [Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00024"},{"i":14048,"b":"Regeling van de Directeur-Generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs van 15 december 2009, nr. HD-09.196, inzake de behandeling bezwaarschriften aanmelding en selectie (Regeling adviescommissie bezwaarschriften uitgelote gegadigden) Overwegende dat een adviescommissie voor de behandeling van bezwaarschriften aanmelding en selectie bij DUO wenselijk is; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **commissie:** de adviescommissie bezwaarschriften uitgelote gegadigden als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027030&artikel=3&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van deze regeling; - **DUO:** Dienst Uitvoering Onderwijs; - **DG-DUO:** Directeur-Generaal DUO; - **indiener:** degene die een bezwaarschrift als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027030&artikel=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van deze regeling heeft ingediend; - **medewerker:** degene die in vaste of tijdelijke dienst van DUO is; - **WHW:** de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682). Artikel 2. Onderwerp Deze regeling is van toepassing op de behandeling van bezwaarschriften tegen beschikkingen van DUO inzake de aanmelding en selectie van aanstaande studenten krachtens [artikel 27 van de Regeling aanmelding en selectie hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025627&artikel=27) (hardheidsclausule uitgelote gegadigden). Artikel 3. De commissie 1. Er is een commissie die als taak heeft DUO van advies te dienen inzake bezwaren tegen de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027030&artikel=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) genoemde beschikkingen. 2. De commissie is samengesteld uit een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter en tenminste twee leden en twee plaatsvervangende leden die allen worden benoemd door de DG-DUO. 3. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter mogen niet werkzaam zijn bij DUO. 4. De DG-DUO wijst een secretar"},{"i":12820,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Groningen Seaports over de periode vanaf 1997 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde “selectielijst voor de archiefbescheiden van de overheids-NV Groningen Seaports en taakvoorgangers, voor de periode vanaf 1997” en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst archiefbescheiden Openbaar lichaam Havenschap Delfzijl/Eemshaven’ (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 22, d.d. 31 januari 1997) wordt afgesloten per 1 januari 1997. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12121,"b":"Besluit bewaring inbeslaggenomen voorwerpen BES § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **Bewaarder:** de bewaarder, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028375&paragraaf=2&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) - **het wetboek:** het [Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681) 2. Dit besluit berust op de [artikelen 141, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=141) en [143 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=143). § 2. De bewaarder Artikel 2 1. Als bewaarder, bedoeld in [artikel 141, tweede lid, van het wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=141), wordt aangewezen de griffier van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2. De bewaring van een inbeslaggenomen voorwerp door de bewaarder vindt plaats bij de griffie van het gerecht, bedoeld in het eerste lid. § 3. Inbewaringneming Artikel 3 1. Een inbeslaggenomen voorwerp wordt zoveel mogelijk gesloten en verzegeld in een omslag waarop een mededeling van de dag van inbeslagneming en een vermelding van degene bij wie het is inbeslaggenomen, met een korte opgave van de inhoud, wordt gesteld en ondertekend. Indien het voorwerp niet geschikt is om in een omslag te worden gesloten, wordt daaraan een strook gehecht, waarop gelijke mededeling en vermelding met een korte aanduiding van het voorwerp wordt gesteld en ondertekend. Kan aan een of ander niet worden voldaan, dan wordt het voorwerp zoveel mogelijk gewaarmerkt. 2. Aan degene bij wie het voorwerp is inbeslaggenomen, wordt zoveel mogelijk een bewijs van inbeslagneming verstrekt. 3. Aan degene bij wie het voorwerp is inbeslaggenomen, wordt ten overstaan van een officier of hulpofficier van justitie gevraagd of hij met betrekking tot het voorwerp een verklaring van afstand wil doen. Artikel 4 Een lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegev"},{"i":12819,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Gemeenschappelijk Secretariaat Productschappen Vee, Vlees en Eieren vanaf 1993 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Gemeenschappelijk Secretariaat voor de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (GS PVE), over de periode vanaf 1993’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13524,"b":"Instellingsbesluit Commissie van onderzoek wapeninzet Hawija Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Defensie; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044377&artikel=2&z=2020-11-27&g=2020-11-27). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie van onderzoek naar de Nederlandse wapeninzet in Hawija, Irak, in de nacht van 2 op 3 juni 2015. 2. De commissie heeft tot taak: - a. te onderzoeken hoe het kon dat er bij de wapeninzet in Hawija burgerslachtoffers zijn gevallen; - b. te onderzoeken welke lessen voor de toekomst naar aanleiding hiervan te trekken zijn. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit drie leden, waaronder een voorzitter. 2. De leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie onafhankelijk en onpartijdig uit. 3. De voorzitter wordt door de minister benoemd, de andere leden worden op voordracht van de voorzitter door de minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. 5. De voorzitter en overige leden kunnen (op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden) worden geschorst en ontslagen door de minister. Artikel 4. Leden Tot lid van de commissie worden benoemd: - a. Mw. mr. W. Sorgdrager te Amsterdam, tevens voorzitter; - b. Dhr. prof. dr. T.D. Gill te Utrecht; - c. Dhr. cdre-vlieger b.d. R.W. Reefman te Roosendaal. Artikel 5. Instellingsduur De commissie wordt ingesteld voor de duur van het onderzoek, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 6. Ondersteuning 1. De commissie wordt bij haar werkzaamheden ondersteund door een extern onderzoeksteam met aan het hoofd de secretaris van de commissie. 2. De minister benoemt de externe secretaris"},{"i":15034,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 20 november 2025 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA Dierenwelzijn (IB03-SPEC 02, versie 09) De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA Dierenwelzijn beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB), de klasseindeling en de interventies voor de beoordeling van specifieke overtredingen van de wetgeving in het domein dier. Dit domein heeft betrekking op dierenwelzijn van bedrijfsmatig gehouden landbouw- en gezelschapsdieren (primair bedrijf), hobbymatig gehouden dieren en wilde dieren. Dit specifiek interventiebeleid is niet van toepassing op dieren op het slachthuis, tijdens vervoer en proefdieren. Op andere overtredingen met betrekking tot dierenwelzijn anders dan in dit document of een ander specifiek interventiebeleid beschreven, blijft het Algemeen interventiebeleid NVWA 2024 van toepassing. Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in dit IB03-SPEC 02 zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de verantwoordelijke binnen de NVWA voor deze beleidsregel. 2. Definitie en wettelijke basis 2.1. Definitie Hieronder is een specifieke definitie opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [AIB](https://wetten."},{"i":14047,"b":"Regeling Adviescommissie bezwaar kwalificatieplicht SVB gelet op [artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:5) en [artikel 1 van Regeling van de Minister voor Jeugd en Gezin van 13 juli 2010, nr. IVV/J&G/3013046, houdende de instelling van een onafhankelijke adviescommissie ter advisering van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank over de aspecten van de Leerplichtwet 1969 ten behoeve van de beslissing op bezwaar inzake artikel 7, tweede lid, onder a, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027951&artikel=1) Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen Deze regeling verstaat onder: - a. **de SVB:** de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [artikel 3, eerste lid van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=3); - b. **De Raad van bestuur:** het met de dagelijkse leiding van de Sociale Verzekeringsbank belaste orgaan, bedoeld in [artikel 6, eerste lid van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6), tevens bestuursorgaan als bedoeld in [artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:1); - c. **commissie:** de adviescommissie bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045169&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-06-01&g=2021-06-01) van deze regeling; - d. **verplichtingen op grond van de Leerplichtwet 1969:** de verplichtingen bedoeld in [artikel 7, tweede lid, onder a AKW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=7) en [artikel 26, tweede lid, onder a Anw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=26) in samenhang met de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=2), en [4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=4"},{"i":13186,"b":"Deelregeling Corona-overbrugging kunstenaar, curator en beschouwer Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het zoveel mogelijk in stand houden van de infrastructuur op het gebied van beeldende kunst en/of erfgoed door het verstrekken van bijdragen aan beeldend kunstenaars en curatoren/beschouwers die liquiditeitsproblemen hebben of verwachten te krijgen ten gevolge van de Corona crisis, zodat deze kunstenaars en curatoren/beschouwers aan het werk kunnen blijven. Artikel 2. Doelgroep 1. Een kunstenaar die een bijdrage aanvraagt, dient ofwel - •. ten minste drie jaar professioneel werkzaam te zijn als beeldend kunstenaar; of - •. ten minste drie jaar een hbo-opleiding aan een opleidingsinstituut voor beeldende kunsten te hebben gevolgd en minimaal één jaar professioneel werkzaam te zijn als beeldend kunstenaar. Als het een instituut voor beeldende kunst en vormgeving betreft, moet een beeldende kunst curriculum zijn gevolgd; of - •. één jaar professioneel werkzaam te zijn als beeldend kunstenaar en ingeschreven te staan in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel, dan wel een vergelijkbare buitenlandse organisatie. 2. Een curator / beschouwer die een bijdrage aanvraagt, dient ten minste twee jaar professioneel werkzaam te zijn als bemiddelaar op het gebied van beeldende kunst en/of erfgoed, aan te tonen door middel van publicaties, tentoonstellingen, onderzoeken of geïnitieerde projecten. Artikel 3. Weigerinsgronden Geen bijdrage kan worden verstrekt: - a. aan een rechtspersoon; - b. voor werkzaamheden in dienstverband; - c. voor werkzaamheden in opdracht van een instituut of organisatie; - d. voor het volgen van onderwijs (zoals bachelor, master, phd of promotieonderzoek); - e. aan een kunstenaar aan wie korter dan een jaar geleden een Werkbijdrage Jong Talent is toegekend. - f. indien een eerder toegekende Projectinvestering in tijden van Coron"},{"i":13446,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 augustus 2012, nr. FEZ/BV/2012/10759, tot instelling van het Audit Committee van het Ministerie van SZW (Instellingsbesluit SZW 2012) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Audit Committee:** het Audit Committee van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2. Instelling Er is een Audit Committee waarop de Regeling Audit Committees 2012 van toepassing is. Artikel 3. Samenstelling Het Audit Committee wordt voorgezeten door de Secretaris-generaal en bestaat verder uit de plaatsvervangend Secretaris-generaal, de Directeuren-generaal, de Inspecteur-generaal, de Algemeen directeur Auditdienst Rijk, de Directeur Financieel Economische Zaken, de Directeur Bedrijfsvoering en de door de minister benoemde onafhankelijke externe leden. Artikel 4. Secretariaat Het secretariaat van het Audit Committee berust bij de directie Financieel Economische Zaken. Artikel 5. Werkwijze 1. Het Audit Committee beraadslaagt jaarlijks over de inhoud van een departementaal auditplan voor de bedrijfsvoering van SZW. 2. De Auditdienst Rijk coördineert de opstelling van een voorstel voor dit jaarlijkse auditplan. Het auditplan bevat een voorstel voor de uit te voeren audits, op basis van risicoanalyse van relevante SZW-brede en directiespecifieke activiteiten en processen. De audits betreffen onder meer financiële audits, operational audits en IT-audits. 3. Bij de risicoanalyse wordt rekening gehouden met conclusies en aanbevelingen uit eerdere controles en audits en uit onderzoeken van de Algemene Rekenkamer en de toezichtactiviteiten van het Ministerie van Financiën. 4. De Secretaris-generaal stelt het door de Auditdienst Rijk opgestelde auditplan vast, na"},{"i":13403,"b":"Instelling Landelijk overleg- platform groene ruimte Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder ’minister’: de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Artikel 2 1. Er is een Landelijk overlegplatform groene ruimte, verder te noemen overlegplatform. 2. In het overlegplatform voert het Rijk overleg met maatschappelijke organisaties, provincies, gemeenten en waterschappen met betrekking tot de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008109&artikel=3&z=1996-06-28&g=1996-06-28) bedoelde aangelegenheden. Artikel 3 1. Het overlegplatform heeft tot taak overleg te plegen over aangelegenheden van landelijke betekenis met betrekking tot de beleidsvoorbereiding en de beleidsuitvoering inzake inrichting en beheer en grondverwerving van de groene ruimte. 2. Als aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval aangemerkt het landelijk meerjarenprogramma groene ruimte en het interprovinciaal meerjarenprogramma landelijk gebied. Artikel 4 1. Het overlegplatform bestaat uit dertien leden, te weten: - a. de directeur-generaal van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, die tevens voorzitter is; - b. de (plv.) directeur van de Directie Groene Ruimte en Recreatie; - c. zes leden van maatschappelijke organisaties aan te wijzen door de minister, waarvan: - één lid op voordracht van de Stichting Natuur en Milieu; - één lid op voordracht van de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland; - twee leden op voordracht van de Federatie van Land - en Tuinbouworganisaties in Nederland; - één lid op voordracht van de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond, ANWB; - één lid op voordracht van de Federatie Particulier Grondbezit; - d. twee leden aan te wijzen door de minister op voordracht van de gezamenlijke provincies; - e. één lid aan te wijzen door de minister op voordracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; - f. één lid aan te wijzen door de minister op voordracht van de Unie van Waterschappen; - g. één d"},{"i":12120,"b":"Besluit bevoegdheidsverklaring leraren BES Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **de wet:** de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - c. **het bevoegd gezag:** voor wat betreft: - 1°. een openbare school: het bestuurscollege van het desbetreffende openbaar lichaam; - 2°. een bijzondere school: het schoolbestuur. Artikel 2 1. Indien voldaan wordt aan de voorwaarden, genoemd in het tweede lid, kan Onze Minister verklaren, dat een leraar geacht wordt in het bezit te zijn van een bewijs van bekwaamheid tot het geven van voortgezet onderwijs in vakken waarvoor geen bewijzen van bekwaamheid zijn aangewezen, en van een bewijs als bedoeld in [artikel 7.24, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.24). 2. De voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn: - a. de leraar komt niet in aanmerking voor een verklaring als bedoeld in [artikel 7.10, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.10); - b. de leraar moet tenminste twee schooljaren naar volle tevredenheid van het bevoegd gezag lesgegeven hebben in het desbetreffende vak; - c. het bevoegd gezag vraagt met toestemming van de leraar de verklaring, bedoeld in het eerste lid, aan; - d. de inspectie brengt, na het indienen van het verzoek van het bevoegd gezag, een positief advies uit over het functioneren van de leraar; - e. geen enkel bewijs van bekwaamheid voor het desbetreffende vak voor de desbetreffende schoolsoort is aangewezen; - f. het desbetreffende vak komt niet voor op het, jaarlijks door Onze Minister samen te stellen, overzicht van de vakken waarvoor geen verklaring als bedoeld in het eerste lid, meer zal worden afgegeven. 3. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval aangevraagd indien het de intentie is de leraar na het tweede schooljaar nogmaals met de lessen te belaste"},{"i":12988,"b":"Besluit van 4 december 2003, nr. 03.005017 tot het verlenen van machtiging aan de besturen van de Stichting Nieuw Land en van de Stichting voor Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders tot deelname aan de gemeenschappelijke regeling Erfgoedcentrum Nieuw Land Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 november 2003, nr. BW2003/85754, Directoraat-generaal Koninkrijksrelaties en Bestuur, handelend in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, mr. Medy C. van der Laan; Gelet op [artikel 93 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=93); Gelezen het verzoek van het bestuur van de Stichting Nieuw Land van 6 oktober 2003 en van het bestuur van de Stichting voor Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders van 29 oktober 2003, alsmede de besluiten van Provinciale Staten van Flevoland van 4 september 2003, van de Algemene Vergadering van het Waterschap Zuiderzeeland van 6 oktober 2003, en van de raden van de gemeenten Dronten van 28 augustus 2003, van Lelystad van 28 augustus 2003, van Urk van 18 september 2003 en van Zeewolde van 25 september 2003; Hebben goedgevonden en verstaan: De besturen van de Stichting Nieuw Land en van de Stichting voor Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders te machtigen tot deelname aan de gemeenschappelijke regeling Erfgoedcentrum Nieuw Land. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11942,"b":"Besluit beperkende bepalingen openbaarheid archiefbescheiden archief afdeling Kabinet 1945–1991 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief overgebrachte archiefbescheiden van de afdeling Kabinet 1945–1991, de volgende beperking gesteld: - 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 27844–27862, 27953–28686, 28689–28701 en 28715–28716 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Nationaal Archief gehanteerde **Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven;** een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. Het formulier is tevens via het Internet te benaderen op de site van het Nationaal Archief. - 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft tot inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Nationaal Archief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, in overeenstemming met het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling tr"},{"i":15035,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Justitie en Veiligheid van 17 maart 2026 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA experiment gesloten coffeeshopketen (IB03-SPEC 30, versie 05) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8 van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=8), de [artikelen 10, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA experiment gesloten coffeeshopketen beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB), de klasseindeling van en de interventies voor specifieke overtredingen van de wetgeving bij het experiment gesloten coffeeshopketen. De NVWA houdt toezicht op de naleving van de normen die zien op de teelt en de kwaliteit van de hennep of hasjiesj, de verpakking hiervan, en het afficheringsverbod voor de telers. 1**Een uitwerking van de verdeling van toezichts- en handhavingstaken is opgenomen in het Toezicht- en handhavingsarrangement EGC.** Welke normen dit betreft, is nader uitgewerkt in de bijlage. De NVWA is bevoegd tot handhaving van voormelde normen, voor zover deze zien op de telers. Voor wat betreft overtreding van de op grond van [artikel 21, tweede lid, van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=21) (Besluit EGC) aan de aanwijzing te verbinden eis dat voldaan moet worden aan de Wet gewasbesch"},{"i":13769,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 4 maart 2013, nr. WJZ/12097016, houdende de aanwijzing van vertrouwenspersonen en de instelling van een klachtencommissie ongewenste omgangsvormen bij het Ministerie van Economische Zaken en de vaststelling van de Werkwijze ongewenste omgangsvormen (Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen EZ) Gelet op [artikel 9:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14) en [artikel 3, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=3); Gehoord het Departementaal Georganiseerd Overleg; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **commissie:** de in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032969&paragraaf=4&artikel=6&z=2018-05-25&g=2018-05-25) bedoelde Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen EZ; - –. **directeur Bedrijfsvoering:** de directeur Bedrijfsvoering van het ministerie; - –. **EC O&P:** het Expertisecentrum Organisatie en Personeel, onderdeel van De Werkmaatschappij van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - –. **klacht:** schriftelijke klacht over ongewenste omgangsvormen; - –. **klager:** de medewerker die een klacht over ongewenste omgangsvormen heeft ingediend bij de commissie; - –. **medewerker:** degene die werkzaamheden verricht of heeft verricht bij het ministerie of bij de Autoriteit Consument en Markt; - –. **melder:** de medewerker die zich in verband met ongewenste omgangsvormen tot de vertrouwenspersoon heeft gewend; - –. **melding:** het zich wenden tot de vertrouwenspersoon in verband met ongewenste omgangsvormen; - –. **minister:** Minister van Economische Zaken; - –. **ministerie:** Ministerie van Economische Zaken; - –. **ongewenste omgangsvormen:** de factoren direct of indirect onderscheid met inbegrip van seksuele intimidatie, agressie en geweld en pesten in de arbeidssituatie die stress teweeg brengen; - –. *"},{"i":12776,"b":"Besluit vaststelling lastenplafonds wachtgeldfonds 2003 Gelet op [artikel 94 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=94); Besluit: Artikel 1 De maxima die in een boekjaar ten laste van de wachtgeldfondsen komen, bedoeld in [artikel 94 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=94), worden voor het jaar 2003 vastgesteld op de percentages, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014302&bijlage=1&z=2003-01-01&g=2003-01-01) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2003. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling lastenplafonds wachtgeldfondsen 2003. Bijlage 1. Lastenplafonds wachtgeldfondsen 2003 | | Sector | Lastenplafond | | --- | --- | --- | | 1 | Agrarisch bedrijf | 4,50 | | 2 | Tabakverwerkende industrie | 3,75 | | 3 | Bouwbedrijf | 3,75 | | 4 | Baggerbedrijf | 3,75 | | 5 | Hout- en emballageind.,houtwaren- en borstelind. | 3,75 | | 6 | Timmerindustrie | 3,75 | | 7 | Meubel- en orgelbouwindustrie | 3,75 | | 8 | Groothandel hout, zagerijen, schaverijen en houtbereiding | 3,75 | | 9 | Grafische industrie | 3,75 | | 10 | Metaalindustrie | 3,75 | | 11 | Electrotechnische industrie | 3,75 | | 12 | Metaal- en technische bedrijfstakken | 3,75 | | 13 | Bakkerijen | 3,75 | | 14 | Suikerverwerkende industrie | 3,75 | | 15 | Slagersbedrijven | 3,75 | | 16 | Slagers overig | 3,75 | | 17 | Detailhandel en ambachten | 3,75 | | 18 | Reiniging | 3,75 | | 19 | Grootwinkelbedrijf | 3,75 | | 20 | Havenbedrijven | 3,75 | | 21 | Havenclassificeerders | 3,75 | | 22 | Binnenscheepvaart | 3,75 | | 23 | Visserij | 3,75 | | 24 | Koopvaardij | 3,75 | | 25 | Vervoer KLM | 3,75 | | 26 | Vervoer NS | 3,75 | | 27 | Vervoer posterijen | 3,75 | | 28 | Taxi- en ambulancevervoer | 3,75 | | 29 | Openbaar vervoer | 3,75 | | 30 | Besloten busvervoer | 3,75 | | 31 | Overig personenvervoer te land en in de lucht | 3,75 | | 32 | Overig goeder"},{"i":13551,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2015, nr. WJZ/15169828, tot instelling van het Formule E-Team (Instellingsbesluit Formule E-Team) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat; - b. **organisaties:** - 1°. samenwerkingsverbanden van mede-overheden; - 2°. samenwerkingsverbanden van kennisinstellingen; - 3°. brancheorganisaties; - 4°. ondernemersverenigingen; - 5°. koepelorganisaties; - 6°. belangenorganisaties. Artikel 2 1. Er is een Formule E-Team. 2. Het Formule E-Team heeft tot taak: - a. de Staatssecretaris te adviseren over de uitvoering van het beleid inzake elektrisch vervoer; - b. het bevorderen van elektrisch vervoer, waaronder kennisontwikkeling, kennisdeling, informatieverstrekking, en het bevorderen van de uitrol van elektrisch vervoer, voertuigen, oplaadinfrastructuur en inpassing in het elektriciteitsnet; - c. het bevorderen van groene groei en van export van zowel producten als diensten van en voor elektrisch vervoer. Artikel 3 1. Het Formule E-Team bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vierentwintig andere leden. 2. De voorzitter wordt door de Staatssecretaris benoemd voor een termijn van drie jaar en is herbenoembaar. De voorzitter kan door de Staatssecretaris worden geschorst en ontslagen. 3. De andere leden bestaan uit vertegenwoordigers van de in [artikel 1, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037382&artikel=1&z=2026-05-06&g=2026-05-06), genoemde organisaties die door die betrokken organisaties, ieder voor zich, zijn aangewezen. 4. Een ander lid wordt eerst voorgedragen door de betrokken organisaties aan de Staatssecretaris. Na instemming van de Staatssecretaris wijst de betrokken organisatie het andere lid aan. 5. De instemming van de Staatssecretaris geldt voo"},{"i":11860,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van PM 2023, nr. 2023-0000572393 houdende vaststelling van beleidsregels inzake de toepassing van de Wet normering topinkomens met ingang van 1 januari 2024 (Beleidsregels WNT 2024) Gelet op [artikel 1.10 van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.10) Besluit: Voorgaande versie geen MUT op verzoek van CP. Artikel I De als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels zijn voor het jaar 2024 van toepassing op de uitvoering van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) berustende bepalingen, daaronder begrepen de uitvoering en handhaving door of namens de ministers van die wet en de daartoe door hen aangewezen ambtenaren. Artikel II Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels WNT 2024. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Bijlage. bij [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048851&artikel=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van de Beleidsregels WNT 2024 **Beleidsregels WNT 2024** § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) wordt in deze beleidsregels aangehaald met de afkorting ‘WNT’. Artikel 2. Toepassingsgebied Deze beleidsregels zijn met ingang van 1 januari 2024 van toepassing op de uitvoering van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop berustende bepalingen, daaronder begrepen de uitvoering en handhaving door of namens de ministers en bij de uitoefening van toezicht op de naleving van de WNT en de daarop berustende bepalingen door de daartoe door hen aangewezen ambtenaren. § 2. Reikwijdte van de WNT Artikel 3. Overheidsverenigingen of -stichtingen Van een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1.3, eerste lid, onderdeel b, van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.3) is onder meer sprake, indien een of meer krachtens pub"},{"i":11361,"b":"Regeling van het College voor examens van 19 april 2011, nr. Cve-11.00404, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het v.w.o. h.a.v.o. en v.m.b.o. 2013 en nadere vaststelling syllabi voor de centrale examens in het v.w.o. en v.m.b.o. 2012, tevens preliminaire vaststelling van de syllabus voor het centraal examen aardrijkskunde v.m.b.o. 2015 (Regeling syllabi centrale examens VO 2013 en nadere vaststelling 2012) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 20 mei 2011, nummer 301604; Besluit: Artikel 1. Syllabi 2013 Vervallen Artikel 2. Nadere vaststelling syllabi 2012 Vervallen Artikel 3. Preliminaire vaststelling syllabi 2015 Vervallen Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt: - 1. betreffende [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030708&artikel=1&z=2016-01-01&g=2016-01-01): per 1 januari 2014; - 2. betreffende [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030708&artikel=2&z=2016-01-01&g=2016-01-01): per 1 januari 2013; - 3. betreffende [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030708&artikel=3&z=2016-01-01&g=2016-01-01): per 1 januari 2016. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling syllabi centrale examens VO 2013 en nadere vaststelling syllabi 2012. Artikel 6. Bekendmaking 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De syllabi als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030708&artikel=1&z=2016-01-01&g=2016-01-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030708&artikel=2&z=2016-01-01&g=2016-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030708&artikel=3&z=2016-01-01&g=2016-01-01) worden beke"},{"i":12853,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gewasbescherming vanaf 1953 (College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 juni 2007, nr. arc-2007.03942/1; Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Gewasbescherming over de periode vanaf 1953’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst. Basisselectiedocument (bsd) **instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN (CTB) vanaf 1953** Versie: concept 4 Wageningen, 9 juli 2007 Ed van der Wal (CTB) Inleiding **Algemeen** Het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (CTB), gevestigd in Wageningen, is een publiekrechtelijk Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO) met eigen rechtspersoonlijkheid. Dit betekent dat het CTB zelf zorgdrager is en krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) zelf een selectielijst moet opstellen, die niet alleen de documenten en dossiers voortkomend uit de primaire processen bestrijkt maar ook het archief dat de bedrijfsvoeringstaken documenteert. Het voorliggende document vormt een Basisselectiedocument (BSD), gebaseerd op basis van het Documentair Structuurplan (DSP) opgenomen gegevens. Deze gegevens betreffen het hande"},{"i":12831,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Koninklijke Bibliotheek, periode vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 12 april 2011, nr. bca-2011.06125/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor archiefbescheiden van de Koninklijke Bibliotheek, over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.archief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12832,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) ten aanzien van de publiekrechtelijke taken van de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) vanaf 1 oktober 1998 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt ingetrokken: De [Selectielijst neerslag handelingen Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst op het terrein Opleiding en Registratie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026172), Stcrt. 2009, nr 11265 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op: www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13596,"b":"Besluit van 29 september 1962, houdende instelling van het Nieuw-Guinea-herinneringskruis Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze minister van defensie van 27 september 1962, directie militair personeel, nr. P. 122.894/B, en van de staatssecretaris van binnenlandse zaken van 27 september 1962, directoraat-generaal voor Nederlands Nieuw-Guinea, nr. 518196/-; Overwegende, dat het gewenst is om aan militairen van de Koninklijke marine, van de Koninklijke landmacht, van de Koninklijke luchtmacht, alsmede aan niet-militairen, Nederlanders, die zich in Nederlands Nieuw-Guinea in militaire zin verdienstelijk hebben gemaakt een herinneringsteken toe te kennen en dit herinneringsteken tevens dienstbaar te stellen als beloning voor hen, die in militair verband hebben deelgenomen aan een door de overheid bevolen actie of een verkennings- of patrouilletocht; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Ingesteld wordt een \"Nieuw-Guinea-herinneringskruis\", waaraan een gesp voor krijgsverrichtingen kan worden verbonden. Artikel 2 1. Het Nieuw-Guinea Herinneringskruis wordt toegekend aan de militairen van de Koninklijke marine, van de Koninklijke landmacht, van de Koninklijke luchtmacht alsmede aan de militairen van het voormalig Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger, die in Nieuw-Guinea of de aangrenzende zeegebieden gedurende het tijdvak van 28 december 1949 tot 23 november 1962 ten minste drie maanden in werkelijke dienst zijn geweest. 2. Het herinneringskruis kan mede worden toegekend aan niet-militairen, Nederlanders, die zich in het tijdvak, genoemd in het eerste lid, in militaire zin verdienstelijk hebben gemaakt. 3. Aan hen die in 1962 in de gebieden, genoemd in het eerste lid, in militair verband hebben deelgenomen aan een actie of een verkennings- of patrouilletocht, bevolen door de militaire overheid, wordt een gesp toegekend. De toekenning van de gesp is onafhankelijk van de duur van de actie of tocht waaraan werd deelgenomen. 4. Zij, die in aanmerking komen voor"},{"i":12812,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Commissariaat voor de Media vanaf 1 januari 2017 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van het Commissariaat voor de Media vanaf 1 januari 2017 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst - •. [Selectielijst archiefbescheiden Ondersteunende taken Commissariaat voor de Media periode vanaf 1988](onbekend), Stcrt. 2007, 4. wordt afgesloten per 31 december 2016. Uit het BSD-MLB: - •. [Selectielijst neerslag handelingen Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken vanaf 1945](onbekend), Stcrt. 2008, 61. worden per 31 december 2016 de volgende handelingen afgesloten: - •. 14.1 Voorlichting en advies H71, H72, H75 - •. 14.2 Concessies voor landelijke omroep H79 en H80, H85 - •. 14.3 Zendtijdtoewijzing H93, H99 en H100, H102, H104, H184, H224 en H225, H227 t/m H229, H238 en H239, H244 - •. 14.4 Overige regelgeving en besluitvorming H123, H124, H127, H130, H132, H134 en H135, H180, H214, H245, H262 t/m H267, H270 t/m H275, H277, H280 en H281, H283 en H284, H291 t/m H293, H296, H305, H311 - •. 14.5 Toewijzing van reclame-inkomsten H230 - •. 14.6 Bekostigen van omroepinstellingen H353, H357 t/m H360, H362 t/m H367, H371 en H372, H376, H379 t/m H383 - •. 14.7 Verantwoording H415 - •. 14.8 Toezicht / handhaving HH466 t/m H469 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Niet opgenomen. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14055,"b":"Regeling afgifte certificaten Nederlandse Federatie Cinematografie Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De N.F.C. is bevoegd namens de minister certificaten als bedoeld in artikel 11 van de richtlijn af te geven. De N.F.C. past daarbij de in de artikelen 3 en 4 van de richtlijn neergelegde regels toe en kan daarbij gebruik maken van de in de slot-alinea van artikel 3 van de richtlijn genoemde bevoegdheden. 2. De N.F.C. is gehouden bij de uitoefening van de in het eerste lid genoemde bevoegdheden aanwijzingen op te volgen die door of vanwege de minister worden gegeven. 3. De N.F.C. verstrekt aan de door de minister aangewezen ambtenaren alle bescheiden en inlichtingen die deze ambtenaren noodzakelijk achten voor een juiste invulling van hun taak. Artikel 3 1. Degene die door een besluit van de N.F.C., genomen in het kader van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005882&artikel=2&z=1993-02-28&g=1993-02-28) genoemde bevoegdheid, rechtstreeks in zijn belang is getroffen, kan daartegen bezwaar maken bij de minister. 2. Indien de minister een bezwaar geheel of gedeeltelijk gegrond acht, kan hij zelf in de zaak voorzien, danwel een aanwijzing ter zake geven aan de N.F.C. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11881,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 28 september 2004 houdende de vaststelling van het tarief van de heffing voor zaadkwekers (Besluit 2005/3 PT bloemkwekerijproducten: zaadkwekers 2005) gelet op [artikel 5 van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016957&artikel=5); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 13 september 2004; BESLUIT: Artikel 1 Voor kwekers van bloemzaden wordt bij de heffing als bedoeld in artikel 4, tweede lid, sub c, bij de berekening en oplegging van de heffing uitgegaan van een veronderstelde omzet van € 3.400,00 per hectare, welke omzet wordt toegepast naar rato van het areaal van de kweker van bloemzaden. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2005/3 PT bloemkwekerijproducten: zaadkwekers 2005. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":14060,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 19 december 2022, nr. WJZ/ 22099861, houdende regels voor aanbieders van openbare mobiele communicatienetwerken inzake de alarmeringsdienst NL-Alert (Regeling alarmeringsdienst NL-Alert 2023) handelende in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid; Gelet op [artikel 14.1, tweede lid, onderdeel a, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14.1), en [artikel 3.8 van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=3.8); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanbieder:** aanbieder van een openbaar mobiel elektronisch communicatienetwerk dat geschikt is, of geschikt te maken is, voor cell broadcasttechnologie; - **alarmeringsdienst NL-Alert:** dienst van de overheid om burgers te waarschuwen en te informeren over levens- en gezondheidsbedreigende situaties, of dreiging daarvan, door locatiespecifiek een bericht uit te zenden dat wordt ontvangen op eindapparaten; - **best server map:** digitale presentatie op een kaart van het gebied waar het NL-Alert door een aanbieder via zijn netwerken is uitgezonden, rekening houdend met de fysieke omgeving; - **broker:** degene die door de Minister van Justitie en Veiligheid is aangewezen voor het faciliteren van het aanmaken en distribueren van het NL-Alert en aan de aanbieder de gegevens te verstrekken, bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047721&artikel=12&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - **brokerinterface:** punt waarop de broker een netwerkkoppeling maakt met het netwerk van de aanbieder; - **cell:** netwerkelement dat door aanbieder kan worden geselecteerd om een NL-Alert al dan niet uit te zenden; - **cell broadcasttechnologie:** technologie volgens standaard ETSI TS 123 041 die als drager voor het uitzenden van een NL-Alert wordt gebruikt; - **dienstverlening:** door de aanbieder op gro"},{"i":12124,"b":"Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 juni 2018, nr. 2017-0000316593, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op de richtlijn breedband, de richtlijn energieprestatie van gebouwen, de richtlijn hernieuwbare energie, de richtlijn veiligheid wegtunnels, de verordening bouwproducten en het VN-gehandicaptenverdrag en de [artikelen 4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), en [5.1 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), en [artikel 119 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=119); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 december 2017, nr. W04.17.0186/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 juni 2018, nr. 2018-0000524056, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Afdeling 1.1. Algemeen Artikel 1.1. (begripsbepalingen) [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I&z=2026-05-29&g=2026-05-29) bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit besluit. Artikel 1.1a. (grondslag) 1. Dit besluit berust op de [artikelen 4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), [16.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.1), en [23.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=23.1). 2. Dit besluit berust ook op de [artikelen 119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=119) en [119a van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=119a). Afdeling 1.2. Internationaal"},{"i":12310,"b":"Besluit van 22 juli 2002, houdende de herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot de coördinatie integratiebeleid minderheden Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 22 juli 2002, kenmerk 02M435324; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 22 juli 2002. Artikel 1 Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie wordt belast met de coördinatie integratiebeleid minderheden voorzover deze zorg voor 22 juli 2002 was opgedragen aan Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Justitie en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 22 juli 2002. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Ministers van Justitie en voor Vreemdelingenzaken en Integratie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbijbehorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":15041,"b":"Standaard voor Kwaliteitsmanagement 1, bij afkorting SKM1 Preambule Het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (NBA) onderschrijft de strategische doelstelling van de International Federation of Accountants (IFAC) om een accountantsberoep te ontwikkelen en te bevorderen dat in staat is op uniforme wijze diensten te verlenen van hoge kwaliteit ten behoeve van het algemeen belang. Als lid van de International Federation of Accountants (IFAC) is de NBA verplicht de Standaarden van de IAASB in wet- en regelgeving te implementeren, voor zover dat onder de Nederlandse wet- en regelgeving mogelijk is. In december 2020 heeft de IFAC via de International Auditing and Assurance Standards Board (IAASB) de Final Pronouncement van de International Standard on Quality Management (ISQM) 1 gepubliceerd. De NBA heeft de vertaling daarvan opgenomen in deze standaard (Standaard voor kwaliteitsmanagement 1). De leden gehoord: Standaard voor kwaliteitsmanagement 1: Inwerkingtreding Standaard voor Kwaliteitsmanagement 1 treedt in werking op 15 december 2025. In het geval de Staatscourant waarin deze Standaard wordt gepubliceerd verschijnt na 15 december 2025, dan treedt deze Standaard in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot 15 december 2025. Citeertitel Deze publicatie wordt aangehaald als: Standaard voor Kwaliteitsmanagement 1, bij afkorting SKM1. Toelichtingen Toepassingsgebied van deze Standaard voor kwaliteitsmanagement (Zie Par. 3–4) Het kwaliteitsmanagementsysteem van het kantoor (Zie Par. 6–9) Autoriteit van deze Standaard (Zie Par. 12) Definities Tekortkoming (Zie Par. 16(a)) Opdrachtteam (Zie Par. 16(f)) Externe inspecties (Zie Par. 16(g)) Bevindingen (Zie Par. 16(h)) Kantoor (Zie Par. 16(i)) Netwerk (Zie Par. 16(l), 48) Personeel (Zie Par. 16(n)) Relevante ethische voorschriften (Zie Par. 16(t), 29) Maatregel (Zie Par. 16(u)) Serviceprovider (Zie Par. 16(v)) Toepassing en naleving van relevante vereisten (Zie Par. 17) Kwa"},{"i":13251,"b":"Erkenningsregeling geschillen- commissies consumentenklachten 1997 Overwegende, dat het gewenst is een goede consumentenklachtenbehandeling te bevorderen; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **consument:** een afnemer van niet voor een beroep of bedrijf bestemde goederen of diensten; - c. **consumentenklacht:** een geschil tussen een consument en een ondernemer c.q. dienstverlener dat door die consument aan die ondernemer c.q. dienstverlener kenbaar is gemaakt en waarover tussen partijen is overeengekomen dat zij dat onderwerpen aan het oordeel van een geschillencommissie; - d. **geschillencommissie:** een commissie, die uitspraken doet in de vorm van arbitrage of bindend advies in geschillen, die hun oorsprong vinden in consumentenklachten; - e. **bij een geschillencommissie aangesloten ondernemer:** een ondernemer, die zich heeft verplicht zich aan de uitspraken van een geschillencommissie te onderwerpen; - f. **branche:** de ondernemers, die dezelfde groepen produkten of diensten aanbieden, hetzelfde distributiesysteem toepassen of een andere verwantschap vertonen die aansluiting bij eenzelfde geschillencommissie rechtvaardigt; - g. **Stichting:** de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken (SGC), zijnde de overkoepelende organisatie voor instelling en instandhouding van erkende onafhankelijke geschillencommissies voor consumentenklachten. Artikel 2 De Minister erkent een geschillencommissie op een overeenkomstig [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&paragraaf=3&artikel=5&z=2012-10-19&g=2012-10-19) ingediende aanvraag en met inachtneming van het bepaalde in deze regeling, indien deze commissie naar zijn oordeel in voldoende mate zal bijdragen tot het oplossen van geschillen, die hun oorsprong vinden in consumentenklachten en indien deze commissie voldoet aan het bepaalde in [§ 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":12813,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) vanaf 2020 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) over de periode vanaf 1 januari 2020 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst - •. [Selectielijst voor de archiefbescheiden van de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) vanaf 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040196), **Stcrt**. 2017, 65364 wordt afgesloten vanaf 1 januari 2020. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12000,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 februari 2008, nr. DDI/ST/reg. 006/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Nederlands gezantschap, later de ambassade in Hongarije van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1946–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Nederlands gezantschap, later de ambassade in Hongarije van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1946–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 114 | 2030 | | 119 | 2032 | | 273 | 2040 | | 277 | 2028 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023501&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023501&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met in"},{"i":14003,"b":"Raadpleging notariële archiefbescheiden Gelet op [artikel 15, derde en vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gehoord de Minister van Justitie, Besluit: Artikel 1 Akten van testament of codicil onder de in de rijksarchiefbewaarplaatsen berustende notariële archiefbescheiden mogen, voor zover zij jonger zijn dan 94 jaar en niet zijn geregistreerd, slechts geraadpleegd en gebruikt worden **hetzij** overeenkomstig [artikel 839 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=839)**hetzij**door degene die een schriftelijk bewijs overlegt waaruit blijkt dat de testateur is overleden. Artikel 2 De overige beperkingen aan de openbaarheid van de in de rijksarchief-bewaarplaatsen berustende notariële archiefbescheiden worden opgeheven. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant, waarin het met de bijbehorende toelichting wordt geplaatst."},{"i":15042,"b":"Standaard voor Kwaliteitsmanagement 2, bij afkorting SKM2 Preambule Het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (NBA) onderschrijft de strategische doelstelling van de International Federation of Accountants (IFAC) om een accountantsberoep te ontwikkelen en te bevorderen dat in staat is op uniforme wijze diensten te verlenen van hoge kwaliteit ten behoeve van het algemeen belang. Als lid van de International Federation of Accountants (IFAC) is de NBA verplicht de Standaarden van de IAASB in wet- en regelgeving te implementeren, voor zover dat onder de Nederlandse wet- en regelgeving mogelijk is. In december 2020 heeft de IFAC via de International Auditing and Assurance Standards Board (IAASB) de Final Pronouncement van de International Standard on Quality Management (ISQM) 2 gepubliceerd. De NBA heeft de vertaling daarvan opgenomen in deze standaard (Standaard voor kwaliteitsmanagement 2). De leden gehoord: Standaard voor kwaliteitsmanagement 2: Kwaliteitsmanagementsysteem van het kantoor en de rol van opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordelingen Autoriteit van deze Standaard Ingangsdatum Inwerkingtreding Standaard voor Kwaliteitsmanagement 2 treedt in werking op 15 december 2025. In het geval de Staatscourant waarin deze Standaarden worden gepubliceerd verschijnt na 15 december 2025, dan treden deze Standaarden in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant en werken terug tot 15 december 2025. Citeertitel Deze publicatie wordt aangehaald als: Standaard voor Kwaliteitsmanagement 2, bij afkorting SKM2. Toelichtingen Benoeming en geschiktheid van opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordelaars Toewijzing van verantwoordelijkheid voor de benoeming van opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordelaars (Zie Par. 17) Geschiktheid van de opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordelaar (Zie Par. 18) Geschiktheidscriteria voor de opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordelaar Competentie en capaciteiten, waaronder voldoende tijd (Zie Par. 18(a)) Passende autoriteit (Zie Par. 18(a))"},{"i":14119,"b":"Regeling Beroepservaringperiode Gelet op de [artikelen 8, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=8), en [12e, tweede lid, van de Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=12e); Gezien de goedkeuring van de Minister voor Wonen en Rijksdienst d.d. 5 december 2012, de Minister van Economische Zaken d.d. 10 december 2012 en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 5 december 2012; Besluit: Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189); - b. **register:** architectenregister als bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=2); - c. **bureau architectenregister:** bureau architectenregister als bedoeld in [artikel 2a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=2a); - d. **architect:** in het register als zodanig ingeschreven architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect; - e. **beroepservaringperiode:** periode als bedoeld in [artikel 12e van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=12e); - f. **kandidaat:** persoon die de beroepservaringperiode doorloopt; - g. **mentor:** architect, blijkens inschrijving in het register ten minste drie jaar beroepsmatig werkzaam in de discipline van de desbetreffende kandidaat, onder wiens begeleiding de kandidaat het beroep van architect uitoefent; - h. **geïntegreerd beroepservaringprogramma:** tweejarig programma waarin werken onder begeleiding van een mentor en het volgen van beroepservaringmodules door één aanbieder worden verzorgd; - i. **beroepservaringmodules:** trainingen, cursussen en andere bijeenkomsten die zijn gericht op de ontwikkeling van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die staan beschreven in de eindtermen voor de disciplines architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en"},{"i":13594,"b":"Instellingsbesluit Nederlandse beheersorganisatie Europol Gelet op de Ministeriële Overeenkomst van 2 juni 1993 inzake de oprichting van de Europol Drugs Unit; Gelet op het besluit van de Europese Regeringsleiders van 29 oktober 1993, waarbij Den Haag als vestigingsplaats van Europol is aangewezen; Besluit: 1. Op te richten met ingang van 1 januari 1994 de Nederlandse Support Group Host State Europol Drugs Unit, die tot taak krijgt de daadwerkelijke vestiging van de Europol organisatie te 's-Gravenhage voor te bereiden en te ondersteunen; 2. Aan te wijzen tot Nederlandse projectleider Europol, tevens tot Hoofd van de Support Group Host State Europol Drugs Unit, de heer drs. M.L.J. de Jong, Commissaris van Politie; 3. De Support Group Host State Europol Drugs Unit te laten ressorteren onder de directie Politie van het Ministerie van Justitie; 4. De Nederlandse Beheersorganisatie Europol Drugs Unit op te heffen. Dit besluit zal worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant en het Algemeen Politieblad."},{"i":13583,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 23 augustus 2023, nr. IENW/BSK-2023/223471 Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, van 11 september 2023, houdende instelling van de NATFAL (Instellingsbesluit NATFAL) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op: de artikelen 8.16 tot en met 8.21 van Bijlage 9 bij het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart. BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **Bijlage 9:** Bijlage 9 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag voor de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1947, 165 en Trb. 1981, 85); - **ICAO:** Internationale Organisatie voor de Burgerluchtvaart; - **NATFAL:** de Nationale Facilitatie Commissie Luchtvaart bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048637&artikel=2&z=2023-09-26&g=2023-09-26). Artikel 2. Instelling Er is een Nationale Facilitatie Commissie Luchtvaart. Artikel 3. Doel van de NATFAL Het doel van de NATFAL is het: - a. behouden en verstevigen van de kwaliteit en efficiëntie van luchtvaartprocessen voor passagiers, bemanning en cargo; - b. behouden en verstevigen van processen en procedures ter ontwikkeling van innovatieve strategieën van invloed op het luchtvaart- en passagiersproces; - c. behouden en verstevigen van coördinatie en samenwerking op het gebied van de facilitatie van luchtvaart- en passagiersprocessen; - d. behouden en verstevigen van de kennispositie van partijen, die bij de uitvoering van de luchtvaart- en passagiersprocessen betrokken zijn, teneinde een beter inzicht en begrip voor de verschillende belangen te bewerkstelligen, een bredere afweging te bereiken en het draagvlak van besluitvorming te versterken. Artikel 4. Kerntaken NATFAL 1. De NATFAL heeft tot taak: - a. het coördineren van nationale implementatie van de bepalingen van Bijlage 9; - b. het adviseren op het beleidsterrein en het ondersteunen van innovatie me"},{"i":15043,"b":"Standaard voor Kwaliteitsmanagement 3N, bij afkorting SKM3N Preambule Het bestuur van de NBA is van oordeel, dat regels voor accountantskantoren omtrent de stemrechten, de beleidsbepalers, de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en de waarneming, welke geen deel uitmaken van [SKM1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050801) of [SKM2](onbekend), dienen te blijven gehandhaafd. Deze regels zijn opgenomen in Standaard voor Kwaliteitsmanagement 3N, en vormen een voortzetting van de eisen die voorheen op grond van de [Nadere voorschriften kwaliteitssystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038869) werden gesteld. De leden gehoord: **Standaard voor kwaliteitsmanagement 3N:** Inleiding (Zie Par. 5 – 10) A1. Het doel van deze bepalingen is te waarborgen dat kantoren, accountants of andere natuurlijke personen die beschikken over een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in [artikel 54, eerste lid, van de Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=54) de zeggenschap over de uitvoering van assurance-opdrachten hebben. De meerderheid van de stemrechten heeft betrekking op het beslissingsbevoegde orgaan van het kantoor, zoals de algemene vergadering van aandeelhouders in een BV, het bestuur van een stichting, of de maatschaps- of vennotenvergadering. In een besloten vennootschap waarin de algemene vergadering van aandeelhouders uit één accountant en één fiscalist bestaat die beiden 50% van de aandelen in handen hebben, kan bijvoorbeeld door middel van het uitbrengen van prioriteitsaandelen worden bewerkstelligd dat de zeggenschap over besluiten die direct of indirect invloed hebben op assurance-opdrachten bij de accountant ligt. De speciale rechten die aan een prioriteitsaandeel zijn verbonden, zijn in de statuten vastgelegd. Bij de formulering van de onderdelen b en c is aangesloten bij de [artikelen 16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=16), en [16a van de Wta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR001946"},{"i":13552,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 februari 2026, 2025-0000610431, tot instelling van het Forum Standaardisatie (Instellingsbesluit Forum Standaardisatie 2026) Overwegende dat het wenselijk is de taken, werkwijze, samenstelling en vergoeding van het Forum Standaardisatie en het Bureau Forum Standaardisatie vanaf het jaar 2026 vast te leggen, Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=1) en [2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); BESLUIT: Artikel 1. Taken Forum Standaardisatie 1. Er is een Forum Standaardisatie. 2. Het Forum Standaardisatie heeft tot taak: - a). Het ambtshalve en op verzoek uitbrengen van advies aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Economische Zaken over de bevordering van interoperabiliteit, toekomstbestendige gegevensopslag, en leveranciersonafhankelijkheid door middel van het gebruik en de adoptie van open standaarden; - b). het uitbrengen van advies bij het aanwijzen van wettelijk verplicht toe te passen standaarden, en bij wijzigingen van de betrokken standaarden; - c). het ambtshalve en op verzoek uitbrengen van advies aan de Minister die het aangaat of een van beide kamers der Staten-Generaal, over de uitvoering van beleid op het gebied van interoperabiliteit en standaardisatie; - d). het doen van voorstellen aan het Overheidsbreed Beleidsoverleg Digitale Overheid voor het opnemen van open standaarden op de lijst met standaarden, waarbij voor overheidsorganisaties het ‘pas toe of leg uit’-regime geldt, evenals het doen van voorstellen voor gebruiksafspraken in de vorm van streefbeeldafspraken; - e). het uitvoeren en onderhouden van de procedures voor toetsing van standaarden en het beheer van de lijs"},{"i":13374,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden mediators 2016 (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 7 december 2015 krachtens artikel 33 b van de Wet op de Rechtsbijstand) **Inleiding** Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die in aanmerking willen komen voor verwijzingen vanuit de gerechten of vanuit het Juridisch Loket zich inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en volgende van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: de vakbekwaamheidseisen die aan de mediator worden gesteld; de mate van gebondenheid aan door de beroepsgroep algemeen aanvaarde normen betreffende de beroepsethiek en beroepsuitoefening; de wijze waarop schendingen van de algemene norm betreffende de beroepsethiek en beroepsuitoefening worden afgehandeld; de medewerking door de mediator aan onderzoek naar de werking van mediation en aan evaluatie; de verslaglegging door de mediator van de door hem verrichte werkzaamheden; de beroepsaansprakelijkheidsverzekering; de organisatie van het kantoor waar de mediator werkzaam is. In het onderstaande zijn deze voorwaarden uitgewerkt. De voorwaarden zijn op te vatten als algemeen verbindende voorschriften. Inschrijvingsvoorwaarden Artikel 1. Registratie/ opleidingsvereisten / evaluatie 1. De deelnemende mediator dient MfN1MfN is de afkorting van: Mediatorsfederatie Nederland. MfN-registermediators staan ingeschreven bij de Stichting Kwaliteit Mediators (SKM). De SKM is voor wat betreft het registerbeheer en de kwaliteitssystemen de rechtsopvolger van het NMI.-registermediator te zijn. Deze MfN- registermediator heeft een door de Stichting Kwaliteit Mediators afgenomen peer review met goed gevolg ondergaan én in de drie jaar voor de da"},{"i":13560,"b":"Besluit van 29 september 2010 tot instelling van het Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten (Instellingsbesluit Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten) Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 september 2010, 2010-0000620878, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op [artikel 2 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=2); [Artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=10) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, eerste lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Er is een Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten. Artikel 3 Het Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten heeft tot taak: - a. het ondersteunen van de Gouverneur van Sint Maarten in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de Koning als hoofd van de regering van Sint Maarten respectievelijk in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de regering van het Koninkrijk; - b. het behandelen van consulaire aangelegenheden, voor zover niet opgedragen aan de Nederlandse vertegenwoordiging in Sint Maarten, alsmede het verzorgen van het berichtenverkeer met het ministerie van Buitenlandse Zaken; - c. het onderhouden van contacten met andere organen van de overheid, zowel binnen als buiten het Koninkrijk, alsmede de ondersteuning van de Gouverneur met betrekking tot ontvangsten, bezoeken en overige toegang tot de Gouverneur; - d. het behandelen van aan de Gouverneur gerichte brieven en verzoekschriften. Artikel 4 1. Het namens de Staat aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de directeur van het Kabinet geschiedt door Onze Minister in overe"},{"i":13506,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 30 juni 2017 [2017-120247], houdende instelling van de Commissie onderzoek sanering Thermphos (Instellingsbesluit Commissie sanering Thermphos) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Financiën - b. **commissie:** de Commissie onderzoek sanering Thermphos Artikel 2. Instelling Er is een Commissie onderzoek sanering Thermphos. Artikel 3. Taak De commissie heeft tot taak een inzage te krijgen in de technische en financiële aspecten rondom de sanering van het voormalig Thermphos-terrein en de betrokken partijen te adviseren over een solide aanpak. Daarbij wordt ook gekeken naar een heldere bestuurlijke verantwoordelijkheidsverdeling. De commissie onderzoekt hoe de NV Zeeland Seaports (NV ZSP) en de aandeelhouders (provincie Zeeland en de gemeenten Borsele, Terneuzen en Vlissingen) de kosten van de sanering van het voormalige Thermphos-terrein kunnen dragen. De commissie zal ook de financiële verantwoordelijkheid van provincie Zeeland bij dit onderzoek betrekken en de gevolgen van de kosten voor de financiële positie van provincie Zeeland en de taken waarvoor de provincie zich gesteld ziet. Artikel 4. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De commissie bestaat uit één lid. Desgewenst kan de commissie worden uitgebreid. 2. De leden van de commissie worden benoemd door de minister. 3. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. Artikel 5. Leden De heer Ir. D.M. Samsom wordt tot lid van de commissie benoemd. Artikel 6. Secretariaat 1. De commissie wordt ondersteund door een ambtelijk secretariaat. 2. Het secretariaat is onafhankelijk en voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de leden van de commissie. Artikel 7. Werkwijze De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. Artikel"},{"i":12823,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Instituut Fysieke Veiligheid Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van het Instituut Fysieke Veiligheid over de periode vanaf 2013 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst - •. [Selectielijst voor Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid en taakvoorganger 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029992), Stcrt. 2011, 8815 wordt afgesloten vanaf per 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13521,"b":"Instellingsbesluit Commissie van onderzoek mortierongeval Mali Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Defensie; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047886&artikel=2&z=2023-02-18&g=2023-02-18). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een externe onafhankelijke commissie belast met de taak bedoeld in het tweede lid. 2. De commissie heeft tot taak: - a. te onderzoeken of en hoe eventueel individueel nalatig en/of verwijtbaar handelen bij de werkwijzen die hebben geleid tot het mortierongeluk in Mali kan worden vastgesteld; - b. indien individueel nalatig en/of verwijtbaar handelen kan worden vastgesteld, te beoordelen in hoeverre en op welke wijze hiervan sprake is geweest; - c. te onderzoeken hoe binnen het Ministerie van Defensie de besluitvorming is verlopen rond de totstandkoming, invulling en uitvoering van de opdracht aan de Tijdelijke Commissie onderzoek naar geconstateerde tekortkomingen mortierongeval Mali (commissie Van der Veer). 3. De commissie is bevoegd over deelonderwerpen van haar onderzoeksopdracht tussentijds te rapporteren. 4. De commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij daartoe bij de uitvoering van haar onderzoeksopdracht aanleiding ziet. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit vier leden, waaronder een voorzitter. 2. De leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie onafhankelijk en onpartijdig uit. 3. De voorzitter wordt door de Minister benoemd, de andere leden worden op voordracht van de voorzitter door de Minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. 5. De leden van de commissie kunnen (op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden) op voordracht van de voorzitter worden geschorst en ontslagen door de Minister. De voorz"},{"i":13581,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Financiën, de Minister van Defensie, het College van procureurs-generaal en de korpschef van 17 december 2021, nr. 3708729, tot instelling van het multidisciplinair interventieteam (Instellingsbesluit multidisciplinair interventieteam) Overwegende dat: De Tweede Kamer op 19 september 2019 met overgrote meerderheid de motie Heerma en Dijkhoff (Kamerstukken II 2019/20, 35 300, nr. 13) heeft aangenomen waarin werd verzocht een multidisciplinair interventieteam ondermijning in te richten. De aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit al lang niet meer alleen een strafrechtelijke aangelegenheid is, maar overheid breed prioriteit heeft. Vanuit de Douane, de Belastingdienst, de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst, Koninklijke marechaussee, andere operationele onderdelen van het Ministerie van Defensie, de politie en het openbaar ministerie er behoefte is aan een integrale aanpak op landelijk en internationaal niveau om de georganiseerde, ondermijnende criminaliteit de komende jaren verder terug te dringen en Nederland minder aantrekkelijk te maken voor de vooral internationaal georganiseerde criminaliteit. Het multidisciplinair interventieteam (MIT) vormt de gewenste aanvulling op de bestaande aanpak en vervult een vliegwielfunctie voor innovatie en samenwerking. De doelstelling van het MIT is het blootleggen en duurzaam verstoren van criminele structuren, bedrijfsprocessen en verdienmodellen, die verweven zijn met of misbruik maken van legale structuren en de legale economie. Het MIT richt zich specifiek op die vormen van de (inter)nationale georganiseerde, ondermijnende criminaliteit die een bedreiging vormen voor de democratische rechtsorde en de nationale veiligheid. Het MIT dit doet door multidisciplinair, data gedreven, systemisch en innovatief te werk te gaan. Daarbij wordt informatie, kennis en expertise gedeeld, is er meer coördinatie en overzicht om tot betere keuzes voor interv"},{"i":13587,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 17 mei 2024, nr. 5265450 houdende instelling van het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (Instellingbesluit Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing 2024) Besluit: Artikel 1 Het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) is een overlegplatform voor overheidsinstanties en het bedrijfsleven, met als doel: - a. het bestuderen en analyseren van de criminaliteitspatronen die de Nederlandse samenleving en in het bijzonder het Nederlandse bedrijfsleven bedreigen; - b. veilig ondernemen mogelijk maken en versterken door middel van het gezamenlijk publiek-privaat aanpakken van criminaliteit tegen het bedrijfsleven en tegengaan van het (on)bewust faciliteren van criminaliteit door het bedrijfsleven; - c. het bijdragen aan effectieve preventie en rechtshandhaving met betrekking tot tegen het bedrijfsleven gerichte criminaliteit door advisering van en samenwerking tussen de Minister van Justitie en Veiligheid, het Openbaar Ministerie, het binnenlands bestuur, de politie en private partners; - d. het bevorderen van de onderlinge samenhang tussen de inspanningen van het bedrijfsleven en de overheid ter vergroting van hun doelmatigheid en effectiviteit door advisering aan de Minister van Justitie en Veiligheid en elkaar over bijvoorbeeld prioriteitenstelling en het opzetten van (proef)projecten. Artikel 2 Het NPC stelt elke vier jaar een Actieprogramma Veilig Ondernemen vast waarin ten minste wordt aangegeven aan welke vormen van criminaliteit en typen van criminaliteitsbeheersing door het bedrijfsleven en de overheid bijzondere aandacht zou moeten worden geschonken. Hierin wordt tevens een overzicht opgenomen van de activiteiten die door de leden van het NPC en hun partners worden ondernomen. Artikel 3 Voor de realisatie van de activiteiten zoals beschreven in het Actieprogramma Veilig Ondernemen werken de partijen aangesloten bij het NPC onderling, en met andere publieke en private partners, samen. Op lokaa"},{"i":12852,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gerechtsdeurwaarders vanaf 1945 (Minister van Economische Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 januari 2008, nr. bca-2008.04316/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Gerechtsdeurwaarders over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument gerechtsdeurwaarders 1945– **Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag op het terrein van de zorgdragers** Minister van Economische Zaken **Nationaal Archief/PIVOT** **Ministerie van Justitie** **Eindredactie: Project Wegwerken Archief Achterstanden (PWAA)** Lijst van gebruikte afkortingen AMvB: algemene maatregel van bestuur art.: artikel BFT: Bureau Financieel Toezicht BSD: basis selectie document COREPER: Comité des répresentants permanents des Etats Membres auprès de l'Union Européenne (Comité van permanente vertegenwoordigers): IO: institutioneel onderzoek KB: koninklijk besluit KBvG: Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap KVG: Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders MDW: operatie Marktwerking, Deregulering en Wetgeving NA: Nationaal Archief PBO: publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie PC DIN: Permanente Commissie Documentaire Informatieverzorging PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn RAD: Rijksarchiefdienst RIO: rapport institutioneel onderzoek Stb.: Staatsblad Stcr.: Staatscourant TK: Twee"},{"i":12030,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 september 2025, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Brazilië te Brasilia, (1949) 1965–2013 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 26 september 2025 met kenmerk 52902881; **Besluit:** Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van archiefbestand, nummer 2.05.411 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 76 | 2035 | | 88 | 2046 | | 90 | 2041 | | 249 | 2055 | | 263 | 2046 | | 356 | 2062 | | 413 | 2061 | | 416 | 2062 | | 469 | 2047 | | 498 | 2041 | Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 1 | 2060 | | 8 | 2047 | | 9 | 2053 | | 10 | 2060 | | 14 | 2059 | | 191 | 2083 | | 232 | 2081 | | 239 | 2079 | | 306 | 2070 | | 307 | 2070 | | 308 | 2070 | | 309 | 2070 | | 310 | 2070 | | 311 | 2070 | | 329 | 2087 | | 336 | 2086 | | 337 | 2088 | | 338 | 2087 | | 329 | 2087 | | 409 | 2079 | | 410 | 2080 | | 422 | 2081 | | 433 | 2066 | | 43"},{"i":11944,"b":"Besluit beperking kring verzekerden AVBZ BES Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **wet:** de [Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294). Artikel 2 1. Niet verzekerd ingevolge de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294) is de ingezetene die uitsluitend buiten Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba arbeid verricht. 2. Verricht de betrokkene zowel in de Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als daarbuiten arbeid dan is hij niet verzekerd ingevolge de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294), indien hij: - a. buiten Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in loondienst arbeid verricht; dan wel - b. niet overeenkomstig het gestelde in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294&artikel=4) ingezetene is, tenzij hij in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in loondienst werkzaam is. Artikel 3 1. Niet verzekerd ingevolge de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294) is de ingezetene die uitsluitend in dienstbetrekking staat tot een orgaan van een buitenlandse overheid of tot een buitenlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, tenzij hij in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is aangeworven dan wel onmiddellijk voorafgaand aan deze dienstbetrekking reeds verzekerd was ingevolge de wet. 2. Niet verzekerd ingevolge de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294) zijn de echtgenoot, kinderen en inwonende overige gezinsleden van de in het eerste lid bedoelde persoon, tenzij zij in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba arbeid verrichten. 3. Het tweede lid blijft ingeval van overlijden van de in het eerste lid bedoelde persoon van overeenkomstige toepassing op de aldaar bedoelde echtgen"},{"i":11957,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 juni 2018, houdende de beperking van de openbaarheid van een aantal inventarisnummers van het archief van de Ambassade India, bij overbrenging naar het Nationaal Archief Overwegende dat een aantal dossiers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 31 mei 2018, nr.1244934 Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 28 | 2063 | | 148 | 2059 | | 169 en CD-ROM 945 | 2088 | | 171 | 2061 | | 172 | 2061 | | 174 | 2089 | | 176 | 2080 | | 177 | 2077 | | 184 | 2075 | | 185 | 2078 | | 186 | 2080 | | 187 | 2080 | | 188 | 2081 | | 189 | 2086 | | 190 | 2081 | | 191 | 2082 | | 192 | 2084 | | 193 | 2082 | | 194 | 2083 | | 195 | 2085 | | 196 | 2061 | | 197 | 2086 | | 200 | 2083 | | 206 | 2059 | | 208 | 2089 | | 560 | 2088 | | 598 | 2038 | | 599 | 2038 | | 600 | 2038 | | 601 | 2038 | | 602 | 2038 | | 603 | 2038 | | 607 | 2039 | | 678 | 2084 | | 679 | 2057 | | 790 | 2077 | | 791 en CD-ROM 971 en 972 | 2088 | | 792 | 2086 | | 793 | 2088 | | 794 | 2086 | | 798 | 2056 | | 799 | 2056 | | 800 | 2056 | | 801 | 2056 | | 802 | 2056 | | 803 | 2056 | | 804 | 2056 | | 805 | 2056 | | 806 | 2056 | | 807 | 2056 | | 808 | 2056 | | 809 | 2056 | | 810 | 2056 | | 811 | 2056 | | 812 | 2056 | | 813 | 2034 | | 814 | 2067 | | 815 | 2085 | | 816 | 2085 | | 817 | 2088 | | 818 | 2088 | | 819 | 2088 | | 825 | 2053 | | 826 | 2078 | | 827 | 2087 | | 829 | 2088 | | 891 | 2060 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn"},{"i":14298,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 oktober 2024, kenmerk 3975178-1072732-Z, houdende Regeling geraamde gemiddelde nominale premie 2025 Gelet op [artikel 2b, tweede lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b); Besluit: Artikel 1 De geraamde gemiddelde nominale premie, bedoeld in [artikel 2b, eerste lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b) wordt voor het jaar 2025 vastgesteld op € 1.868. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geraamde gemiddelde nominale premie 2025. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15045,"b":"Standards DNA analysis and interpretation- Source level (001.1) Version: 3.0 Date of approval: 12 December 2016 Date of effect: 12 December 2016 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Part I. General Introduction to Standards § 1. Background to and aim of the Standards Reporting forensic experts play a crucial role in the administration of justice. The NRGD aims to ensure justified confidence in forensic expertise for stakeholders. This confidence must be based on the demonstrable independently safeguarded quality of forensic investigators and their reports on the basis of (inter)national forensic-specific standards. The NRGD is managed by the Board of Court Experts (hereinafter: Board). The Board’s core task is to rule on the applications for registration or repeat registration in the register of the NRGD (register). To that end the Board first defines the field of expertise. This is important in order to inform applicants, assessors and users of the register (e.g. judge, public prosecutor and attorney) about the activities an expert in the field of expertise in question engages in and about the activities that fall outside the field of expertise. The demarcation of the field of expertise is set out in [Part II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039078&deel=II&z=2016-12-12&g=2016-12-12) of these Standards. The Board also determines the criteria on the basis of which an assessment is made for each field of expertise as to whether an application complies with the quality requirements. The generic requirements are set out in the Register of Court Experts in Criminal Cases Decree ([Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190)). These requirements are elaborated further for each field of expertise. This elaboration is set out in [Part III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039078&deel=III&z=2016-12-12&g=2016-12-12) of these Standards. Furthermore the Board determines the assessment proc"},{"i":15046,"b":"Standards Drugs Analysis and Interpretation (005.00), Drugs Comparison (005.01), Drugs Production (005.02) Part I. General Introduction to Standards § 1. Background to and aim of the Standards Reporting forensic experts play a crucial role in the administration of justice. The NRGD aims to ensure justified confidence in forensic expertise for stakeholders. This confidence must be based on the demonstrable independently safeguarded quality of forensic investigators and their reports on the basis of (inter)national forensic-specific standards. The NRGD is managed by the Board of Court Experts (hereinafter: Board). The Board’s core task is to rule on the applications for registration or repeat registration in the register of the NRGD (register). To that end the Board first defines the field of expertise. This is important in order to inform applicants, assessors and users of the register (e.g. judge, public prosecutor and attorney) about the activities an expert in the field of expertise in question engages in and about the activities that fall outside the field of expertise. The demarcation of the field of expertise is set out in [Part II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039079&deel=II&z=2016-12-12&g=2016-12-12) of these Standards. The Board also determines the criteria on the basis of which an assessment is made for each field of expertise as to whether an application complies with the quality requirements. The generic requirements are set out in the Register of Court Experts in Criminal Cases Decree ([Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190)). These requirements are elaborated further for each field of expertise. This elaboration is set out in [Part III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039079&deel=III&z=2016-12-12&g=2016-12-12) of these Standards. Furthermore the Board determines the assessment procedure. This procedure is described in [Part IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039079&deel="},{"i":15049,"b":"Standards Forensic Weapon and Ammunition Examination (006.1) Part I. General Introduction to Standards § 1. Background to and aim of the Standards Reporting forensic experts play a crucial role in the administration of justice. The NRGD aims to ensure justified confidence in forensic expertise for stakeholders. This confidence must be based on the demonstrable independently safeguarded quality of forensic investigators and their reports on the basis of (inter)national forensic-specific standards. The NRGD is managed by the Board of Court Experts (hereinafter: Board). The Board’s core task is to rule on the applications for registration or repeat registration in the register of the NRGD (register). To that end the Board first defines the field of expertise. This is important in order to inform applicants, assessors and users of the register (e.g. judge, public prosecutor and attorney) about the activities an expert in the field of expertise in question engages in and about the activities that fall outside the field of expertise. The demarcation of the field of expertise is set out in [Part II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039081&deel=II&z=2016-12-12&g=2016-12-12) of these Standards. The Board also determines the criteria on the basis of which an assessment is made for each field of expertise as to whether an application complies with the quality requirements. The generic requirements are set out in the Register of Court Experts in Criminal Cases Decree ([Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190)). These requirements are elaborated further for each field of expertise. This elaboration is set out in [Part III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039081&deel=III&z=2016-12-12&g=2016-12-12) of these Standards. Furthermore the Board determines the assessment procedure. This procedure is described in [Part IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039081&deel=IV&z=2016-12-12&g=2016-12-12) of these Standar"},{"i":12678,"b":"Besluit van 27 augustus 2004, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter en de leden van de commissie, bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit CTBP-O (Besluit vaste beloning CTBP-O) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 24 augustus 2004, nr. WJZ/2004/23238(8154), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Aan de voorzitter en de andere leden van de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens OCW-veld, bedoeld in [artikel 6 van het Instellingsbesluit CTBP-O](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016132&artikel=6), wordt in plaats van vacatiegeld een vaste beloning toegekend. 2. De voorzitter en de andere leden van de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens OCW-veld ontvangen een vaste beloning ten bedrage van € 388,91 per vergadering, met een maximum van vijf vergaderingen per jaar. Artikel 2 De voorzitter en de andere leden van de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens OCW-veld, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017149&artikel=1&z=2004-11-12&g=2004-11-12), ontvangen naast de beloning bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017149&artikel=1&z=2004-11-12&g=2004-11-12), een vergoeding voor de reis- en verblijfkosten volgens de bestaande rijksregelingen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2004. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaste beloning CTBP-O. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13959,"b":"Regeling van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid van 7 september 2001, houdende regels in verband met de verstrekking van reisdocumenten van het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen en Aruba (Paspoortuitvoeringsregeling Nederlandse Antillen en Aruba 2001) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onder g, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=2), [3, eerste, derde, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=3), [16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=16), [26, eerste lid, onder d en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=26), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=27), [30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=30), [31, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=31), [40, eerste lid, onder d en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=40), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=43), [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=57) en [59 van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=59); Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen § 1. Definities en reikwijdte Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet**: de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212); - b. **aanvraag, weigering, verstrekking, uitreiking, houder, wijziging, inhouding, vervallen of vervallenverklaring en vermissing**: hetgeen ingevolge [artikel 1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=1) daaronder wordt verstaan; - c. **aanvrager**: degene die een aanvraag als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=1) indient of op wie een dergelijke aanvraag betrekking heeft; - d. **register paspoortsignaleringen**: het register, bedoeld in [artikel 2"},{"i":15050,"b":"Standards Handwriting Examination (002.0) Version: 3.0 Date of approval: 12 December 2016 Date of effect: 12 December 2016 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Part I. General Introduction to Standards § 1. Background to and aim of the Standards Reporting forensic experts play a crucial role in the administration of justice. The NRGD aims to ensure justified confidence in forensic expertise for stakeholders. This confidence must be based on the demonstrable independently safeguarded quality of forensic investigators and their reports on the basis of (inter)national forensic-specific standards. The NRGD is managed by the Board of Court Experts (hereinafter: Board). The Board’s core task is to rule on the applications for registration or repeat registration in the register of the NRGD (register). To that end the Board first defines the field of expertise. This is important in order to inform applicants, assessors and users of the register (e.g. judge, public prosecutor and attorney) about the activities an expert in the field of expertise in question engages in and about the activities that fall outside the field of expertise. The demarcation of the field of expertise is set out in [Part II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039080&deel=II&z=2016-12-12&g=2016-12-12) of these Standards. The Board also determines the criteria on the basis of which an assessment is made for each field of expertise as to whether an application complies with the quality requirements. The generic requirements are set out in the Register of Court Experts in Criminal Cases Decree ([Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190)). These requirements are elaborated further for each field of expertise. This elaboration is set out in [Part III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039080&deel=III&z=2016-12-12&g=2016-12-12) of these Standards. Furthermore the Board determines the assessment procedure. This procedure"},{"i":15051,"b":"Startregeling architectuur gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit vast te stellen de navolgende regeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidies aan makers en partijen voor de uitvoering van projecten ter bevordering van de kwaliteit van de creatieve industrie. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen De in deze regeling gebruikte begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597). Specifiek binnen deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **aanvrager:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon die op grond van deze regeling een subsidieaanvraag doet bij het Stimuleringsfonds; - 2. **adviescommissie:** een onafhankelijke, door het bestuur aangestelde commissie van externe deskundigen; - 3. **architect:** waar in deze regeling de term architect staat, kan in de context van deze regeling ook worden verstaan: een professionele ontwerper of maker die zich beroepsmatig positioneert binnen het vakgebied architectuur; - 4. **beschikking:** de brief waarmee het bestuur formeel besluit over het al dan niet toekennen van de subsidie; - 5. **beschikkingsdatum:** de datum zoals vermeld op de beschikking. - 6. **beschouwer:** een schrijver, programmamaker of curator wiens werkzaamheden zich verhouden tot de creatieve industrie; - 7. **bestuur:** de directeur-bestuurder van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, als bedoeld in artikel 5 van de statuten; - 8. **cofinanciering:** aanvullende financiering voor het project in de vorm van een andere subsidie, sponsoring, investering, eigen inkomsten uit bijvoorbeeld kaartverkoop of bijdrage van een externe partij, naast de gevraagde subsidie van het Stimuleringsfonds. Eigen bijdragen in de vorm van investeringen of doorberekende kortingen worden niet gerekend tot cofinanciering; - 9. **creatieve industrie:** het werkterr"},{"i":15061,"b":"Statutenwijziging Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw **Naktuinbouw** Algemeen Artikel 1 De Stichting draagt de naam: “**Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw**”, bij afkorting Naktuinbouw; zij is gevestigd te Roelofarendsveen (gemeente Kaag en Braassem). Artikel 2 1. De Statuten en Reglementen van de Stichting nemen over de terminologie van de [Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040) en de [Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194) met de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften, tenzij anders bepaald. 2. Naktuinbouw is voor de uitvoering van de in [artikel 3 lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052315&artikel=3&z=2026-02-20&g=2026-02-20) bedoelde werkzaamheden als inspectie-instelling aangewezen als bedoeld in de [Zaaizaad-en Plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040) en als bevoegde autoriteit als bedoeld in [artikel 2 lid 3 van de Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=2) dan wel zijn de daartoe bij Naktuinbouw in dienst zijnde nader omschreven functionarissen gemandateerd door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Doel en middelen Artikel 3 De Stichting stelt zich ten doel: - 1. te bevorderen dat betrouwbaar teelt- en plantmateriaal van bloemisterij-, boomkwekerij- en groentegewassen wordt voortgebracht, in het verkeer gebracht, verder verhandeld en uitgevoerd; - 2. het gebruik van betrouwbaar teelt- en plantmateriaal als in lid 1 van dit artikel omschreven alsmede de verbetering van dat materiaal te bevorderen; - 3. om op basis van hetzij de wet, hetzij een ministerieel mandaat controle- en inspectiewerkzaamheden te verrichten op planten en plantaardige producten. Onder deze werkzaamheden worden in het bijzonder begrepen de keuring en de controle op de naleving van de bij of krachtens de [Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":12807,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Chex Liftkeuringen vanaf 2006 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Chex Liftkeuringen B.V. over de periode 2006 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten afgesloten en/of ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12265,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2019 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) en [artikel 2.10 lid 2 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=2.10); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2019 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 33.100 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 331.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.310.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2019 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,77% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,75% | | Maximumpremie werkgevers | 3,00% | | Minimumpremie werkgevers | 0,18% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,41% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,42 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2019 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,47% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,43% | | Maximumpremie werkgevers | 1,72% | | M"},{"i":13677,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 6 januari 2017, nummer 2029595 houdende instelling van de taskforce lijkschouw en gerechtelijke sectie (Instellingsregeling taskforce lijkschouw en gerechtelijke sectie) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1. (Begripsbepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **Taskforce:** de taskforce, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039130&artikel=2&z=2017-01-26&g=2017-01-26). Artikel 2. (Instelling en taak) 1. Er is een taskforce lijkschouw en gerechtelijke sectie. 2. De taskforce heeft tot taak: - a. onderzoek te doen naar de keten van lijkschouw tot gerechtelijke sectie teneinde te achterhalen of er onvolkomenheden zijn waardoor gevallen van een onnatuurlijke dood als gevolg van een misdrijf niet worden herkend; - b. onderzoek te doen naar de oorzaken van de daling in het aantal gerechtelijke secties vanaf 2005; - c. onderzoek te doen als genoemd in de aanbevelingen 17 tot en met 20 van het rapport ‘De lijkschouw en sectie nader beschouwd’, tenzij de commissie van oordeel is dat dat onderzoek niet voor de datum genoemd in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039130&artikel=4&z=2017-01-26&g=2017-01-26), kan worden gerealiseerd of op bezwaren stuit verband houdend met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nabestaanden c.q. de integriteit van het lichaam van de overledene; - d. naar aanleiding van het onderzoek en de bevindingen in dat kader aanbevelingen te doen ter verbetering van de werking van de gehele keten van lijkschouw tot en met gerechtelijke sectie. Artikel 3. (Samenstelling, benoeming, ontslag) 1. De taskforce bestaat uit een voorzitter en maximaal 8 andere led"},{"i":12894,"b":"Besluit vaststelling selectielijst primair proces 'de Rechtspraak' vanaf (1985) 1990 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van het primair proces van ‘de Rechtspraak’, selectielijst voor de waardering van alle rechtszaak gebonden stukken, ontvangen of opgemaakt vanaf (1985) 1990 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt ingetrokken: - •. [Primair proces van ‘de Rechtspraak’, selectielijst voor de waardering van alle rechtszaak gebonden stukken, ontvangen of opgemaakt vanaf (1985) 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044695), (Staatscourant 2021, nr. 223. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12033,"b":"Besluit van 21 mei 2012, nr. DMO IV DCDI nr. 2012005522 van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden van de collectie Ordedienst/ Binnenlandse Strijdkrachten, het Militair Gezag en andere organisaties, (1934) 1940–1947 (2003), bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de **collectie Ordedienst/ Binnenlandse Strijdkrachten, het Militair Gezag en andere organisaties, (1934) 1940–1947 (2003)**, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 415–425 | 2021 | | 431 | 2021 | | 432 | 2021 | | 434–450 | 2022 | | 452 | 2021 | | 455 | 2021 | | 1074 | 2021 | | 1280 | 2021 | | 1366 | 2021 | | 1561 | 2021 | | 1972 | 2021 | | 2213 | 2021 | | 2740 | 2021 | | 2741 | 2021 | | 3268 | 2021 | | 3385–3389 | 2021 | | 4361 | 2021 | | 6638-6660 | 2024 | | 7116–7122 | 2021 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031713&artikel=1&z=2012-06-29&g=2012-06-29), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031713&artikel=1&z=2012-06-29&g=2012-06-29), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande"},{"i":12016,"b":"Besluit van de Raad van Bestuur van Sociale verzekeringsbank te Amstelveen, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het FVP over de periode 1972–1998 (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), aan de openbaarheid van de over te brengen archiefbescheiden van het archief van het FVP 1972–1998 de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":11945,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 april 2018, houdende de beperking van de openbaarheid van een aantal inventarisnummers van het 4e blok Codearchief 1975 – 1984 zijnde inventarisnummers met betrekking tot het Nederlandse beleid ten aanzien van Suriname (besluit beperking openbaarheid 4e blok Codearchief, onderdeel Suriname) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) alsmede het advies van de algemene rijksarchivaris van het Nationaal Archief d.d. 29 maart 2018; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 25394 | 2057 | | 26169 | 2031 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 4466 | 2034 | | 11927 | 2032 | | 11928 | 2032 | | 12518 | 2032 | | 14096 | 2032 | | 25389 | 2034 | | 25421 | 2035 | Artikel 3 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 1970 | 2037 | | 2483 | 2041 | | 2484 | 2041 | | 2485 | 2041 | | 2620 | 2042 | | 2621 | 2042 | | 2622 | 2042 | | 2762 | 2043 | | 2763 | 2043 | | 2764 | 2043 | | 2765 | 2043 | | 29"},{"i":13759,"b":"Keuringsreglement COKZ kaas gelet op [artikel 10, eerste lid, onder e, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=10) (Stb. 1971, 371), alsmede artikel 36, tweede lid, van de statuten van genoemde Stichting (Stcrt. 1992, 63), heeft in zijn vergadering van 24 juni 1998 vastgesteld het navolgende Reglement Hoofdstuk 1. Terminologie Artikel 1 In dit reglement wordt, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, de terminologie van de Landbouwkwaliteitsregeling kaas overgenomen en wordt voorts verstaan onder regeling: [Landbouwkwaliteitsregeling kaas](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009794) (Stcrt. 1998, nr. 140). kaas: kaas die is voorzien van een rijkskaasmerk of is bestemd om te worden voorzien van een rijkskaasmerk; rijkskaasmerk: het rijkskaasmerk als bedoeld in [artikel 4 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009794&artikel=4); productdossier: productdossier als bedoeld in [artikel 15, tweede lid van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009794&artikel=15); bereider: producent van kaas; eerste bereider: producent van kaas, uitgezonderd boerenkaas; opvolgende bereider: bedrijf anders dan een eerste bereider waarin kaas wordt opgeslagen gedurende de minimale bewaartermijn doorleveren: afleveren van kaas van de eerste of opvolgende bereider aan een opvolgende bereider; afleveren: afleveren van kaas na de verplichte bewaartermijn van de desbetreffende kaas; directeur: directeur van het COKZ; directeur Industrie en Handel: directeur Industrie en Handel van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; bestuur: bestuur van het COKZ. Hoofdstuk 2. Voorschriften inzake rijkskaasmerken Artikel 2 1. Rijkskaasmerken worden gedrukt: - a. op caseïneplaatjes welke tijdens de bereiding op de kazen worden aangebracht; - b. op zelfklevende etiketten welke op de verpakkingen van kaas worden aangebracht; - c. rechtstreeks op de buitenzijde van het verpakkingsmateriaal voor kaas op zodanige wijz"},{"i":15055,"b":"Statuten Nederlands Fonds voor Podiumkunsten Statuten Begripsbepalingen Artikel 1 In de statuten wordt verstaan onder: - a. **bestuur:** het bestuur van de stichting; - b. **Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. **raad van toezicht:** de raad van toezicht van de stichting; - d. **schriftelijk:** bij brief, e-mail, of bij boodschap die via een ander gangbaar communicatiemiddel wordt overgebracht en op schrift kan worden ontvangen. - e. **stichting:** Stichting Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten. Naam en zetel Artikel 2 1. De stichting draagt de naam: **Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten**. 2. Zij heeft haar zetel in de gemeente: ’s-Gravenhage. Doel en middelen Artikel 3 1. De stichting heeft ten doel het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden of bevorderen van uitingen op het gebied van podiumkunsten in Nederland en voorts al hetgeen daarmee verband houdt of daaraan bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord. 2. De stichting tracht dit doel te bereiken door onder meer het verlenen van financiële en andere ondersteuning aan kunstenaars en instellingen voor activiteiten op het gebied van podiumkunsten die zijn gericht op het scheppen, produceren presenteren en afnemen daarvan. 3. De stichting beoogt niet het maken van winst. Vermogen Artikel 4 1. Het vermogen van de stichting wordt gevormd door: - a. subsidies; - b. bijdragen van instellingen en particulieren; - c. hetgeen wordt verkregen door erfstellingen en legaten, met dien verstande dat erfstellingen niet anders kunnen worden aanvaard dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving; - d. andere baten. 2. Het vermogen van de stichting dient ter verwezenlijking van het doel. Bestuur: samenstelling, benoeming en defungeren Artikel 5 1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door de raad van toezicht vast te stellen aantal van ten minste één en ten hoogste drie natuurlijke personen. 2. De raad van toezich"},{"i":15056,"b":"Statuten Stichting NAK **Statuten van de Stichting ’Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen’ (’NAK’) zoals deze zijn goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij besluit van 30 maart 2006** Inleidende bepalingen Artikel 1 1. De stichting draagt de naam: ‘Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen’, bij afkorting ‘NAK’. 2. Zij is statutair gevestigd te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder. Artikel 2 1. De statuten en de reglementen van de stichting nemen de terminologie van de [Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040) en de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften over, tenzij hierna of in een reglement anders wordt bepaald. 2. In deze statuten wordt begrepen onder ‘Minister’: de met zaken van landbouw belaste Minister. Doel Artikel 3 De stichting stelt zich ten doel de publieke taken te vervullen waarmee zij op grond van de [Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040) is belast en heeft daartoe in het bijzonder tot taak: - a. door middel van keuringen te bevorderen, dat betrouwbaar teeltmateriaal in het verkeer gebracht en verder verhandeld wordt; - b. de bevordering van de voortbrenging en het gebruik van betrouwbaar teeltmateriaal, alsmede van de verbetering van teeltmateriaal; - c. de uitvoering van de bij of krachtens wettelijke regelingen vastgestelde voorschriften, voorzover deze aan haar worden opgedragen. Middelen en Rijkstoezicht Artikel 4 De stichting tracht haar doel te bereiken door aanwending van de navolgende middelen: - a. het uitoefenen van toezicht op kweek-, beproevings-, vermeerderings-, teelt-, bewerkings- en handelsbedrijven van teeltmateriaal, met betrekking tot de naleving van voor de teelt en de afzet vastgestelde voorschriften; - b. het verstrekken van inlichtingen, adviezen en voorlichting ten aanzien van teeltmateriaal; - c. het aanmoedigen van de vered"},{"i":14035,"b":"Ministeriële regeling van de Staatssecretaris van Defensie van 13 mei 2019, Hoofddirectie Personeel, nr. BS/2019008294, inzake aanstelling decaan Nederlandse Defensie Academie Gelet op [artikel 168](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=168) en [artikel 121, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=121); BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder - **decaan:** de ambtenaar bedoeld in [artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=1), die is aangesteld als decaan bij de Nederlandse Defensie Academie; - **SWOON:** stichting wetenschappelijk onderwijs en onderzoek NLDA Artikel 2 1. Een aanstelling tot decaan vindt eerst plaats, nadat de SWOON haar goedkeuring heeft gehecht aan aanstelling van de betrokkene. 2. Aan de in het eerste lid bedoelde goedkeuring kunnen bepalingen en bedingen worden verbonden die als aanstellingsvereisten gelden. 3. Een schriftelijke intrekking door de SWOON van de in het eerste lid bedoelde goedkeuring staat gelijk aan het verlies van een aanstellingsvereiste. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd en werkt terug tot en met 1 mei 2018. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanstelling decaan NLDA Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12525,"b":"Besluit opkopersregisters BES Artikel 1 1. De goud- of zilversmid, kashouder, horlogemaker, rijwielhandelaar, uitdrager, opkoper of tagrijn, bedoeld in de [artikelen 457](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=457) en [459 van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=459), is verplicht een register te houden, waarvan de bladen van een doorlopend nummer zijn voorzien en door de gezaghebber van het openbaar lichaam waar betrokkene woonplaats heeft, worden gewaarmerkt. 2. Dit besluit berust op de [artikelen 457](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=457) en [459 van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=459). Artikel 2 In dit register zal door hem, onmiddellijk nadat de goederen door hem in ontvangst zijn genomen, aantekening worden gedaan van iedere koop, inruiling, aanneming als geschenk of in pand, gebruik of bewaringneming van goederen. Artikel 3 De inschrijving geschiedt zonder witte vakken, gapingen of tussenruimten met aanduiding van de dag waarop, van de persoon van wie of van de verkoop op openbaar gezag, waarbij de goederen verkregen zijn. De schriftelijke toestemming, door of vanwege de bevelvoerende officier, waar zij vereist is, verleend, wordt aan het register gehecht. Artikel 4 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028297&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde personen zullen tevens in het register aantekenen, aan wie en op welke dag de goederen voor henzelf of namens hun lastgever door hen zijn verkocht, verruild, in pand gegeven of op enige andere wijze met hun medeweten of door hun toedoen uit hun bezit zijn geraakt. Artikel 5 De opkoper, bedoeld in [artikel 459 van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=459) is verplicht het door hem als zodanig gehouden register op eerste aanvrage ter inzage te geven aan de gezaghebber of de door deze aangeweze"},{"i":12147,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 februari 2017 met kenmerk 1096101 houdende deelneming in de Gemeenschappelijke Regeling Nieuw Land Erfgoedcentrum Gelet op [artikel 94, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de Gemeenschappelijke Regeling Nieuw Land Erfgoedcentrum. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op een bij besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te bepalen tijdstip."},{"i":13300,"b":"Wet van 26 januari 2001 tot vaststelling van de Gerechtsdeurwaarderswet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om bij wet regels te stellen met betrekking tot de organisatie van het ambt van gerechtsdeurwaarder en met betrekking tot de rechten en verplichtingen van gerechtsdeurwaarders; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister voor Rechtsbescherming; - b. gerechtsdeurwaardersregister: het register, bedoeld in [artikel 1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&hoofdstuk=I&artikel=1a&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - c. ambtshandelingen: de werkzaamheden, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&hoofdstuk=II&paragraaf=1&artikel=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - d. gerechtsdeurwaarder: de ambtenaar, benoemd krachtens [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&hoofdstuk=II&paragraaf=2&artikel=4&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - e. waarnemend gerechtsdeurwaarder: de waarnemend gerechtsdeurwaarder, bedoeld in [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&hoofdstuk=III&paragraaf=1&artikel=23&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - f. kandidaat-gerechtsdeurwaarder: de kandidaat-gerechtsdeurwaarder, bedoeld in [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&hoofdstuk=III&paragraaf=2&artikel=25&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - g. toegevoegd gerechtsdeurwaarder: de toegevoegd gerechtsdeurwaarder, bedoeld in [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&hoofdstuk=III&paragraaf=2&artikel=27&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - h. het Bureau: het Bureau Financieel Toezicht, bedoeld in [artikel 110 van de Wet op het notarisambt](onb"},{"i":12034,"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Commissariaat voor de Media (1988–2008) A. Relevante feiten B. Juridisch kader C. Overwegingen Commissariaat D. Besluit Bijlage 1. Relevante bepalingen [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) [Artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1) In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: [Artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=14) De archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten zijn, behoudens het bepaalde in de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=16) en [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=17), openbaar. Ieder is, behoudens de beperkingen die voortvloeien uit het in die artikelen bepaalde, bevoegd die archiefbescheiden kosteloos te raadplegen en daarvan of daaruit afbeeldingen, afschriften, uittreksels en bewerkingen te maken of op zijn kosten te doen maken. [Artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) [Artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=16) [Artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=25) [Artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=26) [Archiefbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748) [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) [Artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=9) [Artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) Indien de zorgdrager ingevolge [artikel 15, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden stelt, wordt het daartoe strekkende besluit gevoegd bij de verklaring, bedoeld in [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=9)."},{"i":13954,"b":"Wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Overleveringswet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie van 13 juni 2002 (2002/584/JBZ), gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 190 van 18 juli 2002, noodzaakt tot het stellen van nieuwe regels voor de overlevering van personen tussen lidstaten van de Europese Unie en daarmee verbandhoudende andere vormen van rechtshulp; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Afdeling 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. overlevering: de terbeschikkingstelling van een persoon door de justitiële autoriteiten van de ene lidstaat aan de justitiële autoriteiten van een andere lidstaat van de Europese Unie ten behoeve van hetzij een in die andere lidstaat tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek, hetzij de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde vrijheidsbenemende straf of maatregel; - b. Europees aanhoudingsbevel: de schriftelijk vastgelegde beslissing van een justitiële autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie strekkende tot de aanhouding en de overlevering van een persoon door de justitiële autoriteit van een andere lidstaat; - c. vrijheidsstraffen: door de rechter op te leggen straffen met een vrijheidsbenemend karakter alsmede de door deze naast of in plaats van een straf op te leggen maatregelen strekkende tot vrijheidsbeneming; - d. opgeëiste persoon: de persoon op wie een Europees aanhou"},{"i":14026,"b":"Regeling 75 jaar vrijheid Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Het fonds:** Mondriaan Fonds. - b. **Het bestuur:** het bestuur van het Mondriaan Fonds. - c. **Bevoegd adviesorgaan:** een onder welke benaming dan ook door het bestuur aangewezen adviseur of adviescommissie aan wie is opgedragen aanvragen op grond van deze regeling te beoordelen. - d. **SMH:** Stichting Musea en Herinneringscentra WOII. - e. **Leden van de SMH:** Airborne museum Oosterbeek, Bevrijdingsmuseum Zeeland, Fries Verzetsmuseum, Herinneringskamp Westerbork, Indisch Herinneringscentrum, Joods Cultureel Kwartier/Hollandse schouwburg, Museon Den Haag, Museum Rotterdam ’40-45’ NU, Nationaal Bevrijdingsmuseum Groesbeek, Nationaal Monument Kamp Amersfoort, Nationaal Monument Kamp Vught, Oorlogsmuseum Overloon, Onderduikmuseum Aalten en Verzetsmuseum Amsterdam. - f. **Herinneringscentra:** voormalig kamp Westerbork, Nationaal Monument kamp Vught, Nationaal Monument Kamp Amersfoort, het Oranjehotel en het Indisch Herinneringscentrum (IHC) in Den Haag. - g. **Grassroot:** een zelfstandig initiatief dat dienstbaar is aan het borgen van de herinnering aan WOII in de komende 5 jaar en een toevoeging vormt aan die herinnering. Het initiatief is niet verbonden aan een professionele (erfgoed)organisatie, niet in het museumregister ingeschreven, is openbaar toegankelijk en kan een stichting, een vereniging of een individu zijn. - h. **Subsidie bouwkundige uitbreiding of verbouwing:** een bijdrage voor een bouwkundige uitbreiding of verbouwing voor SMH leden, met uitzondering van de herinneringscentra. - i. **Subsidie herinrichting vaste opstelling:** een bijdrage voor een duurzame presentatie van de vaste collectie in en vlak voor en na WOII. - j. **Subsidie innovatieve presentatievormen:** een bijdrage voor presentatievormen die de gebeurtenissen voorafgaand, in en vlak na WOII op een vernieuwende wijze toegankelijk maken voor het publiek. - k. **Subsidie digitalise"},{"i":14028,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 11 november 2016, nr. IENM/BSK-2016/138653, houdende vaststelling van regels betreffende de aanduiding op motor- en bromfietshelmen (Regeling aanduiding motor- en bromfietshelmen) Gelet op [artikel 22, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **reglement 22:** ‘Uniform provisions concerning the approval of protective helmets and of their visors for drivers and passengers of motor cycles and mopeds’ behorende bij het Verdrag betreffende het aannemen van eenvormige goedkeuringsvoorwaarden en de wederzijdse erkenning van goedkeuring van uitrustingsstukken en onderdelen van motorvoertuigen, gesloten te Genève op 20 maart 1958 (Trb. 1959, 83); - **snorfiets:** bromfiets die blijkens de gegevens in het kentekenregister is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 25 km per uur, met uitzondering van de speed-pedelec; - **speed-pedelec:** speed-pedelec als bedoeld in [artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=1). Artikel 2 1. Helmen die op grond van [artikel 60 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=60) worden gedragen, zijn voorzien van een goedkeuringsmerk: - a. overeenkomstig het merk dat in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038712&bijlage=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01) behorende bij deze regeling als model 1 is weergegeven en dat op de helm is aangebracht naar aanleiding van goedkeuring op grond van de bepalingen van reglement 22, of - b. overeenkomstig voorschriften of normen die door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn gelijkgesteld met het veiligheidsniveau van reglement 22. 2. In afwijking van het eerste lid kan de helm van de bestuurder van een speed-pedelec en van de bestuurde"},{"i":14280,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 december 2008, nr. TRCJZ/2008/3516, houdende regels voor het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur (Regeling gebruik uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur) Gelet op verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van de Europese Unie van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet voorkomende soorten in de aquacultuur (PbEU L 168); Gelet op verordening (EG) nr. 506/2008 van de Commissie van 6 juni 2008 tot wijziging van bijlage IV bij verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van de Europese Unie inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur (PbEU L 149); Gelet op verordening (EG) nr. 535/2008 van de Commissie van 13 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van de Europese Unie van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet voorkomende soorten in de aquacultuur (PbEU L 156); Gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=13) en [19 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **verordening (EG) nr. 708/2007:** verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van de Europese Unie van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet voorkomende soorten in de aquacultuur (PbEU L 168). Artikel 2 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5 van [verordening (EG) nr. 708/2007](32007R0708), is de minister. Artikel 3 1. Het is verboden om in strijd te handelen met de artikelen 6, 14 tot en met 17, 20 en 21 van [verordening (EG) nr. 708/2007](32007R0708). 2. Een aanvraag als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van [verordening (EG) nr. 708/2007](32007R0708) kan worden ingediend bij de Directeur V"},{"i":12840,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid, periode vanaf 1996 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 12 april 2011, nr. bca-2011.06125/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid en taakvoorganger, over de periode vanaf 1996’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.archief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14071,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 30 september 1996, houdende het voorbehouden door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) van het auteursrecht op het beeldmerk en het handboek voor het gebruik van het beeldmerk die zullen worden gebruikt ten behoeve van de voorlichtingscampagne voor de introductie van de euro in Nederland Gelet op [artikel 15b Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b), Besluit: Artikel 1 Het auteursrecht op het beeldmerk en het handboek voor het gebruik van het beeldmerk, als opgenomen in de bijlagen bij dit besluit, is voorbehouden aan de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 7 oktober 1996. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die vanaf 15 oktober 1996 ter inzage worden gelegd op de Afdeling Bibliotheek en Documentatie van het Ministerie van Financiën."},{"i":13297,"b":"Generiek toestemmingsbesluit nevenactiviteiten – cluster 1 (onverkort publiek media-aanbod op fysieke dragers en video on demand) A. Relevante bepalingen B. Aard en strekking besluit C. De activiteiten D. Motivering E. Besluit F. Register Bijlage 1. Juridisch kader - 1. **De NPO en de publieke media-instellingen mogen alleen na voorafgaande toestemming van het Commissariaat nevenactiviteiten verrichten** - 2. **Nevenactiviteiten zijn activiteiten, directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitvoering van de publieke media-opdracht, met uitzondering van verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136.** - 3. **Toestemming kan alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke omroep, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is.** - 4. **In afwijking van het eerste lid is geen voorafgaande toestemming van het Commissariaat nodig voor het bij wijze van experiment van beperkte omvang en duur verrichten van nevenactiviteiten die bestaan uit het leveren van goederen of diensten, met inbegrip van rechten en verplichtingen aan:** - a. **mediabedrijven ten behoeve van de versterking en verbetering van de nieuws- en informatievoorziening; of** - b. **culturele instellingen.** - 5. **De NPO en de publieke media-instellingen melden nevenactiviteiten als bedoeld in het vierde lid bij het Commissariaat.** - 6. **Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:** - a. **de wijze van melden;** - b. **de omvang en duur van het experiment;** - c. **de aard en inhoud van de nevenactiviteiten; en** - d. **de samenwerking met de in het vierde lid, onderdelen a en b, bedoelde instellingen.** - ‘1. **. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:** **(...)**"},{"i":12786,"b":"Besluit van de Kamer van Koophandel tot vaststelling van regio’s in de zin van de Wet op de Kamer van Koophandel (Besluit vaststelling regio’s) Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De Kamer van Koophandel stelt als regio’s vast: - –. Regio Noord: de provincies Groningen, Friesland en Drenthe; - –. Regio Oost: de provincies Overijssel en Gelderland; - –. Regio Noordwest: de provincies Noord-Holland, Flevoland en Utrecht; - –. Regio Zuid: de provincies Limburg en Noord-Brabant; - –. Regio Zuidwest: de provincies Zuid-Holland en Zeeland. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2014. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling regio’s. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15059,"b":"Statuten Stichting Nederlands Letterenfonds Artikel 1. Begripsbepalingen In deze statuten wordt verstaan onder: - **‘bestuur’:** het bestuur van de stichting; - **'Raad van Toezicht’:** de raad van toezicht van de stichting; - **‘schriftelijk’:** bij brief, e-mail of bij bericht dat via een ander gangbaar communicatiemiddel wordt overgebracht en op schrift kan worden ontvangen; - **‘in vergadering’:**gezamenlijk in dezelfde ruimte aanwezig of via een communicatiemiddel met elkaar verbonden; - **‘stichting’:**Stichting Nederlands Letterenfonds; - **‘minister’:**de minister die het cultuurbeleid in zijn portefeuille heeft, thans de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **‘hij’:**onder hij wordt tevens verstaan iedere andere genderaanduiding die door de betreffende persoon als geëigend wordt ervaren. Artikel 2. Naam en zetel 1. De naam van de stichting is: Stichting Nederlands Letterenfonds. 2. De stichting heeft haar zetel in de gemeente Amsterdam. Artikel 3. Doel en vermogen 1. De stichting heeft tot doel: - a. het bevorderen van de kwaliteit en diversiteit van de Nederlands- Fries- en Papiamentstalige letteren en van de kwaliteit en diversiteit van literaire werken in de Nederlandse gebarentaal; - b. het bevorderen van de kwaliteit en diversiteit van de literatuur uit andere taalgebieden in Nederlandse, Friese of Papiamentse vertaling of vertaling in de Nederlandse gebarentaal; - c. het bevorderen van de vertaling van kwalitatief hoogstaande oorspronkelijk Nederlands-, Fries-, en Papiamentstalige literaire werken en literaire werken in de Nederlandse gebarentaal in andere talen dan het Nederlands, het Fries en het Papiaments alsmede de internationale verspreiding van deze vertalingen, en voorts al hetgeen daarmee verband houdt of daaraan bevorderlijk kan zijn. 2. De stichting tracht deze doelen te bereiken onder meer door: - a. het verlenen van subsidies en andere middelen aan schrijvers, vertalers, uitgevers en instellingen voor activiteiten die zijn ger"},{"i":15060,"b":"Statuten Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie Hoofdstuk I Artikel 1. Begripsbepalingen In deze statuten hebben de volgende begrippen de daarachter vermelde betekenissen: - 1. **‘bestuur’:** het bestuur van de stichting; - 2. **‘Raad van Toezicht’:** de raad van toezicht van de stichting; - 3. **‘schriftelijk’:** bij brief of e-mail, of bij boodschap die via een ander gangbaar communicatiemiddel wordt overgebracht en op schrift kan worden ontvangen; - 4. **‘stichting’:** Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie; - 5. **‘Minister’:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hoofdstuk II. Naam, zetel, doel en vermogen Artikel 2. Naam en zetel 1. De naam van de stichting is: **Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie**. 2. De stichting heeft haar zetel in de gemeente Rotterdam. Artikel 3. Doel en middelen 1. De stichting heeft ten doel: de kwaliteit van de disciplines architectuur, vormgeving, digitale cultuur te bevorderen en vanuit een culturele invalshoek hun maatschappelijke en economische meerwaarde te vergroten, zowel in Nederland als in het buitenland. 2. De stichting tracht dit doel onder meer te bereiken door: - a. het verschaffen van financiële middelen en andere ondersteuning voor activiteiten, die gericht zijn op het bereiken van het doel van de stichting; - b. het ondernemen van alle andere wettige activiteiten die aan deze doelen dienstbaar zijn. 3. De stichting beoogt niet het maken van winst. Artikel 4. Vermogen 1. Het vermogen van de stichting wordt gevormd door: - a. bijdragen van de overheid; - b. bijdragen van instellingen en particulieren; - c. hetgeen verkregen wordt door erfstellingen of legaten, met dien verstande dat erfstellingen slechts kunnen worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving; - d. andere langs wettige weg verkregen baten. 2. Het vermogen van de stichting dient ter verwezenlijking van het doel van de stichting. Hoofdstuk III. Bestuur Artikel 5. Samenstelling, benoeming en bezoldiging"},{"i":15058,"b":"Statuten Stichting Nederlands Fonds voor de Film Statuten Begripsbepalingen Artikel 1 In de statuten wordt verstaan onder: - a. **bestuur:** het bestuur van de stichting; - b. **Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. **raad van toezicht:** de raad van toezicht van de stichting; - d. **schriftelijk:** bij brief, telefax of e-mail, of bij boodschap die via een ander gangbaar communicatiemiddel wordt overgebracht en op schrift kan worden ontvangen. Naam en zetel Artikel 2 1. De stichting draagt de naam: **Stichting Nederlands Fonds voor de Film** 2. Zij heeft haar zetel in de gemeente: Amsterdam Doel en middelen Artikel 3 1. De stichting heeft ten doel: - a. het stimuleren van de diversiteit, kwaliteit en verspreiding van filmproducties en de ontplooiing van filmtalent in Nederland; - b. het bevorderen van een voor de filmproductie gezond en voor de filmkunst ontvankelijk klimaat in Nederland en het versterken van de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse filmindustrie; - c. de uitvoering en nakoming van het bepaalde in de overeenkomsten die de stichting is aangegaan met de Staat der Nederlanden en de te Amsterdam gevestigde Nederlandse Vereniging van Bioscoopexploitanten en anderen de dato negentien januari tweeduizend tien alsmede van vervolgovereenkomsten hierop, en voorts al hetgeen daarmee verband houdt of daaraan bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord. 2. De stichting tracht deze doelen onder meer te bereiken door: - a. het stimuleren van de totstandkoming en de verspreiding van filmproducties en filmactiviteiten die van belang zijn voor de Nederlandse filmcultuur, door middel van financiële ondersteuning van en advisering aan filmmakers; - b. het stimuleren van de productieactiviteit van filmprofessionals en filmbedrijven in Nederland door de besteding van (internationaal) productiekapitaal in Nederland te bevorderen en door service te bieden via de Netherlands Film Commission; - c. alle andere wet"},{"i":13584,"b":"Instellingsbesluit Nationaal Adviescentrum Vitale Infrastructuur (Instellingsbesluit NAVI) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en formatie rijksdienst 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023020&artikel=2); Besluit: Hoofdstuk I Artikel 1 Er is een Nationaal Adviescentrum Vitale Infrastructuur (NAVI). Artikel 2 1. Het Nationaal Adviescentrum Vitale Infrastructuur staat onder leiding van een directeur. 2. Het Nationaal Adviescentrum Vitale Infrastructuur heeft tot taak een bestendige en structurele bijdrage te leveren aan de bescherming van de vitale infrastructuur tegen dreigingen van moedwillig menselijk handelen. 3. Binnen de in het tweede lid omschreven taak worden de volgende deeltaken onderscheiden: - a. het inrichten en beheren van informatieknooppunten voor het organiseren en stroomlijnen van de structurele informatie-uitwisseling tussen overheid en de verschillende vitale sectoren; - b. het fungeren als contactpunt en steunpunt voor bedrijven door het ondersteunen van sectoren en beheerders bij het verbeteren van de security; - c. het fungeren als landelijk expertisecentrum door het ontwikkelen en ontsluiten van kennis en expertise over de afzonderlijke sectoren heen; - d. het vergaren en ontsluiten van kennis en expertise van toonaangevende kennisinstituten en vergelijkbare adviescentra in het buitenland; - e. het fungeren als contactpunt buitenland voor kennis en expertise van toonaangevende kennisinstituten en vergelijkbare adviescentra in het buitenland. Artikel 3 De directeur-generaal Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties treedt op als ambtelijk opdrachtgever tot de inrichting van het Nationaal Adviescentrum Vitale Infrastructuur en is beheersverantwoordelijk. Artikel 4 De sturing op het Nationaal Adviescentrum Vitale Infrastructuur geschiedt door de interdepartementale Stuurgroep Nationale Veiligheid. Artikel 5 1. Er is een programma-adviesraad voor het Nationaal Adviesc"},{"i":14077,"b":"Regeling begroting, beleidsplan en jaarrekening Bloedvoorzieningsorganisatie Gelet op de [artikelen 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=8), Besluit: Artikel 1 1. De begroting en de jaarrekening van de Bloedvoorzieningsorganisatie worden ingericht met inachtneming van de bijlage behorend bij deze regeling. 2. De begroting en het beleidsplan van de Bloedvoorzieningsorganisatie worden jaarlijks vóór 15 oktober bij de Minister voor Medische Zorg ingediend. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 15 november 1999. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling begroting, beleidsplan en jaarrekening Bloedvoorzieningsorganisatie. Bijlage. bij de Regeling begroting, beleidsplan en jaarrekening Bloedvoorzieningsorganisatie Hoofdstuk 1. Regels ten aanzien van de begroting Paragraaf 1. Reactietermijn Minister De beslistermijnen neergelegd in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) worden gehanteerd ([art. 4:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:13) en [4:14 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:14)). Paragraaf 2. Indeling begroting 1. In de begroting t+1 dienen de begroting van het jaar t en de realisatiecijfers van het jaar t-1 te zijn opgenomen. 2. De begroting en de realisatiecijfers t-1 dienen opgebouwd te zijn uit dezelfde posten als de begroting t. Bij mutatie van de begrotingsposten worden toe- en afnames daarin afzonderlijk weergegeven en toegelicht. Voor elk van de posten dient de verhouding van vaste en variabele kosten te zijn aangegeven en toegelicht. 3. In de begroting dient inzicht gegeven te worden in de lasten, baten, liquiditeits- en investeringsbehoefte en afschrijvingen van de divisie Sanquin B"},{"i":12411,"b":"Besluit van 29 december 1980, houdende instelling van het Verzetsherdenkingskruis Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Directoraat Generaal Binnenlands Bestuur, Afdeling Kabinetszaken, van 23 december 1980, nr. BK80/U2217; mede namens Onze Ministers van Defensie en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk; Overwegende, dat het wenselijk is, een onderscheiding in te stellen ter gelegenheid van de 35-jarige herdenking van de bevrijding voor deelnemers aan het verzet in de Tweede Wereldoorlog tegen de bezetters van het grondgebied van het Koninkrijk; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er wordt een herinneringsteken ingesteld, dat de naam zal dragen van \"Verzetsherdenkingskruis\". Artikel 2 1. Het Verzetsherdenkingskruis wordt toegekend aan: - a. een ieder die behoorde tot een in het Koninklijk besluit van 5 september 1944 **Stb.** E 62 genoemde erkende verzetsgroep of tot een andere bij de Buitengewone Pensioenraad dan wel de Stichting 1940-1945 bekende verzetsgroep. - b. een ieder die blijkens een beschikking van de Buitengewone Pensioenraad als deelnemer aan het verzet in de zin van de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) is of wordt erkend, ongeacht of hij/zij al dan niet in het genot is van een pensioen krachtens deze wet. - c. een ieder aan wie met toepassing van de [Wet verbetering rechtspositie verzetsmilitairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003015) (wet van 20 januari 1976, **Stb.** 19) onder de wapenen doorgebrachte tijd is toegekend. - d. de militairen die hebben behoord tot de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten in **bezet** gebied (ingevolge [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003015&artikel=2), [5e lid van de Wet verbetering rechtspositie verzetsmilitairen](onbekend)). - e. een ieder, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Oost-Azië op door Japan bezet gebied of Japans gebied aan naar het oordeel van het betreffende comité, bedoeld in [artik"},{"i":13885,"b":"Onderlinge regeling boedelscheiding AVBZ-fonds Nederlandse Antillen Onderlinge regeling in de zin van [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38), strekkende tot splitsing van het vermogen van het AVBZ-fonds van de Nederlandse Antillen en toedeling van de AVBZ-gerechtigden bij het AVBZ-fonds van de Nederlandse Antillen, alsmede strekkende tot overeenstemming tussen betrokken partijen over een goede uitvoering hiervan, De Nederlandse Antillen en Nederland, evenals gelet op [artikel 60 c van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=60c), de landen Curaçao en Sint Maarten ingaande 10 oktober 2010, De minister-president van het Land Nederlandse Antillen, mede namens de ministers van Financiën en van Volksgezondheid en Sociale Ontwikkeling van de Nederlandse Antillen, De gedeputeerde van Constitutionele Zaken van Curaçao, De gedeputeerde van Constitutionele Zaken van Sint Maarten, De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland, mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van Nederland, hierna gezamenlijk te noemen ‘Partijen’, stellen daartoe de volgende uitgangspunten vast: dat binnen het staatkundig proces waarin het Koninkrijk der Nederlanden zich bevindt, de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten hebben gekozen voor de status van land binnen het Koninkrijk en dat Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna ‘de BES-eilanden’) als openbare lichamen onderdeel zullen worden van Nederland; dat als gevolg van voornoemde staatkundige ontwikkelingen de boedel van het AVBZ-fonds Nederlandse Antillen over Curaçao, Sint Maarten en Nederland (voor de BES-eilanden) moet worden verdeeld, hetgeen onderlinge afspraken vergt; dat het wenselijk is een en ander zodanig te regelen dat de continuïteit van de dienstverlening en rechten van de AVBZ-gerechtigden niet worden aangetast; dat h"},{"i":13592,"b":"Instellingsbesluit NCO-T 2007 Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Regeling voorbereiding buitengewone omstandigheden sector telecommunicatie 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023117&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. NCO-T: het Nationaal Continuïteitsoverleg Telecommunicatie; - b. de Minister: de Minister van Economische Zaken. Artikel 2 1. Er is een Nationaal Continuïteitsoverleg Telecommunicatie (NCO-T). 2. Het NCO-T heeft tot taak maatregelen te treffen ter voorbereiding van het verzorgen van elektronisch transport van gegevens in buitengewone omstandigheden als bedoeld in [artikel 14.2 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14.2). Artikel 3 1. Het NCO-T bestaat uit een voorzitter, een secretaris en vertegenwoordigers van aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken, openbare telecommunicatiediensten en huurlijnen. 2. De Minister wijst ambtenaren werkzaam bij zijn Ministerie aan als voorzitter en als secretaris van het NCO-T. Artikel 4 Het NCO-T stelt haar eigen werkwijze vast. Artikel 5 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van het NCO-T geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van het NCO-T opgeslagen in het archief van dat Ministerie. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 22 december 2007. Artikel 7 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit NCO-T 2007. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13605,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 december 2025 nr. OVO/51885541, houdende instelling van de programmaraad Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting (IPOHV) voor de periode 2025 tot en met 2039 (Instellingsbesluit programmaraad IPOHV 2025–2039) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **bestuurlijke stuurgroep:** OCW, PO-Raad, VO-raad en VNG - **IPOHV:** Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting - **NGF:** Nationaal Groeifonds - **programmaraad:** programmaraad, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051968&artikel=2&z=2025-12-18&g=2025-12-18) - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Artikel 2. Instelling en taak van de programmaraad 1. Er is een programmaraad Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting (IPOHV). 2. De programmaraad wordt ingesteld met ingang van 1 mei 2025. Voorafgaande aan de eerste bijeenkomst van de tweede respectievelijk derde tranche van de subsidieregeling zal het functioneren en de samenstelling van de raad worden geëvalueerd en waar nodig bijgesteld overeenkomstig de nieuwe leerlabs in de tweede respectievelijk derde tranche. Met het beëindigen van de subsidieregeling in 2039 wordt de raad overeenkomstig beëindigd. 3. De programmaraad komt twee keer per jaar bijeen en heeft tot taak de minister/bestuurlijke stuurgroep te adviseren over: - a. De agenda van het programma IPOHV waarin de koers en activiteiten zijn opgenomen. Het advies kan onder meer betrekking hebben op de jaarplannen en op de uitvoering van concrete projecten; - b. De programmaraad kan ook thema’s agenderen of vragen stellen hoe de programma’s het best kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de onderwijshuisvesting; - c. In overleg kan ook tussentijds een beroep gedaan worden op de programmaraad of leden van de programmaraad; - d. De programmaraad kan ook ongevraagd adviseren. 4. De programmaraad vertegenwoordigt de volle breedte van het funderend onderwijs en de m"},{"i":8860,"b":"Overeenkomst inzake vervoer over zee tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Mexicaanse Staten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Mexicaanse Staten, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, zijn, met het oogmerk de vriendschappelijke betrekkingen tussen de beide landen verder tot ontwikkeling te brengen en de samenwerking op het gebied van het vervoer over zee te intensiveren, overeenkomstig de beginselen van gelijkheid en wederzijds voordeel, overeengekomen als volgt: Artikel I Vervallen Artikel II Vervallen Artikel III Vervallen Artikel IV Vervallen Artikel V Vervallen Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIII Vervallen Artikel IX Vervallen Artikel X Vervallen Artikel XI Vervallen Artikel XII Vervallen Artikel XIII Vervallen Artikel XIV Vervallen Artikel XV Vervallen Artikel XVI Vervallen Artikel XVII Vervallen Artikel XVIII Vervallen Artikel XIX Vervallen IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized by their respective Governments, have signed the present Agreement. DONE at The Hague, on this 18th October 1984, in duplicate in the English language, which will be the authentic text. Each Contracting Party undertakes to provide a translation in its national language. **For the Government of** **the Kingdom of the Netherlands,** (sd.) H. VAN DEN BROEK **For the Government of** **the United Mexican States,** (sd.) F. DE GARAY"},{"i":13606,"b":"Besluit van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 22 december 2023 nr. 43333381, houdende instelling van de programmaraad Ontwikkelkracht voor de periode 2023 tot en met 2025 (Instellingsbesluit programmaraad Ontwikkelkracht 2023–2025) Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=1) en [2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **Programmaraad:** Programmaraad, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049277&artikel=2&z=2024-01-19&g=2024-01-19). Artikel 2. Instelling en taak van de programmaraad 1. Er is een programmaraad Ontwikkelkracht. 2. De programmaraad wordt ingesteld met ingang van 1 januari 2024 en wordt opgeheven met ingang van 31 december 2025. 3. De programmaraad komt twee keer per jaar bijeen en heeft tot taak de minister te adviseren over: - a. De agenda van het programma Ontwikkelkracht waarin de koers en activiteiten zijn opgenomen. Het advies kan onder meer betrekking hebben op de jaarplannen en op de uitvoering van concrete projecten; - b. De raad kan ook thema’s agenderen of vragen stellen hoe de programma’s het best kunnen bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs; - c. In overleg kan ook tussentijds een beroep gedaan kunnen worden op de programmaraad of leden van de programmaraad; - d. De raad kan ook ongevraagd adviseren. Artikel 3. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De programmaraad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste 8 overige leden. 2. De leden worden door de minister benoemd en, in voorkomend geval, door de minister geschorst of tussentijds ontslagen. 3. De benoeming geschiedt voor de duur dat de programmaraad is inge"},{"i":13602,"b":"Instellingsbesluit Overleg over Ruimtelijke Investeringen Overwegende dat voor de inrichting van Nederland omvangrijke investeringen noodzakelijk zijn en dat dit een taak van zowel de verschillende overheden als van de particulier sector is, dat er samenwerking tussen de overheid en de particuliere sector en tussen de overheden onderling noodzakelijk is, dat het nodig is om de kennis en wensen van het openbaar bestuur te koppelen aan de kennis en wensen van de particuliere sector omtrent het beheer van (o.a. langlopende) besparingen van de bevolking, dat besluiten over financiële participatie in investeringsprojecten per project onder eigen verantwoordelijkheid van de partners plaats zal blijven vinden, Besluit: Artikel 1 1. Er is een Overleg over Ruimtelijke Investeringen (ORI). Artikel 2 1. Het ORI heeft als taak het ontwikkelen van een gemeenschappelijk referentiekader voor de ruimtelijke investeringen die door de publieke en private sector in samenwerking worden gedaan. 2. Op basis van het referentiekader zal worden geadviseerd over de inhoud van het beleid en over de afstemming en prioriteitenstelling van ruimtelijke investeringen om het beleid te realiseren. Met het oog daarop zal in het referentiekader aandacht worden besteed aan de wijze van samenwerking tussen publieke en private partijen en aan de financieringsmogelijkheden. 3. Het ORI kan geen besluiten nemen over de financiering van concrete investeringsprojecten. Het referentiekader heeft derhalve geen verplichtend karakter. Artikel 3 1. Het ORI is een informeel overlegforum. 2. De resultaten van het informele overleg zullen ter kennis worden gebracht van tenminste alle in de aanhef genoemde Ministers en Staatssecretarissen, van de desbetreffende lagere overheden en vertegenwoordigende organen aan particuliere zijde, teneinde bij de beleidsbepaling mede een rol te kunnen spelen. Artikel 4 1. Het overleg bestaat uit: **Voorzitter:** drs. J.P.A. Gruijters, Voorzitter van de Rijksplanologische Commissie **"},{"i":13608,"b":"Besluit van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming van 12 april 2018, nr. ANVS-2018/8816, houdende de instelling van de Raad van Advies ANVS (Instellingsbesluit Raad van Advies ANVS) BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **ANVS:** Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=3); - **Raad van Advies:** Raad van Advies ANVS als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040832&artikel=2&z=2018-04-18&g=2018-04-18). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Raad van Advies ANVS. 2. De Raad van Advies heeft tot taak de ANVS gevraagd of uit eigen beweging op onafhankelijke wijze te adviseren over aangelegenheden die verband houden met de taken van de ANVS. 3. De ANVS kan desgewenst ook slechts een of enkele leden van de Raad van Advies om advies vragen. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De leden van de Raad van Advies worden door de ANVS op persoonlijke titel en op basis van hun deskundigheid voor een periode van maximaal vijf jaar benoemd. De leden kunnen daarna eenmaal worden herbenoemd. In bijzondere omstandigheden is voor een enkel lid een verdere herbenoeming mogelijk. 2. De Raad van Advies bestaat uit een voorzitter en ten minste vier en ten hoogste zes overige leden. 3. De Raad van Advies wordt in de gelegenheid gesteld suggesties te doen voor het vervullen van een vacature in de Raad van Advies. 4. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de ANVS een ander lid benoemen. 5. De leden van de Raad van Advies kunnen door de ANVS worden geschorst en ontslagen. Artikel 4. Secretariaat 1. De Raad van Advies wordt ondersteund door een secretariaat. 2. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de Raad van Advies. 3. De ANVS voorziet in het secretariaat. Artikel 5"},{"i":12032,"b":"Besluit nr. 2011006588, d.d. 01-04-2011, van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden van de Collectie archieven Strijdkrachten in Nederlands-Indië, (1938–1939) 1941–1957 [1960], bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de Collectie archieven Strijdkrachten in Nederlands-Indië, (1938–1939) 1941–1957 [1960], beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Inventarisnummers: Beperkt openbaar tot 1 januari: | 1438 | | 2014 | | --- | --- | --- | | 2302 | | 2013 | | 2366 | | 2013 | | 2566 | | 2013 | | 2590 | | 2013 | | 2682 | | 2013 | | 2703 | | 2013 | | 3414 | | 2023 | | 3509 | | 2014 | | 3926 | | 2023 | | 3930 | | 2023 | | 3933 | | 2023 | | 3938 | | 2023 | | 3940 | | 2023 | | 3941 | | 2023 | | 3945–3947 | | 2023 | | 3959–3962 | | 2023 | | 3968 | | 2023 | | 3987–4010 | | 2023 | | 4129 | | 2023 | | 4157–4406 | | 2023 | | 4632–4647 | | 2023 | | 4714 | | 2023 | | 4745 | stuk nr.787/G | 2015 | | 5034–5038 | | 2020 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029836&artikel=1&z=2011-04-17&g=2011-04-17), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029836&artikel"},{"i":13668,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister voor Rechtsbescherming, de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat en de Staatssecretaris van Financiën, van 7 november 2018, 2018-0000179085, tot instelling van de Commissie regulering van werk (Instellingsregeling Commissie regulering van werk) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **de Commissie:** de Commissie regulering van werk. Artikel 2. Instelling Er is een Commissie regulering van werk. Artikel 3. Taak De Commissie heeft tot taak onderzoek te doen naar en advies uit te brengen aan het kabinet over de regulering van werkenden en arbeids- en opdrachtrelaties met als doel deze beter aan te laten sluiten bij de behoeften en omstandigheden van de huidige tijd en (voor zover voorzienbaar) de toekomst. De Commissie rapporteert over haar bevindingen. Artikel 4. Instellingsduur De Commissie wordt ingesteld met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en wordt opgeheven na oplevering van het rapport. Artikel 5. Samenstelling en benoeming 1. De Commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste negen andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden van de Commissie worden door de Minister benoemd. De voorzitter en de andere leden kunnen door de Minister worden geschorst en ontslagen. Het aanzoeken van nieuwe leden geschiedt op aanbeveling van de voorzitter. 3. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep. Artikel 6. Secretariaat 1. De Commissie wordt ondersteun"},{"i":13585,"b":"Instellingsbesluit Nationaal Comité 4 en 5 mei voor nationale herdenking en viering bevrijding Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 26 november 1987, nr. 87M000989, gedaan mede namens Onze minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; Overwegende dat het wenselijk is één nationaal comité in te stellen voor de jaarlijkse nationale dodenherdenking op 4 mei en voor de jaarlijkse nationale viering van de bevrijding op 5 mei; Gelet op de koninklijke besluiten van 12 maart 1982, nr. 1 (Stcrt. 1982, 59) en 27 juli 1950 (Stb. K. 320); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er is een Nationaal Comité 4 en 5 mei voor de nationale herdenking en viering bevrijding, verder te noemen Nationaal Comité. Artikel 2 Het Nationaal Comité heeft tot doel en taak: - a. het geven van richting aan de zingeving van herdenken, vieren en het levend houden van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog; - b. de organisatie van de jaarlijkse nationale herdenking op vier mei; - c. de organisatie van de jaarlijkse nationale viering van de bevrijding op vijf mei; - d. het (doen) ontwikkelen en voeren van educatie, publiekscampagnes en een voorlichtingsbeleid/programma dat tot doel heeft de betrokkenheid bij en participatie aan herdenken, vieren en het levend houden van de herinnering te vergroten; - e. het (doen) adviseren en ondersteunen van andere herdenkingen in het land en het bevorderen van de afstemming van landelijke en plaatselijke manifestaties; - f. en al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord. Artikel 3 - a. De leden van het Nationaal Comité worden bij koninklijk besluit benoemd op voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - b. De leden van het Nationaal Comité worden voor een periode van zes jaar benoemd en zijn in bijzondere gevallen voor een periode van ten hoogste drie jaar herb"},{"i":15066,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 november 2021, nr. 2021-0000613325, houdende regels voor de subsidiëring van de realisatie van ontmoetingsruimten voor ouderen in of nabij geclusterde woonvormen (Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting) Gelet op de [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste en tweede lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [11, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=20) en [24, vijfde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=24); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); - **bouwkosten:** alle kosten van de investeringen in materiële en immateriële activa die direct raken aan de bouw van de ontmoetingsruimte, waaronder niet wordt verstaan kosten voor aanschaf of gebruik van de bouwgrond van de ontmoetingsruimte, en de kosten voor de arbeid voor constructie van de ontmoetingsruimte, met dien verstande dat, indien sprake is van een aanvrager als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045929&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2026-04-17&g=2026-04-17), de arbeid door een derde wordt"},{"i":14620,"b":"Regeling specificaties en typegoedkeuring boordcomputer taxi Gelet op de artikelen [artikel 22, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22), [23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=23), en [24 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=24); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **activering:** handeling waarmee de boordcomputer in geactiveerde toestand wordt gebracht; - **authenticiteit:** eigenschap dat informatie afkomstig is van een persoon of inrichting, waarvan de identiteit kan worden geverifieerd; - **auto:** auto waarmee taxivervoer wordt verricht; - **bedrijfsvergrendeling:** vergrendeling waarmee de in de boordcomputer opgeslagen gegevens herleidbaar zijn naar de vervoerder waarvoor deze opgeslagen zijn; - **beproeving:** test, of serie tests, die door de boordcomputer kan worden uitgevoerd om fouten te ontdekken en die automatisch of door de gebruiker van de boordcomputer kan worden geïnitieerd; - **beschikbaarheid:** mate waarin de boordcomputer of componenten van de boordcomputer zonder belemmering toegankelijk zijn voor geautoriseerde gebruikers; - **bestuurder:** bestuurder die taxivervoer verricht; - **beveiligingsgegevens:** specifieke gegevens ter ondersteuning van de beveiligingsfuncties; - **bewegingsgegevens:** gegevens betreffende snelheid en afgelegde afstand van de auto die door de bewegingsopnemer of de positiebepalingssensor aan de boordcomputer worden aangeleverd; - **bewegingsopnemer:** instrument, of een deel ervan, gekoppeld aan de boordcomputer dat een signaal in de vorm van een impuls afgeeft over de beweging van de auto op basis waarvan de boordcomputer de afgelegde afstand van de auto kan bepalen; - **boordcomputer:** apparaat ten behoeve van de registratie van de gegevens, bedoeld in [artikel 79, derde, vierde en vijfde lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten."},{"i":15068,"b":"Stimuleringsregeling voor innovatie en promotie De Stimuleringsregeling voor innovatie en promotie door het Mondriaan Fonds is het kader van de derde Weg van het Fonds: Communicatie, Innovatie en Overdracht. Er zijn structurele regelingen en tijdelijke bijzondere projecten. De structurele bijzondere projecten, zoals de bijdrage kunstbeurzen, de Prix de Rome, berusten op een eigen regeling, zij maken deel uit van het reguliere beleid van het Mondriaan Fonds. De tijdelijke bijzondere projecten zijn het beleid in wording en kunnen bestaan uit: Pilotprojecten, het benoemen en bevorderen van aandachtsgebieden zoals skyfinanciering en tijdelijke regelingen, al dan niet in samenwerking met derden. De ondersteuning van tijdelijke bijzondere projecten duurt in principe niet langer dan drie jaar. Dan wordt zij onderdeel van het Fondsbeleid of zij wordt, gezien haar aard, beëindigd. Deze regeling is de grondslag voor de ondersteuning van tijdelijke bijzondere projecten. Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de stichting:** het Mondriaan Fonds. - b. **de raad van toezicht:** de raad van toezicht van het Mondriaan Fonds. - b. **het bestuur:** de directeur/bestuurder van het Mondriaan Fonds. - c. **de adviescommissie bijzondere projecten:** de commissie zoals bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034135&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2013-11-03&g=2013-11-03) en verder van deze regeling. Hoofdstuk II. Doel Artikel 2 Ingevolge de doelstelling van het Mondriaan Fonds, volgens de bepalingen, vastgesteld in dit reglement, kan het bestuur projecten initiëren om activiteiten te bevorderen die van belang zijn voor de kwaliteit en de betekenis van de beeldende kunst en cultureel erfgoed in Nederland dan wel de totstandkoming van dergelijke projecten stimuleren. Het gaat hierbij om bijzondere projecten die het subsidie-instrumentarium van Weg 1 kortlopende projecten en Weg 2 langlopende projecten van het Mondriaan Fonds aanvulle"},{"i":15067,"b":"Regeling tot het verstrekken van subsidie ter stimulering van samenwerkingsverbanden werk en inkomen Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De minister kan op aanvraag een subsidie verstrekken ter stimulering van de totstandkoming van SWI-centra. 2. De subsidie wordt aangevraagd door een daartoe door de samenwerkende partijen aangewezen rechtspersoon. 3. De subsidie wordt verstrekt aan de subsidie-aanvrager. 4. Voorafgaand aan de subsidievaststelling wordt geen beschikking tot subsidieverlening gegeven. 5. De [Algemene Regeling SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009211) is niet van toepassing. Artikel 3 1. Bij de aanvraag om subsidievaststelling dient te worden overgelegd: - a. een door de samenwerkende partijen ondertekend document, waaruit blijkt dat de rechtspersoon die de subsidie aanvraagt daartoe door hen is aangewezen; - b. een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst; - c. een activiteitenplan en een daarbij behorende postgewijze begroting van de voorbereidingskosten; - d. gespecificeerde gegevens over het aantal inwoners van 15 tot en met 64 jaar en over de grondoppervlakte, zoals dat per 1 januari 1997 met betrekking tot de aan de samenwerkingsovereenkomst deelnemende gemeenten in CBS-statistieken is geregistreerd. 2. De aanvraag wordt ingediend uiterlijk op 31 december 1999. Artikel 4 1. De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een lump-sum bedrag. 2. De hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van het aantal inwoners van 15 tot en met 64 jaar en van de grondoppervlakte, zoals dat per 1 januari 1997 met betrekking tot de aan de samenwerkingsovereenkomst deelnemende gemeenten in CBS-statistieken is geregistreerd, en bedraagt f 5,65 per persoon en f 295,14 per km 3. Het aantal inwoners en de grondoppervlakte van de deelnemende gemeente(n) zijn slechts éénmaal bepalend voor de hoogte v"},{"i":15069,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 mei 2025, kenmerk 4117787-1082588-DMO, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ter stimulering van de ontwikkeling en totstandkoming van woonzorgarrangementen (Stimuleringsregeling Wonen en Zorg 2025) [KetenID WGK027893] Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definitiebepaling en toepassingsbereik - –. **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); - –. **de-minimisverklaring:** verklaring als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de de-minimisverordening; - –. **de-minimisverordening:** [Verordening (EU) nr. 2023/2831](32023R2831) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (Pb L van 15.12.2023); - –. **initiatieffase:** de periode van maximaal 1 jaar na subsidieverlening waarin de juridische, planologische en financiële haalbaarheid van het woonzorgarrangement wordt onderzocht en een conclusie wordt getrokken over de haalbaarheid; - –. **kmo:** kleine en middelgrote ondernemingen die aan de in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening vastgestelde criteria voldoen; - –. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **NHG:** Nationale Hypotheek Garantie van het Waarborgfonds Eigen Woningen; - –. **ondersteuning:** maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in [artikel 1.1.1., eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=1.1.1); - –."},{"i":15070,"b":"Regeling van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 6 september 2023, kenmerk 3663019-1052552-DMO, houdende regels voor de subsidiëring van de onrendabele top bij realisatie van zorggeschikte woningen binnen geclusterde woonvormen (Stimuleringsregeling zorggeschikte woningen) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definitiebepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **bouwplan:** door één of meer bij de bouw betrokken partijen opgesteld dossier, waarin staat wat er gebouwd zal worden, op welke locatie, welke partijen hierbij betrokken zijn, en wat de planning is voor de bouw, inclusief de aanvangs- en einddatum; - –. **DAEB:** dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - –. **geclusterde woonvorm:** woongelegenheden als bedoeld in [artikel 1 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1) gelegen in Nederland, die fysiek verbonden zijn, dan wel zich in elkaars directe nabijheid bevinden; - –. **intergenerationele woonvorm:** geclusterde woonvorm met minimaal twee wooneenheden bewoond door jongeren, met een leeftijd van 18 tot en met 30 jaar, die een bijdrage leveren aan de cohesie en sociale interactie in de woonvorm; - –. **intramurale zorg:** zorg die cliënten ontvangen gedurende een onafgebroken verblijf in een instelling als bedoeld in de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - –. **maximum huurgrens:** de grens, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13); - –. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **nieuwbouw:** bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffe"},{"i":15071,"b":"Stuwadoorsbesluit BES Hoofdstuk I. Voorschriften, als bedoeld bij [artikel 2, 1ste lid, sub a, b, c, e, f, g en h Stuwadoorswet 1946 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028169&artikel=2) § 1. De veiligheid in verband met de te verrichten werkzaamheden, het vervoer in het bedrijf der havenarbeiders naar en van de plaatsen waar die werkzaamheden verricht worden inbegrepen Artikel 1 1. Het dek van een zeeschip moet voor havenarbeiders, die aan boord van het schip stuwadoorsarbeid gaan verrichten, veilig te bereiken zijn. 2. Indien voor het geven van toegang tot het zeeschip loopplanken gebruikt worden, moeten deze aan de boordzijde stevig bevestigd zijn; zij moeten eene breedte hebben van ten minste 0,50 m en moeten ten minste aan één zijde van voldoend sterke leiders zijn voorzien, die op doelmatige hoogte zijn aangebracht. 3. Indien voor het geven van toegang andere ladders dan touwladders worden gebruikt, moeten deze ten minste 0,80 m boven de verschansing reiken; zij moeten doelmatig geplaatst en aan de bovenzijde tegen zijdelings verschuiven beveiligd zijn. 4. Ter plaatse, waar loopplanken, trappen of ladders toegang tot het zeeschip geven, moeten goed vaststaande trappen of andere doelmatige hulpmiddelen van den bovenkant der verschansing naar het dek leiden. Artikel 2 1. Indien havenarbeiders over water naar een zeeschip moeten worden vervoerd, moeten vaartuigen beschikbaar worden gesteld om de havenarbeiders kosteloos van den wal van aanwerving naar het schip en van het schip naar den wal van aanwerving te brengen. 2. Deze vaartuigen moeten in goeden staat van onderhoud verkeeren, voorzien zijn van de noodige hulpmiddelen voor veilig varen en, zoo nodig, van doelmatige reddingsmiddelen. Zij moeten voldoende bemand zijn door ervaren personeel. 3. Met deze vaartuigen mag geen grooter aantal personen tegelijkertijd worden vervoerd dan de veiligheid der vaart toelaat, welk aantal op een goed zichtbare plaats op elk vaartuig moet zijn vermeld. Indien behal"},{"i":15072,"b":"Stuwadoorswet 1946 BES Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet en van de naar aanleiding daarvan uitgevaardigde besluiten wordt verstaan onder: - **zeeschip:** ieder schip, dat wordt gebruikt tot de vaart ter zee of daartoe bestemd is, met uitzondering van oorlogsschepen en visschersvaartuigen; - **bemanning van een zeeschip:** allen, die zich blijkens de monsterrol of bij gebreke daarvan, blijkens een ander aan boord van het schip aanwezig geschrift, als schepeling hebben verbonden; - **stuwadoorsarbeid:** - a. alle werkzaamheden verbonden aan: het brengen van goederen in een zeeschip; het, in rechtstreeksch verband daarmede, verwerken der in het schip te brengen goederen op de kade, in zich aldaar bevindende pakhuizen of opslagplaatsen of in het vaartuig of voertuig, van waaruit zij rechtstreeks in het zeeschip worden gebracht; het stuwen of het verwerken van goederen in het zeeschip; het brengen van goederen uit een zeeschip; het, in rechtstreeksch verband daarmede, opstapelen der uit het schip gebrachte goederen op de kade, in zich aldaar bevindende pakhuizen of opslagplaatsen, of het stuwen of het verwerken dier goederen in het vaartuig of voertuig, waarin of waarop zij rechtstreeks uit het zeeschip worden gebracht; één en ander met inbegrip van het bedienen van inrichtingen of werktuigen ten behoeve van vorenbedoelde werkzaamheden. - b. bij ministeriële regeling zoo nodig aan te wijzen werkzaamheden, bestaande in of verband houdende met het opslaan, verwerken en afleveren van goederen in bij dat besluit aangewezen pakhuizen, opslagplaatsen, vaartuigen of voertuigen; - **stuwadoorsonderneming:** iedere onderneming, waarin, zij het niet voortdurend of uitsluitend, stuwadoorsarbeid wordt verricht; - **havenarbeider:** ieder, die stuwadoorsarbeid verricht. 2. Onder goederen worden voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen mede begrepen de brandstof voor de voortbeweging van het zeeschip, het water en de ballast, doch worden overigens"},{"i":15073,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 7 mei 2026, BZ2627337, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fair Focus on Trade) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op de [artikel 4.2, eerste lid, sub c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.2), en [artikel 4.3, eerste lid, sub c, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 4.2, eerste lid, sub c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.2), en [artikel 4.3, eerste lid, sub c, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.3) voor activiteiten ten behoeve van capaciteitsversterking van, dienstverlening door en het voeren van dialoog door maatschappelijke organisaties in of voor lage- en middeninkomenslanden, op het thema bevorderen van schone en eerlijke handel, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage (inclusief de annexen) bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Fair Focus on Trade worden ingediend vanaf 30 juni 2026 12:00 CET tot en met 11 augustus 2026 12:00 CET. 2. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Fair Focus on Trade worden ingediend aan de hand van een door de minister vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier1[https://english.rvo.nl/subsidies-financing/fair-focus-on-trade](https://english.rvo.nl/subsidies-financing/fair-focus-on-trade) en de op het a"},{"i":15074,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 7 september 2023, nr. MinBuza.2023-18814-20, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Orange Corners Innovation Fund 2024–2030) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op de [artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) met het oog op het verbeteren van de toegang tot financiering voor jonge ondernemers die innovatieve en duurzame oplossingen bieden voor uitdagingen in Afrika, het Midden-Oosten en Azië (Subsidieprogramma Orange Corners Innovation Fund 2024–2030) gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Orange Corners Innovation Fund 2024–2030 worden ingediend in meerdere openstellingen. 2. Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Orange Corners Innovation Fund 2024–2030 zijn gericht op de doellocaties Marokko, Ivoorkust, Nigeria, Mozambique, Angola en Democratische Republiek Congo en worden ingediend van 2 oktober 2023 tot en met 20 november 2023, 12:00 uur ’s middags Nederlandse tijd. 3. Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidi"},{"i":15075,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 11 februari 2026, nr. BZ2624947, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2), met het oog op subsidiëring van activiteiten gericht op het vergroten van het netwerk en de kansen op internationaal ondernemen voor Nederlandse ondernemingen op strategische beurzen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 worden ingediend in halfjaarlijkse openstellingen. 2. Aanvragen voor subsidie in het kader van de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 worden ingediend vanaf 23 februari 2026, 12:00 Nederlandse tijd tot en met 20 maart 2026, 17:00 uur Nederlandse tijd. 3. Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes. 4. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld aanvraagformulier en voorzien van de op het"},{"i":2929,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 28 november 2022, nr. 3654280, tot aanwijzing van de Bond van Harddraverijverenigingen en -stichtingen in Nederland als ontvanger, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de Regeling kansspelen op afstand Gelet op [artikel 2.2, tweede en vierde lid, van de Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=2.2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 2.2, tweede lid, van de Regeling kansspelen op afstand in werking treedt. Artikel 1 De Bond van Harddraverijverenigingen en -stichtingen in Nederland te Wijchen wordt aangewezen als ontvanger als bedoeld in [artikel 2.2, tweede lid, van de Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=2.2) ten aanzien van de afdracht die voortkomt uit draf- en renwedstrijden die door of vanwege deze bond zijn gehouden. Artikel 2 Onverminderd [artikel 2.2, derde lid, van de Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=2.2) worden aan deze aanwijzing de volgende voorschriften verbonden: - a. de ontvanger treft aantoonbare maatregelen om te borgen dat de bedragen op grond van [artikel 2.2, tweede lid, van de Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=2.2) op zorgvuldige en doelmatige wijze worden ontvangen, beheerd en besteed; - b. de ontvanger maakt op passende, begrijpelijke en toegankelijke wijze informatie beschikbaar over de wijze waarop afdrachtsplichtigen de verschuldigde afdracht kunnen overmaken; - c. de ontvanger voert een zodanig zorgvuldige en eenvoudig verifieerbare administratie dat hij verantwoording kan afleggen over de ontvangen bedragen en de besteding daarvan; - d. uit de administratie van de ontvanger moet in ieder geval blijken: - 1°. de hoogte en herkomst van elk afdrachtsbedrag, alsmede het tijdvak waarin het bedrag is ontvangen; - 2°. de hoogte en bestemming van elk bedrag dat uit de"},{"i":15092,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666113, op grond van artikel 3.121 van de Energiewet en artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet tot goedkeuring en vaststelling van de methoden en voorwaarden over het elektriciteitssysteem (Systeemcode elektriciteit 2026) Gelet op [artikel 3.121 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1.1. Werkingssfeer en definities Artikel 1.1 Deze code is onderdeel van de methoden of voorwaarden, bedoeld in [artikel 3.119 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.119), voor zover die betrekking hebben op elektriciteit. Artikel 1.2 1. Voor de toepassing van deze code gelden de begrippen en bijbehorende begripsbepalingen uit de Begrippencode elektriciteit 2026, de [Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714), [Verordening (EU) 2015/1222](32015R1222) (GL CACM), [Verordening (EU) 2016/631](32016R0631) (NC RfG), [Verordening (EU) 2016/1388](32016R1388) (NC DCC), [Verordening (EU) 2026/1447](32026R1447) (NC HVDC), [Verordening (EU) 2016/1719](32016R1719) (GL FCA), [Verordening (EU) 2017/1485](32017R1485) (GL SO), [Verordening (EU) 2017/2195](32017R2195) (GL EB), [Verordening (EU) 2027/2196](32027R2196) (NC ER) en [Verordening (EU) 2019/943](32019R0943). 2. In deze code wordt onder balanceringsverantwoordelijke, congestie, distributiesysteem, distributiesysteembeheerder, interconnectorsysteem, transmissiesysteem of transmissiesysteembeheerder telkens verstaan balanceringsverantwoordelijke, congestie, distributiesysteem, distributiesysteembeheerder, interconnectorsysteem, transmissiesysteem of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit, tenzij anders vermeld. 3. In deze code wordt onder aangeslotene mede verstaan degene die om een aansluiting heeft verzocht. 4. In deze code wordt onder aangeslotene mede verstaan ee"},{"i":15119,"b":"Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, d.d. 11 december 2025, houdende de bekendmaking van een tijdelijke beleidsregel tot verlening van een voorschot aan advocaten die in liquiditeitsproblemen zijn gekomen door vertraging in de afhandeling van aanvragen of procedures door een bestuursorgaan of een gerechtelijke instantie (Tijdelijke beleidsregel voorschot advocaten in liquiditeitsproblemen) Gelet op de [artikelen 7, eerste lid onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7), [artikel 37, vierde lid van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), [artikel 35, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) en [artikel 36 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=36), juncto [4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: De volgende beleidsregel vast te stellen: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **advocaat:** de advocaat als bedoeld in de [artikelen 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9a) en [9j van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9j), die is ingeschreven bij de Raad als bedoeld in [artikel 14 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14); - b. **bestuur:** het bestuur van de Raad als bedoeld in [artikel 3, eerste lid van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - c. **Bvr:** het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018); - d. **kantoor:** kantoor van de advocaat als bedoeld in [artikel 12 van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=12); - e. **Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand als bedoeld in [Hoofdstuk II van de Wrb](https://wetten."},{"i":15120,"b":"Tijdelijke deelregeling programmeringsbijdrage Drenthe, Flevoland en Zeeland Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten. Artikel 1.2. Aanvraag 1. De aanvraag wordt digitaal ingediend. 2. De aanvrager maakt gebruik van door het bestuur opgestelde formulieren. 3. Een aanvraag wordt alleen in behandeling genomen als het volledig ingevulde aanvraagformulier tijdig is ontvangen door het Fonds Podiumkunsten en vergezeld gaat van de op het formulier vermelde bijlagen. Artikel 1.3. Procedure 1. Het bestuur kan advies vragen over ingediende aanvragen. Adviseurs beoordelen de aan hen voorgelegde aanvragen en verzoeken met inachtneming van het bepaalde in deze regeling. 2. Het bestuur informeert de aanvrager binnen 13 weken na de uiterlijke indiendatum schriftelijk over zijn besluit. Als voor de motivering van het besluit wordt verwezen naar een over de aanvraag uitgebracht advies wordt de tekst van het advies aan de aanvrager toegezonden. Artikel 1.4. Subsidieplafond 1. Het bestuur kan een of meer subsidieplafonds vaststellen. 2. Het bestuur kan eerder vastgestelde subsidieplafonds verhogen of verlagen. 3. Besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid worden bekendgemaakt via de website van het Fonds Podiumkunsten. Artikel 1.5. Verdeling budget Op basis van de criteria worden per provincie maximaal twee aanvragen gehonoreerd. Artikel 1.6. Algemene weigeringsgronden Het bestuur kan, onverminderd het bepaalde in [artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:35), subsidie weigeren: - a. als de aanv"},{"i":6978,"b":"Burgerlijk Wetboek BES Boek 8 Boek 8. Verkeersmiddelen en vervoer I. Algemene bepalingen Titel 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit wetboek worden onder schepen verstaan alle zaken, geen luchtvaartuig zijnde, die blijkens hun constructie bestemd zijn om te drijven en drijven of hebben gedreven. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen zaken, die geen schepen zijn voor de toepassing van bepalingen van dit wetboek als schip worden aangewezen, dan wel bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op zaken, die schepen zijn. 3. Voortbewegingswerktuigen en andere machinerieën worden bestanddeel van het schip op het ogenblik dat, na hun inbouw, hun bevestiging daaraan zodanig is als deze ook na voltooiing van het schip zal zijn. 4. Onder scheepstoebehoren worden verstaan de zaken, die, geen bestanddeel van het schip zijnde, bestemd zijn om het schip duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn te herkennen, alsmede die navigatie- en communicatiemiddelen, die zodanig met het schip zijn verbonden, dat zij daarvan kunnen worden afgescheiden, zonder dat beschadiging van betekenis aan hen of aan het schip wordt toegebracht. 5. Behoudens afwijkende bedingen wordt het scheepstoebehoren tot het schip gerekend. Een afwijkend beding kan worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in [titel 1, afdeling 2, van Boek 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028745&afdeling=2). 6. Voor de toepassing van het derde, het vierde en het vijfde lid wordt onder schip mede verstaan een schip in aanbouw. Artikel 2 1. In dit wetboek worden onder zeeschepen verstaan de schepen die teboekstaan in het in [artikel 193](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028753&boek=8&hoofdstuk=II&titeldeel=3&afdeling=2&artikel=193&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde register, alsmede de schepen, die niet in dit register teboekstaan en blijkens hun constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee zijn bestemd. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunne"},{"i":15122,"b":"Wet van 1 juni 2022, houdende tijdelijke regels voor experimenten met nieuwe stembiljetten (Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van de uitvoerbaarheid van de stemopneming en het toegankelijker maken van het stemmen wenselijk is tijdelijke regels vast te stellen voor experimenten met nieuwe stembiljetten ten behoeve van het gebruik in het stemlokaal; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepaling Artikel 1. Begripsbepaling In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. § 2. Het experiment Artikel 2. Doel en deelname 1. Onze Minister kan besluiten dat bij een verkiezing als bedoeld in de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) of de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718) een experiment plaatsvindt met als doel de invoering van een stembiljet met een handzaam formaat, ten behoeve van het gebruik in het stemlokaal, dat: - a. eenvoudig te tellen is, ter bevordering van de uitvoerbaarheid en daarmee de kwaliteit van de stemopneming; en - b. geschikt is voor het afbeelden van logo’s van politieke groeperingen, ter bevordering van de toegankelijkheid van het stemmen. 2. Onze Minister kan, behoudens in het geval, bedoeld in het derde lid, na instemming van de gemeenteraad, een gemeente aanwijzen waar wordt geëxperimenteerd. 3. Bij een verkiezing van de leden van de Eerste Kamer kan Onze Minister, na instemming van provinciale staten, een provincie aanwijzen waar wordt geëxperimenteerd. Artikel 3. Afwijken van de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) 1. De experimenten vinden voor zov"},{"i":15128,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 13 februari 2020, nr. WJZ/ 19242023, tot vaststelling van tijdelijke regels met betrekking tot de maximale hoeveelheid frequentieruimte bestemd voor commerciële FM-radio-omroep die één rechtspersoon kan gebruiken of verwerven (Tijdelijke regeling gebruiksbeperking commerciële FM-radio-omroep) Gelet op [artikel 3.11 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.11); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 14 maart 2018 tot wijziging van de Telecommunicatiewet en van de Mediawet 2008 (gebruiksbeperking frequentieruimte en digitale radio-omroep) (Stb. 2018, 87) in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **allotment 9C:** allotment 9C als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling aanvraag- en veilingprocedure digitale radio-omroep DAB+ laag 7](onbekend); - **commerciële radio-omroep:** radio-omroep als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1) door een commerciële media-instelling; - **commerciële media-instelling:** commerciële media-instelling als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - **demografisch bereik:** het percentage van het aantal inwoners van Nederland dat bij benadering de uitzendingen via een etherfrequentie of een samenstel van etherfrequenties in het dekkingsgebied, berekend via de technische Zero Base-planningsnorm, kan ontvangen; - **landelijke commerciële radio-omroep:** commerciële radio-omroep die betrekking heeft op het verzorgen en uitzenden van radioprogramma's, bestemd voor een landelijk publiek; - **maximale hoeveelheid frequentieruimte:** maximale hoeveelheid frequentieruimte als bedoeld in [artikel 3.11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.11); - **niet-landelijke commerci"},{"i":4746,"b":"Wet van 25 maart 2010 tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is met het oog op de invoering van de [Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779) in overgangsrecht te voorzien en een groot aantal wetten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijzigingen in de [Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779) en overgangsrecht § 1.1. Wijzigingen in de [Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779) Artikel 1.1 Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. § 1.2. Overgangsrechtelijke bepalingen Artikel 1.2 1. Een vergunning of ontheffing als bedoeld in: - a. [artikel 2.11.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024379&artikel=2.11.1), of [3.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024379&artikel=3.1), - b. [artikel 40 van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=40) die niet van toepassing is op het continentaal plat, - c. [artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471&artikel=11) die niet van toepassing is op archeologische monumenten, - d. [artikel 37 van de Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471&artikel=37), - e. [artikel 8.1 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.1), - f. [artikel 3.3, onder a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.3), [3.6, eerste"},{"i":4301,"b":"Besluit verlenen ondermandaat Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022 (RINFIN 2022) (v07-07-2023 t/m heden) Gelet op [artikel 5, derde lid, van de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=5); Gelet op [artikel 6, eerste lid, sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=6), jo. [artikel 6, derde lid, van de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=6); Gelet op [artikel 5, eerste lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Aan de Chief Data Officer wordt ondermandaat verleend voor de verantwoordelijkheden als bedoeld in [artikel 5.3 a t/m d, Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=5). Artikel 2 Aan de Directeur Informatievoorziening en Databeheersing wordt ondermandaat verleend voor de verantwoordelijkheden als bedoeld in [artikel 6.2a en 6.2c, Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=6). Artikel 3 Aan de Directeur SSO Centrum voor Facilitaire Dienstverlening wordt ondermandaat verleend voor de verantwoordelijkheden als bedoeld in [artikel 6.2d, 6.2e, 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=6), [7.1, 7.1.a, 7.1.b, 7.2 Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=7). Artikel 4 Aan de Chief Information Officer wordt ondermandaat verleend voor het beheer van overheidsinformatie als bedoeld in [Hoofdstuk 3 van de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&hoofdstuk=3): - –. vervanging, conform [RINFIN2022 artikel 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=11) - –. vernietiging, conform [RINFIN2022 artikel 12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":4675,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 20 januari 2026, nr. 2025-15294, over de verantwoordelijkheid, taakomschrijving, werkterrein en werkwijze van de Coördinatiegroep verrekenprijzen (Instelbesluit CGVP 2026) Gelet op [artikel 4.81 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en voor zover het de uitleg en toepassing van het arm’s-lengthbeginsel betreft: de [artikelen 8b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8b), [8ba-8bd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8ba), [29b-29h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29b), [34f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=34f), [34g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=34g) en [35 Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=35) en de [Wet Minimumbelasting 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111); Besluit: 1. Inleiding Binnen de Belastingdienst is de Coördinatiegroep Verrekenprijzen (CGVP) actief. Dit besluit bevat de verantwoordelijkheid, de taakomschrijving, het werkterrein en de werkwijze van de CGVP. Het besluit is een actualisatie van het [besluit van 30 april 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040891), nr. DGB20018/4380. Het besluit is aangepast als gevolg van een uitbreiding van de verantwoordelijkheid van de CGVP met het borgen van de eenheid van beleid en uitvoering van de uitleg en toepassing van het arm’s-Lengthbeginsel in: Daarnaast bevat het besluit een redactionele modernisering. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Instelling CGVP De CGVP is ingesteld op 1 maart 1998 bij besluit van 23 maart 1998, nr. DGO98-2533. 3. Verantwoordelijkheid van de CGVP De CGVP is binnen de Belastingdienst verantwoordelijk voor de eenheid van beleid en uitvoering van de wet- en regelgeving over de volgende onderwerpen: 4. Taakomschrijving van de CGVP Ter uitoefening van haar verantw"},{"i":2794,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2005 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2005, doch niet later dan 15 november 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,545 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2005 en eindigende met 15 november 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl"},{"i":3082,"b":"Besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 3 maart 2010, nr. HAN/2010-056, tot bekendmaking van de indieningstermijn en het subsidieplafond voor de tweede tender in het kader van de Vietnam Faciliteit en tot wijziging van het besluit van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 27 augustus 2009, nr. HAN/2009-244, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van de Vietnam Faciliteit Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7) en [10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=10); Gelet op [artikel 8.3 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.3); Gelet op [artikel 3 van het besluit van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 27 augustus 2009, nr. HAN/2009-244, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van de Vietnam Faciliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026343&artikel=3); Besluit: Artikel I Aanvragen voor de tender in 2010 in het kader van de Vietnam Faciliteit op grond van het [besluit van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 27 augustus 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026343), nr. HAN/2009-244, kunnen worden ingediend uiterlijk maandag 26 april 2010, 15:00 uur. Het subsidieplafond voor deze tender bedraagt € 1.087.500. Artikel II Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidieverlening ex Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Vietnam Faciliteit). Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt ge"},{"i":3454,"b":"Besluit van 25 januari 2011, houdende regels inzake de verzending van mededelingen langs elektronische weg in het kader van een verzekeringsovereenkomst (Besluit elektronische mededelingen in het kader van een verzekeringsovereenkomst) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 4 november 2010, nr. 5671226/10/6; Gelet op [artikel 933 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=933) en [940 lid 6 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=940); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 december 2010, nr. W03.10.0518/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 19 januari 2011, nr. 5682871/11/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De verzekeraar kan mededelingen als bedoeld in [artikel 933 lid 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=933) verzenden langs elektronische weg mits de mededelingen kunnen worden opgeslagen op een duurzame drager. 2. Onder een duurzame drager wordt verstaan ieder hulpmiddel dat de mogelijkheid biedt om informatie op te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de opgeslagen informatie mogelijk maakt. 3. Mededelingen langs elektronische weg zijn slechts toegestaan indien de geadresseerde daarmee uitdrukkelijk heeft ingestemd. De geadresseerde kan zijn instemming te allen tijde herroepen. 4. De leden 1 tot en met 3 zijn niet van toepassing op mededelingen waarvoor de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek voorschrijven dat zij bij aangetekende brief worden verzonden. 5. Van het bepaalde in dit artikel kan niet ten nadele van de geadresseerde worden afgeweken. Artikel 2 1. De verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde kunnen mededelingen als bedoeld in [artikel"},{"i":3447,"b":"Besluit Earningsstrippingmaatregel 2025 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor de earningsstrippingmaatregel die is opgenomen in afdeling 2.9a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.** 1. Inleiding Sinds 1 januari 2019 bevat [afdeling 2.9a van de Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&afdeling=2.9a) een generieke renteaftrekbeperking in de vorm van een earningsstrippingmaatregel. Deze maatregel vloeit voort uit de [Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041756) en is gericht op het voorkomen van winstverschuiving en grondslaguitholling door middel van rentebetalingen. Daarnaast wordt een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen bij alle belastingplichtigen in de vennootschapsbelasting nagestreefd.1Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 9 en Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 7, p. 17. De earningsstrippingmaatregel brengt mee dat het saldo van de rentelasten en de rentebaten die in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst, niet aftrekbaar is voor zover dat saldo meer bedraagt dan 24,5% van de gecorrigeerde winst, of € 1 miljoen indien dit meer is dan 24,5% van de gecorrigeerde winst. Het percentage van 24,5% is van toepassing voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2025. Voor de boekjaren 2019 tot en met 2021 bedroeg het percentage 30%. Voor de boekjaren 2022 tot en met 2024 bedroeg het percentage 20%. Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. De Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering is verantwoordelijk voor het waarborgen van de eenheid van beleid en uitvoering bij de toepassing van [artikel 15b Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15b). Gevallen waarin een standpuntbepaling precedentwerking zou kunnen hebben, legt de inspecteur voor aa"},{"i":3595,"b":"Besluit inrichtingseisen bpm en mrb **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisatie van het besluit van 16 december 2021, nr. 2021-213898. In dit besluit zijn enkele verduidelijkingen opgenomen en is een goedkeuring uitgebreid.** 1. Inleiding In dit besluit zijn standpunten aangepast of verduidelijkt over de volgende onderwerpen: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Inrichtingseisen bestelauto 2.1. Laadruimte 2.1.1. Vlakke laadvloer De vlakke laadvloer moet over de gehele breedte en lengte van de laadruimte zijn aangebracht. Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan is er sprake van een personenauto. Dit vind ik niet in alle situaties gewenst. Omdat niet in alle situaties aan deze voorwaarden kan worden voldaan, keur ik met toepassing van [artikel 63 van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63) (de hardheidsclausule) het volgende goed. De meetmethode blijft onverkort van kracht. Het zogenoemde fiscaal blok moet behoudens de uitzonderingen genoemd in onderdeel 2.3.1 ook bij aanwezigheid van de hierboven genoemde uitzonderingen passen. 2.1.2. Stoel(en) en/of bank in de laadruimte ten behoeve van werkzaamheden op locatie Als in de laadruimte van een bestelauto één of meerdere stoelen of zitbanken vast zijn aangebracht wordt de ruimte die wordt gebruikt voor de stoelen of zitbanken niet langer aangemerkt als laadruimte. Door de plaatsing wordt slechts de ruimte achter de stoelen of banken, gerekend van de achterzijde van de stoelen of banken aangemerkt als laadruimte (zie het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 2010, nr. 08/04836, ECLI:NL:HR:2010:BL7965). Voldoet deze overgebleven laadruimte niet aan de eisen die in de wet aan de laadruimte van een bestelauto worden gesteld dan is niet langer sprake van een bestelauto. Het komt voor dat de laadruimte van een bestelauto door ondernemingen en openbare lichamen uitsluitend wordt gebruikt om op locatie werkzaamheden te verrichten. Het g"},{"i":4655,"b":"Besluit van 27 oktober 2025 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft in verband met de implementatie van Verordening (EU) 2024/886 betreffende instantovermakingen in euro’s (Implementatiebesluit verordening instantovermakingen in euro’s) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 4 september 2025, 2025-0000165068, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2024/886](32024R0886) van het Europese Parlement en de Raad van 13 maart 2024 tot wijziging van [Verordeningen (EU) nr. 260/2012](32012R0260) en [(EU) 2021/1230](32021R1230) en [Richtlijnen 98/26/EG](31998L0026) en [(EU) 2015/2366](32015L2366) en de [artikelen 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), en [3:29a, eerste en tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:29a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies 24 september 2025, nr. W06.25.00262/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 20 oktober 2025, 2025-0000448780, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Implementatiewet verordening inzake instantovermakingen in euro’s in werking treedt. Artikel I Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel II Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Implementatiewet verordening inzake instantovermakingen in euro’s in werking treedt. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit verordening instantovermakingen in euro’s. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7077,"b":"Overeenkomst tussen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogendom Luxemburg enerzijds, en de Regering van de Franse Republiek anderzijds, inzake het overnemen van personen aan de gemeenschappelijke grens van het grondgebied van de Beneluxlanden en Frankrijk **Preambule** De Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, hierna te noemen de „Beneluxlanden”, gezamenlijk optredend op grond van de tussen hen gesloten [Overeenkomst van 11 april 1960, inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het grondgebied der Beneluxlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246), hierna te noemen het „Beneluxgebied” enerzijds, en de Regering van de Franse Republiek anderzijds; Verlangend de overneming van personen aan de grens van het Beneluxgebied en Frankrijk te vergemakkelijken, met dien verstande dat deze Overeenkomst slechts betrekking heeft op de grondgebieden binnen Europa van de Overeenkomstsluitende Partijen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 (1). De Regering van elk der Beneluxlanden neemt onderdanen van een van die landen, die de Franse Autoriteiten voornemens zijn te verwijderen, zonder formaliteiten en zonder tussenkomst van haar Diplomatieke Vertegenwoordigers op haar grondgebied over, voor zover vaststaat of aangenomen kan worden dat bedoelde personen onderdanen zijn van een der Beneluxlanden. (2). Het bezit van de nationaliteit van een der Beneluxlanden kan worden vastgesteld of verondersteld aan de hand van een nationaliteitsbewijs, een naturalisatiebewijs, een nationaal paspoort of een nationale identiteitskaart, ook indien deze ten onrechte zijn afgegeven of sedert ten hoogste tien jaar zijn verlopen. Bedoelde nationaliteit kan eveneens op grond van andere gegevens worden verondersteld. (3). Zulke personen worden overgenomen op vertoon van een der in lid (2) opgesomde bescheiden, dan wel op grond van elk ander docum"},{"i":15131,"b":"Tijdelijke regeling taken en bevoegdheden plaatsvervangend secretaris-generaal VROM ten behoeve van het reorganisatietraject ZEUS Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gelet op de [Regeling Taken en Bevoegdheden VROM 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013199); Gelet op het overleg met de Groepsondernemingsraad van 2 oktober 2003; Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - b. Ministerie: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - c. Diensten: het Directoraat-Generaal Milieubeheer, het Directoraat-Generaal Wonen, Directoraat-Generaal Ruimte en het Inspectoraat Generaal VROM; - d. Centrale Sector: de organisatieonderdelen, vermeld in [artikel 4 van de Beschikking Organisatie Centrale Sector VROM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007047&artikel=4); - e. De hoofden van de diensten: de directeuren-generaal Milieubeheer, Wonen en Ruimte, de plaatsvervangend secretaris-generaal ten behoeve van de Centrale Sector en de inspecteur-generaal VROM; - f. Mandaat: de bevoegdheid om in naam van de minister of de staatssecretaris besluiten te nemen of beleidsregels vast te stellen; - g. Volmacht: de bevoegdheid om namens de Staat in naam van de minister of de staatssecretaris privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - h. Machtiging: de bevoegdheid om in naam van de minister of de staatssecretaris handelingen te verrichten die noch besluiten noch privaatrechtelijke rechtshandelingen zijn; - i. ZEUS: het reorganisatietraject ‘Zeer Excellente Uitvoering Secundaire Processen’; - j. ZEUS Centraal: de invulling van de nieuw te vormen gemeenschappelijke dienst vanuit de Centrale Sector en de bedrijfsvoeringsonderdelen van DG Milieu, DG Wonen, DG Ruimte en het Inspectoraat Generaal VROM en de invulling van de nieuw te vormen Concernstaf;"},{"i":4806,"b":"Mandaatbesluit AIVD 2024 gelet op de [artikelen 5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=5.9) en [5.10 van het Mandaatbesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=5.10); in overeenstemming met de Secretaris-Generaal en na advies van de directeur Financieel-economische Zaken en de directeur P&O van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, besluit: Artikel 1 In dit besluit, de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049852&bijlage=1&z=2024-06-25&g=2024-06-25) en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **AIVD:** de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - c. **Directeur-generaal:** de directeur-generaal van de AIVD; - d. **Plaatsvervangend directeur-generaal:** de plaatsvervangend directeur-generaal van de AIVD; - e. **MT-lid:** de directeur-generaal, de plaatsvervangend directeur-generaal, de directeur Inlichtingen, de directeur Operatiën, directeur Data en Informatievoorziening of de directeur en Bedrijfsvoering van de AIVD; - f. **Directeur:** de directeur Inlichtingen, de directeur Operatiën, de directeur Data en Informatievoorziening of de directeur Bedrijfsvoering van de AIVD; - g. **Unithoofd:** de rechtstreeks onder een MT-lid ressorterende leidinggevende functionaris; - h. **Teamhoofd, afdelingshoofd, bureauhoofd:** de rechtstreeks onder het unithoofd ressorterende leidinggevende functionaris; - i. **Coördinator met personeelsverantwoordelijkheid:** de daartoe aangewezen en rechtstreeks onder het teamhoofd, afdelingshoofd of bureauhoofd ressorterende functionaris; - j. **Mandaat:** de bevoegdheid om namens de Minister besluiten te nemen, stukken af te doen en te ondertekenen; - k. **Leerplekken:** het daartoe aangewezen aspirant teamhoofd, afdelingshoofd of bureauhoofd; - l. **DG-controller:** het hoofd van de afdeling control van de AIVD. Artikel 2 Voor de toepassing van dit beslui"},{"i":4656,"b":"Besluit van 5 maart 2016, houdende regels tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector ter implementatie van de gewijzigde richtlijn icbe’s (Implementatiebesluit wijziging richtlijn icbe’s) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 3 februari 2016, 2016-0000006546, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 2:3i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3i), [3:53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [4:62m, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:62m), [4:62o, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:62o), [4:62p, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:62p), [4:62q, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:62q), [4:62r, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:62r), [4:62v, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:62v), [4:62w, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:62w); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 februari 2016, nr. W06.16.0025/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 29 februari 2016, 2016-0000014965, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel III Wijzigt het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft. Artikel IV Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel VI Dit besluit word"},{"i":4187,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 2 december 2022, nr. IENW/BSK–2022/276234, houdende vaststelling van de speerpunten voor het kalenderjaar 2023 en de subsidieplafonds voor het kalenderjaar 2023 als bedoeld in de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027 Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=3), en [4, derde lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=4); BESLUIT: Artikel 1 In de bijlage bij dit besluit worden voor 2023 drie speerpunten vastgesteld als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=3). Artikel 2 1. Het subsidieplafond voor projecten die kwalificeren als project a, project b of project c bedraagt voor het kalenderjaar 2023 € 1.000.000. 2. Het subsidieplafond voor projecten die kwalificeren als project d bedraagt voor het kalenderjaar 2023 € 50.000. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Bijlage. Speerpunten [Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270) voor het jaar 2023 I. Transparante samenwerking tussen bedrijven binnen een industrieel cluster Dit speerpunt richt zich op intensievere en transparante samenwerking tussen de bedrijven binnen een industrieel cluster1Een cluster betreft een groep ondernemingen gevestigd op dezelfde locatie. waarmee ook de individuele veiligheidsprestaties van de deelnemende bedrijven op structurele wijze sterk verbeterd worden. Onderzoek van TU Delft2‘(Petro)chemische clusters en veiligheid:Een clusterspecifieke rangschikking van veiligheidsparameters’, oktober 2021, TU Delft. laat zie"},{"i":3162,"b":"Besluit van 25 juni 2009, houdende nadere regels inzake buitengerechtelijke kosten bij tenuitvoerlegging van dwangbevelen (Besluit buitengerechtelijke kosten) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 9 april 2008, nr. 5538104/08/6; Gelet op [artikel 4:120, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:120); De Raad van State gehoord (advies van 25 april 2008, nr. W03.08.0128/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 24 juni 2009, nr. 5604068/09/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht in werking treedt. Artikel 1 1. De buitengerechtelijke kosten, bedoeld in [artikel 4:120 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:120), kunnen in rekening worden gebracht voor zover zij redelijk zijn en bedragen ten hoogste: 15% van de geldsom, bedoeld in [artikel 4:86 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:86), over de eerste € 2.500 van de vordering; 10% van de geldsom, bedoeld in [artikel 4:86 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:86), over de volgende € 2.500 van de vordering; 5% van de geldsom, bedoeld in [artikel 4:86 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:86), over de volgende € 5.000 van de vordering; 1% van de geldsom, bedoeld in [artikel 4:86 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:86), over de volgende € 190.000 van de vordering; 0,5% van de geldsom, bedoeld in [artikel 4:86 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:86), over het meerdere met een maximum van € 6.775. 2. De kosten worden verhoogd met een percentage dat overeenkomt met het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de"},{"i":3174,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 januari 2022 nr. BOACAT2021/074, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de afdeling Stadstoezicht van de gemeente Almere Gelezen het verzoek van de gemeente Almere van 3 december 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparketMidden-Nederlanden de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046243&artikel=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Handhaver Openbare Ruimte in dienst van de afdeling Stadstoezicht van de gemeente Almere, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare"},{"i":4382,"b":"Besluit van 7 mei 2013, houdende regels ten aanzien van wervings- en reclameactiviteiten, alsmede het preventiebeleid van houders van een vergunning op grond van de Wet op de kansspelen (Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 januari 2013, nr. 340031; Gelet op de [artikelen 4a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=4a), en [30d, vierde lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30d); De Afdeling advisering van Raad van State gehoord (advies van 25 februari 2013, nr. W03.13.0005/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 april 2013, nr. 380347; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. **Onze Minister:** Onze Minister voor Rechtsbescherming; - c. **raad van bestuur:** de raad van bestuur van de kansspelautoriteit, bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - d. **vergunninghouders:** houders van een vergunning op grond van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - e. **wervings- en reclameactiviteiten:** iedere vorm van communicatie waarmee vergunninghouders, al dan niet met behulp van derden, direct of indirect hun diensten of goederen aanprijzen; - f. **bonus:** een goed of een dienst, waaronder gratis speeltegoed, aangeboden om spelers voor de vergunde kansspelen te werven of te behouden of om reclame voor die kansspelen te maken; - g. **leidinggevenden:** - 1º. de natuurlijke personen of de bestuurders van een rechtspersoon die de vergunning houden, of hun gevolmachtigden; - 2º. de natuurlijke personen die algemene leiding geven aan een onderneming waarin de vergunning in"},{"i":6571,"b":"Besluit van 22 december 2005 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en van enige andere besluiten Hoofdstuk 1. Wijziging van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Hoofdstuk 1. Wijziging van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen Artikel XV. Overgangsrecht Huursubsidiebesluit Indien de huurder uiterlijk op 30 november 2005 een aanvraag tot toekenning van huursubsidie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Huursubsidiewet, of een verzoek als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van die wet, zoals die bepalingen laatstelijk luidden vóór de inwerkingtreding van de [Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018471), heeft ingediend en die aanvraag respectievelijk dat verzoek betrekking heeft op het tijdvak dat loopt van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005 of een daaraan voorafgaand subsidietijdvak, wordt die aanvraag respectievelijk dat verzoek afgedaan overeenkomstig het [Huursubsidiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008763), zoals dat laatstelijk luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel XVI. Overgangsrecht Besluit vangnetregeling huursubsidie 1. Voorzover een aanvraag tot toekenning van een bijzondere bijdrage in de huurlasten als bedoeld in artikel 26b, eerste lid, van de Huursubsidiewet, zoals dat laatstelijk luidde vóór de inwerkingtreding van de [Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018471), betrekking heeft op het tijdvak dat loopt van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005, wordt voor de toepassing van het [Besluit vangnetregeling huursubsidie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009632): - a. in de [artikelen 7, vijfde lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009632&artikel=7), [8, tweede lid, onderdeel c, en derde lid, aanhef](https:/"},{"i":6616,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 maart 2015, kenmerk 688413-129327-MC, houdende wijziging van de Regeling bezoldiging en beheerskosten bestuursorganen volksgezondheid 2011 in verband met het toekennen van een vaste vergoeding aan de voorzitter en de andere leden van de Adviescommissie Pakket en de Adviescommissie Kwaliteit van het Zorginstituut Nederland Artikel I Wijzigt de Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS. Artikel II [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030162&artikel=2) zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding, blijft van toepassing ten aanzien van bestuursleden waarvan de benoeming voor dat tijdstip plaatsvond. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt voor wat betreft [Artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036399&artikel=I&z=2015-03-14&g=2015-03-14), voor de commissie, bedoeld in [artikel 59a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=59a) terug tot en met 1 januari 2015 en voor de commissie, genoemd in [artikel 59b, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=59b) tot en met 1 april 2014. Gelet op de [artikelen 59a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=59a), en [59b, vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=59b) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5781,"b":"Subsidieregeling servicepunten milieuwethandhaving Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13) en de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010065&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010065&artikel=6), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010065&artikel=10) en [13 van het Besluit milieusubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010065&artikel=13); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 De minister kan aan de provincies subsidies verlenen voor het gedurende de periode vanaf 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2005 in stand houden van een of meer servicepunten. Artikel 3 Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2004 € 2.260.000,– en voor het jaar 2005 € 1.200.000,–. Artikel 4 1. Het maximale subsidiebedrag bedraagt per provincie het volgende percentage van het subsidieplafond: Groningen: 5,00 Friesland: 7,50 Drenthe: 5,00 Overijssel: 7,50 Flevoland: 2,50 Gelderland: 14,06 Utrecht: 6,25 NoordHolland: 12,50 Zuid-Holland: 14,69 Zeeland: 5,00 NoordBrabant: 12,50 Limburg: 7,50 2. De subsidie aan een provincie kan niet meer bedragen dan het bedrag dat door de provincie, de gemeenten en de beheerders tezamen beschikbaar wordt gesteld voor het in stand houden van het servicepunt of de servicepunten in de desbetreffende provincie in de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010666&artikel=2&z=2009-12-22&g=2009-12-22) genoemde periode. 3. Het tweede lid is niet van toepassing op subsidie die wordt verleend voor het in stand houden van het Servicepunt Milieuwethandhaving Waddenzee. Artikel 5 1. Een aanvraag tot subsidieverlening heeft betrekking op de periode te rekenen vanaf 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2005 of op een gedeelte van die periode. 2. Uit de aanvraag moet blijken dat de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag in overeenstemming is met het bepaalde in [artikel 4,"},{"i":1084,"b":"Inkomstenbelasting, belastingverdrag met Oostenrijk; Nederlandse oorlogs- en vervolgingsuitkeringen betaald aan inwoners van Oostenrijk In dit besluit wordt goedgekeurd dat Nederland zijn heffingsrecht niet uitoefent met betrekking tot Nederlandse oorlogs- en vervolgingsuitkeringen en oorlogs- en verzetspensioenen voor zover deze uitkeringen en pensioenen samenhangen met de Tweede Wereldoorlog aan inwoners van Oostenrijk, ook al is de heffing met ingang van 1 januari 2004 aan Nederland toegewezen. Mij is een situatie voorgelegd van in Oostenrijk wonende personen die een Nederlands verzetspensioen ontvangen. Tot en met 2003 was het recht om belasting te heffen over deze inkomsten op grond van het Nederlands-Oostenrijkse belastingverdrag van 1 september 1970 (Trb. 1970, 169) toegewezen aan Oostenrijk. Met het wijzigingsprotocol van 26 november 2001 (Trb. 2002, 3) is vanaf 1 januari 2004 de heffing over deze inkomsten toegewezen aan Nederland. In Oostenrijk zijn deze pensioenen vrijgesteld van belastingheffing, terwijl over deze pensioenen in Nederland wel normaal belasting wordt geheven. Door de wijziging in het heffingsrecht worden betrokkenen geconfronteerd met een netto inkomensachteruitgang die ik vanwege de bijzondere omstandigheden waarin de gerechtigden verkeren, ongewenst acht. Goedkeuring Om in deze situatie de ongewenste gevolgen van de wijziging van het heffingsrecht te voorkomen keur ik met toepassing van [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63) goed dat Nederlandse oorlogs- en vervolgingsuitkeringen en oorlogs- en verzetspensioenen van inwoners van Oostenrijk onder de volgende voorwaarden niet in Nederland worden belast. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2004. Met dit besluit heeft de regeling voor (alleen) Oostenrijk, met betrekking tot d"},{"i":6607,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van nr. IENW/BSK-2024/215440, tot wijziging van de Omgevingsregeling (aanpassing Safeti-NL en Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid) Gelet op de [artikelen 2.24, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), en [4.3, vierde lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Omgevingsregeling. Artikel II. (overgangsrecht) Als voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling een ontwerp tot wijziging van een omgevingsplan of een ontwerp van een projectbesluit ter inzage is gelegd of een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een milieubelastende activiteit is ingediend waarvoor het plaatsgebonden risico is berekend, blijft [bijlage II bij de Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528&bijlage=II), zoals die luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing tot het besluit tot wijziging van het omgevingsplan, het projectbesluit of het besluit op de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit of milieubelastende activiteit onherroepelijk is. Artikel III. (inwerkingtreding) Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 's-Gravenhage,"},{"i":11915,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 19 februari 2018, nr. TM/180 252 32, handelende in overeenstemming met de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, inzake de keuze voor het instrument veiling van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep kavels B05 en B36, de vaststelling van die vergunningen en de vaststelling van de daaraan te koppelen vergunningen voor digitale radio-omroep Gelet op [artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10) en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio in de FM-band met de daaraan, voor zover nu reeds mogelijk, te verbinden voorschriften en beperkingen, genoemd in tabel 1, worden verleend met toepassing van een veiling, bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). | **Kavel** | **Bijlage** | | --- | --- | | **B05** | [1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040646&bijlage=1&z=2018-02-21&g=2018-02-21) | | **B36** | [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040646&bijlage=2&z=2018-02-21&g=2018-02-21) | Artikel 2 De procedure van de veiling vangt aan op 28 februari 2018. Artikel 3 De vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040646&artikel=1&z=2018-02-21&g=2018-02-21), zijn nader bestemd voor niet-landelijke commerciële radio-omroep. Artikel 4 De voorschriften en beperkingen behorende bij de aan de vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040646&artikel=1&z=2018-02-21&g=2018-02-21), te koppelen vergunningen voor digitale radio-omroep worden, voor zover dat reeds mogelijk is, vastgesteld in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040646&bijlage=3&z=2018-02-21&g=2018-02-21). Artikel"},{"i":15149,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 9 februari 2026, nr. RT-0000129557, houdende tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het behandelen van bonenzaden bestemd voor export naar EU-lidstaten die vrijstelling verleend hebben voor de uitzaai van met Lumiderm VG behandelde bonenzaden (Tijdelijke vrijstelling voor het behandelen van bonenzaden bestemd voor export naar EU-lidstaten, 2026) handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=38) en artikel 53 van de [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de [Richtlijnen nr. 79/117/EEG](31979L0117) en [91/414/EEG](31991L0414) van de Raad (PbEU 2009, L 309); BESLUIT: Artikel 1 Tijdelijke vrijstelling als bedoeld in [artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=38) en artikel 53 van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) wordt verleend het gebruik van Lumiderm VG voor het behandelen van bonenzaden bestemd voor export naar EU lidstaten die vrijstelling verleend hebben voor de uitzaai van me Ltumiderm VG behandelde bonenzaden. Artikel 2 De vrijstelling is slechts van toepassing indien de gebruiksvoorschriften in de bijlage bij dit besluit worden nageleefd. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op 23 maart 2026 en vervalt op 21 juli 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijke vrijstelling voor het behandelen van bonenzaden bestemd voor export naar EU lidstaten, 2026. Bijlage. Wettelijk Gebruiksvoorschrift Lumiderm VG (12280n) Wettelijk Gebruiksvoorschrift Het middel is uitsluitend toegelaten als insectenbestrijdingsmiddel voor het"},{"i":3107,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Consulentschappen provincie Noord-Holland, Ministerie van LNV, 1983–1990 (1995) Inventaris RPNH Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van het algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 183 | 1-1-2030 | | 425 | 1-1-2032 | | 530 | 1-1-2041 | | 637 | 1-1-2034 | | 1108 | 1-1-2053 | | 1109 | 1-1-2057 | | 1145 | 1-1-2037 | | 1236 | 1-1-2027 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045615&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Noord-Holland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045615&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in Noord-Holland. De rijksarchivaris in Noord-Holland kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045615&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in Noord-Holland. Deze kan aan zijn toe"},{"i":15162,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 oktober 2016, kenmerk 16150943, tot wijziging van de (beperking in) toegankelijkheid van enkele gebiedsdelen ex artikel 20 Natuurbeschermingswet 1998, gelegen binnen het Natura 2000 gebied ‘Voordelta’ (Toegangsbeperkingsbesluit Middelplaat en Slikken van Voorne) Handelende in overeenstemming met de minister van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 20, eerste en tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641&artikel=20) (hierna te noemen: Nb-wet 1998); Besluit: Artikel 1 1. Voor het binnen het Natura 2000 gebied ‘Voordelta’ gelegen winterrustgebied ‘Middelplaat’ als aangegeven op de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038670&artikel=3&z=2016-11-01&g=2016-11-01) genoemde kaart, wordt de toegankelijkheid beperkt, in die zin dat het verboden is activiteiten te verrichten in de periode van 1 november tot 1 april in het winterrustgebied, met uitzondering van de hierna genoemde activiteiten. - a). **Garnalenvisserij** Garnalenvisserij is toegestaan van 1 november tot 15 december. - b). **Doorvaart schepen ten behoeve van zandsuppleties** Doorvaart door schepen ten behoeve van kustonderhoud door middel van zandsuppleties is toegestaan in de periode van 1 november tot 15 december. Suppleties waarvoor ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerpbeheerplan Voordelta reeds formeel bindende contracten zijn aangegaan door Rohde Nielsen A/S, Kopenhagen zijn in de aangegeven periode toegestaan. - c). **Gemotoriseerde en ongemotoriseerde luchtvaart** De gemotoriseerde en ongemotoriseerde luchtvaart boven het gebied is uitsluitend toegestaan bij een minimale vlieghoogte van 1.000 voet (circa 300 meter), behoudens situaties waarin lager overvliegen vanuit operationeel of veiligheidsoogpunt noodzakelijk is. - d). **Uitvoering noodzakelijke overheidstaken** Aanwezigheid voor de uitvoering van taken al of niet met behulp van vaar-, voer- en luchtv"},{"i":15155,"b":"Wet van 28 oktober 2020, houdende Tijdelijke bepalingen in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van covid-19 voor de langere termijn (Tijdelijke wet maatregelen covid-19) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor de huidige fase van de bestrijding van de epidemie van covid-19 tijdelijk een aanvullend wettelijk instrumentarium te creëren in de [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) dat voor de langere termijn een juridische basis vormt voor een samenleving waarin het houden van afstand en andere gedragsvoorschriften van groot belang zijn; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) Wijzigt de Wet publieke gezondheid. Artikel II. Overgangsbepaling bij verval [artikel 1 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043413&artikel=1) Indien [artikel 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043413&artikel=1) is vervallen op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt of vervalt op een later tijdstip, blijft dat artikel vanaf dat tijdstip van toepassing op de procedure, bedoeld in [artikel 58f, tweede lid, tweede zin, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=58f). Artikel III. Wijziging [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel IV. Wijziging [Arbeidsveiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028228) Wijzigt de Arbeidsveiligheidswet BES. Artikel V. Wijziging [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) Wijzigt de Wet kindero"},{"i":13680,"b":"Verordening van de Sociaal-Economische Raad van 15 juni 2012 tot instelling van de Commissie klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (Instellingsverordening Commissie Klachtenbehandeling Aanbestellingskeuringen) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013030&artikel=3) en [4 van het Besluit klachtenbehandeling aanstellingskeuringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013030&artikel=4), alsmede [artikel 36 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=36); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Besluit aanstellingskeuringen enz. (onderbrenging klachtenbehandeling bij aanstellingskeuringen bij de SER enz.) (Stb. 2012/437) in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - a. Raad: de Sociaal-Economische Raad; - b. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Sociaal-Economische Raad; - c. commissie: de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031838&paragraaf=2&artikel=2&z=2019-06-29&g=2019-06-29). § 2. Instelling Artikel 2 Er is een Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen, die belast is met de behandeling van klachten over keuringen als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Wet op de medische keuringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008819&artikel=4). Artikel 3 1. De commissie bestaat uit vijf leden. 2. Het dagelijks bestuur benoemt: - a. drie onafhankelijke leden; - b. één lid op voordracht van de daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende organisaties van ondernemers; - c. één lid op voordracht van de daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende organisaties van werknemers. 3. Voor elk lid kan tevens een plaatsvervanger worden benoemd. 4. Het dagelijks bestuur wijst uit het midden van de onafhankelijke leden de voorzitter aan. 5. De onafhankelijke leden en onafhankelijke plaatsvervangende lede"},{"i":11947,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 25 oktober 2022, kenmerk 2987138, houdende beperking van de openbaarheid van de aanvulling op het archief van het Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging (DGBR), 1945–1958 (1983) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 18 oktober 2022, met zaaknummer 1172842. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging (DGBR), 1945–1958 (1983). Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | --- | --- | | 2497 | 2025 | 2543 | 2025 | | 2498 | 2025 | 2544 | 2025 | | 2499 | 2025 | 2545 | 2025 | | 2500 | 2025 | 2546 | 2025 | | 2505 | 2025 | 2547 | 2025 | | 2506 | 2025 | 2548 | 2025 | | 2507 | 2025 | 2549 | 2025 | | 2508 | 2025 | 2550 | 2025 | | 2509 | 2025 | 2551 | 2025 | | 2510 | 2025 | 2552 | 2025 | | 2511 | 2025 | 2553 | 2025 | | 2512 | 2025 | 2554 | 2025 | | 2513 | 2025 | 2555 | 2025 | | 2514 | 2025 | 2556 | 2025 | | 2515 | 2025 | 2557 | 2025 | | 2516 | 2025 | 2558 | 2025 | | 2517 | 2025 | 2559 | 2025 | | 2518 | 2025 | 2560 | 2025 | | 2519 | 2025 | 2561 | 2025 | | 2520 | 2025 | 2562 | 2025 | | 2521 | 2025 | 2563 | 2025 | | 2522 | 2025 | 2564 | 2025 | | 2523 | 2025 | 2565 | 2025 | | 2524 | 2025 | 2566 | 2025 | | 2525 | 2025 | 2567 | 2025 | | 2526 | 2025 | 2568 | 2025 | | 2527 | 2025 | 2569 | 2025 | | 2528 | 2025 | 2570 | 2025 | | 2529 | 2025 | 2571 | 2025 | | 2530 | 2025 | 2572 | 2025 | | 2531 | 2025 | 2573 | 2025 | | 2532 | 2025 | 2574 | 2025 | | 2533"},{"i":11923,"b":"Besluit van de Sociaal-Economische Raad van 20 mei 2016, houdende beleidsregels over de bepaling van de representativiteit van organisaties van ondernemers en van werknemers, ten behoeve van de advisering over de samenstelling van de Sociaal-Economische Raad (Besluit beleidsregels representativiteit) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=4) en [41 van de Wet op de Sociaal-Economische Raad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=41); Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 Deze beleidsregels zijn van toepassing bij het geven van advies over de aanwijzing van organisaties van ondernemers en van werknemers die gerechtigd zijn tot het benoemen van leden van de Sociaal-Economische Raad. Artikel 2 1. Voor aanwijzing als organisatie die gerechtigd is tot het benoemen van leden van de Sociaal-Economische Raad komen slechts in aanmerking organisaties die: - a. krachtens hun statutaire doelstelling hun werkzaamheid kunnen uitstrekken tot ten minste een belangrijk deel van het terrein waarop de Sociaal-Economische Raad zijn taken vervult; en - b. voldoen aan het bepaalde in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037997&artikel=4&z=2016-06-01&g=2016-06-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037997&artikel=5&z=2016-06-01&g=2016-06-01). 2. Voor het benoemen van leden van de Sociaal-Economische Raad komen uitsluitend centrale organisaties van ondernemers of van werknemers in aanmerking. 3. In afwijking van het tweede lid kunnen ook andere organisaties van ondernemers voor een benoemingsrecht in aanmerking komen, indien door de aanwijzing van centrale organisaties van ondernemers niet een voldoende, alsmede een voldoende gespreide, vertegenwoordiging kan worden verkregen over de ondernemers in het gehele bedrijfsleven. Als voorwa"},{"i":15164,"b":"Beschikking van 17 juni 2003, nummer 5229347, houdende toekenning vacatiegeld voorzitter Begeleidingscommissie BIBOB Gelet op [artikel 1, tweede lid, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1) (Staatsblad 205 d.d.18 april 1988); Besluiten: Artikel 1 Met ingang van 1 mei 2003 wordt aan de heer H.F. Dijkstal, voorzitter van de Begeleidingscommissie BIBOB, een vacatiegeld toegekend van € 249,58 voor iedere dag waarop hij één of meer vergaderingen van de commissie heeft bijgewoond. Artikel 2 Deze beschikking wordt gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":12012,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties Gelet op [artikel 15, lid 1 onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties. Artikel 1 Met het oog op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. **Inventarisnummers: Beperkt openbaar tot 1 januari 2019:** | Nummer | Jaartal | Nummer | Jaartal | Nummer | Jaartal | Nummer | Jaartal | Nummer | Jaartal | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 8305ED | 2019 | 8437ED | 2019 | 8522ED | 2019 | 8679ED | 2019 | 8779ED | 2019 | | 8306ED | 2019 | 8438ED | 2019 | 8523ED | 2019 | 8680ED | 2019 | 8780ED | 2019 | | 8308ED | 2019 | 8439ED | 2019 | 8529ED | 2019 | 8681ED | 2019 | 8782ED | 2019 | | 8309ED | 2019 | 8440ED | 2019 | 8530ED | 2019 | 8682ED | 2019 | 8784ED | 2019 | | 8310ED | 2019 | 8441ED | 2019 | 8534ED | 2019 | 8684ED | 2019 | 8785ED | 2019 | | 8313ED | 2019 | 8442ED | 2019 | 8538ED | 2019 | 8690ED | 2019 | 8787ED | 2019 | | 8315ED | 2019 | 8446ED | 2019 | 8545ED | 2019 | 8692ED | 2019 | 8788ED | 2019 | | 8317ED | 2019 | 8450ED | 2019 | 8560ED | 2019 | 8696ED | 2019 | 8790ED | 2019 | | 8320ED | 2019 | 8451ED | 2019 | 8561ED | 2019 | 8700ED | 2019 | 8793ED | 2019 | | 8324ED | 2019 | 8454ED | 2019 | 8562ED | 2019 | 8701ED | 2019 | 8796ED | 2019 | | 8327ED | 2019 | 8459ED | 2019 | 8569ED | 2019 | 8702ED | 2019 | 8799ED | 2019 | | 8337ED | 2019 | 8461ED | 2019 | 8572ED | 2019 | 8703ED | 2019 | 8800ED | 2019 | | 8338ED | 2019 | 8462E"},{"i":13932,"b":"Overgangsmaatregel m.b.t. bevoegdheden Besluit: Artikel 1 Tot de bevoegdheid van de inspecteur der registratie en successie worden tevens gerekend de lopende zaken die afkomstig zijn uit de gemeenten die met ingang van 1 januari 1985 tot zijn ambtsgebied behoren. Artikel 2 De ontvangers der rijksbelastingen ter standplaats van de tijdelijke dependances van de inspecties der registratie en successie, met name de Ontvangers der rijksbelastingen te Assen, Leiden, Maastricht, Middelburg, Nijmegen en Zutphen, zijn tevens bevoegd voor de op die dependances te heffen belastingen. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 1985."},{"i":13936,"b":"Wet van 16 mei 1829, houdende bepalingen wegens den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving Allen den genen, die deze zullen zien, of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij hebben in overweging genomen, dat, ten einde verkeerde uitleggingen en twistgedingen te voorkomen, welke door den overgang der vroegere tot de nieuwe wetgeving zouden kunnen geboren worden, het doelmatig is, om, bij eene transitoire wet, verordeningen vasttestellen, geschikt om den twijfel te doen ophouden, welke ten aanzien van deze en gene punten van wetgeving zoude kunnen ontstaan; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, Hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan te bepalen, hetgeen volgt: hoofdstuk Eerste. Algemeene bepalingen Artikel 1 De veranderingen, welke ten gevolge der nieuwe wetboeken in de burgerlijke wetgeving zijn te weeg gebragt, hebben geen invloed op de regten, welke onder vroegere wetgevingen waren verkregen. Artikel 2 De geldigheid der handelingen, wat haren vorm betreft, wordt beoordeeld naar de wetten welke van kracht waren op het tijdstip waarop die handelingen hebben plaats gehad. Artikel 3 De regten uit overeenkomsten voortvloeijende, worden geregeld door de wetten welke in werking waren toen die overeenkomsten zijn gesloten. Artikel 4 De regten uit uiterste wilsbeschikkingen voortvloeijende, welke vóór de invoering van het nieuwe burgerlijk wetboek zijn gemaakt, worden naar dat wetboek geregeld, indien na deszelfs in werking brenging de erflater is overleden. hoofdstuk Tweede. Van meerderjarigheid, emancipatie en geregtelijke adsistentie vóór de invoering van het nieuwe wetboek verkregen Artikel 5 Alle personen, die vóór den dag der invoering van het nieuwe burgerlijk wetboek hunne meerderjarigheid hebben verkregen, blijven meerderjarig, en zullen tot alle handelingen hoegenaamd, dezelfde bekwaamheid hebben, als of zij den vollen ouderdom van 23 jaren hadden bereikt. Artikel 6 Jon"},{"i":13944,"b":"Wet van 23 december 2015 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2016) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IV Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel V Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel VII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VIII Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel IX Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel X Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XI Voor zover de motorrijtuigenbelasting voor 1 juli 2016 over vier aaneensluitende tijdvakken is betaald blijft de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324) van toepassing zoals deze luidde op 30 juni 2016. Artikel XII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIII Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel XIV Wijzigt de Douane- en Accijnswet BES. Artikel XV Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel XVI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XVII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XVIII Onze Minister van Financiën zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de werking in de praktijk van [artikel 67a van de Invorderingswet 1990](onbekend), waar nodig in samenhang met [artikel 64 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=64). Artikel XIX Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XX Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel XXI Wijzigt de Wet strategische diensten. Artikel XXII Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel XXIII Wijzigt de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd. Artikel"},{"i":12427,"b":"Besluit inwerkingtreding SER-besluit Fusiegedragsregels 2000 gelet op de [artikelen 34](onbekend) en [35 van het SER-besluit Fusiegedragsregels 2000 ter bescherming van de belangen van werknemers](onbekend) (SER-besluit Fusiegedragsregels 2000); gelet op [artikel III, eerste en tweede lid, van de Wet van 22 maart 2001 tot opneming in de Wet toezicht effectenverkeer 1995 van bepalingen betreffende openbare biedingen op effecten](onbekend) (Stbl. 2001, 181 - 'Wet obe'); besluit: Artikel 1 Het SER-besluit Fusiegedragsregels 2000 treedt in werking op 5 september 2001. Artikel 2 1. Onverminderd het in artikel 1 bepaalde blijft het [SER-besluit Fusiegedragsregels 1975](onbekend) in stand tot uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van de Wet. De Commissie voor Fusieaangelegenheden blijft tot dat tijdstip belast met het toezicht op gedragingen ter zake van openbare biedingen die ingevolge [artikel III van de Wet obe](onbekend) niet vallen onder [artikel 6a, eerste en derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=6a). 2. Met het toezicht op andere fusiezaken dan de in het vorige lid van dit artikel genoemde, welke op de voet van het [SER-besluit Fusiegedragsregels 1975](onbekend) vóór de datum van inwerkingtreding van het [SER- besluit Fusiegedragsregels 2000](onbekend) ter kennis van de Commissie zijn gebracht blijft de Commissie belast tot uiterlijk 5 maart 2002. De alsdan nog niet afgesloten zaken worden per die datum ter afhandeling overgedragen aan het secretariaat van de raad of, voor zoveel nodig, aan de Geschillencommissie Fusiegedragsregels bedoeld in [artikel 9 van het SER-besluit Fusiegedragsregels 2000](onbekend). Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":12555,"b":"Besluit van de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) te Rijswijk tot regulering van de wijze van digitale indiening van informatieaanvragen en verzoeken in het kader van de Wet open overheid gelet op [artikelen 4:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4), [4:5 lid 1 sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5), [2:15 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:15) en [artikel 4.1, tweede lid, van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=4.1), Besluit: Artikel 1 Bijgevoegd contactformulier (webformulier) wordt vastgesteld voor het digitaal indienen van informatieaanvragen en verzoeken in het kader van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). Dit contactformulier wordt opgenomen op de website van het CBR bij de landingspagina over de Wet open overheid. Artikel 2 Digitale informatieaanvragen en verzoeken in het kader van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) worden in het belang van de efficiënte en effectieve beantwoording daarvan in behandeling genomen indien gebruik wordt gemaakt van het contactformulier bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047652&artikel=1&z=2022-12-20&g=2022-12-20). Een andere vorm van digitale indiening kan worden geweigerd. Het in zulk een indiening opgenomen verzoek in het kader van de Wet open overheid kan buiten behandeling worden gesteld mits de indiener de gelegenheid heeft gekregen het gebrek aan de indiening te herstellen. Artikel 3 Aan de Manager Juridische Zaken van het CBR wordt mandaat verleend voor het nemen van besluiten met betrekking tot het vaststellen c.q. wijzigen van de (inhoud) van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047652&artikel=1&z=2022-12-20&g=2022-12-20) genoemde contactformulier. Artikel 4 Dit besluit treedt na bekendmaking per direct in werking. Bijlage Dit"},{"i":12541,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 mei 2007, nr. DGW/DIEB2007011748, houdende vaststelling van het organisatieonderdeel project afbouw Informatie, Beheer en Subsidieregelingen en verlening van mandaat, volmacht en machtiging ten behoeve van dit organisatieonderdeel (Besluit project afbouw IBS 2007) In overeenstemming met de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en formatie rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009500&artikel=2) en op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 32, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister voor Wonen, Wijken en Integratie; - b. Ministerie: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - c. Project afbouw IBS: project afbouw Informatie, Beheer en Subsidieregelingen; - d. coderegeling 37: huursubsidietijdvak 1 juli 2005 tot 31 december 2005. Artikel 2. Taken en bevoegdheden van het project afbouw IBS 1. Er is een project afbouw IBS, zijnde een dienstonderdeel van het directoraat-generaal Wonen, Wijken en Integratie. 2. Het project afbouw IBS staat onder leiding van een programmamanager. 3. De taken van het project afbouw IBS zijn: - a. het uitvoeren van de huursubsidiewet tot en met coderegeling 37; - b. het leveren van een bijdrage aan de totstandkoming van het volkshuisvestingsbeleid; - c. het (administratief en rekenkundig) verwerken van (financiële) beleidsregels op het gebied van de volkshuisvesting tot en met coderegeling 37; - d. het zorgdragen voor de gevalsbehandeling b"},{"i":13979,"b":"Besluit van 15 oktober 2018 van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, nr. ANVS-2018/20017, tot het vaststellen van een procedureregeling voorkomen en oplossen belangenconflicten Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (Procedureregeling belangenconflicten ANVS) Gelet op [artikel 8 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Personeel afkomstig uit sector 1. De Autoriteit zorgt ervoor dat personen, die direct voorafgaande aan hun indiensttreding bij de Autoriteit werkzaam waren bij een vergunninghouder ingevolge de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) of bij een andere (rechts)persoon waarop de Autoriteit toezicht op de naleving van regels op grond van de Kernenergiewet houdt, in de eerste twee jaar na indiensttreding bij de Autoriteit geen werkzaamheden verrichten die betrekking hebben op deze vergunninghouder of (rechts)persoon. 2. Van het eerste lid kan worden afgeweken, indien schriftelijke afspraken zijn gemaakt die mogelijke belangenconflicten voldoende voorkomen. Artikel 2. Niet-ambtelijk personeel 1. In overeenkomsten met niet-ambtelijk personeel dat onder gezag van de Autoriteit komt te staan, worden bepalingen opgenomen die ertoe leiden dat [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, en tweede lid, aanhef en onder a, van de Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=8) en de Gedragscode Integriteit Rijk 2016 van overeenkomstige toepassing zijn. 2. Het in het eerste lid bedoelde personeel tekent de in de bijlage opgenomen Model Integriteitsverklaring Rijk voor externen van de Gedragscode Integriteit Rijk 2016. Artikel 3. Adviserende of ondersteunende diensten In overeenkomsten die de Autoriteit met externe dienstverlenende instanties of bureaus aangaat, worden voldoende waarborgen opgenomen om belangenconflicten te voorkomen of op te lossen. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werk"},{"i":14145,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende vaststelling van de in luchtvaartuigen aanwezige navigatie- en telecommunicatie-installaties en de voor die installaties geldende eisen en gebruiksregels (Regeling navigatie- en telecommunicatie-installaties) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=40), [44a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=44a), en [49, eerste lid, van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=49); Besluit: Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Communicatie- en navigatieapparatuur Artikel 2 1. Voor het uitvoeren van een vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig niet zijnde een staatsluchtvaartuig voor zover het betreft: - a. een vliegtuig met turbine motoren met een maximaal toegelaten startmassa boven 15.000 kg of met een goedgekeurde configuratie voor meer dan 30 zitplaatsen voor passagiers, of - b. een vliegtuig met turbine motoren met een maximaal toegelaten startmassa boven 5700 kg of met een goedgekeurde configuratie voor meer dan 19 zitplaatsen voor passagiers met ingang van 1 januari 2005, uitgerust met een Airborne Collision Avoidance System van de tweede generatie (ACAS II), dat voldoet aan de eisen gesteld in bijlage 10, boek IV, van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart. 2. Het eerste lid is voor een in dat lid bedoeld luchtvaartuig niet van toepassing indien de Eurocontrol-organisatie met betrekking tot dat luchtvaartuig een daartoe strekkende verklaring heeft afgegeven. De verklaring wordt meegevoerd tijdens de vlucht. Artikel 3 1. Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam is een luchtvaartuig uitgerust met: - a. een VHF-zend/ontvangstinstallatie die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 5, eerste, tweede en vierde lid, van Verorden"},{"i":12436,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 24 april 2020, nr. 19135433, houdende inwilliging AVV-verzoek varkenshouderijsector De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op de artikelen 164 en 165 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347) en [paragraaf 5 van de Regeling producenten- en brancheorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035634); Gelet op de inhoud van de aanvraag van de vereniging Producenten Organisatie Varkenshouderij wordt het verzoek ingewilligd onder het stellen van de hierna genoemde voorschriften en beperkingen; Besluit: Artikel 1 In de [artikelen 1 tot en met 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043561&artikel=2&z=2020-05-23&g=2020-05-23) van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Verordening 1308/2013:** Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. **POV:** de vereniging Producenten Organisatie Varkenshouderij; - c. **Onderzoeksagenda:** de Onderzoeksagenda varkenshouderij 2017–2020 en de onderzoeksvoorstellen F–J, zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043561&bijlage=A&z=2020-05-23&g=2020-05-23) van dit besluit; - d. **Registratieregeling POV:** Regeling verplichte registratie bijdrage onderzoeksagenda voor de Nederlandse varkenshouderij, zoals opgenomen in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043561&bijlage=B&z=2020-05-23&g=2020-05-23) van dit besluit; - e. **Bijd"},{"i":12442,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 4 januari inzake volginnovatie 2015 III Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 3.5.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.5.17), [3.9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [4.2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.16), [4.2.37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.37), [4.2.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.65), [4.2.72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.72), [4.2.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.86), [4.2.107](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.107) en [4.2.113 van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.113); Gelet op [artikel 1, tweede lid, van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035991&artikel=1): Gelet op [artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=8); Besluit: Artikel 1 1. Op grond van het vorenstaande worden van alle verleende innovatiegelden in het kader van de uitvoering van bovengenoemde regelingen, de gegevens gepubliceerd met betrekking tot: In alle gevallen: - •. Aanvrager/ penvoerder; - •. Postcode van aanvrager/ penvoerder; - •. Verleend bedrag in euro’s; - •. Jaar van verlening; - •. Programma of regeling (beleidsinstrument op de Rijksbegroting); Voor zover door de aanvrager reeds toestemming is verleend: - •. Projecttitel; - •. Projectomschr"},{"i":12503,"b":"Besluit Onderscheidingsvlag Nederlandse Kustwacht de Hoge Raad van Adel gehoord; Besluit: Artikel 1 1. De Onderscheidingsvlag van de Nederlandse Kustwacht bestaat uit drie banen, waarvan de hoogten zich verhouden als 54:10:13, met de kleuren oranje, wit en blauw. Op de oranje baan, bij de broeking, is het embleem van de Nederlandse Kustwacht verbeeld. 2. De omschrijving van het embleem luidt: in een rond schild, bezaaid met blokjes, een leeuw, gekroond met een kroon van drie bladeren en twee parelpunten, in de rechtervoorklauw opgeheven houdend in schuinlinkse stand een zwaard en in de linker- een bundel van zeven pijlen, te samen gebonden met een lint. Het schild is geplaatst op een achtpuntige rozet, gaande over twee schuingekruiste klare ankers en gedekt met de Koninklijke kroon. De blokjes zijn op gelijke onderlinge afstand van elkaar geplaatst, in een gelijkmatige verdeling over het veld. De leeuw heeft een witte staart, voorzien van twee witte kwasten. 3. De vormgeving en de kleurstelling van de Onderscheidingsvlag zijn in overeenstemming met de afbeelding in kleur, die als bijlage bij dit Besluit is gevoegd. Artikel 2 De Onderscheidingsvlag van de Nederlandse Kustwacht wordt gevoerd door de schepen en bij de walinrichtingen van de Kustwacht. Artikel 3 Dit Besluit treedt in werking op de dag na die van de uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit Besluit wordt aangehaald als: Besluit Onderscheidingsvlag Nederlandse Kustwacht. Bijlage Dit Besluit, waarvan afschrift wordt gezonden aan de Hoge Raad van Adel, wordt met de bijlage in de Staatscourant geplaatst."},{"i":12539,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 3 juli 2014, nr. 535010, houdende de vaststelling van het prijsbeleid van het Nederlands Forensisch Instituut (Besluit Prijsbeleid NFI) Gelet op [artikel 4, tweede en derde lid, van Regeling Taken Nederlands Forensisch Instituut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031558&artikel=4); Besluit: Artikel 1 1. Het NFI brengt voor de levering van een product of dienst of een pakket aan diensten een prijs in rekening die tenminste gelijk is aan de doorberekening van de integrale kosten van de daadwerkelijk geleverde product, dienst of pakket aan diensten. 2. Indien sprake is van een zaak van groot maatschappelijk of internationaal belang dan wel waar het bijzondere omstandigheden betreft, kan de minister van Veiligheid en Justitie besluiten dat het NFI een dienst of product tegen een afwijkende prijs levert. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juli 2013. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Prijsbeleid NFI. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15159,"b":"Wet van 15 maart 2023, houdende tijdelijke wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de Faillissementswet en de Wet op de economische delicten in verband met het vergroten van transparantie bij de ontbinding van rechtspersonen zonder baten en de invoering in dat kader van de mogelijkheid van een civielrechtelijk bestuursverbod (Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat er tijdelijk meer behoefte zal zijn om gebruik te maken van de ontbinding zonder baten en dat het daarom wenselijk is om er met een vooralsnog tijdelijke aanpassing van enkele bepalingen in [Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045), de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) voor te zorgen dat bij het gebruik van dit instrument de transparantie wordt vergroot, de verantwoording daarover wordt verbeterd en misbruik wordt tegengegaan, teneinde het vertrouwen in het instrument te vergroten en misbruik van het instrument tegen te gaan; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV 1. Op bestuurders van rechtspersonen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 19b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](onbekend) zijn ontbonden en gelijktijdig hebben opgehouden te bestaan overeenkomstig [artikel 19 lid 1 onderdeel a en lid 4 van dat boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=19), blijft het op het tijdstip van ontbinding geldende recht van toepassing. 2. Op bestuurders van rechtspersonen die voor het ti"},{"i":12490,"b":"Besluit van de van de secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van 19 mei 2026, nr. WJZ/106344637, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging SG EZK 2026) Gelet op [artikel 13 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052019&artikel=13); Besluit: Artikel 1 Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat wordt ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en beslissingen en het verrichten van overige handelingen ten aanzien van medewerkers voor wie salarisschaal 15 of hoger van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden betreffende: - a. het aanbieden van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor onbepaalde of bepaalde tijd en het beëindigen van een arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen het met wederzijds goedvinden beëindigen van de arbeidsovereenkomst en het opzeggen van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden in de zin van [artikel 7:677, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=677); - b. het toekennen van een hogere salarisschaal; - c. het verlenen van kortdurend en langdurend verlof ten behoeve van het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, bedoeld in hoofdstuk 4 van de CAO Rijk; - d. het opdragen van een andere functie; - e. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden; - f. het toekennen van een terugkeergarantie, al dan niet op grond van het Van-Werk-Naar-Werk-beleid (VWNW); - g. het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van het VWNW; - h. het toekennen van schadeloosstellingen, vergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen boven een bedrag van € 10.000; - i. het opleggen van straffen als bedoeld in hoofdstuk 15 van de CAO Rijk; - j. de"},{"i":12527,"b":"Besluit oprichten en instandhouden basisbedrijvenregister Gelet op artikel 6 van het Besluit informatievoorziening in de rijksdienst 1990 en de brief aan de Tweede Kamer inzake een stelsel van basisregistraties (Kamerstukken II 2001/02, 26 387, nr.11); Overwegende dat behoefte is aan een basisbedrijvenregister om de informatieuitwisseling tussen organisaties met een publiekrechtelijke taak doelmatiger te laten verlopen en de kwaliteit van bestaande registraties te verbeteren; Besluit: Artikel 1 De directeur ICT van het directoraat-generaal Innovatie is belast met de zorg voor de aanleg en de ontwikkeling van: - a. een basisbedrijvenregister met identificerende gegevens van in Nederland gevestigde bedrijven; - b. een beveiligd netwerk voor het met behulp van telecommunicatie geautomatiseerd verzenden en ontvangen van berichten in verband met het basisbedrijvenregister. Artikel 2 De directeur ICT is belast met de exploitatie van het basisbedrijvenregister. Artikel 3 De directeur ICT van het directoraat-generaal Innovatie draagt er zorg voor dat de gegevens, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014083&artikel=1&z=2003-01-01&g=2003-01-01), uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van publiekrechtelijke taken voor identificatie van bedrijven en verificatie van gegevens over bedrijven door een orgaan van een door de Minister van Economische Zaken aangewezen instelling die met de uitvoering van publiekrechtelijke taken is belast. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12514,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 26 november 2025, tot openstelling van het digitaal bestuurlijk verkeer met de Autoriteit Consument en Markt (Besluit openstelling digitale weg ACM) Gelet op [artikelen 2:13, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), [2:14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14) en [2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:15), Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - –. **Officieel bericht:** een bericht, bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), dat deel uitmaakt van een procedure over een besluit of een klacht of een ander krachtens wettelijk voorschrift voorgeschreven bericht; - –. **Niet-officieel bericht:** andere berichten dan officiële berichten, reclame niet inbegrepen. Paragraaf 2. Verzenden van elektronische berichten Artikel 2 1. Een ieder kan een officieel bericht elektronisch aan de ACM verzenden; 2. De ACM kan, behoudens de gevallen bedoeld in [artikel 2:16, eerste lid van de Algemene wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:16), een officieel bericht weigeren indien: - a. het bericht niet aan de in dit Besluit omschreven eisen voldoet; - b. het bericht niet op de in dit Besluit voorgeschreven wijze is verstuurd; - c. de aanvaarding van het bericht tot een onevenredige belasting voor de ACM leidt; of - d. indien de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van het bericht onvoldoende is gewaarborgd, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt. 3. Tegen een weigering van ontvang"},{"i":15161,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (kenmerk DGNV-NV/104801078) van 10 april 2026, tot wijziging van het ‘Toegangbeperkend Besluit Waddenzee & Noordzeekustzone’ inhoudende een wijziging in beperking ten aanzien van de toegankelijkheid van een tweetal gebieden gelegen binnen het Natura 2000-gebied Waddenzee, op grond van artikel 2.45, lid 1 juncto lid 2, van de Omgevingswet (citeertitel ‘Toegangbeperkend Besluit Waddenzee; wijziging Feugelpôlle & Simonszand’) De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur besluit gelet op [artikelen 2.45, lid 1 en 2, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.45) (hierna: Ow): De aangepaste begrenzing van de ‘Feugelpôlle’ is vervat in de coördinaten zoals in onderstaande opgenomen. Daarbij is tevens een indicatief kaartbeeld opgenomen. De onderstaande coördinatenreeks is juridisch leidend in toezicht en handhaving. Bij onderhavig wijzigingsbesluit is ook een hierop ingericht GIS-bestand beschikbaar welke raadpleegbaar is bij de publicatie van onderhavig besluit op [https://puc.overheid.nl/natuurvergunningen/](https://puc.overheid.nl/natuurvergunningen/). Tevens is de aangepaste begrenzing, na verwerking daarvan, raadpleegbaar op de actuele (digitale) vaarkaarten. In het veld wordt de begrenzing, waar fysiek mogelijk, tevens vanuit de beheerder (Rijkswaterstaat) herkenbaar gemaakt middels specifiek daartoe aangebrachte bebordingen. In toezicht en handhaving zal, waar aan de orde, wel rekening gehouden (kunnen) worden met de kenbaarheid van de begrenzing middels de voorgenoemde fysieke kentekens. Het is op grond van [artikel 2.45, lid 1, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.45) verboden in strijd te handelen met een verbod of beperking zoals vastgelegd in een Toegangbeperkend Besluit (hierna: TBB). De wijziging van de begrenzing van het gebied ‘Feugelpôlle’ is geldend tot het moment van onherroepelijk wor"},{"i":15160,"b":"Wet van 19 december 1985, houdende regeling van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat gewijzigde omstandigheden en inzichten het wenselijk maken de Wet van 30 oktober 1930 tot regeling van het toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (**Stb.** 416) door een nieuwe wettelijke regeling te vervangen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze minister: Onze minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. Onze ministers wie het mede aangaat: Onze ministers van defensie, van infrastructuur en milieu, van onderwijs, cultuur en wetenschap, van sociale zaken en werkgelegenheid, en van volksgezondheid, welzijn en sport; - c. de Organisatie: de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO. Artikel 2 Onze minister draagt zorg voor de samenhang en doeltreffendheid van het door de regering met betrekking tot de Organisatie te voeren beleid. Hij treft daartoe, in overeenstemming met Onze ministers wie het mede aangaat, de nodige voorzieningen. Artikel 3 1. Er is een Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO. 2. Zij bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Delft. Hoofdstuk 2. Doelstelling Artikel 4 De Organisatie heeft ten doel ertoe bij te dragen dat op toepassing gericht technisch- en natuurwetenschappelijk onderzoek en daarmee te verbinden sociaal-wetenschappelijk en ander op toepassing gericht onderzoek op doelmatige wijze dienstbaar wordt gemaakt aan het algemeen belang en de daarbinnen te onderscheiden deelbelangen. Artikel 5 De Organisatie tracht haar doel te bereiken door: - a. het verrichten en doen verrichten van het in [artikel 4](https://wett"},{"i":12547,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 november 2010, nr. KO/10/21474 tot het recht op kinderopvangtoeslag bij gastouderopvang in 2010 Gelet op [artikel 1.57a van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.57a); Besluit: Toestemming te geven aan de Belastingdienst om in 2010 op de volgende manier om te gaan met de kassiersfunctie: **Als in 2010 niet gedurende alle maanden waarover toeslag is aangevraagd is voldaan aan de wettelijke verplichting om de betaling van een vraagouder aan een gastouder te laten verlopen via het gastouderbureau, kan Belastingdienst/Toeslagen bij betrokkenen aanvullend bewijs opvragen dat die betaling wel heeft plaatsgevonden en op basis daarvan het recht op kinderopvangtoeslag van de vraagouder vaststellen.** Tevens bevat dit besluit toestemming voor de Belastingdienst om in 2010 geen kinderopvangtoeslag terug te vorderen, als de op basis van [artikel 1.48a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.48a) met Nederland gelijk gestelde voorzieningen voor kinderopvang in het buitenland niet beschikken over het in de [Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252) voor het betreffende gebied genoemde document. Sinds 1 januari 2010 staat in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen dat de betaling van de kinderopvangtoeslag voor de gastouderopvang verloopt door tussenkomst van een gastouderbureau. Dit wordt ook wel de kassiersfunctie genoemd. Gebleken is dat een aantal gastouderbureaus het niet gelukt is om daar de eerste maanden van 2010 aan te voldoen. Bovendien is in begin 2010 de kassiersfunctie in de communicatie naar gastouderbureaus niet als verplichting gepresenteerd. Gegeven bovenstaande situatie verleen ik toestemming dat de Belastingdienst in 2010 op de volgende manier omgaat met de kassiersfunctie: **Als in 2010 niet gedurende alle maanden wa"},{"i":12992,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 juni 2024, nr. 2024-0000351807, tot verlenging van artikel 6t van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet tot en met 31 december 2029 Gelet op [artikel 23.3, achtste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=23.3) en [artikel 4.30 van de Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=4.30); Besluit: artikel Enig De tijdsduur van [artikel 6t van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027929&artikel=6t) wordt met vijf jaar verlengd tot en met 31 december 2029. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12480,"b":"Besluit van de Minister van Defensie houdende instelling van een Nagedachtenisoorkonde en -sculptuur voor nabestaanden (Besluit Nagedachtenisoorkonde en -sculptuur) Besluit: Artikel 1 Ingesteld wordt de Nagedachtenisoorkonde en -sculptuur, hierna aangeduid als ‘beeldset’. Artikel 2 De beeldset wordt toegekend aan de nabestaanden van de militair die op of na 27 december 1949 is omgekomen bij inzet van de krijgsmacht: - a. ter verdediging van het Koninkrijk, waaronder mede begrepen de bondgenootschappelijke verdediging, of - b. ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde. Artikel 3 1. Op de Nagedachtenisoorkonde worden naam, rang en overlijdensdatum vermeld. De Minister van Defensie ondertekent de oorkonde. 2. De Nagedachtenissculptuur heeft de vorm van een wapperende vlag en is gegoten in brons. Aan de voorzijde van de vlag is een strijdende eenheid te zien, bestaande uit vier militairen. Drie van hen zijn grijs gepatineerd. De vierde symboliseert de omgekomen militair. Deze is goudkleurig en is ook aan de achterzijde zichtbaar. Opde voorzijde van de sculptuurworden aan de linkerkantnaam, rang en overlijdensdatum van de omgekomen militair gegraveerd. Artikel 4 Aan de nabestaanden wordt één beeldset uitgereikt. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Nagedachtenisoorkonde en -sculptuur. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit met de toelichting zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14395,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 juni 2015, 2015-0000159867, tot aanwijzing van functies waarvoor de ketenbepaling buiten toepassing wordt verklaard en functies waarbij door de kantonrechter een hogere vergoeding kan worden toegekend indien sprake is van tussentijdse opzegging of ontbinding van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds opzegbaar is (Regeling ketenbepaling bijzondere functies en hogere vergoeding kantonrechter) Gelet op de [artikelen 668a, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=668a), [671c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671c), en [677, zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=677); Besluit: Artikel 1 Als functie, bedoeld in [artikel 668a, achtste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=668a), worden aangewezen: - a. de functie van voetbalspeler die als contractspeler geregistreerd staat bij de sectie betaald voetbal van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond; - b. de functie van trainer coach, assistent-trainer coach, technisch directeur, technisch manager, hoofd scouting, coördinator scouting, hoofd jeugdopleidingen en specialisten trainer, werkzaam in de onder a, bedoelde sectie; - c. de functie van bondstrainer of technisch directeur, werkzaam bij een nationale sportbond; - d. artistieke functies, artistieke steunfuncties en productie- of voorstellingsgebonden functies in de podiumkunstensectoren toneel en dans; - e. de functie van remplaçant in dienst bij de orkesten die lid zijn van de Vereniging van Nederlandse Orkesten of bij de door de Nederlandse orkesten opgerichte Stichtingen Remplaçanten; - f. de presentator, in dienst bij RTL Nederland B.V, die presentatiewerkzaamheden verzorgt voor de media of hieraan een zichtbare of hoorbare onderscheidende bijdrage levert, en van wie het bruto jaarsalar"},{"i":14397,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 oktober 2022, houdende regels omtrent de oprichting en inrichting van een kiescollege voor de Eerste Kamer voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn alsmede wijziging van de Kiesregeling ten behoeve van de verkiezing van de leden van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn en de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer door de leden van dit kiescollege (Regeling kiescollege niet-ingezetenen) Gelet op de [artikelen 27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047384&artikel=27), [36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047384&artikel=36), in samenhang met [artikel D 3, vierde lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=D_3), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047384&artikel=38) in samenhang met [G 6, tweede lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=G_6), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047384&artikel=39) in samenhang met [artikel G 1a van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=G_1a), en [40, zesde lid, van de Wet kiescollege niet-ingezetenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047384&artikel=40) en de [artikelen Pa 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Pa_1) in samenhang met de [artikelen D 3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=D_3), [G 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=G_6), [H 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=H_1), [H 3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=H_3), [H 9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=H_9), [H 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=H_15), [I 18, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=I_18), [M 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000462"},{"i":14392,"b":"Regeling kennis, bedrevenheid en ervaring voor bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen Gelet op [artikel 23, derde lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=23); Besluit: Artikel 1 In deze regeling en in de bij deze regeling behorende bijlagen wordt verstaan onder: Artikel 2 De eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring voor verkrijging van bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlagen, genoemd in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008246&artikel=3&z=1998-05-29&g=1998-05-29), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008246&artikel=4&z=1998-05-29&g=1998-05-29) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008246&artikel=5&z=1998-05-29&g=1998-05-29). Artikel 3 Voor een bewijs van bevoegdheid voor stuurhutpersoneel gelden de op dat bewijs toepasselijke eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring in de bijlage of bijlagen volgens onderstaand schema: | bewijzen van bevoegdheid voor stuurlieden | kennis | bedrevenheid | ervaring | | --- | --- | --- | --- | | bewijzen van bevoegdheid voor stuurlieden | in bijlage nr. | in bijlage nr. | in bijlage nr. | | OEFENBEWIJS - vleugel -en hefschroefvliegtuigen | 1 | 6/96 | 6/96 | | BEPERKT VLIEGTUIGBEWIJS A - vleugelvliegtuigen | 2/98 | 7/96 | 6/96 | | VLIEGBEWIJS A - vleugelvliegtuigen | 2/89 | 7/96 | 6/96 | | VLIEGBEWIJS A - hefschroefvliegtuigen | 2/89 | 7/96 | 6/96 | | VLIEGBEWIJS B3 - vleugelvliegtuigen | 5/95 | 7/96 | 6/96 | | VLIEGBEWIJS B3 - hefschroefvliegtuigen | 5/95 | 7/96 | 6/96 | | VLIEGBEWIJS B2 OF B1- vleugelvliegtuigen | 5/95 | 7/96 | 6/96 | | VLIEGBEWIJS B1 - hefschroefvliegtuigen | 5/95 | 7/96 | 6/96 | | ZWEEFVLIEGBEWIJS | 11 | 11 | 11 | | | | | | | Bewijs van bevoegdheid als BALLONVOERDER | 12 | 12 | 12 | | | | | | | Bewijs van bevoegdheid als BOORDWERKTUIGKUNDIGE | 14 | 6/96 | 6/96 | Artikel 4 Voor een bevoegdverklaring van stuurhutpersoneel gelden de op d"},{"i":15170,"b":"Besluit van 2 juni 2016 inzake rangschikking, oprichtingsdata en genealogieën van eenheden van de Koninklijke Landmacht, heroprichting van twee regimenten en het ongedaan maken van de bewaring van de traditie van het Regiment Huzaren Prins Alexander (Traditiebesluit Koninklijke Landmacht) Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 31 mei 2016, nr. BS2016006731, Directie Juridische Zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Met betrekking tot ceremoniële en traditionele aangelegenheden omvat de Koninklijke Landmacht de volgende wapens en dienstvakken: - –. het Wapen der Infanterie; - –. het Wapen der Cavalerie; - –. het Wapen der Artillerie; - –. het Wapen der Genie; - –. het Wapen van de Verbindingsdienst; - –. het Wapen van de Informatiemanoeuvre; - –. het Dienstvak van de Logistiek; - –. het Dienstvak van de Militair Juridische Dienst; - –. het Dienstvak van de Technische Staf; - –. het Dienstvak van de Militair Psychologische en Sociologische Dienst. Artikel 2 1. De Wapens der Infanterie, der Cavalerie, der Artillerie, der Genie, het Wapen van de Verbindingsdienst, het Wapen van de Informatiemanoeuvre en het Dienstvak van de Logistiek omvatten elk een of meer regimenten of korpsen. 2. De regimenten en korpsen zijn traditionele verbanden; aan de door deze verbanden gedragen traditie hebben alle tot het betrokken regiment of korps behorende eenheden deel, zowel bataljons en afdelingen als eenheden van lager niveau, ongeacht het bevelressort waartoe deze eenheden behoren. 3. Indien een dienstvak geen regiment of korps omvat, is het betrokken dienstvak het traditionele verband. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Voor ceremoniële aangelegenheden geldt de volgende rangschikking: - a. naar de volgorde, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038194&artikel=1&z=2026-02-13&g=2026-02-13); - b. binnen het Wapen der Infanterie: - –. Garderegiment Gre"},{"i":14394,"b":"Regeling kentekens en kentekenplaten Gelet op de [artikelen 36, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36) en [40, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=40), [artikel 2, tweede lid, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=2) en de [artikelen 5.2.1, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=5.2.1), [5.3.1, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=5.3.1), [5.4.1, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=5.4.1), [5.5.1, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=5.5.1), en [5.12.1, onderdeel e, van het Voertuigreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=5.12.1); Besluit: Artikel 1 1. Kentekens bestaan uit een samenstel van: - a. twee groepen van twee cijfers en één groep van twee letters; - b. twee groepen van twee letters en één groep van twee cijfers; - c. één groep van twee cijfers, één groep van drie letters en één cijfer; - d. één groep van twee letters, één groep van drie cijfers en één letter; - e. één groep van drie letters, één groep van twee cijfers en één letter, of - f. één groep van drie cijfers, één groep van twee letters en één cijfer. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid bestaan: - a. kentekens, bevattende de lettergroep AA of CDJ en vóór 1 januari 1991 opgegeven kentekens bevattende de lettergroep CD uit een samenstel van genoemde lettergroep en één groep van ten hoogste drie cijfers, - b. kentekens als bedoeld in [artikel 4, derde lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=4) uit een samenstel van de lettergroep ZZ of ZZZ en twee groepen van twee cijfers respectievelijk één cijfer en één groep van twee cijfers, - c. kentekens als bedoeld in [artikel 4, derde lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement](https://wetten.over"},{"i":12483,"b":"Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis Caribisch Nederland) Dit besluit is een actualisatie van het ingetrokken [besluit van 28 juni 2021, nr. 2021-121257](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045305) (Stcrt. 2021, 33904). 1. Inleiding 2. Uitstel van betaling van belastingschulden 3. Betalingsverzuimboeten 4. Gebruikelijk loon 2020 en 2021 AB-houders 5. Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren & subsidie financiering vaste lasten MKB Tot de winst van een onderneming behoren tegemoetkomingen op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 BES (TOGS) en subsidies op grond van de [Regeling subsidie financiering vaste lasten getroffen ondernemingen Covid-19 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043994). Deze tegemoetkomingen en subsidies stel ik evenwel vrij van de heffing van inkomstenbelasting. Op Caribisch Nederland is het uitstel van betaling anders vormgegeven dan in Europees Nederland. Dit wordt onder meer veroorzaakt door de op Caribisch Nederland geldende fiscale wet- en regelgeving. Het fiscale stelsel van Europees Nederland is aanzienlijk complexer en uitgebreider en kent veel meer belastingen dan het fiscale stelsel van Caribisch Nederland. Het fiscale stelsel van Caribisch Nederland is gebaseerd op het voormalige Nederlands Antilliaanse stelsel en is toegespitst op de lokale omstandigheden van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, ook wat betreft uitvoerbaarheid en handhaving. Met name de fiscale behandeling van ondernemers wijkt in belangrijke mate af van die in Europees Nederland. Naast eenvoud is één van de doelstellingen achter het stelsel dat het aantrekkelijk is voor (startende) ondernemers. Zo kent Caribisch Nederland geen winstbelasting zoals de vennootschapsbelasting, maar in plaats daarvan een vastgoedbelasting. Gebruikelijk in Caribisch Nederland is dat ook kleine ondernemers hun onderneming drijven in een naamloze vennootschap of besloten"},{"i":13892,"b":"Besluit van de Algemeen Directeur van het CIBG van 30 januari 2024, nr. CIBG 24-06549, houdende verlening van ondervolmacht aan de directeuren en hoofden van enkele afdelingen van het CIBG Gelet op [artikel 16, tweede lid, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan de hoofden van de hierna te noemen afdelingen wordt de bevoegdheid verleend om in de naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister voor Langdurige Zorg en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten tot een bedrag van € 33.000 exclusief btw, voor zover betrekking hebbend op het werkterrein van de functie: - –. Applicatie- en Servicemanagement; - –. Authenticatie en Gegevensverstrekking; - –. CIO Office; - –. Delivery; - –. Farmatec; - –. Functioneel Beheer; - –. HRM; - –. Klant en Communicatie; - –. Bureau LCH; - –. Publieke Knooppunten en Registers; - –. Toelating en Toezicht. Artikel 2 Aan de Directeur Operationele Zaken/COO, de Directeur Informatiemanagement/CIO en de Directeur bedrijfsvoering/CFO wordt de bevoegdheid verleend om namens de Minister voor Medische Zorg, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten tot een bedrag van € 100.000 exclusief btw, voor zover betrekking hebbend op het werkterrein van de functie. Artikel 3 Het [besluit van de Directeur van het Agentschap CIBG van 29 mei 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039668), nr. CIBG-17-04538, houdende verlening van ondervolmacht aan de Chief Finance Officer, de Chief Information Officer en de Chief Operational Officer en aan de hoofden van twee afdelingen van het Agentschap CIBG wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Ondervolmachtbesluit CIBG. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van"},{"i":13893,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Algemeen Directeur van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen van 25 februari 2025, kenmerk 4076335-1080343-DUS-I, houdende de verlening van personele en financiële ondervolmachten aan de directeuren Uitvoering en Bedrijfsvoering en afdelingshoofden van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen Gelet op [artikel 17, eerste lid, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17), Gelet op [artikel 10, derde lid, van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10), Besluit: Artikel 1 Aan de volgende functionarissen wordt ondervolmacht verleend voor te sluiten en gesloten arbeidsovereenkomsten, voorzover in het bereik van hun gezagsdomein en behoudens de in de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768) genoemde beperkingen: - a). de directeur Uitvoering; - b). de directeur Bedrijfsvoering; - c). het afdelingshoofd van de onderscheidenlijke afdelingen: - 1°. A tot en met J; - 2°. Interne Controle; - 3°. Control en Facilitair; - 4°. HR, Communicatie en Klantcontact; - 5°. Kwaliteit- en Bestuurszaken; - 6°. Informatievoorziening. Artikel 2 Met inachtneming van het kader genoemd in de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710) wordt ondervolmacht verleend om op het eigen werkterrein privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten: - a). aan de functionarissen genoemd in [artikel 1, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051316&artikel=1&z=2025-07-25&g=2025-07-25), van dit besluit, in het kader van inhuurcontracten tot een maximumbedrag van € 250.000,– inclusief btw; - b). de functionaris genoemd in [artikel 1, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051316&artikel=1&z=2025-07-25&g=2025-07-25), van dit besluit, in het kader van inkoop"},{"i":13912,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2008, nr. PO&I/2008/34894, houdende de inrichting van de organisatie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alsmede verdeling van taken en verlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en formatie rijksdienst 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023020&artikel=2) en [10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **het ministerie:** het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **bewindspersoon:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of de Minister van Werk en Participatie, afhankelijk van wie het aangaat; - c. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon besluiten te nemen; - d. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - f. **vertegenwoordigingsbevoegdheid:** de bevoegdheid om namens een bewindspersoon, onder diens verantwoordelijkheid en met inachtneming van diens algemene en bijzondere aanwijzingen, besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten dan wel handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - g. **bedrijfsvoering:** de sturing en beheersing van bedrijfsprocessen om de gestelde (beleids)doelstellingen te kunnen realiseren; - h. **Commissie Management Development:** de commissie, bestaande uit de functionarissen, genoemd in [artikel 3, onderdelen a tot en met e](https://wetten.overheid"},{"i":12532,"b":"Organisaties gerechtigd tot het benoemen van SER-leden Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken van 27 februari 1980, Directoraat-Generaal voor Algemene Beleidsaangelegenheden, Directie Bedrijfsorganisatie, Ondernemingsraden en Bezitsvorming, nr. 20.768, de Sociaal-Economische Raad gehoord; Gelet op [artikel 4, tweede, vijfde en zevende lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De volgende organisaties worden aangewezen tot het benoemen van het achter hun naam vermelde aantal leden van de Sociaal-Economische Raad: - a. organisaties van ondernemers: | Vereniging VNO-NCW: | 8 leden | | --- | --- | | Koninklijke Vereniging MKB-Nederland: | 3 leden | | Land- en Tuinbouworganisatie Nederland: | 1 lid | - b. organisaties van werknemers: | Federatie Nederlandse Vakbeweging: | 8 leden | | --- | --- | | Christelijk Nationaal Vakverbond: | 2 leden | | Vakcentrale voor Professionals: | 2 leden | Artikel 2 Ons besluit van 3 maart 1970, Stcrt. 51, sedertdien gewijzigd, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1980. Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit organisaties gerechtigd tot het benoemen van SER-leden."},{"i":13514,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 15 april 2005, nr. 5347827/05/NCTb, houdende de instelling van de commissie Toegangsbeheer Schiphol (Instellingsbesluit commissie Toegangsbeheer Schiphol) Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Er is een commissie Toegangsbeheer Schiphol, hierna te noemen de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak inzicht te verschaffen in het toegangsbeheer van en naar airside op de luchthaven Schiphol, waarbij met name zal worden bezien de toegang van personen, voertuigen en goederen naar het platform, de bagagekelder en de terminal, alsmede het toegangspassensysteem. Artikel 3 1. De commissie is als volgt samengesteld: - –. de heer I. Hutcheson; - –. de heer R.K. Oord; - –. de heer R. Uijlenhoet. 2. De commissie wijst uit haar midden een voorzitter aan. Artikel 4 Als secretaris wordt aangewezen een ambtenaar van het Ministerie van Justitie. Artikel 5 1. De commissie is bevoegd zich binnen het kader van haar taak rechtstreeks te wenden tot alle instanties en personen die aan het uitvoeren van de taak een bijdrage kunnen leveren. 2. De commissie is bevoegd om kennis te nemen van alle stukken die zij nodig acht en die zich binnen de relevante overheidsdiensten bevinden. Artikel 6 De commissie brengt zo spoedig mogelijk schriftelijk verslag uit over haar bevindingen en de daaraan te verbinden conclusies en aanbevelingen. Artikel 7 1. Het beheer van de archiefbescheiden van de commissie geschiedt door de secretaris van de commissie met inachtneming van de terzake geldende bepalingen van het beheersreglement van het ministerie van Justitie. 2. Bij opheffing van de commissie worden de archiefbescheiden overgedragen aan het centraal archief van het ministerie van Justitie. Artikel 8 Op de voorzitter en de leden van de commissie zijn het [Reisbesluit Binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889) en het [Reisbesluit Buitenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006842) van toe"},{"i":13969,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2009, nr. CZ/TSZ-2969842, houdende vaststelling van het Planningsbesluit PCI’s, ICD’s en THI’s Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=5) en [6, tweede lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=6); Besluit: Artikel 1 De omvang van de behoefte aan percutane coronaire interventies (PCI’s) en het plaatsen van implanteerbare cardioverter defibrillatoren (ICD’s), de wijze waarop in deze behoefte kan worden voorzien en de voorschriften waaraan uitvoerende centra moeten voldoen, zijn neergelegd in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Wijzigt het Planningsbesluit bijzondere interventies aan het hart 2008. Artikel 4 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Het [Planningsbesluit bijzondere interventies aan het hart 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023804) zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan de dag waarop dit besluit in werking treedt, blijft van toepassing op voor de inwerkingtreding van dit besluit ontvangen aanvragen van een vergunning tot het verrichten van PCI’s of het plaatsen van ICD’s. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Planningsbesluit PCI’s en ICD’s. Bijlage 1. Begripsbepaling Ingevolge het [Besluit aanwijzing bijzondere medische verrichtingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022191) is het verboden om zonder vergunning van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bijzondere interventies aan het hart uit te voeren. Bijzondere interventies aan het hart omvatten alle chirurgische ingrepen aan het hart, de coronaire vaten en de aortaboog (inclusief percutane behandelingen van hartklepafwijkingen), percutane coronaire interventies (PCI’s) en alle invasieve ritmebehandelingen waaronder de plaatsing van een implanteerba"},{"i":12546,"b":"Besluit randapparatuur BES § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469); - b. **toezicht houdende ambtenaar:** een ambtenaar als bedoeld in [artikel 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028396&paragraaf=8&artikel=19&z=2022-05-13&g=2022-05-13); - c. **technische eisen:** een document, uitgegeven door een deskundige, onafhankelijke nationale of internationale instelling, waarin technische specificaties voor randapparatuur alsmede methoden voor het testen van randapparatuur aan deze specificaties zijn omschreven; - d. **verklaring van conformiteit:** een bewijsstuk als bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028396&paragraaf=4&artikel=6&z=2022-05-13&g=2022-05-13); - e. **verklaring van toelating:** een bewijsstuk als bedoeld in [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028396&paragraaf=5&artikel=8&z=2022-05-13&g=2022-05-13); - f. **bewijs van goedkeuring:** een bewijsstuk als bedoeld in [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028396&paragraaf=7&artikel=9&z=2022-05-13&g=2022-05-13); - g. **het installeren van randapparatuur:** het beroeps- of bedrijfsmatig aanleggen en onderhouden van randapparatuur. Artikel 1a Dit besluit berust op de artikelen [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=22), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=23), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=31) en [33, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=33). § 2. Technische eisen Artikel 2 1. Onze Minister stelt per type randapparatuur en voor interne netten technische eisen vast waaraan deze moet voldoen. Deze technische eisen kunnen per openbaar lichaam verschillend zijn. 2. Een besluit tot wijziging van de technische ei"},{"i":12481,"b":"Besluit van 2 februari 1994, tot instelling van de Nationale Unesco Commissie Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 25 januari 1994, nr. 93096648/7162, directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Ministers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, van Buitenlandse Zaken en voor Ontwikkelingssamenwerking; Overwegende dat het wenselijk is de Nationale Unesco Commissie in afwachting van de totstandkoming van een structurele regeling opnieuw op voorlopige grondslag bij koninklijk besluit in te stellen en de taakstelling, de wijze van samenstelling en inrichting alsmede de werkwijze van de Nationale Unesco Commissie te wijzigen ten opzichte van de Voorlopige Nationale Unesco Commissie, ingesteld bij koninklijk besluit van 3 mei 1988 (**Stb.** 254); Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Ministers: Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; - b. de Unesco: de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, opgericht bij het op 16 november 1945 te Londen tot stand gekomen statuut (**Trb.** 1960, 131); - c. de Commissie: de Nationale Unesco Commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006443&paragraaf=2&artikel=2&z=2014-07-01&g=2014-07-01). § 2. Instelling en taken Artikel 2. Instelling Er is een Nationale Unesco Commissie. Artikel 3. Taken 1. De Commissie streeft er naar de doelstellingen van de Unesco zo breed mogelijk ingang te doen vinden in Nederland en bevordert de deelneming van daarvoor in aanmerking komende personen en instellingen aan de voorbereiding en uitvoering van programma's van de Unesco. Daartoe werkt zij samen met de Unesco, met de Nationale Unesco Commissies van de overige Lid-Staten van de Unesco en met de daarvoor in aanmerking komende personen en instellingen in Ned"},{"i":15174,"b":"Tuchtreglement COKZ 2012 gelet op [artikel 13, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=13) (Stb. 1971, 371) en [artikel 2 van het Tuchtrechtbesluit Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003252&artikel=13), heeft in zijn vergadering van 25 mei 2012 het navolgende reglement vastgesteld: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Definities Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: - **bestuur:** het bestuur van de stichting; - **betrokkene:** degene, die een overtreding van een voorschrift als bedoeld in [artikel 13, eerste lid, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=13), begaat;. - **landbouwkwaliteitsbesluit:** algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=2); - **Minister:** de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - **secretaris:** de secretaris van het tuchtgerecht, dan wel bij diens ontstentenis of verhindering de adjunct-secretaris; - **statuten:** de statuten van de stichting; - **stichting:** Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel; - **tuchtgerecht:** tuchtgerecht als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031790&artikel=2&z=2012-07-01&g=2012-07-01) van het reglement; - **voorschrift:** bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit gestelde regel met betrekking tot producten, ten aanzien waarvan toezicht en/of keuring aan de stichting is opgedragen; - **voorzitter:** de voorzitter van het tuchtgerecht, dan wel bij diens ontstentenis of verhindering de vice-voorzitter; - **NCAE:** Nederlandse Controle Autoriteit Eieren, dienstonderdeel van de stichting, inzake controle en toezicht op eieren en pluimveevlees. Instelling, samenstelling en bevoegdheid van het tuchtgerecht Artikel 2 1. Het tuchtgerecht van de stichting, als bedoeld in artike"},{"i":15175,"b":"Wet van 1 oktober 1998, houdende voorzieningen betreffende de totstandbrenging en de exploitatie van een vaste oeververbinding onder de Westerschelde door een naamloze vennootschap (Tunnelwet Westerschelde) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de totstandbrenging en exploitatie van een vaste oeververbinding onder de Westerschelde door een privaatrechtelijke rechtspersoon, bijzondere wettelijke voorzieningen te treffen, waaronder de machtiging, bedoeld in [artikel 29 van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=29), voor de oprichting van de rechtspersoon; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - b. de NV: de naamloze vennootschap, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009930&paragraaf=2&artikel=2&z=2024-03-25&g=2024-03-25); - c. de exploitant: de NV, of de rechtspersoon met wie de NV is overeengekomen dat die rechtspersoon de tunnel met aansluitende wegen en bijbehorende werken, of een deel ervan, zal exploiteren. 2. Op de in deze wet gebruikte woorden motorrijtuig, personenauto en motorrijwiel zijn de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=2) en[3 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=3) van toepassing. § 2. Oprichting vennootschap Artikel 2 1. Onze Minister wordt gemachtigd namens de Staat der Nederlanden een naamloze vennootschap op te richten en deel te nemen in het bij de oprichting door hem vast te stellen kapitaal, alsmede deel te nemen in verdere plaatsing van het kapitaal. 2. De NV heeft als doel een tunnel onder de Wester"},{"i":15176,"b":"Wet van 1 december 2011 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met de invoering van een tussenregeling voor valutaresultaten op deelnemingen (Tussenregeling valutaresultaten op deelnemingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het omwille van een evenwichtige belastingheffing en mede om budgettaire redenen wenselijk is een tussenregeling in te voeren voor positieve valutaresultaten op deelnemingen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met vrijdag 8 april 2011 17.00 uur. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Tussenregeling valutaresultaten op deelnemingen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17130,"b":"Instellingsbesluit Klachtenadviescommissie Wsnp Gelet op: [artikel 3 lid 3 van de Klachtenregeling bewindvoerders Wsnp II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034045&artikel=3) (Stcrt. 2013, 29038); [artikel 1 van de Regeling van de Minister van Justitie van 23 juli 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026208&artikel=1), nr. 5612426/09, houdende verlening van mandaat aan de Raad voor rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch betreffende het verlenen van subsidies en het vaststellen van beleidsregels dienaangaand (Staatscourant 2009, 11554); [artikel 1 van het Besluit ondermandatering Raad voor Rechtsbijstand Wsnp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031025&artikel=1) (Staatscourant 2011, 23891) Besluit Artikel 1 De Raad besluit tot instelling van de Klachtenadviescommissie Wsnp. De werkzaamheden van de commissie hebben reeds een aanvang genomen. Artikel 2 De Raad benoemt tot voorzitter van deze commissie mevrouw mr. D.M.I. de Waele (senior rechter en rechter-commissaris in Insolventies bij de rechtbank Oost-Nederland), tot plaatsvervangend voorzitter en lid de heer mr. M.H.F. van Vugt (rechter/rechter-commissaris bij de rechtbank Midden-Nederland, afdeling Civiel recht, team Insolventies Utrecht) en tot leden de heer mr. J.T.J. Gorissen (advocaat en partner bij Vondenhoff & Sijben advocaten, lid van Insolad), de heer C.J. van der Linden (bewindvoerder Wsnp/curator en voorzitter van de branchevereniging voor bewindvoerders Wsnp), mevrouw E.M. van Ooijen, bewindvoerder Wsnp en de heer F.D. Lassing, bewindvoerder Wsnp/curator. Artikel 3 De commissie heeft tot taak het adviseren van de Raad voor Rechtsbijstand betreffende klachten die op basis van de [Klachtenregeling bewindvoerders Wsnp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034045) bij de Raad worden ingediend en behandeld. De commissie kan daarnaast de Raad voor Rechtsbijstand adviseren over beleidsaanbevelingen op basis van de resultaten van de klachtenprocedures. Artikel 4 De leden van de commissie"},{"i":19022,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 juli 2023, nr 4718153, houdende de instelling van de regeringscommissaris nieuw Wetboek van Strafvordering (Instellingsbesluit regeringscommissaris nieuw Wetboek van Strafvordering) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **ministers:** de Minister voor Rechtsbescherming en de Minister van Justitie en Veiligheid; - –. **nieuw Wetboek van Strafvordering:** de verschillende wetsvoorstellen binnen het wetgevingsproject nieuw Wetboek van Strafvordering; - –. **regeringscommissaris:** de regeringscommissaris nieuw Wetboek van Strafvordering. Artikel 2 1. Er is een regeringscommissaris nieuw Wetboek van Strafvordering. 2. De regeringscommissaris is onder verantwoordelijkheid van de ministers belast met de advisering over de systematische samenhang in het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Artikel 3 De regeringscommissaris heeft de volgende taken: - a. het bijdragen aan de voorbereiding van de wetgeving voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering door gevraagd en ongevraagd te adviseren over systematische vraagstukken die zich aandienen bij de totstandbrenging van het wetboek en het overgangsrecht daarbij; - b. het als deskundige bijstaan van de ministers bij de parlementaire behandeling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Artikel 4 1. Als regeringscommissaris wordt benoemd prof. mr. G. Knigge. 2. De vergoeding voor de regeringscommissaris bedraagt maandelijks ten hoogste 51% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 5 1. De regeringscommissaris wordt voorzien van ondersteuning voor zijn werkzaamheden en een budget dat toereikend is voor de toebedeelde taken. De middelen hiervoor worden verstrekt door het Ministerie van Justitie en Veiligheid."},{"i":3765,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 september 2025, kenmerk 4211663-1087597-WJZ, houdende mandaatverlening aan en machtiging van de Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de instemming van de directeur van de Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van de Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken wordt mandaat verleend de hoogte vast te stellen van de totale kosten, bedoeld in de [artikelen 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040287&artikel=8), [9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040287&artikel=9), [21, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040287&artikel=21), en [24, tweede lid, van de Warenwetregeling doorberekening kosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040287&artikel=24). Artikel 2 De directeur van de Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken wordt gemachtigd om de kosten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051536&artikel=1&z=2025-09-30&g=2025-09-30), te innen. Artikel 3 1. De directeur kan ondermandaat en machtiging verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen tot het geheel of gedeeltelijk uitoefenen van zijn op grond van dit besluit toegekende bevoegdheden. 2. Besluiten tot verlening van ondermandaat en machtiging worden in afschrift gezonden aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ten behoeve van het centraal register, bedoeld in [artikel 17 van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=17). Artikel 4 Het krachtens mandaat of machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als v"},{"i":4597,"b":"Fiscale beleidsregels januari 2005 De Staatssecretaris van Financiën geeft kennis van het volgende. In de maand januari 2005 zijn de volgende beleidsregels op de website www.minfin.nl geplaatst. In verband met het bepaalde in [artikel 2:14, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14) liggen deze beleidsregels, vanaf datum publicatie op de website, tevens ter inzage bij de afdeling Bibliotheek en documentatie van het Ministerie van Financiën, Korte Voorhout 7 te Den Haag. IB. Winst uit onderneming. Bedrijfsmiddel; huurrecht Besluit van 31 januari 2005, nr. CPP2004-2114M WBR. Verkrijging blote eigendom van landerijen in gedeelten en toepassing vrijstelling overdrachtsbelasting Besluit van 26 januari 2005, nr. CPP2005-180M OB. Verlaagd BTW-tarief voor opfokken en trainen van dieren; contractteelt Besluit van 26 januari 2005, nr. CPP2004-2800M LB. Pensioen. Vaststelling pensioenbijdragen bij eigen beheer Besluit van 12 januari 2005, nr. CPP2004-2422M VPB. Energie-investeringsaftrek; milieu-investeringsaftrek, vervroegde afschrijving milieu-investeringen en arbo-investeringen; meldings- en aanvraagprocedures; fiscale eenheid Besluit van 12 januari 2005, nr. CPP2004-2838M LB en WVA. Afdrachtvermindering kinderopvang; betalingen aan een fonds Besluit van 18 januari 2005, nr. CPP2004-1432M LB en WVA. Bereikbaarheidsdienst Besluit van 19 januari 2005, nr. CPP2004-1433M LB. Pensioen; (vaste) indexatie pensioenen Besluit van 21 januari 2005, nr. CPP2004-1257M IB, LB en OB. Koerierswerkzaamheden Besluit van 18 januari 2005, nr. CPP2004-1864M Milieubelastingen. Toelichting op de wijzigingen van de Wet belastingen op milieugrondslag met ingang van 1 januari 2005 Besluit van 19 januari 2005, nr. CPP2004-2939M Inwerkingtreding Protocol, met memorandum van overeenstemming, tot wijziging van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting e"},{"i":15206,"b":"Uitvoeringsregeling Besluit vergelijkend onderzoek celmateriaal BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Artikel 1 Dit besluit berust op de [artikelen 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028458&artikel=12), [23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028458&artikel=23) en [32, tweede lid, van het Besluit vergelijkend onderzoek celmateriaal BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028458&artikel=32). Paragraaf 1. Laboratoria Artikel 2 Als laboratoria, bedoeld in [artikel 12, eerste lid van het Besluit vergelijkend onderzoek celmateriaal BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028458&artikel=12), worden aangewezen: - a. Het Nederlands Forensisch Instituut, en - b. een ander laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de algemene criteria voor het functioneren van beproevingslaboratoria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025, en deskundig is op het terrein van forensisch DNA-onderzoek. Artikel 3 Als laboratorium, bedoeld in [artikel 23, eerste lid, van het Besluit vergelijkend onderzoek celmateriaal BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028458&artikel=23) wordt aangewezen het Nederlands Forensisch Instituut. Paragraaf 2. Zegels Artikel 4 1. De identiteitszegel te gebruiken voor sporenmateriaal bestaat uit een witte sticker van 6,7 centimeter breed bij 2,8 centimeter hoog, voorzien van het opschrift in blauwe kapitalen ‘POLITIE’, met daaronder in blauwe letters het opschrift ‘Korps landelijke politiediensten divisie Logistiek’. Aan de rechterzijde is de sticker voorzien van een, van boven naar onder geschreven, nummer. 2. De identiteitszegel te gebruiken voor referentiemateriaal bestaat uit een witte sticker van 10 cm breed en 16,5 cm hoog voorzien van: het logo van Justitie, een antenne, een BARcode en het woord ‘SIN’ met een 4 letter/4 cijfercode combinatie beginnend met de letter R in kapitalen"},{"i":15208,"b":"Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 3.42, tweede, vijfde en zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **minister:** de Minister van Klimaat en Groene Groei; - –. **wet:** [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353). Artikel 2 Als energie-investeringen als bedoeld in [artikel 3.42, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42) worden aangewezen de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in de bijlage bij deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in de bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen en de locatie waarop het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen bekend is, en: - a. voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1, met uitzondering van onderdeel D, subonderdeel 1.1.E., van die bijlage, voor zover voor die investering ten tijde van de aanmelding, bedoeld in [artikel 3.42, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42), geen subsidie op grond van het [Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735) is verleend op een aanvraag die na 31 december 2013 is ingediend; - b. voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1, onderdeel D, onder 1.1.E., van die bijlage, voor zover aan de belastingplichtige voor deze investering ten tijde van de aanmelding, bedoeld in [artikel 3.42, zesde lid, van de wet](https://wetten.overhe"},{"i":15215,"b":"Uitvoeringsregeling investeringsaftrek Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden 2010 Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu; Gelet op de [artikelen 3.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42), [3.42a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42a), [3.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52) en [10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.10); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 3.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42), [3.42a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42a), [3.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52) en [10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.10). 2. Deze regeling verstaat onder wet: [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353). Hoofdstuk 2. Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek Artikel 2 1. Investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden komen slechts in aanmerking voor kleinschaligheidsinvesteringsaftrek als bedoeld in [artikel 3.41, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.41) indien de belastingplichtige met betrekking tot die vaste inrichting in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden zonder keuzemogelijkheid, zonder ervan te zijn vrijgesteld en zonder toepassing van een bijzonder regime, is onderworpen aan een aldaar geheven belasting naar de winst. 2. Bij de in [artikel 3.41, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.41) bedoelde keuze wordt aangegeven tot welke bedragen"},{"i":15220,"b":"Regeling houdende uitvoeringbepalingen inzake de kwaliteit in het taxivoer (Uitvoeringsregeling kwaliteit taxivervoer 2011) Gelet op de [artikel 82b, achtste, negende en tiende lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=82b); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wijzigingswet Wet personenvervoer 2000 (regels ter bevordering van de kwaliteit in het taxivervoer) (Stb. 289) in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder ‘wet’: [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470). Artikel 2 De in [artikel 82b, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=82b) bedoelde gemeentelijke verordening stelt geen regels over het maximum aantal in dat artikel bedoelde organisatorische verbanden. Artikel 3 De krachtens [artikel 82b, tiende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=82b) aangewezen gemeenten zijn: - a. de gemeente Amsterdam; - b. de gemeente Den Haag; - c. de gemeente Utrecht; - d. de gemeente Rotterdam; - e. de gemeente Enschede; - f. de gemeente Eindhoven; - g. de gemeente Haarlemmermeer. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van Artikel I van de wet van 26 mei 2011 tot wijziging van de Wet personenvervoer 2000, houdende regels ter bevordering van de kwaliteit in het taxivervoer (Stb. 289). Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling kwaliteit taxivervoer 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15222,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 november 2005, nr. TRCJZ/2005/3295, houdende regels ter uitvoering van de Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling Meststoffenwet) Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op de [artikelen 5d, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=5d), [5e, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=5e), [5f, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=5f), [5g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=5g), [59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=59b), [60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=60) en [69 van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=69); Gelet op [artikel 64 van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=64); Gelet op de [artikelen 26, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26), [28, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=28), [35, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=36), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=41), [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=46), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=52), [53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=54), [55, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=56), [64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=64), [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=70) en [71 van het Uitvoeringsbesluit Mests"},{"i":15223,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 30 juni 2020, nr. WJZ/ 20142740 houdende regels voor de uitvoering van de beoordeling van verzoeken om een vergoeding op grond van artikel 10m van de Gaswet Gelet op [artikel 10m van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=10m); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aangeslotene:** aangeslotene op het transmissie- of distributiesysteem van gas op wie het verbod van toepassing is; - –. **minister:** Minister van Klimaat en Groene Groei; - –. **omschakelen:** omschakelen als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1); - –. **verbod:** verbod als bedoeld in [artikel 2.63, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.63); - –. **wet:** [Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714). Artikel 2 1. Een aangeslotene dient een aanvraag om vergoeding als bedoeld in [artikel 5.15 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=5.15) in zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is nadat het omschakelen of afsluiten van diens aansluiting, bedoeld in [artikel 2.63, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.63), heeft plaatsgevonden, en geen laagcalorisch gas meer wordt onttrokken. 2. De minister kan een aanvraag afwijzen, indien vijf jaren zijn verstreken na aanvang van de dag na die waarop het omschakelen of afsluiten volgens de planning, bedoeld in [artikel 2.64 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.64) heeft of zou hebben plaatsgevonden, en in ieder geval na verloop van twintig jaren na die dag. 3. Indien een aangeslotene de minister schriftelijk verklaart zich het recht voor te behouden om een vergoeding als bedoeld in [artikel 5.15, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=5.15) aan te vragen voordat de termijn van vijf jaren, bedo"},{"i":15225,"b":"Uitvoeringsregeling overdracht taken onroerend-goedbelastingen Gelet op [artikel III, tweede lid, van de Wet overdracht taken OGB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004890&artikel=III) (Stb. 1990, 549); Besluit: Artikel 1 1. Met ingang van 1 januari 1993 worden de taken en bevoegdheden ter zake van de heffing en de invordering van een belastingaanslag in de gemeentelijke onroerend-goedbelastingen ten aanzien waarvan het aanslagbiljet is verzonden door de rijksbelastingdienst, overgedragen aan de gemeente die de aanslag heeft vastgesteld, tenzij in overleg tussen de ontvanger der rijksbelastingen en de gemeente een eerdere of latere datum wordt overeengekomen. Met betrekking tot bepaalde categorieën belastingaanslagen kan tevens worden overeengekomen dat in de vorige volzin bedoelde taken en bevoegdheden niet worden overgedragen. 2. Van de in het eerste lid bedoelde overdracht doet de ontvanger der rijksbelastingen schriftelijk mededeling aan de belanghebbenden. Artikel 2 Met ingang van het tijdstip van overdracht geldt voor zoveel nodig dat de werkzaamheden die met betrekking tot een aanslag zijn verricht door de in de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) (Stb. 221) genoemde functionarissen, geacht worden te zijn verricht door de voor dezen in de plaats tredende colleges en functionarissen als bedoeld in [artikel 281, tweede lid, van de gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=281) (Stb. 1931, 89). Artikel 3 1. De invorderingswerkzaamheden met betrekking tot een belastingaanslag ten aanzien waarvan de invordering is overgedragen, vinden plaats met toepassing van de regels die gelden met betrekking tot de invordering van belasting door de gemeente. 2. Indien in de belastingverordening van de gemeente niet is voorzien in het berekenen van invorderingsrente in andere gevallen dan uitstel van betaling is, in afwijking van het eerste lid en van artikel LVIII van de [Invoeringswet Invorderingswet 1990]("},{"i":4289,"b":"Besluit verhoging subsidieplafond voor het verlenen van een reeks opdrachten compositie en libretto ex Deelregeling composities en libretto’s Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 1.5 lid 2 van de Deelregeling composities en libretto's Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036773&artikel=1.5); Besluit: Artikel 1. subsidieplafonds Voor subsidies voor het verlenen van een reeks opdrachten compositie en libretto als bedoeld in [artikel 4.1 van de Deelregeling composities en libretto’s Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036773&artikel=4.1) geldt in 2025 het volgende: | verhoging | nieuw subsidieplafond | | --- | --- | | 104.730 | 929.730 | Artikel 2. inwerktreding - a. Dit besluit wordt bekendgemaakt via de website van het Fonds Podiumkunsten en gepubliceerd in de Staatscourant - b. Dit besluit treedt in werking met ingang van 20 augustus 2025. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 20 augustus 2025 treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 20 augustus 2025."},{"i":15232,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 28 oktober 2011, nr. WJZ/11134677, tot vaststelling van een herziene uitvoeringsregeling strategische goederen (Uitvoeringsregeling strategische goederen 2012) Gelet op [verordening (EG) nr. 428/2009](32009R0428) van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor de controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PbEU 2009, L 134), [richtlijn 2009/43/EG](32009L0043) van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PbEU 2009, L 146) en de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=1), [4b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=4b), [6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=7), [10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=10), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=12), [14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=14), [16, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=16), [17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=17), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=19), [21, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=21), [24, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=24), [25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=25), [26, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=26), en [27, derde lid, van het Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=27); Besluit: § 1. Begripsbepaling"},{"i":819,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 24 april 2014, nr. IENM/BSK-2014/122942, houdende beleidsregels en enige andere bepalingen met betrekking tot de afgifte van verklaringen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (Beleidsregels baggerspecieverklaring Wet belastingen op milieugrondslag) Gelet op de [artikelen 22, eerste lid, onderdeel a, e, f en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=22), en [29, tweede en derde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=29), en op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regels wordt verstaan onder: - a. **aanvraag:** aanvraag van een baggerspecieverklaring; - b. **baggerspecieverklaring:** verklaring als bedoeld in [artikel 29, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=29). Artikel 2 Als baggerspecie wordt niet aangemerkt baggerspecie die voor meer dan 50% (gewichtsprocenten) is vermengd met ander materiaal, al dan niet met een korrelgrootte van meer dan 2 millimeter. Artikel 3 Als baggerspecie wordt niet aangemerkt baggerspecie die voor ten hoogste 50% (gewichtsprocenten) is vermengd met ander materiaal, al dan niet met een korrelgrootte van meer dan 2 millimeter, indien de desbetreffende partij niet als baggerspecie is ingedeeld overeenkomstig hetgeen daaromtrent is aangegeven door Rijkswaterstaat, onderdeel Bodem+, via www.rwsleefomgeving.nl/organisatie/bodemplus. § 2. De aanvraag van een verklaring Artikel 4 1. Voor het indienen van een aanvraag wordt het formulier met toelichting gebruikt, dat is vastgesteld door Rijkswaterstaat, onderdeel Bodem+, en dat verkrijgbaar is via www.rwsleefomgeving.nl/organisatie/bodemplus. 2. Bij de aanvraag worden de gegevens verstrekt waarvan een overzicht is vastgeste"},{"i":15233,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 14 december 2004, nr. WJZ 4079418, houdende regels ter uitvoering van het Besluit subsidies Topprojecten herstructurering bedrijventerreinen Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017584&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017584&artikel=4), [5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017584&artikel=5), [12, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017584&artikel=12), en [14, tweede lid, van het Besluit subsidies Topprojecten herstructurering bedrijventerreinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017584&artikel=14); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder besluit: Besluit subsidies Topprojecten herstructurering bedrijventerreinen. Artikel 2 Het in [artikel 3, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017584&artikel=3) bedoelde maximale subsidiebedrag wordt vastgesteld op € 2.500.000. Artikel 3 Het subsidieplafond voor het in 2005 verlenen van subsidies op grond van [het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017584) wordt vastgesteld op € 19.600.000. Artikel 4 1. Het formulier, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017584&artikel=5), is opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017694&bijlage=1&z=2004-12-24&g=2004-12-24). 2. Het formulier, bedoeld in [artikel 12, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017584&artikel=12), is opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017694&bijlage=2&z=2004-12-24&g=2004-12-24). 3. Het formulier, bedoeld in [artikel 15, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017584&artikel=15), is opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017694&bijlage=3&z=2004-"},{"i":15230,"b":"Uitvoeringsregeling Registratiewet 1970 Handelende na overleg met de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=1), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=3), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=7), [7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=7a), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=8) en [13 van de Registratiewet 1970](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=13), [artikel 6 van de Wet op het centraal testamentenregister](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003080&artikel=6) en [artikel 18 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=18); Besluit: Hoofdstuk 1. Definitiebepalingen Artikel 1 Deze regeling verstaat onder: - a. **de wet:** de [Registratiewet 1970](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739); - b. **de inspecteur:** de algemeen directeuren van de organisatieonderdelen, genoemd in [artikel 3, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=3), en de directeur van het organisatieonderdeel, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003; - c. **de inspectie:** het organisatieonderdeel, genoemd in [artikel 3, eerste lid, onderdelen a of b, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=3); - d. **het register:** het register, bedoeld in [artikel 1, tweede lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=1); - e. **het repertorium:** het repertorium, bedoeld in [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=7); - f. **elektronisch afschrift:** in digitale vorm uitgegeven afschrift in de zin van [artikel 49, eerste lid, onderdeel a, van de"},{"i":15231,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 7 november 2011, nr. WJZ / 11158559, houdende regels ter uitvoering van de Wet strategische diensten (Uitvoeringsregeling strategische diensten) Gelet op [verordening (EG) nr. 428/2009](32009R0428) van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PbEU 2009, L 134) en de [artikelen 7, derde lid, onderdeel b, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=7), [10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=10), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=14), [23, derde lid, onderdeel b, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=23), [24, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=24), en [25, tweede lid, van de Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=25); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **ERA:** het Europees Ruimte Agentschap in Noordwijk, opgericht bij het Verdrag tot oprichting van het Europees Ruimte Agentschap (Trb. 1990, 43); - –. **gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen:** de lijst van goederen waarop Gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie van toepassing is; - –. **globale vergunning:** een vergunning die wordt verleend aan een dienstverlener voor het verlenen van een categorie van diensten aan een of meer met naam genoemde afnemers in een of meer landen die geen deel uitmaken van de Europese Unie; - –. **individuele vergunning:** een vergunning die wordt verleend aan een dienstverlener voor het verlenen van bepaalde diensten aan één afnemer in een land dat geen deel uitmaakt"},{"i":15234,"b":"Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken A.G.M. van de Vondervoort; Gelet op [artikel 18, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=18); Besluit: De wijziging bij Stcrt. 1998/247 is voor de waardebepaling, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, ten behoeve van het tijdvak dat aanvangt op 1-1-2001, van toepassing vanaf 01-01-1999. Artikel 1 Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 18, vierde lid, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=18). Artikel 2 1. Bij de bepaling van de waarde wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van: - a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, voor zover die niet de ondergrond vormt van gebouwde eigendommen; - b. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de [Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939) aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden, genoemd in [artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004914&artikel=8), met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; - c. natuurterreinen waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die beheerd worden door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen; - d. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; - e. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; - f. waterverdedigings- en waterbeheersings"},{"i":15235,"b":"Uitvoeringsregeling verplicht gebruik BSN Besluit: Artikel 1 1. De verplichting tot het gebruik van het burgerservicenummer geldt voor: - a. de inhoudingsplichtige bij de toepassing van regels over stagevergoedingen; - b. de inlener en de aannemer bij de toepassing van de regels die van belang zijn voor de vaststelling van de hoogte van hun aansprakelijkheid; - c. de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid bij de toepassing van de regeling voor geruisloze terugkeer; - d. de belastingplichtige bij de toepassing van de persoonsgebonden aftrek ter zake van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen als bedoeld in [artikel 6.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.1); - e. de betaaldienstverlener bij de uitvoering van de regels die van belang zijn voor voldoening aan de betalingsvordering, bedoeld in [hoofdstuk IA van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004766&hoofdstuk=IA). 2. Ten behoeve van de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, verstrekken de uitlener en de onderaannemer het burgerservicenummer van de werknemer aan de inlener, onderscheidenlijk de aannemer. 3. Indien de belastingplichtige, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, niet beschikt over het burgerservicenummer van degene ten aanzien van wie hij de onderhoudsverplichting, bedoeld in [artikel 6.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.1), heeft, dient hij ten minste naam en geboortedatum zoals vermeld in het paspoort of de officiële identiteitskaart, en zo mogelijk aangevuld met het adres, van die persoon te verstrekken. Artikel 2 De regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 29 mei 2009 houdende [Uitvoeringsregeling verplicht gebruik burgerservicenummer in beleidsregels van de rijksbelastingdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025924"},{"i":15236,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 september 2008, nr. TRCJZ/2007/3190, houdende samenvoeging en vereenvoudiging van diverse regelingen op het gebied van de visserij (Uitvoeringsregeling visserij) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid, onderdelen a en b, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=1), [2c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=2c), [17, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=17), en [24 van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=24); Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003144&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003144&artikel=4) en [6d van het Reglement zee- en kustvisserij 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003144&artikel=6d); Gelet op de [artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=1), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=8), [10a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=10a), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=12) en [13 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=13); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - b. visserijzone: in [artikel 1, vierde lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=1) (Stb. 312) bedoelde zone; - c. zeegebied: als zodanig in [artikel 1 van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002703&artikel=1) (Stb. 176) aangewezen watere"},{"i":15237,"b":"Regeling van de Minister van Defensie van 3 november 2014, nummer BS2014029519 tot uitvoering van de volledige schadevergoeding (Uitvoeringsregeling volledige schadevergoeding) Gelet op de [artikelen 8a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223&artikel=8a) en [11a, vijfde lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223&artikel=11a); [artikel 11a, vierde lid van het Besluit bijzondere militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012222&artikel=11a), en [artikel 65a, zesde lid van het Burgerlijk ambtenarenreglement Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=65a); Besluit: Artikel 1. Definities - –. de beroepsmilitair, bedoeld in [artikel 8a van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223&artikel=8a); - –. de dienstplichtige of reservist, bedoeld in [artikel 11a van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=65a); - –. de nabestaanden van de militair, bedoeld in [artikel 11a van het Besluit bijzondere militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012222&artikel=11a); - –. de ambtenaar of gewezen ambtenaar, bedoeld in [artikel 65a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=65a); - –. de nabestaanden van de ambtenaar, bedoeld in [artikel 65a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=65a). Artikel 2. Aanvullend karakter 1. De volledige schadevergoeding is een aanvulling op andere pensioenen, uitkeringen, voorzieningen en verstrekkingen die ten aanzien van de schade zijn en worden verstrekt aan de belanghebbende. 2. Aangezien voorzieningen en verstrekkingen op basis van de [Voorzienin"},{"i":3470,"b":"Besluit van 18 juni 1955, houdende uitvoering van artikel 13 van de Instellingswet Productschap voor Groenten en Fruit Op de voordracht van Onze Ministers voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie van 24 Maart 1955, no. B. 2496, Dir. W.J.A., van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 24 Maart 1955, no. J. 1085, Afd. W.J.Z. en van Economische Zaken van 24 Maart 1955, no. 23479, Dir. W.J.A.; Overwegende, dat het wenselijk is te bepalen in welke gevallen Onze Minister van Economische Zaken voor de toepassing van de [Instellingswet Productschap voor Groenten en Fruit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002148) (**Stb.** 1954, 446) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104) (**Stb.** 1950, K 22) ten aanzien van het Productschap voor Groenten en Fruit mede als betrokken Minister wordt aangemerkt; Gelet op artikel 13 van eerstgenoemde wet; De Raad van State gehoord (advies van 19 April 1955, no. 49); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers onderscheidenlijk van 13 Juni 1955, no. B. 2638, Dir. W.J.A., van 13 Juni 1955, no. J. 1086, Afd. W.J.Z. en van 13 Juni 1955, no. 23480, Dir. W.J.A.; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van de [Instellingswet Productschap voor Groenten en Fruit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002148) (**Stb.** 1954, 446) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104) (**Stb.** 1950, K 22) ten aanzien van het Productschap voor Groenten en Fruit wordt Onze Minister van Economische Zaken mede als betrokken Minister aangeme"},{"i":2756,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2011 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2011, doch niet later dan 15 augustus 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,364 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2011 en eindigende met 15 augustus 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artike"},{"i":3355,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 augustus 2025 nr. BOACAT2025/159, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek Gelezen het verzoek van Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek van 20 mei 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051386&artikel=2&z=2025-08-19&g=2025-08-19). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van tactisch leidinggevende II, medewerker Beleidsuitvoering I, medewerker handhaving I, medewerker handhaving II en medewerker handhaving III in dienst van Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artike"},{"i":15259,"b":"Wet van 4 november 2004 tot uitvoering van de verordening van de Raad van de Europese Unie betreffende Gemeenschapsmodellen houdende aanwijzing van de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel (Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat op grond van artikel 71, tweede lid, van de [verordening (EG) Nr. 6/2002](32002R0006) van de Raad van de Europese Unie van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (PbEG 2002, L3) een nationale autoriteit voor het exequatur moet worden aangewezen en op grond van artikel 80, eerste lid, van die verordening een zo gering mogelijk aantal rechterlijke instanties moet worden aangewezen voor het beslechten van geschillen inzake inbreuk op en geldigheid van Gemeenschapsmodellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder verordening: [verordening (EG) nr. 6/2002](32002R0006) van de Raad van de Europese Unie van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (PbEG 2002, L3). Artikel 2 In afwijking van [artikel 994 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=994), wordt een beslissing van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), bedoeld in artikel 71 van de verordening, aangemerkt als een beslissing gegeven door de rechter van een vreemde Staat als bedoeld in [artikel 985 van eerdergenoemd wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=985). Artikel 3 Voor alle vorderingen, bedoeld in artikel 81 van de verordening, is in eerste aanleg uitsluitend bevoegd de rechtbank Den Haag en in kort geding de voorzieningenrechter van de rechtbank die op grond van artikel 4.6 van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (m"},{"i":429,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 januari 2023, kenmerk 3504008-1042774-WJZ, houdende Vaststelling rekenfactor voor het jaar 2022 de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2022 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2022: | | **100** 3.020 | | --- | --- | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":129,"b":"Besluit van 15 mei 2025, nr. 2025001076, houdende regels met betrekking tot benoeming, schorsing en het ontslag van tot het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten horende personen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie van 15 april 2025, nr. 4431528; Gelet op [artikel 103, derde lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=103); hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De benoeming, schorsing en het ontslag van tot het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten horende personen geschiedt door de commissie, voor zover het aan de functie verbonden salaris niet hoger is dan het maximumsalaris van schaal 16 van de toepasselijke rechtspositieregeling. Artikel 2 Het [Besluit benoeming, schorsing en ontslag personeel commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049305) van 14 december 2023 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit, dat zal worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":6360,"b":"Wijziging rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters en wethouders 1. Inleiding Recentelijk is een aantal wijzigingen in diverse rechtspositiebesluiten voor gemeente- en provinciebestuurders opgenomen. Deze wijzigingen zijn gepubliceerd in het Staatsblad van 4 november 2003, nummer 432. Het betreft wijzigingen in de rechtspositiebesluiten van de commissarissen van de Koning, de gedeputeerden, de burgemeesters en de wethouders. De [Algemene Maatregel van Bestuur](onbekend) strekt in hoofdzaak tot wijzigingen van onkostenvergoedingen betreffende verhuiskosten, reis- en verblijfkosten en telefoonkosten. Naar aanleiding van de wijzigingen in de rechtspositiebesluiten zijn de [Regeling rechtspositie commissarissen van de Koning](onbekend), de [Regeling rechtspositie burgemeesters](onbekend), de [Regeling rechtspositie gedeputeerden](onbekend) en de [Regeling rechtspositie wethouders](onbekend) in werking getreden. Over drie onderdelen van de nieuwe regelingen waaraan terugwerkende kracht is verleend, bent u reeds geïnformeerd bij [circulaire van 2 juli 2003 (BW2003/71938)](onbekend). Het ging daarbij om de volgende gewijzigde onderdelen: Deze onderdelen worden nogmaals kort toegelicht. In deze circulaire worden verder de overige wijzigingen toegelicht: 2. Verhuiskostenvergoeding gedeputeerden en wethouders Een nieuw element in de rechtspositiebesluiten van gedeputeerden en wethouders is de verhuiskostenvergoeding. De verhuiskostenvergoeding van gedeputeerden werkt terug tot en met 12 maart 2003 i.v.m. de inwerkingtreding van de [Wet dualisering provinciebestuur](onbekend). De verhuiskostenvergoeding van wethouders werkt terug tot en met 7 maart 2002 i.v.m. de inwerkingtreding van de [Wet dualisering gemeentebestuur](onbekend). De verhuiskostenvergoeding bevat de volgende elementen: 3. Telefoonkosten burgemeesters en commissarissen van de Koning De vergoedingsmogelijkheid voor het gebruik van de privé-telefoon door burgemeesters of com"},{"i":6596,"b":"Besluit van 17 maart 2000, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Produkten voor bijzondere voeding en van het Warenwetbesluit Voedingswaarde-informatie levensmiddelen Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 januari 2000 nr GZB/VVB/2036879, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [richtlijn nr. 1999/41/EG](31999L0041) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 juni 1999 (PbEG L 172) tot wijziging van [richtlijn 89/398/EEG](31989L0398) van de Raad van de Europese Unie betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen, alsmede op [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [artikel 5, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [artikel 8, onder a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), en [artikel 14, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14); De Raad van State gehoord (advies van 10 februari 2000, no.W13.00.0031/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 maart 2000 met nummer GZB/VVB/2048966, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit Produkten voor bijzondere voeding. Artikel II Wijzigt het Warenwetbesluit Voedingswaarde-informatie levensmiddelen. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat eet- en drinkwaren die voldoen aan het [Warenwetbesluit Producten voor bijzondere voeding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005489) zoals dat onmiddellijk vóór dat tijdstip"},{"i":6403,"b":"Besluit van 21 februari 2006, houdende wijziging van het Besluit diëtist, ergotherapeut, logopedist, mondhygiënist, oefentherapeut, orthoptist en podotherapeut en van het Besluit functionele zelfstandigheid (wijziging opleiding en deskundigheidsgebied mondhygiënist) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 oktober 2005, IBE/BO-2622575; Gelet op de [artikelen 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34) en [39 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=39); Gezien de adviezen van de Adviesgroep capaciteit mondzorg (augustus 2000) en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (2002); De Raad van State gehoord (advies van 16 november 2005, nr. W13.05.0482/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 februari 2006, MEVA/BO-2659020; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit diëtist, ergotherapeut, logopedist, mondhygiënist, oefentherapeut, orthoptist en podotherapeut. Artikel II Wijzigt het Besluit functionele zelfstandigheid. Artikel III Degene aan wie ingevolge [artikel 14 van het Besluit diëtist, ergotherapeut, logopedist, mondhygiënist, oefentherapeut, orthoptist en podotherapeut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008975&artikel=14), zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, het recht is toegekend de titel van mondhygiënist te voeren, behoudt dit recht. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6442,"b":"Besluit van 5 april 2012, houdende wijziging van het Besluit OM-afdoening en enkele andere besluiten in verband met de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 12 december 2011, nr. 5718562/11/6; Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=2), en [8, vijfde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=8) en de [artikelen 257ba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257ba) en [572, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=572); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 februari 2012, no. W03.11.0527/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 29 maart 2012, directie wetgeving, nr. 5724403/12/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit OM-afdoening. Artikel II Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten. Artikel III Wijzigt het Besluit justitiële gegevens. Artikel IV Het [Transactiebesluit milieudelicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011481) vervalt. Artikel V In strafzaken waarin voor het inwerking treden van dit besluit voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn gesteld overeenkomstig [artikel 37 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=37) blijft het [Transactiebesluit milieudelicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011481) van toepassing. Artikel VI Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7538,"b":"Besluit van 10 juli 1996, houdende regels inzake de verstrekking van gegevens ten behoeve van de waardebepaling en waardevaststelling ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (Besluit gegevensverstrekking Wet waardering onroerende zaken) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 6 februari 1996, nr. WDB96/021M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A. G. M. van de Vondervoort; Gelet op [artikel 31 van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=31); De Raad van State gehoord (advies van 4 juni 1996, nr. W06.96.0054); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 28 juni 1996, nr. WDB96/230U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A.G.M. van de Vondervoort; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder informatieplichtige: degene die in het bezit is van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers waarvan de raadpleging, onderscheidenlijk de gegevens- en inlichtingenverstrekking van belang kunnen zijn voor de vaststelling van feiten die van invloed kunnen zijn op de bepaling en de vaststelling van de waarde van onroerende zaken ingevolge de [hoofdstukken III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&hoofdstuk=III) en [IV van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&hoofdstuk=IV), dan wel degene die van deze feiten kennis draagt, met dien verstande dat: - a. voor de waardebepaling van een onroerende zaak, bedoeld in [hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&hoofdstuk=III), en voor de ten behoeve van de waardebepaling uit te voeren marktanalyse, bedoeld in [artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoer"},{"i":7556,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 7 december 2021, BHM 21294503, inhoudende openbaarmaking van de subsidiegegevens Gemeenschappelijk landbouwbeleid over het EU-boekjaar 2021 Gelet op: De artikelen 111 tot en met 114 van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PbEU 2013, L347); De artikelen 57 tot en met 62 van Verordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie (PbEU 2014, L255); Artikel 6 van [Verordening (EU) nr. 2016/679](32579R2016) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (PbEU 2016, L119); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - •. **Europees Landbouwgarantiefonds:** Europees Landbouwgarantiefonds, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) (‘ELGF’); - •. **Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling:** Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) (‘ELFPO’); - •. **Verordening (EU) nr. 1306/2013:** [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de mon"},{"i":6525,"b":"Besluit van 2 december 2024 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingsbesluit financiële markten 2024) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 1 juli 2024, 2024-0000355470, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:3a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:3a), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [1:87, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:87), [1:94, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:94), [3:72, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:72), [3:267e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:267e), [4:14, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), [4:15, tweede lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:15), en [4:17, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:17), [artikel 15, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=15), [artikel 5, derde lid, onderdeel f, van de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=5), en artikel 3, derde lid, van [Verordening (EU) 2015/751](32015R0751) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (PbEU 2015, L 123); De Afdeling advisering van d"},{"i":15278,"b":"Wet van 27 januari 2021 tot uitvoering van Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden (PbEU, L 130) (Uitvoeringswet Verordening conflictmineralen) Artikel 1. Begripsbepaling In deze wet wordt onder **Verordening (EU) 2017/821** verstaan: Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden (PbEU, L 130). Artikel 2. Aanwijzing bevoegde autoriteit 1. De inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport, bedoeld in het [Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031032), is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) 2017/821. 2. De bij besluit van Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aangewezen ambtenaren zijn belast met het toezicht op de naleving van de artikelen 3, 4, 5, 6, 7 en 8, vijfde lid, van de Verordening (EU) 2017/821. Artikel 3. Bevoegdheid last onder dwangsom De bevoegde autoriteit is bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom ter handhaving van de artikelen 3, 4, 5, 6, 7 en 8, vijfde lid, van Verordening (EU) 2017/821. Artikel 4. Openbaarmaking besluit last onder dwangsom 1. De bevoegde autoriteit maakt een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom openbaar wanneer de termijn waarbinnen de last moet worden uitgevoerd is verstreken of een dwangsom wordt verbeurd. 2. Voordat tot openbaarmaking van het besluit tot het opleggen van een last wordt over gegaan, neemt de bevoegde autoriteit een besluit tot openbaarmaking. Dit besluit bevat: - a. de openbaar"},{"i":9728,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake de exploitatie van het Sillimanite-veld The Kingdom of the Netherlands and the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, hereinafter referred to as “the Parties”; Considering that there is a gas field, known as the Sillimanite Field, which extends across the dividing line as defined in the [Agreement between the Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland relating to the Delimitation of the Continental Shelf under the North Sea between the two Countries](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004234), done at London on 6 October 1965; Having regard to the [Agreement between the Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland relating to the Exploitation of single geological structures extending across the Dividing Line on the Continental Shelf under the North Sea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004235), done at London on 6 October 1965 under which the Parties have undertaken to seek agreement as to the manner in which any such structure or field shall be most effectively exploited and the manner in which the costs and proceeds relating thereto shall be apportioned; Desiring therefore to make an agreement about the exploitation of the Sillimanite Field and the rights and obligations of the Parties in relation thereto; Considering that the Licensees have the intention to exploit the Sillimanite Field by a platform on the Dutch Continental Shelf; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purposes of this Agreement: - –. “Competent Authority” refers to a body exercising certain functions on behalf of the Party for the implementation of this Agreement. In the United Kingdom, this means the Oil and Gas Authority (the OGA) which has been granted a range of powers to e"},{"i":15289,"b":"Wet van 28 juni 1989, houdende uitvoering van de Verordening nr. 2137/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden (PbEG L 199/1) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wettelijke bepalingen vast te stellen ter uitvoering van de [Verordening Nr. 2137/85](31985R2137) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden (**PbEG** L 199/1); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004579&artikel=1&z=2017-09-01&g=2017-09-01) tot en met [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004579&artikel=8&z=2017-09-01&g=2017-09-01) van deze wet wordt onder \"Verordening\" verstaan de [Verordening nr. 2137/85](31985R2137) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1985 tot instelling van de Europese economische samenwerkingsverbanden (**PbEG** L 199/1). Artikel 2 Ter uitvoering van artikel 39 van de Verordening wordt als register voor de inschrijving van een Europees economisch samenwerkingsverband met zetel in Nederland of van een Nederlandse vestiging van een ander Europees economisch samenwerkingsverband aangewezen: het handelsregister bedoeld in [artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=2). Artikel 3 1. Een Europees economisch samenwerkingsverband met zetel in Nederland bezit rechtspersoonlijkheid met ingang van de dag van zijn inschrijving in het handelsregister. De vereffening van het samenwerkingsverband eindigt op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaars bekende baten meer aanwezig zijn en het samenwerkingsverband behoudt tot dat tijdstip zijn rechtsperso"},{"i":15296,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2007, nr. OHW-U-2815446, houdende de toekenning van vacatiegeld aan de voorzitter en leden van de Toetsingscommissie Getuigen Verhalen Gelet op [artikel 1, tweede lid, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Te rekenen vanaf 17 oktober 2007 wordt aan de voorzitter van de Toetsingscommissie Getuigen Verhalen, een vacatiegeld toegekend van 260 euro voor iedere dag, waarop deze één of meer vergaderingen van de toetsingscommissie heeft bijgewoond. Artikel 2 Te rekenen vanaf 17 oktober 2007 wordt aan de niet-ambtelijke leden van de Toetsingscommissie Getuigen Verhalen, een vacatiegeld toegekend van 200 euro voor iedere dag, waarop zij één of meer vergaderingen van de toetsingscommissie hebben bijgewoond. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Vacatiegeldenbesluit Toetsingscommissie Getuigen Verhalen. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4782,"b":"Leerlingentelling voor groeiformatie basisscholen 1. Inleiding Om voor groeiformatie in aanmerking te komen moet de school een leerlingentelling laten plaatsvinden. Groeiformatie wordt toegekend als het aantal leerlingen van een school volgens daartoe vastgestelde normen is toegenomen. Deze publicatie geeft informatie over de procedure rond de te houden telling, alsmede de vereiste toename van het aantal leerlingen om voor groeiformatie in aanmerking te komen. Het telformulier heeft ten opzichte van het schooljaar 2003-2004 geen wijzigingen ondergaan en is te vinden in het Gele Katern nummer 17, bladzijde 7 van 25 juni 2003. 2. Doelgroep Deze publicatie is bedoeld voor basisscholen die op basis van [artikelen 15c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005441&artikel=15c) en [15c2 van het Formatiebesluit WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005441&artikel=15c2), zoals gepubliceerd in het Staatsblad 2000 nr. 179, aanspraak willen maken op (bijzondere) groeiformatie. Om dit te bereiken moet voor de school een zogeheten ”telformulier voor groeiformatie voor basisscholen” worden ingediend. 3. Hoogte groeidrempel en omvang groeiformatie Hieronder wordt informatie gegeven over de hoogte van de groeidrempel en de omvang van de groeiformatie bij de leerlingentelling voor (bijzondere) groeiformatie. 3.1. Vereiste toename aantal leerlingen Als in de periode 1 augustus tot en met 31 maart van het schooljaar 2004-2005 het aantal leerlingen (fors) is gestegen, kan de school mogelijk aanspraak maken op groeiformatie. Indien in de periode 1 april tot en met 31 mei van het schooljaar het aantal leerlingen (extreem) is toegeno­men kan mogelijk aanspraak worden gemaakt op bijzondere groeiformatie. Nieuw gestichte basisscholen kunnen de eerste telling voor groeiformatie indienen nadat zij voor het eerst een 1-oktobertelling hebben ingediend. Hieronder wordt ingegaan op de exacte toename in het aantal leerlingen dat vereist is om in aanmerking te komen voor (bijzondere) groe"},{"i":15297,"b":"Vaststelling actieplan Piek 2000 Na overleg met de Minister van Economische Zaken en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008783&artikel=2) (Stcrt.1997, 133); Besluit: Artikel I Vast te stellen het actieplan Piek 2000 van de [Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008783) verkeer en vervoer, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlagen. Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2000. Deze regeling zal, met uitzondering van de bijlagen, in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen worden bekendgemaakt door terinzagelegging ten kantore van de Minister van Verkeer en Waterstaat, Plesmanweg 1-6 te Den Haag."},{"i":15298,"b":"Vaststelling actieplan Piek 2001 Na overleg met de Minister van Economische Zaken en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008783&artikel=2) (Stcrt. 1997, 133); Besluit: Artikel I Vast te stellen het actieplan Piek 2001 van de [Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008783) verkeer en vervoer, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlagen. Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2001. Deze regeling zal, met uitzondering van de bijlagen, in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen worden bekendgemaakt door terinzagelegging ten kantore van de Minister van Verkeer en Waterstaat, Plesmanweg 1-6 te Den Haag."},{"i":15302,"b":"Ministeriële regeling houdende vaststelling bijdrage gemoedsbezwaarden als bedoeld in artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20) (Stb. 1984, 269); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering beloopt voor het jaar 1992: | Categorie 1 | f 70,00 | voor vierwielige personenauto's, bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | f 14,00 | voor aanhangwagens bij auto's behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | f 82,00 | voor autobussen, vrachtauto's; | | Categorie 4 | f 78,00 | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorend tot categorie 3; | | Categorie 5 | f 190,00 | voor trekkers met opleggers; | | Categorie 6 | f 12,00 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 t/m 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | f 12,00 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | f 12,00 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1992. Artikel 3 Deze regeling wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":15303,"b":"Ministeriële regeling houdende vaststelling bijdrage gemoedsbezwaarden als bedoeld in artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering beloopt voor het jaar 1994: - Categorie 1 f 70,– voor vierwielige personenauto's/bestelauto's; - Categorie 2 f 20,– voor aanhangwagens bij auto's behorende tot categorie 1; - Categorie 3 f 70,– voor autobussen, vrachtauto's; - Categorie 4 f 70,– voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; - Categorie 5 f 140,– voor trekkers met oplegger; - Categorie 6 f 20,– voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers, en overige niet tot de categorieën 1 t/m 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; - Categorie 7 f 20,– voor landbouwwerktuigen; - Categorie 8 f 20,– voor rijwielen met hulpmotor. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1994. Artikel 3 deze regeling wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":4191,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 juli 2016, nr. 72/2016 , tot vaststelling van een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieplafond Cultuur en Ontwikkeling 2017–2020) Gelet op [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [artikel 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 8.1, eerste lid, sub b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.1), en [artikel 8.3, eerste lid, sub a, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.3); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 8.1, eerste lid, sub b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.1), en [artikel 8.3, eerste lid, sub a, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.3) in het kader van Cultuur en Ontwikkeling geldt voor de periode vanaf 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020 een subsidieplafond van € 8.000.000. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4396,"b":"Besluit wijziging subsidieplafonds Podiumregeling Fonds Podiumkunsten Op basis van [artikel 1.4 tweede lid van de Podiumregeling Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046665&artikel=1.4); Besluit: Artikel 1. wijziging subsidieplafonds programmeringsbijdrage | landsdeel | subsidieplafond | | --- | --- | | Noord | € 2.187.302 | | Oost | € 3.364.153 | | Midden | € 2.131.210 | | West | € 8.071.414 | | Zuid | € 4.829.981 | | Caribisch deel van het Koninkrijk | € 215.940 | | Totaal | **€ 20.800.000** | Artikel 2. Bekendmaking en inwerkingtreding Dit besluit wordt bekendgemaakt in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":3693,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 16 juni 2016 (kenmerk: 771903/16/NCTV), houdende verlening mandaat, volmacht en machtiging inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport en aanwijzing toezichthouders Wet precursoren voor explosieven (Besluit mandaat inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport en aanwijzing toezichthouders Wet precursoren voor explosieven) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&artikel=6), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&artikel=11) en [14, eerste lid, van de Wet precursoren voor explosieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&artikel=14) en [artikel 2, vierde lid, van het Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031032&artikel=2); Gezien de schriftelijke instemming van de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport d.d. 10 juni 2016; Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder inspecteur-generaal: inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van het Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031032&artikel=1). Paragraaf 2. Mandaat, volmacht en machtiging Artikel 2 Aan de inspecteur-generaal wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&artikel=6), [10, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037995&"},{"i":2592,"b":"Beleidsregels CAK inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 01-08-2018 gelet op [artikel 9a tot en met 9d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9a), [18a tot en met 18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18a), en [34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a), alsmede [paragraaf 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&paragraaf=4a) en [paragraaf 5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&paragraaf=5); besluit om de volgende beleidsregels vast te stellen: Artikel 1. De melding van de zorgverzekering als bedoeld in [artikel 18c van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c) (wanbetalers) 1. Voor de toepassing en de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18f), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18g) en [34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a) maakt het CAK gebruik van de gegevens die de zorgverzekeraar verschaft op grond van de regeling ingevolge [artikel 92 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=92), van de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) en van de gegevens uit de UWV-polisadministratie. 2. Het CAK maakt nadere werkafspraken met de zorgverzekeraars over de wijze en het tijdstip van aanlevering van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en eventueel andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) in combinatie met [18f](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":3313,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 28 oktober 2025 nr. BOACAT2025/190, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente 's-Hertogenbosch Gelezen het verzoek van gemeente 's-Hertogenbosch van 9 oktober 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051711&artikel=2&z=2026-02-19&g=2026-02-19). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver Openbare Ruimte in dienst van gemeente 's-Hertogenbosch zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de"},{"i":2515,"b":"Beleidsregel terugvordering bestuursrechtelijke geldsommen door de NZa Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (Awb), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels op met betrekking tot de volgende haar toekomende of onder haar verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheden. Ingevolge [artikel 4:57 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:57) kan de NZa onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen. Ingevolge [artikel 4:95, vierde en vijfde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:95) kan de NZa betaalde voorschotten terugvorderen. Ingevolge [artikel 35, zevende lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) (Wmg), juncto [artikel 37, eerste lid, onder d Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), juncto [artikel 76, tweede lid, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) kan de NZa het bedrag van ten hoogste de overschrijding van de in [artikel 50, tweede lid, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) bedoelde grens terugvorderen. Op het terugvorderen van geldschulden zijn [titel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) en/of [4.4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.4) van toepassing. 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is in ieder geval van toepassing op: 2. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: 3. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa openstaande bestuursrechtelijke geldsommen terugvordert. 4. De betalingsverplichting 5. Verrekening Tot verrekening van de vordering met een andere financiële aanspraak van de zorgaanbieder wordt niet overgegaan. 6. Uitstel van betaling 7. Wettelijke rente 8. Aanmaning 9. Dwangbevel 10. Civielrechtelijke procedure 11."},{"i":4286,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 29 maart 2006, nr. DAK/AMBO/2006/386, tot verhoging van een subsidieplafond met het oog op subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (PKP ODA Dakar 2006) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7), en [10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=10); Gelet op de [artikelen 4.5 tot en met 4.11 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.10); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van het [Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039) en de [artikelen 4.5 tot en met 4.11 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.10) namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking door de Nederlandse vertegenwoordiging in Dakar geldt voor 2006 in afwijking van het bij [besluit van 22 februari 2006, nr. DJZ/BR/0201-2006, tot omzetting van op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019597) vastgestelde beleidsregels en subsidieplafonds van toepassing verklaarde subsidieplafond een subsidieplafond van € 42.000. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3310,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 juni 2015 nr. BOACAT2015/022, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Gemeente Rotterdam, cluster Stadsbeheer, afdeling Toezicht & Handhaving Domein I 2015 Gelezen het verzoek van Gemeente Rotterdam, cluster Stadsbeheer, afdeling Toezicht & Handhaving Domein I van 4 juni 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036788&artikel=2&z=2015-07-09&g=2015-07-09). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver domein I van de afdeling Toezicht & Handhaving van Stadsbeheer in de gemeente Rotterdam zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het Domein I openbare ruimte, van [bijlage A-I van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":4108,"b":"Besluit vacatiegeld leden kamers Commissie Integraal Toezicht Terugkeer Gelet op de [Regeling Commissie Integraal Toezicht Terugkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022169) (Staatscourant 4 juli 2007, nr. 126/ p. 7); Gelet op het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317) en de [Regeling maximumbedragen vacatiegeld 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017556); Besluit: Artikel 1 Aan de leden van de kamers van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer een vacatiegeld toe te kennen van € 200,00 per vergadering. Artikel 2 Dat de leden van de kamers van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer ten behoeve van het bezoeken van vergaderingen in het kader van het werk van een der kamers van de Commissie aanspraak kunnen maken op een vergoeding van reiskosten volgens het [Reisbesluit Binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889). Artikel 3 Dit besluit wordt met toelichting in de Staatscourant geplaatst en treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2008. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vacatiegeld leden kamers Commissie Integraal Toezicht Terugkeer."},{"i":3717,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 14 december 2025, nr. WJZ/102293002, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de ACM (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Autoriteit Consument en Markt KGG) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de Autoriteit Consument en Markt; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Autoriteit Consument en Markt:** Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2). Artikel 2 Aan de Autoriteit Consument en Markt wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met: - a. het toezicht op de naleving en de handhaving van het bepaalde bij of krachtens [artikel 3.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.48), met uitzondering van onderwerpen die betrekking hebben op de veiligheid in verband met gas, en de [artikelen 3.67 tot en met 3.70 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.67); - b. de uitvoering, het toezicht op de naleving en de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 3.74, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.74), en [3.79, onderdeel a, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.79), met uitzondering van onderwerpen die betrekking hebben op de veiligheid in verband met gas; - c. de [artikelen 10, eerste en derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=11), en [13 van de Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=13). Artikel 3 Aan de Autor"},{"i":2884,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2014 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2013 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2012; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2014. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2014."},{"i":3289,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 3 september 2015, nr. BOACAT2015/40, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Nieuwegein in het domein Openbare Ruimte Gelezen het verzoek van het Hoofd van de afdeling Toezicht, Veiligheid & Leefbaarheid van de gemeente Nieuwegein van 31 juli 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037003&artikel=2&z=2015-09-15&g=2015-09-15). Artikel 2 De personen, werkzaam bij de afdeling Toezicht, Veiligheid & Leefbaarheid in dienst van de gemeente Nieuwegein, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, van [bijlage A-I van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694&bijlage=A). 2. D"},{"i":3112,"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking het archief van de Rijksconsulentschappen in de provincie Friesland van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1920–1986 Inventaris 56.07 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van het algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 61 | 1-1-2030 | | 62 | 1-1-2022 | | 63 | 1-1-2025 | | 186 | 1-1-2048 | | 187 | 1-1-2047 | | 188 | 1-1-2036 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045285&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Friesland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045285&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de van de rijksarchivaris in de provincie Friesland. De rijksarchivaris in de provincie Friesland kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045285&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchiva"},{"i":4523,"b":"Circulaire uitvoering Overeenkomst Sociaal Beleid Rijk: van werk naar werk (VWNW) beleid Bijgevoegd treft u de Overeenkomst Sociaal Beleid Rijk: van werk naar werk (VWNW) beleid – verder de VWNW-overeenkomst genoemd – zoals die op 11 april jl. in het Sectoroverleg Rijk is vastgesteld. In deze circulaire wordt nadere informatie gegeven die van belang is ten behoeve van de uitvoering van de VWNW-overeenkomst. 1. Regelgeving De VWNW-overeenkomst moet nog geformaliseerd worden in de rechtspositionele besluiten. Voorzien is dat dit in september 2013 wordt gerealiseerd. Zolang de VWNW-overeenkomst nog niet is geformaliseerd kunnen de nieuwe aanspraken die voor een individuele ambtenaar een verslechtering zijn, niet worden toegepast. Dit betreft de plaatsing in een lagere schaal na plaatsing op een passende functie in een lagere schaal en de vormgeving van de salarisgarantie en salarissuppletie. Ook verplichte plaatsing buiten het Rijk is pas mogelijk na formalisering. Het toepassen van aanspraken die voor een individuele ambtenaar een verbetering zijn – zoals de stimuleringspremie en de diverse compensatieregelingen – kunnen sinds 15 april 2013 al wel worden toegepast. Dit geldt ook voor het toepassen van het afspiegelingsbeginsel en het daarbij betrekken van alleen de dienstjaren van het Rijk omdat het [ARAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950) nu voorziet in afwijken van ‘last in, first out’. 2. P-Direkt De dienstverleningsystemen van P-Direkt worden ook aangepast aan de VWNW-overeenkomst. Er worden nieuwe looncomponenten aangemaakt die er tevens voor zullen zorgen dat de ministeries gegevens kunnen krijgen over verstrekte VWNW-voorzieningen. Tevens wordt in het P-Direktportaal een proces ingericht om voorzieningen tot uitbetaling te kunnen laten komen en VWNW-kandidaten te registreren. Daarnaast heeft P-Direkt de informatievoorziening aan medewerkers – via het Contactcenter en via de rubriek Personeel op het Rijksportaal – aangepast aan de gewijzigde situa"},{"i":3692,"b":"Besluit van het College bescherming persoonsgegevens (CBP), houdende verlening van mandaat en machtiging aan de voorzitter, de twee andere leden en de buitengewone leden van het CBP (Besluit mandaat en machtiging voorzitter en andere leden CBP) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en op [artikel 5 van het bestuursreglement van het College bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033430&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Aan de voorzitter, de twee andere leden en de buitengewone leden van het College bescherming persoonsgegevens wordt mandaat en machtiging verleend om namens het College besluiten te nemen of andere handelingen, niet zijnde privaatrechtelijke rechtshandelingen, te verrichten ten aanzien van aangelegenheden die, blijkens de via de website van het College bekendgemaakte Regeling taakverdeling en onderlinge vervanging CBP en de daarbij behorende bijlage, tot hun werkterrein behoren en voorzover ze naar aard of inhoud niet een zodanig gewicht hebben dat zij door het College dienen te worden afgedaan. Artikel 2 De voorzitter en elk van de twee andere leden van het College wordt toegestaan van het aan hen verleende mandaat en de verleende machtiging ondermandaat en -machtiging te verlenen aan ambtenaren werkzaam bij het secretariaat van het College. Artikel 3 De ondertekening van documenten die door de voorzitter van het College, krachtens het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033066&artikel=1&z=2006-04-29&g=2006-04-29) verleende mandaat of de verleende machtiging, worden afgedaan geschiedt als volgt: ‘Het College bescherming persoonsgegevens, Voor het College, De voorzitter, (Gevolgd door de handtekening en de naam van de betrokken functionaris)’. Artikel 4 De ondertekening van documenten die door de daartoe bij de Regeling taakverdeling en onderlinge vervanging CBP aangewezen plaatsvervanger van de voorzitter van het Col"},{"i":4359,"b":"Besluit van 12 december 1997, houdende vaststelling van regels voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen ten behoeve van de krijgsmacht (Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht) Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 18 september 1997, nr. CWW85/089/97002604, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving; Gelet op [artikel 8 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=8); De Raad van State gehoord (advies van 6 november 1997, no. W07.97.0611); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 27 november 1997 nr. CWW85/089/97003326, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606); - b. ontplofbare stoffen en voorwerpen: ontplofbare stoffen en voorwerpen aangewezen bij of krachtens het [Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080); - c. tactische voertuigen: voertuigen ingericht voor het uitvoeren van de operationele taak; - d. logistieke voertuigen: voertuigen ingericht voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen; - e. Onze Minister: Onze Minister van Defensie. Artikel 2 1. Het verrichten van handelingen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=2), met ontplofbare stoffen en voorwerpen is toegestaan, mits: - a. dit geschiedt in opdracht van een bevoegde Nederlandse militaire autoriteit dan wel van een bevoegde autoriteit van de krijgsmacht van een andere mogendheid, en - b. de bij of krachtens dit besluit of het [Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080) gestelde regels in acht zijn genomen. 2. Het verrichten van handelingen als bedoeld in [artikel 2, eerste"},{"i":2858,"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2005 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens [artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), per 30 september 2004 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 2003; Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2005 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,1. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2005."},{"i":4719,"b":"Instellingsbesluit Gemengde commissie decentralisatievoorstellen provincies Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad en het Interprovinciaal Overleg (IPO); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. commissie: Gemengde commissie decentralisatievoorstellen provincies; - b. Minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - c. staatssecretaris: de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 2 Er is een Gemengde commissie decentralisatievoorstellen provincies. Artikel 3 1. De commissie heeft tot taak de uitvoering van het akkoord rijk – provincies 2008 te bevorderen en daartoe: - a. concrete decentralisatievoorstellen voor provincies te inventariseren op de beleidsterreinen van de Ministeries van VROM, V&W, EZ, LNV en OCW waarbij de samenhang tussen beleidsruimte en financiële verantwoordelijkheid nadrukkelijk punt van aandacht zal zijn. - b. te onderzoeken op welke wijze invulling kan worden gegeven aan de in het akkoord rijk–provincies 2008 afgesproken inzet van € 600 mln provinciale middelen waarmee voor datzelfde bedrag een besparing op de rijksbegroting in de jaren 2009–2011 kan worden gerealiseerd. 2. De commissie wordt gevraagd uiterlijk 1 februari 2008 te rapporteren aan de Minister en staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de overige betrokken bewindslieden en de provincies. 3. Na het uitbrengen van het rapport is de commissie opgeheven. Artikel 4 1. De commissie bestaat uit de volgende leden: - –. mw. Mr. P.Ch. Lodders-Elfferich (voorzitter) - –. dhr. J.G.M. Alders - –. dhr. prof.dr. A.N. van der Zande - –. dhr. drs. G. Beukema - –. mw. drs. A.C. van Es (secretaris) 2. De Minister benoemt en ontslaat de voorzitter en leden van de commissie. 3. Het secretariaat van de commissie wordt gevoerd door ambtenaren van het rijk en de provincies. 4. Het secretariaat wordt bij de uitoefening van zijn taak rechtstreeks aangestuurd door de commissie en voert z"},{"i":4870,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 11 februari 2020, nr. 2775658, houdende verlening van mandaat aan de hoofdofficier van justitie van de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba ter zake het geven van aanwijzingen aan de commandant van de Koninklijke marechaussee voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden voor De Nederlandsche Bank (Mandaatbesluit Kmar beveiligingswerkzaamheden DNB) Gelet op [artikel 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel 1 Aan de hoofdofficier van justitie van de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba wordt mandaat verleend ter zake van het geven van algemene en bijzondere aanwijzingen aan de commandant van de Koninklijke marechaussee voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van De Nederlandsche Bank N.V., bedoeld in [artikel 5, derde lid, onder a juncto artikel 5, eerste lid, onder h, van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=5). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Kmar beveiligingswerkzaamheden DNB. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2656,"b":"Beleidsregels waarderingskader uitvoering Wet kinderopvang **Het door de Inspectie van Onderwijs gehanteerde WAARDERINGSKADER** Uitvoering gemeentelijk toezicht in het kader van de [Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) augustus 2014 1. Inleiding Gemeenten zijn in Nederland verantwoordelijk voor toezicht op en handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang en peuterspeelzalen. Bij wet hebben zij taken opgedragen gekregen om erop toe te zien dat de opvang van kwetsbare kinderen aan een aantal minimumeisen voldoet. Zij hebben ook de bevoegdheid om te handhaven wanneer een opvangorganisatie niet aan de kwaliteitseisen voldoet. Daarnaast hebben zij de beleidsvrijheid om aanvullende eisen te stellen aan de kwaliteit van de kinderopvang. De minister van SZW is verantwoordelijk voor het beleid van het toezicht op de kinderopvang en peuterspeelzalen. De [Wet revitalisering generiek toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031628)1Sinds 1 oktober 2012 legt vast dat de gemeenteraden binnen het toezicht als eerste verantwoordelijk zijn voor de controle op het gemeentelijk bestuurlijk handelen. Pas daarna is de provincie/het rijk, als interbestuurlijk toezichthouder op de gemeenten, aan zet. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) is tweedelijns toezichthouder2Aangewezen als interbestuurlijk toezichthouder via aanwijzingsbesluit Staatscourant nr. 19731 d.d. 28 september 2012 voor gemeenten op het gebied van kinderopvang. Zij vult die taak in door middel van thematisch onderzoek naar trends en ontwikkelingen. Recent wees de minister de inspectie via een [Aanwijzingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032033) (Staatscourant nr. 19731 d.d. 28 september 2012) aan om interbestuurlijk toezicht uit te voeren op gemeenten op het gebied van toezicht en handhaving kinderopvang. Interbestuurlijk toezicht betreft het toezicht van de ene bestuurslaag op de andere. De inspectie heeft hiert"},{"i":3675,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 27 april 2012, nr. WJZ/12010735, houdende regels inzake het verlenen van mandaat en machtiging aan de directeur van het Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (Besluit mandaat en machtiging directeur Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de directeur van het Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder directeur: de directeur van het Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 1. Aan de directeur wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen op grond van het [Besluit diergeneesmiddelen 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032386), de [Regeling diergeneesmiddelen 2022](onbekend), [Verordening (EU) nr. 2019/6](31906R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van [Richtlijn 2001/82/EG](32001L0082) (PbEU 2019, L 4) en op die verordening gebaseerde gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen, die verband houden met vergunningen voor het in de handel brengen, vergunningen voor de vervaardiging, vergunningen voor groot- en kleinhandel, de kanalisatie van diergeneesmiddelen en overige onderwerpen die behoren tot het werkterrein van de directeur. 2. Aan de directeur wordt tevens mandaat en machtiging verleend voor het geven van toestemming voor proefneming of onderzoek van toevoegingsmiddelen als bedoeld in het [Besluit diervoeders 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032346); 3. Aan de directeur wordt voorts mandaat, volmacht en machtiging verleend"},{"i":2553,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 29 juni 2016, nr. WJZ / 16093701, houdende regels die zien op het verlagen van subsidie in het kader van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 149) (Beleidsregel verlagen subsidie EFMZV) Gelet op de [artikelen 4:46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:46), [4:48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:48), [4:49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:49), [4:50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:50) en [4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 7 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=7) en [artikel 1.8 van de Regeling Europese EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036758&artikel=1.8); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **verordening 508/2014:** Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 149). Artikel 2. Reikwijdte De minister besluit voor subsidies die verstrekt worden in het kader van [verordening 508/2014](32014R0508), tot het verlagen van subsidie in de in deze beleidsregel genoemde gevallen op basis van de bevoegdheden, bedoeld in de [afdelingen 4.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&"},{"i":3056,"b":"Besluit van 11 december 2014, houdende regels met betrekking tot de werkzaamheden die het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen uitvoert om te beoordelen of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (Besluit advisering beschut werk) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 oktober 2014, nr. 2014-0000152506; Gelet op [artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=10b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 november 2014, no. W12.14.0379/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2014, nr. 2014-0000183657; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **college:** het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in [artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=40); - –. **Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:** Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). Artikel 2. Advies 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verricht de werkzaamheden, bedoeld in [artikel 10b, tweede en derde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=10b), en adviseert het college hierover binnen acht weken nadat het hiertoe van het college of van de persoon, bedoeld in artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet, een verzoek heeft ontvangen. 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de vergoeding van de kosten van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, door het college aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Artikel 3. Beoordeling 1. In het kader van de werkzaamheden, bedoe"},{"i":3928,"b":"Besluit pensioenen Internationale Organisaties **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat beleid over de fiscale behandeling van pensioenuitkeringen van Internationale Organisaties.** 1. Inleiding Inwoners van Nederland die een pensioenuitkering ontvangen van een Internationale Organisatie1Volgens internationale standaarden wordt hieronder verstaan: een bij verdrag opgericht samenwerkingsverband tussen staten met eigen taken en organen., dienen voor het vaststellen van hun belastbaar inkomen te beschikken over gedetailleerde informatie over de opbouwfase van het pensioen.2Zie onder meer het arrest HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF7264 voor een illustratie van de vaak complexe uitwerking van de geldende (overgangs-)regelgeving voor pensioenen van Internationale Organisaties. In de praktijk is gebleken dat gepensioneerden vaak niet beschikken over deze informatie. Om te komen tot een wetstoepassing die recht doet aan de omstandigheden van het individuele geval heeft de inspecteur met een aanzienlijk aantal gepensioneerden vaststellingsovereenkomsten (VSO) gesloten. Het gaat hierbij in het bijzonder om gepensioneerden van het Europees Octrooibureau (EOB) en om gepensioneerden van de Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA) en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) die een uitkering ontvangen op basis van de zogenoemde Gecoördineerde Pensioenregeling. Van deze VSO bestaan verschillende varianten, waaraan steeds bepaalde uitgangspunten ten grondslag liggen. In dit besluit zijn de in de inmiddels meest gangbare variant gehanteerde uitgangspunten opgenomen. Daarnaast is beschreven onder welke voorwaarden gepensioneerden van EOB en gepensioneerden van de Gecoördineerde Internationale Organisaties die een uitkering ontvangen op basis van de Gecoördineerde Pensioenregeling deze uitgangspunten, ook zonder het sluiten van een VSO, kunnen toepassen in hun aangifte. Genoemde uitgangspunten zijn gebaseerd op de kenmerken van d"},{"i":2930,"b":"Besluit van 30 oktober 2018 tot aanwijzing van het CSIRT voor digitale diensten en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet en het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 24 oktober 2018, nr. 2392132, directie wetgeving en juridische zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; Gelet op richtlijn (EU) 2016/1148, uitvoeringsverordening (EU) 2018/151, de [artikelen 4, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=4), en [35 van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=35) en [artikel 8 van het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041520&artikel=8); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat is het CSIRT voor digitale diensten, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=4). Artikel 2 1. Met ingang van 9 november 2018 treden in werking: - a. de [Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515), met uitzondering van de [artikelen 4, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=4), [13, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=14), [17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=17), [19, eerste en vierde lid, en vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=19), voor zover dat onderdeel betrekking heeft op het CSIRT voor digitale diensten, en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=21); - b. het [Besluit beveiliging netwerk- en informatie"},{"i":3967,"b":"Besluit van 18 augustus 1988, houdende vaststelling van de regiogrenzen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 april 1988, nr. S/J 30.746/88, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Gelet op [artikel 10, derde lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=10) (**Stb.** 1988, 353); De Raad van State gehoord (advies van 14 juni 1988, no. W09.88 0219); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 augustus 1988, nr. S/J 31.338/88, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De grenzen van de regio's, waarin de regionale loodsencorporaties, bedoeld in [artikel 10 van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=10) (**Stb.** 1988, 353) zijn gevestigd, vallen aan de landzijde samen met de landinwaarts gelegen grenzen van het samenstel van de loodsplichtige scheepvaartwegen. Artikel 2 De grenzen tussen de regio's zijn: - a. tussen regio Noord en regio Amsterdam-IJmond: - 1. de lijn vanuit positie 53°-11.0 N en 04°-51.4 E, in de richting 315°; - 2. de lijn vanuit positie 53°-11.0 N en 04°-51.4 E, in de richting 135°, tot waar deze lijn de Afsluitdijk snijdt; - b. tussen regio Amsterdam-IJmond en regio Rotterdam-Rijnmond: de lijn vanuit positie 52°-05.8 N en 04°-15.7 E, in de richting 336°; - c. tussen regio Rotterdam-Rijnmond en regio Scheldemonden: - 1. de lijn vanuit positie 51°-48.8 N en 03°-51.9 E, in de richting 270°; - 2. de Philipsdam; - 3. de noordelijke grens van het Schelde-Rijnkanaal. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip, dat [artikel 10 van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=10) in werking treedt. Artikel 4 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit regiogrenzen loodsencorporaties. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift"},{"i":4808,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 juli 2020, houdende mandaatverlening aan de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst voor het verlenen van toestemming voor het aangaan van een samenwerkingsrelatie met een inlichtingen- en veiligheidsdienst van een ander land en het verlenen van technische en andere vormen van ondersteuning in het kader van een samenwerkingsrelatie (Mandaatbesluit AIVD ten aanzien van samenwerking met inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen 2020) Gelet op de [artikelen 88, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=88), en [89, zesde lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=89); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **hoofd van de dienst:** de directeur-generaal van de AIVD; - b. **wet:** [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896); - c. **weging:** de beoordeling die op grond van [artikel 88, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=88) heeft plaatsgehad en waaruit de mogelijkheden tot samenwerking blijken. Artikel 2 Het hoofd van de dienst heeft mandaat om toestemming te verlenen voor het aangaan van een samenwerkingsrelatie met een inlichtingen- of veiligheidsdienst van een ander land, tenzij het gaat om een inlichtingen- of veiligheidsdienst van een ander land waarvan het eindoordeel van de weging is dat samenwerking onder strikte voorwaarden mogelijk is. Artikel 3 Het hoofd van de dienst heeft mandaat om toestemming te verlenen voor het verlenen van technische en andere vormen van ondersteuning aan een inlichtingen- of veiligheidsdienst van een ander land in die gevallen zoals bepaald in [artikel 89, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=89), tenzij het gaat om een inlichtingen- of veiligheidsdien"},{"i":3968,"b":"Besluit van 20 november 2019, houdende aanwijzing van de Raad voor de rechtspraak als houder van het centraal register voor collectieve vorderingen (Besluit register collectieve vorderingen) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 18 oktober 2019, nr. 2728330; Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 305a, zevende lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=305a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 oktober 2019, No.W16.19.0333/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 14 november 2019, nr. 2748405, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als instantie voor het houden van het centraal register voor collectieve vorderingen wordt aangewezen de Raad voor de rechtspraak. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit register collectieve vorderingen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2822,"b":"Beschikking van de Minister van Economische Zaken van 17 oktober 2013, nr. 13174565 tot verlening van de concessie voor postdienstverlening voor Caribisch Nederland Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=2), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=5), en [14, derde lid, van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263); - b. **minister:** Minister van Economische Zaken; - c. **ACM:** Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - d. **de eilanden:** Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - e. **Caribisch Nederland:** het Caribische deel van Nederland, bestaande uit Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - f. **universele postdienst:** vervoersdienst, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=2); - g. **poststuk:** postzending als bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=1); - h. **voor het publiek bestemde brievenbus:** brievenbus of andere faciliteit voor het ten vervoer aanbieden van poststukken; - i. **postbus:** in een gebouw aanwezige afgesloten ruimte die bestemd is voor de aflevering van de voor de gebruiker daarvan bestemde poststukken. Artikel 2. Concessieverlening 1. Aan Flamingo Communications N.V., te Bonaire, wordt met ingang van 1 januari 2014 voor een periode van tien jaar de concessie voor postdiensten verleend, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=2). 2. Aan de concessieverlening worden de voorwaarden verbonden die in deze beschikking zijn vermeld. 3. De concessie wordt m"},{"i":4335,"b":"Besluit van de directeur Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel van 13 januari 2020, kenmerk 1629348-200342-OBP, houdende de verlening van ondermandaat en ondervolmacht aan het plaatsvervangend afdelingshoofd van de afdeling VWS Flex Gelet op [artikel 16, tweede lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16) en [artikel 16, tweede lid, onder a, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan het plaatsvervangend hoofd van de afdeling VWS Flex wordt de bevoegdheid verleend om namens de Minister besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten tot een maximum van € 25.000 exclusief btw, voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van de functie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 15 juni 2019. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3508,"b":"Besluit van 28 januari 2005, houdende nieuwe regels inzake de financiering van de rechtspraak in verband met het invoeren van een baten-lastenstelsel en het verrekenen van productieverschillen (Besluit financiering rechtspraak 2005) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 7 december 2004, Directie Wetgeving, nr. 5323045/04/06; Gelet op de [artikelen 97, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=97), en [98, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=98); De Raad van State gehoord (advies van 6 januari 2005, nr. W03.04.0591/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 21 januari 2005, Directie Wetgeving nr. 5331152/05/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830); - b. zaak: een door een gerecht te behandelen of afgehandelde gerechtelijke procedure; - c. productie: het totaal aantal behandelde of afgedane zaken; - d. landelijke prijzen: de naar productgroep gedifferentieerde bedragen per zaak die worden gebruikt voor de vaststelling van de productiegerelateerde bijdrage aan de rechtspraak; - e. lokale prijzen: de naar productgroep en gerecht gedifferentieerde bedragen die worden gebruikt voor de vaststelling van de productiegerelateerde bijdrage aan een gerecht; - f. zaakscategorie: een deel van de productie dat binnen een gerechtscategorie op gelijksoortige wijze wordt behandeld; - g. productgroep: een aantal samenhangende zaakscategorieën; - h. gerechtscategorieën: - 1°. de rechtbanken; - 2°. de gerechtshoven; - 3°. het College van Beroep voor het bedrijfsleven; - 4°. de Centrale Raad van Beroep. Hoofdstuk 2. Ondersteunende systemen en modellen Artikel 2 1. Er is een systeem van productiemeting voor de rechtspraak. Dit systeem houdt in het meten van het aantal behandelde of af"},{"i":3510,"b":"Besluit fiscale behandeling functionarissen van internationale organisaties en diplomaten **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisatie van het besluit van 23 september 2004, nr. IFZ2004/764M en bevat beleid over de fiscale behandeling van functionarissen van internationale organisaties en diplomaten.** 1. Inleiding Functionarissen van internationale organisaties hebben vanwege internationale overeenkomsten veelal aanspraak op vrijstelling van nationale belastingheffing over hun loon, zoals bedoeld in [artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=10)1Voor (gewezen) ambtenaren van de Europese Unie kan dit begrip ook pensioenen en lijfrenten omvatten., van die internationale organisatie. In het [besluit van 23 september 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017233) nr. IFZ2004/764M was daarom beleid opgenomen ten aanzien van deze doelgroep. In dat beleid werd ingegaan op de gevolgen van het vrijgesteld inkomen van internationale organisaties voor de berekening van het progressievoorbehoud, belastingvoordelen en heffingskortingen. Naar aanleiding van recente gerechtelijke uitspraken is dit beleid aangepast voor zover het de heffingskortingen betreft. Er is een expliciet standpunt opgenomen ten aanzien van de tegemoetkoming specifieke zorgkosten. Ook is het standpunt ten aanzien van de invloed van het vrijgesteld inkomen op de uitgaven voor inkomensvoorzieningen herzien. Ten aanzien van de andere onderdelen zijn de wijzigingen van redactionele aard en is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Dit besluit bevat beleid voor belastingplichtigen met inkomsten waarbij het volkenrecht, dan wel naar het oordeel van Onze Minister het internationale gebruik, noopt tot een vrijstelling van inkomstenbelasting op basis van [artikel 39 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=39). Hoewel in dit besluit ver"},{"i":4606,"b":"Besluit van 17 juni 1971, houdende toepassing van artikel 68 van de Kernenergiewet Op de voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken en van Defensie van 28 april 1971, no. 671/222 W.J.A., gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Buitenlandse Zaken, van Binnenlandse Zaken, van Verkeer en Waterstaat en van Justitie, de Centrale Raad voor de Kernenergie gehoord; Gelet op de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=68) en [76 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=76) (**Stb.** 1963, 82); De Raad van State gehoord (advies van 26 mei 1971, no. 14); Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Economische Zaken en van Defensie van 11 juni 1971, no. 671/326 W.J.A., uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Buitenlandse Zaken, van Binnenlandse Zaken, van Verkeer en Waterstaat en van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Dit besluit geldt ten aanzien van: - a. gegevens, hulpmiddelen en materialen voor: zover deze gegevens, hulpmiddelen en materialen hetzij rechtstreeks van Onze in het tweede lid genoemde Ministers, hetzij met instemming van deze Ministers, onder verplichting tot geheimhouding zijn verkregen, dan wel door Onze in het tweede lid genoemde Ministers zijn aangewezen; - 1°. de vrijmaking van kernenergie, - 2°. de opslag, vervaardiging, bewerking of verwerking van splijtstoffen en - 3°. de beveiliging van de in [artikel 22 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=22) bedoelde splijtstoffen en ertsen, de in [artikel 4.7, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=4.7) bedoelde radioactieve stoffen en inrichtingen als bedoeld in [artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15), - b. met behulp van zodanige gegevens, hulpmiddelen en materi"},{"i":4378,"b":"Besluit van 15 juli 2019 ter implementatie van de Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PbEU 2017, L 137/22) (Besluit wapens en munitie) Op de voordracht van Onze Minister Justitie en Veiligheid van 14 mei 2019, nr. 2594027, Gelet op de [artikelen 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=4), [6b, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=6b), [9a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=9a), [28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=28), [32a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=32a), en [35, tweede lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=35); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 juni 2019, nr.W16.19.0122/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 9 juli 2019, nr.2628415; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de wet tot wijziging van de Wet wapens en munitie in verband met de Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PbEU 2017, L 137/22) (34 984) in werking treedt (Stb. 2019/267). Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **erkende vereniging:** een vereniging die op grond van [artikel 6b, tweede lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=6b) door Onze Minister van Justitie en Veiligheid is erkend; - –. **korpschef:** de korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&a"},{"i":4519,"b":"Circulaire Toepassing van staalslak en hoogovenslak(zand) als bouwstof in een werk Aanleiding Aanleiding voor deze circulaire is de inwerkingtreding van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) en de [Regeling bodemkwaliteit 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047808) (Rbk 2022) per 1 januari 2024, ten gevolge waarvan de [Circulaire Toepassing van staalslak en hoogovenslak(zand) in aanvullingen en ophogingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018461) van 6 juli 2005 geactualiseerd dient te worden. De circulaire is in 2005 opgesteld omdat in een aantal situaties effecten zijn waargenomen van de toepassing van staalslak en hoogovenslak(zand) als bouwstof in een werk. Bij de toepassing bleek onvoldoende rekening te zijn gehouden met de specifieke eigenschappen van deze bouwstoffen. Uit de signaalrapportage staalslakken van de Inspectie voor de Leefomgeving en Transport die op 19 april 2023 werd aangeboden aan de Tweede Kamer1Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 30 015, Nr. 113 blijkt dat deze problematiek nog steeds voorkomt. Probleemstelling Bij de toepassing van staalslak of hoogovenslak(zand) in een werk kan de zuurgraad van oppervlaktewater en grondwater afnemen (verhoging van de pH-waarde) als gevolg van de uitspoeling van vrije kalk. Ook de directe lozing van drainagewater op oppervlaktewater kan dit effect hebben. Grond of water met hoge pH-waarden kan in directe zin schadelijk zijn voor organismen die hiermee in aanraking komen. Hoge pH-waarden kunnen ook leiden tot indirecte effecten door mobilisatie van stoffen die van nature, of als gevolg van bodemverontreiniging, reeds in de bodem aanwezig zijn. Bovendien kunnen uit staalslak en hoogovenslak(zand) door uitloging ook niet genormeerde stoffen vrijkomen. De mate waarin risico's voor mens en milieu kunnen optreden, is afhankelijk van diverse factoren waaronder de omvang van het werk, het ontwerp van het werk en de omvang en doorstroming van het aanwezige oppervlakte"},{"i":3303,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 april 2024 nr. BOACAT2024/033, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Purmerend Gelezen het verzoek van gemeente Purmerend van 5 april 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049572&artikel=2&z=2024-07-09&g=2024-07-09). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerker Handhaving in dienst van de gemeente Purmerend, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijst"},{"i":4432,"b":"Bestuursreglement van de Raad voor plantenrassen 1 Laatstelijk gewijzigd op 18 januari 2013.Gelet op [artikel 8 van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=8); Gelet op [artikel 11, Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11); Besluit: Artikel 1. (domiciliekeuze; talen) 1. Indien de indiener van een aanvraag tot toelating als bedoeld in [hoofdstuk 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&hoofdstuk=5) geen woonplaats of zetel in de Europese Unie heeft, is hij verplicht binnen de Europese Unie domicilie te kiezen bij een gemachtigde, welke keuze geacht wordt van kracht te blijven totdat schriftelijk aan de Raad kennis is gegeven van de wijziging van het gekozen domicilie. 2. In beginsel communiceert de Raad in de Nederlandse taal en, indien opportuun, in de Engelse taal. Artikel 2. (volgordelijke registratie van stukken) 1. Bij de Raad ingediende stukken en tot de Raad gerichte stukken worden, ter bepaling van het tijdstip waarop zij zijn ingediend, onmiddellijk na ontvangst door het bureau van de Raad voorzien van een aantekening houdende uur, dag, maand en jaar van die ontvangst. 2. Stukken die worden bezorgd buiten de uren waarop het bureau van de Raad is geopend worden, behoudens tegenbewijs, geacht te zijn ontvangen op het eerst volgende tijdstip waarop het bureau wordt geopend. 3. Stukken met hetzelfde tijdstip van ontvangst worden geacht te zijn ontvangen in de volgorde van agendering. 4. Bij afgifte van stukken, anders dan per post, verstrekt het bureau van de Raad desverlangd een ontvangstbewijs. 5. De ondertekening van stukken moet desverlangd worden gelegaliseerd. Artikel 2a. (taakverdeling van de Raad) 1. De afdelingen van de Raad zijn belast met de besluitvorming en de uitvoering van de taken die ingevolge de [hoofdstukken 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&hoofdstuk=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":3047,"b":"Besluit van 19 december 2012, houdende regels inzake de opleiding voor het accountantsberoep (Besluit accountantsopleiding 2013) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 28 september 2012, nr. FM/2012/613 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Marktgedrag en Effectenverkeer; Gelet op de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=46) en [54, derde lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=54) en de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=8), [18, derde lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 oktober 2012, no. W06.12.0405/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 14 december 2012, FM/2012/1573 U; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet op het accountantsberoep in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **examen Nederlands recht:** examen, bedoeld in [artikel 54, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=54); - **richtlijn:** [richtlijn nr. 2006/43/EG](32006L0043) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de [Richtlijnen 78/660/EEG](31978L0660) en [83/349/EEG](31983L0349) van de Raad en houdende intrekking van [Richtlijn 84/253/EEG](31984L0253) van de Raad (PbEU 2006, L 157); - **wet:** [Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573). Artikel 2 De opleiding, bedoeld in [artikel 46 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=46), heeft betrekking op de vakgebieden, bedoeld in artik"},{"i":3638,"b":"Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden (Besluit kwaliteit leefomgeving) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2017, nr. IenM/BSK-2017/167239, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op het biodiversiteitsverdrag, het Europees landschapsverdrag, de grondwaterrichtlijn, de habitatrichtlijn, de kaderrichtlijn afvalstoffen, de kaderrichtlijn mariene strategie, de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning, de kaderrichtlijn water, het Londen-protocol, de monitoringsmechanisme-verordening, de nec-richtlijn, het Ospar-verdrag, het PRTR-Protocol, de PRTR-verordening, de richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht, de richtlijn industriële emissies, de richtlijn luchtkwaliteit, de richtlijn omgevingslawaai, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn prioritaire stoffen, de richtlijn stedelijk afvalwater, de richtlijn storten afvalstoffen, de richtlijn toegang tot milieu-informatie, de richtlijn winningsafval, de Seveso-richtlijn, het verdrag van Aarhus, het verdrag van Granada, het verdrag van Valletta, het VN-gehandicaptenverdrag, het VN-Zeerechtverdrag, de vogelrichtlijn, het werelderfgoedverdrag, de zwemwaterrichtlijn, en de [artikelen 1.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=1.5), [2.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.11), [2.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.12), [2.15, eerste lid, aanhef en onder a, b, en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.15), [2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [2.26, eerste lid en derde lid, aanhef en onder a tot en met h](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":4478,"b":"Circulaire bezoldiging cdK’s, (onkosten)vergoeding leden gedeputeerde staten, leden provinciale staten en commissieleden per 1 januari 2013 Algemene informatie Door middel van deze circulaire wordt u, zoals elk jaar gebruikelijk, geïnformeerd over de wijzigingen van de bedragen van de (onkosten)vergoedingen voor de commissarissen van de Koningin, de leden van provinciale staten, leden gedeputeerde staten en commissieleden. In deze circulaire wordt ook gesproken over de werkkostenregeling. Over de toepassing van de werkkostenregeling bent u eerder geïnformeerd bij [circulaire van 8 maart 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029754), nr. 2011-2000023080. 1. Bezoldiging commissaris van de Koningin Op grond van [artikel 3, vierde lid, van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006738&artikel=3) wijzigt de bezoldiging van de commissaris van de Koningin overeenkomstig de wijziging van de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk. De op dit moment geldende arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor het rijkspersoneel is overeengekomen voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010. Op dit moment is er nog geen uitkomst bekend van het overleg over een nieuwe arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk. De op dit moment geldende arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor het rijkspersoneel geldt dus nog. Als een volgende overeenkomst wordt vastgesteld, informeer ik u over de gevolgen daarvan voor de bezoldiging van de commissaris van de Koningin. U bent over de bezoldiging van de commissaris van de Koningin geïnformeerd bij circulaire van 19 juni 2007, nr. 2007-182147. Deze informatie is nog steeds van toepassing. Voor uw informatie meld ik u dat de bezoldiging voor commissarissen van de Koningin per 1 april 2009 is vastgesteld op € 10.325,86 per maand. 2. Eindejaarsuitkering commissarissen van de Koningin Op grond van [artikel 4a van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning](https://wette"},{"i":2846,"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1995 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1994 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1993; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1995 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1995."},{"i":2843,"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1991 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1990 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1989; Gelet op artikel 402 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1991 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3,2. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1991."},{"i":4618,"b":"Giftenbesluit **De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft het volgende besloten.** **In dit besluit staat het beleid over de giftenregeling in de inkomstenbelasting. Dit besluit vervangt het besluit van 19 december 2014, nr. BLKB2014/1415M (** **Stcrt. 2014, 36877** **), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 5 maart 2024, nr. 2024-4956 (** **Stcrt. 2024, 7392** **) en bevat alleen nog het beleid over de giftenregeling in de inkomstenbelasting. Het beleid over de algemeen nut beogende instelling is opgenomen in het Besluit ANBI. Daarnaast zijn een paar kleine aanpassingen gedaan, waarmee geen inhoudelijke wijziging is beoogd.** 1. Inleiding Dit besluit behandelt het beleid over de giftenregeling in de inkomstenbelasting en vervangt het [besluit van 19 december 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036069), nr. BLKB2014/1415M (Stcrt. 2014, 36877), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 5 maart 2024, nr. 2024-4956 (Stcrt. 2024, 7392). Hieronder staan de wijzigingen ten opzichte van het besluit van 19 december 2014. Ook zijn er enkele tekstuele aanpassingen doorgevoerd, waarmee geen beleidswijziging is beoogd. Verder is de nummering van het besluit aangepast als gevolg van het vervallen van de onderdelen over de ANBI. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Giften 2.1. Periodieke giften in natura Periodieke giften in natura worden op dezelfde wijze behandeld als giften in geld. Onder periodieke giften in natura valt ook de schenking van één enkel voorwerp waarbij het eigendomsrecht daarvan jaarlijks in gelijke gedeelten overgaat. Een voorbeeld hiervan is een schilderij, waarvan elk kalenderjaar een evenredig gedeelte in eigendom aan een museum wordt overgedragen. Uiteraard moet de schenking voldoen aan de criteria van het begrip periodieke giften. Dat betekent onder meer dat de ‘uitkeringen of verstrekkingen’ in omvang vast en gelijkmatig moeten zijn. Schenking van een collectie objecten kan ook zo worden vormgegeven dat jaarlij"},{"i":3157,"b":"Besluit van 6 maart 2017, houdende de aanwijzing van een adviesorgaan en nadere regels voor de vaststelling van een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 25c van de Auteurswet, alsmede enige technische aanpassingen in het Besluit op het specifiek cultuurbeleid (Besluit billijke vergoeding artikel 25c Auteurswet) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 januari 2017, nr. WJZ/1134392 (6929), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 25c, tweede en vijfde lid, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=25c) en [artikel 8, eerste lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 februari 2017, nr. W05.17.0015/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 februari 2017, nr. WJZ/1148287 (6929), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Inhoud verzoek 1. Onverminderd [artikel 25c, derde lid, laatste volzin, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=25c), bevat het verzoek, bedoeld in artikel 25c, derde lid, van de Auteurswet, een afschrift van de statuten van elke betrokken vereniging en een motivering waaruit blijkt dat de betrokken vereniging voldoet aan het bepaalde in artikel 25c, vierde lid, van de Auteurswet. 2. Het gezamenlijk gedragen advies, bedoeld in [artikel 25c, derde lid, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=25c), bevat een motivering betreffende: - a. de geadviseerde billijke vergoeding en de periode waarvoor die vergoeding zou moeten gelden; en - b. de noodzakelijkheid van de geadviseerde billijke vergoeding, gelet op het belang van het behoud van de culturele diversiteit, de toegankelijkheid van cultuur, een doelstelling van sociaal beleid en het belang van de consument. Artikel 2. Adviser"},{"i":4307,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 11 december 2014, nr. DGETM-TM / 14200794, tot verlengbaarheid van de vergunningen voor de frequenties in de 2.100 MHz-band (Besluit verlengbaarheid vergunningen 2.100 MHz 2014) Gelet op [artikel 18, tweede, derde, en vierde lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: Artikel 1 1. De vergunningen, genoemd in kolom 1 van tabel 1, zijn verlengbaar om redenen van algemeen maatschappelijk en economisch belang als bedoeld in [artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18). 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd voor een vaste periode die aanvangt op 1 januari 2017 en loopt tot en met 31 december 2020. 3. In afwijking van het eerste lid zijn de vergunningen, genoemd in kolom 1 van tabel 1, en onverminderd [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035914&artikel=2&z=2014-12-17&g=2014-12-17), niet verlengbaar voor wat betreft het ongepaarde spectrum genoemd in de bijlage van die vergunningen. | Kenmerk | Vergunninghouder | | --- | --- | | 2000/DGTP/00/3950/TvM | T-Mobile Netherlands B.V. | | 2000/DGTP/00/3951/TvM | T-Mobile Netherlands B.V. | | 2000/DGTP/00/3948/TvM | KPN B.V. | | 2000/DGTP/00/3949/TvM | Vodafone Libertel B.V. | | AT-EZ/6781557 – E2 | Vodafone Libertel B.V. | | AT-EZ/6781535 – E1 | KPN B.V. | Artikel 2 De vergunningen, genoemd in tabel 1 van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035914&artikel=1&z=2014-12-17&g=2014-12-17), worden gewijzigd overeenkomstig de wijzigingen aangegeven in de [bijlagen A tot en met F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035914&bijlage=A&z=2014-12-17&g=2014-12-17), met dien verstande dat de houders van de vergunningen met kenmerk 2000/DGTP/00/3951/TvM en kenmerk 2000/DGTP/00/3949/TvM vanwege het bevorderen van een doelmatig frequentiegebruik beiden de mogelijkheid hebben om bij de aanvr"},{"i":2931,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 mei 2005, nr. MC/MO-2580975, houdende aanwijzing aan het CTG tot invoering van een nieuw bekostigingsysteem voor huisartsen Gelet op [artikel 13 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=13); Gehoord het College tarieven gezondheidszorg; Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brieven van 8 april, kenmerk CZ/EZ-2568247 en MC/MO-2576842); Besluit: Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1 onder B. nummer 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1) en door instellingen als vermeld in [artikel 1 onder A., nummer 22, 32 en 33 van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1) (Stb. 1991,732) laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 5 november 2002 (Stb. 2002, 549). Ter uitvoering van dit besluit stelt het College tarieven gezondheidszorg beleidsregels vast voor de in de eerste volzin bedoelde organen. Artikel 2 Het College voert een consultvergoeding in voor huisartsenzorg geleverd door organen zoals onder [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018312&artikel=1&z=2006-01-01&g=2006-01-01) bedoeld. De hoogte van het consulttarief wordt gebaseerd op een bedrag van € 467 miljoen. Het rekenaantal consulten per normpraktijk bedraagt 9753. Artikel 3 Het College voert een inschrijvingstarief in. Dit inschrijvingstarief zal de verzekerde bij eerste inschrijving in de praktijk en vervolgens jaarlijks verschuldigd zijn. Er is voor de invulling van het inschrijvingstarief in 2006 een macrobedrag van € 773 mln. (725 + 48) beschikbaar. Vanaf 2007 is er € 725 mln. beschikbaar. Het tarief is gebaseerd op de huidige normpraktijk van 2350 ingeschreven patiënten. Artikel 4 Binnen het nieuwe bekostigingssysteem wordt er een vrije ruimte gecreëerd met de invoering van drie modules. Het Co"},{"i":3140,"b":"Besluit van 11 mei 2023, houdende aanwijzing van de open informatieveiligheidsstandaarden HTTPS en HSTS voor websites en webapplicaties van bestuursorganen (Besluit beveiligde verbinding met overheidswebsites en -webapplicaties) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 maart 2020, nr. 2020-0000110583; Gelet op [artikel 3, tweede en derde lid, van de Wet digitale overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048156&artikel=3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 april 2020, nr. No.W04.20.0067/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 mei 2023, nr. 2023-0000244567; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **HSTS:** «HTTP Strict Transport Security», IETF RFC 6797; - b. **HTTPS:** «HyperText Transfer Protocol Secure», IETF RFC 9110; - c. **TLS-richtlijnen:** de ICT-beveiligingsrichtlijnen voor Transport Layer Security (TLS), versie 2.1.1, gepubliceerd op [https://www.ncsc.nl/documenten/publicaties/2021/januari/19/ict-beveiligingsrichtlijnen-voor-transport-layer-security-2.1](onbekend); - d. **Webapplicatie-richtlijnen:** de ICT-Beveiligingsrichtlijnen voor Webapplicaties, versie 2015, gepubliceerd op [https://www.ncsc.nl/documenten/publicaties/2019/mei/01/ict-beveiligingsrichtlijnen-voor-webapplicaties](onbekend) Artikel 2. Aanwijzing Bestuursorganen als bedoeld in [artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:1), beveiligen hun publiek toegankelijke websites en webapplicaties door toepassing van HTTPS en HSTS, met dien verstande dat: - a. de standaarden worden geconfigureerd overeenkomstig de instellingen die de status voldoende of goed krijgen in de TLS-richtlijnen; - b. een bezoeker wordt doorverwezen naar de HTTPS-versie op de bezochte domeinnaam voordat naar andere domeinnamen"},{"i":15363,"b":"Besluit van de Minister van Justitie houdende vaststelling van de Circulaire wapens en munitie 2005 Gelet op [artikel 38, tweede lid, van de Wet wapens en munitie (Stb. 1997, 292)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=38), laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 juni 2004 (Stb. 2004, 290); Besluit : Artikel 1 Vastgesteld wordt de Circulaire wapens en munitie 2005, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 De [Circulaire wapens en munitie 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008876), vastgesteld bij beschikking van 20 augustus 1997, nr. 648084/DBZ/97, wordt ingetrokken. Artikel 3 De vaststelling van de circulaire, alsmede de inhoudsopgave van de circulaire worden in de Staatscourant bekend gemaakt. De circulaire en de daarbij behorende bijlagen liggen ter inzage bij de Dienst Justis van het Ministerie van Justitie en zijn tevens te downloaden van de website van het Ministerie van Justitie. Bijlage **A. ALGEMEEN DEEL** 1.1 Inleiding 1.2 Categorieën wapens en munitie 1.2.1 Wapens 1.2.2 Munitie 1.2.3 Onderdelen en hulpstukken van wapens 1.2.4 Onderdelen van munitie 1.3 Verboden, vrijstellingen en uitzonderingen 1.3.1 Verboden 1.3.2 Vrijstellingen 1.3.3 Uitzonderingen 1.3.4 Overheidsfunctionarissen 1.3.4.1 Krijgsmacht 1.3.4.2 Politie 1.3.4.3 Buitengewoon opsporingsambtenaren 1.3.4.4 Overige overheidsfunctionarissen 1.4 Vergunningen 1.4.1 Algemeen 1.4.2 Ontheffingen 1.4.2.1 Verlening en verlenging 1.4.2.2 Weigering en intrekking 1.4.3 Erkenningen 1.4.3.1 Verlening en verlenging 1.4.3.2 Weigering en intrekking 1.4.3.3 Register 1.4.3.4 Vervoer door of namens de erkenninghouder 1.4.4 Verloven 1.4.4.1 Verlening en verlenging 1.4.4.2 Verlof tot voorhanden hebben van wapens en munitie 1.4.4.3 Verlof tot dragen van wapens en munitie 1.4.4.4 Verlof tot vervoer van wapens en munitie 1.4.4.5 Verlof tot verkrijging van wapens en munitie 1.4.4.6 Weigering en intrekking 1.4.4.7 Melding aan verenigingsbestuur bij intrekking of weigering"},{"i":15377,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Industrie- en technologiebeleid vanaf 1945 (Minister van Algemene Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 juni 2006, nr. arc-2006.02959/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Algemene Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Industrie- en technologiebeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19157,"b":"Richtlijn voor strafvordering overvallen Beschrijving Deze richtlijn is van toepassing op overvallen in besloten plaatsen, woningen en bedrijven. Onder bedrijven is begrepen overvallen op beroepsmatig vervoer van geld, zoals geld- en waardetransporten, pizzakoeriers e.d. of personen met dagopbrengsten). De richtlijn ziet niet op winkeldiefstal gevolgd door geweld of bedreiging met geweld, straatroof en op ram- en plofkraken, daarvoor zijn aparte richtlijnen. In een aantal gevallen zal ruimte zijn voor het eisen van voorwaardelijke straffen met daaraan gekoppeld een streng toezicht en strakke begeleiding. Dit ligt veelal in de persoonlijke omstandigheden van de dader. Dit is ook een omstandigheid die in de maatwerkeis moet worden meegenomen. Basiscasus/delict Overval door een first offender, alleen gepleegd met een basis van geweld (slaan/ schoppen, maar ook gebruik van een steek-of slagwapen) en/of bedreiging. * Verhoging geldt ook indien WWM-feit apart tenlastegelegd wordt. ** Tenzij apart tenlastegelegd als [282 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=282). *** De recidive en de genoemde strafverlagende factoren dienen te worden berekend over het tot dan toe verkregen subtotaal. Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036337)."},{"i":15390,"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 249,58. 2. De andere leden van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 124,79. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van het Besluit EOS: lange termijn ontvangen alle leden van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van 120 minuten per aanvraag. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15399,"b":"Vaststellingsregeling Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Geo-informatie over de periode vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2004, nr. arc-2003.6426/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Geo-informatie over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15400,"b":"Vaststellingsregeling Selectielijst neerslag handelingen Stichting Nederlands Fonds voor de Film op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1956 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 8 maart 2004, nr. arc-2003.6675/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1956’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument van het bestuur van de stichting nederlands fonds voor de film op het beleidsterrein kunsten over de periode vanaf 1956 Inzake het handelen van: 1. Inhoudsopgave (Deze is hier, als niet-functioneel zijnde, weggelaten.) 2. Lijst van afkortingen **Toelichting: de in het woordenboek voorkomende officiële afkortingen zijn niet opgenomen.** AB: [ArchiefBesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748) AW: [ArchiefWet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) BSD: BasisSelectieDocument Cobo: Coproductiefonds Binnenlandse Omroep EZ: Economische Zaken Fine: B.V. Filminvesteerders Nederland B.V. FNF: Fonds voor de Nederlandse Film HFP: Holland Film Promotion NA: Nationaal Archief NFC: Nederlandse Federatie voor de Cinematografie NFF: Nederlands Fonds voor de Film NOS: Nederlandse OmroepStichting OC&W: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen OK&W: Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen PIVOT: Project Invoering Verkorting OverbrengingsTermijn PNF: Productiefonds voor Nederlandse Films RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek Stb.: Staatsblad Stifo: Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties WVC: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur z.d.:"},{"i":11936,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 24 mei 2024, nr. IENW/BSK-2024/151785, houdende benoeming en vergoeding van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Te rekenen vanaf 1 juli 2024 wordt de heer Dr. S.R.A. van Eijck, voor een periode van twee jaar benoemd tot Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie. Artikel 2 De Speciaal Regeringsvertegenwoordiger heeft tot taak: - a. Binnen de kaders van het Nationaal Programma Circulaire Economie bij te dragen aan het optimaal realiseren van een circulaire economie door op nationaal en Europees niveau als liaison te opereren tussen bedrijfsleven/maatschappelijke organisaties en rijksoverheid; - b. Gevraagd en ongevraagd signalen en adviezen uit te brengen aan de coördinerend bewindspersoon voor circulaire economie en betrokken bewindspersonen over de voortgang van de uitvoering. Artikel 3 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie bewaard in het archief van dat ministerie. Artikel 4 Aan de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,444. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkene."},{"i":5443,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 11 april 2019, nr. 2561595 houdende tijdelijke aanwijzing van een ander Gerechtshof als bedoeld in artikel 62a van de Wet op de rechterlijke organisatie (Regeling tijdelijke aanwijzing gerechtshof Den Haag voor standaard strafzaken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) Gelet op [artikel 62a van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=62a); Gehoord de Raad voor de rechtspraak; Gehoord het College van Procureurs-generaal; Besluit: Artikel 1 Voor de behandeling van strafzaken, die aanhangig zijn gemaakt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en in eerste aanleg zijn behandeld door de rechtbanken Gelderland of Midden-Nederland, wordt aangewezen als ander gerechtshof als bedoeld in [artikel 62a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=62a): het gerechtshof Den Haag. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 24 april 2019 en vervalt met ingang van 1 januari 2020. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tijdelijke aanwijzing gerechtshof Den Haag voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2019. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15419,"b":"Besluit van 27 januari 2005, nr. 05.000268, houdende de vaststelling van de vergoedingen voor de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de Commissie Stedelijke Distributie (Vergoedingenbesluit Commissie Stedelijke Distributie) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 januari 2005, nr. HDJZ/AWW/2004-3136, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De voorzitter van de Commissie Stedelijke Distributie ontvangt een vaste vergoeding van € 1475,– per maand. Artikel 2 De plaatsvervangend voorzitter van de Commissie Stedelijke Distributie een vaste vergoeding van € 737,50 per maand. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit Commissie Stedelijke Distributie. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2005. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant wordt geplaatst."},{"i":15437,"b":"Verlenging beperking openbaarheid archiefbescheiden Raad van Beroep voor de Perszuivering Overwegende: dat in 1981 het archief van de Raad van Beroep voor de Perszuivering 1947-1951 is overgebracht naar de algemene rijksarchiefbewaarplaats in Den Haag, met de beperkende bepaling dat voor raadpleging van stukken, jonger dan 50 jaar, toestemming moest worden verleend door de minister van Onderwijs en Wetenschappen; dat de beperkende bepaling op 1 januari 2002 zou aflopen, waarna het archief geheel openbaar zou worden; dat de volledige openbaarmaking van deze archiefbescheiden evenwel onevenredige schade zou kunnen toebrengen aan de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen; Gelet op [artikel 15, tweede lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Besluit: Artikel 1 Het archief van de Raad van Beroep voor de Perszuivering 1947-1951 mag tot 1 januari 2011 alleen worden geraadpleegd na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Algemeen Rijksarchief. Voor publicatie van gegevens uit deze bescheiden is eveneens vooraf schriftelijke toestemming van de directeur van het Algemeen Rijksarchief vereist. Artikel 2 Een beslissing, houdende weigering tot het verlenen van toestemming, wordt met redenen omkleed. Artikel 3 Dit besluit, dat zal worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant, werkt terug tot 1 januari 2002. Bijlage Een belanghebbende kan tegen dit besluit beroep instellen bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan hij zijn woonplaats heeft. Voordat hij beroep instelt, moet hij binnen zes weken na de inwerkingtreding van dit besluit bij de Staatssecretaris een bezwaarschrift indienen. Dit bezwaarschrift moet worden gestuurd naar CFI/FJZ, ter attentie van het secretariaat van de Commissie voor de bezwaarschriften, Postbus 606, 2700 ML Zoetermeer."},{"i":15460,"b":"Verordening ledenraad 2015 De ledenraad van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie KNB; Overwegende dat het gewenst is regelen te stellen met betrekking tot het functioneren van de ledenraad; Gelet op [artikel 77 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=77); Gezien het ontwerp van het bestuur met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de kamers van toezicht; Gelet op de adviezen van de ringen; stelt de navolgende verordening vast: De ledenraad is een centraal onderdeel van de organisatie van de KNB. De wetgever ziet de ledenraad als schakel tussen de leden en het bestuur van de KNB. De ledenraad heeft drie taken. De eerste taak is het zorg dragen voor de vaststelling van het algemene beleid van de KNB. De tweede taak is het vaststellen van de verordeningen van de KNB. De derde taak is de benoeming van het bestuur van de KNB en het houden van toezicht op het bestuur. Bij de zorg voor de vaststelling van het beleid vervult de ledenraad tegenover het bestuur van de KNB een zelfstandige rol. Een lid van de ledenraad kan daarom niet tevens lid zijn van het bestuur. De ledenraad kan over de vaststelling van het beleid in overleg treden met het bestuur en hij kan het bestuur in verband hiermee om inlichtingen vragen, adviseren of opdragen een onderzoek uit te voeren naar onderwerpen die de ledenraad in verband met de vervulling van zijn taak van belang acht ([artikel 68 Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=68) (WNA)). [Artikel 64 lid 4 WNA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=64) verplicht het bestuur om het jaarlijks verslag van zijn werkzaamheden om advies te zenden aan de ledenraad. Wat betreft het vaststellen van de verordeningen kan de functie van de ledenraad gezien worden als die van wetgever in overleg met het bestuur van de KNB. Zo moet de ledenraad over de voorstellen van verordeningen overleggen met het bestuur na daarover het advies van"},{"i":15528,"b":"Wet van 20 januari 2021 tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Verzamelwet LNV 2021) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in enkele wetten op het terrein van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijzigingen van wetstechnische of anderszins ondergeschikte aard aan te brengen in verband met onjuiste verwijzingen of gebreken en een uitgewerkte wet in te trekken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. ([Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II. ([Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885)) Wijzigt de Omgevingswet. Artikel III. ([Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194)) Wijzigt de Plantgezondheidswet. Artikel IV. ([Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250)) Wijzigt de Wet dieren. Artikel V. ([Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245)) Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel VI. ([Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552)) Wijzigt de Wet natuurbescherming. Artikel VII. ([Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063)) Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VIII. ([Wet rechtskracht Structuurschema groene ruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016432)) Wijzigt de Wet rechtskracht Structuurschema groene ruimte. Artikel IX. ([Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804)) Wijzigt de Wet wapens en munitie. Artikel X. (inwerkingtreding) Deze wet"},{"i":15530,"b":"Wet van 23 februari 2022, houdende wijziging van wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met hoofdzakelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 2022) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om op gebundelde wijze diverse vooral wetstechnische en redactionele wijzigingen aan te brengen in met name de wetten die onder de verantwoordelijkheid vallen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II. [Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947) Wijzigt de Ambtenarenwet 2017. Artikel III. [Burgerlijk wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IV. [Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755) Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel IVa. [Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018259) Wzijgt de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing. Artikel V. [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440) Wijzigt de Gaswet. Artikel VI. [Invoerings- en aanpassingswet WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044812) Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet WVO 2020 Artikel VII. [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302) Wijzigt de Leerplichtwet 1969. Artikel VIII. [Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188) Wijzigt de Les- en cursusgeldwet. Artikel IX. [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691) Wijzigt"},{"i":15552,"b":"Wet van 26 mei 2025 tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Verzamelwet VWS 2024) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wijzigingen en correcties van wetstechnische of anderszins beperkt inhoudelijke aard aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Wijzigt de Geneesmiddelenwet. Artikel III Wijzigt de Gezondheidswet. Artikel IV Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel V Wijzigt de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Artikel VI Wijzigt de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg. Artikel VII Wijzigt de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden. Artikel VIII Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel IX Wijzigt de Wet op bijzondere medische verrichtingen. Artikel X Wijzigt de Wet publieke gezondheid. Artikel XI Wijzigt de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg, de Wet ambulancevoorzieningen, de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg, de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018, de Wet medische hulpmiddelen, de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, de Wet toetreding zorgaanbieders, de Wet uitvoering antidopingbeleid, de Wijzigingswet Wet geneesmiddelenprijzen (aanpassing referentielanden) en de Zorgverzekeringswet. Artikel XII Wijzigt de Wet afbreking zwangerschap en de Uitvoeringswet verdrag biologische wapens. Artikel XIII Wijzigt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Artikel XIV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de vers"},{"i":2436,"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2012, MC-U-3140562, inzake de huisartsentarieven per 2013 Gelet op [artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21); Besluit: Artikel 1 De Nederlandse Zorgautoriteit voert de uitkomsten van de in het jaar 2012 afgeronde onderzoeken inzake de praktijkkosten en inkomens van huisartsen niet door in de huisartsentarieven per 2013. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4710,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 februari 2009, nr. R&P/RA/2009/2855 tot instelling van een Comité van Experts subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie C Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S.A.M. Dijksma, en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart; Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het comité:** het Comité van experts Subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie C als bedoeld in [artikel 5 van de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&artikel=5); - b. **de minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - c. **het ministerie:** het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2. Instelling Er is een Comité van experts Subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie C. Artikel 3. Taak - a. Het comité heeft tot taak projecten als bedoeld in [artikel 4, onderdeel c, van de ESF Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&artikel=4), te beoordelen aan de hand van de in artikel C8 van die regeling genoemde criteria, zulks onder toepassing van een door haar op te stellen en ter kennis van de minister te brengen toetsingskader waarin deze criteria nader zijn uitgewerkt. - b. Het comité heeft tot taak de projecten op basis van deze beoordeling, alsmede op basis van het bepaalde in artikel C8, te rangschikken naar de mate waarin deze voor subsidieverlening in aanmerking komen. - c. Het comité adviseert de minister uiterlijk vier weken na het einde van het aanvraagtijdvak, als bedoeld in artikel C2, en licht het advies desgevraagd nader toe. - d. Het comité staat de minister desgevraagd bij in kwesties die verband houden met de toekenning van subsidie voor projecten als bedoeld onder a. Artikel 4. Samenstelling - a. Het comité bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en drie overige leden."},{"i":6628,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 november 2015, nr. MBO-821461, houdende wijziging van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo in verband met onder meer het introduceren van twee aanvraagperioden per jaar alsmede enige technische verbeteringen Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken, Gelet op [artikel 2.2.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3), Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling regionaal investeringsfonds mbo. Artikel II 1. Indien een publiek-private samenwerking waarvan de subsidieaanvraag is goedgekeurd in de jaren 2014 of 2015 alsnog gebruik wenst te maken van de mogelijkheden, bedoeld in [artikel 8, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035054&artikel=8) of [artikel 9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035054&artikel=9), geeft het samenwerkingsverband in de voortgangsrapportage, bedoeld in [artikel 25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035054&artikel=25), een beschrijving van de mijlpalen gedurende de resterende subsidieperiode om de doelstelling van de publiek-private samenwerking te behalen. 2. Indien een publiek-private samenwerking waarvan de subsidieaanvraag is goedgekeurd in de jaren 2014 of 2015 alsnog gebruik wenst te maken van de mogelijkheid, bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035054&artikel=10), draagt het samenwerkingsverband er zorg voor dat de cofinanciering voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10, vierde lid. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4012,"b":"Besluit Staatssecretaris van Defensie Mandaat KPMG Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. De Staatssecretaris: de Staatssecretaris van Defensie - b. KPMG: KPMG Management Services B.V. gevestigd te Amstelveen - c. Uitkeringsregelingen: - –. De Militaire wachtgeldregelingen 1961 (SBK-Standaard); - –. Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (SBK-Standaard); - –. Uitkeringsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (SBK-Standaard); - –. [Tijdelijk besluit uitstroombevorderende maatregel Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006828) (SBK-WG-UBM, burger en militair); - –. Wachtgeld- en uitkeringsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie bij privatisering; - –. Het [Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008113); - –. Het [Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007212). Artikel 2. Mandaat De Staatssecretaris verleent aan KPMG het volgende mandaat: - 1. KPMG is bevoegd om namens de Staatssecretaris besluiten te nemen ter uitvoering en op grond van de uitkeringsregelingen. - 2. KPMG legt een voorgenomen besluit, voor zover dit voortkomt uit de uitvoering van de uitkeringsregelingen, voor aan de Staatssecretaris indien KPMG gerede twijfels heeft over het in een individueel geval toepassen van een uitkeringsregeling en het naar het oordeel van KPMG een geval betreft dat grote beleidsmatige of financiële gevolgen kan hebben voor het Ministerie van Defensie, dan wel kan leiden tot precedentwerking. - 3. KPMG is bevoegd om te beslissen op bezwaarschriften tegen ingevolge het eerste lid van dit artikel genomen besluiten, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. - 4. KPMG is bevoegd om inzake de uitvoering van de uitkeringsregelingen name"},{"i":3512,"b":"Besluit van 17 december 2002, houdende vaststelling van het Besluit fiscale eenheid 2003 Op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 7 oktober 2002, WDB2002/563M; Gelet op [artikel 15, vierde en tiende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15); De Raad van State gehoord (advies van 30 oktober 2002, No. W06.02 0446/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 13 december 2002, WDB2002/827; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Algemeen en definities 1. Dit besluit geeft uitvoering aan [artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15). 2. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672); - b. fiscale eenheid: fiscale eenheid als bedoeld in [artikel 15, eerste of tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15); - c. moedermaatschappij of dochtermaatschappij: moedermaatschappij of dochtermaatschappij als bedoeld in [artikel 15, eerste of tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15); - d. tussenmaatschappij: tussenmaatschappij als bedoeld in [artikel 15, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15); - e. topmaatschappij: topmaatschappij als bedoeld in [artikel 15, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15); - f. maatschappij, voegingstijdstip of ontvoegingstijdstip: hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 15aa, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15aa), met dien verstande dat een buitenlandse belastingplichtige slechts als maatschappij wordt aangemerkt voor zover deze op grond van [artikel 15, achtste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&arti"},{"i":4651,"b":"Besluit van 17 mei 2024, houdende regels betreffende toegankelijkheidsvoorschriften voor diensten die toegang geven tot audiovisuele mediadiensten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/882 van de Europese Commissie en de Raad van 17 april 2019 inzake toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU, 2019, L 151) (Implementatiebesluit toegankelijkheidsvoorschriften diensten die toegang geven tot audiovisuele mediadiensten) Op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 6 juli 2023, nr. WJZ/1307544 (ID14772) directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [Richtlijn (EU) 2019/882](32019L0882) van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten en [artikel 5c van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915&artikel=5c); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 maart 2024, nr. W05.23.00165/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 mei 2024, nr. WJZ/45594864, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definities In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **audiovisuele mediadiensten:** in artikel 1, lid 1, punt a), van [Richtlijn 2010/13/EU](32010L0013) omschreven diensten; - **Commissariaat voor de Media:** Commissariaat voor de Media als bedoeld in [artikel 7.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.1); - **consument:** natuurlijke persoon die een tot audiovisuele mediadiensten toegang verschaffende dienst afneemt voor andere doeleinden dan zijn handels-, bedrijfs-, ambachts-, of beroepsactiviteit; - **dienstverlener:** natuurlijke of rechtspersoon die een tot audiovisuele mediadiensten toegang verschaffende dienst verleent op de markt van de Unie of aanbiedt consum"},{"i":15566,"b":"Voorschrift betreffende typeclassificeren van munitieartikelen Besluit: Artikel 1 Vastgesteld wordt het in bijlage gevoegde Voorschrift betreffende het typeclassificeren van munitieartikelen. Artikel 2 1. Er kan schriftelijk vrijstelling of ontheffing worden verleend van de regels gesteld in het in bijlage gevoegde voorschrift. Aan de vrijstelling of ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden. 2. Aan de voorzitter van de Defensie Veiligheidsraad Gevaarlijke Stoffen wordt mandaat verleend voor het verlenen van ontheffingen als bedoeld in het eerste lid. 3. Aan de Commandant der Strijdkrachten wordt, in geval van een operationele noodzaak, mandaat verleend voor het verlenen van vrijstellingen als bedoeld in het eerste lid. 4. Bij afwezigheid of verhindering van de functionaris, bedoeld in het tweede en het derde lid treedt een door die functionaris schriftelijk aangewezen plaatsvervanger voor de duur van de afwezigheid of verhindering in diens plaats. Artikel 3 Het in bijlage gevoegde voorschrift worden opgenomen in de MP40-22 (van de serie ministeriële publicaties van het ministerie van Defensie) en vervangt het in de huidige MP40-22 opgenomen voorschrift. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op http://mpbundels.mindef.nl/. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage welke zal worden gepubliceerd op het internet: http://mpbundels.mindef.nl/. Tevens zal dit besluit en de bijlage worden geplaatst in de op het intranet van het Ministerie van Defensie opgenomen serie ministeriële publicatie 40-22 (MP40-22)."},{"i":15673,"b":"Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 tot aanpassing van de regeling voor de fiscale beleggingsinstelling (Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) wijzigingen aan te brengen in de regeling voor de fiscale beleggingsinstelling; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II 1. Van overdrachtsbelasting is vrijgesteld de verkrijging van economische eigendom als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=2) ingeval deze uiterlijk op 31 december 2024 wordt verkregen: - a. van een rechtspersoon die op het onmiddellijk aan die verkrijging voorafgaande tijdstip kwalificeert als beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) maar die op dat tijdstip niet als zodanig had gekwalificeerd indien op dat tijdstip genoemd artikel 28 zoals dat luidt na de inwerkingtreding van artikel I reeds was toegepast; en - b. in de vorm van een deelgerechtigdheid in een lichaam dat voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant is en waarin de rechtspersoon die economische eigendom heeft ingebracht, zulks onder de voorwaarde dat de verkrijger na de verkrijging in gelijke mate gerechtigd is tot het vermogen van dat fiscaal transparante lichaam als hij was door middel van aandelen in de beleggingsinstelling, op het onmiddellijk aan die verkrijging voorafgaande tijdstip. 2. Onder een lichaam dat voor Nederlandse fis"},{"i":6631,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 11 februari 2021, nr. PO/2522640, houdende wijziging van de Regeling subsidie zij-instroom in verband met het vaststellen van de subsidieplafonds voor 2021, een herziening van de definitie van zij-instromer in het mbo en een aanvulling van de weigeringsgronden Artikel I Wijzigt de Regeling subsidie zij-instroom. Artikel II 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044844&artikel=I&z=2021-02-24&g=2021-02-24), werkt daarbij terug tot en met 1 januari 2020, met dien verstande dat de terugwerkende kracht, voor zover zij een beperking inhoudt van hetgeen onder zij-instromer wordt verstaan, geen betrekking heeft op aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend. Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluiten: Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6127,"b":"Besluit van 2 april 1992 houdende Warenwetbesluit Doorstraalde waren Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 13 augustus 1991, VVP/L-691449, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Overwegende, dat uit oogpunt van volksgezondheid de behandeling van eet- en drinkwaren en andere roerende zaken met ioniserende stralen tot een dosis van 10 kGy als veilig beschouwd kan worden; Overwegende, dat het evenwel als ongewenst moet worden beschouwd dat eet- en drinkwaren zonder aantoonbare noodzaak aan een dergelijke behandeling zouden worden onderworpen; Overwegende, dat bovendien voorkomen moet worden dat voor de bereiding van eet- en drinkwaren gebruik zou worden gemaakt van oorspronkelijk ondeugdelijke grondstoffen die evenwel na een behandeling met ioniserende stralen alsnog in overeenstemming zijn gebracht met de van toepassing zijnde eisen; Overwegende, dat het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet) (**Stb.** 1981, 621) en het [Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005310) (**Stb.** 1992, 14) moeten worden aangevuld met specifieke voorschriften ten behoeve van de informatie aan eindverbruikers, betreffende de vermelding van een eventuele behandeling met ioniserende stralen van eet- en drinkwaren en ingrediënten daarvan; Overwegende, dat daarnaast ook bereiders van eet- en drinkwaren moeten worden ingelicht over een eventuele behandeling van grondstoffen met ioniserende stralen; Gelet op de [artikelen 1, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1), [4, eerste lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4)[5, eerste lid, onderdelen a, 1°, en b, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [6, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=6), [8, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":4086,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 19 april 2013, nr. AT-EZ/6807463, inzake de uitgifte van drie vergunningen voor analoge commerciële radio-omroep (voor de kavels A7, B38 en C08) en drie vergunningen voor digitale radio-omroep Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; Gelet op [artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10) en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: § 1. Inleiding § 2. Wijze van verdeling § 3. Nadere bestemming § 4. Ontwerpvergunningen § 5. Start aanvraag- en verdeelprocedure § 6. Eerste consultatie § 7. Tweede consultatie § 8. Publicatie § 9. Inwerkingtreding Bijlage A Ligt ter inzage bij Agentschap Telecom te Groningen en is gepubliceerd op www.agentschaptelecom.nl. Bijlage B Ligt ter inzage bij Agentschap Telecom te Groningen en is gepubliceerd op www.agentschaptelecom.nl. Bijlage C Ligt ter inzage bij Agentschap Telecom te Groningen en is gepubliceerd op www.agentschaptelecom.nl. Bijlage D Ligt ter inzage bij Agentschap Telecom te Groningen en is gepubliceerd op www.agentschaptelecom.nl. Bijlage E Ligt ter inzage bij Agentschap Telecom te Groningen en is gepubliceerd op www.agentschaptelecom.nl. Bijlage F Ligt ter inzage bij Agentschap Telecom te Groningen en is gepubliceerd op www.agentschaptelecom.nl. Bijlage G Ligt ter inzage bij Agentschap Telecom te Groningen en is gepubliceerd op www.agentschaptelecom.nl. Bijlage H Ligt ter inzage bij Agentschap Telecom te Groningen en is gepubliceerd op www.agentschaptelecom.nl. Bijlage I Ligt ter inzage bij Agentschap Telecom te Groningen en is gepubliceerd op www.agentschaptelecom.nl. Bijlage J Ligt ter inzage bij Agentschap Telecom te Groningen en is gepubliceerd op www.agentschaptelecom.nl. Bijlage K Ligt ter inzage bij Agentschap Telecom te Groningen en is gepubliceerd op www.agentschaptelecom.nl. Bij"},{"i":2004,"b":"Wet van 11 september 2008, houdende wijziging van de Wet op de kansspelbelasting in verband met kansspelen via internet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de kansspelbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002359) te wijzigen in verband met de heffing over kansspelen die via het internet worden gespeeld; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting. Artikel IA Onze Minister van Financiën zendt binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en is van toepassing op tijdvakken die aanvangen na inwerkingtreding van deze wet. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9226,"b":"Samenwerkingsovereenkomst inzake satellietnavigatie tussen de Europese Unie en haar lidstaten en het Koninkrijk Noorwegen De Europese Unie, hierna „de Unie” of „de EU” genoemd, alsmede het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk Der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk Van Groot-Brittannië En Noord-Ierland, de partijen bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, enerzijds, alsmede het Koninkrijk Noorwegen, hierna „Noorwegen” genoemd, anderzijds, De Europese Unie, de lidstaten en Noorwegen, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, erkennende de nauwe deelname van Noorwegen aan de Galileo- en EGNOS-programma's sinds de definitiefasen van die programma's, zich bewust van de ontwikkeling in het bestuur, de eigendom en de financiering van de Europese GNSS-programma's krachtens [Verordening (EG) nr. 1321/2004](32004R1321) van de Raad van 12 juli 2004 inzake de beheerstructuren van de Europese programma's voor radionavigatie per satelliet1)PB L 246 van 20.7.2004, blz. 1., de wijzigingen ervan en [Verordening (EG) nr. 683/2008](32008R0683) van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende de voortzetting van de uitvoering van de Europese programma's voor navigatie per satelliet (EGNOS en Galileo)2)PB L 196 van 24.7.2008, blz. 1., overwegende de voordelen van een gelijkwaardig niveau van bescherming van Europese GNSS en de diensten ervan op de grondgebieden van de partijen, erkennende het voornemen"},{"i":11893,"b":"Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: richtingaanwijzer Hoofdstuk 4. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: inhoudelijke regels Hoofdstuk 5. Milieubelastende activiteiten: modules Hoofdstuk 6. Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk Hoofdstuk 7. Activiteiten in de Noordzee Hoofdstuk 8. Activiteiten rond rijkswegen Hoofdstuk 9. Activiteiten rond spoorwegen Hoofdstuk 2. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: algemeen Hoofdstuk 11. Activiteiten die de natuur betreffen Hoofdstuk 12. Landinrichtingsactiviteiten Hoofdstuk 13. Activiteiten die cultureel erfgoed betreffen Hoofdstuk 14. Activiteiten die werelderfgoed betreffen Hoofdstuk 15. Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden Hoofdstuk 16. Grondwateronttrekkingen en ontgrondingen op land en in regionale wateren Hoofdstuk 17. Afval van schepen in binnenwateren Hoofdstuk 18. Overige en slotbepalingen Bijlage I. bij [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=1&afdeling=1.1&artikel=1.1&z=2023-01-01&g=2023-01-01) van dit besluit (begrippen) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage II. bij de [artikelen 3.39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.2&paragraaf=3.2.13&artikel=3.39&z=2023-01-01&g=2023-01-01), [3.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.2&paragraaf=3.2.13&artikel=3.40&z=2023-01-01&g=2023-01-01), [3.184](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.5&paragraaf=3.5.11&artikel=3.184&z=2023-01-01&g=2023-01-01), [3.195](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afdeling=3.5&paragraaf=3.5.11&artikel=3.195&z=2023-01-01&g=2023-01-01) en [3.196](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3&afde"},{"i":11894,"b":"Besluit additieven in levensmiddelen BES Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **additieven:** levensmiddelenadditieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen; - b. **quantum satis:** een hoeveelheid van een additief toegevoegd aan eet- en drinkwaren overeenkomstig goede productiemethoden, die niet groter is dan voor het beoogde doel nodig is, onder de voorwaarde dat de consument niet wordt misleid; - c. **onverwerkte eet- of drinkwaar:** een eet- of drinkwaar die geen behandeling heeft ondergaan welke een ingrijpende wijziging veroorzaakt in de oorspronkelijke staat daarvan, met dien verstande dat die eet- of drinkwaar gesneden, verdeeld, uitgebeend, gehakt, gepeld, geschild, gewassen, gemalen, schoongemaakt, diepgevroren, ingevroren, gekoeld, ontkorst, gedopt, verpakt of niet-verpakt kan zijn; - d. **conserveermiddelen:** stoffen die de houdbaarheid van eet- en drinkwaren vergroten door deze te beschermen tegen bederf door micro-organismen; - e. **anti-oxidanten:** stoffen die de houdbaarheid van eet- en drinkwaren vergroten door deze te beschermen tegen bederf door oxidatie; - f. **draagstoffen:** stoffen, met inbegrip van oplosmiddelen die als draagstoffen fungeren die gebruikt worden om een additief op te lossen, te verdunnen, te dispergeren of op een andere wijze fysisch te wijzigen zonder de technologische functie daarvan te veranderen en zonder zelf enig technologisch effect uit te oefenen ten einde de verwerking, de toepassing of het gebruik van het additief te vergemakkelijken; - g. **voedingszuren:** stoffen die de zuurtegraad van eet- en drinkwaren verhogen of er een zure smaak aan geven; - h. **zuurteregelaars:** stoffen die de zuurte of alkaliteit van eet- en drinkwaren veranderen of regelen; - i. **antiklontermiddelen:** stoffen die de neiging van afzonderlijke deeltjes van eet- en drinkwaren om aan elkaar te kleven verkleinen; - j. **antischuimmiddelen:** stoffen die schuimvorming verhinderen of verminderen; - k. **vulstoff"},{"i":11895,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 november 2016, houdende de instelling van een Adviescollege levenslanggestraften (Besluit Adviescollege levenslanggestraften) Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Adviescollege:** het Adviescollege levenslanggestraften; - b. **voorzitter:** de voorzitter van het Adviescollege; - c. **DJI:** de Dienst Justitiële Inrichtingen als bedoeld in [artikel 63f van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=63f); - d. **levenslanggestrafte:** een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf plaatsvindt; - e. **Minister:** de Minister voor Rechtsbescherming; - f. **re-integratie activiteiten:** activiteiten, inclusief verlof, die aanvullend op de resocialisatieactiviteiten de gedetineerde in staat stellen te werken aan de voorbereiding op zijn mogelijke terugkeer in de samenleving; - g. **detentie:** de periode van vrijheidsbeneming vanaf het moment van de inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ter zake van het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd. Artikel 2. Samenstelling en benoeming voorzitter en leden Adviescollege 1. Er is een Adviescollege levenslanggestraften. 2. Het Adviescollege heeft een voorzitter, tevens lid, met een juridische achtergrond en andere leden uit diverse disciplines, waaronder: - a. tenminste vier juristen; - b. tenminste twee psychiaters; - c. tenminste twee psychologen; en - d. tenminste een wetenschappelijk lid. 3. De leden, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, beschikken over een uitgebreide expertise in de strafrechtpraktijk en de tenuitvoerlegging van straffen en het lid, bedoeld in het eerste lid, onder d, heeft bij voorkeur specifieke expertise op het gebied van de positie en de belangen van slachtoffers en nabestaanden. 4. De voorzitter en de overige leden van het Adviescollege worden bij mi"},{"i":6315,"b":"Wet van 19 juni 2003 tot gemeentelijke herindeling van het Westland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke herindeling in het Westland te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande gemeenten opgeheven: De Lier 's-Gravenzande Maasland Monster Naaldwijk Schipluiden Wateringen Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande nieuwe gemeenten ingesteld: Westland Midden-Delfland 2. De nieuwe gemeente Westland bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten De Lier, 's-Gravenzande, Monster, Naaldwijk en Wateringen en de nieuwe gemeente Midden-Delfland bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Maasland en Schipluiden, met dien verstande dat de grenzen van de nieuwe gemeenten komen te lopen zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Grenswijzigingen van gemeenten die niet worden opgeheven Artikel 3 De grenzen van de gemeenten Delft en Maassluis worden gewijzigd zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 3. Bepalingen in verband met de toepassing van de Wet algemene regels herindeling Artikel 4 Voor de nieuwe gemeenten Westland respectievelijk Midden-Delfland worden de op te heffen gemeenten Naaldwijk respectievelijk Schipluiden aangewezen in verband met de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), ten aanzien van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten De Lier, 's-Gravenzande, Monster, Naaldwijk en Wateringen, respectieveli"},{"i":15736,"b":"Wet van 16 april 2015 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met de invoering van een compartimenteringsreserve (Wet compartimenteringsreserve) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het omwille van een evenwichtige belastingheffing en mede om budgettaire redenen wenselijk is een compartimenteringsreserve in de vennootschapsbelasting in te voeren in geval van sfeerovergangen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 juni 2013. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet compartimenteringsreserve. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15783,"b":"Wet van 31 oktober 2002, houdende bepalingen inzake rechtspersoonlijkheid, privileges en immuniteiten van de Hoge Commissaris inzake Nationale Minderheden (Wet HCNM) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Hoge Commissaris inzake Nationale Minderheden, als zijnde een instelling van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, rechtspersoonlijkheid te verlenen, alsmede deze instelling en diens functionarissen privileges en immuniteiten toe te kennen ter wille van een onafhankelijke functie-uitoefening en dat het noodzakelijk is daartoe wettelijke bepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Definities 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. HCNM: de Hoge Commissaris inzake Nationale Minderheden te Den Haag, in de hoedanigheid van een onder de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa ressorterende instelling; - b. OVSE: de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa; - c. Hoge Commissaris: de Hoge Commissaris inzake Nationale Minderheden in de hoedanigheid van hoofd van de HCNM; - d. functionarissen van de HCNM: personen, in dienst van de OVSE belast met het verrichten van werkzaamheden voor de HCNM in het kader van de vervulling van officiële functies van de HCNM, daaronder begrepen de Hoge Commissaris, met uitzondering van bedienend personeel, personen die lokaal zijn aangetrokken en op basis van een uurtarief worden uitbetaald, deskundigen en stagiairs; - e. officiële functies: die taken en werkzaamheden die voortvloeien uit het mandaat zoals dat geldt ten aanzien van de HCNM, welk mandaat door de OVSE is vastgesteld; - f. deskundigen: personen, niet zijnde functionarissen van de HCNM of van de OVSE, uitzendkrachten of stagiairs, die in opdracht van de OVSE of van de HCNM werkzaamh"},{"i":16050,"b":"Wet van 2 april 2009, houdende wijziging van de Spoedwet wegverbreding en de Tracéwet in verband met de vereenvoudiging van de onderzoekslast (Wet versnelling besluitvorming wegprojecten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Spoedwet wegverbreding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015158) en de [Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147) nadere regels te stellen voor de besluitvorming ten behoeve van wegprojecten teneinde spoedige besluitvorming mogelijk te maken voor projecten waarbij vertraging is ontstaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Spoedwet wegverbreding. Artikel II Wijzigt de Tracéwet. Artikel III Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel IV Ten aanzien van een wegaanpassingsbesluit waarvoor een ontwerp-wegaanpassingsbesluit vóór 1 januari 2009 ter inzage is gelegd, blijft de [Spoedwet wegverbreding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015158) van toepassing zoals deze luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. Artikel V Ten aanzien van een tracébesluit inzake de aanleg of wijziging van een hoofdweg, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&artikel=2) waarvoor een ontwerp-tracébesluit vóór 1 januari 2009 ter inzage is gelegd, blijft de [Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147) van toepassing zoals deze luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet versnelling besluitvorming wegprojecten. Artikel VII Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 2009, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staa"},{"i":16206,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 januari 2019, nr. WJZ/ 18316966, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen in verband met onder meer aanpassingen van de voorwaarden voor de graasdierpremie Gelet op de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=15) en [19 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. Artikel II Het recht zoals dat luidde op 31 december 2018 blijft van toepassing op gekoppelde steun inzake graasdierhouderij schapen en runderen aangevraagd voor de periode tot 1 januari 2019. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16251,"b":"Wet van 19 november 2014 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2015) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het toepassingsbereik van de geschiktheids- en betrouwbaarheidtoetsing voor personen werkzaam op de financiële markten te verruimen, de kring van personen die een eed of belofte dienen af te leggen uit te breiden, de Nederlandsche Bank de bevoegdheid te geven bij overheidsinstellingen en private partijen gegevens op te vragen voor macroprudentiële doeleinden, alsmede enige andere wijzigingen en verbeteringen in de wetgeving op het terrein van de financiële markten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Bankwet 1998. Artikel III Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel IV Wijzigt de Wet tuchtrechtspraak accountants. Artikel V Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel VI Wijzigt de Muntwet 2002. Artikel VII Wijzigt de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën. Artikel VIII Wijzigt de Wet financiële markten BES. Artikel VIIIa Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES. Artikel IX Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren. Artikel X Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel XI Wijzigt de Faillissementswet. Artikel XII Wijzigt de Implementatiewet richtlijn solvabiliteit II. Artikel XIII Wijzigt de Sanctiewet 1977. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel XV Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel XVI Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het financieel toezicht, enz. (implementatie richtlijn 2011/61/"},{"i":16273,"b":"Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de landelijke publieke omroep efficiënter kan opereren als omroepverenigingen daarin hun krachten bundelen, dat erkende omroepverenigingen van zins zijn daarop hun organisaties in te richten en dat voor het realiseren van een dergelijk, slagvaardiger bestel wijziging noodzakelijk is van onder meer de wettelijke voorschriften die de organisatie en financiering van landelijke publieke media-instellingen betreffen en dat ook overigens, wat betreft de voorlopige erkende omroepverenigingen op doelmatigheid gerichte voorzieningen worden mogelijk gemaakt, en ten slotte dat het wettelijke regime van zendgemachtigde kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag vervalt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel II Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel IIa 1. Wijzigt deze wet. 2. Wijzigt de Wijzigingswet Mediawet 2008, enz. (aanpassing rijksmediabijdrage, beëindiging wettelijke taken Stichting Radio Nederland Wereldomroep en aanpassingen van meer technische aard). Artikel III [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034182&artikel=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01) met uitzondering van de onderdelen A, aanhef en onder 1 en 2, F, O, U, aanhef en onder 3, X tot en met Z, AA, aanhef en onder 1, BB, aanhef en onder 1, DD, aanhef en onder 2, LL tot en met NN, QQ en RR, CCC, DDD, aanhef en onder 1, EEE, aanhef en onder 4, 5 en 7, GGG, KKK, aanhef en onder 2, MMM, aanhef en onder 1, NNN, SSS tot en met UUU, YYY tot en met BBBB, EEEE, FFFF, aanhef en onder 2, IIII en LLLL, aanhef en [afdeling 9.2.2 tot en met 9.2.4](https://wetten.overhei"},{"i":16293,"b":"Wet van 18 maart 1993, tot wijziging van de Reconstructiewet Midden-Delfland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bij de [Reconstructiewet Midden-Delfland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003094) (Stb. 1977, 233) behorende kaart te wijzigen in verband met een wijziging van het in deze wet begrepen gebied Midden-Delfland; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II - A. Het reconstructieprogramma, bedoeld in [artikel 31 van de Reconstructiewet Midden-Delfland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003094&artikel=31), zoals dat op 23 december 1983 is vastgesteld, vervalt voor zover het betreft gronden, waarop blijkens de kaart behorende bij deze wet de [Reconstructiewet Midden-Delfland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003094) niet meer van toepassing is, en blijft voor het overige in het programma begrepen gebied van kracht. Op deze wijziging is [artikel 37 van de Reconstructiewet Midden-Delfland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003094&artikel=37) niet van toepassing. - B. Het plan van voorzieningen, bedoeld in [artikel 39 van de Reconstructiewet Midden-Delfland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003094&artikel=39), zoals dat voor het gedeelte \"Gaag\" op 18 december 1990 is vastgesteld, vervalt voor zover het betreft gronden, waarop blijkens de kaart behorende bij deze wet de [Reconstructiewet Midden-Delfland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003094) niet meer van toepassing is, en blijft voor het overige in het plan begrepen gebied van kracht. Op deze wijziging is [artikel 45 van de Reconstructiewet Midden-Delfland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003094&artikel=45) niet van toepassing. - C. De registratie van pachtovereenkomsten, bedoeld in"},{"i":16296,"b":"Wet van 18 april 2002 tot wijziging van de Tabakswet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter ontmoediging van het roken, vooral onder minderjarigen, en ter bescherming van de niet-roker noodzakelijk is de [Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302) aan te scherpen, alsmede dat het wenselijk is om overtredingen van bepaalde voorschriften bij of krachtens [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302) gesteld, niet alleen op strafrechtelijke wijze maar tevens op bestuursrechtelijke wijze te kunnen afdoen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Tabakswet. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Ten aanzien van overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de [Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302), die een economisch delict opleveren en die zijn begaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 11c van de Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=11c), blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. Artikel IV Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel V Het verbod bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=5) geldt ten aanzien van sponsoring en de bestaande sponsoring van op mondiaal niveau georganiseerde evenementen of activiteiten eerst met ingang van 31 juli 2002 en ten aanzien van de geschreven pers eerst met ingang van 1 januari 2003. Artikel VI Vervallen Bijlage bij de Tabakswet. Bijlage als bedoeld in artikel 11b inzake bestuurlijke boeten, bevattende de tarieven voor overtredingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d Wijzigt de Tabakswet. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle"},{"i":16305,"b":"Wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is enkele wijzigingen aan te brengen in de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) ter implementatie van [Richtlijn 2013/32](32013L0032)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van de internationale beschermingsstatus (PbEU 2013, L 180) en [Richtlijn 2013/33](32013L0033)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II 1. Op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) waarop is besloten voor inwerkingtreding van deze wet en intrekkingen voor inwerkingtreding van deze wet, is het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing, met uitzondering van [artikel 83a (nieuw) van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=83a), tenzij het onderzoek door de rechtbank gesloten is. 2. Bewaring van e"},{"i":16329,"b":"Wet van 15 december 2021 tot wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere wetten in verband met het versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) en enige andere wetten de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken, alsmede in de Wet gemeenschappelijke regelingen enkele maatregelen te treffen ter vergroting van de ruimte voor differentiatie binnen gemeenschappelijke regelingen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel II Wijzigt de Gemeentewet. Artikel III Wijzigt de Provinciewet. Artikel IV Wijzigt de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel IVa Wijzigt de Wet Nationale ombudsman. Artikel V De deelnemers aan een regeling brengen de regeling binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming met de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740), zoals deze komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet. Artikel VI Wijzigt deze wet. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16334,"b":"Wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige wenselijk is te regelen dat de inburgeringsplichtige de kosten voor zijn inburgering zelf draagt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inburgering. Artikel II Wijzigt de Beroepswet. Artikel III Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel IV Wijzigt de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Artikel V Wijzigt de Wet participatiebudget. Artikel VI Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel VII Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel VIII Vervallen Artikel IX Wijzigt deze wet. Artikel X 1. In het tweede tot en met vijfde lid wordt onder [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) verstaan: Wet inburgering als laatstelijk luidend voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032031&artikel=I&z=2013-07-01&g=2013-07-01) van deze wet. 2. Op de inburgeringsplichtige, bedoeld in [artikel 1, onderdeel, b, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=1), voor wie de termijn voor het behalen van het examen, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=13) op grond van [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7), of [26 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=26) is aangevangen, blijven [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&hoofdstuk=2) en de [artikelen 16]"},{"i":16362,"b":"Wet van 26 april 1995, tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Wet milieubeheer (onafhankelijkheid adviseurs inzake beroepen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de advisering aan de administratieve rechter bij beroepen op grond van de [Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375) en diverse milieuwetten in een stichting onder te brengen in verband met de inhoud van de adviesfunctie die onafhankelijk dient te worden uitgeoefend; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. Tot het tijdstip waarop de stichting, bedoeld in [artikel 57 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=57) is opgericht, verricht de Adviseur ten behoeve van de Raad van State de in artikel 57**a** genoemde taak. 2. Tot het tijdstip waarop de stichting, bedoeld in [artikel 20.14 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=20.14) is opgericht, verricht de Adviseur Beroepen Milieubeheer de in artikel 20.15 genoemde taak. Artikel IV 1. De adviseurs, bedoeld in [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007367&artikel=III&z=1995-09-29&g=1995-09-29), worden benoemd bij koninklijk besluit. 2. Zij verrichten hun werkzaamheden onpartijdig en onafhankelijk. 3. Te hunner ondersteuning beschikken zij ieder over een bureau. 4. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verschaft de noodzakelijke huisvesting en financiële ondersteuning. 5. De adviseurs en de personen die behoren tot hun bureau vervullen geen functies en betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de handhaving van de"},{"i":16376,"b":"Wet van 14 november 1996 tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de herziening van het adviesstelsel wenselijk is dat de Raad voor cultuur zijn beleidsadviestaak behoudt waartoe in verband met [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79) de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904) moet worden aangepast, dat die wet wordt aangepast aan de [Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159), dat in verband met de [Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159) een voorziening wordt getroffen voor de Tijdelijke commissie informatiebeleid en dat het voorts wenselijk is enige redactionele verbeteringen aan te brengen in de [Wet tot behoud van cultuurbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003659); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op het specifiek cultuurbeleid. ARTIKEL II Wijzigt de Wet tot behoud van cultuurbezit. ARTIKEL III De Tijdelijke commissie informatiebeleid, bedoeld in artikel 2 van het Besluit Tijdelijke commissie informatiebeleid, wordt in afwijking van [artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=34) met ingang van 1 januari 1997 aangemerkt als een college als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van die wet. ARTIKEL IV Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. Indien het **Staatsblad** waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1996, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 1997. Lasten en bevelen"},{"i":16475,"b":"Aanwijzing inzake inkoopkorting zorginstellingen vanaf 2000 Gelet op [artikel 14, eerste lid, van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, (brief van 26 oktober 1999, kenmerk Ho/at/A/99/133), vastgesteld in de vergadering van 18 oktober 1999; Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 11 november 1999, kenmerk Z/P-2015490); Besluiten: Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onderdeel A, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010906&artikel=1&z=1999-12-03&g=1999-12-03) (ziekenhuizen), 2 (academische ziekenhuizen), 10 (psychiatrische ziekenhuizen), 12 (verpleeghuizen), 13 (zwakzinnigeninrichtingen), 14 (instellingen voor zintuiglijk gehandicapten), 15 (Het Dorp), 23 (regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg), 28 (regionale instellingen voor beschermd wonen), onderdeel C, onder 1 (dagverblijven voor gehandicapten), 2 (gezinsvervangende tehuizen voor gehandicapten), 4 (instellingen voor zover de werkzaamheden daarvan zijn gericht op sociaal-pedagogische zorg), van het [Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342) als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen de beleidsregels materiële kosten vast met inachtneming van de hierna vermelde neerwaartse bijstellingen voor de onderscheiden sectoren. Ten opzichte van 1999 zijn de mutaties als volgt (mln gld): | | **2000** | **2001** | **2002** | | --- | --- | --- | --- | | Ziekenhuizen met uitzondering van de PAAZ’en | 41,6 | 82,5 | 123,4 | | Academische ziekenhuizen | 10,2 | 21,2 | 32,1 | | Verpleeghuizen met uitzondering van voor- | 15,0 | 30,1 | 45,1 | | zieningencentra voor lichamelijk gehandicapten | | | | | | | | | | Gehandicapten sector | 10,8 | 21,5 | 32,3 | | – zwakzinnigeninrichtingen | bedragen | w"},{"i":16489,"b":"Aanwijzing resterende projecten uitkeringsregeling bestrijding verontreiniging rijkswateren Overwegende dat de Minister van Verkeer en Waterstaat bij besluit van 29 juli 1991, nr. R 99443A, Stcrt. 147, de Uitkeringsregeling bestrijding verontreiniging rijkswateren (UKR) heeft gewijzigd in verband met het beëindigen van deze regeling per 31 december 1995 en dat de resterende nog ingevolge artikel 4 van de UKR voor een uitkering in aanmerking komende projecten definitief moeten worden vastgesteld: Besluit: Artikel 1 De op bijgevoegde lijsten A en B vermelde projecten komen nog in aanmerking voor een uitkering op grond van artikel 4 van de uitkeringsregeling bestrijding verontreiniging rijkswateren (UKR). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van heden. Lijst A:. UKR-projekten (goedgekeurde plannen) | UKR-projekt | | --- | | | | 1. De Eendracht N.V. (1e + 2e fase) | | 2. rwzi Delfzijl | | | | 3. rwzi Genemuiden | | | | 4. rwzi Eck en Wiel | | 5. Berghuizerpapier Papierfabriek N.V. (2e fase) | | 6. rwzi Gendt-Bemmel | | 7. aansluiting kern Wichmond | | 8. rwzi Haaften | | 9. rwzi Valburg | | 10. rwzi Olst/Wijhe | | 11. rwzi Elburg | | | | 12. Smit en Zoon | | 13. Hoogovens IJmuiden B.V. (kooksfabriek) | | 14. Solvay Duphar | | 15. DSM Meststoffen B.V. | | 16. Crown van Gelder Papierfabrieken N.V. | | 17. rwzi Velsen | | 18. Tanker Cleaning Amsterdam B.V. | | 19. rwzi Zaandam-Oost | | | | 20. rwzi Groote Lucht | | 21. rwzi Dokhaven, transportsysteem rechter Maasoever | | 22. Tankcleaning Rotterdam c.v (fase 2) | | 23. Nederlandse Wegtanker Maatschappij (slibverwerking) | | 24. NS Houtbereiding | | 25. Matex Nederland B.V. | | 26. Gebr. Broere B.V. | | 27. Unimills B.V. | | 28. Paktank Nederland B.V. | | 29. Kemira B.V. | | 30. DRSH-Slibverbrandingsinstallatie | | 31. rwzi Spijkenisse | | 32. rwzi Groenendijk | | 33. rwzi Zwijndrecht | | 34. rwzi Gelkenos | | 35. rwzi Houtrust (1e + 2e fase) | | | | 36. rwzi Walcheren | | 37. rwzi Breskens | | 38. rwzi Terneu"},{"i":16578,"b":"Beleidsregel gevolmachtigde CZ Zorgkantoor Gelet op [artikel 5.11 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.11) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen of een gevolmachtigde namens een Wlz-verzekerde het pgb-beheer op zich mag nemen, besluit: Artikel 1 CZ Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde CZ Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het zorgkantoor is uitvoerder van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz). De Wlz komt in beeld als vangnet voor mensen als ze niet (meer) in staat zijn om voor zichzelf te zorgen ondanks steun van de omgeving, zorgverzekeraar of gemeente. Wlz zorg kan ingekocht worden met een persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor heeft tot taak om voorafgaand aan de inkoop van zorg te controleren in hoeverre de zorg inhoudelijk aan de voorwaarden van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voldoet en of het pgb-beheer voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de verplichtingen bij het pgb. Het zorgkantoor bekijkt of de budgethouder en/of diens vertegenwoordiger aan die verplichtingen kan voldoen. Het zorgkantoor kan besluiten dat een Wlz-verzekerde alleen een pgb-Wlz krijgt als er iemand is die de Wlz-verzekerde ondersteunt. Dat wordt een gevolmachtigde genoemd. Hoofdstuk 1. Definities De begripsbepalingen van [artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1) (Wlz), [artikel 1.1.1 van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=1.1.1) (Blz) en [artikel 1.1 van de R"},{"i":4287,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 21 november 2008, nr. DWH/MC-860/08, tot verhoging van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Twinningfaciliteit Nederland-Suriname) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [artikel 8.3 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.3); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Twinningfaciliteit Nederland-Suriname). Artikel II Uitsluitend de aanvrager aan wie reeds eerder op voet van [artikel 2 van het Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 15 oktober 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022808&artikel=2) subsidie is verleend, kan in aanmerking komen voor subsidie ten laste van het op grond van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025008&artikel=I&z=2008-12-31&g=2008-12-31) verhoogde subsidieplafond. [Artikel 3 van het voornoemde besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022808&artikel=3) is niet van toepassing. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":4026,"b":"Besluit van 20 december 2001 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en in verband daarmee van enige andere socialezekerheidswetten (Besluit SUWI) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 19 oktober 2001, Nr SUWI/SEC/2001/71128; Gelet op de [artikelen 13, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=13), [25, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=25), [28, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=28), en[73, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=73), de [artikelen 125, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=125), en [145, eerste lid, van de Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=145), de [artikelen 48, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=48), en [64, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=64), de [artikelen 48, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=48), en [64, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=64), de [artikelen 8, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=8), [10, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=10), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=14), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=15), en[33a, vierde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](htt"},{"i":7493,"b":"Beleidsregel van de voorzitter van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) van 1 juli over de bewaartermijn van persoonsgegevens kinderpornografisch materiaal (Beleidsregel bewaartermijn persoonsgegevens kinderpornografisch materiaal ATKM 2024) Gelet op [artikel 10 van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=10), de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de [Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940), Besluit de volgende beleidsregel vast te stellen: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal in werking treedt. Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **de Autoriteit:** de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal als bedoeld in [artikel 2 van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=2); - –. **kinderpornografisch materiaal:** visuele weergaven als bedoeld in [artikel 252 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=252); - –. **persoonsgegevens:** gegevens als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de algemene verordening gegevensbescherming; - –. **bijzondere categorieën van persoonsgegevens:** de categorieën van persoonsgegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de verordening gegevensbescherming; - –. **persoonsgegevens van strafrechtelijke aard:** gegevens als bedoeld in artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming; - –. **verwerking:** een bewerking of een geheel van bewerkingen als bedoeld in artikel 4, onder 2, van de algemene verordening gegevensbescherming. Artikel 2 De Autoriteit bewaart kinderpornografisch materiaal, bijzondere categorieën van persoonsgegevens alsmede persoonsgegevens van strafrechtelijke aard niet"},{"i":3253,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 maart 2016 nr. BOACAT2016/017, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Heerlen Gelezen het verzoek van het Hoofd van de afdeling Integrale Veiligheid van de gemeente Heerlen van 1 maart 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037727&artikel=2&z=2017-12-28&g=2017-12-28). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van ‘medewerker Handhaving module 2’ in dienst van de afdeling Integrale Veiligheid van de gemeente Heerlen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het"},{"i":13210,"b":"Deelregeling programma urban projecten Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **artiest:** iemand die voorstellingen of concerten verzorgt; - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten. Artikel 2. Doel Om bij te dragen aan de ontwikkeling van de podiumkunsten in Nederland kent het bestuur in het kader van het Programma urban projecten financiële bijdrages toe ten behoeve van initiatieven op het gebied van grootstedelijke en urban cultuur. Artikel 3. Doelgroep programma 1. Het Programma urban projecten is gericht op initiatieven van beginnende artiesten op het gebied van grootstedelijke en urban cultuur. 2. Collectief opererende groepen artiesten komen als collectief in aanmerking voor ondersteuning binnen het programma. Artikel 4. Matchmakers 1. Er zijn matchmakers, die verantwoordelijk zijn voor de preselectie van initiatieven die in aanmerking komen voor een financiële bijdrage binnen het Programma urban projecten. 2. Matchmakers hebben geen belang bij initiatieven die zij voordragen. Artikel 5. Eisen voor deelname 1. Een bijdrage in het kader van het Programma urban projecten kan worden toegekend aan initiatieven: - a. van in Nederland woonachtige artiesten die geen kunstvakopleiding hebben gevolgd; - b. die zich bewegen binnen de grootstedelijke maakcultuur in hun omgeving; - c. die zich nog niet of maar beperkt hebben gemanifesteerd in een landelijke context; - d. die betrekking hebben op activiteiten die bijdragen aan de artistieke ontwikkeling van de betrokken artiesten; - e. die zullen resulteren in een openbare uiting. 2. Niet in aanmerking voor subsidie komen activiteiten: - a. die onvoldoende bijdragen aan de doel"},{"i":16659,"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019 gelet op [artikel 91, eerste lid van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4) en [artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze Beleidsregels wordt verstaan onder: - –. **Aanwijzing:** [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041753); - –. **beheerskostenbudget:** Het bedrag van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) ten laste van het Fonds langdurige zorg; - –. **bewuste-keuze gesprek:** gesprek dat het zorgkantoor voert met iedere persoon die een persoonsgebonden budget aanvraagt om vast te stellen of deze in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget; - –. **budgethouder:** verzekerde aan wie door het zorgkantoor een persoonsgebonden budget is verleend op grond van [artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3); - –. **huisbezoek:** bezoek van het zorgkantoor aan de budgethouder om vast te stellen dat het persoonsgebonden budget rechtmatig wordt besteed en om de budgethouder beter voor te lichten; - –. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **Nadere aanwijzing:** [Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042285) - –. **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit; - –. **persoonsgebonden budget:** een subsidie waarmee de verzekerde onder de bij of krachtens [artikel 3.3.3 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) en [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) gestelde voorwaarden a"},{"i":16665,"b":"Beleidsregels toepassing artikel 16, derde lid en artikel 24, vijfde lid, WW 2006 Gelet op [artikel 16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16) en [artikel 24, vijfde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24) (WW); Besluit: Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert bij de toepassing van [artikel 16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16) en [artikel 24, vijfde lid WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24), een beleid als weergegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2006. Artikel 3 Het [Besluit vaststelling fictieve opzeggingstermijn Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009312), het Besluit wet Flexibiliteit en zekerheid en recht op WW, en de Mededelingen M 98.06, M 98.119 en M 01.026, van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, worden ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels toepassing artikel 16, derde lid en artikel 24, vijfde lid, WW 2006. Bijlage Met ingang van 1 oktober 2006 hanteert UWV de volgende uitgangspunten met betrekking tot de toepassing van [artikel 16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16) en [artikel 24, vijfde lid, WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24). Paragraaf 1. Loon over de fictieve opzegtermijn is loon per dag Voor de toepassing van [artikel 16, lid 3, WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16), wordt onder het daarin genoemde begrip ‘loon dat de werknemer zou hebben ontvangen, indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de voor de werkgever geldende termijn zou zijn geëindigd’ verstaan: het bedrag dat de werknemer per dag aan loon zou hebben ontvangen, als de dienstbetrekking nog zou hebben voortgeduurd. Dit bedrag wordt door UWV vastgesteld over de voor de werkgever geldende termijn"},{"i":6962,"b":"Besluit van de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport, van 2 mei 2022, nr. ILT-2022/24160, houdende verlening van ondermandaat voor enkele bevoegdheden op grond van de Wet ter Bescherming Koopvaardij Handelend in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid, Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 18 februari 2022, kenmerk 3804584, houdende verlening van mandaat aan de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport en aanwijzing van ambtenaren voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de Wet ter Bescherming Koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046382&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **directeur:** directeur Publieke instituties en control, directeur Toezicht en opsporing en de directeur Communicatie, dienstverlening en vergunningen, bedoeld in de [bijlage van het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](onbekend); - b. **afdelingshoofd:** afdelingshoofd van de afdeling Toezicht publieke instellingen, het afdelingshoofd van de afdeling Toezicht veilige mobiliteit, het afdelingshoofd van de afdeling Vergunningverlening leefomgeving en scheepvaart, bedoeld in de [bijlage bij het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](onbekend); - c. **inspecteurs ILT:** inspecteurs ILT van het Team Instituties, het Team Maritiem internationaal en het team Visserij en scheepsmetingen, bedoeld in de [bijlage bij het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](onbekend); - d. **aan de inspecteur-generaal verleende bevoegdheden:** door de Minister van Justitie en Veiligheid aan de inspecteur-generaal verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 3,eerste lid, onder a tot en met c, van het Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 18 februari 2022, kenmerk 3804584, houdende verlening van mandaat aan de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Tran"},{"i":6963,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 juni 2003, kenmerk MIO-2003042498, houdende vervanging archiefbescheiden Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), Besluit: In de dynamische en semi-statische fase over te gaan tot vervanging van op termijn te vernietigen archiefbescheiden. De vervanging vindt plaats door middel van een digitale kopie en microverfilming volgens de standaardeisen die de Rijksarchiefdienst aan vervanging stelt. De originele archiefbescheiden zullen aansluitend vernietigd worden. De digitaal opgeslagen archiefbescheiden zullen gedurende de vastgestelde bewaartermijnen in goede, geordende en toegankelijke staat worden bewaard. Hierbij geldt, dat indien door voortschrijding van de technologie, dan wel vervanging van de gebruikte technologie, dan wel door achteruitgang van de gegevensdrager, dan wel vermindering van de kwaliteit van de digitaal opgeslagen archiefbescheiden, conversie naar een nieuwe drager of migratie zal plaatsvinden. Bij de overweging om tot vervanging over te gaan, is rekening gehouden met het feit dat de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed niet aanwezig wordt geacht nu sprake is van vervanging van op termijn te vernietigen archiefbescheiden. Bij de overweging om tot vervanging over te gaan, is voorts rekening gehouden met het belang van de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, voor recht- of bewijszoekenden en voor historisch onderzoek. De vervanging betreft de op grond van de [Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659) ingediende aanvragen om toekenning van huursubsidie en alle daarbij behorende bescheiden. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6960,"b":"Besluit van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 31 oktober 2012, nr. 2012-0000623321, houdende de verlening van mandaat aan de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht op vreemdelingen betreffende de uitzetting van personen en de kosten van uitzetting Gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); Gelet op [artikel 22, tweede lid, van de Wet toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=1.3), [8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=8.1) en [8.2 van het Besluit toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=8.2); Besluit vast te stellen het navolgende Mandaatbesluit: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt met de verlening van mandaat gelijk gesteld de verlening van machtiging: de bevoegdheid om namens de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke handeling zijn. Artikel 2 1. De ambtenaren belast met de grensbewaking dan wel het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd tot uitzetting over te gaan en alle daartoe benodigde handelingen te verrichten. 2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, gaan niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel over tot uitzetting van de vreemdeling die te kennen geeft dat hij bescherming wenst. Artikel 3 De korpschef en de Commandant van de Koninklijke marechaussee zijn bevoegd de kosten van de uitzetting te verhalen op de vreemdeling en, indien hij minderjarig is, degenen die het wettige gezag over hem uitoefenen, dan wel de reder of de luchtvaartmaatschappij door wier tussenkomst de vreemdeling aan een grens of binnen het grondgebied van de openbare lichamen is gebracht. Artikel 4 De ambtenaren, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":16666,"b":"Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006 Gelet op de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24) en [27 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=27) (WW); Besluit: Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert ter zake van de uitvoering van de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24) en [27 WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=27) en het overgangsrecht met betrekking tot deze artikelen, zoals dat is neergelegd in [artikel 130o WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=130o), een beleid als weergegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2006, met uitzondering van paragraaf 5. Deze paragraaf treedt in werking op 1 januari 2007. Artikel 3 Het Besluit verweer tegen ontslag en Mededeling M 96.87b d.d. 21 juni 1996, van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, worden ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006. Bijlage Bij de toepassing van de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24) en [27 WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=27) hanteert UWV de volgende uitgangspunten. Paragraaf 1. Eindiging van de dienstbetrekking op initiatief werkgever of werknemer en beoordeling arbeidsrechtelijke dringende reden Een beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever (dat wil zeggen dat de werknemer er niet om heeft gevraagd) leidt alleen tot verwijtbare werkloosheid als er een arbeidsrechtelijke dringende reden als bedoeld in [artikel 7:678 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=678) aan ten grondslag ligt. In dat geval is er in beginsel sprake van verwijtbare werkloosheid in de zin van [artikel 24, lid 2, onder a, WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24). Dit beteken"},{"i":16680,"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 13 oktober 2020, kenmerk 2020043936, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2021 (Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2021) gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), en [34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34) en de brief van de minister van VWS van 7 oktober 2020, kenmerk 1758789-212351-Z; Besluit: Hoofdstuk 1. I Algemene bepalingen 1.1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - **belastingdienstbestand:** het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de Belastingdienst naar inkomen met gepseudonimiseerde adresgegevens voor een peiljaar; - **catastrofebijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 33, tweede lid, van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=33); - **catastrofeschadelast:** de catastrofeschadelast bedoeld in [artikel 6.6.5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.6.5); - **coronakosten:** kosten voor de op grond van de zorgverzekeringen verzekerde zorg of andere diensten ten gevolge van de coronapandemie; - **coronapandemie:** pandemie ten gevolge van het SARS-CoV-2 virus die een catastrofe is als bedoeld in [artikel 33, eerste lid, van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=33); - **COVID-19:** de ziekte die door het virus SARS-CoV-2 veroorzaakt wordt; - **DKG GGZ:** DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ee, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - **DX-groep:** Een DX-groep bestaat uit een in het referentiebestand DKG’s gedefinieerde combinatie van specialisme- en diagnosecodes die dient om verzekerden in te delen. Eén of meer DX-groepen vormen samen een klasse v"},{"i":16684,"b":"Beschikking landelijk MBI-omzetplafond Macrobeheersmodel geriatrische revalidatiezorg De Nederlandse Zorgautoriteit heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50 lid 2 onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), [artikel 52 aanhef en onder e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) en met inachtneming van het bepaalde in de beleidsregel ‘Macrobeheersmodel geriatrische revalidatiezorg’ en de regeling ‘Informatieverstrekking geriatrische revalidatiezorg’ en van de onderstaande definities voor de gezamenlijke instellingen die geriatrische revalidatiezorg leveren wordt voor het jaar 2013 ambtshalve een bovengrens vastgesteld van € 730.000.000 (zevenhonderd dertig miljoen euro) (prijsniveau 2012) voor geriatrische revalidatiezorg waarop ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1 onder d van de Zorgverzekeringwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1) aanspraak bestaat. Definities Bovengrens Een bovengrens aan de som van tarieven als bedoeld in [artikel 50, tweede lid aanhef en onder c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Geriatrische revalidatiezorg Revalidatiezorg zoals een specialist ouderengeneeskunde pleegt te bieden. Werkingssfeer Voor de toepassing van deze tariefbeschikking wordt een persoon, die Bezwaar/Beroep Ingevolge [artikel 105 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=105) juncto [artikel 7:1 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1) (Awb) kan een belanghebbende binnen zes weken na de datum van verzending van dit besluit een bezwaarschrift, p"},{"i":11393,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 juli 2005, nr. TRCJZ/2005/2337, houdende vaststelling eindtermen beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving Gelet op [artikel 7.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4); Gezien het voorstel van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven Aequor; Besluit: Artikel 1 Vastgesteld worden de in de bijlage bij deze regeling opgenomen: - a. indeling in verplichte deelkwalificaties van een beroepsopleiding op gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving; - b. deelkwalificaties van een beroepsopleiding op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving; - c. leerwegen waarin een beroepsopleiding op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving kan worden verzorgd, en - d. eindtermen van beroepsopleidingen op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving. Artikel 2 De bijlage bij deze regeling ligt ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 3 De [Regeling vaststelling eindtermen beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016954) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2005. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling eindtermen beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving 2005. Bijlage Ligt ter inzage bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16745,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 december 2014, kenmerk 701873-131199-J, houdende de aanwijzing van een vervoerder in de gesloten jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet (Besluit aanwijzing vervoerder in de gesloten jeugdhulp) Gelet op [artikel 6.3.5, derde lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.3.5); Besluiten: Artikel 1 De Dienst Vervoer en Ondersteuning, onderdeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, wordt aangewezen als vervoerder als bedoeld in [artikel 6.3.5, eerste lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.3.5). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2014, treedt zij in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2015. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing vervoerder in de gesloten jeugdhulp. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16700,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137185, houdende aanwijzing van Coöperatie Regionale Ambulancevoorziening Fryslân u.a. voor de regio Friesland als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6), Besluit: Artikel 1 Coöperatie Regionale Ambulancevoorziening Fryslân u.a. is voor regio Friesland de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16744,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137202, houdende aanwijzing van Vereniging Ambulancezorg regio Noord-Holland Noord U.A. voor de regio Noord-Holland Noord als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Vereniging Ambulancezorg regio Noord-Holland Noord U.A. is voor regio Noord-Holland Noord de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16729,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137179, houdende aanwijzing van Regionale Ambulancevoorziening Brabant Midden-West-Noord voor de regio Brabant Noord als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Regionale Ambulancevoorziening Brabant Midden-West-Noord is voor regio Brabant Noord de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16731,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137188, houdende aanwijzing van Regionale Ambulancevoorziening Gelderland-Midden voor de regio Gelderland-Midden als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Regionale Ambulancevoorziening Gelderland-Midden is voor regio Gelderland-Midden de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16789,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 22 juli 2015 nr. BOACAT2015/032, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Stichting Veiligheidszorg Drenthe Gelezen het verzoek van de Stichting Veiligheidszorg Drenthe van 13 juli 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036907&artikel=2&z=2017-07-05&g=2017-07-05). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van OV-steward in dienst van Stichting Veiligheidszorg Drenthe, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV Openbaar Vervoer, van [bijlage A-I van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694&bijlage=A). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. A"},{"i":16796,"b":"Besluit van 22 februari 2010, houdende regels over de verdeling van diverse decentralisatie- en integratie-uitkeringen aan provincies en gemeenten (Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Financiën van 3 juli 2009, CZW/WVOB 2009-0000360518; Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=13); De Raad van State gehoord (advies van 30 juli 2009, nr. W04.09.0232/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 februari 2010, CZW/WVOB; 2010-0000052656, uitgebracht mede namens de Minister van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Uitkeringen aan provincies Artikel 1. Bijdragen regionale omroepen Vervallen Artikel 2. Stimuleringsbudget collectief particulier opdrachtgeverschap Vervallen § 2. Uitkeringen aan gemeenten Artikel 3. Aanpak kindermishandeling Vervallen Artikel 4. Aanvullende armoedebestrijding Vervallen Artikel 5. Beeldende kunst en vormgeving Voor het stimuleren van beeldende kunst en vormgeving ontvangen de gemeenten, genoemd in [bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027383&bijlage=5&z=2019-04-26&g=2019-04-26), met ingang van 2009 jaarlijks de in die bijlage genoemde uitkering. Artikel 6. Bewonersinitiatieven wijken Voor bewonersinitiatieven ter verbetering van de leefbaarheid en versterking van de sociale cohesie in wijken ontvangen de gemeenten, genoemd in [bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027383&bijlage=6&z=2019-04-26&g=2019-04-26), in de jaren 2008 tot en met 2011 de in die bijlage genoemde uitkering. Artikel 7. Bibliotheekvoorzieningen in kleinere gemeenten Voor het verbeteren van bibliotheekvoorzieningen ontvangen de gemeenten, genoemd in [bijlage 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027383&bijlage=7&z=2019-04-26&g=2019-04-26), in de jaren 2008 to"},{"i":16800,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 augustus 2018, 2018-0000130316, tot Besluit digitale vervanging archiefbescheiden van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid systeem Diane Gelet op [artikel 6, eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); Besluit: Artikel 1 De originele papieren archiefbescheiden van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid die bestemd zijn voor opname in het systeem Diane en die volgens de vastgestelde selectielijst voor vernietiging dan wel voor permanente bewaring in aanmerking komen, worden overeenkomstig de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041317&artikel=2&z=2018-09-05&g=2018-09-05), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041317&artikel=3&z=2018-09-05&g=2018-09-05), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041317&artikel=4&z=2018-09-05&g=2018-09-05), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041317&artikel=5&z=2018-09-05&g=2018-09-05), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041317&artikel=6&z=2018-09-05&g=2018-09-05) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041317&artikel=7&z=2018-09-05&g=2018-09-05) digitaal vervangen. Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt overeenkomstig de eisen van [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) en met inachtneming van de waarde en het belang, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel c onderscheidenlijk onderdeel d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 3 De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties vastgesteld in het Handboek digitale vervanging archiefbescheiden systeem Diane. Artikel 4 De digitale vervanging betreft archiefbescheiden die betrekking hebben op subsidieprocessen en worden opgenomen in het systeem Dia"},{"i":16814,"b":"Besluit van 24 december 1986, tot vaststelling van regels als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Toeslagenwet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 november 1986, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/SV/VV/SVV/86/09223; Gelet op [artikel 6, tweede lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=6) (**Stb.** 1986, 562); De Raad van State gehoord (advies van 15 december 1986, nr. W12.86.0590); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 1986, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/SV/VV/SVV/86/10863; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemeen Artikel 1 1. Dit besluit is uitsluitend van toepassing op de persoon wiens dagloon of grondslag, vermeerderd met het inkomen uit arbeid of overig inkomen anders dan de loondervingsuitkering op grond waarvan aanspraak op toeslag wordt gemaakt, minder bedraagt dan het voor hem van toepassing zijnde norminkomen, bedoeld in [artikel 2 van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=2). 2. Het inkomen, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld zonder toepassing van [artikel 7 van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=7). 3. [Artikel 8a, tweede lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=8a) is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het dagloon, bedoeld in het eerste lid. § 2. Inkomensbestanddelen § 2.1. Inkomen uit arbeid Artikel 2 Voor de toepassing van [artikel 8a, eerste lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=8a) wordt met de loondervingsuitkering gelijkgesteld een aanvulling op de loondervingsuitkering op grond waarvan aanspraak op toeslag wordt gemaakt. Artikel 3 1. Voor de toepassing van [artikel 8a, eerste lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=8a) wordt met de loonderv"},{"i":3927,"b":"Besluit van 11 december 2013, houdende regels ter uitvoering van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Besluit pensioen politieke ambtsdragers) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 oktober 2013, nr. 2013-0000612798, CZW; Gelet op de [artikelen 7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=7a), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=14), [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=28a), [40a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=40a), [45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=45a), [52a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=52a), [74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=74a), [85a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=85a), [90a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=90a), [106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=106), [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=118), [132a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=132a), [151a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=151a), [160](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=160), [163f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=163f) en [163h van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=163h); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 5 december 2013, no. W04.13.0372/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 december 2013, nr. 2013-0000742819; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691); - b. **het ABP:** de Stichting Pensioenfonds ABP; - c. **een"},{"i":4722,"b":"Instellingsbesluit ministeriële commissie voor wetgevingsbeleid en rechtshandhaving Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op artikel 24, eerste lid, van het Reglement van Orde voor de Raad van Ministers; Besluit: Artikel 1 Er is een ministeriële commissie voor wetgevingsbeleid en rechtshandhaving Artikel 2 De commissie kan worden ingeschakeld voor: - a. onderwerpen die uit een oogpunt van wetgevingsbeleid en rechtshandhaving van algemeen belang zijn; - b. kwesties rond bijzondere wetgevingsprojecten die er de oorzaak van zijn dat een wetgevingsproject onvoldoende voortgang vindt; - c. het opstellen van een jaarlijks wetgevingsprogramma en het daarin aanbrengen van een prioriteitsvolgorde. Artikel 3 Bij besluit van de ministerraad wordt de commissie ad hoc voor een bepaald onderwerp ingeschakeld. Artikel 4 1. De minister-president is voorzitter van de commissie. 2. Leden van de commissie zijn de Minister van Justitie en de ministers wie het onderwerp mede aangaat. Artikel 5 1. Als secretaris wordt aangewezen een ambtenaar van het Ministerie van Algemene Zaken. 2. Als adjunct-secretaris wordt aangewezen een ambtenaar van het Ministerie van Justitie. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 7 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit ministeriële commissie voor wetgevingsbeleid en rechtshandhaving. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16825,"b":"Besluit van 20 mei 1933, tot vaststelling van een algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 73a der Wet op het Notarisambt, gelijk dit artikel is vastgesteld bij de wet van 15 mei 1931, Stb. 195 Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van den 21 April 1933, Afdeeling I **c**, n°. 839; Overwegende, dat door Ons voorschriften moeten worden gegeven ter uitvoering van artikel 73**a** der Wet op het Notarisambt, gelijk dit artikel is vastgesteld bij de wet van 15 Mei 1931 (**Staatsblad** n°. 195); Den Raad van State gehoord (advies van den 9 Mei 1933, n°. 20); Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van den 17 Mei 1933, 1ste Afdeeling C, n°. 875; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Door Ons wordt ingesteld een Centraal Bureau van Bijstand, hetwelk de Kamers van Toezicht over de notarissen en candidaat-notarissen zal bijstaan bij het toezicht op de nakoming van de in artikel 73**a** der Wet op het Notarisambt neergelegde verplichting der notarissen tot boekhouding. 2. Op verzoek van het bestuur van het Notarieel Pensioenfonds, bedoeld in [artikel 4 der Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002143&artikel=4), kan Onze Minister van Justitie bepalen, dat het Centraal Bureau ten behoeve en op kosten van dat fonds de werkzaamheden verricht, die het bestuur van het fonds aan het bureau mocht opdragen ter inwinning van gegevens als bedoeld in de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001961&artikel=11&z=1998-01-01&g=1998-01-01) en [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001961&artikel=12&z=1998-01-01&g=1998-01-01) dier wet. 3. Op verzoek van het bestuur van het Bedrijfspensioenfonds voor de Notarisklerken kan Onze Minister van Justitie bepalen, dat het Centraal Bureau ten behoeve van dat fonds de werkzaamheden verricht, die het bestuur van het fonds aan het bureau mocht opdragen ter inwinning van gege"},{"i":2668,"b":"Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening w.m Circulaire aan de besturen van provincies en gemeenten Geacht college, 1. Samenvatting In deze circulaire adviseer ik u over de vergunningverlening op grond van [hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=8) met betrekking tot de geluidhinder veroorzaakt door wegverkeersbewegingen van en naar de inrichting. Ik adviseer u om dergelijke geluidhinder in het vervolg te beoordelen op een wijze die nagenoeg overeenkomt met de wijze waarop verkeerslawaai wordt beoordeeld. Hiermee wordt de beoordelingswijze voor industrielawaai op basis van de Circulaire industrielawaai uit 1979 op dit punt verlaten. De nieuw voorgestelde beoordelingswijze houdt in dat aan de geluidsbelasting, veroorzaakt door aan de inrichting toe te rekenen verkeersbewegingen buiten het terrein van de inrichting, uitsluitend een maximum wordt gesteld in de vorm van een gemiddelde geluidsbelasting in een etmaal, en niet meer tevens een maximum aan de geluidsbelasting op een bepaald moment (piekniveau). Voorts acht ik het onder bepaalde voorwaarden acceptabel wanneer u bij vergunningverlening gebruik maakt van de bandbreedte tussen de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en de maximale grenswaarde van 65 dB(A) op de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen. Ik geef u hierbij in overweging om geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde toe te staan indien een dergelijke overschrijding kan worden voorkomen door het treffen van bronmaatregelen of door (op kosten van de vergunningaanvrager te treffen) geluidwerende maatregelen in de overdrachtsweg. Wanneer het bevoegd gezag toch een hogere grenswaarde overweegt, kan rekening worden gehouden met de bestaande situatie, de mogelijkheden om geluidsgevoelige ruimten van betrokken woningen door gevelmaatregelen voldoende te beschermen en met de geldende grenswaarden uit de [Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":3841,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 18 april 2019, nr. WJZ/ 19094898, betreffende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan de directeur Transitie en aansturing bedrijfsvoering voor aangelegenheden inzake de Vereffeningsorganisatie PBO 2019 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging directeur Transitie en aansturing bedrijfsvoering inzake de Vereffeningsorganisatie PBO 2019) Gelet op [artikel 5, eerste lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Vereffeningsorganisatie PBO 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042117&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Aan de directeur Transitie en aansturing bedrijfsvoering wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&hoofdstuk=4) en de [artikelen XLIX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&artikel=XLIX), [L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&artikel=L) en [LI van de Wet opheffing bedrijfslichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&artikel=LI). Artikel 2 Aan de directeur Transitie en aansturing bedrijfsvoering wordt voorts mandaat, volmacht en machtiging verleend voor de P&O-aangelegenheden ten aanzien van: - a. medewerkers van de Vereffeningsorganisatie PBO; en - b. medewerkers van de voormalige product- en bedrijfschappen die tot en met 31 december 2014 een arbeidsovereenkomst hadden met een product- of bedrijfschap en die vanaf 1 januari 2015 vallen onder de sociale plannen van de voormalige product- en bedrijfschappen en die te rekenen vanaf 1 januari 2019 vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug to"},{"i":4666,"b":"Besluit van 22 december 1995, houdende regels ten aanzien van de inkomsten van militairen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 11 augustus 1995, nr. PAV 6011/95014842; Gelet op [artikel 125 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [artikel 12 van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 14 december 1995, nr. W07.95.0432); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 20 december 1995, nr. PAV 6011/95023787; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Arbodienst:** een voor de militair aangewezen arbodienst als bedoeld in de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346); - **bezoldiging:** het salaris, in voorkomend geval vermeerderd met de overbruggingstoelage, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=9&z=2025-01-17&g=2025-01-17), en de garantietoelage minimumloon, bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=10&z=2025-01-17&g=2025-01-17); - **commandant:** een bij ministeriële regeling aan te wijzen functionaris; - **de commandant operationeel commando:** de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten en de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando; - **deskundige persoon:** een voor de militair aangewezen deskundige persoon als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=14) die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet; - **gewezen militair:** de ontslagen militair, voor zover hij heeft behoort tot degenen die zi"},{"i":9304,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 augustus 2021, kenmerk 3227386-1012525-J, tot uitvoering van de Uitvoeringswet Erasmusprogramma en programma Europees Solidariteitskorps VWS Gelet op [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045054&artikel=1), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045054&artikel=3) en [4 van de Uitvoeringswet Erasmusprogramma en programma Europees Solidariteitskorps](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045054&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing Verordening Europees Solidariteitskorps Als Verordening Europees Solidariteitskorps als bedoeld in [artikel 1 van de Uitvoeringswet Erasmusprogramma en Europees Solidariteitskorps](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045054&artikel=1) wordt aangewezen [Verordening (EU) 2021/888](32788R2021) van het Europees parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot vaststelling van het programma ‘Europees Solidariteitskorps’ (PbEU 2021, L 202). Artikel 2. Aanwijzing nationaal agentschap Als nationaal agentschap als bedoeld in de Erasmusverordening, dat is belast met het beheer van de uitvoering van het deel van het Erasmusprogramma dat betrekking heeft op jeugd, en als nationaal agentschap als bedoeld in de Verordening Europees Solidariteitskorps wordt voor de duur van de programmaperiode aangewezen Stichting Nederlands Jeugdinstituut. Artikel 3. Aanwijzing onafhankelijk auditorgaan Als onafhankelijk auditorgaan als bedoeld in de Verordening Europees Solidariteitskorps wordt aangewezen de Auditdienst Rijk. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":16826,"b":"Besluit van 6 juli 1971, houdende instelling van een departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en naamsverandering van het departement van Sociale Zaken en Volksgezondheid Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 6 juli 1971, nr. 197102; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel I. in te stellen een departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne; II. de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne te belasten met de behartiging van alle aangelegenheden op gebied van volksgezondheid en milieuhygiëne behorende tot de taak van het departement van Sociale Zaken en Volksgezondheid en met de coördinatie op het gebied van de milieuhygiëne; III. de naam van het departement van Sociale Zaken en Volksgezondheid te wijzigen in: departement van Sociale Zaken. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en afschrift zal worden gezonden aan de Raad van Ministers, de Hoge Colleges van Staat, de Gevolmachtigde Ministers van Suriname en van de Nederlandse Antillen en de departementen van algemeen bestuur."},{"i":3950,"b":"Besluit van 7 juli 2020, houdende de voor het personeel van de Kamer van Koophandel ten opzichte van Rijksambtenaren afwijkende arbeidsvoorwaardelijke aangelegenheden (Besluit rechtspositie Kamer van Koophandel) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 19 december 2019, nr. WJZ / 19309774; Gelet op [artikel 15, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 februari 2020, nr. W18.19.0431/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 2 juli 2020, nr. WJZ / 20046947; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **CAO:** laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn; - **Kamer:** Kamer van Koophandel, genoemd in [artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=2). Artikel 2 In afwijking van de voor ambtenaren volgens de CAO geldende arbeidsvoorwaarden, kan voor de volgende aangelegenheden voor het personeel van de Kamer worden afgeweken van [artikel 15, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=15): - a. toepassing van de volledige arbeidsduur; - b. vaststelling en toepassing van afspraken over werktijden, waaronder het Nieuwe Roosteren; - c. berekening van het aantal in overheidsdienst doorgebrachte jaren; - d. vaststelling en toepassing van eigen beoordelingsafspraken; - e. de wijze van toepassing van de bij de CAO vastgestelde minimum- en maximumsalarisbedragen; - f. vaststelling van een voor het gehele personeel gelijk moment wanneer een salarisverhoging ingaat; - g. toepassing van een ander functiewaarderingsysteem; - h. vaststelling van de samenstelling van een geschillencommissie die zich bezig"},{"i":2791,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2009 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,0 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2009, doch niet later dan 15 december 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,279 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2009 en eindigende met 15 december 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid"},{"i":4503,"b":"Circulaire Onderhoudsbaggerspecie In deze circulaire vraag ik uw aandacht voor de regionale onderhoudsbaggerspecie. Ik verwijs naar het Tienjarenscenario waterbodems (TJS) voor de urgentie van de problematiek en de noodzaak om in afwachting van toekomstige regelgeving die is aangekondigd in de Beleidsbrief bodem nu reeds de mogelijkheden van de huidige regelgeving te benutten om problemen te verlichten. Ik schets het toekomstperspectief van de regelgeving voor grond en bagger, specifiek gericht op de veranderingen ten opzichte van de huidige regelgeving voor onderhoudsbaggerspecie. In dit verband vraag ik uw aandacht voor de resultaten van het project Bagger en Bodem dat in opdracht van het bestuurlijk overleg TJS voorwerk heeft gedaan voor de herziening van de regelgeving voor het op land brengen van onderhoudsbaggerspecie. Als eerste breng ik twee onderdelen in de regelgeving voor het verspreiden en toepassen van baggerspecie onder uw aandacht waarbij een nadere interpretatie kan helpen de knelpunten in de praktijk te verlichten. Bovendien wijs ik u op de ‘Handreiking verspreiding en toepassing van bagger’ en de mogelijkheden die het [Bouwstoffenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007667) en de bevoegdheid van GS om ontheffing van het stortverbod buiten inrichtingen te verlenen bieden. Ik doe een beroep op u als betrokken overheden om waar dat nodig is in gezamenlijk overleg, actief te zoeken naar mogelijkheden en locaties om onderhoudsbaggerspecie toe te passen, waarbij het huidige beleid met betrekking tot stand-still en instemming van de perceelseigenaar uiteraard van toepassing blijft. Daarbij is het van belang de perceelseigenaar van de relevante informatie te voorzien, zodat deze een beargumenteerde beslissing kan nemen over het accepteren van de bagger. Tenslotte wijs ik u op de mogelijkheid gebruik te maken van ondersteuning door de organisatie Bodem+. Tienjarenscenario waterbodems Het TJS, dat het kabinet met een begeleidende brief aan de Tw"},{"i":4524,"b":"Circulaire uitvoering overeenkomst VWNW-beleid en WW-dossier sector Rijk Bijgevoegd treft u de overeenkomst VWNW-beleid en WW-dossier sector Rijk (verder: de overeenkomst) aan, zoals die op 28 juni jl. in het Sectoroverleg Rijk is vastgesteld. In deze circulaire wordt nadere informatie gegeven die van belang is voor de uitvoering van deze overeenkomst. 1. Regelgeving en inwerkingtreding De overeenkomst moet nog geformaliseerd worden in de rechtspositionele besluiten. Voorzien is dat dit in het najaar van 2017 wordt gerealiseerd. De afspraken uit de overeenkomst treden in werking vanaf 1 januari 2018; waarbij voor de afspraken rond outsourcing geldt dat de wijzigingen van toepassing zijn op sociale plannen die vanaf 1 januari 2018 worden vastgesteld. Bij het formaliseren in regelgeving zal ook het overgangsrecht komen te vervallen dat gekoppeld was aan het huidige tijdelijke karakter omdat de VWNW-kandidaten vanaf 1 januari 2018 hun aanspraken zullen ontlenen aan het structureel opnemen van het VWNW-beleid in de rechtspositionele besluiten. Enkele afspraken uit het VWNW-beleid (de wijziging van de definitie van verplichte VWNW-kandidaat en de wijze van het vaststellen van overtolligheid en de daarbij te hanteren peildatum) treden met ingang van 1 januari 2020 in werking. De afspraken met betrekking tot het WW-dossier zijn gekoppeld aan de datum waarop de [Wet normalisering rechtspositie ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039393) in werking treedt. 2. Remplaçantenmakelaar De remplaçantenregeling binnen het VWNW-beleid biedt de mogelijkheid om voorzieningen ten behoeve van VWNW-kandidaten ook toe te kennen aan een ambtenaar die geen VWNW-kandidaat is, voor zover daarmee de plaatsing of herplaatsing van een VWNW-kandidaat wordt gerealiseerd of op een andere wijze een bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een taakstelling. Er wordt een pilot gestart om remplaceren interdepartementaal te stimuleren en te faciliteren. Hiervoor wordt de rol van re"},{"i":3602,"b":"Besluit van 28 januari 2014 tot aanwijzing van de gevallen waarin verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties tot het vestigen van rechtsmacht verplichten (Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, van 18 december 2013, nr. 465893; Gelet op [artikel 6 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 januari 2014, nr. W03.13.0466/11); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, van 22 januari 2014, nr. 474396; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Definitiebepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de wet:** het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854); - b. **een terroristisch misdrijf:** een misdrijf als bedoeld in [artikel 83 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83); - c. **een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf:** een misdrijf als bedoeld in [artikel 83b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83b). Paragraaf 2. Verplichtingen in het kader van de Verenigde Naties Artikel 2 1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt: - a. - 1°. aan het misdrijf omschreven in [artikel 168 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=168), begaan tegen een luchtvaartuig in bedrijf, indien dit een Nederlands luchtvaartuig is of wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt; - 2°. aan het misdrijf omschreven in [artikel 385a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=385a), begaan aan boord van een luchtvaartuig in vlucht, wanneer de verdachte zich in N"},{"i":16828,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 23 februari 2023, nr. ED/DE 26348713, tot intrekking van het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 26 april 2021, nr. BI/20299360, houdende wijziging van het Nationaal Frequentieplan 2014 in verband met de bestemming van de 3,5 GHz-band voor mobiele communicatie (NFP-wijziging 3,5 GHz-band), en tot wijziging van het Nationaal Frequentieplan 2014 in verband met de vaststelling van een nieuwe indeling van de 3,5 GHz-band met waarborgen voor de door Inmarsat verzorgde NSV-communicatie Gelet op [artikel 3.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.1); Besluit: Artikel I Wijzigt het Nationaal Frequentieplan 2014. Artikel II 1. De Minister van Economische Zaken en Klimaat kent aan Inmarsat, gevestigd te ’s-Gravenhage, op aanvraag een vergoeding toe voor schade die wordt veroorzaakt door dit besluit die uitgaat boven het normale maatschappelijk risico. 2. Schade blijft in elk geval voor rekening van de aanvrager voor zover: - a. hij het risico van het ontstaan van de schade heeft aanvaard; - b. hij de schade had kunnen beperken door binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de schade hadden kunnen leiden; - c. de schade anderszins het gevolg is van een omstandigheid die aan de aanvrager kan worden toegerekend, of - d. de vergoeding van de schade anderszins is verzekerd. 3. Indien een schadeveroorzakende gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid tevens voordeel voor de benadeelde heeft opgeleverd, wordt dit bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking genomen. Artikel III Het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 26 april 2021, nr. BI/20299360, houdende wijziging van het Nationaal Frequentieplan 2014 in verband met de bestemming van de 3,5 GHz-band voor mobiele communicatie (NFP-wijziging 3,5 GHz-band) wordt ingetrokken. Artikel IV 1. Dit besluit tre"},{"i":2562,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 23 februari 2005, nr. WJZ 5009409, omtrent de uitvoering van de artikelen 1 en 2 van de Subsidieregeling pilot innovatievouchers 2005 (Beleidsregel verstrekking innovatievouchers pilot 2005) Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018050&artikel=1) en [2 van de Subsidieregeling pilot innovatievouchers 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018050&artikel=2) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder een samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit tenminste twee, niet in een groep verbonden, ondernemers. Artikel 2 1. De minister verstrekt op aanvraag een innovatievoucher aan: - a. een ondernemer, die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van [verordening (EG) nr. 70/2001](32001R0070) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10) en die een kennisoverdrachtsproject wil laten uitvoeren; - b. ondernemers als bedoeld in onderdeel a die deelnemer zijn in een samenwerkingsverband, die gezamenlijk een kennisoverdrachtsproject willen laten uitvoeren. 2. Per ondernemer kan één innovatievoucher worden verstrekt. 3. Een aan een ondernemer als bedoeld in het eerste lid, onder b, verstrekte innovatievoucher is uitsluitend geldig in combinatie met innovatievouchers van de overige deelnemers in dat samenwerkingsverband. Indien een ondernemer als bedoeld in het eerste lid, onder b, niet meer deelneemt aan dat samenwerkingsverband vervalt de geldigheid van zijn innovatievoucher. 4. Geen innovatievoucher wordt verstrekt aan een ondernemer: - a. die een onderneming in stand houdt als bedoeld in artikel 1, onder a, van [verordening (EG) nr. 69/"},{"i":19616,"b":"Regeling tot vaststelling van regels ter uitvoering van de BDU verkeer en vervoer en van een beleidsregel ter uitvoering van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet BDU verkeer en vervoer (Uitvoeringsregeling en beleidsregel BDU verkeer en vervoer) Gelet op [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018113&artikel=4), [artikel 5, eerste en derde lid, van het Besluit BDU verkeer en vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018113&artikel=5) en [artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet BDU verkeer en vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017828&artikel=11); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet BDU verkeer en vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017828); - b. uitkeringsontvanger: het openbaar lichaam dat een uitkering ontvangt. Artikel 2 1. Het percentuele aandeel, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017828&artikel=5), van een uitkeringsontvanger is de uitkomst van de formule: (WREGIO × OADREGIO)/(WTOTAAL × OADTOTAAL) × R × 100% in welke formule voorstelt: | WREGIO: | het aantal woningen binnen het in [artikel 36b Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=36b) weergegeven gebied van het openbaar lichaam dat een uitkering ontvangt | | --- | --- | | OADREGIO: | de omgevingsadressendichtheid binnen het in [artikel 36b Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=36b) weergegeven gebied van het openbaar lichaam dat een uitkering ontvangt | | WTOTAAL: | het aantal woningen binnen Nederland | | OADTOTAAL: | de omgevingsadressendichtheid binnen Nederland | | R: | de rekenfactor: de regiofactor gerelateerd aan de in [artikel 36b Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=36b) weergegeven gebieden | 2. De gegevens die benodigd zijn voor het bepalen van de omgevingsadressendichtheid en het aantal"},{"i":3015,"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders Zeevaartbemanningswet Gelet op [artikel 49, eerste lid, van de Zeevaartbemanningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124&artikel=49); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Wet bemanning zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681) bepaalde zijn belast: - a. de ambtenaren van de politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en zijn tewerkgesteld bij het district Zeehavenpolitie van de Regionale Eenheid Rotterdam; - b. de ambtenaren van de politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en zijn tewerkgesteld bij de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie; en - c. de ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Wet bemanning zeeschepen. Artikel 3 Vervallen Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a Dit besluit berust mede op [artikel 61, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=61). Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3439,"b":"Besluit van de directeur Bedrijfsvoering van 1 januari 2020, nr. 4091296, houdende doorverlening mandaat, volmacht en machtiging aan de medewerkers binnen de directie Bedrijfsvoering Gelet op het besluit van de secretaris-generaal van 1 januari 2020, tot verlening van ondermandaat, overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=10) en [14 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Doorverlenen ondermandaat 1. De aan de directeur Bedrijfsvoering krachtens ondermandaat toegekende bevoegdheden, als omschreven in de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=11) en [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=12) en [14 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=14), kunnen krachtens het hierbij verleende ondermandaat worden uitgeoefend door de plaatsvervangend directeur Bedrijfsvoering. 2. De plaatsvervangend directeur Bedrijfsvoering maakt van de aan hem verleende bevoegdheden uitsluitend gebruik: - a. bij tijdelijke afwezigheid van de directeur Bedrijfsvoering; - b. in andere gevallen voor zover het aangelegenheden betreft die door de directeur Bedrijfsvoering aan hem zijn toevertrouwd. Artikel 2. Beperkingen ondervolmacht 1. Van de ondervolmacht zijn uitgesloten: - a. de bevoegdheid tot het opleggen van ordemaatregelen en straffen zoals genoemd in de CAO-Rijk; - b. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, anders dan op initiatief van de medewerker zelf. Artikel 3. Regels, procedures, instructies mandaat De bevoegdheden als bedoeld in artikel 1 worden uitgeoefend uitsluitend voor zover het aangelegenheden betreffen die behoren tot het werkterrein van de medewerker genoemd onder [artikel 1]"},{"i":2816,"b":"Beschikking tot instelling van de Leerling- en Ouderkamer Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beschikking wordt verstaan onder: - **bewindspersoon:** de minister of staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen; ouders: ouders, voogden of verzorgders; - **primair onderwijs:** de onderwijssoorten als bedoeld in de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) en de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - **voortgezet onderwijs:** de onderwijssoorten als bedoeld in de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212). Artikel 2. Instelling Leerling- en Ouderkamer 1. Er is een Leerling- en Ouderkamer waarin overleg wordt gevoerd tussen de bewindspersoon en vertegenwoordigers van organisaties voor leerlingen en de ouders van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. 2. Het overleg wordt gevoerd over de hoofdlijnen van beleid die mede van invloed kunnen zijn op de positie van leerlingen en/of hun ouders in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs. Artikel 3. Samenstelling Leerling- en Ouderkamer Het overleg wordt in ieder geval gevoerd met een vaste vertegenwoordiger van de hierna genoemde organisaties: - Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS); - Landelijke Oudervereniging Bijzonder Onderwijs op algemene grondslag (LOBO); - Nederlandse Katholieke Oudervereniging (NKO); - Vereniging voor Ouders, Christelijk Onderwijs en Opvoeding (Ouders & COO); - Vereniging voor Openbaar Onderwijs (VOO). In beginsel geldt dat van het LAKS twee vertegenwoordigers aan het overleg deelnemen en dat van de ouderorganisaties per instelling één vertegenwoordiger deelneemt. Het is mogelijk een plaatsvervanger aan het overleg te laten deelnemen. Artikel 4. Voorzitter en secretariaat Leerling- en Ouderkamer 1. De bewindspersoon of een gemandateerde ambtenaar van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is voorzitter van de Leerling- en Oud"},{"i":4850,"b":"Besluit van het lid dienstleiding Dienst Justitiële Inrichtingen verantwoordelijk voor Bedrijfsvoering en Innovatie van 24 december 2025, nr. 7034806, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan de onder het lid dienstleiding ressorterende directeuren (Mandaatbesluit DJI lid dienstleiding verantwoordelijk voor Bedrijfsvoering en Innovatie) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en [artikel 1 van het Mandaatbesluit directeur-generaal DJI 2026](onbekend); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit directeur-generaal DJI 2026](onbekend) aan het lid dienstleiding verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de directeur Facilitair, Huisvesting, Inkoop en Duurzaamheid; - b. de directeur Informatievoorziening; - c. de directeur Innovatie; - d. de directeur Personeel, Management en Organisatieontwikkeling; - e. de directeur van het Opleidingsinstituut; - f. de directeur van het Shared Service Center DJI (SSC-DJI). Artikel 2 Het lid dienstleiding verantwoordelijk voor Bedrijfsvoering en Innovatie wordt bij afwezigheid vervangen door een ander lid dienstleiding. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit DJI lid dienstleiding verantwoordelijk voor Bedrijfsvoering en Innovatie. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1129,"b":"Instellingsbeschikking commissie invoerings- en uitvoeringsaspecten belastingherziening 2001 Overwegende dat het wenselijk is een commissie voor invoerings- en uitvoeringsaspecten van de belastingherziening 2001 in te stellen, Besluit: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een commissie voor invoerings- en uitvoeringsaspecten van de belastingherziening 2001. Artikel 2 De commissie heeft tot taak de Staatssecretaris van Financiën te adviseren over de verschillende aspecten van de invoering en de uitvoering van de belastingherziening 2001. § 2. Samenstelling en werkwijze Artikel 3 1. Tot lid, tevens voorzitter van de commissie wordt benoemd: mr. J.C. de Waard (plv. DGFZ). 2. Tot lid, tevens voorzitter van de commissie wordt benoemd: mevr. mr. J. Thunnissen-Tonneman (plv. DGBel). 3. Tot lid, tevens secretaris van de commissie wordt benoemd: mr. drs. P.A. Pronk (PFC). 4. Tot lid, tevens secretaris van de commissie wordt benoemd: mevr. mr. I.G. Joppen (WDB). 5. Tot leden van de commissie worden benoemd: - Dhr. mr. J.G.S. Warmerdam (MKB-Nederland) - Dhr. mr. Chr. Steketee (MKB-Nederland) - Dhr. drs. Th.L.C. Huyveneers (VNO-NCW) - Dhr. drs. J.S. Weert (VNO-NCW) - Mw. mr. J. Kamp (VNO-NCW) - Mw. drs. M.E.J. Schuit (FNV) - Dhr. mr. T.W. Duijst (CNV) - Dhr. drs. P. Kroon (CNV) - Dhr. ir. L.S. Rietema (LTO-Nederland) - Dhr. drs. G.A.M. van der Grind (LTO-Nederland) - Dhr. drs. E.R. Haket (MHP) - Dhr. mr. J.R. Borst (EZ) - Dhr. dr. G.J.M. de Vries (SZW) - Dhr. mr. J.T.H. Duijghuisen (Belastingdienst/Directie Particulieren) - Dhr. drs. B.W.A. Bongers (CB) - Mw. drs. A.M.A. Bijvoet (FB) - Dhr. drs. C.C.H.J. Driessen (FNV) - Dhr. dr. R.M.Freudenthal (NOB). Artikel 4 De commissie zal zo vaak als zij dat nodig acht aanbevelingen aan de Staatssecretaris van Financiën doen. Artikel 5 Na de invoering van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) per 1 januari 2001 zullen de onderwerpen zich steeds meer lenen voor bespreking in de Commissie-Van"},{"i":4407,"b":"Besluit van 27 november 2012, houdende aanwijzing van zittingsplaatsen van rechtbanken en gerechtshoven (Besluit zittingsplaatsen gerechten) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 18 oktober 2012, nr. 311123; Gelet op [artikel 21b, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 november 2012, nr. W03.12.0434/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 21 november 2012, nr. 324466; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als zittingsplaatsen van de volgende rechtbanken worden aangewezen: - a. rechtbank Amsterdam: Amsterdam; - b. rechtbank Den Haag: Gouda, ’s-Gravenhage en Leiden; - c. rechtbank Gelderland: Apeldoorn, Arnhem, Nijmegen en Zutphen; - d. rechtbank Limburg: Maastricht en Roermond; - e. rechtbank Midden-Nederland: Almere, Amersfoort, Lelystad en Utrecht; - f. rechtbank Noord-Holland: Alkmaar, Haarlem, Haarlemmermeer en Zaanstad; - g. rechtbank Noord-Nederland: Assen, Groningen en Leeuwarden; - h. rechtbank Oost-Brabant: Eindhoven en ‘s-Hertogenbosch; - i. rechtbank Overijssel: Almelo, Enschede en Zwolle; - j. rechtbank Rotterdam: Dordrecht en Rotterdam; - k. rechtbank Zeeland-West-Brabant: Bergen op Zoom, Breda, Middelburg en Tilburg. Artikel 2 Als zittingsplaatsen van de volgende gerechtshoven worden aangewezen: - a. gerechtshof Amsterdam: Alkmaar, Amsterdam, Haarlem en Haarlemmermeer; - b. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Almelo, Arnhem, Assen, Groningen, Leeuwarden, Lelystad, Utrecht, Zutphen en Zwolle; - c. gerechtshof Den Haag: Dordrecht, ’s-Gravenhage en Rotterdam; - d. gerechtshof ’s-Hertogenbosch: Breda, ’s-Hertogenbosch, Maastricht, Middelburg en Roermond. Artikel 3 Wijzigt deze wet. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2013. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit zittingsplaatsen gerechten. Lasten en bevelen dat dit besl"},{"i":4367,"b":"Besluit van 27 maart 2013, houdende regels inzake het aanhouden van voorraden aardolieproducten (Besluit voorraadvorming aardolieproducten 2013) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 14 februari 2013, nr. WJZ / 13014857; Gelet op de [artikelen 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032775&artikel=4), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032775&artikel=5), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032775&artikel=15), [19, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032775&artikel=19), en [30 van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032775&artikel=30); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 maart 2013, nr. W15.13.0037/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 25 maart 2013, nr. WJZ /13047008; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032775). Hoofdstuk 2. Voorraadplicht Artikel 2 1. De hoogte van de drempel, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032775&artikel=4), bedraagt 100.000 ton aardolieproducten. 2. Het percentage, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032775&artikel=5), bedraagt 12. Artikel 3 1. Een verzoek als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032775&artikel=19), gaat vergezeld van de volgende informatie: - a. de door de voorraadplichtige in voorraad te houden hoeveelheid aardolieproducten, - b. de hoeveelheid en de categorie van de aardolieproducten die de voorraadplichtige in eigendom heeft, - c. de beschikbare opslagcapaciteit van de voorraadplichtige, - d. de minimale hoeveelheid, onderverdeeld in categorieën, van de aardolieproducten die"},{"i":12738,"b":"Besluit van 30 augustus 2022 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2022 worden uitgegeven ter gelegenheid van de honderdvijftigste geboortedag van Piet Mondriaan Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 25 augustus 2022, nr. 2022-0000193752, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die worden uitgegeven ter gelegenheid van de honderdvijftigste geboortedag van Piet Mondriaan zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en profil, daaronder het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt, het teken van de Muntmeester en de tekst «WILLEM-ALEXANDER» en ter linkerzijde verticaal de tekst «KONING DER NEDERLANDEN»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: twee lijnen die elkaar in de linkerbenedenhoek kruisen, in het eerste kwadrant verticaal de tekst «10 EURO» onderscheidenlijk «5 EURO» en horizontaal de tekst «PIET MONDRIAAN», in het tweede kwadrant het jaartal «1872» en in het vierde kwadrant verticaal het jaartal «2022»; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047119&artikel=1&z=2022-09-28&g=2022-09-28). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 28 september 2022. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden gepla"},{"i":17697,"b":"Verdrag betreffende de voeding en de daarmee verband houdende verzorging van de bemanning aan boord van schepen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Seattle en aldaar bijeengekomen op 6 juni 1946 in haar achtentwintigste zitting, Besloten hebbende, verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de voeding en de daarmede verband houdende verzorging van de bemanning aan boord van schepen, welk onderwerp het vierde punt van de agenda der zitting vormt, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag, Neemt heden, de 27ste juni 1946, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de voeding en de daarmede verband houdende verzorging (bemanning van schepen), 1946”: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Vervallen Artikel 21 Vervallen"},{"i":3308,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 november 2015 nr. BOACAT2015/058, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Roosendaal, domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur Gelezen het verzoek van de Teamleider Veiligheid, Toezicht en Handhaving van de gemeente Roosendaal van 30 september 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037195&artikel=2&z=2015-12-31&g=2015-12-31). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van inspecteur II en inspecteur Handhaving I in dienst bij het Team Veiligheid, Toezicht en Handhaving van de gemeente Roosendaal, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4. van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsam"},{"i":18593,"b":"Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Tweede Kamer der Staten-Generaal Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); **BESLUIT** Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op papier die behoren of zullen gaan behoren tot het personeelsdossier van de medewerkers van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Deze vervanging betreft alle papieren archiefbescheiden die betrekking hebben op personeelsgegevens en salarisgegevens zoals beschreven in de Selectielijst voor de handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier over de periode vanaf 1945 (2009). Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in de bijlage en op de wijze zoals beschreven in het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers van P-Direkt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Tweede Kamer der Staten-Generaal. Bijlage Deze bijlage bevat de eisen waaraan de uitvoering van het vervangingsproces ten minste zal voldoen, een en ander overeenkomstig [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b). [Artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) luidt aldus: De zorgdrager verschaft in het besluit tot vervanging, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":16858,"b":"Besluit ondermandatering Raad voor Rechtsbijstand in het kader van de Wet beëdigde tolken en vertalers Gelet op de [artikelen 10:3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:5), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene Wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), [artikel 2, lid 2 en 3 van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2); de [Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993) van 9 december 2008, in werking getreden op 1 januari 2009 (Stc. 2008, 2502); Besluit: Artikel 1 Aan de medewerkers van de Raad voor Rechtsbijstand in de functie van stafmedewerker Btv en Wsnp en administratief medewerkers Btv en Wsnp wordt ondermandaat verleend als bedoeld in de [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) en [5, eerste en tweede lid van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=5) van 9 december 2008. Artikel 2 De in [artikel 4 van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) verleende bevoegdheid tot doorgeven van het mandaat en de machtiging wordt als volgt aangevuld: - 1. Het hoofd Bureau beëdigde tolken en vertalers beslist op bezwaarschriften. Indien het besluit in primo is genomen door het hoofd Bureau beëdigde tolken en vertalers wordt het besluit op het bezwaarschrift genomen door de landelijke directie van de Raad vo"},{"i":16861,"b":"Besluit van 4 december 1997, houdende voorschriften ter uitvoering van de Wet op de lijkbezorging (Besluit op de lijkbezorging) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juli 1997, nr. BW97/U1169 directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Gelet op de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=9), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=15), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=32), [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=57), [66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=66), [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=70), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=78), [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=79) en [81, onderdeel 7°, van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=81); De Raad van State gehoord (advies van 11 augustus 1997, nr. W04.97.0462); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, mede namens Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 november 1997, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009); - b. de Overeenkomst van Straatsburg: de overeenkomst inzake het vervoer van lijken van 26 oktober 1973 (Trb. 1975, 95); - c. de Overeenkomst van Berlijn: de overeenkomst inzake het vervoer van lijken van 10 februari 1937. Paragraaf 2. De verklaring van overlijden Artikel 2 1. Het model van de verklaring van overlijden, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=9), af te geven door de behandelende arts, luidt als in [bijlage I van dit besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009080&bijlage=I&z=2025-07-01&g=2025-07-01)"},{"i":4720,"b":"Instellingsbesluit Gezagsdrageroverleg Grenstoezicht Zeehavenpolitie Politie Rotterdam Rijnmond Handelende in overeenstemming met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 48 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=48) Besluit: Artikel 1. Gezagsdrageroverleg Grenstoezicht Zeehavenpolitie Er is een Gezagsdrageroverleg Grenstoezicht Zeehavenpolitie van de politie Rotterdam-Rijnmond, inzake de uitvoering van het grenstoezicht door de Zeehavenpolitie, hierna aan te duiden als gezagsdrageroverleg. Artikel 2. Taken en bevoegdheden 1. Het Gezagsdrageroverleg is een overleg van het gezag en de korpsleiding van de Politie Rotterdam-Rijnmond voor de taken van de Zeehavenpolitie in het kader van de handhaving van de [vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en met name voor de uitvoering van het grenstoezicht. 2. Het Gezagsdrageroverleg spreekt zich uit ten aanzien van de taken inzake het grenstoezicht, het havengerelateerd vreemdelingentoezicht en het verwijderen, of ter uitzetting overdragen van vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf (meer) hebben. 3. Het Gezagsdrageroverleg is voor de in lid 2 genoemde taken verantwoordelijk voor: het formuleren van, binnen de door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de door het Regionaal College van de Politie Rotterdam-Rijnmond, op grond van [artikel 31 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=31), vastgestelde beheerkaders, de operationele beleidsdoelstellingen en prioriteiten; deze tijdig in te brengen ten behoeve van de beheer- en beleidscyclus van de Politie Rotterdam-Rijnmond; op voorhand af te stemmen omtrent doelen en prioriteiten in relatie tot de beschikbare middelen en (financiële) knelpunten tijdig te signaleren. 4. Het Gezagsdrageroverleg is voor de in lid 2 genoemde taken voorts verantwoordelijk voor het toetsen van de in de meerjarenbeleidsplannen, jaar"},{"i":16880,"b":"Besluit van 24 mei 2000, houdende overgang van de kernfysische dienst van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 19 mei 2000, nr. 00M378752; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gaan over: - a. de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het toezicht op de naleving van hetgeen bij of krachtens de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) is bepaald en bevolen met betrekking tot inrichtingen waarvoor een vergunning krachtens [artikel 15, onder b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) is verleend, en met betrekking tot de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die daarmee technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in de onmiddellijke nabijheid daarvan zijn gelegen en met betrekking tot welke installaties een vergunning krachtens [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) is verleend; - b. taken die met de vergunningverlening op grond van [artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) verwant zijn. 2. De Kernfysische Dienst van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt overgeplaatst naar het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juni 2000. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat m"},{"i":16881,"b":"Besluit van 5 augustus 2009, nr. 09.001974, houdende overgang van de zorg voor het Nationaal Noodnet Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 13 juli 2009, nr. 3079975; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De zorg voor het beleid betreffende het Nationaal Noodnet als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de Regeling voorbereiding buitengewone omstandigheden sector telecommunicatie 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023117&artikel=2), gaat over van Onze Minister van Economische Zaken naar Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Economische Zaken en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":16882,"b":"Besluit houdende 29 juni, nr. 09.001709, overgang van de zorg voor het Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 23 juni 2009, nr. 3079138; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De zorg voor het Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf gaat over van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer naar Onze Minister van Financiën. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2009. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":3741,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 5 juli 2019, nr. WJZ/ 19139599, houdende regels inzake het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport voor handhaving ten aanzien van aangelegenheden die verband houden met het Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen (Besluit mandaat, volmacht en machtiging IG ILT handhaving Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), de [artikelen 8.40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [9.2.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1) en [11a.2, eerste tot en met het derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11a.2); Gezien de schriftelijke instemming van de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport, Besluit: Artikel 1 Aan de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor de handhaving ten aanzien van aangelegenheden die verband houden met de [artikelen 4 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037088&artikel=4) en de [artikelen 8 tot en met 16 van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037088&artikel=8). Artikel 2 Aan de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport wordt voorts mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het verrichten van rechtshandelingen en feitelijke handelingen die verband houden met de invordering van verbeurde dwangsommen en gemaakte kosten van bestuursdwang als bedoeld in [artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:25), voor zover deze verband houden met de handhaving bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":16885,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2006 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2006 vastgesteld op 6,38%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december 2005, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 2006. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2006. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16886,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2007 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2007 vastgesteld op 6,38%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2007. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16888,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2009 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2009 vastgesteld op 6,32%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2009. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16890,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2011 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2011 vastgesteld op 5,72%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2011. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16891,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2012 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2012 vastgesteld op 5,60%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2012. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16903,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2024 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op 8,31%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2024. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":3528,"b":"Besluit van 29 september 1994, houdende gemeentelijke indeling van het tot de provincie Noord-Holland behorende deel van het IJsselmeer langs de oever van de gemeenten Amsterdam, Diemen en Muiden Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 6 juli 1994, nr. BW94/U1335, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Gelet op artikel III, eerste lid, van de Wet van 13 mei 1991, houdende procedurele bepalingen met betrekking tot wijziging van de gemeentelijke of provinciale indeling; De Raad van State gehoord (advies van 1 augustus 1994, nr. W04.94.0430); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A. G. M. van de Vondervoort, van 19 september 1994, nr. BW94/1707, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling wordt een gedeelte van het grondgebied van het tot de provincie Noord-Holland behorende zuidelijk deel van het IJsselmeer gemeentelijk ingedeeld bij de gemeente Amsterdam, zodat de grens als volgt komt te lopen: - a. de grens tussen de gemeenten Amsterdam en Waterland wordt zodanig gewijzigd dat de nieuwe grens vanaf het meest noordoostelijke hoekpunt van de bestaande grens tussen beide gemeenten de bestaande grens volgt van de gemeente Waterland met het nog niet gemeentelijk ingedeeld gebied, totdat de grens met de provincie Flevoland wordt bereikt, van welk punt de coördinaten in het verschoven stelsel van rijksdriehoeksmeting zijn x = 134 029,81 y = 489 022,36; - b. de grens tussen de gemeenten Amsterdam en Muiden wordt zodanig gewijzigd dat de nieuwe grens vanaf het onder **a** laatstgenoemde punt in ongeveer zuidwestelijke richting de rechte verbindingslijn volgt naar een punt waarvan de coördinaten in het verschoven stelsel van rijksdriehoeksmeting zijn x = 131 197,50 y = 487 556,05, vervolgens knikt de nieuwe grens in ongeveer zuidelijke richting om, naar het noordwestelijke hoekpunt van de bestaande grens van de gemeente Muiden met nog niet"},{"i":16905,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2026 herzien Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2026 vastgesteld op 8,59%. Artikel 2 Het [Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051832) (Besluit van 11 november 2025, Staatscourant 2025, 39960) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2026 herzien. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":2825,"b":"Beschikking verwisseling grootboek 1946 Gelet op [artikel 3, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002050&artikel=3&z=1950-11-01&g=1950-11-01), van het Koninklijk besluit van 14 November 1945 (Staatsblad no. F 268); Gelet op [artikel 2, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002050&artikel=2&z=1950-11-01&g=1950-11-01), van het Koninklijk besluit van 8 Januari 1946 (Staatsblad no. G 9), zoals dit is gewijzigd en aangevuld bij Koninklijk besluit van 9 Februari 1949 (Staatsblad no. J 64); Gelet op de [Beschikking overdracht en aflossing Grootboek 1946](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002046) (Nederlandse Staatscourant van 11 Februari 1949, no. 30); Heeft goedgevonden en verstaan te bepalen: Artikel 1 (1). Het saldo van een rekening in het Grootboek 1946 wordt op een door de Directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld te Amsterdam (hierna te noemen Directeur) te bepalen datum binnen het tijdvak 1 November 1949 tot en met 31 October 1950, onder kennisgeving aan de betrokkenen, verwisseld in schuldbewijzen aan toonder, indien dit saldo op die datum minder dan f 10 000 bedraagt. (2). Aan de leden van de Vereeniging voor den Effectenhandel (Bedrijfsgroep Effectenhandel), die hun bemiddeling bij deze ambtshalve uitgevoerde verwisseling hebben verleend, wordt een provisie uitgekeerd van f 1 per rekening. (3). De Directeur is gerechtigd in bijzondere gevallen de verwisseling op een later tijdstip te doen plaats vinden. (4). De bepaling, vervat in het eerste lid, is niet van toepassing op de in [artikel 12 van de Beschikking overdracht en aflossing Grootboek 1946](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002046&artikel=12) bedoelde commissionnairsrekeningen. Artikel 2 (1). Ten laste van elke rekening in het Grootboek 1946 kunnen—behalve in de gesloten perioden, bedoeld in artikel 8 van het Koninklijk besluit van 8 Januari 1946 (**Staatsblad** no. G 9)—schuldbewijzen aan toonder voorzien van alle nog niet verschenen coupons worden verkregen. Art"},{"i":3882,"b":"Besluit van de Minister voor Klimaat en Energie van 29 januari 2022, nr. WJZ/ 21240883, tot openstelling van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking voor 2022 (Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2022) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=2), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=4), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=5), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=8), en [9, tweede lid, van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=9); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **netlevering:** elektriciteit die op het elektriciteitsnet wordt ingevoed; - **netto P50-waarde vollasturen:** aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie, die gebruik maakt van windenergie, is bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%; - **niet-netlevering:** elektriciteit die op een installatie wordt ingevoed; - **regeling:** [Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882). Artikel 2. (subsidieplafond en aanvraagperiode) 1. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit op grond van [artikel 2, derde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=2), die wordt aangevraagd in de periode van 1 maart 2022, 09:00 uur, tot 1 december 2022, 17:00 uur, wordt vastgesteld op € 150.000.000,–. 2. Per categorie productie-installaties kan in de periode, bedoeld in het eerste lid, per locatie waarop de productie-installatie wordt aangebracht, ten hoogste één aanvraag worden ingedien"},{"i":3599,"b":"Besluit instelling begeleidingscommissie onderzoek bestuurlijke maatregelen veiligheid Overwegende, Dat er behoefte bestaat aan onderzoek naar bestaande en nieuwe bestuurlijke en bestuursrechtelijke maatregelen op het terrein van veiligheid, alsmede aan onderzoek om te komen tot meer samenhang in de (visie op) burgemeesterlijke bevoegdheden op het gebied van handhaving van de openbare orde en veiligheid; Dat het onderzoek wordt verricht door deskundigen op het terrein van openbare orde en veiligheid, primair vanuit bestuur(srechte)lijk perspectief en met aandacht voor de afbakening met het straf(proces)recht; Dat de onderzoeksresultaten als basis dienen voor besluitvorming of en zo ja hoe bestaande bestuurlijke bevoegdheden op genoemde terreinen uitbreiding vergen en hoe de samenhang, structuur en ordening van bestaande en alsdan benodigde, nieuwe, bevoegdheden beter kan worden geborgd; Dat het onderzoek wordt verricht door deskundigen op het terrein van openbare orde en veiligheid, primair vanuit bestuur(srechte)lijk perspectief en met aandacht voor de afbakening met het straf(proces)recht; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Commissie: de begeleidingscommissie Onderzoek bestuurlijke maatregelen veiligheid; - b. de Minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Er is een begeleidingscommissie Onderzoek bestuurlijke maatregelen veiligheid. Artikel 3 De Commissie heeft tot taak: - a. het bewaken voor de voortgang, uitvoering en kwaliteit van het onderzoek; - b. waar nodig het geven van aanwijzingen en aanbevelingen aan onderzoekers; - c. een antwoord te geven op de vraag, of het onderzoek naar bestuurlijke maatregelen veiligheid op adequate wijze is volbracht. Artikel 4 1. In de Commissie hebben zitting: - a. als voorzitter: - –. de heer R.J.G. Bandell, beheerder van het regionale politiekorps Zuid-Holland-Zuid, burgemeester van Dordrecht, voorzitter bestuur Nederlands Genootschap van Burgemeesters; - b. als"},{"i":2693,"b":"Beschikking individueel MBI-omzetplafond De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50 lid 2 onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) en [artikel 52 aanhef en onder e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) en met inachtneming van het bepaalde in de beleidsregel ‘Macrobeheersmodel geriatrische revalidatiezorg’ en de regeling ‘Informatieverstrekking geriatrische revalidatiezorg’ en van de onderstaande definities voor elke afzonderlijke instelling die geriatrische revalidatiezorg levert voor het jaar 2013 ambtshalve een bovengrens vastgesteld voor de omzet. Deze bovengrens luidt: **Bovengrens (2013) = omzet (2013)** Definities Bovengrens Een bovengrens aan de som van tarieven als bedoeld in [artikel 50, tweede lid aanhef en onder c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Geriatrische revalidatiezorg Revalidatiezorg zoals een specialist ouderengeneeskunde pleegt te bieden. Landelijke omzet De omzet als bedoeld in artikel 10 van de beleidsregel ‘Macrobeheersmodel geriatrische revalidatiezorg’ van alle instellingen die onder de reikwijdte van die beleidsregel vallen. Minister De minister van Volksgezondheid, welzijn en sport. Omzet De omzet als bedoeld in artikel 10 van de beleidsregel ‘Macrobeheersmodel geriatrische revalidatiezorg’ van de instelling die onder de reikwijdte van die beleidsregel valt. Overschrijding Het door de minister vastgestelde en aan de NZa meegedeelde bedrag dat de NZa als basis dient te nemen voor de handhaving van het landelijke MBI-omzetplafond. Werkingssfeer Voor de toepassing van deze tariefbeschikking wordt een persoon, die Bezwaar/Beroep I"},{"i":4345,"b":"Besluit van 8 oktober 2005, houdende de vaststelling van vernieuwde kerndoelen voor het basisonderwijs (Besluit vernieuwde kerndoelen WPO) en houdende wijziging van het Besluit trekkende bevolking WPO in verband met de vaststelling van vernieuwde kerndoelen voor het basisonderwijs Artikel 1 De kerndoelen, bedoeld in [artikel 9, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=9) worden vastgesteld als aangegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 1. Het [Besluit kerndoelen primair onderwijs 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009666) wordt ingetrokken. 2. De kerndoelen die in de [bijlage bij het Besluit kerndoelen primair onderwijs 1998](onbekend) zijn opgenomen, kunnen door het bevoegd gezag van een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs uiterlijk tot 1 augustus 2009 worden gehanteerd voor het onderwijs aan leerlingen die op 1 augustus 2005 reeds basisonderwijs volgen. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vernieuwde kerndoelen WPO. Bijlage. Vernieuwde kerndoelen WPO **Preambule** Basisonderwijs bevordert brede vorming van kinderen. Het onderwijs richt zich op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling, op de ontwikkeling van de creativiteit en het verwerven van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden. De kerndoelen zijn een operationalisering hiervan. Het geheel van samenhangende en daarom doorgenummerde kerndoelen geeft een beeld van het inhoudelijk aanbod van het basisonderwijs. De kerndoelen in deze opsomming zijn ingedeeld in hoofdstukken voor Nederlandse taal, Engelse taal, Friese taal, rekenen en wiskunde, oriëntatie op jezelf en de wereld, kunstzinnige oriëntatie, en bewegingsonderwijs. Kerndoelen zijn streefdoelen. Ze geven aan wat iedere school in elk geval nastreeft bij leerlingen. Daarbij kunnen drie kanttekeningen geplaatst worden. In de eerste plaats omschrijven de doelen het eind van een leerproces, niet de wijze waarop ze bereikt worden."},{"i":16914,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2015 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op 1,45%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2015. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":3274,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 februari 2024, nr. BOACAT2024/017, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Landgraaf Gelezen het verzoek van de gemeente Landgraaf van 9 februari 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27) waaruit blijkt dat de noodzaak tot het wijzigen van het eerder genoemde categoriale besluit aanwezig is; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36),[eerste lid, en artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049405&artikel=2&z=2024-03-01&g=2024-03-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Integrale Handhaving Boa domein I in dienst van de gemeente Landgraaf, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opspo"},{"i":4463,"b":"Circulaire Aanpassing huurwaarde dienstwoningen per 1 juli 2008 In deze circulaire wordt de verhoging van de economische huurwaarde van dienstwoningen per 1 juli 2008 bekend gemaakt. De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn voor de uitvoering van [artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), dienen per 1 juli 2008 met 1,6% te worden verhoogd. Deze verhoging is vastgesteld in overeenstemming met de Belastingdienst. Woningen die op of na 1 juli 2007 gereed zijn gekomen, vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 1,6%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. Ik verzoek u met bovengenoemde wijzigingen rekening te houden."},{"i":4156,"b":"Besluit van de Minister voor Klimaat en Energie van 23 april 2024, nr. WJZ/ 46033521, tot vaststelling van de definitieve correctiebedragen Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking voor 2023 (Besluit vaststelling definitieve correctiebedragen voor 2023 bij de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking) Gelet op [artikel 6, tweede lid, van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **netlevering:** elektriciteit die op het elektriciteitsnet wordt ingevoed; - **niet-netlevering:** elektriciteit die op een installatie wordt ingevoed; - **openstellingsbesluit 2021:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883); - **openstellingsbesluit 2022:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046275); - **openstellingsbesluit 2023:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047507); - **regeling:** [Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882). Artikel 2. Vaststelling definitief correctiebedrag Voor een categorie productie-installaties als bedoeld in de eerste en tweede kolom van onderstaande tabel wordt het definitieve correctiebedrag, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=6), voor 2023 vastgesteld op het bedrag dat is opgenomen in de derde kolom van onderstaande tabel. | 1 | 2 | 3 | | --- | --- | --- | | Artikel openstellingsbesluit 2021 | Omschrijving categorie | Definitief correctiebedrag 2023 in euro/kWh | | [Artikel 3, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883&artikel=3) | Zonne-energie, kleinverbruikers-aansluiting | 0,059 | | [Artikel 3, onderdeel b](http"},{"i":2569,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 9 juli 2013, nr. WJZ / 13120244, houdende vaststelling van een beleidsregel inzake de voorbereiding van een beslissing op een aanvraag om een vergunning voor het opsporen van delfstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee (Beleidsregel voorbereidingsprocedure opsporingsvergunning continentaal plat) Gelet op artikel 5, tweede lid, van [Richtlijn nr. 2013/30](32013L0030) van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van [Richtlijn 2004/35/EG](32004L0035) (PbEU nr. L 178) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 Op de voorbereiding van een besluit inzake de aanvraag om een vergunning als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=6) voor het opsporen van delfstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee wordt [afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.4) toegepast. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel voorbereidingsprocedure opsporingsvergunning continentaal plat. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4423,"b":"Besluit van het Instituut Mijnbouwschade Groningen tot vaststelling van een bestuursreglement Gezien de goedkeuring van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 21 december 2023; Gelet op [artikel 8, eerste lid, van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=8); Besluit tot vaststelling van het volgende bestuursreglement: Artikel 1. Definities In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. **bestuur:** de leden van het Instituut tezamen als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=4); - b. **bestuursreglement:** bestuursreglement van het Instituut als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=8); - c. **Bureau:** het Bureau van het Instituut als bedoeld in [artikel 5 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=5); - d. **commissie:** een commissie die is ingesteld door het Instituut als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=6); - e. **deskundige:** een deskundige als bedoeld in [artikel 12 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=12); - f. **directie:** de directie van het Bureau van het Instituut; - g. **Instituut:** het Instituut Mijnbouwschade Groningen; - h. **lid of leden:** lid of leden van het bestuur van het Instituut; - i. **minister:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - j. **plaatsvervangend voorzitter:** de plaatsvervangend voorzitter van het bestuur van het Instituut; - k. **schade:** schade als bedoeld in [artikel 1 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=1); - l. **schriftelijk:** op papier, via e-mail of via enig ander gangbaar communicatiemiddel waarmee het mogelijk is tekst over te brengen; - m. **voorzitter:** de voorzitter van het bestuur van het Instituut; - n. **Wet:** [Tijdelijke wet Groningen](https://wette"},{"i":3901,"b":"Besluit van 19 april 2018, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de physician assistant en wijziging van enkele daarmee samenhangende besluiten (Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied physician assistant) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 19 februari 2018, kenmerk 1298944-173614-WJZ; Gelet op de [artikelen 33a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=33a), [33b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=33b), [41, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=41), en [94 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=94) en [artikel 24, tweede lid, Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=24); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 maart 2018, no. W13.18.0034/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 17 april 2018, kenmerk 1327484-173614-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling § 2. Titel § 2. Titel § 4. Deskundigheid § 3. Opleiding Artikel 6 1. Onze Minister kan voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van de Wet van 4 oktober 2017, houdende wijziging van de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) in verband met het opnemen van de physician assistant in de lijst van registerberoepen, het toekennen van zelfstandige bevoegdheid voor bepaalde voorbehouden handelingen aan physician assistants en verpleegkundig specialisten en het opnemen van de mogelijkheid tot het instellen van een tijdelijk register voor experimenteerberoepen (Stb. 2017, 374) reeds besluiten op aanvragen tot inschrijving in het register voor physician assistants. Indien Onze Minister in dat geval besluit tot inschrijving, wordt de inschrijving van kracht met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B"},{"i":4730,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 17 december 2015, houdende instelling van een eenmalige commissie van deskundigen met betrekking tot de rechtseenheid in het bestuursrecht (Instellingsregeling Commissie rechtseenheid bestuursrecht) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1 Er is een Commissie rechtseenheid bestuursrecht, hierna te noemen: de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak een advies uit te brengen over de wijze waarop kan worden voorzien in rechtseenheid binnen het bestuursrecht en tussen het bestuursrecht en andere rechtsgebieden, binnen de kaders van de voornemens van het kabinet over de vormgeving van de hoogste bestuursrechtspraak zoals uiteengezet in de brieven van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Veiligheid en Justitie van 11 september 2015 aan respectievelijk de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal (respectievelijk Kamerstukken II 2014/15, 29 279, 273 en Kamerstukken I 2015/16, 30 585, N). Artikel 3 1. De commissie streeft ernaar haar advies voor 1 juli 2016 uit te brengen aan de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. Na het uitbrengen van haar advies is de commissie opgeheven. Artikel 4 De archiefbescheiden van de commissie worden na haar opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Instellingsregeling Commissie rechtseenheid bestuursrecht. Deze re"},{"i":3497,"b":"Besluit van 17 april 1991, houdende het treffen van een regeling als bedoeld in artikel C7, tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 15 februari 1991, nr. AB90/213/U2, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidsvoorwaarden, afdeling Algemene Financiële Aangelegenheden; Gelet op artikel C7 van de Spoorwegpensioenwet (**Stb.** 1986, 541); De Raad van State gehoord (advies van 8 april 1991, nr. W04.91.0094); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 10 april 1991, nr. AB90/213/U4, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidsvoorwaarden, afdeling Algemene Financiële Aangelegenheden; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In afwijking van artikel 2, eerste lid, van het Verhaalsbesluit Algemene burgerlijke pensioenwet (**Stb.** 1987, 10) bedraagt het verhaal voor de deelgenoot, bedoeld in artikel B1 van de Spoorwegpensioenwet (**Stb.** 1986, 541) negen en een tiende percent van het inkomen, bedoeld in artikel C1 van de Spoorwegpensioenwet, nadat dit is verminderd met een bedrag dat herleid tot een jaarbedrag (franchisebedrag) gelijk is aan twintig zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag genoemd in artikel 9, tiende lid, onder **b**, vermeerderd met de bruto-vakantie-uitkering ingevolge [artikel 29 van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=29) (**Stb.** 1985, 181) en verminderd met het bedrag van de overhevelingstoeslag, bedoeld in artikel 81, derde lid, tweede volzin, van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies (**Stb.** 1989, 127), met dien verstande dat het verhaal niet minder bedraagt dan zes tiende percent van het inkomen. Artikel 2 Artikel 3 van het Verhaalsbesluit Algemene burgerlijke pensioenwet is niet van toepassing op de deelgenoot, bedoeld in artikel B1 van de Spoorwegpensioenwet. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de ee"},{"i":3351,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 juli 2025 nr. BOACAT2025/150, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de handhavingsorganisatie van de gemeente Den Haag Gelezen het verzoek van gemeente Den Haag van 16 juli 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051322&artikel=2&z=2025-07-29&g=2025-07-29). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van vakspecialist A en vakspecialist B, Toezicht en Handhaving in dienst van de handhavingsorganisatie van de gemeente Den Haag zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend to"},{"i":4202,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 12 november 2018, nr. MinBuZa.2018.1891-10, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de financiering van ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden (DRIVE) (Subsidieplafond DRIVE 2019) Gelet op de [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) in het kader van het programma DRIVE (financiering voor ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden)1Stcrt 2015, 16818 geldt voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 een subsidieplafond van € 150 miljoen. Bij de berekening van het voor subsidieverstrekking ten laste van dit plafond beschikbare bedrag worden verstrekte middelen die op grond van de aan de subsidie verbonden verplichtingen door de subsidieontvangers aan de Minister zijn terugbetaald toegerekend aan het plafond. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2020. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2978,"b":"Besluit van 15 juli 1980, houdende aanwijzing van paleizen als bedoeld in artikel 4 van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, mede namens Onze Ministers van Financiën en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 9 juli 1980, nr. 298908; Overwegende dat bij de Wet van 2 juli 1980 houdende aanvulling van de [Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002845) tot regeling van de uitkeringen aan Prinses Juliana en haar echtgenoot, Paleis Soestdijk ten laste van het Rijk aan Prinses Juliana en Prins Bernhard tot gebruik ter beschikking is gesteld; dat in verband met het voorgaande behoefte bestaat aan het gebruik van het paleis Noordeinde te ’s-Gravenhage en dat het Paleis Huis ten Bosch te ’s-Gravenhage en het Paleis op de Dam te Amsterdam hun bestemming dienen te behouden; Gelet op [artikel 4 van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002845&artikel=4); Hebben goegevonden“goegevonden” moet zijn “goedgevonden” en verstaan: Artikel 1 De paleizen, bedoeld in [artikel 4 van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002845&artikel=4) zijn: a. het Paleis Noordeinde te ’s-Gravenhage; b. het Paleis Huis ten Bosch te ’s-Gravenhage; c. het Paleis op de Dam te Amsterdam. Artikel 2 Het Koninklijk besluit van 24 december 1970, houdende aanwijzing van paleizen, bedoeld in [artikel 23 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=23) (**Stb.** 1970, 629) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot 1 mei 1980. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Financiën en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zijn belast met de uitvoering van dit besluit, da"},{"i":3131,"b":"Besluit van 24 augustus 2012, houdende aanwijzing van de vormen van zorg die in aanmerking kunnen komen voor een beschikbaarheidbijdrage op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg en enkele wijzigingen in het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG (Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 mei 2012, kenmerk MC-U-3115170; Gelet op [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=2) en [56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a) en [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 juni 2012, nummer W13.12.0155/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 augustus 2012, kenmerk MC-U-3122338; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **beschikbaarheidbijdrage:** bijdrage, bedoeld in [artikel 56a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). Artikel 2 1. De zorgautoriteit kan een zorgaanbieder een beschikbaarheidbijdrage toekennen voor het beschikbaar hebben van vormen van zorg omschreven in de bijlage behorend bij dit besluit. 2. Een beschikbaarheidbijdrage die een opleiding betreft als bedoeld in onderdeel B, onder 1, van de bijlage behorende bij dit besluit wordt ten hoogste toegekend voor het in onderdeel D voor die opleiding in het kalenderjaar bij de genoemde zorgaanbieder vermelde aantal instromende fulltime-equivalenten of opleidingsplaa"},{"i":3991,"b":"Besluit van 6 oktober 1997, houdende vaststelling van routerings- en meldingssystemen voor schepen in volle zee voor de Nederlandse kust (Besluit routerings- en meldingssystemen voor schepen in volle zee voor de Nederlandse kust) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 juli 1997, nr. DGG/J-97005652, Directoraat-Generaal Goederenvervoer; Gelet op de voorschriften V/8 en V/8-1 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (**Trb.** 1976, 157), en op [artikel 21 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=21); De Raad van State gehoord (advies van 27 augustus 1997, nr. W09.0474); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 september 1997, nr. DGG/J-97008184, Directoraat-Generaal Goederenvervoer; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definitiebepaling In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder routeringssysteem: een systeem bestaande uit een of meer routes of routeringsmaatregelen, gericht op het verminderen van gevaar voor scheepsongevallen, met inbegrip van verkeersscheidingsstelsels, vaarwegen voor tweerichtingsverkeer, aanbevolen koerslijnen, gebieden die dienen te worden gemeden, zones voor kustverkeer, rotondes, voorzorgsgebieden en diepwaterroutes. Artikel 2. Vaststelling en gebruik van systemen 1. Bij ministeriële regeling kunnen voor in die regeling vermelde categorieën schepen voor de Nederlandse kust buiten de Nederlandse territoriale zee, overeenkomstig richtlijnen en criteria van de Internationale Maritieme Organisatie, routeringssystemen en meldingssystemen worden vastgesteld. 2. Degene die een schip voert maakt gebruik van de op grond van het eerste lid vastgestelde routeringssystemen en voldoet daarbij aan de voorschriften van de op grond van dat lid vastgestelde meldingssystemen. Artikel 3. Strafbaarstelling Overtreding van de bij of krachtens [artikel 2, tweede lid](https://wetten.ov"},{"i":3708,"b":"Besluit verlening mandaat, volmacht en machtiging aan algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in het kader van subsidiëring project Digitale Infrastructuur voor Toekomstbestendige Mobiliteit (DITM) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van 1 november 2022, kenmerk MD202269INSTAC; BESLUIT: Artikel 1 1. Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat besluiten te nemen in het kader van de subsidiëring van het project Digitale Infrastructuur voor Toekomstbestendige Mobiliteit (DITM). 2. Het mandaat, de volmacht en de machtiging, bedoeld in het eerste lid, hebben mede betrekking op alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en ter uitvoering van de besluiten, daaronder begrepen het nemen van besluiten op bezwaarschriften, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in mandaat is genomen, en op het voeren van beroepsprocedures. Artikel 2 1. De directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047829&artikel=1&z=2024-07-02&g=2024-07-02), ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan een of meer onder hem ressorterende functionarissen. 2. De directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat kan aan de algemee"},{"i":3464,"b":"Besluit van 15 maart 2024, houdende regels met betrekking tot de uitvoering en handhaving van EU-verordeningen met betrekking tot de financiële markten of de op die markten werkzame personen (Besluit EU-verordeningen Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 2 januari 2024, 2023-0000276513, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:3a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:3a), [1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:25a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25a), [1:25c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25c), [1:50a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:50a), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [1:82, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:82), [1:87, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:87), [1:94, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:94), [1:97, derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:97), [artikel 3:28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:28a), en [4:27a, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:27a), alsmede de in de bijlagen bij dit besluit aangehaalde EU-verordeningen; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 februari 2024, nr. W06.24.00002/III; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 14 maart 2023, 2024-0000203083, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel"},{"i":4427,"b":"Bestuursreglement Nederlandse Emissieautoriteit Het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit heeft op grond van [artikel 2.8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=2.8) in zijn vergadering van 17 augustus 2021 het navolgende reglement vastgesteld. Het reglement is bij brief van28 september 2021, met kenmerk FEZ / 21199011, goedgekeurd door de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat - Klimaat en Energie op grond van [artikel 11, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11). Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. **Bestuur:** bestuur van de NEa; - b. **Bestuursreglement:** het onderhavige bestuursreglement; - c. **Directeur-bestuurder:** directeur-bestuurder van de NEa, belast met de taken van de bestuurder alsmede met de dagelijkse aansturing van de Dienst NEa; - d. **Afdelingshoofd:** hoofd van een van de afdelingen binnen de NEa; - e. **Minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - f. **NEa:** Nederlandse Emissieautoriteit; - g. **P&O-aangelegenheden:** aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget; - h. **Dienst NEa:** agentschap NEa die bestaat uit ambtenaren die het ZBO-bestuur ondersteunen in de uitvoering van de wettelijke taken; - i. **voorzitter:** voorzitter van het Bestuur. 2. Voor zover een begrip niet in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046022&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2021-12-16&g=2021-12-16) omschreven is, heeft het dezelfde betekenis als in de Wet. Hoofdstuk 2. Uitoefening van taken en bevoegdheden Artikel 2. Algemeen 1. Het Bestuur bestaat uit drie leden, waaronder een Directeur-bestuurder. Het Bestuur kent een collegiaal karakter. 2. Het Bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die het bij of krachtens de wet zijn opgedragen. 3. De Directeur-bestuurder is eer"},{"i":3132,"b":"Besluit van 11 december 2002, houdende regels inzake beschikbaarstelling van politieambtenaren ten behoeve van de inzet in het kader van vredesmissies Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 oktober 2002, nr. EA2002/89745, directoraat-generaal Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie; Gelet op [artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50); De Raad van State gehoord (advies van 18 november 2002, nr. W04.02.0459/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 december 2002, nr. EA2002/99154, directoraat-generaal Openbare Orde en Veiligheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop gebaseerde regeling wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. betrokkene: de ambtenaar, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a en b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die door het bevoegd gezag, bedoeld in het [Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516), buitengewoon verlof wordt verleend met behoud van bezoldiging ten behoeve van uitzending ingevolge dit besluit; - c. missiegebied: een door een volkenrechtelijke organisatie of een in het kader van een internationale overeenkomst waarbij Nederland partij is, aangewezen gebied waarin inzet van civiele politie plaatsvindt. Artikel 2 1. De betrokkene kan op zijn verzoek door Onze Minister ter beschikking worden gesteld ten behoeve van uitzending naar een missiegebied. 2. Uitzending naar een missiegebied vindt plaats ten behoeve van het uitvoeren van de politietaak, het geven van opleidingen, ondersteuning bij de opbouw van een civiele politie-organisatie, het leveren van specifieke technische expertise of het uitvoeren van waarnemersmissies. 3. Slechts de betrokkene die is aangesteld voor de politietaak"},{"i":3628,"b":"Besluit van 8 april 2003, houdende aanwijzing van herstellingen die moeten worden aangemerkt als kleine herstellingen als bedoeld in artikel 240 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Besluit kleine herstellingen) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 november 2002, nr. MJZ2002095609, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op [artikel 240 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=240); De Raad van State gehoord (advies van 17 januari 2003, nr. W08.02.0520/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 april 2003, nr. MJZ2003025743, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De herstellingen aangewezen in de bijlage behorend bij dit besluit worden in ieder geval aangemerkt als kleine herstellingen als bedoeld in [artikel 240 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=240). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kleine herstellingen. Bijlage behorende bij [artikel 1 van het Besluit kleine herstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014931&artikel=1&z=2003-08-01&g=2003-08-01) a. het witten van binnenmuren en plafonds en het schilderen van binnenhoutwerk en zonodig het behangen van de binnenmuren; b. de voorbereidende werkzaamheden voor de onder a omschreven werkzaamheden, waaronder in elk geval het plamuren, schuren en opvullen van gaatjes, butsen en geringe (krimp)scheuren; c. het vastzetten en vastschroeven van loszittende onderdelen van de woonruimte, waaronder in elk geval loszittende: - –. trapleuningen, deurknoppen en drempels; - –. elektrische schakelaars, wandcontactdozen en deurbellen; d. het, zonder dat daaraan noemenswaardige kosten verbonden zijn, ve"},{"i":3821,"b":"Besluit ondermandaat en ondervolmacht overgangsregeling Missionarissen CAK gelet op [artikel 17 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=17), heeft op 1 januari 2017 besloten: Artikel 1 Aan OWM Centrale Zorgverzekeraars groep Zorgverzekeraar u.a., hierna te noemen CZ, wordt ondermandaat verleend, met de mogelijkheid van verder ondermandaat aan medewerkers van CZ, om namens het CAK alle primaire besluiten te nemen die verband houden met de uitvoering van de regeling als bedoeld in [artikel 2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.5) en [2.2.6 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.6). Artikel 2 CZ wordt gemachtigd om namens het CAK alle werkzaamheden te verrichten of te doen verrichten die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding en uitvoering van het bepaalde in [artikel 2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.5) en [2.2.6 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.6) en de daarop gebaseerde regelingen. Artikel 3 CZ past het ondermandaat, bedoeld [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039047&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01), en de machtiging, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039047&artikel=2&z=2017-01-01&g=2017-01-01), toe overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.5) en [2.2.6 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.6), de daarop gebaseerde wettelijke uitvoeringsregelingen en de instructies van het CAK. Artikel 4 CZ informeert het CAK desgevraagd, al dan niet periodiek, op de door het CAK aangegeven wijze over de manier waarop CZ invulling geeft aan het verleende ondermandaat bedoeld in [artikel 1](https"},{"i":4741,"b":"Besluit van 12 december 1996, houdende wijzigingen van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van de Financiële-verhoudingswet (Invoeringsbesluit Financiële-verhoudingswet) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A. G. M. van de Vondervoort, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën, van 31 mei 1996, kenmerk VFO96/1/U6); Gelet op [artikel 4 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=4) , de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=13) en [17 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) , [artikel 3 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=3) , [artikel 25 van de Rampenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=25), [artikel 130 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=130) en [artikel 39 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003709&artikel=39); Gezien het advies van de Raad voor de gemeentefinanciën van 18 april 1996 (Rgf 15.50/080.007); De Raad van State gehoord (advies van 9 juli 1996, nr. W04.96.0239); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A. G. M. van de Vondervoort, uitgebracht mede namens de Staatsecretaris van Financiën, van 5 december 1996, kenmerk VFO93/4/U363); Hebben goedgevonden en verstaan: HOOFDSTUK 1. MINISTERIE VAN JUSTITIE Artikel 1 Wijzigt het Faciliteitenbesluit opvangcentra. HOOFDSTUK 2. MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN Artikel 2 Wijzigt het Besluit integratie welzijnsmiddelen Gemeentefonds. Artikel 3 Wijzigt het Besluit integratie-uitkering voorzieningen gehandicapten Gemeentefonds. Artikel 4 Wijzigt het Besluit integratie-uitkering WUW-middelen Gemeentefonds. Artikel 5 Wijzigt het Besluit rijksbijdragen gemeenten bij rampen. Artik"},{"i":2559,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 augustus 2015, nr. VO/794653, houdende nadere regels voor het aanbieden van versneld vwo en/of verrijkt vwo voor talentvolle leerlingen in het voortgezet onderwijs (Beleidsregel versneld vwo en/of verrijkt vwo) Gelet op [artikel 25 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=25); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - 1. **school:** vestiging van een school voor voortgezet onderwijs; - 2. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - 3. **WVO 2020:** [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - 4. **medezeggenschapsraad:** medezeggenschapsraad als bedoeld in [artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685&artikel=3); - 5. **vwo:** opleiding voor voortgezet wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in [artikel 2.4 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.4); - 6. **versneld vwo:** speciaal vijfjarig vwo-programma voor groepen talentvolle leerlingen; - 7. **verrijkt vwo:** speciaal zesjarig vwo-programma voor groepen talentvolle leerlingen; - 8. **zeer zwakke school en zwakke school:** vestiging van een school waar een aangepast toezichtarrangement geldt, zoals beschreven in het voor dat jaar geldende toezichtkader als bedoeld in [artikel 13, eerste lid van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=13). Artikel 2. Doel en inhoud van de regeling 1. Het doel van deze beleidsregel is om bevoegde gezagsorganen meer ruimte te bieden ten aanzien van de inrichting van het onderwijs op hun scholen, zodat zij de kwaliteit van het vwo-onderwijs aan talentvolle leerlingen kunnen vergroten en meer maatwerk kunnen bieden. Op deze manier kunnen scholen talentvolle leerlingen optimaal stimuleren en uitdagen, waardoor deze leerli"},{"i":3474,"b":"Besluit van 27 februari 1987, houdende omschrijving van de categorieën van personen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Stb. 1986, 360) op wie deze wet van overeenkomstige toepassing zal zijn Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 16 december 1986, DVV/WJZ-U- 9269; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=2) (**Stb.** 1986, 360); Gehoord de Buitengewone Pensioenraad, de Commissie Indisch Verzet en de Stichting Pelita; De Raad van State gehoord (advies van 15 januari 1987, nr. W.13.86.0671); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 23 februari 1987, DVV/WJZ-U-9520; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Tot de in [artikel 2, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=2) bedoelde categorieën van personen behoren zij: - a. die, als militair behoord hebbende tot het geregelde leger, na de capitulatie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) in groepsverband in het voormalige Nederlands-Indië de strijd tegen de vijandelijke bezettende macht hebben voortgezet; - b. die, anders dan in militair verband, nà 8 december 1941 doch vóór 8 maart 1942, met het oogmerk afbreuk te doen aan de vijandelijke bezettende macht, olie-installaties, strategische objecten en voorraden onklaar hebben gemaakt en in verband daarmee door de vijandelijke bezettende macht zijn mishandeld of gedood. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot 1 januari 1983. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Re"},{"i":4313,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 17 december 2025, kenmerk 2025-0000697224 tot verlening van de bevoegdheid tot aanwijzing van de kasbeheerder van het Financieel Diensten Centrum Gelet op de [artikelen 10.3.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10.4. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien het schriftelijke verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 augustus 2025 met kenmerk 2025-0000211316; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur Financieel Economische Zaken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt de bevoegdheid verleend tot aanwijzing van de kasbeheerder en plaatsvervangend kasbeheerder, ten behoeve van de taken en verantwoordelijkheden van het Financieel Diensten Centrum betreffende het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4250,"b":"Besluit van 24 juni 2010, houdende regels inzake de organisatie en de taken van de veiligheidsregio’s en de gemeentelijke brandweer, alsmede de financiële bijdrage van het Rijk (Besluit veiligheidsregio’s) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 april 2010, nr. 2010-0000286048, CZW/WVOB; Gelet op [richtlijn nr. 96/82/EG](31996L0082) van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 (PbEG 1997 L 10) betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (Seveso-II), laatst gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1137/2008 (PbEU L 311), [richtlijn nr. 2006/21/EG](32006L0021) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (PbEU L 102), de [artikelen 17, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=17), [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=18), [31, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=31), [33, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=33), en [55, vijfde lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=55) en [artikel 45, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=45); De Raad van State gehoord (advies van 3 juni 2010, nr. W04.10.0063/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 juni 2010, nr. 2010-0000398200; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet veiligheidsregio's in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **commando plaats incident:** commando plaats incident als bedoeld in [artikel 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027844&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=2.1.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - *"},{"i":2801,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2005 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2005, doch niet later dan 15 oktober 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,555 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2005 en eindigende met 15 oktober 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overh"},{"i":2517,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 23 september 2022, nr. RCE/33974968, tot vaststelling van beleidsregels inzake het toepassen van beoordelingsregels bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een archeologische rijksmonumentenactiviteit (Beleidsregel toepassen beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning archeologische rijksmonumentenactiviteit) Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 5.34, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.34), de [artikelen 8.80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=8.80) en [8.81 van het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=8.81), en de [artikelen 4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=4.13) en [4.32, tweede lid, van het Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=4.32); Besluit: Paragraaf 1. Algemeen 1.1. Doel beleidsregels In deze beleidsregels wordt aangegeven hoe de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: de RCE) namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument beoordeelt en hoe hij toepassing geeft aan de desbetreffende beoordelingsregels in [artikel 8.80 Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=8.80) (hierna ook: Bkl). De RCE past deze beoordelingsregels toe als bevoegd gezag voor de rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument (in de gevallen als bedoeld in [artikel 4.13 Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=4.13)1De minister beslist over een aanvraag om een omgevingsvergunni"},{"i":3944,"b":"Besluit van de secretaris van het Productschap Tuinbouw, d.d. 3 juli 2007, houdende verlening van mandaat en volmacht aan de afdelingshoofden, hun plaatsvervanger, en enkele functionarissen van het Productschap Tuinbouw (Besluit PT verlening mandaat en volmacht aan de afdelingshoofden van het Productschap Tuinbouw) Gehoord de voorzitter, Gelet op [hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=10); Gelet op [hoofdstuk 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=1), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3) en [9 van de Verordening PT algemene bepalingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=9); Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019834&artikel=4) en [5 van het Besluit PT verlening mandaat, volmacht en machtiging voorzitter en secretaris Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019834&artikel=5); Gelet op de brief van het Ministerie van Landbouw en Visserij inzake het aanwijzen van het Productschap Tuinbouw als certificerende instelling betreffende radio-activiteit; Gelet op de [Regeling medebewind Gemeenschappelijk Landbouwbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020360); Gelet op [artikel 62 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=62); Gelet op [artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016341&artikel=15); Besluit: Artikel 1 1. Aan de secretaris is voorbehouden het nemen van besluiten, inhoudende een afwijzing van een verzoek om informatie ingevolge de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252). 2. Tevens is aan de secretaris voorbehouden het nemen van beslissingen op bezwaar die betrekking hebben op de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022324&bijlage=1&z=2007-07-15&g=2007-07-15) genoemde werkzaamheden. Artik"},{"i":3298,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 11 april 2025 nr. BOACAT2025/122, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Ommen Gelezen het verzoek van de gemeente Ommen van 8 april 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050953&artikel=2&z=2025-04-19&g=2025-04-19). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder in dienst van gemeente Ommen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelate"},{"i":3133,"b":"Besluit van 6 februari 2019, houdende regels in verband met de vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Besluit beslagvrije voet) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 oktober 2018, nr. 2018001874; Gelet op de [artikelen 475d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475d), [475da, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475da), [475db, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475db), [475e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475e), en [475i, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475i); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 november 2018, nr. W12.18.0326/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 februari 2019, nr. 2019-0000017812, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aangiftetijdvak:** tijdvak van vier weken of één maand waarop de aangifte op basis waarvan de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen betrekking heeft of, als de inhoudingsplichtige over een afwijkend tijdvak aangifte doet, het tijdvak waarover loon is betaald herleid tot één maand; - **arbeidsvoorwaardenbedrag:** het aan de werknemer toegekende en in geld uitgedrukte toekomstige loonbestanddeel, niet zijnde een afzonderlijke opbouw van vakantiebijslag, dat is opgebouwd ingevolge afspraken in de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, voor zover dit toekomstige loonbestanddeel kan leiden tot loon als bedoeld in [artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=16); - **inkomstenverhouding:** rechtsverhouding waaraan een vordering tot periodieke betaling is verbonden als bedoeld in [artikel 475c, eerste lid,"},{"i":2633,"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten zorgverzekeraars AWBZ 2014 gelet op [artikel 91, eerste lid, Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.4 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4) en de [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034697), heeft in zijn vergadering van 20 januari 2014 besloten: § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. **zorgverzekeraar:** een zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=1); - b. **verbindingskantoor:** een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1); - c. **zorgkantoor:** een zorgkantoor als bedoeld in het [Besluit van de Staatssecretaris van VWS van 10 december 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987), houdende de aanwijzing van zorgkantoren; - d. **Wlz-uitvoerder:** rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1.1.1 Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1). Artikel 2 1. Het Zorginstituut Nederland keert het voorlopig vastgesteld en definitief vastgesteld beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032880). 2. Zorginstituut Nederland verdeelt over het jaar 2014 een totaalbedrag van 4,567 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de Wlz-uitvoerders. § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2014 Artikel 3 Het college stelt in januari 2014 voor iedere zorgverzekeraar, anders dan in de hoedanigheid van verbindingskantoor, een voorlopig beheerskostenbudget vast ter bepaling van de middelen voor het kalenderjaar 2014 ten laste van het"},{"i":4348,"b":"Besluit van 22 augustus 2008, houdende regels met betrekking tot verplichte afkoop van krachtens het Besluit woninggebonden subsidies verleende geldelijke steun en houdende wijziging en intrekking van het Besluit woninggebonden subsidies 1995 (Besluit verplichte afkoop woninggebonden subsidies) Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 16 juni 2008, nr. BJZ2008057286, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 81 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=81) en [18 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=18); De Raad van State gehoord (advies van 23 juli 2008, nr. W08.08.0231/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 15 augustus 2008, nr. BJZ2008073097, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **afkoopdatum:** het tijdstip van inwerkingtreding van het [eerste, tweede, derde of vierde lid van artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024444&artikel=2&z=2009-09-01&g=2009-09-01) of, ingeval het tijdstip van inwerkingtreding van het betreffende lid valt na 1 oktober van het kalenderjaar, 31 december van dat kalenderjaar; - **Onze Minister:** Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Artikel 2 1. De op grond van [artikel 10 van het Besluit woninggebonden subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950&artikel=10) aan een budgetbeherende gemeente toegekende budgetten, waarvan het eerste jaarbedrag, bedoeld in [artikel 14 van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950&artikel=14), in 1994 is uitbetaald, worden verplicht afgekocht voor zover er nog jaarbedragen aan die gemeente verschuldigd zijn op de afkoopdatum. 2. De op grond van [artikel 10 van het Besluit woninggebonden subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950&"},{"i":4480,"b":"Circulaire bijzondere opsporingsgelden Houdende regels van de Minister van Veiligheid en Justitie inzake het toekennen en beschikbaar stellen van gelden ten behoeve van de financiële beloning van informanten, burgerinfiltranten, burgerpseudokopers, burgerpseudodienstverleners, burgers met wie een overeenkomst ex [artikel 126v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126v) of [126zt Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zt) is afgesloten en tipgevers, alsmede voor het toekennen en beschikbaar stellen van toon-, pseudokoop-, opkoop- en andere bijzondere gelden ter ondersteuning van de opsporing. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze Circulaire wordt verstaan onder: - a. **Tipgeld:** - 1°. Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Veiligheid en Justitie beschikbaar wordt gesteld voor een informant, burgerinfiltrant, burgerpseudokoper, burgerpseudodienstverlener of burger met wie een overeenkomst ex [artikel 126v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126v) of [126zt Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zt) is afgesloten wegens door hem verstrekte inlichtingen of door hem verrichte diensten, die hebben geleid of mede hebben geleid tot de opheldering van een strafbaar feit. - 2°. Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Veiligheid en Justitie beschikbaar wordt gesteld voor een informant, burgerinfiltrant, burgerpseudokoper, burgerpseudodienstverlener of burger met wie een overeenkomst ex [artikel 126v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126v) of [126zt Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zt) is afgesloten wegens door hem verstrekte concrete inlichtingen of door hem verrichte diensten, die hebben geleid tot de inbeslagneming van contant geld dan wel ander waardevol (on)roerend goed, en"},{"i":2504,"b":"Besluit van de algemene raad van 4 september 2017 houdende de vaststelling van de beleidsregel inzake de verlening van subsidies, de vaststelling van subsidies en de procedure voor het aanvragen van subsidie (Beleidsregel subsidies NOvA) gelet op [32, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=32); gelet op artikel [titel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) en [4.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.3); gelet op [paragraaf 2.2.4 van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&paragraaf=2.2.4); stelt het navolgende besluit vast: Artikel 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op het verlenen van subsidie voor activiteiten die door de stichting ondersteuning tuchtcolleges advocatuur worden uitgevoerd en welke passen binnen de statutaire doelstellingen van de stichting en op het verlenen van subsidies op grond van [artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23). Artikel 2. subsidiecriteria 1. De algemene raad verleent uitsluitend subsidie voor activiteiten die: - a. direct bijdragen aan de wettelijke taak van de Nederlandse orde van advocaten; - b. passen binnen de kernactiviteiten zoals uiteengezet in de begroting van het betreffende kalenderjaar; - c. niet overlappen met activiteiten die de Nederlandse orde van advocaten zelf uitvoert of laat uitvoeren; 2. De algemene raad verleent uitsluitend subsidie indien: - a. de aanvraag is ontvangen voor afloop van de bij verordening bepaalde termijn voor indiening van de aanvraag, of bij gebreke daarvan voor aanvang van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft. - b. de aanvrager een rechtspersoon is, waarbij de statutaire doelstelling overeenkomt met de gebeurtenis waarvoor een subsidie wordt gevraagd; - c. de activiteiten plaatsvinden in Nederland; - d. de a"},{"i":2923,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 17 augustus 2025, nr. WJZ/ 86617580, houdende aanwijzing beheerder van het register van verantwoordelijkheidstekens als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Waarborgwet 2019 (Besluit aanwijzing beheerder van het register van verantwoordelijkheidstekens) Gelet op [artikel 10, tweede lid, van de Waarborgwet 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284&artikel=10); Besluit: Artikel 1. (Aanwijzing) 1. WaarborgHolland B.V. wordt aangewezen als beheerder van het register van verantwoordelijkheidstekens als bedoeld in [artikel 10, tweede lid, van de Waarborgwet 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284&artikel=10). 2. Onze Minister kan WaarborgHolland B.V. aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van haar taak. Artikel 2. (Verplichtingen) 1. WaarborgHolland B.V. beschikt over een accreditatie als bedoeld in [artikel 15 van de Waarborgregeling 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043723&artikel=15). 2. WaarborgHolland B.V. draagt er zorg voor dat: - a. het register van verantwoordelijkheidstekens zodanig wordt beheerd dat er continuïteit is in de uitvoering van de taken; - b. de gegevens in het register nauwkeurig en volledig zijn; en - c. er een archivering is van de data die in het register zijn ingevoerd of verwijderd en van de correspondentie met derden die relevant is voor de opbouw en het beheer van het register. 3. WaarborgHolland B.V. neemt de door een andere waarborginstelling goedkeurde tekens binnen een redelijke termijn in het register van verantwoordelijkheidstekens op. Artikel 3. (Intrekking en schorsing aanwijzing) 1. De aanwijzing kan worden ingetrokken of geschorst indien: - a. WaarborgHolland B.V. daarom verzoekt; - b. blijkt dat WaarborgHolland B.V. het bepaalde bij of krachtens de [Waarborgwet 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284) niet naleeft; - c. WaarborgHolland B.V. niet meer beschikt over een accreditatie als bedoeld in [artikel 15 van"},{"i":2634,"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten verbindingskantoren AWBZ 2014 gelet op [artikel 91, eerste lid, Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.5, van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5) en de [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034697), heeft in zijn vergadering van 20 januari 2014 besloten: § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. **regio:** regio zoals genoemd in de [Beschikking van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 oktober 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034132), kenmerk 152108-110428-Z houdende de aanwijzing van administratie-instellingen bijzondere ziektekosten, Staatscourant nr. 30391, 1 november 2013; - b. **budgethouder:** verzekerde aan wie een persoonsgebonden budget is verleend krachtens [paragraaf 2.6 van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&paragraaf=2.6); - c. **nieuwe budgethouder:** een budgethouder aan wie op of na 1 januari 2014 een persoonsgebonden budget wordt verstrekt; - d. **verbindingskantoor:** een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1) - e. **zorgkantoor:** een zorgkantoor als bedoeld in het [Besluit van de Staatssecretaris van VWS van 10 december 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987), houdende de aanwijzing van zorgkantoren; - f. **bewuste-keuze-gesprek:** gesprek dat het zorgkantoor voert met iedereen die een PGB aanvraagt om vast te stellen of deze in aanmerking komt voor een PGB. Artikel 2 1. Het Zorginstituut Nederland keert het voorlopig vastgestelde, het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget voor het jaar 2014 uit met inachtneming van de [Regeling"},{"i":3642,"b":"Besluit van 14 december 2000, houdende regels inzake het aangaan, verstrekken en garanderen van geldleningen door openbare lichamen (Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 19 oktober 2000, nr. BGW2000/1839M, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [artikel 2, derde lid, van de Wet financiering decentrale overheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 17 november 2000, W06.00.0494/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2000, nr. FM2000/0251-M; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking als de Wet financiering decentrale overheden in werking treedt. Artikel 1 Geldleningen kunnen door openbare lichamen slechts worden aangegaan of verstrekt en de nakoming van uit geldleningen voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de betaling van rente en aflossing kan door openbare lichamen slechts worden gegarandeerd, indien de wederzijdse betalingsverplichtingen zijn uitgedrukt in euro of in één van de nationale munteenheden van de lidstaten van de Europese Unie die deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie. Artikel 2 Geldleningen kunnen door openbare lichamen slechts worden aangegaan of verstrekt en de nakoming van uit geldleningen voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de betaling van rente en aflossing kunnen door openbare lichamen slechts worden gegarandeerd, indien de hoofdsom niet onderhevig is aan enige vorm van indexatie. Artikel 3 Dit besluit is niet van toepassing op: - a. geldleningen met een gemiddelde looptijd korter dan 10 jaar die zijn aangegaan voor de inwerkingtreding van dit besluit en waarvan de hoofdsom onderhevig is aan enige vorm van indexatie; - b"},{"i":3952,"b":"Besluit van 16 november 2010, houdende regels met betrekking tot de overeenkomstige toepassing van het krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bij algemene maatregel van bestuur bepaalde ten aanzien van de leden met rechtspraak belast en de gerechtsauditeurs van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Besluit rechtspositie leden met rechtspraak belast en gerechtsauditeurs CRvB en CBb) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 september 2010, nr. 5667020/10/6; Gelet op de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170&artikel=4), en [5 van de Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170&artikel=5) en [5, derde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002144&artikel=5); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 oktober 2010, nr. W03.10.0437/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 10 november 2010, nr. 5674359/10/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Op de leden met rechtspraak belast van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven is het krachtens de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365) bij algemene maatregel van bestuur bepaalde, voor zover betrekking hebbend op rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, met uitzondering van de [artikelen 2g, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=2g), [2i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=2i), [6f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=6f) en [29a, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=29a), van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: - a. het bestuur van de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het"},{"i":4681,"b":"Instelling tijdelijke externe Commissie Bestuursorganisatie in het Wetenschappelijk Onderwijs Overwegende, dat het, in het licht van de verzelfstandiging van de hoger onderwijs instellingen, gewenst is dat universiteiten de mogelijkheid krijgen een eigen ‘charter’ op te stellen, en dat het gewenst is dat er een advies wordt uitgebracht door een tijdelijke externe commissie zodat inzicht wordt verkregen in de mogelijkheden die een ‘charter’ biedt, maar ook duidelijk wordt waar de grenzen liggen gelet op de criteria waaraan zal moeten worden voldaan; Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: Artikel 2 Er is een tijdelijke externe commissie bestuursorganisatie in het wetenschappelijk onderwijs Artikel 3 1. De commissie heeft de volgende taken: - a. Het ontwerpen van ten minste een tweetal voorbeeld-charters betreffende de bestuursstructuur van een universiteit. - b. Het doen van voorstellen betreffende de criteria waaraan een ontwerp-charter getoetst dient te worden. 2. De minister kan ten aanzien van de taken genoemd in het eerste lid aan de commissie richtlijnen geven. Artikel 4 De commissie brengt, op een door de minister na overleg met de leden van de commissie vast te stellen datum, advies uit aan de minister. Artikel 5 1. Tot voorzitter, tevens lid van de commissie wordt benoemd: dr A. van der Zwan. 2. Tot leden van de commissie worden benoemd: - mr. drs. M.A.K. Snijders; - drs. H.J. Brinkman. In het secretariaat wordt door de minister voorzien. Artikel 6 1. De commissie bepaalt haar eigen werkwijze. 2. Bij haar werkzaamheden kan de commissie deskundigen en instanties horen. De commissie kan adviseurs inschakelen. 3. De op de door de commissie uitgebrachtte adviezen betrekking hebbende voorbereidende stukken worden ter beschikking van de minister gehouden. Artikel 7 1. De commissie dient zo spoedig mogelijk na haar instelling een begroting in bij de minister. 2. De begroting behoeft de goedkeuring van de minister. 3. Op aanvullende begrotingen"},{"i":3519,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 16 november 2022, nr. DGED-DE / 22526727, tot gedeeltelijke verlengbaarheid van de vergunning voor Public Access Mobile Radio in de 450 – 470 MHz-band (Besluit gedeeltelijke verlengbaarheid PAMR-vergunning 2022) Gelet op [artikel 18, tweede, vijfde en zevende lid van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: Artikel 1 De vergunning met dossiernummer 5749257 voor het gebruik van de frequentieruimte 451,76875 – 454,76875 MHz / 461,76875 – 464,76875 MHz ten behoeve van PAMR (Public Access Mobile Radio) is gedeeltelijk verlengbaar om redenen van algemeen maatschappelijk en economisch belang als bedoeld in [artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18). Artikel 2 1. De vergunning, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047499&artikel=1&z=2022-11-22&g=2022-11-22), is gedeeltelijk verlengbaar voor een vaste periode die aanvangt op 18 november 2024 en loopt tot en met 30 juni 2035. 2. De verlengbaarheid betreft de frequentieruimte 451,76875 – 453,26875 MHz en 461,76875 – 463,26875 MHz. Artikel 3 De vergunning, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047499&artikel=1&z=2022-11-22&g=2022-11-22), wordt met ingang van 18 november 2024 gewijzigd overeenkomstig de wijzigingen aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047499&bijlage=1&z=2022-11-22&g=2022-11-22). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedeeltelijke verlengbaarheid PAMR-vergunning 2022. Bijlage 1. Wijzigingen te verlengen PAMR-vergunning De artikelen behorende bij de vergunning, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047499&artikel=1&z=2022-11-22&g=2022-11-22) van het besluit,"},{"i":4753,"b":"Besluit van 30 mei 2013, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Wonen en Rijksdienst (Kaderbesluit BZK-subsidies) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 januari 2913, nr. 2013-0000031583; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3) en [4 van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 maart 2013, nr. W04.13.0018/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 mei 2013, nr. 2013-0000260522; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aanvrager:** natuurlijk persoon of rechtspersoon die een subsidie aanvraagt op grond van een ministeriële regeling als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2022-10-04&g=2022-10-04); - –. **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [verordening (EG) nr. 800/2008](32008R0800) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard («de algemene groepsvrijstellingsverordening») (PbEU 9.8.2008, L 214/3), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; - –. **de-minimis verordening:** [verordening (EG) nr. 1998/2006](32006R1998) van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379) ), [verordening (EG) nr. 1535/2007](32007R1535) van de Com"},{"i":2869,"b":"Beschikking van de Minister van Veiligheid en Justitie van 30 oktober 2015, nr. 696918, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2016 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2016) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2016 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,3. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2016. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3530,"b":"Besluit van 26 januari 2024, houdende regels inzake de uitvoering van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen alsmede vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 december 2023, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5045523; Gelet op de [artikelen 2, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=2), [3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=3), [9, tweede lid, onderdeel b, van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=9) en [3b, tweede lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=3b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 januari 2024, No. W16.23.00372/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 26 januari 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr.5182321 Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definitiebepaling In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aanmeldvoorziening:** een voorziening waar asielzoekers opgevangen worden ten behoeve van activiteiten/werkzaamheden in het kader van het aanmeldproces; - –. **capaciteitsraming:** de verwachte landelijke behoefte aan opvangplaatsen waaraan in de twee volgende jaren behoefte zal zijn, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=2); - –. **duurzame opvangplaatsen:** opvangplaatsen die voor minimaal vijf jaar beschikbaar zijn; - –. **opvangplaatsen van bijzondere aard:** alle opvangplaatsen waarbij een bijzondere vorm van begeleiding en opvang noodzakelijk is va"},{"i":3106,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Consulentschappen provincie Gelderland, Ministerie van LNV, 1913–1990 Inventaris RPG Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 108 | 1-1-2032 | | 139 | 1-1-2022 | | 142 | 1-1-2028 | | 285 | 1-1-2027 | | 913 | 1-1-2045 | | 994 | 1-1-2026 | | 1250 | 1-1-2029 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045623&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045623&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland. De rijksarchivaris in de provincie Gelderland kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045623&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland. Deze kan aan zijn toestemmin"},{"i":4305,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 2 november 2018, nr. DGETM-TM /18273531, inzake verlengbaarheid van de vergunning voor Public Acces Mobile Radio in de 450 – 470 MHz-band (Besluit verlengbaarheid PAMR-vergunning 2018) Gelet op [artikel 18, tweede, derde en vierde lid van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: Artikel 1 De vergunning met dossiernummer 5749257 voor het gebruik van de frequentieruimte 451,76875 – 454,76875 MHz / 461,76875 – 464,76875 MHz ten behoeve van PAMR (Public Acces Mobile Radio) is verlengbaar om redenen van algemeen maatschappelijk en economisch belang als bedoeld in [artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18). Artikel 2 De vergunning, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042293&artikel=1&z=2018-11-14&g=2018-11-14), is verlengbaar voor een vaste periode die aanvangt op 18 november 2020 en loopt tot en met 17 november 2024. Artikel 3 De vergunning, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042293&artikel=1&z=2018-11-14&g=2018-11-14), wordt met ingang van 18 november 2020 gewijzigd overeenkomstig de wijzigingen aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042293&bijlage=1&z=2018-11-14&g=2018-11-14). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verlengbaarheid PAMR-vergunning 2018. Bijlage 1. Wijzigingen te verlengen PAMR-vergunning De artikelen behorende bij de vergunning, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042293&artikel=1&z=2018-11-14&g=2018-11-14) van het besluit, worden als volgt gewijzigd: A Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: B In artikel 6 wordt ‘17 november 2020’ vervangen door ‘17 november 2024’. Dit besluit zal met de t"},{"i":3827,"b":"Besluit ondermandaat Nederlandse vertegenwoordigingen Gelet op [artikel 4.12 van het mandaatbesluit BZK 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031837&artikel=4.12) en [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gezien de instemming van de Secretaris-generaal; Gehoord de directeuren FEZ en P&O; Besluit: tot het verlenen van ondermandaat aan: - (1). het hoofd van de afdeling Koninkrijksverhoudingen van de directie Koninkrijksrelaties; - (2). het hoofd van de afdeling Financieel-Economische verhoudingen van de directie Koninkrijksrelaties; - (3). de vertegenwoordiger van Nederland op Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - (4). het vestigingshoofd van de vertegenwoordiging van Nederland op Aruba; - (5). het vestigingshoofd van de vertegenwoordiging van Nederland op Curaçao; en - (6). het vestigingshoofd van de vertegenwoordiging van Nederland op Sint Maarten; met betrekking tot de bevoegdheid van de onder (1) en (2) genoemden: tot het namens de Directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties afdoen en tekenen van stukken voor zover deze tot het werkterrein van de betreffend diensteenheid behoren, een organisatorische, procedurele, administratieve of algemeen informatieve strekking hebben, berusten op geldende besluitvorming en beleidsinzichten bij de directie respectievelijk het ministerie, en redelijkerwijs niet behoren to worden voorgelegd aan het hoger gezag. met betrekking tot de bevoegdheid van de onder (3) genoemde: tot het namens de Directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties afdoen en tekenen van stukken voor zover deze tot het werkterrein van de betreffend diensteenheid behoren, een organisatorische, procedurele, administratieve of algemeen informatieve strekking hebben, berusten op geldende besluitvorming en beleidsinzichten bij de directie respectievelijk het ministerie, en redelijkerwijs niet behoren to worden voorgelegd aan het hoger gezag; alsmede tot het namens de Directeur-gen"},{"i":2529,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 28 oktober 2019, nr. WJZ/ 19200370, omtrent de uitleg van het begrip 'technisch wetenschappelijk onderzoek' bij de behandeling van aanvragen van een S&O-verklaring Gelet op de [artikelen 1, eerste lid, onderdeel p, onder 1˚](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=1), en [23 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=23) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 Het in [artikel 1, eerste lid, onderdeel p, onder 1˚, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=1) gehanteerde begrip 'technisch wetenschappelijk onderzoek' wordt zo uitgelegd dat de aanvraag van een S&O-verklaring niet wordt afgewezen vanwege het feit dat: - a. het resultaat van het onderzoek geen toepassing kan vinden in een technisch nieuw fysiek product of productieproces; - b. de resultaten van het onderzoek niet reproduceerbaar zijn of de statistische betrouwbaarheid van het onderzoek niet inzichtelijk is; - c. de aanvrager in het onderzoek geen nieuwe concepten, wetmatigheden of theorieën ontwikkelt; - d. de aanvrager in het onderzoek geen onbekend werkingsprincipe verklaart. Artikel 2 De [Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 4 december 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017629), nr. WJZ 4076023, omtrent de uitleg van het begrip 'technisch wetenschappelijk onderzoek' bij de behandeling van aanvragen van een S&O-verklaring (Stcrt. 2004, 240) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2988,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 26 september 2014, nr. IENM/BSK-2014/133263, houdende aanwijzing van personen belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Wet lokaal spoor bepaalde (Besluit aanwijzing toezichthouder Wet lokaal spoor) Gelet op [artikel 42, eerste lid, van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=42); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de hoofdstukken 2 tot en met 10 van de Wet lokaal spoor in werking treden. Artikel 1 Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363) worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouder Wet lokaal spoor. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [hoofdstukken 2 tot en met 10 van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&hoofdstuk=2) in werking treden. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3365,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 5 februari 2019 nr. BOACAT2019/003, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord Gelezen het verzoek van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord van 14 januari 2019 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041923&artikel=2&z=2019-02-20&g=2019-02-20). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver in dienst van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakeli"},{"i":4332,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 21 januari 2020, nr. Min-BuZa.2019.4758-25, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging inzake uitvoering van het Voice 2016–2024 Fonds Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 1. Aan de onder a en b genoemde functionarissen wordt, onder de onder a of b bedoelde voorwaarden, mandaat en machtiging verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besluiten te nemen en de daartoe benodigde voorbereidingshandelingen te verrichten met het oog op de toepassing van het [besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 8 september 2016, nr. MinBuZa-2016.56930, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Voice 2016–2020 Fonds)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038516)1Stcrt. 2016, nr. 48323 laatstelijk gewijzigd bijBesluit van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 20 november 2019, nr. Min-BuZa.2019.4583-13, tot wijziging van het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 8 september 2016, nr. MinBuZa-2016.56930, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Voice 2016–2024 Fonds), (Stcrt. 2019, nr. 64845). - a. Voor zover het een besluit betreft over een bedrag dat gelijk is aan of hoger is dan 250.000 euro, dan wel een besluit over een multi-landen project, is de Program Manager Voice van Oxfam Novib/Hivos bevoegd; - b. Voor zover het een besluit betreft over een bedrag dat lager is dan 250.000 euro, zijn bevoegd: - –. Directeur regiokantoor Hivos te Nairobi in geval het activiteiten in Kenia of in Tanzania betreft; - –. Directeur Yaya"},{"i":3914,"b":"Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging NZa Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en artikel 11 van het bestuursreglement van de Nederlandse Zorgautoriteit; Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Wmg:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit, als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. **Raad van Bestuur:** voorzitter en de overige leden van de NZa gezamenlijk, als bedoeld in [artikel 4 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=4); - d. **voorzitter:** voorzitter van de Raad van Bestuur; - e. **portefeuillehouder:** lid dat door de Raad van Bestuur voor een bepaald aandachtsgebied is aangewezen als eerst verantwoordelijk bestuurslid; - f. **directeur:** leidinggevende van een directie; - g. **unitmanager:** leidinggevende van één van de units; - h. **medewerker:** persoon in tijdelijke of vaste dienst of als gedetacheerde bij de NZa werkzaam; - i. **dbc’s:** diagnose-behandelcombinaties; - j. **CIO:** - Chief Information Officer. Artikel 2. Directie Regulering 1. De directie Regulering is voor de zorgmarkten in de langdurige en de curatieve zorg belast met monitoring, tarief- en prestatieregulering, bekostigingsvraagstukken, het vaststellen van de DBC’s en de verwerking daarvan in het DBC-systeem en met advisering op het gebied van marktordeningsvraagstukken. 2. De directie Regulering kent de units Eerstelijnszorg, Tweedelijns Somatische Zorg 1, Tweedelijns Somatische Zorg 2, Beschikbaarheidbijdragen, Geestelijke Gezondheid en Forensische Zorg, Langdurige Zorg 1, Langdurige Zorg 2, Zorgbrede Regulering en Vernieuwing en een Mt-staf. Artikel 3. Directie Toezicht 1. De directie Toezicht is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of"},{"i":4462,"b":"Circulaire Aanpassing huurwaarde dienstwoningen per 1 juli 2007 In deze circulaire wordt de verhoging van de economische huurwaarde van dienstwoningen per 1 juli 2007 bekend gemaakt. De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn voor de uitvoering van [artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), dienen per 1 juli 2007 met 1,1% te worden verhoogd. Deze verhoging is vastgesteld in overeenstemming met de Belastingdienst. Woningen die op of na 1 juli 2006 gereed zijn gekomen, vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 1,1%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. Ik verzoek u met bovengenoemde wijzigingen rekening te houden."},{"i":3426,"b":"Besluit van 17 mei 2016, houdende regels betreffende de verwerking van persoonsgegevens in de voorzieningen voor de generieke digitale infrastructuur DigiD, DigiD Machtigen, MijnOverheid en BSN-Koppelregister (Besluit verwerking persoonsgegevens generieke digitale infrastructuur) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 januari 2016, nr. 2016-0000023784 DCB/CZW/SB; Gelet op [artikel X, derde lid, van de Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037120&artikel=X); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 april 2016, nr. No.W04.160008/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 mei 2016 nr. 2016-0000267641 BZK/CZW/SB; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **afnemer van de bevoegdheidsverklaringsdienst:** een bestuursorgaan dat of een aangewezen organisatie die in het kader van elektronische dienstverlening gebruik maakt van de bevoegdheidsverklaringsdienst; - **afnemer van de gezagsmodule:** een bestuursorgaan dat of aangewezen organisatie die bij de gezagsmodule een verzoek indient om een gezagsverklaring; - **afnemer van DigiD en DigiD Machtigen:** een bestuursorgaan dat of aangewezen organisatie die in het kader van elektronische dienstverlening gebruik maakt van DigiD respectievelijk DigiD Machtigen; - **afnemer van de routeringsvoorziening:** een bestuursorgaan dat of aangewezen organisatie die toegang wil verlenen tot elektronische diensten door middel van een toegelaten of erkend identificatiemiddel of door middel van machtiging; - **afnemer van MijnOverheid:** een bestuursorgaan dat of aangewezen organisatie die bij de uitoefening van zijn taak of bevoegdheid gebruik maakt van MijnOverheid; - **beschikbaarheid:** de mate waarin een informatiesysteem in bedrijf en toegankelijk is op het mome"},{"i":4363,"b":"Besluit van 11 mei 2020 tot vaststelling van het Besluit vestigingsplaatsen kamers voor het notariaat Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 10 maart 2020; nr. 2853027, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 94, elfde lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=94); De Afdeling advisering van Raad van State gehoord (advies van 18 maart 2020, nr. W16.20.0050/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 16 april 2020, nr. 2880663, directie Wetgeving en Juridische Zaken. Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De vestigingsplaatsen van de kamers voor het notariaat zijn: - a. ressort Amsterdam: Amsterdam; - b. ressort Arnhem-Leeuwarden: Arnhem; - c. ressort Den Haag: ’s-Gravenhage; - d. ressort ’s-Hertogenbosch: ’s-Hertogenbosch. Artikel 2 Het [Besluit vestigingsplaatsen raden van discipline, hof van discipline en kamers voor het notariaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032120) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2020. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vestigingsplaatsen kamers voor het notariaat. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4788,"b":"Besluit van 16 augustus 1995, houdende nadere regels met betrekking tot de loodsplicht Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 februari 1995, nr. J-10.970/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de artikelen 10, tweede lid, aanhef en onderdeel **a**, en derde lid, 11, 12, 31, tiende lid, en 36, eerste lid, van de [Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364); De Raad van State gehoord (advies van 20 juni 1995, no. W09.95.0080); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 augustus 1995, nr. J-13.389/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. bevoegde autoriteit: de voor een scheepvaartweg of gedeelte daarvan door Onze Minister als zodanig aangewezen functionaris; - b. regio: een gebied binnen de grenzen vastgesteld krachtens [artikel 10, derde lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=10); - c. regionale autoriteit: de voor een regio of gedeelte daarvan door Onze Minister aangewezen bevoegde autoriteit; - d. register: het Register loodsplicht kleine zeeschepen, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&hoofdstuk=III&artikel=6&z=2019-04-01&g=2019-04-01); - e. lengte over alles: de lengte over alles volgens Lloyd’s Register of Ships; - f. loodsplicht: de verplichting, bedoeld in de [artikelen 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=10), en [11, eerste lid, onderdelen a en b, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=11); - g. zeeschepen met gevaarlijke lading: zeeschepen, gebouwd of geschikt gemaakt en gebezigd voor het vervoer van minerale olie, gas"},{"i":2982,"b":"Besluit van 18 december 2013 tot aanwijzing van Raad voor de rechtspraak als het orgaan dat het curatele- en bewindregister houdt en tot intrekking van het besluit curateleregister Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 5 december 2013, nr. 456539; Gelet op [artikel 391, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=391); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 december 2013, nr. W03.13.0442/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 18 december 2013, nr. 466217; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Raad voor de rechtspraak wordt aangewezen als het orgaan dat het openbaar register houdt, bedoeld in [artikel 391, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=391). Artikel 2 Het [Besluit curateleregister](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002686) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3342,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 7 maart 2019 nr. BOACAT2019/015, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Woerden Gelezen het verzoek van gemeente Woerden van 14 februari 2019 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: een persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042005&artikel=2&z=2019-04-04&g=2019-04-04). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Handhaver Openbare Ruimte in dienst van de gemeente Woerden, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling do"},{"i":3929,"b":"Besluit van 24 november 2008, houdende periodieke registratie van op grond van artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg ingeschrevenen (Besluit periodieke registratie Wet BIG) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 juli 2008, kenmerk DWJZ/SWW-2864601; Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=8), [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=94) en [111 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=111); De Raad van State gehoord (advies van 5 november 2008, nummer W13.08.0345/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 november 2008, kenmerk DWJZ/SWW-2894566; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 8 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en de artikelen I, onderdelen A en B en IA van de Wijzigingswet Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (periodieke registratie) (Stb. 2007/237) in werking treden. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. **het register:** het register, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3). Artikel 2 1. Voor de toepassing van [artikel 8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=8) worden de volgende registers aangewezen: - a. het register van verpleegkundigen; - b. het register van fysiotherapeuten; - c. het register van verloskundigen; - d. het register van artsen; - e. het register van tandartsen; - f. het register van apothekers; - g. het register van psychotherapeuten; - h. het register van gezondheidszorgpsychologen; - i. het register van physician assistants; - j. het register van orthopedagogen-gener"},{"i":13270,"b":"Wet van 3 december 2014 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2014) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel VI Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel IX Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel X Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel XI Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XII Wijzigt de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Artikel XIII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIV Wijzigt de Douane- en Accijnswet BES. Artikel XV Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XVI Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XVII Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XVIII Wijzigt de Conjunctuurwet. Artikel XIX Wijzigt het Belastingplan 2012. Artikel XX Wijzigt de Wet uitwerking autobrief. Artikel XXI Wijzigt het Belastingplan 2014. Artikel XXII Wijzigt de Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit. Artikel XXIII Wijzigt de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. Artikel XXIV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. 2. [Artikel I, onderdelen C en F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035898&artikel=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01), werkt terug tot en met 19 juli 2014. 3. [Artikel XIII, onderdelen B, C, D en F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035898&artikel=XIII&z=2015-01-01&g=2015-01-01), en [artikel XXI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035898&artikel=XXI&z=2015-01-01&g=2015-01-01) werken terug tot en met 1 juli 2014. 4. [Artikel XIII, onderdelen A, G en H](https://w"},{"i":13213,"b":"Deelregeling Restauratie Mobiel Erfgoed Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het versterken van de kwaliteit, het vergroten van het draagvlak, het operationeel houden en verduurzamen van het mobiel erfgoed door het verstrekken van bijdragen voor de restauratie en herstel van mobiel erfgoed. Het betreft mobiel erfgoed dat een duidelijke positie inneemt in de verhaallijn van de Toonbeelden en is opgenomen in het Nationaal Register Mobiel Erfgoed. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Bijdragen voor bijzondere eenmalige projecten op het gebied van mobiel erfgoed kunnen worden verstrekt aan Nederlandse privaatrechtelijke organisaties op het gebied van mobiel erfgoed zonder winstoogmerk, die gericht zijn op behoud en instandhouding van mobiel erfgoed of aan een organisatie die meerdere instellingen zoals in dit lid omschreven vertegenwoordigt. Het object is in Nederland in gebruik (geweest) of in Nederland geproduceerd. 2. De restauratie moet de authenticiteit van het object als uitgangspunt hebben. Waar mogelijk worden verduurzamingsmaatregelen genomen voor zover die in redelijke verhouding staan tot de aard van de erfgoedwaarde van het object. 3. Kosten voor restauratie en herstel van het object komen in aanmerking voor een bijdrage. 4. Geen bijdrage kan worden verstrekt voor kosten die niet rechtstreeks voortvloeien uit de restauratie, zoals kosten voor stalling, presentatie of exploitatie, of voor een ontwikkelbijdrage voor verduurzamingsvraagstukken. 5. Indien binnen een periode van vijf jaar na afronding van de restauratie het object wordt vervreemd, kan de toegekende subsidie (gedeeltelijk) worden teruggevorderd. 6. Het object waarvoor de bijdrage wordt aangevraagd dient zichtbaar te zijn voor het publiek. Artikel 3. Aanvraag Naast de bepalingen vastgesteld in het Algemeen Reglement, in het aanvraagformulier en de toelichting daarop dient de aanvraag ve"},{"i":13318,"b":"Wet van 29 november 1962, houdende een regeling tot het tegengaan van het hamsteren van goederen in buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, de mogelijkheid te openen regelen te stellen teneinde het hamsteren van goederen in geval van buitengewone omstandigheden tegen te gaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor het gehele land of een gedeelte daarvan [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002389&artikel=3&z=2020-07-17&g=2020-07-17) in werking worden gesteld. 2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen. 3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld. 4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten. 5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking. 6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde"},{"i":13235,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2014, nr. WJZ / 13149501, tot uitvoering van de Wet op de Dierproeven en het Dierproevenbesluit 2014 (Dierproevenregeling 2014) Gelet op [richtlijn nr. 2010/63](32010L0063)/EU van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, de [artikelen 1, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=1), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=3), [10a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10a), [10a1, zevende lid](onbekend), [11a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=11a), juncto [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=3), en [19, tweede lid, onder d, van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=19) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=3), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=8), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=11) en [12 van het Dierproevenbesluit 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866&artikel=12); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Dierproevenbesluit 2014 in werking treedt. § 1. Algemeen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **besluit:** het [Dierproevenbesluit 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035866); - –. **diploma:** diploma als bedoeld in [artikel 7.4.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.6), - –. **getuigschrift:** getuigschrift als bedoeld in [artikel 7.11 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.11), - –. **instellingsvergunning:** een instellingsvergunning als bed"},{"i":13214,"b":"Deelregeling starters erfgoed Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het Mondriaan Fonds kan op grond van deze regeling subsidies verstrekken aan beeldende kunstinstellingen, musea, kunstpodia en erfgoedinstellingen om starters de mogelijkheid te geven werkervaring op te doen in hun vakgebied. Artikel 2. Doelgroep De bijdrage kan worden aangevraagd door Nederlandse publiekstoegankelijke beeldende kunstinstellingen, kunstpodia, musea en andere erfgoedinstellingen. Artikel 3. Subsidiesoort Een bijdrage kan worden verstrekt voor het in dienst nemen van een starter die minder dan vijf jaar werkervaring heeft en niet eerder in dienst is geweest van de aanvragende instelling Artikel 4. Hoogte bijdrage 1. De subsidie bedraagt 40.000 euro per positie. 2. De aanvrager bepaalt de looptijd van aanstelling. De maximale looptijd voor een aanstelling in Nederland bedraagt twee jaar, in het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden vier jaar. 3. De aanstelling is minimaal 24 uur per week. 4. De eigen bijdrage van de instelling is minimaal 10 procent, 4.000 euro. 5. De bijdrage betreft de bruto salariskosten van de starter en de daarmee samenhangende werkgeverslasten. Artikel 5. Aanvraag Naast de bepalingen vastgesteld in het Algemeen Reglement, in het aanvraagformulier en in de toelichting daarop, dient de aanvraag vergezeld te gaan van: - –. een kenschets van de instelling; - –. een motivatie waarin aannemelijk wordt gemaakt dat de aangevraagde bijdrage wordt gebruikt om de starter relevante werkervaring op te laten doen; - –. een functieprofiel; - –. indien de instelling een medewerker op het oog heeft een c.v. van de starter. Artikel 6. Beoordeling 1. Indien met het aantal ingediende aanvragen het subsidieplafond als bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047812&artikel=7&z=2023-01-25&g=2023-01-25) niet wordt overschreden, wordt"},{"i":13286,"b":"Gemeenschappelijke Regeling Brabants Historisch Informatie centrum, nr. 969921, van 15 juni 2016 Gelet op [hoofdstuk V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=V) en [VIII van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=VIII), Besluiten: tot het treffen van de navolgende gemeenschappelijke regeling tot de instelling van een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid dat de archiefbescheiden en collecties beheert die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Noord-Brabant, de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Cuijk, Grave, Haaren, Landerd, Maasdonk, Mill en Sint Hubert, Oss, Schijndel, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Sint-Oedenrode, Uden, Veghel en Vught, en de waterschappen Aa en Maas en De Dommel; Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **de gemeenten:** de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Landerd, Meierijstad, Mill en Sint Hubert, Oss, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Uden, en Vught; - c. **de waterschappen:** de waterschappen Aa en Maas en De Dommel; - d. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - e. **collecties:** de verzameling historische voorwerpen, boeken en overige schriftelijke en elektronische bescheiden in de meest ruime zin des woords, niet zijnde archiefbescheiden, in eigendom van of beheer bij de Minister en de gemeenten voor zover het betreft voorwerpen of bescheiden bij de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaats van de gemeente; - f. **de colleges:** de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, en - g. **de algemene en dagelijkse besturen:** de algemene en dagelijkse besturen van de waterschappen Aa en Maas en De Dommel; - h. **De prov"},{"i":2632,"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten verbindingskantoren AWBZ 2013 gelet op [artikel 91, eerste lid, Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.5 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5) en de [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032800), heeft in zijn vergadering van 21 januari 2013 besloten: § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. **regio:** regio zoals genoemd in de [Beschikking van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031940) van 22 augustus 2012 nr. Z-3123635 houdende de aanwijzing van administratie-instellingen bijzondere ziektekosten, Staatscourant nr. 17683, 31 augustus 2012; - b. **budgethouder:** verzekerde aan wie een persoonsgebonden budget is verleend krachtens [paragraaf 2.6 van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&paragraaf=2.6); - c. **nieuwe budgethouder:** een budgethouder aan wie op of na 1 januari 2013 een PGB wordt verstrekt; - d. **verbindingskantoor:** een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2 1. Het college keert het voorlopig vastgestelde, het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032880). 2. In afwijking van de in het eerste lid genoemde voorschotregeling, kan het CVZ de bevoorschottingstermijnen waar nodig aanpassen. § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2013 Artikel 3 1. Het college verdeelt in het jaar 2013 een bedrag van 162,406 miljoen euro aan besteedbare middelen beheerskosten over de verbindingskantoren."},{"i":18078,"b":"Besluit van 3 mei 2011, CDC/IVENT/DCDI/SSA nr. 2011010257, van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden van het archief van de Marinestaf van het Ministerie van Defensie, 1948–1984, bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief; Besluit: Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de **Marinestaf van het Ministerie van Defensie, 1948–1984,** niet openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Niet openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 183 | 2057 | | 258 | 2060 | | 285 | 2059 | | 1677 | 2059 | | 4474 | 2029 | | 2982 | 2060 | | 2983 | 2060 | | 2984 | 2060 | | 2985 | 2060 | | 2986 | 2060 | | 2987 | 2060 | | 6237 | 2059 | | 11074 | 2035 | | 11076 | 2035 | | 11082 | 2035 | | 11085 | 2035 | | 11086 | 2035 | | 11087 | 2035 | | 11089 | 2035 | | 11090 | 2035 | | 11091 | 2035 | | 11093 | 2035 | | 11094 | 2035 | | 11095 | 2035 | | 11099 | 2035 | | 11148 | 2051 | | 11194 | 2060 | | 11213 | 2060 | | 11217 | 2054 | | 11219 | 2060 | | 11220 | 2033 | | 11222 | 2033 | | 11224 | 2060 | | 11225 | 2033 | | 11226 | 2033 | | 11227 | 2033 | | 11228 | 2060 | | 11230 | 2033 | | 11317 | 2035 | | 11325 | 2035 | | 11327 | 2035 | | 11358 | 2034 | | 13137 | 2035 | | 13139 | 2035 | | 14088 | 2035 | | 14128 | 2035 | | 101016 | 2035 | | 101017 | 2035 | | 101018 | 2035 | Artikel 2 Ontheffing van het gestelde in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029962&artikel=1&z=2011-05-15&g=2011-05-15) wordt niet verleend. Artikel 3 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eers"},{"i":19167,"b":"Richtlijn voor strafvordering strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de aanvoer van niet of onjuist gedocumenteerde vreemdelingen 1. Beschrijving Deze richtlijn gaat over de aansprakelijkheid van de vervoerder met betrekking tot de aanvoer van niet of onjuist gedocumenteerde vreemdelingen zoals strafbaar gesteld in [artikel 4, eerste tot en met derde lid, Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4) (Vw) in combinatie met [artikel 108, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108). Deze feiten zijn overtredingen. 2. Kader voor vervolging [artikel 4 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4) Degene die, al dan niet bedrijfsmatig, met behulp van (lucht)vaartuigen vreemdelingen naar een Nederlandse buitengrenscontrolepost vervoert of pleegt te vervoeren, dient te worden beschouwd als vervoerder. Ook diegene die zoiets eenmalig doet, kan gelden als vervoerder, ongeacht of het (lucht)vaartuig uit winstbejag wordt gebezigd, uit hoofde van enig beroep of als gewoonte. In de regel komt de kwaliteit ‘vervoerder’ toe aan een onderneming, zoals een luchtvaartmaatschappij of een rederij. Veelal zal de vervoerder derhalve een rechtspersoon in de zin van [artikel 51 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=51) zijn. Soms zal personeel van de onderneming, met name leidinggevend personeel, als opdrachtgever of feitelijk leidinggevende ingevolge artikel 51, tweede lid, aanhef, onder 2e, Sr, (mede) als vervoerder kunnen worden beschouwd. Van ‘tussenkomst’ is sprake wanneer door toedoen van de vervoerder de vreemdeling naar de Nederlandse buitengrenscontrolepost wordt gebracht. Niet noodzakelijk is dat de vervoerder de vreemdeling ononderbroken naar Nederland brengt, noch dat de vervoerder die vreemdeling als laatste vervoerde. Het is voldoende om vast te stellen dat de vreemdeling zonder tussenkomst van de vervoerder hier niet had kunnen arriveren of verkeren"},{"i":16947,"b":"Besluit uitbreiding AVBZ-zorg aan visueel en auditief gehandicapten BES Artikel 1 De in [artikel 5 van de Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294&artikel=5) wordt uitgebreid met de zorg aan visueel en auditief gehandicapten die een zodanige stoornis van het gezichtsvermogen of het gehoor hebben, dat de normale activiteiten van het dagelijks leven niet of nauwelijks meer zelfstandig door die persoon kunnen worden uitgevoerd en deze persoon als gevolg hiervan, voor zijn functioneren sterk afhankelijk is van anderen of van kunst- of hulpmiddelen die het niet of gebrekkig functioneren van het desbetreffende zintuiglijke orgaan zinvol kunnen compenseren. Artikel 2 De verzekerden ingevolge de [Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294) hebben met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens [artikel 5, tweede lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294&artikel=5) naast de vormen van zorg, genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met q, van genoemd artikel aanspraak op de volgende vormen van zorg: - a. verzorging en begeleiding van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028625&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde visueel of auditief gehandicapten in een speciaal daartoe ingericht dagverblijf voor blinden of slechtzienden of dagverblijf voor doven en ernstig slechthorenden, die door het Uitvoeringsorgaan is erkend en waarmee het uitvoeringsorgaan een overeenkomst heeft gesloten; - b. verzorging en begeleiding van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028625&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde visueel of auditief gehandicapten thuis door een wijkverpleegkundige of een zorgverlener van een integrale thuiszorgorganisatie, indien deze persoon door zijn stoornis van het zichtsvermogen al dan niet in combinatie met andere stoornissen, verpleegbehoeftig is geworden en"},{"i":17339,"b":"Regeling Macrobeheersinstrument geneeskundige geestelijke gezondheidszorg vanaf 2023 Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. 1. Reikwijdte Deze regeling van toepassing op geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) voor zover die deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Deze regeling is voorts van toepassing op zorgverzekeraars als bedoeld in artikel 3, onderdeel f. Deze regeling is daarnaast van toepassing op degene die gegevens verzamelt, bewaart en bewerkt ten behoeve van zorgaanbieders of zorgverzekeraars, alsmede op de groep als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b), indien zorgaanbieders of zorgverzekeraars daartoe behoren. 2. Doel Deze regeling heeft tot doel uitvoering te geven aan het macrobeheersinstrument (mbi) en daarbij de navolgende voorwaarden, voorschriften en/of beperkingen te stellen: 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 4. Administratievoorschriften De zorgverzekeraar richt haar administratie op een zodanige wijze in dat daaruit kan worden afgeleid: 5. Gegevensverstrekking 6. Uitzondering Artikel 5 is niet van toepassing, indien door de NZa in een collectieve beschikking kenbaar is gemaakt dat de bovengrens met betrekking tot de ggz niet is overschreden. 7. Accountantscontrole gegevensverstrekking De zorgverzekeraar draagt er zorg voor dat een accountant als bedoeld in [artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&a"},{"i":18922,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 september 2015 nr. BOACAT2015/044, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij RET N.V. afdeling Veiligheid Gelezen het verzoek van RET N.V., afdeling Veiligheid, van 9 september 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [Aartikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b) [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037022&artikel=2&z=2015-09-26&g=2015-09-26). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van controleur openbaar vervoer in dienst van RET N.V., afdeling Veiligheid, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer van [bijlage A-I van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694&bijlage=A). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van"},{"i":17053,"b":"Besluit zorg BES Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294); - b. **intramurale zorg:** de zorg binnen de muren van een instelling, waar personen 24 uur per dag zijn opgenomen en volledige verzorging krijgen, zoals in algemene en psychiatrische ziekenhuizen, verpleeghuizen, bejaardenhuizen met een gedeeltelijke verpleeghuisfunctie en instellingen voor lichamelijk en geestelijk gehandicapten; - c. **semi-murale zorg:** de zorg die wordt geboden aan psychiatrische zieken en geestelijk gehandicapten die na verkregen intramurale zorg zodanig zijn hersteld dat zij buiten deze instelling in een beschermde woonomgeving onder professioneel toezicht in beperkte mate zelfstandig kunnen wonen; - d. **extramurale zorg:** de zorg die wordt geboden aan thuiswonende, somatisch en psychiatrische zieken of lichamelijk of verstandelijk gehandicapten, welke zorg tot doel heeft deze personen zo lang mogelijk onder optimale omstandigheden in de thuissituatie te laten blijven; deze zorg kan bestaan uit verpleegkundige zorg, gezinshulp of bejaardenhulp, waar nodig, met ondersteuning door zorgverleners van diverse professionele disciplines; - e. **professionele zorg:** de zorg die wordt geboden door psychiaters, psychologen, orthopedagogen, revalidatie-artsen, ergotherapeuten, logopedisten, fysiotherapeuten, oefentherapeuten of podotherapeuten met wie het Uitvoeringsorgaan een zorgcontract heeft afgesloten; deze zorg vindt plaats in de praktijkruimte van deze zorgverlener onder de in het zorgcontract overeengekomen voorwaarden met dien verstande dat bij uitzondering, onder door het Uitvoeringsorgaan vast te stellen voorwaarden, de zorg bij de verzekerde thuis wordt geboden; - f. **kunstmiddelen:** middelen die dienen ter vervanging van een geamputeerd lichaamsdeel, zoals een beenprothese of ter ondersteuning van een krachteloos lichaamsdeel, zoals een spalk; - g."},{"i":17516,"b":"Regeling voorwaarden voor overeenkomsten inzake elektronische netwerken met betrekking tot zorg Op 1 december 2009 heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) op grond van [artikel 45 Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=45) de Regeling voorwaarden voor overeenkomsten inzake elektronische netwerken met betrekking tot zorg vastgesteld. Gelet op [artikel 45 Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=45) stelt de Nederlandse Zorgautoriteit de volgende regeling vast. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **de Wmg:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - 2. **zorgaanbieder:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld in [artikel 1 onderdeel c sub 1 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent zoals bedoeld in de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - 3. **elektronisch netwerk met betrekking tot zorg:** hiervan is sprake wanneer verschillende niet tot dezelfde economische eenheid behorende zorgaanbieders op basis van een onderlinge overeenkomst op elektronische wijze gegevens met betrekking tot zorg uitwisselen, teneinde: - a. patiëntengegevens uit te wisselen; - b. medicatiegegevens uit te wisselen; - c. uitslagen van laboratoria (bloed-, faeces-, en urinetesten, röntgenfoto’s en functieonderzoeken) uit te wisselen; - d. receptenverkeer mogelijk te maken; - e. door te verwijzen naar en afspraken te maken met een andere zorgaanbieder, inbegrepen het verstrekken van wachttijdgegevens. - 4. **toegang:** de aansluiting van een zorgaanbieder op een elektroniscnetwerk met betrekking tot zorg zodat daarmee een effectief gebruik van dit netwerk mogelijk is. - 5. **zeggenschap:** door eigendom, gebruik, beheer of anderszins de zeggenschap hebben over het verlenen van toegang. Artikel 2. Algemene eisen"},{"i":18964,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 mei 2021 (kenmerk 3285529/21/DP&O), houdende instelling van de Hoofddirecteur Bedrijfsvoering en tevens houdende wijziging van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Besluit: Artikel I 1. Er is een Hoofddirecteur Bedrijfsvoering (HDBV) ten behoeve van het ministerie van Justitie en Veiligheid. 2. De HDVB maakt op basis van een arbeidsovereenkomst met de Staat der Nederlanden deel uit van het ministerie van Justitie en Veiligheid en is nevengeschikt aan de hoofden van de clusters als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2) (Organisatiebesluit). 3. De taken van de HDBV liggen op het gebied van bedrijfsvoering in het bestuursdepartement ten behoeve van alle in [artikel 2 van het Organisatiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2) genoemde onderdelen van het ministerie. De taken waarmee de HDBV wordt belast betreffen in het bijzonder personeel, informatievoorziening, inkoop, organisatie, automatisering, huisvesting en facilities. 4. De HDBV is Chief Information Officer van JenV. 5. De HDBV maakt deel uit van de bestuursraad en is lid van de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijksoverheid (ICBR) Artikel II Wijzigt het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 mei 2021. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17537,"b":"Reglement commissie toetsing rechtsbijstandverlening In aanmerking nemend de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) en [17 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=17) en het [Maatregelbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042090); Overwegende, dat het wenselijk is de wijze waarop een per geval in te stellen onderzoek naar de zorgvuldigheid en doelmatigheid van de rechtsbijstandverlening op basis van een toevoeging zal plaatsvinden uit te werken; Stelt het volgende Reglement vast. Artikel 1 Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: de Raad) kan naar aanleiding van hem bekend geworden feiten en omstandigheden besluiten de werkzaamheden van een bepaalde rechtsbijstandverlener op zorgvuldigheid en doelmatigheid te onderzoeken. Dit onderzoek ziet in beginsel op de rechtsbijstand die de betrokken rechtsbijstandverlener in een bepaalde periode in het algemeen heeft verleend, maar kan ook betrekking hebben op de aan een specifieke rechtzoekende verleende rechtsbijstand. Artikel 2 1. Indien de Raad het voornemen heeft een onderzoek in te stellen, informeert de Raad de betrokken rechtsbijstandverlener hierover, waarbij hij toelicht welke feiten en omstandigheden hebben geleid tot dit voornemen. 2. De rechtsbijstandverlener wordt geïnformeerd over de wijze waarop het onderzoek zal plaatsvinden. Artikel 3 1. Het onderzoek wordt verricht door een commissie bestaande uit 3 advocaten. Deze commissie wordt door de Raad benoemd voor de duur van het onderzoek naar een bepaalde rechtsbijstandverlener. 2. De commissie wijst uit haar midden de voorzitter aan. 3. Alle leden van de commissie zijn in de uitoefening van hun taak in het kader van het onderzoek onafhankelijk en functioneren zonder"},{"i":18008,"b":"Algemeen organisatiebesluit Defensie 2025 Besluit: Artikel 1. De inrichting van het Ministerie van Defensie - 1. Het Ministerie van Defensie kent de volgende verantwoordelijken: - a. De Secretaris-Generaal ([artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=2&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - b. De plaatsvervangend Secretaris-Generaal ([artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=3&z=2025-07-26&g=2025-07-26)) - c. De Commandant der Strijdkrachten ([artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=4&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - d. De Directeur-Generaal Beleid ([artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=5&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - e. De Hoofddirecteur Financiën en Control ([artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=6&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - f. De Chief Information Officer ([artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=7&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - g. De Directeur Communicatie ([artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=8&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - h. De Directeur Juridische Zaken ([artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=9&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - i. De Directeur Bestuursondersteuning en Advies ([artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=10&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - j. De Directeur Human Resources en Bedrijfsvoering ([artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=11&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - k. De Directeur Financiën & Control Bestuursstaf ([artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=12&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - l. De Commandant Zeestrijdkrachten ([artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=13&z=2025-07-26&g=2025-07-26)); - m. De Commandant Landstrijdkrachten ([artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=14&z=2025-07-26&g=2025-07-2"},{"i":17780,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 november 2011, nr. MC-U-3087524 houdende vaststelling van de vergoedingen van de commissie van deskundigen Transparantie van de Zorg (Vergoedingenbesluit commissie van deskundigen Transparantie van de Zorg) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. Aan de leden van de commissie van deskundigen Transparantie van de Zorg ingesteld bij het Instellingsbesluit commissie van deskundigen Transparantie van de Zorg, wordt een vergoeding per vergadering toegekend van € 256,24. 2. In afwijking van het eerste lid wordt geen vergoeding verstrekt aan personen die op grond van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) zijn uitgesloten van een vergoeding. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 29 september 2011. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit commissie van deskundigen Transparantie van de Zorg. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Een afschrift zal worden gezonden aan de in het besluit genoemde leden."},{"i":17268,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 juli 2013, 130899-106615-MC houdende Bekostiging van de ambulancezorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 11 juni 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2012/13, 32 854, nr. 16) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gezien de brief van 26 juni 2013 waarbij de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal is geïnformeerd over het advies Bekostiging en financiering van ambulancezorg per 1 januari 2014 van de Nederlandse Zorgautoriteit; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **regionale ambulancevoorziening:** Regionale Ambulancevoorziening zoals aangewezen bij of krachtens [artikel 6 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op ambulancezorg geleverd door regionale ambulancevoorzieningen. Artikel 3. Uitvoering van de aanwijzing De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig regels en beleidsregels vast. Artikel 4. Vereffeningbedrag De zorgautoriteit stelt een vereffeningbedrag als bedoeld in [artikel 56b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56b) vast voor het door de zorgautoriteit vast te stellen negatieve verschil tussen het maximumbudget voor een bepaald jaar en de aan dat jaar toe te rekenen opbrengst uit de gedeclareerde landelijk unifo"},{"i":17454,"b":"Regeling van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 24 februari 2026, referentie 2026002934, houdende regels met betrekking tot de structurele aanlevering van gegevens Zorgverzekeringswet 2026 en gegevens Wet langdurige zorg 2026 (Regeling structurele aanlevering gegevens Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg 2026) gelet op [artikel 90 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=90) en [artikel 9.1.4 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=9.1.4); Na overleg met de Nederlandse Zorgautoriteit; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanleverkalender Wlz:** overzicht van de verplichtingen van Wlz-uitvoerders en zorgkantoren om gegevens aan te leveren aan het Zorginstituut op de genoemde data; - **aanleverkalender Zvw:** overzicht van de verplichtingen van zorgverzekeraars en Wlz-uitvoerders om gegevens aan te leveren aan het Zorginstituut op de genoemde data; - **accountantsprotocollen NZa:** het accountantsprotocol Verantwoordingen Zvw met accountantsproduct vanaf oplevering 2020, het accountantsprotocol Gegevensvraag Wlz-gegevens, vanaf oplevering 2025 en het protocol accountantsonderzoek Wlz-uitvoerders; - **add-on:** een door de NZa beschreven overig zorgproduct op het terrein van de intensive care, dure geneesmiddelen of weesgeneesmiddelen, bestaande uit zorgactiviteiten behorende bij een DBC-zorgproduct; - **BRP:** basisregistratie Personen - **CAK:** Centraal Administratiekantoor; - **CBS:** Centraal Bureau voor de Statistiek; - **COVID-19:** de ziekte die door het virus SARS-CoV-2 veroorzaakt wordt; - **COVID-19-kosten:** kosten voor de op grond van de zorgverzekeringen verzekerde zorg of andere diensten ten gevolge van de coronapandemie; - **CPB:** Centraal Planbureau; - **DBC:** diagnose behandeling combinatie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid."},{"i":16963,"b":"Besluit vaststelling Handleiding Stralingszorgsysteem Defensie Besluit: Artikel 1 De [Handleiding stralingshygiëne Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015141), bekendgemaakt in deel DP 35-311 van de reeks Ministeriële- en Defensie Publicaties van het Ministerie van Defensie, wordt vervangen door de Handleiding Stralingszorgsysteem Defensie. Artikel 2 Met dit besluit wordt de [Handleiding stralingshygiëne Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015141), vastgesteld op 16 april 2011, ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Ligt ter inzage bij de Directie Militaire Gezondheidszorg, De Zwaluwenberg, gebouw 2, Utrechtseweg 225-D2, 1213 TR te Hilversum en zal tevens worden gepubliceerd op het defensie publicatieportaal. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de handleiding, die ter inzage ligt bij de Directie Militaire Gezondheidszorg, De Zwaluwenberg, gebouw 2, Utrechtseweg 225-D2, 1213 TR te Hilversum en zal tevens worden gepubliceerd op het defensie publicatieportaal."},{"i":17698,"b":"Verdrag betreffende de werkloosheid De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door de Regeering der Vereenigde Staten van Amerika bijeengeroepen te Washington, op 29 October 1919, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende „het vraagstuk der middelen ter voorkoming van werkloosheid en ter leniging van de gevolgen daarvan”, welk onderwerp het tweede punt uitmaakt van de agenda van de te Washington gehouden zitting van de Conferentie, en besloten hebbende, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen voor een Internationaal Verdrag, neemt het volgende Verdrag aan, dat genoemd zal worden het “Verdrag betreffende de werkloosheid, 1919”, ter bekrachtiging door de Leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Art. 1 Ieder Lid, dat dit Verdrag bekrachtigt, zal aan het Internationaal Bureau van Arbeid met zoo kort mogelijke tusschenpoozen, die niet langer mogen zijn dan drie maanden, alle beschikbare inlichtingen, statistische of andere, doen toekomen betreffende de werkloosheid, met inbegrip van alle gegevens omtrent de maatregelen, die ter bestrijding van de werkloosheid genomen zijn of zullen worden. In alle gevallen, waarin zulks mogelijk zal zijn, zullen de gegevens op zoodanige wijze moeten worden verzameld, dat daarvan mededeeling kan worden gedaan binnen de drie maanden, die volgen op het tijdperk waarop de gegevens betrekking hebben. Art. 2 1. Ieder Lid, dat dit Verdrag bekrachtigt, zal een stelsel van publieke bureaux voor kostelooze arbeidsbemiddelling (arbeidsbeurzen) moeten inrichten, die onder toezicht zijn geplaatst van een centrale overheid. Commissies, welke daartoe aangewezen zijn en waarin vertegenwoordigers van de werkgevers en de werknemers zitting hebben, zullen moeten worden geraadpleegd ten opzichte van alles wat de werking dier bureaux betreft. 2. Wanneer naast elkander kostelooze openbare"},{"i":17422,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 23 augustus 2023, nr. IENW/BSK-2023/187607, houdende regels over een specifieke uitkering in verband met de voortzetting van de Regionale Aanpak Laadinfrastructuur voor de jaren 2023 tot en met 2030 (Regeling specifieke uitkering Regionale Aanpak Laadinfrastructuur 2023 – 2030) Gelet op [artikel 17, vijfde lid van de Financiële verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), de [artikelen 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en [artikel 2, derde lid van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **ontvangers:** provincies Noord-Holland, Fryslân, Zeeland, Gelderland en Noord-Brabant en de gemeente Utrecht; - **samenwerkingsregio:** samenwerkingsverband van provincies of gemeenten die partij zijn bij de Samenwerkingsovereenkomst Regionale Aanpak Laadinfrastructuur 2; - **Samenwerkingsovereenkomst Regionale Aanpak Laadinfrastructuur:** overeenkomst tussen de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, provincies of gemeenten van een samenwerkingsregio en netbeheerders waarin de onderlinge afspraken en de onderdelen van het plan van aanpak zijn beschreven en de deelnemende decentrale overheden per samenwerkingsregio zijn benoemd die geldt tot en met 31 december 2023; - **Samenwerkingsovereenkomst Regionale Aanpak Laadinfrastructuur 2:** overeenkomst tussen de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, provincies of gemeenten van een samenwerkingsregio en netbeheerders waarin de onderlinge afspraken en de onderdelen van het plan van aanpak zijn beschreven en de deelnemende decentrale overheden per samenwerkingsregio zijn benoem"},{"i":18119,"b":"Besluit van 1 november 2002 betreffende de ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 november 2002, CW02/U92850; Gelet op [artikel 64 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=64) en [artikel F 2 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=F_2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ontbonden op donderdag 30 januari 2003 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Artikel 2 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vindt plaats op dinsdag 10 december 2002. Artikel 3 De eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer vindt plaats op donderdag 30 januari 2003 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de nota van toelichting in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19388,"b":"Wet van 27 mei 1999 tot partiële wijziging van het Wetboek van Strafvordering (herziening van het gerechtelijk vooronderzoek) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen inzake het gerechtelijk vooronderzoek en enige andere daarmee samenhangende onderwerpen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt de Absintwet 1909. Artikel III Wijzigt de Wet op sera- en vaccins. Artikel IV Wijzigt de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing van ziekteoorzaken. Artikel V Wijzigt de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Stb. 1952, 361). Artikel VI Wijzigt de Oorlogswet voor Nederland (Stb. 1964, 337). Artikel VII Wijzigt de Opiumwet. Artikel VIII Wijzigt de Wet wapens en munitie. Artikel IX Wijzigt deze wet. Artikel X In strafzaken waarin ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet reeds een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld of dit gerechtelijk vooronderzoek nog niet onherroepelijk is gesloten, blijven de op dat tijdstip vervallen bepalingen van toepassing op de wijze waarop het gerechtelijk vooronderzoek wordt verricht en gesloten. Artikel XI Wijzigt deze wet. Artikel XII Wijzigt deze wet. Artikel XIII Wijzigt deze wet. Artikel XIV Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. Dit tijdstip kan voor de [onderdelen van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010476&artikel=I&z=2000-02-01&g=2000-02-01) verschillend zijn. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19319,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 mei 2021, nr. 3313234, houdende wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden, de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting en de Regeling arbeid gedetineerden en diverse andere regelingen in verband met de wijziging van de regeling inzake detentiefasering als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen Gelet op de [artikelen 13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=13), [15, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=15), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=19), [25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=25), [26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=26), [47, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=47) en [52, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=52) Gezien het advies van de Raad voor de strafrechtstoepassing en jeugdbescherming van 1 april 2021, kenmerk 3215425; Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden. Artikel II Wijzigt de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting. Artikel III Wijzigt de Regeling arbeidsloon gedetineerden. Artikel IV Wijzigt de Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen. Artikel V Wijzigt de Regeling tegemoetkoming kosten onderwijs gedetineerden. Artikel VI Wijzigt de Regeling Urinecontrole penitentiaire inrichtingen. Artikel VII Wijzigt de Erkenningsregeling penitentiair programma 2004. Artikel VIII 1. De gedetineerden die voor inwerkingtreding van onderhavige regeling in een zeer beperkt beveiligde inrichting of afdeling verblijven, worden op de datum van inwerkingtreding van onderhavige regeling geacht te zijn geplaatst in een beperkt beveiligde afdeling. 2. Ten aanzien van een gedetineerde die op de dag voor de datum van i"},{"i":18789,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden Ministerie van Justitie: Commissies tot Opsporing van Oorlogsmisdadigers (COOM), nummer archiefinventaris 2.09.61 Gelet op het [besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 januari 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007198) (nr. 95.15.FCJK/EIB), Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Besluit: Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief Ministerie van Justitie: Commissies tot Opsporing van Oorlogsmisdadigers die genoemd worden in de eerste kolom, wordt beperkt tot het jaar genoemd in de tweede kolom | Inventarisnummer | Openbaar op 1 januari | | --- | --- | | 1170 | 2027 | | 2029 | 2021 | | 3859 | 2024 | | 4214 | 2027 | | 4239 | 2021 | | 4247 | 2024 | | 4312 | 2024 | | 4317 | 2023 | | 4326 | 2021 | | 4336 | 2023 | | 4361 | 2024 | | 4415 | 2021 | | 4421 | 2023 | Artikel 2 De algemene rijksarchivaris stelt deze inventarisnummers beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 3 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefbescheiden gesteld zijn, opgeheven. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":19304,"b":"Besluit van 19 september 2016, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport teneinde misslagen en omissies te herstellen Artikel I Wijzigt het Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet. Artikel II Wijzigt de Tabaks- en rookwarenwet. Artikel III Wijzigt het Tabaks- en rookwarenbesluit. Artikel IV Wijzigt het Besluit actieve implantaten. Artikel V Wijzigt het Besluit medische hulpmiddelen. Artikel VI Wijzigt het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen. Artikel VII Wijzigt het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen. Artikel VIII Wijzigt het Warenwetbesluit Gereserveerde aanduidingen. Artikel IX Wijzigt het Warenwetbesluit honing. Artikel X Wijzigt het Warenwetbesluit Smeerbare vetproducten. Artikel XI Wijzigt het Warenwetbesluit Verpakte waters. Artikel XII Wijzigt het Warenwetbesluit retributies levensmiddelen. Artikel XIII In afwijking van [artikel 9, derde lid, van het Warenwetbesluit retributies levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015167&artikel=9) zijn over de periode van 1 april 2014 tot 1 januari 2016 op grond van die bepaling geen retributies verschuldigd. Artikel XIV Wijzigt het Besluit ex artikel 11 Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers. Artikel XV Wijzigt het Besluit tot uitvoering van artikel 12 der Wet buitengewoon pensioen 1940–1945. Artikel XVI Wijzigt het Besluit ex artikel 13 Wet buitengewoon pensioen 1940–1945. Artikel XVII Wijzigt het Besluit Jeugdwet. Artikel XVIII Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. Artikel XIX Wijzigt het Besluit Wfsv. Artikel XX Wijzigt het Besluit zorgverzekering. Artikel XXI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WTZi. Artikel XXII Wijzigt het Interimbesluit forensische zorg. Artikel XXIII Wijzigt het Besluit gebruik burgerservicenummer in de zorg. Artikel XXIV Wijzigt het Besluit opleidingseisen apotheker. Artikel XXV Wijzigt het Besluit gezondheids"},{"i":17652,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 februari 2011, nr. WJZ/275501 (4899) houdende uitvoeringsvoorschriften op grond van het Uitvoeringsbesluit sociale kanstrajecten jongeren BES (Uitvoeringsregeling sociale kanstrajecten jongeren BES) Gelet op [artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit sociale kanstrajecten jongeren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029694&artikel=3); Besluit: Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 1. Hoogte kanstrajecttoelage De hoogte van de kanstrajecttoelage wordt als volgt vastgesteld: - a. de maandelijkse tegemoetkoming bedraagt: USD 188 per maand; - b. de bijdrage in de kosten van kinderopvang bedraagt: USD 140 per maand per kind. Artikel 2. Overgangsbepaling In afwijking van [artikel 1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029687&artikel=1&z=2011-03-08&g=2011-03-08), wordt voor een jongere die vóór 1 januari 2011 is gestart met een kanstraject op grond van artikel 10 van de Landsverordening sociale vormingsplicht of van de [Wet sociale kanstrajecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028506) zoals deze is komen te luiden op 10 oktober 2010, de maandelijkse tegemoetkoming voor de resterende duur van zijn traject vastgesteld op USD 280 per maand. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2011 in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling sociale kanstrajecten jongeren BES. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18244,"b":"Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst 2007 Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Informatiebeveiliging: het proces van vaststellen van de vereiste betrouwbaarheid van informatiesystemen in termen van vertrouwelijkheid, beschikbaarheid en integriteit alsmede het treffen, onderhouden en controleren van een samenhangend pakket van bijbehorende maatregelen; - b. Informatiesysteem: een samenhangend geheel van gegevensverzamelingen, en de daarbij behorende personen, procedures, processen en programmatuur alsmede de voor het informatiesysteem getroffen voorzieningen voor opslag, verwerking en communicatie. Artikel 2. Plaatsbepaling en reikwijdte 1. Dit voorschrift geldt voor de Rijksdienst waartoe gerekend worden de Ministeries met de daaronder ressorterende diensten, bedrijven en instellingen. 2. Dit voorschrift geldt voor het gehele proces van informatievoorziening en de gehele levenscyclus van informatiesystemen, ongeacht de toegepaste technologie en ongeacht het karakter van de informatie. 3. Informatiebeveiliging is een lijnverantwoordelijkheid en vormt een onderdeel van de kwaliteitszorg voor bedrijfs- en bestuursprocessen en de ondersteunende informatiesystemen. Artikel 3. Informatiebeveiligingsbeleid De secretaris-generaal van een Ministerie stelt het informatiebeveiligingsbeleid vast, draagt dit uit en legt verantwoording hierover af. Het beleid omvat ten minste: - a. De strategische uitgangspunten en randvoorwaarden die het Ministerie hanteert voor informatiebeveiliging en in het bijzonder de inbedding in, en afstemming op het algemene beveiligingsbeleid en het informatievoorzieningsbeleid; - b. De organisatie van de informatiebeveiligingsfunctie, waaronder verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden; - c. De toewijzing van de verantwoordelijkheden voor ketens van informatiesystemen aan lijnmanagers; - d. De gemeenschappelijke betrouwbaarh"},{"i":18594,"b":"Volmacht- en machtigingsbesluit roerende zaken Rijksvastgoedbedrijf 2018 gelet op het [besluit van de Minister van Financiën van 30 november 2017, kenmerk 2017-230670, houdende volmacht en machtiging aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040404); gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 3.4 van het Mandaatbesluit BZK 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038549&artikel=3.4); BESLUIT vast te stellen het navolgende volmacht- en machtigingsbesluit: Artikel 1. Volmacht Aan de directeur-generaal van het Rijksvastgoedbedrijf wordt volmacht verleend om namens de Minister van Financiën: - a. bodemmaterialen, zoals zand, grind en schelpen, afkomstig uit de onroerende zaken van de Staat, te vervreemden; - b. privaatrechtelijke rechtshandelingen die voortvloeien uit het zijn van eigenaar te verrichten bij het bevorderen van de afwikkeling van onbeheerde nalatenschappen en de afwikkeling van nalatenschappen waarvoor de Staat als erfgenaam is benoemd, als daarmee (ook) roerende zaken of geldwaarden gemoeid zijn; en - c. alle privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, die voortvloeien uit de positie van de Staat als eigenaar van scheepswrakken en ladingen van de voormalige Verenigde Oost-Indische Compagnie, West-Indische Compagnie en Admiraliteit. Artikel 2. Machtiging Aan de directeur-generaal van het Rijksvastgoedbedrijf wordt machtiging verleend om namens de Minister van Financiën alle feitelijke handelingen te verrichten die samenhangen met het eventuele gebruik van de volmacht als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040970&artikel=1&z=2018-06-06&g=2018-06-06). Artikel 3. Specifieke bepalingen 1. Op de volmacht en machtiging bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040970&artikel=1&z=2018-06-06&g=2018-06-06) en [2"},{"i":19525,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende vaststelling eisen praktijkexamens rijbewijscategorie AM (Regeling praktijkexamens rijbewijscategorie AM) Gelet op [artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); Besluit: Artikel 1 De aanvrager van het praktijkexamen voor de categorie AM, bromfietsen op drie of vier wielen, dient er tijdens het praktijkexamen blijk van te geven een selectie van de hierna genoemde vaardigheden te beheersen: - a. het op juiste wijze maken van een halve draai linksom in een vloeiende beweging in een beperkte ruimte; - b. het op juiste wijze uitvoeren van een uitwijkmanoeuvre; - c. het op juiste wijze uitvoeren van een maximale remming (noodstop); - d. het op juiste wijze uitvoeren van een stop in de bocht; - e. het op juiste wijze uitvoeren van een precisiestop; - d. het in een rechte lijn achteruit rijden; - f. het op juiste wijze parkeren van het voertuig op een evenwijdig ten opzichte van de weg gelegen parkeerruimte (fileparkeren voorwaarts of achterwaarts); - g. het voorwaarts parkeren van het voertuig in een parkeervak (vakparkeren voorwaarts of achterwaarts); - h. het op juiste wijze keren van het voertuig door middel van steken op een niet te brede (denkbeeldige) weg. Artikel 2 1. De aanvrager van het praktijkexamen voor de categorie AM, bromfietsen op twee wielen, moet in staat zijn een selectie van de hierna genoemde handelingen uit te voeren bij de aanvang van dat examen: - a. controle op de juiste bevestiging van de helm; - b. controle op de juiste afstelling van de spiegels; - c. controle op de banden en bandenspanning; - d. controle van de verlichting, reflectoren en richtingaanwijzers; - e. controle van de stuurinrichting; - f. controle van de positie en functie van de diverse bedieningsorganen, schakelaars, controlelampjes en meters; - g. controle van de remmen, vloeistofniveaus en accu; - h. controle van het oliepeil; - i. controle van de c"},{"i":19248,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 3 december 2019, kenmerk 2758802, houdende regels voor subsidiëring van reclassering op de BES (Subsidieregeling reclassering BES) Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Reclasseringsbesluit 1953 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028398&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Het besluit:** het [Reclasseringsbesluit 1953 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028398) - b. **De Minister:** de Minister voor Rechtsbescherming; - c. **Reclasseringsinstelling:** een instelling als bedoeld in [artikel 1 van het Reclasseringsbesluit 1953 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028398&artikel=1). Artikel 2 1. De reclasseringsinstelling ontvangt jaarlijks ten laste van de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid een subsidie voor de reclasseringswerkzaamheden die door haar of onder haar verantwoordelijkheid worden verricht. 2. De verlening van subsidie geschiedt voor 1 januari van het subsidiejaar. 3. De vaststelling van subsidie geschiedt voor 1 oktober van het op het subsidiejaar volgende jaar. Artikel 3 1. Voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar nodigt de Minister de reclasseringsinstelling uit tot het indienen van een subsidieaanvraag. 2. Daarbij geeft hij aan in hoeverre wijziging is opgetreden of naar verwachting wijziging zal optreden in het voor de reclassering in het subsidiejaar beschikbare bedrag. 3. De Minister informeert de reclasseringsinstelling zoveel mogelijk over wijzigingen als bedoeld in het tweede lid die zich daarna voordoen. Artikel 4 1. Voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar dient de reclasseringsinstelling bij de Minister een subsidieaanvraag in. 2. De reclasseringsinstelling houdt daarbij rekening met de financiële ruimte zoals die door de wetgever is vastgesteld of naar verwachting zal worden vastgesteld. De subsidieaanvraag gaat vergezeld van: - a. een begroting van"},{"i":17308,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december 2008, nr. W&B/BP&C/08/36054, houdende regels voor de financiering van de verlening van bijstand in het buitenland (Regeling financiering bijstand buitenland) Gelet op [artikel 121a van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=121a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, enz. (evaluatie Wet SUWI, Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering) (Stb. 2008/600) in werking treedt. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **SVB:** de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - c. **valutadag:** de op de rekening-courantafschriften aangegeven dag van betaling; - d. **bijstandskosten:** de kosten van bijstand die verleend wordt op grond van [artikel 78h van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78h); - e. **uitvoeringskosten:** de kosten verbonden aan de uitvoering van de verlening van bijstand op grond van [artikel 78h van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78h). Artikel 2. Raming baten en lasten Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van [artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013280&artikel=5.3) verstrekt de SVB aan de minister in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot de toekenning van bijstand, uitgesplitst naar bijstandskosten per maand en uitvoeringskosten per jaar. Artikel 3. Betaling voorschot 1. De minister stort op de rekening"},{"i":17606,"b":"Tariefbeschikking persoonlijke verzorging, enz De Nederlandse Zorgautoriteit heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg) **gegeven de inhoud van:** de Beleidsregel tariefstructuur, met nummer CA-300-470 **en gelet op:** [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 52, vijfde lid, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) **besloten:** dat rechtsgeldig **door:** zorgaanbieders die uitsluitend niet met verblijf gepaard gaande persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding leveren anders dan op grond van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=5) of [6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=6) en zorgaanbieders, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, onder 2° van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). **aan:** alle ziektekostenverzekeraars en alle (niet-)verzekerden **prestatiebeschrijving en bijbehorend tarief (in euro’s):** de volgende bedragen, vermeld achter de desbetreffende prestaties in rekening kunnen worden gebracht. Voor de beschrijving van de prestaties wordt verwezen naar de Beleidsregel tariefstructuur (CA-300-470). **declaratievoorschriften:** Declaratie van de maximum uurtarieven vindt plaats op basis van directe contacturen bij de cliënt. De tarieven zijn inclusief BTW-kosten maar exclusief de BTW-heffing en -afdracht door de zorgaanbieder. Met de afgifte van deze tariefbeschikking wordt de geldigheidsduur van de geldende tariefbeschikking beperkt tot de ingangsdatum van deze tariefbeschikking."},{"i":17572,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 april 2024, kenmerk 3796593-1063655-DMO, houdende stimulering van activiteiten ten behoeve van het implementeren en opschalen van digitale en hybride processen in zorg en ondersteuning (Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanbieder:** aanbieder van zorg of ondersteuning; - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); - **clusterorganisatie:** rechtspersoon die eigenaar is van een innovatiecluster; - **cliënt:** natuurlijke persoon die zorg of ondersteuning ontvangt; - **de-minimisverordening:** [Verordening (EU) nr. 2023/2831](32023R2831) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de­minimissteun (Pb L van 15.12.2023); - **digitale of hybride processen in zorg of ondersteuning:** processen waarin zorg of ondersteuning aan cliënten geleverd wordt die digitaal of deels digitaal ingericht zijn en die voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049581&artikel=11&z=2025-07-12&g=2025-07-12); - **investering in of exploitatie van een innovatiecluster:** de bouw of het upgraden van een innovatiecluster als bedoeld in artikel 27, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of de exploitatie van een innovatiecluster als bedoeld in artikel 27, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **inkoper:** zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, onder b, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1), zorgkantoor als bedoeld in [artikel"},{"i":18874,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 september 2016 nr. BOACAT2016/055, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Prorail B.V Gelezen het verzoek van de directeur Verkeersleiding van Prorail B.V. van 10 augustus 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie van het Parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038526&artikel=2&z=2017-01-24&g=2017-01-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Incidentenbestrijding Prorail Verkeersleiding in dienst van Prorail B.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, als genoemd in [onderdeel 9.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een"},{"i":17423,"b":"Regeling van Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2023, nr. 2023-0000224684, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van de regionale structuur van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (Regeling specifieke uitkering regionale structuur Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie) Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel m, van het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2) (Stb. 2022, 452); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **accounthouder:** aan de gemeenten gekoppelde contactpersoon van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie; - **budgethouder:** gemeente, provincie of omgevingsdienst; - **minister:** Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - **NPLW:** Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie; - **regio:** regio, genoemd in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048174&bijlage=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - **regiocoördinator:** een door de budgethouder binnen de regio aangewezen regiocoördinator voor de warmtetransitie; - **transitievisie warmte:** beleidsdocument van gemeenten dat een eerste richting geeft aan de aanpak van het isoleren en aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving; - **uitvoeringsplan:** plan met een concretisering van de transitievisie warmte en dat beschrijft hoe de gemeente de wijkgerichte aanpak in specifieke wijken of buurten wil uitvoeren of regisseren. Artikel 2. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt 1. De minister kan op aanvraag een specifieke uitkering verstrekken aan een budgethouder voor activiteiten die tot doel hebben om regionaal samen te werken aan het uitvoeren van de warmtetransi"},{"i":17067,"b":"Circulaire bezoldiging en eindejaarsuitkering wethouders 1. Structurele verhoging van de bezoldiging Op grond van [artikel 3, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006535&artikel=3), worden de bedragen genoemd in de tabel bij het rechtspositiebesluit herzien overeenkomstig de wijziging die de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk ondergaat. In de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel is ten aanzien van het arbeidsvoorwaardenbeleid in de contractperiode 1 december 2002 tot 1 januari 2004 besloten tot een algemene salarisverhoging. Per 1 december 2002 worden de salarissen van de ambtenaren in de sector Rijk structureel met 2,5% verhoogd. Dit betekent dat de bezoldiging van wethouders eveneens met ingang van 1 december 2002 dient te worden aangepast In verband met de inkomenseffecten als gevolg van de overeengekomen wijzigingen in het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006855) (Btzr) ontvangen de ambtenaren in de sector Rijk per 1 mei 2003 een compensatie in de vorm van een structurele verhoging van de schaalbedragen met 0,25%. Gelet hierop is met de centrales van het overheidspersoneel afgesproken om per 1 mei 2003 de salarissen te verhogen met 0,25%. Als gevolg van deze afspraak zijn de bezoldigingsbedragen van wethouders per 1 mei 2003 structureel verhoogd met 0,25%. Voor de definitieve bezoldigingsbedragen verwijs ik u naar de bijlage bij deze circulaire. De beide structurele salarisverhogingen werken door naar reeds ingegane APPA-uitkeringen ([Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691)). 2. Eindejaarsuitkering Op grond van [artikel 3, derde lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006535&artikel=3), ontvangt een wethouder een eindejaarsuitkering overeenkomstig de bepalingen welke daaromtrent voor het personeel in de sector Rijk zijn vastgesteld."},{"i":19228,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 27 december 2023, nr.MinBuZa.2023.20266-27, houdende beperkende maatregelen ten aanzien van Niger (Sanctieregeling Niger 2023) Gelet op Besluit (GBVB) 2023/2287 van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2023 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Niger (PbEU 24 oktober 2023, nummer 02287), [Verordening (EU) 2023/2406](32023R2406) van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2023 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Niger (PbEU 24 oktober 2023, nummer 02406) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder **Verordening (EU) 2023/2406**: [Verordening (EU) 2023/2406](32023R2406) van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2023 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Niger (PbEU 24 oktober 2023, nummer 02406). Artikel 2 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 8, eerste lid, en 9, eerste en tweede lid, van [Verordening (EU) 2023/2406](32023R2406). 2. Een verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 3, eerste lid, 4, eerste of tweede lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, of 7 van [Verordening (EU) 2023/2406](32023R2406) van toepassing is. Artikel 3 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 4, tweede en derde lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van [Verordening (EU) 2023/2406](32023R2406) is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard, met dien verstande dat instellingen als bedoeld in [artikel 10, tweede lid, onder a, c, e tot en met j en, voor zover het een bank of elektronischgeldinstelling betreft die cryptoactiva"},{"i":18875,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 29 oktober 2021 nr. BOACAT2021/054, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Prorail B.V Gelezen het verzoek van Prorail B.V. van 17 oktober 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045791&artikel=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker incidentenbestrijding in dienst van Prorail B.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsam"},{"i":17526,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 2012, nr. IVV/OOG/2012/6311, houdende nadere regels in verband met aanpassing van de hoogte van de uitkering aan het woonland (Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid) Gelet op [artikel 12, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=12), de [artikelen 17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=17), [18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=18), [25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=25), [29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=29), [29a, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=29a), en [67, twaalfde lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=67), [artikel 2, tiende en elfde lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=2) en [artikel 62, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip, waarop de artikelen I, II, III en IV van de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid in werking treden. Treedt in werking met uitzondering van personen die recht hebben op een uitkering op grond van de Wet op het kindgebonden budget en voor zover het personen betreft die voor 1 juli 2012 respectievelijk recht hebben op kinderbijslag, op een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet of op een uitkering op grond van artikel 62 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Treedt in werking voor personen die recht hebben op een uitkering op grond van de Wet op het kindgebonden budget en voor zover het personen betreft die voor 1 juli 2012 respectievelijk recht hebben op kinderbijslag, op een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet of op een uitkering op"},{"i":17673,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Industrie- en technologiebeleid vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 juni 2006, nr. arc-2006.02959/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Industrie- en technologiebeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17209,"b":"Protocol accountantsonderzoek Wlz-uitvoerders 2016 1. Inleiding 1.1. Algemeen De NZa heeft voorschriften voor de inrichting van het uitvoeringsverslag en het financieel verslag nader uitgewerkt in de [regeling Uitvoeringsverslag en Financieel verslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038964). De regeling bevat onder andere voorschriften over hoe Wlz-uitvoerders zich moeten verantwoorden in het uitvoeringsverslag en het financieel verslag. Op grond van [artikel 31 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=31) kan de NZa regels stellen voor de controle door de Wlz-uitvoerders, de inhoud en inrichting van de verklaring en het accountantsverslag. De regels voor het accountantsonderzoek en de inhoud en inrichting van het accountantsverslag heeft de NZa vastgelegd in dit Protocol accountantsonderzoek Wlz-uitvoerders. Dit Protocol accountantsonderzoek Wlz-uitvoerders geeft richtlijnen voor het door de accountant uit te voeren onderzoek naar de getrouwheid van het financieel verslag en de financiële rechtmatigheid van de verantwoorde schaden Wlz, schaden AWBZ, bedrijfsopbrengsten Wlz, bedrijfsopbrengsten AWBZ, beheerskosten Wlz en beheerskosten AWBZ. Het doel van het protocol is niet om de aanpak van het onderzoek voor te schrijven, maar om kaders te geven waarbinnen het onderzoek moet plaatsvinden. De accountant geeft de uitkomst van zijn onderzoek weer in een gecombineerde controleverklaring over de getrouwheid en de rechtmatigheid. Ook stelt hij een accountantsrapport en een rapport van feitelijke bevindingen op. De Wlz-uitvoerder moet de verantwoordingsdocumenten vergezeld van de accountantsproducten voor 1 juli van het jaar volgende op het verslagjaar toezenden aan de NZa. De aanlevering van de verantwoordingsdocumenten vindt digitaal plaats aan de NZa (bij voorkeur niet meer op papier). De NZa maakt bij haar toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wlz zoveel mogelijk gebruik van de verantwoordingsdocumenten van de W"},{"i":19476,"b":"Beschikking houdende onttrekking van het gedeelte van de traverse van de Zuid-Willemsvaart door Helmond, tussen de Houtse Parallelbrug en de Aarle-Rixtelsebrug, aan de bestemming voor het openbare scheepvaartverkeer Gelezen het verzoek van de Hoofdingenieur-Directeur van de Rijkswaterstaat in de Directie Noord-Brabant te 's-Hertogenbosch van 6 oktober 1993, kenmerk AICB 9416, alsmede de nota ‘Onttrekking van een gedeelte van de traverse door Helmond van de Zuid-Willemsvaart, tussen de Houtse Parallelbrug en het Wilhelminakanaal, aan de bestemming voor het openbare scheepvaartverkeer’ (hierna te noemen: de Nota), van 1 oktober 1993; Overwegende dat de Zuid-Willemsvaart de scheepvaartverbinding vormt tussen de Maas bij Maastricht en de Dieze te 's-Hertogenbosch en dat de Zuid-Willemsvaart over een lengte van ongeveer 8 kilometer over het grondgebied van de gemeente Helmond stroomt. Ter plaatse van de bebouwde kom van Helmond doorsnijdt de Zuid-Willemsvaart het centrum van de stad. Het Rijk heeft in de jaren zestig een aanvang gemaakt met de omlegging van de Zuid-Willemsvaart ten oosten van de gemeente Helmond. Het zuidelijk gedeelte van deze omlegging, waarin begrepen de nieuwe sluis te Helmond, is in 1992 opgeleverd. Het noordelijk gedeelte van de omlegging is op 11 december 1993 officieel opengesteld. Ten aanzien van het voorstel tot onttrekking van de traverse van de Zuid-Willemsvaart door Helmond aan het openbare scheepvaartverkeer kan worden opgemerkt dat de traverse door de aanleg van de kanaalomlegging zijn functie als scheepvaartweg voor de doorgaande scheepvaart heeft verloren. Door de omlegging is voor doorgaand scheepvaartverkeer namelijk een aantrekkelijke route om Helmond ontstaan, die even lang is als de oude route via de traverse door Helmond. Ten aanzien van de voorgenomen onttrekking kan voorts worden overwogen: dat deze uitsluitend het noordelijk deel vanaf de Houtse Parallelbrug omvat en dat de openbare toegang tot de gemeentelijke industriehaven vi"},{"i":18494,"b":"Rijkswet van 20 december 2017, houdende bepalingen ter implementatie van Richtlijn (EU) 2015/637 van de Raad van de Europese Unie betreffende de coördinatie- en samenwerkingsmaatregelen ter vergemakkelijking van de consulaire bescherming van niet-vertegenwoordigde burgers van de Unie in derde landen en tot intrekking van besluit 95/553/EG (Rijkswet consulaire bescherming EU-burgers) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om uitvoering te geven aan Richtlijn (EU) 2015/637 van de Raad van de Europese Unie betreffende de coördinatie- en samenwerkingsmaatregelen ter vergemakkelijking van de consulaire bescherming van niet-vertegenwoordigde burgers van de Unie in derde landen en tot intrekking van besluit 95/553/EG (Pb L 106); Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - −. **Consulaire bescherming:** door Onze Minister geboden hulp aan of ten behoeve van personen die in het buitenland door arrestatie, detentie, misdrijf, ernstig ongeval, ernstige ziekte, overlijden, verlies van reisdocumenten, een noodsituatie in het desbetreffende land of in verband met andere omstandigheden hulpbehoevend zijn geraakt; - −. **Derde land:** land, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie; - −. **EU-burger:** persoon die de nationaliteit bezit van een lidstaat; - −. **EU-noodreisdocument:** EU-noodreisdocument als bedoeld in artikel 3, eerste lid, eerste zin, van [Richtlijn (EU) 2019/997](32019L0997) van de Raad van de Europese Unie van 18 juni 2019 tot vaststelling van een EU-noodreisdocument en tot intrekking van Besluit 96/409/GBVB (PbEU 2019, L 163); - −. **lidstaat:** lidstaat van de Europese Unie; - −. **Onze Minister:** Onze Minist"},{"i":17624,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 november 2023, nr. 2023– 2023-0000600837, houdende regels met betrekking tot het verlenen van een specifieke uitkering ten behoeve van het realiseren van gebiedsmaatregelen (Tijdelijke regeling specifieke uitkering gebiedsbudget) Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verlenen van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2) (Stb. 2022, 452); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **betaalbare woning:** betaalbare woning als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=1); - **bijlage:** de bij deze regeling opgenomen bijlage; - **gebiedsbudget:** de uitkering, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048897&artikel=3&z=2025-11-28&g=2025-11-28); - **gebiedsmaatregel:** maatregel die in aanmerking komt voor het gebiedsbudget; - **minister:** de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - **ontvanger:** gemeente of openbaar lichaam waaraan een specifieke uitkering is verleend; - **openbaar lichaam:** openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8); - **start van de bouwwerkzaamheden:** - a. **bij nieuwbouw en flexwoningen:** het begin van bouwactiviteiten van een toegestaan bouwwerk waarover het bevoegd gezag is geïnformeerd of waarvan de feitelijke bouw is aangevangen door minimaal de aanleg van de fundering, waartoe niet het bouwrijp maken van een terrein wordt gerekend; Als start van bouwwerkzaamheden geldt: als start van bouwwerkzaamheden geldt niet: - I. het ontgraven van de gron"},{"i":18141,"b":"Besluit van 4 september 2006, houdende ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en van Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 25 augustus 2006, 2006-0000272053, Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op [artikel 64 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=64) en [artikel F 2 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=F_2); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2006/184. Artikel 1 De Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ontbonden op donderdag 30 november 2006 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Artikel 2 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vindt plaats op dinsdag 10 oktober 2006. Artikel 3 De eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer vindt plaats op donderdag 30 november 2006 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de nota van toelichting in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17965,"b":"Wet van 4 februari 2010 tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg in verband met de introductie van een verwijsindex om vroegtijdige en onderling afgestemde verlening van hulp, zorg of bijsturing ten behoeve van risicojongeren die bepaalde risico’s lopen te bevorderen (verwijsindex risicojongeren) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat alle jeugdigen alle kansen moeten krijgen om onbedreigd op te groeien tot volwassenen en dat het in verband daarmee wenselijk is de [Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637) te wijzigen in verband met de ingebruikneming van een landelijke elektronische verwijsindex van jeugdigen waarin jeugdigen kunnen worden gemeld die bepaalde risico’s lopen, en waarmee de samenwerking tussen de bij jeugdigen beroepsmatig betrokkenen kan worden verbeterd, met als doel vroegtijdige en onderling afgestemde verlening van hulp, zorg of bijsturing ten behoeve van jeugdigen om belemmeringen in hun ontwikkeling naar volwassenheid te voorkomen, te beperken of weg te nemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de jeugdzorg. Artikel II Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van het in [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027338&artikel=I&z=2014-02-15&g=2014-02-15), opgenomen [Hoofdstuk IA, paragraaf 4, van de Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637&paragraaf=4) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dat hoofdstuk in de praktijk. Onverminderd het bepaalde in de eerste volzin zendt Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport binnen twee jaar na de inwerkingtreding aan de Staten-Generaal een verslag over het gebruik van de verwijsindex door melding"},{"i":19497,"b":"Overeenkomst betreffende de vaststelling van geharmoniseerde technische reglementen van de Verenigde Naties voor voertuigen op wielen en voor uitrustingsstukken en onderdelen die daarop kunnen worden gemonteerd en/of gebruikt, en betreffende de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen die krachtens die reglementen van de Verenigde Naties zijn verleend Preambule De overeenkomstsluitende partijen, Besloten hebbende tot wijziging van de Overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige goedkeuringsvoorwaarden en de wederzijdse erkenning van goedkeuring van uitrustingsstukken en onderdelen van motorrijtuigen, gesloten in Genève op 20 maart 1958, zoals gewijzigd op 16 oktober 1995, en Geleid door de wens om de technische belemmeringen voor de internationale handel te verminderen door geharmoniseerde technische VN-reglementen vast te stellen waaraan bepaalde voertuigen op wielen, uitrustingsstukken en onderdelen ten minste moeten voldoen om in hun land of regio te worden gebruikt, Erkennend het belang van veiligheid, milieubescherming, energie-efficiëntie en diefstalbeveiliging van voertuigen op wielen en van uitrustingsstukken en onderdelen die daarop kunnen worden gemonteerd en/of gebruikt, voor de vaststelling van reglementen die technisch en economisch haalbaar zijn en aan de technische vooruitgang zijn aangepast, Geleid door de wens om deze VN-reglementen in hun land of regio zoveel mogelijk toe te passen, Geleid door de wens om in hun land de aanvaarding van de voertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die door de goedkeuringsinstanties van een andere overeenkomstsluitende partij krachtens deze VN-reglementen zijn goedgekeurd, te vergemakkelijken, Geleid door de wens om in het kader van de overeenkomst een systeem voor de internationale typegoedkeuring van gehele voertuigen (IWVTA) tot stand te brengen teneinde de voordelen van de aan de overeenkomst gehechte afzonderlijke VN-reglementen te vergroten en zo mogelijkheden te scheppen om de uitvoe"},{"i":18682,"b":"Aanwijzingsregeling algemeen opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op [artikel 141, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141); Besluit: Artikel 1 De officieren en de onderofficieren der Koninklijke marechaussee zijn voor zover zij namens de Commandant der Koninklijke marechaussee geschikt en bekwaam zijn geoordeeld, met de opsporing van strafbare feiten belast. Artikel 2 Met de opsporing van strafbare feiten zijn eveneens belast de militairen van de Koninklijke marechaussee die zijn toegelaten tot de fase beroepspraktijkvorming van de opleiding algemeen opsporingsambtenaar Koninklijke marechaussee in de gevallen waarbij tijdens die fase van de opleiding door hen daadwerkelijk politietaken worden uitgeoefend. Artikel 3 De [Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006569) van 29 maart 1994, nr. 430243/594/GJD, CWW 85/008 (Stcrt. 70) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzingsregeling algemeen opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19434,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 16 augustus 2014, nr. A-0-14-0041.001, houdende bevoegdheidverlening aan Inspecteur Generaal leefomgeving en Transport (Besluit bevoegdheidverlening Inspecteur Generaal Leefomgeving en Transport) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gelet op de overeenkomst gesloten tussen de Staat der Nederlanden en Kiwa N.V. van 10 juli 2009 en nadien gewijzigd; Gelet op het [Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031032); Gelet op het [Besluit mandaat en machtiging Kiwa N.V. (I)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027827); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Inspecteur Generaal:** de Inspecteur- Generaal Leefomgeving en Transport; - b. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Minister, onderscheidenlijk de Staatssecretaris, besluiten te nemen; - c. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Minister, onderscheidenlijk de Staatssecretaris, handelingen te verrichten die een publiekrechtelijke noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; en, - d. **de overeenkomst:** overeenkomst aangegaan tussen de Staat der Nederlanden en Kiwa N.V. d.d. 10 juli 2009 en nadien gewijzigd, op basis waarvan Kiwa N.V. een aantal taken uitvoert op het gebied van vergunningverlening. Artikel 2 - a. De Inspecteur- Generaal is met inachtneming van het bepaalde in de overeenkomst bevoegd om van de hem op grond van het [Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951) verstrekte mandaat en machtiging, aan de voorzitter van de directie van Kiwa N.V. ondermandaat en ondermachtiging te verlenen. - b. Als de Inspecteur- Generaal de onder a bedoelde bevoegdheden verleent, is hij bevoegd de voorzitter van de direc"},{"i":17847,"b":"Wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers in verband met een verkorting van de duur van de voortgezette uitkering (Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de duur van de voortgezette uitkering voor politieke ambtsdragers te verkorten en daartoe de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel II Deze wet wordt aangehaald als: Wet verkorting duur voortgezette uitkering Appa. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18920,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 6 december 2018 nr. BOACAT2018/061, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland Gelezen het verzoek van de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland van 29 november 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041700&artikel=2&z=2019-02-18&g=2019-02-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van inspecteur in dienst van de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzake"},{"i":17506,"b":"Regeling verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg Gelet op [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 derde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Medische kindzorg:** Medische kindzorg is zorg aan kinderen waarbij sprake is van behoefte aan zorg zoals verpleegkundigen plegen te bieden in verband met geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Tevens is bij deze kinderen sprake van een behoefte aan permanent toezicht of 24-uurs zorg in de nabijheid in combinatie met verpleegkundig technische handelingen. - **Dagopvang:** Dagopvang mag alleen gedeclareerd worden bij tenminste zes uur aanwezigheid van een patiënt op één dag op een locatie ingericht voor verpleegkundige dagopvang voor medische kindzorg. - **Verblijfsdag:** Een verblijfsdag is een kalenderdag, die deel uitmaakt van een periode van opname voor verblijf bij medische kindzorg. Een opname omvat minimaal één overnachting. De verblijfsdag mag alleen gedeclareerd worden als de patiënt voor 20:00 uur is opgenomen en ’s nachts in de instelling verblijft. De dag van opname en de daarop volgende nacht gelden als één verblijfsdag. De dag van ontslag – waarop de patiënt dus niet ‘s nachts verblijft – geldt niet als een te declareren verblijfsdag. - **Audit-trail:** Zodanige vastlegging van gegevens dat het spoor van basisgegeven naar eindgegeven en omgekeerd achteraf door een externe accountant of, afhankelijk van de aard van de gegevens door de NZa en de ziektekostenverzekeraar, kan worden gevolgd en gecontroleerd. - **Declaratie:** Het in rekening breng"},{"i":18449,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 juni 2024, nr. 5501218, tot vaststelling van regels omtrent de toepassing van artikel 38 van het Besluit bezoldiging politie in geval van een beroepsziekte of een dienstongeval Gelet op [artikel 48 van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=48); Besluit: Artikel 1 Deze regeling verstaat onder: - **beroepsziekte:** beroepsziekte als bedoeld in [artikel 1, onderdeel y, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **dienstongeval:** dienstongeval als bedoeld in [artikel 1, onderdeel z, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1). Artikel 2 1. De ambtenaar, bedoeld in [artikel 38, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=38), die bij het bevoegd gezag een verzoek heeft ingediend om een ongeval of ziekte aan te merken als een dienstongeval of beroepsziekte, behoudt, in afwijking van het bepaalde in dat lid, totdat op het verzoek is beslist zijn aanspraak op 100% van de bezoldiging, indien voorzienbaar is dat het verzoek zal leiden tot een erkenning als dienstongeval of beroepsziekte. 2. Nadat is beslist op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt de loondoorbetaling bij ziekte voortgezet overeenkomstig het bepaalde in [artikel 38, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=38), gerekend vanaf de eerste ziektedag. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2024. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16984,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein ‘Coördinatie algemeen regeringsbeleid vanaf 1945’ (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 januari 2009 bca-2009.05163/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ‘Coördinatie algemeen regeringsbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19192,"b":"Richtlijn voor strafvordering zware mishandeling Deze richtlijn heeft betrekking op diverse vormen van geweld die gekwalificeerd/tenlastegelegd worden als zware mishandeling (en niet als poging doodslag). De richtlijn is ook van toepassing op huiselijk geweld. Voor kindermishandeling is een afzonderlijke richtlijn. 1 De categorieën ‘zwaar lichamelijk letsel’ en ‘blijvende vorm van ernstige invaliditeit of hulpbehoevendheid’ kunnen elkaar overlappen. Met de oplopende strafzwaarte is vooral tot uitdrukking gebracht dat blijvende invaliditeit / hulpbehoevendheid zwaarder wegen dan zwaar lichamelijk letsel dat (al dan niet door adequaat medisch ingrijpen) geen blijvende gevolgen met zich heeft gebracht. 2 + 30 mnd OBM (bij zwaar lichamelijk letsel) / OBM 5 jaar (bij blijvend letsel). Bij soortgelijke recidive kan tot maximaal 5 jaar OBM worden gevorderd. 3 De verhogingspercentages genoemd in de aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen kunnen hier niet onverkort op worden toegepast. Maatwerk is hier geboden. **Afkortingen** GS = gevangenisstraf OBM = ontzegging van de rijbevoegdheid **Agressie in het verkeer** Met betrekking tot een aantal delicten, zoals mishandeling, openlijke geweld, vernieling en bedreiging, dient het eventuele feit dat de gepleegde agressieve handeling samenhangt met, of terug te voeren is op een verkeerssituatie, strafverzwarend te worden beoordeeld. Reden voor die verzwaring is enerzijds het risico van escalatie van dergelijke delicten in een overgevoelige situatie, en anderzijds de verhoogde gevaarzetting die agressie in een verkeerssituatie voor andere verkeersdeelnemers doorgaans oplevert. Voor een toelichting op de andere onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042068)."},{"i":18727,"b":"Beleidswijziging naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 5 maart jl. (LJN BZ3230 en LJN BZ3257) betreffende artikel 30 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM), inzake onverzekerd rijden en de recidiveregeling in het strafvorderingsbeleid van het Openbaar Ministerie Naar aanleiding van deze arresten kan in zaken met pleegdatum van vóór 1 juli 2011 de recidiveregeling van de [Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029643) (2011R001) weer worden toegepast. Deze regeling luidt als volgt. 4.1.1. Recidiveregeling overtredingen [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=30) en [34 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=34) (WAM)(uitgezonderd bromfietsen) De recidiveregeling t.a.v. de overtredingen van [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=30) en [34 WAM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=34) luidt voor de met motorrijtuigen, uitgezonderd bromfietsen,1Onverzekerd rijden: zie in de bijlage de feitnummers A 914a t/m d, A 915, A 917a t/m c en A 918. gepleegde overtredingen als volgt: 1 Hechtenis kan in geval van een overtreding door een minderjarig niet worden geëist. 4.1.2. Recidiveregeling overtredingen [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=30) en [34 WAM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=34) (bromfietsen) Voor de met een bromfiets gepleegde overtreding van de [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=30) en [34 WAM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=34) (feitcodes A 901a t/m d, A 902, A 903a t/m c en A 904) geldt de volgende recidiveregeling:"},{"i":19257,"b":"Regeling van de secretaris-generaal van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van 19 juni 2014, nummer 513232 ter uitvoering van het archiefbeheer (Uitvoeringsregeling Archiefbeheer Veiligheid en Justitie 2014) Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Archiefbeheersregels Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035264&artikel=3); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Archiefbeheersregels Veiligheid en Justitie 2014 in werking treden. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **archiefbestanddeel:** geheel van archiefbescheiden binnen een archief bijeengebracht met een bepaald doel om in onderlinge samenhang te raadplegen; - b. **classificatie:** systematische identificatie en ordening van bedrijfsprocessen, handelingen, archiefbescheiden of archiefbestanddelen; - c. **digitaal depot:** archiefruimte waar digitale archiefbescheiden duurzaam worden beheerd. Hoofdstuk 2. De archiveringsfuncties Artikel 2. Opslaan Archiefbescheiden worden opgeslagen in een registratiesysteem. Artikel 3. Beschrijven 1. Ieder archief, archiefbestanddeel en archiefstuk wordt voorzien van een uniek kenmerk en metadata. 2. Bij het opslaan vindt beschrijving op het niveau van zowel het archiefstuk als het archiefbestanddeel plaats. 3. Rubriceringen zoals genoemd in het [Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst – bijzondere informatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033507), worden als metadata aan de beschrijving van archiefbescheiden toegevoegd. 4. Metadata over archiefbescheiden zijn onlosmakelijk verbonden met de archiefbescheiden. Artikel 4. Ordenen Een registratiesysteem wordt ingericht volgens de classificatie die voor het dienstonderdeel geldt. Artikel 5. Beschikbaar stellen Van iedere beschikbaarstelling van archiefbescheiden worden de volgende gegevens vastgelegd: - a. de functionaris die de archiefbescheiden beschikbaar gesteld heeft gekregen; - b. de archief"},{"i":17170,"b":"Meerjarenregeling Co-creatie 2025 – 2028 Fonds voor Cultuurparticipatie gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gelet op [artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); gelet op het [Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516); met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 1 november 2022; en voor de gewijzigde versie op 27 maart 2023; besluit: vast te stellen de: Meerjarenregeling Co-creatie 2025 – 2028 Fonds voor Cultuurparticipatie Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen Artikel 1.1. Gebruikte begrippen - a. **Adviescommissie:** een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het [Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](onbekend); - b. **Actieve cultuurparticipatie:** (De sector die zich kenmerkt door) het actief beoefenen van of betrokken zijn bij kunst en cultuur in de vrije tijd door cultuureducatie, co-creatie of amateurkunst. - c. **Activiteit:** Een specifieke handeling of bezigheid die door de aanvrager wordt geïnitieerd en door, of met, de doelgroep (een individu, groep of organisatie) wordt uitgevoerd om een specifieke outcome te bereiken. Denk hierbij aan brainstorms, repetities, coachingsessies, bijeenkomsten, presentaties etc. - d. **Algemeen Subsidiereglement:** [Algemeen Subsidiereglement Fonds voor Cultuurparticipatie 2021;](onbekend) - e. **Amateurkunst:** (De sector die zich kenmerkt door) het maken van kunst door individuen of groepen op een niet-professioneel niveau. Het betreft hier per definitie geen co-creatie. - f. **Caribisch deel van het Koninkrijk:** de landen Aruba, Curaçao, Sint-Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba; - g. **Co-creatie:** (De sector die zich kenmerkt door) de methoden en benaderingen waarbi"},{"i":17289,"b":"Regeling declaratie- en transparantieverplichtingen farmaceutische zorg Gelet op [artikel 37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38, derde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de farmaceutische zorg. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Farmaceutische zorg:** Zorg zoals omschreven in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051184&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze regeling. - **Zorgaanbieder:** De natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig farmaceutische zorg verleent. - **Voorschrift:** De hoeveelheid, respectievelijk het aantal van elke afzonderlijke toedieningsvorm van één al dan niet samengesteld UR-geneesmiddel, voorgeschreven op één receptbriefje ten behoeve van één patiënt. Onder een equivalent voorschrift wordt verstaan elke aflevering conform het voorschrift, maar dan zonder receptbriefje. Eén receptbriefje kan meerdere voorschriften bevatten. - **UR-geneesmiddel:** Een geneesmiddel zoals is bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder s van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1). - **Prestatie:** Een prestatie omvat het leveren van farmaceutische zorg aan een consument, zoals nader omschreven in de prestatiebeschrijving. - **Declaratie:** Het tarief of de tarieven die in rekening zijn gebracht voor een geleverde prestatie en een eventuele deelprestatie aan de ziektekostenverzekeraar van de betreffende consument of aan de consument zelf. - **Consument:** Een patiënt, een potentiële patiënt of degene die namens een patiënt informeert en zorg ontvangt. - **Behandelingsovereenkomst:** Een overeenkomst inzake geneeskundige behandeling, zoals bedoeld is in [artikel 7:446 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid"},{"i":18836,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 9 mei 2025 nr. BOACAT2025/127, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Havenbedrijf Amsterdam N.V Gelezen het verzoek van Havenbedrijf Amsterdam N.V. van 2 mei 2025 en de adviezen van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051032&artikel=2&z=2025-09-13&g=2025-09-13). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van havenbeambte en inspecteur gevaarlijke stoffen en milieu in dienst van Havenbedrijf Amsterdam N.V. zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede ver"},{"i":17017,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 juli 2017, DCV-461/2017, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Gedetineerdenbegeleiding buitenland geestelijke zorg 2018–2019) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6);1Stb. 2005, nr. 137 Gelet op [artikel 2.6 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.6);2Stcrt. 2005, nr. 251 Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 2.6 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.6) met het oog op de financiering van activiteiten op het gebied van begeleiding van Nederlandse gedetineerden in het buitenland, in het bijzonder voor geestelijke zorg, gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Voor subsidieverlening in het kader van Gedetineerdenbegeleiding buitenland geestelijke zorg 2018–2019 geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2019 een subsidieplafond van € 500.000, met dien verstande dat de daarmee gemoeide kasuitgaven niet meer bedragen dan € 250.000 in 2018 en € 250.000 in 2019. 2. Subsidieverlening geschiedt onder de voorwaarde dat voor het deel van de subsidie dat ten laste komt van een nog niet vastgestelde begroting voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. Artikel 3 Aanvragen voor een subsidie voor activiteiten in het kader van Gedetineerdenbegeleiding buitenland geestelijke zorg 2018–2019 worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 30 september 2017. Artikel 4 De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd,"},{"i":19235,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 maart 2014, nr. MinBuZa.2014.119597, houdende beperkende maatregelen in verband met acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (Sanctieregeling territoriale integriteit Oekraïne 2014) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Financiën; Gelet op [Verordening 269/2014](32014R0269) van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (Pb 2014, L78); Gelet op Besluit 2014/145/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (Pb 2014, L78); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 8, eerste lid, lid 1 bis, lid 1 ter, derde volzin, lid 1 quater, artikel 9, eerste en tweede lid, en artikel 15 bis van [Verordening 269/2014](32014R0269) van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (Pb 2014, L78). 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 2 van [Verordening 269/2014](32014R0269), geldt niet in gevallen waarin artikel 2 bis, eerste of tweede lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 5 bis, eerste lid, artikel 5 ter, eerste lid, artikel 6, eerste lid, artikel 6 bis, eerste lid of lid 1 bis, artikel 6 ter, eerste lid, twee"},{"i":17705,"b":"Verdrag inzake de verlening van bijstand in het geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen De Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, Zich ervan bewust dat in een aantal Staten werkzaamheden op nucleair gebied worden verricht, Gelet op het feit dat uitgebreide maatregelen zijn en worden getroffen ter verzekering van een grote mate van veiligheid bij de werkzaamheden op nucleair gebied en gericht op het voorkomen van nucleaire ongevallen en op het zoveel mogelijk beperken van de gevolgen van een zodanig ongeval, indien dit zich voordoet, Geleid door de wens de internationale samenwerking bij het op veilige wijze ontwikkelen en gebruiken van kernenergie verder uit te breiden. Overtuigd van de noodzaak een internationaal kader te scheppen om de onmiddellijke verlening van bijstand in geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen te vergemakkelijken ter verzachting van de gevolgen daarvan, Gezien het nut van bilaterale en multilaterale overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand op dit gebied, Gezien de werkzaamheden van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie bij de ontwikkeling van richtlijnen voor overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand bij calamiteiten in verband met een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Algemene bepalingen 1. De Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, werken onderling samen en met de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (hierna te noemen: de „Organisatie”) in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag om de onmiddellijke verlening van bijstand in geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen te vergemakkelijken, ten einde de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te verzachten en leven, goederen en het milieu te beschermen tegen de gevolgen van vrijgekomen radioactieve stoffen. 2. Ten einde deze samenwerking te bevorderen, kunnen de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, bila"},{"i":18851,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 19 juli 2018 nr. BOACAT2018/043, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Koninklijke Marechaussee (generieke opsporing) Gelezen het verzoek van de directeur Operaties Koninklijke Marechaussee van 11 juli 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de commandant Koninklijke Marechaussee; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b) [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041219&artikel=2&z=2018-08-15&g=2018-08-15). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Marechaussee generieke opsporing in dienst van de Koninklijke Marechaussee zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslag"},{"i":17332,"b":"Regeling kwaliteitszorg en de evaluatie van de kwaliteitszorg bij de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Overwegende dat op grond van artikel 50, derde lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba de landen onderling een regeling treffen houdende regels voor de kwaliteitszorg en de evaluatie daarvan; Gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) en artikel 50, derde lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; Komen het volgende overeen: Artikel 1 De kwaliteitszorg omvat de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten (output) en het beheer van het politiekorps. Artikel 2 1. De korpsbeheerder draagt zorg voor de regelmatige evaluatie van de kwaliteitszorg van het politiekorps. 2. De evaluatie bestaat uit het op systematische wijze en onderling vergelijkbare wijze uitvoeren van: - a. zelfevaluaties van korpsonderdelen; - b. korpsonderzoeken van de taakuitvoering, de resultaten en het beheer van het politiekorps; - c. kennisoverdracht en informatie-uitwisseling met andere korpsen. 3. Bij de evaluatie wordt in het bijzonder ingegaan op de taakgebieden, genoemd in artikel 7, tweede lid, onder a tot en met c, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de politietaken, bedoeld in artikel 20, derde lid, van deze rijkswet, en de diensten, bedoeld in artikel 26 van deze rijkswet. 4. De korpsbeheerder draagt ervoor zorg dat elke afdeling of elk organisatieonderdeel van het korps ten minste eenmaal per twee jaar een zelfevaluatie uitvoert. 5. De korpsbeheerder draagt ervoor zorg dat het politiekorps eenmaal per vier jaar door een externe auditcommissie een korpsonderzoek laat uitvoeren bestaande uit daarvoor gekwalificeerde"},{"i":17100,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 november 2004, nr. IBE/BO-2532070, houdende de goedkeuring van het kaderbesluit en drie specifieke besluiten van de CHVG betreffende Huisartsgeneeskunde, Verpleeghuisgeneeskunde en Medische zorg voor verstandelijk gehandicapten Gelet op [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet BIG](onbekend) en artikel 14, tweede lid, van de Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten; Besluit: Het besluit: - –. Kaderbesluit CHVG, - –. specifiek besluit Huisartsgeneeskunde, - –. specifiek besluit Verpleeghuisgeneeskunde, - –. specifiek besluit Medische zorg voor verstandelijk gehandicapten, goed te keuren. Dit besluit zal samen met de desbetreffende besluiten van het College voor Huisartsgeneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":19073,"b":"Besluit van de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 17 maart 2022, nr. 3891150, houdende verlening van ondermandaat aan het hoofd van de sector Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid (Ondermandaatbesluit DWJZ Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022) Gelet op [artikel 3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3), de [mandaatbesluiten van de hoofden van de clusters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688), bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2), en het [hoofd van het WODC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046408); Besluit: Artikel 1 1. Van het aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken door de hoofden van de clusters, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van het Organisatiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2) en door het hoofd van het WODC verleende ondermandaat ten aanzien van de aangelegenheden, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel a van het Organisatiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=5), wordt ondermandaat verleend aan het hoofd van de sector Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid. 2. Van het aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken door de hoofden van de clusters, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onderdelen a, b en c, van het Organisatiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2), verleende ondermandaat inzake besluiten en klachtenprocedures op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming, verzoeken op grond van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252), verzoeken op grond van de [Wet hergebruik van overheidsinformatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036795), klachten, subsidiebesluiten, beleidsregels en, met inachtneming van [artikel 2, a"},{"i":18035,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 23 juni 2008, nr. B en C 2008-1280 M tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archief Consignatiekas van het Ministerie van Financiën, (1806) 1817–1987 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gezien het advies van het Nationaal Archief d.d. 21 juli 2008 nr. C/SA/08/1387; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Consignatiekas van het Ministerie van Financiën, (1806) 1817–1987 met de inventarisnummers zoals opgenomen in de Bijlage, de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024425&artikel=2&z=2008-09-03&g=2008-09-03) genoemde beperkingen gesteld voor de termijn van maximaal 75 jaren. Artikel 2 Raadpleging van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024425&artikel=1&z=2008-09-03&g=2008-09-03) genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruik gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage | Inv. Nr. | Openbaar vanaf 1 januari | | --- | --- | | 105 | 2062 | | 344 | 2030 | | 345 | 2030 | | 360 | 2027 | | 362 | 2034 | | 364 | 2035 | | 373 | 2032 | | 379 | 2026 | | 386 | 2031 | | 388 | 2034 | | 391 | 2033 | | 393 | 2035 | | 397 | 2035 | | 399 | 2031 | | 400 | 2031 | | 403 | 2034 | | 405 | 2034 | | 409 | 2034 | | 411 | 2034 | | 415 | 2034"},{"i":18536,"b":"Selectielijst neerslag handelingen Minister van EZ op het beleidsterrein Beheer Rijksbegroting Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 10 september 1997, nr. arc-97.1473/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken, als vakminister en als vakminister in Londen, binnen het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting (periode 1940-1993), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken hoofdstuk VIII, categorie Financiën van de ’Lijst van voor vernietiging van voor vernietiging in aanmerking komende stukken, welke behoren tot het archief van het Ministerie van Economische Zaken en de daaronder ressorterende diensten’ (vastgesteld bij gemeenschappelijke beschikking door de Minister van Economische Zaken en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, No.465/878 M&H d.d. 14 juni 1965, alsmede No.117173 O.K.N. d.d. 7 september 1965, laatstelijk gewijzigd bij beschikking no. MMA/Ar-u—2423 II, IZ/AS 487/I/109 d.d. 15 september 1987 (gepubliceerd in Staatscourant no. 214 d.d. 5 november 1987)). Voorts in te trekken afdeling 2, categorie Financiën van de ’Lijst houdende opgave van vernietigbare stukken in het archief van het Centraal Bureau voor de Statistiek en van de termijnen, gedurende welke deze stukken moeten worden bewaard, alvorens tot vernietiging kan worden overgegaan’ (vastgesteld bij gemeenschappelijke beschikking door de Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw en de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, No. BB 7407 d.d. 7 augustus 1930, alsmede No. KW 5438 d.d. 25 augustus 1930). Het intrekken geschiedt slechts voorzover dit artikel betrekking heeft op de bescheiden gerelateerd aan de handelingen die zijn beschreven in de hierbij vast te stellen selectielijst. Artikel 3"},{"i":17221,"b":"Protocol tot wijziging van het verdrag inzake sociale zekerheid tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Republiek Kaapverdië, met Slotprotocol, ondertekend te 's-Gravenhage op 18 november 1981, zoals gewijzigd en ondertekend op 23 januari 1995 en op 22 mei 2000, van het Protocol bij het Verdrag, ondertekend te Praia op 22 mei 2000, en van het Administratief Akkoord, ondertekend te 's-Gravenhage op 18 november 1981, zoals gewijzigd op 23 januari 1995 De regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Republiek Kaapverdië, Hebben besloten over te gaan tot wijziging van het [Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië, met Slotprotocol](onbekend), ondertekend te ’s-Gravenhage op 18 november 1981, zoals gewijzigd en ondertekend op 23 januari 1995 en op 22 mei 2000, van het [Protocol bij het Verdrag](onbekend), ondertekend te Praia op 22 mei 2000, en van het [Administratief Akkoord](onbekend), ondertekend te ’s-Gravenhage op 18 november 1981, zoals gewijzigd op 23 januari 1995, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië inzake sociale zekerheid; 's-Gravenhage, 18 november 1981. Artikel 2 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië inzake sociale zekerheid; 's-Gravenhage, 18 november 1981. Artikel 3 Wijzigt het Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid; 's-Gravenhage, 18 november 1981. Artikel 4. Overgangsbepalingen 1. Wanneer een persoon recht heeft op verstrekkingen op de dag voorafgaande aan de dag waarop dit Protocol uit hoofde van [artikel 5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006781&artikel=5&z=2019-07-01&g=2019-07-01), voorlopig wordt toegep"},{"i":17944,"b":"Wet van 21 juli 2007 tot wijziging van de Toeslagenwet en intrekking van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid in verband met het verbeteren en vereenvoudigen van de wijze waarop het sociaal minimum wordt gewaarborgd in de loondervingsuitkeringen Artikel I. Wijziging van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel II. Wijziging van de [Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008658) Wijzigt de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen. Artikel III. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel IV. Wijziging grondslag Na de inwerkingtreding van [artikel III, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022444&artikel=III&z=2008-01-01&g=2008-01-01), van deze wet berust het [Besluit van 29 december 1986, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004095) als bedoeld in [artikel 10 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004046&artikel=10) (Stb. 686) op [artikel 130r van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=130r). Artikel V. Intrekking van de [Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004046) De [Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004046) wordt ingetrokken. Artikel VI. Inwerkingtreding De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, en kunnen terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Allen, die deze zullen zien"},{"i":17507,"b":"Regeling verpleging en verzorging Gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38),[58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58) en [62, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van verpleging en verzorging. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Algemeen Gegevens Beheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **audit-trail:** zodanige vastlegging van gegevens dat het spoor van basisgegevens naar eindgegevens en omgekeerd achteraf door een externe accountant of, afhankelijk van de aard van de gegevens, door de NZa en de zorgverzekeraar kan worden gevolgd en gecontroleerd. - **dag:** een dag betreft een kalenderdag. - **declaratie:** het in rekening brengen van de verrichte prestatie(s) door de zorgaanbieder aan de cliënt of de zorgverzekeraar. - **directe zorgverlening:** directe zorgverlening is de directe contacttijd tussen zorgaanbieder en cliënt in de thuissituatie/werksituatie, de verplaatste directe contacttijd, alsmede de tijd besteed in het kader van indicatiestelling. - **kwartaal:** een kwartaal betreft de periode januari t/m maart, april t/m juni, juli t/m september of oktober t/m december. - **maand:** een maand betreft een kalendermaand. - **onderlinge dienstverlening:** de levering van (onderdelen van) de prestaties op het gebied van verpleging en verzorging door een zorgaanbieder in opdracht van een andere zorgaanbieder. De eerstgenoemde zorgaanbieder wordt in dit kader aangeduid als de ‘uitvoerende zorgaan"},{"i":17592,"b":"Subsidieregeling rechtsbijstand en aanverwante kosten Tijdelijke wet Groningen gelet op [artikel 33e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33e), [37b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b) en [37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c), waarin is bepaald dat het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand subsidie kan verstrekken ten behoeve van en met het oog op de verlening van rechtsbijstand voor bijzondere doeleinden en projecten en [artikel 13n Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=13n) waarin als bijzondere doeleinden als hiervoor genoemd rechtsbijstand en het inroepen van advies van een bouwkundige of financiële adviseur in het kader van het verlenen van rechtsbijstand zijn aangewezen, besluit: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze subsidieregeling wordt verstaan onder: - a. **advocaat:** de advocaat die op basis van [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048519&hoofdstuk=V&artikel=10&z=2026-01-22&g=2026-01-22) van deze regeling is toegelaten tot deze subsidieregeling; - b. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - c. **bestuur:** het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, als bedoeld in [artikel 3 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - d. **Bvr:** [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018); - e. **deskundige:** deskundige (ook wel ‘adviseur’) zoals bedoeld in [artikel 13n, tweede lid, van de TwG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=13n); - f. **Instituut:** Het Instituut Mijnbouwschade Groningen, als bedoeld in [artikel 2 van de TwG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=2); - g. **mediation:** mediation zoals bedoeld in [artikel 1 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1) in een"},{"i":17527,"b":"Regeling zakgeld jeugdigen Gelet op [artikel 51, derde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=51); Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële kinderbescherming van 30 mei 2000, nr. 5032390/00/TH/JMO; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Aan jeugdigen die in een inrichting verblijven wordt zakgeld verstrekt, met inachtneming van het navolgende. Artikel 3 1. Het zakgeld bedraagt 1,26 euro per dag. 2. Het zakgeld wordt jaarlijks per 1 januari aangepast aan het bedrag aan zakgeld dat is opgenomen in de normprijzen, die de Dienst Justitiële Inrichtingen jaarlijks vaststelt voor de justitiële jeugdinrichtingen. 3. Onverminderd het bepaalde in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012740&artikel=4&z=2002-01-01&g=2002-01-01), wordt het zakgeld door de directeur tenminste eenmaal per maand aan de jeugdige verstrekt door overmaking op zijn rekening-courant bij de inrichting. Artikel 4 1. De directeur kan bepalen dat een deel van het aan de jeugdige toegekende zakgeld onder zijn bewaring blijft ter aanwending van de jeugdige tijdens zijn verblijf in de inrichting, of ter uitkering bij het einde van het verblijf van de jeugdige in de inrichting. De uitkering bij het einde van het verblijf geschiedt aan de jeugdige of diens wettelijke vertegenwoordiger. 2. Indien de jeugdige naar een andere inrichting wordt overgeplaatst, worden de in het eerste lid bedoelde gelden overgemaakt aan die inrichting. Artikel 5 1. Het zakgeld kan - tot ten hoogste het zakgeld van zeven dagen - worden aangewend tot vergoeding van schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad van de jeugdige. 2. Voor zover niet anders is bepaald in deze regeling en behoudens het bepaalde in [artikel 55, eerste lid, onder e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=55) zijn aanspraken op zakgeld onvervreemdbaar. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaa"},{"i":17612,"b":"Besluit van 29 maart 2011 tot vaststelling van de verplichting van postvervoerbedrijven om arbeidsovereenkomsten aan te gaan met postbezorgers (Tijdelijk besluit postbezorgers 2011) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 23 februari 2011, nr. WJZ / 11021582, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 8 van de Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 maart 2011, nr. W15.11.0059/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 28 maart 2011, nr. WJZ / 11045278, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572); - b. **arbeidsovereenkomst:** de arbeidsovereenkomst, bedoeld in [titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&titeldeel=10). § 2. Verplichting voor postvervoerbedrijven Artikel 2 Met ingang van 1 januari 2018 heeft een postvervoerbedrijf met ten minste 80% van de postbezorgers die voor hem postvervoer verrichten een arbeidsovereenkomst. Artikel 3 Dit besluit is niet van toepassing op een postvervoerbedrijf waaraan ingevolge [artikel 12, derde lid, van het Besluit doorberekening kosten ACM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035712&artikel=12) geen bedrag in rekening wordt gebracht. § 3. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 4 Het [Tijdelijk besluit arbeidsovereenkomst post](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026515) wordt ingetrokken. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2011. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 maart 2011, treedt zij in werking met ingan"},{"i":19416,"b":"Beleidsregel ontheffing gerelateerde voertuigdocumenten 2016 Gelet op [artikel 48, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=48) en [artikel 149a, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), [artikel 4:83 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83), het [Besluit Voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025554), [artikel 4, vierde lid van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=4), het [Besluit ontheffing verlening exceptioneel vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680) en de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze beleidsregel worden de begripsbepalingen van de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798) overgenomen. Voorts wordt verstaan onder: - a. **ballasttrekker:** een voertuig van de categorie N waarbij uit het kentekenbewijs blijkt dat het voertuig is ingericht voor trekker en vrachtwagen, en waarbij het voertuig minimaal is voorzien van 3 assen, waarvan ten minste 2 assen aangedreven; - b. **buitenlands voertuig:** voertuig waarbij het kenteken van het trekkend motorrijtuig dan wel het getrokken voertuig door een andere staat dan Nederland is afgegeven; - c. **compenserend asstel:** een asstel dat zodanig is geconstrueerd, dat de aslasten een compenserend gedrag vertonen ten opzichte van elkaar; - d. **dieplader:** een open voertuig van de categorie O3 of O4, waarvan het grotendeels verlaagde laadvlak aansluitend en over de gehele breedte moet zijn uitgevoerd, en zich op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte dan wel lager dan de assen boven het wegdek bevindt, maar niet hoger dan 0,70 m, gemeten van wegdek tot bovenkant laadvlak, uitsluitend of hoofdzakelijk ontworpen, gebouwd of gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading; - e"},{"i":17848,"b":"Wet van 24 januari 2018, houdende regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen voor het als uiterste middel verlenen van verplichte zorg op maat aan personen met een psychische stoornis, die aansluiten bij ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg en internationale ontwikkelingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **accommodatie:** bouwkundige voorziening of een deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein van een zorgaanbieder waar zorg wordt verleend; - c. **advocaat:** advocaat als bedoeld in [artikel 9a van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9a); - d. **bestuur van de raad voor rechtsbijstand:** bestuur van de raad voor rechtsbijstand als bedoeld in [hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&hoofdstuk=II); - e. **crisismaatregel:** door de burgemeester opgelegde maatregel als bedoeld in [artikel 7:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&hoofdstuk=7&paragraaf=1&artikel=7:1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) om verplichte zorg te verlenen; - f. **criteria voor verplichte zorg:** criteria als bedoeld in [artikel 3:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&hoofdstuk=3&artikel=3:3&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - g. **doel van verplichte zorg:** doel als bedoeld in [artikel 3:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&hoofdstuk=3&artikel=3:4&z=2025-07-01&g=2025-07-01);"},{"i":17222,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 25 juni 2004, nr. 52932240/4/DTR, Directie Toegang Rechtsbestel/Afdeling Financieel-economische en Bestuurlijke aangelegenheden, houdende aanpassing van het basisbedrag van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Regeling 2004 tot aanpassing van het basisbedrag en de vergoeding voor overige kosten op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000) Gelet op [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3) en [artikel 27, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=27); Besluit: Artikel 1 1. Het basisbedrag, genoemd in het [eerste lid van artikel 3, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3), wordt vastgesteld op € 95,21. 2. De vergoeding, genoemd in [artikel 27, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=27), wordt vastgesteld op € 32,58. 3. De verhoging, genoemd in [artikel 2 van het Besluit van 16 januari 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016294&artikel=II), houdende verhoging per 1 januari 2005 van [artikel 3, eerste lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3), wordt vastgesteld op € 3,66. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2004. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling 2004 tot aanpassing van het basisbedrag en de vergoeding voor overige kosten op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19435,"b":"Besluit van 29 augustus 1990, houdende nadere regels ter uitvoering van artikel 29, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 25 juni 1990, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 21766/690; Gelet op [artikel 29, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=29) (**Stb.** 1989, 300); De Raad van State gehoord (advies van 23 juli 1990, nr. W03.90.0270); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 20 augustus 1990, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 23878/690; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581) (**Stb.** 1989, 300); - b. buitengebruikstelling: de buitengebruikstelling van het voertuig, bedoeld in artikel 28**b** van de wet. Artikel 2 Indien tot het doen overbrengen en tot inbewaringstelling van een voertuig, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet, is overgegaan, maakt de ambtenaar die daartoe is overgegaan daarvan proces-verbaal op. Dit proces-verbaal wordt afgegeven aan degene die met de feitelijke bewaring is belast. Artikel 3 1. Het voertuig wordt door degene die met de feitelijke bewaring is belast teruggegeven aan de rechthebbende nadat de termijn van de buitengebruikstelling is verstreken dan wel nadat het overeenkomstig de artikelen 23, tweede lid, en 25 van de wet verhoogde bedrag is voldaan. In beide gevallen geschiedt de teruggave tegen betaling van de kosten van overbrenging en van de feitelijke duur van de bewaring. 2. Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden begrepen de feitelijk gemaakte kosten, met inbegrip van de kosten, verbonden aan de voorbereiding van de overbrenging. Artikel 4 1. Indien Onze Minister van Justitie en Veiligheid gerechtigd is gebruik te maken van"},{"i":17945,"b":"Wet van 21 november 2002 tot wijziging van de Uitkeringswet gewezen militairen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een modernisering van het diensteindestelsel voor militairen, zoals dat is vastgelegd in de Uitkeringswet gewezen militairen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Uitkeringswet gewezen militairen. Artikel II De [artikelen 1, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540&artikel=1), en [3 van de Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540&artikel=3), zoals deze op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet luidden, blijven op de gewezen militair die op die dag aanspraak had op een uitkering ingevolge die wet van toepassing, totdat de eerste 60 maanden nadat de uitkering is ingegaan zijn verstreken. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en werkt terug tot en met 1 januari 2001. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17952,"b":"Wet van 5 oktober 2016 tot wijziging van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Zorgverzekeringswet (cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de cliënt meer rechten te geven bij elektronische dossiervorming, bij gegevensuitwisseling door zorgaanbieders en bij het opvragen van gegevens; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I [vervallen] Artikel II Wijzigt de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg. Artikel IIa Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens. Artikel III Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel IV Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel V Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel VI Wijzigt de Wet toelating zorginstellingen. Artikel VII Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel VIII Wijzigt de Wijzigingswet Wet marktordening gezondheidszorg, enz. (voorkomen dat zorgverzekeraars zelf zorg verlenen) (Kst. 33362), de Wijzigingswet Wet cliëntenrechten zorg, enz. (voorwaarden voor winstuitkering aanbieders medisch-specialistische zorg) (Kst. 33168), en deze wet. Artikel VIIIa Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IX Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19200,"b":"Regeling van de minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de minister van Veiligheid en Justitie, de minister van Financiën en de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 10 februari 2011, nr. DJZ/BR/0085-11, houdende uitbreiding van de werkingssfeer van sanctieregelingen tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Sanctieregeling BES) In overeenstemming met de minister van Veiligheid en Justitie, de minister van Financiën en de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3), in samenhang met de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=14) en [14a van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=14a); Besluit: Artikel 1 1. Het bepaalde krachtens de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3) is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2. Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat bindende EU-rechtshandelingen waarnaar een bepaling krachtens de [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296) verwijst, van overeenkomstige toepassing zijn in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Sanctieregeling BES. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling wordt met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":17508,"b":"Regeling verplichte aanlevering minimale dataset (mds) medisch-specialistische zorg Ingevolge de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36) en [62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), juncto [63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=63), [65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=65), en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de aanlevering van gegevens zoals de minimale dataset (mds) medisch-specialistische zorg. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **add-on:** Een overig zorgproduct (ozp), dat uiteenvalt in vier categorieën: - –. zorg op de intensive care (ic), uitgedrukt in zorgactiviteiten en behorend bij een dbc-zorgproduct (add-on ic); - –. een limitatief aantal geneesmiddelen (niet zijnde diagnostica) en stollingsfactoren, elk gekoppeld aan een ZI-nummer (add-ongeneesmiddelen en ozp-stollingsfactoren); - –. een aantal specifieke prestaties met aanvullende voorwaarden (add-on overig); - –. een facultatieve prestatie voor medisch-specialistische zorg behorend bij een dbc-zorgproduct (add-on facultatieve prestatie). - **dbc-informatiesysteem (DIS):** Digitale databank die informatie ontvangt en beheert over dbc-zorgproducten en overige zorgproducten, waaronder de informatie die op grond van deze regeling moet worden aangeleverd. - **dbc-zorgproduct:** Een declarabele prestatie die via de beslisboom is afgeleid uit een subtraject met een combinatie van diagnosetypering, zorgvraagtypering en zorgactiviteiten (diagnose-behandelcombinatie (dbc)). - **declaratiedataset:** De verzameling van gegevens die nodig is om de geleverde zorg af te leiden uit de grouper. - **hoofddiagnose ICD-10:** De ziekte of aandoening die aan het einde van een subtra"},{"i":16945,"b":"Besluit van 24 maart 1951, tot verhoging van de uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht met een toeslag Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Oorlog en van Marine van 15 Februari 1951, Directoraat Personeel, Afdeling B 4, no. 187319; Overwegende: dat het wenselijk is de uitkeringen, verleend en te verlenen krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht (**Staatsblad** 1948, No. I 543), met een toeslag te verhogen; De Raad van State gehoord (advies van 27 Februari 1951, No. 27); Gezien het nader gemeenschappelijk rapport van Onze voornoemde Ministers van 21 Maart 1951, Directoraat Personeel, Afdeling B 4, No. 195574; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De uitkeringen, welke zijn of worden verleend krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht, **Staatsblad** 1948 I 543, worden: - a. voor zover het recht op de uitkering op 1 Januari 1950 niet is vervallen en behoudens het bepaalde in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002073&artikel=2&z=1952-04-24&g=1952-04-24), over het tijdvak 1 Januari 1950 of van het later tijdstip in dat jaar, waarop zij zijn ingegaan of zullen ingaan, tot en met 31 December 1950 ambtshalve verhoogd met een toeslag van f 50,- per jaar; - b. voor zover het recht op de uitkering op 1 Januari 1951 niet is vervallen en behoudens het bepaalde bij [artikel 2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002073&artikel=2&z=1952-04-24&g=1952-04-24), te rekenen van 1 Januari 1951 of van het later tijdstip, waarop zij zijn ingegaan of zullen ingaan, ambtshalve verhoogd met een toeslag, overeenkomstig het bepaalde bij het tweede lid. 2. De in het eerste lid onder **b** bedoelde toeslag bedraagt per jaar, voor uitkeringen: - a. tot f 251,- per jaar, 30 % van het bedrag der uitkering; - b. van f 251,- tot f 376,- per jaar, f 75,-; - c. van f 376,- tot f 751,- per jaar, 20 % van het bedrag der"},{"i":18892,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 29 december 2025 nr. BOACAT2025/211, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Limburg Gelezen het verzoek van regionale eenheid Limburg van 22 december 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052183&artikel=2&z=2026-03-03&g=2026-03-03). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen: - 1. de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Limburg. - 2. de vrijwillig ambtenaren van politie bedoeld in [artikel 2, o"},{"i":19138,"b":"Richtlijn voor strafvordering lasterlijke aanklacht Beschrijving Deze richtlijn ziet op het delict lasterlijke aanklacht, zoals bedoeld in [art. 268 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=268). Indien er sprake is van de toepassing van dwangmiddelen dient dit als strafverzwarende omstandigheid mee te wegen in de beoordeling. Eventuele discriminatoire aspecten dienen strafverzwarend te worden beoordeeld. Basisdelicten – Lasterlijke aanklacht Wettekst – Lasterlijke aanklacht Lasterlijke aanklacht – [Wetboek van Strafrecht art. 268](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=268) Basisdelict Lasterlijke aanklacht Lasterlijke aanklacht, zoals bedoeld in [art. 268 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=268). Aanwijzing Kader voor strafvordering 20 punten Indien van toepassing: afhankelijk van beleid van het parket Toepassing dwangmiddelen Medeplegen **(DV) + dagvaarden** **(TS) + in beginsel taakstraf** Medeplichtigheid **(NH) + naast hogere sanctie** **(DV) + dagvaarden** Geen **Indien sprake is van recidive volgens beoordelingsfactor 3.01.59 of beoordelingsfactor 3.04.04 dient bepaald te worden of het delict een contraindicatie voor een taakstraf heeft op grond van art 22b lid 2 WvSr.** **(CKT) + contra-indicatie kale taakstraf** Geen Geen Aard van de richtlijn Basisdelict"},{"i":19343,"b":"Wet van 15 november 2012 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) te wijzigen in verband met de aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring, te weten het schrappen van de verjaring van het recht tot strafvordering voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld alsmede voor enkele ernstige zedenmisdrijven voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Deze wet is van toepassing op feiten die zijn gepleegd voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, tenzij deze feiten zijn verjaard. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17473,"b":"Regeling transitie bekostigingsstructuur medisch specialistische zorg Gelet op [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36) en de [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) jo. [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), heeft de Nederlandse Zorgautoriteit de volgende regeling vastgesteld. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op de navolgende instellingen voor medisch specialistische zorg: - 1. Algemene ziekenhuizen en universitaire medische centra; - 2. Zelfstandige Dialysecentra; - 3. Zelfstandige Radiotherapeutische centra; - 4. Zelfstandige Revalidatiecentra; - 5. Zelfstandige longrevalidatie-instellingen (sanatoria); - 6. Zelfstandige epilepsiecentra. Deze regeling is eveneens van toepassing op instellingen die zijn toegelaten als: - 7. Zelfstandig Audiologisch centrum; - 8. Centrum voor erfelijkheidsadvisering. Artikel 2. Doel Deze regeling heeft tot doel het waarborgen van een effectieve procedure op het gebied van de administratie en aanlevering van omzetgegevens gedurende de tweejarige transitieperiode waarin instellingen, op de wijze als beschreven in de beleidsregel, de overstap maken van budgetfinanciering naar prestatiebekostiging. Het belang van deze administratie en aanlevering ligt in het door de NZa correct kunnen vaststellen van het transitiebedrag en het verrekenbedrag 2012 en 2013. Met het oog hierop zijn in deze regeling voorschriften opgenomen op het gebied van de hiervoor genoemde administratie en aanlevering van omzetgegevens. Artikel 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **instelling:** instellingen voor medisch specialistische zorg als bedoeld in [artikel 1.2, onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=1.2), en voor zover genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035464&artikel=1&z=20"},{"i":19344,"b":"Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) te wijzigen in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Deze wet heeft geen gevolgen voor feiten die zijn begaan voor de inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19146,"b":"Richtlijn voor strafvordering mobiel banditisme Beschrijving Mobiel banditisme is in essentie een verschijningsvorm van internationaal georganiseerde vermogenscriminaliteit. De daders zijn slechts tijdelijk in een land, hebben geen binding met het land en gaan professioneel en planmatig te werk bij hun enige doel: het (veelvuldig) plegen van vermogens-, fraude- of oplichtingsdelicten in het gastland. Dit heeft grote gevolgen voor de slachtoffers en veroorzaakt grote economische schade. Hierin onderscheidt mobiel banditisme zich van de reguliere plegers van voornoemde delicten. Het is dan ook vanuit het oogpunt van normhandhaving en generale preventie cruciaal dat vanuit de strafmaat een krachtig signaal uitgaat dat deze vorm van criminaliteit door de Nederlandse samenleving zwaar wordt aangerekend. Het Openbaar Ministerie ziet daarom in beginsel geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf of werkstraf te vorderen. De vordering tot gevangenisstraf zal waar mogelijk vergezeld gaan van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Op Europees niveau wordt mobiel banditisme als in het algemeen gedefinieerd: ‘een mobiele (rondtrekkende) dadergroep is een vereniging van daders die zich stelselmatig verrijken door middel van vermogenscriminaliteit of fraude (met name winkel- en ladingdiefstal, diefstallen uit woningen en bedrijven, diefstallen van en uit auto’s, oplichting, skimming en zakkenrollerij), binnen een breed gebied waarin ze activiteiten uitvoeren en die internationaal actief zijn’ (Raad van de Europese Unie, 5 november 2010). De uiterlijke verschijningsvormen van mobiel banditsime zijn zeer divers en de criminele doelstelling kan het beste aangetoond worden aan de hand van objectieve indicatoren. Om de kwalificatie ’mobiel banditisme’ redelijkerwijs te gebruiken als strafverzwarende omstandigheid, dient getoetst te worden aan onderstaande indicatoren, waarbij indicatoren 1, 2 en 3 altijd van toepassing dienen te zijn en daarnaast in"},{"i":19421,"b":"Besluit aandachtspunten voor de accountantscontrole Dienst Wegverkeer Gelet op [artikel 4t, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4t); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2. Aandachtspunten voor de accountantscontrole 1. De volgende elementen zijn aandachtspunten voor de accountantscontrole: - a. de wijze van toepassing van het in [artikel 4y van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4y) bedoelde [Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006836); - b. beoordeling van de toepassing van de uitgangspunten van het door de dienst gehanteerde kostprijscalculatiemodel; - c. beoordeling van de door de dienst gehanteerde kostprijscalculatie in relatie tot de gehanteerde waarderingsgrondslagen; - d. beoordeling van de mate van kruissubsidiëring tussen de vastgestelde tarifieerbare produkten zoals opgenomen als bijlage 20 bij de Gemeenschappelijke Verklaring ter gelegenheid van de verzelfstandiging van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, alsmede tussen het geheel van de in voornoemde bijlage bedoelde produkten en het geheel van de in artikel 2 van bijlage 7 van voornoemde verklaring bedoelde produkten; - e. beoordeling van de toepassing van het bepaalde in het [besluit Departementale uitgangspunten tarievenbeleid Dienst Wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008146). 2. De dienst draagt er zorg voor dat naast de accountantscontrole - a. een onafhankelijke deskundige een oordeel zal uitspreken over het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde element, en - b. de in [artikel 4s, vierde lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4s), bedoelde externe accountant tevens een oordeel zal uitspreken over de in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, bedoelde elementen. Artikel 3. Informatie-uitwisseling De dienst stelt jaarlijks, tesamen"},{"i":19206,"b":"Regeling van 24 februari 2003, betreffende uitvoering van de Kimberleyprocescertificering ten aanzien van ruwe diamant Gelet op [Verordening (EG) nr. 2368/2002](32002R2368) van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2002 tot uitvoering van de Kimberleyprocescertificering voor de internationale handel in ruwe diamant (Pb EG L 358); Gelet op [Verordening (EG) nr. 254/2003](32003R0254) van de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2003 tot wijziging van [Verordening (EG) nr. 2368/2002](32002R2368) tot uitvoering van de Kimberleyprocescertificering voor de internationale handel in ruwe diamant (Pb EG L 36); Gelet op [Verordening (EG) nr. 257/2003](32003R0257) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 11 februari 2003 tot wijziging van [Verordening (EG) nr. 2368/2002](32002R2368) van de Raad tot uitvoering van de Kimberleyprocescertificering voor de internationale handel in ruwe diamant (Pb EG L 36); Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, artikel 11, en artikel 24, tweede lid, van [Verordening (EG) nr. 2368/2002](32002R2368) van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2002 tot uitvoering van de Kimberleyprocescertificering voor de internationale handel in ruwe diamant (Pb EG L 358). 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 11 van [Verordening (EG) nr. 2368/2002](32002R2368) is niet van toepassing in geval toepassing is gegeven aan artikel 18 van de verordening. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Sanctieregeling conflictdiamanten 2003. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17223,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 10 maart 2014, kenmerk 331490-117789- MC, houdende aanwijzing van de instantie voor het aanleveren van informatie over de kwaliteit van verleende zorg Gelet op [artikel 66d, derde lid van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=66d); Besluit: Artikel 1 Als instantie, bedoeld in [artikel 66d, derde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=66d) wordt aangewezen het Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2014. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanleveren kwaliteitsinformatie Zorginstituut Nederland. De regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19387,"b":"Wet van 15 januari 1998 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering betreffende het aanhangig maken van de zaak en de regeling van het onderzoek ter terechtzitting (herziening onderzoek ter terechtzitting) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut!, doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) betreffende het aanhangig maken van de zaak en de regeling van het onderzoek ter terechtzitting te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. ARTIKEL II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. ARTIKEL III Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. ARTIKEL IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. ARTIKEL V Deze wet heeft geen gevolgen voor de strafzaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een dagvaarding in eerste aanleg is uitgebracht. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17224,"b":"Regeling aanleveren wachttijden medisch-specialistische zorg Gelet op [artikel 38, leden 4 en 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) en [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van wachttijden en wachttijdbemiddeling voor electieve medisch-specialistische zorg. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Orderdatum behandeling:** datum waarop de instelling, op verzoek van een patiënt of arts, een afspraak maakt voor een behandeling. Wanneer reeds op een eerdere datum is vastgesteld dat een behandeling noodzakelijk is, dan geldt die eerdere datum als orderdatum. - b. **afspraakdatum:** datum, vastgelegd in het digitale agendasysteem van de instelling, waarop een behandeling plaatsvindt. - c. **rekenkundige wachttijd:** het aantal kalenderdagen tussen de orderdatum en de afspraakdatum. - d. **waarnemingen:** het aantal waargenomen rekenkundige wachttijden voor een behandeling op de peildatum. - e. **peildatum:** datum waarop een instelling per specialisme of subspecialisme de wachttijden voor behandeling, polikliniekbezoek of diagnostiek op de in deze regeling voorgeschreven wijze bepaalt en aanlevert. - f. **wachttijd behandeling:** mediaan, uitgedrukt in kalenderdagen, van het totaal aantal rekenkundige wachttijden per behandeling op de peildatum. - g. **wachttijd polikliniek, respectievelijk diagnostiek:** het aantal kalenderdagen tussen de peildatum en de datum die de derde mogelijkheid in het digitale agendasysteem van de instelling weergeeft waarop een patiënt voor polikliniekbezoek of diagnostiek terecht kan. - h. **polikliniekbezoek:** contactmoment, fysiek (‘face to face’), digitaal (‘screen to screen’), telefonisch of schriftelijk, tussen patiënt en poortspecialist, SEH-ar"},{"i":17941,"b":"Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met de modernisering van de monumentenzorg Artikel I Wijzigt de Monumentenwet 1988. Artikel II Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel III 1. Aanvragen om een aanwijzing als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471&artikel=3), zoals dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet alsmede bezwaar- en beroepschriften tegen een besluit op grond van deze aanvragen, worden afgehandeld overeenkomstig de [Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471), zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 2. Aanvragen om een omgevingsvergunning die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1) die ingediend zijn voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet worden afgehandeld overeenkomstig de [Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779), zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel IV Wijzigt de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel V 1. De artikelen van deze wet, met uitzondering van [artikel II, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030189&artikel=II&z=2012-01-01&g=2012-01-01), treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. [Artikel II, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030189&artikel=II&z=2012-01-01&g=2012-01-01), treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dez"},{"i":17225,"b":"Regeling aanlevering informatie productiedata medisch-specialistische zorg – TH/NR-029 Gelet op de [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg) is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels inhoudende welke gegevens en inlichtingen regelmatig moeten worden verstrekt dan wel onder welke omstandigheden deze moeten worden verstrekt door zorgaanbieders, en is de NZa bevoegd tot het stellen van regels die inhouden door wie, aan wie en op welke wijze deze gegevens en inlichtingen moeten worden verstrekt. Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Dbc:** diagnose-behandelcombinatie: Declarabele prestatie, die het resultaat is van (een deel van) het totale zorgtraject van de diagnose die de zorgaanbieder stelt tot en met de (eventuele) behandeling die hieruit volgt; - b. **Instelling:** Rechtspersoon die bedrijfsmatig zorg verleent of doet verlenen, organisatorisch verband van natuurlijke personen die bedrijfsmatig zorg verlenen of doen verlenen met uitzondering van een instelling die binnen het kader van de binnen een andere instelling verleende zorg een deel van die zorg verleent; - c. **Medisch-specialistische zorg:** Bij ministeriële regeling aangewezen zorg die door een arts wordt verleend en valt binnen de bijzondere deskundigheid van artsen aan wie de bevoegdheid toekomt tot het voeren van een wettelijk erkende specialistentitel als bedoeld in [artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); - d. **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit; - e. **Stichting DHD:** Stichting Dutch Hospital Data; - f. **Wmg:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - g. **Zorgactiviteit:** Bouwstenen van het dbc-zorgproduct die gezamenlijk het profiel van een dbc-z"},{"i":18643,"b":"Wet van 25 mei 2016 tot wijziging van de Politiewet 2012 in verband met de inbedding van de Politieacademie in het nieuwe politiebestel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is tot een nauwere aansluiting van het politieonderwijs en de onderzoeks- en kennisfunctie over de politie en de politietaak op de organisatie van het landelijk politiekorps te komen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Politiewet 2012. Artikel II Wijzigt de Wet veiligheidsregio’s. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV a. De rechtspersoon Landelijk selectie- en opleidingsinstituut, Politie onderwijs- en kenniscentrum wordt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangeduid als Politieacademie en berust op [artikel 73, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=73). - 1. Alle rechten en verplichtingen van het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut, Politie onderwijs- en kenniscentrum, met uitzondering van € 250.000,–, gaan met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel over op het landelijk politiekorps, bedoeld in [artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25) zonder dat daarvoor een akte of betekening wordt gevorderd. - 2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie doet van de rechten en verplichtingen die overgaan naar het landelijke politiekorps door een accountant als bedoeld in [artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393) een verklaring opstellen, die door de politie wordt neergelegd ten kantore van het handelsregister van de plaats waar zij haar zetel heeft. - 3. Met betrekkin"},{"i":17227,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juni 2015, kenmerk 776212-137548-MC, houdende aanpassing toetsing beschikbaarheidbijdrage SEH en AV Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 25 mei 2012 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 32 393, nr. 16) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gezien het verslag 29 juni 2012 van een schriftelijk overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/2012, 32 393, nr. 21); EN Gelet op de brief Curatieve zorg in krimpregio’s van 6 maart 2015 (Kamerstukken II, 2014/15, 29 247, nr. 200); Gezien het advies van de Nederlandse Zorgautoriteit van 3 februari 2015 over de beschikbaarheidbijdrage voor Spoedeisende Hulp SEH en Acute verloskunde (Bijlage bij Kamerstukken II 2014/15, 29 247, nr. 200); Gelet op het Verslag van een mondeling overleg dat met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Eerste Kamer op 10 maart 2015 is gevoerd (Kamerstukken I 2014/15, 33 253, Q); Na in de brief van 28 april 2015 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) inzake het voornemen de Nederlandse Zorgautoriteit een aanwijzing te geven tot aanpassing van de toetsing voor het verlenen en vaststellen van een beschikbaarheidbijdrage voor spoedeisende hulp en acute verloskunde (Kamerstukken II 2014/15, 29 247, nr. 209); Gelet op de Commissiebrief Eerste Kamer van 7 mei 2015 inzake de visie curatieve zorg in krimpregio’s en motie-Flierman (Kamerstukken I 2014/15, 33 253, R) en de Korte aantekeningen vergadering commissie Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van de Ee"},{"i":18607,"b":"Wet van 30 april 1940, tot herziening van de wet van 30 april 1815, no. 5, Stb. 33, houdende instelling van de Militaire Willems-Orde Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat de bij de Wet van 30 April 1815, No. 5 (**Staatsblad** No. 33*) ingestelde **Militaire Willems-Orde** bijzonder geschikt is gebleken, zoo tot aankweeking van krijgshaftige deugden als tot vereerende belooning van hen, die zich in den strijd door uitstekende daden van moed, beleid en trouw in bijzondere mate hebben gekweten van op hen rustende plichten; dat het evenwel noodzakelijk is gebleken de bestaande wet, met handhaving van haar beginselen, te herzien; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een Orde, strekkende tot belooning van militairen, in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden, die zich in den strijd door het bedrijven van uitstekende daden van moed, beleid en trouw, hebben onderscheiden. 2. In bijzondere gevallen kunnen ook niet-militaire Nederlandsche onderdanen alsmede vreemdelingen, die zich door zoodanige daden hebben onderscheiden, in de Orde worden opgenomen. Artikel 2 De Orde draagt den naam van Militaire Willems-Orde. Artikel 3 Het Grootmeesterschap van de Orde is onafscheidelijk aan de Kroon der Nederlanden verbonden. Artikel 4 1. De Orde bestaat uit vier klassen. De ridders der 1e klasse dragen den titel van Ridder-Grootkruis, die der 2e klasse dien van Commandeur, die der 3e klasse en die der 4e klasse dien van ridder. 2. Waar in deze wet van \"ridders der Militaire Willems-Orde\", zonder aanduiding van klasse, wordt gesproken, worden daarmede de ridders van alle klassen aangeduid. Artikel 5 Alle benoemingen en bevorderingen in de Orde geschieden door Ons. Artikel 6 1. Het Ordeteeken bestaat uit een wit geëmailleerd kruis, gedekt door een Koninklijke kroon"},{"i":17228,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 december 2010, nr. Z/VV-3038488, houdende regels voor de toepassing van het Besluit van 22 december 2010 houdende regels voor een zorgverzekering voor de bevolking van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling aanspraken zorgverzekering BES) Gelet op de [artikelen 6, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404&artikel=6), [8, vierde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404&artikel=8), [10, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404&artikel=10) en [18 van het Besluit zorgverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404&artikel=18); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit zorgverzekering BES in werking treedt. Hoofdstuk 1. Aanspraken als bedoeld in [artikel 6, tweede en derde lid, van het Besluit zorgverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404&artikel=6) § 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **specialist:** een arts die bevoegd is tot uitoefening van het desbetreffende specialisme; - c. **tandarts-specialist:** een persoon die bevoegd is tot het verlenen van tandheelkundig-specialistische zorg; - d. **huisarts:** een arts die bevoegd is tot uitoefening van de huisartsengeneeskunde; - e. **paramedicus:** een persoon die bevoegd is tot het verlenen van paramedische zorg; - f. **verloskundige:** een persoon die bevoegd is tot het verlenen van verloskundige zorg; - g. **psycholoog:** een persoon die bevoegd tot het verlenen van psychologische zorg; - h. **het besluit:** het [Besluit zorgverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404); - i. **BES-eilanden:** de eilanden bedoeld in [artikel 1, onderdeel k, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404&artikel=1); - j. **Zorgverzekeringskantoor BES:** Zorgverzekeringskantoor BES"},{"i":18644,"b":"Wet van 7 juni 2023 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Paspoortwet alsmede intrekking van voorbehouden bij het Verdrag betreffende de status van staatlozen in verband met de vaststelling van staatloosheid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat vanwege de instelling van een vaststellingsprocedure voor staatloosheid in het Europees deel van het Koninkrijk, het nodig is enige Rijkswetten hierop aan te passen en dat enige voorbehouden bij het Verdrag betreffende de status van staatlozen kunnen worden ingetrokken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Rijkswet op het Nederlanderschap. Artikel II Wijzigt de Paspoortwet. Artikel III Voor het gehele Koninkrijk wordt goedgekeurd dat het voorbehoud, dat betrekking heeft op artikel 8 van het op 28 september 1954 te New York tot stand gekomen Verdrag betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42), dat bij de bekrachtiging van dat Verdrag is gemaakt overeenkomstig artikel 2 van de Rijkswet tot goedkeuring van dat verdrag (Stb. 1961, 468), wordt ingetrokken. Artikel IV Voor het gehele Koninkrijk wordt goedgekeurd dat het voorbehoud, dat betrekking heeft op artikel 26 van het op 28 september 1954 te New York tot stand gekomen Verdrag betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42), dat bij de bekrachtiging van dat Verdrag is gemaakt overeenkomstig artikel 3 van de Rijkswet tot goedkeuring van dat verdrag (Stb. 1961, 468), wordt ingetrokken. Artikel V Verzoeken respectievelijk aanvragen en bezwaar- en beroepschriften met betrekking tot optie, naturalisatie respectievelijk paspoorten, die zijn ingediend voor het moment van inwerkingtreding van deze wet, worden be"},{"i":17474,"b":"Regeling transparantie contracteerproces Wlz **Grondslag** Gelet op [artikel 45 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=45) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van transparantie rondom het contracteerproces. 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 2. Doel van de regeling Deze regeling beoogt: 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op Wlz-uitvoerders die de Wlz uitvoeren voor hun verzekerden en op Wlz-uitvoerders in hun functie als zorgkantoor. Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die op grond van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) (WTZi) zijn toegelaten voor één of meer van de zorgvormen persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, behandeling of verblijf als bedoeld in de Wlz en die zorg of een dienst leveren als omschreven bij of krachtens de Wlz. Deze regeling is tevens van toepassing op een natuurlijk persoon, indien en voor zover deze persoon één of meer van de navolgende vormen van zorg levert: persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en behandeling als bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1). Deze regeling is voor wat betreft de prestatie huishoudelijke hulp tevens van toepassing op zorgaanbieders voor zover zij een dienst leveren als bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1), aan cliënten met een modulair pakket thuis (mpt).1Onder voorbehoud van een toekomstige wetswijziging waarbij de Wet langdurige zorg met terugwerkende kracht tot en met (ten minste) 1 april 2017 wordt gewijzigd in die zin dat de aanspraak schoonmaak als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wlz, wordt aangepast naar huishoudelijke hulp. Deze regeling is voor"},{"i":17849,"b":"Wet van 5 juni 2024 tot wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de participatieverordening en het uitdaagrecht van inwoners en maatschappelijke partijen (Wet versterking participatie op decentraal niveau) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor de versterking van participatie op decentraal niveau wenselijk is de inspraakverordening te verbreden naar een participatieverordening en het uitdaagrecht voor ingezetenen en maatschappelijke partijen te verankeren in de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416), de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645), de [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108) en de [Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II Wijzigt de Provinciewet. Artikel III Wijzigt de Waterschapswet. Artikel IV Wijzigt de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V Een verordening als bedoeld in [artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=150), [147, eerste lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147), [79, eerste lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=79) of [154 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=154) die gold voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, behoudt haar rechtskracht tot uiterlijk twee jaar na dat tijdst"},{"i":19436,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 26 januari 2024 nr. BOACAT2024/008, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Landelijk Intelligence-en expertisecentrum Voertuigcriminaliteit Gelezen het verzoek van de Landelijk Intelligence-en expertisecentrum Voertuigcriminaliteit van 23 januari 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049332&artikel=2&z=2025-02-19&g=2025-02-19). Artikel 2 1. De personen, werkzaam in de functie Data-sciëntist Operationeel analist, Specialist, Forensisch Voertuigonderzoeker en Medewerker documentonderzoek in dienst van het Landelijk Intelligence- en expertisecentrum, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. 2. De personen, werkzaam in de functie medewerker Intake & Service in dienst van het Landelijk Intelligence-en expertisecentrum Voertuigcriminaliteit, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoo"},{"i":19013,"b":"Huishoudelijk reglement penitentiaire inrichtingen BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland. § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In.deze regeling wordt verstaan onder: - a. gesticht: de huizen van bewaring en de gevangenissen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. directeur: de lokatie-directeur van een gesticht en bij diens afwezigheid, degene die hem vervangt; - c. gedetineerde: de persoon ingesloten in een gesticht. 2. Deze regeling berust op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=13), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=19), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=21), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=26), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=28), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=29), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=38) en [39 van de Wet beginselen gevangeniswezen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=39) en de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028513&artikel=4), [4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028513&artikel=4a) en [19 van de Gevangenismaatregel 1999 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028513&artikel=19). § 2. De opneming van een gedetineerde in het gesticht. Artikel 2 De opneming van gedetineerden in een gesticht kan te allen tijde geschieden met dien verstande dat zij slechts bij uitzondering naar een gesticht overgebracht zullen worden voor 8.00 uur en na 22.00 uur. Artikel 3 1. Na binnenkomst van een gedetineerde doet de directeur de bescheiden of last tot insluiting onverwijld onderzoeken. 2. Zijn de documenten in orde bevonden dan wordt de gedetineerde ingeschreven in het gedetineerdenregister. 3. In het gedetineerdenregister wordt tevens aantekening gemaakt van de door de gedetineerde opgegeven per"},{"i":17475,"b":"Regeling transparantie zorgaanbieders casemanagement dementie Gelet op [artikel 38, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38), juncto vierde lid en [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de informatievoorziening door zorgaanbieders. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **casemanagement dementie:** casemanagement dementie, zoals omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), de nadere duiding van casemanagement door het Zorginstituut en de Zorgstandaard dementie. - **zorgaanbieder:** - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°. - **peildatum zorgaanbieders:** de datum waarop de informatie van de zorgaanbieders betrekking heeft. Er is in één kalenderjaar vier keer een peildatum: 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober. Wanneer de peildatum op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag (conform de [Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448)) eindigt, wordt deze verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. - **Dementienetwerk:** een Dementienetwerk is een regionaal samenwerkingsverband van onder andere zorgaanbieders met het doel om gezamenlijk de zorg voor mensen me"},{"i":17229,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 22 februari 2022, nr. PO/FenV/31402895, houdende regels voor het verstrekken van bijzondere en aanvullende bekostiging voor het voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs in verband met de aanpak van jeugdwerkloosheid als gevolg van de coronacrisis voor 2022 (Regeling bijzondere en aanvullende bekostiging voor aanpak jeugdwerkloosheid als gevolg van de coronacrisis 2022) Gelet op [artikel 120, eerste en vierde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=120), [artikel 82, eerste en tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=82) en [artikel 2.2.3, derde en vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvullende bekostiging praktijkonderwijs:** aanvullende bekostiging als bedoeld in [artikel 5.9, eerste lid, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9) of aanvullende middelen als bedoeld in [artikel 2.2.3, eerste lid, onderdeel b, van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); - **aanvullende bekostiging voortgezet speciaal onderwijs:** aanvullende bekostiging als bedoeld in [artikel 117, eerste lid, van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117); - **arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel:** uitstroomprofiel als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=14); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **school voor praktijkonderwijs:** school voor praktijkonderwijs als bedoeld in [artikel"},{"i":18893,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 12 augustus 2025 nr. BOACAT2025/158, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Limburg, afdeling meldkamer Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Limburg van 31 juli 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051393&artikel=2&z=2025-08-20&g=2025-08-20). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2) en die werkzaam zijn in de functie van generalist meldkamer, senior meldkamer en operationeel expert meldkamer die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Limburg. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenom"},{"i":19139,"b":"Richtlijn voor strafvordering luchtvaartwet- en regelgeving Samenvatting Deze strafvorderingsrichtlijn bevat aanwijzingen voor de sanctietoepassing en het transactie- en requireerbeleid in luchtvaartzaken 1. Achtergrond Er bestaat al sinds 1996 transactiebeleid in luchtvaartzaken.1**Strct.**1996, 137, p. 12. De strafvorderingsrichtlijn waarin dit beleid was vervat, hanteerde een feitcodesysteem voor lichtere luchtvaartfeiten. Gaandeweg is dit systeem losgelaten omdat de feitcodes in de praktijk niet werden gebruikt. Er werden bovendien zwaardere feiten aan de richtlijn toegevoegd. Het onderscheid met de strafvorderingsrichtlijn die sinds 2.000 bestaat voor het zogenaamde vliegen onder invloed, is daarom niet meer relevant. Daar komt bij dat beide strafvorderingsrichtlijnen weinig aandacht besteden aan Europese regelgeving. Het toepassingsgebied van de Basisverordening (Bv)2[Verordening (EU) 2018/1139](33039R2018) het Europees parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 2111/2005](32005R2111), [(EG) nr. 1008/2008](32008R1008), (EU) [nr. 996/2010](32010R0996), (EU) [nr. 376/2014](32014R0376) en de Richtlijnen [2014/30](31930R2014)/EU en [2014/53](31953R2014)/EU van het Europees parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen [(EG) nr. 552/2004](32004R0552) en [(EG) nr. 216/2008](32008R0216) van het Europees parlement en de Raad en [Verordening (EEG) nr. 3922/91](31991R3922) van de Raad. is in de loop der jaren uitgebreid, wat ertoe heeft geleid dat meer Europese voorschriften zijn aangewezen als voorschriften waarvan de overtreding een strafbaar feit oplevert. Zo strekt het toepassingsgebied van de Basisverordening zich tegenwoordig ook uit tot vluchten met onbemande luchtvaartuigen (drones). Het voorgaande is aanleiding geweest om de bestaande strafvord"},{"i":19140,"b":"Richtlijn voor strafvordering meineed Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op meineed. Meineed wordt ook wel omschreven als ‘in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling of schriftelijk, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen’. Meineed ten overstaan van een rechter ondermijnt de waarheidsvinding in een rechtsstaat, hetgeen direct en in ernstige mate het algemeen belang raakt. Om die reden is het uitgangspunt dat onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt geëist. Indien meineed is begaan in een strafzaak terwijl de afgelegde verklaring in het nadeel is van de verdachte, is een zwaardere sanctie geïndiceerd (strafmaximum gaat dan van 6 naar 9 jaar, zie [art. 207, lid 2 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=207)). Basiscasus/delict Een bij de rechter-commissaris of op de terechtzitting door een getuige afgelegde valse verklaring. Legenda Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](onbekend)."},{"i":19201,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 juli 2024, nr. BZ2403605, houdende beperkende maatregelen ten aanzien van de Russische Federatie (Sanctieregeling binnenlandse repressie Russische Federatie 2024) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [Verordening (EU) 2024/1485](32024R1485) van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2024 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Rusland (PbEU L 2024/1485) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder **Verordening (EU) 2024/1485**: [Verordening (EU) 2024/1485](32024R1485) van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2024 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Rusland (PbEU L 2024/1485). Artikel 2 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste lid, 4, 5, eerste lid, 6, eerste en tweede lid, 12, eerste lid, en 13, eerste en tweede lid, van [Verordening (EU) 2024/1485](32024R1485). 2. Een verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 2, tweede, derde of vijfde lid, artikel 3, eerste of vierde lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, tweede lid, artikel 7, eerste lid, artikel 8, eerste lid, artikel 9, eerste lid, artikel 10, eerste lid, of artikel 11 van [Verordening (EU) 2024/1485](32024R1485) van toepassing is. Artikel 3 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 7, eerste lid, 8, eerste en tweede lid, 9, eerste lid, 10, eerste lid, 11, eerste lid, 12, eerste lid, van [Verordening (EU) 2024/1485](3"},{"i":17850,"b":"Wet van 23 december 2015 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 met het oog op een vrijstelling van bepaalde periodieke uitkeringen aan specifieke groepen oorlogsslachtoffers (Wet vrijstelling uitkeringen Artikel 2-Fonds) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de uitkeringen ingevolge het zogenoemde Artikel 2-Fonds vrij te stellen van inkomstenbelasting en daarmee voorts de mogelijke gevolgen van die uitkeringen voor de inkomensafhankelijke regelingen weg te nemen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit kan worden bepaald dat deze wet terugwerkt tot en met 1 januari 2016. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet vrijstelling uitkeringen Artikel 2-Fonds. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17230,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 februari 2017, kenmerk 1091797-161020-WJZ, houdende het opdragen van aanvullende taken aan de zorgautoriteit (Regeling aanvullende taken zorgautoriteit) Gelet op [artikel 16, onderdeel i, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan de zorgautoriteit wordt opgedragen: - a. het in ontvangst nemen van de gegevens en inlichtingen, betreffende feiten en omstandigheden met betrekking tot de uitvoering van de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) of de [Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) die mogelijk niet in overeenstemming zijn met het bij of krachtens de wet bepaalde bij het meldpunt, bedoeld in [artikel 74 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=74); - b. het registreren van die gegevens en inlichtingen; - c. het bijwerken, samenbrengen en het met elkaar in verband brengen van die gegevens en inlichtingen, en - d. het doorsturen van die gegevens en inlichtingen aan de gemeente onderscheidenlijk de gemeenten, die het aangaat. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 februari 2017. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvullende taken zorgautoriteit. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17231,"b":"Regeling aanwijzing diploma Ziekenverzorging e.a Gelet op [artikel 107a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=107a), Besluit: Artikel 1 1. Als getuigschrift als bedoeld in [artikel 107a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=107a) worden aangewezen: - a. diploma Ziekenverzorging, afgegeven krachtens de Wet op de ziekenverzorgers en ziekenverzorgsters; - b. diploma middelbaar beroepsonderwijs, sector Dienstverlening en Gezondheidszorg, Afdeling Verpleging, afgegeven krachtens [artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=29) (m.d.g.o.-vp); - c. diploma middelbaar beroepsonderwijs, sector Dienstverlening en Gezondheidszorg, Afdeling Gezondheidszorg, lange opleiding Verzorging, afgegeven krachtens [artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=29) (m.d.g.o.-vz lang); - d. de door de Stichting OVDB Landelijk Orgaan van het Beroepsonderwijs Zorg en Welzijn krachtens de Wet op het leerlingwezen respectievelijk de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs afgegeven diploma’s van Gezinsverzorgende, Verzorgende bij instellingen voor gezinsverzorging, Bejaardenverzorgende, Verzorgende in verzorgingshuizen en Kraamverzorgende. 2. Ten aanzien van de in het vorige lid, onder c en d, genoemde diploma’s geldt de aanwijzing slechts onder de voorwaarde dat de bezitter ervan tevens beschikt over het certificaat voor de deelkwalificatie 304 ’verplegende elementen’, het certificaat 22190, 95530 ‘Ondersteunen bij verpleegtechnische handelingen’ of de deelkwalificatie K0119, 480 ‘Verplegende en verpleegtechnische handelingen’. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 1999. Artikel 3 De"},{"i":19202,"b":"Regeling houdende bepalingen waarmee een aantal sanciemaatregelen tegen de 'Federale Republiek Joegoslavië' (Servië en Montenegro) buiten werking worden gesteld De Minister van Verkeer en Waterstaat, en de Staatssecretaris van Economische Zaken; Overwegende dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 22 september 1994 Resolutie 943 (1994) heeft aanvaard, ingevolge waarvan een aantal sanctiemaatregelen tegen de ‘Federale Republiek Joegoslavië’ (Servië en Montenegro) wordt opgeschort voor een initiële periode van 100 dagen; Gelet op [verordening 2472/94](31994R2472) van de Raad van de Europese Gemeenschap van 10 oktober 1994; Gelet op [artikel 7 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=7) (Stb. 1980, 93); Besluiten: Artikel 1 De artikelen 7, eerste lid en artikel 8 van het Besluit van 28 januari 1993, houdende regels inzake de handel, het niet-financiële dienstverkeer en de luchtvaart met Servië en Montenegro (Sanctiebesluit Servië en Montenegro 1992, Stb. 1993, 64), worden buiten werking gesteld voor zover het de burgerluchtvaart van en naar Belgrado betreft, uitsluitend bestemd voor het vervoer van personen en aan deze personen toebehorende persoonlijke bagage. Artikel 2 Artikel 6a van het Besluit van 28 januari 1993, houdende regels inzake de handel het niet-financiële dienstverkeer en de luchtvaart met Servië en Montenegro (Sanctiebesluit Servië en Montenegro 1992), wordt buiten werking gesteld voor zover het betreft veerdiensten tussen Bar in de ‘Federale Republiek Joegoslavië’ (Servië en Montenegro) en Bari in Italië die uitsluitend personen vervoeren en aan deze personen toebehorende persoonlijke bagage. Artikel 3 Deze regeling kan worden aangehaald als Sanctieregeling buiten werking stelling sanctiemaatregelen Servië en Montenegro 1994. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met toelichting worden geplaa"},{"i":17851,"b":"Wet van 30 september 2015 tot aanpassing van enige arbeidsrechtelijke bepalingen die een belemmering kunnen vormen voor werknemers en ambtenaren die na de AOW-gerechtigde leeftijd willen blijven werken (Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige arbeidsrechtelijke belemmeringen voor het werken na de AOW-gerechtigde leeftijd weg te nemen en tevens het risico op verdringing van nog niet AOW-gerechtigde werknemers en ambtenaren te beperken; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijzigingen van [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II. Wijzigingen van de [Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947) Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel III. Wijzigingen van de Ziektewet Wijzigt de Ziektewet. Artikel IV. Wijziging van de [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638) Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V. Wijziging van de [Wet flexibel werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011173) Wijzigt de Wet flexibel werken. Artikel VI. Wijziging van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel VII. Wijziging van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel VIII. Wijziging van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VIIIa. Overgangsrecht Burgerlijk Wetboek 1. In afwijking van het in de"},{"i":19437,"b":"Besluit van 27 september 1999, houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 46b, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 16 juli 1999, nr. WJB 99/553 M, Centrale Directie Wetgeving, Juridische en Bestuurlijke Zaken; De Raad van State gehoord (advies van 13 augustus 1999, No. W06.99.0415/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 22 september 1999, WJB 99/551 M; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De aanwijzing, opgenomen in artikel 3 van de Regeling melding en reglementering transacties in effecten 1999, wordt goedgekeurd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17528,"b":"Regeling zintuiglijk gehandicaptenzorg **Grondslag** Gelet op de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van registratie-, declaratie, en transparantievoorschriften. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit. - **Wmg:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). - **Zorgaanbieder:** - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°. - **Audit-trail:** Zodanige vastlegging van gegevens dat het spoor van basisgegevens naar eindgegevens en omgekeerd achteraf door een externe accountant of, afhankelijk van de aard van de gegevens door de medisch adviseur, kan worden gevolgd en gecontroleerd. - **Directe behandeltijd:** Tijd waarin een hulpverlener direct in contact staat met de cliënt, een groep cliënten of het cliëntsysteem. Artikel 2. Doel van de regeling In deze regeling legt de NZa regels vast die zorgaanbieders die op grond van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051289&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) onder de reikwijdte van deze regeling vallen in acht moeten nemen bij het leveren van prestaties en tarieven van zintuiglijk gehandicaptenzo"},{"i":17675,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militair Personeel vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 oktober 2005, nr. arc-2005.02633/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Militair Personeel over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19345,"b":"Wet van 1 juli 2010 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (Aanpassingen tbs met voorwaarden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) te wijzigen in verband met enkele verbeteringen met betrekking tot de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Artikel IV Wijzigt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Artikel V Deze wet heeft geen gevolgen voor personen aan wie de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, onherroepelijk is opgelegd. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijke boodschap te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18715,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 januari 2025, nr. 2024-0000941625, tot vaststelling van de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie 2025 Gelet op [artikel 15, zesde lid, van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=15); Besluit: Artikel 1. Boetenormbedragen Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 15, zesde lid, van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=15) worden voor de overtredingen, bedoeld in [artikel 12, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=12), van die wet als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie’ die als [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050711&bijlage=I&z=2025-02-01&g=2025-02-01) bij deze beleidsregel is gevoegd. Artikel 2. Rechtspersoon met recidiverende bestuurder 1. Het boetenormbedrag voor overtreding van de [artikelen 9, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=9), [9f, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=9f), en [9g van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=9g) wordt met 50% verhoogd indien de overtreding is begaan door een rechtspersoon, of daarmee gelijkgestelde, waarvan een bestuurder of wettelijk vertegenwoordiger eerder bestuurder of wettelijk vertegenwoordiger was van een andere rechtspersoon, of daarmee gelijkgestelde, ten aanzien waarvan een overtreding van de [Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054) is gecon"},{"i":17607,"b":"Tariefbeschikking Prestatiebekostiging farmaceutische zorg Nederlandse Zorgautoriteit heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg) **op basis van de beleidsregel:** Prestatiebekostiging farmaceutische zorg (CV-5200-4.0.7.-6) **en gelet op:** [Wmg-artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) jo., [art. 52 lid 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) **besloten:** dat rechtsgeldig **door:** zorgaanbieders die UR-geneesmiddelen ter hand stellen zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder s van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1) of waarop de Wet inzake bloedtransfusie van toepassing is en zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 1, onder c sub 2 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) **aan:** alle ziektekostenverzekeraars en alle (niet-)verzekerden **prestatiebeschrijving en bijbehorend maximumtarief (in euro’s):** maximaal het tarief voor de prestatie terhandstelling van een UR-geneesmiddel zoals omschreven in de bijgevoegde vergoedingenlijst dat ten hoogste de som van (a) de vergoeding voor de dienstverlening van de zorgaanbieder en (b) de vergoeding voor de inkoopkosten van het UR-geneesmiddel is, in rekening kan worden gebracht. Bij contante betaling mag het eindbedrag worden afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 eurocent. De geldigheidsduur van de eerder afgegeven tariefbeschikking 5200-1900-09-3 van 3 april 2009 wordt met de afgifte van deze tariefbeschikking beperkt tot en met 31 december 2009."},{"i":17026,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 16 november 2023, nr. IENW/BSK-2023/326494, houdende vaststelling van het uitkeringsplafond voor de periode tot en met 31 december 2024 in het kader van de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023–2027 Gelet op [artikel 6, derde lid, van de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048944&artikel=6); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023–2027 in werking treedt. Artikel I Het uitkeringsplafond, bedoeld in [artikel 6, derde lid, van de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048944&artikel=6) voor de periode vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van [die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048944) tot en met 31 december 2024 is € 325.220.000,–. Artikel II Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048944&artikel=3) in werking treedt. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19417,"b":"Beleidsregel ontheffingverlening voertuigen met geautomatiseerde functies 2022 Gelet op de [artikelen 48, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=48), en [149a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), [artikel 4:83 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83), [artikel 4 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=4) en [artikel 2a van het Besluit ontheffingverlening exceptioneel vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680&artikel=2a); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Definities 1. De begripsbepalingen van de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798) zijn van toepassing. 2. In aanvulling op het eerste lid wordt voor de toepassing van deze beleidsregel verstaan onder: - a. **nominale system safety test:** een test van het voertuig op een afgesloten terrein, waarbij zonder ingrepen de maximale mogelijkheden van het voertuig onder de minst ideale omstandigheden van de geautomatiseerde functies worden beproefd ten behoeve van de uitvoering van de aangevraagde proef; - b. **proef:** het verkrijgen van ervaring met verder geautomatiseerde functies van voertuigen door middel van ontheffingen als bedoeld in [artikel 2a van het Besluit ontheffingverlening exceptioneel vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680&artikel=2a); - c. **functional safetytest:** het op een afgesloten terrein beoordelen van het voertuig en het gedrag waarbij door ingrepen fouten in het systeem worden gebracht, de risicoanalyses getoetst worden en de mitigerende maatregelen ten behoeve van de uitvoering van de proef gevalideerd worden; - d. **operational design domain ODD:** gebruikerscondities waaronder het geautomatiseerde rijsysteem, of een aspect daarvan specifiek is ontworpen om te functioneren; Deze gebruikerscondities kunnen worden beperkt door de combinatie van omg"},{"i":17933,"b":"Wet van 16 mei 1994, tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (uitkeringspercentage vanaf het derde jaar van de uitkeringsduur en een procedure inzake invaliditeit) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het percentage van 60%, dat geldt met ingang van het derde jaar van de duur van het recht op uitkering als gewezen politieke ambtsdrager, te wijzigen in 70% en voorts enige andere wijzigingen aan te brengen in de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV [Artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=54), zoals dat luidt vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft gelden voor de verrekening ingevolge dat artikel van inkomsten met een uitkering die is toegekend ter zake van een aftreden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19273,"b":"Wet van 27 oktober 2011 tot partiële wijziging van een aantal wetten op het gebied van Veiligheid en Justitie (Verzamelwet Veiligheid en Justitie 2011) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele wetten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie te wijzigen in verband met de aanvulling van omissies en het herstel van fouten van technische aard; Zo is het, dat Wij, de Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet politiegegevens. Artikel II Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens BES. Artikel III Wijzigt de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Artikel IV Wijzigt de Luchtvaartwet BES. Artikel V Wijzigt de Uitleveringswet. Artikel VI Wijzigt de Auteurswet. Artikel VII Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel VIII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel IX Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 1. Artikel X Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel XI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel XII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel XIII Wijzigt de Uitvoeringswet EU-richtlijn 1999/70/EG (raamovereenkomst door het EVV, de UNICE en het CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd). Artikel XIV Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel XV Wijzigt de Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek en Ambtenarenwet ivm verbod tot maken van onderscheid tussen werknemers naar arbeidsduur. Artikel XVI Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel XVII Wijzigt de Faillissementswet. Artikel XVIII Wijzigt de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming. Artikel XIX Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES. Artikel XX Wijzigt de Wet controle op rechtspersonen. Artikel XXI Wijzigt deze wet. Artikel XXIa 1. Wijzigt deze wet. 2. Wijzigt de Invoeri"},{"i":18835,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 30 april 2015, nr. BOACAT2015/013, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Divisie Havenmeester van het Havenbedrijf Amsterdam NV Gelezen het verzoek van de havenmeester van het Havenbedrijf Amsterdam NV van 9 april 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036596&artikel=2&z=2015-09-13&g=2015-09-13). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie Havenbeambte of Inspecteur Gevaarlijke stoffen en Milieu, in dienst van het Havenbedrijf Amsterdam NV en werkzaam bij de Divisie Havenmeester, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II Milieu, welzijn en infrastructuur, van [bijlage A-I van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029447&bijlage=A-I). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde"},{"i":18972,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 november 2025, kenmerk 6859763, inzake het openstellen van de tijdelijke maatregelen in verband met het verlichten van capaciteitsproblemen binnen het gevangeniswezen Gelet op [artikel 33a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010171&artikel=33a); Besluit: Artikel 1 1. Gedurende de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026 kunnen gedetineerden in aanmerking komen voor: - a. re-integratieverlof voor extramurale arbeid, zoals nader geregeld in [hoofdstuk 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010171&hoofdstuk=4a) en in het bijzonder [artikel 33b van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010171&artikel=33b); 2. Reeds verleend re-integratieverlof voor extramurale arbeid blijft voortduren na de in het eerste lid genoemde periode. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19376,"b":"Wet van 31 januari 2018 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en enkele andere strafrechtelijke wetten met het oog op het aanbrengen van enkele hoofdzakelijk procedurele verbeteringen ten behoeve van de rechtspraktijk Allen, die dezen zullen zien of horen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om in enkele wetten op het terrein van het Ministerie van Veiligheid en Justitie wijzigingen aan te brengen met enkele hoofdzakelijk procedurele verbeteringen ten behoeve van de rechtspraktijk; Zo is het, dat Wij, de Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie. Artikel III Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel IV Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Artikel V Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Artikel VI Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel VII Wijzigt de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Artikel VIII Wijzigt de Wet forensische zorg. Artikel IX Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel X Wijzigt deze wet. Artikel XI 1. In gevallen waarin voor inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040618&artikel=I&z=2018-07-01&g=2018-07-01), nog niet eerder een advies als bedoeld in [artikel 509o, vierde lid, Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=509o), zoals deze bepaling luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, is overgelegd, en de totale duur van de ter beschikkingstelling op het moment van inwerkingtreding van deze wet reeds een periode"},{"i":18021,"b":"Besluit van 9 november 1988, houdende voorschriften met betrekking tot de overgang van archiefbescheiden in geval van organisatieverandering bij de rijksadministratie Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 21 oktober 1988, nr. IBI88/48/U19-B, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Gedaan in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad en overeenkomstig het bepaalde in [artikel 3](onbekend) van het Besluit algemene secretarie-aangelegenheden rijksadministratie; Overwegende dat het wenselijk is voorschriften vast te stellen met betrekking tot het beheer van archiefbescheiden in geval van reorganisatie of opheffing van een ministerie of archiefvormend onderdeel daarvan, dan wel in geval van privatisering van rijkstaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. ministerie: een ministerie als bedoeld in [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44) en als departement aangeduid in [artikel 1, eerste lid](onbekend), van het Besluit algemene secretarie-aangelegenheden rijksadministratie (**Stb.** 1980, 182); - b. archiefvormend onderdeel: een organisatie-onderdeel van een ministerie waarvoor afzonderlijk wordt gearchiveerd; - c. overheidsorgaan: een overheidsorgaan als bedoeld in de [Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) 1962 (**Stb.** 1962, 313); - d. reorganisatie: de situatie, waarbij een deel van de taken van een archiefvormend onderdeel aan een ander archiefvormend onderdeel binnen hetzelfde ministerie dan wel van een ministerie of een archiefvormend onderdeel daarvan aan een ander overheidsorgaan worden overgedragen; - e. opheffing: de situatie, waarbij de taken van een ministerie of archiefvormend onderdeel worden beëindigd of overgedragen aan een ander overheidsorgaan; - f. privatisering: de situatie, waarbij de taken van een archiefvormend onderdeel geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan een ande"},{"i":17938,"b":"Wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen in justitiële jeugdinrichtingen te optimaliseren, alsmede dat het wenselijk is te voorzien in een verplicht kader voor nazorg aan jeugdigen na het verblijf in een jeugdinrichting; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IV Wijzigt de Wet op de jeugdzorg. Artikel V Wijzigt de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Artikel VI De [artikelen 77s, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77s), [77t, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77t), [77ta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77ta) en [77tb van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77tb), zoals zij na inwerkingtreding van deze wet komen te luiden, worden slechts toegepast met betrekking tot feiten gepleegd na inwerkingtreding van deze wet. Met betrekking tot feiten, gepleegd voor inwerkingtreding van deze wet, blijven de artikelen 77s, zesde en zevende lid, 77t, tweede lid, Wetboek van Strafrecht van toepassing zoals deze luidden voor dat tijdstip en blijven de artikelen 77ta en 77tb Wetboek van Strafrecht buiten toepassing. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillend"},{"i":17424,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 december 2021, nr. 2021-0000578310, houdende regels met betrekking tot de verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van de financiering van tijdelijke capaciteit of externe expertise ter bevordering van de snelheid van woningbouw in veertien grootschalige woningbouwgebieden (Regeling specifieke uitkering snelheid woningbouw) Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) juncto [artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **Minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De Minister verstrekt een specifieke uitkering aan een gemeente voor de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise ter bevordering van de snelheid van woningbouw. 2. De specifieke uitkering wordt verstrekt aan de gemeente: - a. Groningen, voor de gebieden Groningen Suikerzijde en Groningen Stadshavens/ Eemskanaalzone; - b. Eindhoven, voor het gebied Eindhoven KnoopXL; - c. Breda, voor het gebied Brabantse Stedenrij, bestaande uit deelgebieden Spoorzone Den Bosch, Tilburg Kenniskwartier en Breda CSM-terrein; - d. Delft, voor het gebied Oude Lijn Zuidelijke Randstad; - e. Amsterdam, voor het gebied Amsterdam Haven-Stad; - f. Almere, voor het gebied MRA-Oost; - g. Haarlemmermeer, voor het gebied MRA-West; - h. Rotterdam, voor het gebied Rotterdam Oostflank; - i. Den Haag, voor het gebied Den Haag Central Innovation District/ Binckhorst; - j. Utrecht, voor het gebied Utrecht Groot Merwede; - k. Nijmegen, voor de gebieden Nijmegen Stationsgebied en Kanaalzone; en - l. Zwolle, voor het gebied Zwolle Spoorzone. 3. De specifieke uitkering b"},{"i":19227,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 25 november 2019, nr. MinBuZa.2019.4569-27, houdende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Nicaragua, tot wijziging van Sanctieregeling Centraal-Afrikaanse Republiek 2014 en tot intrekking van Sanctieregeling Maldiven 2018 (Sanctieregeling Nicaragua 2019) Gelet op Verordening (EU) nr. 2019/1716 van de Raad van de Europese Unie van 14 oktober 2019 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Nicaragua (PbEU 2019, L 262); Gelet op Besluit 2019/1737 van de Raad van 17 oktober 2019 tot wijziging van Besluit 2013/798/GBVB betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek (PbEU 2019, L 265); Gelet op Verordening (EU) 2019/985 van de Raad van 17 juni 2019 tot intrekking van Verordening (EU) 2018/1001 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in de Republiek der Maldiven (PbEU 2019, L160); Gelet op Besluit (GBVB) 2019/993 van de Raad van 17 juni 2019 tot intrekking van Besluit (GBVB) 2018/1006 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in de Republiek der Maldiven (PbEU 2019, L160); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 9 van Verordening (EU) nr. 2019/1716 van de Raad van de Europese Unie van 14 oktober 2019 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Nicaragua (PbEU 2019, L 262). 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2019/1716, geldt niet in gevallen waarin artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, eerste, tweede of derde lid, of artikel 7 van Verordening (EU) nr. 2019/1716 van toepassing is. Artikel 2 1. De"},{"i":19524,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 20 april 2015, nr. IENM/BSK-2014/219006, houdende vaststelling van de eisen voor het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie T (Regeling eisen praktijkexamen rijbewijscategorie T) Gelet op [artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994, enz. (invoering rijbewijsplicht landbouw- en bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid (T-rijbewijs)) in werking treedt. Artikel 1 De eisen waaraan de aanvrager van het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie T moet voldoen, zijn nader uitgewerkt in de bij deze regeling behorende bijlage Toetsmatrijs praktijkexamen rijbewijscategorie T. Artikel 2 Het CBR draagt er zorg voor dat het resultaat van het examen aan de aanvrager bekend wordt gemaakt. Bij een onvoldoende examen wordt tevens aangegeven aan welke exameneisen de aanvrager niet heeft voldaan. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel I van de wet van 3 december 2014 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1994 in verband met de invoering van de rijbewijsplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid (T-rijbewijs)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036167&artikel=I) (Stb. 2015, 10) in werking treedt. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eisen praktijkexamen rijbewijscategorie T. Bijlage. bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036560&artikel=1&z=2021-01-05&g=2021-01-05) van de Regeling eisen praktijkexamen rijbewijscategorie T Toetsmatrijs Praktijkexamen Rijbewijs voor categorie T Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. In deze toetsmatrijs staat wat u moet kunnen en kennen. De toetsmatrijs vormt daarom de basis van de opleiding en het examen. Deze re"},{"i":17275,"b":"Regeling bijzondere projecten Fonds voor Cultuurparticipatie Gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 maart 2011; Besluit tot vaststelling van onderstaande regeling: Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de stichting:** het Fonds voor Cultuurparticipatie. - b. **het bestuur:** het bestuur van het Fonds Cultuurparticipatie. Hoofdstuk II. Doel Artikel 2 Ingevolge de doelstelling van de stichting, volgens de bepalingen, vastgesteld in dit reglement, kan het bestuur projecten initiëren om activiteiten te bevorderen die van belang zijn voor de kwaliteit en de betekenis van cultuurparticipatie op het gebied van de amateurkunst, volkscultuur en erfgoed alsook op het gebied van cultuureducatie in Nederland dan wel de totstandkoming van dergelijke projecten stimuleren. Het gaat hierbij om bijzondere projecten die het subsidie-instrumentarium van het Fonds voor Cultuurparticipatie aanvullen c.q. versterken. Het bestuur kan hiertoe disciplines of aandachtsgebieden aanwijzen die een bijzondere stimulering behoeven. Hoofdstuk III. Bijzondere projecten Artikel 3. Stimuleren aandachtsgebieden 1. Ingevolge de doelstelling van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029710&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2011-03-15&g=2011-03-15) kan het bestuur een specifieke discipline of aandachtsgebied aanwijzen om het beleid op dat gebied tijdelijk te intensiveren gedurende een periode van ten hoogste drie jaar. 2. Het bestuur kan hiertoe een tijdelijke regeling vaststellen, al dan niet in samenwerking met derden, die als deelregeling van onderhavige regeling geldt. 3. De beoordeling van de projectaanvragen kan onder meer plaatsvinden door een adviescommissie of een intendant. Indien gebruik wordt gemaakt van een adviescommissie is het bepaalde hierover in het [Algemeen Reglemen"},{"i":17940,"b":"Wet van 23 december 2004 tot wijziging van enkele socialeverzekeringswetten en enige andere wetten in verband met het aanbrengen van enige vereenvoudigingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in enkele socialeverzekeringswetten en enige andere wetten enige vereenvoudigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Artikel I. [Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565) Wijzigt de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. Artikel II. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel III. [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel IV. Wijziging van de [Algemene kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene kinderbijslagwet. Artikel V. Wijziging van de [Algemene ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene ouderdomswet. Artikel VI. Wijziging van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel VII. Wijziging van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel VIII. Wijziging [Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170) Wijzigt de Beroepswet. Artikel IX. Overgangsrecht [Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170) In afwijking van [artikel 28a van de Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":17287,"b":"Regeling Cultuureducatie met Kwaliteit Fonds voor Cultuurparticipatie 2021–2024 gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gelet op [artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); gelet op het [Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039127); met goedkeuring van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 mei 2020; besluit: vast te stellen de: Regeling Cultuureducatie met Kwaliteit 2021–2024 Fonds voor Cultuurparticipatie Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **activiteitenlasten:** de kosten die gemaakt worden voor de uitvoering van het project en in directe relatie staan tot het werk van en in samenwerking met het onderwijs en culturele partners. Niet zijnde de kosten voor coördinatie, kennisdeling, monitoring, evaluatie en accountantskosten; - b. **adhesieverklaring:** schriftelijke steunbetuiging van een gemeente of provincie aan de penvoerder, het inhoudelijke plan en begroting die passen binnen het programma Cultuureducatie met Kwaliteit 2021–2024. Dit is een verklaring die de penvoerder bij de aanvraag aanlevert; - c. **beleidsprogramma Cultuureducatie met Kwaliteit:** programma geïnitieerd door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ter waarborging van de landelijke kwaliteit van cultuureducatie in het onderwijs; - e. **coördinerende werkzaamheden:** organisatorische werkzaamheden ten behoeve van het voeren van penvoerderschap; - f. **cultuureducatie:** het onderwijs gericht op het bereiken van de kerndoelen binnen het leergebied Kunstzinnige oriëntatie, de kunstvakken en het onderwijs dat op het gebied van kunst en cultuur wordt verzorgd; - g. **Fonds:** het bestuur van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - h. **OCW:** ministerie va"},{"i":19247,"b":"Wet van 24 juni 2020 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met het doorvoeren van enkele noodzakelijke reparaties en andere kleine wijzigingen (Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en enkele andere wetten te wijzigen in verband met het doorvoeren van enkele noodzakelijke reparaties en andere wijzigingen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel III Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel IV Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel V Wijzigt de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie. Artikel VI Wijzigt de Wet straffen en beschermen. Artikel VII Wijzigt de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Artikel VIII Wijzigt deze wet. Artikel IX Wijzigt de Wet op het financieel toezicht en de Wet verwijzingsportaal bankgegevens. Artikel X Vervallen Artikel XI Een voor de inwerkingtreding van deze wet op grond van het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) bevolen tenuitvoerlegging vanwege overtreding van de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, wordt, behoudens de gevallen waarin op grond van [artikel 6:6:20 van dat wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:6:20) is beslote"},{"i":18599,"b":"Wet van 17 november 2021, houdende instelling van een adviescollege op het terrein van de rechtspositie van politieke ambtsdragers (Wet adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een adviescollege in te stellen dat de regering adviseert over de geldelijke aanspraken van politieke ambtsdragers en leden van de Hoge Colleges van Staat; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers. 2. Het adviescollege bestaat, met inbegrip van de voorzitter, uit ten minste vijf leden. Artikel 2 1. Het adviescollege heeft tot taak de regering te adviseren over het beloningsniveau, de onderlinge beloningsverhoudingen en overige geldelijke aanspraken van: - –. de leden van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal; - –. Onze ministers en staatssecretarissen; - –. de leden van de Raad van State; - –. de leden van de Algemene Rekenkamer; - –. de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen; - –. de leden van provinciale staten; - –. de leden van een commissie als bedoeld in de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=80), [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=81) en [82 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=82), die niet tevens statenlid zijn of ambtenaren die als zodanig tot lid van een commissie zijn benoemd; - –. de commissarissen van de Koning en gedeputeerden; - –. de leden van gemeenteraden; - –. de leden van een commissie als bedoeld in de [artikelen 82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=82), [83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=83) en [84 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":17033,"b":"Besluit van 8 oktober 1954, houdende verhoging uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht met een toeslag-1954 Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog en van Marine van 12 April 1954, Nr. P. 249 DG Minmar. nr. 349595; Overwegende, dat het wenselijk is de uitkeringen, verleend en te verlenen krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht, **Stb.** 1948, I 543, met een toeslag-1954 te verhogen; De Raad van State gehoord (advies van 3 Augustus 1954, No. 15); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 7 September 1954, Nr. P. 249/E/DG, Nr. Minmar. 357188/254771 DG; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De uitkeringen, welke zijn of worden verleend krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht, **Stb.** 1948, I 543, worden, voor zover het recht op deze uitkeringen op 1 Januari 1954 niet is vervallen, te rekenen van 1 Januari 1954 of van het later tijdstip, waarop zij zijn ingegaan of zullen ingaan, overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelen ambthalve met een toeslag-1954 verhoogd. Artikel 2 1. De toeslag-1954 bedraagt 5 percent van de uitkering vermeerderd met de toeslag ingevolge Ons besluit van 24 Maart 1951, **Stb.** 87, zoals dit is gewijzigd bij Ons besluit van 14 Maart 1952, **Stb.** 126. 2. De in het eerste lid bedoelde toeslag-1954 wordt naar boven afgerond tot volle guldens. Artikel 3 Het bepaalde in de artikelen 3, 4 en 5 van Ons besluit van 24 Maart 1951, **Stb.** 87, is ten aanzien van de toeslag-1954 van overeenkomstige toepassing. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die der dagtekening van het **Staatsblad**, waarin het is geplaatst. Onze Ministers van Oorlog en van Marine zijn belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer."},{"i":19335,"b":"Wet van 15 mei 1997 tot wijziging van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en van het Wetboek van Strafvordering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581) op enkele onderdelen en het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) op een onderdeel te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. ARTIKEL II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. ARTIKEL III Wijzigt de Wet tarieven in burgerlijke zaken. ARTIKEL IV Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. ARTIKEL V De tekst van de gewijzigde [Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581) wordt in het **Staatsblad** geplaatst. ARTIKEL VI 1. De onderdelen B, C, D en E van deze wet zijn niet van toepassing ten aanzien van gedragingen die zijn begaan voor de inwerkingtreding van deze wet. 2. Ten aanzien van de behandeling van het bezwaar, het (administratief) beroep, het beroep in cassatie dan wel het verzet dat reeds ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet is ingesteld blijven de tot op het moment van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing. ARTIKEL VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. Lasten en bevelen dat deze wet in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19404,"b":"Aanwijzing ambtenaren bevoegd tot het verlenen van machtiging voor het in het verkeer brengen van aan bederf onderhevige levensmiddelen Gelet op [artikel 7, tweede lid, van de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=7) (Stb. 1978, 430), Besluiten: Artikel 1 Met de uitoefening van de aan de Ministers van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en van Landbouw en Visserij toegekende bevoegdheid, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=7) worden belast de ambtenaren van de Rijkskeuringsdienst van Waren van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, de in [artikel 31, eerste lid, van de Vleeskeuringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001896&artikel=31) (Stb. 1958, 72) bedoelde ambtenaren en de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw en Visserij, een ieder van hen op zijn eigen werkterrein. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003319&artikel=1&z=1988-07-28&g=1988-07-28) bedoelde ambtenaren verlenen machtiging tot het in het verkeer brengen van aan bederf onderhevige levensmiddelen, indien aan de bij of krachtens de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) (Stb. 1935, 793), de [Vleeskeuringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001896) (Stb. 1958, 72) en de [Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755) (Stb. 1971, 371) gestelde eisen is voldaan. Artikel 3 Dit besluit wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de bekendmaking."},{"i":18016,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 1 september 2003, nr. IAZ2003/711M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Bureau Herstelbetalings- en Recuperatiegoederen (HERGO) van het Ministerie van Financiën en zijn rechtsvoorgangers (1945) 1946–1953 (1961) (Archiefregeling voor de archieven van het Bureau Herstelbetalings- en Recuperatiegoederen (HERGO) te ’s-Gravenhage van het Ministerie van Financiën en zijn rechtsvoorgangers) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gelet op het advies van de directeur van het Nationaal Archief over de beperkingen voor de openbaarheid van archieven van 21 oktober 2002 met het kenmerk C/V/02/3485; Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Bureau Herstelbetalings- en Recuperatiegoederen (HERGO) van het Ministerie van Financiën en zijn rechtsvoorgangers (1945) 1946–1953 (1961) de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 4–53, 124, 169, 172, 177, 180, 191, 192, 214, 216, 218 is slechts mogelijk na ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Archiefregeling voor de archi"},{"i":17481,"b":"Regeling uitkering chroom-6 Defensie Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **beoordelingspanel:** team van experts dat desgevraagd advies uitbrengt over de blootstelling van de werknemer aan chroom-6 bij Defensie; - **coulanceregeling:** de Tijdelijke regeling tegemoetkoming en ondersteuning slachtoffers blootstelling chroom VI houdende stoffen defensie; - **coulancetegemoetkoming:** de tegemoetkoming op basis van [artikel 2.1 van de Tijdelijke regeling tegemoetkoming en ondersteuning slachtoffers blootstelling chroom VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036374&artikel=2.1) houdende stoffen defensie; - **erfgenaam:** de erfgenaam, als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek; - **nabestaande:** degene die ten tijde van het overlijden van de werknemer de echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner van de overleden werknemer is of degene die door de werknemer bij diens pensioenfonds is aangemeld als partner en door dit pensioenfonds als zodanig is aangemerkt; - **uitkering:** het bedrag dat wordt toegekend op grond van deze regeling, dat bestaat uit een immaterieel deel of een materieel deel of beide; - **uitvoerder:** de uitvoerder van de regeling zijnde een instantie die is aangewezen door Minister van Defensie; - **voorziening:** een middel dat direct of indirect de nadelige gevolgen van de beperkingen die de werknemer ten gevolge van zijn aandoening heeft, opheft of vermindert; - **werknemer:** - 1°. de militair, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=1) of de gewezen militair; - 2°. de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=1) of de gewezen ambtenaar; - 3°. de dienstplichtige of ingehuurde arbeidskracht die tijdelijk voor Defensie werkzaamheden heeft verricht en voor wie Defensie de werkgeversplicht heeft gehad ten aanzien van de"},{"i":17425,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 oktober 2024, kenmerk 3989124-1074008-DMO, houdende het verstrekken van een specifieke uitkering voor specialistische functies in het kader van de aanpak van het huiselijk geweld en kindermishandeling. (Regeling specifieke uitkering specialistische functies aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **specialistische functie:** functie, genoemd in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050349&artikel=4&z=2026-05-06&g=2026-05-06), die wordt uitgevoerd door een coördinerende gemeente in het kader van de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling; - **coördinerende gemeente:** gemeente, genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050349&artikel=3&z=2026-05-06&g=2026-05-06), die aangewezen is voor de uitvoering van de specialistische functie; - **huiselijk geweld:** huiselijk geweld als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=1.1.1); - **kindermishandeling:** kindermishandeling als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **opvang:** onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; - **Minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **VNG:** Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Artikel 2. Activiteiten waarvoor een specifieke uitkering kan worden verstrekt 1. De Minister kan op aanvraag een specifieke uitkering aan ee"},{"i":17865,"b":"Besluit van 22 juni 2011, houdende aanpassing van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, onder meer in verband met het stimuleren van de verlening van rechtshulp door een voorziening als bedoeld in artikel 7, tweede lid, of artikel 8, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 februari 2011, nr. 5687215/11/6; Gelet op de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=35) en [37 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 april 2011, nr. W03/11/0063/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 juni 2011, nr. 5698233/11/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Artikel II Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel III Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel IV Het [Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277), zoals dat luidde op de dag vóór de dag van inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op aanvragen om een toevoeging die door het bestuur zijn ontvangen vóór de dag van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2011. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17656,"b":"Wet van 28 oktober 1991, tot uitvoering van het op 25 oktober 1980 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen en de op 27 januari 1977 te Straatsburg tot stand gekomen Europese Overeenkomst inzake het doorzenden van verzoeken om rechtsbijstand Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er aanleiding bestaat om bij de wet regels te stellen tot uitvoering van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen (**Trb.** 1989, 114) en de op 27 januari 1977 te Straatsburg tot stand gekomen Europese Overeenkomst inzake het doorzenden van verzoeken om rechtsbijstand (**Trb.** 1989, 116); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder \"het Verdrag\": het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen, waarvan de Franse en de Engelse tekst alsmede de Nederlandse vertaling zijn opgenomen in **Tractatenblad** 1989, 114, en onder \"de Overeenkomst\": de op 27 januari 1977 te Straatsburg tot stand gekomen Europese Overeenkomst inzake het doorzenden van verzoeken om rechtsbijstand, waarvan de Franse en de Engelse tekst alsmede de Nederlandse vertaling zijn opgenomen in **Tractatenblad** 1989, 116. Artikel 2 Als ontvangende centrale autoriteit, bedoeld in artikel 3 en artikel 16, tweede lid, van het Verdrag, en in artikel 2, tweede lid, van de Overeenkomst, wordt aangewezen het bestuur van de raad voor rechtsbijstand. Artikel 3 Als verzendende autoriteit, bedoeld in artikel 4 en artikel 16, eerste lid, van het Verdrag, en in artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst, wordt aangewezen het bestuur van de raad voor rechtsbijstand. A"},{"i":17657,"b":"Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Zorgaanbieder:** Natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, als bedoeld in [artikel 1 aanhef en onder c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - **Beschikbaarheidbijdrage:** Bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). - **Procuratiehouder:** Natuurlijke persoon die bevoegd is rechtshandelingen te verrichten uit naam van de betreffende rechtspersoon. De bevoegdheid is vastgelegd bij de Kamer van Koophandel. - **Zorginstituut:** Het Zorginstituut Nederland. - **Activiteitenplan:** Overzicht van de activiteiten die zullen worden gefinancierd door middel van de gevraagde beschikbaarheidbijdrage. Na afloop van de subsidieperiode kan aan de hand van het activiteitenplan worden beoordeeld of de activiteiten zijn verricht en de gewenste effecten zijn bereikt. In het activiteitenplan moeten in ieder geval de volgende punten staan: - a. informatie over de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd; - b. de omvang en duur van de activiteit. - **Bestuursverklaring:** Verantwoording van de bestuurders over de gemaakte kosten inclusief een opgave van de gemaakte kosten en gerealiseerde opbrengsten. Daarnaast bevat de bestuursverklaring ook een verklaring van de bestuurders dat de kosten gemaakt zijn voor het doel waarvoor de bijdrage is verstrekt. - **Begroting:** Opgave van te verwac"},{"i":18118,"b":"Besluit van 27 maart 2002 betreffende de ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, daartoe gemachtigd door de Raad van Ministers van 22 maart 2002, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, CW02/U58702; Gelet op de [artikelen 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=64) en [137, derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=137) en [artikel F 2 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=F_2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ontbonden op donderdag 23 mei 2002 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Artikel 2 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vindt plaats op dinsdag 2 april 2002. Artikel 3 De eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer vindt plaats op donderdag 23 mei 2002 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de nota van toelichting in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17226,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 november 2015, kenmerk 865607-143589-MC, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met het aanleveren van de zorgvraagzwaarteindicator aan zorgverzekeraars (Regeling aanlevering zorgvraagzwaarte cGGZ) Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II 1. [Artikel II van de Regeling verlenging tijdelijke opschorting zorgvraagzwaarte cGGZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036398&artikel=II) vervalt. 2. De zorgaanbieder is verplicht de zorgvraagzwaarteindicator, die wordt afgeleid uit brongegevens die de zorgaanbieder heeft geregistreerd met betrekking tot zorg waarop het [vierde lid van artikel 7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=7.2) is toegepast in de jaren 2014 of 2015, aan de zorgverzekeraar te leveren op de wijze die de Nederlandse Zorgautoriteit in een regeling op grond van de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) kan vaststellen. Artikel III 1. Het tweede lid van [artikel 7.2 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=7.2), zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op het gegeven zorgzwaarte van de verzekerde dat aan een zorgverzekeraar is verstrekt op basis van een declaratieregeling als bedoeld in dat lid. 2. De leden [3 tot en met 5 van artikel 7.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=7.2a) en [artikel 7.2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=7.2b) zijn van overeenkomstige toepassing indien een zorgaanbieder abusievelijk via VECOZO het gegeven zorgvraagzwaarte aanlevert voordat dat gegeven verplicht op de bij artikel 7.2a bepaalde wijze moet worden aangeleverd. Artikel IV Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2016 en werkt voor wat betreft [Artikel II, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037208&artikel=II&z=2016-01-01&g=2016-0"},{"i":17784,"b":"Verplichting voor uitkeringsgerechtigden inkomsten/vermogen op te geven Gelet op de artikelen [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=39), [40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=40) en[55 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=55); Gezien de adviezen van de Uitkeringsraad, de Stichting Joods Maatschappelijk Werk, de Stichting Pelita en de Stichting 1940–1945, Besluit: Artikel I In dit besluit wordt verstaan onder: de wet: de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844). Artikel II Gelet op en onverminderd de verplichting, bedoeld in de [artikelen 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=39) en [40 der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=40), doet de uitkeringsgerechtigde aan wie een uitkering en/of een tegemoetkoming krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844) wordt uitbetaald, al dan niet door zijn wettelijke vertegenwoordiger, jaarlijks op een door de Uitkeringsraad te bepalen tijdstip en wijze, opgave van alle door hem in het voorafgaande kalenderjaar, anders dan uit vermogen, genoten inkomsten, en indien zulks door de Uitkeringsraad wordt verlangd, van de hoogte en samenstelling van zijn vermogen. Artikel III De Uitkeringsraad kan, voor zover zulks naar zijn oordeel nodig is, de financiële gegevens, die door een persoon bij de aanvrage voor een uitkering of tegemoetkoming krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844) zijn overgelegd, alsmede die welke op grond van het vorige artikel zijn verstrekt, ter controle aan de Belastingdienst (doen) voorleggen. De Uitkeringsraad is gehouden de belanghebbenden van deze mogelijkheid in kennis te stellen. Artikel IV Deze beschikking treedt in werking met ingang van de dag na die van plaatsing in de Nederlandse Staatscourant."},{"i":19405,"b":"Aanwijzing bevoegde autoriteit Scheepvaartreglement Eemsmonding Gelet op [artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het Scheepvaartreglement Eemsmonding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=1); Besluit: Artikel 1 De bevoegde autoriteit, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het Scheepvaartreglement Eemsmonding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=1) is met ingang van 1 april 1994: de hoofdingenieur-directeur in de directie Noord-Nederland van het Directoraat-generaal Rijkswaterstaat. Artikel 2 Van deze beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant."},{"i":19336,"b":"Wet van 10 december 2014 tot wijziging van de Wet bekostiging financieel toezicht in verband met de afschaffing van de overheidsbijdrage, de invoering van Europees bankentoezicht en de bestemming van door de Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank opgelegde dwangsommen en boetes Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet bekostiging financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031659) te wijzigen in verband met de afschaffing van de overheidsbijdrage voor het toezicht op de financiële markten en de invoering van het Europees bankentoezicht, en dat het voorts wenselijk is boven een bepaalde grens te voorzien in een afdracht aan de Staat van de door de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten verkregen opbrengsten uit dwangsommen en bestuurlijke boetes; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel II 1. In 2015 wordt de som, bedoeld in [artikel 13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031659&artikel=13), voor de toezichtcategorieën «Beleggingsondernemingen niet voor eigen rekening», «Pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen» en «Zorgverzekeraars» verminderd met respectievelijk € 0,4 mln., € 3,0 mln., en € 0,6 mln. 2. In 2015 wordt de som, bedoeld in [artikel 13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031659&artikel=13), voor de toezichtcategorieën «Betaalinstellingen, clearinginstellingen en elektronischgeldinstellingen», «Trustkantoren» en «Verzekeraars niet zijnde zorgverzekeraars» vermeerderd met respectievelijk € 0,3 mln., € 0,5 mln. en € 0,1 mln. 3. In 2015 wordt de som, bedoeld in [artikel 13, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031659&artikel=13), voor de toezichtca"},{"i":17785,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu Zaken van 17 augustus 2017, nr. IENM/BSK-2017/26609 inzake de digitale vervanging van archiefbescheiden van alle organisatieonderdelen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu die vallen binnen het verzorgingsgebied van de directie Concern Informatievoorziening van de Integrale Bedrijfsvoering IenM (Vervangingsbesluit archiefbescheiden verzorgingsgebied IBI/DCI IenM 2017) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) en [artikel 6, derde lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van archiefbescheiden door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2 De digitale vervanging heeft betrekking op documenten van de diensten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=2), die vallen binnen het verzorgingsgebied van de directie Concern Informatievoorziening van de Integrale Bedrijfsvoering Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 3 De digitale vervanging heeft betrekking op papieren archiefbescheiden die zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit en die worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met tien jaar na inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 4 De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties die zijn vastgelegd in het Handboek Digitale Vervanging Archiefbescheiden voor het verzorgingsgebied IBI/DCI van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039912&bijlage=I&z=2018-02-09"},{"i":19337,"b":"Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens en enige andere wetten in verband met de invoering van een meldplicht bij de doorbreking van maatregelen voor de beveiliging van persoonsgegevens alsmede uitbreiding van de bevoegdheid van het College bescherming persoonsgegevens om bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de Wet bescherming persoonsgegevens een bestuurlijke boete op te leggen (meldplicht datalekken en uitbreiding bestuurlijke boetebevoegdheid Cbp) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) en enige andere wetten te wijzigen om een meldplicht bij de doorbreking van maatregelen voor de beveiliging van persoonsgegevens in het leven te roepen alsmede om de Wet bescherming persoonsgegevens te wijzigen om een uitbreiding te realiseren van de bevoegdheid van het College bescherming persoonsgegevens om bij overtreding van het bij of krachtens die wet bepaalde een bestuurlijke boete op te leggen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens. Artikel II Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel IIa Wijzigt deze wet. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IIIa Wijzigt de Wet politiegegevens. Artikel IIIb Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel IV 1. Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een besluit van de Autoriteit Consument en Markt op grond van de [artikelen 15.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.2) en [15.4 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.4) terzake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens [artikel 11.3a"},{"i":17426,"b":"Regeling van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 6 februari 2023, kenmerk 3507504-1043050-PG, houdende een specifieke uitkering voor sport en bewegen, gezondheidsbevordering, cultuurparticipatie en de sociale basis 2023–2026 (Regeling specifieke uitkering sport en bewegen, gezondheidsbevordering, cultuurparticipatie en de sociale basis 2023–2026) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Hoofdthema gezondheid & sociale basis Hoofdstuk 4. Hoofdthema ondersteunende onderdelen Hoofdstuk 5. Uitkeringsplafond, hoogte van de uitkering en wijze van verdeling Hoofdstuk 2. Hoofdthema sport, bewegen en cultuur Hoofdstuk 7. Algemene verplichtingen Hoofdstuk 8. Verlening en bevoorschotting Hoofdstuk 9. Verantwoording en vaststelling Hoofdstuk 3. Hoofdthema gezondheid & sociale basis Bijlage I. behorend bij [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047862&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2023-11-11&g=2023-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage II. behorend bij [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047862&hoofdstuk=1&artikel=1.1&z=2023-11-11&g=2023-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage III. behorend bij [artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047862&hoofdstuk=5&artikel=5.1&z=2023-11-11&g=2023-01-01) | Naam onderdeel | 2023 | 2024 | 2025 | 2026 | | --- | --- | --- | --- | --- | | Lokaal Sportakkoord | € 12.978.290, | € 12.978.063 | € 12.978.063 | € 9.978.723 | | Brede Regeling Combinatiefuncties | € 89.350.534 | € 89.348.971 | € 89.348.971 | € 86.315.957 | | Terugdringen Gezondheidsachterstanden | € 19.966.600 | € 19.966.250 | € 19.966.250 | € 19.957.447 | | Kansrijke Start | € 14.974.950 | € 15.973.000 | € 15.973.000 | € 19.957.447 | | Mentale Gezondheid | € 6.988.310 | € 4.991.563 | € 4.991.563 | € 0 | | Aanpak overgewicht en obesitas | € 17.470.775 | € 17.470.469 | € 17.470.469 | € 0 | | Valpreventie | € 51.413.995 | € 47.419.845 | € 47.419.845 | € 48."},{"i":17340,"b":"Regeling Macrobeheersinstrument geriatrische revalidatiezorg 2014 Gelet op de artikelen: [35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68), [76, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76), van de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op het verzekerd pakket op grond van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) behorend tot de geriatrische revalidatiezorg (GRZ). Deze regeling is voorts van toepassing op zorgverzekeraars als bedoeld in [artikel 3, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034431&artikel=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01). Deze regeling is daarnaast van toepassing op degene die gegevens verzamelt, bewaart en bewerkt ten behoeve van zorgaanbieders of zorgverzekeraars, alsmede op de groep als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b), indien zorgaanbieders of zorgverzekeraars daartoe behoren. Artikel 2. Doel Deze regeling heeft tot doel uitvoering te geven aan het macrobeheersinstrument (MBI) en daarbij de navolgende voorwaarden, voorschriften en/of beperkingen te stellen: - –. administratievoorschriften; - –. voorschriften met betrekking tot regelmatige gegevensverstrekking; - –. voorschriften met betrekking tot afdracht in verband met overschrijding van een grens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Artikel 3. Begrips"},{"i":17427,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 november 2023, nr. 2023-0000652636, houdende regels met betrekking tot de verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten en openbare lichamen ter stimulering van woningbouwprojecten (Regeling specifieke uitkering startbouwimpuls) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onderdelen a en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2), en [3 van het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=3) (Stb. 2022, 452); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **betaalbare woning:** betaalbare woning als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=1); - –. **ontvanger:** gemeenten en openbare lichamen als bedoeld in [artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8), genoemd in de bijlage; - –. **start bouw:** start van de bouwkundige werkzaamheden voor alle bouwkundig met elkaar verbonden woningen binnen een woningbouwproject; - –. **transformatie:** toevoegen van woningen aan de bestaande woningvoorraad door het wijzigen van een gebruiksfunctie van een gebouw of een onderdeel daarvan naar een woonfunctie in combinatie met het uitvoeren van fysieke ingrepen; - –. **woning:** elke door nieuwbouw of transformatie aan de woningvoorraad toe te voegen zelfstandige of niet zelfstandige woning, niet zijnde een tijdelijk bouwwerk; - –. **woningbouwproject:** woningbouwproject als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049006&artikel=2&z=2023-12-07&g=2023-12-07). Artikel 2. Woningbouwproject Onder een woningbouwproject word"},{"i":18017,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 1 september 2003, nr. IAZ2003/708M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Centraal bureau voor het Consumentenkrediet 1946–1953, de Centrale Raad voor het Consumentenkrediet 1945–1953, de Commissie uit de Centrale Raad voor het Consumentenkrediet 1946–1949 (Archiefregeling voor de archieven van het Centraal bureau voor het Consumentenkrediet, de Centrale Raad voor het Consumentenkrediet, de Commissie uit de Centrale Raad voor het Consumentenkrediet van het Ministerie van Financiën en zijn rechtsvoorgangers) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10), Gelet op het advies van de directeur van het Nationaal Archief over de beperkingen voor de openbaarheid van archieven van 21 oktober 2002 met het kenmerk C/V/02/3485, Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Centraal bureau voor het Consumentenkrediet 1946–1953, de Centrale Raad voor het Consumentenkrediet 1945–1953, de Commissie uit de Centrale Raad voor het Consumentenkrediet 1946–1949 de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 15, 16, 42–48, 82–83, 96, 97, 100, 101, 103, 106, 107, 116–122, 124,125, 129, 133–139, 148–156, 169, 172, 174–178, 189, 195–197, 198–204, 206, 209, 223, 229, 230"},{"i":18019,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 april 2017, houdende de benoeming van de leden van de Evaluatie- en adviescommissie Wet financiering politieke partijen (Benoemingsbesluit leden Evaluatie- en adviescommissie Wet financiering politieke partijen) Gelet op [artikel 6, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6), [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Tot leden van de Evaluatie- en adviescommissie Wet financiering politieke partijen, genoemd in [artikel 2 van de Regeling instelling Evaluatie- en adviescommissie Wet financiering politieke partijen](onbekend), worden benoemd: - a. de heer dr. K. Veling, tevens voorzitter; - b. de heer drs. A.H.M. de Jong; - c. mevrouw prof. dr. S.L. de Lange; en - d. de heer prof. dr. G. Voerman. Artikel 2 1. De voorzitter en de overige leden van de commissie ontvangen, voor zover zij niet in Rijksdienst zijn, een vaste vergoeding per maand. 2. De toepasselijke schaal voor de voorzitter is schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De toepasselijke schaal voor de overige leden is schaal 15 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. 3. De arbeidsduurfactor voor de voorzitter en de overige leden is 0,2. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt op het tijdstip waarop de commissie is opgeheven. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Benoemingsbesluit leden Evaluatie- en adviescommissie Wet financiering politieke partijen. Dit besluit zal met de toelichting in de Staat"},{"i":17891,"b":"Besluit van 28 augustus 2003, houdende wijziging van het Subsidiebesluit raden voor rechtsbijstand Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 juni 2003, nr. 5231959/03/6; Gelet op [artikel 42a, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=42a); De Raad van State gehoord (advies van 7 augustus 2003, nr. W03.03.0237/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 21 augustus 2003, nr. 5240542/03/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het [Subsidiebesluit raden voor rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010393). Artikel II Dit besluit is mede van toepassing op de beslissing van Onze Minister op de aanvraag tot vaststelling van de subsidie die voor de inwerkingtreding van dit besluit is gedaan. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2003. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17864,"b":"Besluit van 8 juni 2000, houdende wijziging van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 25 oktober 1999, nr. 796433/99/6; Gelet op de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=25), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34) en [35 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=35); De Raad van State gehoord (advies van 30 november 1999, nr. WO3.990532/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 1 juni 2000, nr. 5031617/00/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand. Artikel II Artikel 10 van het besluit zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit blijft van toepassing op gevallen waarin vóór inwerkingtreding van dit besluit een procedure, waarvoor is toegevoegd, aanhangig is gemaakt en waarin binnen drie maanden na het aanhangig maken van die procedure een toevoeging wordt gevraagd terzake van de behartiging van hetzelfde rechtsbelang. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 juni 2000. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18814,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 26 februari 2018 nr. BOACAT2018/011, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Cluster Werk & Inkomen, unit Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam Gelezen het verzoek van de Teammanager het Cluster Werk & Inkomen, unit Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam van 12 februari 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040669&artikel=2&z=2018-02-28&g=2018-02-28). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van sociaal rechercheur in dienst van het Cluster Werk en Inkomen, unit Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, als genoemd in [onderdeel 10.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend), aangevuld met [artikel 440 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=440). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt vo"},{"i":19361,"b":"Wet van 29 oktober 2025 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met verdere versterking van de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit (versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het wettelijk instrumentarium verder uit te breiden om de ondermijnende criminaliteit beter te kunnen bestrijden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Opiumwet. Artikel IV Wijzigt de Wet wapens en munitie. Artikel V Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel VI Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VII Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VIII Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IX Wijzigt de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Artikel X Wijzigt de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie. Artikel Xa Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel Xb Wijzigt de Omgevingswet. Artikel Xc Onze Minister van Justitie en Veiligheid zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel XI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de"},{"i":18051,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 juli 2008, nr. DDI/ST/reg. 0032/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Nederlands Consulaat-Generaal, later de Ambassade in Singapore van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Nederlands Consulaat-Generaal, later de Ambassade in Singapore van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 18 | 2046 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024224&artikel=1&z=2008-07-24&g=2008-07-24), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024224&artikel=1&z=2008-07-24&g=2008-07-24), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant wa"},{"i":18488,"b":"Rijkswet van 15 december 1994, houdende regels met betrekking tot octrooien Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat door de daling van het aantal octrooiaanvragen in Nederland het bestaande systeem van octrooiverlening na vooronderzoek niet gehandhaafd kan worden en dat het wenselijk is te voorzien in een op eenvoudige wijze door registratie te verkrijgen octrooi; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **biologisch materiaal:** materiaal dat genetische informatie bevat en zichzelf kan repliceren of in een biologisch systeem kan worden gerepliceerd; **bureau:** het bureau, bedoeld in [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=15&z=2023-06-01&g=2023-06-01); **Eengemaakt Octrooigerecht:** Eengemaakt Octrooigerecht, bedoeld in artikel 1 van de op 19 februari 2013 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht (Trb. 2013, 92 en 2016, 1); **Europees octrooi:** een krachtens het [Europees Octrooiverdrag](onbekend) verleend octrooi, voor zover dat voor het Koninkrijk is verleend en voor zover dit geen Europees octrooi met eenheidswerking is; **Europees octrooi met eenheidswerking:** krachtens het Europees Octrooiverdrag verleend octrooi, dat in het Europese deel van Nederland eenheidswerking geniet krachtens verordening (EU) nr. 1257/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2012 tot het uitvoering geven aan nauwere samenwerking op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming (PbEU 2012, L 361); [**Europees Octrooiverdrag:**](onbekend) het op 5 oktober 1"},{"i":17145,"b":"Wet van 6 oktober 2005, houdende invoering van de Zorgverzekeringswet en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en enkele daarmee samenhangende onderwerpen te regelen, zulks onder intrekking van de [Ziekenfondswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460), de [Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009750) en de [Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003933) en onder aanpassing van diverse andere wetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. Zorginstituut: het Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - c. vervallen; - d. vervallen; - e. vervallen; - f. vervallen; - g. verzekeraar: een verzekeraar als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - h. zorgverzekeraar: een zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - i. zorgverzekering: de verzekering, bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - j. verzekeringsplichtige: de verzekeringsplichtige, bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van de Zorgv"},{"i":12577,"b":"Besluit stellen van beperkingen openbaarheid archiefcollectie G.H. Verheyen, nummer archiefinventaris 2.21.443 Gelet op [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers 1, 4, 5 en 6 beperkt openbaar. De beperking vervalt op de 1e januari van het jaar in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar | | --- | --- | | 1 | 2023 | | 4 | 2021 | | 5 | 2022 | | 6 | 2023 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040759&artikel=1&z=2018-03-28&g=2018-03-28), is tot het moment van vervallen van de beperkingen aan de openbaarheid uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit de dossiers geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040759&artikel=1&z=2018-03-28&g=2018-03-28), is tot het moment van het vervallen van de beperkingen aan de openbaarheid uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":419,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 januari 2013, DMO/OHW-3150675 houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2012 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2012: Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19549,"b":"Regeling alternatieve voorschriften wat betreft afmetingen en massa’s van de voertuigcategorieën landbouw- en bosbouwtrekkers, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en mobiele machines ten behoeve van het verlenen van een ontheffing van de goedkeuringseisen Gelet op de [artikelen 3.5.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.5.4), [3.6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.2) en [3.6.4, tweede lid, van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.4); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze regeling zijn de definities en overige bepalingen van de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798) van toepassing. Artikel 2. Toepassingsgebied Deze regeling is van toepassing op het verlenen van een nationale individuele goedkeuring voor de voertuigcategorieën landbouw- of bosbouwtrekkers, landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en mobiele machines, en een nationale typegoedkeuring voor mobiele machines voor een ontheffing van de goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s. § 2. Aanvraag ontheffing goedkeuringseisen Artikel 3. Aanvraagformulier 1. De aanvraag voor een ontheffing van de goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s wordt ingediend bij de RDW. 2. Voor de aanvraag wordt gebruik gemaakt van het door de RDW vastgestelde model aanvraagformulier voor ontheffing van de goedkeuring. 3. Het aanvraagformulier wordt schriftelijk beschikbaar gesteld. 4. Bij de aanvraag wordt een verklaring overgelegd waaruit blijkt waarom het voertuig niet aan de wettelijke afmetingen en massa’s kan voldoen. § 3. Beoordeling aanvraag ontheffing goedkeuringseisen Artikel 4. Beoordeling van de aanvraag van een landbouw- en bosbouwtrekker Voor een landbouw- of bosbouwtrekker geldt dat de breedtevermeerdering uitsluitend het gevolg is van de montage van bred"},{"i":19550,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 19 februari 2019, nr. IENW/BSK-2019/23784, houdende vaststelling van regels inzake de onafhankelijkheid van leden van de raad van commissarissen of de raad van bestuur en andere personen in dienst van beheerders of spoorwegondernemingen (Regeling onverenigbare functies infrastructuurbeheerders of spoorwegondernemingen) Gelet op artikel 7, derde lid, van [richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PbEU L 2012, 343/32) en [artikel 16a, derde lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=16a); BESLUIT: Artikel 1 Het is een beheerder of een spoorwegonderneming verboden om een persoon tezelfdertijd bij de desbetreffende organisatie te benoemen of werkzaam te laten zijn: - a. als lid van de raad van bestuur van een infrastructuurbeheerder en als lid van de raad van bestuur van een spoorwegonderneming; - b. als persoon die belast is met het nemen van besluiten betreffende de essentiële functies van een infrastructuurbeheerder en als lid van de raad van bestuur van een spoorwegonderneming; - c. indien er een raad van commissarissen is ingesteld, als lid van de raad van commissarissen van een infrastructuurbeheerder en als lid van de raad van commissarissen van een spoorwegonderneming. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onverenigbare functies infrastructuurbeheerders of spoorwegondernemingen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19554,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 6 december 2023, nr. IENW/BSK-2023/343978, houdende regels voor toekenning van bijdragen voor sanering van verkeerslawaai (Regeling sanering verkeerslawaai 2024) Gelet op [artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5), [artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **afschermende maatregel:** geluidbeperkende maatregel bestaande uit een werk of bouwwerk die de overdracht van geluid door een weg of spoorweg naar een geluidgevoelig gebouw beperkt; - **Bkl:** [Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313); - **bijdrage:** specifieke uitkering of een subsidie op grond van deze regeling; - **bronmaatregel:** geluidbeperkende maatregel die het geluid door een weg of spoorweg beperkt bij de bron; - **budgetontvanger:** ontvanger die is aangewezen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049082&bijlage=1&z=2025-11-14&g=2025-11-14); - **budgetbijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049082&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2025-11-14&g=2025-11-14); - **Bureau Sanering Verkeerslawaai:** bureau, genoemd in het [Mandaatbesluit Bureau Sanering Verkeerslawaai 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035624), dat voor de minister deze regeling uitvoert; - **geluid:** geluid zoals dat bepaald wordt in overeenstemming met [artikel 3.24 van het Bkl](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&ar"},{"i":19559,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241282, houdende vaststelling van regels in verband met de implementatie van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en de sturing van en het toezicht op de Dienst Wegverkeer (Regeling sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer) Gelet op de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=26) en [32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=32) en de [artikelen 4l, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4l), [4t, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4t) en [4u, eerste en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4u); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **de Kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495). - **de dienst:** de Dienst Wegverkeer. § 2. Directie en raad van toezicht van de Dienst Wegverkeer Artikel 2. Ontstentenis directie De dienst informeert de minister onverwijld over de ontstentenis van een lid van de directie met het oog op de conform [artikel 4h van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4h) te treffen voorziening. Artikel 3. Rol raad van toezicht De raad van toezicht oefent onafhankelijk van bestuur en minister toezicht uit. De raad van toezicht heeft een interne toezichtfunctie en is daarbij gericht op het beleid van de directie en op de algemene gang van zaken in de dienst. De raad van toezicht richt zich bij de vervulling van de taak naar het belang van de dienst en weegt daartoe de in aanmerking komende belangen van de bij de dienst betrokkenen af. § 3. Financieel toezicht Artikel 4. Begroting De dienst zendt jaarlijks voor 1 oktober de begroting voor het daaropvolgende jaar aan de minister. Artikel 5. Fina"},{"i":19560,"b":"Regeling taken Dienst Wegverkeer Gelet op [artikel 4b, tweede lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b) en [artikel 15 van het Informatiestatuut Dienst Wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008129&artikel=15); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **de minister:** de Minister van Infrastructuur en Milieu; - **de dienst:** de Dienst Wegverkeer; - **derden:** personen en organisaties binnen en buiten de Rijksoverheid; - **richtlijn 2014/47/EU:** [richtlijn 2014/47](32014L0047)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in de Unie aan het verkeer deelnemen en tot intrekking van [richtlijn 2000/30/EG](32000L0030) (PbEU 2014, L 127); - **beschikking 2009/750/EG:** Beschikking 2009/750/EG van de Commissie van 6 oktober 2009 tot definiëring van de Europese elektronische tolheffingsdienst en de bijbehorende technische onderdelen (PbEU 2009, L 268); - **verordening 1071/2009/EG:** Verordening (EU) nr. 1071/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van [Richtlijn 96/26/EG](31996L0026) van de Raad (PbEU 2009, L 300); - **verordening 406/2010:** Verordening (EU) nr. 406/2010 van de Commissie van 26 april 2010 tot uitvoering van [Verordening (EG) nr. 79/2009](32009R0079) van het Europees parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof (PbEU 2010, 122); - **VN/ECE-reglement 110:** Reglement nr. 110 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme bepalingen voor de goedkeuring van specifieke onderdelen van motorvoertuigen die gecomprimeerd aardgas (cng) als brandstof gebruiken en voertuigen met betrekking"},{"i":19575,"b":"Regeling van 9 november 2005, Hoofddirectie Juridische Zaken, nr. HDJZ/AWW/2005-2156 tot vaststelling van de hoogte van de vergoeding die wegbeheerders ingevolge artikel 149b, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 in het kader van de ontheffingverlening voor exceptionele transporten van de Dienst Wegverkeer ontvangen (Regeling vaststelling vergoeding voor wegbeheerders bij exceptionele transporten) Gelet op [artikel 149b, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149b); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A, B, F tot en met H, en artikel IV van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (verlenen ontheffingen door Dienst Wegverkeer) in werking treden. Artikel 1 1. Een wegbeheerder ontvangt van de Dienst Wegverkeer voor elke incidentele ontheffing die wordt verleend ingevolge [artikel 149a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), voor een of meer transporten die over een weg voeren die onder zijn beheer staat, een vergoeding ter hoogte van € 16,–. 2. Een wegbeheerder ontvangt van de Dienst Wegverkeer voor langlopende ontheffingen die worden verleend ingevolge [artikel 149a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), voor een of meer transporten die over een weg voeren die onder zijn beheer staat, een vergoeding ter hoogte van: 3. In afwijking van het eerste en tweede lid, ontvangt een wegbeheerder van de Dienst Wegverkeer een vergoeding van nihil voor ontheffingen verleend voor samenstellen, met een laadlengte van tenminste 18 meter of een vergelijkbare laadlengte indien de voertuigen zijn ingericht voor het vervoer van afneembare laadstructuren bestaande uit ten hoogste drie voertuigen en ingericht voor het vervoer van goederen waarvan de totale lengte niet meer bedraagt dan 25,25 meter en de totale massa niet meer dan 60 ton. Artikel 2 Deze regeling"},{"i":19576,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 juli 2009, nr. K&L2009045627, houdende verhoging van een subsidieplafond en uitbreiding subsidiemogelijkheden zware bestelauto’s en mobiele machines binnen de Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen. Artikel II Wijzigt de Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen. C Indien het definitieve kentekenbewijs is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze regeling, wordt de aanvraag afgehandeld met inachtneming van de [Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020008), zoals die gold voor de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III [Artikel 2.19, eerste lid, van de Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020008&artikel=2.19) zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze regeling, is uitsluitend van toepassing ten aanzien van onderhoudscontracten die na de inwerkingtreding van deze regeling worden afgesloten. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19579,"b":"Regeling verkeerslichten Gelet op [artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=14); Besluit: Artikel 1 Ten aanzien van de toepassing, inrichting, plaatsing, kleur, afmeting en materiaal van verkeersregelinstallaties worden de volgende voorschriften vastgesteld: - 1. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. verkeerslichten, driekleurige verkeerslichten, tweekleurige verkeerslichten en tram/bus-lichten: hetgeen daaronder wordt verstaan in het [Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825); - b. driekleurige fietslichten: driekleurige verkeerslichten waarin afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht; - c. tweekleurige fietslichten: tweekleurige verkeerslichten waarin afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht; - d. rijstrooklichten: verkeerslichten als bedoeld in [artikel 73 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=73); - e. voetgangerslichten: verkeerslichten als bedoeld in [artikel 74 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=74); - f. bruglichten: verkeerslichten als bedoeld in [artikel 72 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=72); - g. verkeerslantaarns: toestellen voor het tonen van verkeerslichten; - h. norm NEN 3322: de norm NEN 3322:2010, Verkeersregelinstallaties – Verkeerslantaarns – Aanvullende eisen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidt op 1 mei 2010; - i. norm NEN 3384: de norm NEN 3384:2017, Verkeersregelinstallaties – Aanvullende eisen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidt op 1 september 2017; - j. conflictpunt: het punt, waar het eerste conflict optreedt van een verkeersbeweging met een andere verkeersbeweging, met het oog waarop de verkeersregeling plaatsvindt; - k. norm NEN-EN 12368: de norm NEN-EN 12368:2006, Verkeersregelinstallaties – Verkeerslantaarns,"},{"i":19580,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende regels met betrekking tot de opleiding, de aanstelling, de examinering en de uitrusting van verkeersregelaars (Regeling verkeersregelaars 2009) Gelet op de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=12) en [13 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=13), [artikel 33 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33), de [artikelen 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=56) en [58 van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=58), [artikel 30, tweede lid, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) en [artikel 5.3.51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=5.3.51), en [5.3.61, derde lid, van het Voertuigreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=5.3.61); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **contourmarkering:** opvallende markering die dient om de horizontale en verticale dimensie (lengte, breedte en hoogte) van een voertuig aan te geven; - b. **evenement:** eenmalige of periodiek terugkerende activiteit met verkeersaantrekkende werking, die hetzij maximaal één dag duurt, hetzij zich uitstrekt over een aaneengesloten periode van meerdere dagen, voor zover het voor het evenement bevoegd gezag heeft bepaald dat er verkeersregelend wordt opgetreden; - c. **evenementenverkeersregelaar:** verkeersregelaar die door het bevoegde gezag ten behoeve van evenementen is aangesteld; - d. **getuigschrift:** door of namens een opleidingsinstituut afgegeven certificaat als bewijs dat het theorie- en het praktijkexamen in het kader van een opleiding tot verkeersregelaar met goed gevolg zijn afgelegd; - e. **migrerende beroepsbeoefenaar:** migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in [artikel 1 van de Algemene"},{"i":19582,"b":"Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen Gelet op artikel 10 van [Richtlijn 96/49/EG](31996L0049) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (PbEG L 235), op [artikel 4b, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b) en op [artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - b. **bevoegde autoriteit:** - 1°. Minister, - 2°. een in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010053&bijlage=3&z=2025-09-04&g=2025-09-04) bij deze regeling erkende instantie, of - 3°. een met toepassing van de [Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026901) erkende instantie. - c. **COTIF:** Convention relative aux transports internationaux ferroviaires; - d. **richtlijn nr. 2008/68/EG:** richtlijn nr. 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PbEU L 260). 2. De in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010053&bijlage=1&z=2025-09-04&g=2025-09-04) opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing op de [bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010053&bijlage=2&z=2025-09-04&g=2025-09-04) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010053&bijlage=3&z=2025-09-04&g=2025-09-04) voorzover daarin niet anders is bepaald. Artikel 2 Bij deze regeling behoren drie bijlagen: - a. [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010053&bijlage=1&z=2025-09-04&g=2025-09-04): voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied over de spoorweg, zijnde de Neder"},{"i":19584,"b":"Regeling voorwaarden deelname examen keurmeester lichte en zware (bedrijfs)voertuigen en landbouwvoertuigen Gelet op [artikel 109 van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=109); Besluit: § 1. Algemene Bepalingen Artikel 1. Aanvraag 1. De aanvraag van de in [artikel 3, eerste lid, onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052063&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [artikel 5, eerste lid, onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052063&paragraaf=3&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [artikel 7, eerste lid, onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052063&paragraaf=4&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde verklaringen wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer. 2. De [artikel 3, eerste lid, onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052063&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [artikel 5, eerste lid, onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052063&paragraaf=3&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [artikel 7, eerste lid, onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052063&paragraaf=4&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde verklaringen worden op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door de Dienst Wegverkeer vastgestelde tarief verleend aan de aanvrager die aan de in deze regeling genoemde eisen voldoet. Artikel 2. Melden deelname examen Degenen die in het bezit zijn van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052063&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052063&paragraaf=3&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052063&paragraaf=4&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde documenten kunnen zich voor deelname aan het betreffende examen rechtstreeks wenden tot de Stichting VAM (IBKI). § 2. Voorwaarden deelname examen keurmeester lichte voertui"},{"i":19585,"b":"Regeling houdende vrijstelling van enkele bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 ten behoeve van particuliere geld- en waardetransportbedrijven (Regeling vrijstelling geld- en waardetransportbedrijven) Gelet op de [artikelen 147, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=147), en [150, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=150); Besluit: Artikel 1 1. Aan particuliere geld- en waardetransportbedrijven als bedoeld in [artikel 147, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=147) is vrijstelling verleend van het bepaalde in de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=10), [23, aanhef en onderdelen b, c, e en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=23), en [62 voor zover het betreft de verkeerstekens op de borden C1, C6, C7, C12, C17, C18, E2, E7, E8 en G7, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=62). 2. De vrijstelling wordt verleend onder de volgende voorschriften en beperkingen: - a. de veiligheid van het verkeer dient onder alle omstandigheden te worden gewaarborgd; - b. het verkeer dient zo weinig mogelijk te worden gehinderd, zo nodig dient daartoe het voor de uitoefening van de taak gebruikte voertuig te worden verplaatst; - c. van de vrijstelling mag alleen gebruik worden gemaakt, indien het vervoer betreft dat wordt verricht met materieel dat voldoet aan de eisen gesteld aan het gebruikte materieel in [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010256&artikel=23), juncto [bijlage 5, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010256&bijlage=5); - d. de vrijstelling beperkt zich tot gebieden waarvoor een verkeersbesluit tot plaatsing van de in het eerste lid genoemde verkeerstekens is genomen met"},{"i":19588,"b":"Besluit van 26 juli 1990, houdende vaststelling van een nieuw Reglement verkeersregels en verkeerstekens Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 mei 1989, nr. RW 26148, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op artikel 2 en 34 van de Wegenverkeerswet (**Stb.** 1935, 554); Gelet op het op 8 november 1968 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake het wegverkeer (**Trb.** 1974, 35), het op 8 november 1968 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake verkeerstekens (**Trb.** 1974, 36), de op 1 mei 1971 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag inzake het wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld (**Trb.** 1974, 37), de op 1 mei 1971 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag inzake verkeerstekens dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld (**Trb.** 1974, 38) en het op 1 maart 1973 te Genève tot stand gekomen Protocol inzake tekens op het wegdek, aanvulling op de Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag inzake verkeerstekens dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld (**Trb.** 1975, 114); De Raad van State gehoord (advies van 2 maart 1990, nr. W09.89.0262); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 juli 1990, nr. RW65898, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanhangwagens**: voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers; - **ambulance:** een voor het verlenen van zorg aan en vervoer van zieken en gewonden ingericht motorvoertuig als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten."},{"i":19590,"b":"Rijkswet van 23 juni 1972, houdende voorzieningen op het gebied van de zeescheepvaart in buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is nieuwe regelen te stellen, opdat in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verbandhoudende buitengewone omstandigheden in het belang van het Koninkrijk beperkingen gesteld kunnen worden aan de overdracht en de bewegingen van- en het vervoer van goederen of personen met zeeschepen onder de vlag van het Koninkrijk, alsmede de onbeperkte beschikking daarover verkregen kan worden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk inachtgenomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: I. Inleidende Bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze Rijkswet bepaalde wordt verstaan onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. \"schip onder de vlag van het Koninkrijk\": - 1°. een schip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden te voeren, niet zijnde een oorlogsschip, hetzij - 2°. een Nederlands vissersvaartuig, dat bedrijfsmatig wordt gebruikt voor de zeevisserij, de kustvisserij of de visserij op het IJsselmeer, een en ander in de zin van de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416), hetzij - 3°. een schip dat op grond van voor Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden te voeren, hetzij - 4°. een bij landsverordening van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten als zodanig in Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten thuisbehorend vissersvaartuig. - c. \"reder\": de eigenaar of, ingeval van rompbevrachting, de rompbevrachter."},{"i":19595,"b":"Besluit van 11 december 1991, houdende een reglement voor de scheepvaart op het Kanaal van Gent naar Terneuzen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 januari 1990, nr. S/J 30.057/90, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=18) en [31, tiende lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=31) (**Stb.** 1988, 352); De Raad van State gehoord (advies van 29 mei 1990, nr. W09.90.0029); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 december 1991, nr. DGSM/J 31.880/91, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Toepassingsgebied 1. Het reglement is van toepassing op: - a. het Kanaal van Gent naar Terneuzen vanaf de grens met België tot aan de sluizen van Terneuzen, alsmede het gebied van de Westsluis, de Middensluis en de Oostsluis te Terneuzen, de Westbuitenhaven en de Oostbuitenhaven te Terneuzen, tot aan de denkbeeldige lijn getrokken over de koppen van de havenhoofden; - b. Zijkanaal **f** en Zijkanaal **g** voor zover gelegen ten zuiden van de denkbeeldige lijn getrokken over de meest zuidelijke punten van de hoofden van de oude sluis te Sas van Gent; - c. Zijkanaal **a, b, d, e, h,** Zijkanaal **c** tot aan de grens tussen de gemeente Sas van Gent en Axel ter hoogte van Axelse Sassing, Zijkanaal **g** voor zover gelegen ten noorden van de denkbeeldige lijn getrokken over de meest zuidelijke punten van de hoofden van de oude sluis te Sas van Gent, de Noorder- en Zuiderkanaalhaven, de Massagoedhaven, de Ro-ro-haven en de Zevenaarhaven. 2. Het gebied beschreven in het eerste lid, onder **a**, wordt in dit reglement genoemd: kanaal. Artikel 2. Begripsomschrijvingen 1. In dit reglement wordt verstaan onder: - a. schip: een drijv"},{"i":19604,"b":"Besluit van 31 augustus 2020 tot wijziging van het Reglement rijbewijzen en enige andere besluiten in verband met de tijdelijke verlenging van de geldigheidsduur van het rijbewijs in verband met COVID-19 en enkele andere wijzigingen (Tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in verband met COVID-19) Artikel I Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel II Wijzigt het Tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in bepaalde gevallen. Artikel III Wijzigt het Besluit voertuigen. Artikel IV Wijzigt het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW). Artikel V 1. De [artikelen 25ab](onbekend), [103b](onbekend), [156r, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156r), en [156ae van het Reglement rijbewijzen](onbekend) en [artikel 16a van het Besluit voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025554&artikel=16a) vervallen met ingang van 1 december 2020. 2. [Artikel 68 van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=68) vervalt met ingang van 1 april 2021. 3. [Artikel 37a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=37a) vervalt met ingang van 1 januari 2021. Artikel VI 1. Dit besluit, met uitzondering van de [artikelen I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044050&artikel=I&z=2020-09-04&g=2020-09-04), [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044050&artikel=III&z=2020-09-04&g=2020-09-04) en [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044050&artikel=IV&z=2020-09-04&g=2020-09-04), treedt in werking met ingang van 1 september 2020. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 augustus 2020, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 september 2020. 2. De [artikelen I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":19643,"b":"Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden eenerzijds en de President der Poolsche Republiek anderzijds, gelijkelijk bezield met den wensch de handelsbetrekkingen tusschen beide landen te bevorderen en te doen toenemen, hebben besloten een Verdrag van Handel en Scheepvaart te sluiten en hebben te dien einde tot hunne gevolmachtigden benoemd te weten. Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den Heer D. Baron VAN ASBECK, Hoogst Derzelve, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij de Poolsche Republiek. De President der Poolsche Republiek: den Heer MAURICE ZAMOYSKI, Minister van Buitenlandsche Zaken, en den Heer JÓZEF KIEDRÓN, Minister van Nijverheid en Handel, die na elkander hunne, in goeden en behoorlijken vorm bevonden, volmachten te hebben medegedeeld, tot overeenstemming zijn gekomen nopens de volgende artikelen: ARTIKEL I De onderdanen van de eene Hooge Verdragsluitende Partij, die gevestigd zijn op het grondgebied der andere Partij of die daar tijdelijk verblijf houden, zullen voor wat betreft de vestiging en de uitoefening van den handel en de nijverheid op het grondgebied der andere Partij, dezelfde rechten, voorrechten, vrijdommen, gunsten en vrijstellingen genieten als de onderdanen van de meestbegunstigde natie. ARTIKEL II 1. De onderdanen van elk der verdragsluitende Partijen zullen op het grondgebied der andere Partij ten aanzien van hunne rechtspositie, hunne roerende en onroerende goederen, hunne rechten en belangen, dezelfde behandeling ondervinden als die, welke is toegestaan of zal worden toegestaan aan de onderdanen van de meestbegunstigde natie. 2. Het zal hun vrijstaan hunne zaken op het grondgebied der andere Partij te regelen, hetzij persoonlijk, hetzij door een tusschenpersoon hunner eigen keuze, en zij zullen, mits zij zich gedragen naar de wetten des lands, het recht hebben om in rechten op te treden en vrijen toegang hebben tot de autori"},{"i":19606,"b":"Tijdelijk ondermandaatbesluit Commandant Landstrijdkrachten aan Directeur Materieel & Diensten inzake artikel 25 van de Verkeersregeling Defensie Gelet op: [Artikelen 1, onder n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034157&artikel=1), en [15, onder a, van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034157&artikel=15); [Artikel 2, eerste lid, van het Ondermandaat, -volmacht en -machtigingsbesluit SG Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034185&artikel=2); Artikel 25 van de Verkeersregeling Defensie. Artikel 1. Ondermandaat Aan de Directeur Materieel & Diensten wordt ondermandaat verleend om ingevolge artikel 25, eerste lid, onder c, van de Verkeersregeling Defensie toestemming te verlenen aan derden, niet in dienst van het Ministerie van Defensie, tot het besturen van een militair voertuig zonder dat daartoe een militair rijbewijs is vereist, in verband met de door deze derden te verrichten werkzaamheden ten behoeve van de strijdkrachten. Artikel 2. Voorleggen ter beslissing aan mandaatgever De gemandateerde maakt geen gebruik van een aan hem in ondermandaat verleende bevoegdheid in de gevallen waarin hij van mening is dat de mandaatgever een beslissing moet nemen of een document moet ondertekenen. Artikel 3. Regelen en instructies De uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden geschiedt met inachtneming van de aan de uitoefening van het ondermandaat gestelde regelen en de daaraan verbonden instructies. Artikel 4. Ondertekening Bij de uitoefening van het ondermandaat ondertekent de gemandateerde de besluiten en correspondentie als volgt: DE COMMANDANT LANDSTRIJDKRACHTEN Voor deze Functie van de gemandateerde Handtekening van de gemandateerde Naam en rang van de gemandateerde Artikel 5. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 6. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk ondermandaatbeslui"},{"i":11819,"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 12 december 2006, nr. Juza/2006/02475/CLR, houdende regels ingevolge artikel VI, eerste en tweede lid, van het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2 met betrekking tot de wijze van uitoefening van de daarin aan haar gedelegeerde bevoegdheden (Beleidsregel versoepeling ervaringsvereiste voor de toepassing van de IRB) Na overleg met de representatieve organisaties; Gelet op [artikel VI, eerste en tweede lid, van het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020750&artikel=VI); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. Besluit: [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - b. IRB: de interne modellenmethode als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=1); - c. Regeling: de [Regeling solvabiliteitseisen voor het kredietrisico](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020764); en - d. wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op banken of beleggingsondernemingen die een aanvraag om toestemming als bedoeld in [artikel 69, eerste lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=69) bij De Nederlandsche Bank indienen. Artikel 3 De in [artikel VI, eerste lid, van het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020750&artikel=VI) bedoelde versoepeling betreffende het tot uiterlijk 31 december 2009 terugbrengen van de in [artikel 69, vierde lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=69) vereiste periode van 3 jaar naar 1 jaar zal uitsluitend worden toegepast: - a. ten behoeve van een financiële onderneming die een aanvraag heeft ingediend voor de implementatie van de Eenvoudige IRB, bedoeld in [artikel 1:1, onderdeel f, van de Regeling](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":19607,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 12 oktober 2021, nr. IENW/BSK-2021/264008, houdende tijdelijke regels voor toekenning van specifieke uitkeringen ter stimulering van het nemen van maatregelen ten behoeve van doelmatiger en duurzamer gebruik van verkeersinfrastructuur 2021 (Tijdelijke stimuleringsregeling doelmatig en duurzaam gebruik verkeersinfrastructuur 2021) Gelet op [artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), [artikel 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), juncto [3, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), en [artikel 5, aanhef en onderdelen a tot en met f, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Bestuurlijke Overleggen MIRT 2020:** Bestuurlijke overleggen MIRT Noord-Nederland, Oost-Nederland, Zuid-Nederland, Zuidwest-Nederland, Noordwest-Nederland en goederenvervoercorridors die hebben plaatsgevonden op 25 en 26 november 2020; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **specifieke uitkering:** uitkering als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045694&artikel=3&z=2025-11-19&g=2025-11-19). Artikel 2. Doel van de regeling Deze regeling heeft tot doel het stimuleren van het nemen van maatregelen die doelmatiger en duurzamer gebruik van verkeersinfrastructuur beogen te bevorderen. Artikel 3. Activiteiten waarvoor een specifieke uitkering kan worden aangevraagd Tot het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045694&artikel=2&z=2025-11-19&g=2025-11-19) genoemde doel kan de minister overeenkomstig de afspraken die hierover zijn gemaakt in het kader van de Bestuurlijke Overleggen MIRT 2020 op aanvraag van een provincie of een gemeente een specifieke uitkering vers"},{"i":19608,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 oktober 2020, nr. IENW/BSK-2020/181458, houdende tijdelijke regels voor toekenning van specifieke uitkeringen ter stimulering van het nemen van maatregelen ten behoeve van veiliger, doelmatiger en duurzamer gebruik van verkeersinfrastructuur 2020 (Tijdelijke stimuleringsregeling veilig, doelmatig en duurzaam gebruik verkeersinfrastructuur 2020) Gelet op [artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), [artikel 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), juncto [3, eerste lid, aanhef en onderdelen a en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), en [artikel 5, aanhef en onderdelen a tot en met f, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Bestuurlijke Overleggen MIRT 2018 en 2019:** Bestuurlijke overleggen MIRT Noord-Nederland, Oost-Nederland, Zuid-Nederland, Zuidwest-Nederland, Noordwest-Nederland en goederenvervoercorridors die hebben plaatsgevonden op 21 en 22 november 2018 respectievelijk 20 en 21 november 2019; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **specifieke uitkering:** uitkering als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044170&artikel=3&z=2020-10-03&g=2020-10-03); Artikel 2. Doel van de regeling Deze regeling heeft tot doel het stimuleren van het nemen van maatregelen die veiliger, doelmatiger en duurzamer gebruik van verkeersinfrastructuur beogen te bevorderen. Artikel 3. Activiteiten waarvoor een specifieke uitkering kan worden aangevraagd Tot het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044170&artikel=2&z=2020-10-03&g=2020-10-03) genoemde doel kan de minister overeenkomstig de afspraken die hierover zijn gemaakt in het kader van de Bestuurlijke Overleggen MIRT 2018 en 2"},{"i":19632,"b":"Verdrag inzake douanefaciliteiten ten behoeve van het toeristenverkeer DE VERDRAGSLUITENDE STATEN, **Bezield door de wens** de ontwikkeling van het internationale toeristenverkeer te bevorderen, **Hebben besloten** een Verdrag te sluiten en zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan: - a). onder „rechten en heffingen ter zake van de invoer” niet alleen de invoerrechten, doch tevens alle rechten en heffingen, hoe ook genaamd, welke ter zake van de invoer worden geheven; - b). onder „toerist” iedere persoon, zonder onderscheid van ras, geslacht, taal of godsdienst, die het gebied van een der andere Verdragsluitende Staten dan dat waar hij gewoonlijk verblijf houdt, binnenkomt en daar gedurende ten minste vierentwintig uren en ten hoogste zes maanden in de loop van enig tijdvak van twaalf maanden vertoeft op grond van rechtmatige beweegredenen - niet zijnde immigratie -, zoals toerisme, ontspanning, sport, gezondheid, familieomstandigheden, studie, pelgrimstochten of zaken; - c). onder „Bewijs van tijdelijke invoer” het douanedocument blijkens hetwelk zekerheid is gesteld dan wel consignatie heeft plaatsgevonden voor de rechten en heffingen ter zake van de invoer welke verschuldigd zijn indien wordt nagelaten de tijdelijk ingevoerde goederen weder uit te voeren. Artikel 2 1. Behoudens de andere bepalingen van dit Verdrag zal elke Verdragsluitende Staat met tijdelijke vrijstelling van rechten en heffingen ter zake van de invoer toelaten de persoonlijke goederen die door een toerist worden ingevoerd, mits deze goederen bestemd zijn voor diens persoonlijk gebruik en hij de goederen zelf of in zijn reisbagage medevoert, mits er geen vrees voor misbruik bestaat en mits deze persoonlijke goederen door de toerist weder zullen worden uitgevoerd wanneer hij het land verlaat. 2. Onder „persoonlijke goederen” worden verstaan alle kledingstukken en alle andere nieuwe of gebruikte goederen, welke een toerist redelijkerwijze en voor"},{"i":19641,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat inzake samenwerking met betrekking tot verkeersovertredingen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat, hierna tezamen „de partijen” genoemd, Overwegende dat verbetering van de verkeersveiligheid voor de partijen een prioriteit is, om zo het aantal doden, gewonden en de omvang van de schade te verminderen, Overwegende dat de succesvolle vervolging van verkeersovertredingen die zijn begaan met in het land van de andere partij ingeschreven voertuigen, van groot belang is voor het bereiken van deze doelstelling, Overwegende dat de verwerking van gegevens in het kader van dit Verdrag passend en noodzakelijk is om de legitieme doelstellingen in verband met verkeersveiligheid te verwezenlijken, namelijk een hoog niveau van bescherming van alle weggebruikers, door het bestraffen van verkeersovertredingen te vergemakkelijken, waarbij het evenredigheidsbeginsel bij het nastreven van deze doelstellingen altijd in acht dient te worden genomen, Overwegende dat de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens een grondrecht is, Geleid door de wens dat de uitvoering en toepassing van dit Verdrag in overeenstemming zijn met de toepasselijke gegevensbeschermingsregels van de partijen, zodat een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens wordt gewaarborgd en tegelijkertijd de overdracht van persoonsgegevens wordt vergemakkelijkt, Hebben het volgende afgesproken: Artikel 1. Doel en reikwijdte Het doel van dit Verdrag is een hoog niveau van bescherming van alle weggebruikers te waarborgen door ervoor te zorgen dat verkeersovertredingen die op het soevereine grondgebied van elk van beide partijen worden begaan met voertuigen die op het soevereine grondgebied van de andere partij zijn ingeschreven, wederzijds worden vervolgd en door elkaar bijstand te verlenen bij de handhaving van bekeuringen betreffende deze overtredingen. Artikel 2. Begripsomschr"},{"i":19645,"b":"Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oostenrijk Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en De Bondspresident van de Oostenrijksche Republiek, bezield met den wensch de handelsbetrekkingen tusschen de beide landen steeds meer te bevorderen, hebben besloten een handels- en scheepvaartverdrag te sluiten en hebben te dien einde tot Hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, HoogstDerzelver Minister van Buitenlandsche Zaken, De Bondspresident van de Oostenrijksche Republiek: Zijne Excellentie ADOLF DUFFEK, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van de Oostenrijksche Republiek te 's-Gravenhage, die, na elkander mededeeling te hebben gedaan van hunne volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm werden bevonden, omtrent het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 (1). De onderdanen van elk der beide Hooge Verdragsluitende Partijen zullen op het gebied van de andere een in elk opzicht ten minste even gunstige behandeling genieten als de onderdanen van de meestbegunstigde natie. Zij zullen gelijkgesteld zijn met de nationalen voor wat betreft de vestiging en de uitoefening van den handel, de nijverheid en de scheepvaart. Zij zullen eveneens, gelijk de nationalen, recht hebben op de bescherming van hun persoon en goederen, alsmede het recht den eigendom van roerende of onroerende goederen te verkrijgen en erover te beschikken. Natuurlijke personen en rechtspersonen van de ene Partij op het grondgebied van de andere Partij genieten met betrekking tot het verwerven van onroerend goed dezelfde rechten als de onderdanen van de meestbegunstigde natie. De onderdanen van elk der beide Hooge Verdragsluitende Partijen zullen vrijen toegang hebben tot de rechtbanken der andere Partij, hetzij als eischer, hetzij als verweerder. Zij zullen, op denzelfden voet als de nationalen, de bevoegdheid hebben procureurs, advocaten en vertegenwoordigers hunner keuze te nemen en va"},{"i":19646,"b":"Verdrag van handel en scheepvaart tussen Nederland en Noorwegen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen, gelijkelijk bezield met den wensch om de vriendschapsbanden en de tusschen Nederland en Noorwegen bestaande handelsbetrekkingen te versterken, hebben gemeenschappelijk besloten te dien einde een nieuw speciaal verdrag te sluiten en hebben tot hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Hoogst Derzelver Kamerheer WILLEM BERNARD REINIER VAN WELDEREN baron RENGERS, Hoogst Derzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning van Noorwegen; en Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen: Hoogst Deszelfs Minister van Buitenlandsche Zaken, den heer JOHANNES IRGENS, Die, na elkander hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, zijn overeengekomen nopens de volgende artikelen: Artikel 1 De behandeling op den voet der meest begunstigde natie zal in Nederland en zijne koloniën en bezittingen, volledig en zonder andere reserves dan die vervat in artikel 7, worden gewaarborgd aan de Noorsche onderdanen, en wederkeerig zal gezegde behandeling in Noorwegen aan de Nederlandsche onderdanen worden gewaarborgd. Artikel 2 De behandeling op den voet der meestbegunstigde natie zal in Nederland en zijne koloniën en bezittingen, volledig en zonder andere reserves dan die vermeld in artikel 7, worden gewaarborgd aan alle goederen herkomstig uit of komende van Noorwegen en wederkeerig zal gezegde behandeling in Noorwegen worden gewaarborgd aan alle goederen herkomstig uit of komende van Nederland en zijne koloniën en bezittingen. Wat de goederen betreft, die geen produkt zijn van den bodem of de nijverheid van de beide landen, zoo zal op behandeling op den voet der meestbegunstigde natie slechts aanspraak kunnen worden gemaakt, indien die goederen herkomstig zijn uit een land dat meestbegunstigingsbehandeling geniet. Artikel 3 De behandeli"},{"i":4232,"b":"Besluit van de Directeur/bestuurder van het Nederlands fonds voor de Film van 1 november 2012, FB 120112, tot vaststelling van de subsidieplafonds voor subsidiëring op grond van het Deelreglement Filmactiviteiten, de Suppletieregeling Filminvesteringen Nederland en het Deelreglement Distributie Gelet op [artikel 7 van het Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030067&artikel=7), [artikel 23 lid 3 van de Suppletieregeling Filminvesteringen Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022008&artikel=23), en [artikel 23 lid 1 van het Deelreglement Distributie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030071&artikel=23); Besluit: Artikel I Voor subsidieverlening op grond van [artikel 4 van de Suppletieregeling Filminvesteringen Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022008&artikel=4) geldt voor het kalenderjaar 2013 een subsidieplafond van maximaal € 7.750.000,-- (zegge: zeven miljoen zevenhonderd en vijftig duizend euro). Artikel II Voor subsidieverlening op grond van [artikel lid 21 het Deelreglement Distributie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030071&artikel=21) ten behoeve van de bioscoopuitbreng buitenlandse arthouse film in Nederland geldt voor het kalenderjaar 2013 een subsidieplafond van maximaal € 300.000 euro (zegge: driehonderd duizend euro). Artikel III Voor subsidieverlening op grond van [artikel 11 van het Deelreglement Filmactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030647&artikel=11) ten behoeve van de projectsubsidie filmfestival geldt voor het kalenderjaar 2013 een subsidieplafond van maximaal € 275.000,- (zegge: tweehonderd en vijfenzeventig duizend euro). Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":3027,"b":"Besluit aanwijzing traangasgranaten Gelet op [artikel 7, sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=7), [artikel 8, sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=8) en [artikel 9, sub c, van de Bewapeningsregeling politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=9); Besluiten: Artikel 1 Als CS-traangasgranaten, bedoeld in [artikel 7, sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=7), [artikel 8, sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=8) en [artikel 9, sub c, van de Bewapeningsregeling politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=9) worden goedgekeurd de CS-traangasgranaten van het merk: Pyrotechnik Silberhütte (Rheinmetall), type Traangasgranaat Buiten (40 mm) RP 743-15 CS; Nico Pyrotechnik (Rheinmetall), type Traangasgranaat Barricadebrekend LE (40 mm binnen); Pyrotechnik Silberhütte (Rheinmetall), type Traangashandgranaat Groot 15 CS; Nico Pyrotechnik (Rheinmetall), type Traangashandgranaat Klein 2.4 CS. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3265,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 2 september 2025, kenmerk BOACAT2025/167, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Houten Gelezen het verzoek van gemeente Houten van 19 augustus 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051485&artikel=2&z=2025-09-11&g=2025-09-11). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerkers handhaving II en III boa (HR21) in dienst van gemeente Houten zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoe"},{"i":3798,"b":"Besluit van 19 januari 1982, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 1 van de Wet omrekening in goud uitgedrukte rekeneenheden Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 5 november 1981, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, Nr. 521/681; Gelet op [artikel 1 van de Wet omrekening in goud uitgedrukte rekeneenheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003401&artikel=1) (**Stb.** 1981, 295); De Raad van State gehoord (advies van 8 december 1981, nr. 811202/6); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie a.i. van 5 januari 1982, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 006/682; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De wijze van omrekening in Nederlands geld, bedoeld in [artikel 1 van de Wet omrekening in goud uitgedrukte rekeneenheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003401&artikel=1) (**Stb.** 1981, 295), wordt toegepast op de rekeneenheden, die zijn omschreven in de volgende bepalingen: - a. artikel 4, vijfde lid, onder **d**, van het op 25 augustus 1924 te Brussel tot stand gekomen Internationale Verdrag ter vaststelling van enige eenvormige regelen betreffende het cognossement zoals gewijzigd door het op 23 februari 1968 te Brussel tot stand gekomen Protocol bij dit verdrag (**Trb.** 1953, 109 en **Trb.** 1979, 26); - b. [artikel 469**a**, vierde lid, van het Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=469a), zoals gewijzigd door de Wet van 11 maart 1981 (**Stb.** 206); - c. artikel 3, zesde lid, van het op 10 oktober 1957 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag nopens de beperking van de aansprakelijkheid van eigenaren van zeeschepen (**Trb.** 1958, 46), alsmede [artikel 740**d**, vierde lid, van het Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=740d); - d. artikel 3, tweede lid, van de wet van 24 oktober 1973 (**Stb.** 536), houdende regelen inzake wettelijke aansprakelijkheid van exploitanten van nucle"},{"i":2976,"b":"Besluit aanwijzing organisaties voor mulitidisciplinaire adviescommissie ICT Gelet op artikel 5.1, tweede lid, van de Voorziening tot samenwerking Politie Nederland; Besluit: Artikel 1 Als rechtspersonen of diensten met een publiekrechtelijke taak op het terrein van politie, justitie of veiligheid, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Voorziening tot samenwerking Politie Nederland, worden aangewezen: - a. de politiekorpsen, bedoeld in [artikel 4 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=4); - b. de gemeentelijke brandweren, bedoeld in [artikel 1 van de Brandweerwet 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=1); - c. de regionale brandweren, bedoeld in [artikel 4 van de Brandweerwet 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=4); - d. openbare lichamen als bedoeld in [artikel 4 van de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005276&artikel=4); - e. de Koninklijke marechaussee; - f. de gemeenten; - g. het directoraat-generaal Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en - h. het Ministerie van Justitie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2006. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4231,"b":"Besluit vaststelling subsidieplafonds subsidiëring ex Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland, Deelreglement Ontwikkeling en Deelreglement Realisering Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904), en gelet op [artikel 7 van het Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044475&artikel=7), [artikel 3 van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044642&artikel=3), het [Deelreglement Ontwikkeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044508) en het [Deelreglement Realisering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044509); Besluit: Artikel I Het subsidieplafond van het [Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044642) voor de pilot voor High-End series voor het kalenderjaar 2021 is € 10.000.000,- (zegge: tien miljoen euro), waarvan € 2.340.000,- (zegge: twee miljoen driehonderdveertigduizend euro) per aanvraagronde in de tweede helft van het jaar. Per aanvraagronde worden als eerste alle internationale coproducties gehonoreerd tot maximaal 70% van het budget. Artikel II Het subsidieplafond van het [Deelreglement Ontwikkeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044508) voor het kalenderjaar 2021 ten behoeve van de regeling Film Fast & Furious - First Gear is € 300.000,- (zegge: driehonderd duizend euro). Artikel III Het subsidieplafond van het [Deelreglement Realisering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044509) voor het kalenderjaar 2021 ten behoeve van de regeling Immerse\\Interact XL is € 600.000,- (zegge: zeshonderd euro). Artikel IV Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst en treedt in werking per 19 juli 2021."},{"i":3481,"b":"Besluit van 23 januari 1948, tot uitvoering van artikel 32 der Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Staatsblad 1947, No. H 313) Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Financiën en van Sociale Zaken van 9 December 1947, afdeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers, no. 6411; Gelet op de artikelen 3 en 32, vierde lid, van de \"[Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032)\" (**Staatsblad** 1947, no. H 313); Gezien de adviezen van de Buitengewone Pensioenraad en de Stichting 1940-1945; De Raad van State gehoord (advies van 6 Januari 1948, no. 25); Gezien het nader rapport van voornoemde Ministers van 9 Januari 1948, no. 64505, afdeling Maatschappelijke Zorg II Bureau 4; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); de gepensioneerde: degene, aan wie pensioen is verleend krachtens de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) (**Stb.** 1986, 575); pensioen: het buitengewoon pensioen, verleend ingevolge de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032). Artikel 2 1. In de eerste helft van elke maand zendt de Sociale verzekeringsbank aan de Stichting 1940 -1945 een opgave van de over die maand uit te betalen pensioensbedragen. 2. De Stichting 1940 -1945 draagt er zorg voor, dat deze pensioensbedragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vóór het einde van de betrokken maand aan of ten behoeve van de rechthebbenden worden betaalbaar gesteld. Artikel 3 De Stichting 1940-1945 zendt uiterlijk binnen twee maanden na de maand, waarop de in de eerste zin van het vorig artikel bedoelde opgave betrekking heeft, aan d"},{"i":3810,"b":"Besluit van de directeur van het Agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) van 4 februari 2015, houdende regels inzake het verlenen van ondermandaat en machtiging betreffende aangelegenheden die verband houden met de toelating, registratie en doorhaling van de uitoefening van de diergeneeskunde (Besluit ondermandaat en machtiging directeur CIBG inzake de toelating, registratie en doorhaling van de uitoefening van de diergeneeskunde) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van het Besluit mandaat en machtiging directeur CIBG inzake toelating, registratie en doorhaling van de uitoefening van de diergeneeskunde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036034&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Chief Operational Officer:** de Chief Operational Officer van het Agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg, welke functienaam van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2014 luidde ‘plaatsvervangend directeur’; - b. **hoofd van de afdeling Registers en Knooppunten 3:** het hoofd van de afdeling Registers en Knooppunten 3 van het Agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg, welke functienaam van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2014 luidde ‘clusterhoofd Registers’. Artikel 2 Aan de Chief Operational Officer en het hoofd van de afdeling Registers en Knooppunten 3 wordt, ieder voor zich, ondermandaat en machtiging verleend ten aanzien van het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen ten aanzien van: - a. de toelating tot de uitoefening van de diergeneeskunde, bedoeld in [artikel 3.11 van het Besluit diergeneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=3.11); - b. de registratie, bedoeld in [artikel 4.3 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=4.3); - c. de toelating tot de uitoefening van de diergeneeskunde, bedoeld in de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=3.1), [3.4](https://wett"},{"i":4749,"b":"Iran-United States Claims Tribunal 1. Inleiding Het \"Iran-United States Claims Tribunal\" (hierna te noemen: \"Tribunal\") dat zijn zetel heeft in 's-Gravenhage, ving zijn werkzaamheden aan op 19 mei 1981. De hierna volgende privileges en immuniteiten van het \"Tribunal\", van zijn leden en van zijn Secretaris-Generaal, griffiers en andere personeelsleden zijn vastgesteld bij de op 17 maart 1988 in werking getreden overeenkomst tussen het Tribunal\" en de Nederlandse Regering, gepubliceerd in het Tractatenblad 1988, nummer 25. De belastingvrijstellingen, op voorlopige basis aan het \"Tribunal\", zijn leden en zijn personeelsleden toegekend bij de aanschrijving van 5 juli 1982, nr. 082-1386, I.F.Z.-221 (I.F.Z.-(B)-25, H.B.I.-878, B.T.W/A-92), zoals laatstelijk gewijzigd op 7 maart 1984, zijn integraal in deze overeenkomst opgenomen. Daarnaast omvat de overeenkomst enkele nieuwe vrijstellingen (zie de punten 3.1. en 3.2. hierna. 2. Belastingvrijstellingen van het \"Tribunal\" 2.1. Algemeen Het \"Tribunal\" is vrijgesteld van alle directe belastingen, alsmede van: 2.2. Belasting bij invoer De hiervoor onder punt 2.1., letter a., vermelde vrijstelling wordt bij invoer genoten op grond van een door de Inspecteur der invoerrechten en accijnzen te Rijswijk ter zake te verlenen vrijstellingsvergunning. De goederen worden ten invoer met vrijstelling van belasting aangegeven op een formulier ED 35 (Enig Document), met dien verstande dat geen zekerheid behoeft te worden gesteld. 2.3. Invoer per post Brieven, documenten en andere goederen, die per post worden ingevoerd, worden - mits aannemelijk is dat zij voor het \"Tribunal\" zijn bestemd - met vrijstelling van belasting toegelaten zonder dat een schriftelijke aangifte ten invoer behoeft te worden gedaan en zonder dat de hiervoor in punt 2.2. genoemde vrijstellingsvergunning is vereist. 2.4. Afzien van de vrijstelling Met vrijstelling van belasting verkregen goederen als hiervoor bedoeld in punt 2.1., letter a., waaraan een andere bestemmi"},{"i":2552,"b":"Besluit van 16 september 2024, IENW/BSK-2024/220597 tot vaststelling van de Beleidsregel vergunningverlening waterkrachtcentrales in rijkswateren 2024 Gelet op de [artikelen 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.17), [6.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.35), [6.36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.36), [6.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.54) en [6.55, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.55) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **cumulatieve vissterfte:** de totale gezamenlijke vissterfte veroorzaakt door alle waterkrachtcentrales in een relevant gebied; - **omgevingsvergunning:** - −. een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van [artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, aanhef en onder 1°, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1) in samenhang met [artikel 6.55, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.55), of - −. een omgevingsvergunning op grond van [artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1) in samenhang met [artikel 6.36 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.36), of - −. een omgevingsvergunning op grond van [artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, aanhef en onder 2°, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1) in samenhang met [artikel 6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.17), [artikel 6.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&"},{"i":6524,"b":"Besluit van 24 november 2023, nr. 2023000277 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit financiële markten BES en enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingsbesluit financiële markten 2023) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 7 februari 2023, 2023-0000010667, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:3.0d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0d), [2:3.0i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0i), [2:3.0m, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0m), [2:3b, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3b), [2:3i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3i), [2:5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:5), [2:7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:7), [2:10b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:10b), [2:12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:12), [2:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:17), [2:21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:21), [2:26b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:26b), [2:26e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:26e), [2:31, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":4542,"b":"Circulaire Wijziging normbedragen voor exploitatiebijdragen standplaatsen en continuering toepassing subsidieafbraakpercentage voor woonwagens en standplaatsen 2003 Geacht bestuur/college, 1. Herziening normbedragen standplaatsen Jaarlijks worden de subsidiebijdragen in de constante en variabele exploitatiekosten van standplaatsen op voet van de Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens 1992 aangepast aan opgetreden prijswijzigingen. In artikel 1 van bijgaande regeling zijn de bedragen voor 2003 vastgelegd. De regeling is van belang voor die gemeenten die in 1999 geen gebruik hebben gemaakt van de [Regeling afkoop geldelijke steun woonwagens en standplaatsen](onbekend) (brutering). Momenteel vindt er een onderzoek plaats naar de mogelijkheid om ook de bijdragen van de resterende voorraad woonwagens en standplaatsen nog dit jaar af te kopen. Ik zal die Colleges welke dit aangaat daar binnenkort afzonderlijk nader over berichten. 2. Continuering subsidieafbraakpercentage Voor de periode van 1 juli 2003 tot 1 juli 2004 wordt bij de berekening van de jaarlijkse bijdragen voor huurwoonwagens en standplaatsen uitgegaan van een subsidieafbraakpercentage van 3,8, zoals U reeds is aangekondigd in MG 2003-02 van 24 februari 2003. In artikel 2 van bijgaande regeling is dit vastgelegd. 3. Inlichtingen Voor nadere informatie naar aanleiding van deze circulaire kunt U zich wenden tot de afdeling Uitvoering van de Directie IBS van het DG Wonen te Den Haag, telefoonnummer 070-3392207."},{"i":3525,"b":"Besluit van 27 april 1998, tot het voor de toepassing van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen gelijkstellen van vreemdelingen met Nederlanders (Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 mei 1997, Directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, Nr. WBJA/W1/97/0567; Gelet op de [artikelen 7, derde lid, van de Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=7), [6, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=6) en [6, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=6); De Raad van State gehoord (advies van 17 juni 1997, nr. W12.97.0307); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 april 1998, Directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, Nr. WBJA/W1/98/0477; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt volgens Stb. 1998/382 in werking met ingang van de dag waarop de artikelen IX tot en met XIX van de wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van vreemdelingen in Nederland in werking treden. Artikel 1 1. Voor de toepassing van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) en de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbe"},{"i":3868,"b":"Besluit van 1 mei 1981, tot uitvoering van het bepaalde in artikel 30 van de Wet toezicht kredietwezen met betrekking tot andere kapitaalmarktinstellingen dan hypotheekbanken Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen, van 21 mei 1980, nr. 380-5614; Gelet op [artikel 30 van de Wet toezicht kredietwezen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792&artikel=30) (**Stb.** 1978, 255); Gelet op de bepalingen van de Eerste richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (**Pb. E.G.** L 322/80); Gezien de adviezen van De Nederlandsche Bank N.V. en van de Bankraad; De Raad van State gehoord (advies van 27 augustus 1980, no. 800820/9); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 23 april 1981, nr. 381-2978; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op rechtspersonen, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en natuurlijke personen, die hun bedrijf maken van het ter beschikking verkrijgen van het publiek van gelden, op termijnen van twee jaar of langer opvorderbaar, en van het voor hun eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen, met uitzondering van: - a. kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder **a,** van de [Wet toezicht kredietwezen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792); - b. hypotheekbanken als bedoeld in artikel 1 van het Besluit ondertoezichtstelling hypotheekbanken; - c. ondernemingen en instellingen, genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Eerste richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (**Pb. E.G.**L 322/30) bij welke naar het oordeel"},{"i":3183,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 oktober 2021 nr. BOACAT2021/044, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Papendrecht in het domein I Openbare Ruimte Gelezen het verzoek van de gemeente Papendrecht van 12 juli 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045739&artikel=2&z=2021-11-24&g=2021-11-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Papendrecht, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals"},{"i":2813,"b":"Beschikking Staatsloterij Gelet op [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=9) en [artikel 10 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=10): Besluit: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 De vergunning tot het organiseren van de staatsloterij als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=9) (hierna: de wet) is voor onbepaalde tijd verleend aan Staatsloterij B.V., een besloten vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Den Haag met KvK-nummer 27139788 (hierna: de vergunninghouder). Artikel 3 Aan de vergunning worden onderstaande voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de staatsloterij inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. - 1. De vergunninghouder moet de staatsloterij op doelmatige en doeltreffende wijze exploiteren. - 2. De vergunninghouder waarborgt de veiligheid en betrouwbaarheid van de staatsloterij. - 3. De vergunninghouder onderwerpt de mechanische, elektrische en elektronische processen die gebruikt worden bij de prijsbepaling aan een voorafgaande goedkeuring en jaarlijkse controle door een door de Minister conform [artikel 4, derde lid, van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=4) aangewezen onafhankelijke deskundige of keuringsinstelling. - 4. De vergunninghouder heeft voor de staatsloterij een afzonderlijke, overzichtelijke en doelmatige administratie. - 5. De vergunninghouder maakt uitsluitend noodzakelijke kosten. Dit betekent dat de vergunninghouder alleen kosten mag maken die rechtstreeks verband houden met het organiseren van de staatsloterij en die tot de normale bedrijfskosten gerekend kunnen worden. - 6. De vergunninghouder waarborgt dat zijn betrouwbaarheid, die van de personen die zijn beleid bepalen of mede bepalen, en die van zijn uiteindeli"},{"i":3060,"b":"Besluit van 16 maart 1994, houdende vaststelling van de algemene rechtspositie van de politie Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 17 november 1993, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nummer EA93/U3170; Gelet op [artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50); De Raad van State gehoord (advies van 7 februari 1994, nummer WO4.93.0765); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 11 maart 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nummer EA94/418; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepaling Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **aandachtsgebied:** een verbijzondering van een werkterrein, dat wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan onderwerpen, waarvoor een specifieke inzet en inbreng geldt. Voor deze inzet kunnen nadere opleiding- en certificeringeisen worden gesteld; - **ambtenaar:** de aspirant, de ambtenaar in opleiding, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de vrijwillige ambtenaar, de ambtenaar van de rijksrecherche en de vakantiewerker; - **ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), met uitzondering van de aspirant gedurende het theoretische opleidingsdeel en de ambtenaar in opleiding gedurende het theoretisch opleidingsdeel, waarbij voor de toepassing van dit besluit de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak"},{"i":3898,"b":"Besluit van 25 april 2005, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de klinisch fysicus (Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied klinisch fysicus) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 december 2004, IBE/BO-2543982; Gelet op artikel 7 van [Richtlijn 97/43](31997L0043)/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 (PbEG 1997, L 180); Gelet op [artikel 34 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34); Gezien het advies van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (advies van 12 september 1996); De Raad van State gehoord (advies van 20 januari 2005, nr. W13.04.0640/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 april 2005, IBE/BO-2571147; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. opleidingsinstelling: een rechtspersoon die een organisatorisch verband in stand houdt dat de opleiding tot klinisch fysicus verzorgt; - b. opleider: als zodanig door de opleidingsinstelling erkend klinisch fysicus die de klinisch fysicus in opleiding begeleidt; - c. studielast: de aan een onderdeel van de opleiding te besteden tijd; - d. Richtlijnen: Richtlijnen voor de erkenning van opleidingen deskundigen radioactieve stoffen en toestellen (Stcrt. 1984, 227). § 2. Titel Artikel 2 1. Het recht tot het voeren van de titel van klinisch fysicus is voorbehouden aan degene aan wie een getuigschrift is uitgereikt waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van een opleiding tot klinisch fysicus die is gegeven door een door Onze Minister aangewezen opleidingsinstelling. 2. Het in het eerste lid bedoelde getuigschrift vermeldt het desbetreffende werkterrein. § 3. Aanwijzing opleidingsinstellingen Artikel 3 1. Onze Minister kan desgevraagd een opleidingsinstelling aanwijzen die een opleiding tot kl"},{"i":4581,"b":"Eindtermen vuurwapenopleiding politie Circulaire aan korpsbeheerders en beheerder KLPD De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Mijne dames/heren, In het overleg met de Commissie voor Georganiseerd Overleg Politie-ambtenarenzaken van 16 oktober jongstleden is gesproken over de brief die mijn ministerie op 19 augustus jongstleden aan het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (LSOP) heeft gezonden. In deze brief is ingestemd met een aantal aanpassingen in de eindtermen van de vuurwapenopleiding in het kader van de Primaire Opleiding Medewerker Basispolitiezorg (POMB). Hierbij wil ik u informeren over de conclusies van het overleg en de consequenties die dat heeft voor de uitvoering bij uw korps van de Regeling training en toetsing vuurwapengebruik politie. Ik heb geconstateerd dat met de brief aan het LSOP voorbij is gegaan aan het reguliere overleg dat over zo’n voorgenomen wijziging met de vakorganisaties wordt gevoerd. Evenmin is rekening gehouden met het feit dat een aanpassing van dit deel van de eindtermen van de primaire opleiding consequenties heeft voor de uitvoering van de Regeling training en toetsing vuurwapengebruik politie. Ten slotte kan een dergelijke aanpassing alleen rechtsgeldig tot stand komen door wijziging van de ministeriële regeling waarmee de eindtermen POMB zijn vastgesteld. Op grond van het voorgaande heb ik in de eerste plaats vastgesteld dat de brief aan het LSOP herroepen zal worden. Daarnaast heb ik geconcludeerd dat de eindtermen van de vuurwapenopleiding nog steeds van kracht zijn zoals deze van kracht waren voor de verzending van de brief aan het LSOP. Het is mij bekend dat als gevolg van de brief aan het LSOP in een aantal korpsen onduidelijkheid is ontstaan over de vraag welke toets moet worden gehanteerd bij de uitvoering van de [Regeling training en toetsing vuurwapengebruik politie](onbekend). Voor alle betrokkenen is het van belang dat deze onduidelijkheid op zo kort mogelijke termijn wordt beë"},{"i":4616,"b":"GEZAMENLIJKE BESCHIKKING OMTRENT WINSTTOEREKENING BIJ VERZEKERINGSONDERNEMINGEN Gelet op [artikel 5, vierde lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=5) (Stb. 1964, 425; Gouvernementsblad 1964, 117; Publicatieblad 1964, 178), Besluiten: Artikel 1 De winst toe te rekenen aan een binnen een van de landen aangehouden vaste inrichting van een verzekeraar die inwoner is van een van de andere landen, kan, voor zoveel nodig in afwijking van [artikel 5, tweede lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=5) worden vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende wettelijke bepalingen van eerstbedoeld land welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de [Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464) van kracht zijn. Artikel 2 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 1965 en behoudt haar werking voor onbepaalde tijd. 2. Van 1 januari 1970 af kan de Minister van Financiën van elk van de landen bepalen dat tussen dat land en beide of een van de andere landen deze beschikking buiten werking treedt. De daartoe strekkende beschikking treedt niet in werking vóór de aanvang van het tweede kalenderjaar volgend op dat waarin zij is afgekondigd. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Gezamenlijke beschikking omtrent winsttoerekening bij verzekeringsondernemingen."},{"i":3305,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 9 maart 2026 nr. BOACAT2026/021, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Roermond Gelezen het verzoek van gemeente Roermond van 26 februari 2026 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052427&artikel=2&z=2026-05-25&g=2026-05-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van gemeentelijke opsporingsambtenaar en toezichthouder in dienst van gemeente Roermond zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bij"},{"i":3754,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 17 december 2007, nr. WJZ 7154014, houdende regels inzake mandaat en machtiging aan het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland betreffende de uitvoering van artikel 31a van de Subsidieregeling pieken in de delta 2007 (Besluit mandaat en machtiging Samenwerkingsverband Noord-Nederland inzake uitvoering artikel 31a van de Subsidieregeling pieken in de delta 2007) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder SNN: het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland. Artikel 2 Aan SNN wordt mandaat en machtiging verleend om besluiten te nemen en handelingen te verrichten met betrekking tot subsidieverstrekking op grond van de [Subsidieregeling pieken in de delta 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022284) en de [Subsidieregeling pieken in de delta 2007 gebiedsgerichte programma’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022299), voor zover het aanvragen om subsidie betreft, bedoeld in [artikel 31a van de Subsidieregeling pieken in de delta 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022284&artikel=31a). Artikel 3 1. Aan SNN wordt mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaarschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023154&artikel=2&z=2007-12-26&g=2007-12-26), waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften. 2. Aan SNN wordt machtiging verleend voor het voeren van verweer in de gevallen waarin beroep is ingesteld tegen een beslissing op bezwaarschrift die SNN heeft genomen. Artikel 4 SNN kan voor de in [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023154&artikel=2&z=2007-12-26&g=2007-12-26) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":2764,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2010 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2010, doch niet later dan 15 juli 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,426 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2010 en eindigende met 15 juli 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00052"},{"i":3124,"b":"Besluit van 14 februari 2024 tot vaststelling van een beperkingengebied voor de buitenlandse burgerluchthaven Weeze en de in dat gebied geldende regels en wijzigingen Besluit activiteiten leefomgeving en Omgevingsbesluit (Besluit beperkingengebied Weeze en wijzigingen Besluit activiteiten leefomgeving en Omgevingsbesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 24 augustus 2023, nr. IENW/BSK-2023/227512, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op bijlage 14 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, [artikel 8a.54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.54) en de [artikelen 2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [4.3, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [5.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.11), [5.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.12), [16.15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.15), en [16.16, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.16); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 oktober 2023, nr. W17.23.00262/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 30 januari 2024, nr. IenW/BSK-2023/386608, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **bedrijfswoning:** woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, slechts bestemd voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is; - **gebouw:** gebouw als bedoeld in de [bijlage bij de Omgevingswet](onbekend); - **geluidgevoelig gebouw:** geluidgevoelig gebouw a"},{"i":4785,"b":"Besluit van 7 september 2000, houdende vaststelling leges visserijdocumenten (Legesbesluit visserijdocumenten) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 20 juli 2000, no. TRCJZ/2000/9628, Directie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 74, eerste lid, van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=74); De Raad van State gehoord (advies van 10 augustus 2000, no. W11.00.0323/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 31 augustus 2000, no. TRCJZ/2000/10981, Directie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder vissersvaartuig: vissersvaartuig als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009353&artikel=1). Artikel 2 1. Indien naar aanleiding van een aanvraag een vergunning of ontheffing als bedoeld in de onderdelen a tot en met v wordt verstrekt, is de geadresseerde van het besluit voor de uitreiking van het desbe-treffende document het daarachter vermelde bedrag verschuldigd. | a. | vergunning voor de visserij in het zeegebied en de kustwateren met ten hoogste 2 fuiken of 30 meter hoekwant of 30 meter staand want: | € 49,92; | | --- | --- | --- | | b. | vergunning voor de visserij in het zeegebied en de kustwateren met vast vistuig, anders dan bedoeld in onderdeel a, of voor de visserij met de zegen: | € 108,91; | | c. | vergunning voor de visserij op mosselen in de kustwateren: | € 72,60; | | d. | vergunning voor de visserij op oesters in de Oosterschelde: | € 77,14; | | e. | vergunning voor de visserij op mosselen in de visserijzone: | € 117,98; | | f. | vergunning voor de visserij met sleepnetten in de kustwateren | € 145,21; | | g. | vergunning voor de visserij met een vissersvaartuig op kokkels in de kustwateren, met uitzondering van de Westerschelde, en de visserijzone: | € 254,12; | | h. | vergunning"},{"i":2841,"b":"Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1988 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1987 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1986; Gelet op artikel 402a van Boek I van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1988 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 0,5. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1988."},{"i":3022,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 mei 2023, nr. WJZ/ 27099636, houdende aanwijzing toezichthouders Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames en de Uitvoeringswet screeningsverordening buitenlandse directe investeringen Gelet op [artikel 46 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=46) en [artikel 5 van de Uitvoeringswet screeningsverordening buitenlandse directe investeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044449&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving, bedoeld in [artikel 46 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=46) en [artikel 5 van de Uitvoeringswet screeningsverordening buitenlandse directe investeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044449&artikel=5), zijn belast het hoofd van en de ambtenaren werkzaam bij het Bureau Toetsing Investeringen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4127,"b":"Besluit van 23 april 1919, tot intrekking van de Koninklijke besluiten van 20 februari 1816, n°. 69, en 3 januari 1818, n°. 91, en tot vaststelling van nieuwe bepalingen nopens het bekomen, wijziging, enz. van wapens voor provinciën, gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen of instellingen Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie, van Financiën en van Binnenlandsche Zaken, van den 1 April 1919, 1e Afdeeling A., n°. 500, van 7 April 1919 n°. 97, Afd. Kab. en Secr., en van 17 April 1919 n°. 4455, afdeeling Binnenlandsch Bestuur; Den Hoogen Raad van Adel gehoord, advies van den 25 October 1918, n°. 30; Gelet op het besluit van den Souvereinen Vorst van 24 December 1814, n°. 32; Hebben goedgevonden en verstaan: te bepalen, met intrekking van de Koninklijke besluiten van 20 Februari 1816, n°. 69, en van 3 Januari 1818, n°. 91: Artikel 1 1. Alle provinciën, gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen of instellingen, welke een wapen wenschen te bekomen, in het gebruik daarvan te worden bevestigd of het te zien gewijzigd, zullen zich daartoe tot Ons hebben te wenden onder overlegging van eene beschrijving en van eene teekening in kleuren van het verlangde wapen en van eene uiteenzetting der overwegingen, op grond waarvan dat wapen wordt gewenscht. 2. Eveneens zal in geval van vereeniging van gemeenten de nieuwe gemeente zich ter bekoming van een wapen of ter bevestiging van het wapen der vroegere gemeente, waaraan de nieuwe haar naam ontleent, op voornoemde wijze tot Ons moeten richten. Artikel 2 Nieuw gevormde publiekrechtelijke lichamen, die de naam hebben ontvangen van een bij hun vorming opgeheven publiekrechtelijk lichaam, kunnen het wapen van dat publiekrechtelijk lichaam als hun wapen voeren. Artikel 3 1. Alle bovenbedoelde lichamen of instellingen, welke een wapen hebben, zijn gehouden, wanneer zij van zegels of cachetten gebruik maken, dat te voeren met een randschrift vermeldende hun naam of de hoedanigheid van den gebruiker. 2. Gemeenten, welk"},{"i":2747,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2011 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2011, doch niet later dan 15 februari 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,445 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2011 en eindigende met 15 februari 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl"},{"i":3513,"b":"Besluit van 28 augustus 2008, houdende regels inzake toepassing van fiscale waarderingsgrondslagen in de jaarrekening van kleine rechtspersonen (Besluit fiscale waarderingsgrondslagen) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 28 juli 2008, Directie Wetgeving, nr. 5555616/08/6; Gelet op [artikel 396 lid 6 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=396); De Raad van State gehoord (advies van 13 augustus 2008, nr. W03.08.0355/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 22 augustus 2008, nr. 5560791/08/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In het boekjaar waarin de rechtspersoon voor het eerst de fiscale waarderingsgrondslagen toepast in de jaarrekening, behandelt de rechtspersoon een uit de overgang naar deze grondslagen volgend vermogensverschil als een rechtstreekse wijziging van het eigen vermogen per begin van het boekjaar. Het bedrag van het voorafgaande boekjaar, genoemd in [artikel 363 lid 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=363), kan zonder herziening van dat bedrag worden vermeld. Artikel 2 1. Op de balans worden onder het eigen vermogen afzonderlijk opgenomen fiscale herinvesteringsreserves als bedoeld in [artikel 3.54 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54). 2. Op de winst- en verliesrekening worden opgenomen: - a. kosten die fiscaal niet of slechts voor een een deel in aftrek komen; - b. afzonderlijk, de vennootschapsbelasting en andere belastingen naar de winst die fiscaal niet in aftrek komen, gebaseerd op een berekening van het vermoedelijk over het boekjaar verschuldigde bedrag aan belastingen naar de winst. Deze post volgt op de post winst voor belastingen. Artikel 3 1. In de toelichting wordt vermeld voor welke posten het gebruik van fiscale waarderingsgrondslagen leidt tot een afwijking van de waardering volgens [afdeling 6, titel 9, van"},{"i":2580,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 5 maart 2019, nr. WJZ/19040222, houdende beleidsregel inzake de wijziging van vergunningen windenergie op zee voor de kavels III en IV Hollandse Kust (zuid) Gelet op [artikel 17, vierde lid van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **aanvraag:** aanvraag om wijziging van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17); - **minister:** minister van Economische Zaken en Klimaat; - **regeling:** [Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavels III en IV Hollandse Kust (zuid)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041607); - **wet:** Wet windenergie op zee. Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op de wijziging op aanvraag van een vergunning die overeenkomstig [artikel 22 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=22) is verleend voor kavel III of kavel IV, als bedoeld in [artikel 1 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041607&artikel=1). Artikel 3 1. Een aanvraag gaat vergezeld van een toelichting die inzichtelijk maakt wat de invloed van de beoogde wijziging van de vergunning is op: - a. de locatie van de productie-installatie; - b. het nominale vermogen van de productie-installatie; - c. de mate waarin wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14); - d. de uitvoerbaarheid van het plan; - e. de technische haalbaarheid van het plan; - f. de financiële haalbaarheid van het plan; of - g. de economische haalbaarheid van het plan. 2. Een aanvraag gaat vergezeld van een windenergie-opbrengstberekening op basis van de be"},{"i":3178,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 15 september 2025 nr. BOACAT2025/154, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Centraal Justitieel Incasso Bureau, ten behoeve van onderzoek daadwerkelijk bestuurder Gelezen het verzoek van Centraal Justitieel Incasso Bureau van 17 juli 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051519&artikel=2&z=2025-09-24&g=2025-09-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker verwerken en behandelen en belast met onderzoek daadwerkelijk bestuurder, de verwerking van flitsgegevens en/of de tenuitvoerlegging van geldelijke sancties in dienst van Centraal Justitieel Incasso Bureau zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in d"},{"i":4424,"b":"Besluit van de Kamer van Koophandel van 6 april 2023 tot vaststelling van een Bestuursreglement en Gedragscode voor de Kamer van Koophandel Gezien de goedkeuring van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 12 oktober 2023; Gelet op [artikel 21 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=21); Besluit: **Reglement Raad van Bestuur Kamer van Koophandel** Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bestuurssecretaris:** de medewerker van de KvK met de functie van bestuurssecretaris en leiding geeft aan de bestuursstaf; - b. **Centrale Raad:** de raad, zoals bedoeld in [artikel 9 Wet KvK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=9); - c. **KvK:** de Kamer van Koophandel, zoals bedoeld in [artikel 2 Wet KvK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=2); - d. **minister:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - e. **ministerie:** het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - f. **Regionale Raad:** de raad, zoals bedoeld in [artikel 13 Wet KvK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=13); - g. **Raad van Advies:** de raad die de Raad van Bestuur adviseert, ingesteld bij besluit van 22 december 2021; - h. **Raad van Bestuur:** de voorzitter en leden van het bestuur van de KvK, zoals bedoeld in [artikel 6 lid 1 Wet KvK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=6); - i. **voorzitter:** het lid van de Raad van Bestuur dat door de minister als voorzitter van de KvK is benoemd, zoals bedoeld in [artikel 6 lid 1 Wet KvK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=6); - j. **Wet KvK:** de [Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331) zoals deze van tijd tot tijd geldt. Artikel 2. Juridische grondslag en werkingssfeer 1. De Raad van Bestuur stelt een bestuursreglement vast. 2. In het bestuursreglement worden in elk geval regels gesteld omtrent de samenstelling, taken en bevo"},{"i":3781,"b":"Besluit meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit betreft de actualisering van de bij mijn besluit van 24 juni 2020, nr. 2020-11382 (** **Stcrt. 2020, 34991** **), vastgestelde Leidraad meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies.** 1. Leidraad meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies De Leidraad meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies, opgenomen als bijlage bij dit besluit, wordt hierbij (opnieuw) vastgesteld. Deze leidraad vervangt de leidraad zoals vastgesteld in mijn [besluit van 24 juni 2020, nr. 2020-11382 (Stcrt. 2020, 34991)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043757). Deze leidraad bevat een nadere invulling van de [Wet implementatie EU-richtlijn meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043034). 2. Ingetrokken regeling Het volgende besluit is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit: 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies. Bijlage. bij het besluit van 14 april 2023, nr. 2023-6233, Leidraad meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies 1.1. Inleiding Met ingang van 1 juli 2020 is de [Wet implementatie EU-richtlijn meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043034) in werking getreden.1Staatsblad 2019, 509. Uit deze wet vloeit de verplichting voort om zogenoemde ‘meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies’ aan de belastingautoriteiten te rapporteren, zoals omschreven in deze wet en die richtlijn.2[Richtlijn (EU) 2018/822](32018L0822) van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op be"},{"i":4308,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 19 augustus 2016, nr. WJZ/16125462, inzake verlengbaarheid van de vergunningen voor commerciële radio-omroepen voor de AM-band Gelet op [artikel 18, tweede lid, onderdeel b, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor commerciële radio in de middengolfband, genoemd in kolom 1 van tabel 1, zijn om redenen van bevordering van de overgang van analoge naar digitale techniek als bedoeld in [artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18), verlengbaar. | Kavel | Dossiernummer | | --- | --- | | **Kavel C01** | 5055336 | | **Kavel C02** | 5055337 | | **Kavel C06** | 5055341 | | **Kavel C10** | 5055345 | | **Kavel C12** | 6165319 | Artikel 2 Een vergunning als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038442&artikel=1&z=2016-08-31&g=2016-08-31) is verlengbaar voor een vaste periode die aanvangt op 1 september 2017 en loopt tot en met 31 augustus 2022. Artikel 3 De vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038442&artikel=1&z=2016-08-31&g=2016-08-31), worden met ingang van 1 september 2017 gewijzigd overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038442&bijlage=1&z=2016-08-31&g=2016-08-31). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verlengbaarheid vergunningen commerciële radio AM-band 2016. Bijlage 1. Wijzigingen te verlengen vergunningen commerciële radio-omroepen voor de AM-band De artikelen behorende bij de vergunningen, bedoeld in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038442&artikel=1&z=2016-08-31&g=2016-08-31), worden telkens als volgt gewijzigd: A. In de artikelen vervalt telkens de zinsnede ‘, Lan"},{"i":2638,"b":"Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000 De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maakt bekend, gehoord hebbende de Stichting van de Arbeid (10 november 2011) en De Nederlandsche Bank N.V. (8 november 2011) de beleidsregels bij aanvragen, wijzigen of intrekken van verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (verder ook ‘verplichtstelling’) op grond van de [Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092) (verder: Wet Bpf 2000) deels te herzien. Sociale partners zijn primair verantwoordelijk voor de arbeidsvoorwaarden, waaronder pensioen. De Minister van SZW ondersteunt met het instrument van verplichtstelling deze verantwoordelijkheid van sociale partners en het sluit aan op het streven van het kabinet naar een situatie waarin witte vlekken op het terrein van de aanvullende pensioenen niet langer voorkomen. Door een besluit tot verplichtstelling wordt de deelname in een bedrijfstakpensioenfonds (verder: bpf) voor iedereen in een omschreven bedrijfstak verplicht. De verplichtstelling levert hierdoor een belangrijke bijdrage aan de verkleining van de witte vlekken. Het [Toetsingskader Wet Bpf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027641) is na de inwerkingtreding van de [Wet Bpf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092) ingevoerd per 1 oktober 2001. Sociale partners, belanghebbenden en derden krijgen inzicht in de criteria waaraan aanvragen in het kader van de verplichtstelling worden getoetst en in de procedures die daarbij gevolgd worden. Hierdoor kan ook van die zijde een bijdrage worden geleverd aan een snellere afwikkeling van aanvragen op basis van de Wet Bpf 2000. In de [Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092) (Wet Bpf 2000) is bepaald dat arbitrale bedingen buiten de reikwijdte van de verplichtstelling vallen ([artikel 2, derde lid, van de Wet Bpf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":4552,"b":"Controleprotocol subsidies Koninklijke Bibliotheek **Doelstelling:** Dit controleprotocol heeft als doel het geven van aanwijzingen over de reikwijdte en de intensiteit van de controle aan de accountant, belast met de controle van de door de subsidie-ontvanger bij de KB in te dienen aanvraag om subsidievaststelling. Definities en begrippen In dit controleprotocol wordt verstaan onder: Wet en regelgeving Voor de controle van de financiële rechtmatigheid volgens dit protocol is in de beschikking tot subsidieverlening genoemde wet- en regelgeving (inclusief eventuele wijzigingen hierin) van toepassing. Het betreft de [Wsob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878), het [KB-subsidiereglement 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999), de desbetreffende tijdelijke subsidieregels en de verplichtingen in de beschikking. In het accountantsprotocol OWB-instellingen zijn aanwijzingen opgenomen ter zake van de controle door de KB-instellingsaccountant uitmondend in een controleverklaring bij de jaarrekening van de KB. Reikwijdte controle-onderzoek De accountantscontrole op rechtmatigheid voor het geldende kalenderjaar dan wel de geldende projecttermijn is gericht op de naleving van wettelijke en reglementaire kaders zoals verwoord in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=9) en [20 van de Wsob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=20) en [paragraaf 5 van het KB-subsidiereglement 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999&hoofdstuk=5). De jaarrekening en/of het financieel verslag geven een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de besteding van de subsidie door de subsidie-ontvanger. De jaarrekening en/of het financieel verslag sluiten aan op de indeling van de begroting, die voorafgaand aan de subsidieverlening is overlegd. Belangrijke verschillen tussen de jaarrekening respectievelijk het financieel verslag en begroting worden toegelicht. **KB-subsidiereglement 2024, pa"},{"i":5824,"b":"Reglement van de Koninklijke Bibliotheek van 1 januari 2024, houdende regels voor de subsidiëring van de activiteiten genoemd in artikel 9 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (hierna: wet) gelet op [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=9) en [artikel 20 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=20), en [Titel 4.2. Subsidies en overige relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) (hierna: Awb). Besluit: 1. Inleidende bepalingen 1.1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - −. **aanvrager:** de instelling die subsidie aanvraagt; - −. **Awb:** de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - −. **besluit:** een besluit zoals bedoeld in [artikel 1:3 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3); - −. **bibliotheeknetwerk:** de lokale bibliotheken, de provinciale ondersteuningsinstellingen en de Koninklijke Bibliotheek, voor wat betreft haar taak tot het in stand houden van de landelijke digitale bibliotheek, vormen één netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen; - −. **bibliotheekvoorziening:** bibliotheekvoorziening als bedoeld in [artikel 2 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=2); - −. **instelling:** privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid; - −. **instellingssubsidie:** subsidie voor een door de Koninklijke Bibliotheek te bepalen tijdvak van ten minste één boekjaar voor het geheel of een gedeelte van de activiteiten van een instelling, waarbij het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar; - −. **Koninklijke Bibliotheek:** Koninklijke Bibliotheek als bedoeld in [artikel 1.5, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.5); - −. **landeli"},{"i":4136,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 20 februari 2008, nr. DJZ/BR-0129/08, tot vaststelling van beleidsregels alsmede een plafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Beleidsregels en subsidieplafond Model United Nations) Gelet op de [artikelen 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [artikel 9.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.3) en [9.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.4); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van de [artikelen 9.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.3) en [9.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.4) gelden voor de periode van 1 maart 2008 tot en met 31 december 2008 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 Voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023541&artikel=1&z=2008-02-28&g=2008-02-28) genoemde periode geldt een subsidieplafond van € 25.000,00. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage **Model United Nations** Het Model Verenigde Naties (Model United Nations, hierna te noemen MUN) is een simulatie van organen van de Verenigde Naties (onder meer de Algemene Vergadering en Veiligheidsraad) en overige multilaterale organisaties, waardoor scholieren en studenten in aanraking komen met de wereld van diplomatie en internationale betrekkingen. Jaarlijks nemen vele scholieren en studenten over de hele wereld deel aan MUN gerelateerde activiteiten. [Afdeling 9, paragraaf 2 (Buitenlandse betrekkingen) van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&paragr"},{"i":4610,"b":"Gerectificeerde beleidsregels verstrekking laissez passers op grond van de Paspoortwet De Minister van Buitenlandse Zaken; Gelet op de [artikelen 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=15), [26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=26), en [40, zesde lid, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=40) en de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012810&artikel=6), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012810&artikel=7), en [41, tweede lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012810&artikel=41) Besluit: Artikel 1 Voor het verlenen van laissez passers op grond van de [artikelen 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=15), [26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=26), en [40, zesde lid, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=40) gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 Het besluit van 1 augustus 2001/DPC/VV/392, houdende beleidsregels van de Minister van Buitenlandse Zaken voor de verstrekking van laissez passers op grond van de Paspoortwet, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Laissez passer beleid Bevoegdheid In [artikel 15, tweede lid, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=15) is vastgelegd dat in bijzondere gevallen aan een vreemdeling die zich tijdelijk op het grondgebied van een der landen van het Koninkrijk mag bevinden en niet in aanmerking komt voor verstrekking van een reisdocument op grond van [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=14), een nooddocument kan worden verstrekt. In [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=26), respe"},{"i":3803,"b":"Besluit van de Secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 06-07-2015, nr. 2015-0000362715 houdende het verlenen van ondermandaat en machtiging aan de Chief Information Officer (CIO) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in verband met de uitvoering van het bepaalde in de Archiefwet en het Archiefbesluit met betrekking tot archiefbescheiden die door zorgdragers zijn ondergebracht bij de baten-lastendienst P-direkt (Besluit ondermandaat archieven P-direkt) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en de [artikelen 3.2, onder l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031837&artikel=3.2), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031837&artikel=3.4) en [3.5 van het Mandaatbesluit BZK 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031837&artikel=3.5); Gezien de onderscheidenlijke kennisgevingen van besluiten tot mandaatverlening en machtiging van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de Kanselarij der Nederlandse Orden en van het Kabinet van de Koning; Mede gezien de onderscheidenlijke besluiten tot mandaatverlening en machtiging van de ministers van Algemene Zaken, van Buitenlandse Zaken, van Veiligheid en Justitie, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Financiën, van Infrastructuur en Milieu, van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Besluit: Artikel 1 Aan de CIO wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het vaststellen, wijzigen en intrekken van selectielijst(en) als bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) met betrekking tot de personeelsdossiers van medewerkers van de voornoemde (onderdelen van) ministeries en Hoge Colleges van Staat, en al datgene te doe"},{"i":3055,"b":"Besluit van 12 september 2012, houdende regels over de commissie die adviseert over het doen van een nader onderzoek als bedoeld in artikel 462, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Besluit adviescommissie afgesloten strafzaken) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 juli 2012, Directie Wetgeving en Juridische Zaken nr. 279334; Gelet op [artikel 462, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=462); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 juli 2012, nr. W03.12.0238/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 6 september 2012, Directie Wetgeving en Juridische Zaken nr. 298923; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet hervorming herziening ten voordele in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031994&artikel=2&z=2023-02-01&g=2023-02-01); - b. **de procureur-generaal:** de procureur-generaal bij de Hoge Raad, bedoeld in [artikel 111 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=111); - c. **de wet:** het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); - d. **Onze Minister:** Onze Minister van Veiligheid en Justitie. Artikel 2 Er is een commissie die tot taak heeft de procureur-generaal te adviseren over de wenselijkheid van een nader onderzoek als bedoeld in [artikel 461, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=461). Artikel 3 1. De leden van de commissie worden benoemd op grond van de deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031994&artikel=2&z=2023-02-01&g=2023-02-01) bedoelde taak alsmede op grond van hun brede maatschappelijke kennis en ervaring. 2."},{"i":3018,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 31 maart 2016, nr. WJZ/15163191, tot aanwijzing toezichthouders en nationaal contactpunt Wet implementatie Nagoya Protocol Gelet op [artikel 4, eerste lid en vierde lid, onderdeel a, van de Wet implementatie Nagoya Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037150&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet implementatie Nagoya Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037150) zijn belast de ambtenaren, werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Artikel 2 Het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland van Wageningen UR is het nationaal contactpunt voor toegang en verdeling van voordelen als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Wet implementatie Nagoya Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037150&artikel=4). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Wet implementatie Nagoya Protocol. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4330,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 1 maart 2019, kenmerk 2494716, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de korpschef van de politie inzake bevoegdheden ten aanzien van de C2000-infrastructuur (Besluit verlening mandaat, volmacht en machtiging inzake beheer C2000) Gelet op [artikel 23, eerste lid, onder a Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=23), en [artikel 1 van de Regeling C2000 en GMS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020268&artikel=1); Gelet op het [Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519) en het [Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688) Besluit: Artikel 1 In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **bestedingsplan:** het onderdeel van de begroting en het jaarplan van de politie betreffende het tactisch en operationeel beheer C2000; - b. **de korpschef:** de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); - c. **mandaat:** de bevoegdheid om namens de minister besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen; - d. **de minister:** de minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 2 Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van dit mandaat gelijkgesteld de verlening van: - a. volmacht: de bevoegdheid om namens de minister voor de Staat privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. - b. machtiging: de bevoegdheid om namens de minister handelingen te verrichten die een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 3 1. Aan de korpschef wordt ter uitvoering van het bestedingsplan mandaat verleend inzake de uitoefening van bevoegdheden die verband houden met het beheer van C2000 en GMS en voor zover deze bevoegdheden niet reeds op basis van de [Regeling C200"},{"i":3279,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 april 2024 nr. BOACAT2024/034, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Lelystad Gelezen het verzoek van de gemeente Lelystad van 8 april 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049579&artikel=2&z=2024-04-18&g=2024-04-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker toezicht en handhaving in dienst van de gemeente Lelystad, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeli"},{"i":4351,"b":"Besluit van 7 maart 1985, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 31a, vijfde lid, van de Wet op de ondernemingsraden 1985 Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 november 1984, Directoraat-Generaal voor Algemene Beleidsaangelegenheden, Directie Bijzondere Vraagstukken van Arbeidsverhoudingen, nr. BVA/84/4963/M&O;, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op [artikel 31**a**, vijfde lid, van de Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=31a), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de Wet van 7 december 1983 (**Stb.** 1983, 663); De Raad van State gehoord (advies van 12 februari 1985, No. W12.84.0727/12.5.06); Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Justitie van 25 februari 1985, Directoraat-Generaal voor Algemene Beleidsaangelegenheden, Nr. ABA/BVA/85/785/M&O; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. ondernemer: de ondernemer, bedoeld in de [Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747) (**Stb.** 1979, 449) die een ondernemingsraad heeft ingesteld, met uitzondering van de coöperatieve vereniging, de onderlinge waarborgmaatschappij, de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid; - b. ondernemingsraad: de door de ondernemer ingestelde ondernemingsraad waarop de bepalingen van de [Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747) van toepassing zijn; - c. jaarstukken: de balans en de staat van baten en lasten, beide met toelichting. Artikel 2 De ondernemer die een natuurlijk persoon is, verstrekt jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar ter bespreking aan de ondernemingsraad jaarstukken betreffende de werkzaamheden die hij verricht door middel van de onderneming waarvoor de ondernemingsraad is ingest"},{"i":2604,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister voor Jeugd en Gezin van 19 september 2008, nr. FEZ-U-2874154, houdende vaststelling van de Beleidsregels handhaving subsidiebepalingen VWS en JenG Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluiten: Artikel 1. Algemeen 1. Deze beleidsregels zijn van toepassing op subsidies die worden verstrekt door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 2. Deze beleidsregels zijn niet van toepassing: - a. op specifieke uitkeringen; - b. voor zover bij enig wettelijk voorschrift ten aanzien van een subsidie anders is bepaald. 3. In deze beleidsregels wordt onder verantwoordingselement verstaan één van de volgende onderdelen van de aanvraag tot vaststelling van een verleende subsidie: de verklaring van de accountant, het verslag van de activiteiten of de financiële verantwoording. Artikel 2. Subsidieverlening 1. Aan de behandeling van aanvragen van een subsidie die tijdig zijn ingediend, wordt voorrang gegeven boven de behandeling van aanvragen van een subsidie die niet binnen de wettelijke termijn zijn ingediend. 2. Voor zover een afwijzing niet reeds is voorgeschreven, kan een aanvraag die niet binnen de wettelijke termijn is ingediend in verband met termijnoverschrijding geheel of gedeeltelijk worden afgewezen. 3. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig ander wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, wordt de aanvrager schriftelijk in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen een daarbij te stellen termijn aan te vullen. 4. De behandeling van de aanvraag met inbegrip van de verstrekking van voorschotten wordt opgeschort tot de aanvraag is aangevuld of de gestelde termijn ongebruikt is verstreken. 5. Indien de aanvrager binnen de gestelde termijn nog niet voldoet aan de wettelijke voorschriften voor het in behan"},{"i":4728,"b":"Instellingsbesluit Visitatiecommissie Openbaar Ministerie gelet op de beraadslagingen en de besluitvorming door het College; overwegende dat het College van procureurs-generaal (hierna: College) middels een visitatie externe expertise en reflectie wil benutten om de kwaliteit van de organisatie te verbeteren; besluit tot vaststelling van het navolgende Instellingsbesluit Visitatiecommissie Openbaar Ministerie. Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Het Openbaar Ministerie:** de tien arrondissementsparketten, het landelijk parket, het functioneel parket, het ressortsparket, het parket Centrale Verwerking OM (CVOM), de Dienstverleningsorganisatie OM (DVOM) en het Parket-Generaal (tezamen: de OM-onderdelen). - b. **Het College:** het College van procureurs-generaal. Artikel 2. Instelling Er is een Visitatiecommissie Openbaar Ministerie, verder aan te duiden als de commissie. Artikel 3. Taak 1. De commissie heeft tot taak, met inachtneming van het door het College van procureurs-generaal vastgestelde visitatieprotocol, onderzoek te doen naar het beleid en de processen binnen het OM met betrekking tot de kwaliteit van het OM op een aantal organisatiethema’s die voortvloeien uit het rapport van de commissie Fokkens en het hierop volgende plan van aanpak van het OM, in casu Integriteitsmanagement en Human resource management. 2. De commissie biedt uiterlijk op 1 juli 2021 – en zoveel eerder als mogelijk – het College haar definitieve rapportage aan. Het College draagt zorg voor de openbaarmaking van de rapportage. Artikel 4. Samenstelling 1. De commissie bestaat uit vijf leden, waarvan er vier niet door middel van een benoeming verbonden zijn aan het Openbaar Ministerie en er een tot en met 31 december 2020 door middel van een benoeming verbonden is aan het Openbaar Ministerie en daarna niet meer, te weten: - •. Mw. prof. dr. P.L. Meurs (voorzitter) - •. Dhr. mr. dr. F.C. Bakker - •. Dhr. R. Bik - •. Dhr. prof. dr. M. Noordegraaf - •. Dhr. mr. B."},{"i":4701,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 januari 2011, nr. RUA/A/2011/720, tot instelling van de adviescommissie bezwaar en beroep BES Gelet op [artikel 70 van de Wet administratieve rechtspraak BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&artikel=70), Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de adviescommissie:** de adviescommissie bezwaar en beroep BES, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029506&artikel=2&z=2011-01-29&g=2011-01-29); - b. **de minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - c. **het ministerie:** het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Artikel 2. Instelling Er is een adviescommissie bezwaar en beroep BES. Artikel 3. Taak De adviescommissie heeft tot taak: - a. het behandelen van bezwaarschriften tegen beschikkingen die zijn genomen op grond van de [Wet Algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459), de [Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387), de [Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304), de [Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728) en de [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497); en - b. het op basis van deze behandeling aan de minister advies uitbrengen over het naar aanleiding van het bezwaarschrift te nemen besluit. Artikel 4. Samenstelling De adviescommissie bestaat uit drie personen, onder wie een voorzitter. Tevens kan de minister een of meer plaatsvervangende leden benoemen. Artikel 5. Benoeming en termijn - a. De minister benoemt en ontslaat de leden van de adviescommissie. - b. De benoeming geschiedt voor de duur van ten hoogste een jaar. Een aftredend lid is terstond herbenoembaar. Artikel 6. Onafhankelijkheid en geheimhouding - a. De leden van de adviescommissie adviseren onafhankelijk en zonder last of ruggespraak. - b. Voo"},{"i":3909,"b":"Besluit van 21 december 2006, houdende voorschriften ter uitvoering van enkele bepalingen van het Wetboek van Strafvordering in verband met de opsporing van terroristische misdrijven (Besluit opsporing terroristische misdrijven) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 27 november 2006, nr. 5452570/06/6; Gelet op de [artikelen 126za, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126za), [126zc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zc), [126zh, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zh), [126zi, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zi), [126zq, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zq), [126zs, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zs), en [126ee van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126ee); De Raad van State gehoord (advies van 14 december 2006, nr. W03.06.0522/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 20 december 2006, nr. 5458278/06/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Nadere regels Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); - b. onderzoek aan kleding: onderzoek als bedoeld in [artikel 126zs, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zs). Artikel 2 Bij een mondeling bevel tot toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 126zq](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zq), [126zr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zr) en [126zs van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zs), legt de opsporingsambtenaar die het bevel uitvoert de volgende gegevens in een proces-verbaal vast: - a. het tijdstip waarop het bevel is gegeven, de naam van de officier van justitie die het bevel heeft g"},{"i":3511,"b":"Besluit fiscale behandeling van aandelenoptierechten in grensoverschrijdende situaties **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 11 februari 2002, nr. IFZ2002/40M. Dit besluit bevat beleid over de heffing van loonbelasting en inkomstenbelasting over voordelen uit aan werknemers toegekende aandelenoptierechten in grensoverschrijdende situaties.** 1. Inleiding 1.1. Aanleiding Per 1 januari 2023 is door de [Wet aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047709) de fiscale behandeling van aandelenoptierechten gewijzigd. De gevolgen van deze wijziging voor grensoverschrijdende situaties worden in dit besluit nader uitgewerkt. 1.2. Wijzigingen Hieronder staan de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het [besluit van 11 februari 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013418), nummer IFZ2002/40M. Met overige redactionele wijzigingen zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. 2. Afbakening Dit besluit heeft betrekking op de heffing van loon- en/of inkomstenbelasting over voordelen uit aan werknemers toegekende aandelenoptierechten, in de zin van [artikel 10a, zesde lid, Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=10a) (hierna: Wet LB 1964), in grensoverschrijdende situaties. Aandelenoptierechten komen in verschillende varianten voor. Dit besluit behandelt primair aandelenoptierechten die bij uitoefening van die rechten leiden tot het onvoorwaardelijk verkrijgen van aandelen. Bij deze aandelenoptierechten houden voordelen die zien op de periode na uitoefening doorgaans geen verband met verrichte of te verrichten arbeid. Of een voordeel verband houdt met verrichte of te verrichten arbeid is van belang voor de verdragsallocatie (paragraaf 6) maar ook voor de nationaalrechtelijke behandeling (paragraaf 5) en toepassing van het [Besluit voorkoming dubbele belasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":2585,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 juni 2013, 124046-105228-GMT houdende Beleidsregels aanwijzing examenorganisaties drogisterijbranche Gelet op [artikel 1, onderdeel qqq](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1) en [62 van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=62); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. **assistent-drogist:** een assistent-drogist als bedoeld in [artikel 1, onderdeel rrr, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1); - b. **drogist:** een drogist als bedoeld in [artikel 1, onderdeel qqq, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1); - c. **examenorganisatie:** een organisatie als bedoeld in [artikel 1, onderdeel qqq, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1); - d. **minister:** de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 Bij een verzoek tot aanwijzing als examenorganisatie wordt het volgende beoordelingskader in acht genomen: - a. **De organisatie** - –. De verzoekende organisatie is een stichting. - –. De stichting heeft tot doel het ontwikkelen en afnemen van examens van drogist en van assistent drogist. - –. De stichting neemt de examens zelf af. - –. De stichting heeft een examenreglement waarin de taken en verantwoordelijkheden van haar organen duidelijk omschreven zijn. - –. De stichting heeft een onafhankelijk toezichthoudend orgaan. - –. De stichting heeft een examencommissie waarvan de leden geen bestuurslid of medewerker van de stichting zijn. - –. De stichting hanteert openbare exameneisen. - –. De stichting heeft een klachtenregeling. - –. De stichting beschrijft op welke wijze de examens worden afgenomen. - –. De stichting toont de meerwaarde aan die zij heeft op het terrein van examinering van drogist en assistent-drogist. - –. De doelmatigheid van een verzoek tot aanwijzing als"},{"i":3740,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 23 april 2020, nr. WJZ/ 20118982, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging voor het hoofd van de RCN-unit SZW van de Rijksdienst Caribisch Nederland Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **hoofd van de RCN-unit SZW:** het hoofd van de RCN-unit SZW, genoemd in het [Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Werknemersregelingen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037446). Artikel 2 1. Aan het hoofd van de RCN-unit SZW wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het geven van beschikkingen en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de tenuitvoerlegging van de [Beleidsregel tegemoetkoming getroffen ondernemers COVID-19 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043422). 2. Aan het hoofd van de RCN-unit SZW wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het geven van beschikkingen en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de tenuitvoerlegging van de [Regeling subsidie financiering vaste lasten getroffen ondernemingen Covid-19 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043994). Artikel 3 Aan het hoofd van de RCN-unit SZW wordt mandaat verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen beschikkingen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043424&artikel=2&z=2020-09-04&g=2020-09-04), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het voeren van beroep en hoger beroep. Artikel 4 Het krachtens mandaat, volmacht of machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: De Minister/Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, namens deze: (handtekening) (naam functionaris) (functie) Artikel 5 Het hoofd van de RCN-unit SZW kan voor de aan hem uit dit be"},{"i":3006,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 november 2016, nr. WJZ/16134524, houdende de aanwijzing van toezichthouders op grond van artikel 48a van de Landbouwwet (Besluit aanwijzing toezichthouders Landbouwwet) Gelet op [artikel 48a van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Landbouwwet bepaalde worden aangewezen: - −. de ambtenaren van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken; - −. de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken; - −. de ambtenaren van de Auditdienst Rijk van het Ministerie van Financiën. Artikel 2 Het [besluit van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 23 januari 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009346), nr. 98910, houdende aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren op grond van de Landbouwwet (Stcrt. 25), wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Landbouwwet. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4770,"b":"Kapitaalverzekeringen overeengekomen met de eigen BV De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. 1. Inleiding Het komt veelvuldig voor dat levensverzekeringen waarbij een kapitaal bij leven en/of overlijden is verzekerd (hierna: de kapitaalverzekering) door directeuren/grootaandeelhouders (hierna: digra’s) worden gesloten met hun eigen besloten vennootschap (hierna: de BV). Met betrekking tot die kapitaalverzekeringen en voorgenomen kapitaalverzekeringen zijn mij vele vragen gesteld door digra’s en hun adviseurs. Daaruit is naar voren gekomen dat de onderhavige kapitaalverzekeringen velerlei verschijningsvormen kennen en dat de BV’s doorgaans ook andere activiteiten ontwikkelen. De daarmee gepaard gaande onzekerheid over de fiscale behandeling van de individuele gevallen alsmede de wijzigingen van het wettelijke regime met betrekking tot het begrip levensverzekering op 1 januari 1992 hebben voor mij de aanleiding gevormd onderstaand richtsnoer voor de uitvoeringspraktijk te ontwikkelen. Met nadruk merk ik op dat de door mij in paragraaf 5 ontwikkelde richtlijnen voor de beoordeling of daadwerkelijk een kapitaalverzekering is overeengekomen, niet een dwingend doch een regulerend karakter hebben. Indien de feiten en omstandigheden van een concreet geval stroken met die richtlijnen, is een nader onderzoek naar het realiteitsgehalte van de kapitaalverzekering overeengekomen met de BV in het algemeen niet noodzakelijk. Indien de feiten en omstandigheden niet overeenkomen met de richtlijnen – en men geen gebruik wenst te maken van de in paragraaf 11 gegeven mogelijkheid tot aanpassing daaraan – is niet op voorhand duidelijk of een reële kapitaalverzekering is overeengekomen; er zou bij voorbeeld in wezen sprake kunnen zijn van een spaarvorm of een betaling die als informele kapitaalstorting dient te worden aangemerkt. Voor de beoordeling daarvan is alsdan een nader onderzoek noodzakelijk. 2. Eigen lichaam Kapitaalverzekeringen kunnen ook worden afgeslot"},{"i":4786,"b":"Leidraad FATCA/CRS met technische toelichting bij de NL IGA en de CRS-regelgeving **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** Inleiding Inleiding 1. CRS Sectie II. Algemene due diligence-bepalingen Sectie III. Due diligence-bepalingen ten aanzien van bestaande rekeningen van natuurlijke personen 1.1. Lijst van begrippen en afkortingen 2. Wet- en regelgeving CRS 1.22. Gebruik van SBI-codes De CRS en het CRS-commentaar bieden op verschillende onderdelen opties voor landen om voor een bepaalde uitleg of toepassing te kiezen. De Richtlijn heeft invulling gegeven aan een groot deel van deze opties. De Richtlijn heeft niet alle opties overgenomen die de CRS biedt, desalniettemin is (voor de EU-lidstaten) de tekst van de Richtlijn leidend, ook in relatie tot niet-EU-landen. Maar, teneinde te garanderen dat EU-lidstaten de Richtlijn in heel de EU consequent toepassen, moeten de lidstaten bij het implementeren uitgaan van het door de OESO ontwikkelde CRS commentaar op de rapportagestandaard. Deze kunnen zij ter illustratie of interpretatie gebruiken. De EU moet in haar optreden in dit verband met name rekening houden met toekomstige ontwikkelingen op OESO-niveau (zie overweging 13 Richtlijn). Over de CRS is nadere informatie te vinden op de website van de OESO, van het OESO-commentaar op zowel de CRS als de Model CAA, een handboek en de FAQ’s, die de OESO periodiek publiceert op de Automatic Exchange Portal2Zie http://www.oecd.org/tax/exchange-of-tax-information/CRS-related-FAQs.pdf. In de FAQ’s wordt interpretatie of uitleg van de CRS en OESO-commentaar gegeven ter toelichting en verduidelijking van (de bedoeling van) van de CRS en het commentaar. De onderwerpen die behandeld worden als FAQ komen in het algemeen niet terug in deze leidraad. **(Sectie V.D.2.a en VI.2.a van de CRS en onderdeel IV.D.4.b van Bijlage 1 NL IGA)** 1.23. Identificatie passieve of actieve NFE (‘presumption rule’) In de NL IGA zijn Nederland en de VS overeengekomen dat de Belas"},{"i":4824,"b":"Mandaatbesluit bevoegdheden personeelsbeheer pilot-project Directie J&R Gelet op de Instellingsbeschikking van de projectgroep Deconcentratie van 1 september 1988; Gelet op de aanwijzing door de stuurgroep directoraat-generaal Jeugdbescherming & Delinquentenzorg van zes Raden voor de Kinderbescherming als pilot-project Directie Jeugdbescherming en Reclassering; Gelet op [artikel 238 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=238), artikel 21 van het Organisatiebesluit Raden voor de Kinderbescherming 1982, S. 16 en 534, alsmede de [artikelen 4, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=4) en 1 van het Arbeidsovereenkomstenbesluit; Overwegende de door de stuurgroep directoraat-generaal Jeugdbescherming & Delinquentenzorg uitgesproken aanbeveling binnen het pilot-project Jeugdbescherming en Reclassering op korte termijn over te gaan tot deconcentratie van een aantal onderdelen van personeelsbeheer; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: ‘directeuren’: de secretarissen/directeuren van de instellingen, ressorterend onder het directoraat-generaal Jeugdbescherming & Delinquentenzorg, voor zover deze zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004617&bijlage=I&z=1989-09-01&g=1989-09-01). Artikel 2 De directeuren worden gemachtigd tot het namens de minister van Justitie uitoefenen van de bevoegdheden tot personeelsbeheer bij de instellingen van het DGJD, zoals is aangegeven in de bij dit besluit behorende [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004617&bijlage=II&z=1989-09-01&g=1989-09-01) en toelichting. Artikel 3 De directeuren oefenen de in het vorige artikel genoemde bevoegdheden uit met inachtneming van door of vanwege de minister van Justitie gegeven regels of aanwijzingen. Artikel 4 De directeuren worden voor het uitoefenen van de in [artikel 2](https://wetten.over"},{"i":1645,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 20 december 2012, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de sector verduurzaamde groenten en fruit voor het jaar 2013 (Verordening PT bestemmingsheffing verduurzaamde groenten en fruit 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor groenten en fruit van d.d. 14 december 2012; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: | a. productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. bestuur | : | bestuur van het productschap; | | c. voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | d. ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. omzet | : | het totaal van de verkoopfactuurbedragen van het product 'af fabriek' exclusief BTW. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer die groenten, fruit of daaruit verkregen producten verduurzaamt is over het kalenderjaar 2013 een bestemmingsheffing aan het productschap verschuldigd volgens de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033255&paragraaf=3&artikel=3&z=2013-09-22&g=2013-09-22) vermelde heffingsgrondslag. 2. Uit de opbrengst van de bestemmingsheffing, als bedoeld in het eerste lid, worden activiteiten gefinancierd die vallen binnen de investeringsprogramma's van het productschap: Plantgezondheid, Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen & Biobased Economy,Voeding & Gezondheid, Energie en CO2, Groen & Welbevinden en Arbeid. 3. De bestemmingsheffi"},{"i":4492,"b":"Circulaire houtopslag 1. Intrekking ontwerp-Reparatiebesluit Bij brief van 19 augustus 2004, kenmerk: 2004035856, heb ik u geïnformeerd over de ontwikkelingen met betrekking tot de algemene regels voor meldingplichtige inrichtingen als bedoeld in [artikel 8.40 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40). In die brief heb ik u gemeld dat voorafgaand aan de uitvoering van de herijkingvoornemens van de VROM-regelgeving er een zogeheten Reparatiebesluit zou komen. Dat reparatiebesluit zou urgente knelpunten uit verschillende krachtens [artikel 8.40 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40) gegeven algemene maatregelen van bestuur wegnemen. Bedoeld ontwerp-Reparatiebesluit is vervolgens in de Staatscourant van 11 november 2004, nr. 218, bekend gemaakt, opdat een ieder zijn zienswijze daarover binnen vier weken aan mij kenbaar kon maken. Enkele van de ingekomen zienswijzen waren zodanig dat in overleg met de betrokken branches nader onderzoek diende plaats te vinden. Dat onderzoek en de resultaten daarvan hebben de verdere voortgang van het ontwerp-Reparatiebesluit zodanig vertraagd dat ik heb besloten het ontwerp-Reparatiebesluit niet verder in procedure te brengen. Immers, inmiddels was de voorbereiding van de modernisering van de algemene regels voor inrichtingen zo ver gevorderd dat het verschil tussen de geplande datum van inwerkingtreding van het Reparatiebesluit en de geplande datum van inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit weinig tijdwinst zou opleveren. Bovendien bespaart het niet doorzetten van het Reparatiebesluit ambtelijke capaciteit die vervolgens kon worden benut voor de voltooiing van het Activiteitenbesluit. Uiteraard is in het ontwerp-Activiteitenbesluit rekening gehouden met de wijzigingsvoorstellen, zoals voorzien in het Reparatiebesluit. 2. Regeling voor de buitenopslag van hout In het ontwerp-Reparatiebesluit was onder meer voorzien in een wijziging van de"},{"i":4414,"b":"Besluit van de centrale commissie dierproeven van 19 december 2014, ref 2014-02, tot vaststelling van een bestuursreglement (Bestuursreglement CCD) Gezien de goedkeuring van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 19 januari 2015; Gelet op [artikel 11, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11) en [artikel 18, achtste lid, van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=18), besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder - a. **bestuurslid:** een lid van de centrale commissie dierproeven, als bedoeld in [artikel 18, tweede lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=18); - b. **CCD:** de centrale commissie dierproeven, bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=18); - c. **secretariaat:** het personeel, bedoeld in [artikel 18, zevende lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=18); - d. **algemeen secretaris:** de medewerker van het secretariaat, bedoeld in [artikel 18, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=18) die leiding geeft aan het secretariaat; - e. **de wet:** de [Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081); - f. **de Kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495). Artikel 2. Verdeling werkzaamheden 1. De CCD kiest uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter. 2. De bestuursleden maken, voor zover zij dit noodzakelijk achten, een evenredige verdeling van werkzaamheden door de aangelegenheden waarover de CCD besluiten moet nemen, te verdelen in portefeuilles voor elk lid, met inachtneming van de specifieke deskundigheid van het commissielid, waarbij commissieleden elkaar kunnen vervangen. 3. De voorzitter ondertekent de besluiten die de CCD heeft genomen en bij zijn afwezigheid de plaatsverv"},{"i":3939,"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot aanvullend prudentieel toezicht op banken, levensverzekeraars, schadeverzekeraars en beleggingsondernemingen die tot een financiële groep behoren (Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 juni 2006, nr. FM 2006-01503 M; Gelet op [richtlijn nr. 2002/87/EG](32002L0087) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de [Richtlijnen 73/239/EEG](31973L0239), [79/267/EEG](31979L0267), [92/49/EEG](31992L0049), [92/96/EEG](31992L0096), [93/6/EEG](31993L0006) en [93/22/EEG](31993L0022) van de Raad en van de Richtlijnen [98/78/EG](31998L0078) en [2000/12/EG](32000L0012) van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2003 L 35), [richtlijn nr. 2000/12/EG](32000L0012) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126) en [Richtlijn nr. 98/78/EG](31998L0078) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 1998 betreffende het aanvullende toezicht op verzekeringsondernemingen in een verzekeringsgroep (PbEG L 330) en de [artikelen 3:270, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:270), [3:280, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:280), [3:284, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:284), [3:285](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:285), [3:286](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:286) en [3:296 tot en met 3:299 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:296); De Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2006, nr. W06.06.0"},{"i":4403,"b":"Besluit van 21 december 2000, houdende vaststelling van het Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars 2001 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 20 november 2000, nr. WDB2000/873 M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Gelet op [artikel 29, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29); De Raad van State gehoord (advies van 13 december 2000, nr. W06.00.0539/IV); Gezien het nader rapport van de staatssecretaris van Financiën van 19 december 2000, nr. WDB2000/965 U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Reikwijdte en definities 1. Dit besluit geeft uitvoering aan [artikel 29, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29). 2. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. levensverzekeraar: een belastingplichtige die het levensverzekeringsbedrijf uitoefent; - b. natura-uitvaartverzekeraar: een belastingplichtige die het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf uitoefent, waarbij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend uitvaarten van verzekerden worden verzorgd; - c. schadeverzekeraar: een belastingplichtige die het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent; - d. premiereserve: de door een levensverzekeraar of een natura-uitvaartverzekeraar aangehouden premiereserve eigen rekening; - e. premies: premies eigen rekening; - f. provisies: provisies eigen rekening; - g. schaden: schaden eigen rekening; - h. verzekerd bedrag: verzekerd bedrag eigen rekening. Artikel 2. Grondslagen berekening premiereserve 1. De premiereserve wordt berekend naar de grondslagen die worden gehanteerd bij de bepaling van het tarief waarop de verzekeringen zijn of worden gesloten. 2. Een omrekening van de premiereserve naar in totaal zwaardere grondslagen wordt in aanmerking genomen indien: - a. de omrekening betrekking"},{"i":2684,"b":"Beschikking bescherming persoonlijke levenssfeer (Registratie artikel 24 Landbouwwet) Gelet op [aanwijzingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de geautomatiseerde systemen, waarin persoonsgegevens zijn opgenomen, bij de rijksoverheid](onbekend), zoals vastgesteld bij besluit van de Minister-President van 7 maart 1975; Gehoord de Commissie voor de landbouw- en voedselvoorzieningsstatistiek, Besluit: Artikel 1 In de beschikking wordt verstaan onder: **de Minister:** de Minister van Landbouw en Visserij; **wet:** [Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252); **de registratie:** het geautomatiseerde systeem, waarin gegevens zijn opgenomen van op basis van de wet gehouden tellingen en enquêtes; **het L.E.I.:** het Landbouw-Economisch Instituut; **de commissie:** de Commissie voor de Landbouw- en voedselvoorzieningsstatistiek; **de geregistreerde:** de persoon van wie gegevens in de registratie zijn opgenomen; **de voedselcommissaris:**de Provinciale voedselcommissaris, tevens gewestelijk directeur van de Stichting tot Uitvoering van Landbouwmaatregelen, voor zover het zijn ambtsgebied betreft. Artikel 2 Doel van de registratie is het kunnen beschikken over informatie in de vorm van op de persoon herleidbare gegevens ten behoeve van het nationale en internationale landbouwbeleid alsmede onderzoek en voorlichting op het gebied van de landbouw. Artikel 3 In de registratie worden gegevens opgenomen uitsluitend van personen, die ingevolge het bepaalde in [artikel 24 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=24) zijn verplicht tot het doen van opgave van de landbouwkundige en technische gegevens van hun onderneming. Artikel 4 1. De in de registratie opgenomen gegevens betreffen uitsluitend die landbouwkundige en technische bedrijfsgegevens die op grond van [artikel 24 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=24) zijn verkregen. 2. Deze voor de registratie benodigde gegeven"},{"i":2548,"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 juni 2014, nr. WJZ / 14104616, voor het verlenen van een ontheffing voor het gebruik van aalvistuigen voor de visserij op wolhandkrab en Noordzeekrab (Beleidsregels ontheffing wolhandkrab- en Noordzeekrabvisserij) Gelet op de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=11) en [12 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=12) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 1. Een vergunning als bedoeld in [artikel 36, eerste en derde lid, van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=36) voor het gebruik van vistuigen, genoemd in [artikel 32a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=32a), van die regeling, ten behoeve van de visserij op andere soorten dan aal, wordt op aanvraag verleend. 2. Een vergunning wordt verleend indien: - a. uit de aanvraag naar het oordeel van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur blijkt dat voldoende is geborgd dat geen aal aan de wateren wordt onttrokken, doordat in ieder geval: - 1°. door de aanvrager voor adequate controle op de naleving van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035289&artikel=3&z=2025-08-26&g=2025-08-26) bedoelde voorschriften wordt gezorgd door onafhankelijke controleurs, en in elk geval is voorzien in onaangekondigde controles; - 2°. door de aanvrager is voorzien in voldoende afschrikwekkende sancties voor degene ten aanzien waarvan bij de controles, bedoeld in subonderdeel 1°, is gebleken dat hij de in dat subonderdeel bedoelde voorschriften heeft overtreden; - 3°. de aanvrager heeft voorzien in een systeem waarin de locatie van in het water geplaatste vistuigen als bedoeld in het eerste lid, en de visserijactiviteit van degenen die voor de vergunninghouder de v"},{"i":2702,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 21 december 2007, nr. 5523483/07/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van een postcodeloterij Overwegende dat de geldigheidsduur van de Beschikking Nationale Postcode Loterij op 31 december 2007 verstrijkt; Overwegende dat Nationale Postcode Loterij N.V., gevestigd te Amsterdam, bij brief van 9 augustus 2007 heeft verzocht haar opnieuw vergunning te verlenen voor het organiseren van de Nationale Postcode Loterij; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) en [34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34), en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=2) en [5 van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=5); Gezien het advies van het College van toezicht op de kansspelen van 27 september 2007, nr. C.816/07; Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel I Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. het besluit: het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067); - c. de Minister: de Minister van Justitie; - d. de vennootschap: Nationale Postcode Loterij N.V., gevestigd te Amsterdam; - e. de holding: Holding Nationale Goede Doelen Loterijen N.V., gevestigd te Amsterdam; - f. de stichting aandelen: de Stichting Aandelen Nationale Goede Doelen Loterijen, gevestigd te Amsterdam; - g. Nationale Postcode Loterij: een kansspel als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), waarbij een postcode, zijnde een combinatie van 4 cijfers en 2 letters, deel uitmaakt van het lotnummer waarmee de deelnemers mededingen naar prijzen die door loting of trekking worden verkregen; - h. toeg"},{"i":19561,"b":"Regeling tarieven Dienst Wegverkeer 2026 Gelet op de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), de [Wet Personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470), [hoofdstuk 9 van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&hoofdstuk=9), [artikel 38, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=38), [artikel 1 van de Wet van 17 maart 1979, houdende Regeling van de vergoeding van de kosten van registratie van snelle motorboten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003233&artikel=1), [artikel 3 van de Tariefregeling vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008118&artikel=3), [artikel 9, vijfde lid, van de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=9), de [Regeling houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035248), [artikel 32 Regeling specificaties en typegoedkeuring boordcomputer taxi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027945&artikel=32), de [Binnenvaartregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958), de [Wet implementatie EETS-richtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586) en de [Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, tot aanwijzing van de Dienst Wegverkeer als bevoegde autoriteit in de zin van artikel 17, eerste lid, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947 van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044600) (PbEU 2019, L 152) Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Begrippen regeling Voor de toepassing van deze regeling gelden de begripsbepalingen van de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), het [Besluit voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025554), het [Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671), het [Kenteken"},{"i":7198,"b":"Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken **Preambule** De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), Geleid door de wens uitvoering te geven aan [artikel 220 van dit Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506&artikel=220), krachtens hetwelk zij zich ertoe hebben verbonden de vereenvoudiging van de formaliteiten waaraan de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen onderworpen zijn, te verzekeren. Verlangende binnen de Gemeenschap de rechtsbescherming van degenen die er gevestigd zijn te vergroten, Overwegende dat het daartoe noodzakelijk is de bevoegdheid van hun gerechten in internationaal verband vast te stellen, de erkenning van beslissingen te vergemakkelijken en, ter verzekering van de tenuitvoerlegging hiervan, alsmede van de tenuitvoerlegging van authentieke akten en gerechtelijke schikkingen, een vlotte rechtsgang in te voeren, Hebben besloten het onderhavige verdrag te sluiten, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: De heer Pierre Harmel, Minister van Buitenlandse Zaken; De President van de Bondsrepubliek Duitsland: De heer Willy Brandt, Vice Kanselier, Minister van Buitenlandse Zaken; De President van de Franse Republiek: De heer Michel Debré, Minister van Buitenlandse Zaken; De President van de Italiaanse Republiek: De heer Giuseppe Medici, Minister van Buitenlandse Zaken; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg: De heer Pierre Grégoire, Minister van Buitenlandse Zaken: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: De heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken, Die, in het kader van de Raad bijeen, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt: TITEL I. T"},{"i":4272,"b":"Besluit vergunning nationale postcode loterij 2017 – 2021 **Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 23 december 2016, kenmerk 10233, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van een gelegenheid als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de kansspelen.** Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het Kansspelenbesluit verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan de Nationale Postcode Loterij, een Naamloze Vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Amsterdam met nummer 41183598 (hierna: de vergunninghouder), vergunning voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021. Aan deze vergunning zijn de navolgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de loterijen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Vergund kansspel B. Afdracht ten behoeve van het algemeen belang C. Bescherming van kwetsbare groepen D. Bescherming van consumenten E. Betrouwbaarheid en integriteit F. Controle, rapportage en toezicht G. Overig Bijlage A Niet opgenomen."},{"i":4528,"b":"Circulaire verhogen pensioengerechtigde leeftijd burgemeesters 1. Inleiding Recent is o.a. het [Rechtspositiebesluit burgemeesters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743) gewijzigd. De wijziging betreft het verhogen van de leeftijd waarop burgemeesters worden ontslagen. Deze wijziging van het [Rechtspositiebesluit Burgemeesters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743) is gepubliceerd in Staatsblad 2007, nummer 99. De wijziging is in werking getreden op 11 mei 2007. Zowel de wijziging van als de toelichting op die wijziging van het [Rechtspositiebesluit burgemeesters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743) heb ik voor uw informatie bij deze circulaire gevoegd. De integrale tekst van het [Rechtspositiebesluit burgemeesters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743) kunt u vinden op de internetsite www.overheid.nl, onder wet- en regelgeving. 2. Wijziging van de regelgeving Op grond van de tot voor kort geldende tekst van [artikel 43 van het Rechtspositiebesluit burgemeesters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743&artikel=43) werd aan burgemeesters met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, eervol ontslag verleend. Deze wijziging brengt daar verandering in en verhoogt voor de burgemeesters de ontslagleeftijd tot 70 jaar. In [artikel 43 van het Rechtspositiebesluit burgemeesters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743&artikel=43) wordt ‘65 jaar’ dan ook gewijzigd in ‘70 jaar’. In de praktijk houdt deze wijziging in dat de burgemeester geen actie hoeft te nemen als hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en wil doorwerken. Wel is het aan te bevelen ruim voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd contact op te nemen met het ABP (zie voor verdere informatie het gestelde onder punt 3 van deze circulaire). Uiteraard is het wel aan te bevelen dat de burgemeester binnen het gemeentebestuur kenbaar maakt dat hij wil doorwerken na het bereiken van zijn 65e ja"},{"i":3403,"b":"Besluit van 10 december 2001, houdende regels omtrent de samenstelling en inrichting van het College van afgevaardigden en de afvaardiging van de leden (Besluit College van afgevaardigden) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 november 2001, nr. 5130704/01/6; Gelet op [artikel 90, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=90); De Raad van State gehoord (advies van 3 december 2001, nr. W03.01.0582/I); Gelet op het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 6 december 2001, nr. 5138130/01/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. College: het College van afgevaardigden, bedoeld in [artikel 90 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=90); - b. appèlgerechten: de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven; - c. commissie: de commissie, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013128&paragraaf=2&artikel=3&z=2020-01-01&g=2020-01-01). Paragraaf 2. Samenstelling, inrichting en afvaardiging Artikel 2 1. Het College bestaat uit achtentwintig leden, waarvan - a. dertien leden rechterlijk ambtenaar zijn, niet zijnde rechter in opleiding of officier in opleiding als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, onder 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=1) - b. dertien leden gerechtsambtenaar zijn, en - c. twee leden rechter in opleiding zijn. 2. De leden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, worden per ressort afgevaardigd. Het aantal leden per ressort bedraagt: - a. namens het ressort Amsterdam: zes; - b. namens het ressort Arnhem-Leeuwarden: acht; - c. namens het ressort Den Haag: zes; - d. namens het ressort 's-Hertogenbosch: zes; waarvan telkens de helft gerechtsambtenaar is. Voor de toepassing van dit"},{"i":4639,"b":"Besluit van 17 mei 2022 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 en enkele andere besluiten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/2177 tot wijziging van diverse richtlijnen betreffende het Europees systeem voor financieel toezicht (Implementatiebesluit omnibusrichtlijn ESFS-review) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 8 april 2022, 2022-0000105158, directie Financiële Markten; Gelet op [Richtlijn (EU) 2019/2177](32019L2177) van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2019 tot wijziging van [Richtlijn 2019/138/EG](32019L0138) betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), [Richtlijn 2014/65](32014L0065)/EU betreffende markten voor financiële instrumenten, en van [Richtlijn (EU) 2015/849](32015L0849) inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (PbEU 2019, L 334), de [artikelen 1:80, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:104b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:104b), [4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14) en [artikel 15, derde tot en met vijfde lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041548&artikel=15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 mei 2022, nr. W06.22.00042/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 12 mei 2022, 2022-0000124014, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Artikel I! Wijzigt het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019. Dit onderdeel is nog niet"},{"i":3932,"b":"Besluit van 27 juli 2007, houdende regels inzake de bekostiging, het financiële beheer en het toezicht met betrekking tot het landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie (Besluit LSOP) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 april 2007, nr. 2007-0000128616; Gelet op de [artikelen 22, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014623&artikel=22), [27, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014623&artikel=27), en [29, vijfde lid, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014623&artikel=29); De Raad van State gehoord (advies van 1 mei 2007, No. W04.07.0103/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juli 2007, nr. 2007-0000251171; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **algemene bijdrage:** bijdrage voor de in [artikel 99, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=99) genoemde posten, niet zijnde een bijzondere bijdrage; - b. **bijzondere bijdrage:** bijdrage voor de in [artikel 99, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=99) genoemde posten voor een specifiek omschreven doel. Artikel 2 1. De Politieacademie ontvangt uitsluitend bijdragen als bedoeld in [artikel 99, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=99). 2. De bijdragen bestaan uit algemene of bijzondere bijdragen. Bijzondere bijdragen kunnen bij wege van voorschot worden betaald. 3. Aan de algemene bijdragen kunnen voorwaarden worden verbonden en aan de bijzondere bijdragen worden voorwaarden verbonden. Artikel 3 1. Het totaal van de bijdragen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022434&artikel=2&z=2017-11-29&g=2017-11-29), wordt betaalbaar gesteld in vier termijnen, respectievelijk op 15"},{"i":2494,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 3 februari 2021 Directie Juridische en Operationele Aangelegenheden, 3180197, tot vaststelling van beleidsregels op het gebied van protocolbeheer en -toewijzing binnen het notariaat (Beleidsregel protocollen notariaat) Gelet op [artikel 15, eerste lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=15) 1. Inleiding In deze beleidsregel wordt het beleid ten aanzien van het toewijzen van (probleem)protocollen aan (kandidaat-)notarissen, het beheer van protocollen en het wijzigen van vestigingsplaats uiteengezet. In het Nederlandse rechtsbestel is een belangrijke rol weggelegd voor het notariaat. In de [Wet op het notarisambt (Wna)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388) zijn onder meer de benoemingsprocedure, de vereisten waaraan moet worden voldaan om te kunnen worden benoemd tot notaris en de zorg voor het protocol neergelegd. Op grond van [artikel 2, eerste lid, van de Wna](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=2), houdt het ambt van notaris de bevoegdheid in om authentieke akten te verlijden in de gevallen waarin de wet dit aan hem opdraagt of een partij zulks van hem verlangt en andere in de wet aan hem opgedragen werkzaamheden te verrichten. Het vereiste dat bepaalde rechtshandelingen alleen in de vorm van een notariële akte kunnen worden verricht, is met het oog op de rechtszekerheid en rechtsbescherming. De aktes zijn van belang voor de juistheid van openbare registers en het maatschappelijke vertrouwen in het rechtsverkeer. Het originele exemplaar van een notariële akte – de minuut – behoort tot het protocol van de notaris. Het protocol betreft de minuten, notariële verklaringen, registers, afschriften, repertoria en kaartsystemen die onder de notaris berusten. Het beheer van het protocol maakt deel uit van de notariële ambtsuitoefening. Mede gelet op het belang van notariële akten voor de rechtszekerheid en het rechtsverkeer is het beroep va"},{"i":2789,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2007 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2007, doch niet later dan 15 december 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,537 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2007 en eindigende met 15 december 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overhe"},{"i":3043,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 26 augustus 2024, nr. 2024-423557, houdende aanwijzing van een waarnemend directeur-generaal Herstelbeleid van het Ministerie van Financiën Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3) en [artikel 4, eerste lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Voor de periode 1 augustus 2024 tot 1 januari 2026 of zoveel eerder als het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel ophoudt te bestaan, wordt de directeur-generaal Fiscale Zaken tevens aangewezen als waarnemend directeur-generaal Herstelbeleid. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2024. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":2518,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 28 november 2023, met kenmerk RWS-2023/47216, houdende vaststelling van de Beleidsregel Toepassen en verspreiden baggerspecie op de Noordzee in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Beleidsregel Toepassen en verspreiden baggerspecie op de Noordzee), Rijkswaterstaat Gelet op de [artikelen 2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=2.11), [3.48o, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=3.48o), en [3.48q van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=3.48q) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit in verband met de inwerkingtreding van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) per 1 januari 2024 tot het intrekken van de [Beleidsregel Toepassen en verspreiden van baggerspecie op de Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034624) van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 31 december 2013, Staatscourant 2013 nr. 36295 en daarvoor in de plaats de navolgende beleidsregel vast te stellen: 1. Inleiding Al jaren worden voor het toepassen of verspreiden van baggerspecie uit havens en vaarwegen verschillende loswallen op zee gebruikt. Daarnaast wordt een deel van het zand dat vrijkomt bij vaargeulonderhoud (zoals de Maasgeul) verspreid binnen het kustfundament. De verdiepte loswallen zijn bijna tot aan de gewenste hoogte (-1 m onder het waterbodemoppervlak) opgevuld met baggerspecie. Dit betekent dat de baggerspecie afkomstig uit onder andere de Rotterdamse havens en vaarwegen op andere plaatsen verspreid moet worden. Het [Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330) (Bal) geeft algemene regels voor onder meer het toepassen en verspreiden van baggerspecie, maar regelt niet op welke plaatsen baggerspecie in overeenstemming met de spec"},{"i":4518,"b":"Circulaire toepassing programma versterken inzetbaarheid sector Rijk Op 13 juli jongstleden hebben de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de vakbonden FNV Overheid, Ambtenarencentrum, CNV Overheid en CMHF de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2018–2020 gesloten. Eén van deze afspraken is het pilotprogramma versterken inzetbaarheid. Met deze circulaire informeer ik u over de inhoud van dit onderdeel van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst met meer toelichting op het programma, op welke wijze organisaties dit programma kunnen inzetten, uitvoering en de opzet van de evaluatie. De volledige tekst over het programma versterken inzetbaarheid uit de arbeidsvoorwaardenovereenkomst is als bijlage bij deze circulaire gevoegd. Het pilotprogramma is erop gericht de inzetbaarheid te versterken van de ambtenaren van wie – afgaand op bepaalde omstandigheden – verondersteld kan worden dat ze een verminderde inzetbaarheid hebben. Het gaat dan om de middellangetermijninzetbaarheid zowel binnen als buiten het Rijk. Bij het formuleren van de doelgroep worden verschillende mogelijkheden onderscheiden: Om het pilotprogramma in te zetten geldt voor organisaties dat een of meerdere criteria van toepassing moet(en) zijn. Uiteindelijk wordt de precieze doelgroep vastgesteld in gezamenlijk overleg van de werkgever/bestuurder met het Departementaal Georganiseerd Overleg. De ondernemingsraad kan hierbij ook een initiërende of adviserende rol innemen. Zij beschikken – gelet op het experimentele en tijdelijke karakter van dit programma – over een ruime discretionaire marge bij het afbakenen van de groep ambtenaren die voor dit programma in aanmerking komen. Uitgesloten zijn evenwel ambtenaren die in de voorbereidende of verplichte fase van het VWNW-beleid zitten, vanwege de overlap in de aangeboden faciliteiten. Om diezelfde reden stopt deelname aan het programma versterken inzetbaarheid voor ambtenaren die in één van deze fases komen. Ambtenaren die werkzaam zijn in e"},{"i":4102,"b":"Besluit van 26 juni 2017 ter uitvoering van verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (PbEU 2014, L 173) (Besluit uitvoering verordening marktmisbruik) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 februari 2017, 2017-0000032643, directie Financiële Markten; Gelet op verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (PbEU 2014, L 173), [artikel 106, achtste lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=106), de [artikelen 1:3a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:3a), [1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:80, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [1:82, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:82), [1:88a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:88a), [1:97, derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:97), [3:5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:5), [3:9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:9), [3:99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:99), [4:10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:10), [4:14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), [5:25w, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:25w), [5:68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:68), [5:76, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:76),"},{"i":4061,"b":"Besluit van 3 december 2018, houdende regels met betrekking tot onder meer een aanvullende trustdienst en nadere regels over de beoordeling van de betrouwbaarheid van beleidsbepalers, de integere en beheerste bedrijfsuitoefening, de compliance- en auditfunctie en uitbesteding door trustkantoren (Besluit toezicht trustkantoren 2018) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 5 oktober 2018, 2018-0000164042, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=1), [10, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=10), [14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=14), [15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=15), [16, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=16), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=18), [30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=30a) en [49, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=49) en [artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 november 2018, nr. W06.18.0331/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 29 november 2018, 2018-0000201668, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **integere bedrijfsvoering:** een zodanige sturing van de organisatie van het trustkantoor en inrichting van de processen van en met betrekking tot het trustkantoor dat integriteitrisico’s worden beheerst; - **wet:** [Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583). § 2. Aanvullende trustdiensten Artikel 2. Aanvullende trustdi"},{"i":3996,"b":"Besluit van 3 september 1975, tot uitvoering van enige artikelen van de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 22 april 1975, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 267/675; Overwegende, dat het noodzakelijk is ter uitvoering van enige artikelen van de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven nadere regels te stellen, onder meer met betrekking tot de bedragen die ten hoogste kunnen worden uitgekeerd en de inrichting en werkwijze van de commissie tot beheer van het fonds; Gelet op de artikelen 4, tweede en derde lid, 11, 12 en 22 van de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven; De Raad van State gehoord (advies van 14 mei 1975, nr.5); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 26 augustus 1975, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 494/675; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: **het fonds:** het schadefonds geweldsmisdrijven; **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie; **de commissie:** de commissie tot beheer van het fonds; **lidstaat:** een lidstaat van de Europese Unie. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen § 2. Inrichting en werkwijze van de commissie tot beheer van het fonds Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 1. De meervoudige kamer van de commissie houdt ten minste drie vergaderingen per jaar; zij beslist bij meerderheid van stemmen. 2. De beslissing tot het al dan niet toekennen van een uitkering wordt genomen door de enkelvoudige kamer indien: - a. het een aanvraag betreft die door haar in behandeling is genomen, en zij de zaak niet naar de meervoudige kamer heeft verwezen; - b. het een aanvraag betreft die door de meervoudige kamer naar haar is verwezen. 3. In alle gevallen kan een beslissing tot het al dan niet toekennen van een voorlopige uitkering door de enkelvoudige kamer worden genomen. Artikel 7 De commissie stelt een bestuursreglement vast, waarin ond"},{"i":4864,"b":"Mandaatbesluit inzake bezwaarschriften w.o.z.-beschikking Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mevrouw Van de Vondervoort, en de Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [artikel 30, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=30), [artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=25) en de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), en [10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1 De bevoegdheid, bedoeld in [artikel 25, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=25) om de uitspraak op een bezwaarschrift, tegen een door de gemeenteambtenaar, bedoeld in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=231) op de voet van [hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&hoofdstuk=IV) genomen beschikking tot vaststelling van de waarde van een onroerende zaak (WOZ-beschikking) voor ten hoogste een jaar te verdagen, wordt gemandateerd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de onroerende zaak is gelegen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3053,"b":"Besluit van den 26sten Januari 1822, betreffende de adelijke titels en kwalificatien Gelet op art. 65 der grondwet, op art. 259 van het lijfstraffelijk wetboek, mitsgaders op de wet van den 6den Maart 1818 (staatsblad no. 12); Willende aan zoodanige Onzer onderdanen, wier verzoeken om erkenning of inlijving in den nederlandschen adelstand, door Ons, zijn toegestaan, of die, door Ons, tot den adelstand verheven, en met adelijke titels begunstigd zijn, het genot dier vergunningen op eene regelmatige wijze verzekeren; Gezien de adressen van eenige ridderschappen; Gelet op de adviezen van den Hoogen Raad van Adel; Gezien de rapporten van Onze Ministers van Binnenlandsche zaken en Waterstaat en van Justitie; Den Raad van State gehoord; Hebben besloten en besluiten: Artikel 1 Aan al de hoven en regtbanken, de ambtenaren van den burgerlijken stand, de notarissen en alle andere openbare beambten, hoe ook genaamd, wordt uitdrukkelijk bevolen, om, in hunne akten, aan de personen, daarin voorkomende, toeteschrijven de adelijke titels of kwalificatien waarmede zij, door Ons, zijn erkend of begiftigd, zoo dat dezelve personen in alle authentieke stukken, niet anders, dan met de hun toekomende titels en kwalificatien worden aangeduid; verbiedende Wij daarentegen uitdrukkelijk aan de voormelde hoven, regtbanken, ambtenaren van den burgerlijken stand, notarissen en aan alle andere openbare beambten, om in hunne akten eenige adelijke titels of kwalificatien toetekennen aan personen, welke daarmede, door Ons, niet erkend of begiftigd zijn. Artikel 2 Ten einde aan het bepaalde bij [art. 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024508&artikel=1&z=1822-03-01&g=1822-03-01) behoorlijk kunne worden voldaan, zal de Hooge Raad van Adel Ons, in eene alphabetische orde ingerigt, voorleggen algemeene lijsten van de personen of geslachten, wier titels en adeldom op zijne registers zijn ingeschreven, en wel zoodanig ingerigt dat dezelve bevatten: - 1°. den naam, de voornamen en de woonplaats v"},{"i":3370,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 september 2018 nr. BOACAT2018/0050, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant Gelezen het verzoek van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant van 4 september 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041338&artikel=2&z=2018-09-13&g=2018-09-13). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van regiohandhaver in dienst van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artike"},{"i":2912,"b":"Besluit van 19 juni 2018 tot wijziging van het Besluit toezicht accountantsorganisaties en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband met het versterken van de governance van accountantsorganisaties (Besluit aanvullende maatregelen accountantsorganisaties) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 26 april 2018, 2018-0000063767, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 16, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=16), [20, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=20), [22a, zevende lid, onderdeel d, en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=22a), en [26, vijfde lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=26); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 mei 2018, nr. W06.18.0106/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 12 juni 2018, 2018-0000096914, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit toezicht accountantsorganisaties. Artikel II Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel III De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanvullende maatregelen accountantsorganisaties. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3156,"b":"Besluit van 25 juni 2015 tot het vaststellen van regels over de veiligheid van bijzondere spoorwegen en tot wijziging van diverse andere besluiten in verband met een tweede tranche van uitvoeringsmaatregelen van het kabinetsstandpunt «Spoor in beweging», waaronder de vereenvoudiging van het vergunningenregime hoofdspoorwegen en de implementatie van een technische specificatie inzake interoperabiliteit (Besluit bijzondere spoorwegen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 15 december 2014, nr. IenM/BSK-2014/263302, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=1), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=19), [27, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=27), [32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=32), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=35), [49, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=49), [50, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=50), [51, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=51), [65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=65), [77, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=77), [87, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=87), en [94 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=94), [artikel 8 van de Winkeltijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007952&artikel=8) en [artikel 105 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=105); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 januari 2015, nr. W14.14.0467/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van, 22 juni 2015, nr. IenM/BSK-2015/117365, Hoo"},{"i":2768,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2004 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel l, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58 derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984, alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel l van die regeling, stelt op 16 maart 2004, doch niet later dan 15 april 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,829 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2004 en eindigende met 15 april 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&"},{"i":3213,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 6 mei 2026 nr. BOACAT2026/034, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Breda Gelezen het verzoek van gemeente Breda van 17 februari 2026 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Zeeland – West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052609&artikel=2&z=2026-05-11&g=2026-05-11). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van regel toepasser en handhaving A/B/ C/D, Procescoördinator A en Leidinggevende D/E in dienst van gemeente Breda, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare"},{"i":3865,"b":"Besluit van 9 april 1999, houdende nadere regels inzake het ondernemingsplan en de samenstelling en de werkwijze van de Commissie van deskundigen in verband met de vestiging van een notaris (Besluit ondernemingsplan notaris) Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Justitie van 17 februari 1999, Directie Wetgeving nr. 747930/99/6; Gelet op de [artikelen 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=7), en [110, tweede lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=110); De Raad van State gehoord (advies van 25 maart 1999, nr. W03.99.0076/I) Gezien het nader rapport van Onze Staatssecretaris van Justitie van 31 maart 1999, Directie Wetgeving nr. 756523/99/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388); - b. ondernemingsplan: het ondernemingsplan, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, onderdeel b, onder 4°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=6); - c. Commissie: de Commissie van deskundigen, bedoeld in [artikel 7, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=7); - d. plaats van vestiging: de gemeente, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=8). Paragraaf 2. Het ondernemingsplan Artikel 2 Het ondernemingsplan brengt tot uitdrukking of het voornemen tot vestiging betreft: - a. opvolging in een reeds gevestigd solitair kantoor; - b. vestiging van een solitair kantoor; - c. opvolging in een reeds gevestigd kantoor in associatief verband; - d. vestiging in associatief verband met een reeds gevestigd kantoor; - e. vestiging van een kantoor in associatief verband; - f. wijziging van de plaats van vestiging. Artikel 3 1. Het ondernemingsplan bevat in ieder geval een uitwerking van de volgen"},{"i":4208,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 28 november 2023, nr. MinBuZa.2023. 20203-7, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Derde openstelling Subsidieprogramma Support International Business 2022-2026) Gelet op de [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2, eerste lid, onderdeel c, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Aanvragen voor subsidie in de derde openstelling van het Subsidieprogramma Support International Business 2022-20261Stcrt 2022, 8696, gewijzigd bij besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 15 november 2023 nr. MinBuZa.2022.14611-9, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 23 maart 2022, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Tweede openstelling en wijziging beleidsregels Subsidieprogramma Support International Business 2022–2026) voor 2024 worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2024, 15.00 uur Nederlandse tijd. Artikel 2 Voor subsidieverlening in het kader van de derde openstelling van het Subsidieprogramma Support International Business 2022-2026 geldt voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2026 een subsidieplafond van € 3,5 miljoen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024 of, indien publicatie in de Staatscourant plaatsvindt na 31 december 2"},{"i":4486,"b":"Circulaire ex artikel 24, onder b, Paspoortwet betreffende signaleringsprocedure vermoeden misbruik reisdocumenten 1. Inleiding Deze circulaire heeft tot doel uw medewerking te vragen om reisdocumenten van personen die het vertrouwen in het reisdocument schaden ex [artikel 24, onder b, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=24) te kunnen weigeren dan wel vervallen te verklaren. Dit gebeurt door opname van de persoonsgegevens van betrokkene in het Register paspoortsignalering (hierna RPS). Met uw medewerking levert u, als verstrekkende autoriteit, niet alleen een onmisbare bijdrage aan de bestrijding van misbruik van en met reisdocumenten, maar draagt u eveneens actief bij aan het voorkomen van identiteitsfraude in het algemeen. Deze circulaire begint met de criteria voor een signalering op grond van [artikel 24, onder b, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=24). Vervolgens wordt ingegaan op de signaleringsprocedures en hoe moet worden gehandeld in geval van weigering of vervallenverklaring van een reisdocument als er al sprake is van een bestaande signalering op grond van artikel 24, onder b, van de Paspoortwet. In overeenstemming met de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) omvat het begrip reisdocumenten zowel de Nederlandse paspoorten alsmede de Nederlandse identiteitskaart (hierna: NIK).1Hoewel de NIK in de Paspoortwet niet langer formeel als reisdocument is opgenomen, is hetgeen bij of krachtens die wet is bepaald ten aanzien van reisdocumenten van overeenkomstige toepassing op de NIK tenzij anders is bepaald (zie artikel 2, tweede lid, Paspoortwet). Dit geldt dus ook voor het begrip ‘reisdocument’ in artikel 24, onder b, van de Paspoortwet. Met ingang van 6 september 2016 is deze circulaire aangepast vanwege de ‘Wijziging van de Paspoortwet in verband met onder meer de status van de Nederlandse identiteitskaart’ (Stb. 2014, 10) en de invoering van de [Wet basis"},{"i":3400,"b":"Besluit van 3 december 2004, houdende regels over de verdeling van de capaciteit van de hoofdspoorweg-infrastructuur (Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 december 2003, nr. HDJZ/S&W/2003-1875, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur (PbEG L 75), en op de [artikelen 57, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=57), [59, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=59), [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=61) en [62, achtste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=62), en wat betreft [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017627&paragraaf=6&artikel=15&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van dit besluit, op [artikel 27 van de Spoorwegwet 1875](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=27); De Raad van State gehoord (advies van 19 februari 2004, nr. W09.03.0542/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 november 2004, nr. HDJZ/S&W/2004-2898, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - ad hoc aanvragen: capaciteitsaanvragen in de vorm van afzonderlijke paden; - besloten personenvervoer: personenvervoer per trein, niet zijnde openbaar vervoer; - coördinatie: procedure die door de beheerder en de gerechtigden wordt gevolgd om een oplossing te vinden in geval van concurrerende capaciteitsaanvragen; - dagperiode: het deel van het etmaal gelegen tussen 06:00 en 24:00 uur; - dienstregeling: de gegevens over alle geplande bewegingen van treinen en spoorvoertuigen; - gerechtigde: gerechtigde bedoeld in [artik"},{"i":3618,"b":"Besluit van 13 oktober 1964, houdende vaststelling van het Besluit kennisgevingen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Op de voordracht van Onze Minister van Justitie a.i. van 17 augustus 1964, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, no. 290/664, mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=13), zesde lid, en [38 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=38); De Raad van State gehoord (advies van 16 september 1964, no. 37); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 5 oktober 1964, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, no. 361/664; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415); - b. verzekeraar: de verzekeraar, als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, der wet; - c. orgaan: de Dienst Wegverkeer, bedoeld in [artikel 4**a** van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4a); - d. erkend bedrijf: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie overeenkomstig [artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=62) een erkenning is verleend om motorrijtuigen, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen. Artikel 2 De verzekeraar verstrekt aan het orgaan de gegevens, bedoeld in artikel 13 dan wel artikel 13**a**, tweede en zesde lid, der wet. Door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen voorschriften worden gegeven inzake de wijze van verstrekking van deze gegevens. Artikel 3 1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel **a**, van de wet, inzake het sluiten van een verzekering moet ten minste bevatten het kenteken en de laatste vier cijfers van het chassisnummer van het motorrijt"},{"i":3933,"b":"Besluit van 21 mei 2003, houdende regels met betrekking tot de prijsaanduiding van producten ter vervanging van het Besluit prijsaanduiding goederen 1980 in verband met de aanpassing aan de systematiek en de terminologie van de EG-richtlijn betreffende de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten (Besluit prijsaanduiding producten) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 2 oktober 2002, nr. WJZ 02048730; Gelet op [richtlijn nr. 98/6/EG](31998L0006) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten (PbEG L 80) en op [artikel 2b, eerste lid, onder a en b, van de Prijzenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002353&artikel=2b); De Raad van State gehoord (advies van 13 januari 2003, nr. W10.020452/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 16 mei 2003, nr. WJZ3005025; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. verkoopprijs: de uiteindelijke prijs voor een eenheid van een product of een gegeven hoeveelheid van een product, met inbegrip van de omzetbelasting en alle overige belastingen; - b. prijs per meeteenheid: de prijs voor de meeteenheid die bij de verkoop van een product wordt gebruikt, met inbegrip van de omzetbelasting en alle overige belastingen; - c. verkoper: iedere natuurlijke of rechtspersoon die producten te koop aanbiedt aan consumenten in het kader van zijn handels-, beroeps- of bedrijfsactiviteit; - d. consument: iedere natuurlijke persoon die een product koopt voor doeleinden die niet onder zijn handels-, beroeps- of bedrijfsactiviteit vallen; - e. los verkocht product: een product dat niet vooraf wordt verpakt en in de tegenwoordigheid van de consument wordt gemeten of gewogen. Artikel 2 1. De prijs per meeteenheid wordt uitgedrukt in een van de volgende meeteenheden danwel de decimale veelvouden of"},{"i":3272,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 19 december 2022 nr. BOACAT2022/082, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Land van Cuijk, domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur Gelezen het verzoek van gemeente Land van Cuijk, welke ik ontving op 24 november 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047676&artikel=2&z=2022-12-28&g=2022-12-28). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver/BOA (domein II) in dienst van gemeente Land van Cuijk, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milie"},{"i":3448,"b":"Besluit van 3 oktober 2007, houdende regels inzake bestuurlijke organisatie en cofinanciering door het Rijk van projecten uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling voor de programmaperiode 2007–2013 (Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 20 december 2006, nr. WJZ 6111566, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties; Gelet op [Verordening (EG) nr. 1083/2006](32006R1083) van de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1260/1999](31999R1260) (PbEG L 210), [Verordening (EG) nr. 1080/2006](32006R1080) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1783/1999](31999R1783) (PbEG L 210), [artikel 89 Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89) en [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 14 februari 2007, nr. W10.06.0570/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 26 september 2007, nr. WJZ 7111782, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Kaderverordening: [Verordening (EG) nr. 1083/2006](32006R1083) van de Raad van de Europese Unie van 11 juli 20"},{"i":3819,"b":"Besluit van de directeur van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen in oprichting van 11 juli 2016, houdende het verlenen van ondermandaat en ondermachtiging aan functionarissen van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen in oprichting Gelet op [artikel 2 van de regeling OCW (Mandaatbesluit OCW DUS-I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037605&artikel=2)) en [artikel 3 van de regeling van SZW (Mandaat- en machtigingsbesluit SZW DUS-I 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038143&artikel=3)); Besluit: Artikel 1 De directeur en de hoofden van de direct onder de directeur ressorterende organisatie-eenheden van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen hebben de bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen. Artikel 2 De directeur en het hoofd van het tijdelijk programmabureau van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen hebben de bevoegdheid om in naam van de minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2016. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4133,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 april 2017, nr. MINBUZA-2017.555622, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Matra 2017–2020) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 2.2, sub a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.2), [artikel 2.3, sub b tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.3), en [artikel 2.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.4); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 2.2, sub a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.2), [artikel 2.3, sub b tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.3), en [artikel 2.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.4) in het kader van Matra 2017–2020 met het oog op de financiering van activiteiten ter bevordering van de capaciteitsversterking van (semi-)overheidsinstellingen in de Matra-doellanden: Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kosovo, Noord-Macedonië, Montenegro, Servië, Turkije, Georgië, Moldavië en Oekraïne, en de versterking van de bilaterale betrekkingen met deze landen gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Voor subsidieverlening in het kader van Matra 2017–2020 voor activiteiten bedoeld in [artikel 2.2, sub a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.2), [artikel 2.3, sub b tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.3), en [artikel 2.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.4) geldt voor de periode vanaf de i"},{"i":4261,"b":"Besluit van 27 maart 2012, houdende regels ter normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 23 december 2011, nr. 5719688/11/6; Gelet op [artikel 96, vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=96); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 januari 2012, nr. W03.11.0544/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 20 maart 2012, nr. 5727048/12/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op een uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom. Indien de verbintenis strekt tot vergoeding van schade, is dit besluit daarop alleen van toepassing voor zover deze verbintenis is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst of voor zover de in de eerste zin bedoelde verbintenis tot betaling van een geldsom is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding in de zin van [artikel 87 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=87). Artikel 2 1. De vergoeding voor kosten als bedoeld in [artikel 96 lid 2, onder c van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=96), bedraagt: 15% van het bedrag van de hoofdsom van de vordering over de eerste € 2500 van de vordering; 10% van het bedrag van de hoofdsom van de vordering over de volgende € 2500 van de vordering; 5% van het bedrag van de hoofdsom van de vordering over de volgende € 5000 van de vordering; 1% van het bedrag van de hoofdsom van de vordering over de volgende € 190.000 van de vordering; 0,5% over het meerdere van de hoofdsom met een maximum van € 6775. 2. De in het eerste lid bedoelde vergoeding bedraagt ten minste € 40. 3. De vergoeding wordt verhoogd met een percentage dat ov"},{"i":4092,"b":"Besluit van 14 maart 2016, houdende uitvoering van artikel 2 van de Uitvoeringswet restmechanismen straftribunalen Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 17 februari 2016, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 735143; Gelet op [artikel 2 van de Uitvoeringswet restmechanismen straftribunalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037361&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord advies van 24 februari 2016 No. W03.16.0029/II; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 9 maart 2016, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 742414; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als Restmechanisme waarop de [Uitvoeringswet restmechanismen straftribunalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037361) van toepassing is, worden aangewezen: - a. het Internationaal Restmechanisme voor Straftribunalen, ingesteld bij resolutie 1966 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 22 december 2010; - b. het Restmechanisme voor het Speciaal Hof voor Sierra Leone, ingesteld bij een op 11 augustus 2010 tot stand gekomen verdrag tussen de Verenigde Naties en Sierra Leone. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2016. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4177,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bestuurlijke en financiële organisatie lagere overheden vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 1 november 2006, arc-2006.03203/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bestuurlijke en financiële organisatie lagere overheden over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":4172,"b":"Besluit vaststelling selectielijst archiefbescheiden handelingen Regionaal Historische Centra met de provincie als werkgebied over de periode vanaf 1 mei 1998 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 12 juni 2012, nr. bca-2011.06289/12; Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor archiefbescheiden van de handelingen van Regionaal Historische Centra met de provincie als werkgebied (opgemaakt en ontvangen) over de periode vanaf 1 mei 1998’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld voor de volgende Regionale Historische Centra: Brabants Historisch Centrum (’s-Hertogenbosch), Regionaal Historisch Centrum Drents Archief (Assen), Gelders Archief (Arnhem), Regionaal Historisch Centrum Groninger Archieven (Groningen), Regionaal Historisch Centrum Limburg (Maastricht), Erfgoedcentrum Nieuw Land (Lelystad), Regionaal Historisch Centrum in Noord-Holland (Haarlem), Het Historisch Centrum Overijssel (Zwolle), Letterhoeke (Leeuwarden), Het Utrechts Archief (Utrecht) en Het Zeeuws Archief (Middelburg). Artikel 2 De navolgende lijsten worden ingetrokken voor de Regionale Historische Centra: voor de periode na 1998. Voor de archieven van de voorgangers van de Regionale Historische centra blijven deze lijsten wel geldig. - 1. De ‘Selectielijst beleidsterrein overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999’ (vastgesteld bij [beschikking door de Algemene Rijksarchivaris namens de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. C/S/03/1701 d.d. 11 juli 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015373) (gepubliceerd in de Staatscourant 2003, nr. 202 d.d. 20 oktober 2003)). - 2. De ‘Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000: ministerie van Onderwijs en Wetenschap’ (vastgesteld bij [beschikking door de Algemene Rijksarchivaris"},{"i":4795,"b":"Mandaatbesluit van 10 januari 2018 van de hoofdingenieur-directeur van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat belast met nautische taken in het gebied waarop het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied betrekking heeft, houdende aanstelling van plaatsvervangers als Nederlands ambtenaar van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit Gelet op artikel 6, eerste lid van het op 21 december 2005 te Middelburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied (Trb. 2005, 312), Alsmede gelet op het [Aanstellingsbesluit GNA 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040337) van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (Stcrt. 2017, nr. 69876); BESLUIT: Artikel 1 1. Als eerste plaatsvervangend Nederlands ambtenaar van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit wordt aangesteld de directeur Netwerkontwikkeling Rijkswaterstaat Zee en Delta. 2. Als tweede plaatsvervangend Nederlands ambtenaar van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit wordt aangesteld de directeur Netwerkmanagement Rijkswaterstaat Zee en Delta. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst wordt uitgegeven na 1 januari 2018 treedt dit besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 1 januari 2018. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaat Aanstellingsbesluit GNA 2018. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3549,"b":"Besluit van 15 september 1956, tot handhaving van de besluiten en beschikkingen betreffende het technisch hoger onderwijs Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen a.i. van 20 augustus 1956, nr. 22194, afdeling Hoger Onderwijs en Wetenschappen; De Raad van State gehoord (advies van 28 augustus 1956, nr. 24); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van 10 september 1956, nr. 22571, afdeling Hoger Onderwijs en Wetenschappen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet van 7 juni 1956, **Stb.** 310, bestaande Koninklijke besluiten en ministeriële beschikkingen ter uitvoering van de artikelen 33, 36, 38, 52, 120, 121, 122 eerste lid en 125 van de hoger-onderwijswet blijven, voorzover de hoger-onderwijswet niet anders bepaalt, voorlopig van kracht en gelden voor de technische hogescholen. Onze Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":3990,"b":"Besluit van 3 juli 1996 tot verdeling van de in het Provinciefonds opgenomen uitkeringen inzake Rivierdijkversterking en Onderhoud hoofdwaterkeringen (Besluit rivierdijkversterking/hoofdwaterkeringen Provinciefonds) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A. G. M. van de Vondervoort, van 20 mei 1996, FO96/844, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [artikel 247 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=247); Gezien het advies van de provincies van 13 maart 1996, nummer MW 20072/96; De Raad van State gehoord (advies van 11 juni 1996, nr. WO4.96.0213); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A. G. M. van de Vondervoort, van 28 juni 1996, FO96/1133, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 1994. Artikel 1 De middelen in het Provinciefonds inzake Rivierdijkversterkingen en Onderhoud hoofdwaterkeringen worden vanaf het uitkeringsjaar 1994 verdeeld zoals aangegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1994. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rivierdijkversterking/ hoofdwaterkeringen Provinciefonds. Bijlage. als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008162&artikel=1&z=2007-08-17&g=2007-08-17) van het Besluit rivierdijkversterking / hoofdwaterkeringen Provinciefonds | | 2005 | 2006 en volgende jaren | | --- | --- | --- | | Groningen | 0 | 0 | | Fryslân | 87 807 | 0 | | Drenthe | 0 | 0 | | Overijssel | 10 554 176 | 1 361 341 | | Gelderland | 18 756 883 | 38 499 251 | | Utrecht | 835 191 | 0 | | Noord-Holland | 29 814 | 0 | | Zuid-Holland | 7 509 778 | 0 | | Zeeland | 0 | 0 | | Noord-Brabant | 4 428 351 | 2 341 408 | | Limburg | 0 | 0 | | Flevoland | 0 | 0 |"},{"i":3719,"b":"Besluit mandaat, volmacht en machtiging beheer directeur-secretaris TloKB Gelet op: de [artikelen 7ak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ak) en [7am Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7am); [artikel 2 mandaatbesluit beheer TloKB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046690&artikel=2); [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1). besluit Artikel 1 Met dit besluit geeft de voorzitter van de TloKB aan directeur-secretaris van de TloKB mandaat, volmacht en machtiging, ten behoeve van het uitoefenen van de dagelijkse leiding over de dienst TloKB, voorzover dit valt binnen het mandaat, volmacht en machtiging van de voorzitter van de TloKB als genoemd in het mandaatbesluit beheer TloKB. Artikel 2 1. De directeur-secretaris van de TloKB is bevoegd ten aanzien van de bevoegdheden zoals genoemd in artikel 1 ondermandaat te verlenen. 2. De ondermandatering gebeurt schriftelijk en wordt ter kennis van het Bestuur gebracht. 3. Overeenkomstig [artikel 10:8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:8) kan de voorzitter van de TloKB, daarvan het (onder)mandaat intrekken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst/en werkt terug tot en met 22 april 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat, volmacht en machtiging beheer directeur-secretaris TloKB. Van dit besluit zal mededeling worden gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":3829,"b":"Besluit tot het verlenen van ondermandaat aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen van de Dienst Wegverkeer Gelet op het Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 26 maart 2015, nr. IENM/BSK-2015/29930, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de Dienst Wegverkeer ter handhaving van de in de ITS-Regeling opgenomen gedelegeerde verordeningen ter uitvoering van [richtlijn 2010/40](32010L0040)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende het kader voor het invoeren van intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen (PbEU 2010, L 207) ([Besluit mandaat, volmacht en machtiging Dienst Wegverkeer inzake handhaving van de gedelegeerde ITS-verordeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036484))1Stcrt. nr. 8823 van 31 maart 2015, Overwegende dat het mandaat ziet op het opleggen van een last onder dwangsom, bedoeld in artikel 169 van de Wegenverkeerswet 1994, in geval van herhaaldelijke of voortdurende overtreding van de voorschriften van gedelegeerde verordening (EU) 885/2013 of gedelegeerde verordening (EU) 886/2013 als bedoeld in [artikel 1.1 van de ITS-Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036478&artikel=1.1), alsmede op het beslissen op bezwaarschriften tegen een opgelegde last onder dwangsom, Overwegende dat de Minister van Infrastructuur en Milieu in [artikel 3 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Dienst Wegverkeer inzake handhaving van de gedelegeerde ITS-verordeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036484&artikel=3) heeft bepaald dat de Algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036484&artikel=1) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036484&artikel=2), ondermandaat, volmacht en machtiging kan verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen, Overwegende dat het om rede"},{"i":3541,"b":"Besluit van 26 november 1969, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 244 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 september 1969, Stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 373/669; Gelet op [artikel 244 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=244); De Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 1969 nr. 41); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 21 november 1969, Stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 490/669; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In het ingevolge [artikel 244 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=244) bij elke rechtbank berustende openbaar register tekent de griffier rechtsfeiten aan, die betrekking hebben op de gezagsuitoefening over minderjarigen. Artikel 2 In het register wordt aantekening gehouden van: - a. alle rechterlijke beslissingen, waarbij in het over minderjarigen uit te oefenen gezag hetzij blijvend, hetzij tijdelijk wordt voorzien of wijziging gebracht ingevolge de [artikelen 77, tweede lid onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=77), [251a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=251a), [253](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253), [253b tot en met 253d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253b), [253g tot en met 253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253g), [253n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253n), [253o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253o), [253q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253q), [253r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253r), [253t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253t), [253v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253v), [253x](htt"},{"i":3044,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 juni 2016, nr. E&K/998239, strekkende tot aanwijzing van de wijze van bekendmaken van voorgenomen besluiten tot vervreemding van een cultuurgoed of verzameling door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders Gelet op [artikel 4.17, eerste lid, van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=4.17); Gelet op de [Wet Elektronische Bekendmakingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024913). Besluit: artikel Enig Met ingang van 1 juli 2016 publiceren de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders een voorgenomen besluit tot vervreemding van een cultuurgoed of een verzameling als bedoeld in [artikel 4.17 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=4.17) in de Afstotingsdatabase van het Museum Register of in de Staatscourant, het provinciaal blad, onderscheidenlijk het gemeenteblad."},{"i":6555,"b":"Besluit van 6 juli 2011, houdende wijziging van de Regelen betreffende verzoeken tot naamswijziging en tot naamsvaststelling Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 mei 2011, Directie Wetgeving, nr. 5694533/11/6; Gelet op [artikel 7, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=7); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 juni 2011, nr. 11.001206): Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 juni 2011, Directie Wetgeving, nr. 5701600/11/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt de Regelen betreffende verzoeken tot naamswijziging en tot naamsvaststelling. Artikel II Op verzoeken tot wijziging van de geslachtsnaam die op de dag van inwerkingtreding van dit besluit in behandeling zijn, is het recht verschuldigd volgens het tot dan geldende tarief. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6523,"b":"Besluit van 23 januari 2023 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingsbesluit financiële markten 2022) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 20 oktober 2022, 2022-0000255796, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:108, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:108), [3:17, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:29), [3:74c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:74c), [3:95, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:95), [3:96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:96), [4:9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9), en [4:37n van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:37n); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 november 2022, nr. W06.22.00140/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 17 januari 2023, 2022-0000300267, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel III Wijzigt het Besluit gereglementeerde markten Wft. Artikel IV Wijzigt het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft. Artikel V Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Artikel VI Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel VII Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikel"},{"i":6568,"b":"Besluit van 19 december 2002, houdende wijziging van het Besluit subsidies C02-reductieplan (uitbreiding reikwijdte besluit tot de Nederlandse exclusieve economische zone) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 13 augustus 2002, nr. WJZ 02037750; Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 7 november 2002, nr. W.10.02.0376/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 16 december 2002, nr. WJZ 02061714; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit subsidies CO2-reductieplan Artikel II [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014520&artikel=I&z=2003-02-07&g=2003-02-07) geldt niet voor subsidies die zijn verstrekt voor de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6564,"b":"Besluit van 10 september 2008 houdende wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met de invoering van twee nieuwe educatieve maatregelen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 juli 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/527 sector AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 2006/126/EG](32006L0126) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 2006 (PbEU L 403), [richtlijn 2008/65/EG](32008L0065) van de Commissie van 27 juni 2008 (PbEU L 168) tot wijziging van [richtlijn 91/439/EEG](31991L0439) betreffende het rijbewijs, [artikel 131, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131) en [artikel 17, tweede lid, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=17); De Raad van State gehoord (advies van 22 augustus 2008, no. W09.08.276/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 september 2008, CEND/HDJZ-2008/1199 sector AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel II Wijzigt het Besluit rijonderricht motorrijtuigen. Artikel III Ten aanzien van de coderingen 10.02 en 78 die voor 30 september 2008 zijn geregistreerd in het rijbewijzenregister, gelden de bepalingen zoals die golden voor inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen A, B, C, D, G, H, I, J, O en P](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024502&artikel=I&z=2008-10-01&g=2008-10-01). Artikel IV 1. De [artikelen I, onderdelen A, B, C, D, G, H, I, J, O en P](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024502&artikel=I&z=2008-10-01&g=2008-10-01), en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024502&artikel=III&z=2008-10-01&g=2008-10-01) treden in werking met ingang van 30 september 2008. 2. De [artikelen I, onderdelen E, F, K, L, M en N,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024502&artikel=I&z=2008-10-01&g=2008-10-01) en ["},{"i":6560,"b":"Besluit van 17 juni 2008, houdende wijziging van het Reglement rijbewijzen en enige andere besluiten in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2003/59/EG (vakbekwaamheid bestuurders) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 maart 2008, nr. HDJZ/AWW/2008-298, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op richtlijn nr. 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschap van 15 juli 2003 (PbEU L 226) betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en [Richtlijn 91/439/EEG](31991L0439) van de Raad en tot intrekking van [Richtlijn 76/914/EEG](31976L0914) van de Raad en de [artikelen 111, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111), [151d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=151d), [151e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=151e), [151f, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=151f), [151g, vijfde en zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=151g), [artikel 9, tweede lid, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=9) en [artikel 5:12, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12); De Raad van State gehoord (advies van 25 april 2008, nr. W09.08.0095/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 juni 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/688 sector AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel II Wijzigt het Besluit rijonderricht motorrijtuigen. Artikel III 1. In afwijking van [artikel 48c van het Reglemen"},{"i":5308,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 juni 2006, nr. 5429821/06/6, houdende instelling van de Commissie Evaluatie Awb III Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste en derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6) en [artikel 3 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=3); Besluiten: Artikel 1 Er is een Commissie Evaluatie Awb III, verder te noemen de commissie. Artikel 2 1. De commissie heeft, met het oog op de verplichte evaluatie van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) als bedoeld in [artikel 11:1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=11:1), tot taak: - a. de regering te adviseren op basis van onderzoek dat is gedaan naar de ervaringen met de Algemene wet bestuursrecht; - b. vóór 1 januari 2007 verslag over deze onderwerpen uit te brengen aan de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. Na het uitbrengen van het verslag is de commissie opgeheven. Artikel 3 1. In de commissie zijn benoemd: - a. als voorzitter, tevens lid: mr. J.W. Ilsink, lid van de Hoge Raad der Nederlanden; - b. als leden: prof. mr. J.B.J.M. ten Berge, hoogleraar bestuursrecht aan de Universiteit Utrecht; mr. B.J. van Ettekoven, lid van de Raad van State in buitengewone dienst; mr. C.M. de Graaf, oud-gemeentesecretaris van de gemeente Zoetermeer; prof. mr. dr. N. Huls, hoogleraar rechtssociologie aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam; mr. R.J. Koopman, raadsheer in het Hof ’s-Hertogenbosch; prof. mr. R.M. van Male, raadsheer in de Centrale Raad van Beroep; mevr. mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, raadsheer in het College van Beroep voor het bedrijfsleven; mr. dr. E. Niemeijer, hoofd RR&R en plv. directeur Wetenschappelijk Onderzoek- & Documentatiecentrum, Mi"},{"i":6538,"b":"Besluit van 7 april 2025 tot wijziging van het Kentekenreglement in verband met de registratie- en kentekenplicht bijzondere bromfietsen Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 5 maart 2024, nr. IENW/BSK-2024/84162/, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 mei 2024, nr. W17.24.00044/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 24 maart 2025, nr. IENW/BSK-2025/21105, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Kentekenreglement. Artikel II Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III 1. Dit besluit, met uitzondering van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050976&artikel=II&z=2025-07-01&g=2025-07-01), treedt in werking met ingang van 1 juli 2025. 2. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050976&artikel=II&z=2025-07-01&g=2025-07-01) treedt in werking met ingang van 1 juli 2026. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3715,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 29 maart 2017, nr. WJZ/17026681, houdende mandaat, volmacht en machtiging aan de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor aangelegenheden met betrekking tot de aanwijzing van Future Food Fund Coöperatief U.A. en Nordian Fund IIA Coöperatief U.A. als financier, op grond van artikel 1 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies (Besluit mandaat, volmacht en machtiging algemeen directeur RVO aanwijzing financier) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 Aan de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de aanwijzing op grond van [artikel 1 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=1), van Future Food Fund Coöperatief U.A. als financier in de zin van de subsidiemodule Seed capital technostarters, zoals opgenomen in [titel 3.10 van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&titeldeel=3.10) en van Nordian Fund IIA Coöperatief U.A. als financier in de zin van de subsidiemodule Garantie gericht op financiering met risicokapitaal voor ondernemers (groeifaciliteit), zoals opgenomen in [titel 3.12 van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&titeldeel=3.12). Artikel 2 Aan de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt tevens mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039412&artikel=1&z=2017-03-04&g=2017-03-04), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instell"},{"i":4069,"b":"Besluit van 9 augustus 1948, tot uitvoering van artikel 12 der Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 Op de gemeenschappelijke voordracht van de Ministers van Binnenlandse Zaken, van Financiën en van Sociale Zaken van 22 Juni 1948, afdeling Maatschappelijke Zorg II, bureau 4, No. 4077; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=3), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12), eerste lid, en [20, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=20) (**Staatsblad** 1947, No. H 313); Gezien de adviezen van de Buitengewone Pensioenraad en de Stichting 1940-1945; De Raad van State gehoord (advies van 27 Juli 1948, No. 47); Gezien het nader rapport van de Minister van Binnenlandse Zaken, mede namens zijn voornoemde Ambtgenoten, van 2 Augustus 1948, Afdeling Maatschappelijke Zorg II, bureau 4, No. 4663; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: \"de wet\": de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032); «de Sociale verzekeringsbank»: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); \"gepensioneerde\": degene, aan wie een buitengewoon pensioen is toegekend; «kortingsinkomen»: het totaal van het inkomen uit werk en woning, bedoeld in [artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.1), en de feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen, verminderd met: - a. indien loon wordt genoten het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen: - 1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 per jaar en niet meer dan € 1605 per jaar; - 2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487 per jaar, en - b. he"},{"i":3324,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 2 april 2024 nr. BOACAT2024/015, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Súdwest-Fryslân Gelezen het verzoek van gemeente Súdwest-Fryslân van 14 februari 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049541&artikel=2&z=2026-04-02&g=2026-04-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving I, II, III, IV, V, adviseur I, II, III, IV, V en tactisch leidinggevende II in dienst van de gemeente Súdwest-Fryslân, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten"},{"i":6528,"b":"Besluit van 5 juli 2001 tot wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en enige andere besluiten ter uitvoering van richtlijn 1999/31/EG van de Raad van de Europese Unie van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L 182) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 maart 2000, nr. MJZ 2000024026, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [richtlijn nr. 1999/31/EG](31999L0031) van de Raad van de Europese Unie van 26 april 1999, betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L 182) alsmede op de [artikelen 1.1, eerste en tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), [8.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.2), [8.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.5), [8.15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.15), [8.25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.25), [8.44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.44), [8.45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.45), en [10.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.2); De Raad van State gehoord (advies van 6 juni 2000, nr. WO8.00.0099/v); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 juli 2001, nr. MJZ 2001073426, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel l Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Artikel ll Wijzigt het Stortbesluit bodembescherming. Artikel lll Wijzigt het Besluit stortverbod afvalstoffen. Artikel lV Wijzigt het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen. Artikel V Wijzigt het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen. Artikel Vl 1. Degene die op het tijdstip van inwe"},{"i":2669,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2016, nr. 1108207, tot vaststelling van een kader voor de beoordeling van de verzoeken om een strategisch partnerschap in het kader van de aanvragen voor instellingssubsidie op grond van de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022 (Beoordelingskader Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022) Gelet op [artikel 2.7 van de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038784&artikel=2.7) Besluit: Artikel 1. Inleiding Dit beoordelingskader dient om de aanvragen voor instellingssubsidie, eerste fase, op grond van de [Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038784) (hierna: regeling) te kunnen beoordelen en om de wegingsfactoren vast te stellen op basis waarvan de verzoeken om een strategisch partnerschap aan te gaan worden gerangschikt. Artikel 2. Drempelcriteria ([artikel 2.2 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038784&artikel=2.2)) Een aanvraag wordt ten eerste getoetst aan de drempelcriteria. Alleen wanneer de maatschappelijke organisaties, al dan niet verenigd in een alliantie, aan de drempelcriteria voldoen, worden het track record en de theory of change, gevoegd bij de aanvraag, beoordeeld. Artikel 3. Evenwichtige spreiding ([artikel 2.8 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038784&artikel=2.8)) Bij het aangaan van strategisch partnerschappen streeft de Minister naar een evenwichtige spreiding van maatschappelijke organisaties dan wel allianties over: - a. de doelstellingen van deze regeling; - b. de functies van de maatschappelijke organisaties; en - c. gendergelijkheid of LHBTI-gelijkheid. Een evenwichtige spreiding betekent een gelijkmatige verdeling over de doelstellingen, de functies en de onderdelen gendergelijkheid en LHBTI-gelijkheid. De doelstellingen zijn: **Langetermijn:** - –. Het realiseren van gendergeli"},{"i":4609,"b":"Gemeentewet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe bepalingen vast te stellen met betrekking tot de inrichting van gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder het aantal inwoners van een gemeente: het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari. 2. Voor de vaststelling van het inwonertal, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2026-03-21&g=2026-03-21), geldt als peildatum 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar van de verkiezing van de raad. Het Centraal Bureau voor de Statistiek kan op schriftelijk verzoek van de raad het inwonertal per de eerste dag van de vierde maand voorafgaande aan de maand van de kandidaatstelling vaststellen, indien aannemelijk is dat een in dat artikel genoemd inwonertal op genoemde datum is overschreden. In dat geval geldt dit tijdstip als peildatum. Artikel 2 In deze wet wordt verstaan onder ingezetenen: zij die hun werkelijke woonplaats in de gemeente hebben. Artikel 3 Zij die als ingezetene met een adres in een gemeente zijn ingeschreven in de basisregistratie personen, worden voor de toepassing van deze wet, behoudens bewijs van het tegendeel, geacht werkelijke woonplaats te hebben in die gemeente. Artikel 4 Vervallen Artikel 5 In deze wet wordt verstaan onder: - a. gemeentebestuur: ieder bevoegd orgaan van de gemeente; - b. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. college: college van burgemeester en wethouders. Titel II. De inrichting en samenstelling van het gemeentebestuur Hoofdstuk I. A"},{"i":3791,"b":"Besluit van den 24sten Mei 1827, houdende nadere voorschriften omtrent het toekennen van adelijke titels en praedikaten Gezien Ons [besluit van den 26sten Januari 1822](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024508) (staatsblad no. 1), betreffende de adelijke titels en kwalificatien; Gelet op art. 63 der grondwet; En in aanmerking nemende, dat tusschen de door Ons verleende of nog te verleenen erkenning, inlijving of verheffing in den adelstand, en het plaatsen op de lijsten, bij [art. 5 van Ons voren aangehaald besluit van den 26sten Januari 1822](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024508&artikel=5) vermeld, eenig tijdsverloop onvermijdelijk is; Gezien de voordragt van den Hoogen Raad van Adel, van den 13den Februari ll. no. 75/18; Gelet op het rapport van Onzen Minister van Justitie, van den 1sten dezer, no. 39; Den Raad van State gehoord, Hebben goedgevonden en verstaan, te verklaren, dat aan zoodanige adelijke personen, welker namen nog niet worden gevonden op de ingevolge [art. 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024508&artikel=2) en [5 van Ons meergemeld besluit van den 26sten Januari 1822](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024508&artikel=5) (staatsblad no. 1) opgemaakte of nog optemaken lijsten, de hen toekomende titelen, en praedikaten zullen worden toegekend op vertoon, het zij van het aan hen door den Hoogen Raad van Adel toegezonden, en door de Staten hunner provincie geviseerde diploma, het zij van eene verklaring van denzelven Raad, geteekend door den Voorzitter, en gecontrasigneerd door den Secretaris, mitsgaders voorzien van het zegel van dien Raad, houdende den naam, den voornaam en de woonplaats van den titularis, den titel en het praedikaat, waartoe dezelve geregtigd is, en den titel en het praedikaat, welke daaruit ten behoeve der leden van zijn geslacht voortvloeijen, mitsgaders dat aan art. 63 der grondwet door den titularis is voldaan. Onze Minister van Justitie en de Hooge Raad van Adel zijn belast met de uitvoering van"},{"i":3875,"b":"Besluit van 27 oktober 2011, houdende regels over op afstand uitleesbare meetinrichtingen (Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 11 juli 2011, nr. WJZ / 11099592; Gelet op [richtlijn nr. 2006/32/EG](32006L0032) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van [Richtlijn 93/76/EEG](31993L0076) van de Raad (PbEU L 114), de [artikelen 26ad, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=26ad), [95la, eerste en derde lid, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=95la) en de [artikelen 13d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=13d), [42a, eerste en derde lid, van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=42a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 september 2011, nr. WI5.11.0277/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 20 oktober 2011, nr. WJZ / 11144506; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **richtlijn meetinstrumenten:** [richtlijn 2014/32/EU](32014L0032) van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten; - b. **warmtemeter:** een warmtemeter als bedoeld in bijlage VI van de richtlijn meetinstrumenten; - c. **een op afstand uitleesbare meetinrichting voor warmte:** het gehele samenstel van apparatuur als bedoeld in [artikel 5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030605&hoofdstuk=3&artikel=5a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) dat ten minste bestaat uit een warmtemeter; - d. **meterdienstleverancier:** een persoon d"},{"i":3713,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en het Algemeen Bestuur van NWO van 26 maart 2007, nr. WJZ 7039443, houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging aan algemeen directeur van SenterNovem en algemeen directeur van NWO betreffende de uitvoering van de Subsidieregeling Smart Mix Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van 22 maart 2007 van de algemeen directeur van SenterNovem en de schriftelijke instemming van 20 maart 2007 van het Algemeen Bestuur en de algemeen directeur van NWO; Besluiten: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Agentschap NL: Agentschap NL van het Ministerie van Economische Zaken; - b. NWO: Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek; - c. Smart Mix-programma: gezamenlijk subsidieprogramma van de Ministers van Economische Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Subsidieregeling Smart Mix](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019674&artikel=1); - d. Smart Mix-secretariaat: samenwerking tussen NWO en Agentschap NL met als doel de uitvoering van de [Subsidieregeling Smart Mix](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019674); - e. programma: programma als bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van de Subsidieregeling Smart Mix](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019674&artikel=1); - f. uitvoeringsverplichting: privaatrechtelijke verplichting die niet voortvloeit uit een subsidiebesluit op grond van de [Subsidieregeling Smart Mix](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019674) en die verantwoord wordt als out of pocket kostenpost. Artikel 2 Aan de algemeen directeur Agentschap NL en de algemeen directeur van NWO wordt, ieder voor zich, mandaat en machtiging verleend om zelfstandig namens de Minister van Economische Zaken en het Algemeen Bestuur van NWO besluiten te nemen met betrekking tot subsidieverstrekking op grond van de"},{"i":3016,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 5 november 2018, nr. WJZ/18213911, tot aanwijzing toezichthouders Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen voor de sectoren energie, digitale infrastructuur en voor digitale diensten (Besluit aanwijzing toezichthouders Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen voor de sectoren energie, digitale infrastructuur en voor digitale diensten) Gelet op [artikel 25, eerste lid, van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=25); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 25, eerste lid, van de Wet beveiliging netwerk-en informatiesystemen in werking treedt. Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de [Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515), zijn, voor zover het de bevoegdheden betreft van de Minister van Economische Zaken en Klimaat als de bevoegde autoriteit, belast de ambtenaren met de functiebenamingen inspecteur, senior inspecteur, coördinerend/specialistisch inspecteur en inspecteur/medewerker toezicht van de directies Apparatuur, Infrastructuur en Digitale Weerbaarheid van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel 25, eerste lid, van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=25) in werking treedt. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen voor de sectoren energie, digitale infrastructuur en voor digitale diensten. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2466,"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 juni 2022, 3373903-1030201-VGP, houdende nadere invulling van de artikelen 18, 19 en 20 van Verordening (EG) 178/2002 (Beleidsregel nadere invulling Verordening (EG) 178/2002) Gelet op: de artikelen 18, 19 en 20 van [Verordening (EG) nr. 178/2002](32002R0178) van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG 2002, L 31); [Uitvoeringsverordening (EU) nr. 931/2011](32011R0931) van de Commissie van 19 september 2011 inzake de traceerbaarheidsvoorschriften die bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong zijn vastgesteld (PbEU 2011, L 242); [artikel 2, tiende lid, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005758&artikel=2); [artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.4); de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028123&artikel=20), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028123&artikel=29) en [62 van de Regeling diervoeders 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028123&artikel=62); [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluiten: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **Verordening (EG) 178/2002:** [Verordening (EG) nr. 178/2002](32002R0178) van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voed"},{"i":4256,"b":"Besluit van 9 november 2024, houdende Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 9 oktober 2024, nr. 2024-002216; Gelet op de [artikelen 1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.11) en [2.14bis van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14bis), [artikel 1a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=1a), [artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=1) en [artikel 1.2 van de Wet bronbelasting 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&artikel=1.2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 oktober 2024 no. W06.24.00276/II); Gezien het nader rapport van de Minister van Financiën van 7 november 2024, nr. 2024-0000514980; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Reikwijdte en definities 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.11) en [2.14bis van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14bis), [artikel 1a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=1a), [artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=1) en [artikel 1.2 van de Wet bronbelasting 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&artikel=1.2). 2. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **buitenlandse rechtsvormen:** door het recht van een andere staat beheerste rechtspersonen, samenwerkingsverbanden en afgescheiden vermogens, met dien verstande dat financieringsovereenkomsten niet tot de buitenlandse rechtsvormen behoren; - b. **Nederlandse rechtsvormen:** - 1°. de naamloze vennootschap, bedoeld in [Titel 4 van Boek 2 van het Burgerlijk Wet"},{"i":3771,"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels tot uitvoering van diverse bepalingen van hoofdstuk 5.4 van de Wet op het financieel toezicht (Besluit marktmisbruik Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 20 april 2006, nr. FM 2006-00969 M; Gelet op [richtlijn nr. 2003/6/EG](32003L0006) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (PbEU L 96), [richtlijn nr. 2003/124/EG](32003L0124) van de Europese Commissie van 22 december 2003 tot uitvoering van [richtlijn nr. 2003/6/EG](32003L0006) van het Europees Parlement en de Raad wat de definitie en openbaarmaking van voorwetenschap en de definitie van marktmanipulatie betreft (PbEU L 339), [richtlijn nr. 2003/125/EG](32003L0125) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van [richtlijn 2003/6/EG](32003L0006) van het Europees Parlement en de Raad wat de juiste voorstelling van beleggingsaanbevelingen en de bekendmaking van belangenconflicten betreft (PbEU L 339), [richtlijn nr. 2004/72/EG](32004L0072) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 tot uitvoering van [richtlijn nr. 2003/6/EG](32003L0006) van het Europees Parlement en de Raad wat gebruikelijke marktpraktijken, de definitie van voorwetenschap met betrekking tot van grondstoffen afgeleide instrumenten, het opstellen van lijsten van personen met voorwetenschap, de melding van transacties van leidinggevende personen en de melding van verdachte transacties betreft (PbEU L 162) en [richtlijn nr. 2004/109/EG](32004L0109) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van [Richtlijn 2001/34/EG](32001L0034) (PbEU L 390), alsmede de [artikelen 5:56, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":2602,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 30 januari 2025, nr. IENW/BSK-2025/15528, tot vaststelling van de Beleidsregels grote rivieren 2025 Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 6.17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.17), [6.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.29), [6.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.35), [6.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.40), [6.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.54) en [6.58 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=6.58); BESLUIT: Artikel 1. Definitiebepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **logiesfunctie:** logiesfunctie als bedoeld in [Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - b. **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - c. **periodieke activiteiten:** activiteiten die meerdere jaren achter elkaar uitsluitend in een bepaald deel of bepaalde delen van het jaar plaatsvinden met een maximum van in totaal zeven maanden per jaar; - d. **rivierbed:** de oppervlakte begrensd op grond van [artikel 2.8, eerste lid, van de Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528&artikel=2.8); - e. **riviergebonden activiteiten:** activiteiten als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050726&artikel=4&z=2025-02-01&g=2025-02-01); - f. **tijdelijke activiteiten:** activiteiten die gedurende maximaal vijf jaar ononderbroken plaatsvinden; - g. **toestemming:** toestemming vanuit rivierkundig oogpunt nodig voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning; - h. **woonfunctie:** woonfunctie als bedoeld in [Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":3520,"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot het gedragstoezicht op financiële ondernemingen (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 juli 2006, nr. FM 2006-01681 M; Gelet op [richtlijn nr. 85/611/EEG](31985L0611) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEG L 375), [richtlijn nr. 87/102/EEG](31987L0102) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PbEG 1987 L 42), [richtlijn nr. 92/49/EEG](31992L0049) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de [richtlijnen 73/239/EEG](31973L0239) en [88/357/EEG](31988L0357) (PbEG L 228), [richtlijn nr. 93/22/EEG](31993L0022) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141), [richtlijn nr. 2002/65/EG](32002L0065) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de [richtlijnen nr. 90/619/EEG](31990L0619), [nr. 97/7/EG](31997L0007) en [nr. 98/27/EG](31998L0027) (PbEG L 271), [richtlijn nr. 2002/83/EG](32002L0083) van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PbEG L 345) en [richtlijn nr. 2002/92/EG](32002L0092) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PbEG L 9) en de [a"},{"i":19652,"b":"Verklaring van bepaalde Europese Regeringen inzake de exploitatiefase van de lanceervoertuigen Ariane, Vega en Sojoez vanaf het Ruimtecentrum in Guyana De Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Estland, de Republiek Finland, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, Hongarije, de Republiek Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk Zweden, de Zwitserse Bondsstaat, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Zijnde de Regeringen van de Staten die Partij zijn bij de [Verklaring inzake de exploitatiefase van de lanceervoertuigen Ariane, Vega en Sojoez vanaf het Ruimtevaartcentrum in Guyana](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006861) die definitief werd vastgesteld op 30 maart 2007, in werking trad op 26 november 2009 en van toepassing is van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2020 (hierna te noemen „de Verklaring van 2007”) hierna te noemen de „Partijen bij de Verklaring van 2007”, In herinnering brengend de op 21 september 1973 ondertekende Overeenkomst tussen bepaalde Europese Regeringen en de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek betreffende de uitvoering van het Ariane-lanceervoertuigprogramma, en in het bijzonder de artikelen I, III.1 en V daarvan, die voorzagen in een nieuwe overeenkomst ter vaststelling van de invulling van de productiefase van het Ariane-programma, Gelet op het [Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003813) (hierna te noemen „ESA” of „het Agentschap”), dat op 30 mei 1975 voor ondertekening werd opengesteld en op 30 oktober 1980 in werking is getreden (hierna te noemen „het ESA-Verdrag”), Overwegend dat de ESA-lanceervoertuigprogramma’s hoofdzakelijk gericht zijn op onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten en dat de Ariane- en Vega-lanceersystemen die in het k"},{"i":6989,"b":"Circulaire Aanpassing voorschriften Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel v.w.b. de maximum verrekeningsbedragen voor verwarming e.d Inleiding In deze circulaire worden de maximale verrekeningsbedragen voor verwarming, energie en water bekendgemaakt, die per 1 juli 2010 van toepassing zijn. Voor de ambtenaar voor wie al inhoudingen op grond van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel plaatsvinden, worden de wijzigingen automatisch toegepast. De verhoging van de economische huurwaarde van dienstwoningen wordt in een afzonderlijke circulaire bekend gemaakt. Maximale bedragen voor verwarming, energie en water De bedragen, die de ambtenaar maximaal verschuldigd is voor het genot van verwarming, energie en leidingwater genoemd in [artikel 3, eerste lid, onder b tot en met e, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), wijzigen op de gebruikelijke wijze aan de hand van de consumentenprijsindex over de periode van april 2009 tot en met maart 2010. Kilometervergoeding voor privé-gebruik dienstauto Het verschuldigde bedrag voor het privé-gebruik van een dienstauto, zoals genoemd in [artikel 3a, eerste lid van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3a), blijft gehandhaafd op € 0,22 per afgelegde kilometer. Slotopmerkingen De ministeriële regeling, waarin de hiervoor genoemde bedragen worden opgenomen zal in de Staatscourant worden gepubliceerd. Ik verzoek u met bovengenoemde wijzigingen rekening te houden."},{"i":6990,"b":"Circulaire Arbeidsvoorwaarden personenchauffeurs Inleiding In deze circulaire wordt een toelichting gegeven op de nieuwe normen in het [Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687) voor personenchauffeurs en op de afspraken die met de centrales van overheidspersoneel voor personenchauffeurs zijn gemaakt over de toepassing van die nieuwe normen en over verruiming van de gemiddelde werkweek, het afschaffen van geconsigneerde pauzes en de compensatie voor het verlies van de consignatievergoeding. Normen in het [Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687) Op 3 juli 2009 is het Besluit houdende wijziging van het Arbeidstijdenbesluit in verband met personenchauffeurs (Staatsblad 2009, nr. 279) in werking getreden en daarmee een nieuwe paragraaf aan het [Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687) toegevoegd, met uitzonderingsbepalingen specifiek voor bepaalde personenchauffeurs. De definitie van deze personenchauffeurs in het [Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687) luidt: ‘de persoon die als chauffeur uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is belast met het vervoer van doorgaans dezelfde persoon per auto.’ Het gewijzigde [Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687) maakt het mogelijk desgewenst de week op/week af roosters, die vooral bij de chauffeurs van bewindspersonen worden gehanteerd, te handhaven. Zonder deze wijziging zouden dergelijke roosters in strijd zijn met de bepalingen uit de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671). Het toepassen van de uitzonderingsbepalingen in het [Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687) is niet verplicht, maar uitsluitend mogelijk bij collectieve regeling, zoals een rechtspositieregeling. In de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel is overeenstemming bereikt om de toepassing van de uitzonderingsbepalingen mogelijk te maken. U kunt deze bepaling"},{"i":6991,"b":"Circulaire digitale aanlevering dubbelen burgerlijke stand en latere vermeldingen 1. Inleiding In deze circulaire wordt u geïnformeerd over de condities waaronder de dubbelen van de akten van de Burgerlijke Stand (DBS) en de daarbij behorende latere vermeldingen in digitale vorm aan de Justitiële Informatiedienst (Justid) aangeleverd kunnen worden. Deze digitale aanlevering vindt zijn grondslag in: 2. Kwaliteitsborging werkproces 2.1. Algemeen De ambtenaar van de burgerlijke stand is verantwoordelijk voor een volledige aanlevering van kwalitatief hoogwaardige dubbelen van de akten en de latere vermeldingen conform eerder genoemde regelgeving. Om dit ook in het kader van de digitale aanlevering te waarborgen, wordt in deze circulaire enerzijds een aantal extra controleprocedures voorgeschreven die in het werkproces opgenomen dienen te worden en anderzijds worden technisch inhoudelijke specificaties gegeven waaraan de te gebruiken archiefbescheiden qua materiaal, indeling en ordening moeten voldoen. Verder wordt aandacht besteed aan de latere vermeldingen die betrekking hebben op akten die al overgebracht zijn naar een archiefbewaarplaats. 2.2. Controleprocedures a. Kwantitatief Indien u digitaal gaat aanleveren, hoeft u de akte of latere vermelding slechts in enkelvoud op te maken. Om de volledigheid van de dubbelen te waarborgen, dienen de volgende controleprocedures in het werkproces te worden opgenomen: Gelijk aantal opgemaakte en gescande akten en latere vermeldingen Het aantal opgemaakte akten en latere vermeldingen in een gegeven periode dient overeen te komen met het aantal gescande akten en latere vermeldingen van die gegeven periode. Gelijk aantal gescande en aangeleverde akten en latere vermeldingen Het aantal gescande akten en latere vermeldingen in een gegeven periode dient overeen te komen met het aantal digitaal aangeleverde akten en latere vermeldingen van die gegeven periode. Hiertoe dient een adequate administratie bijgehouden te worden zoals te vind"},{"i":3465,"b":"Besluit van 10 juli 2023, houdende nadere regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid in evidente gevallen (Besluit evidente staatloosheid) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, directie Wetgeving en Juridische Zaken, van 16 december 2022, nr. 4361969; Gelet op [artikel 5 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid](onbekend); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 februari 2023, nr. W16.22.00206/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, van 30 juni 2023, nr. 4523462; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid in werking treedt. Artikel 1 1. Van evidente staatloosheid als bedoeld in [artikel 5 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid](onbekend) is sprake indien de gesteld staatloze: - a. beschikt over een document waaruit de vaststelling van staatloosheid blijkt, verstrekt door een land dat bij ministeriële regeling is aangewezen; - b. een in Nederland geboren kind is van ouders die staatloos zijn en beschikt over een geboorteakte in de zin van [artikel 2.3 van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.3); - c. een in Nederland geboren kind is wiens vader staatloos is en wiens moeder uitsluitend de nationaliteit heeft van een land dat bij ministeriële regeling is aangewezen, en beschikt over een geboorteakte in de zin van [artikel 2.3 van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.3); - d. een in Nederland geboren kind is dat geen vader heeft in de zin van [artikel 199 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=199) en wiens moeder staatloos is of uitsluitend de nationaliteit heeft van een land dat bij ministeriële regeling is aangewezen, en beschikt over een geboorteakte in de zin"},{"i":4350,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 april 2020, kenmerk 1668653-203752-FEZ, houdende het versoepelen van de regels voor het verantwoorden van subsidies in verband met de uitbraak van het Coronavirus (Besluit versoepeling subsidieregels uitbraak Coronavirus) Gelet op [artikel 7.2, derde lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=7.2), [artikel VI, tweede lid, van de regeling van 18 december 2019 tot wijziging van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS in verband met het schrappen van het rapport van feitelijke bevindingen als vast onderdeel van het financieel verslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042990&artikel=VI), [artikel 32, vijfde lid, van de Subsidieregeling publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018743&artikel=32) en [artikel 23, tweede lid, van de Subsidieregeling abortusklinieken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035433&artikel=23); Besluit: Artikel 1 Aan ontvangers van subsidies gebaseerd op [artikel 1.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.2) wordt een vrijstelling verleend van de termijn, bedoeld in [artikel 7.2, eerste lid, onderdeel a dan wel b, van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=7.2), voor het indienen van een aanvraag tot subsidievaststelling, tot uiterlijk drie maanden. Artikel 2 Aan screeningsorganisaties en de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie, die een subsidie ontvangen op grond van de [Subsidieregeling publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018743) wordt een vrijstelling verleend van de termijn, bedoeld in[artikel 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018743&artikel=32), voor het indienen van een aanvraag tot subsidievaststelling, tot uiterlijk drie maanden. Artikel 3 Aan abortusklinieken die subsidie ontvangen op grond van de [Subsidieregeli"},{"i":3436,"b":"Besluit van 9 november 2022 tot wijziging van onder andere het Toetsbesluit PO in verband met enkele aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs en erkenning van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het primair onderwijs (Besluit doorstroomtoetsen po) Op de voordracht van Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 4 juli 2022, nr. WJZ/33198403 (ID11416), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 45e, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=45e), [artikel 8.6, vijfde en zesde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=8.6), [artikel 48f, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=48f), [artikel 51e, eerste lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=51e), [artikel 3a, tweede lid, onderdeel c, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a) en [artikel 8, vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 september 2022, nr. W05.22.00084/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 8 november 2022, nr. WJZ/34092766 (ID11416), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. Wijziging [Toetsbesluit PO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035216) Wijzigt het Toetsbesluit PO. Artikel II. Wijziging [Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787) Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WVO 2020. Artikel III. Wijziging [Besluit register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042639) Wijzigt het Besluit register o"},{"i":3584,"b":"Besluit van 4 december 2023, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, tot intrekking van het Besluit vrijstelling voor fietsen met trapondersteuning van aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en tot wijziging van enige andere besluiten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2021/2118 tot wijziging van Richtlijn 2009/103/EG betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PbEU 2021, L 430) (Besluit implementatie zesde richtlijn motorrijtuigenverzekering) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 3 oktober 2023, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4943470, gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [Richtlijn (EU) 2021/2118](32021L2118) van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 tot wijziging van [Richtlijn 2009/103/EG](32009L0103) betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PbEU 2021, L 430), de [artikelen 1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=1a), [2, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=2), [3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=3), [13, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=13), [14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=14), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=22), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=35) en [38 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=38), de [artikelen 2:32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel"},{"i":3438,"b":"Besluit van de directeur Dienst Publiek en Communicatie van 1 januari 2020, nr. 4091297, houdende doorverlening mandaat, volmacht en machtiging aan de medewerkers binnen de Dienst Publiek en Communicatie Gelet op het besluit van de secretaris-generaal van 1 januari 2020, tot verlening van ondermandaat, overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=10) en [14 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Doorverlenen ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging 1. De aan de directeur Dienst Publiek en Communicatie krachtens ondermandaat toegekende bevoegdheden, als omschreven in de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=11) en [14 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=14), kunnen krachtens het hierbij verleende ondermandaat worden uitgeoefend door de plaatsvervangend directeur Dienst Publiek en Communicatie. 2. De plaatsvervangend directeur Dienst Publiek en Communicatie maakt van de aan hem verleende bevoegdheden uitsluitend gebruik: - a. bij tijdelijke afwezigheid van de directeur Dienst Publiek en Communicatie; - b. in andere gevallen voor zover het aangelegenheden betreft die door de directeur Dienst Publiek en Communicatie aan hem zijn toevertrouwd. Artikel 2. Beperkingen ondervolmacht 1. Van de ondervolmacht zijn uitgesloten: - a. de bevoegdheid tot het opleggen van ordemaatregelen en straffen zoals genoemd in de CAO-Rijk; - b. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, anders dan op initiatief van de medewerker zelf. Artikel 3. Doorverlenen ondervolmacht 1. De aan de directeur Dienst Publiek en Communicatie krachtens [artikel 10 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":4088,"b":"Besluit van 10 december 2001, houdende nadere regels met betrekking tot de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van gerechtsambtenaren en ambtenaren van het bureau van de Raad voor de rechtspraak door het gerechtsbestuur en de Raad voor de rechtspraak (Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraak) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 november 2001, Directie Wetgeving, nr. 5134468/01/6; Gelet op de [artikelen 25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=25), en [89, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=89); De Raad van State gehoord (advies van 28 november 2001, nr. W03.01.0617/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 6 december 2001, nr. 5137771/01/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het bestuur van een gerecht stelt de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid om advies uit te brengen inzake een ten aanzien van een gerechtsambtenaar, niet zijnde het niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur, voorgenomen toekenning van een schadeloosstelling, kostenvergoeding of verlening van een geldelijke tegemoetkoming, in het geval de schadeloosstelling, kostenvergoeding of geldelijke tegemoetkoming op jaarbasis meer dan € 5.000 bedraagt. Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft uitgebracht, zendt het bestuur van het gerecht een afschrift van de vervolgens gedane toekenning aan de Raad voor de rechtspraak. 2. Het bestuur van een gerecht dat voornemens is in het kader van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst met een gerechtsambtenaar, niet zijnde het niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur, een overeenkomst te sluiten als bedoeld in [artikel 670b, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=670b) met die gerechtsambtenaar, stelt de Raad voor de rechtspra"},{"i":3746,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 februari 2021, nr. WJZ/ 21033622, houdende regels inzake het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de (technisch) directeuren van de keuringsdiensten (Besluit mandaat, volmacht en machtiging keuringsdiensten 2021) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de technisch directeur Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau, de directeur Stichting Bloembollenkeuringsdienst, de directeur Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw en de directeur Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed voor landbouwgewassen; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **de technisch directeur KCB:** de technisch directeur Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau; - c. **de directeur BKD:** de directeur Stichting Bloembollenkeuringsdienst; - d. **de directeur Naktuinbouw:** de directeur Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw; - e. **de directeur NAK:** de directeur Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed voor landbouwgewassen; - f. **het KCB:** de Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau; - g. **de BKD:** de Stichting Bloembollenkeuringsdienst; - h. **de Naktuinbouw:** de Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw; - i. **de NAK:** de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen; - j. **de regeling:** de [Regeling plantgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044863); - k. **wet:** [Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194); - l. **verordening 2016/2031:** Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijz"},{"i":4101,"b":"Besluit van 2 oktober 2013, houdende regels ter uitvoering van de EU-verordening betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (Besluit uitvoering verordening in- en uitvoer gevaarlijke chemische stoffen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 9 juli 2013, nr. IenM/BSK-2013/122859, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (PbEU 2012, L 201) en [artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 31 juli 2013, nr.W14.13.0210/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 20 september 2013, nr. IenM/BSK-2013/219454, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder verordening: Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (PbEU 2012, L 201). Artikel 2 Als instantie als bedoeld in artikel 4 van de verordening wordt Onze Minister aangewezen. Artikel 3 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, derde lid, tweede alinea, 8, tweede lid, eerste alinea, en vierde lid, 10, eerste en tweede lid, 11, vierde lid, tweede alinea, 14, vierde, zesde, tiende en elfde lid, 15, 16, tweede lid, 17, 19 en 25, tweede volzin, van de verordening. 2. Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een ontheffing als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de verordening. Artikel 4 Het [Besluit uitvoering verordening in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen milieubeheer 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024465) wordt ingetrokken. Artikel"},{"i":3506,"b":"Besluit van 2 februari 2001, houdende regels inzake de financiële verhouding tussen het Rijk en de provincies en het Rijk en de gemeenten (Besluit financiële verhouding 2001) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Financiën van 23 oktober 2000, nr. FO2000/U89578, directoraat-generaal Openbaar Bestuur/BFO. Gelet op de [artikelen 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=8), en [22 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=22); De Raad van State gehoord (advies van 14 december 2000, nr. WO4.00.0505/1) Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 januari 2001 (FO2001/U50552), uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290); - b. het CBS: het Centraal bureau voor de statistiek; - c. de uitkeringsfactor: het quotiënt van het voor de algemene uitkeringen beschikbare bedrag en de som van de uitkeringsbases, bedoeld in [artikel 11 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=11); - d. rastervierkanten: vierkanten van 500 bij 500 meter, zoals deze worden gebruikt in het geografisch basisregister van het CBS; - e. woonkern: een verzameling rastervierkanten die ieder 25 adressen of meer omvatten, en een aaneengesloten gebied binnen een gemeente vormen. Indien de verzameling meer dan één rastervierkant bevat zijn de rastervierkanten tenminste met één zijde aan elkaar gesloten. Hoofdstuk 2. Het provinciefonds en het gemeentefonds Paragraaf 2.1. Algemene bepalingen inzake de algemene uitkering uit het provinciefonds en het gemeentefonds Artikel 2 Vóór 1 juli van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar geve"},{"i":4619,"b":"Besluit van 18 juni 2008, houdende de vaststelling van een nieuw Handelsregisterbesluit 2008 (Handelsregisterbesluit 2008) Op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 12 februari 2008 nr. WJZ/8012689; Gelet op [artikelen 6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=6), [8, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=8), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=17), [18, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=18), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=19), [20, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=20), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=23), [24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=24), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=24), [25, vierde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=25), [38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=38) en [39 van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=39); De Raad van State gehoord (advies van 14 maart 2008, nr. W10.02.0067/III) Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 13 juni 2008 WJZ8066664; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777); - b. **werkzame personen:** de al dan niet in dienst van de betrokken onderneming werkzame werknemers, de meewerkende eigenaren en de meewerkende gezinsleden van een eigenaar, steeds voorzover zij doorgaans ten minste 15 uur per week werkzaam zijn; - c. **verordening 1435/2003:** de [verordening (EG) nr. 1435/2003](32003R1435) van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 2003 betreffende het statuut"},{"i":4167,"b":"Besluit van 9 december 1996 tot vaststelling van de overhevelingstoeslag 1997 Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 november 1996, Directie Algemeen- en Sociaal-Economische Aangelegenheden, Nr. ASEA/HVI/96/0807; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006353&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 21 november 1996, no. W12.96.0536); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 december 1996, Directie Algemeen- en Sociaal-Economische Aangelegenheden, Nr. ASEA/HVI/96/0807; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De overhevelingstoeslag over het jaar 1997 is gelijk aan 9,9% van het loon van de werknemer, met een maximum van f 7 791,–. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":3222,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 19 juli 2018 nr. BOACAT2018/042, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Den Helder Gelezen het verzoek van de gemeente Den Helder van 12 juli 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041234&artikel=2&z=2018-08-02&g=2018-08-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver B en handhaver C in dienst van de afdeling Veiligheid, Vergunningen en Handhaving van de gemeente Den Helder, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zove"},{"i":4493,"b":"Circulaire Huurprijsbeleid periode 1 juli 2006 tot 1 januari 2007 Geacht college, geacht bestuur, 0. Inleiding Op 23 december 2005 heb ik u per circulaire ([MG 2005-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020034)) op de hoogte gesteld van de stand van zaken met betrekking tot de modernisering van het huurbeleid en aangegeven welke maatregelen per 1 juli 2006 in werking zouden treden. Op 22 februari 2006 heb ik met de vaste commissie voor VROM van de Tweede Kamer gesproken over de uitwerking van het huurbeleid. Dit overleg is voor mij aanleiding geweest voor een aanpassing op onderdelen van de voorstellen en voor een andere fasering. Deze worden nader omschreven in mijn brief van 17 maart jl. aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2005/06, 27926, 91). Een afschrift van deze brief voeg ik bij deze circulaire. Met deze circulaire stel ik u hiervan op de hoogte en geef ik u een overzicht van alle wijzigingen per 1 juli 2006. Ik merk op dat onderstaande maatregelen onder voorbehoud zijn van parlementaire goedkeuring van de betreffende wet- en regelgeving. Deze circulaire vervangt de circulaires [MG 2005-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020034) en MG 2005-3. 1. Huurprijsbeleid per 1 juli 2006 De wijzigingen die optreden in het huurprijsbeleid per 1 juli 2006 zijn samen te vatten als een vereenvoudiging. Paragraaf 2 geeft een overzicht van de parameters zoals die voor de huuraanpassing per 1 juli 2006 relevant zijn, in afwijking van de parameters aangegeven in [MG 2005-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020034). 2. Het overzicht van de huurparameters per 1 juli 2006 (inflatie 1,7%) De hoogte van de maximale huurstijging per 1 juli 2006 Evenals vorig jaar ga ik per 1 juli 2006 uit van het inflatiecijfer over het voorafgaande jaar als grondslag voor de maximale huurverhogingspercentages. Op 12 januari 2006 heeft het CBS in Staatscourant nr. 9 bekend gemaakt dat de inflatie over het jaar 2005 is vastgesteld op 1,7%. Voor alle nu gereguleerde woningen"},{"i":4226,"b":"Besluit vaststelling subsidieplafonds Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing voor 2007 Besluit: Artikel 1. Regeling Programmering en Marketing Podia [(Podiumregeling) van het Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018858) Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 12 van de Podiumregeling van het Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018858&artikel=12), is voor het jaar 2007 vastgesteld op € 2.700.000,–. Indien het budget uitgeput dreigt te raken, wordt in de subsidieronde waarin verwacht wordt dat het subsidiebudget uitgeput raakt door de adviescommissie een prioriteitstelling in de te honoreren aanvragen gemaakt. Artikel 2. [Festivalregeling van het Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019015) Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 12 van de Festivalregeling van het Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019015&artikel=12), is voor het jaar 2007 vastgesteld op € 1.100.000,–. Het maximumbedrag dat per festivalorganisatie kan worden aangevraagd is voor 2007 vastgesteld op € 40.000,–. Indien het budget uitgeput dreigt te raken, wordt in de subsidieronde waarin verwacht wordt dat het subsidiebudget uitgeput raakt door de adviescommissie een prioriteitstelling in de te honoreren aanvragen gemaakt."},{"i":3851,"b":"Besluit van de directeur-generaal Herstelbeleid van 30 juli 2024 (2024-395918) houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan Radar in het kader van de ondersteuning van ouders in het buitenland (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging van directeur-generaal Herstelbeleid aan Radar voor ondersteuning ouders in het buitenland) Gelet op de [Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436); Gelet op het [Besluit verlening mandaat, volmacht en machtiging van de Minister van Financiën aan de directeur-generaal Herstelbeleid in het kader van de hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050061) (Stcrt. 2024, 24113); Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gelet op de vooraf verkregen instemming van de projectmanager Ondersteuningsteam Buitenland van Radar en de directeur van Radar Groep B.V.; Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. **Radar:** de combinatie van Radar Advies B.V., Radar Groep B.V., Steiger B zorg, welzijn & kinderopvang B.V., Radar Vertige Training & Opleiding B.V. en Radar Europe B.V. Artikel 2. Ondermandaat, volmacht en machtiging Tenzij anders is bepaald, omvat de verlening van ondermandaat mede de verlening van: - a. volmacht: de bevoegdheid om namens de Minister van Financiën privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; en - b. machtiging: de bevoegdheid om in naam van de Minister van Financiën handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling"},{"i":3710,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 juli 2014, nr. 535436 tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging voor de aanwijzing van artsen en psychologen die deskundigheid hebben om de verklaring transgenders af te geven (Besluit mandaat, volmacht en machtiging aanwijzing deskundigen transgenders) Gelet op [artikel 1, tweede lid, van het Besluit aanwijzing deskundigen transgenders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035235&artikel=1), [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 32, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32); Gezien de instemming van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de directeur van het CIBG; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van het CIBG worden mandaat, volmacht en machtiging verleend voor: - a. het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de aanwijzing van artsen en psychologen die deskundigheid hebben om de verklaring transgenders, bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van het Besluit aanwijzing deskundigen transgenders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035235&artikel=1), af te geven; - b. het behandelen van bezwaar- en beroepschriften, het instellen van beroep, het behandelen van verzoeken om een voorlopige voorziening en het instellen hiervan. Artikel 2 1. De directeur van het CIBG kan voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035373&artikel=1&z=2014-07-25&g=2014-07-25) bedoelde aangelegenheden ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan de hoofden van de afdelingen binnen het CIBG. 2. Het verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk en wat de formulering betreft in overeenstemming met de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het ministerie van Veiligheid en Justitie. 3. Een afschrift van besluiten inzake ond"},{"i":3843,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport, van 24 april 2014, nr. IENM/ILT-2014/4789, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging inzake handhaving van BZK-wetgeving (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging Inspectie Leefomgeving en Transport handhavingsbevoegdheden BZK-wetgeving) Gelet op het [Besluit mandatering aan ILT van handhavingsbevoegdheden en aanwijzing toezichthouders op het terrein van BZK-wetgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034893) en de [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur:** de directeur Toezicht en opsporing, bedoeld in de bij het [Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043289) behorende [bijlage](onbekend); - b. **het afdelingshoofd:** het afdelingshoofd van de Afdeling Toezicht marktordening, bedoeld in de bij het [Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043289) behorende [bijlage](onbekend); - c. **de inspecteurs:** de inspecteurs ILT van de Afdeling Toezicht marktordening, Team Producttoezicht 1, bedoeld in de bij het [Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043289) behorende [bijlage](onbekend). Artikel 2 1. Aan de directeur, het afdelingshoofd en de inspecteurs wordt, ieder voor zover het behoort bij zijn taken, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de handhavingsbevoegdheden BZK-wetgeving, genoemd in het [Besluit mandatering aan de ILT van handhavingsbevoegdheden en aanwijzing toezichthouders op het terrein van BZK-wetgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034893). 2. Het eerste lid is niet van toepassing op h"},{"i":3364,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 december 2023 nr. BOACAT2023/083, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord Gelezen het verzoek van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord van 29 november 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049294&artikel=2&z=2024-02-20&g=2024-02-20). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving in dienst van Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover"},{"i":3376,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 januari 2024, nr. BOACAT2024/001 strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de afdeling Stadstoezicht van de gemeente ’s-Hertogenbosch Gelezen het verzoek van gemeente ’s-Hertogenbosch van 9 januari 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische Delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049296&artikel=2&z=2024-03-26&g=2024-03-26). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Parkeercontroleur in dienst van Afdeling Stadstoezicht van de gemeente ’s-Hertogenbosch, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nede"},{"i":2983,"b":"Besluit van 24 december 1997 tot het vaststellen van nadere regels inzake registraties die worden aangemerkt als gezamenlijke huishouding (Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998) Op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 november 1997, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/AVF/97/4557; Gelet op [artikel 3, vijfde lid, van de Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=3), [artikel 3, vijfde lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=3), [artikel 1, zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=1), [artikel 1, zesde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002126&artikel=1), [artikel 3, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=3), [artikel 3, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=3), [artikel 1, zesde lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=1), artikel 1, zesde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jongehandicapten, [artikel 1, zesde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=1), artikel 1, zesde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen, [artikel 1, zesde lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006169&artikel=1) en [artikel 1, zesde lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=1); De Raad van State gehoord (advies van 17 december 1997, nr. W12.97.0732); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 19"},{"i":4553,"b":"Besluit van 10 november 2014 tot wijziging van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en het Waterschapsbesluit in verband met het schrappen van de toekenning van de tegemoetkoming in de kosten van een ziekteverzekering aan commissieleden die geen raads- of statenlid zijn, wijziging van de hoogte van deze tegemoetkoming en een wijziging van technische aard (Correctiebesluit in verband met het schrappen van de tegemoetkoming ziektekostenverzekering voor commissieleden) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 17 oktober 2014, nr. 2014-0000555006, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op [artikel 93 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=93), [artikel 95 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=95) en [artikel 32a van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=32a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 oktober 2014, No.W04.14.0384/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 november 2014; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden. Artikel II Wijzigt het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Artikel III Wijzigt het Waterschapsbesluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2014. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Correctiebesluit in verband met het schrappen van de tegemoetkoming ziektekostenverzekering voor commissieleden. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4861,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 oktober 2019 (kenmerk: 2703930/19/DP&O), houdende verlening van mandaat met betrekking tot de bevoegdheid om te besluiten op individuele verzoeken tot voorwaardelijke invrijheidstelling op de BES (Mandaatbesluit individuele verzoeken VI op de BES 2019) Gelet op [artikel 19, eerste lid, van Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=19); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijk gesteld de verlening van: - a. volmacht om in naam van de Minister voor de Staat privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - b. machtiging om in naam van de Minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. Aan de hoofddirecteur van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de Minister behorende aangelegenheden op het terrein van verzoeken tot voorwaardelijke invrijheidstelling op de BES, met uitzondering van de bevoegdheid tot het nemen van besluiten die zijn neergelegd in een document, gericht tot: - a. de Koning; - b. de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daartoe gevormde onderraad of commissie; - c. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie; - d. de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State; - e. de president van de Algemene Rekenkamer; of - f. de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven. Artikel 3 De hoofddirecteur wordt voor bij diens afwezigheid of ontstentenis toegestaan het krachtens het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042647&artikel=2&z=2019-10-18&g=2019-10-1"},{"i":3327,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 28 juli 2022 nr. BOACAT BOACAT2022/053, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Afdeling Veiligheid Toezicht en Handhaving van de gemeente Valkenburg aan de Geul Gelezen het verzoek van Afdelingshoofd Veiligheid Toezicht en Handhaving van de gemeente Valkenburg aan de Geul van 14 juli 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047035&artikel=2&z=2022-09-18&g=2022-09-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Toezichthouder Integraal-Boa Domein I en Integraal-Wijk BOA in dienst van de afdeling Veiligheid Toezicht en Handhaving van de gemeente Valkenburg aan de Geul, zijn aangewezen als buit"},{"i":4263,"b":"Besluit van de directie van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) houdende vaststelling van de tarieven van de vergoedingen inzake CEMT-vergunningen voor het beroepsgoederenvervoer over de weg naar het Verenigd Koninkrijk na de uittreding van dit land uit de Europese Unie op 29 maart 2019 (Besluit vergoedingen CEMT-vergunningen voor het Verenigd Koninkrijk NIWO) Gelet op [artikel 4:6 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.6); Besluit: Artikel 1. Vergoedingen aanvraagproces 1. Ter dekking van de kosten van uitvoering van de bij of krachtens [artikel 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.1) aan de NIWO opgedragen werkzaamheden, is de aanvrager aan de NIWO een vergoeding verschuldigd voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een CEMT-vergunning. 2. De aanvrager voldoet de factuur na verzending van het betalingsverzoek uiterlijk 16 februari 2019. 3. De aanvraag wordt niet eerder in behandeling genomen dan nadat de daarvoor verschuldigde vergoeding is ontvangen. 4. Mocht tijdens de aanvraagprocedure voor een CEMT-vergunning blijken dat er geen verstrekking van CEMT-vergunningen nodig is voor het vervoer op het verenigd Koninkrijk, verzorgt de NIWO een (gedeeltelijke) restitutie van de aanvraagkosten. Artikel 2. Vergoedingen CEMT-vergunning(en) 1. Ter dekking van de kosten van uitvoering van de bij of krachtens [artikel 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.1) aan de NIWO opgedragen werkzaamheden, is de aanvrager aan de NIWO een vergoeding verschuldigd voor de CEMT-vergunning(en). 2. De aanvrager ontvangt de beslissing van de NIWO na 1 maart 2019 waarin wordt aangegeven hoeveel CEMT-vergunning(en) worden verstrekt, onder gelijktijdige toezending van een factuur. 3. De aanvrager voldoet de factuur terstond na ontvangst doch uiterlijk één week na ontvangst van de factuur. 4. Na ontvangst van de vergoeding zal de CEMT-vergunning(e"},{"i":3881,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 27 februari 2021, nr. WJZ /20244719, tot openstelling van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking voor 2021 (Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2021) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=2), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=4), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=5), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=8), en [9, tweede lid, van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=9); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **netlevering:** elektriciteit die op het elektriciteitsnet wordt ingevoed; - **netto P50-waarde vollasturen:** aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie, die gebruik maakt van windenergie, is bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%; - **niet-netlevering:** elektriciteit die op een installatie wordt ingevoed; - **regeling:** [Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882). Artikel 2. (subsidieplafond en aanvraagperiode) 1. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit op grond van [artikel 2, derde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=2), die wordt aangevraagd in de periode van 1 april 2021, 09:00 uur, tot 1 december 2021, 17:00 uur, wordt vastgesteld op € 92.000.000. 2. Per categorie productie-installaties kan in de periode, bedoeld in het eerste lid, per locatie waarop de productie-installatie wordt aangebracht, ten hoogste één aanvraag worden i"},{"i":2523,"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 mei 2017, nr. 2017-0000083185, tot vaststelling van het toetsingskader van verzoeken in het kader van artikel 10 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10 Wet Avv) Gehoord de Stichting van de Arbeid d.d. 3 mei 2017; Gelet op [artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 10 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Uitgangspunten verzoeken [artikel 10 Wet Avv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987&artikel=10) Bij verzoeken op grond van [artikel 10, eerste of tweede lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987&artikel=10) worden de in de bijlage bij deze beleidsregel opgenomen uitgangspunten door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gehanteerd. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10 Wet Avv. Bijlage. bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039599&artikel=1&z=2022-01-01&g=2022-01-01) van de Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10 Wet Avv 1. Algemene beleidsuitgangspunten bij onderzoeken in het kader van [artikel 10 van de Wet Avv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987&artikel=10) Cao-partijen zijn gebaat bij een goede naleving van cao-bepalingen. In een aantal cao’s zijn commissies ingesteld die belast zijn met het to"},{"i":4815,"b":"Mandaatbesluit Aziëfaciliteit Besluit Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Minister: de Minister van Buitenlandse Zaken, - b. de Aziëfaciliteit: de Subsidieregeling Aziëfaciliteit, - c. Senter: het agentschap Senter van het Ministerie van Economische Zaken. Artikel 2 1. Aan de directeur van Senter wordt mandaat verleend om namens de Minister te besluiten op subsidieaanvragen die worden ingediend in het kader van de Aziëfaciliteit. 2. Besluiten tot subsidieverlening of besluiten tot weigering van subsidieverlening worden door de gemandateerde slechts genomen na goedkeuring door de Directeur Azië en Oceanië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. 3. Aan het hoofd Juridische Zaken van Senter wordt mandaat verleend om namens de Minister te beslissen op bezwaarschriften ingevolge de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) tegen besluiten bedoeld in het eerste en tweede lid. Het mandaat omvat de bevoegdheid om namens de Minister in rechte op te treden. Artikel 3 De gemandateerden bezitten de bevoegdheid tot ondermandatering. Artikel 4 In de door de gemandateerde te nemen besluiten op grond van de Aziëfaciliteit wordt dit mandaatbesluit aangehaald en wordt in de ondertekening vermeld: ’DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN, namens deze ... (functie en naam functionaris )’ Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt. Dit besluit zal in de Staatscourant geplaatst worden."},{"i":4881,"b":"Besluit van de directeur Nationale Crisisbeheersing van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 28 oktober 2024, nr. 5841768, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Nationale Crisisbeheersing NCTV 2024) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Mandaatbesluit NCTV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042181&artikel=1) aan de directeur Nationale Crisisbeheersing verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun afdeling onderscheidenlijk centrum betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van het Nationaal Crisis Centrum; - b. het hoofd van de Afdeling Communicatie. Artikel 2 De in [artikel 1, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050384&artikel=1&z=2024-11-12&g=2024-11-12), genoemde functionarissen wordt toegestaan elkaar volledig te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars bevoegdheden. Artikel 3 Het [Mandaatbesluit Nationale Crisisbeheersing en Bewaken en Beveiligen NCTV 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049341) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2024. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Nationale Crisisbeheersing NCTV 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3612,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 29 maart 2007, nr. DGET 7041858, met betrekking tot de verlengbaarheid van GSM vergunningen die in 1995 zijn verleend Gelet op artikel 13k, zesde lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, [artikel 11, derde lid, van het Besluit vergunningen mobiele communicatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006857&artikel=11) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021563&artikel=2) en [3 van de Regeling vaststelling eenmalig bedrag GSM-vergunningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021563&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De op grond van artikel 13a van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen op 15 maart 1995 verleende vergunningen voor GSM zijn na afloop van hun looptijd op 31 maart 2010 verlengbaar tot en met 25 februari 2013. Artikel 2 De voorschriften en beperkingen waaronder de vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021633&artikel=1&z=2007-05-01&g=2007-05-01), zijn verleend, blijven bij een verlenging ongewijzigd van kracht. Artikel 3 Op grond van de aan KPN toegekende frequentieruimte is bij een verlenging van de vergunning KPN € 39.790.372 aan de Staat verschuldigd en is Vodafone op grond van de aan haar toegekende frequentieruimte € 36.581.471 aan de Staat verschuldigd. Artikel 4 Het door de vergunninghouder verschuldigde bedrag is verdeeld in drie termijnen waarvan jaarlijks één termijn in rekening zal worden gebracht, te beginnen in het jaar 2010. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4014,"b":"Besluit van 5 augustus 2000, houdende intrekking van het Besluit studiefinanciering en vervanging door het Besluit studiefinanciering 2000 ter uitvoering van de Wet studiefinanciering 2000 (Besluit studiefinanciering 2000) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 16 juni 2000, nr. 2000/23 732 (1707), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.1), [2.2, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=2.2), [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=2.11), [3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.3), [3.14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.14), [8.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=8.1), [8.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=8.2), [9.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=9.6), [10.6, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=10.6), [11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=11.1), [11.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=11.6) en [11.7 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=11.7); De Raad van State gehoord (advies van 13 juli 2000, nr. W05.00.0236/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 27 juli 2000, nr. 2000/27 634 (1707), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit wordt verstaan onder: **aflosfase**: aflosfase, bedoeld in [artikel 6.7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=6.7), **familielid**: familielid als bedoeld in richtlijn 2004/38/EG, **richtlijn 2004/38/EG:** richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 a"},{"i":4685,"b":"Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR) In overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Staatssecretaris van Economische Zaken; Overwegende: dat het kabinet met de projectbeslissing inzake ’Verkenning Ruimtetekort Mainport Rotterdam’ aangeeft dat er op korte termijn een ruimtetekort is in de haven van Rotterdam; dat het Kabinet bovenstaand overziende, heeft besloten een PKB/MER-procedure te starten, die zich zal richten op een landaanwinning van ongeveer 1000 ha netto aaneengesloten haven- en industrieterrein met een eigen zeehaventoegang én hoe uitwerking gegeven kan worden aan de binnen ROM-Rijnmond afgesproken 750 ha natuur- en recreatiegebied. Daarbij worden de mogelijkheden tot fasering onderzocht met als één van de varianten 500 ha droog. Uitbreidbaarheid in de toekomst dient (technisch) mogelijk te blijven. Daarnaast zal onder andere een meest milieuvriendelijk alternatief en het alternatief: ’inbreiden’ in de haven van Rotterdam en het benutten van de thans bestaande en voorziene mogelijkheden in zuid-west Nederland, worden onderzocht. Dit alternatief wordt in de projectbeslissing nul-alternatief genoemd; dat daarbij zal worden aangegeven op welke manier en in welk kader op evenwichtige wijze uitwerking zal worden gegeven aan de in de aanvangsbeslissing geformuleerde doelstelling ‐ versterking van mainport Rotterdam en verbetering van de leefomgeving ‐ én aan de samenhang van de eventuele uitbreiding van de Maasvlakte met de bestaande haven en omgeving. Besluit: Artikel 1 1. Er is een Begeleidingscommissie Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR), nader te noemen: de Commissie. 2. De commissie is ingesteld met ingang van 1 september 1997 voor de periode die loopt tot aan het tijdstip waarop door het kabinet PKB deel 4 wordt vast gesteld. 3. Verlenging van de in lid 2 genoemde periode vindt alleen plaats"},{"i":19654,"b":"Wet van 4 mei 1977, houdende regelen inzake het treffen van wedervergeldingsmaatregelen op het gebied van de zeescheepvaart Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen in het belang van de verdediging van de economische belangen van de Nederlandse koopvaardij en met het oog op de uitvoering van een internationale afspraak of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie betrekking hebbende op het vervoer ter zee; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; zeeschip: een zeeschip in de zin van [artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=2); Nederlands zeeschip: een zeeschip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren. Artikel 2 1. Indien de verdediging van de economische belangen van de Nederlandse koopvaardij, dan wel een internationale afspraak of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie betrekking hebbende op het vervoer ter zee zulks naar Ons oordeel vereist, kunnen Wij bij algemene maatregel van bestuur, in deze wet verder genoemd wedervergeldingsbesluit: - a. verbieden, zonder vergunning van Onze Minister - 1°. als gezagvoerder van een zeeschip, varende onder een bij die maatregel aangewezen vlag, met dat zeeschip goederen te vervoeren over Nederlandse wateren; - 2°. als eigenaar van een onderneming opzettelijk te bewerkstelligen, dat goederen worden vervoerd met een zeeschip, varende onder een bij die maatregel aangewezen vlag; - 3°. een Nederlands zeeschip ter uitvoering van een overeenkomst van huur en verhuur, rompbevrachting of tijdbevra"},{"i":4394,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 18 december 2018, nr. vo/1457242, houdende wijziging van het subsidieplafond van de Regeling subsidie zij-instroom voor het kalenderjaar 2018 Gelet op [artikel 4, zesde lid, van de Regeling subsidie zij-instroom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039459&artikel=4) en op [artikel 1.4, derde lid, van de Regeling subsidie korte scholingstrajecten vo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039979&artikel=1.4); Besluiten: Artikel I Met inachtneming van [artikel 4, zesde lid, van de Regeling subsidie zij-instroom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039459&artikel=4) wordt een bedrag van € 1.000.000 toegevoegd en naar evenredigheid verdeeld over de subsidieplafonds voor het kalenderjaar 2018, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Regeling subsidie zij-instroom, zoals bekend gemaakt in de[Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 2 maart 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040678) (Stcrt. 2018, 11700), zoals gewijzigd bij de Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 12 oktober 2018 (Stcrt. 2018, 58330). Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4783,"b":"Leerlingentelling voor groeiformatie voor basisscholen 1. Inleiding Om voor groeiformatie in aanmerking te komen moet de school een leerlingentelling laten plaatsvinden. Groeiformatie wordt toegekend als het aantal leerlingen van een school volgens daartoe vastgestelde normen is toegenomen. Deze publicatie geeft informatie over de procedure rond de te houden telling, alsmede de vereiste toename van het aantal leerlingen om voor groeiformatie in aanmerking te komen. Het telformulier heeft ten opzichte van het schooljaar 2002-2003 geen wezenlijke wijzigingenondergaan. Een voorbeeld van het telformulier is te vinden dit Gele Katern (kenmerk: GEG/2003/65753N). 2. Doelgroep Deze publicatie is bedoeld voor basisscholen die op basis van [artikelen 15c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005441&artikel=15c) en [15c2 van het Formatiebesluit WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005441&artikel=15c2), zoals gepubliceerd in het Staatsblad 2000 nr. 179, aanspraak willen maken op (bijzondere) groeiformatie. Om dit te bereiken moet voor de school een zogeheten ”telformulier voor groeiformatie voor basisscholen” worden ingediend. 3. Hoogte groeidrempel en omvang groeiformatie Hieronder wordt informatie gegeven over de hoogte van de groeidrempel en de omvang van de groeiformatie bij de leerlingentelling voor (bijzondere) groeiformatie. 3.1. Vereiste toename aantal leerlingen Als in de periode 1 augustus tot en met 31 maart van het schooljaar het aantal leerlingen (fors) is gestegen, kan de school mogelijk aanspraak maken op groeiformatie. Indien in de periode 1 april tot en met 31 mei van het schooljaar het aantal leerlingen (extreem) is toegenomen kan mogelijk aanspraak worden gemaakt op bijzondere groeiformatie. Nieuw gestichte basisscholen kunnen de eerste telling voor groeiformatie indienen nadat zij voor het eerst een 1oktobertelling hebben ingediend. Hieronder wordt ingegaan op de exacte toename in het aantal leerlingen dat vereist is om in aanmerking te komen vo"},{"i":3724,"b":"Besluit van de directeur-generaal van Rijkswaterstaat van 22 juni 2023 met kenmerk RWS-2023/20854 houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Oost-Nederland en de directeur Netwerkmanagement van Rijkswaterstaat Zee en Delta voor het uitoefenen van bevoegdheden in de Hertogin Hedwigepolder Gelet op [artikel 27, tweede lid, onderdelen a en b, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=2), en [3 van het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Bevoegdheden hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Oost-Nederland 1. De aan de directeur-generaal verleende bevoegdheden ten aanzien van de Hertogin Hedwigepolder worden, met inachtneming van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034184&artikel=3) en [12 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijkswaterstaat 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034184&artikel=12), gemandateerd aan de hoofdingenieur-directeur van het organisatieonderdeel Rijkswaterstaat Oost-Nederland. 2. Aan de hoofdingenieur-directeur van het organisatieonderdeel Rijkswaterstaat Oost-Nederland worden ten aanzien van de Hertogin Hedwigepolder geen bevoegdheden verleend in HRM-aangelegenheden. Artikel 2. Bevoegdheden directeur Netwerkmanagement Rijkswaterstaat Zee en Delta 1. De aan de directeur-generaal verleende bevoegdheden ten aanzien van de Hertogin Hedwigepolder worden, met inachtneming van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034184&artikel=3) en [12 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijkswaterstaat 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034184&artikel=12), eveneens gemandateerd aan de directeur Netwerkmanagement van het organisatieonderdeel"},{"i":4329,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 17 september 2021, nr. Min-BuZa.2021.9219-10, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan Invest International B.V Gelet op [artikel 4, eerste lid, onderdelen c en d, van de Machtigingswet oprichting Invest International](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045430&artikel=4), de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366), [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [titel 3.3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&titeldeel=3); Besluit: Artikel 1 1. Aan de Chief Executive Officer van Invest International B.V. wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besluiten te nemen, rechtshandelingen te verrichten alsmede de daartoe benodigde voorbereidingshandelingen en daarmee samenhangende werkzaamheden te verrichten: - a. voor de uitvoering van de besluiten, genoemd in het tweede lid, daaronder begrepen het sluiten van uitvoeringsovereenkomsten bij subsidies, het sluiten van memoranda of understanding en het sluiten van schenkingsarrangements met overheidsorganen in ontwikkelingslanden met het oog op of verband houdend met de verstrekking van financiële middelen betrekking hebbend op het doen van schenkingen aan overheidsorganen in ontwikkelingslanden ten laste van de begroting van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; - b. voor het nemen van besluiten op grond van [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) gericht op verbetering van het lokale ondernemingsklimaat in de landen waarin financiering mogelijk is op grond van het besluit, bedoeld in het tweede lid, onder a; - c. voor het nemen van besluiten op"},{"i":4677,"b":"Instelling bestuurlijke begeleidingsgroep Noord-oostelijke verbinding - RW 15 Besluit: Artikel 1 Ingesteld wordt: een bestuurlijke begeleidingsgroep Noord-oostelijke verbinding - RW 15, nader te noemen de begeleidingsgroep. Artikel 2 De begeleidingsgroep heeft tot taak: het begeleiden van de volgens de [Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147) te verrichten studies naar de Noord-oostelijke verbinding (de verbinding Betuweroute - grensovergang Oldenzaal) en de doortrekking van RW 15 (gedeelte Varsseveld - Enschede), dit zowel vanuit het aspect inhoudelijke inbreng als vanuit het aspect bestuurlijke inbedding. Daartoe heeft de begeleidingsgroep de volgende functies: - a. kwaliteit: - het inbrengen van de regionale aspecten in de studies - het bewaken van de kwaliteit van de studies - b. zorgvuldigheid: het bewaken van de zorgvuldigheid van de procedures (waarbij de onderlinge afstemming van beide studies een belangrijk element is) en het proces (waaronder begrepen de voortgang van de beide projecten) - c. klankbord: het vervullen van een klankbordfunctie voor de initiatiefnemer - d. terugkoppeling: het vervullen van een terugkoppelfunctie naar bestuurlijke kaders in de regio - e. advies: het gevraagd en ongevraagd adviseren van de initiatiefnemer. Artikel 3 Als leden van de begeleidingsgroep worden aangewezen: - 1. De Hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat directie Oost-Nederland, tevens voorzitter - 2. een gedeputeerde van de provincie Gelderland - 3. een gedeputeerde van de provincie Overijssel - 4. een vertegenwoordiger uit de regio Liemers/ het Knooppunt Arnhem-Nijmegen - 5. een vertegenwoordiger van de gemeente Arnhem/ het Knooppunt Arnhem-Nijmegen - 6. een vertegenwoordiger uit de regio Achterhoek - 7. een vertegenwoordiger uit de regio Stedendriehoek - 8. twee vertegenwoordigers uit de regio Twente - 9. de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie directie Oost - 10. een vertegenwoordiger van het Directoraat-Generaal Personenvervo"},{"i":2540,"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 september 2020, nr. 2020-0000128045, ten behoeve van de vaststelling van de NOW-subsidie (Beleidsregel vaststelling NOW-subsidie) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op subsidies die verstrekt worden op grond van de [Eerste](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043340), [Tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043709), [Derde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044201), [Vierde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045467), [Vijfde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045993) en [Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046304). Artikel 2 Indien de aanvrager bij het verzoek van vaststelling, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043340&artikel=14), [artikel 18, eerste lid, van de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043709&artikel=18), [artikel 24, eerste lid, van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044201&artikel=24), de [artikelen 17, eerste lid, van de Vierde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045467&artikel=17), van de [Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045993&artikel=17) en [artikel 17, eerste lid, van de Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046304&artikel=17), een accountantsverklaring met beperking overlegt, za"},{"i":3418,"b":"Besluit van 26 oktober 2017 nr. 2017001806, houdende departementale herindeling met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening, de Omgevingswet en het Kadaster Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 25 oktober 2017 nr. 3213931; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=39); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening met inbegrip van onder meer de [Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449) en de [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431), de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), het Kadaster en de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541), voor zover deze voor 26 oktober 2017 was opgedragen aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. Artikel 2 De taken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040152&artikel=1&z=2017-11-05&g=2017-11-05) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040152&artikel=2&z=2017-11-05&g=2017-11-05) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 26 oktober 2017. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Min"},{"i":2854,"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2001 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 2000 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1999; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2001 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3.3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2001."},{"i":3152,"b":"Besluit van 6 december 2018, houdende de grondslag voor en nadere regels omtrent de vaststelling en de betaling van de bijdrage van een zelfstandig bestuursorgaan voor het gebruik van de diensten van Shared Service Organisatie Noord (Besluit bijdrage SSO-Noord) Op de voordracht van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 november 2018, nr. 2018-0000816492; Handelende in overeenstemming met de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [artikel 21b, derde en vierde lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 november 2018, No.W04.18.0343/I); Gezien het nader rapport van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 november 2018, nr. 2018-0000914482; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aangesloten bestuursorgaan:** zelfstandig bestuursorgaan dat ingevolge een besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als bedoeld in [artikel 21a van de Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21a) gebruik maakt van de voorziening; - –. **bijdrage:** jaarlijkse bijdrage die aan een aangesloten bestuursorgaan in rekening wordt gebracht voor de kosten voor de instandhouding van de voorziening; - –. **Kaderwet:** [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - –. **voorziening:** Shared Service Organisatie-Noord te Groningen dat als onderdeel van de Dienst Uitvoering Onderwijs, DUO, in stand wordt gehouden door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en diensten verleent op het gebied van bedrijfsvoering, waaronder in ieder geval wordt begrepen ICT en inkoop. Artikel 2 1. Een aangesloten bestuursorgaan verstrekt iede"},{"i":3036,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 23 april 2014, IENM/BSK-2014/ 92851, houdende aanwijzing vervoersdienst waarvoor het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein In overeenstemming met het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg; Gelet op [artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20); Besluit: Artikel 1 1. Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg is bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessie voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdienst, die de daarbij aangegeven stations verbindt: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Roermond – Maastricht Randwyck | Roermond, Echt, Susteren, Sittard, Geleen-Lutterade, Beek-Elsloo, Bunde, Maastricht, Maastricht Randwyck. | | Sittard – Heerlen | Sittard, Geleen Oost, Spaubeek, Schinnen, Nuth, Hoensbroek, Heerlen. | 2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid heeft betrekking op het openbaar vervoer per trein met ingang van 11 december 2016. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2762,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2008 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit : Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2008, doch niet later dan 15 juli 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,574 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2008 en eindigende met 15 juli 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00052"},{"i":4566,"b":"Defecte identiteitskaart: informatie en procedure-afhandeling Circulaire aan de burgemeesters De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Sinds 1 januari 1995 zijn 2,5 miljoen Europese identiteitskaarten verstrekt. Hiervan zijn tot nu toe 250 kaarten wegens breuk van het laminaat veelal rondom de foto voor nader onderzoek naar de producent Enschedé/Sdu retour gezonden. Behoudens een aantal gevallen van evident onzorgvuldig gebruik kon de producent geen concrete oorzaak aangeven. Derhalve heeft TNO een onderzoek verricht naar de oorzaak van de beschadiging van het laminaat. Geen eenduidige oorzaak beschadiging laminaat, een verbeterd document per 1 oktober a.s. TNO heeft geen eenduidige oorzaak kunnen vaststellen. Wel is vastgesteld dat er bij sterke buigingen breuk van de materialen kan optreden door de gelaagdheid van de kaart. Derhalve zal de producent een aantal verbeteringen doorvoeren, waaronder een dikkere foto-patch. Het is helaas niet mogelijk zodanige materialen toe te passen dat beschadiging van de Europese identiteitskaart geheel is uit te sluiten. Daarom zal bij de uitgifte van de kaart de houder gewezen moeten worden op het feit dat het een waardedocument betreft dat zorgvuldig bewaard dient te worden. In de nieuwe bijsluiter die recent naar de gemeenten is verzonden, staat op de tweede pagina expliciet vermeld dat veelvuldig buiging beschadiging tot gevolg kan hebben. Een andere maatregel die is genomen om mogelijke beschadigingen te voorkomen is het verstrekken van een hoesje bij de uitgifte van de kaart. Op het hoesje zal een tekst met waarschuwing worden gedrukt. De aangepaste identiteitskaart zal per 1 oktober a.s. worden verstrekt. Procedure afhandeling defecte Europese identiteitskaarten en restitutie Gezien het aantal reeds verstrekte Europese identiteitskaarten valt te verwachten dat op enig tijdstip een defect document bij de gemeente wordt aangeboden. Om in een dergelijk geval zo zorgvuldig en snel mogelijk te kunnen handel"},{"i":3516,"b":"Besluit van 29 oktober 1997, houdende nadere regels inzake deskundigheid van verpleegkundigen, ambulanceverpleegkundigen en mondhygiënisten op het gebied van voorbehouden handelingen (Besluit functionele zelfstandigheid) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 mei 1997, CSZ/BenO-977333; Gelet op [artikel 39 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=39); Gezien de adviezen van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (adviezen van 14 juni 1995 en van 4 oktober 1996); De Raad van State gehoord (advies van 23 juli 1997, no. W13.97.0294); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23-10-1997, CSZ/BO 9716742; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. ambulanceverpleegkundige: een verpleegkundige als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008985&artikel=3a&z=2024-07-01&g=2024-07-01). Artikel 2 Onverminderd artikel 33 van de wet, wordt tot het gebied van deskundigheid van de verpleegkundige gerekend het zonder toezicht door en tussenkomst van de opdrachtgever: - a. geven van een subcutane, intramusculaire of intraveneuze injectie; - b. verrichten van een catheterisatie van de blaas bij volwassenen alsmede het inbrengen van een maagsonde of een infuus; - c. verrichten van een venapunctie en van een hielprik bij neonaten. Artikel 3 Onverminderd [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008985&artikel=2&z=2024-07-01&g=2024-07-01), worden tot het gebied van deskundigheid van de ambulanceverpleegkundige gerekend het zonder toezicht door en tussenkomst van de opdrachtgever: - a. toepassen van electieve cardioversie; - b. toepassen van defibrillatie; - c. in- of extuberen van de luchtpijp met een orale"},{"i":3412,"b":"Besluit correctieverplichting **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 8 maart 2010, nr. DGB2010/565M (** **Stcrt. 2010, nr. 3990** **). Het besluit bevat een goedkeuring voor de loonheffingen om in bepaalde gevallen correctieberichten achterwege te laten. De wijzigingen ten opzichte van het besluit van 8 maart 2010 zijn voornamelijk verduidelijkingen. In onderdeel 3 is de ambtshalve vermindering of teruggaaf expliciet genoemd en zijn er enkele voorbeelden toegevoegd. Het voorbeeld dat een correctie, na afweging van de voorwaarden, achterwege kan blijven bij het maximum premieloon is niet langer opgenomen omdat dit in de praktijk voor onduidelijkheid zorgde. Inhoudelijk is geen wijziging beoogd. De toelichting aan het eind van onderdeel 3 is uitgebreid. Het nieuwe onderdeel 3.1 gaat in op de verhouding tot het Besluit Fiscaal Bestuursrecht, paragraaf 23 Ambtshalve verminderen of teruggeven. Tot slot maak ik in onderdeel 4 gebruik van de gelegenheid om twee besluiten die hun belang hebben verloren in te trekken. De overige wijzigingen zijn van redactionele aard en hebben geen inhoudelijke betekenis.** 1. Inleiding De Belastingdienst heft naast de loonbelasting en premie volksverzekeringen ook de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). De heffing vindt plaats door middel van het voldoen en inhouden en afdragen van loonheffingen waarvoor de werkgever één gecombineerde aangifte indient. Deze aangifte, met onder meer loongegevens van werknemers, is een belangrijke leverancier voor de zogenoemde polisadministratie. De polisadministratie is een bron van gegevens over arbeids- en uitkeringsverhoudingen voor verschillende partijen, zoals de Sociale Verzekeringsbank, het UWV, de Belastingdienst en het CBS. Dit betekent dat de polisadministratie zoveel mogelijk de juiste en actuele gegevens moet bevatten per werkne"},{"i":3054,"b":"Besluit van 29 juli 1994, houdende regels ter uitvoering van de artikelen 3, eerste en derde lid, 22, tweede lid, en 35 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 7 maart 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 429101/94/6, gedaan mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 3, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=3), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=22), en [35 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=35); De Raad van State gehoord (advies van 1 juli 1994, nr. W03.94.018); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 12 juli 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 447531/94/6, uitgebracht mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan; § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581); - b. administratieve sanctie: de administratieve sanctie, bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=1); - c. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - d. bevoegde ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006847&paragraaf=2&artikel=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van dit besluit; - e. hoofdofficier van justitie: de officier van justitie, hoofd van het arrondissementsparket. 2. Als korpschef in de zin van dit besluit wordt aangemerkt met betrekking tot: - a. de ambtenaren, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006847&paragraaf=2&artikel=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01): de korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overh"},{"i":4638,"b":"Besluit van 27 januari 2021 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PbEU 2019, L 150) (Implementatiebesluit kapitaalvereisten 2020) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 4 december 2020, 2020-0000233831, directie Financiële Markten; Gelet op Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van [Richtlijn 2013/36](32013L0036)/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PbEU 2019, L 150) en de [artikelen 1:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [3:62ba, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:62ba), [3:280b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:280b) en [3:280c, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:280c); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 januari 2021, nr. W06.20.0451/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 13 januari 2021, 2021-0000002901, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft. Artikel III Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel IV 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte v"},{"i":3873,"b":"Besluit van 5 april 2023 tot wijziging van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen in verband met de inperking van wervings- en reclameactiviteiten voor kansspelen op afstand (Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 14 oktober 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4258535; Gelet op [artikel 4a, vijfde lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=4a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 december 2022, nr. W16.22.00132/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 4 april 2023, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4576007; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen. Artikel II 1. [Artikel 2ab, eerste tot en met derde lid, van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](onbekend) is niet van toepassing op het ingevolge een voor de inwerkingtreding van dit besluit gesloten overeenkomst ontplooien van: - a. sportsponsoring, tot twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit; - b. andere vormen van sponsoring, tot een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit. 2. Onder sponsoring wordt verstaan: het verstrekken van financiële of andere bijdragen als tegenprestatie voor het neutraal vermelden of vertonen van de naam, het merk, het beeldmerk of enig ander onderscheidend teken van de houder van een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2023. Artikel IV Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij horende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3226,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 23 november 2021, nr. BOACAT2021/059, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Werkorganisatie Langedijk en Heerhugowaard Gelezen het verzoek van gemeente Dijk en Waard van 27 september 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=56); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045960&artikel=2&z=2025-12-03&g=2025-12-03). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerker Handhaving in dienst van gemeente Dijk en Waard, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de"},{"i":3808,"b":"Besluit van de directeur Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Financiën van 4 maart 2026 (2026-0000069311), houdende verlening van ondermandaat en machtiging voor de uitvoering van de Wet op de consignatie van gelden (Besluit ondermandaat en machtiging Bureau Consignatie van de directie Financieel-Economische Zaken) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=2) en [16 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=16) en [artikel 19 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=19); Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het afdelingshoofd:** ieder afdelingshoofd van de directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Financiën; - b. **de medewerkers:** de medewerkers en de (senior) adviseurs van het Bureau Consignatie van de directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Financiën, welk onderdeel van deze directie belast is met de uitvoering van de [Wet op de consignatie van gelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338); - c. **de wet:** de [Wet op de consignatie van gelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338). Artikel 2. Ondermandaat 1. Aan het afdelingshoofd wordt ondermandaat verleend om: - a. gelden op te nemen in de consignatiekas waarvan de consignatie wordt bevolen of toegelaten bij wettelijk voorschrift of een beschikking van de Minister van Financiën dan wel een beslissing van de rechter ingevolge [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=2); - b. een besluit te nemen op een aanvraag tot ui"},{"i":4422,"b":"Bestuursreglement Huis voor Klokkenluiders Gelet op [artikel 3h van de Wet Huis voor klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3h); Gezien de goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 mei 2018; Besluit: Artikel 1. Definities In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet Huis voor klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852); - b. **het Huis:** het Huis voor Klokkenluiders, bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3); - c. **het bestuur:** het bestuur van het Huis, bedoeld in [artikel 3b, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3b); - d. **de Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Bestuur 1. De voorzitter roept het bestuur in vergadering bijeen en leidt de vergadering. 2. De voorzitter wijst een van de andere bestuursleden aan als plaatsvervangend voorzitter. 3. De voorzitter wordt bij zijn afwezigheid vervangen door een plaatsvervangend voorzitter en deze plaatsvervangend voorzitter kan in die hoedanigheid alle taken uitoefenen die de voorzitter op grond van dit bestuursreglement toekomen. 4. Het bestuur ziet toe op de eenheid van het Huis. Artikel 3. Algemeen Secretaris 1. De Algemeen Secretaris geeft leiding aan het bureau, bedoeld in [artikel 3d van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3d). 2. De Algemeen Secretaris neemt deel aan de bestuursvergaderingen en heeft daarbij een adviserende rol. Artikel 4. Bestuursvergaderingen 1. Het bestuur komt ten minste eenmaal per maand in vergadering bijeen en overigens zo vaak als een goede taakuitvoering dit noodzakelijk maakt. 2. De vergadering is niet openbaar. 3. De Algemeen Secretaris stelt, na overleg met de voorzitter, de agenda samen en draagt zorg voor de rondzending van de uitnodigingen, de agenda en de overige voor de vergadering bestemde stukken"},{"i":3144,"b":"Besluit bevoegde instanties grensoverschrijdende representatieve vorderingen Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 30 mei 2023, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4684357; Gelet op [artikel 305e lid 4 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=305e) en op [Richtlijn (EU) 2020/1828](32020L1828) van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van [Richtlijn 2009/22/EG](32009L0022) (PbEU 2020, L 409); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 juni 2023, No. W16.23.00123/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 30 juni 2023, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3849633; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. (definities) In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **achterban:** de natuurlijke personen die handelen voor doeleinden die geen verband houden met hun handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit, tot bescherming van wier collectieve belangen een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid met zetel in Nederland rechtsvorderingen wil instellen in een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische ruimte; - –. **bevoegde instantie:** bevoegde instantie als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Richtlijn; - –. **grensoverschrijdende representatieve vorderingen:** een rechtsvordering ter bescherming van een belang als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn die een stichting of vereniging instelt in een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische ruimte dan die waarin zij werd aangewezen; - –. **lijst:** de lijst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Rich"},{"i":4687,"b":"Instellingsbeschikking begeleidingscommissie verkenning ruimtetekort mainport Rotterdam In overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Staatssecretaris van Economische Zaken, overwegende: dat in de Rapportage Voorstudie Maasvlakte II is aangegeven dat er op korte termijn een ruimtetekort is in de Rotterdamse haven voor de ontwikkeling van mainport Rotterdam; dat gelet op de economische impact van de mainport Rotterdam op de Nederlandse economie, de consequenties voor de leefomgeving - regionaal èn nationaal - en de omvang van het project Maasvlakte II dit ruimtetekort een potentieel vraagstuk van nationaal belang betreft; dat het Kabinet besloten heeft dit vraagstuk te onderzoeken overeenkomstig de procedure als beschreven in het Kabinetsstandpunt WRR-advies ’Besluit Grote Projecten’ (Kamerstukken II ’95/’96, 24 690, nr. 1); Besluit Artikel 1 1. Er is een Begeleidingscommissie verkenning ruimtetekort mainport Rotterdam, nader te noemen: de Commissie. 2. De Commissie is ingesteld met ingang van 9 mei 1996 voor de periode die loopt tot aan het tijdstip waarop door het Kabinet een Projectbeslissing is genomen als bedoeld in het Kabinetsstandpunt WRR-advies ’Besluit Grote Projecten’. 3. Verlenging van de in lid 2 genoemde periode vindt alleen plaats bij afzonderlijk besluit. Artikel 2 1. De Commissie heeft tot taak het begeleiden van het proces van besluitvorming in de voorfase, hierna te noemen de ’Verkenningsfase’, als bedoeld in het Kabinetsstandpunt WRR-advies ’Besluit Grote Projecten’, met betrekking tot het vraagstuk van het ruimtetekort in de Rotterdamse haven voor de ontwikkeling van de mainport Rotterdam; 2. De Commissie beoordeelt in elk geval: - a. de aanpak van de Verkenningsfase; - b. de wijze waarop maatschappelijke factoren bij het proces worden betrokken; - c. de communicatie tussen het rijk en andere procespartners en - d. de in het proces getroffen"},{"i":2938,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 augustus 2015, houdende de aanwijzing van enige organen ingevolge Verordening (EG) nr. 883/2004 Handelend in de hoedanigheid van bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 1, onderdeel m, van [Verordening (EG) nr. 883/2004](32004R0883) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (PbEU L 200); Gelet op artikel 1, onderdelen q en r, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (PbEU L 200) en artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (PbEU L 285); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van Titel III, Hoofdstuk 1, van [Verordening (EG) nr. 883/2004](32004R0883) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels worden aangewezen als bevoegd orgaan in de zin van artikel 1, onderdeel q, onder iii, van genoemde verordening, voor personen bedoeld in [artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69): - •. voor de registratie, de heffing van de wettelijke bijdrage voor geneeskundige zorg, de verstrekking van de documenten voor de uitoefening van het recht op verstrekkingen bedoeld in Titel III, Hoofdstuk I van [Verordening (EG) Nr. 987/2009](32009R0987) van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 en de vergoeding van de kosten van verstrekkingen bij tijdelijk verblijf in een ander land dan het woonland of Nederland: het CAK in Den Haag; - •. voor het verlenen en vergoeden van verstrekkingen tijdens een verblijf in Nederland: Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. in Ut"},{"i":4035,"b":"Besluit van 25 oktober 2017, houdende regeling van de wijze van tenuitvoerlegging van beslissingen van de tuchtrechter voor gerechtsdeurwaarders en notarissen (Besluit tenuitvoerlegging tuchtrechtspraak gerechtsdeurwaarders en notarissen) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 5 september 2017, nr. 2123973, Gelet op [artikel 43b, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=43b) en [artikel 103c, tweede lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=103c); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 september 2017, nr. W03.17.0283/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 23 oktober 2017, nr. 2135455; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De tenuitvoerlegging van een beslissing als bedoeld in [artikel 43b, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=43b) geschiedt door of vanwege de kamer voor gerechtsdeurwaarders of door of vanwege het gerechtshof Amsterdam. 2. De tenuitvoerlegging van een beslissing als bedoeld in [artikel 103c, eerste lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=103c) geschiedt door of vanwege de kamer voor het notariaat die de beslissing heeft genomen of door of vanwege het gerechtshof Amsterdam. Artikel 2 Wijzigt het Besluit op het notarisambt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tenuitvoerlegging tuchtrechtspraak gerechtsdeurwaarders en notarissen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2629,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241286, houdende vaststelling beleidsregels van de Minister van Infrastructuur en Milieu voor de sturing van en het toezicht op de NIWO (Beleidsregels sturing van en toezicht op de NIWO) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regels wordt verstaan onder: - **Kaderwet:** [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - **minister:** de Minister van Infrastructuur en Milieu; - **NIWO:** Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie. § 2. Financieel toezicht Artikel 2. Inhoud tarievenvoorstel 1. De minister besteedt bij de beoordeling van het voorstel voor de tarieven en tariefwijzigingen van de NIWO ten behoeve van de goedkeuring op grond van [artikel 17 van de Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=17) in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: - a. de voorgestelde tarieven per taak dan wel per cluster van taken; - b. voorgestelde wijzigingen in het tarievenbeleid; - c. de invloed van en consequenties voor de vermogenspositie; - d. de mate van kostendekkendheid en de kostenontwikkeling per taak dan wel per cluster van taken; - e. de invloed van efficiëntieontwikkelingen; - f. de invloed van loon-, prijs- en volumeontwikkelingen. 2. De NIWO informeert de minister bij voorgestelde tariefwijzigingen en tarieven voor nieuwe taken of clusters van taken inzake de mogelijk aan het voorstel gekoppelde gevoeligheden. Artikel 3. Begroting 1. Ten behoeve van de goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de begroting conform [artikel 29 van de Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&arti"},{"i":4688,"b":"Instellingsbeschikking Bestuurlijk Overleg Primair Onderwijs Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beschikking wordt verstaan onder: Artikel 2. Instelling Er is een overleg tussen de directie Primair Onderwijs en organisaties voor schoolbesturen en schoolmanagement over bestuurlijke aangelegenheden betreffende het primair onderwijs, verder te noemen: het Bestuurlijk Overleg. Artikel 3. Taak In het Bestuurlijk Overleg wordt overleg gevoerd met in achtneming van de in het Strategisch regieoverleg primair onderwijs gemaakte kaderstellende afspraken over: - a. bekostigingsaspecten, - b. beleid met betrekking tot de onderwijshuisvesting, - c. arbeidsmarktaspecten, - d. informatiebeleid en - e. bekostigingstechnische en schoolorganisatorische aspecten van cao-afspraken. Artikel 4. Samenstelling 1. Het Bestuurlijk Overleg bestaat uit de directeur Primair Onderwijs of een door hem aan te wijzen plaatsvervanger, tevens voorzitter, en: - a. van ieder van de hierna genoemde organisaties voor besturen en management maximaal twee leden: - 1. Vereniging Besturenraad Protestants-Christelijk Onderwijs (BPCO); - 2. Vereniging Besturenorganisaties van Katholiek Onderwijs (VBKO); - 3. Vereniging Verenigde Bijzondere Scholen voor Onderwijs op Algemene Grondslag (VBS); - 4. Vereniging van Openbare en Algemeen Toegankelijke Scholen (VOS/ABB); - 5. Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs (VGS); - 6. Landelijk Verband van Gereformeerde Schoolverenigingen (LGVS); - b. een vertegenwoordiger van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG); - c. een waarnemer op aanwijzing van de Dienst Uitvoering Onderwijs. 2. Indien dat voor de behandeling van een onderwerp van belang is, kan de directeur Primair Onderwijs vertegenwoordigers van andere organisaties en overige deskundigen uitnodigen aan het overleg deel te nemen. 3. De directeur Primair Onderwijs en de organisaties voor besturen en management kunnen zich laten bijstaan door adviseurs. Artikel 5. Secretariaat De directeur Primai"},{"i":4481,"b":"Circulaire Burgemeestersbevel twaalfminners, artikel 172b Gemeentewet 1. Inleiding 1.1. Algemeen Op 1 september 2010 treedt de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (kamerstukken 31 467) in werking. Met deze wet is een aantal nieuwe artikelen ingevoegd in de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854). Eén van de wijzigingen heeft betrekking op de invoeging van [artikel 172b in de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=172b). Het artikel is geplaatst in [hoofdstuk XI van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&hoofdstuk=XI) inzake ‘De bevoegdheid van de burgemeester’ en geeft de burgemeester een extra instrument in de bestrijding van groepsoverlast door kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar. De burgemeester kan op grond van [artikel 172b Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=172b) aan diegene die het gezag uitoefent over een kind beneden de leeftijd van twaalf jaar, dat herhaaldelijk groepsgewijs de openbare orde heeft verstoord, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde, een bevel geven ervoor zorg te dragen dat dit kind zich niet zonder begeleiding van een ouder of verzorger dan wel een andere door de burgemeester aan te wijzen meerderjarige, bijvoorbeeld een volwassen familielid, bevindt bij bepaalde objecten of in bepaalde delen van de gemeente. Het bevel kan ook inhouden dat het kind zich niet onbegeleid mag bevinden op voor het publiek toegankelijke plaatsen tussen 20.00 en 06.00 uur. De tekst van artikel 172b Gemeentewet luidt als volgt: Artikel 172b. Gemeentewet De in het vierde lid aangehaalde leden van [artikel 172a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=172a) luiden als volgt: Artikel 172a. Gemeentewet 1.2. Aanleiding"},{"i":4106,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 14 december 2015, nr. IENM/BSK-2015/190307 houdende vaststelling van een organisatie- en coördinatieplan, aanwijzing van instanties, alsmede het verlenen van diverse mandaten en machtigingen ten behoeve van de uitvoering van de Wet bestrijding maritieme ongevallen (Besluit uitvoerings- en handhavingsvoorzieningen Wet bestrijding maritieme ongevallen) Handelend in overeenstemming met de Ministers van Defensie, Economische Zaken, Veiligheid en Justitie alsmede Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037162&artikel=5), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037162&artikel=17), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037162&artikel=23) en [36, eerste lid, van de Wet bestrijding maritieme ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037162&artikel=36) en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), en [10:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6); Gezien de instemming van de ingevolge [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037411&artikel=3&z=2019-07-01&g=2019-07-01) van dit besluit gemandateerden; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bestrijding maritieme ongevallen in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet bestrijding maritieme ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037162). Artikel 2 De bestrijding van gevaar in of vanuit de Noordzee, bedoeld in [artikel 23 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037162&artikel=23), wordt georganiseerd en gecoördineerd overeenkomstig het bij dit besluit vastgestelde Incidentbestrijdingsplan Noordzee, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd. Artikel 3 1. Ter uitvoering van het plan bedoeld in [artikel 2](h"},{"i":3277,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 oktober 2023 nr. BOACAT2023/066, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Leiden Gelezen het verzoek van gemeente Leiden van 1 september 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048743&artikel=2&z=2023-11-16&g=2023-11-16). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving openbare ruimte in dienst van de gemeente Leiden, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling"},{"i":3794,"b":"Besluit noodmaatregelen coronacrisis **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisatie van het besluit van 26 januari 2022, nr. 2022-20850 (** **Stcrt. 2022, 3142** **).** **Het onderdeel ‘Betalingsregeling voor opgebouwde belastingschuld (onderdeel 3.5)’ is gewijzigd. Het is aangevuld met de mogelijkheid voor een langere betalingsregeling. Daarnaast is er de mogelijkheid om op verzoek in kwartaaltermijnen te betalen en een betaalpauze aan te vragen. De mogelijkheid om later aan te vangen met aflossen is vervallen.** **Het besluit van 26 januari 2022, nr. 2022-20850 (** **Stcrt. 2022, 3142** **) is ingetrokken.** 1. Inleiding De bijzondere omstandigheden als gevolg van de coronacrisis zijn voor het kabinet aanleiding voor het treffen van economische en fiscale maatregelen. In dit beleidsbesluit geef ik uitvoering aan fiscale maatregelen in de vorm van concrete goedkeuringen. Dit besluit ziet op de volgende onderwerpen: De goedkeuringen zijn gebaseerd op een redelijke wetstoepassing gegeven de bijzondere omstandigheden veroorzaakt door de coronacrisis en waar nodig op de [artikelen 62 tot en met 64 Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=62). De beleidsmaatregelen hebben een tijdelijk karakter en zullen daarom worden ingetrokken zodra de omstandigheden dit mogelijk maken. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. EB en ODE 3. Invordering 3.1. Uitstel van betaling van belastingschulden Het toepassen van de goedkeuringen in onderdelen 2.1 en 2.2 kan tot een onbedoeld effect leiden bij verzoeken om teruggaaf van EB en ODE. Om dit onbedoelde effect op te heffen is in onderdeel 2.5 een goedkeuring opgenomen. Deze goedkeuring is met ingang van 1 oktober 2021 vervallen. Op grond van [artikel 56, eerste lid, onderdeel a, Wbm](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=56) zijn voor leveringen van aardgas en elektriciteit in gevallen waarin een voorschotnota"},{"i":3966,"b":"Besluit van 9 augustus 2004, houdende regels met betrekking tot de toelage op het salaris voor de voorzitter van het College van procureurs-generaal Artikel 1 Het bedrag van de toelage van de procureur-generaal, die tot voorzitter van het College van procureurs-generaal is benoemd, bedoeld in [artikel 130, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=130), is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat hij als procureur-generaal geniet en het salaris dat hij zou genieten indien hij zou zijn benoemd in een ambt dat in [artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=7) in categorie 2 is ingedeeld en daarin zou zijn aangesteld voor een zelfde arbeidsduur. Artikel 2 Voor de toepasselijkheid van het bij en krachtens de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365) bepaalde, uitgezonderd de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=7), [13 tot en met 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=13) en [17, eerste en zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=17) en de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=6) en [8e van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=8e), wordt ten aanzien van de procureur-generaal, die tot voorzitter van het College van procureurs-generaal is benoemd, onder «salaris» en «bezoldiging» mede verstaan de toelage die hij als voorzitter van het College van procureurs-generaal geniet, met dien verstande dat in [artikel 1, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011826&artikel=1) in pl"},{"i":3580,"b":"Besluit van 4 mei 2018, houdende regels met betrekking tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten en het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling ter implementatie van de richtlijn verzekeringsdistributie (Besluit implementatie richtlijn verzekeringsdistributie) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 21 februari 2018, 2018-26272, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:80, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [1:94, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:94), [2:78, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:78), [2:83, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:83), [2:89, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:89), [2:94, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:94), [2:125, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:125), [2:125a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:125a), [3:17, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [4:9, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9), [4:11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:11), [4:15, tweede lid, onderdelen a en b, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:15), [4:20, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:20), [4:22, eerste lid](https://w"},{"i":4428,"b":"Bestuursreglement NWO 2017 Tekst en toelichting van het Bestuursreglement van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, zoals vastgesteld bij besluit van 1 februari 2017 (goedgekeurd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij besluit van 9 februari 2017). Vastgesteld door de raad van bestuur, op 1 februari 2017. 1. Inleiding Artikel 1.1. – Begripsbepalingen In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. **Adviesraad:** orgaan dat adviseert over voor NWO relevante ontwikkelingen in de samenleving - b. **Afdeling bedrijfsvoering:** organisatieonderdeel dat verantwoordelijk is voor de bedrijfsvoeringsprocessen binnen de organisatie - c. **Code goed bestuur universiteiten 2013:** Code goed bestuur universiteiten 2013 zoals opgesteld door de Vereniging van Universiteiten (VSNU) - d. **Domein:** onderzoeksdomein als bedoeld in [artikel 12 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=12) - e. **Domeinbestuur:** een bestuur als bedoeld in [artikel 13 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=13) - f. **Domeindirecteur:** directeur van een domein - g. **Gedragscode belangenverstrengeling NWO:** de gedragscode die betrekking heeft op de besluitvorming in het kader van subsidieaanvragen - h. **Instellingsplan:** het instellingsplan als bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=18) - i. **Instituut:** organisatorische eenheid van NWO-I waarbinnen wetenschappelijk onderzoek op bepaalde terreinen plaatsvindt - j. **Instituutsadviesraad:** raad van advies van een instituut - k. **Instituutsdirecteur:** directeur van een instituut - l. **Institutenorganisatie:** de instituten en het bureau dat de instituten ondersteunt - m. **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap - n. **Ministerie:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap - o. **NWO:** Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, zoals genoemd i"},{"i":4163,"b":"Besluit vaststelling onderzoekscommissie financiering e-overheid voor wat betreft gemeenten Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. commissie: de commissie die onderzoek doet naar de financiering van betere dienstverlening door de e-overheid aan gemeentezijde; - b. de staatssecretaris: de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Er is een commissie die onderzoek doet naar de financieringsmogelijkheden van de e-overheid aan gemeentezijde in het licht van de ambities om overheidsbreed de dienstverlening aan burgers en bedrijven te verbeteren. Artikel 3 De commissie heeft tot taak: - a. onderzoek te doen naar de mogelijkheden om op termijn de baten te kunnen benutten voor het doen van de gewenste investeringen in het heden; - b. onderzoek te doen naar de wijze waarop door gerichte sturing op investeringen de beoogde betere dienstverlening en vermindering van administratieve lasten kan worden gerealiseerd; - c. voorstellen te doen voor de wijze waarop de financiering aan gemeentezijde kan worden georganiseerd om de overheidsbrede ambities in het gewenste tempo te realiseren. Artikel 4 1. De commissie bestaat uit twee leden: drs. J. Wallage en drs. J.K.T. Postma. 2. De commissie wordt bijgestaan door het secretariaat van de Regiegroep Dienstverlening en e-overheid. Artikel 5 1. De commissie start op 1 juni met het onderzoek en brengt uiterlijk op 30 oktober 2007 haar rapport uit aan de staatssecretaris. 2. De Minister van Financiën en de voorzitter van de VNG ontvangen een afschrift van het rapport. 3. Na het uitbrengen van het rapport door de commissie, wordt zij opgeheven. Artikel 6 Rapporten, notities, verslagen en andere producten welke door of namens de commissie worden vervaardigd, worden niet door de commissie openbaar gemaakt maar uitsluitend aan de staatsecretaris uitgebracht. Artikel 7 De archiefbescheiden van de commissie worden na opheffing, of zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel e"},{"i":3413,"b":"Besluit van 30 december 1970, tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 349, laatste lid, van het Wetboek van Koophandel Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 november 1970, no. 60.655 J, Directoraat-Generaal van Scheepvaart, mede namens Onze Minister van Justitie; Overwegende dat het Besluit van 4 november 1926, **Stb.** 369, zoals dat sedert is gewijzigd, aanpassing behoeft aan de huidige terzake bestaande omstandigheden; Gelet op artikel 349, laatste lid, van het [Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838); De Raad van State gehoord (advies van 9 december 1970 nr. 12); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 december 1970, no. 61,071/J, Directoraat-Generaal van Scheepvaart, mede namens Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt onder zeeschip niet een zeevissers- en kustvissersschip verstaan. Artikel 2 Als dagboek mag alleen een deugdelijk uitgevoerd boek van stevig papier worden gebruikt. Artikel 3 1. Door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wordt vastgesteld: - a. een model voor een scheepsdagboek voor zeeschepen; - b. een model voor een machinedagboek voor zeeschepen die door mechanische kracht worden voortbewogen; en - c. een model voor een dagboek voor zeevissers- en kustvissersschepen. 2. In de dagboeken mogen afwijkingen van het vastgestelde model worden aangebracht, mits dientengevolge de aard van het boek naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat niet te veel verandert. Artikel 4 Vervallen Artikel 5 De in de modellen opgenomen bladwijzer mag met andere dan de in het model vermelde onderwerpen worden aangevuld. Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Ons besluit van 4 november 1926 (**Stb.** 369), laatstelijk gewijzigd bij Ons besluit van 26 november 1969 (**Stb.** 529), wordt ingetrokken. Artikel 8 Dit besluit kan worden aangehaald als \"Besluit"},{"i":3130,"b":"Besluit van 23 juli 1987, tot uitvoering van de wet houdende regelen inzake de bescherming van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 1 juni 1987, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 212/687, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op de artikelen 8, 9, 10, 11 en 23 van de Wet houdende regelen inzake de bescherming van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten; De Raad van State gehoord (advies van 29 juni 1987, nr. W03.87.0239); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 9 juli 1987, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 281/687, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken Hebben goedgevonden en verstaan: Algemene bepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de Wet: de Wet houdende regelen inzake de bescherming van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten. Hoofdstuk I. Het depot Artikel 2 1. Het depot van een topografie van een halfgeleiderprodukt geschiedt door de indiening in drievoud van een geschrift bij het Bureau. 2. Het geschrift bevat de gegevens, bedoeld in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004199&hoofdstuk=III&artikel=8&z=2002-01-01&g=2002-01-01), van de Wet. De aanduiding van de topografie bestaat uit de benaming en een functionele omschrijving van de topografie in niet meer dan 15 woorden. 3. De deposant dient voor het depot een formulier te gebruiken, waarvan het model wordt vastgesteld door het Bureau. Artikel 3 1. Tekeningen en afbeeldingen van de topografie worden in tweevoud ingediend. 2. Indien de deposant aangeeft dat delen van de tekeningen of afbeeldingen bedrijfsgeheimen bevatten en niet ter kennis van derden kunnen worden gebracht, dient hij naast de volledige tekeningen of afbeeldingen van de topografie, exemplaren van de tekeningen of afbeeldingen over te leggen waarop deze delen zijn afgedekt en als zodanig zijn aangeduid. 3. Afbeeldingen van d"},{"i":6526,"b":"Besluit van 2 juli 2003, houdende wijziging van het Formatiebesluit WPO en het Bekostigingsbesluit WPO onder meer in verband met afschaffing van de bestedingsverplichting ten aanzien van de formatie ten behoeve van het onderwijs aan leerlingen van 4 tot en met 7 jaar Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 9 mei 2003, nr. WJZ/2003/20113 (2606), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 69, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=69), [artikel 122, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=122), [123, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=123), en [artikel 125, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=125); De Raad van State gehoord (advies van 23 mei 2003, nr. W05.030171/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 26 juni 2003, nr. WJZ/2003/25021(2606), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Formatiebesluit WPO. Artikel II Wijzigt het Bekostigingsbesluit WPO. Artikel III 1. De in de [artikelen I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015324&artikel=I&z=2003-10-24&g=2003-10-24), en [II van dit besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015324&artikel=II&z=2003-10-24&g=2003-10-24) opgenomen wijzigingen zijn voor de eerste maal van toepassing op het schooljaar 2003–2004. 2. De administratie van een school als bedoeld in [artikel 30b van het Bekostigingsbesluit WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=30b), zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, bevat tot 1 augustus 2005 het in dat artikel bedoelde overzicht, zoals dat werd opgesteld voor het schooljaar 2002–2003. Artikel IV 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaat"},{"i":6529,"b":"Besluit van 9 juni 2017, houdende wijziging van diverse uitvoeringsbesluiten voor het voortgezet onderwijs in verband met onder meer deeleindexamens vmbo Artikel I. Wijziging [Inrichtingsbesluit WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005946) Wijzigt het Inrichtingsbesluit WVO. Artikel II. Wijziging [Inrichtingsbesluit WVO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029589) Wijzigt het Inrichtingsbesluit VWO BES. Artikel III. Wijziging [Eindexamenbesluit VO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004593) Wijzigt het Eindexamenbesluit VO. Artikel IV. Wijziging [Eindexamenbesluit VO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029990) Wijzigt het Eindexamenbesluit VO BES. Artikel V. Wijziging [Staatsexamenbesluit VO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011538) Wijzigt het Staatsexamenbesluit VO. Artikel VI. Wijziging [Staatsexamenbesluit VO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029981) Wijzigt het Staatsexamenbesluit VO BES. Artikel VII. Overgangsrecht vakbenaming bedrijfseconomie, afsluiten vak culturele en kunstzinnige vorming, en vak algemene natuurwetenschappen Een voldoende eindcijfer voor het examen in het vak management en organisatie in het vwo of havo geldt voor de toepassing van het [Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787) als hetzelfde eindcijfer voor het examen in het vak bedrijfseconomie in het vwo onderscheidenlijk havo, indien dit eindcijfer voor het vak management en organisatie niet langer dan 10 jaar geleden is behaald. Artikel VIII. Inwerkingtreding 1. De [artikelen I tot en met IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039713&artikel=I&z=2022-08-01&g=2022-08-01) en [VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039713&artikel=VII&z=2022-08-01&g=2022-08-01) treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. [Artikel III, onderdeel OO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":3486,"b":"Besluit van 2 mei 1961, tot hernieuwde vaststelling van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld bij artikel 570 van het Wetboek van Koophandel Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 16 januari 1961, Stafafdeling Wetgeving, nr. 019/661, mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [artikel 570 van het Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=570); De Raad van State gehoord (advies van 28 februari 1961, nr. 31); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 25 april 1961, nr. 145/661, mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van de bepalingen van de zevende titel van het [tweede boek van het Wetboek van Koophandel](onbekend) worden De Dollart, de Eems, de Lauwerszee, de Waddenzee en het IJsselmeer in hun geheel, de Doorgraving, het Scheur, de Westgeul, de Oude- en Nieuwe Maas en de Dordtse Kil, het Malle Gat en de Krabbegeul in hun geheel, alsmede de overige Zuidhollandse en Zeeuwse stromen, begrensd in het noorden door de noordelijke oever van het Haringvliet, het Vuile Gat en het Hollands Diep tot de spoorbrug bij Moerdijk, in het oosten door het vasteland van Noord-Brabant van genoemde spoorbrug tot de Nederlands-Belgische grens in het zuiden door de Nederlands-Belgische grens in de Schelde en door het vasteland van Zeeuws-Vlaanderen, beschouwd tot de zee alsmede de stranden en oevers daarvan tot het zeestrand te behoren. Onder de in het vorige lid bedoelde wateren zijn begrepen de daaraan gelegen havens, mits zij daarmede in vrije verbinding staan. Artikel 2 Het Koninklijk besluit van 18 december 1933, **Stb.** 703 wordt ingetrokken. Onze Ministers van Justitie en van Verkeer en Waterstaat zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":2950,"b":"Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat tot aanwijzing van de ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving en de opsporing van overtreding van de Herziene Rijnvaartakte en van de daarop gebaseerde reglementen (Besluit aanwijzing handhavingsambtenaren Herziene Rijnvaartakte) Gelet op de [artikelen 28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003443&artikel=28), en [48, eerste lid, van de Binnenschepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003443&artikel=48), 11, eerste lid, en 18, [eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006029), van de [Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006029) en 32, [eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364), van de [Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364); Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en met de Minister van Justitie; Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving en de opsporing van overtreding van de Herziene Rijnvaartakte en van de daarop gebaseerde reglementen zijn belast de ambtenaren van de directies Oost-Nederland, Limburg, Utrecht en Zuid-Holland van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat , voor zover tewerkgesteld aan of langs de Boven-Rijn, de Waal, het Pannerdensch Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek, die de functie bekleden van: - a. hoofd en coördinator beheer vaarwegen; - b. (assistent) verkeersleider; - c. (assistent) mobiel verkeersleider; - d. (hulp)sluismeester of -wachter. Artikel 2 De Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 december 1986, Stcrt. 1986, 247, en het Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 mei 2002 tot aanwijzing van de ambtenaren, belast met de handhaving van de Herziene Rijnvaartakte en van de daarop gegronde reglementen (Stcrt. 92) worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de da"},{"i":4648,"b":"Besluit van 30 juni 2023 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en het Besluit marktmisbruik Wft ter implementatie van Richtlijn (EU) 2021/338 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten, en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/78 wat betreft de toepassing daarvan op beleggingsondernemingen, om bij te dragen aan het herstel van de covid-19 crisis (PbEU 2021, L 68) (Implementatiebesluit richtlijn herstelpakket beleggingsondernemingen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 31 mei 2023, 2023-0000124222, directie Financiële Markten; Gelet op [Richtlijn 2021/338](32021L0338)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot wijziging van [Richtlijn 2014/65](32014L0065)/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten, en [Richtlijnen 2013/36](32013L0036)/EU en (EU)[2019/78](32019L0078)/EU wat betreft de toepassing daarvan op beleggingsondernemingen, om bij te dragen aan het herstel van de covid-19 crisis (PbEU 2021, L 68) en de [artikelen 1:81, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), [4:15, tweede lid, aanhef en onderdeel b, onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:15), [4:20, eerste en derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:20), [artikel 4:23, zesde lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:23), [4:90, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:90), en [5:68, eerste en vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:68); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van"},{"i":4718,"b":"Besluit van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 23 december 2022 houdende instelling van de Commissie evaluatie Omgevingswet (Instellingsbesluit Evaluatiecommissie Omgevingswet) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 23.9 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=23.9); Besluit: Artikel 1. (Begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - b. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047729&artikel=2&z=2023-01-01&g=2023-01-01). Artikel 2. (Instelling en taak) 1. Er is een Evaluatiecommissie Omgevingswet. 2. De commissie heeft tot taak: - a. de doeltreffendheid en de effecten van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) in de praktijk te evalueren. In het evaluatieonderzoek wordt in ieder geval aandacht besteed aan de volgende onderwerpen: - i. in hoeverre de vier verbeterdoelen van de stelselherziening van het omgevingsrecht zijn gerealiseerd. De vier verbeterdoelen van de stelselherziening zijn: - 1°. het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht; - 2°. het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving; - 3°. het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving; en - 4°. het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving; - ii. of het wettelijke kader van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) een geschikt instrumentarium biedt om de maatschappelijke doelen, bedoeld in [artikel 1.3 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=1.3), te realiseren; - iii. in hoeverre de"},{"i":4757,"b":"Besluit van 11 februari 2015, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Infrastructuur en Milieu (Kaderbesluit subsidies I en M) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 8 juli 2014, nr. IenM/BSK-2014/135720, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 september 2014, no.W14.14.0233IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 9 februari 2015, nr. IenM/BSK-2015/22855, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanvrager:** natuurlijk persoon of rechtspersoon die een subsidie aanvraagt op grond van een ministeriële regeling als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2015-07-01&g=2015-07-01); - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard («de algemene groepsvrijstelling») (PbEU 26.6.2014, L187/1), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; - **de-minimis verordening:** Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L352/1), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verd"},{"i":3992,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 15 januari 2026 nr. 2026-436 over resultaat uit overige werkzaamheden (Besluit ROW 2026) **De Staatssecretaris van Financiën,** **Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en afdeling 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001.** **Beleid;** 1. Inleiding Dit besluit vervangt het [besluit van 29 november 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046030), nr. 2021-15229 (Stcrt. 2021, 48048). Enkele onderdelen zijn vervallen en er zijn beleidsstandpunten verwerkt die nieuw zijn. De wijzigingen betreffen: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. ROW in de zin van [artikel 3.90 Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.90) 2.1. Betalingen aan tbs-verpleegden1Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2024:5, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. Een kliniek voor forensische psychiatrie biedt patiënten als onderdeel van hun behandelplan wekelijkse blokken aan op het gebied van dagbesteding, opleiding of werk. Deelname is niet verplicht. Wel ontvangen de patiënten voor deelname een vergoeding van drie euro per blok. In de praktijk is de vraag opgekomen of deze vergoeding als een werkzaamheid in de zin van [artikel 3.90 Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.90) kan worden beschouwd. Deze vergoeding vormt geen bron van inkomen. De werkzaamheden liggen namelijk in de persoonlijke sfeer en de vergoeding is van ondergeschikt belang. De deelname wordt overwegend gemotiveerd vanuit een klinisch behandelplan. 2.2. Ontvangen van dwangsommen door een bestuursorgaan2Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:059:2022:1, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. In de praktijk is de vraag opgekomen of vergoedingen die door een bestuurso"},{"i":2917,"b":"Besluit van 10 oktober 2024, nr. 2024002233 houdende de aanwijzing als verboden plaats van ruimtes die in gebruik zijn bij de AIVD Gelet op de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I) en [IV van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=IV); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als verboden plaats ingevolge [artikel I van de Wet bescherming staatsgeheime](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I)n worden aangewezen de door de AIVD in gebruik zijnde ruimtes en de daarbij behorende technische ruimtes in het gebouw gelegen in de gemeente Leidschendam-Voorburg, Dokter van der Stamstraat 1. Artikel 2 De krachtens [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050329&artikel=1&z=2024-10-26&g=2024-10-26) aangewezen verboden plaatsen worden als zodanig aangegeven op de deuren toegang gevende tot de in artikel 1 bedoelde ruimten, vermeldende: ‘Verboden toegang voor onbevoegden – Verboden plaats ingevolge de [Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074)'. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":4073,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 15 april 2016, nr. 7188783, inzake het besluit om de vergunning voor digitale omroep (digitale ethertelevisie) te veilen en de voorschriften en beperkingen vast te stellen die aan de vergunning zullen worden verbonden Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10); Besluit: § 1. Inleiding § 2. Wijze van verdeling § 3. Vergunning § 4. Start aanvraag- en verdeelprocedure § 5. Uniforme openbare voorbereidingsprocedure 5.1. Periode na de veiling en tijdelijke verlenging 5.2. Looptijd van de vergunning 5.3. Verhouding met de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) 5.4. De te gebruiken technologie 5.5. Ingebruiknameverplichting 5.6. Internationale onderhandelingen 5.7. Aantal TV programma’s 5.8. Interferentie 5.9. Wijzigingen van frequentiegebruiksrechten § 6. Publicatie en inwerkingtreding Bijlage. Vergunning voor het gebruik van frequentieruimte ten behoeve van digitale omroep DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN Gelezen de aanvraag van [naam] te [plaats] van [datum], geregistreerd onder nummer [dossiernummer]; Gelet op de [artikelen 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.13) en [3.14 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.14), [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17) en de Regeling aanvraag- en veilingprocedure voor vergunning voor frequentieruimte ten behoeve van digitale omroep (digitale ethertelevisie). Artikel 1 § 2. Verlening Artikel 2 § 3. Voorschriften en beperkingen Artikel 3. Gebruik van frequentieruimte Artikel 4. Ingebruiknameverplichting Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7. Ingebruikneming De vergunninghouder stelt de minister van elke ingebruikneming van (onderdelen van) de frequentieruimte t"},{"i":3335,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 september 2021, nr. BOACAT2021/045, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Wageningen Gelezen het verzoek van de gemeente Wageningen van 27 juli 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045667&artikel=2&z=2021-10-06&g=2021-10-06). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Inspecteur openbare ruimte in dienst van de gemeente Wageningen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de"},{"i":4159,"b":"Besluit van 29 juni 2016 tot vaststelling van enkele afwijkende rechtspositieregels voor personeel in dienst van een zelfstandig bestuursorgaan alsmede tot wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ter uitvoering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2015–2016) Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 30 mei 2016, nr. 2016-0000307449; Gelet op [artikel 15, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=15) en [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 juni 2016, No. W04.16.0132/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 21 juni 2016, nr. 2016-0000354821; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Kaderwet:** [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - b. **zelfstandig bestuursorgaan:** zelfstandig bestuursorgaan als bedoeld in [artikel 1 van de Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=1) dat geen onderdeel uitmaakt van de Staat; - c. **verplichte VWNW-kandidaat:** werknemer in dienst van een zelfstandig bestuursorgaan die ingevolge [artikel 15, eerste lid, van de Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=15) met overeenkomstige toepassing van [artikel 49r, onderdeel e, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=49r) verplichte VWNW-kandidaat is; - d. **sector Rijk:** sector Rijk, bedoeld in [artikel 4, onderdeel e, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=4). Artikel 2 [Artikel 49cc, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=49cc) is van"},{"i":3121,"b":"Besluit beperking openbaarheid Veiligheidsonderzoeken Nederlandse Spoorwegen, Inspectie Leefomgeving en Transport Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 18 februari 2022, met kenmerk NA-2022/31535709. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van Veiligheidsonderzoeken van de Dienst Exploitatie van de Nederlandse Spoorwegen, periode 1962 – 1993 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot **1 januari** van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 12 | 2053 | | 13–14 | 2058 | | 15 | 2057 | | 16 | 2067 | | 17 | 2067 | | 18 | 2069 | | 19 | 2061 | | 20 | 2063 | | 21 | 2065 | | 22 | 2066 | | 23 | 2051 | | 24 | 2054 | | 25 | 2067 | | 26 | 2067 | | 27 | 2050 | | 28 | 2053 | | 29 | 2056 | | 30 | 2057 | | 31 | 2058 | | 32 | 2059 | | 33 | 2060 | | 34 | 2065 | | 35 | 2066 | | 36 | 2067 | | 37 | 2066 | | 38 | 2069 | | 39 | 2069 | | 40 | 2068 | | 41–44 | 2042 | | 45 | 2050 | | 46 | 2050 | | 47 | 2050 | | 48 | 2051 | | 49 | 2051 | | 50 | 2052 | | 51 | 2057 | | 52 | 2055 | | 53–54 | 2058 | | 55 | 2057 | | 56 | 2058 | | 57–58 | 2059 | | 59 | 2059 | | 60 | 2062 | | 61 | 2066 | | 62 | 2066 | | 63 | 2068 | | 64 | 2067 | | 65 | 2068 | | 66 | 2069 | | 67 | 2068 | | 68 | 2069 | | 69 | 2069 | | 70 | 2038 | | 71 | 2051 | | 72 | 2063 | | 73 | 2057 | | 74 | 2063 | | 75 | 2066 | | 76 | 2066 | | 77 | 2069 | | 78 | 2069 | | 79 | 2047 | | 80 | 2048 | | 81 | 2049 | | 82 | 2050 | | 83 | 2052 | | 84 | 2052 | | 85 | 2053 | | 86 | 2053 | | 87 | 2055 | | 88 | 2057 | | 89 | 2058 | | 90 | 2058 | | 91 | 2059 | | 92 | 2060 | | 93 | 2061 | | 94 | 2063 | | 95 | 2066 | | 96 | 2067 | | 97–103 | 2069 | | 104"},{"i":2986,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie, van 21 december 2012, kenmerk: FM 2012-1985 M, tot aanwijzing van toezichtautoriteiten in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES en bekendmaking van de mandaatverlening inzake handhaving en sanctionering van die wet Mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op de [artikelen 1, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=1.1), [5.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=5.4), [5.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=5.9), [5.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=5.10), [5.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=5.11), en [5.12, derde lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=5.12); Besluit: Artikel 1 Als toezichtautoriteit in de zin van [artikel 1, eerste lid, onderdeel p, onder 1°, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=1.1) worden aangewezen de hierna te noemen bestuursorganen voor zover het betreft de diensten bedoeld in de daarbij te noemen onderdelen van [Bijlage A bij die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&bijlage=A): - a. de Stichting Autoriteit Financiële Markten: onderdelen e, voor zover het betreft het bemiddelen bij het sluiten van een levensverzekering tegen een premie als bedoeld in de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883), u en v; - b. De Nederlandsche Bank N.V.: onderdelen a tot en met d, e, voor zover het betreft het sluiten van een levensverzekering tegen een premie als bedoeld in de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883), f tot en met k, p tot en met t en w. Arti"},{"i":4569,"b":"Wet van 20 juni 1996 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Derde tranche Algemene wet bestuursrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, ter nadere uitwerking van [artikel 107, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=107), gewenst is de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) aan te vullen met bepalingen inzake mandaat en delegatie, inzake toezicht op bestuursorganen, inzake subsidies, inzake beleidsregels en inzake handhaving; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Bij Stb. 2001/208 is bepaald dat met ingang van 11 mei 2001 deze wet ook van toepassing is op de wetten genoemd in artikel VI, tweede lid. ARTIKEL I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. ARTIKEL II 1. Indien een besluit voor de inwerkingtreding van deze wet ter goedkeuring is verzonden, blijven op de goedkeuring van dat besluit de bepalingen van toepassing die gelden op de dag waarop het besluit ter goedkeuring is verzonden. 2. Indien een besluit voor de inwerkingtreding van deze wet is geschorst, blijven op de schorsing de bepalingen van toepassing die gelden op de dag waarop het besluit tot schorsing is bekendgemaakt. ARTIKEL III 1. [Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) is niet van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn verleend of vastgesteld. Op deze subsidies is het recht van toepassing zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 2. [Artikel 4:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23) is gedurende vier jaren na de inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op subsidies gelijksoortig aan die, welke doo"},{"i":3280,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 3 februari 2026 nr. BOACAT2026/005, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Lelystad Gelezen het verzoek van gemeente Lelystad van 19 januari 2026 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2026/3727. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052291&artikel=2&z=2026-04-18&g=2026-04-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Junior handhaver (Boa), Medior handhaver (Boa) en Senior handhaver (Boa) in dienst van gemeente Lelystad zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare"},{"i":4230,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 juli 2025 nr. MBO/52275347, houdende vaststelling van de subsidieplafonds voor het studiejaar 2024–2025 op grond van de Subsidieregeling praktijkleren Gelet op [artikel 14, eerste lid, van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=14); Besluit: Artikel 1 De subsidieplafonds, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=14) worden voor het studiejaar 2024–2025 als volgt vastgesteld: - a. voor subsidies als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=4): € 253.409.000; - b. voor subsidies als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=6): € 5.000.000; - c. voor subsidies als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=8): € 2.200.000; en; - d. voor subsidies als bedoeld in de [artikelen 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=9a), [9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=9c) en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=10): in totaal € 1.100.000. Artikel 2 Indien het voorstel van wet tot wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2025 (Kamerstukken 36 725 VIII) niet uiterlijk op 30 december 2025 tot wet is verheven, of ingevolge dat voorstel van wet onvoldoende middelen beschikbaar worden gesteld voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051315&artikel=1&z=2025-07-25&g=2025-07-25) bedoelde subsidieplafonds, worden de subsidieplafonds, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=14) voor het studiejaar 2024–2025, in afwijking van artikel 1, als volgt vastgesteld: - a. voor subsidies als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.n"},{"i":4411,"b":"Besluit van de Autoriteit Persoonsgegevens van 23 september 2025, betreffende het Bestuursreglement Autoriteit Persoonsgegevens besluit Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - –. **verordening:** [verordening (EU) 2016/679](32016R0679) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119); - –. **Autoriteit Persoonsgegevens:** de Autoriteit persoonsgegevens, zoals ingesteld op grond van [artikel 6 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=6); - –. **voorzitter:** lid, tevens voorzitter van de Autoriteit Persoonsgegevens; - –. **lid:** lid van de Autoriteit Persoonsgegevens; - –. **buitengewoon lid:** lid dat door de AP is benoemd in de zin van [artikel 7, tweede lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=7); - –. **raad:** Raad van advies bedoeld in [artikel 7, negende lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=7). Hoofdstuk 2. Inrichting en besluitvorming Artikel 2 1. De Autoriteit Persoonsgegevens vervult de taken die haar bij of krachtens wet en bij of krachtens de verordening zijn opgedragen. 2. De Autoriteit Persoonsgegevens verricht de werkzaamheden die noodzakelijk zijn om de in het eerste lid bedoelde taken naar behoren te kunnen vervullen. Artikel 3 1. De Autoriteit Persoonsgegevens bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. 2. De voorzitter benoemt één van de leden als vicevoorzitter. Deze benoeming wordt vastgelegd in een benoemingsbesluit. 3. De voorzitter wordt bij zijn afwezigheid of ontstentenis"},{"i":2697,"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 april 2011, nr. 5686299/11/DSP, tot afgifte van de Beschikking instantloterij Overwegende dat de geldigheidsduur van de Beschikking instantloterij 2006 op 30 april 2011 verstrijkt; Gelezen het verzoek van de Stichting de Nationale Sporttotalisator (De Lotto) van 7 februari 2011 haar opnieuw vergunning te verlenen voor het organiseren van de instantloterij; Gehoord het advies van het College van toezicht op de kansspelen van 23 maart 2011, nr. C.257/11; Gelet op de [artikelen 14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14b), [14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c) en [34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34) (Stb. 1964, 483); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. **de staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; - c. **de stichting:** Stichting de Nationale Sporttotalisator; - d. **het college:** het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - e. **instantloterij:** een loterij als bedoeld in [artikel 14a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14a); - f. **verkooppunt:** een inrichting als bedoeld in [artikel 14c, tweede lid, onder b. van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c); - g. **uitgifte van deelnamebewijzen:** het door de stichting afgeven van deelnamebewijzen aan de verkooppunten; - h. **prijzenreserve:** een reservering die is opgebouwd uit niet geïnde prijzen. Artikel 2 1. Aan de stichting wordt voor de duur van twee maanden, te rekenen van 1 mei 2011 tot en met 30 juni 2011 vergunning verleend tot het organiseren van instantlo"},{"i":3137,"b":"Besluit van 16 april 2026, houdende regels voor de openbaar te maken gegevens in geval van openbaarmaking van een bestuurlijke boete of last onder dwangsom en het behoud van kinderpornografisch materiaal, alsmede vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 9 en 12 van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal (Besluit bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal) [KetenID WGK027195] Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 10 oktober 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6784255; Gelet op de [artikelen 9, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=9), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=12) en [17 van de Wet bestuursrechtelijke aanpak voor online kinderpornografisch materiaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=17); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 december 2025, nr. W16.25.00308/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 7 april 2026, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 7316212; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813). Artikel 2. Plaats en duur openbaarmaking 1. Indien de Autoriteit besluit tot openbaarmaking van een beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete of een beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom, wordt de beschikking, bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=7) onderscheidenlijk [artikel 8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=8), door de Autoriteit geplaatst op een website met informatie van de Autoriteit. 2. Onderdelen van de beschikking, bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel"},{"i":3155,"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot verscheidene bijzondere prudentiële maatregelen, het beleggerscompensatie- en het depositogarantiestelsel op grond van de Wet op het financieel toezicht (Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 juni 2006, nr. FM 2006-01568; Gelet op de [richtlijn nr. 94/19/EG](31994L0019) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L135), de [richtlijn nr. 97/9/EG](31997L0009) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG L84) en de [artikelen 3:116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:116), [3:132, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:132), [3:136, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:136), [3:156, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:156), [3:259, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:259), en [3:266, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:266); De Raad van State gehoord, advies van 17 augustus 2006, nr. W06.06.0258/IV; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 9 oktober 2006 nr. FM 2006-01983; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **gedelegeerde verordening bijdragen afwikkelingsfonds:** gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van [Richtlijn 2014/59](32014L0059)/EU van het Europees Parlement en de Raad van wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PbEU 2015, L 11); - b. groep banken of groep financiële ondernemingen: twee of meer banken onderscheidenlijk financiël"},{"i":3088,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 7 juni 2024, nr. DGED/DE/45732471 handelend in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, inzake de keuze voor het instrument veiling voor de uitgifte van vergunningen voor commerciële digitale radio-omroep in DAB-laag 6 (Besluit bekendmaking veiling DAB-laag 6) Gelet op [artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10), en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De DAB-vergunningen in frequentieband 174–230 MHz, genoemd in tabel 1, worden, met de daaraan te verbinden voorschriften en beperkingen, verleend met toepassing van een veiling als bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). | Allotment | Capaciteit commercieel | Bijlagen | Demografisch bereik DAB allotment | Allotment | Capaciteit commercieel | Bijlagen | Demografisch bereik DAB allotment | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | 18 | 1, allotment 1 | 0,06% | 30 | 14 | 1, allotment 30 | 2,91% | | 2 | 17 | 1, allotment 2 | 0,73% | 31 | 14 | 1, allotment 31 | 2,06% | | 3 | 16 | 1, allotment 3 | 0,56% | 32 | 10 | 1, allotment 32 | 3,47% | | 4 | 16 | 1, allotment 4 | 0,36% | 33 | 13 | 1, allotment 33 | 3,97% | | 5 | 17 | 1, allotment 5 | 0,72% | 34 | 15 | 1, allotment 34 | 0,95% | | 6 | 17 | 1, allotment 6 | 0,56% | 35 | 16 | 1, allotment 35 | 1,51% | | 7 | 16 | 1, allotment 7 | 1,70% | 36 | 12 | 1, allotment 36 | 2,53% | | 8 | 15 | 1, allotment 8 | 0,94% | 37 | 12 | 1, allotment 37 | 1,22% | | 9 | 15 | 1, allotment 9 | 0,96% | 38 | 13 | 1, allotment 38 | 3,65% | | 10 | 17 | 1, allotment 10 | 0,82% | 39 | 13 | 1, allotment 39 | 2,49% | | 11 | 15 | 1, allotment 11 | 1,09% | 40 | 11 | 1, allotment 40 | 3,35% | | 12 | 15 | 1, allotment 12 | 0,93% |"},{"i":3831,"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging afdeling Bezwaar & Beroep Gezien [artikel 12 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036124&artikel=12) van 23 december 2014, waarbij aan hem mandaat, volmacht en machtiging is verleend voor bevoegdheden in het kader van de afwikkeling van bezwaar- en beroepschriften en mediation; Gelezen de in [artikel 14 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036124&artikel=14) neergelegde toestemming van de voorzitter van het CAK aan de manager van de afdeling Bezwaar & Beroep om voor de bevoegdheden in verband met de behandeling van bezwaren en beroepen, alsmede mediation, ondermandaat te verlenen; Besluit: Artikel 1. : definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het Besluit:** het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036124) van 23 december 2014. - b. **manager:** de manager van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - c. **senior functionarissen:** de senior functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - d. **functionarissen:** de functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - e. **mediationvertegenwoordigers:** medewerkers van het CAK die zijn aangewezen om het CAK te vertegenwoordigen in mediation. Artikel 2. : behandelen bezwaarschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - –. voor het ondertekenen van extern gerichte brieven en andere stukken op het werkterrein van de in [artikel 12 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036124&artikel=12) bedoelde bezwaarbehandeling; - –. voor het extern mondeling, schriftelijk en elektronisch uitdragen van standpunten en het verstrekken van informatie met betrekking tot de eigen werkzaamheden; - –. voor het vertegenwoordigen van het CAK in mediation in het kader van bezwaarprocedures; aan de senior functionarissen, a"},{"i":4807,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 april 2018, houdende mandaatverlening aan de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst voor het verlenen van toestemming voor het aanwijzen van personen die bij uitsluiting van anderen bevoegd zijn tot kennisneming van de inhoud van verworven gegevens (Mandaatbesluit AIVD functiescheiding 2018) Gelet op de [artikelen 47, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=47), [48, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=48) en [49, vijfde lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=49); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **AIVD:** de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - c. **Hoofd van de dienst:** de directeur-generaal van de AIVD; - d. **Wet:** [Wet op de inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896). Artikel 2 De Minister verleent het hoofd van de dienst mandaat om toestemming te verlenen aan door hem bij besluit aangewezen ondergeschikte ambtenaren, welke ter uitvoering van het bepaalde in de [artikelen 47, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=47), [48, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=48) en [49, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=49), bij uitsluiting van anderen kennis mogen nemen van verworven gegevens ten behoeve van de in die artikelen bedoelde activiteiten. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum waarop de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896) in werking treedt. Artikel 4 Dit besluit zal met de toelichting in de Sta"},{"i":4248,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 6 juli 2016, nr. MinBuza-2016.390112, tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 1 februari 2016, nr. MinBuza-2016.511651 tot vaststelling van enkele subsidieplafondsWijziging subsidieplafond missievouchers) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Besluit: Artikel I 1. Wijzigt het Besluit vaststelling enkele subsidieplafonds (internationaal ondernemen). 2. Aanvragen die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend en waarop nog niet is beslist komen het eerst voor subsidieverstrekking in aanmerking. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4327,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 15 oktober 2010, nr. DJZ/BR/0802-10, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Projectdirecteur SBOS inzake de uitvoering van de Subsidiefaciliteit Burgerschap en Ontwikkelingssamenwerking (SBOS) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 1. Aan de Projectdirecteur SBOS wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken besluiten te nemen, rechtshandelingen te verrichten en de daartoe benodigde voorbereidingshandelingen te verrichten met het oog op de toepassing van het [besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 30 september 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028807), nr. DVL-0657/2010, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van de Subsidiefaciliteit Burgerschap en Ontwikkelingssamenwerking. 2. Het mandaat strekt zich mede uit tot besluiten op bezwaarschriften voorzover het besluit, waartegen het bezwaar zich richt, niet door de Projectdirecteur SBOS in mandaat is genomen. Artikel 2 De Projectdirecteur SBOS kan met betrekking tot de door hem krachtens mandaat, volmacht of machtiging uitgeoefende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028877&artikel=1&z=2010-10-23&g=2010-10-23), ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 3 De bevoegdheden, bedoeld in de [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028877&artikel=1&z=2010-10-23&g=2010-10-23), strekken zich uit tot na afloop van de werkingsduur van het besluit, genoemd in artikel 1, eerste lid, voorzover de uitoefening daarvan betrekking heeft op besluiten en handelingen genomen of verricht tijdens die werkingsduur. Artikel 4 Dit besluit treedt"},{"i":3219,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 24 januari 2018 nr. BOACAT2018/006, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente De Ronde Venen Gelezen het verzoek van de gemeente De Ronde Venen van 9 januari 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040570&artikel=2&z=2018-02-01&g=2018-02-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver in dienst van de gemeente De Ronde Venen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan"},{"i":4008,"b":"Besluit SONT tarieven en voorwerpen thuiskopievergoeding 2026 De tarieven en voorwerpen (apparaten) van de thuiskopievergoeding voor het jaar 2026 komen als volgt te luiden: Voor refurbished voorwerpen die door een onderneming worden aangeboden aan eindgebruikers geldt een tarief dat met 40% verlaagd is ten opzichte van het tarief in de tabel."},{"i":3581,"b":"Besluit van 17 november 2017 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de implementatie van de verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP’s) (PbEU 2014, L 352) (Besluit implementatie verordening essentiële-informatiedocumenten) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 17 juli 2017, 2017-0000131798, directie Financiële Markten; Gelet op Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP’s) en de [artikelen 4:22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:22) en [4:25, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:25); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 augustus 2017, nr.W06.17.0226/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 14 november 2017, 2017-0000215354, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet implementatie verordening essentiële-informatiedocumenten in werking treedt Artikel I Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Artikel III Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet implementatie verordening essentiële-informatiedocumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039660) in werking treedt. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit implementatie"},{"i":12198,"b":"Besluit van de Directeur Operatie van de directie MKB van 13 augustus 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de regiodirecteuren en de teamleiders van de regiokantoren van de directie MKB wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":12879,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Verslavingsbeleid 1945- (Minister van Economische Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Verslavingsbeleid over de periode 1945–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13935,"b":"Wet van 21 december 2000, houdende regels met betrekking tot het beëindigen van de overeenkomst van samenwerking van de elektriciteitsproductiesector en tot het aandeelhouderschap van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet (Overgangswet elektriciteitsproductiesector) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is in verband met de liberalisering van de elektriciteitsproductie te voorzien in regels voor de verdeling van rechten en verplichtingen bij de beëindiging van de overeenkomst van samenwerking van de elektriciteitsproductiesector, voor de tegemoetkoming in de daarmee verband houdende kosten van die sector en voor de overgang van de meerderheid van de aandelen van de vennootschap die is aangewezen als netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet naar de Staat; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 augustus 2000. Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder productiebedrijf of aangewezen vennootschap: de rechtspersoon die vergunninghouder onderscheidenlijk aangewezen vennootschap als bedoeld in artikel 1 van de Elektriciteitswet 1989 was, of de rechtsopvolger daarvan. 2. Onder de overige in deze wet gebruikte termen wordt verstaan hetgeen daaronder verstaan wordt in de [Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755). Paragraaf 2. Verdeling van rechten en verplichtingen Artikel 2 1. De productiebedrijven zijn gezamenlijk aansprakelijk voor de kosten, bedoeld in het tweede lid, met inachtneming van de volgende onderlinge verdeling: - a. n.v. Elektriciteits-Produktiemaatschappij Oost- en Noord-Nederland: 29,5%; - b. n.v. Elektriciteits-Produktiemaatschappij Zuid-Nederland: 28,5%; - c. n.v. Electriciteitsbedrijf Zuid-Holland: 19,5%; - d. n.v. Energieproduktiebedrijf UNA: 22,"},{"i":12958,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 augustus 2017, nr. WJZ/17131527, tot vaststelling van het verminderingspercentage van periode 4 in het kader van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Regeling fosfaatreductieplan 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Het verminderingspercentage, bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van de Regeling fosfaatreductieplan 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1), bedraagt 12% voor periode 4. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12550,"b":"Besluit van 13 december 1965, houdende regeling van de berichtgeving betreffende het Koninklijk Huis Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 9 december 1965, nr. 165098; Overwegende, dat een regeling van de berichtgeving betreffende Ons Huis noodzakelijk is; Dat zowel het belang van Ons Huis als dat van de Staat vordert, dat de berichtgeving Ons Huis betreffende en die van de Regering gecoördineerd worden; Dat daartoe een orgaan moet worden aangewezen, hetwelk zo nauw mogelijk dient samen te werken met de hiertoe door Ons aangewezen functionarissen van Ons Huis; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst zal Ons en de leden van Ons Huis desgevraagd of op eigen initiatief adviseren in de publiciteitsaangelegenheden Ons Huis betreffende. Artikel 2 De Rijksvoorlichtingsdienst wordt belast met de voorbereiding en de uitvoering van de berichtgeving betreffende Ons Huis. Hiertoe werkt de Directeur, of daartoe aangewezen ambtenaren van die dienst, zo nauw mogelijk samen met de daartoe door Ons aangewezen functionarissen van Ons Huis. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit Besluit."},{"i":13124,"b":"Bijdrageregeling opgeviste explosieven 1992 Overwegende dat het gewenst is de risico's als gevolg van het opvissen van explosieven te beperken door middel van een financiële tegemoetkoming aan vissers die een opgevist explosief onmiddellijk onschadelijk laten maken: Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Bijdrage; doelgroep en hoogte 1. Een visser die binnen de Nederlandse visserijzone – maar buiten een munitie-stortplaats of oefengebied van het Ministerie van Defensie – een explosief heeft opgevist, komt in aanmerking voor een bijdrage, indien hij overeenkomstig [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005727&artikel=3&z=2019-07-01&g=2019-07-01) onmiddellijk gelegenheid geeft het explosief onschadelijk te maken. 2. De bijdrage voor een opgevist explosief bedraagt € 181,51 bruto met de volgende beperkingen: - a. indien binnen één kalenderweek, beginnende op maandag, door één en hetzelfde vissersvaartuig meer dan één explosief wordt opgevist, bedraagt de bijdrage voor ieder meerder explosief € 45,38 bruto; - b. voor explosieven die binnen één kalenderjaar door één en hetzelfde vissersvaartuig worden opgevist, wordt ten hoogste € 2.268,90 bijdrage toegekend. Artikel 3. De vereiste medewerking aan onschadelijkmaking Voor toekenning van de bijdrage wordt vereist dat de visser: - a. het opvissen van een explosief onmiddellijk aan de Directeur Kustwacht, bedoeld in [artikel 14 van de Regeling organisatie Kustwacht Nederland](onbekend), meldt teneinde assistentie van het Ministerie van Defensie en de Kustwacht te verkrijgen; - b. bij de melding de volgende informatie geeft: - 1. nationaliteit van het vaartuig alsmede lettertekens en nummer of roepnaam. - 2. geografische positie van het vaartuig bij het opvissen. - 3. zo duidelijk mogelijke beschrijving van het explosief. - 4. getroffen maatregelen: - c. aan het Ministerie van Defensie gelegenheid geeft het explosief op zee over te nemen of aan boord van het vissersvaart"},{"i":13909,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 april 2026, nr. 2026-0000120908, houdende de inrichting van de directie Stelsel en Volksverzekeringen alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Stelsel en Volksverzekeringen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Stelsel en Volksverzekeringen 2026) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=3), en [10 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directeur-generaal Sociale Zekerheid en Integratie 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=10); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **AIO:** Algemene Inkomensondersteuning Ouderen. - b. **AKW:** [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368); - c. **ANW:** [Algemene Nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795); - d. **AOW:** [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221); - e. **BIDN:** Bureau InformatieDiensten Nederland; - f. **BKWI:** Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen; - g. **NAU:** Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt; - h. **SV:** de directie Stelsel en Volksverzekeringen van het ministerie; - i. **SVB:** Sociale Verzekeringsbank; - j. **SUWI-organisaties:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6), de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6) en het Inlichtingenbureau, genoemd in [artikel 63 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=63); - k. **UWV:** Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen; - l. **Wet SUWI:** de [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060). § 2"},{"i":13931,"b":"Besluit van 2 juni 2003, houdende overgang van het beheer van de Voedsel en Waren Autoriteit (Overgangsbesluit beheer Voedsel en Waren Autoriteit) Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 28 mei 2003, kenmerk 03M456791; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij wordt belast met de zorg voor het beheer met betrekking tot de Voedsel en Waren Autoriteit, voorzover deze zorg voor 27 mei 2003 was opgedragen aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 27 mei 2003. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":13967,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juni 2016, kenmerk 926933-146877-CZ, houdende vaststelling van regels ten aanzien van in-vitrofertilisatie (Planningsbesluit in-vitrofertilisatie 2016) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=5) en [6, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Definitie In deze regeling wordt verstaan onder in-vitrofertilisatie: het tot stand brengen van menselijke embryo’s buiten het lichaam. Artikel 2. Behoefteraming De omvang van de behoefte aan in-vitrofertilisatie en de wijze waarop in deze behoefte kan worden voorzien, zijn neergelegd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038113&bijlage=1&z=2024-06-05&g=2024-06-05). Artikel 3. Voorwaarden De voorwaarden die gesteld worden aan een vergunningaanvraag zijn neergelegd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038113&bijlage=2&z=2024-06-05&g=2024-06-05). Artikel 4. Verleningprocedure De vergunningverleningprocedure is neergelegd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038113&bijlage=2&z=2024-06-05&g=2024-06-05). Artikel 5. Voorschriften De voorschriften behorend bij een vergunning voor in-vitrofertilisatie zijn neergelegd in de beleidsregels in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038113&bijlage=3&z=2024-06-05&g=2024-06-05). Artikel 6. Overgangsrecht Vergunningen die op het moment van inwerkingtreding van deze regeling geldig zijn voor het uitvoeren van in-vitrofertilisatie, worden gelijkgesteld met vergunningen, verleend ingevolge deze regeling. Artikel 7. Intrekking Het [Planningsbesluit in-vitrofertilisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009523) wordt ingetrokken. Artikel 8. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na"},{"i":13933,"b":"Overgangsregeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten 1992. Artikel II 1. De in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006157&artikel=I&z=1994-04-01&g=1994-04-01), aanhef, bedoelde regeling blijft van toepassing op aanvragen om te worden aangemerkt als A.D.L.-kandidaat als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van die regeling, voor zover die aanvragen bij de minister zijn ingediend vóór 1 januari 1994. 2. De in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006157&artikel=I&z=1994-04-01&g=1994-04-01), aanhef, bedoelde regeling blijft van toepassing op aanvragen om een bijdrage ineens voor het stichten van een A.D.L.-cluster als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van die regeling, voor zover die aanvragen overeenkomstig artikel 53 van die regeling aan de minister zijn toegezonden vóór het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de op die aanvragen betrekking hebbende aanvragen om geldelijke steun als bedoeld in de artikelen 55 en 56 van die regeling, onverminderd de in of op voet van die regeling gestelde termijnen, vóór 1 oktober 1996 bij de minister worden ingediend. 3. De in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006157&artikel=I&z=1994-04-01&g=1994-04-01), aanhef, bedoelde regeling blijft van toepassing ten aanzien van aanvragen om bijdragen ineens als bedoeld in artikel 21 van die regeling die de in artikel 18 van die regeling genoemde bedragen te boven gaan, die vóór 1 januari 1994 bij de gemeenten zijn ingediend, met dien verstande dat de op die aanvragen betrekking hebbende aanvragen om geldelijke steun als bedoeld in artikel 25 van die regeling, onverminderd de in of op voet van die regeling gestelde termijnen, vóór 1 oktober 1996 bij de minister worden ingediend. Artikel III 1. De Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten 1992 wordt ingetrokken met inachtneming van het tweede en derde lid. 2. De in het eerste"},{"i":14044,"b":"Regeling activiteitenprogramma’s creatieve industrie gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit vast te stellen de navolgende regeling, houdende regels voor het verstrekken van tweejarige subsidies aan instellingen voor de uitvoering van een activiteitenprogramma ter bevordering van de kwaliteit van de creatieve industrie. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen De in deze regeling gehanteerde begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597), met dien verstande dat wordt verstaan onder: - 1. **Het fonds:** het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie; - 2. **Bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds, als bedoeld in [artikel 5 van de statuten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047849&artikel=5); - 3. **Creatieve industrie:** het werkterrein van de ontwerpende disciplines vormgeving, architectuur en digitale cultuur, inclusief mogelijke cross-overs tussen deze disciplines; - 4. **Koninkrijk:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit de landen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - 5. **Culturele instelling:** een non-profit-, privaatrechtelijke rechtspersoon met een ondersteunende, producerende of initiërende functie binnen de creatieve industrie zoals een lab of werkplaats, een platform of een presentatieplek; - 6. **Aanvrager:** een culturele instelling die op grond van deze regeling een subsidieaanvraag doet bij het fonds; - 7. **Activiteit:** een in het activiteitenprogramma opgenomen activiteit die bijdraagt aan de hoogwaardige kwaliteit, ontwikkeling en professionalisering van de hedendaagse creatieve industrie binnen het Koninkrijk; - 8. **Activiteitenprogramma:** een reeks van met elkaar samenhangende activiteiten, die gespreid over de looptijd van twee kalenderjaren worden uitgevoerd"},{"i":13345,"b":"Implementatiewet gewijzigde AIFM-richtlijn en icbe-richtlijn Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van [Richtlijn (EU) 2024/927](32024L0927) van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 tot wijziging van de [Richtlijnen 2011/61/EU](32011L0061) en [2009/65/EG](32009L0065) wat betreft delegatieregelingen, liquiditeitsrisicobeheer, toezichtrapportage, verlening van bewaar- en bewaarnemingsdiensten en leninginitiëring door alternatieve beleggingsfondsen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet gewijzigde AIFM-richtlijn en icbe-richtlijn. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":13908,"b":"Order of the Minister for Foreign Trade and Development Cooperation of 7 September 2023, no.MinBuza.2023.18814-20, laying down administrative rules and a ceiling for grants awarded under the Ministry of Foreign Affairs Grant Regulations 2006 (Orange Corners Innovation Fund Grant Programme 2024–2030) Having regard to [articles 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) and [7 of the Ministry of Foreign Affairs Grants Decree](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Having regard to [articles 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) and [7.2 of the Ministry of Foreign Affairs Grant Regulations 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Orders: Article 1 The administrative rules appended as an annexe to this Order apply to grants awarded under [articles 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) and [7.2 of the Ministry of Foreign Affairs Grant Regulations 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) with a view to enhancing access to finance for young entrepreneurs who provide innovative, sustainable solutions to challenges in Africa, the Middle East and Asia in the framework of the Orange Corners Innovation Fund (OCIF) Grant Programme 2024–2030, from the date on which this Order enters into force up to and including 31 December 2030. Article 2 1. Grant applications under the Orange Corners Innovation Fund Grant Programme 2024–2030 may be submitted in several different rounds. 2. Applications for grants in the first round of the Orange Corners Innovation Fund Grant Programme 2024–2030 should focus on the target locations Angola, Côte d’Ivoire, the Democratic Republic of the Congo, Morocco, Mozambique, Nigeria and the Palestinian Territories, and must be submitted between 2 October 2023 and 12.00 noon CET on 20 November 2023. 3. Applications for grants in the second round of the Orange Corners Innovation Fund Grant Programme 2024–2030 sho"},{"i":14201,"b":"Regeling DNA-onderzoek in strafzaken Gelet op de [artikelen 2, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=2), [3, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=3), [4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=4), [5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=5), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=8), en [11, tweede lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=11), Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder besluit: het [Besluit DNA-onderzoek in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791). Artikel 2 Voor het afnemen van wangslijm, bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=2) en [3 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=3), wordt gebruik gemaakt van de afnameset van COPAN FLOCK TECHNOLOGIES SRL, productnummer A33908. Artikel 3 Voor het afnemen van bloed, bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=2) en [3 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=3), wordt gebruik gemaakt van de afnameset van firma De Ridder, productnummer R000520040. Artikel 4 Voor het afnemen van haarwortels, bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=2) en [3 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=3), wordt gebruik gemaakt van de afnameset van firma De Ridder, productnummer R000520030. Artikel 5 1. Voor het afnemen van wangslijm, bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=2) en [3 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012791&artikel=3), kan tot 1 januari 2019 tevens gebruik wor"},{"i":13808,"b":"Wet van 14 juli 2021, houdende machtiging tot oprichting van de Nederlandse financierings- en ontwikkelingsinstelling Invest International (Machtigingswet oprichting Invest International) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat Nederland beschikt over een financierings- en ontwikkelingsinstelling voor internationale activiteiten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **internationale projecten:** projecten gericht op activiteiten in het buitenland door of met betrokkenheid van overheden of andere entiteiten, niet handelende als ondernemingen; - **Invest International:** de besloten vennootschap Invest International B.V., genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045430&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-07-21&g=2021-07-21); - **onderneming:** iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die economische activiteiten op het gebied van productie of dienstverlening uitvoert; - **Onze Minister:** Onze Minister van Buitenlandse Zaken; - **verschillende activiteiten:** enerzijds producten of diensten met betrekking tot welke aan Invest International bij of krachtens deze wet een bijzonder of uitsluitend recht is verleend of een wettelijke taak is opgedragen of diensten van algemeen economisch belang waarmee Invest International is belast, en anderzijds elk ander afzonderlijk product met betrekking tot hetwelk of elke andere afzonderlijke dienst met betrekking tot welke Invest International voor eigen rekening en risico diensten verricht. 2. Onder «Nederlandse economie» wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen mede verstaan de economie"},{"i":12417,"b":"Besluit interdisciplinaire Regiegroep bestrijding voetbalvandalisme en -geweld Overwegende dat de bestrijding van voetbalvandalisme en -geweld slechts dan succesvol kan zijn als alle betrokken instanties daarin hun verantwoordelijkheid nemen en de hen ten dienst staande bevoegdheden ten volle benutten; dat bij de aanpak aldus een belangrijke rol is weggelegd voor onderling overleg en afgestemde inzet van bevoegdheden; dat gezien het grote aantal betrokkenen en de omvang en complexiteit van de problematiek enige kaderstelling gewenst is; dat het daartoe wenselijk is een landelijk overleg te hebben dat zal bevorderen dat verantwoordelijkheden en bevoegdheden duidelijk zijn en in onderlinge afstemming worden ingezet; dat het op de weg ligt van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als coördinerend minister bestrijding voetbalvandalisme en -geweld, hiertoe de nodige initiatieven te ontplooien; Besluit: Artikel 1. Interdisciplinaire Regiegroep Er is een interdisciplinaire Regiegroep bestrijding voetbalvandalisme en -geweld (verder: de Regiegroep). Artikel 2. Taak De Regiegroep heeft tot taak: - –. het formuleren van beleidsuitgangspunten en het afstemmen van het gebruik van beleidsinstrumenten op het gebied van de bestrijding van voetbalvandalisme en -geweld; - –. het vormen van een platform voor het uitwisselen van kennis en ervaring op het gebied van de bestrijding van voetbalvandalisme en -geweld; - –. het initiëren van beleidsontwikkelingen en eventueel daarvoor benodigd onderzoek op het gebied van de bestrijding van voetbalvandalisme en -geweld. Artikel 3. Samenstelling In de Regiegroep hebben zitting: - a. De directeur Politie namens het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als voorzitter tevens lid; - b. De directeur Juridische en Operationele Aangelegenheden namens het Ministerie van Justitie, als lid; - c. De directeur betaald voetbal van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, namens de Koninklijke Nederlandse Voetbal"},{"i":12440,"b":"Besluit inzake volginnovatie 2014 Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de navolgende onderdelen van [artikel 1, eerste lid, van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035463&artikel=1): 12. Innovatiekredieten (Klinische ontwikkelingsprojecten); 13. Innovatiekredieten (Technische ontwikkelingsprojecten); Gelet op de navolgende onderdelen van [artikel 3, eerste en tweede lid, van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035463&artikel=3): 9. MIT ipc, Bijlage 3 Logistiek, Thema’s 1 t/m 5; 32. MIT-ipc, Bijlage 7 Creatief, 1 t/m 6, A t/m D en a t/m d, IPC 1 t/m 6, A t/m D en a of b; Gelet op de navolgende onderdelen van [artikel 4, eerste en tweede lid, van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035463&artikel=4): 1. BBE Innovatieproject; 2. BBE-KEW project; 4. GG-project; 5. GG-project; 9. Early adopterproject; 13. DEI-project; 14. Systeemintegratieproject (1. Hybride energie-infrastructuren en energieopslag, 2. Keteninteracties); 15. Jip-energiebesparing industrieproject (Nieuwe generatie scheidingstechnologie als vervanging van energie-intensieve destillatie, Intensifiëren van processen en optimaliseren van warmte- en stofoverdracht, Energie-efficiënte manier van gasscheiding en gasbehandeling, Verwijderen van waardevolle componenten uit waterstromen, en ontwikkelen van alternatieven voor huidige energie-intensieve behandelingsmethoden zoals verdamping, Nieuwe generatie warmtegebruik systemen); 17. Smart grids-project (1. Energiemanagement voor flexibiliteit"},{"i":13100,"b":"Besluitvorming aanvulling taallijst (2) **Overwegende dat:** de Adviescommissie Talen [Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) zijn grondslag vindt in de [Regeling van de Raad voor Rechtsbijstand van 6 augustus 2015, houdende de instelling van de Adviescommissie Talen Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036939) (Stcrt 2015, nr. 25102); de Adviescommissie Talen [Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) advies uitbrengt over de wettelijke competentie Taalvaardigheid; de Raad voor Rechtsbijstand aanleiding heeft gezien om advies in te winnen bij de Adviescommissie Talen [Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) omtrent het aanvullen van de taallijst; De Adviescommissie Talen [Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) op 29 oktober 2020 advies heeft uitgebracht; **Stelt vast dat:** Het Chichewa niet ruim schriftelijk wordt gebruikt; Het Nyanja een niet-voorkeursnaam is voor het Chichewa; Het Garre een spreektaal is; Het Garre wordt beschouwd als een dialect van het Somali; Het Karre een niet-voorkeursnaam is voor het Garre; Het Jola-Fonyi niet ruim schriftelijk wordt gebruikt; Het Diola-Fogny en het Joola-Fonyi niet-voorkeursnamen zijn voor het Jola-Fonyi; Het Saho niet ruim schriftelijk wordt gebruikt; Onderscheid kan worden gemaakt in de gehanteerde geschriften van het Saho, te weten het Latijns en het Fidel schrift; Het geschrift dat wordt gebruikt in Eritrea is het Latijns schrift; Het geschrift dat wordt gebruikt in Ethiopië is het Fidel schift. Het Kinyamulenge een spreektaal is; Het Kinyamulenge een dialect is van het Kinyarwanda; Het Nyika een spreektaal is. **Besluit dat:** **Slotbepalingen** Dit besluit wordt aangehaald als ‘Besluitvorming aanvulling taallijst (2)’. Bekendmaking vindt plaats door publicatie in de Staatscourant. Dit besluit treedt in werking één dag na publicatie in de Staatscourant."},{"i":12114,"b":"Besluit van 20 maart 2003 tot uitvoering van artikel 13, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Besluit bericht omtrent toelating) Op de voordracht van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 12 september 2002, Directie Wetgeving, nr. 5184659/02/6; Gelet op de [artikelen 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13), en [23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 12 november 2002, nr. W03.02 0403/I/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 13 maart 2003, Directie Wetgeving, nr. 5215755/03/6; De bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde: Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk; - **openbaar lichaam:** de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 1. Onze Minister, Onze Minister van Justitie van Aruba, Onze Minister van Justitie van Curaçao en Onze Minister van Justitie van Sint Maarten wijzen, elk in hun gebied, de autoriteiten en ambtenaren aan, bevoegd tot het afgeven van berichten omtrent toelating. 2. Onze Minister van Justitie van Aruba, Onze Minister van Justitie van Curaçao en Onze Minister van Justitie van Sint Maarten berichten Onze Minister over de door hen aangewezen autoriteiten en ambtenaren. Artikel 3 Het bericht omtrent toelating informeert omtrent de periode gedurende welke een persoon tot het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen is toegelaten. Artikel 4 1. De ingevolge [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&a"},{"i":12221,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 21 juli 2015, nr. 668051, houdende erkenning van de Geschillencommissie Algemeen als geschillencommissie zoals bedoeld in de Erkenningsregeling geschillencommissie consumentenklachten 1997 Gezien het verzoek om erkenning betreffende de Geschillencommissie Algemeen van 3 juni 2015, schriftelijk ingediend door de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken; Overwegende dat verzoekster heeft voldaan aan de in [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&artikel=3) en [4 van de Erkenningsregeling geschillencommissies consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&artikel=4) (Stcrt. 1996, 248) vermelde erkenningseisen; Overwegende dat genoemde commissie in voldoende mate zal bijdragen aan het oplossen van geschillen die hun oorsprong vinden in consumentenklachten; Gelet op [artikel 2 van de Erkenningsregeling geschillencommissies consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De Geschillencommissie Algemeen, die in stand wordt gehouden door de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken, wordt erkend als geschillencommissie zoals bedoeld in de [Erkenningsregeling geschillencommissie consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448). Artikel 2 De Geschillencommissie Algemeen dient wijzigingen in de gegevens als bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Erkenningsregeling geschillencommissie consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&artikel=5), zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de Minister van Veiligheid en Justitie door te geven. Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag volgende op die publicatie."},{"i":12245,"b":"Besluit van het college van afgevaardigden van 1 december 2022 tot vaststelling van de hoogte van de financiële bijdrage (Besluit financiële bijdrage 2023) gelet op [artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=32); gezien de door de algemene raad aan het college van afgevaardigden voorgelegde begroting van inkomsten en uitgaven voor het jaar 2023; BESLUIT: Artikel 1. Hoogte financiële bijdrage 1. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2023 voor categorie 1 bedraagt: € 1.038. 2. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2023 voor categorie 2 bedraagt: € 339. Artikel 2. Slotbepalingen 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële bijdrage 2023."},{"i":12321,"b":"Besluit van 1 oktober 1992, houdende hernieuwde vaststelling van het besluit tot instelling van het Mobilisatie-Oorlogskruis Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 23 september 1992, Sectie Onderscheidingen, nr. DO 024/92/25281, gedaan mede namens Onze Ministers voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken, van Binnenlandse Zaken, van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er is een Mobilisatie-Oorlogskruis. Artikel 2 1. Het versiersel van het Mobilisatie-Oorlogskruis bestaat uit een vierarmig bronzen kruis, waarvan de armen gevormd worden door facetvormig geslepen zwaardpunten. Tussen de armen van het kruis bevinden zich diagonaalsgewijs gekruist twee stormdolken met de punten naar boven gericht. Op deze dolken rust een helm, omgeven met een lauwerkrans. Als komende uit het hart van het kruis, bevindt zich tussen de kruisarmen een cirkelvormige uitstraling. De lengte der kruisarmen is 21 mm en de grootste breedte is 13 mm. De lengte der dolken is 29 mm, de breedte van het lemmet is 2½ mm en de breedte van de heftknop is 4 mm. De achterzijde van het kruis draagt de tekst \"Den Vaderlant ghetrouwe\" en heeft in het midden een cirkel, die over de helft der kruisarmen valt. De cirkel is begrensd door de achterzijde van de uitstraling en is hol. 2. Het kruis is door middel van een ring verbonden aan een paars lint van 27 mm breed met in het midden een 6 mm brede verticale oranje baan. 3. Het is aan hen, die zijn gerechtigd tot het dragen van het Mobilisatie-Oorlogskruis vergund een kruis van verkleind model onder aan het lint, dan wel het lint alleen te dragen. Artikel 3 1. Het Mobilisatie-Oorlogskruis kan door of namens Onze Minister van Defensie worden toegekend aan: - A. Oud-militairen, destijds in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden, die behoord hebben tot de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht, het voormalig Koninklijk Nederlands-Indisch leger en de Troepen in de Neder"},{"i":13229,"b":"Deurwaarderswet BES Artikel 1 1. De dienst van deurwaarder wordt, behoudens het bepaalde in de [artikelen l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028261&artikel=1&z=2015-01-01&g=2015-01-01), [7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028261&artikel=7a&z=2015-01-01&g=2015-01-01) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028261&artikel=8&z=2015-01-01&g=2015-01-01) verricht door deurwaarders, adspirant-deurwaarders en toegevoegd-adspirant-deurwaarders. 2. De deurwaarders en adspirant-deurwaarders worden bij koninklijk besluit in hun hoedanigheid benoemd. 3. Onder deurwaarders worden in deze wet mede adspirant-deurwaarders en toegevoegd-adspirant-deurwaarders verstaan, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk of uit de samenhang blijkt. Artikel 2 De deurwaarders zijn openbare ambtenaren. Zij zijn bevoegd en gehouden tot het doen van alle gerechtelijke aanzeggingen, bekendmakingen, protesten en verdere exploiten, hetzij die al dan niet met een aanhangig rechtsgeding in verband staan, en het doen van dagvaardingen, insinuaties en betekeningen alsmede van exploiten ter uitvoering van rechterlijke bevelen en vonnissen, een en ander voor zover zulks niet bij uitsluiting aan anderen is opgedragen. Artikel 3 1. Aan een deurwaarder wordt bij zijn benoemingsbesluit een bepaald openbaar lichaam respectievelijk openbare lichamen als standplaats aangewezen. Behoudens het geval bedoeld in het volgende lid is zijn bevoegdheid beperkt tot zijn standplaats. 2. Onze Minister van Justitie kan bepalen dat de bevoegdheid van een deurwaarder zich mede uitstrekt tot een of meer andere door hem aangewezen openbaar lichaam respectievelijk openbare lichamen. 3. De benoeming van een deurwaarder, de aanwijzing van diens standplaats en een beschikking als bedoeld in het tweede lid, worden door de zorg van de griffier van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de Curaçaosche Courant, de Staatscourant en in de openbare"},{"i":12827,"b":"Besluit vaststelling selectielijst KB, periode vanaf 1 januari 2015 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van de Koninklijke Bibliotheek (KB) voor de periode vanaf 1 januari 2015 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst voor archiefbescheiden van de Koninklijke Bibliotheek 1945-](onbekend), vastgesteld in Staatscourant, nr. 8814, d.d. 26 mei 2011, wordt afgesloten per 31 december 2014. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Staatssecretaris van Cultuur en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13997,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 25 november 2025, nr. IENW/BSK-2025/284535, houdende vaststelling van het Protocol inzake de beheers- en beleidsmatige positie van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (Protocol KiM 2025) Gelet op [artikel 19, zesde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=19); BESLUIT: Artikel 1 Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (hierna: KiM) past dit protocol toe bij het leveren van kennisproducten voor de beleidsvorming op het gebied van mobiliteit. - 1. Het KiM is een onafhankelijk instituut binnen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (hierna ook: IenW), dat kennisproducten levert voor de beleidsvorming op het gebied van mobiliteit. Dat betekent dat het formuleren van strategische kennisvragen een essentieel onderdeel moet zijn van het beleidsproces. Daarmee neemt de kwaliteit van de strategische beleidsontwikkeling toe. Het KiM stelt onafhankelijke, wetenschappelijk verantwoorde verkenningen en analyses op die relevant zijn voor de beleidsvorming op het gebied van mobiliteit en brengt kennis in de beleidsprocessen van IenW. Door het KiM verricht onderzoek dient inhoudelijk onafhankelijk te zijn van het beleid, omdat beleidsonderzoek een verkennend en toetsend karakter heeft. Met onderzoek kan worden nagegaan in hoeverre het (voorgenomen of gevoerde) beleid bijdraagt aan overheidsdoelstellingen. Als de uitkomsten van deze toetsing worden beïnvloed door het beleid zelf, kan deze toetsende rol niet adequaat worden vervuld. Om de inhoudelijke onafhankelijkheid van het KiM te waarborgen, zijn daarom spelregels opgesteld. Deze spelregels zijn opgenomen in dit protocol. - 2. De wijze waarop het KiM zijn taken uitvoert en de wijze waarop het daarbij samenwerkt met de beleidsdirecties van IenW, Rijkswaterstaat en de Inspectie Leefomgeving en Transport, vereisen goede afspraken waarbij de respectievelijke bele"},{"i":13461,"b":"Instellingsbesluit begeleidingscommissie scheidingsbemiddeling Overwegende dat door de Commissie herziening scheidingsprocedure, hierna de commissie, op d.d. 2 oktober 1996 een rapport is uitgebracht; Dat in het rapport van de commissie wordt vastgesteld, dat in die gevallen waarin partijen erin slagen overeenstemming te bereiken over de scheiding en de gevolgen daarvan rechterlijke tussenkomst achterwege kan blijven; Dat de commissie heeft aanbevolen: in die gevallen waarin sprake is van een verantwoorde mate van overeenstemming de mogelijkheid te openen van een scheidingsprocedure zonder inschakeling van de rechter; dat daarbij waarborgen in het leven dienen te worden geroepen opdat mogelijke ongelijkwaardigheid van partijen geen nadelige invloed op het resultaat (een scheidingsovereenkomst) uitoefent en opdat de belangen van derden - in het bijzonder de kinderen - worden beschermd; dat daarom bij een scheidingsprocedure zonder gerechtelijke tussenkomst de inschakeling van een rechtsbijstandverlener verplicht moeten worden gesteld. Dat het kabinet bij brief van 11 juli 1997 aan de voorzitter van de Tweede Kamer heeft medegedeeld het wenselijk te achten door middel van experimenten de concrete effecten van de aanbevelingen in kaart te brengen. Dat hiertoe experimenten worden opgestart die begeleiding en evaluatie behoeven binnen één jaar na aanvang van de experimenten. Doel van deze experimenten is om na te gaan of bemiddeling met voldoende waarborgen is omkleed en derhalve scheiden zonder tussenkomst van de rechter op basis van een convenant kan worden ingevoerd. De waarborgen betreffen: het belang van het kind; ongelijkwaardigheid van partijen (belang van de zwakkere partijen). Daartoe is voorzien in de instelling van een begeleidingscommissies voor de experimenten scheidingsbemiddeling; Besluit: Artikel 1 Er is een begeleidingscommissie scheidingsbemiddeling. Artikel 2 De begeleidingscommissie heeft tot taak: - het begeleiden van het onderzoek naar deze experime"},{"i":12736,"b":"Besluit van 13 september 2024 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2024 worden uitgegeven ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Amsterdam Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 9 september 2024, nr. 2024-0000405997, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2024 worden uitgegeven ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Amsterdam, zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en profil, met rond Onze beeltenis en langs de rand de tekst «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN», een diagonale lijn van linksboven naar rechtsonder en rechtsboven het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt, het jaartal «2024» en het teken van de muntmeester; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden drie andreaskruizen, een diagonale lijn van linksonder naar rechtsboven, boven het midden en linksonder het oude stadswapen van Amsterdam, onderaan langs de rand de tekst «750 jaar Amsterdam», rechtsmidden de jaartallen «1275-2025» en rechtsboven «10 EURO» onderscheidenlijk «5 EURO»; - 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». - 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050260&artikel=1&z=2024-10-27&g=2024-10-27). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 27 oktober 2024. Onze Minister van Financiën is belast"},{"i":12407,"b":"Besluit instelling Task Force Aanpak Georganiseerde Hennepteelt Besluiten als volgt: Artikel 1 Er is een Task Force Aanpak Georganiseerde Hennepteelt zoals wordt beschreven in het beleidsprogramma Versterking Aanpak Georganiseerde Misdaad. Artikel 2 De Task Force levert een bijdrage aan het bereiken van de doelstellingen zoals geformuleerd is in het beleidsprogramma Versterking Aanpak Georganiseerde Misdaad en richt zich op: - –. het ontwikkelen en implementeren van een programmatische aanpak van de georganiseerde hennepteelt die zich richt op de gehele productieketen, waaronder de facilitatoren zoals growhops, voortbouwend op de informatie die reeds is vergaard 1o.a. ‘De wereld achter de wietteelt’, Spapens 2007 en de Pilot ‘hennep en georganiseerde criminaliteit’, Openbaar Ministerie 2007.; - –. een zichtbare reductie van de grootschalige hennepteelt in Nederland. Artikel 3 In de Task Force nemen diverse partijen deel die betrokken zijn bij de problematiek van de georganiseerde hennepteelt en die een bijdrage kunnen leveren aan het voorkomen en aanpakken daarvan. De partijen uit de Task Force nemen deel met behoud van hun eigen verantwoordelijkheid. Artikel 4 De Task Force heeft als taken: - –. het signaleren van knelpunten bij de aanpak van de georganiseerde hennepteelt en deze oplossen dan wel adresseren aan de verantwoordelijke partijen; deelnemers dragen bij aan de oplossing van knelpunten vanuit de eigen verantwoordelijkheid en met oog voor de maatschappelijke noodzaak tot een gemeenschappelijke aanpak van het fenomeen. Hierin speelt de Task Force een aanjagende rol. - –. het ondersteunen van de programmatische aanpak met behulp van het barrièremodel. Hierbij ligt de nadruk op de hindernissen die genomen moeten worden om wensen om te zetten in besluiten door onder andere: - –. het volgen van een aantal voorbeeldzaken, binnen de bestaande wettelijke kaders die gelden voor de verschillende partijen, waarin de programmatische aanpak wordt toegepast en verder ont"},{"i":13862,"b":"Nadere voorschriften van 4 november 2025, houdende regels voor de permanente educatie van accountants (Nadere voorschriften permanente educatie 2026) Overwegende dat voor het in stand houden van de professionele deskundigheid van de accountant kennis van en inzicht in de relevante vaktechnische, beroepsmatige en algemeen economische ontwikkelingen vereist is; Overwegende dat permanente educatie de accountant in staat stelt in continuïteit deskundig op te treden in de omgeving waarin de accountant beroepsmatig werkzaam is; Gelet op [artikel 24 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635&artikel=24); Gehoord de leden; Stelt de volgende nadere voorschriften vast: Artikel 1 In deze nadere voorschriften wordt verstaan onder: - −. **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - −. **leerdoel(en):** beschrijving van de beoogde leeruitkomst; - −. **leeruitkomst(en):** resultaat van het verrichten van PE-activiteiten op het terrein van vaktechnische kennis, vaardigheden en houding voor zover deze voor de beroepsuitoefening van de accountant van belang zijn; - −. **ontwikkelthema('s):** thema's die onderwerpen of ontwikkelingen met verwachte impact op het beroep belichten; - −. **PE:** permanente educatie; - −. **PE-activiteit(en):** activiteit in het kader van permanente educatie; - −. **PE-portfolio:** persoonlijk ontwikkeldocument dat voldoet aan de vereisten in deze voorschriften; - −. **werkveld(en):** werkvelden als bedoeld in [artikel 3 van de Verordening op de beroepsprofielen 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051130&artikel=3); - −. **wet:** [Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573). Artikel 2 Deze nadere voorschriften zijn van toepassing op accountants met uitzondering van accountants die zijn ingedeeld in contributiegroep Z als bedoeld in [artikel 2 va"},{"i":14245,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 oktober 2016, nr. MBO/1045692, houdende vaststelling onderdelen centraal examen en instellingsexamen van het generieke examenonderdeel Engels beroepsopleidingen WEB (Regeling examinering Engels beroepsopleidingen WEB) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op [artikel 7.4.3a, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.3a) en [artikel 3, vijfde lid, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Het generieke examenonderdeel Engels Het generieke examenonderdeel Engels, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, onder d, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=3), van de middenkaderopleiding en de specialistenopleiding bestaat uit de volgende vijf delen: - a. lezen; - b. luisteren; - c. schrijven; - d. spreken; en - e. gesprekken voeren. Artikel 2. Verdeling centraal examen en instellingsexamen 1. De delen lezen en luisteren, bedoeld in [artikel 1, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038684&artikel=1&z=2017-08-01&g=2017-08-01), worden centraal geëxamineerd. 2. De delen schrijven, spreken en gesprekken voeren, bedoeld in [artikel 1, onderdelen c, d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038684&artikel=1&z=2017-08-01&g=2017-08-01), worden geëxamineerd door middel van instellingsexamens. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2017. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling examinering Engels beroepsopleidingen WEB. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12325,"b":"Besluit van 9 december 1978, houdende heroprichting van het 2de Regiment Huzaren onder de naam Regiment Huzaren Prins van Oranje Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 27 november 1978, Landmachtstaf, Afdeling Kabinet, Bureau Ceremonieel, nr. 458.947/B; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het 2de Regiment Huzaren dat op 4 april 1815 werd opgericht als Regiment Karabiniers der Landmilitie en op 15 april 1946 werd opgeheven, wordt geacht wederom te zijn geformeerd onder de naam \"Regiment Huzaren Prins van Oranje\". Artikel 2 Binnen het Wapen der Cavalerie worden de eenheden behorende tot het Regiment Huzaren Prins van Oranje gerangschikt na de eenheden behorende tot het Regiment Huzaren Van Sytzama en voor de eenheden behorende tot het Regiment Huzaren Prins Alexander. Artikel 3 Het 2de Regiment Huzaren wordt met inbegrip van de eenheden waaruit het sedert 1815 werd geformeerd en de regimenten en korpsen die hieruit tot 1940 voortkwamen, aangemerkt als de voortzetting van het in 1805 opgeheven 2de Regiment Ligte Dragonders dat in 1795 uit bestaande regimenten geformeerd werd en tot 1803 bekend stond onder de naam 2de Regiment Zware Kavalerie. Artikel 4 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 5 De op 21 september 1893 aan het 2de Regiment huzaren uitgereikte standaard wordt ter beschikking gesteld van het Regiment Huzaren Prins van Oranje. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag, waarop het in het **Staatsblad** geplaatst is. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":13541,"b":"Besluit van de Minister voor Natuur en Stikstof van 9 september 2022, nr. WJZ/22306358, tot instelling van de Ecologische Autoriteit (Instellingsbesluit Ecologische Autoriteit) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **autoriteit:** Ecologische Autoriteit als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047147&artikel=2&z=2022-09-19&g=2022-09-19); - b. **minister:** Minister voor Natuur en Stikstof; - c. **stichting:** Stichting Bureau Commissie voor de milieueffectrapportage. Artikel 2. Instelling Er is een Ecologische Autoriteit. Artikel 3. Taak De autoriteit is onafhankelijk en heeft tot taak om vanuit haar deskundigheid: - a. te toetsen of, met het oog op de huidige en beoogde kwaliteit van de beschermde natuur, de essentiële ecologische informatie betrokken is bij de onderbouwing van besluiten door bevoegde gezagen over natuurdoelanalyses, gebiedsplannen en gebiedsprogramma’s; en - b. te adviseren over relevante wetenschappelijke inzichten voor besluitvorming ten aanzien van brede ecologische vraagstukken, met inbegrip van vraagstukken over klimaat en abiotische randvoorwaarden voor natuur zoals bodem, water en atmosferische depositie. Artikel 4. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De autoriteit bestaat uit een voorzitter en ten hoogste veertien plaatsvervangende voorzitters. 2. De voorzitter en plaatsvervangend voorzitters hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en plaatsvervangend voorzitters worden door de minister benoemd. 4. Behoudens de benoemingen in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047147&artikel=5&z=2022-09-19&g=2022-09-19), geschiedt de benoeming voor de duur van 4 jaar. Herbenoeming kan telkens voor een periode van maximaal 4 jaar plaatsvinden. 5. De voorzitte"},{"i":13519,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 25 maart 2022, nr. Min-BuZa.2022.858, houdende de instelling van de Commissie van onderzoek naar de evacuatieoperatie vanuit Kaboel, die Nederland in de tweede helft van augustus 2021 uitvoerde nadat de Taliban de macht in Afghanistan had overgenomen (Instellingsbesluit Commissie van onderzoek evacuatieoperatie Kaboel) Artikel 1. Begripsbepaling 1. **bewindspersonen:** Minister van Buitenlandse Zaken, Minister van Defensie, en Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gezamenlijk; 2. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047091&artikel=2&z=2022-09-01&g=2022-09-01). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie van onderzoek naar de evacuatieoperatie vanuit Kaboel, die Nederland in de tweede helft van augustus 2021 uitvoerde nadat de Taliban de macht in Afghanistan had overgenomen. 2. De commissie heeft tot taak: - a. onafhankelijk en naar eigen inzicht onderzoek te doen naar de in lid 1 genoemde evacuatieoperatie vanaf het moment van aannemen van de motie-Belhaj c.s. over de tolkenregeling op 12 november 2019 (Kamerstuk 35 300-X, nr. 45); - b. in het onderzoek tenminste de volgende aspecten mee te nemen, conform motie-Boswijk c.s. (Kamerstuk 27 925, nr. 838): - i. het akkoord tussen de Verenigde Staten en de Taliban van februari 2020; - ii. de Nederlandse inlichtingenpositie; - iii. de voorbereidende evacuatieplannen; - iv. de uitvoering van de relevante Kamermoties; - v. de communicatie en samenwerking tussen de betrokken ministeries; - vi. het verloop van de evacuatieoperatie; - vii. de mogelijke internationale juridische consequenties; en - c. het doen van eventuele aanbevelingen naar aanleiding van de bevindingen en conclusies. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit vijf leden, waaronder een voorzitter. 2. De leden hebben zitting op persoonlijk"},{"i":14229,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 2 september 2008, nr. 5561403/08, houdende nadere regels ten aanzien van de erkenning van beroepskwalificaties voor advocaten (Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties advocatuur) Gelet op de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33) en [36 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=36); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066); - b. aanvrager: de migrerende beroepsbeoefenaar die een aanvraag doet om erkenning van de beroepskwalificaties voor advocaat; - c. algemene raad: de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten, bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=18). Artikel 2 De taken en bevoegdheden van de Minister van Veiligheid en Justitie, bedoeld in de artikelen [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=13), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=19), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=31), [31b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=31b), [31c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=31c), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=32), [32a, eerste en tweede lid](https://wetten.o"},{"i":13520,"b":"Instellingsbesluit Commissie van onderzoek LIMC Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Defensie; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047128&artikel=2&z=2022-09-10&g=2022-09-10). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie van onderzoek naar de besluitvorming rond en de activiteiten van het LIMC. 2. De commissie heeft tot taak: - a. te onderzoeken hoe de besluitvorming is verlopen rond zowel de oprichting als de uitvoering van de taken van het LIMC en daarbij de militair-juridische context van het LIMC in relatie tot de kerntaken van de krijgsmacht mee te nemen; - b. te onderzoeken welke lessen voor de toekomst naar aanleiding hiervan te trekken zijn, mede in het licht van Informatiegestuurd Optreden (IGO) van de krijgsmacht. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit vier leden, waaronder een voorzitter. 2. De leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie onafhankelijk en onpartijdig uit. 3. De voorzitter wordt door de minister benoemd, de andere leden worden op voordracht van de voorzitter door de minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. 5. De voorzitter en overige leden kunnen (op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden) worden geschorst en ontslagen door de minister. Artikel 4. Leden Tot lid van de commissie worden benoemd: - a. Dhr. mr. H.N. Brouwer tevens voorzitter; - b. Mw. bgen b.d. A.J. van den Hoek; - c. Mw. mr. drs. H.L. Hukshorn; - d. Dhr. A.J. Meijboom. Artikel 5. Instellingsduur De commissie wordt ingesteld voor de duur van het onderzoek. Artikel 6. Ondersteuning 1. De minister voorziet, na overleg met de voorzitter, in een secretariaat met aan"},{"i":11922,"b":"Besluit beleidsregel naamgeving biociden en gewasbeschermingsmiddelen gelet op het bepaalde in artikel 8, eerste lid, sub c, en de artikelen 28, 29, 64 en 66 van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) in samenhang met Verordening (EU) nr. 284/2013; en gelet op de artikel 22, 69 en 72 van [Verordening (EG) nr. 528/2012](32012R0528) in samenhang met Uitvoeringsverordening (EU) nr. 354/2013; overwegende dat het College binnen de kaders van de wet en op basis van het principe van goed bestuur een zorgvuldig en weloverwogen beleid voert op het gebied van de naamgeving van biociden en gewasbeschermingsmiddelen; tot herziening van het Besluit beleidsregel naamgeving toegelaten biociden en gewasbeschermingsmiddelen zoals vastgesteld in vergadering van het Ctgb C-231.7; tot vaststelling van beleid inzake de naamgeving van biociden en gewasbeschermingsmiddelen. Dit beleid zal gelden voor naamgeving van biociden en gewasbeschermingsmiddelen onder [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107), [Verordening (EG) nr. 528/2012](32012R0528) en de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) (oud). 1. Gebruikte afkortingen en termen - **College:** het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. - **Verordening (EG) nr. 1107/2009:** [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de [Richtlijnen 79/117/EEG](31979L0117) en [91/414/EEG](31991L0414) van de Raad. - **Verordening (EG) nr. 528/2012:** [Verordening (EG) nr. 528/2012](32012R0528) van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden. 2. Toepasselijkheid Dit beleidsregelbesluit is van toepassing op naamgeving c.q. handelsnamen van biociden en gewasbeschermingsmiddelen. 3. Werkwijze voor naamgeving Het College accepteert geen benaming van biocid"},{"i":14292,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat en van de Staatssecretaris van Defensie van 6 februari 1997, DGRLD/VI/L 97.710034, inzake het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen binnen geluidszones rond luchtvaartterreinen handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 26b van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=26b); Besluiten: Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** wat de burgerluchtvaart betreft: de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; wat de militaire luchtvaart betreft: de Minister van Defensie; - b. **gebouw:** gebouw als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - c. **woning:** woonfunctie als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - d. **geluidsgevoelige ruimten van woningen:** ruimten binnen woningen voor zover die kennelijk duurzaam als slaap-, woon- of eetkamer worden gebruikt of voor een zodanig gebruik zijn bestemd; - e. **ander geluidsgevoelig gebouw:** gebouw met een onderwijsfunctie of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - f. **geluidsgevoelige ruimten van andere geluidsgevoelige gebouwen:** les-, theorie- en studielokalen van gebouwen met een onderwijsfunctie, alsmede onderzoeks- en behandelings-, recreatie- en conversatieruimten en woon- en slaapruimten van gebouwen met een gezondheidszorgfunctie; - g. **geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie:** grootheid die het verschil tussen het niveau van het invallende geluid aan de buitenzijde van een uitwendige scheidingsconstructie en het geluidsniveau in een ruimte achter deze constructie in een getal weergeeft; - h. **ko"},{"i":13978,"b":"Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen van 14 april 2022 tot de afhandeling van schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg (Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022) overweegt het volgende: Het Instituut heeft tot taak om schade af te handelen die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg. Het Instituut is bij de uitvoering van zijn taak onder meer gebonden aan de kaders van de [Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252). Hieruit volgt dat het Instituut zijn taak op onafhankelijke en rechtvaardige wijze dient uit te voeren. Hierbij dient het Instituut toepassing te geven aan het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht en het bestuurs(proces)recht. Binnen deze kaders heeft het Instituut ruimte om invulling te geven aan zijn taak. Hiertoe dient het Instituut op grond van [artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=10) zijn eigen procedure en werkwijze vast te stellen, waarbij het een ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt neemt. Daarnaast streeft het Instituut ernaar om zijn werkwijze zo voortvarend mogelijk en met oog voor de menselijke maat vorm te geven. en stelt, gelet op [artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=10), de volgende procedure en werkwijze vast: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Aanvraag tot schadevergoeding 1. Een aanvraag tot schadevergoeding als bedoeld in [artikel 2 van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=2) wordt langs elektronische weg ingediend bij het Instituut door"},{"i":12181,"b":"Besluit digitale vervanging archief Gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b), besluit: de papieren archivering en documentatie te vervangen door digitale archivering en digitale documentatie, teneinde de blijvend te bewaren en de op termijn te vernietigen papieren archiefbescheiden en documentatie te vervangen door digitale reproducties. Dit besluit behelst tevens het besluit tot vernietiging van de papieren archiefbescheiden en documentatie. De digitale reproducties nemen aldus volledig de plaats in van de oorspronkelijke papieren archiefbescheiden en documentatie. Artikel 1 1. De digitale vervanging heeft betrekking op de documenten van de organisatieonderdelen die vallen onder het verzorgingsgebied van de minister van Financiën voor zover gevestigd aan het Korte Voorhout 7 te Den Haag, die werken met het documentmanagement systeem Digidoc en die: - a. deel uitmaken van de werkprocessen van de bewindspersonen van het ministerie en die, op grond van de geldende selectielijsten voor de daaronder ressorterende organisatieonderdelen, voor vernietiging dan wel voor permanente bewaring in aanmerking komen, en - b. worden ontvangen en opgemaakt in de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit. 2. De vervanging heeft tevens betrekking op alle archiefbescheiden die worden opgenomen in het documentmanagement systeem Digidoc en zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, alsmede op alle documenten die op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit zijn opgenomen in het documentmanagement systeem Digidoc en nog niet zijn afgedaan. 3. De digitale vervanging geschiedt overeenkomstig de eisen van [artikel"},{"i":12303,"b":"Besluit van 10 juni 2010, houdende vaststelling van de grenzen van de exclusieve economische zone van het Caribische deel van het Koninkrijk der Nederlanden (Besluit grenzen Caribische exclusieve economische zone) Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 9 april 2010, nr. DJZ-IR 2010-034; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010480&artikel=2) en [4 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010480&artikel=4); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 12 mei 2006, nr. W02.10.0140/II/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 21 mei 2010, nr. DJZ-IR 2010-113; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onverminderd [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027897&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) wordt de buitengrens van de exclusieve economische zone van het Koninkrijk voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevormd door de lijn, waarvan elk punt gelegen is op een afstand van tweehonderd zeemijlen, zijnde 370 kilometer en 400 meter, gemeten zeewaarts vanaf de basislijnen vanaf welke de breedte van de territoriale zee wordt gemeten. Artikel 2 1. Waar een grens met andere Staten is overeengekomen welke geheel of ten dele landwaarts ligt van de lijn, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027897&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), is deze grenslijn de buitengrens van de exclusieve economische zone. 2. Waar nog geen grenslijn met andere Staten is overeengekomen en de lijn, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027897&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), verder weg ligt van de basislijnen dan de middellijn, waarvan elk punt even ver verwijderd is van de dichtstbij gelegen punten van de basislijnen vanaf welke de breedte van de territori"},{"i":12196,"b":"Besluit van de Directeur Klantbehandeling van de directie MKB van 31 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan het afdelingshoofd en de teamleiders binnen de afdeling Klantbehandeling van de directie MKB wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":11955,"b":"Besluit inzake de termijn van beperking van de openbaarheid van de naar de rijksarchiefbewaarplaats over te brengen dossiers van het archief adoptiedossiers van de raad voor de kinderbescherming, geboortejaren tot en met 1969 (nummer toegang 2.09.163) Gelet op [artikel 15, vierde lid Aw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op het advies openbaarheid van de algemene rijksarchivaris 19 september 2023, kenmerk 1117237 en het voorgenomen besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, kenmerk HBJD OAD'69. Besluit: Artikel 1 De inventarisnummers zoals opgenomen in het voorgenomen besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, kenmerk HBJD OAD'69, van het archief van de Raad voor de Kinderbescherming te beperken tot en met 100 jaar na de geboortedatum van de personen op wie de dossiers betrekking hebben. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking de dag nadat de Minister van Justitie en Veiligheid zijn besluit heeft gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":14121,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 november 2020, nr. 2020-0000159922, houdende regels in verband met de vereenvoudiging en de berekening van de beslagvrije voet (Regeling beslagvrije voet) Gelet op de [artikelen 475ga, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475ga), en [6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041895&artikel=6), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041895&artikel=7), [8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041895&artikel=8), en [9, eerste lid, van het Besluit beslagvrije voet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041895&artikel=9); Besluit: Artikel 1. Woonlandfactor 1. De factor, bedoeld in [artikel 6 van het Besluit beslagvrije voet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041895&artikel=6), bedraagt de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044476&bijlage=1&z=2026-04-16&g=2026-04-16) bij deze regeling opgenomen factor. 2. Als het land niet in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044476&bijlage=1&z=2026-04-16&g=2026-04-16) bij deze regeling is opgenomen bedraagt de factor 1,0. Artikel 2. Model beslagvrije voet Het model, bedoeld in [artikel 7 van het Besluit beslagvrije voet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041895&artikel=7), is opgenomen in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044476&bijlage=2&z=2026-04-16&g=2026-04-16) bij deze regeling. Artikel 3. Ondersteuning bij de vaststelling van de beslagvrije voet 1. De Stichting Bureau Informatiediensten Nederland en het UWV dragen als verwerkers gezamenlijk zorg voor de inrichting en het beheer van de door Onze Minister geboden ondersteuning, bedoeld in [artikel 8 van het Besluit beslagvrije voet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041895&artikel=8). 2. Op het gebruik van de ondersteuning door Onze Minister zijn de aansluit- en gebruiksvoorwaarden van toepassing, bedo"},{"i":14126,"b":"Regeling betreffende het stempelvonnis Gelet op [artikel 378a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=378a), [395a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=395a), [426e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=426e), en [499, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=499), en [artikel 48, eerste lid, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=48), Bepaalt: Artikel 1 De aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in [artikel 378a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=378a) dient de navolgende gegevens te bevatten: - 1. de naam van de politierechter, kinderrechter, of de economische politierechter; - 2. de dag van de uitspraak; - 3. de omstandigheid of de uitspraak bij verstek of op tegenspraak is gedaan; - 4. indien een veroordeling is uitgesproken, de kwalificatie van het strafbare feit dat het bewezenverklaarde oplevert; - 5. de wettelijke voorschriften die zijn toegepast; - 6. de opgelegde straf of maatregel; - 7. de eventuele andere door de rechter genomen beslissingen; - 8. eventueel de bijzondere strafmotivering; - 9. de afstand ter terechtzitting van rechtsmiddelen. Artikel 2 De aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in [artikel 395a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=395a) dient de navolgende gegevens te bevatten: - 1. de naam van de kantonrechter; - 2. de dag van de uitspraak; - 3. de omstandigheid of de uitspraak bij verstek of op tegenspraak is gedaan; - 4. indien een veroordeling is uitgesproken, de kwalificatie van het strafbare feit dat het bewezenverklaarde oplevert; - 5. de opgelegde straf of maatregel; - 6. de eventuele andere beslissing van de kantonrechter; - 7. de afstand ter terechtzitting van rechtsmid"},{"i":14143,"b":"Regeling bloed- of tussenproducten ’het Nederlandse Rode Kruis’ Gelezen het verzoek tot aanwijzing van de vereniging ’het Nederlandse Rode Kruis’ van 4 november 1999; Gelet op de [artikelen 12, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=12), en [13, eerste lid, onder d, van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=13), Besluit: Artikel 1 Als een ander rechtspersoon, bedoeld in de [artikelen 12, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=12), en [13, eerste lid onder d, van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=13), wordt aangewezen de vereniging ’het Nederlandse Rode Kruis’, gevestigd te Den Haag. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12413,"b":"Besluit van 9 mei 2011 tot instelling van de voortgangscommissie Curaçao Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 april 2011 nr. 2011-2000153567; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=3) en [4 van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=4); [Artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=10) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Er is een voortgangscommissie Curaçao. 2. De commissie heeft zetel in Curaçao. Artikel 2 Tot lid van deze commissie worden benoemd: - –. de heer C.A. Peterson, benoemd in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van Curaçao op aanbeveling van Onze Minister-President van Curaçao, - –. mevrouw D. Mulock Houwer, benoemd in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van Nederland op aanbeveling van Onze Minister-President van Nederland, en - –. de heer M.J.H. Marijnen, benoemd in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van Curaçao en met het gevoelen van de raad van ministers van Nederland, tevens voorzitter. Artikel 3 1. De leden worden benoemd voor de periode van de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 10 oktober 2012. 2. Indien de [Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136) op grond van [artikel 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42) van die algemene maatregel van rijksbestuur wordt verlengd, wordt de benoemingstermijn, bedoeld in het eerste lid, van rechtswege met twee jaar verlengd. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 oktob"},{"i":12322,"b":"Besluit van 3 september 1973, houdende heroprichting van het Korps rijdende artillerie Op de voordracht van Onze Minister van defensie van 24 augustus 1973, Generale Staf, Afdeling Personeel, nr. 276.766/D; Gelet op artikel 68, eerste lid, van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er is een Korps rijdende artillerie. Artikel 2 Het Korps rijdende artillerie bestaat uit een of meer afdelingen veldartillerie die als afdelingen rijdende artillerie tot dit korps behoren. Artikel 3 Aanwijzing van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002894&artikel=2&z=1973-10-01&g=1973-10-01) genoemde afdelingen geschiedt door Onze Minister van Defensie of door een door hem aan te wijzen functionaris. Artikel 4 Het Korps rijdende artillerie zet de traditie voort van het per 15 april 1946 opgeheven Korps rijdende artillerie en herdenkt als oprichtingsdatum 21 februari 1793. Artikel 5 Onze besluiten van 14 augustus 1962 (**Stb.** 373 en 374) worden ingetrokken. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 1973. Onze Minister van defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Adjudant-Generaal, tevens Chef van Ons Militaire Huis."},{"i":12299,"b":"Besluit gezagsregisters BES Artikel 1 1. In het ingevolge [artikel 244 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=244) bij het gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba berustende openbaar register tekent de griffier rechtsfeiten aan, die betrekking hebben op de gezagsuitoefening over in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geboren minderjarigen. 2. Hetzelfde geldt voor minderjarigen die buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geboren zijn of wier geboorteplaats onbekend is. Artikel 2 1. In het register wordt aantekening gehouden van: - a. alle rechterlijke beslissingen, waarbij in het over minderjarigen uit te oefenen gezag hetzij blijvend, hetzij tijdelijk wordt voorzien of wijziging gebracht ingevolge de [artikelen 77, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=77), 218, 219, [251](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=251), [253](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253), [253b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253b), [253c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253c), [253d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253d), [253g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253g), [253h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253h), [253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253ha), [253n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253n), [253o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253o), [253q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253q), [253r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=253r), [266](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=266), [269](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=269), [271](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=271), [274](https://wetten.ov"},{"i":12314,"b":"Besluit van 5 september 1994, houdende de herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot de opvang van asielzoekers Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 31 augustus 1994 nr. 94M005397; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel 1. Onze Minister van Justitie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de opvang van asielzoekers, voor zover deze zorg voor 22 augustus 1994 was opgedragen aan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. 2. De taak van beide ministeries wordt dienovereenkomstig gewijzigd. 3. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 22 augustus 1994. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting zal worden geplaatst in het **Staatsblad**, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":12312,"b":"Besluit van 20 april 1988, houdende herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot de recuperatie van tijdens de Tweede Wereldoorlog uit Nederland weggevoerde kunstvoorwerpen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, dd. 14 april 1988, nr. 88M002644; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel Met ingang van 1 mei 1988 Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur te belasten met de recuperatie van tijdens de Tweede Wereldoorlog uit Nederland weggevoerde kunstvoorwerpen, voorzover deze recuperatie thans is opgedragen aan Onze Minister van Financiën en de taak van beide ministeries dienovereenkomstig te wijzigen. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Financiën en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat zal worden geplaatst in het **Staatsblad** en waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en Aruba en de ministeries."},{"i":12959,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 3 november 2017, nr. WJZ/17172624, tot vaststelling van het verminderingspercentage van periode 5 in het kader van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Regeling fosfaatreductieplan 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Het verminderingspercentage, bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van de Regeling fosfaatreductieplan 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205&artikel=1), bedraagt 12% voor periode 5. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12781,"b":"Besluit van 23 september 1969, houdende vaststelling van de modellen van de monsterrol ter uitvoering van artikel 6 van het Schepelingenbesluit Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 12 september 1969, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 235/669; Overwegende, dat het wenselijk is om nieuwe modellen van de monsterrol vast te stellen, teneinde de modellen beter te doen beantwoorden aan de eisen, die daaraan in de praktijk voor de ambtenaren van monstering worden gesteld; Gelet op [artikel 6 van het Schepelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001985&artikel=6) (**Stb.** 1937, 242); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als modellen van de monsterrol, bedoeld in [artikel 6 van het Schepelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001985&artikel=6), worden vastgesteld de modellen, die als bijlagen aan dit besluit zijn toegevoegd. Artikel 2 1. Ons besluit van 13 december 1965 (**Stb.** 670) wordt ingetrokken. 2. Monsterrollen, naar het model van het in het eerste lid bedoelde besluit opgesteld, mogen worden gebezigd zolang de aanwezige voorraden niet zijn opgebruikt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die der dagtekening van het **Staatsblad**, waarin het is geplaatst. Bijlage Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":13025,"b":"Besluit vervanging van archiefbescheiden Kansspelautoriteit 2022 Gelet op: de regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161 (10265), tot wijziging van de Archiefregeling in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; en [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), besluit: Artikel 1 1. over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van de [Selectielijst Kansspelautoriteit 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041375) voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. De vervanging geschiedt met terugwerkende kracht tot 1 april 2012; 2. Reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde Handboek vervanging archiefbescheiden Kansspelautoriteit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vervanging archiefbescheiden Kansspelautoriteit 2022"},{"i":14052,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie, van 14 november 2011, nr. DGP/P&M 2011-2000480651, houdende regels voor afbouw van de toelage voor onregelmatige diensten (Regeling afbouw operationele toelage) Gelet op [artikel 15, zesde lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=15); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **besluit:** [Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517); - b. **salaris:** salaris als bedoeld in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - c. **operationele toelage:** de toelage, bedoeld in [artikel 14 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=14); - d. **bezoldiging:** bezoldiging als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - e. **aflopende toelage:** aflopende toelage als bedoeld in [artikel 15, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=15) als gevolg van een blijvende of tijdelijke verlaging van de bezoldiging; - f. **blijvende toelage:** blijvende toelage als bedoeld in [artikel 15, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=15); - g. **ambtenaar:** degene die, op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=14) en [15 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=15), aanspraak heeft op een aflopende toelage of een blijvende toelage; - h. vervallen; - i. **berekeningsbasis:** het gemiddelde bedrag dat in de 13 vierweekse perioden voorafgaande aan operationele toelage is ontvangen; - j. **blijvende verlaging:** een verlaging van de bezoldiging langer dan 13 vierweekse perioden; - k. **tijdelijke verlaging:** een verlaging van de bezoldiging die tijdelijk van aard is en tenminste een vierweekse periode en ten hoogste 13 vierweeks"},{"i":14076,"b":"Regeling bedrijfsvoering en administratieve organisatie Wet inzake de geldtransactiekantoren gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013816&artikel=2), [artikel 9, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013816&artikel=9), en [artikel 18,eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013816&artikel=18) en het [Overdrachtsbesluit Wet inzake de geldtransactiekantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013862): gelet op [artikel 10, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10), en [artikel 10b, eerste lid, van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10b) en het [Overdrachtsbesluit Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013887); na overleg met de Minister van Financiën; Besluit Hoofstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarbij horende [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013313&bijlage=I&z=2005-10-01&g=2005-10-01) wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet inzake de geldtransactiekantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013816); - b. de Bank: De Nederlandsche Bank NV; - c. wisselactiviteiten: het wisselen van munten of bankbiljetten en het uitbetalen van munten en bankbiljetten op vertoon van een creditcard, tegen inlevering van een of meer cheques of tegen inlevering van een of meer onderdelen van het couponblad van een waardepapier aan toonder tegen inlevering waarvan de rente op dit waardepapier kan worden geînd; - d. geldtransferactiviteiten: het in het kader van een geldelijke overmaking ter beschikking krijgen van gelden of geldswaarden, teneinde deze gelden of geldswaarden al dan niet in dezelfde vorm aan een begunstigde elders betaalbaar te stellen of te doen stellen, dan wel het betalen of betaalbaar stellen van gelden of geldswaarden, nadat deze gelden of geldswaarden elders al dan niet in dezelfde vorm ter besch"},{"i":13009,"b":"Besluit van de Directeur Eenheid Secretariaten Tuchtcolleges en Toetsingscommissies van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 mei 2021, kenmerk 2356238-1008168-ESTT, houdende de verlening van Financieel ondervolmacht aan de secretariaatsmedewerkers Gelet op [artikel 16, tweede lid, onder a, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16), Besluit: Artikel 1 Aan de secretariaatsmedewerkers binnen de Eenheid Secretariaten Tuchtcolleges en Toetsingscommissies wordt de bevoegdheid verleend om namens de Minister, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten ten aanzien van afhandeling van declaraties en vergoedingen tot een bedrag van € 2.500 inclusief btw. Artikel 2 Het [besluit van 21 september 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040041), kenmerk 1129617-163472-ESTT, houdende de verlening van ondervolmacht aan de secretariaatsmedewerkers van het bedrijfsbureau, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 2021. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11854,"b":"Beleidsregels verlenging loondoorbetaling poortwachter Gelet op de artikelen 34a, eerste lid, 71a, negende lid, en 71b, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Regeling procesgang eerste ziektejaar; Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - b. WV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=2) en [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. reïntegratieverplichtingen: de verplichtingen van de werkgever, genoemd in [artikel 71a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=71a) en de in dat artikel bedoelde regelingen; - d. reïntegratie-inspanningen: maatregelen, voorschriften en aanpassingen als bedoeld in [artikel 658a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=658a) en de [artikelen 8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=8), en [9, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=9); - e. functionele mogelijkheden: krachten en bekwaamheden als bedoeld in [artikel 18, vijfde lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=18); - f. deugdelijke grond: een door de werkgever voor enig handelen of nalaten aangevoerd motief dat zodanig zwaarwegend en gerechtvaardigd is dat het nadelig gevolg van dit handelen of nalaten niet in redelijkheid aan de werkgever kan worden toegerekend; - g. deskundigenoordeel: een oordeel als bedoeld in [artikel 30, eerste lid, onder e, f en g van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30); - h. looninhouding: h"},{"i":12067,"b":"Besluit beperking openbaarheid digitale archief ‘Vreemdelingendossiers en Naturalisatie- en Nationaliteitsaangelegenheden van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, 2006–2010’ Overwegende dat het digitale archief ‘Vreemdelingendossiers en Naturalisatie- en Nationaliteitsaangelegenheden van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, 2006–2010’, in het komend jaar naar het Nationaal Archief zal worden overgebracht, waarbij voor dit archiefblok een afzonderlijke verklaring van overbrenging als bedoeld in [artikel 9, lid 3 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=9) zal worden opgemaakt; Overwegende dat het aanbeveling verdient de beperkte openbaarheid van het volledige digitale archief eenmalig en op een eenduidige manier te regelen; Overwegende dat de dossiers in het bestand bijzondere persoonsgegevens bevatten als bedoeld in [artikel 16 van de Wet Bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=16); Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 30 oktober 2017, kenmerk 1251955; Gelet op het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot vaststelling van een beperking voor archiefbescheiden ouder dan 75 jaar na afsluiting van het dossier; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokken personen, zijn de thans naar het Nationaal Archief over te brengen digitale archief ‘Vreemdelingendossiers en Naturalisatie en Nationaliteitsaangelegenheden van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, 2006–2010’ na overbrenging beperkt openbaar. Deze beperking geldt tot 100 jaar na geboortedatum van de persoon op wie het dossier betrekking heeft, dan wel, in geval van het ontbreken van een geboortedatum, tot 75"},{"i":12056,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 september 2006, nr. DDI/ST/reg 002/2006, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van de gezantschappen te Zweden (Stockholm) (1868) 1910–1946 (1948) en te Finland (Helsinki) 1919–1940, het consulaat-generaal te Stockholm (Zweden) 1896–1946 en het gezantschap te Zweden (Stockholm) (1944) 1946–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van de archieven van de gezantschappen te Zweden (Stockholm) (1868) 1910–1946 (1948) en te Finland (Helsinki) 1919–1940, het consulaat-generaal te Stockholm (Zweden) 1896–1946 en het gezantschap te Zweden (Stockholm) (1944) 1946–1954, de in de eerste tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | gezantschappen te Zweden (Stockholm) (1868) 1910–1946 (1948) en te Finland (Helsinki) 1919–1940 | | | 210 | 2021 | | 338 | 2020 | | 440 | 2019 | | 491 | 2021 | | 492 t/m 520 | 2022 | | 570 t/m 573 | 2021 | | 575 t/m 578 | 2024 | | 581 t/m 587 | 2022 | | 588 | 2022 | | consulaat-generaal te Stockholm (Zweden) 1896–1946 | | | 211 | 2021 | | 213 | 2022 | | 222 | 2020 | | gezantschap te Zweden (Stockholm) (1944) 1946–1954 | | | 695 | 2025 | | 696 | 2030 | | 728 | 2028 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020269&artikel=1&z=2006-09-16&g=2006-09-16) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van n"},{"i":11864,"b":"Benoemingen Commissie Auteursrecht Overwegende dat het wenselijk is een commissie in te stellen om advies uit te brengen op het terrein van het auteursrecht en de naburige rechten; Besluit: Instelling en taak Artikel 1 1. Er is een commissie auteursrecht die tot taak heeft de Minister van Justitie desgevraagd of uit eigen beweging te adviseren op het terrein van het auteursrecht en de naburige rechten. 2. Van het voornemen om uit eigen beweging advies uit te brengen stelt de commissie de Minister van Justitie vooraf in kennis teneinde de mening van de minister dienaangaande te vernemen. Artikel 2 De commissie wordt ingesteld voor een periode van vier jaar. Samenstelling Artikel 3 1. De commissie telt ten hoogste negen gewone leden, waaronder de voorzitter, alsmede een adviserend lid en een secretaris. De minister kan één of meer adjunct-secretarissen aan de commissie toevoegen. 2. De voorzitter en de overige gewone leden van de commissie worden benoemd op grond van hun deskundigheid. Artikel 4 In de commissie worden benoemd: - a. tot lid en voorzitter van de commissie: Prof. Mr. D.W.F. Verkade te Leiden; - b. tot leden van de commissie: Prof. Mr. J.J. Brinkhof te 's-Gravenhage; Prof. Mr. H. Cohen Jehoram te Amsterdam; Prof. Mr. E.J. Dommering te 's-Gravenhage; Prof. Mr. F.W. Grosheide te Utrecht; Prof. Mr. K.J.M. Mortelmans te Utrecht. Prof. Mr. J.H. Spoor te Amsterdam; - c. tot adviserend lid van de commissie: Mr. E. Lukács, werkzaam bij het Ministerie van Justitie te 's-Gravenhage; - d. tot secretaris van de commissie: Mr. M.Tj. Bouwes, werkzaam bij het Minsterie van Justitie te 's-Gravenhage. Werkwijze Artikel 5 1. De commissie kan zich wenden tot openbare en particuliere diensten en instellingen voor het verkrijgen van de inlichtingen die zij behoeft. 2. De commissie kan voorts met toestemming van de Minister van Justitie studie-opdrachten verlenen aan derden. 3. De commissie is bevoegd deskundigen uit te nodigen om aan de beraadslagingen in de commissie deel te"},{"i":11875,"b":"Beperking operaties met niet-geluidgecertificeerde straalvliegtuigen Gelet op [artikel 4 van het Besluit van 21 mei 1981, houdende vaststelling van regels ter beperking van geluidhinder door luchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003404) (Stb. 1981, 343), Gelet op de Richtlijn van 21 april 1983, 83/206/EG, van de Raad van Europese Gemeenschappen (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 4 mei 1983, nr. L 117/15), tot wijziging van de Richtlijn van de Raad van 20 december 1979, 80/51/EG, inzake de beperking van geluidhinder door subsonische luchtvaartuigen (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 24 januari 1980, nr. L 18–26); Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Besluit: Artikel 1 Met ingang van 1 januari 1988 is het opstijgen van of landen op de krachtens de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) aangewezen luchtvaartterreinen verboden voor civiele vleugelvliegtuigen met straalturbineaandrijving, waarvoor de maximaal toegelaten snelheid kleiner is dan die van het geluid voor zover deze niet voldoen aan de bepalingen en voorschriften, welke ten minste gelijk zijn aan de minimum maatstaven, die zijn vastgesteld op grond van Bijlage 16, le editie 1981, Titel I, Deel II, Hoofdstuk 2, van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. H 165). Artikel 2 De Minister van Verkeer en Waterstaat kan tot uiterlijk 1 januari 1990 ontheffing verlenen van het bepaalde in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003673&artikel=1&z=1984-05-27&g=1984-05-27) indien naar zijn genoegen wordt aangetoond dat het voor de aanvrager vooralsnog onmogelijk is vluchten uit te voeren met vliegtuigen, welke aan de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003673&artikel=1&z=1984-05-27&g=1984-05-27) bedoelde bepalingen en voorschriften voldoen."},{"i":11925,"b":"Besluit tot instelling van een bemiddelaar in geschillen over toepassing van het vrijstellingsbesluit in het kader van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, 15 februari 2019 (Besluit Bemiddelaar Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000, 15 februari 2019) Gelet op [artikel 2 van de Wet op de SER](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=2) Gezien het verzoek van 3 februari 1999 van de Stichting van de Arbeid; Gehoord de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars; Besluit: Artikel 1. Definities 1. In dit besluit worden overgenomen de begripsbepalingen van het vrijstellingsbesluit als bedoeld in [artikel 13, derde lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=13) (Wet Bpf 2000). 2. In dit besluit wordt voorts verstaan onder: - a. **wet:** [Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092); - b. **Vrijstellingsbesluit:** vrijstellingsbesluit als bedoeld In [artikel 13, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=13); - c. **Vereniging:** Pensioenfederatie; - d. **Verbond:** Verbond van Verzekeraars - e. **raad:** Sociaal-Economische Raad. Artikel 2. Bemiddelaar [Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012094) 1. Er is een bemiddelingsinstantie inzake het vrijstellingsbesluit van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092). 2. De bemiddelingsinstantie is genaamd bemiddelaar [Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012094). 3. De bemiddelingsinstantie wordt hierna aangeduid als bemiddelaar. Artikel 3. Taak 1. De bemiddelaar heeft tot taak te bemiddelen in geschillen in het kader van verzoeken van ondernemingen aan bedrijfstakpensioenfondsen om toepassing van het vrijstellingsbesluit, welke geschillen betrekking kunnen hebben op: - a. toepassing van regels voor de"},{"i":12826,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Kansspelautoriteit 2018 vanaf 1 april 2012 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst Kansspelautoriteit 2018, voor het selecteren van te vernietigen en permanent te bewaren archiefbescheiden vanaf 1 april 2012 wordt vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst: - •. **Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Kansspelen over de periode 1945–2000**, Stcrt. 2007, 137 Wordt afgesloten vanaf 1 april 2012 voor de handelingen die zijn overgenomen door de Kansspelautoriteit per 1 april 2012. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Kansspelautoriteit 2018 Gepubliceerd op: www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14092,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 november 2014, nr. 577811 houdende de invoering van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren) Gelet op de [artikelen 380, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=380), [386, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=386), [410, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=410), [420, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=420), [447, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=447), en [460, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=460); Besluit: Artikel 1 1. Indien de curator, bewindvoerder of mentor verzoekt om een beloning, stelt de kantonrechter die hem benoemt diens beloning vast overeenkomstig het bepaalde in het tweede tot en met zevende lid, tenzij het een curator als bedoeld in [artikel 383, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=383), een bewindvoerder als bedoeld in [artikel 435, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=435), of een mentor als bedoeld in [artikel 452, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=452) betreft. 2. De jaarbeloning, inclusief onkostenvergoeding, bedraagt: - a. voor een curator € 1.593; - b. voor een bewindvoerder € 883; - c. voor een mentor € 883. 3. Indien de curator wordt benoemd van twee personen die in gemeenschap van goederen zijn getrouwd of op andere wijze een economische eenheid vormen, bedraagt de jaarbeloning € 2.300. 4. Indien de bewindvoerder wordt benoemd van twee personen die in gemeenschap van goederen zijn getrouwd of op andere wijze een economische eenheid vormen, bedraagt de jaarbeloning € 1.062. 5. Indien de mentor wordt benoemd van twee personen die in gemee"},{"i":14297,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 oktober 2023, kenmerk 3704780-1055149-Z, houdende regeling geraamde gemiddelde nominale premie 2024 Gelet op [artikel 2b, tweede lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b); Besluit: Artikel 1 De geraamde gemiddelde nominale premie, bedoeld in [artikel 2b, eerste lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b) wordt voor het jaar 2024 vastgesteld op € 1.792. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geraamde gemiddelde nominale premie 2024. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12936,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 7 juli 2025, nr. WJZ/ 99352490, houdende vaststelling verdeelsleutel en openstellingstermijn sub-plafond b Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties Gelet op [artikel 19, zesde lid, van de Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050465&artikel=19); Besluit: Artikel 1 De in [artikel 19, zesde lid, van de Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050465&artikel=19) genoemde verdeelsleutel en periode waarbinnen de aanvraag kan worden ingediend worden als volgt bepaald: - a. de verdeelsleutel voor het gedeelte van de uitkering uit sub-plafond b wordt als volgt bepaald: | Maximaal uitkeringsbedrag per provincie in euro’s: | Maximaal uitkeringsbedrag per provincie in euro’s: | | --- | --- | | Drenthe | 2.407.260 | | Flevoland | 1.431.415 | | Friesland | 2.712.664 | | Gelderland | 4.154.747 | | Groningen | 1.711.519 | | Limburg | 2.092.821 | | Noord-Brabant | 4.267.692 | | Noord-Holland | 1.726.879 | | Overijssel | 4.222.514 | | Utrecht | 2.073.846 | | Zeeland | 1.393.465 | | Zuid-Holland | 1.930.180 | | Totaal | 30.125.002 | - b. voor het gedeelte van de uitkering uit sub-plafond b kan de aanvraag worden ingediend in de periode van 6 oktober 2025 tot en met 14 november 2025. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14314,"b":"Herleiding gedeelten van kalenderjaren en van jaarpremies Gelet op [artikel 13, derde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=13) Gehoord de Sociale Verzekeringsbank: Besluit: Artikel 1 1. Gedeelten van kalenderjaren, gedurende welke de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a), doch voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, niet verzekerd is geweest, worden voor de vaststelling van de korting, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=13), samengeteld en herleid tot gehele kalenderjaren. 2. Gedeelten van kalenderjaren, gedurende welke de echtgenoot van de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a), doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet van die pensioengerechtigden niet verzekerd is geweest, worden voor de vaststelling van de korting, bedoeld in [artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=13), samengeteld en herleid tot gehele kalenderjaren. 3. De samentelling en herleiding, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt met inachtneming van het volgende: - 1°. Een kalenderjaar wordt op 360 dagen en elke kalendermaand op 30 dagen gesteld. - 2°. Een dag, waarop de verzekering een aanvang nam wordt als een gehele dag in aanmerking genomen. - 3°. Een dag waarop de verzekering eindigde wordt niet in aanmerking genomen. 4. Een na de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde herleiding overblijvend gedeelt"},{"i":13830,"b":"Wet van 29 december 2008 tot vaststelling van een nieuwe Mediawet (Mediawet 2008) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de taakopdracht van de publieke omroep te wijzigen in het licht van ontwikkelingen in technologie, media-aanbod, mediaproductie, distributie en mediagebruik, de reclameregels voor commerciële omroepen te versoepelen en andere noodzakelijke aanpassingen te doen; dat het verder wenselijk is de Mediawet te moderniseren en technisch aan te passen en dat het daarom wenselijk is een nieuwe Mediawet vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en reikwijdte Hoofdstuk 2. Publieke mediadiensten Titel 2.1. Publieke mediaopdracht Titel 2.2. Landelijke publieke mediadienst Titel 2.1. Publieke mediaopdracht Titel 2.4. Wereldomroep Titel 2.2. Landelijke publieke mediadienst Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak Artikel 2.143 1. De NPO, de RPO en de publieke media-instellingen voorzien op onafhankelijke wijze in de uitvoering van de publieke mediaopdracht en hebben daarvoor op de wijze zoals geregeld in deze wet aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas die een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod mogelijk maakt en waardoor continuïteit van financiering gewaarborgd is. 2. Voor de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht en ter bestrijding van de overige kosten, bedoeld in [artikel 2.146](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&hoofdstuk=2&titeldeel=2.6&afdeling=2.6.1&artikel=2.146&z=2026-01-01&g=2026-01-01), worden onder de naam «rijksmediabijdrage» jaarlijks gelden beschikbaar gesteld door Onze Minister. Artikel 2.144 1. De rijksmediabijdrage bestaat ten minste uit een bedrag dat voor het jaar 2025 € 1.040.379.000 bedraagt. 2. H"},{"i":12200,"b":"Besluit van de (wnd.) directeur van de directie Organisatie & Personeel van 1 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen de directie O&P wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":14287,"b":"Regeling gelijkstelling pleegkinderen Gelet op [artikel 8 van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Gelijkstelling met pleegkind 1. Indien een kind onder gezag staat van een verzekerde niet zijnde zijn wettige ouder en door die verzekerde als een eigen kind wordt onderhouden, wordt dit kind ten aanzien van die verzekerde gelijkgesteld met een pleegkind. 2. Indien een kind tot het huishouden behoort van een verzekerde niet zijnde zijn wettige ouder en door die verzekerde: - a. als een eigen kind wordt onderhouden; en - b. wordt verzorgd, wordt dit kind ten aanzien van die verzekerde gelijkgesteld met een pleegkind. 3. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing voorzover niet reeds een andere verzekerde voor dit kind recht heeft op kinderbijslag. Het tweede lid is van toepassing voorzover het kind niet reeds op grond van het eerste lid is gelijkgesteld met een pleegkind. Artikel 2. Intrekking De Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 juni 1983, nr. 52303, tot uitvoering van artikel 8 van de Algemene Kinderbijslagwet (Stcrt. 1983, nr. 124) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2003. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gelijkstelling pleegkinderen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a. Grondslag Deze regeling berust op [artikel 4, vierde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=4). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14230,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 9 december 2008, nr. 5564127/08, houdende nadere regels ten aanzien van erkenning van EG-beroepskwalificaties en tijdelijke en incidentele dienstverrichting van beëdigde tolken en vertalers (Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers) Gelet op [artikel 33 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities - a. **wet:** de [Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066); - b. **bestuur:** het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; - c. **aanvraag:** de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verkrijgen van erkenning van EG-beroepskwalificaties, bedoeld in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5), met betrekking tot een of meer bron- en doeltalen, als beëdigd tolk of beëdigd vertaler; - d. **aanvrager:** de migrerende beroepsbeoefenaar die een aanvraag indient; - e. **compenserende maatregel:** een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid; - f. **stagiair:** de migrerende beroepsbeoefenaar die een aanpassingsstage volgt; - g. **dienstverrichter:** de dienstverrichter, bedoeld in [artikel 21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=21); - h. **register:** het register voor beëdigde tolken en vertalers, bedoeld in [artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2). Artikel 2. Mandaat en machtiging 1. Het bestuur wordt mandaat en machtiging verleend ten aanzien van de bevoegdheden en handelingen, bedoeld in de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=11"},{"i":19624,"b":"Vaststelling selectielijst voor neerslag handelingen Rijksdienst Wegverkeer Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord; Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Rijksdienst Wegverkeer (RDW)(vanaf 1951), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":14147,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 10 mei 2004, nr. WJZ 4028840, houdende regels inzake breedbeeldtelevisiediensten en normen digitale consumentenapparaten (Regeling breedbeeldtelevisiediensten en normen digitale consumentenapparaten) Gelet op: – Richtlijn nr. 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn) (PbEG L 108); – [Richtlijn nr. 2002/22/EG](32002L0022) van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn) (PbEG L 108), en – de [artikelen 8.4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=8.4) en [10.1a van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=10.1a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. televisieprogramma: televisieprogramma als bedoeld in [artikel 1, onder h, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=1); - b. breedbeeld televisieprogramma: televisieprogramma geproduceerd en uitgegeven voor uitzending in een aspectverhouding van 16:9 en met een verticale resolutie van 625 beeldlijnen; - c. ETSI: Europees Instituut voor telecommunicatienormen; - d. CENELEC: Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie; - e. televisietoestel: radioapparaat bestemd voor de ontvangst en de weergave van televisiesignalen; - f. decoder: apparaat bestemd voor het ontsleutelen van versleutelde analoge of digitale televisiesignalen. Artikel 2 De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk bestemd voor het verspreiden van digitale televisieprogramma’s, zorgt ervoor dat het netwerk zodanig is ingeri"},{"i":13934,"b":"Overgangsregeling Invorderingswet 1990 Gelet op [artikel LXI van de Invoeringswet Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004771&artikel=LXI) (Stb. 222), Besluit: Artikel 1 Schuldvorderingen, andere dan belastingaanslagen, waarvan de invordering tot 1 juni 1990 geschiedde door de rijksbelastingdienst, worden met ingang van 1 juni 1990 voor de toepassing van [artikel LVII van de Invoeringswet Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004771&artikel=LVII) aangemerkt als belastingaanslagen. Artikel 2 Met betrekking tot belastingaanslagen en andere schuldvorderingen waaraan tot 1 juni 1990 ingevolge of op de voet van artikel 12 van de wet van 22 mei 1845 op de invordering van 's Rijks directe belastingen het recht van voorrang toekwam en waaraan met ingang van 1 juni 1990 dat recht toekomt ingevolge of op de voet van [artikel 21 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=21), blijft artikel 12, derde en vierde lid, van eerstgenoemde wet van toepassing, met dien verstande dat in artikel 12, vierde lid, onderdeel b, in plaats van ‘het tweede lid van artikel 17’ moet worden gelezen: [artikel 25 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25). Artikel 3 Uitstel van betaling verleend op de voet van artikel 17, tweede lid, van de wet van 22 mei 1845 op de invordering van 's Rijks directe belastingen dat op 1 juni 1990 nog niet was geëindigd, wordt met ingang van 1 juni 1990 aangemerkt als uitstel van betaling verleend op de voet van [artikel 25 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25). Artikel 4 Met betrekking tot een beschikking genomen op de voet van [artikel 59a van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=59a) vinden de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) en de daarop gebaseerde regelingen geen toepassing, doch blijven de ten aa"},{"i":14016,"b":"Raamwerk Nascholingscursussen Code 95 en ADR (2019) Hoofdstuk 1. Het Raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde cursussen mogen nascholing voor de code 95 verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificering af te geven. Ook registreert het CBR verklaringen van nascholing voor chauffeurs die aan de nascholingsplicht hebben voldaan. Tot slot houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de nascholingscursussen. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR een Raamwerk nascholingscursussen en ADR opgesteld. Dit Raamwerk is een document zoals wordt bedoeld in [artikel 156s van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het Raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de nascholing daadwerkelijk aan deze eisen houdt. Is dit niet het geval? Dan legt het CBR een sanctie op. De verschillende sancties en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep vindt u in dit Raamwerk terug. Het is toegestaan om bij de nascholing gebruik te maken van e-learning en simulatoren. De eisen die hierbij gelden zijn opgenomen in dit Raamwerk. Tot slot is in dit Raamwerk een overzicht met minimumeisen per nascholingscursus opgenomen. Het CBR wijzigt het Raamwerk maximaal twee keer per jaar: op 1 januari en op 1 juli. Wijzigingen worden afgestemd met de opleidingsbranche en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en actief naar alle erkende opleiders gecommuniceerd. Worden de minimumeisen in het Raamwerk aangepast en zijn de wijzigingen van invloed op de certificering van een nascholingscursus? Dan wordt dit expliciet vermeld en moeten opleidingsinstituten hun opleidingsplannen binnen zes"},{"i":19685,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 13 juli 2017, nr. IENM/BSK-2015/155134, tot wijziging van de Regeling verkeersregelaars 2009 (vereenvoudiging aanstelling evenementenverkeersregelaars) Gelet op de [artikelen 56, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=56), en [58, onderdelen a, d, e, g en h, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=58); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling verkeersregelaars 2009. Artikel II De [Regeling verkeersregelaars 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025299), zoals deze luidde onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op: - a. de vóór dat tijdstip verleende aanstellingen van evenementenverkeersregelaars voor bepaalde tijd, zolang de termijn van de aanstelling niet is verstreken of die aanstelling niet is ingetrokken met inachtneming van genoemde regeling zoals die luidde vóór bedoeld tijdstip en - b. aanstellingen van eenmalige evenementenverkeersregelaars die dateren van vóór de inwerkingtreding ten behoeve van een evenement dat na inwerkingtreding plaatsvindt. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13268,"b":"Wet van 1 november 2012 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2012) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen, bijstellingen of technische reparaties aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel V Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VI Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VII [Vervallen] Artikel VIII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VIIIa Wijzigt de Wet op het BTW-compensatiefonds. Artikel IX Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel X Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XIa Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XII Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel XIII Wijzigt de Douane- en Accijnswet BES. Artikel XIV Wijzigt de Wet loonbelasting BES. Artikel XIVa Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel XV Wijzigt het Belastingplan 2012. Artikel XVI Wijzigt de Overige fiscale maatregelen 2012. Artikel XVII Wijzigt de Wet uitwerking autobrief. Artikel XVIII Wijzigt de Wet uniformering loonbegrip. Artikel XIX 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2013, met dien verstande dat: - a. vervallen; - b. vervallen; - c. [artikel XV, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032208&artikel=XV&z=2013-01-01&g=2013-01-01), toepassing vindt voordat [artikel XXVIII, onderdeel E, van het Belastingplan 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030999&artikel=XXVIII) wordt toegepast"},{"i":17488,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 oktober 2017, kenmerk 1238942-168244-Z, houdende vaststelling per 1 januari 2018 van bedragen krachtens het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 Gelet op de [artikelen 3.3.1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.7) en [3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.2.3) en [3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.7) en [artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.13), [6, eerste lid, onderdeel b, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=6) en [19 van het Bijdragebesluit zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=19) en [8.3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.3), en [8.4, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.4); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit langdurige zorg. Artikel II Wijzigt de Regeling langdurige zorg. Artikel III Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Artikel V 1. Dit artikel is van toepassing op de berekening van de bijdrage in de kosten die krachtens de [artikelen 8.3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.3), en [8.4, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.4) aan het college verschuldigd is. 2. De in [artikel 1a, zesde lid, van het Bijdragebesluit zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=1a) genoemde bedragen worden vastgesteld op: € 10.141. 3. Het in [artikel 4, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=4) genoemde bedrag w"},{"i":17740,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Litouwen inzake de wederzijdse administratieve bijstand ten behoeve van de juiste toepassing van de douanewetgeving en de voorkoming, opsporing en bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Litouwen, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Overwegende dat inbreuken op de douanewetgeving hun economische, fiscale, sociale en culturele belangen en hun handelsbelangen schaden; Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en andere belastingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving van verboden, beperkingen en controlemaatregelen; Erkennende de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Overwegende dat de grensoverschrijdende handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen een bijzonder gevaar voor de volksgezondheid en de samenleving vormt; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douane-administraties op basis van duidelijke wettelijke bepalingen; Gelet op de van belang zijnde instrumenten van de Internationale Douaneraad, in het bijzonder de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand van 5 december 1953; Tevens gelet op verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten en waarbij de Verdragsluitende Partijen partij zijn; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag - 1. wordt onder „douane-administratie” verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft: de centrale administratie die verantwoordelijk is voor de toepassing van de douanewetgeving; wat de Republiek Litouwen betreft: de afdeling Douane van het Ministerie van Fin"},{"i":18982,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 april 2012, nr. VGP 3112379, inzake de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde op een deel van het beleidsterrein van VWS door de NVWA-IOD Handelende in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie en de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op [artikel 3, onder b, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA-IOD) wordt belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde op het beleidsterrein van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voor zover dat beleidsterrein verband houdt met de [Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302) en de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18360,"b":"Regeling van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van 9 juni 1997, nr. 633303/97/6, houdende bepalingen tot uitvoering van de Wet wapens en munitie (Stb. 1986, 41), laatstelijk gewijzigd bij Wet van 16 november 1995 (Stb. 1995, 579) met betrekking tot niet-Nederlandse politie en openbare dienst (Regeling bewapeningsvoorschriften niet-Nederlandse politie en openbare dienst) «Wet wapens en munitie» Gelet op de artikelen 3a, tweede, derde en vierde lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, en 27 eerste lid, van de Wet wapens en munitie; Besluiten: Artikel 1 De artikelen 14, eerste lid, 22, eerste lid, en 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie zijn niet van toepassing op niet-Nederlandse politie, en op personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, indien en voor zover de Minister van Justitie een bewapeningsvoorschrift heeft gegeven. Aan een bewapeningsvoorschrift kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Artikel 2 De artikelen 14, eerste lid, 22, eerste lid, en 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie zijn niet van toepassing op de niet-Nederlandse openbare dienst en op personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, indien en voor zover de Minister van Justitie een bewapeningsvoorschrift heeft gegeven. Aan een bewapeningsvoorschrift kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling bewapeningsvoorschriften niet-Nederlandse politie en openbare dienst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18635,"b":"Wijzigingsregeling diverse Uitvoeringsregelingen Ministerie van Financiën Artikel I. [Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002517) Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965. Artikel II. [Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002784) Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Artikel III. [Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004766) Wijzigt de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Artikel IV. [Regeling bekendmaking percentage heffingsrente en invorderingsrente bij belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005669) Wijzigt de Regeling bekendmaking percentage heffingsrente en invorderingsrente bij belastingen. Artikel V. [Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006736) Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel VI. [Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007780) Wijzigt de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering. Artikel VII. [Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012031) Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel VIII. [Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012059) Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Artikel IX. [Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506) Wijzigt de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Artikel X. [Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016131) Wijzigt de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004. Artikel XI. Overgangsrecht ([Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004766))"},{"i":19100,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 8 april 2006, nr. 5403085/05/DJI, houdende bepalingen met betrekking tot de toelating en weigering van bezoek en beperkingen inzake het telefoonverkeer (Regeling toelating en weigering bezoek en beperking telefooncontacten penitentiaire inrichtingen) Gelet op [artikel 38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=38) en [artikel 39, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. bezoeker: een persoon die de inrichting bezoekt. - b. groep: twee of meer bezoekers die uit hoofde van het doel van het bezoek als een eenheid kunnen worden aangemerkt. - c. identiteitsbewijs: een bewijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1). - d. wet: de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709). - e. de Minister: de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Artikel 2 Een bezoeker dient zich desgevraagd bij binnenkomst in een penitentiaire inrichting te identificeren door middel van een geldig identiteitsbewijs. Artikel 3 1. Een minderjarige jonger dan twaalf jaar en een minderjarige ouder dan twaalf maar jonger dan veertien jaar die niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs, is het niet toegestaan de inrichting zonder meerderjarige begeleider te bezoeken. 2. Een minderjarige jonger dan veertien jaar is het niet toegestaan een gedetineerde die is geplaatst in een afdeling voor intensief toezicht of in een extra beveiligde inrichting te bezoeken zonder meerderjarige begeleider. 3. Een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger die uit hoofde van zijn diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, gedetineerde vreemdelingen bezoekt, dient zich te identificeren door middel van een door de Minister van Buitenlandse Zaken afgegeven legitimatiebewijs voor personeelsleden"},{"i":18479,"b":"Besluit van 20 augustus 2010 tot wijziging van verschillende algemene maatregelen van rijksbestuur in verband met de verkrijging van de hoedanigheid van land binnen het Koninkrijk door Curaçao en Sint Maarten en de toetreding van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot het Nederlandse staatsbestel (Rijksbesluit aanpassing rijksbesluiten aan de oprichting van de nieuwe landen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 november 2009, 2009-0000683603, CZW/WSG; Gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=14) en [38 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38), [artikel 7 van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=7), [artikel 14 van de wet van 29 september 1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001823&artikel=14) (Stb. 1994, 352), [artikel 13 van de wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001859&artikel=13) (Stb. 1994, 351), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) en [23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23), de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002356&artikel=1) en [5 van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002356&artikel=5), [artikel 8 van de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002134&artikel=8), de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&"},{"i":18955,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 4 december 2023 betreffende de digitale vervanging van archiefbescheiden van Justis/COVOG van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Besluit digitale vervanging archiefbescheiden Justis/COVOG Justitie en Veiligheid 2023) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling 1. Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op papier. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. 2. In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van archiefbescheiden op papier door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2. Reikwijdte 1. De digitale vervanging heeft betrekking op papieren archiefbescheiden die zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit en die worden ontvangen of opgemaakt na inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 3. Vervangen en vernietigen van de archiefbescheiden 1. De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties die zijn vastgelegd in het Handboek Vervanging voor archiefbescheiden van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Appendix vervanging COVOG van Justis. 2. De digitale reproducties worden in goede, geordende, toegankelijke en duurzame staat beheerd. 3. Vernietiging van de vervangen archiefbescheiden vindt één maal per kwartaal plaats. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. A"},{"i":18487,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 17 september 2015, nr. IENM/BSK-2015/180512, houdende regels met betrekking tot subsidie ter cofinanciering van projectvoorstellen die vallen onder Interreg North West Europe of North Sea Region (Rijkscofinancieringsregeling Interreg V) Gelet op [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [artikel 5, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2) en [artikel 4 van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **de-minimisverklaring:** verklaring als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L352/1)(VWEU); - –. **Interreg V:** Europees structuurfondsprogramma, bestaande uit verschillende deelprogramma’s; - –. **Interreg North West Europe (NWE):** transnationaal Interreg V deelprogramma dat de mogelijkheid geeft om een financiële bijdrage aan te vragen voor projecten die zien op samenwerking binnen de regio Noordwest Europa; - –. **Interreg North Sea Region (NSR):** transnationaal Interreg V deelprogramma dat de mogelijkheid geeft om een financiële bijdrage aan te vragen voor projecten die zien op samenwerking binnen de regio Noordzee; - –. **Kaderbesluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381); - –. **Lead Partner:** deelnemer aan een samenwerkingsverband en trekker van een project zijnde een overheidsinstelling, een kennisinstelling als bedoeld in [artikel 1.2 van de Wet op het hoger ond"},{"i":19373,"b":"Wet van 27 mei 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing en wijziging van enige andere bepalingen (bijzondere opsporingsbevoegdheden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het Wetboek van Strafvordering enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing op te nemen en in verband daarmee enige andere bepalingen te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van strafvordering. Artikel II Wijzigt de Wet politieregisters. Artikel III Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen of artikelen van deze wet verschillend kan worden gesteld. Artikel V 1. Bevelen en overeenkomsten, uitgevaardigd of gesloten voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, gelden als bevelen en overeenkomsten in de zin van de artikelen 126g tot en met 126z alsmede de artikelen 126ff en 126gg, indien zij aan de in het toepasselijke artikel gestelde eisen voldoen. 2. In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is bepaald dat gegevensverkeer wordt afgetapt en opgenomen of gevorderd dat inlichtingen terzake van gegevensverkeer worden verstrekt, blijven de artikelen [125f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=125f), [125g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=125g) en [125h van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=125h), zoals zij luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van kracht. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en a"},{"i":17913,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 april 2006, nr. Z/VV-2679576, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met de gedifferentieerde berekening van de bijdrage voor verdragsgerechtigden Gelet op [artikel 69, tweede en vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel Ia In afwijking van [artikel 6.3.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.3.1), wordt het nominale deel voor het jaar 2006 vastgesteld op eentwaalfde van € 969. Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag volgende op de dag waarin deze in de Staatscourant is geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18808,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 17 mei 2021 nr. BOACAT2021/015, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Alkmaar Gelezen het verzoek van gemeente Alkmaar van 20 april 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie bij het Arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045140&artikel=2&z=2024-11-27&g=2024-11-27). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Handhaver in dienst van gemeente Alkmaar, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon ops"},{"i":18848,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 augustus 2025 nr. BOACAT2025/156, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Keolis Nederland Gelezen het verzoek van Keolis Nederland van 25 juli 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie Parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051400&artikel=2&z=2026-01-13&g=2026-01-13). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar openbaar vervoer in dienst van Keolis Nederland zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinl"},{"i":19287,"b":"Wet van 11 november 1998, houdende bepalingen verband houdende met de instelling van een in Nederland zetelend Schots Hof voor de strafrechtelijke vervolging van de personen, aangeduid als «the two accused» in Resolutie 1192 (1998), aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tijdens zijn 3920e vergadering op 27 augustus 1998 terzake van de strafbare feiten, bedoeld in de considerans van het zetelverdrag tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en het Koninkrijk der Nederlanden van 18 september 1998 strekkend tot oprichting van een Schots Hof zetelend in Nederland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is enige wettelijke voorzieningen te treffen teneinde uitvoering te geven aan het zetelverdrag gesloten tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en het Koninkrijk der Nederlanden van 18 september 1998 strekkend tot oprichting van een Schots Hof zetelend in Nederland met het oog op de vervolging van twee in dat verdrag genoemde verdachten en dat het wenselijk is dat genoemd verdrag aan de goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 18 september 1998 te 's-Gravenhage totstandgekomen verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 De Nederlandse wet is niet van toepassing op vrijheidsontneming of vrijheidsbeperking ondergaan op last van een Schots Hof zetelend in Nederland voor de strafrechtelijke vervolging van personen verdacht van de strafbare feiten, bedoeld in het zetelverdrag gesloten tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en het Koninkrijk der Nederlan"},{"i":19103,"b":"Regeling van de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank NV van 28 september 2005, houdende regels ten behoeve van de naleving door financiële instellingen van de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 gestelde regels met betrekking tot het financieel verkeer (Regeling toezicht Sanctiewet 1977) Gelet op [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10), [artikel 10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10b) en [artikel 10f van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10f); Gelet op het [Overdrachtsbesluit Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013887) (Stb. 2002, 403); Gelet op de [Aanwijzingsregeling rechtspersonen Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013741) (Stcrt. 2002 106; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 27 augustus 2002, Stcrt. 2002, 165); Na overleg met de Minister van Financiën; Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. instelling: een instelling als bedoeld in [artikel 10, tweede lid, van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10); - b. relatie: een ieder die betrokken is bij een financiële dienst of een financiële transactie; - c. Sanctieregelgeving: de [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296) en de op grond van de [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296) vastgestelde regelingen en besluiten met betrekking tot het financieel verkeer; - d. toezichthouder: de Autoriteit Financiële Markten dan wel De Nederlandsche Bank NV, voor zover deze rechtspersonen zijn belast met het toezicht op de naleving door instellingen van het bij of krachtens de vijfde afdeling van de [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296) bepaalde met betrekking tot het financieel verkeer. Artikel 2 1. De instelling waarborgt dat zij op het gebied van de administratieve organisatie en interne control"},{"i":19014,"b":"Wet van 22 juni 2022 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter bevordering van innovatie van verschillende onderwerpen in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering (Innovatiewet Strafvordering) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het huidige [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) te wijzigen ter bevordering van innovatie van verschillende onderwerpen in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II De Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming zenden binnen twee jaar nadat een eerste onderdeel van deze wet in werking is getreden aan beide Kamers van de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV 1. [Titel X van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&titeldeel=X) vervalt drie jaar na inwerkingtreding van deze wet of van het eerste onderdeel van deze wet, tenzij voor die datum een voorstel van wet bij de Tweede Kamer is ingediend waarbij ten aanzien van Titel X of van een of meer afdelingen of artikelen daarvan anders wordt bepaald. 2. Indien een voorstel van wet als bedoeld in het eerste lid wordt ingetrokken of indien een van de Kamers van de Staten Generaal tot het niet-aannemen van het voorstel van wet besluit, vervalt [Titel X van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten."},{"i":18267,"b":"Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 Algemeen Artikel 2 Artikel 1 Paragraaf 1. wettekst artikel 1 1-1-b. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b 1-1-a. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) Paragraaf 2. toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a Paragraaf 2.1. wettekst artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a 1-1-e. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e Paragraaf 2.2. algemeen 1-1-g. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g paragraaf 1. Algemeen Paragraaf 3. toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b Paragraaf 3.1. wettekst artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b 1-1-f. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) Paragraaf 3.2. algemeen paragraaf 3. Toelating voor onbepaalde tijd 1-1-c. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) 1-1-g. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g paragraaf 1. Algemeen 1-1-e. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e 1-1-d. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) Paragraaf 4. toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c Paragraaf 4.1. wettekst artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c 1-1-e. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e Paragraaf 4.2. algemeen 1-1-e. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e 1-1-f. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) paragraaf 2.1. Toelating 1-1-g. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) Paragraaf 5. toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d Paragraaf 5.1. wettekst artikel 1, eerste li"},{"i":18628,"b":"Rijkswet van 18 december 2013 tot wijziging van de Paspoortwet in verband met een andere status van de Nederlandse identiteitskaart, het verlengen van de geldigheidsduur van reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaarten, een andere grondslag voor de heffing van rechten door burgemeesters en gezaghebbers en het niet langer opslaan van vingerafdrukken in de reisdocumentenadministratie (Wijziging van de Paspoortwet in verband met onder meer de status van de Nederlandse identiteitskaart) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) te wijzigen in verband met een andere status van de Nederlandse identiteitskaart, het verlengen van de geldigheidsduur van reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaarten, een andere grondslag voor de heffing van rechten door burgemeesters en gezaghebbers voor de aanvraag van reisdocumenten en het niet langer opslaan van vingerafdrukken in de reisdocumentenadministratie; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Paspoortwet. Artikel II Wijzigt de Wijzigingsrijkswet Paspoortwet (herinrichten reisdocumentenadministratie). Artikel III Wijzigt de Wet betreffende de positie van Molukkers. Artikel IV Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel V Wijzigt het Wetboek van Strafrecht BES. Artikel VI Wijzigt de Rijkswet op het Nederlanderschap. Artikel VII Wijzigt de Wet op de identificatieplicht. Artikel VIII 1. Een gemeentelijke belastingverordening of een eilandverordening ter zake van het heffen van rechten als bedoeld in [artikel 7, tweede lid, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=7), zoals dat luidd"},{"i":18800,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 18 mei 2017 nr. BOACAT2017/034, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Agentschap Telecom Gelezen het verzoek van Agentschap Telecom van 15 mei 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039580&artikel=2&z=2017-06-07&g=2017-06-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van inspecteur en senior inspecteur in dienst van Agentschap Telecom, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel 4 Op grond van dit besluit"},{"i":17399,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 november 2024, nr. 2024-0000915898, houdende regels voor het verstrekken van een specifieke uitkering voor de GrensInfoPunten (Regeling specifieke uitkering GIPS) Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **GrensInfoPunt:** fysiek en telefonisch goed bereikbaar informatiepunt in het grensgebied waar kosteloos frontofficedienstverlening in het kader van grensoverschrijdend wonen, werken, studeren en ondernemen wordt verleend; - **Minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - **Rijksontvangers:** de colleges van GedeputeerdeStaten van de provincies Drenthe, Overijssel, Gelderland en Limburg en het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Goes, Eindhoven, Baarle-Nassau en Bergen op Zoom. Artikel 2. De specifieke uitkering De Minister verstrekt een specifieke uitkering aan de Rijksontvangers ten behoeve van de financiering van de GrensInfoPunten. Artikel 3. Hoogte en verdeling specifieke uitkering aan de Rijksontvanger 1. Voor de specifieke uitkering is per kalenderjaar een bedrag van in totaal € 1.558.809,– inclusief BTW, beschikbaar. 2. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt jaarlijks uiterlijk 31 januari ter beschikking gesteld aan de Rijksontvangers overeenkomstig de verdeling, bedoeld in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050475&bijlage=I&z=2025-07-18&g=2025-07-18) bij deze regeling. 3. De wijze van betaling aan de Rijksontvanger wordt opgenomen in de toekenningsbeschikking. Artikel 4. Verplichtingen Rijksontvanger 1. De Rijksontvanger draagt zorg voor de uitbetaling van het bedrag, bedoeld in [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050475&artikel=3&z=2025-07-18&g=2025-07-18), aan de onder hem ressorterende GrensInfoPunten. 2. De Rijksontvanger kan geen"},{"i":18427,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 september 2010, nr. 2010-0000607568, tot het stellen van nadere regels betreffende het vinden van passende arbeid voor gewezen politieke gezagdragers van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het opleggen van sancties aan gewezen politieke gezagdragers van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling sollicitatieplicht voor gewezen politieke gezagdragers BES) Gelet op de [artikelen 3a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028554&artikel=3a), [3b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028554&artikel=3b), en [3c, tweede lid, van het Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028554&artikel=3c); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 3a, 3b en 3c van het Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES in werking treden. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **betrokkene:** betrokkene als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028554&artikel=3a); - b. **inhouding:** inhouding als bedoeld in [artikel 3c, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028554&artikel=3c); - c. **re-integratiebedrijf:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert; - d. **passende arbeid:** passende arbeid als bedoeld in [artikel 3a, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028554&artikel=3b); - e. **plan:** plan voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid als bedoeld in artikel 3a, vierde lid, van het besluit; - f. **planmatige begeleiding en ondersteuning:** planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken en verwerven van passende arbeid als bedoeld in [artikel 3b, tweede lid, van het besluit"},{"i":17662,"b":"Vaststelling selectielijst Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing (EZ) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 31 maart 1999, nr. arc-99.205/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken op het beleidsterrein ’brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing’ over de periode vanaf 1952, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":19136,"b":"Richtlijn voor strafvordering kindermishandeling De richtlijn bevat de meest voorkomende varianten van kindermishandeling. Omdat kindermishandelingszaken een grote variëteit kennen, blijft maatwerk geboden. Deze richtlijn kent een eigen recidiveregeling. Bij het bepalen van de strafmaat moet als uitgangspunt de bescherming van kinderen gelden. Het geweld jegens een of meer kinderen moet zo snel mogelijk stoppen. Dat betekent dat rekening moet worden gehouden en overleg moet worden gevoerd met de hulpverlening die aan het gezinssysteem wordt aangeboden. Er vindt bij het bepalen van de strafmaat afstemming plaats met ketenpartners als Veilig Thuis, de Reclasseringen de Raad voor de Kinderbescherming. Waar mogelijk zorgt de straf voor een aanvulling op eventuele parallelle civielrechtelijke beslissingen. Daarnaast mag bij het bepalen van de strafmaat niet uit het oog worden verloren dat het Openbaar Ministerie een belangrijke normstellende rol heeft. En ook het aspect van vergelding moet voldoende doorklinken in de strafmaat. Het is van belang dat in de strafeis doorklinkt dat wat het kind is aangedaan strafbaar is en in deze samenleving niet wordt geaccepteerd. Deze normering en de bestraffing van de dader kan het kind onder meer helpen bij het herstel van de psychische schade. Dit gegeven brengt de volgende uitgangspunten met zich mee: Bij kindermishandelingszaken is vaak sprake van achterliggende (agressie)problematiek. In de strafeis wordt zoveel mogelijk een voorwaardelijk strafdeel opgenomen, teneinde de verdachte in een gedwongen kader aan de achterliggende problematiek te laten werken en/of het kind te beschermen. Hiermee kan de inzet van of door instanties als Veilig Thuis, de Reclassering of de Raad voor de Kinderbescherming worden ondersteund. Als bijzondere voorwaarde ([14c Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=14c)) kan gedacht worden aan: Ook kan als bijzondere voorwaarde een verbod om met kinderen te werken worden opgenomen (bijvoor"},{"i":18596,"b":"Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel Gelet op: de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=2), [60c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=60c), [108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=108), [109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=109) en [111, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=111); [artikel 52, eerste lid, onderdeel d, van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=52); [artikel 16, eerste lid, onder c, van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=16); [artikel 8, derde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=8), [artikel 16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=16), en de [artikelen 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=50) en [69 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=69). Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **hoofd defensieonderdeel** - 1°. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf; - 2°. de commandant operationeel commando voor het desbetreffende commando; - 3°. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf; - 4°. de commandant van het Defensie Ondersteuningscommando, voor zover het betreft het Defensie Ondersteuningscommando. - b. **commandant** de commandant van het dienstencentrum internationale ondersteuning defensie; - c. **defensie-ambtenaar** de militair of de ambtenaar; - d. **gezinsleden** de echtgenoot van de defensie-ambtenaar"},{"i":19446,"b":"Besluit van 3 december 2004, houdende regels met betrekking tot het veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen (Besluit spoorverkeer) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 16 september 2003, Hoofddirectie Juridische Zaken, nr. HDJZ/S&W/2003-1877; Gelet op [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) en op de [artikelen 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=23), [64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=64), [65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=65) en [87, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=87); De Raad van State gehoord (advies van 19 december 2003, nr. W09.03.0393/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 november 2004, nr. HDJZ/S&W/2004-2899, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - bestuurder: bestuurder van een trein; - gebruik van een hoofdspoorweg: met een spoorvoertuig rijden over of stilstaan op een hoofdspoorweg; - gevaarlijke stoffen: gevaarlijke stoffen als bedoeld in de [Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606); - hoofdspoorweg: hoofdspoorweg als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=2), of [artikel 124, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=124); - rangeerder: persoon die een trein begeleidt; - sein: verkeersteken inhoudende een ge- of verbod, een waarschuwing of een aanduiding; - **TSI Exploitatie en verkeersleiding:** Uitvoerings[verordening (EU) 2019/773](32673R2019) van de Commissie van 16 mei 2019 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2012/757/EU (PbEU 2"},{"i":19469,"b":"Europese Overeenkomst houdende aanvulling van het Verdrag nopens het Wegverkeer en het Protocol nopens de verkeerstekens, ondertekend te Genève op 19 september 1949 Artikel 1 De ondergetekenden, behoorlijk gemachtigd, zijn overeengekomen om het [Verdrag nopens het wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005570) en het [Protocol nopens de verkeerstekens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005415) van 19 September 1949 aan te vullen wat betreft de volgende punten: Voertuigen mogen vluchtheuvels links of rechts voorbijrijden behalve ingeval: - 1). een op de vluchtheuvel aangebrachte pijl de zijde aanduidt waarlangs moet worden voorbijgereden; - 2). de vluchtheuvel gelegen is in de as van een rijbaan met verkeer in twee richtingen, in welk geval de vluchtheuvel rechts moet worden voorbijgereden in de landen waar het verkeer rechts houdt en links in de landen waar het verkeer links houdt. - 1. Aan invaliden uitgereikte rijbewijzen waarop een aantekening voorkomt dat zij slechts geldig zijn voor voertuigen die speciaal zijn gebouwd met het oog op de invaliditeit, vormen een categorie rijbewijzen in de zin van artikel 24, eerste lid. - 2. Deze aantekening moet, in rode inkt, het woord „RESTREINT” bevatten alsmede het inschrijvingsnummer van het voertuig dat speciaal is uitgerust met het oog op de invaliditeit van de bestuurder. Met een hulpmotor uitgeruste rijwielen worden niet als motorrijtuigen beschouwd op voorwaarde dat zij de normale kenmerkende eigenschappen van het rijwiel hebben wat hun gebruiksmogelijkheden betreft. - (a). De symbolen bedoeld in artikel 5, eerste lid, zullen internationaal worden aanvaard. - (b). Aanvullende aanduidingen zullen slechts zijn toegestaan om de interpretatie van het teken te vergemakkelijken of de betekenis ervan duidelijker aan te geven. - (c). De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich alle nieuwe symbolen welke zij voornemens zijn vast te stellen, aan een Comité voor te leggen dat zal worden opgericht onder"},{"i":17825,"b":"Wet van 11 november 1993, houdende regelen inzake beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is: de tot dusverre geldende wettelijke regeling op het gebied van de uitoefening van de geneeskunst, inhoudende een het gehele gebied der geneeskunst bestrijkend verbod van beroepsuitoefening zonder hiertoe wettelijk verleende bevoegdheid, te vervangen door een regeling welke een ruimer gebied van individuele gezondheidszorg bestrijkt en waarbij slechts het verrichten van bij de wet aangewezen categorieën van handelingen wordt voorbehouden aan categorieën van daartoe overeenkomstig de wet gekwalificeerden, terwijl het voeren van wettelijk beschermde beroepstitels uitsluitend toekomt aan degenen die in de voor de desbetreffende beroepen overeenkomstig de wet ingestelde registers ingeschreven staan en ten aanzien van andere beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg voorzien wordt in de mogelijkheid tot het regelen van de opleiding tot die beroepen; voor onderscheidene categorieën van overeenkomstig de wet gekwalificeerden een aan de gebleken behoeften aangepaste regeling van tuchtrechtspraak in het leven te roepen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **andere overeenkomstsluitende staat:** staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland; - –. **BIG-nummer:** nummer, bedoeld in [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&hoofdstuk=II&paragraaf=1&artikel=3&z=2025-07-05&g=2025-07-05); - –. **erkend specialistenregister:** een specialistenregis"},{"i":17131,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 april 2012, nr. DDS5706676, houdende instelling van de Landelijke adviescommissie plaatsing longstay forensische zorg (Instellingsbesluit Landelijke adviescommissie plaatsing longstay forensische zorg) Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Lap:** de Landelijke adviescommissie plaatsing longstay forensische zorg, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031541&artikel=2&z=2018-05-10&g=2018-05-10); - b. **Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - c. **ter beschikking gestelde:** een ter beschikking gestelde ten aanzien van wie een bevel tot verpleging van overheidswege als bedoeld in [artikel 37b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37b) of [38c van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37c) is gegeven; - d. **longstay:** een afdeling van een inrichting voor ter beschikking gestelden gericht op langdurige forensisch psychiatrische zorg. Artikel 2. Instelling Er is een Landelijke adviescommissie plaatsing longstay forensische zorg. Artikel 3. Taak De Lap heeft tot taak de Minister te adviseren over de afdoening van aanvragen tot plaatsing of beëindiging van plaatsing van ter beschikking gestelden in een longstay-voorziening. Tevens adviseert de Lap de Minister elke drie jaar over de voortzetting van de plaatsing. Artikel 4. Samenstelling 1. De Lap bestaat uit de volgende leden: - a. ten minste zes forensisch psychiaters en psychologen; - b. ten minste twee juristen waarvan een de voorzitter van de Lap is. 2. De Lap doet een voordracht aan de Minister voor de benoeming van leden. Voor de voordracht van forensisch psychiaters en psychologen vraagt de Lap advies aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, de forensisch psychiatrische centra of GGZ Nederland. 3. De Minister benoemt de voorzitter en overige leden van de Lap voor een periode van"},{"i":17663,"b":"Vaststelling selectielijst Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing (LNV) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 22 februari 1999, nr. arc-98.2214/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op het beleidsterrein ’brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing’ over de periode vanaf 1953, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":18444,"b":"Regeling vacatiegelden commissie van advies bezwaren functiewaardering politie Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1) en [2 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=2); Besluiten: Artikel 1 1. Aan de voorzitter en de leden van de commissie van advies bezwaren functiewaardering politie, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de Regeling bezwarenprocedure functiewaardering politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006859&artikel=11), wordt, voorzover zij ingevolge [artikel 2, eerste lid, onder a, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=2) daarvan niet zijn uitgesloten, een vacatiegeld toegekend. 2. Het vacatiegeld bedraagt per vergadering voor de voorzitter € 249,58 en voor de leden € 124,79, waarbij twee of meer vergaderingen op dezelfde dag gelden als één vergadering. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst. Afschrift van deze regeling zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":17420,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 oktober 2019, nr. 2019-0000096953, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering ten behoeve van de reductie van energiegebruik bij koopwoningen (Regeling specifieke uitkering reductie energiegebruik) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt 1. Onze Minister kan op aanvraag een eenmalige specifieke uitkering verstrekken aan gemeenten voor activiteiten die tot doel hebben om de CO2-uitstoot te verlagen door reductie van energiegebruik in woningen in particulier eigendom die niet zijn bedoeld voor verhuur. 2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, omvatten of zijn ondersteunend aan: - a. het energiezuinig laten inregelen van verwarmingssystemen en radiatoren door de particuliere eigenaar van een woning; en - b. het geven van advies over en stimuleren van andere energiebesparende maatregelen die een particuliere eigenaar van een woning kan uitvoeren of kan laten uitvoeren. Artikel 3. Hoogte van de uitkering en uitkeringsplafond 1. Een specifieke uitkering bedraagt ten hoogste: - a. € 9.000.000; en - b. € 90 maal het aantal woningen als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042607&artikel=4&z=2021-02-10&g=2021-02-10). 2. Onze Minister kan in totaal ten hoogste € 98.000.000 aan specifieke uitkeringen verstrekken. Artikel 4. Aanvraag en verstrekking 1. Een aanvraag voor een specifieke uitkering kan worden ingediend vanaf 9 oktober tot en met 14 november 2019. 2. Een aanvraag bevat ten minste: - a. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd en de wijze waar"},{"i":18183,"b":"Besluit routinematige digitale vervanging personele archiefstukken Defensie Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. [selectielijst ‘Vaststelling van de Generieke Selectielijst Defensie (GSD) over de periode vanaf 1945’](onbekend), vastgesteld 7 maart 2014, Stcrt. 2014, 5937; - b. **beleidsregel:** [Beleidsregel digitale vervanging van vernietigbare archiefbescheiden Ministerie van Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033963); - c. **instructie:** Instructie informatiebeheer Defensie 2015; - d. **informatieobjecten:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1). Artikel 2. Vervanging De personele archiefstukken van het Ministerie van Defensie worden met ingang van 1 december 2013 vervangen met inachtneming van de [beleidsregel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033963) en de instructie. Artikel 3. Reikwijdte - a. De vervanging wordt uitgevoerd conform de instructie voor alle personele archiefstukken die moeten worden opgenomen in het personeelsdossier; - b. Niet vervangen worden: - •. informatieobjecten met een rubricering hoger dan departementaal vertrouwelijk; - •. informatieobjecten betreffende deelnemers aan het Management Development-traject schaal 16 tot en met 18; - •. informatieobjecten betreffende personeelsleden van bijzondere eenheden zoals genoemd in het handboek. Artikel 4. Waarborgen cultureel erfgoed, recht-en bewijszoekende burger, historisch onderzoek Bij de vervanging worden de waarborgen, neergelegd in de selectielijst, de [beleidsregel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033963) en de instructie in acht genomen met betrekking tot [artikel 2, eerste lid onder c en d van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 5. Mandaat Vervallen Ar"},{"i":17815,"b":"Wet van 24 december 1997, houdende het verschaffen van een wettelijke basis voor uitkeringen en subsidies op de terreinen van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing en het Tijdelijk subsidiebesluit verslavingsbeleid per 1 januari 1998 vervallen en op de terreinen van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid het wenselijk wordt geacht de mogelijkheid van uitkeringen aan gemeenten en subsidiëring van instellingen te continueren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Welzijnswet 1994. ARTIKEL II 1. In afwijking van [artikel 2, onderdeel e, van de Welzijnswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006705&artikel=2), wordt in het jaar 1998 tot het beleid, bedoeld in dat artikelonderdeel, niet gerekend het beleid dat gemeenten voeren in het kader van de bestrijding van overlast door verslaving en waarvoor zij specifiek ten behoeve van dat beleid een uitkering ontvangen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 2. In afwijking van [artikel 10a van de Welzijnswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006705&artikel=10a) kunnen voor het jaar 1998 bij ministeriële regeling: - a. de gemeenten worden aangewezen, en - b. de regels, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, worden gesteld. 3. Bij ministeriële regeling kunnen voor subsidies ten behoeve van verslavingsbeleid van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 10 van de Welzijnswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006705&artikel=10), afwijkende regels worden gesteld ten aanzien van de aanvraag. ARTIKEL III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegev"},{"i":17514,"b":"Regeling voorschotverlening op uitkeringen Wlz en vaststelling kosten van verstrekkingen en vergoedingen 2015 Gelet op [artikel 91, derde lid van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), alsmede [artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.2), [artikel 4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4), [artikel 4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5) en [artikel 4.8 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.8), alsmede [artikel 4:81, eerste lid Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Heeft in zijn vergadering van 2 februari 2015 besloten: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **het jaar t:** het kalenderjaar waarop de uitkering betrekking heeft; - b. **het jaar t + 1:** het op het jaar t volgende kalenderjaar; - c. **het jaar t + 3:** het jaar dat ligt 3 jaar na het jaar t; - d. **Wlz:** [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - e. **Flz:** Fonds langdurige zorg; - f. **het Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland; - g. **Wlz-uitvoerder:** een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 4.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1); - h. **Zorgkantoor:** de zorgkantoren die zijn aangewezen in het [Besluit van de Staatssecretaris van VWS van 10 december 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987), houdende de aanwijzing van de zorgkantoren; - i. **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit; - j. **SVB:** Sociale Verzekeringsbank. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op voorschotbetalingen die worden gedaan onder de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). Artikel 3. Vaststelling voorschotten beheerskosten 1. Het Zorginstituut stelt gelijktijdig met de toekenning van het beheerskostenbudget voor de Wlz-uitvoerders, de zorgkantoren en de SVB d"},{"i":18616,"b":"Wet van 10 augustus 1951, houdende nieuwe vaststelling van het rechtsgebied en de zetels der rechtbank en kantongerechten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rechtsgebieden en de zetels der rechtbanken en kantongerechten opnieuw vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Er zijn elf rechtbanken, die als volgt worden aangeduid: - a. de rechtbank Amsterdam; - b. de rechtbank Den Haag; - c. de rechtbank Gelderland; - d. de rechtbank Limburg; - e. de rechtbank Midden-Nederland; - f. de rechtbank Noord-Holland; - g. de rechtbank Noord-Nederland; - h. de rechtbank Oost-Brabant; - i. de rechtbank Overijssel; - j. de rechtbank Rotterdam; - k. de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Artikel 2 Er zijn vier gerechtshoven, die als volgt worden aangeduid: - a. het gerechtshof Amsterdam; - b. het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden; - c. het gerechtshof Den Haag; - d. het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Artikel 3 Het rechtsgebied van een rechtbank onderscheidenlijk gerechtshof omvat het in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002080&paragraaf=2&z=2023-01-01&g=2023-01-01) onderscheidenlijk [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002080&paragraaf=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01) als zodanig genoemde arrondissement onderscheidenlijk ressort. Artikel 4 Het arrondissement Amsterdam omvat het grondgebied van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn. Artikel 5 Het arrondissement Den Haag omvat het grondgebied van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Delft, Gouda, ’s-Gravenhage, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Krimpenerwaard, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Lisse, Midden-Delfland, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Teylingen, Voorsc"},{"i":17750,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken **Preambule** Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de veiligheid en de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid van de Verdragsluitende Partijen; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van door de Verdragsluitende Partijen met elkaar overeengekomen internationaal rechtelijke bepalingen; Gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand, de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand (Verklaring van Cyprus) en de Resolutie inzake veiligheid en facilitatie van de internationale logistieke keten, aangenomen door de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Wereld Douane Organisatie, in respectievelijk december 1953, juli 2000 en juni 2002; Gelet op verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Tevens gelet op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens"},{"i":17877,"b":"Besluit van 15 december 2021 tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria in verband met de invoering van bijzondere procedurele bepalingen in het Vreemdelingenbesluit 2000 onder andere voor situaties waarin sprake is van een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 21 juni 2018, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2297062; Gelet op de [artikelen 12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=12), [28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=28), en [37, vijfde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 augustus 2018, No. W16.18.0155/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 10 december 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3694411; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel II Wijzigt het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria. Artikel III Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) en het [Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006404) zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op toevoegingen afgegeven vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18509,"b":"Rijkswet van 8 juni 2022, houdende regels omtrent de verkrijging en het verlies van de nationaliteit van zeeschepen (Rijkswet nationaliteit zeeschepen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met inachtneming van de artikelen 91, 92, eerste lid, en 94 van het op 10 december 1982 te Montego-Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83) nieuwe regels te stellen omtrent verlening van de nationaliteit van het Koninkrijk aan een zeeschip en het recht de nationaliteitsvlag te voeren; Zo is het, dat Wij, de afdeling Advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt voor Nederland in werking op 1 juli 2025. Treedt voor Caribisch Nederland in werking op een nader te bepalen tijdstip. Hoofdstuk 1. Definities en reikwijdte Artikel 1. – Begripsbepalingen In deze rijkswet wordt verstaan onder: - **eigenaar:** eigenaar van een zeeschip in niet-bedrijfsmatig gebruik; - **IMO-nummer:** uniek scheepsidentificatienummer, bedoeld in voorschrift XI-1/3 van het SOLAS-verdrag; - **Koninkrijk:** Koninkrijk der Nederlanden; - **land:** Nederland, Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten; - **Onze Minister wie het aangaat:** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, onderscheidenlijk de minister van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, belast met de registratie van en het verlenen van de nationaliteit van het Koninkrijk aan zeeschepen; - **reder:** eigenaar van een zeeschip in bedrijfsmatig gebruik; - **rompbevrachting:** overeenkomst waarbij de ene partij, de rompvervrachter, zich verbindt een zeeschip zonder bemanning ter beschikking te stellen van haar wederpartij, de rompbevrachter, zonder daarover nog enige zeggenschap"},{"i":18677,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 20 september 2021 en nr. 3446724, houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet normering topinkomens op het terrein van Justitie en Veiligheid (Aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Justitie en Veiligheid) Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.1) en [5.3 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), alsmede [titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **WNT:** de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249); - b. **Eenheid toezicht WNT:** de als zodanig aangeduide eenheid, bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c van het Besluit BZK-toezicht en handhaving WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042396&artikel=1). Artikel 2. Gebundeld toezicht op de naleving van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) 1. De ambtenaren werkzaam bij de Eenheid toezicht WNT worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) ten aanzien van rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen waarvoor de Minister van Justitie en Veiligheid in de WNT is aangewezen als Onze Minister wie het aangaat. 2. De bevoegdheid om namens de Minister van Justitie en Veiligheid inlichtingen te vorderen van de organisaties genoemd in [artikel 5.3 van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), wordt uitgeoefend door het Hoofd TEA die leiding geeft aan de Eenheid toezicht WNT. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt teru"},{"i":18055,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 februari 2009, nr. DDI/ST/reg. 010/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Ambassade in de Sovjet-Unie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade in de Sovjet-Unie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 47 | 2039 | | 557 | 2039 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade in de Sovjet-Unie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 48 | 2018 | | 50 | 2018 | | 51 | 2024 | | 52 | 2015 | | 53 | 2021 | | 54 | 2025 | | 56 | 2020 | | 57 | 2025 | | 58 | 2047 | | 59 | 2027 | | 60 | 2026 | | 61 | 2040 | | 62 | 2029 | | 66 | 2036 | | 67 | 2050 | | 75 | 2039 | | 78 | 2037 | | 79 | 2040 | | 93 | 2050 | | 125 | 2034 | | 139 | 2040 | | 475 | 2040 | | 555 | 2045 | | 560 | 2038 | | 593 | 2040 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025334&artikel=2&z=2009-02-28&g"},{"i":19312,"b":"Besluit van 6 oktober 2012 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in verband met een aanscherping van de registratieplicht Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 18 juli 2012, nr. 285431; Gelet op [artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=437); De Raad van State gehoord (advies van 25 juli 2012, No. W03.12.0283/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 27 september 2012, nr. 306400; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Op gebruikte of ongeregelde goederen die de opkoper of handelaar als bedoeld in [artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005381&artikel=1) heeft verworven dan wel reeds voorhanden had vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is dit besluit niet van toepassing. Artikel III Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2013. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18014,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 1 september 2003, nr. IAZ2003/705M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het archief, van het Ministerie van Financiën, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen, 1940–1953 (Archiefregeling voor de archieven van de Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen van het Ministerie van Financiën) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gelet op het advies van de directeur van het Nationaal Archief over de beperkingen voor de openbaarheid van archieven van 21 oktober 2002 met het kenmerk C/V/02/3485; Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Ministerie van Financiën, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen, 1940–1953 de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 113, 114, 147, 149–152, 158, 174, 229, 296 is slechts mogelijk na ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Archiefregeling voor de archieven van de Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen van het Ministerie van Financiën. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met inga"},{"i":19472,"b":"Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag inzake het wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld De overeenkomstsluitende partijen, die tevens partij zijn bij het [Verdrag inzake het wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003507) dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, Geleid door de wens een grotere eenvormigheid te bereiken in de regels voor het wegverkeer in Europa en een hoger niveau van bescherming van het milieu te waarborgen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De Overeenkomstsluitende Partijen, die tevens Partij zijn bij het [Verdrag inzake het wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003507) dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, nemen passende maatregelen opdat de op hun grondgebied geldende verkeersregels en de technische eisen waaraan op hun grondgebied geregistreerde motorvoertuigen moeten voldoen in hoofdzaak overeenkomen met de bepalingen in de Bijlage bij deze Overeenkomst. 2. Op voorwaarde dat deze regels op geen enkele wijze in strijd zijn met de bepalingen in de Bijlage bij deze Overeenkomst - (a). behoeven deze regels geen van de genoemde bepalingen over te nemen die van toepassing zijn op omstandigheden die zich op het grondgebied van de desbetreffende Overeenkomstsluitende Partij niet voordoen; - (b). mogen deze regels bepalingen bevatten die niet in de Bijlage voorkomen. 3. De bepalingen van dit artikel eisen niet van de Overeenkomstsluitende Partijen dat zij overtredingen van de in de Bijlage neergelegde bepalingen die zijn opgenomen in hun eigen verkeersregels strafbaar stellen. Artikel 2 1. Deze Overeenkomst is tot 31 december 1972 opengesteld voor ondertekening door Staten die het [Verdrag inzake het wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003507) dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden en die lid zijn van de Eco"},{"i":18335,"b":"Wet van 12 juli 2012 tot vaststelling van een nieuwe Politiewet (Politiewet 2012) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een nieuwe regeling te treffen voor de organisatie en het beheer van de politie en daartoe de [Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299) te vervangen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **politie:** het landelijke politiekorps, bedoeld in [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&hoofdstuk=3&afdeling=3.2&paragraaf=3.2.1&artikel=25&z=2026-01-23&g=2026-01-23); - c. **korpschef:** de korpschef, bedoeld in [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&hoofdstuk=3&afdeling=3.2&paragraaf=3.2.2&artikel=27&z=2026-01-23&g=2026-01-23); - d. **eenheid:** een regionale of landelijke eenheid; - e. **regionale eenheid:** een regionale eenheid van de politie als bedoeld in [artikel 25, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&hoofdstuk=3&afdeling=3.2&paragraaf=3.2.1&artikel=25&z=2026-01-23&g=2026-01-23); - f. **landelijke eenheid:** een landelijke eenheid van de politie als bedoeld in [artikel 25, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&hoofdstuk=3&afdeling=3.2&paragraaf=3.2.1&artikel=25&z=2026-01-23&g=2026-01-23); - g. **regioburgemeester:** de regioburgemeester, bedoeld in [artikel 38c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&hoofdstuk=3&afdeling=3.3&artikel=38c&z=2026-01-23&g=2026-01-23); - h. **politiechef:** het hoofd van een regionale of landelijke eenheid; - i. taken ten dienste van de justitie: - 1°. de uitvoering van wetteli"},{"i":18568,"b":"Besluit van 16 maart 2006, nr. 06.000757, houdende vaststelling van een selectielijst van de Nationale Ombudsman op het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting over de periode 1945–2000 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 16 februari 2006, nr. C/S&A/05/2144, gedaan in overeenstemming met de Nationale Ombudsman; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Gezien het advies van de Raad voor Cultuur van 18 november 2004, nr. arc-2004.1462/5; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de handelingen van de Nationale Ombudsman en op het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting over de periode 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst voor de handelingen van de Nationale Ombudsman op het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting over de periode 1945–2000 I. Toelichting behorende bij de Selectielijst voor de handelingen van de Nationale Ombudsman op het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting over de periode 1945–2000 **1. Inleiding** De Archiefwet 1995 en het Archiefbesluit 1995 verplichten de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende bescheiden. Onder ‘archiefbescheiden’ is niet alleen papier te verstaan. Alle bescheiden, ongeacht de vorm, die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt (en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten) behoren daartoe. Bijvoorbeeld ook digitaal vastgelegde informatie. Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt mede in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband ge"},{"i":17334,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 februari 2009, nr. IVV/FB/2009/3720, houdende de machtiging van de secretaris van de toetsingscommissie, bedoeld in artikel 73 van de Wet werk en bijstand Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=9); Besluit: Artikel 1 De secretaris van de toetsingscommissie, bedoeld in [artikel 73 van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=73), is gemachtigd tot het stellen van een termijn als bedoeld in [artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5), voor de aanvulling van een verzoek als bedoeld in [artikel 74, eerste lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=74). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling met toelichting zal in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling machtiging secretaris toetsingscommissie aanvullende uitkeringen Participatiewet. Deze regeling met toelichting zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19491,"b":"Besluit van de directeur Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 januari 2024, nr. 5164823, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart NCTV 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Mandaatbesluit NCTV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042181&artikel=1) aan de directeur Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun afdeling betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van de Afdeling Contraterrorisme 1; - b. het hoofd van de Afdeling Contraterrorisme 2; - c. het hoofd van de Afdeling Beveiliging Burgerluchtvaart. Artikel 2 De in [artikel 1, onder a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049335&artikel=1&z=2024-02-10&g=2024-02-10), genoemde functionarissen wordt toegestaan elkaar volledig te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars bevoegdheden. Artikel 3 Het [Mandaatbesluit Contraterrorisme NCTV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042186) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2022. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart NCTV 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18517,"b":"Rijkswet van 8 maart 2001 tot wijziging van de Paspoortwet, onder andere in verband met het daarin opnemen van enige bepalingen ter voorkoming van misbruik van reisdocumenten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) te wijzigen, onder andere in verband met het daarin opnemen van enige bepalingen ter voorkoming van misbruik van reisdocumenten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Paspoortwet. Artikel II 1. Een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in behandeling zijnde aanvraag ter verkrijging van een Europese identiteitskaart wordt aangemerkt als een aanvraag ter verkrijging van een Nederlandse identiteitskaart op grond van deze wet. 2. Een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in behandeling zijnde aanvraag ter verkrijging van een reisdocument voor vluchtelingen dan wel een reisdocument voor vreemdelingen wordt aangemerkt als een aanvraag ter verkrijging van een reisdocument op grond van deze wet. 3. Op een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in behandeling zijnde aanvraag tot bijschrijving van kinderen als bedoeld in [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=17) zijn de bepalingen van deze wet van toepassing. Artikel III 1. Reisdocumenten die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn verstrekt, behouden de geldigheid die daarin is vermeld. 2. Een geldige Europese identiteitskaart wordt voor de toepassing van de [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=30) en [46a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=46a) gelijkg"},{"i":19279,"b":"Wet van 5 juli 1997 tot instelling van vaste colleges van advies van het Rijk op het terrein van het Ministerie van Justitie (Wet adviesstelsel Justitie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aantal vaste colleges van advies van het Rijk in te stellen op het terrein van het Ministerie van Justitie en dat het in verband met [artikel 79 Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79) en de [Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159) noodzakelijk is daartoe wettelijke bepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 januari 1997. Artikel 1 1. Er is een Commissie vennootschapsrecht. 2. De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste tien leden. 3. De commissie heeft tot taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over wetgeving op het terrein van het vennootschapsrecht en het rechtspersonenrecht in het algemeen. Artikel 2 1. Er is een Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht. 2. De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste tien leden. 3. De commissie heeft tot taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over wetgeving op het terrein van het burgerlijk procesrecht. Artikel 3 1. Er is een commissie auteursrecht. 2. De commissie bestaat, met inbegrip van de voorzitter, uit ten minste zes en ten hoogste tien leden. 3. De commissie heeft tot taak de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal te adviseren over wetgeving op het terrein van het auteursrecht en de naburige rechten. Artikel 4 Wijzigt de Wet persoonsregistraties. Artikel 5 Wijzigt de Wet politieregisters. Artikel 6 Wijzigt de Vreemdelingenwet. Artikel 7 Wijzigt de Vreemdelingenwet. Artikel 8 Wijzigt de Beginselenwet gevangeniswez"},{"i":18952,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming van 31 januari 2018, nr. 2189211, inzake de Commissie modernisering Wetboek van Strafvordering (Besluit Commissie modernisering Wetboek van Strafvordering) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluiten: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Ministers:** de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming; - b. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040809&artikel=2&z=2018-04-11&g=2018-04-11). Artikel 2 1. Er is een Commissie modernisering Wetboek van Strafvordering. 2. De commissie heeft tot taak de Ministers te adviseren over specifieke juridische vraagstukken inzake de modernisering van het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903). 3. De commissie wordt ingesteld voor de duur van twee jaren te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit. De instellingsduur kan eenmaal met twee jaren worden verlengd. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit de door de Ministers benoemde leden. 2. De benoeming is voor de duur van de commissie. 3. De Ministers wijzen een lid aan als voorzitter. 4. Bij tussentijds vertrek van een lid kunnen de Ministers een ander lid benoemen. 5. De Ministers kunnen de leden ontslaan. 6. De commissie kan zich door andere personen doen bijstaan voor zover dat nodig is voor de vervulling van haar taak. Artikel 4 1. De leden van de commissie ontvangen per vergadering een vergoeding. 2. De vergoeding bedraagt 3% van het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B bij het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). Wanneer een lid een vergadering niet heeft bijgewoond, maar aan een tijdens deze vergadering vastgesteld advies wel een bijdrage heeft ge"},{"i":18409,"b":"Regeling parlementair en extern onderzoek Hoofdstuk 1. Algemeen en definities Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. onderzoek: een onderzoek door of voor de Kamer op basis van een besluit door de Kamer, - b. parlementair onderzoek: onderzoek door de Kamer, - c. extern onderzoek: onderzoek voor de Kamer, - d. enquêtecommissie: een commissie als bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de parlementaire enquête 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023825&artikel=2) en [artikel 12.9 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=12.9), - e. tijdelijke commissie: een commissie als bedoeld in [artikel 12.10 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=12.10). 2. Er zijn vier vormen van onderzoek: - a. parlementair onderzoek door een enquêtecommissie, in de variant van: - 1°. een beknopte enquête als bedoeld in [artikel 14bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024414&hoofdstuk=3a&paragraaf=3a.1&artikel=14bis&z=2023-07-06&g=2023-07-06), of - 2°. een parlementaire enquête als bedoeld in [artikel 14ter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024414&hoofdstuk=3a&paragraaf=3a.1&artikel=14ter&z=2023-07-06&g=2023-07-06), - b. parlementair onderzoek door een tijdelijke commissie, - c. extern onderzoek in opdracht van de Kamer uitgevoerd door derden, en - d. extern onderzoek op verzoek van de Kamer uitgevoerd door derden. Artikel 2 Bij parlementair onderzoek draagt de Kamer verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het onderzoek. De Kamer legt de uitvoering van parlementair onderzoek in handen van een door de Kamer in te stellen enquêtecommissie of tijdelijke commissie. Artikel 3 1. Bij extern onderzoek is de uitvoerder verantwoordelijk voor de uitvoering en de uitkomsten. 2. De Kamer kan geen bevoegdheden aan derden overdragen in het kader van extern onderzoek. 3. Bij extern onderzoek kan een klankbordgroep van leden uit de meest be"},{"i":18947,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 januari 2016 nr. BOACAT2016/005, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Veolia Transport Nederland B.V Gelezen het verzoek Veolia Transport Nederland B,V. van 7 januari 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037536&artikel=2&z=2016-01-16&g=2016-01-16). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van het domein openbaar vervoer in dienst van Veolia Transport Nederland B.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, als genoemd in [onderdeel 9.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel 4 Op grond van dit"},{"i":19502,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van de Franse Republiek, de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot wijziging en aanvulling van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland met betrekking tot het treinverkeer tussen België en het Verenigd Koninkrijk via de vaste kanaalverbinding met protocol, gedaan te Brussel op 15 december 1993 (met Protocol) De Regering van de Franse Republiek, de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland Hierna gezamenlijk te noemen „de Overeenkomstsluitende Partijen” en elk afzonderlijk „een Overeenkomstsluitende Partij”, Gelet op de noodzaak het treinverkeer tussen de grondgebieden van de Overeenkomstsluitende Partijen dat door de vaste kanaalverbinding gaat te vergemakkelijken, Gelet op het Protocol tussen de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de grens- en politiecontroles, wederzijdse rechtshulp in strafzaken, openbare veiligheid en wederzijdse bijstand in verband met de vaste kanaalverbinding, gedaan te Sangatte op 25 november 1991, hierna te noemen het „Protocol van Sangatte”, Gelet op de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland met betrekking tot het treinverkeer tussen België en het Verenigd Koninkrijk via de vaste kanaalverbinding met Protocol, gedaan te Brussel op 15 december 1993, hierna te noemen „de Overeenkomst van 1993”, met inbegrip van de preambule bij de Overeenkomst, Gelet op het Aanvullend Protocol bij het Protocol van Sangatte"},{"i":18738,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 27 september 2007, houdende de instelling van het Adviescollege Verloftoetsing tbs (Regeling Adviescollege Verloftoetsing tbs) Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Avt: het Adviescollege Verloftoetsing tbs; - b. voorzitter: de voorzitter van het Avt; - c. DJI: de Dienst Justitiële Inrichtingen, bedoeld in [artikel 29 van de Organisatieregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030837&artikel=29); - d. Minister: de Minister van Justitie. Artikel 2. Samenstelling Adviescollege Verloftoetsing tbs 1. Het Avt heeft een voorzitter en bestaat uit diverse disciplines: - –. tenminste negen forensisch psychiaters en psychologen, - –. ten minste drie juristen en - –. tenminste één wetenschappelijk adviseur op het gebied van risicotaxatie. 2. De benoeming van de forensische psychiaters en psychologen, die plaats zullen nemen in het Adviescollegeverloftoetsing tbs zal geschieden op basis van de volgende voordracht: - –. ten minste drie leden vanuit het Nederlands Instituut voor Psychiatrie en Psychologie (NIFP); - –. ten minste drie leden vanuit de Forensisch Psychiatrische Centra (FPC’s); - –. ten minste drie leden vanuit de forensische psychiatrie, niet werkzaam binnen de FPC’s (via GGZ Nederland). 3. De voorzitter deelt het Avt in commissies in, bestaande elk uit drie forensisch psychiaters en/of psychologen, met als voorzitter een van de juristen. De commissies betrekken desgewenst de wetenschappelijk adviseur bij de advisering. 4. De voorzitter en de overige leden van het Avt worden benoemd door de Minister voor een periode van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming is eenmaal mogelijk voor een aansluitende periode van ten hoogste vier jaren. 5. Wanneer leden van het Avt vervangen moeten worden, brengt het aan de Minister voordrachten uit voor de benoeming van de nieuwe leden. De Minister benoemt de leden na kennisneming van de voordracht. 6. I"},{"i":18459,"b":"Regeling vertrouwelijke stukken Eerste Kamer 2023 Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Definities en reikwijdte 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. vertrouwelijk stuk: een aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal gezonden schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat ter behandeling aan de Kamer of een commissie wordt aangeboden en dat door de afzender op enigerlei wijze als vertrouwelijk is aangemerkt; - b. staatsgeheim stuk: - –. een stuk dat bij of krachtens de wet als zodanig is aangewezen, - –. een stuk dat is voorzien van een rubricering als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, b of c, van het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033507&artikel=4), of - –. een stuk dat bij of krachtens een internationaal verdrag of overeenkomst is verkregen waaraan een vergelijkbaar rubriceringsniveau is of moet worden toegekend; - c. embargo: door de afzender aangegeven vertrouwelijkheid met een beperkte tijdsduur; - d. commissie: een vaste of bijzondere commissie als bedoeld in [artikel 34 van het Reglement van Orde Eerste Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007428&artikel=34); - e. postregistratiesysteem: het systeem dat de afdeling Postregistratie en archief gebruikt voor het verwerken van binnengekomen stukken; - f. de Griffier: de Griffier van de Eerste Kamer der Staten-Generaal 2. Deze regeling is niet van toepassing op (onderdelen van) een schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat bij of krachtens wet door de Eerste Kamer openbaar moeten worden gemaakt. Paragraaf 2. Vertrouwelijke stukken Artikel 2. Registratie van vertrouwelijke stukken 1. De afdeling Postregistratie en archief registreert een vertrouwelijk stuk in het postregistratiesysteem. 2. In het postregistratiesysteem worden van een vertrouwelijk stuk de volgende gegevens geregistreerd: - a. de afzender, - b. de datum van ontvangst, - c. het"},{"i":17894,"b":"Besluit van 30 oktober 1996 tot wijziging van enkele op de Werkloosheidswet gebaseerde besluiten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 augustus 1996, Directie Sociale Verzekeringen, Afdeling Werknemersverzekeringen, nr. SV/WV/96/1531; Gelet op de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16), vijfde lid, [17**a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=17a), derde lid, en [17**b**, zevende lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=17b); De Raad van State gehoord (advies van 27 september 1996, nr. W12.96.0414); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 oktober 1996, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/96/3959; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren. Wijzigt het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren. Wijzigt het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren. Na inwerkingtreding van dit besluit berust het [Besluit nadere regeling verlies van arbeidsuren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004096) op [artikel 16, vijfde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16). ARTIKEL II Na inwerkingtreding van dit besluit berust het [Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004246) op [artikel 17**a**, derde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=17a). ARTIKEL III Wijzigt het Besluit gelijkstelling loondagen Werkloosheidswet. Wijzigt het Besluit gelijkstelling loondagen Werkloosheidswet. Wijzigt het Besluit gelijkstelling loondagen Werkloosheidswet. Na inwerkingtreding van dit besluit berust het [Besluit gelijkstelling loondagen Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005199) op [artikel 17b, zevende lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":19278,"b":"Wet van 1 oktober 2025, houdende wijziging van de Kieswet in verband met de aanscherping van de strafbaarstelling inzake het ronselen van volmachtstemmen (Wet aanscherping strafbaarstelling ronselen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op eerlijke en betrouwbare verkiezingen wenselijk is om de bepalingen betreffende het ronselen van volmachtstemmen aan te scherpen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kieswet. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanscherping strafbaarstelling ronselen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17867,"b":"Besluit van 23 januari 1964, houdende nadere maatregelen ten aanzien van een uitkering krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht in verband met samenloop met pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet of pensioen dan wel uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet en in verband met de huurverhogingen per 1 augustus 1957, per 1 april 1960 en per 1 september 1962 Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 5 november 1963, afd. pensioenen en wachtgelden, nr. P. 111.341/S; Overwegende: dat het wenselijk is nadere regelen te stellen ten aanzien van uitkeringen krachtens de [Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002044) (**Stb.** 148, I 543) in verband met samenloop met een pensioen krachtens de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) of een pensioen dan wel uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet en in verband met de huurverhogingen per 1 augustus 1957, per 1 april 1960 en per 1 september 1962; De Raad van State gehoord (advies van 4 december 1963, nr. 79); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister a.i. van 16 januari 1964, nr. P. 111.341/Z, mar. nr. 857877/254771; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Op een uitkering, waarop krachtens [artikel 4 van de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002044&artikel=4) (**Stb.** 1948, I 543) aanspraak bestaat, is mede van toepassing de wet van 23 september 1959 (**Stb.** 340), houdende beperking van de uitbetaling van een overheidsweduwenpensioen of een overheidswezenpensioen bij gelijktijdige aanspraak op een pensioen of uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet (Tijdelijke regeling samenloop overheidsweduwen- en overheidswezenpensioenen met algemeen weduwen- en wezenpensioen), met dien verstande, dat daa"},{"i":17164,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 april 2024, kenmerk 3796538-1063655-DMO, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in verband met de subsidieverstrekking inzake de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg (Mandaatbesluit Rijksdienst voor Ondernemend Nederland inzake de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de instemming van de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. algemeen directeur: de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 Aan de algemeen directeur wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten op grond van de [Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455) en het verrichten van alle benodigde werkzaamheden, waaronder het tekenen van stukken, ter voorbereiding en uitvoering van de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg. Artikel 3 Aan de algemeen directeur wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten op grond van de [Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455) voor zover het gaat om subsidies op grond van de Stimuleringsregeling technologie in ondersteuning en zorg, en - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 4 De algemeen directeur is gemachtigd: - a. tot het verrichten van alle feitelijke handelingen en het afdoen van alle stukken die betr"},{"i":19152,"b":"Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, inzake qat Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op alle verboden handelingen met betrekking tot de softdrug qat en is alleen van toepassing op meerderjarigen. Uitgegaan wordt van het gezamenlijk gewicht van de stengel en blaadjes, omdat beide kunnen worden gekauwd. Basiscasus/delict Plegen of medeplegen van een verboden handeling met betrekking tot qat, door een first offender. Overgangsrecht Deze richtlijn voor strafvordering geldt voor alle strafbare feiten gepleegd na de datum van inwerkingtreding."},{"i":17886,"b":"Besluit van 9 september 2024, houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met de invoering van maatregelen voor de vereveningsjaren 2023 en 2024 Artikel I Wijzigt het Besluit zorgverzekering. Artikel II Op de vaststelling van vereveningsbijdragen over de aan het kalenderjaar 2023 voorafgaande kalenderjaren blijven de regels van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1) en [hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3) van toepassing zoals zij met betrekking tot die kalenderjaren golden. Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. Artikel I, onderdeel A, B, C, D, E, G en H werken terug tot en met 1 januari 2023. 3. Artikel I, onderdeel F werkt terug tot en met 1 januari 2024. Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 juni 2024, kenmerk 3843359-1064171-WJZ; Gelet op [artikel 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), en [artikel 34, derde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 juli 2024, no. W13.24.00135/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 augustus 2024, kenmerk 3963920-1064171-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18318,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 4 februari 2013, nr. 348683, houdende verlening van mandaat aan de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal inzake de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van rechterlijke ambtenaren in opleiding Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:9 van de algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Raad:** de Raad voor de rechtspraak, bedoeld in [artikel 84 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=84); - b. **het college:** het College van procureurs-generaal, bedoeld in [artikel 130 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=130); - c. **de Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - d. **SSR:** Studiecentrum Rechtspleging. Artikel 2 Aan de Raad en het College gezamenlijk wordt mandaat verleend om namens de Minister besluiten te nemen met betrekking tot de individuele rechtspositie van rechterlijke ambtenaren in opleiding. Artikel 3 1. Ten aanzien van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032921&artikel=2&z=2013-02-22&g=2013-02-22) bedoelde bevoegdheden kunnen de Raad en het College gezamenlijk ondermandaat verlenen aan de Raad van eigenaren SSR. 2. De Raad van eigenaren SSR kan het krachtens het eerste lid verleend ondermandaat doorgeven aan de leiding van SSR, met uitzondering van het nemen van beslissingen inzake ontslag, anders dan op eigen verzoek. 3. De leiding van SSR kan krachtens het tweede lid verleend ondermandaat doorgeven aan onder haar ressorterende functionarissen. 4. Verlening of doorgeven van ondermandaat geschiedt schriftelijk en wordt ter kennis gebracht van de minister. Artikel 4 Het [Mandaatbesluit gemeenschappelijke landelijke diensten R.O. en"},{"i":18764,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Lettergroep Verzoeken om Recht (VR) van het ministerie van Justitie, 1945–1990 (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen dossiers van het archief van de Lettergroep Verzoeken om Recht van het ministerie van Justitie (1945–1990), de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":17588,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 december 2015, kenmerk 874466-144542-WJZ, houdende regels voor een subsidie voor het faciliteren van medisch specialisten bij de overgang naar integrale tarieven voor medisch specialistische zorg en kaakchirurgie (Subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg 2016) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **arbeidsovereenkomst:** overeenkomst als bedoeld in [artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610); - **arts:** persoon ingeschreven als arts in een register als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3); - **inspecteur:** inspecteur als bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2); - **instelling:** organisatorisch verband dat strekt tot de verlening van zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), met uitzondering van een organisatorisch verband waarbinnen in het kader van de binnen een instelling verleende zorg, een deel van die zorg wordt verleend. - **medisch specialist:** arts als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037303&artikel=2&z=2023-04-01&g=2023-04-01); - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **overstapjaar:** het kalenderjaar waarin de overstapperiode valt; - **overstapperiode:** de periode van de eerste zes maanden van ofwel 2017, ofwel 2018, ofwel 2019, waarin een medisch specialist de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 4, verricht; - **subsidie:** subsidie als bedoeld in [artikel 3](https://wet"},{"i":17600,"b":"Subsidieregeling werkzaamheden ten behoeve van rechtsbijstand pilot Feijenoord gelet op [artikel 37b, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b), waarin is bepaald dat het bestuur van de raad ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand subsidie kan verstrekken voor bijzondere doeleinden en projecten, besluit: de volgende regeling vast te stellen Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze subsidieregeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. **bestuur:** het bestuur van de raad, bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - c. **rechtsbijstandverlener:** de advocaat die ingeschreven is bij de raad voor rechtsbijstand en die rechtsbijstand verleent in het kader van de pilot; - d. **rechtsbijstandverlening:** het verlenen van rechtsbijstand aan een rechtzoekende in de pilot; - e. **de pilot:** de pilot in Feijenoord; - f. **overeenkomst:** de overeenkomst op basis van deze subsidieregeling tussen het bestuur van de raad en de rechtsbijstandverlener; - g. **deelnemers:** de overige bij de pilot betrokken partijen, te weten de wijkteams in Feijenoord, Sociaal Raadslieden en het Juridisch Loket; - h. **rechtzoekende:** klant van een wijkteam met zowel sociale als juridische problematiek; - i. **casusbespreking:** plenaire bespreking tussen de rechtsbijstandverlener en de overige deelnemers over meerdere casussen waarin rechtsbijstand is verleend of een bijeenkomst met evaluatiedoeleinden. Artikel 2. Doel Deze subsidieregeling heeft tot doel een kader te stellen onder welke voorwaarden een vergoeding verleend kan worden voor rechtsbijstandverlening in het kader van de pilot Feijenoord en de hoogte van deze vergoeding vast te stellen. Hoofdstuk II. Voorwaarden Artikel 3. Algemeen 1. Het bestuur stelt de volgende kwaliteitscriteria vast en sluit in het kader van de pilot"},{"i":18403,"b":"Regeling nevenwerkzaamheden Defensie Gelet op [artikel 79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=79), [80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=80) en [81 van het Burgerlijk ambtenarenreglement Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=81) en de [artikelen 151](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=151), [152](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=152) en [153 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=153). Besluit: Regeling nevenwerkzaamheden Defensie Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De werknemer die voornemens is nevenwerkzaamheden te verrichten die kunnen raken aan de dienstuitoefening meldt dit met gebruikmaking van het in de bijlage opgenomen registratieformulier aan het hoofd van de diensteenheid. 2. Bij wijziging van functie of van relevante omstandigheden, de nevenwerkzaamheden betreffende, wordt een nieuwe melding gedaan. Artikel 3 1. Het hoofd van de diensteenheid beziet of de nevenwerkzaamheden schadelijk zijn of kunnen zijn voor de functievervulling, dan wel niet in overeenstemming zijn met het aanzien van het ambt dan wel of anderszins door de nevenwerkzaamheden de goede vervulling van de functie of het goede functioneren van de openbare dienst, voorzover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. 2. Al naar gelang de uitkomst van de afweging bedoeld in het eerste lid geeft het hoofd van de diensteenheid voorlopig toestemming voor de nevenwerkzaamheden, legt een voorlopig verbod op of maakt met de werknemer afspraken over de uitoefening van de nevenwerkzaamheden dan wel de functievervulling. 3. Het hoofd van de diensteenheid zendt het registratieformulier, voorzien van zijn bevindingen, binnen vier weken na ontvangst aan de autoriteit. Artikel 4 1. De autoriteit wint het advies in van het desbetreffende Bureau Bijzondere Opdr"},{"i":17329,"b":"Regeling ketenaanpak zorg en ondersteuning voor kinderen met overgewicht en obesitas Gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de ketenaanpak zorg en ondersteuning voor kinderen met overgewicht en obesitas. Artikel 1. Begripsbepalingen - **Consument:** Een zorgvrager, patiënt, een potentiële patiënt of degene die namens een patiënt informeert. - **Centrale zorgverlener (CZV):** De CZV begeleidt en coördineert de juiste ondersteuning en zorg op het juiste moment door de juiste professional voor het kind en gezin. De CZV zorgt voor de samenhang in de aanpak, maar behandelt zelf niet. De CZV werkt vanuit een brede blik, domein overstijgend en als spin in het web. Zeker bij multi-problematiek is dat een belangrijke voorwaarde voor succes omdat de patiënt/cliënt met vele verschillende hulp-/zorgverleners te maken kan krijgen. De CZV zet in op het versterken van het zelfmanagement van het gezin c.q. de patiënt/cliënt zodat zij steeds meer zelfstandig in staat zijn om duurzame gedragsverandering te bereiken. - **Gecombineerde leefstijlinterventie kinderen (GLI):** Interventies gericht op het verminderen van de energie-inname, het verhogen van de lichamelijke activiteit en eventuele toevoeging op maat van psychologische interventies ter ondersteuning van de gedragsverandering. - **Prestatie(s):** De prestatie(s) genoemd in artikel 4 van de Beleidsregel ketenaanpak zorg en ondersteuning voor kinderen met overgewicht en obesitas. - **Wmg:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). - **Zorgaanbieder:** Natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrij"},{"i":17605,"b":"Tariefbeschikking orthodontische zorg De Nederlandse Zorgautoriteit, heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg) **op basis van de beleidsregel orthodontische zorg:** **en gelet op:** [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50 lid 1, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) jo. [artikel 51 tot en met 53 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=51) **besloten:** dat rechtsgeldig **door:** zorgaanbieders die orthodontische zorg leveren als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 1 onder c sub 2 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) (factormaatschappijen); Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in vorige zin, is deze tariefbeschikking van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen bedoeld in artikel 1, sub b, nr. 2o, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, aanhef, en sub d, van hetBesluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wmg. op het terrein van orthodontische zorg geleverd door of onder verantwoordelijkheid van beroepsbeoefenaren als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3), dan wel [34, van de Wet op de Beroepen in de individuele Gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34) **aan:** alle ziektekostenverzekeraars en alle (niet-)verzekerden prestatiebeschrijving en bijbehorend maximumtarief (in euro’s): maximaal de tarieven voor de prestaties zoals omschreven in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032539&bijlage=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":18275,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Financiën van 30 december 2013, nr. WJZ/13204604, tot instelling van het baten-lastenagentschap Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10) en [artikel 6 van de Regeling agentschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032085&artikel=6); Besluiten: Artikel 1 Er is een Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die ressorteert onder de Minister van Economische Zaken. Artikel 2 1. Aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt de status van baten-lastenagentschap als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10) verleend. 2. De tenaamstelling van het baten-lastenagentschap komt te luiden: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Artikel 3 Het [Instellingsbesluit baten-lastendienst Agentschap NL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026918) en het [Instellingsbesluit baten-lastendienst Dienst Regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019275) worden ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastenagentschap Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18276,"b":"Instellingsbesluit baten-lastenagentschap Rijksvastgoedbedrijf Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10) en [artikel 6 van de Regeling agentschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032085&artikel=6); Besluiten: Artikel 1. Instelling 1. Aan het Rijksvastgoedbedrijf, de fusiedienst van de Rijksgebouwendienst, de Dienst Vastgoed Defensie, de directie Rijksvastgoed en het Rijksvastgoed en -ontwikkelingsbedrijf, wordt de status van baten-lastenagentschap verleend, als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10). 2. De tenaamstelling van het baten-lastenagentschap komt te luiden: Rijksvastgoedbedrijf. 3. Het baten-lastenagentschap ressorteert onder de Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 2. Intrekking Het [Instellingbesluit tijdelijke baten-lastendienst Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028192) van 19 augustus 2010, het [Instellingsbesluit baten-lastendienst Domeinen Onroerende Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023153) van 16 december 2007 en het Instellingsbesluit baten-lastendienst Rijksgebouwendienst van 25 augustus 1998 worden ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 2016. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastenagentschap Rijksvastgoedbedrijf. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18630,"b":"Besluit van 12 januari 1994, houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de voltooiing van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie en de wijziging van de rechterlijke indeling Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 22 oktober 1993, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 401909/93/6; Gelet op de [artikelen 11, derde lid, van de Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170&artikel=11), 34, tweede lid, en 50, tweede lid, van de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830) en 16, vierde lid, van de Tariefcommissiewet; De Raad van State gehoord (advies van 22 december 1993, nr. W03.93.0700); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 10 januari 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 419849/94/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Voor het behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in artikel VI, tweede lid, van de Wet van 16 september 1993 (**Stb.** 515) tot wijziging van de rechterlijke indeling kunnen de arrondissementsrechtbanken, voor zover het betreft de enkelvoudige kamers voor strafzaken, terechtzittingen houden in de volgende nevenzittingsplaatsen: - a. de arrondissementsrechtbank te Zutphen: te Deventer; - b. de arrondissementsrechtbank te Zwolle: te Harderwijk; - c. de arrondissementsrechtbank te Rotterdam: te Gouda; - d. de arrondissementsrechtbank te Alkmaar: te Purmerend. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1994. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":18428,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 april 2009, nr. 2009-0000225698, houdende regels betreffende het toekennen van studieverlof en vergoeding van studiekosten ten behoeve van politie-ambtenaren (Regeling studiefaciliteiten politie) Gelet op [artikel 58, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=58), en [67, vijfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=67); Besluit: Hoofdstuk 1. : Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1) met uitzondering van de vakantiewerker, en de vrijwillige ambtenaar; - b. **bevoegd gezag:** het gezag, bedoeld in [artikel 1, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - c. **functiegerichte opleiding:** een bij algemeen verbindend voorschrift verplicht gestelde of door het bevoegd gezag opgedragen opleiding die noodzakelijk is voor de huidige functie van de betrokken ambtenaar, met uitzondering van een krachtens [artikel 2c van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=2c) aangewezen politieopleiding; - d. **loopbaangerichte opleiding:** een opleiding die noodzakelijk is voor het verrichten van een toekomstige functie en die past in de ontwikkelafspraken die het bevoegd gezag en de ambtenaar in een gesprek over een persoonlijk ontwikkelingsplan als bedoeld in [artikel 72 Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=72) hebben gemaakt; - e. **niet-functiegerichte opleiding:** een opleiding die niet functie- of loopbaangericht is, maar toch in enige mate in het belang is van zowel de politie, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012]"},{"i":17048,"b":"Besluit van 13 oktober 2012 tot vaststelling van de vestigingsplaatsen van de raad voor rechtsbijstand (Besluit vestigingsplaatsen raad voor rechtsbijstand) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 13 juni 2012, nr. 269818; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 juni 2012, nr. W03.12.0204/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 8 oktober 2012, nr. 300719; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De vestigingsplaatsen van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2) zijn: - a. ressort Amsterdam: Amsterdam; - b. ressort Arnhem-Leeuwarden: Arnhem en Leeuwarden; - c. ressort Den Haag: ’s-Gravenhage; - d. ressort ’s-Hertogenbosch: ’s-Hertogenbosch. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vestigingsplaatsen raad voor rechtsbijstand. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18983,"b":"Besluit tarief justitiekosten strafzaken BES Toepasselijkheid Artikel 1 1. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de kosten die in verband met de behandeling van strafzaken moeten worden gemaakt en de kosten die moeten worden gemaakt in zaken, waarin het openbaar ministerie optreedt en waarvan de burgerlijke rechter kennis neemt. 2. Dit besluit berust op [artikel 59 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=59). Reis- en verblijfkosten Artikel 2 1. Aan getuigen, deskundigen en tolken worden de werkelijke reiskosten vergoed, voorzover hun geen reisbiljet ’s Rijkswege werd verstrekt. 2. De reiskosten worden berekend op basis van de reiskosten die worden vergoed aan ambtenaren die recht hebben op vervoer per tweede klasse vervoermiddelen. In bijzondere gevallen kan de procureur-generaal toestaan, dat een getuige, deskundige of tolk gebruik maakt van de eerste klasse van een vervoermiddel. 3. Voor de berekening van de reiskosten van getuigen, deskundigen en tolken, wordt de plaats van het hoofdverblijf als uitgangspunt genomen. De tijdelijke verblijfplaats kan tot uitgangspunt worden genomen, indien de getuige, deskundige of tolk zich buiten zijn hoofdverblijf ophoudt. Artikel 3 1. Aan getuigen, deskundigen en tolken worden zo nodig verblijfkosten vergoed, berekend op basis van de verblijfkosten, die toegekend worden aan ambtenaren, gerangschikt in de tweede klasse. 2. In bijzondere gevallen kan de procureur-generaal toestaan, dat een getuige, deskundige of tolk wat de vergoeding van verblijfkosten betreft zal worden gelijkgesteld met een ambtenaar, gerangschikt in de eerste klasse. Artikel 4 Indien een getuige, deskundige of tolk de reis- en verblijfkosten niet kan voorschieten, kan het openbaar ministerie de opgeroepene in zijn verblijfplaats een reisbiljet verstrekken. Het openbaar ministerie kan de betaling van de verblijfkosten van de opgeroepene rechtstreeks aan de hotel-, logement- of"},{"i":18968,"b":"Besluit modelformulieren strafvordering BES Artikel 1 1. Het model van het formulier houdende de mededeling van de rechten van de verdachte, bedoeld in [artikel 82, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=82) wordt vastgesteld, zoals dit is opgenomen in [Bijlage I tot en met Ic](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028635&bijlage=I&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bij dit besluit. 2. Dit besluit berust op de [artikelen 82, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=82), [155, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=155), [419](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=419), [420, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=420) en de [artikelen 8, tweede lid, van het Besluit toevoeging in strafzaken BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028374&artikel=8). Artikel 2 Het model van het formulier houdende de machtiging tot het binnentreden in een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, bedoeld in [artikel 155, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=155) wordt vastgesteld, zoals dit is opgenomen in [Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028635&bijlage=II&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bij dit besluit. Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 Het model van het formulier van de oproeping van de verdachte om ter terechtzitting te verschijnen, bedoeld in [artikel 419 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=419) wordt vastgesteld, zoals dit is opgenomen in [Bijlage V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028635&bijlage=V&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bij dit besluit. Artikel 5 Het model van het formulier van de uitnodiging aan de getuigen om ter terechtzitting te verschijnen, bedoeld in [artikel 420, vierde lid, van het Wetboek va"},{"i":19363,"b":"Wet van 16 november 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het vervallen van de verjaringstermijn voor de vervolging van moord en enkele andere misdrijven alsmede enige aanpassingen van de regeling van de verjaring en de stuiting van de verjaring en de regeling van de strafverjaringstermijn (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) de verjaringstermijn voor de vervolging van moord en enkele andere misdrijven te schrappen en de verjaringstermijn voor enige andere misdrijven te verlengen en enkele aanpassingen door te voeren in de regeling omtrent de stuiting van de vervolgingsverjaring en de regeling van de strafverjaringstermijn; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt de Wet internationale misdrijven. Artikel III Ten aanzien van de feiten die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, zijn verjaard, blijven de wettelijke bepalingen inzake de verjaring van toepassing zoals zij luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18656,"b":"Wet van 16 december 1993, tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter voltooiing van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie bij de arrondissementsrechtbanken enkelvoudige en meervoudige kamers voor het behandelen en beslissen van bestuursrechtelijke zaken in eerste aanleg in te stellen, bestuursrechtspraak in twee instanties in te voeren voor een groot aantal bestuursrechtelijke zaken die thans nog in één instantie worden behandeld en beslist, definitieve voorzieningen in kroongeschillen te treffen, een algemene regeling van het bestuursprocesrecht in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) op te nemen, en dat het wenselijk is met het oog op de invoering van de eerste tranche van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) een aantal wetten daaraan aan te passen, en dat het derhalve nodig is een groot aantal wetten te wijzigen en de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen in te trekken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 1. Rechterlijke organisatie Artikel 1 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 2. [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Artikel 2 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 3. Wijziging van rechtstreeks betrokken institutionele en processuele wetten Artikel 3 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 4. Wijziging van bijzondere wetten in verband met de te treffen definitieve voorzieningen in kroongeschillen Artikel 4 Bevat wijziginge"},{"i":18589,"b":"Verplaatsingskostenregeling defensie Besluit vastgesteld wordt een Verplaatsingskostenregeling defensie luidende: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** het [Verplaatsingskostenbesluit defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032312). - **bevoegd gezag:** - 1°. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf; - 2°. de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando; - 3°. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie; - 4°. de commandant van het Commando Diensten Centra, voor zover het betreft het Commando Diensten Centra. - **bezoldiging:** - –. voor de militair, de bezoldiging in de zin van [artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=1) (IBM; - –. voor de ambtenaar, de bezoldiging in de zin van [artikel 1, onderdeel j van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=1) (IBBAD). - **commandant:** de commandant bedoeld in de Regeling aanwijzing commandanten defensie - **netto bezoldiging:** het voor de defensieambtenaar vastgestelde standaard netto Nederland, met dien verstande dat geen rekening wordt gehouden met de factor 1,1 respectievelijk 1,075. - **persoonlijk werkrooster:** een voor een periode vastgesteld schema van werk- en rusttijden en werklocaties van de defensieambtenaar, welke is opgenomen in een geautomatiseerd personeelssysteem. - **routeplanner:** - 1°. voor het bepalen van de afstand gemeten langs de gebruikelijke openbare weg als bedoeld in [artikel 1 van het Verplaatsingskostenbesluit defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032312&artikel=1), hanteert het Ministerie van Defensie de routeplanner Andes Nav Teq. - 2°. de afstand wordt bere"},{"i":17393,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juni 2023, kenmerk 3608755-1047372-PDCV, houdende het verstrekken van een specifieke uitkering aan GGD’en voor het in stand houden van een infrastructuur ten behoeve van de basiscapaciteit COVID-19-vaccinatie en het toedienen van COVID-19-vaccinaties Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **COVID-19-vaccinatieprogramma:** een door de minister met de GGD’en afgestemde hoeveelheid aan COVID-19-vaccinaties die wekelijks voor bepaalde doelgroepen beschikbaar moet zijn; - **dienst van algemeen economisch belang:** dienst als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - **Gezondheidsraad:** de Gezondheidsraad, genoemd in [artikel 21 van de Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=21); - **GGD:** gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in [artikel 14 van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=14); - **infrastructuur:** voorzieningen benodigd voor het kunnen aanbieden, uitvoeren en registreren van COVID-19-vaccinaties; - **Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **RIVM:** Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport genoemd in [artikel 2 van de Wet op het RIVM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008289&artikel=2); - **SiSa:** Single information, Single audit, eenmalige informatieverstrekking, eenmalige accountantscontrole als wijze waarop provincies, gemeenten en gemeenschappelijke regelingen zich jaarlijks verantwoorden over de besteding van specifieke uitkeringen of provinciale middelen; - **uitkering:** een specifieke uitkering als bedoeld in [artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290"},{"i":18327,"b":"Ondernemersbesluit Herijking Besturing BD Gelet op het Organisatie- en Formatierapport het directoraat-generaal Belastingdienst ‘**Herijking Besturing BD**’ versie 1.0 d.d. 19 februari 2025, en Op grond van [artikel 12 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=12), Na gehoord hebbende de bestuursraad, Besluit, De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Organisatie-inrichting - 1.1. Dat de Topstructuur van het directoraat-generaal Belastingdienst wordt aangepast per 1 maart 2025. - 1.2. Dat het directoraat-generaal Belastingdienst is ingedeeld en bestuurd wordt zoals uiteengezet in het Organisatie- en Formatierapport Herijking Besturing BD versie 1.0, d.d. 19 februari 2025. - 1.3. Dat er vier clusters worden gevormd: - −. Cluster Dienstverlening & Operaties - −. Cluster Fiscaliteit, Rechtsstatelijkheid & Strategie - −. Cluster Financiën, Control & Beheersing - −. Cluster Mens & Organisatie - 1.4. Dat het cluster Dienstverlening & Operaties de (bestaande) directies omvat: - −. directie Informatievoorziening - −. directie Centrale Administratieve Processen - −. directie Klanteninteractie en -services - −. corporate dienst Datafundamenten en Analyse - −. corporate dienst Communicatie - −. concerndirectie Informatievoorziening- en Databeheersing - 1.5. Dat het cluster Fiscaliteit, Rechtsstatelijkheid & Strategie de (bestaande) directies omvat: - −. concerndirectie Fiscale en Juridische Zaken - −. concerndirectie Uitvoerings- en handhavingsbeleid - −. concerndirectie Innovatie en Strategie - −. corporate dienst Vaktechniek - −. directie Bestuurlijke en Politieke Zaken - 1.6. Dat het cluster Financiën, Control & Beheersing de (bestaande) directies omvat: - −. concerndirectie Control en Financiën - −. SSO Financieel en Managementinformatie - 1.7. Dat het cluster Mens & Organisatie de (bestaande) directies omvat: - −. directie Organisatie en Personeel - −. SSO"},{"i":17558,"b":"Reglement Wetenschappelijke Kwaliteitsraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand Gelet op [artikel 8 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8); Heeft het volgende reglement vastgesteld: Artikel 1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand, het zelfstandig bestuursorgaan dat is ingesteld in [artikel 2, eerste lid van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - b. **Eigenaar:** het bestuur dat aan het hoofd staat van de Raad voor Rechtsbijstand, en dat wordt genoemd in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3) en [4 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=4), is Eigenaar van het Kenniscentrum; - c. **Kenniscentrum:** het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand dat als maatschappelijke opgave heeft via onafhankelijk onderzoek bij te dragen aan het goed functioneren van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand door het beleid en uitvoering te voeden met data, feiten en kennis, en eventuele (dreigende) knelpunten te signaleren en agenderen; - d. **CSO:** de Chief Science Officer die aan het hoofd staat van het Kenniscentrum en het Kenniscentrum vertegenwoordigt; - e. **Wetenschappelijke Kwaliteitsraad:** de raad die periodiek op verzoek van de Chief Science Officer de wetenschappelijk kwaliteit van het programmatisch onderzoek van het Kenniscentrum evalueert en via een visitatie daarover rapporteert; - f. **Programmaraad:** de raad die periodiek het meerjarige programma op themaniveau vaststelt, waarbinnen het programmatisch onderzoek plaatsvindt, het jaarlijkse werkplan vaststelt en een agenderende functie heeft; - g. **Programma:** onderzoeksprogramma op themaniveau dat wordt vastgesteld door de Programmaraad en op basis waarvan het Kenniscentrum"},{"i":17923,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 30 november 2020, kenmerk 1782923-214367-Z, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met het vereenvoudigen van de wanbetalersbijdrage Gelet op de [artikelen 18bb, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18bb), [18c, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), en [34a, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II Op de bijdragen, bedoeld in [artikel 34a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a), waarop het CAK in de kalenderjaren 2019 en 2020 voorschotten heeft verstrekt, blijft de [Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715) van toepassing zoals deze luidde op 31 december 2020. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19015,"b":"Instelling commissie beveiliging gevangeniswezen overwegende: dat aan hem de zorg voor een ongestoorde tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en -maatregelen is opgedragen; dat een adequaat beveiligingsbeleid voor de ongestoorde tenuitvoerlegging een onmisbare voorwaarde is; dat het beveiligingsbeleid wordt uitgevoerd in samenhang met de andere detentiedoelen en met inachtneming van de rechtspositie van de gedetineerde, waarbij de mate van dominantie van de beveiliging wordt bepaald door de mate van vluchtgevaarlijkheid van de gedetineerde en de detentiefase, waarin de betrokkene zich bevindt; dat de ontwikkelingen binnen criminaliteit en straftoemeting ertoe hebben geleid dat in de penitentiaire inrichtingen in Nederland in toenemende mate gedetineerden verblijven die extra beveiliging behoeven vanwege hun aanwijsbaar groot vluchtrisico; dat het beleid met betrekking tot de beveiliging van de hier bedoelde categorie gedetineerden binnen het gevangeniswezen zich voortdurend verder heeft ontwikkeld; dat het in het kader van deze beleidsontwikkeling voor het departement van Justitie van belang is te beschikken over een evaluatie van het beveiligingsbeleid, zoals dat tot dusverre in het Nederlandse gevangeniswezen wordt gevoerd: Besluit: Artikel 1 In te stellen een commissie die tot taak heeft: - a. het evalueren van het beleid dat binnen het gevangeniswezen in Nederland wordt gevoerd met betrekking tot de beveiliging van gedetineerden die in verband met hun vluchtrisico extra beveiliging behoeven; - b. eventuele knelpunten te signaleren die zich bij de uitvoering van het huidig beveiligingsbeleid ten aanzien van extreem vluchtgevaarlijke gedetineerden in bouwkundig, organisatorisch, instrumenteeltechnisch, regimair en personeel opzicht voordoen; - c. te bezien in hoeverre het hier te lande met betrekking tot deze categorie gedetineerden gekozen evenwicht tussen de beveiliging en de andere detentiedoelen zoals het beperken van de detentieschade, het voorbereiden op de"},{"i":17326,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 november 2018, kenmerk 1437102-183156-WJZ, houdende de instelling van de adviescommissie Toekomst zorg thuiswonende ouderen (Regeling instelling adviescommissie Toekomst zorg thuiswonende ouderen) Gelet op [artikel 6 van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1 Er is een adviescommissie Toekomst zorg thuiswonende ouderen, hierna te noemen de commissie. Artikel 2 1. De commissie heeft tot taak onderzoek te doen naar en een advies uit te brengen over wat er nodig is om de zorg voor thuiswonende ouderen ook in de toekomst op peil te houden, rekening houdend met de demografische, maatschappelijke en technologische ontwikkelingen en de betaalbaarheid van de zorg. 2. In aanvulling op de taakomschrijving in het eerste lid oefent de commissie haar taak uit met inachtneming van het volgende vragen: - a. Hoe ziet de zorg thuis voor ouderen er nu uit? - b. Welke trends en ontwikkelingen hebben gevolgen voor de zorg voor ouderen thuis? - c. Wat betekenen deze trends en ontwikkelingen voor de zorg thuis in 2030? - d. Wat betekent dit voor de organisatie van de zorg en de betaalbaarheid van de zorg – gegeven deze trends – in 2030? - e. Wat betekent dat voor de inrichting van de stelsels? - f. Wat is een langetermijnoplossing voor de zorgval van mensen bij de overgang van de [Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) en [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) naar de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917)? Artikel 3 1. De commissie bestaat uit maximaal 9 leden en een voorzitter. 2. De commissie wordt benoemd tot het tijdstip waarop het advies is uitgebracht. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een nieuw lid benoemen"},{"i":17661,"b":"Vaststelling Regeling ter bepaling grondslag uitkeringsgerechtigden Gelet op [artikel 10, zesde lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=10) (Stb. 1986, 360); Gehoord de Buitengewone Pensioenraad en de Stichting Pelita; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Indien de belanghebbende geen onderwijs heeft kunnen volgen of indien het gevolgde onderwijs beperkt is gebleven tot basisonderwijs, wordt de grondslag vastgesteld op het bedrag, bedoeld in [artikel 10, achtste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=10), tenzij de leeftijd van de belanghebbende, zijn verworven bekwaamheid en zijn persoonlijke instelling ten tijde van de aanvraag duidelijk redenen vormen om daarvan af te wijken. Artikel 3 Indien de belanghebbende lager of middelbaar beroepsonderwijs dan wel algemeen voortgezet of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs heeft gevolgd, wordt de grondslag vastgesteld naar het inkomen dat hij na voltooiing van zijn opleiding uit arbeid in een met die opleiding overeenstemmende werkkring ten tijde van de aanvraag zou hebben verdiend. Artikel 4 1. Indien de belanghebbende hoger beroepsonderwijs of wetenschappelijk onderwijs heeft gevolgd en de desbetreffende opleiding heeft voltooid, wordt de grondslag vastgesteld naar het inkomen dat hij, gezien de aard van de voltooide opleiding, uit arbeid in een met die opleiding overeenstemmende werkkring ten tijde van de aanvraag zou hebben verdiend. 2. Indien de belanghebbende de in het eerste lid bedoelde opleiding niet heeft kunnen voltooien, kan de grondslag, gezien de aard en de duur van die opleiding, en mede gezien zijn leeftijd, verworven bekwaamheid en persoonlijke instelling ten tijde van de aanvraag, worden vastgesteld op de wijze als in het eerste lid omschreven. Artikel 5 Indien de belanghebbende, na beëindiging van zijn al dan niet voltooide opleiding, arbeid heeft aanvaard we"},{"i":19366,"b":"Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels met betrekking tot de toepasselijkheid van de strafwet op strafbare feiten die buiten Nederland begaan zijn te herzien; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt de Uitleveringswet. Artikel III Wijzigt de Overleveringswet. Artikel IV 1. De [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=5), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=7), en [8c van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=8c) zijn toepasselijk op feiten die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gepleegd voor zover zij ten tijde van het handelen of nalaten strafbaar waren in het land waar zij zijn begaan. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op feiten die ten tijde van het handelen of nalaten een misdrijf waren overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door beschaafde volken worden erkend. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19308,"b":"Besluit van 25 maart 2025, houdende wijziging van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen in verband met de aanpassing van de aanwijzing van een deelnemende gemeente en verduidelijking van enkele eisen voor de aangewezen telers en coffeeshophouders en uitbreiding van de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen [KetenID WGK025400] Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 10 februari 2025, kenmerk 3862454-1062214-WJZ; Gelet op de [artikelen 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=6), en [7, eerste lid, van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=7); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 februari 2025, no. W13.25.00028/III; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 20 maart 2025, kenmerk 4066497-1062214-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen. Artikel II Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel I, onderdelen A, C, D, E, F, J en K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050923&artikel=I&z=2025-04-05&g=2025-04-05), en [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050923&artikel=II&z=2025-04-05&g=2025-04-05), die in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17439,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 oktober 2021, kenmerk 3275465-1017787-DMO, houdende het verstrekken van een specifieke uitkering voor het lokaal versterken van de functie van cliëntondersteuning (Regeling specifieke uitkering versterking cliëntondersteuning) Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **cliëntondersteuning:** cliëntondersteuning als bedoeld in de [wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362)[artikel 1.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=1.1.1); - **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **uitkering:** een specifieke uitkering als bedoeld in [artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=15a). Artikel 2. Toepasselijkheid [Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) en [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) 1. Op deze regeling is de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) niet van toepassing. 2. Op deze regeling zijn de [artikelen 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5), [4:25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:25), [4:35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:35), [4:37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:37), [4:38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:38), [4:46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:46), [4:48 tot en met 4:50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:48), [4:56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:56) en [4:57 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":17330,"b":"Regeling klachtenbehandeling gezondheidszorg Defensie 2016 Gelet op: de [Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173). Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **cliënt:** een natuurlijk persoon aan wie een binnen de militair geneeskundige dienst werkzame zorgverlener door of vanwege de zorgaanbieder gezondheidszorg verleent of heeft verleend; - –. **gedraging:** enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een besluit dat gevolgen heeft voor een cliënt; - –. **geschillencommissie:** de Geschillencommissie Defensie Geneeskundige Zorg, ingesteld en in stand gehouden door de stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken op last van het ministerie van Defensie; - –. **klacht:** een klacht over de zorgaanbieder en/of over een gedraging van een binnen de militair geneeskundige dienst werkzame persoon jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening door of vanwege de zorgaanbieder, met uitzondering van klachten die een verzoek tot schadevergoeding wegens letsel- of overige schade inhouden. - –. **militair geneeskundige dienst:** het geheel van instanties en eenheden binnen de krijgsmacht, belast met het verlenen van militaire gezondheidszorg. - –. **militaire gezondheidszorg:** het geheel aan maatregelen, voorzieningen en verstrekkingen verleend door of vanwege de militair geneeskundige dienst ten behoeve van het behoud, herstel en de bevordering van de gezondheid en inzetbaarheid van de militair, alsmede de overigens door de militair geneeskundige dienst verleende gezondheidszorg; - –. **zorgaanbieder:** de Minister van Defensie. § 2. Klachtenfunctionaris Artikel 2 1. De Commandant Defensie Gezondheidszorg Organisatie wijst voor ieder onderdeel van de militair geneeskundige dienst waar gezondheidszorg wordt verleend een of meer daartoe geschikt te achten personen aan als klachtenfunctionaris. 2. De zo"},{"i":17396,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 25 november 2024, nr. 2024-0000039225, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van de financiering van capaciteitsondersteuning voor het voorkomen van vertragingen in de voorfase van de woningbouw (Regeling specifieke uitkering flexibele inzet ondersteuning woningbouw (derde tranche)) Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdelen b, g en h, van het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **aandachtsgroepen:** vergunninghouders, arbeidsmigranten, dak- en thuisloze mensen, mensen met sociale of medische urgentie, mensen die uitstromen uit een intramurale zorginstelling, uitwonende studenten, woonwagenbewoners en ouderen. - **betaalbare woning:** - 1°. sociale huurwoning: huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13); - 2°. huurwoning voor middenhuur: huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13), en ten hoogste de maximale huurprijs behorende bij 186 punten op grond van de waardering van de kwaliteit als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10); of - 3°. betaalbare koopwoning: koopwoning met een koopprijs van ten hoogste het bedrag bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, subonderdeel 3, eerste volzin van het Besluit Woningbouwimpu"},{"i":19321,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 20 december 2013, nr. MinBuza.2013.355578, houdende wijziging van enkele sanctieregelingen Handelende in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de Minister van Financiën en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op Besluit 2013/659/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 15 november 2013 houdende wijziging van Besluit 2010/231/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Somalië (Pb EU L 306); Gelet op Besluit 2013/183/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 22 april 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Besluit 2010/800/GBVB (Pb EG L 111); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Sanctieregeling Somalië 2003. Artikel II Wijzigt de Sanctieregeling Noord-Korea 2007. Artikel III Het verbod, bedoeld in [artikel 1b van de Sanctieregeling Noord-Korea 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021990&artikel=1b), zoals gewijzigd bij deze regeling, geldt niet voor het aanbieden van kennis als bedoeld in dat artikel aan de student die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling reeds bij de desbetreffende instelling voor hoger onderwijs was ingeschreven met het oog op het volgen van onderwijs of het verrichten van onderzoek op een kennisgebied waarop de bijlage bij die regeling betrekking heeft. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19514,"b":"Regeling aanwijzing bevoegde autoriteiten Scheepvaartreglement territoriale zee Gelet op [artikel 2, onderdeel a, van het Scheepvaartreglement territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Als bevoegde autoriteit bedoeld in het [Scheepvaartreglement territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914), wordt aangewezen: - 1. Met betrekking tot de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914&artikel=6), [7, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914&artikel=7), [12, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914&artikel=12), en [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914&artikel=13), voor wat de in de Nederlandse territoriale zee gelegen ankerplaatsen, of laad- of losinrichtingen betreft, en met betrekking tot [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914&artikel=5): - a. voor het aanloopgebied Scheldemonden: de Rijkshavenmeester Westerschelde, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005393&artikel=2); - b. voor het aanloopgebied Rotterdam: de havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V.; - c. voor het aanloopgebied Scheveningen: het Hoofd Verkeerscentrale en Haven van de gemeente Den Haag; - d. voor het aanloopgebied IJmuiden: de directeur van het Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied; - e. voor het aanloopgebied Den Helder: de Commandant der maritieme middelen van de Koninklijke marine te Den Helder; - f. voor het havengebied Brandaris en het aanloopgebied Eemsmonding: de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Noord-Nederland; - g. voor de territoriale zee, behoudens de aanloopgebieden: de directeur Kustwacht. - 2. Met betrekking tot de [artikelen 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914&artikel=7) en [12, derde lid](https://wetten.overhei"},{"i":19298,"b":"Wet van 27 april 1903, tot vaststelling van een Wetboek van Militair Strafrecht Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een nieuw Wetboek van Militair Strafrecht vast te stellen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze, vast te stellen de volgende bepalingen, welke zullen uitmaken het WETBOEK VAN MILITAIR STRAFRECHT. Boek Eerste. Algemene bepalingen Inleiding Toepasselijkheid van het gemene strafrecht Artikel 1 1. Bij de toepassing van dit wetboek gelden de bepalingen van het gemene strafrecht, daaronder begrepen de [negende titel van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht](onbekend), behoudens de afwijkingen bij de wet vastgesteld. 2. In dit wetboek wordt verstaan onder: - a. **Wetboek van Strafrecht:** het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) van het Europese deel van Nederland. - b. **Wetboek van Strafvordering:** het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) van het Europese deel van Nederland. Artikel 2 Op de niet in dit wetboek omschreven strafbare feiten, begaan door in [artikel 2 van de Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=2) genoemde personen, is het gemene strafrecht toepasselijk, behoudens de afwijkingen bij de wet vastgesteld. Artikel 3 De in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) voorkomende bepalingen betreffende feiten, begaan aan boord van of met betrekking tot een Nederlands schip, zijn ook toepasselijk op die feiten, begaan aan boord van of met betrekking tot een vaartuig der krijgsmacht, tenzij de inhoud dier bepalingen deze toepasselijkheid uitsluit of het feit valt onder een zwaardere strafbepaling. Titel I. Omvang van de werking der strafwet Artikel 4 De Nederl"},{"i":17059,"b":"Bezoldiging, ambtstoelage en eindejaarsuitkering burgemeesters Aan: De burgemeesters, de gemeentebesturen, de commissarissen van de Koningin 1. Bezoldiging burgemeesters De bezoldiging van burgemeesters wijzigt overeenkomstig de wijziging van de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk. De laatste algemene salarisverhoging was in mei 2003. Indien er een volgende wijziging van het salaris wordt vastgesteld, wordt u geïnformeerd over de gevolgen daarvan voor de bezoldiging van de burgemeester. Het bovenstaande houdt in dat u vooralsnog kunt uitgaan van de bezoldiging die is vastgesteld per 1 mei 2003. 2. Ambtstoelage burgemeesters In [artikel 16, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743&artikel=16) is bepaald dat de ambtstoelage van burgemeesters per 1 januari van elk jaar wordt herzien aan de hand van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar. De consumentenprijsindex voor 2004 is bepaald op 112,1. Voor 2003 was dat indexcijfer 111,0. Dit betekent dat de bedragen van de ambtstoelage per 1 januari 2005 worden verhoogd met 1,0%. Met ingang van 1 januari 2005 luiden de bedragen genoemd in [artikel 16, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743&artikel=16) als volgt: 3. Nominale en procentuele eindejaarsuitkering burgemeesters De nominale eindejaarsuitkering bedraagt € 45,88 per maand. U bent daarover geïnformeerd bij [circulaire van 4 september 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015548), nr. BK03/76643. Voor nadere informatie verwijs ik u naar genoemde circulaire. Bij [circulaire van 2 december 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014367), nr. BK02/98348, bent u geïnformeerd over de procentuele eindejaarsuitkering. Op dit moment is niet bekend of de procentuele eindejaarsuitkering voor 2004 wijziging ondergaat. De procentuele eindejaarsuitkering is structureel vastgesteld"},{"i":17947,"b":"Wet van 22 december 1994, houdende wijziging van de Werkloosheidswet en enkele andere wetten (aanscherping referte-eisen WW) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de toetredingsvoorwaarden voor het recht op uitkering ingevolge de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) te wijzigen en de duur van de vervolguitkering te verlengen, alsmede in de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) en enkele andere wetten enige andere wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Vervallen. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI 1. De door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming gestelde en door het College van toezicht sociale verzekeringen goedgekeurde regels op grond van [artikel 17, vijfde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=17), zoals deze regels luiden op de datum vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, gelden als regels op grond van [artikel 17**a**, vierde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=17a) die door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming zijn gesteld en door Onze Minister op grond van artikel 116, eerste lid, van die wet zijn goedgekeurd. 2. De door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming gestelde regels op grond van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16), zevende lid, en [20, zesde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&a"},{"i":18999,"b":"Bijstellingsregeling accijns, belasting van personenauto’s en motorrijwielen, motorrijtuigenbelasting, belastingen op milieugrondslag en de Provinciewet 2021 Gelet op de [artikelen 27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a) en [84c van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84c), [artikel 81a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=81a), [artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=90), [artikel II van de Wet tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wet vliegbelasting)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044580&artikel=II) en [artikel 222 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel I Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel II Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel III Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel IV Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel V Wijzigt de Provinciewet. Artikel VI [Artikel 84a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84a) vindt geen toepassing op de in [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044582&artikel=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), opgenomen verhogingen van de accijns. Artikel VII 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Bijstellingsregeling indirecte belastingen, Provinciewet en enkele bedragen van bestuurlijke boeten 2021. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17489,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2015, kenmerk 865199-143565-WJZ, houdende vaststelling per 1 januari 2016 van bedragen krachtens het Besluit langdurige zorg, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en ten behoeve van het overgangsrecht voor beschermd wonen onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Gelet op de [artikelen 3.3.1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.7) en [3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.2.3) en [3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.7) en [artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.13), [6, eerste lid, onderdeel b, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=6) en [19 van het Bijdragebesluit zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=19) en [8.3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.3), en [8.4, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.4); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit langdurige zorg. Artikel II Wijzigt de Regeling langdurige zorg. Artikel III Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Artikel V Vervallen Artikel VI Vervallen Artikel VII Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016, met uitzondering van de [artikelen III, tweede tot en met zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037252&artikel=III&z=2017-01-01&g=2017-01-01), en [V, zesde tot en met elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037252&artikel=V&z=2017-01-01&g=2017-01-01), die inwerking treden met ingang van 4 januari 2016."},{"i":19102,"b":"Regeling van de Minister van Justitie d.d. 23 mei 2007, nr. 5484160/07/CBK, houdende vaststelling van bepalingen inzake toetsing van buitengewoon opsporingsambtenaren en ambtenaren in dienst van een bijzondere opsporingsdienst terzake van geweldsbeheersing, aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden en schietvaardigheid (Regeling toetsing geweldsbeheersing buitengewoon opsporingsambtenaar en ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten) Gelet op [artikel 3a van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=3a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in [artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142), niet zijnde de buitengewoon opsporingsambtenaar voor wie de commandant van de Koninklijke marechaussee als direct toezichthouder is aangewezen, indien hij optreedt in de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in [artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7), dan wel indien die rechtens is uitgerust met een of meer geweldsmiddelen alsmede de opsporingsambtenaar in dienst van een bijzondere opsporingsdienst; - b. bijzondere opsporingsdienst: de diensten, genoemd in [artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2); - c. de Ambtsinstructie: [Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589); - d. geweldsmiddel: geweldsmiddel als bedoeld in [artikel 1, vierde lid, onderdeel d, van de Ambtsinstructie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=1) ; - e. de toets geweldsbeheersing:de door de Politieacademie samengestelde toets ter beoordeling van de kennis op het gebied van geweldsbeheersing volgens de kwalificaties van een p"},{"i":17882,"b":"Besluit van 4 september 2007, houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met het opnemen van een bepaling op grond waarvan zorgverzekeraars die wanbetalers verzekerd houden een bijdrage in de daaruit voortvloeiende premiederving kan worden verstrekt Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 juli 2007, Z/F-2784456; Gelet op [artikel 34 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34); De Raad van State gehoord (advies van 30 juli 2007, no. W13.07.0237/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 augustus 2007, Z/F-2791877; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit zorgverzekering. Artikel II In afwijking van [artikel 3.18, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.18) verstrekt het Zorginstituut voor de kalenderjaren 2006 en 2007 slechts de in dat artikel bedoelde bijdrage indien de zorgverzekering tot 1 januari 2008 niet door de zorgverzekeraar is opgezegd of ontbonden, noch de dekking ervan is geschorst of beperkt. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":19132,"b":"Richtlijn voor strafvordering huiselijk geweld Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op diverse vormen van huiselijk geweld in zaken die aangebracht zijn bij de politierechter, dan wel zaken waarin een strafbeschikking of een voorwaardelijk sepot met algemene voorwaarden volstaat. Indien in het kader van huiselijk geweld een kind slachtoffer is van mishandeling of seksueel misbruik dient de [richtlijn voor kindermishandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036269) respectievelijk [voor seksueel misbruik minderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036267) te worden gebruikt. Algemeen Uitgangspunt is dat, vanwege de ernst van het plegen van geweld in afhankelijkheidsrelaties en de bestraffing die daarbij passend is, bij zaken van huiselijk geweld wordt gedagvaard. Zaken die voor een gedragsaanwijzing in een strafbeschikking in aanmerking komen, zijn zaken waarin sprake is van het ontbreken van letsel, dan wel (heel) licht letsel, het ontbreken van een dreiging van nieuw geweld, een eerste incident en/of een berouwvolle dader die hulp zoekt en aanvaardt. Bij plegers van huiselijk geweld is vaak sprake van een achterliggende problematiek; bijvoorbeeld van psychische en psychiatrische problemen en/of transgene rationele overdracht van geweld en/of problemen in de agressieregulatie en/of verslavingsproblemen. Uitgangspunt is dat het geweld moet stoppen, waarbij aldus de veiligheid in het gezinssysteem of het huishouden voorop moet staan. Vandaar dat er zo veel mogelijk middels een voorwaardelijke strafdeel met bijzondere voorwaarden bij vonnis of een aanwijzing in een strafbeschikking voor moet worden gezorgd dat aan de aanwezige achterliggende problematiek wordt gewerkt. Er moet worden geleid naar toezicht door de reclassering, in combinatie met het volgen van een training, erkende gedragsinterventie of een ambulante behandeling of begeleiding. Uitgangspunten strafeis op zitting De strafeis is zo veel mogelijk ondersteunend aan andere interve"},{"i":19225,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 mei 2023, nr. MinBuZa.2023.15431-18, houdende beperkende maatregelen in verband met acties die de situatie in de Republiek Moldavië destabiliseren (Sanctieregeling Moldavië 2023) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Financiën; Gelet op [Verordening (EU) 2023/888](32788R2023) van de Raad van de Europese Unie van 28 april 2023 betreffende beperkende maatregelen in verband met acties die de situatie in de Republiek Moldavië destabiliseren (PbEU 2023, L 114) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder **Verordening (EU) 2023/888**: [Verordening (EU) 2023/888](32788R2023) van de Raad van de Europese Unie van 28 april 2023 betreffende beperkende maatregelen in verband met acties die de situatie in de Republiek Moldavië destabiliseren (PbEU 2023, L 114). Artikel 2 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 8, eerste lid, 9 en 11, eerste lid, van [Verordening (EU) 2023/888](32788R2023). 2. Een verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 3, eerste lid, 4, eerste of tweede lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, of 7 van [Verordening (EU) 2023/888](32788R2023) van toepassing is. Artikel 3 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 4, tweede en derde lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van [Verordening (EU) 2023/888](32788R2023) is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard. 2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 4, tweede en derde lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, en 8, eerste lid, van [Verordening (EU) 20"},{"i":17181,"b":"Onkostenvergoeding, vergoeding en eindejaarsuitkering wethouders, raadsleden en commissieleden Aan: De gemeentebesturen 1. Vergoedingen wethouders De vergoeding van wethouders wijzigt overeenkomstig de wijziging van de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk. De laatste algemene salarisverhoging daarvan was in mei 2003. Indien er een volgende wijziging van het salaris wordt vastgesteld, wordt u geïnformeerd over de gevolgen daarvan voor de vergoeding van wethouders. Het bovenstaande houdt in dat u vooralsnog kunt uitgaan van de vergoeding die is vastgesteld per 1 mei 2003. 2. Onkostenvergoeding wethouders In [artikel 25, derde lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006535&artikel=25) is bepaald dat de onkostenvergoeding voor wethouders per 1 januari van elk jaar wordt herzien aan de hand van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar. De consumentenprijsindex voor 2004 is bepaald op 112,1. Voor 2003 was dat indexcijfer bepaald op 111,0. Dit betekent dat de bedragen van onkostenvergoeding per 1 januari 2005 worden verhoogd met 1,0%. Met ingang van 1 januari 2005 luiden de bedragen genoemd in [artikel 25, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006535&artikel=25) als volgt: Met ingang van 1 januari 2005 luiden de bedragen genoemd in [artikel 25, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006535&artikel=25) als volgt: 3. Nominale en procentuele eindejaarsuitkering wethouders De nominale eindejaarsuitkering bedraagt € 45,88 per maand. U bent daarover geïnformeerd bij [circulaire van 4 september 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015548), nr. BK03/76643. Voor nadere informatie verwijs ik u naar genoemde circulaire. Bij [circulaire van 2 december 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014367), nr. BK02/98348, bent u geïnformeerd over de procentuel"},{"i":19698,"b":"Wet van 8 juli 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2018/858 en andere besluiten van de Europese Unie betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Uitvoeringswet verordening (EU) 2018/858) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend) en enige andere wetten te wijzigen in verband met de uitvoering van verordening (EU) nr. 2018/858 en andere bindende EU-rechtshandelingen die betrekking hebben op de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd en van voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen en gebouwd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. (wijziging van de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend)) Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II. (wijziging van [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290)) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III. (wijziging van de [Wet belasting zware motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678)) Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel IV. (wijziging van de [Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806) Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel V. (wijziging [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063)) Wijzigt de Wet op de economis"},{"i":19709,"b":"Wet van 9 juli 2014 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de ontwerpen voor bewegwijzering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat regels worden gesteld inzake de bewegwijzering teneinde de onderlinge samenhang, de uniformiteit en continuïteit daarvan te borgen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II 1. [Artikel 16, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=16), als luidend na inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op de op het tijdstip van die inwerkingtreding bestaande bewegwijzering en op de bewegwijzering die na de inwerkingtreding van deze wet wordt geplaatst of verwijderd en waarvoor het bevoegde openbare lichaam of de bevoegde eigenaar voor inwerkingtreding van deze wet, maar niet langer dan zes maanden voor dat tijdstip, opdracht heeft gegeven. 2. Onze Minister wordt door het bevoegde openbare lichaam of de bevoegde eigenaar onverwijld op de hoogte gesteld van een situatie als bedoeld in het eerste lid. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19710,"b":"Wet van 29 maart 1996 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994, houdende regeling van de verzelfstandiging van de Rijksdienst voor het Wegverkeer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is de Rijksdienst voor het Wegverkeer te verzelfstandigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II 1. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn de ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, van wie de naam is vermeld op een door Onze Minister en de Rijksdienst voor het Wegverkeer tezamen vastgestelde lijst, van rechtswege in dienst van de Dienst Wegverkeer. 2. Tot het moment waarop de directie van de Dienst Wegverkeer krachtens [artikel 4**o**, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4o) terzake een reglement heeft vastgesteld, geldt voor de in het eerste lid bedoelde ambtenaren een rechtspositie die gelijk is aan die welke gold direct vóór het moment van overgang bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De voorschriften en reglementen die betrekking hebben op de rechtspositie zoals die luiden op de dag voor de verzelfstandiging, zijn van overeenkomstige toepassing op het personeel dat op de dag van de verzelfstandiging van rechtswege in dienst zal treden van de Dienst Wegverkeer, met dien verstande dat daar waar in de huidige voorschriften en reglementen staat vermeld dan wel wordt bedoeld «Minister of Kroon dan wel een door deze als zodanig aangewezen autoriteit» gelezen dient te worden «directie of raad van toezicht». 3. Indien ter zake van de totstandkoming van de Dienst Wegverkeer een sociaal beleidskader geldt, kan bij die regeling zonodig worden afgeweken van het bepaalde in het tweede lid. 4. De verplichtingen die vo"},{"i":19711,"b":"Wet van 18 april 2002 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 met betrekking tot de rijvaardigheid en rijbevoegdheid Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Wijzigt de Invoeringswet Wegenverkeerswet 1994. Artikel III Wijzigt de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Artikel IV Artikel 110, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, zoals dat artikel luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel S](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013617&artikel=I&z=2007-03-14&g=2007-03-14), van deze wet, blijft van kracht ten aanzien van bestuurders van motorrijtuigen, al dan niet met aanhangwagen, die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, die op dat tijdstip de leeftijd van achttien doch nog niet die van eenentwintig jaren hebben bereikt, voor zover - a. aan hen reeds vóór dat tijdstip een rijbewijs voor het besturen van de betrokken motorrijtuigen is afgegeven; - b. zij blijkens een door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek naar de rijvaardigheid en geschiktheid tot het besturen van de betrokken motorrijtuigen, waarvoor de aanvraag vóór dat tijdstip is ingediend, beschikken over de voor het besturen van de betrokken motorrijtuigen vereiste rijvaardigheid en geschiktheid en aan hen na dat tijdstip een rijbewijs voor het besturen van de betrokken motorrijtuigen is afgegeven. Artikel V Artikel 110b, eerste lid, onderdeel b, zoals dat artikel luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel T](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013617&artikel=I&z=2007-03-14&g=2007-03-14), van deze wet, blijft van kracht ten aanzien van bestuurders van motorrijtuigen, al dan niet met aanhangwagen, die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, die op dat tijdstip de leeftijd van achttien doch nog niet die van eenentwintig jaren hebben bereikt, voor zover de aanvraag voor het door of vanwege de overheid"},{"i":19712,"b":"Wet van 9 juli 2014 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met een uitbreiding van de reikwijdte van de recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de reikwijdte van de recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten uit te breiden met het rijden onder invloed van drugs; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II [Artikel 123b, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=123b) is niet van toepassing op voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet begane strafbare feiten, voor zover deze feiten betreffen een overtreding van: - a. [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=6), voor zover de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in [artikel 8, eerste of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8), dan wel voor zover de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens [artikel 163, zesde, achtste of negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=163), om mee te werken aan een onderzoek naar het gebruik van de rijvaardigheid beïnvloedende stoffen anders dan alcohol; - b. [artikel 8, eerste of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8), of - c. [artikel 163, zesde, achtste of negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=163), voor zover het betreft het niet meewerken aan een onderzoek naar het gebruik van de rijvaardigheid beïnvloedende stoffen anders dan alcohol. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met uitzondering van [artikel I, onderdelen A, B en D tot"},{"i":19713,"b":"Wet van 24 juni 1998 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 (verhoging van de maximumstraffen voor ernstige vormen van roekeloos rijgedrag en verbetering van de regelingen inzake de invordering en inhouding van rijbewijzen en inzake de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van de bestrijding van ernstige delicten in het verkeer wenselijk is de maximumstraffen voor ernstige vormen van roekeloos rijgedrag te verhogen, alsmede de regelingen inzake de invordering en inhouding van rijbewijzen en inzake de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. ARTIKEL II Wijzigt de Wetboek van Strafrecht. ARTIKEL III Wijzigt de Wetboek van Strafvordering. ARTIKEL IV [Artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009722&artikel=I&z=1998-10-01&g=1998-10-01), is niet van toepassing op overtredingen die zijn begaan voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt. ARTIKEL V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19714,"b":"Wet van 9 december 2004 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 met betrekking tot het verlenen van ontheffingen in bepaalde gevallen door de Dienst Wegverkeer en enkele technische wijzigingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bevoegdheid tot ontheffingverlening van de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) voor bepaalde gevallen te centraliseren bij de Dienst Wegverkeer; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Wijzigt de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (rijvaardigheid en rijbevoegdheid). Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III De [artikelen 108, eerste lid, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=108), en [109, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=109), zoals die artikelen luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen D en E, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017665&artikel=I&z=2006-01-01&g=2006-01-01), blijven van kracht ten aanzien van rijbewijzen, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die voor dat tijdstip zijn geregistreerd in het rijbewijzenregister. Artikel IV Ontheffingen verleend ingevolge [artikel 149, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149), zoals deze bepaling luidde voor inwerkingtreding van deze wet, behouden hun geldigheid zolang hun geldigheidsduur niet is verstreken of zij niet zijn vervangen door een ontheffing verleend op grond van [artikel 149a, tweede lid](http"},{"i":19715,"b":"Wet van 21 februari 1997, houdende wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 (wijziging wegsleepregeling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de in de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) vervatte wegsleepregeling op diverse punten te wijzigen en te verduidelijken opdat deze in de praktijk op een meer doeltreffende wijze kan worden ingezet en de rechtsbescherming wordt verbeterd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. ARTIKEL II Indien het bij koninklijke boodschap van 9 maart 1995 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) (24 112) ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet reeds tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt in [Artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008563&artikel=I&z=2002-01-01&g=2002-01-01), «Artikel 164, zevende lid, tweede volzin» vervangen door: Artikel 164, zesde lid, tweede volzin. ARTIKEL III Op overtredingen als bedoeld in [artikel 170, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=170), begaan vóór het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, blijven de vóór dat tijdstip geldende bepalingen van toepassing. ARTIKEL IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19716,"b":"Wet van 15 mei 1991, houdende wijziging van de Wegenverkeerswet (invordering en inhouding van rijbewijzen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, ter verbetering van de bestrijding van het rijden onder invloed van alcohol of van andere stoffen die de rijvaardigheid kunnen verminderen, de bestaande mogelijkheden tot invordering en inhouding van rijbewijzen uit te breiden en enige andere wijzigingen in de Wegenverkeerswet aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Ten aanzien van rijbewijzen of internationale rijbewijzen die vóór het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, zijn ingevorderd, blijven de vóór dat tijdstip geldende bepalingen van de Wegenverkeerswet van toepassing. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19718,"b":"Wet van 23 juni 2005 tot wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 ter implementatie van richtlijn nr. 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PbEU L 345) en tot uitvoering van verordening nr. 809/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 tot uitvoering van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties betreft (PbEU L 149) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657) te wijzigen in verband met de implementatie van [richtlijn nr. 2003/71/EG](32003L0071) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van [Richtlijn 2001/34/EG](32001L0034) (PbEU L 345) en de uitvoering van [verordening nr. 809/2004](32004R0809) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 tot uitvoering van [Richtlijn 2003/71/EG](32003L0071) van het Europees Parlement en de Raad wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties betreft (PbEU L 149); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goe"},{"i":19719,"b":"Wet van 30 juni 2004 tot wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 in verband met de vereenvoudiging van het stelsel van de verklaring van geen bezwaar en enkele andere noodzakelijke aanpassingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet toezicht effectenverkeer 1995](onbekend), de [Wet toezicht kredietwezen 1992](onbekend), de [Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf](onbekend) en de [Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](onbekend) te wijzigen om het stelsel van de verklaring van geen bezwaar te vereenvoudigen, efficiënter te maken en de administratieve lasten voor de aanvragers van verklaringen van geen bezwaar te verminderen alsmede in verband met enkele andere noodzakelijke aanpassingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Artikel II Wijzigt de Wet toezicht kredietwezen 1992. Artikel III Wijzigt de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf. Artikel IV Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Artikel V Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI 1. Behoudens het tweede lid wordt een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in [artikel 16 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995](onbekend), de [artikelen 23](onbekend) en [24 van de Wet toezicht kredietwezen 1992](onbekend), [artikel 82 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf](onbekend) of [artikel 175 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](onbekend) die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is verleend geacht te zijn verleend tot de eerstvolgende bovengrens van 20, 33, 50 of 100 procent, tenzij de verklaring van geen bezwaar is verlee"},{"i":17,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 juli 2017, nr. EGI/1223547, tot aanwijzing van ambtenaren van de Erfgoedinspectie tot toezichthoudende ambtenaren Archiefwet 1995 en Archiefwet BES Gelet op [artikel 25a, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=25a) en [artikel 29a, eerste lid, van de Archiefwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028369&artikel=29a); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de wet bepaalde ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden, bedoeld in de [artikelen 23, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=23), en [41, eerste lid, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=41), worden belast de ambtenaren van de Erfgoedinspectie die zijn aangewezen in de functie van hoofdinspecteur of inspecteur. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039827&artikel=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01) bedoelde ambtenaren worden tevens belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Archiefwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028369) ten aanzien van de zorg voor en het beheer van archiefbescheiden. Artikel 3 Het Besluit van 1 mei 2015, nr. EGI/761008, tot aanwijzing van ambtenaren van de Erfgoedinspectie tot toezichthoudende ambtenaren Archiefwet 1995 (Stcrt. 22 mei 2015, nr. 13648) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt geplaatst in de Staatscourant."},{"i":20,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 30 september 2025 nr. WJZ/101233925, tot aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren op grond van de Wet beschikbaarheid goederen (Aanwijzingsbesluit toezichthoudende ambtenaren Wet beschikbaarheid goederen) Gelet op [artikel 7 van de Wet beschikbaarheid goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002098&artikel=7); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002098&artikel=2) en [artikel 2a van de Wet beschikbaarheid goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002098&artikel=2a), worden aangewezen de medewerkers van de afdeling Toezicht Economische Veiligheid van de directie Toezicht Economische Veiligheid en Eigenaarsadvisering van het Ministerie van Economische Zaken. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2025. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit toezichthoudende ambtenaren Wet beschikbaarheid goederen. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":22,"b":"Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op de [artikelen 18, eerste lid, van de Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502&artikel=18), [24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=24), [8:1 van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=8:1), [13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002380&artikel=13), en [13c, tweede lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002380&artikel=13c), [23 van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=23), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=4), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=8), [10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=11), [13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=13), [13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=13a) en [18 van de Stoomwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=18), [25, eerste lid, onderdeel a, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), [13 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=13), [14 van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=14), [21, eerste lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299&artikel=21), [148, eerste lid, van de"},{"i":4165,"b":"Besluit van 23 augustus 1984, houdende vaststelling van een tweetal overgangsregelingen, ingaande 1 oktober 1984, in verband met de wijziging van de bezoldigingsvoorschriften voor militairen naar aanleiding van de structurele herziening van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 per 1 januari 1984 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, drs. W. K. Hoekzema van 29 juni 1984, Afdeling Arbeidsvoorwaarden Militair Personeel, nr. D 81/780/41743; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) (**Stb.** 519) en artikel 2 van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen (**Stb.** 1971, 231); De Raad van State gehoord (advies van 27 juli 1984, nr. W 07.84.0339/16.4.30); Gezien het nader rapport van de voornoemde Staatssecretaris van 17 augustus 1984, nr. D 81/780/42031; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I In afwijking van de bezoldigingsschaal, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit herziening bezoldiging militairen zeemacht 1954 (**Stb.** 50) en de bijlage A, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Regeling inkomsten militairen land- en luchtmacht 1969 (**Stb.** 1968, 523), heeft een vlag- of opperofficier met de rang van schout-bij-nacht of generaal-majoor, die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit: - a. die rang gedurende korter dan 2 jaren bekleedt en die op 1 oktober 1984 een diensttijd heeft van minder dan 31 jaren, met ingang van laatstgenoemde datum aanspraak op een bezoldiging/wedde van f 10.897,-; - b. die rang gedurende korter dan 2 jaren bekleedt en die op de datum, gelegen 2 jaren na zijn bevordering tot die rang, een diensttijd heeft van minder dan 32 jaren, met ingang van laatstgenoemde datum aanspraak op het maximumbedrag van de voor die rang vastgestelde bezoldiging/wedde; - c. die rang gedurende 2 jaren of langer bekleedt en die op 1 oktober 1984 een diensttijd heeft van minder dan 32 jaren, met ingang van"},{"i":17143,"b":"Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn De vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, Gezien het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507), Gezien het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), Na raadpleging van de Europese Commissie, Na raadpleging van de Europese Investeringsbank, Overwegende hetgeen volgt: De [Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005264), ondertekend te Cotonou op 23 juni 20002)PbEU L 317 van 15 december 2000, blz. 3., voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 20053)PbEU L 287 van 28 oktober 2005, blz. 4. en voor de tweede maal gewijzigd op 22 juni 2010 in Ouagadougou4)PbEU L 287 van 4 november 2010, blz. 3. (de „ACS-EU-partnerschapsovereenkomst”), voorziet in de goedkeuring van financiële protocollen voor elke periode van vijf jaar. Op 17 juli 2006 hechtten de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, hun goedkeuring aan het Intern Akkoord betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoe"},{"i":18207,"b":"Besluit vaststelling personele ondermandaten Rijksorganisatie voor Ontwikkeling, Digitalisering en Innovatie gelet op [artikel 7.7 van het Mandaatbesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=7.7), Besluit De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. tot vaststelling van de personele ondermandaat regeling binnen Rijksorganisatie voor Ontwikkeling, Digitalisering en Innovatie, zoals vermeld in de bijlage bij dit besluit. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2024. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling personele ondermandaten Rijksorganisatie voor Ontwikkeling, Digitalisering en Innovatie. Bijlage | VERLENING VOLMACHT BEVOEGDHEDEN PERSONEEL | Rijksorganisatie ODI 2024 | | | | | | | | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Personele aangelegenheid | Regelgeving | SG | (p)DG | Directeur ODI | Manager BU | Afdelingshoofd | Teamleider | opmerkingen | | **Organisatie en formatie** | | | | | | | | | | Het vaststellen van de formatie | [Artikel 3.2 onder c en e Mandaatbesluit BZK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=3.2) | X | | | | | | | | Het vaststellen van de functie(her)indeling (m.u.v. de topformatie) | | | | X | | | | Topformatie valt onder bevoegdheid sg | | **Arbeidsovereenkomst en ontslag** | | | | | | | | | | Het sluiten van een arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde of bepaalde tijd) | CAO Rijk § 2.1/2.2 | | | X | X | X | | Mits passend binnen formatie en altijd na advies HRM en Financiëen | | Het wijzigen van de aard van de arbeidsovereenkomst (bijv.verlengen of omzetten van bepaalde naar onbepaalde tijd) | CAO Rijk § 2.1/2.2 | | | X | X | X | | Mits passend binnen formatie en altijd na advies HRM en Financiëen | | Het wijzigen van de arbeidsduur (meer/minder werken), mits passend binnen formatie | CAO Rijk § 3.1 | | | X | X | X | | | | Het bevorderen naar een hogere schaal/andere functie, mits passend binnen formatie | | | | X"},{"i":17707,"b":"Verdrag inzake samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Angola Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en De Republiek Angola, hierna gezamenlijk te noemen „de verdragsluitende partijen” en afzonderlijk „de verdragsluitende partij”, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten, belastingen en overige heffingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen en vervoermiddelen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving, met inbegrip van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten, schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid, openbare orde en handel van de verdragsluitende partijen; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Erkennend dat het voor de veiligheid van het grensoverschrijdend verkeer van goederen en voor het vergemakkelijken van de legitieme handel van belang is tijdig informatie over vracht- en containerzendingen te versturen en te ontvangen opdat een adequate risicobeoordeling kan plaatsvinden; Indachtig het feit dat inspanningen om grotere nauwkeurigheid bij de vaststelling van douanerechten te verwezenlijken en inbreuken op de douanewetgeving te voorkomen doeltreffender worden door nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties; Gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand, de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse"},{"i":19460,"b":"Besluit vervanging archiefbescheiden Nationale Databank Wegverkeersgegevens Gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en de [Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041); de regeling van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161 (10265), tot wijziging van de [Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041) in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van archiefbescheiden door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2 De papieren archiefbescheiden van de zaken en werkprocessen van het samenwerkingsverband Nationale Databank Wegverkeersgegevens (NDW) worden overeenkomstig de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043044&artikel=3&z=2020-01-04&g=2020-01-04), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043044&artikel=4&z=2020-01-04&g=2020-01-04) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043044&artikel=5&z=2020-01-04&g=2020-01-04) van dit besluit digitaal vervangen. Artikel 3 De digitale vervanging heeft betrekking op papieren archiefbescheiden die zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit en die worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met tien jaar na inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 4 1. De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties die zijn vastgelegd in het ‘Handboek vervanging archiefbescheiden NDW’. 2. Het ‘Handboekvervanging archiefbescheiden NDW’ ligt ter inzage bij de Nationale Databank Wegverkeersgegevens; Graadt van Roggenweg 400, Utrecht en is raadpleegbaar via"},{"i":19431,"b":"Besluit van 18 juni 1991, houdende vaststelling van het bedrag bedoeld in artikel 26, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 7 mei 1991, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 128533/91/6, gedaan mede namens Onze Minister van Financiën; Gelet op [artikel 26, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=26) (**Stb.** 1984, 269); De Raad van State gehoord (advies van 24 mei 1991, nr. W03.91.0235); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 10 juni 1991, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 132589/91/6, uitgebracht mede namens Onze Minister van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het bedrag bedoeld in [artikel 26, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=26) (Stb. 1984, 269) wordt vastgesteld op € 250. Artikel 2 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Met ingang van dat tijdstip vervalt het Besluit bedrag eigen risico aansprakelijkheidsverzekering (**Stb.** 1967, 200). 2. Dit besluit kan worden aangehaald als \"Besluit bedrag eigen risico aanspraken op het Waarborgfonds Motorverkeer\". Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":19231,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Financiën van 9 december 2019, Min-BuZa.2019.4620-11, tot vaststelling van enkele bepalingen met het oog op de tenuitvoerlegging van sanctieresoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties voorafgaand aan implementatie daarvan door de Europese Unie (Sanctieregeling overbrugging tenuitvoerlegging sanctieresoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties 2019) Gelet op hoofdstuk 7 van het Handvest van de Verenigde Naties; Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **middelen:** activa van welke aard ook, juridische documenten of instrumenten in welke vorm ook, ook elektronisch of digitaal, waaruit eigendom van of een belang in dergelijke activa blijkt, met inbegrip van, doch niet beperkt tot, bankkredieten, reischeques, bankcheques, postwissels, aandelen, obligaties, wissels, kredietbrieven en andere effecten; - b. **bevriezing van middelen:** het voorkomen van het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren, gebruiken of omgaan met middelen met als gevolg wijzigingen van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken, bestemming, of andere wijzigingen waardoor het gebruik van bedoelde middelen, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk zou worden gemaakt; - c. **financiële diensten:** alle diensten van financiële aard, waaronder alle verzekeringsdiensten en met verzekeringen verband houdende diensten, en alle bankdiensten en andere financiële diensten, met uitzondering van verzekeringen. Artikel 2 1. Deze regeling is van toepassing op de tenuitvoerlegging van beperkende maatregelen, vastgesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties inhoudende de bevriezing van tegoeden of economische middelen dan we"},{"i":49,"b":"Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 2002-2003 Inleiding/managementinformatie Op 29 november 2002 heb ik met twee centrales van overheidspersoneel een overeenkomst gesloten over de arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de contractperiode 1 december 2002 tot 1 januari 2004. Een afschrift van deze Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2002-2003 is als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014386&bijlage=1&z=2002-12-05&g=2002-12-05) bijgevoegd. De formalisering daarvan is reeds ter hand genomen. Met deze circulaire informeer ik u over de inhoud van de gesloten overeenkomst. Deze circulaire is ook geplaatst op de internetsite van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Locatie: www.minbzk.nl/Overheidspersoneel/Arbeidsvoorwaarden Rijksoverheid/publicaties. I. Inkomensontwikkeling 1. Salarisverhoging per 1 december 2002 Met ingang van 1 december 2002 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk structureel verhoogd met 2,5%. a. Salarisbedragen per 1 december 2002 In verband met de salarisverhoging van 2,5% komen de salarisbedragen per 1 december 2002 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014386&bijlage=2&z=2002-12-05&g=2002-12-05) gevoegde inpassingtabel. Als [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014386&bijlage=3&z=2002-12-05&g=2002-12-05) is bijgevoegd een overzicht van de schalen van het [BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) per 1 december 2002. b. Aanpassing van toelagen, vergoedingen en dergelijke Toelagen die zijn toegekend met toepassing van het [BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) en toelagen die krachtens een [BBRA-overgangsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003631) nog van toepassing zijn, dienen in het algemeen in verband met de algemene salarisverhoging te worden verhoogd met ingang van 1 december 2002. V"},{"i":68,"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 januari 2016, 2015-0000291304, tot vaststelling van de nieuwe beleidsregel inzake ontheffing van het verbod van kinderarbeid ten einde deze beter te laten aansluiten bij de praktijk (Beleidsregel inzake ontheffing verbod van kinderarbeid 2016) Gelet op [artikel 3:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=3:3); Besluit: Artikel 1. Ontheffing verbod van kinderarbeid 1. De verantwoordelijke persoon kan een kind arbeid doen verrichten ter naleving van een overeenkomst of in de commerciële sfeer, mits daarvoor een ontheffing is verleend. 2. Een ontheffing van het verbod van kinderarbeid, bedoeld in [artikel 3:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=3:3) wordt, met inachtneming van de [artikelen 3:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=3:4) en [3:5, tweede lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=3:5), op verzoek van de werkgever verleend, indien: - a. het niet-industriële arbeid van lichte aard betreft, bedoeld in [artikel 1:1 van de Nadere regeling kinderarbeid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007195&artikel=1:1), bestaande uit het verlenen van medewerking aan uitvoeringen van culturele, wetenschappelijke, opvoedkundige of artistieke aard, aan modeshows, aan audio-, visuele of audio-visuele opnamen en daarmee vergelijkbare niet-industriële arbeid van lichte aard, en - b. gewaarborgd is, dat de arbeid van het kind kan worden onderbroken of beëindigd, indien naar het oordeel van een ieder die over het betrokken kind het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent of in wiens huishouding het kind is opgenomen dan wel van degene die de deskundige begeleiding, bedoeld in het derde lid, onder f, verzorgt, de veiligheid van het kind in gevaar komt of arbeid moet worden verricht welke een nadelige invloed kan uitoefenen op de lichamelij"},{"i":72,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 april 2024, nr. HO&S/1532615, inzake migrerend werknemerschap en studiefinanciering (Beleidsregel migrerend werknemerschap en studiefinanciering) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=2.2) en [artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=2.2), Besluit de volgende beleidsregels vast te stellen met betrekking tot migrerend werknemerschap en studiefinanciering: Studenten met een nationaliteit van één van de lidstaten van de Europese Unie of zij die daarmee gelijkgesteld zijn,1Dit geldt onder meer voor studenten uit de landen die, naast de EU-lidstaten, behoren tot de Europese Economische Ruimte, en voor studenten uit Zwitserland. kunnen net als Nederlandse studenten in aanmerking komen voor volledige studiefinanciering,2Artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet studiefinanciering 2000. indien zij, hun ouders of hun partner aangemerkt worden als migrerend werknemer. Dit geldt ook voor scholieren van 18 jaar of ouder.3Artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Als zij, hun ouders of hun partner migrerend werknemer zijn kunnen zij net als Nederlandse scholieren van 18 jaar of ouder in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438). Het begrip ‘migrerend werknemer’ is niet vastomlijnd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) heeft een ruim kader geschetst, waarbinnen de toetsing van het feit of een persoon als een migrerend werknemer moet worden beschouwd, zich dient te bewegen. Het kernelement van dez"},{"i":76,"b":"Beleidsregel Protocol Interne Jobcoach UWV 2025 Besluit: Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen van aanvragen voor subsidieverstrekking Interne Jobcoaching door werkgevers het Protocol Interne Jobcoach UWV 2025, als weergegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De [Beleidsregel UWV Protocol Interne Jobcoach 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042552) (Staatscourant nummer 51100 van 18 september 2019) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel Protocol Interne Jobcoach UWV 2025. Protocol Interne Jobcoach UWV 2025 Inhoud Begripsbepalingen Een dienstbetrekking in de zin van [artikel 3 van de ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=3)/[WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=3)/[WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=3) of een op grond van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=4) of [5 van de ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=5)/[WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=4)/[WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=4) daarmee gelijkgestelde arbeidsverhouding. De natuurlijke persoon die door de werkgever wordt ingezet om een persoon bij de uitvoering van zijn werkzaamheden te ondersteunen. Een werkgever kan zelf of een andere bij hem in dienst zijnde werknemer als Interne Jobcoach aanwijzen dan wel een Interne Jobcoach inhuren. Een werkgever kan voor een persoon met een structurele functionele beperking op grond van [artikel 36 lid 4 WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=36) subsidie aanvragen om hem bij zijn taken te ondersteunen. Met de subsidie kan de werkgever een Interne Jobcoach inzetten als compensatie voor de beperki"},{"i":82,"b":"Beleidsregels arbeidsinschakeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Wet WIA: [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); - b. verzekerde: de persoon bedoeld in de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=7), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=10) en [16 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=16); - c. WGA-uitkering: werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in [hoofdstuk 7 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&hoofdstuk=7); - d. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - e. CWI: Centrale organisatie werk en inkomen; - f. reïntegratievisie: de reïntegratievisie, bedoeld in [artikel 30a, eerste lid, van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a); - g. reïntegratieplan: het reïntegratieplan, bedoeld in [artikel 30a, derde lid, van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a); - h. functionele mogelijkheden: krachten en bekwaamheden als bedoeld in [artikel 6, derde lid, van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=6); - i. werkdag: een dag die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is; - j. maatregel: gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering als bedoeld in [artikel 88 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=88). Artikel 2. Passende arbeid behouden 1. Indien de verzekerde die recht heeft op een loongerelateerde uitkering als bedoeld in [artikel 59 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=59) een dienstbetrekking met een werkgever heeft, wordt in de reïntegratievisie vermeld welke activiteiten hij moet verrichten om: - a. beëindiging van die dienstbetrekking te voorkomen; - b. passende arbeid in het bedrijf van zijn werkgever te ve"},{"i":4697,"b":"Instellingsbeschikking Rijksbureau voor Aardolieprodukten 1973 Gelet op de [Distributiewet 1939](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001997) (Stb. 633), Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - A. 1. aardolie: de bij de beschikking van de Minister van Economische Zaken van 30 oktober 1973 (Stcrt. 211) als distributiegoed aangewezen aardolie; 2. aardolieprodukten: de bij de onder 1 vermelde beschikking als distributiegoederen aangewezen aardolieprodukten; - B. ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon, die zijn bedrijf maakt van het winnen of het vervaardigen van aardolie of aardolieprodukten, het regenereren van gebruikte aardolieprodukten daaronder begrepen, dan wel van de handel in aardolie of aardolieprodukten; - C. verbruiker: de natuurlijke of rechtspersoon, die al dan niet in de uitoefening van een bedrijf aardolieprodukten gebruikt of verbruikt, voor zover het niet betreft het gebruik of verbruik als grondstof voor het vervaardigen van aardolieprodukten; - D. minister: de Minister van Economische Zaken. Artikel 2 1. Er is voor aangelegenheden, de distributie van aardolie en aardolieprodukten betreffende, een Rijksbureau voor Aardolieprodukten. Het Rijksbureau staat onder leiding van een directeur. 2. De directeur van het Rijksbureau voor Aardolieprodukten heeft tot taak de uitvoering namens de minister van de [Distributiewet 1939](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001997), voor wat betreft het in het eerste lid omschreven werkterrein. 3. Voor de vervulling van zijn taak kan de directeur, onder goedkeuring van de minister, werkzaamheden laten verrichten door andere dan bij het Rijksbureau voor Aardolieprodukten werkzame personen. Artikel 3 1. Ondernemers die hun bedrijf maken van de handel in benzine, petroleum, gasolie of stookoliën en in het voorafgaande kalenderjaar ten minste 150 m⁳ van deze produkten aan andere verbruikers dan weggebruikers hebben afgeleverd, zijn verplicht zich schriftelijk aan te melden door inzending"},{"i":11931,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 18 september 2025, kenmerk DGBI-TOP / 100647940, houdende benoeming en vergoeding van gezant voor de maritieme maakindustrie Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Met ingang vanaf 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2026 wordt mevrouw J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart, te Delft, benoemd tot gezant voor de maritieme maakindustrie. Artikel 2 1. De gezant voor de maritieme maakindustrie is aangesteld om bij te dragen aan de uitvoering van de sectoragenda voor de maritieme maakindustrie: het positioneren van de maritieme maakindustrie en de ontwikkeling van groene scheepvaart. 2. De gezant voor de maritieme maakindustrie heeft als taken: - a. het onafhankelijk signaleren van knelpunten bij uitvoering van de sectoragenda van de maritieme maakindustrie, en technisch voorzitten van rondetafelgesprekken en besprekingen hierover; - b. het onafhankelijk adviseren en rapporteren over de voortgang en wat nodig is voor een goede implementatie van de sectoragenda voor de maritieme maakindustrie. Artikel 3 De onafhankelijkheid van de gezant wordt als volgt gewaarborgd: - a. de gezant neemt geen instructies aan van noch vraagt om instructies door de bewindslieden en bewindslieden onthouden zich van het verstrekken van dergelijke instructies; - b. de gezant en bewindspersonen delen signalen, beelden en informatie, maar sturen bij het delen hiervan niet op beoogde doelstellingen of beleidswensen. De gezant adviseert en rapporteert onafhankelijk; en - c. de gezant en de bewindslieden zullen vroegtijdig eventuele dilemma’s rond onafhankelijkheid onderkennen en daarvoor tijdig praktische oplossingen zoeken gericht op het voorkomen ervan. Artikel 4 Aan de gezant voor de maritieme maakindustrie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van paragraaf"},{"i":17496,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 november 2015, kenmerk 867541-143735-Z, houdende vaststelling premiepercentage Wlz 2016 Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt voor het jaar 2016 vastgesteld op 9,65. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage Wlz 2016. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":203,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Inkomens- en arbeidsvoorwaardenbeleid vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 6 februari 2006, nr. arc-2005.02719/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Inkomens- en arbeidsvoorwaardenbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":223,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 26 juni 2020, nr. WJZ/ 20132220, houdende verlening van volmacht en machtiging aan de manager van Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk inzake juridische procedures betreffende personeelsaangelegenheden (Besluit volmacht en machtiging UBR|Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht EZK 2020) Gelet op [artikel 3:60 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=60); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **minister:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **manager:** de manager van Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht (Expertisecentrum Organisatie en Personeel en diens rechtsopvolgers) van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk, ressorterend onder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **P&O-aangelegenheden:** aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie. Artikel 2 1. Aan de manager wordt ten aanzien van P&O-aangelegenheden ten aanzien van onder de minister ressorterende medewerkers volmacht en machtiging verleend voor het aanhangig maken en behandelen van juridische procedures, waaronder het (doen) uitbrengen en ondertekenen van dagvaardingen van verzoekschriften, verweerschriften, conclusies, aktes als ook bezwaarschriften en (hoger) beroepschriften, alsmede het vertegenwoordigen van de minister ter zitting. 2. De manager kan voor de in het eerste lid genoemde aangelegenheden schriftelijk of mondeling volmacht en machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende medewerkers. 3. Aan de manager wordt machtiging verleend om bij de behandeling van een geschil inzake P&O-aangelegenheden niet onder hem ressorterende medewerkers als medegemachtigde te introduceren. Artikel 3 De uit dit besluit voor de manager voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op zijn plaatsvervanger. Artikel 4 Het krachtens volmacht of machtiging ondertekene"},{"i":5963,"b":"Besluit van 23 juni 1988, houdende regelen ter uitvoering van artikel 173 van de Mediawet Op voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 11 maart 1988, nr. 88M002396; na overleg met Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; Gelet op [artikel 173 van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=173) (**Stb.** 1987, 249); De Raad van State gehoord (advies van 19 mei 1988, nr. W01.88.0146); Gezien het nader rapport van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 21 juni 1988, nr. 88M002787; uitgebracht na overleg met Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. studio's: de studio's met toebehoren die in eigendom zijn bij de binnenlandse omroepinstellingen en het Nederlands Omroepproduktie Bedrijf N.V.; - b. andere hulpmiddelen: het geheel aan technische voorzieningen die zijn opgericht ten behoeve van omroep in buitengewone omstandigheden, alsmede de normale omroepvoorzieningen voorzover deze niet gerekend kunnen worden tot de onder **a** bedoelde studio's; - c. autoriteiten: Onze Ministers, commissarissen van de Koning en burgemeesters. § 2. De ter beschikkingstelling van binnenlandse omroepvoorzieningen Artikel 2 1. Bij dreigend gevaar voor de openbare veiligheid of de volksgezondheid of in andere buitengewone omstandigheden staan Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, zendtijd en het gebruik van studio's, draadomroepinrichtingen en andere hulpmiddelen ter beschikking teneinde hem of door hem aan te wijzen autoriteiten, in staat te stellen door middel van deze voorzieningen voor het publiek bestemde dringende mededelingen te doen die noodzakelijk zijn in het algemeen belang. 2. In de in het eerste lid bedoelde omstandigheden kan Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, opdracht geven de uitzending van een programma in zendtijd voor binnenland"},{"i":5775,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 juni 2005, nr. DGM/EV2005054032, houdende regels met betrekking tot verstrekking van subsidie aan provincies ten behoeve van het externe veiligheidsbeleid voor het tijdvak 2006 tot en met 2010 (Subsidieregeling programmafinanciering EV-beleid voor andere overheden 2006–2010) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. provinciaal programma: een programma als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018381&paragraaf=3&artikel=3&z=2007-03-30&g=2007-03-30) van een provincie, dat wordt uitgevoerd door een provincie en de betrokken gemeenten; - b. externe veiligheidsbeleid: het beleid gericht op de verbetering van de veiligheid buiten inrichtingen waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en buiten transportroutes en buisleidingen waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, voorzover die veiligheid kan worden beïnvloed door een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, alsmede verbetering van de veiligheid buiten luchthaventerreinen; - c. de minister: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en - d. uitvoeringskosten: kosten voor personeel, onderzoek en communicatie. § 2. Doel Artikel 2 1. Deze regeling heeft tot doel het stimuleren van de structurele, adequate uitvoering van het externe veiligheidsbeleid en het daartoe bevorderen van de samenwerking tussen gemeenten, provincies en regionale samenwerkingsverbanden op het gebied van externe veiligheid. 2. Subsidie kan worden verstrekt op aanvraag van een provincie ter zake van de kosten van projecten en activiteiten die zijn opgenomen in een provinciaal programma en naar het oordeel van de minister bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van deze regeling. 3. D"},{"i":5280,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 28 oktober 2011, nr. WJZ/11138610, houdende regels inzake de algemene overdrachtsvergunning NL 003 voor leveringen aan strijdkrachten (Regeling algemene overdrachtsvergunning NL003) Gelet op [richtlijn 2009/43](32009L0043) van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PbEU L 146) en de [artikelen 20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=20), [25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=25), en [26, tweede lid, van het Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=26); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **besluit:** het [Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139); - –. **EORI-nummer:** het nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel 18, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie Communautair douanewetboek; - –. **gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen:** de lijst van goederen waarop het Gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie van toepassing is - –. **inspecteur:** de directeur-generaal Douane. § 2. Algemene overdrachtsvergunning Artikel 2 1. De Minister van Buitenlandse Zaken verleent een algemene overdrachtsvergunning voor de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030608&paragraaf=2&artikel=3&z=2021-07-31&g=2021-07-31) genoemde categorieën van militaire goederen indien aan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030608&paragraaf=3&artikel=4&z=2021-07-31&g=2021-07-31) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030608&paragraaf=3&artikel=5&z=2021-07-31&g="},{"i":5894,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de pers van 23 februari 2011, nr. 20563, tot vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling persinnovatie 2011 Gelet op [artikel 8.3, tweede lid, onder a, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Te subsidiëren activiteiten en kosten 1. Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve van innovatie van de persbedrijfstak in Nederland subsidie verstrekken voor: - a. onderzoek naar of ontwikkeling van exploitatie(modellen) en distributie van nieuws; - b. onderzoek naar of ontwikkeling van de Nederlandse journalistiek; of - c. projecten op het terrein van vernieuwing en versteviging van de band tussen journalistiek en samenleving. 2. Activiteiten als bedoeld in het eerste lid komen in aanmerking voor subsidie als zij voldoen aan ten minste twee van de volgende eisen: - a. zij hebben als doel burgers als gebruikers van persfuncties te bereiken of te behouden; - b. zij hebben betrekking op nieuwe of nieuwe combinaties van of met bestaande journalistieke producten, diensten, markten en organisatieprocessen; - c. zij hebben betrekking op nieuwe journalistieke modellen, werkwijzen en presentaties; - d. zij hebben betrekking op nieuwe vormen van betalings-, distributie- en verdienmodellen; - e. zij hebben betrekking op lokale of regionale journalistieke activiteiten. 3. Voor subsidieverstrekking komen slechts kosten van de subsidieontvanger in aanmerking die rechtstreeks verband houden met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend en die gemaakt zijn na de subsidieverlening. 4. Het Stimuleringsfonds kan nadere richtlijnen omtrent de aard van de kosten vaststellen. Artikel 2. Subsidieaanvrager 1. Subsidie kan worden aangevraagd door de voor de desbetreffende activiteiten verantwoordelijke rechtspersoon of rechtspersonen dan wel rechtspersoon of rechtspersonen in oprichting, die in Nederland actief is of zijn. 2. In afwijking van het gestelde ond"},{"i":561,"b":"Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES Titel I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Ambtenaar in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is degene die door het bevoegde gezag is aangesteld om in openbare dienst op Bonaire, Sint Eustatius of Saba werkzaam te zijn. 2. Tot de openbare dienst behoren alle diensten en bedrijven door de staat en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba beheerd, met inbegrip van het van overheidswege gegeven openbare onderwijs. 3. Niet zijn ambtenaren in de zin dezer wet: - a. de bedienaren van de godsdienst en de godsdienstleraren; - b. zij, met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten. 4. Tenzij het tegendeel blijkt, zijn in deze wet onder ambtenaren gewezen ambtenaren begrepen. 5. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **hof van justitie:** Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - c. **woonplaats:** woonplaats als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek BES. Artikel 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt niet onder ambtenaren verstaan: - a. de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. krachtens de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) of de wet voor het leven benoemde ambtenaren; - c. de gezaghebber en de gedeputeerden. Artikel 2a Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de staat, indien de ambtenaar in dienst van deze rechtspersoon is aangesteld: - b. het openbaar lichaam, indien de ambtenaar in dienst van deze rechtspersoon is aangesteld. - a. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor zover het de ambtenaren in dienst van de staat betreft; - b. het bestuurscollege, voor zover het de ambtenaren in dienst van het openbare lichaam betreft, met inachtneming van sub c; -"},{"i":646,"b":"Wijziging financiële arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari 2006 Inleiding/managementinformatie Zoals gebruikelijk doe ik u aan het eind van het kalenderjaar toekomen een circulaire op het terrein van de financiële arbeidsvoorwaarden van het personeel van de sector Rijk. Het betreffen de hieronder genoemde aangelegenheden: A. Aanpassing van diverse bedragen per 1 januari 2006, te weten: 1. in de Reisregeling binnenland. B. Overige mededelingen, te weten over: C. Nog tot stand te brengen wijzigingen. D. Tot stand gekomen besluiten, regelingen en circulaires. Voor de ambtenaar die al in het IPA-salarissysteem is opgenomen, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. Daar waar betalingen op basis van declaratie plaatsvinden, zal uw eigen personeelsadministratie de desbetreffende wijzigingen dienen aan te brengen. Dit laatste betreft onder meer de wijzigingen vermeld onder A.1 (bedragen inzake dienstreizen binnenland). A. Aanpassing van diverse bedragen De wijzigingen van de [Reisregeling binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005912) per 1 januari 2006 houden het volgende in: In [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005912&artikel=5), worden de vergoedingen wegens verblijfkosten als volgt gewijzigd: De bedragen van de vergoedingen per kilometer voor een motorvoertuig van € 0,28 resp. € 0,09, voor een bromfiets van € 0,10 resp. € 0,09, voor een fiets van € 0,05 wijzigen niet. De ministeriële regeling waarin de wijzigingen zijn opgenomen, is in de Staatscourant van 6 december 2005, nr. 237, gepubliceerd. B. Overige mededelingen Het aantal te werken uren op jaarbasis bedraagt in 2006 bij een volledige arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week afgerond 1829 (= 254 x 7,2) uren. Volledigheidshalve herinner ik u eraan dat over 2006 de maandelijkse opbouw van de aanspraak op de procentuele eindejaarsuitkering als bedoeld in [artikel 20a, eerste lid, onderdeel a, van het Bezoldigingsbes"},{"i":12345,"b":"Besluit van 4 mei 2026 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/927 tot wijziging van de richtlijnen 2011/61/EU en 2009/65/EG (Besluit implementatie gewijzigde AIFM-richtlijn en icbe-richtlijn) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 17 maart 2026, 2026-0000079651, directie Financiële Markten; Gelet op [Richtlijn (EU) 2024/927](32024L0927) van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 tot wijziging van de [richtlijnen 2011/61/EU](32011L0061) en [2009/65/EG](32009L0065) wat betreft delegatieregelingen, liquiditeitsrisicobeheer, toezichtrapportage, verlening van bewaar- en bewaarnemingsdiensten en leninginitiëring door alternatieve beleggingsfondsen, alsmede de [artikelen 1:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:66), [2:69d, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:69d), [4:16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:16), [4:59a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:59a), [4:61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:61), [4:62o, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:62o); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 april 2026, nr. W06.26.00075/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 28 april 2026, 2026-136461, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel III Wijzigt het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft. Artikel IV Wijzigt het Besluit bestuurlij"},{"i":12342,"b":"Besluit van 25 januari 2002, houdende verlening van wapen en onderscheidingsvlag aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Máxima Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, gedaan mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie, van 22 januari 2002, nr. 02M423598; Gelezen het advies van de Hoge Raad van Adel van 17 januari 2002; Hebben goedgevonden en verstaan: Met ingang van het tijdstip van de voltrekking van haar huwelijk met Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Willem-Alexander Claus George Ferdinand, Prins van Oranje, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje- Nassau, Jonkheer van Amsberg, wordt aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Máxima der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, mevrouw van Amsberg - 1. het volgende wapen verleend: Gevierendeeld: I en IV in azuur, bezaaid met blokjes van goud, een leeuw van goud, gekroond met een kroon van drie bladeren en twee parelpunten van hetzelfde, getongd en genageld van keel, in de rechtervoorklauw opgeheven houdende in schuinlinkse stand een zwaard van zilver met gevest van goud en in de linker- een bundel van zeven pijlen van zilver met punten van goud, de pijlen tezamen gebonden met een lint mede van goud; II en III in goud een jachthoorn van azuur, gesnoerd en geopend van keel, beslagen van zilver; In een hartschild van goud, komende uit een golvende schildvoet van azuur, een gekanteelde burcht, waarop drie gekanteelde torens, de middelste hoger dan de andere, het geheel van keel, en vergezeld van twee toegewende wolven van sabel, elk gaande over een uitgerukte cipres van natuurlijke kleur. Aan dit wapen kunnen de navolgende uitwendige versierselen worden toegevoegd: de Koninklijke kroon. schildhouders: twee leeuwen van goud, getongd en genageld van keel. Dit wapen voorzien van zijn uitwendige versierselen kan worden geplaatst op een mantel van purper, geboord van goud, gevoerd met hermelijn, opgebonden met koorden, eindigende in kwasten, beide van g"},{"i":714,"b":"Wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat in pensioenregelingen het recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen nader wordt geregeld, dat de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij pensioenregelingen wordt uitgebreid en dat in pensioenregelingen, met uitzondering van het nabestaandenpensioen, geen onderscheid wordt gemaakt naar burgerlijke staat; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet. Artikel II Wijzigt de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Wijzigt de Algemene wet gelijke behandeling. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting. Artikel V Wijzigt de Wet privatisering ABP. Artikel VI Wijzigt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Artikel VII Wijzigt de Wijzigingswet Pensioen- en spaarfondsenwet, enz. (wettelijk recht op waarde-overdracht en enige andere maatregelen op het aanvullende pensioenterrein. Artikel VIII 1. Onze Minister zendt binnen zes jaar na inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012090&artikel=I&z=2004-01-01&g=2004-01-01), van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 2. In afwijking van het eerste lid vindt de evaluatie van de uitzonderingen, genoemd in [artikel X, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012090&artikel=X&z=2004-01-01&g=2004-01-01), plaats zes jaar na de in [artikel X, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":1159,"b":"Regeling inzake vermindering van Koreaanse belasting op dividenden, interest en royalty's uit Koreaanse bron, genoten door inwoners van Nederland Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland. Aan de op 25 oktober 1978 tussen Nederland en Korea gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (\"Trb. 1979, nr. 13), en het Protocol bij die Overeenkomst, kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst en onderdelen van het Protocol: - a. Vermindering tot 15% van de Koreaanse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Korea is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b); - b. Vermindering tot 10% van de Koreaanse belasting op dividenden, indien de genieter van de dividenden een Nederlands lichaam is waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen in verdeeld en dat onmiddellijk ten minste 25% bezit van het kapitaal van het Koreaanse lichaam dat de dividenden betaalt, en voorts het Nederlandse lichaam in Nederland ter zake van deze dividenden geen Nederlandse vennootsschapsbelasting verschuldigd is (artikel 10, tweede lid, onderdeel a) en onderdeel II van het Protocol). - c. Vermindering tot 15% van de Koreaanse belasting op niet onder artikel 11, derde lid, van de Overeenkomst vallende interest, afkomstig uit Korea (artikel 11, tweede lid, ltter b)). Wordt deze interest echter betaald ter zake van een lening welke is verstrekt voor een tijdsduur van meer dan 7 jaar, dan wordt de Koreaanse belasting op die interest verminderd tot 10% (artikel 11, tweede lid, onder a)). - d. Vermindering tot 15% van de Koreaanse belasting op culturele royalty's (vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het rec"},{"i":1115,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, vaststelling marktrente De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit vervangt het besluit van 7 maart 2017, nr. nr. 2017-22042. Goedgekeurd wordt dat bij de waardering van langlopende renteloze verplichtingen wordt aangesloten bij de marktrente zoals vastgelegd in artikel 12.3a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Jaarlijkse publicatie in een beleidsbesluit is daardoor niet langer nodig.** 1. Inleiding Dit zogenoemde marktrentebesluit beoogt een praktisch handvat te geven voor het bepalen van de te hanteren rekenrente bij het berekenen van de contante waarde van renteloze verplichtingen. Met renteloze verplichtingen worden bedoeld verplichtingen waarin tariefafspraken geen rol spelen, bijvoorbeeld omdat in het verleden geen koopsom of premies zijn ontvangen. 2. Marktrente voor langlopende renteloze verplichtingen Volgens de jurisprudentie moeten langlopende renteloze verplichtingen worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen ten tijde van het aangaan van de verplichtingen, met dien verstande dat bij een daling van de rentestand de verplichtingen dienovereenkomstig hoger mogen worden gewaardeerd en bij een nadien optredende stijging van de rentestand de verplichtingen dienovereenkomstig lager moeten worden gewaardeerd doch niet lager dan zij oorspronkelijk zijn gewaardeerd1Zie o.a. Hoge Raad, 28 juni 2000, nr. 34169, LJN AA6313. Gelet op de vele in de praktijk voorkomende voorwaarden waaronder leningen worden aangegaan en de vele uiteenlopende looptijden, bestaat “de” marktrente voor (al of niet langlopende) leningen niet. Om voor deze onduidelijkheid een praktische oplossing te bieden, publiceerde ik jaarlijks een beleidsbesluit met kort gezegd marktrentestanden. Echter, sinds 1 april 2017 vermeldt [artikel 12.3a van de URLB 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028236&artikel=12.3a) een op vergelijkbare wijze jaarlijks vastgestelde marktrente"},{"i":796,"b":"Wet van 20 december 2023 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan BES eilanden 2024) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2024 en volgende jaren in een aantal belastingwetten en enige andere wetten die betrekking hebben op de BES eilanden wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel II Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting BES. Artikel IV Wijzigt de Wet loonbelasting BES. Artikel V Wijzigt de Douane- en Accijnswet BES. Artikel Va [Artikel 25 van de Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=25) vindt met betrekking tot [artikel 24, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=24) geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2024. Artikel VI 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat: - a. [artikel I, onderdeel Y, subonderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049119&artikel=I&z=2024-12-31&g=2024-12-31), terugwerkt tot en met 1 juli 2012; - b. [artikel III, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049119&artikel=III&z=2024-12-31&g=2024-12-31), terugwerkt tot en met 1 januari 2023; - c. [artikel IV, onderdeel D, en artikel V, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049119&artikel=IV&z=2024-12-31&g=2024-12-31), terugwerken tot en met 1 januari 2011; 2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel I, onderdeel P](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049119&artikel=I&z=2024-12-31&g=2024-12-31), in werking met ingang van 31 december 2023 en vindt dat"},{"i":1024,"b":"Directe belastingen, Internationale inlichtingenuitwisseling; Duitsland **De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst maakt het volgende bekend.** De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. **Dit besluit bevat een bekendmaking van de in oktober 2021 door het Federale Ministerie van Financiën van de Bondsrepubliek Duitsland en het Ministerie van Financiën van Nederland ondertekende Gemeenschappelijke Intentieverklaring inzake de directe, grensoverschrijdende inlichtingenuitwisseling op het gebied van de directe belastingen. Sinds 2009 bestaat een vergelijkbare gemeenschappelijke intentieverklaring op het terrein van de BTW-inlichtingenuitwisseling. Door de nieuwe intentieverklaring wordt het mogelijk dat ook voor de directe belastingen door gemandateerde medewerkers (contactpersonen) van daartoe aangewezen kantoren van de Nederlandse Belastingdienst in het grensgebied met Duitsland direct inlichtingen kunnen uitwisselen met gemandateerde medewerkers (contactpersonen) van kantoren van de belastingdiensten van de Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen in het grensgebied met Nederland. Het kan daarbij gaan om inlichtingenuitwisseling op verzoek en om spontane inlichtingenverstrekking. Ook kunnen gemandateerde medewerkers over en weer aanwezig zijn in de belastingkantoren die vallen onder de werking van de intentieverklaring. Deze belastingkantoren – zowel van Nederland als Duitsland – worden vermeld in de intentieverklaring.** **De Gemeenschappelijke Intentieverklaring is op 15 oktober 2021 in werking getreden.** **Gemeenschappelijke Intentieverklaring** van het Federale Ministerie van Financiën van de Bondsrepubliek Duitsland en het Ministerie van Financiën van Nederland inzake de directe, grensoverschrijdende inlichtingenuitwisseling op het gebied van de directe belastingen De Duitse Federale Minister van Financiën en de Nederlandse Minister van Financiën, in hun hoedanigheid van bevoegde autoriteiten als bedoel"},{"i":1062,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 6 november 2003, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de sector zaaizaden van voedergewassen in Nederland voor het jaar 2004 (Heffingsverordening GZP fonds zaaizaad van voedergewassen jaar 2004) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126, eerste en vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 5](onbekend), [6](onbekend) en [7 van de Instellingsverordening akkerbouwproductschappen 1997](onbekend) dan wel het [Instellingsbesluit akkerbouwproductschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234) zodra dit in werking is getreden; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | a. | productschap | : | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | --- | --- | | b. | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | c. | ondernemer | : | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | d. | voedergewassen | : | voederbieten, mergkool, stoppelknollen, grassen, bladkool, maïs (excl. suikermaïs), klaver, luzerne, bladrammenas (Raphanus sativus var. oleiferus), duizendkoppige kool (Brassica oleracea var. laciniata), lupine (Lupinus spec.) serradella (Ornithopus sativus), spurrie (Spergula arvensis var. sativa), voederwikke (Vicia sativa), voederwortel (Daucus carota), gele mosterd (Sinapis alba), phacelia (PhaceIia tanacetifolia) en zandwikke (Vicia villosa); | | e. | omzet | : | de financiële jaaromzet behaald over zaaizaad van de producten, genoemd onder d, exclusief de rechten verkregen uit licenties uit het buitenland. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer, die in het jaar 2004 werkzaamheden verricht in het kweekbedrijf voor zaaizaad van voedergewassenen/of met betrekking tot de be- en verwerking en/of met betrekking tot het in de handel brengen"},{"i":1372,"b":"Tariefbeschikking verloskunde De Nederlandse Zorgautoriteit heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg) **op basis van de beleidsregel:** Verloskunde (BR/CU-7077) **en gelet op:** [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50 lid 1, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) jo. [artikel 51 tot met 53 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=51) **besloten:** dat rechtsgeldig **door:** zorgaanbieders die geneeskundige zorg leveren zoals verloskundigen die bieden en zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 1 onder c sub 2 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) (factormaatschappijen) **aan:** alle ziektekostenverzekeraars en alle (niet-)verzekerden **de prestatiebeschrijvingen en bijbehorende maximumtarieven (in euro’s):** zoals omschreven in de bij de tariefbeschikking TB/CU-7058-02 gevoegde [tarievenlijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032801&bijlage=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01), in rekening kunnen worden gebracht, mits voldaan is aan de bij de betreffende prestatie beschreven voorwaarden. Deze vastgestelde maximumtarieven zijn inclusief BTW-kosten, maar exclusief de BTW-heffing en afdracht door een zorgaanbieder. Bij contante betaling mag het eindbedrag worden afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 eurocent. Met de inwerkingtreding van deze tariefbeschikking wordt de geldigheidsduur van de eerder afgegeven tariefbeschikking TB/CU-7026-02 van 12 september 2012 beperkt tot en met 31 december 2012. De eerder afgegeven tariefbeschikking TB/CU-7058-01 wordt hiermee ingetrokken. Bijlage 1. bij Tariefbeschikking tarievenlijst verloskunde **TB/CU-7058-02 van 9 januari 2013** **De maximumtarieven die door zorgaanbieders die geneeskundige zorg leveren zoal"},{"i":1423,"b":"Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 Gelet op de [artikelen 2, derde lid, onderdeel b, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2), [3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=3), [53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=56) en [84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=84), de [artikelen 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007632&artikel=4), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007632&artikel=15), en [18 van de Douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007632&artikel=18) en de [artikelen 2, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=2), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=5), en [63a van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=63a); Besluit: Artikel 1 Deze regeling berust op de [artikelen 2, derde lid, onderdeel b, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2), [3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=3), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=39), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=56) en [84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=84), de [artikelen 2, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=2), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=5), en [63a van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=63a), [artikel 34a, tweede lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=34a), [artikel 1, onderdelen h en i, van het Besl"},{"i":1528,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oezbekistan tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het voorkomen van het ontgaan en ontwijken van belasting De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Oezbekistan, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oezbekistan tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het voorkomen van het ontgaan en ontwijken van belasting zonder mogelijkheden te scheppen voor niet-heffing of verminderde heffing van belasting door het ontgaan of ontwijken van belasting (onder andere door „**treaty shopping**” met het oog op het indirect ten voordele van inwoners van derde staten verkrijgen van de in dit Verdrag voorziene fiscale voordelen), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige of regionale administratieve onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag"},{"i":4732,"b":"Integriteit sector Rijk; systematisch ontwikkelen van preventief beleid Circulaire aan de ministers I. Samenvatting In deze circulaire wordt de bewindslieden verzocht medewerking te verlenen aan het ontwikkelen van preventief beleid ter voorkoming van aantasting van de integriteit. Door middel van een zevental onderscheiden stappen wordt een handreiking geboden voor een te volgen systematiek. Bij de circulaire behoren twee basisnotities waarin de bij elk der onderscheiden stappen aangegeven maatregelen en instrumenten nader worden uitgewerkt. De invalshoek is die van organisatorische en personele maatregelen enerzijds en de rechtspositionele instrumenten anderzijds. De stukken zijn besproken in daartoe geëigende interdepartementale gremia. II. Inleiding Het besteden van ruime aandacht aan het onderwerp integriteit in de openbare sector acht ik zeer waardevol. Integriteit is één van de wezenlijke voorwaarden voor een goed functionerend openbaar bestuur. Bij het ontwikkelen van het beleid met betrekking tot de integriteit van de openbare sector is mijn uitgangspunt, dat het handelen van de overheid gekenmerkt moet worden door onkreukbaarheid, betrouwbaarheid en zorgvuldigheid. Van zeer groot belang hierbij is de mate waarin de overheid erin slaagt de democratische en rechtsstatelijke waarden te handhaven. Aantasting van de integriteit van de openbare sector zie ik als een ernstig verschijnsel. Een dergelijke aantasting kan de acceptatie van regelgeving verminderen en daarmee de democratische rechtsorde in gevaar brengen. Daarom is het voeren van een op preventie gericht beleid van groot belang. Deze circulaire heeft als doel te bereiken dat binnen de sector Rijk zo'n beleid wordt ontwikkeld. Een preventief beleid waarmee de gedragsvormen die de legitimiteit van de openbare dienst bedreigen zoveel als mogelijk is kunnen worden voorkomen. Tot deze gedragsvormen moet worden gerekend: fraude, omkoping en het uitoefenen van onoirbare nevenwerkzaamheden. Zo'n beleid dient t"},{"i":5962,"b":"Besluit van 27 oktober 2025, houdende regels ter uitvoering van EU-verordeningen grenzen en veiligheid en tot wijziging van het Besluit politiegegevens en het Vreemdelingenbesluit 2000 (Uitvoeringsbesluit EU-verordeningen grenzen en veiligheid) [KetenID WGK014803] Op de voordracht van Onze Minister van Asiel en Migratie van 12 juli 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5607731, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Defensie; Gelet op de EES-verordening, Etias-verordening, de SIS-verordening grenscontroles, de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, de SIS-verordening terugkeer, de Verordening interoperabiliteit grenzen en visa, de Verordening interoperabiliteit politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie en de wijziging van de VIS-verordening met het oog op de herziening van het Visuminformatiesysteem, [artikel 2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048050&artikel=2) en [artikel 5 van de Uitvoeringswet EU-verordeningen grenzen en veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048050&artikel=5), [artikel 2dd van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2dd) en [artikel 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18) en [artikel 23, tweede lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=23); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 september 2024, W03.24.00177/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Asiel en Migratie, van 10 oktober 2025), directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6732603, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **Schengeninformatiesysteem:** het Schengeninformatiesysteem, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de SIS-verordening grenscontroles en artikel 4,"},{"i":3889,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 april 2025, nr. OWB/52002844, houdende ophoging van het subsidieplafond van de Subsidieregeling matching Horizon Europe Gelet op [artikel 5, tweede lid, van de Subsidieregeling matching Horizon Europe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048107&artikel=5); Besluit: artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Subsidieregeling matching Horizon Europe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048107&artikel=5) wordt voor het kalenderjaar 2025 eenmalig opgehoogd met € 2.181.551,40. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3201,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2025 nr. BOACAT2025/187, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Amsterdam THOR Gelezen het verzoek van gemeente Amsterdam THOR van 10 oktober 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051690&artikel=2&z=2025-12-11&g=2025-12-11). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving, medewerker handhaving senior, aanvoerder handhaving, teamleider handhaving en manager handhaving in dienst van gemeente Amsterdam THOR zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van"},{"i":3031,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 september 2022, nummer Min-BuZa.2022.12383-30 tot aanwijzing van posten bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor reisdocumenten en identiteitskaarten Gelet op [artikel 26, eerste lid, onderdeel d, derde lid en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=26), alsmede [artikel 42, eerste lid, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=42); Gelet op [titel 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), Besluit: Artikel 1 1. De hoofden van de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047315&bijlage=A&z=2026-03-01&g=2026-03-01) genoemde consulaire posten zijn bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor, alsmede het uitreiken van: - a. nationale paspoorten; - b. Nederlandse identiteitskaarten; - c. reisdocumenten voor vluchtelingen; - d. reisdocumenten voor vreemdelingen; - e. faciliteitenpaspoorten; en - f. tweede paspoorten. 2. De hoofden van alle consulaire posten zijn bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor, alsmede het uitreiken van laissez-passers en noodpaspoorten. 2a. De hoofden van consulaire posten, niet zijnde de posten genoemd in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047315&bijlage=A&z=2026-03-01&g=2026-03-01) of [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047315&bijlage=B&z=2026-03-01&g=2026-03-01), zijn bevoegd tot het uitreiken van paspoorten, Nederlandse identiteitskaarten, en tweede paspoorten, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, b en f, indien veilige verzending niet mogelijk is. 3. De hoofden van consulaire posten in het Schengengebied zijn indien de post is uitgerust met aanvraagapparatuur voor reisdocumenten, bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor, alsmede het uitreiken van vervangende Nederlandse identiteitskaarten. Vorenbedoelde posten zijn genoemd in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":7346,"b":"Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) en de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) te wijzigen teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III Wijzigt de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen. Artikel IV 1. Op een gemeenschap van goederen, ontstaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft [artikel 94 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=94) van toepassing, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. 2. Op een gemeenschap van goederen, ontstaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, zijn de [artikelen 95a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=95a) en [96, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=96), niet van toepassing. 3. [Artikel 61 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=61) is slechts van toepassing op een faillissement dat is uitgesproken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Op een faillissement dat is uitgesproken vóór dat tijdstip, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bev"},{"i":6420,"b":"Besluit van 10 maart 2023 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft in verband met de introductie van de vergelijkingskaart financiëledienstverleners Artikel I Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel II In afwijking van [artikel 86f van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=86f) is het een financiëledienstverlener toegestaan om gedurende een termijn van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop dit besluit in werking treedt, ten aanzien van het verlenen van een financiële dienst inzake een financieel product als bedoeld in [artikel 86c, eerste lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=86c) een dienstverleningsdocument te verstrekken in overeenstemming met artikel 86f van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2023 met uitzondering van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047999&artikel=I&z=2023-04-01&g=2023-04-01), dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 20 december 2022, 2022-0000308797, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 4:25b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:25b), en [4:3, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 februari 2023, nr. W06.22.00211/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën"},{"i":6110,"b":"Vrijstelling voortdurend toezicht op stilliggende binnentankschepen in de havens van Rotterdam 2021 **gelet op:** artikel 1 van de Aanwijzing bevoegde autoriteit Binnenvaartpolitiereglement Rotterdam 2010; [artikel 7.08, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=7.08); **overwegende dat:** het op grond van het [Binnenvaartpolitiereglement](onbekend) verplicht is om bij schepen met bepaalde stoffen voortdurend een ter zake kundige wachtsman aan boord te hebben; de bevoegde autoriteit van de verplichting vrijstelling kan verlenen voor stilliggende schepen in de haven; vrijstelling door de bevoegde autoriteit wordt verleend voor bepaalde binnentankschepen vanwege hun soort lading en de wijze van afmeren; deze vrijstelling vanwege de veiligheid niet geldt op de locaties waar het Verkeersbesluit gebieden ‘gemengd afmeren’ van toepassing is; **besluit vast te stellen:** **Vrijstelling voortdurend toezicht op stilliggende binnentankschepen in de havens van Rotterdam** Artikel 1 Het is met een stilliggend schip niet zijnde een zeeschip, dat is geladen met de stoffen bedoeld in het ADN voorschrift 7.2.5.0.1 of dat na het vervoer van dergelijke stoffen nog niet is ontdaan van gassen die gevaar op kunnen leveren, toegestaan om geen ter zake kundige wachtsman aan boord te hebben als bedoeld in artikel 7.08, eerste lid, van het [Binnenvaartpolitiereglement](onbekend), wanneer dit schip: - a. een maximaal laadvermogen tot 700 ton heeft; - b. een lading heeft dat bestaat uit brandstofolie, smeerolie of afvalstoffen waarvan het vlampunt niet lager is dan 55°C of waarvan de tanks leeg van deze stoffen zijn; - c. waarvan de lading niet wordt gelost of geladen, en; - d. waarvan de tanks niet worden schoongemaakt. Artikel 2 Aan deze vrijstelling zijn de volgende voorschriften verbonden: - a. de contactgegevens, alsmede veranderingen hierin, van de exploitant of de schipper en van de ter zake kundige wachtsman, worden aan he"},{"i":8458,"b":"Culturele Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek, de wens koesterende de onderlinge samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur te bevorderen, en de overtuiging koesterende dat deze samenwerking zal bijdragen tot een beter begrip tussen de beide volkeren, hebben besloten een culturele overeenkomst te sluiten, en zijn als volgt overeengekomen: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur, met inbegrip van de schone kunsten, het maatschappelijk werk, de massamedia, de sportbeoefening en het vreemdelingenverkeer. Artikel II De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de uitwisseling van bezoeken en andere contacten tussen vooraanstaande persoonlijkheden uit het culturele leven, zoals schrijvers, componisten, architecten, beeldende kunstenaars, kunstcritici, journalisten, deskundigen op het gebied van musea, kunstgalerijen en bibliotheken, alsmede deskundigen op het gebied van het maatschappelijk werk, de massamedia, culturele en opvoedkundige arbeid, de jeugdvorming en de sportbeoefening. Artikel III De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen - (a). de organisatie van tentoonstellingen op het gebied der kunst en van andere tentoonstellingen met een cultureel en voorlichtend karakter; - (b). de organisatie van concerten, toneelvoorstellingen en uitvoeringen van kunstenaars, alsmede de introductie van toneelstukken uit het andere land. Artikel IV De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de vertaling en publikatie van literaire en wetenschappelijke werken uit het andere land. Zij bevorderen de uitwisseling van boeken, tijdschriften en andere geschriften van culturele, wetenschappelijke en technologische aard, alsmede van grammofoonplaten en soortgelijke middelen tussen b"},{"i":4135,"b":"Besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 5 september 2018, nr. MinBuZa-2018.986886, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidiebeleidskader NFRP Politieke Partijen Programma 2019) Gelet op [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [artikel 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 2.2, sub a en sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.2), en [artikel 2.3, sub a en sub c, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.3); Besluit: Artikel 1 1. Voor subsidieverlening op grond van [artikel 2.2, sub a en sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.2), en [artikel 2.3, sub a en sub c, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.3) in het kader van het Nederlands Fonds voor Regionale Partnerschappen Politieke Partijen Programma 2019 met het oog op de financiering van activiteiten ter bevordering van de capaciteitsversterking van politieke partijen, bewegingen of organisaties waarmee Nederlandse politieke partijen ideologische en democratische waarden delen gelden voor het tijdvak vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2019 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. 2. Voor subsidieverlening in het kader van het Nederlands Fonds voor Regionale Partnerschappen Politieke Partijen Programma 2019 geldt voor de periode vanaf 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 een subsidieplafond van € 2.191.582. 3. Van het in het tweede lid genoemde subsidieplafond is € 553.934,67 beschikbaar voor subsidieverstrekking in het kader van NFRP Matra en € 1.637.647,33 voor subsidieverstrekking in het kader van NRFP Shiraka. Artikel"},{"i":7327,"b":"Besluit van 22 september 1997, houdende wijziging van het Inkomstenbesluit militairen en het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 14 juli 1997, nr. P/97004402; Gelet op [artikel 125 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [artikel 12 van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 27 augustus 1997, nr. W07.97.0441); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 15 september 1997, nr. P/97005853; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. ARTIKEL II Wijzigt het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. ARTIKEL III 1. De functies die zijn ingedeeld in Hoofdgroep IV, niveaugroep IV**a**, schaal 6, respectievelijk niveaugroep IV**b**, schaal 7, van de bijlage B van het [Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006038), zoals die bijlage luidde op de dag vóór die van inwerkingtreding van dit besluit, worden ingedeeld in Hoofdgroep III, niveaugroep III**b**, schaal 6, respectievelijk niveaugroep III**c**, schaal 7, van de ingevolge [artikel II, onder A, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008925&artikel=II&z=1997-10-22&g=1997-10-22), bij dit besluit behorende bijlage B. 2. De functies die zijn ingedeeld in Hoofdgroep IV, niveaugroep IV**c**, schaal 8 tot en met niveaugroep IV**g**, schaal 12, van de bijlage B van het [Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006038), zoals die bijlage luidde op de dag vóór die van inwerkingtreding van dit besluit, worden ingedeeld in onderscheidenlijk Hoofdgroep IV, niveaugroep IV**a**, schaal 8 tot en met niveaugroep IV**e**, schaal 12, van de ingevolge [artikel II, onder A, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008925&artikel=II&"},{"i":3859,"b":"Besluit van de Directeur van de Directie Informatiebeleid van 13 juni 2017, kenmerk DI CIO 163388, houdende de regeling van ondermandaat voor de Directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel Gelet op [artikel 16, eerste lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan de Directeur van de Directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel wordt ondermandaat verleend met betrekking tot stukken ter zake van onderwerpen die tot het werkterrein van de Directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel behoren. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3896,"b":"Besluit van 13 oktober 1997, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de fysiotherapeut (Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied fysiotherapeut) Op de voordracht Van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 mei 1997, CSZ/BO-976967; Gelet op de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=28) en [29, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=29); Gezien het advies van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (advies van 20 september 1996); De Raad van State gehoord (advies van 26 augustus 1997, No. W13.97.0289); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 oktober 1997, CSZ/BO-9714269; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. Registratie instellingen en opleidingen: het register, bedoeld in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13). § 2. Opleiding Artikel 2 Om in het in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) bedoelde register van fysiotherapeuten te kunnen worden ingeschreven, is vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van een opleiding voor fysiotherapie die is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen en die voldoet aan de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008962&paragraaf=2&artikel=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008962&paragraaf=2&artikel=4&z=2023-01-01&g=2023-01-01) van dit besluit. Artikel 3 1. Een opleiding tot fysiotherapeut als bedoeld in [artikel 2](https://we"},{"i":6080,"b":"Besluit van 12 september 2023, houdende wijzigingen van ondergeschikte betekenis in de algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het wettelijke stelsel van de Omgevingswet (Verzamelbesluit Omgevingswet 2023) Op de voordracht van Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 6 juni 2023, nr. 2023-0000283471; Gelet op de [artikelen 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.14), [2.15, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.15), [2.19, vijfde lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.19), [2.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [2.26, eerste lid en derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.26), [2.28, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.28), [2.29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.29a), [3.10, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=3.10), [4.3, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [4.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.4), [5.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), [5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.2), [5.7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.7), [5.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.11), [5.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.12), [5.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.18), [5.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.19), [5.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.24), [5.26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.26), [5.29](https://wetten.overheid.n"},{"i":4723,"b":"Besluit van de Inspecteur-generaal van de Inspectie Justitie en Veiligheid van 2 juni 2020 en nummer 2889153, houdende de instelling van de Raad van Advies van de Inspectie JenV (Instellingsbesluit Raad van Advies Inspectie JenV) BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - **Inspectie JenV:** Inspectie Justitie en Veiligheid als bedoeld in [artikel 60 van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=60). - **Raad van Advies:** Raad van Advies, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045904&artikel=2&z=2021-11-27&g=2021-11-27). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Raad van Advies Inspectie JenV. 2. De Raad van Advies heeft tot taak de Inspectie JenV op onafhankelijke wijze gevraagd en ongevraagd te adviseren over de koers en strategie van de Inspectie JenV, en die onderwerpen die door de Inspecteur-generaal aan de Raad van Advies worden voorgelegd. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De Raad bestaat uit minimaal drie en maximaal zeven leden, inclusief de voorzitter. 2. De leden van de Raad van Advies worden op persoonlijke titel en op basis van hun deskundigheid voor een periode van vier jaar benoemd door de Inspecteur-generaal. De aanstelling kan eenmaal worden verlengd met een periode van vier jaar. 3. Bij de samenstelling van de Raad van Advies wordt ernaar gestreefd dat in de Raad van Advies expertise is vertegenwoordigd op alle toezichtgebieden van de Inspectie JenV. 4. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de Inspecteur-generaal een ander lid benoemen. 5. De voorzitter en leden van de Raad van Advies kunnen te allen tijde zelf ontslag nemen door middel van een schriftelijk bericht aan de Inspecteur-generaal. 6. De leden van de Raad van Advies kunnen door de Inspecteur-generaal worden geschorst en ontslagen. 7. De inspectie voorziet in het secretariaat van de Raad van Advies. Artikel 4. Werkwijze De Raad van Advies s"},{"i":4166,"b":"Besluit van 21 december 1995, tot vaststelling van de overhevelingstoeslag 1996 Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 november 1995, Directie Algemeen- en Sociaal-Economische Aangelegenheden, Nr. ASEA/HVI/95/0822; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006353&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 17 november 1995, no. W12.95.0595); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 1995, Directie Algemeen- en Sociaal-Economische Aangelegenheden, Nr. ASEA/HVI/95/1054; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De overhevelingstoeslag over het jaar 1996 is gelijk aan 10% van het loon van de werknemer, met een maximum van f 7735,-. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1996. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":4043,"b":"Besluit van 11 juni 2020, houdende regels ter uitvoering van de Tijdelijke wet Groningen (Besluit Tijdelijke wet Groningen) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 26 maart 2020, nr. WJZ / 20082968, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister voor Rechtsbescherming; Gelet op de [artikelen 4, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=4) en [9, tweede lid, van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=9) en [artikel 37h van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=37h); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 mei 2020, nr. W18.20.0080/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 8 juni 2020 , nr. WJZ / 2014492 Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanvraag om schadevergoeding:** aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=11); - **coördinator:** coördinator als bedoeld in artikel 10l; - **NPR:** door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven Nederlandse Praktijkrichtlijn; - **programma:** programma van aanpak als bedoeld in [artikel 13g, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=13g); - **rijksambtenaren:** degenen die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn; - **samenloop:** situatie waarin een gebouw in een programma is opgenomen en de eigenaar van dat gebouw een aanvraag om schadevergoeding heeft ingediend waarop nog niet is beslist; - **tegemoetkoming:** tegemoetkoming als bedoeld in [artikel 1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043726&paragraaf=1a&artikel=1b&z=2024-01-01&g=2024"},{"i":5874,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van nr. IENW/BSK-2024/250268, houdende vaststelling van de Tijdelijke subsidieregeling collectieven mkb verduurzaming reisgedrag Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel f, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), en [23, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Inhoudelijke bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Kaderbesluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381); - **kosten derden:** kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overgelegd; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **mkb-onderneming:** onderneming in de zin van artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **RVO:** Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; - **werkgebonden personenmobiliteit:** woon-werkverkeer en zakelijk verkeer van medewerkers van de aanvrager en van medewerkers van de bij de aanvrager aangesloten werkgevers, met uitzondering van reizen uitgevoerd door medewerkers van ondernemingen gericht op vervoer van goederen, mensen of levende have; - **verduurzamen:** het bereiken van CO2-reductie in"},{"i":5875,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 december 2021, nr. IENW/BSK-2021/314060, houdende regels over subsidie ten behoeve van consumenteninspraak inzake de uitvoering van de concessies voor de Friese Waddenveren over de jaren 2022 tot en met 2026 (Tijdelijke subsidieregeling consumenteninspraak Friese Waddenveren 2022–2026) Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **concessies voor de Friese Waddenveren:** concessie Friese Waddenveren West en concessie Friese Waddenveren Oost; - **consumenteninspraak:** het door de consumentenorganisatie voeren van overleg met en uitbrengen van advies aan de concessiehouders over het jaarlijks op te stellen vervoerplan en andere veerdienst gerelateerde zaken; - **consumentenorganisatie:** consumentenorganisatie, bedoeld in [artikel 31 van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=31); - **minister:** de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 2. Doel van de subsidie Deze regeling heeft tot doel het bieden van financiële ondersteuning aan consumentenorganisaties ten behoeve van het faciliteren en bevorderen van consumenteninspraak ten aanzien van de concessies voor de Friese Waddenveren. Artikel 3. Subsidieplafond en wijze van verdelen 1. Het subsidieplafond bedraagt € 12.000,– per kalenderjaar. 2. Bij wijziging van het beschikbare bedrag doet de minister daarvan meded"},{"i":5709,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 18 december 2022, nr. WJZ/ 22555196, tot het verstrekken van subsidies ter uitvoering van beleid gericht op de bevordering van de innovatie- en concurrentiekracht van Nederlandse regio’s (Subsidieregeling exploitatiesubsidie ROM’s) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (begripsomschrijvingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - **exploitatiesubsidie:** geldmiddelen die de minister beschikbaar stelt als bijdrage voor de exploitatiekosten die rechtstreeks voortvloeien uit de ontwikkeltaken van de regionale ontwikkelingsmaatschappij; - **minister:** - a. Minister van Economische Zaken; of - b. Minister van Klimaat en Groene Groei, in overleg met de Minister van Economische Zaken, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei; - **ontwikkeltaken:** de taken innoveren, bestaande uit projectontwikkeling en activiteiten die het innovatie-ecosysteem versterken, en internationaliseren, bestaande uit het aantrekken van buitenlandse bedrijven en de ondersteuning in het internationaal ondernemen van bedrijven; - **regionale ontwikkelingsmaatschappij:** een door de minister als zodanig aangewezen regionale ontwikkelingsmaatschappij met publieke aandeelhouders, waaronder de Staat der Nederlanden, zonder winstoogmerk, gericht op het bevorderen van de innovatie- en concurrentiekracht van Nederlandse regio’s. Artikel 2. (boekjaarsubsidie) [Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.8) is van toepassing. § 2. Exploitatiesubsidie Artikel 3. (verstrekking subsidie) De minister verstrekt jaarlijks op aanvraag exploitatiesubsidie aan een regionale ontwikkelingsmaatschappij, voor niet-economische activiteiten die betrekking hebben op de in ["},{"i":5682,"b":"Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 12 december 2022, nr. WJZ/ 22493242, houdende regels inzake een subsidie voor leveranciers ter bekostiging van een plafond voor energietarieven voor kleinverbruikers in 2023 (Subsidieregeling bekostiging plafond energietarieven kleinverbruikers 2023) Gelet op [Verordening (EU) 2022/1854](33754R2022) van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen (PbEU 2022 LI 261/1) Handelende in overeenstemming met de mededeling van de Europese Commissie van 9 oktober 2022 betreffende het Tijdelijk crisiskader voor staatssteunmaatregelen ter ondersteuning van de economie na de Russische agressie tegen Oekraïne (PbEU 2022, C 426/01); Gelet op de [artikelen 2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2), en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. (begripsbepalingen) 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **accountant:** accountant of accountant-administratieconsulent als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393); - **btw:** omzetbelasting als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=1); - **centraal aansluitingenregister:** centraal aansluitingenregister, genoemd in [artikel 2.1.2 van de Informatiecode elektriciteit en gas](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037934&artikel=2.1.2); - **contractueel leveringstarief:** leveringstarief voor elektriciteit, gas of warmte dat volgt uit een leveringsovereenkomst; - **eindfactuur:** factuur als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036646&artikel=2); - **energiebelasting:** energiebelasting als bedoeld in [artikel 48, eer"},{"i":1799,"b":"Wet van 29 november 1995, tot goedkeuring van het op 9 februari 1994 te Brussel tot stand gekomen verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens alsmede invoering van een belasting met betrekking tot zware motorrijtuigen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 9 februari 1994 te Brussel tot stand gekomen verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; alsmede dat het wenselijk is, gelet op dit verdrag en gelet op de [richtlijn nr. 93/89/EEG](31993L0089) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 (**PbEG** L 279) betreffende de toepassing door de Lid-Staten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten, een belasting te heffen met betrekking tot zware motorrijtuigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Goedkeuring verdrag Artikel 1 Het op 9 februari 1994 te Brussel tot stand gekomen verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, waarvan de Nederlandse en Franse tekst is geplaatst in **Tractatenblad** 1994, 69, wordt goedgekeurd voor Nederland. Hoofdstuk II. Inleidende bepalingen Afdeling 1. Belastbaar feit Artikel 2 Het gemeenschappelijke gebruiksrecht, bedoeld in het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde verdrag, wordt in Nederland onder de naam \""},{"i":6345,"b":"Wet van 24 januari 2002 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Provinciewet en de Gemeentewet in verband met de samenvoeging van de afdelingen 3.4 en 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht tot één uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [afdelingen 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.4) en [3.5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.5) samen te voegen tot één uniforme openbare voorbereidingsprocedure, waarbij de bezwaarschriftprocedure uit die wet buiten toepassing blijft, en in verband daarmee de inspraakbepalingen in de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) en de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Provinciewet. Artikel III Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IV 1. Het recht zoals het gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van: - a. besluiten die zijn aangevraagd vóór dat tijdstip; - b. ambtshalve te nemen besluiten waarvan het ontwerp ingevolge wettelijk voorschrift vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd; - c. overige ambtshalve te nemen besluiten die binnen dertien weken na dat tijdstip zijn bekendgemaakt; - d. besluiten omtrent goedkeuring van een besluit als bedoeld onder a, b of c; - e. besluiten op grond van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën en de Reconstructiewet Midden-Delfland. 2. [Afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=7.1) vindt geen t"},{"i":2704,"b":"Beschikking Overdracht en Aflossing Grootboek 1946 Gelet op [artikel 3, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002046&artikel=3&z=1950-11-01&g=1950-11-01), van het Koninklijk besluit van 14 November 1945 (Staatsblad no. F 268); Gelet op de [artikelen 2, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002046&artikel=2&z=1950-11-01&g=1950-11-01), [4, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002046&artikel=4&z=1950-11-01&g=1950-11-01), en 8a van het Koninklijk besluit van 8 januari 1946 (Staatsblad no. G 9), zoals dit is gewijzigd en aangevuld bij het Koninklijk besluit van 9 februari 1949 (Staatsblad no. J 64); Heeft goedgevonden en verstaan te bepalen: Artikel 1 1. Degene, op wie een inschrijving of een deel van een inschrijving in het Grootboek 1946 in eigendom overgaat, kan daarbij op de wijze en binnen de termijn, te bepalen door de Directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld, hierna te noemen Directeur, verzoeken: - a. bijschrijving van het verkregen bedrag op een bestaande rekening in het Grootboek 1946; - b. opening van een nieuwe rekening, waarop het verkregen bedrag wordt bijgeschreven, mits na de bijschrijving, of na alle op één dag uit te voeren bijschrijvingen en omzettingen, als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002046&artikel=6&z=1950-11-01&g=1950-11-01), een bedrag van ten minste f 100 000 is ingeschreven; - c. overboeking van het verkregen bedrag ten gunste van een ontvanger der belastingen ter voldoening van zekerheidstellingen en aanslagen in de vermogensaanwasbelasting en de vermogensheffing ineens. 2. Een verzoek, ingediend op een tijdstip, waarop bijschrijving op de aangewezen rekening niet kan plaats vinden, of met een onjuist ingevuld formulier, kan als niet voor inwilliging vatbaar worden aangemerkt. 3. In bijzondere gevallen, ter beoordeling van de Directeur, is deze bevoegd een nieuwe rekening te openen, alhoewel het verzoek niet voldoet aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, sub **b*"},{"i":3987,"b":"Besluit van 24 oktober 2012 tot vaststelling van regels over de bijdragen van de Minister van Veiligheid en Justitie aan het Instituut Fysieke Veiligheid (Besluit rijksbijdragen IFV) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 20 februari 2012, nr. 5724295/12/6; Gelet op [artikel 74, vijfde lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=74); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 maart 2012, nr. W03.12.0052/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 18 oktober 2012, nr. 312898; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **Instituut:** het Instituut Fysieke Veiligheid; - c. **bestuur:** het bestuur van het Instituut Fysieke Veiligheid, bedoeld in [artikel 67 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=67). § 2. Verstrekking van bijdragen Artikel 2 1. Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december voor het daaropvolgende kalenderjaar de bijdrage aan het Instituut vast. 2. Onze Minister kan de jaarlijkse bijdrage bijstellen in verband met loon- en prijsmutaties. 3. Onze Minister kan de jaarlijkse bijdrage bijstellen in verband met andere dan in het tweede lid bedoelde wijzigingen. 4. Onze Minister stelt het bestuur van het Instituut zo spoedig mogelijk op de hoogte van een besluit tot bijstelling als bedoeld in het tweede en derde lid. 5. Verrekening van bijstellingen in de jaarlijkse bijdrage vindt uiterlijk plaats op 1 december van het jaar waarop de jaarlijkse bijdrage betrekking heeft. Artikel 3 Onze Minister kan voor incidentele bijdragen voor een bijzonder doel als bedoeld in [artikel 74, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=74) nadere regels vaststellen. Artikel 4 De betaling van de bijdrage"},{"i":7505,"b":"Beleidsregels openbaarmaking door de Autoriteit Persoonsgegevens Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=3) en [8 van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=8), In aanmerking nemende dat de Autoriteit Persoonsgegevens, gelet op het bepaalde in [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), inzicht wenst te geven in zijn openbaarmakingsbeleid met het oog op de hem in [artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=51) en [52 Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=52) opgedragen toezichthoudende en adviserende taken, Stelt de gewijzigde Beleidsregels openbaarmaking door de Autoriteit Persoonsgegevens vast en trekt de geldende [Beleidsregels actieve openbaarmaking door het CBP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034173) in: 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: 2. Algemene uitgangspunten 3. Bevindingen 4. Handhavingsbesluiten 5. Overige besluiten 6. Wetgevingsadviezen 7. Zienswijze van de Autoriteit Persoonsgegevens 8. Persberichten en mededelingen 9. Intrekking eerder besluit 10. Aanhaling 11. Inwerkingtreding"},{"i":7263,"b":"Wet van 3 april 1996, houdende hernieuwde vaststelling van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag ter aanpassing aan de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden (Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de totstandkoming van de [Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981) wenselijk is de regels met betrekking tot buitengewone bevoegdheden van burgerlijk gezag opnieuw vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, [de artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=5&z=2021-02-22&g=2021-02-22), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=6&z=2021-02-22&g=2021-02-22), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2021-02-22&g=2021-02-22), [8, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-02-22&g=2021-02-22), [9, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2021-02-22&g=2021-02-22), en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=10&z=2021-02-22&g=2021-02-22) gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld. 2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet"},{"i":7411,"b":"Wet van 25 juni 1998 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) regels te geven omtrent de sanering van schulden van natuurlijke personen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Faillissementswet. ARTIKEL II 1. In afwijking van het bepaalde in [artikel 15b, eerste lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=15b), zoals vastgesteld bij deze wet, kan een faillissement waarin vóór het in werking treden van deze wet de verificatievergadering is gehouden, worden opgeheven onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bedoeld in [titel III van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&titeldeel=III), zoals vastgesteld bij deze wet. 2. In afwijking van het bepaalde in [artikel 247a, eerste lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=247a), zoals vastgesteld bij deze wet, kan een surséance van betaling die vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet voorlopig of definitief is verleend, ook op een later tijdstip dan twee maanden na de dag waarop de surséance voorlopig is verleend, worden ingetrokken onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bedoeld in [titel III van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&titeldeel=III), zoals vastgesteld bij deze wet. ARTIKEL IIA Wijzigt de Wet Justitie-subsidies. ARTIKEL IIB Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. ARTIKEL III De inwerkingtreding van deze wet wordt nader bij de wet geregeld. Lasten en bevel"},{"i":7298,"b":"Wet van 30 augustus 2019 tot wijziging van de Algemene wet gelijke behandeling ter nadere invulling van het verbod om ongeoorloofd onderscheid te maken op grond van geslacht (Wet verduidelijking rechtspositie transgender personen en intersekse personen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter nadere invulling van het verbod om ongeoorloofd onderscheid te maken op grond van geslacht, de [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet gelijke behandeling. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet verduidelijking rechtspositie transgender personen en intersekse personen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":3872,"b":"Besluit van 19 januari 2015, houdende uitbreiding van de toepassing van de Wet ruimtevaartactiviteiten op het beheren van ongeleide satellieten (Besluit ongeleide satellieten) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 4 december 2014, nr. WJZ / 14191480; Gelet op [artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 december 2014, nr. W15.14.0451/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 13 januari 2015, nr. WJZ / 14210052, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De [Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418) is mede van toepassing op het vanuit Nederland door middel van een communicatieverbinding beheren van een ongeleid ruimtevoorwerp in de kosmische ruimte. Artikel 2 1. Het verbod, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=3), is tot drie maanden na inwerkingtreding van dit besluit niet van toepassing op activiteiten als bedoeld in artikel 1 die verricht worden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. 2. Het verbod, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=3), is tot negen maanden na inwerkingtreding van dit besluit niet van toepassing op activiteiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036190&artikel=1&z=2015-07-01&g=2015-07-01) indien voor deze activiteiten uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is aangevraagd. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ongeleide satellieten Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2015. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1882,"b":"Besluit van 30 november 2000 tot wijziging van het Besluit administratieve verplichtingen waterschapsbelastingen en van het Rijksreglement ontgrondingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 22 december 1999, nr. HKW/AKO/1999/12861, Hoofdkantoor van de Waterstaat, Stafdienst Bestuurlijk Juridische Zaken; Gelet op [artikel 126a, eerste lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=126a) en [artikel 6 van de Ontgrondingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002505&artikel=6); De Raad van State gehoord (advies van 25 februari 2000, nr. W09.99.0639); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 28 november 2000, nr. CDJZ/WVW/1319, Centrale directie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit administratieve verplichtingen waterschapsbelastingen. Artikel II Wijzigt het Rijksreglement ontgrondingen. Artikel III Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit wordt de uitoefening door of namens het dagelijks bestuur van het waterschap van de in het [Besluit administratieve verplichtingen waterschapsbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007686) opgenomen bevoegdheden, die voor dat tijdstip heeft plaatsgevonden: - a. in het kader van de heffing van waterschapsbelastingen, geacht te zijn verricht door de in [artikel 123, derde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=123), bedoelde ambtenaar van het waterschap. - b. in het kader van de beoordeling van een ingediende aanvraag tot het verlenen van kwijtschelding van belasting op de voet van [artikel 26 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26), geacht te zijn verricht door de in [artikel 123, derde lid, onderdeel c van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=123), bedoelde ambtenaar van het waterschap. Artikel I"},{"i":3550,"b":"Besluit van 2 november 2012, houdende regels met betrekking tot de handhaving van de Wet dieren en enige andere aangelegenheden met betrekking tot die wet (Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 12 juli 2012 , nr. 283318, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 7.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.8), [8.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.8) en [10.8 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.8) en [artikel 1:1, zesde lid, van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 september 2012, nr. W15.12.0296/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 31 oktober 2012, nr. WJZ / 12339223, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepaling In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **Raad:** Raad voor dierenaangelegenheden, bedoeld in [artikel 10.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.8); - –. **wet:** [Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250); - –. **verordening (EU) nr. 2017/625:** verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), (EU) [nr. 1151/2012](32012R1151), (EU) ["},{"i":4490,"b":"Circulaire gevolgen regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet 1. Inleiding In deze circulaire vragen wij uw aandacht voor het volgende. Bij besluit van 25 mei 2007 heeft het Kabinet ingestemd met een regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet (verder te noemen de regeling). Onderdeel van deze regeling is een procedure waarbij vreemdelingen die onder de werking ervan vallen en aan bepaalde voorwaarden voldoen, eenmalig in de gelegenheid worden gesteld om ten overstaan van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) binnen twee maanden hun juiste identiteit (naam, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland) en nationaliteit aan te tonen. Het doel van deze regeling is niet alleen ervoor te zorgen dat de betrokken vreemdeling met de juiste identiteits- en nationaliteitsgegevens in de Nederlandse overheidsadministraties wordt opgenomen, maar ook dat de in de verschillende administraties opgenomen gegevens – binnen de bestaande verantwoordelijkheden en bevoegdheden van degenen die deze administraties bijhouden – op elkaar worden afgestemd. In deze circulaire worden GBA-ambtenaren geïnformeerd over de werkwijze van de IND inzake het afgeven van een verklaring, waarin de bevindingen zijn neergelegd van het door de IND ingestelde onderzoek met betrekking tot de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die onder de werking van de regeling valt. Tevens is in deze circulaire een aanbeveling opgenomen aan GBA-ambtenaren over hoe om te gaan met deze verklaringen van de IND. De beschreven processen zijn daarmee voor GBA-ambtenaren binnen de bestaande wettelijke kaders een handreiking om op eenduidige wijze uitvoering te geven aan de gevolgen van het besluit van het kabinet om de daarin beschreven categorie vreemdelingen eenmalig de mogelijkheid te bieden de juiste gegevens omtrent hun identiteit en nationaliteit naar voren te brengen. De zaken die u ingevolge deze circulaire door de IND zullen worden aangeleverd, betreffen uitsluite"},{"i":4306,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 12 oktober 2020, nr. DGBI-DE/20217926, inzake de verlengbaarheid van de vergunning van Mobiele TV Nederland B.V. in band III (Besluit verlengbaarheid vergunning Mobiele TV Nederland B.V.) Gelet op [artikel 18, tweede, derde, vierde en tiende lid van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: Artikel 1 De vergunning met dossiernummer 6270636 voor het gebruik van frequentieruimte in band III (174-230 MHz) ten behoeve van digitale omroep is verlengbaar om redenen van algemeen maatschappelijk, cultureel of economisch belang als bedoeld in [artikel 18, tweede lid, aanhef onder a, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18). Artikel 2 De vergunning, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044229&artikel=1&z=2020-10-20&g=2020-10-20), is verlengbaar voor een vaste periode die aanvangt op 16 februari 2024 en loopt tot en met 31 augustus 2028. Artikel 3 De vergunning, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044229&artikel=1&z=2020-10-20&g=2020-10-20), wordt gewijzigd overeenkomstig de wijzigingen aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044229&bijlage=1&z=2020-10-20&g=2020-10-20). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verlengbaarheid vergunning Mobiele TV Nederland B.V. Bijlage 1. Wijzigingen te verlengen vergunning Mobiele TV Nederland B.V. De artikelen behorend bij de vergunning, bedoeld in artikel 3 van het besluit, worden als volgt gewijzigd: A. Artikel 5 komt te luiden: Artikel 5. Ingebruiknameverplichting - 1. Vanaf 1 september 2024 biedt de vergunninghouder de dienst, omschreven in artikel 2, aan met een geografische verzorging van 60% mobiele ontvangst en een demografische verzor"},{"i":3915,"b":"Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging Raad voor Accreditatie gelet op de [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), Het huishoudelijk reglement RvA-QA007 en de Statuten van de Stichting Raad voor Accreditatie RvA-QA002; Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **De statuten:** De Statuten van de Stichting Raad voor Accreditatie. - b. **Het bestuur:** Het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie als bedoeld in [artikel 2 lid 2 Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=2), te weten het bestuursorgaan dat de in de verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli (PbEU) L 218 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 339/93 en in voornoemde wet aan de nationale accreditatie-instantie opgedragen taken uitvoert. Daarnaast wordt in het kader van dit besluit onder bestuur verstaan: het orgaan als bedoeld in [artikel 2:291 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=291) en in artikel 4 en artikel 5 van de statuten, te weten het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie. Het bestuur bestaat uit één persoon. De Raad van Toezicht heeft, conform artikel 4 lid 11 van de statuten, aan het bestuur de titel: ‘Algemeen Directeur’ toegekend. - c. **De directie:** de dagelijkse leiding van de Raad voor Accreditatie bestaande uit de algemeen directeur en de operationeel directeur. - d. **Operationeel directeur:** de functionaris die is belast met de dagelijkse leiding van de primaire – en bedrijfsondersteunende processen van de Raad voor Accreditatie. - e. **Manager Strategisch & Technisch Management:** de functionaris die leiding geeft aan Strategisch & Technisch Management. - f. **Unitmanager"},{"i":2981,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 13 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/242707, houdende aanwijzing van projecten als bedoeld in artikel III, tweede lid, van de wet van 1 december 2011 tot wijziging van de Tracéwet met het oog op de versnelling en verbetering van besluitvorming over infrastructurele projecten Gelet op [artikel III, tweede lid, van de wet van 1 december 2011 tot wijziging van de Tracéwet met het oog op de versnelling en verbetering van besluitvorming over infrastructurele projecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030790&artikel=III) (Stb. 2011, 595); Besluit: artikel Enig 1. De navolgende categorie van projecten aan te wijzen: Projecten, waarvoor geen beslissing is genomen op grond van [artikel 2, tweede lid, van de Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030790&artikel=II), zoals dat artikel luidde voor 1 januari 2012, maar waarvoor voor die datum wel een ontwerp-tracébesluit is vastgesteld. 2. De navolgende projecten aan te wijzen: - a. hoofdwegen - •. A1 - zone (gebiedsgerichte verkenning (inclusief corridor Apeldoorn – Deventer – Azelo) - •. A1 Bunschoten – Hoevelaken (spitsstrook) - •. A7/A8 Purmerend – Zaandam – Coenplein (spitsstrook) - •. A10 Zuidas - •. A13/A16/A20 Rotterdam - •. A27 Houten – Hooipolder - •. A28/A1 knooppunt Hoevelaken - •. A58 Sint Annabosch – Galder - •. N35 Wierden – Nijverdal - •. N50 Ens – Emmeloord - •. RRAAM: Rijk – Regioprogramma Amsterdam – Almere – Markermeer - •. Integrale benadering Holland – Rijnland (Rijnlandroute) - •. Nieuwe Westelijke Oeververbinding (NWO) - •. Haaglanden (A4 Passage en Poorten & Inprikkers) - •. Ring Utrecht - b. landelijke spoorwegen Projecten ter uitwerking van de voorkeursbeslissing Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS). Het gaat om de trajecten: - •. Alkmaar – Amsterdam - •. Amsterdam – Utrecht – Eindhoven - •. Schiphol – Utrecht – Arnhem/Nijmegen - •. Den Haag – Rotterdam – Breda (uitgezonderd Rijswijk – Delft) - •. Breda – Eindhoven - •."},{"i":2676,"b":"Beschikking aanwijzing landen Kernenergiewet Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onder d en e, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=2), [3, tweede lid, onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=3), [5, eerste lid, onder a en b, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=5), [6, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=6), [14, onder b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=14), [16, onder b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=16), [19, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=19), en [22, eerste lid, onder b, van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=22) (Stb. 1969, 405), Besluiten: Artikel 1 Voor de toepassing van de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=3), jo. 3, eerste lid, onder h, onder 1°, [6, eerste lid, onder b, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=6), [14, eerste lid, onder c, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=14), en [16, eerste lid, onder c, onder 2°, van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=16) worden de volgende landen aangewezen: - a. voor alle wijzen van vervoer: België, Bondsrepubliek Duitsland, Bulgarije, Denemarken, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië, Irak, Joegoslavië, Liechtenstein, Luxemburg, Marokko, Noorwegen, Oost-Duitsland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Syrië, Spanje, Tjechoslowakije, Tunesië, Turkije, Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland; - b. voor vervoer over de Nederlandse territoriale zee of over niet-Nederlandse wateren, en voor het aansluitende vervoer in hetzelfde schip over Nederlandse binnenwateren, zomede voor vervoer in een"},{"i":2677,"b":"Beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 september 2017, nr. 2017-0000140896, tot het aanwijzen van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten als de instelling, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet Gelet op [artikel 9, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=9); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten van het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, verder te noemen het NCvB, wordt voor de periode van 1 januari 2018 tot 1 januari 2022 aangewezen als de instelling waar arbodiensten en bedrijfsartsen melding doen van een bij een werknemer aangetoonde beroepsziekte. Artikel 2. Taken en activiteiten Het NCvB is belast met: - a. de registratie van en het rapporteren over beroepsziekten, onder meer door: - 1°. het beheer, onderhoud en ontwikkelen van registratiesystemen en peilstations met inachtneming van het gestelde over gegevens beroepsziekten in [artikel 1.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=1.11); - 2°. het verwerken, beoordelen en analyseren van meldingen van beroepsziekten; - 3°. het signaleren en monitoren van nieuwe risico’s in relatie tot beroepsziekten; - 4°. het rapporteren over het vóórkomen van beroepsziekten in Nederland aan de Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid, verder te noemen Minister van SZW, en aan de Europese Commissie (Eurostat) op grond van Verordening (EG) nr. 13338/2008 van 16 december 2008. De vorm van de rapportages en de periodiciteit worden in overleg met de Minister van SZW bepaald. Het NCvB draagt er zorg voor dat gegevens en rapportages op zodanige wijze worden gepresenteerd dat geen enkele relatie kan worden gelegd naar individuele werknemers en werkgevers; - 5°. het onderhouden van intensief contact met meldingsplichtigen over het (verbeteren van het) melden van beroepsziekten, en - 6°. het zo mogelijk onderzoeken,"},{"i":2678,"b":"Beschikking aanwijzing overheidsinstanties Gelet op artikel 3ter, dertiende lid onder c, van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Stb. nr. 7); Gezien het advies van de directeur-generaal der Posterijen, Telegrafie en Telefonie van 8 juli 1985, nr. 850704/1350 RCD WJZ; Besluit: Artikel 1 Als overheidsinstanties belast met de zorg voor de veiligheid van de Staat, bedoeld in artikel 3ter, dertiende lid onder c van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Stb. nr. 7) worden aangewezen: - a. de krijgsmacht, de Koninklijke Marechaussee, de inter-serviceorganen ressorterende onder de minister van Defensie, alsmede de op grond van door de Nederlandse regering gesloten internationale overeenkomsten hier te lande aanwezige buitenlandse strijdkrachten voor zover de coördinatie van de bij deze strijdkrachten in gebruik zijnde frequenties geschiedt namens de minister van Defensie; - b. het korps Rijkspolitie, de gemeentelijke politie, de Politieverbindingsdienst, de afdeling Interpol La Haye, alsmede het Direktoraat-Generaal Politie- en Vreemdelingenzaken en het Direktoraat-Generaal Jeugdbescherming- en Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie met inbegrip van de daaronder ressorterende instellingen; - c. de onder de minister van Algemene Zaken en de minister van Binnenlandse Zaken ressorterende instanties belast met de zorg voor de interne veiligheid van de Staat. Artikel 2 De [aanwijzing in artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003836&artikel=1&z=1985-09-16&g=1985-09-16) geldt uitsluitend voor zover de inrichtingen worden gebruikt voor de uitvoering van de specifieke taken die aan deze instanties zijn opgedragen. Artikel 3 De aangewezen overheidsinstanties dienen bij de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van de inrichtingen de voorschriften en aanwijzingen na te leven van de deelbeheerders, bedoeld in artikel 3 van de Regeling Etherbeheer (Stcrt. 1983, 253), aan wie de frequentiebanden, waarin het gebruik van de inrichtingen plaatsvindt, zijn toegewezen."},{"i":2994,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 24 november 2025, nr. BZ2522031, tot aanwijzing van toezichthouders voor de Wet strategische diensten en de Wet uitvoering antiboycotverordening (Besluit aanwijzing toezichthouders buitenlandse handel) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=17) en [29 van de Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=29) en [artikel 1 van de Wet uitvoering antiboycotverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010176&artikel=1); **Besluit:** Artikel 1 De ambtenaren werkzaam bij de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane en die daartoe door hun bevoegd gezag zijn aangewezen, zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de: - a. [Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545), en - b. [Wet uitvoering antiboycotverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010176). Artikel 2 Het [Besluit aanwijzing toezichthouders Belastingdienst 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030763) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders buitenlandse handel. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4779,"b":"Landelijk experimenteerkader Regionale Expertisecentra in oprichting 1. Inleiding In deze publicatie is informatie opgenomen over het kader waarbinnen scholen binnen Regionale expertisecentra in oprichting (hierna: REC’s i.o.) op experimentele basis vorm kunnen gaan geven aan onderwijskundige vernieuwing binnen REC’s i.o. Vanuit het scholenveld is meermalen aangegeven dat er behoefte bestaat aan het opdoen van praktijkervaring met de inrichting van de REC’s i.o. Er zijn momenteel al een aantal REC’s i.o. waarbij de betrokken scholen al in een vergevorderd stadium zijn, zowel wat betreft de vernieuwing van onderwijs en begeleiding als wat betreft de daaruit voortvloeiende organisatorische en bestuurlijke aanpassingen. Dit proces mag niet stagneren in afwachting van de wijziging van de wettelijke kaders. Scholen binnen een REC i.o. moeten de mogelijkheid hebben om de inrichting van de onderwijskundige taken verder uit te werken. De huidige wet – en regelgeving kan daarbij belemmerend werken. De [Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718) (hierna: de Experimentenwet) biedt de mogelijkheid tot onderwijskundige experimenten die vallen buiten de kaders van de afzonderlijke onderwijswetten. Op basis van het hieronder geschetste landelijk experimenteerkader kunnen scholen die een REC i.o. vormen experimenteerplannen opstellen en indienen. Met dit experimenteerkader wordt beoogd de onderwijskundige vernieuwing in het kader van de REC’s i.o. mogelijk te maken en verder te stimuleren. Hierbij dient onder meer te worden gedacht aan het realiseren van een nieuw, regionaal georganiseerd aanbod van onderwijs en begeleidingsactiviteiten, van indicatiestelling en diagnostiek voor leerlingen van het desbetreffende cluster van onderwijssoorten. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van mogelijkheden als verbrede toelating in het speciaal onderwijs, thuisnabij onderwijs via herspreiding van onderwijslocaties (in de vorm van nevenvestigingen), het fuseren t"},{"i":3141,"b":"Besluit van 19 oktober 2012, houdende nadere regels met betrekking tot technische en organisatorische eisen ter beperking van risico’s voor de veiligheid en de integriteit, de meldplicht van inbreuken op de veiligheid en verliezen van integriteit, de verstrekking van informatie voor de beoordeling van de veiligheid en de integriteit en de aanwijzing van inbreuken op de veiligheid en verliezen van integriteit van openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten (Besluit continuïteit openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 6 juli 2012, nr. WJZ / 12081040; Gelet op de artikelen 13bis en 13ter van de Kaderrichtlijn, artikel 23, eerste volzin, van de Universeledienstenrichtlijn en de [artikelen 11a.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11a.1), en [11a.2, vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11a.2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 augustus 2012, nr. W15.0255/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 17 oktober 2012, nr. WJZ / 12323356; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. **aanbieder:** aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk of van een openbare elektronische communicatiedienst; - c. **melding:** kennisgeving als bedoeld in [artikel 11a.2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11a.2); - d. **meldpunt:** door Onze Minister aangewezen instantie waar de aanbieder een melding doet. § 1a. Aanwijzing antenne-opstelpunten Artikel 2 1. De aanbieder beschikt over een beveiligingsplan dat in ieder geval de volgende onderdelen bevat: - a. een b"},{"i":3562,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 maart 2025, nr. IENW/BSK-2025/52801, houdende aanwijzing van het DS-JMDP als Dienst van Algemeen Economisch Belang Gelet op de artikelen 14 en 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het Besluit (EU) Nr. 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (‘DAEB-Vrijstellingsbesluit’); BESLUIT: Artikel 1 Als Dienst van Algemeen Economisch Belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, wordt aangewezen de programmalijn Digitaal Samenwerken – Joint Maritime Digital Platform van het Maritiem Masterplan. Artikel 2 Met de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050927&artikel=1&z=2025-04-09&g=2025-04-09) aangewezen Dienst van Algemeen Economisch Belang wordt belast de Stichting Nederland Maritiem Land. Artikel 3 Stichting Nederland Maritiem Land wordt met terugwerkende kracht belast met de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050927&artikel=1&z=2025-04-09&g=2025-04-09) aangewezen Dienst van Algemeen Economisch Belang voor de periode van 19 februari 2024 tot en met 31 december 2033. Artikel 4 Voor de uitvoering van de opgelegde dienst wordt aan de Stichting Nederland Maritiem Land een compensatie verleend, die bestaat uit de netto kosten van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050927&artikel=1&z=2025-04-09&g=2025-04-09) aangewezen Dienst van Algemeen Economisch Belang. De netto kosten zijn gedefinieerd als de kosten van de in artikel 1 aangewezen Dienst van Algemeen Economisch Belang, na aftrek van de inkomsten gegenereerd uit de in artikel 1 aangewezen Dienst van Algemeen E"},{"i":4678,"b":"Instelling Commissie bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving Overwegende, dat de in het rapport van de Commissie Heroverweging Instrumentarium Rechtshandhaving, Het recht ten uitvoer gelegd, oude en nieuwe instrumenten van rechtshandhaving, deel C, aanbevelingen worden gedaan terzake van de handhaving van regelgeving langs bestuursrechtelijke of privaatrechtelijke weg; dat deze aanbevelingen nadere studie en beoordeling behoeven; Besluit: Artikel 1 Er is een Commissie bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving, hierna te noemen de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak: - 1). onderzoek te laten verrichten naar de huidige bestuurspraktijk teneinde te achterhalen wat de factoren zijn die in de weg staan aan een adequaat toezicht en aan een duidelijke en consequente handhavingsreactie; - 2). studie te doen naar de wijze waarop de bestuurlijke repressieve handhaving het beste kan worden georganiseerd, in het bijzonder of een zekere scheiding tussen uitvoering en toezicht enerzijds en sanctie-oplegging anderzijds, wenselijk is, en zo ja op welke wijze die scheiding gestalte moet worden gegeven en zo nee of de organisatie van de bestuursrechtelijke handhaving op andere wijze kan worden verbeterd; - 3). studie te doen naar de vraag of de invoering van een preventieve rechterlijke toets een bijdrage levert aan een betere hantering van de instrumenten van bestuursdwang en dwangsom, en zo ja hoe zo’n toets is in te passen in het stelsel van bestuursrechtelijke handhaving en rechtsbescherming; - 4). studie te doen naar de rol de het privaatrecht kan spelen in aanvulling op de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhavingsinstrumenten van de overheid en de vraag of daartoe nadere wettelijke voorzieningen dienen te worden getroffen en zo ja of de wet restricties moet stellen aan het privaatrechtelijke overheidsoptreden, en - 5). terzake deze onderwerpen waar de commissie dat nodig acht voorstellen te doen. Artikel 3 In de commissie hebben zi"},{"i":3561,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 december 2022, nr. WJZ/22253869, houdende aanwijzing van de beheerautoriteit en de auditautoriteit voor het Interreg-programma Maas Rijn (NL-BE-DE) 2021–2027 Gelet op: artikel 45, eerste lid, van [verordening (EU) 2021/1059](32959R2021) van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling ‘Europese territoriale samenwerking’ (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten (PbEU 2021, L 231); artikel 71, eerste lid, van [verordening 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231); [artikel 3 van de Uitvoeringswet EFRO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034784&artikel=3); Gezien het verzoek van het College van gedeputeerde staten van de Provincie Limburg van 8 maart 2022 met kenmerk DOC-00232441; Gezien het verzoek van de directeur van de Auditdienst Rijk van 1 juni 2022 met kenmerk 2022-0000160766; Gezien de partnerschapsovereenkomst inzake het beheer, de financiering en de uitvoering van het programma voor grensoverschrijdende samenwerking Interreg Maas-Rijn (NL-BE-DE); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **verordening 2021/1059:** [verordening (EU) 2021/1059](32959R2021) van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling ‘Europese territoriale samenwerking’ (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkelin"},{"i":4056,"b":"Besluit van 4 mei 2009, houdende regels met betrekking tot de verlening van een toevoeging ten behoeve van mediation, de eigen bijdrage in geval van mediation op basis van een toevoeging alsmede de vaststelling van de vergoeding voor op basis van een toevoeging verleende mediation (Besluit toevoeging mediation) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 23 maart 2009, nr. 5593413/09/6; Gelet op [artikel 33e, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33e), juncto de [artikelen 12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=12), [25, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=25), [28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=28), [34, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34), [34a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34a), [34d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34d), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=35), [37, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), en [41 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=41); De Raad van State gehoord (advies van 15 april 2009, nr. W03.09.0101/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 24 april 2009, nr. 5599234/09/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. **eigen bijdrage:** eigen bijdrage, bedoeld in [artikel 33e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33e), juncto [artikel 35, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=35). Hoofdstuk 2. Toevoeging ten behoeve van mediation Artikel 2 De [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006404&artikel=3),"},{"i":3995,"b":"Besluit van 19 februari 2001, houdende regels met betrekking tot de samenstelling en de werkwijze van de toetsingscommissie uittreding zittende magistratuur (Besluit samenstelling en werkwijze toetsingscommissie uittreding zittende magistratuur) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 29 december 2000, Directie Wetgeving, nr. 5071550/00/6; Gelet op [artikel VII, vierde lid, van de Wet opheffing College van beroep studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011439&artikel=VII); De Raad van State gehoord (advies van 25 januari 2001, nr. W03.01.0007/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 12 februari 2001, nr. 5079984/01/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder commissie: de toetsingscommissie uittreding zittende magistratuur, genoemd in [artikel VII, vierde en vijfde lid, van de Wet opheffing College van beroep studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011439&artikel=VII) en in [artikel XII, derde en vierde lid, van de Wet organisatie en bestuur gerechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013099&artikel=XII). Artikel 2 1. De commissie bestaat uit: - a. een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, met rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van Beroep dan wel het College van Beroep voor het bedrijfsleven, bij een van deze gerechten benoemd senior-gerechtsauditeur, gerechtsauditeur of griffier, een rechter in opleiding of officier in opleiding als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, onder 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=1), of ambtenaar bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie of een instelling, dienst of bedrijf dat onder dat ministerie ressorteert; - b. een lid en een plaatsvervangend lid, aan te wijzen door de Nederlandse Vereniging van Rechtspraak uit de kring van met rechtspraak belaste leden van de tot de rechterlijke macht b"},{"i":2556,"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 6 juli 2023, nr. WJZ/ 22508124, houdende regels over het verlagen van subsidie in het kader van Verordening (EU) 2021/1139 en Verordening (EU) 2021/1755 (Beleidsregel verlagen subsidies EMFAF en BAR visserij) Gelet op de [artikelen 4:46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:46), [4:48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:48), [4:49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:49), [4:50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:50) en [4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 7 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=7) en de [artikelen 1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045685&artikel=1.6) en [3.1.10 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045685&artikel=3.1.10); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - **Verordening 2021/1139:** [Verordening (EU) 2021/1139](33039R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van [Verordening (EU) 2017/1004](32904R2017) (PbEU 2021, L 247); - **Verordening 2021/1060:** [Verordening (EU) 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument"},{"i":2679,"b":"Beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 september 2004, nr. DGP/WV/U/04.03336, tot aanwijzing Stichting Automotive Belangen Nederland als organisatie die de belangen van de automobielbranche behartigt Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=44) en [artikel 9, onderdeel d, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=9); Besluit: Artikel 1 1. Als organisatie die de belangen van de automobielbranche behartigt, aan welke gegevens uit het kentekenregister kunnen worden verstrekt, wordt aangewezen: de Stichting Automotive Belangen Nederland. 2. Met ingang van 1 maart 2007 heeft de verstrekking van de gegevens uit het kentekenregister geen betrekking op: - a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens; - b. overige direct aan de geregistreerde natuurlijke persoon gerelateerde gegevens. Artikel 2 De verstrekking van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017158&artikel=1&z=2006-05-01&g=2006-05-01) bedoelde gegevens aan de Stichting Automotive Belangen Nederland geschiedt slechts voor zover de Stichting Automotive Belangen Nederland deze gegevens behoeft voor de volgende doeleinden: - 1. wetenschappelijk onderzoek en statistiek, - 2. het terugroepen van voertuigen in geval van geconstateerde technische gebreken die kunnen leiden tot verkeersonveilige situaties, en - 3. het beheer van de volgende voertuiginformatiesystemen van de Stichting Automotive Belangen of van derden ten behoeve van de automobielbranche: - a. veiligheids- en milieu-inspecties; - b. systemen voor de controle van kilometerstanden van voertuigen; - c. systemen voor het overschrijven van de motorrijtuigenbelasting; - d. systemen voor het bevragen van gegevens omtrent de belasting van voertuigen; - e. systemen waarin productinformatie, technische gegevens en prijzen van voertuigen zijn opgenomen; - f. systemen die gericht zijn op het aanmelden van uit te voer"},{"i":2680,"b":"Beschikking Aanwijzing Voedselcommissaris 's-Gravenhage Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002392&artikel=3) en [29 van de Noodwet Voedselvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002392&artikel=29)1)Wet van 12 december 1962. Stb. 566., Besluit: Artikel 1 Er wordt een voedselcommissaris, bedoeld in [artikel 3 van de Noodwet Voedselvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002392&artikel=3) aangewezen in het gebied omvattende de gemeenten 's-Gravenhage, Rijswijk en Voorburg. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002701&artikel=1&z=1970-05-06&g=1970-05-06) aangewezen voedselcommissaris staat onder bevelen van de voedselcommissaris in de provincie Zuid-Holland. Artikel 3 1. Deze beschikking kan worden aangehaald als Beschikking Aanwijzing Voedselcommissaris 's-Gravenhage. 2. Zij wordt bekendgemaakt in de Staatscourant."},{"i":2681,"b":"Beschikking aanwijzing voedselcommissarissen Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002392&artikel=3) en [29 van de Noodwet voedselvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002392&artikel=29), Besluit: Artikel 1 Als voedselcommissarissen, bedoeld in [artikel 3 van de Noodwet voedselvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002392&artikel=3), worden aangewezen: - a. in iedere provincie de districtsbureauhouders van de Stichting Uitvoering Landbouwmaatregelen; - b. de bij beschikking benoemde voedselcommissaris te Amsterdam, voor de gemeenten Amstelveen, Amsterdam en Diemen; - c. de bij beschikking benoemde voedselcommissaris te Nijmegen, voor de gemeenten Appeltern, Batenburg, Bergharen, Beuningen, Dreumel, Druten, Ewijk, Groesbeek, Heumen, Horssen, Millingen aan den Rijn, Nijmegen, Overasselt, Ubbergen, Wamel en Wijchen. Artikel 2 De bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002499&artikel=1&z=1965-08-16&g=1965-08-16) aangewezen voedselcommissarissen, die standplaats hebben in het ambtsgebied van een voedselcommissaris in de provincie, staan onder de bevelen van die voedselcommissaris. Artikel 3 1. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking aanwijzing voedselcommissarissen. 2. Zij wordt bekend gemaakt in de **Staatscourant**."},{"i":2659,"b":"Beleidsregels van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 april 2013, nr. 2013-0000217474, omtrent de uitleg van de begrippen ‘bijdrage in natura’ en ‘neveninstelling’ in de Wet financiering politieke partijen (Beleidsregels Wet financiering politieke partijen) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 1, aanhef en onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=1), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=5) en [22 van de Wet financiering politieke partijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=22); Besluit: Bij brief van 8 februari 2012 (**Kamerstukken 2011/12,****32 752, nr. 24**) heeft de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) aangekondigd dat beleidsregels zullen worden vastgesteld om twee begrippen die in de Wet financiering politieke partijen worden gehanteerd – ‘bijdrage in natura’ en ‘neveninstelling’ – te verduidelijken. De minister van BZK houdt toezicht op de registratie door een politieke partij van de ontvangen bijdragen van meer dan € 1 000. Van die bijdragen moeten op grond van [artikel 21, eerste lid, van de Wet financiering politieke partijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=21) de naam en het adres van de gever en de datum en het bedrag of de waarde van de bijdrage worden opgenomen in de administratie. Ook bijdragen in natura moeten op deze manier worden geregistreerd. Mocht bij het toezicht blijken dat een partij dit ten onrechte heeft nagelaten, dan kan de minister van BZK een bestuurlijke boete opleggen. Bij het gebruik van de bevoegdheid een boete op te leggen vanwege het ten onrechte niet registreren van een bijdrage in natura en bij de uitoefening van de bevoegdheid tot aanwijzing van een neveninstelling, zullen voor de invulling van de beoordelingsruimte die de begrippen ‘bijdrage in natura’"},{"i":4210,"b":"Besluit van 13 december 2012 tot vaststelling van subsidieplafonds 2013 voor enkele deelregelingen van de Stichting Nederlands Letterenfonds Gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), Gelet op [artikel 4, zesde lid, Algemeen reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735&artikel=4). Het bestuur besluit: Voor manifestatiesubsidies als bedoeld in [artikel 2.2 van de Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2013 - 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030661&artikel=2.2) geldt in 2013 het volgende subsidieplafond: € 1.010.000,="},{"i":2636,"b":"Beleidsregels van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 december 2009, nr. DGV/DVB/VIT, over de toelating en het gebruik van het radiocommunicatienetwerk C2000 door derden Gehoord het advies van het adviesorgaan C2000; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **de eigenaar van het C2000 netwerk:** de staat der Nederlanden, de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b). **strategisch beheerder:** de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - c). **tactisch en operationeel beheerder:** de beheerorganisatie van C2000, Voorziening tot samenwerking Politie Nederland/Unit Meldkamer Systemen; - d). **aangewezen gebruiker:** een organisatie die op het terrein van openbare orde, veiligheid en hulpverlening een wettelijk opgedragen taak heeft en ten behoeve van haar operationele processen gebruik maakt van C2000; - e). **gelieerde:** een organisatie die de aangewezen gebruiker ondersteunt bij de uitvoering van zijn taken op het terrein van openbare orde, veiligheid en hulpverlening en die daarbij met behulp van mobiele communicatie door de aangewezen gebruiker wordt aangestuurd. [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026900&bijlage=1&z=2009-12-21&g=2009-12-21) bevat per aangewezen gebruiker een referentielijst van organisaties die naar het oordeel van de strategisch beheerder, gehoord het advies van het adviesorgaan C2000, in beginsel in aanmerking komen voor gelieerd gebruik van C2000; - f). **adviesorgaan C2000:** het overleg van gebruikers dat de strategisch beheerder adviseert over C2000. De adviestaak met betrekking tot C2000 wordt ingevuld door de Bestuurscommissie Informatievoorziening van het Veiligheidsberaad. Ten aanzien van C2000 wordt dit gedaan in afstemming met het Korpsbeheerdersberaad; - g). **tijdelijk gelieerde:** een organisatie waarvan een aangewezen gebruiker het noodzakelijk acht dat deze in de uitvoering van diens wettelijke taken ten tijde van een bijzondere"},{"i":3014,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 februari 2017, kenmerk 1093775-161144-PG, houdende aanwijzing van personen die belast zijn met het toezicht op de naleving Gelet op [artikel 7, eerste lid, van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=7); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de [Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455) aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen, zijn belast de personen werkzaam bij de Directie Publieke Gezondheid, de Programmadirectie Fraudebestrijding Zorg en de Directie Markt en Consument van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders VWS-subsidies. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4015,"b":"Besluit van de algemene raad van 27 november 2017 tot vaststelling van een subsidieplafond (Besluit subsidieplafond 2018) gelet op [afdeling 4.2.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.2); gelet op [artikel 2.36c van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.36c); gelet op [artikel 3 van de Beleidsregel subsidies NOvA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039970&artikel=3); stelt de navolgende bepalingen vast: Artikel 1. Subsidieplafond 2018 Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 2.36c, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.36c) en [artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel subsidies NOvA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039970&artikel=3) wordt voor het boekjaar 2018 van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 vastgesteld op € 2.650.000. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidieplafond 2018."},{"i":2990,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 18 augustus 2022, tot aanwijzing van toezichthouders van de Autoriteit Consument en Markt (Besluit aanwijzing toezichthouders ACM 2022) Gelet op [artikel 12a, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=12a); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **Verordening (EG) nr. 1/2003:** [Verordening (EG) nr. 1/2003](https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:02003R0001-20090701) van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag ([PbEG 2003, L 001](https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32003R0001)). Artikel 2 De ambtenaren werkzaam bij de Autoriteit Consument en Markt worden aangewezen als ambtenaren, bedoeld in [artikel 12a, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=12a), belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens: - –. de [Drinkwaterwet: artikel 48, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=48); - –. de [Elektriciteitswet 1998: artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=5); - –. de [Energiewet: artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=5.1); - –. de [Gaswet: artikel 1a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=1a); - –. de [Loodsenwet: artikel 45b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=45b); - –. de [Mededingingswet: artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=2); - –. de [Postwet 2009: artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=37); - –. de [Spoorwegwet: artikel 70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=70); - –. de [Telecommunicatiewet: artikel 15.1, derde lid](https:"},{"i":4474,"b":"Circulaire Beleidskader rechtspositie stagiairs bij de sector Rijk 1. Inleiding Sinds 2012 is sprake van een uniforme handelswijze binnen de sector Rijk ten aanzien van de stagiairs. Daarover wordt conform de rijksbrede strategie op het gebied van arbeidsmarktcommunicatie en werving als één organisatie naar buiten toe opgetreden. In dit beleidskader zijn de afspraken over de rechtspositie van stagiaires opgenomen die voor de inwerkingtreding van de [Wet normalisering rechtspositie ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039393) per 1 januari 2020 waren opgenomen in circulaires. 2. Reikwijdte beleidskader Dit beleidskader is van toepassing voor alle organisaties binnen de sector Rijk. Dit beleidskader heeft geen betrekking op het in dienst nemen van studenten op een leerwerkplek – zoals dit bijvoorbeeld het geval is bij een MBO-beroepsbegeleidende leerweg (BBL) en HBO-duale opleidingstrajecten – waarbij de student van een onderwijsinstelling een aantal dagen per week in dienstverband werkt op een leerwerkplek en een aantal dagen per week naar school gaat. 3. Modellen stage-overeenkomst Een uniforme handelswijze van de sector Rijk met betrekking tot de rechtspositie van stagiairs komt onder andere tot uiting door het hanteren van (uniforme) modellen voor de stage-overeenkomst. Hiermee wordt ook de herkenbaarheid naar de onderwijsinstellingen en de stagiairs bevorderd. In de praktijk blijkt dat er twee soorten overeenkomsten worden gesloten. Bij één overeenkomst is er sprake van betrokkenheid van drie partijen, namelijk de stageverlener, de onderwijsinstelling en de stagiair. Aangezien niet bij alle onderwijsprogramma’s een stage verplicht is, is er niet altijd een rol voor de onderwijsinstelling weggelegd. In dat geval sluit de stageverlener een overeenkomst met (uitsluitend) de stagiair. De twee als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043274&bijlage=1&z=2020-03-16&g=2020-03-16) bij deze circulaire gevoegde stage-overeenkomsten zijn bedoeld"},{"i":2018,"b":"Wet van 11 december 2002 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het regime van de fiscale eenheid in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel III Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel IV 1. Voor de heffing van de vennootschapsbelasting wordt een beschikking: - a. genomen krachtens artikel 32, onderdeel 5, van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 in verbinding met artikel 27 van het Besluit op de Winstbelasting 1940; - b. als bedoeld in artikel 14 van het Invoeringsbesluit Vennootschapsbelasting 1942; of - c. genomen krachtens [artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) zoals dat luidde tot het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet; geacht op verzoek van de belastingplichtige ten aanzien van wie die beschikking toepassing vond op het tijdstip waarop deze wet op hem van toepassing wordt, te zijn genomen op de voet van [artikel 15, achtste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15). 2. In afwijking van het eerste lid blijven ten aanzien van een belastingplichtige bij wie op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop deze wet op hem van toepassing wordt [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) of [artikel 30, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=30) toepassing vond, op zijn verzoek dat artikel zoals dat"},{"i":3997,"b":"Besluit van 3 oktober 2022, houdende regels over het screenen van personen die ambtenaar van politie willen worden of zijn en personen die krachtens overeenkomst werkzaamheden voor de politie, de rijksrecherche of de Politieacademie gaan verrichten of verrichten (Besluit screening ambtenaren van politie en politie-externen) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 30 juni 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4064197; Gelet op de [artikelen 47, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=47), [48q, tweede, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=48q), [48r, derde lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=48r), [48s, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=48s), [48u, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=48u), [48w, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=48w), [48x, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=48x), [48y, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=48y), [artikel 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18), [23, derde lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=23) en [artikel 9, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=9); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 31 augustus 2022, nr. W16.22.00080/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 27 september 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr 4190592; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Politiewet 2012 en Wet op de medische keuringen (screening ambtenaren van politie en politie-externen) in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besl"},{"i":2019,"b":"Wet van 29 juni 1994, houdende wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (aanpassing gedifferentieerd tarief en verhoging van de zelfstandigenaftrek) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter versterking van de positie van het midden- en kleinbedrijf het gedifferentieerde tarief in de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) aan te passen alsmede de zelfstandigenaftrek in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III De vennootschapsbelasting over een boekjaar dat voor 1 juli 1994 begint en op of na die datum eindigt wordt, in afwijking in zoverre van [**artikel 22** van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=22), berekend volgens de volgende formule: belasting = (X/B * To * G) + (Y/B * Tn * G), waarin X voorstelt: het aantal voor 1 juli 1994 vallende dagen van het boekjaar; Y voorstelt: het aantal na 30 juni 1994 vallende dagen van het boekjaar; B voorstelt: het totale aantal dagen van het boekjaar; To voorstelt: het tarief van de vennootschapsbelasting zoals dat tarief luidt voor de inwerkingtreding van deze wet; Tn voorstelt: het tarief van de vennootschapsbelasting zoals dat tarief luidt na de inwerkingtreding van deze wet; G voorstelt: het belastbare bedrag of het belastbare binnenlandse bedrag. Artikel IV Voor het kalenderjaar 1994 geldt in afwijking van het in **artikel 44m**, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 opgenomen voorschrift, het navolgende voorschrift. 2. Bij een winst | gelijk aan of meer dan | doch min"},{"i":2029,"b":"Zimbabwaanse uitvoeringsvoorschriften belastingovereenkomst Nederland-Zimbabwe Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen; Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Zimbabwaanse belasting op dividenden, interest en royalty's, genoten door inwoners van Nederland. Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 18 mei 1989 tussen Nederland en Zimbabwe gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten (Trb. 1989, nr. 95 en 119), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. Vermindering tot 20% van de Zimbabwaanse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Zimbabwe is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel a). - b. Vermindering tot 10% van de Zimbabwaanse belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Zimbabwe is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het Zimbabwaanse lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel b). - c. Algehele vrijstelling van de Zimbabwaanse belasting op uit Zimbabwe afkomstige interest, indien deze wordt verkregen door de Regering van Nederland, een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam van Nederland dan wel door een agentschap of instantie van de Regering van Nederland, een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam van Nederland (artikel 11, derde lid). - d. Algehele vrijstelling van Zimbabwaanse belasting op interest, afkoms"},{"i":6208,"b":"Wet van 6 juli 2000 tot gemeentelijke herindeling in een deel van de provincie Utrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling in een deel van de provincie Utrecht te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande gemeenten opgeheven: De Bilt Harmelen Maartensdijk Utrecht Vleuten-De Meern Woerden Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande nieuwe gemeenten ingesteld: Utrecht De Bilt Woerden 2. In de onderstaande tabel is aangegeven uit het gebied van welke op te heffen gemeenten het gebied van elk der nieuwe gemeenten bestaat, met dien verstande dat de grenzen van de nieuwe gemeenten komen te lopen zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. **Tabel 1. Gebiedsbepaling nieuwe gemeenten** | nieuwe gemeente | bestaande uit de op te heffen gemeenten | | --- | --- | | Utrecht | Utrecht | | | Vleuten-De Meern | | | | | De Bilt | De Bilt | | | Maartensdijk | | | | | Woerden | Harmelen | | | Woerden | Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeenten Utrecht, De Bilt en Woerden worden de op te heffen gemeenten met dezelfde naam aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 In de onderstaande tabel worden voor de op te heffen gemeenten de nieuwe gemeenten aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&art"},{"i":6206,"b":"Wet van 25 juni 2009, houdende regels met betrekking tot voorzieningen op gemeentelijk niveau voor de behandeling en registratie van klachten over discriminatie (Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat een ieder toegang heeft tot een laagdrempelige gemeentelijke voorziening ter behandeling van klachten over discriminatie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het college van burgemeester en wethouders biedt de ingezetenen toegang tot een antidiscriminatievoorziening. Artikel 2 1. Een antidiscriminatievoorziening als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026168&artikel=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01) heeft tot taak: - a. onafhankelijke bijstand te verlenen aan personen bij de afwikkeling van hun klachten betreffende onderscheid als bedoeld in de [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502), de [Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299), de [Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915), de [Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016185), de [artikelen 646 tot en met 649 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=646), en [artikel II van de wet van 7 november 2002 tot uitvoering van de richtlijn 1999/70/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014195&artikel=II), of discriminatie als bedoeld in [artikel 90quater van het We"},{"i":6209,"b":"Wet van 12 juli 2001 tot gemeentelijke herindeling van Den Haag en omgeving Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling van Den Haag en omgeving te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Grenswijziging van gemeenten die niet worden opgeheven Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de grenzen van de gemeenten 's-Gravenhage en Rijswijk gewijzigd als aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Leidschendam, Nootdorp, Pijnacker en Voorburg opgeheven. Artikel 3 Met ingang van de datum van herindeling worden de nieuwe gemeenten Leidschendam-Voorburg en Pijnacker-Nootdorp ingesteld. Artikel 4 De nieuwe gemeente Leidschendam-Voorburg bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Leidschendam en Voorburg en de nieuwe gemeente Pijnacker-Nootdorp bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Nootdorp en Pijnacker, met dien verstande dat de grenzen van de nieuwe gemeenten komen te lopen zoals aangegeven op de bij de wet behorende kaart. Paragraaf 3. Overige bepalingen Artikel 5 Voor de nieuwe gemeenten Leidschendam-Voorburg respectievelijk Pijnacker-Nootdorp worden de op te heffen gemeenten Voorburg respectievelijk Pijnacker aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 6 Voor de op te heffen gemeenten Leidschendam en Voorburg respectievelijk Nootdorp en Pijnacker worden de nieuwe gemeenten Leidschendam-Voorburg respectievelijk Pijnacker-Nootdorp aangewezen voor de to"},{"i":6163,"b":"Besluit van 24 mei 1996, houdende het Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen Op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 25 september 1995, nr DGVgz/VVP/L 952051, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikel 4, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [artikel 5, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), en [artikel 8, onder **a** en **c**, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8); Gezien het advies van de Voedingsraad van 11 november 1993, nummer 931111/01 en het advies van de Adviescommissie Warenwet van 27 juni 1995 met nummer 14877/(2/3)5; De Raad van State gehoord (advies van 22 januari 1996, nummer W13.95.0530); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 mei 1996, nummer GZB/VVB 96543, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: De artikelen 6, 7, 8 en 9 treden nog niet in werking voor wat betreft de toevoeging van mineralen. § 1:. algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **micro-voedingsstoffen**: voedingsstoffen die onmisbaar zijn voor het functioneren van het menselijk organisme, waarin dat organisme niet zelf kan voorzien en die in kleine hoeveelheden geconsumeerd moeten worden; - b. **verrijkte eet- of drinkwaar**: een eet- of drinkwaar waaraan een of meer micro-voedingsstoffen zijn toegevoegd, maar die niet tot hoofddoel heeft het leveren van micro-voedingsstoffen; - c. **substitutie-produkt**: een verrijkte eet- of drinkwaar: - –. die een bestaande waar beoogt te vervangen, en ten aanzien van uiterlijk, consistentie, smaak, kleur, geur en gebruiksdoel zoveel mogelijk overeenkomt met de te vervangen eet- o"},{"i":4769,"b":"Besluit van 1 december 1997 tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op de kansspelen (Kansspelenbesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 juli 1997, nr. 643371/97/6, Directie Wetgeving; Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=6) en [29 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=29); De Raad van State gehoord (advies van 12 augustus 1997, nr. WO3.97.0501); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 11 november 1997, nr. 664079/97/6, Directie Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: wet: de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); Onze Minister: Onze Minister voor Rechtsbescherming; raad van bestuur: de raad van bestuur van de kansspelautoriteit, bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a). Artikel 2 Aan een vergunning, krachtens [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) verleend, worden in elk geval de navolgende voorschriften verbonden: - a. er mogen niet meer dan het in de vergunning genoemde aantal bewijzen van deelneming, uitsluitend tegen de daarin aangegeven inleg, worden uitgegeven. - b. De opbrengst van de door de vergunninghouder verkochte deelnemingsbewijzen wordt afgedragen aan bij of krachtens de vergunning aangewezen begunstigden. De afdracht bedraagt ten minste 40% van de nominale waarde van de verkochte deelnemingsbewijzen. - c. De afdracht, bedoeld in onderdeel b, wordt geheel voor het in de vergunning omschreven doel aangewend. - d. Slechts noodzakelijke kosten mogen worden gemaakt. Eventuele provisie aan verkopers van deelnemingsbewijzen dient te worden beperkt tot ten hoogste 10% van de nominale waarde der door hun bemiddeling geplaatste deelnemingsbewijzen. - e. Als deelnemers mogen niet worden toegela"},{"i":2090,"b":"Aanwijzing als centrale autoriteit Overwegende, dat artikel 4, eerste lid van de Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, houdende uitvoering van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van gezag over kinderen (Trb. 1981, 10) uitvoering van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale uitvoeringen van kinderen (Trb. 1987, 139) algemene bepalingen met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van ontvoerde kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan, voorschrijft dat Onze Minister van Justitie bij Nederlandse Staatscourant openbaar te maken besluit de onder zijn Ministerie ressorterende dienst aanwijst, welke wordt belast met de taak van centrale autoriteit, bedoeld in artikel 2 van het Europese verdrag en in artikel 6 van het Haagse verdrag en tevens wordt belast met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale ontvoeringen van kinderen die niet door een verdrag wordt beheerst; Besluit: Artikel I De Dienst Preventie, Jeugdbescherming en Reclassering, Stafbureau Juridische Zaken, aan te wijzen als centrale autoriteit, belast met de uitvoering van de in het Europees verdrag en het Haagse verdrag bedoelde taken en tevens met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst. Artikel II Dit besluit treedt in werking op 1 september 1995. Met ingang van datzelfde tijdstip vervalt het besluit, kenmerk 505267/95/HR, van 12 juli 1995. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5685,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 november 2025, nr. 2025-0000650840, houdende regels voor de subsidiëring van beroeps- en belangenverenigingen voor het decentraal bestuur (Subsidieregeling beroeps- en belangenverenigingen decentraal bestuur 2026–2030) [KetenID WGK027546] Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=2), [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [artikel 11, tweede en van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling - **Minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De Minister kan voor de activiteiten, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051971&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), subsidie verstrekken aan: - a. Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters; - b. De Nederlandse Vereniging voor Raadsleden; - c. De vereniging Statenlidnu; - d. De Vereniging van Gemeentesecretarissen; - e. De Vereniging van Griffiers; - f. De Vereniging van Rekenkamers; - g. De Wethoudersvereniging. Artikel 3 1. De Minister kan aan een vereniging als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051971&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), een eenmalige subsidie verstrekken voor kosten die direct samenhangen met de voorbereiding en ontwikkeling van de activiteiten, bedoeld in het tweede lid. 2. De Minister kan aan een vereniging als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051971&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), een meerjarige subsidie verstrekken voor kosten die worden gemaakt in de periode van 1 januari 2027 tot 1 januari 2031 die direc"},{"i":2118,"b":"Aanwijzing bestrijding voetbalvandalisme en voetbalgerelateerd geweld Samenvatting In deze aanwijzing worden de algemene uitgangspunten beschreven die het openbaar ministerie hanteert bij de afhandeling van voetbalgerelateerde zaken. Deze aanwijzing betreft in beginsel delicten gerelateerd aan het betaald voetbal; in voorkomende gevallen kunnen bepalingen uit hoofdstuk 2 ook van toepassing zijn op delicten gerelateerd aan amateurvoetbal. 1. Achtergrond Al enige jaren eisen de ernst en de omvang van de verstoringen van de openbare orde en geweldplegingen rondom wedstrijden in het Nederlands betaald voetbal onverminderd de aandacht op van de overheid en de voetbalorganisaties. De (gewelds)incidenten die rondom bepaalde wedstrijden plaatsvinden, vinden niet alleen plaats op wedstrijddagen in of rond de stadions, maar ook op andere plaatsen en tijden zoeken voetbalvandalen de confrontatie met rivaliserende hooligans of de politie. Uitgangspunt bij de aanpak van voetbalvandalisme is dan ook een ketenbenadering. In het **Kader voor beleid Voetbal en Veiligheid** van het Ministerie van Veiligheid en Justitie is de bestrijding van voetbalvandalisme benoemd als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeenten, politie, openbaar ministerie (OM), Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB), voetbalclubs en rijksoverheid (de ‘voetbalketen’). In dit beleidskader is het kader voor de samenwerking geschetst en zijn de taken en verantwoordelijkheden van betrokken partijen voor, tijdens en na afloop van de wedstrijden, evenals gezamenlijke en individuele beleidsdoelstellingen en tolerantiegrenzen benoemd. Op lokaal niveau werken gemeente, de politie, het OM en de Betaald Voetbalorganisatie (BVO) samen in de preventie en aanpak van voetbalvandalisme tijdens en rondom lokale wedstrijden. De burgemeester heeft als verantwoordelijke voor de openbare orde en veiligheid de regierol bij het maken van gerichte ketenafspraken in de lokale driehoek en met de BVO. Voor de veiligheidssituatie"},{"i":4709,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 november 2009, nr. R&P/RA/2009/26287, tot Instelling van een Comité van Experts subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien), Actie A Gelet op [artikel 5 van de Subsidieregeling ESF 2007-2013 (herzien)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&artikel=5). Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het comité:** het Comité van experts Subsidieregeling ESF 2007-2013/Actie A als bedoeld in [artikel 5 van de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&artikel=5); - b. **de Subsidieregeling:** de [subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313); - c. **de minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - d. **het ministerie:** het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2. Instelling Er is een Comité van experts Subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie A. Artikel 3. Taak - a. Het comité heeft tot taak projecten als bedoeld in [artikel 4, onderdeel a, van de Subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&artikel=4), te beoordelen aan de hand van de in [artikel A9 van die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&bijlage=1) genoemde criteria, zulks onder toepassing van een door de minister vooraf op te stellen toetsingskader, waarin deze criteria in afstemming met het comité, nader zijn uitgewerkt. - b. Het comité heeft tot taak de projecten op basis van deze beoordeling, alsmede op basis van het bepaalde in [artikel A9 van de Subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&bijlage=1), te rangschikken naar de mate waarin deze voor subsidieverlening in aanmerking komen. - c. Het comité adviseert de minister uiterlijk vier weken na het einde van het aanvraagtijdvak als bedoeld in [artikel A2 van de Subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&bijlage=1) en licht het advies desgev"},{"i":4689,"b":"Instellingsbeschikking commissie bejegening vreemdelingen Besluit: Artikel 1 Er is een commissie die tot taak heeft advies uit te brengen omtrent het te voeren beleid ten aanzien van vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, dan wel die uitgezet dienen te worden, zulks met betrekking tot de feitelijke bejegening, in het bijzonder de toepassing van drang en dwang, rond de daadwerkelijke uitzetting. Artikel 2 De commissie rapporteert op zo kort mogelijke termijn doch uiterlijk 1 juli 1993. Artikel 3 De commissie is als volgt samengesteld. Artikel 4 Dit besluit zal worden geplaatst in de Staatscourant en afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":4032,"b":"Besluit van 18 december 2006 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur betreffende de verlening van een tegemoetkoming aan personen die een uitkering ontvangen op grond van de Algemene nabestaandenwet, de vaststelling van de hoogte van de AOW-tegemoetkoming en enige andere wijzigingen (Besluit tegemoetkoming Anw-ers en vaststelling AOW- en Anw-tegemoetkoming 2007) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 november 2006, nr. SV/V&G/06/89123; Gelet op [artikel 29a, zevende lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=29a) en [artikel 7, eerste lid, van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=7) en [artikel 33b, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=33b); De Raad van State gehoord (advies van 9 november 2006, nr. W12.06.0473/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 december 2006, nr. SV/V&G/06/99716; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsomschrijving Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder tegemoetkoming: de tegemoetkoming, bedoeld in [artikel 29a van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=29a). Artikel 2. Hoogte tegemoetkoming 1. De tegemoetkoming bedraagt € 21,77 per maand. 2. Dit bedrag wordt jaarlijks gewijzigd overeenkomstig de tabelcorrectiefactor, bedoeld in [artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2). 3. Het gewijzigde bedrag, bedoeld in het eerste lid, en de dag waarop deze wijziging ingaat, worden door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant. Artikel 3. Betaling tegemoetkoming De betaling van de tegemoetkoming geschiedt maandelijks tezamen met de betaling van de nabestaandenuitkering en de wezenuitkering. Artikel 4. Wijziging van het [Besluit voorzieni"},{"i":3834,"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging afdeling Informatie Centrum Burgers Gezien [artikel 4A van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=4a) van 1 januari 20171Gepubliceerd in Staatscourant 2016, nr. 71039, 28 december 2016., waarbij aan hem mandaat, volmacht en machtiging is verleend voor het nemen van de in dat artikel genoemde primaire besluiten; Gezien de in [artikel 15 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=15) van 1 januari 2017 neergelegde toestemming van de voorzitter van het CAK aan de manager van de afdeling Backoffice om voor de aan hem toegekende bevoegdheden ondermandaat te verlenen; Gezien [artikel 20, tweede lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=20) van 1 januari 2017, waarbij aan hem mandaat, volmacht en machtiging is verleend voor het nemen van de in dat artikellid genoemde primaire personeelsbesluiten; Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het Besluit:** het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946) van 1 januari 2017. - b. **manager:** de manager van de afdeling Informatie Centrum Burgers. - c. **teammanager:** de coördinator van de afdeling Informatie Centrum Burgers, te weten: de heer J.E. Cortjens en de heer M. Kleist. - d. **medewerker:** de medewerker planning en control ICB, te weten: de heer W.J.J. Heimeriks. Artikel 2. primaire besluiten vaststellen en herzien – regeling Gemoedsbezwaarden en Onverzekerbare vreemdelingen De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - –. voor het voorbereiden, nemen en bekendmaken van primaire besluiten tot het vaststellen of herzien van rechten en verplichtingen in het kader van de burgerregelingen, waartoe het CAK bevoegd is bij o"},{"i":7562,"b":"Besluit van 14 december 2007, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet politiegegevens (Besluit politiegegevens) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie van 11 juni 2007, nr. 5488670/07/6; Gelet op de [artikelen 6, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=6), [10, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=10), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=11), [12, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=12), [13, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=13), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=15), [17, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=17), [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=21), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=22), [23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=23), [31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=31), [32, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=32), [33, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=33), en [46, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=46) en [artikel 4, tweede lid, van de Wet melding ongebruikelijke transacties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006331&artikel=4); De Raad van State gehoord (advies van 7 augustus 2007, nr. W03.07.0163/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie, mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie van 5 december 2007, nr. 5516760/07/6; Hebben goedgevonden en verstaan"},{"i":2964,"b":"Besluit Aanwijzing medewerkers BFT 2018 Gelet op [hoofdstuk 5 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=5); Gelet op [artikel 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=110) en [artikel 111a Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=111a) (Wna); Gelet op [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=30) en [artikel 30a Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=30a) (Gdw); Gelet op [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=24) en [artikel 26 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=26) (Wwft); Besluit: Artikel 1 Het bestuur BFT wijst aan en belast in het kader van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wna](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388), de [Gdw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197) en de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) de medewerkers van het BFT, aangesteld in de functie van directeur, hoofd, toezichthouder of jurist. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Aanwijzing medewerkers BFT 2018. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 25 juli 2018. Artikel 4 1. Het ‘[Besluit Aanwijzing medewerkers BFT 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039223)’ (gepubliceerd in de Staatscourant van 23 februari 2017; nr. 7258) wordt ingetrokken. 2. Dit Besluit Aanwijzing medewerkers BFT 2018 zal in de Staatscourant worden geplaatst. 3. Tevens zal dit Aanwijzingsbesluit op de website van het BFT worden geplaatst."},{"i":2875,"b":"Beschikking van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 november 2021, nr. 3613881, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2022 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2022) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2022 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,9. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2022. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3398,"b":"Besluit van 6 mei 2025 tot wijziging van het Algemeen douanebesluit in verband met de invoering van de Wet cameratoezicht douane (Besluit cameratoezicht douane) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 februari 2025, nr. 2025-0000039039; Gelet op [artikel 1:23h van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:23h); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 maart 2025, nr. W06.25.00032/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 13 april 2025, nr. 2025-0000120669; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Algemeen douanebesluit. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit cameratoezicht douane. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7580,"b":"Besluit van 12 maart 1999, houdende regels inzake de in het kader van de Telecommunicatiewet in rekening te brengen vergoedingen (Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 18 november 1998, nr. HDTP/98/3612/CG, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post; Gelet op [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&hoofdstuk=3) en de [artikelen 16.1, eerste, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=16.1), en [20.17 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.17), alsmede op [artikel 13a, vierde lid, van de Postwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004423&artikel=13a); De Raad van State gehoord (advies van 29 januari 1999, no.W09.98.0533); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 8 maart 1999, nr. DGTP/99/233/CG, Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - aanbieder: onderneming die openbare elektronische communicatiediensten, openbare elektronische communicatienetwerken of bijbehorende faciliteiten aanbiedt; - vergoeding: vergoeding, bedoeld in [artikel 16.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=16.1) of [artikel 31 van de Wtv BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=31); - wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - Wtv BES: [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469). Artikel 2 1. De vergoeding dient ter dekking van de kosten van de werkzaamheden of diensten die ingevolge het bepaalde bij of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) of de [Wtv BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469) door Onze Minister worden verricht. 2. De vergoeding bestaat uit: - a. een bedrag dat verband houdt"},{"i":4543,"b":"Circulaire wijziging paspoortuitvoeringsregelingen Aan: De burgemeester i.a.a. de Hoofden Burgerzaken De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Bijgaand treft u een ministeriële regeling aan, waarbij onder andere de [Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012811) (PUN 2001) wordt gewijzigd. De regeling betreft voornamelijk de wijziging van enkele procedures in het aanvraagproces van reisdocumenten, alsmede enige noodzakelijke redactionele aanpassingen. De regeling is voorzien van een toelichting, waarin nader op de wijzigingen wordt ingegaan. In het bijzonder vraag ik uw aandacht voor de nieuwe procedure bij het aanvragen van Nederlandse reisdocumenten voor vreemdelingen door in Nederland geboren kinderen van toegelaten vluchtelingen. Daarnaast wijs ik u gaarne op het feit dat [artikel 10 PUN 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012811&artikel=10), waarin de territoriale geldigheid van de Nederlandse identiteitskaart (NIK) wordt geregeld, op dit moment nog niet is aangepast aan de uitbreiding van de Europese Unie met tien nieuwe landen. De acceptatie van de NIK (én van de nog niet verlopen Europese identiteitskaart) als regulier document voor grensoverschrijding is voor drie van de tien nieuwe landen, te weten Letland, Litouwen en Slowakije, namelijk nog niet formeel geregeld. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is op dit moment bezig om ook deze drie landen schriftelijk te laten bevestigen, dat zij de genoemde identiteitskaarten als reisdocument erkennen. Het verdient voorshands dan ook aanbeveling om burgers die met een NIK of een Europese identiteitskaart naar een van de drie genoemde landen willen reizen, bij eventuele vragen te verwijzen naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het desbetreffende land. Bij de overige zeven landen (Estland, Polen, Tsjechië, Hongarije, Slovenië, Malta en Cyprus) is dat niet nodig. Zodra van alle nieuwe EU-landen de formele bevestiging"},{"i":4544,"b":"Circulaire wijziging vergoeding van lid van algemeen bestuur per 1 januari 2013 Algemene informatie Door middel van deze circulaire wordt u geïnformeerd over de wijzigingen van het bedrag van de vergoeding voor een lid van het algemeen bestuur van een waterschap, genoemd onder [artikel 3.2, tweede lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.2). Daarnaast informeer ik u over de bezoldiging en de eindejaarsuitkering van een lid van het dagelijks bestuur en over de bezoldiging, de ambtstoelage en de eindejaarsuitkering van de voorzitter. In deze circulaire wordt ook gesproken over de werkkostenregeling. Over de toepassing van de werkkostenregeling bent u eerder geïnformeerd bij [circulaire van 8 maart 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029754), nr. 2011-2000024839. 1. Vergoeding van een lid van het algemeen bestuur van een waterschap. Het bedrag van de vergoeding voor een lid van het algemeen bestuur van een waterschap wordt op grond van [artikel 3.2, tweede lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.2) per 1 januari van elk jaar herzien door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit gebeurt aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar vastgestelde indexcijfer CAO lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen. Ten aanzien van 2012 heb ik u in de circulaire van 30 november 2011, nr. 2000524134, gemeld dat het indexcijfer CAO lonen overheid inclusief bijzondere beloningen geldend voor de maand september 2011 op dat moment nog niet bekend was. De vergoeding voor een lid van het algemeen bestuur van een waterschap is daarom met ingang van 1 januari 2012 niet aangepast. In de loop van 2012 werd dit indexcijfer wel bekend. Dat indexcijfer was 0,3% lager ten opzichte van het indexcijfer dat voor 2011 gehanteerd werd. Er is toen voor gekozen deze verlaging op dat moment nie"},{"i":2751,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2006 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 juli 2006, doch niet later dan 15 augustus 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,550 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2006 en eindigende met 15 augustus 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":3558,"b":"Besluit van 28 oktober 2002, houdende de herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot het verstrekken van rijksbijdragen aan gemeenten ten behoeve van de inburgering van nieuwkomers en oudkomers Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 23 oktober 2002, nr. 02M442187; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie wordt belast met het aan de gemeenten verstrekken van een rijksbijdrage als bedoeld in [artikel 2.3.1., tweede lid, van de Wet educatie beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.3.1) voorzover deze taak voor 1 januari 2003 was opgedragen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Artikel 2 Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie wordt belast met het aan de gemeenten toekennen van een rijksbijdrage als bedoeld in [artikel 16 van de Wet Inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544&artikel=16) voorzover deze taak voor 1 januari 2003 was opgedragen aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 3 Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie wordt met ingang van 1 januari 2005 belast met het aan de gemeenten toekennen van een rijksbijdrage ten behoeve van de inburgering van oudkomers voorzover deze taak voordien was opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 De taken van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van het Ministerie van Justitie worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2003. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Ministers van Justitie, voor Vreemdelingenzaken en Integratie, van Onderwijs,"},{"i":2359,"b":"Beleidsbesluit doorschuiffaciliteit afschaffing open CV **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat een algemene toestemming voor de inspecteur om verzoeken af te doen als bedoeld in artikel X, tweede lid, Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen. De voorwaarden die de inspecteur daarbij moet stellen zijn opgenomen in een bijlage en toegelicht in dit besluit.** 1. Inleiding Het overgangsrecht in het kader van de afschaffing van de open commanditaire vennootschap regelt dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 – voor Nederlandse fiscale doeleinden – sprake is van een fictieve vervreemding door de open commanditaire vennootschap van haar vermogensbestanddelen aan de beherende en commanditaire vennoten ([artikel IX, eerste lid, Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049130&artikel=IX)). [Artikel X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049130&artikel=X) biedt een doorschuiffaciliteit op grond waarvan de open commanditaire vennootschap niet hoeft af te rekenen over de fictieve vervreemdingswinst. Dit besluit bevat een algemene toestemming voor de inspecteur om verzoeken af te doen als bedoeld in [artikel X, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049130&artikel=X). De voorwaarden die de inspecteur daarbij moet stellen zijn opgenomen in bijlage 1 en toegelicht in dit besluit. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen Dit besluit bevat de volgende onderdelen. 2. De faciliteit In [artikel IX, eerste lid, Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049130&artikel=IX) is bepaald dat een open CV op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 geacht wordt al haar vermogensbestanddelen tegen de waarde in het economische verkeer te hebben overgedragen aan haar commanditaire en beherende vennoten. Daarnaast wordt een open CV op grond van het eerste lid geacht"},{"i":3013,"b":"Besluit van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) van 22 februari 2023 tot aanwijzing van toezichthouders TloKB, houdende de aanwijzing van personen die zijn belast met het toezicht op de naleving van het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen bij of krachtens artikel 7ac en artikel 7ah Woningwet (Besluit aanwijzing toezichthouders TloKB) Gelet op: [wet kwaliteitsborging voor het bouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042732); [7ac](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ac), [7ah](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ah), [7ak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ak), [7am](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7am) en [92 lid 3 Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=92); [afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=5.2). besluit Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **TloKB:** de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw; - b. **Wkb:** [Wet kwaliteitsborging voor het bouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042732). Artikel 2 De TloKB heeft op grond van [artikel 7ak lid 2 Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ak) als taak het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [artikel 7ac](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ac) en [artikel 7ah van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ah). Artikel 3 Op grond van [artikel 92 lid 3 Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=92) zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [artikel 7ac](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ac) en [artikel 7ah Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ah) belast de bij"},{"i":2367,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 25 april 2019, nr. WJZ/7965679(8176), houdende uitleg van het begrip aanbodkanaal in het kader van het besluit over instemming, bedoeld in de artikelen 2.21, derde lid, en 2.60m, derde lid, Mediawet 2008 (Beleidsregel aanbodkanaal) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 2.21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.21), en [2.60m, derde lid, Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.60m); Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **aanbodkanaal, catch-up, landelijke publieke media-instelling, media-aanbod, NPO:** wat daaronder wordt verstaan in [artikel 1.1, eerste lid, Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - b. **instemming:** instemming als bedoeld in de [artikelen 2.21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.21), en [2.60m, derde lid, Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.60m); - c. **lineair:** wijze van verspreiding van media-aanbod via een chronologisch schema voor gelijktijdige afname door het algemene publiek of een deel daarvan; - d. **mediaproduct:** elektronisch product met beeld- of geluidsinhoud dat duidelijk is afgebakend en als zodanig herkenbaar onder een afzonderlijke titel, al dan niet gedeeld in afleveringen, is bestemd voor afname door het algemene publieke of een deel daarvan; - e. **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - f. **on demand:** wijze van verspreiding van media-aanbod via afname op individueel verzoek en op een moment naar eigen keuze; - g. **wijze van verspreiding:** lineair of on demand, waarbij binnen on demand nog catch up wordt onderscheiden. Artikel 2. Nadere ordening van een aanbodkanaal Onder de instemming voor een aanbodkanaal v"},{"i":2369,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 29 april 2021, nr. 26561189, houdende beleid over de wijze waarop de bevoegdheid wordt uitgeoefend tot het verlenen van het recht op diploma-erkenning voor niet-bekostigde beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Beleidsregel diploma-erkenning niet-bekostigde beroepsopleidingen (2021)) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1); Besluit: Artikel 1. Beoordelingskader Bij de beoordeling van aanvragen tot het verlenen van het recht op diploma-erkenning voor niet-bekostigde beroepsopleidingen, het verlengen en het intrekken daarvan, als bedoeld in [artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1) wordt gehandeld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Intrekking vorige beleidsregels De beleidsregels: - a. [Aanvraagprocedure diploma-erkenning bol/bbl voor niet bekostigde instellingen voor het beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042118) (Staatscourant 2015, 3374); en - b. [Procedures van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het aanvragen van diploma-erkenning voor een beroepsopleiding, als bedoeld in artikel 7.1.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044196) (Staatscourant 2018, 69651), worden ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvraagprocedure diploma-erkenning voor niet-bekostigde beroepsopleidingen (2021). Bijlage. bij [artikel 1](https://wetten.overheid"},{"i":2370,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 2 oktober 2024, nr. WJZ/ 86864848, tot nader specificeren van de eisen die worden gesteld aan gedragscodes soortenbescherming en houtopstanden bij aanwijzing in de Omgevingsregeling (Beleidsregel aanwijzing gedragscodes soortenbescherming en houtopstanden) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), de [artikelen 4.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [5.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1) en [5.2, derde lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.2), in samenhang met de [artikelen 11.45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.45), [11.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.53), [11.59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.59) en [11.131, eerste lid, aanhef en onder d, en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.131); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **beschermde soort:** van nature in Nederland in het wild voorkomende soort die valt onder de reikwijdte van de bepalingen in [afdeling 11.2 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&afdeling=11.2) over vergunningplichtige flora- en fauna-activiteiten; - **besluit:** [Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330); - **minister:** Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Artikel 2. (voorwaarden aanwijzing gedragscode) 1. De minister wijst een gedragscode soortenbescherming als bedoeld in de [artikelen 11.45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.45), [11.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.53) of [11.59 van het besluit](htt"},{"i":2372,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Natuur en Stikstof van 21 mei 2024, nr. WJZ/52780336 tot nader specificeren van de eisen die worden gesteld aan de aanwijzing van nationale parken (Beleidsregel aanwijzing nationale parken) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 2.44, derde lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.44) en [artikel 3.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=3.68); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **landschaps- of gebiedsbiografie:** beschrijving van de ontstaansgeschiedenis en langetermijnontwikkeling van het landschap in een bepaald gebied; - –. **landschapsecologisch systeem:** landschap of deel van een landschap waarbinnen onderling samenhangende functionele en ruimtelijke relaties bestaan tussen mens en natuur; - –. **LESA:** landschapsecologische systeemanalyse van de fysisch geografische en ecologische factoren en hun wederzijdse beïnvloedingen in een landschap met aandacht voor de invloed van de mens in het verleden en heden; - –. **minister:** Minister voor Natuur en Stikstof; - –. **wezenlijke kenmerken:** abiotische, biotische en cultuurhistorische kernkwaliteiten en hun samenhang die bepalend zijn voor het unieke, onderscheidende karakter van het nationaal park. Artikel 2. (voorwaarden aanwijzing nationaal park) 1. De minister wijst op grond van [artikel 2.44, derde lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.44) in samenhang met [artikel 3.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=3.68) een gebied uitsluitend als nationaal park aan, als: - a. het gebied ten minste één aaneengesloten natuurkern bevat van minimaal 1.000 hectare die behoort tot Natura 2000-gebied of onderdeel is van het Natuurnetwerk Nede"},{"i":2373,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 juni 2016, nr. WJZ/1013167 (7544), inzake het aanwijzen van rijksmonumenten en het wijzigen van het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3.4 van de Erfgoedwet (Beleidsregel aanwijzing rijksmonumenten en wijziging rijksmonumentenregister Erfgoedwet) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 3.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=3.1), en [3.4, eerste lid, van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=3.4); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Minister:** minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **monument:** monument als bedoeld in [artikel 1.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1); - **archeologisch monument:** archeologisch monument als bedoeld in [artikel 1.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1); - **aanwijzingsprogramma:** programma met als doel het op gestructureerde wijze uitbreiden van het rijksmonumentenbestand met een daarin nog niet vertegenwoordigde categorie monumenten of archeologische monumenten aan de hand van een overzicht van monumenten of archeologische monumenten die de Minister voornemens is op grond van [artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=3.1) aan te wijzen als rijksmonument; - **rijksmonumentenbestand:** het geheel van in het rijksmonumentenregister ingeschreven rijksmonumenten; - **verbeterprogramma:** programma met als doel het rijksmonumentenbestand of rijksmonumentenregister met betrekking tot een bepaalde categorie monumenten of archeologische monumenten op gestructureerde wijze te verbeteren aan de hand van een overzicht"},{"i":2374,"b":"Beleidsregel van het Commissariaat voor de Media over de procedure tot aanwijzing van lokale publieke media-instellingen (Beleidsregel aanwijzingsprocedure lokale publieke media-instellingen 2025) Gelet op de [artikelen 2.61 tot en met 2.69 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.61), de [artikelen 5 tot en met 9 van de Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040&artikel=5) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Gelet op het wetsvoorstel tot wijziging van de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau, Besluit: I. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - b. **besluit:** het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); - c. **regeling:** de [Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040); - d. **het Commissariaat:** het Commissariaat voor de Media; - e. **aanvraag:** de aanvraag voor een aanwijzing als bedoeld in [artikel 2.65 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.65); - f. **aanwijzingsperiode:** een periode van vijf jaar als bedoeld in [artikel 2.65 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.65); - g. **aanwijzingsprocedure:** de gehele procedure van aanwijzing van een lokale publieke media-instelling voor de verzorging van de publieke mediadiensten op lokaal niveau als bedoeld in [artikel 2.61, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.61); - h. **gebiedsuitbreiding:** aanwijzing van een lokale publieke media-instelling in meer gemeenten dan waarvoor de lokale publieke media-instelling reeds was aangewezen; - i. **fusie:** het samengaan v"},{"i":4778,"b":"Besluit van 19 september 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van landbouwproducten (Landbouwkwaliteitsbesluit 2007) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 1 juni 2007, Directie Juridische Zaken, no. TRCJZ/2007/1788; Gelet op verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1991 inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (PbEG L 198), verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee (PbEG L 173), verordening (EEG) nr. 1538/91 van de Commissie van 5 juni 1991 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee (PbEG L 143), verordening (EG) nr. 1028/2006 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 juni 2006 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (PbEU L 186), verordening (EG) nr. 557/2007 van de Commissie van 23 mei 2007 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1028/2006 van de Raad betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (PbEU L 132), verordening (EEG) nr. 2200/96 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PbEG L 297), verordening (EG) nr. 1666/1999 van de Commissie van 28 juli 1999 houdende toepassingsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad betreffende de minimumkenmerken voor het in de handel brengen van bepaalde krenten- en rozijnenvariëteiten (PbEG L 197), verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PbEG L 47), verordening (EG) nr. 2257/1994 van de Commissie van 16 september 1994 tot vaststelling van kwaliteitsnormen voor bananen (PbEG L 245),"},{"i":7200,"b":"Verdrag betreffende het verplicht geneeskundig onderzoek van kinderen en jeugdige personen werkzaam aan boord van schepen VERDRAG BETREFFENDE HET VERPLICHT GENEESKUNDIG ONDERZOEK VAN KINDEREN EN JEUGDIGE PERSONEN WERKZAAM AAN BOORD VAN SCHEPEN. De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 25 October 1921, in hare derde zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende „verplicht geneeskundig onderzoek van kinderen en jeugdige personen aan boord van schepen”, welk onderwerp een onderdeel uitmaakt van het 8ste punt van de agenda der zitting en besloten hebbende, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden “Verdrag betreffende het verplicht geneeskundig onderzoek van kinderen en jeugdige personen werkzaam aan boord van schepen, 1921”, ter bekrachtiging door de leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid, zulks in overeenstemming met de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen"},{"i":7228,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Italiaanse Republiek, verlangend de betrekkingen tussen de beide Landen te regelen ten aanzien van de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken, hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en hebben tot hun Gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Willem Lodewijk Frederik Graaf van Bylandt, Ambassadeur der Nederlanden in Italië, de President van de Italiaanse Republiek: de Heer Giuseppe Pella, Minister van Buitenlandse Zaken, die, na hun volmachten in goede en behoorlijke vorm te hebben bevonden, de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 De beslissingen, in burgerlijke en handelszaken gegeven door de gerechten van een der beide Staten, hebben op het gebied van de andere Staat het gezag van gewijsde zaak, indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen: - 1). dat de beslissing afkomstig is van een gerecht, dat bevoegd is volgens artikel 2 van dit Verdrag; - 2). dat de erkenning van de beslissing niet strijdig is met de openbare orde of met de beginselen van het publieke recht van de Staat, waar een beroep op de beslissing wordt gedaan; - 3). dat de beslissing niet in tegenspraak is met een beslissing, die reeds over hetzelfde geschil door een gerecht van de aangezochte Staat is gegeven; - 4). dat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan volgens de wet van de Staat, waar zij is gegeven; - 5). dat, in geval van veroordeling bij verstek, de oproeping waarmede de zaak aanhangig is gemaakt, tijdig is afgegeven aan de niet verschenen partij. Op het gezag van gewijsde zaak kan een beroep worden gedaan door iedere belanghebbende partij volgens de regelen van procesrecht, welke in de aangezochte Staat van kracht zijn. Artikel"},{"i":7227,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Franse Republiek inzake personencontrole op de luchthavens op Sint Maarten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek, hierna genoemd de Verdragsluitende Partijen, Overwegende dat het eiland Sint Maarten een intensief verkeer van personen kent; Overwegende dat het eiland Sint Maarten, waarop het onderhavige Verdrag betrekking heeft, uit twee delen bestaat, waarvan het ene grondgebied is van de Franse Republiek en het andere grondgebied is van de Nederlandse Antillen, deel van het Koninkrijk der Nederlanden vormend; Overwegende dat het in het gemeenschappelijke belang is van beide Verdragsluitende Partijen een doelmatige controle te verzekeren van de personen die op de onderscheiden luchthavens van het eiland aankomen, teneinde illegale immigratie te voorkomen en te bestrijden; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe samen te werken teneinde de doelmatigheid van de controle op de binnenkomst en van het toezicht op het verblijf van vreemdelingen op Sint Maarten te verzekeren. Artikel 2 In dit Verdrag wordt verstaan onder: - -. Gaststaat: de Verdragsluitende Partij op wier gebiedsdeel de luchthaven is gelegen alwaar grensbewakingsambtenaren van de andere Verdragsluitende Partij personencontrole uitoefenen in de zin van dit Verdrag. - -. Zendstaat: de Verdragsluitende Partij wier grensbewakingsambtenaren personencontrole uitoefenen in de zin van dit Verdrag op de luchthaven die is gelegen op het gebiedsdeel van de andere Verdragsluitende Partij. - -. Gebiedsdeel: het tot het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden behorende deel (Sint Maarten) en het tot het grondgebied van de Franse Republiek behorende deel (Saint-Martin). - -. Zone: het deel van de luchthaven van de gaststaat waarbinnen de grensbewakingsambtenaren van de zendstaat bevoegd zijn tot het uitoefenen van personencontrole in het kader van de gezamenlijke"},{"i":4436,"b":"Bestuursreglement van het CAK Artikel 1. Begripsbepalingen In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. **de Wlz:** de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. **het CAK:** het publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met eigen rechtspersoonlijkheid, genoemd in [artikel 6.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1); - c. **de Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - d. **het Ministerie:** het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - e. **de RvB:** de Raad van Bestuur van het CAK; - f. **voorzitter:** de voorzitter van de RvB; - g. **lid / leden:** lid / leden van de RvB, waaronder de voorzitter; - h. **de secretaris:** ambtelijk secretaris van de RvB; - i. **Kaderwet:** [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - j. **de Zvw:** de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 2. De Raad van Bestuur 1. De voorzitter benoemt een secretaris. De secretaris maakt deel uit van het personeel van het CAK. De RvB geeft leiding aan het personeel van het CAK. 2. De RvB is verantwoordelijk voor de opstelling van een begroting, meerjarenraming en een werkprogramma voor de uitvoering van de wettelijke taken. 3. De RvB is verantwoordelijk voor uitvoering van de taken, voor de kwaliteit van de resultaten en producten en voor de duurzame bedrijfsvoering van het CAK. 4. De RvB regelt de structuur en de werkwijze van de organisatie waaronder het kwaliteitsbeleid van het CAK. 5. De RvB is verantwoordelijk voor de opzet en werking van een risicobeheersings- en controlesysteem ten behoeve van de beheersing van de primaire en ondersteunende processen. 6. De RvB is verantwoordelijk voor de tijdige informatievoorziening aan de Minister en het ministerie conform de afspraken die met het ministerie over de informatie-uitwisseling zijn gemaakt. 7. De Minister verdeelt de taken en verantwoordelijkhe"},{"i":7592,"b":"Briefwisseling houdende een overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Republiek Kroatië betreffende automatische gegevensuitwisseling inzake inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling Overwegende hetgeen volgt: Artikel 17, lid 2, van [Richtlijn 2003/48/EG](32003L0048) (hierna te noemen „de richtlijn”) van de Raad van de Europese Unie (hierna te noemen „de Raad”) betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling bepaalt dat de lidstaten de wet- en regelgeving en bestuursrechtelijke bepalingen aannemen en bekendmaken die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, waarvan de bepalingen vanaf 1 januari 2005 worden toegepast mits: de Zwitserse Bondsstaat, het Vorstendom Liechtenstein, de Republiek San Marino, het Vorstendom Monaco en het Vorstendom Andorra vanaf diezelfde datum maatregelen toepassen die gelijkwaardig zijn aan de maatregelen waarin de richtlijn voorziet, zulks overeenkomstig de overeenkomsten die zij met de Europese Gemeenschap hebben gesloten na met eenparigheid van stemmen genomen besluiten van de Raad; alle overeenkomsten of andere regelingen van kracht zijn waarin wordt bepaald dat alle betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden vanaf die datum automatische gegevensuitwisseling toepassen zoals voorgeschreven in hoofdstuk II van de richtlijn of tijdens de in artikel 10 bepaalde overgangsperiode een bronbelasting toepassen die strookt met de in artikelen 11 en 12 vervatte voorwaarden; De Raad heeft op 19 juli 2004 (Besluit van de Raad 2004/587/EG) de toepassingsdatum van de richtlijn gewijzigd van 1 januari 2005 in 1 juli 2005. De Raad heeft op 24 juni 2005: kennis genomen van de bevestiging die hij heeft ontvangen van de 25 lidstaten van de EU, 5 Europese derde landen (Andorra, Liechtenstein, Monaco, San Marino, Zwitserland), 3 direct van de Britse Kroon afhankelijke gebieden (Guernsey, eiland Man, Jersey) en 7 afhankelijke of geassocieerde gebieden in het C"},{"i":3879,"b":"Besluit van 12 september 2007, houdende implementatie van richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PbEU L 142) en houdende modernisering van de regels met betrekking tot het openbaar overnamebod (Besluit openbare biedingen Wft) Op voordracht van Onze Minister van Financiën van 20 april 2006, FM 2006-00982; Gelet op [richtlijn nr. 2004/25/EG](32004L0025) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PbEU L 142) en de [artikelen 1:40, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:40), [1:81, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [5:56, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:56), [5:59, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:59), [5:71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:71), [5:76, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:76), [5:80a, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:80a), en [5:80b, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:80b); De Raad van State gehoord (advies d.d. 29 mei 2006, nr. W06.06.0124/IV) Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 6 september 2007, FM 2006-01349; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - b. volledig bod: openbaar bod dat de geboden prijs of ruilverhouding vermeldt en dat strekt tot verwerving van alle effecten van de doelvennootschap van dezelfde categorie of klasse, niet zijnde een verplicht bod; - c. partieel bod: openbaar bod dat de geboden prijs of ruilverhouding vermeldt en dat strek"},{"i":3890,"b":"Besluit van 23 september 1997, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de apothekersassistent (Besluit opleiding en deskundigheidsgebied apothekersassistent) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 mei, CSZ/BO-977338; Gelet op [artikel 34 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34); Gezien het advies van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (adviezen van 8 juli 1994 en 4 oktober 1996); De Raad van State gehoord (advies van 23 juli 1997, No. W13.97.0285); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 september 1997, CSZ/BO-9712645; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. geneesmiddel: een geneesmiddel als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1); - b. medisch hulpmiddel: medisch hulpmiddel als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet op de medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002697&artikel=1). § 2. Titel Artikel 2 Het recht tot het voeren van de titel van apothekersassistent is voorbehouden aan degene aan wie het diploma is uitgereikt waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen van een opleiding tot apothekersassistent heeft afgelegd die is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in [artikel 6.4.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.4.1). § 3. Deskundigheid Artikel 3 Tot het gebied van deskundigheid van de apothekersassistent wordt gerekend het, onder toezicht van een apotheker of van een apotheekhoudende huisarts, bereiden, ter hand stellen en beheren van geneesmiddelen, het afleveren en beheren van medische hulpmiddelen, alsmede het geven van farmaceutische ad"},{"i":6913,"b":"Besluit van 12 februari 2026, houdende invoering van regels met betrekking tot het loopbaanvervolg van bewindspersonen (Besluit regels vervolgfuncties bewindspersonen) [KetenID: WGK026980] Op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 november 2025, nr. 2025-0000643515; Gelet op de [artikelen 2, dertiende en veertiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=2), [3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=3), en [4, vijfde lid, van de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 februari, nr. W04.25.00347/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 februari 2026, nr. 2026-0000052806; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen in werking treedt. Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611). Artikel 2 1. Bij ministeriële regeling worden ten behoeve van een advies als bedoeld in de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=2), [3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=3), en [4, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=4) regels gesteld met betrekking tot de procedure die wordt gevolgd vanaf het tijdstip dat het verzoek om advies is ingediend tot aan het tijdstip dat het advies is uitgebracht. 2. Een verzoek als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051611&artikel=2) wordt enkel in behandeling genomen indien een hiertoe bestemd bij ministeriële regeling vastgesteld formulier is ingevuld, waarin naast naam, adres"},{"i":7931,"b":"Wet ongevallenverzekering BES Inleidende bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **werkgever:** iedere natuurlijke of rechtspersoon, die binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba één of meer werknemers arbeid doet verrichten, alsmede de natuurlijke of rechtspersoon die, gevestigd binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, één of meer werknemers, die eveneens binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigd zijn, arbeid doet verrichten in het buitenland; - c. **werknemer:** een natuurlijk persoon, die met overeenkomstige toepassing van [artikel 2 van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=2) als werknemer wordt beschouwd omdat hij tot een inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staat, met uitzondering van: - 1°. thuiswerkers, met uitzondering van degenen die werken met bij algemene maatregel van bestuur als gevaarlijk aangewezen stoffen, - 2°. de kapitein en schepelingen op zeeschepen van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, - 3°. degene, die in dienst is van een publiekrechtelijk lichaam en aan de voor hem geldende rechtspositieregelingen recht op uitkering bij ongeval kan ontlenen, en - 4°. de bestuurder of commissaris, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=3); - d. **behandelende geneeskundige:** de geneeskundige die op aanwijzing of met goedvinden van Onze Minister de werknemer onderzoekt of behandelt; - e. **controlerende geneeskundige:** de geneeskundige die als zodanig door Onze Minister is aangewezen; - f. **ongeval:** een ongeval dat de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking is overkomen en de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ziekten en lichamelijke letsels,"},{"i":7932,"b":"Wet van 4 juli 1990, houdende regels met betrekkking tot het consumentenkrediet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te geven met betrekking tot het consumentenkrediet, mede ter vervanging van de bepalingen van de Wet op het consumptief geldkrediet (**Stb.** 1972, 399) en de Wet op het afbetalingsstelsel 1961 (**Stb.** 1976, 515) en, in verband daarmee, de [Colportagewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002896) (**Stb.** 1973, 438) te wijzigen en voorts, dat de [richtlijn (EEG) nr. 87/102](31987L0102) van de Raad van de Europese Gemeenschappen, van 22 december 1986, betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake het consumentenkrediet (**PbEG** L 42), noodzaakt tot het vaststellen van een aantal wettelijke bepalingen met betrekking tot het consumentenkrediet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Afdeling 1. Definities Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **krediettransactie:** iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat: - 1°. door of vanwege de eerste partij (de kredietgever) aan de tweede partij (de kredietnemer) een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de tweede partij aan de eerste partij een of meer betalingen doet, - 2°. door of vanwege de eerste partij (de kredietgever) aan de tweede partij (de kredietnemer) het genot van een roerende zaak wordt verschaft of een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen dienst wordt verleend en de tweede partij aan de eerste partij een of meer betalingen doet, of - 3°. door of vanwege de eerste partij (de kredietgever) aan de tweede partij (de kredietnemer), dan wel ten behoeve van deze aan een derde partij (de l"},{"i":7933,"b":"Wet van 27 maart 1936, tot overbrenging van de consignatiekas voor het bewaren van effecten aan toonder naar de Nederlandsche Bank Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is de consignatiekas voor het bewaren van effecten aan toonder, bedoeld in de artikelen 391, 392 en 397 van het Burgerlijk Wetboek, te doen houden door de Nederlandsche Bank; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Tot het bewaren van effecten aan toonder die aan een minderjarige of onder curatele gestelde toebehoren en waarvan de kantonrechter heeft bepaald dat zij moeten worden bewaard bij de Nederlandsche Bank, wordt door deze bank een consignatiekas gehouden. 2. In deze consignatiekas worden insgelijks bewaard de effecten aan toonder die een voogd of curator, tot zekerheid voor zijn beheer, krachtens bevel van de kantonrechter in pand moet geven. 3. Bij de inbewaargeving wordt de in het eerste of tweede lid bedoelde rechterlijke beschikking, of een authentiek afschrift daarvan, overgelegd. Artikel 2 1. De in [artikel 1, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001972&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01), bedoelde effecten moeten in bewaring gegeven worden met de daarbij behoorende talons, coupons en dividendbewijzen; de in [artikel 1, lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001972&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01), bedoelde effecten behooren bij de inbewaargeving van diezelfde stukken voorzien te zijn, voor zooverre deze aanwezig zijn. 2. De Nederlandsche Bank geeft aan den bewaargever of diens vertegenwoordiger een schriftelijk bewijs van de ontvangst der effecten af, waarin zij verklaart deze in bewaring te hebben genomen krachtens de in het [derde lid van artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001972&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01)"},{"i":7934,"b":"Wet van 29 oktober 2015 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter uitvoering van verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PbEU 2014, L 257) (Wet uitvoering verordening centrale effectenbewaarinstellingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van [Richtlijnen 98/26/EG](31998L0026) en [2014/65](32014L0065)/EU en Verordening (EU) nr. [236/2012](32136L2012) (PbEU 2014, L 257); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel III Wijzigt de Faillissementswet. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IVa Wijzigt deze wet. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet uitvoering verordening centrale effectenbewaarinstellingen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9935,"b":"Besluit van 28 april 1988, houdende uitvoering van artikel 32, tweede en derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 juni 1987, no. MJZ 2667007, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [artikel 32, tweede en derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=32) (**Stb.** 1985, 639); De Raad van State gehoord (advies van 27 januari 1988, Nr. W08.87.0301); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 april 1988, no. MJZ 2148044, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245); - b. vervaardigen: produceren van een stof of preparaat met het oogmerk deze, al dan niet verwerkt in een (ander) preparaat dan wel verwerkt of omgezet in een produkt, aan een ander ter beschikking te stellen; - c. administratieplichtige: ieder die beroepshalve stoffen of preparaten vervaardigt of in Nederland invoert. Artikel 2 1. De administratieplichtige administreert met betrekking tot stoffen en preparaten die hij heeft vervaardigd, in Nederland ingevoerd of aan een ander ter beschikking gesteld de chemische namen en de gewichtspercentages van de belangrijkste daarin aanwezige stoffen tot in totaal 95 gewichtsprocenten van het preparaat, alsmede, voor zover hij daarover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, de chemische namen van de stoffen die de resterende 5 gewichtsprocenten van een preparaat vormen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien degene die aan de administratieplichtige een preparaat of een of meer bestanddelen van een door de administratieplichtige vervaardigd preparaat ter beschikking heeft gesteld, de gegevens met betrekking tot de samenstelling daa"},{"i":12402,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 29 maart 2024, kenmerk, tot instelling van een onafhankelijke Personeelsraadgever IenW (Besluit instelling personeelsraadgever IenW) **Gehoord het Decentraal Georganiseerd Overleg** Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - 1. **Medewerker:** degene die als ambtenaar werkzaam is of is geweest bij een van de dienstonderdelen van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. - 2. **Personeelsraadgever IenW:** de persoon bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049552&artikel=2&z=2024-04-10&g=2024-04-10). Artikel 2 1. Er is een Personeelsraadgever IenW, hierna p-raadgever. Deze is werkzaam bij het ministerie op basis van een arbeidsovereenkomst. Met deze p-raadgever wordt uitvoering gegeven aan de CAO afspraken Rijk voor de instelling van een pilot onafhankelijke p-raadgever voor de duur van een jaar. 2. De p-raadgever is belast met de behandeling van vragen van medewerkers betreffende hun rechtspositie, waarop het Rijksportaal en/of P-Direkt geen eenduidig antwoord geven. 3. De p-raadgever biedt de medewerker de mogelijkheid in gesprek te gaan over (potentiële) arbeidsconflicten. 4. De p-raadgever luistert naar het verhaal van een medewerker, kan doorverwijzen naar een andere functionaris zoals een functionaris van bedrijfszorg en kan adviseren of bemiddelen in het zoeken naar een oplossing. 5. De p-raadgever heeft als doel bij te dragen aan de behoefte van medewerkers aan sociale veiligheid. Artikel 3 1. De p-raadgever heeft een directe escalatielijn naar de Secretaris-Generaal. 2. De p-raadgever heeft in het kader van de uitvoering van zijn taken rechtstreeks toegang tot alle onderdelen van de dienst. De p-raadgever kan direct met leidinggevenden, managers en directeuren, de Secretaris-Generaal niet uitgezonderd, communiceren. Artikel 4 1. Het functie wervingsprofiel wordt in afstemming met de Concerndirectie Mens en Organisatie en de Departementale Ondernemingsraad IenW va"},{"i":11382,"b":"Regeling tegemoetkoming kosten onderwijs verpleegden Gelet op [artikel 43, vierde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=43); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 22 september 2000, nr. 5053768/00/TvdW/rb; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Indien de verpleegde voornemens is onderwijs te gaan volgen of deel te nemen aan educatieve activiteiten, voor zover hierin niet door de inrichting wordt voorzien, kan hij het hoofd van de inrichting verzoeken om een tegemoetkoming in de kosten. 2. Het verzoek wordt tijdig voor het verstrijken van de inschrijvingstermijn voor de betreffende onderwijsvorm of andere vorm van educatie schriftelijk bij het hoofd van de inrichting ingediend. 3. Het hoofd van de inrichting beslist op het verzoek binnen één maand na de dag waarop het verzoek is ontvangen. 4. Het verzoek bevat ten minste de naam van de verpleegde, het onderwijs of de andere vorm van educatie welke de verpleegde voornemens is te volgen, gegevens omtrent de vooropleiding en de kosten welke aan het onderwijs of de educatie zijn verbonden. Artikel 3 1. Het verzoek wordt niet ingewilligd voor zover uit andere hoofde in een tegemoetkoming in de kosten wordt voorzien, voor zover de verpleegde zelf geacht kan worden de kosten te kunnen dragen of voor zover het doel dat met het onderwijs of de educatieve activiteit wordt beoogd niet in overeenstemming is met individuele verplegings- en behandelingsdoeleinden. 2. De mate waarin het verzoek wordt ingewilligd kan door het hoofd van de inrichting afhankelijk worden gesteld van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de deelname door de verpleegde aan het onderwijs of de educatieve activiteit of van diens vorderingen. Artikel 4 1. Het onderwijs of de educatieve activiteit, waarvoor een tegemoetkoming in de kosten wordt verleend, maakt deel uit van het verplegings- en behandelingsplan"},{"i":11879,"b":"Besluit 1-1-2 alarmcentrales Gelet op [artikel 11.10, eerste en vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.10) en artikel 9, onderdeel b, van [Richtlijn nr. 97/66/EG](31997L0066) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 1997 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de telecommunicatiesector (PbEG 1998, L24), Besluit: Artikel 1 Als beheerder van de alarmnummers voor publieke diensten, bedoeld in [artikel 11.10, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.10), wordt aangewezen de korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27). Artikel 2 Als publieke diensten belast met hulpverleningstaken, bedoeld in [artikel 11.10, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.10), worden aangewezen de gemeentelijke en regionale brandweerkorpsen, de Regionale Ambulancevoorzieningen, bedoeld in [artikel 4 van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=4), en de politie. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel 11.10 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.10) in werking treedt. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 1-1-2 alarmcentrales. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden geplaatst."},{"i":7935,"b":"Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Bankwet 1998 en de Wet op het financieel toezicht in verband met het versterken van de governance bij de toezichthouders op de financiële markten (Wet versterking governance van de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is om de [Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508) en de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) te wijzigingen teneinde de governance bij de toezichthouders op de financiële markten, de Nederlandsche Bank NV en de stichting Autoriteit Financiële Markten, te versterken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508) Wijzigt de Bankwet 1998. Artikel II. Wijziging van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet versterking governance van de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7936,"b":"Wet van 27 oktober 2011 tot invoering van de verplichting voor scheepseigenaren om een verzekering te hebben voor het schip en hiervan een bewijs aan boord te hebben ter uitvoering van Richtlijn nr. 2009/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 betreffende de verzekering van scheepseigenaren tegen maritieme vorderingen (PbEU L 131) (Wet verzekering zeeschepen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op [richtlijn 2009/20/EG](32009L0020) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 betreffende de verzekering van scheepseigenaren tegen maritieme vorderingen (PbEU L 131) noodzakelijk is om de verplichting in te voeren voor scheepseigenaren om een verzekering voor het schip te hebben en hiervan een verzekeringsbewijs aan boord van het schip te hebben; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - b. **bruto-tonnage:** maateenheid waarin de totale inhoud van een schip, vastgesteld overeenkomstig het op 23 juni 1969 te Londen totstandgekomen Verdrag betreffende de meting van schepen (Trb. 1970, 122) wordt uitgedrukt; - c. **scheepseigenaar:** geregistreerde eigenaar van een zeeschip of enig ander persoon die verantwoordelijk is voor de exploitatie van het schip; - d. **richtlijn:** [richtlijn 2009/20/EG](32009L0020) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 betreffende de verzekering van scheepseigenaren tegen maritieme vorderingen (PbEU L 131); - e. **Nederlands zeeschip:** een zeeschip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren; - f"},{"i":7937,"b":"Wet ziekteverzekering BES Inleidende bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **werkgever:** iedere natuurlijke of rechtspersoon, die binnen het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba één of meer werknemers arbeid doet verrichten, alsmede de natuurlijke of rechtspersoon die, gevestigd binnen het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, één of meer werknemers, die eveneens gevestigd zijn binnen het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, arbeid doet verrichten in het buitenland; - c. **werknemer:** een natuurlijke persoon, die met toepassing van [artikel 2 van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=2) als werknemer wordt beschouwd omdat hij tot een inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staat met uitzondering van: - 1°. de kapitein en schepelingen op zeeschepen van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, - 2°. degene, die in dienst is van een publiekrechtelijk lichaam en aan de voor hem geldende rechtspositieregelingen aanspraak op een uitkering bij ziekte kan ontlenen, en - 3°. de bestuurder of commissaris, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=3); - d. **behandelend geneeskundige:** de geneeskundige die op aanwijzing of met goedvinden van Onze Minster de werknemer onderzoekt of behandelt; - e. **controlerend geneeskundige:** de geneeskundige die als zodanig door Onze Minister is aangewezen; - f. **arbeidsongeschiktheid:** de toestand waarin de werknemer verkeert, die als gevolg van ziekte gedurende een etmaal of langer niet in staat is om zijn normale arbeid te verrichten of deze arbeid zo lang niet mag verrichten hetzij om een medisch noodzakelijk onderzoek mogelijk te maken hetzij om te voorkomen dat zijn genezing wordt b"},{"i":7938,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 17 december 2012 kenmerk: FM 2012/1863 M, tot wijziging van de Regeling financiële markten BES in verband met vaststelling van de hoogst toegelaten kredietvergoeding en vertragingsvergoeding De Minister van Financiën, Gelet op [artikel 5:15, tweede lid, van de Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=5:15) en de [artikelen 7:20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=7:20), en [7:21 van het Besluit financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=7:21); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling financiële markten BES 2012. Artikel II De [artikelen 2:5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031617&artikel=2:5a) en [2:5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031617&artikel=2:5b) zijn niet van toepassing op kredietovereenkomsten met een vaste kredietvergoeding die zijn afgesloten voor 1 januari 2013. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7939,"b":"Regeling van de Minister van Financiën tot wijziging van de Vrijstellingsregeling Wft in verband met een aanpassing van de vrijstellingsbepalingen betreffende het aanbieden van beleggingsobjecten en het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling Gelet op de [artikelen 2:59, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:59), en [2:74, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:74); Besluit: Artikel I De regeling van de Minister van Financiën van 27 juni 2011 tot wijziging van Vrijstellingsregeling Wft in verband met aanpassing van de vrijstellingsbepalingen betreffende beleggingsobjecten en rechten van deelneming in de Wet op het financieel toezicht (Stcrt. 2011, 11755) wordt ingetrokken. Artikel II Wijzigt de Vrijstellingsregeling Wft. Artikel III 1. Een aanbieder die na 31 december 2011 overeenkomsten inzake beleggingsobjecten beheert of uitvoert is terzake van die overeenkomsten vrijgesteld van [artikel 2:55, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:55), alsmede van de bij of krachtens het [Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&titeldeel=3) en het [Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&titeldeel=4) gestelde regels, voor zover de beleggingsobjecten voor 1 januari 2012 werden aangeboden voor een nominaal bedrag per beleggingsobject van ten minste € 50 000 en minder dan € 100 000. 2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien de aanbieder: - a. voor 1 februari 2012 aan de Autoriteit Financiële Markten meldt dat hij voornemens is een vergunning als bedoeld in [artikel 2:55, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:55) aan te vragen, onder gelijktijdige verstrekking van door de Autoriteit Financiële Markten te bepalen gegevens; - b. voor 1 septem"},{"i":6976,"b":"Burgerlijk Wetboek BES Boek 7 Boek 7. Bijzondere overeenkomsten Titel 1. Koop en ruil Afdeling 1. Koop: Algemene bepalingen Artikel 1 Koop is de overeenkomst waarbij de een zich verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te betalen. Artikel 4 Wanneer de koop is gesloten zonder dat de prijs is bepaald, is de koper een redelijke prijs verschuldigd; bij de bepaling van die prijs wordt rekening gehouden met de door de verkoper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen. Artikel 5 1. In deze titel wordt verstaan onder «consumentenkoop»: de koop met betrekking tot een roerende zaak, die wordt gesloten door een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. 2. Wordt de zaak verkocht door een gevolmachtigde die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, dan wordt de koop aangemerkt als een consumentenkoop, tenzij de koper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst weet dat de volmachtgever niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. 3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de overeenkomst een registergoed of door leidingen naar de verbruiker aangevoerd water betreft. Artikel 6 1. Bij een consumentenkoop kan van de [afdelingen 1 tot en met 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028751&boek=7&titeldeel=1&afdeling=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) niet ten nadele van de koper worden afgeweken en kunnen de rechten en vorderingen die de wet aan de koper ter zake van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van de verkoper toekent, niet worden beperkt of uitgesloten. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028751&boek=7&titeldeel=1&afdeling=2&artikel=11&z=2010-10-10&g=2010-10-10), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028751&boek=7&titeldeel=1&afdeling=2&artikel=12&z=2010-10-10&g"},{"i":6977,"b":"Burgerlijk Wetboek BES Boek 7a Boek 7a. Bijzondere overeenkomsten; vervolg Titel Eerste t/m vierde Artikelen 1250 t/m 1473 [vervallen] Vijfde titel a. Van koop en verkoop op afbetaling Afdeling 1. Van koop en verkoop op afbetaling in het algemeen Artikel 1557 1. Koop en verkoop op afbetaling is de koop en verkoop, waarbij partijen overeenkomen dat de koopprijs wordt betaald in termijnen, waarvan twee of meer verschijnen, nadat de verkochte zaak aan de koper is afgeleverd. 2. De overeenkomst is niet van kracht voordat partijen de door de koper te betalen prijs hebben bepaald. 3. Alle overeenkomsten, welke dezelfde strekking hebben, onder welke vorm of welke benaming ook aangegaan, worden als koop en verkoop op afbetaling aangemerkt. 4. Koop en verkoop op afbetaling in de zin der wet zijn niet de overeenkomsten welke betrekking hebben op: - a. onroerende zaken, - b. zeeschepen waarvan de bruto-inhoud tenminste twintig kubieke meters of de bruto-tonnage tenminste zes bedraagt, die teboekstaan of teboekgesteld kunnen worden in het in [artikel 193 van Boek 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028753&artikel=193) genoemde register; - c. luchtvaartuigen teboekstaand in het register genoemd in [titel 15 van Boek 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028753&titeldeel=15). 5. Het in deze titel bepaalde vindt overeenkomstige toepassing op vermogensrechten, niet zijnde registergoederen, voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht. Artikel 1557a Van de bepalingen van deze titel mag slechts worden afgeweken, indien en voor zover dit daaruit blijkt. Artikel 1557b 1. Bedingen, waarbij of krachtens welke de schuldenaar, voor het geval hij enige verplichting uit de overeenkomst niet vervult, de betaling van zekere som als schadevergoeding of enige straf wordt of kan worden opgelegd, kunnen alleen bij schriftelijk aangegane overeenkomst worden gemaakt. 2. Indien de overeengekomen of opgelegde schadevergoeding of straf de rechter bovenmatig voorkomt, kan"},{"i":8021,"b":"Besluit tot het opheffen en verlengen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in het archief van het Centraal Medisch Tuchtcollege, 1931–1975 (2.09.21) Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het besluit van: Het Centraal Medische Tuchtcollege van 19 februari 1980 houdende de beperking op de openbaarheid. Besluit: Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers worden opgeheven: 612-613, 615-618, 620, 622-625, 627-629, 631-635, 637, 639-647, 649-652, 654, 656-657, 660-666, 696-670, 672-677, 679-680, 683, 685, 688, 691-692, 694-699, 701-703, 705, 708, 710-712, 715-719, 721-723, 725, 728-730, 732, 734-736, 738-741, 743-744. Artikel 2 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers worden verlengd. | Inventarisnummer | Oorspronkelijk beperkt tot: | Beperkt openbaar tot: | | --- | --- | --- | | 614 | 1-1-2024 | 1-1-2040 | | 619 | 1-1-2024 | 1-1-2059 | | 621 | 1-1-2024 | 1-1-2029 | | 626 | 1-1-2024 | 1-1-2033 | | 630 | 1-1-2024 | 1-1-2036 | | 636 | 1-1-2024 | 1-1-2038 | | 638 | 1-1-2024 | 1-1-2028 | | 648 | 1-1-2024 | 1-1-2071 | | 653 | 1-1-2024 | 1-1-2047 | | 655 | 1-1-2024 | 1-1-2039 | | 658 | 1-1-2024 | 1-1-2025 | | 661 | 1-1-2024 | 1-1-2031 | | 667 | 1-1-2024 | 1-1-2062 | | 668 | 1-1-2024 | 1-1-2036 | | 671 | 1-1-2024 | 1-1-2029 | | 681 | 1-1-2025 | 1-1-2026 | | 682 | 1-1-2025 | 1-1-2043 | | 684 | 1-1-2025 | 1-1-2027 | | 686 | 1-1-2025 | 1-1-2069 | | 687 en 687A | 1-1-2025 | 1-1-2032 | | 690 | 1-1-2025 | 1-1-2042 | | 693 | 1-1-2026 | 1-1-2045 | | 700 | 1-1-2026 | 1-1-2034 | | 704 | 1-1-2026 | 1-1-2034 | | 706 | 1-1-2026 | 1-1-2055 | | 707 | 1-1-2026 | 1-1-2028 | | 709 | 1-1-2026 | 1-1-2026 | | 713 | 1-1-2026 | 1-1-2038 | | 714 | 1-1-2026 | 1-1-2027 | | 720 | 1-1-2026 | 1-1-2040 | | 724 | 1-1-2026 | 1-1-2036 | | 726 | 1-1-2026 | 1-1-2027 | | 727 | 1-1-2026 | 1-1"},{"i":8023,"b":"Besluit van 13 december 1993, waarmede de Minister van Binnenlandse Zaken wordt belast met de organisatie van het geneeskundig deel van de rampenbestrijding Op de voordracht van Onze Minister van Algemene Zaken, van 12 november 1993, nr. DGVGZ/BMO-931372, gedaan mede namens Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Binnenlandse Zaken alsmede de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken wordt belast met de organisatie van het geneeskundig deel van de rampenbestrijding. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1993. Onze Ministers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Binnenlandse Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":15505,"b":"Vervangingsbesluit Donor archief 2010-2020 CIBG Gelet op: [Artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). [Artikel 6 eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6). [Artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b). Besluit: Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op papier die behoren tot het donor archief van het CIBG. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Deze vervanging betreft alle papieren donorformulieren die betrekking hebben op de donor registraties in de periode 2010-2020 zoals beschreven in de [selectielijst van het CIBG en de Stichting Donorgegevens kunstmatige bevruchting 1995-](onbekend). Artikel 2 De digitale reproductie geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in het Handboek substitutie Donorregister 2010-2020. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit Donor archief 2010-2020 CIBG. Handboek substitutie Donorregister 2010-2020 Ligt ter inzage bij het CIBG. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van het Handboek substitutie Donorregister 2010-2020. Het handboek ligt ter inzage bij het CIBG."},{"i":8090,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 12 augustus 2022, nr. PO/FenV/33271986, houdende aanpassing van de bedragen personele bekostiging primair onderwijs voor het schooljaar 2021–2022 en het vaststellen van de bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs schooljaar 2021–2022 (Definitieve Regeling bekostiging personeel PO 2021–2022 en vaststelling bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2021–2022) Gelet op [artikel XI, vijfde lid jo. derde lid, van de Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op het voortgezet onderwijs, enkele andere wetten vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045030&artikel=XI) (Stb. 2021, 171) en [artikel 3, derde lid, van de Regeling bijzondere bekostiging professionalisering en begeleiding starters en schoolleiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045006&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **achterstandsscore:** achterstandsscore als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=1), zoals dat luidde op 31 maart 2022; - **basisschool:** basisschool als bedoeld in [artikel 1 WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - **BRIN-nummer:** nummer waaronder een school staat geregistreerd in de Basisregistratie Instellingen; - **BRP:** basisregistratie personen; - **leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond:** leerling als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=1) en [artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004259&artikel=1), zoals die luid"},{"i":8166,"b":"Regeling medische uitrusting aan boord van Nederlandse vissersvaartuigen Gelet op [richtlijn nr. 92/29/EEG](31992L0029) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113) en de [artikelen 218, dertiende lid, onderdeel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=218), [221, tweeënveertigste lid, onderdeel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=221), [223, elfde lid, onderdeel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=223), [231, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=231), [237](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=237), en [317, derde lid, van het Vissersvaartuigenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=317); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **bijlage:** de bijlage bij deze regeling; - –. **SOLAS-verdrag:** het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen; - –. **vaartuig:** een vissersvaartuig als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=1). Artikel 2. Toepassingsbereik Deze regeling is van toepassing op vaartuigen met een lengte van minder dan 24 meter die op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren. Artikel 3. Benodigde medische uitrusting 1. Aan boord van een vaartuig zijn de in de tabellen 1 en 2 van de bijlage voorgeschreven geneesmiddelen, antidota, verpleeg- en verbandmiddelen, handboeken en overige benodigdheden aanwezig. De eigenaar van een schip draagt voor eigen rekening zorg voor de levering en de vernieuwing van de medische uitrusting. 2. De in de"},{"i":8182,"b":"Regeling toepassing mechanische middelen verpleegden Gelet op [artikel 27, vierde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=27); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 13 mei 1998, nr. 694850/98; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Als mechanisch middel in de zin van [artikel 27, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=27) worden slechts toegepast, de middelen die zijn opgenomen in de bijlage van deze regeling. 2. Indien de toestand van de verpleegde dit vereist, kunnen meerdere mechanische middelen tegelijkertijd worden toegepast. Artikel 3 1. De toepassing van mechanische middelen beperkt de verpleegde niet verder in zijn vrijheid, dan voor de afwending van het van de verpleegde uitgaande ernstig gevaar voor diens gezondheid of veiligheid of die van anderen noodzakelijk is. 2. Bij de keuze voor de toepassing van bepaalde mechanische middelen wordt zoveel mogelijk voorkomen dat de verpleegde wordt belemmerd in de zelfstandige uitvoering van de lichaamsfuncties eten, drinken, urineren en ontlasten. Artikel 4 Een mechanisch middel voldoet aan de volgende eisen: - a. het middel kan snel en gemakkelijk worden aangebracht; - b. het middel heeft geen scherpe, ruwe of puntige onderdelen; - c. correcte toepassing van het middel leidt niet tot lichamelijke beschadiging of tot ongemak dat langer duurt dan noodzakelijkerwijs samenhangt met de toepassing van het middel; - d. het middel kan eenvoudig gereinigd worden. Artikel 5 1. Het hoofd van de inrichting stelt voor de toepassing van mechanische middelen een protocol vast. 2. Het protocol omvat in elk geval: - a. welke mechanische middelen in de inrichting aanwezig zijn en op welke wijze zij worden toegepast; - b. de voorschriften voor de toepassing van de mechanische middelen; - c. de aanwijzing van het personeelslid of de medewerkers bedoeld"},{"i":8226,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst Universiteiten en Universitair Medische Centra 2020 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst Universiteiten en Universitair Medische Centra 2020 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijsten: - •. Basis Selectie Document Wetenschappelijk Onderwijs 1985– (BSD). Staatscourant nrs. [12639](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026285), [12650](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026295), [12649](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026288), [12657](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026280), [12661](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026291), [12665](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026292), [12669](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026293), [12643](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026286), [12646](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026287), [12651](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026289), [12656](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026290), [12664](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026283), [12670](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026296) d.d. 26 augustus 2009 en Staatscourant nr. [36532](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035960) d.d. 19-12-2014; - •. [Basis Selectie Document Openbare en bijzondere universitair medische centra 1985–](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032923). Staatscourant nr. 4469 d.d. 22 april 2013. Worden afgesloten op 31 december 2019. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten"},{"i":3052,"b":"Besluit van 14 juni 2005, houdende regels over de inhoud, de grenzen en de wijze van toepassing in de jaarrekening van waardering tegen actuele waarde (Besluit actuele waarde) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 25 maart 2005, directie Wetgeving, nr. 5343836/05/6, gedaan mede namens Onze Minister van Financiën; Gelet op artikel 33, eerste lid, van de Vierde [Richtlijn nr. 78/660/EEG](31978L0660) van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PbEG L 222), gelet op [Richtlijn nr. 2001/65/EG](32001L0065) van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 tot wijziging van de [Richtlijnen 78/660/EEG](31978L0660), [83/349/EEG](31983L0349) en [86/635/EEG](31986L0635) met betrekking tot de waarderingsregels voor de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen evenals van banken en andere financiële instellingen (PbEG L 283) en [Richtlijn 2003/51/EG](32003L0051) van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 tot wijziging van de [Richtlijnen 78/660/EEG](31978L0660), [83/349/EEG](31983L0349), [86/635/EEG](31986L0635) en [91/674/EEG](31991L0674) van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, banken en andere financiële instellingen, en verzekeringsondernemingen (PbEG L 178) alsmede de [artikelen 384 lid 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=384) en [442 lid 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=442); De Raad van State gehoord (advies van 29 april 2005, nr. W03.05.0104/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 7 juni 2005, nr. 5356030/05/6; uitgebracht mede namens Onze Minister van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet boek 2 Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van IAS-verordening, IAS 39-richtlijn en moderniseringsrichtlijn in werking treedt."},{"i":7072,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Polen betreffende het internationale personen- en goederenvervoer over de weg De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Polen, verlangende bij te dragen tot de ontwikkeling van het vervoer van personen en goederen over de weg tussen de beide Staten alsmede van het transitovervoer over hun grondgebied, zijn het volgende overeengekomen. Artikel 1 1. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen kent aan de vervoerders van de andere Overeenkomstsluitende Partij het recht toe personen en goederen te vervoeren tussen de twee Staten en in transito over hun grondgebieden door middel van voertuigen ingeschreven op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst. 2. Het in lid 1 genoemde recht wordt slechts toegekend aan de vervoerders die gemachtigd zijn om op het grondgebied van hun Staat vervoer van personen en goederen over de weg te verrichten als bedoeld in deze Overeenkomst. Personenvervoer Artikel 2 1. De vervoerders van een Overeenkomstsluitende Partij kunnen slechts geregeld personenvervoer met een autobus op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij en in transito over dat grondgebied verrichten op voorwaarde dat tevoren een vergunning is verleend door de bevoegde autoriteiten van die andere Overeenkomstsluitende Partij. 2. De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen zullen met elkander in contact treden om de procedure van de verlening van de in lid 1 genoemde vergunningen vast te stellen. Artikel 3 Het verrichten van ander personenvervoer met een autobus dan geregeld vervoer vereist geen vergunning van de bevoegde autoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij. Goederenvervoer Artikel 4 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 5 wordt het goederenvervoer tussen de beide Staten en in transito over hun grondgebie"},{"i":4025,"b":"Besluit van 7 juni 1994, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies ter ondersteuning van de zeescheepsnieuwbouw in 1994 Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 8 april 1994, nr. WJA/JZ 94024689; Gelet op artikel 2 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ en [Richtlijn nr. 90/684/EEG](31990L0684) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1990 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw ( **PbEG** L 380), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij [richtlijn nr. 93/115/EG](31993L0115) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1993 (**PbEG** L 326); De Raad van State gehoord (advies van 24 mei 1994, nr. W10.94.0211); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde minister van 27 mei 1994, nr. WJA/JZ 94040625; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de contractprijs: de tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer overeengekomen prijs voor de opdracht voor de bouw van een zeeschip of een deel daarvan, met inbegrip van stelposten voor zover daarvoor in het contract vaste of geschatte bedragen zijn opgenomen en met uitzondering van de eventueel verschuldigde omzetbelasting; - b. de eindprijs: het door de opdrachtgever ter zake van de bouw van een zeeschip of een deel daarvan aan de opdrachtnemer verschuldigde bedrag, met uitzondering van de eventueel verschuldigde omzetbelasting; - c. ondernemer: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt waarin zeeschepen worden gebouwd. 2. Bij de toepassing van bepalingen in dit besluit waarin gesproken wordt over de eindprijs wordt, indien de eindprijs nog niet is vastgesteld, de contractprijs in aanmerking genomen. Artikel 2 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen worden onder een zeeschip verstaan de volgende schepen met een"},{"i":2609,"b":"Beleidsregels inkoopvergoeding apotheekhoudenden Gelet op [artikel 13 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=13); Gegeven de financiële taakstellingen zoals weergegeven in de Zorgnota 2003; Gehoord het College tarieven gezondheidszorg (brief van 20 februari 2003, kenmerk PS/es/V/03, vastgesteld in de vergadering van 17 februari 2003); Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 21 februari 2003, kenmerk GMT/G 2359231); Besluit: Artikel 1 Het College tarieven gezondheidszorg stelt voor prestaties van personen en instellingen die in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=2)[aanhef en onder a, van het besluit werkingssfeer WTG 1992](onbekend) als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, beleidsregels vast die voldoen aan de volgende uitgangspunten: - a. Ten aanzien van de inkoopvergoeding die de apotheekhoudende ten hoogste in rekening mag brengen wordt onderscheid gemaakt tussen multi-source en single-source geneesmiddelen. - b. Een geneesmiddel wordt als multi-source geneesmiddel aangemerkt als het is opgenomen op [bijlage 1 a van de Regeling farmaceutische hulp 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007718&bijlage=1) en er per werkzame stof van de in het desbetreffende cluster opgenomen onderling vervangbare geneesmiddelen meer dan één geneesmiddel van een verschillende aanbieder is opgenomen. - c. Geneesmiddelen die niet aan de onder b. opgenomen omschrijving voldoen worden aangemerkt als single-source geneesmiddelen. Geneesmiddelen die zijn geregistreerd op grond van artikel 10, 1, a, onder i van [Richtlijn 2001/83/EG](32001L0083), het betreffende eerst geregistreerde geneesmiddel en parallel gedistribueerde of geregistreerde geneesmiddelen worden eveneens aangemerkt als single source geneesmiddelen, behoudens voor zover generieke versies van die geneesmiddelen worden aangeboden. - d. De apotheekhoudende mag v"},{"i":3982,"b":"Besluit Rendementen gesubsidieerde woningbouw oktober 2012 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984. Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2012, doch niet later dan 15 november 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,562 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2012 en eindigende met 15 november 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing va"},{"i":7043,"b":"Mandaatbesluit Uitvoering Ziektewet en artikel 62 van het Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie en artikel 120 en 125 van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement Defensie Besluit De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **De Staatssecretaris:** de Staatsecretaris van Defensie - b. **ActivaSZ:** ActivaSZ B.V. gevestigd te Nijmegen - c. **Uitkeringsregelingen:** - –. Ziektewet; - –. [Artikel 62 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=62) (BARD); - –. [Artikel 120 van het Algemeen militair ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=120) (AMAR); - –. [Artikel 125 van het Algemeen militair ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=125) (AMAR); Artikel 2. Mandaat De Staatssecretaris verleent aan ActivaSZ B.V. voor nieuwe instroom in de uitkeringsregelingen het volgende mandaat: - 1. ActivaSZ is bevoegd om namens de Staatssecretaris besluiten te nemen ter uitvoering en op grond van de uitkeringsregelingen. - 2. ActivaSZ legt een voorgenomen besluit, voor zover dit voortkomt uit de uitvoering van de uitkeringsregelingen, voor aan de Staatssecretaris indien ActivaSZ gerede twijfels heeft over het in een individueel geval toepassen van een uitkeringsregeling en het naar het oordeel van ActivaSZ een geval betreft dat grote beleidsmatige of financiële gevolgen kan hebben voor het Ministerie van Defensie, dan wel kan leiden tot precedentwerking. - 3. ActivaSZ is bevoegd om te beslissen op bezwaarschriften tegen ingevolge het eerste lid van dit artikel genomen besluiten, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. - 4. ActivaSZ is bevoegd om inzake de uitvoering van de uitkeringsregelingen namens de Staatssecre"},{"i":6573,"b":"Besluit van 28 november 2008, houdende derde wijziging van het Uitvoeringsbesluit WTZi Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 augustus 2008, kenmerk MC-U-2868207; Gelet op de [artikelen 1, tweede en derde lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=1)[5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=6) en [7, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=7); De Raad van State gehoord (advies van 16 oktober 2008, nummer W13.08.0372/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 november 2008, kenmerk DWJZ/SWW-2889627; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WTZi. Artikel II Een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit afgegeven toelating als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=5) voor: - a. het verlenen van ondersteunende begeleiding wordt gelijkgesteld met een toelating voor het verlenen van begeleiding als bedoeld in nummer 19 van [artikel 1.2 van het Uitvoeringsbesluit WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=1.2); - b. activerende begeleiding of ondersteunende en activerende begeleiding wordt gelijkgesteld met een toelating voor het verlenen van behandeling en begeleiding als bedoeld in de nummers 14 en 19 van [artikel 1.2 van het Uitvoeringsbesluit WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=1.2). Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5908,"b":"Tijdelijke subsidieregels Certificering Taalhuizen Koninklijke Bibliotheek 2024–2027 gelet op[artikel 1.2, tweede lid onder a, sub i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999&artikel=1.2) en [artikel 1.4 van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999&artikel=1.4); besluit: vast te stellen de navolgende Tijdelijke subsidieregels Certificering Taalhuizen Koninklijke Bibliotheek 2024–2027. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepalingen - –. **CBCT:** Certificeringsorganisatie Bibliotheekwerk, Cultuur & Taal; - –. **KB:** Koninklijke Bibliotheek als bedoeld in [artikel 1.5, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.5) en de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=9) en [20 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=20); - –. **Penvoerder:** Rechtspersoon die deel uitmaakt van het Taalhuis en die in deze regeling namens het Taalhuis als administratief contactpersoon optreedt; - –. **Taalhuis:** onderdeel van een samenwerkingsverband dat een ontmoetingsplek behelst waar laaggeletterden worden doorgeleid naar passend lokaal basisvaardigheden-aanbod of waar een non-formeel lesaanbod wordt geboden. Artikel 2. Subsidiabele activiteiten 1. Subsidie kan worden verstrekt voor het laten uitvoeren van een certificeringstraject door CBCT conform het Certificeringkader Taalhuizen 2024–2027. 2. Het certificeringstraject moet worden uitgevoerd tot en met de eerste audit en wordt afgerond met het besluit tot onvoorwaardelijke of voorwaardelijke certificering. 3. Een Taalhuis mag in de in de periode **Zicht op Ontwikkeling II** 2024–2027 éénmaal subsidie aanvragen. Dit geldt ook voor Taalhuizen die in de periode 2020–2023 al subsidie hebben aangevraagd. 4. Subsidie wordt niet verleend voor een"},{"i":5166,"b":"Rechten bij invoer, vereenvoudigde procedures groenten en fruit; uitsluiten importeur De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Aan mij is de vraag voorgelegd over het uitsluiten van een importeur van de vereenvoudigde procedures voor groenten en fruit. De vraag en het antwoord zijn hierna opgenomen. Vraag Bij het vaststellen van de douanewaarde van groenten en fruit kan gebruik worden gemaakt van de vereenvoudigde procedures voor groenten en fruit zoals is bedoeld in artikel 36, lid 2 van [Verordening (EEG) nr. 2913/92](31992R2913) en de artikelen 173 tot en met 177 van [Verordening (EEG) nr. 2454/93](31993R2454). Moet een importeur van de vereenvoudigde procedures voor groenten en fruit met terugwerkende kracht en/of toekomstige werking worden uitgesloten, als de importeur na de vereenvoudigde procedures te hebben toegepast en vervolgens gebruik heeft gemaakt van de algemene methoden voor het vaststellen van de douanewaarde zoals bedoeld bij de artikelen 29, 30 en 31 van [Verordening (EEG) nr. 2913/92](31992R2913)? Antwoord Een importeur die na de vereenvoudigde procedures voor groenten en fruit te hebben toegepast gebruik heeft gemaakt van de algemene methoden voor het vaststellen van de douanewaarde zoals is bedoeld in de artikelen 29, 30 en 31 van [Verordening (EEG) nr. 2913/92](31992R2913), wordt van deze vereenvoudigde procedures uitgesloten met alleen toekomstige werking op grond van artikel 177, lid 2 van [Verordening (EEG) nr. 2454/93](31993R2454)."},{"i":6480,"b":"Besluit van 21 november 2006, houdende wijziging van het Besluit trekkende bevolking WPO Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 15 september 2006, nr. WJZ/2006/32939 (2642), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 185 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=185); De Raad van State gehoord (advies van 28 september 2006, nr. W05.06.0391/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 15 november 2006, nr. WJZ/2006/31792 (2642), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit trekkende bevolking WPO. Artikel II Wijzigt het Besluit trekkende bevolking WPO. Artikel III De aanspraak op bekostiging op grond van [artikel B 16e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833&artikel=B_16e) en [B 16g van het Besluit trekkende bevolking WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833&artikel=B_16g) voor het tijdvak van 1 maart tot 1 maart daaropvolgend dat aanvangt in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin dit besluit voor het eerst van toepassing is, eindigt met ingang van de datum waarop dit besluit voor het eerst van toepassing is. In de periode tussen de aanvang van het in de eerste volzin bedoelde tijdvak en de datum waarop dit besluit voor het eerst van toepassing is, heeft een school als bedoeld in [titel B van het in de eerste volzin genoemde Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833&titeldeel=B) aanspraak op 5/12e gedeelte van de personele bekostiging die voor dat tijdvak op grond van het [Besluit trekkende bevolking WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833) is vastgesteld. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, waarbij tevens kan worden bepaald dat [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020702&artikel=I&z=2007-02-21&g=2007-02-21) en [artikel III](https"},{"i":8440,"b":"Briefwisseling tussen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de Regering van Peru, anderzijds, houdende een overeenkomst inzake de afschaffing van de visumplicht voor houders van diplomatieke en speciale of dienstpaspoorten DE AMBASSADE VAN HET KONINKRIJK BELGIË en DE AMBASSADE VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN Lima, 12 februari 2001 Nota 266 Nota SR/PDH/120201 De Ambassade van het Koninkrijk België en de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden, optredend in eigen naam en in vertegenwoordiging van het Groothertogdom Luxemburg, bieden het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Peru hun complimenten aan en hebben de eer dit Ministerie mee te delen dat de Regeringen van de Benelux-Staten, gezamenlijk optredend op grond van de op 11 april 1960 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux-gebied, voorstellen met de Regering van de Republiek Peru onderstaande Overeenkomst inzake de afschaffing van de visumplicht met betrekking tot diplomatieke en speciale of dienstpaspoorten te sluiten: Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt verstaan: - –. onder de „Benelux-Staten\": het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; - –. onder het „Benelux-gebied\": het gezamenlijke grondgebied in Europa van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel 2 De onderdanen van de Republiek Peru die houder zijn van een geldig nationaal diplomatiek of speciaal paspoort kunnen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden het Benelux-gebied zonder visum binnenkomen op uitsluitend vertoon van dit paspoort. Artikel 3 De onderdanen van de Benelux-Staten die houder zijn van een geldig nationaal diplomatiek of dienstpaspoort kunnen voor een verblijf van ten hoogste drie"},{"i":3989,"b":"Besluit van 4 mei 2009, houdende vaststelling van regels met betrekking tot het geven van rijonderricht in het besturen van motorvoertuigen (Besluit rijonderricht motorrijtuigen 2009) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 december 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1726 sector AWW; Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=5), [9, eerste lid, onderdelen a en b, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=9), [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=10), [12a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=12a), [12b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=12b), [12c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=12c), [17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=17), [21, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=21), [22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=22), en [23, vierde lid, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=23) en [artikel 3, eerste lid, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 12 februari 2009, nr. W09.08.0588/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 april 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/411 sector AWW; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder - **wet:** [Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073). Hoofdstuk II. Categorieën certificaten Artikel 2 1. Certificaten worden afgegeven voor het geven van rijonderricht voor de motorrijtuigcategorieën A, B, C, D, E bij B, E bij C, E bij D, of T. 2. Een certificaat voor: - a. motorrijtuigcategorie A ge"},{"i":8450,"b":"Constitutie van de Wereldpostunie Preambule Met het oog op het ontwikkelen van communicatie tussen de volkeren door middel van een doelmatige werking van de postdiensten en het leveren van een bijdrage tot het bereiken van de hoge doelen van de internationale samenwerking op cultureel, sociaal en economisch gebied, hebben de gevolmachtigden van de regeringen van de verdragsluitende landen, onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring deze Constitutie aangenomen. De Wereldpostunie (hierna de „Unie”) heeft tot doel de duurzame ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige, doelmatige en toegankelijke universele postale diensten te bevorderen, om de communicatie tussen de bewoners van de wereld te vergemakkelijken, door: het vrije verkeer van poststukken te waarborgen op een enkel postgebied dat bestaat uit onderling verbonden netwerken; de aanneming van billijke gemeenschappelijke normen en het gebruik van technologie aan te moedigen; samenwerking en interactie tussen de betrokken partijen te waarborgen; doelmatige technische samenwerking te bevorderen; toe te zien op de voldoening aan de veranderende behoeften van de cliënten. TITEL I. ORGANIEKE BEPALINGEN HOOFDSTUK I. ALGEMEEN Artikel 1. Reikwijdte en doelen van de Unie 1. De landen die deze Constitutie aannemen, vormen in het kader van de intergouvernementele organisatie met de naam Wereldpostunie één enkel postgebied voor de wederzijdse uitwisseling van poststukken. De vrijheid van doorvoer is gegarandeerd binnen het gehele gebied van de Unie, behoudens de voorwaarden als vermeld in de Akten van de Unie en elk aanvullend protocol daarbij (hierna tezamen genoemd „Akten van de Unie”). 2. Het doel van de Unie is de organisatie en verbetering van postale diensten veilig te stellen en de ontwikkeling van internationale samenwerking op dit gebied te bevorderen. 3. De Unie neemt, voor zover mogelijk, deel aan de postale technische bijstand die door haar lidstaten wordt gevraagd. Artikel 1bis. Begripsomschri"},{"i":8539,"b":"Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht Preambule De Lidstaten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn Leden tot stand te brengen; Ervan overtuigd dat het invoeren van een stelsel van onderlinge hulp in internationaal verband, ten einde de verkrijging van inlichtingen over buitenlands recht door rechterlijke autoriteiten te vergemakkelijken, zal bijdragen tot verwezenlijking van dit doel, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Toepassingsgebied van de Overeenkomst 1. De Overeenkomstsluitende Partijen nemen de verplichting op zich elkander, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, inlichtingen te verstrekken over hun recht op het gebied van het burgerlijk recht en het handelsrecht, alsook op het gebied van de rechtsvordering in burgerlijke zaken en in handelszaken en van hun rechterlijke organisatie. 2. Twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen kunnen evenwel overeenkomen in hun onderlinge betrekkingen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst uit te breiden tot andere gebieden dan de in het voorgaande lid genoemde. De tekst van een zodanige overeenkomst wordt ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Artikel 2. Nationale verbindingsorganen 1. Ter uitvoering van de bepalingen van deze Overeenkomst dient elke Overeenkomstsluitende Partij één orgaan (hierna te noemen „ontvangend orgaan”) in het leven te roepen of aan te wijzen dat tot taak zal hebben: - (a). het in ontvangst nemen van verzoeken om inlichtingen als bedoeld artikel 1, eerste lid, van een andere Overeenkomstsluitende Partij; - (b). gevolg te geven aan die verzoeken, overeenkomstig het bepaalde in artikel 6. Het ontvangend orgaan kan een onder een ministerie ressorterende dienst of een ander orgaan van de Staat zijn. 2. Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan een of meer organen (hierna te noemen „verzendend o"},{"i":3888,"b":"Besluit van 28 september 2000, houdende opheffing van het Landbouwschap Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 10 juli 2000, Directie Arbeidsverhoudingen, Nr. AV/A&M/2000/45114, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikel XVII van de wet van 24 juni 1992, Stb. 409](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005572&artikel=XVII), en op [artikel 70 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=70), zoals dat artikel voor de inwerkingtreding van die wet laatstelijk luidde; De Raad van State gehoord (advies van 10 augustus 2000, nr. W12.00.0289/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 augustus 2000, Directie Arbeidsverhoudingen, Nr. AV/A&M/2000/53805, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Raad: de Sociaal-Economische Raad; - b. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - c. de wet: de [Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058); - d. jaarrekening 1997: rekening der inkomsten en uitgaven als bedoeld in [artikel 124 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=124), zoals vastgesteld door het bestuur van het Landbouwschap bij besluit van 13 april 1999; - e. financieringsreserve: de in de jaarrekening 1997 zo genoemde algemene reserve van het vermogen; - f. saldi opcenten algemene heffing: de in de jaarrekening 1997 zo genoemde post 4.01, bevattende saldi opcenten van sectoren en subsectoren; - g. sectorsaldi: de tot de bestemmingsreserves van het vermogen behorende fondsen en saldi, behoudens de in de jaarrekening 1997 zo genoemde posten 3.2, 3.3, 4.01, 4.10, 4.13 en 4.16. Artikel 2 1. Het Bedrijfschap voor de landbouw, genaamd Landbouwschap, is opgeheven. 2. De Raad is bevoegd toepas"},{"i":8587,"b":"Handelsverdrag tussen de Regeringen van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, Leden van de Benelux Economische Unie, en de Regering van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken De Regeringen van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, handelend te zamen krachtens het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, ondertekend te 's-Gravenhage op 3 februari 1958 enerzijds, en De Regering van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken anderzijds, Geleid door de wens hun traditionele economische banden te versterken, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Verdragsluitende Partijen kennen elkander in alle aangelegenheden betreffende de handel de behandeling toe van meest begunstigde natie. Artikel 2 De produkten van oorsprong uit het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen zijn, bij hun invoer op het grondgebied van de andere Partij, in geen geval onderworpen aan andere of hogere rechten en heffingen, noch aan strengere of meer bezwarende douanevoorschriften en -formaliteiten, dan die waaraan gelijksoortige produkten van oorsprong uit enig derde land zijn of later worden onderworpen. Evenzo zijn produkten van oorsprong uit het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen, uitgevoerd naar het grondgebied van de andere Partij in geen geval onderworpen aan andere of hogere rechten en heffingen, noch aan strengere of meer bezwarende douanevoorschriften en -formaliteiten, dan die waaraan gelijksoortige produkten naar enig derde land zijn of later worden onderworpen. Artikel 3 De produkten van oorsprong uit het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen zijn, na hun invoer op het grondgebied van de andere Partij, niet onderworpen aan andere of hogere binnenlandse belastingen en heffingen, noch aan strengere of meer bezwarende voorschriften en formaliteiten, dan die waaraan soortgelijke produkten van oorsprong uit enig derde land zijn of la"},{"i":8588,"b":"Handelsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek El Salvador De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek El Salvador, bezield met de wens de traditionele vriendschapsbanden tussen de beide landen nauwer aan te halen door middel van de handhaving van het beginsel van wederzijdse behandeling als meestbegunstigde natie in onvoorwaardelijke en onbeperkte vorm als grondslag voor haar handelsbetrekkingen, zijn het navolgende overeengekomen. Artikel 1 De Hoge Contracterende Partijen komen overeen elkander in hun handelsbetrekkingen wederzijds onvoorwaardelijke en onbeperkte behandeling van meestbegunstigde natie te verlenen voor alles wat betreft het douane-systeem van toepassing op de invoer en de uitvoer van goederen zowel als ten aanzien van de toepassing van douaneverplichtingen en -formaliteiten. Artikel 2 De produkten van bodem en nijverheid, voortgebracht op het gebied van een van de Hoge Contracterende Partijen, welke worden ingevoerd in het gebied van de andere Contracterende Partij, zullen in het gebied van deze Partij niet worden onderworpen aan hogere invoerrechten of -heffingen, noch aan het vervullen van bezwarender douaneformaliteiten of -verplichtingen dan die, welke van toepassing zijn op soortgelijke goederen van welk derde land ook. Artikel 3 De produkten van bodem en nijverheid, voortgebracht op het gebied van een van de Hoge Contracterende Partijen, welke worden uitgevoerd naar het gebied van de andere Contracterende Partij, zullen niet worden onderworpen aan de betaling van hogere uitvoerrechten of -heffingen noch aan het vervullen van bezwarender douaneformaliteiten of -verplichtingen dan die, welke van toepassing zijn op soortgelijke goederen bestemd voor welk derde land ook. Artikel 4 De gunsten, voorrechten, tegemoetkomingen of vrijstellingen, welke een der Hoge Contracterende Partijen zal verlenen aan goederen van bodem en nijverheid, afkomstig uit welk derde land ook, zullen automatisch en z"},{"i":8589,"b":"Handelsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek van Bolivia Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Excellentie de President der Boliviaansche Republiek, verlangend de thans tusschen de beide landen bestaande handelsbetrekkingen uit te breiden en te vergemakkelijken, hebben besloten een Handelsverdrag te sluiten en hebben te dien einde Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den Heer ARNOLD THEODOOR LAMPING, Zaakgelastigde der Nederlanden en Gevolmachtigde ad-hoc: Zijne Excellentie de President der Boliviaansche Republiek: Zijne Excellentie Doctor TOMÁS MANUEL ELÍO, Zijn Minister van Buitenlandsche Betrekkingen, die, na hunne wederzijdsche Volmachten te hebben uitgewisseld, welke in goeden en behoorlijken vorm werden bevonden, omtrent de navolgende artikelen zijn overeengekomen: Artikel I 1. De onderdanen van elk der Hooge Verdragsluitende Partijen zullen volle vrijheid hebben zich te begeven op het gebied van de andere Partij, daar te verblijven, te reizen en het te verlaten, mits zij zich echter gedragen naar de wetten en verordeningen, die er ter zake van kracht zijn of zullen zijn. 2. Voor alles wat betreft de vestiging en de uitoefening van den handel, de nijverheid en de scheepvaart, evenals de uitoefening van ambachten en beroepen en de verkrijging van- en de beschikking over den eigendom of het bezit van roerende of onroerende goederen van elken aard, zullen de onderdanen van elk der Hooge Verdragsluitende Partijen over de geheele uitgestrektheid van het gebied van de andere Partij in alle opzichten genieten de behandeling van de meest begunstigde natie. 3. De onderdanen van elk der Hooge Verdragsluitende Partijen zullen vrijelijk toegang hebben tot de rechtbanken van de andere Partij, hetzij als eischers, hetzij als verweerders. Zij zullen, op denzelfden voet als de eigen onderdanen of die van de meestbegunstigde natie, bevoegd zijn, procureurs, advocaten, vertegenwoordigers en ge"},{"i":8591,"b":"Handelsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Haïti Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Excellentie de President van Haïti, gelijkelijk bezield met den wensch de ontwikkeling van de handelsbetrekkingen tusschen de beide landen te bevorderen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot hunne wederzijdsche gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, den Heer W. G. E. D'ARTILLACT BRILL, HoogstDerZelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te Caracas, Zijne Excellentie de President van Haïti, den Heer EDMOND MONTAS, Staatssecretaris voor de Buitenlandsche Betrekkingen, die, na elkander mededeeling te hebben gedaan van hunne volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm werden bevonden, omtrent het volgende zijn overeengekomen: Artikel I De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, dat, voor al wat betreft den handel, de scheepvaart en de nijverheid en alle rechten of heffingen of belastingen, van welken aard zij ook mogen zijn, ieder voorrecht, iedere gunst of vrijstelling, welke ook, die een van haar reeds heeft toegestaan of in de toekomst mocht toestaan aan de personen, maatschappijen, goederen of schepen van eenigen anderen Staat, onmiddellijk en onvoorwaardelijk zullen worden toegestaan aan de personen, maatschappijen, goederen of schepen van de andere Partij. Artikel II De natuurlijke en vervaardigde producten, afkomstig of herkomstig uit een der beide landen zullen, bij hun invoer op het gebied van het andere, niet worden getroffen door hoogere, noch door andere rechten of heffingen dan die, waardoor worden getroffen of zullen worden getroffen de gelijksoortige producten van de meestbegunstigde natie. Artikel III De natuurlijke en vervaardigde producten, afkomstig of herkomstig uit een der beide landen zullen, bij hun uitvoer naar het gebied van het andere, niet worden getroffen door hoogere, noch door andere rechten of heffingen dan die, waardoor worden of zullen worden ge"},{"i":8590,"b":"Handelsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tsjechoslowaakse Republiek, met Protocol Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President der Tsjechoslowaaksche Republiek, bezield met den wensch de vriendschapsbanden tusschen beide landen nauwer aan te halen en derzelver economische betrekkingen te bevorderen, hebben besloten een handelsverdrag te sluiten en hebben te dien einde tot Hunne Gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Jonkheer H. A. VAN KARNEBEEK, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; de President der Tsjechoslowaaksche Republiek: den Heer ZDENĔK FIERLINGER, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister der Tsjechoslowaaksche Republiek te 's-Gravenhage, en den Heer JAN DVOŘÁČEK, Gevolmachtigd Minister en Chef der Afdeeling Economische Zaken van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken der Tsjechoslowaaksche Republiek, die, daartoe behoorlijk gemachtigd, omtrent de navolgende bepalingen tot overeenstemming zijn gekomen: I 1. De onderdanen van elk der Hooge Verdragsluitende Partijen zullen op het grondgebied der andere Partij in alle opzichten en in het bijzonder voor wat betreft de vestiging en de uitoefening van den handel, de nijverheid en de scheepvaart, hunne rechtspositie, hunne roerende en onroerende goederen, hunne rechten en belangen, op even gunstige wijze behandeld worden als de onderdanen der meest-begunstigde natie. 2. Het zal hun vrij staan, hunne zaken op het grondgebied der andere Partij te regelen, hetzij persoonlijk, hetzij door een tusschen persoon hunner keuze, zonder te dezen opzichte aan eenige andere beperkingen te zijn onderworpen dan die, vastgesteld bij de op dat grondgebied van kracht zijnde wetten en voorschriften. 3. Zij zullen voor de uitoefening van hunnen handel, hunne nijverheid en hunne scheepvaart binnen het grondgebied der andere Partij geene andere of hoogere belasting, heffing of rechten betalen dan die, welke aan de nationalen opgelegd worde"},{"i":8592,"b":"Handelsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Keizerrijk Ethiopië Hare Majesteit ZAOUDITOU, Koningin der Koningen van Ethiopië en Hare Majesteit WILHELMINA, Koningin der Nederlanden; Bezield met den wensch de handelsbetrekkingen tusschen de beide landen te begunstigen en te ontwikkelen, hebben besloten te dien einde een handelsverdrag te sluiten. Zijne Keizerlijke en Koninklijke Hoogheid TAFARI MAKONEN, Troonopvolger en Regent van het Keizerrijk Ethiopië, in naam van Hare Majesteit ZAOUDITOU en in zijn eigen naam, eenerzijds, en de Heer CH. O. VAN DER PLAS, Consul der Nederlanden te Djeddah, in naam van hare Majesteit WILHELMINA, anderzijds, zijn omtrent het volgende tot overeenstemming gekomen: Artikel I De onderdanen en de voortbrengselen van elk der beide landen zullen over en weer in het andere land dezelfde behandeling en dezelfde voordeelen genieten ter zake van vestiging, handel en douane, als die welke thans zijn toegekend of die in de toekomst mochten worden toegekend aan de onderdanen en de voortbrengselen van de meestbegunstigde natie. Artikel II De bepalingen van dit verdrag zijn eveneens van toepassing op Nederlandsch-Indië, op Suriname en op Curaçao. Artikel III Dit verdrag zal van kracht blijven gedurende vijf jaren, welke zullen beginnen te loopen één maand na den dag, waarop zijn bekrachtiging door de Regeering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden aan de Keizerlijke Ethiopische Regeering zal zijn medegedeeld. Indien geen van beide Hooge Partijen aan de andere twaalf maanden vóór het verstrijken van die vijf jaren formeel haar voornemen te kennen geeft de werking van dit verdrag te doen ophouden of het te wijzigen, zal het nog één jaar van kracht blijven en zoo vervolgens totdat één jaar zal zijn verstreken na zijne opzegging in den boven aangegeven vorm. En foi de quoi, le présent traité a été rédigé en deux exemplaires identiques en langue française et en langue amharique et signé d'une part par Son Altesse Impériale et Roya"},{"i":8593,"b":"Handelsverdrag tussen Nederland en Canada Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland en de Britsche Overzeesche Bezittingen, Keizer van Indië, de handelsbetrekkingen tusschen Nederland en Canada willende verbeteren en uitbreiden, hebben besloten, te dien einde een verdrag te sluiten en hebben onderscheidenlijk tot Hoogstderzelver gevolmachtigden benoemd te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den heer THEODORE HERMAN DE MEESTER, Consul-Generaal der Nederlanden te Montreal; en Zijne Majesteit de Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland en de Britsche Overzeesche Bezittingen, Keizer van Indië: den heer JAMES ALEXANDER ROBB, lid van Zijner Majesteits Geheimen Raad voor Canada, lid van het Canadeesche Parlement, waarnemend Minister van Financiën en Algemeen Ontvanger van Canada; den heer THOMAS ANDREW LOW, lid van Zijner Majesteits Geheimen Raad voor Canada, lid van het Canadeesche Parlement, Minister van Handel; die, na elkander hunne, in goeden en behoorlijken vorm bevonden, volmachten te hebben medegedeeld, tot overeenstemming zijn gekomen nopens de volgende artikelen: Artikel 1 De voortbrengselen van den bodem of van de nijverheid van Nederland ingevoerd in Canada en de voortbrengselen van den bodem of van de nijverheid van Canada ingevoerd in Nederland, zullen aan geen andere of hoogere rechten of belastingen onderworpen worden dan die, welke worden of zullen worden geheven van soortgelijke voortbrengselen van elk ander vreemd land. Verder zal ten aanzien van den invoer van eenig voortbrengsel van den bodem of van de nijverheid van Nederland in Canada of ten aanzien van den invoer van eenig voortbrengsel van den bodem of van de nijverheid van Canada in Nederland geen verbod of beperkende bepaling mogen worden gehandhaafd of uitgevaardigd, hetwelk of welke niet tezelfder tijd van toepassing zal zijn op den invoer van soortgelijke voortbren"},{"i":8594,"b":"Handelsverdrag tussen Nederland en Guatemala Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Republiek Guatemala, bezield met den wensch, de economische betrekkingen tusschen beide landen te bevorderen, zijn overeengekomen een handelsverdrag te sluiten en hebben te dien einde tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den heer RENÉ CHARLES THÉODORE ROOSMALE NEPVEU, Hoogstderzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij de Regeering der Republiek Guatemala; De President der Republiek Guatemala: den heer Dr. JOSÉ MATOS, Minister van Buitenlandsche Zaken der Republiek; die, na hunne volmachten uitgewisseld en in goede orde bevonden te hebben, het volgende overeengekomen zijn: Artikel I 1. De onderdanen van elke der Hooge Verdragsluitende Partijen zullen op het grondgebied der andere Partij in alle opzichten en in het bijzonder voor wat betreft de vestiging en de uitoefening van den handel, de nijverheid en de scheepvaart, de bescherming van hun persoon, hunne roerende en onroerende goederen, op minstens even gunstige wijze behandeld worden als de onderdanen der meestbegunstigde natie. 2. Het zal hun vrijstaan, hunne zaken op het grondgebied der andere Partij te regelen, hetzij persoonlijk, hetzij door een tusschenpersoon van hun eigen keuze, zonder te dezen opzichte aan eenige andere beperkingen te zijn onderworpen dan die, vastgesteld bij de op genoemd grondgebied van kracht zijnde wetten en voorschriften. 3. Zij zullen voor de uitoefening van hunnen handel, hunne nijverheid of hunne scheepvaart op het gebied der andere Partij geene andere of hoogere belasting, heffing of recht betalen dan die, welke van de nationalen geheven worden. Artikel II 1. De naamlooze vennootschappen en andere vereenigingen op het gebied van handel, nijverheid of financiën, daaronder begrepen de scheepvaartmaatschappijen, die haar zetel hebben op het grondgebied van eene der Hooge Verdragsluitende Partijen en die, volgens de wet"},{"i":8595,"b":"Handelsverdrag tussen Nederland en Hongarije Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Doorluchtige Hoogheid de Gouverneur van Hongarije, bezield met den wensch de economische betrekkingen tusschen beide landen te bevorderen, hebben besloten een handelsverdrag te sluiten en hebben te dien einde tot Hunne Gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Jonkheer H. A. VAN KARNEBEEK, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; Zijne Doorluchtige Hoogheid de Gouverneur van Hongarije: Baron PAUL FORSTER, Zijn Zaakgelastigde te 's Gravenhage, die, daartoe behoorlijk gemachtigd, omtrent de navolgende bepalingen tot overeenstemming zijn gekomen: I 1. De onderdanen van elke der Hooge Verdragsluitende Partijen zullen op het grondgebied der andere Partij in alle opzichten en in het bijzonder voor wat betreft de vestiging en de uitoefening van den handel, de nijverheid en de scheepvaart, hunne roerende en onroerende goederen, hunne rechten en belangen, op minstens even gunstige wijze behandeld worden als de onderdanen der meestbegunstigde natie. 2. Het zal hun vrij staan, hunne zaken op het grondgebied der andere Partij te regelen, hetzij persoonlijk, hetzij door een tusschenpersoon van hun eigen keuze, zonder te dezen opzichte aan eenige andere beperkingen te zijn onderworpen dan die, vastgesteld bij de op dat grondgebied van kracht zijnde wetten en voorschriften. Zij zullen het recht hebben in rechte op te treden en vrijen toegang hebben tot de autoriteiten, mits zij zich onderwerpen aan de wetten des lands. 3. Zij zullen voor de uitoefening van hunnen handel, hunne nijverheid en hunne scheepvaart binnen het grondgebied der andere Partij geene andere of hoogere belasting, heffing of recht betalen dan die, welke aan de nationalen zijn of zullen worden opgelegd. II 1. De naamlooze vennootschappen en andere vereenigingen op het gebied van handel, nijverheid of financiën, daaronder begrepen de scheepvaartmaatschappijen, die"},{"i":8596,"b":"Handvest van de Verenigde Naties Wij, de volken van de Verenigde Naties, vastbesloten komende geslachten te behoeden voor de gesel van de oorlog, die tweemaal in ons leven onnoemelijk leed over de mensheid heeft gebracht, en opnieuw ons vertrouwen te bevestigen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de menselijke persoon, in gelijke rechten voor mannen en vrouwen, alsmede voor grote en kleine naties, en omstandigheden te scheppen waaronder gerechtigheid, alsmede eerbied voor de uit verdragen en andere bronnen van internationaal recht voortvloeiende verplichtingen kunnen worden gehandhaafd, en sociale vooruitgang en hogere levensstandaarden in groter vrijheid te bevorderen, en te dien einde verdraagzaamheid te betrachten en in vrede met elkander te leven als goede naburen, en onze krachten te bundelen ter handhaving van de internationale vrede en veiligheid, en door het aanvaarden van beginselen en het invoeren van methodes te verzekeren, dat wapengeweld niet zal worden gebruikt behalve in het algemeen belang, en gebruik te maken van internationale instellingen voor de bevordering van de economische en sociale vooruitgang van alle volken, hebben besloten onze inspanningen te verenigen om deze doeleinden te verwezenlijken. Dienovereenkomstig hebben onze onderscheiden regeringen, door tussenkomst van hun in de stad San Francisco bijeengekomen vertegenwoordigers, die hun volmachten hebben overgelegd, welke in goede orde zijn bevonden, overeenstemming bereikt over dit Handvest van de Verenigde Naties en richten zij hierbij een internationale organisatie op, die de naam zal dragen van de Verenigde Naties. De Engelse tekst van het Handvest is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. F 253. De vertaling is gepubliceerd in Stb. F 321. Het Handvest is in werking getreden op 24 oktober 1945, zie Trb. 1951/44. Het Handvest is gewijzigd volgens Trb. 1964/109, Trb. 1966/138 en Trb. 1972/96. Hoofdstuk I. DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN Artikel 1 De doel"},{"i":8597,"b":"Herziene Algemene Akte nopens vreedzame regeling van internationale geschillen HOOFDSTUK I. **Verzoening** Artikel 1 Geschillen, van welke aard ook tussen twee of meer Partijen, die tot deze Algemene Akte zijn toegetreden, welke niet opgelost zijn kunnen worden langs de diplomatieke weg, zullen, behoudens eventuele voorbehouden, bedoeld in artikel 39, worden onderworpen aan de verzoeningsprocedure overeenkomstig de in dit Hoofdstuk vervatte regelen. Artikel 2 De in het vorige artikel bedoelde geschillen zullen voor een vaste of bijzondere Verzoeningscommissie worden gebracht, door de bij het geschil betrokken partijen ingesteld. Artikel 3 Op het verzoek, dat te dien einde door een Verdragsluitende Partij tot een der andere Partijen wordt gericht, zal binnen zes maanden een vaste Verzoeningscommissie moeten worden ingesteld. Artikel 4 Tenzij de betrokken partijen anders overeenkomen, zal de Verzoeningscommissie worden samengesteld als volgt: - 1. De Commissie zal bestaan uit vijf leden. De partijen zullen ieder één hiervan benoemen, die gekozen zal kunnen worden uit haar respectievelijke onderdanen. De drie andere commissarissen zullen in gemeen overleg worden gekozen uit de onderdanen van derde Mogendheden. Deze laatsten zullen van verschillende nationaliteit moeten zijn, zullen niet hun gewoon verblijf moeten hebben op het grondgebied van de betrokken partijen en zich niet in dienst van deze partijen mogen bevinden. De partijen zullen onder deze drie commissarissen de voorzitter van de Commissie aanwijzen. - 2. De commissarissen zullen benoemd worden voor drie jaar. Zij zullen herkiesbaar zijn. De in gemeen overleg benoemde commissarissen zullen met goedvinden der partijen in de loop van hun mandaat vervangen kunnen worden. Iedere partij zal intussen altijd kunnen overgaan tot de vervanging van de door haar benoemde commissaris. Niettegenstaande hun vervanging zullen de commissarissen in functie blijven voor de beëindiging van de lopende werkzaamheden. - 3. Er zal"},{"i":8598,"b":"Herziene Rijnvaartakte Daar het op 31 maart 1831 tussen de Regeringen der Oeverstaten gesloten Rijnvaartverdrag sedert dat tijdstip talrijke wijzigingen heeft ondergaan en een deel van de bepalingen, welke het bevat, niet meer in overeenstemming is met de tegenwoordige toestand van de scheepvaart, hebben Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Baden, Zijne Majesteit de Koning van Beieren, Zijne Majesteit de Keizer der Fransen, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Hessen en Zijne Majesteit de Koning van Pruisen in gemeen overleg besloten bedoeld Verdrag te herzien, met handhaving echter van het beginsel der vrijheid van de scheepvaart op de Rijn met betrekking tot de handel, en hebben zij met dat doel tot hun gevolmachtigde commissarissen benoemd: (Volgt de opsomming der gevolmachtigden.) die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, onder voorbehoud van bekrachtiging de volgende bepalingen hebben vastgesteld: De Franse tekst van de Akte is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. 1869/75. De vertaling is gepubliceerd in Stb. 1869/75. Artikel 1 De vaart op de Rijn en zijn uitmondingen van Bazel tot in de open zee, hetzij stroomafwaarts hetzij stroomopwaarts, is vrij voor de schepen van alle naties voor het vervoer van goederen en personen, met inachtneming van de in dit Verdrag vervatte bepalingen en van de in het belang van de algemene veiligheid getroffen maatregelen. Behoudens deze voorschriften zal geen enkel beletsel hoegenaamd aan de vrije scheepvaart in de weg worden gelegd. De Lek en de Waal worden beschouwd deel uit te maken van de Rijn. Artikel 2. 2) [Red: Gewijzigd door artikel 356 van het Verdrag van Versailles, dat de rechten welke zijn verleend aan de tot de Rijnvaart behorende vaartuigen, heeft uitgebreid tot de vaartuigen van alle naties.] De tot de Rijnvaart behorende vaartuigen en de van de Rijn komende houtvlotten hebben het recht om bij de doorvaart"},{"i":8599,"b":"Het begrip ,,vaste inrichting’’ in de verdragen tot het vermijden van dubbele belasting Resolutie staatssecretaris van Financiën 22 januari 1979, nr. 079-24, gewijzigd bij Resolutie staatssecretaris van Financiën 26 maart 1989, nr. 088-3766 I. Inleiding Een deel van de aanschrijvingen die betrekking hebben op het begrip ,,vaste inrichting’’ in de door Nederland gesloten belastingverdragen dient, met name voor wat betreft de verwijzingen, te worden aangepast. Ik heb deze gelegenheid aangegrepen om de bestaande aanschrijvingen op het stuk van de vaste inrichting samen te brengen. II. Uitvoering van werken A. Algemeen Voor de toepassing van het [Besluit voorkoming dubbele belasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012095) (boekwerk IFZ, 1.00.20) wordt ingevolge [artikel 2, vierde lid, onder a, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012095&artikel=2) onder ,,vaste inrichting’’ mede verstaan ,,werken waarvan de uitvoering langer dan twaalf maanden duurt’’. Deze bepaling dient evenwel geen toepassing te vinden bij de uitvoering van verdragen ter voorkoming van dubbele belasting. Indien werken worden uitgevoerd in een land waarmede Nederland een belastingverdrag heeft gesloten, dient de vraag of in dat land een bedrijf wordt uitgeoefend met behulp van een aldaar aanwezige vaste inrichting, te worden beantwoord aan de hand van het desbetreffende verdrag. Indien een verdrag niet voorziet in een regeling terzake, terwijl ook in het vervolg van deze aanschrijving terzake geen aanwijzing wordt gegeven, behoort in voorkomende gevallen de vraag, of de uitvoering van een werk al dan niet als het uitoefenen van een bedrijf in het desbetreffende land met behulp van een vaste inrichting moet worden beschouwd, aan het ministerie (directie Internationale Fiscale Zaken) te worden voorgelegd. B. Afzonderlijke verdragslanden III. Overige gevallen Bondsrepubliek Duitsland. IJsrevues, circusondernemingen. Op grond van artikel 22 van de Nederlands-Duitse belasting"},{"i":8600,"b":"Besluit van 16 november 2015 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, ter implementatie van richtlijn nr. 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 173, alsmede ter implementatie van gedelegeerde verordening (EU) nr. 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PbEU 2015, L 11) (Implementatiebesluit Europees kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 5 oktober 2015, 2015-0000012855, directie Financiële Markten; Gelet op [richtlijn nr. 2014/59](32014L0059)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van [Richtlijn 82/891/EEG](31982L0891) van de Raad en de [Richtlijnen 2001/24/EG](32001L0024), [2002/47/EG](32002L0047), [2004/25/EG](32004L0025), [2005/56/EG](32005L0056), [2007/36/EG](32007L0036), [2011/35](32011L0035)/EU, [2012/30](32012L0030)/EU en [2013/36](32013L0036)/EU en Verordeningen (EU) nr. [1093/2010](32993L2010) en (EU) [nr. 648/2012](32548L2012), van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 173), alsmede g"},{"i":8601,"b":"Wet van 27 september 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet energiebesparing toestellen en de Wet op de economische delicten ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 juli 2005 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten en tot wijziging van richtlijn 92/42/EEG van de Raad en de richtlijnen 96/57/EG en 2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad (Implementatiewet EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, ter implementatie van richtlijn nr. 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 juli 2005 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten en tot wijziging van richtlijn 92/42/EEG van de Raad en de richtlijnen 96/57/EG en 2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 191), in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) een regeling op te nemen teneinde eisen te kunnen stellen inzake het ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten en in verband daarmede de [Wet energiebesparing toestellen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003916) en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wet energiebesparing toestellen. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV 1. Na de inwerkingtreding van deze wet berusten het [Besluit rendementseisen cv-ketels](https://wetten.o"},{"i":8602,"b":"Wet van 2 juli 2009 tot implementatie van richtlijn nr. 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (Implementatiewet EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ter implementatie van [richtlijn nr. 2007/2/EG](32007L0002) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PbEU L 108), regels te stellen om de toegankelijkheid van ruimtelijke informatie, in het bijzonder met het oog op de bescherming van het milieu, te vergroten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **derde partij:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die geen bestuursorgaan is; - **diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens:** de verwerking van de ruimtelijke gegevens die zich in verzamelingen ruimtelijke gegevens bevinden of de verwerking van de aanverwante metagegevens door middel van een computertoepassing; - **EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie:** [richtlijn nr. 2007/2/EG](32007L0002) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PbEU L 108); - **interoperabiliteit:** de mogelijkheid dat, zonder terugkerende handmatige verrichtingen, verzamelingen ruimtelijke gegevens zodanig worden gecombineerd en dat diensten zodanig op elkaar inwerken dat het resultaat coherent is en de meerwaarde van de verzamelingen gegevens en de dienste"},{"i":8603,"b":"Wet van 11 november 2015 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 173), alsmede ter implementatie van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 225) (Implementatiewet Europees kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter uitvoering van richtlijn nr. 2014/59/EU van het Europees parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van [Richtlijn 82/891/EEG](31982L0891) van de Raad en de [Richtlijnen 2001/24/EG](32001L0024), [2002/47/EG](32002L0047), [2004/25/EG](32004L0025), [2005/56/EG](32005L0056), [2007/36/EG](32007L0036), [2011/35](32011L0035)/EU, [2012/30](32012L0030)/EU en [2013/36](32013L0036)/EU en Verordeningen (EU) nr. [1093/2010](32993L2010) en (EU) nr. [648/2012](32548L2012), van het Europees parlement en de Raad"},{"i":8604,"b":"Wet van 4 november 2010 tot wijziging van de Wet milieubeheer ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (herschikking) (Pb EU L 285) (Implementatiewet herschikking EG-richtlijn ecologisch ontwerp energiegerelateerde producten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, ter implementatie van richtlijn nr. 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (herschikking) (Pb EU L 285), in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) een aantal wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Implementatiewet EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 20 november 2010. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 19 november 2010, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet herschikking EG-richtlijn ecologisch ontwerp energiegerelateerde producten. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8605,"b":"Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie, de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten en enkele andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/957 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PbEU 2018, L 173) (Implementatiewet herziene detacheringsrichtlijn) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie, de [Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987) en enkele andere wetten te wijzigen in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/957 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 tot wijziging van [Richtlijn 96/71/EG](31996L0071) betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PbEU 2018, L 173); Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt voor de sector wegvervoer in werking op 1 juni 2023 (Stb. 2023/152). Artikel I. Wijziging van de [Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616) Wijzigt de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Artikel II. Wijziging van de [Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054) Wijzigt de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie. Artikel III. Wijziging van de [Wet minimumloon en minimumva"},{"i":8606,"b":"Wet van 5 december 2018 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet bekostiging financieel toezicht, het Burgerlijk Wetboek en de Wet handhaving consumentenbescherming ter implementatie van richtlijn nr. 2015/2366/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PbEU 2015, L 337) (Implementatiewet herziene richtlijn betaaldiensten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van richtlijn (EU) 2015/2366/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de [Richtlijnen 2002/65/EG](32002L0065), [2009/110/EG](32009L0110) en [2013/36](32013L0036)/EU en Verordening (EU) nr. [1093/2010](32993L2010) en houdende intrekking van [Richtlijn 2007/64/EG](32007L0064) (PbEU 2015, L 337); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IV Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel IVa Wijzigt de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming. Artikel IVb Onze Minister van Financiën zendt in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V 1. De [artikelen 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), [1:5a](https://"},{"i":8645,"b":"Internationaal Verdrag inzake hulpverlening, 1989 De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, De wenselijkheid erkennende om in gemeen overleg eenvormige internationale regels vast te stellen betreffende hulpverlening, In aanmerking nemende dat belangrijke ontwikkelingen, in het bijzonder de toenemende aandacht voor de bescherming van het milieu, de noodzaak hebben aangetoond van een herziening van de internationale regels, thans vervat in het Verdrag tot het vaststellen van eenige eenvormige regelen betreffende hulp en berging, gedaan te Brussel, 23 september 1910, Zich bewust van de belangrijke bijdrage die een doelmatige en tijdige hulpverlening kan leveren aan de veiligheid van schepen en andere zaken die in gevaar verkeren en aan de bescherming van het milieu, Overtuigd van de noodzaak zorg te dragen voor voldoende aansporingen voor personen die hulp verlenen aan schepen en andere zaken die in gevaar verkeren, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Definities Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. betekent **hulpverlening** iedere daad of werkzaamheid, verricht om hulp te verlenen aan een in een bevaarbaar water of in welk ander water dan ook in gevaar verkerend schip of andere zaak, - b. betekent **schip** ieder schip of ander vaartuig, dan wel iedere constructie waarmee kan worden gevaren, - c. betekent **zaak** iedere zaak die niet blijvend en opzettelijk aan de kust is bevestigd en daaronder is begrepen de in risico zijnde vracht, - d. betekent **milieuschade** aanzienlijke fysieke schade aan de gezondheid van de mens, aan de fauna of flora in zee of aan hulpbronnen in kust- of binnenwateren of daaraan grenzende gebieden, veroorzaakt door verontreiniging, besmetting, brand, ontploffing of soortgelijke ingrijpende gebeurtenissen, - e. betekent **betaling** iedere krachtens dit Verdrag verschuldigde beloning, vergoeding of schadeloosstelling, - f. betekent **Organisatie de** Internationale Maritieme Organisatie, - g. betek"},{"i":8652,"b":"Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Indachtig de doelstellingen en beginselen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van goed nabuurschap, vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten; In herinnering brengend de Verklaring van 24 oktober 1995 ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Verenigde Naties; Het recht van alle Staten erkennend om kernenergie te ontwikkelen en toe te passen ten behoeve van vreedzame doeleinden alsmede hun rechtmatige belangen bij de potentiële voordelen die behaald kunnen worden met de vreedzame toepassing van kernenergie; Indachtig het [Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003800) van 1980; Ernstig bezorgd over de toeneming over de gehele wereld van daden van terrorisme, in al zijn gedaantes en verschijningsvormen; In herinnering brengend de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme, bijlage bij resolutie 49/60 van de Algemene Vergadering van 9 december 1994, waarin onder andere de lidstaten van de Verenigde Naties opnieuw plechtig hun ondubbelzinnige veroordeling bevestigen van alle terroristische daden, methoden en praktijken als misdadig en ongerechtvaardigd, ongeacht waar en door wie zij zijn begaan, met inbegrip van daden die de vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten en volkeren schaden en de territoriale integriteit en veiligheid van Staten bedreigen; Vaststellend dat de Verklaring de Staten tevens aanmoedigde het toepassingsgebied van de bestaande internationale wettelijke bepalingen inzake de preventie, bestrijding en uitbanning van terrorisme in al zijn gedaantes en verschijningsvormen spoedig te herzien teneinde een volledig wettelijk kader te scheppen dat alle aspecten van terrorisme omva"},{"i":8673,"b":"Internationale Overeenkomst inzake tropisch hout, 2006 Preambule De Partijen bij deze Overeenkomst, In herinnering brengend de Verklaring en het Actieprogramma inzake de vestiging van een nieuwe internationale economische orde, het geïntegreerde grondstoffenprogramma, het Nieuwe Partnerschap voor Ontwikkeling alsmede de „Geest van São Paulo” en de „Consensus van São Paulo”, zoals aangenomen door de UNCTAD XI; Eveneens in herinnering brengend de Internationale Overeenkomst inzake tropisch hout, 1983, en de [Internationale Overeenkomst inzake tropisch hout, 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001268), en erkennend het werk van de Internationale Organisatie voor tropisch hout en de sinds haar oprichting bereikte resultaten, waaronder een strategie om te komen tot internationale handel in tropisch hout uit duurzaam beheerde bronnen; Voorts in herinnering brengend de Verklaring van Johannesburg en het tenuitvoerleggingsplan daarvan die door de Wereldtop over duurzame ontwikkeling in september 2002 zijn aangenomen, het in oktober 2000 ingestelde Bossenforum van de Verenigde Naties en de daarmee samenhangende instelling van het Samenwerkingspartnerschap inzake bossen (CPF), waarvan de Internationale Organisatie voor tropisch hout lid is, alsmede de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling, de niet juridisch bindende gezaghebbende verklaring inzake beginselen voor een mondiale consensus aangaande het beheer, het behoud en duurzame ontwikkeling van alle soorten bossen, en de desbetreffende hoofdstukken van Agenda 21, zoals aangenomen door de VN-Conferentie inzake milieu en ontwikkeling in juni 1992, het [VN-Raamverdrag inzake klimaatverandering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001115), het [VN-Verdrag inzake biologische diversiteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136) en het [VN-Verdrag ter bestrijding van woestijnvorming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001192); Erkennend dat de staten, overeenkomstig het [Handvest van de Ve"},{"i":8681,"b":"Interregionale Kaderovereenkomst voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar Lid-Staten, enerzijds, en de Mercado Común del Sur en zijn deelnemende Staten, anderzijds Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie, hierna aangeduid als „Lid-Staten van de Europese Gemeenschap,” de Europese Gemeenschap, hierna aangeduid als „de Gemeenschap”, enerzijds, en de Argentijnse Republiek de Bondsrepubliek Brazilië de Republiek Paraguay de Republiek ten Oosten van Uruguay Partijen bij het Verdrag van Asunción tot oprichting van een gemeenschappelijke markt van het Zuiden en bij het Additionele Protocol van Ouro Preto, hierna aangeduid als „de deelnemende staten van de Mercosur”, en el Mercado Común del Sur, hierna aangeduid als „de Mercosur”, anderzijds, Zich bewust van de diepe historische, culturele, politieke en economische banden die tussen hen bestaan en van de waarden die hun volkeren gemeen hebben; Overwegende dat zij de in het Handvest van de Verenigde Naties vastgestelde oogmerken en beginselen, de democratische waarden, de rechtsstaat, en de eerbiediging en bevordering van de mensenrechten ten volle onderschrijven; Overwegende dat beide partijen groot belang hechten aan de beginselen en waarden die zijn vervat in de Slotverklaring van de Conferentie van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling die in juni 1992 te Rio de Janeiro is gehouden, alsmede aan de Slotverklaring van de Sociale Top die in maart 1995 in de stad Kopenhagen heeft plaatsgevonden; Overwegende dat beide partijen"},{"i":8695,"b":"Langlopende Handelsovereenkomst tussen de Benelux Economische Unie en de Hongaarse Volksrepubliek, ondertekend te Boedapest op 26 april 1967 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en De Regering van het Koninkrijk België, krachtens bestaande overeenkomsten mede uit naam van de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, Handelende tezamen krachtens het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, ondertekend te 's-Gravenhage op 3 februari 1958, Overeenkomstsluitende Partij enerzijds, en De Regering van de Hongaarse Volksrepubliek, Overeenkomstsluitende Partij anderzijds, Bezield door de wens de economische betrekkingen tussen hun grondgebieden zo veel mogelijk te bevorderen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I In deze Overeenkomst worden als Nederlandse, Belgische en Luxemburgse produkten beschouwd de produkten van oorsprong uit de Benelux Economische Unie. Als Hongaarse produkten worden beschouwd de produkten van oorsprong uit de Hongaarse Volksrepubliek. Artikel II De bevoegde autoriteiten van de Benelux Economische Unie staan, in het kader van de van kracht zijnde regelingen, de invoer in de Benelux Economische Unie toe van de Hongaarse produkten die op de aan deze Overeenkomst gehechte lijst „A” voorkomen, ten minste ten belope van de hoeveelheden of waarden als voor elk dezer produkten aangegeven. De bevoegde autoriteiten van de Hongaarse Volksrepubliek staan, hunnerzijds, de uitvoer naar de Benelux Economische Unie toe van genoemde produkten, ten minste ten belope van de hoeveelheden of waarden als voor elk dezer produkten aangegeven. Artikel III De bevoegde autoriteiten van de Hongaarse Volksrepubliek staan, in het kader van de van kracht zijnde regelingen, de invoer in Hongarije toe van de Nederlandse, Belgische, of Luxemburgse produkten die op de aan deze Overeenkomst gehechte lijst „B” voorkomen, ten minste ten belope van de hoeveelheden of waarden als voor elk dezer produkten aangegeven. De bevoegde autoriteiten van de Benelux Econ"},{"i":8712,"b":"Nederlandsch-Duitsch Arbitrage- en Verzoeningsverdrag HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN EN HET DUITSCHE RIJK, vervuld van den wensch, de ontwikkeling van de procedure van vreedzame beslechting van internationale geschillen te bevorderen, zijn overeengekomen een algemeen Arbitrage- en Verzoeningsverdrag te sluiten. Te dien einde hebben tot gevolmachtigden benoemd: HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN: Zijne Excellentie Jonkheer **H. A. van Karnebeek**, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; DE DUITSCHE RIJKSPRESIDENT: Freiherr **H. Lucius von Stoedten**, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van het Duitsche Rijk te 's-Gravenhage, die, nadat zij hunne volmachten onderzocht en in goeden en behoorlijken vorm hebben bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 De Verdragsluitende Partijen verplichten zich, alle geschillen van welken aard ook, die tusschen haar ontstaan en niet binnen redelijken tijd langs diplomatieken weg kunnen worden opgelost, en die niet met toestemming van beide Partijen aan het Internationaal Gerechtshof worden voorgelegd, volgens de bepalingen van dit Verdrag, hetzij aan een arbitrage- hetzij aan een verzoeningsprocedure te onderwerpen. Geschillen, voor welker beslechting de Verdragsluitende Partij en door andere tusschen haar bestaande overeenkomsten aan een bijzondere procedure gebonden zijn, worden volgens de bepalingen dezer overeenkomsten behandeld. Artikel 2 Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 3 worden op verlangen van een der Partijen aan de arbitrage-procedure onderworpen, die geschillen, waarbij de Partijen het onderling oneens zijn over een rechtsvraag, in het bijzonder die geschillen, welke betrekking hebben op: - ten eerste: inhoud, uitlegging en toepassing van een tusschen de beide Partijen gesloten Verdrag; - ten tweede: ieder punt van internationaal recht; - ten derde: het bestaan van een feit, dat, wanneer het werd vastgesteld, zou inhouden de schending van een internati"},{"i":8731,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Finse Regering houdende een verdrag inzake voorrechten en immuniteiten te verlenen aan verbindingsofficieren die vanwege de Finse Regering bij Europol te 's-Gravenhage worden tewerkgesteld 1. Definitions In this Agreement: - a). “Liaison officer” means: any official seconded to Europol in accordance with Article 5 of the Europol Convention; - b). “Government” means the Government of the Kingdom of the Netherlands; - c). “Host State authorities” means such State, municipal or other authorities of the Kingdom of the Netherlands as may be appropriate in the context of and in accordance with the laws and customs applicable in the Kingdom of the Netherlands; - d). “Member State” means the Republic of Finland; - e). “Archives of the liaison officer” means all records, correspondence, documents, manuscripts, computer and media data, photographs, films, video and sound recordings belonging to or held by the liaison officer, and any other similar material which in the unanimous opinion of the Member State and the Government forms part of the archives of the liaison officer. 2. Privileges and immunities 1. Subject to the provisions of this Agreement, the liaison officer and members of his family who form part of his household and do not possess Dutch nationality, shall enjoy in and vis-à-vis the Kingdom of the Netherlands the same privileges and immunities as are conferred on members of the diplomatic staff by the Vienna Convention on Diplomatic Relations of 18 April 1961. 2. The immunity granted to persons mentioned in paragraph 1 of this Article shall not extend to either: - i). civil action by a third party for damages, including personal injury or death, arising from a traffic accident caused by any such person, and is without prejudice to Article 32 of the Europol Convention; or - ii). criminal and civil jurisdiction over acts performed outside the course of their official duties. 3. The obligations of Sending States and their pe"},{"i":8746,"b":"Overeenkomst betreffende de afgifte van een attestatie de vita De Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend en die lid zijn van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, Verlangend het bewijs van in leven zijn van personen die niet verblijven op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Staat waar het bewijs moet worden geleverd, te vergemakkelijken, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst verplichten zich een attestatie de vita af te geven wanneer het in leven zijn van een persoon moet worden bewezen in een andere Staat die Partij is bij deze Overeenkomst, dan de Staat waarin deze persoon zijn verblijfplaats heeft. 2. De attestatie wordt afgegeven door de bevoegde autoriteit van de Staat van de verblijfplaats van de aanvrager, ongeacht diens nationaliteit. Artikel 2 1. De attestaties zoals vastgesteld op grond van deze Overeenkomst worden in alle Overeenkomstsluitende Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst erkend. 2. De attestaties moeten worden aanvaard wanneer deze binnen de daarvoor in het land waar zij worden gebruikt krachtens de wet of gewoonte geldende termijnen worden overgelegd. 3. De attestaties gelden als bewijs behoudens tegenbewijs. Artikel 3 De bevoegde autoriteit geeft de attestatie de vita af overeenkomstig de bepalingen van haar nationale wet. Artikel 4 1. Bij de ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot de Overeenkomst wijst elke Staat de autoriteiten aan die bevoegd zijn tot de afgifte van de in deze Overeenkomst voorziene attestatie. 2. Elke wijziging die daarna wordt aangebracht in deze aanwijzing wordt ter kennis gebracht van de Zwitserse Bondsraad. 3. De diplomatieke of consulaire autoriteiten zijn eveneens bevoegd een attestatie de vita af te geven aan de onderdanen van hun Staat die verblijf houden in de Staat waar deze autoriteiten hun functie uitoefenen. Zij zijn tevens bevoegd, ongeacht de nationaliteit van de betrokkene, indie"},{"i":8779,"b":"Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika De Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, verlangend de samenwerking tussen de Verenigde Staten van Amerika en de lidstaten van de Europese Unie verder te vergemakkelijken; verlangend de criminaliteit doeltreffender te bestrijden teneinde hun respectieve democratische samenlevingen en gemeenschappelijke waarden te beschermen; met inachtneming van de rechten van het individu en de rechtsstaat; indachtig de waarborgen die hun respectieve rechtsstelsels bieden inzake het recht van een uitgeleverde persoon op een eerlijk proces, waaronder het recht te worden gevonnist door een onpartijdig gerecht dat is ingesteld bij wet; verlangende een verdrag te sluiten betreffende de uitlevering van plegers van strafbare feiten, hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: Artikel 1. Onderwerp en doel De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst bestaande betrekkingen tussen de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika inzake de samenwerking bij uitlevering van plegers van strafbare feiten te verbeteren. Artikel 2. Definities 1. Onder „overeenkomstsluitende partijen” wordt verstaan: de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika. 2. Onder „lidstaat” wordt verstaan: een lidstaat van de Europese Unie. 3. Onder „ministerie van Justitie” wordt verstaan: voor de Verenigde Staten van Amerika het „Department of Justice” van de Verenigde Staten, en voor een lidstaat, zijn ministerie van Justitie, met dien verstande dat voor een lidstaat waar de in de artikelen 3, 5, 6, 8 en 12 omschreven taken door de procureur-generaal worden vervuld, die autoriteit mag worden aangewezen om zodanige taken in plaats van het ministerie van Justitie uit te voeren in overeenstemming met artikel 19, tenzij de Verenigde Staten en de betrokken lidstaat overeenkomen om een andere autoriteit aan te wijzen. Artikel 3."},{"i":18342,"b":"Besluit van 24 juli 2010 houdende regeling van de materiele rechtspositie van de Rijksvertegenwoordiger van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juni 2010; Gelet op [artikel 193, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=193), [201](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=201) en [203 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=203); De Raad van State gehoord (advies van 30 juni 2010, nr. W04.10.0218/1); Gezien het nader rapport van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 juli 2010, nr. 2010-0000486014; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bezoldiging:** het bedrag per maand waarop de Rijksvertegenwoordiger op grond van [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028016&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van dit besluit aanspraak kan maken. Artikel 2. Bezoldiging en vergoeding voor ambtskosten 1. De bezoldiging van de Rijksvertegenwoordiger bedraagt € 12.875,98. 2. De Rijksvertegenwoordiger ontvangt een vergoeding ten bedrage van € 498,53 per maand voor de aan zijn ambt verbonden kosten. 3. Het bedrag genoemd in het tweede lid wordt met ingang van 1 januari 2020 per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar. 4. De kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van de functie van Rijksvertegenwoordiger komen ten laste van het Rijk. 5. Onze Minister ka"},{"i":8853,"b":"Overeenkomst inzake Partnerschap en Samenwerking waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033), hierna „Lid-Staten” te noemen, en de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „de Gemeenschap” te noemen, enerzijds, en de Russische Federatie, hierna „Rusland” te noemen, anderzijds, Gelet op het belang van de historische banden tussen de Gemeenschap, haar Lid-Staten en Rusland, en hun gemeenschappelijke waarden, Erkennende dat de Gemeenschap en Rusland deze banden wensen te verstevigen en partnerschap en samenwerking tot stand willen brengen om te komen tot verdieping en verbreding van de betrekkingen die in het verleden zijn aangeknoopt, inzonderheid bij de op 18 december 1989 ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking, hierna „de Overeenkomst van 1989” te noemen, Gelet op de verbintenis van de Gemeenschap en haar Lid-Staten, optredend in het kader van de Europese Unie opgericht bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":8969,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Chili inzake economische en technologische samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Chili, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, Geleid door de wens de vriendschappelijke betrekkingen tussen hun beide volken verder te versterken en de ontwikkeling van economische en technologische samenwerking tussen hun beide landen te bevorderen op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. De Overeenkomstsluitende Partijen doen al het mogelijke, binnen het kader van hun wetten en voorschriften en rekening houdend met hun internationale verplichtingen, om de economische en technologische samenwerking tussen beide landen te ontwikkelen en te versterken op basis van wederzijds voordeel. 2. De Overeenkomstsluitende Partijen stimuleren en bevorderen in het bijzonder de duurzame economische en technologische samenwerking tussen: - a. onderdanen van de onderscheiden Staten; - b. onderdanen van de ene Staat en de andere Staat of de samenstellende delen of instanties daarvan. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen zijn van mening dat de samenwerking onder meer betrekking kan hebben op industrie, bosbouw en papierindustrie, mijnbouw, energie, landontginning en waterhuishouding, landbouw, industrie voor de verwerking van agrarische produkten, visserij, regionale ontwikkeling en plattelandsontwikkeling, diensten en voorzieningen voor de gezondheidszorg, huisvesting, bescherming van het milieu en rationeel gebruik van natuurlijke rijkdommen, infrastructuur, vervoersinfrastructuur, verbindingen, distributie en afzet van goederen, constructiewerkzaamheden en andere diensten. Zij stellen elkaar op de hoogte van de specifieke sectoren waarin zij samenwerking wenselijk achten. Artikel 3 De in artikel 1 bedoelde technologische samenwerking omvat de toegepaste wetenschappen en kan, met inachtneming van de wetten en voorschriften van"},{"i":2579,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 11 december 2017, nr. WJZ/17177946, houdende beleidsregels inzake de wijziging van vergunningen windenergie op zee voor de kavels I en II Hollandse Kust (zuid) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81)en [artikel 17, vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **aanvraag:** aanvraag om wijziging van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17); - **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **regeling:** [Regeling vergunningverlening windenergie op zee kavels I en II Hollandse Kust (zuid)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040074); - **wet:** [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op de wijziging op aanvraag van een vergunning die overeenkomstig [artikel 22 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=22) is verleend voor kavel I of kavel II, als bedoeld in [artikel 1 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040074&artikel=1). Artikel 3 1. Een aanvraag gaat vergezeld van een toelichting die inzichtelijk maakt wat de invloed van de beoogde wijziging van de vergunning is op: - a. de locatie van de productie-installatie; - b. het nominale vermogen van de productie-installatie; - c. de mate waarin wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14); - d. de uitvoerbaarheid van het plan; - e. de technische haalbaarheid van het plan; - f. de financiële haalbaarheid van het plan, of - g. de economische haalbaarheid van het plan. 2. Een aanvraag gaat verge"},{"i":9045,"b":"Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, en de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Costa Rica, de Republiek El Salvador, de Republiek Guatemala, de Republiek Honduras, de Republiek Nicaragua, de Republiek Panama, hierna „Midden-Amerika”, anderzijds, gelet op de traditionele historische, culturele, politieke, economische en sociale banden tussen de partijen en de wens om de betrekkingen op basis van gemeenschappelijke beginselen en waarden te versterken, voortbouwend op de bestaande mechanismen die de betrekkingen tussen de partijen bepalen, alsmede de wens om de biregionale banden op gebieden van gemeenschappelijk belang te consolideren, te verdiepen en te diversifiëren in een sfeer van wederzijds respect, gelijkheid, non-discriminatie, solidariteit en wederzijds profijt; gelet op de positieve ontwikkelingen in beide regio’s gedurende de laatste twee decennia, waardoor bij de bevordering van gemeenschappelijke doelen en belangen een nieuwe fase kan worden in"},{"i":9046,"b":"Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lidstaten, enerzijds, en Turkmenistan, anderzijds Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „lidstaten\" te noemen, en De Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „de Gemeenschap\" te noemen, enerzijds, en Turkmenistan, anderzijds, Gelet op de banden tussen de Gemeenschap, haar lidstaten en Turkmenistan, en hun gemeenschappelijke waarden, Erkennende dat de Gemeenschap en Turkmenistan deze banden wensen te verstevigen en partnerschap en samenwerking tot stand willen brengen om te komen tot versterking en verbreding van de betrekkingen die in het verleden zijn aangeknoopt, inzonderheid bij de op 18 december 1989 ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking, Gelet op de verbintenis van de Gemeenschap en haar lidstaten en van Turkmenistan tot versterking van de politieke en economische vrijheden, die de grondslag van het partnerschap vormen, Erkennende in die context dat de ondersteuning van de onafhankelijkheid, de soevereiniteit en de territoriale onschendbaarheid van Turkmenistan zal bijdragen aan het waarborgen van vrede en stabiliteit in Centraal Azië, Vaststell"},{"i":9047,"b":"Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Singapore, anderzijds de Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd, en het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de lidstaten” genoemd, enerzijds, en de Republiek Singapore, anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, Gezien de traditionele vriendschapsbanden tussen de partijen en de nauwe historische, politieke en economische banden die hen verenigen; Gezien het bijzondere belang dat de partijen hechten aan het alomvattende karakter van hun wederzijdse betrekkingen; Overwegende dat de partijen van mening zijn dat deze overeenkomst deel uitmaakt van bredere en samenhangende betrekkingen tussen hen, die tot stand zijn gekomen door overeenkomsten waarbij beide zijden partij zijn; Bevestigend dat de partijen gehecht zijn aan de eerbiediging van de democratische beginselen en de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals deze zijn vastgelegd in de [Universele Verklaring van de rechten van de mens](onbekend) en andere toepasselijke internationale mensenrechteninstrumenten waarbij zij pa"},{"i":9048,"b":"Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds Het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „lidstaten\" genoemd, en de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „de Gemeenschap\" genoemd, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds, Gelet op de banden tussen de Gemeenschap, haar lidstaten en de Republiek Tadzjikistan, en hun gemeenschappelijke waarden, Erkennende dat de Gemeenschap en de Republiek Tadzjikistan deze banden wensen te verstevigen en partnerschap en samenwerking tot stand willen brengen om te komen tot versterking en verbreding van de betrekkingen die in het verleden zijn aangeknoopt, met name bij de op 18 december 1989 ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken inzake handel en commerciële en economische samenwerking, Gelet op de verbintenis van de Gemeenschap en haar lidstaten en van de Republiek Tadzjikistan tot versterking van de politieke en economische vrijheden, die de grondslag van het partnerschap vormen, Erkennende in die"},{"i":9066,"b":"Protocol betreffende privileges en immuniteiten van het eengemaakt octrooigerecht De ondertekenende overeenkomstsluitende lidstaten bij de [Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006168), Overwegende dat het Eengemaakt Octrooigerecht is opgericht bij de [Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006168) d.d. 19 februari 2013 als internationale organisatie met rechtspersoonlijkheid in elke overeenkomstsluitende lidstaat; In herinnering roepend dat de [Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006168) in [artikel 37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006168&artikel=37), bepaalt dat de overeenkomstsluitende lidstaten, waar de centrale divisie van het Gerecht van Eerste Aanleg, een van zijn afdelingen, een lokale of regionale divisie van het Gerecht van Eerste Aanleg of het Hof van Beroep van het Eengemaakt Octrooigerecht gevestigd is, faciliteiten alsmede gedurende de eerste zeven jaar administratief ondersteunend personeel verstrekken; In herinnering roepend dat het [statuut van het Eengemaakt Octrooigerecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006168&bijlage=I) in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006168&artikel=8) bepaalt dat het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie van toepassing is op de rechters van het Eengemaakt Octrooigerecht; In herinnering roepend dat [artikel 8, vierde lid, van het statuut van het Eengemaakt Octrooigerecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006168&artikel=8) van toepassing is op zowel de voorrechten als de immuniteiten van de rechters van het Eengemaakt Octrooigerecht en dat de toepassing van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie op de rechters van het Eengemaakt Octrooigerecht voorzien is vanwege het intrinsieke verband van het laatste met het Europees"},{"i":9082,"b":"Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en bij het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, en de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Costa Rica, de Republiek El Salvador, de Republiek Guatemala, de Republiek Honduras, de Republiek Nicaragua, de Republiek Panama, hierna ook „Midden-Amerika” genoemd, anderzijds, Overwegende dat de [Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005882) (hierna „de overeenkomst” genoemd) op 29 juni 2012 te Tegucigalpa, Honduras, is ondertekend en dat [deel IV (Handel) van die overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005882&deel=IV) op grond van [artikel 353, lid 4, van de overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005882&artikel=353) is toegepast tussen de EU-partij en Honduras, Nicaragua en Panama sinds"},{"i":9089,"b":"Protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds en Bosnië en Herzegovina, anderzijds om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507), het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033), hierna „de lidstaten” genoemd, en de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „de Europese Unie” genoemd, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, Gezien de toetreding van de Republiek Kroatië (hierna „Kroatië” genoemd) tot de Europese Unie op 1 juli 2013, Overwegende hetgeen volgt: De interimovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, is op 16 juni 2008 te Luxemburg ondertekend en was van kracht van 1 juli 2008 tot en met 31 mei 2015. Het [Verdrag betreffende de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005638) (hierna „het Toetredingsverdrag” genoemd) is op 9 december 2011 in B"},{"i":19049,"b":"Besluit van de directeur Juridische en Operationele Aangelegenheden van het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 30 juli 2024, nr. 5521133, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de hoofden van de onder de directie ressorterende afdelingen (Mandaatbesluit DJOA Justitie en Veiligheid 2024) Gelet op [artikel 1, eerste lid, van het Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=1) en [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel d, van de Mandaatbesluit DGRR Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=1) aan de directeur Juridische en Operationele Aangelegenheden verleende mandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun afdeling betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van de afdeling Juridische, Bestuurlijke en Operationele Zaken (JBOZ); - b. het hoofd van de afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken (AIRS); - c. het hoofd van de afdeling Benoemingen, Burgercorrespondentie, Ondersteuning en Parlementaire zaken (BBOP). Artikel 2 De in [artikel 1, onder a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050098&artikel=1&z=2024-08-07&g=2024-08-07), genoemde functionarissen wordt toegestaan elkaar volledig te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars, in artikel 1 genoemde, bevoegdheden. Artikel 3 Het [Mandaatbesluit DJOA Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044803) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 9 mei 2024. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit DJO"},{"i":17251,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 december 2009, nr. DLZ/KZ-2974548, op grond van artikel 7 van de Wet Marktordening gezondheidszorg inzake het stimuleren van kleinschalige zorg met verblijf voor mensen met een psychogeriatrische aandoening Gelet op [artikel 7 van de Wet Marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 23 oktober 2009 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2009/10, 25 424, nr. 94); Gezien mijn inbreng van 7 december 2009 voor het verslag van een schriftelijk overleg met de vaste commissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (DLZ/CB-U-2972861); Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **AWBZ:** de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - e. **beschermende woonomgeving:** een zelfstandige wooneenheid die - 1°. beschikt over één of meer privévertrekken voor ieder van de bewoners afzonderlijk, een gezamenlijke keuken, alsmede andere ruimte(n) waar men gezamenlijk kan verblijven, en - 2°. huisvesting biedt aan ten hoogste acht personen, en - 3°. gelegen is ‘binnen de muren’ van een instelling of daarbuiten ‘in de wijk’; - f. **locatie:** in de directe omgeving van elkaar gelegen zelfstandige wooneenheden ‘in de wijk’; - g. **kleinschalige zorg:** zorg als omschreven bij of krachtens de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) die wordt verleend aan personen met een psychogeriatrische aandoening met een indicatie voor een z"},{"i":9113,"b":"Protocol inzake een eventuele wijziging van de voorwaarden voor de inwerkingtreding van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien DEEL EERSTE. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Gemeenschapsoctrooirechtbanken 1. De Verdragsluitende Staten wijzen op hun grondgebied een zo beperkt mogelijk aantal nationale rechterlijke instanties van eerste en tweede aanleg aan, hierna genoemd „Gemeenschapsoctrooirechtbanken”, die de hun bij dit Protocol opgedragen taken vervullen. 2. De namen van de Gemeenschapsoctrooirechtbanken en hun territoriale bevoegdheid zijn vermeld in de Bijlage van dit Protocol. Wat evenwel het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek betreft wordt van de namen van deze rechtbanken en hun territoriale bevoegdheid uiterlijk op het tijdstip van bekrachtiging van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien kennis gegeven aan de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen. 3. Van elke verandering in het aantal, de namen of de territoriale bevoegdheid van deze rechtbanken wordt door de betrokken Verdragsluitende Staat kennis gegeven aan de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen. Artikel 2. Gemeenschappelijk Hof van Beroep 1. Bij dit Protocol wordt een Hof van Beroep voor het Gemeenschapsoctrooi opgericht dat de Verdragsluitende Staten gemeen hebben, hierna genoemd „Gemeenschappelijk Hof van Beroep”. Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep vervult de taken die daaraan bij dit Protocol worden opgedragen. 2. De zetel van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep wordt in onderlinge overeenstemming door de Regeringen van de ondertekenende Staten vastgesteld. Artikel 3. Rechtspositie 1. Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep bezit rechtspersoonlijkheid. 2. In elk der Verdragsluitende Staten heeft het Gemeenschappelijk Hof van Beroep de meest volledige rechtsbevoegdheid die door de nationale wetgeving aan rechtspersonen wordt toegekend; het kan met name roerende en onroerende goederen verwerven of vervreemden en in rechte optreden"},{"i":9149,"b":"Protocol tot wijziging van het Verdrag over de status en werkzaamheden van de Internationale Commissie voor Vermiste Personen De staten die partij zijn bij het [Verdrag over de status en werkzaamheden van de Internationale Commissie voor Vermiste Personen](onbekend) (hierna: „het Verdrag”) die dit Protocol hebben ondertekend, Indachtig het feit dat het [Verdrag](onbekend) op 14 mei 2015 in werking is getreden, waardoor de Commissie over de nodige juridische bevoegdheden beschikt om haar taken uit te voeren, met inbegrip van het sluiten van verdragen met staten en internationale organisaties; Indachtig het feit dat [artikel IX (7) van het ICMP-verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006432&artikel=IX) voorziet in een herziening en wijziging van het [Verdrag](onbekend) op initiatief van de oorspronkelijke ondertekenende staten; Eraan herinnerend dat vertegenwoordigers van de staten die partij zijn, ondertekenende staten en waarnemende staten, op 18 december 2020 op afstand bijeen, belangstelling hebben getoond voor een herziening van het [Verdrag](onbekend); Eraan herinnerend dat de Conferentie van de staten die partij zijn op 14 december 2021 de directeur-generaal heeft verzocht een werkgroep voor herziening van het [Verdrag](onbekend) bijeen te roepen, bestaande uit vertegenwoordigers van de staten die partij zijn en de ondertekenende staten, die haar aanbevelingen heeft gepresenteerd tijdens de vergadering van de Conferentie van de staten die partij zijn op 16 november 2023; Geleid door de wens de deelname van de staten aan de werkzaamheden van de Commissie te versterken, onder meer door het bevorderen van het lidmaatschap, het verbeteren van de duurzaamheid en het herbevestigen van de doelstellingen van de Commissie; Indachtig de talrijke internationale instrumenten die van invloed zijn op de kwestie van vermiste personen en dat deze instrumenten de staten een breed scala aan verplichtingen opleggen, hetgeen vraagt om een organisatie met een overeenkomst"},{"i":17168,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 februari 2017, kenmerk 1091612-160995-MC, houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de (plaatsvervangend) directeur van de Stichting Waarborgfonds voor de Zorgsector met betrekking tot een aantal verleende garanties Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [titel 3 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&titeldeel=3); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **directeur:** directeur van de stichting; - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **plaatsvervangend directeur:** plaatsvervangend directeur van de stichting; - **stichting:** Stichting Waarborgfonds voor de Zorgsector; - **verleende garanties:** garanties verleend op grond van de Garantieregeling Inrichtingen voor Gezondheidszorg 1958, de Rijksregeling Dagverblijven voor Gehandicapten inzake erkenning, subsidiëring verlening van garanties en toezicht en de Rijksregeling Gezinsvervangende Tehuizen voor Gehandicapten. Artikel 2 1. Aan de directeur en bij ontstentenis of belet van de directeur voor de duur van die ontstentenis of dat belet aan de plaatsvervangend directeur, wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de minister respectievelijk de Staat der Nederlanden de taken en bevoegdheden voortvloeiend uit besluiten en overeenkomsten met betrekking tot de verleende garanties uit te oefenen en de minister respectievelijk de Staat der Nederlanden ter zake daarvan te vertegenwoordigen en daartoe alle werkzaamheden te verrichten die samenhangen met het voorgaande of daartoe bevorderlijk kunnen zijn, alles in de ruimste zin van het woord. 2. Tot de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval de taken en bevoegdheden, bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 3 1. De ondertekening van stukken waa"},{"i":18114,"b":"Besluit Beperkingen Openbaarheid archief Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) 1945 – 2000 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 7 juni 2021, met kenmerk 27383943 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) 1945 – 2000 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ([artikel 15, lid 1, sub a Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)) zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer(s) | Beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 224 | 2022 | | 228 | 2030 | | 246 | 2046 | | 257 | 2052 | | 258 | 2059 | | 447–448 | 2061 | | 1959 | 1 jaar na overlijden prinses Irene | | 1963 | 1 jaar na overlijden prinses Irene | | 1966 | 1 jaar na overlijden prinses Irene | | 1989–1995 | 5 jaar na overlijden prinses Margriet / mr. Pieter van Vollenhoven (laatste) | | 2156 | 1 jaar na overlijden mr. Pieter van Vollenhoven | | 2163 | 2097 | | 2167 | 2086 | | 2389 | 1 jaar na overlijden prinses Margriet | | 2395–2396 | 1 jaar na overlijden mr. Pieter van Vollenhoven | | 3156 | 2087 | | 3974 | 2095 | | 4210 | 2075 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten ([artikel 15, lid 1, sub b Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)) zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer(s) | Beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 537–538 | 2059 | | 539–540 | 2060 | | 541–542 | 2061 | | 543–544 | 2062 | | 547 | 2063 | | 551 | 2066 | | 729 | 2043 | | 730 | 2045 | | 102"},{"i":9223,"b":"Samenwerkingsovereenkomst betreffende een Civiel Globaal Navigatiesatellietsysteem (GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten en de Staat Israël De Europese Gemeenschap, hierna de „Gemeenschap\" te noemen, en het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, hierna „de lidstaten\" te noemen, enerzijds, en De Staat Israël, hierna „Israël\" te noemen, anderzijds, hierna „de partijen\" te noemen, Gezien de gemeenschappelijke belangen bij de ontwikkeling van een globaal navigatiesatellietsysteem voor civiel gebruik, Erkennende het belang van GALILEO als een bijdrage tot de navigatie- en informatie-infrastructuur in Europa en Israël, Erkennende de gevorderde toestand van de Israëlische satellietnavigatieactiviteiten, Gezien de toenemende ontwikkeling van GNSS-toepassingen in Israël, Europa en andere regio's in de wereld, Wensende de samenwerking te versterken tussen Israël en de Gemeenschap en rekening houdende met de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, die op 1 juni 2000 in werking is getreden.1)PB L 147 van 21.6.2000, blz. 3. Zijn overeengekomen hetgeen volgt: Artikel 1. Doel van de overeenkomst Het doel van de overeenkomst is het stimuleren, faciliteren en versterken van samenwerking tussen"},{"i":19233,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 augustus 2014, nr. MinBuZa.2014.398562, houdende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Sudan (Sanctieregeling Sudan 2014) Gelet op Verordening (EU) nr. 747/2014 van de Raad van de Europese Unie van 10 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Sudan en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 131/2004 en Verordening (EG) nr. 1184/2005 (Pb 2014, L 203); Gelet op Besluit 2014/450/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 10 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Sudan en tot intrekking van Besluit 2011/423/GBVB (Pb 2014, L 203); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, 5, eerste en tweede lid, 9, eerste lid, en 10 van Verordening (EU) nr. 747/2014 van de Raad van de Europese Unie van 10 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Sudan en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 131/2004 en Verordening (EG) nr. 1184/2005 (Pb 2014, L 203). 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 2, van Verordening (EU) nr. 747/2014, geldt niet in gevallen waarin artikel 3 of 4 van Verordening nr. (EU) 747/2014 van toepassing is. Het verbod te handelen in strijd met artikel 5, eerste en tweede lid, geldt niet in gevallen waarin artikel 5, vierde lid, 6, 7, 8, of 9, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 747/2014 van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 3, 6, 7, 8, eerste lid, en 9, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 747/2014](32014R0747) is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard, met dien verstande dat instellingen als bedoeld in [artikel 10, tweede lid, onde"},{"i":3538,"b":"Besluit van 5 september 2007, houdende nadere regels omtrent gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 16 april 2007, no. Trcjz/2007/1198, Directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de artikelen 3, derde lid, 4, eerste tot en met vierde lid, 10, 13, eerste en tweede lid, 16, eerste en derde tot en met vijfde lid van, richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230), de artikelen 3, derde lid, onder ii, vijfde lid en zevende lid, 4, eerste en tweede lid, 5, eerste en tweede lid, 8, eerste tot en met vijfde lid, alsmede zevende tot en met negende lid, 20, van richtlijn nr. 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PbEG L 123), bijlage V van richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196), richtlijn 86/609/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG L 358), richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toep"},{"i":18064,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Provinciale Directie voor de Bedrijfsontwikkeling in Zeeland, Ministerie van LNV, (1962) 1963-1983 (1985) Inventaris PDBZ Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 31 | 1-1-2026 | | 32 | 1-1-2049 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045621&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Zeeland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045621&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Zeeland. De rijksarchivaris in de provincie Zeeland kan aan haar toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045621&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Zeeland. Deze kan aan haar toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met inga"},{"i":9255,"b":"Statuut van het Internationale Instituut voor Kankeronderzoek Artikel I. Doel Het doel van het Internationale Instituut voor Kankeronderzoek is de bevordering van internationale samenwerking bij het kankeronderzoek. Het Instituut vormt een middel dat het de Deelnemende Staten en de Wereldgezondheidsorganisatie, in vereniging met het Internationale Verbond tot bestrijding van Kanker en andere daarbij betrokken internationale organisaties mogelijk maakt samen te werken bij het stimuleren van, en het verlenen van steun aan alle fasen van wetenschappelijk onderzoek verband houdende met het kankervraagstuk. Artikel II. Werkzaamheden Ter verwezenlijking van zijn doeleinden vervult het Instituut die volgende functies: - 1. Het Instituut treft voorzieningen voor de planning, de bevordering en de ontwikkeling van wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot alle fasen van de oorzaken, de behandeling en het voorkomen van kanker. - 2. Het Instituut voert een programma uit van permanente werkzaamheden. Deze werkzaamheden bestaan onder meer in: - (a). het verzamelen en verspreiden van gegevens over de leer der epidemische ziekten met betrekking tot kanker, kankeronderzoek en over de oorzaken en het voorkomen van kanker over de gehele wereld; - (b). het bestuderen van voorstellen en het voorbereiden van plannen voor projecten met betrekking tot, of tot ondersteuning van kankeronderzoek; zulke projecten dienen zodanig te zijn opgezet dat daarbij zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van wetenschappelijke en financiële bronnen en van eventuele bijzondere mogelijkheden voor het bestuderen van de geschiedenis van kanker; - (c). de opleiding en scholing van personeel voor kankeronderzoek. - 3. Het Instituut kan regelingen treffen voor het uitvoeren van bijzondere projecten; zulke bijzondere projecten worden echter uitsluitend ter hand genomen na uitdrukkelijke goedkeuring van de Raad van Bestuur, die zich daarbij baseert op de aanbevelingen van de Wetenschappelijke Raad. - 4. Zulke"},{"i":2726,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2008 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2008, doch niet later dan 15 januari 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,571 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2008 en eindigende met 15 januari 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid."},{"i":9306,"b":"Besluit van 23 december 1996, houdende regels ter uitvoering van hoofdstuk 2 van de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens (Uitvoeringsbesluit verdrag chemische wapens) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 22 oktober 1996, nr. 96064710 WJA/W; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, 4, 5, eerste en tweede lid, 6 en 8 van de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007434&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 10 december 1996, nr. W10.96.0495); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 december 1996, nr. 96080580 WJA/W; Hebben goedgevonden en verstaan: HOOFDSTUK 1. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: de [Uitvoeringswet verdrag chemische wapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007434); - b. CAS-registratienummer: registratienummer van de Chemical Abstracts Service (CAS) genoemd in artikel III, eerste lid, onder **e**, van het verdrag; - c. lijst 1, lijst 2 en lijst 3: de lijsten 1, 2 en 3, opgenomen in onderdeel B van de Bijlage inzake stoffen bij het verdrag; - d. onderscheiden organische stof: elke chemische verbinding van het element koolstof, met uitzondering van zijn oxiden, sulfiden en metaalcarbonaten, te onderscheiden door middel van de chemische naam, de structuurformule, indien bekend, en het CAS-registratienummer, indien toegekend; - e. productiecapaciteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel II, tiende lid, van het verdrag. HOOFDSTUK 2. AANWIJZING VAN STOFFEN Artikel 2 1. Als stoffen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008467&hoofdstuk=3&artikel=3&z=2011-07-01&g=2011-07-01), van de wet worden aangewezen de stoffen, opgenomen in lijst 1. 2. Als stoffen als bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008467&hoofdstuk=3&artikel=5&z=2011-07-01&g=2011-07-01), van de wet worden a"},{"i":9380,"b":"Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te San Francisco en aldaar bijeengekomen in haar een en dertigste zitting op 17 Juni 1948; Besloten hebbende in de vorm van een verdrag verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, welk onderwerp het zevende punt van de agenda der zitting is; Overwegende, dat de [inleiding van het Statuut der Internationale Arbeidsorganisatie](onbekend), onder de middelen ter verbetering van de toestand van de arbeiders en ter verzekering van de vrede noemt: „de erkenning van het beginsel van vakverenigingsvrijheid”; Overwegende, dat de verklaring van Philadelphia opnieuw heeft uitgesproken, dat „de vrijheid van meningsuiting en van vereniging onontbeerlijk is voor een gestadige vooruitgang”; Overwegende, dat de Internationale Arbeidsconferentie in haar dertigste zitting eenstemmig de beginselen, welke de grondslag moeten vormen van de internationale regeling, aangenomen heeft; Overwegende, dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in haar tweede zitting die beginselen tot de hare gemaakt heeft en de Internationale Arbeidsorganisatie uitgenodigd heeft om al haar pogingen voort te zetten, opdat een of meer internationale verdragen aangenomen zullen kunnen worden; neemt heden, de 9de Juli negentienhonderd acht en veertig, het volgende verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald onder de titel „verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht 1948”. DEEL I. Vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen Artikel 1 Elk Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie, voor hetwelk dit verdrag van kracht is, verbindt zich uitvoering te geven aan de volgende bepali"},{"i":9381,"b":"Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, hierna te noemen „de partijen”, Gelet op de bestaande samenwerking, in het bijzonder op grond van het [Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake de overbrenging van gevonniste personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001425); Geleid door de wens hun samenwerking in strafzaken te verbeteren op het terrein van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Toepassingsbereik 1. De partijen verbinden zich ertoe om, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, elkaar wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen in elke procedure die betrekking heeft op strafbare feiten waarvan de bestraffing op het tijdstip van het verzoek om rechtshulp tot de bevoegdheid behoort van de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende partij. 2. Wederzijdse rechtshulp wordt ook verleend ten behoeve van: - a). burgerlijke rechtsvorderingen die bij een strafrechtelijke procedure zijn ingesteld, zolang de strafrechter nog niet onherroepelijk in de strafzaak heeft beslist; - b). procedures voor de betekening van gerechtelijke stukken betreffende de tenuitvoerlegging van straffen. 3. Dit Verdrag is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van een bevel tot aanhouding, noch op de tenuitvoerlegging van veroordelingen. Artikel 2. Bevoegde autoriteiten Tenzij dit Verdrag anders bepaalt, zijn de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van dit Verdrag de justitiële autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko. Artikel 3. Beperkingen aan en weigering van rechtshulp 1. De rechtshulp kan worden geweigerd: - a). indien het verzoek betrekking heeft op strafbare feiten die door de aangezochte partij hetzij als politiek delict hetzij als een met een dergelijk misdrijf samenhangend feit worden besch"},{"i":9382,"b":"Verdrag betreffende de wekelijkse rustdag in de handel en op kantoren De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau te Genève bijeengeroepen en aldaar bijeengekomen op 5 juni 1957 in haar veertigste zitting, Besloten hebbende bepaalde voorstellen aan te nemen met betrekking tot de wekelijkse rusttijd in de handel en op kantoren, welk onderwerp als vijfde punt op de agenda van de zitting voorkomt, en Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal Verdrag zullen krijgen, Neemt heden, de zesentwintigste juni van het jaar negentienhonderd zevenenvijftig het volgende Verdrag aan, dat aangehaald kan worden als het Verdrag betreffende de Wekelijkse Rusttijd (Handel en Kantoren), 1957: Voor buitenwerkingtreding en inwerkingtreding van het Verdrag zie ook Trb. 2001/95. Artikel 1 De bepalingen van dit Verdrag voor zover zij niet worden toegepast door middel van de wettelijke regelingen betreffende het vaststellen van lonen, collectieve arbeidsovereenkomst, arbitrage of op enigerlei andere wijze in overeenstemming met de gebruiken in het betrokken land, worden van kracht door middel van nationale wetten of voorschriften. Artikel 2 Dit Verdrag is van toepassing op alle personen, met inbegrip van leerlingen, die in dienst zijn van de volgende ondernemingen, instellingen of administratieve diensten, hetzij van de overheid of particulier: - a). handelsondelsondernemingen; - b). ondernemingen, instellingen en administratieve diensten waarin de werknemers voornamelijk kantoorwerk verrichten met inbegrip van de kantoren van personen die een vrij beroep uitoefenen; - c). voor zover de betrokkenen niet in dienst zijn van ondernemingen als genoemd in artikel 3 en niet vallen onder nationale voorschriften of andere regelingen betreffende de wekelijkse rusttijd in industrie, mijnbouw, vervoerwezen of landbouw: - (i). de bijkantoren van alle andere handelsondernemingen; - (ii). de bijkan"},{"i":9503,"b":"Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer Preambule De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar honderdachtste (eeuwfeest) zitting op 10 juni 2019, en In herinnering brengend dat de Verklaring van Philadelphia bevestigt dat alle mensen, ongeacht hun ras, geloof of geslacht, het recht hebben in vrijheid en waardigheid, onder omstandigheden waarin economische zekerheid en gelijke kansen zijn gewaarborgd, hun materiële welvaart en hun geestelijke ontwikkeling na te streven; en Opnieuw bevestigend de relevantie van de fundamentele Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie; en In herinnering brengend andere relevante internationale instrumenten zoals de [Universele Verklaring van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008), het [Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001017), [het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001016), het [Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002911), het [Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002909), het Internationaal Verdrag inzake bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden en het [Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004045); en Erkennend het recht van iedereen op een wereld die vrij is van geweld en intimidatie, met inbegrip van gendergerelateerd geweld en gendergerelateerde intimidatie; en Erkennend dat geweld en intimidatie op de werkvloer een schending of misbruik van de mensenrechten kan vormen, en dat geweld en intimidatie een bedre"},{"i":7174,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 9 december 2013, nr. WJZ / 13199207, houdende uitvoering van de Wet op de Kamer van Koophandel (Uitvoeringsregeling Wet op de Kamer van Koophandel) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=1), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=20), en [30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=30); [artikel 2:2 van het Algemeen douanebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=2:2); [artikel 11 van het Binnenvaartbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025631&artikel=11); [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); [artikel 9:2, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=9:2); [artikel 3 van het Besluit identificatie en registratie van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009019&artikel=3); [artikel 4, aanhef en onderdeel a, van het Besluit luchtvaartuigen 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=4); [artikel 6, eerste lid, van het Speelautomatenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=6); [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); [artikel 3 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3); [artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4); de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=19) en [34, zesde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=34); de [artikelen 54, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=54), [87, eerste lid](https://wett"},{"i":13527,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 12 oktober 2010, nr. WJZ / 10149690, houdende instelling van de Commissie van Wijzen MSD/Organon (Instellingsbesluit Commissie van Wijzen MSD/Organon) Handelende in overeenstemming met de Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **de Gedeputeerde Staten:** de Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant; - c. **commissie:** de Commissie van Wijzen MSD/Organon. Artikel 2 1. Er is een Commissie van Wijzen MSD/Organon. 2. De commissie heeft tot taak de minister en de Gedeputeerde Staten te adviseren over de betekenis van businessplannen voor de vrijkomende activiteiten van MSD in Nederland. 3. Een advies bevat in ieder geval een beoordeling van: - a. de bedrijfseconomische levensvatbaarheid van de plannen als bedoeld in het tweede lid, en - b. de bijdrage van de plannen als bedoeld in het tweede lid aan de Nederlandse economie in het algemeen en aan het strategisch lange termijn perspectief voor Life Sciences in het bijzonder. Artikel 3 De commissie brengt haar advies schriftelijk uit aan de minister en de Gedeputeerde Staten. Artikel 4 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd in overeenstemming met de Gedeputeerde Staten. De voorzitter en de andere leden kunnen door de minister worden geschorst en ontslagen. De leden van de commissie zijn te allen tijde opnieuw benoembaar. 3. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep. Artikel 5 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. 2. De minister voorziet in het secretariaat van de commissie. 3. Het b"},{"i":18605,"b":"Wet van 7 maart 2013, houdende regels inzake de subsidiëring en het toezicht op de financiën van politieke partijen (Wet financiering politieke partijen) § 1. Algemene bepalingen § 1. Algemene bepalingen Artikel 7 1. Onze Minister verstrekt na een daartoe strekkende aanvraag subsidie aan een politieke partij indien die partij op de peildatum beschikt over 1 000 leden die vergader- en stemrechten hebben in de politieke partij en elk per jaar minimaal € 12 contributie betalen. Het lidmaatschap blijkt uit een uitdrukkelijke wilsverklaring van betrokkene. 2. De subsidie wordt verstrekt voor uitgaven die direct samenhangen met de volgende activiteiten: - a. politieke vormings- en scholingsactiviteiten; - b. informatievoorziening; - c. het onderhouden van contacten met zusterpartijen buiten Nederland en het ondersteunen van vormings- en scholingsactiviteiten ten behoeve van het kader van die partijen; - d. politiek-wetenschappelijke activiteiten; - e. activiteiten ter bevordering van de politieke participatie van jongeren; - f. het werven van leden; - g. het betrekken van niet-leden bij activiteiten van de politieke partij; - h. werving, selectie en begeleiding van politieke ambtsdragers; - i. activiteiten in het kader van verkiezingscampagnes. 3. De subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt. Artikel 8 1. De subsidie bedraagt ten hoogste de som van de volgende bedragen: - a. een basisbedrag van € 273.058, per kamerzetel van de politieke partij een bedrag van € 82.022 en per lid van de politieke partij een bedrag dat gelijk is aan € 3.042.199 gedeeld door het totale aantal leden van de politieke partijen die op de peildatum subsidie ontvangen; - b. indien de politieke partij op de peildatum een politiek-wetenschappelijk instituut heeft aangewezen als neveninstelling als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&paragraaf=1&artikel=2&z=2025-11-07&g=2025-11-07), een basisbedrag van € 198.919 en een bedrag van € 20.609 per kamerzetel van de politi"},{"i":9579,"b":"Verdrag tot oprichting van een internationale schadevergoedingscommissie voor Oekraïne Preambule De ondertekenaars van dit verdrag, Herinnerend aan de verplichtingen die krachtens artikel 2 van het Handvest van de Verenigde Naties op alle staten rusten, waaronder de verplichting om zich in hun internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van een staat, en van elke andere handelwijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties, en om hun internationale geschillen langs vreedzame weg tot een oplossing te brengen; Uiting gevend aan hun ernstige bezorgdheid over het verlies van mensenlevens, de ontheemding van burgers, de catastrofale vernietiging van infrastructuur en natuurlijke hulpbronnen, het verlies van openbare en particuliere eigendom, en de economische calamiteit als gevolg van de agressie van de Russische Federatie tegen Oekraïne; Indachtig het belang van het handhaven en versterken van internationale vrede op basis van vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid en eerbiediging van de mensenrechten, en van het ontwikkelen van vriendschappelijke betrekkingen tussen naties, ongeacht hun politieke, economische en sociale stelsels of ontwikkelingsniveau; Herinnerend aan Resolutie ES-11/1 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 2 maart 2022, getiteld „Agressie tegen Oekraïne”, waarin de Algemene Vergadering de agressie van de Russische Federatie tegen Oekraïne in de meest krachtige bewoordingen veroordeelt als zijnde in strijd met artikel 2, lid 4, van het Handvest van de Verenigde Naties; Herinnerend aan de artikelen van de Commissie voor internationaal recht inzake de aansprakelijkheid van staten voor internationaal onrechtmatige daden en de verplichting van de aansprakelijke staat om de door de internationaal onrechtmatige daad veroorzaakte schade volledig te vergoeden; Herinnerend aan Resolutie 60/147 van de Algemene Ve"},{"i":9634,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Argentijnse Republiek tot wederzijdse uitlevering van misdadigers De Regeering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de Regeering der Argentijnsche Republiek, het wenschelijk geoordeeld hebbende overeenkomstig de wederzijdsche wetgevingen een verdrag te sluiten betreffende de uitlevering van misdadigers, hebben te dien einde tot Hunne wederzijdsche gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en in Hoogst Derzelver naam Hare Majesteit de Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk: den Heer LEONARD VAN RIET, consul-generaal der Nederlanden te Buenos-Aires; De President der Argentijnsche Republiek: den Heer VALENTIN VIRASORO, Minister van Buitenlandsche Zaken; die, na elkander hunne volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende artikelen zijn overeengekomen: Artikel 1 De Hooge contracteerende Partijen verbinden zich, volgens de voorschriften bij deze conventie vastgesteld, wederkeerig aan elkander uit te leveren de personen, welke beklaagd of veroordeeld zijn ter zake van een der feiten in artikel 2 vermeld, en de wijk genomen hebben op het grondgebied van den anderen Staat. Artikel 2 De feiten, die tot uitlevering aanleiding kunnen geven, zijn de volgende: - 1°. doodslag, tenzij gepleegd ter rechtmatige zelfverdediging of uit onvoorzichtigheid; - 2°. moord; - 3°. vadermoord; - 4°. kinderdoodslag of kindermoord; - 5°. vergiftiging; - 6°. het opzettelijk veroorzaken van de afdrijving of den dood der vrucht eener vrouw; - 7°. opzettelijke verwondingen, die den dood ten gevolge hebben gehad zonder dat daartoe het oogmerk bestond, of zware en voortdurende verminking van eenig lichaamsdeel of lichaamsorgaan; - 8°. verkrachting of elk ander vergrijp tegen de zedelijkheid met geweld gepleegd; - 9°. vergrijp tegen de zedelijkheid met of zonder geweld gepleegd tegenover kinderen van het eene of het andere geslacht benede"},{"i":18192,"b":"Besluit Tolkenpenning Defensie Gelet op [Artikel 2, tweede lid, van het Veteranenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035237&artikel=2) Besluit: Artikel 1. Instelling Tolkenpenning Ingesteld wordt een Tolkenpenning voor de militaire tolk werkzaam voor de Nederlandse Krijgsmacht. Artikel 2. Criteria Een militaire tolk komt in aanmerking voor toekenning van de Tolkenpenning, indien deze: - a. staat ingeschreven in het Tolkenregister Defensie; en - b. op enig moment vanaf 2001 als militaire tolk is ingezet; en - c. in dat kader heeft deelgenomen aan een door de Minister van Defensie aangewezen missie ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde; en - d. daarbij een goede plichtsbetrachting en goed gedrag heeft betoond; alsmede - e. ten minste 30 dagen aaneengesloten in het operatiegebied heeft verbleven. Artikel 3. Vormgeving 1. De Tolkenpenning is cirkelvormig, heeft een diameter van 60 millimeter, een randdikte van 3 mm en is vervaardigd van mat bronskleurig metaal. 2. Op de voorzijde zijn in reliëf gesprekslijnen aangebracht, met daar doorheen een rechthoek die de positie van de militaire tolk symboliseert. In cirkelvorm is Latijnse tekst opgenomen bestaande uit de woorden, Sine Translatio Nihil Intellecti, overeenkomstig de afbeelding op de bijlage, behorend bij dit artikel. Op de achterzijde bevindt zich het Koninklijk wapen (Rijkswapen). Artikel 4. Toekenning 1. De toekenning van de Tolkenpenning geschiedt namens de Minister van Defensie door de Commandant der Strijdkrachten. 2. De Tolkenpenning wordt per militaire tolk eenmalig toegekend. 3. De Tolkenpenning kan postuum worden toegekend. Artikel 5. Intrekking 1. De Minister van Defensie kan de toekenning van de Tolkenpenning intrekken op grond van feiten en omstandigheden die bij de toekenning redelijkerwijs niet bekend waren en op grond waarvan toekenning niet zou hebben plaatsgevonden. 2. Na de intrekking is de militaire tolk niet langer gerechtigd de Tolkenpenning te behouden en"},{"i":18264,"b":"Geheimverklaring Beveiligingssystemen Defensie Gelet op [artikel 2.23, eerste lid onder e van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23), Besluit: Artikel 1 Geheim worden verklaard alle opdrachten ten behoeve van bewakings- en beveiligingssystemen gerelateerd aan de Te Beschermen Belangen van Defensie, waaronder onderhouden, ontwerpen, bouwen, ontwikkelen, produceren, installeren, leveranciers. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9649,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Italië inzake het wederzijds aanhouden van voorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Italië, hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen” en elk afzonderlijk de „Verdragsluitende Partij”: Gelet op [Richtlijn 68/414/EEG](31968L0414) van de Raad van 20 december 1968 houdende de verplichting voor de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden, zoals gewijzigd bij [Richtlijn 98/93/EG](31998L0093) van de Raad van 14 december 1998 (hierna samen te noemen „de Richtlijn”); Gelet op artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn dat voorziet in het aanleggen van voorraden op het grondgebied van een lidstaat voor rekening van in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen, uit hoofde van overeenkomsten tussen regeringen; Gelet op nationale wetgeving inzake de verplichting tot het aanhouden van voorraden aardolieproducten; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „bevoegde autoriteit” het overheidsorgaan van elke Verdragsluitende Partij dat verantwoordelijk is voor het toezicht op het voldoen door ondernemingen aan voorraadverplichtingen; - b. „voorraad” elke voorraad ruwe aardolie of aardolieproducten (met inbegrip van halffabricaten en eindproducten) waarop de Richtlijn van toepassing is; - c. „voorraadverplichting” de totale hoeveelheid voorraad die uit hoofde van de nationale wetgeving dient te worden aangehouden; - d. „crisis in de voorziening” hetzelfde als in artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn wordt verstaan; - e. „grondgebied” het binnen de Europese Unie gelegen grondgebied waarover elke Verdragsluitende Partij rechtsmacht uitoefent; - f. „onderneming” een onderneming, instantie of entiteit gevestigd op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij die voorraden aanhoudt ten behoeve van het vergemakkelijke"},{"i":2969,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 oktober 2025, kenmerk 4239299-1089780-WJZ, houdende aanwijzing van nationale referentielaboratoria als bedoeld in artikel 100, eerste lid, van Verordening (EU) 2017/625 Gelet op artikel 100, eerste lid, van [Verordening (EU) 2017/625](32017R0625) van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), [(EU) nr. 1151/2012](32012R1151), [(EU) nr. 652/2014](32014R0652), [(EU) 2016/429](32016R0429) en [(EU) 2016/2031](32016R2031) van het Europees Parlement en de Raad, de [Verordeningen (EG) nr. 1/2005](32005R0001) en [(EG) nr. 1099/2009](32009R1099) van de Raad en de [Richtlijnen 98/58/EG](31998L0058), [1999/74](31999L0074)/ EG, [2007/43/EG](32007L0043), [2008/119/EG](32008L0119) en [2008/120/EG](32008L0120) van de Raad, en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 854/2004](32004R0854) en [(EG) nr. 882/2004](32004R0882) van het Europees Parlement en de Raad, de [Richtlijnen 89/608/EEG](31989L0608), [89/662/EEG](31989L0662), [90/425/EEG](31990L0425), [91/496/EEG](31991L0496), [96/23/EG](31996L0023), [96/93/EG](31996L0093) en [97/78/EG](31997L0078) van de Raad en Besluit [92/438/EEG](31992L0438) van de Raad (verordening officiële controles) (PbEU 2017, L 95) en [artikel 2, onderdeel a, van de Warenwetregeling uitvoering verordening officiële controles en andere officiële activiteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042828&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **Verordening (EU) 2017/625:** [Verordening (EU) 2017/625]("},{"i":9717,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Belgie inzake de Nederlandse Taalunie Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Zich bewust van het belang van de Nederlandse taal voor de samenleving in Hun landen; Zich ervan bewust dat de overheden van Hun landen samen medeverantwoordelijk zijn voor de Nederlandse taal als instrument van maatschappelijk verkeer en als uitdrukkingsmiddel van wetenschap en letteren, alsmede voor de vaardigheid in het gebruik ervan; Ervan overtuigd dat grotere bekendheid met de Nederlandse taal en letteren in het buitenland zal leiden tot meer waardering voor de Nederlandse cultuur; Ervan overtuigd dat de gemeenschappelijke zorg voor de Nederlandse taal de banden tussen de Nederlandstaligen in Hun landen zal versterken; Erkennend dat het [Verdrag betreffende de culturele en intellectuele betrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005481), dat op 16 mei 1946 tussen Hun landen is gesloten, de onderlinge betrekkingen in grote mate heeft bevorderden mede heeft geleid tot een hechtere samenwerking tussen de Nederlandstaligen in Hun landen; Verlangend, in het licht van het voorgaande, aan Hun samenwerking op het gebied van de Nederlandse taal een meer institutioneel karakter te geven; Hebben besloten tot de instelling van een unie op het gebied van de Nederlandse taal en hebben hiertoe als Hun gevolmachtigden aangewezen: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie de Heer D. F. van der Mei, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken; Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Zijne Excellentie de Heer Ch.-F. Nothomb, Minister van Buitenlandse Zaken, Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, het volgende zijn overeengekomen: HOOFDSTUK I. DOEL EN INHOUD Artikel 1 Het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden stellen bij dit Verdrag de Nederlandse taalun"},{"i":9732,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied Het Koninkrijk der Nederlanden en Het Vlaams Gewest, hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen’’, Overwegende dat door het Tractaat tussen België en Nederland van 19 april 1839 een Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart werd opgericht, die belast is met het gemeenschappelijk toezicht op het loodswezen, de betonning en het onderhoud van de zeegaten van de Schelde beneden Antwerpen, Overwegende dat de hechte samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen door middel van de Permanente Commissie in de loop van de jaren steeds ruimer en intensiever is geworden door de uitbouw van het gemeenschappelijk toezicht op de vaarwegmarkering, de inrichting en benutting van een gemeenschappelijke radarketen langs de Schelde en de bijdrage tot het optimale functioneren van de Vlaamse en Nederlandse loodsdiensten op de Schelde, Constaterend dat het nautisch beheer in het Scheldegebied vanaf 1 januari 2003 daadwerkelijk gemeenschappelijk door Nederland en Vlaanderen wordt uitgeoefend en dat dit, onder sturing door de Permanente Commissie, op een open en constructieve wijze gebeurt vanuit het gezamenlijk belang van de afwikkeling van een veilig en vlot scheepvaartverkeer, Ervan overtuigd dat de verdragsrechtelijke instelling van een gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied een optimaal, veilig en vlot gebruik van de vaarwegcapaciteit verder zal bevorderen, Overwegende dat de Permanente Commissie hierbij dient te fungeren als gemeenschappelijk beleidsorgaan, dat de kaders zal vaststellen waarbinnen een Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit zal optreden, Overwegende dat de Permanente Commissie bij de uitoefening van het gemeenschappelijk nautisch beheer groot belang hecht aan samenwerking met de Scheldehavens en streeft naar optimale afstemming van het nautisch beheer in het Scheldegebied en in de havens door gezamenlij"},{"i":3225,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 juni 2023 nr. BOACAT2023/028, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Diemen Gelezen het verzoek van de gemeente Diemen van 16 mei 2023, welke ik ontving op 17 mei 2023, en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048294&artikel=2&z=2023-06-21&g=2023-06-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Controleur/ handhaver openbare ruimte (boa’s) (domein I) in dienst van de gemeente Diemen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte"},{"i":9804,"b":"Verklaring der Verenigde Volkeren Done at Washington, the 1st January, 1942."},{"i":7280,"b":"Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES Artikel 1 In de artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de Kamers:** de Kamers van Koophandel en Nijverheid, bedoeld in [artikel 1a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238&artikel=1a&z=2022-01-01&g=2022-01-01); - b. **Onze Minister:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - c. **openbaar lichaam:** het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 1a 1. De handel en nijverheid op Bonaire, Sint Eustatius of Saba wordt door de Kamers van Koophandel en Nijverheid vertegenwoordigd. 2. Er wordt één Kamer ingesteld voor Bonaire, die haar zetel heeft op Bonaire, en één Kamer voor Sint Eustatius en Saba gezamenlijk, die haar zetel heeft op Sint Eustatius. Beide Kamers hebben een bestuur dat uit ten minste drie en ten hoogste vijf bestuursleden bestaat. 3. Het bestuur van de Kamer voor Sint Eustatius en Saba bestaat uit: - a. ten hoogste drie vertegenwoordigers van ondernemingen of rechtspersonen, gevestigd in hetzelfde openbaar lichaam; - b. ten minste een vertegenwoordiger van een onderneming of rechtspersoon, gevestigd op Sint Eustatius; en - c. ten minste een vertegenwoordiger van een onderneming of rechtspersoon, gevestigd op Saba. Artikel 2 Vervallen Kiesrecht Artikel 3 1. De bestuursleden van de Kamers worden gekozen door de vertegenwoordigers van ondernemingen en rechtspersonen, met uitzondering van verenigingen en stichtingen, die in het handelsregister van de desbetreffende Kamer zijn ingeschreven. 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de personen die kunnen worden aangemerkt als vertegenwoordigers als bedoeld in het eerste lid. Kiezerslijst Artikel 4 Vervallen Verkiesbaarheid Artikel 5 1. Tot bestuurslid van de Kamers kunnen worden gekozen de vertegenwoordigers van ondernemingen en rechtspersonen, met uitzondering van verenigingen en stichtingen, die - a. in het handelsregister van de betreffend"},{"i":6905,"b":"Besluit van 24 november 1932, betreffende de overbrenging van de registers van eigendomsovergangen, welke in de jaren 1812-1832 door de maires en gemeentebesturen zijn aangelegd en bijgehouden met de daarbij behoorende bescheiden naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en van Financiën van 15 September 1932, n°. 20484, afdeeling Kunsten en Wetenschappen en van 21 September 1932, n°. 49, Centrale Directie; Overwegende, dat bij Ons besluit van 17 Juli 1915 (**Staatsblad** n°. 334) voorschriften zijn gegeven voor de overbrenging naar de bewaringen van de hypotheken en het kadaster van de registers van eigendomsovergangen, welke in de jaren 1812-1832 door de maires en gemeentebesturen zijn aangelegd en bijgehouden, met de daarbij behoorende bescheiden; Overwegende, dat het inmiddels wenschelijk is gebleken, deze registers, ongeacht of zij ingevolge Ons bovenaangehaald besluit reeds zijn overgebracht of nog zouden moeten worden overgebracht, voortaan in de Algemeene Rijksarchiefbewaarplaats te **'s-Gravenhage,** de Rijksarchiefbewaarplaatsen in de hoofdplaatsen van de provinciën of andere nader aan te wijzen archiefbewaarplaatsen te doen berusten; Gelet op de [Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) 1918 (**Staatsblad** n°. 378), zooals zij is gewijzigd en aangevuld bij de wet van 14 Mei 1928 (**Staatsblad** n°. 177); Den Raad van State gehoord (advies van 1 November 1932, n° 25); Gelet op het nader rapport van Onze Ministers van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en van Financiën van 15 November 1932, n°. 53261, afdeeling Kunsten en Wetenschappen en van 18 November 1932, n°. 123, afdeeling Centrale Directie; Hebben goedgevonden en verstaan: te bepalen: Artikel 1 1. De registers van eigendomsovergangen van gebouwde en ongebouwde eigendommen (livres des mutations des propriétés bâties et non bâties), welke krachtens artikel 33 der wet van 3 frimaire jaar VII ( *"},{"i":9840,"b":"Wet van 18 december 2019 tot wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (PbEU 2018, L 139) (Wet implementatie EU-richtlijn meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954) en de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) aan te passen in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU houdende aanvullende regels in verband met de automatische uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (PbEU 2018, L 139); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel III In afwijking van [artikel 10h, elfde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening](onbekend) en de daarop gebaseerde bepalingen verstrekt degene die ingevolge artikel 10h van die wet bij de heffing van belastingen verplicht is de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 10h, tweede lid, van die wet, te verstrekken, aan Onze Minister van Financiën op een door hem voorgeschreven wij"},{"i":9868,"b":"Wet van 14 december 2005 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ter implementatie van richtlijn 2004/8/EG inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling (Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ter implementatie van de richtlijn warmtekrachtkoppeling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, regels te stellen ter uitvoering van [richtlijn 2004/8/EG](32004L0008) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot wijziging van [richtlijn 92/42/EEG](31992L0042) (PbEG L 52); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel II De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ter implementatie van de richtlijn warmtekrachtkoppeling. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9867,"b":"Wijziging nr. 2 van het Multilateraal Verdrag inzake de exploitatie van het Caribische Centrum voor Epidemiologie The Governments and Organizations party to this Agreement (the “Members”), Desiring to provide for the continuing operation of the Caribbean Epidemiology Center (“CAREC”) in conformity with the Multilateral Agreement for the Operation of the Trinidad Regional Virus Laboratory signed by the Parties thereto on June 18, 1974, July 14, 1974 and October 4, 1974, respectively, and as amended and extended through December 31, 1995, December 31, 2000, December 31, 2005, and December 31, 2007; Considering the importance of CAREC to the health of the peoples of the Caribbean; Considering that an extension to the current Agreement is necessary for a transitional period to give the Members sufficient time to implement the necessary governance mechanisms to align and harmonize CAREC with the Caribbean Regional Health Institutions; Considering that the General Provisions, paragraph 2, of the current Agreement provides that modifications may be made by agreement of the Parties; Have agreed to modify the Agreement to extend the term as set forth below: IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized, have signed one original copy of this Agreement in English, on the dates and places indicated below."},{"i":9884,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 27 mei 2010, nr. WJZ/10080041, tot wijziging van de Subsidieregeling internationaal excelleren Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=2), [3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), en [44 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=44); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling internationaal excelleren. Artikel II 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2010. 2. Op aanvragen om subsidie krachtens [artikel 5.2 van de Subsidieregeling internationaal excelleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983&artikel=5.2), ontvangen vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, wordt besloten overeenkomstig de door deze regeling gewijzigde [Subsidieregeling internationaal excelleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983), met dien verstande dat de subsidie zal worden verstrekt aan de in de aanvrage genoemde afnemer van de order, mits de in Nederland gevestigde ondernemer die de order afsluit en de afnemer binnen drie weken na een daartoe strekkend verzoek van de minister hem een door beiden ondertekende verklaring hebben toegezonden, waarin - 1e. de afnemer de minister machtigt om de subsidie namens hem als deel van het door hem verschuldigde orderbedrag uit te betalen aan de in Nederland gevestigde ondernemer die de order afsluit, zodat het subsidiebedrag in mindering komt op het te betalen orderbedrag, - 2e. de afnemer de in Nederland gevestigde ondernemer die de order afsluit machtigt om ter zake van de subsidie als zijn vertegenwoordiger op te treden en - 3e. de in Nederland gevestigde onde"},{"i":10034,"b":"Besluit van 11 november 2010, nr. 10.003075, houdende departementale herindeling met betrekking tot energie en de Nederlandse Emissieautoriteit Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 8 november 2010, kenmerk 3097263; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van energie, met inbegrip van kernenergie, de verantwoordelijkheid voor de Kernenergiewet en de aansturing van de bijbehorende onderdelen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en het Agentschap NL en van de Kernfysische dienst, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de Nederlandse Emissieautoriteit, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 2 De taken van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van het ministerie van Infrastructuur en Milieu worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028988&artikel=1&z=2010-11-27&g=2010-11-27) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028988&artikel=2&z=2010-11-27&g=2010-11-27) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wo"},{"i":10047,"b":"Besluit van 20 juni 1956, bepalende de gelijkstelling van rangen en standen bij de landmacht en de luchtmacht Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog van 15 juni 1956, Directie Militair Personeel, Jura, Nr. P. 105.270 N; Overwegende, dat met de officiersrangen vermeld in de Wet bevordering en ontslag beroepsofficieren en de Wet reservepersoneel der krijgsmacht bij de landmacht en de luchtmacht door Ons ingevolge die wetten behoren te worden gelijkgesteld de bij de landmacht en de luchtmacht voorkomende officiersrangen welke niet in die wetten zijn vermeld en dat ter zake van de overige rangen alsook standen bij de landmacht en de luchtmacht een overeenkomstige regeling wenselijk is; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De gelijkstelling van rangen en standen bij de landmacht en de luchtmacht is aangegeven in de bij dit besluit behorende tabel, waarin gelijke rangen of standen zijn aangeduid met gelijke letters. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1956. Tabel. behorende bij het Koninklijk besluit van 20 juni 1956, no. 37 Landmacht Luchtmacht Onze Minister van Oorlog is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":10071,"b":"Besluit van 14 mei 2008, houdende regels over de inschrijving en luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en de erkenning van bedrijven voor werkzaamheden die de luchtwaardigheid betreffen (Besluit luchtvaartuigen 2008) Op de voordracht van Onze minister van Verkeer en Waterstaat van 4 januari 2008, nr. CEND/HDJZ-2007/1644, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met de staatssecretaris van Defensie; Gelet op – [verordening (EG) nr. 1592/2002](32002R1592) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (PbEG L 240), – [verordening (EG) nr. 1702/2003](32003R1702) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 september 2003 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PbEU L 243), – [verordening (EG) nr. 2042/2003](32003R2042) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PbEU L 315) en – de [artikelen 1.2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2), [3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.3), [3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.7), [3.13, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.13), [3.15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.15), [3.19a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.19a), [3.22, eerste lid, onder b](https:"},{"i":10096,"b":"Besluit van 6 februari 2009, houdende de vaststelling van regels met betrekking tot militaire luchthavens (Besluit militaire luchthavens) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 21 april 2008, nr. C/2008009692, Directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op de [artikelen 10.12, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.12), [10.13, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.13), [10.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.19), [10.27, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.27), en [10.39, vijfde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); De Raad van State gehoord (advies van 29 mei 2008, no. W07.08.0143/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 2 februari 2009, nr. C/2009001479, Directie Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **ander geluidsgevoelig gebouw:** gebouw met een onderwijsfunctie of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - **gebouw:** gebouw als bedoeld in de [bijlage bij de Omgevingswet](onbekend); - **geluidscontour:** de lijn die punten verbindt waar de geluidsbelasting een gelijke waarde heeft; - **geluidszone:** dat deel van het in [artikel 10.17, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.17) bedoelde beperkingengebied, dat voortvloeit uit de in [artikel 10.17, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.17) bedoelde grenswaarde voor de geluidsbela"},{"i":10100,"b":"Besluit Ondermandaat DGVH Regeling milieugerichte technologie 1999 en Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen Besluit: Artikel I Artikel 1 De aan de directeur-generaal van de Volkshuisvesting bij artikel 1, eerste en derde lid, van het Beluit Mandaat DGVH [Regeling milieugerichte technologie 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010278) en [Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010544) verleende bevoegdheden worden gemandateerd aan de directeur van de directie Reken- en Administratiecentrum, het hoofd van de afdeling Uitvoering Volkshuisvestingsregelingen en de hoofden van de clusters Eigen Woningen en Overige Regelingen van het Reken en Administratiecentrum. Artikel 2 De aan directeur-generaal van de Volkshuisvesting bij artikel 1, tweede lid, van het besluit Mandaat DGVH Regeling milieugerichte technologie 1999 en Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen verleende bevoegdheid wordt gemandateerd aan de directeur van de directie Reken- en Administratiecentrum. Artikel 3 De directeur van de directie Reken- en Administratiecentrum kan de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaarschriften als bedoeld in artikel 2 van deze regeling niet uitoefenen, indien hij tevens het besluit, waartegen het bezwaar zich richt, krachtens artikel 1 van deze regeling heeft genomen. Artikel 4 Indien uitvoering wordt gegeven aan artikel 1 of artikel 2 van deze regeling, luidt de ondertekening: de Minister van de Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor deze: De directeur-generaal van de Volkshuisvesting, o.l. gevolgd door de functieaanduiding, de handtekening en de naam van de betrokken functionaris. Artikel II 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. 2. Het besluit wordt ter inzage gelegd in de Centrale bibliotheek van VROM. 3. De directeur-generaal van de Volkshuisvesting zendt dit besluit aan de"},{"i":10162,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 24 oktober 2011, nr. DP2011055738, ter vaststelling van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet, bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Drinkwaterwet, voor 2012 en 2013 Gelet op [artikel 10, derde lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10), en [artikel 23, tweede lid, van de Drinkwaterregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030152&artikel=23); Besluit: Artikel 1 Overeenkomstig [artikel 10, derde lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10) is de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet voor 2012 en 2013 vastgesteld op 6.0%. Artikel 2 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst. 2. De [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030152&artikel=5) en [6 van de Drinkwaterregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030152&artikel=6) treden op het in het eerste lid genoemde tijdstip in werking. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7598,"b":"Besluit van 22 juli 2002, houdende de herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot het telecommunicatie- en postbeleid alsmede met betrekking tot het beleid ten aanzien van de kabelsector en digitale televisie en radio via de ether Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 22 juli 2002, kenmerk 02M435324; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van het telecommunicatie- en postbeleid en het toezicht op dit terrein, voorzover deze zorg voor 22 juli 2002 was opgedragen aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 Onze Minister van Economische Zaken wordt belast met de behartiging van het beleid ten aanzien van marktordening en tarieven voor het gebruik van de infrastructuur in de kabelsector en ten aanzien van digitale televisie en radio via de ether, voorzover deze zorg voor 22 juli 2002 was opgedragen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Artikel 3 De taken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en het Ministerie van Economische Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 22 juli 2002. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Ministers van Economische Zaken, van Verkeer en Waterstaat en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbijbehorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":10208,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein rijkshuisvesting vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/8); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein rijkshuisvesting over de periode vanaf 1945](onbekend)’ met de daarbij behorende toelichting wordt vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10210,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Telecommunicatie en Post vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 5 februari 2009 nr. bca-2008.05120/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit behorende ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Telecommunicatie en Post over de periode vanaf 1945‘ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10225,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 13 maart 2026, nr. WJZ/104167525, tot vaststelling van de taken van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Besluit vaststelling taken Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat 2026) Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951 (Stb. 1951, 24), houdende nadere voorzieningen in verband met de uitvoering van de ambten van Minister zonder portefeuille en van Staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3); Mede gelet op het koninklijk besluit waarbij W.J.M. Aerdts is benoemd tot Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Stcrt. 2026, 8191); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, mevrouw W.J.M. Aerdts, is binnen de grenzen van het door de Minister van Economische Zaken en Klimaat vastgesteld beleid in het bijzonder belast met beleid op het terrein van: - a. digitale economie en infrastructuur; - b. coördinerend op digitalisering en soevereiniteit; - c. telecom en RDI; - d. digitale samenleving; - e. digitale overheid; - f. normering en regulering van beleid t.a.v. digitalisering, technologie en soevereiniteit in samenleving en overheid, waaronder AI en algoritmes (incl. aanspreekpunt algoritme-autoriteit bij de AP); - g. Nederlandse Digitale Dienst; - h. open data; - i. digitale wallet; - j. Europees en internationaal digitaliseringsbeleid (incl. vertegenwoordiging in EU en internationale gremia); - k. Adviescollege ICT Toetsing; - l. Nationale Digitaliseringsstrategie (NDS); - m. andere aangelegenheden waarvan de behartiging door de Minister van Economische Zaken en Klimaat aan haar is toevertrouwd. Artikel 2 Het [Besluit vaststelling taken Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046499) (Stct. 2022, 9054) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt"},{"i":10255,"b":"Buitentoepassingstelling voor een gedeelte van 2007 van de willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen, de energie-investeringsaftrek en de milieu-investeringsaftrek Handelende wat [artikel 3.52, eerste lid, onderdeel a, aanhef en onder 1°, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52) betreft, na overleg met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de minister van Economische Zaken; Gelet op [artikel 3.52, eerste lid, onderdeel a, aanhef en onder 1°, en onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52); Besluit: Artikel 1 1. De in [artikel 3.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.31) bedoelde willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen wordt buiten toepassing gesteld met verplichtingen die zijn aangegaan of voortbrengingskosten die zijn gemaakt op of na 28 november doch voor 1 januari 2008. Artikel 2 Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 28 november 2007. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10259,"b":"Circulaire aanvraagprocedure reisdocumenten voor vluchtelingen of vreemdelingen als bedoeld in artikel 12, 14 en 15, tweede lid, van de Paspoortwet 1. Inleiding Deze circulaire heeft tot doel u te informeren en u een handreiking te geven over hoe om te gaan met de wijziging van de [Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012811) (hierna: PUN) die per 1 oktober 2018 in werking treedt. De wijziging ziet voornamelijk op een nieuwe werkwijze voor de vaststelling van de aanspraak op een reisdocument voor vluchtelingen of vreemdelingen als bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=12), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=14) en [15, tweede lid, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=15) (hierna: reisdocumenten). Deze circulaire geeft naast de toelichting bij de wijziging van de PUN (**Stcrt**. 2018 nr. 33030) een compleet beeld van de aanvraagprocedure. De circulaire beschrijft: 2. Vormgeving werkwijze Het is aan de burgemeester of gezaghebber om de aanvraagprocedure praktisch in te kleden. Alle onderdelen van de aanvraagprocedure moeten zorgvuldig en zo efficiënt mogelijk worden doorlopen. De vaststelling van de aanspraak omvat drie onderdelen: Het C1-formulier is ontworpen aan de hand van de onderdelen 1, 2a en 2b. Hierdoor is het mogelijk dat de burgemeester of gezaghebber, de IND (namens de Minister van Justitie en Veiligheid) of de Minister van Buitenlandse Zaken onderdelen van het formulier invullen. Hiermee wordt voorkomen dat het gehele dossier naar alle partijen gestuurd moet worden en kunnen de onderdelen digitaal worden ingevuld. Het is goed denkbaar dat de beoordeling van gegevens door de burgemeester of gezaghebber (onderdeel 1) in de praktijk gelijktijdig plaatsvindt met het in ontvangst nemen van de aanvraag (paragraaf 4.1. van deze circulaire). De gegevens die gecontroleerd worden bij onderdeel 1 staan namelijk oo"},{"i":10265,"b":"Circulaire (onkosten)vergoeding 2017 voor politieke ambtsdragers van waterschappen Inleiding Door middel van deze circulaire wordt u, zoals elk jaar gebruikelijk, geïnformeerd over de wijzigingen van de bedragen van de (onkosten)vergoedingen voor leden van het algemeen bestuur, leden van het dagelijks bestuur en de voorzitters. 1. Bezoldiging van een voorzitter Het bedrag van de bezoldiging van de voorzitter van een waterschap is bepaald in [artikel 3.24, eerste lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.24) en is naar evenredigheid van de vastgestelde tijdsbestedingsnorm. Het bedrag wijzigt als de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk wijzigt ([artikel 3.24, derde lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.24)). De op dit moment geldende arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor het rijkspersoneel is overeengekomen voor de periode 1 september 2015 tot 31 december 2016. Deze arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor het rijkspersoneel geldt nog steeds. Als een volgende overeenkomst wordt vastgesteld, informeer ik u over de gevolgen daarvan voor de bezoldiging van de voorzitter van een waterschap. Voor de volledigheid vermeld ik dat het bezoldigingsbedrag voor een voorzitter van een waterschap, genoemd in [artikel 3.24, eerste lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.24) per 1 januari 2016 € 9.159,50 per maand, naar evenredigheid van de vastgestelde tijdsbestedingsnorm. 2. Ambtstoelage van een voorzitter Op grond van [artikel 3.26, eerste lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.26) ontvangt de voorzitter per maand een ambtstoelage, naar evenredigheid van de vastgestelde tijdsbestedingsnorm. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de ambtstoelage van de voorzitter per 1 januari van elk jaar wordt herzien aan de hand van de consumenten-prijsindex geldend voor de maand"},{"i":10285,"b":"Europees Verdrag inzake hoofdwaterwegen die van internationaal belang zijn (AGN) De Verdragsluitende Partijen, Zich bewust van de noodzaak het internationaal vervoer over waterwegen in Europa te vergemakkelijken en uit te breiden, Beseffend dat een toename van het internationale goederenvervoer te verwachten is als gevolg van de groeiende internationale handel, De nadruk leggend op de belangrijke rol van het vervoer over water, dat in vergelijking met andere wijzen van vervoer economische en ecologische voordelen biedt en beschikt over extra capaciteit in de vorm van infrastructuur en schepen en waarmee derhalve de sociale kosten en de negatieve milieueffecten van het binnenlands vervoer in zijn totaliteit kunnen worden verminderd, Ervan overtuigd dat het, wil men het internationaal vervoer over waterwegen in Europa met inbegrip van het vervoer door binnenvaart-/zeevaartschepen via kustroutes, doelmatiger en aantrekkelijker voor de klant maken, van wezenlijk belang is een wettelijk kader te scheppen dat voorziet in een gecoördineerd plan voor de ontwikkeling en aanleg van een net van waterwegen van internationaal belang, op basis van overeengekomen infrastructurele en operationele parameters, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Aanduiding van het netwerk 1. De Verdragsluitende Partijen nemen de bepalingen van dit Verdrag aan als een gecoördineerd plan voor de ontwikkeling en aanleg van een net van waterwegen, hierna te noemen „het net van waterwegen die van internationaal belang zijn” of „het net van E-waterwegen”, welk plan zij voornemens zijn uit te voeren binnen het kader van hun desbetreffende programma's. Het net van E-waterwegen, met betrekking tot dit Verdrag, bestaat uit de waterwegen en kustroutes die door binnenvaart-/zeeschepen worden gebruikt alsmede de havens van internationaal belang die aan deze waterwegen en routes gelegen zijn en die zijn vermeld in de [Bijlagen I en II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001331&bijlage=I-III&z=2025-1"},{"i":10341,"b":"Besluit van 27 oktober tot vaststelling van een luchthavenbesluit voor de luchthaven Eelde (Luchthavenbesluit Eelde) [KetenID WGK002925] Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 30 juni 2025 nr. IENW/BSK-2025/254314, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 8.70, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.70); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 oktober 2025, nr. W17.25.00156/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 20 oktober 2025, nr. IenW/BSK-2025/257876, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **APU:** Auxiliary Power Unit of hulpaandrijvingseenheid; - **bedrijfswoning:** woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, slechts bestemd voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de functie van het gebouw of terrein, noodzakelijk is; - **beperkt kwetsbaar gebouw:** gebouw met een kantoor-, cel-, industrie-, sport- of logiesfunctie als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - **circuitvlucht:** vliegtuigbeweging in de onmiddellijke omgeving van de luchthaven, in het bijzonder verband houdend met het starten, het oefenen voor het landen en het landen en waaronder inbegrepen het uitvoeren van touch and go's en missed approaches; - **exploitant:** de exploitant van de luchthaven Eelde, zijnde Groningen Airport Eelde N.V.; - **extramurale opslag of verwerking:** opslag of verwerking anders dan in een volledig afgesloten gebouw; - **gebouw:** gebouw als bedoeld in [bijlage 1.1 van de Omgevingswet](onbekend); - **geluidgevoelig gebouw:** gebouw met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken"},{"i":10347,"b":"Luchthavenregeling Arnhemse Heide Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair oefenterrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter; - c. **hoveren:** het stilhangen van een helikopter op geringe hoogte boven de grond. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihaven op het militaire oefenterrein Arnhemse Heide. Artikel 3 De militaire helihaven is gelegen te Arnhem en bestaat uit een cirkelvormig gebied met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 52°02’49,23”N 005°54’18,00”E, zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 4 De militaire helihaven staat uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 1. Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029844&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting een maximum van 100 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. 2. Hoveren vindt plaats in aaneengesloten periodes van maximaal 15 minuten, met een maximum van 180 minuten per dag. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats: - a. op vrijdag na 16.00 uur; - b. op zaterdag voor 10.00 uur en na 17.00 uur, en - c. op zon- en feestdagen. 2. Op maandag tot en met donderdag vinden voor 09.00 uur en na 23.00 uur geen grootschalige helikopterverplaatsingen plaats. 3. Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van dringende operationele noodzaak. Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingang va"},{"i":10348,"b":"Luchthavenregeling ASK Oldebroek Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair oefenterrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter; - c. **hoveren:** het stilhangen van een helikopter op geringe hoogte boven de grond. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihavens ASK Oldebroek. Artikel 3 De militaire helihavens zijn gelegen te ASK Oldebroek en bestaan uit vier cirkelvormige gebieden met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 52°22’01,43”N 005°51’42,34”E, de coördinaat 52°22’24,00”N 005°54’33,00”E, de coördinaat 52°23'30,00”N 005°55'06,00”E en de coördinaat 52°23’47,09”N 005°52’57,46”E, zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaarten. Artikel 4 De militaire helihavens staan uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 1. Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029861&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting voor de vier gebieden gezamenlijk een maximum van 400 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. 2. Hoveren vindt plaats in aaneengesloten periodes van maximaal 15 minuten, met een maximum van 180 minuten per dag. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaarten. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats voor 06.00 uur en na 22.00 uur. 2. Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van dringende operationele noodzaak. Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2010. Artikel 9 Deze regeling wordt"},{"i":10372,"b":"Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden ten aanzien van de Nederlandse Antillen en de Bondsrepubliek Duitsland inzake luchtvervoer tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Nederlandse Antillen Het Koninkrijk der Nederlanden, ten aanzien van de Nederlandse Antillen, en de Bondsrepubliek Duitsland, Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens een verdrag te sluiten inzake de instelling en exploitatie van luchtdiensten tussen en via hun grondgebieden; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is bepaald: - 1. wordt onder het „Verdrag van Chicago” verstaan het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van dat Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of van het Verdrag ingevolge de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Verdragsluitende Partijen; - 2. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan wat de Bondsrepubliek Duitsland betreft het Bondsministerie van Verkeer, Bouwbeleid en Stadsontwikkeling en wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen; of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie te vervullen die thans wordt vervuld door de genoemde autoriteiten; - 3. wordt onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij” verstaan elke luchtvaartmaatschappij die door een Verdragsluitende Partij schriftelijk is aangewezen aan de andere Verdragsluitende Partij in overeenstemming met artikel 3 van dit Verdrag als luchtvaartmaatschappij die internationale luchtdiensten dient te exploiteren op de in overeenstemming met artikel 2, tweede lid, van dit Verdrag omschreven rou"},{"i":10377,"b":"Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Federale Republiek Brazilië Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Federale Republiek Brazilië, (hierna te noemen „de partijen”), Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens een bijdrage te leveren aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart; Geleid door de wens een verdrag te sluiten ten behoeve van het instellen en exploiteren van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is bepaald: - a. wordt onder „luchtvaartautoriteit” verstaan, wat Sint Maarten betreft, de minister van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie, verantwoordelijk voor de burgerluchtvaart, en wat Brazilië betreft, de burgerluchtvaartautoriteit vertegenwoordigd door de Agência Nacional de Aviação Civil (ANAC); of, in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die worden vervuld door de genoemde autoriteiten; - b. wordt onder „Verdrag” verstaan dit Verdrag, de Bijlage daarbij en alle wijzigingen daarvan; - c. wordt onder „capaciteit” verstaan het aantal diensten dat uit hoofde van het Verdrag wordt geleverd, gewoonlijk gemeten als het aantal vluchten (frequenties), stoelen of tonnen vracht die op een markt worden aangeboden (stedenpaar of land naar land) of op een route gedurende een specifiek tijdvak, bijvoorbeeld dagelijks, wekelijks, in een bepaald seizoen of jaarlijks; - d. wordt onder „het Verdrag van Chicago” verstaan het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig [artikel 90 van het Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":10389,"b":"Memorandum van Overeenstemming inzake het vermijden van overlappingen en geschillen met betrekking tot zeebodemgebieden De Regeringen van het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, Canada, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland enerzijds, en de Republiek Bulgarije, de Republiek Cuba, de Republiek Polen, de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek en de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken verenigd in het Consortium INTEROCEANMETAL, anderzijds, hierna te noemen de „Partijen”, Overwegende dat de Republiek Polen, handelend namens de andere Staten in het Consortium INTEROCEANMETAL verenigd, bij de Voorbereidende Commissie voor de Internationale Zeebodemautoriteit en het Internationale Hof voor het Zeerecht, hierna te noemen de „Voorbereidende Commissie”, een verzoek heeft ingediend voor registratie als pionier-investeerder met betrekking tot een gebied, waarvan de coördinaten zijn aangegeven in bijlage I bij dit Memorandum van overeenstemming, hierna te noemen het „Memorandum”, Gelet op de belangen van de lichamen genoemd in het eerste lid, letter a onder ii, van Resolutie II van de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Zeerecht, in gebieden, waarvan de coördinaten zijn opgenomen in de Zeerechtbulletins 7, 11 en 12 en die zijn aangegeven in bijlage II bij dit Memorandum; Met voldoening opmerkend dat er tussen de bovenbedoelde gebieden geen overlappingen bestaan; Geleid door de wens wederzijdse eerbiediging van die gebieden te waarborgen teneinde mogelijke geschillen in de toekomst te vermijden; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Na toewijzing door de Voorbereidende Commissie aan het Consortium INTEROCEANMETAL - in zijn hoedanigheid van pionier-investeerder - erkend door de Republiek Bulgarije, de Republiek Cuba, de Republiek Polen, de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek en de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken van het in bijl"},{"i":10434,"b":"Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels De Overeenkomstsluitende Partijen, Uitgaande van de wederzijdse afhankelijkheid tussen de mens en zijn milieu; In overweging nemende de fundamentele ecologische functies van watergebieden als regelaars van waterhuishoudingen en als gebieden met een geheel eigen flora en fauna, met name watervogels; De overtuiging toegedaan dat watergebieden een natuurlijk bezit vormen van grote economische, culturele, wetenschappelijke en recreatieve waarde en dat het verlies daarvan onherstelbaar zou zijn; Geleid door de wens een halt toe te roepen aan de toenemende aantasting en het verloren gaan van watergebieden nu en in de toekomst; Erkennende dat watervogels tijdens hun trek landsgrenzen overvliegen en derhalve kunnen worden beschouwd als een internationaal natuurlijk bezit; Vertrouwende dat het behoud van watergebieden en hun flora en fauna kan worden gewaarborgd door het combineren van een vooruitziend nationaal beleid met een gecoördineerd internationaal optreden; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst zijn watergebieden moerassen, vennen, veen- of plasgebieden, natuurlijk of kunstmatig, blijvend of tijdelijk, met stilstaand of stromend water, zoet, brak of zout, met inbegrip van zeewater waarvan de diepte bij eb niet meer is dan zes meter. 2. Voor de toepassing van deze Overeenkomst zijn watervogels vogels die in ecologische zin van watergebieden afhankelijk zijn. Artikel 2 1. Elke Overeenkomstsluitende Partij wijst de daarvoor in aanmerking komende, binnen haar grondgebied liggende watergebieden aan voor opname in een lijst van watergebieden van internationale betekenis, hierna te noemen „de Lijst”, welke wordt bijgehouden door het Bureau, opgericht krachtens artikel 8. De grenzen van elk watergebied worden nauwkeurig beschreven en in kaart gebracht, en daarin kunnen tevens de aan de watergebieden grenzende oeve"},{"i":10443,"b":"Overeenkomst tussen de Koninklijke Nederlandse Regering en de Koninklijke Griekse Regering inzake luchtvervoer tussen haar onderscheiden grondgebieden De Koninklijke Nederlandse Regering en de Koninklijke Griekse Regering, geleid door de wens een overeenkomst te sluiten betreffende de instelling van luchtverbindingen tussen Nederland en Griekenland, hebben tot dit doel haar gevolmachtigden benoemd, die omtrent de volgende bepalingen tot overeenstemming zijn gekomen. Artikel 1 De overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar wederzijds de rechten, opgesomd in de hieraan gehechte bijlage, ten aanzien van de instelling van de internationale burgerlijke luchtlijnen en van de diensten, vermeld in deze bijlage. Genoemde diensten kunnen onmiddellijk dan wel op een later tijdstip, naar verkiezing van de Overeenkomstsluitende Partij, aan welke die rechten worden verleend, worden geopend. Artikel 2 1). Elk van de luchtdiensten, genoemd in de hieraan gehechte bijlage, zal in exploitatie worden genomen zodra de Overeenkomstsluitende Partij, welke krachtens artikel 1 het recht heeft gekregen één of meer ondernemingen aan te wijzen om de betreffende lijnen te exploiteren, die aanwijzing zal hebben gedaan. De Overeenkomstsluitende Partij, welke dat recht zal hebben toegekend, zal, behoudens de bepalingen van par. 2 van dit artikel en die van het hiernavolgende artikel 6, aan de belanghebbende onderneming of ondernemingen de benodigde exploitatievergunning onverwijld moeten verlenen. - a). De aldus door een van de Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen onderneming of ondernemingen zullen kunnen worden uitgenodigd, alvorens de door deze overeenkomst vastgestelde diensten aan te vangen, ten overstaan van de bevoegde luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij haar bevoegdheid te bewijzen, zulks overeenkomstig de wetten en voorschriften, welke in dat land van kracht zijn, voor wat betreft de exploitatie van internationale burgerlijke lijnen door commerciële l"},{"i":10448,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van de Republiek Liberia en van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden inzake het vestigen en onderhouden van luchtdiensten tussen hun onderscheiden grondgebieden en verder gelegen punten De Regering van de Republiek Liberia en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, verlangende het burgerluchtvervoer tussen de Republiek Liberia en het Koninkrijk der Nederlanden en verder gelegen punten te bevorderen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor deze Overeenkomst betekent, tenzij uit het verband anders blijkt: - (a). de uitdrukking „luchtvaartautoriteiten”, voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, ieder persoon of lichaam als zodanig door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden aangewezen, en voor wat betreft de Republiek Liberia, de Directeur-Generaal der Posterijen en ieder persoon of lichaam gemachtigd tot het vervullen van de functies, welke thans door bovenbedoelde Directeur-Generaal der Posterijen worden uitgeoefend of soortgelijke functies; - (b). de uitdrukking „aangewezen luchtvaartmaatschappij” een luchtvaartmaatschappij, welke de luchtvaartautoriteiten van de ene Overeenkomstsluitende Partij schriftelijk hebben opgegeven aan de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij als een luchtvaartmaatschappij, welke door haar overeenkomstig artikel 3 van deze Overeenkomst is aangewezen voor het onderhouden van luchtdiensten op de in de kennisgeving omschreven routes. Artikel 2 Naast en onverminderd de bepalingen van deze Overeenkomst houdt iedere Overeenkomstsluitende Partij, voor wat betreft aangelegenheden welke betrekking hebben op het vestigen en het onderhouden van de in artikel 3 bedoelde overeengekomen diensten, zich aan de desbetreffende artikelen van het op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengestelde Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, aan iedere Bijlage welke is aanvaard krachtens arti"},{"i":10453,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van India en de Nederlandse Regering betreffende luchtdiensten De Regering van India en de Nederlandse Regering, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, Partij zijnde bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerlijke Luchtvaart en de Overeenkomst inzake de doortocht van Internationale Luchtdiensten, beide ondertekend te Chicago op de zevende dag van December 1944, waarvan de bepalingen bindend zijn voor beide partijen, En wensende een overeenkomst te sluiten voor de exploitatie van luchtvervoersdiensten tussen en via haar onderscheidene grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij het recht de luchtdiensten te exploiteren, omschreven in de Bijlage van deze Overeenkomst (hierna te noemen de „omschreven luchtdiensten”). Artikel II A). Elk van de omschreven luchtdiensten kan onmiddellijk dan wel op een later tijdstip naar verkiezing van de Overeenkomstsluitende Partij, waaraan de rechten worden verleend, worden geopend, op voorwaarde, dat: - 1). De Overeenkomstsluitende Partij, waaraan de rechten zijn verleend, een luchtvaartmaatschappij (hierna te noemen een „aangewezen luchtvaartmaatschappij”) zal hebben aangewezen voor de omschreven luchtroute. - 2). De Overeenkomstsluitende Partij, welke de rechten verleent, aan de luchtvaartmaatschappij de passende exploitatievergunning zal hebben verleend, hetgeen zij met de minst mogelijke vertraging zal doen, mits de luchtvaartmaatschappij, indien zulks van haar verlangd wordt, voldaan heeft aan de eisen van lid B) van dit Artikel. B). Van de aangewezen luchtvaartmaatschappij kan worden verlangd, dat zij ten genoegen van de luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij, welke de rechten verleent, aantoont, dat zij in staat is de voorwaarden na te komen, voorgeschreven bij of krachtens de wetten en voorschriften, welke gewoonlijk door die autoriteiten ten aanzien van de e"},{"i":10465,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Guatemala inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Guatemala, hierna te noemen „De Overeenkomstsluitende Partijen”, partijen bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld, geleid door de wens een Overeenkomst te sluiten als aanvulling op genoemd Verdrag met het doel om geregelde luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, in een geest van volledige samenwerking en billijke wederkerigheid, zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent, tenzij het zinsverband anders vereist: - a. De uitdrukking „luchtvaartautoriteiten”, wat Guatemala betreft, het Ministerie van Verbindingen en Openbare Werken of elke persoon of instelling die bevoegd is de functies te vervullen die thans door genoemd ministerie worden vervuld, danwel gelijksoortige functies te vervullen; wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, het Ministerie van Verkeer en Waterstaat of elke persoon of instelling die bevoegd is de functies te vervullen die thans door genoemd ministerie worden vervuld, danwel gelijksoortige functies te vervullen; - b. De uitdrukking „Verdrag”, het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld; - c. De uitdrukking „aangewezen luchtvaartmaatschappij”, een luchtvaartmaatschappij die overeenkomstig artikel III van deze Overeenkomst aangewezen en gemachtigd is; - d. De uitdrukking „tarief”, de prijzen van het vervoer van passagiers, bagage en vracht en de voorwaarden waarop deze worden toegepast, met inbegrip van de prijzen en voorwaarden die betrekking hebben op de diensten van agentschappen en andere hulpdiensten, met uitzondering van de vergoedingen en voorwaarden met betrekking tot h"},{"i":10468,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Jemen inzake geregelde luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Jemen, partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten met het doel geregelde luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in deze Overeenkomst en de Bijlage daarbij de volgende begrippen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag\" wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of het Verdrag overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat; wat de Republiek Jemen betreft, de Autoriteit voor Burgerluchtvaart en Meteorologie; of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie die thans door de genoemde Minister of Autoriteit wordt uitgeoefend, te vervullen; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij\" wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 van deze Overeenkomst; - d. het begrip „grondgebied\" heeft met betrekking tot een Staat de betekenis die daaraan in artikel 2 van het Verdrag wordt toegekend; - e. de begrippen „luchtdienst\", „internationa"},{"i":10489,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden inzake het vestigen en onderhouden van luchtdiensten Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, geleid door de wens het luchtvervoer tussen en via Nederland en Zweden te bevorderen, sluiten hierbij de volgende Overeenkomst: Artikel 1 (1). Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij de in deze Overeenkomst omschreven rechten voor het instellen van geregelde internationale luchtdiensten op de routes die zijn omschreven in de hierbij behorende bijlage. Deze diensten en routes worden verder genoemd „overeengekomen diensten”, onderscheidenlijk „omschreven routes”. (2). De door elke Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappijen genieten bij de exploitatie van een overeengekomen dienst op een omschreven route de volgende rechten: - a. om zonder te landen over het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij te vliegen; - b. om op dat grondgebied te landen voor niet-verkeersdoeleinden; - c. om op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij te landen voor het opnemen en afzetten van passagiers, post en vracht in internationaal verkeer. Artikel 2 (1). Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht aan de andere Overeenkomstsluitende Partij schriftelijk mededeling te doen van de aanwijzing van een of meer luchtvaartmaatschappijen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes. (2). Na ontvangst van deze aanwijzing verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij, met inachtneming van het bepaalde in de leden 3 en 4 van dit artikel, zonder uitstel de passende exploitatievergunningen aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen. (3). De luchtvaartautoriteiten van een Overeenkomstsluitende Partij kunnen eisen dat de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij aantoont d"},{"i":10482,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Togolese Republiek betreffende de luchtvaart Het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds, de Togolese Republiek anderzijds, Hierna te noemen: de „Overeenkomstsluitende Partijen” Geleid door de wens de ontwikkeling van het luchtvervoer tussen hun grondgebieden te bevorderen en zoveel mogelijk te streven naar internationale samenwerking op dit gebied; Geleid door de wens met betrekking tot dit vervoer de beginselen en bepalingen toe te passen van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, voor ondertekening opengesteld te Chicago op 7 december 1944; Overwegend dat de ontwikkeling van het luchtvervoer kan bijdragen aan de instandhouding van de vriendschap en het onderlinge begrip tussen de Overeenkomstsluitende Partijen; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst en de Bijlagen daarbij hebben, tenzij het tegendeel is bepaald, de volgende uitdrukkingen de daarachter vermelde betekenis: - a. „Het Verdrag”, het op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengestelde Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; dit omvat alle volgens artikel 90 van dat Verdrag aanvaarde Bijlagen en alle overeenkomstig de artikelen 90 en 94 tot stand gebrachte wijzigingen van de Bijlagen of het Verdrag, die zijn goedgekeurd door de Overeenkomstsluitende Partijen; - b. „Luchtvaartautoriteiten”, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister belast met de burgerluchtvaart, alsmede iedere persoon of instelling, bevoegd tot het vervullen van de functies die thans door genoemde Minister worden uitgeoefend, of van overeenkomstige functies, en, wat de Togolese Republiek betreft, de Minister belast met de burgerluchtvaart, alsmede iedere persoon of instelling, bevoegd tot het vervullen van de functies die thans door genoemde Minister worden uitgeoefend, of van overeenkomstige functies; - c. „Aangewezen maatschappij”, een luchtvaartmaatscha"},{"i":10484,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bangladesh betreffende luchtdiensten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Bangladesh, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, geleid door de wens het burgerluchtvervoer tussen en via hun onderscheiden grondgebieden te stimuleren en te bevorderen, sluiten hierbij de volgende Overeenkomst: Artikel 1 Tenzij uit de inhoud van deze Overeenkomst anders mocht blijken, hebben de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - (a). onder „het Verdrag” wordt verstaan het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van dat Verdrag aangenomen bijlagen en alle overeenkomstig de artikelen 90 en 94 aangenomen wijzigingen van de bijlagen of van het Verdrag, voor zover deze bijlagen en wijzigingen door beide Overeenkomstsluitende Partijen zijn aangenomen; - (b). onder „luchtvaartautoriteiten” wordt, wat de Volksrepubliek Bangladesh betreft, verstaan de Directeur-Generaal van de Burgerluchtvaart en elke persoon of instelling die bevoegd is enige functie te vervullen die thans door voornoemde Directeur-Generaal wordt vervuld, en wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Directeur-Generaal van de Burgerluchtvaart en elke persoon of instelling die bevoegd is enige functie te vervullen die thans door voornoemde autoriteit wordt vervuld; - (c). onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij” wordt verstaan een luchtvaartmaatschappij aangewezen en gemachtigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van deze Overeenkomst; - (d). onder „grondgebied” in verband met een Staat wordt verstaan het land en de daaraan grenzende territoriale wateren die onder de soevereiniteit, suzereiniteit, bescherming of onder het beheer van die Staat staan; en - (e). de benamingen „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij”"},{"i":10493,"b":"Overeenkomst tussen het Nederlandse Waterschap Rijn en IJssel (het voormalige Polderdistrict Oude Rijn) en het Duitse Wasserverband Netterdenscher Kanal, inzake de streefpeilen op de Oude Rijn Aldus in viervoud opgemaakt, elk in de Nederlandse en de Duitse taal, ondertekend te Doetinchem op 22 mei 2008 en te Emmerich-Hüthum op 21 mei 2008. **De dijkgraaf,** H. VAN BRINK Waterschap Rijn en IJssel **De voorzitter,** C. ALBERS Wasserverband Netterdenscher Kanal"},{"i":10496,"b":"Overeenkomst tussen het waterschap Regge en Dinkel, het Unterhaltungsverband 114 \"Vechte\" en het Wasser- und Bodenverband \"Rammelbecke\" over het onderhoud van zowel de Rammelbeek als de Oude Rammelbeek Het waterschap Regge en Dinkel in Almelo, in het onderstaande „waterschap” genoemd, en het Unterhaltungsverband 114 „Vechte” in Neuenhaus, in het onderstaande „Unterhaltungsverband” genoemd, en het Wasser- und Bodenverband „Rammelbecke” in Wengsel, in het onderstaande „Wasser- und Bodenverband” genoemd, sluiten op grond van de wenselijkheid de door de verbetering ontstane toestand van de Rammelbeek en de Oude Rammelbeek in de toekomst in stand te houden en de onbelemmerde afvoer van het water in overeenstemming met de afvoercapaciteit van het dwarsprofiel na de verbetering te verzekeren, gelet op hoofdstuk 4, Artikel 59 (2) van het grensverdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden van 8 april 1960, de volgende overeenkomst: Artikel 1 1. Deze overeenkomst betreft: - a. het gedeelte van de Rammelbeek van 20 m beneden grenssteen 48 tot grenssteen 43 op de Nederlands-Duitse grens; - b. de doorsteek van de Rammelbeek op Nederlands gebied van grenssteen 43 tot grenssteen 32IV; - c. de zandvang, welke op Nederlands en Duits gebied bij grenssteen 32IV in de Rammelbeek is gelegen; - d. de Oude Rammelbeek, vanaf 69 m ten noorden van grenssteen 48 langs grenssteen 48I tot aan de uitmonding beneden stuw B in de verbeterde Rammelbeek in Nederland. 2. De voor het onderhoud maatgevende toestand van de in sub 1 genoemde waterleidingen en van de zandvang is op een uit 4 bladen bestaand grondplan vastgelegd, dat inclusief de eventuele toekomstige wijzigingen onderdeel van deze overeenkomst is. De door de betrokkenen ondertekende bladen nr. 1 tot en met 4 bestaan uit een overzichtskaart (1: 50.000)1)[Red: De overzichtskaart is niet opgenomen.], een situatietekening van de verbeteringswerken (1:5.000), een lengteprofiel van zowel de doorsteek in Nederland"},{"i":10497,"b":"Overeenkomst tussen het Waterschap van de Berkel, de Teilnehmergemeinschaft der Flurbereinigung Vreden en het Wasser- und Bodenverband Grosse Mast-Gaxel over de verbetering en het onderhoud van de Beurzerbeek met enkele zijleidingen in het grensgebied De Teilnehmergemeinschaft der Flurbereinigung Vreden, hierna ,,Teilnehmergemeinschaft” genoemd, vertegenwoordigd door den Vorsitzenden des Vorstandes herrn Julius Kneifel het Wasser- und Bodenverband Grosse Mast-Gaxel, hierna „Verband” genoemd, vertegenwoordigd door den Verbandsvorsteher herrn Georg Kersting en het Waterschap van de Berkel, hierna „Waterschap” genoemd, vertegenwoordigd door de watergraaf ir. Jan Baas sluiten, gelet op hoofdstuk 4, artikel 59, lid 2 van het Grensverdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden van 8 april 1960, de volgende overeenkomst: Artikel 1 Het Waterschap verbindt zich, op zijn kosten overeenkomstig de als bijlage bijgevoegde tekeningen (1 overzichtskaart1)[Red: De overzichtskaart is niet opgenomen.]en 5 lengte- en dwarsprofielen2)[Red: Deze bijlagen zijn niet opgenomen.] ) de volgende gedeelten van watergangen te verbeteren en te onderhouden: - 1. De Beurzerbeek, vanaf de grens (nabij grenssteen Gp 794) tot 570 m. stroomafwaarts. - 2. De Walvaartsgoot langs de grens (tussen de grensstenen Gp 794 en Gs 60). - 3. De Afwatering van het Warfslat, vanaf de grens (nabij grenssteen Gs 69) tot aan de instroming in de Boldersbeek. - 4. De Meene langs de grens (tussen de grensstenen Gs 70 en Gs 73). - 5. De Vennevertlosebeek, vanaf de grens (nabij grenssteen Gs 78) tot 600 m stroomafwaarts. De tekeningen maken deel uit van deze overeenkomst. Artikel 2 De Teilnehmergemeinschaft verbindt zich, aan het Waterschap in de kosten van de krachtens artikel 1 uit te voeren verbetering van de Afwatering van het Warfslat een eenmalige bijdrage te betalen van drie en negentig duizend gulden. Artikel 3 1. De Teilnehmergemeinschaft verbindt zich, op haar kosten overeenkomstig"},{"i":10499,"b":"Overeenkomst tussen Nederland en België tot regeling van de afwatering van Vlaanderen Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, hebben, ter uitvoering van artikel 8 van het tractaat van den 19den April 1839, ten opzigte der afwatering van Vlaanderen, wederzijds benoemd hunne commissarissen, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, de heeren: **Jacob Snouck Hurgronje**, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, lid der Tweede Kamer van de Staten-Generaal; **Johan Adriaan ridder van der Heim van Duyvendijke**, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, griffier der Staten van Zeeland; en **Abraham Caland**, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, hoofd-ingenieur van het corps ingenieurs van den waterstaat en der publieke werken, lid der Staten van Zeeland. Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de heeren: **Jan Felix Noël**, officier der Leopolds-orde, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw en van het Legioen van Eer, inspecteur-divisionnair van het corps der bruggen en wegen; **Jean Remy de Puydt**, ridder der Leopolds-orde en versierd met het IJzeren Kruis, kolonel-directeur der genie, oud lid van de Kamer der Volksvertegenwoordigers; **Jan Jacobus de Brock**, ridder der Leopolds-orde, hoofdingenieur van de 1ste klasse van het corps der bruggen en wegen; **Désiré Joseph le Jeune**, ridder der Leopolds-orde, arrondissements-commissaris, lid van de Kamer der Volksvertegenwoordigers; **Matthias Josef Wolters**, ridder der Leopolds-orde, hoofdingenieur van het corps der bruggen en wegen. Dewelke, na hunne in goede orde bevonden volmagten te hebben uitgewisseld, en handelende overeenkomstig het bovengenoemde tractaat en dat van den 5den November 1842, omtrent de navolgende artikelen zijn overeengekomen: AFDEELING I. Kanaal van Terneuzen. Artikel 1 Overeenkomstig de bepalingen, vervat in artikel 20 van het tractaat van den 5den November 1842, zal"},{"i":10505,"b":"Protocol betreffende de authentieke tekst in drie talen van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart The undersigned Governments Considering that the last paragraph of the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), hereinafter called “the Convention”, provides that a text of the Convention, drawn up in the English, French and Spanish languages, each of which shall be of equal authenticity, shall be open for signature; Considering that the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) was opened for signature, at Chicago, on the seventh day of December, 1944, in a text in the English language; Considering, accordingly, that it is appropriate to make the necessary provision for the text to exist in three languages as contemplated in the Convention; Considering that in making such provision, it should be taken into account that there exist amendments to the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) in the English, French and Spanish languages, and that the text of the Convention in the French and Spanish languages should not incorporate those amendments because, in accordance with [Article 94(a) of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=94), each such amendment can come into force only in respect of any State which has ratified it; Have agreed as follows: Article I The text of the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) in the French and Spanish languages annexed to this Protocol, together with the text of the Convention in the English language, constitutes the text equally authentic in the three languages as specifically referred to in the last paragraph of the Convention. Article II If a State party to this Protocol has ratified or in the future ratifies any amendment made to the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) in accordance with [Article 94(a) thereof](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":10585,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 17 februari 2015, nr. 615242, houdende de aanwijzing van luchthavens waar kleding, voorwerpen en vervoermiddelen te allen tijde onderzocht mogen worden op de aanwezigheid van wapens en munitie (Regeling fouilleerbevoegdheid luchthavens) Gelet op [artikel 52, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=52); Besluit: Artikel 1 Als luchthaven als bedoeld in [artikel 52, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=52) worden aangewezen: | Naam | Locatie | ICAO-aanduiding | | --- | --- | --- | | Luchthaven Ameland Airport Ballum | Ameland | EHAL | | Luchthaven Den Helder Airport | Den Helder | EHKD | | Luchthaven Deelen | Ede/Arnhem | EHDL | | Luchthaven Drachten | Smallingerland | EHDR | | Luchthaven Eindhoven Airport | Eindhoven | EHEH | | Luchthaven Gilze-Rijen | Gilze-Rijen | EHGR | | Luchthaven Groningen Airport Eelde | Tynaarlo | EHGG | | Luchthaven Hilversum | Hilversum | EHHV | | Luchthaven Hoogeveen | Hoogeveen | EHHO | | Luchthaven Kempen Airport | Budel | EHBD | | Luchthaven Leeuwarden | Leeuwarden | EHLW | | Luchthaven Lelystad Airport | Lelystad | EHLE | | Luchthaven Maastricht Aachen Airport | Beek | EHBK | | Luchthaven Zeeland Airport | Middelburg | EHMZ | | Luchthaven Rotterdam The Hague Airport | Rotterdam | EHRD | | Luchthaven Amsterdam Airport Schiphol | Haarlemmermeer | EHAM | | Luchthaven Breda International Airport | Breda | EHSE | | Luchthaven Teuge International Airport | Apeldoorn | EHTE | | Luchthaven Texel International Airport | Texel | EHTX | | Luchthaven Area Development Twente | Enschede | EHTW | | Luchthaven Volkel | Uden/Volkel | EHVK | | Luchthaven Woensdrecht | Woensdrecht | EHWO | | Luchthaven Oostwold | Oostwold | EHOW | | Luchthaven Middenmeer | Middenmeer | | | Luchthaven Stadskanaal | Vledderveen | EHST | Artikel 2 De [Regeling aanwijzing luchthavens ex artikel 52, vierd"},{"i":10592,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 5 december 2012 nr. IenM/BSK-2012/239553, ter implementatie en uitvoering van het Europese systeem van handel in broeikasgasemissierechten (Regeling handel in emissierechten) Gelet op EU-[richtlijn nr. 2003/87/EG](32003L0087) (handel in broeikasgasemissierechten), de EU-verordeningen nr. 920/2010 (register handel in broeikasgasemissierechten), nr. 1031/2012 (veiling broeikasgasemissierechten), nr. 600/2012 (verificatie en accreditatie emissiehandel) en nr. 601/2012 (monitoring en rapportage emissiehandel), de EU-beschikkingen nr. 280/2004 (register handel in broeikasgasemissierechten) en nr. 2009/450 (nadere interpretatie van bijlage I bij [richtlijn 2003/87/EG](32003L0087)) en de [artikelen 16.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.6), [16.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.12), [16.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.13a), [16.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.14), [16.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.21), [16.23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.23), [16.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.29), [16.32, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.32), 16.34b, [16.39b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.39b), [16.39h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.39h) in verbinding met de [artikelen 16.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.12) en [16.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.14), [16.39j, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.39j), en [16.45 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.45); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bio"},{"i":10618,"b":"Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928 Gelet op [artikel 7, eerste en tweede lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004914&artikel=7); Besluiten: Artikel 1 Het model beschrijving, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004914&artikel=7), wordt vastgesteld volgens de bij deze regeling behorende [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008119&bijlage=A&z=2021-01-01&g=2021-01-01). Artikel 2 Het model beplantingsplan, bedoeld in [artikel 7, vierde lid, onderdeel a, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004914&artikel=7), wordt vastgesteld volgens de bij deze regeling behorende [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008119&bijlage=B&z=2021-01-01&g=2021-01-01). Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928. Bijlage A. behorend bij de Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928 Bijlage A. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008119&artikel=1&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928 Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 2a Deze regeling berust op [artikel 7, eerste en vierde lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004914&artikel=7). Bijlage B. behorende bij [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008119&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928 Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden gepl"},{"i":10635,"b":"Regeling standaard luchtverkeerscircuits Handelend in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=10) en [27 van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=27); Besluit: Artikel 1 Deze regeling is van toepassing op luchtvaartuigen behorend tot het luchthavenverkeer van burgerluchthavens waar geen luchtverkeersleiding wordt gegeven en waarvoor: - a. de minister geen luchtverkeerscircuits heeft vastgesteld overeenkomstig [artikel 23 van de Regeling luchtverkeersdienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009899&artikel=23), of - b. het bevoegde gezag geen andere luchtverkeerspatronen heeft voorgeschreven overeenkomstig de [artikelen 8.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.44) en [8.64 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.64). Artikel 2 1. De onderdelen van het ingevolge paragraaf SERA.3225, onderdeel b, van de verordening (EU) nr. 923/2012 door luchtvaartuigen te vliegen luchtverkeerscircuit, zoals aangegeven in de bij deze regeling behorende bijlage, worden achtereenvolgens benoemd: - a. Runway/start- en landingsbaan; - b. Take off leg/startbeen; - c. Crosswind leg/dwarswindbeen; - d. Downwind leg/rugwindbeen; - e. Base leg/basisbeen; - f. Final leg/eindnaderingsbeen. 2. Het luchtverkeerscircuit wordt gevlogen binnen een aan te wijzen luchtruimte van per start- en landingsbaan van een luchthaven vast te stellen afmetingen, hierna te noemen circuitgebied. 3. Een standaard circuitgebied, zoals aangegeven in de bij deze regeling behorende bijlage, strekt zich uit van het luchthavenniveau tot een hoogte (Above Aerodrome Level: afgekort AAL) van 300 m (1000 ft) daar boven. 4. De hoogte van het standaard luchtverkeerscircuit bedraagt 210 m (700 ft) AAL. Artikel 3 Het volgen, aanvliegen en verlaten van het standaardluchtverkeerscircuit alsmede het afbreken van de eindna"},{"i":10661,"b":"Regeling vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht BES Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **afzender:** degene die de gevaarlijke stoffen voor vervoer aanbiedt; - b. **Bijlage 18:** de op grond van de artikelen 37, 54 en 90 van het Verdrag van Chicago vastgestelde Bijlage 18 (The Safe Transport of Dangerous Goods by Air); - d. **gebruiker van een luchtvaartuig:** een natuurlijk persoon of rechtspersoon die ofwel alseigenaar of houder van een luchtvaartuig dit te zijner regeling heeft en dit onder zijn verantwoordelijkheid laat deelnemen aan het luchtverkeer; - e. **luchtvrachtbrief:** een document opgesteld door de luchtvrachtexpediteur die geldt als vervoerscontract tussen de verzender, de ontvanger en de luchtvaartmaatschappij; - f. **technische voorschriften:** de voorschriften vervat in de ‘Technical instructions for the Safe Transport of Dangerous Goods by Air’ (ICAO Doc 9284-AN/905), behorend bij Bijlage 18, zoals ter inzage gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat; - g. **vrachtafhandelaar:** een persoon of organisatie die diensten verleent voor het regelen van het vervoer van vracht door de lucht. 2. Op deze regeling zijn voorts van toepassing de begripsbepalingen zoals neergelegd in paragraaf 18.1.1 van de bij deze regeling behorende [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028671&bijlage=A&z=2010-10-10&g=2010-10-10). Artikel 2 1. Voor de toepassing van deze regeling gelden de bepalingen van Bijlage 18 en de bepalingen opgenomen in de Technische voorschriften alsmede eventuele wijzigingen daarop. Een wijziging van Bijlage 18 treedt in werking vanaf het moment waarop in het Tractatenblad mededeling van deze wijziging is gedaan. Van een wijziging in de Technische Voorschriften wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. 2. Deze regeling is van toepassing op: - a. gevaarlijke stoffen welke zich bevinden op een luchtvaartterrein, waaronder begrepen de aldaar aanwezige opstallen, of in een luchtvaartuig voor zover de"},{"i":10682,"b":"Selectielijst neerslag handelingen minister van Verkeer en Waterstaat Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5), De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 februari 1995, nr. 453); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat op het beleidsterrein scheepvaart, inzake het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken (periode 1980-1994), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":10690,"b":"Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 10 augustus 2024, nr. WJZ/ 63120441, houdende de subsidiëring van de realisatie en exploitatie van grootschalige productie -installaties voor waterstof (Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2), en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aansluiting:** aansluiting als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1); - **directe lijn:** directe lijn als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1); - **direct gekoppelde waterstofproductie-installatie:** waterstofproductie-installatie als bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050156&paragraaf=2&artikel=2.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **dubbelgekoppelde waterstofproductie-installatie:** waterstofproductie als bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050156&paragraaf=2&artikel=2.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **exploitatiesubsidiebedrag:** bedrag van het exploitatiesubsidiedeel overeenkomstig [artikel 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050156&paragraaf=6&artikel=6.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **exploitatiesubsidiedeel:** subsidiedeel als bedoeld in [artikel 2.1, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050156&paragraaf=2&artikel=2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **garantie van oorsprong voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen:** garantie van oorsprong voor elektriciteit als bedoeld in [artikel 2.57, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid"},{"i":10704,"b":"Tijdelijke ontheffing op grond van artikel 2.1, vierde lid, van de Wet luchtvaart in verband met de uitbraak van COVID-19 (Tijdelijke ontheffing bevoegdverklaringen voor luchtvarenden in verband met uitbraak COVID-19 2020) Gelet op [artikel 2.1, vierde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.1); BESLUIT: Artikel 1. Ontheffing geldigheidsduur en termijnen eisen voor verlenging bevoegdverklaringen algemeen 1. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat verleent vanwege de uitbraak van het virus dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt ontheffing van de geldigheidsduur van geldende bevoegdheden en van de termijnen, bedoeld in: - a. [artikel 4, derde lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=4); - b. [artikel 7, eerste lid, van de Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021240&artikel=7); - c. [artikel 31, onderdeel a, van de Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021240&artikel=31), voor zover het betreft het genoemde aantal maanden; - d. [artikel 39, onderdelen a en b, van de Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021240&artikel=39), voor zover het betreft het genoemde aantal maanden; - e. [artikel 41, eerste lid, onderdelen b en d, van de Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021240&artikel=41), voor zover het betreft het genoemde aantal maanden. 2. De geldigheidsduren van de bevoegdverklaringen, bedoeld in [artikel 4, derde lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=4), en genoemd in [artikel 7, eerste lid, van de Regeling bewijzen van bevo"},{"i":10733,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Auteursrecht periode (1912) 1945-2000 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005, nr. arc-20005.02444/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Auteursrecht over de periode (1912) 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10734,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Beroepenkwaliteit vanaf 1940 (1945) (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 augustus 2007, aca-2007.03943/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Beroepenkwaliteit over de periode 1940 (1945)–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10737,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein In- en uitvoerregelingen vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 juli 2006 nr. arc-2006.03029/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein In- en uitvoerregelingen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10742,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Overkoepelend beleid Verkeer en Waterstaat vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 oktober 2006, nr. arc-2005.02633/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overkoepelend beleid verkeer en Waterstaat over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10741,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid periode 1945-1999 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2005, nr. arc-2004.01772/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van het onder het ministerie ressorterende commissies en ambtenaren’, de zgn ‘algemene vernietigingslijst’, welke is vastgesteld bij beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk respectievelijk van 29 december 1966, No PAZ 400, Afdeling Post- en Archiefzaken, en van 3 februari1967, No 133349, Afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming. Gewijzigd bij beschikking van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur d.d.28 juni 1993 No A93.527.WH/NF. zijn binnen het deel organisme, de categoriën: 15, 16, 24, 25, 26, 27 van de paragraaf Benodigdheden en hulpmiddelen (07.353); 37 van de paragraaf regeling en vaststelling van de bestuurs- en beheershandelingen (07.7); 38 van de paragraaf wijze van uitoefening van de bestuurs- en beheerstaak (07.8) ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de"},{"i":10740,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militaire Operatiën periode vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2005, nr. arc-2004.01772/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Militaire Operatiën over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat op het beleidsterrein Militaire Operatiën, 1945–1993’ vastgesteld bij een gemeenschappelijke beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, kenmerk R&B//OSA/2002/1555 d.d. 14 juni 2002 (Stcrt. 2002, 200) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10851,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 14 december 2018, nr. DB/17085085, inzake de digitale vervanging van archiefbescheiden personeelsdossiers van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); Gelet op het [Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 14 december 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041721), nr. WJZ/18272243, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt; Besluit: Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op papier die behoren of zullen gaan behoren tot het personeelsdossier van de medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Deze vervanging betreft alle papieren archiefbescheiden die betrekking hebben op personeelsgegevens en salarisgegevens zoals beschreven in het ‘Basisselectiedocument P-dossier is Mens-en-werk’. Artikel 2 De digitale reproductie geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in de bijlage het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers P-Direkt van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking te rekenen vanaf 1 januari 2019. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Bijlage. behorende bij het besluit digitale vervanging archiefbescheiden Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Deze bijlage beva"},{"i":10856,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van desinfectiemiddelen in luchtvaartuigen in verband met de uitbraak COVID-19 (Vijfde tijdelijke vrijstelling desinfectie luchtvaartuigen COVID-19 2022) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; In aanmerking genomen de noodzaak van desinfectie in luchtvaartuigen als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en het behoud en het waarborgen van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de oppervlaktedesinfectie in luchtvaartuigen en het waarborgen van de luchtwaardigheid van de luchtvaartuigen, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en gebruik van de volgende middelen voor de desinfectie van luchtvaartuigen: - –. Cee Bee A-18S op basis van de werkzame stof Benzyl-C12-16-alkyldimethyl- ammoniumchloride, - –. Ki-ose 380 en Ki-ose 390 op basis van de werkzame stof Didecylmethylammonium chloride (DDAC) - –. Ki-ose 321 t/m Ki-ose 325 op basis van de werkzame stof Didecylmethylammonium chloride (DDAC) - –. TASKI Sani 4 in 1 Plus spray op basis van de werkzame stof L-(+) Lactic acid. - b). artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 52"},{"i":10884,"b":"Wet van 30 januari 1997, houdende uitbreiding van de Wet bodembescherming met bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) uit te breiden met bijzondere regels inzake onderzoek en sanering van gevallen van waterbodemverontreiniging; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet bodembescherming. ARTIKEL II 1. Voor zover voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij de voorbereiding of uitvoering van het provinciaal milieuprogramma, bedoeld in [artikel 1 van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=1), verplichtingen zijn aangegaan met betrekking tot gevallen van onderzoek of sanering van de waterbodem, waarvoor een bijdrage als bedoeld in artikel 76 of artikel 77 van die wet is verleend, blijft voor die gevallen totdat aan die verplichtingen is voldaan de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) zoals die wet luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing. 2. Indien in een geval als bedoeld in het eerste lid, toepassing wordt gegeven aan [artikel 81**a**, tweede lid, van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=81a), worden op het bedrag dat ingevolge dat artikellid wordt vastgesteld, de op grond van [artikel 79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=79), eerste lid, en [artikel 81, eerste lid, van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=81) door de gemeente onderscheidenlijk de provincie betaalde kosten in mindering gebracht. ARTIKEL III Wijzigt de Grondwaterwet. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet op de economis"},{"i":10920,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 2 december 2015, nr. MinBuza-2015.631328, tot wijziging van het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 13 juni 2014, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Tweede call Fonds Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid) en het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 19 september 2014, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Derde openstelling Ghana WASH Window van het Fonds Duurzaam Water) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [artikel 10.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=10.2); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit vaststelling subsidieplafond en beleidsregels subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Tweede call Fonds Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid). Artikel II Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Derde openstelling Ghana WASH Window van het Fonds Duurzaam Water). Artikel III Voor subsidies die zijn verleend op grond van het [besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 27 februari 2013, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Tweede call Fonds Duurzaam Water)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034875) geldt dat de zin in [paragraaf 3.2](onbekend) Subsi"},{"i":10987,"b":"Wet van 13 mei 1993, tot uitbreiding en wijziging van de Wet milieubeheer (afvalstoffen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de huidige regelingen inzake het voorkomen en beperken van het ontstaan van afvalstoffen en het verwijderen van afvalstoffen, zoals die zijn opgenomen in de Afvalstoffenwet en de Wet chemische afvalstoffen, te verbeteren en aan te vullen en daarbij in het bijzonder aandacht te schenken aan de mogelijkheden tot preventie en hergebruik; dat het tevens wenselijk is die regelingen, gezien hun samenhang, te integreren en de geïntegreerde regeling op te nemen in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245); dat daarbij tevens uitvoering moet worden gegeven aan de richtlijnen van de Raad en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen inzake afvalstoffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IIIA Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VA Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI De Afvalstoffenwet (**Stb**. 1977, 455) en de Wet chemische afvalstoffen (**Stb**. 1981, 696) worden ingetrokken op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. Artikel VII In afwijking van de [artikelen 81 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=81) (**Stb**. 1962, 17), 194 van de [gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) (**Stb**. 1931, 89) en 59, tweede lid, van de [Waterschapswet](https://wetten."},{"i":10989,"b":"Wet van 25 januari 2017 tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Crisis- en herstelwet in verband met de uitvoering van Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2014, L 124) (implementatie herziening mer-richtlijn) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat het noodzakelijk is wettelijke voorzieningen te treffen ter implementatie van [Richtlijn 2014/52](32014L0052)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van [Richtlijn 2011/92](32011L0092)/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2014, L 124); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. (Wijziging [Crisis- en Herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431)) Wijzigt de Crisis- en herstelwet. Artikel II. (Wijziging [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245)) Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel III. (Overgangsrecht) De [hoofdstukken 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=7) en [14 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=14) en [artikel 1.11 van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=1.11), zoals die luidden voor 16 mei 2017, blijven van toepassing op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in [artikel 7.2, derde en vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.2) totdat het besluit onherroepelijk is geworden, waarvoor voor 16 mei 2017: - a. de procedure voor een mer-beoordeling is gestart op grond van [artikel 7.16 van de We"},{"i":10991,"b":"Wet van 18 april 2018 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen alsmede in verband met de operationalisering van de reductieverplichting uit Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van [Richtlijn 98/70/EG](31998L0070) betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van [Richtlijn 2009/28/EG](32009L0028) ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen alsmede in verband met de operationalisering van de reductieverplichting uit [Richtlijn 98/70/EG](31998L0070) betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof de Wet milieubeheer te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV 1. De verplichtingen bij of krachtens [titel 9.7 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&titeldeel=9.7), zoals deze luidde onmiddellijk voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing voor het direct aan de datum van inwerkingtreding van deze wet voorafgaande kalenderjaar. 2. Indien na toepassing van [artikel 9.7.5.6 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003"},{"i":10993,"b":"Wet van 21 januari 2010 tot wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet luchtvaart en de Wet op de economische delicten ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 (PbEU 2009, L 8) tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (handel in emissierechten luchtvaart) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ter implementatie van [richtlijn nr. 2008/101/EG](32008L0101) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 (PbEU 2009, L 8) tot wijziging van [Richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten de in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) opgenomen regeling inzake handel in broeikasgasemissierechten uit te breiden tot luchtvaartactiviteiten alsmede enkele wijzigingen aan te brengen in de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555)en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Een plan met maatregelen voor bewaking van en rapportage over emissies of tonkilometergegevens als bedoeld in artikel 3octies van [richtlijn nr. 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van [Rich"},{"i":10994,"b":"Wet van 28 maart 2013 tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten ten behoeve van de intrekking van het stelsel van handel in NOx-emissierechten (intrekking handel in NOx-emissierechten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de regeling die in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) is getroffen om handel in emissierechten voor stikstofoxiden mogelijk te maken, wordt ingetrokken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III De [wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten ten behoeve van de invoering van een systeem van handel in emissierechten met het oog op het beperken van de emissies van stikstofoxiden (handel in NOx-emissierechten)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018260) (Stb. 2005, 233), wordt ingetrokken. Artikel IV 1. Het recht zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van de [artikelen 16.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.53) en [16.54 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.54) zoals die luidden tot de inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op emissies van stikstofoxiden (NOx), veroorzaakt in de periode tot 1 januari 2014, en op NOx-emissierechten als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1) zoals die luidde tot de inwerkingtreding van deze wet, die zijn opgebouwd in de periode tot 1 januari 2014. 2. Een vergunning die voor de inwerkingtreding van deze wet is verleend krachtens [artikel 16.49, eerste lid, van d"},{"i":12368,"b":"Besluit van 1 Juni 1944, houdende vervanging van het Koninklijk besluit van 11 Juni 1940 (Staatsblad, No. A 22), zooals dit is gewijzigd bij Koninklijke besluiten van 8 Augustus 1940 (Staatsblad, No. A 23), van 27 November 1940 (Staatsblad, No. A 24) en van 24 April 1941 (Staatsblad, No. B 101) tot instelling van het Bronzen Kruis Op de voordracht van Onze Ministers van Algemeene Zaken a.i., van Oorlog, van Marine en van Koloniën, d.d. 6 April 1944, Kans. A.Z. No. 77; Hebben goedgevonden en verstaan: Ons besluit van 11 Juni 1940 (Staatsblad, No. A22), zooals dit laatstelijk is gewijzigd bij Ons besluit van 24 April 1941 (Staatsblad, No. B 101), te lezen als volgt: Artikel 1 Er wordt ingesteld een Bronzen Kruis. Artikel 2 Het Bronzen Kruis wordt door Ons toegekend aan militairen in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden, die zich door moedig of beleidvol optreden tegenover den vijand hebben onderscheiden. Artikel 3 Het Bronzen Kruis kan, om de redenen, vermeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036406&artikel=2&z=2015-07-01&g=2015-07-01), mede worden toegekend aan: - 1. niet-militairen, Nederlander of Nederlandsch onderdaan zijnde; - 2. vreemdelingen, indien hun optreden heeft gestrekt ten behoeve van den Nederlandschen Staat. Artikel 4 Het Bronzen Kruis, waarvan het model door Ons zal worden vastgesteld, bestaat uit een vierarmig bronzen kruis. Het kruis is bevestigd op een oranje zijden lint ter breedte van 37 millimeter, in het midden voorzien van een 6 millimeter breede verticale streep van Nassausch blauw. Artikel 5 Zij, aan wie het Bronzen Kruis reeds eenmaal is toegekend en die daarna wederom door gelijkwaardige daden deze onderscheiding deelachtig worden, dragen het Arabische cijfer \"2\" in goud op het lint van het Bronzen Kruis. Bij een volgende gelijkwaardige daad wordt het cijfer \"2\" verhoogd tot \"3\" en verder. Artikel 5a Het Bronzen Kruis kan, indien dit in bijzondere gevallen door het Hoofd van het betrokken Departement van Algemee"},{"i":12026,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 juni 2018, houdende de beperking van de openbaarheid van een aantal inventarisnummers van het archief van de diplomatieke vertegenwoordiging in Bulgarije, ambassade Sofia (1964) 1975–2013 (Besluit beperking openbaarheid ambassadearchief Sofia) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 22 mei 2018, met kenmerk nr. 1253302; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 64 | 2025 | | 65 | 2027 | | 66 | 2031 | | 67 | 2033 | | 79 | 2089 | | 82 | 2075 | | 83 | 2086 | | 84 | 2082 | | 87 | 2043 | | 88 | 2074 | | 219 | 2058 | | 220 | 2060 | | 222 | 2060 | | 223 | 2065 | | 224 | 2067 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 9 | 2049 | | 10 | 2055 | | 11 | 2055 | | 12 | 2055 | | 19 | 2033 | | 20 | 2034 | | 21 | 2035 | Artikel 3 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 269 | 2058 | Artikel 4 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in"},{"i":12587,"b":"Besluit Tarieven Ctgb 2008 Gelet op [artikel 8, eerste lid, sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=8), en [artikel 10, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=10) (Stb 2007,125); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. de wet: [Wet op de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) (Stb. 2007, 25); - b. College: het in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=3) bedoelde College voor de toelating van ewasbeschermingsmiddelen en biociden; - c. Onze Minister: de in [artikel 1, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=1) bedoelde Minister. Hoofdstuk 2. Gewasbeschermingsmiddelen op basis van in Bijlage 1 bij [Richtlijn 91/414/EEG](31991L0414) opgenomen werkzame stoffen § 1. Aanvraag Artikel 2. algemeen Voor de indiening van de navolgende aanvragen zijn de volgende bedragen verschuldigd: - a. een toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=28) en [35 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=35) alsmede een verlenging daarvan en een voorlopige toelating als bedoeld in [artikel 34 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=34): € 4.420,– - b. een toelating van een gewasbeschermingsmiddel in het kader van een herregistratie nadat een werkzame stof is geplaatst op bijlage I bij [Richtlijn 91/414/EEG](31991L0414): € 2.460,– - c. wederzijdse erkenning van een toelating als bedoeld in [artikel 36 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=36): € 1.640,– - d. een afgeleide toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in [artikel 32 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=32) alsmede een verlenging daar"},{"i":12193,"b":"Besluit van de Directeur HR/Bedrijfsvoering van de directie MKB van 7 augustus 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan het afdelingshoofd en de teamleiders binnen de afdeling HR/Bedrijfsvoering van de directie MKB wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":11233,"b":"Onderwijsdeelname leerlingen/studenten met Belgische nationaliteit 1. Inleiding De ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van Nederland en het Belgische gewest Vlaanderen, zijn overeengekomen de samenwerking op het gebied van onderwijs te versterken om het bestaande potentieel zo goed mogelijk te benutten. Deze versterkte samenhang kan uiteindelijk uitmonden in een open onderwijs- en onderzoeksruimte in de regio, vooruitlopend op een dergelijke open onderwijsruimte op Europees niveau. Hierbinnen wordt gestreefd naar grotere en meer evenwichtige grensoverschrijdende leerlingen respectievelijk studentenstromen. De taak van de overheden zal een voorwaardenscheppende en knelpuntoplossende zijn, ze zal zich beperken tot de wet- en regelgeving. Ter ondersteuning van afspraken met het genoemde gewest inzake het grenslandenbeleid is het van belang inzicht te verkrijgen in de deelname aan het Nederlandse onderwijs en reisgedrag van leerlingen/studenten uit het Belgische gewest. Hiertoe wordt er aan een aantal geselecteerde onderwijsinstellingen een informatieformulier gezonden met het verzoek om aan de inventarisatie mee te werken. In het genoemde Belgische gewest Vlaanderen vindt een gelijksoortige inventarisatie plaats met betrekking tot deelname en reisgedrag van leerlingen/studenten met de Nederlandse nationaliteit. 2. Registratie onderwijsdeelname door leerlingen/studenten uit het grensland Door middel van een informatieformulier worden de geselecteerde onderwijsinstellingen verzocht het aantal op 1 oktober 2000 aan de school ingeschreven leerlingen/studenten met de Belgische nationaliteit op te geven. Met betrekking tot het reisgedrag kan op dit formulier informatie worden verschaft over het woonadres van de betreffende leerlingen/studenten. Voor HBO en WO wordt daarnaast een nadere onderverdeling gevraagd in het kader van samenwerkingsverbanden. 3. Procedure ten aanzien van de registratie De geselecteerde onderwijsinstellingen ontvangen in mei 2001 het gele"},{"i":13415,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 oktober 2024, nr. 2024-0000033133, tot instelling en benoeming van een commissie voor de visitatie van ProDemos 2024 gelet op het protocol visitatie t.b.v. de visitatiecommissie ProDemos van augustus 2015, nr. 2015-0000488822, Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commissie:** commissie voor de visitatie van ProDemos, genoemd in [artikel 2 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050430&artikel=2&z=2024-11-20&g=2024-11-20); - b. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **ministerie:** Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een commissie voor de visitatie van ProDemos 2024. 2. De commissie werkt volgens het protocol visitatie t.b.v. de visitatiecommissie ProDemos van augustus 2015, nr. 2015-0000488822. 3. De commissie heeft tot taak om onderzoek te doen naar: - a. de relevantie van de missie en doelstellingen van ProDemos - b. de wijze waarop ProDemos uitvoering geeft aan de opdracht die is verwoord in de [Subsidieregeling ProDemos](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033558) van 10 juni 2013, nr. 2013-0000329553 - c. de kwaliteit van de organisatie van ProDemos - d. de productiviteit en het publieksbereik van ProDemos e. de condities voor continuïteit 4. De commissie biedt de minister een rapport aan met de uitkomsten van het onderzoek. 5. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen aan ProDemos te doen. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. Voor de duur van de commissie worden tot lid van de commissie benoemd: - –. dr. M.E. (Marlies) Honingh - –. Ir. R.E (Robert) van der Noordaa - –. drs. D.M.G. (Daniella) Roovers - –. jhr. E.F.M. (Eppo) van Nispen tot Sevenaer - –. drs. J.Z.C.M. (Judith) Tielen 2. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen. 3. De leden van de"},{"i":13416,"b":"Instellings- en benoemingsbesluit Commissie voor de bezwaarschriften Gelet op [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bestuur:** het bestuur, bedoeld in [artikel 11 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=11); - b. **bezwaarschrift:** een bezwaarschrift als bedoeld in [artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:4); - c. **commissie:** de Commissie voor de bezwaarschriften, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033992&artikel=2&z=2013-10-12&g=2013-10-12); - d. **extern lid:** een lid van de commissie dat tevens lid is van één van de ledengroepen; - e. **ledengroepen:** de ledengroepen, bedoeld in [artikel 2 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=2); - f. **intern lid:** een medewerker van de NBA. Artikel 2 1. Er is een Commissie voor de bezwaarschriften. 2. Na ontvangst van een bezwaarschrift kan het bestuur het bezwaarschrift doorsturen naar de commissie om hieromtrent te adviseren. 3. Het bestuur kan tijdens de behandeling van een bezwaarschrift alsnog beslissen deze door te sturen naar de commissie. Artikel 3 1. De commissie heeft een voorzitter, externe leden en interne leden. 2. Indien het bestuur dat noodzakelijk acht, kan het een plaatsvervangend voorzitter benoemen. 3. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter maken geen deel uit van en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuur. 4. Het bestuur benoemt uit elk van de ledengroepen ten minste één extern lid in de commissie. 5. Het bestuur benoemt en ontslaat de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, de externe leden en de interne leden. 6. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, de externe leden en de int"},{"i":13662,"b":"Regeling van de Minister van Justitie, in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie tot instelling van een Beleidsteam voor de advisering en ondersteuning van de Minister van Justitie bij de inzet van de DSI (Instellingsregeling Beleidsteam DSI 2009) Besluit: Artikel 1 - 1. **DSI:** Dienst Speciale Interventies, bijstandseenheid als bedoeld in [artikel 59, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=59); - 2. **UIM:** Unit Interventie Mariniers, eenheid van de DSI, in beheer bij het ministerie van Defensie. Artikel 2 Er is een Beleidsteam voor de advisering en ondersteuning van de Minister van Veiligheid en Justitie bij de inzet van de DSI, hierna te noemen het Beleidsteam. Artikel 3 1. Het Beleidsteam adviseert en ondersteunt de Minister van Veiligheid en Justitie bij de inzet van de DSI, met uitzondering van die situaties waarin de voorzitter van het College van procureurs-generaal bevoegd is deze beslissing in naam van de Minister van Veiligheid en Justitie te nemen. 2. De advisering en ondersteuning heeft betrekking op het plan van inzet van de DSI en de voorwaarden en kaders waarbinnen de inzet plaats dient te vinden. Artikel 4 1. De voorzitter van het Beleidsteam is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid. Het Beleidsteam is voorts samengesteld uit: - a. de korpschef; - b. de Voorzitter van het College van procureurs-generaal. 2. In het geval inzet van de UIM, of delen daarvan, aan de orde is maakt de Directeur juridische zaken van het ministerie van Defensie deel uit van het beleidsteam. 3. Het Beleidsteam kan zich laten bijstaan door adviseurs. 4. In het geval de leden van het Beleidsteam om zwaarwegende redenen niet aanwezig kunnen zijn, kunnen zij zich laten vertegenwoordigen. 5. Het secretariaat van de commissie berust bij de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid. Artikel 5 1. De Instellingsregeling belei"},{"i":11323,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 22 december 2022, nr. 34115669, houdende vaststelling van het onderwijsaccountantsprotocol voor de sectoren PO, VO, MBO en HO (Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2022) Gelet op [artikel 141, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=141), [artikel 165, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=165), de [artikelen 6.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.12), en [6.19, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.19), [artikel 5.2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=5.2.5) en [artikel 4.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.4); Besluit: Artikel 1. Vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW Het protocol voor de controle en onderzoek door de accountant over het jaar 2022 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Intrekking [Regeling wijziging en nieuwe vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039397) De [Regeling wijziging en nieuwe vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039397) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2022. 2. Deze regeling heeft betrekking op het jaar 2022 en vervalt met ingang van 1 januari 2029. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2022. Bijlage. bij de Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2022 Versie 12 december"},{"i":13665,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 mei 2017, nr. WJZ/17066875, houdende instelling van de Commissie knelgevallen fosfaatrechten (Instellingsregeling Commissie knelgevallen fosfaatrechten) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken; - b. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039606&artikel=2&z=2017-06-07&g=2017-06-07). Artikel 2 1. Er is een Commissie knelgevallen fosfaatrechten. 2. De commissie heeft tot taak om op basis van individuele casussen te adviseren of de knelgevallenvoorziening in het wetsvoorstel tot wijziging van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054) in verband met de invoering van een stelsel van fosfaatrechten moet worden uitgebreid met een bij algemene maatregel van bestuur omschreven categorie van bedrijven. 3. Bij de advisering betrekt de commissie de gevolgen van uitbreiding van de knelgevallenvoorziening voor de generieke afroming en het fosfaatproductieplafond. De commissie betrekt daarbij ook of de groep melkveehouders die onevenredig wordt geraakt, voldoende is af te bakenen, en wat het risico is op oneigenlijk gebruik en de mogelijkheden om dit risico te beperken. 4. Als de commissie adviseert om de knelgevallenvoorziening uit te breiden, geeft de commissie in het advies de criteria daarvoor en de mate waarin melkveehouders die aan de criteria voldoen extra fosfaatrechten krijgen. 5. In het advies maakt de commissie inzichtelijk hoe zij de factoren genoemd in het derde lid bij de advisering heeft betrokken, en op grond van welke afweging zij adviseert om voor een groep melkveehouders de knelgevallenvoorzieni"},{"i":13120,"b":"Bevoegdheidsverlening aan besturen I.O.A. en P.O.A Besluit: Artikel 1 Het bestuur van de Interimstichting Opvang Asielzoekers en het bestuur van de stichting Projecten Opvang Asielzoekers zijn bevoegd de volgende kennisgevingen af te doen en te ondertekenen namens de minister: - a. de aankondiging aan een vluchteling of een houder van een vergunning tot verblijf die in een opvangcentrum in de zin van de ROA of TROO verblijft, dat de opvang beëindigd zal worden op de dag dat reguliere huisvesting buiten een centrum gerealiseerd kan worden. - b. de toewijziging van reguliere woonruimte aan een vluchteling of een houder van een vergunning tot verblijf die in een opvangcentrum in de zin van de ROA of TROO verblijft, waarbij wordt medegedeeld dat de opvang wordt beëindigd met ingang van de dag dat huisvesting buiten het centrum gerealiseerd kan worden. Artikel 2 Het bestuur van de Interimstichting Opvang Asielzoekers en het bestuur van de stichting Projecten Opvang Asielzoekers kunnen de bevoegdheden bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006209&artikel=1&z=1993-11-05&g=1993-11-05) geheel of ten dele overdragen aan medewerkers die in dienst zijn van hun organisatie. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13400,"b":"Instelling Fiscale werkgroep ’ondernemen in de grensstreek’ Overwegende dat het wenselijk is te komen tot de instelling van de Fiscale werkgroep ’ondernemen in de grensstreek’; Besluit: 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een Fiscale werkgroep ’ondernemen in de grensstreek’. Artikel 2 De werkgroep heeft tot taak om een inventarisatie te maken van de fiscale belemmeringen en knelpunten in brede zin die specifiek te maken hebben met het ondernemen in de grensstreek, in het bijzonder de vestiging van ondernemingen op grensoverschrijdende bedrijventerreinen. Indien de uitkomsten daartoe aanleiding geven, doet de werkgroep in aanvulling hierop concrete aanbevelingen om binnen de kaders van de nationale wetgeving en de verdragen ter voorkoming van dubbele belasting tot oplos-singen te komen. 2. Samenstelling en werkwijze Artikel 3 - Tot lid, tevens voorzitter van de werkgroep wordt benoemd: - drs. M.A.M. Wöltgens, burgemeester van de gemeente Kerkrade - Tot lid, tevens secretaris van de werkgroep worden benoemd: - drs. J.H.M. Monsewije, gemeente Kerkrade - drs. R.J. Boogaard, Ministerie van Financiën - Tot leden van de werkgroep worden benoemd: - drs. W. Blind R.A., Kamer van Koophandel en Fabrieken Zuid-Limburg - drs. H.N. de Bruijn, Ministerie van Financiën - prof. A. Daniëls, Universiteit van Maastricht - prof. dr. L. Soete, Universiteit van Maastricht - drs. J. Tindemans, Gedeputeerde Staten Limburg - mr. L.G. Zuliani, Ministerie van Financiën Artikel 4 Ter uitvoering van haar taak kan de werkgroep zich rechtstreeks tot derden wenden voor het verkrijgen van inlichtingen en hen zo nodig ter vergadering uitnodigen om hun mening nader uiteen te laten zetten. Artikel 5 De werkgroep legt haar uitkomsten en eventuele aanbevelingen voor aanpassing van de regelgeving zo mogelijk voor 1 oktober 1998 aan de Staatssecretaris van Financiën over. 3. Overige bepalingen Artikel 6 De leden van de werkgroep, voor zover geen ambtenaar, ontvangen vacatiegelden alsmede een vergoeding v"},{"i":13094,"b":"Besluit van 4 augustus 1971, houdende wijziging van de taakverdeling van departementen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 29 juli 1971, nr. 197535, Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: onbenoemd De aangelegenheden betreffende het beheer van Hoofdstuk I der Rijksbegroting onder te brengen bij het departement van Algemene Zaken. Afschrift van dit besluit dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** zal worden gezonden aan de Raad van Ministers, de Hoge Colleges van Staat, de Gevolmachtigde Ministers van Suriname en van de Nederlandse Antillen en de departementen van algemeen bestuur. Afschrift van dit besluit dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** zal worden gezonden aan de Raad van Ministers, de Hoge Colleges van Staat, de Gevolmachtigde Ministers van Suriname en van de Nederlandse Antillen en de departementen van algemeen bestuur."},{"i":13142,"b":"COA klachtenregeling voor de htl De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Deze klachtenregeling is van toepassing op de gedragingen van (medewerkers van) het COA binnen de handhavings- en toezichtlocatie, hierna: htl. 2. De geldende ‘COA klachtenregeling voor bewoners en derden’ is daarmee niet van toepassing op de gedragingen van (medewerkers van) het COA binnen de htl. Artikel 2 1. Iedereen heeft het recht om over de wijze waarop het COA zich in een bepaalde aangelegenheid tegenover de klager of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij het COA. 2. Een klacht in de zin van deze regeling wordt gedefinieerd als iedere uiting van ontevredenheid over een gedraging van het COA binnen de htl en tegenover de bewoners van de htl. 3. Een gedraging van een persoon, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het COA, wordt aangemerkt als een gedraging van het COA. 4. De klachtenregeling is niet van toepassing op klachten van personeelsleden van het COA en op klachten van asielzoekers ten aanzien van een handelen of nalaten van de GezondheidsZorg Asielzoekers. Artikel 3 Het COA draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over zijn gedragingen. Artikel 4 Tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een gedraging van het COA kan geen beroep worden ingesteld. II. De behandeling van een schriftelijke klacht Artikel 5 1. Indien een schriftelijke klacht betrekking heeft op een gedraging tegenover de klager en voldoet aan de vereisten van het tweede lid, zijn de [artikelen 6 tot en met 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050042&paragraaf=II&artikel=6&z=2024-07-19&g=2024-07-19) van toepassing. 2. Het klaagschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: - –. de naam en het adres van de indiener; - –. de datum; - –. een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht zich richt. 3. Indien het klaagschrift in een andere taal dan de Ned"},{"i":13136,"b":"Call for proposals Take-off fase 1 Haalbaarheidsstudies WO Ronde 7 – Najaar 2017 1. Inleiding 1.1. Achtergrond **Het programma Take-off WO richt zich op het faciliteren en stimuleren van bedrijvigheid en ondernemerschap vanuit de Nederlandse universiteiten en door NWO erkende onderzoeksinstituten met als doel het creëren van succesvolle innovatieve bedrijvigheid op basis van innovatieve onderzoeksresultaten uit genoemde onderzoeksinstellingen.** Take-off WO is een wetenschaps-breed programma dat open staat voor aanvragen uit alle wetenschapsgebieden (bèta/techniek, life sciences en alfa/gamma). Medewerkers van NWO-Domein TTW (TTW), NWO-Domein SGW en ZonMw zijn betrokken bij de uitvoering. Het Take-off programma bestaat uit twee onderdelen: fase 1 – haalbaarheidsstudies en fase 2 – vroegefasetrajecten. In deze call for proposals wordt fase 1- haalbaarheidsstudies- toegelicht. Voor TO2 geldt de brochure ‘Richtlijnen Take-off TO2 fase 1’ Het onderdeel fase 1 – haalbaarheidsstudies wordt via NWO gefinancierd door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) en de Minister van Economische Zaken (EZ). Deze subsidie wordt verstrekt door STW in mandaat uitgevoerd en de honoreringen vindt plaats door de directeur van TTW. 1.2. Doelstelling Take-off fase 1 – haalbaarheidsstudies Het Take-off WO programma, onderdeel haalbaarheidsstudies, verstrekt subsidies met een maximale omvang van € 40.000 aan onderzoekers van Nederlandse universiteiten en door NWO erkende onderzoeksinstituten voor het doen van een haalbaarheidsstudie naar de kans op commerciële toepassing van innovatieve onderzoeksresultaten welke ontwikkeld zijn binnen genoemde onderzoeksinstellingen. Een vroegefasetraject bestaat uit de stappen en activiteiten om te zorgen dat het idee/concept commercieel levensvatbaar wordt, dat het proces of de dienst met succes de markt op kan en gaat, dat de onderneming zal groeien en dat er geld zal worden verdiend. Het gaat bij de haalbaarheidsstudie om een st"},{"i":13103,"b":"Besluitvorming Bosnisch, Kroatisch, Montenegrijns, Servisch De Raad voor Rechtsbijstand, **Overwegende dat:** **Stelt vast dat:** **Besluit dat:** **Ten aanzien van taalvaardigheid en cultuurkennis:** Inschrijving in het Register beëdigde tolken en vertalers is mogelijk, mits ook aan de overige voorwaarden, als genoemd in het [Besluit inschrijving Rbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033581), Stcrt. 2013, 17544, wordt voldaan. Slotbepalingen Dit besluit wordt aangehaald als Besluitvorming Bosnisch, Kroatisch, Montenegrijns, Servisch. Bekendmaking vindt plaats door publicatie in de Staatscourant. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van Staatscourant waarin zij wordt geplaatst"},{"i":13399,"b":"Instelling en benoemingen Werkgroep euro en witwassen Overwegende dat het van belang is om, in het kader van de invoering van de euromunt, de aspecten van het witwassen van waarden en geld te bezien bij invoering van de euromunt. Besluit: Artikel 1 Ingesteld wordt de werkgroep euro en witwassen. Artikel 2 De werkgroep heeft tot taak: - a. de mogelijkheden te inventariseren om ‐ gegeven de stand van de huidige regelgeving ‐ bij de invoering van de euromunt de wederrechtelijke oorsprong van geld geheel of gedeeltelijk onzichtbaar te maken dan wel de bewijsbaarheid van de wederrechtelijke oorsprong geheel of gedeeltelijk onmogelijk te maken dan wel wederrechtelijk verkregen geld definitief in het legale circuit te brengen; - b. te adviseren over de omvang van de risico’s dat de onder a genoemde mogelijkheden zich daadwerkelijk kunnen gaan voordoen; - c. voorstellen te doen om zonodig daartegen maatregelen te nemen. Artikel 3 De werkgroep is als volgt samengesteld: Als lid, tevens voorzitter: mr. G. B. Raaphorst, Directeur Bestuurszaken van het ministerie van Justitie; als leden: - S. W. B. Boerma RA, hoofd Interne controle ING Bank te Amsterdam; - mr. V. P. van Deventer, medewerker bij de afdeling Juridische Zaken en Beleid van de Directie Bestuurszaken van het ministerie van Justitie (secretaris); - S. van de Geer, hoofd van de Dienst Recherche-advisering en ontwikkeling van de Divisie Centrale Recherche Informatie van het Korps Landelijke Politiediensten; - drs. W. M. van Gemert, hoofd Landelijk Rechercheteam van het Korps Landelijke Politiediensten; - mr. drs. B. F. Keulen, wetgevingsjurist bij de Sector Strafwetgeving van het ministerie van Justitie; - mr. H. V. Koppe, hoofd Meldpunt ongebruikelijke transacties van de Directie Bestuurszaken van het ministerie van Justitie; - drs. R. de Quant, medewerker bij de Directie Strafrechtelijke Handhaving van het ministerie van Justitie; - drs. C. Rensen, coördinator monetaire aangelegenheden bij de Directie Binnenlands Gel"},{"i":11481,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterreinen Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Hoger Beroepsonderwijs, Wetenschappelijk Onderwijs en Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie over de periode 1945–2002: neerslag handelingen Inspectie van het Onderwijs Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 14 augustus 2004, nr. arc-2004.01271/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Inspectie van het Onderwijs en de onder hem ressorterende actoren op de beleidsterreinen Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Hoger Beroepsonderwijs, Wetenschappelijk Onderwijs en Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie over de periode 1945–2002’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Bsd betreffende het handelen van de inspectie van het onderwijs op het beleidsterrein primair onderwijs periode 1945–2002 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap/Nationaal Archief Inspectie van het Onderwijs Maart 2005 AVMB: Algemene voorbereiding op maatschappij en beroep BSD: Basisselectiedocument CFI: Centrale Financiën Instellingen ISOVSO: Interim-wet Speciaal Onderwijs, Voortgezet Speciaal Onderwijs OALT: Onderwijs in allochtone, levende talen RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek RPBO: Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel SO: Speciaal Onderwijs USZO: Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs WA: Wettelijke aansprakelijkheid WBO: [Wet op het Basisonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) WEC: [Wet op de Expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) WMO: [Wet op de Medezeggenschap in het Onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000574"},{"i":12722,"b":"Besluit van 1 juni 2016, nr. 2016000936 houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro ‘Waddenzee’ die in 2016 worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 27 mei 2016, nr. 2016-0000054890 directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stb. 2016/211. Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt ‘Waddenzee’ die worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: op de achtergrond links Onze beeltenis en face en op de voorgrond aan de linkerkant Onze beeltenis en profil, rechtsonder het koninklijk wapen en langs de rand de tekst ‘WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN’: - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: boven het midden afbeeldingen van een scholekster en meeuw met daarboven de teksten ‘**DE WADDENZEE**’ en ‘**NEDERLANDS WERELDERFGOED 2016**’, onder het midden zijn de Waddeneilanden afgebeeld met daarbij de namen van de bewoonde eilanden vermeld, rechts onderin de afbeelding van een zeester, links onderin de waardeaanduiding ‘**5 EURO**’ respectievelijk ‘**10 EURO**’, met rechts hiervan het teken van de Muntmeester en het teken van het Munthuis : 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift ‘GOD * ZIJ * MET * ONS’. 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038015&artikel=1&z=2016-06-10&g"},{"i":13702,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 november 2006, nr. LMV 2006.330831, houdende intrekking van diverse regelingen in verband met de wet van 5 juli 2006 houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase; Stb. 2006, 350) Gelet op [artikel 15.13 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13) en de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&artikel=12) en [16 van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&artikel=16); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking treedt. Artikel 1 De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Regeling van 13 augustus 2001, nr. LMV 2001059512, houdende wijziging van de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 juni 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012735), LMV 2001059512, houdende vaststelling subsidieplafonds sanering verkeerslawaai 2001 (Stcrt. 2001, 119) en bekendmaking van de projecten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van genoemde regeling (Stcrt. 2001, 156); - b. [Subsidieregeling spoorweglawaai 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016327); - c. [Regeling van 26 januari 2004, nr. LMV 2003131910, houdende vaststelling subsidieplafonds sanering verkeerslawaai 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016326) (Stcrt. 2004, 22); - d. [Regeling van 1 juni 2004, nr. LMV 2004046362, houdende vaststelling van projecten die in aanmerking komen voor subsidie voor de uitvoeringskosten van de sanering van verkeerslawaai in 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016780) (Stcrt. 2004, 109); - e. [Regeling van 29 december 2004, nr. LMV 2004128891, houdende vaststelling van de criteria voor de subsidieverlening ten be"},{"i":11599,"b":"Wet van 16 september 1999 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs opdat op grond van die wet bekostigde instellingen en andere instellingen die een niet uit de rijksbijdrage bekostigde opleiding educatie verzorgen, het recht kunnen verkrijgen aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van die opleiding een wettelijk geregeld diploma of certificaat te verbinden (erkenning diploma's niet uit rijksbijdrage gefinancierde educatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is dat op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs bekostigde instellingen en andere instellingen die een niet uit de rijksbijdrage bekostigde opleiding educatie verzorgen, het recht kunnen verkrijgen om aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van die opleiding een wettelijk geregeld diploma of certificaat te verbinden; dat in verband daarmee wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs wenselijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. ARTIKEL II Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ARTIKEL III De aanwijzing van een school voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs op grond van [artikel 12.2.11 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=12.2.11) zoals luidend op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, dan wel op grond van [artikel 12.3.48, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=12.3.48), wordt gewijzigd met dien verstande dat de aanwijzing wordt omgezet in het recht van de desbetreffende instelling om aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdele"},{"i":11196,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 september 2024, nr. OVO/42902029, houdende instelling van de adviescommissie techniek- en technologieonderwijs in het funderend onderwijs voor de periode 2024 tot en met 2030 (Instellingsbesluit adviescommissie techniek- en technologieonderwijs 2024–2030) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **adviescommissie:** adviescommissie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050217&artikel=2&z=2025-03-12&g=2025-03-12); - **beoordelingsmoment:** - a. voor de [regeling STO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049520): de uiterlijke datum waarop de uitwerkingen van activiteitenplannen of het indienen van verantwoordingsverslagen zoals bedoeld in [artikel 1.10, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049520&artikel=1.10) en [artikel 1.11, eerste lid, onderdeel b, van de regeling STO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049520&artikel=1.11) moeten worden ingediend dat wordt beoordeeld door de adviescommissie; - b. voor de [regeling Techkwadraat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050458): de uiterlijke datum waarop de uitwerking van het activiteitenplan, de regiovisie en de sluitende meerjarenbegroting zoals bedoeld in [artikel 1.8, tweede lid, onderdelen a en c, van de regeling Techkwadraat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050458&artikel=1.8) moeten worden ingediend dat wordt beoordeeld door de adviescommissie; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **penvoerder:** - a. voor de [regeling STO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049520): penvoerder van een techniekregio of een techniekluwe regio, bedoeld in [artikel 1.5 van de regeling STO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049520&artikel=1.5); - b. voor de [regeling T"},{"i":13881,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 16 december 2004, nr. WJZ/2004/57142(8153), houdende intrekking van diverse regelingen op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in verband met het feit dat deze hun betekenis hebben verloren (OCW-intrekkingsregeling 2004) Gelet op de [artikelen 4:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4) en [4:23, derde lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23), de [artikelen 5, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5), en [49 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=49), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=5), [5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=5a), [11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=11), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=13), [23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=23a), [24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=24), [32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=32), [35, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=35), [36, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=36), en [48 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=48), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009768&artikel=2), [4, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009768&artikel=4), [7, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009768&artikel=7), en [13 van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":12380,"b":"Besluit van de Minister van Defensie in overeenstemming met de Minister van Justitie, nr. D2006038017, Den Haag, 23 november 2006, houdende de instelling van de commissie van onderzoek naar de betrokkenheid van Nederlandse militairen bij mogelijke misstanden bij gesprekken met gedetineerden in Irak In overeenstemming met de Minister van Justitie, Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Ingesteld wordt de commissie van onderzoek naar de betrokkenheid van Nederlandse militairen bij mogelijke misstanden bij gesprekken met gedetineerden in Irak (hierna te noemen: de commissie). Artikel 2 De commissie bestaat uit de volgende leden: - a. Dr. J.T. van den Berg, voorzitter - b. Schout-bij-nacht b.d. Prof. Mr. G.L. Coolen, lid - c. Luitenant-generaal b.d. C.J.M. de Veer, lid - d. de heer E.H. Schuyer, lid. Artikel 3 De Minister van Defensie verschaft de commissie alle benodigde facilitaire ondersteuning. Artikel 4 a. De commissie heeft als taak een onderzoek te verrichten en een rapport met conclusies en aanbevelingen uit te brengen op basis van de volgende onderzoeksvragen: - 1. Wat zijn de feiten en omstandigheden inzake de betrokkenheid van Nederlandse militairen bij mogelijke misstanden bij gesprekken met gedetineerden in Irak in 2003? - 2. Welke handelingen zijn verricht door defensiepersoneel naar aanleiding van de melding van deze mogelijke misstanden, de contacten met het Openbaar Ministerie daaronder begrepen? b. De commissie is ten behoeve van deze taak bevoegd om aanvullend onderzoek te verrichten voor zover noodzakelijk om een volledig beeld te verkrijgen inzake de feiten met betrekking tot betrokkenheid van Nederlandse militairen bij de mogelijke misstanden. Artikel 5 a. Personen die in dienst zijn van de Ministeries van Defensie en van Justitie verstrekken de commissie – met inbegrip van haar secretariaat – de inlichtingen die de commissie redelijkerwijs voor de uitvoering van haar taak nodig heeft. b. De commissie is g"},{"i":12227,"b":"Besluit etikettering van levensmiddelen BES § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **etikettering:** de vermeldingen, aanwijzingen, fabrieks- of handelsmerken, afbeeldingen of tekens die betrekking hebben op een levensmiddel en voorkomen op enig verpakkingsmiddel, document, schriftstuk, etiket, band of label, dat respectievelijk die bij dit levensmiddel is gevoegd of daarop betrekking heeft; - b. **instellingen:** voedselbedrijven, zoals restaurants, snacks, ziekenhuizen, kantines en andere soortgelijke instellingen; - c. **verpakking:** het verpakkingsmateriaal waarin een waar wordt verpakt alvorens die waar ten verkoop wordt aangeboden, waarbij dat verpakkingsmateriaal de waar geheel of ten dele bedekt of kan bedekken, maar zodanig dat de inhoud niet kan worden veranderd zonder dat het verpakkingsmateriaal wordt geopend of aangetast; - d. **voorverpakte eet- of drinkwaar:** de verkoopeenheid die bestemd is als zodanig aan de eindverbruiker of aan een instelling te worden afgeleverd en bestaat uit een eet- of drinkwaar en haar verpakking; - e. **verpakte eet- of drinkwaar:** de verkoopeenheid die niet bestemd is als zodanig aan de eindverbruiker of aan instellingen te worden afgeleverd en bestaat uit een eet- of drinkwaar en haar verpakking; - f. **ingrediënt:** iedere grondstof die bij de bereiding van een eet- of drinkwaar is gebruikt en die als zodanig of als omzettingsprodukt in de waar aanwezig is; - g. **technologische hulpmiddelen:** stoffen die op zichzelf niet als ingrediënt worden geconsumeerd, die bij de verwerking van grondstoffen, eet- en drinkwaren of ingrediënten bewust worden gebruikt om tijdens de bewerking of verwerking aan een bepaald technisch doel te beantwoorden en die kunnen leiden tot de onbedoelde maar technisch onvermijdelijke aanwezigheid van residuen van deze stoffen of derivaten ervan in het eindprodukt, mits deze residuen geen gevaar voor de gezondheid oplevere"},{"i":13952,"b":"Wet van 18 december 2024 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2025) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IV Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel V Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel VI Wijzigt de Wet bronbelasting 2021. Artikel VII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VIII Wijzigt de Wet fiscale klimaatmaatregelen glastuinbouw. Artikel IX Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel X Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XI Wijzigt de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Artikel XII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XIII Wijzigt de Pensioenwet. Artikel XIV Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel XV Wijzigt de Overige fiscale maatregelen 2011. Artikel XVI Wijzigt de Belastingplan 2023. Artikel XVII Wijzigt de Belastingplan 2024. Artikel XVIII A. [Artikel V, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050617&artikel=V&z=2025-01-01&g=2025-01-01), vindt eerst toepassing met betrekking tot autobussen die op of na 1 januari 2025 worden tenaamgesteld. B. [Artikel IX, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050617&artikel=IX&z=2025-01-01&g=2025-01-01) vindt eerst toepassing met betrekking tot boetes naar aanleiding van een verzuim die op of na 1 januari 2025 worden opgelegd. Artikel XIX 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2025, met dien verstande dat: - a. [artikel II, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050617&artikel=II&z=2025-01-01&g=2025-01-01), terugwerkt tot en met 1 oktober 2024; - b. [artikel III, onderdeel B en onderdeel E, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050617&artikel=III&z=2025-01-01&g=2025-01-01), voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2025; - c."},{"i":11842,"b":"Beleidsregels Protocol Zeer moeilijk plaatsbaar 2011 Besluit: Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen van cliënten op het zeer moeilijk plaatsbaar zijn het protocol als weergegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Het [Besluit Beleidsregels Protocol Zeer moeilijk plaatsbaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018198) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2011. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Protocol Zeer moeilijk plaatsbaar 2011. Bijlage. Protocol zeer moeilijk plaatsbaar 2011 1. De intentie van het Protocol ZMP Het Protocol Zeer Moeilijk Plaatsbaar bevat een aantal indicatoren om te kunnen beoordelen of een werkzoekende zeer moeilijk plaatsbaar is. Onder zeer moeilijk plaatsbaar verstaan we dat voor een werkzoekende door een (re-integratie)bedrijf of werkgever evident meer inspanningen geleverd moet worden om hem (weer) aan het werk te krijgen of te houden in vergelijking tot andere werkzoekenden met een afstand tot de arbeidsmarkt voor wie begeleiding in aanloop naar of tijdens het werk noodzakelijk is. In de Handleiding die bij dit Protocol hoort wordt dit aspect nader uitgewerkt. Dit protocol kan op elke werkzoekende worden toegepast. Is een werkzoekende op basis van het Protocol als zeer moeilijk plaatsbaar geïndiceerd? Dan kan zijn status als ZMP consequenties hebben voor: Deze maatregelen zijn bedoeld om de extra inspanningen en het eventuele financiële risico die de private partners hierdoor lopen te compenseren. Door het afdekken van deze risico’s kan aan de werkzoekende die ZMP is toch die dienstverlening en dat maatwerk worden geboden, dat nodig is om de werkzoekende te plaatsen in arbeid. Op deze manier krijgt de werkzoekende met een ZMP-indicatie een meer gelijkwaardige uitgangspositie t.o.v. de werkzoekende die deze"},{"i":11851,"b":"Beleidsregels toetsing eindtermen praktijkopleiding Voor inschrijving in het accountantsregister van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) dienen kandidaten op grond van [artikel 38 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=38) (Wab) een opleiding gevolgd te hebben die voldoet aan de in [artikel 49, tweede lid, onder a Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49) bedoelde eindtermen. Aan de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) komt op grond van [artikel 49, tweede lid, onder c Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49) de bevoegdheid toe om te toetsen of de praktijkopleiding voldoet aan de in artikel 49, eerste lid, onder a Wab bedoelde eindtermen. Hiervoor houdt CEA toezicht op de praktijkopleiding. De taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de verschillende bij de praktijkopleiding betrokken partijen volgen uit de [Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573). De NBA heeft de wettelijk taak om zorg te dragen voor de praktijkopleiding ([artikel 3, aanhef en lid d Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=3)). Hiervoor heeft zij middels de ‘[Verordening op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795)’ (hierna Verordening) de Raad voor de Praktijkopleidingen (hierna RPO) ingesteld en deze gemandateerd om zorg te dragen voor de uitvoering en examinering van de praktijkopleiding. Per besluit verleent het bestuur van de NBA de RPO mandaat en volmacht voor het verzorgen van de praktijkopleiding, waaronder ook de bevoegdheid om ondermandaat en substituut volmacht te verlenen. De RPO verleent ondermandaat en substituut volmacht aan door haar aangewezen stagebureaus, onderwijsinstellingen en andere serviceorganisaties om besluiten te nemen en handelingen te verrichten ter uitvoering van bepaalde bevoegdheden en taken zoals vastgelegd in de [Verordening](https://wetten.overheid.n"},{"i":14401,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 november 2025, nr. 2025-0000255483, houdende nadere regels over kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling kinderopvang BES) [KetenID WGK027087] Gelet op de [artikelen 2.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=2.2), [3.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=3.6), [3.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=3.7), en [4.1 van de Wet kinderopvang BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=4.1) en de [artikelen 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051582&artikel=2.7) en [2.11, tweede lid, van het Besluit kinderopvang BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051582&artikel=2.11); Besluit: Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit kinderopvang BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051582); - **ID-nummer:** nummer als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet identiteitskaarten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028279&artikel=2); - **kinderopvangorganisatie:** voorziening van een houder of gastouder waar kinderopvang plaatsvindt. Artikel 2. Kinderopvangovereenkomst 1. De kinderopvangovereenkomst vermeldt de volgende gegevens: - a. de soort kinderopvang waarop de kinderopvangovereenkomst betrekking heeft; - b. de startdatum van de kinderopvang; - c. een weekoverzicht waaruit blijkt op welke dagen en dagdelen kinderopvang plaatsvindt en of er gebruik gemaakt wordt van additionele dagen buitenschoolse opvang gedurende onderwijsvrije dagen; - d. de hoogte van de maandelijks te betalen ouderbijdrage; - e. de voor- en achternaam en de geboortedatum van het kind; - f. de voor- en achternaam, de geboortedatum en het ID-nummer van de ouder en de partner van de ouder die tevens ouder is; - g. de naam van de kinderopvangorganisatie, de voor- en achternaam van de houder van het kindercentrum of"},{"i":12371,"b":"Besluit instelling Commissie evaluatie stelsel van speciale eenheden In overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie; Besluit: Artikel 1 Ingesteld wordt de Commissie evaluatie stelsel van speciale eenheden (hierna ‘de commissie’). Artikel 2 De commissie bestaat uit de volgende leden: - a. dhr C.W.M. Dessens, voorzitter - b. dhr M.L.M. Urlings, lid - c. dhr F. Wagenaar, lid - d. dhr mr J.A. Hulsenbek, lid Artikel 3 De Minister van Justitie verschaft de commissie alle benodigde facilitaire ondersteuning. Artikel 4 1. De commissie heeft als taak te onderzoeken of het stelsel van speciale eenheden – Aanhoudingseenheden (hierna: ‘AOE’), Dienst Speciale Interventies (hierna ‘de DSI’) en Unit Interventie Mariniers – functioneert conform de visie van het kabinet in zijn brief van 3 juni 2005 aan de Tweede Kamer en te onderzoeken waar verbeteringen nodig zijn, met vermelding van de consequenties. 2. De commissie onderzoekt in ieder geval de volgende aspecten: - a. de beheersmatige constellatie voor wat betreft de politieonderdelen; - b. het gebruik van ondersteuningsmiddelen van de politie en van Defensie door de DSI; - c. de inzetbaarheid van de DSI als AOE; - d. een mogelijke uitwisselbaarheid van personeel tussen Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) en de DSI. 3. De commissie rondt haar onderzoek af met een eindrapport dat zal worden aangeboden aan de Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie. Artikel 5 1. De personen die betrokken zijn bij het stelsel van speciale eenheden verstrekken de commissie – met inbegrip van haar secretariaat – de inlichtingen die de commissie redelijkerwijs voor de uitvoering van haar taak nodig heeft. 2. De commissie is gerechtigd in het kader van haar onderzoek kennis te nemen van gegevens die berusten bij de betrokken Ministeries en de uitvoerende diensten, ongeacht de merking of rubricering. Een geh"},{"i":14435,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, van 10 november 2025 nr. WJZ/102367126, houdende specifieke maatregelen in de beschermings- en de bewakingszone in verband met de bestrijding van hoogpathogene aviaire influenza in Bennekom (Regeling maatregelen beschermings- en bewakingszone hoogpathogene vogelgriep Bennekom 2025) Gelet op de artikelen 64, eerste lid, 65, eerste lid, en 71, eerste lid, van [verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidwetgeving’) (PbEU 2016, L 84), de artikelen 21, eerste lid, 25, eerste lid, 27, eerste en tweede lid, en 42 van gedelegeerde [verordening (EU) 2020/687](32020R0687) van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PbEU 2020, L 174) en de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.2), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.5), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.6), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.7) en [6.3, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3); Besluit: Treedt in werking om 22:00 uur. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **beschermingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051734&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-11-10&g=2025-11-10); - **bewakingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051734&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-11-10&g=2025-11-10); - **"},{"i":12212,"b":"Besluit draaginsigne ‘Nobelprijs VN-militairen’ Besluit: Artikel 1 Ingesteld wordt het ’Draaginsigne Nobelprijs VN-militairen’. Artikel 2 1. Het draaginsigne is cirkelvormig, heeft een diameter van 25 millimeter en is vervaardigd van mat bronskleurig metaal. 2. Op de voorzijde is in relief aangebracht de beeltenis van de United Nations Service Medal met de letters VN en daarbinnen de beeltenis van Alfred Nobel met links de tekst ‘ALFR. NOBEL en rechts de tekst NAT. MDCCCXXXIII OB. MDCCCXCVI, overeenkomstig de afbeelding op de bijlage, behorend bij dit artikel. 3. Het draaginsigne kan worden gedragen op het militaire uniform overeenkomstig het desbetreffende uniformvoorschrift of op de burgerkleding op de linker revers of dienovereenkomstige plaats. Artikel 3 Het draaginsigne wordt toegekend aan degene die: - a. tussen 1956 en 1988 gedurende tenminste 30 dagen aaneengesloten door het Nederlandse Ministerie van Defensie als militair in het buitenland is ingezet ten behoeve van vredesafdwingende of vredeshandhavende taken van de Verenigde Naties; en - b. daarbij in alle opzichten een goede plichtsbetrachting en een goed gedrag heeft betoond. Artikel 4 Bij de uitreiking van het draaginsigne ontvangt de gedecoreerde tevens een oorkonde. Artikel 5 1. Het verzoek om toekenning van het draaginsigne dient schriftelijk te worden ingediend door betrokkene of, indien deze overleden is, door diens nabestaande. 2. De toekenning van het draaginsigne geschiedt namens de Minister van Defensie door de Commandant der Strijdkrachten. Artikel 6 Het draaginsigne wordt eenmalig toegekend. Artikel 7 Het draaginsigne kan postuum worden toegekend. Artikel 8 1. De Minister van Defensie kan de toekenning intrekken op grond van feiten of omstandigheden waarvan hij bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de toekenning niet zou hebben plaatsgehad. 2. Na intrekking als bedoeld in het eerste lid is betrokkene niet langer gerechtigd het draaginsigne te dragen"},{"i":14446,"b":"Macrobeheersmodel Gelet op de [artikelen 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=39) en [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) jo. [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), heeft de Nederlandse Zorgautoriteit de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op instellingen voor medisch specialistische zorg1Ook bekend als: (algemene en categorale) ziekenhuizen, universitaire medische centra, zelfstandige behandelcentra, epilepsie-inrichtingen, instellin voor revalidatie, radiotherapeutische centra, dialysecentra, longrevalidatie-instellingen (sanatoria)., audiologische centra, centra voor erfelijkheidsadvisering en laboratoria (niet zijnde huisartsenlaboratoria) voor zover zij medisch specialistische zorg leveren waarop aanspraak bestaat ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Deze regeling is echter niet van toepassing op instellingen die geneeskundige geestelijke gezondheidszorg zoals bedoeld in de ‘wet tot wijziging van het tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet’ van 22 november 2006 leveren. Artikel 2. Doel Deze regeling heeft tot doel het stellen van de navolgende voorschriften met betrekking tot het zogenoemde macrobeheersmodel: - –. Administratievoorschriften; - –. Voorschriften met betrekking tot regelmatige gegevensverstrekking; - –. Voorschriften met betrekking tot afdracht in verband met - –. overschrijding van een tariefgrens. Artikel 3. Begripsbepalingen 3.1. Instelling: de instelling die onder de reikwijdte van deze beleidsregel valt. 3.2. Tari"},{"i":14447,"b":"Regeling Makers buiten het boek gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** het bestuur van het Letterenfonds; - **het Letterenfonds:** Stichting Nederlands Letterenfonds; - **professionele literaire maker:** natuurlijk persoon die zich beroepsmatig bezighoudt met het creëren van literatuur; - **literatuur:** literaire creaties in het Nederlands, Fries, Papiaments of de Nederlandse Gebarentaal; - **literaire creatie:** een oorspronkelijk, literair werk; - **Koninkrijk:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk, te weten de zelfstandige landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba; - **project:** een in de tijd beperkte activiteit in het Koninkrijk van een maker op het gebied van de literatuur die gericht is op de artistieke ontwikkeling van de maker en leidt tot een literaire creatie, niet zijnde een boek of bewerking van een boek, en een presentatie daarvan voor een publiek bij een presentatiepartner; - **presentatiepartner:** een professionele instelling gevestigd in het Koninkrijk die van het Letterenfonds subsidie heeft ontvangen voor het organiseren van literaire activiteiten en die investeert in het project, een professionele producent of een uitgeverij; - **uitgeverij:** een rechtspersoon gevestigd in het Koninkrijk met volledige rechtsbevoegdheid die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit ten behoeve van de uitgave van literair werk en die over een onafhankelijke redactie beschikt, op regelmatige basis aanbiedingen van zijn publicaties aan de boekhandel verzorgt,"},{"i":14449,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 2 december 2013, nr. WJZ/13199396, houdende de indeling en prijsregistratie van runder- en varkenskarkassen (Regeling marktordening vlees) Gelet op artikel 42 van Verordening (EU) nr. 1234/2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (‘integrale-GMO-verordening’) (PbEU 2007, L 299); Verordening (EU) nr. 1249/2008 van de Commissie van 10 december 2008 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de communautaire indelingsschema’s voor runder-, varkens- en schapenkarkassen en voor de mededeling van de prijzen daarvan (PbEU 2008, L 337); de [artikelen 13, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=13), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=17), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19), [20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=20), [22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=22), [22a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=22a), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=26) en [27, van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=27); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **algemeen erkende feestdag:** Nieuwjaarsdag, de christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, Hemelvaartsdag en de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd; - **merk:** identificatiemiddel als bedoeld in artikel 38 van Gedelegeerde [Verordening (EU) 2019/2035](32035R2019) van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32329R2016) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdi"},{"i":13689,"b":"Wet van 2 februari 1956, houdende instelling van een productschap voor zuivel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is over te gaan tot instelling van een productschap als bedoeld in de [Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058) (**Stb.** 1950, K 22) voor ondernemingen op het gebied van de melkwinning en de be- en verwerking van en de handel in melk en daaruit verkregen producten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een Productschap voor Zuivel. 2. Het productschap heeft zijn zetel te 's-Gravenhage. Artikel 2 1. Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin: melk wordt gewonnen; melk of daaruit verkregen producten worden be- of verwerkt tot producten, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijk voedsel kunnen dienen, dan wel uit melk verkregen producten worden verwerkt tot caseïne; de handel - met uitzondering van de aanvoer-, transito- en driehoekshandel - wordt uitgeoefend in melk of in daaruit verkregen producten, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijk voedsel kunnen dienen. 2. Deze wet verstaat onder: **melk:** melk van runderen. 3. Deze wet verstaat onder **handel** mede de werkzaamheid van tussenpersonen. Artikel 3 Het bestuur van het productschap bestaat uit 18 leden. Daarvan worden benoemd: | voor de ondernemingen op het gebied van | door organisaties van ondernemers | door organisaties van werknemers | | --- | --- | --- | | de veehouderij en het boerenkaasmakersbedrijf | 3 leden | 3 leden | | de melk-, melkproducten- en zuivelproductenindustrie | 3 leden | 3 leden | | de groothandel in melk- en zuivelproducten | 2 leden | 2 leden | | de detailhandel in melk en melk- en zuivelproducten | 1 lid | 1 lid | Artikel 4 1. Aan het productsc"},{"i":13690,"b":"Wet van 30 september 1954, houdende instelling van productschappen en een hoofdproductschap voor akkerbouwproducten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad op 20 Februari 1953 uit eigen beweging en het door die Raad op 31 Maart 1954 op verzoek van Onze Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot instelling van productschappen als bedoeld in de [Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058) (**Stb.** 1950, K 22, sedert gewijzigd), alsmede, met toepassing van de artikelen 159-161 der Grondwet, van een hoofdproductschap, voor ondernemingen op het gebied van de teelt van, de be- en verwerking van en de handel in akkerbouwproducten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Eerste hoofdstuk De productschappen voor akkerbouwproducten Artikel 1 1. Er is een Productschap voor Granen, Zaden en Peulvruchten. 2. Het productschap heeft zijn zetel te 's-Gravenhage. Artikel 2 1. Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin: de teelt wordt uitgeoefend van granen, landbouwpeulvruchten, fijne of oliehoudende zaden, boekweit, hop of cichorei- of witlofwortels; een of meer van de volgende producten worden be- of verwerkt tot producten - met uitzondering van gedistilleerde dranken en azijn -, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijke consumptie kunnen dienen: granen, landbouwpeulvruchten, welke niet in groene toestand zijn geoogst, fijne zaden of boekweit; hop, cichorei- of witlofwortels; uitheemse zetmeelrijke producten; producten, welke uit de eerder bedoelde producten zijn verkregen; de handel - met uitzondering van de aanvoer-, transito- en driehoekshandel - wordt uitgeoefend in een of meer van de vo"},{"i":13688,"b":"Wet van 24 mei 1956, houdende instelling van een productschap voor vis en visproducten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad uit eigen beweging daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot instelling van een productschap als bedoeld in de [Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058) (**Stb.** 1950, K 22) voor ondernemingen op het gebied van de visserij, de be- en verwerking van en de handel in vis en visproducten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een Productschap voor Vis en Visproducten. 2. Het productschap heeft zijn zetel te Rijswijk. Artikel 2 1. Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin: de visserij wordt uitgeoefend; vis wordt be- of verwerkt tot producten, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijk of dierlijk voedsel kunnen dienen; de handel - met uitzondering van de aanvoer-, transito- en driehoekshandel - wordt uitgeoefend in vis of uit vis verkregen producten, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijk voedsel kunnen dienen. 2. In deze wet wordt verstaan onder: **vis:** vis, delen van vis, schaal- en schelpdieren en puf en nest, een en ander met uitzondering van sier- en aquariumdieren; **visserij:** het bedrijf van het vangen of kweken van vissen, schaal- en schelpdieren en puf en nest, een en ander met uitzondering van sier- en aquariumdieren. 3. In deze wet wordt onder **handel** mede verstaan de werkzaamheid van tussenpersonen. 4. Als ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede aangemerkt de veilingen van de in dat lid bedoelde produkten. Artikel 3 In afwijking van [artikel 73, vierde lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":11970,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 1 september 2017, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Commissies op het gebied van Personeelsbeleid, (1966) 1978–1986 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10), en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 29 augustus 2017, no: 1040880. Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in het eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in het tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 157 | 2056 | | 158 | 2053 | | 165 | 2060 | | 216 | 2059 | | 217 | 2060 | | 218 | 2055 | | 219 | 2057 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040030&artikel=1&z=2017-10-03&g=2017-10-03), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040030&artikel=1&z=2017-10-03&g=2017-10-03), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging v"},{"i":11921,"b":"Besluit beleidsregel bekendmaken delen A en B van het Registration Report (vastgesteld in vergadering van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden C-276 d.d. 22 april 2015) Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden besluit, gelet op het bepaalde in artikel 33, vierde lid; artikel 63 en artikel 75 [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107); [artikel 4, eerste lid, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=4) en [artikel 3:47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:47) en [artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); overwegende dat tot vaststelling van een beleidsregel inzake de bekendmaking van de delen A en B van het Registration Report bij besluiten omtrent gewasbeschermingsmiddelen. 1. Gebruikte afkortingen en termen 2. Toepasselijkheid Deze beleidsregel is van toepassing op besluiten van het College omtrent de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland, waarbij de onderbouwing is opgesteld in de vorm van een RR zoals voorgeschreven in de richtsnoer ‘Guidance Document on the presentation and evaluation of dossiers according to annex III of Directive 91/414/EEC in the format of a (draft) Registration Report (SANCO/6895/2009). 3. Werkwijze bekendmaken van delen A en B van het RR Conform artikel 33, vierde lid, en artikel 63, [Verordening 1107/2009](32009R1107) heeft de aanvrager de mogelijkheid bij indiening van de aanvraag met betrekking tot de toelating van een gewasbeschermingsmiddel om vertrouwelijke behandeling van (bepaalde delen van) deel A of B van het RR te verzoeken. Een dergelijk verzoek dient op de volgende wijze te worden gedaan: **Stap 1 b:**Wanneer er tijdens de procedure voor toelating omtrent een gewasbeschermingsmiddel om bijkomende informatie wordt verzocht, kan de aanvrager bij het aanleveren van deze informatie een (aanvulling op het bij aa"},{"i":12545,"b":"Besluit radioamateurs BES § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469); - b. **beschikking:** de beschikking waarbij een machtiging is verleend; - c. **bewijs van bevoegdheid:** het door Onze Minister afgegeven bewijs van bevoegdheid als radioamateur uitgereikt na een met goed gevolg afgelegd examen als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028725&paragraaf=2&artikel=6&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - d. **machtiging:** een machtiging voor een radio-elektrische zend- en ontvanginrichting als bedoeld in [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=15), en [artikel 16 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=16) bestemd voor de aanleg, het bezit of het gebruik van een amateurstation; - e. **radioamateur:** een daartoe bevoegd persoon die uit een zuiver persoonlijk oogmerk en zonder enig geldelijk voordeel proeven neemt op telecommunicatiegebied; - f. **amateurstation:** een zend- en ontvanginrichting voor radiotelegrafie of radiotelefonie, bestemd voor het nemen van proeven op telecommunicatiegebied; - g. **radiotelegrafie:** telecommunicatie via de ether door middel van morsetekens; - h. **radiotelefonie:** telecommunicatie via de ether door middel van spraak; - i. **klasse van uitzending:** een aanduiding bestaande uit drie symbolen die respectievelijk de modulatievorm van de draaggolf, het type signaal dat de draaggolf moduleert en de soort informatie die wordt uitgezonden, aangeven. De betekenis van de symbolen is aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028725&bijlage=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) behorende bij dit besluit; - j. **bandbreedte:** het frequentieverschil tussen de hoogste en de laagste frequentie waarbinnen tijdens modulatie 99% van de uitgezonden energie wordt waargenomen; - k. **ongewe"},{"i":12810,"b":"Vaststelling selectielijst COKZ over de periode vanaf (1901) 1975 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van het handelen van het Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ) en haar rechtsvoorgangers, over de periode vanaf het jaar (1901) 1975’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12054,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 september 2006, nr. DDI/ST/reg 002/2006, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van het consulaat-generaal te Lissabon (Portugal) 1646–1946 (1951), het gezantschap te Portugal (Lissabon) (1759) 1888–1954 (1957), het consulaat te Funchal (Madeira) 1820–1935 en het consulaat te Lourenço Marques (Mozambique) 1904–1947 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het consulaat-generaal te Lissabon (Portugal) 1646–1946 (1951), het gezantschap te Portugal (Lissabon) (1759) 1888–1954 (1957), het archief van het consulaat te Funchal (Madeira) 1820–1935 en van het consulaat te Lourenço Marques (Mozambique) 1904–1947, de in de eerste tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | consulaat-generaal Lissabon 1646–1946 (1951) | | | 123 | 2020 | | 124 | 2019 | | gezantschap te Portugal (Lissabon) (1759) 1888–1954 (1957) | | | 142 | 2008 | | 143 | 2019 | | 185 | 2020 | | 186 | 2020 | | 194 | 2020 | | 195 | 2021 | | 246 | 2019 | | 247 | 2019 | | 248 | 2019 | | 249 t/m 265 | 2022 | | 267 | 2019 | | 270 | 2018 | | 271 | 2018 | | 272 | 2019 | | 273 | 2020 | | 274 | 2022 | | 275 | 2020 | | 276 | 2020 | | 277 | 2020 | | 293 | 2021 | | 300 | 2028 | | consulaat te Funchal (Madeira) 1820–1935 en het consulaat te Lourenço Marques (Mozambique) 1904–1947 | | | 8 | 2013 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020270&artikel=1&z=2006-09-16&g=2006-09-16) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Arc"},{"i":14523,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 6 december 2013, nr. IENM/BSK-2013/283192, houdende vaststelling nadere regels met betrekking tot de opleiding en bevoegdheden van nautische beroepsbeoefenaren (Regeling opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren) Gelet op [Richtlijn nr. 2005/36/EG](32005L0036) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255), de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=27), [33, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33), en [36 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=36), [29 van de Wet havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=29), [1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034471&artikel=1.1), [2.7, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034471&artikel=2.7), en [3.1, vierde lid, van het Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034471&artikel=3.1), [1, eerste lid, van het Loodsplichtbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=1) en [16 van het Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889&artikel=16); BESLUIT: Treedt in werking op 1 april 2014 Stb 2013/553. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanvraag:** aanvraag als bedoeld in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066) tot het verlenen van erkenning van beroepskwalificaties voor het beroep van registerloods, noordzeeloods of VTS-operator; - –. **aanvrager:** migrerende be"},{"i":14563,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 9 juni 2020, kenmerk 2903199, over radiodekking ten behoeve van de C2000-dienstverlening in bouwwerken (Regeling radiodekking C2000 in bouwwerken) Gelet op [artikel 23, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=23) en de [Regeling C2000 en GMS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020268); Besluit: Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **bevoegd gezag:** bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag voor een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; - c. **C2000:** het radiocommunicatienetwerk ten behoeve van de organisaties met een wettelijke taak op het terrein van openbare orde, veiligheid en hulpverlening; - d. **C2000-dienstverlening:** het samenstel van functies, waaronder spraak en data, dat via het C2000-netwerk wordt aangeboden en afgewikkeld; - e. **aangewezen gebruiker C2000:** een organisatie die een wettelijke taak heeft op het terrein van openbare orde, veiligheid en hulpverlening en ten behoeve van haar operationele processen gebruik maakt van C2000; - f. **radiodekkingslocatie:** bouwwerk waarin na toestemming van de minister radiodekking wordt gecreëerd om binnen dat bouwwerk communicatie via het C2000-netwerk mogelijk te maken; - g. **voorziening:** een radiotechnische installatie die de radiodekking in een bouwwerk verzorgt om C2000-communicatie binnen dat bouwwerk mogelijk te maken; - h. **koppelvlak:** component van het C2000-netwerk waarop een voorziening, onder gedefinieerde voorwaarden, ingekoppeld kan worden; - i. **inkoppelen:** het daadwerkelijk verbinden van een voorziening in een bouwwerk met het C2000-koppelvlak, via een vaste verbinding of door de lucht. - j. **veiligheidsregio:** een openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 9 van de Wet veiligheidsregio’s](https:"},{"i":19365,"b":"Wet van 6 december 2007 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de wijziging van de vervroegde invrijheidstelling in een voorwaardelijke invrijheidstelling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) betreffende de vervroegde invrijheidstelling te vervangen door bepalingen omtrent een voorwaardelijke invrijheidstelling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel IV Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel V Wijzigt de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof. Artikel VI 1. Deze wet heeft geen gevolgen voor veroordelingen tot vrijheidsstraf die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn uitgesproken. De [artikelen 15 tot en met 15d van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=15), zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven in deze van toepassing. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op veroordelingen tot vrijheidsstraf, uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet, indien de tenuitvoerlegging vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet nog gaande is. 3. Indien een veroordeelde zowel een vrijheidsstraf heeft te ondergaan die is uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet, als een vrijheidsstraf die is uitgesproken na de inwerkingtreding van deze wet, is [artikel 15, vijfde lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=15), niet van toepassing. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat"},{"i":3554,"b":"Besluit van 19 mei 2006, houdende aanvulling van de privileges en immuniteiten geregeld in de Wet HCNM (Besluit HCNM) Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 24 maart 2006, nr. DJZ/BR/0209-2006; Gelet op [artikel 16 van de Wet HCNM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014169&artikel=16); De Raad van State gehoord (advies van 4 mei 2006, No. W02.06.0092/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 15 mei 2006, nr. DJZ/BR/0545-2006; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Functionarissen van de HCNM, bedoeld in [artikel 1, eerste lid aanhef en onder d, van de Wet HCNM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014169&artikel=1) genieten dezelfde voorrechten en privileges als worden toegekend aan de administratieve en technische staf van overeenkomstige rang van een diplomatieke missie met overeenkomstige toepassing van het op 18 april 1961 tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer en daarbij behorende Protocollen. Het voorgaande is niet van toepassing op functionarissen die in het bezit zijn van het Nederlandse staatsburgerschap of duurzaam in Nederland verblijven. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit HCNM. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":14809,"b":"Regeling vaststelling modellen rijbewijzen en daarmee verband houdende formulieren Gelet op [artikel 107, tweede en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=107) en op de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=11), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=33), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=52) en [99 van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=99); Besluit: Artikel 1 Voor rijbewijzen en daarmee verband houdende formulieren worden de in de bijlagen bij deze regeling opgenomen modellen vastgesteld. Model 1A: Theorie-certificaat (afgegeven tot 01-06-1996); Model 1B: Theorie-certificaat (afgegeven m.i.v. 01-06-1996); Model 1C: Theorie-certificaat, afgegeven na nader onderzoek (afgegeven m.i.v. 01-09-1989); Model 2: Geneeskundige verklaring (afgegeven m.i.v. 01-10-1987); Model 5A: Eerste aanvraag rijbewijs; Model 5B: Aanvraag rijbewijs uitbreiding categorie(ën); Model 5C: Aanvraag rijbewijs wegens beschadiging of onleesbaarheid; Model 5D: Aanvraag rijbewijs wegens vermissing, diefstal of vernieuwing; Model 5E: Aanvraag rijbewijs na opheffing ongeldigverklaring; Model 5F: Aanvraag Nederlands rijbewijs door personen zonder vaste woon- of verblijfplaats of buitenlandse studenten wonende in Nederland; Model 5G: Aanvraag rijbewijs (niet) woonachtig in Nederland; Model 5H: Aanvraag omwisseling voor Nederlands rijbewijs; Model 6A: Rijbewijs volgens oud model; Model 6B: Rijbewijs volgens model van de Europese Gemeenschappen (afgegeven vanaf 01-01-1984 tot 01-10-1986); Model 6C: Rijbewijs volgens model van de Europese Gemeenschappen (afgegeven vanaf 01-10-1986 tot 11-06-1987); Model 6D: Rijbewijs volgens model van de Europese Gemeenschappen (afgegeven vanaf 11-06-1987 tot 01-06-1996); Model 6E: Rijbewijs volgens model van de Europese Gemeenschappen (afgegeven vanaf 01-06-1996 tot 01-06-2002); Model 6F"},{"i":14743,"b":"Regeling van 15 september 1967 ter uitvoering van artikel 3 van het besluit van 23 april 1964 ter uitvoering van de artikelen 6, lid 2 en 7, lid 1, tweede alinea, van de Opiumwet 1960 BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. I De vergoedingen als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit van 23 april 1964 ter uitvoering van de artikelen 6 lid 2 en 7 lid 1, tweede alinea van de Opiumwet 1960 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028330&artikel=1); vaststelling vergoeding voor opiumverloven BES, worden bij de ontvanger, bedoeld in [artikel 1.3, onderdeel k, van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=1.3), betaald door middel van een door of vanwege de Administrateur van Financiën afgegeven ‘Machtiging tot ontvangst’."},{"i":14833,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 november 2025, kenmerk 4292619-1091325-WJZ, houdende vaststelling van het vrijstellingsbedrag inkomsten uit vermogen ingevolge de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen per 1 januari 2026 [KetenID WGK028562] Gelet op de [artikelen 12a van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12a), [12 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=12), [17 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=17), [18, zesde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=18) en [27 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=27); Besluit: Artikel 1 - a. Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, de Wet buitenge-woon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers en de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet. - b. het vrij te laten bedrag, bedoeld in de [artikelen 19, vijfde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=19) en [28, vierde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=28) wordt vastgesteld op € 1.175,23. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14832,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 november 2009, nr. OHW-U-2968696, houdende de vaststelling van het vrijstellingsbedrag inkomsten uit vermogen ingevolge de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen per 1 januari 2010 Gelet op de [artikelen 12a van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12a), [12 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=12), [17 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=17), [18, zevende lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=18) en [27 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=27); Besluit: Artikel 1 De bedragen, genoemd in de [artikelen 12, tweede lid, onder c, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12), [11, tweede lid, onder c, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=11), [16, tweede lid, onder b, ten derde, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=16), [19, vijfde lid, onder a, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=19) en bedoeld in [artikel 28, vierde lid, onder a, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=28), worden als volgt herzien: - a. Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, de Wet buitengewoon zeelieden-oorlogsslachtoffers en de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet - b. Wijzigt de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 - c. het vrij te laten bedrag, bedoeld in [art"},{"i":14862,"b":"Regeling verpakking visserij producten BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Artikel 1 De verpakking van voor de uitvoer bestemde visserijproducten, als bedoeld in [artikel 23 van het Besluit visserij producten 1999 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028480&artikel=23), geschiedt onder zodanige hygiënische omstandigheden, dat elke besmetting van de producten wordt voorkomen. Artikel 2 De verpakking van een visserijproduct is zodanig geconstrueerd en aangebracht, dat de inhoud ervan niet kan worden veranderd zonder dat het verpakkingsmateriaal wordt geopend of aangetast. Artikel 3 1. Onverminderd de overige voorschriften die met betrekking tot de verpakking van producten in het algemeen of visserijproducten in het bijzonder reeds zijn of nog zullen worden vastgesteld, is het verpakkingsmateriaal van een zodanige aard, dat: - a. het geen verandering kan aanbrengen in de organoleptische kenmerken van de visserijproducten en de bereidingsmethoden die erop zijn toegepast; - b. het geen voor de menselijke gezondheid schadelijke stoffen op de visserijproducten kan overbrengen; - c. het voldoende stevigheid bezit om aan de visserijproducten een doeltreffende bescherming te bieden. 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder verpakkingsmateriaal mede verstaan iedere andere stof die, en ieder ander voorwerp dat ten dienste van of tijdens het verpakken met de visserijproducten in contact komt of kan komen. Artikel 4 De handeling van het verpakken moet zijn voltooid voordat de visserijproducten de inrichting waarin dit geschiedt verlaten. Artikel 5 1. Het verpakkingsmateriaal mag niet opnieuw gebruikt worden, tenzij het betreft speciaal daartoe vervaardigde, ondoordringbare en gladde recipiënten, die bestaan uit corrosie-bestendige stoffen en gemakkelijk te reinigen en te ontsmetten zijn. In dat geval kunnen zij na reiniging en ontsmetting opnieuw gebruikt worden. 2. Verpak"},{"i":14996,"b":"Wet van 28 januari 1999 tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten in diverse wetten alsmede intrekking van enkele wetten die geen betekenis meer hebben (Reparatiewet I) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in diverse wetten enkele wijzigingen van wetstechnische of ondergeschikte aard aan te brengen in verband met geconstateerde wetstechnische gebreken en leemten en enkele wetten in te trekken die geen feitelijke betekenis meer hebben; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Advocatenwet. ARTIKEL IA Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. ARTIKEL II Wijzigt de Algemene termijnenwet. ARTIKEL III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. ARTIKEL IV Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. ARTIKEL V Wijzigt de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen. ARTIKEL VI Wijzigt de Algemene wet gelijke behandeling. ARTIKEL VII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. ARTIKEL VIIA Wijzigt de Ambtenarenwet. ARTIKEL VIII Wijzigt de Arbeidstijdenwet. ARTIKEL IX Wijzigt de Auteurswet 1912. ARTIKEL X Wijzgt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. ARTIKEL XI Wijzigt het Besluit Buitengewoon Strafrecht. ARTIKEL XII Wijzigt de Brandweerwet 1985. ARTIKEL XIII Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL XIV Wijzigt Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL XV Wijzigt Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL XVI Wijzigt Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL XVIA Wijzigt Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL XVII Wijzigt Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL XVIII Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL XIX Wijzigt Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL XX Wijzigt Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL XXI Wijzigt de Colportagewet. ARTIKEL XXII Wijzigt de Co"},{"i":13667,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 maart 2008, nr. CZ/TSZ/2836063, houdende de instelling van de commissie nadeelcompensatie afschaffing bouwregime waaronder nacalculatie gebouwgebonden kapitaallasten van ziekenhuizen Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de Minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. de commissie: de commissie, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023641&artikel=2&z=2008-03-20&g=2008-03-20). - c. de NZa: de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. ziekenhuis: een instelling waar geneeskundige zorg door medisch specialisten met verblijf in de zin van [artikel 10 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=10) wordt verleend. Artikel 2 1. Er is een commissie nadeelcompensatie afschaffing bouwregime waaronder nacalculatie gebouwgebonden kapitaallasten van ziekenhuizen. 2. De commissie heeft tot taak de Minister te adviseren over het te voeren beleid met betrekking tot nadeelcompensatie voor ziekenhuizen in verband met de afschaffing van het bouwregime en de daarmee samenhangende afschaffing van de nacalculatie op gebouwgebonden kapitaallasten. Bij het advies neemt de commissie het gebruikelijke nadeelcompensatierecht in ogenschouw. 3. Uit het in het tweede lid genoemde gebruikelijke nadeelcompensatierecht vloeien de volgende uitgangspunten voort: - –. het ziekenhuis toont een causaal verband aan tussen de schade en de afschaffing van het bouwregime waaronder de nacalculatie op de gebouwgebonden kapitaallasten; - –. het ziekenhuis toont aan als gevolg van deze maatregel onevenredig zwaar te worden getroffen; - –. de schade die kan worden geacht te behoren tot het normale ondernemersrisico wordt niet in de berekening betrokken; - –. geen schade wordt in de berekening betrokken voor zover het zi"},{"i":13005,"b":"Besluit van de Directeur Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 augustus 2021, kenmerk 3240608-1013844-OBP, houdende verlening van bijzonder ondervolmacht aan de Vervoerscoördinator van de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel in het kader van de pilot Leasefiets Gelet op [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16), Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Aan de Vervoerscoördinator van de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel wordt de bevoegdheid verleend om namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor bedragen tot € 5.000 exclusief btw, voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van de pilot Leasefiets. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2021. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13974,"b":"Wet van 25 maart 2009, houdende regels inzake de volledige liberalisering van de postmarkt en de garantie van de universele postdienstverlening (Postwet 2009) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, rekening houdend met [richtlijn 97/67/EG](31997L0067) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PbEG 1998 L 15), wenselijk is de bepalingen met betrekking tot het postvervoer aan te passen aan een volledig geliberaliseerde markt voor postdiensten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **Autoriteit Consument en Markt:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - c. **akten van de Wereldpostunie:** de op 10 juli 1964 te Wenen tot stand gekomen Constitutie van de Wereldpostunie (Trb. 1965, 170) en de daarbij behorende voor Nederland bindende verdragen, reglementen en protocollen (Trb. 1965, 170 en Trb. 2002, 205); - d. **bindende gedragslijn:** een zelfstandige last die niet wegens een overtreding wordt opgelegd; - e. **zelfstandige last:** de enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen, bedoeld in [artikel 5:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:2), ter bevordering van de naleving van wettelijke voorschriften. 2. Bij besluit van Onze Ministe"},{"i":15268,"b":"Wet van 29 september 2011 tot uitvoering van het op 23 november 2007 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden (PbEU 2011, L 192/51) en van de verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PbEU L 7/1) (Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen dat wetgeving nodig is ter uitvoering van het op 23 november 2007 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden (PbEU 2011, L 192/51), van het op 23 november 2007 te ’s-Gravenhage gesloten protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (PbEU 2009, L 331/17) en van de [verordening (EG) nr. 4/2009](32009R0004) van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PbEU L 7/1); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **het verdrag:** het op 23 november 2007 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden (PbEU 2011, L 192/51); - b. **de verordening:** de [verordening (EG) nr. 4/2009](32009R0004) van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PbEU L 7/1"},{"i":3697,"b":"Besluit van de Directeur-Generaal van Rijkswaterstaat en de Minister van Infrastructuur en Milieu houdende de verlening van mandaat voor het uitvoeren van de nautische rijkstaken in het Noordzeekanaalgebied aan de directeur van het openbaar lichaam Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied (Besluit mandaat nautische rijkstaken Noordzeekanaalgebied 2013) Gelet op: [Afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), de [Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364), het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628) en de [Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025770), zoals opgenomen in [bijlage 2 van de Regeling over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=2) (hierna: Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen), de [Beschikking aanwijzing bevoegde autoriteiten Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017541); De overeenkomst tussen Minister van Verkeer en Waterstaat en het openbaar lichaam Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied inhoudende de regeling van het nautische beheer in het Noordzeekanaalgebied (Overeenkomst d.d. 21 april 1994); Overwegende dat: Voor vaarwegen in beheer bij het rijk de Minister van Infrastructuur en Milieu het bevoegde gezag is voor de [Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364), het [Scheepvaartreglement territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914), het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628) en de [Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025770). In de [Beschikking aanwijzing bevoegde autoriteiten Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017541) de Directeur-Generaal Rijkswaterstaat is"},{"i":15290,"b":"Uitvoervrijstelling (Warenwet) handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op artikel II, derde lid, van de Wijzigingswet 1988 [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) (Stb. 358), jo [artikel 16, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=16) (Stb. 1988, 360); Gezien het advies van de Adviescommissie [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) (advies van 22 maart 1990, nr 14169/035); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Ten aanzien van waren welke kennelijk bestemd zijn voor uitvoer, wordt vrijstelling verleend van krachtens de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) (Stb. 1935, 793) vastgestelde voorschriften: - a. voor zover ten aanzien van die waren voorschriften zijn gesteld krachtens de [Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755) (Stb. 1971, 371), die betrekking hebben op een onderwerp waarin ook krachtens de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) is voorzien; of - b. voor zover ten aanzien van die waren voorschriften van toepassing zijn welke zijn gesteld in: die betrekking hebben op een onderwerp waarin ook krachtens de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) is voorzien; of - 1º. de Regeling uitvoer vers vlees 1985 (Stcrt. 252); - 2º. de Regeling uitvoer vleesprodukten 1979 (Stcrt. 150); of - 3º. de Regeling keuring en handelsverkeer vers vlees pluimvee 1985 (Stcrt. 120): - c. voor zover die waren voldoen aan door het land van bestemming ter zake gestelde specifieke voorschriften, dan wel aan ter zake welbepaalde internationale regelingen, aan de totstandkoming waarvan de Nederlandse regering heeft meegewerkt, en die voorschriften onderscheidenlijk regelingen desgevraagd door de belanghebbende zijn overgelegd ten behoeve van de met het toezicht ter zake belaste autoriteit"},{"i":15291,"b":"Upstream: Music Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Paragraaf 1. algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: - **bestuur:** de directeur-bestuurder van het Fonds Podiumkunsten; - **Fonds Podiumkunsten:** Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland/NL:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Artikel 1.2. Doel Om bij te dragen aan de carrièreontwikkeling van artiesten in Nederland kent het bestuur in het kader van Upstream: Music financiële bijdrages toe ten behoeve van creatieve en zakelijke trajecten waarmee een duurzame verbetering van het verdienmodel van een artiest zal worden gerealiseerd. Paragraaf 2. de aanvraag Artikel 2.1. De aanvraag 1. De aanvraag heeft betrekking op een creatief en zakelijk traject met een looptijd van maximaal twee jaar waarin het distribueren en exploiteren van nieuwe of reeds bestaande muziekwerken van een specifieke artiest centraal staat. 2. De aanvraag kan worden ingediend door een artiest of door een derde die een overeenkomst met de betreffende artiest heeft, gericht op de in het kader van het traject te realiseren activiteiten. Een derde die als aanvrager optreedt, dient desgevraagd aan te tonen dat hij voorafgaand aan de aanvraag gedurende minimaal twee jaar aantoonbaar en op continue basis actief is geweest op het gebied van productie, distributie en/of exploitatie van muziek in Nederland. 3. Als het aangevraagde bedrag 25.000 euro of meer bedraagt dient de aanvrager rechtspersoonlijkheid te bezitten. In alle andere gevallen is alleen een inschrijving bij de Kamer van Koophandel vereist. Artikel 2.2. Inhoud aanvraag 1. In het plan wordt in ieder geval beschrev"},{"i":15300,"b":"Vaststelling actieplan SSZ 2001 Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008783&artikel=2) (Stcrt. 1997, 133); Besluit: Artikel I Vast te stellen het actieplan SSZ 2001 van de [Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008783) verkeer en vervoer, overeenkomstig bij dit besluit gevoegde bijlagen. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening in de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal, met uitzondering van de bijlagen, in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen worden bekendgemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Plesmanweg 1-6 te Den Haag en bij de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu B.V., Catharijnesingel 59 te Utrecht."},{"i":4222,"b":"Besluit vaststelling subsidieplafonds en indiendata 2025 Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Tekst en compositie 1. Voor **ontwikkelbeurs muziekauteur** als bedoeld in [artikel 2.1 van de Deelregeling composities en libretto’s Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036773&artikel=2.1) geldt in 2025 het volgende: | | subsidieplafond | indiendatum | | --- | --- | --- | | Ronde 1 | 280.000 | 26 maart 2025 | | Ronde 2 | 280.000 | 17 september 2025 | 2. Voor **subsidies voor het verlenen van een opdracht compositie en libretto** als bedoeld in [artikel 3.1 van de Deelregeling composities en libretto’s Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036773&artikel=3.1) geldt in 2025 het volgende: | | subsidieplafond | indiendatum | | --- | --- | --- | | Ronde 1 | 250.000 | 15 januari 2025 | | Ronde 2 | 250.000 | 25 juni 2025 | 3. Voor **subsidies voor het verlenen van een reeks opdrachten compositie en libretto** als bedoeld in [artikel 4.1 van de Deelregeling composities en libretto’s Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036773&artikel=4.1) geldt in 2025 het volgende: | subsidieplafond | indiendatum | | --- | --- | | 825.000 | 20 augustus 2025 | Artikel 2. Produceren 1. Voor **productiesubsidies** als bedoeld in [artikel 2.1 van de Deelregeling projectsubsidies Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029367&artikel=2.1) geldt in 2025 het volgende: | | subsidieplafond | indiendatum | | --- | --- | --- | | Ronde 1 | 1.400.000 | 8 januari 2025 | | Ronde 2 | 1.400.000 | 9 april 2025 | | Ronde 3 | 1.400.000 | 3 september 2025 | 2. Voor **subsidie nieuwe makers** als bedoeld in [artikel 3.1 van de Deelregeling projectsubsidies Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029367&artikel=3.1) geldt in 2025 het volgende: | | subsidieplafond | indiendatum | | --- | --- | --- | | Ronde 1 | 1.000.000 | 5 maart 2025 | 3. Voor een **financ"},{"i":4083,"b":"Besluit van 21 september 2006, houdende aanwijzing van werkzaamheden als zorg in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg en uitzondering van vormen van zorg van die wet of een deel daarvan (Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 mei 2006, kenmerk MC/MO-2686388; Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 29 juni 2006 nummer W13.06.0169/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 september 2006, kenmerk MC/MO-2714571; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet marktordening gezondheidszorg in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). Artikel 2 1. Als zorg in de zin van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) worden aangewezen de werkzaamheden van: - a. de Stichting Beroeps Opleiding Huisartsen, voor zover het betreft de toepassing van [artikel 56a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a) ten behoeve van de opleiding tot huisarts, specialist ouderengeneeskunde, verslavingsarts en arts voor verstandelijk gehandicapten; - b. instellingen waarvan de werkzaamheden zijn gericht op donatie of transplantatie van weefsel of organen; - c. personen ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) of door personen als bedoeld in [artikel 34 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34), voor zover het betreft werkzaamheden in het kader van hun beroepsuitoefening met uitzondering van bedrijfsgeneeskundige zorg of verzekeringsgeneeskundige zorg, al da"},{"i":3782,"b":"Besluit van 21 december 2000, houdende vaststelling van het Besluit meldingsregeling Wet Bpf 2000 (Besluit meldingsregeling Wet Bpf 2000) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 11 oktober 2000, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/V&P/00/64573; Gelet op [artikel 23, tweede lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=23); De Raad van State gehoord (advies van 26 oktober 2000, No. W12.00.0480/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 18 december 2000, Nr. SV/V&P/00/72194; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092); - b. bedrijfstakpensioenfonds: bedrijfstakpensioenfonds waarin deelneming op grond van [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=2) verplicht is gesteld; - c. bijdrage: iedere ineens of periodiek verschuldigde geldsom bestemd voor de verzekering van pensioen. Artikel 2. De mededeling 1. De mededeling, bedoeld in [artikel 23, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=23) wordt schriftelijk gedaan uiterlijk veertien kalenderdagen na de dag waarop op grond van de regeling omtrent de betaling van de premies, bedoeld in [artikel 26 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=26), dan wel op grond van de statuten en reglementen van het bedrijfstakpensioenfonds de bijdrage behoorde te zijn voldaan. 2. De mededeling ter zake van een bijdrage, die is vastgesteld vanwege de omstandigheid dat ten onrechte geen bijdrage is vastgesteld dan wel dat na de vaststelling van de bijdrage blijkt, dat een lagere bijdrage is vastgesteld dan is verschuldigd, wordt schrif"},{"i":3397,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 juni 2019, nr. 2019-0000024213, houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet normering topinkomens en het verlenen van mandaat voor de handhaving van die wet op het terrein van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Besluit BZK-toezicht en handhaving WNT) Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.1) en [5.3 tot en met 5.6 van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), alsmede [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=5) en [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **WNT:** de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249); - c. **Eenheid toezicht WNT:** de met toezicht en handhaving van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) belaste medewerkers bij de directie Ambtenaar & Organisatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die deel uitmaken van de afdeling Topinkomens en Economische Advisering (hierna: TEA). Artikel 2. Gebundeld toezicht op de naleving en handhaving van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) 1. De ambtenaren werkzaam bij de Eenheid toezicht WNT worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) ten aanzien van rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen waarvoor de minister moet worden aangemerkt als de minister wie het aangaat in de zin van de WNT. 2. Aan het hoofd TEA, die leiding geeft aan de Eenheid toezicht WNT, wordt mandaat en machtiging verleend voor het vorderen van opgaven en inli"},{"i":15318,"b":"Vaststelling overgangsregeling bijlage 1 van het VBG Gelet op de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart bij protocol 1994-1-26 aangenomen resolutie; Gelet op artikel 2, vierde lid, van het Reglement Gevaarlijke Stoffen en artikel 3 van Bijlage 1 van het VBG; Besluit: Artikel I Ten aanzien van de toepassing van het bepaalde in randnummer 10 315 (5) van bijlage 1 van het VBG, geldt de volgende overgangsregeling: Certificaten, waarvan de werkingsduur voor 1 april 1994 is verstreken blijven tot 1 juli 1995 geldig, voor zover de eigenaar van dit certificaat kan aantonen zich te hebben opgegeven voor een herhalings- en vervolgcursus, die vóór 1 juli 1995 moet aanvangen. De geldigheidsduur van het certificaat dat na afloop van de cursus wordt afgegeven, werkt terug tot aan de afloopdatum van het voorgaande certificaat. Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15321,"b":"Vaststelling selectielijst archieven Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5)(Wet van 28 april 1995, Stb. 276); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 november 1995, nr. 448); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat op het beleidsterrein burgerluchtvaart, inzake de Luchtverkeersbeveiligingsorganisatie (periode 1945-1993), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":15328,"b":"Vaststelling selectielijst grondprijsbeleid Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 1 september 1997, nr. arc-97.6796/1); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij binnen het beleidsterrein grondprijsbeleid over de periode 1945-1993, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken de categorie Taak van de ’Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van de onder het Ministerie van Landbouw en Visserij ressorterende Directie beheer landbouwgronden en van de onder deze Directie ressorterende organen, commissies en ambtenaren’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij en de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, no. PAZ 273 en Dir.MMA/Ar 194.557 d.d. 7 september 1978, gewijzigd 28 juni 1993 bij beschikking van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, no. A93.527.WH/NF (gepubliceerd in de Staatscourant nummer 148 van 6 augustus 1993)). Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":13417,"b":"Instellingsbesluit Adviescollege Landelijk management development brandweer Besluit: Artikel 1 Er is een Adviescollege Landelijk management development brandweer. Artikel 2 Het Adviescollege Landelijk management development brandweer heeft als taak aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te adviseren over: - a. de beleidsuitgangspunten voor het LMD brandweer; - b. relevante ontwikkelingen en eventuele onderzoeksvragen in het kader van (L)MD brandweer; - c. het uitdragen van de beleidsuitgangspunten voor het LMD brandweer naar de achterban; - d. het bevorderen van de synergie tussen het LMD brandweer enerzijds en regionaal en gemeentelijk MD brandweer anderzijds. Artikel 3 Het Adviescollege LMD Brandweer is als volgt samengesteld: - a. de heer dr. R.L. Vreeman, burgemeester van gemeente Tilburg, voorzitter veiligheidsregio Midden en West Brabant, voorzitter; - b. mevrouw drs. A.Th.B. Bijleveld-Schouten, burgemeester van Hof van Twente, plaatsvervangend voorzitter; - c. de heer M.A. Fränzel, burgemeester van Woensdrecht, lid; - d. de heer ing. Th. Faber, vertegenwoordiger NVBR-bestuur, tevens commandant regionale brandweer Groningen en brandweer gemeente Groningen, lid; - e. de heer J.J. Rooijmans, directeur Veiligheid van de hulpverleningsregio Zuid-Oost Brabant, lid; - f. de heer dr. P.L.J. Bos MCDm, commandant regionale brandweer Zuid-Holland-Zuid en brandweer gemeente Dordrecht, lid; - g. mevrouw drs. mr. C.M. Sjerps, secretaris College van Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten te ’s-Gravenhage, lid; - h. de heer mr. D.K.W. Hendriks, gemeentesecretaris Edam-Volendam, lid; - i. mevrouw mr. A.L.C. Roelofs, directeur Brandweer en GHOR van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te ’s-Gravenhage, lid; - j. mevrouw ing. H.W.M. Blaauw, hoofd unit Landelijk Management Development Brandweer van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te ’s-Gravenhage, secretaris. Artikel 4 Een ieder die bet"},{"i":12896,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Productschap Pluimvee en Eieren over de periode vanaf 1956 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Productschap Pluimvee en Eieren (PPE) over de periode vanaf het jaar 1956’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijsten voor de neerslag van de handelingen van het Productschap Pluimvee en Eieren (PPE) - –. op het beleidsterrein Mestbeleid over de periode vanaf 1945 (vastgesteld bij beschikking nr. **R&B/OSA/2001/921 d.d. 12-9-2001** (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 12 d.d. 17-1-2002) - –. [op het beleidsterrein Landbouwkwaliteit en voedselveiligheid over de periode vanaf 1945](onbekend) (vastgesteld bij beschikking nr. **C/S&A/06/2221 d.d. 18-10-2006** (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 95 d.d. 21-5-2007) - –. [op het beleidsterrein Voedselvoorziening en Agrarisch Markt- en prijsbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend) (vastgesteld bij beschikking nr. **C/S&A/07/2282 d.d. 18-9-2007** (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 198 d.d. 12-10-2007) - –. [op het beleidsterrein Voeding- en productveiligheid over de periode vanaf 1945](onbekend) (vastgesteld bij beschikking nr. **C/S&A/07/238 d.d. 29-1-2007** (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 47 d.d. 7-3-2007) - –. [op het beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend) (vastgesteld bij beschikking nr. **C/S&A/08/409 d.d. 15-2-2008** (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 60 d.d. 27-3-2008) worden vanaf het jaar 1956 ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in"},{"i":15354,"b":"Vaststelling vergoeding voorzitter en leden programmacommissie van onderzoeksprogramma MVO Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de programmacommissie van het onderzoeksprogramma MVO ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 249,58. 2. Voor werkzaamheden in het kader van de beoordeling van de onderzoeksvoorstellen en het beoordelen van de eindrapportages in het kader van het onderzoeksprogramma MVO, anders dan het bijwonen van een vergadering, ontvangt de voorzitter per vergadering een vergoeding van € 2080. 3. Voor de werkzaamheden in het kader van de tussenrapportages en eventuele bijsturing op hoofdlijnen van de onderzoeksprogramma's, anders dan het bijwonen van een vergadering, ontvangt de voorzitter per vergadering een vergoeding van € 1040. Artikel 2 1. De andere leden van de programmacommissie van het onderzoeksprogramma MVO, uitgezonderd de ambtelijke leden, ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 124,79. 2. Voor werkzaamheden in het kader van de beoordeling van de onderzoeksvoorstellen en het beoordelen van de eindrapportages in het kader van het onderzoeksprogramma MVO, anders dan het bijwonen van een vergadering, ontvangen de in het eerste lid bedoelde leden per vergadering een vergoeding van € 1040. 3. Voor de werkzaamheden in het kader van de tussenrapportages en eventuele bijsturing op hoofdlijnen van de onderzoeksprogramma's, anders dan het bijwonen van een vergadering, ontvangen de in het eerste lid bedoelde leden per vergadering een vergoeding van € 520. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12703,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2016, kenmerk 159145-CZ houdende vaststelling van beleidsregels voor het subsidiëren van ziekenhuizen en de NVZ voor het stimuleren van elektronische gegevensuitwisseling tussen patiënt en zorgaanbieder (Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional) Gelet op [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1 De beleidsregels voor het verstrekken van subsidies aan ziekenhuizen en de NVZ voor het stimuleren van elektronische gegevensuitwisseling tussen patiënt en zorgaanbieder worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2017 en vervalt met ingang van 1 april 2020. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional. Bijlage. bij het Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional 1. Inleiding In de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van 2 juli 2014 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2013–14, 27 529, nr. 130) is het beleid op het terrein van verbetering van de ICT-infrastructuur bij ziekenhuizen uiteengezet. Doel is dat ziekenhuizen op korte termijn een digitaliseringslag maken om de zorg nog veiliger, patiëntgerichter en doelmatiger te maken. Dit houdt in dat ziekenhuizen vóór 2020 op een gestandaardiseerde en veilige manier informatie digitaal kunnen uitwisselen met de patiënt. Op dit moment zet een beperkt aantal ziekenhuizen al de eerste stappen om informatie digitaal meer te ontsluiten. Duidelijk is ook dat ziekenhuizen dit niet allemaal op dezelfde wijze doen en ook niet dezelfde of geen standaarden gebruiken. Om"},{"i":12290,"b":"Besluit van 20 september 2019, nr. 2016001827, houdende gelijkstelling van 22 mei 2020, 14 mei 2021 en 27 mei 2022 met een algemeen erkende feestdag Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 10 september 2019, directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving, directie Juridische en Operationele Aangelegenheden, nr. 2555622.; Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3) worden gelijkgesteld 22 mei 2020, 14 mei 2021 en 27 mei 2022. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van verschijning van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Justitie en Veiligheid is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18236,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Waarderingskamer vanaf 1 januari 2014 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst van de Waarderingskamer vanaf 1 januari 2014 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst: - •. [Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Waarderingskamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022245) en de daaronder ressorterende actoren op het beleidsterrein (toezicht op uniforme) Waardebepaling onroerende zaken d.m.v. belastingheffing door Rijk, gemeenten en waterschappen over de periode vanaf 1991, gepubliceerd in de Staatscourant 17 juli 2007, nr. 135. wordt afgesloten vanaf 1 januari 2014 voor de Waarderingskamer en de daaronder ressorterende actoren. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17736,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië inzake wederzijdse administratieve bijstand ten behoeve van de juiste toepassing van de douanewetgeving en de voorkoming, opsporing en bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en andere belastingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving van verboden, beperkingen en controlemaatregelen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving hun economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid en handel schaden; Overwegend dat de grensoverschrijdende handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, gevaarlijke stoffen, bedreigde diersoorten en giftig afval een gevaar voor de samenleving vormt; Overwegend dat de grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door nauwe samenwerking tussen hun douane-administraties op basis van duidelijke wettelijke bepalingen; Gelet op de van belang zijnde instrumenten van de Internationale Douaneraad, in het bijzonder de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand van 5 december 1953; Tevens gelet op verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. wordt onder „douane-administratie” verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de centrale administ"},{"i":15384,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Deviezenbeleid over de periode 1945–1981 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Deviezenbeleid over de periode 1945–1981](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18674,"b":"Aanwijzing opsporingsambtenaren Gelet op de [artikelen 1, onder 4., en 17, eerste lid onder 2., van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1) (Stb. 1950, K258); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, 3 en 4, vijfde lid, van de Wet van 27 juni 1963 tot uitvoering van de verordening nr. 11 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap (Stb. 1963, 344), bij of krachtens de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002418&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002418&artikel=4) en [5, derde lid, van de Wet vrachtprijzen vervoer van kolen en staal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002418&artikel=5) (Stb. 1963, 343) en bij of krachtens de Wet Personenvervoer (Stb. 1987, 175), voor zover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1) worden aangewezen: - a). de Directeur-Generaal voor het Vervoer; - b). de Inspecteur van het Verkeer; - c). de aan de Inspecteur-Generaal van het Verkeer toegevoegde Rijkshoofdinspecteur van het Verkeer; - d). de bestuursmedewerkers Controle; - e). de unitmanagers Controle; - f). de plaatsvervangend unitmanagers Controle; - g). de Rijkshoofdcontroleurs van het Verkeer; - h). de Rijkscontroleurs van het Verkeer. Artikel 2 De volgende beschikkingen worden ingetrokken: - a). de beschikking betreffende aanwijzing opsporingsambtenaren Wet uitvoering verordening nr. 11 van de Raad van de E.E.G. (Stcrt. 1964, 32); - b). de beschikking betreffende [aanwijzing opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002418)[Wet vrachtprijzen vervoer van kolen en staal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002418) (Stcrt. 1965, 123); - c). de beschikking betreffende aanwijzing opsporingsambtenaren Wet Personenvervoer (Stcrt. 1975,"},{"i":19220,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 23 januari 2015, nr. MinBuZa.2015.19674, houdende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Jemen (Sanctieregeling Jemen 2015) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; Gelet op [Verordening 1352/2014](32014R1352) van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Jemen (Pb L 365); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 bis, artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 9, eerste lid, en artikel 10 van [Verordening 1352/2014](32014R1352) van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Jemen (Pb L 365). 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in gevallen waarin artikel 2, derde lid, artikel 3 bis, artikel 4, artikel 5, artikel 6, artikel 7 of artikel 8 van [Verordening 1352/2014](32014R1352) van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 bis, eerste lid, artikel 4, artikel 5, artikel 6, artikel 7, artikel 8, eerste lid, en artikel 9, eerste lid, van [Verordening 1352/2014](32014R1352) is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard. 2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 bis, eerste lid, artikel 4, artikel 5, artikel 6, artikel 7 en artikel 9, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1352/2014 is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft het verlenen van technische bijstand, de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen of informatie anders dan van financiële aard. Artikel 3"},{"i":17232,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 juni 2024, nr. 2024-0000015643, tot aanwijzing van evacués uit het Midden-Oosten met een Nederlandse verblijfsstatus als groep wier huisvesting bijzondere zorg van rijkswege behoeft Gelet op [artikel 31, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=31); Besluit: Artikel 1 De categorie van woningzoekenden wier huisvesting bijzondere zorg van rijkswege behoeft als bedoeld in [artikel 31, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=31), betreft personen die: - a. vanaf 7 oktober 2023 uit het Midden-Oosten naar Nederland zijn geëvacueerd door de Staat der Nederlanden ten gevolge van de situatie in Israël en Gaza; - b. niet zelf in hun huisvesting in Nederland kunnen voorzien en als gevolg daarvan verblijven in een door de Nederlandse overheid aangeboden voorziening voor tijdelijke huisvesting, niet zijnde een opvang op grond van [artikel 3, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=3); en - c. in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning op grond van [artikel 10, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=10). Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze regeling vervalt twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19153,"b":"Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, lijst I en lijst IA Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op enkele verboden handelingen met betrekking tot middelen op [lijst I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&bijlage=I) en substanties behorende tot de stofgroepen van [lijst IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&bijlage=Ia). 1 tablet cq 1 pil cq 1 ampule cq 1 gemiddelde consumptie-eenheid wordt gelijkgesteld met 0,5 gram. Voor GHB geldt 5 ml als gemiddelde consumptie-eenheid. Uitzondering geldt voor substanties die zijn afgeleid van de op [lijst IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&bijlage=Ia) vermelde stofgroep 4-aminopiperidine, oftewel de fentanyl-achtigen. Voor fentanyl-achtigen is het uitgangspunt voor een consumptie-eenheid 2 milligram. Zie hiervoor tabel 6. Er zijn vijf basisdelicten met uitgangspunten geformuleerd. Daarnaast is een tabel (tabel 6) toegevoegd voor substanties die behoren tot de stofgroepen genoemd op [lijst IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&bijlage=Ia), die sinds 1 juli 2025 aan de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) is toegevoegd. Bij enkele delicten geldt een verzwaarde recidiveregeling. Inbeslaggenomen drugs worden onttrokken aan het verkeer. Bij het komen tot een OM-afdoening of formuleren van een eis ter terechtzitting, dient voor ogen te worden gehouden dat aan een overtreding van de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) afgezien van de gezondheidsschade in nagenoeg alle gevallen een financieel motief ten grondslag ligt. De enige algemene uitzondering daarop betreft het aanwezig hebben van een geringe hoeveelheid harddrugs voor eigen gebruik. In zaken die zich daarvoor lenen en waarin dat passend wordt geacht, dient gezien het winstbejag expliciet te worden overwogen om de hieronder genoemde strafmodaliteiten taakstraf (TS) en gevangenisstraf (GS) (al dan niet gedeeltelijk) om te zetten in de strafmodaliteit geldboete. Deze overwe"},{"i":15388,"b":"Besluit van 22 augustus 1997, houdende vaststelling van een vaste vergoeding aan de leden van de Overleg- en begeleidingscommissie CAS Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mr. J. Kohnstamm, van 18 augustus 1997, stafbureau Openbaar Bestuur, nr. CAS96/1/27; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3) (**Stb.** 1996, 583); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Aan de leden van de Overleg- en begeleidingscommissie CAS wordt voor hun werkzaamheden een vaste vergoeding toegekend per vergadering. De vergoeding bedraagt voor de voorzitter € 254,12 en voor een ander lid € 190,59. 2. Twee of meer vergaderingen op dezelfde dag gelden als één vergadering. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het**Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":15408,"b":"Verantwoordingen RVE Zvw met oplevering in 2017 (Accountantsprotocol) 1. Uitgangspunten 1.1. Inleiding Dit accountantsprotocol heeft betrekking op het uitvoeringsverslag en de verantwoordingen die voor de risicoverevening [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) met assurance worden uitgevraagd in 2017: In het Handboek zorgverzekeraars informatie Zorgverzekeringswet (verder: ‘Handboek’) van Zorginstituut Nederland is omschreven wat er uitgevraagd wordt. 1.2. Procedures De NZa houdt op grond van [artikel 16 Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) (Wmg) toezicht op de rechtmatige uitvoering van de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) door de zorgverzekeraars. Het onderzoek naar de juistheid van de door de zorgverzekeraars aangeleverde verantwoordingen voor de risicoverevening is daar onderdeel van. De NZa kan op grond van [artikel 27 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=27) regels stellen over de controles die zorgverzekeraars moeten uitvoeren. Ook kan de NZa op basis van artikel 27 Wmg regels stellen over de inhoud en inrichting van het accountantsverslag en het onderzoek van de accountant dat daaraan ten grondslag ligt. Dit accountantsprotocol geeft richtlijnen voor het door de accountant uit te voeren onderzoek naar de juistheid van de gegevens in de verantwoordingen RVE die met accountantsproduct moeten worden aangeleverd. Tevens geeft dit protocol aanwijzingen voor het rapport van feitelijke bevindingen bij het uitvoeringsverslag. De accountant hanteert het protocol als kader voor zijn werkzaamheden. Daarnaast laat hij zich leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de [Verordening gedrags- en beroepsregels accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635) (VGBA), de [Verordening inzake onafhankelijkheid van de accountant bij Assurance opdrachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034652) (VIO) en de [Nadere Voorsch"},{"i":15410,"b":"Wet van 5 juli 1921, tot vaststelling van voorschriften betreffende overzetveren en veerrechten Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is voorschriften vast te stellen betreffende overzetveren en veerrechten; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Overzetveren Artikel 1 Tot het ondernemen van een overzetveer wordt geene voorafgaande vergunning of bekrachtiging van tarieven gevorderd. Artikel 2 1. De Provinciale Staten zijn bevoegd met betrekking tot door hen bepaald aan te duiden wateren of gedeelten daarvan bij verordening voor overzetveren voorschriften vast te stellen ter verzekering van de veiligheid van reizigers en goederen, ter oplegging van de verplichting tot bekendmaking van dienstregeling en tarief, tot het tegengaan van heffingen zonder of in strijd met een bekend gemaakt tarief, ter bepaling van de gevallen, waarin van de dienstregeling en van het tarief kan worden afgeweken, en tot het treffen van verdere in het provinciaal belang noodig geoordeelde voorzieningen. 2. Een verordening als bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste een maand voor de datum van inwerkingtreding aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat meegedeeld. Artikel 3 Overtreding van verordeningen, krachtens het voorgaande artikel vastgesteld, wordt, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit aangemerkt, gestraft met hechtenis van ten hoogste twaalf dagen of geldboete van de eerste categorie. Artikel 4 Met betrekking tot overzetveren, gelegen in andere dan de ingevolge [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001905&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2023-05-01&g=2023-05-01) aangeduide wateren, komt de bevoegdheid tot regeling, omschreven in dat artikel, toe aan den raad der gemeente, binnen welke het veer wordt uitgeoefend. Artikel 5 Vervallen Artikel"},{"i":15423,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 oktober 2020, nr. 25426964, houdende vaststelling van de vergoedingen van de leden van de Commissie Collectie Nederland (Vergoedingenregeling Commissie Collectie Nederland) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De leden van de Raad voor Cultuur die tevens lid zijn van de Commissie Collectie Nederland ontvangen daarvoor een vaste vergoeding in aanvulling op de vergoeding, bedoeld in [artikel 2 van de Vergoedingenregeling Raad voor Cultuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025793&artikel=2). Ten aanzien van deze vaste vergoeding wordt de salarisschaal van de leden vastgesteld op schaal 16 zoals overeengekomen in de CAO Rijk en wordt de arbeidsduurfactor vastgesteld op 0,4. Artikel 2 1. In afwijking van [artikel 2a van de Vergoedingenregeling Raad voor Cultuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025793&artikel=2a) ontvangen de leden van de Commissie Collectie Nederland, die geen lid zijn van de Raad voor Cultuur, een vaste vergoeding. 2. De salarisschaal van een lid als bedoeld in het eerste lid, benoemd in de functie van voorzitter, wordt vastgesteld op schaal 18 zoals overeengekomen in de CAO Rijk. De arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 0,1. 3. De salarisschaal van overige leden als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op schaal 16 zoals overeengekomen in de CAO rijk. De arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 0,1. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2020. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling Commissie Collectie Nederland. Deze regeling zal in de Staatscourant worden g"},{"i":15447,"b":"Verordening aktepapier Overwegende dat het gewenst is regelen te stellen omtrent het papier waarop de akte wordt gesteld en de wijze waarop de tekst van de akte op dit papier wordt gesteld; Gelet op [artikel 41 lid 2 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=41); Gezien het ontwerp van het bestuur met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de kamers van toezicht; Gelet op de adviezen van de ringen; stelt de navolgende verordening vast: Materiaal Artikel 1 Het papier waarop akten, afschriften, grossen en notariële verklaringen worden gesteld en al hetgeen daarop gedrukt en geschreven staat, moeten voldoen aan de in of krachtens deze verordening gestelde vereisten; dit papier wordt hierna genoemd: aktepapier. Deze vereisten gelden niet indien en voor zover de notaris verplicht is van ander, van overheidswege verstrekt papier gebruik te maken. Eisen en reglement Artikel 2 1. Het aktepapier dient zodanige eigenschappen te bezitten en al hetgeen daarop gedrukt en geschreven staat dient op zodanige wijze op dit aktepapier te worden gesteld dat - a. het aktepapier en al hetgeen daarop gedrukt en geschreven staat bij normaal gebruik een duurzaamheid van ten minste 100 jaar hebben; - b. wordt voldaan aan de overige in lid 2 bedoelde bruikbaarheidsvereisten. 2. In verband met het in lid 1 bepaalde, stelt het bestuur bij reglement vereisten vast - a. ten aanzien van het aktepapier aangaande een aantal technische kenmerken, de houdbaarheid, de bedrukbaarheid en beschrijfbaarheid en de verwerkbaarheid en het gebruiksgemak; - b. ten aanzien van al hetgeen op het aktepapier gedrukt en geschreven staat aangaande de houdbaarheid en leesbaarheid; - c. ten aanzien van het aktepapier, en al hetgeen daarop gedrukt en geschreven staat aangaande hel uiterlijk en de beveiliging. 3. Naast de onder lid 2 genoemde vereisten stelt het bestuur bij reglement tevens vereisten vast aangaande het logistieke proces van het aktepapier. 4. Over"},{"i":17959,"b":"Wet van 27 november 2013 tot wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet cliëntenrechten zorg en enkele andere wetten in verband met het tijdig signaleren van risico’s voor de continuïteit van zorg alsmede in verband met het aanscherpen van procedures met het oog op de kwaliteit en bereikbaarheid van zorg Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! Doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078), de Wet cliëntenrechten zorg en enkele andere wetten te wijzigen teneinde te waarborgen dat tijdig risico’s voor de continuïteit van zorg worden gesignaleerd, bij een voorgenomen concentratie van een of meer zorgaanbieders de effecten op de kwaliteit en bereikbaarheid van de zorg alsmede de belangen van cliënten en personeel zorgvuldig worden meegewogen, alsmede in geval van ernstig tekortschieten in de kwaliteit van de zorgverlening als gevolg van de organisatiestructuur van de zorgaanbieder, de zorgaanbieder zo nodig kan worden verplicht wijzigingen in deze organisatiestructuur aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel II Wijzigt de Wet cliëntenrechten zorg. Artikel III Wijzigt de Mededingingswet. Artikel IV Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel V Wijzigt de Kwaliteitswet zorginstellingen. Artikel VI Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel VIa Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VII Wijzigt de Wet cliëntenrechten zorg. Artikel VIII De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillend"},{"i":2893,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2023 van 8 augustus 2022, nummer 2022/1 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2022 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2021; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 2,7%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Landscourant van Curaçao en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2023."},{"i":15572,"b":"Vorderingswet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een nieuwe regeling vast te stellen betreffende het vorderen van zaken door de landsoverheid; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij en krachtens deze wet bepaalde worden onder zaken verstaan de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. 2. Met betrekking tot vermogensrechten kan in dezelfde gevallen een vordering plaats vinden als met betrekking tot zaken. Voor zover geen andere regels zijn gegeven, is het bij en krachtens deze wet met betrekking tot zaken bepaalde van overeenkomstige toepassing. 3. Op grond van het bij en krachtens deze wet bepaalde is geen vordering toegelaten van enig recht dat betrekking heeft op - a. alle vaartuigen, hoe ook genaamd en van welke aard ook, welke geheel of in hoofdzaak tot de vaart ter zee zijn bestemd; - b. effecten, betaalmiddelen, geldswaardige papieren, goud, vorderingen en documenten waarin zodanige vorderingen zijn belichaamd, ten aanzien waarvan het bepaalde bij of krachtens de [Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547) van toepassing is. Artikel 2 De toepasselijkheid van deze wet wordt beperkt door de in het volkenrecht erkende uitzonderingen. Artikel 3 1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7) kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, [artikel 3 **a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002393&artikel=3a&z=2024-01-01&g=2024-01-01) in werking worden gesteld. 2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onver"},{"i":15663,"b":"Wet van 3 juni 2023 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet dieren met het oog op de versterking en aanvulling van het instrumentarium ten behoeve van de opsporing, vervolging en bestuursrechtelijke sanctionering van dierenmishandeling, dierverwaarlozing en overtreding van bepalingen inzake dierenwelzijn, dierengezondheid en het aanhitsen van dieren (Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing) Allen, die dezen zullen zien of horen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om het bestaande instrumentarium voor de opsporing, vervolging en bestuursrechtelijke sanctionering van dierenmishandeling, dierverwaarlozing en bepalingen betreffende dierenwelzijn en dierengezondheid te versterken en aan te vullen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Wet dieren. Artikel IV Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":2835,"b":"Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1983 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1982 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1981; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet van 22 december 1982, Stb. 704, houdende uitstel van de wijziging van rechtswege door indexering van de bedragen voor levensonderhoud tot 1 april 1983, en afwijking daarbij van de aanpassingsmethodiek, alsmede achterwegelating van de wijziging van rechtswege door indexering van de inkomensgrenzen en eigen bijdragen van de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden per 1 januari 1983; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 april 1983 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 6,4. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1983."},{"i":15680,"b":"Wet van 29 mei 2017 tot wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 houdende aanvullende regels in verband met de automatische uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot landenrapporten (Wet aanvullende regels uitwisseling landenrapporten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen ter implementatie van Richtlijn (EU) 2016/881 van de Raad van 25 mei 2016 tot wijziging van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PbEU 2016, L 146); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel II In afwijking van [artikel 6e, tweede lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=6e) verstrekt Onze Minister van Financiën automatisch het landenrapport dat betrekking heeft op het eerste verslagjaar van de multinationale groep dat begint op of na 1 januari 2016 binnen achttien maanden na de laatste dag van dat verslagjaar. Artikel III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van 5 juni 2017 en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot het eerste verslagjaar van de multinationale groep dat begint op of na 1 januari 2016, met dien verstande dat de wijziging ingevolge [artikel III, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039603&artikel=III&z=2017-06-05&g=2017-06-05), voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot vergrijpen die hebben plaatsgevonden op of na 5 juni 2017. Artikel V D"},{"i":15681,"b":"Wet van 2 februari 2006, houdende regels met betrekking tot de veiligheid van voor het wegverkeer toegankelijke tunnels (Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op [richtlijn nr. 2004/54/EG](32004L0054) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd in PbEU L 201), noodzakelijk is regels te stellen voor het bereiken van een minimaal veiligheidsniveau van tunnels in het trans-Europese wegennet, en dat het wenselijk is in aanvulling op deze richtlijn regels te stellen ten aanzien van de veiligheid van deze en andere wegtunnels; Dat het voorts wenselijk is dat de werkzaamheden van de beoogde Commissie voor de tunnelveiligheid zich mede uitstrekken tot andere tunnels dan wegtunnels; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. richtlijn: [richtlijn nr. 2004/54/EG](32004L0054) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd bij PbEU L 201); - b. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - c. bevoegd college van burgemeester en wethouders: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin een tunnel geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen; - d. hulpverleningsdiensten: de politie, de brandweer en de GHOR, bedoeld in [artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=1); - e. bouwen: hetgeen onder bouwen wordt verstaan in als bedoeld in de [Omgevingswet](https://wetten.o"},{"i":15767,"b":"Wet van 30 september 2010, houdende regels met betrekking tot het geldstelsel van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, alsmede enige voorzieningen van overgangsrechtelijke aard (Wet geldstelsel BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat met de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overeengekomen dat zij als openbare lichamen een staatsrechtelijke positie binnen het Nederlandse staatsbestel krijgen en dat het in verband hiermee wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de munteenheid en de wettige betaalmiddelen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en dat het met het oog op de transitie voorts wenselijk is om enige voorzieningen van overgangsrechtelijke aard te treffen, waaronder de tijdelijke voortzetting van het Nederlands-Antilliaanse fiscale stelsel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. § 1. Het geldstelsel van de openbare lichamen § 2. Overgangsbepalingen in verband met invoering van de dollar § 2a. Tijdelijke voorzetting van het Nederlands-Antilliaanse fiscale stelsel Artikel 13a In deze paragraaf wordt verstaan onder: - a. **tijdstip van transitie:** het tijdstip waarop [artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028249&artikel=I) in werking treedt; - b. **overgangsperiode:** de periode vanaf het tijdstip van transitie tot 1 januari 2011. Artikel 13b 1. Voor zover een belastingplichtige of inhoudingsplichtige op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het tijdstip van transitie rechten en verplichtingen heeft, ingevolge:"},{"i":15771,"b":"Wet van 14 november 1996 regelende de gevolgen van de privatisering van het ABP voor de pensioenen en uitkeringen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding (Wet gevolgen privatisering ABP voor het personeel van de Koninklijke Hofhouding) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regelgeving met betrekking tot de pensioenen en sociale zekerheid van het personeel in dienst van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau aan te passen en in overeenstemming te brengen met de situatie die sedert de privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds bestaat; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 januari 1996. Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. overeenkomst: iedere overeenkomst op het terrein van pensioenen, vervroegd uittreden en sociale zekerheid van het personeel van de Koninklijke Hofhouding die de Stichting aangaat met het doel de uitvoering van die pensioenen, of uitkeringen ter zake van vervroegd uittreden of sociale zekerheid over te dragen aan een derde, of overeenkomst tot wijziging van een dergelijke overeenkomst; - b. personeel van de Koninklijke Hofhouding: zij die door de Koning in dienst zijn genomen om bij de Koninklijke Hofhouding werkzaam te zijn, alsmede de Administrateur van het Kroondomein en het personeel, bedoeld in [artikel 5, derde lid, van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002845&artikel=5); - c. vervallen; - d. Stichting: de Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau, opgericht te 's-Gravenhage bij notariële akte van 24 maart 1960; - e. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in [artikel 6, van de Wet Privati"},{"i":15772,"b":"Wet van 17 februari 2007, houdende regeling voor de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingmiddelen en biociden (Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen voor de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen alsmede voor de toelating en registratie, het op de markt brengen en het gebruik van biociden, mede gelet op [richtlijn nr. 91/414/EEG](31991L0414) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230) en [richtlijn nr. 98/8/EG](31998L0008) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PbEG L 123); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen: apparaat dat specifiek is bestemd voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, inclusief hulpstukken die essentieel zijn voor de doeltreffende werking daarvan, zoals spuitdoppen, manometers, filters, zeven en toebehoren voor het schoonmaken van tanks; behandeld voorwerp: behandeld voorwerp als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder 1, van verordening (EU) Nr. 528/2012; biociden: biociden als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a, van verordening (EU) Nr. 528/2012; college: College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01); communautaire maatregel: verordening, richtlijn of beschikking als bedoe"},{"i":15787,"b":"Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met een hervorming van de regeling betreffende herziening ten voordele van de gewezen verdachte (Wet hervorming herziening ten voordele) Allen, die deze zullen zien of horen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) te wijzigen in verband met een verbetering van de mogelijkheden tot herziening van onherroepelijke rechterlijke uitspraken ten voordele van de gewezen verdachte; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel Ia Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet hervorming herziening ten voordele. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15796,"b":"Wet van 11 april 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een regeling betreffende herziening ten nadele van de gewezen verdachte (Wet herziening ten nadele) Allen, die deze zullen zien of horen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) te wijzigen in verband met de invoering van een mogelijkheid van herziening ten nadele van de gewezen verdachte; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet herziening ten nadele. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15836,"b":"Wet van 9 juli 2004 tot regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is om regels te stellen met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en om de kwaliteit van kinderopvang te waarborgen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Kinderopvang Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **beroepskracht:** - 1°. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum en is belast met de verzorging en opvoeding van kinderen; - 2°. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een gastouderbureau en is belast met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang; - **beroepskracht in opleiding:** degene die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, bedoeld in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625), en ten behoeve van beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging en opvoeding van kinderen bij een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang; - **gastouder:** de natuurlijke persoon van 18 jaar of ouder die gastouderopvang biedt, met uitzondering van natuurlijke personen van wie een of meer kinderen op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gronden onderworpen zijn aan ondertoezichtstelling of voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in [artikel 254](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=254), onderscheidenlijk [artikel 255, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=255), en met uitzondering van de persoon die op hetzelfde woonadres als de ouder of diens partner staat ingeschreven in de gemeenteli"},{"i":15840,"b":"Wet van 15 mei 2019 tot wijziging van de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van een nieuw stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen en de versterking van de positie van de bouwconsument (Wet kwaliteitsborging voor het bouwen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de verbetering van de bouwkwaliteit wenselijk is te regelen dat voor het bouwen van aan te wijzen categorieën bouwwerken gebruik wordt gemaakt van een toegelaten instrument voor kwaliteitsborging, dat voor die categorieën bouwwerken de beoordeling door het bevoegd gezag of het bouwen van het bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft, voldoet aan de bij of krachtens [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=2) of [120 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120) gestelde voorschriften wordt vervangen door een beoordeling of voldaan wordt aan voor de toepassing van het instrument voor kwaliteitsborging gestelde eisen, en dat de privaatrechtelijke positie van de opdrachtgever wordt versterkt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Woningwet. Artikel II Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IV Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autorite"},{"i":15851,"b":"Wet van 18 maart 1987, houdende machtiging tot oprichting van de Stichting Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de Staat der Nederlanden tot oprichting overgaat van de Stichting Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut en dat daartoe ingevolge het bepaalde in [artikel 40 van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=40) 1976 (**Stb.** 671) machtiging bij de wet is vereist; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen wordt gemachtigd de Stichting Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut op te richten. Artikel 2 De geldelijke aansprakelijkheid van het Rijk voor het beheer van de stichting is beperkt tot de aansprakelijkheid voor betaling van de door de stichting krachtens hoofdstuk C en artikel N 1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (**Stb.** 1966, 6) verschuldigde bedragen en tot aansprakelijkheid voor de schulden, welke na haar liquidatie als rechtspersoon mochten overblijven. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad,** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15897,"b":"Wet van 26 juli 2017, houdende regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen met betrekking de taken en bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het kader van de nationale veiligheid, de coördinatie van de taakuitvoering van deze diensten, de verwerking van gegevens door deze diensten, de nationale en internationale samenwerking van deze diensten, de uitoefening van het toezicht en de behandeling van klachten en de geheimhouding, alsmede in verband daarmee enkele wetten te wijzigen en de [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013409) te vervangen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **dienst:** de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst of de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - b. **coördinator:** de functionaris, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - c. **Onze betrokken Minister:** - 1°. ten aanzien van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - 2°. ten aanzien van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst: Onze Minister van Defensie; - 3°. ten aanzien van de coördinator: Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken; - d. **gegevens:** persoonsgegevens en andere gegevens; - e. **persoonsgegevens:** gegevens die betrekking hebben op een identificeerbare of geïdentificeerde"},{"i":15910,"b":"Wet van 11 september 1936, houdende voorzieningen omtrent weerkorpsen Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is enkele voorzieningen te treffen omtrent weerkorpsen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. De weerkorpsen Artikel 1 1. Het is verboden weerkorpsen tot stand te brengen, daarvan deel uit te maken of deze te steunen. 2. Weerkorps is iedere organisatie van particulieren, welke gericht is op of voorbereidt tot het in onderling verband verrichten van of deelnemen aan hetgeen tot de taak behoort van weermacht of politie in de handhaving van de uit- en inwendige veiligheid en van de openbare orde en rust. 3. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor organisaties, toegelaten bij of krachtens algemeenen maatregel van bestuur. Aan eene toelating kunnen voorwaarden worden verbonden. Artikel 2 1. Hij die in strijd handelt met [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001980&hoofdstuk=1&artikel=1&z=1999-04-01&g=1999-04-01), wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. 2. Het feit wordt beschouwd als eene overtreding. Artikel 3 1. Hij die opzettelijk in strijd handelt met [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001980&hoofdstuk=1&artikel=1&z=1999-04-01&g=1999-04-01), wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie. 2. Het feit wordt beschouwd als een misdrijf. Artikel 4 Deze wet kan worden aangehaald als 'Wet op de weerkorpsen'. Artikel 5 Zij treedt op een door Ons te bepalen tijdstip in werking. Hoofdstuk 2 Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Hoofdstuk 3 Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Lasten en bevelen, dat deze in het **S"},{"i":15920,"b":"Wet op het overleg huurders verhuurder Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is wettelijke regels te stellen ter bevordering van het overleg tussen huurders van woongelegenheden en de verhuurder daarvan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - b. woongelegenheid: - 1°. woning; - 2°. standplaats als bedoeld in [artikel 1, onder j, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=1); en - 3°. woonwagen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder l, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=1); - c. wooncomplex: een verzameling van ten minste 25 in elkaars nabijheid gelegen woongelegenheden welke financieel, administratief, qua bouwwijze of anderszins een eenheid vormen; - d. verhuurder: een toegelaten instelling als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=19), dan wel een eigenaar van ten minste 25 voor verhuur bestemde woongelegenheden in Nederland, of degene die door die eigenaar gevolmachtigd is namens hem op te treden; - e. huurder: huurder van een woongelegenheid van een verhuurder als bedoeld onder d, welke huurder daarin zijn hoofdverblijf heeft; - f. huurdersorganisatie: vereniging of stichting, die als doelstelling heeft het behartigen van de belangen van huurders en: - 1°. van welke het bestuur wordt gekozen of aangewezen door en uit de huurders die zij vertegenwoordigt; - 2°. die de huurders op de hoogte houdt van haar activiteiten en hen betrekt bij haar standpuntbepaling; - 3°. die ten minste eenmaal per j"},{"i":15935,"b":"Wet post BES Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **openbaar lichaam:** het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - c. **houder van de concessie:** de rechtspersoon, waaraan een concessie is verleend op grond van [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2019-01-01&g=2019-01-01); - d. **brieven:** bescheiden en schriftelijke mededelingen, al dan niet verpakt, met uitzondering van die welke door toepassing van druk- of andere vermenigvuldigingstechnieken in een aantal geheel met elkaar overeenstemmende exemplaren ter verspreiding zijn vervaardigd en waarin, behoudens de adressering, geen bijvoegingen, doorhalingen of aanduidingen zijn aangebracht; - e. **postzendingen:** brieven en andere geadresseerde zendingen die de houder van de concessie ingevolge het bepaalde bij en krachtens [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2019-01-01&g=2019-01-01), verplicht is te vervoeren; - f. **vervoer:** het geheel van handelingen dat ertoe leidt dat een ter verzending aangeboden postzending wordt afgeleverd; - g. **de akten van de Wereldpostunie:** de Constitutie (Trb. 1965, 170) met in begrip van alle daarin sedertdien aangebrachte en nog aan te brengen wijzigingen, het Algemeen Postverdrag en de overige Overeenkomsten, gesloten door de leden van de Wereldpostunie, alsmede de daarbij behorende reglementen; - h. **algemene voorwaarden:** door de houder van de concessie opgestelde schriftelijke bedingen, die in overeenkomsten terzake van het vervoer van postzendingen worden opgenomen. Hoofdstuk II. Bepalingen inzake het vervoer van postzendingen Artikel 2 1. Ter waarborging van een goede dienstverlening ter zake van het vervoer van postzendingen op en tussen het grondgebied van de openbare lichamen, van en naar"},{"i":15936,"b":"Wet van 25 mei 2016, houdende regels met betrekking tot het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven (Wet precursoren voor explosieven) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013, over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven (PbEU 2013, L 39) bij de wet regels te stellen ten aanzien van het aanbieden, binnenbrengen, voorhanden hebben en gebruiken van stoffen of mengsels die kunnen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van explosieven, ten aanzien van vergunningverlening aan particulieren daaromtrent alsmede ten aanzien van het toezicht op de naleving en de handhaving van de bepalingen van de verordening; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aanbieden:** aanbieden als bedoeld in artikel 3, punt vier, van de verordening; - –. **gebruik:** gebruik als bedoeld in artikel 3, punt zes, van de verordening; - –. **gereguleerde precursor voor explosieven:** een precursor voor explosieven als bedoeld in artikel 3, punt dertien, van de verordening; - –. **marktdeelnemer:** marktdeelnemer als bedoeld in artikel 3, punt tien, van de verordening; - –. **onlinemarktplaats:** onlinemarktplaats als bedoeld in artikel 3, punt 11, van de verordening; - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie en Veiligheid; - –. **particulier:** een particulier als bedoeld in artikel 3, punt acht, van de verordening; - –. **persoonsgegevens, verwerking van persoonsgegevens, onderscheidenlijk verantwoordelijke:** hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4, aanhef en onder 1, 2 en"},{"i":15934,"b":"Wet van 23 december 2015, houdende regels met betrekking tot de veiligheid en het in de handel brengen van pleziervaartuigen (Wet pleziervaartuigen 2016) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat het, gelet op [richtlijn 2013/53](32013L0053)/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 november 2013 betreffende pleziervaartuigen en waterscooters en tot intrekking van [richtlijn 94/25/EG](31994L0025) (PbEU L 354), noodzakelijk is regels te stellen met betrekking tot de veiligheid en het in de handel brengen van pleziervaartuigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **accreditatie:** accreditatie zoals bedoeld in artikel 2, tiende lid, van de verordening; - **CE-markering:** markering waarmee de fabrikant aangeeft dat een product in overeenstemming is met alle toepasselijke eisen van de harmonisatiewetgeving van de Europese Unie die in het aanbrengen van die markering voorziet; - **distributeur:** natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen, anders dan de fabrikant of de importeur, die een product op de markt aanbiedt; - **EU-conformiteitsverklaring:** verklaring afgegeven door de fabrikant dat een product voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 15, eerste tot en met derde lid, van de richtlijn; - **EU-verordening markttoezicht:** [Verordening (EU) nr. 2019/1020](32920R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van [Richtlijn 2004/42/EG](32004L0042) en [Verordeningen (EG) nr. 765/2008](32008R0765) en (EU) [nr. 305/2011](32011R0305) (PbEU 2019 L169); - **fabrikant:** natuurlijke of rechtsper"},{"i":15937,"b":"Wet van 9 februari 2012 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met de invoering van de mogelijkheid tot het stellen van prejudiciële vragen aan de civiele kamer van de Hoge Raad (Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet op de rechterlijke organisatie aan te passen in verband met de invoering van mogelijkheid tot het stellen van prejudiciële vragen aan de civiele kamer van de Hoge Raad; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel II Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel III Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel IV Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen vijf jaren na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15942,"b":"Wet van 21 december 2022 tot wijziging van het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 over de kalenderjaren 2017 tot met 2022 door het lager vaststellen van het voordeel in gevallen waarin dat nodig is om het voordeel in overeenstemming te brengen met de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 (Wet rechtsherstel box 3) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 inzake box 3 de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Reikwijdte en begripsbepalingen 1. Voor toepassing van deze wet wordt verstaan onder: - –. **banktegoeden:** bezittingen als bedoeld in [artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.3) die deposito’s als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) zijn of daarmee naar aard en strekking overeenkomende buitenlandse deposito’s; - –. **het besluit:** de op [artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=38) berustende algemene maatregel van bestuur die voorziet in het voorkomen van dubbele belasting; - –. **overige bezittingen:** bezittingen als bedoeld in [artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.3), anders dan banktegoeden; - –. **schulden:** schulden als bedoeld in [artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.3). 2. Deze wet regelt de wijze waarop, in afwijking van de [Wet i"},{"i":15954,"b":"Wet schadefonds olietankschepen BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **Verdrag:** het op 27 november 1992 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992 (Trb. 1994, 228); - c. **Fonds:** het Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, bedoeld in artikel 2 van het Verdrag; - d. **Aansprakelijkheidsverdrag 1992:** het op 27 november 1992 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1992 (Trb. 1994, 229); - e. **‘Aanvullend Fonds’**: het Internationaal Aanvullend Fonds voor de vergoeding van schade door verontreiniging door olie, bedoeld in artikel 2 van het op 16 mei 2003 te Londen tot stand gekomen Protocol bij het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992 (Trb. 2004, 196). 2. In het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt onder schip, persoon, eigenaar, bijdragende olie, ton en garant verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Verdrag. 3. Onder geassocieerde personen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel b, van het Verdrag, worden verstaan: - a. personen die met elkaar zijn verbonden, doordat de één aan de ander voor eigen rekening rechtstreeks of middellijk meer dan de helft van het kapitaal verschaft, al dan niet tezamen met één of meer andere personen met wie hij in eenzelfde groep is verbonden of met wie hij een onderlinge regeling tot samenwerking heeft; - b. personen die met elkaar in één groep zijn verbonden. Hoofdstuk 2. Rechtsvorderingen en verhaal Artikel 2 1. De uit het Verdrag voortvloeiende verplichting tot betaling van bijdrag"},{"i":15955,"b":"Wet van 14 mei 1981, houdende uitvoering van het op 18 december 1971 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie (Trb. 1973, 101) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, in verband met de bekrachtiging van het op 18 december 1971 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie (**Trb.** 1973, 101) regelen vast te stellen tot uitvoering van dat Verdrag; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden verstaan onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. «Verdrag»: het op 27 november 1992 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992 (**Trb.** 1994, 228); - c. \"Fonds\": het Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, bedoeld in artikel 2 van het Verdrag; - d. \"schip\", \"persoon\", \"eigenaar\", \"bijdragende olie\", \"ton\" en \"garant\": hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Verdrag; - e. «Aansprakelijkheidsverdrag»: het op 27 november 1992 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1992, met Bijlage (**Trb.** 1994, 229); - f. «Aanvullend Fonds»: het Internationaal Aanvullend Fonds voor de vergoeding van schade door verontreiniging door olie, bedoeld in artikel 2 van het op 16 mei 2003 te Londen tot stand gekomen Protocol bij het Internationaal Verdrag betreffende"},{"i":15956,"b":"Wet van 23 augustus 2016, houdende regels met betrekking tot de productie, de conformiteitsbeoordeling en het plaatsen aan boord van scheepsuitrusting (Wet scheepsuitrusting 2016) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het, gelet op [richtlijn 2014/90](32014L0090)/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 juli 2014 inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van [richtlijn 96/98/EG](31996L0098) van de Raad (PbEU L 257), noodzakelijk is regels te stellen met betrekking tot de productie, de conformiteitsbeoordeling en het plaatsen aan boord van scheepsuitrusting; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aangemelde instantie:** instantie die door Onze Minister is aangewezen overeenkomstig [artikel 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038498&paragraaf=6&artikel=11&z=2023-04-19&g=2023-04-19), en is aangemeld bij de Europese Commissie en de andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038498&paragraaf=6&artikel=12&z=2023-04-19&g=2023-04-19); - **beproevingsnormen:** beproevingsnormen, genoemd in artikel 2, onder 4, van de richtlijn; - **conformiteitsbeoordeling:** proces dat wordt uitgevoerd overeenkomstig de conformiteitsbeoordelingsprocedures van bijlage II bij de richtlijn, waarmee wordt aangetoond of scheepsuitrusting voldoet aan de vereisten gesteld bij of krachtens deze wet; - **conformiteitsbeoordelingsinstantie:** instantie die activiteiten in het kader van een conformiteitsbeoordeling verricht, zoals ijken, testen, certificeren en inspecteren; - **conformiteitscertificaat:** certificaat dat wordt afgege"},{"i":15957,"b":"Wet van 26 november 1998, houdende bepalingen inzake redenominatie van schuldtitels in verband met de deelname door Nederland aan de Economische en Monetaire Unie (Wet schuldredenominatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de toepassing van artikel 8, vierde lid, van de [verordening (EG) nr. 974/98](31998R0974) van de Raad van de Europese Unie van 3 mei 1998 over de invoering van de euro (PbEG L 139), een voorziening te treffen om eenzijdige wijziging van de muntaanduiding van in dat artikel bedoelde schuld mogelijk te maken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. verordening: de [verordening (EG) nr. 974/98](31998R0974) van de Raad van de Europese Unie van 3 mei 1998 over de invoering van de euro (PbEG L 139); - b. lid-staat: een staat die lid is van de Europese Unie; - c. uitstaande schuld: uitstaande schuld als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de verordening; - d. overheid: de overheidsbesturen, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de verordening. Artikel 2 1. De muntaanduiding van uitstaande schuld in guldens die is uitgegeven door de Nederlandse overheid kan eenzijdig door deze worden gewijzigd in de euro-eenheid. 2. De muntaanduiding van uitstaande schuld die is uitgegeven volgens Nederlands recht en waarvan de aanduiding luidt in de nationale munteenheid van een lid-staat die deelneemt aan de Economische en Monetaire Unie, kan door de debiteur overeenkomstig het bepaalde in deze wet eenzijdig worden gewijzigd in de euro-eenheid, mits de debiteur deel uitmaakt van de overheid en die lid-staat de muntaanduiding van uitstaande schuld heeft gewijzigd in de euro-eenheid. 3. Van een besluit van de Nederlandse overheid tot wijziging wordt ten minste één maand voor de inwerkingtred"},{"i":15958,"b":"Wet van 20 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en andere wetten in verband met de modernisering van de strafbaarstelling van verschillende vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag (Wet seksuele misdrijven) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met ontwikkelingen inzake seksueel grensoverschrijdend gedrag het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) te moderniseren door in het [Tweede Boek Titel XIV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIV) Misdrijven tegen de zeden te vervangen door een nieuwe Titel XIV Seksuele misdrijven en een aantal misdrijven toe te voegen aan [Titel V Misdrijven tegen de openbare orde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=V) en in het [Derde Boek in Titel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=II) seksuele intimidatie en openbare dronkenschap strafbaar te stellen als overtreding tegen de openbare orde en als gevolg hiervan aanpassingen in een aantal wetten door te voeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IIa Wijzigt de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Artikel III Wijzigt de Uitleveringswet. Artikel IV Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel V Wijzigt de Wet wapens en munitie. Artikel VI Wijzigt de Wet foetaal weefsel. Artikel VII Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel VIII Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel IX Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel X Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel XI Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel XII Wijzigt de We"},{"i":15959,"b":"Wet sociaal statuut verzelfstandiging overheidsdiensten BES § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **bevoegd gezag:** het bestuurscollege; - b. **overheidsdienst:** de te verzelfstandigen dienst of instelling van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - c. **personeelslid:** degene die een functie bekleedt bij de overheidsdienst; - d. **rechtspersoon:** de rechtspersoon die door middel van de verzelfstandiging in de plaats treedt van de overheidsdienst; - e. **werknemer:** degene die een functie bekleedt bij de rechtspersoon; - f. **datum van overgang:** de datum waarop het personeelslid eervol uit de,overheidsdienst is ontslagen en in dienst treedt bij de rechtspersoon. 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder verzelfstandiging privatisering mede verstaan. 3. [vervallen] § 2. Algemene bepalingen Artikel 2 1. Met inachtneming van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de bonden van overheidspersoneel die het aangaat betrokken bij de regeling van de uit de verzelfstandiging van de overheidsdiensten voortvloeiende personele gevolgen. 2. Een personeelslid is gerechtigd zijn functie te volgen naar de rechtspersoon. 3. De arbeidsvoorwaarden van de werknemer zijn onmiddellijk na de datum van overgang naar de rechtspersoon in hun totaliteit niet ongunstiger dan zijn rechtspositie als personeelslid onmiddellijk voor de datum van overgang. Artikel 3 1. Een personeelslid heeft het recht om bij de rechtspersoon op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht als werknemer in dienst te treden. De datum van indiensttreding ligt niet voor hei moment van de verzelfstandiging van de rechtspersoon. 2. De arbeidsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, geldt voor onbepaalde tijd, indien het personeelslid was aangesteld als ambtenaar in vaste dienst in de zin van de [Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215) of werkzaam was op basi"},{"i":15963,"b":"Wet van 19 mei 2011, houdende Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is voor het privaatrechtelijke beheer van tijdelijke overheidsinvesteringen in enkele Nederlandse financiële instellingen enige wettelijke voorzieningen, waaronder een wettelijke machtiging, te treffen voor de oprichting van een stichting administratiekantoor; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **de aandelen:** de aan de stichting administratiekantoor ten titel van beheer overgedragen aandelen in de vennootschappen; - **Onze Minister:** Onze Minister van Financiën; - **stichting administratiekantoor:** stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen; - **de vennootschappen:** de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030033&artikel=2&z=2022-07-01&g=2022-07-01) bedoelde vennootschappen. Artikel 2 De stichting administratiekantoor voert in overeenstemming met de statuten en de administratievoorwaarden het privaatrechtelijke beheer over de deelnemingen van de Staat der Nederlanden in de vennootschappen ABN AMRO Group N.V., gevestigd te Amsterdam, ASR Nederland N.V., gevestigd te Utrecht, RFS Holdings B.V., gevestigd te Amsterdam en ABN AMRO Preferred Investments B.V., gevestigd te Amsterdam, alsmede in die vennootschappen die daartoe door Onze Minister worden aangewezen. Artikel 3 1. Onze Minister wordt gemachtigd namens de Staat der Nederlanden de stichting administratiekantoor op te richten. 2. De stichting administratiekantoor heeft als doel: - a. - 1°. het uitgeven van royeerbare certificaten tegenover het op eigen naam ten titel van administratie verkrijgen en houden van tot op dat mo"},{"i":15971,"b":"Wet van 29 september 2011, houdende regels inzake de controle op diensten die betrekking hebben op strategische goederen (Wet strategische diensten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, om regels te stellen inzake de controle op diensten die betrekking hebben op strategische goederen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Het Europese deel van Nederland § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **goederen voor tweeërlei gebruik:** producten voor tweeërlei gebruik als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening producten voor tweeërlei gebruik; - –. **militair eindgebruik:** militair eindgebruik als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Verordening producten voor tweeërlei gebruik; - –. **militaire goederen:** de krachtens [artikel 3:1 van de Algemene douanewet aangewezen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=3:1) militaire goederen; - –. **militaire programmatuur:** programmatuur als bedoeld in de door de Raad van de Europese Unie vastgestelde Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen (PbEU 2010, C 69); - –. **militaire technologie:** technologie als bedoeld in de door de Raad van de Europese Unie vastgestelde Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen (PbEU 2010, C 69); - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Buitenlandse Zaken; - –. **technische bijstand:** de technische bijstand, bedoeld in artikel 1, negende lid, Verordening producten voor tweeërlei gebruik; - –. **tussenhandelaar:** tussenhandelaar als bedoeld in artikel 2, achtste lid, van de Verordening producten voor tweeërlei gebruik; - –. **tussenhandeldiensten goederen voor tweeërlei gebruik derde land-derde land:** - a. het onderhandelen ov"},{"i":15972,"b":"Wet van 17 november 1988, strekkende tot voltooiing van de provinciale indeling van het IJsselmeer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat voltooiing van de provinciale indeling van het IJsselmeer wenselijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Met ingang van 1 januari volgend op de datum van inwerkingtreding van deze wet wordt het nog niet provinciaal ingedeelde gebied van het IJsselmeer ingedeeld bij de provincies Flevoland, Friesland en Noord-Holland, zodat in het IJsselmeer gemeenschappelijke grenzen ontstaan van de provincies Noord-Holland en Friesland, Friesland en Flevoland en Noord-Holland en Flevoland, waarvan in het (verschoven) stelsel van Rijksdriehoeksmeting de beschrijving luidt als volgt: - a. De grens tussen de provincies Noord-Holland en Friesland begint in het meest zuidelijke punt van de grens tussen de gemeenten Wieringen en Wonseradeel. Vandaar loopt zij in een rechte lijn naar het punt met de coördinaten x = 145.000 en y = 543.000 en vervolgens in een rechte lijn naar het punt met de coördinaten x = 154.328,67 en y 530.832,17. - b. De grens tussen de provincies Friesland en Flevoland begint in het onder **a.** laatstgenoemde punt en loopt vandaar in een rechte lijn naar het punt met de coördinaten x = 171.464,85 en y 535.116,21, gelegen op de bestaande grens van de gemeente Noordoostpolder. Vandaar volgt zij die grens in ongeveer noordoostelijke richting tot de grens van de gemeente Lemsterland. - c. De grens tussen de provincies Flevoland en Noord-Holland begint in het onder **a** laatstgenoemde punt en loopt vandaar in een rechte lijn naar het punt op de bestaande grens van de provincie Flevoland met de coördinaten x = 153.237,54 en y = 520.920,31. Artikel 2 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 3 Bevat wijzigingen in ande"},{"i":16004,"b":"Wet van 24 december 1998 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad van de Europese Unie van 22 november 1996 (Wet uitvoering antiboycotverordening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is om uitvoering te geven aan [verordening (EG) nr. 2271/96](31996R2271) van de Raad van de Europese Unie van 22 november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen (PbEG L 309); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Met het toezicht op de naleving van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010176&artikel=2&z=2019-01-01&g=2019-01-01), eerste en tweede alinea, en artikel 5, eerste alinea, van de [verordening (EG) nr. 2271/96](31996R2271) van de Raad van de Europese Unie van 22 november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen (PbEG L 309), zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen ambtenaren. 2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Artikel 2 Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze wet wordt aangehaald als: Wet uitvoering antiboycotverordening. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16005,"b":"Wet van 26 september 2018, houdende regels tot uitvoering van het antidopingbeleid en tot instelling van de Dopingautoriteit (Wet uitvoering antidopingbeleid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om te voorzien in een publiekrechtelijke regeling voor de uitvoering van het antidopingbeleid en de instelling van de Dopingautoriteit als publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan ter versterking van het antidopingbeleid; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepaling In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Algemene verordening gegevensbescherming:** verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119); - **antidopingorganisatie:** organisatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van het op 19 oktober 2005 tot stand gekomen Internationaal verdrag tegen doping in de sport (**Trb.** 2006, 194); - **Beoordelingscommissie dopingzaken:** de Beoordelingscommissie dopingzaken, genoemd in [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041439&hoofdstuk=3&afdeling=3.1&artikel=14&z=2025-07-05&g=2025-07-05); - **betrokkene:** hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming; - **dispensatie:** ontheffing voor het gebruik voor therapeutische doeleinden van een bij of krachtens een dopingreglement verboden stof of methode; - **Dopingautoriteit:** autoriteit, genoemd in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041439&hoofdstuk="},{"i":16084,"b":"Wet winkelsluiting BES Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder «winkel» verstaan een besloten ruimte, waar of van waaruit waren in het klein, anders dan uitsluitend door middel van verkoopautomaten, aan het publiek plegen te worden verkocht. 2. Bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen kan worden bepaald, dat voor de toepassing van deze wet onder «winkel» mede wordt verstaan een andere ruimte, waar een bij dat landsbesluit aan te wijzen bedrijf ten aanzien van het publiek wordt uitgeoefend. Artikel 2 Het is verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben: - a. op zondagen en op de feestdagen, bedoeld in [artikel 23 van de Arbeidswet 2000 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028202&artikel=23); - b. op andere dagen vóór 6 uur en na 18.30 uur. Artikel 3 Het in het [voorgaande artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028197&artikel=2&z=2019-01-01&g=2019-01-01) vervatte verbod geldt niet voor: - a. openbare apotheken voor zover het de verkoop van genees-, heel- en verbandmiddelen betreft; - b. koffiehuizen, ijshuizen, bierhuizen, restaurants, tapperijen en slijterijen, deze laatsten voor zover zij zich beperken tot de verkoop van sterke drank; - c. logementen en hotels; - d. winkels gevestigd in hotels en in gebouwen, behorende tot een luchthaven; - e. winkels voor zover de verkoop betreft van - 1. rouwkleding en begrafenisbenodigdheden; - 2. brandstof en smeermiddelen voor motoren en onderdelen voor motoren en voertuigen; - 3. brood, verse melk en producten van verse melk. Artikel 4 In afwijking van het bepaalde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028197&artikel=2&z=2019-01-01&g=2019-01-01) mogen winkels, waarin uitsluitend vers vlees of verse produkten van vlees en verse vis aan het publiek plegen te worden verkocht, voor wat de verkoop van die waren betreft, geopend zijn op zondag en op de feestdagen, bedoeld in [artikel 23 van de Arbeidswet 2000 BES](https://wetten.ove"},{"i":16102,"b":"Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen Gelet op de artikelen 1, [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.5), [3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.20), [3.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.34), [3.36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.36), [3.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42), [3.42a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42a), [3.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52), [3.143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.143), [3.145](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.145), [3.156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.156), [3.157](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.157), [5.18a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.18a), [6.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.15), [6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.17), [6.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.23), [6.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.26), [8.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.14), [8.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.21) en [10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.10), de [artikelen 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=8a), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=13), [15b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=15b), [15c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=15c), [16b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=16b), [16c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=16c), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18"},{"i":16128,"b":"Besluit van 14 januari 1992, houdende wijziging van het Schepenbesluit 1965 Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 oktober 1991, nr. J 31 699/91, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Overwegende, dat het [Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501) (**Stb.**367) in overeenstemming dient te worden gebracht met de wijzigingen die een Conferentie van de Internationale Maritieme Organisatie op 9 november 1988 heeft aangenomen op de voorschriften van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (**Trb.** 1976, 157 en 1977,77) en op 10 november 1988 heeft aangenomen op de voorschriften van het Protocol van 1978 bij dit Verdrag (**Trb.** 1978,189), welke wijzigingen betrekking hebben op het invoeren van een wereldomvattend maritiem satelliet-communicatiesysteem; Overwegende, dat het [Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501) voorts in overeenstemming dient te worden gebracht met de wijzigingen die de uitgebreide maritieme veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie op 11 april 1989 (resolutie MSC 13/57) en op 25 mei 1990 (resolutie MSC 19/58) heeft aangenomen op de voorschriften van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974; Overwegende, dat tevens nog enkele andere wenselijk gebleken wijzigingen in het [Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501) kunnen worden aangebracht; Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=5), 9 en [73 van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=73) (**Stb.**1932, 86); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 9 december 1991, No. W09.91 0558/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van januari 1992, nr. S/J /32.286/91, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in"},{"i":16210,"b":"Besluit van 30 maart 2005, nr. 05.001194, houdende wijziging van de vervangingsregeling in geval van tijdelijke afwezigheid van een minister alsmede benoeming van Onze Minister van Economische Zaken, mr. L.J. Brinkhorst, tot Vice-Minister-President Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 30 maart 2005, nr. 05M473620; Overwegende dat het wenselijk is de regeling voor de vervanging van een minister voor het geval deze afwezig is te wijzigen en een Vice-Minister-President te benoemen; Gelet op de [artikelen 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=45) en [46 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt de Vervangingsregeling ministers. Artikel II Onze Minister van Economische Zaken mr. L.J. Brinkhorst met ingang van 31 maart 2005 te benoemen tot Vice-Minister-President. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 31 maart 2005. Onze Ministers zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting zal worden geplaatst in de Staatscourant en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":16222,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 juni 2025, kenmerk 4131373-1083806-WJZ, houdende wijziging van de Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen in verband met het toevoegen van stoffen aan deel A van de bijlage en enkele technische wijzigingen [KetenID WGK027933] Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034991&artikel=3), en [4, eerste lid, van het Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034991&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen. Artikel II Verpakkingen en gebruiksartikelen die voldoen aan de [Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034991) zoals deze luidde op 30 juni 2025 en voor 1 januari 2026 in de handel zijn gebracht mogen verhandeld worden totdat de voorraden zijn uitgeput. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16233,"b":"Wet van 23 juni 2005 tot wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang, de Huursubsidiewet en enige andere wetten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) vóór de inwerkingtreding te wijzigen in verband met het introduceren van de mogelijkheid van toezending van vooringevulde aanvraagformulieren door de Belastingdienst/Toeslagen; dat het wenselijk is bij die gelegenheid de benamingen «huursubsidie» en «tegemoetkoming kinderopvang» wettelijk te wijzigen in «huurtoeslag» respectievelijk «kinderopvangtoeslag»; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I 1. Wijzigt de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. 2. Nadat de wijzigingen ingevolge de [Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018471) zijn aangebracht, worden de hierna in de [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018473&artikel=III&z=2005-09-01&g=2005-09-01), [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018473&artikel=IV&z=2005-09-01&g=2005-09-01), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018473&artikel=VI&z=2005-09-01&g=2005-09-01), [VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018473&artikel=VIII&z=2005-09-01&g=2005-09-01) en [XIV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018473&artikel=XIV&z=2005-09-01&g=2005-09-01) genoemde wetten voorts nog gewijzigd als aangeduid in die artikelen. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel III Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel IV Wijzigt de Huursubsidiewet. Artikel V Wijzigt de Huisvestingswet. Artikel VI Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel VII Wijzigt de Algeme"},{"i":16247,"b":"Wet van 12 mei 2011 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten (Wijzigingswet financiële markten 2010) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) te wijzigen teneinde regels te stellen met betrekking tot de uitbreiding van de vrijstellingsmeldingen en voorschriften met betrekking tot de vorm en de inhoud daarvan, een vrijwillig toezichtregime voor beleggingsinstellingen en de zware ontheffing alsmede technische verbeteringen en enige andere wijzigingen in de Wet op het financieel toezicht en andere wetgeving op het terrein van de financiële markten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II. Wijziging van de [Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468) Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel III. Wijziging van het Burgerlijk Wetboek Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel IV. Wijziging van de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) Wijzigt de Faillissementswet. Artikel V. Wijziging van de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI. Wijziging van de [Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586) Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel VII. Wijziging van de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financiere"},{"i":16252,"b":"Wet van 29 oktober 2015 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2016) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om bescherming te regelen van derivatenbeleggers tegen het faillissement van hun tussenpersoon, de effectiviteit van de interventiebevoegdheden van de Nederlandsche Bank en de Minister van Financiën te versterken, alsmede enige andere wijzigingen en verbeteringen in de wetgeving op het terrein van de financiële markten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel Ia Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet giraal effectenverkeer. Artikel III Wijzigt de Faillissementswet. Artikel IV Wijzigt de Wet financiële markten BES. Artikel V Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel VI Wijzigt de Wet op de kansspelen. Artikel VII Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES. Artikel VIIa Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IX Wijzigt de Wet op het accountantsberoep. Artikel X Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel Xa Wijzigt de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen. Artikel XI 1. Wijzigt deze wet. 2. Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de kansspelen, enz. (organiseren van kansspelen op afstand)(Kst. 33996). Artikel XIa 1. Het verbod, bedoeld in [artikel 3:95, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:95) om een gekwalificeerde deelneming te houden, dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwal"},{"i":16278,"b":"Wet van 4 april 1996, houdende wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met een herziening van de reclameregeling voor de publieke lokale en regionale omroep, het bevorderen van de samenwerking tussen de publieke regionale en landelijke omroep en het toestaan van commerciële omroep op niet-landelijk niveau Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de huidige experimentele reclameregeling voor de publieke lokale en regionale omroep te vervangen door een definitieve regeling, en mogelijkheden te creëren voor de publieke regionale en landelijke omroep om programmatisch samen te werken op het gebied van televisie, en dat het voorts wenselijk is commerciële omroep op niet-landelijk niveau mogelijk te maken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mediawet. Artikel II In afwijking van de [artikelen 51**e**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=51e), [51**f**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=51f) en [52 van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=52), is het lokale en regionale omroepinstellingen die op 31 december 1995 in het bezit waren van een toestemming als bedoeld in [artikel 43**a** van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=43a) zoals dat artikel toen luidde, toegestaan programma-onderdelen als omschreven in het toenmalige [artikel 43**a** van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=43a) te verzorgen gedurende het tijdvak van 1 januari 1996 tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met inachtneming van de [artikelen 43**c**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=43c) en [43**d** van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=43d), zoals die art"},{"i":16352,"b":"Wet van 2 november 2006 tot wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 in verband met de invoering van een nieuw stelsel voor bewaking en beveiliging Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013409) te wijzigen in verband met de invoering van een nieuw stelsel voor de beveiliging van personen en voor de bewaking en de beveiliging van objecten en diensten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002. Artikel II Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt in overeenstemming met Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Justitie binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16354,"b":"Wet van 20 februari 2019 tot wijziging van de Wet op de kansspelen, de Wet op de kansspelbelasting en enkele andere wetten in verband met het organiseren van kansspelen op afstand Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een regeling te treffen voor het organiseren van kansspelen op afstand; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de kansspelen. Artikel II Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel VI Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/146. Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel VII Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2019/280. Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel VIII 1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 2. In het verslag, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval inzichtelijk gemaakt; de meeropbrengst van de kansspelbelasting van de landgebonden kansspelen en die van de kansspelen op afstand; de behaalde kanalisatiegraad; het succes van de verslavingszorg bij speelhallen en de horeca; de ontwikkeling van de afdrachten aan de sport. Artikel IX Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen"},{"i":16383,"b":"Wet van 4 juni 2014 tot afschaffing van de algemene tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten, de compensatie voor het verplicht eigen risico, de fiscale aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming specifieke zorgkosten en wijziging van de grondslag van de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de algemene tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten en de compensatie voor het verplicht eigen risico af te schaffen omdat ze in onvoldoende mate gericht zijn op de doelgroep met meerkosten respectievelijk eigen betalingen in verband met het verplicht eigen risico vanwege de chronische ziekte of handicap, de criteria voor toekenning vaak aanpassing behoeven en tot risico’s op het punt van de budgettaire beheersbaarheid leiden, dat het gewenst is de fiscale aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten af te schaffen omdat ook deze regeling in onvoldoende mate gericht is op de doelgroep chronisch zieken en gehandicapten en de regeling lastig uitvoerbaar en handhaafbaar is, dat het gewenst is in verband met het vervallen van de aftrek uitgaven voor specifieke zorgkosten ook de tegemoetkoming specifieke zorgkosten af te schaffen, en dat het gewenst is de grondslag van de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Artikel II Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel III Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel IIIA Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning. Artikel IV Vervallen Artikel V Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel VI Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel VII Wi"},{"i":16421,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 23 april 2020, kenmerk 1677978-204496-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de meerkosten en continuïteitsbijdrage vanwege het coronavirus in curatieve en forensische zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 15 april 2020 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit inzake de meerkosten en continuïteitsbijdrage door het coronavirus in curatieve en forensische zorg **(Kamerstukken II** 2019/20, 25 295 nr. 274); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **coronavirus:** SARS – COV-2 – virus, het severe acute respiratory syndrome coronavirus 2; - –. **macrobeheersinstrument:** het systeem van macrogrenzen als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) en de daarop ambtshalve per individuele zorgaanbieder afzonderlijk vastgestelde individuele bovengrenzen en de eventueel daarop volgende afdracht aan het Zorgverzekeringsfonds bij gezamenlijke overschrijding van de voor de desbetreffende zorg vastgestelde macrogrens; - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078), met uitzondering van zorg als bedoeld in de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), voor zover tarief- en"},{"i":16472,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 mei 2014, kenmerk 371987-120847-MC, op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake invoering integrale tarifering medisch specialistische zorg en kaakchirurgie Overwegende dat in het coalitie akkoord ‘Bruggen slaan’ is opgenomen dat met ingang van 2015 het specialistenhonorarium integraal onderdeel is van het tarief dat het ziekenhuis voor een prestatie in rekening mag brengen en instellingen het voortouw krijgen op het terrein van kwaliteit, doelmatigheid en contractering met ziektekostenverzekeraars; Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), Gezien: het Bestuurlijk hoofdlijnenakkoord 2012–2015 tussen de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra, Zelfstandige Klinieken Nederland, Zorgverzekeraars Nederland, Orde van Medisch Specialisten en de minister, ondertekend op 4 juli 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 29 248, nr. 215); het Bestuurlijk akkoord van 16 juli 2013 tussen de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra, Zelfstandige Klinieken Nederland, Zorgverzekeraars Nederland, Orde van Medisch Specialisten, Nederlands Patiënten Consumenten Federatie en de minister (Kamerstukken II 2012/13, 29 248, nr. 257). het rapport van de commissie Meurs (Kamerstukken II 2012/13, 29 248, nr. 240); de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Meurs (Kamerstukken II 2012/13 29 248, nr. 242); het advies van de Nederlandse Zorgautoriteit inzake Integrale tarieven medisch specialistische zorg 2015 (Bijlage bij Kamerstukken II 2013/14, 32 620, nr. 105); het advies van de Nederlandse Zorgautoriteit inzake Integrale tarieven kaakchirurgie (Bijlage bij Kamerstukken II 2013/14, 32 620, nr. 105); de brief van 18 december 2013 van de Staatssecretaris van Financiën inzake een briefwisseling tussen de staatssecretari"},{"i":16483,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 november 2013, kenmerk 169317-113129-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake macrobeheersinstrument voor de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), Na op 30 september 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2012/13, 25 424 nr. 230) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8), Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:** zorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Stb. 2006, 630, artikel III); - e. **dyslexiezorg:** zorg zoals zoals omschreven in [artikel 2.5a van het besluit Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5a) (Stb. 2012, 512). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en de dyslexiezorg. Artikel 3. macrogrens De zorgautoriteit stelt voor zorg als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034296&artikel=2&z=2014-02-01&g=2014-02-01) voor alle zorgaanbieders gezamenlijk jaarlijks, op basis van een door de minister bij brief te verstrekken bedrag, ambtshalve een macrogrens vast,"},{"i":16492,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juni 2024, kenmerk 3843749-1067232-PZO, inzake het terugdraaien van de verwerking van coalitieakkoordmaatregelen inzake het kwaliteitskader verpleeghuiszorg en het meerjarig contracteren voor het jaar 2025 binnen de Wet langdurige zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 3 juni 2024 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II**2023–24, 34 104, nr. 406) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het terugdraaien van de maatregelen inzake het kwaliteitskader verpleeghuiszorg en het meerjarig contracteren uit het coalitieakkoord Rutte IV voor het jaar 2025; Besluit: artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit geeft voor het jaar 2025 geen uitvoering aan de maatregelen ‘meerjarige contracten en budgetafspraken’ en ‘doorontwikkeling van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg’ uit het Coalitieakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ zoals beschreven in de [aanwijzing van 14 juni 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048323).1Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 14 juni 2023, Stcrt. 2023, nr. 17290."},{"i":16500,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juni 2015, kenmerk 779862-137775-MC, houdende verdaging toepassing macrobeheersmodel medisch specialistische zorg 2014 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na in de brief van 7 mei 2015 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) inzake het voornemen de Nederlandse Zorgautoriteit een aanwijzing te geven over de verplaatsing van de afrekening van de jaren 2014 van het macrobeheersmodel bij instellingen voor medisch specialistische zorg (Kamerstukken II 2014/15, 29 248, nr. 383); Gezien het verslag van de procedurevergadering van 20 mei 2015 van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; Gezien de korte aantekeningen van de procedurevergadering van 26 mei 2015 van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Eerste Kamer der Staten-Generaal; Besluit: Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit; - c. **Aanwijzing macrobeheersmodel:** [Aanwijzing macrobeheersmodel instellingen voor medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884); - d. **mbi-omzetplafond:** mbi-omzetplafond vastgesteld op basis van [artikel 4, eerste lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=4). Artikel 2 De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing regels of beleidsregels vast. Artikel 3 In afwijking van [artikel 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=5), en [artikel 6, tweede lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":16551,"b":"Beheersregeling documentaire informatieverzorging Infrastructuur en Milieu 2012 Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14) en [artikel 1 van het Besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de Secretaris-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004419&artikel=1) en het [Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951); Besluit: Hoofdstuk 1. : Begrippenkader Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - 1. **Archief:** geheel van records onder de zorg van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: IenW). - 2. **Archiefbeheer:** het in opdracht van het hoofd van een archiefvormend orgaan, volgens de geldende regelingen, uitvoeren van het dagelijks beheer over records. - 3. **Archiveringssysteem:** het geheel van mensen, methoden, procedures, gegevensverzamelingen, programmatuur, apparatuur, voorzieningen en andere middelen, bestemd tot het beheer van records. - 4. **Archiefbestanddeel:** geheel van records binnen een archief, bijeengebracht met een bepaald doel en in onderlinge samenhang te raadplegen, zoals een dossier, een rubriek, een serie, een zaak, een zaaktype. - 5. **Archiefbewaarplaats:** een bij of krachtens de [Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) voor blijvende bewaring van records aangewezen bewaarplaats. - 6. **Archiefvormend orgaan:** de onderdelen van het ministerie van IenW, genoemd in [artikel 2 van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=2), een ander orgaan (al dan niet van IenW), dat een (deel van een) taak of taken van het ministerie van IenW dan wel opgedragen door de Minister van IenW uitvoert en waarvoor afzonderlijk dient te worden gearchiveerd ingevolge de [Archiefwet 1995](https://wetten."},{"i":16579,"b":"Beleidsregel gevolmachtigde Menzis Zorgkantoor Gelet op [artikel 5.11 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.11) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen of een gevolmachtigde namens een Wlz-verzekerde het pgb-beheer op zich mag nemen, besluit: Artikel 1 Menzis Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde Menzis Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het zorgkantoor is uitvoerder van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz). De Wlz komt in beeld als vangnet voor mensen als ze niet (meer) in staat zijn om voor zichzelf te zorgen ondanks steun van de omgeving, zorgverzekeraar of gemeente. Wlz zorg kan ingekocht worden met een persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor heeft tot taak om voorafgaand aan de inkoop van zorg te controleren in hoeverre de zorg inhoudelijk aan de voorwaarden van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voldoet en of het pgb-beheer voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de verplichtingen bij het pgb. Het zorgkantoor bekijkt of de budgethouder en/of diens vertegenwoordiger aan die verplichtingen kan voldoen. Het zorgkantoor kan besluiten dat een Wlz-verzekerde alleen een pgb-Wlz krijgt als er iemand is die de Wlz-verzekerde ondersteunt. Dat wordt een gevolmachtigde genoemd. Hoofdstuk 1. Definities De begripsbepalingen van [artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1) (Wlz), [artikel 1.1.1 van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=1.1.1) (Blz) en [artikel"},{"i":16580,"b":"Beleidsregel gevolmachtigde Salland Zorgkantoor Gelet op [artikel 5.11 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.11) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen of een gevolmachtigde namens een Wlz-verzekerde het pgb-beheer op zich mag nemen, besluit: Artikel 1 Salland Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde Salland Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het zorgkantoor is uitvoerder van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz). De Wlz komt in beeld als vangnet voor mensen als ze niet (meer) in staat zijn om voor zichzelf te zorgen ondanks steun van de omgeving, zorgverzekeraar of gemeente. Wlz zorg kan ingekocht worden met een persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor heeft tot taak om voorafgaand aan de inkoop van zorg te controleren in hoeverre de zorg inhoudelijk aan de voorwaarden van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voldoet en of het pgb-beheer voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de verplichtingen bij het pgb. Het zorgkantoor bekijkt of de budgethouder en/of diens vertegenwoordiger aan die verplichtingen kan voldoen. Het zorgkantoor kan besluiten dat een Wlz-verzekerde alleen een pgb-Wlz krijgt als er iemand is die de Wlz-verzekerde ondersteunt. Dat wordt een gevolmachtigde genoemd. Hoofdstuk 1. Definities De begripsbepalingen van [artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1) (Wlz), [artikel 1.1.1 van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=1.1.1) (Blz) en [artik"},{"i":16606,"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument zintuiglijk gehandicaptenzorg 2026 **Grondslag** Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van [artikel 50, tweede lid van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Gelet op [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), worden grenzen die uit deze beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59, aanhef, en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van VWS (hierna: de Minister) met brief van 14 juli 2014, met [kenmerk 642422-123511-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035400), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7, eerste lid, onder b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa heeft gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **bovengrens:** grens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - **budgettair kader zorg (BKZ):** het door het Ministerie van VWS jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **macrobeheersinstrument (MBI):** instrument waarmee op grond van de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het BKZ achteraf kunnen worden geredresseerd. - **omzet:** omzet als bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":16614,"b":"Beleidsregel overige kosten Wlz 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **woning:** een ruimte waar men woont, meestal een huis of deel van een huis met één of meerdere kamers. Een eenpersoonswoning betreft een woning waarin één cliënt verblijft. Een meerpersoonswoning betreft een woning waarin meerdere cliënten verblijven. De woning bevat een plaats met een toelating voor verblijf en geen toelating voor behandeling. Voor overige begrippen die in deze beleidsregel gebruikt worden, maar niet hierboven vermeld staan, wordt verwezen naar de [Beleidsregel definities Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049530). Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het vastleggen van de voorwaarden voor vergoeding aan zorgaanbieders van: - –. extreme kosten van zorggebonden materiaal voor cliënten met een somatische dan wel psychogeriatrische aandoening (zzp vv) die verblijven in een Wlz-instelling toegelaten voor behandeling en voor cliënten met zorgprofiel lg6 en lg7. Voor deze laatste groep cliënten geldt dat er sprake moet zijn van een progressieve neurologische aandoening; - –. extreme kosten van geneesmiddelen voor cliënten met een somatische, psychogeriatrische of psychische aandoening, stoornis of een handicap (zzp vv, zzp ggz wonen, zzp ggz-b, zzp vg, zzp lg, zzp zg, zzp lvg) die verblijven in een Wlz-instelling toegelaten voor behand"},{"i":16615,"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijving en tarief zzp-meerzorg Wlz Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **zzp-meerzorg:** zzp-meerzorg is een declarabele prestatie voor de bekostiging van zorg zoals bepaald in [artikel 3.1.1, tweede lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.1.1) en [artikel 2.2 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2). - **individuele meerzorg:** zzp-meerzorg die wordt geleverd aan een individuele cliënt met een profiel dat recht geeft op zzp-meerzorg. - **groepsmeerzorg:** zzp-meerzorg die wordt geleverd aan meerdere cliënten met een profiel dat recht geeft op zzp-meerzorg. - **directe kosten:** kosten voor extra inzet van personeel om direct cliëntgebonden zorg te leveren aan een cliënt of een groep cliënten in het kader van zzp-meerzorg. - **indirecte kosten:** kosten die samenhangen met het leveren van zzp-meerzorg, niet zijnde directe cliëntgebonden kosten. Hieronder vallen kosten als deskundigheidsbevordering, opleidingskosten en kosten voor inventaris en kleine verbouwingen. - **Wlz-uitvoerder:** de rechtspersoon die geen zorgverzekeraar is en die zich overeenkomstig [artikel 4.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1) heeft aangemeld voor de uitvoering van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), daaronder begrepen de met toepassing van [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) door de Minister van VWS aangewezen uitvoerder. - **zorgaanbieder"},{"i":16629,"b":"Beleidsregel SARS-CoV-2 virus extra kosten Wlz 2022, Nederlandse Zorgautoriteit **Grondslag** Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **SARS-CoV-2 virus:** SARS-CoV-2 is het severe acute respiratory syndrome coronavirus 2. De World Health Organisation heeft deze naam gegeven aan het novel coronavirus 2019-nCoV. Dit novel coronavirus (2019-nCoV) is aangemerkt als behorende tot groep A, bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=1). Covid-19 is een infectieziekte veroorzaakt door SARS-CoV-2. - **cohort-unit:** met een cohort-unit wordt een voorziening bedoeld ter cohortverpleging en -verzorging van cliënten met een COVID-19 besmetting of een verdenking hiervan. - **zorgaanbieder:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, onder 1°, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - **productieafspraak:** het totaalbedrag van de afspraken met betrekking tot de prestaties en tarieven ten laste van de contracteerruimte die door de zorgaanbieder en het zorgkantoor/de Wlz-uitvoerder zijn overeengekomen in de budgetronde of herschikkingsronde. - **ziekteverzuimpercentage:** het ziekteverzuimpercentage is het totaal aantal ziektedagen van de werknemers, in procenten van het totaal aantal besc"},{"i":5964,"b":"Besluit van 14 februari 1964, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Wet tot uitvoering van de Verordening No. 11 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 oktober 1963, no. A-2/020324, Directoraat-Generaal van het Verkeer; Gelet op de [Wet tot uitvoering van de Verordening No. 11 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002419); De Raad van State gehoord (adviezen van 4 december 1963, no. 88); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 11 februari 1964, no A-2/021668, Directoraat-Generaal van het Verkeer; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Wet: de [Wet tot uitvoering van de Verordening No. 11 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002419); - b. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - c. Europese Economische Ruimte: de gebieden waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing zijn, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden en voorts de grondgebieden van de Republiek Finland, met inachtneming van het tweede lid van artikel 126 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de Republiek IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Dit besluit is van toepassing op vervoer van goederen per spoor, over de weg of over de binnenwateren, dat geheel of ten dele in Nederland plaats vindt, almede op zodanig vervoer, dat door een in Nederland gevestigde ondernemer geheel of ten dele in een of meer van de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen dan wel in een of meer der ov"},{"i":16678,"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2019 Gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), en [34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34), [Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3), de [Regeling risicoverevening 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041387) en de brief van de minister van VWS van 28 september 2018, kenmerk 146175-181319-Z, heeft in zijn vergadering van 8 oktober 2018 besloten: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. **het Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland, bedoeld in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. **zwaarte:** het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. **macroverzekerdenraming:** de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland voor het jaar 2019; - d. **FKG GGZ:** FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. **DKG GGZ:** DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ee, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. **PKB:** persoonskenmerkenbestand. Een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres. Dit bestand wordt jaarlijks opgesteld aan de hand van opgaven van de zorgverzekeraars. Voor het PKB 2018 is de peildatum 1 mei 2018 en de aanleverdatum 1 juni 2018; - g. **VPPKB:** verzekerde periode en persoonskenmerken"},{"i":16795,"b":"Besluit van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank van 10 oktober 2024, houdende de bekendmaking van de Beleidsregels aansprakelijkheidsverzekering en rechtsbijstandverzekering PGB (Besluit Beleidsregels aansprakelijkheidsverzekering en rechtsbijstandverzekering PGB) Gelet op [artikel 34, eerste lid, onderdeel d, Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34), [artikel 3.3.3 Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) (Wlz), [artikel 2.6.2 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.2) (Wmo 2015), [artikel 8.1.8 Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.1.8) (Jw), [artikel 13a lid 8 Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=13a) (Zvw) jo. [artikel 6a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6a.1) en [artikel 6a.2 Regeling Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6a.2); Besluit: Artikel I Bij de uitvoering van [artikel 3.3.3 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3), [artikel 2.6.2 Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.2), [artikel 8.1.8 Jw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.1.8), [artikel 13a lid 8 Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=13a) jo. [artikel 6a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6a.1) en [artikel 6a.2 Regeling Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6a.2), past de Sociale verzekeringsbank het beleid toe dat is gepubliceerd. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit collectieve aansprakelijkheidsverzekering en rechtsbijstandsverzekering PGB. Bijlage Ligt"},{"i":16801,"b":"Besluit van 27 februari 1991, houdende vaststelling per 1 april 1990 van het Besluit éénmalige uitkering militairen 1990 Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 19 oktober 1990, Afdeling arbeidsvoorwaarden militair personeel, nr. D 90/091/24855; Gelet op [artikel 12 van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) (**Stb.** 519) en artikel 2 van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen (**Stb.** 1971, 231); De Raad van State gehoord (advies van 27 december 1990, nr. W07.90.0513); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie a.i. van 15 februari 1991, nr. D 90/091/33; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. \"militair\" de militair die op 1 april 1990 in werkelijke dienst is, met uitzondering van - 1°. de militair behorend tot het Korps Nationale Reserve - 2°. de militair in werkelijke dienst voor herhalingsoefening. - b. \"bezoldiging\" hetgeen daaronder wordt verstaan in de Bezoldigingsregeling militairen zeemacht 1947 (K.b. van 24 november 1947, nr. 45) dan wel in de Regeling inkomsten militairen land- en luchtmacht 1969 (**Stb.** 1968, 523). Artikel 2 De militair heeft aanspraak op een uitkering van f 250,-. Artikel 3 De militair die een deel van de bezoldiging geniet als gevolg van buitengewoon verlof, ziekte, schorsing of detentie, heeft aanspraak op een uitkering naar evenredigheid van het behoud van zijn bezoldiging. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1990. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als \"Besluit éénmalige uitkering militairen 1990\". Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":16830,"b":"Besluit intrekking UWV-beleid (recht op uitkering bij werkloosheid vanwege vorst en andere buitengewone natuurlijke omstandigheden in bepaalde sectoren) Besluit: Artikel 1 Het beleid van de bedrijfsverenigingen inzake de toepassing van [art. 18, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=18) voor de sectoren 5, 6, 7, 8, 10, 11, 12, 18, 22, 23, 32, 52 en BV 27, zoals vermeld in bijlage 1 van het Besluit Richtlijnen Lisv bij uitvoering beleid, wordt met ingang van 1 april 2009 ingetrokken. Artikel 2 Het beleid van de bedrijfsverenigingen, zoals vermeld in bijlage 1 van het Besluit handhaving en intrekking BV-beleid oktober 1998,wordt met ingang van 1 april 2009 ingetrokken. Artikel 3 Het beleid van de bedrijfsverenigingen, zoals vermeld in bijlage 1 van het Besluit Richtlijnen Lisv bij uitvoering beleid en het beleid van de bedrijfsverenigingen, zoals vermeld in bijlage 1 van het Besluit handhaving en intrekking BV-beleid oktober 1998, blijft van toepassing met betrekking tot een recht op uitkering dat is ontstaan voor 1 april 2009. Artikel 4 Dit besluit treedt op 1 april 2009 in werking. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13809,"b":"Wet van 20 november 2019, houdende machtiging tot oprichting van de Nederlandse financierings- en ontwikkelingsinstelling Invest-NL (Machtigingswet oprichting Invest-NL) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat Nederland beschikt over een nationale financierings- en ontwikkelingsinstelling; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Invest-NL:** de naamloze vennootschap Invest-NL N.V., genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042840&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2022-03-02&g=2022-03-02); - **MKB-onderneming:** een kleine, middelgrote of micro-onderneming als bedoeld in de bijlage bij de Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-onderneming (PbEU 2003, L 124); - **MKB overstijgende middelgrote onderneming:** onderneming als bedoeld in de bijlage bij de Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-onderneming (PbEU 2003, L 124), waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal boven het in die Aanbeveling ten hoogste hierop betrekking hebbende bedrag ligt en mits er minder dan vijfhonderd personen in die onderneming werkzaam zijn; - **onderneming:** iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die economische activiteiten op het gebied van productie of dienstverlening uitvoert; - **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **overgangsdatum:** de datum waarop Invest-NL wordt opgericht; - **verschillende activiteiten:** enerzijds producten of diensten met betrekking tot welke aan I"},{"i":17402,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 22 april 2022, nr. WJZ/ 22038298, tot instelling van een specifieke uitkering gericht op de impulsaanpak winkelgebieden (Regeling specifieke uitkering impulsaanpak winkelgebieden) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - **binnenstedelijke winkelstraat:** een buiten het centrale winkelgebied gelegen winkelstraat die niet planmatig ontwikkeld is met meer dan 50 winkels in de detailhandel; - **centraal winkelgebied:** het grootste gebied met een winkelbestemming in een dorp of stad; - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **G4-gemeente:** gemeente Amsterdam, Den Haag, Rotterdam of Utrecht; - **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **onrendabele top:** het bedrag dat overblijft wanneer de marktwaarde van de verblijfsobjecten in de panden in het projectgebied na uitvoering van het project wordt afgetrokken van de marktwaarde van de verblijfsobjecten in de panden in het projectgebied voorafgaand aan de uitvoering van het project opgeteld met de realisatiekosten; - **pand:** kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is; - **projectgebied:** een geografisch aaneengesloten gebied dat ligt in een centraal winkelgebied of deel uitmaakt van een binnenstedelijke winkelstraat waarop het project tot herstructurering betrekking heeft; - **realisatiekosten:** de direct aan het project toerekenbare kosten voor renovatie, transformatie, sloop-nieuwbouw en de aanleg van openbare voorzieningen in het projectgebied, verminderd met de opbrengsten uit het kostenverhaal; - **renovatie:** het verbeteren van de kwaliteit of energie-efficiëntie van een verblijfsobject in een pand; - **sloop-nieuwbouw:** slopen van"},{"i":17753,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Republiek Turkije, Bezield door de wens de betrekkingen inzake sociale verzekering tussen de beide Staten te regelen; Hebben omtrent de volgende bepalingen overeenstemming bereikt: TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder „wetgeving” of „wettelijke regeling” verstaan de bestaande en toekomstige wetten, reglementen en statutaire bepalingen met betrekking tot de in artikel 2, eerste lid, vermelde regelingen en takken van sociale zekerheid; - b. wordt onder „grondgebied” verstaan: van Nederlandse zijde: het grondgebied van het Rijk in Europa; van Turkse zijde: het nationale grondgebied; - c. wordt onder de term „onderdanen” verstaan: van Nederlandse zijde: personen van Nederlandse nationaliteit; van Turkse zijde: personen van Turkse nationaliteit; - d. wordt onder bevoegde autoriteit verstaan: van Nederlandse zijde: de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne; van Turkse zijde: het Ministerie van Sociale Zekerheid en de andere gemachtigde ministeries; - e. wordt onder „orgaan” verstaan het lichaam of de autoriteit welke tot taak heeft de gehele wetgeving of een deel daarvan uit te voeren; - f. wordt onder „bevoegd orgaan” verstaan het orgaan waarbij die verzekerde is aangesloten op het tijdstip waarop hij om uitkering verzoekt, of tegenover hetwelk hij recht op prestaties bezit of zou blijven bezitten, indien hij woonachtig was op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar hij het laatst werkzaam was; - g. wordt onder „bevoegd land” verstaan de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich het bevoegde orgaan bevindt; - h. wordt onder „woonplaats” verstaan de normale verblijfplaats; - i. wordt onder „orgaan van de woonplaats” en „orgaan van de verblijfplaats” verstaan het orgaan dat voor de plaats waar de"},{"i":16948,"b":"Besluit van 29 januari 1965, houdende vaststelling van een uitkeringsregeling ten behoeve van officieren der krijgsmacht die voortijdig de militaire dienst verlaten Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 23 november 1964, nr. P. 126.529/D; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 6 januari 1965, nr. 37); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 22 januari 1965, nr. P. 126.529/J; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Defensie; - b. **rang:** de werkelijk beklede rang, als bedoeld in het eerste lid onder **j,** van de artikelen 1, 40 en 82 van de Wet bevordering en ontslag beroepsofficieren (**Stb.** 1954, 575) onderscheidenlijk het eerste lid onder **j,** van de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003883&artikel=9), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003883&artikel=34) en [61 van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht](onbekend) (**Stb.** 1954, 576); - c. **officier:** de officier, als bedoeld in het eerste lid onder **d**, van de artikelen 1, 40 en 82 van de Wet bevordering en ontslag beroepsofficieren, met een hogere rang dan die van luitenant ter zee der 2e klasse oudste categorie en van kapitein, die tot het tijdstip liggende drie jaren nadat het voortijdig ontslag als bedoeld onder **e** heeft plaats gevonden, niet in aanmerking had kunnen worden gebracht voor een eervol ontslag uit de militaire dienst ter zake van: - aa. langdurige dienst, nader omschreven in de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 (**Stb.** 65); - bb. het bereiken of overschrijden van de leeftijd van vijfenvijftig jaren, indien hij nog geen langdurige dienst, nader omschreven in de Pensioenwet voor de zeemacht 1922, kan doen gelden; - cc. langdurige dienst, nader omschreven in de P"},{"i":17240,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2012, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering prestatiebekostiging geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 21 februari 2012 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 25 424, nr. 160) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gelet op het verslag van een schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 25 424, nr. 175) van 16 april 2012; Gelet op het voortgezet schriftelijk overleg en het voortgezet algemeen overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 26 april 2012 (Handelingen II 2011/2012, nr. 82, item 8 en item 32); Gelet op het handelingen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 6 maart 2012 (Handelingen I 2011/12, nr. 21); Besluit: Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2012/15569. Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **AWBZ:** [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - e. **geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:** zorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als"},{"i":19355,"b":"Wet van 12 juni 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en enkele aanverwante wetten, te wijzigen in verband met de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel IIIA Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Artikel IIIB Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel V Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VA Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel VI Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Artikel VII Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel VIII Wijzigt de Luchtvaartwet. Artikel IX [Artikel I onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025962&artikel=I&z=2012-10-01&g=2012-10-01) en [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025962&artikel=IV&z=2012-10-01&g=2012-10-01) zijn van toepassing op strafbare feiten die zijn gepleegd voor de datum van inwerkingtreding"},{"i":16949,"b":"Besluit van 7 september 1967, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 55 van de Liquidatiewet invaliditeitswetten, artikel 26 van de Liquidatiewet ongevallenwetten en artikel 57, vijfde lid, van de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 12 juli 1967, Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Sociale Verzekering, Afdeling Algemene Zaken, nr. 58424; Gelet op artikel 55 van de Liquidatiewet invaliditeitswetten, [artikel 26 van de Liquidatiewet ongevallenwetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002553&artikel=26) en [artikel 57, vijfde lid, van de Wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002551&artikel=57); De Raad van State gehoord (advies van 2 augustus 1967, No. 51); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 31 augustus 1967, Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Sociale Verzekering, Afdeling Alg. Zaken, No. 59191; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepaling Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Bank: de Sociale Verzekeringsbank; - b. de G.M.D.: de Gemeenschappelijke Medische Dienst, bedoeld in [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002601&hoofdstuk=II&z=2013-01-01&g=2013-01-01), § 2**a** van de Organisatiewet Sociale Verzekering; - c. het bevoegd orgaan: het orgaan, dat ten opzichte van de betrokkene is belast met de toekenning, herziening, intrekking en/of betaalbaarstelling van uitkeringen krachtens de [Liquidatiewet ongevallenwetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002553). Hoofdstuk II. Invaliditeitsrenten en weduwenrenten op grond van invaliditeit krachtens de Invaliditeitswet Artikel 2 In afwijking, voor zoveel nodig, van hetgeen bij of krachtens de Invaliditeitswet, in verbinding met de Liquidatiewet inval"},{"i":19026,"b":"Wet van 18 december 2019 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met de invoering van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Invoeringswet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039301), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en enkele andere wetten te wijzigen in verband met de invoering van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel IV Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel V Wijzigt de Scheepvaartverkeerswet. Artikel VI Wijzigt de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Artikel VII Wijzigt de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Artikel VIII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IX Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17075,"b":"Controleprotocol nacalculatie 2020 Wlz-zorgaanbieders 1. Inleiding 1.1. Het nacalculatieproces De zorgaanbieder verantwoordt in de nacalculatie-opgave 2020 de totaal financieel gerealiseerde productie over 2020, de totaal financiële realisatie overige onderdelen over 2020 en de totaal gerealiseerde lumpsum kwaliteitsbudget verpleeghuiszorg 2020. Als gevolg van het SARS-CoV-2 virus is een nieuw onderdeel aan de nacalculatie-opgave 2020 toegevoegd. Dit onderdeel omvat twee componenten: De doorlopende kosten in fase 1, 2 en 3 als gevolg van het SARS-CoV-2 virus maken deel uit van de totaal financieel gerealiseerde productie over 2020. De extra kosten als gevolg van het SARS-CoV-2 virus maken deel uit van de totaal financiële realisatie overige onderdelen over 2020. De door de zorgaanbieder ingevulde nacalculatie-opgave 2020 bestaat uit het ‘Formulier Langdurige zorg nacalculatie 2020’, met daarin de volgende onderdelen: Door laatstgenoemde twee ondertekeningsdocumenten 2020 beide van een handtekening te voorzien, verklaart de persoon die bevoegd is te tekenen namens de zorgaanbieder dat hij/zij de nacalculatie-opgave 2020 naar waarheid en in overeenstemming met de voor het jaar 2020 geldende beleidsregels en regelingen van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft ingevuld. In paragraaf 3.3 (tabel 1) van dit controleprotocol is een overzicht opgenomen van de NZa-regelgeving 2020. De accountant, zoals bedoeld in [artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393), controleert het ondertekeningsdocument ‘Ondertekening Langdurige zorg nacalculatie 2020’. De volgende onderdelen in dit ondertekeningsdocument zijn uitdrukkelijk geen object van onderzoek door de accountant: De accountant controleert het ondertekeningsdocument ‘Ondertekening Lumpsum kwaliteitsbudget verpleeghuiszorg nacalculatie 2020’ van de zorgaanbieder niet. Ten aanzien van de lumpsum kwaliteitsbudget verpleeghuiszorg voert de accountant overeenge"},{"i":18041,"b":"Besluit van het Ministerie van Economische Zaken te Den Haag, van 1 maart 2010, nr. DBV/10005838, houdende beperking van de openbaarheid van archief Directoraat-GeneraalHandel Ambachten en Diensten 1939–1975 (als bedoeld in artikel 10 van het archiefbesluit 1995) Besluit: - 1. Met het oog op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen dan wel van derden worden, op grond van [artikel 15, eerste lid, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van DG Handel Ambachten en Diensten, 1939–1975 de volgende beperkingen gesteld: Inventarisnummer 68 is niet openbaar voor 1 januari 2050, inventarisnummer 69 is niet openbaar voor 1 januari 2051. - 2. Raadpleging van de onder 1 genoemde archiefbescheiden, is, gelet op [artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de algemene rijksarchivaris en na ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier na het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. Voordat hij toestemming verleent, beoordeelt de algemene rijksarchivaris het verzoek. - 3. Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van documenten uit de dossiers, waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn, zonder toestemming van de algemene rijksarchivaris. De algemene rijksarchivaris kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. - 4. Publicatie van gegevens uit de ter inzage gegeven archiefbescheiden is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijk verkregen toestemming van de algemene rijksarchivaris. De algemene rijksarchivaris kan aan publicatie zijn goedkeuring onthouden. - 5. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant"},{"i":18970,"b":"Besluit van 26 oktober 2017 nr. 2017001801, houdende naamswijziging van het ministerie van Veiligheid en Justitie Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 25 oktober 2017, nr. 3213917; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: De naam van het ministerie van Veiligheid en Justitie te wijzigen in: ministerie van Justitie en Veiligheid. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de ministeries."},{"i":17267,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 februari 2017, 2017-0000009164, tot vaststelling van het AOV- en AWW-bedrag dat is vrijgesteld van betaling aan de verzorgings- of verplegingsinstelling (Regeling AOV en AWW bijdragen aan zorginstellingen BES) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op de [artikelen 14, eerste lid, Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=14) en [17, eerste lid, van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=17); Besluit: Artikel 1 Het bedrag, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=14) en [artikel 17, eerste lid, van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=17) bedraagt over een kalendermaand: - a. USD 158, indien rechthebbende ingezetene is in het openbaar lichaam Bonaire; - b. USD 156, indien rechthebbende ingezetene is in het openbaar lichaam Sint Eustatius; - c. USD 157, indien rechthebbende ingezetene is in het openbaar lichaam Saba. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2017 en werkt terug tot en met 1 januari 2017. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling AOV en AWW bijdragen aan zorginstellingen BES Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18673,"b":"Aanwijzing opsporingsambtenaren Gelet op de artikelen I, onder 4°, en 17, eerste lid onder 2°, van de Wet op de economische delicten (Stbl. 1950, K 258). Besluit: in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken: - 1. de ambtenaren van de Economische Controledienst aan te wijzen als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij of krachtens de [Wet ambtelijk toezicht bij openbare verkopingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002798) (Stb. 1971, 748), voor zover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1); - 2. te bepalen, dat deze beschikking zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en in werking zal treden met ingang van de dag volgende op die der bekendmaking."},{"i":18939,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 6 oktober 2023, nr. 4928900, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn 2023 Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048753&artikel=2&z=2023-11-01&g=2023-11-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Inspecteur A, Inspecteur B en Inspecteur C in dienst van Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend) voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel 4 Op grond van dit besluit kunnen maximaal 50 personen als buitengewoon opsporingsambtenaar worden beëdigd. Artikel 5 1. Als t"},{"i":19443,"b":"Besluit van 4 mei 2012, houdende regels voor de scheepvaart over meldingsformaliteiten en over de verwerking van de ontvangen gegevens door organisaties en personen die niet aan het scheepvaartverkeer deelnemen (Besluit meldingsformaliteiten en gegevensverwerkingen scheepvaart) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 6 maart 2012, nr. IenM/BSK-2012/20694, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [Richtlijn 2010/65](32010L0065)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten en tot intrekking van [Richtlijn 2002/6/EG](32002L0006) (PbEU 2010, L 283), Hoofdstuk V, Voorschrift 19-1, van het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157), en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen (SOLAS-verdrag), [Richtlijn 2002/59/EG](32002L0059) van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot het intrekken van [Richtlijn 93/75/EEG](31993L0075) van de Raad (PbEG 2002, L 131), Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU 2004, L 129), [Richtlijn 2005/44/EG](32005L0044) van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PbEU 2005, L 255), [Richtlijn 2009/16/EG](32009L0016) van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (Herschikking) (PbEU 2009, L 131), en de [artikelen 8 van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=8), [15 van de Havenbeveiligingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016991&artikel="},{"i":17433,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 mei 2024, kenmerk 3821421-1065214-DMO, houdende een specifieke uitkering voor de uitvoering van transformatieplannen in het kader van het Integraal Zorgakkoord (Regeling specifieke uitkering transformatiemiddelen IZA 2024-2027) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Algemene begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Beoordelingskader:** het Beoordelingskader impactvolle zorgtransformaties en inzet transformatiemiddelen waaraan een transformatieplan wordt getoetst zoals opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049737&bijlage=I&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - **bestuurlijke afspraken:** afspraken tussen het Rijk en gemeenten zoals vastgelegd in het GALA en het IZA; - **GALA:** Gezond en Actief Leven Akkoord, Kamerstukken II 2022/23, 32 793, nr. 653, bijlage; - **IZA:** Integraal Zorgakkoord, Samen werken aan gezonde zorg, Kamerstukken II 2022/23, 31 765, nr. 655, bijlage; - **marktleider zorgverzekeraars:** de twee zorgverzekeraars met het grootste aantal verzekerden binnen de regio waarop het transformatieplan betrekking heeft; - **mijlpaal:** in het transformatieplan opgenomen tussentijdse mijlpaal of mijlpalen, zijnde een inspannings- of een resultaatsverplichting waaraan de deelnemers aan het transformatieplan zich in de overeenkomst transformatieplan hebben gebonden; - **Minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **overeenkomst transformatieplan:** door zorgverzekeraars met één of meer zorgaanbieders of aanbieders uit het sociaal domein en ten minste één gemeente gesloten overeenkomst met betrekking tot de rechten en plichten die voortvloeien uit het transformatieplan en die ziet op de uitbetaling van transformatiemiddelen door de gemeente aan de aan het transformatieplan de"},{"i":19456,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 30 september 2025, nr. IENW/BSK-2025/247143, houdende vaststelling van het tweede aanvraagtijdvak van 2025 en het daarbij behorende plafond voor rijksbijdragen als bedoeld in de Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 2025–2030 Gelet op [artikel 5, tweede lid, van de Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 2025–2030](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050667&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Het tweede aanvraagtijdvak van 2025 wordt overeenkomstig [artikel 5, tweede lid, van de Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 2025–2030](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050667&artikel=5) vastgesteld voor de periode van 12 november 2025 00:00 uur tot en met 24 december 2025 23:59 uur. Artikel 2 Het plafond voor de toekenning van rijksbijdragen, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 2025–2030](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050667&artikel=5) wordt voor het tweede aanvraagtijdvak van 2025 vastgesteld op € 116.000.000,– onder voorbehoud van de vaststelling van de begroting voor het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor 2026. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18527,"b":"Rijkswet van 12 december 1985, tot vaststelling van een zeegrens tussen de Nederlandse Antillen en Aruba Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, in verband met het verkrijgen door Aruba van de hoedanigheid van land in het Koninkrijk, wenselijk is om een grens vast te stellen tussen de zeegebieden, met inbegrip van de daaronder gelegen zeebodem en ondergrond, van de Nederlandse Antillen enerzijds en Aruba anderzijds; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De zeegrens tussen het land Aruba en het land Curaçao wordt, met inachtneming van het bepaalde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003895&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), gevormd door de bogen van grootcirkels tussen de volgende punten in de volgorde zoals hieronder aangegeven: | R. | 12°09'06\"N | 69°32'46\"W | | --- | --- | --- | | S. | 12°18'54\"N | 69°31'02\"W | | T. | 12°35'02\"N | 69°30'08\"W | | U. | 12°38'31\"N | 69°29'38\"W | | V. | 12°57'55\"N | 69°27'08\"W | | W. | 13°18'35\"N | 69°23'11\"W | | X. | 13°30'00\"N | 69°20'20\"W | en van het punt X de meridiaan van 69°20'20\"W in noordelijke richting volgend tot waar deze de grens met een derde Staat snijdt, te noemen punt Y. 2. De ligging van de hierboven beschreven punten is uitgedrukt in breedte en lengte volgens Zuidamerikaanse Coördinaten (Voorlopige Vereffening 1956) (\"Provisional South American Datum 1956\"). 3. De grenslijn is bij wijze van illustratie ingetekend op de als bijlage bij deze rijkswet gevoegde kaart. Artikel 2 In zuidelijke richting is het eindpunt van de grenslijn punt R, dat het snijpunt vormt van de grenslijnen tussen de zeegebieden van het land Curaçao, het land Aruba en"},{"i":19059,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 10 december 2018, nr. 2410553/18/DP&O, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de hoofden van de taakorganisaties van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid) Gelet op [artikel 3, eerste lid, onder b, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 2 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=2) aan de secretaris-generaal verleende mandaat wordt ondermandaat verleend ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen aan: - a. de algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek; - b. de directeur van de Justitiële informatiedienst; - c. de algemeen directeur van de raad voor de kinderbescherming; - d. de directeur van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC); - e. de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau; - f. de algemeen directeur van de Dienst JUSTIS; - g. de directeur-generaal van de Dienst Justitiële Inrichtingen; - h. de directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst; - i. de algemeen directeur van het Nederlands Forensisch Instituut; - j. de directeur van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC); - k. het hoofd van het secretariaat van het Schadefonds Geweldsmisdrijven; - l. de algemeen directeur van de Justitiële ICT Organisatie; - m. de directeur van de Nationale Opvang Organisatie (NOO); - n. de directeur van de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA). Artikel 2 De hoofden van de dienstonderdelen, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1&z=2025-11-19&g=2025-11-19) worden aangewezen en volmacht verleend om op te treden als leidinggev"},{"i":17562,"b":"Rijkswet van 20 december 1989, houdende regeling van pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is de regeling van pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba en hun nabestaanden opnieuw vast te stellen, terwijl het voorts wenselijk is deze aan te passen aan de huidige omstandigheden: Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Algemene bepalingen Artikel 1 In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. Reglement: het [Reglement voor de Gouverneur van Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003900), het Reglement voor de Gouverneur van Curaçao, onderscheidenlijk het Reglement voor de Gouverneur van Sint Maarten; - c. Gouverneur: degene die bij koninklijk besluit als Gouverneur van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten is benoemd op grond van artikel 1, tweede lid, van het Reglement; - d. gewezen Gouverneur: degene die na ontslag als Gouverneur krachtens deze rijkswet uitzicht heeft op ouderdomspensioen bij het bereiken van de vijfenvijftig-jarige leeftijd; - e. gepensioneerd Gouverneur: de gewezen Gouverneur aan wie pensioen krachtens deze rijkswet is toegekend; - f. pensioen: elk pensioen dat is toegekend krachtens deze rijkswet, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt; - g. nabestaande: de man of vrouw waarmee de Gouverneur, gewezen Gouverneur of gepensioneerd Gouverneur op de dag van overlijden gehuwd was. Artikel 2 1. In deze rijkswet en de daarop berustend"},{"i":16977,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Nederlandse Zorgautoriteit vanaf 1949 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 15 december, nr. bca-2010.060026/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit behorende ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Nederlandse Zorgautoriteit op het beleidsterrein toezicht en regulering in de gezondheidszorg over de periode vanaf 1949’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De handeling van de actoren College Tarieven Gezondheidszorg (CTG), Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg (COTG) en Centraal Orgaan Ziekenhuistarieven (COZ) (voorgangers van de Nederlandse Zorgautoriteit) in de lijst: ‘[Vaststelling tarieven in de gezondheidszorg vanaf 1945’ vastgesteld bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 oktober 2007](onbekend) kenmerk C/S&A/06/2515 (gepubliceerd in de Staatscourant 2007, nr. 222) worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.archief.nl."},{"i":17599,"b":"Subsidieregeling werkzaamheden ten behoeve van rechtsbijstand in locaties voor Wijkrechtspraak 2024–2026 gelet op [artikel 37b, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b), waarin is bepaald dat het bestuur van de raad ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand subsidie kan verstrekken voor bijzondere doeleinden en projecten, besluit de volgende regeling vast te stellen. Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze subsidieregeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. **bvr:** het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018); - c. **raad:** de raad voor rechtsbijstand, als bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2). - d. **bestuur:** het bestuur van de raad, zoals bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - e. **advocaat:** de advocaat, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=13); - f. **rechtsbijstand:** rechtskundige bijstand aan een rechtzoekende ter zake van een rechtsbelang dat hem rechtstreeks en individueel aangaat, voor zover in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) en de daarop berustende bepalingen geregeld; - g. **rechtzoekende:** degene die overeenkomstig [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1) gebruik maakt van rechtsbijstand; - h. **toevoeging:** de toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand als bedoeld in [artikel 24, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=24); - i. **toeslag:** een verhoging van forfaitaire vergoeding voor een toevoeging met een aantal punten, indien extra werkzaamheden in de zaak zijn uitgevoerd. - j. **wijkrechtspraak:** een bijzondere vorm van rechtspraak waarbij h"},{"i":19492,"b":"Mandaatsbesluit Rijksdienst voor het Wegverkeer Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), Besluit: De Directeur van de Rijksdienst voor het Wegverkeer met ingang van 1 juli 1999 te machtigen om namens de Minister van Financiën de bevoegdheden uit te oefenen die zijn neergelegd in artikel 1.9. van het [Voertuigreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746). Dit besluit vervalt op het moment dat artikel 1.9. van het [Voertuigreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746) in bovengenoemde zin zal zijn aangepast."},{"i":17898,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 juni 2024, nr. 2024-0000415294, tot wijziging van de Meerjarige regeling specifieke uitkeringen aandachtsgroepen Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel f, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2), en [artikel 3 van het Besluit van 29 oktober 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=3), houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving (Stb. 2022, 452) Besluit: Artikel I Wijzigt de Meerjarige regeling specifieke uitkeringen voor huisvesting aandachtsgroepen. Artikel II Op besluiten die zijn genomen vóór de inwerkingtreding van deze regeling blijven de bepalingen van de [Meerjarige regeling specifieke uitkeringen voor huisvesting aandachtsgroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046932), zoals die laatstelijk is gewijzigd op 8 mei 2023 (Staatscourant 2023, 13319), van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19463,"b":"Besluit van 21 februari 2009, houdende de vaststelling van nationale verkoopverboden en bepalingen met betrekking tot de algemene periodieke keuring van voertuigen, en tot intrekking van het Voertuigreglement (Besluit voertuigen) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 december 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1657 sector AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 34, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=34), [73, tweede lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=73), [81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=81), en [91, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=91), en [179, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=179); De Raad van State gehoord (advies van 17 december 2008, nr. W09.08.0530/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 februari 2009, nr. CEND/HJDZ-2009/51 sector AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **wet:** [Wegenverkeerswet 1994](onbekend). Hoofdstuk 2. Verbodsbepalingen Artikel 2 1. Het is verboden om radarontvangstapparaten die geschikt zijn om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel heeft om een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen, in te voeren, te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren. 2. Het eerste lid geldt niet voor de apparaten die in Nederland worden ingevoerd en waarvan door middel van handelsbescheiden wordt aangetoond dat de apparaten aansluitend worden uitgevoerd naar een andere lidstaat van de Europese Unie. 3. Het is verboden om apparaten die geschikt zijn om de teller van een motorrijtuig stil te zetten of op andere wijze te manipuleren, te vervaardigen, in te voeren, in voorraa"},{"i":18733,"b":"Besluit van 3 maart 2014, houdende aanwijzing van de installaties ter zee als bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES en artikel 87 van het Wetboek van Strafrecht BES Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 11 februari 2014, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 482703; Gelet op [artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=1) en op [artikel 87 van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=87); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 februari 2014, nr. W03.14.0035/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 26 februari 2014, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 487989; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als installatie ter zee als bedoeld in de begripsomschrijving van «opvarende» van [artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=1) wordt aangewezen: elke installatie ter zee als bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES die is opgericht op de bodem van de territoriale zee van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 Als installatie ter zee als bedoeld in [artikel 87 van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=87) wordt aangewezen: hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=1). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18162,"b":"Besluit van 15 november 2006, houdende nadere vaststelling van de grondslag voor de ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 30 november 2006 in verband met aanvaarding in eerste lezing door beide Kamers der Staten-Generaal van voorstellen tot verandering van de Grondwet Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en van Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 14 november 2006, directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op de [artikelen 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=64), en [137, derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=137); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2006/225. De ontbinding van de Tweede Kamer op 30 november 2006 zoals bepaald bij [koninklijk besluit van 4 september 2006, houdende ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020256) (Stb. 421 en Stcrt. 184), vindt mede plaats op grond van [artikel 137, derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=137). Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de nota van toelichting in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18469,"b":"Reglement voor de Griffie interparlementaire betrekkingen der Staten-Generaal Artikel 1 1. Ten dienste van de beide Kamers der Staten-Generaal is er een griffie voor de interparlementaire betrekkingen. 2. De griffie voor de interparlementaire betrekkingen ressorteert onder de Tweede Kamer. 3. [Artikel 13, vierde en vijfde lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006023&artikel=13) is van toepassing op de griffie voor de interparlementaire betrekkingen. 4. Onverminderd het derde lid geschiedt de werving en selectie van een griffier voor de griffie voor de interparlementaire betrekkingen in overleg met de Griffier van de Eerste Kamer. Artikel 2 De Griffier van de Eerste Kamer en de Griffier van de Tweede Kamer dragen gezamenlijk zorg voor: - a. de inhoudelijke aansturing van de dienstverlening door de griffie voor de interparlementaire betrekkingen aan de beide Kamers en hun delegaties naar interparlementaire assemblees en vergaderingen; - b. het adviseren van de leden van beide Kamers, het College van Senioren van de Eerste Kamer, het presidium van de Tweede Kamer en de Voorzitters van beide Kamers over interparlementaire aangelegenheden, waaronder de besteding en de prioritering van gelden ten behoeve van het lidmaatschap van interparlementaire instellingen en in het kader van de interparlementaire betrekkingen; en, - c. het toezicht op de uitvoering van het reglement genoemd in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024419&artikel=5&z=2020-01-28&g=2020-01-28). Artikel 3 De griffie interparlementaire betrekkingen is belast met: - a. het onderhouden van de administratieve betrekkingen van de Staten-Generaal met interparlementaire instellingen; - b. het adviseren van de leden van beide Kamers, het College van Senioren van de Eerste Kamer, het presidium van de Tweede Kamer en de Voorzitters van beide Kamers over interparlementaire aangelegenheden; - c. het bijstaan van de leden der S"},{"i":18451,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 mei 2019, nr. 2019-0000059525, tot vaststelling van de rijksbijdrage voor het Ouderdomsfonds voor het jaar 2019 Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [artikel 14, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Rijksbijdrage Ouderdomsfonds De rijksbijdrage, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=14), die ten gunste komt van het Ouderdomsfonds, bedraagt voor het jaar 2019: € 14.881.500.000. Artikel 2. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019. 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2020. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18619,"b":"Wet van 6 november 2008, houdende regeling van de rechtspositie van de vice-president van de Raad van State, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer, alsmede van de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen (Wet rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rechtspositie van de vice-president van de Raad van State, de staatsraden en de staatsraden in buitengewone dienst, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer, alsmede van de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen te harmoniseren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De bezoldiging van de vice-president van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman wordt bepaald op € 14.760,00 per maand. 2. De bezoldiging van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt bepaald op € 13.787,12 per maand. 3. De bezoldiging van de overige leden van de Raad van State, de overige leden in gewone dienst van de Algemene Rekenkamer en de substituut-ombudsmannen wordt bepaald op € 12.875,98 per maand. 4. De staatsraden ontvangen een zodanig deel van de in het derde lid bedoelde bezoldiging als overeenkomt met de vastgestelde omvang van de te verrichten taak. 5. De bezoldiging vangt aan met de dag van indiensttreding. De bezoldiging eindigt in ieder geval met ingang van de dag na het overlijden. 6. Na het overlijden van de vice-president van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de leden van de Raad van State en de staatsraden, de overige leden van de Algemene Rekenkamer of de substituut-om"},{"i":17008,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voorlichting van de rijksoverheid, 1945- (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 april 2007, nr. arc-2007.03707/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Voorlichting van de rijksoverheid, over de periode 1945–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst neerslag handelingen Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid over de periode 1945–1999’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. [C/S&A/05/1358](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018553) d.d. 5 juli 2005 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 245 d.d. 16 december 2005)) wordt ingetrokken, uitsluitend voor handeling 312 Het behandelen van aangelegenheden met beroep op grond van de [Wet Openbaarheid van Bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) (WOB). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17795,"b":"Wet van 10 april 2008, houdende regels inzake het gebruik van het burgerservicenummer in de zorg (Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de zorgsector het burgerservicenummer te gebruiken teneinde te waarborgen dat verwerkte persoonsgegevens op de betrokken cliënt betrekking hebben; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. zorg: één en ander met inbegrip van de financiële afwikkeling; - 1°. zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - 2°. vorm van hulp voor de kosten waarvan een subsidie wordt verstrekt op grond van [artikel 3.3.3 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) of [artikel 68 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=68); - 3°. zorg als bedoeld in de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=5), [6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=6b) en [12a van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=12a); - 4°. individuele gezondheidszorg als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=1); - c. zorgaanbieder: zorgaanbieder als bedoeld in de [Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173); - d."},{"i":18724,"b":"Beleidsregels van het Commissariaat voor de Media van 26 november 2019 over bestuurlijke boetes in het kader van de Wet op de vaste boekenprijs (Beleidsregels bestuurlijke boetes vaste boekenprijs 2019) Gelet op de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=15), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=18) en [22 van de Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=22) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Overwegende: dat het Commissariaat voor de Media ingevolge [artikel 15 van de Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=15) is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452); dat het Commissariaat voor de Media ingevolge de [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=18) en [22 van de Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=22) bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de [hoofdstukken 2 tot en met 4 van de Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&hoofdstuk=2) door een uitgever, importeur of verkoper, en [artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) aan de overtreder een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste € 90.000 dan wel € 4.500 per overtreding; dat het Commissariaat voor de Media inzicht wenst te geven in de wijze waarop het invulling geeft aan zijn bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen. Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - –. **de Wvbp:** de [Wet op de vaste boe"},{"i":18174,"b":"Besluit opheffen beperkingen openbaarheid archief Ministerie van Koloniën te Londen 1940–1945 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op de Verklaring van Overdracht van 20 oktober 1994 waarbij dit archief door het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan het Nationaal Archief is overgedragen en de bijbehorende regeling van de openbaarheid, Gehoord de Minister van Buitenlandse Zaken, Besluit: De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden in het archief van het Ministerie van Koloniën te Londen 1940–1945, nummer archiefinventaris 2.10.45, worden opgeheven met uitzondering van de beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden die zijn geborgen in de onderstaande inventarisnummers. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":17413,"b":"Regeling van Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 5 september 2022, nr. 2022-0000033803, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van het ontzorgen van kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren bij de verduurzaming van de gebouwde onroerende zaken die zij in eigendom hebben, tweede tranche (Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed tweede tranche) Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **gebouwde onroerende zaak:** gebouwde onroerende zaak of gebouwde onroerende zaken of gedeelten daarvan die niet uitsluitend een woonfunctie heeft of hebben en die staan ingeschreven in de basisregistratie kadaster op één adres of één gebouwde onroerende zaak die staat ingeschreven in de basisregistratie kadaster op meerdere adressen; - **eigendom:** eigendom, erfpacht of recht van opstal op een gebouwde onroerende zaak; - **kleine maatschappelijk vastgoedeigenaar:** - a. gemeente met minder dan 50.000 inwoners op 1 oktober 2022; - b. schoolbestuur van een door het Rijk bekostigde school in het primair onderwijs met maximaal vijftien gebouwde onroerende zaken in eigendom; - c. schoolbestuur van een door het Rijk bekostigde school in het voortgezet onderwijs met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom; - d. zorgaanbieder, met uitzondering van academische en algemene ziekenhuizen, met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom; - e. culturele instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling of gelieerd aan een instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling, met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom; - f. stichting, vereniging of coöperatie ter exploitatie en beheer"},{"i":19249,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 6 maart 2025, nr. 6141259, houdende vaststelling van een subsidieregeling vrijwilligersactiviteiten bij de sanctietoepassing 2026–2028 Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en [4 Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=4); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Algemene bepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; - b. **vrijwilliger:** een persoon die de activiteiten, bedoeld in [artikel 1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050854&paragraaf=1&artikel=1.6&z=2025-03-19&g=2025-03-19), op vrijwillige basis zonder financieel gewin uitvoert in georganiseerd verband; - c. **DJI:** de Dienst Justitiële Inrichtingen; - d. **justitiabele:** - 1°. de gedetineerde in de zin van de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709); - 2°. de verpleegde in de zin van de [Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765); - 3°. de jeugdige in de zin van de [Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756) of - 4°. de onder 1°, 2° en 3° genoemde personen gedurende 6 maanden na hun ontslag uit detentie of andere wijze van vrijheidsbeneming. - e. **inrichting:** - 1°. de inrichting in de zin van de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709); - 2°. de inrichting in de zin van de [Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765); - 3°. de inrichting in de zin van de [Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756). - f. **cofinanciering:** de aantoonbare additionele inkomsten ten behoeve van het aangevraagde subsidiebedrag voor de activiteiten, bedoeld in [artikel 1.6,](https://"},{"i":18338,"b":"Protocol inzake het onderzoek naar de kostenstructuur van de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba overwegende: dat het gewenst is door een commissie van advies onderzoek te doen verrichten naar de kostenstructuur van de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba; dat op grond van artikel 110, derde lid, van de Eilandenregeling Nederlandse Antillen, de begroting van deze eilandgebieden een zodanige omvang dient te hebben, dat zij in staat zijn hun bestuursapparaat normaal te doen functioneren en die voorzieningen te treffen, die, gezien de behoefte en de voorzieningen in het eilandgebied Curaçao, redelijk zijn te achten; gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); Besluiten: Artikel 1. **Instelling** Er is een commissie van advies inzake de kostenstructuur van de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in dit besluit aangeduid als de commissie. Artikel 2. **Samenstelling en ondersteuning** 1. De commissie bestaat uit drie personen. De voorzitter wordt aangewezen door de minister-president van de Nederlandse Antillen en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezamenlijk. Één lid wordt aangewezen door de minister-president van de Nederlandse Antillen, één lid wordt aangewezen door de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. De commissie beschikt over een secretaris. De secretaris wordt aangewezen door de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met de minister-president van de Nederlandse Antillen. 3. De regering van Aruba kan desgewenst een waarnemer bij de commissie benoemen. Artikel 3. **Opdracht** 1. De commissie onderzoekt de kostenstructuur van de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Zij maakt daarbij in ieder geval onderscheid tussen kosten die een gevolg zijn van niet door de eilandgebieden zelf genomen besluiten, kosten die een gevo"},{"i":17104,"b":"Huishoudelijk reglement van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a). **De Wet:** de [Wet op specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904) wet van 11 maart 1993, Stb, 1993, 193 in werking getreden 16 april 1993; - b). **Het Fonds:** Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - c). **Raad van toezicht:** de raad van toezicht als bedoeld in artikel 11 van de statuten; - d). **Het bestuur:** het bestuur als bedoeld in artikel 5 van de statuten; - e). **Het bureau:** het ondersteunend bureau als bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026366&artikel=10&z=2009-05-09&g=2009-05-09) van dit Huishoudelijk Reglement; - f). **Bezwaar:** bezwaar als bedoeld in [artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1); - g). **Bezwaarschrift:** een bezwaarschrift als bedoeld in [artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5); - h). **De minister:** de minister voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Artikel 2. Inrichting van de organisatie Het Fonds kent: - a). een Raad van Toezicht; - b). een bestuur; - c). Adviseurs; - d). Bureau; - e). een Bezwarenadviescommissie; Artikel 3. Het bestuur 1. Het Fonds wordt bestuurd door het bestuur, bestaande uit een door de Raad van Toezicht vast te stellen aantal van ten minste één en ten hoogste drie natuurlijke personen, onder toezicht van de Raad van Toezicht. 2. Indien het bestuur uit meer dan één persoon bestaat stelt de Raad van Toezicht een voorzitter aan en verdeelt de voorzitter van het bestuur de taken binnen het bestuur, met goedkeuring van de Raad van Toezicht. 3. In geval van ontstentenis of belet van één of meer leden van het bestuur, zullen de overblijvende leden van het bestuur, respectievelijk zal het enig overgebleven lid van het bestuur met het gehele bestuur zijn belast. 4. In geval van o"},{"i":17756,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zuid-Afrika inzake wederzijdse administratieve bijstand tussen hun douaneadministraties ten behoeve van de juiste toepassing van douanewetgeving en de voorkoming, opsporing en de bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zuid-Afrika, hierna gezamenlijk te noemen de „Verdragsluitende Partijen\" en afzonderlijk de „Verdragsluitende Partij\", Gelet op het belang van het garanderen van een juiste vaststelling van de douanerechten en andere belastingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving van verboden, beperkingen en controlemaatregelen; Overwegende dat inbreuken op de douanewetgeving hun economische, fiscale, sociale en culturele belangen en hun volksgezondheids- en handelsbelangen schaden; Overwegende dat de grensoverschrijdende handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, gevaarlijke stoffen, bedreigde diersoorten en giftig afval een gevaar voor de volksgezondheid en de samenleving vormt; Erkennende de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van duidelijke wettelijke bepalingen; Gelet op de van belang zijnde instrumenten van de Internationale Douaneraad, in het bijzonder de Aanbevelingen inzake wederzijdse administratieve bijstand van 5 december 1953; Tevens gelet op verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist: - a. wordt onder „douaneadministratie\" verstaan: - i. wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft: de centrale a"},{"i":18584,"b":"Besluit van 5 november 2003, houdende nadere aanpassing van besluiten aan de modernisering van de rechterlijke organisatie (Veegbesluit modernisering rechterlijke organisatie) Artikel I Wijzigt het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers. Artikel II Wijzigt het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren. Artikel III Wijzigt het Besluit buitengewone rechtspleging. Artikel IV Wijzigt het Besluit financiering rechtspraak. Artikel V Wijzigt het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen. Artikel VI Wijzigt het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren. Artikel VII Wijzigt het Besluit orde van dienst gerechten. Artikel VIII Wijzigt het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996. Artikel IX Wijzigt het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak. Artikel X Wijzigt het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel XI Wijzigt het Wijzigingsbesluit Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren (bovenwettelijke regeling ziekte en arbeidsongeschiktheid sector rechterlijke macht). Artikel XII Wijzigt het Kostuum- en titulatuurbesluit rechterlijke organisatie. Artikel XIII Wijzigt het Reglement voor de grondkamers en de Centrale Grondkamer. Artikel XIV Wijzigt het Sociaal beleidskader reorganisaties zittende magistratuur. Artikel XV Wijzigt het Tramwegreglement. Artikel XVI Wijzigt het Transactiebesluit milieudelicten. Artikel XVII Wijzigt het Tuchtrechtbesluit Landbouwkwaliteitswet. Artikel XVIII Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel XIX Indien een of meer besturen van gerechten met een of meer onderdelen van het openbaar ministerie vanaf 1 januari 2002 gezamenlijk een gemeenschappelijke facilitaire dienst in stand houden, treden de besturen van de betrokken gerechten en de hoofden van de betrokken onderdelen van het openbaar ministerie op als bevoegd gezag van het personeel werkzaam bij die dienst. Artikel XX 1. De artikelen I, onderdelen C en D, I"},{"i":19379,"b":"Wet van 11 november 1993, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten (getuigenbescherming) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en enige andere wetten aan te vullen met enkele voorschriften die betrekking hebben op getuigenbescherming; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**, waarin zij wordt geplaatst. Artikel VI [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006248&artikel=I&z=1994-02-01&g=1994-02-01) heeft geen gevolgen voor strafzaken, waarin vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een kennisgeving van verdere vervolging of dagvaarding in eerste aanleg is uitgebracht. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17595,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MEVA/ABA-3072441, houdende regels voor het subsidiëren van stageplaatsen in de zorg vanaf studiejaar 2011/2012 (Subsidieregeling stageplaatsen zorg 2011/2012) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister voor Langdurige Zorg en Sport; - b. **onderwijsinstelling:** - 1°. instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1, onderdeel b, onder 1° en 2°, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1) die ingevolge [artikel 2.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.3) voor bekostiging in aanmerking is gebracht; - 2°. instelling met een diploma-erkenning als bedoeld in [artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1); - 3°. de in [artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.8) bedoelde universiteiten, hogescholen, de Open Universiteit en de levensbeschouwelijke universiteiten; - 4°. rechtspersonen voor hoger onderwijs als bedoeld in de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) met volledige rechtsbevoegdheid die initiële opleidingen als bedoeld in voormelde wet verzorgen met uitzondering van de Staat en rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die postinitiële masteropleidingen verzorgen met uitzondering van de Staat; - c. **zorgopleiding:** - 1°. beroepsopleidende leerweg als bedoeld in [artikel 7.2.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroeps"},{"i":18729,"b":"Beschikking aanwijzing opsporingsambtenaren Wet op het afbetalingsstelsel 1961 Gezien een schrijven van de Staatssecretaris van Economische Zaken, gedateerd december 1963, kenmerk Directie W.J.A., 663/1625; Gelet op de [artikelen 1, onder 3°., d, en 17, 1ste lid, onder 2°., van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1), Besluit: - 1. Als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften, gesteld bij of krachtens de wet van 13 juli 1961, **Stb.** 218, houdende regelen tot bevordering van een goede toepassing van het afbetalingsstelsel (Wet op het Afbetalingsstelsel 1961), worden aangewezen de controleurs van de Economische Controledienst. - 2. Deze beschikking wordt bekendgemaakt in de **Nederlandse Staatscourant** en treedt in werking op de dag na die harer bekendmaking."},{"i":17486,"b":"Regeling urine onderzoek jeugdigen Gelet op [artikel 35, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=35); Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële kinderbescherming van datum 30 mei 2000, nr.5032390/00/TH/JMO; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Het anders dan door een arts, tandarts of verloskundige voorgeschreven gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen is tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel niet toegestaan. 2. Het gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen vormt een contra-indicatie voor de toekenning van verlof, strafonderbreking of deelname aan een scholings- en trainingsprogramma. 3. In de eerste twee weken van het verblijf van de jeugdige in de inrichting wordt de jeugdige geïnformeerd over de wijze waarop de inrichting uitvoering geeft aan het drugsontmoedigingsbeleid. Artikel 3 1. De afname van urine gebeurt bij voorkeur `s ochtends vroeg. 2. Alvorens de urine wordt afgenomen wordt de reden van het urineonderzoek aan de jeugdige medegedeeld en wordt de jeugdige uitleg gegeven over de te volgen procedure. 3. De jeugdige urineert bij voorkeur in een daartoe bestemde ruimte onder direct visueel toezicht van een personeelslid of medewerker in een daartoe aan hem verstrekte opvangbeker. 4. Indien de jeugdige niet direct tot afgifte van de urine in staat is, wordt hij gedurende een periode van vier uur alsnog hiertoe in de gelegenheid gesteld. De jeugdige verblijft gedurende deze periode bij voorkeur in een ruimte waarin geen mogelijkheden aanwezig zijn de resultaten van de analyse te beïnvloeden. 5. De urine wordt in twee buizen overgegoten, waarna deze zorgvuldig worden afgesloten. Indien de directeur voornemens is een indicatie onderzoek te doen plaatsvinden wordt de urine verdeeld over drie buizen. Hierna worden stickers met een uniek registratienummer, al dan niet onder toevoeging"},{"i":17800,"b":"Wet van 27 mei 1999, tot wijziging van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere wetten in verband met de beperking van het exporteren van uitkeringen (Wet beperking export uitkeringen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de handhaafbaarheid van de socialeverzekeringswetten het exporteren van uitkeringen te beperken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijziging van de verschillende wetten Artikel I. [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel II. [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel III. [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel IV. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel V. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel VI. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel VII. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Hoofdstuk 2. Overgangs- en slotbepalingen Artikel VIII. Overgangsbepaling [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) en het recht op ziekengeld bij wonen niet in Nederland [Artikel 19a van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=19a) is niet van toepassing op de persoon, die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet op grond van [artikel 19 van"},{"i":18234,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Rijksmuseum Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 november 2009, nr. bca-2009.05512/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van Het Rijksmuseum op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1946–1995’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17669,"b":"Vaststelling subsidieplafond en intrekking Regeling Subsidie Meerkracht, Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs Het bestuur van de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs heeft op 27 augustus 2012, in Staatscourant Nr. 17351, de ‘[Regeling Subsidie Meerkracht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031917)’ laten publiceren. Het bestuur van de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs besluit:"},{"i":17208,"b":"Protocol accountantsonderzoek financieel verslag Wlz-uitvoerders 2024 1. Inleiding 1.1. Algemeen 1.1.1. Verantwoordingsdocumenten Een Wlz-uitvoerder zendt vóór 1 juli aan de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa) een financieel verslag over het voorafgaande kalenderjaar. In het financieel verslag wordt onderscheid gemaakt tussen de beheerskosten en de kosten van verstrekking van zorg en vergoedingen1Artikel 4.3.1 Wlz. Het financieel verslag bestaat uit een algemene toelichting, een balans, een exploitatierekening en een toelichting op de balans en exploitatierekening. In het financieel verslag verantwoordt de Wlz-uitvoerder zowel de geldstromen die rechtstreeks via de Wlz-uitvoerder lopen als de geldstromen die via andere rechtspersonen lopen, zoals de betaling van zorgaanspraken via het CAK en de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De NZa heeft de voorschriften voor de inrichting van het uitvoeringsverslag en het financieel verslag nader uitgewerkt in de [Regeling uitvoeringsverslag en financieel verslag Wlz-uitvoerder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047939) (hierna: Regeling uitvoeringsverslag en financieel verslag). De regeling bevat onder andere specifieke voorschriften over hoe Wlz-uitvoerders zich moeten verantwoorden in het uitvoeringsverslag en het financieel verslag. Op grond van [artikel 31 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=31) stelt de NZa regels voor de controle door de accountants van de Wlz-uitvoerders, de inhoud en inrichting van de controleverklaring en het accountantsverslag. De regels voor de inhoud en inrichting van de controle, de controleverklaring en het accountantsverslag heeft de NZa vastgelegd in dit protocol. Dit protocol geeft richtlijnen voor het door de accountant uit te voeren onderzoek naar de getrouwheid van het financieel verslag en de financiële rechtmatigheid van de verantwoorde schaden, bedrijfsopbrengsten en beheerskosten. Het doel van het protocol is niet om de aanpak van het onderzoek v"},{"i":18992,"b":"Besluit vaststelling taakomschrijving Staatssecretaris Veiligheid en Justitie Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951, houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3) (Stb. 1951, 24); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de heer mr. F. Teeven, is binnen de grenzen van het door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde beleid meer in het bijzonder belast met de aangelegenheden betreffende: - a. personen- en familierecht; - b. adoptie; - c. auteursrecht; - d. juridische beroepen; - e. rechtsbijstand; - f. kansspelen; - g. bescherming persoonsgegevens; - h. slachtofferhulp; - i. sanctiebeleid, met inbegrip van TBS; - j. justitieel jeugdbeleid, met inbegrip van internationale kinderontvoering; - k. adolescentenstrafrecht; - l. persoonsgerichte preventie; - m. reclassering; - n. 1F-beleid; - o. asiel; - p. immigratie; - q. grensbewaking in vreemdelingenzaken; - r. [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738); - s. regulering vestiging inwoners Aruba, Curaçao en Sint Maarten. telkens met inbegrip van de bijbehorende wetgeving en met inbegrip van de met de uitvoering van het beleid op deze terreinen belaste dienstonderdelen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Artikel 2 De staatssecretaris kan voorts met nader door de minister aan te wijzen onderwerpen worden belast. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 november 2012."},{"i":17973,"b":"Wet van 29 oktober 2009 tot wijziging van enkele wetten vanwege enige technische verbeterpunten en het vervallen van een bepaling in een wijzigingswet Artikel I Wijzigt de Wet op de zorgtoeslag. Artikel II Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel III Wijzigt de Wijzigingswet Zorgverzekeringswet, enz. (verzwaren incassoregime premie en andere maatregelen zorgverzekering). Artikel IIIa Wijzigt de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Artikel IIIb Wijzigt de Wet ambulancezorg. Artikel IIIc Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel IIId In afwijking van de [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=22) juncto [32 van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=32) zijn op de rechtspositie van het personeel van het College bouw zorginstellingen en het College sanering zorginstellingen de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, niet van toepassing tot 1 januari 2013. Artikel IV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026714&artikel=II&z=2009-11-27&g=2009-11-27) werkt terug tot en met 1 januari 2009. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat enkele technische verbeteringen in de [Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451), de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), de [Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) en de [Wet ambulancevervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002757) dienen te worden aangebracht en dat een bepaling in een wijzigingswet dient te vervallen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:"},{"i":18094,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 26 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 068/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van het Nederlands Consulaat, later de Ambassade in Tanganyika, later Tanzania te Dar es Salaam, (1955–1974) en het Consulaat in Zanzibar, later Tanzania te Zanzibar (1952–1968) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van het Nederlands Consulaat, later de Ambassade in Tanganyika, later Tanzania te Dar es Salaam, (1955–1974) en het Consulaat in Zanzibar, later Tanzania te Zanzibar (1952–1968) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 14 | 2039 | | 40 | 2047 | | 185 | 2046 | | 186 | 2050 | 2. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van het Nederlands Consulaat, later de Ambassade in Tanganyika, later Tanzania te Dar es Salaam, (1955–1974) en het Consulaat in Zanzibar, later Tanzania te Zanzibar (1952–1968) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 39 | 2049 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024810&artikel=1&z=2008-12-12&g=2008-12-12), is slechts mogelijk na voorafga"},{"i":18586,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 19 mei 2017 tot vaststelling van het bedrag van de vergoedingen ten behoeve van de leden van de raad van advies van de Politieacademie (Vergoedingenbesluit raad van advies van de Politieacademie) Gelet op [artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 78, vierde lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=78); Besluit: Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de raad van advies van de Politieacademie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend. De toepasselijke salarisschaal is schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De arbeidsduurfactor is 2/36. 2. Aan de overige leden van de raad van advies van de Politieacademie wordt een vergoeding per vergadering toegekend. De vergoeding per vergadering bedraagt drie procent van het maximum van schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2017. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit raad van advies van de Politieacademie. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17666,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Kwaliteit van de Nederlandse wetgeving vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 december 2006, arc-2006.03247/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Kwaliteit van de Nederlandse wetgeving over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18351,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie van 5 oktober 2010, nr. 2010-0000623057, houdende nadere regels met betrekking tot de ambtenaren criminele inlichtingen, de infiltratieambtenaren en de aanhoudings- en ondersteuningsambtenaren waarover het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba beschikt dan wel kan beschikken, alsmede de ambtenaren criminele inlichtingen van de Koninklijke marechaussee (Regeling beheer politiekorps BES) Gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=14) en [68 van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=68) en de [artikelen 3, vierde en vijfdelid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028780&artikel=3), [4, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028780&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028780&artikel=5) en [6, tweede lid, van het Besluit beheer politiekorps BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028780&artikel=6); Besluit: § 1. **Algemeen** Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ambtenaren criminele inlichtingen:** de ambtenaren, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Besluit beheer politiekorps BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028780&artikel=4), waarover het politiekorps beschikt dan wel kan beschikken, dan wel de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee, belast met de taak bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028823&paragraaf=2&artikel=2&z=2010-10-14&g=2010-10-14); - b. **informantgegevens:** gegevens omtrent een persoon, bedoeld in [artikel 12, zevende lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=12); - c. **criminele inlichtingen:** gegevens, die in aanmerking komen voor verwerking op grond van [artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=10); - d. **veran"},{"i":18550,"b":"Besluit van 7 januari 2009, houdende bepalingen ter uitvoering van de Rijkswet Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba (Uitvoeringsbesluit Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba) Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 3 november 2008, nr. C/2008027300, directie juridische zaken, sector wet- en regelgeving; Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023731&artikel=1), en [10, derde lid, van de Rijkswet Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023731&artikel=10); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 3 december 2008, nr. W07.08.0476/II/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 31 december 2008, nr. C2008033279; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemeen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **aangewezen opvarende:** opvarende als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023731&artikel=10); - b. **niet-penetrerende munitie:** munitie die is ontworpen om bij het treffen van een persoon niet het lichaam binnen te dringen; - c. **officier van piket:** functionaris die belast is met piketdienst; - d. **ernstig misdrijf:** misdrijf waarvoor in de strafwetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba voorlopige hechtenis is toegelaten. 2. Onder het aanwenden van geweld wordt mede verstaan: - a. het dreigen met geweld; - b. het gebruik van vrijheidsbeperkende middelen. § 2. Uiterlijke kentekenen van kustwachtschepen en kustwachtluchtvaartuigen Artikel 2 1. Een kustwachtschip voert duidelijk kenbaar de volgende uiterlijke kentekenen: - a. het logo van de Kustwacht, dat op de romp wordt aangebracht; - b. de belettering «"},{"i":19541,"b":"Regeling houdende regels voor havenontvangstvoorzieningen (Regeling havenontvangstvoorzieningen) Gelet op [Bijlagen I](onbekend), [II](onbekend), [IV](onbekend) en [V van het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels](onbekend) (Trb. 1975, 147), en met het op 17 februari 1978 te Londen totstandgekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb. 1978, 187), richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332), de [artikelen 1, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=1), [6, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=6), [6a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=6a), [12a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=12a), [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=18), en [35a, vijfde lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=35a) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017136&artikel=2), [8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017136&artikel=8), en [9, tweede lid, van het Besluit havenontvangstvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017136&artikel=9); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet voorkoming verontreiniging door schepen, enz. in verband met richtlijn 2000/59/EG betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332) en het Besluit havenontvangstvoorzieningen in werking treedt. § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. afmelding: het bericht dat de afgifte door de kapitein van een schip van scheepsafvalstoffen is beëindigd; - b. aan"},{"i":19540,"b":"Regeling forfaitaire winstvaststelling zeescheepvaart 2001 Gelet op [artikel 3.22 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.22), Besluit: Artikel 1. Reikwijdte en definitie 1. Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 3.22 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.22). 2. Deze regeling verstaat onder wet: [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353). Artikel 2. Indiening verzoek Bij indiening van een verzoek om toepassing van [artikel 3.22, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.22) verstrekt de belastingplichtige een opgave van: - a. de schepen en de andere zaken die bij het begin van het jaar waarin het verzoek wordt gedaan, door de onderneming worden gebruikt voor het behalen van winst uit zeescheepvaart en tot het vermogen van de onderneming behoren; - b. de mate waarin de andere zaken worden gebruikt voor het behalen van winst uit zeescheepvaart; - c. de boekwaarde en de waarde in het economische verkeer van de in onderdeel a bedoelde schepen en andere zaken op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het jaar waarin het verzoek wordt gedaan; - d. het bedrag van de op grond van [artikel 3.53 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.53) gevormde reserves die verband houden met de zeescheepvaart op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het jaar waarin het verzoek wordt gedaan. Artikel 3. Overgang schip uit tonnage 1. Het bedrag dat door de inspecteur op grond van [artikel 3.23, derde lid, laatste volzin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.23) bij beschikking is vastgesteld, wordt verminderd met het bedrag dat buiten aanmerking is gebleven met betrekking tot een schip waarop [artikel 3.24, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.24) toepassing vindt. Het gewijzigde bedr"},{"i":19543,"b":"Regeling houdende vaststelling van eisen ten aanzien van inrichting, uitrusting en technische eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur en het onderhoud daarvan (Regeling hoofdspoorweginfrastructuur) Gelet op [artikel 6, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=6), en [artikel 7, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=7) en [artikel 2 van het Besluit spoorweginfrastructuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017626&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit spoorweginfrastructuur in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **actief beveiligde overweg:** spoorwegovergang die voorzien is van een treinaankondigingsinstallatie; - **bewaakte overweg:** actief beveiligde spoorwegovergang waarbij de daarnaar toe leidende seinen pas uit de stand ‘stop’ kunnen komen als de overwegbomen gesloten zijn; - **wet:** [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007). § 2. Algemene kenmerken Artikel 2 1. Behoudens hoofdspoorwegen waarover minder dan eenmaal per week een spoorvoertuig rijdt, zijn openbare niet-actief beveiligde overwegen voorzien van: - a. ten minste aan de rechterzijde van de weg geplaatste Andreaskruisen volgens model J12 of J13 van [bijlage 1, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&bijlage=1); - b. aan weerszijden van de weg geplaatste schrikhekken. Artikel 3 1. Openbare actief beveiligde overwegen zijn naast de in artikel 10 genoemde inrichting, tevens voorzien van: - a. een tenminste aan de rechterzijde van de weg geplaatst knipperend rood of wit licht; - b. bellen; - c. aan weerszijden van de weg geplaatste informatieborden. 2. De in het eerste lid genoemde overwegen kunnen tevens voorzien zijn van overwegbomen, waarvan de werking en inrichting zodanig is dat weggebruikers de overweg op een veilige manier kunnen verlaten of zich veilig kunnen"},{"i":19542,"b":"Regeling havenstaatcontrole 2011 Gelet op [richtlijn nr. 2009/16/EG](32009L0016) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PbEU L 131), [richtlijn nr. 1999/95/EG](31999L0095) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 1999 betreffende de handhaving van de bepalingen inzake de arbeidstijd van zeevarenden aan boord van schepen die havens in de Unie aandoen (PbEG L 14), [richtlijn 2002/59/EG](32002L0059) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van [richtlijn 93/75/EEG](31993L0075) van de Raad (PbEU L 208), [richtlijn nr. 2008/106/EG](32008L0106) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEU L 323), [verordening (EG) nr. 782/2003](32003R0782) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen (PbEU L 115), [verordening (EG) nr. 536/2008](32008R0536) van de Europese Commissie van 13 juni 2008 ter uitvoering van artikel 6, derde lid, en 7 van [Verordening (EG) nr. 782/2003](32003R0782) van het Europees Parlement en de Raad houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen en tot wijziging van die verordening (PbEU L 156), [verordening (EG) nr. 725/2004](32004R0725) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129) en de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=5), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=29) en [30 van de Wet havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=30). Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet"},{"i":4702,"b":"Instellingsbesluit Adviescommissie extra uren civiele- en bestuurszaken gelet op [artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:5) jo. [artikel 8, eerste lid, van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8) en de bevindingen en conclusies in het rapport Herijking Rechtsbijstand, naar een duurzaam stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand van de commissie Wolfsen, d.d. 30 november 2015 en het rapport Andere tijden van de commissie Van der Meer, oktober 2017; besluit: Een Adviescommissie extra uren in civiele- en bestuurszaken in te stellen; Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **de Raad:** het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand; - –. **de commissie:** de Adviescommissie extra uren in civiele- en bestuurszaken. Artikel 2. Instelling en taak 1. De Raad voor Rechtsbijstand besluit tot de instelling van een Adviescommissie extra uren in civiele- en bestuurszaken. 2. De commissie heeft tot taak de Raad voor Rechtsbijstand te adviseren met betrekking tot de te nemen besluiten op aanvragen om toekenning van extra uren in civiele- en bestuurszaken en vaststelling van de vergoeding daarvan, zoals bedoeld in [artikel 31 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=31) (Bvr). 3. Er is een [Reglement Adviescommissie extra uren in civiele- en bestuurszaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050152), waarin taak en werkwijze van de commissie wordt beschreven. Artikel 3. Kosten van de commissie De leden van de commissie ontvangen vacatiegelden en een vergoeding voor reis- en verblijfkosten overeenkomstig de ‘[Vergoedingenregeling Raad voor Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014380)’ (Stb. 2003,2). Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertite"},{"i":4175,"b":"Besluit vaststelling selectielijst gemeenten en intergemeentelijke organen 2020 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst gemeenten en intergemeentelijke organen 2020 en de daarbij behorende toelichting wordt vastgesteld. Artikel 2 De [Selectielijst voor gemeenten en intergemeentelijke organen 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039741), zoals vastgesteld op 23 juni 2017 nr. NA/2017/1217430 door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Stcrt. 2017, 38013) wordt afgesloten per 31 december 2019. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":3123,"b":"Besluit van 18 april 2019, houdende beperkingen aan het op de markt brengen, verspreiden of het verkopen van contracts for differences aan niet-professionele cliënten in verband met Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 en de Wet op het financieel toezicht (Beperkingen aan CFD’s) gelet op, artikel 42 van de Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012; artikel 21 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/567 van de Commissie van 18 mei 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot definities, transparantie, portefeuillecompressie en toezichtmaatregelen voor productinterventie en voor posities; [artikel 1:77f van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:77f); en [artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel m, van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032230&artikel=2), besluit: Artikel 1. Definities Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - 1. **‘contract for differences’ of ‘CFD’:** een derivaat niet zijnde een optie, future, swap of rentetermijncontract, dat bedoeld is om de houder langdurig of kortdurend bloot te stellen aan schommelingen in prijs, niveau of waarde van een onderliggende waarde, ongeacht of dat wordt verhandeld op een handelsplatform, en dat contant moet of mag worden afgewikkeld naar keuze van een der partijen tenzij de reden het in gebreke blijven is of een andere reden die beëindiging van het contract tot gevolg heeft; - 2. **‘uitgezonderd niet-geldelijke voordelen’:** ieder niet-geldelijk voordeel anders dan voorlichtings- en onderzoekstools voor zover die verband houden met CFD’s; - 3. **‘initiële marge’:** iedere betaling die is bedoeld om een CFD aan te gaan, exclusief"},{"i":4614,"b":"Gewijzigde Richtlijn toepassing detacheringsverbod per 1 juli 1997 in de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurigwerklozen Inleiding De [Regeling Extra werkgelegenheid langdurig werklozen 1996](onbekend) bevat de bepaling dat in het kader van die regeling detacheringsconstructies niet zijn toegestaan. In de toelichting werd aangegeven dat dit verbod op detacheringen uiterlijk 1 juli 1997 zou worden ingevoerd. De [Regeling extra werkgelegenheid langdurig werklozen](onbekend) is bedoeld om ondermeer de gemeenten in de gelegenheid te stellen structurele en reguliere arbeidsplaatsen te scheppen in een aantal onderdelen van de collectieve sector. Net als bij andere reguliere arbeidsplaatsen is het de bedoeling dat werknemers die werkzaam zijn in het kader van deze regeling hun werkzaamheden daadwerkelijk verrichten voor de werkgever met wie zij een arbeidsovereenkomst hebben. Met het detacheringsverbod onderscheidt de [Regeling extra werkgelegenheid langdurig werklozen](onbekend) zich dus nadrukkelijk van de [Rijksbijdrageregeling banenpools](onbekend) en de [Jeugdwerkgarantiewet](onbekend). Deze circulaire, die mede namens de minister van Binnenlandse Zaken wordt uitgebracht, wil duidelijkheid scheppen over hetgeen onder detachering wordt verstaan, welke organisatievormen en wijzen van aansturing door derden met inachtneming van het detacheringsverbod kunnen worden geaccepteerd of moeten worden afgewezen en op welke wijze de naleving van het verbod op detachering zal worden gewaarborgd. Om organisaties voldoende gelegenheid te geven situaties die per 1 juli 1997 in strijd zijn met het detacheringsverbod, in overeenstemming te brengen met de aanwijzingen in deze richtlijn, is voor die organisaties een overgangstermijn voor de effectuering van het verbod bepaald. Constructies van voor 1 juli 1997 bestaande organisaties die in strijd zijn met het detacheringsverbod en het in deze richtlijn bepaalde, zullen met ingang van 1 juli 1998 aan sanctie onderhevig zijn. Organi"},{"i":2807,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2011 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984. Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2011, doch niet later dan 15 oktober 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,491 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2011 en eindigende met 15 oktober 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toe"},{"i":4838,"b":"Besluit van het hoofd van de Afdeling Coördinatie Bewaken en Beveiligen van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 28 oktober 2024, nr. 5841775, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het plaatsvervangend hoofd van die afdeling (Mandaatbesluit Coördinatie Bewaken en Beveiligen NCTV 2024) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit Bewaken en Beveiligen NCTV 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050385&artikel=1) aan het hoofd van de Afdeling Coördinatie Bewaken en Beveiligen verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die die afdeling betreffen ondermandaat verleend aan het plaatsvervangend hoofd van de Afdeling Coördinatie Bewaken en Beveiligen. Artikel 2 Het [Mandaatbesluit Coördinatie Bewaken en Beveiligen NCTV 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049354) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Coördinatie Bewaken en Beveiligen NCTV 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4244,"b":"Besluit van 9 oktober 2024, nr. 2024002245 houdende de vaststelling tot voortzetting van het financieel toezicht in Curaçao en Sint Maarten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 oktober 2024, nr. 2024-0000817510, Directoraat-Generaal Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met de conclusie van de raad van ministers van het Koninkrijk van 4 oktober 2024; Gelet op [artikel 33 van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=33); Overwegende dat: [Artikel 33, eerste lid, van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=33) (hierna: de Wet) bepaalt dat de raad van ministers van het Koninkrijk vijf jaar na inwerkingtreding van deze [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132) besluit of en, zo ja, met ingang van welk tijdstip een van de landen of beide een of meer verplichtingen op grond van deze wet blijven niet meer behoeft na te komen; Ingevolge [artikel 33, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=33) drie jaar na een besluit, als bedoeld in het eerste lid, opnieuw een besluit wordt genomen en vervolgens telkens binnen een periode van drie jaar na ieder besluit, zolang ten aanzien van een land één of meer verplichtingen op grond van de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132) nog van toepassing zijn, wederom een besluit wordt genomen; Bij [besluit van 5 juli 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046983) de verplichtingen voor Curaçao en Sint Maarten op grond van de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132) met drie jaar zijn verlengd en hieraan terugwerkende kracht is gegeven tot 10 oktober 2021; Dergelijke besluiten worden genomen nadat aan de raad van ministers van het Koninkrijk een advies is uitgebracht door een evaluatiecommissie; Onze Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksre"},{"i":3651,"b":"Besluit van 18 april 2018, houdende regels inzake technische en organisatorische maatregelen met betrekking tot rechtstreeks geautomatiseerde toegang van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot de gegevens verwerkt door informanten dan wel door ambtenaren van politie, van de Koninklijke marechaussee en van de rijksbelastingdienst (Besluit maatregelen rechtstreeks geautomatiseerde toegang inlichtingen- en veiligheidsdiensten) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 augustus 2017, nr. 2017-0000212778, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie; Gelet op de [artikelen 39, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=39), en [94, tweede lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=94); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 oktober 2017, No. W04.17.0243/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 april 2018, nr. 2017-000058532, uitgebracht mede namens Onze Minister van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896); - b. **toegangverlener:** de persoon of instantie die op grond van artikel 39, derde lid, onderscheidenlijk 94, tweede lid, rechtstreeks geautomatiseerde toegang verleent tot de gegevens, bedoeld in [artikel 39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=39), onderscheidenlijk [94, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=94). Artikel 2 1. De toegangverlener neemt de noodzakelijke technische en organisatorische maatregelen teneinde de vertrouwelijkheid van gegevensbevragingen door en gegevensverstrekkingen aan de diensten te waarborgen. 2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, dienen in ieder geval"},{"i":2865,"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 oktober 2011, nr. 5712808/11/6, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2012 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2012) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2012 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,3. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2012. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3096,"b":"Besluit van 9 december 2021, houdende voorschriften inzake de bekostiging van basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs (Besluit bekostiging WPO 2022) Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 30 september 2021, nr. WJZ/29123337 (12545), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 18a, zestiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=18a), [69, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=69), [116, vierde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=116), [117, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=117), [135](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=135), [143, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=143), [149, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=149), [152, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=152), [163, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=163), [165, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=165), [166, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=166), [167, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=167), [178](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=178), [192, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=192), en [193 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=193), de [artikelen 141, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=141), [142, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=142), [143, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=143), en [158 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=158), [artikel 2.2.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepson"},{"i":4438,"b":"Bestuursreglement werkwijze College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden 2024 Op grond van op [artikel 8 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=8); Gelet op de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); besluit de volgende regeling te treffen voor de werkwijze van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1:1 In dit reglement wordt verstaan onder: - **college:** het in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=3) bedoelde College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - **Onze Minister:** de in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=1) bedoelde Minister; - **risk envelope:** de definitie van risk envelope conform het ‘Guidance document on the preparation and submission of dossiers for plant protection products according to the “risk envelope approach”, SANCO/11244/2011’ en diens opvolgers. - **secretariaat:** het in [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=7) bedoelde secretariaat van het college; - **secretaris:** de in [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=7) bedoelde secretaris van het college tevens directeur van het secretariaat; - **voorzitter:** voorzitter van het college - **wet:** [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) Hoofdstuk 2. Werkwijze van het college Paragraaf 2.1. Vergadering Artikel 2:1 Het college vergadert ten kantore van het college, tenzij de voorzitter een andere plaats aanwijst. De plaats die door de voorzitter wordt aangewezen voor de vergadering kan wegens bijzondere omstandigheden tevens een digitale omgeving betreffen. Artikel 2:2 1. De vergaderingen van het college vinden plaats volgens een jaarlijks vergaderroost"},{"i":3682,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 april 2020, nr. WJZ/ 20004577 houdende regels inzake het verlenen van mandaat en machtiging voor de uitgifte van identificatiedocumenten van paardachtigen (Besluit mandaat en machtiging inzake de uitgifte van paardachtigen 2020) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 38t, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014538&artikel=38t); Gezien de schriftelijke instemming van de voorzitters van het bestuur van organisaties voor de uitgifte van identificatiedocumenten van paardachtigen, die krachtens dit besluit mandaat en machtiging verkrijgen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **verordening (EU) nr. 262/2015:** Uitvoeringsverordening (EU) nr. 262/2015 van de Europese Commissie van 17 februari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de [Richtlijnen 90/427/EEG](31990L0427) en [2009/156](32009L0156) van de Raad met betrekking tot de methoden voor de identificatie van paardachtigen (verordening paardenpaspoort) (PbEU 2015, L 59). Artikel 2 Mandaat en machtiging wordt verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met [artikel 38t, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014538&artikel=38t) voor paardachtigen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) 262/2015, aan de voorzitters van het bestuur van: - a. Vereniging Arabische Volbloedpaarden Stamboek in Nederland; - b. Nederlandse Quarter Horse Associatie; - c. Koninklijke Vereniging Warmbloed Paardenstamboek Nederland; - d. Koninklijke Vereniging ‘Het Friesch Paarden-Stamboek’; - e. Koninklijke Vereniging ‘Het Nederlandse Trekpaard en de Haflinger’; - f. Lipizzanerstamboek Vereniging Nederland; - g. Ned"},{"i":3392,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 23 augustus 2016 nr. BOACAT2016/052, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Steenwijkerland Gelezen het verzoek van de gemeente Steenwijkerland van 20 juni 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038465&artikel=2&z=2016-11-10&g=2016-11-10). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van - a). Controleur Openbare Ruimte - b). Toezichthouder BAG - c). Toezichthouder Milieu, welzijn en infrastructuur in dienst van de gemeente Steenwijkerland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 2, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038465&artikel=2&z=2016-11-10&g=2016-11-10), is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 2, onder c](ht"},{"i":4321,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juni 2016, nummer 981104-152006-VGP houdende verlening van bijzonder ondermandaat en ondermachtiging aan de voorzitter van Stichting AVINED betreffende retributies in het kader van het Nationaal Plan Residuen Eisector Gelet op [artikel 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a); Besluit: Artikel 1 Aan de voorzitter van het bestuur van de Stichting AVINED, gevestigd te Zeist, wordt bijzonder ondermandaat verleend tot het nemen van besluiten betreffende retributies in het kader van het Nationaal Plan Residuen Eisector, alsmede ondermachtiging tot het verrichten van handelingen die noodzakelijk zijn voor het innen van deze retributies. Artikel 2 De voorzitter van het bestuur van de Stichting AVINED is bevoegd ondermandaat en ondermachtiging te verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4872,"b":"Besluit van de directeur Weerbaarheidsverhoging van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van 19-01-2016, nr. 712208, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de landelijk commandant USAR.NL (Mandaatbesluit landelijk commandant USAR.NL) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Mandaatregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030842&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. De commandant USAR.NL, genoemd in [artikel 3, eerste lid, van het Instellingsbesluit USAR.NL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033753&artikel=3), is bevoegd om namens de Minister van Veiligheid en Justitie beslissingen te nemen als bedoeld in [artikel 5 van het Instellingsbesluit USAR.NL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033753&artikel=5), voor zover dit betreft de inzet van USAR.NL in het Europese deel van Nederland. 2. De commandant USAR.NL informeert de directeur Weerbaarheidsverhoging van het Ministerie van Veiligheid en Justitie onverwijld van een beslissing zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van deze regeling. Artikel 2 De commandant USAR.NL en de door hem aangewezen ambtenaren zijn bevoegd om namens de directeur Weerbaarheidsverhoging van het Ministerie van Veiligheid en Justitie op te treden als internationaal aanspreekpunt als bedoeld in [artikel 4, derde lid, van het Instellingsbesluit USAR.NL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033753&artikel=4). Artikel 3 De [mandaatregeling landelijk commandant USAR.NL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033692) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit landelijk commandant USAR.NL."},{"i":2512,"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juli 2019, kenmerk 1516264-189438-PG, over regels voor de verstrekking van een tegemoetkoming in verband met de grote gevolgen van de Q-koortsuitbraak (Beleidsregel tegemoetkoming Q-koorts 2019) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Q-koorts:** infectieziekte die kan overgaan van dieren op mensen, veroorzaakt door de bacterie **Coxiel/a burnetii;** - **Q-koortsuitbraak:** de uitbraak van Q-koorts in Nederland in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010; - **Q-koortspatiënt:** een nog in leven zijnde natuurlijke persoon die in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2012 in Nederland is besmet met Q­ koorts; - **chronische Q-koorts:** aandoening met langdurige ernstige klachten als gevolg van een acute Q-koortsinfectie, die blijkens bloedonderzoek heeft geleid tot een chronische infectie; - **Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS):** aandoening met ten minste zes maanden voortdurende klachten van ernstige vermoeidheid als gevolg van een acute Q­ koortsinfectie die niet tot chronische Q-koorts heeft geleid, en niet door andere oorzaken te verklaren zijn; - **QVS gelijkend ziektebeeld:** op QVS gelijkend ziektebeeld met ten minste zes maanden durende klachten van ernstige vermoeidheid als gevolg van een acute Q-koortsinfectie die niet tot chronische Q-koorts heeft geleid, die niet afdoende door andere oorzaken te verklaren zijn; - **nabestaanden:** - 1°. de ten tijde van het overlijden niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner, of de levensgezel die ten tijde van het overlijden met de overledene een gezamenlijke huishouding voerde; - 2°. bij ontstentenis van de onder 1° bedoelde persoon, de kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond; - 3°. bij ontstent"},{"i":3633,"b":"Besluit van 17 juni 2021, houdende regels inzake aangewezen kunststofproducten voor eenmalig gebruik, producten van oxo-degradeerbare kunststoffen en kunststofhoudend vistuig en houdende wijziging van het Besluit beheer verpakkingen 2014 (Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 28 januari 2021, nr. IENW/BSK-2020/251277, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu (PbEU 2019, L 155) en gelet op [artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van, nr. W17.21.0036/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 14 juni 2021, nr. IENW/BSK-2021/123817, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **EU-richtlijn kunststofproducten voor eenmalig gebruik:** richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu (PbEU 2019, L 155); - –. **havenontvangstvoorziening:** voorziening als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=6); - –. **in de handel brengen:** voor het eerst beroepsmatig op de markt aanbieden van een product; - –. **kunststof:** materiaal bestaande uit een polymeer als bedoeld in artikel 3, punt 5, van Verordening (EG) nr. 1907/2006, waaraan mogelijk additieven of andere stoffen zijn toegevoegd, en dat als een structureel hoofdbestanddeel van eindproducten kan worden gebrui"},{"i":3837,"b":"Besluit van het bestuur van de Stichting voor de Technische Wetenschappen van 15 december 2017, houdende regels inzake ondermandaat, volmacht en machtiging voor aangelegenheden met betrekking tot subsidieverstrekking op grond van paragraaf 3.16.4 van de Regeling nationale EZ-subsidies (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging bestuur STW inzake subsidieverstrekking op grond van paragraaf 3.16.4 van de Regeling nationale EZ-subsidies) Artikel 1 Aan de executive director van de Stichting voor de Technische Wetenschappen wordt ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de subsidieverstrekking op grond van [paragraaf 3.16.4 van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&paragraaf=3.16.4) voor zover het subsidies betreft die worden verstrekt aan: - a. academische innovatieve starters; - b. hbo innovatieve starters; - c. TO2-innovatieve starters. Artikel 2 De uit dit besluit voor de executive director van de Stichting voor de Technische Wetenschappen voortvloeiende bevoegdheden gaan bij zijn afwezigheid over op zijn plaatsvervanger. Artikel 3 Een afschrift van dit besluit wordt gezonden aan de secretaris-generaal en de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en aan degenen aan wie krachtens dit besluit ondermandaat, volmacht en machtiging is verleend. Artikel 4 Het Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging executive director Stichting STW wordt ingetrokken. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat: - a. [artikel 1, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040626&artikel=1&z=2018-02-15&g=2018-02-15), terugwerkt tot en met 19 september 2014; - b. [artikel 1, onderdeel b](https://wetten.overhei"},{"i":3641,"b":"Besluit landelijk overleg milieuwethandhaving In overeenstemming met de Ministers van Justitie, van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Besluit: § 1. Het Bestuurlijk landelijk overleg milieuwethandhaving Artikel 1 Er is een Bestuurlijk landelijk overleg milieuwethandhaving, verder te noemen BLOM. Artikel 2 1. Het BLOM heeft tot taak: - a. voorstellen te ontwikkelen voor doelmatige handhaving van meer dan provinciaal belang in Nederland; - b. de samenhang te bevorderen in de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van onderdelen van het handhavingsbeleid zoals ketenhandhaving etc.; - c. voorstellen doen voor verbetering van handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van regelgeving; - d. afspraken maken over gezamenlijke prioriteiten en de daarvoor benodigde capaciteit. - e. coördineren van handhavingsinspanningen van de handhavende instanties. - f. het coördineren van rapportages met betrekking tot de handhaving van milieuregelgeving aan de Europese Unie. 2. Het BLOM kan daartoe de met de handhaving van milieuregelgeving belaste overheidsorganen gevraagd of ongevraagd adviseren over: - a. de afstemming van hun handhavingsbeleid, waaronder het stellen van prioriteiten voor de handhaving van de milieuregelgeving; - b. hun operationele samenwerking bij de handhaving, waaronder de inzet van capaciteit voor de handhaving van de milieuregelgeving; - c. handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van milieuregelgeving; - d. andere onderwerpen met betrekking tot de handhaving van de milieuregelgeving. Artikel 3 1. Het BLOM stelt eenmaal per twee jaar een beleidsplan vast, waarin afspraken op strategisch niveau worden vastgelegd met betrekking tot de uitvoering van zijn taak. 2. Het BLOM stelt na afloop van de periode waarop een beleidsplan betrekking heeft, een verslag vast over de wijze waarop daaraan uitvoering is gegeven en de resultaten die daarmee zijn bereikt"},{"i":4684,"b":"Instellingsbeschikking Adviescommissie Fuwa Overwegende, dat het voor de acceptatie van het functiewaarderingssysteem politie van belang is dat alle betrokken partijen een bijdrage kunnen leveren aan het onderhoud aan het functiewaarderingssysteem; Gelet op het gestelde in de circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 maart 1991, nr. PRP/14/U11, met betrekking tot het onderdeel functiewaardering; Besluit: Artikel 1 1. Er is een adviescommissie functiewaardering ten behoeve van het onderhoud aan het functiewaarderingssysteem, hierna te noemen: de adviescommissie Fuwa. Artikel 2 De adviescommissie Fuwa heeft tot taak: - a. De minister te adviseren over indelingsvraagstukken, over bijstellingen van het technische systeem en het referentiemateriaal en over andere onderhoudsvraagstukken inzake functiewaardering. - b. Op verzoek de korpsbeheerders te adviseren over (specifieke) indelingskwesties en in algemene zin te adviseren over de toepassing van functiewaardering. Artikel 3 1. De adviescommissie Fuwa is als volgt samengesteld: - a. mevrouw A.M. Salomon, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voorzitter); - b. de heer F. Diepenbach, Nederlands Politie Instituut; - c. de heer J. A. Eringaard, Nederlandse Politiebond; - d. de heer S.J. Rathman, regionaal politiekorps Noord-Holland Noord; - e. de heer N.Th.P. Remkes, regionaal politiekorps Twente; - f. de heer A.G. van Santen, Korps Landelijke Politiediensten; - g. de heer J.K. Sweers, Algemeen Christelijke Politiebond; - h. de heer J. Valk, regionaal politiekorps Utrecht; allen leden. 2. Aan de commissie is toegevoegd een secretaris, mevrouw A. de Neyn van Hoogwerff-de Geus. 3. Indien de adviescommissie Fuwa dat wenselijk oordeelt kunnen deskundigen voor vergaderingen van de adviescommissie Fuwa worden uitgenodigd. Artikel 4 De beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 november 1991, nr. EA91/U2624, wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze beschikking treedt in werking met ingang"},{"i":2836,"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1985 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1984 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1983; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1985 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 0,5. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1985."},{"i":3224,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 5 april 2022 nr. BOACAT2022/021, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Deventer Gelezen het verzoek van gemeente Deventer van 25 januari 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046546&artikel=2&z=2022-05-23&g=2022-05-23). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Toezichthouder BOA en Senior Toezichthouder BOA in dienst van gemeente Deventer, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domei"},{"i":13679,"b":"Regeling van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 juni 2005, nr. 2350225/01 tot instelling van de Werkgroep Bijzondere Informatiebeveiliging (Instellingsregeling WBI) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1. Verklaring van gebruikte begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. bijzondere informatie: staatsgeheimen en overige bijzondere informatie waarvan kennisname door niet-gerechtigden nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen van de staat, van zijn bondgenoten of van één of meer ministeries; - b. bijzondere informatiebeveiliging: beschermen van bijzondere informatie tegen kennisname door niet-gerechtigden; - c. Cryptofaciliteit: eenheid die tot taak heeft het leveren van bijdragen aan het realiseren van systemen en (cryptografische) producten voor de beveiliging van bijzondere informatie van de rijksoverheid; - d. CVIN: Comité Verenigde Inlichtingendiensten Nederland; - e. NBV: Nationaal Bureau Verbindingsbeveiliging; - f. rubricering: aanduiding waarmee wordt aangegeven dat een gegeven bijzondere informatie is en welke mate van beveiliging aan die informatie moet worden gegeven; - g. WBI: Werkgroep Bijzondere informatie beveiliging, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018483&artikel=2&z=2005-07-23&g=2005-07-23). Artikel 2. Werkgroep Bijzondere Informatiebeveiliging 1. Er is een Werkgroep Bijzondere Informatiebeveiliging (WBI). 2. Een ministerie wendt zich met betrekking tot de bijzondere informatiebeveiliging voor advies tot de WBI. 3. De WBI ontvangt aanwijzingen van het CVIN. Artikel 3. Taken WBI De WBI heeft tot taak: - 1. het adviseren, door tussenkomst van het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, van het CVIN ten aanzien van het beleid van de overheid inzake de bijzondere informatiebeveiliging en de samenhang in het beleid inzake de bijzondere informatiebeveiliging en maatregelen ter zake; - 2. het uitvoering gev"},{"i":12017,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie tot beperking van de openbaarheid van het naar het Nationaal Archief over te brengen archief ‘Vreemdelingendossiers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, 1973–2005’ (Besluit beperking openbaarheid) Overwegende dat het archief ‘Vreemdelingendossiers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, 1973–2005’ in de komende jaren in gedeelten (een meer jarenblok over de periode 1973–1975 en jaarblokken voor de overige jaren) naar het Nationaal Archief zal worden overgebracht, waarbij voor elk (meer)jarenblok een afzonderlijke verklaring van overbrenging als bedoeld in [artikel 9, lid 3, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=9) zal worden opgemaakt; Overwegende dat het aanbeveling verdient de openbaarheid van het volledige archief eenmalig en op een eenduidige manier te regelen; Overwegende dat de dossiers in het bestand bijzondere persoonsgegevens bevatten als bedoeld in de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468); Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord de Algemene Rijksarchivaris (zie: Advies van de Algemene Rijksarchivaris dd. 26 augustus 2013, met kenmerk Na/2013/12429), Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokken personen zijn alle dossiers uit het archief ‘Vreemdelingendossiers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, 1973–2005’ na overbrenging naar het Algemeen Rijksarchief beperkt openbaar. De beperking geldt tot 100 jaar na geboortedatum van de persoon op wie het dossier betrekking heeft, dan wel, in geval van het ontbreken van een geboortedatum, tot 85 jaar na het beginjaar van het dossier. Indien is aangetoond dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft is overleden, verva"},{"i":12059,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 3 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 077/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van de Nederlandse Missie in Italië 1944–1945 en van het gezantschap/de ambassade te Italië (Rome) 1945–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Missie in Italië 1944–1945 en van het gezantschap/de ambassade te Italië (Rome) 1945–1954, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | Nederlandse Missie 1944–1945 | Nederlandse Missie 1944–1945 | | 1288 | 2022 | | 1295 | 2027 | | 1296 | 2027 | | Gezantschap 1945–1954 | Gezantschap 1945–1954 | | 1372 | 2022 | | 1373–1374 | 2027 | | 1375 | 2023 | | 1381 | 2025 | | 1382 | 2027 | | 1385 | 2027 | | 1386 | 2024 | | 1387 | 2027 | | 1388 | 2027 | | 1486 | 2029 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024688&artikel=1&z=2008-11-13&g=2008-11-13), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024688&artikel=1&z=2008-11-13&g=2"},{"i":13684,"b":"Wet van 30 september 1954, houdende instelling van een productschap voor gedistilleerde dranken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad uit eigen beweging daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot instelling van een productschap als bedoeld in de [Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058) (**Stb.** 1950, K 22, sedert gewijzigd) voor ondernemingen op het gebied van de bereiding van en de handel in spiritus, moutwijn en gedistilleerde dranken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een Productschap voor Gedistilleerde Dranken. 2. Het productschap heeft zijn zetel te Schiedam. Artikel 2 1. Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin: spiritus, moutwijn of gedistilleerde dranken worden bereid; de handel - met uitzondering van de aanvoer-, transito- en driehoekshandel - wordt uitgeoefend in spiritus, moutwijn of gedistilleerde dranken; gedistilleerde dranken per glas worden verstrekt. 2. In het eerste lid wordt verstaan onder: **gedistilleerde** dranken: de alcoholhoudende producten, welke, al dan niet na be- of verwerking, kunnen dienen tot menselijke consumptie en waarvoor in geval van ge- of verbruik hier te lande gedistilleerd accijns verschuldigd is, met uitzondering van spiritus en moutwijn; **spiritus:** spiritus, welke als grondstof voor de bereiding van gedistilleerde dranken wordt afgezet. 3. In deze wet, met uitzondering van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002151&artikel=3&z=1995-07-26&g=1995-07-26) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002151&artikel=8&z=1995-07-26&g=1995-07-26), wordt onder **handel** mede verstaan de werkzaamheid van tussenpersonen. Artikel 3 Het Bestuur van het produk"},{"i":13685,"b":"Wet van 30 september 1954, houdende instelling van een productschap voor groenten en fruit Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad uit eigen beweging daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot instelling van een productschap als bedoeld in de [Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058) (**Stb.** 1950, K 22, sedert gewijzigd) voor ondernemingen op het gebied van de teelt van, de be- en verwerking van en de handel in groenten en fruit; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een Productschap voor Groenten en Fruit. 2. Het productschap heeft zijn zetel te 's-Gravenhage. Artikel 2 1. Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin: de teelt van groenten, landbouwpeulvruchten, welke groen worden geoogst, vroege aardappelen, fruit, noten of kruiden wordt uitgeoefend; groenten, landbouwpeulvruchten, fruit, noten of daaruit verkregen producten, met uitzondering van slaggrondnoten en copra, worden be- of verwerkt; de handel - met uitzondering van de aanvoer-, transito- en driehoekshandel - wordt uitgeoefend in groenten, landbouwpeulvruchten, welke groen zijn geoogst, fruit, noten, of uit deze producten of uit andere dan groen geoogste landbouwpeulvruchten verkregen producten, met uitzondering van slaggrondnoten en copra. 2. Als ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede aangemerkt de veilingen van de in dat lid bedoelde producten. 3. In deze wet worden onder **groenten** mede verstaan uien, eetbare zwammen, specerijen, specerijgewassen, consumptiespecerijzaden en plantgoed van groenten en aardbeien, met uitzondering van plantsjalotten en plantuitjes. 4. In deze wet, met uitzondering van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":13942,"b":"Wet van 20 december 2012 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2013) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IVa Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IVb Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel V Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel VI Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VIa Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VII Wijzigt de Wet op de kansspelen. Artikel VIII Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel IX Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel X Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XI Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel XII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XIII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIV Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XV Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XVI Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XVII Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel XIX Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel XX Wijzigt de Douane- en Accijnswet BES. Artikel XXI Wijzigt de Invoeringswet fiscaal stelsel BES. Artikel XXII Wijzigt de Wet werken aan winst. Artikel XXIIa Wijzigt de Wijzigingswet Algemene wet inzake rijksbelastingen, enz. (invoering basisregistratie inkomen en basisregistratie waarde onroerende zaken) (Stb. 2008/269). Artikel XXIII [vervallen] Artikel XXIV Wijzigt de Overige fiscale maatregelen 2011. Artikel XXV Wijzigt de Wet uniformering loonbegrip. Artikel XXVI Wijzigt het Belastingplan 2012. Artikel XXVII Wijzigt de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013. Artikel XXVIII H"},{"i":19622,"b":"Vaststelling bijdragen aan het Waarborgfonds Motorverkeer (ex artikel 24 derde lid, WAM) Gelet op [artikel 24, derde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=24) (Stb. 1963, 228); Besluit: I. Het bedrag dat de Staat voor het jaar 1989 stort in het Waarborgfonds Motorverkeer houdt verband met het aantal en de aard van de op 1 januari 1989 aan de Staat toebehorende motorrijtuigen waarvoor een bewijs van vrijstelling als bedoeld in [artikel 17, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=17) is uitgereikt. II. Het onder I bedoelde bedrag beloopt: - f 1,90 voor elk motorrijtuig dat geen kenteken als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet behoeft; - f 12,50 voor elk motorrijtuig dat is voorzien van een kenteken als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet."},{"i":13691,"b":"Wet van 30 juni 1976, tot instelling van een Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor de vorming van het regeringsbeleid wenselijk is stelselmatig informatie te verkrijgen over ontwikkelingen die op langere termijn de samenleving kunnen beïnvloeden, dat daartoe kan worden bijgedragen door een vast college van advies en bijstand in te stellen ter vervanging van de Voorlopige Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid: Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, verder te noemen de Raad. 2. De Raad wordt niet aangemerkt als een adviescollege als bedoeld in de [Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159). Artikel 2 De Raad heeft tot taak: - a. ten behoeve van het Regeringsbeleid wetenschappelijk gefundeerde informatie te verschaffen over ontwikkelingen die op langere termijn de samenleving kunnen beïnvloeden en daarbij tijdig te wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten, probleemstellingen te formuleren ten aanzien van de grote beleidsvraagstukken, en beleidsalternatieven aan te geven; - b. een wetenschappelijk gefundeerd kader te ontwikkelen dat de regering ten dienste staat voor het stellen van prioriteiten en het voeren van een samenhangend beleid; - c. ten aanzien van werkzaamheden op het gebied van toekomstonderzoek en planning op lange termijn, zowel binnen als buiten de overheid, voorstellen te doen inzake het opheffen van structurele tekortkomingen, het bevorderen van bepaalde onderzoekingen en het verbeteren van communicatie en coördinatie. Artikel 3 1. De Raad bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste elf leden. 2. Wij benoemen op voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Za"},{"i":13845,"b":"Ministeriële regeling tarieven in strafzaken 2003 Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=4), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=13), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=16) en [17, Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=17) (Stb. 1963, 130) en op [artikel 12 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=12); Besluit: Artikel 1 1. De kosten voor het gebruik van een lokaliteit, bedoeld in [artikel 4, van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=4), worden schriftelijk gedeclareerd. 2. De declaratie wordt ingediend bij de autoriteit die het verzoek, bedoeld in [artikel 4, eerste lid van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=4), heeft gedaan. 3. De declaratie wordt onderworpen aan de goedkeuring van de autoriteit die het verzoek tot beschikbaar stellen van de lokaliteit heeft gedaan. Artikel 2 Als bijzonder middel van vervoer, bedoeld in [artikel 7, van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=7), wordt aangemerkt vervoer per taxi. Artikel 3 Bij het vragen van een vergoeding voor met het tijdverzuim verband houdende kosten en voor reis- en verblijfkosten, bedoeld in [artikel 8 van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=8), worden, voor zoveel mogelijk, de betalingsbewijzen van de gemaakte kosten overgelegd. Artikel 4 1. Voor het declareren van vergoedingen voor verrichte werkzaamheden, bedoeld in [artikel 9 van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=9), wordt gebruik gemaakt van bij deze regeling vastgestelde modellen. 2. Voor het vragen van betaling van vergoedingen bij wijze van voo"},{"i":18266,"b":"Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op het gebruik in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba Algemeen In de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) wordt in sommige artikelen gesproken over ‘Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten’. In andere artikelen is dat vervangen door ‘Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba’. In beide gevallen wordt het Koninkrijk als geheel bedoeld. Dat geldt ook voor soortgelijke terminologie in deze Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap. [Artikel 29 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=29) en [artikel 14, derde lid RvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14) 1-1-a. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a [Artikel 29 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=29) en [artikel 14, derde lid RvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14) **Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Justitie in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk** **Wettekst:** **Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Justitie in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk** 1-1-b. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) In eerdere periodes kende de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) ook een andere ‘Onze Minister’, zoals onder andere de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie en de Minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering. **Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder meerderjarige: hij die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt of voordien in het huwelijk is getreden.** **Wettekst:** **Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt v"},{"i":17112,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden mediators 2012 krachtens de Wet op de Rechtsbijstand Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die in aanmerking willen komen voor verwijzingen vanuit de gerechten of vanuit het Juridisch Loket zich inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en verdere van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: In het onderstaande zijn deze voorwaarden uitgewerkt. De voorwaarden zijn op te vatten als algemeen verbindende voorschriften. Inschrijvingsvoorwaarden Artikel 1. Registratie/opleidingsvereisten/evaluatie 1. De deelnemende mediator dient NMI registermediator te zijn. Deze NMI registermediator heeft ofwel - –. het NMI assessment met goed gevolg afgelegd ofwel - –. een door het NMI afgenomen **peer review** met goed gevolg ondergaan én in de drie jaar voor de datum van inschrijving bij de Raad voor Rechtsbijstand negen mediations op basis van de NMI Mediationovereenkomst verricht1Met betrekking tot de bedoelde negen mediations gelden de volsgende eisen:–het moet gaan om mediations in overeenstemming met de NMI-reglementen;–van de negen mediations moeten er minimaal drie met een vaststellingsovereenkomst zijn afgesloten;–co-mediations in een gelijkwaardige positie tellen mee tot een maximum van drie van de negen; van de overige zes dienen tenminste twee mediations met een vaststellingsovereenkomst te zijn afgesloten.. De mediator is zich er van bewust dat het behoud van de status NMI registermediator een absolute voorwaarde is om ingeschreven te kunnen blijven als mediator. De mediator verklaart zich per direct uit te laten schrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand vanaf het moment dat de inschrijving bij het NMI eindigt. Het"},{"i":18166,"b":"Besluit van 16 januari 2017, houdende de ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 januari 2017, 2017-0000004277, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving Gelet op de [artikelen 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=64) en [137, derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=137) en [artikel F 2 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=F_2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ontbonden op donderdag 23 maart 2017 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Artikel 2 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vindt plaats op maandag 30 januari 2017. Artikel 3 De eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer vindt plaats op donderdag 23 maart 2017 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17408,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 1 februari 2023, nr. 2022-0000430533 houdende regels met betrekking tot de verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van de verduurzaming van slecht geïsoleerde woningen van eigenaar-bewoners en woningen van verenigingen van eigenaars, woonverenigingen en wooncoöperaties in het kader van het Nationaal Isolatieprogramma Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) juncto [artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **bouwbedrijf:** bedrijf dat in een handelsregister van een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, is ingeschreven in de sectie bouwnijverheid of een vergelijkbare sectie; - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **doe-het-zelfmaatregel:** maatregel als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047844&artikel=2&z=2025-07-02&g=2025-07-02), die door een ander wordt uitgevoerd dan door een bouwbedrijf; - **energielabel:** een energielabel als bedoeld in [bijlage I bij artikel 1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - **energiezuinige ventilatiemaatregelen:** het voor de eerste keer aanleggen van een systeem voor een CO2-gestuurde ventilatie of het voor de eerste keer aanleggen van een systeem voor balansventilatie met warmteterugwinning met een rendement van ten minste 90%; - **gemengde vereniging:** vereniging van eigenaars, woonvereniging of wooncoöperatie ten behoeve van gebouwen waarin zich ten minste één woning van een eigenaar-bewoner bevindt; - **isolatieprogramma:** isolatieprogramma als bed"},{"i":19069,"b":"Besluit van de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 8 april 2020, 2842596/20/DP&O, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging met betrekking tot de bevoegdheid tot het aanwijzen vertrouwensfuncties namens de Minister van Justitie en Veiligheid (Mandaatbesluit pSG aanwijzen vertrouwensfuncties Ministerie van Justitie en Veiligheid) Gelet op [artikel 3, eerste lid, onder a, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3), [artikel 1, van het Mandaatbesluit aanwijzen vertrouwensfuncties Ministerie van Justitie en Veiligheid](onbekend); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit aanwijzen vertrouwensfuncties Ministerie van Justitie en Veiligheid](onbekend) aan de plaatsvervangend secretaris-generaal verleende mandaat wordt ondermandaat verleend aan het hoofd van het bureau Beveiligingsautoriteit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid ten aanzien van het aanwijzen van vertrouwensfuncties als bedoeld in [artikel 3, lid 1, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=3). Artikel 2 Het hoofd van het bureau Beveiligingsautoriteit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid kan de op grond van dit besluit verleende bevoegdheden niet ondermandateren. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit pSG aanwijzen vertrouwensfuncties Ministerie van Justitie en Veiligheid. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19196,"b":"Rijkswet van 13 december 2012 tot aanpassing van de Wet militaire strafrechtspraak, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Wet Militair tuchtrecht in verband met gewijzigde regelgeving en herstel van technische onvolkomenheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789), het [Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869) en de [Wet militair tuchtrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788) aan te passen aan wijzigingen in de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830), de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365) en het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), alsmede enkele technische en redactionele wijzigingen in de genoemde rijkswetten aan te brengen in verband met het herstel van onjuiste verwijzingen, technische inconsequenties en verschrijvingen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet militaire strafrechtspraak. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Militair Strafrecht. Artikel III Wijzigt de Wet militair tuchtrecht. Artikel IV Wijzigt de Wet militaire strafrechtspraak en de Wet oorlogsstrafrecht. Artikel V Wijzigt de Wet militaire strafrechtspraak en de Wet oorlogsstrafrecht. Artikel VI Wijzigt deze wet. Artikel VII Wijzigt de Wet militaire strafrechtspraak. Artikel VIII Wijzigt het Wetboek van Militair Strafrecht. Artikel IX 1. In strafzaken waarin voor de datum van inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel O, eerste lid](https://wetten.overheid.nl"},{"i":18455,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 18 juli 2024, nr. WJZ/ 63453190, houdende een verbod op het binnenbrengen van bepaalde dieren en producten op Bonaire ter wering van mond- en klauwzeer (Regeling verbod in- en doorvoer dieren en producten MKZ Bonaire) Gelet op [artikel 31 van het Besluit slacht- en vleeskeuring BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=31); Besluit: Artikel 1. Verbod in- en doorvoer 1. De invoer in en doorvoer via het openbaar lichaam Bonaire van de volgende dieren en producten is verboden: - a. runderen, schapen, geiten en varkens; - b. vers vlees, rauwe melk en colostrum van runderen, schapen, geiten of varkens; en - c. hooi en stro. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing als het dier afkomstig is uit een land dat: - a. officieel vrij is van mond- en klauwzeer en waar niet tegen mond- en klauwzeer wordt gevaccineerd; - b. officieel vrij is van mond- en klauwzeer en waar wordt gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer, voor zover het dier voorafgaand aan de invoer of doorvoer is onderzocht op de aanwezigheid van mond- en klauwzeer en het resultaat van het onderzoek negatief is. 3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen b of c, is niet van toepassing als het product afkomstig is uit een land dat officieel vrij is van mond- en klauwzeer. 4. Indien de dieren of producten, bedoeld in het eerste lid, worden ingevoerd of doorgevoerd vanaf Curaçao of Aruba, wordt onder “land” als bedoeld in het tweede lid, aanhef, en derde lid verstaan: het land waarvan het dier of het product afkomstig is toen het op Curaçao of Aruba werd gebracht. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verbod in- en doorvoer dieren en producten MKZ Bonaire. Deze regeling zal met d"},{"i":18331,"b":"Besluit van 13 december 2000, houdende de overdracht van de verbindingsbeveiliging bevorderende taak voor zover deze was opgedragen aan het Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging, van het ministerie van Buitenlandse Zaken naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 11 december 2000, nr. 00M396916; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De taak inhoudende het bevorderen van de beveiliging van verbindingen voor zover deze was opgedragen aan het Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging, wordt overgebracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Binnen het kader van zijn wettelijke taak wordt de Binnenlandse Veiligheidsdienst belast met het uitvoeren van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011958&artikel=1&z=2001-01-01&g=2001-01-01) bedoelde taak. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Buitenlandse Zaken en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18634,"b":"Besluit van 23 augustus 2011, houdende wijziging van het Rijksbesluit rechtspositie Gouverneur van Curaçao en Gouverneur van Sint Maarten in verband met het uniformeren van de rechtsposities van de Gouverneurs Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 juli 2011, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, Afdeling Wetgeving Staatsinrichting Grondrechten, nr. 2011-2000286295; Gelet op [artikel 1, vierde lid, van het Reglement voor de Gouverneur van Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003900&artikel=1), [artikel 1, vierde lid, van het Reglement voor de Gouverneur van Curaçao](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028105&artikel=1) en [artikel 1, vierde lid, van het Reglement voor de Gouverneur van Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028096&artikel=1); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 3 augustus 2011, nr. W04.11.0286/I/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 augustus 2011, nr. 2011-2000339810; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Rijksbesluit rechtspositie Gouverneur van Curaçao en Gouverneur van Sint Maarten. Artikel II Het [Positiebesluit Gouverneur van Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003901) wordt ingetrokken. Artikel III 1. Het [Positiebesluit Gouverneur van Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003901) blijft van toepassing op de persoon die Gouverneur van Aruba is op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit. 2. Het [Positiebesluit Gouverneur van Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003901) blijft eveneens van toepassing op de persoon, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit bij koninklijk besluit is aangewezen om in de gevallen, bedoeld in [artikel 13 van het Reglement voor de Gouverneur van Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00039"},{"i":18526,"b":"Rijkswet van 23 juni 1972, houdende vaarplicht in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verbandhoudende buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk noodzakelijk is algemene regels te stellen betreffende de vaarplicht in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verbandhoudende buitengewone omstandigheden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze Rijkswet verstaat onder: - a. \"vaarplicht\": de verplichting, welke krachtens de wet dan wel bij of krachtens landsverordening aan zeelieden of gewezen zeelieden wordt opgelegd om hun diensten beschikbaar te stellen en te houden voor het verrichten van werkzaamheden aan boord of ten behoeve van schepen onder de vlag van het Koninkrijk; - b. \"schip\": een geen oorlogsschip zijnd zeeschip in de zin van [artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=2) alsmede een zodanig schip in aanbouw, en in de zin van artikel 376 van het Wetboek van Koophandel van Aruba, in de zin van artikel 376 van het Wetboek van Koophandel van Curaçao en in de zin van artikel 376 van het Wetboek van Koophandel van Sint Maarten; - c. \"schip onder de vlag van het Koninkrijk\": - 1°. Een schip dat op grond van voor Nederland, Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden te voeren; - 2°. een bij de wet, onderscheidenlijk bij landsverordening als zodanig aangewezen in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten thuisbehorend vissersvaartuig. Artikel 2 D"},{"i":19056,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 29 november 2018, nr. 2413706/18/DP&O, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging met betrekking tot de eigenaarsrol voor enkele taakorganisaties aan de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Mandaatbesluit eigenaarsrol pSG Ministerie van Justitie en Veiligheid) Gelet op [artikel 3, eerste lid, onder a, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 2 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=2) aan de secretaris-generaal verleende mandaat wordt ondermandaat verleend aan de plaatsvervangend secretaris-generaal ten aanzien van de aangelegenheden die de eigenaarsrol betreffen zoals bedoeld in de Regeling agentschappen en de circulaire 'Governance ten aanzien van zbo’s’, voor de diensten en baten-lastenagentschappen genoemd in [artikel 2, derde lid van het Organisatiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2), de Inspectie Justitie en Veiligheid, het secretariaat van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, het instituut Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen alsmede de in [artikel 3, eerste lid van het Organisatiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=3) genoemde zelfstandige bestuursorganen. 2. De in het eerste lid genoemde aangelegenheden omvatten in ieder geval de besluiten ten aanzien van benoeming en bezoldiging, verplaatsing, disciplinaire maatregelen en ontslag van hoofden van de diensten en baten-lastenagentschappen genoemd in [artikel 2, derde lid van het Organisatiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2) en het secretariaat van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Artikel 2 Aan de secretaris-generaal"},{"i":17336,"b":"Regeling Macrobeheersinstrument curatieve geestelijke gezondheidszorg Gelet op de artikelen: [35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68), [76, tweede lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) [van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die tweedelijns1De term ‘tweedelijns’ is hier bewust gekozen ter onderscheiding van de eerstelijns psychologische zorg, waarvoor vrije tarieven als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel a, van de Wmg, gelden. Op laatstgenoemde categorie zorg is deze regeling derhalve niet van toepassing. Waar in deze regeling wordt gesproken van curatieve GGZ wordt steeds gedoeld op tweedelijns curatieve GGZ. curatieve geestelijke gezondheidszorg leveren. Deze regeling is voorts van toepassing op zorgverzekeraars als bedoeld in [artikel 3, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032490&artikel=3&z=2013-01-01&g=2013-01-01). Deze regeling is daarnaast van toepassing op degene die gegevens verzamelt, bewaart en bewerkt ten behoeve van zorgaanbieders of zorgverzekeraars, alsmede op de groep als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b), indien zorgaanbieders of zorgverzekeraars daartoe behoren. Artikel 2. Doel Deze regeling heeft tot doel uitvoering te geven aan het macrobeheersinstrument (MBI) en daarbij de navolgende voorwaarden, voorschriften en/of beperkingen te stellen: - –. administratievo"},{"i":19230,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 maart 2014, nr. MinBuZa.2014.105359, houdende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Oekraïne (Sanctieregeling Oekraïne 2014) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; Gelet op [Verordening 208/2014](32014R0208) van de Raad van de Europese Unie van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (Pb 2014, L66); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, 8 eerste lid, en 9 van [Verordening 208/2014](32014R0208) van de Raad van de Europese Unie van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (Pb 2014, L66). 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, van [Verordening 208/2014](32014R0208), geldt niet in gevallen waarin artikel 4, eerste lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, of 7 van [Verordening 208/2014](32014R0208) van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 5, eerste lid, artikel 6, eerste lid, 7 en 8, eerste lid, van [Verordening 208/2014](32014R0208) is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard. 2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 5, eerste lid, artikel 6, eerste lid, en 8, eerste lid, van [Verordening 208/2014](32014R0208) is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen of informatie a"},{"i":18781,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 17-10-2023, kenmerk 3177126, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de C-dossiers van het Ministerie van Justitie, (1856) 1953-2005 (2012) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 26 juni 2023, met kenmerk 100939. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de C-dossiers van het Ministerie van Justitie, (1856) 1953–2005 (2012). Artikel 1 Gelet op het feit dat in de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom bijzondere persoonsgegevens, als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), voorkomen zijn deze inventarisnummers met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventaris nummer | Openbaar per 1 januari | | --- | --- | | 55 | 2068 | | 56 | 2068 | | 57 | 2068 | | 58 | 2070 | | 59 | 2070 | | 60 | 2073 | | 277 | 2031 | | 278 | 2038 | | 279 | 2032 | | 280 | 2032 | | 316 | 2035 | | 317 | 2035 | | 318 | 2035 | | 319 | 2045 | | 320 | 2053 | | 404 | 2032 | | 405 | 2033 | | 406 | 2034 | | 407 | 2035 | | 408 | 2036 | | 409 | 2037 | | 410 | 2038 | | 411 | 2039 | | 412 | 2040 | | 413 | 2041 | | 414 | 2042 | | 415 | 2043 | | 416 | 2044 | | 417 | 2045 | | 418 | 2047 | | 419 | 2051 | | 420 | 2053 | | 421 | 2055 | | 422 | 2051 | | 423 | 2055 | | 425 | 2052 | | 426 | 2053 | | 427 | 2055 | | 428 | 2057 | | 429 | 2058 | | 430 | 2059 | | 431 | 2059 | | 432 | 2060 | | 433 | 2061 | | 439 | 2062 | | 443 | 2030 | | 444 | 2031 | | 445 | 2035 | | 446 | 2037 | | 447 | 2039 | | 448 | 2041 | | 449 | 2043 | | 450 | 2045 | | 451 | 2049 | | 452 | 2051 | | 904 | 2081 | | 905 | 2077 | | 906 | 2078 | | 907 | 2080 | | 908 | 2077 | | 909 | 2077 | | 910 | 2077 | | 914 | 2078"},{"i":19085,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 4 oktober 2018, nr. 2373750, tot vaststelling van domeinen voor de opsporingsbevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar (Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar) Gelet op [artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142) en [artikel 17, derde lid, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De in de bijlage bij deze regeling opgenomen domeinen zijn de domeinen, bedoeld in [artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142). Artikel 2 Een verwijzing in een akte van opsporingsbevoegdheid, een aanwijzing als bedoeld in [artikel 142, tweede lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142) of een akte van beëdiging als bedoeld in [artikel 19 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=19) naar een domein zoals opgenomen in de Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar, geldt als een verwijzing naar dat domein zoals opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 19 september 2018. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar. Bijlage. als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van de Regeling domeinen buitengewoon opsporingsambtenaar Domein I. Openbare ruimte De boa Openbare ruimte is belast met de opsporing van de strafbare feiten in de volgende wettelijke voorschriften voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de functie en de daaraan gekoppelde taakomschrij"},{"i":17493,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 januari 2013, nr. 342554, houdende vaststelling van het normbedrag en het bedrag van het voorschot van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op [artikel 35, tweede en vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Besluit: Artikel 1 1. Het normbedrag, bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35), luidt: € 778,–. 2. Het voorschot, bedoeld in [artikel 35, vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35), is ten hoogste 25% van € 47.800,–. Artikel 2 Het [Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 14 december 2012, nr. 335236, houdende vaststelling van het normbedrag en het bedrag van het voorschot van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032705), wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17989,"b":"Wet van 13 december 2007 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet en andere wetten met het oog op het verzwaren van het premie-incassoregime en andere maatregelen om de werking van het met die wet en de Wet op de zorgtoeslag in het leven geroepen stelsel te optimaliseren (verzwaren incassoregime premie en andere maatregelen zorgverzekering) Artikel I Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel II Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet. Artikel III Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Wijzigt de Wet toelating zorginstellingen. Artikel V Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel VI Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel VII Wijzigt deze wet. Artikel VIII Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel IX 1. De [Regeling bezoldiging en beheerskosten bestuursorganen volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019253) berust na de inwerkingtreding van deze wet op de [artikelen 59, zesde en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=59), en [75, derde en vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=75), de [artikelen 4, zevende en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=4), en [14, derde en vierde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=14) en de [artikelen 20, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=20), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=27) en [32 van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=32). 2. De [Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715) berust na de inwerkingtreding van deze wet mede op [artikel 69, zevende lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69). Artikel X 1. Deze wet, met uitzondering van [artikel I, onderdelen C en I](https://wetten.ov"},{"i":17786,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 februari 2017, 2016-0000221412, tot Besluit digitale vervanging microfilms met archiefbescheiden bevattende personeelsgegevens SZW gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b), Besluit: Ten behoeve van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 1. Reikwijdte Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op microfilm die behoren tot dossiers van voormalig personeelsleden, tewerkgestelde gewetensbezwaarden militaire dienstplicht en de zuivering van overheidspersoneel na de Tweede Wereldoorlog (de zgn. bijzondere rechtspraak) van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, over de periode 1937 tot en met 1997. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Deze vervanging betreft alle archiefbescheiden op microfilm die betrekking hebben op personeelsgegevens, correspondentie en besluiten zoals beschreven in de Basis Selectiedocumenten Overheidspersoneel, Deelbeleidsterrein Arbeidsverhoudingen bij de overheid; Overheidspersoneel, Deelbeleidsterrein Arbeidsvoorwaarden Rijkspersoneel; Overheidspersoneel, Deelbeleidsterrein Formatiebeleid, arbeidsmarktbeleid en personeelsontwikkeling en mobiliteit; Overheidspersoneel, Deelbeleidsterrein Arbeidsomstandigheden bij de overheid; Overheidspersoneel, Deelbeleidsterrein Personeelsinformatievoorziening en -administratie. Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in de bijlage en op de wijze zoals beschreven in het Handboek Digitale Vervanging Microfilms Personeelsgegevens. Gedurende de termijn voor bezwaar en beroep ligt het Handboek Digitale Vervanging Mic"},{"i":17660,"b":"Vaststelling grondslagen voor uitkeringen aan vervolgden Gelet op artikel 8, zesde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1972, 669); Gezien de adviezen van de Uitkeringsraad, de Stichting Joods Maatschappelijk Werk, de Stichting Pelita en de Stichting 1940–1945, Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 Indien de vervolgde geen onderwijs heeft kunnen volgen of het onderwijs beperkt is gebleven tot basisonderwijs, wordt de grondslag vastgesteld op de bedragen onderscheidenlijk genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a, en in artikel 8, achtste lid, onder a, van de wet, tenzij de leeftijd van de vervolgde, zijn verworven bekwaamheid en zijn persoonlijke instelling ten tijde van de aanvraag duidelijke redenen vormen om daarvan af te wijken. Artikel 3 De grondslag wordt, indien sprake is van lager of middelbaar beroepsonderwijs dan wel van algemeen voortgezet of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, vastgesteld naar het inkomen dat de vervolgde bij voltooiing van vorenvermeld onderwijs uit arbeid in een met de opleiding overeenstemmend beroep en/of functie zou hebben verdiend. Artikel 4 1. Indien de vervolgde hoger beroepsonderwijs dan wet wetenschappelijk onderwijs heeft voltooid, wordt op de grondslag vastgesteld naar het inkomen dat deze, gezien de aard van het onderwijs en de gekozen studierichting, uit arbeid in beroep en/of functie zou hebben verdiend. 2. Indien de vervolgde het in het eerste lid bedoelde onderwijs niet heeft kunnen voltooien, kan de grondslag, gezien de aard en de duur van het onderwijs en de gekozen studierichting, en mede gezien zijn leeftijd, verworven bekwaamheid en persoonlijke instelling ten tijde van de aanvraag, worden vastgesteld als ware dit voltooid. Artikel 5 Indien de vervolgde, na beeindiging van het al dan niet voltooide onderwijs, arbeid heeft aanvaard, welke niet in overeenstemming is met het niveau van het gevolgde onderwijs en de vervolgde uit die arbeid een inkomen gen"},{"i":17699,"b":"Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen op 4 juni 1969 in haar drieënvijftigste zitting; Besloten hebbende tot het aanvaarden van bepaalde voorstellen betreffende de herziening van het Verdrag betreffende de ziekteverzekering van arbeiders in de industrie en de handel en van huispersoneel, 1927 en het Verdrag betreffende de ziekteverzekering van landarbeiders, 1927, welk onderwerp het vijfde punt vormt van de agenda der zitting; Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, de 25ste juni 1969, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als „Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte, 1969”: DEEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - (a). „wetgeving” of „wettelijke regeling”: de wetten en regelingen, alsmede de statutaire bepalingen inzake sociale zekerheid; - (b). „voorgeschreven”: vastgesteld bij of krachtens de nationale wetgeving; - (c). „industriële onderneming”: alle ondernemingen in de volgende takken van economische bedrijvigheid: mijnbouw en ontginning van steengroeven; fabricage; constructie; elektriciteit, gas en water; vervoer, goederenopslag en communicatie; - (d). „woonplaats”: de normale verblijfplaats op het grondgebied van het Lid en onder „ingezetene”: degene, die gewoonlijk op het grondgebied van het Lid verblijf houdt; - (e). „ten laste”: de in de voorgeschreven gevallen veronderstelde toestand van afhankelijkheid; - (f). „echtgenote”: een vrouw die ten laste van haar echtgenoot komt; - (g). „kind”: - (i). een kind, dat jonger is dan de hoogste van de volgende leeftijden: de leeftijd, waarop de leerplicht eindigt, of de leeftijd van 15 jaar. Een Lid dat echter een verklaring als bedoeld i"},{"i":18309,"b":"Klachtenregeling politietaken Koninklijke Marechaussee/krijgsmacht 2004 Gelet op [artikel 63, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=63); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. beheerder: de Minister van Defensie; - b. ambtenaar: militair van de Koninklijke Marechaussee dan wel van enig ander onderdeel van de krijgsmacht; - c. klacht: een schriftelijke dan wel mondelinge uiting van ongenoegen over een gedraging van een ambtenaar bij de uitvoering van een in de [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788) omschreven taak; - d. klager: de indiener van een klacht; - e. commissie: de commissie, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016667&artikel=3&z=2018-10-01&g=2018-10-01); - f. klachtcoördinator: de functionaris, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016667&artikel=4&z=2018-10-01&g=2018-10-01). Artikel 2. Verantwoordelijkheid beheerder De beheerder is verantwoordelijk voor de behandeling, de registratie en de publicatie van klachten over ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee dan wel van enige ander onderdeel van de krijgsmacht in de uitoefening van de taken, bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=4), [artikel 57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=57), [artikel 58, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=58), of [artikel 59, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=59). Artikel 3. Klachtencommissie 1. Er is een klachtencommissie politietaken Koninklijke Marechaussee/krijgsmacht die bestaat uit een oneven aantal, maar tenminste uit drie, onafhankelijke leden, onder wie een voorzitter. 2. De leden worden voor een periode van vier jaar door de Minister van Defensie benoemd op voordracht van de commandant van de Koninklijke Marechaussee."},{"i":17755,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije overeenkomstig de artikelen 7 en 26 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten op 14 december 1972, en houdende herziening van het Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije op 5 april 1966 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Turkije Verlangende de betrekkingen inzake de sociale zekerheid op het gebied van de gezondheidszorg zoals bedoeld in het op 5 april 1966 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije gesloten Verdrag inzake sociale zekerheid te verbeteren; Gezien artikel 7 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid van 14 december 1972; Verlangend overeenkomstig artikel 26 van dat Verdrag een bilaterale verdrag te sluiten; Geleid door de wens enige bepalingen van het op 5 april 1966 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije gesloten Verdrag inzake sociale zekerheid te wijzigen; Zijn de volgende bepalingen overeen gekomen: HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „Verdragsluitende Partij”: de Staat die dit Verdrag sluit; - b. „Europees Verdrag”: het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid van 14 december 1972; - c. de overige in dit Verdrag genoemde termen hebben de betekenis die daaraan in artikel 1 van het Europees Verdrag worden toegekend. HOOFDSTUK II. Ziekte en moederschap Artikel 2 Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag zijn de in artikel 20, 21, 23 en 24 van het Europees Verdrag genoemde bepalingen van toepassing op de betrekkingen tussen de Verdragsluitende Partijen. Artikel 3 De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op personen die voldoen aan de voorwaarden die vereist zijn om recht te hebben op de prestaties krachtens de bepalingen van het Europees Verdrag, mits zij vallen onder de wetgeving of wettelijke regelingen van één van de Ver"},{"i":17701,"b":"Verdrag betreffende schadeloosstelling voor werkloosheid in geval van verlies van het schip door schipbreuk VERDRAG BETREFFENDE SCHADELOOSSTELLING VOOR WERKLOOSHEID INGEVAL VAN VERLIES VAN HET SCHIP DOOR SCHIPBREUK. De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, Bijeengeroepen te Genua door den Raad van Beheer van het Internationaal Bureau van Arbeid, den 15 Juni 1920; Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende „toezicht op de monsteringsvoorwaarden van zeelieden; plaatsing; toepassing op zeelieden van het Verdrag en de Aanbevelingen, aangenomen te Washington in November van het vorige jaar, inzake werkloosheid en verzekering tegen werkloosheid”, welk vraagstuk het tweede punt uitmaakt van de agenda van de te Genua gehouden zitting der Conferentie, en besloten hebbende, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een Internationaal Verdrag, neemt het volgende Verdrag aan, dat genoemd zal worden “Verdrag betreffende schadeloosstelling voor werkloosheid in geval van verlies van het schip door schipbreuk, 1920”, ter bekrachtiging door de Leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid, overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Art. 1 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „zeelieden” verstaan alle personen, werkzaam op een schip, dat de zee bevaart. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „schip” verstaan ieder vaartuig, van welken aard ook, dat de zee bevaart, onverschillig of het toebehoort aan de overheid dan wel aan een bijzonder persoon, met uitzondering van oorlogsschepen. Art. 2 1. In geval van verlies van een schip door schipbreuk is de reeder of de persoon met wien de zeeman een verbintenis heeft aangegaan om op dat schip te dienen, verplicht aan ieder der op dat schip werkende zeelieden een schadeloosstelling te betalen voor de werkloosheid, die het gevolg is van het verlies van het schip door schipbreuk. 2. Deze schadeloosstell"},{"i":18873,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 juli 2021 nr. BOACAT2021/028, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij politie eenheid Midden-Nederland Gelezen het verzoek van politie eenheid Midden-Nederland van 28 mei 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045458&artikel=2&z=2021-07-24&g=2021-07-24). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), werkzaam in de functie van Intake & Service Assistent (A,B), Medewerker Senior en generalist, operationeel Expert I&S die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Midden-Nederland. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenom"},{"i":17907,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 maart 2024, kenmerk 3762243-1050406-DMO houdende wijziging van de Regeling specifieke uitkering IZA-doelen 2023–2026 in verband met verlenging van het aanvraagtijdvak voor de uitkering voor de jaren 2024, 2025 en 2026 Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de [Regeling specifieke uitkering IZA-doelen 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048411) Artikel II Op aanvragen tot verlening van een uitkering die zijn ingediend voor 1 januari 2024, blijft [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048411&artikel=6) van de regeling van toepassing zoals dit artikel luidde tot en met 31 december 2023. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19144,"b":"Richtlijn voor strafvordering misbruik seksueel beeldmateriaal Beschrijving Deze strafvorderingsrichtlijn is van toepassing op alle gevallen van misbruik van seksueel beeldmateriaal van meerderjarigen door meerderjarigen. Voor minderjarige verdachten en adolescenten wordt verwezen naar de Leidraad afdoening sextingzaken ‘Pubers in beeld’ in combinatie met de Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten. Voor meerderjarige verdachten, niet zijnde adolescenten, met seksueel beeldmateriaal van minderjarigen geldt de [Richtlijn voor strafvordering kinderpornografie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038528). Indien sprake is van seksueel misbruik met minderjarigen geldt de Richtlijn voor strafvordering seksueel misbruik van minderjarigen. Het gaat in deze richtlijn om handelingen die zien op het wederrechtelijk verkrijgen of vervaardigen van seksueel beeldmateriaal en handelingen die zien op wederrechtelijk bezit, verspreiden of openbaar maken van het beeldmateriaal. Termen die hiervoor in het normale spraakgebruik gebezigd worden zijn onder andere sexting, wraakporno, sextortion, exposen en heimelijk filmen. De gedraging valt juridisch vaak onder diverse strafbaarstellingen. Welke van toepassing zijn, is afhankelijk van wat de exacte bedoelingen zijn van de dader en de omstandigheden van het geval. Naast de per 1 januari 2020 ingevoerde specifieke strafbaarstelling van misbruik seksueel beeldmateriaal ([139h Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=139h)), zijn er diverse generieke wetsartikelen die afhankelijk van de omstandigheden van het geval (eveneens) van toepassing kunnen zijn bij strafbare handelingen met betrekking tot seksueel getint beeldmateriaal zoals smaad, laster, belediging, dwang of afpersing. Voor de toepasselijkheid van deze strafvorderingsrichtlijn doet niet ter zake of het feit is tenlastegelegd onder [139g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=139g), [139h Sr](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":18742,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 10 september 2013, nr. 425584 tot benoeming van onafhankelijke externe leden van het Audit Committee Ministerie van Veiligheid en Justitie Gelet op het [Instellingsbesluit Audit Committee Ministerie van Veiligheid en Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033884); Gelet op de [Regeling Audit Committee 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031524); Besluit: Artikel 1 Als onafhankelijke externe leden van het Audit Committee Ministerie van Veiligheid en Justitie voor een periode van twee jaar worden benoemd: mr drs. B.J. Bruins, dr. ir. M. van Genuchten, drs. J.J. Nooitgedagt RA en J.A.M. Stael RA. Artikel 2 Tot de werkzaamheden van de onafhankelijke externe leden behoren de taakinvulling van [artikel 2 van het Instellingsbesluit Audit Committee Ministerie van Veiligheid en Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033884&artikel=2) en het bijwonen van de door het Audit Committee georganiseerde overleggen. Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2013. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18683,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 november 2011, nr. AI/MHC/ABB/2011/19770, tot aanwijzing van de boeteoplegger SZW-wetgeving 2012 (Aanwijzingsregeling boeteoplegger SZW-wetgeving 2012) Gelet op de [artikelen 34, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=34), [10:5, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:5), [19a, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=19a)[18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18c), en [18n, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimum-vakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18n); Besluit: Artikel 1 Het hoofd van de afdeling Boete, Dwangsom en Inning van de directie Analyse, Programmering en Strategie van de Nederlandse Arbeidsinspectie en de door het hoofd aangewezen, onder hem ressorterende plaatsvervangers, worden aangewezen als de ambtenaar, bedoeld in: - a. [artikel 34, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=34); - b. [artikel 10:5, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:5); - c. [artikel 19a, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=19a); - d. de [artikelen 18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18c), en [18n, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimum-vakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18n); - e. [artikel 18, eerste lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=18); - f. [artikel 14, eerste lid, van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=14). Artikel 2 Het ho"},{"i":18018,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 1 september 2003, nr. IAZ2003/706M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Grootboek Wederopbouw en het Grootboek Rijn- en Binnenvloot 1940–1960 (–1983) (Archiefregeling voor de archieven van het Grootboek Wederopbouw en het Grootboek Rijn- en Binnenvloot ressorterend onder het Ministerie van Financiën) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gelet op het advies van de directeur van het Nationaal Archief over de beperkingen voor de openbaarheid van archieven van 21 oktober 2002 met het kenmerk C/V/02/3485; Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Grootboek Wederopbouw en het Grootboek Rijn- en Binnenvloot 1940–1960 (–1983) de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 28, 75–3450, 3452–3478, 3489–3768, 3769–3802, 3859, 3862, 3863, 3896, 3899–4531, 4532–4580, 5048–5056, 5057–5058, 5151, 5160, 5167–5169, 5189–5235, 5251–5259 is slechts mogelijk na ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Archiefregeling voor de archieven van het Grootboek Wederopbouw en het G"},{"i":18316,"b":"Besluit van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters en de Griffier van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 22 oktober 2024, nr. 175977U, houdende regels inzake het verlenen van mandaat en machtiging betreffende de uitvoering van de Wet open overheid en de Wet hergebruik van overheidsinformatie (Mandaatbesluit Wet open overheid en Wet hergebruik van overheidsinformatie Eerste Kamer 2024) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754), de [Wet hergebruik van overheidsinformatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036795) en het [Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272), Besluiten: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Griffier:** de Griffier van de Eerste Kamer; - b. **de directeur(en):** functionaris als bedoeld in [artikel 1, onder f. van het Besluit Mandaat, Volmacht en Machtiging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048882&artikel=1) van de Eerste Kamer der Staten-Generaal; - c. **Griffie:** het geheel van medewerkers die werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de Griffier (ambtelijke organisatie); - d. **Mandaat:** voor de toepassing van dit besluit wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van machtiging om handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Voorzitter Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters verleent aan de Voorzitter mandaat tot het nemen van besluiten op bezwaarschriften die zijn gericht tegen een door de Griffier genomen besluit op een verzoek om informatie op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) en de [Wet hergebruik van overheidsinformatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036795). Artikel 3. Griffier 1. Het College van Voorzitter en On"},{"i":18655,"b":"Wet van 14 september 2001 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Douanewet en enige andere wetten, alsmede intrekking van de Tariefcommissiewet (vervanging van beroep bij de Tariefcommissie door beroep bij de douanekamer van het gerechtshof te Amsterdam en de instelling van beroep in cassatie in douanezaken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om beroep bij de Tariefcommissie te vervangen door beroep bij de douanekamer van het gerechtshof te Amsterdam, het beroep bij de gerechtshoven met betrekking tot de terzake van de invoer geheven belastingen te vervangen door beroep bij het gerechtshof te Amsterdam en te voorzien in beroep in cassatie in douanezaken en daartoe de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830), de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320), de [Douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007632) en enige andere wetten te wijzigen en de Tariefcommissiewet in te trekken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel III Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel IV Wijzigt de Douanewet. Artikel V Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VI Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. Artikel VII Wijzigt de Wet veiligheidsonderzoeken. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. Artikel IX De Tariefcommissiewet wordt ingetrokken. Artikel X 1. De benoemingen van de coördinerend ondervoorzitter en de leden van de Tariefcommissie worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot coördinerend vice-presi"},{"i":18817,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 februari 2019 nr. BOACAT2019/008, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Coöperatie ParkeerService UA Gelezen het verzoek van de Coöperatie ParkeerService UA van 3 januari 2019 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041957&artikel=2&z=2019-04-30&g=2019-04-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Parkeercontroleur handhaving en Senior Medewerker Betalingsbereidheid in dienst van de Coöperatie ParkeerService UA, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgeb"},{"i":19033,"b":"Besluit van de Commandant van de Koninklijke Marechaussee van 1 maart 2024, houdende verlening van mandaat voor het beëdigen van buitengewoon opsporingsambtenaren Gelet op [artikel 2, vierde lid van het Mandaatbesluit bevoegdheid tot beëdiging buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029739&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. Mandaat voor het afleggen van de eden, verklaringen en beloften, bedoeld in [artikel 20, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=20) wordt verleend aan: - a). de Commandant Landelijk en Tactisch Commando; - b). de Commandant Opleidings- en Trainingscentrum; - c). de brigade-, eenheids-, of eskadronscommandant waaronder de buitengewoon opsporingsambtenaar ressorteert; - d). de plaatsvervanger van de onder a t/m c genoemde functionarissen; Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit beëdiging buitengewoon opsporingsambtenaren Koninklijke Marechaussee 2024."},{"i":18762,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief betreffen het Koninklijk Huis ressorterend onder het Ministerie van Justitie 1816–1980 (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archief van het Koninklijk Huis ressorterend onder het Ministerie van Justitie, 1816–1980, bevattende de hierboven genoemde archieven, de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":19356,"b":"Wet van 21 december 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en de Penitentiaire beginselenwet (strafrechtelijke opvang verslaafden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te voorzien in een wettelijke regeling voor de strafrechtelijke opvang van verslaafden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel IV Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI 1. Onze Minister van Justitie zendt binnen drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na drie jaren aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 2. De gemeenten die deelnemen aan de tenuitvoerlegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden, verlenen hun medewerking aan de totstandkoming van het in het eerste lid bedoelde verslag. Artikel VII 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. Vervallen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18755,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Excessen in Indonesië, ressorterend onder het Ministerie van Justitie (1945–1969) (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archieven van de Excessen in Indonesië ressorterend onder het Ministerie van Justitie (1945–1969) bevattende de hierboven genoemde archieven, de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":19359,"b":"Wet van 27 juni 2018 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de verbetering en versterking van de opsporing en vervolging van computercriminaliteit (computercriminaliteit III) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om geautomatiseerde werken op afstand heimelijk binnen te kunnen dringen met het oog op de opsporing van ernstige misdrijven, gegevens op doeltreffende wijze ontoegankelijk te kunnen doen maken ter beëindiging van een strafbaar feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, de strafbaarheid van grooming en van verleiding van een minderjarige tot ontucht te verruimen alsmede het wederrechtelijk voorhanden hebben of bekend maken van door misdrijf verkregen gegevens en de online handelsfraude strafbaar te stellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IIa Wijzigt de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten. Artikel III Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18554,"b":"Wet van 1 februari 1990, tot verlenging van de termijn waarna artikel 10, eerste lid, van de Grondwet in werking treedt, tot 17 februari 1991 voor wat betreft verzamelingen van persoonsgegevens aangelegd ten dienste van de uitvoering van de politietaak Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om met toepassing van additioneel [artikel VI van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=VI) de termijn waarna [artikel 10, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=10) in werking zal treden voor verzamelingen van persoonsgegevens aangelegd ten dienste van de uitvoering van de politietaak, te verlengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De termijn waarna [artikel 10, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=10) in werking treedt, wordt, voor wat betreft verzamelingen van persoonsgegevens aangelegd ten dienste van de uitvoering van de politietaak, verlengd tot 17 februari 1991. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17819,"b":"Wet van 3 december 2014, houdende regels inzake de verzekering van zorg aan mensen die zijn aangewezen op langdurige zorg (Wet langdurige zorg) Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en algemene bepalingen Hoofdstuk 3. De inhoud van de verzekering Hoofdstuk 4. De Wlz-uitvoerders Hoofdstuk 5. Het Zorginstituut Hoofdstuk 6. Het CAK Hoofdstuk 7. Het CIZ Hoofdstuk 8. Zeggenschap van de verzekerde over zijn leven Hoofdstuk 2. De verzekerden Hoofdstuk 10. Overige bepalingen Hoofdstuk 11. Invoeringsbepalingen en overgangsrecht § 1. Overgangsrecht verzekerden Artikel 11.1.1 1. De verzekerde die onmiddellijk voorafgaand aan de intrekking van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten op grond van een indicatiebesluit is aangewezen op een zorgzwaartepakket 4 VV, 5 VV, 6 VV, 7 VV, 8 VV, 9b VV, 10 VV, 4 VG, 5 VG, 6 VG, 7 VG, 8 VG, 1 SGLVG, 2 LG, 4 LG, 5 LG, 6 LG, 7 LG, 2 ZGaud, 3 ZGaud, 4 ZGaud, 2 ZGvis, 3 ZGvis, 4 ZGvis of 5 ZGvis, dan wel, voor een meerderjarige verzekerde, op een zorgzwaartepakket 1 LVG, 2 LVG, 3 LVG, 4 LVG, 5 LVG of 3 VG, wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een verzekerde ten aanzien van wie het CIZ heeft vastgesteld dat hij voldoet aan [artikel 3.2.1, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=3.2.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01). 2. De verzekerde die onmiddellijk voorafgaand aan de intrekking van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten op grond van een indicatiebesluit is aangewezen op een zorgzwaartepakket 1 VV, 2 VV, 3 VV, 1 LG, 3 LG, 1 ZGaud, of 1 ZGvis, dan wel, voor een meerderjarige verzekerde, op een zorgzwaartepakket 1 VG of 2 VG, en voor wie het recht op zorg die dag gepaard ging met verblijf in een instelling, wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een verzekerde ten aanzien van wie het CIZ heeft vastgesteld dat hij voldoet aan [artikel 3.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&hoofdstuk=3"},{"i":19517,"b":"Regeling aanwijzing opsporingsambtenaren Scheepvaartverkeerswet Handelende in overeenstemming met de minister van Justitie; Gelet op [artikel 32 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=32) (Stb. 1988, 352); Besluit: Artikel 1 Met de opsporing van strafbare feiten, bedoeld in [artikel 32 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=32), worden, voor zover het overtredingen betreft, belast: - Van de Rijkswaterstaat: - 1. (adjunct/rayon)hoofden scheepvaartdienst; - 2. (hoofd/assistent)verkeers(dienst)leiders; - 3. (assistent)rivier, kanaal- en meermeesters; - 4. (adj.)havenmeesters; - 5. (assistent)gezagvoerders; - 6. (adjunct)hoofden dienstkring; - 7. (hoofd)sluismeesters; - 8. (hulp/waarnemend)kantonniers; - 9. sluiswachters, brugwachters; - 10. (nautisch)opzichters; - 11. (hoofd/medewerker)nautische zaken; - Van de Inspectie Verkeer en Waterstaat: - ambtenaren van de divisie Scheepvaart. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop [artikel 32 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=32) in werking treedt. Artikel 3 Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling aanwijzing opsporingsambtenaren Scheepvaartverkeerswet. Deze regeling en de bijbehorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant."},{"i":17869,"b":"Besluit van 26 november 2018, houdende een wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 tot verlaging van de vermogensinkomensbijtelling, verkorting van de overgangstermijnen voor de hoge en lage eigen bijdrage, de termijn waarover het CAK een eigen bijdrage mag opleggen, het introduceren van een abonnementstarief voor maatwerkvoorzieningen in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en een grondslag voor het uitzonderen van eenmalige letselschadevergoedingen van het vermogen dat meetelt voor de vermogensinkomensbijtelling voor de berekening van de bijdrage Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juli 2018, kenmerk 1356665-177440-WJZ; Gelet op de [artikelen 3.2.5, eerste en tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.5) en [2.1.4, vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.1.4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 oktober 2018, no. W13.18.0209/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 november 2018, 1356658-177440-WJZ); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit langdurige zorg. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel III 1. Indien bij de verzekerde of cliënt voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [artikelen I, onderdeel F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041626&artikel=I&z=2020-10-01&g=2020-10-01), en [II, onderdeel K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041626&artikel=II&z=2020-10-01&g=2020-10-01), toepassing is gegeven aan de [artikelen 3.3.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, en achtste lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.2.2) en [3.12, eerste lid, onderdelen a en b, en vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":19266,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 juni 2016, nr. 769903, houdende toekenning van een vaste vergoeding per maand aan de leden van Adviescollege Verloftoetsing tbs (Vergoedingenbesluit Adviescollege Verloftoetsing tbs) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **BBRA 1984:** [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630); - b. **Avt:** Adviescollege Verloftoetsing tbs. Artikel 2 1. De voorzitter van het Avt ontvangt een vergoeding per maand op basis van een arbeidsduurfactor van 0,4 en het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 2. De overige leden van het Avt ontvangen een vergoeding per maand op basis van een arbeidsduurfactor van 0,3 en het maximum van salarisschaal 17 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 3. De leden van het Avt die op grond van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) zijn uitgesloten van een vergoeding, ontvangen geen vergoeding. 4. Plaatsvervangende leden van het Avt ontvangen een vergoeding per vergadering van 3% van het maximum van salarisschaal 17 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 5. Plaatsvervangende leden van het Avt die optreden als voorzitter van het Avt ontvangen een vergoeding per vergadering van 130% van de vergoeding bedoeld in het vierde lid. 6. In afwijking van het tweede lid ontvangt de wetenschappelijk adviseur een vergoeding per ma"},{"i":19485,"b":"Besluit van 30 januari 1958, tot vaststelling van een algemene maatregel van rijksbestuur als bedoeld in artikel 10 van de Schepenwet Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 1 november 1957, nr. 466.089/J./121/121/1, Directoraat-Generaal van Scheepvaart, mede namens Onze Minister van Zaken Overzee; Gelet op [artikel 10 van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=10); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 10 december 1957, nr. 37); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 januari 1958, nr. 468.280, J/121/121/1, Directoraat-Generaal van Scheepvaart, mede namens Onze Minister van Zaken Overzee; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder \"Onze Minister\", Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 Het bepaalde in de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002271&artikel=5&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002271&artikel=6&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002271&artikel=19&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002271&artikel=20&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002271&artikel=21&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002271&artikel=22&z=2020-01-01&g=2020-01-01) en [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002271&artikel=23&z=2020-01-01&g=2020-01-01) van dit besluit is niet van toepassing op de door of vanwege de Gouverneur van Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten benoemde ambtenaren van de Scheepvaartinspectie. De in de artikelen behandelde onderwerpen worden, voor zover het betreft de door of vanwege de Gouverneur van Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten benoemde ambtenaren, geregeld bij lands"},{"i":18671,"b":"Aanwijzing feitenonderzoek / strafrechtelijk onderzoek en vervolging in medische zaken Achtergrond Het Openbaar Ministerie (OM) kan een strafrechtelijk onderzoek instellen in een medische zaak en zo nodig overgaan tot een strafrechtelijke vervolging. Gelet op de afbakening tussen het strafrecht, het tuchtrecht en bestuurlijke handhaving is de rol van het strafrecht in beginsel beperkt tot zaken met (kans op) letsel of zaken waarin de patiënt is overleden als gevolg van binnen de gezondheidszorg gemaakte (mogelijke) fouten. Veelal zal hierbij sprake zijn van opzet of schuld in de zin van grove nalatigheid. De betreffende artikelen in het [Wetboek van strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854)1Dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld (artikelen 307 / 308 /309 Sr) en/of mishandeling (artikel 300 e.v. Sr) en/of het brengen of laten in een hulpeloze toestand (artikel 255 Sr) en/of artikel 96 Wet BIG. kennen de delictsbestanddelen ‘schuld’ of ‘opzet’. Binnen de medische wereld bestaat behoefte aan verduidelijking van de criteria die het OM bij de beslissing omtrent strafrechtelijk onderzoek en vervolging hanteert. Deze aanwijzing beschrijft de werkwijze van het OM in medische zaken en dient als leidraad voor de behandeling van medische zaken door het OM. De beschreven procedure en de uitgangspunten van deze aanwijzing zijn een codificatie van de bestaande praktijk. Ook is de interne procedure beschreven met betrekking tot het vorderen van gegevens uit het ‘Veilig Incident Melden’. De zorginstellingen hebben in samenwerking met de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het Veilig Incident Melden (VIM) geïmplementeerd. De doelstelling van dit systeem is dat zorgverleners alle (bijna)incidenten melden. Op de melding volgt een intern onderzoek en worden zo mogelijk verbeteringen doorgevoerd. De term ‘veilig’ wijst erop dat de melder niet bevreesd hoeft te zijn"},{"i":19349,"b":"Wet van 7 juli 1994, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten in verband met de herziening van het strafrecht voor jeugdigen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het strafrecht voor jeugdige personen en de strafvordering in zaken betreffende deze personen te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX 1. Strafzaken waarin de dagvaarding is uitgegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, worden volgens de op dat tijdstip bestaande wettelijke bepalingen afgedaan, behoudens het in het tweede en vierde lid bepaalde. 2. Op de tenuitvoerlegging van de straffen van plaatsing in een tuchtschool en van arrest, alsmede van de maatregelen van terbeschikkingstelling van de regering en plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling zijn de bepalingen omtrent de jeugddetentie onderscheidenlijk de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, van overeenkomstige toepassing. 3. Op de inning van een geldboete is artikel 77**l**, derde tot en met zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. 4. In geval van een veroordeling tot een straf of een maatregel waarbij de rechter het bevel heeft gegeven dat deze niet zal worden ten uitvoer gelegd, is artikel 77**dd** van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Deze"},{"i":18934,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 30 mei 2018 nr. BOACAT2018/025, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Staatstoezicht op de Mijnen Gelezen het verzoek van de Inspecteur-generaal der Mijnen van 25 april 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040983&artikel=2&z=2018-06-07&g=2018-06-07). Artikel 2 De personen, werkzaam bij het Staatstoezicht op de Mijnen, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, inclusief het Nederlandse deel van het continentaal plat en de exclusieve economische zone (EEZ), voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel 4 Op grond van dit besluit kunnen maximaal 40"},{"i":18524,"b":"Rijkswet van 2 juni 1999 tot wijziging van de Wet militair tuchtrecht, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Wet militaire strafrechtspraak naar aanleiding van het gehouden evaluatie-onderzoek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat naar aanleiding van een gehouden evaluatie-onderzoek naar de werking van het militair straf- en tuchtrecht het wenselijk is gebleken een aantal wijzigingen aan te brengen in de [Wet militair tuchtrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788), het [Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869) en de [Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789); Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet militair tuchtrecht. Artikel II 1. De op het moment van inwerkingtreding van deze wet bij de commandant reeds ingediende beroepschriften die nog niet zijn doorgezonden naar het gerecht, worden aangemerkt als beklagschriften in de zin van [artikel 80b van de Wet militair tuchtrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788&artikel=80b) en als zodanig verder afgedaan. 2. De op het moment van inwerkingtreding van deze wet bij het gerecht aanwezige en de reeds naar het gerecht verzonden beroepschriften worden afgedaan op de wijze als was voorgeschreven voor inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Militair Strafrecht. Artikel IV Wijzigt de Wet militaire strafrechtspraak. Artikel V Wijzigt de Rijkswet van 4 juli 1963, Stb. 295.. Artikel VI Deze Rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad"},{"i":17195,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake wederzijdse administratieve bijstand bij het uitwisselen van informatie op effectengebied De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, Overwegende dat de ontwikkeling van de internationalisering van de handel in effecten een uitbreiding van de informatie-uitwisseling tussen de toezichthoudende autoriteiten vergt, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a. „Bevoegde Autoriteit”: - -. voor het Koninkrijk der Nederlanden, de Minister van Financiën of degene die daartoe door deze is aangewezen. - -. voor de Verenigde Staten van Amerika, de United States Securities and Exchange Commission („de Commissie”) of degene die daartoe door de Commissie is aangewezen en andere door de Regering van de Verenigde Staten aangewezen autoriteiten. - b. „Effectenverkeer”: - -. het verrichten van transacties in effecten voor rekening van derden; - -. het kopen en verkopen van effecten voor eigen rekening; - -. het adviseren van derden, tegen vergoeding, hetzij rechtstreeks, hetzij via publikaties of overzichten, ten aanzien van de waarde van effecten of de wenselijkheid om in effecten te beleggen, deze aan te kopen of te verkopen; - -. het optreden als bemiddelaar bij het verrichten van betalingen of leveringen of beide in verband met effectentransacties of het bieden van faciliteiten ter vergelijking van gegevens die de voorwaarden voor de afrekening van effectentransacties vormen; - -. het zich bezighouden, namens een uitgevende instelling, met aangelegenheden verband houdende met de uitgifte, registratie, de verhandeling en overdracht van zodanige effecten; - -. het beheer, de promotie, het aanbod of de verkoop van een beleggingsinstelling; of - -. soortgelijke activiteiten, verricht door natuurlijke personen of rechtspersonen. - c. het begrip „effec"},{"i":19024,"b":"Besluit van 2 februari 2005, houdende intrekking van het Kokswarenbesluit (Warenwet) en wijziging van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 december 2004, VGP/VL 2544389, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken en van Justitie; Gelet op artikel II, eerste en derde lid, van de wijzigingswet (1988) Warenwet (Stb. 358), alsmede op [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [artikel 6, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=6), en [artikel 32b, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 13 januari 2005, nr. W13.04.0613/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 januari 2005, VGP/VL 2555252, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken, en van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Het [Kokswarenbesluit (Warenwet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003268) wordt ingetrokken. Artikel II Wijzigt het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten. Artikel III In afwijking van [artikel 15, eerste lid, onder b, en vierde lid, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005758&artikel=15), en van [artikel 4 van de Warenwetregeling Diepgevroren levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005825&artikel=4), mogen kokswaren nog tot 1 januari 2006 worden vervoerd en bewaard met inachtneming van [artikel 2 van het Kokswarenbesluit (Warenwet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003268&artikel=2) zoals dat onmiddellijk voor de inwerkingtreding van dit besluit luidde. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wor"},{"i":17791,"b":"Wet van 6 november 1986, tot verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is opnieuw regels te stellen met betrekking tot de verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid, ter vervanging van de Werkloosheidswet (**Stb.** 1967, 421) en de Wet Werkloosheidsvoorziening (**Stb.** 1964, 485); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen § 1. Algemeen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. vervallen; - d. Algemeen Werkloosheidsfonds: het Algemeen Werkloosheidsfonds, genoemd in [artikel 93 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=93); - e. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens; - f. sector: een sector als bedoeld in [artikel 95 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=95); - g. onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht; - h. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823); - i. overheidswerkgever: -"},{"i":17434,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 september 2021, nr. 2021-0000469865, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van eenmalige specifieke uitkeringen aan gemeenten ten behoeve van de bouw van woon- en verblijfsruimte voor aandachtsgroepen (Regeling specifieke uitkering tweede tranche voor huisvesting aandachtsgroepen) Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aandachtsgroepen:** dak- en thuisloze mensen, arbeidsmigranten, studenten, statushouders, woonwagenbewoners en overige spoedzoekers; - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **verblijfsruimte:** gebouw of deel van een gebouw dat wordt gebruikt voor het verstrekken van verblijf aan arbeidsmigranten voor een prijs van maximaal € 100 per persoon per week, welk bedrag jaarlijks met ingang van 1 januari bij regeling van de minister wordt gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft; - **woonruimte:** ruimte die ter bewoning voor verhuur wordt aangeboden tegen een prijs: - –. die niet hoger ligt dan de bedragen, bedoeld in [artikel 20, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=20); - –. die niet hoger ligt dan de maximaal redelijke aanvangshuurprijs voor die woonruimte op basis van de bij of krachtens [artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10) bepaalde waardering; en - –. waarvan het maximale huurverhogingspercentage bedraagt het bij of krachtens [artikel 10, derde lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10) vastgestelde maximale huurverhogingspercentage. Artikel 2. Activiteiten"},{"i":18719,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 12 januari 2026, nr. IENW/BSK-2025/311350, over de nadere bepaling van de boetehoogte op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wet vrachtwagenheffing (Beleidsregel hoogte bestuurlijke boete Wet vrachtwagenheffing) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=13), [15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=15), en [16, eerste lid, van de Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=16); BESLUIT: Artikel 1. (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **wet:** [Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082). Artikel 2. (nadere bepaling hoogte boetebedragen) 1. Bij het vaststellen van de op grond van [artikel 15, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=15) op te leggen boete worden de volgende boetebedragen gehanteerd: | Grondslag | Overtreding ([art. 13, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=13)) | Boetebedrag | | --- | --- | --- | | [Art. 4, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=4) | De boordapparatuur van een vrachtwagen werkt niet naar behoren tijdens het rijden over de weg. | € 500,00 | | [Art. 4, tweede lid, aanhef en onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=4) | De boordapparatuur van een vrachtwagen is tijdens het rijden over de weg niet ingeschakeld. | € 500,00 | | [Art. 4, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=4) | Tijdens het rijden over de weg blijkt de boordapparatuur van een vrachtwagen niet te horen bij de vrachtwagen waarvoor een geldige dienstverl"},{"i":17494,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 augustus 2006, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/2006/70180, tot vaststelling van de periode van eigenrisicodragen, bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de termijn van overlegging van de schriftelijke garantie, bedoeld in artikel 40, dertiende lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Regeling vaststelling periode eigenrisicodragen WGA-uitkeringen) Gelet op [artikel 82, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=82) en [artikel 40, dertiende lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=40); Besluit: Artikel 1. Periode eigenrisicodragen Ten aanzien van uitkeringen waarvan het recht is ontstaan op of na 1 januari 2007 bedraagt de periode, bedoeld in de [artikelen 82, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=82), en [83, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=83): tien jaar. Artikel 2. Termijn voor overlegging van schriftelijke garantie De termijn, bedoeld in [artikel 40, dertiende lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=40) bedraagt: dertien weken. De termijn vangt aan met ingang van de dag na de dag waarop door de inspecteur het verzoek is gedaan tot het overleggen van de schriftelijke garantie, bedoeld in dat lid. Artikel 3. Inwerkingtreding [Artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020188&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01) van deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007 en [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020188&artikel=2&z=2017-01-01&g=2017-01-01) van deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wor"},{"i":17495,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2014, houdende premieregeling verzekering langdurige zorg Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt voor het jaar 2015 vastgesteld op 9,65. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage Wlz 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17960,"b":"Wet van 22 december 2021 tot wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met de organisatie van de regionale tuchtcolleges en tot het aanbrengen van enkele andere wijzigingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het om doelmatigheidsredenen wenselijk is het aantal regionale tuchtcolleges terug te brengen van vijf naar drie; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel II Wijzigt de Wet medisch tuchtrecht BES. Artikel III 1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046194&artikel=I&z=2022-04-01&g=2022-04-01), wijzigt de benoeming van de voorzitter van het regionale tuchtcollege te Eindhoven in een benoeming tot voorzitter van het regionale tuchtcollege te ’s-Hertogenbosch en vervallen de benoemingen van de voorzitters van de regionale tuchtcolleges te Groningen en Den Haag. 2. Onverminderd het eerste lid, worden op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046194&artikel=I&z=2022-04-01&g=2022-04-01), de benoemingen van degenen die op dat het tijdstip zijn benoemd als: - a. rechtsgeleerd lid, dan wel als rechtsgeleerd lid, tevens plaatsvervangend voorzitter, bij onderscheidenlijk het regionale tuchtcollege te Eindhoven, Groningen en Den Haag, gewijzigd in een gelijke benoeming bij onderscheidenlijk de regionale tuchtcolleges te ‘s-Hertogenbosch, Zwolle en Amsterdam; - b. plaatsvervangend rechtsgeleerd lid, dan wel als plaatsvervangend rechtsgeleerd lid, tevens voorzitter, bij het regionale tuchtcolleges te Eindhoven, gewijzigd in een gelijke benoeming bij het regionale tuchtcollege te ’s-Hertogenbosch. 3."},{"i":19695,"b":"Wet van 6 oktober 1999, houdende wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 met betrekking tot de afgifte en inname van kentekenplaten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de afgifte en inname van kentekenplaten teneinde het valselijk gebruik maken van kentekenplaten terug te dringen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II 1. Een op de dag vóór die van de inwerkingtreding van artikel 70a geldende goedkeuring of machtiging tot het aanbrengen van een keur- of waarmerk op kentekenplaten en de daarop op die dag van toepassing zijnde voorschriften, blijven tot een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip van kracht ten aanzien van bij die regeling aangewezen keur- of waarmerken. 2. Ten aanzien van de productie en afgifte van kentekenplaten, geproduceerd met toepassing van het eerste lid, blijven de artikelen 70a tot en met 70h tot het in eerste lid bedoelde, bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip buiten toepassing. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19016,"b":"Instelling Commissie TBS en Sanctietoepassing Geestelijk Gestoorde Delinquenten Overwegende dat in de nota ‘TBS, een bijzondere maatregel’ (TK, 1991–1992, nr. 22329) is vastgesteld dat de combinatie van de maatregel van TBS met een lange gevangenisstraf de mogelijke bevoegdheid van de rechter tot voorwaardelijke beëindiging van de TBS en/of beëindiging op termijn en de TBS zonder verpleging om nader onderzoek vragen, gelet op de zich voordoende problemen in de toepassing van (combinaties van) deze sancties; Overwegende dat het wenselijk is ook de combinatie van de maatregel van TBS met die van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis in het onderzoek te betrekken; Overwegende dat deze onderwerpen dienen te worden bestudeerd op basis van de in nota ‘TBS, een bijzondere maatregel’ aangegeven uitgangspunten; Besluit: Artikel 1 In te stellen een Commissie TBS en Sanctietoepassing Geestelijk Gestoorde Delinquenten. Artikel 2 De Commissie de volgende vragen voor advies voor te leggen: - a. Behoeft de wettelijke regeling inzake de sanctietoepassing ten aanzien van geestelijk gestoorde delinquenten, in het bijzonder met het oog op: - 1. de gevallen waarin thans een vrijheidsstraf in combinatie met een terbeschikkingstelling met verpleging wordt opgelegd, en - 2. de gevallen waarin thans een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis in combinatie met een terbeschikkingstelling met verpleging wordt gelast, wijziging en zo ja op welke wijze; - b. Is er aanleiding de wettelijke regeling inzake de verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging te wijzigen, in het bijzonder in die zin dat de rechter de bevoegdheid krijgt om de terbeschikkingstelling met verpleging onder bijzondere voorwaarden en/of op termijn te beëindigen; - c. Dient de wettelijke regeling inzake de terbeschikkingstelling zonder verpleging te worden gewijzigd en zo ja op welke wijze; - d. Welke consequenties hebben de onder a tot en met c genoemde voorstellen voor het bij de sanctietoepassing en de san"},{"i":18700,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu over de toepassing van artikel 80 Spoorwegwet (Beleidsregel bestuurlijke boetes Spoorwegwet 2016) Gelet op [artikel 80, zesde lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=80), Besluit: Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op alle overtredingen die als beboetbaar feit zijn aangemerkt bij of krachtens [artikel 77, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=77). Artikel 2 Bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete ter zake van overtreding van een norm die zich richt tot een natuurlijke persoon, niet zijnde een onderneming, worden de boetebedragen gehanteerd zoals opgenomen in de tweede kolom van de tabellen 1 tot en met 3 in de bijlage bij deze beleidsregel. Artikel 3 1. Bij de vaststelling van de hoogte van een bestuurlijke boete ter zake van een overtreding van een norm die zich richt tot een onderneming, worden de normbedragen gehanteerd zoals opgenomen in de derde kolom van de tabellen 1 tot en met 3 in de bijlage bij deze beleidsregel. 2. Het normbedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt vermenigvuldigd met de bij de omzetcategorie van de onderneming horende factor. 3. De omzetcategorie-indeling, bedoeld in het vorige lid, luidt als volgt: | Categorie I | ondernemingen met een omzet van minder dan € € 100.000,– | Factor 0,25 | | --- | --- | --- | | Categorie II | Ondernemingen met een omzet van ten minste € 100.000,– maar minder dan € 200.000,– | Factor 0,5 | | Categorie III | Ondernemingen met een omzet van ten minste € 200.000,– maar minder dan € 500.000,– | Factor 1 | | Categorie IV | Ondernemingen met een omzet van ten minste € 500.000,– maar minder dan € 1.000.000,– | Factor 2 | | Categorie V | Ondernemingen met een omzet van meer dan € 1.000.000,– | Factor 3 | 4. De omzet in de zin van dit artikel is de omzet in het kalenderjaar voorafgaand aan de datum van overtreding. Artikel 4 Het op gr"},{"i":18802,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 februari 2022 nr. BOACAT2021/068 strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming Gelezen het verzoek van Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming van 9 december 2021 en het advies van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2022/5968 gesteld op 14 maart 2022. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046371&artikel=2&z=2022-03-23&g=2022-03-23). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Inspecteur bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming in dienst van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt vo"},{"i":18481,"b":"Besluit van 10 december 2004, houdende regels ter uitvoering van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid (Rijksbesluit Onderzoeksraad voor veiligheid) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 juni 2004, nr. PRO 2004/67264, Directoraat-generaal Veiligheid, project PRO; Gelet op de [artikelen 7, derde lid](onbekend), [9](onbekend), [30, tweede lid](onbekend), [31, eerste, tweede en derde lid](onbekend), [45, zevende lid](onbekend), [50, derde lid](onbekend), en [54 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](onbekend); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 2 september 2004, nr. W04.04.0255/I/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 december 2004, nr. PRO 2004/78768; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid in werking treedt. § 1. Begripsomschrijving Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder rijkswet: [Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](onbekend). § 2. Deskundigheid van de raad Artikel 2 1. De keuze van de leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de rijkswet](onbekend), geschiedt op zodanige wijze dat in de raad ten minste deskundigheid aanwezig is op het terrein van bestuurlijke zaken, gedragswetenschappen, veiligheidskunde, milieukunde en onderzoeksmethodologie. 2. De keuze van de buitengewone leden van de raad, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de rijkswet](onbekend), geschiedt op zodanige wijze dat in de raad tenminste deskundigheid aanwezig is op de specifieke terreinen waarop de raad onderzoek verricht. § 3. Eed of belofte Artikel 3 1. Alvorens zitting te nemen legt de voorzitter van de raad ofwel in handen van Onze Minister de eed af waarvan de tekst is weergegeven in het tweede lid, ofwel spreekt hij ten overstaan van Onze Minister de belofte uit, waarva"},{"i":18967,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 18 mei 2015, nr. MinBuZa.2015-253019, tot het verlenen van mandaat en machtiging aan de algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek van het ministerie van Veiligheid en Justitie met betrekking tot subsidieverlening voor projecten voor de vrijwillige, duurzame terugkeer en herintegratie van ex-asielzoekers Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 Aan de algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek van het ministerie van Veiligheid en Justitie wordt mandaat verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking: - a. besluiten te nemen inzake subsidieverlening op grond van [artikel 2.5 van de Subsidieregeling ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.5), met inachtneming van de daartoe vastgestelde beleidsregels1Stcrt. 2015, nr. 11899; - b. te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 De algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek van het ministerie van Veiligheid en Justitie wordt gemachtigd tot het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding van de besluiten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036638&artikel=1&z=2015-05-30&g=2015-05-30). Artikel 3 De algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek van het ministerie van Veiligheid en Justitie kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036638&artikel=1&z=2015-05-30&g=2015-05-30) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036638&artikel=2&z=2015-05-30&g=2015-05-30), ondermandaat en machtiging verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel"},{"i":18407,"b":"Regeling overbrenging notariële archiefbescheiden naar de rijksarchiefbewaarplaats Gelet op [artikel 59, tweede lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=59), Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388); - b. **algemene bewaarplaats:** de algemene bewaarplaats, bedoeld in [artikel 57, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=57); - c. **bewaarder:** de bewaarder, bedoeld in [artikel 57, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=57); - d. **kamer van toezicht:** de kamer van toezicht, bedoeld in [artikel 93 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=93); - e. **beheerder:** de beheerder van de bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) aangewezen rijksarchiefbewaarplaats. Artikel 2 1. De in [artikel 59, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=59) bedoelde overbrenging van de protocollen naar de bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) voor de bewaring daarvan aangewezen rijksarchiefbewaarplaats geschiedt op last en voor rekening van de Minister van Justitie, na overleg met de algemene rijksarchivaris en de kamer van toezicht in het arrondissement waar de algemene bewaarplaats is gelegen. 2. De bewaarder brengt zo spoedig mogelijk nadat de in het eerste lid bedoelde last is gegeven, de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden voor overbrenging in gereedheid en maakt daarvan een specificatie. Zodra zulks is geschied geeft hij daarvan kennis aan de Minister van Justitie. 3. De bewaarder en de beheerder maken van de overbrenging gezamenlijk een verklaring op, waaraan de in het tweede lid genoemde specificatie wordt gehecht. Van deze verklaring zendt de bewaarder een afschrift aan d"},{"i":17770,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen inzake sociale zekerheid Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen In aanmerking nemende de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, (hierna te noemen „de EER-Overeenkomst\") artikel 29, bijlage VI, nr. 1 en 2; Gelet op artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 1408/71; In aanmerking nemende de noodzaak hun betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid, in het bijzonder ten aanzien van personen die niet onder de genoemde Verordening vallen, opnieuw in overweging te nemen; Zijn overeengekomen het volgende Verdrag te sluiten, dat het Verdrag tussen de twee Staten inzake sociale zekerheid van 13 april 1989 vervangt: DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder „Verordening” verstaan: de Verordening (EEG) van de Raad nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de tussen de twee Verdragsluitende Partijen geldende respectieve versies; - b. wordt onder „Toepassingsverordening” verstaan: de Verordening (EEG) van de Raad nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van [Verordening (EEG) nr. 1408/71](31971R1408) betreffende de toepassing van de sociale- zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de tussen de twee Verdragsluitende Partijen geldende respectieve versies; - c. wordt onder „continentaal plat van een van de Verdragsluitende Partijen” verstaan: de zeebodem en de ondergrond van de onder water gelegen gebieden die zich buiten de territoriale zee van die Verdragsluitende Partij uitstrekken door de natuurlijke voortzetting van het landterritorium tot de buitenste grens van de continentale rand, of tot een afstand van 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar d"},{"i":18159,"b":"Besluit van 23 september 2010, houdende de methode van vaststelling van de minimale sterkte van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 juni 2010, nr. 2010-0000413734, CZW/WSG, gedaan mede namens de Minister van Justitie; Gelet op [artikel 49 van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=49); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 14 juli 2010, nr. W04.10.0257/I/K); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 september 2010, nr. 2010-0000598920, uitgebracht mede namens de Minister van Justitie; De bepalingen van het [Statuut van het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt volgens artikel 58, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Stb. 2010,337) in werking op het tijdstip waarop de artikelen I en II van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treden. Artikel 1 1. De minimale sterkte van de politie van een land wordt vastgesteld op een percentage van het volgens het door de Slot Ronde Tafel Conferentie bekrachtigde inrichtingsplan van het politiekorps van dat land beoogde aantal ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 3, onder a, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3). 2. Tot de minimale sterkte van de politie van een land behoren niet de aspiranten. Artikel 2 Het percentage bedraagt na de inwerkingtreding van de [Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":17186,"b":"Besluit van 1 september 2005, houdende de overdracht van de zorg voor onderdelen van de Kernenergiewet Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 26 augustus 2005, nr. 05M476269; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De zorg voor de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) en voor de op de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) gebaseerde regelgeving en besluitvorming, voorzover deze thans behoort tot de taak van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, gaat over naar Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. In afwijking van het eerste lid blijft de zorg voor de lozing van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen in oppervlaktewater mede behoren tot de taak van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17504,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 23 juli 2009, nr. 5612426/09, houdende verlening van mandaat aan de Raad voor rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch betreffende het verlenen van subsidies en het vaststellen van beleidsregels dienaangaande Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en de [artikelen 48c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48c) en [48d van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48d); Besluit: Artikel 1 Aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten met betrekking tot het verlenen van subsidie ten behoeve van het optreden als bewindvoerder als bedoeld in [artikel 287, derde lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287), of ten behoeve van activiteiten ter ondersteuning van bewindvoerders als bedoeld in artikel 287, derde lid, van de Faillissementswet; - b. het vaststellen van beleidsregels met betrekking tot de onder a verleende bevoegdheid. Artikel 2 Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand kan van het aan hem bij [artikel 1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026208&artikel=1&z=2024-09-27&g=2024-09-27), verleende mandaat ondermandaat verlenen aan één of meer onder deze raad ressorterende functionarissen. Artikel 3 1. Aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wordt mandaat en machtiging verleend om bezwaar en beroep te behandelen als bedoeld in de [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=7) en [8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl"},{"i":19122,"b":"Richtlijn voor strafvordering brandstichting Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op enkele vormen van opzettelijke met name vandalistische brandstichting met gemeen gevaar voor goederen/personen en kent een verzwaarde recidiveregeling. Ook het teweegbrengen van een ontploffing valt hieronder. De richtlijn ziet niet op brandstichtingen waarbij (ernstige) gewonden of doden zijn gevallen of (poging) doodslag/moord door brandstichting. Basiscasus/delict Brandstichting of teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen/personen Legenda **Afkortingen** TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042068)."},{"i":19172,"b":"Richtlijn voor strafvordering valse aangifte Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op het doen van valse aangifte of klacht, doorgaans bedoeld om geldelijk gewin (oplichten verzekeringsmaatschappij), om betrokkenheid bij een misdrijf te verhullen (bijv. valse aangifte diefstal auto, welke betrokken is bij het verlaten plaats ongeval) of om iemand te beschuldigen (bijv. van zedenmisdrijf). Basiscasus/delict Doen van valse aangifte/klacht door een first offender, alleen gepleegd. Legenda **Afkortingen** TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen."},{"i":18225,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Rechterlijke Macht vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 maart 2012, nr. aca.2012-06345/3); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de onder de minister Veiligheid en Justitie ressorterende actor De Hoge Raad op het beleidsterrein Rechterlijke Macht over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Justitie en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Rechterlijke macht over de periode vanaf 1950](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020957)’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Justitie, nr. C/S&A/06/3399 d.d. 12 december 2006 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 5 d.d. 8 januari 2007)) wordt ingetrokken voor de actor De Hoge Raad. De ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Justitie en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Gratie over de periode vanaf 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020166)’ (vastgesteld bij beschikking van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Justitie, nr. C/S&A/06/1893 d.d. 15 augustus 2006 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 237 d.d. 5 december 2006)) wordt ingetrokken voor de actor De Hoge Raad. De ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Justitie en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Vermogensrecht over de periode vanaf 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023654)’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Justitie, nr. C/"},{"i":18544,"b":"Toepassing Regeling politiespeurhonden 1997 op het Korps landelijke politiediensten Besluit: De [Regeling politiespeurhonden 1997](onbekend) is van overeenkomstige toepassing op het Korps landelijke politiediensten met dien verstande dat: - a. artikel 2 lid 1 onder a luidt: hiervoor toestemming is verkregen van de korpschef van het Korps landelijke politiediensten - b. in artikel 12, eerste lid, ’korpsbeheerder’ wordt vervangen door: korpschef van het Korps landelijke politiediensten. Deze regeling treedt in werking op de dag na plaatsing in de Staatscourant."},{"i":18534,"b":"Selectielijst neerslag handelingen Minister van Binnenlandse Zaken op het beleidsterrein Beheer Rijksbegroting Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 10 september 1997, nr. arc-97.1473/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken, als vakminister en als vakminister in Londen, binnen het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting (periode 1940-1993), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken hoofdstuk II, behoudens categorie 25, van de ’Lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in de archieven van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en in de onder dat Ministerie ressorterende commissies en ambtenaren’ (vastgesteld bij gemeenschappelijke beschikking door de Minister van Binnenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, No. FAZ/PAZ C61/U138 d.d. 25 januari 1961, alsmede No. ON 80163 d.d. 24 maart 1961, laatstelijk gewijzigd bij gemeenschappelijke beschikking door de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, No. FAZ/PAZ CA 67/U995, alsmede No. OKN/O 138773 d.d. 14 juli 1967). Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":18591,"b":"Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Eerste Kamer der Staten-Generaal Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); BESLUIT Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op papier die behoren of zullen gaan behoren tot het personeelsdossier van de medewerkers van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Deze vervanging betreft alle papieren archiefbescheiden die betrekking hebben op personeelsgegevens en salarisgegevens zoals beschreven in het vigerende Basisselectiedocument P-dossier. Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in de bijlage en op de wijze zoals beschreven in het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers van P-Direkt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Eerste Kamer der Staten-Generaal. Bijlage Deze bijlage bevat de eisen waaraan de uitvoering van het vervangingsproces ten minste zal voldoen, een en ander overeenkomstig [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b). Artikel 26b van de Archiefregeling luidt aldus: De zorgdrager verschaft in het besluit tot vervanging, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), voor zover dit besluit archiefbescheiden betreft die ingevolge een selectielijst voor bewaring in aanmerking komen, inzicht in ten minste de volgende aspecten van het door hem toegep"},{"i":17133,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 mei 2024, nr. 46204814, houdende instelling van de Regiegroep Sociale Veiligheid in Hoger Onderwijs en Wetenschap (Instellingsbesluit Regiegroep Sociale Veiligheid Hoger Onderwijs en Wetenschap) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **convenant:** Convenant Sociale veiligheid in Hoger Onderwijs en Wetenschap 2024–2027; - b. **convenantpartners:** - –. Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - –. Universiteiten van Nederland (UNL); - –. Vereniging Hogescholen (VH); - –. Landelijke Studentenvakbond (LSVb); - –. Interstedelijk Studenten Overleg (ISO); - –. Promovendi Netwerk Nederland (PNN), mede namens PostdocNL; - –. Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV); - –. Algemene Onderwijsbond (AOb); - c. **instellingen:** hogeronderwijsinstelling, studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie; - d. **hogeronderwijsinstelling:** hogeschool of universiteit als bedoeld in de [bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](onbekend); - e. **promovendi-organisatie:** rechtspersoon die de belangen van promovendi vertegenwoordigt en die voor ten minste drie jaar financiële middelen ontvangt van een hoger onderwijsinstelling of de minister; - f. **studentenorganisatie:** rechtspersoon waarbinnen studenten georganiseerd zijn en die voor ten minste drie jaar financiële middelen ontvangt van een hoger onderwijsinstelling of de minister; - g. **werknemersorganisatie:** rechtspersoon die de belangen van werknemers vertegenwoordigt en die voor ten minste drie jaar financiële middelen ontvangt van een hoger onderwijsinstelling of de minister; - h. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - i. **regiegroep:** Regiegroep Sociale Veiligheid in Hoger Onderwijs en We"},{"i":19350,"b":"Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige wijzigingen aan te brengen in de bepalingen in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) betreffende de berechting en sanctionering van jeugdigen en jongvolwassenen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel IVa Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IVb Wijzigt deze wet. Artikel V De bepalingen zoals zij na inwerkingtreding van deze wet komen te luiden, worden slechts toegepast met betrekking tot feiten gepleegd na inwerkingtreding van deze wet. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen en onderdelen afzonderlijk kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17665,"b":"Vaststelling selectielijst handelingen Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein bezitsvorming 1945-1994 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 24 oktober 2000, nr. arc-2000.1592/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde `selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein bezitsvorming over de periode 1945-1994' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De `Lijst van de vernietigen archiefbescheiden van het Directoraat Generaal voor algemene beleidsaangelegenheden van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid' (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nr. MMA/Ar 1326 en nr. CA/KAZ 86/149 d.d. 2 juli 1986, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nr. RAD/B&T/98.18/CZ d.d. 2 juni 1998 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 44 d.d. 4 maart 1999)) wordt ingetrokken voorzover deze lijst betrekking heeft op het beleidsterrein bezitsvorming. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst. Basisselectiedocument Bezitsvorming 1945-1994 **Februari 2001** **Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid** **Rijksarchiefdienst/PIVOT** 1. Inleiding Het PIVOT-rapport **Die wat spaart, die wat heeft. Een institutioneel onderzoek op het terre"},{"i":17459,"b":"Ministeriële regeling van 3 november 2003, nr. P/2003007139, afdeling Arbeidsvoorwaarden Gelet op: – [artikel 20 van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006038&artikel=20), en – [artikel 16, eerste lid, onder a, van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=16); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **algemeen bedrijfshulpverlener:** een bedrijfshulpverlener die de basisopleiding bedrijfshulpverlening heeft genoten en die als zodanig is aangewezen om tijdens het verrichten van bedrijfshulpverleningstaken zorg te dragen voor de initiële brandbestrijding of gewondenverzorging; - **ambtenaar:** een ambtenaar als bedoeld in [artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=1); - **bedrijfshulpverlener:** een ambtenaar of militair die naast zijn normale werkzaamheden door de commandant is aangewezen als: - 1. algemeen bedrijfshulpverlener; - 2. bedrijfshulpverlener met specialisatie; - 3. ploegleider; - 4. coördinator bedrijfshulpverlener; - 5. hoofd bedrijfshulpverlening; - **bedrijfshulpverlener met specialisatie:** een bedrijfshulpverlener die evenals de algemeen bedrijfshulpverlener is aangewezen om tijdens het verrichten van bedrijfshulpverleningstaken zorg te dragen voor de initiële brandbestrijding en gewondenverzorging en die naast de basisopleiding bedrijfshulpverlening voor een van die bedrijfshulpverleningstaken een aanvullende opleiding heeft genoten; - **bedrijfshulpverleningstaken:** - 1°. het verlenen van eerste hulp bij arbeidsongevallen; - 2°. het beperken en het bestrijden van brand en het voorkomen en beperken van arbeidsongevallen; - 3°. het in noodsituaties alarmeren en evacueren van alle werknemers en andere personen in het bedrijf of de inrichting; - 4°. het alarmeren van en samenwerken met hulpverleningsorganisaties in verband met de i"},{"i":17761,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten hierna te noemen de verdragsluitende partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling en inning van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Erkennend dat uitwisseling van informatie een essentieel onderdeel is van effectief risicobeheer; Onderkennend dat er een evenwicht dient te worden bereikt tussen naleving en facilitatie teneinde het vrije verloop van de legale handel te waarborgen en te voldoen aan de behoefte van regeringen aan bescherming van de maatschappij, handelsbevordering en het innen van rechten; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van handel, de volksgezondheid en openbare orde van de verdragsluitende partijen; Voorts gelet op de relevante internationale verdragen die van kracht zijn voor de verdragsluitende partijen en wederzijdse bijstand aanmoedigen alsmede op de aanbevelingen van de Wereld Douane Organisatie; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen, bedreigde dier- en plantensoorten, gevaarlijke stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen wettelijke bepalingen; Gelet op internati"},{"i":19210,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 februari 2024, nr.MinBuZa.2024.20440-34, houdende beperkende maatregelen ten aanzien van Guatemala (Sanctieregeling Guatemala 2024) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [Verordening (EU) 2024/287](32024R0287) van de Raad van de Europese Unie van 12 januari 2024 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Guatemala (PbEU 15 januari 2024, nummer 00287) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder **Verordening (EU) 2024/287**: [Verordening (EU) 2024/287](32024R0287) van de Raad van de Europese Unie van 12 januari 2024 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Guatemala (PbEU 15 januari 2024, nummer 00287). Artikel 2 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 8, eerste lid, en 9, eerste en tweede lid, van [Verordening (EU) 2024/287](32024R0287). 2. Een verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 3, eerste lid, 4, eerste of tweede lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, of 7 van [Verordening (EU) 2024/287](32024R0287) van toepassing is. Artikel 3 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 4, tweede en derde lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van [Verordening (EU) 2024/287](32024R0287) is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard, met dien verstande dat instellinge"},{"i":17458,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 september 2014, kenmerk 656441-125129-CZ, houdende tijdelijke opschorting levering zorgvraagzwaarte cGGZ Gelet op de [artikelen 87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=87) en [88 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=88); Gezien het Bestuurlijk Akkoord toekomst GGZ 2013–2014 (Kamerstukken II, 2011/12, 25 424, nr. 183 en Bijlage); Gezien het rapport van de Werkgroep Zorgvraagzwaarte (Bijlage bij Kamerstukken II 2013/14, 25 424, nr. 229); Gezien het Onderhandelingsresultaat geestelijke gezondheidszorg 2014–2017 (Bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 29 248, nr. 257); Gezien de Regeling zorgvraagzwaarte cGGZ (Stcrt.2013, nr. 30961); Overwegende dat de Nederlandse Zorgautoriteit de verplichting aan zorgaanbieders in de curatieve geestelijke gezondheidszorg heeft opgelegd de brongegevens die noodzakelijk zijn voor het onderbouwen en afleiden van de zorgvraagzwaarte van de desbetreffende patiënt herleidbaar naar de desbetreffende patiënt vast te leggen in de administratie van de betreffende zorgaanbieder; Overwegende dat met ingang van 1 januari 2014 de verplichting aan zorgaanbieders in de curatieve geestelijke gezondheidszorg is opgelegd het gegeven zorgvraagzwaarte te verstrekken aan zorgverzekeraars; Overwegende dat die verplichting is gekoppeld aan de verplichting de levering aan de zorgverzekeraars te doen door middel van het vermelden van het gegeven zorgvraagzwaarte op de declaratie; Overwegende dat het enkele gegeven zorgvraagzwaarte onvoldoende grondslag biedt voor het onrechtmatig verklaren van de declaratie; Overwegende dat het wenselijk is te verkennen of een andere wijze van verwerking van het gegeven zorgvraagzwaarte mogelijk is die minder inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde patiënt; Overwegende dat daartoe overleg is gevoerd met GGZ Nederland, de Nederlandse Vereniging voor Vrijgevestigde Psycholo"},{"i":17936,"b":"Wet van 26 februari 2011 tot wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Zorgverzekeringswet, houdende maatregelen tot opsporing en verzekering van personen die ondanks hun verzekeringsplicht geen zorgverzekering hebben en beperking van het aantal zorgverzekeringen tot één per verzekeringsplichtige (opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat personen die in weerwil van hun in de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) opgenomen verzekeringsplicht geen zorgverzekering hebben, alsnog ingevolge zo’n verzekering verzekerd raken en dat het wenselijk is te voorkomen dat één verzekeringsplichtige ingevolge meerdere zorgverzekeringen verzekerd is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel II Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel III Wijzigt de Wet op de zorgtoeslag. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V Wijzigt de Beroepswet. Artikel VI Wijzigt de Wijzigingswet Zorgverzekeringswet, Wet op de zorgtoeslag, enz. (structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering). Artikel VII Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel VIII Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel IX 1. Indien een meerderjarige verzekeringsplichtige op de datum van inwerkingtreding van dit artikel krachtens meer dan een zorgverzekering verzekerd is, eindigen deze zorgverzekeringen, met uitzondering van de eerstgesloten verzekering, met ingang van die datum. 2. Indien een minderjarige verzekeringsplichtige op de datum van inwerkingtreding van dit artikel krachtens meer dan een zorgverzekering verzekerd is, eindigen deze zorgverzekeringen,"},{"i":18658,"b":"Wet van 20 november 2003 tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in verband met de invoering van een rijksprojectenprocedure (rijksprojectenprocedure) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de Wet op de Ruimtelijke Ordening een procedure op te nemen voor ruimtelijke investeringsprojecten van nationaal belang waarbij de besluitvormings- en rechtsbeschermingsprocedures worden gecoördineerd en daarmee worden versneld; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Artikel II Wijzigt de onteigeningswet. Artikel III Vervallen Artikel IV Wijzigt de Tracéwet. Artikel V Ten aanzien van plannen als bedoeld in de artikelen [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=2a), [4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=4a) of [36c, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=36c) waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft artikel 56, eerste lid, zoals dat voor dat tijdstip luidde, van toepassing. Artikel VI Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18175,"b":"Besluit opheffen beperkingen openbaarheid archiefbescheiden archief Ministerie van Buitenlandse Zaken: Directie Buitenlandse Dienst 1945–1954, nummer toegang 2.05.51 Gelet op de regeling van de openbaarheid gevoegd bij de verklaring van overdracht van het archief van de Directie Buitenlandse Dienst van 18 augustus 1998, Gelet op [artikel 15, lid 3, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gehoord hebbende de Minister van Buitenlandse Zaken, Besluit: Artikel 1 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief Ministerie van Buitenlandse Zaken: Directie Buitenlandse Dienst, worden opgeheven. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":19449,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 8 mei 2017, nr. IENM/BSK-2017/105399, houdende terbeschikkingstelling scheepvaartinspecteurs Rijksdienst Caribisch Nederland inzake toezicht op grond van de Wet havenstaatcontrole en de Wet zeevarenden in Bonaire, Sint Eustatius en Saba Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 15, eerste lid, van de Wet havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=15) en [artikel 49 van de Wet zeevarenden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124&artikel=49); Besluit: Artikel 1 De scheepvaartinspecteurs, werkzaam bij de Rijksdienst Caribisch Nederland, worden ter beschikking gesteld van de Inspectie Leefomgeving en Transport voor het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999), voor zover van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 De scheepvaartinspecteurs, werkzaam bij de Rijksdienst Caribisch Nederland, worden belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet bemanning zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681), voor zover van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang 1 juli 2017. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 2a Dit besluit berust mede op [artikel 61, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=61). Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18843,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 augustus 2017 nr. BOACAT2017/051, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij It Fryske Gea Gelezen het verzoek van de directeur van It Fryske Gea van 30 januari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het functioneel parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039920&artikel=2&z=2017-08-25&g=2017-08-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van beheermedewerker in dienst van It Fryske Gea, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel 4 Op grond van dit besluit kunnen ma"},{"i":18241,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 november 2018, ELVV/18299083, houdende visverbod voor een bepaald tijdvak voor Saba Gelet op [artikel 5 van de Visserijwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=5); Gehoord de Visserijcommissie als bedoeld in [artikel 13 van de Visserijwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=13); Besluit: Artikel 1 Het is verboden te vissen in de periode van 1 december om 00:01 uur tot en met 28 februari om 23:59 uur in het gebied zoals aangegeven met onderstaande coördinaten: | PUNT | NOORDERBREEDTE | WESTERLENGTE | | --- | --- | --- | | EEN | 17°34'45.00\"N | 63°18'38.00\"W | | TWEE | 17°33'32.00\"N | 63°16'21.00\"W | | DRIE | 17°33'46.00\"N | 63°16'47.00\"W | | VIER | 17°33'55.00\"N | 63°19'02.00\"W | Artikel 2 Indien een vissersvaartuig gedurende het tijdvak, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041603&artikel=1&z=2018-12-01&g=2018-12-01), door het in artikel 1 bedoelde gebied vaart, dienen de vistuigen op een zodanige wijze vastgemaakt en opgeborgen te worden dat er niet onmiddellijk mee gevist kan worden. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2018 en vervalt 1 maart 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17948,"b":"Wet van 20 maart 1996 tot wijziging van de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps en de Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960 (reparatie samenloopregelingen pensioenen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele wijzigingen in de [Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002507) en de [Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002414) aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikelen I en II werken deels terug tot en met 1 januari 1985, deels terug tot en met 1 januari 1986 en deels terug tot en met 1 januari 1990. Artikel I Wijzigt de wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps . Artikel II Wijzigt de Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960 . SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN Artikel III 1. [Artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007948&artikel=I&z=1996-04-17&g=1996-04-17), en [artikel II, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007948&artikel=II&z=1996-04-17&g=1996-04-17), zijn niet van toepassing op diegenen die op grond van de overgangsbepalingen van de Wet van 6 november 1986, houdende wijziging van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) (**Stb**. 563), het recht behouden op het algemeen ouderdomspensioen voor een ongehuwde. 2. De Wet van 25 april 1985, houdende aanpassing van de overheidspensioenregelingen aan de invoering van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221), wordt ingetrokken. 3. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst met dien verstande dat: - a. artikel I, ond"},{"i":17341,"b":"Regeling Macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2015 Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die in 2015 huisartsgeneeskundige zorg leveren zoals omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Deze regeling is voorts van toepassing op zorgverzekeraars als bedoeld in [artikel 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036861&artikel=3&z=2015-07-18&g=2015-07-18) van deze regeling. Deze regeling is daarnaast van toepassing op degene die gegevens verzamelt, bewaart en bewerkt ten behoeve van zorgaanbieders of zorgverzekeraars zoals hierboven bedoeld, alsmede op de groep als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b), indien zorgaanbieders of zorgverzekeraars daartoe behoren. Artikel 2. Doel In de uitwerking van het akkoord eerste lijn 2014 tot en met 2017 is de minister van VWS overeengekomen met partijen dat bij overschrijding van het budgettair kader huisartsenzorg eventueel een zogenaamd macrobeheersinstrument kan worden ingezet om de overschrijding (deels) teniet te doen. De minister is tevens met partijen overeengekomen dat inzetten van het macrobeheersinstrument een ultimum remedium is: aan het besluit van de minister gaat een proces vooraf waarin convenantspartijen een eventuele overschrijding onderzoeken op de precieze oorzaken en de beleidsmatige wenselijkheid daarvan. Wenselijke ontwikkelingen zoals substitutie"},{"i":17373,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 april 2015, nr. 2015-0000082055, tot opening van een aanvraagtijdvak op grond van de Regeling cofinanciering sectorplannen in verband met de herstructurering van de sociale werkvoorziening Gelet op [artikel 1.4, tweede lid, van de Regeling cofinanciering sectorplannen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033761&artikel=1.4); Besluit: Artikel I Voor de periode van 1 april 2015 tot 15 september 2015 wordt een aanvraagtijdvak geopend voor een plan ten behoeve van de gemeentelijke sociale werkvoorziening. Voor dit plan is € 30 miljoen beschikbaar, uit te keren als decentralisatie-uitkering als bedoeld in [artikel 5 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=5), aan centrumgemeenten als genoemd in [bijlage 1 bij de Regeling cofinanciering sectorplannen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033761&bijlage=1). Op deze decentralisatie-uitkering zijn de bepalingen uit [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033761&hoofdstuk=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033761&hoofdstuk=4) en [5 van de Regeling cofinanciering sectorplannen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033761&hoofdstuk=5) niet van toepassing. Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2015. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 maart 2015, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 april 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18909,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 17 juni 2021 nr. BOACAT2021/018, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Oost-Brabant, afdeling gemeenschappelijke Bob-kamer Gelezen het verzoek van regionale eenheid Oost-Brabant van 3 mei 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045280&artikel=2&z=2024-07-10&g=2024-07-10). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen: - 1. de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), werkzaam in de functie medewerker assistent Intake en Service en/of medewerker Intake en Service, die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Oost-Brabant. - 2. de vrijwillig ambtenaren van politie bedoeld in [artikel 2, onder c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artik"},{"i":19035,"b":"Mandaatbesluit boeten en dwangsommen toezicht op informatieverstrekking Gelet op [artikel 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Gezien de schriftelijke instemming van de Stichting Autoriteit Financiële Markten van 27 augustus 2002, kenmerk SB-WM-02080901; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 De Autoriteit Financiële Markten oefent, ter zake van overtreding van de artikelen waarvoor haar in het [Overdrachtsbesluit toezicht op informatieverstrekking Wck, Wtk, Wtn en Wtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013986) taken en bevoegdheden zijn toegekend, in naam van de Minister de volgende bevoegdheden uit: - 1º. het opleggen van lasten onder dwangsom als bedoeld in [artikel 188b, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509&artikel=188b) en [artikel 93b, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007477&artikel=93b); - 2º. het opleggen van bestuurlijke boeten als bedoeld in [artikel 188c, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509&artikel=188c) en [artikel 93c, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007477&artikel=93c); - 3º. het ter openbare kennis brengen van feiten ter zake waarvan een last onder dwangsom of bestuurlijke boete is opgelegd als bedoeld in [artikel 188m, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509&artikel=188m) en [artikel 93m, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007477&artikel=93m); - 4º. de bevoegdheden, bedoeld in [Hoofdstuk XIB van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](https://wetten.overhe"},{"i":19334,"b":"Wet van 6 november 2019 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en het Wetboek van Strafrecht in verband met strafbaarstelling van zeer gevaarlijk rijgedrag en verhoging van de strafmaxima van enkele ernstige verkeersdelicten met het oog op versterking van de verkeershandhaving (aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend) en het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) te wijzigen in verband met strafbaarstelling van zeer gevaarlijk rijgedrag en verhoging van de strafmaxima van enkele ernstige verkeersdelicten met het oog op versterking van de verkeershandhaving; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel IIa Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de beide Kamers van de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden"},{"i":18877,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 maart 2018 nr. BOACAT2018/014, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Qbuzz Openbaar Vervoer Gelezen het verzoek van de teammanager van Qbuzz Openbaar Vervoer van 9 maart 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040714&artikel=2&z=2019-02-14&g=2019-02-14). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker service & veiligheid in dienst van Qbuzz Openbaar Vervoer, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, als genoemd in [onderdeel 9.3](onbekend), als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Ne"},{"i":18377,"b":"Regeling van 19 april 2013, nr. 2013-0000217521, houdende vaststelling van regels over de reikwijdte, de intensiteit en de verslaglegging van het onderzoek van de accountant en eisen aan de inrichting van het activiteitenplan en de begroting (Regeling financiering politieke partijen) Gelet op de [artikelen 11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=11), en [27, tweede lid, van de Wet financiering politieke partijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=27); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet financiering politieke partijen in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 25, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=25); - b. **accountantsverklaring:** verklaring als bedoeld in [artikel 25, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=25); - c. **overzichten:** overzichten als bedoeld in [artikel 25, eerste lid, onder b en c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=25); - d. **verslag:** financieel verslag als bedoeld in [artikel 25, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=25); - e. **wet:** [Wet financiering politieke partijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004). § 2. Reikwijdte en intensiteit van het onderzoek door de accountant Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 De accountant wijst de politieke partij op onjuistheden in het verslag en de overzichten, en verzoekt de partij deze te herstellen. Indien onjuistheden niet zijn hersteld, worden deze in de accountantsverklaring vermeld. Artikel 5 Voor de accountantsverklaring gebruikt de accountant de modellen die in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033335&bijlage=1&z=2025-04-01&g=2025-04-01) bij deze regeling zijn opgenomen. § 3. Inrichting van het activiteitenp"},{"i":19311,"b":"Besluit van 15 november 2016 tot wijziging van het Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht in verband met de wijziging van artikel 59 Wetboek van Militair Strafrecht en enkele andere bepalingen Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 8 september 2016, directie Wetgeving en Juridische zaken, nr. 798946, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie; De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 5 oktober 2016, nr. W03.16.0273/II/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 27 oktober 2016, directie Wetgeving en Juridische zaken, nr. 2007628, uitgebracht mede namens Onze Minister van Defensie; De bepalingen van het [Statuut van het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht. Artikel II De [Gratieregeling 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003042) wordt ingetrokken. Artikel III In strafzaken waarin voor het in werking treden van [artikel II, onderdeel O, eerste lid, van de Rijkswet van 13 december 2012 tot aanpassing van de Wet militaire strafrechtspraak, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Wet Militair tuchtrecht in verband met gewijzigde regelgeving en herstel van technische onvolkomenheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032826&artikel=II) (Stb. 2013, 25), voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn gesteld overeenkomstig [artikel 59 van het Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=59), blijven de artikelen van het [Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010902) gelden zoals zij golden voor de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat"},{"i":19479,"b":"Handels- en scheepvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zuidslavië Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden eenerzijds en Zijne Majesteit de Koning van Zuidslavië anderzijds, bezield met den wensch de handelsbetrekkingen te begunstigen en verder te ontwikkelen en de vriendschapsbanden, die beide landen vereenigen, nauwer aan te halen, hebben besloten een nieuw handels- en scheepvaartverdrag in de plaats te stellen van dat, hetwelk den 17den October 1881 tusschen Nederland en Servië is gesloten, en hebben te dien einde tot Hunne gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den heer CHRISTIAAN DIRK SCHULLER TOT PEURSUM, HoogstDerzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te Belgrado; Zijne Majesteit de Koning van Zuidslavië: den heer Dr. VOÏSLAV MARINKOVITCH, HoogstDeszelfs Minister van Buitenlandsche Zaken, en den heer YOURRAÏ DÉMÉTROVITCH, HoogstDeszelfs Minister van Handel en Nijverheid; die, na elkander mededeeling te hebben gedaan van hunne volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm werden bevonden, omtrent het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 1. De onderdanen van elk der beide Hooge Verdragsluitende Partijen zullen op het gebied van de andere voor al hetgeen betreft de vestiging en de uitoefening van den handel, de nijverheid en de scheepvaart op even gunstige wijze behandeld worden als de onderdanen van de meestbegunstigde natie. 2. Eveneens zullen zij op denzelfden voet als de onderdanen van de meestbegunstigde natie het recht hebben roerende en onroerende goederen te verkrijgen, te bezitten en te vervreemden. Artikel 2 Zij zullen recht hebben op de bescherming van hun persoon, van hun rechten en van hun belangen gelijk de eigen onderdanen of de onderdanen van de meestbegunstigde natie. Artikel 3 De naamlooze en andere vennootschappen op het gebied van handel, nijverheid of financiën, met inbegrip van de scheepvaartmaatschappijen, die haar zetel hebben op het gebied van eene der Ho"},{"i":18173,"b":"Besluit opheffen beperkingen openbaarheid archief Ministerie van Koloniën: Dossierarchief 1945–1963 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op de Verklaring van Overdracht van 20 oktober 1994 waarbij dit archief door het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan het Nationaal Archief is overgedragen en de bijbehorende regeling van de openbaarheid, Gehoord de Minister van Buitenlandse Zaken, Besluit: Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden in het archief van het Ministerie van Koloniën: dossierarchief 1945–1963, nummer archiefinventaris 2.10.54, worden opgeheven met uitzondering van de archiefbescheiden die zijn geborgen in de volgende inventarisnummers: | 1921–1926 | 3673 | 6568 | 8806–8808 | 10318–10320 | 11256 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 2035–2058 | 3937 | 6582–6584 | 8832–8835 | 10347 | 11339 | | 2346 | 3939 | 6587 | 8841 | 10370–10372 | 11340 | | 2564 | 4103–4109 | 6610 | 8869–8876 | 10384 | 11373–11379 | | 2597 | 4258–4263 | 6630 | 8881–8884 | 10432–10434 | 11409 | | 2598 | 4385 | 6652 | 8886 | 10479 | 11415 | | 2601–2607 | 4416 | 6655 | 8937–8950 | 10483 | 11422 | | 2618 | 4520 | 6671 | 9033 | 10484 | 11432 | | 2619 | 4557 | 6678 | 9065–9071 | 10527 | 11434 | | 2646 | 4691 | 6797–6799 | 9076–9080 | 10529 | 11578 | | 2660–2666 | 4604–4708 | 6812 | 9113–9114 | 10552 | 11598 | | 2674–2677 | 4866–4868 | 6831 | 9161 | 10555 | 11650 | | 2689 | 5013 | 6834 | 9163 | 10574 | 11669 | | 2710 | 5014 | 6835 | 9241–9248 | 10575–10599 | 11672 | | 2792 | 5087–5095 | 6885 | 9337 | 10616 | 11673–11677 | | 2877 | 5135–5137 | 6914 | 9352 | 10627 | 11724 | | 2916 | 5287 | 6940 | 9362 | 10660 | 11839 | | 3067 | 5368 | 7200 | 9370–9371 | 10661 | 11941 | | 3183–3186 | 5410 | 7215 | 9539 | 10677 | 11942 | | 3192 | 5418 | 7479 | 9554 | 10687 | 11948 | | 3193 | 5426 | 7480 | 9556 | 10697 | 11949 | | 3214 | 5410 | 7486–7491 | 9565 | 10700–10701 | 11952–1195"},{"i":17821,"b":"Wet van 25 mei 2022 tot wijziging van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 teneinde de uitvoeringslasten bij het aanbesteden van diensten als bedoeld in die wetten te verlichten, alsmede grondslagen op te nemen voor het stellen van regels die bij de inkoop of subsidiëring van die diensten in acht worden genomen (Wet maatschappelijk verantwoord inkopen Jeugdwet en Wmo 2015) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) en de [Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) te wijzigen om gemeenten in de gelegenheid te stellen voor de inkoop van sociale diensten als bedoeld in die wetten een vereenvoudigde aanbestedingsprocedure te volgen, en om grondslagen op te nemen voor het stellen van regels die bij de inkoop of subsidiëring van dergelijke diensten in acht worden genomen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Jeugdwet. Artikel II Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel III Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet maatschappelijk verantwoord inkopen Jeugdwet en Wmo 2015. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19526,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 27 maart 2012, nr. IENM/BSK-2012/20626, houdende vaststelling van de eisen voor de praktijkexamens voor de rijbewijscategorieën A1, A2 en A (Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën A1, A2 en A) Gelet op [richtlijn nr. 2006/126/EG](32006L0126) van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PbEU L 403) en [artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A tot en met L van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994, enz. (implementatie derde rijbewijsrichtlijn) in werking treedt. § 1. Eisen voor de praktijkexamens voor de rijbewijscategorie A1 Artikel 1 1. De aanvrager van het praktijkexamen Voertuigbeheersing voor de rijbewijscategorie A1 dient er blijk van te geven een selectie van de hierna genoemde vaardigheiden te beheersen: - a. het voertuig zonder hulp van de motor aan de hand voorwaarts voeren, dit vervolgens achteruit in een (denkbeeldig) parkeervak manoeuvreren en op de juiste wijze op de standaard plaatsen. De motor vervolgens van de standaard halen en verder lopen; - b. het op juiste wijze rijden van een slalom met geringe snelheid; - c. het op juiste wijze rijden van een denkbeeldige acht; - d. het op juiste wijze maken van een halve draai in een vloeiende beweging binnen een beperkte ruimte; - e. het op juiste wijze stapvoets rijden in een rechte lijn; - f. het op juiste wijze wegrijden, direct gevolgd door een haakse bocht; - g. het op juiste wijze binnen een aangegeven afstand wegrijden, versnellen, vertragen, onmiddellijk gevolgd door het op juiste wijze uitvoeren van een slalom; - h. het op juiste wijze uitvoeren van een uitwijkmanoeuvre; - i. het op juiste wijze uitvoeren van een slalom met hogere snelheid; - j. het op juiste wijze uitvoeren van een maximale remming (noodstop); - k. het op juiste wijze uitvo"},{"i":18432,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 november 2009, nr. 2009-0000635138, houdende regels over te veel en te weinig gewerkte uren voor de politie (Regeling te veel en te weinig gewerkte uren politie) Gelet op [artikel 12, dertiende lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=12) en [artikel 21, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=21); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Bbp:** het [Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517); - b. **aantal te werken uren per jaar:** het aantal te werken uren per jaar zoals vastgesteld op grond van [artikel 12, vierde tot en met zevende lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=12); - c. **ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Bbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1). Artikel 2 1. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder het verrichten van dienst mede verstaan: het genieten van vakantie, verlof of buitengewoon verlof. 2. Onder het verrichten van dienst wordt in deze regeling niet verstaan: overwerk als bedoeld in [artikel 27, derde lid, van het Bbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=27). Artikel 3 1. Indien de ambtenaar in een kalenderjaar meer uren dienst heeft verricht dan het aantal te werken uren per jaar, wordt het verschil met een maximum van negen meer gewerkte uren zichtbaar in mindering gebracht op zijn jaarwerkplan van het daaropvolgende kalenderjaar. 2. Indien het aantal meer gewerkte uren hoger is dan negen, wordt voor het aantal boven de negen een vergoeding per uur toegekend gelijk aan het salaris per uur, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Bbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1), vermeerderd met een toesla"},{"i":19171,"b":"Richtlijn voor strafvordering uitgeven enz. van vals geld Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op het uitgeven, in voorraad hebben, invoeren e.d. van valse bankbiljetten. Bij [artikel 209 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=209) geldt een verzwaarde recidiveregeling. Basiscasus/delict Uitgeven, in voorraad hebben enz. van zelf vervalst biljet, of uitgeven van biljet met bekendheid van valsheid bij verkrijging ([art 209 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=209)) Basiscasus/delict Uitgeven van een vals biljet, dat te goeder trouw was ontvangen ([art 213 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=213)) **Afkortingen** GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf vw = voorwaardelijk ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036337)."},{"i":19226,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 mei 2013, nr. 0395-2013, houdende beperkende maatregelen ten aanzien van Myanmar/Birma (Sanctieregeling Birma 2013) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en met de Minister van Financiën; Gelet op Verordening (EU) nr. 401/2013 van de Raad van de Europese Unie van 2 mei 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Myanmar/Birma en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 194/2008](32008R0194) (PbEU L 121); Gelet op Besluit 2013/184/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 22 april 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Myanmar/Birma en tot intrekking van Besluit 2010/232/GBVB (PbEU L 111); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3), Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 3 bis, eerste, derde en vierde lid, artikel 3 ter, eerste lid, artikel 3 quater, eerste lid, artikel 4 bis, eerste en tweede lid, artikel 4 sexies, eerste lid en artikel 4 octies, van Verordening (EU) nr. 401/2013 van de Raad van de Europese Unie van 2 mei 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Myanmar/Birma en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 194/2008](32008R0194) (PbEU L 121). 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in gevallen waarin artikel 2, tweede lid, artikel 3 bis, vijfde en zesde lid, artikel 4, artikel 4 ter, eerste lid, artikel 4 quater, eerste lid, artikel 4 quinquies, eerste, derde en vierde lid, artikel 4 quinquies bis, eerste, tweede of derde lid, of artikel 4 quinquies ter van Verordening (EU) nr. 401/2013 van toepassing is. Artikel 2 Het is verboden om militaire goederen, alsmede militaire technologie, aangewezen in de [Uitvoeringsregeling strategische goederen 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":17712,"b":"Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië wensende de bestaande betrekkingen tussen de beide Staten op het gebied van de sociale zekerheid aan te passen aan de ontwikkelingen welke sedert de ondertekening van het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federale Volksrepubliek Zuidslavië inzake sociale verzekering, getekend te Belgrado op 1 juni 1956, in hun wetgevingen hebben plaatsgevonden; besloten hebbende een nieuw verdrag te sluiten ter vervanging van het Verdrag van 1 juni 1956; zijn het volgende overeengekomen: TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a). „grondgebied”: - wat Nederland betreft: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; - wat Joegoslavië betreft: het grondgebied van de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië; - b). „onderdaan”: - wat Nederland betreft: een persoon van Nederlandse nationaliteit; - wat Joegoslavië betreft: een persoon van Joegoslavische nationaliteit; - c). „werknemer”: - een loontrekkende of de met hem gelijkgestelde volgens de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij; - d). „wetgeving” of „wettelijke regeling”: - de wetten, regelingen en statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsbesluiten die betrekking hebben op de in artikel 2 bedoelde stelsels en takken van sociale zekerheid en die van kracht zijn op de datum van ondertekening van dit Verdrag of die later van kracht zullen worden voor het gehele grondgebied van iedere Verdragsluitende Partij of voor enig deel daarvan; - e). „bevoegde autoriteit”: - de minister of ministers of de hiermede vergelijkbare autoriteit onder wie, op het gehele grondgebied van elke Verdragsluitende Partij of op een deel daarvan, de regelingen inzake sociale zekerheid ressorteren; - f). „bevoegd"},{"i":18483,"b":"Besluit van 27 september 2010, houdende een onderlinge regeling met betrekking tot de overname door de Staat der Nederlanden van door het land de Nederlandse Antillen en de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten aangegane geldleningen (Rijksbesluit overname geldleningen Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 juni 2010, nr. 2010-0000343112, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Financiën en in overeenstemming met de regering van de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten; Overwegende dat de regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen, met instemming van de eilandgebieden Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zijn overeengekomen om te bewerkstelligen dat bij de start van de nieuwe staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk sprake is van een gezonde financiële positie van de eilanden; Dat is overeengekomen dat Nederland in dat kader de verplichting op zich neemt om de per 31 december 2005 bestaande schulden van de Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten, met inbegrip van de herfinanciering van die schulden en de financiering van de rente op die schulden, tot het niveau van de voor het jaar 2005 geldende rentelastnorm te saneren; Dat die verplichting is vastgelegd in [artikel 31, derde lid, van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=31); Dat door de Politieke Stuurgroep Staatkundige Veranderingen op 26 november 2008 nadere afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de sanering van genoemde schulden; Dat daarbij met het oog op de positie van de betrokken crediteuren is besloten dat Nederland bij het ingaan van de nieuwe staatkundige verhoudingen de resterende hoofdsom van de te saneren schulden overneemt; Dat, voor zover de waarde van de over te nemen schulden het door Ne"},{"i":18936,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 10 juni 2025 nr. BOACAT2025/132, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Stadsbeheer Rotterdam, domein I Gelezen het verzoek van Stadsbeheer Rotterdam van 28 mei 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051127&artikel=2&z=2025-07-09&g=2025-07-09). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver in dienst van Stadsbeheer Rotterdam, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling d"},{"i":17937,"b":"Wet van 25 oktober 2012 tot wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Wet maatschappelijke ondersteuning in verband met invoering van een vermogensinkomensbijtelling voor de vaststelling van de eigen bijdragen voor zorg of voorzieningen op grond van die wetten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de hoogte van eigen bijdragen als bedoeld in de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) en de [Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031) mede afhankelijk te kunnen maken van het vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel II Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning. Artikel IIa [Artikel 6, zesde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=6) en de [artikelen 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031&artikel=15), en [19, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031&artikel=19) zijn niet van toepassing op de eerste vaststelling van de in die artikelen bedoelde algemene maatregelen van bestuur. Artikel IIb Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid, de effecten en de uitvoering door het CAK in de praktijk van de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=6) en [41 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=41) en de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":18108,"b":"Besluit beperking openbaarheid aan inventarisnummer 12956A van het Archief van de Tweede Kamer 1980–1989, toegang 2.02.28 Gelet op [artikel 15, tweede lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het besluit van de Griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 februari 2011 (Stcrt 2011, 3681), Besluit: Aan inventarisnummer 12956A in het archief Tweede Kamer der Staten-Generaal 1945–1989, toegang 2.02.28, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer een beperking aan de openbaarheid gesteld. Deze beperking is geldig tot 1 januari 2046 of tot de betrokkene aantoonbaar is overleden. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":19083,"b":"Regeling commissie van toezicht detentieplaatsen Koninklijke Marechaussee Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. beheerder: de Minister van Defensie; - b. commissie: de commissie van toezicht, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022877&artikel=2&z=2023-12-02&g=2023-12-02); - c. ingeslotene: de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, alsmede de persoon die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op een brigade van de Koninklijke Marechaussee is ondergebracht; - d. detentieplaats: elke bij de Koninklijke Marechaussee in gebruik en beheer zijnde ruimte die wordt of kan worden gebruikt voor het insluiten van personen, waaronder de detentieplaatsen die worden gebruikt voor kortdurend verblijf en de voertuigen waarmee ingeslotenen worden vervoerd. Artikel 2 1. Er is een commissie van toezicht voor de detentieplaatsen in gebruik en beheer bij de Koninklijke Marechaussee. 2. De commissie bestaat uit tenminste drie en ten hoogste vijf leden, die door de beheerder op basis van een open sollicitatieprocedure voor een periode van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen tweemaal worden herbenoemd. Uit de leden wijst de beheerder een voorzitter aan. 3. Bij de samenstelling van de commissie wordt rekening gehouden met diversiteit in maatschappelijke achtergrond, kennis, deskundigheid en ervaring van de leden. 4. De commissieleden ontvangen per vergadering een vergoeding overeenkomstig [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2). Artikel 3 1. Een lid van de commissie wordt door de beheerder tussentijds ontslagen: - a. op eigen verzoek; - b. bij aanvaarding van een ambt of betrekking, onverenigbaar met het lidmaatschap van de commissie; - c. wanneer hij naar het oordeel van de beheerder door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen. 2. Aan een lid kan door de beheerder tussentijds ontslag worden verle"},{"i":18504,"b":"Rijkswet van 22 januari 1992, houdende regels betreffende de rechtspositie van enige militair-rechterlijke ambtenaren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de inwerkingtreding van de [Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789) wenselijk is een voorziening te treffen met betrekking tot de rechtspositie van enige militair-rechtelijke ambtenaren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Aan de leden van de gewone rechterlijke macht en de leden van het openbaar ministerie bij de gewone rechterlijke macht in Nederland, in Aruba, in Curaçao, in Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba die op grond van de Wet van 3 april 1968 (**Stb.** 180), houdende regeling van de bezoldiging van de militair-rechterlijke ambtenaren, een salarisvermeerdering hebben genoten tot het tijdstip waarop die wet buiten werking treedt, wordt met ingang van dat tijdstip per maand een salarisvermeerdering toegekend, gelijk aan de salarisvermeerdering die de betrokkenen op grond van die wet zouden hebben genoten. 2. Indien de bezoldiging van de in het eerste lid bedoelde personen op of na het tijdstip waarop de in dat lid bedoelde wet buiten werking treedt, wordt verhoogd als gevolg van de aanvaarding van een hoger bezoldigde functie binnen de rechterlijke macht, dan wel als gevolg van een salarisvermeerdering als bedoeld in de artikelen 3 en 5 van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren (**Stb.** 1972, 464), wordt het verschil in bezoldiging verrekend met de salarisvermeerdering die deze personen op grond van het eerste lid ontvangen. Deze verrekeni"},{"i":19496,"b":"Besluit van 8 december 1995, houdende uitvoering van artikel 40, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 19 juli 1995, nr. BGW 95/1677-M, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen, Afdeling Effecten, Banken en Monetaire aangelegenheden; Gelet op [artikel 40, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=40); De Raad van State gehoord (advies van 31 oktober 1995, nr. W06.95.0403); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 5 december 1995, nr. BGW 95/2513-U, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen, Afdeling Effecten, Banken en Monetaire aangelegenheden; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657); - b. de Autoriteit Financiële Markten: de Stichting Autoriteit Financiële Markten; - c. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V.; - d. Onze Minister: Onze Minister van Financiën. Artikel 2 1. Met inachtneming van [artikel 40, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=40) worden de taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van de wet heeft, overgedragen aan de Autoriteit Financiële Markten, met uitzondering van: - a. de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=6), voor zover het betreft het doen van een mededeling dan wel het geven van een aanwijzing aan de houder van een effectenbeurs met betrekking tot de voor die effectenbeurs te hanteren regels inzake beschermingsconstructies en hun toepassing; - b. de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=6), voor zover het betreft het bepalen van een termijn met betrekking tot een aanwijzing als bedoeld onder **a**; - c. de bevoegdheid, bedoeld in [a"},{"i":18363,"b":"Regeling cafetariamodel defensie Gelet op: [artikel 15 van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=15); [artikel 44 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=44). Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **defensieambtenaar:** de militair als bedoeld in [artikel 1, eerste lid onderdeel c onder 1 het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=1) die op of na 1 oktober 2016 in werkelijke dienst is of de ambtenaar die op of na 1 oktober 2016 in burgerlijke openbare dienst is bij het Ministerie van Defensie als bedoeld in [artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=1); - b. **bronnen:** de aanspraken, genoemd in[artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038619&artikel=4&z=2024-11-28&g=2024-11-28); - c. **doelen:** de bestedingsmogelijkheden, genoemd in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038619&artikel=5&z=2024-11-28&g=2024-11-28). Artikel 2. Aanvraag 1. De defensieambtenaar heeft de mogelijkheid de geldswaarde van bronnen in te zetten voor één of meer doelen. 2. De defensieambtenaar die van deze mogelijkheid gebruik wilt maken, dient een aanvraag in door middel van Selfservice. 3. Een aanvraag bevat in ieder geval een keuze uit één bron en één doel. 4. Een aanvraag wordt uiterlijk vóór de eerste dag van de maand waarin de bron tot uitbetaling komt ingediend. Artikel 3. Voorwaarden 1. Bronnen kunnen slechts voor doelen worden ingezet zolang zij nog niet zijn genoten of uitbetaald. 2. De geldswaarde van de door de defensieambtenaar aangewezen bron wordt gereserveerd tot het moment waarop het gekozen doel, met inachtneming van eventuele fiscale eisen, wordt gerealiseerd. 3. De defensieambtenaar is verplicht die informatie te verstrekken die van belang is voor d"},{"i":17621,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 28 maart 2021, nr. IENW/BSK-2021/69344, houdende tijdelijke regels inzake een specifieke uitkering ten behoeve van het oppakken van buitenproportionele opgaven inzake bodem en het afronden van oude afspraken ter overbrugging van te maken afspraken daarover onder de Omgevingswet (Tijdelijke regeling specifieke uitkering bodem overbruggingsjaar 2021) Gelet op [artikel 17 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), en de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5, onderdelen a tot en met f en h, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** provincie of gemeente als bedoeld in de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) of gemeente als bedoeld in het [Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011935) zoals die luidden op de dag voor de datum van de inwerkingtreding van de [Aanvullingswet bodem Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043277); - **buitenproportionele opgave:** buitenproportionele opgave als bedoeld in [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044993&paragraaf=2&artikel=5&z=2024-05-04&g=2024-05-04); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **oude afspraken:** aantoonbare financiële afspraken die in het verleden tussen een individueel bevoegd gezag en het Rijk zijn gemaakt over de sanering van een geval van ernstige bodemverontreiniging. 2. De definities en begrippen van de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) zijn van overeenkomstige toepassing zo"},{"i":17335,"b":"Macrobeheersinstrument curatieve geestelijke gezondheidszorg 2013 Gelet op de artikelen: [35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68), [76, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76), van de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die tweedelijns1De term ‘tweedelijns’ is hier bewust gekozen ter onderscheiding van de eerstelijns psychologische zorg, waarvoor vrije tarieven als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel a, van de Wmg, gelden. Op laatstgenoemde categorie zorg is deze regeling derhalve niet van toepassing. Waar in deze regeling wordt gesproken van curatieve GGZ wordt steeds gedoeld op tweedelijns curatieve GGZ. curatieve geestelijke gezondheidszorg leveren, voor zover daarop aanspraak bestaat ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Deze regeling is voorts van toepassing op zorgverzekeraars als bedoeld in [artikel 3, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033913&artikel=3&z=2013-09-29&g=2013-09-29). Deze regeling is daarnaast van toepassing op degene die gegevens verzamelt, bewaart en bewerkt ten behoeve van zorgaanbieders of zorgverzekeraars, alsmede op de groep als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b), indien zorgaanbieders of zorgverzekeraars daartoe behoren. Artikel 2. Doel Deze regeling heeft tot doel uitvoering te geve"},{"i":17838,"b":"Wet van 20 maart 2015 tot wijziging van de Wet werk en bijstand teneinde de eis tot beheersing van de Nederlandse taal toe te voegen aan die wet (Wet taaleis WWB) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat voor alle bijstandsgerechtigden een basale kennis van de Nederlandse taal van zeer groot belang is in verband met het participeren en het inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt en het met het oog daarop wenselijk is de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel II. Overgangsrecht Op de persoon die op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze wet recht op algemene bijstand heeft, is gedurende een periode van zes maanden na die datum [artikel 18b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=18b), of [artikel 47c, tweede lid, derde en vierde zin, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=47c) niet van toepassing. Artikel III. Indienbepaling [Invoeringswet Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035333) Wijzigt deze wet. Artikel IV. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel V. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet taaleis Participatiewet. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17573,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 mei 2025, kenmerk 4117787-1082588-DMO, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ter stimulering van de ontwikkeling en totstandkoming van woonzorgarrangementen (Stimuleringsregeling Wonen en Zorg 2025) [KetenID WGK027893] Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definitiebepaling en toepassingsbereik - –. **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); - –. **de-minimisverklaring:** verklaring als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de de-minimisverordening; - –. **de-minimisverordening:** [Verordening (EU) nr. 2023/2831](32023R2831) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (Pb L van 15.12.2023); - –. **initiatieffase:** de periode van maximaal 1 jaar na subsidieverlening waarin de juridische, planologische en financiële haalbaarheid van het woonzorgarrangement wordt onderzocht en een conclusie wordt getrokken over de haalbaarheid; - –. **kmo:** kleine en middelgrote ondernemingen die aan de in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening vastgestelde criteria voldoen; - –. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **NHG:** Nationale Hypotheek Garantie van het Waarborgfonds Eigen Woningen; - –. **ondersteuning:** maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in [artikel 1.1.1., eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=1.1.1); - –."},{"i":17895,"b":"Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen alsmede invoering van een regeling voor de toepassing van artikel 122ca van de Wet financiering sociale verzekeringen Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Wijzigt de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Artikel V Voor de toepassing van [artikel 122ca, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=122ca) wordt niet in aanmerking genomen de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangegeven basispremie, bedoeld in [artikel 34, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=34), die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is verschuldigd over op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008), de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) en de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) verstrekte uitkeringen. Artikel VI Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel VII Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel VIII Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel X Wijzigt de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XI Wijzigt de Uitvoeringsregeling verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Artikel XII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel XIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Artikel XIV Wijzigt de"},{"i":17205,"b":"Planningsbesluit bijzondere perinatologische zorg Gelet op [artikel 5 van de Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=5) en op [artikel 1, onder b, van het Besluit aanwijzing bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005209&artikel=1), Besluit: Artikel 1 Er bestaat behoefte aan maximaal negen centra voor bijzondere perinatologische zorg. Artikel 2 De wijze waarop in de behoefte aan centra voor bijzondere perinatologische zorg kan worden voorzien, de spreiding van deze centra over Nederland en de manier waarop de eventuele uitbreiding bij de bestaande centra gerealiseerd wordt, zijn neergelegd in de bijlage bij deze regeling. Artikel 3 Voor het uitvoeren van de verrichtingen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032383&artikel=1&z=2024-06-05&g=2024-06-05) gelden de voorwaarden zoals aangegeven in de bijlage bij deze regeling. Artikel 4 1. Het bedrag van de investeringskosten voor apparatuur als bedoeld in [artikel 1, onder b, van het Besluit aanwijzing bijzondere verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005209&artikel=1) ten behoeve van bijzondere perinatologische zorg tot welk bedrag een vergunning niet vereist is, wordt vastgesteld op € 9.075.604,32 per afzonderlijk apparaat. 2. Tot en met 31 december 2001 bedraagt het in het eerste lid genoemde bedrag f 20 miljoen. Artikel 5 Het Planningsbesluit neonatale intensive care 1993 wordt ingetrokken. Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 7 Deze regeling wordt aangehaald als: Planningsbesluit bijzondere perinatologische zorg. Bijlage. bij het planningsbesluit bijzondere perinatologische zorg In deze bijlage is het aantal perinatologische centra waar neonatale intensive care mag plaatsvinden, aangegeven, alsmede de spreiding van deze centra over Nederland en de manier waarop uitbreid"},{"i":17462,"b":"Regeling toevoeging bewindvoerders Wsnp III overwegende dat de werkzaamheden van bewindvoerders Wsnp krachtens de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) door de Raad voor Rechtsbijstand kunnen worden vergoed; overwegende dat de Raad voor Rechtsbijstand met deze andere personen overeenkomsten als bedoeld in [artikel 13 lid 1 sub c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=13) aan kan gaan tot het verlenen van rechtsbijstand op bepaalde rechtsgebieden; overwegende dat de Raad voor Rechtsbijstand op vier specifieke verzoekschriftprocedures die in de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) zijn opgenomen, rechtsbijstand gaat laten verlenen door bij de Raad voor Rechtsbijstand geregistreerde bewindvoerders Wsnp; overwegende dat het nodig is daartoe regels vast te stellen; stelt de volgende regeling vast: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Bebr:** het [Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277); - b. **beleidsregels:** de [Beleidsregels voor inschrijving bewindvoerders Wsnp en bewindvoerderorganisaties Wsnp in het register](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037325); - c. **bestuur:** het bestuur van de raad voor rechtsbijstand als bedoeld in [artikel 3 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - d. **bewindvoerder Wsnp:** de bewindvoerder Wsnp die staat ingeschreven in het register; - e. **bijlagen:** de bijlagen behorende bij het verzoek toelating Wsnp zoals omschreven in [artikel 285 Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=285); - f. **Bvr:** het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018); - g. **commissie voor bezwaar:** de commissie voor bezwaar zoals opgenomen in het [Reglement Commissie voor Bezwaar](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":17749,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Slovenië inzake sociale zekerheid Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Slovenië geleid door de wens de betrekkingen tussen beide Staten op het gebied van de sociale zekerheid te regelen, rekening houdend met het feit dat de huidige betrekkingen tussen beide landen worden geregeld in een briefwisseling van 18 maart 1992 en 21 april 1992; zijn overeengekomen een Verdrag te sluiten met de volgende bepalingen: DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied”: met betrekking tot Slovenië: het grondgebied van de Republiek Slovenië; met betrekking tot Nederland: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; - b. „onderdaan”: wat Slovenië betreft, een persoon met de nationaliteit van de Republiek Slovenië en wat Nederland betreft, een persoon met de Nederlandse nationaliteit; - c. „werknemer”: een persoon die in dienstbetrekking staat tot een werkgever alsmede iedere persoon die krachtens de toegepaste wetgeving wordt aangemerkt als werknemer; - d. „wetgeving”: de wetten, voorschriften en regelingen die betrekking hebben op de in artikel 2 bedoelde stelsels en takken van sociale zekerheid; - e. „bevoegde autoriteit”, met betrekking tot Slovenië: de minister van Arbeid, Gezin en Sociale Zaken en, voor zover het uitkeringen en verstrekkingen krachtens de wetgeving inzake ziekteverzekering betreft, de minister van Volksgezondheid; met betrekking tot Nederland: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en, voor zover het verstrekkingen krachtens de wetgeving inzake ziekteverzekering betreft, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - f. „verzekeringsorgaan”: het lichaam dat of de autoriteit die is belast met de uitvoering van de in artikel 2 genoemde wetgeving of een gedeelte daarvan; - g. „bevoegd orgaan”: het krachtens de toepasselijke wetgeving bevoegde orgaan; - h. „bevoegde staat”: de Verdragslui"},{"i":17465,"b":"Regeling tot vaststelling op grond van welke opleidingen van het Instituut voor Sociale Studiën (ISS) toegang tot promotie Gelet op [artikel 16.8, derde lid, van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=16.8); Gehoord de Onderwijsraad; Besluit: Artikel 1. Aanwijzing opleiding 1. Als opleiding op grond waarvan toegang tot de promotie kan worden verkregen als bedoeld in het [derde lid van artikel 16.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=16.8), wordt aangewezen het MA-programma Development Studies, verzorgd door het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën. 2. De aanwijzing betreft de met ingang van het studiejaar 1993/1994 met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van het MA-programma Development Studies. Artikel 2. Publikatie Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OenW-Regelingen, waarin deze regeling is bekendgemaakt."},{"i":17855,"b":"Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg in verband met een uitkering aan zelfstandigen bij zwangerschap en bevalling en een verruiming van de periode voor deelname aan een vrijwillige verzekering in enkele socialezekerheidswetten (Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) te wijzigen om een uitkering mogelijk te maken voor zelfstandigen bij zwangerschap en bevalling, alsmede enkele socialezekerheidswetten te wijzigen om de periode te verruimen waarin op grond van deze wetten deelname aan een vrijwillige verzekering kan worden verzocht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel II. Wijziging van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel III. Wijziging van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel IV. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel V. Wijziging van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel VI. Overgangsbepaling 1. De bepalingen van de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) zoals deze luiden na de inwerkingtreding van deze wet zijn niet van toepassing op vrouwelijke zelfstandigen wier bevalling heeft plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, noch op vrouwelijke"},{"i":18445,"b":"Regeling van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: - –. **burgerinitiatief:** een door de commissie ontvangen schriftelijk stuk met een voorstel als bedoeld in [artikel 14.2, eerste lid, van het Reglement van Orde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=14.2) aan de Kamer om een onderwerp te behandelen, en dat is gericht op de vervaardiging, wijziging of intrekking van een wettelijke regeling of op het te voeren regeringsbeleid; - –. **commissie:** de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven, bedoeld in [artikel 7.7, eerste lid, van het Reglement van Orde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=7.7); - –. **initiatiefnemer:** een indiener van een burgerinitiatief; - –. **overheid:** openbare lichamen en hun organen, waaronder begrepen rechtspersonen die direct of indirect, geheel of gedeeltelijk, worden geëxploiteerd voor rekening van een of meer publiekrechtelijke lichamen; - –. **ombudsman:** de Nationale ombudsman of een substituut-ombudsman als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=9); - –. **rapport:** een onderzoeksrapport van de ombudsman als bedoeld in [artikel 7.7, tweede lid, van het Reglement van Orde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=7.7); - –. **verzoeker:** een indiener van een verzoekschrift; - –. **verzoekschrift:** een door de commissie ontvangen schriftelijk stuk als bedoeld in [artikel 14.1 van het Reglement van Orde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=14.1) over de taakvervulling door de overheid in een aangelegenheid waarbij de verzoeker een persoonlijk belang heeft. Artikel 2. Vereisten verzoekschrift 1. Een verzoekschrift dient te zijn ondertekend door de verzoeker of zijn gemachtigde, en ten minste te bevatten: - a. de naam en het adres van de ve"},{"i":19467,"b":"Douaneovereenkomst betreffende de tijdelijke invoer van voertuigen voor bedrijfsmatig vervoer langs de weg De Overeenkomstsluitende Partijen, Verlangende het internationale vervoer langs de weg te vergemakkelijken, Gelet op de bepalingen van het op 4 juni 1954 te New York gesloten [Douaneverdrag inzake de tijdelijke invoer van particuliere wegvoertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005368), Verlangend met betrekking tot de tijdelijke invoer van voertuigen voor bedrijfsmatig vervoer langs de weg zoveel mogelijk overeenkomstige bepalingen toe te passen als voor particuliere wegvoertuigen en in het bijzonder het gebruik toe te staan van de voor laatstbedoelde voertuigen voorgeschreven douanedocumenten, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan: - a). de tekst van de vertaling is niet beschikbaar; - b). onder „voertuigen” alle motorvoertuigen voor vervoer langs de weg en alle aanhangwagens welke aan dergelijke motorvoertuigen kunnen worden bevestigd en daarmee of afzonderlijk worden ingevoerd, alsmede de bijbehorende reservedelen, normale toebehoren en normale uitrusting, welke te zamen met deze voertuigen worden ingevoerd; - c). onder „bedrijfsmatig gebruik” het gebruik voor vervoer van personen tegen betaling, beloning of ander materieel voordeel, of voor bedrijfsmatig vervoer van goederen, al dan niet tegen betaling; - d). onder „document van tijdelijke invoer” het douanedocument aan de hand waarvan de identiteit van het voertuig kan worden vastgesteld en blijkens hetwelk voor de rechten en heffingen ter zake van de invoer zekerheid is gesteld dan wel consignatie heeft plaatsgevonden; - e). onder „ondernemingen” de handels- of nijverheidsondernemingen, ongeacht hun juridische vorm, zomede de natuurlijke personen die op het gebied van handel of nijverheid werkzaamheden verrichten; - f). de tekst van de vertaling is niet beschikbaar; - g). de tekst van de vertaling"},{"i":19265,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen, met inbegrip van strafrechtelijke belastingzaken, met Protocol Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Bondsrepubliek Duitsland Overwegend dat de verdragsluitende partijen de voorwaarden voor de uitwisseling van informatie betreffende belastingen wensen te verbeteren en te vergemakkelijken; Overwegend dat de verdragsluitende partijen erkennen dat in het navolgende Verdrag uitsluitend de verplichtingen van de verdragsluitende partijen zijn vervat: Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing of handhaving van de onderscheiden wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is, met inbegrip van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of vervolging van belastingzaken, met inbegrip van strafrechtelijke belastingzaken. De uit hoofde van de wetten of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte verdragsluitende partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte verdragsluitende partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit van of beschikbaar voor personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belasting"},{"i":18206,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 23 juni 2011, nr. 5693333/11, houdende de vaststelling van het model van het legitimatiebewijs voor de buitengewone agenten van politie in Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit vaststelling model legitimatiebewijs buitengewone agenten van politie BES) Gelet op [artikel 26, eerste lid, van het Besluit buitengewone agenten van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175&artikel=26); Besluit: Artikel 1 De buitengewone agent van politie draagt bij het uitoefenen van zijn functie een legitimatiebewijs bij zich volgens het model, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030202&bijlage=I&z=2011-07-02&g=2011-07-02) bij dit besluit, tenzij voor hem een ander legitimatiebewijs is vastgesteld. Artikel 2 1. De legitimatiebewijzen, verstrekt aan buitengewone agenten van politie op basis van de in de voormalige Nederlandse Antillen geldende Landsverordening van de 25ste september 1961 nopens de beëdiging en legitimatie van opsporingsambtenaren, blijven geldig tot de datum vermeld op het legitimatiebewijs, en uiterlijk tot 10 oktober 2013. 2. Bij de verstrekking van het nieuwe legitimatiebewijs wordt het oude legitimatiebewijs ingeleverd en vernietigd door de korpschef van het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 oktober 2010 om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling model legitimatiebewijs buitengewone agenten van politie BES. Bijlage I Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17839,"b":"Wet van 3 juli 2019 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, de Wet versnelling stapsgewijze verhoging AOW-leeftijd en de Wet tegemoetkomingen loondomein in verband met temporisering van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd (Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het tempo waarmee de leeftijd, waarop op grond van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) recht op ouderdomspensioen ontstaat, stapsgewijs wordt verhoogd met ingang van 2020 zodanig te temporiseren dat de leeftijd van 67 jaar eerst in 2024 wordt bereikt, die leeftijd in de jaren tot en met 2024 wettelijk vast te leggen en in samenhang daarmee ook de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471), de [Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031799), de Wet versnelling stapsgewijze verhoging AOW-leeftijd en de [Wet tegemoetkomingen loondomein](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037522) aan te passen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel II. Wijziging van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III. Wijziging van de [Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031799) Wijzigt de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd. Artikel IV. Wijziging van de wet van 4 juni 2015 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet op de loonbelasting 1964, d"},{"i":18302,"b":"Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering van de nieuwe [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788) en daarmee samenhangende onderwerpen te regelen, zulks in verband met de intrekking van de [Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299), alsmede een aantal wetten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Invoering van de [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788) Artikel 1 Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn de korpsbeheerders van de regio’s, bedoeld in [artikel 21 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=21), eervol uit hun ambt ontslagen. Artikel 2 1. Het personeel van de regio’s, van het Korps landelijke politiediensten en van de voorziening tot samenwerking Politie Nederland gaat op de datum van inwerkingtreding van deze wet over in dienst van de politie op dezelfde voet en ook overigens in dezelfde rechtstoestand als waarin het op de dag, voorafgaand aan die datum, werkzaam was. 2. Op de datum van inwerkingtreding van [artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25) blijft voor de vervulling van en benoeming in de functies, genoemd in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031794&bijlage=A&z=2020-01-01&g=2020-01-01) van deze wet, [hoofdstuk VII.b van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&hoofdstuk=VII.b) buiten toepassing. [Artikel 3 van het Besluit overleg en medezeggenschap pol"},{"i":17101,"b":"Wet van 8 juni 2000, houdende goedkeuring van de op 18 december 1997 te Brussel totstandgekomen Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties (Trb. 1998, 174) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de op 18 december 1997 te Brussel totstandgekomen Overeenkomst opgesteld op grond van Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De op 18 december 1997 te Brussel totstandgekomen Overeenkomst opgesteld op grond van Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties, waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in Tractatenblad 1998, 174, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 Indien een vraag die betrekking heeft op de uitlegging van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011406&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01) genoemde verdrag aan de orde komt in een zaak aanhangig voor een tot de rechterlijke macht behorend gerecht dan wel een bestuursrechter waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor een hoger beroep, en deze instantie een beslissing nodig acht voor haar uitspraak, is deze instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te wenden. Artikel 3 Het College bescherming persoonsgegevens, bedoeld in [artikel 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.n"},{"i":18977,"b":"Besluit betreffende het opheffen van de beperkingen gesteld aan het archief Ministerie van Justitie: Voorwaardelijke Invrijheidstellingen 1950–1978, nummer toegang 2.09.115 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op het [Besluit beperkingen openbaarheid van de minister van Justitie van 14 juli 2010, behorende bij de Verklaring van Overbrenging van 24 februari 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028190), Gehoord hebbende de minister van Justitie en Veiligheid, Besluit: Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers | 1 t/m 6 | 210 | 458 | 699 t/m 701 | 952 t/m 958 | | --- | --- | --- | --- | --- | | 8 t/m 12 | 213 t/m 222 | 460 | 703 | 960 t/m 962 | | 14 t/m 20 | 224 t/m 226 | 461 | 704 | 965 | | 22 t/m 28 | 228 t/m 234 | 463 t/m 472 | 706 | 966 | | 30 t/m 40 | 236 t/m 244 | 474 t/m 489 | 708 t/m 714 | 969 t/m 974 | | 44 t/m 50 | 248 | 491 t/m 496 | 716 | 976 t/m 984 | | 52 t/m 55 | 249 | 501 | 719 t/m 738 | 986 t/m 996 | | 57 | 251 t/m 253 | 502 | 740 t/m 743 | 998 t/m 1001 | | 59 t/m 65 | 255 t/m 264 | 504 | 745 | 1003 | | 67 | 266 | 506 t/m 508 | 746 | 1005 t/m 1010 | | 68 | 268 | 510 | 748 t/m 754 | 1012 | | 70 | 272 t/m 280 | 513 | 756 t/m 766 | 1015 t/m 1017 | | 72 | 282 t/m 289 | 515 t/m 522 | 768 t/m 776 | 1019 t/m 1023 | | 74 t/m 77 | 291 | 526 t/m 536 | 779 | 1025 | | 81 | 292 | 538 t/m 545 | 780 | 1026 | | 82 | 294 | 547 t/m 551 | 782 t/m 785 | 1029 | | 86 | 295 | 554 | 787 t/m 792 | 1031 t/m 1039 | | 88 t/m 93 | 298 | 555 | 795 t/m 801 | 1041 t/m 1048 | | 95 | 301 | 557 | 803 t/m 806 | 1050 | | 96 | 303 t/m 307 | 559 | 808 t/m 810 | 1052 t/m 1055 | | 98 t/m 108 | 309 t/m 311 | 562 | 812 | 1058 t/m 1063 | | 110 t/m 111 | 313 | 563 | 814 | 1065 | | 113 | 315 t/m 317 | 565 | 815 | 1066 | | 114 | 319 t/m 325 | 567 t/m 572 | 817 t/m 828 | 1070 | | 116 | 327 t/m 331 | 575 | 830 | 1071 | | 118 t/m 125 | 3"},{"i":18824,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 6 juli 2016 nr. BOACAT2016/048, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Dunea Gelezen het verzoek van Dunea van 30 juni 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038275&artikel=2&z=2017-05-11&g=2017-05-11). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van duinwachter in dienst van Dunea, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste en in het tweede lid, geldt voor het"},{"i":18032,"b":"Besluit nr. DBV / 12020217, van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie houdende beperking van de openbaarheid van het naar het Nationaal Archief over te brengen Archief van het Bureau Secretaris-Generaal van het Ministerie van Economische Zaken over de periode (1914) 1976–1998 (2000) (Besluit als bedoeld in artikel 10 van het archiefbesluit 1995) Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) de archiefbescheiden geborgen onder inventarisnummer 88 tot 2042 slechts raadpleegbaar na schriftelijk verkregen toestemming van de algemene rijksarchivaris. Artikel 2 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden zijn op grond van [artikel 15, eerste lid, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), de archiefbescheiden geborgen onder inventarisnummer 437 tot 2056 slechts raadpleegbaar na schriftelijk verkregen toestemming van de algemene rijksarchivaris. Artikel 3 Toestemming tot raadpleging van de onder [1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031343&artikel=1&z=2012-03-14&g=2012-03-14) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031343&artikel=2&z=2012-03-14&g=2012-03-14) genoemde archiefbescheiden kan worden verkregen door invulling en ondertekening door de verzoeker van de door het Nationaal Archief voorgeschreven formulieren tot het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. Voordat hij toestemming verleent, beoordeelt de algemene rijksarchivaris het verzoek. Artikel 4 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van de archiefbescheiden waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag"},{"i":19507,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot regeling van het scheepvaartverkeer en van de recreatie op de gemeenschappelijke Maas De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk België Overwegende dat het wenselijk is met betrekking tot de gemeenschappelijke Maas over te gaan tot regeling van het scheepvaartverkeer en tot het reguleren van de mogelijkheden tot het bedrijven van recreatie, waarbij op een zo evenwichtig mogelijke wijze rekening wordt gehouden met de belangen van alle daarbij betrokkenen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De uitoefening van de scheepvaart op de gemeenschappelijke Maas, alsmede het bedrijven van recreatie op en aan deze rivier, wordt slechts toegestaan onder de voorwaarden als vervat in het aan deze Overeenkomst gehechte Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas (verder te noemen „Reglement\"). Artikel 2 De ambtenaren die ingevolge de wetgeving van elk van beide landen zijn belast met de handhaving van het Reglement, zijn gemachtigd zich bij de uitoefening van hun werkzaamheden wederzijds te begeven op het grondgebied van het andere land. De bevoegde autoriteiten van de beide landen brengen elkaar schriftelijk ter kennis welke ambtenaren zijn belast met de handhaving van het Reglement. Artikel 3 Een proces-verbaal, waarin een overtreding van het Reglement is vastgesteld, opgemaakt door een in artikel 2 bedoelde ambtenaar van het ene land, heeft in het andere land dezelfde bewijskracht als ware het opgemaakt door een bevoegde ambtenaar van dat andere land. Artikel 4 1. De vervolging van een overtreding van het Reglement geschiedt in het land waar zij is begaan. Indien een overtreding wordt voortgezet in het andere land, wordt zij geacht te zijn begaan in het land waarin zij is aangevangen. 2. Indien het niet mogelijk is met zekerheid vast te stellen in welk land de overtreding is begaan, heeft vervolging plaats in het land waar de verdachte verblijf houdt. Indi"},{"i":16946,"b":"Besluit tot verlenging van de opschorting van de overbrenging van archiefbescheiden van de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in artikel 13, lid 3 Archiefwet 1995 Gelet op [artikel 13, derde en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=13); Gelet op het besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 9 november 2021. Besluit: Artikel 1 Bij [besluit van de Raad van Bestuur van 11 januari 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031196) (Stcrt. 2012, 1684) is de overbrenging van de archiefbescheiden (1947–2009) van de Pensioen- en Uitkeringsraad naar het Nationaal Archief voor een periode van 10 jaar opgeschort. Artikel 2 De opschorting van de overdracht van de afgesloten sociale dossiers betreffende de uitvoering van de regeling voor toekenning van een buitengewoon pensioen of periodieke uitkering voor verzetsdeelnemers, oorlogsgetroffenen of hun nabestaanden (1947–2009) wordt voor een periode van 10 jaar verlengd. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit kan worden aangehaald als: ‘Besluit tot verlenging van de opschorting van de overbrenging van archiefbescheiden van de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in artikel 13, lid 3 Archiefwet 1995’."},{"i":18975,"b":"Besluit opheffen beperking openbaarheid archief Ministerie van Justitie: Gratie Doodstraffen, nummer toegang 2.09.71 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de Minister van Justitie van 10 december 2009 houdende de beperking op de openbaarheid van het archief betreffende beleid inzake gratie op doodstraffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026093) (Staatscourant 2009, 10394), Gehoord hebbende de minister van Justitie bij brief van 30 januari 2018, kenmerk 2183919, Besluit: De beperking aan de openbaarheid gesteld aan de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers 37 tot en met 177 in het archief Ministerie van Justitie: Gratie Doodstraffen, toegang 2.09.71, wordt ten aanzien van het gratiedossier betreffende een persoon opgeheven, indien, ten genoege van de beheerder van het Nationaal Archief, de algemene rijksarchivaris, is aangetoond dat deze persoon is overleden. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":17062,"b":"Bouwtijd en loon- en prijsontwikkeling tijdens de bouw in de zorgsector Circulaire aan alle besturen van inrichtingen voor gezondheidszorg Inleiding In aansluiting op mijn brief van 26 augustus 1999, kenmerk Z/PB-991945, informeer ik u over een volgende stap die ik zet bij het overdragen van bevoegdheden en verantwoordelijkheden voor de beheersbare risico's aan het instellingsmanagement. De te zetten stap sluit tevens aan op het concept van budgettair bouwen. Over de hantering van budgettair bouwen in de zorgsector informeerde ik u bij brief van 30 augustus 1996, kenmerk FBZ/PBIZ 9685. In de praktijk wordt (nog) te weinig gebruik gemaakt van de mogelijkheden die budgettair bouwen biedt. Vergunning De nu te zetten stap houdt, voor alle initiatieven waarvoor ik een WZV-vergunning verleen, het volgende in: Toelichting Tot op heden was het verschil tussen geraamde en werkelijke bouwtijd onderhandelbaar in het traject van de eindafrekening. Dit gold ook voor de post onvoorzien. Dit subjectieve element wordt nu uit de beoordeling gehaald. Voor u betekent dit dat de voor- of nadelen van een meevallende of tegenvallende bouwtijd door u geïncasseerd worden. Er vindt geen bijstelling van deze posten meer plaats in het kader van de eindafrekening. Ik acht dit verantwoord, omdat de werkelijke bouwtijd sterk afhankelijk is van beslissingen die u als instellingsmanagement neemt. Bovendien bent u in staat afspraken over de bouwtijd vast te leggen in de aannemingsovereenkomst. Het gaat om een voor u goed te beheersen risico, waarvoor op dit moment te weinig inspanningen worden geleverd. Oorspronkelijk was ik van plan om de reserveringen voor rentekosten en voor loon- en prijsstijging tijdens de bouw, zoals die in de investeringsrekening bij de WZV-vergunning zijn opgenomen, volledig taakstellend te maken. Het College voor ziekenhuisvoorzieningen heeft mij er echter van overtuigd dat zo'n stap op dit moment te grote risico's met zich meebrengt. De stap die ik nu zet, een taakstellen"},{"i":19066,"b":"Besluit van de directeur van de Nationale Opvang Organisatie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 23 maart 2023, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de directeur ressorterende functionarissen (Mandaatbesluit NOO Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023) gelet op [artikel 3, tweede lid van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); BESLUIT: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de directeur van de Nationale Opvang Organisatie verleende ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun directie of afdeling betreffen ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging verleend aan: - a. het afdelingshoofd Ontwikkeling Opvanglocaties - b. het afdelingshoofd Partnermanagement en subsidies Artikel 2 Als leidinggevende in de zin van paragraaf 1.3 van de CAO Rijk ten aanzien van de onder hun directie of afdeling ressorterende ambtenaren, worden aangewezen de functionarissen, genoemd in kolom 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048016&bijlage=1&z=2023-03-31&g=2023-03-31) bij dit besluit, voor zover het betreft de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in kolom 2 van die bijlage. Artikel 3 Als bevoegd om te beschikken over bedragen voor het aangaan van verplichtingen en voor het verrichten van uitgaven, worden aangewezen de functionarissen, genoemd in kolom 1 van [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048016&bijlage=2&z=2023-03-31&g=2023-03-31) bij deze regeling voor zover het betreft de bedragen, genoemd in kolom 2 van die bijlage. Artikel 4 Voor het nemen van besluiten over de toekenning en vaststelling van financiële bijdragen aan medeoverheden en subsidies, voor zover deze passen binn"},{"i":17394,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 25 mei 2020, nr. WJZ/ 20057781, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering voor het inwinnen van extern advies ten behoeve van de Transitievisie Warmte (Regeling specifieke uitkering Extern Advies Warmtetransitie) Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Expertise Centrum Warmte:** onderdeel van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, dat als kenniscentrum gemeenten ondersteunt bij technische, economische en duurzaamheidsvraagstukken die zich voordoen bij de warmtetransitie van gebouwen; - **Handreiking voor lokale analyse:** handreiking voor het proces om de resultaten van de Startanalyse aan te passen aan de lokale situatie; - **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **Startanalyse:** analyse gemaakt door het Planbureau voor de Leefomgeving die voor iedere gemeente op buurtniveau een indicatie van de kosten geeft voor implementatie van aardgasvrije warmtestrategieën; - **Transitievisie Warmte:** gemeentelijk beleidsdocument gericht op het aardgasvrij maken van gebouwen door middel van een wijkgerichte aanpak. Artikel 2. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt 1. De minister kan op aanvraag aan een gemeente een eenmalige specifieke uitkering verstrekken voor de kosten voor het inwinnen van extern advies ten behoeve van activiteiten in het kader van de totstandkoming en uitwerking van een Transitievisie Warmte. 2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, omvatten: - a. het interpreteren van de Startanalyse; - b. het verrijken van de Startanalyse, zoals omschreven in de Handreiking voor lokale analyse; - c. het vertalen van het beleid, dat is vastgelegd in een Transitievisie Warmte, naar een aanpak voor de uitvoering. Artikel 3. Hoogte, plafond en ver"},{"i":18293,"b":"Instellingsbesluit Onafhankelijke Adviescommissie chroom-6 Defensie Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ABP:** de Stichting Pensioenfonds ABP; - b. **commissie:** de Onafhankelijke Adviescommissie chroom-6 Defensie; - c. **uitkeringsregeling:** [Regeling uitkering chroom-6 Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040982). Artikel 2. Commissie Er is een Onafhankelijke Adviescommissie chroom-6 Defensie. Artikel 3. Taken 1. De commissie is belast met het desgevraagd adviseren van de Staatssecretaris ten behoeve van de beslissing op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de [artikelen 3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040982&artikel=3), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040982&artikel=12), en [15 van de uitkeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040982&artikel=15). 2. Het advies is zwaarwegend en in beginsel bindend. De Staatssecretaris kan slechts gemotiveerd afwijken van het advies. 3. De commissie voert haar taken onafhankelijk en onpartijdig uit. 4. [Artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13) is van toepassing. Artikel 4. Samenstelling 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en twee leden. - a. Voorzitter, tevens lid: de heer prof.dr. W. van Rhenen; - b. Lid: mevrouw mr. J.C. Kranenburg; - c. Lid: de heer mr. P.C. Vas Nunes. 2. De voorzitter en de leden vervullen geen functies of nevenfuncties die kunnen conflicteren met onafhankelijke en onpartijdige advisering, noch hebben zij deze functies vervuld. 3. De commissie wordt secretarieel ondersteund door het Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel. Artikel 5. Benoeming 1. De voorzitter en de leden worden door de Staatssecretaris benoemd voor een periode van vier jaar. De leden worden hooguit eenmaal herbenoemd. 2. In het geval van langdurige niet beschikbaarheid van de voorzitter of een lid, kan bij wijze van vervanging een nieuw"},{"i":19703,"b":"Wet van 16 juni 2005, houdende wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en het Burgerlijk Wetboek teneinde het verhaal van schade die wordt veroorzaakt als gevolg van een ongeval met of een gebrek aan een motorrijtuig te vergemakkelijken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het verhaal van schade die wordt veroorzaakt als gevolg van een ongeval met of een gebrek aan een motorrijtuig te vergemakkelijken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Wijzigt Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel III [Artikel 185 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=185), zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op schade die is veroorzaakt voor dat tijdstip. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17220,"b":"Protocol inzake toetreding van de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje tot het Verdrag van economische, sociale en culturele samenwerking en collectieve zelfverdediging, ondertekend te Brussel op 17 maart 1948, zoals gewijzigd bij het Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1954 De Partijen bij het Verdrag van economische, sociale en culturele samenwerking en collectieve zelfverdediging, ondertekend te Brussel op 17 maart 1948, zoals gewijzigd en aangevuld bij het Protocol ondertekend te Parijs op 23 oktober 1954 en de andere Protocollen en Bijlagen die daarvan een integrerend deel uitmaken, hierna te noemen „het Verdrag”, enerzijds, en de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje, anderzijds, Bevestigend de lotsverbondenheid van hun landen en herinnerend aan hun verplichting een Europese Unie tot stand te brengen in overeenstemming met de Europese Akte; Ervan overtuigd dat de opbouw van een geïntegreerd Europa onvolledig blijft zolang deze zich niet uitstrekt tot veiligheid en verdediging; Vastbesloten op het gebied van de verdediging een meer samenhangende Europese identiteit te ontwikkelen, die de verplichtingen van saamhorigheid die zijn vervat in het Verdrag en in het Noordatlantisch Verdrag doeltreffender in praktijk brengt; Nota nemend van het feit dat de Portugese Republiek en het Koninkrijk Spanje, die het Europese eenwordingsproces volledig zijn toegedaan en lid zijn van het Atlantisch Bondgenootschap, formeel te kennen hebben gegeven dat zij bereid zijn toe te treden tot het Verdrag; Nota nemend van het feit dat deze beide Staten de verklaring van Rome van 27 oktober 1984 en het Platform inzake Europese veiligheidsbelangen, aangenomen te 's-Gravenhage op 27 oktober 1987, zonder voorbehoud en in al hun onderdelen aanvaarden en bereid zijn ten volle aan de tenuitvoerlegging daarvan deel te nemen; Herinnerend aan de op 19 april 1988 door de Raad van Ministers van de Westeuropese Unie aa"},{"i":19182,"b":"Richtlijn voor strafvordering vuurwerkdelicten Beschrijving Deze richtlijn ziet op vuurwerkovertredingen en -misdrijven, waaronder misdrijven met betrekking tot het zelf maken van vuurwerk (geïmproviseerd vuurwerk), gepleegd door meerderjarigen. De vuurwerkovertredingen en/of misdrijven door minderjarigen en de tabellen voor Halt staan in de richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt. De overtredingen van het [Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360) zijn economische delicten en zijn strafbaar gesteld via [artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1) in samenhang met [artikelen 1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1a) ten eerste, [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=2) en [6 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=6). De hoofdstraffen, bijkomende straffen en maatregelen van de [Wet economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) zijn van toepassing in aanvulling op de relevante sanctiebepalingen van het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854). Daarnaast is per 01-10-2024 de wetgeving inzake het pyro-passregister van kracht. Dit is geregeld in [artikel 9.5.8 Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.8), waarbij schending van artikel 9.5.8 lid 6 van deze wet via [artikel 1a onder 1 Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1a) strafbaar is gesteld. Deze richtlijn is niet van toepassing op delicten die zijn te beschouwen als zware (ondermijnende) criminaliteit. Men denke hierbij vooral aan het aantreffen van heel grote partijen professioneel vuurwerk en/of regionale en/of grensoverschrijdende illegale handel in professioneel vuurwerk. Dit vergt maatwerk. Andere misdrijven, gepleegd met vuurwerk, zoals ver"},{"i":17407,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 november 2021, 2021-0000180781, tot de verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten voor compensatie van de kosten die verband houden met het kwijtschelden van publieke schulden binnen het SZW-domein in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslagaffaire toeslagen (Regeling specifieke uitkering kwijtschelding schulden SZW in verband met de hersteloperatie toeslagen) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **ex-partner:** persoon als bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.1); - **gedupeerde:** persoon, bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.1); - **Minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - **nabestaande:** partner van een overleden aanvrager als bedoeld in [artikel 2.9b van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.9b) of kind van een overleden aanvrager als bedoeld in [artikel 2.9c van de Wet hersteloperatie toeslagen](onbekend); - **restitutie:** restitutie als bedoeld in [artikel 3.8, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.8); - **schulden binnen het SZW-domein:** schulden als bedoeld in [artikel 3.8 van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.8); - **toeslagpartner:** persoon, bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.1). Artikel 2. Verstrekking van een specifieke uitkering De Minister verstrekt aan gemeenten een specifieke uitkering ter bekostiging van: - a. de door de colleges kwi"},{"i":252,"b":"Europees Verdrag betreffende de sociale zekerheid van arbeiders werkzaam bij het internationaal vervoer De Regeringen van de Staten, die dit Verdrag hebben ondertekend, Gezien het op 27 juli 1950 te Parijs onder de auspiciën van de Internationale Arbeidsorganisatie ondertekende [Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004081), welk Verdrag op 1 juni 1953 in werking is getreden; Gezien de Algemene Overeenkomst houdende economische voorschriften nopens het internationale wegvervoer en het daarbij gevoegde Vervoerreglement, alsmede het Aanvullend Protocol en het Protocol van ondertekening, ondertekend te Genève op 17 maart 1954; Overwegende, dat de huidige ontwikkeling van het internationaal vervoer tussen hun landen over land, door de lucht en over de binnenwateren een multilaterale regeling noodzakelijk maakt, teneinde een afdoende bescherming te waarborgen van de arbeiders, werkzaam bij genoemd vervoer, wanneer zij uitkeringen uit hoofde der sociale zekerheid behoeven in geval van ziekte, moederschap, bedrijfsongeval of beroepsziekte, of overlijden, op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan het land aan welks wetgeving deze arbeiders onderworpen zijn; Bevestigende, met betrekking tot de arbeiders werkzaam bij het internationaal vervoer en met betrekking tot de vorenbedoelde uitkeringen, het beginsel van gelijkheid van behandeling der onderdanen van elk der Verdragsluitende Partijen voor de toepassing van de nationale wettelijke regelingen op het gebied der sociale zekerheid, welk beginsel reeds is vastgelegd in internationale Arbeidsverdragen; Overwegende, dat de uitkeringen uit hoofde der sociale zekerheid, verleend in de vorenbedoelde gevallen, in beginsel ten laste zouden moeten komen van het orgaan der Verdragsluitende Partij aan wier wetgeving de betrokken arbeider onderworpen is; Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Titel I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing v"},{"i":463,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 10 februari 2026, nr. IENW/BSK-2026/15842, houdende vaststelling van vervangende grenswaarden geluidbelasting en vrijstelling van regels in het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol in verband met groot onderhoud aan het banenstelsel op de luchthaven Schiphol (Tijdelijke regeling groot onderhoud banenstelsel Schiphol 2026) [KetenID WGK028341] Gelet op [artikel 8.23, eerste lid, onderdelen a en b, en vijfde lid van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.23); BESLUIT: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **gebruiksjaar 2026:** de periode van 1 november 2025 tot en met 31 oktober 2026; - –. **LVB:** [Luchthavenverkeerbesluit Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330); - –. **LVNL:** Luchtverkeersleidng Nederland. Artikel 2. Vervangende grenswaarden geluidbelasting 1. In plaats van de grenswaarden, genoemd in [bijlage 2 van het LVB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&bijlage=2), gelden in het gebruiksjaar 2026 voor de in de onderstaande tabel genoemde handhavingspunten, de volgende vervangende grenswaarden: | Handhavingspunt | Grenswaarde | 2026 incl. onderhoud | 2026 excl. onderhoud | delta dB | Vervangende grenswaarde | Maximum grenswaarde in geval van buitengewone weeromstandigheden | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | **1** | 55,98 | 53,20 | 53,20 | 0,00 | 55,98 | 56,98 | | **2** | 57,70 | 54,80 | 54,81 | –0,01 | 57,69 | 58,69 | | **3** | 58,75 | 55,08 | 55,08 | 0,00 | 58,75 | 59,75 | | **4** | 58,26 | 54,33 | 54,40 | –0,07 | 58,19 | 59,19 | | **5** | 57,91 | 53,21 | 53,25 | –0,04 | 57,87 | 58,87 | | **6** | 57,40 | 50,50 | 49,77 | 0,73 | 57,40 | 58,40 | | **7** | 57,59 | 52,58 | 52,65 | –0,07 | 57,52 | 58,52 | | **8** | 58,57 | 53,34 | 53,41 | –0,07 | 58,50 | 59,50 | | **9** | 57,02 | 52,37 | 52,42 | –0,05 | 56,97 | 57,97 | | **10** | 59,22 | 56,29 | 56,37 | –0,08 | 59,14 | 60,14 | | **11** | 58,76 | 56"},{"i":452,"b":"Sanctieregeling arbeidsmarktgedrag als bedoeld in artikel 25a van de Uitkeringsregeling 1966 Gezien [artikel 25a van de Uitkeringsregeling 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002537&artikel=25a), Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. uitkeringsregeling: de [Uitkeringsregeling 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002537); - b. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010043&paragraaf=1&artikel=2&z=1998-12-05&g=1998-12-05) van de uitkeringsregeling; - c. uitkering: een uitkering in de zin van de uitkeringsregeling; - d. maatregel: het met toepassing van artikel 25a van de uitkeringsregeling geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren van de uitkering tot maximaal het niveau als aangegeven in deze regeling; - e. baanzekerheid: een baangarantie of een zodanige kans op een baan, na afronding van de opleiding of scholing, dat deze gelijk te stellen is met een baangarantie; - f. werk: werk dat voor betrokkene passend is te achten. Als passend werk wordt beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de betrokkene is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passend wordt beschouwd arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld de [Wet Sociale Werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903). Artikel 2 Onder ‘niet ernstig trachten werk te vinden’, bedoeld in artikel 25a, eerste lid, onderdeel e, van de uitkeringsregeling worden in elk geval de volgende gedragingen verstaan: - a. betrokkene weigert te voldoen aan een oproep van de instantie die belast is met de uitvoering van de uitkeringsregeling; - b. betrokkene wordt of blijft werkloos omdat hij in onvoldoende mate tracht werk te verkrijgen; - c. betrokkene stelt eisen die het aanvaarden of verkrijgen van werk belemmeren; - d. betrokkene weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleid"},{"i":466,"b":"Wet van 14 juli 1966, tot verhoging met een tijdelijke toeslag van de pensioenen krachtens de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1947, H 313) en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. 1947, H 420) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, in verband met de loonontwikkeling in het bedrijfsleven de ingevolge de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) (**Stb.** 1947, H 313) en de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035) (**Stb.** 1947, H 420) toegekende en toe te kennen buitengewone pensioenen andermaal tijdelijk te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De krachtens de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) (**Stb.** 1947, H 313) toegekende en toe te kennen buitengewone pensioenen worden, voor zover het recht op deze pensioenen op 1 januari 1965 niet is vervallen, gerekend van 1 januari 1965 af of van het later tijdstip, waarop zij zijn ingegaan of zullen ingaan, ambtshalve tijdelijk verhoogd met een toeslag van honderd zestig procent. 2. De in het eerste lid bedoelde tijdelijke toeslag wordt verleend tot de dag met ingang waarvan voor de eerste maal bij algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 31 van de in het eerste lid genoemde wet de buitengewone pensioenen worden herzien. Artikel 2 Voor zover termijnen van de krachtens de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) (**Stb.** 1947, H 313) toegekende en toe te kennen buitengewone pensioenen betrekking hebben op tijdvakken na 31 december 1964, zijn de wet van 15 juni 1951 (**Stb.** 221), de wet van 10 augustus 1951 (**Stb.** 360), de wet van 1"},{"i":470,"b":"Toezicht naleving Kernenergiewet : Aanwijzing ambtenaren Gelet op [artikel 58, eerste en derde lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=58) (Stb. 1963, 82), Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, leden 1, sub **b**, en 2, van de Beschikking toezicht naleving Kernenergiewet (**Stcrt.** 9 december 1969, nr. 239) mede belast met het toezicht op de naleving van het bij en krachtens de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) bepaalde en bevolene, worden tevens aangewezen de onder de bevelen van het in genoemde leden bedoelde Hoofd van de Scheepvaartinspectie werkzame inspecteurs voor de Scheepvaart, hoofden van het 1e, 2e en 3e district van de Scheepvaartinspectie, resp. te Amsterdam, Rotterdam en Groningen, alsmede de onder de bevelen van die hoofden werkzame ambtenaren van die inspecties. Artikel 2 Als ambtenaren van de Rijksluchtvaartdienst overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, lid 1, sub **c**, van de Beschikking toezicht naleving Kernenergiewet (**Stcrt.** 9 december 1969, nr. 239) mede belast met het toezicht op de naleving van het bij en krachtens de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) bepaalde en bevolene, worden tevens aangewezen de onder de bevelen van de in genoemd lid bedoelde Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst werkzame inspecteur A en inspecteur bij de Afdeling Luchtvaartinspectie, ter standplaats Amsterdam. Artikel 3 Als ambtenaren van de Rijkswaterstaat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, lid 3, van de Beschikking toezicht naleving Kernenergiewet (**Stcrt.** 9 december 1969, nr. 239) mede belast met het toezicht op de naleving van het bij en krachtens de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) bepaalde en bevolene, worden tevens aangewezen de onder de bevelen van de in genoemd lid bedoelde Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat werkzame hoofd"},{"i":4962,"b":"Besluit van de Bestuurskamer van 22 december 2004, houdende mandatering aan de secretaris van de Bestuurskamer van de bevoegdheden van de Bestuurskamer in het kader van de heffing op grond van artikel 46a van de Wet op de ondernemingsraden (Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Verordening heffing scholing en vorming van ondernemingsraadsleden 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017777&artikel=3); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. secretaris: secretaris van de Bestuurskamer; - b. verordening: [Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017777). § 2. Mandaatverlening Artikel 2 1. De secretaris kan namens de Bestuurskamer besluiten nemen op grond van [artikel 3, tweede lid, van de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017777&artikel=3). 2. De secretaris kan ondermandaat verlenen. § 3. Slotbepalingen Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de verordening in werking treedt. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR."},{"i":3836,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek van 13 december 2017, nr. 229, houdende regels inzake ondermandaat, volmacht en machtiging aan het domeinbestuur Toegepaste en Technische Wetenschappen voor aangelegenheden met betrekking tot subsidieverstrekking op grond van paragraaf 3.16.3a van de Regeling nationale EZ-subsidies (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging bestuur NWO aan het domeinbestuur Toegepaste en Technische Wetenschappen inzake subsidieverstrekking op grond van paragraaf 3.16.3a van de Regeling nationale EZ-subsidies) Gelet op [artikel 6 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging bestuur NWO inzake subsidieverstrekking op grond van paragraaf 3.16.3a en paragraaf 3.16.4 van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040361&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Aan het domeinbestuur Toegepaste en Technische Wetenschappen wordt ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke handelingen en het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de subsidieverstrekking op grond van [paragraaf 3.16.3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&paragraaf=3.16.3a), [paragraaf 3.16.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&paragraaf=3.16.4) en [titel 3.23 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&titeldeel=3.23) van de Regeling nationale EZ-subsidies. Artikel 2 De directeur van het domeinbestuur Toegepaste en Technische Wetenschappen kan de besluiten die zijn genomen door het domeinbestuur Toegepaste en Technische Wetenschappen ondertekenen. Artikel 3 Het krachtens mandaat, volmacht of machtiging ondertekenen van stukken op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040625&artikel=2&z=2020-02-17&g=2020-02-17) geschiedt als volgt: De Minister van Economische Zaken en Klimaat, namens deze: \"Overeenkomstig het do"},{"i":5913,"b":"Besluit van 24 april 1986 ter uitvoering van de artikelen 1, 15, 17, 18, 21, 37 en 45, tweede lid, van de TNO-wet Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, van 24 februari 1986, nr. 7208/7158, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=1), [15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=15), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=17), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=18), [21, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=21), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=37) en [45, tweede lid, van de TNO-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=45) (**Stb.** 1985, 762); De Raad van State gehoord (advies van 16 april 1986, nr. W05.86.0103); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, van 23 april 1986, nr. 7504/7158, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen Dit besluit verstaat onder: de wet: de [TNO-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906) (**Stb.** 1985, 762); hoofdgroep: een hoofdgroep als bedoeld in [artikel 15, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=15); programma-adviesraad: een programma-adviesraad als bedoeld in [artikel 15, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=15); middellange termijnplan: plan voor een periode van vier jaar voor de werkzaamheden van de Organisatie, onderscheidenlijk de hoofdgroep, waarin opgenomen het werkprogramma voor het eerstvolgende jaar; basissubsidie: geldmiddelen, die Onze Minister onder nader te stellen voorschriften ter beschikking stelt als bijdrage in de exploitatie- en investeringskosten; doelsubsidies: geldmiddelen, die Onze Ministers van"},{"i":505,"b":"Verdrag betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen in haar dertigste zitting op 19 Juni 1947, Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel, welk onderwerp het vierde punt van de agenda der zitting vormt, Besloten hebbende, dat die voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, de elfde Juli negentienhonderd zeven en veertig, het volgende verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald onder de titel „Verdrag betreffende de arbeidsinspectie, 1947”: DEEL I. Arbeidsinspectie in de industrie Artikel 1 Elk Lid der Internationale Arbeidsorganisatie, waarvoor dit verdrag van kracht is, moet een arbeidsinspectie voor industriële inrichtingen bezitten. Artikel 2 1. De arbeidsinspectie voor industriële inrichtingen zal van toepassing zijn op alle inrichtingen ten aanzien waarvan het handhaven van de naleving van wettelijke bepalingen betreffende de arbeidsvoorwaarden en de bescherming van werknemers bij de uitoefening van hun werkzaamheden, aan inspecteurs van de arbeid is opgedragen. 2. De nationale wetgeving zal de mijnondernemingen en de transportondernemingen, of delen daarvan, van de toepassing van dit verdrag kunnen uitzonderen. Artikel 3 1. De taak van de arbeidsinspectie zal zijn: - a. het verzekeren van de naleving van de wettelijke bepalingen betreffende de arbeidsvoorwaarden en de bescherming van werknemers bij de uitoefening van hun werkzaamheden, zoals bepalingen betreffende de arbeidsduur, de lonen, de veiligheid, de gezondheid en het welzijn, de tewerkstelling van kinderen en jeugdige personen en andere verwante aangelegenheden, voor zover de inspecteurs van de arbeid er mede belast zijn de naleving van genoemde bepalingen te verzekeren; - b. het geven van technische inl"},{"i":506,"b":"Verdrag betreffende de arbeidsinspectie in de landbouw De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen in haar drieenvijftigste zitting op 4 juni 1969; Gelet op de bepalingen van de bestaande internationale arbeidsverdragen betreffende de arbeidsinspectie, zoals het [Verdrag betreffende de arbeidsinspectie, 1947](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005445), dat van toepassing is op de industrie en de handel en het Verdrag betreffende arbeidsvoorwaarden voor plantagearbeiders, 1958, dat van toepassing is op een beperkte categorie landbouwbedrijven, en Overwegende dat het over het algemeen gewenst is internationale normen vast te stellen voor de arbeidsinspectie in de landbouw, Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de arbeidsinspectie in de landbouw, welk onderwerp als vierde punt op de agenda der zitting is geplaatst, Besloten hebbende dat die voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, de 25ste juni 1969, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als: „Verdrag betreffende de arbeidsinspectie (landbouw), 1969”: Artikel 1 1. In dit Verdrag wordt verstaan onder „landbouwonderneming”: ondernemingen of delen van ondernemingen die zich bezighouden met: akkerbouw, veeteelt - met inbegrip van veefokkerij en -verzorging - bosbouw, tuinbouw, de eerste verwerking van landbouwprodukten door het bedrijfshoofd of elke andere vorm van landbouwwerkzaamheden. 2. Indien nodig bepaalt de bevoegde autoriteit, na overleg met de meest representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties op dit gebied - voor zover aanwezig - de grens tussen de landbouw enerzijds en de industrie en de handel anderzijds, op een dusdanige wijze dat geen enkel landbouwbedrijf buiten het landelijke arbeidsinspectiesysteem komt te vallen. 3. In alle gevallen waarin er twijfel bestaat beslist de bev"},{"i":515,"b":"Verdrag betreffende de beveiliging van werknemers tegen ioniserende stralen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau te Genève bijeengeroepen en aldaar op 1 juni 1960 in haar 44ste zitting bijeengekomen; Besloten hebbende tot het aanvaarden van bepaalde voorstellen met betrekking tot de beveiliging van werknemers tegen ioniserende stralen, welk onderwerp het vierde agendapunt van de zitting vormt; Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal verdrag zullen aannemen; Neemt heden, de 22e juni 1960, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag Beveiliging Stralen, 1960”: Deel I. Algemene bepalingen Artikel 1 Elk lid van de Internationale Arbeidsorganisatie dat dit Verdrag bekrachtigt, verbindt zich ertoe daaraan uitvoering te geven door middel van wetten of regelingen, handleidingen voor de praktijk of andere passende middelen. Bij het toepassen van de bepalingen van het Verdrag, dient het bevoegde overheidsorgaan overleg te plegen met de vertegenwoordigers van de werkgevers en de werknemers. Artikel 2 1. Dit Verdrag is van toepassing op alle werkzaamheden waarbij werknemers gedurende de arbeid blootgesteld zijn aan ioniserende stralen. 2. Dit Verdrag is niet van toepassing op radioactieve stoffen, al of niet in omhulsel of op toestellen die ioniserende stralen uitzenden, welke, wegens de geringe doses ioniserende stralen die daarvan geabsorbeerd kunnen worden, uitgezonderd zijn van het bepaalde in het Verdrag overeenkomstig een van de methoden tot uitvoering van het Verdrag vermeld in artikel 1. Artikel 3 1. In het licht van het beschikbaar wetenschappelijk inzicht dienen alle nodige maatregelen te worden getroffen om de werknemers te verzekeren van een doeltreffende beveiliging tegen ioniserende stralen wat betreft hun gezondheid en veiligheid. 2. Er dienen regels te worden aanvaard en maatregelen te worden getroffen, die voor dit"},{"i":991,"b":"Besluit van 30 september 1999, houdende nadere regels inzake het verhaal van onroerende-zaakbelasting als bedoeld in artikel 220b, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet (Besluit verhaal van onroerende-zaakbelasting) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 juli 1999, nr. FO99/U77120; Gelet op [artikel 229c van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=229c); De Raad van State gehoord (advies van 13 augustus 1999, nr. W04.99.0372/I); Gezien het nader rapport van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 september 1999, nr. FO99/82782; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Verhaal van de onroerende-zaakbelasting, als bedoeld in [artikel 220b, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=220b) vindt plaats naar evenredigheid van - a. het aantal delen van de onroerende zaak dat bestemd is voor afzonderlijk gebruik, en - b. de duur van het gebruik van het desbetreffende deel van de onroerende zaak. 2. Partijen kunnen bij overeenkomst afwijken van het eerste lid. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2000. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verhaal van onroerende-zaakbelasting. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1165,"b":"Loonbelasting, vrije vergoedingen en verstrekkingen; extraterritoriale kosten De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Inleiding Met ingang van 1 januari 2001 is in de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) het begrip extraterritoriale kosten geïntroduceerd (zie artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de Wet LB). Dit zijn de extra kosten die een werknemer in redelijkheid maakt omdat hij tijdelijk buiten het land van herkomst verblijft voor het verrichten van zijn werkzaamheden. Een inhoudingsplichtige kan de extraterritoriale kosten vrij vergoeden als hij deze aannemelijk kan maken. Dit geldt op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet LB, op overeenkomstige wijze voor verstrekkingen. Voor bepaalde in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: het UBLB) aangewezen groepen werknemers kan de inhoudingsplichtige gebruik maken van de zogenoemde 30%-regeling voor extraterritoriale werknemers, die is opgenomen in artikel 9 van het UBLB (hierna: de bewijsregel). De voorwaarden en criteria voor de toepassing van de bewijsregel zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van het UBLB. Voor de toepassing van de regeling voor extraterritoriale kosten is van belang welke kosten tot de extraterritoriale kosten behoren, welke kosten onder de algemene regeling voor vrije vergoedingen en verstrekkingen vallen en welke uitgavenposten de inhoudingsplichtige in het geheel niet vrij kan vergoeden of verstrekken. Aan de hand van dit onderscheid is een vergoeding aan te merken als een extraterritoriale vergoeding, als een andere vrije vergoeding of als loon. Dit is niet alleen van belang als de inhoudingsplichtige de werkelijke extraterritoriale kosten wil vergoeden, in het geval dat de bewijsregel niet geldt of omdat hij geen gebruik wil maken van de bewijsregel. Het onderscheid is ook van belang als de inhoudingsplichtige wél van de bewijsregel gebruik maakt. Immers, als de inhoudingsplichtige de bewijsregel toep"},{"i":776,"b":"Wet van 14 december 2006, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2007) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IVa Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VI Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel VII Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel IX Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel X Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel XI Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XII Wijzigt de Provinciewet. Artikel XIII Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel XIV Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel XV Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel XVI Wijzigt de Ziektewet. Artikel XVII Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel XIX Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel XIXa Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel XX Wijzigt het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945. Artikel XXI Wijzigt de Wet Fonds economische structuurversterking. Artikel XXII De op het kalenderjaar 2006 betrekking hebbende verhoging van de afdrachtvermindering onderwijs, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=14), alsmede de afdrachtvermindering onderwijs, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel g, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=14) worden, in afwijking van [artikel 3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":823,"b":"Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1982 Gelet op [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) (Stb. 1962, 17); Besluit: Artikel 1 1. De gecorrigeerde groeivoet als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 7,363 percent. 2. Gelet op het voor 1981 geldende maximum aantal te heffen opcenten van 23 en de bovenvermelde gecorrigeerde groeivoet bedraagt het door de provincie te heffen aantal opcenten in 1982 derhalve ten hoogste 24,7. Artikel 2 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1982."},{"i":828,"b":"Besluit van het Bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 25 september 2001 ter uitvoering van de Verordening PT Vakheffing bloemkwekerijproducten 2002 (Besluit 2002/1 PT Bloemkwekerijproducten vakheffing) gelet op de [artikelen 2](onbekend) en [5 van de Verordening PT Vakheffing Bloemkwekerijproducten 2002](onbekend); op voorstel van de Sectorcommissie voor bloemkwekerij producten; BESLUIT: Artikel 1 1. Bedrijven die in aanmerking willen komen voor een gedeeltelijke verlaging van het heffingstarief, dienen over het betrokken kalenderjaar de gecertificeerde jaarrekening aan het productschap te overleggen. 2. Wanneer het productschap vaststelt dat op jaarbasis de heffingsgrondslag hoger is dan € 11.344.505, dan wordt: - a. over de eerste € 11.344.505 het heffingstarief van 0,375% toegepast - b. over het bedrag hoger dan € 11.344.505 het verlaagde heffingstarief van 0,275% toegepast. Artikel 2 Voor 2003 geldt dat het aan het bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijproducten af te dragen bedrag als bedoeld in [artikel 2 van de “Verordening PT Vakheffing Bloemkwekerijproducten 2003”](onbekend) wordt vastgesteld op de som van: - a. 90% van 11/111 deel van de jaarlijkse opbrengst van de in eerder genoemde verordening bedoelde heffing op het eindproduct; - b. 100% van 11/73,5 deel van de jaarlijkse opbrengst van de in eerder bedoelde heffing op het uitgangsmateriaal. Artikel 3 Voor kwekers van bloemzaden wordt bij de heffing, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, sub c, bij de berekening en oplegging van de heffing uitgegaan van een veronderstelde omzet van € 3403,35 per hectare, welke omzet wordt toegepast naar rato van het areaal van de kweker van blocmzadcn. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als Besluit 2002/1 Bloemkwekerijproducten vakheffing. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie en werkt terug tot en met 1 januari 2002."},{"i":960,"b":"Besluit van het Productschap Tuinbouw van 2 december 2003, houdende de vaststelling van de percentages van de heffingen groenten en fruit voor het jaar 2004 (Besluit PT heffing groenten en fruit 2004) gelet op [artikel 3, derde en vierde lid, van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015314&artikel=3); gelet op [artikel 3, vijfde lid, van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015319&artikel=3); gelet op [artikel 3, vijfde lid, van de Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015316&artikel=3); gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Verordening PT heffing verduurzaamde groenten en fruit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015315&artikel=4); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 10 november 2003; BESLUIT: Artikel 1 1. Voor de in [artikel 3, tweede lid van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015314&artikel=3) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2004 als volgt vastgesteld: | a. | glasgroenten: | 0,510% | | --- | --- | --- | | b. | vollegrondsgroenten: | 0,760% | | | - aardbeien: | 0,610% | | c. | fruit: | 0,160% | | d. | champignons: | 0,175% | | | - overige paddestoelen: | 0,055% | | e. | uitgangsmateriaal: | 0,080% | | | - witlofpennen: | 0,600% | 2. Het in [artikel 3, vierde lid van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015314&artikel=3) (de korting kwaliteitscontrole ingeval van contractteelt) genoemde percentage, wordt voor het jaar 2004 vastgesteld op: 0,090%. Artikel 2 1. Het in [artikel 3, derde lid van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014037&artikel=3) (de handel in groenten en fruit) genoemde percentage, wordt voor het jaar 2004 vastgesteld op:"},{"i":1048,"b":"Wet van 12 december 2002 tot goedkeuring van het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol I en II en briefwisseling (Trb. 2001, 136) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol I en II en briefwisseling, ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Artikel 1 Het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol I en II en briefwisseling, waarvan de Nederlandse en Franse tekst zijn geplaatst in Tractatenblad 2001, 136, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 1. In afwijking van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en de Wet op de loonbelasting 1964 zijn inkomstenbestanddelen als bedoeld in het tweede lid die worden genoten door een natuurlijke persoon die sinds 5 juni 2001 onafgebroken inwoner van België is, gedurende de twee kalenderjaren na de inwerkingtreding"},{"i":947,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 28 november 2006, houdende de vaststelling van de tarieven genoemd in de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2006 (Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2006) gelet op [artikel 2 van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021716&artikel=2); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; Besluit: Artikel 1 1. De heffing als bedoeld in [artikel 2 derde lid, van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021716&artikel=2), bedraagt voor het oogstjaar 2006 voor iedere onderneming waarin de teelt wordt uitgeoefend van tulpenbollen: € 0,50 per are. 2. Bedragen lager dan € 22,50, worden niet opgelegd. Artikel 2 Uitgezonderd van de areaalheffing als genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021712&artikel=1&z=2007-04-08&g=2007-04-08), zijn: - a. opgeplante bloembollen voor de bolproductie, afkomstig van afbroei uit het meest recente broeiseizoen; - b. bloembollen die voor de bolproductie in Nederland, in het eerste teeltjaar, volgend op het jaar van import, waren/zijn opgeplant en afkomstig waren/zijn van import. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2006 Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":936,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 12 november 2015, IZV 2015/832, Overdracht competentie behandeling verzoeken onder ‘corporate tiebreakerprocedure’ van belastingverdragen Op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035769&artikel=14) en [15 van het Organisatie- en mandaatbesluit ministerie van Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035769&artikel=15) (Besluit van 9 mei 2014, kenmerk BJZ/2014/1309M), alsmede van [artikel 4 van het Organisatie- en mandaatbesluit directoraat-generaal voor Fiscale Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035773&artikel=4) (Besluit van 23 mei 2014, kenmerk BJZ/2014/1456M) juncto onderdeel IV van [bijlage 1 bij dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035773&bijlage=1) gemandateerd tot het uitvoeren van de taak van de bevoegde autoriteit in het kader van tot stand gekomen bilaterale regelingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing, met de bevoegdheid om ondermandaat te verlenen. Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1). Besluit: Artikel 1 Aan de landelijk directeur Belastingdienst/Grote ondernemingen wordt ondermandaat verleend tot: Het uitvoeren van de taak van de bevoegde autoriteit in het kader van tot stand gekomen regelingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing, voor zover die taak betrekking heeft op het nemen van beslissingen ten aanzien van bepalingen waarin de bevoegde autoriteiten de discretionaire bevoegdheid hebben het inwonerschap van een belastingplichtige met een dubbele fiscale vestigingsplaats onder eerdergenoemde regeling vast te stellen (zogenoemde ‘corporate tiebreaker procedure’). Artikel 2 De landelijk directeur Belastingdienst/Grote ondernemingen kan ter zake van de gemandateerde bevoegdheid aan onder hem ressorterende functionarissen ondermandaat verlenen. Artikel 3 De ondertekening van uitgaande stukken zal luiden als volgt: DE STAATSSECRETA"},{"i":1093,"b":"Inkomstenbelasting, eigenwoningrente De Minister van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit bevat het beleid over de eigenwoningrente. Het vervangt het besluit van 29 oktober 2009, CPP2009/2148M en is aangevuld met de onderdelen over de eigenwoningrente uit het besluit van 1 oktober 2003, nr. CPP2003/1606M (woonverenigingen). Dit besluit is geactualiseerd en aangevuld met nieuwe beleidsstandpunten. Ook zijn enkele onderdelen redactioneel aangepast. Met deze redactionele aanpassingen is geen beleidswijziging bedoeld. Onderdeel 9 is niet aangepast maar zal binnenkort worden geactualiseerd.** 1. Inleiding Dit besluit behandelt de aftrek voor de inkomstenbelasting van de renten van de eigenwoningschulden en de kosten van de geldleningen. Deze renten en kosten noem ik hierna ook wel eigenwoningrente. In dit besluit zijn nieuwe standpunten opgenomen over de volgende onderwerpen: 1.1. Gebruikte afkortingen 2. Bijleenregeling In dit besluit is de mogelijke invloed van de bijleenregeling niet steeds afzonderlijk behandeld. Voor de beoordeling of daadwerkelijk sprake is van een eigenwoningschuld en van eigenwoningrente moet nog rekening worden gehouden met de eventuele gevolgen van de bijleenregeling. 3. Leningen in verband met de eigen woning De eigenwoningrente is aftrekbaar voor leningen in verband met de eigen woning. De Hoge Raad heeft bepaald wanneer sprake is van een lening in verband met de eigen woning (arresten van 22 oktober 2004, nrs. 38.464, 38.540 en 39.082 (LJN: AH9003, AH9015, AH9156), 24 februari 2006, nrs. 39.961, 40.011 en 41.166 (LJN: AV2335, AV2336, AV2339), 27 april 2007, nr. 41.826 (VN 2007/35.13 (herbesteding)) en 21 september 2007, nr. 41.805 (LJN AY8992 (herfinanciering)). Hierna behandel ik de gevolgen van die zogenoemde oogmerkarresten. 3.1. Oogmerkvereiste Het oogmerkvereiste houdt in dat de belastingplichtige de geldlening moet zijn aangegaan voor verwerving, onderhoud of verbetering van de eigen woning. Bij financiering vooraf hoef"},{"i":1220,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 17 januari 2022, nr. ILT-2021/71366 tot opheffing van de agentschapsstatus van de Inspectie Leefomgeving en Transport (Opheffingsbesluit agentschapsstatus van de Inspectie Leefomgeving en Transport) Gelet op [artikel 8, eerste lid, van de Regeling agentschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040286&artikel=8); BESLUITEN: Artikel 1 De agentschapsstatus van de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt opgeheven. Artikel 2 Het [Instellingsbesluit baten-lastendienst inspectie Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021856) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als 'Opheffingsbesluit agentschapsstatus van de Inspectie Leefomgeving en Transport'. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en gezonden aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":1225,"b":"Opheffingsbesluit ICONA Gelet op het besluit van de Ministerraad van 22 januari 1999 tot opheffing van de Interdepartementale Coördinatiecommissie voor Noordzee-aangelegenheden (ICONA) mede inhoudende machtiging aan de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat daartoe over te gaan; Besluit: Artikel 1 De Interdepartementale Coördinatie-commissie voor Noordzee-aangelegenheden (ICONA), ingesteld door de Minister van Verkeer en Waterstaat bij beschikking van 26 april 1977, nr. Z 30308, wordt opgeheven. Artikel 2 De in het voorgaande artikel bedoelde instellingsbeschikking wordt geacht te zijn ingetrokken bij inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 3 De taken van de ICONA in het kader van de ’Overeenkomst voor de Kust-wacht 1995’ worden overgenomen door het door de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat in te stellen interdepartementaal Directeurenoverleg Noordzee (IDON). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Opheffingsbesluit ICONA. Artikel 6 Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1229,"b":"Overdrachtsbelasting, belastbaar feit **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit vervangt het besluit van 15 oktober 2015, nr. BLKB2015/794M (** **Stcrt. 2015, nr. 36766** **) en bevat het beleid over het belastbaar feit in de overdrachtsbelasting. In dit besluit zijn nieuwe goedkeuringen opgenomen voor de situatie van afstand van een recht van opstal tegen verkrijging van een onverdeeld aandeel in een onroerende zaak en voor een verkrijging van aandelen als gevolg van een juridische moeder-dochterfusie.** 1. Inleiding Dit besluit actualiseert en vervangt het [besluit van 15 oktober 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037119), nr. BLKB2015/794M en bevat het beleid over het belastbaar feit in de overdrachtsbelasting. Voor een duidelijker overzicht zijn de onderdelen uit het besluit van 15 oktober 2015 vernummerd en per onderwerp in het besluit opgenomen. De onderdelen 2 tot en met 5 behandelen respectievelijk de verkrijging ([artikel 2, eerste lid, WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=2)), de verkrijging van economische eigendom (artikel 2, tweede tot en met zevende lid, WBR), de uitgezonderde verkrijgingen ([artikel 3 WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=3)) en de verkrijging van fictieve onroerende zaken ([artikel 4 WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=4)). Het beleid is hierbij in verschillende subonderdelen opgenomen. In onderdeel 2.2 is verduidelijkt dat het een situatie betreft waarbij de oprichter handelt ten behoeve van de op te richten vennootschap. De onderdelen 2.3 en 5.4 zijn nieuw. Onderdeel 2.3 bevat een goedkeuring voor de situatie van afstand van een recht van opstal tegen verkrijging van een onverdeeld aandeel in een onroerende zaak, die daarna wordt gesplitst in appartementsrechten. Onderdeel 5.4 bevat een goedkeuring voor de verkrijging van aandelen in een OZR als gevolg van een juridische moeder-dochterfusie. Verder is in de ond"},{"i":1246,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federale Republiek Nigeria tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Federale Republiek Nigeria, De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de overeenkomst van toepassing is 1. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, waaronder begrepen het aandeel van de regering in de netto winsten behaald met de exploitatie; van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse Mijnwet continentaal plat 1965, - -. de dividendbelasting, (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - b). in Nigeria: - -. the personal income tax (inkomstenbelasting van natuurlijke personen), - -. the companies income tax (inkomstenbelasting van lichamen), - -. the petroleum profits tax (belasting op winsten uit de winning van aardolie), - -. the capital gains tax (belasting op vermogenswinsten), (hierna te noemen: „Nigeriaanse belasting”). 2. Deze Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van de Overeenkomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de State"},{"i":1272,"b":"Overgangsbeschikking motorrijtuigenbelasting 1966 Gelet op [artikel 24, derde lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002534&artikel=24) (Stb. 332); Besluit: Artikel 1 Voor zover de vóór 1 oktober 1966 betaalde motorrijtuigenbelasting betrekking heeft op een tijdvak dat na 30 september 1966 eindigt, wordt zij geacht te zijn betaald ingevolge de met ingang van 1 oktober 1966 ten aanzien van de motorrijtuigenbelasting geldende regelen. Artikel 2 Ingeval motorrijtuigenbelasting is betaald over een tijdvak dat vóór 1 oktober 1966 is aangevangen en na die dag eindigt, en ingevolge de op die dag geldende wetgeving voor het motorrijtuig meer belasting is verschuldigd, wordt over het op 1 oktober 1966 nog niet verstreken gedeelte van dat tijdvak het verschil aan belasting niet geheven. Artikel 3 Voor zover de tijd van twaalf maanden als is bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002534&artikel=16), gedeeltelijk valt vóór 1 oktober 1966, wordt de na te heffen belasting over dat gedeelte berekend met toepassing van de op 30 september 1966 geldende wetgeving. Artikel 4 Ingeval voor een motorrijtuig vóór 1 oktober 1966 is afgegeven een belastingkaart welke betrekking heeft op een tijdvak van 60 willekeurige binnen een jaar vallende dagen, treedt die belastingkaart voor het op die dag nog niet verstreken gedeelte van dat jaar, in de plaats van het formulier als is bedoeld in artikel 22, vierde lid, letter **a**, van de Uitvoeringsbeschikking Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964 (**Stcrt.** 253). Artikel 5 Ingeval voor een motorrijtuig vóór 1 oktober 1966 een belastingkaart is afgegeven, treedt die belastingkaart, voor het op die dag nog niet verstreken gedeelte van de geldigheidsduur, in de plaats van het bewijsstuk als is bedoeld in artikel 14 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1966 (**Stb.** 383). Artikel 6 Ingeval voor e"},{"i":6678,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 28 januari 2025, nr. IENW/BSK-2025/3702, tot wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit in verband met subsidie emissieloze touringcars en tot intrekking van de Tijdelijke subsidieregeling aanschaf emissieloze touringcars Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede lid en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [15, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=16), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), [23, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23), [24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24), en [26 van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=26); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit. Artikel II De [Tijdelijke subsidieregeling aanschaf emissieloze touringcars](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050067) wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze regeling, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1529,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de Bondspresident van de Republiek Oostenrijk, de wens koesterende, een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, hebben daartoe tot hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Constant Wilhelm Baron van Boetzelaer van Asperen, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te Wenen; De Bondspresident van de Republiek Oostenrijk: Sektionschef Dr. Josef Hammerschmidt, Bondsministerie van Financiën; die, na uitwisseling van hun volmachten, die in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, het volgende zijn overeengekomen: HOOFDSTUK I. Reikwijdte van het Verdrag Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a). voor Nederland: - i). inkomstenbelasting; - ii). de loonbelasting; - iii). de vennootschapsbelasting; - iv). de dividendbelasting; - v). de commissarissenbel"},{"i":7563,"b":"Besluit van 17 mei 2019, houdende vaststelling van de rechtspositie van de leden van de Autoriteit persoonsgegevens (Besluit rechtspositie leden Autoriteit persoonsgegevens) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 10 april 2019, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2562872; Gelet op [artikel 9 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=9); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 april 2019, nr. W16.19.0097/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 14 mei 2019, nr. 2590857; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **andere leden:** de andere leden, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=7); - **Autoriteit:** de Autoriteit persoonsgegevens; - **buitengewone leden:** de buitengewone leden, bedoeld in [artikel 7, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=7); - **wet:** de [Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940). § 2. Rechtspositie van de leden en de buitengewone leden Artikel 2 1. Aan de voorzitter, de andere leden en de buitengewone leden van de Autoriteit wordt afschrift verstrekt van het koninklijk besluit waarbij zij tot voorzitter, lid, onderscheidenlijk buitengewoon lid van de Autoriteit zijn benoemd of herbenoemd. 2. Aan de voorzitter en de andere leden wordt bovendien schriftelijk mededeling gedaan van de standplaats, het salaris en de arbeidsduur waarvoor zij worden aangesteld. Artikel 3 1. Indien Onze Minister voornemens is de voorzitter, een ander lid of een buitengewoon lid na het verstrijken van diens benoemingstermijn als bedoeld in [artikel 7, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=7), niet voor herbenoeming voor te dr"},{"i":6476,"b":"Besluit van 21 november 2022 tot wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 in verband met de verhoging van het minimumtarief voor tolken en de jaarlijkse indexering van de vergoedingen voor psychologen en psychiaters 2023 Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 4 oktober 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4238597, gedaan mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=3), en [6, eerste lid, van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 oktober 2022, nr. W16.22.00129/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 14 november 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4297419, uitgebracht mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Artikel II De in [artikel I, onder A, B, D, E en F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047521&artikel=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01), vastgestelde tarieven gelden voor opdrachten die zijn verstrekt op of na 1 januari 2023. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1661,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 24 maart 2009, houdende de vaststelling van een bijzondere heffing groenten en fruit teelt 2009 (Verordening PT bijzondere heffing teelt groenten en fruit 2009) § 1. Begripsbepalingen § 1. Begripsbepalingen § 3. Grondslag en hoogte Artikel 3 1. De heffing die is verschuldigd wordt opgelegd naar de grondslag grondgebruik, een en ander overeenkomstig de volgende artikelen. De heffing wordt berekend naar de oppervlakte van de bij onderneming behorende cultuurgrond en bedraagt voor: | | Productgroep | Tarief Bijz. | Eenh. | | --- | --- | --- | --- | | **Glasgroenten** | | | | | Aubergines | 618 | 10,62 | are | | Komkommers | 605 | 10,62 | are | | Paprika - Gele paprika | 633 | 10,62 | are | | Paprika - Groene paprika | 632 | 10,62 | are | | Paprika - Rode paprika | 631 | 10,62 | are | | Paprika - Overige paprika | 634 | 10,62 | are | | Tomaten - Losse tomaten (rond, vlees, tussentype) | 608 | 10,62 | are | | Tomaten - Trostomaten (incl. fijne trostomaten) | 604 | 10,62 | are | | Tomaten - Cherry-tomaten | 606 | 10,62 | are | | Overige groenten (inclusief meloenen) | 621 | 5,92 | are | | | | | | | **Vollegrondsgroenten** | | | | | Erwten groen te oogsten | 244 | 12,71 | ha | | Suikermaïs | 814 | 24,96 | ha | | Tuinbonen (groen te oogsten) | 854 | 12,71 | ha | | Aardbeien vermeerdering | 431 | 46,58 | ha | | Aardbeien wachtbed | 432 | 23,29 | ha | | Aardbeien productie | 433 | 101,74 | ha | | Andijvie | 434 | 74,85 | ha | | Asperges | 435 | 80,60 | ha | | Asperges (nog geen prod. ) | 436 | 80,60 | ha | | Bloemkool | 437 | 25,41 | ha | | Boerenkool | 438 | 39,85 | ha | | Bospeen | 439 | 24,96 | ha | | Broccoli | 440 | 21,16 | ha | | Chinese kool | 441 | 74,85 | ha | | Knolselderij | 442 | 12,71 | ha | | Knolvenkel/venkel | 443 | 74,85 | ha | | komkommerachtigen (augurk, courgetten, meloen, pompoen) | 444 | 39,85 | ha | | Koolraap | 445 | 39,85 | ha | | Koolrabi | 446 | 39,85 | ha | | Kroten | 447 | 12,71 | ha | | Kr"},{"i":5910,"b":"Tijdelijke subsidieregels Landelijk ondersteuningsprogramma Informatiepunten Digitale Overheid Koninklijke Bibliotheek 2026 gelet op het [Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999) en [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) besluit: vast te stellen de navolgende Tijdelijke subsidieregels Landelijk ondersteuningsprogramma Informatiepunten Digitale Overheid Koninklijke Bibliotheek 2026. Van toepassing op activiteiten in de periode 1 januari 2026 tot 1 januari 2027. Artikel 1. Begripsbepaling - **BZK:** Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **Het Algemeen Bestuurscollege:** het algemeen bestuur van de Koninklijke Bibliotheek als bedoeld in [artikel 13.3, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=13.3); - **IDO:** Informatiepunten Digitale Overheid; - **KB:** Koninklijke Bibliotheek: bedoeld in [artikel 1.5, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.5) en bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=9) en [20 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=20); - **POI:** Provinciale ondersteuningsinstelling als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=1); - **SPN:** Stichting Samenwerkende POI’s Nederland. Artikel 2. Subsidiabele activiteiten In het kader van de activiteit het aansturen van het netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen door educatie, informatie en reflectie subsidieert de Koninklijke Bibliotheek ten behoeve van de uitvoering van het Landelijk Ondersteuningsprogramma Informatiepunten Digitale Overheid de volgende acti"},{"i":5599,"b":"Skal-Reglement Certificatie en Toezicht Dit reglement is door het bestuur van stichting Skal vastgesteld op, 26-11-2025 goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur op **9 december 2025** en treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 Algemeen De regelgeving voor biologische productie bestaat uit Europese verordeningen, Nederlandse regelgeving en reglementen van Stichting Skal (hierna Skal). Dit Reglement Certificatie en Toezicht van Skal is voor de toepassing van [verordening (EU)2018/848](32018R0848) inzake de biologische productie en etikettering van biologische producten (hierna: basisverordening) het reglement, bedoeld in [artikel 10, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=10). Dit reglement beschrijft hoe Skal als controleautoriteit in de zin van de [Controleverordening (EU) 2017/625](32017R0625) en de [basisverordening (EU) 2018/848](32018R0848) de regelgeving voor biologische productie en etikettering controleert en als controleautoriteit of als bevoegde autoriteit handhaaft. Ook leest u hoe Skal toezicht houdt op de gecertificeerde bedrijven en de sector in het algemeen. De verschillende inspectietypes worden gedefinieerd. In [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052005&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) vindt u het overzicht van de maatregelen die Skal als controleautoriteit of als bevoegde autoriteit op basis van de basisverordening en controleverordening bevoegd is te nemen bij geconstateerde tekortkomingen in de naleving (zogenoemde non-conformiteiten) bij exploitanten van de regelgeving voor biologische productie. Artikel 1. Voorwerp In dit reglement worden de beginselen van de certificatie voor biologische productie vastgesteld alsmede registratie, productregistratie en controle. Ook het toezicht op de plantaardige productie, dierlijke productie en het bewerken, verwerken en verhandelen van biologische producten in Nederland valt onder di"},{"i":4959,"b":"Besluit van de Bestuurskamer van 28 december 2009, houdende mandatering aan de secretaris van de Bestuurskamer van de bevoegdheden van de Bestuurskamer in het kader van de heffing op grond van artikel 46a van de Wet op de ondernemingsraden (Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2010) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Verordening heffing scholing en vorming van ondernemingsraadsleden 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027012&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2010 in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. secretaris: secretaris van de Bestuurskamer; - b. verordening: [Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027012). § 2. Mandaatverlening Artikel 2 1. De secretaris kan namens de Bestuurskamer besluiten nemen op grond van [artikel 2, eerste lid, van de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027012&artikel=2). 2. De secretaris kan ondermandaat verlenen. § 3. Slotbepalingen Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de verordening in werking treedt. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2010."},{"i":1683,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 24 maart 2009, houdende de vaststelling van aan telers van bloembollen op te leggen heffing ter bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci, voor het oogstjaar 2009 (Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 17 maart 2009; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | bloembollen: | tulpen en narcissen; | | --- | --- | --- | | b. | oogstjaar: | de periode van 1 juni 2009 tot en met 31 mei 2010. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De teler van bloembollen is na een daartoe strekkend besluit van het bestuur een heffing aan het productschap verschuldigd over het oogstjaar 2009, ten behoeve van de bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. 3. Uiter"},{"i":5552,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 24 maart 2017, nr. WJZ/17043557, tot wijziging van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en de Uitvoeringsregeling windenergie op zee (aanpassing voorschriften inzake de aanvraag) Gelet op [artikel 14, tweede lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14) en de [artikelen 56, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=56), en [63, tweede lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=63); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Besluit stimulering duurzame energieproductie (uitsluiting subsidie negatieve elektriciteitsprijzen) in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Algemene uitvoeringsregeling stimulering energieproductie. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling windenergie op zee. Artikel III Op een aanvraag om subsidie als bedoeld in [artikel 2 van de Regeling windenergie op zee 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036786&artikel=2) blijven de [Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023563) en de [Uitvoeringsregeling windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036786) van toepassing zoals deze luidden op het tijdstip van indienen van de aanvraag. Artikel IV Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het [Besluit van 14 maart 2017 tot wijziging van het Besluit stimulering duurzame energieproductie in verband met de uitsluiting van subsidie in het geval van negatieve elektriciteitsprijzen en enkele andere wijzigingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039360) (Stb 2017, 108) in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3336,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 januari 2016, nr. BOACAT2016/002, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Weert Gelezen het verzoek van het hoofd van de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Weert van 17 december 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037554&artikel=2&z=2016-03-09&g=2016-03-09). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar Publieke Ruimte in dienst van de gemeente Weert, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het gro"},{"i":2613,"b":"Besluit van de Centrale Commissie Dierproeven van 28 oktober 2016, ref CCD 16-15-09, houdende regels inzake meldingen in het kader van een projectvergunning van de Centrale Commissie Dierproeven (Besluit Meldingen in het kader van een projectvergunning van de Centrale Commissie Dierproeven CCD 2016) Gelet op [artikel 11:3 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=11:3); Besluit: Artikel 1. Definitie omschrijving In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. **Melder:** de vergunninghouder die de melding in het kader van [artikel 10c Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10c) doet. Indien de vergunninghouder een rechtspersoon is, wordt als melder aangemerkt de natuurlijke persoon die namens de vergunninghouder optreedt (portefeuillehouder). Indien de portefeuillehouder een persoon machtigt om namens hem of haar op te treden, wordt die persoon aangemerkt als melder. - b. **Project:** het project als omschreven in [artikel 1 lid 1 sub b Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=1). - c. **Projectvergunning:** de op grond van [artikel 10a lid 1 van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10a) verleende vergunning. - d. **NTS:** de niet technische samenvatting die wordt gevoegd bij een aanvraag in de zin van [artikel 10a1 lid 7 Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10a). - e. **Wod:** [Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081). - f. **IvD:** Instantie voor dierenwelzijn. Ingesteld door de gebruiker op grond van [artikel 14a lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=14a). Belast met de beoordeling van de gevolgen van veranderingen op het dierenwelzijn. Artikel 2. Onderscheid melding, wijziging, nieuwe aanvraag 1. Onder **melding** wordt verstaan de kennisgeving aan de Centrale Commissie Dierproeven van een"},{"i":5567,"b":"Besluit van 14 januari 1993, houdende vaststelling van een reglement voor het regime in een grenslogies ingevolge artikel 7a, vierde lid, Vreemdelingenwet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 26 februari 1992, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 192399/92/6; Gelet op artikel 7a van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40); De Raad van State gehoord (advies van 3 september 1992, nr. WO 3.92.0094); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 12 januari 1993, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 264314/93/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Titel I. Algemene bepalingen Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op de ruimten als bedoeld in [artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6) die door Onze Minister als zodanig zijn aangewezen en zijn bestemd voor de opname van vreemdelingen als bedoeld in het eerste lid van voornoemd artikel. Artikel 2 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - 1. «Grenslogies»: een ruimte als bedoeld in [artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6). - 2. «Vreemdeling»: een persoon als bedoeld in [artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) die ingevolge [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005848&titeldeel=III&artikel=6&z=2001-04-01&g=2001-04-01), dan wel enige andere bepaling bij of krachtens deze wet is gehouden te verblijven in een grenslogies. - 3. \"Onze Minister\": Onze Minister van Justitie. Titel II. Beheer Artikel 3 1. Het opperbeheer van een grenslogies berust bij Onze Minister. Deze kan bij huishoudelijk reglement nadere regels vaststellen ter uitvoering van en in aanvulling op dit besluit. 2. Met het beheer van een grenslogies is belast een daartoe door Onze Minister aangewezen directeur, die hiertoe wordt bijgestaan door ambtenaren en overige medewerkers. 3. De d"},{"i":1700,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 1 juli 2004 houdende de vaststelling van de aan ondernemers die bloemkwekerijproducten naar Japan exporteren op te leggen heffing voor het jaar 2005 (Verordening PT heffing export bloemkwekerijproducten Japan 2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 19 mei 2004; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. bloemkwekerijproducten | : | producten als omschreven in [artikel 1, tweede lid, sub d, van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016967&artikel=1), en | | e. heffingsplichtige | : | degene die ingevolge deze heffingsverordening heffing is verschuldigd. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloemkwekerijproducten is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloemkwekerijproducten aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het jaar 2005, ten behoeve van de financiering van c"},{"i":7868,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2007 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 6,87%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,41%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020651&artikel=1&z=2007-01-01&g=2007-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2007 vastgesteld op 5,44%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,41%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2007. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5859,"b":"Besluit van de Minister voor Milieu en Wonen van 4 december 2019, nr. 2019-0000623509, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging ter uitvoering van een aantal wetten, besluiten, regelingen en beschikkingen op het terrein van wonen (Tijdelijk Mandaatbesluit Wonen) Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), In aanmerking genomen het [koninklijk besluit van 1 november 2019, No. 2019002307, houdende enkele tijdelijke voorzieningen voor de periode dat Minister drs. K.H. Ollongren niet in staat is haar taken als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Vice-Minister-President uit te oefenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042757) alsmede de brief van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 1 november 2019, nr. 3710811, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake herschikking van taken en functies binnen het kabinet; Besluit: Artikel 1 Alle mandaten, volmachten en machtigingen vóór 1 november 2019 verleend op basis van het [Mandaatbesluit BZK 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041316), de daarop gebaseerde mandaatbesluiten en overige besluiten inzake mandaat, volmacht of machtiging met betrekking tot de werkzaamheden op het terrein van wonen, het stelsel van de Omgevingswet en de ruimtelijke ontwikkeling, inclusief de Nationale omgevingsvisie, alsook de Dienst Huurcommissie en het Kadaster, worden met ingang van deze datum aangemerkt als verleend door de Minister voor Milieu en Wonen. Artikel 2 1. Ondertekening van besluiten en stukken op grond van mandaat vindt plaats op de volgende wijze: De Minister voor Milieu en Wonen, namens deze, (handtekening) (naam) (functie gemandateerde). 2. Bij ondertekening van besluiten en stukken op grond van volmacht wordt de aanduiding van de Minister voorafgegaan door: Namens de Staat der Nederlanden. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk Mandaatbesluit Wonen."},{"i":4343,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 26 september 2017, kenmerk 10339, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van een gelegenheid als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de kansspelen Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan de Fair Share Nederland, een Besloten Vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Amsterdam met nummer 64769542 (hierna: de vergunninghouder), vergunning voor de periode van 1 oktober 2017 tot en met 30 september 2022. Aan deze vergunning zijn de navolgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de loterijen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. Algemeen Kenmerken van de loterij(en) Afdracht ten behoeve van het algemeen belang Consumentenbescherming Transparantie Meldplicht Rapportage"},{"i":4179,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Regulering en toezicht bank- en kredietwezen 1992–2002 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 september 2009 nr. bca-2009.05362/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Toezicht Effectenverkeer op het beleidsterrein Regulering en toezicht bank- en kredietwezen over de periode 1992–2002’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":1854,"b":"Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de bijzondere regels voor ambtshalve verminderingen (Wet tijdelijke regeling herzien aangifte inkomstenbelasting) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is door middel van een tijdelijke regeling de werkwijze van de Belastingdienst met betrekking tot het herzien van aanslagen inkomstenbelasting wettelijk te verankeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049133&artikel=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01), voor het eerst van toepassing is op een verstrekking van gegevens op of na 1 januari 2024. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet tijdelijke regeling herzien aangifte inkomstenbelasting. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":3207,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 augustus 2015 nr. BOACAT2015/038, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Barneveld Gelezen het verzoek van gemeente Barneveld van 31 juli 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037002&artikel=2&z=2015-09-18&g=2015-09-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Buitengewoon Opsporingsambtenaar Domein I (Openbare ruimte) in dienst van de gemeente Barneveld, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, van [bijlage A-I van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694&bijlage=A). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied va"},{"i":1886,"b":"Besluit van 8 april 2003, houdende wijziging van het koninklijk besluit van 9 augustus 1948 tot uitvoering van artikel 12 van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. I 362) en van het koninklijk besluit van 6 september 1949 tot uitvoering van artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. J 418) in verband met de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 februari 2002, kenmerk DVVB/MB-U-2257914; Gelet op [artikel 12, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940– 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12), en op [artikel 11, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=11); De Raad van State gehoord (advies van 17 mei 2002, nummer W13.02.0079/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 maart 2003, kenmerk DVVB/MB-U-2358452; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit tot uitvoering van artikel 12 der Wet buitengewoon pensioen 1940-1945. Artikel II Wijzigt het Besluit ex artikel 11 Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers. Artikel III De definitieve vaststelling van de inkomsten, bedoeld in [artikel 12 van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12) en [artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=11), tot en met het jaar 2000 geschiedt met toepassing van de [koninklijke besluiten van 9 augustus 1948 tot uitvoering van artikel 12 van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002042) (Stb. I 362) en [van 6 september 1949 tot uitvoering van artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002049) (St"},{"i":3138,"b":"Besluit 26 juni 2024 tot wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Besluit betaalbare huur) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 maart 2024, nr. 2024-0000009230; Gelet op de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3), en [10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10) en [artikel 2.24, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24). De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 mei 2024, nr. W04.24.00064/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 juni 2024, nr. 2024-0000019122; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Onderdelen A t/m G, onder 1, en H t/m K wijzigen het Besluit huurprijzen woonruimte. Onderdeel G, onder 2, luidt: In afwijking van [artikel 12, tweede lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=12) worden op 1 juli 2024 de krachtens dat besluit geldende maximale huurprijsgrenzen gewijzigd met de verhouding van het gemiddelde van de consumentenprijsindex van januari 2023 tot en met juni 2023 tot het gemiddelde van de consumentenprijsindex van januari 2022 tot en met juni 2022 maal 6/12, met dien verstande dat de op basis daarvan berekende bedragen naar boven worden afgerond op hele eurocenten. Artikel II Wijzigt het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel III Als voor de inwerkingtreding van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049892&artikel=II&z=2024-07-01&g=2024-07-01) van dit besluit een ontwerp van een wijziging van het omgevingsplan of een projectbesluit ter inzage is gelegd of een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepe"},{"i":1888,"b":"Besluit van 5 juli 1997 tot wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989; aanpassing van de wijze waarop een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt verleend voor passieve winst uit buitenlandse onderneming Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 22 november 1996, nr. IFZ96/1530M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken: Gelet op [artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=38); De Raad van State gehoord (advies van 3 maart 1997, nr. W06.96.0564); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 2 juli 1997, nr. IFZ97/725U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I werkt deels terug tot en met 1 januari 1997. ARTIKEL I Wijzigt het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989. ARTIKEL II 1. Artikel 10 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 zoals dat luidt op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit blijft met betrekking tot een Mogendheid van toepassing voorzover ten aanzien van een belastingplichtige een op de voet van artikel 3, vierde lid, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 naar het jaar waarin dit besluit in werking treedt overgebracht bedrag aan negatief buitenlands onzuiver inkomen uit die Mogendheid bij de berekening van de vermindering, bedoeld in het eerste lid van dat artikel in aanmerking kan worden genomen. 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van artikel 10 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 zoals dat luidt op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit Besluit op een op de voet van artikel II, tweede, derde of zevende lid, van het Besluit van 23 december 1994 tot wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 (**Stb.** 1994, 964) in aanmerking te nemen bedrag. A"},{"i":5001,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 november 2012, kenmerk Z-3141453, houdende tot nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2012 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2012) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2012 zijn voor de beheerskosten [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) van de zorgverzekeraars en de verbindingskantoren ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), minder middelen besteedbaar ter grootte van € 4,130 miljoen. Artikel 2 De verbindingskantoren leggen in hun jaarrekening over het jaar 2012 vast welk budget beheerskosten voor de uitvoering van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) is ontvangen en hoeveel in dat jaar is besteed voor de uitvoering van de AWBZ. De verschillen worden als overschotten dan wel tekorten in de jaarrekening opgeteld bij de primo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2012 en in de jaarrekening vastgelegd als de ultimo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2012. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 25 november 2012, terug tot en met 26 november 2012. Artikel 4 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2012. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2637,"b":"Regels van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van met betrekking tot de toelatingseisen van vakorganisaties tot de sectorale overleg commissie BES Besluit: Artikel 1 De sectorale overleg Commissie BES, genoemd in het [Besluit overlegstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028779) (Stb. 2010, 369), zal voortaan worden aangeduid als Sectoroverleg Caribisch Nederland. Artikel 2 1. Tot het Sectoroverleg Caribisch Nederland worden slechts toegelaten vakorganisaties die zijn gevestigd in één van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba of in Nederland. De vakorganisatie overlegt hiervan bewijsstukken aan de voorzitter van het overleg. 2. De voorzitter van het sectorale overleg kan organisaties uitsluiten van het overleg indien niet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarde is voldaan. Artikel 3 1. De organisaties, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029479&artikel=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01), dienen te zijn aangesloten bij een tot de Raad voor Overheidspersoneel (ROP) toegelaten centrale van overheidspersoneel in Nederland. 2. De voorzitter van het sectorale overleg kan organisaties uitsluiten van het overleg indien niet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarde is voldaan. Artikel 4 1. Een vakorganisatie wordt als representatief aangemerkt indien zij ten minste 100 leden op de openbare lichamen Bonaire, St. Eustatius en Saba vertegenwoordigen. 2. In afwijking van het eerste lid kunnen vakorganisaties die niet aan de voorwaarde genoemd in het eerste lid voldoen, als representatief worden aangemerkt indien zij meer dan: - a. 50 leden hebben op Bonaire, dan wel - b. 30 leden hebben op St. Eustatius, dan wel - c. 20 leden hebben op Saba. 3. De voorzitter van het sectorale overleg kan organisaties uitsluiten van het overleg indien niet aan de in dit artikel bedoelde voorwaarde is voldaan. Artikel 5 1. De voorzitter van het sectorale overleg kan een vakorganisatie uitsluiten van het overleg ind"},{"i":1921,"b":"Regeling van 27 november 2006, nr. HDJZ/S&W/2006-1820, Hoofddirectie Juridische Zaken, tot wijziging van de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer in verband met de invoering van een transparante tariefstructuur Gelet op [artikel 84 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=84) en de [artikelen 72a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=72a) en [73 van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=73); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer. Artikel II Onverminderd [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020573&artikel=I&z=2007-12-23&g=2007-12-23) is het een vervoerder tot en met 31 januari 2008 toegestaan taxivervoer aan te bieden volgens de [Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010998), zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4331,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 22 december 2021 kenmerk 3677256, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de korpschef van de politie inzake bevoegdheden ten aanzien van de instandhouding en doorontwikkeling van de NL-Alert keten (Besluit verlening mandaat, volmacht en machtiging NL-Alert keten) Gelet op de Beheerovereenkomst inzake het Tactisch en Operationeel Beheer van het NL-Alert systeem tussen de Staat der Nederlanden (vertegenwoordigd door de Minister van Justitie en Veiligheid) en de Politie, Gelet op het [Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519), het [Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688) en het [Mandaatbesluit DG Politie en Veiligheidsregio’s Ministerie van Justitie en Veiligheid 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044902), Gelet op [artikel 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), Besluit: Artikel 1 In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **jaarplan:** het jaarplan van de politie betreffende de instandhouding en doorontwikkeling van de NL-Alert keten; - b. **beheerovereenkomst:** de overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden (vertegenwoordigd door de Minister van Justitie en Veiligheid) en de Politie waarin de wederzijdse rechten en plichten zijn vastgelegd aangaande alle activiteiten die verband houden met het Tactisch en Operationeel beheer van het NL-Alert systeem; - c. **de korpschef:** de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); - d. **mandaat:** de bevoegdheid om namens de minister besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen; - e. **de minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid. Artike"},{"i":4152,"b":"Besluit vaststelling bestuursreglement Referendumcommissie Heeft besloten het volgende bestuursreglement vast te stellen: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443); - b. **Commissie:** de Referendumcommissie; - c. **voorzitter:** de voorzitter van de Commissie; - d. **lid:** de voorzitter of een ander lid van de Commissie; - e. **secretaris:** de secretaris en plaatsvervangend secretaris; - f. **uitvoeringsorganisatie:** de organisatie die de subsidieregeling van de Commissie uitvoert; - g. **vaststellingskader:** het door de commissie vastgestelde kader aan de hand waarvan: - 1°. bij rechtspersonen aan wie subsidie is verleend de subsidie wordt vastgesteld; - 2°. bij via een steekproef geselecteerde natuurlijke personen aan wie subsidie is verleend, indien van toepassing, de subsidievaststelling wordt ingetrokken of gewijzigd. Hoofdstuk 2. Inrichting en besluitvorming Artikel 2 1. De Commissie vervult de taken die haar bij [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443) zijn toegekend. 2. De Commissie verricht de werkzaamheden die noodzakelijk zijn om de in het eerste lid bedoelde taken naar behoren te kunnen vervullen. Artikel 3 1. De voorzitter geeft leiding aan de vergaderingen en de andere werkzaamheden van de Commissie en bevordert daarbij een goede afstemming. 2. De Commissie wordt vertegenwoordigd door de voorzitter tenzij de Commissie anders besluit. Artikel 4 1. De Commissie vergadert zo vaak als nodig is voor een goede afwikkeling van haar werkzaamheden, doch tenminste twee keer per jaar. 2. De secretaris neemt deel aan de vergaderingen. 3. De secretaris bereidt de agenda voor. 4. De voorstellen en adviezen die aan de Commissie worden voorgelegd, worden voorbereid door een of meer leden dan wel door het secretariaat of in afstemming met het secretariaat. 5. De secretaris draagt zorg voor een goede verslaglegging van"},{"i":1955,"b":"Wet van 18 december 1997, houdende wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 c.a. (aanpassing van de oudedagsreserve en de zelfstandigenaftrek alsmede vervallen van de vermogensaftrek) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is knelpunten in de oudedagsreserve in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 weg te nemen, de zelfstandigenaftrek in die wet aan te passen en de vermogensaftrek in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) te laten vervallen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de vermogensbelasting 1964. ARTIKEL IV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1998. 2. Ten aanzien van een belastingplichtige die winst geniet uit een voor zijn rekening gedreven onderneming waarvan het boekjaar is aangevangen voor 1 januari 1998 en eindigt na 1 januari 1998, vinden op verzoek van de belastingplichtige de wijzigingen ingevolge deze wet eerst toepassing met ingang van 1 januari 1999. Het verzoek wordt bij de aangifte gedaan. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":3185,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 januari 2016 nr. BOACAT2016/008, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij provincie Groningen Gelezen het verzoek van het Hoofd van de afdeling Beheer en Onderhoud van de provincie Groningen van 20 januari 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037598&artikel=2&z=2019-03-21&g=2019-03-21). Artikel 2 1. De personen, werkzaam in de functie van controleur Scheepvaart in dienst van de provincie Groningen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. 2. De personen, werkzaam in de functie van Inspecteur Natuurwetgeving in dienst van de provincie Groningen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de"},{"i":1956,"b":"Wet van 20 november 2003, houdende wijziging van de Kostenwet invordering rijksbelastingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is meerdere in de Kostenwet invordering rijksbelastingen opgenomen tarieven te verhogen opdat de totale invorderingskosten gedekt kunnen worden door de totale opbrengst van de kosten die in rekening worden gebracht ter zake van de diverse vervolgingsmaatregelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Artikel II 1. De eerste keer dat [artikel 8, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645&artikel=8) toepassing vindt, wordt voor de vervanging van de bedragen van € 3, € 4, € 6, € 13, € 23, € 34, € 47, € 60 en € 9938 uitgegaan van de niet-afgeronde bedragen van respectievelijk € 2,92, € 4,38, € 5,84, € 13,14, € 23,36, € 33,58, € 46,72, € 59,86 en € 9938,22. 2. Indien het moment van inwerkingtreding van deze wet niet samenvalt met het begin van een kalenderjaar, vindt direct na de inwerkingtreding [artikel 8 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645&artikel=8) overeenkomstige toepassing alsof de inwerkingtreding zou zijn samengevallen met het begin van het kalenderjaar waarin de inwerkingtreding valt. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":2589,"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de voorzitter van het CAK, de voorzitter van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit, de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën, de Directeur-Generaal Dienst Uitvoering Onderwijs, de Directeur-Generaal van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de waarnemend inspecteur-generaal Inspectie Justitie en Veiligheid, de Inspecteur-Generaal Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Inspecteur-Generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, van 1 november 2025, nr. 6815099, betreffende betalingsregelingen bij rijksincassovorderingen (Beleidsregels betalingsregelingen Rijk 2026) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluiten: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - –. **ATKM:** Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048064&artikel=2); - –. **betalingsplichtige:** persoon die één of meerdere vorderingen als bedoeld in [artikel 1:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052067&paragraaf=1&artikel=1:3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) moet voldoen; - –. **betalingsregeling:** afspraak tussen het CJIB en de betalingsplichtige tot verlening van uitstel van betaling of het toestaan van betaling in termijnen met betrekking tot één vordering als bedoeld in [artikel 1:3, onder a, b, c, d, e, f, g, h, i, j of k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052067&paragraaf=1&artikel=1:3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), dan wel een combinatie van vorderingen als bedoeld in artikel 1:3; - –. *"},{"i":4094,"b":"Besluit van 26 september 1995, houdende uitvoering van artikel 66 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 19 juli 1995, nr. PAV 6204/95013668; Gelet op [artikel 66 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=66); De Raad van State gehoord (advies van 28 augustus 1995, nr. W07.95.0413); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 19 september 1995, nr. PAV6204/95017114; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet financiële voorzieningen privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211); - b. vervallen; - c. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; - d. militair: militair als bedoeld in [artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 3° van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=28); - e. inhouding: inhouding ter uitvoering van [artikel 66 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=66), met als doel niet beoogde inkomensvoordelen te voorkomen; - f. inkomsten: inkomstenbestanddelen, die deel uitmaken van de berekeningsgrondslag voor pensioenen ingevolge de bij of krachtens de [Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955) vastgestelde regelingen, voorzover deze feitelijk zijn genoten, met dien verstande dat de aanspraak op vakantie-uitkering over de maand waarin deze is opgebouwd, tot de inkomsten wordt gerekend. Artikel 2 De inhouding die de militair verschuldigd is, wordt geheven over zijn inkomsten en komt voorts overeen met het bedrag van het ingevolge de [artikelen 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=18) en [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=19) in verband met [artikel 16, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=16) bepaalde vut-bijdrageverhaal. Artikel 3 De inhouding"},{"i":4227,"b":"Besluit van 10 november 2025 tot vaststelling subsidieplafonds voor literair vertalers 2026 en de inkomensgrens Stichting Nederlands Letterenfonds gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735) besluit de volgende inkomensgrens en subsidieplafonds vast te stellen Artikel 1 De van toepassing zijnde inkomensgrens in de deelregelingen bedraagt € 52.500. Artikel 2 Het subsidieplafond zoals genoemd in [artikel 8, derde lid, van de Regeling Projectsubsidies voor literaire vertalingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051470&artikel=8) bedraagt € 2.013.000 waarvan € 140.000 voor starters en € 1.873.000 voor gevorderde vertalers. Artikel 3 Het subsidieplafond voor vertalers in het Nederlands, Fries of een andere officiële taal van het Caribisch deel van het Koninkrijk zoals genoemd in [artikel 6, derde lid, van de Regeling ontwikkelbeurzen voor literair vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051468&artikel=6) bedraagt € 325.500. Artikel 4 Het subsidieplafond voor vertalers uit het Nederlands, Fries of een andere officiële taal van het Caribisch deel van het Koninkrijk zoals genoemd in [artikel 6, vierde lid, van Regeling ontwikkelbeurzen voor literair vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051468&artikel=6) bedraagt € 100.000. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en gepubliceerd op de website van het Letterenfonds ([www.letterenfonds.nl](http://www.letterenfonds.nl))."},{"i":3826,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport, van 10 december 2020, nr. ILT-2020/68534, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de handhaving ten aanzien van aangelegenheden die verband houden met het Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen (Besluit ondermandaat handhaving Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen) Gelet op [artikel 4 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging IG ILT handhaving Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042392&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **directeur:** directeur Toezicht en opsporing, bedoeld in de [bijlage van het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](onbekend); - **afdelingshoofd:** afdelingshoofd van de Afdeling Toezicht milieu, bedoeld in de [bijlage bij het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](onbekend); - **inspecteur ILT:** inspecteur ILT van het Team Luchtkwaliteit en emissies, het Team Gevaarlijke stoffen 1, het Team Gevaarlijke stoffen 3 en de Afdeling Flexpool bedoeld in de [bijlage bij het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](onbekend); - **aan de inspecteur-generaal verleende bevoegdheden:** door de Minister van Economische Zaken en Klimaat aan de inspecteur-generaal verleende bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 1 tot en met 3 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging IG ILT handhaving Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042392&artikel=1). Artikel 2 1. Aan de directeur, het afdelingshoofd, en de inspecteurs ILT worden de aan de inspecteur-generaal verleende bevoegdheden die behoren bij hun taken, in ondermandaat verleend. 2. Het mandaat omvat niet het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels. 3. Aan de functionarissen van he"},{"i":2575,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 31 maart 2016, nr. WJZ/16048534, houdende regels over de toepassing van artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie voor productie-installaties voor de productie van windenergie op zee (Beleidsregel wijziging productie-installatie windenergie op zee) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=62); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **innovatieve productie-installatie:** een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op zee, waarbij bij de realisatie of exploitatie gebruik wordt gemaakt van nieuwe en risicovolle technieken op een daartoe bestemd kavel; - **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **verzoek om ontheffing:** verzoek om ontheffing als bedoeld in [artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=62). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op het wijzigen van de realisatie of exploitatie van een productie-installatie voor de productie van windenergie op zee in afwijking van het plan. Artikel 3 1. Van essentieel wijzigen als bedoeld in [artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=62) is sprake indien een wijziging ten aanzien van de productie-installatie van betekenende invloed is op: - a. de locatie van de productie-installatie; - b. het nominale vermogen van de productie-installatie; - c. de mate waarin wordt voldaan aan de criteria, gesteld bij of krachtens [artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, of tweede lid van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":4620,"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 6 maart 2026 houdende regels met betrekking tot de handhaving van kapitaal- en liquiditeitsvereisten De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) heeft het volgende beleid vastgesteld met betrekking tot de handhaving van overtredingen van kapitaal- of liquiditeitsvereisten door een beleggingsonderneming, moederbeleggingsonderneming, beleggingsholding, beheerder van een beleggingsinstelling, beheerder van een icbe, betaaldienstverlener of elektronischgeldinstelling zoals gedefinieerd in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), een crowdfundingdienstverlener zoals gedefinieerd in artikel 2 van [Verordening (EU) 2020/1503](32020R1503), en een aanbieder van cryptoactivadiensten zoals gedefinieerd in artikel 3 van [Verordening (EU) 2023/1114](32023R1114) (Handhavingsbeleid DNB inzake kapitaal- en liquiditeitsvereisten). Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit beleid wordt verstaan onder: - a. **basisbedrag:** een bij wet vastgesteld basisbedrag voor de betreffende boetecategorie; - b. **begunstigingstermijn:** de termijn waarbinnen een instelling aan een last onder dwangsom moet voldoen zonder dat dwangsommen worden verbeurd; - c. **DNB:** de Nederlandsche Bank N.V.; - d. **instelling:** een beleggingsonderneming, beleggingsholding, beheerder van een beleggingsinstelling, beheerder van een icbe, betaaldienstverlener of elektronischgeldinstelling zoals gedefinieerd in [artikel 1:1 Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), een crowdfundingdienstverlener zoals gedefinieerd in artikel 2 van [Verordening (EU) 2020/1503](32020R1503) of een aanbieder van cryptoactivadiensten zoals gedefinieerd in artikel 3 van [Verordening (EU) 2023/1114](32023R1114), die bij of krachtens wettelijk voorschrift moet voldoen aan kapitaal- of liquiditeitsvereisten; - e. **kapitaal- of liquiditeitsvereisten:** het minimumbedrag aan eigen vermoge"},{"i":6043,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Paraguay inzake de export en handhaving van socialezekerheidsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Paraguay, Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid tot stand te brengen, Geleid door de wens de samenwerking tussen de twee staten te regelen ter waarborging van de handhaving van de wetgeving van het ene land in het andere, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied’’, met betrekking tot de Republiek Paraguay: het grondgebied waarover zij soevereiniteit en rechtsmacht uitoefent in overeenstemming met het internationale recht en haar grondwet; met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; - b. „bevoegde autoriteit’’, met betrekking tot de Republiek Paraguay: de Minister van Justitie en Werkgelegenheid van Paraguay; met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland; - c. „bevoegd orgaan’’, met betrekking tot de Republiek Paraguay: de Algemene Directie voor Werkgelegenheid van het Ministerie van Justitie en Werkgelegenheid en het Socialezekerheidsinstituut (Instituto de Previsión Social) betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid; met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, b en c: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; met betrekking tot de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, e en f: de Sociale verzekeringsbank; met betrekking tot de wetgeving inzake sociale bijstand: het instituut aangewezen door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; of elke organisatie bevoegd tot het uitvoeren van een taak die momenteel wordt uitgevo"},{"i":6050,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 5 augustus 2013, nr. 413972, houdende toekenning van een vergoeding per vergadering aan de (plaatsvervangende) leden van de klachtencommissie vergunninghouders interlandelijke adoptie (Vergoedingenbesluit klachtencommissie vergunninghouders interlandelijke adoptie 2013) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) juncto [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2) en [3 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de commissie: de klachtencommissie vergunninghouders interlandelijke adoptie. Artikel 2 1. Aan de (plaatsvervangend) voorzitter van de commissie wordt een vergoeding per vergadering toegekend van 130% van de vergoeding van de overige leden van de commissie. 2. Aan de overige (plaatsvervangend) leden van de commissie wordt een vergoeding per vergadering toegekend van 1,5% van het maximum van salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). 3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt geen vergoeding verstrekt aan personen die op grond van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) zijn uitgesloten van een vergoeding. Artikel 3 Het Besluit van 18 april 2001, kenmerk Nr. 5092643, inzake de toekenning van vacatiegeld aan de (plaatsvervangend) voorzitter en de (plaatsvervangend) leden van de klachtencommissie vergunninghouders interlandelijke adoptie komt met inwerkingtreding van dit besluit te vervallen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artike"},{"i":3904,"b":"Besluit van 3 juli 2008, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de verloskundige (Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied verloskundige 2008) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 april 2008, MEVA/BO-2839188; Gelet op de [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=30) en [31 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=31); De Raad van State gehoord (advies van 8 mei 2008, no. W13.08.0119/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juni 2008, MEVA/BO-2851158; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet** de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. **studiepunt** de in [artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4) bedoelde eenheid waarin de studielast wordt uitgedrukt; - c. **EBM** Evidence Based Medicine, beschikbare resultaten uit wetenschappelijk onderzoek op medisch, in het bijzonder verloskundig, gebied, die gebruikt worden ter onderbouwing van het verloskundige handelen. § 2. Titel Artikel 2 Om in het krachtens [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) ingestelde register van verloskundigen te kunnen worden ingeschreven, is vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van een opleiding tot verloskundige die is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen, genoemd in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13), en die voldoet aan de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":2073,"b":"Aanvraagprocedure exameninstellingen betreffende recht op examinering mbo Deel I. Algemeen 1. Recht op examinering 1.1. Inleiding Deze publicatie bevat informatie over de procedure voor het aanvragen van het recht tot examinering van een beroepsopleiding door een exameninstelling. Deze aanvraag geldt ook als aanmelding voor registratie in het centraal register beroepsopleidingen (crebo). Met het recht op examinering kan een exameninstelling in opdracht van een onderwijsinstelling de verantwoordelijkheid voor examinering voor de betreffende beroepsopleiding op zich nemen. Er is dan sprake van uitbesteding, waarbij de onderwijsinstelling de verantwoordelijkheid voor de examinering van de opleiding volledig heeft overgedragen aan de exameninstelling. Met ingang van 1 augustus 2012 is de wet tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web) betreffende de beroepsgerichte kwalificatiedossiers in werking getreden en worden opleidingen volgens de beroepsgerichte kwalificatiestructuur (BKS) verzorgd. Het criterium voor het verlenen van het recht tot examinering is de borging van voldoende examenkwaliteit van die opleidingen. Dit wordt afgemeten aan de vernieuwde standaarden voor examenkwaliteit (zie [Regeling standaarden examenkwaliteit 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030427)). De beroepsgerichte kwalificatiedossiers en de indeling van de dossiers in opleidingsdomeinen zijn gepubliceerd in de ‘[Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031310)’, te vinden via de link http://wettenoverheid.nl ). Indien er nieuwe dossiers en/of aanpassingen aan bestaande dossiers zijn, zullen deze bekendgemaakt worden. 1.2. Twee verschillende aanvraagprocedures [Artikel 1.6.1 van de Web](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.6.1) stelt de voorwaarde dat de instelling in het geval van het verkrijgen van het recht tot examinering van een beroepsopleiding voor de desbetreffende ople"},{"i":2091,"b":"Aanwijzing als speciale beschermingszone EG-Vogelrichtlijn Besluit: Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de [richtlijn nr. 79/409/EEG](31979L0409) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb. EG L 103) wordt aangewezen: het op bijbehorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Friese IJsselmeerkust’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een toelichtende nota en een kaart, welke deel uitmaken van deze beschikking. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze beschikking zal, met uitzondering van toelichtende nota en de kaart, met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlage en de toelichtende nota worden ter inzage gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te ’s-Gravenhage."},{"i":7018,"b":"Wet van 20 april 2022 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/771 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG, en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG, en van Richtlijn (EU) 2019/770 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten (PbEU 2019, L 136) (Implementatiewet richtlijnen verkoop goederen en levering digitale inhoud) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [Richtlijn (EU) 2019/771](32019L0771) van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van [Verordening (EU) 2017/2394](32394R2017) en [Richtlijn 2009/22/EG](32009L0022), en tot intrekking van [Richtlijn 1999/44/EG](31999L0044), en [Richtlijn (EU) 2019/770](32019L0770) van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten (PbEU 2019, L 136) moeten worden omgezet in bepalingen van nationaal recht en dat daartoe [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290), de [Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586) en enige andere wetten moeten worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III Wijzigt"},{"i":2130,"b":"Aanwijzing coördinerende instantie Overwegende dat artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van [verordening (EEG) nr. 729/70](31970R0729) (Pb EG L 94), laatstelijk gewijzigd bij [verordening (EG) nr. 1287/95](31995R1287) (Pb EG L 125), de Lid-Staten verplicht indien meer dan één betaalorgaan wordt erkend, een coördinerende instantie aan te wijzen die enerzijds belast is met het centraliseren van de ter beschikking van de Commissie te stellen gegevens en het aan de Commissie verstrekken van deze gegevens en anderzijds een geharmoniseerde toepassing van de communautaire voorschriften bevordert; Overwegende dat, gelet op het feit dat in Nederland meer dan één betaalorgaan is erkend, ter uitvoering van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van [verordening (EEG) nr. 729/70](31970R0729) (Pb EG L 94) een coördinerende instantie moet worden aangewezen; Besluit: Artikel 1 Als coördinerende instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van [verordening (EEG) nr. 729/70](31970R0729) wordt aangewezen: het Coördinerend Bureau, ressorterend onder de Directie Internationale Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Artikel 2 De coördinerende instantie treedt op als enige vertegenwoordiger van de Lid-Staat Nederland tegenover de Europese Commissie voor alle aangelegenheden als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008470&artikel=2&z=1997-01-01&g=1997-01-01) van verodening (EG) nr. 1663/95 van de Commissie (Pb EG L 158). Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 1997."},{"i":2131,"b":"Aanwijzing COTG als instantie vaststelling beleidsregels stimulansopbrengsten apotheekhoudenden Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Gelezen de brief van het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, (brief van 22 april 1999, kenmerk JHD/th/V/99/270, vastgesteld in de vergadering van 19 april 1999); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 29 juni 1999, kenmerk Z/P-991730), Besluiten: Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van personen en instellingen, die in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=2), [aanhef en onder a, van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](onbekend) als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige beleidsregels vast dat de stimulansopbrengsten dekking geven aan de praktijkkosten en/of het inkomen van apotheekhoudenden. Hierbij wordt uitgegaan van een macro-bedrag ad f 39 miljoen (excl. BTW) op jaarbasis, hetgeen overeenkomt met een bedrag van f 23.000 per rekennorm-apotheek. Artikel 2 In de bedoelde beleidsregels ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg bij het onbreken van een verzoek tot goedkeuring of vaststelling van tarieven, ambtshalve gewijzigde tarieven vaststelt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5716,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 april 2024, nr. 2024-0000094111, tot het verstrekken van subsidie aan geregistreerde kindercentra voor de inzet van groepshulpen (Subsidieregeling groepshulpen kinderopvang) Gelet op de [artikelen 2, aanhef en onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=2), [3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** een houder, als bedoeld in de [wet Kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017), van een geregistreerd kindercentrum, die subsidie aanvraagt op grond van deze regeling; - **deeltijdpercentage:** het aantal in de arbeidsovereenkomst opgenomen contracturen met een maximum van 36 contracturen, gedeeld door 36; - **de-minimisverklaring:** verklaring als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de [Verordening (EU) nr. 2023/2831](32023R2831) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L 2023/ 2831); - **geregistreerd kindercentrum:** een geregistreerd kindercentrum als bedoeld in de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017); - **groepshulp:** een persoon die op grond van een arbeidsovereenkomst een groepsondersteunende functie in een geregistreerd kindercentrum van de aanvrager vervult als bedoeld in de Cao Kinderopvang 2023–2024; - **minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - **RVO:** Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2. Inleidende bepalingen Op het aanvragen en verstrekken van subsidie op grond van deze regeling is de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten"},{"i":5097,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2008, nr. PO&I/2008/34894, houdende de inrichting van de organisatie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alsmede verdeling van taken en verlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en formatie rijksdienst 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023020&artikel=2) en [10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **het ministerie:** het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **bewindspersoon:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of de Minister van Werk en Participatie, afhankelijk van wie het aangaat; - c. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon besluiten te nemen; - d. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - f. **vertegenwoordigingsbevoegdheid:** de bevoegdheid om namens een bewindspersoon, onder diens verantwoordelijkheid en met inachtneming van diens algemene en bijzondere aanwijzingen, besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten dan wel handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - g. **bedrijfsvoering:** de sturing en beheersing van bedrijfsprocessen om de gestelde (beleids)doelstellingen te kunnen realiseren; - h. **Commissie Management Development:** de commissie, bestaande uit de functionarissen, genoemd in [artikel 3, onderdelen a tot en met e](https://wetten.overheid"},{"i":4979,"b":"Model Jaarverslaggeving CAK Bestuurlijke verantwoording 2019 **Bestuurlijke verantwoording 2019** Vastgesteld op 3 maart 2020 **Inhoud** 1. Algemeen 1.1. Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de jaarlijkse verantwoordingsplicht van het CAK over de uitvoering van de [Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) (Wtcg)1Afgeschaft per 1 januari 2014., de Ouderbijdrage [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) (ObJw)2Afgeschaft per 1 januari 2016., de afgifte van Schengen- en Engelstalige verklaringen, de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ)3Afgeschaft per 1 januari 2015., de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz), de [Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) (Wmo) en de Compensatieregeling eigen risico (CER)4Afgeschaft per 1 januari 2014. als onderdeel van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Het CAK is belast met het uitvoeren van publiekrechtelijke werkzaamheden. Ook beschrijft dit hoofdstuk welke verantwoordingsdocumenten het CAK jaarlijks moet aanleveren voor de verantwoording over de uitvoering van deze taken bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Het CAK is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het CAK heeft in dit kader te maken met wet- en regelgeving en volgt zover van toepassing de Code Goed Bestuur Publieke Dienstverleners van de Handvestgroep Publiek Verantwoorden van november 20155Zie hiervoor www.publiekverantwoorden.nl.. [De Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036399) (in werking getreden op 14 maart 2015) en de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) maken h"},{"i":3646,"b":"Besluit van 11 december 2014 tot vaststelling van regels over de inhoud van het begrip loon in het kader van de berekening van de hoogte van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 668, derde lid, en 673 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 november 2014, nr. 2014-0000162309; Gelet op de [artikelen 668, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=668), en [673, tiende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 november 2014, nr. W12.14.0400/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 december 2014, nr. 2014-0000179626; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **vergoeding:** de door de werkgever aan de werknemer verschuldigde vergoeding, op grond van [artikel 668, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=668) of de transitievergoeding, bedoeld in [artikel 673 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673); - b. **vaste looncomponenten:** bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen looncomponenten, waarvan de hoogte niet bepaald wordt door het functioneren van de werknemer of de resultaten van de onderneming; - c. **variabele looncomponenten:** bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen looncomponenten, waarvan de hoogte bepaald wordt door het functioneren van de werknemer of de resultaten van de onderneming. Artikel 2. Loon 1. Voor de toepassing van [artikel 668, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=668), en [art"},{"i":6072,"b":"Besluit van 7 juni 2013, houdende enkele aanpassingen van het Besluit Bibob, het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens, het Besluit politiegegevens, het Besluit controle op rechtspersonen, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit strategische goederen en het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob (Verzamelbesluit evaluatie en uitbreiding Wet Bibob) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 28 september 2012, nr. 306736; Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=1), en [27, eerste lid, onder j, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=27), de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=2), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=9), en [13, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=13), [artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18), [artikel 6 van de Wet controle op rechtspersonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015049&artikel=6), de [artikelen 2.1, eerste lid, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), de [artikelen 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.17) en [2.20, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.20), de [artikelen 1:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:4), en [3:1 van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=3:1) en [artikel 3 van de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010178&artikel=3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord"},{"i":2190,"b":"Aanwijzing procesafspraken in strafzaken Samenvatting In zaken waarin dat met het oog op een effectieve afdoening of gestroomlijnde procesgang dienstig is, kan de officier van justitie binnen de kaders van het opportuniteitsbeginsel en de eisen van een eerlijk proces procesafspraken met de verdediging maken over bijvoorbeeld de wijze van procederen, de omvang van het strafrechtelijk geschil dat aan de strafrechter wordt voorgelegd, de proceshouding ter terechtzitting en de afhandeling van het beslag. Deze aanwijzing bevat de randvoorwaarden die de officier van justitie daarbij in acht neemt en voorziet in de procedure voor het maken van procesafspraken. 1. Achtergrond In de afgelopen jaren heeft de wetgever meer betekenis toegekend aan de rol van consensualiteit. In het strafprocesrecht is een geleidelijke verschuiving zichtbaar van de klassieke gerechtelijke procedure naar een model waarin de onafhankelijke strafrechter instaat voor de juiste toepassing van het materiële strafrecht, en consensualiteit een rol kan spelen bij beslissingen die aan de procesrechten van partijen raken. Enkele voorbeelden zijn het voortbouwend appel ([art. 415 lid 2 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=415)), de opdracht rekening te houden met de uitkomsten van herstelbemiddeling ([art. 51h lid 2 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51h)) en het afzien van oproeping van niet-verschenen getuigen met instemming van OM en verdediging ([art. 288 lid 3 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=288)). Deze bepalingen hebben gemeen dat zij bijdragen aan de kwaliteit en effectiviteit van het onderzoek ter terechtzitting doordat de inhoudelijke behandeling kan worden toegespitst op hetgeen OM en verdediging verdeeld houdt. Dit leidt tot een beter gestroomlijnde procesgang zonder afbreuk te doen aan de daarbij vereiste zorgvuldigheid. Voortbouwend op deze ontwikkeling is het mogelijk consensualiteit tussen OM en verdediging meer struc"},{"i":2191,"b":"Besluit tot aanwijzing RDW toezichthouders ITS Gelet op [artikel 145g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=145g) en [158, eerste lid, van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=158), [artikel 5.1 van de ITS-regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036478&artikel=5.1), [artikel 2, onderdelen cc en dd van de Regeling taken Dienst Wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008144&artikel=2) in samenhang met het [besluit aanwijzing toezichthouder artikel 145g Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036483); Besluit: Artikel 1 Als toezichthouders op de naleving van hetgeen is bepaald bij of krachtens [artikel 145g van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=145g) zijn belast de ambtenaren van de Dienst Wegverkeer, Divisie Registratie & Informatie, afdeling Informatie en Rijbewijzen, unit Informatieverstrekking, die zijn belast met het toezicht gebruik gegevens kentekenregister, als bedoeld in [artikel 45a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=45a) en de [Aanwijzing toezichthouders gebruik gegevens kentekenregister](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024777)1Stcrt. nr. 234 van 2 december 2008. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van 1 juli 2015. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing RDW toezichthouders ITS Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd."},{"i":2612,"b":"Besluit van het Commissariaat voor de Media van 10 maart 2009 houdende beleidsregels omtrent lokaal publiek media-aanbod voor twee of meer gemeenten (Beleidsregels lokaal publiek media-aanbod voor twee of meer gemeenten 2009) Gelet op de [artikelen 7.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.11) en [7.12 van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.12), Gelet op [artikel 2.64 van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.64), Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Strekking van de regeling Artikel 1 De beleidsregels vastgesteld in deze regeling zijn een nadere uitwerking van de wettelijke voorschriften die toestaan dat een lokale publieke media-instelling media-aanbod verzorgt dat bestemd is voor twee of meer gemeenten. Inhoudelijke toets Artikel 2 De in [artikel 2.61 van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.61) opgenomen eisen gelden ook voor de instelling die een aanvraag indient tot aanwijzing als lokale publieke media-instelling voor het verzorgen van lokale media-aanbod dat bestemd is voor twee of meer gemeenten. Artikel 3 De gemeenten waarvoor het lokale media-aanbod bestemd is, liggen zoveel mogelijk in een samenwerkingsgebied zoals voorzien in de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) (Stb. 667, 20 december 1984). Deze samenwerkingsgebieden kunnen de provinciegrens overschrijden. Artikel 4 Het verzorgingsgebied waarvoor het lokale media-aanbod bestemd is - a. bestaat uit bijeen liggende, aan elkaar grenzende gemeenten, binnen welk gebied het vanzelfsprekend wordt geacht dat één lokale publieke media-instelling het lokale media-aanbod verzorgt; - b. wordt beschouwd als een sociale, culturele en geografische eenheid in die zin dat het door de inwoners o"},{"i":4278,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 25 november 2014, kenmerk 8790, inzake verlening van de vergunning tot het organiseren van een totalisator Op grond van [artikel 24 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=24) (hierna: de wet) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan Sportech Racing B.V., een besloten vennootschap naar Nederlands recht gevestigd in ’s Gravenhage met KvK-nummer 27144447 (hierna: de vergunninghouder), de vergunning tot het organiseren van een totalisator voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016. Aan deze vergunning zijn de volgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van het kansspel inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Bestuursstructuur B. Aangeboden kansspel C. Afdrachten D. Bescherming van consumenten E. Toezicht en controle F. Rapportage en verslaglegging G. Overig"},{"i":4625,"b":"Handhavingsbeleid van het BFT Gelet op [artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) kan het BFT beleidsregels vaststellen met betrekking tot een aan het BFT toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. Het handhavingsbeleid is geactualiseerd met het oog op bij de huidige toezichtpraktijk. [Het Handhavingsbeleid van het BFT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039011) van 21 november 2016 wordt hiermee ingetrokken. Het Handhavingsbeleid van het BFT is vastgesteld door het bestuur op 27 juni 2025. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst. Dit besluit treedt in werking vanaf juli 2025. 1. Inleiding In dit document verwoordt het BFT zijn Handhavingsbeleid dat het toepast voor de handhaving van de bepalingen van de wet- en regelgeving waarop het toezicht houdt, uit hoofde van de aan het BFT bij die wetten toegewezen toezichtstaken. Denk daarbij aan de [Wet op het Notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388), de [Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197), de [Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685) en de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282). Het BFT draagt bij aan de rechtszekerheid en de integriteit van het financieel-economische stelsel in Nederland. Handhaving door het BFT staat altijd in het teken van de bescherming van de maatschappelijke belangen bij een goed functioneren van een beroepsbeoefenaar. Het toezicht levert daaraan een belangrijke bijdrage. In dat kader kan normconform gedrag worden bereikt door de inzet van instrumenten (hierna: “handhavingsinstrumenten”). Het hierna beschreven handhavingsbeleid geeft inzicht in de uitgangspunten en factoren die voor het BFT richtinggevend zijn bij het bepalen van de inzet van handhavingsinstrumenten. Het document is als vol"},{"i":2879,"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, van 13 november 2025, nr. 6855335 Directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2026 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2026) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); **Besluit:** Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2026 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 4,6. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2026. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3163,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 april 2017 nr. BOACAT2017/030, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Dordrecht Gelezen het verzoek van de gemeente Dordrecht van 21 februari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039444&artikel=2&z=2017-09-05&g=2017-09-05). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van teamleider, teamcoördinator, adviseur of handhaver in dienst van de afdeling Handhaving van de gemeente Dordrecht, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor"},{"i":5305,"b":"Regeling bijzondere subsidie bewindvoerders WSNP Gelet op [artikelen 13 lid 1 sub c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=13) (Wrb), en [artikel 39 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=39); Overwegende dat de Raad in zijn Jaarplan 2011 heeft opgenomen in 2011 een pilot te starten rond het voeren van specifieke juridische procedures door bewindvoerders op toevoegbasis; Voor dit doel sluit de Raad overeenkomsten tot het verlenen van rechtsbijstand. Deze overeenkomsten strekken ertoe om gedurende deze pilot een subsidie af te geven ten behoeve van het verlenen van rechtsbijstand door bij de Raad geregistreerde bewindvoerders; Heeft de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1 1. De Raad sluit een overeenkomst met bewindvoerders die aan de volgende voorwaarden voldoen: - a). Ingeschreven in het Bewindvoerderregister van de Raad voor Rechtsbijstand, bureau WSNP en - b). Het kantoor waar de bewindvoerder werkzaam is, bezit een geldig kwaliteitskeurmerk WSNP volgens de auditsystematiek van de Raad voor Rechtsbijstand. 2. De Raad kan de overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen in de volgende gevallen: - c). indien de bewindvoerder niet voldoet aan de in de overeenkomst gestelde voorwaarden. - d). bij verlies van de hoedanigheid van bewindvoerder; - e). indien de erkenning volgens de auditsystematiek Wsnp bij de organisatie waar de bewindvoerder werkzaam is, ingetrokken wordt; - f). indien wijziging van de aan deze overeenkomst ten grondslag liggende wettelijke bepalingen of wijziging van andere wettelijke bepalingen daar aanleiding toe geeft. Artikel 2 1. De rechtsbijstand waarvoor een subsidie kan worden verleend, is strikt beperkt tot het voeren van verzoekschriftenprocedures in het kader van de [artikelen 287 lid 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287), [287a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287a) en [287b"},{"i":3284,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 maart 2026, nr. BOACAT2026/020, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Maastricht Gelezen het verzoek van gemeente Maastricht van 19 februari 2026 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052438&artikel=2&z=2026-05-25&g=2026-05-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van functie (senior) Boa en (senior) Wijkgebonden medewerker in dienst van gemeente Maastricht zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenom"},{"i":6836,"b":"Besluit van 16 december 1992, houdende aanwijzing van particuliere terreinbeherende organisaties ter uitvoering van het bepaalde in artikel 70a van de Pachtwet Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 9 december 1992, no. J. 9215445, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Gelet op [artikel 70**a** van de Pachtwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002269&artikel=70a) (**Stb.** 1958, 37); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties als bedoeld in [artikel 70**a** van de Pachtwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002269&artikel=70a), die de eigendom dan wel erfpacht van landbouwgronden verwerven, teneinde dat gebied als reservaat te beschouwen, worden aangewezen: - a. Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland; - b. Provinciale landschappen; - c. Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels; - d. Stichting het Gooisch Natuurreservaat; - e. Stichting Marke Vragenderveen; - f. G. A. van der Lugtstichting; - g. Stichting Edwina van Heek. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1993. Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan mededeling zal worden gedaan in het **Staatsblad**."},{"i":7373,"b":"Wet van 27 oktober 2011 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot aanpassing van artikel 97 en reparatie van enkele technische onvolkomenheden die zijn opgetreden bij de totstandkoming van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) te wijzigen teneinde [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=97) aan te passen en enkele technische onvolkomenheden te repareren die zijn opgetreden bij de totstandkoming van de Wet van 18 april 2011 tot wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ([Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029955)); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Op een gemeenschap van goederen, ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":2428,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, houdende bepalingen in verband met de handhaving van twee Europese verordeningen inzake passagiersrechten in de luchtvaart (Beleidsregel handhaving verordening (EG) nr. 261/2004 en verordening (EG) nr. 1107/2006 inzake passagiersrechten luchtvaartpassagiers) Gelet op de artikelen 2, onderdeel j, 4, derde lid, 5, derde lid en 7 van [Verordening (EG) nr. 261/2004](32004R0261) van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van [Verordening (EEG) nr. 295/91](31991R0295) (PbEU 2004, L 46), [verordening (EG) nr. 1107/2006](32006R1107) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (PbEU 2006, L 204), de [artikelen 11.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.15) en [11.16 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.16) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **ILT:** Inspectie Leefomgeving en Transport; - b. **Inspecteur:** inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport; - c. **verordening DBC:** [verordening (EG) nr. 261/2004](32004R0261) van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van [Verordening (EEG) nr. 295/91](31991R0295) (PbEU 2004, L 46); - d. **verordening PRM:** [verordening (EG) nr. 1107/2006](32006R1107) van het Europees parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake de rechten"},{"i":3404,"b":"Besluit van de directeur-generaal van de statistiek van 30 mei 2023, houdende de instelling van een Commissie bezwaarschriften handhaving CBS Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - –. **ambtelijk hoorder:** door de directeur-generaal aangewezen persoon die bevoegd is om bezwaarschriften te behandelen; - –. **ambtelijk horen:** horen door een ambtenaar of meerdere ambtenaren namens de directeur-generaal, bedoeld in [artikel 7:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:5); - –. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - –. **bezwaarmaker:** indiener van een bezwaarschrift; - –. **CBS:** het Centraal bureau voor de statistiek; - –. **CBS-wet:** de [Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926); - –. **commissie:** de Commissie bezwaarschriften handhaving CBS, een adviescommissie als bedoeld in [artikel 7:13 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13); - –. **directeur-generaal:** directeur-generaal van de statistiek - –. **voorzitter:** voorzitter van de commissie. Artikel 2. Ingediend bezwaarschrift 1. De directeur-generaal registreert het ingediende bezwaarschrift met de datum van ontvangst. 2. Daarna wordt zo spoedig mogelijk contact opgenomen met de bezwaarmaker en eventuele andere belanghebbenden. Hierbij geeft de directeur-generaal een uitleg over het vervolg van de procedure en de duur van de behandeling van het bezwaarschrift. Paragraaf 2. Informele afhandeling en ambtelijk horen Artikel 3. Vooronderzoek en informele behandeling 1. De directeur-generaal onderzoekt of het bezwaarschrift informeel kan worden afgehandeld alvorens het verder in behandeling te nemen. 2. De informele aanpak start door kort na binnenkomst van het bezwaarschrift hierover contact op te nemen met de bezwaarmaker en de voorbereider van het primaire beslu"},{"i":2488,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 oktober 2018, nr. IENW/BSK–2018/176078, over boordvoorzieningen in het kader van de Subsidieregeling riolering woonboten 2018–2020 Gelet op [artikel 5, tweede lid, van de Subsidieregeling riolering woonboten 2018-2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041513&artikel=5) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Subsidieregeling riolering woonboten 2018–2020 in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **afvalwater:** afvalwater van woongebieden en diensten, dat overwegend afkomstig is van de menselijke stofwisseling en van huishoudelijke werkzaamheden; - **binnenhuisriolering:** voorziening aan boord van woonboten ter transport van afvalwater tussen verschillende onderdelen van de boordvoorziening; - **boordvoorziening:** voorziening aan boord van woonboten, die in combinatie met een walslang bestemd is voor het opvangen, verzamelen, behandelen, afvoeren en lozen van huishoudelijk afvalwater op het openbaar riool, op een IBA ofwel, na behandeling, op het oppervlaktewater; - **deugdelijke boordvoorziening:** een boordvoorziening die voldoet aan de eisen, genoemd in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041514&hoofdstuk=2&z=2018-12-01&g=2018-12-01) van deze beleidsregel; - **IBA:** door de waterkwaliteitsbeheerder toegelaten individuele behandeleenheid voor afvalwater waarop het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd, die al dan niet geïntegreerd is in de boordvoorziening; - **lozen:** het brengen van: - –. afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in een oppervlaktewaterlichaam; - –. afvalwater of overige vloeistoffen op of in de bodem; - –. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar hemelwaterstelsel, openbaar ontwaterin"},{"i":7928,"b":"Wet van 6 juli 2004 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en enige andere wetten in verband met de beëindiging van de toegang tot die verzekering voor diegenen die op of na de inwerkingtreding van deze wet arbeidsongeschikt worden (Wet einde toegang verzekering WAZ) Artikel I Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel II Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel III Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel IV Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Artikel V Wijzigt de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. Artikel VI Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel VII Wijzigt de Ziekenfondswet. Artikel VIII Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IX Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel X Wijzigt de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen. Artikel XI. Overgang vermogensbestanddelen arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen Alle vermogenbestanddelen die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5), afzonderlijk worden beheerd en geadministreerd in de vorm van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, bedoeld in artikel 78 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016985&artikel=I&z=2005-01-01&g=2005-01-01), van deze wet, gaan over op het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in [artikel 72 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=72), overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels. Artikel XII. Evaluatie Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de St"},{"i":2809,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2004, nr. L.O. 640/0073/0452482, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van sportprijsvragen, de lotto en het cijferspel Overwegende dat de geldigheidsduur van de Beschikking Sporttotalisator op 12 december 2004 verstrijkt; Overwegende dat de Stichting de Nationale Sporttotalisator, gevestigd te Rijswijk, om die reden bij brief van 16 september 2004 heeft gevraagd haar opnieuw vergunning te verlenen voor het organiseren van sportprijsvragen, de lotto en het cijferspel; Overwegende dat de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben besloten dit verzoek in te willigen en de Stichting de Nationale Sporttotalisator opnieuw vergunning te verlenen voor het organiseren van sportprijsvragen, de lotto en het cijferspel voor de duur van vijf jaar; Overwegende dat in de te verlenen vergunning, mede als gevolg van het [besluit van 22 juli 2004 tot wijziging van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017064) in verband met de wijziging van de afdrachtpercentages, tevens een voorziening is opgenomen in verband met de invoering van een afdrachtpercentage voor de lotto en het cijferspel per 1 januari 2005; Gezien de adviezen van het College van toezicht op de kansspelen van respectievelijk 26 augustus 2004 (C.638/02) en 25 november 2004 (C.873/04); Besluiten: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) (Stb. 1964, 483); - b. de minister: de Minister van Justitie; - c. de staatssecretaris: de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - d. de stichting: de Stichting de Nationale Sporttotalisator, gevestigd te Rijswijk; - e. cijferspel: een kansspel als bedoeld in [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overhei"},{"i":2814,"b":"Beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende toekenning van frequenties aan KPN als houdster van een vergunning voor GSM Gelet op de artikelen 13e en 13l van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen; Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. wet: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen; - b. minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - c. GSM: het systeem voor openbare paneuropese digitale cellulaire mobiele telecommunicatie te land, zoals omschreven in de bijlage bij aanbeveling nr. 87/371/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1987, inzake de gecoördineerde invoering van openbare paneuropese digitale cellulaire mobiele telecommunicatie te land in de Gemeenschap (PbEG L 196); - d. CEPT: Conférence Européenne des Postes et des Télécommunications; - e. vergunning: de aan KPN B.V. krachtens artikel 13i, eerste lid, van de wet verleende vergunning voor GSM; - f. vergunninghouder: KPN B.V. als de houdster van de onder e genoemde vergunning; - g. actieve SIM-kaart: een chipkaart met informatie die toegang tot GSM diensten geeft; - h. drukste uur: het klokuur waarin de hoeveelheid verkeer het grootste is; - i. frequentie-economie: teller/noemer, waarbij de teller is het aantal actieve SIM-kaarten aan het eind van het jaar X het verkeer tijdens het drukste uur per actieve SIM-kaart (in Erlangs) X het gemiddelde totale verkeer (in Erlangs), en de noemer is het aantal GSM-kanalen (2x200kHz) X het totale verkeer tijdens het drukste uur (in Erlangs); - j. 900 MHz-band: frequentiebereik van 880–915 MHz en 925–960 MHz; - k. 1800 MHz-band: frequentiebereik van 1710–1785 MHz en 1805–1880 MHz; - l. transitiedatum 900: de dag na de datum waarop alle vergunningen, bedoeld in [artikel 20.2 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.2), voor zover zij betrekking hebben op de 900 MHz-band, en met inbegrip van verlengingen, zijn afgelopen;"},{"i":8069,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein rijkshuisvesting vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/8); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ’selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein rijkshuisvesting over de periode vanaf 1945’ met de daarbij behorende toelichting wordt vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Selectielijsten voor de neerslag van de handelingen van de rijksoverheid op het beleidsterrein rijkshuisvesting Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1945–1998 (herzien), 1999– VakMinister, 1945– Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1945– Minister van Buitenlandse Zaken, 1945– Minister van Defensie 1945–2002 (herzien), 2003– Minister van Economische Zaken, 1945– Minister van Financiën, 1945– Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 1945– Minister van Verkeer en Waterstaat, 1945– A. Verantwoording van het basisselectiedocument **a. Doel en werking van het bsd** Het Basisselectiedocument (bsd) of selectielijst is volgens het [Archiefbesluit van 1995 (art. 2–5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2)) het wettig instrument voor het selecteren van archiefbescheiden. Deze lijst bevat een opsomming van de taken van het overheidsorgaan met vermelding van te bewaren of te vernietigen documentaire neerslag. De methode voor het beschrijven en waarderen van overheidstaken is ontwikkeld in het PIVOT traject (Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn) onder lei"},{"i":8212,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 12 april 2005, nr. MC/MO-2576252, houdende vaststelling van een beleidsregel ex. artikel 13 van de Wet tarieven gezondheidszorg inzake kortingen voor universitair medische centra, algemene ziekenhuizen en categorale ziekenhuizen vanaf 2005 Gelet op [artikel 13 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=13); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brieven van 18 februari 2005, kenmerk MC/MO-2560920 en MC/MO-2560923); Besluit: Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1, onder A, nummers 1, 2, 4 en 28a van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1). Ter uitvoering van de [artikelen 3 tot en met 5 van dit besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=3) stelt het College tarieven gezondheidszorg op grond van [artikel 11 van de Wet Tarieven Gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=11) beleidsregels vast voor de in de eerste volzin bedoelde organen. Artikel 2 Deze beleidsregel verstaat onder: - a. Categorale ziekenhuizen: Dit betreft instellingen in [artikel 1, onder A, nummers 4 en 28a van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1). - b. Universitair medische centra (UMC): Dit betreft instellingen zoals bedoeld in [artikel 1, onder A, nummer 2, van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1). Artikel 3 1. Voor de algemene ziekenhuizen en categorale ziekenhuizen gelden de volgende kortingsbedragen: - a. voor 2005 een kortingsbedrag van € 90,8 mln. (prijspeil 2004) - b. voor 2006 een kortingsbedrag van € 195,4 mln. (prijspeil 2004) - c. vanaf 2007 structureel een kortingsbedrag van € 190,8 mln. (prijspeil 2004) 2. Voor de toedeling van onder lid 1"},{"i":8259,"b":"Besluit van 12 december 1995, houdende wijziging van het Besluit homeopatische farmaceutische produkten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juni 1995, GMV/G 952674; Gelet op - [Richtlijn 92/73/EEG](31992L0073) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 september 1992 tot uitbreiding van het toepassingsgebied van de [Richtlijnen 65/65/EEG](31965L0065) en [75/319/EEG](31975L0319) betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake geneesmiddelen en tot vaststelling van aanvullende bepalingen voor homeopatische geneesmiddelen (**PbEG** L 297); - artikel 14, vijfde lid, van [Richtlijn 93/39/EEG](31993L0039) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 tot wijziging van de [Richtlijnen 65/65/EEG](31965L0065), [75/318/EEG](31975L0318) en [75/319/EEG](31975L0319) inzake geneesmiddelen (**PbEG** L 214); en - de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002290&artikel=1), derde lid, 3, zevende lid, en [26, onder **f**, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002290&artikel=26); Gezien het advies van de Geneesmiddelencommissie (advies van 11 juli 1994, nr Geco 4795); De Raad van State gehoord (advies van 15 augustus 1995, no. W13.95.0340); Gezien het nader rapport van voornoemde Minister van 6 december 1995, GMV/G 954527; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. Op homeopatische farmaceutische produkten als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Besluit homeopatische farmaceutische produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005371&artikel=4), welke zijn bereid in overeenstemming met genoemd besluit zoals dat luidde onmiddellijk vóór de datum van inwerkingtreding bedoeld in [artikel IV, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007721&artikel=IV&z=2002-01-01&g=2002-01-01), van dit besluit, i"},{"i":8262,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 15 maart 2022, nr. PO/FenV/31937769, houdende de verlenging van de termijn voor de leerlingentelling en aanpassing en intrekking van verschillende regelingen in verband met de vereenvoudiging bekostiging primair onderwijs (Wijzigingsregeling in verband met de vereenvoudiging bekostiging po) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), de [artikelen 113, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=113), [117, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117), en [161, vijftiende lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=161), de [artikelen 115, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=115), [119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119), en [182, veertiende lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=182), [artikel 142, elfde lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=142), [artikel 84, achtste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=84), [artikel 5.13, achtste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.13), [artikel 4, tweede lid, van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4), [artikel XI, vijfde lid, van de Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op het voortgezet onderwijs en enkele andere wetten vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045030&artikel=XI) (Stb. 2021, 171), de [ar"},{"i":8298,"b":"Aanvullend Protocol bij de Handelsovereenkomst ondertekend op 2 juni 1960 te Madrid, tussen de Benelux Economische Unie, enerzijds, en de Spaanse Staat, anderzijds Le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas, et Le Gouvernement du Royaume de Belgique, tant en son nom, qu'au nom du Gouvernement du Grand-Duché de Luxembourg, en vertu d'accords existants, Ces Gouvernements agissant en commun en vertu du Traité instituant l'Union économique, conclu entre eux le 3 février 1958, d'une part, et Le Gouvernement de l'Etat Espagnol, d'autre part A la suite de la réunion à Bruxelles du 5 au 20 avril 1961 de la Commission Mixte prévue à l'article VI de l'Accord commercial entre l'Union Economique Benelux d'une part et l'Etat Espagnol d'autre part, signé le 2 juin 1960, Sont convenus des dispositions suivantes: Article I Wijzigt de Handelsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de Spaanse Staat, anderzijds; Madrid, 2 juni 1960. Article II Wijzigt de Handelsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de Spaanse Staat, anderzijds; Madrid, 2 juni 1960. Article III La liste A annexée à l'Accord commercial concernant les exportations de produits espagnols vers les Pays-Bas est supprimée, tous les produits y figurant ayant été libérés à l'exception du contingent numéro 8 (raisins). Les Autorités compétentes du Royaume des Pays-Bas autorisent l'importation de raisins espagnols, à concurrence d'une valeur de $ U.S. 25.000. Article IV Lorsque les obligations découlant du Traité instituant la Communauté Economique Européenne et relatives à l'instauration progressive d'une politique commerciale commune le rendront nécessaire, des négociations seront ouvertes dans le plus bref délai possible afin d'apporter au présent accord toutes modifications utiles. La même procédure sera appliquée lorsque les obligations qui pourraient découler de l'i"},{"i":4173,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Erfgoedinspectie periode vanaf (1993) 2001 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Erfgoedinspectie (ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) en haar rechtstaakvoorgangers, voor de periode vanaf (1993) 2001’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De voor de Erfgoedinspectie en haar rechtstaakvoorgangers vastgestelde handelingen in de [selectielijst Cultuurbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016822) (vastgesteld bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. **C/S/04/1209** d.d. 5 juni 2004 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 208 d.d. 28 oktober 2004)) worden afgesloten per 1-1-2001. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":2763,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2009 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2009, doch niet later dan 15 juli 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,919 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2009 en eindigende met 15 juli 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000529"},{"i":7082,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika; De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht; Hebben daartoe tot hun gevolmachtigden benoemd: De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden: Hendrik C. Maclaine Pont, Gevolmachtigd Minister van het Koninkrijk der Nederlanden, en De Regering van de Verenigde Staten van Amerika: William P. Rogers, Secretaris van Staat, die, na elkaar mededeling te hebben gedaan van hun volmachten, welke in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, tot overeenstemming zijn gekomen over de volgende artikelen: HOOFDSTUK I. Reikwijdte van de Overeenkomst Artikel 1. Nalatenschappen waarop de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op nalatenschappen van overledenen welke onder het bereik van de belastingheffing van een van de Staten of van beide Staten vallen, doordat de overledene bij zijn overlijden aldaar zijn woonplaats had of daarvan staatsburger was. Een overledene die bij zijn overlijden staatsburger van de Verenigde Staten was, maar volgens de wetgeving van de Verenigde Staten voor de toepassing van hun belastingheffing geacht wordt een niet-inwoner niet-staatsburger van de Verenigde Staten te zijn geweest, wordt voor de toepassing van deze Overeenkomst geacht noch zijn woonplaats in de Verenigde Staten te hebben gehad noch een staatsburger daarvan te zijn geweest. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is (1). De belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn: - (a). voor de Verenigde Staten"},{"i":4507,"b":"Circulaire over beoordeling aanvraag vreemdelingenreisdocument in het licht van internationale betrekkingen 1. Inleiding Met ingang van 1 oktober 2018 is de [Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012811) (PUN) gewijzigd. De wijziging betreft onder meer een nieuwe werkwijze voor de vaststelling van de aanspraak op een vreemdelingenreisdocument. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft een circulaire gestuurd over de wijziging van de procedure voor de aanvraag van een reisdocument vluchtelingen of voor vreemdelingen. Deze circulaire van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is een specificatie van de BZK circulaire op het onderdeel controle van de internationale betrekkingen. Doel van deze circulaire is de burgemeester of gezaghebber te informeren in welke situaties er op voorhand geen bedenkingen bestaan tegen de honorering van een aanvraag van een vreemdelingenreisdocument in het licht van internationale betrekkingen. De circulaire bevat een aantal leidraden om vast te stellen of een aanvraag een standaardsituatie betreft of niet. Tevens biedt deze circulaire de burgemeester en gezaghebber een handreiking over hoe om te gaan met deze leidraden. De circulaire beschrijft: 2. De rol van de Minister van Buitenlandse Zaken in de aanvraagprocedure De vaststelling van de aanspraak op een vreemdelingenreisdocument omvat drie onderdelen: De verstrekking van reisdocumenten aan vreemdelingen vindt enkel in uitzonderlijke situaties plaats omdat dit naar internationale opvatting een inbreuk op de soevereiniteit van een andere staat oplevert. Alleen die staat zelf bepaalt in beginsel aan welke onderdanen hij een reisdocument afgeeft. Verstrekking van een reisdocument aan een vreemdeling zal daarom in principe dan ook alleen kunnen plaatsvinden indien deze vreemdeling van zijn land, noch van enig ander land een reisdocument kan verkrijgen of reeds verkregen heeft. De burgemeester of gezaghebber raadplee"},{"i":3970,"b":"Besluit van 13 november 2007, houdende regels inzake een register met gegevens betreffende ruimtevoorwerpen (Besluit register ruimtevoorwerpen) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 10 juli 2007, nr. WJZ 7080976; Gelet op [artikel 11, tweede en vierde lid, van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=11); De Raad van State gehoord (advies van 1 augustus 2007, nr. W10.07.0224/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 7 november 2007, nr. WJZ 7130082; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. register: het register, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=11); - b. vergunninghouder: de houder van een vergunning voor ruimtevaartactiviteiten als bedoeld in [artikel 3 van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=3). § 2. Register Artikel 2 1. Het register bestaat uit een Verenigde Naties-deel en een nationaal deel. 2. Het Verenigde Naties-deel bevat gegevens betreffende ruimtevoorwerpen waarbij Nederland ten aanzien van het betreffende ruimtevoorwerp de staat van registratie is, bedoeld in artikel I, onderdeel c, van de op 14 januari 1975 te New York tot stand gekomen Overeenkomst inzake de registratie van de in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen (Trb. 1981, 39). 3. Het nationaal deel bevat gegevens betreffende ruimtevoorwerpen die gebruikt worden in het kader van ruimtevaartactiviteiten als bedoeld in [artikel 2 van de Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418&artikel=2), niet zijnde ruimtevoorwerpen als bedoeld in het tweede lid. 4. Onze Minister draagt zorg voor de verstrekking van de gegevens uit het Verenigde Naties-deel aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Artikel 3 Het register bevat gegevens van het ruimtevo"},{"i":8424,"b":"Besluit verrekening buitenlandse heffing van een afgezonderdparticulier vermogen in verdragssituaties De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit bevat een goedkeuring voor de verrekening van de ter zake van een afgezonderd particulier vermogen in het buitenland geheven belasting met verschuldigde inkomstenbelasting in verdragssituaties.** 1. Inleiding Sinds 2010 kent de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) (hierna: Wet IB 2001) een regeling die beoogt een einde te maken aan het onbelast laten van inkomensbestanddelen van een afgezonderd particulier vermogen (hierna: APV). Die regeling is opgenomen in [artikel 2.14a Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14a). Op grond van deze bepaling worden de bezittingen en schulden waarvan de juridische eigendom berust bij (de bestuurder van) het APV en de opbrengsten en uitgaven van het APV toegerekend aan de inbrenger van dat vermogen of na diens overlijden aan diens erfgenamen. Toerekening vond niet plaats wanneer het APV zelf in een ander land in een reële winstbelasting werd betrokken (de zogenoemde toerekeningsstop; art. 2.14a, lid 7 (oud) Wet IB 2001). Die toerekeningsstop is op 20 september 2016 aangescherpt en alleen nog van toepassing als blijkt dat het APV een onderneming drijft en in de vestigingsstaat onderworpen is aan een belasting naar de winst. 2. Dubbele belasting Bij de totstandkoming van [artikel 2.14a Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14a), en bij de latere aanscherping van de toerekeningsstop in 2016 is voorzien dat toepassing van deze bepaling kan leiden tot dubbele belasting. Die dubbele belasting kan in dit verband twee vormen aannemen. Bij juridisch dubbele belasting wordt bij één persoon (subject) over één inkomen (object) door twee landen belasting geheven. Bij economisch dubbele belasting wordt bij twee verschillende subjecten over hetzelfde object belasting"},{"i":8435,"b":"Briefwisseling tussen de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden en de Helleense Republiek inzake artikel 36, derde lid, van EEG-Verordening nr. 1408/71 Having regard to Article 36, paragraph 3 of Regulation (EEC) No 1408/71 of the Council of 14 June 1971 on the application of social security schemes to workers and self-employed persons, as well as their families, moving within the Community, and to the Articles 93, paragraph 6,94., paragraph 6, and 95, paragraph 6 of Regulation (EEC) No 574/72 of 21 March 1972 fixing the procedure for implementing Regulation (EEC) No 1408/71, Wishing to ease the administrative task of the Dutch and the Greek institutions by making use of the possibility offered by Regulations (EEC) Nos 1408/71 and 574/72 to agree upon other methods of assessing the amounts to be refunded; Have agreed upon the following: Article 1 Contrary to Article 93 of Regulation (EEC) No 574/72 the Greek competent institution shall refund the costs of benefits in kind that have been provided, - a). according to Article 19, paragraph 1, of Regulation (EEC) No 1408/71 to employed or self-employed persons, other than seafaring people, who reside in the Netherlands, by a lump-sum which is based on 80% of the average yearly costs pro capita; - b). according to Article 19, paragraph 2, of Regulation (EEC) No 1408/71 to members of the families of employed or self-employed persons, who reside in the Netherlands, by a lump-sum which is based on 80% of the average yearly costs pro capita; - c). according to Article 29, paragraph 1, of Regulation (EEC) No 1408/71 to in the Netherlands residing members of the families of the holders of pension rights who reside in Greece, by a lump-sum which is based on 80% of the average yearly costs pro capita. Article 2 In the cases referred to in Article 1 of this Agreement, the institution of the place of residence shall be considered the competent institution for the application of the Articles 22 and 31 of Regulatio"},{"i":2960,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 7 maart 2023, nr. DAD/22557762, tot aanwijzing van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming als gemachtigde instantie overeenkomstig de Verordening officiële controles (Besluit aanwijzing LID als gemachtigde instantie) Gelet op [verordening (EU) nr. 2017/625](32525R2017) van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), (EU) [nr. 1151/2012](32012R1151). (EU) [nr. 652/2014](32014R0652), (EU) [2016/429](32329R2016) en (EU) [2016/2031](32031R2016) van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen [(EG) nr. 1/2005](32005R0001) en [(EG) nr. 1099/2009](32009R1099) van de Raad en de Richtlijnen [98/58/EG](31958R0098), [2007/43/EG](31943R2007), [2008/119/EG](32019R2008) en [2008/120/EG](32020R2008) van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen [(EG) nr. 854/2004](32004R0854) en [(EG) nr. 882/2004](32004R0882) van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen [89/608/EEG](32508R0089), [89/662/EEG](32562R0089), [90/425/EEG](32325R0090), [91/496/EEG](32396R0091), [96/23/EG](31923R0096), [96/93/EG](31993R0096) en [97/78/EG](31978R0097) van de Raad en Besluit [92/438/EEG](32338R0092) van de Raad, [artikel 6.3, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3) en [artikel 4.8 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032334&artikel=4.8); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **gezelschapsdier:** gezelschapsdier als bedoeld in [artikel 1"},{"i":4713,"b":"Instellingsbesluit Commissie Doorlichting Interbestuurlijke Toezichtarrangementen Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. commissie: Commissie Doorlichting Interbestuurlijke Toezichtarrangementen (Commissie DIT); - b. minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 2 Er is een Commissie Doorlichting Interbestuurlijke Toezichtarrangementen (Commissie DIT). Artikel 3 De commissie heeft tot taak: - a. het begeleiden van de doorlichting van bestaande en in ontwikkeling zijnde wetgeving op het terrein van interbestuurlijk toezicht, op basis van het Kabinetsstandpunt Interbestuurlijk Toezicht en het daarbij behorend stappenplan van de Bestuurlijke Werkgroep Alders. De doorlichting wordt uitgevoerd door de departementen die het aangaat, elk op zijn eigen beleidsterrein, en komt tot stand in overleg met de koepelorganisatie van bij de betreffende interbestuurlijke toezichtarrangementen betrokken overheden; - b. het opstellen van een beoordelingsrapport over de doorlichting per departement, bezien in relatie tot het Kabinetsstandpunt Interbestuurlijk Toezicht, en, waar zij daarvoor aanleiding ziet, vergezeld van een advies over maatregelen waartoe de doorlichting en de beoordeling daarvan aanleiding geven; - c. het uitbrengen van een eindverslag, met een eindadvies. Artikel 4 1. De commissie brengt haar beoordelingsrapporten en haar eindverslag uit aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, alsmede aan de desbetreffende vakministers. 2. De beoordelingsrapporten en het eindverslag van de commissie zullen door de Minister van BZK ter bespreking worden voorgelegd aan het Overhedenoverleg en ter besluitvorming aan de ministerraad. Artikel 5 1. De commissie bestaat uit: mr. dr. M. Oosting (voorzitter), J.G.M. Alders, drs. H. Schartman, mr. A.W. Kist, drs. Y.C.Th.J. Kortmann en drs. K. van der Steenhoven. 2. Het secretariaat van de commissie wordt"},{"i":16852,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 29 juni 2015, nr. 2015000035533 tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw inzake het nemen van besluiten ter bevordering van de financiële sanering van toegelaten instellingen (Besluit mandatering Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw financiële sanering toegelaten instellingen) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), Gelet op [artikel 59, tweede lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=59), Gelet op de schriftelijke instemming van de directie van WSW, d.d. 29 juni 2015 Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **ministerie:** ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **WSW:** Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw; - d. **Autoriteit:** Autoriteit woningcorporaties, bedoeld in [artikel 60, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=60); - e. **Directie:** directie van WSW; - f. **borgingsvoorziening:** de borgingsvoorziening zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1). Artikel 2 1. Aan de Directie wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de aan de Minister toekomende bevoegdheden tot: - a. het verstrekken van subsidies, bedoeld In [artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=57); - b. het doen van een voorstel voor de hoogte van de bijdrage bedoeld In [artikel 58, tweede lid, tweede volzin, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=58), voor zover die betrekking heeft op het deel van de bijdrage waa"},{"i":4251,"b":"Besluit van 4 mei 2023, houdende voorschriften ter uitvoering van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames en tot wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (Besluit veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 28 december 2022, nr WJZ/22586329, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Gelet op de [artikelen 11, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=11), [29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=29), [34, vierde lid, onderdeel f, en veertiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=34), [41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=41), en [43, zesde lid, van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=43) en [artikel 9, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=9); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 maart 2023, nr. W18.22.00223/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 1 mei 2023, nr. WJZ/26912696, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder **wet** verstaan: de [Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747). Artikel 2 1. Een melding als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=11), wordt gedaan met gebruikmaking van een bij ministeriële regeling vastgesteld formulier en omvat in ieder geval: - a. informatie over de meldingsplichtigen en hun vertegenwoordigers; - b. informatie over de voorgenomen verwerving of wijziging van zeggenschap of verkri"},{"i":8498,"b":"Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden Preambule De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Handvest hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, vooral met het oog op het behoeden en verwezenlijken van de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfdeel vormen; Overwegende dat de bescherming van de historische regionale talen of talen van minderheden in Europa, waarvan sommige geheel dreigen te verdwijnen bijdraagt aan de instandhouding en ontwikkeling van de culturele rijkdom en tradities van Europa; Overwegende dat het recht om een regionale taal of taal van een minderheid in het particuliere en openbare leven te gebruiken een onvervreemdbaar recht is overeenkomstig de beginselen neergelegd in het [Internationaal Verdrag van de Verenigde Naties inzake burgerrechten en politieke rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001017) en in overeenstemming met het [Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000); Gelet op de werkzaamheden verricht binnen de CVSE en met name de Slotakte van Helsinki van 1975 en het document van de Bijeenkomst van Kopenhagen van 1990; De waarde van de wisselwerking tussen verschillende culturen en van meertaligheid beklemtonende en overwegende dat de bescherming en bevordering van regionale talen of talen van minderheden niet ten koste mag gaan van de officiële talen en van de noodzaak deze te leren; Zich ervan bewust dat de bescherming en bevordering van regionale talen of talen van minderheden in de verschillende landen en regio's van Europa een belangrijke bijdrage vormen aan de opbouw van een Europa dat is gegrondvest op de beginselen van democratie en culturele verscheidenheid binnen het kader van nationale soevereiniteit en territoriale integriteit; In aanmerking nemende de specifieke omstandigheden e"},{"i":8565,"b":"Wet van 8 juli 1953, houdende goedkeuring van het op 5 September 1952 te Brussel tussen Nederland, België en Luxemburg gesloten Verdrag nopens wederkerige bijstand inzake de invordering van belastingschulden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 5 September 1952 te Brussel tussen Nederland, België en Luxemburg gesloten Verdrag nopens wederkerige bijstand inzake de invordering van belastingschulden, alvorens te kunnen worden bekrachtigd, ingevolge [artikel 60, lid 2, der Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=60) de goedkeuring der Staten-Generaal behoeft, en dat het in verband met bovengenoemd Verdrag nodig is enige voorzieningen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 5 September 1952 te Brussel tussen Nederland, België en Luxemburg gesloten Verdrag nopens wederkerige bijstand inzake de invordering van belastingschulden, waarvan de tekst in **Tractatenblad** 1952, no. 137, is geplaatst, wordt goedgekeurd. Artikel 2 Ten behoeve van de invordering van een belastingschuld hier te lande overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, wordt door de door Onze Minister van Financiën aan te wijzen autoriteit een dwangbevel, voerende aan het hoofd de woorden: \"In naam der Koningin\", uitgevaardigd. De betekening, het bevel tot betaling en de tenuitvoerlegging van dat dwangbevel geschieden verder op de voet en de wijze als is bepaald in de voorschriften, welke gelden ten aanzien van het dwangbevel of het dwangschrift voor de invordering van een door Onze Minister van Financiën als soortgelijk aangemerkte belasting. Artikel 3 Onze Minister van Financiën is bevoegd voorschriften te geven ter uitvoering van het Verdrag en van artikel 2 van deze wet. Artikel 4 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van"},{"i":8567,"b":"Wet van 27 oktober 1993, houdende goedkeuring en uitvoering van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen; Brussel, 23 juli 1990 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 23 juli 1990 ondertekende Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden en dat het wenselijk is regelen te geven voor de uitvoering van dat Verdrag: Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 23 juli 1990 te Brussel ondertekende Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen, waarvan de tekst is geplaatst in **Tractatenblad** 1990, 173, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 1. Deze wet verstaat onder: - a. het Verdrag: het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006208&artikel=1&z=1993-11-17&g=1993-11-17) genoemde Verdrag; - b. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; - c. de inspecteur: de inspecteur bedoeld in artikel 2, derde lid, letter **b**, van de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) (**Stb.** 1959, 301). 2. Uitdrukkingen in deze wet die zijn ontleend aan het Verdrag hebben dezelfde betekenis als in het Verdrag. Artikel 3 1. Indien de inspecteur het voornemen heeft de winst van een onderneming te corrigeren met toepassing van artikel 4 van het Verdrag, stelt hij de onderneming tijdig in kennis van zijn voornemen. 2. Het eerste lid staat niet in de weg aan het uitvoeren van de correctie. Artikel 4 Een ieder die betro"},{"i":8621,"b":"Wet van 13 december 2012 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en het Burgerlijk Wetboek ter implementatie van de richtlijn solvabiliteit II en invoering van een daarop gebaseerd regime voor bepaalde kleinere verzekeraars (Implementatiewet richtlijn solvabiliteit II) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [richtlijn 2009/138/EG](32009L0138) van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU 2009, L 335) in Nederlandse regelgeving dient te worden geïmplementeerd en in het verlengde hiervan eveneens aanpassing van het regime voor bepaalde kleinere verzekeraars in de rede ligt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel III Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel IV Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel V Wijzigt de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg. Artikel VI Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Artikel VII Wijzigt de Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel VIII Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het financieel toezicht (uitvoering richtlijn nr. 2005/68/EG betreffende herverzekering). Artikel VIIIa Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel IX Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel X Op een entiteit voor risico-acceptatie die een vergunning heeft verkregen voor 31 december 2015 en die na die datum geen nieuwe activiteiten is begonnen, blijven [artikel 2:54b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:54b) of [2:54d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:54d) en de bepalingen van het deel [P"},{"i":9123,"b":"Protocol No. II betreffende de strijdkrachten van de West-Europese Unie Opgezegd per 30 juni 2011 (Trb. 2011/178). Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen In witness whereof the above-mentioned Plenipotentiaries have signed the present Protocol, being one of the Protocols listed in Article I of the Protocol Modifying and Completing the Treaty, and have affixed thereto their seals. Done at Paris this twenty-third day of October, 1954, in two texts, in the English and French languages, each text being equally authoritative, in a single copy, which shall remain deposited in the archives of the Belgian Government and of which certified copies shall be transmitted by that Government to each of the other Signatories."},{"i":9126,"b":"Protocol nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag De Staten welke partij zijn bij het op 4 April 1949 te Washington ondertekende [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), Overwegende, dat uit hoofde van het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), bij afzonderlijke regeling internationale militaire hoofdkwartieren kunnen worden gevestigd op hun grondgebied, en Verlangende, de rechtspositie van zodanige hoofdkwartieren en van het personeel daarvan binnen het gebied van het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) te bepalen, Hebben overeenstemming bereikt omtrent dit Protocol behorende bij het op 19 Juni 1951 te Londen ondertekende [Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004785): Artikel 1 In dit Protocol wordt verstaan onder: - (a). „het Verdrag”, het [Verdrag op 19 Juni 1951 te Londen ondertekend door de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004785); - (b). „Algemeen Hoofdkwartier”, het algemeen hoofdkwartier van de Geallieerde Mogendheden in Europa en het Hoofdkwartier van de Geallieerde Opperbevelhebber op de Atlantische Oceaan, alsook elk daarmee gelijkgesteld internationaal militair hoofdkwartier ingesteld uit hoofde van het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760); - (c). „Geallieerd Hoofdkwartier”, elk Algemeen Hoofdkwartier, alsook elk internationaal militair hoofdkwartier ingesteld uit hoofde van het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), dat rechtstreeks ondergeschikt is aan een Algemeen Hoofdkwartier; - (d). „Noord-Atlantische Raad”, de Raad ingesteld krachtens [artikel 9 van het Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":9128,"b":"Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden De lidstaten van de Raad van Europa voor wie dit Protocol is ondertekend, Gelet op het fundamentele beginsel op grond waarvan een ieder gelijk is voor de wet en recht heeft op gelijke bescherming door de wet; Vastbesloten verdere maatregelen te nemen ter bevordering van de gelijkheid van een ieder door het collectief waarborgen van een algemeen discriminatieverbod door middel van het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000), ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen „het Verdrag\"); Opnieuw bevestigend dat het beginsel van non-discriminatie de Staten die Partij zijn niet belet maatregelen te treffen ter bevordering van volledige en daadwerkelijke gelijkheid, op voorwaarde dat deze maatregelen objectief en redelijkerwijs kunnen worden gerechtvaardigd, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Algemeen verbod van discriminatie 1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. 2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden. Artikel 2. Territoriale werkingssfeer 1. Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, het grondgebied of de grondgebieden aanwijzen waarop dit Protocol van toepassing is. 2. Iedere Staat kan op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de toepassing van dit Protocol uitbreiden tot ieder ander in de verklaring aangewezen. Met betrekking tot dat gebied treedt het"},{"i":5840,"b":"Tijdelijk beleidskader van de Minister van Justitie en Veiligheid van 19 december 2025, kenmerk 7020757, voor het bestrijden van onbemande luchtvaartuigen (drones) (Tijdelijk beleidskader voor de bestrijding van drones) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=4), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=9), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=58), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=59) en [62 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=62), de [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&hoofdstuk=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&hoofdstuk=3) en [4 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&hoofdstuk=4), alsmede [artikel 3, derde lid, van de Rijkswet geweldgebruik bewakers militaire objecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014738&artikel=3) en het [Besluit geweldgebruik defensiepersoneel in de uitoefening van de bewakings- en beveiligingstaak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011530); Besluit: Artikel 1. Algemeen In dit beleidskader wordt verstaan onder: - **ambtenaar:** de ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak; de militair van de Koninklijke Marechaussee in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=4), de militair van de krijgsmacht, bedoeld in de [artikelen 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=58), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=59) en [62 van de Politiewet 2012](https://wet"},{"i":3610,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 mei 2008, MC-U-2847325 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake aanvulling procedure en uitbreiding van kortdurende kleinschalige experimenten met AWBZ-zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Gezien de uitvoeringstoets van de Nederlandse Zorgautoriteit van 16 oktober 2007, kenmerk MNIS/ihot/A/07/453; Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Brieven van 4 december 2007; Kamerstukken II, 2006/07, 30 186, nr. 64); Besluit: Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - 1°. kortdurende kleinschalige experimenten: experimenten die: - a. een looptijd hebben van maximaal drie jaren; - b. gericht zijn op nieuwe of vernieuwde zorglevering met een betere prijs/kwaliteitsverhouding, op efficiënte zorgorganisatie waaronder mede begrepen substitutie van tweedelijnsgezondheidszorg naar eerstelijnsgezondheidszorg of op verbetering van kwaliteit van zorg voor de patiënt; - c. naar gelang hun doelstelling beperkt zijn tot een specifieke patiëntengroep, prestatie, een of meerdere zorgaanbieders, een of meerdere ziektekostenverzekeraars of een beperkte regio; - d. niet tot gevolg hebben dat zorg waarvoor een tarief als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder a en b, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) in rekening wordt gebracht, zorg wordt waarvoor een tarief als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) in rekening kan worden gebracht en - e. per experiment zijn vastgelegd in een overeenkomst als bedoeld onder 2°. - 2°. experiment-overeenkomst: een tussen een of meer zorgaanbieders en een ziektekostenverzekeraar gesloten en door hen ondertekende overeenkomst waarin aard, inhoud en omvang van"},{"i":13178,"b":"Deelnemings- en Inschrijvingsverordening registerloodsen 2014 Gelet op de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15), [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=16), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=22), en [24, eerste lid, onderdeel d, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=24); Besluit vast te stellen: **Deelnemings- en inschrijvingsverordening registerloodsen 2014** Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Definitiebepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: - a. **aspirant:** degene die de opleiding tot registerloods gaat volgen of volgt gedurende de periode dat hij beschikt over een geldig bewijs tot deelname aan die opleiding, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035202&paragraaf=3&artikel=4&z=2015-06-17&g=2015-06-17); - b. **bewijs tot deelname:** een bewijs van toelating voor de opleiding, overeenkomstig [artikel 7.30b, eerste lid van de Wet op Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.30b); - c. **inschrijvingsverklaring:** de verklaring als bedoeld in [artikel 22, derde lid van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=22). Artikel 2. Inschrijvingsverklaring Voor de inschrijvingsverklaring wordt het model vastgesteld dat als [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035202&bijlage=I&z=2015-06-17&g=2015-06-17) bij deze verordening is gevoegd. Paragraaf 2. Doorhaling van de inschrijving in het Loodsenregister Artikel 3. Doorhaling De inschrijving in het register, bedoeld in [artikel 21, eerste lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=21) wordt doorgehaald op de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin de leeftijd van zestig jaren is bereikt. Paragraaf 3. Opleiding tot registerloods Artikel 4. Studievergoeding en betaling 1. De algemene raad draagt er"},{"i":9407,"b":"Verdrag betreffende wijzigingen van normen die voortvloeien uit de erkenning van een veilige en gezonde werkomgeving als een fundamenteel beginsel De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen op 5 juni 2023 in haar 111e zitting, In herinnering brengend de resolutie over de opname van een veilige en gezonde werkomgeving in het kader van de fundamentele beginselen en rechten op het werk van de IAO, aangenomen tijdens haar 110e zitting (juni 2022), Besloten hebbend tot het aannemen van bepaalde voorstellen ten aanzien van de wijziging van het [Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid, 1999](onbekend) (nr. 182), het [Verdrag betreffende de bescherming van het moederschap, 2000](onbekend) (nr. 183), het [Maritiem Arbeidsverdrag, 2006](onbekend), zoals gewijzigd, het [Verdrag inzake het promotioneel kader voor de veiligheid en gezondheid op het werk, 2006](onbekend) (nr. 187), het [Verdrag betreffende werk in de visserij, 2007](onbekend) (nr. 188), het [Verdrag inzake huispersoneel, 2011](onbekend) (nr. 189), het [Verdrag inzake geweld en intimidatie, 2019](onbekend) (nr. 190) en het [Protocol van 2014 bij het Verdrag inzake de gedwongen of verplichte arbeid, 1930](onbekend), met het oog op het invoeren van bepaalde wijzigingen die voortvloeien uit het aannemen van de resolutie over het opnemen van een veilige en gezonde werkomgeving in het kader van de fundamentele beginselen en rechten op het werk van de IAO, Overwegend dat deze voorstellen de vorm dienen te krijgen van een internationaal verdrag, neemt heden, 12 juni 2023, het volgende Verdrag aan, dat aangehaald kan worden als het Verdrag inzake een veilige en gezonde werkomgeving (daaruit voortvloeiende wijzigingen), 2023: Artikel 1 1. Wijzigt het Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid; Genève, 17-0"},{"i":6864,"b":"Besluit van 4 mei 2015 tot vaststelling van enkele randvoorwaarden voor de elektronische dienstverlening door de burgerlijke stand (Besluit elektronische dienstverlening burgerlijke stand) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 maart 2015 nr. 621723; Gelet op de [artikelen 18, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=18), [18b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=18b), [19e, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=19e), [19h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=19h), en [23b, zesde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=23b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 april 2015, nr. W03.15.0072/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 april 2015, nr. 640616; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Bij de inrichting en het gebruik van de in [artikel 18b, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=18b) bedoelde systemen van gegevensverwerking worden de in de bijlage opgenomen open standaarden toegepast inzake de informatieveiligheid, de toegankelijkheid, digitale documentformaten en de bevraging van basisgegevens die behoren tot de wettelijk vastgestelde basisregistraties. 2. Van wijzigingen van de in de bijlage opgenomen open standaarden wordt mededeling in de Staatscourant gedaan. Artikel 2 Indien de aangifte of melding bij de burgerlijke stand elektronisch wordt gedaan, geschiedt de vaststelling van de juistheid van de identiteit van de aangever door middel van DigiD op basis van ten minste een twee-factoren-authenticatie, eHerkenning op basis van minimaal betrouwbaarheidsniveau 2plus, d"},{"i":6024,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 april 2022, nr. DE/32285369 houdende de vaststelling van de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 1.3 van de Subsidieregeling gender- en LHBTI+-gelijkheid 2022–2027 Gelet op [artikel 1.3 van de Subsidieregeling gender- en LHBTI+-gelijkheid 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046320&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1 1. Voor de verstrekking van de alliantiesubsidies, bedoeld in [artikel 2.1 van de Subsidieregeling gender- en LHBTI+-gelijkheid 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046320&artikel=2.1), is voor de kalenderjaren 2023 tot en met 2027 in totaal € 49.858.036,14 beschikbaar. 2. Voor de verstrekking van de archiefsubsidies, bedoeld in [artikel 3.1 van de Subsidieregeling gender- en LHBTI+-gelijkheid 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046320&artikel=3.1), is voor de kalenderjaren 2023 tot en met 2027 in totaal € 20.584.016,34 beschikbaar. Artikel 2 Indien de toewijzing van alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen voor subsidie als bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046320&artikel=2.1) en [artikel 3.1 van de Subsidieregeling gender- en LHBTI+-gelijkheid 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046320&artikel=3.1) zou leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond, verdeelt de Minister het beschikbare bedrag, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046566&artikel=1&z=2025-12-13&g=2025-12-13), naar evenredigheid over de toe te wijzen subsidieaanvragen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9460,"b":"Verdrag inzake de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen Preambule De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, hierna te noemen de „partijen”, Zich bewust van de noodzaak om het concurrentievermogen van het spoorwegvervoer ten opzichte van andere vervoerswijzen te vergroten door het internationale spoorwegvervoer van goederen tussen Europa en Azië te vergemakkelijken, Gelet op het [Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF)](onbekend) van 9 mei 1980 in de versie van het [Protocol van 3 juni 1999 houdende wijziging, met name de Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen](onbekend) (CIM – Aanhangsel B bij COTIF), Gelet op de Overeenkomst betreffende het internationaal spoorwegvervoer van goederen (SMGS), Gelet op de noodzaak om voorzieningen te treffen voor omstandigheden waarin noch de CIM- noch de SMGS-regels van toepassing zijn op het gehele traject, met name voor Euro-Aziatische verbindingen voor spoorwegvervoer van goederen, Overwegend dat het, om dergelijk vervoer te vergemakkelijken, van essentieel belang is de voorwaarden die van toepassing zijn op de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen te standaardiseren, met name wat betreft de documenten die voor een dergelijk vervoer worden gebruikt en de aansprakelijkheid van de vervoerder, Zich bewust van de snelle toename van het spoorwegvervoer tussen Europa en Azië en de noodzaak om het marktaandeel van het spoorwegvervoer te vergroten om de milieueffecten van het goederenvervoer te verminderen door de administratieve en contractuele belemmeringen in de sector te verlichten, Vaststellend dat dit Verdrag naast de twee bestaande rechtsstelsels voor spoorwegvervoer (CIM en SMGS) zal bestaan, die van toepassing blijven op het internationale spoorwegvervoer van goederen binnen hun respectieve geografische gebieden, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Toepassingsgebied"},{"i":5587,"b":"Richtlijnen Financiële verslaggeving TNO in overeenstemming met de minister van financiën: Gelet op [artikel 26 eerste lid van de TNO-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=26); Gehoord de Raad van Bestuur van TNO: Besluit: Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen Begripsbepalingen Artikel 1 In deze richtlijnen wordt verstaan onder: - a. de Minister: de Minister van onderwijs, Ccltuur en wetenschappen tevens belast met de coördinatie van het wetenschapsbeleid: - b. de financiële verslaggeving: de financiële verslaggeving omvat het jaarverslag (bestuurs- of directieverslag), de jaarrekening en de overige gegevens. - c. de jaarrekening: de (geconsolideerde) jaarrekening bestaat uit de (geconsolideerde)balans, (geconsolideerde) resultatenrekening, en de toelichting daarop; - d. TNO: de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk Onderzoek. Hoofdstuk II. Richtlijnen voor de opstelling van de Jaarrekening Toepassing van het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving Artikel 2 Tenzij de onderliggende richtlijnen anders voorschrijven zijn de bepalingen van [Titel 9, boek 2, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&titeldeel=9) en de Richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving onveranderd van toepassing op de Financiële verslaggeving van TNO. De jaarrekening wordt derhalve opgesteld volgens het baten- en lastenstelsel. Er wordt tot consolidatie overgegaan in de geest van het B.W. Voorzieningen en Reserves Artikel 3 Voorzieningen worden gevormd voor risico’s of verplichtingen die per balansdatum aanwezig zijn of voor het egaliseren van de kosten in de tijd. De mutaties van voorzieningen vinden plaats door dotaties en onttrekkingen ten laste respectievelijk ten gunste van de resultatenrekening. Artikel 4 Reserves worden gevormd bij de bestemming van het resultaat. Bij de bestemming van het resultaat kunnen tevens bestemmingsreserves worden gevormd dan wel bestaande bestemmingsreserves"},{"i":9485,"b":"Verdrag inzake duurzame ontwikkeling gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Benin Le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas et Le Gouvernement de la République du Bénin; Convaincus de l'importance cruciale d'un développement qui satisfait les besoins des générations présentes sans compromettre la capacité des générations futures à satisfaire leurs propres besoins; Désireux, en conséquence, de promouvoir la mise en oeuvre de la Déclaration de Rio sur l'Environnement et le Développement et l'Agenda 21 adoptés par la Conférence des Nations Unies sur l'Environnement et le Développement, qui s'est tenue du 3 au 14 juin 1992 à Rio de Janeiro; Convaincus de la nécessité de l'établissement d'une alliance mondiale nouvelle et équitable visant à la création de nouvelles formes de coopération entre Etats, entre secteurs-clés de la société et entre individus; Désireux, en outre, de traduire dans les faits la Déclaration d'intention signée par les représentants du Gouvernement du Royaume des Pays-Bas et du Gouvernement de la République du Bénin le 24 juin 1992 à La Haye; Conscients de la difficulté qu'il y a à rendre opérationnel le développement durable face à la diversité des niveaux de développement économique, des ressources, des systèmes sociaux et politiques ainsi que des cultures; Reconnaissant que le développement ne peut être durable que s'il est global, c'est-à-dire s'il embrasse les aspects économiques, sociaux, culturels, civils et politiques, ainsi que les aspects religieux et écologiques; Guidés par le principe de précaution en vertu duquel l'absence de certitude scientifique absolue ne doit pas servir de prétexte pour remettre à plus tard l'adoption de mesures efficaces visant à prévenir ou à réduire d'un minimum la dégradation de l'environnement en cas de risque de dommages graves ou irréversibles; Considérant que les Etats doivent coopérer dans un esprit de solidarité mondiale afin de protéger, de conserver et de rétablir l'écosystème plané"},{"i":6259,"b":"Wet van 19 juni 2014 tot samenvoeging van de gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Krimpenerwaard ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Krimpenerwaard wordt de op te heffen gemeente Nederlek aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist wordt de nieuwe gemeente Krimpenerwaard aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel="},{"i":5251,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 januari 2011, nr. VO/BVB/143738, houdende regels met betrekking tot de aanwijzing van internationale, buitenlandse en ambassadescholen in Nederland als school in de zin van de Leerplichtwet 1969 (Regeling aanwijzing internationale en buitenlandse scholen) Gelet op [artikel 1a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=1a); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **de wet:** de [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628); - c. **school:** een internationale school, een buitenlandse school of een ambassadeschool waaraan voltijds onderwijs wordt geboden aan leerlingen in een of meer van de leeftijdsgroepen variërend van 5 jaar tot 18 jaar; - d. **internationale school:** een school die als zodanig passend geaccrediteerd is, ofwel kandidaat is voor accreditatie, door een internationale accreditatieorganisatie die is opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029599&bijlage=1&z=2025-07-19&g=2025-07-19); - e. **buitenlandse school:** een school die wat het aan de school te geven onderwijs betreft onder toezicht staat van de autoriteiten van een ander land; - f. **ambassadeschool:** een buitenlandse school waar uitsluitend leerlingen aan het onderwijs deelnemen die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten en ouders, voogden of verzorgers hebben die behoren tot het personeel van een ambassade; - g. **aanwijzing:** aanwijzing in de zin van [artikel 1a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=1a); - h. **bevoegd gezag:** de persoon of het bestuur van de rechtspersoon van wie de school uitgaat; - i. **duurzaam verblijf in Nederland:** een verblijf met vaste woonplaats in Nederland van een periode van vijf jaar of langer. § 2. Aanvraag aanwijzing"},{"i":9417,"b":"Verdrag inzake bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Benin Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Benin, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens hun traditionele banden van vriendschap te versterken en hun economische betrekkingen te bevorderen, uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft de investeringen door onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan zulke investeringen toe te kennen behandeling, het kapitaalverkeer en de uitwisseling van technologieën tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen stimuleert en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling wenselijk is, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. omvat de term „investering\": alle soorten vermogensbestanddelen, en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede de zakelijke rechten die verband houden met alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten die voortvloeien uit aandelen, obligaties en andere vormen van deelneming in vennootschappen en joint-ventures; - iii. vorderingsrechten, rechten in verband met andere vermogensbestanddelen of rechten betreffende prestaties die economische waarde hebben; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, handelszaken en knowhow; - v. bij de wet of uit hoofde van rechtmatig tot stand gekomen overeenkomsten verleende rechten, met inbegrip van concessies verleend ten behoeve van het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. omvat de term „onderdanen\" voor elk van beide Verdragsluitende Partijen: - i. natuurlijke personen die de nationaliteit van die Verdragsluitende Partij hebben; - ii. rechtspersonen opgericht overeenkomstig het recht van die Verdragsluitende P"},{"i":5877,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 4 december 2023, nr. IENW/BSK-2023/360435, tot verstrekking van subsidie voor de elektrificatie van binnenvaartschepen voor de kalenderjaren 2023 tot en met 2027 (Tijdelijke subsidieregeling elektrificatie binnenvaartschepen 2023–2027) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3) en [4 van de Kaderwet subsidie I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4) en de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [8, eerste en tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=9), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22) en [23, vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** natuurlijke of rechtspersoon uit een lidstaat van de Europese Unie of uit Zwitserland aan wie het binnenschipcertificaat voor het desbetreffende vaartuig is verstrekt; - **AGVV:** [Verordening (EU) 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L187), zoals daarna gewijzigd; - **binnenschip:** binnenschip als bedoeld in de [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009), met uitzondering van een drijvend werktuig, bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen, als bedoeld in die wet; - **binnenschipcertificaat:** certificaat van onderzoek als bedoeld in [hoofdstuk 3, paragraaf 1, van het Binnenvaartbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025631&hoofdstuk=3) of een Uniebinnenvaartcertificaat voor binnenschepen overeenkomstig de richtlijn; - **industrieel onderzoeksproject:** onderzoek als bedo"},{"i":9556,"b":"Verdrag tot beperking der staatloosheid De Verdragsluitende Staten, Handelende overeenkomstig resolutie 896 (IX), aangenomen door de op 4 december 1954 gehouden Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, Overwegende dat het wenselijk is de staatloosheid door een internationaal akkoord te beperken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Iedere Verdragsluitende Staat verleent zijn nationaliteit aan degene die geboren is op zijn grondgebied en die anders staatloos zou zijn. Deze nationaliteit wordt verleend: - a). van rechtswege, bij de geboorte, of - b). op een verzoek, door of namens belanghebbende bij de bevoegde autoriteit ingediend op de wijze als door de wetgeving van de betrokken Staat is voorgeschreven; behoudens de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, mag het verzoek niet worden afgewezen. Een Verdragsluitende Staat welks wetgeving verlening van zijn nationaliteit op verzoek overeenkomstig punt **b** van dit lid kent, kan die nationaliteit ook van rechtswege verlenen bij het bereiken van de leeftijd en op de voorwaarden als in zijn wetgeving zijn vastgesteld. 2. Een Verdragsluitende Staat kan de verkrijging van zijn nationaliteit overeenkomstig punt **b** van het eerste lid van dit artikel, aan een of meer van de volgende voorwaarden binden: - a). dat het verzoek wordt ingediend in de loop van een tijdvak vastgesteld door de Verdragsluitende Staat, welk tijdvak uiterlijk op de leeftijd van 18 jaar aanvangt en niet eerder dan op de leeftijd van 21 jaar eindigt, met dien verstande echter dat de belanghebbende ten minste één jaar de tijd krijgt om zijn verzoek persoonlijk en zonder dat hij daartoe bevoegd behoeft te zijn verklaard in te dienen; - b). dat de belanghebbende gedurende een door de Verdragsluitende Staat vast te stellen tijdvak zijn gewone verblijf op het grondgebied van die Staat heeft gehad; bedoeld tijdvak mag niet op langer dan tien jaar in totaal worden gesteld, noch op langer dan vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de in"},{"i":9568,"b":"Verdrag tot invoering van een eenvormige wet op wisselbrieven en orderbriefjes (**Opsomming van Staatshoofden.**) Verlangend de moeilijkheden te voorkomen, waartoe de verscheidenheid van de wetgevingen der landen, waar wisselbrieven moeten circuleeren, aanleiding geeft, en dus de zekerheid en de snelheid der betrekkingen van den internationalen handel te bevorderen, Hebben als hun Gevolmachtigden aangewezen: (**Lijst van Gevolmachtigden.**) Die, na elkander hun in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel I Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen verbindt zich om de eenvormige wet, vervat in Bijlage I van dit Verdrag, binnen haar grondgebied in te voeren, hetzij in een der oorspronkelijke teksten, hetzij in haar landstaal. Deze verbintenis zal, indien daartoe aanleiding bestaat, beperkt worden door zoodanige voorbehouden als ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen op het tijdstip van bekrachtiging of toetreding zal aangeven. Deze voorbehouden moeten worden gekozen uit de in Bijlage II van dit Verdrag vermelde. Echter kunnen de voorbehouden, bedoeld bij de artikelen 2, 12 en 18 van genoemde Bijlage II, worden gemaakt na de bekrachtiging of de toetreding, mits daarvan wordt kennis gegeven aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van den tekst dier voorbehouden onmiddellijk zal kennis geven aan de Leden van den Volkenbond en aan de Staten niet-Leden, ten wier name dit Verdrag zal zijn bekrachtigd of ten wier name de toetreding zal hebben plaats gehad. Zoodanige voorbehouden zullen niet van kracht zijn voor den negentigsten dag, volgende op de ontvangst der bovengenoemde kennisgeving door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond. Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan, in geval van dringende noodzakelijkheid, na bekrachtiging of toetreding, gebruik maken van de voorbehouden bedoeld bij de artikelen 7 en 22 van genoemde Bijlage II. In deze gevallen zal zij daa"},{"i":9810,"b":"Verzoeningsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Finland HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN en DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK FINLAND, bezield met het verlangen de vriendschapsbanden, die Nederland en Finland vereenigen, nauwer aan te halen en de vreedzame beslechting te bevorderen door verzoening in geschillen, die tusschen de beide landen mochten ontstaan en die op geen andere wijze mochten worden opgelost, hebben besloten daartoe een verdrag te sluiten en tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; De President van de Republiek Finland: den Heer HJALMAR JOHAN PROCOPÉ, Minister van Buitenlandsche Zaken; die, na elkander mededeeling te hebben gedaan van hun wederzijdsche volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen. Artikel 1 Elk geschil, van welken aard het ook zij, dat tusschen de Hooge verdragsluitende Partijen mocht rijzen en dat niet binnen redelijken tijd langs diplomatieken weg mocht kunnen worden opgelost en dat niet vatbaar zou zijn voor beslechting door rechtspraak of arbitrage overeenkomstig artikel 36, alinea 2, van het Statuut van het Permanente Hof van Internationale Justitie, of overeenkomstig eenige andere internationale overeenkomst, die tusschen de Hooge verdragsluitende Partijen van kracht mocht zijn, zal, op verzoek van één of van beide Partijen, worden onderworpen aan een permanente verzoeningscommissie ter fine van onderzoek en verslag. De Hooge verdragsluitende Partijen kunnen overeenkomen, dat een geschil, dat vatbaar zou zijn voor een beslechting door rechtspraak of arbitrage, te voren onderworpen worde aan de verzoeningsprocedure. Wanneer bij een dergelijk geschil één der Partijen binnen redelijken tijd de voorstellen van de commissie niet aanvaardt, zal elk harer het geschil kunnen onderwerpen aan het Permanente Hof van"},{"i":6169,"b":"Besluit van 4 februari 1994, houdende een algemene maatregel van bestuur tot regeling inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 18 augustus 1993 DGVgz/VVP/P 93992, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op artikel 6, eerste lid, onder **b**, en tweede lid, van [richtlijn nr. 88/379/EEG](31988L0379) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 7 juni 1988, betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (**PbEG** L 187), op [richtlijn nr. 90/35/EEG](31990L0035) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1989, tot vaststelling, in toepassing van artikel 6 van de [richtlijn 88/379/EEG](31988L0379), van de categorieën preparaten waarvan de verpakking van een kinderveilige sluiting en/of een bij aanraking waarneembare gevaarsaanduiding moet zijn voorzien (**PbEG** L 19), op [richtlijn nr. 91/410/EEG](31991L0410) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1991, houdende de veertiende aanpassing aan de technische vooruitgang van [richtlijn 67/548/EEG](31967L0548) betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (**PbEG** L228), op [richtlijn nr. 91/442/EEG](31991L0442) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1991, betreffende de gevaarlijke preparaten waarvan de verpakking van een kinderveilige sluiting moet zijn voorzien (**PbEG** L238), op [richtlijn nr. 92/32/EEG](31992L0032) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 april 1992, houdende de zevende wijziging van [richtlijn 67/548/EEG](31967L0548) betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmer"},{"i":6296,"b":"Wet van 8 maart 2017 tot samenvoeging van de gemeenten Rijnwaarden en Zevenaar § 1. Opheffing en instelling van gemeenten § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Zevenaar wordt de op te heffen gemeente Zevenaar aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Rijnwaarden en Zevenaar wordt de nieuwe gemeente Zevenaar aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5 Wijzigt de Wet veiligheidsregio’s. Artikel 6 Wijzigt de Kieswet. Artikel 7 De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. In dit koninklijk besluit kan aan [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039369&paragraaf=2&artikel=5&z=2017-06-10&g=2017-06-10), en [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039369&paragraaf=2&artikel=6&z=2017-06-10&g=2017-06-10) van deze wet terugwerkende kracht worden verleend tot en met 2 januari 2016. Kaart, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039369&paragraaf=1&artikel=2&z=2017-06-10&g=20"},{"i":4998,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2009, nr. Z/F-2964408, tot nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2009 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2009) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2009 zijn voor de beheerskosten AWBZ van de zorgverzekeraars, de verbindingskantoren en het CAK tezamen, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), extra middelen besteedbaar ter grootte van € 14,639 miljoen. Artikel 2 De verbindingskantoren leggen in hun jaarrekening over het jaar 2009 vast welk budget beheerskosten voor de uitvoering van de AWBZ is ontvangen en hoeveel in dat jaar is besteed voor de uitvoering van de AWBZ. De verschillen worden als overschotten dan wel tekorten in de jaarrekening toegevoegd aan de primo stand wettelijke reserve AWBZ 2009 en in de jaarrekening vastgelegd als de ultimo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2009. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 13 december 2009, terug tot en met 14 december 2009. Artikel 4 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2009. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9908,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat tot aanpassing van regelingen aan wijzigingen van de Luchtvaartwet en de Wet luchtvaart Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie en de Minister van Economische Zaken; Gelet op: de [artikelen 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=8), [13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=13), [20, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=20), en [30, derde lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=30); [artikel 22 van het Besluit burgerluchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026525&artikel=22); [artikel 22, tweede en derde lid, van het Besluit luchtvaartuigen 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=22); de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003404&artikel=1)en [4 van het Besluit van 21 mei 1981, houdende vaststelling van enige regels ter beperking van de geluidhinder door luchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003404&artikel=4); [artikel 5 van het Besluit vluchtuitvoering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020111&artikel=5); [artikel 73 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=73); de [artikelen 1a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=1a), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=10), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=12), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=27), [31, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=31), [33](https://wetten.overheid.n"},{"i":9978,"b":"Besluit van 28 mei 2021, nr. 2021001051, houdende een aanvullende tijdelijke voorziening voor de periode dat Minister B. van ‘t Wout niet in staat is zijn taken als Minister van Economische Zaken en Klimaat uit te oefenen Op voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 28 mei 2021, nr. 3752931; Overwegende dat S.A.M. Kaag is belast met de leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het daarmee onnodig is geworden haar afzonderlijk te belasten met de aangelegenheden betreffende Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Gelet op de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=43) en [44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel I Onze Minister S.A.M. Kaag te ontheffen van de aangelegenheden betreffende Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 29 mei 2021. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemde ministers, de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":9980,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie, van 5 april 2005, inhoudende de aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Scheepvaart- en Luchtvaartinspectie Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 1, onder ten vierde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1), en [17, eerste lid, onder ten tweede, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De ambtenaren van de divisie Scheepvaart van Inspectie Verkeer en Waterstaat, bedoeld in [artikel 10 van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=10), worden aangewezen als ambtenaren belast met de opsporing van overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, voor zover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1). Artikel 2 De ambtenaren van de divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, aangewezen op grond van [artikel 71 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=71) en bedoeld in [artikel 102 van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=102), worden aangewezen als ambtenaren belast met de opsporing van overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, voor zover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1). Artikel 3 Het [besluit van de Minister van Justitie van 20 december 1991, nr. 175864/91/Pol houdende de aanwijzing van bijzonder opsporingsambtenaren Scheepvaart- en Luchtvaartinspectie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005351) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze beschik"},{"i":10001,"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking het archief van de Stichting Proefstation voor de Akker- en Weidebouw (te Wageningen) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (1947) 1956–1974 Inventaris SPAW Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 49 | 1-1-2030 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045284&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen rijksarchivaris in de provincie Gelderland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045284&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland. De rijksarchivaris in de provincie Gelderland kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045284&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Gelderland. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden."},{"i":10013,"b":"Besluit bewaarder van het kadaster en de openbare registers BES tot verlening van mandaat en machtiging ten aanzien van het beslissen op verzoeken tot inschrijving in de openbare registers voor onroerende zaken en voor schepen en luchtvaartuigen, het verstrekken van inlichtingen uit de kadastrale registratie, de registraties voor schepen en luchtvaartuigen en het bijwerken van de kadastrale registratie en registraties voor schepen en luchtvaartuigen in verband met het inwerkingtreden van de Regels met betrekking tot de openbare registers voor registergoederen en de kadasters op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Kadasterwet BES) Gelet op het [artikel 10, tweede lid, Regels met betrekking tot de openbare registers voor registergoederen en de kadasters op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Kadasterwet BES)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Dienst:** de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - b. **de bewaarder:** de bewaarder van het kadaster en de openbare registers, bedoeld in [artikel 9 van de Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=9); - c. **verstrekken van inlichtingen:** het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onder g Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=7) juncto [artikel 75 lid 1 van de Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=75); - d. **mandaatverlening:** de bevoegdheid van de bewaarder om op grond van [artikel 10, tweede lid, Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=10) mandaat te verlenen; - e. **mandaat:** bevoegdheid om in naam van de bewaarder besluiten te nemen; - f. **machtiging:** bevoegdheid om in naam van de bewaarder handelingen te verrichten die noch een"},{"i":10014,"b":"Besluit van 28 juli 1999, houdende regelen omtrent bewijzen van bevoegdheid, bevoegdverklaringen, medische verklaringen, autorisaties, erkenningen, kwalificaties en registraties (Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie van 5 maart 1999, nr. DGRLD/JBZ/L 99 210113, Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst; Gelet op de [artikelen 1.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2), [2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.2), [2.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.3), [2.4, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.4), [2.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.7), [2.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.9), [3.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.30), [5.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.11), en [5.16, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.16); De Raad van State gehoord (advies van 21 mei 1999, nr. W09.99.0097/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie van 15 juli 1999, nr. DGRLD/JBZ/L 99.210417, Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **ASO:** bewijs van bevoegdheid voor het bedienen van een luchtvaartstation (Aeronautical Station Operator); - **ATCO:** het bewijs van bevoegdheid voor luchtverkeersleider als bedoeld in [verordening (EU) 2015/340](32015R0340) , of het bewijs van bevoegdheid voor luchtverkeersleider afgegeven door Onze Minister van Defensie overeenkomstig de eisen als"},{"i":10282,"b":"Euro-mediterrane luchtvaartovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de regering van de Staat Israël, anderzijds Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, Ierland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de lidstaten” genoemd, en De Europese Unie, enerzijds, en De regering van de Staat Israël (hierna „Israël” genoemd), anderzijds, De wens uitdrukkend een internatonaal luchtvaartsysteem te bevorderen, dat gebaseerd is op eerlijke mededinging tussen luchtvaartmaatschappijen op een markt met een minimum aan overheidsbemoeienis en regulering; De wens uitdrukkend de uitbreiding van de internationale luchtvervoersmogelijkheden te vergemakkelijken, onder meer via de ontwikkeling van luchtvervoersnetwerken, teneinde tegemoet te komen aan de behoeften van passagiers en expediteurs aan passende luchtvervoersdiensten; Erkennende dat luchtvervoer belangrijk is voor het bevorderen van handel, toerisme en investeringen; De wens uitdrukkende dat luchtvaartmaatschappijen de mogelijkheid krijgen om passagiers en expediteurs concurrerende prijzen en diensten aan te bieden op open markten; Erkennende dat het op elkaar afstemmen en, voor zover praktisch mogelijk, het harmoniseren van regelg"},{"i":10344,"b":"Besluit van 12 maart 2015 tot vaststelling van een luchthavenbesluit voor de luchthaven Lelystad (Luchthavenbesluit Lelystad) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 9 december 2014, nr. IENM/BSK-2014/266709, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 8.70, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.70); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 januari 2015, nr. W14.14.0462/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 10 maart 2015, nr. IENM/BSK-2015/24027, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ATC-slot:** door de luchtverkeersleiding opgegeven aankomst- of vertrektijd (Air Traffic Control-slot); - b. **bedrijfswoning:** woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, slechts bestemd voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de functie van het gebouw of terrein, noodzakelijk is; - c. **bijlage:** bij dit besluit behorende bijlage; - d. **extramurale opslag of verwerking:** opslag of verwerking anders dan in een volledig afgesloten gebouw; - e. **gebouw:** gebouw als bedoeld in de [bijlage bij de Omgevingswet](onbekend); - f. **geluidsgevoelig gebouw:** gebouw met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - g. **kwetsbaar gebouw:** gebouw met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in [bijlage I, onder B, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - h. **obstakel:** object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt; - i. **verkeersvlucht:** een vlucht van een luchtvaartmaatschappij die vervoer van passag"},{"i":10402,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 19 april 2013, nr. IENM/BSK-2013/72460, houdende omzetting van bepalingen omtrent het luchthavenluchtverkeer uit het aanwijzingsbesluit van de luchthaven Rotterdam The Hague Airport, in verband met de vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens (Omzettingsregeling luchthaven Rotterdam The Hague Airport) Gelet op [artikel X van de Wet van 18 december 2008 houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024928&artikel=X) (Stb. 2008, 561); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **ATC-slot (Air Traffic Control-slot):** een door de luchtverkeersleiding opgegeven CTOT (Calculated Take-Off Time). Dit is een nominale tijd met een tolerantie van 5 minuten voor tot 10 minuten na het opgegeven slot-tijdstip; - –. **circuitvlucht:** vliegtuigbeweging in de onmiddellijke omgeving van de luchthaven, in het bijzonder verband houdend met het starten, het oefenen voor het landen en het landen als onderdeel van het lesvliegen; - –. **exploitant:** de exploitant van de luchthaven Rotterdam The Hague Airport zijnde de N.V. Luchthaven Schiphol; - –. **hoofdstuk 2-vliegtuig:** vliegtuig waarvoor door het bevoegd gezag een verklaring is afgegeven dat het geluidgecertificeerd is overeenkomstig de bepalingen en voorschriften van Boekdeel I, deel 2, hoofdstuk 2, van Bijlage 16 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; - –. **hoofdstuk 3-vliegtuig:** vliegtuig waarvoor door het bevoegd gezag een verklaring is afgegeven dat het geluidgecertificeerd is overeenkomstig de bepalingen en voorschriften van Boekdeel I, deel 2, hoofdstuk 3, van Bijlage 16 bij het Verdrag inzake de inter"},{"i":10432,"b":"Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië, Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), ter ondertekening opengesteld te Chicago op 7 december 1944; geleid door de wens een nieuwe en herziene Overeenkomst te sluiten, met het doel luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden in te stellen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij de context anders vereist, hebben de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag” wordt verstaan het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), ter ondertekening opengesteld te Chicago op 7 december 1944; deze term omvat mede alle Bijlagen aangenomen krachtens [artikel 90 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=90) en alle wijzigingen van de Bijlagen of van het Verdrag krachtens de artikelen 90 en [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=94) daarvan, voor zover die Bijlagen en wijzigingen van kracht zijn geworden voor, of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten” wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Verkeer en Waterstaat; wat de Republiek Indonesië betreft, de minister van Verbindingen; of, in beide gevallen, elke persoon of instelling die bevoegd is om functies te vervullen die thans door de genoemde minister worden uitgeoefend; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij” wordt verstaan een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd in overeenstemming met [artikel 3 van deze Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005825&artikel=3&z=2011-12-29&g=2011-12-29); - d. onder „grondg"},{"i":10446,"b":"Overeenkomst tussen de Nederlandse Regering en de Regering van het Verenigd Koninkrijk betreffende Bepaalde Luchtdiensten De Nederlandsche Regeering en de Regeering van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, wenschende een Overeenkomst te sluiten met het doel, zoo spoedig mogelijk bepaalde luchtdiensten naar, in en over Britsch en Nederlandsch grondgebied in te stellen, hebben tot dat doel gevolmachtigden benoemd, die, daartoe behoorlijk gemachtigd, het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 Elke overeenkomstsluitende partij verleent aan de andere overeenkomstsluitende partij de rechten, vermeld in de Bijlage behoorende bij deze Overeenkomst, met het doel de daarin omschreven luchtdiensten (hierna te noemen „de overeengekomen diensten”) in te stellen. De overeengekomen diensten kunnen onmiddellijk worden geopend dan wel op een later tijdstip, naar verkiezing van de overeenkomstsluitende partij, waaraan de rechten zijn verleend. Artikel 2 (1). Elk van de overeengekomen diensten kan in exploitatie worden genomen, zoodra de overeenkomstsluitende partij, waaraan de rechten zijn verleend, een of meer luchtvaartmaatschappijen voor de aangegeven route of routes heeft aangewezen, en de overeenkomstsluitende partij, die de rechten verleent, is, behoudens het bepaalde in lid 2 van dit artikel en in artikel 6, verplicht onverwijld aan de betreffende luchtvaartmaatschappij(en) de passende exploitatievergunning te verleenen. (2). Van de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) kan worden verlangd, dat zij ten genoegen van de bevoegde luchtvaartautoriteiten van de overeenkomstsluitende partij, die de rechten verleent, aantoont (aantoonen), dat zij in staat is (zijn) de bepalingen na te komen, welke worden gesteld op grond van de wetten en voorschriften, welke gewoonlijk door die autoriteiten met betrekking tot de exploitatie van commercieele luchtvaartmaatschappijen worden gesteld. Artikel 3 (1). De kosten voor het gebruik van luchthavens en andere facilite"},{"i":10477,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake luchtdiensten tussen en via de Nederlandse Antillen en Suriname Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Gelet op de bijzondere historische, culturele en commerciële banden tussen hun volkeren en geleid door de wens om middels duurzame luchtvaartbetrekkingen de bestaande goede relaties te bevorderen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij uit het zinsverband anders blijkt, hebben de in deze Overeenkomst en de Bijlage genoemde termen de volgende betekenis: - a. onder „het Verdrag\" wordt verstaan: het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening is opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of het Verdrag overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen; - b. „Overeenkomst\": deze Overeenkomst met Bijlage en alle wijzigingen van de Overeenkomst of de Bijlage; - c. „Luchtvaartautoriteiten\": voor de Republiek Suriname, de Minister van Transport, Communicatie en Toerisme en voor het Koninkrijk der Nederlanden, de Minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is de functies die thans door de genoemde Minister worden uitgeoefend, te vervullen; - d. „grondgebied\", „luchtdiensten\", „internationale luchtdienst\", „luchtvaartmaatschappij\" en „landing voor andere dan verkeersdoeleinden\" hebben onderscheidenlijk de betekenis die daaraan is toegekend in de artikelen 2 en 96 van het"},{"i":10706,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 5 maart 2018, nr. IENW/BSK-2018/43439, houdende regels inzake het verstrekken van subsidie voor het transport van drinkwater of ander water op Bonaire, Sint Eustatius en Saba en voor de exploitatie van de RWZI op Bonaire over de kalenderjaren 2018 tot en met 2022 (Tijdelijke subsidieregeling drinkwater BES en rioolwaterzuiveringsinstallatie Bonaire 2018–2022) Gelet op [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4) in samenhang met [artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), en [artikel 5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 2, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), en [4 van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4); BESLUIT: Artikel 1. (begripsomschrijvingen) In deze regeling en daarop gebaseerde besluiten wordt verstaan onder: - **eilandsbestuur:** eilandsbestuur als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet openbare lichamen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=1); - **minister:** minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **RWZI:** rioolwaterzuiveringsinstallatie te Bonaire, beheerd door Water- en Energiebedrijf Bonaire NV; - **subsidieontvanger:** eilandsbestuur van Saba, Sint Eustatius Utility Company N.V. (STUCO) of Water- en Energiebedrijf Bonaire N.V. Artikel 2. (subsidieverlening) 1. Aan de subsidieontvanger kan op aanvraag over een of meer van de kalenderjaren 2022 tot en met 2026 subsidie worden verleend met als doel het geheel of gedeeltelijk dekken: - a. van de kosten over de genoemde kalenderjaren die worden verdisconteerd in het vaste gebruikstarief of het wegtransporttarief voor drinkwater of, voor Saba, het reverse osmosis water, teneinde deze tarieven die in rekening worden gebracht bij afnemers, te"},{"i":10785,"b":"Verdrag inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Mexicaanse Staten Het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Mexicaanse Staten, hierna te noemen de „verdragsluitende partijen”; Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens een bijdrage te leveren aan de vooruitgang van de internationale luchtvaart; Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging in het internationale luchtvervoer te waarborgen; Geleid door de wens een verdrag te sluiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Mexicaanse Staten ten behoeve van luchtdiensten tussen hun onderscheiden grondgebieden; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. INLEIDING Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan, wat de Verenigde Mexicaanse Staten betreft, het ministerie van Communicatie en Transport via het Directoraat-Generaal voor Burgerluchtvaart; wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Infrastructuur en Waterstaat; of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die thans door de genoemde autoriteiten worden vervuld; - b. wordt onder „overeengekomen dienst” en „omschreven route” verstaan respectievelijk de internationale luchtdienst overeenkomstig dit Verdrag en de route omschreven in de Bijlage bij dit Verdrag; - c. wordt onder „Verdrag” verstaan dit Verdrag en de Bijlage erbij, alsmede elke wijziging van het Verdrag of de Bijlage; - d. hebben „luchtdienst”, „internationale luchtdienst” en „luchtvaartmaatschappij” de betekenis die daaraan in [artikel 96 van het Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96) wordt toegekend; - e. wordt onder „verandering van luchtvaartuig” verstaan de exploitatie van een van de ove"},{"i":10786,"b":"Verdrag inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Republiek Finland The Kingdom of the Netherlands, in respect of Sint Maarten, and the Republic of Finland, (hereinafter referred to as the “Contracting Parties”); Being parties to the [Convention on International Civil Aviation](onbekend), opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Desiring to promote their mutual relations in the field of civil aviation and to conclude an agreement for the purpose of establishing air services between and beyond their respective territories; Desiring to promote an international aviation system based on competition among airlines in the marketplace with minimum government interference and regulation; Desiring to facilitate the expansion of international air service opportunities; Desiring to ensure the highest degree of safety and security in international air services and reaffirming their grave concern about acts or threats against the security of aircraft, which jeopardize the safety of persons or property, adversely affect the operation of air services and undermine public confidence in the safety of civil aviation; Desiring to make it possible for airlines to offer the travelling and shipping public a variety of service options and wishing to encourage individual airlines to develop and implement innovative and competitive prices; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purposes of this Agreement, unless otherwise stated, the term: - 1. “aeronautical authorities” means, in the case of the Republic of Finland, the Civil Aviation Authority; in the case of the Kingdom of the Netherlands, in respect of Sint Maarten, the Minister of Tourism, Economic Affairs, Traffic and Telecommunication, responsible of Aviation; or, in either case, any person or body authorised to perform any functions at present exercised by the said aeronautical authorities or similar functions; - 2. “Agreement” means this Agreement, its"},{"i":10787,"b":"Verdrag inzake luchtvervoer tussen de lidstaten en geassocieerde leden van de Associatie van Caraïbische Staten Preamble The States, Countries and territories referred to in Article IV of the Convention Establishing the Association of Caribbean States (ACS), done at Cartagena de Indias, Republic of Colombia on July 24, 1994 considering the Plans of Action adopted by the Heads of State and/or Government of the States, Countries and Territories of the Association of Caribbean States at the 2nd Summit in Santo Domingo, Dominican Republic; Bearing in mind the decision to promote the Programme adopted by the ACS and entitled ``Uniting the Caribbean by Air and Sea\"; Expressing the willingness to create the legal framework necessary for the establishment of the Sustainable Tourism Zone in the Caribbean region; Conscious of the need for airlines of the Member States and Associate Members to offer the traveling and shipping public a variety of air service options; Determined to ensure the highest degree of operational safety and security in international civil aviation; Recognizing the need for a general aviation policy for the Association of Caribbean States by which Member States and Associate Member States may be guided in their aviation arrangements; Recognizing the importance of the Convention on International Civil Aviation opened for signature in Chicago on December 7, 1944, as the principal regulatory instrument for the conduct of international civil aviation; Have agreed as follows: Article 1. Definitions A. For the purposes of this Agreement, unless otherwise stated, the term: - 1. ``Parties\" means the Member States and Associate Members of the Association of Caribbean States or States that may conclude treaties on behalf of the Associate Members, which have signed and have deposited their instruments of ratification or accession with the Depository in accordance with Article 24 of this Agreement; - 2. ``Agreement\" means this Agreement, its annexes, and any amendme"},{"i":10788,"b":"Verdrag inzake luchtvervoer tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Russische Federatie De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Russische Federatie, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen; overwegende het feit dat het Koninkrijk der Nederlanden en de Russische Federatie partijen zijn bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld; geleid door de wens een verdrag te sluiten met het doel luchtdiensten in te stellen tussen en via de respectieve grondgebieden van hun twee Staten; zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag betekenen de onderstaande begrippen het volgende: - a. onder het „Verdrag van Chicago” wordt verstaan: het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig [artikel 90 van het Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=90) aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen, voor zover deze van toepassing zijn op de Verdragsluitende Partijen, en alle overeenkomstig [artikel 94 van het Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=94) aangenomen wijzigingen van het Verdrag van Chicago die door de Russische Federatie onderscheidenlijk het Koninkrijk der Nederlanden zijn bekrachtigd; - b. onder „luchtvaartautoriteiten” wordt verstaan: wat de Russische Federatie betreft, de Russische Federale Luchtvaartautoriteiten of elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie te vervullen die thans wordt vervuld door genoemde autoriteiten en, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat of elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie te vervullen di"},{"i":10789,"b":"Verdrag inzake luchtvervoer tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Republiek Trinidad en Tobago The Kingdom of the Netherlands, in respect of Curaçao, and the Republic of Trinidad and Tobago (hereinafter referred to individually as the “Contracting Party” and collectively as the “Contracting Parties”); Being parties to the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Desiring to facilitate the expansion of international air service opportunities; Recognising that efficient and competitive international air services enhances trade and economic growth; Desiring to ensure the highest degree of safety and security in international air services; and Recalling the Agreement between the Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the Republic of Trinidad and Tobago relating to air services between and beyond the Netherlands Antilles and Trinidad and Tobago, signed at Port of Spain, on 24 September 1997; Have agreed as follows: Article 1. Definitions 1. For the purpose of this Agreement, unless the context otherwise requires: - a). the term “aeronautical authorities” means, in the case of Trinidad and Tobago, the Minister for Transport and the Civil Aviation Authority of Trinidad and Tobago; in the case of the Kingdom of the Netherlands, in respect of Curaçao, the Minister responsible for Civil Aviation; or, in both cases, any person or body who may be authorised to perform any functions at present exercisable by the above-mentioned persons or bodies or similar functions; - b). the term “Agreement” means this Agreement, its Annex and any amendments thereto; - c). the term “capacity” means the amount of services provided under this Agreement, usually measured in the number of flights (frequencies) or seats or tonnes of cargo offered in a market (city pair, or country to country) or on a route during a specific period, such as daily, weekly, seasonally or annually; - d). t"},{"i":10791,"b":"Verdrag inzake samenwerking bij de bestrijding van sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee en door de lucht in het Caribisch gebied De Partijen bij dit Verdrag, Indachtig de complexe aard van het probleem van de sluikhandel in verdovende middelen over zee in het Caribisch gebied; Geleid door de wens hun samenwerking zoveel mogelijk uit te breiden teneinde de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee in overeenstemming met het internationale recht van de zee te bestrijden, met inachtneming van de vrijheid van scheepvaart en overvliegen; Erkennende dat de Partijen bij dit Verdrag tevens Partij zijn bij het [Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001103) van 1988 (hierna „het Verdrag van 1988”); Gelet op de dringende noodzaak van internationale samenwerking bij de bestrijding van sluikhandel over zee, die wordt onderkend in het [Verdrag van 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001103); In herinnering roepend dat in het [Verdrag van 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001103) van Partijen wordt verlangd dat zij overwegen bilaterale verdragen of overeenkomsten te sluiten om de bepalingen van [artikel 17 van dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001103&artikel=17) ten uitvoer te leggen of de doeltreffendheid ervan te vergroten; Tevens in herinnering roepend dat een aantal Partijen ermee hebben ingestemd te worden gebonden door het „1996 Treaty Establishing the Regional Security System”, het „1989 Memorandum of Understanding Regarding Mutual Assistance and Co-operation for the Prevention and Repression of Customs Offences in the Caribbean Zone”, waarbij de Caribische Raad voor de handhaving van de douanewetgeving werd ingesteld, en het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172) van 1982; Erkennend dat de aard van de sl"},{"i":10792,"b":"Verdrag inzake samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende toegang tot en gebruik van faciliteiten in de Nederlandse Antillen en Aruba voor drugsbestrijding vanuit de lucht Gezien de noodzaak van versterkte internationale samenwerking bij de bestrijding van illegale drugsactiviteiten waartoe wordt opgeroepen in internationale juridische en politieke instrumenten, zoals het Verdrag van 1988 van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen en het Actieplan van Barbados van 1996; Gelet op de tastbare bilaterale stappen die reeds zijn gezet om een versterkte intergouvernementele samenwerking op dit gebied te bewerkstelligen, in het bijzonder het Interim-Verdrag gesloten op 13 april 1999 tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden ter vergemakkelijking van toegang tot en gebruik van daartoe aangewezen vliegvelden in de Nederlandse Antillen en Aruba voor de drugsbestrijding door bevoegde Amerikaanse strijdkrachten en burgerpersoneel; Geleid door de wens voort te bouwen op het Interim-Verdrag door een blijvender verdrag voor langere duur te sluiten en de modaliteiten en voorwaarden te scheppen voor een duurzamer partnerschap en een op samenwerking gerichte aanwezigheid van de Verenigde Staten in de Nederlandse Antillen en Aruba voor de drugsbestrijding; Erkennend dat, ter ondersteuning van dit strategisch partnerschap ter bevordering van internationale samenwerking bij het beteugelen van illegale drugsactiviteiten, de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden aanzienlijke nationale middelen blijven inzetten, met inbegrip van speciale luchtvaartuigen, strijdkrachten, burgerpersoneel en andere materiële middelen; Indachtig de gestage begeleidende financiële baten ten voordele van de economieën van de Nederlandse Antillen en Aruba als gevolg van het optreden van de Verenigde Staten van Amerika in verband met dit Verd"},{"i":10790,"b":"Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband De Partijen bij dit Verdrag, Zich bewust van het verband tussen economische bedrijvigheid en de gevolgen daarvan voor het milieu, Bevestigend dat het noodzakelijk is vanuit het oogpunt van het milieu verantwoorde en duurzame ontwikkeling te verzekeren, Vastbesloten de internationale samenwerking bij milieu-effectrapportage, met name in grensoverschrijdend verband, uit te breiden, Indachtig de noodzaak en het belang van het ontwikkelen van anticiperend beleid, en van het voorkomen, verminderen en controleren van belangrijke nadelige milieu-effecten in het algemeen en meer in het bijzonder in grensoverschrijdend verband, Herinnerend aan de desbetreffende bepalingen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), de Verklaring van de Conferentie inzake het menselijk leefmilieu te Stockholm, de Slotakte van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) en de Slotdocumenten van de Bijeenkomsten te Madrid en te Wenen van vertegenwoordigers van de Staten die deelnemen aan de CVSE, Verheugd over de voortdurende inzet van Staten om, door middel van hun nationale wettelijke en bestuurlijke bepalingen en hun nationale beleid, de toepassing van milieu-effectrapportage te verzekeren, Zich bewust van de noodzaak in een vroeg stadium van het besluitvormingsproces expliciete aandacht aan milieufactoren te schenken door de toepassing van milieu-effectrapportage, op alle betrokken bestuurlijke niveaus, als noodzakelijk instrument voor het verbeteren van de kwaliteit van de informatie die wordt aangeboden aan degenen die besluiten moeten nemen, opdat vanuit het oogpunt van het milieu verantwoorde besluiten kunnen worden genomen, waarbij er zorgvuldig naar wordt gestreefd belangrijke nadelige effecten, met name in grensoverschrijdend verband, tot het minimum te beperken; Indachtig de inspanningen van internationale organisaties ter bevordering van de toep"},{"i":10793,"b":"Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen De staten die partij zijn bij dit Verdrag zijn als volgt overeengekomen: Hoofdstuk I. Werkingssfeer van het Verdrag Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing op: - a). strafbare feiten; - b). handelingen die, al dan niet strafbare feiten zijnde, de veiligheid van het vliegtuig of van de personen of goederen aan boord daarvan in gevaar brengen of kunnen brengen of die de goede orde en discipline aan boord in gevaar brengen. 2. Onder voorbehoud van de bepalingen van [hoofdstuk III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004659&hoofdstuk=III&z=2021-05-01&g=2021-05-01) heeft dit Verdrag betrekking op strafbare feiten of handelingen, begaan door een persoon aan boord van een luchtvaartuig dat ingeschreven is in een Verdragsluitende Staat, terwijl dat luchtvaartuig zich in de lucht bevindt of op de volle zee of in een gebied dat niet tot het grondgebied van een staat behoort. 3. Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt een luchtvaartuig geacht in vlucht te zijn vanaf het moment waarop alle buitendeuren, na het instappen, zijn gesloten tot het moment waarop een van de deuren wordt geopend voor het uitstappen. In geval van een noodlanding wordt de vlucht geacht voort te duren totdat de bevoegde autoriteiten de verantwoordelijkheid voor het luchtvaartuig en voor de personen en goederen aan boord overnemen; en - b. wordt, wanneer de staat van de exploitant niet dezelfde is als de staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven, „de staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven”, zoals gebezigd in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004659&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2021-05-01&g=2021-05-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004659&hoofdstuk=III&artikel=5&z=2021-05-01&g=2021-05-01) en [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004659&hoofdstuk=V&artikel=13&z=2021-05-01&g=2021-05-01) van het Verdrag, geacht de staat van de exploitant te zijn"},{"i":10794,"b":"Verdrag, ter aanvulling van het Verdrag van Warschau, tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer verricht door een ander dan de contractuele vervoerder De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende, dat het Verdrag van Warschau geen bijzondere bepalingen bevat inzake het internationale luchtvervoer, bewerkstelligd door een persoon die geen partij is bij de vervoersovereenkomst; Overwegende, dat het derhalve wenselijk is, regels op te stellen die in een dergelijke situatie van toepassing zijn; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I In dit Verdrag wordt verstaan onder: - a). „Verdrag van Warschau”: hetzij het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, ondertekend te Warschau op 12 oktober 1929, hetzij het Verdrag van Warschau als gewijzigd te 's-Gravenhage in 1955, al naar gelang het vervoer krachtens de voorwaarden van de onder**b)** genoemde overeenkomst onder het ene of het andere verdrag valt; - b). „contractuele vervoerder”: een persoon die partij is bij een vervoersovereenkomst die onder het Verdrag van Warschau valt en gesloten is met een passagier of een bevrachter of met een persoon die optreedt namens de passagier of de bevrachter; - c). „feitelijke vervoerder”: een persoon, niet zijnde de contractuele vervoerder, die op grond van een machtiging van de contractuele vervoerder het geheel of een gedeelte van het onder **b)** genoemde vervoer bewerkstelligt, doch niet een opvolgende vervoerder is in de zin van het Verdrag van Warschau. Zonder bewijs van het tegendeel wordt het bestaan van een dergelijke machtiging aangenomen. Artikel II Indien een feitelijke vervoerder het geheel of een gedeelte bewerkstelligt van een vervoer dat overeenkomstig de in artikel I, onder **b**) genoemde overeenkomst onder het Verdrag van Warschau valt, zijn zowel de contractuele als de feitelijke vervoerder, behalve indien in dit Verdrag anders is bepaald, onderworpen aan"},{"i":10914,"b":"Besluit van 21 juli 2004, houdende wijziging van het Besluit luchtwaardigheid en twee andere besluiten in verband met technische aanpassingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 29 april 2004, nr. HDJZ/LUV/2004-939, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 1.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2), [3.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.9), [3.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.10), [3.11, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.11), [3.23 aanhef en onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.23), [3.25 eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.25) en [3.29 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.29) en [artikel 14, tweede lid, onder a, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=14); De Raad van State gehoord (advies van 25 mei 2004, nr. W09.04.0168/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 12 juli 2004, nr. HDJZ/2004-1371, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit luchtwaardigheid. Artikel II Ontwerpgoedkeuringen afgegeven voor een onderdeel van een luchtvaartuig, niet zijnde een uitrustingsstuk en geldig op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, worden aangemerkt als afgegeven op grond van [artikel 13a van het Besluit luchtwaardigheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012651&artikel=13a). Artikel III Wijzigt het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart. Artikel IV Wijzigt het Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit"},{"i":10927,"b":"Besluit van 23 augustus 2004 tot wijziging van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol en het Luchthavenindelingbesluit Schiphol in verband met het herstellen van een invoerfout en wijziging van uitvliegroutes in westelijke richting vanaf de Polderbaan Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 2 juli 2004, nr. HDJZ/LUV/2004-1650, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op de [artikelen 8.4](onbekend) en [8.15 van de Wet luchtvaart](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 18 augustus 2004, nr. W09.04.0313/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 20 augustus 2004, nr. HDJZ/LUV/2004-2087, Hoofddirectie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol. Artikel II Wijzigt het Luchthavenindelingbesluit Schiphol. Artikel III. Invoeringsbepaling 1. Dit artikel is van toepassing indien de inwerkingtreding van dit besluit niet samenvalt met het begin van het gebruiksjaar. 2. De grenswaarden voor de geluidbelasting in de na inwerkingtreding van dit besluit resterende periode van het gebruiksjaar zijn de in onderstaande tabellen genoemde waarden: **Grenswaarden handhavingspunten etmaal Lden [dB(A)]** | punt nr. | X-coörd | Y-coörd | Grenswaarde | Maximum grenswaarde in geval van buitengewone weersomstandigheden | | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | 97.325 | 470.400 | 50,88 | (51,88) | | 2 | 100.475 | 472.525 | 51,48 | (52,48) | | 3 | 104.150 | 474.925 | 51,53 | (52,53) | | 4 | 106.325 | 477.125 | 51,12 | (52,12) | | 5 | 108.875 | 478.725 | 51,01 | (52,01) | | 6 | 109.675 | 481.125 | 53,73 | (54,73) | | 7 | 107.625 | 486.025 | 50,61 | (51,61) | | 8 | 107.725 | 489.075 | 51,25 | (52,25) | | 9 | 107.725 | 492.100 | 49,79 | (50,79) | | 10 | 108.525 | 495.350 |"},{"i":10929,"b":"Besluit van 31 augustus 2020, houdende wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 in verband met de evaluatie van de Natuurschoonwet 1928 Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 april 2020, nr. WJZ/ 20071073, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de [artikelen 1, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1), en [2, tweede en derde lid, van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 juni 2020, nr. W11.20.0120/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 27 augustus 2020, nr. WJZ/20180969, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Artikel III 1. Op landgoederen die op de dag voorafgaande aan het in [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044074&artikel=IV&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van dit besluit bedoelde tijdstip als landgoed waren aangemerkt, die als gevolg van dit besluit niet meer aangemerkt kunnen worden als landgoed, blijft gedurende een periode van tien jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit het [Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004914) van toepassing zoals dit luidde op de dag voorafgaande aan het in artikel IV van dit besluit bedoelde tijdstip. 2. Het eerste lid is niet meer van toepassing: - a. op het landgoed of op een gedeelte van het landgoed vanaf het moment waarop het landgoed of dit gedeelte van een landgoed een andere eigenaar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1) of een hoofdgerechtigde als bedoeld in ["},{"i":11082,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 april 2018, houdende de beperking van de openbaarheid van een aantal inventarisnummers van het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Roemenië Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris van het Nationaal Archief d.d. 26 maart 2018, kenmerk 1252353; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 73 | 2032 | | 114 | 2077 | | 115 | 2084 | | 116 | 2078 | | 117 | 2085 | | 118 | 2081 | | 119 | 2072 | | 120 | 2073 | | 121 | 2077 | | 122 | 2074 | | 123 | 2071 | | 124 | 2077 | | 125 | 2080 | | 126 | 2083 | | 127 | 2080 | | 128 | 2079 | | 129 | 2081 | | 130 | 2084 | | 131 | 2086 | | 251 | 2065 | | 252 | 2058 | | 253 | 2068 | | 254 | 2068 | | 255 | 2065 | | 256 | 2066 | | 257 | 2054 | | 258 | 2066 | | 259 | 2065 | | 341 | 2079 | | 387 | 2060 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 17 + diskette 457 | 2052 | | 30 | 2035 | | 35 | 2051 | | 289 | 2057 | | 327 | 2061 | | 442 | 2052 | | 446 | 2052 | | 456 incl. ROM 471 | 2059 | Artikel 3 Met het oog op anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in het eers"},{"i":13155,"b":"Wet van 24 december 1970, tot tijdelijke verhoging of verlaging van belasting op grond van conjuncturele overwegingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is aan de instrumenten waarmede de conjunctuur kan worden beïnvloed toe te voegen de mogelijkheid de inkomstenbelasting, de loonbelasting, de vennootschapsbelasting, de omzetbelasting en de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's op korte termijn tijdelijk te verhogen of te verlagen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, de inkomstenbelasting, de loonbelasting, de vennootschapsbelasting, de omzetbelasting geheven naar de in artikel 9, eerste lid, en in [artikel 20, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=20) (**Stb.** 329) opgenomen tarieven en de belasting van personenauto's en motorrijwielen gezamenlijk verhogen of verlagen met een geheel percentage van ten hoogste vijf. De verhoging of verlaging en de beëindiging van de verhoging of verlaging vinden niet eerder toepassing dan met ingang van het kalenderkwartaal dat aanvangt nadat sedert het tot stand komen van de beschikking twee maanden zijn verstreken. Ingeval de verhoging of verlaging toepassing zal vinden vanaf een tijdstip dat samenvalt met of ligt ten hoogste zes maanden na het tijdstip met ingang van hetwelk een bij wet tot stand gebrachte verhoging onderscheidenlijk verlaging van een dezer belastingen toepassing vindt, kan Onze Minister voor die belasting de verhoging of verlaging beperken of achterwege laten. 2. Onverwijld na het tot stand komen van een beschikking tot verhoging of verlaging wordt een afschrift van deze beschikking aan de Staten-Generaal gezonden. D"},{"i":13641,"b":"Instellingsbesluit veiligheidsadviescommissie Schiphol Besluit: Artikel 1 1. Er is een veiligheidsadviescommissie Schiphol, hierna te noemen de Commissie. 2. De Commissie wordt ingesteld voor de duur van vier jaar, welke periode na afloop van deze termijn éénmaal kan worden verlengd voor ten hoogste vier jaar. Artikel 2 De Commissie heeft tot taak – de Minister, gevraagd en ongevraagd, te adviseren inzake de algemene veiligheidssituatie op en rondom de luchthaven Schiphol; – zorg te dragen voor de uitvoering van de in het Planologische Kernbeslissing Schiphol en omgeving voorziene vijfjaarlijkse safety audit; – de internationale ontwikkelingen op veiligheidsgebied te volgen. Artikel 3 1. De Commissie is als volgt samengesteld: - a. voorzitter, tevens lid: Drs. H. Hooykaas, voormalig President-Directeur Shell Nederland B.V. - b. leden: Prof. dr. A. R. Hale, hoogleraar veiligheidskunde aan de Universiteit Delft; Dipl.-Ing. K. Koplin, Secretary General Joint Aviation Authorities; Mevr. M. A. van der Meer, lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal; Prof. Dr. Ir. J. A. Mulder, hoogleraar vliegtuigbouw aan de Universiteit Delft; Ir. G. Ockeloen, voormalig Inspecteur-Generaal voor de Mijnen; Mr. I. Opstelten, burgemeester van de gemeente Utrecht; 2. In geval van een vervangende benoeming kan de Commissie kandidaten voordragen aan de Minister. 3. Als secretaris wordt aangewezen een ambtenaar van het Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst, Directie Luchtvaartinspectie. 4. De secretaris is niet stemgerechtigd en is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de Commissie. Artikel 4 1. De Commissie is bevoegd: - informatie op te vragen, al dan niet door tussenkomst van de Minister; - deskundigen te horen; - aan deskundigen opdrachten te verstrekken, mits de budgettaire consequenties zijn vastgesteld in overeenstemming met de Minister; 2. De Commissie komt tenminste tweemaal per jaar bijeen en tussentijds, zo vaak als aanleiding daartoe besta"},{"i":11109,"b":"Besluit van de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten van 8 april 2024 tot vaststelling van de hoogte van het opleidings- en examengeld voor de beroepsopleiding advocaten (Besluit opleidings- en examengeld BA 1 september 2024) gelet op [artikel 9c, tweede lid, onderdeel e, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9c) en [artikel 2.28, tweede lid, van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.28); besluit: Artikel 1. Hoogte opleidings- en examengeld De hoogte van het opleidings- en examengeld bedraagt: € 13.489,00. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2024. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleidings- en examengeld BA 1 september 2024."},{"i":12592,"b":"Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020 Gelet op de [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277) en de [artikelen 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043707&artikel=4.1) en [4.7, achtste lid, van het Mandaatbesluit BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043707&artikel=4.7); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder tekenbevoegdheid verstaan de bevoegdheid om namens de Minister besluiten te nemen, stukken af te doen en uitgaande brieven te ondertekenen op grond van de [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277). Artikel 2 1. De directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst bezit tekenbevoegdheid ten aanzien van: - a. het instemmen met het aanwijzen van vertrouwensfuncties als bedoeld in [artikel 3 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=3); - b. het afgeven van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in de [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277); - c. het weigeren van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in [artikel 8 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=8); - d. het doen instellen van een hernieuwd veiligheidsonderzoek als bedoeld in de [artikelen 9 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=9); - e. het intrekken van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in [artikel 10 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=10); - f. het doen van mededelingen aan een andere mogendheid of aan een volkenrechtelijke organisatie dan wel het doen van een kennisgeving, als bedoeld in [artikel 13 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=13); - g. het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen een besluit tot het weigeren of het i"},{"i":11855,"b":"Beleidsregels vorm- en herkenbaarheidsvereisten reïntegratieverslagen Gelet op de artikelen 34a, eerste lid, 71a, negende lid, en 71b, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Regeling procesgang eerste ziektejaar; Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de WAO: de [Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - b. de regeling: de [Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013540); - c. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015184&artikel=2&z=2005-12-21&g=2005-12-21) en [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - d. werkgever: de werkgever, bedoeld in [artikel 71a, eerste lid, van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=71a), en de eigenrisicodrager, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=1); - e. bedrijfsarts: de persoon, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=14), die belast is met de bijstand, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=14); - f. reïntegratieverslag: het reïntegratieverslag, bedoeld in [artikel 71a, derde lid, van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=71a) en [artikel 38, tweede lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38); - g. probleemanalyse: het oordeel en het advies van de bedrijfsarts of de arbodienst, bedoeld in [artikel 2, tweede en derde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013540&artikel=2); - h. plan van aanpak: het plan van aanpak, bedoeld in [ar"},{"i":13920,"b":"Organisatiebesluit VRO 2025 gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3), gelet op het [Organisatiebesluit BZK 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051449), besluit vast te stellen het navolgende Organisatiebesluit VRO: Artikel 1. Inleidende bepaling - a. **Ministerie:** het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - b. **Minister:** de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - c. **bewindspersoon:** de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. - d. **secretaris-generaal:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Artikel 2. Het Ministerie Het Ministerie bestaat uit de secretaris-generaal en de directeur Financieel-Economische Zaken. Artikel 3. De Secretaris-Generaal 1. Overeenkomstig [artikel 1 van het Besluit regeling functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004419&artikel=1) (Stb. 1988, 499), is de secretaris-generaal belast met de volgende taken: - a. het informeren en adviseren van de bewindspersoon over aangelegenheden, de bewindspersoon of het Ministerie betreffende; - b. het zorgdragen voor de coördinatie en integratie van beleidsvoorbereiding, beleidsontwikkeling en beleidsuitvoering binnen het Ministerie; - c. het uitoefenen van de algemene controlfunctie bij het Ministerie; - d. het functioneel leiding geven aan de directeuren-generaal die vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties taken uitvoeren voor het Ministerie en de directeur FEZ; - e. het geven van uitvoering aan de [Regeling audit committees van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040281); - f. het verlenen of weigeren van goedkeuring van besluiten tot uitzonderingen op de aanbestedingsregelgeving; - g. de continuïteitsverantwoordelijkheid van het Rijksvastgoedbedrijf. 2. De sec"},{"i":11133,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bescherming van Persoonsgegevens 1968- (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2007, nr. arc-2007.03507/6); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bescherming van Persoonsgegevens over de periode 1968–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11247,"b":"Overschrijdingsregeling speciaal voortgezet onderwijs (svo)-lom en svo-mlk Er zijn vragen gesteld hoe de overschrijdingsregeling m.b.t. het svo-lom en -mlk moet worden toegepast vanaf 1 augustus 1999. Vanaf die datum worden deze schoolsoorten omgezet naar respectievelijk leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en praktijkonderwijs (pro). Omdat in een gemeente niet alle bijzondere en gemeentelijke scholen op dezelfde datum worden omgezet lijkt de overschrijdingsregeling nogal ingewikkeld te worden. Hieronder wordt daarop ingegaan. Het is natuurlijk mogelijk dat een gemeente een verordening materiële financiële gelijkstelling heeft getroffen of dat in overeenstemming met het bijzonder onderwijs uitgaven voor een gemeentelijke school buiten de overschrijdingsregeling worden gelaten (art. 96 g en h/96i, 9o lid [WVO, Deel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) en 249 en 250/251, 4o lid [WVO, Deel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399)). Daaraan wordt in het onderstaande voorbij gegaan. Gemakshalve wordt hieronder steeds gesproken over bijzondere scholen bij de toepassing van de overschrijdingsregeling. De wettelijke term is echter: niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Daaronder worden naast de bijzondere scholen ook de door de gemeente op afstand gezette openbare scholen begrepen. Per 1 augustus 1998 is het vso-lom en -mlk geregeld in de [WVO, deel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399). De overschrijdingsregeling is geregeld in de [artikelen 251](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=251) e.v. De overschrijdingsregeling wordt toegepast per schoolsoort ([art. 253, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=253)). Tussen het vso-lom en -mlk staan dus ”schotten”. Een bijzondere mlk profiteert dus niet van de uitgaven die een gemeente doet voor haar lom. De overschrijdingsregeling voor het ”reguliere” VO is geregeld in de [artikelen 96 i en volgende van deel I van de WVO](https://w"},{"i":11147,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 oktober 2006, arc-2006.03203/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13750,"b":"Kavelbesluit kavel Gamma-A windenergiegebied IJmuiden Ver I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3) en gelet op de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), besluit de Minister van Klimaat en Groene Groei in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur als volgt: II. Toelichting kavelbesluit Gamma-A windenergiegebied IJmuiden Ver Leeswijzer Het voorliggende kavelbesluit bestaat uit vier delen: Deel II, de toelichting op het kavelbesluit, begint in hoofdstuk 1 met een uiteenzetting van het nut en de noodzaak van maatregelen tegen klimaatverandering, in lijn met nationale en internationale doelen, waaronder het Klimaatakkoord van Parijs. Daarnaast wordt het uitgiftestelsel van kavels voor windparken besproken. Hoofdstuk 2 behandelt de [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752) en de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), die essentieel zijn voor de regulering van windparken op zee. Ook komen de beleidskaders aan bod. Hoofdstuk 3 biedt een inzicht in de procedures en afwegingen die ten grondslag liggen aan het besluitvormingsproces rondom windenergie op zee. Het behandelt de rol van de procedure voor de milieueffectrapportage (mer) en de afstemming met belanghebbenden. Hoofdstuk 4 schetst de kenmerken van kavel Gamma-A binnen het bredere windenergiegebied IJmuiden Ver. Hieronder vallen o.a. de ligging, bodemsamenstelling en natuurwaarden. Daarnaast worden de verkaveling en de onderdelen van het windpark beschreven. Als laatste komt in dit hoofdstuk de fasering van het project (bouw, exploitatie en verwijdering) aan bod. In hoofdstuk 5 wordt het milieueffectrapport (MER) voor kavel Gamma-A belicht, waarbij de gebruikte bandbreedte in het MER wordt"},{"i":13436,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 december 2021, nr. WJZ/21207879, tot instelling van de Adviescommissie verdeling 3,5 GHz-band en waarborging nood-, spoed- en veiligheidscommunicatie (Instellingsbesluit Adviescommissie Verdeling 3,5 GHz-band en NSV-communicatie) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **3,5 GHz-band:** frequentieruimte binnen het frequentiebereik 3400–3800 MHz; - **adviescommissie:** Adviescommissie Verdeling 3,5 GHz-band en NSV-communicatie; - **Inmarsat:** Inmarsat Solutions B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, en Inmarsat Global Limited, gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk; - **Minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **NSV-communicatie:** communicatie die Inmarsat thans met behulp van het grondstation in Burum verzorgt in opdracht van de Internationale Organisatie voor Mobiele Satellieten ten behoeve van het Wereldomvattend Maritieme Systeem voor Noodgevallen en Veiligheid, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Verdrag inzake de Internationale Organisatie voor Mobiele Satellieten. Artikel 2 1. Er is een Adviescommissie Verdeling 3,5 GHz-band en NSV-communicatie. 2. De adviescommissie heeft tot taak de Minister te adviseren over hoe en per wanneer de 3,5 GHz-band in heel Nederland ter beschikking kan worden gesteld voor mobiele communicatie, op een wijze die de verzorging van de NSV-communicatie waarborgt. 3. De adviesaanvraag, bedoeld in het tweede lid, valt uiteen in de volgende deelvragen: - a. Wat en hoeveel is het frequentiegebruik ten behoeve van de NSV-communicatie in de 3,5 GHz-band?; - b. In hoeverre is het realistisch de NSV-communicatie afzonderlijk te verzorgen van de commerciële diensten die Inmarsat momenteel verzorgt met behulp van het grondstation in Burum en met gebruikmaking van de 3,5 GHz-band?; - c. Welke mogeli"},{"i":12468,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 7 december 2018, nr. WJZ/18055953, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging voor het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2019 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Handelende met instemming van de Minister van Economische Zaken en Klimaat; Gezien de schriftelijke instemming van de secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur-generaal Klimaat en Energie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur Regio van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de Chief Economist van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur Bedrijfsvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur Bureau Bestuursraad van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur Communicatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, het hoofd van de afdeling Financiële Diensten en Administratie van de directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de algemeen directeur Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan ond"},{"i":12045,"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Ordedienst en de Binnenlandse Strijdkrachten en de afwikkeling daarvan, 1940–1947 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Ordedienst en de Binnenlandse Strijdkrachten en de afwikkeling daarvan, 1940–1947, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 1564 | 2020 | | 1918-4823 | 2027 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028886&artikel=1&z=2010-10-27&g=2010-10-27), is, tot verval van de beperking op de openbaarheid, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten, geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028886&artikel=1&z=2010-10-27&g=2010-10-27), is, tot verval van de beperking op de openbaarheid slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief van de Ordedienst en de Binnenlandse Strijdkrachten en de afwikkel"},{"i":11183,"b":"Europees Verdrag betreffende de gelijkstelling van diploma's voor toelating tot universiteiten De Regeringen welke dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa; Overwegende dat een van de doelstellingen van de Raad van Europa is het volgen van een gemeenschappelijke gedragslijn op cultureel en wetenschappelijk gebied; Overwegende dat het bereiken van deze doelstelling zou worden bevorderd door de bronnen der wetenschap in de Leden-Staten vrijelijk toegankelijk te maken voor de Europese jeugd; Overwegende dat de universiteit een van de voornaamste bronnen van intellectuele activiteit van een land vormt; Overwegende dat aan hen, die hun voorbereidend hogere of middelbare opleiding binnen het grondgebied van het ene Lid met succes hebben voltooid, alle mogelijke faciliteiten verleend dienen te worden om binnen het grondgebied van andere Leden een universiteit van hun keuze te bezoeken; Overwegende dat het voor het verlenen van dergelijke faciliteiten, welke eveneens wenselijk zijn in het belang van een vrij verkeer van het ene land naar het andere, noodzakelijk is dat de diploma's voor toelating tot universiteiten worden gelijkgesteld; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Iedere Verdragsluitende Partij erkent, met het oog op de toelating tot binnen haar grondgebied gelegen universiteiten waarvan de toelating aan staatstoezicht is onderworpen, de gelijkwaardigheid van die binnen het grondgebied van iedere andere Verdragsluitende Partij uitgereikte diploma's, welke in het land waarin zij werden verleend een noodzakelijke vereiste zijn voor de toelating tot soortgelijke instellingen. 2. De toelating tot een universiteit is afhankelijk van het aantal beschikbare plaatsen. 3. Iedere Verdragsluitende Partij behoudt zich het recht voor, de bepalingen van lid 1 niet op haar eigen onderdanen toe te passen. 4. In gevallen waarin de toelating tot universiteiten, gelegen binnen het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, niet onderworpen is aan staat"},{"i":11185,"b":"Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 14 februari 2006, nr. 5403489/06, tot vaststelling van het examenprogramma voor het basisexamen inburgering (Examenprogramma basisexamen inburgering) Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken; Gelet op [artikel 3.98a, derde en zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering in het buitenland (Stb. 2006/28) in werking treedt. Artikel 1 Het examenprogramma voor de vereiste lees-, luister- en spreekvaardigheid, bedoeld in [artikel 3.98a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98a), en het examenprogramma voor de vereiste kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in [artikel 3.98a, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98a), worden vastgesteld als in de bijlage van deze regeling is aangegeven. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering in het buitenland in werking treedt. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Examenprogramma basisexamen inburgering. Bijlage. Examenprogramma basisexamen inburgering Het basisexamen inburgering heeft tot doel na te gaan of personen die in aanmerking willen komen voor een machtiging tot voorlopig verblijf voldoen aan de eisen op het gebied van de beheersing van de Nederlandse taal en van kennis van de Nederlandse samenleving. In het basisexamen inburgering worden getoetst: - a. de leesvaardigheid in het Nederlands; - b. de spreekvaardigheid in het Nederlands; - c. de kennis van de Nederlandse samenleving. Het examenprogramma is een uitwerking van de examenstof zoals omschreven in het advies over het niveau van het basisexamen inburgering in het buitenland van de Adviescommissie Normering Inburgeringseisen en de maatregelen uit de brief aa"},{"i":11186,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 14 juli 2008, nr. WJZ 8086374, houdende regels ten aanzien van het afnemen van examens ten behoeve van frequentiegebruik (Examenregeling frequentiegebruik 2008) Gelet op de [artikelen 11, eerste lid, onder b en c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=11), en [20, eerste lid, van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=20) en gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=5) en [6 van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=6); Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. erkende instelling: een instelling die door de minister is erkend om in het kader van deze regeling één of meerdere examens feitelijk af te nemen; - b. kandidaat: degene die zich voor deelneming aan een examen heeft aangemeld; - c. HAREC-certificaat: geharmoniseerd amateurradiozendexamen certificaat (HAREC) als bedoeld in de Recommandatie T/R 61-02 van de Conférence Européenne des Postes et des Télécommunications (CEPT); - d. N-certificaat: een Amateur Radio Novice Examination Certificate als bedoeld in rapport nr. 32 van het European Radiocommunications Committee; - e. GMDSS: Global Martime Distress and Safety System, het wereldwijde radiocommunicatiesysteem ten behoeve van de veiligheid van de scheepvaart; - f. zeevaartschool: een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als zodanig erkende instelling, welke op MBO-niveau 3 en 4 een opleiding verzorgt op basis van opleidingscodes 25679, 25677, 25680 en 25683, en op HBO-niveau met opleidingscode 34384; - g. radiozendamateur: degene die vanuit een persoonlijke belangstelling en zonder financieel oogmerk gebruik maakt van frequentieruimte ten behoeve van het opdoen van vaardigheden, het communiceren via de radio en het doen van technisch onderzoekingen; - h. minister: Minis"},{"i":13767,"b":"Klachtenregeling Kiesraad Gelet op [hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Kiesraad: het bestuursorgaan als bedoeld in [artikel A 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_1) en [A 2 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_2); - b. medewerker van de Kiesraad: alle medewerkers ressorterend onder de secretaris-directeur van de Kiesraad; - c. klacht: een schriftelijke of mondelinge uiting van ongenoegen over de wijze waarop (een medewerker van) de Kiesraad zich in een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen; - d. betrokkene: degene op wiens handelen of nalaten de klacht betrekking heeft; - e. klager: degene die over een gedraging van (een medewerker van) de Kiesraad een klacht indient bij de Kiesraad. Artikel 2. Klachtrecht 1. Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop de Kiesraad zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen, bij de Kiesraad een klacht in te dienen. 2. Een gedraging van een medewerker van de Kiesraad wordt aangemerkt als een gedraging van de Kiesraad, voor zover deze gedraging aan de Kiesraad kan worden toegerekend. 3. Klachten kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden ingediend. 4. De Kiesraad draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over zijn gedragingen. 5. Indien een schriftelijke klacht betrekking heeft op een gedraging jegens de klager en voldoet aan de vereisten van [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039436&artikel=4&z=2008-04-27&g=2008-04-27), zijn de [artikelen 5 tot en met 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039436&artikel=5&z=2008-04-27&g=2008-04-27) van toepassing. Artikel 3. Afdoening in der minne 1. In iedere fase van de klachtbehandeling kan de Kiesraad nagaan of de klager door middel van een informele afhandeling van zijn klacht tev"},{"i":13757,"b":"Keuringsreglement COKZ Boerenkaas 2006 Gelet op [artikel 10, eerste lid, onder e, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=10) (Stb. 1971, 371), [artikel 6 van de Landbouwkwaliteitsregeling kaas 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019231&artikel=6), alsmede artikel 36, tweede lid, van de statuten van genoemde Stichting (Stcrt. 1992, 63); Heeft op 29 december 2005 vastgesteld het navolgende reglement: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1 Terminologie Artikel 1 In dit reglement wordt, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, de terminologie van de [Landbouwkwaliteitsregeling kaas](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009794) overgenomen en wordt voorts verstaan onder: regeling: [Landbouwkwaliteitsregeling kaas 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019231); boerenkaas: boerenkaas die is voorzien van een rijkskaasmerk of is bestemd om te worden voorzien van een rijkskaasmerk; rijkskaasmerk: het rijkskaasmerk als bedoeld in [artikel 3 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019231&artikel=3); productdossier: productdossier als bedoeld in [artikel 14, tweede lid van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019231&artikel=14); bereider: producent van boerenkaas; afleveren: afleveren van kaas na de verplichte bewaartermijn van de desbetreffende kaas; directeur: directeur van het COKZ; directeur Industrie en Handel: directeur Industrie en Handel van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; bestuur: bestuur van het COKZ. Hoofdstuk 2 Voorschriften inzake rijkskaasmerken Artikel 2 1. Rijkskaasmerken worden gedrukt: - a. op caseïneplaatjes welke tijdens de bereiding op de boerenkazen worden aangebracht; - b. op zelfklevende etiketten welke op de verpakkingen van boerenkaas worden aangebracht; - c. rechtstreeks op de buitenzijde van het verpakkingsmateriaal voor boerenkaas op zodanige wijze dat, bij gebruik van dit materiaal over"},{"i":13367,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2020, versie 1.00 (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 6 november 2019 krachtens [artikel 15 van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15), goedgekeurd bij besluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 21 november 2019). Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De Raad stelt dan ook als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de [Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) dat een verzoek om inschrijving bij de Raad eerst volledig is behandeld en is ingewilligd. Het bestuur van de Raad kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden. Deze inschrijvingsvoorwaarden van de Raad zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar advocaten die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. Er bestaan algemene voorwaarden die voor alle ingeschreven advocaten gelden en bijzondere voorschriften voor rechtsbijstand op specifieke rechtsgebieden. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft Gedragsregels1Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten. en verordeningen vastgesteld waarnaar advocaten zich behoren te richten. De deken in een arrondissement is belast met het toezich"},{"i":12024,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 maart 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Jemen, Ambassade Sana’a (1975–2013), Besluit Beperking Openbaarheid, Sana’a (1975–2013) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 22 februari 2023, referentie 35092983; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 10 | 2078 | | 11 | 2080 | | 13 | 2079 | | 15 | 2078 | | 16 | 2076 | | 19 | 2080 | | 20 | 2079 | | 39 | 2061 | | 40 | 2077 | | 41 | 2086 | | 79 | 2070 | | 80 | 2070 | | 81 | 2072 | | 82 | 2085 | | 123 | 2056 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 14 | 2062 | | 17 | 2047 | | 18 | 2054 | | 103 | 2035 | | 125 | 2032 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047972&artikel=1&z=2023-03-22&g=2023-03-22), is, tot openbaring uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. (De algemene rijksarchivaris behan"},{"i":9942,"b":"Beleidsregel amateurluchtvaartuigen Gelet op de [artikelen 79, eerste lid](onbekend), [87, tweede lid](onbekend) en[88, tweede lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](onbekend) en op [artikel 4, tweede lid van de Regeling luchtwaardigheid](onbekend); Maakt bekend: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **luchtarbeid:** een activiteit waarbij het luchtvaartuig wordt gebruikt voor speciale diensten zoals landbouwspuitvliegen, constructiewerkzaamheden, luchtfotografie, begeleiding, observatie en controle of luchtreclame; - b. **amateurluchtvaartuig:** een luchtvaartuig dat, al dan niet volgens eigen ontwerp, is gebouwd door een amateurbouwer voor privégebruik, zonder commercieel oogmerk; - c. **directeur-generaal:** directeur-generaal van de rijksluchtvaartdienst; - d. **geluidswijziging:** een wijziging aan het luchtvaartuig die invloed kan hebben op de geluidproduktie van het luchtvaartuig; - e. **log-entry:** een verklaring met betrekking tot uitgevoerde werkzaamheden. Artikel 2 Amateurluchtvaartuigen behoeven niet vervaardigd te worden door of onder toezicht van een hiertoe erkend bedrijf als bedoeld in [artikel 93 van de Regeling Toezicht Luchtvaart](onbekend). Artikel 3 1. Voor het verlengen van de termijn van geldigheid van het bewijs van luchtwaardigheid wordt door de eigenaar of houder van een amateurluchtvaartuig een aanvraag ingediend bij de directeur-generaal. 2. In de aanvraag wordt aangegeven: - a. dat het amateurluchtvaartuig nog steeds in luchtwaardige toestand verkeert; - b. dat eventuele wijzigingen zijn goedgekeurd door de ontwerper; - c. dat eventuele geluidswijzigingen en wijzigingen van de verplichte instrumenten, radio en transponder zijn goedgekeurd door de directeur-generaal, onder vermelding van het goedkeuringsnummer van de wijziging; - d. dat het amateurluchtvaartuig is onderhouden conform de aanwijzingen van de ontwerper; - e. het aantal vlieguren tijdens de voorgaande 12 maanden. 3. Bij de aanvraag wordt een log-entry"},{"i":13890,"b":"Ondernemersbesluit ontvanginrichtingen Gelet op de artikelen H.2.1 en H.2.2 van het Besluit radio-elektrische inrichtingen (Stb. 1985, 445); Gezien het advies van de directeur-generaal der PTT van 26 september 1985; Besluit: Artikel 1. Machtiging 1. De machtiging voor ontvanginrichtingen bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk F van het Besluit radio-elektrische inrichtingen dient te worden aangevraagd door middel van een daartoe door de directeur-generaal vastgesteld formulier. 2. De aanvrager dient de door of vanwege de directeur-generaal gevraagde, voor de verlening van de machtiging relevante inlichtingen en bescheiden te verstrekken. 3. De machtiging kan slechts worden verleend: - a. indien de ondernemer is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken; - b. voor zover een redelijk belang van de ondernemer dat vordert; - c. indien misbruik van de machtiging niet te vrezen is; - d. indien voldaan is aan het gestelde in het tweede lid. 4. Bij de machtiging wordt aangegeven op welke bedrijfsvestigingen deze ontvanginrichtingen aanwezig mogen zij. Artikel 2. Registratie van ontvanginrichtingen 1. De ondernemer is verplicht voor ontvanginrichtingen bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk F van het Besluit radio-elektrische inrichtingen een doorlopend register te houden en daarin onverwijld aantekening te doen van alle door hem vervaardigde, ontvangen en afgeleverde ontvanginrichtingen. 2. Het register dient zodanig te zijn ingericht dat op de te controleren bedrijfsvestiging de geregistreerde gegevens met betrekking tot ontvanginrichtingen van de desbetreffende bedrijfsvestiging onmiddellijk beschikbaar zijn en een volledig inzicht geven. 3. De ondernemer is verplicht in het register onverwijld de navolgende gegevens te vermelden: - a. datum van productie of ontvangst alsmede van aflevering van de ontvanginrichtingen; - b. fabrikaat, type-aanduiding en serienummer van de ontvanginrichtingen; - c. naam, adres, woonplaats en voor zover van toe"},{"i":12102,"b":"Besluit houdende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Algemene Secretarie van de Nederlands-Indische Regering 1922–1950, nummer archiefinventaris 2.10.14 Gelet op [artikel 15, lid 1 en 2 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op de Brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 19 oktober 1973 met het kenmerk CA73/U1385; Gelet op de Verklaring van Overbrenging van 28 november 1983, Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de archiefbescheiden genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Jaar | | --- | --- | | 3298 | 2025 | | 3314 | 2022 | | 3741 | 2022 | | 3742 | 2023 | | 3744 | 2023 | | 3745 | 2024 | | 3747 | 2024 | | 3748 | 2024 | | 3749 | 2024 | | 3751 | 2025 | | 3752 | 2025 | | 3753 | 2025 | | 3754 | 2025 | | 3755 | 2025 | | 3755 | 2025 | | 3756 | 2025 | | 3759 | 2025 | | 3760 | 2025 | | 3762 | 2025 | | 3763 | 2025 | | 3764 | 2025 | | 3766 | 2025 | | 3769 | 2024 | | 3770 | 2022 | | 3771 | 2023 | | 3772 | 2023 | | 3776 | 2024 | | 3777 | 2024 | | 3778 | 2024 | | 3779 | 2024 | | 3780 | 2024 | | 3781 | 2025 | | 3782 | 2025 | | 3783 | 2025 | | 3786 | 2025 | | 4697 | 2022 | | 4708 | 2025 | | 4757 | 2022 | | 5762 | 2024 | | 4777 | 2025 | | 4781 | 2025 | | 4782 | 2025 | | 4783 | 2025 | | 4784 | 2025 | | 4785 | 2025 | | 4786 | 2025 | | 4787 | 2025 | | 4788 | 2025 | | 4789 | 2025 | | 4790 | 2025 | | 4791 | 2025 | | 4792 | 2025 | | 4793 | 2025 | | 4794 | 2025 | | 4795 | 2025 | | 4796 | 2025 | | 4797 | 2025 | | 4798 | 2025 | | 4799 | 2025 | | 4800 | 2025 | | 4801 | 2025 | | 4802 | 2025 | | 4803 | 2021 | | 5260 | 2025 | | 5263 | 2025 | | 5264 | 2025 | | 5265 | 2025 | | 5266 | 2022 | | 5267 | 2022 | | 5268 | 2022 | | 5269 | 2023 | | 5270 | 2024 | | 5271 | 2024 | | 5272 | 2024 | | 5273 | 2024 | | 5274 | 2024 | | 5275 | 2024 | | 5276 | 2024 | | 5277 | 2024 | | 5278 | 2024 | | 5279 | 2024 | | 5"},{"i":12316,"b":"Besluit van 4 november 1982, houdende herindeling van een aantal departementale taken Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, dd. 4 november 1982, nr. 325335; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Met ingang van heden: Enig artikel 1. Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk tevens te belasten met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de Volksgezondheid voorzover thans opgedragen aan het departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, en met dienovereenkomstige wijziging van de taak, de naam van het departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk te wijzigen in departement van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. 2. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening tevens te belasten met de aangelegenheden op het terrein van de Milieuhygiëne, voorzover thans opgedragen aan het departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en met dienovereenkomstige wijziging van de taak, de naam van het departement van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te wijzigen in departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 3. Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur tijdelijk te belasten met de behartiging van die taken van het departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, voorzover daarvoor in het bepaalde onder 1 tot en met 2 geen voorziening is getroffen. 4. Het departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne op te heffen. 5. Onze Minister van Landbouw en Visserij te belasten met de zorg voor het Natuurbehoud, voorzover thans opgedragen aan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de taak van beide departementen dienovereenkomstig te wijzigen. 6. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te belasten met de zorg voor Bijstandszaken, voorzover thans opgedragen aan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de taak van beide departementen dienovereenkomstig te wijzigen. 7. De"},{"i":13762,"b":"Wet van 28 september 1989, houdende nieuwe bepalingen inzake het kiesrecht en de verkiezingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe bepalingen inzake het kiesrecht en de verkiezingen van de leden van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal, alsmede van de leden van provinciale staten en de gemeenteraden, vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Afdeling I. Algemene bepalingen Hoofdstuk A. Inleidende bepalingen Artikel A 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **algemeen bestuur:** vertegenwoordigend orgaan van een waterschap voor zover het leden betreft van de categorie, bedoeld in [artikel 12, tweede lid, onderdeel a, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=12); - **dagelijks bestuur:** dagelijks bestuur van een waterschap. Artikel A 2 Er is een Kiesraad, gevestigd te 's-Gravenhage. Afdeling II. De verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten en van de gemeenteraden Hoofdstuk B. Het kiesrecht Artikel B 1 1. De leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling Nederlander zijn en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, met uitzondering van degenen die op de dag van de kandidaatstelling hun werkelijke woonplaats hebben in Aruba, Curaçao of Sint Maarten. 2. Deze uitzondering geldt niet voor: - a. de Nederlander die gedurende ten minste tien jaren ingezetene van Nederland is geweest; - b. de Nederlander die in Nederlandse openbare dienst in Aruba, Curaçao of Sint Maarten werkzaam is, alsmede zijn Nederlandse echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel en kinderen, voor zover dezen met hem een gemeenschappeli"},{"i":11319,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 november 2013, nr. OND/ODS-2013/47687 M, houdende de vaststelling van prognosemodellen in het primair onderwijs (Regeling modelprognose primair onderwijs 2013) Gelet op [artikel 75, vierde lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=75); Besluit: Artikel 1. Verplichting indiening prognose op basis van een vastgesteld model Het model voor het verstrekken van een prognose bedoeld in [artikel 75, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=75) dient een model te zijn dat voldoet aan het programma van eisen waar naar wordt verwezen in de Modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs zoals opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Artikel 2. Indiening prognose De prognose, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034342&artikel=1&z=2013-12-14&g=2013-12-14) dient schriftelijk te worden ingediend. Artikel 3. Vervallen regeling De [Regeling modelprognose primair onderwijs 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026733) vervalt. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling modelprognose primair onderwijs 2013. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11321,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 26 januari 2021, nr. 26750652, houdende vaststelling van het onderwijsaccountantsprotocol voor de sectoren PO, VO, MBO en HO (Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2020) Gelet op [artikel 157, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=157), [artikel 171, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=171), de [artikelen 14a, derde lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672&artikel=14a), en [18, zesde lid, van het Bekostigingsbesluit WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672&artikel=18), [artikel 5.2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=5.2.5) en [artikel 4.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.4); **Besluit:** Artikel 1. Vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW Het protocol voor de controle en onderzoek door de accountant over het jaar 2020 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Intrekking [Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036238) De [Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036238) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2020. 2. Deze regeling heeft betrekking op het jaar 2020 en vervalt met ingang van 1 januari 2027. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2020. Bijlage. bij de Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2020 Versie 18 december 2020 Inleiding 1 juli 2020 Dit is het onderwijsaccountantspr"},{"i":12752,"b":"Besluit vaststelling factoren L en r boekjaar 2011 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2011 vastgesteld op 0,203061%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2011 vastgesteld op 0,254734%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 1 januari 2011. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11554,"b":"Wijziging van de drempel in de groeiregeling materiële instandhouding (MI) voor het basisonderwijs In deze publicatie wil ik u op de hoogte stellen van een voorgenomen wijziging van [artikel 14, zesde lid, van het Bekostigingsbesluit WPO](onbekend), die van invloed is op het insturen van de 1-maarttelling voor het bekostigingsjaar 2002. 1. Inleiding In het Gele Katern, nr.3, van 6 februari 2002 is onder nummer CFI/IGP-2002/8898N een mededeling gepubliceerd inzake de aanpassing materiële instandhouding (MI) voor basisscholen als gevolg van groei. Deze aanpassing vloeit voort uit een wijziging van [artikel 14 van het Bekostigingsbesluit WPO](onbekend). Een basisschool heeft recht op toekenning van extra MI-vergoeding als het aantal leerlingen op 1 maart met tenminste 17 leerlingen is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op 1 oktober daaraanvoorafgaand, verhoogd met 3%, welk getal naar beneden wordt afgerond op een geheel getal. Tot en met het bekostigingsjaar 2000 was de groeiregeling MI gekoppeld aan de groeiregeling personeel. Een school kon alleen extra MI-vergoeding ontvangen als in het desbetreffende schooljaar ook een toekenning voor personele groei had plaatsgevonden. In het kader van de met de groepsgrootte samenhangende vereenvoudiging van het [Formatiebesluit WPO](onbekend) en het [Bekostigingsbesluit WPO](onbekend) isbesloten om de koppeling tussen de personele groei en de MI-groei los te laten. Voor de MI-groei is per 1 januari 2001 een eigenstandige drempel van 17 leerlingen ingevoerd. Inmiddels is gebleken dat voor de MI-groei eenzelfde drempel als voor de personele groei gehanteerd kan worden, nl. 13 leerlingen. Hiervoor dient [artikel 14, zesde lid, van het Bekostigingsbesluit WPO](onbekend) te worden gewijzigd. 2. Wijziging regeling Ik streef er naar om deze wijziging met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2002 in te voeren. Hieronder geef ik een voorbeeld van de toepassing van de nieuwe regeling. Een basisschool heeft recht op toe"},{"i":12209,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 4 april 2024, Min-BuZa.2024.20688-10, tot doorverlening van volmacht en machtiging aan de Directeur Huisvesting en Facilitaire Zaken (DHF) met betrekking tot onroerende zaken buiten Nederland Gelet op [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043426&artikel=4) jo [artikel 2 van de Mandaatregeling onroerende zaken Ministerie van Buitenlandse Zaken buiten Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043426&artikel=2)1Stcrt. 2020, 23665. en [artikel 2 van de Regeling mandaat, volmacht en machtiging BZ 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044511&artikel=2); Gelet op de binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken gemaakte afspraak dat alle huisvestinggerelateerde investeringen en transacties met een waarde boven 500.000 Euro via een Meerjarenprogrammering worden vastgesteld door de Managementraad; Besluit: Artikel 1 1. Aan de volgende functionaris wordt de volgende bevoegdheid verleend krachtens de [Mandaatregeling onroerende zaken Ministerie van Buitenlandse Zaken buiten Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043426): - –. de Directeur Huisvesting en Facilitaire Zaken voor zover het rechtshandelingen betreft in het kader van het vervreemden, dan wel het tijdelijk aan derden in gebruik geven van buiten Nederland gelegen onroerende zaken; - –. de Directeur Huisvesting en Facilitaire Zaken tot het verrichten van feitelijke handelingen verbonden aan vorenbedoelde rechtshandelingen; - –. de Directeur Huisvesting en Facilitaire Zaken tot het schriftelijk verlenen van volmacht en machtiging aan onder hem ressorterende functionarissen. 2. Aan de Directeur Huisvesting en Facilitaire Zaken wordt de bevoegdheid verleend om volmacht of machtiging door te verlenen aan de betrokken Chef de Poste in het buitenland door middel van een schriftelijke volmacht of machtiging tot het sluiten van een koop-, verkoop-, huur- of verhuurovereenkomst of het verrichten van fei"},{"i":13480,"b":"Besluit van de Minister van Financiën d.d. 26 september 2025, nr. 450191, houdende instelling van de Commissie Beleidskwaliteit Ministerie van Financiën (Instellingsbesluit Commissie Beleidskwaliteit) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Financiën; - b. **commissie:** Commissie Beleidskwaliteit Ministerie van Financiën, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051601&artikel=2&z=2025-10-11&g=2025-10-11); - c. **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie Beleidskwaliteit Ministerie van Financiën. 2. De commissie heeft tot taak: - a. Het adviseren over: - 1°. het proces van beleidsontwikkeling (zoals bijvoorbeeld overeenkomstig de huidige werkwijze van het Beleidskompas); - 2°. het plan van aanpak en de uitkomsten van de periodieke rapportages en belangrijke evaluaties; - 3°. de planning van evaluaties en periodieke rapportages in de komende zeven jaar (Strategische Evaluatie Agenda); - 4°. de verbinding tussen de uitkomsten van evaluaties en de ontwikkeling van nieuw beleid en; - b. Het stimuleren van kennisuitwisseling en kennisopbouw door onder andere: - •. de ervaringen uit de advisering en opgedane expertise te delen en benutten; - •. te stimuleren dat de kennisagenda’s en onderzoeksprogrammering van het Ministerie van Financiën en andere departementen bijdragen aan de beleidskwaliteit. Artikel 3. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste twaalf andere leden, waarvan vier externe leden. 2. De minister benoemt de externe leden. De externe leden worden benoemd op persoonlijke titel. De andere leden worden benoemd door de secretaris-generaal, op functionele titel. 3. De leden worden benoemd voo"},{"i":13777,"b":"Besluit van 30 september 2010, houdende regels inzake bijzondere uitkeringen aan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bijdrage in de kosten voor de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing en voor de brandweerzorg, alsmede in de kosten die voor de openbare lichamen voortvloeien uit de daadwerkelijke bestrijding van een ramp en uit de gevolgen van die bestrijding (Kostenbesluit Veiligheidswet BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 juli 2010, nr. 2010-0000467008, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op [artikel 70, derde lid, van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=70); De Raad van State gehoord (advies van 29 juli 2010, nr. W04.0298/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 september 2010, nr. 2010-0000595376; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Veiligheidswet BES in werking treedt. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder uitkering: bijzondere uitkering als bedoeld in [artikel 91 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=91). Hoofdstuk 2. Bijdrage in de organisatiekosten Artikel 2 1. De openbare lichamen ontvangen jaarlijks ten laste van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een uitkering als bijdrage in de kosten die voor hen voortvloeien uit - a. de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing, en - b. de brandweerzorg. 2. Onze Minister stelt, onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting van de uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII), jaarlijks uiterlijk op 1 oktober voor het eerstvolgende jaar voor elk van de openbare lichamen het bedrag vast van de in het eerste lid bedoelde"},{"i":12801,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Bosschap over de periode vanaf 2009 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 december 2012, nr. aca-2012.06628/6); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Bosschap over de periode vanaf 2009’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13160,"b":"Contributieverordening 2015 Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5) en [19, tweede lid, onderdeel g, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 De contributie voor de contributiegroepen, bedoeld in [artikel 2 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=2), bedraagt: | H. | openbaar accountant | € 1.240,– | | --- | --- | --- | | M. | intern accountant en overheidsaccountant | € 830,– | | L. | accountant in business | € 415,– | | Z. | lid zonder arbeidsinkomen | € 160,– | Artikel 2 Het bedrag van de vermindering, bedoeld in [artikel 6 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=6), bedraagt: | H. | openbaar accountant | € 0,– | | --- | --- | --- | | M. | intern accountant en overheidsaccountant | € 0,– | | L. | accountant in business | € 0,– | | Z. | lid zonder arbeidsinkomen | € 0,– | Artikel 3 De korting, bedoeld in [artikel 7 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=7), wordt vastgesteld op: 0. Artikel 4 Het percentage, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=8), wordt vastgesteld op: 4. Artikel 5 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Contributieverordening 2015."},{"i":12275,"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot het gedragstoezicht op financiële ondernemingen (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 juli 2006, nr. FM 2006-01681 M; Gelet op [richtlijn nr. 85/611/EEG](31985L0611) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEG L 375), [richtlijn nr. 87/102/EEG](31987L0102) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PbEG 1987 L 42), [richtlijn nr. 92/49/EEG](31992L0049) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de [richtlijnen 73/239/EEG](31973L0239) en [88/357/EEG](31988L0357) (PbEG L 228), [richtlijn nr. 93/22/EEG](31993L0022) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141), [richtlijn nr. 2002/65/EG](32002L0065) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de [richtlijnen nr. 90/619/EEG](31990L0619), [nr. 97/7/EG](31997L0007) en [nr. 98/27/EG](31998L0027) (PbEG L 271), [richtlijn nr. 2002/83/EG](32002L0083) van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PbEG L 345) en [richtlijn nr. 2002/92/EG](32002L0092) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PbEG L 9) en de [a"},{"i":13787,"b":"Wet van 19 december 1990, tot het uitgeven en belenen van schatkistpapier en het aangaan van geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden in 1991 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is Onze Minister van Financiën te machtigen in 1991 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd in 1991 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan ter voorziening in de financieringsbehoefte van de Staat alsmede uit monetaire overwegingen. Artikel 2 De looptijd van de geldleningen zal ten hoogste vijftig jaar zijn. Artikel 3 Onze Minister van Financiën stelt met inachtneming van het bepaalde in de Wet schatkistpapier (**Stb.** 1976, 110) en deze wet de voorwaarden vast, waarop schatkistpapier wordt uitgegeven en beleend en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden worden aangegaan. Artikel 4 Onze Minister van Financiën kan aan bemiddelaars in onderhandse geldleningen over het nominale bedrag van door hun tussenkomst tot stand gekomen onderhandse geldleningen een provisie toekennen van ten hoogste 1/8 % (een achtste ten honderd). Artikel 5 Het recht tot opvordering van een hoofdsom van de overeenkomstig deze wet aangegane vaste schuld, welke aflosbaar is gesteld, verjaart tien jaar na de eerste dag, waarop die hoofdsom aflosbaar is. Artikel 6 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1991; zij kan worden aangehaald als: Leningwet 1991. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zu"},{"i":12542,"b":"Besluit project afbouw IBS Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van het Coördinatiebesluit Inrichting en formatie rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009500); Gelet op het [Organisatiebesluit VROM 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017824); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. bewindslieden: de Minister en Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - b. ministerie: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - c. Project afbouw IBS: project afbouw Informatie, Beheer en Subsidieregelingen; - d. programmamanager: de programmamanager afbouw IBS; - e. DGW: Directoraat-Generaal Wonen. Artikel 2. Taken en bevoegdheden van het project afbouw IBS 1. Er is een project afbouw Informatie, Beheer en Subsidieregelingen, zijnde een dienstonderdeel van DGW dat in de plaats treedt van de Directie Informatie, Beheer en Subsidieregelingen. 2. Het project afbouw IBS staat onder leiding van de programmamanager. 3. De taken van het project afbouw IBS zijn: - a. het uitvoeren van de huursubsidiewet tot en met coderegeling 37 (CR37 = tijdvak juli tot en met december 2005); - b. het leveren van een bijdrage aan de totstandkoming van het volkshuisvestingsbeleid; - c. het (administratief en rekenkundig) verwerken van (financiële) beleidsregels op het gebied van de volkshuisvesting tot en met CR37; - d. het zorgdragen voor de gevalsbehandeling betreffende (financiële) beleidsregels op het gebied van de volkshuisvesting, inclusief Awb-zaken, tot en met CR37; - e. het namens het ministerie behandelen van nationale gerechtelijke procedures met betrekking tot huursubsidiezaken tot en met CR37 waaronder het voeren van verweer, het instellen van hoger beroep alsmede het behandelen van verzoeken om voorlopige voorziening; - f. het beoordelen van de noodzaak tot inschakeling van externe juridische ondersteuning en bij inschakeling, het begeleiden van die externe jurid"},{"i":14023,"b":"Besluit van 3 juli 2013, houdende hernieuwde vaststelling van de rechtspositie van de gezaghebbers, eilandgedeputeerden en eilandsraadsleden in Caribisch Nederland (Rechtspositiebesluit politieke gezagdragers BES) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 mei 2013, no. 13.001061; Gelet op de [artikelen 56, eerste, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=56), [78, eerste, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=78), [87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=87), [92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=92), [120, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=120), en [121 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=121); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juni 2013, nr. W04.13.0147/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 juni 2013, nr. 2013-0000383326; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder - a. **politieke gezagdrager:** gezaghebber, eilandgedeputeerde, lid van de eilandsraad en lid van het kiescollege van een openbaar lichaam alsmede lid van een commissie als bedoeld in de [artikelen 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=117) en [118 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=118); - b. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **inwonertal:** het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari. § 2. Indeling in inwonersklassen Artikel 2 Ten behoeve van de vaststelling van de bezoldiging van en de vergoedingen voor de politieke gezagdragers, met uitz"},{"i":12272,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2026 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) (Wfsv) en [artikel 2.10 lid 3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=2.10); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2026 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 43.300 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 1.082.500 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 4.330.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2026 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,96% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,84% | | Minimumpremie werkgevers | 0,24% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,66% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,09 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2026 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,56% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 2,24% | | Minimumpremie werkgevers | 0,14% | | Gemiddelde werkg"},{"i":11524,"b":"Voorlichtingspublicatie meetjaar lumpsum primair onderwijs en scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging Inleiding Deze voorlichtingspublicatie is bedoeld voor: De voorlichtingspublicatie geldt niet voor scholen/ schoolbesturen die deelnemen aan pilot 1 van de pilot lumpsum. In deze publicatie wordt u geïnformeerd over de uitwerking van het meetjaar dat nodig is om lumpsumfinanciering in het primair onderwijs op 1 augustus 2006 te kunnen invoeren en de overgang naar lumpsum soepel te laten verlopen. In deze publicatie wordt ingegaan op een aantal nieuwe onderwerpen als het lumpsumbedrag, de gewogen gemiddelde leeftijd, overgangsregeling, en herverdeeleffecten. Uitleg over deze onderwerpen en de informatie over het meetjaar kunt u vinden: Het meetjaar is aangekondigd in de uitwerkingsnotitie Lumpsumfinanciering (Kamerstukken 2003-04, 29 399 nr. 1) die in februari in de Tweede Kamer is behandeld. Deze voorlichtingspublicatie gaat vooraf aan het wetsvoorstel dat de invoering van lumpsumfinanciering in het primair onderwijs mogelijk maakt en waarmee het meetjaar wettelijk wordt verankerd. Dit voorjaar worden de scholen nader geïnformeerd over de regels die zullen gelden gedurende het meetjaar om te komen tot de juiste gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de overgangsvergoeding en de vaststelling van de lumpsumprijzen voor het invoeringsjaar. Waarom een meetjaar? Op 1 augustus 2006 wordt lumpsumfinanciering ingevoerd in het primair onderwijs. Per school wordt een lumpsum-budget vastgesteld dat vrij besteedbaar is. Om het lumpsumbudget te kunnen berekenen zijn gegevens noodzakelijk. De gegevens worden verzameld in het meetjaar. Het schooljaar 2004 - 2005 is het meetjaar. De meetjaargegevens worden gebruikt voor een goede vaststelling en toedeling van de lumpsumbedragen en om de herverdeeleffecten van de invoering van lumpsum te kunnen bepalen. Het meetjaar is niet vrijblijvend, maar noodzakelijk voor de invoering van lumpsum. Het meetjaar wordt i"},{"i":13781,"b":"Wet van 26 juli 1957, houdende nieuwe regelen ter bevordering van de voortbrenging, de afzet en een redelijke prijsvorming van voortbrengselen van de landbouw en de visserij en in verband daarmede ten behoeve van de afnemers van produkten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regelen vast te stellen om de voortbrenging, de afzet en een redelijke prijsvorming van voortbrengselen van de landbouw en de visserij te bevorderen en in verband daarmede ten behoeve van de afnemers van produkten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder: **Onze Minister:** Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; **landbouw:** akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - teelt van griendhout en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande met uitzondering van bosbouw; **produkten:** - a. alle voortbrengselen, welke, al dan niet na be- of verwerking, kunnen dienen als voedsel voor mens of dier, alsmede de bij be- of verwerking van die voortbrengselen verkregen derivaten en afvallen; - b. de niet reeds onder **a** begrepen voortbrengselen van de landbouw. 2. Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt mede verstaan onder: **handelaren:** tussenpersonen; **visserij:** de mosselteelt, de oesterteelt en de viskwekerij. Hoofdstuk II. Het Landbouw-Egalisatiefonds Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Hoofdstuk III. Regelen ten aanzie"},{"i":13116,"b":"Bevoegdhedenregeling registerloodsen regio Rotterdam-Rijnmond Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=4) en de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=3), [4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=4), [4a tot en met 4d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=4a) en [14, derde lid, van de Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. bestuur: het bestuur van de Regionale loodsencorporatie Rotterdam-Rijnmond; - b. Loa (Loodsen op afstand): de functie-uitoefening vanaf de wal, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=2); - c. Loa-loods: de registerloods die bevoegd is tot het geven van Loa; - d. registerloods: de registerloods van de Regionale Loodsencorporatie Rotterdam-Rijnmond; - e. VTS-opleiding: de opleiding, gericht op te hanteren procedures en gespreksdiscipline; - f. VTS-herhaalopleiding: de periodiek te herhalen VTS-opleiding welke noodzakelijk is om de specialisatie als genoemd in [artikel 11, onderdeel b, van de Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=11) te behouden; - g. Verordening: [Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399). Hoofdstuk 2. Toelating tot een hogere bevoegdheid of een specialisatie Artikel 1*. Toelating tot een hogere bevoegdheid 1. Voor toelating tot de bevoegdheden genoemd in [artikel 9, derde lid, onderdeel f en artikel 9, vijfde lid, onderdeel e van de Verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=9) heeft de registerloods met goed gevolg het examen van de door het bestuur vastgestelde opleiding voor die betr"},{"i":11577,"b":"Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de toegang tot scholen te verbeteren voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven; dat het wenselijk is de samenwerking tussen scholen bij de onderwijskundige opvang van leerlingen die extra ondersteuning behoeven te versterken; dat het wenselijk is een andere wijze van financiering van de ondersteuning van leerlingen in te voeren; dat daartoe onder meer de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549), de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399), de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625), de [Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685) en de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) dienen te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel III. Wijziging [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel IV. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overh"},{"i":12661,"b":"Besluit traditiecommissie krijgsmacht 2016 Besluit: Artikel 1 Er is een traditiecommissie krijgsmacht, verder te noemen de commissie. Artikel 2 1. De commissie is belast met het adviseren van de Minister van Defensie inzake: - a. vaandels en standaarden, met inbegrip van opschriften; - b. ceremonieel en protocol; - c. uniformering bij ceremoniële gebeurtenissen; - d. wet- en regelgeving die raakt aan tradities; - e. emblemen of vlaggen van de krijgsmachtdelen, de Bestuursstaf, het Commando Dienstencentra en de Defensie Materieelorganisatie; - f. krijgsmachtbrede exercitie; - g. brevet- en herinneringsemblemen en andere uitmonsteringen van krijgsmachtbrede gelijke of vergelijkbare aard, gedragen op het uniform; - h. defensiebreed museaal beleid; - i. militaire muziek en muziekkorpsen. 2. De commissie neemt kennis van de besluiten op het gebied van tradities bij de krijgsmachtdelen en coördineert deze met de andere krijgsmachtdelen. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit navolgende leden: - a. een voorzitter, zijnde een vlag- of opperofficier buiten dienst; - b. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Marine; - c. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Landmacht; - d. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Luchtmacht; - e. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Marechaussee; - f. de directeur van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie; - g. een medewerker van de defensiestaf, belast met museale aangelegenheden; - h. de chef kabinet van de Commandant der Strijdkrachten; - i. de Krijgsmachtadjudant; - j. de protocolofficier van de Commandant der Strijdkrachten; - k. een secretaris, op voordracht van de voorzitter aangewezen door de Commandant der Strijdkrachten. 2. Als een krijgsmachtdeel geen traditiecommissie heeft, treedt de chef kabinet van de commandant van het krijgsmachtdeel als lid van de commissie op. 3. De voorzitter wordt door de minister van Defensie benoemd op voordracht van de Commandant der Strijdkra"},{"i":12435,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur houdende inwilliging AVV-verzoek Programma Onderzoek en Innovatie Kennis in je Kas 2026–2027 brancheorganisatie G&F Nederland Gelet op de artikelen 164 en 165 van [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347) en [paragraaf 5 van de Regeling producenten- en brancheorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035634&paragraaf=5); Gelet op de inhoud van de aanvraag van de vereniging Brancheorganisatie G&F Nederland wordt het verzoek ingewilligd onder het stellen van de hierna genoemde voorschriften en beperkingen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Verordening 1308/2013:** [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. **BO G&F:** de vereniging Brancheorganisatie G&F Nederland; - b. **Programma KijK:** het Programma Onderzoek en Innovatie Kennis in je Kas zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051788&bijlage=A&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van dit besluit; - c. **Registratieregeling BO G&F:** Regeling verplichte registratie en gegevensverstrekking Brancheorganisatie G&F Nederland 2026–2027, zoals opgenomen in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051788&bijlage=B&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van dit besluit; - d. **Bijdrag"},{"i":13361,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2015 **Inleiding** Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De Raad stelt dan ook als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de Wrb dat een verzoek om inschrijving bij de Raad eerst volledig is behandeld en is ingewilligd. Het bestuur van de Raad kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsterreinen. Deze inschrijvingsvoorwaarden van de Raad zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar advocaten die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. Er bestaan algemene voorwaarden die voor alle ingeschreven advocaten gelden en bijzondere voorschriften voor rechtsbijstand op specifieke rechtsterreinen. De Nederlandse Orde van Advocaten houdt toezicht op advocaten en heeft Gedragsregels1Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten. en verordeningen vastgesteld waarnaar advocaten zich behoren te richten. Volgens geldende regelgeving is uitvoering van het toezicht op advocaten primair de taak van de Dekens in de verschillende arrondissementen. Daar waar het controle van de naleving van de eigen inschrijvingsvoorwaarden betreft, heeft de Raad een eigenstandige bevoegdheid. De Raad heeft hiervoor maatregelbeleid vastgesteld.2Dit maatregelbeleid is gepubliceerd op www.rvr.org."},{"i":11645,"b":"Wet van 6 oktober 1999 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met enkele maatregelen ter verbetering van het functioneren van het vervangingsfonds en het participatiefonds (regeling verbetering functioneren vervangings- en participatiefonds) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot verbetering van het functioneren van het zogenaamde vervangingsfonds en het zogenaamde participatiefonds voor het primair en voortgezet onderwijs; dat het in verband daarmee noodzakelijk is de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) en de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) te wijzigen onder meer door het invoeren van de mogelijkheid dat het vervangingsfonds en het participatiefonds de bevoegdheid krijgen gebruik te maken van het sociaal-fiscaal nummer, van de mogelijkheid dat het vervangingsfonds en het participatiefonds subsidies verstrekken aan (anderen dan) bevoegde gezagsorganen, alsmede van de mogelijkheid dat de overheid rechtstreeks subsidies verstrekt aan het vervangingsfonds en het participatiefonds; dat het, in verband met de decentralisatie van de wachtgelduitgaven in het veld van de educatie en het beroepsonderwijs, wenselijk is de minister de bevoegdheid te geven gebruik te maken van het sociaal-fiscaal nummer, en dat het met het oog daarop noodzakelijk is onder meer de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":13115,"b":"Bevoegdhedenregeling registerloodsen regio Noord Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=4) en de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=3), [4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=4), [4a tot en met 4d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=4a) en [14, derde lid, van de Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. bestuur: het bestuur van de Regionale Loodsencorporatie Noord; - b. registerloods: de registerloods van de Regionale Loodsencorporatie Noord; - c. Verordening: [Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399). Hoofdstuk 2. Toelating tot een hogere bevoegdheid Artikel 2. Toelating tot een hogere bevoegdheid 1. Voor toelating tot de bevoegdheden genoemd in [artikel 5, onderdeel d en f van de Verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=5) heeft de registerloods de door het bestuur nader te bepalen training voor die bevoegdheid gevolgd. 2. Voor toelating tot de bevoegdheden genoemd in [artikel 5, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=5), en [artikel 6, onderdeel d van de Verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=6) heeft de registerloods de betreffende bevoegdheid artikel 5, onderdelen a tot en met d, en artikel 6, onderdeel a tot en met c behaald en heeft hij de door het bestuur vastgesteld examen voor deze opleiding met goed gevolg afgelegd. Hoofdstuk 3. Het op peil houden van ervaring of vaardigheid Artikel 3. Herhaaltrainingen Het bestuur draagt zorg voor de organisatie van herhaaltrainingen teneinde de registerloods in staat te stellen zijn ervaring of vaardigheid met de bevoegdheden op grond [artikel 5"},{"i":13132,"b":"Call for proposals, Investeringen NWO-groot 2017/2018 1. Inleiding 1.1. Achtergrond Deze brochure beschrijft de doelstelling, voorwaarden, criteria en procedure van het programma Investeringen NWO-groot. Dit programma heeft al sinds ruim twee decennia een plaats in het NWO-instrumentarium. Met het programma kunnen onderzoeksfaciliteiten van grotere financiële omvang worden ingericht die gebruikmaken van zeer geavanceerde apparatuur of van innovatieve dataverzamelingen. Hiermee worden vernieuwende ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek bevorderd, die ook waarde hebben voor maatschappij en bedrijfsleven. In de ronde die met deze call wordt aangekondigd, is het opnieuw mogelijk om geld aan te vragen voor dergelijke onderzoeksfaciliteiten. Investeringen in wetenschappelijk zeer urgente en vernieuwende ontwikkelingen blijven focus van het programma. Daarnaast is er vanaf deze ronde ook plaats voor investeringen die onderdeel uitmaken van faciliteiten die in de Nationale Roadmap voor GrootschaligeWetenschappelijke Infrastructuur (2016) zijn opgenomen (zie www.nwo.nl/programma-roadmap . 1.2. Beschikbaar budget Voor Investeringen NWO-groot wordt doorgaans één keer in de twee jaar een aanvraagronde gehouden. Het budget van deze ronde bedraagt € 17.900.000 en wordt verstrekt door NW. 1.3. Geldigheidsduur call for proposals Deze brochure geldt voor de periode 2017–2018. 2. Doel Met het programma Investeringen NWO-groot wil NWO investeren in wetenschappelijk zeer geavanceerde apparatuur of in innovatieve dataverzamelingen. Deze investeringen hebben een (inter)nationale draagwijdte en hebben als doel om de kans op wetenschappelijke innovaties en doorbraken te bevorderen. 3. Richtlijnen voor aanvragers 3.1. Wie kan aanvragen Aanvragen worden – om de instellingsprioriteiten en commitment te borgen – ingediend door de projectleider namens het hoogste bestuursorgaan van de betreffende instellingen, organisaties of de beoogde penvoerder van een consortium. De volgende kenni"},{"i":12097,"b":"Besluit beperking van de openbaarheid van archieven bedrijfsverenigingen Gelet op [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van de archieven van: Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid (BV3) over de periode 1952–1997. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020250&artikel=1&z=2006-09-08&g=2006-09-08) genoemde archieven worden door het UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht. 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen is de openbaarheid van een deel van de archiefbescheiden beperkt. De beperking vervalt 75 jaar na sluiting van de dossiers die vallen onder de volgende inventarisnummers: 253, 254, 255, 256, 257, 258, 259, 260, 261, 262, 263, 264, 265, 266, 267, 268, 269, 270, 271, 272, 273, 274, 275, 276, 277, 278, 279, 280, 281, 282, 283, 284, 285, 286, 287, 288, 289, 290, 291, 292, 293, 294, 295, 296, 297, 298, 299, 300, 301, 302, 303, 304 van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. Artikel 3 1. Raadpleging van de archiefbescheiden, waarvan de inventarisnummers onder [artikel 2, lid 2, sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020250&artikel=2&z=2006-09-08&g=2006-09-08) staan vermeld, is slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Deze toestemming kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - a. De verzoeker doet een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot inzage van de archiefbescheiden, waarin wordt aangegeven: de omschrijving van het onderzoeksdoel, de onderzoeksopzet en de wijze waarop de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens zal worden gewaarborgd; - b. De verzoeker vult hiertoe het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet"},{"i":14375,"b":"Regeling van de Ministerie voor Wonen, Wijken en Integratie van 28 november 2008, nr. BJZ2008111822, tot intrekking van diverse regelingen Gelet op [artikel 2, eerste lid, van het Invoeringsbesluit Wet stedelijke vernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011957&artikel=2); Besluit: Artikel I De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. de [Bijdrageregeling inburgering oudkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010879); - b. de [Bijdrageregeling inburgering oudkomers 12 gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012253); - c. de [Regeling aanvullende bijdrage inburgering oudkomers 54 gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013023); - d. de [Regeling inburgering oudkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014009); - e. de [Regeling inburgering oudkomers 25 gemeenten 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018100); - f. de [Regeling inburgering oudkomers 54 gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015683); - g. de [Instellingsregeling interdepartementale coördinatiecommissie integratie en immigratie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016133); - h. het [Mandaatbesluit Cfi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015578); - i. de [Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 april 1995, nr. MJZ31395019, tot intrekking van de Beschikking jaarlijkse bijdrage bestaande eigen woningen en wijziging van de Regeling overgangsbepalingen woninggebonden subsidies (beëindiging verlening jaarlijkse bijdragen aan opvolgende eigenaren van gesubsidieerde koopwoningen)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007316) (Stcrt. 69); - j. de [Regeling afkoop geldelijke steun woonwagens en standplaatsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010113); - k. de [Bijdrageregeling leefbaarheid partiële GSB-steden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011314); - l. de [Bijdrageregeling sociale integratie en veiligheid G25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":13782,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 8 oktober 2024, nr. WJZ/ 43866467, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor het sluiten van veehouderijlocaties met diersoorten behorend tot kleinere sectoren voor de reductie van stikstofdepositie op natuurgebieden (Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties kleinere sectoren) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **AERIUS Check:** rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van de stikstofvracht, beschikbaar op [www.aerius.nl](http://www.aerius.nl); - –. **dierenverblijf:** gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop; - –. **diersoorten behorend tot kleinere sectoren:** geiten, overig rundvee, vleeseenden, konijnen, vleeskalveren; - –. **geiten:** de diercategorieën met diernummers 600, 601 en 602, bedoeld in [bijlage D, tabel IA, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D); - –. **konijnen:** de diercategorieën met diernummers 900 en 901, bedoeld in [bijlage D, tabel IA, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D); - –. **landbouwhuisdier:** zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken; - –. **minister:** Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - –. **Natura 2000-gebied:** Natura 2000-gebied als bedoeld in de [bijlage, behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet](onbekend); - –. **natuurvergunning:** omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1); - –. **omgevingsrechtelijke melding:** melding al"},{"i":11767,"b":"Beleidsregel last onder dwangsom niet verzekerd handelaarskenteken Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 169](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=169) en [174d van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=174d); Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **handelaarskenteken:** kenteken als bedoeld in [artikel 3 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=3) - **erkenninghouder:** Het erkende bedrijf als bedoeld in [artikel 4aua, eerste lid van de Wegverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aua) en [artikel 7 van het Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=7). Artikel 2. Reikwijdte van deze beleidsregel Deze beleidsregel heeft betrekking op de last onder dwangsom bij constatering van een overtreding van het bepaalde in [artikel 21, elfde lid van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=21). Artikel 3. Voornemen last onder dwangsom 1. Zodra de Dienst Wegverkeer vaststelt dat er sprake is van een niet verzekerd zijn van een handelaarskenteken voor motorvoertuigen wordt de erkenninghouder ervan in kennis gesteld dat het voornemen bestaat om een last onder dwangsom op te leggen. De erkenninghouder krijgt de gelegenheid om binnen één week zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. 2. In het voornemen wordt vermeld: - a. vanaf welk moment het handelaarskenteken verzekerd had moeten zijn; - b. op welk moment er op basis van het WAM-register geconstateerd is dat er geen sprake is van een in stand zijnde verzekering; - c. dat de erkenninghouder de last krijgt opgelegd om het handelaarskenteken te verzekeren en verzekerd te houden; - d. dat wanneer de erkenninghouder geen verzekeringsovereenkomst kan afsluiten, de aan hem afge"},{"i":12869,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein O&I Nederlandse Stay behind-organisatie in de Koude Oorlog, 1945–1994 (Minister van Algemene Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 mei 2008 nr. bca-2008.04876/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Algemene Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein O&I Nederlandse Stay behind-organisatie in de Koude Oorlog, 1945–1994](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11789,"b":"Beleidsregel regionale ambulancevoorzieningen 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57), stelt de NZa beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het vaststellen van een vereffeningbedrag als bedoeld in [artikel 56b van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56). Gelet op [artikel 59, aanhef en onder c en e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) met [brieven van 15 juli 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033703) en [13 november 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044360), met respectievelijk kenmerk 130899-106615-MC en 1776599-213723-PZo, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een tweetal aanwijzingen op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Deze aanwijzingen zijn gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 20624 (2013) en 60466 (2020). Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1 In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - a. **Aanwezigheidsdienst:** een aaneengesloten tijdsruimte van ten hoogste 24 uur, waarin het personeel ’s nachts in de bedrijfsruimte op oproep beschikbaar is voor het verlenen van ambulancezorg. - b. **Afhijsen brandweer:** een in opdracht van de rav door de brandweer uitgevoerde afhijsing van een patiënt naar een ambulance in situaties waarbij de afhijsing niet tot het wettelijk takenpakket van de brandweer behoort. Hiervan is sprake als de rav aanne"},{"i":12122,"b":"Besluit van 16 maart 1994, houdende vaststelling van regels ten aanzien van de bezoldiging van de politie Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 16 november 1993, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA93/U3219; Gelet op [artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50); De Raad van State gehoord (advies van 7 februari 1994, nummer WO4.93.0763; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 11 maart 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA94/419; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **ambtenaar:** de aspirant, de ambtenaar in opleiding, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de ambtenaar van de rijksrecherche en de vakantiewerker; - **ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), met uitzondering van de aspirant gedurende het theoretische opleidingsdeel en de ambtenaar in opleiding gedurende het theoretisch opleidingsdeel, waarbij voor de toepassing van dit besluit de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gelijk wordt gesteld aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012; - **ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet"},{"i":12167,"b":"Besluit van 10 juni 2013, nr. 13.001140 houdende departementale herindeling met betrekking tot visa lang verblijf Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 6 juni 2013, kenmerk 3124211; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden betreffende de verlening van visa met het oog op de toegang voor een verblijf met een duur van meer dan drie maanden, voor zover deze zorg voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit was opgedragen aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en van het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033565&artikel=1&z=2013-06-21&g=2013-06-21) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033565&artikel=2&z=2013-06-21&g=2013-06-21) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Veiligheid en Justitie, Onze Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2013. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Veiligheid en Justitie, Onze Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Miniters van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de m"},{"i":14233,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 12 december 2008, nr. 5579196/08, houdende nadere regels ten aanzien van erkenning van EG-beroepskwalificaties voor de toegang tot en de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris (Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties kandidaat-notaris) Gelet op de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33) en [36 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=36); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **kandidaat-notaris:** de kandidaat-notaris, bedoeld in [artikel 1, onder c, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=1); - b. **wet:** de [Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066); - c. **KNB:** de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel i, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=1). Artikel 2. KNB De taken en bevoegdheden van de Minister van Veiligheid en Justitie, bedoeld in de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=11),[12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=13), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=17), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=19), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=32), [34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=34), en [35 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=35), met betrekking tot het beroep van kandidaat-notaris, worden uitgevoerd, respectievelijk uitge"},{"i":12188,"b":"Besluit van 9 december 2019 met kenmerk 19013111 tot digitale vervanging van papieren archiefbescheiden van het Staatstoezicht op de Mijnen (Besluit digitale vervanging archiefbescheiden SodM 2019) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) en de artikelen 2, 3 en 5 van de Beheersregeling document- en archiefbeheer EZ 2006; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van papieren archiefbescheiden door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2 De digitale vervanging heeft betrekking op papieren archiefbescheiden die zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit en die worden ontvangen of opgemaakt in de periode na inwerkingtreding van dit besluit. De digitale vervanging geldt niet voor personeelsdocumenten en die documentcategorieën die uitgesloten van zijn van vervanging zoals beschreven in het ‘Handboek routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden bij het Staatstoezicht op de Mijnen’. Artikel 3 De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties die zijn vastgelegd in het ‘Handboek routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden bij het Staatstoezicht op de Mijnen’. Artikel 4 De digitale reproducties worden in goede, geordende en toegankelijke staat beheerd en bewaard alvorens de vervangen papieren archiefbescheiden worden vernietigd of overgebracht op basis van een geldende selectielijst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit digitale vervanging papieren archiefbescheiden SodM 2019. Bijlage Het ‘Handboek routinematige d"},{"i":13500,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2014, nr. WJZ/14169472, tot instelling van de Commissie MKB-financiering (Instellingsbesluit Commissie MKB-Financiering) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **Commissie:** de Commissie MKB-Financiering. Artikel 2 1. Er is een Commissie MKB-Financiering. 2. De Commissie heeft tot taak het adviseren van de minister over voorstellen voor initiatieven gericht op verbreding en vergroting van het aanbod aan MKB-financiering zoals bedoeld in de oproep van de minister van 30 oktober 2014, Staatscourant 2014, 31083. 3. De Commissie adviseert in elk geval over: - a. de toegevoegde waarde van een initiatief voor MKB-financiering; - b. de deugdelijkheid en kwaliteit van het voorstel; - c. de economisch haalbaarheid van een initiatief; - d. de wijze van het mitigeren van het risico voor de Staat der Nederlanden bij een mogelijke overheidsgarantie; - e. de opzet en organisatie van het initiatief; - f. de kwaliteit en deskundigheid van de bij het initiatief betrokken partijen; - g. de kans dat met het initiatief op korte termijn nieuwe MKB-financiering kan worden verstrekt. Artikel 3 1. De Commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zes andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. De voorzitter en de andere leden kunnen door de minister worden geschorst en ontslagen. 3. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep. Artikel 4 1. De Commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. 2. De minister voorziet in het secretariaat van de Commissie. 3. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de Commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de Commissie opgeborgen in het archief van"},{"i":13030,"b":"Besluit vervanging archiefbescheiden Vertrekdossiers DT&V Gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) de [Archiefbeheerregels Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035264) de [Uitvoeringsregeling Archiefbeheer Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036548) Regeling Archiefbeheer DT&V 2014 Besluit: Artikel 1 1. Over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van de Actualisatie Basis Selectie Document voor het beleidsterrein toelating vreemdelingen 1945- (2010) en de daarvan afgeleide Instructie toepassing selectielijst DT&V (2014) voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen. 2. De vervanging betreft de lopende en nieuwe vertrekdossiers die vanaf 18 mei 2015 met terugwerkende kracht worden gevormd in het kader van de uitvoering van de primaire taak van de dienst op basis van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). 3. Vervanging geschiedt door digitalisering, op de wijze zoals omschreven in het bij dit besluit horende bijlage ‘ Handboek Substitutie Dienst Terugkeer en Vertrek’. Artikel 2 Dit besluit is niet van toepassing op: - a. originele documenten die van de vreemdeling in bewaring zijn genomen en die bij vertrek dienen te worden teruggegeven; - b. niet-scanbare objecten zoals usb-sticks; - c. documenten die op grond van internationale verdragen of wettelijke bepalingen in de originele vorm bewaard moeten blijven. Artikel 3 De gedigitaliseerde documenten zullen samen met de direct digitaal aangemaakte of ontvangen documenten in goede, geordende en toegankelijke staat worden beheerd en bewa"},{"i":14007,"b":"Raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Hoofdstuk 1. Het raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde cursussen mogen nascholing voor de code 95 verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificering af te geven. Ook registreert het CBR verklaringen van nascholing voor chauffeurs die aan de nascholingsplicht hebben voldaan. Tot slot houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de nascholingscursussen. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR een raamwerk nascholingscursussen en ADR opgesteld. Dit raamwerk is een document zoals wordt bedoeld in [artikel 156s van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de nascholing daadwerkelijk aan deze eisen houdt. Is dit niet het geval? Dan legt het CBR een sanctie op. De verschillende sancties en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep vindt u in dit raamwerk terug. Het is toegestaan om bij de nascholing gebruik te maken van e-learning en simulatoren. De eisen die hierbij gelden zijn opgenomen in dit raamwerk. Tot slot is in dit raamwerk een overzicht met minimumeisen per nascholingscursus opgenomen. Het CBR wijzigt het raamwerk maximaal twee keer per jaar: op 1 januari en op 1 juli. Wijzigingen worden afgestemd met de opleidingsbranche en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en actief naar alle erkende opleiders gecommuniceerd. Worden de minimumeisen in het raamwerk aangepast en zijn de wijzigingen van invloed op de certificering van een nascholingscursus? Dan wordt dit expliciet vermeld en moeten opleidingsinstituten hun opleidingsplannen binnen zes maanden"},{"i":13801,"b":"Machtigingen tot vervanging archiefbescheiden Arrondissement Den Haag besluit: Het arrondissement Den Haag te machtigen tot vervanging van onderstaande archiefbescheiden uit het arrondissementsarchief over de periode 1940-1969. De archiefbescheiden zijn in het kader van het proefproject verfilming in 1992 op microfilm gezet. - strafvonnissen; - strafkamervonnissen; - strafvonnissen meervoudige kamer; - fiscaalvonnissen; - economische vonnissen; - politierechtervonnissen; - appèlvonnissen; - appèlvonnissen volledige meervoudige kamer; - kinderzittingen en kinderzaken; - kinderrechter meervoudige kamer; - appèlzaken II vonnissen; - vonnisboeken; - klapperkaarten straf 2, 3 en 4 zaken; - klapperkaarten economische politierechter; - parketregisters; - placettenregisters; - arresten gerechtshof; - rolkaarten civiele zaken; - civiele vonnissen; - civiele vonnissen kort geding; - registers van kort geding; - kort geding klappers; - audiëntiebladen kort geding; - audiëntiebladen civiele zaken; - klapperkaarten civiele zaken; - zittingslijsten. De machtiging wordt verleend onder de vaststelling, dat de bovengenoemde archiefbescheiden niet als te vernietigen zijn aangemerkt in de `lijst van te vernietigen archiefbescheiden, dagtekenende van na 1946 en berustende onder het beheer van de griffiers van de arrondissementsrechtbanken', zoals vastgesteld bij de gezamenlijke beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Justitie van 11 maart 1991 (gepubliceerd in de Staatscourant, nummer 64, van 3 april 1991)."},{"i":14460,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 december 2016, houdende bepalingen met betrekking tot onderzoek ter vaststelling van het gebruik van alcohol en drugs bij geweldplegers (Regeling middelenonderzoek bij geweldplegers) Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038778&artikel=5), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038778&artikel=7), [11, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038778&artikel=11), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038778&artikel=12), [13, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038778&artikel=13), [14, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038778&artikel=14), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038778&artikel=17), en [19, derde lid, van het Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038778&artikel=19); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **het Besluit:** het [Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038778). Artikel 2 1. Als uiterlijke kenmerken als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038778&artikel=7) waarop een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties is gericht voor het verkrijgen van een vermoeden van alcoholgebruik worden aangewezen: - a. de ogen: bloeddoorlopen ogen; - b. de spraak: slecht articuleren, langzaam praten, niet goed uit de woorden kunnen komen, of met dubbele tong praten; - c. de motoriek: niet in rechte lijn kunnen lopen, zwalken of onvast op de benen staan. 2. Als uiterlijke kenmerken als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038778&artikel=7) waarop een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties is gericht voor het verkrijgen van een vermoeden van het gebruik"},{"i":14475,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 17 juli 2020, nr. 2957977, houdende vaststelling van modellen van akte ten behoeve van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen van de Hoge Raad der Nederlanden Gelet op [artikel 36h, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36h), Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop Artikel I, onderdelen A en C, van de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen in werking treedt. Artikel 1 1. De modellen van akte, bedoeld in [artikel 36h, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36h), worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. 2. Indien de identiteit wordt vastgesteld op grond van[artikel 36h, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36h), worden het nummer van het identiteitsbewijs en het type identiteitsbewijs genoteerd op de akte van uitreiking. Artikel 2 Indien degene aan wie de uitreiking heeft plaatsgevonden geen handtekening voor ontvangst plaatst in verband met de uitbraak van COVID-19, wordt de in de bijlage bij deze regeling opgenomen aanvulling op de akte van uitreiking ingevuld. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling modellen van akte gerechtelijke mededelingen Hoge Raad der Nederlanden. Artikel 4 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop Artikel I, onderdelen A en C, van de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen in werking treedt. 2. Artikel 2 vervalt op een door Onze Minister te bepalen moment. Bijlage. behorende bij artikel 1 van de Regeling modellen van akte gerechtelijke mededelingen – Akte Uitreiking Parket HR RP – Akte Uitreiking Parket HR – Akte Uitreiking HR NP – Akte Uitreiking HR RP – Akte Uitreiking HR G – Formulier Aanvulling op de akte van uitreiking Deze regeling zal m"},{"i":13795,"b":"Loodsenwet 2001 BES Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. - b. **loods:** degene die krachtens deze wet bevoegd is als loods op te treden; - c. **loodsplichtige scheepvaartwegen:** de scheepvaartwegen waarop krachtens deze wet de kapitein van een schip verplicht is gebruik te maken van de diensten van een loods; - d. **schip:** een schip als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=2), alsmede elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water, met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een drijvend platform, een verplaatsbare boorinstallatie, een baggermolen, een drijvende kraan, een ponton en elk ander drijvend werktuig, drijvend voorwerp of drijvende inrichting van soortgelijke aard, gedurende de tijd dat het drijft, dan wel een samenstel van schepen of van een of meer schepen met een of meer andere vaartuigen, waarvan ten minste één schip deel uitmaakt dat ter voortbeweging gebruik maakt van zijn motor en dat dient voor het voortbewegen of het sturen van het samenstel; - e. **kapitein:** degene die is belast met het gezag over een schip; - f. **scheepsbeheerder:** degene die het beheer over een schip heeft, hetzij hij eigenaar, reder of boekhouder van de rederij van het schip is, hetzij het schip hem in gebruik is gegeven. - g. **haven:** een binnenwater of een gedeelte daarvan dat bij eilandsverordening of eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, als haven is aangewezen; - h. **bestuurscollege:** het bestuurscollege van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;. - i. **bruto-inhoud van een schip:** de op de zee- of meetbrief uitgedrukte maat of bij gebreke d"},{"i":12187,"b":"Besluit digitale vervanging archiefbescheiden Nederlandse Transplantatie Stichting 2019 Gelet op: De regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161 (10265), tot wijziging van de [Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041) in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; [Artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). Besluit: Artikel 1 1. Over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de vanaf 1-1-2020 ontvangen of intern vervaardigde analoge archiefbescheiden, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. Reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde Handboek digitale vervanging archiefbescheiden Nederlandse Transplantatiestichting 2019 Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in 2019. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit digitale vervanging archiefbescheiden Nederlandse Transplantatiestichting 2019 Bijlage Handboek digitale vervanging archiefbescheiden Nederlandse Transplantatiestichting 2019 kan worden opgevraagd via de afdeling kwaliteit Nederlandse Transplantatiestichting. Aldus besloten in de vergadering van de Raad van Bestuur met het Managementteam van de Nederlandse Transplantatiestichting op 12 november 2019."},{"i":14524,"b":"Vaststelling van de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2019, nr. 2019-0000193533, houdende aanwijzingsregels omtrent de plaats van opslag en de betrokken ambtenaren bij de FIOD bij het gebruik van apparatuur en technische hulpmiddelen (Regeling opslag en gebruik apparatuur en technische hulpmiddelen FIOD) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013213&artikel=2) en [4 van het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013213&artikel=4) en de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=5), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=7), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=9) en [16 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Als plaats voor de opslag van apparatuur als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013213&artikel=2) en als plaats voor de opslag van technische hulpmiddelen als bedoeld in [artikel 5 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=5) wordt aangewezen een beveiligde locatie van het team operationele ondersteuning van de FIOD. De beheerder van de locatie is belast met de opslag van de apparatuur en de technische hulpmiddelen, bedoeld in de genoemde artikelen. Artikel 2 Als opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 4 van het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013213&artikel=4) en als opsporingsambtenaar als bedoeld in de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=7), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=8) en [16 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":14525,"b":"Regeling houdende aanwijzing hulpverleningsdiensten, omschrijving werkzaamheden en omstandigheden, en vaststelling van optische en geluidssignalen (Regeling optische en geluidssignalen 2009) Gelet op de [artikelen 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=13), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=26) en [71 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71); Besluit: Artikel 1 1. Als hulpverleningsdiensten worden aangewezen die diensten die, voor zover de aan hen opgedragen taak hierin voorziet, voor het vervullen van een dringende taak worden ingezet. 2. De in het eerste lid bedoelde diensten zijn de volgende: - a. de door de directie van het Rode Kruis aangewezen onderdelen van Noodhulp Nationaal; - b. de Stichting Sanquin voor een spoedtransport van bloed of bloedproducten; - c. Prorail voor de inzet van hulpverleningsvoertuigen ten behoeve van ongevallen op het spoor; - d. - 1°. de veiligheidsregio’s, - 2°. de operationele onderdelen van het Instituut Fysieke Veiligheid, - 3°. Het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie; - e. de Stafafdeling Beveiliging, Bewaking & Vervoer van de Arrondissementale Stafdienst Amsterdam; - f. de Milieudienst Zuid-Holland Zuid; - g. de DCMR Milieudienst Rijnmond; - h. de divisie Rotterdam Port Authority van Havenbedrijf Rotterdam N.V. ten behoeve van het gebruik van uitrukwagens; - i. de door de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen functionarissen van de Landelijke Vervoersdienst Justitie of de Landelijke Bijzondere Bijstandsverlening van de Dienst Justitiële Inrichtingen; - j. het door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen orgaancentrum, bedoeld in [artikel 24 van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=24), ten behoeve van het spoedeisende vervoer van"},{"i":14574,"b":"Regeling registratie snelle motorboten 1997 Gelet op [artikel 8.01, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=8.01); Artikel 1 Als instelling voor de registratie van snelle motorboten als bedoeld in [artikel 8.01, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=8.01) wordt aangewezen de Dienst Wegverkeer. Artikel 2 Voor het registratiebewijs als bedoeld in [artikel 8.01, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=8.01) wordt de in de [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008666&bijlage=1&z=2011-03-30&g=2011-03-30) bij deze regeling opgenomen modellen vastgesteld. Artikel 3 De geldigheid van registratiebewijzen, die zijn afgegeven vóór 1 maart 1995, vervalt met ingang van 28 februari 2000. Artikel 4 1. Een registratiebewijs afgegeven dan wel erkend door of vanwege het Bondsministerie voor Verkeer van de Bondsrepubliek Duitsland, een registratiebewijs afgegeven door of vanwege het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur van het Koninkrijk België en een registratiebewijs afgegeven door of vanwege het Ministerie van Milieu en Transport van het Verenigd Koninkrijk wordt geacht te zijn afgegeven door een instelling als bedoeld in [artikel 8.01, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=8.01). 2. Het in de Bondsrepubliek Duitsland afgegeven registratiebewijs met het bijbehorende registratieteken kan een letter of een lettercombinatie bevatten als vermeld in de [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008666&bijlage=2&z=2011-03-30&g=2011-03-30), [onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008666&bijlage=2&z=2011-03-30&g=2011-03-30).1, bij deze regeling, gevolgd door een combinatie van letters en en cijfers. Het registratiebewijs komt overeen met het model als opgenomen in de [bijlage 2](https://"},{"i":14586,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2011, nr. Z/F-3096189, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2012 (Regeling risicoverevening 2012) Gelet op [artikel 32, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), en [38, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=38) en de [artikelen 1, onderdelen i, j, k, y, z en bb, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1), [3.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.2), [3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.4), [3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.5), [3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.6), [3.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.7), [3.8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.8), 3.8a, [3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.10), [3.11, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.11), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.13), [3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.14), [3.15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.15), [3.16, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.16), [3.17, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.17), [3.19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.19), en [3.22, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.22); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Regels ten behoeve van de toekenning van de vereveningsbijdrage (ex ante) aan een zo"},{"i":14615,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 18 september 2013, nr. IENM/BSK-2013/169362, houdende vaststelling van regels omtrent het slepen van luchtvaartuigen en andere voorwerpen tijdens de vlucht waaronder reclame (Regeling slepen en reclamesleepvliegen) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie, Gelet op [artikel 14, tweede lid, van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=14), [artikel 21 van het Besluit luchtvaartuigen 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=21) en [artikel 2 van het Besluit van 21 mei 1981, houdende vaststelling van enige regels ter beperking van de geluidhinder door luchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003404&artikel=2) (Stb. 343); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **reclamesleepvlucht:** vlucht waarbij een sleepnet of -doek wordt gesleept; - **sleep:** door een luchtvaartuig door middel van een sleepkabel voortgetrokken sleepnet of -doek, doel voor richt- en schietoefeningen, of zweef- of zeilvliegtuig; - **sleepkabel:** geheel van onderdelen dat de verbinding vormt tussen de sleephaak van het sleepvliegtuig en de sleephaak, de vanglijn of de voorste ring van de sleep; - **sleepvliegtuig:** vliegtuig, ingericht voor het doen opstijgen en in de lucht voortslepen van een sleep. Artikel 2 1. Voor vluchten waarbij een sleep wordt gesleept, of waarbij voor militaire doeleinden wordt gesleept, gelden de volgende regels: - a. de vlucht wordt uitgevoerd als VFR-vlucht; - b. boven Nederlands grondgebied tot 200 meter buiten de kustlijn bedraagt de minimum vlieghoogte 425 meter boven de grond of het water; - c. de sleep en de sleepkabel worden zodanig ontkoppeld dat het luchtverkeer of personen of zaken op het aardoppervlak niet in gevaar worden gebracht. 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, is de minimum vlieghoogte voor reclamesleepvluchten boven Nederlands grondgebied van toepassing to"},{"i":14736,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 10 mei 2004, nr. WJZ 4028595, houdende regels met betrekking tot universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen (Regeling universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen) Gelet op: – [Richtlijn nr. 2002/22/EG](32002L0022) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische- communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn) (PbEG L 108); – [Richtlijn nr. 2002/58/EG](32002L0058) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (PbEG L 201); en – de [artikelen 7.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.1), [7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.3), [9.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=9.4), en [11.9, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.9) en de [artikelen 2.5, derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=2.5), [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=2.11) en [3.5 van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=3.5); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. besluit: [Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698); - b. geografisch nummer: nummer dat in een krachtens [artikel 4.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.1) vastgesteld nummerplan bestemd is a"},{"i":14737,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 27 september 2010, nr. 5668722, houdende het stellen van regels omtrent de wijze van uitvoering van het urineonderzoek in de gestichten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling Urinecontrole gestichten BES) Gelet op [artikel 37e, tweede lid, van de Wet beginselen gevangeniswezen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=37e); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt onder wet verstaan: de [Wet beginselen gevangeniswezen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596). Artikel 2. Algemeen 1. Het anders dan door de aan het gesticht verbonden arts voorgeschreven gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen is tijdens de detentie niet toegestaan. 2. Het gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen vormt een contra-indicatie voor een plaatsing of overplaatsing dan wel de toekenning van verlof. 3. Gedurende de eerste twee weken van het verblijf in het gesticht wordt de gedetineerde geïnformeerd over de wijze waarop het gesticht uitvoering geeft aan het drugsontmoedigingsbeleid. Artikel 3. Afname van urinemonsters 1. De afname van urine gebeurt bij voorkeur ’s ochtends vroeg. De ambtenaar of gestichtsmedewerker controleert of het aanvraagformulier en de benodigde materialen aanwezig zijn. 2. Alvorens de urine wordt afgenomen wordt de reden van de urinecontrole aan de gedetineerde medegedeeld en wordt de gedetineerde uitleg gegeven over de te volgen procedure. 3. De gedetineerde urineert onder direct visueel toezicht van een ambtenaar of gestichtsmedewerker in een daartoe aan hem verstrekte opvangbeker. 4. Indien de gedetineerde niet direct tot afgifte van de urine in staat is, wordt hij gedurende een periode van vier uur alsnog in de gelegenheid gesteld onder direct visueel toezicht urine af te staa"},{"i":12101,"b":"Beperkingen aan de openbaarheid van de Adoptiedossiers van de Raad voor de Kinderbescherming Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d.19-9-2023, met kenmerk 1117237. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de Adoptiedossiers van de Raad voor de Kinderbescherming, geboortejaren tot en met 1969. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om dossiers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 1 | 2068 | | 2 | 2067 | | 3 | 2068 | | 4 | 2070 | | 5 | 2070 | | 6 | 2063 | | 7 | 2069 | | 8 | 2070 | | 9 | 2065 | | 10 | 2063 | | 11 | 2065 | | 12 | 2067 | | 13 | 2068 | | 14 | 2067 | | 15 | 2066 | | 16 | 2066 | | 17 | 2066 | | 18 | 2070 | | 19 | 2069 | | 20 | 2068 | | 21 | 2069 | | 22 | 2064 | | 23 | 2065 | | 24 | 2069 | | 25 | 2069 | | 26 | 2067 | | 27 | 2065 | | 28 | 2064 | | 29 | 2065 | | 30 | 2070 | | 31 | 2066 | | 32 | 2070 | | 33 | 2062 | | 34 | 2065 | | 35 | 2065 | | 36 | 2067 | | 37 | 2067 | | 38 | 2064 | | 39 | 2068 | | 40 | 2063 | | 41 | 2066 | | 42 | 2068 | | 43 | 2069 | | 44 | 2067 | | 45 | 2069 | | 46 | 2069 | | 47 | 2068 | | 48 | 2069 | | 49 | 2069 | | 50 | 2068 | | 51 | 2065 | | 52 | 2070 | | 53 | 2065 | | 54 | 2067 | | 55 | 2068 | | 56 | 2065 | | 57 | 2069 | | 58 | 2070 | | 59 | 2066 | | 60 | 2068 | | 61 | 2069 | | 62 | 2069 | | 63 | 2068 | | 64 | 2062 | | 65 | 2068 | | 66 | 2066 | | 67 | 2066 | | 68 | 2062 | | 69 | 2069 | | 70 | 2068 | | 71 | 2066 | | 72 | 2063 | | 73 | 2069 | | 74 | 2063 | | 75 | 2069 | | 76 | 2070 | | 77 | 2068 | | 78 | 2066 | | 79 | 2064 |"},{"i":14965,"b":"Reglement CAK Cliëntenraad Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Het CAK:** het CAK, bedoeld in [artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1); - b. **Raad van Bestuur:** het met de dagelijkse leiding van het CAK belaste orgaan, bedoeld in [artikel 6.1.1, derde lid, van de Wet langdurige Zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1); - c. **Cliënt;** iedereen op wie de besluiten van het CAK van toepassing is of van toepassing zal kunnen zijn. - d. **Cliëntaangelegenheden:** alle onderwerpen, bezien vanuit het cliëntperspectief, die de vorming, de uitvoering, de controle en de evaluatie van de taken van het CAK betreffen daaronder begrepen een beleidsregel in de zin van [artikel 1:3, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3), met uitzondering van klachten en bezwaarschriften die betrekking hebben op zaken van individuele cliënten, tenzij het gaat om het algemene karakter van de daarbij gehanteerde procedures en regelingen; - e. **Cliëntenraad:** de cliëntenraad van het CAK, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050654&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-01-11&g=2025-01-11). - f. **De voorzitter:** de voorzitter van de cliëntenraad Artikel 2. Instelling cliëntenparticipatie 1. De Raad van Bestuur voorziet in de instelling van een cliëntenraad met de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050654&hoofdstuk=3&z=2025-01-11&g=2025-01-11) genoemde taken en bevoegdheden. De samenstelling van de cliëntenraad en de benoeming van zijn leden vinden plaats overeenkomstig de bepalingen van deze regeling. 2. Op de wijze waarop de cliëntenraad zijn taken en bevoegdheden uitoefent alsmede de wijze waarop de cliëntenraad wordt voorzien van al hetgeen redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van zijn taken, is deze regeling van toepassing. 3. Het lid"},{"i":5336,"b":"Regeling van de minister van Veiligheid en Justitie van 20 december 2012, nr. 334461, houdende indexering van de griffierechten en aanmaningsbedragen van de Algemene wet bestuursrecht (Regeling indexering griffierechten en aanmaningsbedragen Awb 2013) Gelet op [artikel 11:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=11:2) en [artikel 7.67., van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.67); Besluit: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel III 1. In de volgende gevallen wordt het griffierecht geheven zoals dit gold vóór de inwerkingtreding van deze regeling: - a. beroep tegen een voor dat tijdstip bekendgemaakt besluit; - b. hoger beroep, verzet of beroep in cassatie tegen een voor dat tijdstip bekendgemaakte uitspraak. 2. In afwijking van het eerste lid wordt voor een beroep wegens niet tijdig beslissen het griffierecht geheven dat geldt op de dag waarop het beroepschrift wordt ontvangen. 3. Op het in rekening brengen van een vergoeding voor een aanmaning ter zake van een verplichting tot betaling van een geldsom aan een bestuursorgaan die is ontstaan voor het tijstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijft de regeling zoals die gold voor dat tijdstip van toepassing. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel V Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indexering griffierechten en aanmaningsbedragen Awb 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14310,"b":"Regeling groenprojecten Nederlandse Antillen en Aruba 2002 Gelet op [artikel 5.14, derde lid, onderdeel a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14), en [artikel 10.10, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.10); Besluit: Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 5.14, derde lid, onderdeel a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14), en [artikel 10.10, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.10) met betrekking tot projecten welke op de Nederlandse Antillen en Aruba zijn gelegen. 2. In deze regeling wordt verstaan onder: a. **project:** in het Koninkrijk der Nederlanden buiten Europa gelegen technisch, functioneel en in de tijd samenhangend geheel van activa en werkzaamheden; b. **bestaand project:** project dat een jaar voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een verklaring wordt ingediend reeds voldoet aan een van de projectomschrijvingen van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013273&artikel=2&z=2002-10-20&g=2002-10-20) dan wel een project waarvoor een jaar voor die dag reeds een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt; c. **projectbeheerder:** degene voor wiens rekening en risico het project wordt ontwikkeld en in stand gehouden; d. **projectvermogen:** vermogen dat nodig is voor de financiering van activa die noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan de uitvoering van een project; e. **verklaring:** schriftelijk besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als bedoeld in [artikel 10.10. derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.10), waarin wordt verklaard dat een project in het belang is van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos; f. **accountantsverklaring:** v"},{"i":17974,"b":"Wet van 9 juli 2014 tot wijziging van onder meer de Wet participatiebudget en de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake het invoeren van een specifieke uitkering educatie en het vervallen van de verplichte besteding van educatiemiddelen bij regionale opleidingencentra Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een specifieke uitkering educatie in te voeren, de verplichte besteding van educatiegelden bij regionale opleidingencentra te laten vervallen en in verband daarmee de [Wet participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039), de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) en de [Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188) aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039) Wijzigt de Wet participatiebudget. Artikel II. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel III. Wijziging [Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188) Wijzigt de Les- en cursusgeldwet. Artikel IIIa. Uitkering educatie voor het jaar 2015 1. Voor het kalenderjaar 2015 wordt de uitkering educatie die aan een college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente van een regio wordt verstrekt, berekend volgens de formule: {bi: bl} x bm waarbij wordt verstaan onder: bi: de som van de bedragen die de gemeenten binnen deze regio voor het jaar 2014 hebben ontvangen op grond van [artikel 4 van het Besluit participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025044&artikel=4) zoals dat luidde op 31 december 2014; bl: het landelijk budget edu"},{"i":15154,"b":"Wet van 5 februari 2020, houdende tijdelijke maatregelen inzake een publiekrechtelijke aanpak van de gevolgen van bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag bij Norg (Tijdelijke wet Groningen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bestuursrechtelijke afhandeling van verzoeken om vergoeding van schade in verband met bodembeweging door de gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg wettelijk te regelen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen Hoofdstuk 2. Instelling, taken en bevoegdheden Hoofdstuk 2. Instelling, taken en bevoegdheden Hoofdstuk 4. Procedure bij het instituut Hoofdstuk 6. Financiering Hoofdstuk 7. Rechtsbescherming Hoofdstuk 8. Slotbepalingen Artikel 20 Onverminderd [artikel 39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=39) zendt Onze Minister binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na twee jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk en de noodzaak van het voortduren van de maatregelen waarin deze wet voorziet. Artikel 21 1. Besluiten van de deelcommissie mijnbouwschade op grond van [artikel 3, tweede lid, van het Besluit Mijnbouwschade Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040584&artikel=3), en de deelcommissie bezwaar, op grond van artikel 3, derde lid, van het Besluit Mijnbouwschade Groningen, worden na inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als besluiten van het Instituut Mijnbouwschade als bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2026-01-22&g=2026-01-22). 2. Aanvragen tot vergoeding van schade die in"},{"i":14019,"b":"Besluit van de manager divisie CCV van het CBR houdende vaststelling van beleidsregels betreffende het afgeven, schorsen en intrekken van erkenningen van opleidingsinstituten en certificeringen van nascholingscursussen (Raamwerk nascholingscursussen Code 95 en ADR/ADN) De manager divisie CCV van het CBR, Gelet op de [artikelen 156x Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156x) en [hoofdstuk III Regeling vakbekwaamheid bestuurders 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031458&hoofdstuk=III); Besluit: Tot vaststelling van: **Raamwerk nascholingscursussen Code 95 en ADR/ADN** **Versie 1.1** Hoofdstuk 1. : Toelichting op het raamwerk Het onderhavige raamwerk is een document als bedoeld in [artikel 156s Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het raamwerk staan de eisen die worden gesteld aan de certificering van nascholingscursussen en de erkenning van opleidingsinstituten ([artikel 156x Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156x) en [Hoofdstuk III Regeling vakbekwaamheid bestuurders 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031458&hoofdstuk=III)). Dit raamwerk is van overeenkomstige toepassing op de erkenning als ADR opleidingsinstituut in het kader van de [wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606), gelet op de [Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen, Bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3). Het raamwerk is ook van overeenkomstige toepassing op het toezicht op de ADN herhalingstoetsen. Dit raamwerk beschrijft hoe de divisie CCV van het CBR (hierna: CCV) toezicht houdt op de naleving van de nascholingseisen en erkenning van opleidingsinstituten en welke bezwaar- en beroepsmogelijkheden er zijn tegen opgelegde maatregelen. Wijzigingen in het raamwerk worden door CCV (periodiek) vastgesteld en actief gecommuniceerd. In dit raamwerk wordt ingegaan op de"},{"i":17403,"b":"Regeling specifieke uitkering Incodelta Zuid-Nederland Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Aan de zuidelijke provincies wordt een specifieke uitkering verstrekt voor de uitvoering van Incodelta Zuid-Nederland, de communicatie hierover en de instandhouding van de projectorganisatie. 2. Ten aanzien van Incodelta Zuid-Nederland wordt door de zuidelijke provincies duidelijk gemaakt op welke wijze en op welke termijn het een bijdrage levert aan de realisatie van een of meer van de beleidsdoelstellingen voor goederenvervoer gebaseerd op het Nationaal Verkeers- en Vervoersplan, te weten: - a. duurzaam goederenvervoer, waaronder tevens wordt verstaan de verbeterde kwaliteit van de leefomgeving in de zuidelijke provincies; - b. veilig goederenvervoer, waaronder in ieder geval wordt verstaan externe veiligheid en verkeersveiligheid; - c. efficiënt werkend goederenvervoersysteem, waaronder wordt verstaan logistieke efficiency en gezonde vervoerssectoren; - d. versterking netwerk goederenvervoer, waaronder in ieder geval wordt verstaan het functioneren van knooppunten en de kwaliteit van verbindingen. 3. De deelprojecten passen binnen een of meer van de volgende thema's: - a. investeringen in vervoersmodaliteiten; - b. innovaties met betrekking tot goederenvervoer; - c. logistieke bedrijventerreinen waarvan het belang dat van de provincie waarin zij zich bevinden overstijgt; - d. verantwoorde ruimtelijke inpassing van goederenvervoer en daaraan gerelateerde bedrijvigheid; - e. samenwerking tussen overheden, relevante maatschappelijke organisaties en bedrijven betrokken bij het goederenvervoer in de zuidelijke provincies. 4. De zuidelijke provincies dragen zorg voor een maximale betrokkenheid in Incodelta Zuid-Nederland van: - a. gemeenten en kaderwetgebieden uit het betreffende gebied; - b. maatschappelijke organisat"},{"i":18980,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 26 september 2025, nr. 6579825, houdende een semi-permanente ontheffing van de eis van bekwaamheid voor de uitoefening van de opsporingsbevoegdheid van buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van de politie Gelet op [artikel 16, derde lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan de politie als werkgever van haar buitengewoon opsporingsambtenaren wordt een semi-permanente ontheffing verleend, van het bepaalde in [artikel 16, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=16), zoals bedoeld in onderdeel Semi-permanente ontheffing van [bijlage H, van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766&bijlage=H) en onder de volgende voorwaarden: - a. De (beoogd) buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de politie wordt geacht bekwaam te zijn, indien hij met goed gevolg een op zijn functie toegesneden opleiding heeft voltooid; - b. De onder a. bedoelde opleiding is een op de functie van de buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de politie toegesneden opleiding die bij de Politieacademie kan worden gevolgd; - c. De onder a. bedoelde opleiding omvat tenminste de door mij goedgekeurde en gepubliceerde exameneisen, zoals bedoeld in [bijlage C van de boa-beleidsregels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766&bijlage=C) en wordt afgesloten met een examen; - d. Het onder c. bedoelde examen wordt afgenomen onder verantwoordelijkheid van de examencommissie van de Politieacademie; - e. Er is een systeem van periodieke examinering en her- en bijscholing van de buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de politie, zodat gewaarborgd is dat het verworven kennisniveau op een hoog peil blijft gehandhaafd. Op dit systeem van periodieke her- en bijscholing ziet de examencommissie van de Politie"},{"i":4176,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Nederlandse Orde van Advocaten en Raden van Toezicht van Orde van Advocaten in de Arrondissementen over de periode vanaf 1952 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 6 september 2012, nr. aca-2012.06562/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2), van de archiefbescheiden van de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten en de Raden van Toezicht van de Orden van Advocaten in de Arrondissementen over de periode vanaf 1952 (actualisatie 2012)’, en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘[Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten en de Raden van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement en de onder hen ressorterende actoren op het beleidsterrein Rechtspleging en rechtshulp over de periode vanaf 1952](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018358)’, vastgesteld bij beschikking van 25 mei 2005, Stcrt. nr. 114, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":4464,"b":"Circulaire aanpassing huurwaarde dienstwoningen per 1 juli 2010 Inleiding In deze circulaire wordt de verhoging van de economische huurwaarde van dienstwoningen per 1 juli 2010 bekend gemaakt. Verhoging van de economische huurwaarde van dienstwoningen De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn voor de uitvoering van [artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), dienen per 1 juli 2010 met 1,2% te worden verhoogd. Deze verhoging is vastgesteld in overeenstemming met de Belastingdienst. Woningen die op of na 1 juli 2009 gereed zijn gekomen, vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 1,2%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. Ik verzoek u met bovengenoemde wijzigingen rekening te houden."},{"i":12148,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 mei 2016, kenmerk 926952, houdende deelneming in de Gemeenschappelijke Regeling Noord-Hollands Archief Gelet op [artikel 94, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de Gemeenschappelijke Regeling Noord-Hollands Archief. Artikel 2 Het [Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 december 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017724), nr. DCE/04/36938 (Stcrt. 2005, 226) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op een bij besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te bepalen tijdstip."},{"i":15350,"b":"Vaststelling taken Bureau Secretaris-Generaal Besluit: Artikel 1 Er is een Bureau Secretaris-Generaal. Artikel 2 Het Bureau Secretaris-Generaal heeft tot taak: - a. het, in beleidsmatig, procedureel en administratief opzicht, bewaken van en adviseren over de kwaliteit van de stukken die vanuit het departement worden aangeleverd aan de politieke en ambtelijke leiding; - b. het adviseren van de politieke en ambtelijke leiding over aangelegenheden die niet tot het terrein van een andere (centrale) dienst behoren; - c. het coördineren van de totstandkoming van het internationaal beleid van het ministerie en het ondersteunen van de ambtelijke leiding in dezen, voor zover geen sprake is van: - internationaal beleid dat slechts het terrein van één dienst betreft; - onderwerpen die aan de orde zijn in de Europese Gemeenschappen; - onderwerpen die in andere internationale organisaties aan de orde zijn en een directe relatie hebben met door de Europese Gemeenschappen behandelde onderwerpen; - d. het onderhouden van contacten vanuit het ministerie met betrekking tot het onder c genoemde beleid; - e. het secretarieel en administratief ondersteunen van de politieke en ambtelijke leiding; - f. het bewaken van de voortgang van de behandeling van de beleidsprioriteiten en van de beantwoording van kamervragen; - g. het coördineren van de (inter)departementale inbreng bij parlementaire aangelegenheden; - h. het bewaken van de voortgang en van de kwaliteit van de behandeling van Nationale ombudsmanzaken; - i. het vervullen van diverse secretariaten, waaronder dat van de Bestuursraad; - j. het verzorgen van de voorbereiding en follow-up van de bezoeken van de minister en/of de ambtelijke leiding aan het buitenland en bezoeken van buitenlandse delegaties; - k. het vervullen van het voorzitterschap en het secretariaat van het Coördinerend Overleg Internationale Betrekkingen; - l. het coördineren van het algemene beveiligingsbeleid; - m. het voorbereiden van het beleid met betrekking tot"},{"i":17687,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Sociale Verzekeringsbank (SVB) over de periode (1956 –) 2004 – Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) Periode (1956–) 2004 – en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijsten Sociale Verzekeringen (1940) 1997–2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018881), Stcrt. 2006, nr. 9 en [Coördinatie Integratiebeleid Minderheden 1978–1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015751), Stcrt. 2004, nr. 69 worden afgesloten vanaf 1 januari 2004 voor de actor de Sociale Verzekeringsbank. De [selectielijst Pensioen- en Uitkeringsraad en taakvoorgangers, beleidsterrein Oorlogsgetroffenen 1947–2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019717) Stcrt 2006, nr. 76 wordt afgesloten vanaf 2011. De [selectielijst Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid, beleidsterrein Oorlogsgetroffenen 1945–2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021872) Stcrt 2007, nr. 98 wordt afgesloten vanaf 2015. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19481,"b":"Havenbeveiligingswet BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. **bestuurscollege:** het bestuurcollege van Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - c. **beheerder:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon belast met het beheer van een havenfaciliteit; - d. **SOLAS-Verdrag:** het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157); - e. **Code:** de Internationale Code voor de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (International Ship and Port Facility Security Code) behorende bij Hoofdstuk XI-2 van de bijlage bij het SOLAS-Verdrag; - f. **Voorschrift:** een voorschrift opgenomen in Hoofdstuk XI-2 van de bijlage bij het SOLAS-Verdrag; - g. **schip:** een vaartuig, behorende tot een van de navolgende soorten, mits op internationale reis: - i. passagiersvaartuigen, waaronder mede begrepen hogesnelheidspassagiersvaartuigen [met een bruto tonnage van twintig kubieke meters of meer]; - ii. schepen, waaronder mede begrepen hogesnelheids-vaartuigen, van 500 GT of meer en - iii. verplaatsbare offshore booreenheden voorzien van eigen middelen tot werktuiglijke voortstuwing; - h. **havenfaciliteit:** het in overeenstemming met Voorschrift 1.1.9 aangewezen gebied, waarin interactie tussen een schip en de haven plaatsvindt. Dit omvat onder meer ankerplaatsen, ligplaatsen en aanvaarroutes, naar gelang van toepassing; - i. **interactie:** het laden of lossen van goederen, het inschepen of ontschepen van passagiers en personen werkzaam aan boord en het verlenen respectievelijk gebruiken van havendiensten; - j. **beveiligingscertificaat:** een certificaat verleend aan een havenfaciliteit bij de goedkeuring, bedoeld in paragraaf 16, tweede lid, van Deel A, van de Code; - k. **veiligheidsincident:** elke gebeurtenis of situatie als gevolg van een opzettelijke ongeoorloofde actie die de veiligheid va"},{"i":15387,"b":"Vaststellingsbesluit taken staatssecretaris Van Hoof Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951 (Stb. 24), houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretarissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3); mede gelet op het Koninklijk besluit van 17 juni 2004, nr. 04.002427 waarbij de heer H.A.L. van Hoof benoemd is tot Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Besluit: Staatssecretaris de heer H.A.L. van Hoof is, binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid, meer in het bijzonder belast met aangelegenheden betreffende de arbeidsmarkt, de arbeidsomstandigheden, de bijstand, de volksverzekeringen, de sociale werkvoorziening, handhavingsbeleid en fraudebestrijding."},{"i":15443,"b":"Verlening takenbevoegdheid aan SAIP Besluit: Artikel 1 De Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP) wordt de bevoegdheid verleend om namens de Minister van Binnenlandse Zaken besluiten te nemen inzake de uitvoering van: - a. de Wet instelling Bijstandskorps (Stb. 1962, 196); - b. het Bijstandsambtenarenreglement (Stb. 1962, 360) en de daarmee verband houdende rechtspositie- en afvloeiingsregelingen; - c. de Ordonnantie tot vaststelling van het Pensioenreglement Nederlands Nieuw-Guinea (G.B. 1958, 83); - d. de Toeslagregeling pensioenen Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba (Stb. 1967, 260); - e. de Overbruggingsregeling Surinaamse pensioenen (Stb. 1975, 725); - f. de [Garantiewet burgerlijk overheidspersoneel Indonesië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060) (Stb. 1950, K 178) en de daarmee verband houdende Indische pensioen-, rechtspositie- en afvloeiingsregelingen; - g. de [Garantiewet Militairen KNIL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077)(Stb. 1951, 239) en de daarmee verband houdende Indische pensioen-, rechtspositie- en afvloeiingsregelingen militairen KNIL. Artikel 2 De SAIP wordt de bevoegdheid verleend om namens de Minister van Binnenlandse Zaken te beslissen op bezwaarschriften, ingediend tegen beslissingen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007643&artikel=1&z=1996-01-01&g=1996-01-01). Artikel 3 De SAIP wordt de bevoegdheid verleend om namens de Minister van Binnenlandse Zaken in rechte op te treden, indien tegen de beslissing als bedoeld in de voorgaande artikelen beroep wordt ingesteld bij de rechter. De Raad van Beheer van de SAIP wijst daartoe schriftelijk de personen aan die namens de Minister van Binnenlandse Zaken als gemachtigde kunnen optreden. Artikel 4 Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15501,"b":"Besluit van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd van 11 juni 2024, houdende doorlopende vervanging te bewaren en vernietigen archiefbescheiden Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd 2024 (Vervangingsbesluit archiefbescheiden IGJ 2024) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); Besluit: Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op analoge archiefbescheiden van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd die op grond van de concern brede selectielijst VWS 2021 voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen. Deze analoge archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Artikel 2 De digitale reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het Handboek Vervanging IGJ 2024. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit archiefbescheiden IGJ 2024. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van het Handboek Vervanging IGJ 2024. Het Handboek Vervanging IGJ ligt ter inzage op het kantoor van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Utrecht."},{"i":15551,"b":"Wet van 2 oktober 2024, houdende wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Verzamelwet VWS 2023) Artikel I Wijzigt de Alcoholwet. Artikel II Wijzigt de Jeugdwet. Artikel IIa Wijzigt de Opiumwet 1960 BES. Artikel III Wijzigt de Tabaks- en rookwarenwet. Artikel IIIa Wijzigt de Wet afbreking zwangerschap. Artikel IV Wijzigt de Wet afbreking zwangerschap. Artikel IVa Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel V Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel VI Wijzigt de Wet medische hulpmiddelen. Artikel VII Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel VIIa Wijzigt de Wet op de geneesmiddelenvoorziening BES. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland. Artikel VIIIa Wijzigt de Wet toetreding zorgaanbieders. Artikel VIIIa* Wijzigt de Wet publieke gezondheid. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIIIb Wijzigt de Wet uitvoering antidopingbeleid. Artikel IX Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel X Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel XI Wijzigt de Verzamelwet VWS 2018. Artikel XII Wijzigt de Verzamelwet VWS 2020. Artikel XIII Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945. Artikel XIV Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet. Artikel XV Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers. Artikel XVI Wijzigt de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Artikel XVII Wijzigt de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Artikel XVIII Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel XIX Wijzigt de Wet op de zorgtoeslag. Artikel XX Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XXI 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. Indien artikel IIIA na 1 januari 2024 in werking treedt, werkt dat artikel terug tot en met 1 januari"},{"i":15633,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juli 2008, nr. VGP/PSL 2862172, houdende aanwijzing van nadere eisen betreffende de veiligheid van kinderbedden en -boxen gebruikt in de kinderopvang en van nadere eisen voor te gebruiken methoden van onderzoek (Warenwetregeling nadere eisen kinderbedden en -boxen kinderopvang) Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004710&artikel=3), en [8, tweede lid, van het Warenwetbesluit kinderbedden en -boxen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004710&artikel=8); Besluit: Artikel 1 1. Als normen, bedoeld in [artikel 3, derde lid, van het Warenwetbesluit kinderbedden en -boxen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004710&artikel=3), worden aangewezen de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024262&bijlage=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01) bij deze regeling vermelde normen. 2. Als nadere eisen voor kinderbedden en -boxen die in een kindercentrum als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.1), worden gebruikt en voor te gebruiken methoden van onderzoek worden aangewezen de in de [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024262&bijlage=II&z=2025-01-01&g=2025-01-01) bij deze regeling opgenomen eisen. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling nadere eisen kinderbedden en -boxen. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Deze regeling treedt in werking op de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage I. bij de Warenwetregeling nadere eisen kinderbedden en -boxen **Normen voor kinderbedden en -boxen** Bijlage II. bij de Warenwetregeling nadere eisen kinderbedden en -boxen ****Eisenpakket voor kinderbedden en boxen in kindercentra**** **1. Doel** Deze eisen zijn opgesteld voor kinderbedden en boxen gebruikt in kindercentra voor kinderen tot 4 jaar. De eisen zijn van toepassing op bedden, evacuatiebedden en opvouw"},{"i":15646,"b":"Warenwetregeling voedingssupplementen Gelet op [artikel 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014814&artikel=3), en [artikel 7, vierde lid, van het Warenwetbesluit voedingssupplementen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014814&artikel=7); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Bij de bereiding van voedingssupplementen wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de in bijlage I bij richtlijn 2002/46/EG genoemde vitaminen en mineralen, in de in bijlage II bij die richtlijn genoemde vormen. Artikel 2 De vermelding van vitaminen en mineralen, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onder a, van het Warenwetbesluit voedingssupplementen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014814&artikel=7), geschiedt met gebruikmaking van de in bijlage I bij richtlijn 2002/46/EG gespecificeerde eenheden. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 2 april 2003. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling voedingssupplementen. Bijlage 1 Deze bijlage behoort bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014903&artikel=1&z=2007-10-20&g=2007-10-20) en [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014903&artikel=2&z=2007-10-20&g=2007-10-20). Uitsluitend onderstaande vitaminen en mineralen mogen worden gebruikt bij de bereiding van voedingssupplementen. Bij de vermelding van vitaminen en mineralen, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onder a, van het Warenwetbesluit voedingssupplementen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014814&artikel=7), wordt gebruik gemaakt van de desbetreffende hieronder genoemde eenheden. **1. Vitaminen** Vitamine A (µg RE) Vitamine D (µg) Vitamine E (mg -TE) Vitamine K (µg) Vitamine B1 (mg) Niacine (mg NE) Pantotheenzuur (mg) Vitamine B6 (mg) Foliumzuur (µg) Vitamine B12 (µg) Biotine (µg) Vitamine C (mg) **2. Mineralen** Calcium (mg) Magnesium (mg) IJzer (mg) Koper (µg) Jood (µg) Zink (mg) Mangaan (mg) Natrium (mg) Kalium (mg) Seleen (µg) Chroo"},{"i":16126,"b":"Besluit van 13 november 1991, houdende wijziging van het Schepenbesluit 1965 Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 februari 1991. nr. S/J 31 313/91, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Overwegende, dat alle zeegaande schepen, ongeacht lengte en tonnage moeten voldoen aan het bepaalde in het [Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501) (**Stb.** 367); het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen 1966 (**Trb.** 1966, 275 en 1976, 104) geen specifieke regels geeft voor schepen met een lengte van minder dan 24 meter; het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee 1974 (**Trb.** 1976, 157 en 1977, 77) in het algemeen geen specifieke regels geeft voor schepen van minder dan 500 ton met uitzondering van passagiersschepen, gas- en chemicaliëntankers; Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=5), 9 en [73 van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=73) (**Stb.** 1932, 86); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 9 oktober 1991, nr. W09.91 0115/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 november 1991, nr. S/J 31 811/91, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III. Overgangsbepalingen 1. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn op schepen gebouwd vóór 1 januari 1992 de bepalingen van het [Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501), zoals gewijzigd bij dit besluit, met betrekking tot de constructie, inrichting en de uitrusting, voor zover deze afwijken van die welke voor deze wijziging werden gehanteerd, van toepassing voor zover dit naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaarti"},{"i":16163,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Defensie van 29 november 2006, nr. HDJZ/LUV/2006-1803, Hoofddirectie Juridische Zaken, tot wijziging van de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 in verband met aanpassingen in de uitvoering en enkele technische verbeteringen Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 26b van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=26b) en [artikel 8.32 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.32); Besluiten: Artikel I Wijzigt de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997. Artikel II De [Regeling geluidwerende voorzieningen 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008540) zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op een aanbod dat of, indien van toepassing, een overeenkomst die is aanvaard vóór de datum van inwerkingtreding van deze regeling, alsmede op een isolatieprogramma waarvoor de opdracht tot het doen uitvoeren van het akoestisch en bouwtechnisch onderzoek is verleend, tenzij sprake is van een woning die of ander geluidsgevoelig gebouw dat als gevolg van de tweejaarstoets of wijziging van de geluidszone in Ke, de LAeq geluidszone in dB(A) of de geluidscontour niet meer in beschouwing wordt genomen voor het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen. Artikel III In afwijking van de [Regeling geluidwerende voorzieningen 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008540), worden woningen die: - a. liggen binnen een van de geluidscontouren van de luchthaven Schiphol, bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008540&artikel=1), zoals die gelden als gevolg van het [besluit van 23 augustus 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017134), tot wijziging van het"},{"i":16171,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 8 april 2015, nr. IENM/BSK-2015/67524 tot wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 in verband met de uitspraak van de Raad van State tot onverbindendverklaring van artikel 17 van die regeling Gelet op de [artikelen 130, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130), en [131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Artikel II Deze regeling is niet van toepassing in gevallen waarin het CBR op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling reeds het besluit had genomen tot oplegging van het alcoholslotprogramma en dit besluit op dat tijdstip nog niet rechtens onaantastbaar was. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16246,"b":"Wet van 18 december 2024 tot wijziging van enkele wetten ter uitvoering van de beëindiging van de salderingsregeling voor elektriciteit en enkele technische wijzigingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van de beëindiging van de salderingsregeling voor eindafnemers met een kleine aansluiting; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Energiewet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Wijzigt de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie. Artikel IV Wijzigt de Wet op de accijns. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IVa Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IVb Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2027. 2. In afwijking van het eerste lid, treedt [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050721&artikel=III&z=2025-01-30&g=2025-01-30) van deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16257,"b":"Wet van 17 juli 2024 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet toezicht trustkantoren 2018 en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2024) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het toezicht op trustkantoren aan te scherpen, het bonusverbod bij staatssteun uit te breiden en enige andere wijzigingen en verbeteringen in de wetgeving op het terrein van de financiële markten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren 2018. Artikel III Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel IV Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES. Artikel V Wijzigt de Faillissementswet. Artikel VI Wijzigt de Wet aansprakelijkheid kernongevallen. Artikel VII Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VIII Wijzigt de Bankwet 1998. Artikel IX Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel X Deze wet wordt aangehaald als: Wijzigingswet financiële markten 2024. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16275,"b":"Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de verspreiding van televisie- en radioprogrammakanalen door middel van omroepnetwerken en omroepzenders en de vaststelling van de minimale omvang van het standaardpakket televisie- en radioprogrammakanalen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe voorschriften te geven over de verspreiding van de televisie- en radioprogrammakanalen van de landelijke, regionale en lokale publieke mediadiensten en van de Nederlandstalige landelijke Belgische openbare mediadienst; dat het verder wenselijk is voorschriften te geven over de minimale omvang van het standaardpakket televisie- en radioprogrammakanalen en dat het in verband daarmee wenselijk is de voorschriften over de instelling van programmaraden te laten vervallen; dat daartoe wijzigingen in de Mediawet 2008 worden aangebracht; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel II. Wijziging van de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel III. Wijziging van de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel IV. **Overgangsbepaling inzake programma-aanbod** 1. Het is een pakketaanbieder als bedoeld in [artikel 6.9a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=6.9a) die programma-aanbod door middel van een omroepnetwerk of een omroepzender verspreidt of laat verspreiden, tot 5 oktober 2017 toegestaan naar personen die voor 5 oktober 2012 met die pakketaanbieder een overeenkomst met betrekking tot de ontvangst van minder programma-aanbod dan be"},{"i":16297,"b":"Wet van 6 september 2000, houdende wijziging van de Tracéwet (eerste tranche) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Tracéwet te wijzigen in verband met ervaringen die zijn opgedaan bij de toepassing ervan, in het bijzonder teneinde de procedures ten behoeve van de aanleg of wijziging van hoofdwegen of landelijke railwegen te bespoedigen en te vereenvoudigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Tracéwet. Artikel II 1. Met betrekking tot het nemen van tracébesluiten ten aanzien waarvan een ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is toegezonden aan de in [artikel 12, eerste lid, van de Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&artikel=12) bedoelde instanties, blijft het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing. 2. Met betrekking tot het nemen van besluiten op aanvragen om vergunning als bedoeld in [artikel 20, tweede lid, van de Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&artikel=20), die zijn ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, en de overige in [artikel 20, tweede lid, van de Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&artikel=20) bedoelde ambtshalve te nemen besluiten die binnen dertien weken na dat tijdstip zijn bekendgemaakt, blijft het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing. 3. Met betrekking tot de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een in het eerste of tweede lid bedoeld besluit dat vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, blijft het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing. Artikel III 1. Indien ten aanzien van een tracébesluit dat is voorbereid met toepassing van de [Tracéwet](https:"},{"i":16302,"b":"Wet van 20 mei 2010 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) te wijzigen in verband met het aanpassen van de asielprocedure; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II 1. Ten aanzien van een aanvraag die is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 62, derde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62), [69, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=69), en [82, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=82) zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. 2. In afwijking van het eerste lid, dient de vreemdeling die zijn eerste aanvraag heeft ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en wiens aanvraag is afgewezen na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16330,"b":"Wet van 24 november 2005 tot wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen in verband met de afschaffing van de verplichte bundeling en integratie van gemeenschappelijke regelingen in samenwerkingsgebieden en daarmee samenhangende wijzigingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) te wijzigen in verband met de afschaffing van de verplichte ordening van gemeenschappelijke regelingen in samenwerkingsgebieden en daarmee samenhangende wijzigingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel II Wijzigt de Distributiewet. Artikel III Wijzigt de Wet beheersing huisvestingsvoorzieningen k.o.-l.o. Artikel IV* Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel IV Wijzigt de Wet algemene regels herindeling. Artikel V. (overgangsrecht kaderwetgebieden) De [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) zoals deze luidde vóór de inwerkingtreding van deze wet tot 1 januari 2005 blijft van toepassing op een samenwerkingsgebied als bedoeld in [artikel 1, onder b, van de Kaderwet bestuur in verandering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006620&artikel=1). Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges, en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16364,"b":"Wet van 10 april 1997, houdende wijziging van de Wet op de studiefinanciering onder meer in verband met correctie op de berekening van de aanvullende beurs, alsmede van onder meer de Wet tegemoetkoming studiekosten in verband met enkele technische wijzigingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) de vrije voet voor bepaalde groepen van belastingplichtigen te verhogen en de aftrek van f 800,- op het kortingsbedrag wegens inkomen van een ouder toe te kennen voor elk kind dat onder de werking van hoofdstuk II dan wel hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten valt; dat het tevens wenselijk is om enkele technische wijzigingen in die wet en in de Wet tegemoetkoming studiekosten aan te brengen; dat in verband daarmee genoemde wetten moeten worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de studiefinanciering. ARTIKEL II Wijzigt de Wet tegemoetkoming studiekosten. ARTIKEL III Wijzigt de Wet tegemoetkoming studiekosten. ARTIKEL IV Wijzigt de wet van 28 maart 1996, houdende wijziging van onder meer de Wet op de studiefinanciering en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de invoering van de prestatiebeurs, de vorm van de toelage en de leeftijd waarop aanspraak op studiefinanciering in het hoger onderwijs ontstaat (Stb. 227). ARTIKEL V 1. Indien de studerende op grond van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008634&artikel=I&z=1997-05-01&g=1997-05-01), voor zover het betreft [artikel 21, derde dan wel vijfde lid, van de Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955&artikel=21), recht heeft op een bedrag aan aanvullende beurs in een pe"},{"i":16400,"b":"Besluit van 5 april 1993, houdende regelen met betrekking tot de nationaliteit van zeeschepen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 1 februari 1991, nr S/J 30.150/91, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Overwegende, dat het wenselijk is met het oog op een bestendige ontwikkeling van de Nederlands-Antilliaanse scheepvaart het Curaçaosch Zeebrievenbesluit 1933 (**Stb**. 1933, 110; P.B. 1933, no. 41) voor wat betreft de Nederlandse Antillen te vervangen door een nieuwe regeling met betrekking tot de nationaliteit van zeeschepen, waarin tevens een regeling ten aanzien van zeeschepen in rompbevrachting is opgenomen; De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 13 augustus 1991, no. WO9.91.0065/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 maart 1993, nr. S/J 30.590/93, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Besluit per 1 juli 2025 door Stb. 2025/133 ingetrokken voor Nederland. 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. het Koninkrijk: het Koninkrijk der Nederlanden; - b. Onze Minister: Onze Minister in Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, verantwoordelijk voor scheepvaart; - c. zeeschepen: alle schepen, daaronder begrepen kustvaarders, welke worden gebruikt tot de vaart ter zee of daartoe bestemd zijn, met uitzondering van: - 1°. oorlogsvaartuigen; - 2°. vaartuigen van zeilverenigingen of jachtclubs, als zodanig erkend door de bevoegde autoriteiten van Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten; - 3°. vaartuigen, aan Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, welke tot de openbare dienst zijn bestemd; - 4°. reddingsvaartuigen; - d. rompbevrachting: de overeenkomst, waarbij de ene partij, de rompvervrachter, zich verbindt een zeeschip zonder bemanning voor een bepaalde tijd ter beschikking te stellen van haar wederpartij, de romp"},{"i":16469,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 1 juli 2022, kenmerk 3383563-1031031-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake een bekostigingsexperiment Wlz-zorg in onderwijstijd Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Na op 19 mei 2022 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit inzake een experiment met de bekostiging van Wlz-zorg in onderwijstijd (**Kamerstukken II 2021/2022,****31 497, nr. 435**). Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **vast tarief:** een tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) dat door de zorgautoriteit is vastgesteld en waarvan niet kan worden afgeweken; - –. **school:** uit ’s Rijkskas bekostigde school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - –. **Wlz-zorg in onderwijstijd:** zorg gedurende onderwijstijd geleverd aan leerlingen met een Wlz-indicatiebesluit als bedoeld in [artikel 3.2.3 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.3) die zijn ingeschreven bij een school; - –. **modulair pakket thuis:** zorg geleverd in natura zoals geregeld in [artikel 3.3.2 eerste lid, onderdeel b van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.2); - –. **Wlz-sluittarief:** een vast tarief voor een geheel van p"},{"i":16491,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3088152, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake bekostiging ADL-assistentie 2012–2013 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 22 juni 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en op 8 juli 2011 aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Kamerstukken II 2010/11, 30 597, nr. 195); Gelet op mijn nadere brief van 9 september 2011 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2010/11, 30 597, nr. 203) die ik op dezelfde datum bij afzonderlijke brief ook aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal heb toegezonden (DLZ/SFI-U-3080928); Gelet op het algemeen overleg op 14 september 2011 met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 30 597, nr. 215), mijn brief van 27 september 2011 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 30 597, nr. 212), die ik op 3 oktober 2011 bij afzonderlijke brief ook aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal heb toegezonden (DLZ/SFI-U-3084738), alsmede het plenaire debat op 28 september 2011 naar aanleiding van het verslag van het genoemde algemeen overleg; Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. **ADL-woning:** woning die deel uitmaakt van een aantal bij elkaar horende rolstoeldoorgankelijke sociale huurwoningen die tot stand zijn gekomen met behulp van subsidie uit de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten of het Algemeen Fonds Bijzonde"},{"i":16496,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U- 3072825, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake transitiemodel prestatiebekostiging medisch specialistische zorg 2012 Overwegende dat het wenselijk is de functiegerichte budgettering voor instellingen voor medisch specialistische zorg en de bekostiging op basis van begrotingsfinanciering van audiologische centra te beëindigen en mede met het oog op de macrobudgettaire gevolgen zorgvuldig geleidelijk over te gaan naar een systeem van prestatiebekostiging; Overwegende dat de invoering van prestatiebekostiging en een stabiele productstructuur essentieel is voor een stelsel waarin zorgaanbieders en zorgverzekeraars met elkaar onderhandelen over kwaliteit, prijs en volume, selectieve contractering door zorgverzekeraars toeneemt en aanbieders daadwerkelijk worden afgerekend op geleverde prestaties; Overwegende dat met de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra, Zelfstandige Klinieken Nederland en Zorgverzekeraars Nederland mede vanwege de gezamenlijk gevoelde verantwoordelijkheid bij te dragen aan een beheerste kostenontwikkeling van de ziekenhuiszorg afspraken zijn gemaakt voor de periode 2012–2015, vastgelegd en ondertekend in het Bestuurlijk hoofdlijnenakkoord 2012–2015; Overwegende dat voor de zorgvuldige overgang naar prestatiebekostiging een aantal instrumenten aan de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) moeten worden toegevoegd en dat de parlementaire behandeling van het daartoe strekkend wetsvoorstel Aanvulling instrumenten bekostiging WMG nog niet is afgerond en het wetsvoorstel nog niet tot wet is verheven en in werking getreden; Overwegende dat de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 28 juni 2011 voornoemd wetsvoorstel met algemene stemmen heeft aanvaard; Overwegende dat de Eerste Kamer der Staten-Generaal de brieven van de minister over de voornemens"},{"i":16527,"b":"Administratief Akkoord voor de toepassing van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, ondertekend te 's-Gravenhage op 11 augustus 1954 In overeenstemming met de bepalingen van artikel 38 van het Verdrag inzake sociale zekerheid en van artikel 3 van het Protocol betreffende verstrekkingen in natura tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, ondertekend te 's-Gravenhage op 11 augustus 1954, zijn de bevoegde autoriteiten van de beide Verdragsluitende Partijen, te weten: voor het Verenigd Koninkrijk: de „Minister of Pensions and National Insurance”, het „Ministry of Labour and National Insurance for Northern Ireland” en het „Isle of Man Board of Social Services”, voor Nederland: de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, de volgende bepalingen overeengekomen voor de toepassing van het Verdrag en het Protocol: TITEL I. Begripsbepalingen Artikel 1 Vervallen TITEL II. Algemene bepalingen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen TITEL III. Ziekengeld-, moederschaps- en werkloosheidsuitkeringen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen TITEL IV. Invaliditeitsrenten Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen TITEL V. Ouderdoms-, weduwen- en wezenrenten Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen TITEL VI. Bedrijfsongevallen en beroepsziekten Artikel 16 Vervallen TITEL VII. Betaling van uitkeringen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Vervallen TITEL VIII. Diverse bepalingen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen Gedaan in tweevoud te Londen, de 12de juni 1956, in de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek. De „Minister of Pensions and National Insurance in Great Britain”, (w.g.) JOHN BOYD-CARPENTER De Minister van Sociale"},{"i":16636,"b":"Beleidsregel verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven en prestatiebeschrijvingen die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Medische kindzorg:** Medische kindzorg is zorg aan kinderen tot achttien jaar waarbij sprake is van behoefte aan zorg zoals verpleegkundigen plegen te bieden in verband met geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Tevens is bij deze kinderen sprake van een behoefte aan permanent toezicht of 24-uurs zorg in de nabijheid in combinatie met verpleegkundig technische handelingen. - **Dagopvang:** Van dagopvang in de zin van deze beleidsregel is sprake bij tenminste zes uur aanwezigheid van een patiënt op één dag op een locatie, ingericht voor verpleegkundige dagopvang voor medische kindzorg. - **Verblijfsdag:** Een verblijfsdag is een kalenderdag, die deel uitmaakt van een periode van opname voor verblijf bij medische kindzorg. Een opname omvat minimaal één overnachting. De verblijfsdag mag alleen gedeclareerd worden als de patiënt voor 20:00 uur is opgenomen en ’s nachts in de instelling verblijft. De dag van opname en de daarop volgende nacht gelden als één verblijfsdag. De dag van ontslag – waarop de patiënt dus niet ‘s nachts verblijft – geldt niet als een te declareren verblijfsdag. - **Zorgaanbieder:** De natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1 aanhef en onder c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":16701,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137198, houdende aanwijzing van Coöperatie Regionale Ambulancevoorziening Kennemerland U.A. voor de regio Kennemerland als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Coöperatie Regionale Ambulancevoorziening Kennemerland U.A. is voor regio Kennemerland de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":18058,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 oktober 2008, nr. DDI/ST/reg. 039/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Ambassade in Kameroen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade in Kameroen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965–1974, openbaar met ingang 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum is het dossier onder dit inventarisnummer niet toegankelijk. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 84 | 2039 | Artikel 2 Het [Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 juli 2008, nr. DDI/ST/reg. 018/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Ambassade in Kameroen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965–1974](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024226), wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief van de Nederlandse Ambassade in Kameroen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965–1974’."},{"i":18227,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voorlichting van de rijksoverheid, 1945- (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 april 2007, nr. arc-2007.03707/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Voorlichting van de rijksoverheid, over de periode 1945–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst neerslag handelingen Minister van Financiën beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid over de periode 1945–1999’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Financiën en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. [C/S&A/05/1198](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018556) d.d. 5 juli 2005 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 245 d.d. 16 december 2005)) wordt ingetrokken, uitsluitend voor handeling 312 Het behandelen van aangelegenheden met beroep op grond van de [Wet Openbaarheid van Bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) (WOB). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":16850,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 maart 2011, nr. DWJZ-3054138, houdende verlening mandaat, volmacht en machtiging aan het hoofd Zorgverzekeringskantoor BES Gezien de instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de mandaatverlening volgend uit de Ministerraad van 3 juli 2009 over de instelling van de Rijksdienst Caribisch Nederland; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **mandaat:** bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen; - b. **gemandateerde:** degene aan wie mandaat is verleend; - c. **volmacht:** bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - d. **machtiging:** bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - e. **hoofd Zorgverzekeringskantoor BES:** het hoofd van het Zorgverzekeringskantoor BES als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Besluit zorgverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404&artikel=1); - f. **Minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - g. **besluit:** [Besluit zorgverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404). Artikel 2 1. De Minister verleent aan het hoofd Zorgverzekeringskantoor BES mandaat tot het: - a. verlenen van toestemming aan een verzekerde om zich tot een niet door de Minister gecontracteerde zorgaanbieder te wenden, als bedoeld in [artikel 10, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404&artikel=10); - b. nemen van besluiten als bedoeld in [artikel 23 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404&artikel=23), betreffende het verlenen van zorg en het vaststellen van een bijdrage. 2. Vervallen. Artikel 3 De Minister verleent aan het hoofd Zorgverzekeringskantoor BES volmacht tot het: - a. sluiten van overeenkomsten met zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 8, e"},{"i":16874,"b":"Besluit van 2 december 1981, houdende de overdracht van de coördinatie van het emancipatiebeleid van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 30 november 1981, nr. 315903, mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig De zorg voor het ontwikkelen van een samenhangend emancipatiebeleid, waaronder wordt verstaan het coördineren en integreren van het emancipatiebeleid in het algemeen regeringsbeleid en het scheppen van mogelijkheden voor de begeleiding, ondersteuning en stimulering van het emancipatieproces, thans behorende tot de taak van het Departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk gaat, met uitzondering van het emancipatiebeleid dat door middel van de Tijdelijke rijksbijdrageregeling ter stimulering van emancipatiewerk wordt gevoerd, te rekenen vanaf 11 september 1981 over naar het Departement van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat met nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Ministers, aan de Raad van State, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Kamers der Staten-Generaal."},{"i":16936,"b":"BESLUIT INZAKE DE TERMIJN VAN BEPERKING VAN DE OPENBAARHEID VAN DE NAAR DE RIJKSARCHIEFBEWAARPLAATS OVER TE BRENGEN DOSSIERS VAN HET ARCHIEF ADOPTIE BUITENLANDSE KINDEREN: DIRECTIE JUSTITIEEL JEUGDBELEID EN TAAKVOORGANGERS VAN HET MINISTERIE VAN JUSTITIE 1971–2005 (2015) Gelet op [artikel 15, vierde lid Aw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op het advies openbaarheid van de algemene rijksarchivaris op 13 februari 2025, kenmerk 100642 en het [voorgenomen besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050869), kenmerk 5432112. Besluit: Treedt in werking de dag nadat de Minister van Justitie en Veiligheid zijn besluit, met kenmerk 5432112, van het archief van het Ministerie van Justitie heeft gepubliceerd in de Staatscourant. Artikel 1 De inventarisnummers zoals opgenomen in het [voorgenomen besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050869), kenmerk 5432112, van het archief van het Ministerie van Justitie en Veiligheid te beperken tot en met 100 jaar na de sluiting van het dossier. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking de dag nadat de Minister van Justitie en Veiligheid zijn besluit heeft gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":16938,"b":"Besluit van 6 december 2007, houdende tijdelijke verruiming van het toepassingsbereik van het concentratietoezicht op ondernemingen die zorg verlenen Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 15 juni 2007, nr. WJZ 7070387; Gelet op [artikel 29, derde lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=29); De Raad van State gehoord (advies van 16 juli 2007, nr. W10.07.0176/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 3 december 2007, nr. WJZ 7142467; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Bij concentraties waarbij ten minste twee van de betrokken ondernemingen in het voorafgaande kalenderjaar met het verlenen van zorg, als bedoeld in het tweede lid, ieder afzonderlijk een omzet hebben behaald van meer dan € 5 500 000, worden de bedragen, bedoeld in [artikel 29, eerste lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=29), als volgt verlaagd: - a. het bedrag van € 150.000.000 wordt verlaagd tot € 55 000 000; - b. het bedrag van € 30 000 000 wordt verlaagd tot € 10 000 000. 2. Als zorg, bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt: - a. zorg als bedoeld in [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1); - b. zorg als bedoeld in [artikel 10 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=10); - c. voorzieningen als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=1.1.1) voor zover die betrekking hebben op het leveren van de zorg voor het schoon en op orde houden van het huishouden en de zorg voor het kunnen beschikken over schoon beddengoed en schone kleding. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008 en vervalt met ingang van 1 januari 2023. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden"},{"i":16941,"b":"Besluit van 1 april 1993, houdende toekenning van eenmalige uitkeringen aan de leden van gedeputeerde staten Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 20 januari 1993, nr. BW92/U2469, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Gelet op [artikel 43 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=43); Gehoord provinciale staten; De Raad van State gehoord (advies van 15 februari 1993, nr. WO4.93.0036); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 24 maart 1993, nr. BW93/337, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Aan de leden van gedeputeerde staten wordt een eenmalige uitkering toegekend van 6% van de feitelijk genoten wedde over de maand september 1992. 2. Indien artikel 7, tweede lid, van het besluit van 3 juli 1986 tot uitvoering van [artikel 43, tweede lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=43), houdende regels betreffende andere financiële voorzieningen die verband houden met de vervulling van het ambt van gedeputeerde, van toepassing is op degenen die op 30 september 1992 lid van gedeputeerde staten waren, wordt aan deze leden naast de eenmalige uitkering, bedoeld in het eerste lid, een eenmalige uitkering toegekend van f 431,-. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":18437,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 18 december 2020, nr. 3137827, houdende vaststelling van bepalingen inzake toetsing van ambtenaren van politie met betrekking tot geweldsbeheersing, aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden en schietvaardigheid (Regeling toetsing geweldsbeheersing politie 2021) Gelet op artikel op [artikel 26, eerste en tweede lid, van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=26); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 2, onderdelen a, c, en d, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die rechtens is uitgerust met een of meer geweldsmiddelen; - b. **geweldsmiddel:** geweldsmiddel als bedoeld in [artikel 1, vierde lid, onderdeel d, onder 1°, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de andere opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=1); - c. **de toets geweldsbeheersing:** de door de Politieacademie samengestelde toets ter beoordeling van de kennis op het gebied van geweldsbeheersing volgens de kwalificatievereisten van een politieopleiding; - d. **de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden:** de door de Politieacademie samengestelde toets ter beoordeling van aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden volgens de kwalificatievereisten van een politieopleiding; - e. **de toets schietvaardigheid:** de door de Politieacademie samengestelde toets ter beoordeling van de schietvaardigheid voor een vuurwapen volgens de kwalificatievereisten van een politieopleiding die opleidt tot een ambtenaar die op grond van het [Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136) vanwege de taak waarmee hij is belast met dat vuurwapen is uitgerust; - f. **de toets specialistische geweldsvaardigheid:** de door de Politieacademie samengestelde to"},{"i":18217,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bevolkingsadministratie en reisdocumenten vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2007 nr. arc-2007.03507/7); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op beleidsterrein Bevolkingsadministratie en reisdocumenten over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":16958,"b":"Besluit van 26 maart 2019, houdende vaststelling van diverse decentralisatie- en integratie-uitkeringen aan gemeenten en provincies voor het uitkeringsjaar 2016 alsmede wijziging van het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015 en het Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen (Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2016) § 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten en provincies § 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten en provincies § 3. Wijziging van het [Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040102) § 2. Integratie-uitkeringen aan gemeenten Artikel 5 Wijzigt het Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen. § 3. Wijziging van het [Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040102) Bijlage 1. behorend bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042151&paragraaf=1&artikel=1&z=2019-04-26&g=2014-01-01) van het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2016 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 1. behorend bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042151&paragraaf=1&artikel=1&z=2019-04-26&g=2015-01-01) van het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2016 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2. behorend bij [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042151&paragraaf=1&artikel=2&z=2019-04-26&g=2015-01-01) van het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2016 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 4 Wijzigt het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015. § 2. Integratie-uitkeringen aan gemeenten § 3. Wijziging van het [Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040102) Bijlage 3. behorend bij [artikel 3](https://wette"},{"i":18490,"b":"Rijkswet van 23 augustus 2016, houdende bepalingen omtrent de verlening van visa voor de toegang tot de landen van het Koninkrijk (Rijksvisumwet) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het licht van de gewijzigde staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk en met het oog op de naleving van de internationale verplichtingen van het Koninkrijk en het tegengaan van illegale immigratie wenselijk is harmonisatie van de visumverlening voor de toegang tot de afzonderlijke landen van het Koninkrijk te bevorderen door het regelen van de hoofdlijnen van het visumbeleid in een rijkswet op basis van [artikel 3, eerste lid, onderdelen b en g, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=3); Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **Vreemdeling:** ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld; - b. **Nederland:** het land Nederland, met uitzondering van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. **Landen:** de landen Curaçao, Aruba en Sint Maarten; - d. **Openbare lichamen:** de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - e. **Visum voor de toegang tot de landen en de openbare lichamen:** beslissing van de bevoegde autoriteit dat op het moment van afgifte geen bezwaar bestaat tegen de toegang tot de landen en openbare lichamen; - f. **Bevoegde autoriteit:** - −. wat betreft de openbare lichamen: Onze Minister van Buitenlandse Zaken; - −. wat betreft de landen: de Minister van het desbetreffende land wie het aangaat; - g. **Geldigheidsduur van een visum:** het"},{"i":18631,"b":"Besluit van 22 december 1992, houdende wijziging van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren (Stb. 1985, 555) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 29 april 1992, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 205653/92/6; Overwegende dat het wenselijk is de opleiding voor rechterlijke ambtenaren aan te passen in verband met de integratie van de raden van beroep/Ambtenarengerechten en de arrondissementsrechtbanken en een regeling te treffen voor deeltijdarbeid van rechterlijke ambtenaren in opleiding; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) 1929 (**Stb.** 530) en [artikel 59**i** van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=59i) (**Stb.** 1972, 463); De Raad van State gehoord (advies van 31 juli 1992, nr. W03.92.0198); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 18 december 1992, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 270517/92/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Artikel III 1. De rechterlijke ambtenaren in opleiding die hun opleiding vóór 1 april 1991 zijn aangevangen, volgen deze overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het [Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003871) zoals het luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit. 2. De rechterlijke ambtenaren in opleiding die hun opleiding op of na 1 april 1991 zijn aangevangen, worden geacht deze tot de inwerkingtreding van dit besluit te hebben gevolgd overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het [Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003871) zoals het vanaf de inwerkingtreding van dit besluit luidt. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota v"},{"i":19067,"b":"Besluit van de programma directeur-generaal Oekraïense Ontheemden van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 21 april 2023, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan functionarissen in het programma directoraat-generaal Oekraïense Ontheemden (Mandaatbesluit pDGOek Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022) Gelet op [artikel 3 lid 1, onder a van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de programma Directeur-Generaal Oekraïense Ontheemden verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun directie, dienst, bureau of secretariaat betreffen ondermandaat verleend aan: de directeur Oekraïense Ontheemden (tevens plv. PDG Oekraïense Ontheemden) 2. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de directeur-generaal Oekraïense Ontheemden verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=5), ondermandaat verleend aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken. Artikel 2 Als leidinggevende in de zin van paragraaf 1.3 van de CAO Rijk ten aanzien van de onder hun directie of afdeling ressorterende ambtenaren, worden aangewezen de functionarissen, genoemd in kolom 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048163&bijlage=1&z=2023-05-18&g=2023-05-18) bij dit besluit, voor zover het betreft de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in kolom 2 van die bijlage. Artikel 3 Als bevoegd om te beschikken over bedragen voor het aangaan van verplichtingen"},{"i":19217,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 26 april 2004, nr. DJZ/BR/0239-04, houdende bepalingen met het oog op overdracht van tegoeden aan het Ontwikkelingsfonds voor Irak (Sanctieregeling Irak 2004) In overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op Resolutie 1483 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 22 mei 2003; Gelet op [Verordening (EG) nr. 1210/2003](32003R1210) van de Raad van de Europese Unie van 7 juli 2003 (Pb EG L 169) betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 2465/96](31996R2465); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Personen en rechtspersonen die tegoeden, economische middelen of opbrengsten als bedoeld in artikel 23 van Resolutie 1483 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 22 mei 2003 onder zich hebben, dragen deze op vordering van Onze Minister van Financiën binnen een door hem te bepalen termijn over aan het Ontwikkelingsfonds voor Irak, beheerd door de Centrale Bank van Irak. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Sanctieregeling Irak 2004. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17764,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Gemenebest van Australië inzake wederzijdse administratieve bijstand ten behoeve van de juiste toepassing van de douanewetgeving en van de voorkoming, opsporing en bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving Het Koninkrijk der Nederlanden, en het Gemenebest van Australië, hierna te noemen de Partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en andere belastingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving van verboden, beperkingen en controlemaatregelen; Overwegende dat inbreuken op de douanewetgeving hun economische, fiscale, sociale en culturele belangen en hun volksgezondheids- en handelsbelangen schaden; Overwegende dat de grensoverschrijdende handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, gevaarlijke stoffen, bedreigde diersoorten en giftig afval een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennende de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van duidelijke wettelijke bepalingen; Gelet op de van belang zijnde instrumenten van de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisatie, in het bijzonder de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand van 5 december 1953; Tevens gelet op verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag, - 1. wordt onder „douaneadministratie” verstaan: wat het Gemenebest van Australië betreft: de Australische**Customs Service**; wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft: de centrale administratie die verantwoordelijk i"},{"i":17853,"b":"Wet van 24 januari 2018, houdende regels ten aanzien van zorg en dwang voor personen met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap (Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op het verlenen van goede zorg aan personen met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap uniforme regels te stellen ten aanzien van het verlenen van zorg aan zodanige personen, ook in gevallen waarin zij daarmee niet hebben ingestemd, dan wel zich daartegen verzetten, alsmede ten aanzien van opname en verblijf van zodanige personen in een accommodatie in gevallen waarin zij geen blijk hebben gegeven van bereidheid daartoe, doch zich daartegen ook niet verzetten en in gevallen waarin zij zich hiertegen wel verzetten en in verband daarmee enige bepalingen in de [Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700) te doen vervallen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepaling en reikwijdte Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **accommodatie:** bouwkundige voorziening of een deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein van een zorgaanbieder waar zorg wordt verleend; - c. **cliënt:** persoon van wie uit een verklaring van een ter zake kundige arts blijkt dat hij in verband met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap is aangewezen op zorg als bedoeld in het derde lid, dan wel van wie het CIZ in een indicatiebesluit als bedoeld in de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) heef"},{"i":18562,"b":"Vaststelling selectielijsten handelingen beleidsterrein waarborgen van (platina), gouden en zilveren werken, Ministerie van Financiën Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 juni 1998, nr. arc-98.7743/1), Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën op het beleidsterrein waarborgen van (platina), gouden en zilveren werken over de periode 1945-1995’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage 1. Inleiding Tussen de secretaris-generaal van het ministerie van Financiën en de Algemene Rijksarchivaris werd op 25 juni 1992 een convenant afgesloten. Hierin werd onder meer afgesproken dat een institutioneel onderzoek ‘naar de taakontwikkeling en de daaraan gekoppelde organisatorische ontwikkeling van het ministerie in de periode na 1945’ zou plaatsvinden. Dit onderzoek leidde tot o.a. het rapport ‘Echt goud, echt zilver?’; dit rapport vormt de basis voor dit Basis Selectie Document (BSD). Het doel van dit rapport is een instrument te bieden dat leidt tot het formuleren van selectiecriteria ten aanzien van de handelingen van de minister van Financiën en andere actoren op het beleidsterrein invoerrechten en accijnzen over de periode na 1945. 1.1. Taken van de rijksoverheid op het beleidsterrein De bemoeienis van de Rijksoverheid met het beleidsterrein invoerrechten en accijnzen was drieledig, te weten: Hiertoe behoorden ook de invoerrechten op platina, gouden en zilveren werken maar ook de zgn. Waarborgbelasting en het essaailoon. Binnen het ministerie van Financiën waren de afdeling Invoerrechten en de afdeling Accijnzen o.a. belast met het waarborgen van gouden en zilveren werken. Het"},{"i":17295,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 december 2010, nr. IVV/FB/2010/24130 tot eenmalige aanpassing van de bedragen en vaststelling van de tegemoetkomingen van de sociale verzekeringen BES Gelet op [artikel 11.33 van de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028129&artikel=11.33) en [artikel 7b, derde lid, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7b); Besluit: Artikel 1. [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) 1. Wijzigt de Wet algemene ouderdomsverzekering BES. 2. Wijzigt de Wet algemene ouderdomsverzekering BES. 3. Wijzigt de Wet algemene ouderdomsverzekering BES. 4. De hoogte van de tegemoetkoming, bedoeld in [artikel 7b, derde lid, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7b) wordt voor Saba vastgesteld op USD 42 en voor Sint Eustatius op USD 10. Artikel 2. [Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387) Wijzigt de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES. Artikel 3. [Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170) Wijzigt de Wet minimumlonen BES. Artikel 4. [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497) Wijzigt de Wet ongevallenverzekering BES. Artikel 5. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18753,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 14 maart 2024, kenmerk 5051974, houdende beperking van de openbaarheid op het archiefbestand van het Ministerie van Justitie betreffende de detentie van de Rote Armee Fraktion gedetineerden, (1975) 1977–1978 (1979) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) 1995 en het advies van het Nationaal Archief d.d. 29 februari 2024, met kenmerk 100945. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archiefbestand van het Ministerie van Justitie betreffende de detentie van de Rote Armee Fraktion gedetineerden, (1975) 1977–1978 (1979) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn alle inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Gelet op het feit dat in de inventarisnummers in de inventaris persoonsgegevens en/of bijzondere persoonsgegevens, als bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming, voorkomen, zijn die inventarisnummers beperkt openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar 1 januari | Inventarisnummer | Openbaar 1 januari | Inventarisnummer | Openbaar 1 januari | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | 2054 | 27 | 2055 | 48 | 2054 | | 2 | 2054 | 28 | 2055 | 49 | 2054 | | 3 | 2054 | 29 | 2054 | 50 | 2054 | | 4 | 2254 | 30 | 2054 | 51 | 2054 | | 5 | 2054 | 31 | 2054 | 52 | 2054 | | 6 | 2054 | 32 | 2054 | 53 | 2054 | | 7 | 2054 | 33 | 2054 | 54 | 2054 | | 8 | 2054 | 34 | 2054 | 55 | 2054 | | 9 | 2054 | 35 | 2053 | 56 | 2054 | | 10 | 2054 | 36 | 2053 | 57 | 2054 | | 11 | 2054 | 37 | 2053 | 58 | 2054 | | 13 | 2054 | 38 | 2053 | 59 | 2054 | | 14 | 2054 | 39 | 2053 | 60 | 2054 | | 15 | 2054 | 40 | 2053 | 61 | 2054 | | 16 | 2055 | 41 | 2054 | 62 | 2054 | | 17 | 2055 | 42 | 2054 | 63 | 2054 | | 18 | 2054 | 43 | 2054 | 64 | 2054"},{"i":19441,"b":"Besluit mandaat en machtiging scheepvaartinspecteurs Rijksdienst Caribisch Nederland Gelet op [artikel 10:4, eerste en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en het besluit van de Ministerraad van 3 juli 2009; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder **‘Rijksdienst Caribisch Nederland’** het organisatieonderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bedoeld in het [Organisatie- en mandaatbesluit BZK-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028832). Artikel 2 1. Aan de scheepvaartinspecteurs, werkzaam bij de Rijksdienst Caribisch Nederland, wordt mandaat verleend om besluiten te nemen in het kader van de uitvoering van de [Meetbrievenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378) en de [Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642). 2. Aan de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, wordt tevens machtiging verleend om ter voorbereiding van de in het eerste lid bedoelde besluiten alle benodigde werkzaamheden te verrichten. Artikel 3 1. Het document waarin een besluit of handeling, genomen respectievelijk verricht op grond van dit besluit, wordt vastgelegd, bevat in ieder geval een verwijzing naar de wet- en regelgeving waarop het besluit betrekking heeft. 2. Een document als bedoeld in het eerste lid van dit artikel vermeldt aan het slot: ‘DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU, namens deze, de scheepvaartinspecteur Rijksdienst Caribisch Nederland’ gevolgd door de naam en de handtekening van de functionaris. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat en machtiging scheepvaartinspecteurs Rijksdienst Caribisch Nederland. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17072,"b":"Controleprotocol nacalculatie 2016 Wlz-zorgaanbieders 1. Inleiding 1.1. Het nacalculatieproces De zorgaanbieder verantwoordt in de nacalculatie-opgave 2016 de financiële realisatie van de Wlz-productie 2016 en de kapitaallasten en overige onderdelen 2016. De door de zorgaanbieder ingevulde nacalculatie-opgave 2016 bestaat uit het ‘Wlz Formulier Nacalculatie 2016’, met daarin de volgende onderdelen: Door het ondertekeningsdocument 2016 van een handtekening te voorzien, verklaart de persoon die bevoegd is te tekenen namens de zorgaanbieder dat hij/zij de nacalculatie-opgave 2016 naar waarheid en in overeenstemming met de voor het jaar 2016 geldende beleidsregels en nadere regels van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft ingevuld. In de paragrafen 3.3 (tabel 1) en 4.2 (tabel 3) van dit controleprotocol is een overzicht opgenomen van de NZa-regelgeving 2016. De accountant1Met accountant wordt in dit verband bedoeld: de openbare accountant die de nacalculatie-opgave 2016 van de Wlz-zorgaanbieder controleert., zoals bedoeld in [artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393), controleert het Ondertekeningsdocument 2016 van de zorgaanbieder en geeft de uitkomst van zijn onderzoek weer in een controleverklaring bij de nacalculatie-opgave 2016. De accountant verklaart in deze controleverklaring dat: Voor de tekst van de controleverklaring maakt de accountant gebruik van de voorbeeldtekst die in bijlage 1 van dit controleprotocol is opgenomen. Indien de bevindingen uit de controle daartoe aanleiding geven, wordt de tekst van de controleverklaring aangepast overeenkomstig de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). Met waarmerking wordt in dit controleprotocol bedoeld: een stempel van het controlerend accountantskantoor, uitsluitend ter identificatie. Vóór 1 juni 2017 moet door de zorgaanbieder en het zorgkantoor/de Wlz-uitvoerder bij de NZa worden ingediend: De accountant waarmerkt de n"},{"i":17382,"b":"Regeling prestaties en tarieven medisch specialistische zorg Inleiding Artikel 1. Grondslag Gelet op [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg) stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vast. Artikel 2. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op medisch specialistische zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) die wordt geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg (met uitzondering van sanatoria en abortusklinieken) en door audiologische centra en centra voor erfelijkheidsonderzoek. Deze regeling is eveneens van toepassing op zorgaanbieders die geneeskundige zorg leveren zoals medisch specialisten die bieden. Deze regeling is eveneens van toepassing op handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg1Het betreft hier de handelingen bedoeld in artikel 1, sub b, nr. 2°, van de Wmg.of werkzaamheden in het kader van de beroepsuitoefening2Het betreft hier de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, aanhef, en sub d, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wmg.geleverd door of onder verantwoordelijkheid van zorgaanbieders die medisch specialistische zorg leveren voor zover deze handelingen en werkzaamheden niet zijn begrepen onder het hierboven genoemde. Artikel 3. Inwerkingtreding De verplichtingen die uit deze regeling voortvloeien treden in werking op 1 januari 2012. Met de inwerkingtreding van deze regeling worden de volgende regelingen beëindigd: - –. Declaratiebepalingen DBC-bedragen en overige bedragen medisch specialistische zorg door of vanwege de zorginstelling (NR/CU-201); - –. Nadere regel informatieverstrekking DBC-bedragen en overige bedragen medisch specialistische zorg door of vanwege de zorginstelling (CU/NR-100.0"},{"i":19212,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 juni 2012, nr. 2012.13328, houdende beperkende maatregelen jegens Guinee-Bissau (Sanctieregeling Guinee-Bissau 2012) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op Verordening (EU) nr. 377/2012 van de Raad van de Europese Unie van 3 mei 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van bepaalde personen, entiteiten en lichamen die de vrede, veiligheid of de stabiliteit van de Republiek Guinee-Bissau bedreigen (Pb L 119); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste, tweede en derde lid, en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 377/2012 van de Raad van de Europese Unie van 3 mei 2012 (Pb L 119). 2. Een verbod als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 2, vierde lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6 of artikel 7 van Verordening (EU) nr. 377/2012 van de Raad van de Europese Unie van 3 mei 2012 (Pb L 119) van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 377/2012 is de Minister van Financiën wat betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp wat betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen. 2. De bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 377/2012 zijn, ieder voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken: - −. de Minister van Financiën en - −. de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Sanctieregeling Guinee-Bissau 2012. Artikel 4 Deze regeling tree"},{"i":17953,"b":"Wet van 23 juni 2017 tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met het toevoegen van het onderdeel participatieverklaring aan het inburgeringsexamen en de wettelijke vastlegging van de maatschappelijke begeleiding Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het inburgeringsexamen uit te breiden met de participatieverklaring en de maatschappelijke begeleiding wettelijk vast te leggen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) Wijzigt de Wet inburgering. Artikel II. [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel III. [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel IV. [Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) Wijzigt de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Artikel V. [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel VI. Overgangsrecht 1. [Artikel I, onderdelen A, C tot en met E, de onderdelen G en H en de onderdelen J tot en met N](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039709&artikel=I&z=2017-10-01&g=2017-10-01), [artikel II, onderdelen A tot en met D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039709&artikel=II&z=2017-10-01&g=2017-10-01), alsmede [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039709&artikel=III&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039709&artikel=IV&z=2017-10-01&g=2017-10-01), zijn niet van toepassing op de inburgeringsplichtige, wiens inburgeringsplicht uiterlijk de dag voor de datum v"},{"i":18868,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 oktober 2025 nr. BOACAT2025/147, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij NS Groep N.V Gelezen het verzoek van NS Groep N.V. van 9 juli 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het Parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051645&artikel=2&z=2025-10-25&g=2025-10-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerker Veiligheid en Service, Operationeel coördinator Veiligheid en Service of Teammanager Veiligheid en Service in dienst van NS Groep N.V. zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar"},{"i":17920,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 november 2025, kenmerk 4217351-1087768-Z, houdende wijziging van de regeling zorgverzekering in verband met het vaststellen van de woonlandfactoren voor het jaar 2026 ten behoeve van de gedifferentieerde berekening van de bijdrage voor verdragsgerechtigden [KetenID WGK028385] Gelet op [artikel 69, derde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69) en [artikel 4a, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling Zorgverzekering. Artikel II De verhoudingsgetallen, bedoeld in [artikel 4a, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4a), zijn gelijk aan de getallen, genoemd in [bijlage 4 bij de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17037,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 juni 2019, kenmerk 1539769-191348-PDZ, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmacht aan de programma manager Duurzame zorg Gelet op [artikel 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a) en [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De volgende functionaris heeft voor de duur van het project de bevoegdheid om in naam van de Minister besluiten te nemen voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het project: de heer V. Stöcker programmamanager Duurzame zorg. Artikel 2 De volgende functionaris, heeft voor de duur van het project Duurzame zorg de bevoegdheid om in naam van de Minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het project: de heer V. Stöcker programmamanager Duurzame zorg. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 2019. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18197,"b":"Besluit vacatiegelden Adviescommissie benoemingen politie Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. Aan de voorzitter en de leden van de Adviescommissie benoemingen politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Instellingsbesluit Adviescommissie benoemingen politie, wordt, voorzover zij ingevolge [artikel 2, eerste lid, onder a, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=2) daarvan niet zijn uitgesloten, vacatiegeld toegekend. 2. Het vacatiegeld bedraagt per vergadering voor de voorzitter € 249,58 en voor de leden € 124,79, waarbij twee of meer vergaderingen op dezelfde dag gelden als één vergadering. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vacatiegelden Adviescommissie benoemingen politie. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19313,"b":"Besluit van 31 augustus 2010, houdende wijziging van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 juni 2010, VGP/VC 3007213, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Justitie; Gelet op [artikel 32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 24 juni 2010, no. W13.10.0246/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 augustus 2010, VGP/VC 3018498, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten. Artikel II Ten aanzien van overtredingen, begaan vóór de inwerkingtreding van dit besluit, geldt het [Warenwetbesluit bestuurlijke boeten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011841) zoals dat luidde onmiddellijk vóór dat tijdstip. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit geplaatst wordt. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":19372,"b":"Wet van 23 maart 2005 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat een aantal bepalingen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) met betrekking tot de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken wijziging en aanvulling behoeft; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Uitleveringswet en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. Artikel IV Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel V [Artikel 588a van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=588a) is niet van toepassing in gevallen waarin de betrokkene voor het moment van inwerkingtreding van deze bepaling een adresopgave heeft gedaan als in die bepaling bedoeld. Ten aanzien van die adresopgaven blijft het recht van toepassing zoals het gold voor inwerkingtreding van [artikel 588a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=588a). Artikel VI De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17019,"b":"Besluit van 9 december 2016, houdende vaststelling van het tijdstip tot wanneer de verzekerde met een modulair pakket thuis geen recht heeft op het schoonhouden van de woonruimte op grond van de Wet langdurige zorg Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 december 2016, kenmerk 1060846-159013-WJZ; Gelet op de [artikelen 11.1.9, eerste lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.1.9) en [8.6a van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.6a); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig 1. De verzekerde die zijn recht op zorg op grond van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) tot gelding brengt met een modulair pakket thuis heeft tot 1 januari 2017 geen recht op het schoonhouden van de woonruimte, bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1). 2. [Artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.3.5) geldt tot 1 januari 2017 niet voor de daar bedoelde cliënten die hun recht op zorg tot gelding brengen met een modulair pakket thuis en een maatwerkvoorziening inhoudende het schoonhouden van hun woonruimte hebben aangevraagd. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18218,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Constitutionele Zaken vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 april 2007, arc-2007.03707/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Constitutionele Zaken over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17029,"b":"Besluit van 5 november 2025 tot wijziging van het Besluit Jeugdwet teneinde te bevorderen dat jeugdhulp en gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering steeds voldoende beschikbaar zijn (Besluit verbetering beschikbaarheid jeugdzorg) [KetenID WGK026801] Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 april 2025, kenmerk 4084231-1076580-WJZ; Gelet op de [artikelen 2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=2.2), [2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=2.17), [2.19, eerste lid, onderdelen a, onder 1° en c, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=2.19), [4.4.1, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.4.1), [4.5.1, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.5.1), [4.5.2, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.5.2), en [10.3, eerste lid, onderdeel a, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=10.3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 mei 2025, no. W13.25.00093/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 3 november 2025, kenmerk 4240194-1076580-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit Jeugdwet. Artikel II Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verbetering beschikbaarheid jeugdzorg. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende"},{"i":19174,"b":"Richtlijn voor strafvordering valsheid in geschrift Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op enkele vormen van valsheid in geschrift. Bij deze richtlijn geldt een verzwaarde recidiveregeling. Basiscasus/delict Legenda **Afkortingen** GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk"},{"i":18246,"b":"Besluit van 18 juni 2025, nr. 2025001354, houdende het voorzien in het beheer van het Ministerie van Asiel en Migratie en enkele andere voorzieningen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 18 juni 2025, nr. 8809678; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 Onze Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel, te ontheffen van het tijdelijk beheer van het Ministerie van Asiel en Migratie. Artikel 2 Onze Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel, tevens te belasten met het beheer van het Ministerie van Asiel en Migratie, waaronder in ieder geval aangelegenheden betreffende de asielprocedure en vreemdelingen en IND, asielnoodmaatregelenwet, vreemdelingendetentie, grenstoezicht, terugkeer en vertrek en DT&V en het wetsvoorstel dat ziet op de strafbaarstelling niet meewerken aan terugkeer. Artikel 3 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Y.J. van Hijum, tevens te belasten met de aangelegenheden betreffende migratie, internationale afspraken herkomstlanden en EU-migratiepact. Artikel 4 Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, M.C.G. Keijzer, tevens te belasten met de aangelegenheden betreffende COA en opvangbeleid, gemeentelijke huisvesting, Oekraïense ontheemden, het wetsvoorstel invoering tweestatusstelsel, de [spreidingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307) en de wetsvoorstellen inzake afschaffen taakstelling en voorrang statushouders. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 19 juni 2025. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmac"},{"i":4146,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 februari 2019 nr. WJZ/1091575(8144), houdende vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond inzake een subsidie ten behoeve van de instandhouding van woonhuis-rijksmonumenten (Besluit vaststelling beleidsregels instandhoudingssubsidie woonhuis-rijksmonumenten) Gelet op [artikel 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.1) juncto [artikel 7.7, tweede lid, van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.7) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Vaststellen beleidskader Het Beleidskader instandhoudingssubsidie woonhuis-rijksmonumenten wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Subsidieplafond en wijze van verdeling 1. Voor subsidieverstrekking op grond van dit besluit is: - a. voor activiteiten die plaatsvinden in de kalenderjaren 2019 tot en met 2022 in totaal een bedrag van ten hoogste € 200 miljoen beschikbaar; - b. voor activiteiten die plaatsvinden in het kalenderjaar 2023 in totaal een bedrag van ten hoogste € 52,5 miljoen beschikbaar; - c. voor activiteiten die plaatsvinden in het kalenderjaar 2024 in totaal een bedrag van ten hoogste € 52,5 miljoen beschikbaar; - d. voor activiteiten die plaatsvinden in het kalenderjaar 2025 in totaal een bedrag van ten hoogste € 52,5 miljoen beschikbaar; - e. voor activiteiten die plaatsvinden in het kalenderjaar 2026 in totaal een bedrag van ten hoogste € 52,5 miljoen beschikbaar; - f. voor activiteiten die plaatsvinden in het kalenderjaar 2027 in totaal een bedrag van ten hoogste € 52,5 miljoen beschikbaar; en - g. voor activiteiten die plaatsvinden in het kalenderjaar 2028 in totaal een bedrag van ten hoogste € 52,5 miljoen beschikbaar. 2. Indien het voor subsidieverstrekking beschikbare bedra"},{"i":3524,"b":"Besluit van 3 december 1985 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf, van 20 september 1985, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Sociale Verzekeringen, Hoofdafdeling Volksverzekeringen, nr. SZ/SV/VV/85/3297; Gelet op de artikelen 57, onderdeel **b**, en 60, onderdeel **b**, van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) (**Stb.** 1985, 181); De Raad van State gehoord (advies van 29 oktober 1985, No. W.12.85.0503/17.5.44); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf, d.d. 28 november 1985, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Sociale Verzekeringen, Hoofdafdeling Volksverzekeringen, nr. SZ/SV/VV/85/3297; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van [artikel 55 van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=55) wordt met het wonen binnen het Rijk gelijkgesteld: - a. het wonen in Nederlands-Indië; - b. het wonen in Indonesië, voor zover dit heeft plaatsgevonden vóórdat de betrokkene na 27 december 1949 Indonesië voor de eerste maal metterwoon heeft verlaten, mits de betrokkene op 27 december 1949 in Indonesië woonde en het bedoelde metterwoon verlaten vóór 1 januari 1968 heeft plaatsgevonden; - c. het wonen in Indonesië van de gehuwde of gehuwd geweest zijnde vrouw, die zelf niet, doch wier echtgenoot onderscheidenlijk gewezen echtgenoot wel op 27 december 1949 in Indonesië woonde gedurende de tijd, dat zij dezelfde woonplaats had als haar echtgenoot onderscheidenlijk gewezen echtgenoot vóórdat deze na 27 december 1949 Indonesië voor de eerste maal metterwoon heeft verlaten, mits zij Indonesië vóór 1 januari 1968 metterwoon heeft verlaten; - d. het wonen in Nederlands Nieuw-Guinea; - e. het wonen in Westelijk Nieuw-Guinea; - f. het wonen in dat gebiedsdeel van Indonesië, dat gevormd werd door Nederlands Nieuw-Guinea, voor zover dit heeft plaatsgevonde"},{"i":2898,"b":"Wijzigingsvoorstel op ministeriële beschikking nr. 801, van 14 april 1972 Gelet op het in 1960 in Londen mede door de Nederlandse Regering ondertekende Internationale Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee, Hoofdstuk 5 bepaling 4 (meteorologische dienstverlening), en gezien het rapport van overleg dat terzake heeft plaats gehad tussen met name de vertegenwoordigers van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de Hoofddirectie van Rijkswaterstaat en het Ministerie van Defensie in het Interdepartementaal Directeurenoverleg Noordzee van 13 juni 2001; Besluiten: Artikel 1 De wind- en stormwaarschuwingsdienst voor de scheepvaart op de Noordzee, in de Nederlandse kustwateren en aangrenzende ruime binnenwateren heeft tot doel wind- en stormwaarschuwingen voor deze gebieden tijdig aan belanghebbende bekend te maken. Artikel 2 Het opstellen en uitgeven van wind- en stormwaarschuwingen is opgedragen aan het K.N.M.I. zoals is vastgelegd in de wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut. De aard van de waarschuwingen en de indeling van de waarschuwingsgebieden worden in het IDON-overleg vastgesteld. Artikel 3 De waarschuwingen worden bekend gemaakt door middel van - a. radiocommunicatiemiddelen; - b. visuele seinen; - c. andere daartoe geëigende communicatiemiddelen. De redactie van de bekendmakingen die via woord, geschrift of beeld worden verspreid, wordt vastgesteld door het K.N.M.I., zulks in overleg met de betrokken instanties. Artikel 4 De bekendmaking van de waarschuwingen via radiocommunicatiemiddelen is opgedragen aan de directeur Kustwacht, bedoeld in [artikel 14 van de Regeling organisatie Kustwacht Nederland](onbekend). Daarnaast worden de bekendmakingen van de waarschuwingen door het K.N.M.I. zo breed mogelijk bekend gesteld. Artikel 5 Voor het tonen van de visuele seinen wordt het internationale systeem gevolgd, aanbevolen door de Wereld Meteorologische Organisatie. Het in stand houden van stations, waar seingevers zijn belast"},{"i":5931,"b":"Toezichtreglement Landbouwkwaliteitsregeling Kaas 2006 Gelet op [artikel 10, eerste lid, onder e, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=10)(Stb. 1971, 371), op de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019231&artikel=7) en [17 van de Landbouwkwaliteitsregeling kaas 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019231&artikel=17), alsmede op artikel 36 van de Statuten van genoemde Stichting; Heeft op 29 december 2005 vastgesteld het navolgende reglement: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Definities In dit reglement worden, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, de definities van het [Landbouwkwaliteitsbesluit zuivelproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009770) en van de [Landbouwkwaliteitsregeling kaas 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019231) overgenomen. Verder wordt verstaan onder: besluit: [Landbouwkwaliteitsbesluit zuivelproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009770); regeling: [Landbouwkwaliteitsregeling kaas 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019231); kaas: kaas welke is aangeduid of bestemd is om te worden aangeduid als Goudse kaas, Edammer kaas, respectievelijk Commissie kaas; COKZ: Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel; aangeslotene: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die zich heeft aangesloten bij het COKZ in het kader van [artikel 12 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009770&artikel=12); bereider: de eerste dan wel de opvolgende bereider als bedoeld in dit reglement; eerste bereider: producent van kaas als bedoeld in dit reglement; opvolgende bereider: de bereider die kaas ter rijping opslaat of een handeling verricht als bedoeld in [artikel 2 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019231&artikel=2); afleveren: het leveren van kaas aan natuurlijke personen of bedrijven die geen bereidingshandelingen als bedoeld in [art"},{"i":4158,"b":"Besluit vaststelling en verhoging subsidieplafonds 2025 Gelet op [artikel 4:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:25); Gelet op [artikel 1.5, tweede lid, van de Deelregeling composities en libretto's Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036773&artikel=1.5); Gelet op [artikel 1.5, eerste lid, van de Deelregeling theaterteksten Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039482&artikel=1.5); Gelet op [artikel 1.5, tweede lid, van de Deelregeling projectsubsidies Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029367&artikel=1.5); Gelet op [artikel 8 van de Deelregeling programma urban projecten Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040670&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Tekst en compositie 1. Voor **subsidie tot het verlenen van een ontwikkelbeurs muziekauteur** als bedoeld in [artikel 2.1 van de Deelregeling composities en libretto’s Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036773&artikel=2.1) geldt het volgende: | | verhoging | nieuw subsidieplafond | | --- | --- | --- | | Ronde 1 | 28.500 | 308.500 | | Ronde 2 | 28.500 | 308.500 | 2. Voor**subsidies voor het verlenen van een opdracht compositie en libretto** als bedoeld in [artikel 3.1 van de Deelregeling composities en libretto’s Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036773&artikel=3.1) geldt het volgende: | | verhoging | nieuw subsidieplafond | | --- | --- | --- | | Ronde 2 | 29.140 | 279.140 | 3. Voor **subsidie tot het verlenen van een werkbijdrage theatertekst** als bedoeld in [artikel 1.2 van de Deelregeling theaterteksten Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039482&artikel=1.2) geldt het volgende: | | subsidieplafond | uiterste indiendata | | --- | --- | --- | | Ronde 1 | 275.000 | 3 september 2025 | Artikel 2. Produceren 1. Voor **productiesubsidies** als bedoeld in [artikel 2.1 van de Dee"},{"i":3294,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 1 mei 2024 nr. BOACAT2024/041, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Noardeast-Fryslân Gelezen het verzoek van de gemeente Noardeast-Fryslân van 29 april 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049683&artikel=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van integraal handhaver en jeugd BOA in dienst van gemeente Noardeast-Fryslân, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de ["},{"i":2914,"b":"Besluit van 17 oktober 2014, houdende aanwijzing aan de Gouverneur van Sint Maarten tot het aanhouden van de vaststelling van de landsbesluiten tot benoeming van ministers en de Minister-President totdat onderzoek is gedaan naar de benoembaarheid van de voorgedragen kandidaat-ministers, kandidaat-Minister-President en kandidaat-Gevolmachtigde Minister Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 oktober 2014, nr 2014-0000552050, Overwegende, dat het wenselijk is de Gouverneur van Sint Maarten een aanwijzing te geven tot het aanhouden van de vaststelling van de landsbesluiten tot benoeming van ministers en de Minister-President totdat onderzoek is gedaan naar de benoembaarheid van de voorgedragen kandidaat-ministers, kandidaat-Minister-President en kandidaat-Gevolmachtigde Minister; Gelet op de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028096&artikel=15) en [21 van het Reglement voor de Gouverneur van Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028096&artikel=21); [Artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=10) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Gouverneur van Sint Maarten houdt de vaststelling van de landsbesluiten tot benoeming van ministers en de Minister-President na de Statenverkiezingen van 2014, aan totdat onderzoek is gedaan naar de benoembaarheid van de voorgedragen kandidaat-ministers, kandidaat-Minister-President en kandidaat-Gevolmachtigde Minister. Doel van het onderzoek is om te kunnen beoordelen of er voldoende waarborgen voor de integriteit van de kandidaat aanwezig zijn en daarmee geen beletsel bestaat voor de benoeming van een kandidaat. Artikel 2 1. De Gouverneur doet onderzoek naar de kandidaten die toestemming hebben gegeven voor onderzoek door of namens de Gouverneur aan de hand van een door de Gouverneur vastgesteld formulier. 2. Het onderzoek heeft betrekking op kandidaten die daarm"},{"i":12053,"b":"Besluit beperking openbaarheid archieven bedrijfsverenigingen 2005 Gelet op [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van de archieven van: - a. Bedrijfsvereniging voor de het Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen (BV25) over de periode 1949–1997; - b. Grafische Bedrijfsvereniging (BV8) over de periode 1934–1997. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018920&artikel=1&z=2005-11-11&g=2005-11-11) genoemde archieven worden door het UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht. 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen is de openbaarheid van een deel van de archiefbescheiden beperkt. De beperking vervalt 75 jaar na sluiting van de dossiers die vallen onder de volgende inventarisnummers: - a. 266–306 en 381–387 133 van Bedrijfsvereniging voor de het Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen; - b. 60 van de Grafische Bedrijfsvereniging. Artikel 3 1. Raadpleging van de archiefbescheiden, is, gelet op [artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Deze toestemming kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - a. De verzoeker doet een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot inzage van de archiefbescheiden, waarin wordt aangegeven: de omschrijving van het onderzoeksdoel, de onderzoeksopzet en de wijze waarop de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens zal worden gewaarborgd; - b. De verzoeker vult hiertoe het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’ in en ondertekent het formulier. De verzoeker verk"},{"i":12304,"b":"Besluit van 23 augustus 1982, houdende hechting van het Verzetsherdenkingskruis aan het vaandel van het Regiment Stoottroepen Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 17 augustus 1982, Directoraat-Generaal Personeel, Bureau Onderscheidingen nr. PO 82/018/2804; Overwegende dat de Stoottroepen zijn voortgekomen uit het voormalig verzet en dat bij Koninklijk besluit van 12 maart 1977, nr. 101, is bepaald dat het Regiment Stoottroepen de voortzetting is van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten; Overwegende dat bij Ons besluit van 29 december 1980 (**Stb.** 715) is ingesteld het Verzetsherdenkingskruis voor deelnemers aan het verzet in de Tweede Wereldoorlog tegen de bezetters van het grondgebied van het Koninkrijk; Overwegende dat het Verzetsherdenkingskruis werd verleend aan het Regiment Stoottroepen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Het Verzetsherdenkingskruis wordt aan het vaandel van het Regiment Stoottroepen gehecht. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 31 augustus 1982. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Kanselier der Nederlandse Orden en aan Onze Adjudant-Generaal, tevens Chef van Ons Militaire Huis."},{"i":14134,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 maart 2015, nr. 2015-0000162792, tot het vaststellen van de bezoldingschalen, inpastabellen en enkele toelagen voor de ambtenaren in dienst van de staat in Caribisch Nederland in verband met de formalisering van de Cao CN 2013/2014) (Regeling bezoldiging Rijksambtenaren BES 2013–2015) Artikel 1. Bezoldigingschalen De bezoldigingschalen voor de ambtenaren in dienst van de staat zijn per 1 januari 2026 zoals in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036465&bijlage=1&z=2026-05-14&g=2026-05-14) bij deze regeling is vermeld. Artikel 2. Garantietreden 1. De garantietreden met de aanduiding ‘GRT’ gelden uitsluitend voor de ambtenaren in dienst van de staat niet zijnde ambtenaren, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid. 2. De garantietreden met de aanduiding ‘GJT’ gelden uitsluitend voor de ambtenaren in dienst van de staat die werkzaam zijn bij de Dienst Justitiële Inrichtingen BES. 3. De garantietreden met de aanduiding ‘GDT’ gelden uitsluitend voor de ambtenaren in dienst van de staat die werkzaam zijn bij de Douane BES. 4. De garantietreden met de aanduiding ‘GPT’ gelden uitsluitend voor de ambtenaren in dienst van de staat en aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en voor de aspirant alsmede voor de ambtenaren in dienst van de staat die werkzaam zijn voor de Koninklijke Marechaussee. Artikel 3. Inpastabellen goede beoordeling 2013 Vervallen Artikel 4. Inpastabellen geen goede beoordeling 2013 Vervallen Artikel 5. Bezoldiging geestelijke In afwijking van [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036465&artikel=1&z=2026-05-14&g=2026-05-14), bedraagt de bezoldiging voor de ambtenaren in dienst van de staat en werkzaam als geestelijke per 1 januari 2026 USD 2.326. Artikel 6. Extra toelage IBTers etc Aan de ambtenaar in dienst van de staat en werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen BES, aan de ambtenaar in dienst van de staat die is aanges"},{"i":19195,"b":"Besluit van 27 september 2010, houdende regels ter uitvoering van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie (Rijksbesluit rechtspositie Gemeenschappelijk Hof van Justitie) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 13 juli 2010, nr. 5656881/10/6; Gelet op de [artikelen 24, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=24), [31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=31), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=39), [41, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=41), [46, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=46), [50, zevende lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=50); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 12 augustus 2010, nr. W03.10.0358/II/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 22 september 2010, nr. 5666927/10/6; De bepalingen van het [Statuut van het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie in werking treedt. Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze algemene maatregel van rijksbestuur en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **volledige arbeidsduur:** het aantal uren dat bij volledige vervulling van de functie per week gewerkt wordt; - **rijkswet:** [Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070); - **salaris:** het bedrag waarop de leden van het Hof of rechterlijke ambtenaren in opleiding in verband met het vervullen van een ambt, met inachtneming van het bij of krachtens de [artikelen 12](https://wetten.ove"},{"i":18185,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 juni 2025, houdende bekendmaking van de taken waarmee de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het bijzonder zal zijn belast (Besluit Taakomschrijving Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951, houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van Staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3) (**Stb.** 1951, 24); Artikel 1 De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – Herstel Groningen, Koninkrijksrelaties en Digitalisering, de heer E. van Marum, is binnen de grenzen van het door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde beleid in het bijzonder belast met de aangelegenheden betreffende: - a. Herstel Groningen: schadeafhandeling, versterking; - b. Perspectief Groningen: coördinatie Sociale Agenda, Economische Agenda en verduurzamings-/ isolatieaanpak; - c. Communicatie en gezicht in Groningen bij nieuwe bevingen; - d. Wet- en regelgeving Groningen ([Groningenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252) inclusief lagere regelgeving); - e. Heffingen, procedures en arbitrages (NAM en Exxon) die voortkomen uit de kosten van de schadeafhandeling en versterking; - f. Nationaal Coördinator Groningen (NCG); - g. Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG); - h. Adviescollege Veiligheid Groningen (ACVG) - i. Koninkrijksrelaties; - j. Coördinatie digitalisering: NL digitaliseringsstrategie; - k. Europees en internationaal digitaliseringsbeleid (incl. vertegenwoordiging in relevante EU- en andere internationale gremia op gebied digitalisering); - l. Normering en regulering van beleid t.a.v. digitalisering en technologie in samenleving en overheid, waaronder"},{"i":17169,"b":"Mededeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 juni 2016, 2016-0000149442, betreffende de herziening van de hoogte van de uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet met ingang van 1 juli 2016 deelt op grond van [artikel 2, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=2) mee dat met ingang van 1 juli 2016: Deze mededeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19309,"b":"Besluit van 23 februari 1993, tot wijziging van de regels betreffende tenuitvoerlegging van gijzeling Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 2 maart 1992, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 192564/92/6; Overwegende dat het wenselijk is de regels betreffende de tenuitvoerlegging van gijzeling te herzien; Gelet op [artikel 592 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=592), artikel 131 van de Gevangenismaatregel en [artikel 28, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=28), Gezien het advies van de sectie gevangeniswezen van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 8 januari 1992, De Raad van State gehoord (advies van 3 september 1992, nr. WO3.92 099), Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 12 februari 1993, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 307264/93/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Het Gijzelingsbesluit van 26 september 1928 (**Stb.** 382) wordt ingetrokken. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV De [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005881&artikel=I&z=1993-03-10&g=1993-03-10) tot en met [III onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005881&artikel=III&z=1993-03-10&g=1993-03-10), zijn slechts van toepassing op gijzelingen die zijn aangevangen na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het is geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":17658,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 december 2003, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/F&W/2003/90418A, houdende vaststelling van het begrip vakantie en de perioden van vakantie met behoud van recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet (Vakantieregeling WW) Gelet op [artikel 19, vijfde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=19); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. Van vakantie genieten als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel k, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=19) en [artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=6) is sprake gedurende de periode waarover de werknemer of de uitkeringsgerechtigde: - a. verklaart vakantie te genieten; - b. niet verklaart vakantie te genieten, maar daarvan, gelet op de feitelijke omstandigheden, kennelijk sprake is. 2. In deze regeling wordt verstaan onder dagen: maandag tot en met vrijdag danwel dinsdag tot en met zaterdag. Artikel 2. Vakantie met behoud van uitkering 1. De werknemer kan per kalenderjaar gedurende 20 dagen vakantie genieten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045). 2. De uitkeringsgerechtigde kan per kalenderjaar gedurende 20 dagen vakantie genieten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de [Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394). 3. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van 65 dagen voor de werknemer, bedoeld in [artikel 7 van de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019305&artikel=7). 4. In afwijking van het tweede lid geldt een termijn van 65 dagen voor de IOW-gerechtigde, bedoeld in [artikel 7 van de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zeke"},{"i":18575,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Internationale Rechtshulp in strafzaken vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 19 december 2005, nr. arc-2005.02658/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Internationale Rechtshulp in strafzaken over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17132,"b":"Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand tot instelling van een Programmaraad voor het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand gelet op [artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:5) jo. [artikel 8, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8); besluit: Een Programmaraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand in te stellen; Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **de Raad voor Rechtsbijstand:** het orgaan dat aan het hoofd staat van de Raad voor Rechtsbijstand en dat wordt genoemd in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3) en [4 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=4), c.q. de algemeen directeur / bestuurder’; - –. **de Programmaraad:** Programmaraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand. Artikel 2. Instelling en taak 1. De Raad voor Rechtsbijstand besluit tot de instelling van een Programmaraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand. 2. De Programmaraad heeft tot taak periodiek het meerjarige programma van het Kenniscentrum op themaniveau vast te stellen, waarbinnen het programmatisch onderzoek plaatsvindt, en het jaarplan van het Kenniscentrum vast te stellen. Daarnaast heeft de Programmaraad een signalerende en agenderende functie. 3. Er is een [Reglement Programmaraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050147), waarin de werkwijze van de Programmaraad wordt beschreven. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Programmaraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand."},{"i":17269,"b":"Regeling beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2006 Gelet op de [artikelen 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=33) en [34 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34) en [Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3) en [Hoofdstuk 3 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&hoofdstuk=3); Gelezen de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 september 2005 (kenmerk Z/F-2614466); Heeft in zijn vergadering van 8 september 2005 besloten: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Deze regeling verstaat onder: - a. college: Het College voor zorgverzekeringen; - b. risicoklasse: Een vijfjaarsklasse, verdeeld naar geslacht, overeenkomstig tabel B4.1 van [Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) en tabel B5.1 van [Bijlage 5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5); - c. aard van het inkomenklasse: Een klasse gebaseerd op de aard van het inkomen en de leeftijd van een verzekerde, overeenkomstig tabel B4.4 van [Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) en overeenkomstig tabel B5.4 van [Bijlage 5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5); - d. regioklasse: Een klasse gebaseerd op de postcode van het adres waar een verzekerde woonachtig is en op de verzekeringsgerechtigdheid van de verzekerde op grond van de Ziekenfondswet op de datum 1 december 2005 overeenkomstig tabel B4.5 van [Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) en overeenkomstig tabel B5.5 van [Bijlage 5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5); - e. morbiditeitsrisicoklasse: Een vijftienjaarsklasse per geslacht, gebaseerd"},{"i":17778,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Wereld Meteorologische Organisatie, betreffende de maatregelen voor de zestiende zitting van de WMO Regional Association IV (Noord-Amerika, Centraal Amerika en de Caraïben) The Kingdom of the Netherlands, in respect of Curaçao, and The World Meteorological Organization, (hereinafter referred to as “WMO”), Upon invitation of the Government of Curaçao (hereinafter referred to as “the Government”) to hold the sixteenth session of WMO Regional Association IV (North America, Central America and the Caribbean) in Willemstad (hereinafter referred to as “the session”), Hereby agree as follows: Article I. Date and place of the session Vervallen Article II. Legal Status Vervallen Article III. Participation at the session Vervallen Article IV. Premises, equipment, utilities and supplies Vervallen Article V. Accommodation Vervallen Article VI. Medical facilities Vervallen Article VII. Transport Vervallen Article VIII. Local personnel Vervallen Article IX. Customs and financial facilities Vervallen Article X. Inviolability and protection of the Session Vervallen Article XI. Financial arrangements Vervallen Article XII. Liability Vervallen Article XIII. Settlement of disputes Vervallen Article XIV. Final provisions Vervallen IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized thereto, have concluded this Agreement. DONE at this 3rd day of April 2013 at Geneva in duplicate, in the English language. **For the Kingdom of the Netherlands, in respect of Curaçao,** EARL BALBORDA Minister of Traffic, Transport and Urban Planning **For the World Meteorological Organization,** M. JARRAUD Secretary-General"},{"i":4953,"b":"Mandaatverlening bevoegde autoriteit inzake internationale uitwisseling van inlichtingen Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:5, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:5) alsmede [artikel 2 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=2); Besluit: De Directeur-Generaal der Belastingen en de Directeur Algemene Fiscale Zaken aan te wijzen om namens hem te handelen als de bevoegde autoriteit als bedoeld in [artikel 2 sub c van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=2) alsmede namens hem besluiten te nemen ingevolge de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=7), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=9), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=12) en [15 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=15); De Directeur-Generaal der Belastingen en de Directeur Algemene Fiscale Zaken te machtigen om met betrekking tot het nemen van besluiten ingevolge de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=5) en [7 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=7), ondermandaat te verlenen aan daartoe aan te wijzen functionarissen."},{"i":4952,"b":"Mandaatverlening aan Stichting USZO Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 De Staatssecretaris verleent aan het bestuur van de USZO mandaat ten aanzien van de volgende regelingen: - a. de Suppletieregeling burgerlijke ambtenaren defensie; - b. het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren; - c. het Uitkeringsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie; - d. het Wachtgeld- en Uitkeringsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie bij privatisering; - e. het [Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008113) (vanaf 1 juli 1996); - f. het [Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006043); - g. de Uitstroom bevorderende maatregel; - h. het Sociaal Beleidskader Defensie, voorzover betrekking hebbend op ontslaguitkeringen voor het Defensie-personeel, onder te verdelen naar: Wachtgelden ex-SBK zonder VUT-/ UKW-vooruitzicht en Wachtgelden ex-SBK met VUT/UKW-vooruitzicht; - i. de Algemene militaire pensioenwet en de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van die wet voor wat betreft de pensioenen ter zake van ziekten of gebreken en voorzieningen en artikel 8 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet; - j. het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen; - k. de Militaire wachtgeldregeling 1961; - l. het [Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007212); - m. de [Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540); - n. [artikel 124 van het Burgerlijk ambtenarenreglement Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=124); - o. de Regeling gezondheidszorg, de Regeling dienstverbandaanspraken geneeskundige verzorging, [artikel 90, negende lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=90) en de [Algemene wet bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid"},{"i":510,"b":"Verdrag betreffende de arbeidsvoorwaarden van Rijnvarenden De Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat, Besloten hebbende een Verdrag te sluiten betreffende de arbeidsvoorwaarden van Rijnvarenden en hiertoe hun gevolmachtigden benoemd hebbende, wier volmachten in goede en behoorlijke vorm zijn bevonden, Hebben de volgende bepalingen aangenomen: TITEL I. Werkingssfeer van het Verdrag Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing aan boord van alle schepen, welke gebruikt worden om met handelsdoeleinden goederen te vervoeren en welke toegelaten zijn tot de vaart op de Rijn krachtens [artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363&artikel=22), ondertekend te Mannheim op 17 October 1868, met inachtneming van de later in die acte aangebrachte wijzigingen. 2. Dit Verdrag is niet van toepassing aan boord van de volgende schepen: - a). schepen, welke uitsluitend of bijna uitsluitend in de havens worden gebruikt; - b). schepen met een laadvermogen van minder dan 15 ton, met uitzondering van sleepboten; - c). zeilschepen; - d). passagiersschepen, welke niet meer dan 5 ton goederen vervoeren; - e). zeeschepen; - f). vissersschepen; - g). schepen, als bedoeld in lid 1 van dit artikel gedurende een reis, waarbij in het geheel niet op de Rijn wordt gevaren. Artikel 2 1. Behoudens de hierna genoemde uitzonderingen, heeft dit Verdrag betrekking op elk lid van de bemanning van schepen aan boord waarvan dit Verdrag van toepassing is, alsmede op de kapitein of schipper, indien deze in loondienst werkzaam is. 2. Deze personen worden hierna aangeduid als „Rijnvarenden”. Artikel 3 1. De titels IV, V, VIII en IX van dit Verdrag zijn niet van toepassing op Rijnvarenden, die zijn: - a). eigenaren, genoemd in het certificaat van onderzoek van het schip, aan boord waarvan zij werkzaam zijn; - b). de bloedverwanten van de eigenaar van het schip, aan boord waarvan zij w"},{"i":511,"b":"Verdrag betreffende de bescherming van de vertegenwoordigers van de werknemers in de onderneming en de hun te verlenen faciliteiten De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen in haar zesenvijftigste zitting op 2 juni 1971; Gelet op de bepalingen van het [Verdrag van 1949 aangaande het recht van vereniging en van collectieve onderhandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005525), dat de werknemers in hun werk beschermt tegen alle discriminerende handelingen die ten doel hebben de vakverenigingsvrijheid aan te tasten, en Overwegende dat het gewenst is aanvullende bepalingen ten aanzien van de vertegenwoordigers van de werknemers op te nemen, Besloten hebbende bepaalde voorstellen aan te nemen betreffende de bescherming van de vertegenwoordigers van de werknemers in de onderneming en de hun te verlenen faciliteiten, welk onderwerp als vijfde punt op de agenda der zitting is geplaatst, Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, de 23ste juni 1971, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als: Verdrag betreffende de vertegenwoordigers van de werknemers, 1971: Artikel 1 De vertegenwoordigers van de werknemers in de onderneming moeten afdoende beschermd worden tegen alle maatregelen, met inbegrip van ontslag, die hun schade zouden kunnen berokkenen en die genomen zijn op grond van hun kwaliteit van werknemersvertegenwoordiger of de daarbij behorende activiteiten, hun lidmaatschap van een vakvereniging of hun deelneming aan vakbondsactiviteiten, voor zover zij handelen in overeenstemming met bestaande wetten, collectieve arbeidsovereenkomsten of andere van kracht zijnde overeenkomsten. Artikel 2 1. In de onderneming moeten aan de werknemersvertegenwoordigers faciliteiten worden verleend, opdat zij hun functies snel en doeltreffend kunnen vervullen. 2. In"},{"i":4943,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 19 maart 2013, nr. 363701, houdende verlening van mandaat aan de directeur en de voorzitter van het bestuur van het IFV in verband met het nemen van besluiten op basis de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties (Mandaatregeling Instituut Fysieke Veiligheid 2013) Gelet op [artikel 10:5 van de Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:5); Besluit: Hoofdstuk 1. EG-verklaringen Artikel 1 De directeur van het Instituut Fysieke Veiligheid, genoemd in [artikel 68, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=68), is bevoegd om namens de Minister van Veiligheid en Justitie voor brandweerpersoneel besluiten te nemen als bedoeld in de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=6) en [11, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=11) en de bevoegdheden uit te oefenen, bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024160&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024160&artikel=5) en [6 van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties brandweerpersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024160&artikel=6). Artikel 2 De voorzitter van het bestuur van het Instituut Fysieke Veiligheid, genoemd in [artikel 67, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=67), is bevoegd om namens de Minister van Veiligheid en Justitie voor het brandweerpersoneel besluiten te nemen betreffende bezwaarschriften op besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033112&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2013-04-06&g=2013-04-06). Artikel 3 Afschriften van besluiten als bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033112&hoo"},{"i":6975,"b":"Burgerlijk Wetboek BES Boek 6 Boek 6. Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht Titel 1. Verbintenissen in het algemeen Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit. Artikel 2 1. Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. 2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Artikel 3 1. Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet-afdwingbare verbintenis. 2. Een natuurlijke verbintenis bestaat, wanneer: - a. de wet of een rechtshandeling aan een verbintenis de afdwingbaarheid onthoudt; - b. iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. Artikel 4 Op natuurlijke verbintenissen zijn de wettelijke bepalingen betreffende verbintenissen van overeenkomstige toepassing, tenzij de wet of haar strekking meebrengt dat een bepaling geen toepassing mag vinden op een niet-afdwingbare verbintenis. Artikel 5 1. Een natuurlijke verbintenis wordt omgezet in een rechtens afdwingbare door een overeenkomst van de schuldenaar met de schuldeiser. 2. Een door de schuldenaar tot de schuldeiser gericht aanbod tot een zodanige overeenkomst om niet geldt als aanvaard, wanneer het aanbod ter kennis van de schuldeiser is gekomen en deze het niet onverwijld heeft afgewezen. 3. Op de overeenkomst zijn de bepalingen betreffende schenkingen en giften niet van toepassing. Afdeling 2. Pluraliteit van schuldenaren en hoofdelijke verbondenheid Artikel 6 1. Is een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd, dan zijn zij ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij"},{"i":514,"b":"Verdrag betreffende de bestuurstaak op het gebied van de arbeid: taak, functies en organisatie De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau, en aldaar bijeengekomen in haar vierenzestigste zitting op 7 juni 1978; In herinnering brengende de bepalingen van bestaande internationale Arbeidsverdragen en Aanbevelingen, in het bijzonder daaronder begrepen het [Verdrag betreffende de arbeidsinspectie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005445), 1947, het Verdrag betreffende de arbeidsinspectie (landbouw), 1969, en het [Verdrag betreffende de dienst voor de werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005533), 1948, die vragen om uitvoering van bepaalde activiteiten met betrekking tot de bestuurstaak op het gebied van de arbeid; Overwegende dat het gewenst is regelingen aan te nemen waarin richtlijnen worden opgesteld met betrekking tot het bestuursapparaat op het gebied van de arbeid; In herinnering brengende de bepalingen van het [Verdrag betreffende de werkgelegenheidspolitiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004631), 1964, en van het [Verdrag betreffende de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003733), 1975; tevens in herinnering brengende de doelstelling volledige werkgelegenheid en een behoorlijke beloning van de arbeid te bewerkstelligen en de noodzaak bevestigende van programma's met betrekking tot de bestuurstaak op het gebied van de arbeid om naar deze doelstelling toe te werken en de doelstellingen van genoemde Verdragen ten uitvoer te brengen; De noodzaak erkennende om volledig de autonomie van werknemersorganisaties te respecteren, in dit verband in herinnering brengende de bepalingen van bestaande internationale Arbeidsverdragen en Aanbevelingen die het recht garanderen van vereniging, organisatie en collectief onderhandelen, en in het bijzonder het [Verdrag betreffende de vrijheid t"},{"i":4927,"b":"Mandaatbesluit Wet op het consumentenkrediet Gelet op [artikel 10:3 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gelet op het [koninklijk besluit van 11 mei 2001 waarbij de Minister van Financiën belast wordt met de zorg voor het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012484), met uitzondering van schuldbemiddeling; Gezien [artikel 10:4 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en de schriftelijke instemming van De Nederlandsche Bank N.V. van 3 mei 2001, kenmerk Tz-Bbwc/2001/01395/hun, Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 De Bank oefent in naam van de Minister de volgende bevoegdheden uit: - a. het ingevolge de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=11) en [12 Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=12) beslissen op een aanvraag om een vergunning; - b. het ingevolge de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=13) en [14a Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=14a) verlenen van een vergunning, en het sturen van een schriftelijke bevestiging als bedoeld in [artikel 14b, eerste lid, Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=14b) alsmede het daarbij genoemde verzoeken tot het verschaffen van gegevens en bescheiden; - c. het ingevolge artikel 14 Wet op het consumentenkrediet onder beperkingen verlenen van een vergunning, en het verbinden van voorschriften aan een vergunning; - d. het ingevolge [artikel 14c Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=14c) verbinden van voorschriften aan een vergunning; - e. het ingevolge [artikel 15 Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=15) wijzigen, aanvullen of intrekken van beperkingen en voorschriften en"},{"i":18678,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 23 maart 2024, nr. 5226043, houdende aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren bij de Inspectie Justitie en Veiligheid op de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening en verlening van mandaat aan de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Justitie en Veiligheid voor de handhaving van die wet (Aanwijzings-mandaatbesluit Inspectie Justitie en Veiligheid) Gelet op [artikel 14, eerste lid, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=14) en [artikel 10:3 lid 1 Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685), zoals bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=14) zijn belast de toezichthoudende ambtenaren werkzaam bij de Inspectie Justitie en Veiligheid. Artikel 2 1. Aan de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Justitie en Veiligheid wordt mandaat verleend voor: - a. het schorsen van een registratie zoals bedoeld in [artikel 9 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=9); - b. het opleggen van een last onder dwangsom zoals bedoeld in [artikel 15 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=15); - c. het opleggen van een bestuurlijke boete zoals bedoeld in [artikel 16 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=16); - d. het doorhalen van een registratie zoals bedoeld in [artikel 17 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=17); - e. het opstellen van beleidsregels in het kader van de uitoefening van de in dit artikel genoemde"},{"i":862,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 april 2024, nr. IENW/BSK-2024/117427, houdende aanwijzing van ambtenaren belast met toezicht als bedoeld in de Wet vrachtwagenheffing (Besluit aanwijzing toezichthouders Wet vrachtwagenheffing) Gelet op [artikel 14, eerste lid, van de Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=14); BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082). Artikel 2 In het kader van het toezicht, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=14), worden aangewezen: - a. de door de directie van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren belast met toezicht, voor zover het betreft het houden van toezicht met een technisch hulpmiddel als bedoeld in [artikel 14, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=14) met inachtneming van het door de directie van de Dienst Wegverkeer vastgestelde waarnemingsplan als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van het Besluit vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048668&artikel=7). - b. de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport belast met toezicht, voor zover dit toezicht niet door de ambtenaren van de Dienst Wegverkeer wordt verricht. Artikel 3 Het [Besluit aanwijzing toezichthouder Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047687) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Wet vrachtwagenheffing. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":735,"b":"Wet van 13 december 2000 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (arbeidsvoorwaarden sector Rechterlijke Macht 1997/99) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut ! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in verband met de uitvoering van het Akkoord arbeidsvoorwaarden 1997–1999 sector Rechterlijke Macht de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I, onderdeel B werkt terug tot en met 1 mei 1997. Artikel I, onderdelen F en G werkt terug tot en met 1 juli 1997. De artikelen I, onderdelen C en E, III, IV en V werken terug tot en met 1 januari 1998. Artikel I, onderdeel D, werkt terug tot en met 1 juli 1998. ARTIKEL I Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. ARTIKEL II Wijzigt de Ambtenarenwet. ARTIKEL III 1. De rechters in een arrondissementsrechtbank en de officieren van justitie, alsmede de rechters-plaatsvervangers en de plaatsvervangende officieren van justitie als bedoeld in [artikel 9, eerste en derde lid, van de Wet rechtspositie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=9) rechterlijke ambtenaren voorzover zij wat hun salaris betreft gelijk zijn gesteld met een rechter in een arrondissementsrechtbank of een officier van justitie, die vóór 1 januari 1998 het aanvangssalaris in salariscategorie 9 hebben genoten, genieten met ingang van de dag dat voor hen op of na 1 januari 1998 de jaarlijkse verhoging tot het daarna in de schaal vermelde salaris geschiedt, in afwijking van de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=13) en [14 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=14), het salaris dat overeenkomt met het schaalbedrag na twee jaar. Zij"},{"i":771,"b":"Belastingheffing van EU-fellows werkzaam bij Nederlandse universiteiten en woonachtig in/afkomstig uit een van de EU-landen/EER-landen of een aangewezen ander land Directie Internationale Fiscale Zaken Besluit van 17 mei 2002, nr. IFZ2001/529M De Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Dit besluit dient ter vervanging van het Besluit van 27 april 2001, nr. IFZ2001/429M (in verband met de wijziging van het research en development programma van de EU en actualisering van de toepasselijke verdragen). 1. Inleiding Mij is gebleken, dat er behoefte bestaat aan nadere informatie omtrent de behandeling van vergoedingen/beurzen (‘fellowships’) aan EU-fellows werkzaam bij Nederlandse universiteiten, daaronder begrepen de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), en woonachtig in/afkomstig uit een van de EU-landen/EER-landen of een aangewezen ander land. 2. Eu-fellows De Europese Unie (EU) kent sinds vele jaren een research en development programma ter bevordering van de concurrentiepositie van Europa op de wereldmarkt. Een van de onderdelen van dat programma van de EU richt zich op de ontwikkeling van ‘human resources’ voor Europa. Het aanvankelijke deelprogramma, genaamd ‘Human Capital and Mobility’, is met ingang van 1995 vervangen door het programma ‘Training and Mobility of Researchers’, dat op zijn beurt in 1999 is vervangen door het programma ‘Improving Human Research Potential and the Socio-economic Knowledge Base’. Een onderdeel van dit deelprogramma is het creëren van een Europees stelsel van onderzoeksbeurzen voor postdoctorale wetenschappers. De bedoeling hiervan is om onderzoekers uit een Lid-Staat, geassocieerde staat of aangewezen staat in staat te stellen zich verder te bekwamen door het doen van onderzoek aan een universiteit/onderzoeksinstituut in een andere Lid-Staat, geassocieerde staat of aangewezen staat. Een beurs kan alleen worden toegekend als de onderzoeker voltij"},{"i":1102,"b":"Inkomstenbelasting, specifieke zorgkosten; hulpmiddelen; rolstoelen, scootmobielen, woningaanpassingen; eerbiedigende werking afschrijvingsregime De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit bevat een goedkeuring voor de specifieke zorgkosten om een in 2013 toegepast afschrijvingsregime voor rolstoelen, scootmobielen en woningaanpassingen vanaf 2014 voort te zetten.** 1. Inleiding Met ingang van 1 januari 2014 is in de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) een beperking aangebracht in de mogelijkheid om uitgaven voor hulpmiddelen als aftrekpost aan te merken. Uitgaven voor sommige hulpmiddelen kunnen vanaf die datum niet meer als specifieke zorgkosten in aftrek worden gebracht. Het gaat om rolstoelen, scootmobielen en aanpassingen aan, in of om een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan (hierna: woningaanpassingen). Belastingplichtigen die in een kalenderjaar voorafgaand aan 2014 uitgaven hebben gedaan voor rolstoelen, scootmobielen of woningaanpassingen, hebben bij de aftrek als specifieke zorgkosten vaak een afschrijvingsregime toegepast. Hierbij werd, rekening houdend met een restwaarde, alleen de jaarlijkse afschrijving als specifieke zorgkosten aangemerkt. De hierboven beschreven wetswijziging heeft tot gevolg dat eventueel per 1 januari 2014 resterende afschrijvingstermijnen niet meer als specifieke zorgkosten in aftrek kunnen komen. 2. Goedkeuring Het hierboven omschreven gevolg van de wetswijziging van 1 januari 2014 voor al ingegane afschrijvingsregimes voor rolstoelen, scootmobielen en woningaanpassingen, acht ik ongewenst. Voor de aftrekbaarheid van uitgaven voor specifieke zorgkosten keur ik, vooruitlopend op wetswijziging, het volgende goed. Als een belastingplichtige in een kalenderjaar voorafgaand aan 2014, uitgaven voor een rolstoel, een scootmobiel of een woningaanpassing heeft gedaan en voor de aftrek als specifieke zorgkosten een afschrijvingsregime heeft toegepast, wordt dit re"},{"i":1265,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot voorkoming van dubbele aanslag inzake belastingen op het kapitaal Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, enerzijds, en Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins Regent, in naam van Zijne Majesteit de Koning der Belgen, anderzijds Teneinde zoveel mogelijk te voorkomen, dat dubbele belasting wordt geheven voortvloeiende uit de heffing over dezelfde bezittingen van de belasting ingevoerd bij de Belgische wet van 17 October 1945 en van de belasting ingevoerd bij de Nederlandse wet van 11 Juli 1947, Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten tot voorkoming van dubbele aanslag inzake belastingen op het kapitaal, en hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Mr. D. U. Stikker, Minister van Buitenlandse Zaken, en Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins Regent, in naam van Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Zijne Excellentie L. C. Nemry, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Ambassadeur van Zijne Majesteit de Koning der Belgen Die na elkaar hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De hierna vermelde bezittingen, toebehorende aan natuurlijke personen of rechtspersonen die hun fiscale woonplaats in een van beide Staten hebben, en waarvan de materiële of juridische ligging zich in de andere Staat bevindt, worden belast, te weten: - a. de onroerende goederen gelegen in een van beide Staten, in deze Staat; - b. de handelszaken of bedrijven uitgeoefend in een van beide Staten, in deze Staat. In dit verband omvat de handelszaak of het bedrijf in het bijzonder het materieel, de koopmansgoederen, het huurrecht, de beklanting, de patenten en fabrieksmerken en andere onlichamelijke bestanddelen, alsmede de schuldvorderingen, effecten en bankdeposito's welke er mede in verband staan. - c. de schuldvorderingen, verzekerd door een hypotheek of ander zakelijk r"},{"i":5688,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 april 2024 nr. OWB/44324005, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor proof of principle-projecten en proof of concept-projecten in het kader van het Biotech Booster programma (Subsidieregeling Biotech Booster) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** kennisinstelling, innovatief startersbedrijf of Biotech Booster B.V. die, al dan niet namens een samenwerkingsverband, optreedt als aanvrager van de subsidie; - **AGVV:** [Verordening (EU) 651/2014](32014R0651) van de Europese Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187/1); - **Biotech Booster programma:** het programma waar de fondsbeheerders van het Nationaal Groeifonds middelen voor hebben toegekend op basis van de beoordeling van de adviescommissie NGF van 5 april 2022 van het voorstel Biotech Booster van 29 oktober 2021 en de beoordeling van de adviescommissie NGF van juni 2025; - **consortiumovereenkomst:** schriftelijke ondertekende overeenkomst waarin de afspraken van een samenwerkingsverband met betrekking tot een project zijn vastgelegd; - **experimentele ontwikkeling:** experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de AGVV; - **fundamenteel onderzoek:** fundamenteel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 84, van de AGVV; - **haalbaarheidsstudie:** haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onderdee"},{"i":5692,"b":"Subsidieregeling breedband Kenniswijk Gelet op de [artikelen 2, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3) en [4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een bewoner van een woning in de Kenniswijk voor de kosten van een aansluiting van die woning in de Kenniswijk, welke aansluiting voldoet aan de specificaties, genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013686&artikel=3&z=2014-01-06&g=2014-01-06), en voor de kosten van het gebruik van die aansluiting en voor de kosten van ten minste een elektronische dienst die met behulp van die aansluiting wordt geleverd. 2. Per zelfstandige woning of per samenstelling van onzelfstandige woningen in de Kenniswijk wordt voor ten hoogste één aansluiting subsidie verstrekt. 3. Indien de aanvrager de bewoner is van een woning voor de aansluiting waarvan reeds een subsidie is verstrekt, wordt diens aanvraag in afwijking van het tweede lid in behandeling genomen, mits de aanvrager aantoont dat hij de nieuwe bewoner is van die woning en de overeenkomst inzake de reeds voor die woning gerealiseerde aansluiting is beëindigd. Artikel 3 De aansluiting, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013686&artikel=2&z=2014-01-06&g=2014-01-06), omvat ten minste een zich in de woning van de aanvrager bevindend netwerkaansluitpunt dat een verbinding, die aan de gangbare technische specificaties voldoet, mogelijk maakt tussen een netwerk en de apparatuur van de aanvrager, - a. met een continu beschikbare doorvoercapaciteit van ten minste 10Mbit/s symmetrisch tot aan het eerste concentratiepunt binnen het netwerk, - b. waarmee gedurende ten minste 90% van de door de gebruiker voor elektronische diensten gebruikte tijd een transparante"},{"i":6339,"b":"Wet van 2 juli 1997 tot wijziging van de grens tussen de gemeenten Elst en Nijmegen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de grens tussen de gemeenten Elst en Nijmegen te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling wordt de grens tussen de gemeenten Elst en Nijmegen gewijzigd als aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 2 1. Ingevolge [artikel 52, tweede lid, onder **b**, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=52) worden tussentijdse raadsverkiezingen gehouden voor de gemeente Elst. 2. Indien de datum van herindeling valt binnen een jaar voor de datum waarop de reguliere verkiezingen voor de leden van de gemeenteraden ingevolge de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) moeten worden gehouden, vinden deze verkiezingen niet plaats in de gemeente Elst. 3. Indien de situatie bedoeld in het tweede lid zich voordoet, eindigt de zittingsperiode van de leden van de raad van de gemeente Elst gelijk met de zittingsperiode van de leden van de raden van de overige gemeenten die volgt op de eerste verkiezingen voor de gemeenteraden na de datum van herindeling. Artikel 3 1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen stelt op de wijze als aangegeven in de [artikelen 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=56), tweede lid, [107**a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=107a) en [107**b**, tweede lid, van de Wet op het basisonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=107b) de stichtings- en opheffingsnormen voor scholen voor basisonderwijs vast voor de bij deze wet betrokken gemeenten onderscheidenlijk delen van gemeenten. 2. Indien de raad van een bij d"},{"i":7145,"b":"Regeling werving en selectie burgerlijke ambtenaren defensie Besluit Ministeriële regeling tot tekstplaatsing van de ‘Regeling werving en selectie burgerlijke ambtenaren defensie’ Gelet op: [artikel 5 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=5) en artikel 33 van het Arbeidsovereenkomstenbesluit; De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bevoegd gezag** het tot aanstelling of indienstneming bevoegd gezag of, indien de aanstelling geschiedt bij Koninklijk besluit, de Minister van Defensie; - b. **sollicitant** degene die aan het bevoegd gezag kenbaar maakt in aanmerking te willen komen voor een door dat gezag beschikbaar gestelde of te stellen arbeidsplaats. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op het vervullen van incidentele vacatures bij het Ministerie van Defensie met de daaronder ressorterende diensten, bedrijven of instellingen, waarbij externe werving plaatsvindt. Bij niet-incidentele of niet-externe werving wordt de inhoud van deze regeling eveneens in acht genomen. Artikel 3 Er wordt alleen tot bekendmaking van een vacature overgegaan indien deze werkelijk bestaat of wordt verwacht. Artikel 4 Voordat een vacature wordt bekendgemaakt, worden ten aanzien van die vacature vastgelegd de plaats van de functie in de organisatie, de hoofdbestanddelen die de inhoud van de functie bepalen en de eisen en voorwaarden, die uit de aard en het niveau van de te vervullen functie voortvloeien. Artikel 5 De selectieprocedure is functiegericht. De personen die bij de selectie zijn betrokken treden niet verder in de persoonlijke levenssfeer van de sollicitant dan voor het selectie-onderzoek noodzakelijk is. Artikel 6 Indien dit noodzakelijk is voor de functie of de arbeidsorganisatie, mogen bij de werving en selectie nadere eisen worden gesteld ten aanzien van de leeftijd van de sollicitant. Artikel 7 Bij bekendmaking van een vacature"},{"i":7372,"b":"Wet van 30 november 1994, tot aanvulling van de Boeken 3, 6 en 8 van het Burgerlijk Wetboek met regels betreffende de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen en verontreiniging van lucht, water of bodem Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de Boeken 3, 6 en 8 nieuw BW aan te vullen met regels betreffende de aansprakelijkheid buiten schuld voor gevaarlijke stoffen en verontreiniging van lucht, water of bodem; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V 1. Deze wet is niet van toepassing, indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, vóór haar inwerkingtreding heeft plaatsgevonden. 2. Is de schade een gevolg van verontreiniging van lucht, water of bodem, dan geldt voor de toepassing van het vorige lid als gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, het ontstaan van de verontreiniging, met dien verstande dat, indien deze verontreiniging heeft plaatsgevonden doordat de stof in verpakte toestand in water of bodem is gekomen of op de bodem is achtergelaten, zij geacht wordt op dit tijdstip reeds ontstaan te zijn. 3. Deze wet is niet van toepassing op verontreiniging door op een stortplaats gestorte stoffen, indien: - a. de stortplaats vóór inwerkingtreding van deze wet reeds was gesloten; - b. het een wettelijk toegelaten stortplaats betreft en de verontreiniging uitsluitend is veroorzaakt door stoffen die daar vóór inwerkingtreding van deze wet reeds waren gestort. 4. Deze wet is niet van toepassing, indien de gebeurtenis, bedoeld in artikel 620 onder **e**, 1030 onder **e**, 1210 onder **d**, of 1670 onder **e**, van Boek 8 van"},{"i":1746,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 14 november 2011, houdende de vaststelling van een vakheffing voor de kweker en importeur van bloemkwekerijproducten (Verordening PT vakheffing aanbod bloemkwekerijproducten 2012) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 24 oktober 2011; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=3:1) en de werkwijze beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT Algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder: | a. | bloemkwekerijproducten: | I. siergewassen, II. teeltmateriaal, III. hydrocultuur, IV. bloemzaden; | | --- | --- | --- | | b. | extreme toegevoegde waarde: | inkoopwaarde van sierpotten/ijzerwerken, verfmateriaal voor het verven van bloemen en luxe verpakkingen en of andere luxe verfraaiingen, met uitzondering van de arbeidskosten; | | c. | hydrocultuur: | siergewassen die bestemd zijn voor gebruik in plantenbakken of potten, waarbij de plant met zijn wortels houvast heeft in poreuze"},{"i":1894,"b":"Besluit van 29 januari 2009 tot wijziging van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning, het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, het Rechtspositiebesluit burgemeesters en het Rechtspositiebesluit wethouders in verband met het stellen van regels betreffende een vergoeding voor de belastingheffing voor het gebruik van dienstauto’s Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 november 2008, 2008-0000551734, BFO; Gelet op de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=43) en [65 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=65) en de [artikelen 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=44) en [66 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=66); De Raad van State gehoord (advies van 11 december 2008, No. W04.08.0509/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 januari 2009, 2009-0000021131, DCB/CZW/WVOB; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning. Artikel II Wijzigt het Rechtspositiebesluit gedeputeerden. Artikel III Wijzigt het Rechtspositiebesluit burgemeesters. Artikel IV Wijzigt het Rechtspositiebesluit wethouders. Artikel V Indien aan de commissaris van de Koning een dienstauto ter beschikking is gesteld en hij voor zover voor het gebruik van deze dienstauto een naheffing van loon- en inkomstenbelasting is verschuldigd, wordt deze naheffing door de provincie aan de commissaris van de Koning vergoed. De vergoeding betreft de gebruteerde verschuldigde loon- en inkomstenbelasting voor het gebruik van de dienstauto en de heffingsrente, in de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2006. Artikel VI Indien aan de burgemeester een dienstauto ter beschikking is gesteld en voor zover voor het gebruik van deze dienstauto een naheffing van loon- en inkomstenbelasting is verschuldigd, wordt deze naheff"},{"i":4454,"b":"Centrale examens profielen havo en vwo en oude stijl 1. Correctie van de mededeling CEVO 99-050, [Regeling aanwijzing niet-c.e. examenstof havo 2000](onbekend) Voor het vak Management en Organisatie is ten onrechte vermeld dat Financieel beleid in niet-commerciële organisaties een subdomein is van domein D. Dit moet zijn: domein E. 2. Toegestane hulpmiddelen 2.1. Regeling De [regeling toegestane hulpmiddelen](onbekend), CEVO-97-767 van 12 december 1997 is geplaatst in Uitleg Gele Katern 98, 1 van 14 januari 1998. De bijlage bij deze regeling is gewijzigd en opnieuw geplaatst in Uitleg Gele Katern nr.12a van 29 april 1998. De lijsten die genoemd zijn in [artikel 3 van laatstgenoemde regeling](onbekend) zijn opgenomen in deze publicatie. Als uitwerking van en toelichting bij deze regeling volgen hier nog enige gegevens 2.2. Grafische rekenmachines. De volgende merken en typen rekenmachine zijn aan de CEVO ter goedkeuring voorgelegd: Deze machines zijn alle toegestaan, evenals iedere machine die minder kan (b.v. de TI82). De CEVO is voornemens voorlopig geen apparaten toe te staan die nog meer kunnen dan deze apparaten. Wel zijn apparaten van andere merken met vergelijkbare prestaties toegestaan. Hier wordt er nogmaals op gewezen dat het geheugen van deze machines voor het centraal examen niet hoeft te worden gewist. 2.3. Formulekaart wiskunde In Uitleg Gele Katern12a van 29 april 1998 is de formulekaart bekendgemaakt, die de kandidaat bij het centraal examen bij zich mag hebben. De vraag is gesteld of de kandidaat de volledige kaart bij zich moet hebben, of dat met een deel daaruit volstaan kan worden. Het antwoord hierop is dat deze kaart het maximum definieert van de informatie die de kandidaat schriftelijk bij zich mag hebben. Iedere deelverzameling van deze kaart is eveneens toegestaan. Daarbij geldt dat enigszins afwijkende schrijfwijzen wel, maar illustraties en/of toelichtingen bij de formules niet zijn toegestaan. De meeste uitgevers zullen bij hun methodes fo"},{"i":3388,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 27 maart 2017 nr. BOACAT2017/025, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Toezicht en Handhaving van de gemeente Nijmegen Gelezen het verzoek van het Afdelingshoofd Toezicht en Handhaving van de gemeente Nijmegen van 16 maart 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039415&artikel=2&z=2017-09-02&g=2017-09-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van teamleider, senior integraal toezichthouder, milieutoezichthouder en integraal toezichthouder in dienst van Toezicht en Handhaving van de gemeente Nijmegen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaa"},{"i":4857,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelings-samenwerking van 18 augustus 2017, nr. MINBUZA-2017.960245, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging inzake uitvoering van de Geodata for Agriculture and Water Facility 2017–2018 (Mandaatbesluit G4AW 2017–2018) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 1. Aan de directeur van het Netherlands Space Office wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besluiten te nemen, rechtshandelingen te verrichten en de daartoe benodigde voorbereidingshandelingen te verrichten met het oog op de toepassing van het [Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 3 maart 2017 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Geodata for Agriculture and Water Facility 2017–2018)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039333)1Stcrt 2017, nr 13493. alsmede met het oog op de toepassing van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) voor zover samenhangend met de toepassing van dat besluit. 2. Aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat en machtiging verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besluiten te nemen op bezwaarschriften tegen besluiten, bedoeld in het eerste lid, die door de directeur van het Netherlands Space Office of door onder hem ressorterende functionarissen namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn genomen of behandeld. Voorts wordt aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland mandaat en machtiging verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking beroepsprocedures te voeren over"},{"i":4682,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 11 juni 2014, FM 2014/881 M, directie Financiële Markten, houdende instelling van een College Deskundigheid Financiële Dienstverlening en mandaatverlening aan het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (Instellings- en mandaatbesluit College Deskundigheid Financiële Dienstverlening Wft) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gezien de schriftelijke instemming van het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening van 27 november 2013; Besluit: § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421); - **centrale examenbank:** centrale examenbank, bedoeld in [artikel 11e van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=11e); - **College:** College Deskundigheid Financiële Dienstverlening, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035213&paragraaf=2&artikel=2&z=2020-04-01&g=2020-04-01); - **exameninstituut:** exameninstituut als bedoeld in [artikel 4:9, derde lid, van de Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9); - **inhoudelijk beheer:** het op basis van de eindtermen en toetstermen, bedoeld in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=1), vaststellen van de specificaties en de inhoud van de examens alsmede het vaststellen van de in de centrale examenbank op te nemen examenvragen; - **Minister:** Minister van Financiën; - **voorzitter:** voorzitter van het College of diens plaatsvervanger. § 2. Het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening Artikel 2 Er is een College Deskundigheid Financiële Dienstverlening. Artikel 3 1. Het College adviseert desgevraagd of"},{"i":2900,"b":"Besluit van 3 december 1993, houdende aanpassing van de Wet inzake de douane en het Besluit inzake de douane aan het Communautair douanewetboek alsmede enkele daarmee verband houdende wijzigingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 26 oktober 1993, nr. WD.93/641, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, directie Wetgeving Douane; Gelet op de artikelen 2 en 3 van de wet van 23 juni 1960, houdende voorzieningen op het terrein van de invoerrechten en accijnzen ter uitvoering van het Benelux-Unieverdrag en andere internationale overeenkomsten (**Stb.** 262), [artikel 85 van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=85) en de artikelen 45 en 220**a** van de Wet inzake de douane; De Raad van State gehoord (advies van 22 november 1993, nr. W06.93.0711); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 26 november 1993, nr. WD.93/713, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, directie Wetgeving Douane; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Met betrekking tot de belasting, administratieve boete en kosten waarvan de verschuldigdheid wordt vastgesteld vóór de dag van de inwerkingtreding van dit besluit blijft artikel 145**a**, tweede lid, van de Wet inzake de douane, zoals dat lid luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing en blijft artikel 146 van die wet buiten toepassing. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1994. Artikel IX Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanpassing douanewetgeving 1994. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":4064,"b":"Besluit van de directeur-generaal DUO van 13 oktober 2015, nr. 834092, tot het stellen van nadere eisen bij het schriftelijk indienen van verzoeken en gebruik van de elektronische weg bij verzoeken op grond van Wet openbaarheid van bestuur Gelet op [artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:15); Besluit: Artikel 1 1. Een schriftelijk verzoek om informatie zoals bedoeld in [artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=3) dat is gericht aan de Dienst Uitvoering Onderwijs kan slechts per post of per e-mail worden ingediend. 2. Bij indiening per post kunnen verzoeken uitsluitend worden toegezonden aan het hierna genoemde postadres, te weten: **Dienst Uitvoering Onderwijs** **T.a.v. de No/Wob-functionaris** **Postbus 30155** **9700 LG Groningen** 3. Bij indiening per e-mail kunnen verzoeken uitsluitend worden toegezonden aan het hierna genoemde e-mailadres, te weten: wob-verzoeken@duo.nl 4. Verzoeken zoals bedoeld in het eerste lid die op een andere wijze of via een andere adressering dan omschreven in het tweede en derde lid, elektronisch of anderszins, worden ingediend, worden niet in behandeling genomen. Artikel 2 1. Ten einde een vlotte behandeling van verzoeken zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037122&artikel=1&z=2015-10-29&g=2015-10-29), te bespoedigen is een Wob-formulier vastgesteld, dat is opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037122&bijlage=1&z=2015-10-29&g=2015-10-29) bij deze regeling. 2. Dit formulier is elektronisch beschikbaar via www.duo.nl en wordt op verzoek per post toegezonden. 3. Het gebruik van het Wob-formulier is niet verplicht. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage 1 Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Tevens zal deze regeli"},{"i":2063,"b":"Aanpassingsregeling Tijdelijke regeling invoering Wet op het financieel toezicht Gelet op [artikel 176 van de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020616&artikel=176); Besluit: Artikel I Wijzigt de Tijdelijke regeling invoering Wet op het financieel toezicht. Artikel II Indien het bij Koninklijke boodschap van 22 december 2005 ingediende voorstel van wet houdende regels tot uitvoering van richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (Kamerstukken II 2005/06, 30 419, nr. 2) tot wet wordt verheven, dient in de definitie van personen waarmee in onderling overleg wordt gehandeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) de zinsnede ‘natuurlijke personen en hun dochtermaatschappijen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel d van de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008369&artikel=1) te worden gelezen als: natuurlijke personen en hun dochtermaatschappijen als bedoeld in [artikel 5:33, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:33). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2007. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2135,"b":"Aanwijzing van andere diploma's als bedoeld in artikel 2 tweede lid, van het Examenbesluit accountants-administratie-consulenten Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs en Wetenschappen; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Examenbesluit accountants-administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002923&artikel=2) (Stb. 1974, 304); Besluit: Artikel 1 Tot het afleggen van het examen, bedoeld in [artikel 60 van de Wet op de Accountants-administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002856&artikel=60) (Stb. 1972, 748), wordt toegelaten degene die in het bezit is van: - a. een certificaat of een ander bewijsstuk, afgegeven op grond van het met goed gevolg afgelegd hebben van het controleursexamen, bedoeld in artikel 36 van het Ambtenarenbesluit Belastingdienst; - b. een akte van bekwaamheid van de tweede graad tot het geven van voortgezet onderwijs in de vakken economische wetenschappen I en recht en economische wetenschappen II en recht, uitgereikt door een instituut voor de opleiding van leraren, bekostigd krachtens de [Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718) (Stb. 1970, 370), mits uit deze akte of de bijbehorende cijferlijst blijkt dat voor de onderdelen bedrijfseconomie en bedrijfsadministratie een voldoende is behaald; - c. een getuigschrift hoger beroepsonderwijs, afgegeven op grond van het met goed gevolg afgelegd hebben van het examen in de vierjarige voltijdse of deeltijdse studierichting opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in het vak bedrijfseconomie, mits uit dit getuigschrift of de bijbehorende cijferlijst blijkt dat voor de onderdelen bedrijfseconomie en bedrijfsadministratie een voldoende is behaald; - d. een voor 1 januari 1989 door de Stichting Management Opleidingscentrum te Paramaribo uitgereikt diploma, afgegeven op grond van het met goed gevolg afgelegd hebben van het examen voor hoger economisch administratief onderwijs (bedri"},{"i":2222,"b":"Besluit van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 1 maart 2023, nr. 2023-0000089913, houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet normering topinkomens op het terrein van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Aanwijzing toezichthouders WNT overige instellingen Ministerie voor VRO) Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.1) en [5.3 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), alsmede [titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **WNT:** de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249); - b. **Eenheid toezicht WNT:** de als zodanig aangeduide eenheid, bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit BZK-toezicht en handhaving WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042396&artikel=1). Artikel 2. Gebundeld toezicht op de naleving van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) 1. De ambtenaren werkzaam bij de Eenheid toezicht WNT worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) ten aanzien van rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen waarvoor de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in de WNT is aangewezen als de Minister wie het aangaat, met uitzondering van de krachtens [artikel 19, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=19) toegelaten rechtspersonen. 2. De bevoegdheid om namens de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening inlichtingen te vorderen van de organisaties genoemd in [artikel 5.3 van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), wordt uitgeo"},{"i":2223,"b":"Aanwijzing tot observatie-inrichting voor preventief gedetineerden Gezien de brief van het Bestuur van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam te Rotterdam van 14 december 1977, strekkende tot aanwijzing van de afdeling Psychiatrie van dat ziekenhuis tot observatie-inrichting voor preventief gedetineerden in de zin van [artikel 198, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=198); Overwegende, dat uit het ingestelde onderzoek is gebleken, dat bedoelde afdeling voldoet aan de gestelde vereisten en dat voornoemd bestuur schriftelijk heeft verklaard, zich te onderwerpen aan de in artikel 1 van het Koninklijk besluit van 4 december 1925, Stb. 461, omschreven voorwaarden; Gelet op [artikel 198, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=198) en op artikel 4 van vorenbedoeld Koninklijk besluit, Besluit: - 1. de afdeling Psychiatrie van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam te Rotterdam, wordt aangewezen als inrichting waarheen verdachten, tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen op rechterlijk bevel kunnen worden overgebracht in verband met de noodzaak van een onderzoek naar hun geestvermogens. - 2. Deze beschikking zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant."},{"i":2224,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 december 2016, kenmerk 1051669-158542-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg houdende tweede verdaging toepassing macrobeheersmodel medisch specialistische zorg 2014 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Na op 4 november 2016 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) inzake de verdaging van besluitvorming over de inzet van het macrobeheersinstrument (mbi) voor medisch-specialistische zorg (msz) van het jaar 2014 (Kamerstukken II 2016/17, 29 248, nr. 295); Besluit: Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **Aanwijzing verdaging mbi msz 2014:** [Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juni 2015, kenmerk 779862-137775-MC, houdende verdaging toepassing macrobeheersmodel medisch specialistische zorg 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036816); Artikel 2 De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing regels of beleidsregels vast. Artikel 3 In afwijking van [artikel 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=5), en [artikel 6, tweede lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=6) en in afwijking van de [Aanwijzing verdaging mbi msz 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036816): - a. handhaaft de zorgautoriteit het mbi-omzetplafond voor het jaar 2014 niet dan nadat de Minister haar uiterlijk voor 1 mei 2017 schriftelijk heeft bericht dat het bedrag van dat plafond is overschreden; - b. stelt de zorgautoriteit voor het jaar 2014 de grens voor iedere individuele instelling gelijk aan"},{"i":2225,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 mei 2024, kenmerk 3837852-1066539-PZO, inzake uitvoering van het amendement Dobbe in verband met de herijking van de nhc/nic binnen de Wlz Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Gelet op het op 15 februari 2024 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangenomen amendement van het lid Dobbe van 23 januari 2024 (**Kamerstukken II** 2023–2024, 36 410 XVI, nr. 36) Gezien de brief van 16 mei 2024 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2023–2024, 29 389, nr. 126) Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **normatieve huisvestingscomponent (nhc):** een integraal onderdeel van het tarief dat dient als normatieve vergoeding voor (vervangende) (nieuw)bouw en instandhouding; - –. **normatieve inventariscomponent (nic):** een integraal onderdeel van het tarief dat dient als normatieve vergoeding voor investeringen in inventaris; - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **Wlz:** [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld in de [artikelen 3.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.1) en [3.3.2 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.2) waarvoor de zorgautoriteit voor 2024 prestatiebeschrijvingen en bijbehorende tarieven heeft vastgesteld inclusief een nhc en of een nic. Artikel 3. Opdracht 1. Ter uitvoering van het amendement Dobbe verhoogt de zorgautoriteit over uitsluitend het jaar 2024 de maximale beleidsregelwaarden van de door haar vastgestelde tarieven voor zorg als bedoeld in [a"},{"i":2226,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 juni 2020, kenmerk 1706559-206975 PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de vaststelling van prestatiebeschrijvingen en tarieven voor GGZ Wonen Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 14 april 2020 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2019–20, 25 424, nr. 529) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **ggz:** geestelijke gezondheidszorg; - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **Wlz:** [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg in natura als bedoeld in de [artikelen 3.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.1) en [3.3.2 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.2) zoals deze gelden per 1 januari 2021 en voor zover sprake is van zorg aan cliënten met een indicatiebesluit voor een van de vijf zorgprofielen voor GGZ wonen. Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen en tarieven De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2021 integrale en modulaire prestatiebeschrijvingen met een maximumtarief vast. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing met de toelichting in de Staatscourant."},{"i":2227,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 15 april 2009, nr. WJZ/9067599, tot aanwijzing van Koninklijke TNT Post BV als verlener van de universele postdienst (Aanwijzing verlener universele postdienst 2009) Gelet op [richtlijn nr. 97/67/EG](31997L0067) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PbEG 1998 L15) en [artikel 84 van de Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=84); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Koninklijke TNT Post BV wordt aangewezen als de rechtspersoon, bedoeld in [artikel 84 van de Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=84) Artikel 2 De [Aanwijzing verlener universele postdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025565) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2009. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzing verlener universele postdienst 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2228,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 januari 2022, kenmerk 3308642-1023276-PZO, inzake de verlenging van de geldigheidsduur van de prestatiebeschrijving voor meerkosten in verband met het coronavirus tot en met 31 december 2022 Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **Aanwijzing coronakosten:** Aanwijzing inzake de meerkosten en continuïteitsbijdrage vanwege het coronavirus in curatieve en forensische zorg1Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 23 april 2020, met kenmerk 1677978-204496-PZO, inzake de meerkosten en continuïteitsbijdrage vanwege het coronavirus in curatieve en forensische zorg.; - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - –. **prestatiebeschrijving meerkosten:** de prestatiebeschrijving zoals omschreven in artikel 3, tweede lid, van de Aanwijzing coronakosten. Artikel 2. Opdracht 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 4, derde lid, van de Aanwijzing coronakosten, gelden de door de zorgautoriteit vast te stellen beleidsregels en regels, voor zo ver deze betrekking hebben op de prestatiebeschrijving meerkosten, uiterlijk tot en met 31 december 2022. 2. Het bepaalde in het eerste lid werkt terug tot en met 1 januari 2022. Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 10 december schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II**2021/22, 25 295 nr. 1635) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing met de toelichting in de Staatscourant."},{"i":2229,"b":"Aanwijzing Vervoerdocumenten en Nadere Administratievoorschriften inzake Uitvoering Verordening nr. 11 van de raad van de E.E.G Gelet op artikel 7 van het Koninklijk besluit van 14 februari 1964, Stb. 35, Besluit: 1. definities In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. verordening: de Verordening nr. 11 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 16 augustus 1960); - b. besluit: het Koninklijk besluit van 14 februari 1964, **Stb.** 35; - c. eigen vervoer: eigen vervoer, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder **j**, van de Wet Autovervoer Goederen en als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder **i**, van de Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart. 2. E.E.G. discriminatie-controledocument 1. Behoudens het bepaalde in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002437&artikel=3&z=1964-03-01&g=1964-03-01), wordt als vervoerdocument, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het besluit, aangewezen een E.E.G.-discriminatie-controledocument, hetwelk overeenstemt met het model, opgenomen in de hij deze beschikking behorende bijlage. 2. Bij gebruik van het E.E.G.-discriminatie-controledocument is de ondernemer verplicht ervoor zorg te dragen, dat, onverminderd de reeds ingevolge het besluit geldende voorschriften, nog de volgende voorschriften in acht worden genomen: - a. Op het exemplaar van het document, dat wordt bewaard, worden de definitieve vrachtprijs, de overige kosten, eventueel de kortingen en alle andere voorwaarden, welke van invloed zijn op de vrachtprijs en vervoervoorwaarden, vermeld. - b. De te bewaren exemplaren worden volgens nummer gerangschikt. 3. Andere vervoerdocumenten 1. In afwijking van het bepaalde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002437&artikel=2&z=1964-03-01&g=1964-03-01), kan: - a. de ondernemer, die vervoer per spoor of vervoer in aansluiting op een spoorwegdienst verricht, volstaan met het gebruik van een vrachtbrief overeenkomstig het bepaalde ingev"},{"i":2230,"b":"Aanwijzing vervolgbeslissing inzake levensbeëndiging op verzoek Achtergrond Per 10-10-2012 zal de [Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410) in werking treden op Bonaire, St. Eustatius en Saba. Onder de werking van [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410) is het bieden van hulp bij zelfdoding en het uitvoeren van euthanasie strafbaar, tenzij de betrokken arts een beroep kan doen op de in het [Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570) opgenomen bijzondere strafuitsluitingsgronden. Samenvatting Deze aanwijzing regelt de wijze waarop het openbaar ministerie onder [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410) omgaat met gevallen van levensbeëindiging op verzoek (hulp bij zelfdoding en euthanasie). De officier van justitie is gehouden om, óók in gevallen van levensbeëindiging op verzoek, als bevoegde autoriteit te beslissen over het al dan niet afgeven van een verlof tot begraven/verbranding. Alleen die zaken waarin de regionale toetsingscommissie Groningen (aangewezen voor de BES) voor euthanasie tot het oordeel is gekomen dat de arts niet in overeenstemming met de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld, worden ter beoordeling gezonden aan het parket van de Procureur-Generaal van Curaçao, St. Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In alle gevallen waarin de toetsingscommissie oordeelt dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld, geldt dat als een eindoordeel, wat betekent dat deze niet (meer) ter kennis worden gebracht aan het openbaar ministerie. De [WTL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410) heeft betrekking op artsen die levensbeëindiging toepassen èn hiervan melding doen. De in de [artikelen 306, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=306), en [307, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=307) genoemde bijzondere strafuitsluitings"},{"i":2231,"b":"Aanwijzing vervolgingsbeslissing inzake actieve levensbeëindiging op verzoek (euthanasie en hulp bij zelfdoding) Samenvatting Deze aanwijzing geeft inzicht in de wijze waarop de beslissingen van het College van procureurs-generaal (College) tot stand komen ten aanzien van artsen die het leven van een patiënt op diens uitdrukkelijk verzoek actief hebben beëindigd door het uitvoeren van euthanasie of verlenen van hulp bij zelfdoding. De grondslag van deze beslissingen ligt in toepassing van de [artikelen 293](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=293) en [294 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=294) (Sr) en de [Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410) (WTL). 1. Wettelijke regeling In de [artikelen 293](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=293) en [294 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=294) is euthanasie en hulp bij zelfdoding uitgevoerd door een arts straffeloos geworden, mits de arts de levensbeëindiging heeft gemeld en hij daarbij aan de voorwaarden heeft voldaan die zijn genoemd in [artikel 2 van de WTL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410&artikel=2). Beslissingen om artsen al dan niet te vervolgen in verband met [artikel 293](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=293) en [294 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=294) zijn aan te merken als gevoelige zaken die het College meldt aan de minister van Veiligheid en Justitie. Gelet op de hiervoor genoemde bijzondere strafuitsluitingsgrond beoordeelt het College slechts die zaken waarin de regionale toetsingscommissie voor euthanasie (hierna: de toetsingscommissie) tot het oordeel is gekomen dat de arts **niet** in overeenstemming met de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld ([artikel 9, tweede lid, onder a WTL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=9)). In die geval"},{"i":2232,"b":"Aanwijzing vervolgingsbeslissing inzake late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen Deze aanwijzing geeft inzicht in de wijze waarop vervolgingsbeslissingen van het College van procureurs-generaal (verder: het College) tot stand komen ten aanzien van artsen die een zwangerschap van meer dan 24 weken afbreken, een zwangerschap afbreken in verband met de behandeling van de gezondheid van de moeder (maternale indicatie) of het leven van een pasgeborene beëindigen. 1. Wettelijk kader 1.1. [Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037570) 1 Stcrt. 2016, 3145 . Op 1 februari 2016 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de [Regeling centrale deskundigencommissie late zwangerschapsafbreking in een categorie 2-geval en levensbeëindiging bij pasgeborenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021481)2Stcrt. 2007, 51. ingetrokken en een nieuwe regeling getroffen voor de beoordeling van gemelde gevallen van late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen. Tegelijk met de nieuwe [regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037570) (verder: de Regeling) is een commissie ingesteld voor de beoordeling van dergelijke gevallen (verder: de Beoordelingscommissie) en is de Centrale deskundigencommissie ontheven van haar taken in deze. In de Regeling zijn de geldende zorgvuldigheidseisen op onderdelen nader geformuleerd en enkele medische en juridische aspecten zijn verhelderd. Aan de Regeling is toegevoegd de beoordeling van late zwangerschapsafbreking in het geval redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ongeborene niet in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven (zogenaamde categorie 1 gevallen, zie [art. 2 van de Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037570&artikel=2)). 1.2. Niet-natuurlijk overlijden De [Wet op de Lijkbezorging](https://wetten.overheid."},{"i":2233,"b":"Verlening vergunning aan Amsterdam tot organiseren van een speelcasino Wet kansspelen Gelet op [artikel 27p van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27p); Gezien de voordracht van de Raad voor Casinospelen van 16 december 1983; Gezien voorts het besluit van de Gemeenteraad van Amsterdam van 22 januari 1986, nr. 23, betreffende de vestiging van een speelcasino in die gemeente: Besluiten: Artikel 1 De gemeente Amsterdam wordt aangewezen als gemeente waarvoor ingevolge de Organisatiebeschikking Casinospelen (Stcrt. 1975, 252) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. Artikel 2 Deze beschikking wordt in de Staatscourant gepubliceerd en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"i":2234,"b":"Aanwijzing 's-Gravenhage als vestigingsplaats voor een casino Gelet op Artikel 27p van de Wet op de kansspelen; Gezien de voordracht van de Raad voor de Casinospelen van 10 februari 1976 (Stcrt. 1976, nr. 48); Gezien voorts het besluit van de gemeenteraad van 's-Gravenhage van 4 oktober 1976, Besluiten: Artikel 1 's-Gravenhage wordt aangewezen als gemeente waarvoor bij de Organisatiebeschikking casinospelen (Stcrt. 1975, nr. 252) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003213&artikel=1&z=1979-01-27&g=1979-01-27) bedoelde aanwijzing geldt uitsluitend voor zover het speelcasino in het Kurhaus aldaar wordt gevestigd. Artikel 3 Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekend gemaakt en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"i":2235,"b":"Vestigingsplaatsen speelcasino's/Aanwijzing gemeenten Valkenburg-Houthem Gelet op [artikel 27p van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27p); Gezien de voordracht van de Raad voor de Casinospelen van 15 september 1975 (Stcrt. 1975, nr. 194); Gezien voorts de besluiten van de gemeenteraad van Valkenburg-Houthem en van de gemeenteraad van Zandvoort van respectievelijk 19 december en 16 december 1975. Besluiten: Artikel 1 Valkenburg-Houthem en Zandvoort worden aangewezen als gemeenten waarvoor bij de Organisatiebeschikking casinospelen (Stcrt. 1975, 252) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. Artikel 2 Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekendgemaakt en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"i":2236,"b":"Aanwijzing vestigingsplaatsen casino's Breda, Groningen, Nijmegen en Rotterdam Gelet op [artikel 27p van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27p); Gezien de voordracht van de Raad voor de Casinospelen van 16 december 1983; Gezien voorts de besluiten van de gemeenteraad van Breda dd. 20 september 1984 van de gemeenteraad van Groningen dd. 15 augustus 1984, van de gemeenteraad van Nijmegen dd. 16 mei 1984 en van de gemeenteraad van Rotterdam dd 16 augustus 1984; Besluiten: Artikel 1 De gemeenten Breda, Groningen, Nijmegen en Rotterdam worden aangewezen als gemeenten waarvoor ingevolge de Organisatiebeschikking Casinospelen (Stcrt. 1975, 252) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. Artikel 2 Deze beschikking wordt in de staatscourant gepubliceerd en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking"},{"i":2237,"b":"Aanwijzing voor de internationale aspecten van de inzet van de bevoegdheid ex art. 126nba Sv Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor de toepassing van de bevoegdheid tot het op afstand en heimelijk binnendringen van een geautomatiseerd werk met het oog op het verrichten van bepaalde onderzoekshandelingen ([artt. 126nba, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126nba), [126uba, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126uba), en [126zpa, eerste lid Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zpa)). Omdat het internet niet gebonden is aan landsgrenzen zullen bij de uitvoering van de bevoegdheid gegevens en geautomatiseerde werken kunnen worden benaderd die zich in het buitenland bevinden. Deze aanwijzing geeft regels voor het handelen in deze internationale context. 1. Uitgangspunten 1.1. Soevereiniteit en het internet Met behulp van het internet kunnen gegevens eenvoudig en vliegensvlug over grote afstanden worden verzonden. De technische architectuur van het internet volgt de traditionele landsgrenzen niet. De infrastructuur van het internet, in het bijzonder de opslag van consumenten- en bedrijfsgegevens in de ‘cloud’, is daarnaast in eigendom van talloze internationale bedrijven. Deze bedrijven gebruiken in toenemende mate kunstmatige intelligentie om het beheer en de verwerking van klantgegevens in een onophoudelijk proces te optimaliseren. De locatie van de door hen opgeslagen gegevens is daardoor zeer vluchtig en steeds vaker ook voor het bedrijf onbekend. Om computercriminaliteit en gedigitaliseerde criminaliteit toch te kunnen blijven opsporen is het noodzakelijk dat er zorgvuldig wordt gehandeld in gevallen waar de locatie van gegevens niet op voorhand vastgesteld is of onbekend blijft. 1.2. Rechtshulp algemeen Op grond van de wet en de jurisprudentie bestaat er voor politie en OM ruimte om buiten de grenzen van het Nederlandse grondgebied op te treden.1Kamerstukken II 2015/16,"},{"i":2238,"b":"Aanwijzing voor de opsporing Achtergrond Opsporingsinstanties en OM worden geconfronteerd met een veelheid aan strafbare feiten. Tegelijkertijd is de beschikbare opsporingscapaciteit beperkt en dwingt tot het maken van keuzes. Dat betekent dat steeds afgewogen moet worden of in een zaak tot opsporing wordt overgegaan, en zo ja, met welke inzet (in tijd en in capaciteit). Gegeven de beperkte opsporingscapaciteit zal er altijd sprake zijn van selectieve opsporing. Aan deze selectiviteit wordt invulling gegeven door beleidsmatige en juridische criteria, vastgelegd in verscheidene documenten1Visiedocumenten, jaarplannen, beleidsregels, handhavingsarrangementen, projectplannen etc. en strategische, tactische en operationele beslissingen in de toepasselijke beslisstructuren. Deze aanwijzing ziet op de opsporing en vervolging van misdrijven en beschrijft het afwegingskader waarbinnen de keuzes worden gemaakt. In de uitwerking is dit kader grotendeels gericht op de politie. De uitgangspunten en de kaders gelden niet alleen voor de politie, maar ook voor de inzet van opsporingscapaciteit en de gezamenlijke sturing daarop bij de andere (bijzondere) opsporingsdiensten en de KMar. 1. Doelstelling De aanwijzing voor de opsporing vormt het kader voor de reactie van de opsporingsdiensten en OM op gepleegde strafbare feiten (misdrijven). Met deze aanwijzing wordt beoogd de volgende doelen te bereiken: 2. Visie Bij politie en OM is de laatste jaren hard gewerkt aan het vergroten van de omgevingsgerichtheid en aandacht voor gevoelige zaken. Ook worden regionaal en lokaal in toenemende mate afspraken gemaakt over prioriteiten in het veiligheidsbeleid. Verder is het afpakken van crimineel verkregen vermogen een steeds belangrijker aandachtspunt, omdat dit daders vaak harder raakt dan reguliere straffen en omdat daarmee tevens slachtoffers tegemoet gekomen kunnen worden. In de veiligheidsketen is, in het kader van de integrale aanpak van (ondermijnende) criminaliteit steeds meer aandach"},{"i":2239,"b":"Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging Samenvatting Het openbaar ministerie en de opsporingsinstanties1De aanwijzing ziet op alle opsporingsinstanties: de politie, de rijksrecherche, de KMar en de bijzondere opsporingsdiensten FIOD, ILT/IOD, NVWA-IOD en ISZW-DO. Waar in deze aanwijzing gesproken wordt over de opsporingsinstanties, worden ook de politie, de rijksrecherche en de KMar bedoeld. geven actief en gericht voorlichting over de aanpak en preventie van criminaliteit en over de strafrechtspleging. Hiermee informeren zij de samenleving over de manier waarop zij hun taken in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde uitvoeren en leggen zij daarover publiekelijk verantwoording af. Deze aanwijzing geeft regels voor de inzet van voorlichting over opsporing en vervolging. De aanwijzing gaat in op de situatie waarin door voorlichting inbreuk wordt gemaakt op de privacy van identificeerbare personen, benoemt waar de verantwoordelijkheid voor de inzet van voorlichting ligt in de te onderscheiden gevallen en op de verschillende communicatiemomenten, en geeft regels voor medewerking aan mediaproducties. 1. Inleiding en uitgangspunten 1.1. Inleiding Als strafrechtelijke handhavers van de rechtsorde leveren het OM en de opsporingsinstanties een belangrijke bijdrage aan de maatschappelijke veiligheid. Via de media2De term media wordt in deze aanwijzing gebruikt in de ruimst mogelijke betekenis en omvat alle denkbare communicatiemiddelen, waaronder audiovisuele media, printmedia, online media en sociale media. leggen zij publiekelijk verantwoording af door gericht en actief te communiceren over de aanpak en preventie van criminaliteit en over de ontwikkelingen in (concrete) onderzoeken en strafzaken (de strafrechtspleging). Hiermee voorzien zij de samenleving van de informatie die nodig is voor een goed publiek debat over de strafrechtspleging. Voorlichting wordt behalve ten behoeve van het publiek belang van de openbaarheid in de strafrechtspleg"},{"i":2240,"b":"Aanwijzingsbesluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 september 2025, nr. 2025-000504184, tot uitvoering van Verordening (EU) 2024/900 betreffende transparantie en gerichte politieke reclame (Tijdelijk Aanwijzingsbesluit uitvoering verordening transparantie en gerichte politieke reclame) Gelet op de artikelen 21, vierde lid, en 22, eerste, derde, vierde, zevende en negende lid, van [Verordening (EU) 2024/900](32024R0900) van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 betreffende transparantie en gerichte politieke reclame; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen - –. Autoriteit Consument en Markt: Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - –. Autoriteit persoonsgegevens: Autoriteit persoonsgegevens als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=6); - –. Commissariaat voor de Media: Commissariaat voor de Media als bedoeld in [artikel 7.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.1); - –. verordening: [Verordening (EU) 2024/900](32024R0900) van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 betreffende transparantie en gerichte politieke reclame. Artikel 2. Aanwijzing bevoegde autoriteit en coördinator tussenhandeldiensten 1. Het Commissariaat voor de Media is de bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 22, derde en vierde lid, van de verordening. 2. De Autoriteit Consument en Markt is voor uitvoering van dit besluit belast met de coördinatie op nationaal niveau met betrekking tot aanbieders van tussenhandeldiensten, bedoeld in artikel 22, derde lid, van de verordening. Artikel 3. Aanwijzing beheerder register wettelijke vertegenwoordigers en nationaal contactpunt 1. Het Commissariaat voor de Media is de beheerder van het"},{"i":2241,"b":"Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling Samenvatting Deze aanwijzing geeft nadere regels voor de toepassing van de wettelijke regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Die regeling is ingrijpend gewijzigd met de inwerkingtreding van de [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990). De aanwijzing gaat in op de taken die het openbaar ministerie heeft en de verdeling van deze taken binnen het OM. Deze aanwijzing geeft algemene regels voor de toepassing van de huidige (deel 1) en de vorige v.i.-regeling (deel 2), alsmede voor de situaties waarin sprake is van samenloop (deel 3, overgangsrecht [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990)). Algemeen 1. Doel van de regelingen Aan het eind van hun vrijheidsstraf keren veroordeelden terug in de maatschappij. Het is zowel in het belang van de veroordeelde als van de samenleving, dat die terugkeer geleidelijk en verantwoord verloopt, met zo min mogelijk kans op herhaling van een strafbaar feit. Daarom is het verblijf in de penitentiaire inrichting dusdanig ingericht dat gedetineerden vanaf het begin van de detentie werken aan een delictvrije toekomst buiten de gevangenismuren. De tenuitvoerlegging van bepaalde vrijheidsstraffen kan vervolgens met een periode van voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) worden afgesloten. Het OM vervult een aantal belangrijke taken in de onderscheidenlijke v.i.-regelingen. Met inachtneming van het wettelijk kader komt het steeds zelfstandig en onafhankelijk tot een afweging van alle in aanmerking komende belangen. 2. Wijzigingen [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) Met de op 1 juli 2021 in werking getreden [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) (**Stb**. 2020, 2241Gewijzigd met de spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (**Stb**. 2020, 225).) is de v.i.-regeling uit 2008 ingrijpend gewijzigd"},{"i":2242,"b":"Aanwijzing voorwaardelijke straffen en schorsing van voorlopige hechtenis onder voorwaarden Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor de taken en verantwoordelijkheden van het openbaar ministerie (OM) bij: Deze aanwijzing beoogt te bevorderen dat bijzondere voorwaarden adequaat worden toegepast met het oog op het terugdringen van recidive en het beschermen van de samenleving en het slachtoffer. Daarnaast beoogt de aanwijzing een goede aansluiting van de verschillende schakels binnen de executieketen te bewerkstelligen. Het vorderen van bijzondere voorwaarden is aan de orde indien: De in de wet genoemde bijzondere voorwaarden kunnen, op enkele voorwaarden na, onderdeel zijn van zowel de schorsingsbeschikking (voorlopige hechtenis) als het vonnis. Achtergrond Enerzijds bieden bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling of een schorsing van de voorlopige hechtenis ruimte voor een op de persoon toegesneden interventie met als doel gedragsverandering bij de veroordeelde of verdachte en bescherming van de maatschappij en het slachtoffer in het bijzonder. Anderzijds vormt de dreiging van het voorwaardelijke strafdeel of herleving van de voorlopige hechtenis een stevige stok achter de deur. Het OM heeft als partij in het primaire proces een rol in de tenuitvoerlegging van de straffen en maatregelen die zijn opgelegd door de rechter of de officier van justitie.2Waar in de aanwijzing wordt gesproken over ‘officier van justitie’, ‘rechter’, ‘rechtbank’ en ‘vonnis’, wordt daarmee tevens ‘advocaat-generaal’, ‘raadsheer’, ‘gerechtshof’ respectievelijk ‘arrest’ bedoeld, tenzij anders is aangegeven De minister is echter eindverantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen en is belast met de feitelijke uitvoering van het toezicht op de naleving van de algemene en bijzondere voorwaarden. Het OM is belast met het toezicht op de naleving van de algemene en bijzondere voorwaarden in verband met het nemen van vervolgbeslissingen en komt dus in"},{"i":2264,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 26 maart 2018, nr. 2214982 houdende de aanwijzing van merk en type van wapens, munitie, draagmiddelen en uitrusting van de politie (Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2018) Gelet op de [artikelen 15, eerste en tweede lid van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=15), Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Besluit: het [Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136). Artikel 2 1. Als pistool, bedoeld in [artikel 1, onder b, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=1), wordt goedgekeurd: - a. het semi-automatisch pistool van het merk Walther, type P99Q NL, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter; - b. het semi-automatisch pistool, merk Glock, type 17, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter. 2. Als semi-automatisch schoudervuurwapen, bedoeld in [artikel 1, onder c, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=1), wordt goedgekeurd het semi-automatisch vuurwapen, merk Heckler & Koch, type MP5, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter. 3. Als automatisch schoudervuurwapen, bedoeld in [artikel 1, onder d, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=1), wordt goedgekeurd: - a. het automatisch vuurwapen, merk Heckler & Koch, type MP5, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter; - b. het automatisch vuurwapen, merk Heckler & Koch, type MP5K, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter. Artikel 3 Het pistool, het semi-automatisch schoudervuurwapen, bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040810&artikel=2&z=2025-12-03&g=2025-12-03), en het automatisch schoudervuurwapen bedoeld in artikel 2, derde lid, worden geladen met: - a. munitie van het merk RUAG Ammotec GmbH, type Action, model NP, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter, of - b. munitie van het merk RUAG Ammotec"},{"i":2265,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 16 december 2003, kenmerk 5260247/DBZ/03, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de dienst Stadstoezicht van de gemeente Rotterdam Handelende in overeenstemming met de betrokken Ministers; Gelezen het verzoek van de algemeen directeur van de dienst Stadstoezicht van de gemeente Rotterdam; Gelet op: – [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder ten tweede, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); – [artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=8); – [artikel 142, eerste lid, onder b en c, en het derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); – het [Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013); Besluit: Artikel 1 Wijzigt het besluit buitengewoon opsporingsambtenaar dienst Stadstoezicht Rotterdam 2003 Artikel 2 De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging en de overige benoemingsbescheiden van de buitengewoon opsporingsambtenaren die in dienst van de dienst Stadstoezicht Rotterdam de functie van reinigingsagent vervullen, worden voor de duur van hun geldigheid of tot daarover nader zal zijn beslist, geacht te zijn akten en overige benoemingsbescheiden afgegeven mede op basis van onderhavige besluit. Dit besluit treed in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden geplaatst."},{"i":2266,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 november 2010, nr. DDS 5674671, houdende aanwijzing van de Centrale autoriteit internationale kinderontvoering Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Aanwijzingsbesluit Centrale autoriteit internationale kinderontvoering BES) Gelet op [artikel 1:377l, eerste lid, Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=377l); Besluit: Artikel 1 De Voogdijraad van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt belast met de taak van centrale autoriteit als bedoeld in artikel 2 van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (**Trb.** 1981, 10) en artikel 6 van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (**Trb.** 1987, 139) en met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 oktober 2010. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit Centrale autoriteit internationale kinderontvoering BES. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":2267,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 29 maart 2010, nr. 5646744/10/CBJ, houdende aanwijzing van de Centrale autoriteit internationale kinderontvoering (Aanwijzingsbesluit Centrale autoriteit internationale kinderontvoering) Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, uitvoering van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen alsmede algemene bepalingen met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van ontvoerde kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004746&artikel=4) (Stb. 1990, 202), artikel 2 van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (Trb. 1981, 10) en artikel 6 van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139); Besluit: Artikel 1 De directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken van het directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties, afdeling Juridische en Internationale Zaken, aan te wijzen als de onder het ministerie ressorterende dienst die is belast met de taak van centrale autoriteit als bedoeld in artikel 2 van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (Trb. 1981, 10) en artikel 6 van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag betreffend"},{"i":2268,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 26 maart 2010, nr. WJZ/10046563 tot aanwijzing van het contactpunt in de zin van artikel 55 van de Dienstenwet in het kader van de administratieve samenwerking op grond van de dienstenrichtlijn (Aanwijzingsbesluit contactpunt administratieve samenwerking dienstenrichtlijn) Gelet op [artikel 55, eerste lid, van de Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=55); Besluit: Artikel 1 1. De onder de directeur-generaal van Energie, Telecom en Markten van het Ministerie van Economische Zaken ressorterende directie Mededinging en Consumenten is belast met de taken van het contactpunt, bedoeld in [artikel 55 van de Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=55). 2. De directeur-generaal wijst de medewerkers van deze directie aan die de werkzaamheden zullen uitvoeren verbonden aan de taken, bedoeld in het eerste lid. Artikel 2 De werkzaamheden van het contactpunt kunnen worden ondersteund door medewerkers van een overheidsorganisatie voor zover daartoe een opdracht is verstrekt. Artikel 3 De contactgevens van het contactpunt kunnen worden geraadpleegd op de websites die zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit en worden overeenkomstig artikel 28, tweede lid, van [richtlijn 2006/123/EG](32006L0123) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU L 376) aan de andere lidstaten en de Europese Commissie medegedeeld. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit contactpunt administratieve samenwerking dienstenrichtlijn. Bijlage http://ec.europa.eu/internal_market/imi-net/contact_en.html http://www.ez.nl/Dienstenrichtlijn"},{"i":2269,"b":"Besluit van 21 augustus 1991, houdende aanwijzing van de autoriteiten, bedoeld in artikel 16 van de Prijzennoodwet Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 23 november 1990, nr. 90110569 WJA/W; Gelet op [artikel 16 van de Prijzennoodwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003734&artikel=16) (**Stb.** 1984, 575); De Raad van State gehoord (advies van 6 maart 1990, nr. W10.90.0598); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 25 juli 1991, nr. 91054016 WJA/W; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als de autoriteiten, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van de Prijzennoodwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003734&artikel=16) worden, met de titel van economisch commissaris, aangewezen de leden van de Kamer van Koophandel. Artikel 2 Als de autoriteiten, bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van de Prijzennoodwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003734&artikel=16), worden aangewezen voor Onze Minister van: - a. Buitenlandse Zaken: de commissarissen van de Koning, ieder voor de provincie waarvoor hij is benoemd; - b. Veiligheid en Justitie: de commissarissen van de Koning, ieder voor de provincie waarvoor hij is benoemd; - c. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: de commissarissen van de Koning, ieder voor de provincie waarvoor hij is benoemd; - d. Financiën: de voorzitters van de managementteams van de Belastingdienst/Douane; - e. Defensie: de regionale militaire commandanten, ieder voor het gezagsgebied waarvoor hij is aangesteld; - f. Infrastructuur en Milieu: de hoofdingenieur-directeuren van de regionale organisatieonderdelen van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, ingesteld krachtens [artikel 2, eerste lid, onder b, van het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=2), ieder voor het gezagsgebied van het regionale organisatieonderdeel waarvoor hij is aangesteld; - g. Volksgezondheid, Welzijn en Sport: de inspe"},{"i":2270,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 december 2025, BZ2523017, tot aanwijzing van elektronische kanalen voor het verzenden van berichten aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Buitenlandse Zaken) Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **bewindspersoon:** de Minister van Buitenlandse Zaken en in voorkomend geval de minister zonder portefeuille of de staatssecretaris die belast is met de behartiging van een of meer tot het werkgebied van het ministerie behorende beleidsterreinen; - –. **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - –. **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzing algemene kanalen 1. Berichten die de verzender uit eigen beweging verzendt, worden verzonden naar de kanalen, genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051986&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01). 2. Berichten die op verzoek van de bewindspersoon worden verzonden, worden verzonden naar het in de uitnodiging genoemde kanaal. Artikel 3. Aanwijzing specifieke kanalen De bewindspersoon wijst voor ieder type bericht de specifieke kanalen, genoemd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051986&bijlage=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aan. Artikel 4. Overige manieren van communiceren 1. Voor berichten waarvoor in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051986&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051986&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) geen expliciet kanaal is aangewe"},{"i":2271,"b":"Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen CAK gelet op de inwerkingtreding van de [wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048252) (Wmebv) per 1 januari 2026 en het daarbij bepaalde in [artikel 2:13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), ten aanzien van het aanwijzen van elektronische kanalen, besluit tot vaststelling van: aanwijzingsbesluit elektronische kanalen CAK Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. **Bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **Kanaal:** een aangewezen wijze van verzenden als bedoeld in [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) van elektronische berichten. - c. **Verzender:** burgers, ondernemers en anderen die bij het CAK iets (aan)vragen of indienen. - d. **Digitaal verkeer:** digitale berichtenuitwisseling (communicatie) tussen burgers, ondernemers en andere (overheids)organen met het CAK. - e. **MijnCAK:** beveiligde digitale omgeving waar verzender kan inloggen met DigiD. - f. **Website:** [http://www.hetcak.nl](http://www.hetcak.nl/). Artikel 2. Aanwijzen kanalen generiek Voor (officiële) berichten die de verzender uit eigen beweging indient, worden de volgende kanalen aangewezen: - a. Voor klachten als bedoeld in [titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=9.1) geldt het daarvoor bestemde webformulier op de website als kanaal. - b. Voor berichten in het kader van een bezwaar als bedoeld in [artikel 1:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:5) geldt het daarvoor bestemde webformulier op de website als kanaal. - c. Voor berichten in het kader van een besluit als bedoeld in [artikel 34 Uitvoeringswet Algemene verordenin"},{"i":2272,"b":"Besluit tot aanwijzing van elektronische kanalen voor het indienen van berichten in de zin van artikel 2.13 van de Algemene wet bestuursrecht (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Commissariaat voor de Media 2026) Gelet op [artikel 2:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bericht:** een officieel bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **kanaal:** een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzen kanalen 1. Voor berichten die de verzender uit eigen beweging indient en waarvoor op [de website van het Commissariaat voor de Media](https://www.cvdm.nl/) een specifiek webformulier beschikbaar is, wordt dit betreffende formulier als kanaal aangewezen. 2. Voor berichten die de verzender uit eigen beweging indient en waarvoor op de [website over De Vaste Boekenprijs](https://devasteboekenprijs.nl/) een specifiek webformulier beschikbaar is, wordt dit betreffende formulier als kanaal aangewezen. 3. Voor berichten die de verzender uit eigen beweging indient en waarvoor op [de website van het Commissariaat voor de Media](https://www.cvdm.nl/) een specifiek e-mailadres beschikbaar is, wordt dit betreffende e-mailadres als kanaal aangewezen. 4. Voor berichten waarvoor in dit besluit geen kanaal is aangewezen en voor zover de wet niet anders bepaalt, geldt het algemene contactformulier op [de website van het Commissariaat voor de Media](https://www.cvdm.nl/) als aangewezen kanaal. Artikel 4. Kanaal voor berichten op verzoek van het Commissariaat voor de Media Voor berichten die op verzoek van het Commissariaat voor de Media w"},{"i":2273,"b":"Besluit van het Huis voor Klokkenluiders van 24 februari 2026 houdende de aanwijzing van elektronische kanalen voor het verzenden van berichten in de zin van artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Het Huis voor Klokkenluiders besluit: Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. **Bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **Kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzing kanalen 1. Dit aanwijzingsbesluit geeft aan op welke wijze burgers en bedrijven het Huis voor Klokkenluiders digitaal kunnen benaderen. Burgers en bedrijven houden de mogelijkheid om op andere manieren te communiceren met het Huis voor Klokkenluiders, zoals per telefoon, per post of via een afspraak op locatie. 2. Het Huis voor Klokkenluiders wijst op grond van [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) voor ieder afzonderlijk bericht kanalen aan, zoals opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052388&bijlage=1&z=2026-03-05&g=2026-03-05) bij dit besluit. 3. Voor berichten waarvoor in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052388&bijlage=1&z=2026-03-05&g=2026-03-05) geen kanaal is opgenomen, dient gebruik te worden gemaakt van het algemene e-mailadres van het Huis voor Klokkenluiders: contact@huisvoorklokkenluiders.nl Artikel 3. Inwerkingtreding besluit Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst. Artikel 4. Citeertitel Dit be"},{"i":2274,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 januari 2026, nr. IOE/61192975, tot aanwijzing van kanalen voor het verzenden van berichten aan de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed in de zin van de artikelen 2:13 en 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed) Gelet op [artikel 2:13, tweede lid en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), en [artikel 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14); Besluit: Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. bericht: bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) en als bedoeld in [artikel 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14); - b. kanaal: aangewezen wijze van elektronisch verzenden van een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), en als bedoeld in [artikel 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14); - c. inspectie: Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. Artikel 2. Algemene bepalingen 1. Dit aanwijzingsbesluit geeft aan op welke wijze eenieder een bericht elektronisch naar de inspectie kan verzenden. 2. Onverminderd het eerste lid bestaat de mogelijkheid om op andere manieren te communiceren met de inspectie, zoals per telefoon, per post, of via een afspraak op locatie. Artikel 3. Aanwijzing elektronische kanalen per proces 1. Als kanalen voor ieder afzonderlijk proces worden aangewezen de kanalen zoals vermeld in de bijlage bij dit besluit. 2. Voor berichten die op verzoek van het bestuursorgaan worden verzonden, wordt het in de uitnodiging aangewezen kanaal gebruikt. 3. In afwijking van het eerste lid wordt, voor berichten waarvoor in dit aanwijzingsbesluit geen ex"},{"i":2275,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2025 houdende de aanwijzing van elektronische kanalen voor het verzenden van berichten in de zin van artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen BZK 2025) Overwegende, Dat de [Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048252) (Wmebv) burgers en bedrijven het recht geeft om ieder formeel bericht via een elektronisch kanaal aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) te versturen; Dat het aanwijzen van elektronische kanalen per formeel proces zorgt voor kanalisering van communicatie; Gelet op [artikel 2:13 tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); BESLUIT Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. **bewindspersoon:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in voorkomend geval de staatssecretaris die belast is met de behartiging van een of meer tot het werkgebied van het ministerie behorende beleidsterreinen; - b. **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - c. **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Algemene bepalingen 1. Dit aanwijsbesluit geeft aan op welke wijze burgers, bedrijven, stichtingen en andere rechtspersonen het Ministerie van BZK en/of haar specifieke dienstonderdelen digitaal kunnen benaderen. Burgers en bedrijven (en andere rechtspersonen) houden de mogelijkheid om op andere manieren te communiceren met het Ministerie van BZK, zoals per telefoon, per post, of via een afspraak op locatie. 2. Voor berichten die de verzender uit e"},{"i":2276,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 9 december 2025, nr. WJZ/ 102861719, tot aanwijzing van elektronische kanalen voor het verzenden van berichten (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Ministerie van Economische Zaken) Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Besluit: Treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer. Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. bericht: een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. kanaal: een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzing elektronische kanalen per proces Als kanalen voor ieder afzonderlijk proces worden aangewezen de kanalen zoals vermeld in de bijlage bij dit besluit. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit aanwijzingsbesluit treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van de [Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048252). Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Ministerie van Economische Zaken. Bijlage. – Kanalen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052061&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | Bericht | Specifiek kanaal | | --- | --- | | Woo-verzoek | WooContactWJZ@minezk.nl | | Bezwaar als bedoeld in [Afdeling 7.1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=7.1) | WJZ-bb@minezk.nl | | Klacht ([hoofdstuk 9 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9)) | [www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-economische-zaken/contact/klacht-over-ministerie](https://www.rijksoverheid.nl/mi"},{"i":2277,"b":"Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Ministerie van JenV Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzing elektronische kanalen per proces De Minister van Justitie en Veiligheid wijst voor ieder afzonderlijk proces en de daarbijhorende berichten processpecifieke kanalen aan, zoals vermeld in [bijlagen 1 tot en met 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052270&bijlage=1&z=2026-02-06&g=2026-02-06) bij dit besluit. Elk toegewezen kanaal heeft slechts betrekking op de daarbij genoemde kernomschrijving. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit aanwijzingsbesluit treedt in werking een dag na bekendmaking. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Ministerie van JenV. Bijlage 1 De in bijlage 1 vermelde kanalen zien op algemene correspondentie met het ministerie. | Naam officieel bericht | Specifiek kanaal | | --- | --- | | Woo-verzoeken | [Contactformulier](https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-justitie-en-veiligheid/contact/woo-verzoek-indienen) of woo@minjenv.nl | | Klachten in de zin van [hoofdstuk 9 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) | [Contactformulier](https://www.rijksoverheid.nl/contact/informatie-rijksoverheid/e-mail-sturen) of infopiv@minjenv.nl | | AVG-verzoeken | avgverzoeken@minjenv.nl | | Bezwaarprocedures in de zin van [afdeling 7.1 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afd"},{"i":2278,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van, 18 december 2025, nr. WJZ 5879602,houdende de aanwijzing van de juiste wijze van verzenden van berichten aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in de zin van de artikelen 2:13 en 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen OCW) Gelet op [artikel 2:13, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), en [2:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14); **Besluit:** Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). - c. **ministerie:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - d. **kerndepartement:** ministerie ‘in enge zin’ dus bezien zonder medeneming van de Dienst Uitvoering Onderwijs, de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen, het Nationaal Archief, de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, de beide inspecties en de bureaus zoals bedoeld in [artikel 3 van Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=3) en in [hoofdstuk 11 van de bijlage](onbekend) daarvan. Artikel 2. Algemene bepalingen 1. Dit aanwijzingsbesluit geeft aan op welke wijze burgers, bedrijven, stichtingen en andere rechtspersonen het kerndepartement digitaal kunnen benaderen. Burgers en bedrijven (en andere rechtspersonen) houden de mogelijkheid om op andere manieren te communiceren met het ministerie, zoals per telefoon, per post, of via een afspraak op locatie. 2. Voor berichten die de verzender uit eigen beweging verzendt, worden in de bijlage bij d"},{"i":2279,"b":"Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening CBR 2026 gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), besluit vast te stellen het: Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening CBR 2026 Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzing kanalen 1. Voor berichten binnen de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052096&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), tabel A opgenomen processen die de verzender uit eigen beweging indient, wordt het daarin aangewezen specifieke kanaal aangewezen ter ontvangst van die berichten. 2. Voor berichten binnen de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052096&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), tabel A opgenomen processen die de verzender op verzoek van het CBR indient, wordt de in de uitnodiging aangewezen elektronische wijze van verzenden als kanaal gebruikt. Artikel 3. Algemeen kanaal Voor berichten buiten de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052096&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), tabel A opgenomen subprocessen of handelingen, die de verzender uit eigen beweging indient, wordt als kanaal aangewezen: - a. generiek e-formulier ‘contactformulier’ voor alle formele berichten waar geen specifiek kanaal voor is aangewezen, alsmede overige vragen. Dit formulier is vindbaar via: [https://www.cbr.nl/nl/service/nl/contact/contactformulier-voor-niet-anonieme-vragen](https://www.cbr.nl/nl/service/nl/contact/contactformulier-voor-niet-anonieme-vragen) Artikel"},{"i":2280,"b":"Besluit van de directeur-generaal van de statistiek van 13 januari 2026 tot aanwijzing van elektronische kanalen voor het indienen van berichten in de zin van artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij het CBS (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening CBS 2026) gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); besluit vast te stellen het: **Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening CBS 2026** De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - 1. **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - 2. **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) Artikel 2. Aanwijzing kanalen Voor berichten die de verzender uit eigen beweging, dan wel op verzoek van het CBS indient, worden de kanalen aangewezen zoals vermeld in het overzicht in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052214&bijlage=1&z=2026-01-26&g=2026-01-26) van dit besluit. Artikel 3. Inwerkingtreding besluit Dit besluit treedt in werking met ingang van 26 januari 2026. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening CBS 2026. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Bijlage 1 | Berichttype | Aangewezen kanaal | | --- | --- | | Aanvraag instellingsmachtiging | Per e-mail aan: aanvraagmicrodata@cbs.nl | | Een aanvraag in het kader van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) (Woo) | Per e-mail aan: woo@cbs.nl | | Een verzoek in het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AV"},{"i":2281,"b":"Besluit van het College donorgegevens kunstmatige bevruchting van 19 januari 2026, tot aanwijzing van elektronische kanalen voor het indienen van berichten in de zin van artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij het College donorgegevens kunstmatige bevruchting (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening Cdkb 2026) Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Besluit: Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - c. **Cdkb:** College donorgegevens kunstmatige bevruchting als bedoeld in de [Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642). Artikel 2. Reikwijdte Dit aanwijzingsbesluit is van toepassing op Cdkb. Artikel 3. Aanwijzing kanalen Voor het indienen van een bericht in het kader van de [Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642) wordt het volgende e-mailadres aangewezen: info@donorgegevens.nl. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening Cdkb 2026. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2282,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 januari 2026, CIBG 26-09230, tot aanwijzing van elektronische kanalen voor het indienen van berichten in de zin van artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij het Agentschap CIBG (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening CIBG 2026) Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Besluit: Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - c. **CIBG:** de baten-lastendienst CIBG, als bedoeld in [artikel 4 van het Organisatiebesluit VWS 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050921&artikel=4). Artikel 2. Reikwijdte Dit aanwijzingsbesluit is van toepassing op het CIBG. Artikel 3. Aanwijzing CIBG-brede kanalen 1. Dit aanwijsbesluit geeft aan op welke wijze burgers, bedrijven, stichtingen en andere rechtspersonen het CIBG digitaal kunnen benaderen. Burgers en bedrijven (en andere rechtspersonen) houden de mogelijkheid om op andere manieren te communiceren met het CIBG, zoals per telefoon of per post. 2. Voor het indienen van een bericht in het kader van een klacht als bedoeld in [titel 9.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=9.1) wordt het volgende webformulier aangewezen: [https://www.cibg.nl/service/contact/klachtenformulier](https://www.cibg.nl/service/contact/klachtenformulier). 3. Voor het indienen van een bericht in het kader van verzoeken in verband met de Algemene verordening persoonsgegevens wordt het volgende e-mailad"},{"i":2283,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 17 november 2025, 2025-0000538779 tot aanwijzing van elektronische kanalen voor het indienen van berichten in de zin van artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij het kernministerie van het Ministerie van Financiën 2026 (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening kernministerie van Financiën 2026) Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Besluit: Artikel 1. Definities: In dit besluit wordt verstaan onder: - **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - **het kernministerie:** het kernministerie genoemd in [artikel 1 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=1). Artikel 2. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op het kernministerie van het Ministerie van Financiën. Artikel 3. Aanwijzing ministeriebrede kanalen 1. Voor het indienen van een bericht in het kader van een bezwaar als bedoeld in [artikel 1:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:5) wordt het volgende e-mailadres aangewezen: bezwaarenberoepDJZ@minfin.nl. 2. Voor het indienen een bericht in het kader van een klacht als bedoeld in [titel 9.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=9.1) wordt het volgende e-mailadres aangewezen: klachtenkd@minfin.nl. 3. Voor het indienen van een bericht in het kader van een besluit als bedoeld in [artikel 34 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=34) wordt het volgende e-mailadres aangewezen: cpo@minfin.nl. 4. Voor het indienen van een bericht in het kader van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":4433,"b":"Bestuursreglement Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw **Besluit van het Bestuur van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw van 22 april 2022, houdende vaststelling van het bestuursreglement Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw op grond van artikel 7ao, eerste lid, van de Woningwet, goedgekeurd door de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening op grond van artikel 11, eerste lid, Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, bij brief van 6 juli 2022.** I. Algemeen Artikel 1. Begrippen en terminologie Dit bestuursreglement verstaat onder: - a. **Wkb:** de [Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042732); - b. **Toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw:** Thet zelfstandig bestuursorgaan toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw, bedoeld in [artikel 7ak van de Wkb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ak); - c. **Bestuur:** de voorzitter en de leden van de Toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw, zoals benoemd door de Minister; - d. **Minister:** de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - e. **Dienst TloKB:** het door de Minister ter beschikking gestelde personeel als bedoeld in mandaatbesluit beheer TloKB; - f. **Reglement:** het onderhavige bestuursreglement dat is vastgesteld door de Toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw en goedgekeurd door de minister; - g. **Voorzitter:** degene die als voorzitter van de Toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw is benoemd door de minister; - h. **Bestuurslid:** diegene die als lid van de Toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw is benoemd door de minister, waaronder ook de voorzitter; - i. **Raad van advies:** adviesorgaan van de Toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw, bestaande uit de bij de uitvoering van de wet betrokken partijen en overige betrokkenen; - j. **Adviesgroep Harmonisatie:** een groep van vertegenwoordigers in het kader van certificatie en normalisatie van bouwproducten en/o"},{"i":4843,"b":"Besluit van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen van 23 november 2023, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de directeur van het bureau van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (Mandaatbesluit directeur bureau Nationaal Rapporteur) Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Mandaatbesluit beheer bureau NRM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048177&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Nationaal Rapporteur Mensenhandel:** de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen als bedoeld in [artikel 1 van de Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034176&artikel=1); - b. **het bureau:** het bureau ter ondersteuning van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034176&artikel=2); - c. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie en Veiligheid besluiten te nemen; - d. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie en Veiligheid privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie en Veiligheid handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 Van het ingevolge [artikel 2, tweede lid, van het Mandaatbesluit beheer bureau NRM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048177&artikel=2) aan de Nationaal Rapporteur Mensenhandel verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de dagelijkse leiding over het bureau, ondermandaat verleend aan de directeur van het bureau. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en we"},{"i":4796,"b":"Mandaat CBR (2011) De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. gelet op de [artikelen 130 t/m 134a Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130), de [artikelen 101 t/m 104 Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=101) en de [artikelen 156a t/m 156aa Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156a), verleent hiermee mandaat aan en machtigt: De stukken die op grond van dit mandaat worden afgedaan en ondertekend door een functionaris onder a., b., c., d., e. en f. bedoeld, worden gesteld op briefpapier van het CBR. Zij vermelden aan het slot: ‘De algemeen directeur van het CBR, namens deze,’ gevolgd door de handtekening, de naam van de betrokken functionaris en de functieaanduiding. De mandaatverstrekkingen van 9 december 1999 (Stcrt. 244) en van 11 mei 2004 (Stcrt. 92) worden ingetrokken. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011."},{"i":2470,"b":"Beleidsregel van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) inzake de verdeling van de beschikbare CEMT-vergunningen voor het beroepsgoederenvervoer over de weg naar het Verenigd Koninkrijk na de uittreding van dit land uit de Europese Unie op 29 maart 2019 (Beleidsregel NIWO inzake verdeling van CEMT-vergunning in 2019 naar het Verenigd Koninkrijk) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 2.3 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.3); Overwegende dat het noodzakelijk is om de uitvoering van de aanvragen voor een CEMT-vergunning nader te duiden in verband met een (mogelijke) no-deal-Brexit per 29 maart 2019; stelt de volgende beleidsregel vast: Artikel 1. Definitiebepaling - **CEMT:** Conférence Européene des Ministres des Transports; - **CEMT-vergunning:** de vergunning die door het Secretariaat van de Europese Conferentie van Ministers van Verkeer (CEMT) wordt uitgegeven voor het verrichten van grensoverschrijdend goederenvervoer; - **communautaire vergunning:** communautaire vergunning als bedoeld in de marktverordening voor het wegvervoer; afgegeven aan alle vervoerders die goederenvervoer over de weg voor rekening van derden verrichten; - **vervoerder:** de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of de maatschap voor wiens rekening en risico het beroepsvervoer wordt verricht als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=1.1); - **voertuig:** motorvoertuig of een samenstel van voertuigen, dat uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van goederen als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=1.1) waarvan de trekkende eenheid in ieder geval Nederlands gekentekend is. - **wet:** [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overh"},{"i":8010,"b":"Besluit Landelijke Commissie Geestelijke Volksgezondheid Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Er is een Landelijke Commissie Geestelijke Volksgezondheid. 2. De commissie heeft tot taak een analyse uit te voeren van de oorzaken die leiden tot een groeiende hulpvraag in de GGZ en aanbevelingen te doen over de wijze waarop zowel door de overheid als maatschappelijke organisaties kan worden bijgedragen aan verbetering van de geestelijke volksgezondheid. De commissie ontwikkelt hiertoe de volgende activiteiten: - a. een studie verrichten naar de verschijnselen en factoren die een belemmerende invloed hebben op de geestelijke volksgezondheid in Nederland; - b. inzichten en ideeën ontwikkelen die kunnen leiden tot structurele verbeteringen van de geestelijke volksgezondheid en tot een verhoging van de maatschappelijke effecten van de geestelijke gezondheidszorg en andere zorgsystemen; - c. het opdracht geven aan deskundigen tot het schrijven van essays over een aantal thema’s (8 tot 10) die een relatie hebben met geestelijke volksgezondheid. De commissie moet deze thema’s nader vaststellen; - d. het organiseren van meerdere besloten en enkele openbare discussiebijeenkomsten over deze thema’s op basis van de essays; - e. het organiseren van een openbare slotbijeenkomst begin 2001, ter afsluiting van het werk van de commissie; - f. het presenteren van een eindrapport, zoals genoemd in [artikel 4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010830&artikel=4&z=1999-11-17&g=1999-11-17). Artikel 3 1. Tot lid van de commissie worden benoemd: - a. de heer mr. P. Kuypers, tevens voorzitter; - b. de heer dr. G. Hutschemaekers, tevens secretaris; - c. mevrouw drs. H. Belliot; - d. de heer prof. dr. J.W. Duyvendak; - e. de heer prof. drs. J. van Londen; - f. de heer prof. dr. P. Schnabel; - g. mevrouw mr. A.S.C. Visser; - h. de heer prof. dr. M. de Winter. Adviseurs: - a. waarnemer VWS, de heer D.C. Kaasjager, arts; - b. prof.dr. A. van Dantzig"},{"i":8116,"b":"Instellingsbesluit commissie van onderzoek Centraal Orgaan opvang asielzoekers Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister voor Immigratie en Asiel; - b. **de Commissie:** de Commissie van onderzoek Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Artikel 2. Instelling en opdracht Er is een onafhankelijke commissie die tot taak heeft onderzoek te doen naar het functioneren van het COA gericht op het werkklimaat, de bestuursstructuur en de gang van zaken rondom de salariëring van de directieleden van het COA. Daarnaast heeft de commissie als taak om aanbevelingen te doen over maatregelen die genomen kunnen worden indien verbeteringen nodig en mogelijk zijn voor een optimaal functioneren van het COA als onderdeel van de vreemdelingenketen. Artikel 3. Leden Als leden van de commissie worden benoemd: - –. mevrouw drs. J. Rijsdijk; - –. de heer prof. mr. dr. M. Scheltema. Artikel 4. Secretariaat 1. De Commissie heeft een secretaris. 2. De secretaris is voor zijn werkzaamheden verantwoording schuldig aan de Commissie. Artikel 5. Onderzoek 1. De commissie richt het onderzoek naar eigen inzicht in. 2. De leden van de commissie kunnen zich binnen het kader van de taak van de commissie rechtstreeks wenden tot alle instanties en personen die aan het uitvoeren van haar taak een bijdrage kunnen leveren. Artikel 6. Vertrouwelijkheid 1. De Commissie zal met de informatie en reacties die zij in het kader van het onderzoek rechtstreeks of via derden ontvangt, vertrouwelijk omgaan. Indien medewerkers van het COA, van het ministerie van BZK of van het ministerie van V&J of andere betrokkenen worden gehoord draagt de Commissie er zorg voor dat dit in volledige vertrouwelijkheid gebeurt. 2. De Commissie legt in een protocol vast op welke wijze de vertrouwelijkheid geborgd wordt. 3. Het eers"},{"i":2955,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 september 2007, MC-U- 2794139, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake uitbreiding DBC-segment met vrije tarieven Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 13 juni 2007 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2006/07, 29 248, nr. 37); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg gerelateerd aan aandoeningen, opgenomen in de bijlage bij deze aanwijzing, voor zover daarvoor prestatiebeschrijvingen zijn vastgesteld. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, met ingang van 1 januari 2008 beleidsregels vast. Artikel 2 De beleidsregels houden in dat met betrekking tot het in rekening brengen van zorg als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022529&artikel=1&z=2007-09-19&g=2007-09-19), sprake is van een tarief waarop [artikel 57, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) van toepassing is. Artikel 3 1. De zorgautoriteit stelt het kapitaallastenbudget van individuele instellingen neerwaarts bij, rekening houdend met de omvang van het DBC-segment met zorg waarop [artikel 57, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) van toepassing is. 2. De beleidsregels betreffende de dekking van het kapitaallastenbudget van individuele instellingen hebben geen betrekking op zorg waarvoor [artikel 57, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) van toepassing is. Artikel 4 De zorgautoriteit evalueert op basis van objectieve evaluatiecriteria de ontwikkeling in het"},{"i":8357,"b":"Akkoord betreffende de voorlopige toepassing tussen een aantal Lid-Staten van de Europese Unie van de op basis van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie opgestelde Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Lid-Staten van de Europese Unie, ondertekenaren van de op basis van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie opgestelde overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied, van 26 juli 1995, hierna „de overeenkomst\" te noemen, Overwegende het belang van een spoedige toepassing van de overeenkomst, Overwegende dat overeenkomstig artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het bepaalde in titel VI van dat verdrag geen beletsel vormt voor de instelling of de ontwikkeling van een nauwere samenwerking tussen twee of meer Lid-Staten, voor zover die samenwerking niet indruist tegen of geen belemmering vormt voor de in titel VI van het EU-Verdrag beoogde samenwerking, Overwegende dat een eventuele voorlopige toepassing tussen bepaalde Lid-Staten van de Europese Unie van de overeenkomst niet zou indruisen tegen en geen belemmering zou vormen voor de samenwerking, bedoeld in titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze Overeenkomst hebben gesteld. GEDAAN te Brussel, de zesentwintigste juli negentienhonderd vijfennegentig, in één exemplaar, in de Deense, de Duit"},{"i":4077,"b":"Besluit van 23 november 2016 ter uitvoering van de bijlage van Richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt (Pb. 2014, L 84, 92) (Besluit transparantieverslag richtlijn collectief beheer) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 november 2016, nr. 2010723, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 2q van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=2q) en de bijlage van de [richtlijn 2014/26](32014L0026)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 november 2016, No.WO3.16.0359/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 23 november 2016, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2018377; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de Wet toezicht: de [Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779). Artikel 2 Het jaarlijkse transparantieverslag als bedoeld in [artikel 2q van de Wet toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=2q) bevat, naast de informatie die is voorgeschreven op basis van [Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&titeldeel=9), de volgende informatie: - a. een kasstroomoverzicht; - b. informatie over weigeringen om een licentie te verlenen op grond van [artikel 2l, derde lid van de Wet toezicht](http"},{"i":8521,"b":"Europees Verdrag nopens de vreedzame regeling van geschillen De Regeringen welke dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Overwegende dat het het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn Leden tot stand te brengen; Overtuigd dat het streven naar een op rechtvaardigheid gegrondveste vrede een levensvoorwaarde is voor het behoud van de menselijke samenleving en van de beschaving; Vastbesloten alle eventueel tussen hen rijzende geschillen op vreedzame wijze te regelen, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I. Rechterlijke regeling Artikel 1 De Verdragsluitende Partijen zullen ter beoordeling aan het Internationale Gerechtshof voorleggen alle eventueel tussen hen rijzende geschillen, vooral die welke betrekking hebben op: - (a). de interpretatie van een verdrag; - (b). alle aangelegenheden het volkenrecht betreffend; - (c). de aanwezigheid van enigerlei feit dat, indien het bestaan ervan werd bewezen, een schending van een internationale verplichting zou betekenen; - (d). de aard en omvang van de wegens schending van een internationale verplichting te verrichten genoegdoening. Artikel 2 1. De bepalingen van artikel 1 zijn niet van invloed op verbintenissen waarbij de Verdragsluitende Partijen de jurisdictie van het Internationale Gerechtshof voor de regeling van andere dan in artikel 1 bedoelde geschillen hebben aanvaard of eventueel zullen aanvaarden. 2. De partijen bij een geschil kunnen overeenkomen tot de verzoeningsprocedure over te gaan, alvorens tot die van rechterlijke regeling. Artikel 3 De Verdragsluitende Partijen welke geen partij zijn bij het [Statuut van het Internationale Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005509) nemen de maatregelen welke nodig zijn om toegang tot dit Hof te verkrijgen. HOOFDSTUK II. Verzoening Artikel 4 1. De Verdragsluitende Partijen onderwerpen alle eventueel tussen hen rijzende geschillen aan een verzoeningsprocedure, met uitzondering van de in artikel 1 voorziene gesc"},{"i":8522,"b":"Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, zoals gewijzigd door Protocol 1 en Protocol 2 van 4-11-1993 De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Verdrag ondertekenen. Gelet op de bepalingen van het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000); In herinnering roepend dat krachtens het bepaalde in [artikel 3 van hetzelfde Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=3) „niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen”; Opmerkend dat het in dat [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000) voorziene mechanisme werkt in relatie tot personen die aanvoeren het slachtoffer te zijn van schendingen van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=3); Ervan overtuigd dat de bescherming van personen die van hun vrijheid zijn beroofd, tegen foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing kan worden versterkt door niet-juridische middelen van preventieve aard gebaseerd op bezoeken; Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I Artikel 1 Er wordt een Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen (hierna te noemen: „het Comité”) ingesteld. Het Comité onderzoekt, door middel van bezoeken, de behandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd, ten einde de bescherming van deze personen tegen foltering en onmenselijke of vernederende behandeling, indien noodzakelijk, te versterken. Artikel 2 Elke Partij laat, in overeenstemming met dit Verdrag, bezoeken toe aan elke plaats binnen haar rechtsmacht waar personen van hun vrijheid zijn beroofd door een overheidsinstantie. Artikel 3 Bij de toepassing van dit Verdrag werken het Comité en de bevoegde nationale instanties van de betrokken Partij met elkaar samen. HOOFDSTUK II Artike"},{"i":19407,"b":"Aanwijzing keuringsinstelling meetmiddelen Voertuigreglement Gelet op de [artikelen 84, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=84), en [101, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=101); Besluit: Artikel 1 Als keuringsinstelling in de zin van [artikel 4aud, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aud) wordt aangewezen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NMi B.V. Artikel 2 De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NMi B.V. is bevoegd de feitelijke werkzaamheden voortvloeiend uit de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008257&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) vervatte aanwijzing onder haar verantwoordelijkheid te doen uitvoeren door: - a. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NMi Certin B.V. voor zover deze werkzaamheden verband houden met keuringen en erkenningen; - b. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NMi Inspecties en Kansspeltechniek B.V. voor zover deze werkzaamheden verband houden met toezicht. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17557,"b":"Reglement voor de Wetenschappelijke Adviesraad van Zorginstituut Nederland, kenmerk 2024027403 Gelet op [artikel 8, tweede lid, van het Bestuursreglement Zorginstituut Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035079&artikel=8), heeft in zijn vergadering van 11 maart 2025 besloten: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. begripsbepalingen Dit reglement verstaat onder: - –. **adviesraad:** de Wetenschappelijke Adviesraad, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van het Bestuursreglement Zorginstituut Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035079&artikel=10); - –. **beheersmaatregel:** maatregel ter waarborging van advisering zonder vooringenomenheid; - –. **klankbordgroep:** een tijdelijke groep van tenminste twee leden van de adviesraad; - –. **leden:** de leden van de adviesraad; - –. **onderwerp:** rapport, dossier, advies of agendapunt waar de adviesraad of de werkcommissies over vergaderen; - –. **persoonlijk belang:** ieder belang dat niet behoort tot de belangen die de adviesraad uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen; - –. **plaatsvervangend secretaris WAR:** de plaatsvervangend secretaris van de adviesraad; - –. **plaatsvervangend voorzitter WAR:** de plaatsvervangend voorzitter van de adviesraad; - –. **Raad van Bestuur:** de Raad van Bestuur van het Zorginstituut; - –. **secretaris WAR:** de secretaris van de adviesraad; - –. **secretaris van een werkcommissie:** secretaris van de WAR CG, de WAR CC en de WAR CFK; - –. **technisch voorzitter werkcommissie:** lid van een werkcommissie dat belast is met het technisch voorzitten van een vergadering van de werkcommissie; - –. **voorzitter WAR:** de voorzitter van de adviesraad; - –. **WAR CC:** de werkcommissie Care & Cure; - –. **WAR CFK:** de werkcommissie Farmacotherapeutisch Kompas; - –. **WAR CG:** de werkcommissie Geneesmiddelen; - –. **werkcommissie:** een groep van ten minste zeven leden samengesteld uit de leden van de adviesraad, waaronder de voorzitter WAR; - –. **h"},{"i":5671,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 7 september 2023, nr. MinBuza.2023-18814-20, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Orange Corners Innovation Fund 2024–2030) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op de [artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) met het oog op het verbeteren van de toegang tot financiering voor jonge ondernemers die innovatieve en duurzame oplossingen bieden voor uitdagingen in Afrika, het Midden-Oosten en Azië (Subsidieprogramma Orange Corners Innovation Fund 2024–2030) gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Orange Corners Innovation Fund 2024–2030 worden ingediend in meerdere openstellingen. 2. Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Orange Corners Innovation Fund 2024–2030 zijn gericht op de doellocaties Marokko, Ivoorkust, Nigeria, Mozambique, Angola en Democratische Republiek Congo en worden ingediend van 2 oktober 2023 tot en met 20 november 2023, 12:00 uur ’s middags Nederlandse tijd. 3. Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidi"},{"i":10171,"b":"Besluit van 10 november 1954, houdende vaststelling van een premieregeling voor reserve-personeel bij de gronddienst van de Koninklijke Luchtmacht Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog van 20 September 1954, Nr P. 268 C/DG; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 12 October 1954, nr 27); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 4 November 1954, Nr P. 268 G/DG; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder maand: de periode, gerekend van een datum tot de overeenkomstige datum van de volgende kalendermaand. Artikel 2 1. Een militair of gewezen militair, die een verbintenis als bedoeld in artikel 1, in artikel 5, eerste of derde lid - in het laatste geval hetzij voor de eerste maal, hetzij na verlenging voor een tweede maal - of in [artikel 6, tweede lid, van het Besluit verbintenissen gronddienst Luchtmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002158&artikel=6), ten volle heeft volbracht, dan wel wiens zodanige verbintenis door een niet van zijn handelen of nalaten afhankelijke oorzaak is geëindigd binnen het tijdvak waarvoor zij is aangegaan, heeft voor elke maand welke hij krachtens de bedoelde - eventueel verlengde - verbintenis, anders dan ter voldoening aan de in artikel 1 onder 1° van het vorengenoemde besluit bedoelde verplichting, in werkelijke dienst heeft doorgebracht, aanspraak op een geldelijke uitkering. 2. De in lid 1 bedoelde geldelijke uitkering bedraagt voor een maand: - a. f 166,- indien de militair of gewezen militair op de laatste dag van die maand een officiersrang bekleedde; - b. f 116,- in alle andere dan de onder **a** bedoelde gevallen. 3. Indien een verbintenis door de in het eerste lid genoemde oorzaak niet ten volle wordt volbracht, wordt voor de berekening van de in dat lid bedoelde geldelijke uitkering een gedeelte van een maand aangemerkt als een volle maand. A"},{"i":17274,"b":"Regeling bijstandsverlening aan zelfstandigen in het buitenland Gelet op [artikel 144a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=144a), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703); - b. **het Bbz 2004:** het [Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015711); - c. **de minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - d. **boekjaar:**de periode van 12 maanden waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd. Artikel 2 1. De bijstand, bedoeld in [artikel 37 van het Bbz 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015711&artikel=37), kan worden verleend indien de zelfstandige gedurende een periode van ten minste drie weken als gevolg van zeer dringende redenen van tijdelijke aard zijn bedrijf of beroep in het buitenland niet heeft kunnen uitoefenen en hij daarna niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. 2. Voor het verlenen van bijstand wordt door tussenkomst van het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire post van het ressort waar de zelfstandige zich bevindt een aanvraag ingediend bij de minister, die is ingericht overeenkomstig het model, dat als bijlage bij deze regeling behoort. Artikel 3 1. De bijstand omvat bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan en voorzover nodig bijstand in de kosten van voortzetting van de reis of terugkeer naar Nederland. 2. De bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan bedraagt per kalendermaand voor: - a. de zelfstandige en zijn in het buitenland verblijvende gezinsleden: de voor hen geldende bijstandsnorm, bedoeld in [hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&paragraaf=3.2); - b. de zelfstandige van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde"},{"i":12397,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Economische Zaken van 16 oktober 2017, nr. Min-BuZa.2017.695-29, tot instelling van een multi-stakeholder groep EITI Gezien requirement 1.4 van The Extractive Industries Transparency Initiative Standard 2016 1https://eiti.org/document/standard; Besluiten: Artikel 1 1. Er is een Multi-stakeholder groep EITI Nederland (NL-EITI). 2. De multi-stakeholdergroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties en is belast met de controle en beoordeling van de implementatie van The Extractive Industries Transparency Initiative Standard. Daarnaast wordt een onafhankelijke voorzitter benoemd. Artikel 2 - a. Te rekenen vanaf 1 januari 2023 tot en met 1 juni 2025 wordt de heer drs. J. Haenen, wonende te ’s-Gravenhage, herbenoemd tot voorzitter van de Multi-stakeholder groep EITI Nederland. - b. Aan de voorzitter, genoemd onder a, wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18, trede 10, van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,2. Deze vaste vergoeding wordt vastgesteld op peildatum 1 april 2023 en blijft gedurende de periode, bedoeld onder a, gelijk. 2. Tot de werkzaamheden van de voorzitter behoren het voorzitten van de multi-stakeholder groep en het coördineren van de werkzaamheden van het secretariaat bij het vormgeven en uitvoeren van het werkplan. 3. In de multi-stakeholdergroep worden vertegenwoordigers voor een periode van maximaal drie jaar benoemd. Deze leden, hun plaatsvervangers en de onafhankelijke voorzitter kunnen voor maximaal twee termijnen worden benoemd. - a. Te rekenen vanaf 1 oktober 2024 wordt de heer R. Cino, wonende te Leidschendam-Voorburg, als vertegenwoordiger van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei herbenoemd. De plaatsvervanger is mevrouw J.C. van Dalen; - b. Te rekenen vanaf 23 november 2022 wordt mevrouw S.J. Soede, wonen"},{"i":12280,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 3 april 2019 tot geheimverklaring van de opdracht ten behoeve van het ontwerpen, ontwikkelen, produceren, personaliseren en distribueren van reisdocumenten en identiteitskaarten zoals bedoeld in artikel 2 van de Paspoortwet, hierna gezamenlijk aangeduid als Reisdocumenten Gelet op [artikel 2.23, eerste lid onder e van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23), Besluit: Artikel 1 Geheim wordt verklaard de opdracht ten behoeve van het ontwerpen, ontwikkelen, produceren, personaliseren en distribueren van Reisdocumenten. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11132,"b":"Besluit vaststelling selectielijst MBO-instellingen over de periode vanaf 1 augustus 2017 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de openbaar gezagtaken van de MBO-instellingen over de periode vanaf 1 augustus 2017 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst](onbekend) voor de neerslag van de handelingen van de BVE-instellingen op het beleidsterrein Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie over de periode vanaf 1996 (vastgesteld: **Stcrt.** 2006, 196) wordt afgesloten per 1 augustus 2017. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13717,"b":"Wet van 2 april 1991, houdende invoering van de Boeken 3, 5 en 6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek houdende het overgangsrecht, tweede stuk Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de aanpassingen in de wetgeving aan de [Boeken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288) en [6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289) bepalingen van overgangsrecht vereisen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In de volgende bepalingen wordt onder \"de wet\" verstaan de Invoeringswet [Boeken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&boek=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288&boek=5) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&boek=6) nieuw B.W., doch met uitzondering van het tweede, vierde en vijfde gedeelte van die wet. 2. De [artikelen 68**a** tot en met 75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=69), [78 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=78), [79 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=79), [117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=117), [120](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=120), [173](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=173) en [182 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=182) gelden mede ter regeling van het overgangsrecht in verband met de wijziging door de wet in de wetgeving buiten de [Boeken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289) en [7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek](https://wetten.ove"},{"i":12496,"b":"Besluit van de clusterdirecteur Centrale Functies van de directie Centrale Administratieve Processen van 18 november 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen het cluster Centrale Functies wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":12323,"b":"Besluit van 3 juni 1999, houdende de heroprichting van het Regiment Infanterie Johan Willem Friso Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 1 juni 1999, nr. C99/240/99001621, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Regiment Infanterie Johan Willem Friso wordt met ingang van 1 juli 1999 heropgericht en maakt wederom deel uit van de Koninklijke landmacht. Artikel 2 Het vaandel dat als gevolg van de opheffing van het Regiment Johan Willem Friso op 29 juli 1994 werd ingenomen, wordt wederom ter beschikking gesteld aan het Regiment Johan Willem Friso. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Adjudant-generaal, tevens Chef van het Militaire Huis."},{"i":11438,"b":"Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 18 augustus 2023, nr.2023-0000495330 houdende regels over het verstrekken van subsidies voor inbedding van financiële educatie op mbo-instellingen ter preventie van geldzorgen (Subsidieregeling financiële educatie voor mbo-instellingen) Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3) en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:**bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1) voor mbo-instellingen, [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) of [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - **docent:** degene die voldoet aan de bevoegdheidseisen gesteld in [artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=3), [artikel 3 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=3) of [artikel 7.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.8); - **financiële competenties:** competenties op het gebied van financiële kennis, vaardigheden en houding; - **het expertisepunt financiële educatie:** het expertisepunt van Wijzer in geldzaken; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **leerkracht:** degene die bevoegd is om schoolonderwijs te geven als bedoeld in [artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.o"},{"i":13720,"b":"Wet van 30 mei 1990, houdende inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan de Invorderingswet 1990 (Invoeringswet Invorderingswet 1990) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de inwerkingtreding van de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) te regelen alsmede de wet van 22 mei 1845 (Stb. 1926, 334) op de invordering van 's Rijks directe belastingen in te trekken en voorts de wetten waarin naar laatstbedoelde wet wordt verwezen of waarin invorderingsbepalingen dan wel aansprakelijkheidsbepalingen voorkomen die zijn ontleend aan fiscale invorderings- en aansprakelijkheidsbepalingen, aan te passen aan de bepalingen van de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Artikel II Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel III Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen. Artikel V Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting. Artikel VI Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Artikel VII Wijzigt de Wet op de vermogensbelasting 1964. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IX Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel X Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966. Artikel XI Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel XII Wijzigt de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel XIV Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel XV Wijzigt de Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen en de omzetbelasting. Artikel XVI Wijzigt de Wet tijdelijke fiscale maatregelen betreffende auto en milieu na 1988. Artikel"},{"i":13364,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2018 (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 19 december 2017 krachtens artikel 15 van de Wet op de Rechtsbijstand) Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De Raad stelt dan ook als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de [Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) dat een verzoek om inschrijving bij de Raad eerst volledig is behandeld en is ingewilligd. Het bestuur van de Raad kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden. Deze inschrijvingsvoorwaarden van de Raad zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar advocaten die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. Er bestaan algemene voorwaarden die voor alle ingeschreven advocaten gelden en bijzondere voorschriften voor rechtsbijstand op specifieke rechtsgebieden. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft Gedragsregels1Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten. en verordeningen vastgesteld waarnaar advocaten zich behoren te richten. De deken in een arrondissement is belast met het toezicht op advocaten die kantoor houden in dat arrondissement. Daar waar het controle van de naleving van de eigen inschrijvingsvoorwaarden betreft, heeft de Raad een eigens"},{"i":13706,"b":"Wet van 2 november 2000, houdende intrekking van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 en enige daarmee verband houdende wettelijke voorzieningen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de deelneming van de Staat der Nederlanden en van de publieke omroepen in de naamloze vennootschap Nederlandsche Omroep-Zender-Maatschappij, «NOZEMA», te beëindigen; dat het mede uit dien hoofde wenselijk is dat de structuur van de naamloze vennootschap Nederlandsche Omroep-Zender-Maatschappij, «NOZEMA» wordt omgevormd tot een naamloze vennootschap als bedoeld in [boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045); dat het derhalve wenselijk is de [Radio-Omroep-Zender-Wet 1935](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001965) in te trekken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I De [Radio-Omroep-Zender-Wet 1935](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001965) wordt ingetrokken. Artikel II Wijzigt de Mediawet. Artikel III Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel IV Vervallen Artikel V Vervallen Artikel VI Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, handelende in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, is, nadat door Onze Minister van Justitie is verklaard dat hem van bezwaren niet is gebleken, op de dag dat deze wet in werking treedt, bevoegd om voor een notaris een akte te doen verlijden waarbij met ingang van de volgende dag de statuten van de naamloze vennootschap Nederlandsche Omroep-Zender-Maatschappij, «NOZEMA» worden gewijzigd en in overeenstemming worden gebracht met de bepalingen van [boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045), waarbij in de statuten in ieder geval wordt geregeld dat: - a. de Raad van Beheer wordt vervangen door een directie die door de alg"},{"i":13719,"b":"Wet van 24 november 2011 tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de wet van 24 november 2011 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de invoering van de geluidproductieplafonds en de overheveling van hoofdstuk IX van de Wet geluidhinder naar de Wet milieubeheer (modernisering instrumentarium geluidbeleid, geluidproductieplafonds) (Invoeringswet geluidproductieplafonds) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is, met het oog op de invoering van een herzien [hoofdstuk 11 in de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=11), de [Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227) en enige andere wetten te wijzigen en te voorzien in overgangsrecht; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet geluidhinder. Artikel II Wijzigt de Wijzigingswet Wet milieubeheer (modernisering instrumentarium geluidbeleid, geluidproductieplafonds) (Stb. 2012/266). Artikel III Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel IV Wijzigt de Spoedwet wegverbreding. Artikel V Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel VI Wijzigt de Tracéwet. Artikel VII Wijzigt de Wet bereikbaarheid en mobiliteit. Artikel VIII Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel IX Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel X Na inwerkingtreding van deze wet berusten algemene maatregelen van bestuur, voor zover zij vóór de inwerkingtreding van deze wet berustten op [artikel 11.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.1), [11.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.2) of [11.3 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.3), op [artikel 11A.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&ar"},{"i":12916,"b":"Besluit vaststelling selectielijst TÜV NORD Nederland voor de periode vanaf 2000 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van TÜV NORD Nederland voor de periode vanaf 2000 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt ingetrokken: - •. [Selectielijst voor de neerslag van het handelen per werkterrein waarvoor TÜV Nederland QA B.V. door de overheid gemandateerd is vanaf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040794), Staatscourant 2018, nr. 18840 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14093,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 april 2025, nr. IENW/BSK-2025/91091, houdende nadere regels over het bemannen van zeeschepen (Regeling bemanning zeeschepen) Gelet op de [artikelen 2, derde, vierde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=2), [4, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=4), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=7), [9, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=9), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=18), [19, eerste en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=19), [20, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=20), [21, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=21), [22, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=22), [23, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=23), [24, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=24), [25, derde, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=25), [26, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=26), [27, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=27), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=29), [30, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=30), [31, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=31), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=32), [35, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=35), [36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=36), [37, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=37), [38, vierde"},{"i":12933,"b":"Besluit vaststelling vacatiegeld leden Commissie feitenonderzoek uitzettingen naar de Democratische Republiek Congo Gelet op [artikel 8 van het besluit tot instelling van de Commissie feitenonderzoek uitzettingen naar de Democratische Republiek Congo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018584&artikel=8) en op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Overwegende het [besluit tot instelling van de Commissie feitenonderzoek uitzettingen naar de Democratische Republiek Congo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018584) van 8 juli 2005, gepubliceerd in de Staatscourant op 18 juli 2005 (nr. 136); Besluit: Artikel 1 De leden van de Commissie feitenonderzoek uitzettingen naar de Democratische Republiek Congo ontvangen gedurende het bestaan van de commissie een maandelijkse vaste vergoeding voor hun werkzaamheden en hun persoonlijke onkosten. Artikel 2 De hoogte van deze vergoeding bedraagt per maand 46,6% procent van het maandsalaris volgens schaal 18.0 BBRA voor de voorzitter mr. dr. A.J.E. Havermans en het lid J.J.T Stoutjesdijk. Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt, met terugwerkende kracht, in werking op 8 juli 2005."},{"i":11369,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 24 juni 2019, nummer CvTE-19.00779, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo ten behoeve van het examenjaar 2021, nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi ten behoeve van de examenjaren 2020, tevens preliminaire vaststelling van enkele syllabi ten behoeve van de examenjaren 2022 en 2023 (Regeling syllabi centrale examens vo 2021) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bedoeld in [artikel 2, achtste lid, van de Wet College voor Toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2), gegeven op 10 juli 2019, kenmerk 10130689; Besluit: Artikel 1. Vaststelling syllabi ten behoeve van het examenjaar 2021 Vervallen Artikel 2. Nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi ten behoeve van het examenjaar 2020 Vervallen Artikel 3. Preliminaire vaststelling van enkele syllabi ten behoeve van de examenjaren 2022 en 2023 Vervallen Artikel 4. Bekendmaking 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De syllabi bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042476&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042476&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042476&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) worden bekendgemaakt op www.examenblad.nl. Artikel 5. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt: - 1. betreffende [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042476&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en de daarbij behorende [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":14533,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 mei 2013, nr. 382428, directoraat-generaal Politie/Programma Arbeidsvoorwaarden, houdende, de overgang van ambtenaren naar een functie van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (Regeling overgang naar een LFNP functie) Gelet op [artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met uitzondering van de aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, en de ambtenaar van de rijksrecherche, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - b. **LFNP:** LFNP als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - c. **LFNP functie:** het samenstel van de door de ambtenaar te verrichten opgedragen werkzaamheden, zoals vastgelegd in het LFNP. Artikel 2. Besluit Uitgangspositie(s) Vervallen Artikel 3. Organieke Matching Vervallen Artikel 4. Werkgroep matching Vervallen Artikel 5. Voornemen tot toekenning en overgang naar een LFNP functie Vervallen Artikel 6. Bedenkingen Vervallen Artikel 7. Besluit Vervallen Artikel 8. Horen in bezwaar Vervallen Artikel 9. Behoud van aanspraken 1. De ambtenaar wiens functie is aangewezen onder de [Regeling aanwijzing administratief technische functies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012102) behoudt bij de invoering van het LFNP zijn aanspraken. 2. De ambtenaar die in het tijdvak van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 een LFNP functie toegekend heeft gekregen die valt onder de [Regeling aanwijzing administratief technische functies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012102), ontvangt e"},{"i":14554,"b":"Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 7 juni 2024, nr. WJZ/ 58032956, houdende regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen aan provincies voor de gebiedsgerichte aanpak voor natuur, stikstof, water en klimaat (Regeling provinciale maatregelen landelijk gebied) Gelet op de [artikelen 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2a), en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **directe uitvoeringskosten:** apparaatskosten van de provincie of andere betrokken decentrale overheden die samenhangen met de regievoering van voorbereiding en uitvoering van maatregelen waarvoor op grond van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049793&paragraaf=3&artikel=5&z=2025-04-12&g=2025-04-12) een uitkering kan worden verstrekt en direct zijn toe te rekenen aan die maatregelen; - **gebiedsgerichte aanpak:** gebiedsgerichte aanpak als bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049793&paragraaf=3&artikel=5&z=2025-04-12&g=2025-04-12); - **indirecte uitvoeringskosten:** apparaatskosten van de provincie die samenhangen met de gebiedsgerichte aanpak, maar niet direct zijn toe te rekenen aan de gebiedsprocessen en maatregelen waarvoor op grond van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049793&paragraaf=3&artikel=5&z=2025-04-12&g=2025-04-12) een uitkering kan worden verstrekt; - **kaderrichtlijn water:** [Richtlijn 2000/60/EG](32000L0060) van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid; - **minister:** Minister voor Natuur en Stikstof. Paragraaf 2. Specifieke uitkering voor indirecte uitvoeringskosten Artikel 2. Uitkering voor indirecte uitvoeringskosten 2024 1. De minister verstrekt aan de provincies ambtshalve ee"},{"i":14557,"b":"Regeling provinciale risicokaart Gelet op [artikel 6a, derde lid, van de Wet rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=6a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466); - b. **risicokaart:** de via internet toegankelijke provinciale risicokaart, bedoeld in [artikel 45 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=45). Artikel 2 1. Op de risicokaart worden met inachtneming van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021728&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021728&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) de in de provincie aanwezige plaatsgebonden en geografisch te onderscheiden risico’s vermeld met betrekking tot de volgende categorieën rampen: - a. ongevallen met brandbare of explosieve stoffen op locaties waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht of tijdens het transport; - b. ongevallen met giftige stoffen op locaties waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht of tijdens het transport; - c. kernongevallen; - d. luchtvaartongevallen; - e. ongevallen op water; - f. verkeersongevallen op land; - g. ongevallen in een tunnel; - h. brand in een groot gebouw; - i. instorting van een groot gebouw; - j. paniek in een menigte; - k. verstoring van de openbare orde; - l. overstroming; - m. natuurbrand. 2. Op de risicokaart worden tevens de in het eerste lid genoemde risico’s in de aangrenzende provincie vermeld binnen een afstand van ten minste15 kilometer van de provinciegrens. Artikel 3 1. Op de risicokaart worden risico’s in verband met de in [artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021728&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), genoemde ongevallen met stoffen vermeld indien de hoeveelheid van de bedoelde stoffen de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":15142,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden inzake handdesinfectiemiddelen in verband met de uitbraak COVID-19 (Tijdelijke vrijstelling handdesinfectie apotheken COVID-19 2020) Gezien het verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 maart 2020 (kenmerk 1664626-203392-PG) tot vrijstelling van, het op de markt brengen van niet-toegelaten handdesinfectiemiddelen zoals geformuleerd door het Laboratorium der Nederlandse Apothekers (LNA) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) door apotheken, en het gebruik van deze formuleringen door professionele zorgaanbieders ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van handdesinfectiemiddelen die de werkzaamheden van de professionele zorgaanbieders compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en het door professionele zorgaanbieders gebruiken van handdesinfectiemiddelen volgens de aanwijzingen in de LNA-mededeling ‘Handdesinfectantia voor professioneel gebruik’1De LNA-mededeling"},{"i":12351,"b":"Besluit inschrijving Rbtv Gelet op: [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=3) en [4 van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=4) (Stb. 2007, 375); [Artikel 8, eerste lid, onder b, en tweede lid, van het Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=8) (Stb. 2008, 255); [Artikelen D onder II en F van het Besluit van 24 juni 2020 tot wijzing van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, het Besluit beëdigde tolken en vertalers en het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met het instellen van minimumtarieven en het borgen van de kwaliteit en integriteit van beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043737&artikel=II) (Stb. 2020, 220 de [Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 januari 2011 tot wijziging van de Regeling houdende aanwijzing tot bewerker en verlening van mandaat en machtiging van de Minister van Veiligheid en Justitie aan de Raad voor de Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch betreffende het Register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993), (Stcrt. 19 januari 2011, 1030). de adviezen van het Kwaliteitsinstituut Wbtv van 17 mei 2019, 31 juli 2019, 9 december 2019, 19 februari 2020 en 3 juni 2020. Stelt beleid vast voor inschrijving in het Register beëdigde tolken en vertalers: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Begrippen en definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ALTE:** The Association of Language Testers in Europe; - b. **Besluit btv:** [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896); - c. **Brontaal:** de taal waaruit getolkt wordt; - d. **Doeltaal:** de taal waarnaar getolkt wordt; - e. **ERK:** Europees Referentiekader voor de Talen; - f. **Kader voor tol"},{"i":3621,"b":"Besluit van 4 september 1969, tot uitvoering van de artikelen 16, 17, 19, eerste lid, en 21 van de Kernenergiewet Op de voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 8 mei 1968, no. 668/372 W.J.A., gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, de Centrale Raad voor de Kernenergie gehoord; Gelet op de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=17), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=19), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=21), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=26), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=73) en [76, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=76) (**Stb.** 1963, 82); De Raad van State gehoord (advies van 10 juli 1968, no. 42); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 3 september 1969, no. 669/609 W.J.A., uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **beheer van verbruikte splijtstoffen:** alle activiteiten die te maken hebben met het hanteren, de voorbehandeling, de behandeling, het conditioneren, de opslag, de opwerking of de eindberging van verbruikte splijtstoffen, met uitzondering van het vervoer buiten het terrein van de faciliteit; - **bron:** splijtstof of erts; - **buiten-ontwerpongeval:** ongeval waarvan de kans dat het zich voordoet geringer is dan elk van de gepostuleerde begin-gebeurtenissen en waarbij niet is uit te sluiten dat door het vrijkomen van splijtstoffen of radioactieve stoffen de bij [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":3745,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 28 september 2010, nr. WJZ/10142110, houdende regels inzake het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de Directeur-Generaal van het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom betreffende de Wet merken BES (Besluit mandaat, volmacht en machtiging inzake Wet merken BES) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de Directeur-Generaal van het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **de Directeur-Generaal:** de Directeur-Generaal van het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen) zoals bedoeld in artikel 1.4 derde lid, van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen). Artikel 2 1. Aan de Directeur-Generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van beschikkingen en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de uitvoering van de [Wet merken BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028306). 2. De minister en de Directeur-Generaal maken omtrent uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden nadere afspraken. Artikel 3 1. De Directeur-Generaal kan voor de in de [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028738&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde aangelegenheden ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende functionarissen. 2. Het verlenen van ondermandaat alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk en wat de formulering betreft in overeenstemming met de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken. 3. Een afschrift van besluiten inzake ondermandaat als bedoeld in het tweede lid wordt gezonden aan de directeur-generaal Ondernemen en Innov"},{"i":4839,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, nr. IENM/BSK-2011/177402, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond ter uitvoering van de ‘Overeenkomst uitvoering VROM-taken door DCMR’ tussen de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer¹ en de DCMR Milieudienst Rijnmond van 26 november 2009, hierna ‘de overeenkomst’ en het addendum op de overeenkomst, hierna het ‘addendum’ ¹ Het voormalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is per 14 oktober 2010 opgegaan in het nieuwe Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Gezien de schriftelijke instemming van de directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond van 5 december 2011, Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten, bedoeld in artikel 1, onder f, en artikel 1, onder h, van het addendum; - b. het nemen van besluiten op verzoeken om informatie op grond van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252), met uitzondering van verzoeken om informatie, die niet of niet geheel worden gehonoreerd of waarvan de inwilliging belangrijke maatschappelijke of politieke gevolgen kan hebben of waarbij de geldende voorschriften ruimte laten voor verschillende uitleg over de vraag of een verzoek om informatie al dan niet behoort te worden ingewilligd. Artikel 2 De directeur van de DCMR Milieudienst Rijnmond kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031467&artikel=1&z=2012-04-19&g=2012-04-19), ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan een of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 3 Indien uitvoering wordt gegeven aan [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031467&artikel=1&z=2012-04-19&g=2012-04-19) luidt de ondertekening: De Minister van Infrastructuur en Milieu, voor deze: de directeur van de DCMR M"},{"i":3269,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 3 februari 2026 nr. BOACAT2026/007, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Kerkrade Gelezen het verzoek van gemeente Kerkrade van 28 januari 2026 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052280&artikel=2&z=2026-03-03&g=2026-03-03). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Handhaving, Wijk coördinator, Coördinerend jeugdboa, Medewerker handhaving 1, Medewerker handhaving2, Clusterleider en Medewerker beleidsuitvoering in dienst van gemeente Kerkrade zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd to"},{"i":3551,"b":"Besluit Handhavingsbeleidsplan Rijkswaterstaat Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit Tot vaststelling van het Handhavingsbeleidsplan Rijkswaterstaat. Nota Handhavingsbeleidsplan Rijkswaterstaat 1. Inleiding Rijkswaterstaat (hierna RWS) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. De missie van RWS is het beheren en ontwikkelen van de rijkswegen, -vaarwegen en -wateren en inzetten op een duurzame leefomgeving. Samen met anderen werkt RWS aan een land dat beschermd is tegen overstromingen. Waar voldoende groen is, voldoende en schoon water en waar je vlot en veilig van A naar B kunt. Gebruik en medegebruik van waterstaatsobjecten, terreinen en wateren is uiteraard begrensd. Daartoe zijn wetten en regels opgesteld. Om het primaire gebruik van de waterstaats(net)werken en de functionaliteit daarvan te beschermen, is het stimuleren van naleving van de wet- en regelgeving, besluiten en voorschriften nodig. RWS Handhaving houdt zich als bevoegd gezag bezig met het beschermen van de functionaliteit van de waterstaats(net)werken door het houden van toezicht op het (mede) gebruik en zo nodig op te treden middels bestuur(srechte)lijke en/of strafrechtelijke (sanctie)middelen. De netwerken waarop RWS Handhaving haar taak uitoefent, zijn: 2. Het doel van Handhaving Naast de missie streeft RWS in haar handelen naar twee operationele doelen: beschikbaarheid van de netwerken en een betrouwbare partner zijn. Het proces **vergunningverlening, toezicht en handhaving** borgt en verbetert waar nodig de kwaliteit, de kwantiteit en het veilig (mede) gebruik van de netwerken en zo levert RWS Handhaving een bijdrage aan de beschikbaarheid en functionaliteit van de netwerken. Handhaving maakt daarmee onderdeel uit van Omgevings- en Assetmanagement van RWS. Het primaire doel van RWS Handhaving is: het bevorderen van de beschikbaarheid van netwerken, door het streven naar"},{"i":15402,"b":"Wet van 12 december 2001, houdende aanpassing van de wetten in verband met de vervanging van de gulden door de euro (Veegwet euro) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving aan te passen in verband met de vervanging van de gulden door de euro; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel l Wijzigt de Aanpassingswet Euro. Artikel ll Wijzigt de Wet voorraadvorming aardolieprodukten 2001. Artikel III Wijzigt de Fiscale aanpassingswet euro en de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2 , de Invoeringswet Wetboek van Strafrecht en de Wet bescherming persoonsgegevens. Artikel V Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel Vl Wijzigt de Eerste evaluatiewet Awb. Artikel Vll Wijzigt het bij koninklijke boodschap van 12 mei 2000 ingediende voorstel van wet houdende Wijziging van enige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in verband met de problematiek van vermissing van personen. Artikel Vlll Wijzigt de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie. Artikel lX Wijzigt de Wet bevordering eigenwoningbezit. Artikel X Indien: - a. krachtens enige wet bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling een bedrag in guldens kan of moet worden vastgesteld, en - b. deze maatregel of deze regeling tussen 1 oktober 2001 en 1 januari 2002 in werking treedt, kan, zo nodig in afwijking van de wet waarop de maatregel of de regeling berust, dit bedrag bij ministeriële regeling met ingang van 1 januari 2002 worden omgezet in een bedrag in euro. Artikel Xa Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel XI Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Artikel XII Deze wet wordt aangehaald als: Veegwet euro Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministerie"},{"i":15434,"b":"Vergoedingenregeling Tijdelijke adviescommissie algemene ambtsberichten Gelet op [artikel 5 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De voorzitter en overige leden van de Tijdelijke adviescommissie algemene ambtsberichten ontvangen een vaste vergoeding in plaats van een vergoeding per vergadering. Artikel 2 De werkzaamheden van de voorzitter en overige leden worden begroot op 22 dagen en vergoed volgens het maximum salarisnummer behorend bij schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De vergoeding wordt aldus bepaald op 14.828 gulden. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 3 april 1998. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als Vergoedingenregeling Tijdelijke adviescommissie algemene ambtsberichten. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15543,"b":"Wet van 8 november 2023 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2024) Artikel I Vervallen. Artikel II. [Algemene ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IIa. [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III. [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel IV Vervallen. Artikel V. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VI. [Verzamelwet Brexit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042111) Wijzigt de Verzamelwet Brexit. Artikel VII. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel VIII. [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel IX. [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel X. [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Artikel XI. [Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054) Wijzigt de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie. Artikel XII. [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel XIII. [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arb"},{"i":15665,"b":"Wet van 17 februari 2017 tot wijziging van de Gemeentewet in verband met de aanpak van woonoverlast (Wet aanpak woonoverlast) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wettelijke mogelijkheden voor gemeenten tot aanpak van woonoverlast te vergroten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel Ia Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpak woonoverlast. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16943,"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in de archieven Bureau Invordering (2.04.77), Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (2.19.221), Netherlands Forces Intelligence Service (2.10.37.02), regeringscommissaris voor Repatriëring (2.15.43), Commissie tot Opsporing van Oorlogsmisdadigers (2.09.61), Commissariaat van Ambonezenzorg (2.27.148) en Kabinet van de Minister-President (2.03.01) Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het besluit van: [de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 november 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011783) (Staatscourant 2000, nr. 233), de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en de directeur van het Bureau van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie van 29 januari 2013, de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 september 1994, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 februari 1999, de Ministerie van Justitie van 14 november 1965, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 januari 2022 (Staatcourant 2022, nr. 11843), [de Minister-President van 10 februari 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014689) (Staatscourant 2003, nr. 42), houdende de beperking op de openbaarheid. Besluit: Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van Binnenlandse Zaken: Bureau Invordering (1942) 1945-1960 (1976), nummer archiefinventaris 2.04.77, die in de bijlage worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, nummer archiefinventaris 2.19.221, die in de bijlage worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssf"},{"i":16952,"b":"Bekendmaking van 20 februari 2019, nr. 2495108 van de gewijzigde inkomensgrenzen, bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand en het Besluit toevoeging mediation over 2018, en vaststelling van het normbedrag en het bedrag van het voorschot voor advocaten als bedoeld in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op [artikel 34, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34), [artikel 3, tweede lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277&artikel=3), [artikel 4, vijfde lid van het Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830&artikel=4), en [artikel 35, tweede en vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Maakt bekend: Artikel 1 Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel 2 Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Artikel 3 Wijzigt het Besluit toevoeging mediation.. Artikel 4 1. Met ingang van 1 januari 2019 wordt het normbedrag als bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op € 842. 2. Met ingang van 1 januari 2019 wordt het voorschot als bedoeld in [artikel 35, vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op: ten hoogste 10% van € 51.800. Deze bekendmaking zal in de Staatscour ant worden geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019."},{"i":16953,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister voor Rechtsbescherming van 15 december 2017, houdende vaststelling van de aanvang van de overgangstermijnen aangaande de registratie van jeugd- en gezinsprofessionals in het kwaliteitsregister jeugd Gelet op de [artikelen 5.1.4, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035779&artikel=5.1.4), [4.1.6, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=4.1.6), [3b van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=3b) en [48g van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48g); Besluiten; Artikel 1 De termijnen, bedoeld in de [artikelen 5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035779&artikel=5.1.2) en [5.1.3 van het Besluit Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035779&artikel=5.1.3) en [4.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=4.1.4) en [4.1.5 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=4.1.5) vangen ten aanzien van jeugd- en gezinsprofessionals aan op 1 januari 2018. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16954,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 17 januari 2019, kenmerk 1464902-185563-PZo, houdende vaststelling van beleidsregels en subsidieplafond inzake het subsidiëren van transparantie over de kwaliteit van zorg 2019 (Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring transparantie over de kwaliteit van zorg 2019) Gelet op de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Vaststellen beleidskader 2019 De beleidsregels inzake de verstrekking van subsidies voor de stimulering van de transparantie door middel van het gebruiken van uitkomstinformatie bij Samen beslissen door patiënt en zorgverlener over de best passende behandeling in haar/zijn persoonlijke situatie, worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Intrekking beleidskader subsidiëring transparantie over de kwaliteit van zorg 2018 Het [Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring transparantie over de kwaliteit van zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040566) van 15 januari 2018 (Staatscourant 2018, nr. 3027) gewijzigd bij besluit van 14 juni 2018 (Staatscourant 2018, nr. 33527) wordt ingetrokken, met dien verstande dat dit beleidskader van toepassing blijft op subsidies die op grond van dit beleidskader zijn verstrekt. Artikel 3. Subsidieplafond Voor de subsidieverlening op grond van dit besluit is voor 2019 een bedrag van € 5.750.000 beschikbaar. Artikel 4. Inwerkingtreding en vervaldatum 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 februari 2019. 2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2020, met dien verstande dat het beleidskader van toepassing blijft op subsidies die op grond van dit beleidskader zijn verstrekt. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring transparantie over de kwaliteit van zorg 2019. Bijlage Deze bijlage ho"},{"i":19252,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, van 2 oktober 2025, nr. 6710149 houdende de tijdelijke aanwijzing van de (overige) zittingsplaatsen van een rechtbank als (overige) zittingsplaatsen van een andere rechtbank als bedoeld in artikel 46a van de Wet op de rechterlijke organisatie, ten behoeve van strafzaken in eerste aanleg (Tijdelijke aanwijzing rechtbank Zeeland-West-Brabant voor enkelvoudige strafzaken van de rechtbank Oost-Brabant) Gelet op [artikel 46a van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=46a); Gehoord de Raad voor de rechtspraak; Gehoord het College van procureurs-generaal; BESLUIT Artikel 1 Voor de behandeling van enkelvoudige strafzaken die aanhangig zijn gemaakt bij de rechtbank Oost-Brabant, wordt de rechtbank Zeeland-West-Brabant aangewezen als rechtbank waarvan de zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen tijdelijk mede worden aangemerkt als zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen van de rechtbank Oost-Brabant, als bedoeld in [artikel 46a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=46a). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2025 en vervalt met ingang van 1 november 2028. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke aanwijzing rechtbank Zeeland-West-Brabant voor enkelvoudige strafzaken in eerste aanleg van de rechtbank Oost-Brabant. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17593,"b":"Subsidieregeling van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand tot het verstrekken van subsidie voor rechtsbijstand en mediation ten behoeve van bescherming bij een melding van een vermoeden van een misstand als bedoeld in de Wet bescherming klokkenluiders (Subsidieregeling rechtsbijstand en mediation Wet bescherming klokkenluiders) gelet op de [artikelen 33e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33e), en [37b van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b), waarin is bepaald dat het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand subsidie kan verstrekken ten behoeve van en met het oog op de verlening van rechtsbijstand en mediation voor bijzondere doeleinden en projecten en [artikel 3a, tweede lid, onder c, van de Wet bescherming klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3a) waarin is bepaald dat de afdeling advies van het Huis voor klokkenluiders tot taak heeft een melder van een vermoeden van een misstand, degene die een melder bijstaat en een betrokken derde te verwijzen naar instanties of organisaties die juridische of psychosociale ondersteuning kunnen verlenen, besluit: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze subsidieregeling wordt verstaan onder: - a. **advocaat:** de advocaat die op basis van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049293&hoofdstuk=III&artikel=6&z=2024-08-01&g=2024-08-01) van deze regeling is toegelaten tot deze subsidieregeling; - b. **afdeling advies van het Huis voor klokkenluiders:** de afdeling advies, bedoeld in [artikel 1 Wbk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=1); - c. **bestuur:** het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 3 Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - d. **betrokken derde:** een betrokken derde als bedoeld in [artikel 1 Wbk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=1); - e. **Bvr:** [Besluit vergoedingen r"},{"i":18339,"b":"Protocol tussen België, Luxemburg en Nederland tot aanvulling van de op 5 november 1955 te Brussel gesloten Overeenkomst nopens de instelling van een Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Verlangend de leden van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad, welke werd ingesteld bij de op 5 november 1955 te Brussel ondertekende [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004827), volledige onafhankelijkheid bij de vervulling van hun hoge taak te verzekeren, Hebben besloten te dien einde een aanvullend Protocol vast te stellen en hebben Hun gevolmachtigden benoemd die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 Tegen de leden van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad, hierna te noemen „de Raad\", kan geen opsporing plaats vinden, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht. Artikel 2 Tijdens de zittingsduur van de Raad genieten de leden: - a). op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de lieden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend; - b). op het grondgebied van de andere Hoge Overeenkomstsluitende Partijen, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook. De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van de Raad begeven of daarvan terugkeren. Deze immuniteit kan niet worden ingeroepen ingeval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij het recht van de Raad onverkort laat, de immuniteit van een zijner leden op te heffen. Artikel 3 Dit Protocol zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Nederlandse Regering. Het treedt in werking op de dag volgend op die van nederlegging van de derde akte va"},{"i":17000,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid 1945- (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007, nr. arc-2007.03635/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid 1945–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19126,"b":"Richtlijn voor strafvordering discriminatie Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op diverse vormen van discriminatie door natuurlijke of rechtspersonen. Basiscasus/delict Legenda **Afkortingen** GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Georganiseerd of propagandistisch optreden Bij discriminatie dient georganiseerd en/of propagandistisch optreden strafverzwarend te worden beoordeeld. Naast een toename van het kwetsende karakter en de dreiging voor een slachtoffer als gevolg van deze vorm, dient het georganiseerd en/of propagandistisch optreden ook met kracht te worden bestreden gezien het op uitbreiding gerichte streven van een dergelijke wijze van optreden. Voor een toelichting op de andere onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](onbekend)."},{"i":18737,"b":"Besluit aanwijzing verenigingen als bedoeld in artikel 146, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES Artikel 1 1. Eene vereeniging, welke ten doel heeft: - 1°. ongehoorzaamheid aan of overtreding van eene algemeene verordening of eene keur; - 2°. aanranding of bederf der goede zeden; of - 3°. stoornis in de uitoefening van rechten van wien het ook zij; - 4°. het bedrijven, in stand houden of bevorderen van discriminatie van mensen wegens hun ras;is, als strijdig met de openbare orde, verboden. 2. Onder discriminatie wordt in dit artikel verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Wetboek van Strafrecht BES. 3. Dit besluit berust op [artikel 146, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=146). Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing verenigingen als bedoeld in artikel 146, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES."},{"i":18924,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 maart 2024 nr. BOACAT2024/023, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Rijksrecherche Gelezen het verzoek van de Rijksrecherche van 14 maart 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049513&artikel=2&z=2024-06-24&g=2024-06-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerker Intake & Service in dienst van de Rijksrecherche, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie ger"},{"i":18272,"b":"Instelling Stuurgroep ontvlechting parketpolitietaken Overwegende dat een adequate rechtshandhaving een optimale uitvoering van de parketpolitietaken vereist, Besluit: Artikel 1 Er is een stuurgroep ontvlechting parketpolitietaken. Artikel 2 De stuurgroep heeft tot taak richting te geven aan het project. Het project omvat: - a. beschrijving van de organisaties waarmee een optimale uitvoering van de vervoerstaken, de bewakingstaken en de betekening- en executietaken van de voormalige parketpolitie kan worden bereikt. De beschrijving van de organisaties dient in ieder geval te omvatten: de inbedding in de departementale organisatie, de toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden, een organisatie- en formatieplan, de benodigde voorzieningen voor goed functioneren. Tevens dient te worden bepaald welke personele en financiële middelen benodigd zijn; - b. opstellen van een implementatieplan, waarin is opgenomen een sociaal plan; - c. verzorgen van voorlichting aan betrokken medewerkers en instanties; - d. het feitelijk opzetten en inrichten van de organisaties en uitvoeren van het implementatieplan; - e. vaststellen van stuur- en kengetallen aan de hand waarvan het functioneren van de organisaties kan worden bewaakt. Artikel 3 In de stuurgroep hebben zitting: - mr. H. A. van Brummen, hoofd directoraat-generaal voor de Rechtspleging, voorzitter, - drs. E. G. M. Edelbroek, plv. hoofd directie Politie van het ministerie van Justitie; - drs. A. Rook, plv. hoofd directie Delinquentenzorg en Jeugdinrichtingen van het ministerie van Justitie; - drs. P. F. M. Jägers, hoofd directie Rechterlijke Organisatie van het ministerie van Justitie; - mr. D. W. Steenhuis, procureur-generaal Gerechtshof Leeuwarden; - P. Tieleman, korpschef regiopolitie Zuid-Holland-Zuid; - L. van Kampen, plv. directeur directie Politie van het ministerie van Binnenlandse Zaken; - mr. J. A. Blok, hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket 's-Gravenhage; - mr. P. Scholten, burgemeester va"},{"i":18760,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief betreffende Kameraadschapsbond van de Nederlandse Politie en het Georganiseerd Overleg voor Politieambtenarenzaken ressorterend onder het Ministerie van Justitie 1943–1994 (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archief Kameraadschapsbond van de Nederlandse Politie en het Georganiseerd Overleg voor Politieambtenarenzaken bevattende de hierboven genoemde archieven, de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":19537,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 13 oktober 2025, nr. IENW/BSK-2025/254921, houdende regels in verband met de modernisering van het erkenningenstelsel (Regeling erkenningen wegverkeer) Gelet op de [artikelen 4aub, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aub), [4auc, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4auc), [4aud, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aud), [37, derde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=37), [52b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=52b), [70j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=70j), [70n, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=70n), [86, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=86), en [186c, derde lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=186c), de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=13), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=19), en [20, eerste en tweede lid, van het Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=20), en de [artikelen 28a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=28a), [31, eerste lid, onder d, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=31), en [32, tweede lid en derde lid, onder g, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=32); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 10 mei 2023 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de modernisering van het erkenningenstelsel, het verbeteren van de handhaafbaarheid en enkele andere wijzigingen van technische aard in werking treedt (Stb. 2023, 195). Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling"},{"i":12358,"b":"Besluit van 14 september 2022, tot instelling van het Adviescollege toelatings- en verantwoordingscriteria landelijke publieke omroep (Besluit instelling Adviescollege toelatings- en verantwoordingscriteria landelijke publieke omroep) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 september 2022, nr. M&C/33963446, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **adviescollege:** adviescollege, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047213&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01); - **staatssecretaris:** Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 Er is een Adviescollege toelatings- en verantwoordingscriteria landelijke publieke omroep. Artikel 3 Het adviescollege heeft tot taak de staatssecretaris te adviseren over een afgewogen, zoveel mogelijk wetenschappelijk onderbouwd en breed gedragen voorstel voor toelatings- en verantwoordingscriteria voor de landelijke publieke media-instellingen, waarbij de belangen van eigentijdsheid, kwaliteit, representativiteit, pluriformiteit en maatschappelijk draagvlak gewaarborgd blijven. Dit advies bevat in ieder geval: - a. criteria voor toelating en verantwoording voor bestaande en nieuwe omroepen; - b. een uitgewerkt en operationaliseerbaar voorstel voor een beoordelingssystematiek; - c. een beschrijving van de taken en rollen van relevante partijen; en - d. een voorstel voor een systematiek voor periodieke herijking van de toelatings- en verantwoordingscriteria op basis van een integrale afweging, zodat de beheersbaarheid van het bestel in de toekomst meer dan nu kan worden bewaakt. Artikel 4 Het adviescollege bestaat uit e"},{"i":12338,"b":"Besluit van 4 december 2025, houdende de toekenning van een vaandel aan het Korps Inlichtingen en Veiligheid Prinses Alexia Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 1 december 2025, nr. BS2025013494, directie juridische zaken; Gelet op het koninklijk besluit van 22 augustus 1925, nr. 27, betreffende de omschrijving van het model van vaandels en standaarden; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Korps Inlichtingen en Veiligheid Prinses Alexia voert een vaandel. Artikel 2 Onder het monogram WA is in goud geborduurd: **1954** **KORPS INLICHTINGEN EN** **VEILIGHEID PRINSES ALEXIA** Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Afschrift van dit besluit zal worden gezonden aan Onze Adjudant-Generaal, tevens Chef van Ons militair Huis."},{"i":17348,"b":"Regeling Macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2015 Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die in 2015 multidisciplinaire zorg leveren als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Deze regeling is voorts van toepassing op zorgverzekeraars als bedoeld in [artikel 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036855&artikel=3&z=2015-07-18&g=2015-07-18) van deze regeling. Deze regeling is daarnaast van toepassing op degene die gegevens verzamelt, bewaart en bewerkt ten behoeve van zorgaanbieders of zorgverzekeraars zoals hierboven bedoeld, alsmede op de groep als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b), indien zorgaanbieders of zorgverzekeraars daartoe behoren. Artikel 2. Doel In de uitwerking van het akkoord eerste lijn 2014 tot en met 2017 is de minister van VWS overeengekomen met partijen dat bij overschrijding van het budgettair kader multidisciplinaire zorg eventueel een zogenaamd macrobeheersinstrument kan worden ingezet om de overschrijding (deels) teniet te doen. De minister is tevens met partijen overeengekomen dat inzetten van het macrobeheersinstrument een ultimum remedium is: aan het besluit van de minister gaat een proces vooraf waarin convenantspartijen een eventuele overschrijding onderzoeken op de precieze oorzaken en de beleidsmatige wenselijkheid daarvan. Wenselijke ontwikkelingen zoal"},{"i":17203,"b":"Wet van 9 oktober 2003, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten (Wet werk en bijstand) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving en ter versterking van de verantwoordelijkheid der gemeenten voor de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en de verlening van bijstand gewenst is te komen tot een Wet werk en bijstand, waarin de [Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333), de [Wet financiering Abw, IOAW en IOAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011670), de [Wet inschakeling werkzoekenden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009083) en het [Besluit in- en doorstroombanen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010994) zijn geïntegreerd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen § 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. college: het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in [artikel 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=40&z=2026-04-03&g=2026-04-03); - c. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - d. Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - e. Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in [artikel 6"},{"i":17511,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 november 2006, nr. VO/F/2006/40694, houdende nadere voorschriften met betrekking tot de verrekening van uitkeringskosten (Regeling nadere voorschriften met betrekking tot de verrekening van uitkeringskosten) Mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op de [artikelen 15f, eerste lid, tweede lid, onder b, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672&artikel=15f), en [15g, derde lid, van het Bekostigingsbesluit W.V.O.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672&artikel=15g); Besluit: Treedt volgens Stcrt. 2007/1 in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Bekostigingsbesluit W.V.O. (verrekening kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid) (Stb. 2006/652) in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **collectieve deel:** uitkeringskosten als bedoeld in [artikel 6.4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.4); - **individuele deel:** uitkeringskosten als bedoeld in [artikel 6.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.4). Artikel 2. Percentage collectieve deel uitkeringskosten Het percentage van het collectieve deel wordt vastgesteld op 75. Artikel 3. Voorlopige inhouding en definitieve vaststelling voor het collectieve deel 1. De voorlopige inhouding van de vermindering van de de bekostiging als bedoeld in [artikel 6 van de regeling bekostiging vo-scholen en samenwerkingsverbanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045605&artikel=6) per kalenderjaar, bedoeld in [artikel 6.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.5) volgt hetzelfde ritme als de betaling van de de bekostiging als bedoeld in artikel 6 van de regeling bekostiging vo-scholen en samenwerkingsve"},{"i":17172,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 juni 2023, nr. 2023-0000024188, houdende regels met betrekking tot de verstrekking van specifieke uitkeringen aan gemeenten in het belang van de verbetering van de leefbaarheid in kwetsbare gebieden (Meerjarige regeling specifieke uitkering herstructurering volkshuisvesting) Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel h en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2), en [artikel 3, van het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **financieel tekort:** negatief saldo van alle kosten en baten die onderdeel zijn van een project, berekend voor de gehele looptijd van het project; - **gespikkeld bezit:** samenhangend geheel van woningen dat in aanmerking komt voor herstructureringsactiviteiten dat deels in bezit is van een toegelaten instelling en waarbij die toegelaten instelling de herstructurering van het samenhangend geheel van woningen op zich wil nemen; - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **project:** project als bedoeld in [artikel 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048319&artikel=3&z=2024-12-05&g=2024-12-05); - **toegelaten instelling:** toegelaten instelling als bedoeld in [artikel 19 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=19); - **vereniging:** vereniging van eigenaars, woonvereniging of wooncoöperatie; - **vereniging van eigenaars:** vereniging van de eigenaars als bedoeld in [artikel 112, eerste lid, onderdeel e, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek](https://wette"},{"i":54,"b":"Arbeidsvrederegeling BES § 1. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **de minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. § 2. Positie bemiddelaar Artikel 2 De bemiddelaars en de bijzondere bemiddelaars leggen, alvorens hun ambt of taak te aanvaarden, in handen van de Rijksvertegenwoordiger of van een door hem aangewezen ambtenaar de eed of de belofte af, dat zij hun ambt of taak van bemiddelaar, getrouw, nauwgezet en eerlijk zullen vervullen. Artikel 3 De bemiddelaar, die buiten staat is bemiddeling te verlenen, geeft daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan de minister. Artikel 4 De bemiddelaar vergadert met de bijzondere bemiddelaars zo dikwijls hij zulks in het belang van de dienst nodig acht en heeft dan de leiding bij deze besprekingen. Artikel 5 Aan de bemiddelaar wordt een secretaris toegevoegd. Artikel 6 1. De bemiddelaar: - a. houdt de minister regelmatig op de hoogte van zijn optreden in geschillen of dreigende geschillen; - b. zendt jaarlijks vóór februari aan de minister een verslag van zijn werkzaamheden; - c. dient de minister desgevraagd van advies inzake arbeidspolitieke aangelegenheden. Artikel 7 1. De schadeloosstelling, bedoeld in [artikel 15 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028178&artikel=15), bedraagt voor de bemiddelaar of de bijzondere bemiddelaar: USD 132 per uur. 2. Indien de bemiddelaar of bijzondere bemiddelaar voor zijn optreden genoodzaakt is te reizen naar een ander eiland dan het eiland waar hij woont, worden de reiskosten vergoed. Tevens wordt in verband met de aan de reis bestede uren per enkele reis een vergoeding toegekend over één uur. 3. Tevens worden, indien noodzakelijk, de verblijfkosten die verband houden met de in het tweede lid bedoelde reizen vergoed overeenkomstig [artikel 8 van de Reisregeling Rijksambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041296&artikel=8). 4. Indien uit de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsinde"},{"i":355,"b":"Regeling beperkende bepalingen openbaarheid van naar het Nationaal Archief overgebrachte archiefbescheiden Pensioenraad 1913–1944 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief overgebrachte archiefbescheiden van het archief Pensioenraad 1913–1944, de volgende beperking gesteld: - 1). Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 16 en 22 is slechts mogelijk na toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. - 2). Toestemming, zoals bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a). de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b). de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c). de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft tot inzage; - d). er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3). Toestemming, zoals bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Nationaal Archief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, in overeenstemming met het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"i":294,"b":"Mandaatbesluit uitvoering deelterreinen militair pensioen Gelet op [artikel 4, tweede en vierde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De Staatssecretaris verleent aan het bestuur mandaat ten aanzien van de uitvoering van de volgende regelingen: - a. het [Besluit bijzondere militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012222); - b. voor zover de Staatssecretaris zich de uitvoering daarvan niet heeft voorbehouden, de Conversieregeling militaire pensioenen en de daarmee samenhangende berichtgeving, bedoeld in [artikel 3, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955&artikel=3) en - c. voor zover na die datum nog noodzakelijk, de voor 1 juni 2001 geldende militaire pensioenwetten of -regelingen. 2. De Staatssecretaris verleent aan het bestuur de bevoegdheid namens hem in rechte op te treden in bezwaar- en beroepskwesties rond de in het eerste lid bedoelde regelingen. Artikel 3 1. Het bestuur legt een op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012607&artikel=2&z=2001-06-01&g=2001-06-01) te nemen besluit voor aan de Staatssecretaris indien: - a. er gerede twijfels zijn over de juistheid van de toepassing in een individueel geval; - b. bijzondere beleidsmatige en/of financiële gevolgen van dat besluit een nadere afweging vergen. 2. Het bestuur houdt bij de op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012607&artikel=2&z=2001-06-01&g=2001-06-01) te nemen besluiten, zo nodig na voorafgaand overleg, rekening met eventuele nadere beleidsaanwijzingen van de Staatssecretaris. 3. Het bestuur verstrekt desgevraagd de Staatssecretaris de voor verdere beleidsvorming noodzakelijke informatie rond de uitvoering van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012607&artikel=2&z=2001-06-01&g=2001-06-01) bedoelde regelingen. Artik"},{"i":293,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot het verlenen van mandaat aan het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen voor de uitvoering van diverse werkloosheidsregelingen Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - Opdrachtgever: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - UWV: Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam; - Regelingen: het [Besluit Werkloosheid Onderwijs- en Onderzoekspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006445), het [Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012177), alsmede hoofdstuk III, hoofdstuk IV en hoofdstuk VI, artikel 44, van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekspersoneel. Artikel 2. Mandaat Opdrachtgever verleent aan UWV het volgende mandaat: - 1. UWV is bevoegd om namens Opdrachtgever al die besluiten te nemen die Opdrachtgever bij of krachtens de regelingen bevoegd is te nemen. - 2. UWV is bevoegd om verzoeken in het kader van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252), dan wel in het kader van de [Wet nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372), dan wel verzoeken van een gelijksoortig karakter voor zover die verband houden met de uitvoering van de regelingen, namens Opdrachtgever af te handelen. - 3. UWV is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de regelingen namens Opdrachtgever te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. - 4. UWV is bevoegd om inzake de uitvoering van de regelingen namens Opdrachtgever in rechte op te treden en om namens Opdrachtgever tegen rechterlijke uitspraken ter zake al dan niet hoger"},{"i":343,"b":"Regeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren ex artikel 25 van de Warenwet Gelet op [artikel 25, eerste lid, onderdeel b, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25) (Stb. 1988, 360); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaar belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) worden aangewezen: - a. de ambtenaren van de Voedsel en Waren Autoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. De ambtenaren van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar publikatie in de Staatscourant."},{"i":263,"b":"Gezamenlijke regeling aanwezigheid van ambtenaren bij onderzoek in een ander land van het Koninkrijk Gelet op [artikel 37, tweede lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=37), Besluiten: Artikel 1 Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 37, tweede lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=37). Artikel 2 Een verzoek tot aanwezigheid van ambtenaren van het ene land bij een onderzoek op het grondgebied van één van de andere landen wordt slechts gedaan in gevallen waarin er gegronde aanwijzingen zijn dat sprake is van belastingontduiking of belastingontgaan van beduidende omvang, waarbij de complexiteit van de zaak, al dan niet in samenhang met dreigende termijnoverschrijding, een dergelijke aanwezigheid wenselijk maakt. Toepassing van deze regeling in andere dan de bovenomschreven gevallen is slechts mogelijk nadat de bevoegde autoriteiten hierover overeenstemming hebben bereikt. Artikel 3 Het verzoek tot aanwezigheid van een ambtenaar wordt schriftelijk gedaan en maakt deel uit van een verzoek om een bepaald onderzoek in te stellen. Artikel 4 Het verzoek bevat een motivering voor de verlangde aanwezigheid en vermeldt de stappen welke het verzoekende land heeft ondernomen om de gewenste informatie te verkrijgen. Artikel 5 Het verzoekende land zal in gelijksoortige gevallen ambtenaren van het aangezochte land toelaten. Artikel 6 Het onderzoek wordt verricht door ambtenaren van het aangezochte land. De bezoekende ambtenaren zijn bevoegd aanwezig te zijn bij een onderzoek ingesteld ter voldoening aan een gedaan verzoek om inlichtingen. Artikel 7 De bezoekende ambtenaren zijn slechts aanwezig bij die onderdelen van het onderzoek in het aangezochte land die voor het onderzoek in het verzoekende land van belang zijn. Artikel 8 Aan de bezoekende ambtenaren wordt, met inachtneming van [artikel 38, tweede lid, van de Belastingregeling voor het K"},{"i":316,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Griekenland betreffende de aanwerving, de plaatsing en de tewerkstelling in Nederland van arbeidskrachten Gezien de vriendschappelijke betrekkingen die tussen beide landen bestaan, alsmede hun beider behoeften op het gebied van de arbeidsvoorziening, Zich ervan bewust dat het in het belang van beide landen is de tewerkstelling in Nederland van Griekse arbeidskrachten te bevorderen, Verlangende een regeling te treffen nopens de aanwerving, de plaatsing en de tewerkstelling in Nederland van Griekse arbeidskrachten, Zijn als volgt overeengekomen: Algemene bepalingen Artikel 1 Terzake van de aanwerving, de plaatsing en de tewerkstelling in Nederland van Griekse arbeidskrachten zijn bevoegd: aan Griekse zijde, het Directoraat-Generaal van de Arbeid van het Ministerie van Arbeid (hierna te noemen „het Directoraat-Generaal”); aan Nederlandse zijde, de Directie voor de Arbeidsvoorziening van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid (hierna te noemen „de Directie”). Artikel 2 1. Opdat de bevoegde Griekse autoriteiten tijdig de nodige voorzieningen kunnen treffen en aan de aanvragen kunnen voldoen, verstrekt de Directie ten minste eens in de zes maanden aan het Directoraat-Generaal inlichtingen over de geraamde behoeften van het Nederlandse bedrijfsleven aan Griekse arbeidskrachten, gerangschikt naar takken van economische bedrijvigheid, naar bedrijfsklassen en naar beroepen. 2. Het Directoraat-Generaal doet de Directie zo spoedig mogelijk weten in hoeverre het beschikbare aanbod van arbeidskrachten de vraag kan dekken. Artikel 3 1. De Directie verstrekt aan het Directoraat-Generaal alle inlichtingen over de loon- en arbeidsvoorwaarden in het algemeen en over de levensomstandigheden, die kunnen strekken tot voorlichting aan de betrokken arbeidskrachten. 2. Zij verstrekt in het bijzonder alle inlichtingen betreffende het gemiddelde loon en de gemiddelde arbeidstijd in de verschillende sectoren van"},{"i":168,"b":"Besluit van 26 juni 1967, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 28, eerste en tweede lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 13 juni 1967 nr. 57776 Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Sociale Verzekering, Afdeling Algemene Zaken; Gelet op [artikel 28, eerste en tweede lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002553&artikel=28); De Raad van State gehoord (advies van 21 juni 1967 nr. 66. Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 23 juni 1967 nr. 58082 Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Sociale Verzekering, Afdeling Algemene Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. de risicodragers ingevolge de ongevallenwetten: de risicodragers, opgesomd in [artikel 1, onder **e** t/m g, van de Liquidatiewet ongevallenwetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002553&artikel=1); - b. de liquidatiedatum: de datum, waarop [artikel 19 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=19) in werking treedt; - c. de datum van overdracht: de liquidatiedatum onderscheidenlijk de data waarop de overdrachten plaatsvinden overeenkomstig het bepaalde in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002593&paragraaf=5&artikel=14&z=2002-01-01&g=2002-01-01). § 2. Berekening contante waarde van uitkeringen aan getroffenen op de liquidatiedatum Artikel 2 De verplichtingen wegens anders dan voorlopig toegekende renten als bedoeld in artikel 16 der Ongevallenwet 1921, artikel 37 der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 2, eerste lid, der Zeeongevallenwet 1919 ter zake van ongevallen, plaatsgehad hebbend een jaar of langer vóór de liquidatiedatum - met uitzondering van de verpl"},{"i":177,"b":"Besluit van 19 november 2025, houdende nadere regels omtrent de terugvordering op grond van de Wet ongevallenverzekering BES en Wet ziekteverzekering BES (Besluit terugvordering werknemersverzekeringen BES) [KetenID WGK026934] Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 september 2025, nr. 2025-0000206908; Gelet op [artikel 12e, derde lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=12e) en [artikel 12e, derde lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12e); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 oktober 2025 nr. W12.25.00264/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 november 2025, nr. 2025-0000258674, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - **uitkering:** uitkering als bedoeld in [artikel 3 van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=3) of [artikel 3 van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=3). Artikel 2. Besluit tot terugvordering 1. Een besluit tot terugvordering van een ten onrechte uitbetaalde uitkering wordt schriftelijk meegedeeld en vermeldt de reden voor terugvordering, het bedrag dat wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gelegd. 2. Degene van wie wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de informatie te verstrekken die voor terugvordering van belang kan zijn. Artikel 3. Afzien van terugvordering 1. Onze Minister kan afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering van een ten onrechte uitbetaalde uitkering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn"},{"i":329,"b":"Tijdelijk Besluit vrijstelling van dienst ambtenaren en werknemers BES Artikel 1 1. De bepalingen van dit besluit en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften vinden slechts toepassing voor zover niet anders is of wordt bepaald. 2. De [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&hoofdstuk=IV&z=2026-04-10&g=2026-04-10), [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&hoofdstuk=V&z=2026-04-10&g=2026-04-10) en [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&hoofdstuk=VI&z=2026-04-10&g=2026-04-10) zijn niet van toepassing op ambtenaren die niet regelmatig dienst doen. Artikel 2 1. Aanstelling geschiedt in vaste of in tijdelijke dienst. 2. Aan de aanstelling in vaste dienst gaat in de regel vooraf een aanstelling in tijdelijke dienst. 3. Aanstelling in tijdelijke dienst kan slechts plaats hebben: - a. indien mag worden aangenomen, dat de werkzaamheden, waarmede de ambtenaar zal worden belast, van aflopende aard zijn. Wanneer werkzaamheden als in de vorige volzin bedoeld elkaar in een aaneensluitende reeks opvolgen, wordt de aanstelling in tijdelijke dienst van de ambtenaar, die met die werkzaamheden is belast, na vijf jaren door een aanstelling in vaste dienst vervangen, indien mag worden aangenomen, dat deze werkzaamheden tenminste nog vijf jaren zullen voortduren. De aanstelling in tijdelijke dienst wordt in elk geval na tien jaren dienst als zodanig door een aanstelling in vaste dienst vervangen; - b. indien een wijziging van de taak van de betrokken dienst is voorgenomen; - c. van personen, in dienst genomen ter vervanging van tijdelijk afwezig personeel; - d. van personen in opleiding; - e. van personen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2026-04-10&g=2026-04-10); - f. voor een proeftijd van niet langer dan één jaar, ten hoogste met nog één jaar te verlengen. In bijzondere gevallen kan op verzoek van de ambtenaar de proeftijd na twee jaren nog uiterlijk met één jaar worden"},{"i":364,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 april 2015, 2015-0000087820, tot Besluit digitale vervanging archiefbescheiden Inspectie SZW systemen Diwi, I-Net en ISBB Gelet op [artikel 6, eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b), Besluit: Artikel 1 De originele papieren archiefbescheiden die volgens de vastgestelde selectielijst voor vernietiging dan wel voor permanente bewaring in aanmerking komen van de Nederlandse Arbeidsinspectie voor de systemen Diwi, I-Net en ISBB, worden overeenkomstig de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036576&artikel=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036576&artikel=3&z=2022-01-01&g=2022-01-01), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036576&artikel=4&z=2022-01-01&g=2022-01-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036576&artikel=5&z=2022-01-01&g=2022-01-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036576&artikel=6&z=2022-01-01&g=2022-01-01) digitaal vervangen. Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt overeenkomstig de eisen van [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) en met inachtneming van de waarde en het belang, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel c onderscheidenlijk onderdeel d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 3 De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties vastgesteld in het Handboek digitale vervanging archiefbescheiden Nederlandse Arbeidsinspectie systemen Diwi, I-Net en ISBB. Artikel 4 De digitale vervanging heeft betrekking op de volgende archiefbescheiden: - 1. Archiefbescheiden die worden opgenomen in het systeem Diwi hebben betrekking op besturende en ondersteunende processen. - 2. Archiefbescheiden die worden opgenomen"},{"i":215,"b":"Besluit vervanging archiefbescheiden UWV Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Over te gaan tot vervanging van de op termijn te vernietigen archiefbescheiden. Bij de overweging om tot vervanging over te gaan is rekening gehouden met het feit dat de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed niet aanwezig wordt geacht nu sprake is van vervanging van op termijn te vernietigen archiefbescheiden. Bij de overweging om tot vervanging over te gaan is rekening gehouden met het belang van de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, voor recht- of bewijszoekenden en voor historisch onderzoek. De voor vervanging in aanmerking komende archiefbescheiden worden opgenomen in een substitutieregister, die ondertekend wordt door de directeur Facilitair Bedrijf. Het substitutieregister bevat een specificatie van de te vervangen archiefbescheiden en de wijze van vervanging. Wijzigingen in dit register worden getoetst door de directeur Facilitair Bedrijf. Jaarlijks wordt een door het hoofd van de afdeling Documentaire Informatievoorziening ondertekende verklaring van vervanging opgesteld. Deze verklaring bevat een specificatie van de wijzigingen in het substitutieregister. Bij de vervanging wordt voldaan aan de voorwaarden behorende bij vervanging zoals gesteld in [artikel 3 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=3), de [artikelen 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), en [8 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=8). De vervangen archiefbescheiden zullen gedurende de vastgestelde bewaartermijnen in goede, geordende en toegankelijke staat worden bewaard. In het geval van digitale archiefbescheiden geldt daarnaast dat indien door voortschrijding van de technologie, dan wel vervanging van de gebruikte technologie, dan wel door achteruitga"},{"i":216,"b":"De Staat der Nederlanden, waarvan de zetel gevestigd is te Den Haag, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verleent aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de volmacht om in het kader van de uitvoering van de volgende regelingen namens de Staat der Nederlanden privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; regelingen: [Rijkswachtgeldbesluit 1959](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002326), [Uitkeringsregeling 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002537), de [Regeling wachtgeld en uitkering privatisering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004583), het Sociaal Beleidskader 1987, het Sociaal Beleidskader 1991, het [besluit aanvullende regels ten aanzien van de rechtspositie van ambtenaren bij de BVD](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003978), de tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering, het [besluit SBK reorganisatie Politiebestel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005607), de wachtgeld-vut-uitkeringsregeling ten aanzien van rechthebbende die na 1-10-1995 zijn ontslagen en onderstand overdracht West-Nieuw Guinea/voormalig personeel Suriname, [Besluit bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid sector Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008114) en [Suppletieregeling gedeeltelijke arbeidsongeschikten sector Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007758). Artikel 2 UWV is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de regelingen namens de Staat der Nederlanden privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. Artikel 3 UWV is bevoegd tot het doorverlenen van volmacht aan bij UWV in dienst zijnde functionarissen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 april 2004."},{"i":242,"b":"Circulaire Wijziging in de financiële arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari 2008 Inleiding Zoals te doen gebruikelijk ontvangt u aan het einde van het kalenderjaar een circulaire over wijzigingen van de financiële arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de sector Rijk. U treft in deze circulaire informatie aan over de volgende onderwerpen: Voorzover de wijzigingen niet automatisch in uw salaris- of personeelssysteem worden aangebracht zal uw eigen personeels- of salarisadministratie de wijzigingen dienen aan te brengen. 1. Reisregeling binnenland Met ingang van 1 januari 2008 wijzigt in de [Reisregeling binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005912): De bedragen van de vergoedingen per kilometer van € 0,37 en € 0,09 voor het gebruik van een privé-vervoermiddel blijven ongewijzigd. De ministeriële regeling met de wijzigingen is gepubliceerd in de Staatscourant van 3 december 2007, nr. 234. 2. Belastingvrije vergoeding voor reiskosten De Belastingdienst handhaaft de belastingvrije vergoeding voor reiskosten op € 0,19 per kilometer. 3. Te werken uren op jaarbasis Het aantal te werken uren op jaarbasis bedraagt in 2008 bij een volledige arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week afgerond 1829 uren. Dit aantal is het resultaat van de volgende berekening 4. Eindejaarsuitkering De ambtenaar heeft vanaf 1 december 2007 recht heeft op een eindejaarsuitkering van 4% (was 2,8%) van het door hem genoten salaris. De eindejaarsuitkering wordt uitbetaald in de maand november 2008 en wordt berekend over de periode van twaalf maanden, aanvangende met de maand december 2007. 5. Salarisverhoging met ingang van 1 april 2008 Zoals overeengekomen in de [Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2007–2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022086) worden de salarisbedragen van het BBRA 1984 met ingang van 1 april 2008 verhoogd met 2%. 6. Maximum spaarloonbedrag Het bedrag dat in 2008 maximaal belastingvrij kan worden gespaard blijft gehandhaafd op € 613,00. 7"},{"i":164,"b":"Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV 2026 Gelet op het bepaalde in de [artikelen 34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34a), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35) en [36 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=36), de [artikelen 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22) en [2:23 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23) en [artikel 19a Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a), [artikel 3a.1.1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=3a.1.1) en de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7) en [10g Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=10g); Besluit: Artikel 1 Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het toekennen van voorzieningen voor de werksituatie of de onderwijssituatie en bij het toekennen van een tolkvoorziening voor de leefsituatie, de normbedragen zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 UWV indexeert de normbedragen voorzieningen als volgt: - 1. Jaarlijks, per 1 januari: - a. De normbedragen C20-I, C20-III, Z1, Z2 en Z3 met dezelfde index als het maximum premieloon; - b. De normbedragen met de codes C18-II, C18-III, C18-IV, C22, C25-I, C25-V, C25-VI, C26-I, C26-II, C27, C31, C32, C33, C34, C35, C71, E17-A1, G22-I en I12 met de consumentenprijsindex (CPI); - c. De normbedragen met de codes E17-I, E17-II, E17-III, E17-A3, Q1 en Q2 met dezelfde index als de Cao-lonen in de gezondheid- en welzijnszorg; - d. Normbedrag B11 op basis van dezelfde index als het wettelijk minimumloon; - e. Normbedrag Z4 op basis van het door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde percentage. - 2. De aanpassingspercentages per 1 januari 2026 bedragen;"},{"i":248,"b":"Controlevoorschriften buitenland arbeidsongeschiktheidswetten 2006 Gelet op [artikel 27 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=27), [artikel 38 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=38), [artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=44) en [artikel 36 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=36); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - b. WAO: [Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - c. Wet WIA: [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); - d. WAZ: [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656); - e. Wajong: [Wet op de arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657); - f. uitkering: de uitkering in de zin van [hoofdstuk II van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&hoofdstuk=II), de [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&hoofdstuk=6) en [7 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&hoofdstuk=7), [hoofdstuk 3 van de WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&hoofdstuk=3) of [hoofdstuk 2 van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&hoofdstuk=2); - g. uitkeringsgerechtigde: de persoon aan wie een uitkering ingevolge de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), de [Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), de [WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) of de [Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) is toegekend; - h. aanvrager: de per"},{"i":161,"b":"Besluit meldingsvereisten werknemersverzekeringen BES Artikel 1. Meldingsvereisten bij ziekte of ongeval 1. Een werkgever is verplicht formulieren in voorraad te hebben voor de melding van een ongeval of van ziekte in het kader van de [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497) of de [Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728). 2. Na de melding van een ongeval of van ziekte is de werkgever verplicht onverwijld een afschrift van een volledig ingevuld en ondertekend formulier aan de werknemer te doen toekomen, ook indien deze bedlegerig is. Artikel 2. Wettelijke grondslag Dit besluit berust op [artikel 13 van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=13) en [artikel 13 van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=13). Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit meldingsvereisten werknemersverzekeringen BES."},{"i":6328,"b":"Wet van 20 juni 2002 tot samenvoeging van de gemeenten Echt en Susteren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Echt en Susteren samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Echt en Susteren opgeheven. Artikel 2 - a. Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Echt-Susteren ingesteld zoals aangegeven op de bij de wet behorende kaart. - b. De nieuwe gemeente Echt-Susteren bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Echt en Susteren. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Echt-Susteren wordt de op te heffen gemeente Echt aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Echt en Susteren wordt de nieuwe gemeente Echt-Susteren aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. de [artikelen 44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=44), en [45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen; - d. [artikel 48, twe"},{"i":671,"b":"Besluit van 13 december 2006 tot intrekking van het Kaderbesluit rechtspositie VO en tot wijziging van enkele besluiten in verband met verdere decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 26 september 2006, nr. WJZ/2006/31737 (3806), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 38a, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=38a), en [53, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=53); De Raad van State gehoord (advies van 19 oktober 2006, nr. W05.06.0418/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 7 december 2006, nr. WJZ/2006/38570 (3806), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op het voortgezet onderwijs, enz. (verdere decentralisatie arbeidsvoorwaarden) (Stb. 2006/19) in werking treedt. Artikel I. Intrekking [Kaderbesluit rechtspositie VO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007495) Het [Kaderbesluit rechtspositie VO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007495) wordt ingetrokken.. Artikel II. Wijziging [Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012177) Wijzigt het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs. Artikel III. Wijziging [Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006445) Wijzigt het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel. Artikel IV. Wijziging [Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwij"},{"i":13993,"b":"Protocol Accountantsonderzoek 2015 CAK februari 2016 1. Inleiding Op 1 januari 2015 is de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) in werking getreden. Tot 1 januari 2015 was de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ) van toepassing. In [hoofdstuk 11 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&hoofdstuk=11) zijn de invoeringsbepalingen en het overgangsrecht opgenomen. Indien van toepassing zijn de overgangsbepalingen over de afwikkeling van de AWBZ in dit document opgenomen bij de betreffende onderdelen. De activiteiten van het CAK worden met ingang van 1 januari 2013 uitgevoerd door een zelfstandig bestuursorgaan (zbo). De [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) is hierop van toepassing. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben in het Model Jaarverslaggeving 2015 CAK voorschriften opgenomen voor de inrichting van de verantwoordingsdocumenten 2015 van het CAK. Het model bevat modellen waarmee het CAK zijn verantwoordingsdocumenten moet inrichten. Ook heeft dit protocol betrekking op de uitwerking van de [Wet tegemoetkomingsregeling chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) (Wtcg), de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) (ouderbijdragen), de afgifte van Schengen- en Engelstalige verklaringen en de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) (beheerskosten) op grond waarvan VWS regels kan stellen voor het accountantsonderzoek en voor de inhoud en inrichting van het accountantsverslag. De regels voor het accountantsonderzoek en voor de inhoud en inrichting van het accountantsverslag hebben VWS en de NZa vastgelegd in dit Protocol Accountantsonderzoek 2015 CAK.1Op basis van artikel 31 Wmg kan de NZa regels stellen voor de inhoud en inrichting van"},{"i":13990,"b":"Regeling stimuliering multimodaal en intermodaal transport 1998 Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3) en [4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De Minister kan aan haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratie- en kennisoverdracht-projecten subsidie verlenen indien deze: - a. behoren tot een van de in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009694&artikel=3&z=1998-06-21&g=1998-06-21) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009694&artikel=4&z=1998-06-21&g=1998-06-21) bedoelde categorieën, en - b. in aanmerkelijke mate bijdragen aan de bevordering van de modal shift in het goederenvervoer, en - c. geheel of gedeeltelijk in Nederland worden uitgevoerd in samenwerking tussen tenminste één van de volgende marktpartijen: - in Nederland gevestigde vervoers- en verladersbedrijven; - in Nederland gevestigde toeleveranciers aan deze bedrijven; - en tenminste één van de volgende onderzoekspartijen: - ingenieurs- en adviesbureaus die actief zijn op logistiek gebied; - instellingen voor wetenschappelijk onderwijs; - instellingen voor wetenschappelijk of toegepast onderzoek. 2. De mate waarin wordt bijgedragen aan de in de eerste lid bedoelde bevordering van de modal shift wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria: - a. de milieu- en energiewaarde van het project, te beoordelen aan de hand van de mate waarin een vermindering van de uitstoot van CO2 en NOx als gevolg van het project aannemelijk wordt gemaakt; - b. de slagingskans van het project, te beoordelen op basis van de volgende elementen: - technische haalbaarheid; - organisatorische haalbaarheid; - economische haalbaarheid; - c. de innovatieve waarde van het project, te beoordelen naar de mate waarin sprake is van het toepassen van nieuwe of vernieuw"},{"i":13994,"b":"Protocol Accountantsonderzoek 2016 CAK September 2016 1. Inleiding Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben in het [Model Jaarverslaggeving 2016 CAK](onbekend) voorschriften opgenomen voor de inrichting van de verantwoordingsdocumenten 2016 van het CAK. Het model bevat modellen waarmee het CAK zijn verantwoordingsdocumenten moet inrichten. De regels voor het accountantsonderzoek en voor de inhoud en inrichting van het accountantsverslag hebben VWS en de NZa vastgelegd in dit Protocol Accountantsonderzoek 2016 CAK1Op basis van artikel 31 Wmg kan de NZa regels stellen voor de inhoud en inrichting van de verklaring en van het accountantsverslag zoals bedoeld in artikel 4.3.1 Wlz. Artikel 6.2.6 (lid 1) Wlz geeft aan dat artikel 4.3.1 (lid 1 tot en met 4) Wlz van overeenkomstige toepassing is op het CAK.. Dit Protocol Accountantsonderzoek 2016 CAK geeft richtlijnen voor het door de externe accountant uit te voeren onderzoek naar de: Het doel van dit protocol is niet om de aanpak van het onderzoek voor te schrijven, maar om de kaders te geven waarbinnen het onderzoek moet plaatsvinden. De externe accountant geeft de uitkomst van zijn onderzoek weer in: Het CAK moet de verantwoordingsdocumenten vergezeld van de accountantsproducten vóór 15 maart2De aanleverdatum van het afgesloten ‘Governance arrangement tussen het CAK en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport’ en de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is gevolgd voor het verantwoordingsjaar 2016. Deze datum wijkt af van de aanleverdatum van 1 juli zoals genoemd in de Wet langdurige zorg. van het jaar volgende op het verslagjaar toezenden aan VWS en de NZa. VWS en de NZa maken bij hun toezicht zoveel mogelijk gebruik van de verantwoordingsdocumenten van het CAK en van de controleverklaringen, het accountantsrapport, het rapport van feitelijke bevindingen en de Third Party Mededeling3De Third Party Mededeling is een rapportage van een externe ac"},{"i":14002,"b":"Raadpleging archief NBS Overwegende dat in 1993 zonder beperkende bepalingen op de openbaarheid is overgedragen aan de algemene rijksarchiefbewaarplaats het archief van de Gewestelijke Inlichtingencentrale 14 van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten; dat na overdracht is gebleken dat de openbaarheid van inventarisnummer 12 van dit archief onevenredige schade zou kunnen toebrengen aan de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen; Gelet op [artikel 15, tweede lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Inventarisnummer 12 van het in de algemene rijksarchiefbewaarplaats berustende archief van De Gewestelijke Inlichtingencentrale 14 van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten mag tot 1 januari 2020 alleen worden geraadpleegd na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Algemeen Rijksarchief. Voor publikatie van gegevens uit deze bescheiden is eveneens voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Algemeen Rijksarchief vereist. Artikel 2 Dit besluit, dat zal worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant, werkt terug tot 1 januari 1996."},{"i":13982,"b":"Procuratieregeling Stichting Autoriteit Financiële Markten De procuratieregeling van de AFM houdt in dat aangewezen personen volmacht hebben tot het aangaan van een verplichting namens de AFM (daaronder wordt ook begrepen het voldoen aan een verplichting en het verlengen van een verplichting). Dit met inachtneming van in deze regeling genoemde voorwaarden. De bijlage bij deze regeling (hierna: de Bijlage) bevat een overzicht van personen, afdeling en type procuratie. Uitsluitend personen vermeld in de Bijlage hebben volmacht om een verplichting aan te gaan. De procuratieregeling inclusief de Bijlage staat op haar website: www.afm.nl. De genoemde bedragen zijn inclusief btw. Het Bestuur van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (‘AFM’) verleent per 1 januari 2011 procuratie uitsluitend aan de in de Bijlage opgenomen personen, op de hierna beschreven wijze. De procuratie is onderverdeeld in twee categorieën. Categorie 1 betreft uitgaven waarop alleen de AFM **budgethoudersregeling** van toepassing is. Categorie 2 betreft uitgaven waarop naast de AFM budgethoudersregeling ook de **AFM inkoopprocedures** van toepassing zijn. Welke uitgaven onder welke categorie vallen, is nader toegelicht in de Bijlage. De systematiek is daarbij als volgt: personen van alle afdelingen van de AFM kunnen bevoegd worden gemaakt ten aanzien van uitgaven vallend onder categorie 1. Daarentegen kunnen ten aanzien van uitgaven vallend onder categorie 2 slechts personen van **inkopende** afdelingen van de AFM bevoegd worden gemaakt. Er zijn zes inkopende afdelingen binnen de AFM: De procuratie van de AFM is ingedeeld als volgt. **Procuratiehouder A:** **Procuratiehouder B:** **Procuratiehouder C:** **Procuratiehouder D:** De omvang van de bevoegdheden categorie 1 en 2 ziet er schematisch weergegeven als volgt uit: **Bijzondere bepalingen:** Bijlage Gepubliceerd op www.afm.nl."},{"i":14278,"b":"Regeling gebruik hoogtemeter BES Treedt in werking om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Afdeling I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. grondkoers: de projectie op het aardoppervlak van de vliegbaan van een luchtvaartuig waarvan de richting wordt uitgedrukt in graden ten opzichte van het ware noorden afgekort T, het magnetische noorden afgekort M of het kaartnetnoorden afgekort G; - b. voet: de lengte gelijk aan 0.3048 m; - c. hoogte: de verticale afstand tussen een vlak, een punt of een als punt te beschouwen voorwerp en een referentievlak, referentiepunt of als referentiepunt te beschouwen voorwerp; - d. vliegniveau: een vlak van constante atmosferische druk in relatie tot het referentie-drukvlak van 1013.2 hectopascals (hPa), dat van soortgelijke vlakken is gescheiden door bepaalde drukintervallen; - e. overgangshoogte: de hoogte boven gemiddeld zeeniveau waarop en waar beneden de vlieghoogte wordt uitgedrukt in hoogte boven gemiddeld zeeniveau; - f. overgangsniveau: het laagst beschikbare vliegniveau boven de overgangshoogte; - g. QFE: de atmosferische druk op het vliegveldniveau; - h. QNH: de QFE herleid tot gemiddeld zeeniveau in de ICAO-standaardatmosfeer. Artikel 2. Vliegniveaus - 1. Vliegniveau nul is gelegen op het atmosferisch drukvlak van 1013,2 hPa. Opeenvolgende vliegniveaus zijn gescheiden door een drukinterval dat overeenkomst met ten minste 500 voet in de ICAO-standaardatmosfeer. - 2. Een vliegniveau wordt aangeduid met de hoofdletters FL gevolgd door een getal, dat overeenkomt met een honderdste deel van de desbetreffende drukhoogte in voeten in de ICAO-standaardatmosfeer. Artikel 3. Overgangshoogte en overgangsniveau De overgangshoogte in de Flamingo CTR, bedoeld in de Regeling aanwijzing luchtruim en aanwijzing luchtverkeersdienstverlener BES, is 2500 voet. Artikel 4 Voor genoemde luchtvaartterreinen wordt tenminste elk uur door de bij of"},{"i":6355,"b":"Wijziging Huurprijzenwet woonruimte (onderhoud, vergoeding aan de Staat en toezicht) Geacht College, Met ingang van 30 november 1999 treedt een aantal wijzigingen in de [Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221) (Hpw), de [Wet op de huurcommissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003222) (Whc) en het [Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237) (Bhw) in werking. De belangrijkste wijzigingen zijn de volgende: Met deze circulaire informeer ik u over de belangrijkste wijzigingen en vraag ik u om medewerking ten aanzien van de vrijstellingsregeling voor de vergoeding aan de Staat. Onderhoudsprocedure Ter versterking van de positie van huurders is een nieuwe procedure bij de huurcommissie ontwikkeld die erin voorziet dat de huurder op elk moment van het jaar de huurcommissie kan verzoeken uitspraak te doen over de redelijke in rekening te brengen huurprijs. Dit kan echter pas nadat de verhuurder na een aanzegging daartoe kennelijk niet bereid is om het gemelde en de bewoonbaarheid (zeer) ernstig schadende gebrek aan of in de gehuurde woonruimte op te heffen. Het verzoekschrift kan niet eerder worden ingediend dan 6 weken nadat de huurder bedoelde aanzegging naar zijn verhuurder heeft verzonden. Vanaf dat tijdstip heeft de huurder een termijn van 12 maanden om dat verzoekschrift bij de huurcommissie in te dienen. Indien ook de huurcommissie bij de behandeling van het verzoekschrift van de huurder van oordeel is dat de woning een ernstig gebrek vertoont dan kan de huurcommissie een redelijke in rekening te brengen lagere huurprijs uitspreken. Bij gebreken die thans absolute nulpunten worden genoemd zal een verlaging van de in rekening te brengen huurprijs plaats kunnen vinden tot ten laagste 25 procent van de maximale huurprijsgrens. Bij gebreken die thans nog als relatieve nulpunten worden aangemerkt zal een ondergrens van 40 procent van bedoelde huurprijsgrens gaan gelden en voor de overige g"},{"i":1915,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 28 december 2021 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Artikel IV Wijzigt de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990. Artikel V Wijzigt de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Artikel VI Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Artikel VII Wijzigt de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Artikel VIII Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965. Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringsregeling bronbelasting 2021. Artikel X Wijzigt de Uitvoeringsregeling Registratiewet 1970. Artikel XI Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel XII Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel XIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel XIV Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XV Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel XVI Wijzigt de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. Artikel XVII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel XVIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Artikel XIX Wijzigt de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst. Artikel XX Wijzigt de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Artikel XXI **Artikel 4**, eerste lid, van de [Uitvoeringsregeling Registratiewet 1970](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034017), zoals dat luidde op 31 december 2021, blijft tot en met 31 maart 2022 van toepassing op notarissen die niet kunnen voldoen aan [artikel 4, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Registratiewet 1970](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":743,"b":"Aanmeldings-, transactie- en vervolgingsrichtlijn voor fiscale- en douane delicten Belastingdienst/Caribisch Nederland 2012 1. Inleiding Na de staatkundige wijzigingen per 10 oktober 2010 is de Belastingdienst/Caribisch Nederland (BCN) competent voor de heffing en inning van de BES-belastingen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES). Gelet op: bestaat er aanleiding voor de BCN en het Openbaar Ministerie BES om een richtlijn te formuleren voor het heffingsgebied van de BCN ter zake van het aanmelden, transigeren en vervolgen van strafzaken (ATV-richtlijn). 1.1. Context en uitgangspunten Deze ATV-richtlijn beschrijft hoe de BCN voor de BES-belastingen de aanmeldingen selecteert van mogelijke delicten die in aanmerking komen voor strafrechtelijk onderzoek en de wijze waarop de aanmeldingen vervolgens in overleg met de FIOD en het Openbaar Ministerie BES worden afgehandeld met het oog op strafrechtelijke afdoening. 1.1.1. Inzet strafrecht Alle handhavingsinspanningen zijn gericht op de naleving van wet- en regelgeving en het bevorderen van compliant gedrag. Hiertoe zijn diverse handhavinginstrumenten beschikbaar, waaronder het strafrecht. De inzet van bestuursrecht of strafrecht wordt bepaald aan de hand van de ernst van het delict en de vraag welk instrument het meest efficiënt en effectief is. Zo zal het strafrecht worden ingezet ter correctie van die gevallen waarin sprake is van flagrante schendingen van de rechtsorde, waardoor grote schade aan de belangen van burger en staat kunnen ontstaan. Het strafrecht is daarbij onderdeel van de totale handhavingsketen. Maar het strafrecht dient een breder doel. De meerwaarde van het strafrecht zit ook in de normstellende en normbevestigende werking ervan en het preventieve effect dat ervan uitgaat. Door het strafrecht als integraal onderdeel van de handhaving in te zetten kan het benut worden om als totale keten pro-actief op te treden en brede maatschappelijke effecten te sorteren. In lijn met deze koers zal het strafrecht"},{"i":760,"b":"Algemene douaneregeling Gelet op de [artikelen 1:3, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:3), [1:19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:19), [1:28, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:28), [1:35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:35), [1:37, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:37), [2:1, aanhef en onder a tot en met h, j, k en m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=2:1), [6:1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=6:1), [6:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=6:2), [6:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=6:3), [7:1, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=7:1), [7:6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=7:6), [7:9, aanhef en onderdeel a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=7:9), [9:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:5), [10:11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=10:11), [11:13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=11:13), en [artikel 11:14, eerste lid, van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=11:14) en op de [artikelen 1:5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=1:5), [2:1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=2:1), [2:2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=2:2), [3:2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=3:2), [3:3, aanhef en onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=3:3), [3:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=3:4), en [5:1, tweede en vierde lid, van het Algemeen douanebesluit](https://wetten.ove"},{"i":1013,"b":"Bijstellingsregeling belastingen van rechtsverkeer, accijns, belasting van personenauto’s en motorrijwielen, motorrijtuigenbelasting, belastingen op milieugrondslag en de Provinciewet 2023 (Bijstellingsregeling indirecte belastingen en de Provinciewet 2023) Gelet op [artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15), de [artikelen 27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a) en [84c van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84c), [artikel 16b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=16b), [artikel 81a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=81a), [artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=90) en [artikel 222 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel I Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel II Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel III Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel IV Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel V Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VI Wijzigt de Provinciewet. Artikel VII [**Artikel 84a** van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84a) vindt geen toepassing op de in [artikel II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047707&artikel=II&z=2023-01-01&g=2023-01-01), opgenomen verhogingen van de accijns. Artikel VIII 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2023 met dien verstande dat het bij [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047707&artikel=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01) in [artikel 15, eerste lid, onderdeel p, subonderdeel 4°, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](h"},{"i":1021,"b":"Controlevoorschriften toeslagenwet 2022 Gelet op [artikel 30 van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=30); Besluit: I. Algemeen Artikel 1 Degene die aanspraak maakt op een toeslag dient een schriftelijke aanvraag om een toeslag in op het door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen daartoe aangewezen adres, door middel van een door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ter beschikking gesteld formulier, waarop de voor het beoordelen van de aanvraag noodzakelijke gegevens zijn vermeld en dat door de aanvrager van een toeslag volledig is ingevuld en ondertekend. Artikel 2 1. Als het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen daarom verzoekt, doet degene die aanspraak maakt op een toeslag, tegen een door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan te geven tijdstip, op een door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen voorgeschreven wijze en aangewezen adres, opgave van de gegevens die van belang zijn voor het beoordelen van het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald. 2. Indien degene die aanspraak maakt op een toeslag gehuwd is, geldt het bepaalde in het eerste lid eveneens voor de echtgenoot. Artikel 3 1. Degene die aanspraak maakt op een toeslag alsmede de eventuele echtgenoot: - a. verschijnen op een aangegeven plaats en tijd op verzoek van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen; - b. zijn aanwezig op hun woon- of verblijfplaats op door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan te wijzen uren; - c. maken controle door toezichthouders, die zich met een daartoe strekkende machtiging kunnen legitimeren, mogelijk; - d. nemen, indien zij niet bereikbaar zijn op hun woon- of verblijfplaats, de mededelingen op de aldaar door de toezichthouder achtergelaten brief in acht; - e. melden een wijziging in hun correspondentieadres of tijdelijke verblijfplaats in binnen- of buitenland en/o"},{"i":780,"b":"Wet van 23 december 2010 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2011) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor het jaar 2011 wenselijk is fiscale maatregelen te treffen in het kader van inkomensbeleid, constructie- en fraudebestrijding, (innovatief) ondernemerschap alsmede de woningmarkt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IIIbis Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IIIa Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel VII Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IX Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel X Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XI Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XIII 1. [Artikel 16a, eerste en tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=16a) is van overeenkomstige toepassing op de verlagingen van het belastingbedrag in de [artikelen 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=9a) en [9b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992]"},{"i":807,"b":"Wet van 16 december 2010 houdende vaststelling van de Wet Belastingwet BES (Belastingwet BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen zodat voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt voorzien in een fiscaal stelsel op het moment dat in het kader van de staatkundige vernieuwing van het Koninkrijk der Nederlanden deze eilanden als openbaar lichaam onderdeel gaan uitmaken van het land Nederland; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1.1 De bepalingen van deze belastingwet gelden op de BES eilanden bij de heffing van de BES belastingen alsmede de invordering van de BES belastingen. Artikel 1.2 Krachtens deze belastingwet worden de volgende belastingen geheven en ingevorderd: - a. vastgoedbelasting; - b. opbrengstbelasting; - c. algemene bestedingsbelasting; - d. overdrachtsbelasting, en - e. kansspelbelasting. Artikel 1.3 1. Deze belastingwet verstaat onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Financiën; - b. **belastingwet:** deze wet alsmede alle op deze wet berustende bepalingen; - c. **lichamen:** verenigingen en andere rechtspersonen, maat- en vennootschappen en doelvermogens; - d. **BES belastingen:** de in [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&hoofdstuk=I&artikel=1.2&z=2026-04-11&g=2026-04-11) genoemde belastingen alsmede de loonbelasting geheven op basis van de [Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283), de inkomstenbelasting geheven op basis van de [Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281) en de minimumbelasting geheven op basis van [hoofdstuk VIIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&hoofdstuk=VIIb&z=2026-04-11&g=2026-04-11), waaronder worden begrepen de bestuurlijke boeten die"},{"i":1065,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 18 december 2007, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de sector zaaizaden van voedergewassen in Nederland voor het jaar 2008 (Heffingsverordening GZP fonds zaaizaad van voedergewassen jaar 2008) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126, eerste en vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=8) en [19 van het Instellingsbesluit akkerbouwproductschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=19); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | a. productschap: | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | | b. secretaris: | secretaris van het productschap; | | c. ondernemer: | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | d. voedergewassen: | voederbieten, mergkool, stoppelknollen, grassen, bladkool, klaver, luzerne, bladrammenas (Raphanus sativus var. oleiferus), duizendkoppige kool (Brassica oleracea var. laciniata), lupine (Lupinus spec.) serradella (Ornithopus sativus), spurrie (Spergula arvensis var. sativa), voederwikke (Vicia sativa), voederwortel (Daucus carota), gele mosterd (Sinapis alba), phacelia (Phaceliatanacetifolia) en zandwikke (Vicia villosa); | | e. omzet: | de financiële jaaromzet behaald over zaaizaad van de producten, genoemd onder d, exclusief de rechten verkregen uit licenties uit het buitenland. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer, die in het jaar 2008 werkzaamheden verricht in het kweekbedrijf voor zaaizaad van voedergewassen en/of met betrekking tot de be- en verwerking en/of met betrekking tot het in de handel brengen van zaaizaad van voedergewassen, is verplicht aan het productschap te betalen: - a. een basisheffing volgens onderstaand tar"},{"i":1571,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren, Voornemens dubbele belasting te vermijden voor de onder dit verdrag vallende belastingen, zonder daarbij mogelijkheden tot niet-heffing of verminderde heffing te creëren door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (onder andere door treaty-shopping-structuren met het oog op het indirect ten voordele van inwoners van derde rechtsgebieden verkrijgen van de in dit Verdrag voorziene fiscale voordelen), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar de waarde van het vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name: - a. in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - −. de inkomstenbelasting; - −."},{"i":1404,"b":"Besluit van 18 december 1964, houdende uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 4 december 1964, nr. B 4/16765, Directie Wetgeving directe belastingen; Gelet op de [artikelen 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=61) en [70 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=70) (**Stb**. 1959, 301); De Raad van State gehoord (advies van 9 december 1964, nr. 37); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 1964, nr. B 4/17303, Directie Wetgeving directe belastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De zelfstandige binnenschipper is gehouden woonplaats te kiezen in Nederland, tenzij hij: - a. in Nederland een vaste woonplaats heeft; - b. niet in Nederland woont en niet als binnenschipper een binnenlandse onderneming drijft. 2. Het lid van de bemanning van een binnenschip - daaronder begrepen de niet-zelfstandige binnenschipper - is bevoegd, en op vordering van de inspecteur gehouden, woonplaats te kiezen in Nederland. Indien hij geen woonplaats heeft gekozen, wordt hij geacht woonplaats te hebben op de vaste woonplaats of de gekozen woonplaats van zijn inhoudingsplichtige. Het vorenstaande geldt niet indien: - a. hij in Nederland een vaste woonplaats heeft; - b. hij niet in Nederland woont en niet als binnenschipper in Nederland een dienstbetrekking vervult. 3. De stukken betreffende de heffing en de invordering van belasting kunnen worden gezonden en betekend aan de gekozen woonplaats. Artikel 2 1. De keuze van de woonplaats of een wijziging van de keuze wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur. 2. Hij die ingevolge [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002473&hoofdstuk=2&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), verplicht is woonplaats te kiezen, doet dit binnen acht weken na de aanvang van zijn werkzaamheden. Woont hij niet in Nederland, dan doet hij"},{"i":1587,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en het Gemenebest van de Bahama's inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen De regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de regering van het Gemenebest van de Bahama’s, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005451&artikel=8&z=2012-10-01&g=2012-10-01). 2. De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 3. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag"},{"i":6391,"b":"Besluit van 25 juni 2013, houdende wijziging van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in verband met het versterken van de deugdelijkheid en transparantie van de begroting en de meerjarenraming van provincies en gemeenten en het versterken van de horizontale controle daarop Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 mei 2013, nr. 2013-000028077; Gelet op [artikel 190, eerste en tweede lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=190) en [artikel 186, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=186); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 5 juni 2013, no. W04.13.0140/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 juni 2013, nr. 2013-0000338631; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Gemeentewet, enz. (aanpassen enkele bepalingen inzake financieel toezicht op gemeenten en provincies) (Stb. 2013/141) in werking treedt. Artikel I Wijzigt het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Artikel II 1. Op de inrichting van de begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening, het jaarverslag en de productenrealisatie van een openbaar lichaam of een gemeenschappelijk orgaan als bedoeld in [artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8) is [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033621&artikel=I&z=2013-07-01&g=2013-07-01) van dit besluit van toepassing met ingang van het begrotingsjaar 2015. 2. Op de inrichting van de begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening, het jaarverslag en de productenrealisatie van provincies en gemeenten is [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033621&artikel=I&z=2013-07-01&g=2013-07-01) van dit be"},{"i":331,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 4 juli 2016, nr. DGP/ARBVW 2016-777969, houdende de mogelijkheid tot wijziging van de functie op aanvraag van de ambtenaar Gelet op [artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=6), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aandachtsgebied:** het aandachtsgebied, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - b. **aanvraag:** de aanvraag, bedoeld in [artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=6); - c. **ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - d. **bevoegd gezag:** het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - e. **functie:** een functie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - f. **LFNP:** Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - g. **specifieke functionaliteit:** de specifieke functionaliteit, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - h. **werkterrein:** het werkterrein, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1). - i. **wezenlijk afwijken:** het afwijken van de huidige functie, bedoeld in [artikel 1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038360&art"},{"i":6615,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 april 2024 met nummer 45451694, houdende wijziging van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen in verband met het aanpassen van de beheersubsidies op grond van artikel 7.2 van de Erfgoedwet, alsmede het aanpassen van de subsidies voor publieksactiviteiten en andere activiteiten op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor de vierjaarlijkse subsidiëring in de periode 2025–2028 alsmede wijziging van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid in verband met het verlengen van de termijn voor het indienen van de aanvraag tot vaststelling van subsidie Artikel I. Wijziging [Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037533) Wijzigt de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen. Artikel II. Wijziging [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597) Wijzigt de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. Artikel III. Overgangsbepalingen [Hoofdstuk 3, paragraaf 2, van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037533&hoofdstuk=3), zoals dit luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de [Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048968), blijft van toepassing op de subsidies voor publieksactiviteiten en andere activiteiten die zijn verstrekt op grond van [artikel 3.14 van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037533&artikel=3.14) juncto [artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor de jaren 2021 tot en met 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4a). Artikel IV. Inwerkingtreding 1. [Artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049639&arti"},{"i":6084,"b":"Verzamelbesluit pensioenen **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 11 december 2018, nr. 2018-28514 (** **Stcrt. 2018-68653** **), laatstelijk gewijzigd bij wijzigingsbesluit van 17 februari 2023 nr. 2023-1520 (** **Stcrt. 2023-6305** **). Het besluit is geactualiseerd in verband met de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen per 1 juli 2023.** 1. Inleiding Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 11 december 2018, nr. 2018-28514](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041781) (Stcrt. 2018-68653), laatstelijk gewijzigd bij wijzigingsbesluit van 17 februari 2023 nr. 2023-1520 (Stcrt. 2023-6305). Het besluit is geactualiseerd in verband met de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen per 1 juli 2023. Een groot aantal goedkeuringen zijn vervallen, omdat deze inmiddels zijn opgenomen in het [Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489). De goedkeuringen in verband met de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen zijn in dit besluit blijven staan. Er is een aanwijzing toegevoegd in verband met de uitbreiding van de aanwijsbevoegdheid in [artikel 19d, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19d). Daarnaast is een aanwijzing toegevoegd in verband met de aanpassing van delen van pensioenregelingen aan het fiscale kader van de Wet toekomst pensioenen. Tevens zijn de [onderdelen 2.](onbekend), [4.](onbekend) en [5. uit het Klein verzamelbesluit pensioenen](onbekend) van 7 december 2020, nr. 2020-234674, ongewijzigd in dit besluit opgenomen. Voorts is een aantal onderdelen verplaatst en heeft een aantal onderdelen hun belang verloren. Verder zijn sommige onderdelen verduidelijkt en zijn er redactionele wijzigingen aangebracht. Tot slot worden de twee hiervoor genoemde besluiten ingetrokken. 1.1. Overzicht wijzigingen 1.2."},{"i":6465,"b":"Besluit van 22 juni 2022 tot wijziging van het Besluit SUWI in verband met de tijdelijke mogelijkheid van registratie als werkloze werkzoekende, gelet op het Uitvoeringsbesluit van de Raad tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van de Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juni 2022, nr. 2022-0000130021; Gelet op [artikel 30b, eerste lid, onderdeel d, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 juni 2022, no. W12.22.00067/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juni 2022, nr. 2022-0000136786; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit SUWI. Artikel II 1. Voor de werking van [artikel 3.1, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013267&artikel=3.1), worden beschouwd als vreemdeling als bedoeld in dat artikel: - a. een onderdaan van Oekraïne; - b. staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die kunnen aantonen dat zij op 23 februari 2022 in Oekraïne internationale of nationale bescherming genoten; - c. staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die kunnen aantonen dat zij op 23 februari 2022 in het bezit waren van een geldige permanente verblijfsvergunning die overeenkomstig Oekraïens recht is afgegeven; - d. staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die kunnen aantonen dat zij op 23 februari 2022 in het bezit waren van een geldige tijdelijke verblijfsvergunning die overeenkomstig Oekraïens recht is afgegeven en die vóór 19 juli 2022 waren ingeschreven in de Basisregistratie Personen of zich vóór 19 juli 2022 hadden gemeld"},{"i":6078,"b":"Verzamelbesluit Lijfrenten **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat goedkeuringen en beleid met betrekking tot lijfrenteverzekeringen, lijfrenterekeningen, lijfrentebeleggingsrechten en andere periodieke uitkeringen. Dit besluit vervangt het besluit van 13 juni 2012, nr. BLKB 2012/283M (Stcrt. 2012, 12493), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 3 september 2015, nr. BLKB 2015/1080M (Stcrt. 2015, 29065).** 1. Inleiding In dit besluit zijn de beleidsstandpunten opgenomen over de lijfrenteverzekering, de lijfrenterekening, het lijfrentebeleggingsrecht, de aftrek van premies voor lijfrenteverzekeringen en de aftrek van de inleg voor lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten als uitgaven voor inkomensvoorzieningen onder de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353). Ook zijn de beleidsstandpunten opgenomen over vóór 2001 gesloten lijfrenten en andere rechten op periodieke uitkeringen voor de toepassing van de [Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011354). Naast de aanpassingen van het besluit aan de gewijzigde wetgeving zijn in dit besluit nieuwe standpunten opgenomen over, dan wel toegevoegd aan de volgende onderwerpen: Een aantal standpunten zijn vervallen omdat deze door tijdsverloop geen belang meer hebben. In dit besluit zijn beleidsstandpunten opgenomen met betrekking tot lijfrenten behalve beleidsstandpunten die zien op compensatieregelingen en beleidsstandpunten die specifiek betrekking hebben op lijfrenten en stamrechten in de winstsfeer. Deze standpunten zijn opgenomen in het Besluit compensatieregelingen en in het [Verzamelbesluit lijfrente in de winstsfeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035203). 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Voorwaarden voor lijfrenten ([artikel 1.7, eerste en derde lid, Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7)) 2.1. Begrip lijfrente 2.1.1. Begrip levensverzekering Ee"},{"i":345,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 juli 2006, nr. SV/WV/06/56472, houdende een regeling tot afwijking van een datum genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten (Regeling afwijking datum Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswet) Gelet op [artikel 1, tweede lid, van het Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017207&artikel=1); Besluit: Artikel 1. Afwijking vaststelling datum genoemd in het [Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017207) 1. In afwijking van [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017207&artikel=1) wordt de aanvangsdatum van de in dat onderdeel genoemde periode vastgesteld op 1 juli 2006 en wordt de einddatum van de in dat onderdeel genoemde periode vastgesteld op 1 juli 2009. 2. In afwijking van [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017207&artikel=1) wordt de einddatum van de in dat onderdeel genoemde periode vastgesteld op 1 juli 2009. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2006. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling afwijking datum Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6029,"b":"Regeling van 28 januari 2005, nr. FO2005/0000008129, tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2002 Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2002 worden de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017972&bijlage=1&z=2005-02-13&g=2005-02-13) bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage 1 | Nr. | Verdeelmaatstaf | Bedragen per eenheid | | --- | --- | --- | | 1 | Motorrijtuigenbelasting | -55,48*Niet in euro’s; het bedrag betreft het rekentarief voor de inkomstenmaatstaf. | | 2a | Inwoners | 22,15 | | 2b | Inwoners boven 640.000 | 10,10 | | 3a | Inwoners in stedelijke gebieden | 13,79 | | 3b | Inwoners in landelijke gebieden | 17,68 | | 4 | Land | 45,92 | | 5 | Water | 31,49 | | 6 | Groen | 17,30 | | 7 | Gewogen weglengte | 24.315,63 | | 8 | Warmtekrachtkoppeling | 0,72 | | 9 | Vast bedrag | 4.830.935,91 | Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6329,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot samenvoeging van de gemeenten Groningen, Haren en Ten Boer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Groningen, Haren en Ten Boer samen te voegen tot de nieuwe gemeente Groningen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en grenswijziging van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Groningen, Haren en Ten Boer opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Groningen ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Groningen, Haren en Ten Boer, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Groningen wordt de op te heffen gemeente Groningen aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Groningen, Haren en Ten Boer wordt de nieuwe gemeente Groningen aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van"},{"i":1740,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 27 juni 2006, houdende de vaststelling van een heffing op verduurzaamde producten voor het jaar 2007 (Verordening PT heffing verduurzaamde groenten en fruit 2007) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en Gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); Gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 20 juni 2006; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | het verduurzamen: | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze producten, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden; | | --- | --- | --- | | b. | de fabrikant: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin fruit, groenten, of daaruit verkregen producten worden verduurzaamd; | | c. | de omzet: | de verkoopwaarde af fabriek van de door de fabrikant gedurende een kalenderjaar verduurzaamde groenten en fruit, met uitzondering van de in de bij deze verordening behorende bijlage genoemde producten; | § 2. Heffing"},{"i":6332,"b":"Wet van 7 juli 1994, tot samenvoeging van de gemeenten Kortgene en Wissenkerke Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Kortgene en Wissenkerke samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Kortgene en Wissenkerke opgeheven. 2. Met ingang van de datum van herindeling wordt een nieuwe gemeente Noord-Beveland ingesteld. Deze nieuwe gemeente omvat het grondgebied van de op te heffen gemeenten Kortgene en Wissenkerke. Artikel 2 Als gemeente, bedoeld in [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), eerste en tweede lid, en [artikel 52, eerste lid, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=52) wordt aangewezen de gemeente Kortgene. Artikel 3 Als gemeente, bedoeld in artikel 41, derde lid, en artikel 45, tweede lid, van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006802&artikel=2&z=1994-08-12&g=1994-08-12) bedoelde wet wordt aangewezen de nieuwe gemeente Noord-Beveland. Artikel 4 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 5 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 6 Ter uitvoering van [artikel 56, vierde lid, van de Wet op het basisonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=56) wordt de stichtingsnorm voor basisscholen met ingang van de datum van herindeling voor de nieuwe gemeente Noord-Beveland vastgesteld op 200. Artikel 7 Ter uitvoering van [artikel 107**c**, eerste lid, van de Wet op het basisonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=107c) wordt de opheffingsnorm voor basisscholen met ingang van de datum van herindeling voor de nieuwe gemeente Noord-Beveland vastgesteld op 23. Artikel 8 Deze wet treedt in w"},{"i":1752,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 27 maart 2007, houdende de vaststelling van een aan telers van en handelaren in bloembollen op te leggen heffing voor het oogstjaar 2007 (Verordening PT vakheffing bloembollen oogstjaar 2007) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | bloembollen: | 1. bollen of knollen van bloemgewassen; | | --- | --- | --- | | | | 2. afgebroeide bloembollen; | | | | 3. geholde en gesneden hyacinten; | | | | 4. eenjarige bollen van geholde en gesneden hyacinten, voor zover verhandeld per bed of per mand; | | | | 5. bollen van hyacinten, die zijn verkocht onder uitdrukkelijke voorwaarde dat deze zullen worden gebruikt als werkbollen, in welk geval deze voorwaarde op het koopbriefje dient te worden vermeld; | | | | 6. groen te velde per bed of per mand voor 15 juni van het kalenderjaar waarin het koopseizoen aanvangt verhandelde hyacinten, geplant in de maat onder zift 10, droog gesorteerd; | | | | 7. schubbollen van lelies; | | | | 8. voortkwekingsmateriaal, voor zover bestemd voor de teelt van bloembollen, met uitzondering van zaden; | | b. | factuurbedrag: | het bedrag van de factuur, exclusief behandelingskosten en exclusief kosten kleinverpakkingsmateriaal; | | c. | veiling: | Hobaho BV, Coöperatieve Nederlandse Bloemboll"},{"i":1766,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 27 juni 2006, houdende de vaststelling van een vakhefftng voor bloemkwekerijproducten voor het jaar 2007 (Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2007) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); Gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); Gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 17 mei 2006; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3) 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de bloemkwekerijproducten: | siergewassen, bloemzaden daaronder begrepen, in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van: | | --- | --- | --- | | | | 1. winterharde houtgewassen in hun geheel voorzover niet vervroegd of verlaat, alsmede kerstbomen zonder wortels en delen van winterharde houtgewassen welke voor vermeerdering zijn bestemd; | | | | 2. voor zover in groene toestand de Japanse azalea’s, alsmede variëteiten en hybriden daarvan; | | | | 3. dahliastekken, begonia- en gloxiniaplantjes, uitsluitend beste"},{"i":6413,"b":"Besluit van 6 december 1999, houdende wijziging van het koninklijk besluit van 9 augustus 1948 tot uitvoering van artikel 12 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. I 362), alsmede van het koninklijk besluit van 6 september 1949 tot uitvoering van artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. J 418) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 november 1999, kenmerk DVVB/MB-U-2013970; Gelet op [artikel 12, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12), alsmede op [artikel 11, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=11); De Raad van State gehoord (advies van 25 november 1999, nummer W13.99.0555/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 november 1999, kenmerk DVVB/MB-U-2022657; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt het koninklijk besluit van 9 augustus 1948 tot uitvoering van artikel 12 van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. I 362). ARTIKEL II Wijzigt het koninklijk besluit van 6 september 1949 tot uitvoering van artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. J 418). ARTIKEL III De definitieve vaststelling van de inkomsten, bedoeld in [artikel 12 van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12) en [artikel 11 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=11), over de jaren 1997 tot en met 1999 geschiedt met toepassing van [artikel 2, eerste lid, van de koninklijke besluiten van 9 augustus 1948 tot uitvoering van artikel 12 van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. I 362)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002042&artikel=2) en van [6 september 1949 tot uitvoering van artikel 11 van de Wet"},{"i":1812,"b":"Wet van 19 december 2018 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Invorderingswet 1990 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PbEU 2016, L 234/26) (Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) en de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) aan te passen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PbEU 2016, L 234/26); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel IIa Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2019, met dien verstande dat: - a. [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041756&artikel=I&z=2019-11-06&g=2019-11-06) voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019; - b. [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041756&artikel=II&z=2019-11-06&g=2019-11-06) voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot belastingschulden waarvoor op of na 1 januari 2019 uitstel van betaling is verleend. 2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel IIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041756&artikel=I"},{"i":1805,"b":"Wet van 16 december 2020 tot wijziging van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet differentiatie overdrachtsbelasting) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een differentiatie in de overdrachtsbelasting aan te brengen voor woningen, verkregen door jongvolwassenen en andere verkrijgers die de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel Ia Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel II **[Vervallen]** Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet differentiatie overdrachtsbelasting. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":4504,"b":"Circulaire onkostenvergoeding wethouders en raadsleden en vergoeding raadsleden en leden gemeentelijke commissies 1. Onkostenvergoeding wethouders In [artikel 25, derde lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders](onbekend) is bepaald dat de onkostenvergoeding voor wethouders per 1 januari van elk jaar wordt herzien aan de hand van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar. De genoemde consumentenprijsindex voor 2002 is bepaald op 121.6. In 2001 was dat indexcijfer bepaald op 117.6. Dat houdt in dat de bedragen van de onkostenvergoeding voor wethouders per 1 januari 2003 worden verhoogd met 3,4%. Voor uw informatie meld ik u dat het indexcijfer is gebaseerd op gegevens van het CBS van medio november 2002. Met ingang van 1 januari 2003 luiden de bedragen genoemd in [artikel 25, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders](onbekend) als volgt: Met ingang van 1 januari 2003 luiden de bedragen genoemd in [artikel 25, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders](onbekend) als volgt: 2. Vergoeding raadsleden In [artikel 2, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden](onbekend) is bepaald dat de vergoeding voor werkzaamheden voor raadsleden per 1 januari van elk jaar wordt herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid voor volwassenen inclusief bijzondere beloningen geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar. Het genoemde indexcijfer voor 2002 is bepaald op 136.8. In 2001 was dat indexcijfer bepaald op 130.0. Dit houdt in dat de bedragen van de vergoeding voor werkzaamheden per 1 januari 2003 worden verhoogd met 5,2%. Voor uw informatie meld ik u dat het indexcijfer is gebaseerd op gegevens van het CBS van medio november 2002. Het maximumbedrag per maand voor de vergoeding van werkzaamheden voor raadsleden genoemd in [artikel 2, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden](onbekend) bedraagt per 1 januari 2003: 3. Onkostenvergoed"},{"i":1847,"b":"Wet van 6 maart 2025 tot wijziging van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het opheffen van bedingen in het handelsverkeer die ertoe strekken vervreemding dan wel verpanding van geldvorderingen op naam tegen te gaan (Wet opheffing verpandingsverboden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het onwenselijk is dat partijen in het handelsverkeer overeenkomen dat geldvorderingen op naam voortvloeiend uit de uitoefening van een beroep of bedrijf niet kunnen worden overgedragen of verpand omdat dit de kredietverlening aan het bedrijfsleven belemmert; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel II Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet opheffing verpandingsverboden. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":2503,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de sturing van en het toezicht op Airport Coordination The Netherlands (ACNL) (Beleidsregel sturing van en toezicht op ACNL) Gelet op de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=17), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=29) en [39 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=39), [artikel 8a.66, vierde lid, van de Wet Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.66) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze Beleidsregel wordt verstaan onder: - **Kaderwet:** [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **wet:** [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555); - **zbo:** Airport Coordination The Netherlands, bedoeld in [artikel 8a.64 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.64). § 2. Directie van het zbo Artikel 2. Goedkeuring bestuursreglement Bij de goedkeuring van het bestuursreglement op grond van [artikel 11 van de Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11) juncto [artikel 8a.65 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.65) beoordeelt de minister in ieder geval of ten aanzien van de volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen: - a. een nadere omschrijving van de taken van de leden van de directie; - b. een nadere bepaling van de bevoegdheden van de directie; - c. de besluitvorming in en buiten de vergadering; - d. de notulen van de vergadering; - e. het hebben en melden van nevenfuncties aan de minister; - f. de handelwi"},{"i":2767,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2003 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 58 derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en gelet op artikel 31 onderdeel l., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2003, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel 1. van die regeling, stelt op 16 maart 2003, doch niet later dan 15 april 2003 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,852 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2003 en eindigende met 15 april 2003 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":4577,"b":"Wet van 24 januari 2002 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele aanverwante wetten naar aanleiding van de evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht (Eerste evaluatiewet Awb) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het naar aanleiding van de evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht wenselijk is gebleken de Algemene wet bestuursrecht en enkele aanverwante wetten op een aantal punten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel III Wijzigt de Beroepswet. Artikel IV Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel V Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VI Wijzigt de Wet Nationale ombudsman. Artikel VII 1. Ten aanzien van de doorzending van een bezwaar- of beroepschrift tegen een besluit dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, blijft [artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet van bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:15) zoals dat luidde voor dat tijdstip van toepassing. 2. Ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtbank inzake een beroep tegen een besluit dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt blijft [artikel 8:7, eerste lid, van de Algemene wet van bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:7) zoals dat luidde voor dat tijdstip van toepassing. 3. Indien op de dag waarop deze wet in werking treedt een griffierecht verschuldigd of voldaan is, blijft hierop het oude recht van toepassing. Artikel VIII Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel VI"},{"i":6336,"b":"Wet van 12 mei 2005 tot samenvoeging van de gemeenten Venhuizen en Drechterland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Venhuizen en Drechterland samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Venhuizen en Drechterland opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Drechterland ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Venhuizen en Drechterland, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Drechterland wordt de op te heffen gemeente Drechterland aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Venhuizen en Drechterland wordt de nieuwe gemeente Drechterland aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5 1. Voor de nieuwe gemeente Drechterland wordt een tussentijd"},{"i":3020,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 9 juli 2015, nr. WJZ/15049304, tot aanwijzing toezichthouders Wet op de dierproeven (Besluit aanwijzing toezichthouders Wet op de dierproeven) Gelet op [artikel 20 van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081) bepaalde zijn belast de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken. Artikel 2 Het besluit [Aanwijzing personen belast met het toezicht op de naleving van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005541) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Wet op de dierproeven. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3823,"b":"Besluit van de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 juli 2024, kenmerk 3872779-1068217-WJZ houdende de verlening van algemeen en bijzonder ondermandaat en algemene en bijzondere ondervolmacht voor de directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Besluit ondermandaat en ondervolmacht voor de directie Wetgeving en Juridische Zaken van VWS) Gelet op [artikel 16, derde lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16); [artikel 16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16), en [artikel 17, eerste lid, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17) en [artikel 10, eerste lid, van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **clusterhoofd:** lid van het collegiaal managementteam van de directie Wetgeving en Juridische Zaken; - b. **directie Wetgeving en Juridische Zaken:** directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 Aan de clusterhoofden van de directie Wetgeving en Juridische Zaken wordt ondermandaat verleend: - a. tot het nemen van beslissingen op bezwaar; - b. ten aanzien van verweerschriften en beroepschriften ten behoeve van procedures bij de bestuursrechter en machtigingen om de minister daarin te vertegenwoordigen; - c. tot het nemen van besluiten in het kader van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). Artikel 3 Aan ieder clusterhoofd onderscheidenlijk wordt ondervolmacht verleend voor het inschakelen van de Landsadvocaat tot een bedrag van € 100.000,– inclusief btw. Artikel 4 Aan ieder clusterhoofd onderscheidenlijk wordt bijzondere ondervolm"},{"i":1913,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2019 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Artikel III Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990. Artikel IV Bij de toepassing van [artikel 3, derde lid, van de Regeling loonbelasting en premietabellen 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004482&artikel=3) is [artikel XXXVII, tweede lid, van het Belastingplan 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041751&artikel=XXVII) van overeenkomstige toepassing. Artikel V Wijzigt de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Artikel VI Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Artikel VII Wijzigt de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Artikel VIII Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965. Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel X Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel XI Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel XII Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel XIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel XIV Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XV Wijzigt de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XVI Wijzigt de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. Artikel XVII De [Regeling Stuf-WOZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007253) wordt ingetrokken. Artikel XVIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel XIX. (overgangsrecht) Aan de verplichting, bedoeld in [artikel 47b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=47b), wordt voldaan uiterlijk op het moment waarop de gegevens en inlichtingen, bedoeld in [artikel 53, tweede en derde"},{"i":5134,"b":"Prijsplafond energie en bevoorschotting subsidie energieleveranciers **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat een aanwijzing voor het tijdstip van verschuldigdheid van btw op grond van artikel 13 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en energiebelasting op grond van artikel 56 van de Wet belastingen op milieugrondslag ten aanzien van de bevoorschotting van subsidies voor het prijsplafond op energie.** 1. Inleiding Vanaf 1 januari 2023 geldt een prijsplafond op energie voor alle huishoudens en andere kleinverbruikers. Voor de uitvoering van deze regeling ontvangen energieleveranciers een subsidie van de overheid (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) voor het energiegebruik dat onder de regeling van het prijsplafond valt. De subsidie wordt volledig ingezet als deelbetaling om de vergoeding voor huishoudens en andere kleinverbruikers te verlagen tot het prijsplafond. RVO keert de subsidie uit in de vorm van voorschotten (bevoorschotting). 2. Tijdstip verschuldigdheid btw bevoorschotting prijsplafond In het besluit [Omzetbelasting. Administratieve-, facturerings- en andere verplichtingen, nr. BLKB 2014-704M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035935), is goedgekeurd dat energieleveranciers de btw ter zake van de door hen aan individuele verbruikers verrichte leveringen van energie niet eerder zijn verschuldigd dan op het tijdstip van de uitreiking van een (voorschot)factuur.1Besluit van 6 december 2014, nr. BLKB 2014-704M (Stcrt. 2014, 36166), par. 3.3.8.1. Dit geldt ook voor de verschuldigde btw die over de subsidiebedragen wordt berekend om de energieprijzen te laten voldoen aan het prijsplafond. De subsidie is onderdeel van de vergoeding voor de belaste levering van energie. Op het tijdstip dat energieleveranciers de bevoorschotting van de subsidies van RVO ontvangen, is de btw daarover nog niet verschuldigd. Bij ontvangst van de bevoorschotting zijn niet alle relevante gegevens van de leveringen bekend. Daa"},{"i":4583,"b":"Elfde wijziging bepalingen en voorwaarden deelname CASO-systeem Gelet op: de bepalingen en voorwaarden voor deelname aan het CASO-systeem (beleidsregel van 23 maart 1991, kenmerk OA 91/7140, gepubliceerd in Uitleg OenW-Regelingen nr. 10 dd 17 april 1991, laatstelijk gewijzigd bij beleidsregel van 29 oktober 1999, kenmerk FacB/IA-99/23194, gepubliceerd in Uitleg OCenW-Regelingen nr. 26/27 dd 17 november 1999); Besluit: Artikel 1 In artikel 4, derde lid, van de bepalingen en voorwaarden voor deelname aan het CASO-systeem wordt de laatste punt vervangen door een puntkomma, waarna wordt ingevoegd: - \"k. aan het onderzoeksbureau Regioplan Onderwijs en Arbeidsmarkt BV te Amsterdam van gegevens van personeelsleden, verbonden aan scholen die deelnemen aan het in opdracht van de minister opgezette Scholenpanel, doch uitsluitend indien de deelnemer de wens daartoe te kennen heeft gegeven.”. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2000. Artikel 3 Deze regeling wordt geplaatst in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant."},{"i":3858,"b":"Besluit van de algemeen directeur van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 10 oktober 2022 met kenmerk 22-DIR-122, houdende verlening van ondermandaat aan het Sectorhoofd Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Besluit ondermandaat voor behandeling bezwaarschrift met kenmerk 4190231) Gelet op [artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); [Gelet op artikel 3, eerste lid, onder b, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Gelet op [artikelen 1, aanhef, onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1), en [artikel 7 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=7); Gezien de schriftelijke instemming van het Sectorhoofd Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 6 oktober 2022; Besluit: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel h van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de algemeen directeur van het Nederlands Forensisch Instituut verleende ondermandaat wordt ten aanzien van het behandelen van en beslissen op het bezwaarschrift met kenmerk 4190231, ondermandaat verleend aan het Sectorhoofd Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zijnde een niet aan de algemeen directeur van het Nederlands Forensisch Instituut ondergeschikte. 2. Onder het behandelen van en beslissen op het bezwaarschrift vallen: - a). het horen van de indiener van het bezwaarschrift; - b). het nemen van de besl"},{"i":2895,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2025 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2024 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2023; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 6,7%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Landscourant van Curaçao en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2025."},{"i":2088,"b":"Aanwijzing afpakken Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor het strafrechtelijk afpakken van financiële opbrengsten uit criminele activiteiten. De aanwijzing benoemt de strafrechtelijke afpakmogelijkheden. Uitgangspunt is dat de effectiviteit bepalend is bij de keuze voor een afpakmogelijkheid of een combinatie van afpakmogelijkheden. Ketensamenwerking staat bij afpakken centraal. De aanwijzing gaat in op de instrumenten die het openbaar ministerie daarbij ter beschikking staan. De aanwijzing geeft regels voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Achtergrond Veel strafbare feiten worden gepleegd vanuit een winstoogmerk; criminaliteit met als doel om daar in materiële zin beter van te worden. Het afpakken van crimineel vermogen is dan ook een waardevol middel in de bestrijding van criminaliteit. Het wordt ingezet als aanvullende interventie bij de bestrijding van High Impact Crime, bij ondermijnende criminaliteit en bij strafbare feiten gepleegd door ‘veelplegers’. Vanuit het besef dat het niet afpakken van crimineel vermogen, hoe gering ook, de onderlinge cohesie in bijvoorbeeld een wijk of een jongerengroep, of de integriteit van een branche kan aantasten, wordt afpakken ingezet om met crimineel geld opgebouwd status af te breken, de daarmee opgebouwde voorbeeldrol te ruïneren en gevoelens van onzekerheid en onveiligheid te verminderen. Afpakken is geen neventaak maar een kerntaak. De overheid staat voor een veilige en rechtvaardige samenleving. Belangrijke rechtsgoederen worden daarin bewaakt. Voorbeelden daarvan zijn een integer handelsverkeer en een rechtmatige en besteding van gemeenschapsgeld. De overheid kiest daarbij voor een brede en integrale aanpak van misbruik, oneigenlijk gebruik en fraude. De inzet van het strafrechtelijk instrumentarium om het voordeel af te pakken en witwassen te bestrijden is een belangrijk onderdeel van deze rijksbrede aanpak. Afpakken en het opwerpen van barrières voor het witwassen van criminele gelden zijn"},{"i":2089,"b":"Aanwijzing afstemmingsprotocol onderzoeksraad voor de veiligheid - openbaar ministerie Samenvatting Deze aanwijzing is bestemd voor iedereen binnen het OM die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek te maken krijgt met samenloop van een onderzoek van de Onderzoeksraad naar hetzelfde feitencomplex. In het bijzonder richt de aanwijzing zich op de zaaksofficier van justitie. Deze aanwijzing bevat een beschrijving van de taken van de Onderzoeksraad, alsmede zijn werkwijze bij onderzoeken en, als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023578&bijlage=2&z=2008-03-01&g=2008-03-01), een afstemmingsprotocol tussen OM en Onderzoeksraad. Verder bevat de aanwijzing procedurevoorschriften voor het maken van nadere afspraken tussen OM en Onderzoeksraad in een concreet geval. Achtergrond Op 1 februari 2005 is de [Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613) (hierna te noemen: Rijkswet OvV) in werking getreden. Bij [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613) is de Onderzoeksraad voor veiligheid (hierna te noemen: Onderzoeksraad) ingesteld. De opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie kunnen in de dagelijkse praktijk te maken krijgen met de Onderzoeksraad bij onderzoeken naar voorvallen1Voorval: gebeurtenis die de dood of letsel van een persoon dan wel schade aan een zaak of het milieu veroorzaakt, alsmede een gebeurtenis die gevaar voor een dergelijk gevolg in het leven heeft geroepen (art. 1, lid 1 onder f, Rijkswet OvV).. Ingevolge [art. 24 van het Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017681) (hierna te noemen: Besluit OvV) zijn OM en Onderzoeksraad een afstemmingsprotocol overeengekomen, dat als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023578&bijlage=2&z=2008-03-01&g=2008-03-01) bij deze aanwijzing is gevoegd. Het protocol voorziet in afspraken over de samenwerking en informatie-uitwisseling in de gevallen waarin zowel de Onderzoeksraad een ond"},{"i":6404,"b":"Besluit van 10 december 2007, houdende wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 3 oktober 2007, directie Wetgeving, nr. 5506106/07/6; Gelet op de [artikelen 151a, zesde en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=151a), [151b, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=151b), [195a, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=195a), en [195d, derde en vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=195d), [artikelen 2, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017212&artikel=2), en [5, tweede en derde lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017212&artikel=5); De Raad van State gehoord (advies van 23 november 2007, nr. W03.07.0357/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 30 november 2007, directie Wetgeving, nr. 5519016/07/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken. Artikel II In strafzaken waarin voor de inwerkingtreding van de [artikelen II, onder O tot en met R](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=II), [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=III), [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=IV) en [VI van de Wet OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=VI) voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn gesteld overeenkomstig de [artikelen 74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) en [74c van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74c), de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=36) en [37 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=37), [artikel 76 van de Algemene wet inz"},{"i":5762,"b":"Subsidieregeling openbare inland terminals Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3) en [4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=4), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Op aanvraag van een overslagbedrijf kan de Minister ter bevordering van het gebruik van intermodaal en multimodaal vervoer subsidie verlenen ten behoeve van initiële of uitbreidingsinvesteringen van een overslagterminal. De subsidie kan worden verleend voor zowel investeringen in infrastructuur als in vaste en mobiele uitrusting die nodig is voor de overslag van goederen. 2. De subsidie wordt slechts verleend indien: - a. het overslagbedrijf een onderneming is die primair gericht is op het maken van winst; - b. is aangetoond dat de continuïteit van het overslagbedrijf voldoende is gewaarborgd, en - c. de met de overslagterminal gemoeide totale projectkosten, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011721&artikel=3&z=2002-01-01&g=2002-01-01), voor ten minste 50% door private rechtspersonen risicodragend worden gefinancierd. 3. De subsidie wordt slechts verleend indien de overslagterminal waarop het project betrekking heeft: - a. niet gelegen is in het beheersgebied van een zeehaven; - b. niet gelegen is binnen het samenwerkingsgebied Arnhem-Nijmegen, bedoeld in [artikel 1 van de Kaderwet bestuur in verandering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006620&artikel=1); - c. bestemd is en gebruikt wordt voor de overslag van goederen van andere partijen dan het overslagbedrijf of, indien dit een andere onderneming is, de exploitant van de overslagterminal; - d. voldoende capaciteit heeft om de overslagvolumes die voor de eerste vijf jaren zijn geraamd, te kunnen verwerken zonder dat aanvullende investeringen nodig zijn; - e. in een periode van een jaar na de ingebruikneming van (de uitbreiding van) de terminal uitsluitend nieuw intermod"},{"i":7194,"b":"Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering Zijne Majesteit de Duitsche Keizer, Koning van Pruisen, in naam van het Duitsche Rijk; Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk, Koning van Bohemen, enz. en Apostolisch Koning van Hongarije, voor Oostenrijk en voor Hongarije; Zijne Majesteit de Koning der Belgen; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken; Zijne Majesteit de Koning van Spanje; de President der Fransche Republiek; Zijne Majesteit de Koning van Italië; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groot-Hertog van Luxemburg, Hertog van Nassau; Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; Zijne Majesteit de Koning van Portugal en der Algarven enz. enz.; Zijne Majesteit de Koning van Rumenië; Zijne Majesteit de Keizer aller Russen; Zijne Majesteit de Koning van Zweden; en de Zwitsersche Bondsraad, wenschende in het verdrag van 14 November 1896 de door de ondervinding aangewezen verbeteringen aan te brengen; hebben besloten te dien einde een nieuw verdrag te sluiten en hebben diensvolgens tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Duitsche Keizer, Koning van Pruisen, in naam van het Duitsche Rijk: de heeren VON SCHLÖZER, Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, en doctor JOHANNES KRIEGE, Hoogstdeszelfs Geheim Legatieraad; Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk, Koning van Bohemen, enz. en Apostolisch Koning van Hongarije: voor Oostenrijk en voor Hongarije: den heer Graaf CHRISTOPHE VON WYDENBRUCK, Hoogstdeszelfs Geheimraad en Kamerheer, Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; voor Oostenrijk: den heer Ridder ROBERT HOLZKNECHT VON HORT, Afdeelingschef aan het Oostenrijksch Ministerie van Justitie; Voor Hongarije: den heer GUSTAAF TÖRY, Staatssecretaris aan het Hongaarsch Ministerie van Justitie; Zijne Majesteit de Koning der Belgen: de heeren Baron GUILLAUME, Hoogstdeszelfs Bu"},{"i":3770,"b":"Besluit van 6 juni 2012, houdende regels voor overheden over de doorberekening van kosten en de toepassing van het bevoordelingsverbod (Besluit markt en overheid) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 20 maart 2012, nr. WJZ / 12037272, gedaan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; Gelet op de [artikelen 25g, tweede lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25g), en [25m van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25m), De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 mei 2012, nr. W15.12.0094/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 31 mei 2012, nr. WJZ / 12060173, uitgebracht na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Mededingingswet (invoering regels ondernemingen die deel uitmaken van een publiekrechtelijke rechtspersoon of hiermee zijn verbonden) (Stb. 2011/162) in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691). Artikel 2. Overheidsbedrijf Een publiekrechtelijke rechtspersoon is in staat in een onderneming het beleid te bepalen in de zin van [artikel 25g, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25g): - a. indien hij, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, een bindende voordracht kan doen of kan laten doen voor de benoeming van meer dan de helft van de leden van het bestuur of het toezichthoudend orgaan van de rechtspersoon van de onderneming; - b. indien de onderneming een dochtermaatschappij is in de zin van [artikel 24a van Boek 2"},{"i":7042,"b":"Mandaatbesluit Uitvoering Ziektewet, artikel 62 Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en artikel 120 Algemeen militair ambtenarenreglement defensie Besluit De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **De Staatssecretaris:** de Staatsecretaris van Defensie - b. **SV-land:** SV-land B.V. gevestigd te Zoetermeer - c. **Uitkeringsregelingen:** - –. [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); - –. [Artikel 62 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=62) (BARD); - –. [Artikel 120 van het Algemeen militair ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=120) (AMAR); Artikel 2. Mandaat De Staatssecretaris verleent aan SV-land voor nieuwe instroom in de uitkeringsregelingen het volgende mandaat: - 1. SV-land is bevoegd om namens de Staatssecretaris besluiten te nemen ter uitvoering en op grond van de uitkeringsregelingen. - 2. SV-land legt een voorgenomen besluit, voor zover dit voortkomt uit de uitvoering van de uitkeringsregelingen, voor aan de Staatssecretaris indien SV-land gerede twijfels heeft over het in een individueel geval toepassen van een uitkeringsregeling en het naar het oordeel van SV-land een geval betreft dat grote beleidsmatige of financiële gevolgen kan hebben voor het Ministerie van Defensie, dan wel kan leiden tot precedentwerking. - 3. SV-land is bevoegd om te beslissen op bezwaarschriften tegen ingevolge het eerste lid van dit artikel genomen besluiten, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. - 4. SV-land is bevoegd om inzake de uitvoering van de uitkeringsregelingen namens de Staatssecretaris in rechte op te treden en om namens de Staatssecretaris tegen rechterlijke uitspraken ter zake al dan niet hoger beroep of"},{"i":7035,"b":"Klachtenregeling seksuele intimidatie burgerlijk rijkspersoneel handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op een ieder die werkzaam is bij een ministerie met uitzondering van het Ministerie van Defensie. Artikel 3 Een ieder die met seksuele intimidatie wordt geconfronteerd kan zich wenden tot de vertrouwenspersoon, dan wel een klacht indienen bij de klachtencommissie. De klacht wordt uiterlijk binnen twee jaar na de confrontatie ingediend. Artikel 4 1. Het bevoegd gezag benoemt tenminste één vertrouwenspersoon. 2. De vertrouwenspersoon is met inachtneming van de nodige vertrouwelijkheid bevoegd de beklaagde of andere betrokkenen binnen de dienst te horen en informatie in te winnen, voorzover dit voor de uitvoering van de taken noodzakelijk is. 3. De vertrouwenspersoon legt verantwoording af over de verrichte werkzaamheden aan een door het bevoegd gezag aangewezen persoon. Artikel 5 De vertrouwenspersoon heeft in ieder geval de volgende taken: - a. het fungeren als aanspreekpunt voor personen die met seksuele intimidatie worden geconfronteerd; - b. het opvangen en het verlenen van de nazorg aan die personen; - c. het adviseren van klagers over eventueel verder te ondernemen stappen; - d. het op verzoek van de klager ondernemen van stappen gericht op het zoeken naar een oplossing; - e. het op verzoek begeleiden van personen die overwegen een klacht in te dienen bij de klachtencommissie; - f. het verzorgen van een jaarverslag. Artikel 6 1. Het bevoegd gezag stelt een klachtencommissie seksuele intimidatie in, bestaande uit tenminste drie leden of een ander oneven aantal, waaronder de voorzitter. 2. In de klachtencommissie heeft tenminste een vrouw zitting. 3. Voor elk lid kan een plaatsvervangend lid worden benoemd. 4. Een lid van de klachtencommissie wordt vervangen, indien deze direct of indirect betrokken is of is geweest bij de seksuele intimida"},{"i":7048,"b":"Omzetbelasting; verzorging en verpleging van in een inrichting opgenomen personen **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 6 februari 2010, nr. DGB2010/270M. Het besluit is aangepast aan jurisprudentie van het Hof van Justitie (onderdelen 3.1, en 3.3). Ook is het begrip ‘verzorgingsflat’ in onderdeel 3.1 verduidelijkt. In onderdeel 3.2 is de reikwijdte van de vrijstelling voor prestaties die nauw samenhangen met de verzorging en verpleging van in een inrichting opgenomen personen verduidelijkt. Dit besluit bevat ook beleidswijzigingen (onderdeel 4.1). In onderdeel 4.1 is de goedkeuring voor commerciële verpleeg- en verzorgingsinrichtingen aangepast. Deze geldt nu ook voor het verstrekken van spijzen en dranken. Ook is aangegeven dat commerciële verpleeg- en/of zorginstellingen die ervoor kiezen geen gebruik (meer) te maken van de goedkeuring op die keuze niet kunnen terugkomen. Onderdeel 4.3 is gewijzigd naar aanleiding van de met ingang van 1 januari 2014 in werking getreden gewijzigde tekst van Bijlage B, post 23 behorende bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Als gevolg hiervan is de term ‘andere instellingen’ in post 23 komen te vervallen. De goedkeuring voor de dienstverlening door apothekers in onderdeel 4.4 van het besluit van 6 februari 2010, DGB2010/270M is ingetrokken. De goedkeuring is overbodig omdat apothekers die adviseren over het individuele medicijnverbruik van in een inrichting opgenomen personen (ook als de apotheker deze medicijnen niet levert) diensten verrichten die als gezondheidskundige verzorging zijn aan te merken en daarom al zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, ten 1e, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Daarnaast werd in de praktijk een (niet gewenste) ruimere uitleg aan de goedkeuring gegeven doordat de goedkeuring bijvoorbeeld ook wel werd toegepast op het samenstellen van protocollen voor de medicijnverstrekking.*"},{"i":5135,"b":"Prioriteringsbeleid toezicht en handhaving Wet op de vaste boekenprijs Het Commissariaat voor de Media geeft met dit beleid inzicht in de wijze waarop hij naleving van de [Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452) (hierna: de Wvbp) bevordert. Het Commissariaat ontvangt elk jaar veel klachten en signalen over mogelijke overtredingen van de [Wvbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452). Er komen echter meer klachten en signalen binnen dan het Commissariaat kan onderzoeken. Het Commissariaat maakt daarom keuzes om te bepalen welke klachten en signalen het oppakt. Het Commissariaat hanteert daartoe een prioriteringsbeleid. Onder klachten verstaat het Commissariaat in dit verband aanvragen tot handhavend optreden. Indien geen sprake is van een aanvraag tot handhavend optreden, dan spreekt het Commissariaat over een signaal. Als het Commissariaat een klacht ontvangt, gaat hij allereerst na of de klacht inderdaad moet worden aangemerkt als een aanvraag tot handhavend optreden in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (hierna: de Awb). Daarvoor is uiteindelijk bepalend of de klager belanghebbende is in de zin van [artikel 1:2 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:2). Een concurrerende boekverkoper is bijvoorbeeld belanghebbende. Ook moet de klacht voldoen aan de eisen die de Awb aan de aanvraag stelt. Zo moet de aanvrager de gegevens en bescheiden verschaffen die voor het besluit op de aanvraag nodig zijn en waarover hij of zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Het Commissariaat onderzoekt vervolgens op basis van zijn prioriteringsbeleid of aan het onderzoek naar de klacht prioriteit moet worden gegeven gezien de beschikbare onderzoekscapaciteit. Onder signalen verstaat het Commissariaat in dit verband alle tips en meldingen die niet als aanvraag tot handhavend optreden kunnen worden aangemerkt. Deze signalen kunnen ertoe leiden dat het"},{"i":5133,"b":"Prestatiebeschrijvingsbeschikking De Nederlandse Zorgautoriteit, heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), **op basis van de beleidsregel:** ‘Stoppen-met-rokenprogramma (BR/CU-7073)’ **en gelet op:** [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50, lid 1, onderdelen a en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) jo., [artikel 52 onderdeel e Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) **besloten:** dat rechtsgeldig **door:** zorgaanbieders die zorg bij het stoppen-met-rokenprogramma leveren als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) en zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 1 onder c sub 2 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) **aan:** alle ziektekostenverzekeraars, of (niet-)verzekerden **de prestatie:** in rekening kan worden gebracht, mits is voldaan aan de beschreven voorwaarden in de beleidsregel ‘Stoppen-met-rokenprogramma’ en de nadere regel ‘Stoppen-met-rokenprogramma’. met de inwerkingtreding van deze beschikking wordt de geldigheidsduur van de beschikking TB/CU-7032-02 van 31 januari 2012 beperkt tot en met 31 december 2012."},{"i":2406,"b":"Beleidsregel betreffende de erkenning van bedrijven bevoegd tot inbouw, vervanging en de controle van het functioneren van een radarinstallatie, bochtaanwijzer en Automatic Identification System (Beleidsregel erkenning bedrijven radarinstallatie, bochtaanwijzer en Automatic Identification System) Gelet op [artikel 3, eerste en tweede lid, van het Besluit radar- en bochtaanwijzerapparatuur Rijnvaart 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004653&artikel=3), artikel 3, eerste en tweede lid, van de Voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers voor de Rijnvaart, [artikel V, eerste lid, van de Regeling typegoedkeuring en inbouw radarinstallaties en bochtaanwijzers Rijnvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004748&artikel=V), [artikel 7.06, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007858&artikel=7.06), en Bijlage N, deel 1, onderdeel B, subonderdeel 1, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, [artikel 3, eerste lid, van de Aanwijzing bevoegde autoriteiten reglementen CCR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019146&artikel=3), alsmede artikel 3 van bijlage IX, Deel V, bij [richtlijn nr. 2006/87/EG](32006L0087) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006, tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van [richtlijn nr. 82/714/EEG](31982L0714) van de Raad van de Europese Unie (PbEG L 389); Besluit: Artikel 1 Een erkenning van een bedrijf voor de inbouw of vervanging en controle van radarinstallaties, bochtaanwijzers en AIS (Automatic Identification System) apparatuur zal geschieden op basis van de volgende criteria: - a. het hebben van aantoonbare ervaring met de inbouw, vervanging, reparatie en het onderhoud van bovenomschreven apparatuur; - b. het aantoonbaar beschikken over voor hun taak geschikt personeel; - c. het hanteren van een gangbaar kwaliteitborgingssysteem, vergelijkbaar met de alg"},{"i":2216,"b":"Aanwijzing toepassing opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen tegen advocaten Achtergrond De advocatuur behoort van oudsher tot de beperkte groep beroepsbeoefenaren die een beroep kan doen op het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht beoogt de relatie tussen advocaat en cliënt te beschermen. Het verschoningsrecht dient echter niet alleen het belang van het individu. Het achterliggende grotere maatschappelijke belang van het verschoningsrecht beschermt ook het vertrouwen dat een ieder mag hebben, dat een advocaat niets zal behoeven te openbaren van hetgeen hem of haar functioneel bekend is geworden. Het verschoningsrecht voor advocaten stelt grenzen aan de reikwijdte van de strafrechtelijke waarheidsvinding. Dat is zowel het geval gedurende het voorbereidend onderzoek als tijdens het onderzoek ter zitting. In het algemeen zal het belang van de waarheidsvinding in strafzaken zelfs moeten wijken voor het door de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de advocaat beschermde belang dat een burger vrijelijk met zijn advocaat kan communiceren. De wetgever heeft in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) (Sv) op verschillende plaatsen het, onder meer aan de advocaat toekomende, verschoningsrecht gewaarborgd. Daarnaast volgen ook uit de jurisprudentie en uit beleidsregels bijzondere normen die het OM en de onder het gezag van het OM opererende opsporingsambtenaren in acht hebben te nemen wanneer bij de inzet van opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen het verschoningsrecht van een advocaat in beeld komt. Het feit dat het verschoningsrecht van de advocaat binnen onze rechtsorde een zo prominente plaats inneemt, betekent echter niet dat de advocaat daarom nooit in een opsporingsonderzoek betrokken zou kunnen worden. Een voorbeeld is de – overigens zeer zelden voorkomende – situatie dat een advocaat zijn beroep misbruikt voor het verlenen van juridische hand- en spandiensten aan een criminele organisatie. Dan is het niet z"},{"i":2802,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2006 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit : Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2006, doch niet later dan 15 oktober 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,498 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2006 en eindigende met 15 oktober 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.over"},{"i":3415,"b":"Besluit Defensie mandaat attachés 2020 handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken, en gelet op de Attachénotitie 2020; Besluit De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Mandaat 1. Aan de bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkzame secretaris-generaal, directeuren van bedrijfsvoeringsdirecties en uitvoeringsorganisaties en hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland alsmede hun plaatsvervangers wordt mandaat verleend voor het verrichten van rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met de overeenkomstige toepassing van de Aanvullende CAO Rijk Uitzendingen 2020 (ACRU) op ambtenaren van Defensie die zijn uitgezonden naar een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland inclusief het behandelen van een daarmee verband houdend bezwaar of beroep. 2. De in het eerste lid bedoelde functionarissen kunnen schriftelijk besluiten dat onder hen ressorterende functionarissen mede bevoegd zijn uitvoering te geven aan de in het eerste lid bedoelde mandaat. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde functionarissen oefenen hun in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden uit met inachtneming van de ter zake: - a. door of namens de Minister van Defensie en de Minister van Buitenlandse Zaken gemaakte afspraken en - b. door of namens de Minister van Buitenlandse Zaken gegeven instructies. Artikel 2. Ondertekening en vermelding Het krachtens het in het eerste lid bedoelde mandaat ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: de Minister van Defensie, vertegenwoordigd door [functie] van het Ministerie van Buitenlandse Zaken [handtekening] [naam functionaris] Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de dag na ondertekening en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 en geldt totdat dit door de Minister van Defensie wordt herroepen."},{"i":3677,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 11 juli 2014, nr. IENM/BSK-2014/142443, houdende verlening van mandaat en machtiging aan de directeur van Argonaut Advies B.V. voor de uitvoering van de Regeling OV-begeleiderskaart (Besluit mandaat en machtiging directeur van Argonaut Advies B.V. voor de uitvoering van de Regeling OV-begeleiderskaart) Gelet op [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de directeur van Argonaut Advies B.V. van 6 juni 2014, nr. IENM/BSK-2014/144340; BESLUIT: Artikel 1 Aan de directeur van Argonaut Advies B.V. wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten met betrekking tot de uitvoering van de [Regeling OV-begeleiderskaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035366); - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 Aan de directeur van Argonaut Advies B.V. wordt machtiging verleend tot: - a. het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035368&artikel=1&z=2014-08-01&g=2014-08-01) bedoelde besluiten; - b. het voeren van beroepsprocedures over besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035368&artikel=1&z=2014-08-01&g=2014-08-01). Artikel 3 De directeur van Argonaut Advies B.V. kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035368&artikel=1&z=2014-08-01&g=2014-08-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035368&artikel=2&z=2014-08-01&g=20"},{"i":3864,"b":"Besluit van 4 juli 2001, houdende nadere regels inzake het ondernemingsplan in verband met de vestiging van een gerechtsdeurwaarder en de advisering daarover door de Commissie van deskundigen (Besluit ondernemingsplan gerechtsdeurwaarder) Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Justitie van 23 mei 2001, Directie Wetgeving nr. 5099672/01/6; Gelet op [artikel 6, vijfde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=6); De Raad van State gehoord (advies van 8 juni 2001, nr. W03.01.0246/I); Gezien het nader rapport van Onze Staatssecretaris van Justitie van 2 juli 2001, Directie Wetgeving nr. 5105377/01/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking als artikel 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet in werking treedt. Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197); - b. ondernemingsplan: het ondernemingsplan, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=5); - c. Commissie: de Commissie van deskundigen, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=6); - d. plaats van vestiging: de gemeente waarin de indiener van het ondernemingsplan voornemens is zich als gerechtsdeurwaarder te vestigen. Paragraaf 2. Het ondernemingsplan Artikel 2 Het ondernemingsplan brengt tot uitdrukking of het voornemen tot vestiging betreft: - a. opvolging in een reeds gevestigd solitair kantoor; - b. vestiging van een solitair kantoor; - c. opvolging in een reeds gevestigd kantoor in associatief verband; - d. vestiging in associatief verband met een reeds gevestigd kantoor; - e. vestiging van een kantoor in associatief verband; - f. wijziging van de plaats van vestiging. Artikel 3 Het ondernemingsplan bevat in ieder geval een uitwerking van de volgende onderdelen: -"},{"i":2310,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 13 december 2012, nr. 330729, houdende de aanwijzing van de gemeente waarin de politie gevestigd is (Aanwijzingsbesluit vestigingsplaats politie) Gelet op de [artikel 26 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=26), Besluit: Artikel 1 De politie is gevestigd te Den Haag. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2013. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3182,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 2 november 2016 nr. BOACAT2016/060, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Groningen in het domein I, Openbare Ruimte Gelezen het verzoek van de gemeente Groningen van 17 oktober 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038702&artikel=2&z=2017-10-25&g=2017-10-25). Artikel 2 De personen werkzaam in de functie van (Senior) Coördinator openbare ruimte, Praktijkcoach, BOA openbare ruimte en BOA parkeren in dienst van de gemeente Groningen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon"},{"i":6392,"b":"Besluit van 5 maart 2016, houdende wijziging van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in verband met de invoering van een aantal wijzigingen die bijdragen aan de interne sturing door provinciale staten en de raad alsmede aan een betere vergelijkbaarheid tussen provincies en tussen gemeenten Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2015, nr 2015-0000742862; Gelet op [artikel 190, eerste lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=190) en [artikel 186, eerste lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=186); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 december 2015, nr. No.W04.15.0444/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 februari 2016, nr. 2016-0000122265; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Artikel II 1. Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn gedaan blijft het [Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014606) van toepassing zoals dat gold op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit. 2. Activa die op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit op de balans zijn opgenomen als niet in exploitatie genomen bouwgronden, worden voor het begrotingsjaar 2016, tegen dezelfde boekwaarde op toelichting op de balans opgenomen als materiële vaste activa, categorie «gronden en terreinen». Deze activa worden uiterlijk voor het begrotingsjaar 2020 op de marktwaarde gewaardeerd tegen de dan geldende bestemming. Deze activa dienen gedurende de duur van deze overgangsregeling apart te worden toegelicht in de toelichting op de materiële vaste activa. 3. Op de begroting en jaarrekening voor de begrotingsjaren 2015 en 2016, en"},{"i":3085,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 27 februari 2009, nr. DJZ/BR-0153/09, tot bekendmaking van de tweede openstelling van het Daey Ouwens Fonds en tot wijziging van de beleidsregels voor subsidiëring op grond van het Daey Ouwens Fonds Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel I De nader bekend te maken datum voor het ontvangen van aanvragen als bedoeld in [artikel 3 van het besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 14 oktober 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024636&artikel=3) wordt bepaald op 12 mei 2009. Artikel II Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Daey Ouwens Fonds). Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6458,"b":"Besluit van 17 maart 2009, houdende wijziging van het Besluit stimulering duurzame energieproductie Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 19 december 2009, nr. WJZ / 8192984; Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 9 februari 2009, nr. W10.08.0580/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 9 maart 2009, nr. WJZ / 9046056; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit stimulering duurzame energieproductie. Artikel II Op aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn verstrekt, blijven de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=6), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=56), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=59), [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=61) en [63, eerste lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=63) van toepassing zoals die onmiddellijk voor dat tijdstip luidden. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. [Artikel I, onderdelen G en Ae](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025567&artikel=I&z=2009-03-27&g=2009-03-27), werken terug tot en met 1 april 2008. Lasten en bevelen dat dit besluit met de bijbehorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6449,"b":"Besluit van 1 februari 1999 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de herziening van het fiscale procesrecht Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 9 november 1998, Directie Wetgeving, nr. 727882/98/6, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:75); De Raad van State gehoord (advies van 24 december 1998, nr. W03.98.0580); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 22 januari 1999, Directie Wetgeving, nr. 739334/99/6, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt het Besluit proceskosten bestuursrecht. ARTIKEL II Vervallen ARTIKEL III Ten aanzien van beroep, hoger beroep of beroep in cassatie dat voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit is ingesteld, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing. ARTIKEL IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2365,"b":"Beleidskader rechtspositie stagiairs bij de sector Rijk 1. Inleiding Sinds 2012 is sprake van een uniforme handelswijze binnen de sector Rijk ten aanzien van de stagiairs. Daarover wordt conform de rijksbrede strategie op het gebied van arbeidsmarktcommunicatie en werving als één organisatie naar buiten toe opgetreden. In dit beleidskader zijn de afspraken over de rechtspositie van stagiaires opgenomen die voor de inwerkingtreding van de [Wet normalisering rechtspositie ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039393) per 1 januari 2020 waren opgenomen in circulaires. 2. Reikwijdte beleidskader Dit beleidskader is van toepassing voor alle organisaties binnen de sector Rijk. Dit beleidskader heeft geen betrekking op het in dienst nemen van studenten op een leerwerkplek - zoals dit bijvoorbeeld het geval is bij een mbo-beroepsbegeleidende leerweg (BBL) en hbo-duale opleidingstrajecten - waarbij de student van een onderwijsinstelling een aantal dagen per week in dienstverband werkt op een leerwerkplek en een aantal dagen per week naar school gaat. 3. Modellen stageovereenkomst Een uniforme handelswijze van de sector Rijk met betrekking tot de rechtspositie van stagiairs komt onder andere tot uiting door het hanteren van (uniforme) modellen voor de stageovereenkomst. Hiermee wordt ook de herkenbaarheid naar de onderwijsinstellingen en de stagiairs bevorderd. In de praktijk blijkt dat er twee soorten overeenkomsten worden gesloten. Bij één overeenkomst is er sprake van betrokkenheid van drie partijen, namelijk de stageverlener, de onderwijsinstelling en de stagiair. Aangezien niet bij alle onderwijsprogramma’s een stage verplicht is, is er niet altijd een rol voor de onderwijsinstelling weggelegd. In dat geval sluit de stageverlener een overeenkomst met (uitsluitend) de stagiair. Wanneer sprake is van drie partijen, wordt per 1 juni 2024 voor wo-studenten de [overeenkomst](https://www.universiteitenvannederland.nl/onderwerpen/onderwijs/gemeenschappelijke-stag"},{"i":2376,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 16 augustus 2013, nr. WJZ/13140027, houdende de vaststelling van een procedure voor het aanwijzen van een adviseur en de wijze waarop deze tot een advies komt inzake een tegemoetkoming in de planschade aangaande energie-infrastructuurprojecten (Beleidsregel advisering planschadeverzoeken) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **aanvrager:** degene die een aanvraag indient om een tegemoetkoming in de schade als bedoeld in [artikel 6.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=6.1); - –. **adviseur:** een adviseur als bedoeld in [artikel 6.1.1.1, onder c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023798&artikel=6.1.1.1); - –. **besluit:** het [Besluit ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023798); - –. **energie-infrastructuurproject:** een project genoemd in [artikel 9b, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=9b), of [20a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=20a), [artikel 39b, eerste lid, van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=39b), [artikel 141a, eerste lid, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=141a) of een ander project ten aanzien waarvan een besluit als bedoeld in [artikel 3:35, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.35) is genomen; - –. **minister:** de Minister van Economische Zaken; - –. **planologische maatregel:** oorzaak als bedoeld in [artikel 6.1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=6.1); - –. **planschade:** schade als bedoeld in [artikel 6.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002"},{"i":2718,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2008 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2008, doch niet later dan 15 september 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,495 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2008 en eindigende met 15 september 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overh"},{"i":1813,"b":"Wet van 17 december 2025 tot wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Wet minimumbelasting 2024 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2025/872 van de Raad van 14 april 2025 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling minimumbelasting) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954) en de [Wet minimumbelasting 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111) aan te passen in verband met de implementatie van [Richtlijn (EU) 2025/872](32025L0872) van de Raad van 14 april 2025 tot wijziging van [Richtlijn 2011/16/EU](32011L0016) betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling cryptoactiva in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel II Wijzigt de Wet minimumbelasting 2024. Artikel III In afwijking van [artikel 6i, tweede lid en derde lid, onderdeel a, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=6i) past Onze Minister artikel 6i, eerste lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen niet eerder toe dan met ingang van 1 december 2026. Artikel IV Indien het bij koninklijke boodschap van 2 juli 2025 ingediende voorstel van wet tot wijziging van d"},{"i":6602,"b":"Besluit van 18 december 2024 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven Op de voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid van 18 oktober 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5847133, gedaan mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [artikel 2, vijfde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=2) en de [artikelen 257b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257b) en [257ba van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257ba); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 december 2024, nr. W16.24.00308/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 12 december 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5974951, uitgebracht mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel II Wijzigt het Besluit OM-afdoening. Artikel III [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050674&artikel=I&z=2025-02-01&g=2025-02-01) heeft geen gevolgen voor gedragingen die hebben plaatsgevonden voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 februari 2025. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6610,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 28 april 2011 houdende wijziging van de Regeling aanwijzing administratief-technische functies in verband met een verduidelijking van de criteria voor de aanwijzing Gelet op [artikel 10, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=10); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling aanwijzing administratief-technische functies. Artikel II 1. Het bevoegd gezag beoordeelt binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze regeling of de aanwijzing van functies die voor de dag van inwerkingtreding van deze regeling waren aangewezen, van kracht kan blijven en beoordeelt binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze regeling welke functies op basis van de criteria, geldend na inwerkingtreding van deze regeling, voor aanwijzing in aanmerking komen. 2. Het bevoegd gezag legt de voorgenomen aanwijzingen of intrekkingen daarvan, bedoeld in het eerste lid, alvorens te beslissen voor aan de commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006518&artikel=2). Genoemde commissie beslist binnen vier weken of overleg over de voorgenomen beslissing nodig is. Indien de commissie van oordeel is dat overleg niet nodig is, dan wel binnen vier weken niet heeft laten weten dat overleg nodig is, stelt het bevoegd gezag de voorgenomen beslissing vast. 3. Van de functies die op basis van de beoordeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet langer voor aanwijzing in aanmerking komen, vervalt de aanwijzing met ingang van de eerste dag waarop de ambtenaar die de functie vervult, niet langer in de functie is aangesteld. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7940,"b":"Wet van 12 november 2009 tot wijziging van de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën, in verband met de verzekering door de Staat van handelsrisico’s en de verbetering van het risicobeheer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007886) aan te passen om de mogelijkheid te scheppen dat de Staat als verzekeraar optreedt voor risico’s die voortvloeien uit handelsrelaties met het buitenland, en de mogelijkheden van het risicobeheer van door de Staat verzekerde risico’s te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën. Artikel II Alle vermogensbestanddelen van verzekeraars voortvloeiend uit exportkredietverzekeringen en investeringsgaranties die zijn gesloten voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en die door de Staat in herverzekering zijn genomen op grond van [artikel 3 van de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007886&artikel=3) zoals dat artikel luidde voor dat tijdstip, gaan bij inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel over op de Staat, zonder dat daarvoor medewerking of instemming van polishouders vereist is, zonder dat de betrokken polishouders zich tegen de overgang kunnen verzetten en zonder dat een besluit, akte of mededeling is vereist. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6083,"b":"Besluit van 22 januari 2019, houdende wijzigingen van ondergeschikte aard in enkele algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het openbaar bestuur (Verzamelbesluit openbaar bestuur 2019) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 december 2018, nr. 2018-0000937063; Gelet op de [artikelen 22, aanhef en onderdeel e, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=22), de [artikelen 186](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=186), [229c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=229c) en [234, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=234), [235, dertiende en vijftiende lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=235), [artikel 190 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=190), [artikel 9, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=9) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet rechten burgerlijke stand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001851&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 januari 2019, nr. W04.18.0412/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 januari 2019, nr. 2019-0000020014; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Artikel II Wijzigt het Besluit financiële verhouding 2001. Artikel III Wijzigt het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. Artikel IV Wijzigt het Besluit op de lijkbezorging. Artikel V Wijzigt het Legesbesluit akten burgerlijke stand. Artikel VI 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2019, met uitzondering van de [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041907&artikel=IV&z=2020-01-01&g=2020-01-01) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041907&artikel=V&z="},{"i":7974,"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 5 juni 2019, nr. WJZ / 19124149, houdende een correctiekorting op de diergezondheidsheffing voor bepaalde varkenshouders voor 2018 (Beleidsregel correctiekorting diergezondheidsheffing varkenshouders 2018) Gelet op [artikel 93, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=93) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **A-, B-, E of F-bedrijf:** bedrijf dat op grond van de [Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018397) door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit respectievelijk als A-, B-, E- of F-bedrijf is aangewezen of aangemerkt; - **besluit:** [Besluit diergezondheidsheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040317); - **big:** varken vanaf de geboorte tot aan het spenen; - **diergezondheidsheffing:** heffing als bedoeld in [artikel 91b van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=91b). Artikel 2 Op de diergezondheidsheffing die over 2018 is geheven van een varkenshouder, wordt een bedrag in mindering gebracht als deze aan elk van de volgende voorwaarden voldoet: - a. de heffing heeft betrekking op het houden van biggen op een A- of een B-bedrijf die in 2018 zijn afgevoerd naar een E- of F-bedrijf; - b. de biggen, bedoeld in onderdeel a, zijn in 2018 afgevoerd van het E- of F-bedrijf; - c. de varkenshouder is rechthebbende van het desbetreffende A- en E-bedrijf, dan wel het desbetreffende B- en F-bedrijf als bedoeld in de onderdelen a en b. Artikel 3 Het bedrag, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042296&artikel=2&z=2019-06-18&g=2019-06-18), wordt bepaald door het aa"},{"i":7997,"b":"Besluit van 4 november 2024 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en enkele andere besluiten in verband met herziening van het stelsel voor beroepsziekten, beroepsincidenten en dienstongevallen en enkele wetstechnische aanpassingen (Besluit beroepsgerelateerde gezondheidsklachten politie) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 28 juni 2024, nr. 5575489, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=21), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=22), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=30), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=36), [47, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=47), en [48 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=48) en [artikel 12o van de Wet ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12o); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 september 2024, nr. W16.24.00162/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 23 oktober 2024, nr. 5815602, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie. Artikel II Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel III Wijzigt het Besluit beheer politie. Artikel IV Wijzigt het Besluit bewapening en uitrusting politie. Artikel V Wijzigt het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie. Artikel VI Wijzigt het Besluit financieel beheer politie. Artikel VII Wijzigt het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994. Artikel VIII Wijzigt het Besluit politiegegevens. Artikel IX Wijzigt het Besluit rangen politie. Artikel X Wijzigt het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie. Artikel XI Wijzigt het Besluit verdeling sterkte en middelen polit"},{"i":8006,"b":"Besluit van de Directeur-Generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, houdende verlening van ondermandaat en machtiging Gelet op [artikel 16 van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan de volgende functionarissen wordt voor hun werkterrein de bevoegdheid verleend om namens de minister besluiten te nemen met uitzondering van het toekennen van subsidies en handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn: - 1. de centrumhoofden, de stafhoofden, de regiomanagers van de regiokantoren Dienst Vaccinvoorziening en Preventieprogramma’s en de Chief Science Officers; - 2. de afdelingshoofden en de coördinatoren die inhoudelijk leiding geven aan een opdracht / programma / thema en die expliciet ondermandaat hebben gekregen van het centrumhoofd om de effectiviteit en efficiëntie van het dagelijks werk te waarborgen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2013. Artikel 3 Het besluit van 8 februari 2005, kenmerk Nr. 27/05 DG MS/pj/eh, wordt ingetrokken. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8039,"b":"Besluit vaststelling Concernbrede selectielijst Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Concernbrede selectielijst van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport - Organisatieonderdelen: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Kern) vanaf 18 maart 2013, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) vanaf 1 januari 2020, College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG) en Agentschap (aCBG) vanaf 30 augustus 1963, Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) vanaf 30 maart 1973 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [Concernbrede selectielijst van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport](onbekend) - Organisatieonderdelen: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Kern) vanaf 18 maart 2013 en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) vanaf 1 januari 2020, Staatscourant 2020, 13588 wordt ingetrokken voor het Kerndepartement per 18 maart 2013 en voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd per 1 januari 2020. De [selectielijst Geneesmiddelen en medische hulpmiddelen. Staatscourant 2006, 192](onbekend) wordt ingetrokken voor het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG), Agentschap College ter beoordeling van geneesmiddelen (aCBG) en voormalige Commissie ex artikel 14 van het Sera- en Vaccinsbesluit per 30 augustus 1963. De selectielijsten: - •. [Algemene Wetenschappelijke Beleidsvoorbereiding. Staatscourant 1999, 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009664); - •. [Rijksbegroting](onbekend). Staatscourant 2001, 194 en [2005, 62](onbekend); - •. [Rijkshuisvesting. Staatscourant nr. 2007, 142](onbekend); - •. Arbeidsverhoudingen bij de overheid. Staatscourant nr. 2001, 200 en nr. 2001, 201; - •. Arbeidsvoorwaarden rijkspersoneel. Staatscourant nr. 2001, 200 en nr. 2001, 201; - •. Formatiebeleid, arbeidsmarktbeleid en person"},{"i":8048,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bosbouw 1945–1983 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 oktober 2006, nr. arc-2006.03203/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bosbouw over de periode 1945–1983’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdragers 1. Lijst van afkortingen AMvB: Algemene maatregel van bestuur art.: artikel BZK: (Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties BSD: Basis Selectiedocument CAS: Centrale Archief Selectiedienst CRM: (Ministerie van) Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk EZ: (Ministerie van) Economische Zaken KB: Koninklijk Besluit KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap LVV: 1946–1960 (Ministerie van) Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening LenV: 1960–1989 (Ministerie van) Landbouw en Visserij LNV: 1989–2003 (Ministerie van) Landbouw, Natuurbeheer en Visserij 2003– (Ministerie van) Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit NA: Nationaal Archief OCW: (Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap OKW: (Ministerie van) Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek SBB: Staatsbosbeheer Stb.: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Stcrt.: Nederlandse Staatscourant SZV: (Ministerie van) Sociale Zaken en Volksgezondheid TK: Tweede"},{"i":8073,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voeding- en productveiligheid vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 juni 2008 nr. bca-2008.04876/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit behorende ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ‘‘Voeding- en productveiligheid over de periode vanaf 1945’’ en de daarbij behorende toelichting’ worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8077,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Concernbrede selectielijst van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport – Organisatieonderdelen: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Kern) vanaf 23 maart 2013 en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) vanaf 1 januari 2020 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 [De Generieke selectielijst van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport – Organisatieonderdeel: Kerndepartement vanaf 18 maart 2013.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042537) Staatscourant nr. 50340 d.d. 13-09-2019 wordt ingetrokken voor het Kerndepartement vanaf 18 maart 2013. De [selectielijsten Toezicht op de volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025389). Staatscourant nr. 41 d.d. 02-03-2009 en [Welzijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015951). Staatscourant nr. 35, 20-02-2004 worden afgesloten voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) vanaf 1 januari 2020. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8079,"b":"Besluit verlening ondermandaat adviseurs Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (verrichten privaatrechtelijke handelingen) Gelet op [artikel 16, tweede lid, onder a, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan de adviseurs van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving die leiding geeft aan een project dat behoort tot het werkterrein van de directie wordt de bevoegdheid verleend om, in het kader van de uitvoering van het project, namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten tot een maximum van € 25.000 inclusief btw. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8088,"b":"Besluit directie van het CBR houdende vaststelling van een beleidsregel betreffende het afgeven en intrekken van aanwijzingen van keurend medisch specialisten (CBR beleidsregel aanwijzing keurend medisch specialisten) Gelet op de [artikelen 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [133, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=133), en [101, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=101); Besluit: Artikel I Vastgesteld wordt de volgende beleidsregel: **CBR Beleidsregel aanwijzing keurend medisch specialisten** 1. Kader van deze beleidsregel aanwijzing keurend medisch specialisten Deze beleidsregel legt vast aan welke eisen de medisch specialisten moeten voldoen om aangewezen te worden als onafhankelijk keurend specialist voor de keuringen in de procedure tot beoordeling van de rijgeschiktheid. De beleidsregel bevat regels over de aanmeldingsprocedure voor de aanwijzing als keurend medisch specialist, de toepasselijke vereisten, de geldigheidsduur, de wijze waarop kwaliteit van de keuringen bewaakt wordt en hoe bezwaar en beroep geregeld zijn. De medisch adviseur van het CBR heeft de bevoegdheid om in bepaalde gevallen voor de beoordeling van de rijgeschiktheid van een (aankomende) rijbewijsbezitter een rapport van een medisch specialist te verlangen ([Wegenverkeerswet](onbekend), [Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074)). Met deze beleidsregel wordt invulling gegeven aan de wijze waarop het CBR zijn bevoegdheden uitoefent tot uitvoering van: Waar in de beleidsregel melding wordt gemaakt van de medisch specialist, wordt hiermee de onafhankelijk keurend medisch specialist bedoeld. De eerste versie van de beleidsregel ‘Aanwijzing keurend medisch specialisten’ van het CBR is in mei 2015 gepubliceerd in de Staatscourant. Gevolgd door een herziening in december 2018."},{"i":8256,"b":"Wijziging formulier geneeskundige verklaring Wet B.o.p.z Circulaire aan: de president van de Hoge Raad der Nederlanden de presidenten van de gerechtshoven de presidenten van de arrondissementsrechtbanken de procureurs-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden de procureurs-generaal bij de gerechtshoven de officieren van justitie, hoofden van de arrondissementsparketten de griffiers van de arrondissementsrechtbanken Hierbij deel ik u mee dat het Besluit houdende wijziging van enige bepalingen bij het [Besluit administratieve bepalingen Bopz](onbekend) (Stb. 1955, 536) met ingang van 1 februari 1996 in werking treedt. Met dit besluit zijn nieuwe formulieren voor opneming in psychiatrische ziekenhuizen vastgesteld. Vanaf 1 februari a.s. dienen psychiaters de nieuwe formulieren te gebruiken. Voor de inhoudelijke wijzigingen van deze nieuwe formulieren ten opzichte van de formulieren die thans worden gebruikt, verwijs ik naar de bijlage bij deze brief. Ik verzoek u deze brief door te geleiden naar degenen in uw organisatie tot wier werkterrein het behoort deze formulieren te behandelen. Bijlage Nieuwe formulieren voor de afgifte van geneeskundige verklaringen van de Wet Bopz Bij Besluit van 4 oktober 1995, houdende wijziging van enige bijlagen bij het [Besluit administratieve bepalingen Bopz](onbekend), zijn de bijlagen van dit Besluit gewijzigd. Op grond van dit besluit worden nieuwe formulieren geïntroduceerd die dienen te worden gebruikt bij de afgifte van geneeskundige verklaringen. Dit Besluit zal met ingang van 1 februari 1996 in werking treden. Dit betekent dat u met ingang van die datum deze nieuwe formulieren dient te gebruiken bij het afgeven van geneeskundige verklaringen. Deze nieuwe formulieren zullen worden gepubliceerd in het Staatsblad d.d. 30 november 1995, nr. 536. In welk opzicht verschillen de nieuwe formulieren van de huidige formulieren? In de nieuwe formulieren worden enerzijds aanvullende administratieve gegevens gevraagd van de persoon wiens gedw"},{"i":8093,"b":"Regeling van de Minister voor Primair- en Voortgezet Onderwijs van 19 september 2023, nr. PO/FenV/40638986, houdende aanpassing van de bedragen voor bekostiging primair onderwijs voor het kalenderjaar 2023 en het vaststellen van de bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs kalenderjaar 2023 (Definitieve regeling bekostiging WPO en WEC 2023) Gelet op de [artikelen 116, zesde en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=116), [119, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119), [121, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=121), [122, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=122), en [124, derde en vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=124), de [artikelen 114, zesde en tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=114), [117, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117), en [119, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=119), [artikel 5.15, derde en vijfde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.15), de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=5), [13, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=13), [14, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=14), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=15), [16, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=16), [17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=17), [18, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=18), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=19), [20, derde lid](https://wetten"},{"i":8097,"b":"Formulier van Kennisgeving Vestiging en Neerlegging Praktijk Artsen, Tandartsen, Apothekers Vroedvrouwen en Tandheelkundigen Gelet op [artikel 3 van het Koninklijk besluit van 14 juli 1959, Stb. 284, tot uitvoering van artikel 42 van de Gezondheidswet (Besluit kennisgeving mutaties Gezondheidswet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002322&artikel=3), Besluit: vast te stellen het model van het formulier van kennisgeving van vestiging en van neerlegging van de praktijk door artsen, tandartsen, apothekers, vroedvrouwen en tandheelkundigen, welk model bij deze beschikking is gevoegd. Bijlage FORMULIER van kennisgeving van vestiging en neerlegging van de praktijk door artsen, tandartsen, apothekers, vroedvrouwen en tandheelkundigen, zoals bedoeld in artikel 3 van het Koninklijk besluit van 14 juli 1959, **Stb.** 284 (Besluit kennisgeving mutaties Gezondheidswet). Bestemd voor de geneeskundige/farmaceutische hoofdinspecteur van de volksgezondheid, te 's-Gravenhage. | Naam: Voornamen: **Bij vrouwen:** gehuwd met/gehuwd geweest met: Naam: Voornamen: | | | --- | --- | | Geboorteplaats: Geboortedatum: Woonadres: | | | Beroep: Praktijkadres: | | | Datum afgifte diploma: Plaats afgifte diploma: | | | Datum aanvang praktijk: In gemeente: | | | Datum neerlegging praktijk: | | | Gemeente: Datum: Ondertekening: | | Behoort bij beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 18 november 1959, nr. 17351, Directie Volksgezondheid, afdeling Medische Beroepen en Ziektenbestrijding."},{"i":8105,"b":"Goedkeuring besluit CHVG 7-2002 (herregistratie van verpleeghuisartsen) Gelet op: [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); artikel 14, tweede lid, van de Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten; Besluit: Het besluit - CHVG 7-2002 inzake de herregistratie van verpleeghuisartsen goed te keuren. Dit besluit zal samen het betreffende besluit worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":8123,"b":"Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden regelende de samenwerking op het gebied van de implementatie van de Internationale Gezondheidsregeling tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten De ministers van Volksgezondheid van de vier landen verenigd in het Koninkrijk der Nederlanden hebben in juni 2015 een overeenkomst getekend voor samenwerking bij het implementeren en onderhouden van de Internationale Gezondheidsregeling (IGR). Dit is een internationale overeenkomst, onder auspiciën van de Wereld Gezondheidsorganisatie, voor het beheersen en bestrijden van grensoverschrijdende infectieziekten en andere incidenten van bacteriologische, chemische en radiologische aard. Met de onderlinge regeling ontstaat een samenwerkingsverband, in netwerkvorm, tussen de publieke gezondheidsdiensten van de landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland, inclusief de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het Centrum Infectieziektebestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu fungeert als coördinerend lid van het gecreëerde netwerk van IGR-deskundigen. Gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38), Overwegende dat: de landen verenigd in het Koninkrijk der Nederlanden als één partij lid zijn van de Wereldgezondheidsorganisatie (Engels: WHO); de landen van het Koninkrijk ieder hun eigen verantwoordelijkheid hebben om het welzijn en de gezondheid van hun burgers te beschermen via onder andere ter zake dienende wetgeving op het gebied van volksgezondheid; het voorhanden zijn van nationale capaciteit voor surveillance, rapportage, detectie en samenwerking ingeval van uitbraken van infectieziekten en gerelateerde incidenten van belang voor de publieke gezondheid, kernonderdelen zijn van de Internationale Gezondheidsregeling (IGR) 1De op 23 mei 2005 door de Wereldgezondheidsvergaderin"},{"i":8126,"b":"Wet van 5 februari 2020, houdende regels betreffende beschermende maatregelen tegen schadelijke organismen bij planten (Plantgezondheidswet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten en Verordening (EU) 2017/625 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen en ter versterking van de handhaving; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Hoofdstuk 2. Bevoegde autoriteit Hoofdstuk 2. Bevoegde autoriteit Hoofdstuk 4. Binnen brengen van planten, plantaardige producten en andere materialen Hoofdstuk 3. EU-quarantaineorganismen en EU-gereguleerde niet-quarantaineorganismen Hoofdstuk 6. Binnen brengen voor bijzondere doeleinden Hoofdstuk 7. Registratie en gegevensverstrekking Hoofdstuk 8. Plantenpaspoort, certificaten, merktekens Hoofdstuk 9. Aanwijzing laboratorium en grenscontroleposten Hoofdstuk 4. Binnen brengen van planten, plantaardige producten en andere materialen Hoofdstuk 11. Financiële bepalingen Hoofdstuk 5. Fytosanitaire maatregelen Hoofdstuk 13. Wijziging van de [Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755) Hoofdstuk 14. Wijziging van de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) Hoofdstuk 6. Binnen brengen voor bijzondere doeleinden Hoofdstuk 15a. Wijziging van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054) Artikel 32a Wijzigt de Meststoffenwe"},{"i":8127,"b":"Protocol betreffende water en gezondheid bij het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren van 1992 De Partijen bij dit Protocol, Zich ervan bewust dat water essentieel is voor het behoud van leven en dat de beschikbaarheid van voldoende water van een toereikende kwaliteit om te voorzien in de basisbehoeften van de mens noodzakelijk is voor zowel een betere gezondheid als voor duurzame ontwikkeling, Het nut voor de gezondheid en het welzijn van de mens erkennend dat voortvloeit uit gezond en schoon water en een harmonisch en deugdelijk functionerende wateromgeving, Zich ervan bewust dat oppervlaktewateren en grondwater hernieuwbare hulpbronnen zijn met een beperkt vermogen zich te herstellen van de nadelige gevolgen van menselijke activiteiten op hun kwantiteit en kwaliteit, dat iedere nalatigheid deze grenzen te eerbiedigen, kan leiden tot nadelige gevolgen op zowel de korte als de lange termijn voor de gezondheid en het welzijn van degenen die van deze hulpbronnen en hun kwaliteit afhankelijk zijn, en dat dientengevolge duurzaam beheer van de hydrologische kringloop essentieel is om te voorzien in menselijke behoeften en het milieu te beschermen, Zich er tevens van bewust van de gevolgen voor de volksgezondheid van tekorten aan water van een toereikende kwaliteit om te voorzien in de basisbehoeften van de mens en zich bewust van de ernstige gevolgen van dergelijke tekorten, in het bijzonder voor kwetsbare, kansarme en sociaal uitgesloten personen, Zich ervan bewust dat de voorkoming, beheersing en vermindering van aan water gerelateerde ziekten belangrijke taken zijn die alleen afdoende kunnen worden vervuld door nauwere samenwerking op alle niveaus en tussen alle sectoren, zowel binnen landen als tussen Staten, Zich er tevens van bewust dat toezicht op aan water gerelateerde ziekten en de instelling van systemen voor vroegtijdige waarschuwing en bestrijdingssystemen belangrijke aspecten zijn van de vo"},{"i":8133,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 30 augustus 2021, nr. VO/29098214, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende bekostiging voor geïsoleerde vestigingen in het voortgezet onderwijs (Regeling aanvullende bekostiging geïsoleerde vestigingen vo) Gelet op [artikel 82 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=82) en [artikel 2.2.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **BAG:** basisregistratie adressen en gebouwen als bedoeld in [artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=2); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **brede scholengemeenschap:** scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs waarop de schoolsoorten vwo, havo, mavo en vbo worden aangeboden, al dan niet in combinatie met pro; - **havo:** hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.5); - **hemelsbreed gemeten afstand:** geografische afstand tussen vestigingen op basis van de adresgegevens opgenomen in de Basisregistratie Instellingen en de bijbehorende coördinaten uit de BAG; - **leerling:** leerling als bedoeld in [artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.7); - **mavo:** middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.6); - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **pro:** praktijkonderwijs als bedoeld in [artikel 2.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.8); - **scholengemeenschap:** scholengemeensc"},{"i":8143,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 30 september 2022, nr. PO/F&V/34027106, houdende regels voor de bekostiging van het primair onderwijs in Caribisch Nederland voor het jaar 2023 (Regeling bekostiging WPO BES 2023) Gelet op [artikel 100, vijfde lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), en de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=14), en [16, tweede en vierde lid, van het Besluit bekostiging WPO BES 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=16); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit bekostiging WPO BES 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152); - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047337&artikel=1&z=2023-10-04&g=2023-10-04); - **wet:** [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280). Artikel 2. Bedrag per leerling Het bedrag per leerling, bedoeld in [artikel 100, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), bedraagt USD 7.177,82. Artikel 3. Bedrag per school Het bedrag per school, bedoeld in [artikel 100, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), bedraagt USD 291.277,92. Artikel 4. Extra bekostiging voor zorg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte op Bonaire, Sint Eustatius en Saba 1. De extra bekostiging, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=16), bedraagt voor Bonaire USD 427.832,09. 2. De extra bekostiging, bedoeld in [artikel 16, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=16), bedraagt voor Sint Eustatius en Saba 11,50% van de bedragen, bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047337&artikel=2&z=2023-10-04&g=202"},{"i":8145,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 oktober 2024, nr. PO/F&V/48243113, houdende regels voor de bekostiging van het primair onderwijs in Caribisch Nederland voor het kalenderjaar 2025 (Regeling bekostiging WPO BES 2025) Gelet op [artikel 100, vijfde lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), en de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=14), en [16, tweede en vierde lid, van het Besluit bekostiging WPO BES 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=16); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit bekostiging WPO BES 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152); - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **wet:** [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280). Artikel 2. Bedrag per leerling Het bedrag per leerling, bedoeld in [artikel 100, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), bedraagt USD 8.080,94. Artikel 3. Bedrag per school Het bedrag per school, bedoeld in [artikel 100, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), bedraagt USD 326.904,12. Artikel 4. Extra bekostiging voor zorg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte op Bonaire, Sint Eustatius en Saba 1. De extra bekostiging, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=16), bedraagt voor Bonaire USD 480.160.22. 2. De extra bekostiging, bedoeld in [artikel 16, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=16), bedraagt voor Sint Eustatius en Saba 11,50% van de bedragen, bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050324&artikel=2&z=2025-06-27&g=2025-06-27) en"},{"i":8151,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 14 maart 2025, nr. 6204920, houdende regels voor de toepassing van het Besluit van 4 november 2024 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en enkele andere besluiten in verband met herziening van het stelsel voor beroepsziekten, beroepsincidenten en dienstongevallen (Regeling beroepsgerelateerde gezondheidsklachten politie) Gelet op de [artikelen 53b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=53b), [53d, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=53d), [53e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=53e), [53f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=53f), [54, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=54), [54a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=54a), en [54b van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=54b); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **ambtenaar:** ambtenaar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Barp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1) of gewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Barp; - **Barp:** [Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516); - **Bbp:** [Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517); - **beroepsgerelateerd:** beroepsgerelateerd als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Barp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **beroepsgerelateerde gezondheidsklachten:** beroepsgerelateerde gezondheidsklachten als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Barp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het"},{"i":8161,"b":"Regeling houdende voortzetting van de aanspraak krachtens de A.w.b.z. op sera, vaccins en allergenen Gelet op [artikel 7, tweede en derde lid, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005283&artikel=7); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder de Regeling: de Regeling farmaceutische hulp 1993. Artikel 2 1. In afwijking van artikel 2, aanhef en onder c, van de Regeling zijn, onverminderd artikel 2, aanhef en onder a, van de Regeling gedurende een periode van drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 14 november 1991 (Stb. 670) onder de farmaceutische hulp begrepen de sera en vaccins die op dat tijdstip krachtens de Wet op sera en vaccins rechtmatig in de handel zijn. 2. Indien met betrekking tot een serum of een vaccin als bedoeld in het eerste lid binnen de daar bedoelde periode een aanvraag als bedoeld in artikel 16 van de Regeling is ingediend, is het serum of vaccin, in afwijking van artikel 2, aanhef en onder c, van de Regeling, ook na de in het eerste lid bedoelde periode onder de farmaceutische hulp begrepen tot het tijdstip waarop op de aanvraag is beslist. Artikel 3 1. Onverminderd artikel 2, aanhef en onder a, van de Regeling zijn de allergenen, bedoeld in artikel 9 van het Besluit immunologische farmaceutische produkten, die niet zijn opgenomen in bijlage 5 of 6 van de Regeling, slechts onder de farmaceutische hulp begrepen gedurende twaalf maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 14 november 1991 (Stb. 670). 2. Indien met betrekking tot een allergeen als bedoeld in het eerste lid binnen drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 14 november 1991 (Stb. 670) een aanvraag als bedoeld in artikel 16 van de Regeling is ingediend, is het allergeen, in afwijking van het eerste lid ook na de daar bedoelde periode onder de farmaceutische hulp begrepen tot het tijdstip waarop op de aanvraag is beslist. Artikel 4 Op sera e"},{"i":8164,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juli 2015, houdende regels voor medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (Regeling medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen) Paragraaf 1. : Algemene bepaling Paragraaf 1. : Algemene bepaling Paragraaf 2. : Regels voor wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen Paragraaf 2. : Regels voor wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen Paragraaf 4. : Toezicht Artikel 12 Wijzigt de Regeling wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen. Artikel 13 De [Regeling wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019570) en de [Regeling toezicht WMO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012276) worden ingetrokken. Artikel 14 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen. Artikel 15 1. Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 4 juni 2015 houdende wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen in verband met een uitbreiding van de meldingsplicht van ernstige ongewenste voorvallen (**Stb**. 2015, 240) in werking treedt, met uitzondering van artikel 12. 2. Artikel 12 treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel K, van de wet van 4 juni 2015 houdende wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen in verband met een uitbreiding van de meldingsplicht van ernstige ongewenste voorvallen (**Stb**. 2015, 240) in werking treedt en werkt terug tot en met 1 juli 2012. Gelet op richtlĳn nr. 2001/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelĳke en bestuursrechtelĳke bepalingen van de lidstaten inzake de toepassing van goede klinische praktĳken bĳ de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselĳk gebruiken de daarop gebaseerde Europese regelgeving, de [artikelen 13h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=13h), [13i, zesde lid](https"},{"i":8173,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 november 2008, nr. PG/ZP-2.892.655, houdende nieuwe eisen inzake de publieke gezondheid (Regeling publieke gezondheid) In overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=22), [24, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=24), [25, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=25), [26, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=26), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=48), [57, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=57), [58, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=58), [63, derde lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=63); Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024708); - **wet:** [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705); - **zorginstelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=1), die beschikt over een eigen of gecontracteerde hygiënische dienst. Hoofdstuk II. Infectieziektebestrijding § 1. Meldingen Artikel 2 1. Voor de meldingsplicht van de arts op grond van [artikel 22, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=22), gelden voor de hieronder genoemde infectieziekten de volgende voorwaarden: - a. mpox, tuberculose, infectieziekten behorende tot groep B2, met uitzondering van invasieve groep A streptokokkeninfectie, en infectieziekten behorende tot groep C, met uitzondering van meningokokkenziekte: de vaststelling wordt op normale werk"},{"i":8175,"b":"Regeling registratieonderzoek verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg Gelet op [artikelen 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Medische kindzorg:** Medische kindzorg is zorg aan kinderen tot achttien jaar waarbij sprake is van behoefte aan zorg zoals verpleegkundigen plegen te bieden in verband met geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Tevens is bij deze kinderen sprake van een behoefte aan permanent toezicht of 24-uurs zorg in de nabijheid in combinatie met verpleegkundig technische handelingen. - **Zorgaanbieder:** De natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1 aanhef en onder c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - **Registratieonderzoek:** Het in deze regeling opgenomen registratieonderzoek verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg. Artikel 2. Doel van de regeling Deze regeling beoogt voorschriften te stellen die een zorgaanbieder in acht moet nemen bij het registratieonderzoek (zoals omschreven in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052608&artikel=1&z=2026-05-08&g=2026-05-08) van deze regeling). De voorschriften zijn van toepassing op de zorgaanbieders die zijn geselecteerd en daarmee onderdeel uitmaken van het registratieonderzoek. De voorschriften hebben betrekking op: - •. registratie van gegevens; en - •. de aanlevering van die gegevens. Het registratieonderzoek wordt uitgevoerd ten behoeve van een verbetering van de prestatiestructuur voor de medische kindzorg met ee"},{"i":8180,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 februari 2021, nr. WJZ/ 20038819, houdende vaststelling van de tarieven op basis van de Plantgezondheidswet (Regeling tarieven Plantgezondheidswet) Gelet op [artikel 21 van de Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=21); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en algemeen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanvrager:** degene die de inspectie of overige werkzaamheden van de NVWA of van de keuringsdienst aanvraagt en voor zover het import betreft de importeur of diens douanevertegenwoordiger; - –. **algemeen erkende feestdagen:** Nieuwjaarsdag, Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, beide Kerstdagen, Hemelvaartsdag, dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en 5 mei; - –. **BKD:** stichting Bloembollenkeuringsdienst, gevestigd te Lisse; - –. **Commissie:** Commissie van de Europese Unie; - –. **GN-code:** code als bedoeld in bijlage I van [verordening (EEG) nr. 2658/87](31987R2658) van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG 1987, L 256); - –. **KCB:** stichting Kwaliteits-Controle-Bureau, gevestigd te Zoetermeer; - –. **keuringsdienst:** KCB, BKD, Naktuinbouw of NAK; - –. **kwaliteitsinspecties:** inspecties van planten en plantaardige producten op grond van de [Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755) of de [Zaaizaad- en plantgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002541); - –. **lidstaat:** tot de Europese Unie behorende staat, waarvan uitgezonderd de Franse Overzeese Departementen, de Canarische eilanden, Ceuta en Melilla; - –. **Minister:** Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - –. **NAK:** stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen, gevestigd te Emmeloord; - –. **Naktuinbouw:** stichting Nederlandse Algemene Kwaliteits"},{"i":8189,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 maart 2025, kenmerk 4080664-1080698-Z, houdende verduidelijking van de registratie- en aanleververplichting van de DSM-hoofdgroepen en basis ggz-basisprofielen door aanbieders en zorgverzekeraars ten behoeve van de risicoverevening (Regeling verduidelijking tijdelijk gebruik DSM-hoofdgroepen en basis ggz-profielen) Gelet op [artikel 87, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=87), en [artikel 89, negende lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=89); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **DSM-5 classificatie:** classificatie conform de DSM-5-TR, het internationaal classificatiesysteem voor psychische stoornissen; - –. **DSM-stoornis:** psychische stoornis die is vastgesteld op basis van DSM-5 classificatie; - –. **DSM-hoofdgroep:** groep waaronder de primaire diagnose op basis van DSM-5 classificatie valt, zoals opgenomen in [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050915&bijlage=1&z=2025-04-03&g=2025-04-03) bij deze regeling; - –. **basis ggz-profiel:** een van de volgende profielen: - a. GBGGZ Kort: patiëntprofiel waarbij sprake is van een DSM-stoornis, problematiek van lichte ernst, waarbij sprake is van een laag risico, een enkelvoudig beeld tot lage complexiteit en aanhoudende of persisterende klachten waarbij eerdere interventies onvoldoende effect hebben bewerkstelligd; - b. GBGGZ Middel: patiëntprofiel waarbij sprake is van een DSM-stoornis, problematiek van matige ernst, waarbij sprake is van een laag tot matig risico, een enkelvoudig beeld tot lage complexiteit en de duur van de klachten beantwoordt aan de criteria uit de richtlijn voor het betreffende ziektebeeld; - c. GBGGZ Intensief: patiëntprofiel waarbij sprake is van een DSM-stoornis, ernstige problematiek, waarbij sprake is van een laag tot matig risico, een enkelvoudig beeld tot lage complexiteit en de duur van de klach"},{"i":8193,"b":"Regels inkomstenderving vrijgevestigde medische beroepsbeoefenaren Gelet op [artikel 2, vijfde lid, van het Besluit sanering instellingen voor gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011192&artikel=2). Artikel 1 In deze regels wordt verstaan onder: - a. **College**: het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, - b. **de Wet**: de [Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753), - c. **ziekenhuisvoorziening**: een inrichting voor gezondheidszorg, als bedoeld in [artikel 1, lid 1, sub c van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=1), - d. **vrijgevestigde medische beroepsbeoefenaren**: personen die krachtens overeenkomst met de ziekenhuisvoorziening voor eigen rekening en risico een medisch beroep uitoefenen of hebben uitgeoefend, als bedoeld in [artikel 2, lid 2, sub c, van het Besluit sanering instellingen voor gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011192&artikel=2), - e. **norminkomen**: het maximum van de inkomensbestanddelen, zoals deze zijn opgenomen in de berekening van de maximumtarieven voor de vrije beroepsbeoefenaren, zoals vastgesteld door het College tarieven gezondheidszorg, - f. **praktijkomzet/praktijkontvangsten**: alle ontvangsten, verkregen door het declareren van WTG-tarieven, en onder te verdelen in een praktijkinkom(st)en(s)deel en in een praktijkkostenvergoedingscomponent, - g. **praktijkkostenvergoeding**: dat gedeelte van de gedeclareerde WTG-tarieven dat bestemd is voor dekking van de praktijkkosten, - h. **praktijkinkom(st)en**: de praktijkomzet/praktijkontvangsten minus de praktijkkostenvergoeding, - i. **referentiejaar**: het laatste jaar voorafgaand aan het jaar, waarin tot het voornemen tot sluiting wordt besloten, dan wel het gemiddelde van de hieraan voorafgaande drie jaren, wanneer dit lager is. | A | | t-3 100 | t-2 80 | t-1 60 | t | | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | | gemiddeld | | | | | 80 | | | t-1 | | | | | 60 | | | referen"},{"i":8201,"b":"Selectielijst neerslag handelingen Medisch Ethische Toetsingscommissie AZG en RuG op het beleidsterrein openbare en bijzondere academische ziekenhuizen over de periode 1985–2000 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 augustus 2003, nr. arc-2003.5356/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Medisch Ethische Toetsingscommissievan het Academisch Ziekenhuis Groningen en de Rijksuniversiteit Groningenop het beleidsterrein openbare en bijzondere academische ziekenhuizen over de periode 1985–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst. Bijlage **Toelichting** **Inleiding** Het rapport ‘Een academische zaak, deel III’, een institutioneel onderzoek naar openbare en bijzondere academische ziekenhuizen op de beleidsterreinen wetenschappelijk onderwijs en volksgezondheid vanaf 1985, vormt de grondslag van dit Basisselectiedocument (BSD). Het rapport (PIVOT-nr. 97) beschrijft alle handelingen van de bestuursorganen van de openbare en bijzondere academisch ziekenhuizen op bovengenoemde beleidsterreinen en geeft daarnaast een overzicht van andere actoren die zich op deze beleidsterreinen bewegen. Het Basisselectiedocument (BSD) is de verantwoording van het bewaar- en vernietigingsbeleid van de organisatie. Tevens vormt het voor de academische ziekenhuizen als overheidsorganen het wettelijke voorgeschreven selectieinstrument. Overeenkomstig het bestaande gebruik zal het BSD ook bij de bijzondere academische"},{"i":8207,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 april 2023, nr. 37766481, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende bekostiging voor het bieden van mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding (Tijdelijke regeling aanvullende bekostiging LOB MBO 2023) Gelet op [artikel 2.2.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvullende bekostiging:** aanvullende bekostiging als bedoeld in [artikel 2.2.3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); - **fte:** fulltime-equivalent; - **instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1), voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft; - **LOB:** loopbaanoriëntatie en -begeleiding als bedoeld in [artikel 1.3.5, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.3.5); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **wet:** [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625). Artikel 2. Toepassing [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Deze regeling geldt in aanvulling op de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603). Artikel 3. Doelomschrijving Het doel van deze regeling is het beschikbaar stellen van middelen ten behoeve van het verstevigen van LOB in het middelbaar beroepsonderwijs, met het oog op het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt. Artikel 4. Bekostigingsplafond en wijze van verdeling 1. Voor de verstrekking van aanvullende bekostiging op grond van deze regeling is in de kalenderjaren 2023 tot en met 2027 per kalenderjaar ee"},{"i":8218,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein In- en uitvoerregelingen vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 juli 2006 nr. arc-2006.03029/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein In- en uitvoerregelingen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8221,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid periode 1945–1999 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2005, nr. arc-2004.01772/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid over de periode 1945–1999’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Ministerie van Algemene Zaken Ministerie van Financiën Ministerie van Economische Zaken Ministerie van Buitenlandse Zaken Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid Ministerie van Onderwijs, Cultuur Wetenschap Ministerie van Defensie Ministerie van Verkeer en Waterstaat Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport **Versie juni 2005** Lijst van afkortingen ABD: Algemene Bestuursdienst ACHR: Ambtelijke Commissie Heroverweging (Rijksbegroting) ACT: Ambtelijke Commissie Toezicht ADOR: Adviescommissie Doelmatige Organisatie in de Rijksdienst AR: Algemene Rekenkamer ARAR: Algemeen Rijksambtenarenreglement ARD: Adviescommissie Rijksdienst art.: artikel BiFi-team: Begeleidingsteam Verzelfstandigingen BSD: basis selectiedocument BVD: Binnenlandse Veiligheids Dienst CADA: Contact- en Adviescommissie voor Doelmatige Aanschaffing DG: directoraat-generaal IBP: Begeleidingsteam Privatisering IBZ: Interdepartementale Bege"},{"i":8229,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst handelingen beleidsterrein Coördinatie Integratiebeleid Minderheden over de periode 1978–1999, Volksgezondheid, Welzijn en Sport Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 maart 2003, nr. arc-2002.4705/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Coördinatie Integratiebeleid Minderheden over de periode 1978–1999’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Lijst van afkortingen ACOM: Adviescommissie Onderzoek Minderheden amvb: algemene maatregel van bestuur (ook als AMvB geschreven) art.: artikel BAM: Besluit Adviesorganen Minderhedenbeleid BGT: Begeleidingsgroep taakstellingen BSD: Basisselectiedocument BSEM: Beheerstichting Samenwerkingsverbanden Etnische Minderheden BZK: Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister(ie) van) CAS: Centrale Archief Selectiedienst CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek CDMG: Het Europees Comité ten aanzien van Migratie (Raad van Europa) CEI: (afdeling) Coördinatie Europese en Internationale Zaken (ministerie van BZK) CERD: Commissie voor de uitbanning van Rassendiscriminatie (Commission for the elimination of racial discrimination) CMM: (stafafdeling voor de) Coördinatie (van het beleid voor de) Molukse Minderheid COA: Centraal Orgaan opvang Asielzoekers CRIEM: Criminaliteit In Relatie tot Etnische Minderheden CRM: Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk (minister(ie) van) CVSE: Conventie van Veiligheid en Samenwerking in Europa CZW: Constitutionele Zaken en Wetgeving (ministerie van BZK) DCIM: Directi"},{"i":8232,"b":"Verdrag betreffende het geneeskundig onderzoek van zeelieden De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Seattle en aldaar bijeengekomen op 6 juni 1946 in haar achtentwintigste zitting, Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende het geneeskundig onderzoek van zeelieden, welk onderwerp het vijfde punt van de agenda der zitting vormt, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag, Neemt heden, de 29ste juni 1946, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende het geneeskundig onderzoek van zeelieden, 1946”: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen"},{"i":8238,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 maart 2010 nr. PG/JFB 2990179, houdende vaststelling van de vergoedingen van de leden en externe deskundigen van de Gezondheidsraad (Vergoedingenbesluit leden en externe deskundigen Gezondheidsraad) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter en de twee vice-voorzitters van de Gezondheidsraad ontvangen een vaste vergoeding per maand. 2. De andere leden van de Gezondheidsraad alsmede de deskundigen die op verzoek van de voorzitter van de Gezondheidsraad deelnemen aan de werkzaamheden van de Gezondheidsraad en geen lid van de Gezondheidsraad zijn, kunnen aanspraak maken op een vergoeding per vergadering. Artikel 2 1. De vergoedingen van de voorzitter en twee vice-voorzitters van de Gezondheidsraad zijn gebaseerd op de overeenkomstig het tweede lid, onderscheidenlijk het derde lid, vastgestelde toepasselijke arbeidsduurfactor en op het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 2. De vergoeding van de voorzitter is gebaseerd op een arbeidsduurfactor van 0,6 tot 0,8 fte. In het betrokken benoemingsbesluit wordt de toepasselijke arbeidsduurfactor vastgesteld. 3. De vergoeding van de twee vice-voorzitters is gebaseerd op een arbeidsduurfactor van ieder 0,2 fte tot 0,6 fte. In de betrokken benoemingsbesluiten wordt de toepasselijke arbeidsduurfactor vastgesteld. 4. Het totaal van de arbeidsduurfactoren van de voorzitter en de twee vice-voorzitters bedraagt ten hoogste 1,4 fte. 5. De voorzitter en twee vice-voorzitters van de Gezondheidsraad ontvangen een reiskostenvergoeding overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. Artikel 3 1. De vergoeding per vergadering bedraagt € 275,–. 2. De vergoedin"},{"i":8242,"b":"Wet van 1 december 2011 houdende wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg en enkele andere wetten in verband met de aanvulling met instrumenten voor bekostiging (Wet aanvulling instrumenten bekostiging WMG) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de bekostiging van zorg en een beheerste kostenontwikkeling daarvan wenselijk is de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) aan te vullen met enkele instrumenten en in enkele andere wetten enige daarmee samenhangende wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel II Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel III Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel V Wijzigt de Wet op bijzondere medische verrichtingen. Artikel VI De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VII Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanvulling instrumenten bekostiging WMG. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8263,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 5 juni 2014, nr. WJZ/14045056, houdende wijziging van diverse regelingen in verband met de overname van taken van de bedrijfslichamen Handelende in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en na overleg met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [richtlijn 90/167/EEG](31990L0167) van de Raad van 26 maart 1990 tot vaststelling van de voorwaarden voor de bereiding, het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders met medicinale werking (PbEG 1990, L 092), [richtlijn 92/66/EEG](31992L0066) van de Raad van 14 juli 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle (PbEG 1992, L 260), beschikking 93/152/EEG van de Commissie van 8 februari 1993 houdende vaststelling van de eisen waaraan in het kader van de programma’s inzake routinevaccinatie tegen Newcastle disease te gebruiken vaccins moeten voldoen (PbEG 1993, L 59), [richtlijn 2005/94/EG](32005L0094) van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van [Richtlijn 92/40/EG](31992L0040) (PbEU 2006, L10), besluit 2010/367/EU van de Commissie van 25 juni 2010 betreffende de uitvoering door de lidstaten van surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels (PbEU 2010, L 166), [artikel 17 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=17), de [artikelen 7.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.6) en [9.1, eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=9.1) en de [artikelen 7.6, eerste lid, onderdelen g, h en i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032386&artikel=7.6), [7.8, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032386&artikel=7.8) en [7.9, tweede lid, van het Besluit diergeneesmiddelen](https://wetten"},{"i":8049,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Consumentenbeleid vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 juni 2007, arc-2007.03942/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Consumentenbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Basisselectiedocument Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdragers Minister van Economische Zaken Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Minister van Financiën Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Op het beleidsterrein Consumentenbeleid 1945 – Lijst van afkortingen AAC: Adviescommissie Afbetaling en Colportage AMVB: Algemene maatregel van bestuur ANWB: Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ARA: Algemeen Rijksarchief in Den Haag AROB: Administratieve rechtspraak openbaar bestuur AWB: [Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) BEUC: Bureau Européen des Unions de Consommateurs. BSD: Basisselectiedocument BW: Burgerlijk Wetboek CAB: Commissie van Advies en Bijstand CCA: Commissie Consumentenaangelegenheden van de SER CEN Comité: Européen de Normalisation CENELEC: Comite Européen de Normalisation Electrotechnique COCON: Bestuursadviecommissie voor Consumentenzaken bij het NNI COMAC: Stichting Coördinatiepunt Massamedia Consumentenvoorlichting CRM: [Ministerie van] Cul"},{"i":15522,"b":"Wet van 17 mei 2017 tot wijziging van de Wet luchtvaart en enkele andere wetten (Verzamelwet IenM 2017) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555), de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) en de [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007) wijzigingen, bijstellingen en technische verbeteringen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel II Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel III Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel IV 1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een luchthavenregeling als bedoeld in [artikel 8.64 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.64) waarvoor een aanvraag is ingediend voor dat tijdstip. 2. Een luchthavenregeling die bij verordening van provinciale staten is vastgesteld op grond van [artikel 8.64 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.64) zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt aangemerkt als een luchthavenregeling vastgesteld bij besluit van gedeputeerde staten op grond van artikel 8.64 van de Wet luchtvaart, zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet. 3. Uiterlijk op 31 december 2017 worden alle bestaande veiligheidscertificaten met een looptijd van vijf jaar vervangen door een veiligheidscertificaat voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 8a.4 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.4). Aan de vervanging bedoeld in de eerste volzin zijn geen kosten verbonden. Artikel V De artikelen van dez"},{"i":8394,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 juni 2015, nr. WJZ / 15083658, houdende aanwijzing van de managementautoriteit, de certificeringsautoriteit en de auditautoriteit voor de toepassing van verordening (EU) nr. 508/2014 inzake het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij Gelet op artikel 123 van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1083/2006](32006R1083) van de Raad (PbEU 2013, L 347); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **verordening 1303/2013:** verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1083/2006](32006R1083) van de Raad (PbEU 2013, L 347); - **verordening 508/2014:** verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 2328/2003](32003R2328), [(EG) nr. 861/2006](32006R0861), [(EG) nr. 1198/2006](32006R1198) en [(EG) nr. 791/200"},{"i":6412,"b":"Besluit van 28 december 1994, houdende wijziging van het koninklijk besluit van 25 juni 1993, houdende vaststelling van regelen, bedoeld in de artikelen 106, eerste en tweede lid, en 118, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 436) en van het koninklijk besluit van 29 april 1970, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 160, eerste lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 198), in verband met inhoudingen op het inkomen van een politieke ambtsdrager als zodanig Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 24 oktober 1994, nr. AB94/1667, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Uitkeringen en Pensioenen; Gelet op de artikelen 106 en 160 van de Algemene pensioenwet politieke ambtdragers; De Raad van State gehoord (advies van 25 november 1994, nr. W04.94.0649.); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 19 december 1994, nr. AB94/1949, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Uitkeringen en Pensioenen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Degene die op 1 januari 1995 politieke ambtsdrager is of gewezen politieke ambtsdrager met recht op uitkering ter zake van zijn ontslag dan wel aftreden als zodanig, en op die datum 58 of ouder is, wordt in aanmerking gebracht voor de verlaging, bedoeld in artikel 2, derde lid , van de besluiten, genoemd in de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007187&artikel=I&z=1995-01-27&g=1995-01-27) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007187&artikel=II&z=1995-01-27&g=1995-01-27) van dit besluit, zoals die besluiten zijn gewijzigd bij dit besluit, ongeacht of vorenbedoelde persoon een keuze heeft gemaakt voor die verlaging. Artikel IV Dit besluit treedt in werking me"},{"i":8397,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 12 april 2011, nr. WJZ / 11046112, tot aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie (Besluit aanwijzing toezichthouders Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie) Gelet op [artikel 31 van de Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672&artikel=31); Handelend in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Besluit: Artikel 1 De ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 10 tot en met 17 van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672&artikel=10). Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 maart 2011. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3840,"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging CAK afdeling Buitenland Gezien de in [artikel 15 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=15) van 1 januari 2017 neergelegde toestemming van de voorzitter van het CAK aan de manager van de afdeling Backoffice om voor de aan hem toegekende bevoegdheden ondermandaat te verlenen; Gezien [artikel 20, tweede lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=20) van 1 januari 20171Gepubliceerd in Staatscourant 2016, nr. 71039, 28 december 2016., waarbij aan hem mandaat, volmacht en machtiging is verleend voor het nemen van de in dat artikellid genoemde primaire personeelsbesluiten; Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het Besluit:** het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946) van 1 januari 2017. - b. **manager:** de manager van de afdeling Backoffice voor de buitenlandregelingen. - c. **teammanager:** de teammanagers van de afdeling Backoffice voor de buitenlandregelingen, te weten: mevrouw mr. M. de Vos, de heer P. Oostindie, mevrouw I. van der Laan, de heer W. van Barneveld en de heer E. Moes. - d. **adviseur B:** adviseur B binnen Verzekering Burgers/Planning & Control, te weten: de heer J. de Nijs. - e. **adviesmedewerker A:** adviesmedewerker A van de afdeling Backoffice voor de buitenlandregelingen, te weten mevrouw S. Koning; - f. **adviesmedewerker B:** de adviesmedewerkers B van de afdeling Backoffice voor de buitenlandregelingen, te weten: de heer L. Immerzeel, mevrouw J.J. Boon, mevrouw J.M.M. Koppes, mevrouw M.P.P. Schut-van der Meer. Artikel 2. primaire personeelsbesluiten De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - –. voor het nemen van besluiten ter uitvoering van de rechtspositieregelingen voor medewerkers van de a"},{"i":8408,"b":"Besluit instelling Adviescommissie Internationaal Recht en Conventioneel Wapengebruik Besluit: Artikel 1 Ingesteld wordt de Adviescommissie Internationaal Recht en Conventioneel Wapengebruik, hierna te noemen de Adviescommissie. Artikel 2 De Adviescommissie heeft tot taak de Minister van Defensie op diens verzoek of eigener beweging te adviseren over de verenigbaarheid met het geldende en in ontwikkeling zijnde internationale recht en in het bijzonder het humanitaire oorlogsrecht van: - a. het verwerven, het bezit, en elk gebruik van conventionele wapens en munitiesoorten, inhoudende alle wapens en munitiesoorten anders dan kernwapens en -munitie, - b. strijdmethoden. Artikel 3 1. Tot voorzitter tevens lid van de Adviescommissie wordt benoemd de Commandant der Strijdkrachten. 2. Tot plaatsvervangend voorzitter tevens lid van de Adviescommissie wordt benoemd de Directeur Juridische Zaken. 3. Tot leden worden benoemd de Hoofddirecteur Beleid, de Directeur van de Defensie Materieelorganisatie en de Commandant van de Defensie Gezondheidszorgorganisatie. 4. Aan de Adviescommissie wordt door de Directeur Juridische Zaken een secretaris toegevoegd. Artikel 4 De Adviescommissie is bevoegd adviezen in te winnen bij dan wel studies te doen verrichten door departementale en niet-departementale organisaties en organisatieonderdelen. Artikel 5 De Adviescommissie is bevoegd departementale en niet-departementale deskundigen uit te nodigen om haar te adviseren. Artikel 6 De Adviescommissie stelt haar adviezen aan de Minister vast met eenparigheid van stemmen. Artikel 7 1. Ter ondersteuning van haar werkzaamheden stelt de Adviescommissie een werkgroep in. 2. Als voorzitter tevens lid van de werkgroep wordt aangewezen de secretaris van de Adviescommissie. 3. Als leden van de werkgroep worden aangewezen vertegenwoordigers van: - a. de Hoofddirecteur Beleid; - b. de Directeur Aansturing Operationele Gereedstelling van de Defensiestaf; - c. de Directeur Plannen van de Defensiestaf; - d."},{"i":6439,"b":"Wijziging Besluit mandaat Registratie Niet-Ingezetenen Gelet op [artikel 10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien het RNI Convenant Dienstverlening en de daarin overeengekomen werkzaamheden genoemd in artikel 2; Besluit Artikel I Wijzigt het Besluit mandaat Registratie Niet-Ingezetenen. Artikel II Besluiten die ter uitvoering van het convenant door het college van burgemeester en wethouders van Westland genomen zijn in de periode van 1 januari 2016 tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, worden aangemerkt als te zijn genomen namens de Minister. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6390,"b":"Besluit van 16 juli 2014, houdende wijziging van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in verband met de rapportageverplichting over het drempelbedrag bij het verplicht schatkistbankieren en een verduidelijking van de informatieverplichting over verbonden partijen Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 juni 2014, nummer 2014-0000314706; Gelet op [artikel 190, eerste en tweede lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=190) en [artikel 186, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=186); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 juli 2014, nr. W04.14.0202/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 juli 2014, 2014-0000358370; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Artikel II Op de inrichting van de jaarrekening, het jaarverslag en de productenrealisatie van provincies, gemeenten en andere openbare lichamen of gemeenschappelijke organen als bedoeld in [artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8) met betrekking tot het jaar 2013 is het [Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014606) van toepassing zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":13202,"b":"Deelregeling Kunstenaar Basis Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het stimuleren van de ontwikkeling van het oeuvre, het cultureel ondernemerschap en de zichtbaarheid van beeldend kunstenaars, zodat werk ontstaat dat een betekenisvolle en zichtbare bijdrage levert aan de hedendaagse beeldende kunst in Nederland. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een Basisbeurs kan worden verstrekt aan beeldend kunstenaars, die ten minste vier jaar professioneel als beeldend kunstenaar werkzaam zijn. Indien de aanvrager een hbo-opleiding aan een opleidingsinstituut voor beeldende kunsten heeft gevolgd, kan eerst vier jaar na het verlaten van die opleiding een Basisbeurs worden verstrekt. 2. Een Basis wordt aan dezelfde kunstenaar ten hoogste eenmaal in de vier jaar toegekend. 3. Een Basisbeurs kan slechts worden toegekend voor zover het belastbaar inkomen van de aanvrager, exclusief een verstrekking op basis van een eerder toegekende bijdrage van het fonds in de twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de bijdrage is aangevraagd, gelijk of lager is dan een door het bestuur voor het betreffende jaar vast te stellen bedrag. 4. Het in het derde lid van dit artikel bepaalde wordt getoetst aan de hand van de aangiftebiljetten inkomstenbelasting van de twee voorafgaande kalenderjaren. 5. Indien het inkomen in de twee voorafgaande kalenderjaren hoger is dan het in het derde lid bedoelde bedrag, zal de aanvraag niet in behandeling worden genomen tenzij sprake is van tevoren voorziene tijdelijke omstandigheden. 6. Indien het inkomen van de aanvrager in de twee kalenderjaren voorafgaand aan zijn aanvraag door van tevoren voorziene omstandigheden hoger is dan het in het derde lid van dit artikel bepaalde, of indien de aanvrager in de twee kalenderjaren voorafgaand aan zijn aanvraag geen aangifte inkomstenbelasting in Nederland heeft gedaan, dient het inkomen van de aan"},{"i":8612,"b":"Wet van 9 oktober 2013 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat (PbEU 2011, L 326) (Implementatiewet richtlijn financiële conglomeraten I) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van [richtlijn 2011/89](32011L0089)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de [Richtlijnen 98/78/EG](31998L0078), [2002/87/EG](32002L0087), [2006/48/EG](32006L0048) en [2009/138/EG](32009L0138) betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat (PbEU 2011, L 326) noodzakelijk is de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) met die richtlijn in overeenstemming te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel III Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel IV Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel V Wijzigt deze wet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI Wijzigt deze wet. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VIII Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet richtlijn financiële conglomeraten I. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aang"},{"i":1916,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 28 januari 2014, nr. WJZ/14007819, tot wijziging van de Postregeling 2009 ter herziening van de tariefregulering en verbetering van het inzicht in de kosten van de universele postdienstverlening Gelet op [artikelen 22, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=22), [23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=23), [25, eerste, tweede, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=25), en [27 van de Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=27); Besluit: Artikel I Wijzigt de Postregeling 2009. Artikel II Bij de toetsing of tariefwijzigingen voor 2014 voldoen aan [artikel 25, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=25) gaat de Autoriteit Consument en Markt uit van de [Postregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025578) zoals die luidde voor inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III 1. In de periode met ingang van 1 oktober 2014 tot en met de dag waarop de totale tariefruimte, bedoeld in [artikel 14 van de Postregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025578&artikel=14), voor 2015 is bepaald, bestaat de tariefruimte van de universele postdienst voor 2015 in afwijking van de [artikelen 14 tot en met 15 van de Postregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025578&artikel=14), uit het totaal van de vermenigvuldiging van: - a. de tariefruimte die volgt uit de [artikelen 17 tot en met 17b van de Postregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025578&artikel=17) zoals die luidde voor inwerkingtreding van deze regeling, met - b. de aanvullende tariefruimte die wordt berekend overeenkomstig onderdeel B van [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025578&bijlage=3), met dien verstande dat de Autoriteit Consument en Markt de factor k en de rendementscorrectie berekent aan de hand van de gegevens"},{"i":8764,"b":"Overeenkomst betreffende de uitwisseling van stagiaires tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Oostenrijk, strevende naar een nauwere samenwerking op sociaal gebied en uitgaande van de overweging, dat het van belang is, de uitwisseling van stagiaires tussen hun landen te bevorderen ter verkrijging van een grotere kennis van de taal en van een verdere vakopleiding, hebben omtrent de volgende bepalingen overeenstemming bereikt: Artikel 1 (1). Deze overeenkomst is van toepassing op stagiaires. (2). Als stagiaires in de zin van het eerste lid gelden die onderdanen van de overeenkomstsluitende staten, die zich naar het gebied van de andere overeenkomstsluitende staat begeven, om daar, door te werken in een bedrijf, hun vak- en talenkennis te vervolmaken. (3). De stagiaires moeten in de regel de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en niet ouder zijn dan 30 jaar. Artikel 2 (1). De stagiaires hebben het recht, een arbeidsovereenkomst aan te gaan onder de in de volgende artikelen neergelegde voorwaarden, echter onder voorbehoud van de wettelijke of administratieve bepalingen, welke de tewerkstelling van buitenlanders in bepaalde beroepen regelen. (2). De toelating van stagiaires geschiedt in het algemeen zonder dat rekening wordt gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt in het betreffende beroep; de hoogste administratieve autoriteiten van de overeenkomstsluitende staten kunnen echter overeenkomen, dat bepaalde beroepen en gebieden van de toepassing van de overeenkomst worden uitgezonderd. (3). Voor zover voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers een officiële vergunning vereist is, verplichten de overeenkomstsluitende staten zich, deze voor stagiaires in de zin van deze overeenkomst te verlenen. Artikel 3 (1). Het aantal stagiaires, dat in elk van de overeenkomstsluitende staten kan worden toegelaten, mag per kalenderjaar niet meer dan 100 (één honderd) bedr"},{"i":13579,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 april 2023, nr. WJZ/ 26784467, tot instelling van het monitoringcomité JTF 2021–2027 (Instellingsbesluit monitoringcomité JTF 2021–2027) Gelet op de artikelen 38 tot en met 40 van de [Verordening (EU) 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **monitoringcomité JTF 2021–2027:** monitoringcomité als bedoeld in artikel 38 van de GB-verordening; - **Ministers:** Minister van Economische Zaken en Klimaat en Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - **GB-verordening:** [verordening (EU) 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231); - **JTF-verordening:** [verordening (EU) 2021/1056](32956R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (PbEU 2021, L 231); - **Programma JTF-2021–2027:** progr"},{"i":13578,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 12 december 2022, nummer 4357330, tot instelling van een Monitoringcomité AMIF, ISF en BMVI (Instellingsbesluit Monitoringcomité AMIF, ISF en BMVI) Gelet op de artikelen 38, 39 en 40 van [Verordening (EU) 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot vaststelling van de gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU L 231/159); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de auditautoriteit:** de Auditdienst Rijk van het Ministerie van Financiën; - b. **de beheerautoriteit:** de directeur Regie Migratieketen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; - c. **de intermediaire instantie:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - d. **de Verordening:** [Verordening (EU) 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU L 231/159); - e. **het comité:** het comité, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047664&artikel=2&z=2022-12-22&g=2022-12-22). Artikel 2. Instelling Er is een Monitoringcomité AMIF, ISF en BMVI. Art"},{"i":13580,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 13 juli 2022, nr. 4094455, houdende instelling van de monitoringscommissie voor de Landelijke Eenheid (Instellingsbesluit monitoringscommissie voor de Landelijke Eenheid) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); BESLUIT: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047219&artikel=2&z=2024-06-20&g=2024-06-20); - c. **Landelijke Eenheid:** de Landelijke eenheid van de politie. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een monitoringscommissie voor de Landelijke Eenheid. 2. De commissie heeft tot taak het actief monitoren van de transitie van de huidige Landelijke eenheid en het rapporteren hierover aan de Minister van Justitie en Veiligheid. De transitie vindt plaats volgens een transitieplan dat door de korpschef wordt opgesteld. De opdracht van de commissie bevat: - a. Adviseren over de kwaliteit en de haalbaarheid van het transitieplan en de daarin opgenomen tijdlijnen; - b. Monitoren van de uitvoering van het transitieplan en het elke vier maanden hierover rapporteren aan de Minister van Justitie en Veiligheid. De commissie rapporteert tussentijds aan de Minister van Justitie en Veiligheid wanneer zij dit nodig acht. 3. De commissie onderhoudt actief contact met de werkvloer zodat zicht wordt gehouden op de op de werkvloer zichtbare voortgang en het beeld dat de werkvloer heeft over de transitie. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en drie andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere le"},{"i":13616,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juli 2009, nr. OWB/FO/130825, houdende de herziening van het Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 19 april 1994, nr. OWB/FO-93070908, aangaande de instelling van het Rathenau Instituut (Instellingbesluit Rathenau Instituut) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **Instituut:** het instituut, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026157&artikel=2&z=2009-07-24&g=2009-07-24) van dit besluit; - c. **KNAW:** de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, gevestigd te Amsterdam; - d. **WRR:** de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, gevestigd te Den Haag; - e. **WHW:** de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682). Artikel 2. Instelling 1. Er is een Nederlands instituut voor ‘Technology Assessment’ en ‘Science System Assessment’, genaamd Rathenau Instituut. 2. Het instituut is gevestigd te Den Haag. Artikel 3. Taken 1. Het instituut heeft als taak bij te dragen aan het maatschappelijke debat en de politieke oordeelsvorming over vraagstukken die samenhangen met of het gevolg zijn van wetenschappelijke en of technologische ontwikkelingen waaronder de ethische, de maatschappelijke, de culturele en de wettelijke aspecten daarvan. Het instituut levert in het bijzonder bijdragen aan de politieke oordeelsvorming in de beide Kamers van de Staten-Generaal en in het Europese parlement. 2. Het instituut heeft voorts tot taak het inzicht te vergroten in de werking van het wetenschapssysteem en daarbij de beschikbare gegevens te integreren en toegankelijk te maken en om ontbrekende data te verzamelen. Het instituut heeft hierbij tot taak hierover gevraagd en ongevraagd informatie te verschaffen aan het kabinet, de beide Kamers van de Staten-Generaal en betrokken partijen in de wetensch"},{"i":13617,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 mei 2026, nr. 2026-0000013092 tot instelling van de regeringscommissaris hersteloperatie Groningen en Noord-Drenthe (Instellingsbesluit regeringscommissaris hersteloperatie Groningen en Noord-Drenthe) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1. (Begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **Nij begun:** de kabinetsreactie van 25 april 2023 op het rapport ‘Groningers boven Gas’ van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen (Kamerstukken II 2022/23, 35 561, nr. 17); - **regeringscommissaris:** regeringscommissaris Hersteloperatie Groningen en Noord-Drenthe, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052651&artikel=2&z=2026-05-29&g=2026-05-29). Artikel 2. (Instelling) 1. Er is een regeringscommissaris Hersteloperatie Groningen en Noord-Drenthe. 2. De regeringscommissaris is onder verantwoordelijkheid van de minister belast met de advisering over het verloop van de schadeafhandeling en de afronding van de versterkingsoperatie en het aanjagen van de uitvoering van de maatregelen zoals opgenomen in Nij begun. 3. De regeringscommissaris wordt ingesteld voor de duur van vijf jaar. De minister kan de instellingsduur eenmalig met vijf jaren verlengen. 4. De regeringscommissaris ressorteert rechtstreeks onder de secretaris-generaal. Artikel 3. (Taken en bevoegdheden) 1. De regeringscommissaris heeft de volgende taken: - a. het creëren van bestuurlijke rust en stabiliteit voor bewoners en uitvoeringsorganisaties in Groningen en Noord-Drenthe; - b. het verbinden en aanjagen van bij de uitvoering van Nij begun betrokken uitvoeringsorganisaties, overheden, maatschappelijke partijen en bewonersorganisaties, kennisinstellingen, bedrijven, alsmede de verantwoordelijke bewindspersonen van het kabinet; - c. het adviseren van de minister over het"},{"i":14034,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 oktober 2025, kenmerk 4251840-1090383-WJZ, houdende aanpassing van de factoren, grondslagen en bedragen in de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen per 1 januari 2026 [KetenID WGK028415] Gelet op de [artikelen 31a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31a), [28a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28a), [35, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=35), [18, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=18) en [25, tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=25); Besluit: Artikel 1 De pensioenbedragen, bedoeld in [artikel 31b, eerste lid, onder a, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31b) en in [artikel 28b, eerste lid, onder a, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28b), zoals zij golden op 1 juli 2025, worden met ingang van 1 januari 2026 verhoogd met 2,16%. Artikel 2 De factoren waarmee het peil der buitengewone pensioenen ingevolge de [Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) en de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035) wordt aangepast, worden met ingang van 1 januari 2026 vastgesteld als volgt: | A | | B | | | --- | --- | --- | --- | | pensioengrondslagen 1947 per jaar in euro | pensioengrondslagen 1947 per jaar in euro | welvaartstoeslag vanaf 1 januari 2026 | welvaartstoeslag vanaf 1 januari 2026 | | **van** |"},{"i":18542,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 3 september 2015, nr. 2015-0000044093, houdende regels voor de subsidiëring van de Stichting Parlementaire Geschiedenis (Subsidieregeling Parlementaire Geschiedenis 2015) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdeel f, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=20) en [24, vijfde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=24); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **Stichting:** de Stichting Parlementaire Geschiedenis. Artikel 2 1. De minister kan aan de Stichting subsidie verstrekken voor het doen van onderzoek en het verzorgen van publicaties in het kader van de parlementaire geschiedenis van Nederland alsmede voor uiteenlopende valoriserende activiteiten die voortvloeien uit het onderzoek, zoals spreken op nationale en internationale congressen en het schrijven van artikelen. 2. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 3 De subsidie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037035&artikel=2&z=2015-10-01&g=2015-10-01), bedraagt ten hoogste het bedrag dat uit de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties blijkt. Artikel 4 1. De Stichting dient de aanvraag tot subsidieverlening uiterlijk in op 31 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft. 2. Ook indien de subsidie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037035&artikel=2&z=2015-10-01&g=2015-10-01), hoger is dan € 125.000, zijn de bepalingen van"},{"i":9107,"b":"Protocol ingevolge artikel 3, lid 2, van het Raamverdrag inzake Vriendschap en nauwere Samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname van 18 juni 1992 GEDAAN te 's-Gravenhage op 18 juni 1992 in twee exemplaren, in de Nederlandse taal. **De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van Nederland,** (w.g.) J. PRONK **De Minister van Planning en Ontwikkelingssamenwerking van de Republiek Suriname,** (w.g.) E. J. SEDOC"},{"i":9134,"b":"Protocol opgesteld op basis van Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en Artikel 41, lid 3, van de Europol-Overeenkomst, betreffende de voorrechten en immuniteiten van Europol, de leden van zijn organen, zijn adjunct-directeuren en zijn personeelsleden De Hoge Overeenkomstsluitende Partijen bij dit protocol, lidstaten van de Europese Unie, Verwijzende naar de Akte van de Raad van 19/6/97, Overwegende dat Europol, de leden van zijn organen, zijn adjunct-directeuren en zijn personeelsleden overeenkomstig [artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001323), de voor de uitvoering van hun opdracht noodzakelijke voorrechten en immuniteiten genieten krachtens een protocol dat de regelingen bevat die in alle lidstaten van kracht zijn, Hebben overeenstemming bereikt omtrent het volgende: Artikel 1. Definities Vervallen Artikel 2. Immuniteit van rechtsvervolging en vrijstelling van huiszoeking, beslaglegging, vordering, verbeurdverklaring en iedere andere vorm van interventie Vervallen Artikel 3. Onschendbaarheid van archieven Vervallen Artikel 4. Vrijstelling van belastingen en rechten Vervallen Artikel 5. Vrijheid van beperkingen ten aanzien van financiële bezittingen Vervallen Artikel 6. Faciliteiten en immuniteiten met betrekking tot berichtenverkeer Vervallen Artikel 7. Binnenkomst, verblijf en vertrek Vervallen Artikel 8. Voorrechten en immuniteiten van de leden van de organen van Europol en de personeelsleden van Europol Vervallen Artikel 9. Uitzonderingen op immuniteiten Vervallen Artikel 10. Belastingen Vervallen Artikel 11. Bescherming van personeel Vervallen Artikel 12. Opheffing van immuniteiten Vervallen Artikel 13. Regeling van geschillen Vervallen Artikel 14. Voorbehouden Vervallen Artikel 15. Inwerkingtreding Vervallen Artikel 16. Toetreding Vervallen Artikel 17. Eval"},{"i":19401,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666235 op grond van artikel 3.121 van de Energiewet, en artikel 12f van de Gaswet juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet over aansluitingen en transport van gas door de DSB (Aansluit- en transportcode gas DSB) De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f) en [artikel 3.121 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); Besluit: 1. Algemene bepalingen 2. Voorwaarden voor de aansluiting 3. Voorwaarden met betrekking tot de transportdienst 4. Kwaliteit van dienstverlening 5. Bijzondere bepalingen 6. Slotbepalingen Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9154,"b":"Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 De Partijen bij dit Protocol, Partij zijnde bij het op 1 november 1974 te Londen gesloten [Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee, 1974](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264), Zich bewust van de belangrijke bijdrage die dat [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264) kan leveren tot het bevorderen van de beveiliging van schepen en ladingen op zee en van het leven van de personen aan boord, Zich tevens bewust van de noodzaak de beveiliging van schepen, met name van tankschepen, verder te verbeteren, Overwegende dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Protocol bij het [Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee, 1974](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264), Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Algemene verplichtingen De Partijen bij dit Protocol verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Protocol, en van de Bijlage daarbij, die een integrerend deel vormt van dit Protocol. Elke verwijzing naar dit Protocol houdt terzelfder tijd een verwijzing in naar de Bijlage daarbij. Artikel II. Toepassing 1. De bepalingen van de [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264&artikel=II), [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264&artikel=III) behalve letter (a), [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264&artikel=IV), [VI letters (b), (c) en (d)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264&artikel=VI), [VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264&artikel=VII) en [VIII van bet Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee, 1974](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264&artikel=VIII) (hierna te noemen „het Verdrag” zijn opgenomen in dit Protocol, met dien verstande dat de verwijzingen in deze artikelen naar het [verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264) en naar"},{"i":9161,"b":"Protocol van 2002 bij het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, 1974 De staten die partij zijn bij dit Protocol, Overwegend dat het wenselijk is het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, gedaan te Athene op 13 december 1974, te herzien, teneinde te kunnen voorzien in een betere schadeloosstelling, risicoaansprakelijkheid in te voeren, een vereenvoudigde procedure vast te stellen voor de actualisering van de aansprakelijkheidsbedragen, en ten behoeve van de passagiers in een verplichte verzekering te voorzien, Eraan herinnerend dat in het Protocol van 1976 bij het Verdrag het Bijzondere Trekkingsrecht als rekeneenheid wordt geïntroduceerd ter vervanging van de goudfrank, Gelet op het feit dat het Protocol van 1990 bij het Verdrag, dat voorziet in een betere schadeloosstelling en een vereenvoudigde procedure voor de actualisering van de aansprakelijkheidsbedragen, niet in werking is getreden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder: - 1. „Verdrag”, de tekst van het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, 1974. - 2. „Organisatie”, de Internationale Maritieme Organisatie. - 3. „Secretaris-Generaal”, de Secretaris-Generaal van de Organisatie. Artikel 2 Wijzigt het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, 1974; Athene, 13 december 1974. Artikel 3 Wijzigt het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, 1974; Athene, 13 december 1974. Artikel 4 Wijzigt het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, 1974; Athene, 13 december 1974. Artikel 5 Wijzigt het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, 1974; Athene, 13 december 1974. Article 6 Wijzigt het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, 1974; Athene, 13 december 1974. Artikel 7 Wij"},{"i":9162,"b":"Protocol van 2003 bij het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992 De Verdragsluitende Staten die partij zijn bij dit Protocol, Indachtig het [Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004147) (hierna „het Aansprakelijkheidsverdrag, 1992”), Bestudeerd hebbend het [Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004146) (hierna „het Fondsverdrag, 1992”), Het belang bevestigend van de handhaving van de levensvatbaarheid van het internationale stelsel van aansprakelijkheid voor verontreiniging door olie en van vergoeding van schade, Vaststellend dat het door het [Fondsverdrag, 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004146), toegekende maximumbedrag aan vergoeding onder bepaalde omstandigheden in een aantal Verdragsluitende Staten die partij zijn bij dat verdrag, niet toereikend zou kunnen zijn voor de vergoeding van de schade, Erkennend dat een aantal Verdragsluitende Staten bij het [Aansprakelijkheidsverdrag, 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004147), en het [Fondsverdrag, 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004146), het noodzakelijk achten de hoogste prioriteit te geven aan het beschikbaar stellen van bijkomende gelden voor schadevergoeding door de instelling van een aanvullend stelsel waartoe Staten kunnen toetreden indien zij dit wensen, Ervan overtuigd dat het aanvullend stelsel erop gericht moet zijn te waarborgen dat personen die schade hebben geleden door verontreiniging door olie volledig schadeloos worden gesteld voor hun verliezen of schade, en tevens voor verlichting moet zorgen van de problemen waarmee slachtoffers worden geconfronteerd in gevallen waarin het bedrag dat uit hoofde va"},{"i":9163,"b":"Protocol van 2010 bij het Internationaal Verdrag inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in verband met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen, 1996 De Staten die Partij zijn bij dit Protocol, Erkennend de belangrijke bijdrage die door het [Internationaal Verdrag inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in verband met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen, 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004849) (hierna te noemen “het Verdrag”) kan worden geleverd aan de passende, onverwijlde en doeltreffende vergoeding aan personen die schade lijden ten gevolge van voorvallen in verband met het vervoer over zee van schadelijke en gevaarlijke stoffen alsmede aan het behoud van het mariene milieu, Voorts erkennend dat een groot aantal Staten reeds jarenlang te kennen heeft gegeven vastbesloten te zijn een gedegen en doeltreffende regeling vast te stellen voor schadevergoeding voor het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen op basis van gedeelde aansprakelijkheid en zich heeft ingezet voor de uniforme uitvoering van het Verdrag, Evenwel onderkennend dat vastgesteld is dat bepaalde kwesties de inwerkingtreding van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004849) en daarmee die van de daarin vervatte internationale regeling belemmeren, Vastbesloten deze kwesties op te lossen zonder allesomvattende herziening van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004849), Zich bewust van de noodzaak rekening te houden met de mogelijke gevolgen voor ontwikkelingslanden alsmede met de belangen van de Staten die het Verdrag reeds hebben bekrachtigd of het bekrachtigingsproces bijna hebben afgerond, In herinnering roepend de beginselen vervat in IMO-resolutie A.998(25) „Need for capacity-building for the development and implementation of new, and amendments to existing, instruments”, aangenomen op 29 november 2007, Overwegend dat deze doelstellingen het best kunnen worden verweze"},{"i":17845,"b":"Wet van 2 december 2020, houdende wijziging van de Algemene Ouderdomswet en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met de verandering van de koppeling van de AOW- en pensioenrichtleeftijd aan de stijging van de levensverwachting (Wet verandering koppeling AOW-leeftijd) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de koppeling van de leeftijd waarop op grond van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) recht op ouderdomspensioen ontstaat en de pensioenrichtleeftijd, bedoeld in de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471), aan de stijging van de levensverwachting te veranderen teneinde de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat en de pensioenrichtleeftijd jaarlijks minder te doen laten stijgen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Algemene ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene ouderdomswet. Artikel II. Wijziging van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel IV. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet verandering koppeling AOW-leeftijd. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9177,"b":"Raamovereenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Federatieve Republiek van Brazilië inzake technische samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Federatieve Republiek van Brazilië, Verlangende de vriendschappelijke betrekkingen tussen de twee landen te verstevigen, Overwegende dat het in het belang van beide Partijen is de technologische vooruitgang en de sociale en economische ontwikkeling in hun onderscheiden landen te bevorderen en aan te moedigen, Zich bewust van de wederzijdse voordelen die zullen voortvloeien uit een nauwere en meer gecoördineerde technische samenwerking ter verwezenlijking van de bovenbedoelde doelstellingen, Besloten hebbende, in een geest van vriendschappelijke samenwerking, een raamovereenkomst inzake technische samenwerking te sluiten, hebben hun daartoe behoorlijk gemachtigde Gevolmachtigden aangewezen, die zijn overeengekomen als volgt: Artikel I 1. De Regeringen zullen trachten elkaar bijstand te verlenen en samen te werken, met inachtneming van hun onderscheiden technische en financiële mogelijkheden en voor zover het hun ter beschikking staande personeel zulks toelaat. 2. De technische samenwerking zal bestaan uit de overdracht, in de ruimste zin, van kennis en ervaring, die vergezeld kan gaan van materiële steun. 3. Samenwerking en bijstand op grond van deze Overeenkomst zullen zijn gebaseerd op gezamenlijke deelneming in van belang zijnde aangelegenheden op het gebied van de technische bijstand, met het doel de economische ontwikkeling en het maatschappelijk welzijn van de beide volken te bespoedigen en te verzekeren. 4. Tot daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in het vorige lid zal slechts kunnen worden overgegaan nadat hierom uitdrukkelijk is verzocht door de Regering die van geboden mogelijkheden van samenwerking met de andere Regering gebruik wenst te maken en niet eerder dan nadat over de voor deze samenwerking vereiste zakelijke voorwaarden"},{"i":6356,"b":"Wijziging normbedragen exploitatiebijdragen standplaatsen en wijzigingen subisdieafbraakpercentage woonwagens en standplaatsen Aan: **- De budgethoudende bestuursorganen in het kader van het Besluit woninggebonden subsidies 1995** **- De Colleges van Burgemeester en Wethouders** Geacht bestuur/college, 1. Herziening normbedragen standplaatsen Jaarlijks worden de subsidiebijdragen in de constante en variabele exploitatiekosten van standplaatsen op voet van de Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens 1992 aangepast aan opgetreden prijswijzigingen. In artikel 1 van bijgaande regeling zijn de bedragen voor 2000 vastgelegd. De regeling is van belang voor die gemeenten die geen gebruik hebben gemaakt van de [Regeling afkoop geldelijke steun woonwagens en standplaatsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010113) (brutering). 2. Wijziging subsidieafbraakpercentage Voor de periode van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 wordt bij de berekening van de jaarlijkse bijdragen voor huurwoonwagens en standplaatsen uitgegaan van een subsidieafbraakpercentage van 3,8, zoals u reeds is aangekondigd in MG 2000-03 van 18 februari 2000. In artikel 2 van bijgaande regeling is dit vastgelegd. 3. Inlichtingen Voor nadere informatie naar aanleiding van deze circulaire kunt u zich wenden tot de afdeling Uitvoering van de Directie IBS van het DGVH te Den Haag. Telefoonnummer 070-3392207. Bijlage [Regeling tot wijziging van de normbedragen voor exploitatiebijdragen van standplaatsen en ter continuering van de toepassing van het subsidieafbraakpercentage voor woonwagens en standplaatsen zoals dit geldt voor 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011412)."},{"i":6358,"b":"Wijziging opleidingseisen classificeerders kinderpornografie Op grond van de [Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029026) (2010A026) en de [Aanwijzing kinderpornografie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029009) (2010A025) geldt voor kinderporno-onderzoeken onder andere de eis dat het onderzoek moet plaatsvinden door ten minste één opsporingsambtenaar die de complete zedenopleiding van de Politieacademie heeft gevolgd. Deze eis vervalt. Per 1 februari 2014 zijn náást de op dit moment bevoegde zedenrechercheurs ook opsporingsambtenaren die de door de Politieacademie ontwikkelde basisopleiding ‘opsporen in kinderporno en kindersekstoerisme’ en module ‘classificeren kinderporno’ gevolgd hebben, bevoegd om kinderpornozaken te beoordelen en classificeren. Opsporingsambtenaren die de complete zedenopleiding gevolgd hebben, blijven dus bevoegd."},{"i":6352,"b":"Wijziging Besluit inkomenstoeslag rijkspersoneel In [onderdeel F van mijn circulaire van 18 december 1996](onbekend), AD95/U1312, werd een wijziging aangekondigd van het [Besluit inkomenstoeslag rijkspersoneel (artikel 2, tweede lid)](onbekend) per 1 april 1996. Hierdoor deel ik u mede dat deze wijziging tot stand is gekomen bij [koninklijk besluit van 14 maart 1996](onbekend), Stb. 178. De hiermee verbandhoudende ministeriële regeling doe ik u hierbij toekomen. Bijlage De Minister van Binnenlandse Zaken, Gelet op [artikel 3 van het Besluit inkomenstoeslag rijkspersoneel](onbekend); Besluit: Artikel 1 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 1996."},{"i":9264,"b":"Tarievenbesluit 2016 Raad voor Accreditatie Het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie (RvA) heeft, gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor haar dienstverlening, op 9 december 2015 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. Besluit: Vast te stellen het Tarievenbesluit 2016 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor haar dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks tarief wordt in januari van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken en initiële onderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek door middel van voorschotfacturen, op basis van de ingeschatte tijdbesteding gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Indien na de uitvoering van het onderzoek blijkt dat de tijdinschatting niet juist is geweest, vindt nafacturering dan wel creditering plaats. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 1. De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. 2. In afwijking van het eerste lid, kan de RvA ten aanzien van instellingen, die niet in Nederland zijn gevestigd, de betalingstermijn van de facturen bedoeld onder [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037419&artikel=3&z=2016-01-01&g=2016-01-01), verkorten. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over d"},{"i":7553,"b":"Besluit van de directeur-generaal DUO van 21 april 2022, nr. HD.022.054, tot het stellen van nadere eisen bij het schriftelijk indienen van verzoeken en gebruik van de elektronische weg bij verzoeken op grond van Wet open overheid Gelet op [artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:15); Besluit: Artikel 1 Een schriftelijk verzoek om informatie als bedoeld in de [artikelen 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=4.1), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=5.5), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=5.6) en [5.7 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=5.7), kan per post of per e-mail worden ingediend. Artikel 2 Bij indiening per post kunnen verzoeken uitsluitend worden toegezonden aan het hierna genoemde postadres, te weten: Dienst Uitvoering Onderwijs T.a.v. de Woo-functionaris N 803 Postbus 30155 9700 LG Groningen Artikel 3 Bij indienen langs elektronische weg kunnen verzoeken uitsluitend worden gezonden aan het hierna genoemde e-mailadres, te weten: woo-verzoeken@duo.nl Artikel 4 1. Ten einde een vlotte behandeling van verzoeken zoals bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046608&artikel=1&z=2022-05-01&g=2022-05-01), te bespoedigen is een Woo-formulier vastgesteld, dat is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling. 2. Dit formulier is elektronisch beschikbaar via [www.duo.nl](onbekend) en wordt op verzoek per post toegezonden. 3. Het gebruik van het Woo-formulier is niet verplicht. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2022. Bijlage. Besluit DUO Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5233,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 13 februari 2019, nr. WJZ / 18319237, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het voorjaar van 2019 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2019) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3, eerste lid, onderdelen a en c, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel c, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [27, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [43a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=43a), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.n"},{"i":6317,"b":"Wet van 6 juli 1983, tot instelling gemeenten Almere en Zeewolde Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het gebied van het openbaar lichaam \"Zuidelijke IJsselmeerpolders\" een tweetal nieuwe gemeenten in te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepaling Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken; - b. **het openbaar lichaam:** het openbaar lichaam \"Zuidelijke IJsselmeerpolders\"; - c. **de Landdrost:** de Landdrost van het openbaar lichaam \"Zuidelijke IJsselmeerpolders\"; - d. **overgaand** dan wel **toegevoegd gebied:** gebied dat krachtens deze wet deel gaat uitmaken onderscheidenlijk is gaan uitmaken van een andere gemeente, daaronder begrepen de bij deze wet in te stellen gemeenten Almere en Zeewolde. Hoofdstuk II. Instelling van de gemeenten Almere en Zeewolde Artikel 2 1. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet is er een gemeente, genaamd Almere, bestaande uit delen van het gebied van het openbaar lichaam en van de gemeente Muiden, een en ander met dien verstande dat de grens van de nieuwe gemeente Almere komt te lopen als volgt: - a. Grens met de gemeente Lelystad Beginnende in het punt met de coördinaten in het (verschoven) stelsel van de Rijksdriehoeksmeting x = 145962.67; y = 494586.93, loopt de grens via de punten met de coördinaten tot het punt met de coördinaten x = 152395.21; y = 490378.91. Vandaar loopt de grens naar het punt met de coördinaten x = 152434.94; y 490404.22 en ten slotte naar het punt met de coördinaten x 152520.52; y = 490264.06. | x = 146287.70; | y = 494125.34 | x = 150646.67; | y = 491287.50 | | --- | --- | --- | --- | | x = 146575.64; | y = 493716.57 | x = 150870.26; | y = 491175.68 | | x = 146736.57; | y = 493"},{"i":6162,"b":"Besluit van 3 mei 2024, houdende regels inzake de toegankelijkheid van producten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019, L 151) (Warenwetbesluit toegankelijkheidsvoorschriften 2024) Op de voordracht van Onze Minister voor Langdurige Zorg van 3 juli 2023, kenmerk 3613514-1049681-WJZ; Gelet op [Richtlijn (EU) 2019/882](32019L0882) van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (Pb EU L151/70) en [artikel 35 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=35); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 maart 2024, no. W13.23.00157/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 april 2024, kenmerk 3799092-1049681-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Implementatiewet toegankelijkheidsvoorschriften producten en diensten in werking treedt. Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **betaalterminal:** apparaat met als voornaamste functie het verrichten van betalingen met gebruik van betaalinstrumenten als omschreven in artikel 4, punt 14, van [Richtlijn (EU) 2015/2366](32015L2366) op een fysiek verkooppunt, doch niet in een virtuele omgeving; - **consument:** natuurlijke persoon die de desbetreffende producten koopt voor andere doeleinden dan zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit; - **computerapparatuur voor consumenten:** de combinatie van apparatuur waaruit een volledige computer bestaat, gekenmerkt door multifunctionaliteit en het vermogen om met de juiste software de meest voorkomende, door consumenten gevraagde computertaken uit te voeren, en bedoeld voor gebruik door consumenten, met inbegrip van personal compute"},{"i":6118,"b":"WAO-conforme regeling Circulaire aan de ministers Inleiding In deze circulaire verschaf ik informatie over de invoering van de zgn. WAO-conforme regeling per 1 januari 1996. De invoering van deze regeling vindt plaats in het kader van de beslissing van het kabinet om de sociale werknemersverzekeringen ([ZW](onbekend), [WW](onbekend) en [WAO](onbekend)) ook te doen gelden voor de ambtenaren. In deze circulaire wordt ingegaan op de meest relevante wijzigingen in de rechtspositie en de gevolgen daarvan voor enerzijds de werknemer en anderzijds de werkgever. Algemeen In het kader van de normalisering van de arbeidsverhoudingen van het overheidspersoneel, heeft het kabinet in 1993 besloten het overheidspersoneel onder de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen te brengen (OOW-project). Het beoogde tijdstip waarop het OOW-project haar beslag zou krijgen, was aanvankelijk 1 januari 1996. Om hoofdzakelijk uitvoeringstechnische redenen bleek deze datum niet verantwoord te zijn en heeft het kabinet besloten de ingangsdatum te stellen op 1 januari 1998. Met name in verband met de privatisering van het ABP per 1 januari 1996 is voor het onderdeel arbeidsongeschiktheid besloten vooruitlopend op 1 januari 1998 reeds ingaande 1 januari 1996 zo veel mogelijk aan te sluiten bij de [WAO](onbekend). Hiertoe wordt de WAO-conforme regeling ingevoerd. Dit gebeurt door middel van de [Wet privatisering ABP](onbekend) (WPA). Daarin is vrijwel de gehele [WAO](onbekend) van overeenkomstige toepassing verklaard op het overheidspersoneel. Per 1 januari 1998 zal de [WAO](onbekend) vervolgens rechtstreeks van toepassing worden. Wao-conforme regeling De WAO-conforme regeling houdt in dat ambtenaren na 1 jaar ziekte recht krijgen op een WAO-conforme uitkering. Naast deze wettelijke uitkering komt er ook een bovenwettelijk deel. Het uitgangspunt bij de OOW-operatie is namelijk dat de aanspraken van ambtenaren gelijk blijven. Het bovenwettelijk deel is deels geregeld in het pensioenre"},{"i":6070,"b":"Vervanging vermiste 10-jarenklappers gemeente Westerbork Gelet op [artikel 18c van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=18c); Besluit: - 1. Dat ter vervanging van de bij de gemeente Midden Drenthe vermiste tienjarenklappers van de voormalige gemeente Westerbork over de periode 1961-1990 een afschrift wordt gemaakt; - 2. Dat dit besluit in werking treedt met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin de vervanging van de akte is vermeld"},{"i":9490,"b":"Verdrag inzake fatsoenlijk werk voor huishoudelijk personeel Preamble The General Conference of the International Labour Organization, Having been convened at Geneva by the Governing Body of the International Labour Office, and having met in its 100th Session on 1 June 2011, and Mindful of the commitment of the International Labour Organization to promote decent work for all through the achievement of the goals of the ILO Declaration on Fundamental Principles and Rights at Work and the ILO Declaration on Social Justice for a Fair Globalization, and Recognizing the significant contribution of domestic workers to the global economy, which includes increasing paid job opportunities for women and men workers with family responsibilities, greater scope for caring for ageing populations, children and persons with a disability, and substantial income transfers within and between countries, and Considering that domestic work continues to be undervalued and invisible and is mainly carried out by women and girls, many of whom are migrants or members of disadvantaged communities and who are particularly vulnerable to discrimination in respect of conditions of employment and of work, and to other abuses of human rights, and Considering also that in developing countries with historically scarce opportunities for formal employment, domestic workers constitute a significant proportion of the national workforce and remain among the most marginalized, and Recalling that international labour Conventions and Recommendations apply to all workers, including domestic workers, unless otherwise provided, and Noting the particular relevance for domestic workers of the [Migration for Employment Convention (Revised)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005528), 1949 (No. 97), the Migrant Workers (Supplementary Provisions) Convention, 1975 (No. 143), the [Workers with Family Responsibilities Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002363), 1981 (No. 156), the [Private Employm"},{"i":9501,"b":"Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat de trust zoals die is ontwikkeld door de equitygerechten in landen van de common law en met bepaalde aanpassingen door andere landen is overgenomen een rechtsinstelling van eigen aard is, Verlangend gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen over het recht dat toepasselijk is op trusts en de belangrijkste problemen met betrekking tot de erkenning van trusts te regelen, Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en de navolgende bepalingen aan te nemen: HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSGEBIED Artikel 1 Dit Verdrag wijst het recht aan dat toepasselijk is op trusts en beheerst hun erkenning. Artikel 2 Voor de toepassing van dit Verdrag heeft de term trust het oog op de rechtsbetrekkingen die - bij rechtshandeling onder de levenden of terzake des doods - in het leven worden geroepen door een persoon, de insteller, wanneer goederen onder de macht van een trustee worden gebracht ten behoeve van een begunstigde of voor een bepaald doel. Een trust heeft de volgende kenmerken: - a. de goederen van de trust vormen een afgescheiden vermogen en zijn geen deel van het vermogen van de trustee; - b. de rechtstitel met betrekking tot de goederen van de trust staat ten name van de trustee of ten name van een ander voor rekening van de trustee; - c. de trustee heeft de bevoegdheid en de plicht, terzake waarvan hij verantwoording schuldig is, om in overeenstemming met de bepalingen van de trust en de bijzondere verplichtingen, waaraan hij van rechtswege is onderworpen, de goederen van de trust te besturen en te beheren of er over te beschikken. Het is niet noodzakelijkerwijs onverenigbaar met het bestaan van een trust dat de insteller zich bepaalde rechten en bevoegdheden heeft voorbehouden of dat de trustee bepaalde rechten als begunstigde heeft. Artikel 3 Het Verdrag is slechts van toepassing op trusts die door een wilsuiting in he"},{"i":7218,"b":"Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van misdrijven tegen internationaal beschermde personen, met inbegrip van diplomaten De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Indachtig de doelstellingen en beginselen, vervat in het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), betreffende de handhaving van de internationale vrede en de bevordering van vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten, Overwegende dat misdrijven tegen diplomaten en andere internationaal beschermde personen, waardoor de veiligheid van deze personen in gevaar wordt gebracht, een ernstige bedreiging vormen van handhaving van normale internationale betrekkingen die noodzakelijk zijn voor de samenwerking tussen Staten, Van oordeel zijnde dat het plegen van zulke misdrijven een zaak van ernstige zorg is voor de internationale gemeenschap, Ervan overtuigd dat het dringend noodzakelijk is passende en doeltreffende maatregelen inzake de voorkoming en bestraffing van zulke misdrijven te nemen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. Wordt onder „een internationaal beschermd persoon” verstaan: - (a). een staatshoofd, met inbegrip van enig lid van een college dat de functies van een staatshoofd vervult krachtens de constitutie van de betrokken Staat, een hoofd van een regering of een minister van buitenlandse zaken, in alle gevallen waarin een zodanige persoon zich in een vreemde Staat bevindt, alsmede de hem vergezellende gezinsleden; - (b). een vertegenwoordiger of een functionaris van een Staat of een functionaris of een andere vertegenwoordiger van een internationale intergouvernementele organisatie, die, op het tijdstip waarop en ter plaatse waar een misdrijf tegen hemzelf, de door hem gebruikte officiële gebouwen, zijn particuliere woning of zijn vervoermiddel wordt gepleegd, ingevolge het internationale recht aanspraak kan maken op bijzondere bescherming tegen een aanslag op zijn persoon, vrijheid of"},{"i":14088,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 31 mei 2022, kenmerk 2022-0000150909, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor het jaar 2022 (Regeling bekostiging financieel toezicht 2022) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9); BESLUITEN: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder geconsolideerde jaarrekening: jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van personen die een groep of groepsdeel vormen en andere in de consolidatie meegenomen personen, als één geheel zijn opgenomen. Artikel 2 1. Voor het kalenderjaar 2022 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9), voor de personen die onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten vallen, bedoeld in [bijlage 1, onderdeel B, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&bijlage=1), als volgt vastgesteld: | Toezichtcategorie | Maatstaf | Bandbreedtes | Tarieven | | --- | --- | --- | --- | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | | € 2.044 vermeerderd met: | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >0 tot en met 5.000 PC | € 6,18 per PC | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >5.000 t"},{"i":9610,"b":"Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden ten behoeve van Aruba en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake douane-voorinspectie The Government of the Kingdom of the Netherlands, in respect of Aruba and the Government of the United States of America, (hereinafter referred to as the “Parties”), considering that air transport Preclearance by officials of U.S. Customs and Border Protection (CBP) of the Department of Homeland Security (DHS) of the Government of the United States of America, which is the procedure of conducting in Aruba, inspection of Travelers, Goods, Aircraft Stores, and aircraft, on Eligible Flights destined nonstop from a designated airport in Aruba to the United States, facilitates travel between Aruba and the United States while enhancing the security of both Parties; desiring to replace the [Agreement Between the Government of the United States of America and the Government of the Kingdom of the Netherlands in respect of Aruba on Preclearance](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001956), signed at Washington DC on December 2, 1994 as amended, as well as the Agreement on Preinspection between the Government of the United States of America and the Government of the Kingdom of the Netherlands in respect of Aruba, signed at Oranjestad on June 16, 1987, the former Agreement having suspended the operation of the latter Agreement for the period in which the former has been in force; acknowledging that Air Carriers and Private Aircraft operating at a designated airport in Aruba, including United States carriers, would continue to be eligible to request preclearance at that location; and recognizing that Preclearance being conducted in Aruba provides a homeland and national security benefit, as well as benefits the Parties by facilitating travel to the United States, Agree as follows: Article I. Definitions For the purposes of this Agreement: - 1. „Air Carrier” means a commercial enterprise that provides public transp"},{"i":10008,"b":"Besluit van 2 juni 1989, houdende uitvoering van artikel 7, tweede lid, onderdeel c, van de Visserijwet 1963 Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 15 maart 1989, nr. J. 891065, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Gelet op artikel 7, tweede lid, onderdeel **c**, van de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416) (**Stb.** 312); Gehoord het Produktschap voor Vis en Visprodukten, het Visserijschap, het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven, de Nederlandse Vereniging van Sportvissersfederaties en het Centraal Nederlands Hengelaarsverbond; De Raad van State gehoord (advies van 10 april 1989, Nr. W11.89.0137); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 25 mei 1989, nr. J. 892574, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het verbod van [artikel 7, eerste lid, van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=7) (**Stb.** 312) geldt tevens voor het vissen met andere vistuigen dan de hengel, het spieringtuig en de peur in de wateren die bij het [Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002703) (**Stb.** 176) als kustwateren zijn aangewezen, voor zover het Rijk rechthebbende op het visrecht is en met uitzondering van: - a. het in artikel 2, eerste lid, van dat besluit bedoelde Nederlandse gedeelte van de Dollard en de Eems voor zover op grond van het Eems-Dollardverdrag 1960 (**Trb.** 69) als gemeenschappelijk visserijgebied aangewezen en - b. het in artikel 2, onderdeel 6, van dat besluit bedoelde deel van de Westerschelde. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit beperking vrije visserij kustwateren. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij beh"},{"i":18341,"b":"Besluit van 3 juli 2013, houdende hernieuwde vaststelling van de rechtspositie van de gezaghebbers, eilandgedeputeerden en eilandsraadsleden in Caribisch Nederland (Rechtspositiebesluit politieke gezagdragers BES) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 mei 2013, no. 13.001061; Gelet op de [artikelen 56, eerste, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=56), [78, eerste, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=78), [87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=87), [92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=92), [120, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=120), en [121 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=121); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juni 2013, nr. W04.13.0147/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 juni 2013, nr. 2013-0000383326; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder - a. **politieke gezagdrager:** gezaghebber, eilandgedeputeerde, lid van de eilandsraad en lid van het kiescollege van een openbaar lichaam alsmede lid van een commissie als bedoeld in de [artikelen 117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=117) en [118 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=118); - b. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **inwonertal:** het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari. § 2. Indeling in inwonersklassen Artikel 2 Ten behoeve van de vaststelling van de bezoldiging van en de vergoedingen voor de politieke gezagdragers, met uitz"},{"i":10098,"b":"Besluit van 26 oktober 2017 nr. 2017001802, houdende naamswijziging van het ministerie van Infrastructuur en Milieu Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 25 oktober 2017, nr. 3213921; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: De naam van het ministerie van Infrastructuur en Milieu te wijzigen in: ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de ministeries."},{"i":10229,"b":"Besluit vaststelling vergoeding Overlegorganen infrastructuur en milieu en Consumentenbelangen Openbaar Vervoer Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2): Belsuit: Artikel 1 Aan de voorzitters van het Overlegorgaan infrastructuur en milieu wordt een vergoeding per vergadering toegekend. De vergoeding per vergadering bedraagt 3% van het maximum van schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en wordt vermenigvuldigd met 130%. Artikel 2 Aan de voorzitter van het Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op het maximum van schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,12. Artikel 3 Het [besluit van 10 augustus 2010, nr. CEND/HDJZ-2010/1103, sector AWW, houdende vaststelling vergoeding voorzitters en leden van een drietal commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028058) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Dit besluit zal met toelichting worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":10368,"b":"Luchtvaartverdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Federale Regering van Oostenrijk Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Republiek Oostenrijk (hierna te noemen „de verdragsluitende partijen”); Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens internationale luchtdiensten op veilige en ordelijke wijze te organiseren en de internationale samenwerking met betrekking tot deze diensten in de ruimst mogelijke mate te bevorderen; en Geleid door de wens een verdrag te sluiten ter bevordering van de ontwikkeling van geregelde luchtdiensten tussen en via hun grondgebieden; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder „het Verdrag van Chicago” verstaan het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig [artikel 90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=90) van dat verdrag aangenomen [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010905&artikel=1) en alle wijzigingen van de bijlagen of van het verdrag ingevolge de artikelen 90 en [94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=94) daarvan, voor zover deze bijlagen en wijzigingen van toepassing zijn op beide verdragsluitende partijen; - b. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, de minister verantwoordelijk voor de burgerluchtvaart van Curaçao en de Republiek Oostenrijk de minister van Transport, Innovatie en Technologie; wat betreft of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie die thans wordt vervuld door de genoemde autoriteiten of soortgelijke functies te vervullen; - c. wordt onder „overeengekomen dienste"},{"i":19187,"b":"Richtlijn voor Strafvordering Wet wegvervoer goederen Deze richtlijn bevat het strafvorderingsbeleid van het OM inzake overtredingen bepaald bij of krachtens de [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800) (WWG), die in [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1) (WED) als economisch delict zijn aangemerkt. Indien sprake is van meer te beoordelen feiten in één strafdossier, dan worden de geldboetes van de afzonderlijke feiten opgeteld. Gezien de aard van de delicten en het functioneel daderschap worden de geldboetes bij economische delicten bij elkaar opgeteld. Binnen de door de wet gestelde grenzen kan worden afgeweken van de aangegeven bedragen, hetzij naar beneden, hetzij naar boven, indien de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd daartoe aanleiding geven. Bij grote bedrijven, ernstige overtredingen, onrechtmatig genoten voordeel dat uitgaat boven het tarief dat vastgesteld is voor de overtreding kan een hoger tarief geïndiceerd zijn. Bij economische delicten kan de draagkracht van de rechtspersoon of natuurlijke persoon mede bepalend zijn voor de hoogte van de strafbeschikking of eis ter terechtzitting. Bij het uitvaardigen van een strafbeschikking kan tevens rekening worden gehouden met de eventuele verbeurdverklaring van een last onder dwangsom. Hiertoe bestaat echter geen verplichting, immers een dwangsom dient om uitvoering van de last te bewerkstelligen, en het verbeuren daarvan – en dus ook de invordering – betreffen alleen het niet-nakomen van de last, en vormen geen (punitieve) sanctie op de nadien geconstateerde normschendingen1HR, 20 maart 2007, LJN: AZ7078. Er zijn vervoerders van wie het aannemelijk is dat zij de kans op betrapping van de economische voorschriften betreffende in de [WWG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800) opgenomen overtredingen, zoals vervoer zonder vergunning, de onjuiste belading of overbelading als een bedrijfsri"},{"i":10866,"b":"Waterschapswet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge [artikel 133 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=133) regels moeten worden gesteld volgens welke de opheffing en instelling geschiedt van waterschappen en volgens welke de taken en inrichting van waterschappen en de samenstelling van hun besturen worden geregeld; dat voorts ingevolge diezelfde grondwetsbepaling de verordenende en andere bevoegdheden van de besturen van waterschappen, de openbaarheid van hun vergaderingen, alsmede het toezicht op deze besturen moet worden geregeld; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. De waterschappen Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. Waterschappen zijn openbare lichamen welke de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel hebben. 2. De taken die tot dat doel aan waterschappen zijn of worden opgedragen betreffen het beheer van watersystemen, de zuivering van stedelijk afvalwater op de voet van [artikel 2.17 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.17) en de zuivering van stedelijk afvalwater dat wordt afgevoerd op een systeem als bedoeld in [artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.16) dat wordt beheerd door of namens het waterschap. Daarnaast kan de zorg voor een of meer andere waterstaatsaangelegenheden zijn of worden opgedragen. 3. Het beheer van watersystemen, bedoeld in het tweede lid, omvat mede het voorkomen van schade aan waterstaatswerken veroorzaakt door muskus- en beverratten. Artikel 2 1. De bevoegdheid tot het opheffen en het instellen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verdere reglementering van waterschappen behoo"},{"i":10909,"b":"Besluit van 28 maart 2011 tot wijziging van het Besluit exploitatie luchthaven Schiphol ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2009/12/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 maart 2009 inzake luchthavengelden (PbEG L70) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 7 maart 2011, nr. IENM/BSK-2011/6615, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op de [artikelen 8.25d, dertiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25d), [8.25e, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25e), en[8.25f, tiende lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25f); De afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 maart 2011, nr. W14.11.0060/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 22 maart 2011, nr. IENM/BSK-2011/41532, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit exploitatie luchthaven Schiphol. Artikel II 1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit blijft van toepassing ten aanzien van: - a. een voorstel als bedoeld in [artikel 8.25e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25e), waarvan voor dat tijdstip aan de gebruikers van de luchthaven mededeling is gedaan; - b. een aanvraag als bedoeld in [artikel 8.25f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25f), die voor dat tijdstip is ingediend; - c. de vaststelling van tarieven en voorwaarden als bedoeld in [artikel 8.25f, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25f), die voor dat tijdstip heeft plaatsgevonden. 2. De tarieven en voor"},{"i":11074,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 augustus 2022, nr. 723586, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van Directoraat-generaal Cultuur en Media van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode (1945) 1965 – 2008 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, b en c van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 18 juni 2022, met kenmerk 1443567. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van het Directoraat-generaal Cultuur en Media van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 714 | 2047 | | 852 | 2066 | | 1016 | 2069 | | 1091 | 2069 | | 1148 | 2079 | | 2134 | 2083 | | 2146 | 2084 | | 2173 | 2081 | | 2227 | 2082 | | 2271 | 2078 | | 2272 | 2078 | | 2278 | 2084 | | 2279 | 2084 | | 2280 | 2084 | | 2281 | 2070 | | 2536 | 2078 | | 2715 | 2080 | | 2716 | 2083 | | 2717 | 2083 | | 2718 | 2083 | | 2719 | 2083 | | 2720 | 2083 | | 2721 | 2083 | | 2722 | 2083 | | 2723 | 2083 | | 2724 | 2083 | | 2787 | 2072 | | 2825 | 2072 | | 2826 | 2072 | | 2827 | 2072 | | 2828 | 2072 | | 2992 | 2082 | | 2993 | 2082 | | 3187 | 2075 | | 3188 | 2075 | | 3312 | 2066 | | 3685 | 2082 | | 3686 | 2082 | | 3687 | 2082 | | 3788 | 2082 | | 3689 | 2082 | | 3690 | 2082 | | 3691 | 2082 | | 3692 | 2082 | | 3693 | 2082 | | 3694 | 2082 | | 3695 | 2082 | | 3696 | 2082 | | 3697 | 2082 | | 3698 | 2082 | | 3699 | 2082 | | 3700 | 2082 | | 3701 | 2082 | | 3702 | 2082 | | 3747 | 2080 | | 3748 | 2080 | | 3749 | 2081 | | 3750 | 2086 | | 4574 | 2080 | | 4586 | 20"},{"i":11076,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 oktober 2025, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Ecuador (1963) 1975–2011 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 2 oktober 2025, met kenmerk Proza-ID: 52556450 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van **archiefbestand, nummer 2.05.384** Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. **algemene persoonsgegevens** van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 215 | 2077 | | 225 | 2075 | | 229 | 2083 | | 231 | 2080 | | 236 | 2081 | | 238 | 2081 | | 250 | 2084 | | 261 | 2085 | | 265 | 2073 | | 273 | 2077 | | 275 | 2085 | | 287 | 2082 | | 288 | 2083 | | 301 | 2084 | | 303 | 2081 | | 304 | 2079 | | 306 | 2079 | | 307 | 2081 | | 308 | 2086 | | 309 | 2076 | | 311 | 2080 | | 312 | 2085 | | 313 | 2086 | | 314 | 2082 | | 318 | 2078 | | 319 | 2083 | | 324 | 2079 | | 325 | 2079 | | 326 | 2082 | | 327 | 2083 | | 328 | 2083 | | 332 | 2086 | | 334 | 2087 | | 350 | 2087 | | 353 | 2085 | | 354 | 2076 | | 355 | 2087 | | 358 | 2082 | | 362 | 2095 | | 363 | 2085 | | 364 | 2087 | | 371 | 2087 | | 372 | 2087 | | 387 | 2087 | | 390 | 2087 | | 405 | 2087 | | 412 | 2088 | | 414 | 2087 | | 415 | 2087 | | 420 | 2087 | | 426 | 2087 | | 436 | 2083 | | 441 | 2082 | Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer"},{"i":14083,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 18 december 2015, nr. IENM/BSK-2015/242582, houdende regels voor verpakkingen (Regeling beheer verpakkingen) Gelet op Richtlijn (EU) 2015/720 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 tot wijziging van [Richtlijn 94/62/EG](31994L0062) betreffende de vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen en voorts de [artikelen 9.5.2, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2), en [21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6) en [artikel 3 van het Besluit beheer verpakkingen 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035711&artikel=3) Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit beheer verpakkingen 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035711); - **distributeur:** degene die beroepsmatig een plastic draagtas voor het eerst levert aan een eindgebruiker; - **draagtas:** tas, met of zonder handgreep; - **levensmiddelen:** levensmiddelen als bedoeld in artikel 2 van de [Verordening (EG) nr 178/2002](32002R0178) van het Europese Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden; - **manipulatieaantonende tas:** tas als bedoeld in paragraaf 4 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 185/2010 van de commissie van 4 maart 2010 houdende vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de toepassing van gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart; - **redenen van hygiëne:** het voorkomen van het voor consumptie ongeschikt raken van: - 1. onverpakte levensmiddelen door deze te beschermen tegen vervuiling of besmetting met ziekteverwekkers van buitenaf; of - 2. levensmiddelen door het lekvoch"},{"i":14074,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 december 2014, nummer 2014-0000662921, houdende de instelling, taak, werkwijze en samenstelling van de bedrijfscommissie voor de overheid (Regeling bedrijfscommissie voor de overheid 2015) Gelet op de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=37), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=38), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=39), in samenhang met [46d, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=46d) en [46e van de Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=46e); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bedrijfscommissie overheid:** de bedrijfscommissie voor de overheid, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035982&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - **ondernemingsraad:** een ondernemingsraad, een centrale ondernemingsraad, een groepsondernemingsraad, een personeelsvertegenwoordiging of een vergadering als bedoeld in [artikel 35b van de Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=35b); - **bemiddeling:** de bemiddeling zoals bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035982&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - **werkgevers en verenigingen van werkgevers:** de sector Rijk, de sector Politie, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Vereniging werken voor waterschappen en het Interprovinciaal Overleg; - **centrales van overheidspersoneel:** de Algemene Centrale van Overheidspersoneel, de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel, het Ambtenarencentrum, en de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs, Bedrijven en Instellingen; - **de sector Rijk:** de ambtelijke diensten van: - a. elk ministerie, met uitzondering va"},{"i":13471,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 31 juli 2010, nr. WJZ/10032665, houdende instelling van de Beoordelingscommissie Small Business Innovation Research programma Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **commissie:** de Beoordelingscommissie Small Business Innovation Research programma; - c. **SBIR:** Small Business Innovation Research programma. Artikel 2 Er is een Beoordelingscommissie Small Business Innovation Research programma. Artikel 3 De commissie heeft tot taak de minister op zijn verzoek een beoordeling te geven over projectvoorstellen die worden ingediend bij de minister naar aanleiding van een oproep gedaan in het kader van het SBIR. Artikel 4 1. Per oproep gedaan in het kader van SBIR benoemt de minister de leden van de commissie. 2. De commissie bestaat uit tenminste drie en ten hoogste zeven leden. 3. De leden van de commissie worden benoemd en ontslagen door de minister. 4. De benoeming geschiedt voor een termijn van maximaal twee jaar. De leden van de commissie zijn te allen tijde herbenoembaar. 5. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep. Artikel 5 1. De commissie bepaalt haar eigen werkwijze. 2. De minister voorziet in het secretariaat van de commissie. 3. De minister kan een waarnemer aanwijzen, die het recht heeft de vergaderingen van de commissie bij te wonen. 4. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat ministerie. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 7 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Beoordelingscommissie Small Business Inn"},{"i":13473,"b":"Besluit van het bestuur van het CAK van 10 januari 2011, houdende instelling van een bezwaaradviescommissie (Instellingsbesluit Bezwaaradviescommissie Wtcg) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het CAK:** de besloten vennootschap CAK, gevestigd te ’s-Gravenhage; - b. **commissie:** de Bezwaaradviescommissie Wtcg. Artikel 2. Instelling Er is een bezwaaradviescommissie in de zin van [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13), zoals bedoeld in de motie van Eerste Kamerlid Klein Breteler c.s. en de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 22 december 20081Kamerstukken I, 2008–2009, 31 706, J en L.. Artikel 3. Taak 1. De commissie heeft tot taak het bestuur van het CAK te adviseren over de door het bestuur van het CAK te nemen beslissingen op bezwaar, voor zover de bezwaren zijn gericht tegen besluiten die het bestuur van het CAK heeft genomen op grond van [artikel 3, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003&artikel=3). 2. Bezwaren die alleen betrekking hebben op de volledigheid of de juistheid van de feiten waarop beslissingen van het CAK zijn gebaseerd en waarbij de interpretatie van wet- en regelgeving niet in het geding is, worden door het bestuur van het CAK afgehandeld, zonder advies van de commissie. 3. Bezwaren die naar het oordeel van het bestuur van het CAK niet-ontvankelijk zijn en bezwaren die naar het oordeel van het CAK gegrond zijn, worden zonder advies van de commissie afgehandeld. Artikel 4. Leden 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden. 2. De voorzitter en de leden worden door het bestuur van het CAK benoemd, geschorst en ontslagen. 3. Tot leden van de commissie worden benoemd: - a. mevrouw H. van Leeuwen, tevens voorzitter, - b. de heer drs. M. Bos, - c. de heer drs. J. Hamel, - d. de heer Mr. P. Schaafs"},{"i":13474,"b":"Instellingsbesluit CBA Besluit: Artikel 1 - a. Er is een interdepartementale Commissie Bedrijfsjuridisch Advies (CBA). - b. De CBA is een onderdeel van het Interdepartementaal Overleg voor Wetgeving en Juridische Zaken (IOWJZ). Artikel 2 De CBA heeft de volgende taken: - a). het geven van bedrijfsjuridisch adviezen (waaronder aanbestedings- en privaatrechtelijk advies, uitgezonderd arbeidsrechtelijk en fiscaalrechtelijk adviezen) aan ministeries, interdepartementale gremia of onderdelen daarvan; - b). het ontwikkelen en onderhouden van standaardcontracten en algemene voorwaarden (inclusief bijbehorende toelichtingen) ten behoeve van de Rijksdienst; - c). het vervullen van de functie van platform voor het uitwisselen van kennis en ervaring op het gebied van het aanbestedings- en privaatrecht. Artikel 3 1. De CBA bestaat uit: - −. een voorzitter, zijnde een directeur van een juridische directie van een ministerie; - −. een secretaris; - −. van elk ministerie telkens een lid en één of meer plaatsvervangende leden met kennis van zaken op het gebied van het aanbestedings- en privaatrecht, aan te wijzen door of namens de betrokken Minister; - −. een lid (en een plaatsvervangend lid) met kennis van zaken op het gebied van het aanbestedings- en privaatrecht, aan te wijzen door het Rijksvastgoedbedrijf; - −. een lid (en een plaatsvervangend lid) met kennis van zaken op het gebied van het aanbestedings- en privaatrecht, aan te wijzen door Rijkswaterstaat; - −. een lid (en een plaatsvervangend lid) met kennis van zaken op het gebied van het aanbestedings- en privaatrecht, aan te wijzen door de Belastingdienst; - −. een lid en een plaatsvervangend lid met kennis van zaken op het gebied van het aanbestedings- en privaatrechtrecht, aan te wijzen door het Expertisecentrum Aanbesteden PIANOo. Artikel 4 1. De CBA kent een presidium bestaande uit de voorzitter, plaatsvervangend voorzitter(s) en secretaris. 2. Het presidium heeft tot taak de vergaderingen voor te bereiden en adviesgro"},{"i":13455,"b":"Instellingsbesluit baten-lastendienst Logius Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Aan Logius wordt de status van baten-lastendienst verleend, als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10). 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: baten-lastendienst Logius. 3. Het [Instellingsbesluit tijdelijke baten-lastendienst Logius](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027493) van 22 maart 2010, Nr. 2010-0000167843 wordt ingetrokken. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastendienst Logius. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13469,"b":"Besluit van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 22 november 2023, nr. MDT/42350254, houdende instelling van de beoordelingscommissie Maatschappelijke diensttijd (MDT) (Instellingsbesluit beoordelingscommissie MDT) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 10 van de Subsidieregeling Maatschappelijke Diensttijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048113&artikel=10) (MDT); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **commissie:** beoordelingscommissie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048996&artikel=2&z=2023-12-07&g=2023-12-07); - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **regeling:** [Subsidieregeling Maatschappelijke Diensttijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048113) (MDT); - **subcommissie:** onderdeel van de commissie dat met een aantal leden over subsidieaanvragen adviseert als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048996&artikel=2&z=2023-12-07&g=2023-12-07); - **vaste voorzitter:** lid van de commissie die door de Minister als voorzitter is benoemd. Artikel 2. Instelling en taak commissie 1. Er is een beoordelingscommissie MDT. 2. De commissie heeft tot taak de Minister te adviseren over de beoordeling van de volledige aanvragen om subsidie op grond van de [regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048113) aan de hand van de beoordelingscriteria in de regeling. Artikel 3. Termijnen De commissie brengt haar advies met betrekking tot de subsidieaanvragen uit binnen 18 weken na afloop van de aanvraagperiode, bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048113&artikel=8). Artikel 4. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De commissie bestaat uit subcommissies die worden samengesteld door de vaste voorzitter. De vaste voorzitter wijst één van de deelnem"},{"i":12742,"b":"Besluit van 12 december 2023, teneinde de vaststelling van het cameraplan voor 2024, vereist op grond van artikel 29a van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 Inzet vaste camera’s De inspecteur maakt op grond van [artikel 77a, eerste lid van de Wet op de Motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=77a) (hierna: Wet MRB ’94) gebruik van technische hulpmiddelen. De vaste camera’s zijn Elektronische Camerabeelden (ECB)-camera’s boven de Nederlandse wegen en camera’s op, aan of in flitspalen langs de Nederlandse wegen. Deze camera’s zijn eigendom van de politie en maken deel uit van het reeds bestaande netwerk van politie-camera’s. Het gaat daarbij om technische hulpmiddelen die aangesloten zijn op de technische voorziening “Oogopslag”, zoals ook vastgesteld in het convenant tussen de Belastingdienst en de Politie inzake het medegebruik van ANPR-camera’s. Locaties vaste camera’s De inspecteur maakt in 2024 gebruik van 860 camera’s. Voor het exacte aantal en de locaties van de camera’s verwijst de inspecteur naar de lijst die integraal onderdeel uitmaakt van het cameraplan. Deze lijst wordt ook gepubliceerd op [www.belastingdienst.nl](onbekend). Motivering inzet en locaties Uitgangspunt is dat eenieder de belasting betaalt die hij verschuldigd is. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de Motorrijtuigenbelasting (MRB). Dit draagt bij aan het draagvlak voor de betreffende heffing en aan het continueren van de staatsinkomsten. Daarbij streeft het kabinet ernaar om de controle en het toezicht op de heffing en inning zo efficiënt en effectief mogelijk in te richten. Waar het gaat om de controle en het toezicht op de MRB is het efficiënt om hiervoor mede gebruik te kunnen maken van camerabeelden die gemaakt zijn op de openbare weg. Van deze camera’s is vast komen te staan dat aan alle eisen op het gebied van privacy, beveiliging en kwaliteit voldaan wordt. De locaties van deze camera’s kenmerken zich door het feit dat er sp"},{"i":13333,"b":"Wet van 3 februari 2005 tot wijziging van de Kadasterwet, de Invoeringswet Kadasterwet, de Organisatiewet Kadaster, enige andere wetten en enkele wetboeken in verband met een verdergaande toepassing van informatie- en communicatietechnologie bij de aanbieding van stukken ter inschrijving in de openbare registers voor registergoederen, het houden van die registers en de verstrekking van inlichtingen daaruit, alsmede in verband met enkele noodzakelijk gebleken technische aanpassingen en het stellen van aanvullende eisen aan het gebruik van elektronische handtekeningen (Herzieningswet Kadasterwet I) Artikel I Wijzigt de Kadasterwet. Artikel II Wijzigt de Invoeringswet Kadasterwet. Artikel III Wijzigt de Organisatiewet Kadaster. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel V Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel VI Wijzigt de Faillissementswet. Artikel VII Wijzigt de Wet aansprakelijkheid olietankschepen. Artikel VIII Wijzigt de Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting. Artikel IX Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel X Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel XI Wijzigt de Wet vervoer binnenvaart. Artikel XII Wijzigt het Wetboek van Koophandel. Artikel XIII Wijzigt de Zeebrievenwet. Artikel XIV Wijzigt de Wijzigingswet Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek enz. (wijziging voorwaarden nationaliteitsverlening en registratie zeeschepen). Artikel XV Wijzigt de Wet publiekrechtelijke registratie zeeschepen. Artikel XVI Wijzigt deze wet. Artikel XVII De op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet door de Dienst gehouden openbare registers, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=8), zoals dat artikel luidde tot aan dat tijdstip, maken deel uit: - a. voorzover betreffend de openbare registers, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onderdelen a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=8): van d"},{"i":13258,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 29 april 2021, nr. WJZ/ 21040040, houdende vaststelling van de retributies verbonden aan verschillende handelingen betreffende het handelsregister en het uitvoeren van de taken van de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES (Financiële regeling handelsregister BES 2022) Gelet op [artikel 12, vierde en vijfde lid, van de Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238&artikel=12), de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028503&artikel=14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028503&artikel=16) en [17 van de Handelsregisterwet 2009 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028503&artikel=17) en [artikel 32a van het Handelsregisterbesluit 2009 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028479&artikel=32a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** het [Handelsregisterbesluit 2009 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028479). Artikel 2 1. Het bedrag van de jaarlijkse bijdrage voor de inschrijving van een onderneming, rechtspersoon of nevenvestiging, bedoeld in [artikel 32a, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028479&artikel=32a), bedraagt USD 60 maal het gewicht van de jaarlijkse bijdrage voor de betreffende rechtsvorm, bedoeld in artikel 32a, tweede lid, van het besluit. 2. Het bedrag van de bijdrage bij de eerste inschrijving van een onderneming, rechtspersoon of nevenvestiging, bedoeld in [artikel 32a, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028479&artikel=32a), is gelijk aan het bedrag van de jaarlijkse bijdrage voor de betreffende rechtsvorm. Artikel 3 Voor het ten kantore inzien van het handelsregister en de bescheiden die daarbij krachtens wettelijk voorschrift zijn gedeponeerd, worden de volgende tarieven berekend: - a. voor het inzien gedurende maximaal 30 minuten: USD 20; - b. voor het inzien"},{"i":11106,"b":"Besluit van 10 september 1984, houdende afwijkingen van het bepaalde in de Wet medezeggenschap onderwijs Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst, mede namens Onze Minister van Landbouw en Visserij van 1 mei 1984, nr. 5171/1156, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Wet medezeggenschap onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746&artikel=17) (**Stb.** 1981, 778); De Onderwijsraad gehoord (advies van 15 juli 1983, O.R. 544 Alg.); De Raad van State gehoord (advies van 20 juli 1984, no. W05.84.0261/14.4.28); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst, mede namens Onze Minister van Landbouw en Visserij, van 24 augustus 1984, nr. 5535/1156, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § A. Algemene bepalingen Artikel A-1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. de wet: de [Wet medezeggenschap onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746) (**Stb.** 1981, 778); - c. de medezeggenschapsraad: de raad, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746&artikel=4); - d. de voorlopige medezeggenschapsraad: de raad, bedoeld in [artikel 24 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746&artikel=24); - e. het medezeggenschapsreglement: het reglement, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746&artikel=3); - f. het bevoegd gezag: voor wat betreft - 1°. een rijksschool: Onze minister; - 2°. een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen; - 3°. een bijzondere school: het schoolbestuur. § B. Zeer kleine scholen voor kleuteron"},{"i":13470,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 augustus 2023, nr. 40196764, houdende instelling van de beoordelingscommissie Subsidieregeling Npuls CTL voor de periode 2023 tot en met 2026 (Instellingsbesluit beoordelingscommissie Subsidieregeling Npuls CTL) Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=1) en [2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2) en [artikel 14, eerste lid, van de Subsidieregeling Npuls CTL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048587&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **commissie:** beoordelingscommissie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048591&artikel=2&z=2023-09-01&g=2023-09-01); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **kalibreervergadering:** gezamenlijke bijeenkomst van de leden van de commissie waarin de onderlinge afstemming van de beoordelingscriteria wordt besproken met als doel de betrouwbaarheid van de beoordeling te verhogen en de toepasselijke criteria te verduidelijken; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **subsidieaanvraag:** aanvraag voor een projectsubsidie op grond van de regeling; - **regeling:** [Subsidieregeling Npuls CTL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048587). Artikel 2. Instelling van de commissie 1. Er is een beoordelingscommissie Npuls CTL. 2. De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 september 2023 en wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2027. 3. De periode van instelling van de commissie kan worden verlengd indien het programma Npuls CTL in een volgende periode wordt voortgezet. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en uit niet meer dan dertien leden. 2."},{"i":13603,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 13 november 2020 (kenmerk 3076157/20/DP&O), houdende instelling van een tijdelijk programmadirectoraat-generaal Samenleving en COVID-19 (‘Instellingsbesluit DGSC-19’) en tevens houdende wijziging van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Mandaatbesluit hoofden cluster Ministerie van Justitie en Veiligheid Gelet op het Instellingsbesluit Ministeriële Commissie COVID-19 van 3 juni 2020, alsmede gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3) Besluit: Artikel I Artikel 1 Er is een tijdelijk programmadirectoraat-generaal Samenleving en COVID-19 (DGSC-19). Artikel 2 1. Het programmadirectoraat-generaal Samenleving en COVID-19 staat onder leiding van een programmadirecteur-generaal Samenleving en COVID-19 (DgSC-19), en bestaat verder uit programmadirecties en een stafbureau. De programmadirecties zijn: - a. de programmadirectie Strategie en Kennis COVID-19 (SKC-19); - b. de programmadirectie Evaluatie en Verantwoording (DEV); 2. De programmadirecteur-generaal Samenleving en COVID-19 kan de in het eerste lid genoemde programmadirecties en het stafbureau nader onderverdelen. 3. De programmadirecteur-generaal Samenleving en COVID-19 wordt benoemd door de ministerraad. De programmadirecteur-generaal Samenleving en COVID-19 wijst de directeuren van de in het eerste lid genoemde programmadirecties en het hoofd van het stafbureau aan. Artikel 3 Het programmadirectoraat-generaal Samenleving en COVID-19 is belast met de navolgende taken"},{"i":13589,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 15 augustus 2003, nr. WJZ/03/02932, houdende instelling van de Nationale Frequentiecommissie (Instellingsbesluit Nationale Frequentiecommissie) Overwegende, – dat in het Nationaal Frequentieplan 2002 (Stcrt. 2002, 115) de taak en samenstelling van de Nationale Frequentiecommissie nader is ingekaderd tot een adviesorgaan op het gebied van frequentiebeheer waarin met vitale overheidstaken en de publieke omroep belaste overheidsorganisaties en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zitting hebben; – dat gelet op de taak van de Nationale Frequentiecommissie de samenstelling van de commissie aangepast dient te worden; Besluit: Artikel 1 Er is een Nationale Frequentiecommissie (NFC), hierna te noemen: de commissie. Artikel 2 1. De commissie heeft als taak het plegen van overleg en het geven van advies aan de Minister van Economische Zaken over het beleid ten aanzien van het beheer van het radiofrequentiespectrum in het bijzonder betreffende: - a. de grondslagen voor het beheer van het radiofrequentiespectrum of delen daarvan; - b. het feitelijk gebruik van het radiofrequentiespectrum; - c. de voorwaarden waaronder frequentiebanden voor specifiek radiogebruik gebruikt kunnen worden; - d. het voorkomen en de bestrijding van radiostoringen; - e. de opzet en uitvoering van het beheer van het radiofrequentiespectrum; - f. de uit te dragen standpunten in internationaal overleg over frequentiebeheersaangelegenheden. 2. De commissie houdt in zijn standpuntbepaling inzake het beheer van het radiofrequentiespectrum rekening met het beleid ten aanzien van het gebruik van het radiofrequentiespectrum in buitengewone omstandigheden als bedoeld in [hoofdstuk 14 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&hoofdstuk=14). De taak van de commissie heeft evenwel geen betrekking op dit beleid. 3. De commissie houdt verder in haar werkzaamheden rekening met de uitkomsten van overig frequentiemanag"},{"i":14043,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 september 2024, nr. 2024-0000762165, houdende nadere regels over de wijze van actieve openbaarmaking van informatiecategorieën in de Wet open overheid (Regeling actieve openbaarmaking Woo) Gelet op [artikel 3.3, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=3.3), en [3.3a, zesde lid, van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=3.3a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Register:** het register van overheidsorganisaties als bedoeld in **Stb. 1859, 50** en dat online te raadplegen is via [https://organisaties.overheid.nl/woo](https://organisaties.overheid.nl/woo); - **wet:** de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754); Hoofdstuk 2. Eisen bij informatiecategorieën § 2.2. Organisatie en werkwijze Artikel 2.2.1. Wijze van openbaarmaking Het bestuursorgaan maakt de informatie, bedoeld in [artikel 3.3, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=3.3), openbaar door in het Register een webadres in te vullen van een zelfgekozen online publicatielocatie waarop de gepubliceerde informatie staat. Artikel 2.2.2. Organisatie 1. Het bestuursorgaan maakt op een zelfgekozen online publicatielocatie bij de openbaarmaking van informatie die inzicht geeft in de organisatie, bedoeld in [artikel 3.3, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=3.3) openbaar een organogram, tekstbeschrijving of beide. 2. Indien een organogram berust bij het bestuursorgaan, wordt deze openbaar gemaakt. Bij meer organogrammen, wordt openbaar gemaakt de informatie die het meeste en volledige inzicht geeft in de organisatie. 3. Indien een bestuursorgaan bestaat uit meer organisatieonderdelen, worden bij de openbaarmaking van informatie in ieder geval de organisatieonderdelen met ei"},{"i":14079,"b":"Regeling beheer archiefbescheiden Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De secretaris-generaal is bevoegd om namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het beheer over de archiefbescheiden te voeren. 2. De secretaris-generaal kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, overdragen aan: - a. de plaatsvervangend secretaris-generaal; - b. de directeuren-generaal, voor zover het hun dienstonderdeel betreft; - c. het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, voor zover het de Binnenlandse Veiligheidsdienst betreft. 3. De directeuren-generaal kunnen ten aanzien van de aan hen overgedragen bevoegdheid, ondermandaat verlenen aan de hoofden van de onder hen ressorterende diensten. 4. Het Hoofd Binnenlandse Veiligheidsdienst kan ten aanzien van de aan hem overgedragen bevoegdheid, ondermandaat verlenen aan het onder hem ressorterende afdelingshoofd. Artikel 3 1. De secretaris-generaal stelt uitvoeringsregelingen vast ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden. 2. De uitvoeringsregelingen handelen tenminste over de volgende onderwerpen: - a. registratie en archivering van archiefbescheiden, zowel fysiek als elektronisch; - b. documentaire structuurplannen; - c. opleidingseisen; - d. selectielijsten voor en vernietiging van archiefbescheiden; - e. vereisten aan gegevensdragers; - f. vereisten aan archiefruimten; - g. overdracht van archiefbescheiden van decentrale archieven naar de semi-statische archieven van het Ministerie van Binnenlandse Zaken; - h. beveiliging van archiefbescheiden; - i. substitutie, vervreemding en beschikbaarstelling van archiefbescheiden; - j. overbrenging van archiefbescheiden naar een rijksarchiefbewaarplaats in de zin van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376); - k. aanverwante werkzaamheden. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingan"},{"i":14080,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 2 maart 2004, nr. SAS/2004020028, houdende regels met betrekking tot het vaststellen van formulieren in verband met de uitvoering van het Besluit beheer autobanden, alsmede wijziging van de Regeling verpakking en verpakkingsafval (Regeling beheer autobanden) Gelet op de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016038&artikel=7), en [8 van het Besluit beheer autobanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016038&artikel=8) en [artikel 10.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.17); Besluit: Artikel 1 De producent, bedoeld in [artikel 1 van het Besluit beheer autobanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016038&artikel=1), of de importeur, bedoeld in artikel 1 van dat besluit, maakt bij het indienen van de melding, bedoeld in [artikel 4 van het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044197&artikel=4), gebruik van het in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016459&bijlage=1&z=2023-07-01&g=2023-07-01) bij deze regeling opgenomen formulier. Artikel 2 De producent, bedoeld in [artikel 1 van het Besluit beheer autobanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016038&artikel=1), of de importeur, bedoeld in artikel 1 van dat besluit, maakt bij het indienen van het verslag, bedoeld in [artikel 5 van het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044197&artikel=5), gebruik van het in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016459&bijlage=2&z=2023-07-01&g=2023-07-01) bij deze regeling opgenomen formulier. Artikel 3 Deze regeling berust op [artikel 9.5.2, zevende lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2) in samenhang met de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":13376,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden mediators 2020 (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 6 november 2019 krachtens [artikel 33b van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33b), goedgekeurd bij besluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 21 november 2019). Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die mediation in de zin van de wet willen verrichten zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De gerechten en het Juridisch Loket verwijzen alleen door naar mediators die staan ingeschreven bij de Raad voor Rechtsbijstand en die aan de gestelde eisen in de inschrijvingsvoorwaarden voldoen. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en volgende van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: In het onderstaande zijn deze inschrijvingsvoorwaarden uitgewerkt. Deze inschrijvingsvoorwaarden zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar mediators die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. De Raad en het MfN-register hebben in 2018 een informatieprotocol afgesloten waarin afspraken zijn gemaakt omtrent het uitwisselen van informatie die van belang kan zijn voor de inschrijving bij de Raad dan wel de registratie bij het MfN-register en die als doel heeft de kwaliteit van mediators binnen het stelsel te borgen. Deze afspraken worden jaarlijks geëvalueerd en zo nodig aangepast. Door zich bij de Raad in te schrijven stemt de mediator met deze afgesproken informatie uitwisseling in en geeft hij daarvoor toestemming aan de Raad. De Raad heeft voorts een privacyverklaring opgesteld waarin is aangegeven op welke wijze zij persoonsgegevens verwerkt.1http://www.rvr.or"},{"i":13337,"b":"Wet van 4 juni 2014, houdende nieuwe regels met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de samenstelling van de woonruimtevoorraad (Huisvestingswet 2014) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de samenstelling van de woonruimtevoorraad; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **digitaal platform:** degene die een dienst van de informatiemaatschappij verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur; - **huishoudinkomen:** gezamenlijke verzamelinkomens als bedoeld in [artikel 2.3 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.3) van de aanvragers van een huisvestingsvergunning voor een bij huisvestingsverordening aangewezen woonruimte, met uitzondering van kinderen in de zin van [artikel 4 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=4), met dien verstande dat in het eerste lid van dat artikel voor «belanghebbende» telkens wordt gelezen «aanvrager»; - **huisvestingsvergunning:** vergunning als bedoeld in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=8&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **huisvestingsverordening:** verordening als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&hoofdstuk=1&paragraaf=3&artikel=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **middeldure huurwoonruimte:** zelfstandige woning als bedoeld in [artikel 234 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=234): - 1°."},{"i":13261,"b":"Wet van 12 december 2001 tot wijziging van enkele belastingwetten in verband met de vervanging van de gulden door de euro (Fiscale aanpassingswet euro) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de fiscale wetgeving aan te passen in verband met de vervanging van de gulden door de euro; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel II Wijzigt de Douanewet. Artikel III Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Artikel V Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VI Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel VII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VIII Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel IX Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel X Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel XI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel XIV IWijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel XV Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting. Artikel XVI Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel XVII Wijzigt de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produktent. Artikel XVIII Wijzigt de Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen, de omzetbelasting en de accijnzen. Artikel XIX Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel XX Voor de toepassing van [artikel 30a van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=30a) bij het begin van het kal"},{"i":12578,"b":"Besluit Stichting ICTU Besluit: Artikel 1 In dit Besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De minister verstrekt in 2001 een eenmalige startbijdrage van f 4.000.000,- aan de stichting. 2. De stichting zal deze startbijdrage gebruiken voor de financiering van de noodzakelijke initiële investeringen en uitgaven om ICTU operationeel te krijgen. Daarbij gaat het om investeringen ten behoeve van de nieuwe huisvesting inclusief de bijbehorende ICT-infra-structuur en uitgaven om de organisatie in te richten en op orde te krijgen. 3. Op deze startbijdrage zullen in mindering worden gebracht de uitgaven die het ministerie in 2001 tot een nog nader te bepalen datum ten laste van de startbijdrage reeds heeft gedaan en nog zal doen voor het in het tweede lid genoemde doel. 4. De door het ministerie voor het in het tweede lid genoemde doel aangegane financiële verplichtingen die nog doorlopen na de in het derde lid genoemde, nog nader te bepalen datum, zullen per die datum door de stichting worden overgenomen en door de stichting ten laste van de startbijdrage worden betaald, tenzij in overleg tussen de stichting en het ministerie wordt overeengekomen dat bepaalde doorlopende verplichtingen niet door de stichting zullen worden overgenomen maar nog door het ministerie ten laste van de startbijdrage zullen worden betaald. 5. De startbijdrage zal als voorschot worden verstrekt. 6. De stichting legt in 2002 verantwoording af over de besteding van de startbijdrage in de jaarstukken die de stichting op grond van artikel 13 van de statuten moet opmaken en ter goedkeuring aan de minister moet aanbieden. 7. Op basis van de in het zesde lid genoemde verantwoording zal de startbijdrage definitief worden vastgesteld. 8. De startbijdrage zal navenant lager worden vastgesteld indien de in het tweede lid genoemde investeringen en uitgaven minder bedragen dan f 4.000.000,-. Alsdan zal het deel van het voorschot dat teveel is betaald, door de stichting worden terug betaald aan het ministerie. 9"},{"i":14224,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 maart 2024, nr. WJZ/44517625, houdende nadere regels voor archeologische opgravingen (Regeling Erfgoedwet archeologie) Gelet op de [artikelen 2.5, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037866&artikel=2.5) en [3.1, eerste lid, van het Besluit Erfgoedwet archeologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037866&artikel=3.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **wet:** [Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521). Artikel 2. Aanwijzing beoordelingsrichtlijn Als de richtlijn, bedoeld in [artikel 5.5, onderdeel b, van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=5.5) worden aangewezen: - a. versie 4.2 van de Beoordelingsrichtlijn 4000 Archeologie, zoals gepubliceerd op de website van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, en - b. van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, van het deel Landbodems versie 4.2, de volgende onderdelen: - 1°. het Protocol 4001 Programma van eisen, - 2°. het Protocol 4002 Bureauonderzoek, - 3°. het Protocol 4003 Inventariserend veldonderzoek, - 4°. het Protocol 4004 Opgraven, - 5°. het Protocol 4006 Specialistisch onderzoek, en - 6°. het Protocol 4010 Depotbeheer. - c. van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, van het deel Waterbodems versie 4.2, de volgende onderdelen: - 1°. het Protocol 4001 Programma van eisen, - 2°. het Protocol 4002 Bureauonderzoek, - 3°. het Protocol 4103 Inventariserend veldonderzoek, - 4°. het Protocol 4104 Opgraven, - 5°. het Protocol 4006 Specialistisch onderzoek, - 6°. het Protocol 4107 Archeologische begeleiding, en - 7°. het Protocol 4010 Depotbeheer. Artikel 3. Aanvraagvereisten ontheffing onderwaterarcheologie 1. Een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in [artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit Erfgoedwet archeologie](https://wetten.ov"},{"i":13811,"b":"Besluit van het hoofd van de Afdeling Analyse Nationale Veiligheid van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 januari 2024, nr. 5164881, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het plaatsvervangend hoofd van die afdeling (Mandaatbesluit Analyse Nationale Veiligheid NCTV 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel b, van het Mandaatbesluit Strategie, Analyse Nationale Veiligheid en Bedrijfsvoering NCTV 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049334&artikel=1) aan het hoofd van de Afdeling Analyse Nationale Veiligheid verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die die afdeling betreffen ondermandaat verleend aan het plaatsvervangend hoofd van de Afdeling Analyse Nationale Veiligheid. Artikel 2 Het [Mandaatbesluit Analyse NCTV 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047460) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Analyse Nationale Veiligheid NCTV 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12704,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking en de Staatssecretaris voor Europese Zaken, van 18 november 2009, nr. DJZ/BR/0822-2008, tot vaststelling van een beleidsregel met het oog op het onthouden van financiële bijdragen aan de vervaardiging, verwerving of uitzending van omroepprogramma’s Kennisgenomen van de AZ-Beleidsregel beëindiging verstrekking financiële bijdragen aan coproducties en andere omroepprogramma’s; Gelet op [artikel 32 van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32); Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366); Besluiten: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Omroepprogramma:** een radioprogramma of televisieprogramma als bedoeld in [artikel 1.1 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - b. **Financiële bijdrage:** een subsidie als bedoeld in [artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:21) of de verstrekking van financiële middelen dan wel de aanspraak daarop op grond van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Artikel 2 De Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking en de Staatssecretaris voor Europese Zaken verstrekken geen financiële bijdrage met het oog op de vervaardiging, verwerving of uitzending van omroepprogramma’s bestemd voor uitzending in Nederland of gericht op Nederlandstaligen in het buitenland. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12682,"b":"Besluit van 9 februari 2008, nr. 08.000428, houdende toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter van de Stuurgroep Nationaal Historisch Museum (Besluit vaste beloning voorzitter Stuurgroep Nationaal Historisch Museum) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 februari 2008, nr. 2008/4731, Directie Cultureel Erfgoed; Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de voorzitter van de de Stuurgroep Nationaal Historisch Museum wordt in plaats van vacatiegelden een vaste beloning ten bedrage van euro 24.000 zijnde 23% van de jaarwedde, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3), per jaar toegekend. Artikel 2 Indien de voorzitter, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023492&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), niet gedurende 1 jaar de functie van voorzitter bekleedt, wordt de beloning, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023492&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), naar evenredigheid vastgesteld. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 2008. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaste beloning voorzitter Stuurgroep Nationaal Historisch Museum. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13505,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 december 2023, nr. OWB/42696432 houdende instelling van de Commissie die onderzoek gaat doen naar de mogelijkheden voor verlaging van het aantal proeven op niet-humane primaten (Instellingsbesluit Commissie onderzoek niet-humane primaten) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **Ministerie van OCW:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap - c. **commissie:** commissie die onderzoek gaat doen naar de mogelijkheden voor verlaging van het aantal proeven met niet-humane primaten, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049327&artikel=2&z=2025-04-10&g=2025-04-10); - d. **dierproef:** elk al dan niet invasief gebruik van een dier voor experimentele of andere wetenschappelijke doeleinden, waarvan het resultaat bekend of onbekend is, of onderwijskundige doeleinden, die bij het dier evenveel of meer pijn, lijden, angst of blijvende schade kan veroorzaken als, dan wel dan het inbrengen van een naald volgens goed diergeneeskundig vakmanschap. Dit omvat ieder gebruik waarvan het doel of het mogelijke gevolg de geboorte of het uit het ei breken van een dier is, dan wel het in een dergelijke toestand brengen en houden van een genetisch gemodificeerde dierenlijn, met inbegrip van het doden van dieren ten behoeve van het gebruik van hun organen, weefsels of lichaamsvloeistoffen voor een doel genoemd in [artikel 1c van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=1c). Artikel 2. Commissie onderzoek niet-humane primaten 1. Er is een commissie onderzoek niet-humane primaten. 2. De commissie heeft tot taak een onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheid om het aantal proeven op niet-humane primaten verder te verla"},{"i":13107,"b":"Besluitvorming Sarnami/Hindoestani (Suriname) De Raad voor Rechtsbijstand, **Overwegende dat:** **Stelt vast dat:** **Besluit dat:** Slotbepalingen Dit besluit wordt aangehaald als **‘Besluitvorming Sarnami/Hindoestani (Suriname)’**. Bekendmaking vindt plaats door publicatie in de Staatscourant. Dit besluit treedt in werking één dag na publicatie in de Staatscourant."},{"i":13296,"b":"Gemeenschappelijke regeling Tresoar Gelet op [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=II) en [IX van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=IX); Besluiten: tot het treffen van de navolgende de gemeenschappelijke regeling tot de instelling van een openbaar lichaam dat de archiefbescheiden en collecties beheert die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Fryslân, de Provinciale en Buma Bibliotheek te Leeuwarden en het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum te Leeuwarden. Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: - 1. **de minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - 2. **de provincie:** de provincie Fryslân; - 3. **de stichting:** de stichting Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum; - 4. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - 5. **collecties:** de verzameling historische voorwerpen, boeken en overige schriftelijke en elektronische bescheiden in de meest ruime zin des woords, niet zijnde archiefbescheiden, in eigendom van of beheer bij de minister, de provincie en de stichting voor zover het betreft voorwerpen, boeken of bescheiden bij de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie, de voormalige Provinciale en Buma Bibliotheek te Leeuwarden en het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum te Leeuwarden; - 6. **gedeputeerde staten:** gedeputeerde staten van de provincie; - 7. **provinciale staten:** provinciale staten van de provincie, en - 8. **stichtingsbestuur:** het bestuur van de stichting. Artikel 2 1. Deze regeling wordt getroffen met het doel de belangen van de minister, gedeputeerde staten en het stichtingsbestuur te behartigen met betrekking tot de collecties en archiefbescheiden die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie, de collectie van"},{"i":11335,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 juli 2017, nr. HOenS/1188771 houdende voorschriften inzake stimulering open en online hoger onderwijs 2018–2022 (Regeling open en online hoger onderwijs 2018–2022) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mede namens de Minister van Economische Zaken; - **instelling voor hoger onderwijs:** - a. bekostigde instelling: instelling als bedoeld in [artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.2), en - b. niet bekostigde instelling: instelling als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - **open online onderwijs:** onderwijs dat volledig of voor een substantieel deel online plaatsvindt en waarvan in ieder geval de in het project ontwikkelde leermaterialen online beschikbaar zijn onder een open licentie die gebruik of hergebruik toestaat; - **open leermateriaal:** leermateriaal dat openbaar op een via internet toegankelijke locatie beschikbaar is onder een open licentie die gebruik of hergebruik toestaat; - **vakcommunity:** instellingsoverstijgend samenwerkingsverband, gericht op hetzelfde vakgebied, domein of discipline en met gedeelde inhoudelijke"},{"i":11340,"b":"Regeling Professionalisering Muziekonderwijs op pabo’s gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gelet op [artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); met goedkeuring van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 maart 2017; besluit: vast te stellen de Regeling Professionalisering Muziekonderwijs op pabo’s. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities - a. **Adviescommissie:** een externe adviescommissie als bedoeld in [artikel 8 van het Huishoudelijk Reglement van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026366&artikel=8); - b. **Algemeen Subsidiereglement:** het [Algemeen Subsidiereglement stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039127); - c. **Bestuur:** het bestuur van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - d. **College van bestuur:** een college van bestuur van een door het Rijk bekostigde pabo; - e. **Conservatorium:** hogere beroepsopleiding voor muziekonderwijs; - f. **Fonds:** stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - g. **Handelingsbekwaamheid:** beschikken over technische vaardigheden en deze kunnen en durven toepassen; - h. **Minister:** de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; - i. **Nederland:** Nederland, inclusief de BES-eilanden; - j. **Pabo:** pedagogische academie voor het basisonderwijs; - k. **Vestiging:** een zelfstandige vestiging van een pabo; - l. **Wet:** de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904). Artikel 2. Doel Met deze regeling wordt beoogd projecten te ondersteunen die tot doel hebben kwalitatief goed muziekonderwijs op de pabo’s te stimuleren en duurzaam te verankeren. Artikel 3. Doelgroep Subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van in Nederland gevestigde, door het Rijk bekostigde pa"},{"i":11395,"b":"Regeling vaststelling exameneisen zweefvlieger Gelet op [artikel 23, derde lid van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=23); Besluit: Artikel 1 De eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring voor de bevoegdverklaringen lieren en slepen in het zweefvliegbewijs worden als bijlage 11 hierbij vastgesteld. Artikel 2 De regeling van de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst van 2 april 1980, nr. LI/10963 waarmee de exameneisen voor de bevoegdverklaring lieren werden vastgesteld in de bijlagen 11A, 11B en 11C, en de regeling van de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst van 23 november 1970, nr. LI/21756, waarmee de exameneisen voor de bevoegdverklaring sleepvliegen werden vastgesteld in de bijlage 51, worden ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking 2 dagen na publikatie in de Staatscourant en werkt terug tot 15 augustus 1993. Bijlage Vervallen"},{"i":11540,"b":"Wet primair onderwijs BES Hoofdstuk I. Basisonderwijs Titel I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: **basisregister onderwijs**: een basisregister onderwijs als bedoeld in [artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=24b); **bevoegd gezag**: voor wat betreft - a. een openbare school: - 1°. het bestuurscollege van het betreffende openbaar lichaam, voor zover de eilandsraad niet anders bepaalt, en, indien de eilandsraad dit besluit, met inachtneming van door hem te stellen regelen; - 2°. de openbare rechtspersoon, bedoeld in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&hoofdstuk=I&titeldeel=II&afdeling=2&artikel=53&z=2026-01-01&g=2026-01-01); dan wel - 3°. de stichting, bedoeld in [artikel 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&hoofdstuk=I&titeldeel=II&afdeling=2&artikel=54&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - b. een bijzondere school: de rechtspersoon, bedoeld in [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&hoofdstuk=I&titeldeel=II&afdeling=3&artikel=60&z=2026-01-01&g=2026-01-01); **bijzondere school**: een door een natuurlijk persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een stichting als bedoeld in [artikel 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&hoofdstuk=I&titeldeel=II&afdeling=2&artikel=54&z=2026-01-01&g=2026-01-01), in stand gehouden school; **expertisecentrum onderwijszorg**: de rechtspersoon, bedoeld in [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&hoofdstuk=I&titeldeel=II&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=28&z=2026-01-01&g=2026-01-01); **inspectie of inspecteur**: de inspectie, bedoeld in de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800), voor zover belast met taken op het gebied van het basisonderwijs; **Onderwijsraad**: de Onderwijsraad, bedoeld in de [Wet op de Onderwijsraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008683); **Onz"},{"i":13193,"b":"Deelregeling Incidentele Aankopen 2017 Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het verhogen van de kwaliteit, de samenhang en de zichtbaarheid van de Collectie Nederland door middel van het verwerven van belangrijke objecten of deelcollecties met ensemblewaarde waarmee een aspect uit de kunst of cultuurgeschiedenis getoond kan worden dat nog niet in de Collectie Nederland is vertegenwoordigd. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een bijdrage kan worden verstrekt aan een Nederlandse publiekstoegankelijke instelling die museale collecties van (inter)nationaal belang beheert, of aan meerdere instellingen gezamenlijk. 2. De aanvrager is coulant in het bruikleenverkeer ten opzichte van Nederlandse instellingen. 3. Geen bijdrage wordt toegekend: - •. aan een particulier museum waarvan de collectie geen collectief bezit is, - •. aan een museum dat niet staat ingeschreven in het Museumregister, - •. voor transportkosten, - •. voor actieve/passieve conservering, documentatie of digitalisering van de een collectie, - •. voor restauratie van objecten, - •. voor aankopen van nalatenschappen van makers, - •. voor aankopen die reeds met rijkscultuurmiddelen worden ondersteund en - •. voor aankopen de redelijkerwijs uit de reguliere budgetten gefinancierd kunnen worden. 4. De aankoop moet duurzaam onderdeel worden van de Collectie Nederland en kan niet worden vervreemd zonder toestemming van het Mondriaan Fonds. 5. Aanvragen waarvan het totale aankoopbedrag tussen de door het bestuur vast te stellen bedragen ligt, worden niet in behandeling genomen. 6. De bijdrage van het Mondriaan Fonds is maximaal 40% van de aankoopprijs. 7. Het behoud van het aangekochte object wordt gewaarborgd door adequate bouwkundige voorzieningen, klimaatbeheersing en beveiliging. Artikel 3. Aanvraag 1. Naast de bepalingen vastgesteld in het [Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":13379,"b":"Besluit tot instelling van een Commissie van onderzoek naar advies over de financiële relaties tussen Aruba en Nederland overwegende, dat de financiële relaties tussen Aruba en Nederland in heroverweging moeten worden genomen teneinde deze beter toe te snijden op de samenwerking binnen de kaders van het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154); dat het wenselijk is voor deze heroverweging door deskundigen onderzoek te doen verrichten en advies te doen uitbrengen; gezien het memorandum van 15 januari 1997 inzake ’Herijking van de financiële relatie tussen Nederland en Aruba’; gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); en ‐ voorzover het de minister voor Nederlands-Arubaanse en Arubaanse Zaken van Nederland en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, J. Kohnstamm betreft ‐ gelet op [artikel 6 Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6) (Staatsblad 1996, 378); Besluiten: een commissie van deskundigen in te stellen, waarop de volgende regels van toepassing zijn. Artikel 1 Er is een Adviescommissie Samenwerking Aruba ‐ Nederland, hierna te noemen: de Commissie. Artikel 2 De Commissie heeft tot taak: - a. de voorwaarden te formuleren voor vergroting van financiële zelfstandigheid van Aruba binnen de kaders van het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) en met als uitgangspunt dat Aruba vooralsnog ondersteuning voor overheidsinvesteringen en van Nederlandse deskundigen op tijdelijke basis nodig zal hebben; - b. de huidige relaties tussen Aruba en Nederland met betrekking tot financiële samenwerking te analyseren en te evalueren aan de hand van de onder a genoemde voorwaarden; - c. modaliteiten te beschrijven voor inrichting van de samenwerkingsrelatie tussen Aruba en Nederland op middellange en lange termijn, die voldoe"},{"i":13545,"b":"Besluit van de Minister van Algemene Zaken van Aruba, de Minister van Algemene Zaken van Curaçao, de Minister van Algemene Zaken van Sint Maarten en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland van 1 september 2025, houdende instelling van de evaluatiecommissie Onderlinge regeling samenwerking bij hervormingen (Instellingsbesluit evaluatiecommissie Onderlinge regeling) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de raad van Ministers van het Koninkrijk; Gelet op [artikel 10 van de Onderlinge regeling samenwerking bij hervormingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048172&artikel=10); Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Algemene Zaken van Aruba, de Minister van Algemene Zaken van Curaçao, de Minister van Algemene Zaken van Sint Maarten of de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland, afhankelijk van het land dat het aangaat; - b. **de ministers:** de Minister van Algemene Zaken van Aruba, de Minister van Algemene Zaken van Curaçao, de Minister van Algemene Zaken van Sint Maarten en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland gezamenlijk; - c. **de evaluatiecommissie:** de evaluatiecommissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052142&artikel=2&z=2026-01-14&g=2026-01-14). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een evaluatiecommissie Onderlinge regeling samenwerking bij hervormingen. 2. De evaluatiecommissie heeft tot taak het evaluatieverslag op te stellen, bedoeld in [artikel 10, vierde lid, van de Onderlinge regeling samenwerking bij hervormingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048172&artikel=10). Artikel 3. Samenstelling 1. Als leden van de commissie worden benoemd: - a. mevrouw Maria van der Sluijs-Plantz, teven"},{"i":11546,"b":"Wet van 30 oktober 1974, tot beëindiging van de overheidstaken met betrekking tot de zaken van de voormalige wees- en momboirkamers en het beheer van vicarieën, alsmede afkoop van onveranderlijke lasten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de aan Onze Minister van Financiën bij en krachtens de wet van 20 augustus 1859 (**Stb.** 95) opgedragen taken met betrekking tot de fondsen en stichtingen, bedoeld in artikel 11 van de wet van 5 maart 1852 (**Stb.** 45), alsmede diens beheer van vicarieën dienen te worden beëindigd, terwijl voorts wenselijk is de in de administratie van het Ministerie van Financiën (dienst der Domeinen) voorkomende onveranderlijke lasten af te kopen: Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet verstaat onder \"Onze Minister\": Onze Minister van Financiën; \"begunstigde\": degene die krachtens stichtingsoorkonden, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002944&artikel=2&z=2002-01-01&g=2002-01-01), of krachtens bepalingen, geldende voor de bestemming van de opbrengst van vermogens, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002944&artikel=4&z=2002-01-01&g=2002-01-01), dan wel uit hoofde van onveranderlijke lasten, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002944&artikel=5&z=2002-01-01&g=2002-01-01), voor een uitkering in geld in aanmerking komt. Artikel 2 1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid draagt Onze Minister het hem bij de wet van 20 augustus 1859 (**Stb.** 95) opgedragen beheer over de fondsen en stichtingen, bedoeld in artikel 11 van de wet van 5 maart 1852 (**Stb.** 45), voor zover dit niet bij krachtens de stichtingsoorkonden benoemde bewindvoerders berust, over, - a. indien de begunstigde een rechtspersoon is, aan die rechtspersoon; - b. indien de begunstig"},{"i":11549,"b":"Wet van 4 december 2013 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de versterking van de kwaliteitswaarborgen voor het hoger onderwijs en wijziging van verschillende onderwijswetten in verband met de introductie onderscheidenlijk verbreding van een aanwijzingsbevoegdheid voor de minister en in verband met aanpassingen in de regelgeving betreffende het basisregister onderwijs en het persoonsgebonden nummer (Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat uit onderzoek is gebleken dat het noodzakelijk is de kwaliteit van het hoger onderwijs beter te waarborgen en dat er behoefte bestaat aan uitbreiding van de bestaande handhavingsinstrumenten in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs met een aanwijzingsbevoegdheid voor Onze Minister; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel II Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel IIA. Wijziging van de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel IIB. Wijziging van de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel IIC. Wijziging van de [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280) Wijzigt de Wet primair onderwijs BES. Artikel IID. Wijziging van de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel IIE. Wijziging van de [Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284) Wijz"},{"i":13457,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Defensie en de Minister van Financiën van 13 oktober 2004, nr. F/2004010307, tot instelling van de baten-lastendienst Paresto Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid van de Comptabiliteitswet](onbekend); Besluiten: Artikel 1 1. Aan de cateringorganisatie van Defensie, Paresto, te Utrecht wordt de status van baten-lastendienst als bedoeld in [artikel 10 eerste lid van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10) verleend. 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: baten-lastendienst Paresto. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastendienst Paresto. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13372,"b":"Regeling van de Raad voor Rechtsbijstand over de voorwaarden tot inschrijving van advocaten 2026 (Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2026) Gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15); BESLUIT De volgende regeling vast te stellen: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **AC-rooster:** Het door Legal Aid opgestelde distributierooster voor de verdeling van eerste asielaanvragen; - b. **advocaat:** een persoon die is ingeschreven op het tableau van de NOvA en is ingeschreven door het bestuur als bedoeld in [artikel 13, eerste lid onder a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=13); - c. **beroepsopleiding:** de Beroepsopleiding Advocaten van de NOvA; - d. **bestuur:** het bestuur van de Raad, als bedoeld in [artikel 3 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - e. **Bvr:** [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018); - f. **inschrijving:** de inschrijving van advocaten bij de Raad zoals bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15); - g. **Legal Aid:** de afdeling die binnen de Raad voor Rechtsbijstand verantwoordelijk is voor de organisatie van de rechtsbijstand aan asielzoekers; - h. **NOvA:** De Nederlandse orde van advocaten; - i. **opleidingspunten:** opleidingspunten zoals omschreven in [artikel 4.4, vijfde lid van de Voda](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=4.4). - j. **piketplanning:** de planning die wordt opgesteld door de Raad voor de borging van tijdige rechtsbijstand in het kader van het beurtelings verlenen van rechtsbijstand zoals bedoeld in [artikel 37, eerste lid onder b van de Wet](https://wetten.overhei"},{"i":13472,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 26 september 2014, nr. B&I/14153205, tot instelling van het team bevordering ICT-innovatie (Instellingsbesluit bevorderen ICT-innovatie) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **commissie:** het team bevordering ICT-innovatie. Artikel 2 1. Er is een commissie, die de ICT-innovatie bevordert. 2. De commissie heeft tot taak: - a. het versterken van samenwerking tussen private instellingen en kennisinstellingen op het gebied van ICT in het kader van Topsectorprogramma’s en maatschappelijke opgaven; - b. het aanjagen van het gebruik van veelbelovende ICT-toepassingen door synergie aan te brengen tussen ICT-Doorbraakprojecten, Topsectoren en maatschappelijke opgaven; - c. het bevorderen van de aansluiting op ICT gebied tussen onderwijs en arbeidsmarkt via een Human Capital Agenda; - d. het profileren van de ICT-bedrijfstak in Nederland, om daarmee de bewustwording van ICT als groeimotor voor de Nederlandse economie te vergroten bij het bedrijfsleven en de samenleving; - e. het internationaal profileren van de ICT-bedrijfstak, daarbij aansluitend bij buitenlandse missies en strategische acquisitie initiatieven; - f. het ondersteunen van de regionale innovatiekracht op ICT-gebied; - g. het bijdragen aan de strategische visie op ICT voor het groeivermogen van (over)morgen; - h. het leveren van input met betrekking tot de voortgang van het ICT-gerelateerde beleid. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste drie en ten hoogste zeven andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de Minister benoemd. De voorzitter en de andere leden zijn herbenoembaar. 3. De voorzitter en de andere leden kunnen door de Minister worden geschorst en ontslagen. 4. De leden zijn afkomstig uit het"},{"i":13604,"b":"Besluit van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 22 december 2023 nr. 43324058, houdende instelling van de programmaraad Digitalisering voor de periode 2023 tot en met 2025 (Instellingsbesluit programmaraad Digitalisering 2023–2025) Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=1) en [2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **Programmaraad:** Programmaraad, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049274&artikel=2&z=2024-04-18&g=2024-04-18). Artikel 2. Instelling en taak van de programmaraad 1. Er is een programmaraad Digitalisering. 2. De programmaraad wordt ingesteld met ingang van 1 januari 2024 en wordt opgeheven met ingang van 31 december 2025. 3. De programmaraad komt twee keer per jaar bijeen en heeft tot taak de minister te adviseren over: - a. De agenda van de programma’s Digitaal Onderwijs goed geregeld (Edu-V) en Impuls open leermateriaal waarin de koers en activiteiten zijn opgenomen. Het advies kan betrekking hebben op de jaarplannen en op de uitvoering van concrete projecten; - b. de raad kan ook thema’s agenderen of vragen stellen hoe de programma’s het best kunnen bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs; - c. In overleg kan ook tussentijds een beroep gedaan kunnen worden op de programmaraad of leden van de programmaraad. Artikel 3. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De programmaraad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste 10 overige leden. 2. De leden worden door de minister benoemd en, in voorkomend geval, door de minister geschorst of tussentijds ontslagen. 3. De benoeming geschiedt voor de duur dat de programmaraad is inges"},{"i":12676,"b":"Besluit van 5 maart 1999, houdende de van toepassingverklaring van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen op de schade en kosten tengevolge van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Financiën, van 1 maart 1999, nr. EB1999/52172; Gelet op [artikel 3 van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=3), Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De [Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637) is van toepassing op de schade en kosten die zijn ontstaan ten gevolge van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":13248,"b":"Wet van 9 december 2015, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving op het terrein van cultureel erfgoed te bundelen, te structureren en te vereenvoudigen, en tevens om onder meer de omgang met museale collecties wettelijk vorm te geven, het vervreemden van cultuurgoederen in bezit van overheden te regelen en het stelsel van kwaliteitsborging in de archeologie te moderniseren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **archeologisch monument:** terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; - **archeologische vondst:** overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument; - **beschermd cultuurgoed:** cultuurgoed dat: - a. als zodanig is aangewezen op grond van [artikel 3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in [artikel 3.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.7&z=2026-01-01&g=2026-01-01); of - c. in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van [artikel 3.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.8&z=2026-01-01&g=2026-01-01), zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld,"},{"i":11648,"b":"Wet van 15 december 2011 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het uitbreiden en verduidelijken van de mogelijkheden tot benoeming of tewerkstelling van leraren in het voortgezet onderwijs alsmede in verband met het beperken van de mogelijkheid tot het inzetten van onbevoegden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de mogelijkheden tot benoeming of tewerkstelling van leraren in het voortgezet onderwijs uit te breiden en te verduidelijken en dat het mitsdien wenselijk is docenten primair onderwijs benoembaar te maken in het praktijkonderwijs en een overzicht tot stand te brengen van geldende bekwaamheidseisen voor algemeen gebruikelijke vakken, die niet worden genoemd in het getuigschrift, alsmede dat het wenselijk is de mogelijkheid tot het inzetten van onbevoegden te beperken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel Ia. Wijziging van de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel II. Wijziging van de [Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284) Wijzigt de Wet voortgezet onderwijs BES. Artikel IIa. Overgangsrecht Vervallen Artikel III. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, en kan ten aanzien van de [artikelen I, onderdeel A, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031208&artikel=I&z=2014-08-01&g=2014-08-01), en [II, onderde"},{"i":11658,"b":"Wet van 17 april 2019, houdende aanpassing van wetten in verband met de invoering van de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren (Aanpassingswet Wnra) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren wenselijk is diverse wetten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Algemene Zaken Artikel 1.1. [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896) Wijzigt de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017. Hoofdstuk 2. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 2.1. [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel 2.2. [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502) Wijzigt de Algemene wet gelijke behandeling. Artikel 2.3. [Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215) Wijzigt de Ambtenarenwet BES. Artikel 2.4. [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) Wijzigt de Gemeentewet. Artikel 2.5. [Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063) Wijzigt de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2.6. [Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159) Wijzigt de Kaderwet adviescolleges. Artikel 2.7. [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) Wijzigt de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. Artikel 2.8. [Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463) Wijzigt de Organisatiewet Kadaster. Artikel 2"},{"i":12793,"b":"Besluit vaststelling selectielijst archiefbescheiden provinciale organen ontvangen of opgemaakt vanaf 1 januari 2014 tot 1 januari 2020 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De selectielijst voor archiefbescheiden van de provinciale organen ontvangen of opgemaakt vanaf 1 januari 2014 tot 1 januari 2020 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst voor archiefbescheiden van de provinciale organen, ontvangen of opgemaakt vanaf 1 januari 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040372), zoals vastgesteld in de Staatscourant van 14 december 2017, nr. 71583, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13529,"b":"Besluit van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 24 mei 2022, nr. 2022-0000021197, houdende instelling van de commissie versnelling tijdelijke huisvesting (Instellingsbesluit commissie versnelling tijdelijke huisvesting) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **BZK**: het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **commissie**: de commissie versnelling tijdelijke huisvesting; - **minister**: de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - **uitvoeringsorganisatie**: de uitvoeringsorganisatie zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, van dit besluit; en - **woningmarktpartijen**: woningcorporaties, projectontwikkelaars en bouwbedrijven. Artikel 2 1. Er is een commissie versnelling tijdelijke huisvesting. 2. De commissie wordt ingesteld voor de duur van zes maanden. Deze instellingsduur kan eenmaal met één jaar worden verlengd. Artikel 3 De commissie adviseert op strategisch niveau vanuit kennis van de praktijk op de volgende onderdelen: - a. het verder ontwikkelen van de aanpak op de versnelling van de realisatie van flex- en transformatiewoningen; - b. het hiermee bereiken van de doelstelling van 32.500 flex- en transformatiewoningen in de jaren 2023-2024; - c. daartoe gemeenten, provincies, woningcorporaties, marktpartijen en andere partijen via bestuurlijke contacten en vanuit een integrale blik op verschillende belangen in beweging krijgen en houden bij het initiëren en realiseren van projecten, en - d. hoe de aanpak van de commissie en uitvoeringsorganisatie op versnelling en standaardisering ingezet kan worden voor de brede woningbouwopgave. - e. Hiermee dient de commissie als aanjager, ambassadeur en onafhankelijk klankbord voor zowel de uitvoeringsorganisatie als BZK en geeft aan beide gevraagd en ongevraagd advies. - f. De commissie signaleer"},{"i":11716,"b":"Begrafeniswet BES Artikel 1 In deze wet verstaan onder openbaar lichaam: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 1a Het lijk van een persoon of doodgeboren kind wordt in eene gesloten kist begraven, hetzij in een geheel of gedeeltelijk aarden graf, hetzij in een grafkelder, op eene begraafplaats als zoodanig vanwege het bestuurscollege aangelegd of toegelaten. «Met afwijking in zooverre van het daaromtrent bij deze wet bepaalde, is het op het eiland Saba geoorloofd ook op andere dan de in dit artikel bedoelde plaatsen lijken ter aarde te bestellen en blijkt ten aanzien van zoodanige graven en grafkelders [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028363&artikel=17&z=2011-10-04&g=2011-10-04) buiten toepassing. Ook is het geoorloofd volgens nader bij wet vast te stellen regelen lijken te verbranden. Artikel 2 Lijken, die in een zoodanigen staat verkeeren, dat zij niet naar eene begraafplaats kunnen worden overgebracht, worden ter plaatse, waar zij gevonden zijn of in de onmiddellijke nabijheid, zonder kist, mits ter diepte van 1 Meter, begraven en overdekt, zoo mogelijk met ongebluschte kalk ter hoogte van 2 d.M. en in ieder geval met aangestampte aarde. Is op de plaats, waar een lijk gevonden wordt, een lijkkist aanwezig, dan kan het lijk daarin begraven worden. De begraving geschiedt ter plaatse door de ambtenaren van de gezondheidsdienst van het openbaar lichaam of van de politie aangewezen, zoo mogelijk in domeingrond en anders in particulieren grond. In het laatste geval zijn de eigenaars of gebruikers van den grond verplicht de begraving te gedoogen. De plaats van begraven op particulieren grond zal in overleg met de eigenaars of gebruikers van den grond worden gekozen. De schade, die aan den eigendom mocht worden veroorzaakt, wordt door den Kantonrechter begroot en door het openbaar lichaam vergoed, naar de onderscheiding gemaakt in de [artt. 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028363&artikel=11&z=2011-10-04&g=2011-10-0"},{"i":13275,"b":"Wet van 20 december 2023 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2024) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IV Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel V Wijzigt de Wet bronbelasting 2021. Artikel VI Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel VII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VIII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel IX Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel X Wijzigt de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Artikel XI Wijzigt Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XII Wijzigt de Wet hersteloperatie toeslagen. Artikel XIIa Wijzigt de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de zorgtoeslag. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de huurtoeslag. Artikel XV Wijzigt de Wet op het kindgebonden budget. Artikel XVI Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel XVII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XVIII Wijzigt Invorderingswet 1990. Artikel XIX Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel XX Wijzigt de Participatiewet. Artikel XXI Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel XXII Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel XXIII Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel XXIV Wijzigt de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding onrechtmatige besluiten. Artikel XXV Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel XXVI Wijzigt de Woningwet. Artikel XXVII Wijzigt de Wet vrachtwagenheffing. Artikel XXVIII Wijzigt de Overige fiscale maatregelen 2020. Artikel XXIX Wijzigt de Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen. Artikel XXX Wijzigt deze wet. Artikel XXXI Wijzigt deze wet. Artikel XXXII Deze wet treedt"},{"i":12674,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 14 november 2024 inzake volginnovatie 2023 Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 2.10.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.10.2), [3.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.2), [3.4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.2), [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.4), [3.4.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.20), [3.7.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.7.2), [3.8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.8.2), [3.9.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [3.10.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.2), [3.10.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.2), [3.10.12b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.12b), [3.16.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.16.1c), [3.16.7 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.16.7), [3.22.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.22.2), [3.25.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.25.2), [3.27.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.27.2), [3.28.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.28.2), [4.2.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&ar"},{"i":13308,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 september 2003, nr. IBE/BO-2410533, houdende de goedkeuring van besluit CCSM no. 4-2003 Gelet op: [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14), artikel 14, tweede lid, van de Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten; Besluit: Het besluit CCSM no. 4-2003 inzake opleidingseisen klinische genetica goed te keuren. Dit besluit zal samen met het desbetreffende besluit van het Centraal College Medische Specialismen worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":11777,"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen voor extramurale diëtetiek Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59 aanhef en onder b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met brieven van 29 augustus 2008, [kenmerk CZ/TSZ-2873530](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024503), en van 14 november 2008, kenmerk CZ/EKZ-2874809, en van 19 december 2008, kenmerk [CZ/EKZ-2901559](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025143), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel aanwijzingen op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van extramurale diëtetiek. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op diëtistische zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Tevens is deze beleidsregel van toepassing op diëtetiek binnen de ketenzorg (gecoördineerde, multidisciplinaire zorg voor een specifieke aandoening op basis van de relevante zorgstandaard) als omschreven bij of krachtens de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden als bedoeld in arti"},{"i":11793,"b":"Beleidsregel resistentiebeleid biociden Gelet op [artikel 49, eerste lid, onder b sub 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=49) en [artikel 121a van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=121a) zoals deze gold vóór 6 november 2013, in samenhang gelezen met de [artikelen 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel 1. Begrippen - **College:** het in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=3) bedoelde College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - **Wgb (oud):** de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) zoals deze gold vóór 6 november 2013; - **Resistentie:** het beschikbaar zijn van feiten die wijzen op een verkregen, erfelijke vermindering van de gevoeligheid voor een (biocide) stof; - **WGGA:** Wettelijk gebruiksvoorschrift en gebruiksaanwijzing Artikel 2. Reikwijdte 1. Dit besluit is van toepassing op biociden van alle productsoorten (PT’s) die worden beoordeeld of zijn toegelaten op grond van de [Wgb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) (oud). 2. Dit besluit is van toepassing op resistentie en kruisresistentie die kan optreden bij doelorganismen van een biocide toepassing. Artikel 3. Omschrijving resistentiebeleid Het college kan besluiten tot resistentiemanagement voor biociden, indien er naar het oordeel van het college voldoende aanwijzingen zijn om te concluderen dat er sprake is van onaanvaardbare resistentie als bedoeld in [artikel 49, eerste lid, onder b sub 2 van de Wgb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=49) (oud). Artikel 4. Professionele toepassingen 1. Voor professionele toepassingen van desinfectiemiddelen (PT1-PT5) kan in geval van onaanvaardbare resistentie, een waarschuwingszin worden opgenomen in het WGGA die als volgt luidt:"},{"i":11806,"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 21 maart 2019 tot toepassing van richtsnoeren van de Europese toezichthoudende autoriteiten in verband met het prudentieel toezicht en de afwikkelingstaak bij of krachtens de Wet op het financieel toezicht (Beleidsregel toepassing richtsnoeren Europese toezichthoudende autoriteiten Wft 2019) Gelet op [artikel 1:29a van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:29a) (Wft) en [artikel 6 van de Uitvoeringsregeling Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020537&artikel=6); Gelet op Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PbEU L 331), in het bijzonder artikel 16; Gelet op Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PbEU L 331), in het bijzonder artikel 16; Gelet op Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PbEU L 331), in het bijzonder artikel 16; BESLUIT: Artikel 1. (definities) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - –. **EBA:** Europese Bankautoriteit (European Banking Authority), rechtsopvolger van het Committee of European Banking Supervisors (CEBS); - –. **EIOPA:** de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (European Insurance and Occupational"},{"i":11078,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 20 april 2022, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Noorwegen, Ambassade Oslo (1963)1975-2013, Besluit Beperking Openbaarheid, Oslo (1975–2013) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 16 mei 2022, referentie 32449374; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 81 | 2065 | | 82 | 2061 | | 194 | 2076 | | 210 | 2086 | | 211 | 2057 | | 212 | 2103 | | 214 | 2057 | | 232 | 2086 | | 235 | 2087 | | 236 | 2086 | | 239 | 2086 | | 241 | 2086 | | 242 | 2086 | | 243 | 2086 | | 245 | 2086 | | 267 | 2086 | | 280 | 2039 | | 292 | 2071 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 29 | 2048 | | 48 | 2046 | | 56 | 2046 | | 61 | 2043 | | 65 | 2038 | | 67 | 2047 | | 72 | 2051 | | 91 | 2054 | | 92 | 2041 | | 150 | 2045 | | 174 | 2064 | | 175 | 2039 | | 216 | 2047 | | 230 | 2061 | | 233 | 2061 | | 284 | 2087 | | 295 | 2063 | | 296 | 2062 | | 297 | 2063 | | 313 | 2064 | | 322 | 2063 | | 323 | 2059 | | 327 | 2084 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnu"},{"i":11846,"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 10 oktober 2023, kenmerk 2023018931, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2024 (Beleidsregels Risicoverevening 2024) gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), en [34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34); Besluit: 1. Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - **aanpassingsklasse:** een klasse waarvan het gewicht in verband met de toepassing van criteriumneutraliteit wordt aangepast; - **AVI:** AVI als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - **belastingdienstbestand:** het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand met inkomensgegevens en gepseudonimiseerde adresgegevens per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar; - **Bzv:** [Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492); - **correctiefactor:** een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor bijzondere situaties. De toelichting op de bijzondere situatie en de correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2024 die gepubliceerd wordt op de website [www.zorginstituutnederland.nl](onbekend); - **COVID-19:** de ziekte die door het virus SARS-CoV-2 veroorzaakt wordt; - **COVID-correctiefactor:** een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor de effecten van COVID-19. Er zijn COVID-correctiefactoren voor de criteria FKG_C, DKG_C, HKG_C en FDG_C. Deze correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2024 die gepubliceerd wordt op de website [www.zorginstituutnederland.nl"},{"i":13196,"b":"Besluit van het Bestuur van de Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie tot vaststelling van een deelregeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ter versterking van de internationale positie op het gebied van architectuur, vormgeving en digitale cultuur **Introductie** Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie is het Rijkscultuurfonds dat verdieping en professionalisering stimuleert van digitale cultuur, gaming, productontwerp, grafisch ontwerp, mode, architectuur, stedenbouw, landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur. Kenmerkend voor deze disciplines is dat ze culturele praktijken verbinden met maatschappelijke vraagstukken. Het Stimuleringsfonds ondersteunt daarnaast de culturele instellingen binnen dit domein. gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gezien de op 1 december 2015 door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verleende goedkeuring; besluit: Artikel 1. Doelstellingen deelregeling internationalisering creatieve industrie 1. Deze deelregeling is van toepassing op projecten die inhoudelijk bijdragen aan het ontwikkelen, profileren en versterken van de internationale positie van de hedendaagse Nederlandse creatieve industrie. 2. Deze deelregeling geldt in aanvulling op het Subsidiereglement Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Het in dat reglement bepaalde is van toepassing op subsidieverlening op grond van deze deelregeling, voor zover daar in deze deelregeling niet van wordt afgeweken. Artikel 2. Reikwijdte Het Bestuur kan met toepassing van deze deelregeling projectsubsidies verstrekken. Subsidies kunnen verleend worden aan projecten, die voldoende bijdragen aan de doelstelling van deze deelregeling en gericht zijn op minstens een van de volgende doelstellingen: - a. het versterken van de internationale reputatie van de hedendaagse Nederlandse creatieve industrie; - b. het bijdragen aan een veilige, rechtvaardige en t"},{"i":14218,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 15 februari 2019, nr. 2433978, houdende regels voor de aanwijzing van een keuringsdienst voor het keuren van technische hulpmiddelen waarmee onderzoekshandelingen worden verricht in een geautomatiseerd werk Gelet op [artikel 16, vierde lid, van het Besluit onderzoek in een geautomatiseerd werk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041426&artikel=16), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **besluit:** [Besluit onderzoek in een geautomatiseerd werk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041426); - b. **'technisch hulpmiddel', `korpschef’, ’technische infrastructuur', `keuringsdienst' en ‘wet':** hetgeen het [besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041426) daaronder verstaat. Artikel 2 Voor een aanwijzing als keuringsdienst in de zin van [artikel 16, tweede lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041426&artikel=16) komt in aanmerking een instelling die: - a. rechtspersoonlijkheid heeft; - b. haar zetel of een vestiging in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte heeft; - c. onafhankelijk is van degenen die bij het resultaat van de uitvoering van de taken waarvoor zij is aangewezen belang hebben; - d. beschikt over voldoende deskundigheid en outillage om de uitvoering van de taken waarvoor zij is aangewezen, naar behoren te kunnen vervullen; - e. beschikt over een behoorlijke administratie waarin de gegevens op een systematische wijze zijn vastgelegd; - f. de kwaliteit van haar organisatie, processen en werkzaamheden aantoonbaar heeft geborgd door deze onder te brengen in een gestructureerd kwaliteitssysteem. Artikel 3 De aangewezen keuringsdienst heeft als taak keuringen uit te voeren, zoals bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041426&artikel=14) en [15 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041426&artikel=15). Artikel 4 1. Een aanwijzing als keuringsdienst geldt voor ten ho"},{"i":13339,"b":"IJkregeling vloeistofmeters en vloeistofmeetinstallaties Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009069&artikel=2), en [14, derde lid, van het IJkreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009069&artikel=14); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [IJkwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009082); - b. **keuring:** de keuring, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009082&artikel=10); - c. **onderzoek tot toelating van een model:** het onderzoek, bedoeld in [artikel 11, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009082&artikel=11); - d. **herkeuring:** de herhaalde keuring, bedoeld in [artikel 11, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009082&artikel=11); - e. **toezicht:** het onderzoek, bedoeld in [artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:18); - f. **vloeistofmeter:** een meetwerktuig voor hoeveelheidsmeting van vloeistof, dat bestaat uit een metend gedeelte en een aanwijsinrichting die het volume of de massa van de vloeistof die door het metend gedeelte stroomt continu en cumulatief aanwijst; - g. **vloeistofmeetinstallatie:** een installatie die een vloeistofmeter en daarbij behorende hulpinrichtingen of toegevoegde inrichtingen omvat; - h. **EER-staat:** een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Artikel 2 1. Bij het onderzoek tot toelating van een model, de keuring, de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009082&artikel=16) en het toezicht is op vloeistofmeters en vloeistofmeetinstallaties van toepassing de door de Internationale Conferentie voor wettelijke metrologie op 8 november 1996 vastgestelde ’International Recommendation, Measuring syste"},{"i":13240,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 2 december 2022 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen (Eindejaarsregeling 2022) Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Artikel V Wijzigt de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990. Artikel VI Wijzigt de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Artikel VII Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Artikel VIII Wijzigt de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965. Artikel X Wijzigt de Uitvoeringsregeling bronbelasting 2021. Artikel XI Wijzigt de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting. Artikel XII [Artikel 5 van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027018&artikel=5) zoals dat luidde op 31 december 2022 blijft van toepassing op een schenking als bedoeld in [artikel 33a, eerste of tweede lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=33a) zoals dat luidde op 31 december 2022: - a. die uiterlijk op 31 december 2023 is gedaan; en - b. waarvoor een beroep op de verhoogde vrijstelling, bedoeld in [artikel 33, onderdeel 5°, onder c, of onderdeel 7°, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=33), zoals dat luidde op 31 december 2022 is gedaan. Artikel XIII Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel XIV Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XV Wijzigt de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XVI Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel XVII Wijzigt de Uitvoeringsregel"},{"i":13389,"b":"Instelling Commissie de laatste gulden Besluit: Artikel 1 Er is een `Commissie de laatste gulden', hierna te noemen: de Commissie. Artikel 2 De Commissie heeft tot taak de Minister van Financiën te adviseren omtrent de keuze van de beeldenaar voor een bijzondere een-guldenmunt die in 2001 wordt uitgegeven ter markering van de overgang van de gulden naar de euro in 2002. Artikel 3 Als leden van de Commissie worden benoemd: - mevrouw I.E.F.M. Boom; - de heer H. van Houwelingen; - de heer prof. R.D.E. Oxenaar; - de heer E.J. van Schouwenburg - de heer prof. drs. Jw. Schrofer; - de heer J.J.C. Sprenger; - mevrouw S.J.R.J. Zijlmans. Tot voorzitter van de Commissie, tevens lid, wordt benoemd: de heer prof. dr. J.J.M. Kremers. Artikel 4 In het secretariaat van de Commissie wordt voorzien door het Ministerie van Financiën. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de Commissie geschiedt met inachtneming van het Besluit Algemene secretarie-aangelegenheden rijksadministratie op overeenkomstige wijze op het Ministerie van Financiën. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de Commissie opgeborgen in het centraal archief van dat ministerie. Artikel 5 De Commissie bepaalt de wijze waarop zij haar taak zal uitvoeren. Artikel 6 Aan de leden van de Commissie wordt een vergoeding toegekend van f 1.000,- per bijgewoond dagdeel (inclusief reiskosten). Artikel 7 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van de datum waarop de Commissie het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011523&artikel=2&z=2000-07-26&g=2000-07-26) bedoelde advies uitbrengt. Afschrift van het besluit zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13561,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 augustus 2017, kenmerk IGZ/B&B 2017-2031244, houdende de instelling van de Klachtadviescommissie Inspectie voor de Gezondheidszorg en Inspectie Jeugdzorg Gelet op [artikel 9:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **klacht:** een klacht als bedoeld in [artikel 9:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:4); - c. **de commissie:** een klachtadviescommissie als bedoeld in [artikel 9:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14). § 2. Taak en samenstelling van de commissie Artikel 2 Er is een commissie die de inspecteur-generaal van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd desgevraagd adviseert over de afhandeling van klachten over een gedraging van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, plaatsvervangend voorzitter, tevens lid, en meerdere andere leden. 2. Op voordracht van de inspecteur-generaal van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd gezamenlijk benoemt de Minister de voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en de andere leden. 3. De voorzitter kan indien nodig andere leden als plaatsvervangend voorzitter voor een hoorzitting aanwijzen. 4. De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en de andere leden zijn niet werkzaam bij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. 5. De benoemingen gelden voor een periode van vier jaar. De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en andere leden kunnen tussentijds op eigen verzoek door de Minister worden ontslagen. Herbenoeming is m"},{"i":14546,"b":"Regeling prijsinformatie voortvloeiend uit contractafspraken Vastgesteld op 10 januari 2012 Ingevolge [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van contractafspraken tussen verzekeraars en zorgaanbieders. 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgverzekeraars die zorg afnemen van 2. Doel van de regeling Deze regeling stelt voorschriften ten aanzien van de verstrekking van gegevens aan de NZa over de contractafspraken die tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders zijn afgesloten. De op deze manier ontvangen gegevens worden gebruikt ten behoeve van de marktonderzoekstaken van de NZa. 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 4. Prijsinformatie voortvloeiend uit contractafspraken Een zorgverzekeraar die één of meerdere prestaties (zijnde DBC-zorgproducten in het A- of B-segment of overige zorgproducten) heeft gecontracteerd bij één of meerdere zorgaanbieders, levert voor het eind van de maand de prijsinformatie uit deze contractafspraken aan de NZa. De prijsinformatie omvat: 5. Wijze van gegevensverstrekking De zorgverzekeraar maakt voor de opgave van de gegevens als bedoeld in artikel 4 gebruik van het door de NZa beschikbaar gestelde bestandformaat en bevat één voorloopregel, één sluitregel en daartussen voor elke afgesproken prijs een detailregel met de volgende velden: Het hiervoren bedoelde formaat is opgenomen in de bijlage bij deze regeling en is beschikbaar gesteld op de website van de NZa (www.nza.nl). De opgave van de prijsinformatie wordt verzonden naar het NZa-webportaal. De prijsinformatie die betrekking heeft op jaar (t) dient voor het eind van elke maand van het jaar (t) aangeleverd te zijn aan de NZa. Meerjaren-afspraken dienen voor elke maand waarop deze betrekking hebben aangeleverd te worden"},{"i":14630,"b":"Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [richtlijn nr. 1999/31/EG](31999L0031) van de Raad van de Europese Unie van 26 april 1999, betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L 182), en op de [artikelen 8.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.5), [8.15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.15), [8.44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.44), [8.45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.45), [8.49, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.49), [21.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.2), en [21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6); Besluit: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Hoofdstuk II. De aanvraag om het verlenen of wijzigen van een vergunning Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Hoofdstuk III. De exploitatiefase § 1. Algemeen Artikel 8 Vervallen § 2. De aanvang van de exploitatie van de stortplaats Artikel 9 Vervallen § 3. De voorzieningen en de exploitatie van de stortplaats Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen § 4. Toezicht en controle Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Vervallen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen Artikel 23 Vervallen Artikel 24 Vervallen § 5. Registratie en verslaglegging Artikel 25 Vervallen Artikel 26 Vervallen Artikel 27 Vervallen § 6. Financiële zekerheid Artikel 28 Vervallen Artikel 29 Vervallen § 7. Het einde van de exploitatie van de stortplaats Artikel 30 Vervallen Hoofdstuk IV. De nazorgfase Artikel 31 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op"},{"i":14646,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 april 2019, nr. IENW/BSK-2019/72827, houdende vaststelling van regels voor de goedkeuring en het gebruik van tachografen alsmede de diplomaeisen van tachograaftechnici en de controle en toezichtbevoegdheden van de Dienst Wegverkeer en tot intrekking van de Regeling controleapparaten 2005 (Regeling tachografen) Gelet op [artikel 2.4:12, aanhef en onderdelen f en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=2.4:12), en [artikel 2.4:13, eerste lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=2.4:13); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1. Begripsbepaling 1. In deze regeling zijn de definities van artikel 2, tweede lid, van verordening (EU) nr. 165/2014 van toepassing. 2. Onverminderd de in het eerste lid bedoelde definities, wordt in deze regeling verstaan onder: - **erkenninghouder:** natuurlijk persoon of rechtspersoon die houder is van een erkenning tachografen of een bij deze regeling daaraan gelijkgestelde erkenning; - **erkenning tachografen:** erkenning als bedoeld in [artikel 2:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137&hoofdstuk=2&artikel=2:1&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **installatieplaatje:** bewijs dat de tachograaf in overeenstemming met de verordening (EU) nr. 165/2014 is geïnstalleerd; - **tachograaftechnicus:** houder van een geldige bevoegdheidspas; - **bevoegdheidspas:** pas, bedoeld in [artikel 2:6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137&hoofdstuk=2&artikel=2:6&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **werkplaats:** plaats waar werkzaamheden aan tachografen uitgevoerd worden; - **werkzaamheden:** installeren, controleren, inspecteren of repareren van tachografen; - **zegelnummer:** uniek identificatienummer van het zegel als bedoeld in artikel 5.3 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2016/799; - **kenmerkteken werkplaats:** speciaal merkteken als bedoeld in als bedoeld in artikel 22, derd"},{"i":14880,"b":"Regeling van Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 juli 2014 houdende regels aangaande het vervoer van justitiabelen (Regeling vervoer van justitiabelen) Gelet op de [artikelen 15, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=15), en [26, zesde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=26), de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=11) en [28, derde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=28) en de [artikelen 11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=11), en [50, zesde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=50); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen en begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **justitiabelen:** gedetineerden, jeugdigen, ter beschikking gestelden of anderszins verpleegden; - b. **inrichting:** een inrichting als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=1), [artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=1) of [artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=1); - c. **medisch transport:** het transport van justitiabelen, bedoeld in de [artikelen 42, vierde lid, onder c, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=42), [41, vierde lid, onder c, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=41) en [47, vierde lid, onder c, van de Beginselenwet justitiële jeugdinricht"},{"i":14881,"b":"Regeling ter implementatie van richtlijn 2010/35/EU betreffende vervoerbare drukapparatuur (Regeling vervoerbare drukapparatuur 2011) Gelet op [richtlijn nr. 2010/35](32010L0035)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2010 betreffende vervoerbare drukapparatuur en houdende intrekking van [richtlijnen 76/767/EEG](31976L0767), [84/525/EEG](31984L0525), [84/526/EEG](31984L0526), [84/527/EEG](31984L0527) en [1999/36/EG](31999L0036) van de Raad (PbEU 2010, L 165), [artikel 10a van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=10a) en [artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij:** aanbieder van een dienst zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van [Richtlijn (EU) 2015/1535](32015L1535) van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241); - –. **aangemelde instantie:** aangemelde instantie als bedoeld in artikel 2 van [richtlijn 2010/35](32010L0035)/EU; - –. **aanmeldende autoriteit:** aanmeldende autoriteit als bedoeld in artikel 2 van [richtlijn 2010/35](32010L0035)/EU; - –. **aanmelding:** aanmelding als bedoeld in artikel 2 van [richtlijn 2010/35](32010L0035)/EU; - –. **bijlagen bij richtlijn 2008/68/EG:** bijlagen als bedoeld in artikel 2 van [richtlijn 2010/35](32010L0035)/EU; - –. **conformiteitsbeoordeling:** conformiteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 2 van [richtlijn 2010/35](32010L0035)/EU; - –. **de Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - –. **distributeur:** distributeur als bedoeld in artikel 2 van [richtlijn 2010/35](32010L0035)/EU; - –. **eigenaar:** eigenaar als bedoeld in artikel 2 van [richtlij"},{"i":14882,"b":"Regeling vervoermachtigingen grensoverschrijdend eigen vervoer Overwegend dat ten behoeve van de afgifte van vervoermachtigingen, vereist op grond van bilaterale wegvervoerovereenkomsten, voor grensoverschrijdend eigen vervoer een instantie dient te worden gemachtigd, Besluit: Artikel 1 De Stichting Inschrijving Eigen Vervoer wordt gemachtigd tot afgifte van de op grond bilaterale wegvervoerovereenkomsten vereiste, door de desbetreffende autoriteiten ter beschikking gestelde, vervoermachtigingen aan de houders van een krachtens de Wet Autovervoer Goederen (Stb. 1987, 97) verleende inschrijving eigen vervoer. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van verschijning van de Nederlandse Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 1988. Artikel 3 Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling vervoermachtigingen grensoverschrijdend eigen vervoer. Deze regeling zal in de Nederlandse Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14887,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 april 2021, nr. WJZ/21076966 , houdende regels ter voorkoming van specifieke besmettelijke dierziekten of zoönosen (Regeling veterinaire maatregelen specifieke dierziekten of zoönosen) Gelet op [artikel 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.1), in samenhang met [artikel 5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.4) en [5.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.10), en op [artikel 5.7 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.7); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - **verordening (EU) nr. 2016/429:** verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidswetgeving’) (PbEU 2016, L 84); - **wet:** [Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250). 2. De begripsbepalingen van artikel 4 van verordening (EU) nr. 2016/429 zijn van toepassing. Hoofdstuk 2. Preventieve maatregelen afrikaanse varkenspest Artikel 2.1. Grondslag Dit hoofdstuk berust op verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidswetgeving’) (PbEU 2016, L 84), [uitvoeringsverordening (EU) 2023/594](32494R2023) van de Commissie van 16 maart 2023 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding Afrikaanse varkenspest en tot intrekking van [uitvoeringsverordening (EU) 2021/605](32505R2021) (PbEU 2023, L 79), en op de [artikelen 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.1), in samenhang met"},{"i":14890,"b":"Regeling vissersvaartuigen Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen en met de Minister van Vervoer en Communicatie van Aruba; Gelet op de [artikelen 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=3.4), [4.3, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=4.3), [4.18, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=4.18),[5.22, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=5.22), en [6.14, zevende lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=6.14); Besluit: § 1. Aanvullende voorschriften voor de boomkorvisserij Artikel 1.1 Deze paragraaf is van toepassing op vissersvaartuigen waarmee de boomkorvisserij wordt uitgeoefend. Artikel 1.2 1. De luikopeningen, bedoeld in [artikel 3.3 van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=3.3), zijn zodanig aangebracht dat bij een hellingshoek van 30° of minder geen buitenboordswater de onder het bovendek gelegen ruimten kan binnendringen indien deze luiken geopend zijn. 2. Het eerste lid geldt niet indien aan het bepaalde in [artikel 3.2, eerste lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=3.2) omtrent de stabiliteit nog steeds wordt voldaan wanneer die ruimten geheel of gedeeltelijk vervuld zijn geraakt. Artikel 1.3 Tijdens het vissen worden de volgende maatregelen genomen: - a. de nokken van de gieken worden zo laag mogelijk gehouden, en - b. een vastgelopen tuig wordt niet losgetrokken aan een over het uiteinde van de giek lopende vislijn. Artikel 1.4 De inrichting van het vaartuig en de tuigage van de gieken zijn zodanig uitgevoerd dat de gieken in getopte stand zeevast kunnen worden gezet. Artikel 1.5 1. De vislijnen worden gescheerd door geleideblokken die nabij het scheepsboord permanent zijn opgesteld, en vervolgens doo"},{"i":14893,"b":"Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen) Gelet op de [artikelen 21, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), [22, eerste, derde, vierde, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22), [22a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22a), [23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=23), [25a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=25a), [25b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=25b), [25c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=25c), [25e, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=25e), [26, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=26), [30, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=30), [31, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=31), [34, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=34), [58, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=58), [60, eerste lid, onderdeel c, derde lid, vijfde lid, onderdeel c, en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=60), [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71), [71a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71a), [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=72), [75, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=75), [76, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=76), [81, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=81), [83, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=83), [84, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=84), [85a, vierde en vijfde lid](https:"},{"i":5183,"b":"Regeling aanvraag autorisatie classificatiecode vuurwerk Gelet op [artikel 49, tweede lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=49) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2) en [5 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=5); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bevoegde autoriteit:** Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), als de erkende instantie die is aangewezen voor randnummer 2.2.1.1.7.2 van het ADR, het ADN en het RID; - b. **defaultlijst:** lijst van geclassificeerd vuurwerk, vastgesteld door het UN Subcommittee of Experts on the Transport of Dangerous Goods, zoals opgenomen in de tabel onder randnummer 2.2.1.1.7.5 van het ADR, ADN of RID; - c. **vuurwerk:** al het vuurwerk vallende onder de UN-nummers 0333, 0334, 0335, 0336, 0337 en 0431. Artikel 2 1. Deze regeling is van toepassing op de autorisatie van de classificatiecode van vuurwerk, voorafgaand aan het vervoer daarvan over land, spoor en binnenwateren binnen Nederland. 2. Deze regeling is niet van toepassing op vuurwerk dat reeds is geautoriseerd door een lidstaat, aangesloten bij het ADR, ADN of RID. Artikel 3 1. De aanvraag voor een autorisatie van de classificatiecode van vuurwerk wordt voor aanvang van het vervoer ingediend bij de bevoegde autoriteit. 2. De vergoeding voor het in behandeling nemen van een verzoek tot autorisatie en het in verband met de beoordeling van de aanvraag uit te voeren onderzoek wordt door de bevoegde autoriteit in rekening gebracht bij de aanvrager. 3. De in het tweede lid bedoelde kosten zijn verschuldigd aan de bevoegde autoriteit. Artikel 4 De aanvraag om autorisatie van de classificatiecode van vuurwerk gaat vergezeld van de volgende gegevens en bescheiden: - a. naam van het vuurwerk; - b. artikelnummer van het vuurwerk; - c. kaliber van het vuurwerk"},{"i":14980,"b":"Reglement rechtstoestand tewerkgestelden Overwegende, dat het wenselijk is de rechtspositie van tewerkgestelde erkende gewetensbezwaarden op onderdelen meer in evenwicht te brengen met de ter zake geldende regelen voor dienstplichtige militairen en deze rechtspositie meer te doen aansluiten op de feitelijke omstandigheden waaronder de tewerkstelling plaatsvindt; Overwegende, dat daartoe de Beschikking gewetensbezwaren militaire dienst (Besluit van de minister van Sociale Zaken van 8 februari 1978, Stcrt. 381Laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 18 december 1991, Stcrt. 248) dient te worden ingetrokken en een nieuwe regeling dient te worden vastgesteld; Gelet op [artikel 59 van het Besluit gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002465&artikel=59) (Stb. 1980, 5)2Laatstelijk gewijzigd bij besluit van 21 juni 1991, Stb. 295; Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen Artikel 1. **Begripsbepalingen** In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. **Administratieve gegevens** De tewerkgestelde is verplicht aan de Directie TEGMD zo spoedig mogelijk, schriftelijk en met vermelding van datum van ingang, opgave te doen van wijziging van: - a. zijn burgerlijke status; - b. zijn woonadres; - c. zijn gezinssamenstelling, zo hij een levenspartner heeft; - d. de naam en het woonadres van de door hem opgegeven persoonlijke relatie. Artikel 3. **Plaats van tewerkstelling** De tewerkstelling vindt in Nederland plaats. Op verzoek van het hoofd van dienst kan de minister toestaan, dat de tewerkgestelde voor ten hoogste 4 weken werkzaamheden, die deel uitmaken van de tewerkstelling, verricht op de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel anderszins buiten Nederland, doch binnen Europa. Onder werkzaamheden wordt mede begrepen de heen- en terugreis tussen Nederland en het desbetreffende land. Artikel 4. **Aanvullende werking voorschriften voor werknemers** De voorschriften, die bij de dienst voor werknemers bestaan, gelden, voor zover zij"},{"i":15047,"b":"Standards Forensic Pathology (007.1) Part I. General Introduction to Standards § 1. Background to and aim of the Standards Reporting forensic experts play a crucial role in the administration of justice. The NRGD aims to ensure justified confidence in forensic expertise for stakeholders. This confidence must be based on the demonstrable independently safeguarded quality of forensic investigators and their reports on the basis of (inter)national forensic-specific standards. The NRGD is managed by the Board of Court Experts (hereinafter: Board). The Board’s core task is to rule on the applications for registration or repeat registration in the register of the NRGD (register). To that end the Board first defines the field of expertise. This is important in order to inform applicants, assessors and users of the register (e.g. judge, public prosecutor and attorney) about the activities an expert in the field of expertise in question engages in and about the activities that fall outside the field of expertise. The demarcation of the field of expertise is set out in Part II of these Standards. The Board also determines the criteria on the basis of which an assessment is made for each field of expertise as to whether an application complies with the quality requirements. The generic requirements are set out in the Register of Court Experts in Criminal Cases Decree ([Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190)). These requirements are elaborated further for each field of expertise. This elaboration is set out in Part III of these Standards. Furthermore the Board determines the assessment procedure. This procedure is described in Part IV of these Standards. The NRGD has a system of periodic repeat registration. Court experts must demonstrate every five years that they still meet the requirements in force at that time. The Standards are dynamic and are being developed further in order to enhance the quality of the experts. These"},{"i":15096,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 maart 2026, nr. WJZ/62266938, houdende de taakverdeling tussen de Minister en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Taakverdelingsbesluit OCW 2026) Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3) (Stb. 1951, 24) houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris; Onder intrekking van het [Taakverdelingsbesluit OCW 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051502); **Besluit:** De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw drs. J.Z.C.M. Tielen, is met ingang van 23 februari 2026 en binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid in het bijzonder belast met de behandeling van aangelegenheden die op het terrein liggen van: De verantwoordelijkheid van de staatssecretaris omvat ook de begrotingsverantwoordelijkheid en het toezicht van de inspectie op deze terreinen, EU-zaken en OJC-zaken, alsmede de verantwoordelijkheid voor aangelegenheden die direct met die terreinen zijn verbonden. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kan daarnaast met andere door de minister aan te wijzen onderwerpen worden belast. Voorts mag de staatssecretaris zich bij de uitoefening van haar taken – met inachtneming van de daarbij geldende grondwettelijke conventies en voor zover de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) dat toelaat – ook **Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie** noemen. Dit besluit kan worden aangehaald als: Taakverdelingsbesluit OCW 2026. Dit besluit zal worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":4529,"b":"Circulaire verhoging toelagen voor volksvertegenwoordigers per 1 juli 2019 en 1 januari 2020 Inleiding Door middel van deze circulaire wordt u geïnformeerd over de verhoging van een viertal vergoedingen voor volksvertegenwoordigers in de provincies, gemeenten en waterschappen per 1 juli 2019 en 1 januari 2020. De formele wijziging van deze bedragen heeft reeds plaatsgevonden door middel van een ministeriële regeling van 6 februari 2019.1Stc. 2019 nr. 7580, 14 februari 2019. Het betreft een verhoging van de toelage van een lid van een vertrouwenscommissie en rekenkamerfunctie, de toelage van een lid van een bijzondere commissie en de toelage van een fractievoorzitter. Daarnaast is er de verhoging van de vergoeding voor de verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden voor de tijdelijke vervanger van een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap. De verhoging van de bedragen houdt verband met de totstandkoming van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2018-2020. Als gevolg hiervan vindt er een verhoging van de salarissen van de medewerkers in de sector Rijk plaats per 1 juli 2018, 1 juli 2019 en 1 januari 2020. Hiermee verhogen ook de bedragen van bepaalde vergoedingen van bestuurders en volksvertegenwoordigers in de provincies, gemeenten en waterschappen. Over de verhoging van de bedragen voor de bestuurders bent u eerder, door middel van de circulaires van 9 augustus 2018 en 29 november 2018, geïnformeerd. De in de voorliggende circulaire genoemde toelagen voor volksvertegenwoordigers worden nu, na de inwerkingtreding van het nieuwe [Rechtspositiebesluit voor decentrale politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522), eveneens geïndexeerd overeenkomstig de salarisverhoging in de sector Rijk. Omdat het nieuwe rechtspositiebesluit voor de gemeenten per 1 januari 2019 en voor de provincies en de waterschappen per 28 maart 2019 in werking trad, heeft de verhoging van de salarissen in de sector Rijk per 1 juli 2018"},{"i":12829,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Kiwa over de periode vanaf 1996 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 januari 2012, nr. aca-2011.06289/5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen waarvoor Kiwa N.V. door de overheid is gemandateerd, over de periode vanaf 1996’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":9225,"b":"Samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Islamitische Republiek Afghanistan, anderzijds het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](onbekend) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](onbekend), hierna „de lidstaten” genoemd, en De Europese Unie, hierna „de Unie” of „de EU”, enerzijds, en De Islamitische Republiek Afghanistan, hierna „Afghanistan” genoemd, anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, Opnieuw bevestigend hun engagement voor de soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van Afghanistan; Opnieuw bevestigend hun gehechtheid aan de beginselen van het internationaal recht, de doelstellingen en beginselen van het [Handvest van de Verenigde Naties](onbekend), de internationale verdragen en de resoluties van de VN-Veiligheidsraad; Erkennend de historische, politieke en economische banden tussen de partijen; Bevestigend hun verlangen de samenwerking op te drijven op basis van gedeelde waarden en tot wederzijds voordeel; Overwegende de gedeelde beleidsdoelstellingen, waarden en verbintenissen van de partijen, met inbegrip van de eerbiediging van de democratische beginselen, de rechtsstaat, de mensenrechten en goed bestuur; Erkennend dat deze beginsele"},{"i":15245,"b":"Uitvoeringsregeling Wob EZ Besluit: Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Register Artikel 2 1. Er is een register waarin worden opgenomen: - a. de onder verantwoordelijkheid van de minister werkzame instellingen, diensten en bedrijven; - b. de niet-ambtelijke adviescommissies. 2. Het register vermeldt de namen, adressen en informatiepunten van de instellingen, diensten en bedrijven. 3. Het register ligt voor een ieder ter inzage bij de directie Voorlichting. 4. Met het bijhouden van het register is belast het hoofd van de directie Voorlichting. Gemachtigd ambtenaar Artikel 3 Als gemachtigd ambtenaar wordt aangewezen de plaatsvervangend secretaris-generaal en bij diens afwezigheid of ontstentenis de secretaris-generaal. Informatiepunten Artikel 4 1. Het informatiepunt binnen het ministerie is de medewerker van de directie Voorlichting die belast is met de uitvoering van de wet. 2. De informatiepunten voor de in het register vermelde instellingen, diensten en bedrijven worden aangewezen door de leiding daarvan. Hoofdstuk II. Informatie op verzoek Artikel 5 1. Het behandelen van verzoeken om informatie en vragen daaromtrent geschiedt door de directie Voorlichting, voor zover het niet door de minister zelf geschiedt, of door hem in bepaalde gevallen aan anderen is opgedragen. 2. Het in het eerste lid gestelde doet geen afbreuk aan de uit de normale taakuitvoering voortvloeiende plicht van de ambtenaar om aan particuliere personen en instanties met wie hij door zijn functie in contact komt, informatie op verzoek te verschaffen over de daar-bij aan de orde zijnde aangelegenheden. 3. De in het tweede lid bedoelde ambtenaren leiden een verzoek om informatie ter beslissing door naar de directie Voorlichting indien zij: - a. van oordeel zijn dat het verzoek op grond van de bij of krachtens de wet gestelde regels niet kan worden ingewilligd en de beslissing schriftelijk dient te worden meegedeeld; - b. weten of redelijkerwijs kunnen vermoede"},{"i":15293,"b":"Vaartuigenwet 1930 BES Artikel 1 Onverminderd de voorschriften in bestaande wettelijke regelingen voorkomende, wordt steeds door den havenmeester, de loodsen en hulploodsen en door de politie, ieder voor zooveel betreft het gebied, waarvoor hij is aangesteld, een scherp toezicht uitgeoefend op de bewegingen van alle vaartuigen van wat aard of grootte ook, in de havens en baaien en in de territoriale wateren rond Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 De eigenaar van een zeil-, motor- of visschersvaartuig, dat in een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba te huis behoort, is verplicht te zorgen, dat het vaartuig voorzien zij van een letter en een nummer, onderscheidenlijk aangevende het openbaar lichaam, waar het vaartuig te huis behoort (te weten: B. voor Bonaire; S. voor Saba; E. voor Sint Eustatius) en het nummer, waaronder het vaartuig, op aangifte door of vanwege den eigenaar, door of namens de betrokken gezaghebber is ingeschreven. Letter en nummer worden aan stuur- en bakboord op den boeg van het vaartuig gevoerd, en, indien het vaartuig zeilen heeft , tevens aan weerszijden van het grootzeil; letter en nummer moeten elk ten minste 3 d.m. hoog zijn en in witte kleur op donkeren ondergrond of in zwarte kleur op lichten ondergrond, en aan weerszijden van het grootzeil in zwarte kleur aangebracht zijn. Artikel 3 Onverminderd de voorschriften inzake nationaliteit van zeeschepen zoals die gelden in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is de eigenaar van een vaartuig als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028292&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), indien het een naam voert, verplicht te zorgen, dat deze aan weerszijden van den boeg en op den achtersteven met duidelijk waarneembare letters aangebracht zij. Artikel 4 Het is verboden als schipper met een vaartuig als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028292&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), van een der openbare licham"},{"i":15476,"b":"Verordening op de praktijkopleidingen Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5), [19, tweede lid, aanhef en onderdeel j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19), [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=47), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=48) en [49 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49); Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aantekening:** aantekening als bedoeld in [artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=36); - –. **accountant:** een accountant als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - –. **accountantsregister:** accountantsregister als bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=36); - –. **fraude:** opzettelijk handelen of nalaten van een trainee, waardoor het vormen van een juist oordeel over zijn kennis, inzicht en vaardigheden geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt gemaakt; - –. **kernvakgebieden:** kernvakgebieden als genoemd in [paragraaf 3.3 van het Besluit tot vaststellen van de (gewijzigde) Eindtermen accountantsopleiding 2016](onbekend); - –. **praktijkopleiding AA:** praktijkopleiding passend bij een inschrijving in het accountantsregister met vermelding van de titel Accountant-Administratieconsulent; - –. **praktijkopleiding RA:** praktijkopleiding passend bij een inschrijving in het accountantsregister met vermelding van de titel Registeraccountant; - –. **trainee:** een natuurlijk persoon welke de praktijkopleiding AA of de praktijkopleiding RA volgt; - –. **wet:** [Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573). Hoofdstuk 2. De Raad"},{"i":6466,"b":"Besluit van 25 oktober 2016 tot wijziging van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders in verband met de aanpassing van de indexeringsbepaling, alsmede tot wijziging van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering, het Besluit verklaring derdenbeslag en het Besluit op het notarisambt, in verband met herstel van enkele gebreken Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 28 september 2016, nr. 804639; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=2), de [artikelen 434a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=434a), [475, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475), en [476b, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=476b), [artikel 320, zesde lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=320), [artikel 48d, eerste lid, van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48d), en [artikel 103, vijfde lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=103); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 oktober 2016, nr. W03.16.0297/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 24 oktober 2016, nr. 2006352; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Artikel II Wijzigt het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Artikel III Wijzigt het Besluit verklaring derdenbeslag. Artikel IV Wijzigt het Besluit op het notarisambt. Artikel V De tarieven die golden op grond van het [Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012638), zoals dat luidde voor 1 november 2016, blijven van toepassing met betrekking tot de vergoeding van ambtshandelingen d"},{"i":15563,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 oktober 2019, kenmerk 1574427-194610-OBP, houdende vaststelling van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS (Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019) Gezien het [Organisatiebesluit VWS 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040606); Gehoord het advies van de departementale ondernemingsraad; Besluit: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **ministerie:** het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **dienstonderdelen kernministerie:** de in [artikel 3, tweede lid, onder a tot en met e, van het Organisatiebesluit VWS 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045133&artikel=3) genoemde beleidsdirecties, stafdirecties, facilitaire diensten en eenheden; - d. **diensten en instellingen:** de in [artikel 4 van het Organisatiebesluit VWS 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045133&artikel=4) genoemde diensten en instellingen van het ministerie; - e. **secretariaten van raden en commissies:** de in [artikel 5 van het Organisatiebesluit VWS 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045133&artikel=5) genoemde secretariaten van raden en commissies van het ministerie; - f. **hoofd van dienst:** de functionaris die is belast met de leiding van een onderdeel van het ministerie als bedoeld onder c tot en met e. - g. **kernministerie:** de onderdelen van het ministerie, genoemd in [artikel 2, aanhef en a tot en met e en g, van het Organisatiebesluit VWS 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045133&artikel=2); - h. **ondervolmacht:** de volmacht die een gevolmachtigde aan een ander verleent; - i. **portefeuillehouder:** de functionaris onder wie onderdelen van het ministerie als bedoeld onder c tot en met e ressorteren; - j. **ressorteren:** in eerste instantie vallend onder het gezagsdomein van de betreffende functionaris,"},{"i":15564,"b":"Volmachtregeling VWS Besluit: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** - Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **rechtshandeling:** privaatrechtelijke rechtshandeling; - c. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de Minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - d. **gevolmachtigde:** degene aan wie volmacht is verleend; - e. **volmachtgever:** degene die volmacht verleent; - f. **raamovereenkomst:** een overeenkomst met een of meer ondernemers met het doel gedurende een bepaalde periode de voorwaarden betreffende te plaatsen opdrachten vast te leggen, met name wat betreft prijs en, in voorkomend geval, de beoogde hoeveelheid; - g. **budget:** - budget als bedoeld in artikel 1 van het Organisatiebesluit VWS 2025. Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen Artikel 2 1. De volmachtgever blijft bevoegd de bevoegdheid waar de volmacht betrekking op heeft uit te oefenen. 2. De volmachtgever kan de volmacht te allen tijde intrekken. Artikel 3 1. De volmachtgever kan ter zake van de uitoefening van de gevolmachtigde bevoegdheid zowel algemene als bijzondere aanwijzingen geven. 2. De gevolmachtigde verschaft de volmachtgever op diens verzoek inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheid. Artikel 4 Een door de gevolmachtigde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid verrichte rechtshandeling geldt als een rechtshandeling van de volmachtgever. Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Bij de uitoefening van de volmacht vermeldt de gevolmachtigde, indien mogelijk schriftelijk, namens welke bewindspersoon de rechtshandeling wordt verricht. Artikel 7 1. Bij afwezigheid of verhindering van een gevolmachtigde wordt, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid tot het verrichten van de rechtshandeling uitgeoefend door de plaatsvervanger, met uitzondering van de bevoegdheid tot het verlenen, het wijzigen of intrekken van een ondervolmacht. 2. Indien een gevolmachtigde geen plaatsvervanger heeft"},{"i":14906,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 28 augustus 2020, nr. VO/5375953, houdende regels voor de voorzieningenplanning bij scholen in het voortgezet onderwijs (Regeling voorzieningenplanning vo 2020) Gelet op de [artikelen 64, derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=64), [64a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=64a), [67, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=67), [67a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=67a), [68, eerste, derde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=68), [71, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=71), [72, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=72), [72a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=72a), en [76 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=76); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanvrager:** bevoegd gezag dat bij de minister een aanvraag indient voor bekostiging van een openbare of een bijzondere school; - –. **BAG:** basisregistratie adressen en gebouwen als bedoeld in de [Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466); - –. **basisgeneratie:** het gemiddelde van het aantal leerlingen in de leeftijd van 12 en 13 jaar, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek; - –. **belangstellingsmeting:** belangstellingsmeting als bedoeld in [artikel 4.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.6); - –. **bovenbouw:** twee laatste leerjaren van het vbo, mavo of havo, of de drie laatste leerjaren van het vwo; - –. **DUO:** Dienst Uitvoering Onderwijs; - –. **minister:** Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; - –. **onderbouw:** eerste"},{"i":15580,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het eenvoudiger in de handel brengen van biociden in verband met de uitbraak COVID-19 (Vrijstelling eenvoudig in de handel brengen desinfectiemiddelen COVID-19 2020) Handelende in overeenstemming met de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gezien het verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 april 2020 (kenmerk 1666969-203603-PG) tot vrijstelling van de in de toelating opgenomen specificaties voor productielocaties, verpakkingen en etiketten voor het op de markt aanbieden van in Nederland toegelaten desinfectiemiddelen, evenals voor het op de markt aanbieden van gebruiksklare oplossingen van geconcentreerde desinfectiemiddelen, voor professioneel gebruik in de zorg ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS- CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van desinfectiemiddelen die de werkzaamheden in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, vijfde lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval voor het op de markt aanbieden van in Nederland toegelaten middelen voor desinfectie: - 1. in verpakkin"},{"i":15592,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 21 mei 2014, nr. WJZ/13163215, houdende het vaststellen van een vrijstelling voor de verkoop van ongesorteerde eieren (Vrijstellingsregeling verkoop ongesorteerde eieren) Gelet op bijlage VII, deel VI, artikel I, onderdeel 2, van de verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013 L 347), [artikel 10.1., eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.1); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **eieren:** eieren als bedoeld in artikel 2, onder g, van [verordening (EU) 2023/2465](32023R2465); - **eiermerksysteem:** technische hulpmiddelen die worden gebruikt voor het merken van eieren als bedoeld in bijlage VII, deel VI, onderdeel III, van [verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308); - **eindverbruiker:** een eindverbruiker als bedoeld in artikel 2, onder q, van [verordening (EU) 2023/2465](32023R2465); - **pakstation:** een pakstation als bedoeld in artikel 2, onder p, van [verordening (EU) 2023/2465](32023R2465); - **producentencode:** de producentencode bedoeld in artikel 2, onder r, van [verordening (EU) 2023/2465](32023R2465); - **productie-inrichting:** een productie-inrichting als bedoeld in artikel 2, onderdeel o, van [verordening (EU) 2023/2465](32023R2465); - **verordening (EU) nr. 1308/2013:** [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EEG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbE"},{"i":15596,"b":"Vrijstellingsregeling proviandering binnenvaart Gelet op [artikel XIV van de Wet van 17 december 1998 tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1999)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010137&artikel=XIV); Besluit: Artikel 1 Deze regeling verstaat onder sigaretten, sigaren, rooktabak, bier, wijn, tussenproducten, overige alcoholhoudende producten en lidstaat, hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251). Artikel 2 1. De in [artikel XIV van de Wet van 17 december 1998 tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1999)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010137&artikel=XIV) bedoelde vrijstellingen voor goederen die worden gebruikt aan boord van schepen in het verkeer naar een andere lidstaat over de binnenwateren, worden voor zover het betreft de hierna genoemde goederen, beperkt tot de daarbij aangegeven hoeveelheden. 2. Indien de bestemming van het schip is gelegen in België, Luxemburg, de Duitse deelstaat Nordrhein Westfalen of de deelstaat Niedersachsen, voor zover het betreft het ten westen van de rivier de Weser gelegen grondgebied daarvan alsmede de steden Bremen of Bremerhafen, bedragen de in het eerste lid bedoelde hoeveelheden: - a. voor tabaksproducten: sigaretten: 200 stuks of cigarillo’s (sigaren die per stuk niet meer wegen dan 3 gram): 100 stuks of sigaren: 50 stuks of rooktabak: 250 gram of een proportioneel assortiment van deze onderscheiden producten; - b. voor bier, wijn, tussenproducten en overige alcoholhoudende producten: bier: 8 liter of wijn: 2 liter alsmede tussenproducten: 2 liter of overige alcoholhoudende producten: 1 liter. 3. Indien de bestemming van het schip is gelegen in een andere lidstaat dan Nederland, België of Luxemburg, dan wel indien de bestemming is gelegen in een ander gebied in de Bondsrepubliek Duitsland dan omschreven in het tweede lid, bedragen de in het eerste lid bedoelde hoeveelheden het tweevoud van de in het"},{"i":15610,"b":"Besluit van 22 september 1999, houdende het Warenwetbesluit Smeerbare vetproducten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 april 1999, nr GZB/VVB 991504, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op de [verordening (EG) nr. 2991/94](31994R2991) van de Raad van de Europese Unie van 5 december 1994 tot vaststelling van normen voor smeerbare vetprodukten (PbEG L 316); Gelet op [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [artikel 8, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), en [artikel 13 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13) alsmede op artikel II, eerste lid, van de Wijzigingswet 1988 Warenwet jo. [artikel 14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) (Stb. 1935. 795); Gezien het advies van de Adviescommissie Warenwet (19-9-95, 14 907/(13)5), het advies van het Regulier Overleg Warenwet (16-11-1998, GZB/ROW/985449) en de brief van de Voedingsraad van 12 oktober 1995 (951012/01); De Raad van State gehoord (advies van 5 juli 1999, no.W13.99.0208/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 september 1999, nr GZB/VVB 993379, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bak- en braadproducten:** waren die voornamelijk bestaan uit een mengsel van niet of slechts ten dele van melk afkomstige oliën en vetten, en aangeduid als geschikt of bestemd voor bakken en braden, met een vetgehalte van ten minste 90%, met uitzondering van oliën en vetten als zodanig; - **verordening (EU) 1308/2013:** Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement"},{"i":15612,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 november 2005, nr. VGP/P&L 2626666, houdende regels betreffende algemene productveiligheid Gelet op [richtlijn nr. 2001/95/EG](32001L0095) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 2001 inzake de algemene productveiligheid (PbEG L11); Gelet op de [artikelen 21a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=21a), en [21b, derde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=21b); Besluit: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Deze regeling treedt in werking op 1 december 2005. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling algemene productveiligheid. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 3a De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit wordt aangewezen als autoriteit belast met de controle op producten die de markt van de Unie binnenkomen als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van [verordening (EU) 2019/1020](32019R1020). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15617,"b":"Warenwetregeling Diepgevroren levensmiddelen handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op de richtlijnen van de Commissie van 13 januari 1992 betreffende de temperatuurcontrole in vervoermiddelen en in opslagruimten van voor menselijke voeding bestemde diepvriesprodukten (92/1/EEG) (PbEG L 34) en tot vaststelling van de monsternemingsprocedure en de communautaire analysemethode voor de officiële controle van de temperatuur van diepvriesprodukten die voor de menselijke voeding zijn bestemd (92/2/EEG) (PbEG L 34), alsmede op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005758&artikel=14) en [18, tweede lid, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005758&artikel=18): Gezien de adviezen van de Adviescommissie [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) van 23 september 1992, nummer 14565/(4/6)5, en van 3 november 1992 nummer 14615/(4/6)5; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **diepvriezen:** het bevriezingsproces waardoor zo snel als nodig is de maximale kristallisatiezone wordt overschreden, met het gevolg dat na thermische stabilisatie de temperatuur overal in de waar zonder onderbreking gehandhaafd blijft op –18 °C of lager; - b. **diepgevroren levensmiddelen:** diepgevroren eet- of drinkwaren, andere dan consumptie-ijs, die verhandeld worden op een wijze waaruit blijkt dat zij dat kenmerk bezitten; - c. **grondstoffen:** grondstoffen, halffabrikaten en ingrediënten bestemd voor de bereiding van eet- en drinkwaren; - d. **instellingen:** restaurants, ziekenhuizen, kantines en andere soortgelijke instellingen. - e. **verordening (EU) 1169/2011:** Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van [Verordeningen (EG) nr. 1924/2006]"},{"i":15626,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 mei 2016, 2016-0000111975, houdende vaststelling van de Warenwetregeling informatie- en rapportagebepalingen SZW-besluiten en tot wijziging van de Warenwetregeling machines en de Warenwetregeling persoonlijke beschermingsmiddelen (Warenwetregeling informatie- en rapportagebepalingen SZW-besluiten) Gelet op [artikel 13, tweede lid, van het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037644&artikel=13), [artikel 13, tweede lid, van het Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037646&artikel=13), [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037650&artikel=14), en [29, tweede lid,van het Warenwetbesluit liften 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037650&artikel=29), [artikelen 6ge, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005577&artikel=6ge), en [6hd van het Warenwetbesluit machines](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005577&artikel=6hd) en [artikel 6h van het Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005570&artikel=6h); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Conformiteitsbeoordelingsinstantie: conformiteitsbeoordelingsinstantie, genoemd in artikel 2 van [verordening (EG) nr. 765/2008](32008R0765) van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van [Verordening (EEG) nr. 339/93](31993R0339) (PbEU 2008, L 218); - **Minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2. Informatie over non-conformiteit 1. De minister informeert de nationale accreditatie-instantie zo spoedig mogelijk over non-conformiteit op de criteria voor aanwijzing die voor de minister aanleiding kan zijn tot het schorsen, het intrekken of het beperken van de"},{"i":15643,"b":"Warenwetregeling Verontreinigingen in levensmiddelen Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op: artikel 2 van [verordening (EEG) nr. 737/90](31990R0737) van de Raad van de Europese Unie van 22 maart 1990 betreffende de voorwaarden voor de invoer van landbouwproducten van oorsprong uit derde landen ingevolge het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl (PbEG L 82), artikel 2, tweede lid, van [verordening (EG) nr. 194/97](31997R0194) van de Commissie van 31 januari 1997 tot vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PbEG L 31), [richtlijn nr. 98/53/EG](31998L0053) van de Commissie van 16 juli 1998 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PbEG L 201), [artikel 12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010269&artikel=12&z=2024-02-07&g=2024-02-07), en 13, van het [Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005758), alsmede [artikel 1 van het Residubesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002449&artikel=1); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1158:** [Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1158](32020R1158) van de Commissie van 5 augustus 2020 betreffende de voorwaarden voor de invoer van levensmiddelen en diervoerders van oorsprong uit derde landen ingevolge het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl (PbEU 2020, L 257); - –. **kruidenpreparaat:** kruidenpreparaat, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012174&artikel=1). Artikel 2 Vervallen Artikel 3 De gezamenlijke maximale radioactiviteit van cesium 134 en 137 in eet- en drinkwaren is niet hoger dan de voor cesium 137 toegelaten waarde op grond van artikel 3, tweede lid, va"},{"i":15481,"b":"Verordening overdracht protocol Overwegende dat het gewenst is beroeps- en gedragsregels vast te stellen; Gelet op [artikel 61 lid 2 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=61); Gezien het ontwerp van het bestuur met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de kamers van toezicht; Gelet op de adviezen van de ringen; stelt de navolgende verordening vast: Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder - a. protocolhouder de notaris dan wel na defungeren de gedefungeerde notaris, of diens rechtverkrijgenden of rechtsvertegenwoordiger(s), dan wel de waarnemer benoemd in de gevallen van [artikel 28 onderdelen c, d en e Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=28) waarbij een overdracht heeft plaatsgevonden; - b. protocolontvanger: de notaris die op grond van [artikel 15 lid 1 Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=15) is aangewezen het protocol en de overige notariële bescheiden over te nemen indien een notaris overlijdt, defungeert of zich vestigt buiten net arrondissement waarin zijn plaats van vestiging is gelegen, de notaris voor wie is waargenomen na beëindiging van de waarneming als bedoeld in [artikel 28 onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=28) indien daarbij een overdracht heeft plaatsgevonden, dan wel de waarnemer benoemd in de gevallen van [artikel 28 onderdelen c. d en e Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=28) aan wie een overdracht moet plaatsvinden; - c. overdracht: de overdracht en de overname van het protocol en van de overige notariële bescheiden in de zin van [artikel 15 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=15) en [artikel 29 lid 10 Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=29). Artikel 2 De overdracht dient op ordelijke en zorgvuldige wijze te geschieden. Artikel 3 De overdrach"},{"i":15657,"b":"Werkliedenwet 1944 BES Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder ‘Onderlinge regeling’: de [Onderlinge regeling opvolging en boedelscheiding Algemeen Pensioenfonds Nederlandse Antillen en opvolging van enkele andere aanverwante regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028963). Artikel 1A In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 2 Wanneer ingevolge artikel 2, zevende lid, van de Onderlinge regeling deelgenoten van het Werkliedenpensioenfonds, de verplichtingen jegens hen en het in verband met die verplichtingen gereserveerde vermogen aan de Staat der Nederlanden zijn toegewezen en de activa en passiva van het Werkliedenpensioenfonds zijn verdeeld, kunnen bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorschriften worden gegeven die noodzakelijk zijn om het recht op pensioen, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Onderlinge regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028963&artikel=2), de verplichtingen op grond van opgebouwde rechten op pensioen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Onderlinge regeling, en het recht op nabestaanden- en wezenpensioen, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Onderlinge regeling te garanderen. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 6a Vervallen Artikel 6b Vervallen Hoofdstuk II. Pensioenen Artikel 7 Vervallen Artikel 7a Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Vervallen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen Artikel 23 Vervallen Artikel 24 Vervallen Artikel 25 Vervallen Artikel"},{"i":15666,"b":"Wet van 27 oktober 2011 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer en enkele andere wetten in verband met aanpassingen in het nabestaandenpensioen, een vergoeding voor deelname van leden van de Eerste Kamer aan internationale parlementaire assemblees en enkele technische wijzigingen (Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2011) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Algemene wet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) aan te passen met betrekking tot de dekking van het nabestaandenpensioen en het schrappen van de korting op het nabestaandenpensioen bij een groot leeftijdsverschil tussen partners, in de [Wet vergoedingen leden Eerste Kame](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402)r een vergoeding op te nemen voor leden van de Eerste Kamer die deelnemen aan internationale parlementaire assemblees, en enkele technische aanpassingen aan te brengen in diverse wetten op het terrein van politieke ambtsdragers; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel II Wijzigt de Gemeentewet. Artikel III Wijzigt de Waterschapswet. Artikel IV Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel V Wijzigt de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen. Artikel VI Wijzigt de Wet rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman. Artikel VII Wijzigt de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer. Artikel VIII Wijzigt de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement. Artikel IX Wijzigt de Wijzigingswet Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement (totstandkoming Statuut leden Europees Parlement)(S"},{"i":15542,"b":"Wet van 21 december 2022 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alsmede enkele wetten van andere ministeries (Verzamelwet SZW 2023) Artikel I. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IV. [Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 7a. Artikel V. [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel VI. [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788) Wijzigt de Politiewet 2012. Artikel VII. [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424) Wijzigt de Remigratiewet. Artikel VIII. [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) Wijzigt de Wet algemene ouderdomsverzekering BES. Artikel IX. [Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387) Wijzigt de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES. Artikel X. [Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616) Wijzigt de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Artikel XI. [Wet ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952) Wijzigt de Wet ambtenaren defensie. Artikel XII. [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) Wijzigt de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel XIII. [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Artikel XIV. [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.ov"},{"i":15671,"b":"Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956 in verband met aanpassingen in een aantal fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten (Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2024) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om aanpassingen te doen in een aantal fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel V Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VI Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VII 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat [artikel II, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049126&artikel=II&z=2025-01-01&g=2025-01-01), en [artikel V, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049126&artikel=V&z=2025-01-01&g=2025-01-01), eerst toepassing vinden nadat [artikel 35a, eerste lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35a) bij het begin van het kalenderjaar 2025 is toegepast. 2. In afwijking van het eerste lid treden de [artikelen I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049126&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01), [II, onderdeel A, onder 0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049126&artikel=II&z=2025-01-01&g=2025-01-01), en [V, onderdeel B, onder 1a, 1b en 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049126&artikel=V&z=2025-01-01&g=2025-01-01), in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VII"},{"i":15686,"b":"Wet van 14 februari 2024 houdende regels omtrent de instelling van een adviescollege voor de algehele verbetering en beheersing van ICT-projecten en informatiesystemen bij de centrale overheid (Wet Adviescollege ICT-toetsing) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een adviescollege in te stellen dat de regering en de Staten-Generaal adviseert over de risico’s en slaagkansen van ICT-projecten en informatiesystemen bij de centrale overheid en door kennisoverdracht en kennisbevordering het lerend vermogen daaromtrent bevordert; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - –. **Adviescollege:** het Adviescollege ICT-toetsing, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049412&paragraaf=2&artikel=2&z=2025-02-12&g=2025-02-12); - –. **centrale overheid:** de ministeries, de krachtens publiekrecht ingestelde zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in [artikel 4 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=4), de politie en de Raad voor de rechtspraak; - –. **ICT-project:** een project of programma, dan wel projecten of programma’s die onderlinge samenhang hebben, van de centrale overheid waarvan de kosten voor de ICT-componenten over de gehele looptijd van het project of programma ten minste € 5.000.000 bedragen; - –. **informatiesysteem:** een samenhangend geheel van gegevensverzamelingen, procedures, processen en programmatuur van de centrale overheid, alsmede de voor het informatiesysteem getroffen voorzieningen voor opslag, verwerking en communicatie; - –. **korpschef van politie:** de korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&a"},{"i":15691,"b":"Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met de herziening van de definities van gezin en middelen (Wet afschaffing huishoudinkomenstoets) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de definities van gezin en middelen te herzien met het oog op het recht op bijstand van gehuwden met meerderjarige inwonende kinderen en alleenstaande of alleenstaande ouder met meerderjarige inwonende kinderen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel II. Wijziging van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel III. Wijziging van de [Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815) Wijzigt de Wet op het consumentenkrediet. Artikel IV. Wijziging van het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel V. Wijziging van de [Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659) Wijzigt de Wet op de huurtoeslag. Artikel VI. Inwerkingtreding De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, waarbij: - a. de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031793&artikel=I&z=2012-07-18&g=2012-07-18), [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031793&artikel=III&z=2012-07-18&g=2012-07-18), [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031793&artikel=IV&z=2012-07-18&g=2012-07-18) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031793&artikel=V&z=2012-07-18&g=2012-07-18) terugwe"},{"i":15833,"b":"Wet van 9 december 2015 tot vaststelling van een algemene kinderbijslagvoorziening voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet kinderbijslagvoorziening BES) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om te komen tot een algemene kinderbijslagvoorziening voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Algemene bepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **openbaar lichaam/openbare lichamen:** de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. **SVB:** de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - d. **uitreiziger:** persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan Onze Minister, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten de openbare lichamen bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in [artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). Artikel 2. Ingezetene 1. Ingezetene in de zin van deze wet is degene die in de openbare lichamen woont. 2. Waar iemand woont wordt naar de feitelijke omstandigheden beoordeeld. Artikel 3. Kind 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder kind: eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind. 2. Als eigen kind wordt beschouwd het kind: - a. van de vrouw d"},{"i":15834,"b":"Wet van 20 september 2010 tot wijziging van de Wet Nationale ombudsman in verband met de instelling van de Kinderombudsman (Wet Kinderombudsman) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een Kinderombudsman in te stellen die zich bezig houdt met de belangen van jeugdigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet Nationale ombudsman. Artikel II Wijzigt deze wet. Artikel III Wijzigt de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet Kinderombudsman. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15945,"b":"Wet van 9 september 1992, houdende enkele rechtspositionele voorzieningen voor rampbestrijders in buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling te treffen voor enkele rechtspositionele voorzieningen voor hen die zich voorbereiden op, deelnemen aan of hebben deelgenomen aan de bestrijding van een ramp in buitengewone omstandigheden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; - b. rampbestrijdingsdienst: het deelnemen aan - 1°. het bestrijden van een ramp of een zwaar ongeval nadat de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=53) en [54 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=54) in werking zijn gesteld; - 2°. een oefening ter voorbereiding op de bestrijding van rampen en zware ongevallen in geval van buitengewone omstandigheden, aan het houden waarvan Onze Minister zijn goedkeuring heeft gehecht; - 3°. het bestrijden van een ramp of een zwaar ongeval in België onderscheidenlijk de Bondsrepubliek Duitsland naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen en ongevallen (**Trb.** 1984, 155) onderscheidenlijk de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen (**Trb.** 1988, 95); - 4°. een oefening die in België of in de Bondsrepubliek Duitsland wordt gehouden ter vo"},{"i":16000,"b":"Wet van 27 juni 2008, houdende nieuwe regels inzake tuchtrechtspraak ten aanzien van accountants (Wet tuchtrechtspraak accountants) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wet tot stand te brengen waarin het tuchtprocesrecht ten aanzien van accountants op uniforme wijze wordt geregeld en waarin voorts regels worden gesteld inzake een klachtenprocedure ten aanzien van accountants; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1) of een externe accountant die een wettelijke auditor is als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de richtlijn, die in een andere lidstaat is toegelaten tot het verrichten van controles als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de richtlijn en die beschikt over een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in [artikel 54 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=54); - b. **Autoriteit Financiële Markten** de Stichting Autoriteit Financiële Markten; - c. **betrokkene** degene jegens wie een klacht is ingediend op grond van [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024238&hoofdstuk=IV&artikel=22&z=2023-07-01&g=2023-07-01) van deze wet; - d. **beroepsorganisatie:** de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=2); - e. **het College** het College van Beroep voor het bedrijfsleven; - f. **klager** degene die jegens betrokkene een klacht heeft ingediend op grond van [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024238&hoofds"},{"i":16116,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 2 oktober 2025, nr. 54103422, houdende wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Zeeuws Archief Gelet op [artikel 94 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de Gemeenschappelijke regeling Zeeuws Archief. Artikel 2 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stemt in met het besluit tot wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Zeeuws Archief zoals voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal per 7 april 2025 (**Kamerstukken II** 36 723 en **Kamerstukken I** 36 723). Artikel 3 Het [besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 mei 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038192), nr. 926950 (Stcrt. 2016, 34033) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":16394,"b":"Wet van 21 maart 1996, houdende vaststelling van ruimere regels met betrekking tot de openingstijden van winkels Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met maatschappelijke ontwikkelingen en met de behoefte aan vermindering en vereenvoudiging van regels wenselijk is de Winkelsluitingswet 1976 te vervangen door ruimere regels met betrekking tot de openingstijden van winkels en de tijden waarop goederen, anders dan in een winkel, bedrijfsmatig aan particulieren mogen worden te koop aangeboden of verkocht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: goederen: roerende lichamelijke zaken, met uitzondering van binnenlandse en buitenlandse wettige betaalmiddelen; particulier: degene die een goed koopt anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf; winkel: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin goederen aan particulieren plegen te worden verkocht. Artikel 2 1. Het is verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben: - a. op zondag; - b. op Nieuwjaarsdag, op Goede Vrijdag na 19 uur, op tweede Paasdag, op Hemelvaartsdag, op tweede Pinksterdag, op 24 december na 19 uur, op eerste en tweede Kerstdag en op 4 mei na 19 uur; - c. op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur. 2. Het is voorts verboden op de in het eerste lid bedoelde dagen en tijden in de uitoefening van een bedrijf, anders dan in een winkel, goederen te koop aan te bieden of te verkopen aan en in rechtstreekse aanraking met particulieren. Artikel 3 1. De gemeenteraad kan bij verordening vrijstelling verlenen van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007952&artikel=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01) vervatte verboden. 2. De gemeenteraad kan bij verordening aan burgemeester en wethouders de"},{"i":16437,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 juli 2014, 642422-123511-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake bekostiging extramurale behandeling van zintuiglijk gehandicapten Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 13 mei 2014 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2013/14, 30 597, nr. 439); Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - b. **zintuiglijk gehandicaptenzorg:** zintuiglijk gehandicaptenzorg als bedoeld in [artikel 2.5a van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5a); - c. **aanwijzing mbi ggz:** [Aanwijzing inzake macrobeheersinstrument voor de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034296) van 28 november 2013 (Stcrt. 2013, 34324). Artikel 2. prestaties en tarieven De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2015 prestaties en maximumtarieven vast voor zintuiglijk gehandicaptenzorg. Artikel 3. macrobeheersbaarheid 1. De zorgautoriteit voert met ingang van 1 januari 2015 voor zorgaanbieders die zintuiglijk gehandicaptenzorg leveren een generiek macrobeheersinstrument in, en hanteert daarbij de systematiek als omschreven in de [artikelen 3 tot en met 5 van de aanwijzing mbi ggz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034296&artikel=3). 2. Het bedrag van de macrogrens wordt jaarlijks door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport per brief aan de zorgautoriteit verstrekt. Van deze aanwijzing wordt mededeling"},{"i":6353,"b":"Wijziging Besluit maaltijdvergoeding bij overwerk In de [circulaire](onbekend) van 26 maart 1993, nr. AD93/U318 (Stcrt. 63), van de Minister van Binnenlandse Zaken inzake Arbeidsvoorwaardenmaatregelen sector rijkspersoneel, is er indertijd op gewezen dat de normvergoeding voor het gebruik van een maaltijd bij overwerk (toen f 24,50, thans f 30,50) onafhankelijk is van de werkelijke uitgaven. Met nadruk is er toen opgewezen dat ‘het niet de bedoeling is dat ambtenaren de maaltijd gebruiken voor een lager bedrag dan circa f 30 (normvergoeding van f 24,50 plus besparing). Mocht dat in de praktijk stelselmatig wel gebeuren, dan zal dit in de toekomst consequenties hebben voor de hoogte van de normvergoeding. De Belastingdienst heeft in dit verband aangekondigd te controleren of de normvergoeding gelet op de werkelijke uitgaven wel het adequate niveau heeft.’ Inmiddels heeft de Belastingdienst het aangekondigde onderzoek verricht. Uit dat onderzoek bleek dat de gemiddelde uitgaven beduidend lager waren dan de toegekende vergoeding. Volgens de Belastingdienst is er daarom sprake van fiscale bovenmatigheid. In verband hiermee is [artikel 2, derde lid, onderdeel a, van het Besluit maaltijd vergoeding bij overwerk](onbekend) gewijzigd. Met ingang van 1 juli 2000 bedraagt de maaltijdvergoeding bij overwerk, voor zover een bon wordt overgelegd, een bedrag gelijk aan de gemaakte kosten minus de fiscale besparing tot ten hoogste een bedrag gelijk aan de vergoeding voor een avondmaaltijd bij dienstreizen ingevolge het [Reisbesluit binnenland](onbekend). Dit betekent voor het jaar 2000 dat vanaf 1 juli een bedrag van maximaal f 36,50 als kosten van een maaltijd voor vergoeding in aanmerking komt. Na aftrek van de fiscale besparing (van f 6,00) ontvangt de ambtenaar dan f 30,50 (overeenkomstig de dinercomponent uit de [Reisregeling binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005912)) als vergoeding. Bedragen de kosten van de maaltijd daarentegen minder dan f 36,50, bijvoor"},{"i":6438,"b":"Besluit van 11 oktober 2021 tot wijziging van het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren naar aanleiding van de evaluatie van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 10 juni 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3374832; Gelet op de [artikelen 383, zevende, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=383), [435, zevende, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=435), en [452, zevende en achtste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=452); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 juli 2021, nr. W16.21.0155/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 5 oktober 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3537370; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit kwaliteitseisen curatoren,beschermingsbewindvoerders en mentoren. Artikel II [Artikel I, onderdeel C, eerste onderdeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045699&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01), is van toepassing op de werkzaamheden van accountants ten aanzien van jaarrekeningen en jaarverslagen die worden opgesteld over de boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2021. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":14255,"b":"Regeling Festivals en Concoursen (RFC) van het Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing Artikel 1. - Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **fonds** de Stichting Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing, gevestigd te Den Haag; - b. **statuten** de statuten van het Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing gevestigd te Den Haag; - c. **commissie** de commissie die aan het Fonds een advies uitbrengt als bedoeld in artikel 8 van de statuten; - d. **festivalorganisatie** organisatie waarin statutair is vastgelegd dat het produceren van een festival of festivals de kerntaak is; - e. **concours** organisatie waarin statutair is vastgelegd dat het produceren van een concours of concoursen de kerntaak is. Waar in deze regeling festival(s) of festivalorganisatie(s) staat kan ook concours(en) worden gelezen. Artikel 2. - Doel Het doel van de subsidieregeling is om met subsidie festivalorganisaties in staat te stellen: - •. veelzijdigheid tot stand te brengen in de programmering van podiumkunsten; - •. in te zetten op het zo optimaal bereiken van (potentieel) publiek; - •. de programmering af te stemmen op een landelijke spreiding. Artikel 3. - Wie kunnen subsidie aanvragen? Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door festivalorganisaties. Artikel 4. - Verplichtingen subsidieaanvragers 1. Een aanvrager voldoet aan de volgende verplichtingen: - a. de aanvrager is in Nederland gevestigd; - b. de aanvrager bezit rechtspersoonlijkheid. 2. De aanvrager overlegt op verzoek aan het fonds: - a. een afschrift van de oprichtingsakte of statuten; - b. een afschrift waaruit de inschrijving van de aanvrager in het geldende openbaar register blijkt. Artikel 5. - Verplichtingen subsidieaanvraag 1. De aanvraag dient te voldoen aan de volgende voorwaarden: - a. het festival vindt plaats in Nederland; - b. het festival is openbaar toegankelijk; - c. het festival programmeert professioneel of semi-professioneel podiumkunstaanbod. 2. Bij de aanvraag overlegt u"},{"i":6406,"b":"Besluit van 31 maart 2016, houdende wijziging van het Besluit donorregister Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 februari 2016, kenmerk 885236-145377-WJZ; Gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=10); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 maart 2016, No.W13.16.0027/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 maart 2016, nummer 945369-145377-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit donorregister. Artikel II Vóór 1 juli 2016 aan ingezetenen als bedoeld in de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715) toegezonden donorformulieren en donorformulieren die vóór deze datum in omloop waren, kunnen ook na inwerkingtreding van dit besluit worden gebruikt om in het donorregister aantekening te maken van de wilsbeschikking van betrokkene omtrent het verwijderen van organen. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2016. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17041,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van VWS van 22 januari 2015 (kenmerk 705564-131641-J), houdende de verlening van ondervolmacht ten behoeve van het afdoen van stukken op het werkterrein van de Transitieautoriteit Jeugd, ressorterende onder de directie Jeugd Gelet op [artikel 16, tweede lid, onder b, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16); Besluiten: Artikel 1 De hieronder genoemde functionaris: - –. het hoofd van het bureau Transitie Autoriteit Jeugd, ressorterend onder de directie Jeugd; heeft in plaats van de directeur Jeugd: - –. ondervolmacht ten aanzien van stukken als bedoeld in [artikel 10 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=10) op het werkterrein van de Transitieautoriteit Jeugd tot een bedrag hoger dan € 100.000 inclusief btw. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening en werkt terug tot en met 1 december 2014. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":17957,"b":"Wet van 10 juli 2019 tot wijziging van de Wet langdurige zorg om toegang tot deze wet te bieden aan mensen die vanwege een psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg nabij Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is toegang tot de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te bieden aan mensen die vanwege een psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel Ia Wijzigt de Wet langdurige zorg. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II 1. Het CIZ stelt voorafgaand aan 1 januari 2021 op aanvraag van de verzekerde het recht op zorg vast van de verzekerde die vanwege een psychische stoornis overeenkomstig [artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.1), zoals dat artikel komt te luiden na het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042804&artikel=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van deze wet, is aangewezen op zorg. 2. Het CIZ stelt het recht op zorg, bedoeld in het eerste lid, vast in een indicatiebesluit als bedoeld in [artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.3) waarvan de geldigheidsduur ingaat op 1 januari 2021. Artikel IIa Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Indien een verzekerde ervoor kiest de zorg op grond van het indicatiebesluit als bedoeld in [artikel II, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042804&artikel=II&z=2021-01-01&g=2021-01-01), tot gelding te brengen met verblijf in een instel"},{"i":18577,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid periode 1945-1999 (Minister van Buitenlandse Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2005, nr. arc-2004.01772/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":16994,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Monumentenzorg vanaf 1965 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 april 2007, nr. arc-2007.03707/8); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Monumentenzorg over de periode vanaf 1965](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18652,"b":"Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met de invoering van de functie van officier enkelvoudige zittingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om binnen het openbaar ministerie de functie van officier enkelvoudige zittingen in te voeren en daartoe de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830) en de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel II Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel III Op de plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen en de officieren enkelvoudige zittingen die als zodanig zijn benoemd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is met ingang van de datum van benoeming het recht van toepassing zoals dit ingevolge deze wet geldt. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18556,"b":"Wet van 26 oktober 2016, houdende uitvoering van de op 28 juni 2006 te Wenen tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (Pb EU L 292) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is enige wettelijke voorzieningen te treffen teneinde uitvoering te kunnen geven aan de op 28 juni 2006 te Wenen tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (Pb EU L 292); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Overlevering tussen Nederland, enerzijds, en Noorwegen of IJsland, anderzijds vindt plaats met inachtneming van het bepaalde in: - a. de op 28 juni 2006 te Wenen tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen; - b. de door Nederland afgelegde verklaringen bij de in onderdeel a genoemde overeenkomst; - c. de [Overleveringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016664), zoals nader aangegeven in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038687&artikel=3&z=2019-11-01&g=2019-11-01), en - d. deze wet. Artikel 2 1. Overlevering wordt niet toegestaan indien het aanhoudingsbevel een strafbaar feit betreft dat: - a. naar Nederlands recht geacht wordt geheel of ten dele op Nederlands grondgebied of buiten Nederland aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig te zijn gepleegd; of - b. buiten het grondgebied van de uitva"},{"i":18553,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 juni 2018, nr. Min-Buza-2018.1422-22, tot regeling van de verblijfstermijn die aan een visum voor de toegang tot Caribisch Nederland kan worden verbonden en van de instanties waar een visum kan worden aangevraagd (Uitvoeringsregeling Rijksvisumwet) Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038494&artikel=5), en [7, derde lid, van de Rijksvisumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038494&artikel=7); Besluit: Artikel 1 Aan een visum voor de toegang tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan een verblijfstermijn van ten hoogste 90 dagen per tijdvak van 180 dagen worden verbonden. Artikel 2 In aanvulling op [artikel 7, eerste lid, van de Rijksvisumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038494&artikel=7) kan een visum op grond van die wet mede worden aangevraagd bij het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Aruba, van Curaçao of van Sint Maarten en bij het Kabinet van de Gouverneur van Aruba, van Curaçao of van Sint Maarten. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Rijksvisumwet. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2018. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten worden geplaatst."},{"i":17004,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Toezicht Verzekeringsbedrijf vanaf 1940 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 februari 2008 (nr. bca-2008.04435/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Toezicht Verzekeringsbedrijf over de periode vanaf 1940](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. **De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende** [selectielijst](onbekend) **en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.**"},{"i":19198,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 6 september 2011, nr. DJZ/BR/0919-11, houdende beperkende maatregelen jegens Afghanistan (Sanctieregeling Afghanistan 2011) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op Verordening (EU) nr. 753/2011 van de Raad van de Europese Unie van 1 augustus 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, groepen, ondernemingen en entiteiten in verband met de situatie in Afghanistan (Pb L199); Gelet op Besluit 2011/486/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 1 augustus 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, groepen, ondernemingen en entiteiten in verband met de situatie in Afghanistan (Pb L199); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 3, eerste, tweede en derde lid, en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 753/2011 van de Raad van de Europese Unie van 1 augustus 2011 (Pb L199). 2. Een verbod als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 3, vierde lid, artikel 5 of artikel 6 van Verordening (EU) nr. 753/2011 van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 753/2011, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wat betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen en de Minister van Financiën wat betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden. 3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 753/2011, is de Minister van Financiën. Artikel 3 Het is verboden om militaire goederen, alsmede militaire technologie, aangewezen in de [Uitvoeringsregeling strategische goederen 2012](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":18532,"b":"Selectielijst Agrarische handelspolitiek en exportbevordering voor de neerslag van handelingen vanaf 1945 van de Minister van LNV en taakvoorgangers Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 februari 2000, nr. arc-99.1669/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde `selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein agrarische handelspolitiek en exportbevordering over de periode vanaf 1945' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Van de `Lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in de archieven van het Ministerie van Landbouw en Visserij en in de archieven van de onder dat Ministerie ressorterende commissies en ambtenaren' (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, nr. PAZ 400, Afdeling Post- en Archiefzaken d.d. 29 december 1966 en beschikking nr. 133349, Afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming d.d. 3 februari 1967, laatstelijk gewijzigd bij beschikkingen van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, nrs. R&B/OSTA/99/469 en R&B/OSTA/ 99/471 d.d. 3 augustus 1999 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 216 van 9 november 1999)) worden categorieën 21, 79, 86, 92 en 114 ingetrokken voor wat betreft de agrarische handelspolitiek en exportbevordering. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst. Agrarische handelspolitiek en exportbevordering **Voor de neerslag van handelingen van:** Geldt o.a. voor: **September 2000** **Rijksarchiefdienst** Inhoud Inleiding Toelichting op de vo"},{"i":18696,"b":"Besluit van de Inspecteur-generaal van de Inspectie Justitie en Veiligheid namens de Minister voor Medische Zorg en de Minister van Justitie en Veiligheid, van 14 oktober 2021 tot vaststelling van een beleidsregel inzake het opleggen van bestuurlijke boeten door de Inspectie Justitie en Veiligheid voor het overtreden van het bepaalde bij of krachtens het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen waarop de Inspectie Justitie en Veiligheid kan handhaven (Beleidsregel bestuurlijke boeten IJenV – experiment gesloten coffeeshopketen) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 9a van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=9a), [artikel 45, eerste lid, van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=45), [artikel 6, eerste lid, onder b van het Besluit houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving Wet experiment gesloten coffeeshopketen en het verlenen mandaat en machtiging voor de uitvoering en handhaving van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043743&artikel=6); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: Artikel 1 Deze beleidsregels zijn van toepassing indien de Inspectie Justitie en Veiligheid een bestuurlijk beboetbaar feit constateert, als bedoeld in [artikel 45, eerste lid, van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=45). In de [bijlage bij het Interventiebeleid Experiment Gesloten Coffeeshopketen Inspectie Justitie en Veiligheid](onbekend) worden de bepalingen ter zake waarvan ingeval van een overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld in de daarbij aangewezen zwaartecategorie Deze beleidsregels vormen een nadere uitwerking van het Handhavingsbeleid Experiment Gesloten Coffeeshopketen Inspectie Justitie en Veiligheid. Artikel 2 1. In de Tabel me"},{"i":18916,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 augustus 2025 nr. BOACAT2025/151, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Rotterdam Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Rotterdam van 16 juli 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051376&artikel=2&z=2025-11-27&g=2025-11-27). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen: - 1. de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Rotterdam. - 2. de vrijwillig ambtenaren van politie bedoeld in [artik"},{"i":18238,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 4 mei 2020, nr. 2897295, houdende verlenging bestaande certificering combinatie geleider politiehond Gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019728&artikel=13) en [14, van de Regeling politiehonden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019728&artikel=14); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingsregeling Regeling politiehonden (Stcrt. 2020/25469) in werking treedt. Artikel 1. Verlenging geldigheidsduur bestaand certificaat Op grond van [artikel 13, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019728&artikel=13), en [artikel 14, zesde lid, van de Regeling politiehonden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019728&artikel=14) wordt in de periode tot 1 september 2020 de geldigheidsduur van de certificaten verlengd met een periode van zes maanden. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 4 mei 2020, kenmerk 2897291, houdende wijziging van de Regeling politiehonden in werking treedt en werkt terug tot en met 1 maart 2020. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen."},{"i":19518,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 18 juni 2012, nr. ENM/BSK-2012/68971, houdende aanwijzing van de richtlijn, bedoeld in artikel 145f van de Wegenverkeerswet 1994 Gelet op [artikel 145f van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=145f); Besluit: Artikel 1 Als de richtlijn, bedoeld in [artikel 145f van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=145f), wordt aangewezen: richtlijn nr. 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 juli 2010 betreffende het kader voor het invoeren van intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen (PbEU L 207). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19574,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 26 november 2014, nr. IENM/BSK-2014/235716 houdende vaststelling van het subsidieplafond sanering verkeerslawaai 2015 Gelet op [artikel 15.13, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1 Het tijdvak voor de subsidieverstrekking ten behoeve van sanering van verkeerslawaai als bedoeld in de [Subsidieregeling sanering verkeerslawaai](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020731) wordt vastgesteld voor de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015. Artikel 2 Het subsidieplafond voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035833&artikel=1&z=2015-11-19&g=2015-11-19) vastgestelde tijdvak ten behoeve van de sanering van verkeerslawaai wordt vastgesteld op: € 24.000.000,00. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6426,"b":"Besluit van 23 november 1995, houdende wijziging van enige besluiten in verband met de aanpassing van salarissen in het kader van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP en de generieke salarisverhoging van 0,5% per 1 januari 1995 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 19 september 1995, nr. PAV 6031/95014932; Gelet op [artikel 12 van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12), artikel 2 van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen, [artikel 125 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [artikel C1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 31 oktober 1995, nr. W07.95.0513); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 17 november 1995, nr. PAV6031/95021638; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Wijziging van enige besluiten Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk 2. Slotbepalingen Artikel VII De compensatietoeslag is geen ambtelijk inkomen in de zin van [artikel C 1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet](onbekend) en behoort niet tot de bezoldiging in de zin van het [Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006038). Artikel VIII Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 1995. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":3395,"b":"Besluit van 11 november 1994, houdende regels ter uitvoering van artikel 142, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering betreffende de bekwaamheid en betrouwbaarheid, beëdiging en instructie van, alsmede het toezicht op buitengewoon opsporingsambtenaren, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, de beëindiging van de opsporingsbevoegdheid en enige andere onderwerpen Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 22 april 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 436121/94/6; Gelet op [artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142), [artikel 17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17), Wet economische delicten, en [artikel 3](onbekend), [hoofdstuk 2](onbekend), [afdeling 1, van de Invoeringswet Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006300&afdeling=1); De Raad van State gehoord (advies van 30 augustus 1994, nummer W03.94.0246); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 oktober 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 461681/94/6, Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. titel van opsporingsbevoegdheid: de titel van opsporingsbevoegdheid, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=3&z=2022-01-01&g=2022-01-01); - c. akte van opsporingsbevoegdheid: de akte van opsporingsbevoegdheid, bedoeld in [artikel 142, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); - d. aanwijzing: de aanwijzing, bedoeld in [artikel 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); - e. aanvullende opsporingsbevoegdheid: de aanvullende opsporingsbevoegdheid, bedoeld in [artikel 142, derde lid,"},{"i":2733,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2007 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2007, doch niet later dan 15 maart 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,414 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2007 en eindigende met 15 maart 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":3150,"b":"Besluit van 3 juli 2017, houdende vaststelling van de grondslag voor de bijdrage van zelfstandig bestuursorganen voor het gebruik van de voorziening Publicatieplatform voor uitvoeringscontent (Besluit bijdrage PUC) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 april 2017, nr. 2017- 0000195422; Gelet op [artikel 21b, derde en vierde lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 mei 2017, no. W04.17.0112/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van (27 juni 2017, nr. 2017-0000261859); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aangesloten bestuursorgaan:** een zelfstandig bestuursorgaan dat ingevolge een besluit van Onze Minister als bedoeld in [artikel 21a van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21a) gebruik maakt van het PUC; - –. **jaar:** kalenderjaar; - –. **Kaderwet:** [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - –. **maatwerkaanpassingen:** specifieke aanpassingen van het PUC ten behoeve van een aangesloten bestuursorgaan; - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - –. **PUC:** Publicatieplatform voor uitvoeringscontent, dat in stand wordt gehouden door Onze Minister. Artikel 2. Eenmalige bijdrage en eenmalige compensatie 1. Aan een aangesloten bestuursorgaan dat ingevolge een besluit van Onze Minister als bedoeld in [artikel 21a van de Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21a) gebruik zal gaan maken van het PUC wordt in het jaar waarin Onze Minister dat besluit heeft genomen een bijdrage in rekening gebracht voor de onderzoeks- en migratiekosten, de kosten v"},{"i":14216,"b":"Regeling eisen geschiktheid 2000 Gelet op de [artikelen 111, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111), [130 tot en met 132](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130) en [134 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=134); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **groep 1:** rijbewijzen van de categorieën A1, A2, A, B, B+ E en T; - b. **groep 2:** rijbewijzen van de categorieën C, C1, CE, C1E, D, D1, DE en D1E. 2. Voor de toepassing van deze regeling wordt categorie B+code 96 gelijkgesteld met categorie BE. Artikel 2 De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 3 De Regeling eisen geschiktheid (Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 juni 1996, nr. HW/RV 218632 Hoofddirectie van de Waterstaat (Stcrt. 117)) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2000. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eisen geschiktheid 2000. Bijlage. behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 Inhoudsopgave 1 Inleiding 2 Algemene opmerkingen 3 Stoornissen van het gezichtsvermogen. 3.1 Inleiding 3.2 Visus 3.3 Gezichtsvelden 3.4 Verlies van een oog 3.5 Rijtest 3.6 Nader oogheelkundig onderzoek 3.7 Progressieve oogaandoeningen 3.8 Donkeradaptatie 3.9 Contrastgevoeligheid 3.10 Intra-oculaire lenzen 4 Stoornissen van gehoor en evenwicht 4.1 Inleiding 4.2 Slechthorendheid en doofheid 4.3 Het syndroom van Ménière 5 Inwendige ziekten 5.1 Inleiding 5.2 Diabetes mellitus 5.3 Hypertensie 5.4 Chronische nierschade 5.5 Longziekten 5.6 Orgaantransplantatie 6 Hart- en vaatziekten 6.1 Inleiding 6.2 Chronisch hartfalen 6.2.1 Steunhart: Ventricular Assist Device (VAD) 6.3 Ischemische hartziekten 6.4 Cardiomyopathieën 6.5 Hartklepafwijkingen 6.6 Aangeboren hartafwijkinge"},{"i":13586,"b":"Besluit houdende wijziging van het Comité Nederlandse Veteranendag in een Nationaal Comité Veteranendag Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van dd 30 september 2014, nr. BS/2014028286, de Hoofddirecteur Personeel; Overwegende dat het wenselijk is de status van het Comité Nederlandse Veteranendag te wijzigen in een Nationaal Comité Veteranendag voor het organiseren van de jaarlijkse Nederlandse Veteranendag als nationaal evenement en voor de bevordering van maatschappelijke erkenning en waardering voor Nederlandse veteranen; Besluit: Artikel 1 Er is een Nationaal Comité Veteranendag voor de jaarlijkse viering van de Nederlandse Veteranendag, verder te noemen het Nationaal Comité, oorspronkelijk ingesteld op als Comité Nederlandse Veteranendag bij besluit van de Staatssecretaris van Defensie, nr. P/2008008354. Artikel 2 Het Nationaal Comité heeft tot doel het bevorderen van de maatschappelijke erkenning en waardering van Nederlandse veteranen en kent de volgende taken: - a. het jaarlijks op de laatste zaterdag van juni doen organiseren van de Nederlandse Veteranendag; - b. het doen initiëren, coördineren en stimuleren van educatieve activiteiten en producten over Nederlandse veteranen; - c. het doen voeren van een publiekscampagne; - d. het doen organiseren van diverse evenementen; - e. het doen verrichten van alle overige handelingen die dienstig zijn voor het bereiken van de doelstelling, waarbij in het bijzonder het belang van de Nederlandse veteranen in het oog wordt gehouden. Artikel 3 - a. De voorzitter en leden van het Nationaal Comité worden door Onze Minister van Defensie benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar. - b. Het Nationaal Comité kan een rooster van aftreden opstellen. - c. Een volgens het rooster aftredend lid van het Nationaal Comité is onmiddellijk herbenoembaar. - d. Aftredende leden worden door Onze Minister van Defensie ontslagen. Artikel 4 - a. Het Nationaal Comité bestaat naast leden die uit hoofde van hun functie bij he"},{"i":12279,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 15 juli 2022, nr. 3898490 tot geheimverklaring van het gehele productieproces van vreemdelingendocumenten Gelet op [artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23); Besluit: Geheim wordt verklaard de opdracht ten behoeve van het gehele productieproces van vreemdelingendocumenten zoals benoemd in de Vreemdelingenwet 2000 en relevante Europese wet- en regelgeving, waaronder productie, enrollment, afname van biometrie, personalisering en verzending, inclusief de hiervoor benodigde hard- en software, in de zin van de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203). Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19668,"b":"Wet van 12 oktober 2016 tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van richtlijn 2004/49/EG inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (PbEU 2004, L 64), ter nadere implementatie van richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (PbEU 2008, L 191) en ter nadere implementatie van artikel 55, derde lid, tweede, derde en vijfde alinea , van richtlijn 2012/34/EU van het Europees parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PbEU 2012, L 343) (Wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het noodzakelijk is de [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007) te wijzigen ter nadere implementatie van de [richtlijnen 2004/49/EG](32004L0049), [2008/57/EG](32008L0057) en ter nadere implementatie van artikel 55, derde lid, tweede, derde en vijfde alinea, van [2012/34](32012L0034)/EU; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet tot wijziging van de Spoorwegwet ter nadere implementatie van drie spoorwegrichtlijnen. Lasten en bevelen dat deze"},{"i":13267,"b":"Wet van 24 november 2011 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2011) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen, bijstellingen of technische reparaties aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel VI Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VIII Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel IX Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel X Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XI Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XII Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel XIII Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel XIV Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XV Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XVI Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel XVII Wijzigt de Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel XIX Wijzigt de Wet OM-afdoening. Artikel XX Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Artikel XXI Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel XXII Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel XXIII Wijzigt de Douane- en Accijnswet BES. Artikel XXIV Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de inte"},{"i":12420,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 24 juni 2021, nr. 28318215 tot intrekking van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017 onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2021 Gelet op [artikel 13, eerste en derde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=13); Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 16 juni 2021; Besluiten: Artikel 1 De volgende beleidsregels worden vastgesteld: - a. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op de voorschoolse educatie en het primair onderwijs ([bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045489&bijlage=1&z=2025-08-01&g=2025-08-01)); - b. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs ([bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045489&bijlage=2&z=2025-08-01&g=2025-08-01)); - c. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs ([bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045489&bijlage=3&z=2025-08-01&g=2025-08-01)); en - d. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs ([bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045489&bijlage=4&z=2025-08-01&g=2025-08-01)).’ Artikel 2 De volgende beleidsregels worden ingetrokken: - a. [Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op de voorschoolse educatie en het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039788&bijlage=I), zoals gepubliceerd in Staatscourant 2017, 38522; - b. [Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039788&bijlage=III), zoals gepubliceerd in Staatscourant 2017, 38522; - c. [Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039788&bijlage=II), zoals gepubliceerd in Staatscourant 2017, 38522; en - d. [Onderzoekskader 2017 voor het toezi"},{"i":19623,"b":"Vaststelling bijdragen aan het Waarborgfonds Motorverkeer (ex artikel 24 eerste lid, WAM) Gelet op [artikel 24, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=24) (Stb. 1963, 228); Besluit: I. Het bedrag dat elke verzekeringsonderneming die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in [artikel 1 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=1), voor het jaar 1989 moet storten in het Waarborgfonds Motorverkeer, beloopt voor de door haar op 1 januari 1989 overeenkomstig genoemde wet verzekerde motorrijtuigen: - f 1,90 voor elk motorrijtuig dat geen kenteken als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet behoeft; - f 12,50 voor elk motorrijtuig dat is voorzien van een kenteken als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet. II. Deze regeling wordt in de Nederlandse Staatscourant geplaatst."},{"i":13289,"b":"Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Overijssel Gelet op [hoofdstuk I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=I) en [VIII van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=VIII); Besluiten: tot het treffen van de navolgende gemeenschappelijke regeling tot de instelling van een openbaar lichaam dat de archiefbescheiden en collecties beheert die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Overijssel en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten Zwolle en Deventer. Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **de gemeenten:** de gemeenten Zwolle en Deventer; - c. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - d. **collecties:** de verzameling historische voorwerpen, boeken en overige schriftelijke en elektronische bescheiden in de meest ruime zin des woords, niet zijnde archiefbescheiden, in eigendom van of beheer bij de Minister en de gemeenten voor zover het betreft voorwerpen of bescheiden bij de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten; - e. **colleges:** de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, en - f. **provincie:** de provincie Overijssel. Artikel 2 1. De regeling wordt getroffen met het doel de belangen van de Minister en de colleges bij alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden, collecties, individuele documenten en dergelijke die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten, in gezamenlijkheid te behartigen. 2. Het Historisch Centrum Overijssel voert bij de behartiging van de belangen, bedoeld in het eerste lid, het archiefbeleid van de Minister en de gemeenten mede uit. 3. De Minister en de gemeenten kunnen met het Histori"},{"i":13294,"b":"Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum ‘Zeeuws archief’ Gelet op [hoofdstuk VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=VIII) en [I van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=I) Besluiten: tot het treffen van de navolgende gemeenschappelijke regeling tot de instelling van een openbaar lichaam dat de archiefbescheiden en collecties beheert die berusten in de gemeentelijke archiefbewaarplaatsen van de gemeenten Middelburg en Veere en in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Zeeland; Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **de gemeenten:** de gemeenten Middelburg en Veere; - c. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - d. **collecties:** de verzameling historische voorwerpen, boeken en overige schriftelijke en elektronische bescheiden in de meest ruime zin des woords, niet zijnde archiefbescheiden, in eigendom van of beheer bij de Minister en de gemeenten voor zover het betreft voorwerpen of bescheiden bij de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaats van de gemeenten; - e. **colleges:** de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, en - f. **provincie:** de provincie Zeeland. Artikel 2 1. De regeling wordt getroffen met het doel de belangen van de Minister en de colleges bij alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden, collecties, individuele documenten en dergelijke die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten, in gezamenlijkheid te behartigen. 2. Het Zeeuws Archief voert bij de behartiging van de belangen, bedoeld in het eerste lid, het archiefbeleid van de Minister en de gemeenten mede uit. 3. De Minister en de gemeenten kunnen geza"},{"i":18079,"b":"Besluit van 10 november 2011, CDC/IVENT/DCDI/SSA nr. 2011025182 van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden van de collectie Nederlandse militaire deelname aan de vredesoperaties UNIFIL, MFO en UNTAG van het Ministerie van Defensie, (1968) 1979–1990, bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Ministerie van Defensie Commando DienstenCentra Bedrijfsgroep Informatievoorziening en -technologie DienstenCentrum Documentaire Informatie Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de collectie Nederlandse militaire deelname aan de vredesoperaties UNIFIL, MFO en UNTAG van het Ministerie van Defensie, (1968) 1979–1990, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 110 | 2055 | | 111 | 2055 | | 112 | 2056 | | 113 | 2056 | | 114 | 2056 | | 115 | 2056 | | 116 | 2056 | | 117 | 2057 | | 118 | 2057 | | 119 | 2057 | | 120 | 2057 | | 121 | 2057 | | 122 | 2057 | | 283 | 2055 | | 284 | 2056 | | 285 | 2058 | | 425 | 2059 | | 492 | 2056 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030809&artikel=1&z=2011-12-17&g=2011-12-17), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1]("},{"i":19207,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 26 oktober 2005, nr. DJZ/BR/1043-05, houdende beperkende maatregelen ten aanzien van de Democratische Republiek Congo (Sanctieregeling Congo 2005) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op [Verordening (EG) nr. 889/2005](32005R0889) van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2005 tot vaststelling van bepaalde beperkende maatregelen ten aanzien van de Democratische Republiek Congo en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1727/2003](32003R1727) (Pb EG L 152); Gelet op [Verordening (EG) nr. 1183/2005](32005R1183) van de Raad van de Europese Unie van 18 juli 2005 18 juli 2005 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die handelen in strijd met het wapenembargo tegen de Democratische Republiek Congo (Pb EG L193); Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt 2005/440/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2005 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Republiek Congo en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2002/829/GBVB (Pb EG L 152); Gelet op [artikel 2, tweede lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2) en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 bis, artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 6, eerste lid, en artikel 7 ter van [Verordening (EG) nr. 1183/2005](32005R1183) van de Raad van de Europese Unie van 18 juli 2005 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die handelen in strijd met het wapenembargo tegen de Democratische Republiek Congo. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in de gevallen waarin artikel 1 ter, artikel 2, derde lid, artikel 3, artikel 4, artikel 4 ter of artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1183/2005 van toepas"},{"i":19461,"b":"Besluit vervanging archiefbescheiden RDW 2015 Gelet op: de regeling van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161 (10 265), tot wijziging van de Archiefregeling in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; [artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). Besluit: Artikel 1 1. Over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de papieren archiefbescheiden die op grond van de ‘Selectielijst Rijksdienst voor Wegverkeer (RDW) over de periode vanaf 1996’ voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze papieren archiefbescheiden worden vernietigd. 2. Reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde ‘Handboek Digitale Vervanging RDW 2015’. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vervanging archiefbescheiden RDW 2015."},{"i":18998,"b":"Bijstellingsregeling accijns, belasting van personenauto’s en motorrijwielen, motorrijtuigenbelasting, belasting zware motorrijtuigen, belastingen op milieugrondslag en Provinciewet en enkele bedragen van bestuurlijke boeten 2015 Gelet op [artikel 40 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=40), [artikel 54 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=54), [artikel 9:6a van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:6a), de [artikelen 27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a), [84c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84c) en [102a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=102a), de [artikelen 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=13a), [15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=15a) en [16b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=16b), de [artikelen 37d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=37d) en [81a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=81a), [artikel 13 van de Wet belasting zware motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=13), [artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag en](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=90)[artikel 222 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222), in samenhang met de [artikelen 10.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1) en [10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2) en [artikel 67cb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67cb); Besluit: Artikel I Wijzigt de Wet op"},{"i":17522,"b":"Regeling van 13 december 2021, nr. 3695115, tot wijziging van het normbedrag en het bedrag van het voorschot voor advocaten als bedoeld in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en tot bekendmaking van van de gewijzigde inkomensgrenzen, zoals bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, en van eigen bijdragen en bedragen, bedoeld in het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, het Besluit vergoedingen rechtsbijstand en het Besluit toevoeging mediation over 2022 Artikel I Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel II A. Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. B. Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. C. Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. D. Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. E. Wijzigt het Besluit toevoeging mediation. F. Wijzigt het Besluit toevoeging mediation. - 1. Met ingang van 1 januari 2022 wordt het normbedrag als bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op € 908. - 2. Met ingang van 1 januari 2022 wordt het voorschot als bedoeld in [artikel 35, vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op: ten hoogste 10% van € 55.900. Artikel III De [bekendmaking van 17 november 2021, Stcrt. 2021, 47593](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045911) wordt ingetrokken. Artikel IV Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2022 en werkt ten aanzien van [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046095&artikel=III&z=2022-01-01&g=2022-01-01), terug tot en met 1 januari 2020. Gelet op [artikel 34, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34), [artikel 3, tweede lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277&artikel=3), [artikel 4, vijfde lid van het Besluit toevoeging mediation](https://w"},{"i":19110,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017 tot het treffen van een voorziening inzake mandaat, volmacht en machtiging in verband met de naamswijziging van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de benoeming van bewindspersonen bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging Ministerie van Justitie en Veiligheid) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; Besluit: Artikel 1 Vóór 26 oktober 2017 door of namens de Minister van Veiligheid en Justitie of de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie verleende mandaten, volmachten en machtigingen worden aangemerkt als mandaten, volmachten en machtigingen die met ingang van 26 oktober 2017 zijn verleend door of namens de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister voor Rechtsbescherming onderscheidenlijk de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid met betrekking tot de aangelegenheden die behoren tot het terrein waarmee die minister of staatssecretaris is belast. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 26 oktober 2017. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging Ministerie van Justitie en Veiligheid. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18546,"b":"Besluit van 27 september 2010 tot aanpassing van algemene maatregelen van bestuur in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland (Tweede Aanpassingsbesluit openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 juni 2010, nr. 2010-0000385190; Gelet op [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028279&artikel=2) en [8 van de Wet identiteitskaarten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028279&artikel=8), [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028363&artikel=11), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028363&artikel=13) en [40 van de Begrafeniswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028363&artikel=40), [artikel 2, derde lid, van de Wet verklaringen van overlijden BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028199&artikel=2), [artikel 13, tweede lid, van de Wet materieel ambtenarenrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215&artikel=13) en de [artikelen 18.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.2.1), [18.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.2.2) en [18.2.4 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.2.4); De Raad van State gehoord (advies van 15 juli 2010, no. W04.10.0228/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 september 2010, nr. 2010-0000612814; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland. 1. Hoofdstuk 2. Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties § 1. Aanpassingen van Nederlandse regelgeving Artikel 2.1 Wijzigt het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES. Artikel 2.2 Wijzigt het Vergoedingenbesluit Wet Nationale o"},{"i":18009,"b":"Besluit van 30 september 2010, houdende de ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewone agenten van politie en regels met betrekking tot de maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde personen kunnen worden onderworpen voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Ambtsinstructie politie BES) Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie van 15 december 2009, nr. 2009-0000720635, CZW/WSG, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in overeenstemming met Onze Minister van Defensie; Gelet op [artikel 14, tweede en derde lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=14); De Raad van State gehoord (advies van 8 februari 2010, nr. W04.09.0548/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 september 2010, nr. 2010-0000599327, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en in overeenstemming met Onze Minister van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **ambtenaar** - a. de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 3, onder a en c, van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3); - b. de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 3, onder b, van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3), voor zover het betreft de [artikelen 1 tot en met 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028717&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) en [hoofdstuk 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028717&hoofdstuk=7&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - c. degene die is benoemd tot aspirant v"},{"i":17057,"b":"Besluit van 16 oktober 2014 houdende nadere regels over het uitvoeren van een zorgvuldig onderzoek in verband met de Richtlijn nr. 2012/28/EU inzake bepaalde toegestane gebruikswijzen van verweesde werken (Besluit zorgvuldig onderzoek verweesde werken) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 8 juli 2014 nr. WJZ/652892 (10433), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 16p, eerste en vijfde lid, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16p); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 oktober 2014, nr. W05.14.0235/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 oktober 2014, nr. WJZ/661749 (10433), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **zorgvuldig onderzoek:** zorgvuldig onderzoek naar de rechthebbende als bedoeld in [artikel 16o, eerste lid, onder b, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=16o); - b. **organisatie:** voor het publiek toegankelijke bibliotheek, onderwijsinstelling, museum of publieke media-instelling als bedoeld in [Hoofdstuk 2 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&hoofdstuk=2), alsmede een archief of instelling voor cinematografisch of audiovisueel erfgoed dat of die niet het behalen van een direct of indirect economisch of commercieel voordeel nastreeft; - c. **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 Bij een zorgvuldig onderzoek worden voor de volgende categorieën van werken in ieder geval de volgende bronnen geraadpleegd - a. voor gepubliceerde boeken: - 1°. de nationale bibliotheekverzameling van de Koninklijke Bibliotheek, bedoeld in [artikel 1.5, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&"},{"i":18420,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 september 2010, nr. 2010-0000607117, houdende een aantal rechtspositionele aangelegenheden ten aanzien van de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling rechtspositie Rijksvertegenwoordiger BES) Gelet op de [artikelen 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028016&artikel=6), en [7, derde lid, van het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028016&artikel=7); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES in werking treedt. Artikel 1 1. Het in [artikel 6, eerste lid, onder a, van het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028016&artikel=6) bedoelde bedrag is gelijk aan de noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte werkelijke kosten verbonden aan het vervoer van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, zo nodig vermeerderd met reis- en verblijfkosten welke de betrokkene en eventueel een of meer van diens gezinsleden vooraf heeft gemaakt ter bezichtiging van de woonruimte. 2. Het in [artikel 6, eerste lid, onder b, van het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028016&artikel=6) bedoelde bedrag is gelijk aan de noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte werkelijke kosten van het vervoer van de bagage en van de inboedel van de betrokkene naar de nieuwe woning tot maximaal 30 m³, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken en de verschuldigde invoerrechten, tot een maximum van € 5.445. 3. De in [artikel 6, derde lid, van het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028016&artikel=6) bedoelde vergoeding voor tijdelijke huisvesting bedraagt 12% van de bezoldiging per maand en gedurende een periode van ten hoogste vier maanden. Artikel 2 De vergoeding v"},{"i":18563,"b":"Vaststelling taak Staatssecretaris van Defensie Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951 (Stb. 24), houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Defensie, de heer G.P. Tuinman, is binnen de grenzen van het door de Minister van Defensie vastgestelde beleid belast met het behartigen van de aangelegenheden betreffende het Ministerie van Defensie voor zover het gaat om: - •. Bevorderen van de weerbaarheid van Nederland (mede bepalen beleid en realisatie) - •. Bevorderen van de samenwerking met de defensie-industrie en innovatie (mede bepalen beleid en realisatie) - •. Personele en materiele gereedstelling krijgsmacht (nationaal en internationaal) waaronder diversiteit - •. IT/digitalisering - •. Duurzaamheid - •. Integraal veiligheidsbeleid - •. Ruimtelijke ontwikkeling en vastgoed Defensie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 2 juli 2024. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18739,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 10 december 2025, kenmerk 6997890/25/DP&O, houdende bekendmaking van de taak waarmee de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in het bijzonder is belast Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951, houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3) (Stb. 1951, 24); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, mr. A.C.L. Rutte, is binnen de grenzen van het door de Minister van Justitie en Veiligheid vastgestelde beleid in het bijzonder belast met de aangelegenheden betreffende: - a. de zittende magistratuur; - b. de Raad voor de Rechtspraak; - c. juridische beroepen (inclusief tolken en vertalers); - d. rechtsbestel; - e. rechtsbijstand; - f. sanctiestelsel, incl. bijbehorende wijzigingen [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854); - g. justitieel jeugdbeleid, aanpak jeugdcriminaliteit en aanpak recidive; - h. familierecht, inclusief adoptie; - i. preventie (persoonsgericht en generiek); - j. de [Wet Rechterlijke Organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830); - k. het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827); - l. de wijziging van het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) (primair); - m. privaatrecht, incl. personen- en familierecht; - n. de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738); - o. de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860); - p. de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - q. wetgevingskwaliteit; - r. auteursrecht/intellectuele eigendom; - s. kansspelen; - t. bescherming persoonsgegevens in"},{"i":19699,"b":"Wet van 11 mei 2017 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften in verband met aanvullende implementatie van richtlijn 2006/126/EG en enkele aanpassingen van redactionele aard en in verband met aangepaste termijnen inzake het opleggen van beschikkingen naar aanleiding van gedragingen die op kenteken zijn geconstateerd Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat aanvullende implementatie nodig en wenselijk is van [richtlijn 2006/126/EG](32006L0126) en dat het wenselijk is dat de termijnen inzake het opleggen van beschikkingen naar aanleiding van gedragingen die op kenteken zijn geconstateerd, aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II In afwijking van [artikel I, onderdeel E, onder 1, sub c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039763&artikel=I&z=2017-07-12&g=2017-07-12), van deze wet blijft [artikel 108, eerste lid, onderdeel h, onder 2°, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=108), zoals dat gold tot de datum van inwerkingtreding van dat onderdeel, van kracht ten aanzien van houders van rijbewijzen, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland voor een of meer van de categorieën C1, C1E, C, CE, D1, D1E, D of DE met een langere geldigheidsduur dan vijf jaren, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, onder 1, sub c, van deze wet in Nederland woonachtig waren. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IIIa Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel IIIb 1"},{"i":5,"b":"Aanwijzing als werkgever en uitzondering verzekeringsplicht werknemersverzekeringen Gelet op [artikel 11, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=11) (Stb. 1977, 492), [artikel 12, tweede lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=12) (Stb. 1967, 473), de [artikelen 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=12), en [111 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=111) (Stb. 1986, 566) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004090&artikel=2), [3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004090&artikel=3), [5, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004090&artikel=5) en [9, van het koninklijk besluit van 24 december 1986](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004090&artikel=9) (Stb. 1986, 655); Gehoord de Sociale Verzekeringsraad; Handelende in overeenstemming met de minister van Financiën, Besluit: Artikel 1 1. Als werkgever ten aanzien van de hulp van een thuiswerker, die doorgaans voor één opdrachtgever arbeid verricht, wordt aangewezen de opdrachtgever van die thuiswerker. 2. Als werkgever wordt niet beschouwd: - a. de natuurlijke persoon met wie of het lichaam met welk het optreden van de artiest is overeengekomen, voor zover het loon wordt betaald aan de persoon aan wie, of het lichaam aan welk door of vanwege de Minister van Financiën een verklaring is afgegeven dat hij ten aanzien van artiesten als inhoudingsplichtige is aangewezen: - b. de persoon aan wie of het lichaam aan welk de in onderdeel a bedoelde verklaring is afgegeven, voor zover het loon wordt betaald aan een ander aan wie zodanige verklaring is afgegeven. 3. De in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde verklaring kan worden afgegeven aan: - a. de artiest die als leider van een gezelschap optreedt. - b. de leider van een gezelschap die, of het lichaam dat h"},{"i":6,"b":"Aanwijzing ambtenaren belast met toezicht op naleving Markham-overeenkomst Gelet op [artikel 7, eerste lid, van de Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005766&artikel=7) (Stb. 1992, 673); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het bij en krachtens de [Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005766) (Stb. 1992, 673) bepaalde, worden aangewezen de ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen met de volgende functies: Inspecteur Generaal der Mijnen, plaatsvervangend Inspecteur-Generaal der Mijnen, hoofd Nieuwbouw en Projecten, hoofd onderafdeling Arbeidskwesties, hoofdinspecteur of inspecteur. Artikel 2 Dit besluit wordt bekend gemaakt in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is bekend gemaakt."},{"i":23,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 september 2010, nr. IZ/IA/2010/18982, tot aanwijzing toezichthoudende ambtenaren SZW-regelgeving BES (Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren SZW-regelgeving BES) Gelet op de [artikelen 13, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=13), [2, vijfde lid, van de Arbeidsveiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028228&artikel=2), [2, eerste lid, van de Stuwadoorswet 1946 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028169&artikel=2), [12a, eerste lid, van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=12a), [43a, eerste lid, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=43a), [42a, eerste lid, van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=42a), [12a, eerste lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=12a), [12a, eerste lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=12a), [34, eerste lid, van de Arbeidswet 2000 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028202&artikel=34), [16a, eerste lid, van de Vakantiewet 1949 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028173&artikel=16a), [7a, eerste lid, van de Wet beëindiging arbeidsovereenkomsten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028174&artikel=7a), [13a, eerste lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=13a) en [39, eerste lid, van het Besluit onderstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=39); Besluit: Artikel 1 1. Het hoofd van de RCN-unit SZW, welke is gevestigd te Bonaire, Sint Eustatius en Saba, alsmede zijn plaatsvervanger en de ambtenaren die aldaar werkzaam zijn en die Inspecteur SZW of ambtenaar van de Nederlandse Arbeidsinspe"},{"i":19250,"b":"Taakomschrijving Staatssecretaris van Justitie Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951, Stb. 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3), houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van Minister zonder portefeuille en van Staatssecretaris, Besluit: De Staatssecretaris van Justitie, mw. mr. N.A. Kalsbeek, binnen de grenzen van het door de Minister vastgestelde beleid meer in het bijzonder te belasten met de behandeling van zaken die liggen op het terrein van: - het vreemdelingenbeleid met inbegrip van de opvang van asielzoekers; - personen- en familierecht; - kansspelen; - rechtsbijstand; - juridische beroepen met inbegrip van tolken en vertalers; - jeugdzorg, alles telkens met inbegrip van de daarbij behorende wetgeving, tenzij de Minister anders bepaalt. De Staatssecretaris kan voorts met nader door de Minister aan te wijzen onderwerpen worden belast. Deze beschikking zal worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":18376,"b":"Regeling financiering Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie Overwegende, dat de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk zijn voor de landelijke werving, de selectie en het onderwijs voor de politie; dat de taken op het gebied van de werving, de selectie en het onderwijs voor de politie worden uitgevoerd door het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie; dat het Landelijk instituut jaarlijks een bijdrage ontvangt uit 's-Rijks kas; dat het Landelijk instituut jaarlijks een begroting alsmede een rekening en verantwoording moet inzenden, welke moeten worden goedgekeurd door de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken gezamenlijk; dat het uit een oogpunt van efficiency en doelmatigheid gewenst is de bijdragen uit 's-Rijks kas, afkomstig van de begrotingen van de departementen van Justitie en van Binnenlandse Zaken, aan het Landelijk Instituut betaalbaar te stellen via één departement, te weten het Ministerie van Binnenlandse Zaken. dat het wenselijk is ter zake nadere regels te stellen; Gelet op artikel 76, vierde lid, van de Politiewet; Besluiten: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 Aan het Landelijk instituut worden jaarlijks bijdragen uit 's-Rijks kas verleend ter tegemoetkoming in de kosten die door het Landelijk instituut worden gemaakt ter uitvoering van de wettelijk opgedragen taken, verminderd met de hiermee verband houdende inkomsten. Artikel 3 1. De rijksbijdragen aan het Landelijk instituut worden vastgesteld met inachtneming van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006091&artikel=4&z=1993-08-22&g=1993-08-22) tot en met [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006091&artikel=9&z=1993-08-22&g=1993-08-22). 2. De rijksbijdragen kunnen bestaan uit: - a. de exploitatiebijdrage, bedoeld in de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006091&artikel=5&z=1993-08-22&g=1993-08-22) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006091&artikel=6&z=1993-08-2"},{"i":19244,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 6 juni 2015, nr. MinBuZa-2015.278047, houdende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Zuid-Sudan (Sanctieregeling Zuid-Sudan 2015) Gelet op Verordening (EU) nr. 2015/735 van de Raad van de Europese Unie van 7 mei 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zuid-Sudan en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 748/2014 (Pb L 117); Gelet op Besluit (GBVB) 2015/740 van de Raad van de Europese Unie van 7 mei 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zuid-Sudan en tot intrekking van Besluit 2014/449/GBVB (Pb L 117); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 5, eerste tot en met derde lid, artikel 14, eerste lid, en artikel 15 van Verordening (EU) nr. 2015/735 van de Raad van de Europese Unie van 7 mei 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zuid-Sudan en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 748/2014 (Pb L 117). 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 2 van [Verordening (EU) nr. 2015/735](32635R2015) geldt niet in gevallen waarin artikel 3 of artikel 4, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 2015/735](32635R2015) van toepassing is. Het verbod te handelen in strijd met artikel 5, eerste tot en met derde lid, geldt niet in gevallen waarin artikel 5, vierde lid, artikel 6, artikel 7, artikel 8, eerste lid, artikel 9, artikel 10, eerste lid, artikel 11, artikel 12, eerste lid, of artikel 13 van [Verordening (EU) nr. 2015/735](32635R2015) van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, artikel 6, artikel 7, artikel 8, eerste lid, artikel 9, artikel 10, eerste lid, artikel 11, artikel 12, eerste lid, artikel 13, eerste lid, en artikel 14, eerste lid, van Ver"},{"i":35,"b":"Wet van 18 maart 1999, houdende bepalingen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden (Arbeidsomstandighedenwet 1998) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de kwaliteit van het arbeidsomstandighedenbeleid te verbeteren, meer ruimte voor maatwerk te creëren en de bestuurlijke boete in te voeren alsmede enige andere wijzigingen aan te brengen en daartoe een nieuwe Arbeidsomstandighedenwet vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsgebied Definities Artikel 1. Definities 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **arbeidsmiddelen:** alle op de arbeidsplaats gebruikte machines en verwante producten, installaties, apparaten, gereedschappen, digitale systemen en andere hulpmiddelen om de arbeid te verrichten; - **arbeidsongeval:** een aan een werknemer in verband met het verrichten van arbeid overkomen ongewilde, plotselinge gebeurtenis, die schade aan de gezondheid tot vrijwel onmiddellijk gevolg heeft gehad en heeft geleid tot ziekteverzuim, of de dood tot vrijwel onmiddellijk gevolg heeft gehad; - **arbeidsplaats:** iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt; - **arbodienst:** een dienst als bedoeld in [artikel 14a, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&hoofdstuk=3&artikel=14a&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - **ondernemingsraad:** de ondernemingsraad, bedoeld in de [Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747); - **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - **personeelsvertegenwoordiging:** de personeelsvertegenwoordiging, bedoeld in de [Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747); - **psychosociale ar"},{"i":36,"b":"Besluit van 14 februari 1998, houdende nadere regels inzake de arbeids- en rusttijden in of op voertuigen, aan boord van vaartuigen en voor loodsen (Arbeidstijdenbesluit vervoer) Op voordracht van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 augustus 1997, nr. DGP/WJZ/V 723769, Directoraat-Generaal Personenvervoer; Gelet op [artikel 5:12, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12); De Raad van State gehoord (advies van 30 september 1997, no. W09.97.0529); Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 februari 1998, nr. DGP/WJZ/V 725 901, Directoraat-Generaal Personenvervoer; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671). Hoofdstuk 2. Wegvervoer § 2.1. Algemene bepalingen Definities Artikel 2.1:1 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: - a. **Onze Ministers:** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **verordening (EG) nr. 561/2006:** verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PbEU L 102); - c. **verordening (EU) nr. 165/2014:** verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/"},{"i":37,"b":"Besluit van 4 december 1995, houdende nadere regels inzake de arbeids- en rusttijden Op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 juli 1995, AV/RV/95/1620; Gelet op de Richtlijnen van de Raad van de Europese Unie van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (**PbEG** 1993, L 307) en van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk (**PbEG** 1994, L 216); Gelet op de [artikelen 2:1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=2:1), [2:7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=2:7), [4:3, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=4:3), en [5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12); De Raad van State gehoord (advies van 4 september 1995, no. W12.95 0352); Gezien het nader rapport van voornoemde minister van 28 november 1995, Directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W2/95/1377; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Begrip alternatieve sanctie Artikel 1:1. Begrippen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. aanwezigheidsdienst: een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waarin de werknemer, zo nodig naast het verrichten van de bedongen arbeid, verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten; - –. bereikbaarheidsdienst: een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waarin de werknemer, zo nodig naast het verrichten van de bedongen arbeid, verplicht is om bereikbaar te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten; - –. mijnbouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=1); - –. verpleging en verzorging: de verpleging, de verzorging, de"},{"i":38,"b":"Wet van 23 november 1995, houdende bepalingen inzake de arbeids- en rusttijden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het met het oog op de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid, zulks mede in verband met de tenuitvoerlegging van de Richtlijnen van de Raad van de Europese Unie van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (**PbEG** 1993, L 307) en van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk (**PbEG** 1994, L 216), en mede ter bevordering van de combineerbaarheid van arbeid en zorgtaken, alsmede andere verantwoordelijkheden buiten de arbeid, noodzakelijk is wettelijke regelen te stellen inzake arbeids- en rusttijden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Begrippen werkgever en werknemer Artikel 1:1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. werkgever: - 1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten; - 2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°; - b. werknemer: de ander bedoeld onder **a**. 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder: - a. werkgever: degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten; - b. werknemer: de ander bedoeld onder **a**. 3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder jeugdige werknemer verstaan: een werknemer van 16 of 17 jaar. Begrippen kind en arbeid in verband"},{"i":39,"b":"Arbeidsveiligheidsbesluit I BES Hoofdstuk I. De dagverlichting Artikel 1 Een werklokaal moet voldoende door daglicht zijn verlicht, tenzij de aard van het werk er zich tegen verzet. Artikel 2 Een werklokaal zal door daglicht onvoldoende verlicht worden geacht, indien daar niet boven het omliggend terrein gelegen lichtopeningen zijn aangebracht welke direct daglicht toelaten en een gezamenlijk oppervlak hebben van tenminste 1/10 van het vloeroppervlak van het werklokaal, tenzij de aard van het bedrijf zich daartegen verzet of bijzondere omstandigheden of inrichtingen een voldoende dagverlichting waarborgen ter plaatse waar gewerkt wordt. Artikel 3 Het bepaalde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028627&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2022-05-20&g=2022-05-20) geldt niet ten aanzien van projecteercellen van bioscopen en werklokalen van baggermolens, grind- of zandzuigers. Artikel 4 In een werklokaal moet ter plaatse waar arbeid wordt verricht het rechtstreeks invallende zonlicht kunnen worden afgesloten. Artikel 5 Privaten, urinoirs, trappen en gangen moeten zo mogelijk door daglicht zijn verlicht. Hoofdstuk II. Het verkrijgen van voldoende en doelmatige verlichting door kunstlicht Artikel 6 1. Een plaats waar werkzaamheden worden verricht, moet zonodig voldoende en doelmatig door kunstverlichting zijn verlicht. 2. De kunstverlichting moet zijn aangepast aan de aard van het werk. De verlichtingssterkte moet voldoende zijn voor de te verrichten werkzaamheden. 3. Een lichtbron moet zodanig geplaatst en ingericht zijn, dat het licht de arbeider direct of indirect tijdens de arbeid niet hinderlijk in de ogen schijnt. Artikel 7 Zolang arbeiders, met uitzondering van dezulken die met toezicht of bewaking zijn belast, op het werk aanwezig zijn, moeten de privaten, urinoirs, gangen, trappen, fabrieksterreinen en overige gedeelten zodanig zijn verlicht, dat veilig verkeer en verblijf aldaar voldoende is gewaarborgd. Artikel 8 Waar meer dan 100 arbeiders in één gebou"},{"i":40,"b":"Arbeidsveiligheidsbesluit II BES Hoofdstuk 1. Steigerwerk Noodzaak van veilig arbeiden Artikel 1 Het vervoer en het plaatsen van materialen en onderdelen van bouwwerken moet geschieden op zodanige wijze, dat de arbeiders zoveel mogelijk zijn beschermd tegen elk gevaar. Noodzaak van steigerwerk Artikel 2 1. Doelmatig, voldoende en veilig steigerwerk moet voor de arbeiders op het werk beschikbaar zijn voor alle arbeid, welke niet veilig kan worden uitgevoerd met andere hiertoe geëigende middelen. 2. Een steiger mag niet worden opgebouwd, afgebroken of belangrijk gewijzigd dan onder toezicht van een bekwaam en verantwoordelijk persoon en zoveel mogelijk door bekwame arbeiders die voldoende met deze arbeid zijn vertrouwd. Kwaliteit van de materialen Artikel 3 1. Alle steigers met toebehoren en alle ladders moeten zijn vervaardigd van deugdelijke materialen en voldoende sterk zijn in verband met de belasting en spanning waaraan zij zullen worden onderworpen. 2. Het hout dat gebruikt wordt voor steigers, gaanderijen, bordessen, loopplanken en ladders moet van goede kwaliteit zijn, moet rechtdradig zijn, moet de vezels in de langsrichting hebben, moet in goede staat van onderhoud verkeren en mag niet zijn geverfd of behandeld op een wijze die gebreken zou kunnen verbergen. 3. Rondhout dat gebruikt wordt voor steigerwerk moet geheel ontdaan zijn van bast en schors. 4. Waar nodig moeten stellingplanken en stellinghout beschermd worden tegen inscheuren. 5. Metalen delen van steigers mogen geen scheuren vertonen en moeten vrij zijn van corrosie of enig ander gebrek waardoor de sterkte mogelijk wordt aangetast. 6. Gietijzeren spijkers mogen niet worden gebruikt. 7. Stalen buizen moeten over de gehele lengte rond zijn, op het oog recht en niet vervormd. De buizen moeten loodrecht op de lengterichting zijn afgesneden; de einden van de buizen moeten glad en afgebraamd zijn. De buizen moeten vrij zijn van scheuren, indeukingen en andere gebreken; zij mogen niet koud zijn vervormd."},{"i":41,"b":"Arbeidsveiligheidsbesluit III BES Definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. - b. **de ambtenaar:** de ambtenaar bedoeld in [artikel 2 lid 2 van de Arbeidsveiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028228&artikel=2) - c. **een reservoir:** een stationair reservoir, dat is een drukhouder met een waterinhoud van meer dan 150 l, die gebruikt wordt voor het opslaan van propaan of butaan. - d. **een installatie:** de op een leidingnet aangesloten verbruikstoestellen en reservoirs zomede alle leidingen, inrichtingen en hulpapparaten, die voor het goed functioneren van de verbruikstoestellen nodig zijn. - e. **butaan:** een tot vloeistof verdicht gas, uitsluitend of in hoofdzaak bestaande uit de stoffen butaan, isobutaan, buteen, waarvan de dampspanning bij 70C ten hoogste 11 kg/cm2 absoluut bedraagt. - f. **propaan:** een tot vloeistof verdicht gas, uitsluitend of in hoofdzaak bestaande uit de stoffen propeen, propaan, butaan en isobutaan, waarvan de dampspanning bij 70C ten hoogste 31 kg/cm2 absoluut bedraagt. Vergunning tot het gebruik van reservoirs Artikel 2 1. Tot het gebruik van een reservoir en toebehoren is vergunning nodig van de Minister of van de door hem daartoe aangewezen ambtenaar. 2. Het verzoekschrift moet vergezeld gaan van een tekening van het reservoir met volledig ingeschreven maten en behelst verder een opgave van: - a. waar en door wie het reservoir vervaardigd is, - b. het doel, waartoe het reservoir in gebruik zal worden gesteld, - c. de waterinhoud, de persdruk en de werkdruk, - d. de grondstoffen, waaruit het reservoir in zijn verschillende onderdelen is vervaardigd, tenzij zulks uit de bovengenoemde tekening blijke, - e. de plaats waar het reservoir is of zal worden opgesteld, - f. het fabrieksnummer, en het nummer, de naam of merk, waarnaar het reservoir door de aanvrager onderscheiden wordt. 3. Op het in het vorig lid bedoeld verzoekschrift"},{"i":42,"b":"Besluit van 6 mei 2019 tot vaststelling van het Arbeidsveiligheidsbesluit IV Caribisch Nederland Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 maart 2019, nr. 2019-0000039146; Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028228&artikel=2), en [4b, van de Arbeidsveiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028228&artikel=4b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 april 2019, No. W12.19.0076/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 april 2019, nr. 2019-0000055124; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **arts:** een arts, die in het bezit is van een bewijs van geschiktheid als duikerarts; - b. **asbest:** stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten: - 1°. actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4); - 2°. amosiet (Cas-nummer 12172-73-5); - 3°. anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5); - 4°. chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5); - 5°. tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6); - 6°. crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4); - c. **asbesthoudend product:** product dat een of meer van de onder b genoemde vezelachtige silicaten bevat; - d. **asbestvezel:** een asbestdeeltje dat langer is dan 5 micrometer, een breedte heeft van minder dan 3 micrometer en een lengte/breedteverhouding van meer dan 3/1; - e. **duikarbeid:** het verrichten van arbeid in een vloeistof of in een droge duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof of in die droge duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische druk; - f. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - g. **toezichthouder:** de ambtenaar, aangewezen op grond van [artikel 2, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":43,"b":"Arbeidsveiligheidswet BES Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **arbeid:** alle werkzaamheden in een onderneming; - **arbeider:** een ieder die arbeid verricht. 2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden met een onderneming gelijk gesteld: - a. inrichtingen tot het verplegen van zieken; - b. inrichtingen tot het verzorgen van hulpbehoevenden; - c. alle inrichtingen, bedrijven of takken van dienst onder beheer van de overheid of van publiekrechtelijke lichamen; - d. inrichtingen of bedrijven van verenigingen of van stichtingen; - e. kantoren van personen, die een vrij beroep uitoefenen, van verenigingen en van stichtingen; - f. sociëteiten; - g. het uitvoeren in eigen beheer van de bouw, de aanleg, de verbouwing, de herstelling, het onderhoud of de sloping van gebouwen; - h. het in eigen beheer graven, boren, verbeteren, uitdiepen en onderhouden van putten, alsmede de uitvoering van andere grondwerken; - i. het uitvoeren van werken onder water. Artikel 2 1. Ter beveiliging van de arbeid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven ten aanzien van: - a. het voorkomen van ongevallen; - b. het verschaffen van hulp bij ongevallen; - c. het voorkomen en beperken van brand en van ongevallen bij brand; - d. het voorkomen van vergiftiging, besmetting of beroepsziekten; - e. het verstrekken van drinkwater of andere alcoholvrije dranken; - f. het bevorderen van de zindelijkheid; - g. de aanwezigheid van voldoende zindelijke privaten en urinoirs; - h. het bevorderen van een dragelijke temperatuur; - i. de verlichting; - j. de electrische installaties; - k. het tegengaan van de verspreiding van schadelijke of hinderlijke dampen en van stof en, waar dit niet mogelijk is, de verwijdering daarvan. 2. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar kan nadere voorschriften en aanwijzingen geven ten aanzien van de wijze"},{"i":44,"b":"Arbeidsverdrag tussen België, Luxemburg en Nederland Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, en Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, In gelijke mate bezield door de wens, te streven naar een gemeenschappelijke arbeidsmarkt voor Hun onderdanen; Verlangend, aan elkaars onderdanen gelijke arbeidsvoorwaarden toe te kennen als waartoe Hun eigen onderdanen gerechtigd zijn; Met het doel, op het grondgebied der drie landen het vrije verkeer van arbeidskrachten en de volledige tewerkstelling te bevorderen, alsmede de produktiebronnen van deze landen tot het uiterste tot ontwikkeling te brengen en te gebruiken; Hebben besloten, te dien einde een Verdrag te sluiten en hebben gevolmachtigden benoemd, die, na elkander mededeling te hebben gedaan van hun volmachten, welke in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, over de volgende bepalingen tot overeenstemming zijn gekomen: Artikel 1 Onder „werknemers” worden in dit Verdrag verstaan onderdanen van de Hoge Verdragsluitende Partijen, die bij een particuliere werkgever arbeid in loondienst verrichten. In de zin van dit Verdrag worden met werknemers gelijkgesteld leerlingen en stagiaires. Artikel 2 Ongeacht de stand van de arbeidsmarkt in het land van de Partij, welke ontvangt en zonder dat een arbeidskaart of een arbeidsvergunning, waaraan eigen onderdanen niet zijn onderworpen, nodig zal zijn, is het aan alle onderdanen van een der Hoge Verdragsluitende Partijen toegestaan op voet van gelijkheid alle arbeid bij een particuliere werkgever op het grondgebied van een der andere Hoge Verdragsluitende Partijen aan te bieden of te aanvaarden. Van de in dit artikel genoemde voorrechten worden uitgesloten personen, die als ongewenst worden beschouwd uit een oogpunt van handhaving der openbare orde en goede zeden, van de openbare veiligheid en gezondheid. Artikel 3 Indien de stand van de arbeidsmarkt niet zou toestaan, dat de werknemers in bepaalde tijdvakken, in bepaalde st"},{"i":45,"b":"Arbeidsverdrag tussen Nederland en Frankrijk De Regering van de Franse Republiek en de Regering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, bezield met de wens de uitwisseling van arbeidskrachten tussen Nederland en Frankrijk te bevorderen en te organiseren en in zo groot mogelijke mate de gelijkheid van behandeling op elkanders grondgebied van de wederzijdse onderdanen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden tot stand te brengen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot hun gevolmachtigden benoemd, te weten: De President van de Republiek: de Heer Georges Bidault, Minister van Buitenlandse Zaken, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Jonkheer A. W. L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, Ambassadeur van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden te Parijs, die, na uitwisseling van hun volmachten, welke in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, nopens de navolgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 De Franse Regering en de Nederlandse Regering verbinden zich het vertrek harer wederzijdse onderdanen, die zich naar een der beide landen wensen te begeven om aldaar arbeid te verrichten, niet te zullen belemmeren, voor zoveel dit vertrek van arbeiders niet schadelijk is voor de economische en/of demografische toestand van het betrokken land en mits de toepassing van de gewone en algemene wetgeving in afzonderlijke gevallen zich daartegen niet verzet. Zij zullen hun, alsmede aan hun echtgenoten of aan hun kinderen die hen vergezellen of zich bij hen voegen, te dien einde alle ambtelijke faciliteiten verlenen. Zij zullen hun in het bijzonder de nodige identiteitspapieren en paspoorten verstrekken. Ingeval de arbeiders van het ene en het andere land en hun gezinnen, die op het wederzijds grondgebied gevestigd zijn of regelmatig verblijven, naar hun land van oorsprong wensen terug te keren, zullen de beide regeringen hun alle ambtelijke faciliteiten hiervoor verlenen. Artikel 2 De numerieke aanvragen, dat wil z"},{"i":46,"b":"Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 1997-1999 «Circulaire aan de ministers» Inleiding/managementinformatie Op 12 mei 1997 is met de centrales van overheidspersoneel in het Sectoroverleg Rijkspersoneel een overeenkomst gesloten over de arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de contractperiode 1 april 1997 – 1 juni 1999. Een afschrift van de overeenkomst is als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008678&bijlage=1&z=1997-05-30&g=1997-05-30) bij deze circulaire gevoegd. Bij deze circulaire informeer ik u over de inhoud van de gesloten overeenkomst. Aan het slot van deze circulaire zijn de contactpersonen vermeld voor de overeengekomen maatregelen. I. Wijziging van de salarissen en van de eindejaarsuitkering (onderdeel 2 van de overeenkomst) 1. Salarisverhoging per 1 mei 1997 en per 1 juli 1998 Met terugwerkende kracht tot en met 1 mei 1997 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk structureel verhoogd met 2,8%. Per 1 juli 1998 worden de salarissen met 2,4% structureel verhoogd. Op de salarisverhoging per 1 mei 1997 wordt hierna ingegaan. Met betrekking tot de structurele salarisverhoging per 1 juli 1998 zal ik u op een later tijdstip nader informeren. a. Salarisbedragen per 1 mei 1997 In verband met de salarisverhoging van 2,8% komen de salarisbedragen voor volwassenen per 1 mei 1997 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008678&bijlage=2&z=1997-05-30&g=1997-05-30) gevoegde inpassingstabel. De als [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008678&bijlage=3&z=1997-05-30&g=1997-05-30) bijgevoegde inpassingstabel vermeldt de zogenaamde ’tussen’-bedragen. Dit zijn in het verleden gegarandeerde salarisbedragen die niet meer voorkomen in de bijlagen van het [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) (BBRA 1984), maar die binnen de sector Rijk nog sp"},{"i":47,"b":"Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 1999-2000 Circulaire aan de ministers Inleiding/managementinformatie Op 2 juni 1999 is met de centrales van overheidspersoneel in het Sectoroverleg Rijkspersoneel (SOR) een overeenkomst gesloten over de arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de contractperiode 1 juni 1999 - 1 augustus 2000. Een afschrift van de overeenkomst is als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010508&bijlage=1&z=1999-06-28&g=1999-06-28) bij deze circulaire gevoegd. De formalisering daarvan is thans ter hand genomen. Bij deze circulaire informeer ik u over de inhoud van de gesloten overeenkomst. Aan het slot van deze circulaire zijn de contactpersonen vermeld voor de overeengekomen maatregelen. I. Wijziging van de salarissen en van de eindejaarsuitkering (Onderdeel 2.1 van de overeenkomst) 1. Salarisverhoging per 1 augustus 1999 Met ingang van 1 augustus 1999 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk verhoogd met 2,9%. a. Salarisbedragen per 1 augustus 1999 In verband met de salarisverhoging van 2,9% komen de salarisbedragen voor volwassenen per 1 augustus 1999 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010508&bijlage=2&z=1999-06-28&g=1999-06-28) gevoegde inpassingstabel. De als [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010508&bijlage=3&z=1999-06-28&g=1999-06-28) bijgevoegde inpassingstabel per 1 augustus 1999 vermeldt de zogenaamde ’tussen’-bedragen. Dit zijn in het verleden gegarandeerde salarisbedragen die niet meer voorkomen in de bijlagen van het [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) (BBRA 1984), maar die binnen de sector Rijk nog sporadisch worden gehanteerd. De nieuwe salarisbedragen voor jeugdigen (de zogenaamde ’J-bedragen’), voorkomende in [bijlage B van het BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijl"},{"i":48,"b":"Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 2001-2002 Inleiding/managementinformatie Op 20 november 2001 heb ik met de centrales van overheidspersoneel een overeenkomst gesloten over de arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de contractperiode 1 oktober 2001 tot 1 december 2002. Een afschrift van deze Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2001-2002 is als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013185&bijlage=1&z=2001-12-14&g=2001-12-14) bijgevoegd. De formalisering daarvan is reeds ter hand genomen. Met deze circulaire informeer ik u over de inhoud van de gesloten overeenkomst. Aan het slot van deze circulaire zijn de contactpersonen voor de overeengekomen maatregelen vermeld. Deze circulaire is ook geplaatst op de internetsite van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Locatie: www.minbzk.nl\\Overheidspersoneel\\Rijksoverheid\\Arbeidsvoorwaarden\\publicaties. I. Inkomensontwikkeling 1. Salarisverhoging per 1 oktober 2001 Met ingang van 1 oktober 2001 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk structureel verhoogd met 3,6%. a. Salarisbedragen per 1 oktober 2001 In verband met de salarisverhoging van 3,6% komen de salarisbedragen per 1 oktober 2001 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013185&bijlage=2&z=2001-12-14&g=2001-12-14) bijgevoegde inpassingstabel. Als [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013185&bijlage=3&z=2001-12-14&g=2001-12-14) is bijgevoegd een overzicht van de schalen van het [BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) per 1 oktober 2001. b. Aanpassing van toelagen, vergoedingen en dergelijke Toelagen die zijn toegekend met toepassing van het [BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) en toelagen die krachtens een [BBRA-overgangsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003631) nog van toepassing zijn, dienen in het algemee"},{"i":50,"b":"Arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid sector Rijk 1995-1997 Circulaire aan de Ministers Inleiding Op 14 september 1995 heb ik met de Algemene Centrale van Overheids- personeel en de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs, Bedrijven en Instellingen in het Sectoroverleg Rijkspersoneel (SOR) overeenstemming bereikt over het arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid in de contractperiode 1 april 1995 – 1 april 1997. Een afschrift van de gesloten overeenkomst is als bijlage I bijgevoegd. Onder verwijzing naar de inhoud van die overeenkomst, geef ik bij onderdeel A nadere informatie over de overeengekomen verhoging van de salarissen en de – eenmalige – verhoging van de eindejaarsuitkering. Daarna geef ik bij onderdeel B en onderdeel C aanvullende informatie over de maatregelen die zijn overeengekomen ingaande 1 januari 1996 respectievelijk 1 januari 1997. Vervolgens ga ik – voor zoveel nodig – bij onderdeel D nog in op andere onderdelen van de overeenkomst. Tot slot zijn de contactpersonen vermeld behorend bij de diverse maatregelen. A. Wijzigingen van de salarissen en van de eindejaarsuitkering 1. Salarisverhogingen per 1 oktober 1995 en 1 oktober 1996 Met ingang van 1 oktober 1995 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk verhoogd met 0,5%. Voorts is overeengekomen dat met ingang van 1 oktober 1996 deze salarissen zullen worden verhoogd met 0,75%. Op de salarisverhoging van 1 oktober 1995 ga ik hieronder in. Over de maatregel per 1 oktober 1996 zal ik u te zijner tijd nader informeren. Inpassingstabellen per 1 oktober 1995 – In verband met de salarisverhoging van 0,5% komen de (schaal-)salaris-bedragen voor volwassenen per 1 oktober 1995 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007571&bijlage=II&z=1995-10-06&g=1995-10-06) gevoegde inpassingstabel. De als [bijlage III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007571&bijlage=III&z=1995-10-"},{"i":51,"b":"Arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2003 In onderhavige publicatie wil ik u op de hoogte stellen over de volgende zaken: 1. Aanpassing premies en franchise Met ingang van 1 januari 2003 zijn de diverse premies gewijzigd die van invloed zijn op de berekening van een bruto-netto salaris en/of op de vaststelling van de hoogte van de werkgeverslasten van een salaris. In [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014684&bijlage=I&z=2003-02-19&g=2003-02-19) wordt in een overzicht de premies met het eventueel daarbijbehorende franchisebedrag weergegeven van: 2. Aanpassing wettelijk minimumloon en aanvangbedrag aanlooptraject I/D-banen Bij besluit van 10 oktober 2002 (ASEA/LIV/2002/68439), gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 15 oktober 2002, nr. 198 zijn de bedragen genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, b en c van de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag per 1 januari 2003. De aanpassing van het minimumloon is van invloed op de bedragen zoals die in de verschillende besluiten zijn opgenomen. In [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014684&bijlage=II&z=2003-02-19&g=2003-02-19) van deze publicatie treft u de bedragen aan zoals die vanaf 1 januari 2003 voor het minimumloon gelden en in [bijlage III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014684&bijlage=III&z=2003-02-19&g=2003-02-19) treft u aan de bedragen van het aanlooptraject voor functies in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen (I/D-banen). De daarin genoemde bedragen hebben alleen betrekking op de instroombanen, aangezien de doorstroombanen geen zogenoemd aanlooptraject kennen. De stijging van het minimumloon is alleen van invloed op het eerste bedrag van het aanlooptraject (a1). Stijging van het tweede aanloopbedrag (a2) geschiedt op basis van de Algemene salarismaatregel. 3. 13e maand Afgelopen jaar werd de opbouw van de 13e maand geïntroduceerd. In verschillende publicaties heb ik u hierover bericht. Voor 2002 gold uiteindelijk een per"},{"i":52,"b":"Arbeidsvoorwaardenakkoord Defensie 2017–2018 Hoofdstuk 1. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2017 Artikel 1 Wijzigt de Inkomstenregeling Militairen. Artikel 2 Wijzigt de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 3 Het Sociaal Beleidskader Defensie 2012–2016 wordt verlengd tot 1 oktober 2018. Artikel 4 Wijzigt de Regeling toelage bedrijfshulpverlening en toelage eerste medische bijstand defensiepersoneel. Artikel 5 Wijzigt de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid. Artikel 6 Wijzigt de Voorlopige Voorziening Uitvoeringsregeling AMAR. Artikel 7 Wijzigt de Regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties. Hoofdstuk 2. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2018 Hoofdstuk 2. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2018 Hoofdstuk 4. Slotbepalingen Artikel 8 Wijzigt de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 9 Wijzigt de Inkomstenregeling militairen. Artikel 10 Wijzigt de Regeling toelage bedrijfshulpverlening en toelage eerste medische bijstand defensiepersoneel. Artikel 11 Wijzigt de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid. Artikel 12 Wijzigt de Regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties. Hoofdstuk 3. Overige wijzigingen Hoofdstuk 3. Overige wijzigingen Gelet op: Het [Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482), het [Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040), het [Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191), het [Inkomstenbesluit militairen](onbekend), zoals deze besluiten zijn gewijzigd bij het [Besluit tot vaststelling van een eenmalige uitkering 2017 en 2018 en tot wijziging van enige besluiten in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode 1 januari 2017 tot 1 oktober 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041570) (St"},{"i":53,"b":"Arbeidsvoorwaardenakkoord Defensie 2018–2020 Hoofdstuk 1. Wijzigingen met ingang van 1 oktober 2018 Artikel 1.1 Het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016 wordt verlengd tot en met 31 december 2020. Hoofdstuk 2. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2019 Hoofdstuk 2. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2019 Hoofdstuk 4. Wijzigingen met ingang van 1 juli 2019 Hoofdstuk 5. Wijzigingen met ingang van 1 augustus 2019 Hoofdstuk 6. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2020 Hoofdstuk 7. Wijzigingen met ingang van 1 juli 2020 Hoofdstuk 3. Wijzigingen met ingang van 1 april 2019 Hoofdstuk 3. Wijzigingen met ingang van 1 april 2019 Hoofdstuk 5. Wijzigingen met ingang van 1 augustus 2019 Artikel 2.1 1. De Regeling dubbeltelling pensioengeldige tijd wordt ingetrokken. 2. Bij wijze van overgangsmaatregel blijft dubbeltelling van kracht voor volgens deze regeling dubbeltellende tijd, opgebouwd in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Artikel 2 Wijzigt de Inkomstenregeling militairen. Artikel 2.3 Wijzigt de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid. Artikel 2.4 Wijzigt de Voorlopige Voorziening Uitvoeringsregeling AMAR. Artikel 2.5 Wijzigt het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel. Hoofdstuk 6. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2020 Hoofdstuk 7. Wijzigingen met ingang van 1 juli 2020 Hoofdstuk 8. Wijzigingen met ingang van 1 december 2020 Hoofdstuk 9. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2021 Hoofdstuk 4. Wijzigingen met ingang van 1 juli 2019 Artikel 3.1 Wijzigt de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 3.2 Wijzigt de Inkomstenregeling militairen. Artikel 3.3 Wijzigt de Regeling toelage bedrijfshulpverlening en toelage eerste medische bijstand defensiepersoneel. Artikel 3.4 Wijzigt de Regeling Toelage Bijzondere Bijstands Eenheden. Artikel 3.5 Wijzigt de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid. Artikel 3.6 Wijzigt de Regeling voorzie"},{"i":55,"b":"Arbeidswet 2000 BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op het verrichten en het laten verrichten van arbeid. 2. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid, verricht: - a. door het hoofd of de bestuurder van de onderneming en zijn echtgenoot of bloedverwant in de eerste graad, dan wel verricht door personen, niet zijnde hoofd of bestuurder, die dezelfde bevoegdheden hebben als het hoofd of de bestuurder; - b. door straatventers, vissers, kleine handelslieden en land- en tuinbouwers, die geen vergunning nodig hebben op grond van de [Wet vestiging bedrijven BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028164); - c. met een wetenschappelijk doeleinde; - d. door geneeskundigen en verloskundigen, alsmede door personen die werkzaam zijn in een zieken- of verzorgingsinrichting anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke aanstelling; - e. door personen van 18 jaar of ouder ten behoeve van luchtvaartondernemingen en direct verband houdende met de aankomst of het vertrek van luchtvaartuigen en de daarmee vervoerde personen of goederen; - f. door personen van 18 jaar of ouder als bemanning ten behoeve van het luchtvaartuig waarop zij dienst doen; - g. door personen van 18 jaar of ouder ten behoeve van scheepvaartondernemingen en direct verband houdende met de aankomst of het vertrek van schepen en de daarmee vervoerde personen of goederen; - h. door personen van 18 jaar of ouder als opvarende van het schip waarop zij dienst doen; - i. door havenarbeiders van 18 jaar of ouder, waarop de [Stuwadoorswet 1946 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028169) van toepassing is; - j. door personen van 18 jaar of ouder, die ambtenaar zijn in de zin van de [Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215) of van wie de arbeidsvoorwaarden bij of krachtens wettelijke regeling door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Konin"},{"i":56,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 mei 2004, nr. DAZ/B&ADIV/2004/33862, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden uit de archieven van het hoofdbureau van het Rijksarbeidsbureau (1928) 1945–1954, de centrale dienst van de Directie voor de Arbeidsvoorziening 1954–1959 (1963) en van de Centrale Commissie van Advies voor het Rijksarbeidsbureau 1945–1954 en de Centrale Commissie van Advies voor de Arbeidsvoorziening 1954–1959 (Archiefregeling voor de archieven op het beleidsterrein Arbeidsvoorziening) Gelet op [artikel 15, eerste lid , onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden uit de archieven van de het hoofdbureau van het Rijksarbeidsbureau (1928) 1945–1954, de centrale dienst van de Directie voor de Arbeidsvoorziening 1954–1959 (1963) en van de Centrale Commissie van Advies voor het Rijksarbeidsbureau 1945–1954 en de Centrale Commissie van Advies voor de Arbeidsvoorziening 1954–1959 de in het volgende lid genoemde beperking gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 162, 314–318, 419, 454, 561, 734, 754, 755, 775, 776, 778, 780, 870–885 en 914 is slechts mogelijk na voorafgaande toestemming van de directeur van het Nationaal Archief via een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage ge"},{"i":57,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 maart 2009, nr. Directie GOB/DIV/2009/5301, houdende een beperking van de openbaarheid voor de inventarisnummers 107 tot en met 126, 177, 183 tot en met 185, 213, 434, 543, 552, 572, 645, 647, 650, 651, 657, 661, 671, 672, 701, 702, 705, 708, 712, 723, 727 tot en met 731, 755 tot en met 758, 761, 762, 767, 769, 771, 776, 821, 827, 834, 860, 862, 875, 876, 878, 880, 885, 886, 894 tot en met 898, 1001, 1018, 1032, 1052, 1059, 1060, 1089, 1127 tot en met 1138, 1227, 1241, 1302, 1314, 1324, 1327, 1330, 1331, 1339, 1341, 1349, 1350, 1365, 1370, 1371, 1410, 1532, 1535 tot en met 1541, 1562, 1564, 1581, 1589 tot en met 1593, 1614, 1770, 1771, 1785 tot en met 1788, 1799 tot en met 1834, 1911 tot en met 1915, 1980 tot en met 1982, 2009, 2010, 2012, 2013, 2019, 2020, 2025, 2061, 2068 tot en met 2074, 2135 tot en met 2280, 2356, 2360 tot en met 2362, 2366, 2367, 2392, 2393, 2471, 2494, 2562 en 2564 uit het archief van de Directie Emigratie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de periode 1945–1994 (Archiefregeling I voor de archieven op het beleidsterrein Arbeidsvoorziening van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden uit het historische bestand van personeelsleden van het Ministerie de in het volgende lid genoemde beperking gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1"},{"i":59,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van d.d. 7 november 2011, nr. BV/DCA/2011/18957, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden uit het archief van de Directie Arbeidsverhoudingen over de periode 1995–2001 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden afkomstig uit inventarisnummer 211 uit het archief van de Directie Arbeidsverhoudingen over de periode 1995–2001 de in artikel 1, lid 3 genoemde beperking gesteld. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummer 211. is slechts mogelijk na voorafgaande toestemming van de directeur van het Nationaal Archief via een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. De verzoeker verklaart daarmee tevens zich te zullen houden aan de in het formulier opgenomen bepalingen. 3. De bescheiden uit inventarisnummer 211 zullen geheel openbaar worden op 1 januari 2040. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Archiefregeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 7 november 2011 nr. BV/DCA/2011/18957 voor het archief op het beleidsterrein Arbeidsverhoudingen. Artikel 3 De regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":60,"b":"Belastingverdragen, compensatieregeling in het belastingverdrag met België, grensarbeiders Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden 1. Algemeen Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Goedkeuring Zowel in de kabinetsreactie op aanbeveling 11 van het rapport van de (eerste) Commissie grensarbeiders van 21 mei 2001 als in de kabinetsreactie op aanbeveling 12 van het rapport van de (tweede) Commissie grensarbeiders van 29 april 2008 is geconcludeerd dat doel en strekking van de bijzondere compensatieregeling meebrengen dat deze regeling voortgezet of wederom toepassing moet kunnen (blijven) vinden in een aantal specifiek omschreven situaties. Dit besluit vormt de uitwerking van die kabinetsstandpunten en van mijn brief van 15 mei 2009, nr. BCPP2009/890, (Kamerstukken II, 26 834, nr. 24) over de tijdelijke uitbreiding van de termijn van zes maanden naar twaalf maanden. Met betrekking tot de termijn van zes maanden zoals genoemd in onderdeel ii) keur ik goed dat deze vanwege de huidige economische situatie tijdelijk wordt uitgebreid tot twaalf maanden. Deze tijdelijke uitbreiding tot twaalf maanden geldt voor grensarbeiders die in de periode 1 september 2008 tot en met 31 december 2013 onvrijwillig en volledig werkloos zijn geworden. Voor grensarbeiders die in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 werkloos zijn geworden, geldt in dit kader 31 december 2014 als uiterste termijn om een nieuwe dienstbetrekking te aanvaarden. Voor het einde van de tijdelijke uitbreiding van de termijn zal opnieuw worden getoetst of tot verlenging besloten wordt. 2. Ingetrokken regeling 3. Inwerkingtreding De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 1 juli 2009, nr. CPP2009/1120M. De tijdelijke uitbreiding van de termijn van zes maanden naar twaalf maanden wordt verlengd tot en met 31 december 2013.** 1. Algemeen In artikel 27, paragraaf 2, van het Nederlands-Belgische belastingverdrag van 5 jun"},{"i":61,"b":"Belastingverdragen, OESO-commentaar, ontslagvergoedingen in grensoverschrijdende situaties **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 25 januari 2022, nr. 2022-19850 (** **Stcrt. 2022, 3327** **). Dit besluit geeft een nadere uitleg ten aanzien van de belastingheffing over ontslagvergoedingen in een grensoverschrijdende situatie.** 1. Inleiding In het [besluit van 25 januari 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046272) is de wijze waarop rekening moet worden gehouden met de wijziging per 15 juli 2014 van het OESO-commentaar ten aanzien van de belastingheffing over ontslagvergoedingen in een grensoverschrijdende situatie toegelicht. Op 14 oktober 20221HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1436. heeft de Hoge Raad arrest gewezen over het belang van na de totstandkoming van een belastingverdrag gepubliceerd OESO-commentaar. Dergelijk verdragsposterieur commentaar is volgens de Hoge Raad niet altijd van belang bij de uitleg van een belastingverdrag. Het arrest geeft aanleiding tot herziening van het [besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046272). Daarbij ontstaat een verschil in de behandeling van ontslagvergoedingen tussen belastingverdragen die vóór en na 15 juli 2014 zijn gesloten. Met het sluiten van een belastingverdrag wordt in dit kader het moment van ondertekening bedoeld. 1.1. Belangrijkste wijzigingen in dit besluit Dit besluit vervangt het [besluit van 25 januari 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046272), nr. 2022-19850. De belangrijkste wijzigingen zijn als volgt: Overige aanpassingen zijn van redactionele aard, daarmee is geen wijziging beoogd. 2. Ontslagvergoedingen, historisch verloop In 2004 heeft de Hoge Raad enkele arresten2HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF7812, en ECLI:HR:2004:AF7816. gewezen over de behandeling van ontslagvergoedingen in internationale situaties. Daarin werd de zogenoemde 4+ methode geïntroduceerd. De verdeling van het he"},{"i":62,"b":"Belastingverdragen, OESO-commentaar; uitleg begrip werkgever **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het Besluit van 12 januari 2010, nr. DGB2010/267M (** **Stcrt. 2010, 788** **). In dit besluit is beleid geformuleerd over de uitleg van het begrip werkgever bij toepassing van door Nederland gesloten belastingverdragen. Ook is beleid opgenomen over de fiscale gevolgen die zijn verbonden aan kortdurende grensoverschrijdende tewerkstelling van bepaalde werknemers.** 1. Inleiding Op 14 oktober 2022 heeft de Hoge Raad arrest1HR 14 oktober 2022, nr. 21/00747, ECLI:NL:HR:2022:1436. gewezen over de toepasbaarheid van nieuw OESO-commentaar bij de uitleg van het begrip werkgever in een eerder gesloten belastingverdrag. Dit arrest is van belang voor de toepassing van de verdragsbepaling voor niet-zelfstandige arbeid (hierna: het dienstbetrekkingartikel) van door Nederland gesloten belastingverdragen. Voor belastingverdragen die zijn gesloten na 22 juli 2010 is de versie van het OESO-commentaar zoals dat toen is gewijzigd leidend. Voor eerder gesloten belastingverdragen geldt de maatstaf van de arresten van de Hoge Raad van 1 december 20062HR 1 december 2006, nrs. 38 850 (LJN: AT3920), 38 950 (LJN: AT3918), 39 710 (LJN: AT3932), 39 711 (LJN: AZ3175), 39 535 (LJN: AT3928) en 40 088 (LJN: AZ3169).. Met het sluiten van een belatingverdrag wordt in dit kader het moment van ondertekening bedoeld. Dit besluit gaat in op de uitleg van het begrip werkgever in het dienstbetrekkingartikel in belastingverdragen (hierna: werkgever) die door Nederland zijn gesloten vóór 22 juli 2010 en belastingverdragen die zijn gesloten vanaf die datum. Daarnaast voorziet dit besluit in een bewijsregel voor werknemers die binnen concernverhouding niet langer dan 60 dagen in Nederland werkzaam zijn. Ik merk op dat dit besluit alleen van belang is voor de belastingheffing3Het besluit heeft geen belang voor de premieheffing. en alleen ziet op"},{"i":63,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 augustus 2024, nr. 2024-0000183525, tot vaststelling van de beleidsregel in het kader van bestuursrechtelijke handhaving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2024) Gelet op de [artikelen 18f, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18f), en [18n, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18n); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **arbeidsduur:** de arbeidsduur, bedoeld in [artikel 5a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=5a); - **minimumloon:** het minimumloon, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7); - **wet:** de [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638). Artikel 2 Indien een werkgever de op hem rustende verplichting, bedoeld in [artikel 7, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7), niet of onvoldoende nakomt, wordt hem per werknemer ten aanzien van wie de overtreding is begaan een bestuurlijke boete opgelegd waarvan de hoogte wordt bepaald aan de hand van onderstaande tabel. | Boetebedragen overtreding [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7) | Boetebedragen overtreding [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7) | Boetebedragen overtreding [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7) | Boetebedragen overtreding [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7) | Boetebedragen overtreding [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7) | | --- | --- | --- | --- | --- | | Duur onderbetaling | ≤ 1 maand | >1 – < 3 maanden | 3 – < 6 maanden | ≥ 6 maanden | | < 5% | € 500 | € 75"},{"i":65,"b":"Beleidsregel elektronische communicatie UWV Gelet op [artikel 32e, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32e) en [artikel 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:15); Besluit: Artikel 1. Algemene bepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Wet SUWI:** de [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060); - b. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). Artikel 2. Elektronisch communiceren met UWV - – 1. Het verkeer tussen burgers en UWV als bedoeld in [artikel 32e van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32e) vindt elektronisch plaats, voor zover dat artikel elektronisch verkeer voorschrijft, en voor zover het verkeer betreft als opgenomen in de bijlage bij deze beleidsregel. Deze bijlage is te vinden op de website van UWV of op te vragen bij UWV Telefoon Werknemers, 0900 – 92 94 of een van de vestigingen van het UWV WERKbedrijf. - – 2. In afwijking van het eerste lid vindt het verkeer tussen burgers en UWV niet verplicht elektronisch plaats voor zover: - a. elektronisch verkeer naar het oordeel van UWV onmogelijk of onredelijk bezwarend is voor de burger; - b. het verkeer plaatsvindt in het kader van een klacht-, bezwaar- of gerechtelijke procedure; - c. het verkeer betrekking heeft op het opleggen van een maatregel of bestuurlijke boete door UWV, of op het verrekenen met de uitkering van op grond van een terugvordering of boete te betalen bedragen; - d. betrokkene op grond van de daarvoor geldende voorwaarden geen DigiD kan aanvragen; - e. het verkeer betrekking heeft op arbeidsbemiddeling door UWV WERKbedrijf die is ingegaan vóór 1 juli 2012. Artikel 3. Toestemming om niet-elektronisch te communiceren - –"},{"i":64,"b":"HERDRUK Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 17 februari 2026, nr. ILT-2025/544208, over vaststelling van boetebedragen voor overtredingen van de Arbeidstijdenwet met betrekking tot taxivervoer (Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (taxivervoer) 2026) Gelet op [artikel 10:7, zesde lid, tweede volzin, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:7) en [artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:46); BESLUITEN: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **eerste bedrijfsinspectie:** bedrijfsinspectie die geen tweede bedrijfsinspectie of volgende bedrijfsinspectie is; - **eerste transportinspectie:** transportinspectie die geen tweede of volgende transportinspectie is; - **taxivervoer:** taxivervoer als bedoeld in [artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1); - **tweede bedrijfsinspectie:** bedrijfsinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na een eerste bedrijfsinspectie, waarbij de eerste bedrijfsinspectie heeft geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete die onherroepelijk is op de datum waarop de huidige bedrijfsinspectie aanvangt; - **tweede transportinspectie:** transportinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na een eerste transportinspectie waarbij de eerste transportinspectie heeft geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete die onherroepelijk is op de datum waarop de transportinspectie aanvangt; - **volgende bedrijfsinspectie:** bedrijfsinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na twee of meer bedrijfsinspecties, waarbij ten minste twee van deze bedrijfsinspecties hebben geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete en deze bestuurlijke boetes onherroepelijk zijn op de datum waarop de bedrijfsinspectie aanvan"},{"i":66,"b":"Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2024 Gelet op [artikel 18, tweede lid, onder c, van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=18); Besluit: Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen en monitoren van een rechtspersoon die tot doel heeft diensten te verlenen die kunnen worden aangemerkt als Persoonlijke Ondersteuning, het Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2024, als weergegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De [Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042550) (Staatscourant nummer 51103 van 18 september 2019) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2024. Bijlage Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2024 Begripsbepalingen Hoofdstuk 1. – Inleiding Dit Erkenningskader 2024 bestaat uit de volgende onderdelen: Onderdeel A Hoofdstuk 2. – Eisen om erkend te worden als jobcoachorganisatie Wil een rechtspersoon (hier na te noemen aanbieder) in aanmerking komen voor erkenning als Jobcoachorganisatie op basis van het Erkenningskader 2024, dan moet zij aantonen aan een aantal eisen te voldoen. Deze eisen worden ook wel erkenningseisen genoemd. Het gaat om de volgende erkenningseisen: 2.1. Betrouwbaarheid van de aanbieder tot erkenning als Jobcoachorganisatie Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanbieder om als Jobcoachorganisatie te worden erkend laat UWV onder andere de volgende feiten en omstandigheden meewegen: Ten bewijze dat zich geen van de hiervoor genoemde feiten of o"},{"i":67,"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nr. 2015-0000174557, van 22 juli 2015, houdende vaststelling van een Beleidsregel inzake het handhaving- en sanctioneringskader van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 onderdeel arbeidsomstandighedenwetgeving (Beleidsregel handhaving- en sanctioneringkader Besluit risico’s zware ongevallen 2015 arbeidsomstandighedenwetgeving) Gelet op [artikel 34, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=34), en de [artikelen 17, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036791&artikel=17), en [18, derde en vierde lid, van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036791&artikel=18), Besluit: Artikel 1. Handhavingsbeleid De toezichthouder maakt het handhavingsbeleid [Besluit risico’s zware ongevallen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036791) bekend. Dit handhavingbeleid is uniform en gelijk voor alle bedrijven die vallen onder genoemd besluit. Artikel 2. Type overtredingen In deze beleidsregel wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen overtredingen: - a. een overtreding met directe boete, oftewel een overtreding die in tabel 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036900&bijlage=1&z=2015-07-31&g=2015-07-31) als ODB is aangemerkt en waarvoor direct een bestuurlijke boete volgt, en - b. een overige overtreding, oftewel een overtreding die in tabel 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036900&bijlage=1&z=2015-07-31&g=2015-07-31) als OO is aangemerkt en waarop tot boeteoplegging wordt overgegaan indien: - 1°. een hersteltermijn is gegeven en na ommekomst daarvan de overtreding niet ongedaan is gemaakt; of - 2°. nadat dezelfde of soortgelijke overtreding opnieuw wordt geconstateerd. Artikel 3. Boete- en tarieflijst 1. In tabel 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036900&bijlage=1&z=2015-07-31&g=2015-07-31) is voor elk"},{"i":70,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 13 februari 2026, nr. 2026-405, Loonheffingen. Premie arbeidsinschakeling **De Staatssecretaris van Financiën,** **Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 11b van de Wet op de loonbelasting 1964.** **Besluit:** 1. Inleiding In dit besluit wordt opvolging gegeven aan de toezegging van de Staatssecretaris Participatie en Integratie1Eerste Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 582, K. om te bevestigen dat een in 2026 betaalde premie arbeidsinschakeling als bedoeld in [artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=31), mede niet tot het loon in de zin van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) behoort als deze is betaald aan een bijstandsgerechtigde die jonger is dan 27 jaar. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Premie arbeidsinschakeling geen loon Met ingang van 1 januari 2027 zal de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) op verschillende onderdelen worden gewijzigd. Een van die onderdelen betreft het toegankelijk maken van de premie arbeidsinschakeling voor bijstandsgerechtigde jongeren onder de 27 jaar. Op dit moment geldt deze premie alleen voor bijstandsgerechtigden vanaf 27 jaar. De Staatssecretaris Participatie en Integratie heeft toegezegd dat er in 2026 een gedoogsituatie geldt voor gemeenten die reeds in dat jaar een premie arbeidsinschakeling betalen aan bijstandsgerechtigde jongeren onder de 27 jaar. Op grond van [artikel 11b Wet LB 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11b) behoort niet tot het loon in de zin van de [Wet LB 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) de premie arbeidsinschakeling bedoeld in [artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=31). Dit betreft ingevolge het vijfde lid van genoemd artikel 31 een premie voor bi"},{"i":71,"b":"Beleidsregel maatregelen UWV Gelet op de [artikelen 27, zevende lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=27), [45, derde lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=45), [29, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=29), [88, vierde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=88), [47, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=47), [39, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=39), en [14, tweede lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=14), en op het [Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022445); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. betrokkene: - 1°. de werknemer, bedoeld in de [artikelen 3 tot en met 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=3) en [53 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=53), - 2°. de persoon, bedoeld in de [artikelen 3 tot en met 8c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=3) en [64 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=64), [3 tot en met 7b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=3) juncto [23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=23), en [81 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=81), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=7), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=10) en [18 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.n"},{"i":73,"b":"Besluit van De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) van 31 augustus 2015 tot vaststelling van de beleidsregel ontheffingen verslagstaten Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling 2015, en tot intrekking van een drietal andere beleidsregels Gelet op de [artikelen 147](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=147), [212](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=212) en [213 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=213); Gelet op de [artikelen 142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=142), [206](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=206) en [207 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=207); Gelet op de [artikelen 30 tot en met 34 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020871&artikel=30); Gelet op [artikel 36, derde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020892&artikel=36); Gelet op de [Regeling verslagstaten pensioenfondsen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036189) (Stcrt. 2015, 1997); Na overleg met de representatieve organisaties van (beroeps)pensioenfondsen; Besluit: Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - b. **Wvb:** de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831); - c. **Regeling:** de [Regeling verslagstaten pensioenfondsen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036189) (Stcrt. 2015, 1997); - d. **fonds:** een pensioenfonds als bedoeld in [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1) of een beroepspensioenfonds als bedoeld in [artikel 1 van de Wvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=1); - e. **jaarstaten:** de jaarstaten, bedoeld in"},{"i":74,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 december 2012, AV/AR/2012/173372012-0000048826, tot vaststelling van de beleidsregel preventieve stillegging in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving van de arbeidswetten Gelet op de [artikelen 28a, zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=28a), [8:3a, zevende lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=8:3a), [17b, zevende lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=17b), [18i, zevende lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18i) en [22, zevende lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=22); Besluit: Artikel 1. Stil te leggen werkzaamheden 1. In beginsel worden de werkzaamheden stilgelegd die samenhangen met de overtredingen van de in de grondslag van deze beleidsregel genoemde arbeidswetten. 2. Bij het besluit tot preventieve stillegging kan ervoor worden gekozen om alle werkzaamheden op een locatie, in een organisatorische eenheid of in een concern stil te leggen als de overtreding of de oorzaak daarvan daartoe aanleiding geven. 3. Bij het aanwijzen van stil te leggen werkzaamheden wordt rekening gehouden met de maatschappelijke gevolgen. 4. Bij het aanwijzen van stil te leggen werkzaamheden wordt rekening gehouden met de economische gevolgen voor derden. 5. Bij het aanwijzen van stil te leggen werkzaamheden wordt rekening gehouden met de aard en omvang van de overtreding. De nadelige gevolgen van een preventieve stillegging mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Artikel 2. Aanvang van een preventieve stillegging 1. In de regel gaat de preventieve stillegging in een week na dagtekening van het bevel tot preventieve stillegging. 2. Indien werkzaamhed"},{"i":77,"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 juni 2021, nr. 2021-0000026520, tot vaststelling van beleidsregels op grond van de Wet arbeid vreemdelingen BES (Beleidsregel RCN-Unit SZW toepassing arbeidsmarkttoets Wav BES Bonaire) Gelet op [artikel 5, aanhef en zevende lid, onderdeel b, van de Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=5) en de [artikel 10, aanhef en onderdelen u en v, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=10); Besluit: Paragraaf 1. Inleiding Paragraaf 2. Aanvraag TWV onmiddellijk volgend op vacaturemelding toegestaan Paragraaf 3. Voorwaarden Paragraaf 4. Inwerkingtreding Paragraaf 5. Citeertitel Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":80,"b":"Beleidsregel UWV Terugkomen van een vaststaande beslissing Gelet op het bepaalde in [artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6), alsmede de algemene bevoegdheid van bestuursorganen een eerder besluit te mogen wijzigen, alsmede de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. **nova:** nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in [artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6); - c. **duuraanspraak:** een aanspraak die ten tijde van de herhaalde aanvraag nog doorloopt of had kunnen doorlopen als het vaststaande besluit geen afwijzing was geweest; - d. **herhaalde aanvraag:** een aanvraag na een eerdere geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking dan wel een verzoek van een belanghebbende om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit dan wel een volgende aanvraag om iets waarover al eerder een besluit is genomen; - e. **kennelijke fout:** een materiële fout die zonder diepgaand onderzoek opvalt. Artikel 2. Afbakening 1. Dit besluit is van toepassing op situaties waarin door een belanghebbende wordt verzocht of door UWV wordt bezien een gunstiger beslissing dan het eerdere, vaststaande besluit te nemen. 2. Dit besluit is van toepassing op een individuele aanvraag, tenzij door UWV voor die situatie categoraal herstelbeleid is vastgesteld. 3. Dit besluit is niet van toepassing op situaties waar de [Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020434) betrekking op hebben. 4. Dit besluit is niet van toepassing op besluiten die zijn genomen op grond van de [Wet arbeid vreemd"},{"i":81,"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 juni 2024, nr. 2024-0000154060, over het gebruik van een werkgeversrapportage bij een onderzoek naar een meldingsplichtig arbeidsongeval in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving van de Arbeidsomstandighedenwetgeving (Beleidsregel werkgeversrapportage onderzoek meldingsplichtige arbeidsongevallen) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=9) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Instellen onderzoek door werkgever en opstellen werkgeversrapportage 1. Na de melding bij de toezichthouder van een arbeidsongeval als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=9), en een feitenonderzoek door de toezichthouder ter plaatse, wordt de werkgever door de toezichthouder in de gelegenheid gesteld zelf een onderzoek uit te voeren naar de oorzaken van het ongeval en naar aanleiding daarvan een rapportage en verbeterplan in te dienen bij de toezichthouder. 2. De rapportage en het verbeterplan vormen tezamen de werkgeversrapportage en bevatten een onderzoek naar de directe en de basisoorzaken van het ongeval alsmede concrete maatregelen tot verbetering van de arbeidsomstandigheden teneinde dergelijke ongevallen te voorkomen. De rapportage en het verbeterplan bevatten ten minste de informatie die is opgenomen in de bijlage bij deze beleidsregel. 3. De werkgeversrapportage wordt binnen 15 werkdagen na het verzoek tot opstellen ervan ter beoordeling aan de toezichthouder gezonden. 4. Indien de werkgeversrapportage niet binnen 15 werkdagen na het verzoek tot opstellen ervan is ontvangen, zal de toezichthouder de werkgever de gelegenheid bieden de werkgeversrapportage alsnog binnen 10 werkdagen toe te zenden. 5. Indien een werkgever op grond van het vierde"},{"i":84,"b":"Beleidsregels Scholing en voorwaarden vergoeding scholingskosten UWV 2026 Gelet op het bepaalde in [artikel 65f Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65f), [artikel 67d Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67d), [artikelen 26 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=26) en [34 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34), [artikelen 2:18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:18) en [3:66 Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:66), [artikel 76 Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=76), [artikel 11 Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=11) en [artikel 30a Wet Suwi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a); besluit: Artikel 1. Begrippen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - **Arbeidsmarktrelevant:** De scholing draagt bij aan de invulling van de vraag naar arbeidskrachten op de arbeidsmarkt in loondienst of voorziet in het verwerven van een inkomen als zelfstandig ondernemer. - **Bemiddelingsberoep of functie:** het kansrijke beroep of functie waarnaar de cliënt bemiddeld wordt en dat past bij de vaardigheden en kwaliteiten van de cliënt. - **CREBO:** Centraal register Beroepsopleidingen; in dit register staan de door Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) erkende Mbo-opleidingen. - **Certificaat of Diploma:** Een bewijs waaruit blijkt dat de scholing: Uit dit bewijs blijkt dat een cliënt met goed gevolg heeft deelgenomen aan de scholing. - –. Of is erkend door de Minister van OCW (CREBO, CROHO), afgegeven door een organisatie dat door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkend onderwijs verzorgt dan wel verband houdt met"},{"i":85,"b":"Beleidsregels ter overneming Beleidsbesluiten inzake de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen voor de premieheffing werknemersverzekeringen in het jaar 2005 Besluit: Artikel 1 De in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018020&bijlage=1&z=2005-03-11&g=2005-03-11) genoemde beleidsbesluiten inzake de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen gelden, voorzover deze het loonbegrip van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) betreffen waarnaar de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten verwijst, in het jaar 2005 geheel voor de premieheffing werknemersverzekeringen. Artikel 2 De in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018020&bijlage=2&z=2005-03-11&g=2005-03-11) genoemde beleidsbesluiten inzake de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen gelden, voorzover deze het loonbegrip van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) betreffen waarnaar de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten verwijst, in het jaar 2005 gedeeltelijk voor de premieheffing werknemersverzekeringen. Artikel 3 De in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018020&bijlage=3&z=2005-03-11&g=2005-03-11) genoemde beleidsbesluiten inzake de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen over het loonbegrip van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) waarnaar de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten verwijst, gelden in het jaar 2005 niet voor de premieheffing werknemersverzekeringen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2005. Bijlage 1 De in deze bijlage genoemde beleidsbesluiten inzake de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringe"},{"i":86,"b":"Beleidsregels UWV normbedragen REA-voorzieningen 2004 Besluit: Artikel 1 De normbedragen voor voorzieningen als bedoeld in de artikelen 16, 22 en 31 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, worden met ingang van 1 maart 2004 vastgesteld op de bedragen, genoemd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt de kilometervergoedingen volgens de code's C11, C13, C21-II, C25-I, C25-II en C25-V op basis van maximaal de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode “snelste route” en op basis van volledige postcodes. 2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt de aftrek, als bedoeld onder de code's C26-I en C26-II, vast op basis van maximaal de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode “snelste route” en op basis van volledige postcodes. 3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt de uurvergoeding met code E17 bij een minimale inzet van de tolk van: - a. één lesuur in onderwijssituaties of - b. een half uur in overige situaties. 4. De uurvergoeding met code E17 wordt als volgt vergoed in geval van buitengewone werktijden: - a. 120% op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 en 22.00 uur - b. 130% op zaterdag tussen 06.00 en 22.00 uur - c. 140% op maandag tot en met zaterdag tussen 22.00 en 06.00 uur - d. 145% op zondagen en algemeen erkende feest- of gedenkdagen. 5. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt de kilometervergoedingen volgens de code's E17-A1 t/m -A3 op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode 'snelste route' en op basis van volledige postcodes. 6. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt de vergoeding, bedoeld in het vierde lid, bij een reisafstand van minimaal tien kilometer en van maximaal 220 kilometer. 7. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde in het vijfde lid ten aanzien"},{"i":87,"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2008 Besluit: Artikel 1 De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - –. de [artikelen 34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34), en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - –. [artikel 52d van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=52d), - –. [artikel 65e van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65e), - –. [artikel 59b van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59b), - –. [artikel 67c van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67c), en - –. [artikel 2.17 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019058&artikel=2.17), worden met ingang van 1 januari 2008 vastgesteld op de bedragen, genoemd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 1. De kilometervergoedingen volgens de codes C11, C13, C22 en C25 worden verstrekt op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’ en op basis van volledige postcodes. 2. De aftrek, als bedoeld onder de codes C26-I en C26-II, wordt vastgesteld op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’ en op basis van volledige postcodes. 3. De uurvergoeding met code E17 wordt verstrekt bij een minimale inzet van de tolk van: - a. één lesuur in onderwijssituaties tussen 08.00 en 18.00 uur of - b. één kwartier in overige situaties In onderwijssituaties wordt tussen 08.00 en 18.00 uur een vaste maximumvergoeding verstrekt per dagdeel of verlengd dagdeel. 4. De uurvergoeding met code E17 wordt als volgt verhoogd in geval van buitengewone werktijden: - a. 120% op maandag tot en met vrijdag tussen 06"},{"i":88,"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2009 Besluit: Artikel 1 De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - –. de [artikelen 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34) en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - –. [artikel 52d van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=52d), - –. [artikel 65e van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65e), - –. [artikel 59b van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59b), - –. [artikel 67c van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67c), en - –. [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a), worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 1. De kilometervergoedingen volgens de codes C11, C13, C22 en C25 worden verstrekt op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’ en op basis van volledige postcodes. 2. De aftrek, als bedoeld onder de codes C26-I en C26-II, wordt vastgesteld op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’ en op basis van volledige postcodes. 3. De uurvergoeding met code E17 wordt uitsluitend verstrekt voor feitelijke tolkactiviteit en bij een minimale inzet van de tolk van: - a. één lesuur in onderwijssituaties tussen 08.00 en 18.00 uur of - b. één kwartier in overige situaties. In onderwijssituaties wordt tussen 08.00 en 18.00 uur een vaste vergoeding verstrekt per twee klokuren. 4. De uurvergoeding met code E17 wordt als volgt verhoogd in geval van buitengewone werktijden: - a. 120% op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 en 22.00 uur; - b. 130% op zate"},{"i":89,"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2010 Besluit: Artikel 1 De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - –. [artikelen 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34) en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - –. [artikel 52d van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=52d), - –. [artikel 65e van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65e), - –. de [artikelen 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22), [2:23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23) en [3:64 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:64), - –. [artikel 67c van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67c), en - –. [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19), worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 1. De kilometervergoedingen volgens de codes C11, C13, C22 en C25 worden verstrekt op basis van de aantallen kilometers afgerond naar boven, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’ en op basis van volledige postcodes. 2. De aftrek, als bedoeld onder de codes C26-I en C26-II, wordt vastgesteld op basis van de aantallen kilometers afgerond naar boven, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’ en op basis van volledige postcodes. Artikel 3 1. De uurvergoeding met code E17 wordt uitsluitend verstrekt voor feitelijke tolkactiviteit en bij een minimale inzet van de tolk van: - a. één lesuur in onderwijssituaties tussen 08.00 en 18.00 uur of - b. één kwartier in overige situaties In onderwijssituaties wordt tussen 08.00 en 18.00 uur een vaste vergoeding verstrekt per twee klokuren. 2. De uurvergoeding"},{"i":90,"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2011 Besluit: Artikel 1. : Wettelijk kader De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - –. [artikelen 34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34a) en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - –. [artikel 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22) en [2:23 van de Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23), - –. [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a) - –. [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15) en [15a van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15a) - –. [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=6) en [8 van het Besluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=8) worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. : Uurvergoeding doventolken 1. De uurvergoeding met code E17 wordt uitsluitend verstrekt voor feitelijke tolkactiviteit en bij een minimale inzet van de tolk van één kwartier in alle voorkomende situaties. 2. Voor opdrachten in het onderwijs wordt de vergoeding per uur als volgt gedifferentieerd: - –. In wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs: 105% van het normbedrag E17-1 en E17-3 - –. In het middelbaar (beroeps) onderwijs: 100% van het normbedrag E 17-1 en E 1"},{"i":91,"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2012 Besluit: Artikel 1. : Wettelijk kader De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - −. [artikelen 34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34a) en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - −. [artikel 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22) en [2:23 van de Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23), - −. [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a) - −. [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15) en [15a van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15a) - −. [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=6) en [8 van het Besluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=8) worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. : Kilometervergoeding 1. De kilometervergoedingen volgens de normbedragen C11, C13, C22 en C25 worden verstrekt op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’, op basis van volledige postcodes en per enkele reis afgerond naar boven op de eerstvolgende hele kilometer. 2. De aftrek, als bedoeld onder de normbedragen C26-I en C26-II, wordt vastgesteld op de wijze als in het eerste lid aangegeven. Artikel 3. : Taxikostenvergoedin"},{"i":92,"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2013 Besluit: Hoofdstuk 1. : Wettelijk kader Artikel 1. : Wettelijk kader De normbedragen voor voorzieningen als bedoeld in: - –. [artikelen 34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34a) en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - –. [artikel 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22) en [2:23 van de Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23), - –. [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a), - –. [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15), [15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15a), [15b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15b) en [18 van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=18), - –. [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=7) en [8 van het Besluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=8), worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de bijlage bij dit besluit. Hoofdstuk 2. : Vervoersvoorzieningen algemeen Artikel 2. : Kilometervergoeding 1. De kilometervergoedingen volgens de norm"},{"i":93,"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2014 Besluit: Hoofdstuk 1. Wettelijk kader Artikel 1. Wettelijk kader De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - –. [artikelen 34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34a) en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - –. [artikelen 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22) en [2:23 van de Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23), - –. [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a), - –. [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15), [15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15a), [15b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15b) en [18 van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=18), - –. [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=7) en [8 van het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=8), worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de bijlage bij dit Besluit. Artikel 2. Algemene begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **Voorziening:** een middel of dienst wa"},{"i":30,"b":"Arbeidsbesluit hotels, restaurants en casino’s 2000 BES Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **hotels:** A-hotels, pensions, appartementen en andere hotels; - **restaurants:** Chinese restaurants, fastfood restaurants, bars, cateringbedrijven, snacks in de vorm van verkoop van etenswaren op straat in stalletjes en truk’i pan. De arbeidsduur voor de werknemer, die werk verricht in de bedrijfstakken respectievelijk bedrijfssectoren hotels, restaurants en casino’s, bedraagt per week maximaal 48 uren, berekend over een periode van vier weken, met dien verstande dat de arbeidsduur per dag maximaal tien uren bedraagt. Betreft het een werkgever in de bedrijfssector casino’s, genoemd in de tweede volzin, die op 1 augustus 2000 beschikte over een goedgekeurde werktijdenregeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Arbeidsbesluit Casino (P.B. 1977, no. 35), dan bedraagt de arbeidsduur voor de werknemer per week maximaal de in die goedgekeurde werktijdenregeling genoemde arbeidsduur, voor zover dat aantal uren meer is dan het in de tweede volzin genoemde aantal uren, berekend over een periode van vier weken, met dien verstande dat de arbeidsduur per dag maximaal tien uren bedraagt. 2. Het is verboden een werknemer arbeid te laten verrichten, waardoor de arbeidsduur genoemd in het eerste lid, wordt overschreden, anders dan bij wijze van overwerk. 3. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan van het eerste lid worden afgeweken. Artikel 2 1. Ten aanzien van arbeid, verricht in de bedrijfstakken in de bedrijfssectoren hotels en restaurants, geldt in afwijking van de desbetreffende bepalingen van de [Arbeidswet 2000 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028202), het volgende: - a. [Artikel 9, eerste lid, onderdelen a en c, van de Arbeidswet 2000 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028202&artikel=9) zijn niet van toepassing; - b. [Artikel 9, tweede lid, onderdelen a en c, van de Arbeidswet 2000 BES](https://w"},{"i":94,"b":"Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2e halfjaar 2011 Besluit: Artikel 1. : Wettelijk kader De normbedragen voor voorzieningen, als bedoeld in: - –. [artikelen 34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34a)en [35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), - –. [artikel 2:22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:22) en [2:23 van de Wet Werk en Arbeidsondersteuning Jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:23), - –. [artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a) - –. [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15) en [15a van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=15a) - –. [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=6) en [8 van het Besluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=8) worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. : Kilometervergoeding 1. De kilometervergoedingen volgens de normbedragen C11, C13, C22 en C25 worden verstrekt op basis van de aantallen kilometers, verkregen volgens de ANWB-methode ‘snelste route’, op basis van volledige postcodes en per enkele reis afgerond naar boven op de eerstvolgende hele kilometer. 2. De aftrek, als bedoeld onder de normbedragen C26-I en C26-II, wordt vastgesteld op de wijze als in het eerste lid aangegeven. Artikel 3. : Taxikost"},{"i":95,"b":"Beleidsregels UWV Onderzoekssubsidies 2022 Gelet op: [artikel 32b van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32b), [titel 4.2 Subsidies van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2), en de [Regeling vaststelling Aanwijzingen voor subsidieverstrekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027023); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - 1. **Wet SUWI:** [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060). - 2. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). - 3. **UWV Kennisagenda:** UWV-brede agenda die periodiek op uwv.nl verschijnt en inzicht geeft in het onderzoek en de kennisontwikkeling die binnen UWV plaatsvindt. - 4. **Subsidie:** een subsidie ten behoeve van onderzoek als bedoeld in [artikel 32b Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32b). - 5. **Subsidiethema:** onderwerp ten behoeve waarvan onderzoeksinstellingen aanvragen voor onderzoekssubsidie kunnen indienen. - 6. **Project:** het onderzoek dat de onderzoeksinstelling met subsidie wil gaan uitvoeren of een afgebakend deel daarvan. - 7. **Aanvrager:** een instelling of organisatie als bedoeld in [artikel 32b Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32b). - 8. **Themabesluit:** besluit waarin een subsidiethema en het bijbehorende maximale subsidiebedrag per project en voor het thema als geheel wordt vastgesteld en waarin eventuele aanvullende eisen zijn opgenomen. - 9. **Beoordelingscommissie:** vertegenwoordigers van UWV en van externe stakeholders die gezamenlijk bijdragen aan het opstellen van subsidiethema’s en beoordelingen van subsidieaanvragen. - 10. **Begeleidingscommissie:** vertegenwoordigers van externe stakeholders, event"},{"i":97,"b":"Beleidsregels UWV pilot participatiebudget Gelet op [artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. netto persoonsgebonden budget: een subsidie als bedoeld in [artikel 2.6.1, onderdeel f, van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&artikel=2.6.1); - b. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. werkvoorziening: een voorziening als bedoeld in [artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35); - d. zorgkantoor: een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2. Personen die in aanmerking komen voor subsidie UWV kan op aanvraag in plaats van een werkvoorziening subsidie verlenen aan de persoon: - a. aan wie een netto persoonsgebonden budget is verleend; - b. aan wie door UWV een werkvoorziening is toegekend, en - c. die woonachtig is in de regio’s Groningen, Twente, Arnhem, Nijmegen of Noord en Midden Limburg genoemd in bijlage 2 van de beschikking van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 december 2005, Z/VU-2643638, houdende de aanwijzing van administratie-instellingen bijzondere ziektekosten, Stcrt. 2005, 245, zoals deze is gewijzigd bij besluit van 30 juli 2007, Stcrt. 2007, 150. Artikel 3. Verplichtingen subsidieontvanger 1. Bij de subsidieverlening gelden voor de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: - a. de subsidieontvanger bewaart betaalde facturen gedurende zeven jaar en stelt deze desgevraagd ter beschikking van UWV en het zorgkantoor; - b. de subsidieontvang"},{"i":98,"b":"Beleidsregels UWV pilot plaatsingssubsidie Gelet op [artikel 32b van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32b); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. **school:** een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in [artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=10f) dan wel een uit ’s Rijks kas bekostigde school voor voortgezet speciaal onderwijs of een uit ’s Rijks kas bekostigde school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - c. **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=1); - d. **leerling:** een leerling met een structurele functionele beperking en met een indicatiestelling voor het praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs; - e. **plaatsing:** er is sprake van een plaatsing indien en voorzover sprake is van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht van tenminste 19 uur in reguliere arbeid, niet zijnde arbeid in een arbeidstrainingscentrum, voor de duur van 6 maanden; Artikel 2. Toekennen van subsidie 1. UWV verstrekt op aanvraag van het bevoegd gezag van een school een plaatsingssubsidie indien: - a. het bevoegd gezag van de school gevestigd is in de provincies Groningen, Gelderland, Utrecht of Zeeland. - b. er sprake is van een door de school bewerkstelligde plaatsing van een leerling bij een werkgever aansluitend aan de st"},{"i":100,"b":"Besluit van 22 januari 2002, houdende regels omtrent de bemanning van zeeschepen, varende onder de vlag van het Koninkrijk met een Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse zeebrief (Bemanningsbesluit Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse zeeschepen) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 oktober 2001, nr. DGG/J-01/006289, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Zaken; Overwegende, dat de herziening op 7 juli 1995 van het Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978, het noodzakelijk maakt de bepalingen ten aanzien van de opleiding en diplomering van zeevarenden die dienst doen op Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse schepen opnieuw vast te stellen, daarbij tevens uitvoering gevend aan de bepalingen inzake de bemanning van zeeschepen van het Internationale Verdrag tot beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, een en ander met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van het Wetboek van Koophandel van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk Aruba; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=4), op het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), op Hoofdstuk III, voorschrift 10, en voorschrift 24–1.3, Hoofdstuk IV, voorschrift 16, Hoofdstuk V, voorschrift 13, en Hoofdstuk X, voorschriften 1, 2 en 3, van het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag tot beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (Trb. 1976, 157), en op het op 27 juni 1946 te Seattle tot stand gekomen Verdrag No. 74 van de Internationale Arbeidsorganisatie inzake de diplomering van volmatrozen (Stb. I 330); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 5 december 2001, No. W09.01 0561/V/K); Gezien het nader rapport van Onze Minis"},{"i":101,"b":"Benelux-Verdrag ter verbetering en versterking van de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van de sociale fraude en onjuistheden in de sociale zekerheid, de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk en van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden Het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door: De Federale Regering, De Vlaamse Regering, De Regering van de Franse Gemeenschap, De Waalse Regering, De Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, De Regering van de Duitstalige Gemeenschap, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen: „de Verdragsluitende Partijen”, Geleid door de wens de nauwe grensoverschrijdende samenwerking tussen de drie landen van de Benelux Unie inzake de bestrijding van grensoverschrijdende sociale fraude en sociale dumping te verbeteren en te versterken, Vanuit het perspectief van het garanderen van het vrije verkeer en de rechten van sociaal verzekerden, Verlangend onjuistheden en misbruik te vermijden en grensoverschrijdende sociale fraude en sociale dumping te bestrijden, Overwegende dat sociale fraude in haar vele facetten zoals sociale dumping, schijnconstructies, detacheringsfraude, premie- en uitkeringsfraude, frauduleuze uitzendkantoren, illegale arbeid en zwartwerk dan wel bedrieglijk gemeld werk, een groeiend maatschappelijk probleem vormt en steeds vaker een georganiseerd karakter vertoont, Overwegende dat moet worden gezorgd voor een efficiënte bescherming van de werkgelegenheid, de veiligheid, de gezondheid en de hygiëne op het werk, alsmede voor fatsoenlijke en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, met name voor werkenden die zich in een kwetsbare situatie bevinden, Overwegende dat de controle- en inspectiediensten worden geconfronteerd met juridische, administratieve, praktische en territoriale beperkingen, Gelet op [artikel 6, lid 2, onder f), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003087&artike"},{"i":102,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 15 april 2015, nr. IENM/BSK-2015/31476, houdende de benoeming van de leden van de Adviescommissie Onderzoek arbeidsvoorwaarden en FLNA LVNL (Benoemingsbesluit Adviescommissie Onderzoek arbeidsvoorwaarden en FLNA LVNL) Gelet op [artikel 6 van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; - b. **commissie:** de Adviescommissie Onderzoek arbeidsvoorwaarden en FLNA LVNL, ingesteld bij de [Regeling instelling Adviescommissie Onderzoek arbeidsvoorwaarden en FLNA LVNL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036679); - c. **LVNL:** Luchtverkeersleiding Nederland; - d. **FLNA:** Regeling Functioneel Leeftijdsontslag Non-activiteit. Artikel 2. Leden Met ingang van 27 maart 2015 worden voor de periode van 27 februari 2015 tot en met het uitbrengen van het advies aan de Staatssecretaris tot lid van de commissie benoemd: - a. de heer dr. R.L. Vreeman te Tilburg, tevens voorzitter; - b. mevrouw prof. dr. S.G. van der Lecq te Den Haag; - c. de heer mr. O.P.M. van den Brink te Baarn. Artikel 3. Secretariaat 1. De commissie wordt ondersteund door een secretariaat. 2. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie. 3. In het secretariaat wordt voorzien door de Staatssecretaris en LVNL. Artikel 4. Werkwijze De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. Artikel 5. Informatieplicht De commissie verstrekt aan de Staatssecretaris desgevraagd de door haar gewenste inlichtingen. De Staatssecretaris kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig is. Artikel 6. Eindrapport De commissie brengt vóór 1 september 2015 haar eindrapport uit aan de Staatssecretaris. Artikel 7. Ve"},{"i":126,"b":"Besluit van 16 april 2015 tot uitvoering van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 oktober 2014, nr. 2014-0000153118, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de [artikelen 8:3a, zevende lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=8:3a), [16, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16), en [34, vijfde en zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=34), [14b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=14b), [19, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=19) en [22, eerste en zevende lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=22); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 november 2014, No.WI 2.14.0377/111); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 april 2015; 2015-0000091270, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën, Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begrippen Artikel 1:1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **verwerker:** de verwerker, bedoeld in [artikel 14b, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=14b); - b. **Nederlandse Arbeidsinspectie:** de toezichthoudende ambtenaren, bedoeld in [artikel 14b, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=14b); - c. **wet:** [Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616). Hoofdstuk 1a. Bepalingen ten aanzien van arbeidskrachten die in het kader van payrolling ter beschikking zijn gesteld Verstrekken van gegevens do"},{"i":522,"b":"Verdrag betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 17 juni 1964 in haar achtenveertigste zitting; Besloten hebbende tot het aanvaarden van bepaalde voorstellen betreffende prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, welk onderwerp het vijfde punt van de agenda der zitting vormt; Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal verdrag zullen aannemen, Neemt heden, de 8ste juli 1964, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als „Verdrag betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, 1964”; Opgezegd per 22 juli 1988 (Trb. 1997/191). Zie voor de herroeping Trb. 1997/191. Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag - a). omvat de term „wetgeving” of „wettelijke regeling” de wetten en reglementen, alsmede de statutaire bepalingen inzake Sociale Zekerheid; - b). wordt verstaan onder „voorgeschreven”: vastgesteld bij of krachtens de nationale wetgeving; - c). omvat de term „industriële inrichting” elke inrichting behorende tot een van de volgende takken van economische bedrijvigheid: winning van bodemschatten; industrie; bouwnijverheid en openbare werken; elektriciteits-, gas- en watervoorziening; sanitaire diensten; vervoer, goederenopslag en communicatie; - d). wordt onder de term „ten laste” verstaan: de in de voorgeschreven gevallen veronderstelde toestand van onafhankelijkheid; - e). wordt onder „ten laste komend kind” verstaan: - i). een kind wiens leerplichtige leeftijd nog niet is verstreken of een kind dat nog niet de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt, zijnde de hoogste leeftijd in aanmerking te nemen; - ii). onder bij de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden, een kind dat een leeftijd die hoger is dan die vermeld in alinea i) nog niet heeft bereikt wanneer het wordt opgeleid voor een beroep, z"},{"i":524,"b":"Verdrag betreffende de ziekteverzekering van landarbeiders De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 25 mei 1927 in haar tiende zitting, Besloten hebbende, verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de ziekteverzekering van landarbeiders, welk onderwerp vervat is in het eerste punt van de agenda der zitting, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag, Neemt heden, de 15de juni 1927, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de ziekteverzekering (landbouw), 1927”, ter bekrachtiging door de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 Ieder Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie dat dit Verdrag bekrachtigt verbindt zich een verplichte ziekteverzekering voor landarbeiders in te voeren op voorwaarden welke tenminste gelijkwaardig zijn aan die welke neergelegd zijn in dit Verdrag. Artikel 2 1. De verplichte ziekteverzekering is van toepassing op arbeiders, bedienden en leerlingen werkzaam in landbouwondernemingen. 2. Ieder Lid kan nochtans in zijn nationale wetten die uitzonderingen maken die het noodzakelijk acht met betrekking tot: - (a). tijdelijke werkzaamheden welke niet langer duren dan een door de nationale wet te bepalen tijd; niet geregeld voorkomende werkzaamheden welke geen verband houden met het beroep of de onderneming van de werkgever; gelegenheidswerkzaamheden en bijkomstige werkzaamheden; - (b). arbeiders van wie het loon of de inkomsten een door de nationale wet vast te stellen grens te boven gaan; - (c). arbeiders die geen loon in geld ontvangen; - (d). thuiswerkers van wie de arbeidsvoorwaarden niet gelijkgesteld kunnen worden met die van loonarbeiders; - (e). arbeiders beneden of boven een door de national"},{"i":538,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake samenwerking bij de bestrijding van grensoverschrijdende fraude met socialezekerheidsuitkeringen en -premies door arbeid en met basisuitkeringen ten gunste van werkzoekenden alsmede met niet-aangemelde werkzaamheden en illegaal grensoverschrijdend uitzendwerk (Nederlands-Duits Verdrag tot bestrijding van grensoverschrijdende zwarte arbeid) Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland (hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen”) – Gelet op de Resolutie 1999/C 125/01 van de Raad van de Europese Unie en de in de Raad verenigde vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie van 22 april 1999 over een gedragscode ter verbetering van de samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten bij de bestrijding van grensoverschrijdende fraude met socialezekerheidsuitkeringen en -premies, alsmede met niet-aangemelde werkzaamheden en grensoverschrijdend uitzendwerk, Gelet op de bepalingen inzake wederzijdse rechtshulp en de samenwerking tussen de bevoegde instanties en instellingen van beide Verdragsluitende Partijen die reeds zijn voorzien in [Verordening (EG) nr. 1408/71](31971R1408) van de Raad van 14 juni 1971 tot toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (in de versie van 30 januari 1997), (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, en in [Richtlijn 96/71/EG](31996L0071) van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (met inbegrip van controle op relevante arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden); Gelet op [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke perso"},{"i":539,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Macao inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden The Government of the Kingdom of the Netherlands, and the Government of Macau, duly authorized by the competent sovereign institution of the Portuguese Republic and with the consent of the Government of the People's Republic of China, desiring to contribute to the progress of international civil aviation; desiring to conclude an Agreement for the purpose of establishing air services between and beyond Macau and the Netherlands, have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement and its Annex, unless the context otherwise requires: - a). the term \"aeronautical authorities\" means: for the Kingdom of the Netherlands the Minister of Transport, Public Works and Watermanagement; for Macau, the Civil Aviation Authority; or in either case any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said authorities; - b). the term \"designated airline\" means an airline which has been designated and authorized in accordance with Article 4 of this Agreement; - c). the term \"area\" in relation to Macau includes the Macau Peninsula and the Taipa and Coloane Islands and in relation to the Kingdom of the Netherlands has the meaning assigned to \"Territory\" in Article 2 of the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on 7 December 1944; - d). the terms \"air service\", \"international air service\", \"airline\" and \"stop for non-traffic purposes\" have the meaning respectively assigned to them in Article 96 of the said Convention; - e). the terms \"agreed service\" and \"specified route\" mean international air service pursuant to Article 3 of this Agreement and the route specified in the appropriate Section of the Annex to this Agreement respectively; - f). the term \"stores\" means articles of a readily consumable nature for use or sale on board an aircraft during flight, including commiss"},{"i":540,"b":"Verhaalsregeling pensioenpremies sector Rijk bij buitengewoon verlof van lange duur gelet op artikel 3, zevende lid, van de ingevolge de [Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791) overeengekomen Pensioenovereenkomst (Stcrt. 1995, 251); handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Tenzij door of namens de werkgever anders is bepaald, is gedurende de tijd waarin de deelnemer in verband met buitengewoon verlof geheel is ontheven van de uitoefening van zijn functie anders dan voor de vervulling van een politieke functie waarin pensioenaanspraken worden verkregen, het verhaal gelijk aan de pensioenpremies die de betrokken werkgever voor hem is verschuldigd. 2. Tenzij door of namens de werkgever anders is bepaald, is gedurende de tijd waarin de deelnemer in verband met buitengewoon verlof gedeeltelijk is ontheven van de uitoefening van zijn functie anders dan voor de vervulling van een politieke functie waarin pensioenaanspraken worden verkregen, het verhaal gelijk aan de pensioenpremies die de betrokken werkgever voor hem naar evenredigheid over dat gedeelte is verschuldigd. 3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de ontheffing: - a. uitsluitend in het persoonlijk belang van de deelnemer voor ten hoogste veertien aaneengesloten kalenderdagen is verleend; - b. is verleend in verband met ouderschapsverlof; - c. verband houdt met de terugbrenging van de werktijd, bedoeld in [artikel 21a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=21a) of [artikel 34a van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003229&artikel=34a); - d. verband houdt met de vervulling van de militaire dienstplicht; - e. is verleend voor de vervulling van een politieke functie waarin geen pensioenaanspraken worden verkregen. Artikel 3 De deelnemer ten aanzien van wie d"},{"i":542,"b":"Verhoging flexibilisering arbeidsduur 1. Inleiding In deze voorlichtingspublicatie wordt u geïnformeerd over het akkoord dat op 8 november 2000 met de Centrales van Overheidspersoneel is gesloten over flexibilisering van de arbeidsduur. In de CAO sector onderwijs (PO, VO, BVE) 2000-2002 was al overeengekomen dat werknemers op hun verzoek de mogelijkheid krijgen om, bij een normbetrekking, 51 uur meer te werken, zonder dat dit leidt tot een aanspraak op verlof (verzilvering 51 uren adv-verlof). Voor deze regeling verwijs ik naar publicatie [AB/A&A-2000/28671 in het Gele katern, nr. 18b van 26 juli 2000](onbekend). De verscherpte problematiek op de onderwijsarbeidsmarkt is aanleiding geweest om voor het Primair Onderwijs aanvullende afspraken te maken over verzilvering van adv (verzilvering van de volledige adv). Onderdeel van deze afspraak is een extra financiële impuls. Voor de sector PO komt deze overeen met een verhoging van het MOA-budget met ongeveer 10% per 1 december 2000. Voor de sectoren VO en BVE zijn afspraken over de invulling van de arbeidsduur een onderwerp van decentraal overleg. Er vanuit gaande dat decentrale partijen bereid zijn om vergelijkbare afspraken te maken met betrekking tot vergroting van het arbeidsaanbod en verlaging van de werkdruk, zullen de decentrale schoolbudgetten in deze sectoren overeenkomstig worden verhoogd. 2. Arbeidsduur in het Primair Onderwijs De normjaartaak bedraagt 1659 uur en zal geen wijziging ondervinden. Voor personeel dat de adv op reguliere wijze opneemt (jaarverlof) is de invulling van de arbeidsduur als volgt: Bij afsluiting van het akkoord is de wens uitgesproken dat bestaande mogelijkheden voor flexibilisering van de arbeidsduur optimaal worden benut. Deze mogelijkheden staan open voor alle personeelscategorieën (onderwijsgevend, onderwijsondersteunend en directie). Bestaande mogelijkheden zijn: a. Spaarverlof Met ingang van 1 augustus 1998 bestaat de mogelijkheid om, bij een normbetrekking, 51 uur, respectievel"},{"i":543,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 januari 2011, nr. 2010-0000006667, houdende vaststelling van de reis- en verblijfkosten wegens dienstreizen van ambtenaren in dienst van de staat en werkzaam in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Reis-, verblijf- en verhuiskostenregeling ambtenaren BES) Gelet op [artikel 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215&artikel=73) en [73a, derde lid, van de Wet materieel ambtenarenrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215&artikel=73a); Besluit: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 1. Bij verandering van standplaats, zomede bij eerste vestiging op een standplaats buiten de woonplaats, wordt aan de ambtenaren een vergoeding voor de verhuizing toegekend. 2. Deze vergoeding wordt ook genoten: - a. door hen, die omdat zij op non-activiteit of op wachtgeld zijn gesteld, of gepensioneerd, of eervol uit dienst van de staat zijn ontslagen, zich van hun standplaats naar een ander openbaar lichaam, Curaçao, Sint Maarten of Aruba begeven, indien de reis derwaarts plaats vindt binnen drie maanden, nadat zij hun betrekking hebben neergelegd; - b. door hen, die van hun op non-activiteit- of op wachtgeldstelling vanuit hun woonplaats hun betrekking weder gaan aanvaarden; en - c. door het wettig gezin, nagelaten door een overleden ambtenaar, dat binnen drie maanden na het overlijden van de ambtenaar naar een ander openbaar lichaam, Curaçao, St. Maarten of Aruba verhuist. 3. Onder vergoeding van verhuizing wordt verstaan: - a. kosten vereist om in de plaats van vertrek- en in die van bestemming personen en goederen over te brengen naar en van het voor het vervoer bestemde vervoermiddel; - b. kosten voor het in- en uitpakken van de verhuisboedel; - c. kosten van aanmaak of aanschaffing van verpakkingsmiddelen; en - d. overvracht op bagage en (of) inboedel, verzonden per schip. 4. Verpakkingsmiddelen mogen slechts in rekening worden gebracht, wanneer vaststaa"},{"i":544,"b":"Verordening op de arbeidsvoorwaarden Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5) en [19, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: - –. **bestuur:** het bestuur van de beroepsorganisatie; - –. **beroepsorganisatie:** de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=2); - –. **personeel:** het personeel van de beroepsorganisatie; Artikel 2 1. De arbeidsvoorwaarden van het personeel, waaronder een pensioenregeling, worden door het bestuur vastgesteld. 2. De arbeidsvoorwaarden van het personeel worden gezamenlijk opgenomen in een personeelshandboek. Het personeelshandboek kan op elektronische wijze beschikbaar worden gesteld. Artikel 3 Het bestuur is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich als gevolg van de invoering van deze verordening mochten voordoen. Artikel 4 1. De [Verordening op de arbeidsvoorwaarden personeel NIVRA 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032729) wordt ingetrokken 2. De [Verordening op de arbeidsvoorwaarden personeel NOvAA 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032752) wordt ingetrokken Artikel 5 1. Regelingen vastgesteld op grond van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032729&artikel=3) en [artikel 4 van de Verordening op de arbeidsvoorwaarden personeel NIVRA 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032729&artikel=4) worden geacht op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033792&artikel=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van deze verordening te zijn vastgesteld voor het personeel. 2. Regelingen vastgesteld op grond van [artikel 3]("},{"i":545,"b":"Verrekening uitkeringen ingevolge ziektewet/wet arbeid en zorg Inleiding Zoals ik u al reeds eerder heb bericht in mijn [publicatie van 20 december 2000](onbekend), kenmerk PO/F/2000/50204 is met ingang van 1 januari 2001 de [ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) (ZW) gefaseerd ingevoerd. Deze invoering heeft tot gevolg gehad dat er een wijziging is opgetreden voor een bepaalde doelgroep zijnde: Met ingang van 1 december 2001 is het zwangerschapsverlof/bevallingsverlof ondergebracht in de [wet Arbeid en Zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008). In bovengenoemde situaties komen de belanghebbenden in aanmerking voor een uitkering ingevolge de [ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888)/[wet Arbeid en Zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) en dient hiervoor een verzoek te worden ingediend bij UWV- USZO-Heerlen. Bij deze instantie ligt de uitvoering van de ziektewet en de uitbetaling van de uitkeringen. De lasten en uitvoering van de [ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) worden gefinancierd uit het ”Uitvoeringsfonds voor de overheid” door middel van de zgn. UFO-premie. Deze premie wordt door de werkgever betaald aan het fonds en wordt, voor wat betreft het door mij bekostigde personeel, gedeclareerd bij mijn ministerie. De uitbetaling van de uitkeringen wordt direct, dan wel indirect, verstrekt aan de werkgever. Daarnaast declareert het bevoegd gezag bij mijn ministerie de volledige loonkosten van de hierboven genoemde werknemers. Om niet tot een dubbele bekostiging te komen moeten de ontvangen uitkeringen, in het kalenderjaar dat deze zijn ontvangen, in mindering gebracht worden op de door de werkgever gedeclareerde loonkosten (jaar t). Wijze verrekening uitkeringen Bij de invoering van de [ziektewet](onbekend)/[wet Arbeid en Zorg](onbekend) is onderzocht of de ontvangen uitkeringen automatisch verrekend kunnen worden in het jaar dat de werkgever de uitkering ontvangt. Voor wat"},{"i":548,"b":"Wet van 10 december 2014 tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en enkele andere wetten in verband met het van toepassing worden van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen op De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten en in verband met enkele andere wijzigingen (Verzamelwet pensioenen 2014) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809), de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) en enkele andere wetten te wijzigen in verband met het van toepassing worden van de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) op De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten, alsmede enkele andere wijzigingen door te voeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Pensioenwet. Artikel II Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel III Wijzigt de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Artikel IV Wijzigt de Wet privatisering FVP. Artikel V Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel VI Wijzigt de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling. Artikel VIa Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2014/578. Wijzigt de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioenen en maximering pensioengevend inkomen. Artikel VII De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VIII Deze wet wordt aangehaald als: Verzamelwet pensioenen 2014. Lasten en bevelen d"},{"i":552,"b":"Vrije dagen sparen in relatie tot ontslag wegens arbeidsongeschiktheid Circulaire aan de ministers De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. I. Inleiding/managementinformatie Een van de manieren waarop invulling kan worden gegeven aan de 36-urige werkweek is de volgende. Onder handhaving van een 40-urige werkweek vindt voor de uren die meer worden gewerkt compensatie plaats via een aantal vrije dagen. Deze kunnen binnen hetzelfde kalenderjaar worden opgenomen danwel worden gespaard over een periode van maximaal zeven jaar. Indien de ambtenaar in dat laatste geval een spaartegoed heeft opgebouwd op het moment dat hij wegens arbeidsongeschiktheid wordt ontslagen vervalt zijn spaartegoed. Dit ongewenste gevolg wordt met deze circulaire ongedaan gemaakt door het uitbetalen van het spaartegoed. II. Inhoud In de overeenkomst arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid sector Rijk (contractsperiode 1 april 1995 tot en met 31 maart 1997) is overeenstemming bereikt over de invoering van de 36-urige werkweek. De afspraken rondom de invoering van de 36-urige werkweek zijn geformaliseerd bij [besluit](onbekend) van 25 oktober 1996, Staatsblad 568 en bij [ministeriële regeling](onbekend) van 25 november 1996, Stcrt. 233. De 36-urige werkweek kan op veel manieren worden vormgegeven. Een daarvan is de handhaving van een 40-urige werkweek met compensatie door middel van een aantal vrije dagen op jaarbasis of sparen over de jaargrens heen over een periode van maximaal zeven jaar. Deze variant is nader geregeld in de [ministeriële regeling](onbekend) van 25 november 1996. In de [ministeriële regeling](onbekend) zijn voorschriften opgesomd die van toepassing zijn op het sparen van compensatiedagen over de jaargrens heen. Dit betreft voorschriften inzake opbouw en opname van gespaarde vrije dagen bij gehele en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en uitbetaling van de gespaarde vrije dagen indien de ambtenaar komt te overlijden. Echter de uitbetaling van gespaarde"},{"i":565,"b":"Wet van 29 mei 2019 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, de Wet financiering sociale verzekeringen en enige andere wetten om de balans tussen vaste en flexibele arbeidsovereenkomsten te verbeteren (Wet arbeidsmarkt in balans) Artikel I. Wijziging van [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II. Wijziging van de [Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616) Wijzigt de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Artikel III. Wijziging van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel IV. Wijziging van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel V. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel VI. Wijziging van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VII. Wijziging van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VIII. Vervallen evaluatiebepaling [Wet werk en zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035254) Wijzigt de Wet werk en zekerheid. Artikel VIIIa. Wijziging van de [Wet van 11 juli 2018, houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041178)(Stb. 2018, 234) Wijzigt de Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid. Artikel IX. Overgangsrecht in verband met het aanbod voor een vaste"},{"i":566,"b":"Wet van 24 april 1997, houdende verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid en een uitkeringsregeling in verband met bevalling voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in verband met de intrekking van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsverzekering alsmede om een regeling te treffen ter zake van een uitkering in verband met bevalling voor personen die als zelfstandige werkzaam zijn, voor beroepsbeoefenaren en voor meewerkende echtgenoten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Algemene begrippen 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. verzekerde: de persoon, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - d. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet; - e. dienstbetrekking: een dienstbetrekking in de zin van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - f. winst uit onderneming: de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in [paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&paragraaf=3.2.1), vermeerderd met de ondernem"},{"i":567,"b":"Wet van 24 april 1997, houdende voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de intrekking van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Algemene begrippen 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten: het arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, bedoeld in artikel 63; - d. jonggehandicapte: de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 5; - e. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet; - f. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823); - g. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de [Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700) en in [artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37); - h. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden,"},{"i":568,"b":"Wet van 7 juni 1972, houdende regelen met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van dienstplichtige militairen en daarmede gelijkgestelden tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ten behoeve van dienstplichtige militairen en daarmede gelijkgestelden regelen vast te stellen met betrekking tot voorzieningen tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald wordt verstaan onder: - a. belanghebbende: - 1°. hij, die dienstplichtige is in de zin van de Dienstplichtwet of krachtens die wet als dienstplichtige wordt beschouwd dan wel hij die dienstplichtige is in de zin van de [Kaderwet dienstplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008589); - 2°. hij, die verplicht tot het reserve-personeel der krijgsmacht behoort; - 3°. hij, die is aangesteld bij het reserve-personeel der krijgsmacht om bij het Korps Nationale Reserve, als bedoeld in het Besluit Nationale Reserve (koninklijk besluit van 14 oktober 1982, nummer 48), militaire dienst te verrichten; - 4°. hij, die krachtens [artikel 51 van de Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983&artikel=51) wordt aangemerkt als militair; - b. dag, waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt: de dag van ingang van: - 1°. klein verlof in afwachting van groot verlof; - 2°. groot verlof, indien dit niet is vooraf gegaan door klein verlof in afwachting van groot verlof; - 3°. ontslag, indien dit niet is vooraf gegaan door een verlof genoemd onder 1° of 2°; - c. arbeidsongeschiktheid: - 1°. voor de toepassing van [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002822&hoofds"},{"i":572,"b":"Wet beëindiging arbeidsovereenkomsten BES Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **werknemer:** de arbeider, bedoeld in [artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752&artikel=1613a); - c. **werkgever:** de werkgever, bedoeld in [artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752&artikel=1613a); - d. **dringende reden voor de werkgever:** zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, welke ten gevolge hebben, dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren. Artikel 2 Deze wet is niet van toepassing op de arbeidsovereenkomst van: - a. werknemers bij een publiekrechtelijk lichaam; - b. onderwijzend en docerend personeel, werkzaam bij onderwijsinrichtingen, staande onder beheer van een natuurlijk of rechtspersoon; - c. personen, die een geestelijk ambt bekleden; - d. werknemers, die uitsluitend of in hoofdzaak huishoudelijke of persoonlijke diensten in de huishouding van private personen verrichten; - e. directeuren van een vennootschap of een doelvermogen. Artikel 2a 1. Bij ministeriële regeling worden op schriftelijk verzoek van het bestuurscollege van het desbetreffende openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba bedrijfstakken aangewezen ten aanzien waarvan voor de beëindiging van de binnen die bedrijfstakken aangegane arbeidsovereenkomsten de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028174&artikel=3&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [4 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028174&artikel=4&z=2012-01-01&g=2012-01-01), al dan niet voor een bepaalde tijd, niet van toepassing zijn. Intrekking van de ministeriële regeling geschiedt eveneens op schriftelijk verzoek van het Bestuurscollege. 2. Een bedrijfstak, bedoeld in het eerste lid, dient te zijn een bedrijfstak, die naar de aard van de onderne"},{"i":576,"b":"Wet van 11 december 1947, tot invoering van een buitengewoon pensioen voor zeelieden-oorlogsslachtoffers, alsmede voor hun nagelaten betrekkingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een regeling te treffen met betrekking tot het recht op buitengewoon pensioen ten behoeve van zeelieden, die door de oorlog zijn getroffen, alsmede van hun nagelaten betrekkingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: hoofdstuk Eerste. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: \"Onze Minister\": Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; \"de Raad\": de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); \"zeeman\": de kapitein of schepeling, een vrouwelijke schepeling inbegrepen, die, Nederlander zijnde, deel uitmaakte van de bemanning van een zeevaartuig op enig tijdstip gedurende het tijdvak van 1 september 1939 tot en met 2 maart 1946 of van een zeevissersvaartuig op enig tijdstip gedurende het tijdvak van 1 september 1939 tot en met 15 december 1945; \"gewezen echtgenote\": de vrouw, bedoeld in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&hoofdstuk=Derde&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-01-01&g=2025-01-01); \"peiljaar\": het jaar vastgesteld ingevolge [artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&hoofdstuk=Tweede&paragraaf=3&artikel=7&z=2025-01-01&g=2025-01-01), en [artikel 35**d**, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000203"},{"i":577,"b":"Wet collectieve arbeidsovereenkomst BES Artikel 1 1. Onder collectieve arbeidsovereenkomst wordt verstaan de overeenkomst, aangegaan door een of meer werkgevers, of een of meer werknemersverenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, en een of meer werknemersverenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, waarbij voornamelijk of uitsluitend worden geregeld arbeidsvoorwaarden, bij arbeidsovereenkomsten in acht te nemen. 2. Zij kan ook betreffen aannemingen van werk en overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten. Hetgeen in deze wet omtrent arbeidsovereenkomsten, werkgevers en werknemers is bepaald, vindt dan overeenkomstige toepassing. 3. Het beding, waarbij een werkgever verplicht wordt, personen van een bepaald ras, een bepaalde godsdienstige of staatkundige overtuiging of leden van een bepaalde vereniging niet dan wel uitsluitend in dienst te nemen, is nietig. Artikel 2 Een vereniging van werkgevers of van werknemers is slechts bevoegd tot het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten, indien de statuten der vereniging deze bevoegdheid met name noemen. Artikel 3 Een collectieve arbeidsovereenkomst kan slechts schriftelijk worden aangegaan. Artikel 4 1. Een vereniging, welke een collectieve arbeidsovereenkomst heeft aangegaan, draagt zorg dat ieder van haar leden, die bij de overeenkomst betrokken is, zo spoedig mogelijk de woordelijke inhoud van de overeenkomst in zijn bezit heeft. 2. Indien door de partijen een toelichting op de collectieve arbeidsovereenkomst is opgesteld, geldt de in het vorige lid bedoelde verplichting ook ten aanzien van deze toelichting. Artikel 5 In geval van wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst en van uitdrukkelijke verlenging van haar duur, vinden de bepalingen van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028172&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028172&artikel=4&z=2010-10-10&g=2010-10-10) overeenkomstige toepassing. Artikel 6 Een wijziging van bepal"},{"i":578,"b":"Wet van 3 februari 2016 tot wijziging van enkele belastingwetten en enkele andere wetten ten behoeve van het afschaffen van de Verklaring arbeidsrelatie (Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Verklaring arbeidsrelatie af te schaffen met het oog op de bevordering van deregulering, verbetering van de balans tussen de verantwoordelijkheid van opdrachtgevers en opdrachtnemers voor de presentatie van hun onderlinge arbeidsrelatie richting de Belastingdienst en verbetering van de handhaafbaarheid van de gevolgen van het onderscheid tussen de verschillende vormen van inkomen uit tegenwoordige arbeid; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Ziektewet. Artikel IV Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel V Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel VI Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel VII [vervallen] Artikel VIII De op grond van de [artikelen 3.156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.156) en [3.157 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.157) gegeven beschikkingen die betrekking hebben op een periode die na 31 december 2013 is aangevangen, gelden in afwijking van artikel 3.156, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 ten hoogste tot het tijdstip, bedoeld in [artikel IX, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037602&artikel=IX&z=2016-05-01&g=2016-05-01). Artikel VIIIa Onze Minister van Financiën zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de"},{"i":579,"b":"Wet van 29 april 1999 houdende aanpassing van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Coördinatiewet Sociale Verzekering en in samenhang daarmee enige andere wetten naar aanleiding van de voorstellen van de werkgroep Fiscale behandeling pensioenen (Wet fiscale behandeling van pensioenen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471), de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de [Coördinatiewet Sociale Verzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002126) en in samenhang daarmee enige andere wetten aan te passen naar aanleiding van het rapport van de werkgroep Fiscale behandeling pensioenen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. ARTIKEL IV Wijzigt de Invorderingswet 1990. ARTIKEL V Wijzigt de Coördinatiewet Sociale Verzekering. ARTIKEL VI Verwijzingen naar [artikel 11, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11) in pensioenregelingen die dateren van op of voor de datum van inwerkingtreding van deze wet of van ten hoogste drie maanden daarna, worden geacht verwijzingen naar [artikel 18 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18) te zijn. ARTIKEL VII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ARTIKEL VIII 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerste kalendermaand, volgend op die waarin zij in het Staatsblad is gepubliceerd. 2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010443&artikel"},{"i":580,"b":"Wet van 17 december 2003, houdende gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, beroep en beroepsonderwijs (Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om ter uitvoering van de [Richtlijn 2000/78/EG](32000L0078), tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PbEG, 2000, L303) alsmede in verband met [artikel 1 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=1), het maken van onderscheid op grond van leeftijd bij arbeid, beroep en beroepsonderwijs te verbieden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemeen Het begrip onderscheid Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de opdracht daartoe; - b. direct onderscheid: indien een persoon op grond van leeftijd op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld; - c. indirect onderscheid: indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde leeftijd in vergelijking met andere personen bijzonder treft. Intimidatie Artikel 2 1. Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid houdt mede in een verbod op intimidatie. 2. Onder intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: gedrag dat met leeftijd verband houdt en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd. § 2. Reikwijdte van het verbod van onderscheid Arbeid Artikel 3 Onderscheid is verboden bij: - a. de aanbieding van een betrekking en de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking; - b. de arbeidsbemiddeling; -"},{"i":582,"b":"Wet van 22 juni 2022 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie (PbEU 2019, L 186) (Wet implementatie EU-richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290), de [Wet flexibel werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011173), de [Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054) en de [Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565) aan te passen in verband met de implementatie van [Richtlijn (EU) 2019/1152](32019L1152) van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie (PbEU 2019, L 186); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II. Wijziging van de [Wet flexibel werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011173) Wijzigt de Wet flexibel werken. Artikel III. Wijziging van de [Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054) Wijzigt de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie. Artikel IV. Wijziging van de [Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565) Wijzigt de Overgangswet nieuw Burg"},{"i":587,"b":"Wet van 23 december 2010 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten in verband met de introductie van en het toezicht op premiepensioeninstellingen (Wet introductie premiepensioeninstelingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en andere wetten te wijzigen met het oog op de introductie van en het toezicht op premiepensioeninstellingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel Ia Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel II. Wijziging Pensioenwet Wijzigt de Pensioenwet. Artikel III. Wijziging Wet verplichte beroepspensioenregeling Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel IV 1. Bij ministeriële regeling kunnen, voor zover dit noodzakelijk is voor het herstel van onbedoelde gevolgen van deze wet en zo nodig in afwijking van deze wet, de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) of de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831), tijdelijke voorzieningen worden getroffen. 2. Na de plaatsing in de Staatscourant van een krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet."},{"i":592,"b":"Wet van 27 november 1968, houdende regelen inzake een minimumloon en een minimumvakantiebijslag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij de wet regelen te stellen inzake een minimumloon en een minimumvakantiebijslag; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. publiekrechtelijke regeling: een regeling als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002698&artikel=5) of [6 van de Wet op de loonvorming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002698&artikel=6). 2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder collectieve arbeidsovereenkomst mede verstaan bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, welke krachtens [artikel 2 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987&artikel=2) (**Stb.** 1937, 801) algemeen verbindend zijn verklaard. Artikel 2 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder dienstbetrekking verstaan de dienstbetrekking krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. 2. Onder dienstbetrekking wordt mede verstaan de arbeidsverhouding van degene, die krachtens overeenkomst van opdracht met een ander tegen beloning: - a. geregeld bemiddeling verleent bij het tot stand komen van overeenkomsten van die ander, of een opdrachtgever van deze, met derden, mits hij die bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door me"},{"i":595,"b":"Wet ongevallen ambtenaren buiten diensttijd BES Artikel 1 1. Voor de toepassing van de [Pensioenwet ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714) worden ongevallen, welke aan ambtenaren buiten diensttijd overkomen, terwijl zij terzake van opleidingen, welke van belang zijn voor de dienstuitoefening: lessen geven of volgen examens afnemen of afleggen vaardigheidsproeven afnemen of afleggen; deze ambtenaren geacht te zijn overkomen in diensttijd. 2. De opleidingen welke van belang zij voor de dienstuitoefening worden aangewezen bij ministeriële regeling voor ambtenaren in dienst van de staat, en bij eilandsverordening voor ambtenaren in dienst van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 2 Deze wet wordt aangehaald als: Wet ongevallen ambtenaren buiten diensttijd BES."},{"i":596,"b":"Wet van 18 februari 1966, inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake een verplichte verzekering van loontrekkenden tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen § 1. Algemeen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. Arbeidsongeschiktheidsfonds: het fonds genoemd in [artikel 112 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=112); - d. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die maatschappelijk kunnen worden gelijkgesteld met verenigingen, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens; - e. vervallen; - f. vervallen; - g. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823); - h. onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht; - i. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de [Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635), in de [Wet zorg en dwang psy"},{"i":602,"b":"Wet van 20 mei 2015 tot wijziging van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met verbetering van de pensioencommunicatie (Wet pensioencommunicatie) Artikel I Wijzigt de Pensioenwet. Artikel II Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel IIA In afwijking van [artikel I, onderdelen J, K en O](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036645&artikel=I&z=2017-01-01&g=2017-01-01) en [artikel II, onderdelen I, J en N](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036645&artikel=II&z=2017-01-01&g=2017-01-01), geldt de verplichting om de opgaven, indicaties en gegevens, bedoeld in de [artikelen 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=45), [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=46) en [51 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=51) en de [artikelen 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=56), [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=57) en [62 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=62), weer te geven op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario, niet tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, en kunnen terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet pensioencommunicatie. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de communicatie over pensioen te verbeteren; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaa"},{"i":606,"b":"Wet van 15 december 1993, houdende privatisering van het Spoorwegpensioenfonds Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verantwoordelijkheid voor de pensioenen van het spoorwegpersoneel in handen te leggen van de betrokken sociale partners, alsmede de bemoeienis van de rijksoverheid met en de financiële verantwoordelijkheid van het rijk voor die pensioenen te beëindigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. Spoorwegpensioenwet: Spoorwegpensioenwet zoals deze luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet; - c. Spoorwegpensioenfonds: het Spoorwegpensioenfonds, bedoeld in artikel L 1 van de Spoorwegpensioenwet; - d. directie: directie, bedoeld in artikel L 1 van de Spoorwegpensioenwet; - e. Raad van toezicht: Raad van toezicht, bedoeld in artikel L 2 van de Spoorwegpensioenwet; - f. deelgenoot: deelgenoot, bedoeld in artikel B 1 en artikel B 2 van de Spoorwegpensioenwet; - g. gewezen deelgenoot: gewezen deelgenoot, bedoeld in artikel A 1, onderdeel **g**, van de Spoorwegpensioenwet; - h. N.S.: de N.V. Nederlandse Spoorwegen; - i. Stichting Spoorwegpensioenfonds: de door de N.S. opgerichte instelling, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel **b**, van de Pensioen- en Spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=1). Hoofdstuk II. Overgang vermogen Spoorwegpensioenfonds Artikel 2 1. Op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet gaan alle vermogensbestanddelen van het Spoorwegpensioenfonds onder algemene titel over naar de Stichting Spoorwegpensioenfonds. 2. Aan de beheerders van de openbare registers waarin overgang van rec"},{"i":607,"b":"Wet van 7 juni 2012 tot wijziging van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs in verband met de invoering van een registratieplicht voor intermediairs die arbeidskrachten ter beschikking stellen, alsmede in verband met het verstrekken door de rijksbelastingdienst en de Arbeidsinspectie van gegevens over de naleving van bepaalde wetten aan certificerende instellingen (Wet registratieplicht intermediairs die arbeidskrachten ter beschikking stellen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat in de [Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616) een registratieplicht voor intermediairs die arbeidskrachten ter beschikking stellen wordt ingevoerd, alsmede dat instellingen die belast zijn met de certificering van die intermediairs gegevens ontvangen met betrekking tot de naleving van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en enkele andere wetten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet registratieplicht intermediairs die arbeidskrachten ter beschikking stellen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":608,"b":"Wet van 3 september 1992, houdende regelen met betrekking tot de oprichting van de Stichting Landbouwvoorlichting Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Dienst Landbouwvoorlichting te privatiseren, dat voor deze privatisering een wettelijke machtiging op grond van [artikel 40 van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=40) 1976 ( **Stb.** 671) vereist is en dat het daarnaast gewenst is, enige andere wettelijke regelingen ter zake te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; - b. Dienst Landbouwvoorlichting: dienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, ingesteld bij besluit van Onze Minister van 14 april 1989 (O&E 89/340); - c. stichting: Stichting Landbouwvoorlichting; - d. personeelslid: degene die op de dag voorafgaande aan de overgangsdatum in dienst is bij de Dienst Landbouwvoorlichting, hetzij als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht; - e. overgangsdatum: door Onze Minister te bepalen datum waarop ingevolge [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005639&artikel=5&z=1993-08-01&g=1993-08-01), het personeelslid overgaat in dienst van de stichting. Artikel 2 1. Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat der Nederlanden op te richten dan wel mede op te richten de Stichting Landbouwvoorlichting. 2. De stichting heeft tot doel het verbeteren van het ondernemerschap en van het rendement in technisch-economische zin van het agrarisch bedrijf ten behoeve van de werkenden op dat bedrijf binnen de randvoorwaarden van een duurzame, concurrerende en veilige landbouw. 3. De stichting tracht haar doel met name te bereiken do"},{"i":617,"b":"Wet van 22 december 1938, tot regeling van de pensioenen voor reserve-officieren der Koninklijke landmacht, die zich - ter aanvulling van een bestaand tekort aan beroeps-officieren - krachtens een daartoe gesloten verbintenis in actieven dienst bevinden met bestemming om naar het korps beroeps-officieren bij het leger hier te lande over te gaan, alsmede voor hunne weduwen en weezen Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is, afzonderlijke bepalingen te treffen ten aanzien van de pensionneering van reserve-officieren der Koninklijke landmacht, die zich - ter aanvulling van een bestaand tekort aan beroeps-officieren - krachtens een daartoe gesloten vrijwillige verbintenis in actieven dienst bevinden met bestemming om naar het korps beroeps-officieren bij het leger hier te lande over te gaan, alsmede ten aanzien van de pensionneering van hunne weduwen en weezen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Ten aanzien van de reserve-officieren der Koninklijke landmacht, die zich - ter aanvulling van een bestaand tekort aan beroeps-officieren - krachtens een daartoe gesloten vrijwillige verbintenis in actieven dienst bevinden met bestemming om naar het korps beroeps-officieren bij het leger hier te lande over te gaan, worden, tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, van toepassing verklaard de bepalingen van de Pensioenwet voor de landmacht (**Staatsblad** 1922, No. 66), een en ander met afwijking in zooverre van het bepaalde in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001993&artikel=1&z=1939-01-11&g=1939-01-11) der evenaangehaalde pensioenwet. Artikel 2 Ten aanzien van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001993&artikel=1&z=1939-01-11&g=1939-01-11) dezer wet bedoelde reserve-officieren worden, tenzij uitdrukkelijk a"},{"i":644,"b":"Wijziging financiële arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari 2004 Inleiding/managementinformatie Zoals gebruikelijk doe ik u aan het eind van het kalenderjaar toekomen de circulaire op het terrein van de financiële arbeidsvoorwaarden van het personeel van de sector Rijk betreffende de hieronder genoemde aangelegenheden. Voor de ambtenaar die reeds in het IPA-salarissysteem is opgenomen, zullen de onderhavige wijzigingen voor zover van toepassing automatisch worden aangepast. Daar waar betalingen op basis van declaratie plaatsvinden zal uw eigen personeelsadministratie de desbetreffende wijzigingen dienen aan te brengen. Dit laatste betreft onder meer de wijzigingen vermeld onder A.2 (bedragen inzake dienstreizen binnenland). A. Aanpassing van diverse bedragen 1. [Verplaatsingskostenregeling 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004633) Het bedrag van € 91 vermeld in [artikel 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004633&artikel=11), en de bedragen vermeld in de tabel van [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004633&artikel=12), zoals opgenomen in de [ministeriële regeling van 27 oktober 2003](onbekend) (Stcrt. 2003. 211), wijzigen per 1 januari 2004 niet. In verband met de fiscaal vrije vergoeding voor zakelijk verkeer, waaronder woon-werkverkeer, van € 0,18 per kilometer per 1 januari 2004 is het mogelijk dat in bepaalde gevallen bij het toekennen van bedoelde bedragen er sprake kan zijn van bovenmatigheid. Ergo, van de vergoeding van € 0,28 dient over een bedrag van € 0,10 loonheffing plaats te vinden. Ik zal met de Belastingdienst contact opnemen om te bewerkstelligen dat de hiermee verband houdende administratieve lasten tot een minimum beperkt kunnen blijven. Van de uitkomsten daarvan zal ik u zo spoedig mogelijk berichten. Daarnaast zal ik, in overleg met de Interdepartementale Contactvergadering Rechtspositieaangelegenheden, entameren dat een interdepartementale werkgroep onderzoek doet naar alternatieve mogelij"},{"i":645,"b":"Wijziging financiële arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari 2005 Inleiding/managementinformatie Zoals gebruikelijk doe ik u aan het eind van het kalenderjaar toekomen de circulaire op het terrein van de financiële arbeidsvoorwaarden van het personeel van de sector Rijk betreffende de hieronder genoemde aangelegenheden. Voor de ambtenaar die al in het IPA-salarissysteem is opgenomen, zullen de onderhavige wijzigingen voorzover van toepassing automatisch worden aangepast. Daar waar betalingen op basis van declaratie plaatsvinden, zal uw eigen personeelsadministratie de desbetreffende wijzigingen dienen aan te brengen. Dit laatste betreft onder meer de wijzigingen vermeld onder A.1 (bedragen inzake dienstreizen binnenland). A. Aanpassing van diverse bedragen 1. Reisregeling binnenland De wijzigingen van de [Reisregeling binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005912) per 1 januari 2005 houden het volgende in: In [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005912&artikel=5), worden de vergoedingen wegens verblijfkosten als volgt gewijzigd: De bedragen van de vergoedingen per kilometer voor een motorvoertuig van € 0,28 resp. € 0,09, voor een bromfiets van € 0,10 resp. € 0,09 en voor een fiets van € 0,05 wijzigen niet. De ministeriële regeling waarin de wijzigingen zijn opgenomen, wordt in de Staatscourant gepubliceerd. B. Overige mededelingen 1. Aantal te werken uren op jaarbasis in 2005 Het aantal te werken uren op jaarbasis bedraagt in 2005 bij een volledige arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week afgerond 1843 (= 256 x 7,2) uren. 2. Eindejaarsuitkering over 2005 Volledigheidshalve herinner ik u eraan dat over 2005 de maandelijkse opbouw van de aanspraak op de procentuele eindejaarsuitkering als bedoeld in [artikel 20a, eerste lid, onderdeel a, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&artikel=20a) 0,4% van het salaris bedraagt. De maandelijkse opbouw van de in"},{"i":654,"b":"Besluit van 5 november 2010, houdende wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met de toevoeging van een ontheffingsmogelijkheid voor boordpersoneel van helikopters Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 juni 2010, nr. CEND/HDJZ-2010/992, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 5:12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12), en [7:3 van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=7:3); De Raad van State gehoord (advies van 25 augustus 2010, nr. W09.10.0268/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 1 november 2010, nr. CEND/HDJZ-2010/1339, Hoofddirectie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit vervoer. Artikel II Ontheffingen verleend op grond van [artikel 4.9:1, eerste lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=4.9:1) zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028973&artikel=I&z=2011-03-05&g=2011-03-05) van dit besluit, worden vanaf dat tijdstip gelijkgesteld met een ontheffing verleend op grond van artikel 4.9:1, eerste lid, onder a, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, zoals dat luidt na inwerkingtreding van artikel I van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6998,"b":"Wet van 23 april 2003 tot aanvulling van de Wet personenvervoer 2000, strekkende tot invoering van een concessiestelsel voor het personenvervoer per trein (Concessiewet personenvervoer per trein) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gezien de verantwoordelijkheid van de minister voor het openbaar personenvervoer de toegang tot de markt van het openbaar vervoer per trein te ordenen door de invoering van een concessiestelsel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Aanvulling van de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel II. Overgangsbepaling bestaande openbare-dienstcontracten 1. Tot zes maanden na het tijdstip waarop artikel I, onderdeel A, van deze wet in werking is getreden is [artikel 19 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=19) niet van toepassing op openbaar vervoer per trein dat gedurende die periode wordt verricht ter uitvoering van een voor dat tijdstip tot stand gekomen openbare-dienstcontract als bedoeld in artikel 14 van [verordening (EEG) nr. 1191/69](31969R1191) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1969 betreffende het optreden van de lidstaten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PbEG L 156). 2. Tot zes maanden na het tijdstip waarop artikel I, onderdeel A, van deze wet in werking is getreden is [artikel 60a van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=60a) niet van toepassing op concessies voor openbaar vervoer per trein dat voordien werd verricht ter uitvoering van een openbare-dienstcontract als bedoeld in het eerste lid."},{"i":1364,"b":"Regeling inzake vermindering van Spaanse belasting op dividenden, interest en royalty's, genoten door inwoners van Nederland Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 16 juni 1971 tussen Nederland en Spanje gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 1971, nr. 144) kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst en onderdelen van het bij de Overeenkomst behorende Protocol: - a. vermindering tot 15 percent van de Spaanse belasting op dividenden (daaronder begrepen inkomsten uit winstdelende obligaties), betaald door een lichaam dat inwoner van Spanje is (artikel 10, tweede lid, en onderdeel VIII van het Protocol); - b. vermindering tot 5% van de Spaanse belasting op dividenden, indien de genieter van de dividenden een Nederlands lichaam is waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat hetzij 50% of meer bezit van het kapitaal van het Spaanse lichaam dat de dividenden betaalt, hetzij 25% of meer bezit van dat kapitaal, mits ten minste één ander lichaam dat inwoner van Nederland is, eveneens 25% of meer van dat kapitaal bezit. De vermindering tot 5% is slechts van toepassing indien het ontvangende lichaam ter zake van de dividenden in Nederland geen vennootschapsbelasting verschuldigd is. Wordt aan deze voorwaarde niet voldaan, dan kan slechts op vermindering tot 10% aanspraak worden gemaakt (artikel 10, derde lid, onderdeel b, en onderdeel VI van het Protocol); - c. vermindering tot 10% van de Spaanse belasting op interest, afkomstig uit Spanje (artikel 11, tweede lid); - d. vermindering tot 6% van de Spaanse belasting op royalty's, afkomstig uit Spanje (artikel 12, eerste lid); De in de onderdelen a tot en"},{"i":1365,"b":"Successiewet 1956; verkoop onder voorbehoud van vruchtgebruik, aftrek bij (periodieke) kwijtschelding van de tegenprestatie De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Aan mij is een vraag voorgelegd over de toepassing van artikel 10, derde lid, Successiewet 1956 (SW) bij een kwijtschelding van de koopsom in termijnen. De vraag en het antwoord zijn hierna opgenomen. Vraag A verkoopt aan B een huis onder voorbehoud van een vruchtgebruik ten gunste van zichzelf. B blijft de koopsom schuldig. Bij de overdracht heeft A het advies gekregen de schuldig gebleven koopsom in termijnen kwijt te schelden. A scheldt vervolgens de schuldig gebleven koopsom in (jaarlijkse) gedeelten kwijt. Vijf jaar later overlijdt A. De woning is voor B een fictieve verkrijging (artikel 10 SW). Hierop mag in aftrek worden gebracht de waarde van wat de erflater bij de desbetreffende rechtshandeling van de verkrijger heeft bedongen (artikel 10, derde lid, SW). De kwijtschelding is niet overeengekomen in de koopovereenkomst. Kan de kwijtschelding toch de aftrek verminderen? Antwoord Ja, de kwijtschelding kan de aftrek verminderen. Het kwijtgescholden bedrag is uiteraard civielrechtelijk wel bedongen. Maar voor de toepassing van artikel 10, derde lid, SW geldt daarmee niet dat het hele bedrag van de koopsom als bedongen tegenprestatie wordt beschouwd. Gelet op de jurisprudentie wordt het begrip ‘bedongen’ in economische zin beschouwd. Ik verwijs hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad, van 13 juli 2001, nr. 36 060, (BNB 2001/324). De Hoge Raad overwoog dat het uitgangspunt is het bedrag dat zou zijn bedongen indien bepaalde rechtshandelingen niet hadden plaatsgevonden. Het betrof direct na de verkoop kwijtgescholden bedragen van de bedongen koopsom. Hieruit leid ik af dat bij het begrip ‘bedongen’ een economische benadering hoort. Van bedongen is in economische zin geen sprake indien direct het stellige voornemen bestaat om de vorderi"},{"i":1366,"b":"Wet van 28 juni 1956, inzake de heffing van de rechten van successie, van schenking en van overgang Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gebleken de wettelijke regeling betreffende de heffing van de rechten van successie, van overgang en van schenking, welke thans voorkomt in de wet van 13 Mei 1859, **Staatsblad** no. 36 (Successiewet), zoals die wet nader is gewijzigd en aangevuld, aan een technische herziening te onderwerpen en in verband daarmede de geldende wet door een andere te vervangen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Grondslagen voor de objectieve en subjectieve belastingplicht Artikel 1 1. Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven: - 1°. erfbelasting over de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde; - 2°. schenkbelasting over de waarde van al wat krachtens schenking wordt verkregen van iemand die ten tijde van de schenking in Nederland woonde. 2. Onder verkrijging krachtens erfrecht wordt voor de toepassing van deze wet mede verstaan de verkrijging van vergunningen en aanspraken bij of na het overlijden van de erflater indien die verkrijging rechtstreeks verband houdt met de omstandigheid dat de erflater die of dergelijke vergunningen en aanspraken bezat. 3. De verkrijging ten gevolge van de vaststelling van een rentevergoeding op grond van: - a. een uiterste wilsbeschikking ten aanzien van vorderingen en schulden die zijn ontstaan krachtens erfrecht, of - b. een overeenkomst als bedoeld in [artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=13), wordt voor de toepassing van deze wet geacht alleen krachtens erfrecht door het overlijden te zijn ve"},{"i":1367,"b":"Tariefbeschikking 5500-1900-11-1 De Nederlandse Zorgautoriteit, Op grond van de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4); Op basis van de beleidsregels orthodontie; En gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) jo [artikel 52, lid 5 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52); **Besloten:** dat rechtsgeldig **door:** **aan:** alle ziektekostenverzekeraars en alle (niet-)verzekerden **prestatiebeschrijving en bijbehorend maximumtarief (in euro’s):** maximaal de bedragen, vermeld achter de desbetreffende prestaties, zoals omschreven in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028137&bijlage=1&z=2010-08-31&g=2010-08-31), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028137&bijlage=2&z=2010-08-31&g=2010-08-31) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028137&bijlage=3&z=2010-08-31&g=2010-08-31) bij de tariefbeschikking 5500-1900-11-1 gevoegde tarieflijst, in rekening kunnen worden gebracht. Deze vastgestelde maximumtarieven zijn inclusief BTW-kosten, maar exclusief de BTW-heffing en afdracht door een zorgaanbieder. Bij contante betaling mag het eindbedrag worden afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 eurocent. De tarieven en techniekkosten kunnen uitsluitend als zodanig herkenbaar en gespecificeerd aan de patiënten in rekening worden gebracht. Indien in de genoemde bijlagen gesproken wordt over zorgaanbieder, worden de hierboven bij **‘door’** genoemde drie categorieën van zorgaanbieders bedoeld. De geldigheidsduur van de eerder afgegeven tariefbeschikking 5500-1900-10-1 van 14 december 2009 wordt met de onderhavige tariefbeschikking beperkt tot en met 31 december 2010. Bijlage 1. Tarievenlijst orthodontie **De maximaal in rekening te brengen tarieven voor prestaties verricht met ingang van 1 januari 2011 door:** Op de tarieven zijn van toepassing de"},{"i":1368,"b":"Tariefbeschikking kaakchirurgische hulp De Nederlandse Zorgautoriteit, heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg) **op basis van de beleidsregel:** Kaakchirurgie (BR/CU-7075) **en gelet op:** [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50 lid 1, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) jo. [artikel 51 tot met 53 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=51) **besloten:** dat rechtsgeldig: **door:** zorgaanbieders, die als tandartsspecialist in de mondziekten en kaakchirurgie in het BIG-register (als bedoeld in [artikel 3 Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3)) staan ingeschreven en zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 1, onder c, sub 2, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) (factormaatschappijen); **de prestatiebeschrijvingen en bijbehorende maximum honorariumtarieven (in euro’s):** **aan of via:** Van toepassing zijn de Inleidende en Algemene Bepalingen in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032890&bijlage=3&z=2013-01-01&g=2013-01-01). De tarieven en techniekkosten kunnen uitsluitend als zodanig herkenbaar en gespecificeerd in rekening worden gebracht. Met de inwerkingtreding van deze beschikking wordt de geldigheidsduur van de eerder afgegeven tariefbeschikking TB/CU-7036-03 van 27 juni 2012 beperkt tot en met 31 december 2012. De eerder afgegeven [tariefbeschikking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032778) TB/CU-7059-01 wordt hiermee ingetrokken. Bijlage 1. bij Tariefbeschikking **TB/CU-7059-02 van 23 januari 2013** **De maximumtarieven die door zorgaanbieders die mondzorg leveren zoals tandartsspecialisten voor mondziekten en kaakchirurgen die bieden in rekening kunnen worden gebracht voor prestat"},{"i":1369,"b":"Tariefbeschikking overige producten GGZ Zvw De Nederlandse Zorgautoriteit, heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4); **op basis van de beleidsregel:** Overige producten GGZ Zvw, kenmerk CU-5020; **en gelet op:** [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) jo. [52, vijfde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) (Wmg); **ambtshalve besloten:** dat met ingang van 1 januari 2011 rechtsgeldig; **door:** en zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 1, onder c , sub 2, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); **aan:** alle ziektekostenverzekeraars, alle (niet) verzekerden en de overige partijen genoemd in de prestatieomschrijvingen die zijn opgenomen in de bijlage **prestatiebeschrijving en bijbehorend tarief (in euro’s):** maximaal de bedragen vermeld in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029257&bijlage=1&z=2011-01-01&g=2011-01-01) of waarnaar wordt verwezen in de Beleidsregel overige producten GGZ Zvw, in rekening kunnen worden gebracht voor de betreffende overige producten. Deze maximumtarieven zijn inclusief BTW-kosten, maar exclusief de BTW-heffing en afdracht door een zorgaanbieder. Overig De overige producten en bijbehorende tarieven worden in rekening gebracht met inachtneming van de voorschriften en/of beperkingen genoemd in de Beleidsregel Overige producten GGZ Zvw, alsmede de [Regeling Declaratiebepalingen DBC GGZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029228). In het contante betalingsverkeer mogen de totaal te betalen bedragen (dus na sommeringen) afgerond worden op het dichtstbijzijnde veelvoud van € 0,05. Voorwaarde is dat de zorgverlener of zorgverzekeraar duidelijk aangeeft dat contante bedragen worden afgerond. Werkingssfeer Voor de toepassing van deze tariefbeschikkin"},{"i":1371,"b":"Tariefbeschikking tweedelijns curatieve GGZ 1 De term ‘tweedelijns’ is hier bewust gekozen ter onderscheiding van de eerstelijns psychologische zorg, waarvoor vrije tarieven gelden als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel a, van de Wmg. Op laatstgenoemde categorie zorg is deze tariefbeschikking derhalve niet van toepassing.De Nederlandse Zorgautoriteit heeft met inachtneming van [Hoofdstuk 4, paragrafen 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4.4, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), **en meer in het bijzonder:** de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [50, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), alsmede de beleidsregels: en de nadere regels: **besloten:** dat rechtsgeldig **door:** gebudgetteerde en niet-gebudgetteerde zorgaanbieders als bedoeld in artikel 4, onder d en e, van de beleidsregel ‘Invoering DBC-bekostiging gebudgetteerde zorgaanbieders in de curatieve GGZ’(BR/CU-5073) **aan:** ziektekostenverzekeraars en (niet-)verzekerden2Voor de toepassing van deze tariefbeschikking wordt een persoon, die:•krachtens de sociale ziektekostenwetgeving van een andere staat verzekerd is en•in Nederland woont of hier tijdelijk verblijft en•krachtens een Verordening van de Raad van de Europese Unie, dan wel krachtens een door Nederland ondertekend bilateraal of multilateraal verdrag, recht heeft op verstrekkingen overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten,gelijkgesteld met een Zorgverzekeringswet-, respectievelijk AWBZ-verzekerde. in rekening mag worden gebracht: de prestaties en maximaal de bijbehorende bedragen3Voor de prestatiebeschrijving ‘onderlinge dienstverlening’ geldt een vrij tarief als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onder a, Wmg. (in euro’s) zoals opgenomen in [bijlage 1](h"},{"i":1373,"b":"Tariefbesluit Centrale Commissie Dierproeven per 1 januari 2017 De Centrale Commissie Dierproeven besluit als tarieven, als bedoeld in [artikel 3 lid 4 van de Dierproevenregeling 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&artikel=3), vast te stellen: Wijzigingsverzoek gericht op een bijlage dierproeven: € 568,–. Wijzigingsverzoek gericht op meerdere bijlagen dierproeven binnen een project: € 1.035,–. Vergunningaanvraag op projectniveau: bij een bijlage dierproeven: € 1.035,– bij een bijlage dierproeven met een eenvoudige dierproef geldt het bedrag van € 568,– bij twee bijlagen dierproeven: € 1.287,– bij drie bijlagen dierproeven: € 1.541,– bij meer bijlagen dierproeven: voorgaand tarief verhoogd met € 143,– per extra bijlage dierproeven Bij bestuursbesluit kan de CCD besluiten om voor bepaalde categorieën aanvragen het maximumtarief te begrenzen op € 1.541,–."},{"i":1374,"b":"Tariefbesluit Centrale Commissie Dierproeven per 1 januari 2018 De Centrale Commissie Dierproeven besluit als tarieven, als bedoeld in [artikel 3 lid 4 van de Dierproevenregeling 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035873&artikel=3), vast te stellen: - ○. Wijzigingsverzoek gericht op een bijlage dierproeven: € 818,– - ○. Wijzigingsverzoek gericht op meerdere bijlagen dierproeven binnen een project: € 1.285,- - ○. Vergunningaanvraag op projectniveau: - •. bij een bijlage dierproeven: € 1.285,– - •. bij een bijlage dierproeven met een eenvoudige dierproef geldt het bedrag van € 818,– - •. bij twee bijlagen dierproeven: € 1.537,– - •. bij drie bijlagen dierproeven: € 1.791,– - •. bij meer bijlagen dierproeven: voorgaand tarief verhoogd met € 143,– per extra bijlage dierproeven"},{"i":1390,"b":"Toepassing van de belastingheffing over in Nederland gevestigde visserijondernemingen die onder Belgische vlag vissen De Directeur-generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de Minister van Financiën in overeenstemming met de bevoegde autoriteiten van België het volgende besloten: Inleiding Op grond van artikel 26 van het Nederlands-Belgische belastingverdrag van 19 oktober 1970 en artikel 28 van het Nederlands-Belgische belastingverdrag van 5 juni 2001 heeft tussen de Nederlandse en Belgische bevoegde autoriteiten overleg plaatsgevonden over de belastingheffing van Nederlandse visserij-ondernemingen en de aan boord van de schepen van die ondernemingen werkzame personen, die de visvangst beoefenen op schepen die onder Belgische vlag varen. Het overleg heeft plaatsgevonden in verband met de dubbele belasting over de winst die is ontstaan doordat de Nederlandse visserijondernemingen vanwege de invoering van vangstquota hun visserijactiviteiten – in de regel via een nieuw opgerichte BVBA of NV naar Belgisch recht – voor een deel vanuit België zijn gaan verrichten. In het bijgevoegde memorandum van overeenstemming is aangegeven op welke wijze deze dubbele belasting, afhankelijk van de plaats waar de feitelijke leiding van de BVBA of NV en het zwaartepunt van de visserijactiviteiten zijn gelegen, ongedaan wordt gemaakt. Hierbij wordt opgemerkt dat in het memorandum van overeenstemming uitsluitend wordt gesproken over naar Belgisch recht opgerichte BVBA of een NV. In voorkomend geval wordt hieronder tevens begrepen een naar Nederlands recht opgerichte BV of NV. Tevens wordt in het memorandum van overeenstemming ingegaan op de verdeling van de heffingsbevoegdheid over de beloning van bemanningsleden die aan boord van de schepen van deze visserijondernemingen werkzaam zijn. Een bijzonderheid daarbij betreft de positie van zogenoemde deelvissers. Naar Nederlandse fiscale maatstaven worden zij onder voorwaarden als ondernemer beschouwd, terwijl zij naar Belgische fiscale maatst"},{"i":1392,"b":"Toepassing van de wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van het bankbedrijf De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. 1. De per 1 januari 1979 van kracht geworden aanpassing van de omzetbelastingwetgeving aan de bepalingen van de Zesde EG-richtlijn is in verschillend opzicht van betekenis voor exploitanten van banken. Zulks houdt verband met de ingevolge bedoelde aanpassing tot stand gekomen wijzigingen en/of aanvullingen van de vrijstellingsbepalingen vervat in artikel 11, letters i en j, van de Wet op de omzetbelasting 1968, alsook met de per 1 januari 1979 tot stand gekomen wijziging van artikel 15, tweede lid, van die wet betreffende de aftrek van omzetbelasting. 2. Blijkens artikel 11, eerste lid, letter i, ten tweede, van voormelde wet zijn van omzetbelasting vrijgesteld de handelingen – bemiddeling daaronder begrepen doch uitgezonderd bewaring en beheer – inzake effecten en andere waardepapieren met uitzondering van documenten welke goederen vertegenwoordigen. De bewoordingen van de onderwerpelijke bepaling komen vrijwel overeen met die van de corresponderende bepaling, vervat in artikel 13, onderdeel B, letter d, ten vijfde, van voornoemde EG-richtlijn. Naar mijn oordeel dient ervan te worden uitgegaan dat bij het redigeren van die richtlijnbepaling een ruime draagwijdte van het begrip ‘handelingen’ is beoogd. In verband daarmede stel ik mij op het standpunt dat de aan de orde zijnde vrijstelling van toepassing is op alle prestaties, andere dan bewaring en beheer, welke betrekking hebben op effecten en andere waardepapieren, ongeacht of het daarbij gaat om de uitgifte, de overdracht, de verwisseling of de opsplitsing van de desbetreffende stukken, dan wel om de instandhouding, de wijziging, de realisering of het tenietgaan van de in die stukken belichaamde rechten, een en ander met dien verstande dat de – veelal door banken – terzake verleende bemiddelingsdiensten mede tot de vrijgestelde"},{"i":1391,"b":"Toepassing van de wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van de termijnhandel De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten."},{"i":5646,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 oktober 2025, nr. BZ2521585, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidiebeleidskader NFRP Politieke Partijen Programma 2026) Gelet op [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [artikel 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 2.2, sub a en sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.2), en [artikel 2.3, sub a en sub c, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.3); Besluit: Artikel 1 1. Voor subsidieverlening op grond van [artikel 2.2, sub a en sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.2), en [artikel 2.3, sub a en sub c, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.3) in het kader van het Nederlands Fonds voor Regionale Partnerschappen (NFRP) Politieke Partijen Programma 2026 met het oog op de financiering van activiteiten ter bevordering van de capaciteitsversterking van politieke partijen, bewegingen of organisaties waarmee Nederlandse politieke partijen ideologische en democratische waarden delen gelden voor het tijdvak vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2026 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. 2. Voor subsidieverlening in het kader van het Nederlands Fonds voor Regionale Partnerschappen Politieke Partijen Programma 2026 geldt voor de periode vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026 een subsidieplafond van € 1.985.569,00. 3. Van het in het tweede lid genoemde subsidieplafond is € 594.139,33 beschikbaar voor subsidieverstrekking in het kader van NFRP-Matra en € 1.391.429,67 voor subsidieverstrekking in het kader van NRFP-Shiraka. Artikel 2"},{"i":6551,"b":"Besluit van 5 juli 2019, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers in verband met de verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden en de bezoldiging van de zittende burgemeester na afloop van de periode van opclassificatie van een gemeente, alsmede nadere wijziging van het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES in verband met de harmonisatie van de rechtspositie van decentrale politieke ambtsdragers Artikel I Wijzigt het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Artikel II Wijzigt het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES. Artikel III 1. In dit artikel wordt verstaan onder «[Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006536)» het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dat luidde op 31 december 2018. 2. Degene die voor 1 januari 2019 raadslid was in een gemeente met een inwonertal van minder dan 24.000 ontvangt eenmalig een aanvulling op de vergoeding voor de werkzaamheden die wordt berekend volgens de formule a(b-c), waarbij: «a» staat voor de duur dat betrokkene in de periode van 29 maart 2018 tot en met 31 december 2018 raadslid was in een gemeente met een inwonertal van 24.000 of minder, uitgedrukt in maanden, afgerond op decimalen; «b» staat voor de maximum vergoeding voor de werkzaamheden per maand die op grond van [tabel I bij het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006536&bijlage=I) hoorde bij gemeenten met een inwonertal van 24.001 tot en met 40.000; «c» staat voor de maximum vergoeding voor de werkzaamheden per maand, genoemd in [tabel I bij het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006536&bijlage=I), die op grond van [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006536&artikel=2), [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006536&artikel=5), [artikel 6](https://wetten"},{"i":7134,"b":"Regeling vermelding nummer op akten burgerlijke stand Gelet op de [artikelen 38, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=38), en [39, derde lid, van het Besluit burgerlijke stand 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=39); Besluit: Artikel 1 In het hoofd van elke akte van geboorte, van huwelijk of van overlijden en van elke akte van inschrijving van een buitenlandse akte of van een rechterlijke uitspraak wordt een aktenummer vermeld. Dat nummer beslaat zes posities. Artikel 2 De eerste positie van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006528&artikel=1&z=1995-01-01&g=1995-01-01) bedoelde nummer is bestemd voor de aanduiding van het register waarin de akte wordt opgenomen. De registersoort wordt als volgt aangeduid: bedoeld in [afdeling 6 van Titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&afdeling=6). Artikel 3 De tweede positie van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006528&artikel=1&z=1995-01-01&g=1995-01-01) bedoelde nummer is bestemd voor de aanduiding van het registerdeel waarin de akte wordt opgenomen. Het registerdeel wordt aangeduid door een cijfer of een letter. Een consulair register wordt aangeduid door de letter Z. Artikel 4 De derde tot en met de zesde positie van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006528&artikel=1&z=1995-01-01&g=1995-01-01) bedoelde nummer zijn bestemd voor de aanduiding van de plaats van de akte in het register of het registerdeel. Deze plaats wordt aangeduid door vier cijfers, oplopend van 0001 tot en met 9999. Artikel 5 In het hoofd van elke akte van erkenning en elke akte van ontkenning van het vaderschap door de moeder met gelijktijdige erkenning door de vader wordt een aktenummer vermeld. Dat nummer beslaat vier posities, bestemd voor de aanduiding van de volgorde waarin deze akten zijn opgemaakt. Deze volgorde wordt aangeduid door vier cijfers, oplopend van 0001 to"},{"i":1675,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 11 november 2009, houdende de vaststelling van een vakheffing voor de kweker en importeur van bloemkwekerijproducten (Verordening PT vakheffing aanbod bloemkwekerijproducten 2010) gelet op de [artikelen 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93), [100 derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 12 oktober 2009; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=3:1), en de werkwijze beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder: | a. | bloemkwekerijproducten: | I. siergewassen, II. teeltmateriaal, III. hydrocultuur, IV. bloemzaden; | | --- | --- | --- | | b. | extreme toegevoegde waarde: | inkoopwaarde van sierpotten/ijzerwerken, verfmateriaal voor het verven van bloemen en luxe verpakkingen en of andere luxe verfraaiingen, met uitzondering van de arbeidskosten; | | c. | hydrocultuur: | siergewassen die bestemd zijn voor gebruik in plantenbakken of potten, waarbij de plant met zijn wortels"},{"i":6570,"b":"Besluit van 26 februari 2013 tot wijziging van twee besluiten ter uitvoering van de artikelen 110 en 1157 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uitvoering van Verordening (EU) Nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (Pb EU L 55) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 15 januari 2013, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 340999, gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; Gelet op de [artikelen 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=110) en [1157 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1157); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 januari 2013, nr. W03.13.0006/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 18 februari 2013, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 352933, uitgebracht mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit ex artikel 110 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt het Besluit ex artikel 1157 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel III Dit besluit is van toepassing op ongevallen die zich na de inwerkingtreding van dit besluit hebben voorgedaan. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2013. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 28 februari 2013, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 maart 2013. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5656,"b":"Subsidieplafond aanvraagronde 2 september 2014 Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904); Besluit: Artikel I Het subsidie plafond van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland voor het jaar 2014 is € 19.400.000,– zegge: negentien miljoen vierhonderdduizend euro. Het subsidieplafond voor de eerstvolgende aanvraagronde op 2 september 2014 bedraagt 6 miljoen euro, waarvan in eerste instantie 4,5 miljoen euro (75% van het beschikbare budget) bestemd is voor internationale coproducties. Artikel II Dit besluit treedt in werking na plaatsing in de Staatscourant. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":3540,"b":"Besluit van 29 oktober 1964, houdende maatregelen ter uitvoering van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst Op de voordracht van Onze Ministers van Defensie en van Justitie van 21 augustus 1964, afdeling Dienstplichtzaken, nr. 28.768-C; Gelet op de [Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386); De Raad van State gehoord (advies van 30 september 1964, nr. 70); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 26 oktober 1964, afdeling Dienstplichtzaken, nr. 28.768-E; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. \"de wet\": de [Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386); - b. \"de verzoeker\": hij die een verzoek heeft gedaan als bedoeld in [artikel 3 der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386&artikel=3); - c. \"de commissie\": de commissie van advies, bedoeld in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386&artikel=5); - d. \"fungerend voorzitter\": het lid van de commissie dat het onderzoek leidt; - e. \"het onderzoek\": het onderzoek, bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386&artikel=5), respectievelijk [artikel 7**a**, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386&artikel=7a); - f. \"de erkende gewetensbezwaarde\": hij wiens bezwaren tegen de vervulling van militaire dienst, overeenkomstig de bepalingen der wet zijn erkend als ernstige gewetensbezwaren. 2. Waar in dit besluit overigens uitdrukkingen voorkomen, als in [artikel 1 der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386&artikel=1) vermeld, worden deze verstaan in de zin als in dat artikel omschreven. Artikel 2 Tenzij Onze Minister van Defensie anders bepaalt, wordt aan de verzoeker die vóór zijn opkomst in militaire dienst, of binnen dertig dagen daarna, een verzoek tot erkenning van zijn bezwaren als ernstige gewetensbezwaren heeft ged"},{"i":1693,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 25 maart 2008 houdende de vaststelling van aan exporteurs van bloembollen op te leggen heffing voor de export van bloembollen naar Japan, voor het oogstjaar 2008 (Verordening PT heffing export bloembollen naar Japan oogstjaar 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, 18 maart 2008; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1) en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | bloembollen | : | bollen of knollen van bloemgewassen; | | --- | --- | --- | --- | | b. | oogstjaar | : | de periode van 1 juni 2008 tot en met 31 mei 2009. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloembollen is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloembollen aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd ten behoeve van de financiering van de controles van de bloembollen, die naar Japan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld"},{"i":5425,"b":"Regeling subsidievoorwaarden rechts- en wetswinkels 2019 Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, wil gelet op [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c) subsidie verlenen aan rechts- en wetswinkels en heeft daartoe de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1). **De Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - 2). **Een rechts- of wetswinkel:** een rechtspersoon die zonder winstoogmerk, in hoofdzaak met vrijwilligers, rechtsbijstand verleent aan minderdraagkrachtige personen of groepen van personen; - 3). **Rechtsbijstand:** sociaaljuridische hulpverlening. Daartoe rekent de Raad ook activiteiten zoals: voorlichting, preventie en andere activiteiten, gericht op het signaleren, voorkomen en tegengaan van tekortkomingen en leemten in de door het recht te verlenen bescherming van belangen van minderdraagkrachtige rechtzoekenden; - 4). **Een subsidie:** subsidie als bedoeld in [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c); - 5). **Een activiteitenverslag:** een verslag van de activiteiten in 2018, waaruit blijkt dat de rechts- of wetswinkel gedurende de daarin beschreven periode heeft voorzien in een behoefte aan rechtsbijstand als hiervoor bedoeld. Uit het verslag dient ook te blijken dat de rechts- of wetswinkel voldoende aandacht heeft besteed aan de kwaliteitsborging van de dienstverlening; - 6). **Een financieel verslag:** een verslag van de rechts- of wetswinkel over het financieel beheer in 2018, waaruit blijkt dat de verstrekte subsidie doelmatig is besteed aan rechtsbijstand; Artikel 2 De Raad kan onder de volgende voorwaarden subsidie verlenen; - 1). De rechts- of wetswinkel heeft in 2017 en/of 2018 subsidie ontvangen van de Raad; - 2). De rechts- of wetswinkel die in 2017 en/of 2018 subsidie heeft ontvangen van de Raad, komt niet in aanmerking voor (extra) subsidie voor door deze rechts- of wetsw"},{"i":5476,"b":"Regeling tot vaststelling voor 2010 van de maatstaven, bandbreedtes en tarieven bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Regeling bekostiging Wet toezicht trustkantoren Gelet op [artikel 8, vierde lid, van de Wet toezicht trustkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016189&artikel=8) en [artikel 8, tweede lid, van de Regeling bekostiging Wet toezicht trustkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016444&artikel=8); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder wet: [Wet toezicht trustkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016189). Artikel 2 1. Het tarief, bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Regeling bekostiging Wet toezicht trustkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016444&artikel=8), wordt voor het jaar 2010 vastgesteld op: - a. € 700 bij een omzet en overige opbrengsten uit diensten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016189&artikel=1) in 2009 van minder dan € 100.000; - b. € 1.400 bij een omzet en overige opbrengsten uit diensten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016189&artikel=1) in 2009 van ten minste € 100.000 en minder dan € 200.000; - c. € 2.200 bij een omzet en overige opbrengsten uit diensten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016189&artikel=1) in 2009 van ten minste € 200.000 en minder dan € 500.000; - d. € 3.100 bij een omzet en overige opbrengsten uit diensten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016189&artikel=1) in 2009 van ten minste € 500.000 en minder dan € 1.000.000; - e. € 4.150 bij een omzet en overige opbrengsten uit diensten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016189&artikel=1) in 2009 van ten minste € 1.000.000 en minder dan € 2.000.000; - f. € 5.400 bij een omzet en overige opbrengsten uit diensten"},{"i":1883,"b":"Besluit van 29 augustus 2023 tot wijziging van het Besluit belasting- en invorderingsrente met het oog op toevoeging van de solidariteitsbijdrage en aanpassing van het rentepercentage voor de vennootschapsbelasting, de solidariteitsbijdrage en de bronbelasting Artikel I Wijzigt het Besluit belasting- en invorderingsrente. Artikel II [Artikel 1, onderdeel c, van het Besluit belasting- en invorderingsrente](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043680&artikel=1) zoals dat luidde na toepassing van [artikel I, onderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048590&artikel=I&z=2023-09-01&g=2023-09-01), blijft van toepassing bij de berekening van de te vergoeden rente over renteperiodes vanaf 1 maart 2023 tot en met de dag onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit besluit in werking is getreden. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat [artikel I, onderdeel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048590&artikel=I&z=2023-09-01&g=2023-09-01), terugwerkt tot en met 1 januari 2022 en dat artikel I, onderdeel 2, terugwerkt tot en met 1 maart 2023. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 mei 2023, nr. 2023-0000117605; Gelet op [artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=30hb); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 5 juli 2023, nr. W06.23.00118/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 28 augustus 2023, nr. 2023-0000179764; Hebben goedgevonden en verstaan: Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3100,"b":"Besluit beleidsregels maximale proeftijd VWS Gezien de oproep van het Sectorcommissie overleg rijkspersoneel om binnen het departementaal georganiseerd overleg te bezien voor welke functies de proeftijd van maximaal twee jaar kan worden beperkt; In overeenstemming met het departementaal georganiseerd overleg; Gelet op [artikel 6, lid 2, aanhef en onder a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](onbekend) (ARAR), Besluit - 1. Voor aanstellingen door of namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) op grond van [artikel 6, lid 2, aanhef en onder a ARAR](onbekend) die ingaan op of na 1 april 2002 geldt voor de toepassing van de in die bepaling genoemde proeftijd van ten hoogste twee jaren, voor alle functies binnen het ministerie van VWS een termijn van 12 kalendermaanden of korter. - 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor functies ten aanzien waarvan met betrekking tot proeftijden regels als bedoeld in [artikel 13 ARAR](onbekend) van toepassing zijn. - 3. Dit besluit zal worden bekendgemaakt door plaatsing daarvan in de Staatscourant. - 4. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit beleidsregels maximale proeftijd VWS."},{"i":1642,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 20 december 2012, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de hovenierssector voor het jaar 2013 (Verordening PT bestemmingsheffing hovenierssector 2013) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); Gehoord de Commissie voor hovenierswerkzaamheden d.d. 14 december 2012; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: | a. productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon, die een onderneming drijft, waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. bosbouw | : | uitvoering van werkzaamheden die vallen onder de werkingsfeer van het Bosschap; | | f. hovenierswerkzaamheden | : | het aanleggen, het aanbrengen van wijzigingen in en het onderhouden van siertuinen, begraafplaatsen, groenstroken, parken, plantsoenen, landgoederen en openbaar groen in stad en landschap, inclusief boomverzorging, werkzaamheden op sportterreinen en in bossen, met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, met inbegrip van de voorbereidende en grondwerkzaamheden; | | g. leveringen | : | de bij de hovenierswerkzaamheden behorende levering van levende en dode materialen; | | h. omzet | : | het bruto-omzetbedrag. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer, die hovenierswerkzaamheden uitoefent, is over het kalenderjaar 2013 een bestemmingsheffing aan he"},{"i":4138,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp van 19 juli 2024, nr.BZ2403369, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) met het oog op subsidiëring van activiteiten gericht op het bevorderen van sociale duurzaamheid in internationale productieketens, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2027 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen worden ingediend vanaf 20 augustus 2024 tot en met 7 oktober 2024, 15.00 uur Nederlandse tijd. 2. Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes. 3. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen worden ingediend aan de hand van een door de Minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1[https://english.rvo.nl/subsidies-programmes/ssf](https://english.rvo.nl/subsidies-programmes/ssf) Artikel 3 1. Voor subsidieve"},{"i":5459,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 27 maart 2012, nr. IENM/BSK-2012/21857, houdende vaststelling van regels in verband met de vakbekwaamheid van bestuurders (Regeling vakbekwaamheid bestuurders 2012) Gelet op richtlijn nr. 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2003 (PbEU L 226) betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en tot intrekking van richtlijn nr. 76/914/EEG van de Raad, [richtlijn 2006/126/EG](32006L0126) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PbEG L 403), alsmede de [artikelen 124a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=124a), [151b, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=151b), [151f, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=151f), [151h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=151h) en [158, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=158) en de [artikelen 156c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156c), [156ga, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156ga), [156h, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156h), [156ha, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156ha), [156i, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156i), [156k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156k), [156ka, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156ka), [156l, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=1"},{"i":2793,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2011 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2011, doch niet later dan 15 december 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,386 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2011 en eindigende met 15 december 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toep"},{"i":2034,"b":"Wet van 1 november 2012, houdende nieuwe regels omtrent aanbestedingen (Aanbestedingswet 2012) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is [richtlijn nr. 2004/17/EG](32004L0017) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PbEU L 134) en [richtlijn nr. 2004/18/EG](32004L0018) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEU L 134) opnieuw te implementeren ten behoeve van een goede uitvoering en naleving van de uit deze richtlijnen voortvloeiende voorschriften, en ten behoeve van verbetering en vereenvoudiging van de integriteitstoetsing en van voorschriften van administratieve aard, en voorts ook enige regels van inhoudelijke en administratieve aard te stellen met betrekking tot andere opdrachten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Deel 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanbestedende dienst:** de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een publiekrechtelijke instelling dan wel een samenwerkingsverband van deze overheden of publiekrechtelijke instellingen; - **aanbestedingsstukken:** alle stukken die door de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf worden opgesteld of vermeld ter omschrijving of bepaling van onderdelen van de aanbesteding of de procedure; - **aankoopcentrale:** een aanbestedende dienst die of speciale-sectorbedrijf dat een gecentraliseerde aankoopactiviteit en eventueel een aanvullende"},{"i":5441,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 14 december 2016, nummer 2021135 tijdelijke aanwijzing van bevoegde gerechten als bedoeld in artikel 46a van de Wet op de rechterlijke organisatie voor zaken van het Landelijk Parket en Functioneel Parket (Regeling tijdelijke aanwijzing bevoegde gerechten voor zaken van het LP en FP) Gelet op [artikel 46a van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=46a); Gehoord de Raad voor de rechtspraak; Gehoord het College van procureurs-generaal; Besluit: Artikel 1 Voor de behandeling van zaken van het Landelijk Parket, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=9) en het Functioneel Parket, bedoeld in artikel 9, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, die door het openbaar ministerie aanhangig zijn gemaakt bij de rechtbank Rotterdam, worden aangewezen als andere rechtbanken als bedoeld in [artikel 46a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=46a): de rechtbanken Amsterdam, Oost-Brabant en Overijssel. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017 en vervalt met ingang van 1 januari 2020. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tijdelijke aanwijzing bevoegde gerechten voor zaken van het LP en FP. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4398,"b":"Besluit van 28 december 2010 tot wijziging van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning, het Rechtspositiebesluit burgemeesters, het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, het Rechtspositiebesluit wethouders, het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, het Waterschapsbesluit en het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES in verband met het van toepassing worden van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers op commissarissen van de Koning, burgemeesters en voorzitters van waterschapsbesturen, de gevolgen van de Fiscale vereenvoudigingswet en enkele andere wijzigingen (Besluit wijziging van de rechtspositiebesluiten decentrale politieke ambtsdragers 2010) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 november 2010, 2010-0000708842, CZW/WVOB; Gelet op de [artikelen 44, eerste, tweede en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=44), [66, eerste, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=66), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=73), [95, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=95), en [96, derde lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=96), de [artikelen 43, eerste, tweede en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=43), [65, eerste, tweede en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=65), [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=72), [93, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=93), en [94, derde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=94) en de [artikelen 32a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=32a), [44, eerste en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=44), [48, zevende lid](https://wett"},{"i":6996,"b":"Circulaire Verbetering akten burgerlijke stand Bij besluit van het Kabinet van 25 mei 2007 is ingestemd met een regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet. De regeling omvat onder meer een procedure voor vreemdelingen die aan bepaalde voorwaarden voldoen, om eenmalig ten overstaan van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) binnen twee maanden hun juiste identiteit (naam, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland) en nationaliteit aan te tonen. Indien van die mogelijkheid gebruik wordt gemaakt en aan de voorwaarden wordt voldaan, stelt de IND opnieuw de identiteit en nationaliteit vast en verstrekt aan de betrokken vreemdeling een (nieuw) identiteitsbewijs in de vorm van een vreemdelingendocument. Indien de vreemdeling in kwestie reeds is opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) en de daarin vermelde gegevens afwijken van de gegevens zoals deze door de IND zijn vastgesteld, wordt de GBA overeenkomstig de bevindingen van de IND aangepast. Hierover is een circulaire aan alle gemeenten gezonden1Circulaire van 27 augustus 2007 van de Staatssecretaris van Justitie en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake de gevolgen regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet. . Ten aanzien van een aantal vreemdelingen behorende tot de hiervoor aangegeven categorie geldt dat gegevens van hen tevens zijn opgenomen in akten van de burgerlijke stand. Hierbij valt met name te denken aan personen die als ouder vermeld staan in de geboorteakte van een in Nederland geboren kind. Ook is denkbaar dat het huwelijksakten of akten van registratie van een partnerschap betreft. Indien de gegevens die opgenomen zijn in die akten afwijken van de gegevens zoals deze vervolgens door de IND zijn vastgesteld en in de GBA zijn aangepast, dient de aanpassing tevens te worden doorgevoerd in de akten van de burgerlijke stand. De verbetering van akten van de burgerlijke stand is geregeld in de [artikel"},{"i":6997,"b":"Collectieve Schadecompensatieregeling marktkooplieden Centrummarkt Rotterdam Gezien de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat aan de Tweede Kamer d.d. 17 november 1983 kenmerk WBJ/V 305 (blz. 4); Overwegende dat de op de Centrummarkt in Rotterdam handeldrijvende marktkooplieden in verband met de tijdelijke gedwongen verplaatsing van deze markt als gevolg van de bouw van de Willemsspoortunnel, de daarbij behorende werken of de in verband daarmee genomen bestuursmaatregelen een onevenredig financieel nadeel kunnen ondervinden; Dat het wenselijk is voor deze groep marktkooplieden vast te leggen in welke gevallen en onder welke voorwaarden een financiële compensatie kan worden verstrekt en dat het wenselijk is voor deze groep marktkooplieden een speciale regeling te creëren die in de plaats treedt van de [schadecompensatieregeling Willemsspoortunnel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003962); Stelt de volgende regeling vast. Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: Hoofdstuk II. Bepalingen inzake de collectieve schadecompensatie Artikel 2. Onafhankelijke deskundigen De minister benoemt na overleg met de gemeente Rotterdam en de Nederlandse Spoorwegen, gehoord hebbend de ter plaatse opererende Verenigingen van ambulante handelaren, onafhankelijke deskundigen die geen enkel belang hebben bij of binding hebben met de aanleg van de Willemsspoortunnel en over de nodige deskundigheid en reputatie beschikken; zij hebben als taak de minister te adviseren over de hoogte van het bedrag der collectieve schadecompensatie, Daartoe maken deze deskundigen een taxatierapport op. De onafhankelijke deskundigen baseren zich bij de opstelling van het rapport op: - 1. De gegevens verstrekt door de Marktkooplieden of de gegevens van een representatieve groep van hen. - 2. Verkregen gegevens over de landelijke ontwikkelingen van de consumptieve bestedingen op de markt. - 3. Verkregen gegevens uit de branche(s). - 4. Kennis e"},{"i":7569,"b":"Besluit van 2 mei 2012, houdende nadere voorschriften omtrent het onderwijskundig rapport en de specificatie van leer- en begeleidingsgegevens (Besluit uitwisseling leer- en begeleidingsgegevens) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 16 februari 2012, nr. WJZ/371567 (2742), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op [artikel 42, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=42), [artikel 43, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=43), [artikel 103b, zevende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=103b) en de [artikelen 2.3.6a, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.3.6a), en [2.5.5a, negende lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.5a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 april 2012, nr. W05.12.0048/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 april 2012, nr. WJZ/402857 (02742), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **leerling:** leerling als bedoeld in de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) en de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) dan wel student of vavo-student als bedoeld in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625); - **school:** school als bedoeld in de [Wet op"},{"i":7568,"b":"Besluit tot intrekking van de Regeling lijst minimaal te bewaren gegevens beleggingsondernemingen en Beleidsregel Derde landenbeleid Besluit: Artikel 1 De navolgende regeling en beleidsregel worden ingetrokken: - •. [Regeling lijst minimaal te bewaren gegevens beleggingsondernemingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037744) - •. [Beleidsregel Derde landen beleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020811) Artikel 2 Dit is een besluit in de zin van [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). Artikel 3 De bekendmaking van dit besluit geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking per 3 januari 2018. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als **Besluit tot intrekking van de Regeling lijst minimaal te bewaren gegevens beleggingsondernemingen en Beleidsregel Derde landenbeleid.**"},{"i":7570,"b":"Besluit vacatiegeld Raad van Advies College bescherming persoonsgegevens Gelet op het besluit van 15 augustus 2001 (Staatsblad 2001/382),houdende de vaststelling van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de inwerkingtreding van de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468); Gelet op het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317); Besluit: Artikel 1 Aan de voorzitter van de Raad van Advies van het College bescherming persoonsgegevens een vacatiegeld toe te kennen van € 186,05 per vergadering. Artikel 2 Aan de leden van de Raad van het Advies van het College bescherming persoonsgegevens een vacatiegeld toe te kennen van € 124,79 per vergadering. Artikel 3 Dat de voorzitter en leden van de Raad van Advies van het College bescherming persoonsgegevens ten behoeve van het bezoeken van de vergaderingen van de Raad van Advies van het College bescherming persoonsgegevens aanspraak kunnen maken op een vergoeding van reis- en verblijfkosten volgens het [Reisbesluit Binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889). Artikel 4 Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst, doch is in werking getreden met ingang van 15 november 2001. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vacatiegeld Raad van Advies College bescherming persoonsgegevens."},{"i":7571,"b":"Besluit van de Autoriteit Persoonsgegevens van 31 maart 2026 houdende vaststelling van de Beleidsregels openbaarmaking door de Autoriteit Persoonsgegevens 2026 en intrekking van de Beleidsregels openbaarmaking door de Autoriteit Persoonsgegevens Gelet op: de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=3.1), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=3.3) en [8.8 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=8.8) (Woo); de Beleidsregels openbaarmaking door de Autoriteit Persoonsgegevens, Staatscourant 12 januari 2016, nr. 1380 (hierna: Beleidsregels openbaarmaking door de Autoriteit Persoonsgegevens). De Wijziging van de Beleidsregels openbaarmaking door de Autoriteit Persoonsgegevens van 12 januari 2016 met betrekking tot actieve openbaarmaking van wetgevingsadviezen en berispingen, Staatscourant 12 april 2023, nr. 10725 (hierna: Wijziging). Besluit: Artikel I. Vaststellen beleidsregels openbaarmaking door de autoriteit persoonsgegevens 2026 - 1. Bij de openbaarmaking van informatie als bedoeld in [artikel 3.1. van de Woo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=3.1) handelt de Autoriteit Persoonsgegevens volgens het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052550&bijlage=1&z=2026-04-17&g=2026-04-17) genoemde Beleidskader en het in [bijlage III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052550&bijlage=3&z=2026-04-17&g=2026-04-17) genoemde Afwegingskader. - 2. De in bijlage I genoemde Overzichtstabel is opgenomen in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052550&bijlage=2&z=2026-04-17&g=2026-04-17). Artikel II. Intrekken beleidsregels openbaarmaking door de autoriteit persoonsgegevens De [Beleidsregels openbaarmaking door de Autoriteit Persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037531) en de Wijziging worden ingetrokken. Artikel III. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte"},{"i":2520,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 30 mei 2025, nr. 6373888, over de procedure bij en toetsing door de Commissie toegang notariaat (Beleidsregel toetsing Ctn) Gelet op: a. de [artikelen 3:6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:6), en [4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); b. de [artikelen 8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=8), [30b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=30b), en [30c, eerste en tweede lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=30c); Besluit: In deze beleidsregel wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: 1. Inleiding Deze beleidsregel beschrijft de procedure bij de Ctn en de daaropvolgende uitoefening van de beslissingsbevoegdheid door de minister. De Ctn is evenals de Cvdn, die het ondernemingsplan toetst bij een verzoek tot benoeming tot notaris, een door de minister ingestelde commissie. De Ctn adviseert onafhankelijk over beslissingen ten aanzien van de benoeming tot notaris of de goedkeuring van de aanwijzing als toegevoegd notaris. In deze beleidsregel worden de werkwijze van de Ctn en de toetsing door de minister nader uitgewerkt. In de praktijk is gebleken dat er in de notariële praktijk onduidelijkheid bestaat over de wijze van toetsen en de vereisten en/of competenties waaraan wordt getoetst. Doel van deze beleidsregel is het realiseren van transparantie en publieke kenbaarheid over de procedure, de vereisten voor benoeming of toevoeging, en de wijze van toetsing door de Ctn bij een verzoek tot benoeming tot notaris of goedkeuring van de aanwijzing als toegevoegd notaris. Een notaris wordt benoemd bij Koninklijk Besluit op voordracht van de minister. Een verzoek tot benoeming tot notaris wordt door de kandidaat-notaris ingediend bij de KNB. De goedkeuring van het verzoek"},{"i":4856,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 29 september 2014, nr. MinBuZa 2014.581279, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging inzake uitvoering van de Geodata for Agriculture and Water Facility 2014–2015 (Mandaatbesluit G4AW) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 1. Aan de directeur van het Netherlands Space Office wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besluiten te nemen, rechtshandelingen te verrichten en de daartoe benodigde voorbereidingshandelingen te verrichten met het oog op de toepassing van het [besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 27 augustus 2014, nr. DME-2014.7896, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Geodata for Agriculture and Water Facility 2014–2015)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035507)1Stcrt. 2014, nr. 24934 alsmede met het oog op de toepassing van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) voor zover samenhangend met de toepassing van dat besluit. 2. Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat en machtiging verleend om namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besluiten te nemen op bezwaarschriften tegen besluiten, bedoeld in het eerste lid, die door de directeur van het Netherlands Space Office of door onder hem ressorterende functionarissen namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn genomen of behandeld. Voorts wordt aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland mandaat en machtiging verleend om namens de"},{"i":8054,"b":"Besluit Vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Internationale Volksgezondheid vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 augustus 2007, nr. aca-2007.03943/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Internationale Volksgezondheid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8303,"b":"Aanvullend Protocol bij de op 5 december 1947 te Brussel gesloten Overeenkomst betreffende onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen, ondertekend te Brussel op 3 februari 1949 Les Gouvernements Signataires du présent Protocole, Désireux d'assurer l'entrée en vigueur de l'Accord sur la Résolution des Conflits portant sur les Avoirs Allemands Ennemis ouvert à la signature à Bruxelles, le 5 décembre 1947, ci-après dénommé Accord de Bruxelles, et désireux à cet effet de proroger du 1er septembre 1948 au 1er septembre 1949 le délai fixé dans le paragraphe premier de l'Article 5 dudit Accord, Sont convenus de ce qui suit: Article 1 Les dispositions du premier paragraphe de l'Article 5 de l'Accord de Bruxelles sont supprimées et remplacées par les dispositions du présent Protocole. Article 2 Ledit Accord de Bruxelles et le présent Protocole entreront en vigueur, entre les Gouvernements au nom desquels les deux instruments ont été signés (ou ratifiés ou approuvés par les Gouvernements signant sous réserve de ratification ou d'approbation), dès que l'Accord de Bruxelles et le présent Protocole auront été signés, ratifiés ou approuvés, à toute date antérieure au 1er septembre 1949, au nom de Gouvernements qui, au titre de l'article 1 B de la Partie I de l'Accord de Paris sur les Réparations du 24 janvier 1946, bénéficient collectivement, dans la Catégorie A, de quote-parts de réparations représentant au moins 35 pour cent du total général. Article 3 Le présent Protocole pourra être signé par tout Gouvernement remplissant ou qui remplirait ultérieurement les conditions requises pour signer l'Accord de Bruxelles. Article 4 Tout Gouvernement en droit de signer le présent Protocole aura la faculté de notifier simplement son adhésion par écrit au Gouvernement Belge. En pareil cas, la date de la réception de cette notification par le Gouvernement Belge sera considérée comme date de la signature en ce qui concerne ce Gouvernement. Article 5 Le pré"},{"i":6533,"b":"Besluit van 1 juli 2011, houdende wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies in verband met de toevoeging van duurzaamheidsaspecten Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 3 mei 2011, nr. WJZ / 11058305; Gelet op de [artikelen 3, eerste en tweede lid, van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 juni 2011, nr. W15.11.0168/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 27 juni 2011, nr. WJZ / 11091889; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Kaderbesluit EZ-subsidies. Artikel II [Artikel 23, onderdeel j, van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=23), vindt geen toepassing op aanvragen om subsidie die vóór 1 januari 2012 zijn ingediend. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5348,"b":"Regeling inzake kredietverlening als afzonderlijke, vrijgestelde nevenprestatie 1.1. Inleiding In het arrest van 27 oktober 1993, in zaak C-281/91, BNB 1994/95, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geoordeeld ‘dat artikel 13 B, sub d, 1, van de Zesde Richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een leverancier van goederen of diensten die zijn cliënt tegen vergoeding van rente uitstel van betaling verleent, in beginsel een vrijgesteld krediet in de zin van die bepaling verstrekt. Wanneer echter een leverancier van goederen of diensten zijn cliënt tegen vergoeding van rente slechts tot het tijdstip van levering uitstel van betaling verleent, is die rente geen vergoeding voor een kredietverlening, maar een element van de voor de levering van de goederen of de dienstverrichting verkregen tegenprestatie, in de zin van artikel 11 A, lid 1, sub a, van de Zesde Richtlijn’. In het arrest van 12 januari 1994, nr. 27.258, BNB 1994/96, heeft de Hoge Raad op basis van dit arrest van het Hof van Justitie geoordeeld dat ‘in een geval waarin in het kader van koop/aannemingsovereenkomsten aan kopers, opdrachtgevers uitstel van betaling is verleend ter zake van het voor de grond bij het sluiten van de overeenkomst of op een kort daarna gelegen tijdstip verschuldigd geworden bedrag tot aan het tijdstip van de levering van de grond – met de daarop gebouwde of in aanbouw zijnde opstal – of van het appartementsrecht, de uit dien hoofde verschuldigde rente niet kan worden aangemerkt als een (vrijgestelde) vergoeding voor de verlening van krediet als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter j, onder 1°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet), doch moet die rente mede in de maatstaf van heffing voor de levering van de grond of het appartementsrecht worden begrepen.’ 1.2. Kredietverlening als afzonderlijke nevenprestatie Ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van 27 oktober 1993 zijn de volgende elementen van belang bij het onderkennen van vrijgestelde kredietve"},{"i":6104,"b":"Besluit van 23 november 2000 tot uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 (Vreemdelingenbesluit 2000) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 18 augustus 2000, nr. 5077321/00/6; Gelet op de [artikelen 2, vierde lid, onder b, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2), [3, eerste lid, onder d, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4), [8, onder f en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=10), [11, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=11), [12, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12), [14, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=15), [16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), [17, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18), [21, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22), [24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24), [28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), [29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), [31, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32), [35, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=35), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=37), [39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=39), [46, tweed"},{"i":8399,"b":"Besluit afgifte bewijzen van betrouwbaarheid ex artikel 37 Eerste richtlijn van de Raad voor de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1979 Gelet op het bepaalde in artikel 37 van de Eerste richtlijn van de Raad voor de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan (nr. 79/267/EEG, Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1979, nr. L 63, blz. 1, van 13 maart 1979). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder ‘Richtlijn’ verstaan: de Eerste richtlijn van de Raad voor de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan (nr. 79/267/EEG, Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1979, nr. L63, blz. 1, van 13 maart 1979). Artikel 2 De burgemeester wordt aangewezen als de instantie die bevoegd is tot afgifte van een bewijs van betrouwbaarheid als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Richtlijn. Als bewijs van betrouwbaarheid dient de verklaring omtrent het gedrag, afgegeven overeenkomstig de bepalingen van de [Wet justitiële gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194). Artikel 3 Ter vervanging van in artikel 37, eerste lid bedoelde document dat geen faillissement heeft plaatsgehad, wordt aangewezen een door een notaris afgegeven afschrift van een authentieke akte, waar in het afleggen van een verklaring als bedoeld in het tweede lid van voornoemd artikel is geconstateerd. Artikel 4 Dit besluit zal in de Nederlandse Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8441,"b":"Briefwisseling tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken inzake een verdrag houdende bepalingen inzake de status van de brigadestaf van de „United Nations Stand-by Forces High Readiness Brigade\" (Shirbrig) in Denemarken Artikel 1. Basis voor de oprichting en de werking van de kernbrigadestaf 1. De kernbrigadestaf wordt opgericht in overeenstemming met de bepalingen genoemd in het Memorandum van Overeenstemming inzake de werking, de financiering, het beheer en de rechtspositie van de kernbrigadestaf van de Multinationale United Nations Stand-by Forces High Readiness Brigade, dat in eerste instantie door Denemarken is ondertekend op 14 maart 1997, en staat onder toezicht van de Stuurgroep voor de Multinationale United Nations Stand-by Forces High Readiness Brigade, zoals omschreven in het Memorandum van Overeenstemming inzake de Stuurgroep, dat in eerste instantie door Denemarken is ondertekend op 9 maart 1997. 2. De rechtspositie van de kernbrigadestaf, van de functionarissen hiervan en van de commandant van de Multinationale United Nations Stand-by Forces High Readiness Brigade wanneer deze zich op Deens grondgebied bevinden, is vastgelegd in de volgende Bepalingen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen In het navolgende wordt verstaan onder: - a. „SHIRBRIG\", de Multinationale United Nations Stand-by Forces High Readiness Brigade, een qua opzet en samenstelling vooraf vastgestelde (niet-staande) snel inzetbare multinationale brigade, samengesteld uit bijdragen aan het United Nations Stand-by Arrangements System, die in overeenstemming met nationale besluiten kunnen worden aangeboden voor door de Verenigde Naties gemandateerde vredesoperaties onder Hoofdstuk VI van het Handvest van de Verenigde Naties, met inbegrip van humanitaire operaties; - b. „Kernbrigadestaf\", de multinationale staf, die het permanente deel van de SHIRBRIG-staf vormt, opgericht om de Brigade te ondersteunen door middel van het verrichten van taken voorafgaand aan de ontplooii"},{"i":8496,"b":"Europees Cultureel Verdrag De Regeringen welke dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa; Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn Leden tot stand te brengen ten einde onder meer de idealen en beginselen, welke hun gemeenschappelijk erfdeel zijn, veilig te stellen en te verwezenlijken; Overwegende dat het bereiken van dit doel zou worden bevorderd door een groter onderling begrip onder de volkeren van Europa; Overwegende dat het voor het bereiken van dit doel wenselijk is, niet alleen bilaterale culturele verdragen tussen de Leden van de Raad te sluiten maar ook een politiek te voeren welke is gericht op het volgen van een gemeenschappelijke gedragslijn en welke ten doel heeft de ontwikkeling der Europese cultuur veilig te stellen en aan te moedigen; Besloten hebbende een algemeen Europees Cultureel Verdrag te sluiten, dat ten doel heeft om de onderdanen van alle Leden en van die andere Europese Staten welke tot dit Verdrag zullen toetreden, aan te moedigen de talen, geschiedenis en de beschaving van de andere Verdragsluitende Partijen te bestuderen, alsmede de beschaving die zij alle gemeen hebben, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Iedere Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om de ontwikkeling van haar eigen bijdrage aan het gemeenschappelijke culturele erfdeel van Europa veilig te stellen en aan te moedigen. Artikel 2 Iedere Verdragsluitende Partij zal, voor zover mogelijk, - (a). aanmoedigen dat de onderdanen van het eigen land de talen, de geschiedenis en de beschaving van de andere Verdragsluitende Partijen bestuderen en deze Partijen faciliteiten verlenen om zulke studiën op haar gebied te bevorderen, en - (b). ernaar streven om de studie van haar taal of talen, geschiedenis en beschaving op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partijen te bevorderen en faciliteiten verlenen aan de onderdanen van deze Partijen om op haar grondgebied in bovengenoemde onderwerpen te st"},{"i":8497,"b":"Europees Handvest inzake lokale autonomie De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Handvest hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, ten einde de idealen en beginselen, die hun gemeenschappelijk erfdeel zijn, te beschermen en te verwezenlijken; Overwegende dat één van de wijzen waarop dit doel tot stand dient te worden gebracht, is door overeenkomsten op het bestuurlijk vlak te sluiten; Overwegende dat de lokale autoriteiten één van de belangrijkste grondslagen van elk democratisch regime zijn; Overwegende dat het recht van burgers deel te nemen aan het openbaar bestuur een van de democratische beginselen is die alle lidstaten van de Raad van Europa gemeen hebben; Ervan overtuigd dat dit recht op lokaal niveau op de meest rechtstreekse wijze kan worden uitgeoefend; Ervan overtuigd dat het bestaan van lokale autoriteiten met werkelijke verantwoordelijkheden een vorm van bestuur mogelijk maakt die zowel doeltreffend is alsook dicht bij de burgers staat; Zich ervan bewust dat de bescherming en versterking van lokale autonomie in de verschillende Europese landen een belangrijke bijdrage levert tot het ontstaan van een Europa gebaseerd op de beginselen van democratie en decentralisatie van de macht; Verklarend dat dit het bestaan van lokale autoriteiten noodzakelijk maakt die beschikken over op democratische wijze tot stand gekomen besluitvormende organen, die in hoge mate autonoom zijn met betrekking tot hun bevoegdheden, de wijze waarop deze bevoegdheden worden uitgeoefend en de financiën die voor deze uitoefening vereist zijn, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 De Partijen verbinden zich ertoe zich gebonden te achten door de volgende artikelen op de wijze en in de mate als is voorgeschreven in artikel 12 van dit Handvest. DEEL I Artikel 2. Grondwettelijke en wettelijke grondslag voor lokale autonomie Het beginsel van lokale autonomie dient te worden erkend in de int"},{"i":8527,"b":"Europese Overeenkomst betreffende de douanebehandeling van laadborden gebruikt bij internationaal vervoer De Overeenkomstsluitende Partijen, Gelet op de uitbreiding van het gebruik van laadborden in het internationale vervoer, voornamelijk als gevolg van het gemeenschappelijk gebruik van laadborden; Bezield door de wens deze uitbreiding te bevorderen teneinde het internationale vervoer te vergemakkelijken en de kosten daarvan te verminderen; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan: - a. onder „rechten en heffingen terzake van de invoer”: niet alleen invoerrechten, doch tevens alle rechten en heffingen, onder welke naam ook, die terzake van de invoer worden geheven; - b. onder „laadbord”: een constructie op de vloer waarvan een bepaalde hoeveelheid goederen kan worden bijeen geplaatst teneinde als een eenheid te kunnen worden behandeld met het oog op het vervoer, het laden en lossen of het opstapelen met behulp van mechanische werktuigen. Deze constructie bestaat of wel uit twee door verbindingsstukken aan elkander bevestigde vloeren, ofwel uit een op poten rustende vloer; de totale hoogte is zo gering mogelijk, doch voldoende voor het vervoer en voor het laden en lossen met vorktrucks of met hefwagens; het laadbord kan al dan niet van een bovenbouw zijn voorzien; - c. onder „personen”: zowel natuurlijke als rechtspersonen. 2. Deze Overeenkomst is van toepassing op laadborden die in het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij worden ingevoerd vanuit het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij. Artikel 2 1. Iedere Overeenkomstsluitende Partij laat laadborden met vrijstelling van rechten en heffingen terzake van de invoer toe, zonder toepassing van invoerverboden of -beperkingen, op voorwaarde: - a. dat zij voordien werden uitgevoerd of later weder zullen worden uitgevoerd; of - b. dat een gelijk aantal laadborden van dezelfde soort en van ongeveer d"},{"i":8548,"b":"Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing PREAMBULE De Staten die Partij zijn bij dit Protocol, Opnieuw bevestigend dat foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing verboden zijn en ernstige schendingen van de rechten van de mens vormen, Ervan overtuigd dat nadere maatregelen noodzakelijk zijn teneinde de doelstellingen van het [Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002507) (hierna te noemen het Verdrag) te verwezenlijken en de bescherming van mensen die van hun vrijheid zijn beroofd tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing te versterken, In herinnering roepend dat [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002507&artikel=2) en [artikel 16 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002507&artikel=16) elke Staat die Partij is verplichten doeltreffende maatregelen te nemen ter voorkoming van foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing binnen elk onder zijn rechtsmacht vallend gebied, Erkennend dat Staten primair verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van die artikelen, dat versterking van de bescherming van mensen die van hun vrijheid zijn beroofd en volledige eerbiediging van hun mensenrechten tot de gezamenlijke verantwoordelijkheid behoren van allen en dat internationale uitvoeringsorganen de nationale maatregelen aanvullen en versterken, In herinnering roepend dat voorlichting en een combinatie van diverse wetgevende, bestuurlijke, gerechtelijke en andere maatregelen nodig zijn teneinde foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing doeltreffend te voorkomen, Tevens in herinnering roepend dat de Wereldconferentie inzake de Rechten van de Mens nadrukkelijk heeft verklaard dat pogingen tot het uitbannen van foltering"},{"i":8549,"b":"Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie bij het Verdrag inzake de rechten van het kind De Staten die partij zijn bij dit Protocol, Overwegend dat het ten behoeve van de verdere verwezenlijking van de doelstellingen van het[Verdrag inzake de rechten van het kind](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508) en de verdere toepassing van de bepalingen ervan, in het bijzonder de artikelen, [1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508&artikel=1), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508&artikel=11), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508&artikel=21), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508&artikel=32), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508&artikel=33), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508&artikel=34), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508&artikel=35) en [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508&artikel=36), gepast zou zijn de maatregelen uit te breiden die de Staten die partij zijn, dienen te nemen teneinde de bescherming van kinderen te waarborgen tegen de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie, Tevens overwegend dat het [Verdrag inzake de rechten van het kind](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508) het recht van het kind erkent te worden beschermd tegen economische uitbuiting en tegen het verrichten van werk dat naar alle waarschijnlijkheid gevaarlijk is of de opvoeding van het kind zal hinderen, of schadelijk zal zijn voor de gezondheid of de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke of maatschappelijke ontwikkeling van het kind, Ernstig bezorgd over de aanzienlijke en toenemende internationale handel in kinderen ten behoeve van de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie, Uiterst bezorgd over de wijdverbreide en voortdurende praktijk van sekstoerisme, waarvoor kinderen bijzonder kwetsbaar zijn, aangezien het de verkoop van kinderen, kinderprostitutie"},{"i":8563,"b":"Gezamenlijke Regeling tussen de Staatssecretaris van Financiën van Nederland en de Minister van Financiën van de Nederlandse Antillen en de Minister van Financiën en Economische Zaken van Aruba van 20 oktober 2004, inzake de automatische uitwisseling van inlichtingen van inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetalingen Op basis van [artikel 37 van de Rijkswet houdende Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=37) van 28 oktober 1964, Stb. 425, zoals gewijzigd bij de Rijkswetten van 5 december 1985, Stb. 645 van 12 december 1985, Stb. 660, van 13 december 1996, Stb. 644, en van 14 december 2001, Stb. 647, hierna te noemen: de [Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464); en Gelet op artikel 17, tweede lid, onderdeel ii) van [Richtlijn 2003/48/EG](32003L0048) van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de belastingheffing op inkomsten van spaargelden in de vorm van rentebetalingen (PbEG L 157); Overwegende dat inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling die in het ene land van het Koninkrijk wordt verricht aan uiteindelijk gerechtigden die een natuurlijke persoon zijn en hun woonplaats in een van de andere landen hebben, effectief moeten kunnen worden belast overeenkomstig het nationale recht van het laatstgenoemde land; Overwegende dat deze regeling niet zal worden toegepast op rentebetalingen tussen de Nederlandse Antillen en Aruba, respectievelijk Aruba en de Nederlandse Antillen; Als volgt te zijn overeengekomen: Vindt toepassing vanaf het tijdstip waarop de Richtlijn op grond van artikel 17, paragraaf 2 en 3, van de Richtlijn wordt toegepast. Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. de Richtlijn: de [Richtlijn 2003/48/EG](32003L0048) van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de belastingheffing op inkomsten van spaargelden in de vorm van rentebetalingen (PbEG L 157); - b. uitein"},{"i":8564,"b":"Wet van 22 december 2021, houdende goedkeuring en uitvoering van het op 23 juli 2018 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking (Trb. 2018, 160) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 23 juli 2018 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden, en dat het voorts noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van het genoemde Verdrag, in hoofdzaak door middel van wijziging van het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. (goedkeuring) Het op 23 juli 2018 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking, waarvan de Nederlandse en de Franse tekst zijn geplaatst in Tractatenblad 2018, 160 wordt goedgekeurd voor het Europese deel van Nederland. Artikel 2. (terugtocht) 1. Een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat die handelt in het kader van dit verdrag kan de aanhouding van een persoon die heeft plaatsgevonden op een internationale trein of schip buiten Nederland, tijdens de verplaatsing van de trein of het schip over Nederlands grondgebied voortzetten. 2. De aangehouden persoon wordt zo spoedig mogelijk overgedragen aan Nederla"},{"i":8568,"b":"Wet van 10 oktober 1990, houdende goedkeuring van het op 15 oktober 1985 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Handvest inzake lokale autonomie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 15 oktober 1985 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Handvest inzake lokale autonomie ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91), de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 15 oktober 1985 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Handvest inzake lokale autonomie, waarvan de Engelse en Franse tekst en de vertaling in het Nederlands zijn geplaatst in **Tractatenblad** 1987, 63, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 Goedgekeurd wordt dat het Koninkrijk zich niet gebonden zal achten aan het bepaalde in de artikelen 7, tweede lid, 8, tweede lid, 9, vijfde lid, en 11. Artikel 3 Goedgekeurd wordt dat voor wat betreft het Koninkrijk de reikwijdte van het Handvest wordt beperkt tot provincies en gemeenten. Artikel 4 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad,** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8569,"b":"Wet van 24 December 1947, houdende goedkeuring van de toetreding tot het door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 13 Februari 1946 aangenomen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, dat het Koninkrijk der Nederlanden toetreedt tot het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties, welk Verdrag is aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 13 Februari 1946 en dat voorzien wordt in de mogelijkheid om aan andere internationale organisaties overeenkomstige voorrechten en immuniteiten te verlenen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Goedgekeurd wordt de toetreding tot het in afdruk aan deze wet toegevoegd Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties, welk Verdrag is aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 13 Februari 1946. Artikel 2 Voorschriften, waarbij aan vertegenwoordigers en ambtenaren van de Volkenbond voorrechten en immuniteiten worden of werden toegekend, zullen topasselijk worden geacht op vertegenwoordigers en ambtenaren van de Verenigde Naties. Artikel 3 Wij behouden Ons voor verdragen te bekrachtigen en andere maatregelen te nemen teneinde aan andere internationale organisaties overeenkomstige voorrechten en immuniteiten toe te kennen als in het in artikel 1 bedoelde Verdrag worden toegekend aan de Verenigde Naties. Artikel 4 Deze wet is verbindend voor het gehele Koninkrijk en treedt in werking met ingang van de dag na die harer afkondiging, met dien verstande, dat zij in Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao in werking treedt op de dag, volgende op die harer afkondiging, onderscheidenlijk in het Staatsblad van Nederlandsch-Indië, het Gouvernementsb"},{"i":8571,"b":"Wet van 21 januari 2010 tot goedkeuring en uitvoering van het op 31 oktober 2009 te Tilburg totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België over de terbeschikkingstelling van een penitentiaire inrichting in Nederland ten behoeve van de tenuitvoerlegging van bij Belgische veroordelingen opgelegde vrijheidsstraffen (Trb. 2009, 202) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 31 oktober 2009 te Tilburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België over de terbeschikkingstelling van een penitentiaire inrichting in Nederland ten behoeve van de tenuitvoerlegging van bij Belgische veroordelingen opgelegde vrijheidsstraffen ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden en voorts dat het noodzakelijk is enige wettelijke voorzieningen te treffen teneinde uitvoering te geven aan genoemd verdrag; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 31 oktober 2009 te Tilburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België over de terbeschikkingstelling van een penitentiaire inrichting in Nederland ten behoeve van de tenuitvoerlegging van bij Belgische veroordelingen opgelegde vrijheidsstraffen, waarvan de Nederlandse en Franse tekst zijn geplaatst in Tractatenblad 2009, 202, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 1. De Nederlandse wet is niet van toepassing op vrijheidsbeneming ondergaan ten gevolge van de tenuitvoerlegging van bij Belgische veroordelingen opgelegde vrijheidsstraffen in de penitentiaire inrichting te Tilburg, overeenkomstig het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":8574,"b":"Wet van 22 maart 2017, houdende goedkeuring van het op 27 september 2012 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012) (Trb. 2013, 72) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 27 september 2012 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012) ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 27 september 2012 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012), waarvan de Nederlandse en de Engelse tekst zijn geplaatst in Tractatenblad 2013, 72, wordt goedgekeurd voor het Europese deel van Nederland. Artikel 2 Het voornemen tot opzegging van het op 4 november 1988 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag van Straatsburg inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI), waarvan de Nederlandse en de Franse tekst zijn geplaatst in Tractatenblad 1989, 43, wordt goedgekeurd voor het Europese deel van Nederland. Artikel 3 Goedgekeurd wordt, dat bij de binding van het Koninkrijk aan het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039463&artikel=1&z=2017-07-01&g=2017-07-01) genoemde Verdrag voor het Europese deel van Nederland het voorbehoud wordt gemaakt, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder a, van dat Verdrag, dat de regering van Nederland zich het recht voorbehoudt de toepassing van de regels van het Verdrag geheel uit te sluiten ten aanzien van vorderingen voor"},{"i":8572,"b":"Wet van 30 juni 2015 tot goedkeuring en uitvoering van het op 2 maart 2015 te Veenhuizen tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen inzake het gebruik van een penitentiaire inrichting in Nederland voor de tenuitvoerlegging van bij Noorse vonnissen opgelegde vrijheidsstraffen (Trb. 2015, 37) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 2 maart 2015 te Veenhuizen tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen inzake het gebruik van een penitentiaire inrichting in Nederland voor de tenuitvoerlegging van bij Noorse vonnissen opgelegde vrijheidsstraffen ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden en voorts dat het noodzakelijk is enige wettelijke voorzieningen te treffen teneinde uitvoering te geven aan genoemd verdrag; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 2 maart 2015 te Veenhuizen tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen inzake het gebruik van een penitentiaire inrichting in Nederland voor de tenuitvoerlegging van bij Noorse vonnissen opgelegde vrijheidsstraffen, waarvan de Engelse tekst en de vertaling in het Nederlands zijn geplaatst in Tractatenblad 2015, 37, wordt goedgekeurd voor het Europese deel van Nederland. Artikel 2 De Nederlandse wet is niet van toepassing op vrijheidsbeneming ondergaan ten gevolge van de tenuitvoerlegging van bij Noorse vonnissen opgelegde vrijheidsstraffen, overeenkomstig het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036825&artikel=1&z=2015-07-15&g=2015-07-15) genoemde verdrag."},{"i":8573,"b":"Wet van 10 juli 2008, houdende goedkeuring van het op 21 december 2005 te Middelburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied (Trb. 2005, 312) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 21 december 2005 te Middelburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 21 december 2005 te Middelburg totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied , waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in Tractatenblad 2005, 312, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 Tenzij het desbetreffende besluit afwijkt van de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) of tot zodanig afwijken noodzaakt, is de goedkeuring door de Staten-Generaal van besluiten van de Permanente Commissie, bedoeld in artikel 5 van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024278&artikel=1&z=2008-07-30&g=2008-07-30) genoemde verdrag, niet vereist. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8575,"b":"Wet van 26 april 2001 tot goedkeuring van de op 17 november 1997 te Rome tot stand gekomen wijziging van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (Trb. 2000, 31) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat de op 17 november 1997 te Rome tot stand gekomen wijziging van het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van planten ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De op 17 november 1997 te Rome tot stand gekomen wijziging van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, waarvan de tekst en de vertaling in het Nederlands zijn geplaatst in Tractatenblad 1998, 125 en 2000, 31, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 De goedkeuring door de Staten-Generaal van wijzigingen bedoeld in artikel XXI, vierde lid, van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012439&artikel=1&z=2001-06-22&g=2001-06-22) genoemde Verdrag is niet vereist, indien zij door twee derde van de Verdragsluitende Partijen – andere dan het Koninkrijk – zijn aanvaard, tenzij de betreffende wijziging afwijkt van de Grondwet of tot zodanig afwijken noodzaakt. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8577,"b":"Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ. ENZ. ENZ. en ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN PRUISSEN, ENZ. ENZ. ENZ. Bij tractaat van den 26ten Junij jl. bepaald hebbende de grensscheiding der beide Rijken, van de Fransche grenzen aan de Moezel tot aan het Oud-Hollandsch grondgebied bij Mook, en willende die oude grensscheiding laten onderzoeken, alsmede aan, den Neder-Rijn, op de billijkste en voegzaamste wijze, tot wederzijdsch voordeel der beide Staten, doen regelen al wat betrekking heeft tot de waterbouwkundige werken en dergelijke punten, — hebben, overeenkomstig art. 25 der slotacte van het Weener Congres, benoemd tot Commissarissen en met hunne volmagten voorzien, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, de Heeren **Maximiliaan Jacob de Man**, Kolonel van het Corps der Genie, Directeur der Archieven van Oorlog en van het Topographisch bureau, Ridder der Militaire Willems-orde, 3de klasse, en**Jan Blanken Jz.**, Inspecteur-Generaal van den Waterstaat, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, en Zijne Majesteit de Koning van Pruissen: den Heer **Frederik** Graaf von Solms Laubach, Eersten President der Hertogdommen Gulik, Kleef en Berg, Grootkruis der Orde van den Rooden Adelaar en der Orde van St. Anna van Rusland, dewelke, gebruik makende van de bevoegdheid, hem bij zijne volmagt verleend, tot datzelfde einde heeft gedelegeerd en met gelijke volmagten voorzien als de zijne, de Heeren **Frederik Willem von Bernuth**, Opper-Regerings-President te Arnsberg, en **Johan Albert Eytelwein**, Geheimraad en Directeur-Generaal der Openbare Werken van het Koningrijk. Welke Commissarissen, na hunne volmagten uitgewisseld en in orde bevonden te hebben, wegens de volgende punten en artikelen zijn overeengekomen. Art. 1 De grenzen bij het tegenwoordig tractaat vastgesteld, bepalen de grensscheiding tusschen de beide Staten, van"},{"i":8578,"b":"Grensverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Republiek Venezuela, Opnieuw bevestigende de hartelijke betrekkingen tussen Hun Staten, alsmede in het bijzonder de historische, sociale, economische en culturele banden tussen de volken van de Nederlandse Antillen en Venezuela, Bezield door het voornemen om op een rechtvaardige en nauwkeurige wijze en op basis van beginselen van billijkheid, de zeegebieden met inbegrip van de daaronder gelegen zeebodem en ondergrond af te bakenen tussen de Nederlandse Antillen en Venezuela, Overwegende dat het noodzakelijk is doelmatige maatregelen te treffen voor de instandhouding en het rationele gebruik van de bestaande hulpbronnen binnen de gebieden waar Zij onderscheidenlijk rechtsmacht uitoefenen, Erkennende het vitale en historische belang dat Venezuela heeft bij de Golf van Venezuela en het geheel van fundamentele belangen waardoor de Golf wordt gekenmerkt, alsmede het belang van de doorvaart van en naar Venezuela, Erkennende dat het voor de Nederlandse Antillen van essentieel belang is de middelen voor hun economische ontwikkeling te waarborgen, Rekening houdende met de normen van het geldende internationale recht en met de ontwikkeling van het nieuwe zeerecht, Hebben besloten dit Verdrag aan te gaan en hebben te dien einde tot Hun gevolmachtigden aangewezen: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: de Heer S. G. M. Rozendal, Minister-President van de Nederlandse Antillen, Zijne Excellentie de President van de Republiek Venezuela: de Heer S. A. Consalvi, Minister van Buitenlandse Zaken van de Republiek Venezuela, Die, na hun in behoorlijke en goede vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. De zeegrenzen zoals vastgesteld in het onderhavige Verdrag, vormen tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen de grenzen van de territoriale zeeën, de continentale platten, de exclusieve economis"},{"i":8580,"b":"Handelsovereenkomst tussen de Benelux Economische Unie en de Republiek der Philippijnen Het Koninkrijk der Nederlanden, en Het Koninkrijk België, krachtens bestaande overeenkomsten mede in naam van het Groothertogdom Luxemburg, Handelende tezamen krachtens het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, ondertekend te 's-Gravenhage op 3 februari 1958, enerzijds, en De Republiek der Philippijnen, anderzijds, Bezield door de wens hun traditionele vriendschapsbanden te versterken en hun wederzijdse handel uit te breiden door verlening van de wederzijdse en onvoorwaardelijke behandeling van de meestbegunstigde natie als grondslag van hun handelsbetrekkingen, Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel I Beide Overeenkomstsluitende Partijen zullen, in overeenstemming met hun nationale wetgevingen, de wederzijdse uitwisseling van goederen en diensten bevorderen en vergemakkelijken teneinde deze tot het hoogste peil dat voordelig is voor beide Overeenkomstsluitende Partijen op te voeren. Artikel II (a). Alle gunsten, voorrechten, tegemoetkomingen of vrijstellingen die een der Overeenkomstsluitende Partijen verleent of zal verlenen aan produkten van oorsprong uit of bestemd voor enig derde land, zullen onmiddellijk en onvoorwaardelijk worden verleend aan gelijksoortige produkten van oorsprong uit of bestemd voor de andere Overeenkomstsluitende Partij. Deze bepaling heeft betrekking op douanerechten en -belastingen van iedere aard die drukken of zullen drukken op de invoer, de uitvoer, de doorvoer en de opslag onder douaneverband van goederen evenals op de toepassing van douaneverplichtingen en -formaliteiten. (b). De produkten van oorsprong uit een der Overeenkomstsluitende Partijen die worden ingevoerd in het gebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, zullen in het land van invoer niet worden onderworpen aan hogere rechten en belastingen van enige aard, noch aan bezwarender douaneverplichtingen of -formaliteiten, dan die waaraan gelijksoortige p"},{"i":8607,"b":"Wet van 22 augustus 2022 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/2177 en ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/2175 tot wijziging van diverse richtlijnen en verordeningen betreffende het Europees systeem voor financieel toezicht (Implementatiewet omnibusrichtlijn en -verordening ESFS-review) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter implementatie van [Richtlijn (EU) 2019/2177](32019L2177) van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2019 tot wijziging van [Richtlijn 2019/138/EG](32019L0138) betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), [Richtlijn 2014/65](32014L0065)/EU betreffende markten voor financiële instrumenten, en van [Richtlijn (EU) 2015/849](32015L0849) inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (PbEU 2019, L 334) en ter uitvoering van [Verordening (EU) 2019/2175](32175R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), Verordening (EU) nr. 1094/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), Verordening (EU) nr. 1095/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), Verordening (EU) nr. 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten, [Verordening (EU) 2016/1011](32911R2016) betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten, en [Verordening (EU) 2015/847](32747R2015) betreffende bij geldovermakingen"},{"i":8622,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en enige andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PbEU 2015, L 141), alsmede in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1781/2006 (PbEU 2015, L 141) (Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter uitvoering van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [Richtlijn 2005/60/EG](32005L0060) van het Europees Parlement en de Raad en [Richtlijn 2006/70/EG](32006L0070) van de Commissie (PbEU 2015, L 141), alsmede in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1781/2006 (PbEU 2015, L 141); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwasse"},{"i":8794,"b":"Overeenkomst inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ghana De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Ghana hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door onderdanen van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreft, in het besef dat overeenstemming omtrent de aan zulke investeringen toe te kennen behandeling, het kapitaalverkeer en de uitwisseling van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze Overeenkomst - a). omvat de term „investeringen”: alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - (i). roerende en onroerende goederen, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - (ii). rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - (iii). recht op geld en andere vermogensbestanddelen en op iedere prestatie die economische waarde heeft; - (iv). rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en technische kennis, en - (v). rechten verleend krachtens het publiekrecht, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen. - b). omvat de term „onderdanen”, met betrekking tot beide Overeenkomstsluitende Partijen: - (i). natuurlijke personen die in overeenstemming met het recht van die Overeenkomstsluitende Partij haar nationaliteit be"},{"i":8795,"b":"Overeenkomst inzake de culturele samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie van Socialistische Sowjet-republieken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Unie van Socialistische Sowjet-republieken, de wens koesterend de ontwikkeling van de samenwerking tussen beide landen op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur te bevorderen, ervan overtuigd dat deze samenwerking een beter wederzijds begrip tussen de volken van beide landen zal bevorderen, hebben besloten de onderhavige Overeenkomst te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 Teneinde de samenwerking tussen beide landen op het gebied van wetenschap, onderwijs en opvoeding te ontwikkelen zullen de Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen: - a). het uitwisselen van professoren van universiteiten, van wetenschappelijke medewerkers van instellingen van hoger onderwijs en van wetenschappelijk onderzoek, alsmede van vertegenwoordigers van wetenschappelijke genootschappen en andere geleerden, o.m. voor het geven van colleges, voor wetenschappelijk werk of oriëntatiebezoeken volgens overeengekomen programma's; - b). het uitnodigen van geleerden van het ene land voor internationale conferenties en symposia, welke in het andere land worden gehouden, daarbij rekening houdend met de belangstelling en mogelijkheden over en weer; - c). het uitwisselen van wetenschappelijke uitgaven en publikaties, studie- en leerboeken tussen wetenschappelijke instellingen en onderwijsinrichtingen; - d). het verstrekken van studiebeurzen aan studenten of jonge wetenschappelijke werkers van een der Overeenkomstsluitende Partijen voor studie, stages of wetenschappelijk werk aan onderwijsinstellingen van de andere Overeenkomstsluitende Partij; - e). het uitwisselen van deskundigen op het gebied van opvoeding en middelbaar onderwijs, met inbegrip van technisch onderwijs en beroepsopleiding, alsook op het terrein van de vorming buiten schoolverband; - f). het uitwissel"},{"i":8796,"b":"Overeenkomst inzake de inschrijving van binnenschepen Artikel 1 1. Voor de toepassing van de Overeenkomst - a). wordt verstaan onder „registratiekantoor”: een kantoor dat een register houdt als bedoeld in artikel 2 van deze Overeenkomst; - b). worden onder schepen mede verstaan glijboten, veerponten, baggermolens, kranen, elevators, alsmede alle andere soorten van schepen of drijvend materiaal van vergelijkbare aard. 2. De term „eigenaar” van het schip zoals in deze Overeenkomst gebruikt, dient te worden verstaan in de zin van het nationale recht van de Overeenkomstsluitende Partij in een van wier registers het schip is ingeschreven. Artikel 2 1. De Overeenkomstsluitende Partijen nemen de verplichting op zich registers te houden voor het inschrijven van binnenschepen. Deze overeenkomstig het nationale recht ingerichte registers dienen in overeenstemming te zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst. 2. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen bepaalt welke voorwaarden en verplichtingen zijn verbonden aan inschrijving in haar registers, voor zover deze niet bij deze Overeenkomst zijn vastgesteld. 3. Een ieder kan, tegen betaling der daaraan verbonden kosten, toezending verlangen van voor eensluidend gewaarmerkte uittreksels van inschrijvingen in het register, alsmede, voor zover de inschrijvingen verwijzen naar bij het registratiekantoor berustende bij die inschrijvingen behorende documenten, van voor eensluidend gewaarmerkte uittreksels van die documenten. Artikel 3 1. Een Overeenkomstsluitende Partij mag de inschrijving van een schip in haar registers slechts toestaan indien aan ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan: - a). de plaats van waaruit de exploitatie van het schip gewoonlijk wordt geleid moet zijn gelegen op het grondgebied van die Overeenkomstsluitende Partij; - b). wanneer de eigenaar van het schip een natuurlijke persoon is, moet hij onderdaan zijn van, of zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van die Overeenkomstsluitende"},{"i":8797,"b":"Overeenkomst inzake de instandhouding van kleine walvisachtigen in de Baltische Zee, de Noordoost-Atlantische Oceaan, de Ierse Zee en de Noordzee The Parties, Recalling the general principles of conservation and sustainable use of natural resources, as reflected in the World Conservation Strategy of the International Union for the Conservation of Nature and Natural Resources, the United Nations Environment Programme, and the World Wide Fund for Nature, and in the report of the World Commission on Environment and Development, Recognizing that small cetaceans are and should remain an integral part of marine ecosystems, Aware that the population of harbour porpoises of the Baltic Sea has drastically decreased, Concerned about the status of small cetaceans in the Baltic and North Seas, Recognizing that by-catches, habitat deterioration and disturbance may adversely affect these populations, Convinced that their vulnerable and largely unclear status merits immediate attention in order to improve it and to gather information as a basis for sound decisions on management and conservation, Confident that activities for that purpose are best coordinated between the States concerned in order to increase efficiency and avoid duplicate work, Aware of the importance of maintaining maritime activities such as fishing, Recalling that under the [Convention on the Conservation of Migratory Species of Wild Animals](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004769)(Bonn 1979), Parties are encouraged to conclude agreements on wild animals which periodically cross national jurisdictional boundaries, Recalling also that under the provisions of the [Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitats](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003485) (Berne 1979), all small cetaceans regularly present in the Baltic and North Seas are listed in its [Appendix II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003485&bijlage=II) as strictly protected species, and Referring to the"},{"i":8799,"b":"Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten De Overeenkomstsluitende Staten, Erkennende dat de in het wild levende dier- en plantesoorten door hun schoonheid en verscheidenheid een onvervangbaar onderdeel vormen van de natuurlijke stelsels, dat moet worden beschermd ten behoeve van de huidige en komende generaties; Zich bewust van de steeds toenemende waarde van in het wild levende dier- en plantesoorten, uit een esthetisch, wetenschappelijk, cultureel, recreatief en economisch oogpunt; Erkennende dat de volken en Staten de beste beschermers van hun in het wild levende dier- en plantesoorten zijn en behoren te zijn; Bovendien erkennende dat internationale samenwerking van wezenlijk belang is voor de bescherming van bepaalde in het wild levende dier- en plantesoorten tegen overmatige exploitatie ten gevolge van de internationale handel; Overtuigd van de dringende noodzaak hiertoe passende maatregelen te nemen; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent, tenzij uit het zinsverband duidelijk anders blijkt: - a). „soort”: elke soort, ondersoort of een van hun geografisch geïsoleerde populaties; - b). „specimen”: - i). elke dier of elke plant, levend of dood; - ii). in geval van een dier: ten aanzien van de in [Bijlagen I en II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003833&bijlage=I,_II_en_III&z=2023-05-21&g=2023-05-21) opgenomen soorten, elk gemakkelijk herkenbaar deel van een dier of elk daaruit verkregen produkt, en ten aanzien van de in [Bijlage III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003833&bijlage=I,_II_en_III&z=2023-05-21&g=2023-05-21) opgenomen soorten, elk gemakkelijk herkenbaar deel van een dier of elk daaruit verkregen produkt dat in deze Bijlage is genoemd; - iii). in geval van een plant: ten aanzien van de in [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003833&bijlage=I,_II_en_III&z=2023-05-21&g=2023-05-21) opgenom"},{"i":8800,"b":"Overeenkomst inzake de Internationale Opsporingsdienst Preambule Overwegende dat de Internationale Opsporingsdienst werd opgericht teneinde vermiste personen op te sporen en de documenten over Duitsers en niet-Duitsers die in nationaal-socialistische concentratie- of werkkampen geïnterneerd zijn geweest of over niet-Duitsers die werden verplaatst ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog, te verzamelen, te classificeren, in stand te houden en toegankelijk te maken voor regeringen en belanghebbenden; Indachtig de [Overeenkomst inzake de oprichting van een Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004972) en de [Overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst en het Internationale Comité van het Rode Kruis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004972&bijlage=A), beide tot stand gekomen te Bonn op 6 juni 1955, zoals gewijzigd bij het Protocol tot verlenging en wijziging van de Overeenkomst inzake de oprichting van een Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst, tot stand gekomen te Bonn op 23 augustus 1960, het Protocol tot verlenging en wijziging van de Overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst en het Internationale Comité van het Rode Kruis, tot stand gekomen te Bonn en Genève op 30 september en 7 oktober 1960, bij het Akkoord inzake verlenging en wijziging van de Overeenkomst inzake de oprichting van een Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst, tot stand gekomen te Bonn op 15 oktober 1973, en bij het Akkoord inzake verlenging en wijziging van de Overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst en het Internationale Comité van het Rode Kruis, tot stand gekomen te Genève op 22 december 1972, bij het Protocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake de oprichting van"},{"i":8830,"b":"Overeenkomst inzake een Internationaal Energieprogramma De Regeringen van het Koninkrijk België, Canada, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, de Italiaanse Republiek, Japan, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, Spanje, de Republiek Turkije, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Verenigde Staten van Amerika, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat, Geleid door de wens het veilig stellen van de olievoorziening op redelijke en billijke voorwaarden te bevorderen, Vastbesloten door middel van gemeenschappelijke doeltreffende maatregelen het hoofd te bieden aan crises in de olievoorziening door het tot stand brengen van zelfvoorziening op het gebied van de olie in noodsituaties, het beperken van de vraag naar olie, alsmede door een billijke onderlinge verdeling van de beschikbare olie, Geleid door de wens de samenwerking te bevorderen met olieproducerende landen, alsmede met andere olieverbruikende landen, met inbegrip van de ontwikkelingslanden, door middel van een doelgerichte dialoog en andere vormen van samenwerking, ten einde de mogelijkheden voor een beter begrip tussen verbruikende en producerende landen te vergroten, Indachtig de belangen van andere olieverbruikende landen, met inbegrip van de ontwikkelingslanden, Geleid door de wens een actievere rol te spelen op het gebied van de olie-industrie door de instelling van een uitgebreid internationaal informatiesysteem en een permanent kader voor overleg met de oliemaatschappijen, Vastbesloten hun afhankelijkheid van ingevoerde olie te verminderen door gezamenlijke inspanningen op lange termijn inzake het behoud van energie, de versnelde ontwikkeling van andere energiebronnen, het onderzoek en de ontwikkeling op energiegebied, alsmede inzake de verrijking van uranium, Ervan overtuigd dat deze doelstellingen slechts kunnen worden verwezenlijkt door voortdurende gezamenlijke inspanningen binnen de daartoe"},{"i":8834,"b":"Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn leden tot stand te brengen ten einde onder meer de idealen en beginselen, die hun gemeenschappelijk erfdeel zijn, veilig te stellen en te verwezenlijken; Erkennend dat het architectonische erfgoed een onvervangbare weergave is van de rijkdom en de verscheidenheid van het culturele erfgoed van Europa, getuigt van de onschatbare waarde van ons verleden en het gemeenschappelijke erfgoed is van alle Europeanen; Gezien het Europese Culturele Verdrag, dat is ondertekend te Parijs op 19 december 1954, en met name artikel 1 van dit Verdrag; Gezien het Europese Handvest betreffende het architectonische erfgoed, dat op 26 september 1975 is aangenomen door het Comité van Ministers van de Raad van Europa en de op 14 april 1976 aangenomen Resolutie (76) 28, betreffende de aanpassing van de nationale wetten en voorschriften aan de vereisten van het geïntegreerde behoud van het architectonische erfgoed; Gezien Aanbeveling 880 (1979) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa betreffende het behoud van het architectonische erfgoed; Rekening houdend met Aanbeveling nr. R (80) 16 van het Comité van Ministers aan de Lid-Staten betreffende de gespecialiseerde opleiding van architecten, stedebouwkundigen, civielingenieurs en landschapsarchitecten, alsmede de op 1 juli 1981 aangenomen Aanbeveling nr. R (81) 13 van het Comité van Ministers betreffende de te nemen maatregelen ten gunste van enkele uitstervende beroepen in de ambachtelijke sfeer; Eraan herinnerend dat het van belang is aan de toekomstige generaties een referentiekader op cultureel gebied door te geven, het stads- en plattelandsmilieu te verbeteren en daarbij de economische, sociale en culturele ontwikkeling van de Staten en regio's te bevorderen; Bevestigend dat het van belang i"},{"i":8839,"b":"Overeenkomst inzake het Nam Ngoem Ontwikkelingsfonds 1966 Overeenkomst van 4 mei 1966 tussen de Regeringen van Australië, Canada, Denemarken, Japan, Laos, Nederland, Nieuw-Zeeland, Thailand en de Verenigde Staten van Amerika enerzijds, en de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (de Bank) anderzijds. Aangezien de Commissie voor de coördinatie van het onderzoek in het stroomgebied van de Beneden Mekong (Cambodja, Laos, Thailand en de Republiek Vietnam) (hierna te noemen de Mekong-Commissie), werkzaam onder auspiciën van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Azië en het Verre Oosten, een programma van onderzoek heeft uitgevoerd betreffende het stroomgebied van de Beneden Mekong in de oeverlanden en in de loop van dat onderzoek is vastgesteld dat de rivier de Nam Ngoem in Laos, een der zijrivieren van de Mekong, tot ontwikkeling kan worden gebracht; Aangezien een studie inzake de mogelijkheden tot ontwikkeling van de vallei van de Nam Ngoem in Laos, met inbegrip van de bouw van een dam voor verschillende doeleinden, gefinancierd is door het speciale Fonds van de Verenigde Naties en door de Regering van Japan als onderdeel van de Japanse bilaterale hulp aan Laos, en heeft plaatsgevonden in het kader van de onderzoekingen, ondernomen door de Mekong-Commissie; Aangezien de Mekong-Commissie heeft aanbevolen op korte termijn over te gaan tot de bouw van het hydro-elektrische project Nam Ngoem als wezenlijk onderdeel van het volledige tot ontwikkeling brengen van het stroomgebied van de Beneden Mekong; Aangezien Laos en Thailand zijn overeengekomen regelingen te treffen met betrekking tot de verbinding van de hoogspanningsnetten van beide landen, aanvankelijk door middel van de bouw en de exploitatie van een net dat hun gemeenschappelijke grens bij de Mekong kruist; Aangezien de Verenigde Naties en de Mekong-Commissie hebben getracht bijdragen te verkrijgen voor de financiering van de kosten van het hydro-elektrische project Nam Ngoem; Aangezien de"},{"i":8835,"b":"Overeenkomst inzake het beroepsvervoer en het eigen vervoer over de weg tussen Nederland en Oostenrijk Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk, geleid door de wens het beroepsvervoer en het eigen vervoer over de weg tussen Nederland en Oostenrijk te bevorderen en te verbeteren, zijn het volgende overeengekomen: I. Ongeregeld vervoer door middel van autobussen Artikel 1 a. De ondernemers die in hun eigen Staat bevoegd zijn tot het verrichten van ongeregeld grensoverschrijdend vervoer met autobussen, behoeven voor ongeregeld vervoer naar en door het gebied van de andere Verdragsstaat geen verdere goedkeuring van die Staat. Nieuwe passagiers mogen in de andere Verdragsstaat niet worden opgenomen; voor uitzonderingen is de toestemming van die Staat vereist. b. Bij ritten naar of door het gebied van de andere Verdragsstaat moeten worden meegevoerd een toestemmingsbewijs (Berechtigungsurkunde) of een door de eigen Staat toegelaten ander bewijs dienaangaande, alsmede de lijst genoemd in lid 3; deze bescheiden moeten desverlangd aan de bevoegde controlerende ambtenaren worden getoond. c. De lijst moet bevatten de naam (firmanaam) en de zetel van de ondernemer, aanvangs- en eindpunt van de rit, de met de boeking overeenstemmende reisroute met inbegrip van de grensovergangen, alsmede de namen van de passagiers. Ieder der Overeenkomstsluitende Partijen kan verlangen, dat een exemplaar van deze lijst aan de grenspost van binnenkomst ter afstempeling wordt aangeboden. II. Goederenvervoer Artikel 2 Ondernemers die hun zetel hebben in een der beide Verdragsstaten en die bevoegd zijn tot het vervoeren van goederen, behoeven voor het grensoverschrijdend vervoer van goederen over de weg tussen de eigen Staat en de andere Verdragsstaat, alsmede voor het transitovervoer door de andere Verdragsstaat, in plaats van een in andere gevallen eventueel voorgeschreven vergunning van die Staat, een legitimatiebewijs van hun eigen Staat. Artikel 3 Een legitimatiebewijs is niet"},{"i":8836,"b":"Overeenkomst inzake het Financiële Protocol gehecht aan de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije De vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap, in het kader van de Raad bijeen, Gelet op het [Financiële Protocol gehecht aan de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije](onbekend), inzonderheid op [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004316&artikel=2), Overwegende, dat het noodzakelijk is de wijze van financiering vast te stellen van de in dit [Financiële Protocol](onbekend) bedoelde leningen, Overwegende, dat de procedure voor de goedkeuring van de aanvragen om financiering dient te worden vastgesteld, Overwegende, dat het noodzakelijk is vast te stellen op welke wijze deze leningen zullen worden beheerd, Hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen: Artikel 1 De leningen bedoeld in het [Financiële Protocol](onbekend) worden verstrekt door de Europese Investeringsbank, die optreedt krachtens een opdracht van de Lid-Staten. Artikel 2 De verrichtingen van de Bank die verband houden met deze opdracht, geschieden voor rekening en risico van de Lid-Staten, ongeacht de oorsprong van de gebruikte middelen. Het risico bij iedere lening wordt tussen de Lid-Staten verdeeld naar evenredigheid van hun onderscheiden in artikel 4 vastgestelde aandelen. Artikel 3 De financiering van de in deze Overeenkomst bedoelde leningen geschiedt: - a). hetzij door middel van gelden die met name gedurende een aanvangsperiode van twee jaar direct of indirect door de Lid-Staten ter beschikking van de Bank worden gesteld; - b). hetzij door middel van gelden die de Bank bijeen kan brengen door: - 1). het geheel of gedeeltelijk mobiliseren van de leningen; - 2). het opnemen van onderhandse leningen bij overheids- of semi-overheidsinstellingen. Artikel 4 Het [in artikel 2 van"},{"i":8837,"b":"Overeenkomst inzake het fonds voor de bestrijding van rivierblindheid (onchocerciasis) 1992 Agreement dated February 25, 1992 between the Governments of the Kingdom of Belgium, the French Republic, the Federal Republic of Germany, the Italian Republic, Japan, the State of Kuwait, the Grand Duchy of Luxembourg, the Kingdom of the Netherlands, Portugal, the Kingdom of Saudi Arabia, the Swiss Confederation, the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, and the United States of America, the African Development Bank, the Commission of the European Economic Communities, the Organization of Petroleum Exporting Countries Fund for International Development (the OPEC Fund), the United Nations Development Programme (UNDP), the World Health Organization (WHO), the International Bank for Reconstruction and Development (the Bank) and the International Development Association (the Association). Whereas the Onchocerciasis Fund Agreement of February 4, 1986 on the Programme for Onchocerciasis Control (hereinafter called the Programme) terminates at the end of the third phase of the Programme; the institutional and operational arrangements applicable to the Programme as of January 1, 1992 are described in the Memorandum of Agreement on the Onchocerciasis Control Programme (hereinafter called the Memorandum of Agreement2)The text of the Memorandum of Agreement is attached.the provisions of which are incorporated into this Agreement with the same force and effect as if they were fully set forth herein; the objectives and plan of action for the years 1992-1997 of the Programme (hereinafter called the fourth phase of the Programme) are summarized in the Appendix II to the Memorandum of Agreement; the governments and organizations party to this Agreement have agreed to assist in the financing of the cost of the fourth phase of the Programme, at present evaluated at about one hundred and seventy-six million United States dollars (US$ 176,000,000); and WHO has agreed to continue"},{"i":8838,"b":"Overeenkomst inzake het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (ATP) De Overeenkomstsluitende Partijen, Verlangend te komen tot een betere kwaliteitshandhaving van bederfelijke levensmiddelen tijdens het vervoer, met name in het internationale handelsverkeer, Overwegende, dat verbetering van die kwaliteitshandhaving uitbreiding van de handel in bederfelijke levensmiddelen zal brengen, Zijn overeengekomen als volgt: Hoofdstuk I. Speciale vervoermiddelen Artikel 1 In het internationaal vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen mogen vervoermiddelen niet worden aangeduid als „geïsoleerde”, „niet-mechanisch gekoelde”, „mechanisch gekoelde”, „verwarmde” of „mechanisch gekoelde en verwarmde ” vervoermiddelen, tenzij zij beantwoorden aan de definities en normen vervat in [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004371&bijlage=1&z=2024-06-22&g=2024-06-22) bij deze Overeenkomst. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen nemende nodige maatregelen opdat de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004371&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2024-06-22&g=2024-06-22) genoemde vervoermiddelen, overeenkomstig het bepaalde in de aanhangsels 1, 2, 3 en 4 van Bijlage 1 bij deze Overeenkomst, worden gecontroleerd en wordt nagegaan of deze aan bedoelde normen beantwoorden. Elke Overeenkomstsluitende Partij erkent de geldigheid van certificaten van goedkeuring die, overeenkomstig het bepaalde in [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004371&bijlage=1&z=2024-06-22&g=2024-06-22) bij deze Overeenkomst, aanhangsel 1, derde lid, zijn afgegeven door de bevoegde instantie van een andere Overeenkomstsluitende Partij. Elke Overeenkomstsluitende Partij kan de geldigheid erkennen van certificaten van goedkeuring die, overeenkomstig het bepaalde in Bijlage 1 bij deze Overeenkomst, aanhangsel 1 en 2, zijn afgegeven door de bevoegde instantie van een Staat niet zijnde een Overee"},{"i":8840,"b":"Overeenkomst inzake het onderhoud van de Anselderbeek, Crombacherbeek en Bleijerheidebeek en van de daartoe behorende kunstwerken in het Nederlands-Duitse grensgebied Het Waterschap Obere Wurm, gevestigd te Aken, vertegenwoordigd door de voorzitter Dr. Berger en het Waterschap Roer en Overmaas, gevestigd te Sittard, vertegenwoordigd door de voorzitter Drs. Laarakker, verder partijen genoemd, sluiten, gelet op Hoofdstuk 4, artikel 59, lid 2 van het op 8 april 1960 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland gesloten grensverdrag, de volgende overeenkomst: Artikel 1 De partijen verplichten zich - zonder de plichten van derden te verminderen -de Anselderbeek, de Crombacherbeek en de Bleijerheidebeek te onderhouden voor wat betreft de op de bijgevoegde overzichtskaart aangeduide beekgedeelten. Daarbij dient in het bijzonder de meanderende staat van de watergangen te worden behouden en het afvoerprofiel vrijgehouden te worden. De overeenkomst is van kracht binnen het raam van de vigerende wettelijke bepalingen. De overzichtskaart, schaal 1 : 25.000 maakt deel uit van deze overeenkomst (bijlage 1). Artikel 2 1. Het onderhoud omvat: - a. het ruimen en instandhouden van de beekbedding en de taluds; - b. het instandhouden van de over, aan en in de watergangen gelegen kunstwerken, zoals bruggen, onderleiders, duikers, uitmondingen van zijbeken en riolen, sluizen en stuwen, voor zover niet andere onderhoudsplichtigen voor het instandhouden van de kunstwerken verantwoordelijk zijn; - c. het beveiligen van steile oevers, voor zover zij een bedreiging vormen voor verkeers- en nutsvoorzieningen en gebouwen. 2. De noodzakelijke omvang van de onderhoudswerkzaamheden wordt bij de jaarlijkse gemeenschappelijke schouw over de watergangen vastgelegd. Afvoerobstakels, welke tot schade aan de bodem, de taluds en de kunstwerken, dan wel tot wijzigingen van het beekverloop, kunnen leiden, dienen onmiddellijk door de onderhoudsplichtigen te worden opgeruimd. Artikel"},{"i":8841,"b":"Overeenkomst inzake het onderhoud van de Kendel en van de daartoe behorende kunstwerken in het Nederlands-Duitse grensgebied Het Wasser- und Bodenverband Baaler Bruch in Weeze, vertegenwoordigd door de voorzitter, de heer Theo Quinders, en het Waterschap Het Maasterras, hierna het „Waterschap” genoemd, vertegenwoordigd door de voorzitter, de eer C. T. Cornelissen, sluiten, gelet op [Hoofdstuk 4, artikel 59, lid 2, van het op 8 april 1960 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland gesloten grensverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005042&artikel=59), de volgende overeenkomst: Artikel 1 Het Wasser- und Bodenverband Baaler Bruch verbindt zich de beekvakken van de Kendel - a. tussen de grensstenen 532 en 533 - b. tussen de grensstenen 546 en 547 - c. tussen de grensstenen 561 en 562 te onderhouden en de kunstwerken in en aan deze beekgedeelten, die naar aanleiding van of in verband met de verbetering en het onderhoud van deze beekvakken aangelegd werden of nog zullen worden aangelegd en haar eigendom zijn, te onderhouden en te beheren. Artikel 2 De voor het onderhoud van de beekvakken en de kunstwerken maatgevende toestand wordt in een door partijen te ondertekenen basisplan vastgelegd, welk plan deel uitmaakt van deze overeenkomst. Het plan is een overzichtskaart (schaal 1:25 000), met een aanduiding van de lengte- en dwarsprofielen. Artikel 3 De onderhoudskosten worden verdeeld tussen het Wasser- und Bodenverband Baaler Bruch enerzijds en het Waterschap anderzijds in de verhouding 50:50. Het kostenaandeel van onderscheidene partijen dient door deze te worden aangetoond en telkens vóór 31 december van het aflopende jaar te worden betaald. Artikel 4 De partijen verbinden zich, in haar gebied ervoor zorg te dragen, dat de niet door haar te onderhouden kunstwerken in en aan de beekvakken door de onderhoudsplichtige derden worden onderhouden. Artikel 5 Iedere partij is verplicht de andere partij tijdig ervan in kennis te stellen wanne"},{"i":8842,"b":"Overeenkomst inzake het onderhoud van de Rode Beek, de Grensgraaf, de vroegere Rigolbach en de Ruisscherbeek Het Rodebachverband te Tüddern, verder aangeduid als „Rodebachverband”, vertegenwoordigd door de voorzitter van het Verband Gemeindedirektor Laumen en Het waterschap van de Geleen- en Molenbeek met zijtakken te Sittard, verder aangeduid als „Waterschap” vertegenwoordigd door de voorzitter Mr. H. J. A. Prickartz sluiten, gelet op hoofdstuk 4, artikel 59, van het op 8 april 1960 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland gesloten Grensverdrag, de volgende overeenkomst: Artikel 1 De partijen verplichten zich de Rode Beek, de Grensgraaf, de vroegere Rigolbach en de Ruisscherbeek voor wat betreft de op de bijgevoegde overzichtskaart aangeduide beekvakken te onderhouden. De overzichtskaart maakt deel uit van deze overeenkomst (bijlage 1). Artikel 2 1. Het onderhoud omvat: - a. het schoonhouden en instandhouden van de bodem en van de taluds alsmede het instandhouden en ontwikkelen van gunstige omstandigheden in de watergang ten aanzien van natuurontwikkeling. - b. het instandhouden van kunstwerken in en aan de watergangen voor zover die werken vallen onder de bevoegdheid van Partijen. 2. De noodzakelijke omvang van de onderhoudswerkzaamheden wordt bij de jaarlijkse gemeenschappelijke schouw over de watergangen vastgelegd. 3. Afvoerobstakels, welke tot schade aan de waterbodem, de taluds en de kunstwerken, dan wel tot ongewenste wijzigingen van het beekverloop, kunnen leiden, dienen onverwijld door de onderhoudsplichtigen te worden opgeruimd. Artikel 3 1. Voor de beekvakken, die geheel op Duits of geheel op Nederlands gebied zijn gelegen, is telkens alleen die partij onderhoudsplichtig in wiens gebied het betreffende beekvak is gelegen. 2. Voor de op de overzichtskaart aangegeven grensscheidende beekvakken is onderhoudsplichtig: - a). van punt A als aangegeven op de overzichtskaart tot punt B het Rodebachverband; - b). van punt B als aangege"},{"i":8843,"b":"Overeenkomst inzake het onderhoud van de Rode Beek en het onderhoud en de instandhouding van de afvoerregulerende kunstwerken bij de Dalheimer Molenvijver De stad Wassenberg, vertegenwoordigd door de Stadtdirektor Windeln en de stad Wegberg, vertegenwoordigd door de Stadtdirektor Soemers alsook het waterschap Roer en Overmaas, gevestigd te Sittard, vertegenwoordigd door de voorzitter, drs. F. W. G. Laarakker; verder Partijen genoemd, sluiten, gelet op Hoofdstuk 4, artikel 59, lid 2, van het op 8 april 1960 tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden gesloten Grensverdrag, de volgende overeenkomst: Artikel 1 De partijen verplichten zich de Rode Beek tussen grenssteen 373 tot grenssteen 377 te onderhouden voor wat betreft het op de bijgevoegde overzichtskaart aangeduide beekgedeelte, de meanderende staat van de waterlossing in de toekomst te behouden en het afvoerprofiel vrij te houden. De overzichtskaart - schaal 1:25.000 - maakt deel uit van deze overeenkomst (Bijlage 1). Artikel 2 1. Het onderhoud omvat: - a. het ruimen en instandhouden van de waterlossing en de taluds; - b. het instandhouden van de over, aan en in de waterlossing gelegen kunstwerken, zoals bruggen, duikers, onderleiders, uitmondingen van zijbeken en riolen, sluizen en stuwen, voor zover niet andere onderhoudsplichtigen voor het instandhouden van de kunstwerken verantwoordelijk zijn. 2. Bij de Dalheimer Molenvijver dient, naast de onderhoudswerkzaamheden, het functioneren van de bedrijfsinstallatie zeker te worden gesteld: - -. het afvoer-regulerend kunstwerk met afvoerregelaar, schuif, brug, hoogwater-ontlasting, onderuitlaat en uitstroomvoorziening; - -. stuwsluis aan molenrad met toevoergeul en brug; - -. dam met hoogwaterontlasting (nood-ontlasting). De drempel van de sluisopening is vastgelegd op 47,25 m boven NN = 47,27 m boven N.A.P. Tot aan de max. stuwhoogte van het (hoogwater)retentiereservoir op de ordinaat 47,95 m boven NN = N.A.P. 47,97, mag de afvoer van 1,60"},{"i":8844,"b":"Overeenkomst inzake het onderhoud van de Selzerbeek en van de daartoe behorende kunstwerken in het Nederlands-Duitse grensgebied De stad Aken, vertegenwoordigd door de Oberstadtdirektor Dr. Berger en het Waterschap Roer en Overmaas, gevestigd te Sittard vertegenwoordigd door de voorzitter Drs. Laarakker, verder partijen genoemd, sluiten, gelet op Hoofdstuk 4, artikel 59, lid 2 van het op 8 april 1960 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland gesloten grensverdrag, de volgende overeenkomst: Artikel 1 De Partijen verplichten zich - zonder de plichten van derden te verminderen - de Selzerbeek tussen grenssteen 197 en grenssteen 201 te onderhouden voor wat betreft de op de bijgevoegde overzichtskaart aangeduide beekgedeelten. Daarbij dient in het bijzonder de meanderende staat van de watergang te worden behouden en het afvoerprofiel vrijgehouden te worden. De overeenkomst is van kracht binnen het raam van de vigerende wettelijke bepalingen. De overzichtskaart, schaal 1 : 25.000 maakt deel uit van deze overeenkomst (bijlage 1). Artikel 2 1. Het onderhoud omvat: - a. het ruimen en instandhouden van de beekbedding en de taluds; - b. het instandhouden van de over, aan en in de watergangen gelegen kunstwerken, zoals bruggen, onderleiders, duikers, uitmondingen van zijbeken en riolen, sluizen en stuwen, voor zover niet andere onderhoudsplichtigen voor het instandhouden van de kunstwerken verantwoordelijk zijn; - c. het beveiligen van steile oevers, voor zover zij een bedreiging vormen voor verkeers- en nutsvoorzieningen en gebouwen. 2. De noodzakelijke omvang van de onderhoudswerkzaamheden wordt bij de jaarlijkse gemeenschappelijke schouw over de watergang vastgelegd. Afvoerobstakels, welke tot schade aan de bodem, de taluds en de kunstwerken, dan wel tot wijzigingen van het beekverloop, kunnen leiden, dienen onmiddellijk door de onderhoudsplichtigen te worden opgeruimd. Artikel 3 Het tijdstip van het uitvoeren van de gemeenschappelijk vastgelegde o"},{"i":8845,"b":"Overeenkomst inzake het onderhoud van de Worm en de daartoe behorende kunstwerken in het Nederlands-Duitse grensgebied Het Wasserverband Obere Wurm, gevestigd te Aken, vertegenwoordigd door de voorzitter Dr. Berger en het Wasserverband Mittlere Wurm, gevestigd te Geilenkirchen, vertegenwoordigd door de voorzitter de Heer Houben, enerzijds, en het Waterschap Roer en Overmaas, gevestigd te Sittard, vertegenwoordigd door de plaatsvervangende voorzitter W. Bos, anderzijds, verder Partijen genoemd, sluiten, gelet op [Hoofdstuk 4, artikel 59, lid 2, van het op 8 april 1960 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland gesloten Grensverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005042&artikel=59), de volgende Overeenkomst: Artikel 1 1. Partijen verbinden zich - onverlet de plichten van derden - de Worm te onderhouden voor wat betreft de op de bijgevoegde overzichtskaart aangeduide beekgedeelten. Daarbij dient in de niet verbeterde beekgedeelten de natuurlijke staat van de watergang in de toekomst te worden behouden voor zover zij geen bedreiging vormt voor infrastructuur, leidingen en gebouwen. Het hydraulisch afvoerprofiel dient vrijgehouden te worden. 2. Partijen gaan ervan uit dat de inhoud van de in deze overeenkomst omschreven onderhoudsverplichting wordt begrensd door de ten tijde van de feitelijke vervulling daarvan geldende voorschriften van nationaal recht. De overzichtskaart - schaal 1 : 10.000 - maakt deel uit van deze Overeenkomst ([Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006105&bijlage=1&z=1994-01-06&g=1994-01-06)). Artikel 2 1. Het onderhoud omvat: - a. het schoonhouden en instandhouden van de bodem en van de taluds alsmede het instandhouden en ontwikkelen van gunstige omstandigheden in de watergang ten aanzien van natuurontwikkeling. - b. het instandhouden van kunstwerken in en aan de Worm voor zover die werken vallen onder de bevoegdheid van partijen. 2. De noodzakelijke omvang van de onderhoudswerkzaamheden wordt bij"},{"i":8846,"b":"Overeenkomst inzake het recht dat van toepassing is op geslachtsnamen en voornamen De Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, geleid door de wens de eenmaking van het recht betreffende geslachtsnamen en voornamen te bevorderen door middel van gemeenschappelijke regels van internationaal privaatrecht, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. De geslachtsnamen en voornamen van een persoon worden bepaald door het recht van de Staat waarvan die persoon onderdaan is. Uitsluitend hiervoor worden de omstandigheden waarvan de geslachtsnamen en voornamen afhangen, volgens de wet van die Staat beoordeeld. 2. In geval van verandering van nationaliteit is het recht van de Staat van de nieuwe nationaliteit van toepassing. Artikel 2 Het door deze Overeenkomst aangewezen recht is van toepassing zelfs indien het het recht betreft van een Staat die geen Partij is bij deze Overeenkomst. Artikel 3 Ieder uittreksel van een geboorteakte moet de geslachtsnamen en voornamen van het kind vermelden. Artikel 4 De toepassing van het door deze Overeenkomst aangewezen recht kan slechts worden uitgesloten, indien zij kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Artikel 5 1. Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand die een akte opmaakt, in de onmogelijkheid verkeert om het recht te kennen dat van toepassing is voor het vaststellen van de geslachtsnamen en voornamen van de betrokken persoon, past hij zijn interne wet toe en doet hij hiervan mededeling aan de autoriteit onder wie hij ressorteert. 2. De aldus opgemaakte akte moet kunnen worden verbeterd door middel van een kosteloze procedure tot het instellen waarvan iedere Staat zich verplicht. Artikel 6 1. Bij de ondertekening, de bekrachtiging, de aanvaarding, de goedkeuring of de toetreding kan iedere Staat het voorbehoud maken zijn interne wet toe te passen wanneer de betrokken persoon zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van die Staat heeft. 2. De v"},{"i":8847,"b":"Overeenkomst inzake het vaststellen van overlijden in bepaalde gevallen De Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat, de Turkse Republiek, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, verlangende het vaststellen van overlijden in bepaalde gevallen mogelijk te maken, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Indien het lichaam van een vermiste niet is kunnen worden teruggevonden doch, alle omstandigheden in aanmerking genomen, zijn overlijden als zeker kan worden beschouwd, is de rechterlijke autoriteit of, zo een administratieve autoriteit is aangewezen, deze laatste, bevoegd te verklaren dat de vermiste is overleden, indien - -. de vermissing heeft plaatsgevonden op het grondgebied van de Staat waartoe deze autoriteit behoort of tijdens een reis met een in die Staat geregistreerd vaartuig of vliegtuig, of wel indien - -. de vermiste onderdaan was van die Staat of zijn woon- of verblijfplaats had op het grondgebied van bedoelde Staat. Artikel 2 Indien een persoon buiten het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Staten is overleden en geen overlijdensakte is opgemaakt of kan worden overgelegd, is de rechterlijke autoriteit of, zo een administratieve autoriteit is aangewezen, deze laatste, bevoegd te bevestigen dat die persoon is overleden, indien - -. het overlijden heeft plaatsgevonden tijdens een reis met een vaartuig of vliegtuig dat geregistreerd is in de Staat waartoe deze autoriteit behoort, of wel indien - -. de overledene onderdaan was van die Staat of zijn woon- of verblijfplaats had op het grondgebied van bedoelde Staat. Artikel 3 De in de artikelen 1 en 2 bedoelde beslissingen worden genomen op verzoek van de bevoegde autoriteit of van iedere belanghebbende partij. Indien de juiste datum van overlijden niet bekend is wordt een overlijdensdatum"},{"i":8848,"b":"Overeenkomst inzake het vervoer van lijken De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat het noodzakelijk is de formaliteiten met betrekking tot het internationaal vervoer van lijken te vereenvoudigen; Rekening houdend met het feit dat het vervoer van lijken geen enkel gevaar voor de gezondheid oplevert, zelfs wanneer het overlijden is veroorzaakt door een besmettelijke ziekte, mits gepaste maatregelen worden genomen, in het bijzonder ten aanzien van de ondoordringbaarheid van de doodkist, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. De Overeenkomstsluitende Partijen zullen onderling de bepalingen van deze Overeenkomst toepassen. 2. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder vervoer van lijken verstaan het internationaal vervoer van menselijke stoffelijke resten van de Staat van vertrek naar de Staat van bestemming; de Staat van vertrek is de Staat waarin het vervoer is aangevangen of, in geval van een opgegraven lijk, de Staat waarin de begrafenis heeft plaatsgevonden; de Staat van bestemming is de Staat waar het lijk na het vervoer zal worden begraven of gecremeerd. 3. Deze Overeenkomst is niet van toepassing op het internationaal vervoer van de as van gecremeerde lijken. Artikel 2 1. De bepalingen van deze Overeenkomst vormen de maximale voorwaarden welke mogen worden gesteld voor de verzending van lijken, alsmede voor de doorvoer of de toelating daarvan op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen. 2. Het blijft de Overeenkomstsluitende Partijen vrijstaan ruimere faciliteiten te verlenen door toepassing van hetzij bilaterale overeenkomsten, hetzij in onderlinge overeenstemming genomen besluiten voor bijzondere gevallen, met name wanneer het het vervoer tussen grensgebieden betreft. Voor de toepassing van zodanige overeenkomsten en besluiten voor bijzondere gevallen is de goedkeuring van alle betrokken Staten vereist. Artikel 3 1. Elk lijk dient tijdens het internationaal vervoer vergezeld"},{"i":8849,"b":"Overeenkomst inzake maatregelen en procedures nodig ter toepassing van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije De vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten der Europese Economische Gemeenschap, in het kader van de Raad bijeen, Gelet op het [Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en op de [Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004316), Overwegende, dat het noodzakelijk is het gemeenschappelijke standpunt te bepalen, dat door de vertegenwoordigers van de Gemeenschap en van de Lid-Staten in de bij de [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004316&artikel=22) en [23 van genoemde Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004316&artikel=23) ingestelde Associatieraad moet worden ingenomen, en de wijze vast te stellen waarop dit standpunt zal worden bepaald, Overwegende voorts, dat het,van belang is de regels vast te stellen, volgens welke de maatregelen voor de toepassing binnen de Gemeenschap van de besluiten en de aanbevelingen van de Associatieraad zullen worden genomen, Na raadpleging van de Commissie der Europese Economische Gemeenschap, Hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen: Artikel 1 Het gemeenschappelijke standpunt dat de vertegenwoordigers van de Gemeenschap en van de Lid-Staten in de Associatieraad moeten innemen, wordt vastgesteld overeenkomstig onderstaande bepalingen: - a). wanneer bij de Associatieraad aangelegenheden in behandeling komen, die in het kader van het [Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) onder de handelspolitiek vallen, zijn de desbetreffende bepalingen van het Verdrag van toepassing; - b). in de overige gevallen wordt het gemeenschappelijke standpunt met eenparig"},{"i":8850,"b":"Overeenkomst inzake overdracht door de Republiek Indonesië aan het Koninkrijk der Nederlanden van vorderingen op Nederlanders De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië, Overwegende dat het wenselijk is te komen tot een regeling inzake overdracht door Indonesië van vorderingen ontstaan vóór 1 Januari 1954, welke Indonesië heeft op natuurlijke personen, die op genoemde datum de Nederlandse nationaliteit bezaten, Willende voldoen aan de op 12 Januari 1954 gesloten overeenkomst tussen de Ministers van Financiën van Nederland en Indonesië met betrekking tot de overdracht van vorderingen als vorenbedoeld, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 De Regering van de Republiek Indonesië draagt in volle eigendom over aan de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden de vorderingen van personele en sociale aard, welke de Republiek Indonesië, met inbegrip van de voormalige publiekrechtelijke gemeenschappen, welke in de Republiek Indonesië zijn opgegaan, heeft op natuurlijke personen die op 1 Januari 1954 de Nederlandse nationaliteit bezaten, mits deze vorderingen zijn ontstaan vóór 1 Januari 1954 en tot het bedrag dat zij op 12 Januari 1954 beliepen. De overdracht wordt geacht te zijn geschied op 12 Januari 1954 en werkt tegenover de debiteuren van het ogenblik af dat deze Overeenkomst in werking is getreden en de datum van deze inwerkingtreding in het Nederlandse Tractatenblad is bekendgemaakt. Alle na 12 Januari 1954 nog aan de Republiek Indonesië ten goede gekomen bedragen in mindering van de overgedragen vorderingen, al dan niet verkregen tengevolge van een voorafgaande invorderingsdaad, zullen door de Republiek Indonesië aan Nederland worden afgedragen, en wel voor ontvangsten in Nederlands courant aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken te 's-Gravenhage en voor ontvangsten in Indonesisch courant aan het Hoge Commissariaat der Nederlanden te Djakarta. Artikel 2 Als koopsom van de in artikel 1 bedoelde vorderingen zal de Reg"},{"i":8851,"b":"Overeenkomst inzake overgangsrechten De Regering van Ierland enerzijds, en de Regeringen van België, Frankrijk, de Bondsrepubliek Duitsland, Nederland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland anderzijds, Zijn hierbij als volgt overeengekomen: Artikel 1 De bepalingen van [artikel 9 (1)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004526&artikel=9) van het op 9 maart 1964 voor ondertekening opengestelde Visserijverdrag worden als volgt toegepast: - (a). Tot 31 december 1965 behouden Belgische, Britse, Franse, Duitse, Nederlandse en Spaanse vissersschepen het recht bij de kusten van Ierland te vissen tot aan een grens van 3 mijl gemeten van de basislijnen van de territoriale zee. - (b). Tot 31 december 1966 behouden Belgische, Britse, Franse, Duitse, Nederlandse en Spaanse vissersschepen eveneens het recht te vissen tot aan een grens van 3 mijl gemeten van de basislijnen van de territoriale zee ter hoogte van die gedeelten van de kusten van Ierland waar rechte basislijnen of afsluitingslijnen van baaien van meer dan 10 mijl zijn getrokken. Artikel 2 De bepalingen van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004526&artikel=4) en [5 van het Visserijverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004526&artikel=5) zijn gedurende de overgangstermijnen van toepassing in de in artikel 1 omschreven zones. Artikel 3 Deze Overeenkomst staat voor ondertekening open van 9 maart 1964 tot 10 april 1964. Zij treedt in werking wanneer zij is ondertekend door de Regering van Ierland, en wel tussen die Regering en elke andere Regering die haar alsdan ondertekent of ondertekend heeft. Ten aanzien van elke Regering die deze Overeenkomst nadien ondertekent, treedt zij in werking op de datum van ondertekening door die Regering. IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed the present Agreement. DONE at London this ninth day of March, 1964, in the English and French languages, each text being equally authorita"},{"i":8852,"b":"Overeenkomst inzake overheidsopdrachten Preamble Parties to this Agreement (hereinafter referred to as “Parties”), Considering that Ministers agreed in the Tokyo Declaration of 14 September 1973 that comprehensive Multilateral Trade Negotiations in the framework of the [General Agreement on Tariffs and Trade](onbekend) (hereinafter referred to as “General Agreement” or “GATT”) should aim, inter alia, to reduce or eliminate non-tariff measures or, where this is not appropriate, their trade restricting or distorting effects, and to bring such measures under more effective international discipline; Considering that Ministers also agreed that negotiations should aim to secure additional benefits for the international trade of developing countries, and recognized the importance of the application of differential measures in ways which will provide special and more favourable treatment for them where this is feasible and appropriate; Recognizing that in order to achieve their economic and social objectives to implement programmes and policies of economic development aimed at raising the standard of living of their people, taking into account their balance-of-payments position, developing countries may need to adopt agreed differential measures; Considering that Ministers in the Tokyo Declaration recognized that the particular situation and problems of the least developed among the developing countries shall be given special attention and stressed the need to ensure that these countries receive special treatment in the context of any general or specific measures taken in favour of the developing countries during the negotiations; Recognizing the need to establish an agreed international framework of rights and obligations with respect to laws, regulations, procedures and practices regarding government procurement with a view to achieving greater liberalization and expansion of world trade and improving the international framework for the conduct of world trade; Recognizing"},{"i":8895,"b":"Overeenkomst tot oprichting van de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij De landen namens welke deze Overeenkomst is ondertekend, komen overeen de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij op te richten, waarop de volgende bepalingen van toepassing zijn: Artikel I. Doel en taken Het doel van de Maatschappij is de economische ontwikkeling te bevorderen van haar in ontwikkeling zijnde regionale lid-landen door de oprichting, uitbreiding en modernisering aan te moedigen van particuliere ondernemingen, bij voorkeur de kleine en middelgrote, zodat de werkzaamheden van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (hierna te noemen „de Bank”) worden aangevuld. Ondernemingen in het aandelenkapitaal waaraan gedeeltelijk wordt deelgenomen door de regering of andere openbare lichamen, wier werkzaamheden de particuliere sector van de economie versterken, komen in aanmerking voor financiering door de Maatschappij. Voor de verwezenlijking van haar doel verricht de Maatschappij de volgende taken ter ondersteuning van de in afdeling 1 bedoelde ondernemingen: - (a). Het bijstaan, alleen of te zamen met andere leningverstrekkers of investeerders, in de financiering van de oprichting, uitbreiding en modernisering van ondernemingen, waarbij de Maatschappij de instrumenten en/of procedures hanteert die zij in elk afzonderlijk geval passend acht; - (b). Het vergemakkelijken van toegang van deze ondernemingen tot binnenlands en buitenlands particulier en door de overheid verstrekt kapitaal, en tot technische en bedrijfskundige kennis; - (c). Het stimuleren van de ontwikkeling van investeringsmogelijkheden die de toestroming bevorderen van binnenlands en buitenlands particulier en door de overheid verstrekt kapitaal naar investeringen in de lid-landen; - (d). Het nemen, in elk afzonderlijk geval, van passende en noodzakelijke maatregelen voor de financiering van die ondernemingen, indachtig hun behoeften en de beginselen gebaseerd op een zorgvuldig beheer van de middelen van de Maatschappi"},{"i":8928,"b":"Overeenkomst tussen de Noorse Regering en de Nederlandse Regering betreffende schadeloosstelling voor: 1. bepaalde Noorse obligaties, door Nederlandse eigenaars tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren; 2. oorlogsschade, toegebracht aan het Scandinavisch Zeemanshuis te Rotterdam De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Noorwegen, Verlangend te komen tot een regeling van aanspraken van de Nederlandse Regering inzake bepaalde tijdens de Tweede Wereldoorlog door Nederlandse eigenaars verloren obligaties, alsmede van de aanspraak op schadeloosstelling voor oorlogsschade toegebracht aan het Scandinavisch Zeemanshuis te Rotterdam, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Daar de Nederlandse Regering de Noorse Regering heeft medegedeeld, dat Nederlandse onderdanen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland gevestigd waren, bepaalde Noorse effecten hebben verloren deels ten gevolge van oorlogshandelingen en oorlogsomstandigheden tijdens de bezetting en deels ten gevolge van het feit, dat de effecten hun ontstolen zijn door de bezettende mogendheid, is de Noorse Regering tot de slotsom gekomen, dat zij deze Nederlandse onderdanen voor dit, niet door hun schuld ontstane verlies van hun obligaties van Noorse staatsleningen schadeloos dient te stellen overeenkomstig de bepalingen, vervat in deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlage 1. De Noorse Regering heeft zich in verbinding gesteld met Norges Kommunalbank (Gemeentelijke Bank), de Provincie Akershus, de Gemeentelijke Autoriteiten van Oslo, de Gemeentelijke Autoriteiten van Bergen, de Gemeentelijke Autoriteiten van Fredrikstad, de Norsk Hydro-Elektrisk Kvaelstofaktieselskab en de Kristiania Hypotek- og Realkreditbank, die zich bereid hebben verklaard Nederlandse onderdanen schadeloos te stellen voor het verlies van door deze instellingen uitgegeven obligaties, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlage 2. De bijzonderheden betreffende"},{"i":8929,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Vier Regeringen van de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de vestiging, bouw en exploitatie van installaties voor de verrijking van uranium met gebruikmaking van gas-ultracentrifugetechnologie in de Verenigde Staten van Amerika De Regering van de Verenigde Staten van Amerika (hierna te noemen „de Regering van de Verenigde Staten”) en de Vier Regeringen van de Franse Republiek (hierna te noemen „de Franse Regering”), het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna te noemen „de Britse Regering”), het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen „de Nederlandse Regering”) en de Bondsrepubliek Duitsland (hierna te noemen „de Duitse Regering”) (hierna gezamenlijk te noemen „de Partijen”), Gelet op de [Overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden inzake samenwerking bij de ontwikkeling en exploitatie van het gas-ultracentrifuge-procédé voor de productie van verrijkt uranium](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004423), gedaan te Almelo op 4 maart 1970 (het „Verdrag van Almelo”); Gelet op de [Overeenkomst tussen de drie Regeringen van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende de vestiging, bouw en exploitatie van een installatie voor de verrijking van uranium in de Verenigde Staten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001092), gedaan te Washington op 24 juli 1992 (het „Verdrag van Washington”) en de voortzetting van het Verdrag van Washington, overeenkomstig de bepalingen ervan, met betrekking tot de uranium verrijkingsfaciliteit in Eunice, New Mexico, die eigendom is van URENCO; Gelet op het [Verdrag tussen"},{"i":8930,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de de Democratische Volksrepubliek Ethiopië inzake de tewerkstelling van ontwikkelingswerkers De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen „de Nederlandse Regering”) en de Regering van de Democratische Volksrepubliek Ethiopië (hierna te noemen „de Regering van Ethiopië”), geleid door de wens door uitwisseling van kennis en vakbekwaamheid de goede verstandhouding en de vriendschappelijke betrekkingen tussen de volken van de beide landen te bevorderen, zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen IN WITNESS THEREOF the undersigned representatives, duly authorized thereto, have signed the present Agreement. DONE at Addis Ababa, on 23 March 1991, in duplicate, in the English language each of which shall be equally authentic. (sd.) J.M. JONKMAN **For the Government of the Kingdom of the Netherlands** (sd.) AKLILU AFEWORK **For the Government of the People's Democratic Republic of Ethiopia**"},{"i":8931,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek inzake de verwerking in Frankrijk van Nederlandse bestraalde splijtstofelementen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en De Regering van de Franse Republiek, anderzijds, Gelet op: De overeenkomst in de vorm van de op 29 mei 1979 te Parijs ondertekende briefwisselingen tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek inzake de verwerking in Frankrijk van bestraalde splijtstofelementen (tezamen een [wijzigingsovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003133), ondertekend te Parijs op 9 februari 2009); Het op 20 december 2011 tussen N.V. ELEKTRICITEITS-PRODUKTIEMAATSCHAPPIJ ZUID-NEDERLAND (hierna te noemen EPZ) en AREVA NC ondertekende contract voor de verwerking van alle gebruikte splijtstoffen afkomstig van de reactor te Borssele, gelegen in de provincie Zeeland in Nederland, en waarvan de inwerkingtreding afhangt van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst; Artikel L.542-2 van het Franse wetboek inzake milieuaangelegenheden, voortvloeiend uit de Franse wet nr. 2006-739 van 28 juni 2006 inzake het duurzaam beheer van radioactieve stoffen en radioactief afval, dat als volgt bepaalt: „De opslag in Frankrijk van uit het buitenland afkomstig radioactief afval alsmede de opslag van radioactief afval afkomstig van de verwerking van uit het buitenland afkomstige gebruikte splijtstoffen en radioactief afval is verboden”; Artikel L.542-2-1-I van het Franse wetboek inzake milieuaangelegenheden, voortvloeiend uit de Franse wet nr. 2006-739 van 28 juni 2006 inzake het duurzaam beheer van radioactieve stoffen en radioactief afval, dat als volgt bepaalt. „Gebruikte splijtstoffen of radioactief afval mogen slechts op het nationale grondgebied worden binnengebracht ten behoeve van de verwerking ervan, voor onderzoek of voor doorvoer tussen buitenlandse Staten. Het op het grondgebied binnenbrengen vo"},{"i":8932,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Republiek Roemenië inzake de regeling van de hangende financiële vraagstukken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Socialistische Republiek Roemenië, geleid door de wens de betrekkingen tussen beide landen tot ontwikkeling te brengen, zijn overeengekomen de hangende financiële vraagstukken als volgt definitief te regelen: Artikel 1 De Roemeense Regering betaalt aan de Nederlandse Regering het forfaitaire bedrag van 4.270.000 gulden bij wijze van globale en definitieve schadeloosstelling voor alle aanspraken van de Nederlandse Staat en van Nederlandse natuurlijke personen en rechtspersonen tegenover de Roemeense Staat en Roemeense natuurlijke personen en rechtspersonen, die tot voorwerp hebben: - a). Nederlandse eigendommen, rechten en belangen die zijn getroffen door nationalisatiemaatregelen, onteigeningsmaatregelen, maatregelen tot onderbeheerstelling of enigerlei andere soortgelijke maatregel van wetgevende of administratieve aard, genomen door de Roemeense Staat vóór de ondertekening van deze Overeenkomst, alsmede financiële vorderingen of handelsvorderingen op genationaliseerde ondernemingen; - b). in het buitenland betaalbaar gestelde Roemeense overheidsobligaties. Artikel 2 Als Nederlandse eigendommen, rechten, belangen en schuldvorderingen in de zin van artikel 1 van deze Overeenkomst worden beschouwd de eigendommen, rechten, belangen en schuldvorderingen die zowel op de datum waarop de Roemeense maatregelen zijn genomen als op de datum van ondertekening van deze Overeenkomst geheel of gedeeltelijk aan de Nederlandse Staat of aan Nederlandse natuurlijke personen of rechtspersonen toebehoorden. Artikel 3 De volledige betaling door de Roemeense Regering van het in artikel 1 genoemde forfaitaire bedrag ontslaat de Roemeense Staat en de Roemeense natuurlijke personen en rechtspersonen van verdere verplichtingen jegens de Nederlandse Staat en de"},{"i":8933,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud De Regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen: de Partijen), Hebbende besloten een eenvormig beleidskader te scheppen voor de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud en de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over levensonderhoud, In overeenstemming met de procedures voor de totstandkoming van overeenkomsten inzake wederzijdse geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud, neergelegd in de wet van het Koninkrijk der Nederlanden, en met machtiging van het Parlement van de Verenigde Staten, als voorzien in artikel 459A van **de Social Security Act** (Wet op de Sociale Verzekering), Titel 42, **United States Code** (Wetboek van de Verenigde Staten), artikel 659A, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Doelstelling 1. De Partijen bij dit Verdrag beogen, met inachtneming van de daarin opgenomen bepalingen, voorzieningen te treffen voor: - a. de inning of het verhaal van levensonderhoud dat een onderhoudsgerechtigde dan wel een openbaar lichaam dat uitkeringen heeft gedaan aan een onderhoudsgerechtigde die onderwerpen is aan de rechtsmacht van de ene Partij (hierna te noemen de schuldeiser) gerechtigd is te ontvangen van een onderhoudsplichtige die onderworpen is aan de rechtsmacht van de andere Partij (hierna te noemen de schuldenaar), en - b. de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen houdende oplegging of verhaal van levensonderhoud alsmede schikkingen inzake levensonderhoud (hierna te noemen onderhoudsbeslissingen) welke tot stand zijn gebracht op het grondgebied van een Partij of aldaar zijn erkend. Artikel II. Toepassingsgebied 1. Dit Verdrag heeft betrekking op verplichtingen tot levensonderhoud voortvloeiend uit familierechtelijke betrekkingen of verwantschap, met inbegrip van de ver"},{"i":8949,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake Nederlandse oorlogsgraven in de Bondsrepubliek Duitsland (Oorlogsgravenovereenkomst) Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen: Artikel 1 1. De Bondsrepubliek Duitsland waarborgt het Koninkrijk der Nederlanden voor altijd het kosteloos gebruik van de voor de bijzetting van overleden Nederlandse gedeporteerde burgers ingerichte afdelingen der volgende begraafplaatsen: - Bremen – Osterholzer Friedhof - Düsseldorf – Stoffeler Friedhof - Frankfort aan de Main – Waldfriedhof - Hamburg – Ohlsdorfer Friedhof - Hannover – Friedhof an der Seelhorst - Lübeck – Vorwerker Friedhof - Osnabrück – Heger Friedhof 2. Tevens waarborgt de Bondsrepubliek Duitsland voor altijd het kosteloos gebruik van de in de Bondsrepubliek Duitsland verspreid liggende graven van overleden Nederlandse gedeporteerde burgers. Artikel 2 1. De Bondsrepubliek Duitsland zal de op de in artikel 1 genoemde begraafplaatsen aanwezige of alsnog aan te leggen of op te richten graven, gedenktekenen of andere bouwwerken, alsmede aanplantingen, niet zonder toestemming van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden verwijderen, veranderen of daaraan een andere bestemming geven. 2. Nieuwe graven, gedenktekenen en andere bouwwerken mogen op de in artikel 1 genoemde begraafplaatsen slechts in overeenstemming met de bevoegde Duitse autoriteiten worden aangelegd of opgericht. 3. Het in het eerste en het tweede lid bepaalde geldt tevens met betrekking tot in de Bondsrepubliek Duitsland verspreid liggende graven van overleden Nederlandse gedeporteerde burgers. 4. De kosten van instandhouding en onderhoud van de Nederlandse graven en gedenktekens die zich bevinden op de in artikel 1, eerste lid, genoemde afdelingen, komen voor rekening van de Oorlogsgravenstichting. Voor het overige komen de kosten van instandhouding en onderhoud van Nederlandse oorlogsgra"},{"i":8955,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federale Republiek Nigeria inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Federale Republiek Nigeria, hierna te noemen de „Overeenkomstsluitende Partijen\", geleid door de wens de van oudsher tussen hun beide landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, in het bijzonder wat investeringen door de onderdanen van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreft, in het besef dat overeenstemming omtrent de aan deze investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Overeenkomst: - a. omvat de term „investeringen\": alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - iii. recht op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom (zoals octrooien, auteursrechten, licenties, en handelsmerken en -namen), en rechten betreffende technische werkwijzen, goodwill en know-how; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. omvat de term „onderdanen\" met betrekking tot elk van beide Overeenkomstsluitende Partijen: - i. na"},{"i":8956,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federale Volksrepubliek Zuidslavië inzake de regeling van bepaalde Nederlandse financiële vorderingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Federale Volksrepubliek Zuidslavië, verlangend een definitieve regeling te treffen voor de obligaties van de buitenlandse overheidsleningen van Servië en Zuidslavië van vóór de oorlog die het eigendom zijn van Nederlandse houders, daarbij rekening houdende met de betalings- en transfercapaciteit van Zuidslavië, hebben omtrent de volgende bepalingen overeenstemming bereikt: Artikel 1 De Zuidslavische Regering zal als globale en forfaitaire regeling van de erkende Servische en Zuidslavische obligaties van vóór de oorlog, waarvan de benaming en de nominale waarde zijn aangegeven in artikel 2, aan de Vereeniging voor den Effectenhandel te Amsterdam, die door de Nederlandse Regering is belast met de technische uitvoering van deze Overeenkomst, het bedrag van 275.000 gulden betalen. Het in de voorgaande alinea genoemde bedrag zal worden gestort in vier jaarlijkse aflossingen volgens onderstaande tabel: | Nr. der aflossing | Datum | Bedrag in guldens | | --- | --- | --- | | 1 | 30 juni 1960 | 70.000,- | | 2 | 30 juni 1961 | 70.000,- | | 3 | 30 juni 1962 | 70.000,- | | 4 | 30 juni 1963 | 65.000,- | Artikel 2 De stortingen voorzien in artikel 1 zullen worden aangewend voor de regeling der rechten uit de obligaties van Servische en Zuidslavische overheidsleningen, die op de datum van ondertekening van deze Overeenkomst het eigendom zijn van natuurlijke personen en rechtspersonen van Nederlandse nationaliteit en die door de houders overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 en 5 zijn gedeponeerd. De nominale bedragen der aangegeven obligaties, die in Nederland in omloop zijn, worden voorlopig geschat op | **1e categorie** | | | | --- | --- | --- | | Voor de leningen: | Servië 4 % 1895 | | | | Servië 5 % 1902 | | | | Servië 4,5 % 1906 | | | | Servië 4"},{"i":8957,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Franse Republiek betreffende wederzijdse vergoeding van schade, toegebracht aan schepen tijdens de oorlog van 1939-1945 Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Franse Republiek, besloten hebbende de geschilpunten in verband met de zeevaart, welke wederzijds zijn naar voren gebracht en welke zijn voortgekomen uit de oorlogshandelingen van de oorlog 1939—1945, te regelen, hebben besloten te dien einde een overeenkomst te sluiten en hebben bijgevolg tot hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Z.E. W. Baron van BOETZELAER, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur; en de President van de Franse Republiek: de Heer Pierre CHARPENTIER, Gevolmachtigd Minister, Die, na elkaar mededeling te hebben gedaan van hun volmachten, het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 De Nederlandse Regering en de Franse Regering, na de vorderingen in verband met de zeevaart te hebben onderzocht, welke wederzijds zijn ingediend en welke zijn voortgekomen uit de oorlogshandelingen van de oorlog 1939 - 1945, hebben na compensatie van de wederzijdse schuldvorderingen opgesomd in artikel 2, het bedrag van de schadeloosstelling welke door de Nederlandse Regering aan de Franse Regering zal worden betaald, vastgesteld op 8000 Engelse ponden. Deze betaling wordt gedaan in guldens, één maand na de uitwisseling van de akten van bekrachtiging van deze Overeenkomst, ten behoeve van de Franse schatkist, op basis van de officiële koers van dat betaalmiddel ten opzichte van het pond sterling op de dag van overmaking(1)Deze schadeloosstelling wordt gestort op de rekening-courant van de schatkist bij de Banque de France ten name van de Agent comptable des avoirs du Trésor a l'étranger, betaalmeester.. Artikel 2 Deze storting vormt een volledige en definitieve afdoening van alle door de Franse Regering ingestelde vorderingen met betrekking tot de schepen „Dupleix”, „Baltic”, „Midas” en alle door d"},{"i":8958,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Dienst voor nationaal landbouwkundig onderzoek (ISNAR) betreffende de zetel van de Organisatie Article 2. Juridical personality Vervallen Article 3. Inviolability of premises Vervallen Article 4. Inviolability of archives Vervallen Article 5. Immunity Vervallen Article 6. Exemption from taxes Vervallen Article 7. Imports and exports Vervallen Article 8. Funds Vervallen Article 9. Communications Vervallen Article 10. Publications Vervallen Article 11. Board of Trustees and official visitors Vervallen Article 12. Staff Members Vervallen Article 12 bis. Director General Vervallen Article 13. Registration, permits Vervallen Article 14. Taxation of income Vervallen Article 15. Social security scheme Vervallen Article 15 bis. Employment Vervallen Article 15 ter. ISNAR provident fund Vervallen Article 16. Purpose and scope of privileges and immunities Vervallen Article 17. Cooperation Vervallen Article 18. Security Vervallen Article 19. Arbitration Vervallen Article 20. Settlement of disputes Vervallen Article 21. Reporting on staff situation Vervallen Article 22. Final provisions Vervallen"},{"i":8959,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie inzake de toepassing van waarborgen met betrekking tot de Nederlandse Antillen in verband met het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en Aanvullend Protocol I bij het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika (met Protocol I en II) Overwegende dat het Koninkrijk der Nederlanden volgens zijn Statuut verantwoordelijk is voor de buitenlandse betrekkingen van zijn rijksdelen, de Nederlandse Antillen en Suriname, die grondwettelijk gelijkwaardig zijn en gerechtigd zijn aangelegenheden betreffende hun eigen belangen zelfstandig te behartigen; Overwegende dat het Koninkrijk der Nederlanden het [Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004367) (hierna te noemen het „Non-proliferatie Verdrag”) heeft ondertekend en op grond van [artikel III, eerste lid, van het Non-proliferatie Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004367&artikel=III) met de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (hierna te noemen de „Organisatie”) een overeenkomst wenst te sluiten met betrekking tot de Nederlandse Antillen; Overwegende dat het Koninkrijk der Nederlanden tevens Partij is bij [Aanvullend Protocol I bij het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004245) (hierna te noemen het „Verdrag van Tlatelolco” en ingevolge de desbetreffende bepalingen van dat Protocol met de Organisatie een overeenkomst wenst te sluiten voor de toepassing van waarborgen van de Organisatie met betrekking tot de Nederlandse Antillen; Overwegende dat de Organisatie ingevolge [artikel III van haar Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004777&artikel=III) gemachtigd is zodanige overeenkomsten te sluiten; Zijn het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie als volgt overeengekomen: DEEL I Artikel 1 Het Koninkrijk der Nederlanden verbindt zich tot aanvaarding van wa"},{"i":8960,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Thee Promotie Associatie (ITPA) betreffende de zetel van de Organisatie The Government of the Kingdom of the Netherlands and the International Tea Promotion Association, Having regard to Article 15 of the International Tea Promotion Association Agreement; Desiring to define the status, privileges and immunities referred to in the said Article 15; Have agreed as follows: De werking van de Overeenkomst is opgeschort van 30 september 1987 tot 30 juni 1989 (Trb. 1987/173). Article 1 a). “Association” means the International Tea Promotion Association; b). “Government” means the Government of the Kingdom of the Netherlands; c). “representatives” means representatives of Members of the International Tea Promotion Association Agreement, and in each case means heads of delegations and alternates; d). “premises of the Association” means the buildings or parts of buildings and the land ancillary thereto used for the official purpose of the Association; e). “official activities of the Association” includes its administrative activities and those undertaken pursuant to the International Tea Promotion Association Agreement; and f). “staff member” means the Executive Director and all persons appointed or recruited by the Executive Director for full-time employment with the Association; other than experts and persons recruited locally and assigned to hourly rates of pay. Article 2 The Association shall have legal personality. It shall in particular have the capacity to contract, to acquire and dispose of movable and immovable property and to institute legal proceedings. Article 3 The archives of the Association shall be inviolable. The term “archives” includes all records, correspondence, documents, manuscripts, photographs, films and recordings belonging to or held by the Association. Article 4 The premises of the Association shall be inviolable subject to the provisions of Article 20 of this Agreement. Any pe"},{"i":8961,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Islamitische Republiek Pakistan inzake economische samenwerking en bescherming van investeringen De Regering van de Islamitische Republiek Pakistan en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen; Bevestigend de vriendschappelijke betrekkingen die tussen beide landen en hun volken bestaan; Geleid door de wens deze betrekkingen te intensiveren, de economische samenwerking te bevorderen, wederzijdse bescherming van investeringen te bieden en hiertoe het nodige rechtelijke en bestuurlijke kader te scheppen zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst - (a). omvat de term „investeringen”: alle soorten goederen, rechten en belangen, ongeacht hun aard, die zijn geïnvesteerd in overeenstemming met de wetten van de Partij op het grondgebied waarvan de investering is gedaan, in het bijzonder, doch niet beperkt tot: - (i). roerende en onroerende goederen, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - (ii). rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - (iii). recht op geld en andere vermogensbestanddelen en op iedere prestatie die economische waarde heeft; - (iv). rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen en technische kennis; - (v). krachtens het publiekrecht verleende rechten, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en exploiteren van natuurlijke eigendommen. - (b). omvat de term „onderdanen”, met betrekking tot beide Overeenkomstsluitende Partijen: - (i). natuurlijke personen die volgens het recht van die Overeenkomstsluitende Partij haar nationaliteit bezitten; - (ii). onverminderd het bepaalde in hieronder, rechtspersonen die zijn opgericht in overeenstemming met de wetten van die Overeenkomstsluitende Partij; - (iii). rechtspersonen die onder al dan"},{"i":8962,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek inzake de dienstplicht van bipatriden Aangezien de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Italiaanse Republiek verlangend zijn in gemeenschappelijk overleg de militaire verplichtingen van hun onderscheidene onderdanen die tevens de nationaliteit van de andere Staat bezitten, te regelen, hebben de ondergetekenden, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, overeenstemming bereikt ten aanzien van de volgende bepalingen: Artikel 1 De bepalingen van deze Overeenkomst zijn van toepassing op de onderdanen van elk der beide Staten die, ingevolge de in elk van beide Staten geldende wetten, zowel de Nederlandse als de Italiaanse nationaliteit bezitten. Artikel 2 De in deze Overeenkomst bedoelde onderdanen van elk der beide Staten dienen hun militaire verplichtingen te vervullen in die Staat waarin zij hun vaste woonplaats hebben. Niettemin kunnen zij, op het tijdstip waarop zij voor de dienstplicht worden ingeschreven en uiterlijk vóór de datum waarop het deel van de lichting waartoe zij uit hoofde van hun leeftijd behoren, onder de wapenen wordt geroepen, verklaren dat zij zich verbinden hun militaire verplichtingen te vervullen bij de krijgsmacht van de andere Staat. Te dien einde ondertekenen zij een verklaring in tweevoud, waarvan een exemplaar blijft berusten bij de autoriteit die bedoelde verklaring heeft ontvangen, en het andere exemplaar wordt verzonden aan de bevoegde autoriteiten van de andere Staat voor het treffen van de nodige maatregelen. Artikel 3 De in deze Overeenkomst bedoelde onderdanen van elk der beide Staten, die hun militaire verplichtingen in een der beide Staten hebben vervuld, worden beschouwd als aan hun militaire verplichtingen in de andere Staat te hebben voldaan, indien zij ten bewijze daarvan een op hun verzoek door de bevoegde autoriteiten van de ene of van de andere Overeenkomstsluitende Partij afgegeve"},{"i":8963,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Jemenitische Arabische Republiek inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Jemenitische Arabische Republiek, Geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen uit te breiden en te intensiveren, en de investeringen te bevorderen op basis van gelijkheid en tot wederzijds voordeel van beide landen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst omvat de term: - (a). „investeringen” alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - (i). roerende en onroerende goederen, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten activa; - (ii). rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - (iii). recht op geld, goodwill en andere activa en op iedere prestatie die economische waarde heeft; - (iv). rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen en know-how; - (v). krachtens het publiekrecht verleende rechten, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen. - (b). „onderdanen”, met betrekking tot beide Overeenkomstsluitende Partijen: - (i). natuurlijke personen die volgens het recht van die Overeenkomsttende Partij haar nationaliteit bezitten; - (ii). onverminderd het bepaalde in (iii) hieronder, rechtspersonen die zijn opgericht overeenkomstig het recht van die Overeenkomstsluitende Partij; - (iii). rechtspersonen die onder, al dan niet rechtstreeks, toezicht staan van onderdanen van die Overeenkomstsluitende Partij, maar die zijn opgericht overeenkomstig het recht van de andere Overeenkomstsluitende Partij. - (c). „grondgebied” omvat de zeegebieden grenzend aan de kust van de betrokken Staat, voor zover die Staat overeenko"},{"i":8966,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Bhutan inzake de tewerkstelling van ontwikkelingswerkers De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Bhutan, geleid door de wens door uitwisseling van kennis en vakbekwaamheid de goede verstandhouding en de vriendschappelijke betrekkingen tussen de volken van beide landen te bevorderen, zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen IN WITNESS WHEREOF the undersigned representatives, duly authorized there to, have signed the present Agreement. DONE at Thimphu, on 1st of July 1988, in duplicate, in English language. **For the Government of the Kingdom of the Netherlands,** (sd.) E. M. SCHOO Mrs. E. M. Schoo Ambassador of the Netherlands to India, Bhutan and Nepal **For the Royal Government of Bhutan,** (sd.) D. S. TOBGYE Dasho Sonam Tobgye Secretary Royal Civil Service Commission"},{"i":8967,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Albanië inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Albanië, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, Geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke buitenlandse investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst omvat de term: - a. „investeringen\": alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - iii. recht op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, met inbegrip van rechten betreffende technische werkwijzen, goodwill en know-how; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. „onderdanen\": - i. - -. met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, iedere natuurlijke persoon die zijn nationaliteit heeft in overeenstemming met zijn recht; - -. met betrekking tot de Rep"},{"i":8979,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Liberia tot regeling der wederzijdse uitlevering van misdadigers **Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden** en in Hoogst-Derzelver naam **Hare Majesteit de Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk**, en **Zijne Excellentie de President van Liberia**, wenschende een verdrag te sluiten tot uitlevering van misdadigers, hebben te dien einde tot Hunne gevolmachtigden benoemd: **Hare Majesteit de Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk der Nederlanden:** jonkheer mr. JOAN ROËLL, Minister van Buitenlandsche Zaken, de heeren mr. WILLEM VAN DER KAAY, Minister van Justitie, en mr. JACOB HENDRIK BERGSMA, Minister van Koloniën; en **Zijne Excellentie de President van Liberia:** den heer dr. HENDRIK PIETER NICOLAAS MULLER, Consul-Generaal der Republiek Liberia voor het Koninkrijk der Nederlanden; die na elkander hunne, in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent het navolgende zijn overeengekomen: Artikel I **De Regeering der Nederlanden en de Regeering van Liberia** verbinden zich aan elkander uit te leveren die personen welke, beklaagd of veroordeeld zijnde wegens een strafbaar feit gepleegd op het grondgebied der eene partij, zullen worden gevonden op het grondgebied der andere partij, onder de omstandigheden en voorwaarden in het tegenwoordig verdrag vermeld. Artikel II Overeenkomstig de bepalingen van dit verdrag, zullen worden uitgeleverd zij, die beklaagd zijn van of veroordeeld wegens een der navolgende strafbare feiten: - 1°. - a. Aanslag tegen het leven of de vrijheid van den Koning, van de regeerende Koningin, van den Regent, van den President der Republiek, of van een ander Hoofd van een bevrienden Staat, of ondernomen met het oogmerk Hen tot regeeren ongeschikt te maken; - b. Aanslag tegen het leven of de vrijheid van de niet-regeerende Koningin, van den vermoedelijken Troonopvolger of van een lid van het Koninklijk Huis; - 2°. Doodslag of moord, kin"},{"i":8983,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de binnenvaart Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk, Geleid door de wens het vervoer van personen en goederen door middel van binnenschepen te regelen, ernaar strevend de wederzijdse binnenvaart verder te ontwikkelen, en ernaar strevend daarbij ook rekening te houden met de wederzijdse belangen na de opening van het Main-Donaukanaal, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. In deze Overeenkomst wordt verstaan onder - a. „Nederlandse schepen\": de in een Nederlands binnenschepenregister officieel ingeschreven binnenschepen, waarvoor een verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart is afgegeven; - b. „Oostenrijkse schepen\": de in een Oostenrijks binnenschepenregister officieel ingeschreven binnenschepen, die volgens de voorwaarden van het „Schiffahrtsgesetz\" (de Scheepvaartwet) in zijn huidige en toekomstige versie eigendom zijn van Oostenrijkse staatsburgers, van maatschappen of rechtspersonen, en waarmee personen of goederen worden vervoerd; - c. „bevoegde autoriteiten\": voor het Koninkrijk der Nederlanden de Minister van Verkeer en Waterstaat, en voor de Republiek Oostenrijk de Bondsminister van Verkeer, Innovatie en Technologie, voor zover de respectieve nationale rechtsordes niets anders voorzien; - d. „havens\": de zee- en binnenhavens, laad- en losplaatsen, alsmede de aanlegplaatsen van passagiersschepen. 2. In deze Overeenkomst wordt verstaan onder - a. „transitovervoer\": vervoer, waarbij op schepen van de ene Overeenkomstsluitende Staat personen of goederen door het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Staat worden vervoerd. - b. „wisselvervoer\": vervoer tussen havens van beide Overeenkomstsluitende Staten met schepen van de Overeenkomstsluitende Staten, waarbij personen of lading worden opgenomen of afgezet; - c. „vervoer door derden\": vervoer tussen havens van beide Overeenkomstsluitende Staten met schepen van een derde staat, waarbij p"},{"i":8987,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Senegal inzake de bevordering en de bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Senegal, Geleid door de wens de economische samenwerking tussen hun beide Staten te versterken; Gezien de op 12 juni 1965 te Dakar gesloten Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Senegal inzake economische en technische samenwerking; Ernaar strevend gunstige voorwaarden te scheppen voor kapitaalinvesteringen door onderdanen en vennootschappen van een van beide Staten op het grondgebied van de andere Staat en Erkennend dat de bevordering van deze investeringen de ondernemingsgeest kan stimuleren en de welvaart van beide naties kan vergroten, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1). Onder „kapitaalinvesteringen” wordt verstaan alle categorieën vermogensbestanddelen met inbegrip van alle categorieën rechten en belangen. 2). Onder „opbrengst” wordt verstaan de bedragen die als winst of als rente zijn voortgevloeid uit de kapitaalinvestering. 3). Onder „onderdanen” wordt ten aanzien van elk van beide Overeenkomstsluitende Partijen verstaan de natuurlijke personen die de nationaliteit van die Overeenkomstsluitende Partij hebben overeenkomstig de wetgeving van deze Partij. 4). Onder „vennootschappen” wordt ten aanzien van elk van beide Overeenkomstsluitende Partijen verstaan: - a). onverminderd het bepaalde onder letter b) hieronder, rechtspersonen die zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van die Overeenkomstsluitende Partij; - b). rechtspersonen die direct of indirect worden gecontroleerd door onderdanen van bedoelde Overeenkomstsluitende Partij maar die zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van de andere Overeenkomstsluitende Partij. Artikel 2 Iedere Overeenkomstsluitende Partij zal, overeenkomstig haar wetgeving, op haar grondgebied kapitaalinvesteringen door onderdanen en vennootschappen van de andere Overeenkomstsluit"},{"i":8995,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zambia inzake technische samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zambia, Opnieuw de vriendschappelijke betrekkingen bevestigend die tussen beide Staten en hun volken bestaan; Geleid door de oprechte wens deze betrekkingen te verstevigen; Verlangend de technische samenwerking te bevorderen en daartoe het noodzakelijke juridische en administratieve kader te scheppen; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I 1. Het doel van deze Overeenkomst is het bevorderen van de technische samenwerking en het daartoe scheppen van het juridische en administratieve kader voor de projecten van technische samenwerking waartoe de bevoegde autoriteiten van de beide Partijen ter uitvoering van deze Overeenkomst besluiten. 2. Een besluit tot samenwerking als bedoeld in het eerste lid hierboven, de bijdragen aan een project en de wijze waarop een project zal worden uitgevoerd, worden voor elk afzonderlijk geval nedergelegd in een door beide bevoegde autoriteiten op te stellen akkoord. Artikel II In verband met een project verbindt de Zambiaanse Regering zich ertoe: - a. de deskundigen en hun gezinnen vrij te stellen van douanerechten, belastingen en andere daarmee verband houdende heffingen ten aanzien van persoonlijke bezittingen en huishoudelijke artikelen die in Zambia worden ingevoerd voor hun persoonlijk gebruik, of hun het recht te geven deze bezittingen en artikelen in Zambia uit entrepot te betrekken binnen zes maanden na hun eerste aankomst in Zambia. Het begrip „persoonlijke bezittingen en huishoudelijke artikelen” omvat voor ieder huishouden één motorvoertuig. Indien deze bezittingen of artikelen in Zambia worden verkocht of anderszins van de hand worden gedaan aan iemand die niet dezelfde voorrechten geniet, worden daarover passende invoerrechten betaald op basis van de geschatte waarde van de bezittingen of artikelen. Persoonlijke bezittingen of huishoudelijke"},{"i":8997,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië betreffende het internationale wegvervoer De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Socialistische Federale Republiek Zuidslavië, verlangende het vervoer van personen en goederen met bedrijfsmotorvoertuigen tussen de beide Staten, alsmede het transitovervoer over hun grondgebied, te regelen en te vergemakkelijken, uitgaande van het beginsel van de vrijheid van de weg wat betreft het vervoer in het algemeen, zijn het volgende overeengekomen: I. Personenvervoer Artikel 1 Alle personenvervoer over de weg tussen de twee Staten is onderworpen aan een vergunningenstelsel, met uitzondering van de categorieën vervoer die in artikel 5 van deze Overeenkomst worden omschreven. Artikel 2 De geregelde autobusdiensten tussen beide landen worden in onderlinge overeenstemming vastgesteld door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen. Artikel 3 Het vervoer van personen door middel van geregelde autobusdiensten wordt verricht krachtens een bijzondere vergunning. De bijzondere vergunning wordt verleend door de bevoegde autoriteiten van elke Overeenkomstsluitende Partij voor het gedeelte van het traject dat op haar grondgebied is gelegen en op basis van wederkerigheid, behoudens in geval van een andere beslissing van de bevoegde autoriteiten. De geldigheidsduur van de bijzondere vergunning wordt in onderlinge overeenstemming vastgesteld door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen. Aan de ondernemingen wordt een bijzondere vergunning verleend voor de uitvoering van het vervoer op een bepaalde lijn op grond van een aanvraag welke door hen wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit van het land van herkomst van de aanvrager. De aanvraag dient vergezeld te gaan van de benodigde bescheiden (ontwerpdienstregeling, -tarief en -reisweg, plan van de jaarlijkse exploitatie, opgave van die voor de ingang van de dienst vo"},{"i":8998,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Bahrein inzake diensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Koninkrijk Bahrein, Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten met het doel luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in deze Overeenkomst en de Bijlage de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag” wordt verstaan: het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening is opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig [artikel 90 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=90) aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of het Verdrag overeenkomstig de artikelen 90 en [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=94) daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten” wordt verstaan: - –. wat het Koninkrijk Bahrein betreft, Civiele Luchtvaartaangelegenheden en elke persoon die of elk orgaan dat wettelijk goedgekeurd is voor het verrichten van de taken die thans door voornoemde autoriteit worden verricht of vergelijkbare taken; en - –. wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Infrastructuur en Milieu of elke persoon die of elk orgaan dat bevoegd is tot het verrichten van de taken die thans door voorn"},{"i":8999,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël betreffende het internationale wegvervoer De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Israël, Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, het goederenvervoer over de weg tussen hun onderscheiden landen en in doorvoer over hun grondgebied te bevorderen; Besloten hebbende een Overeenkomst te sluiten ten einde bestaande faciliteiten te bevestigen en verdere faciliteiten te scheppen: Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder „voertuig”: - 1. Ieder mechanisch voortbewogen voertuig dat is gebouwd of ingericht voor: - a. het vervoer van goederen - b. het trekken van een ander voertuig dat is gebouwd of ingericht voor het vervoer van goederen. - 2. Iedere aanhangwagen of oplegger die is gebouwd voor het vervoer van goederen. - 3. Ieder gemonteerd, verbonden of gekoppeld voertuig, met inbegrip van de hierboven omschreven voertuigen. Artikel 2 Elk der Overeenkomstsluitende Partijen staat vervoerders die zijn gemachtigd door de bevoegde autoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij, toe zonder bijzondere vergunning door middel van voertuigen goederen tussen de beide landen te vervoeren: - a. tussen enige plaats op haar grondgebied en enige plaats op het grondgebied van het andere land, - b. in doorvoer over haar eigen grondgebied. Artikel 3 Niets in deze Overeenkomst wordt geacht vervoerders die zijn gemachtigd door de bevoegde autoriteiten van een der Overeenkomstsluitende Partijen, toe te staan goederen die zijn geladen op enige plaats op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij naar enige andere plaats op dat grondgebied te vervoeren. Artikel 4 Tenzij in deze Overeenkomst anders is bepaald, dienen vervoerders die zijn gemachtigd door de bevoegde autoriteiten van een der Overeenkomstsluitende Partijen, de wetten die van kracht zijn op het grondgebied van de andere"},{"i":9000,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek inzake economische, industriële en technische samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek, geleid door de wens de economische, industriële, landbouwkundige en technische samenwerking tussen de belanghebbende ondernemingen, organisaties en instellingen in hun landen uit te breiden en te versterken, hun belang bevestigend bij het bevorderen en ontwikkelen van deze samenwerking, de grote betekenis erkennend van maatregelen op lange termijn als hechte grondslag voor uitbreiding van de economische samenwerking, verwijzend naar de deelneming van hun landen aan de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Met inachtneming van hun internationale verplichtingen bevorderen de Overeenkomstsluitende Partijen de economische, industriële, landbouwkundige en technische samenwerking tussen de belanghebbenden ondernemingen, organisaties en instellingen in hun landen. Artikel 2 Ten einde de ontwikkeling van de economische, industriële, landbouwkundige en technische samenwerking te waarborgen, wordt een Gemengde Commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van beide Overeenkomstsluitende Partijen, in het leven geroepen. Aan haar werkzaamheden kunnen vertegenwoordigers van belanghebbende economische organisaties en ondernemingen deelnemen. De Gemengde Commissie komt jaarlijks bijeen, beurtelings te 's-Gravenhage en te Praag, of op verzoek van een van beide Overeenkomstsluitende Partijen. De Commissie heeft onder andere tot taak: - a. in alle ter zake dienende aspecten de ontwikkeling van de economische samenwerking periodiek te bezien; - b. de uitvoering van deze Overeenkomst, alsmede de daaruit voortvloeiende vraagstukken te bezien en passende voorstellen te doen aan de Overeenkomstsluitende Partijen; - c. denkbeelden uit te wisselen ten aanzien van verdere"},{"i":9001,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie der Socialistische Sovjetrepublieken inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Unie der Socialistische Sovjetrepublieken, hierna aangeduid als de Overeenkomstsluitende Partijen, geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door investeerders van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming over het toekennen van een eerlijke en rechtvaardige behandeling aan zulke investeringen het kapitaalverkeer en de uitwisseling van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren; zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst: - a). omvat de term „investeerder” met betrekking tot ieder der Overeenkomstsluitende Partijen: - (i). natuurlijke personen die de nationaliteit van die Overeenkomstsluitende Partij bezitten in overeenstemming met haar recht en die het recht hebben in overeenstemming met de wetten van hun land investeringen te doen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij; - (ii). rechtspersonen die zijn opgericht krachtens het recht van die Overeenkomstsluitende Partij en die het recht hebben in overeenstemming met de wetten van hun land investeringen te doen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij; - b). omvat de term „investering” alle soorten vermogensbestanddelen die worden geïnvesteerd, hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van een investeerder van een derde Staat, door investeerders van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij in overeenstemming met de wetten van de laats"},{"i":9002,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Republiek Tanzania inzake tewerkstelling van Nederlandse vrijwilligers De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Republiek Tanzania, Geleid door de wens door uitwisseling van kennis en vakkennis de goede verstandhouding en vriendschappelijke betrekkingen tussen de volken der beide landen te bevorderen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorized thereto, have signed the present Agreement. DONE at Dar es Salaam this 23rd day of November 1971, in duplicate, in the English language. (sd.) K. WESTERHOFF For the Government of the Kingdom of the Netherlands (sd.) A. H. JAMAL For the Government of the United Republic of Tanzania"},{"i":9034,"b":"Overeenkomst van Locarno van 8 oktober 1968 tot instelling van een internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid Artikel 1. Oprichting van een bijzondere Unie; Vaststelling van een internationale classificatie 1). De landen waarvoor deze Overeenkomst geldt vormen een bijzondere Unie. 2). Zij aanvaarden eenzelfde classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid (hierna te noemen „internationale classificatie”). 3). De internationale classificatie omvat: - i). een lijst van klassen en onderklassen; - ii). een alfabetische lijst van voortbrengselen waarin tekeningen en modellen zijn belichaamd, met vermelding van de klassen en onderklassen waarin zij zijn ondergebracht; - iii). toelichtingen. 4). De lijst van klassen en onderklassen is die welke aan deze Overeenkomst is gehecht, onder voorbehoud van wijzigingen en aanvullingen die de Commissie van deskundigen, ingesteld bij artikel 3 (hierna te noemen „Commissie van deskundigen”), daarin kan aanbrengen. 5). De alfabetische lijst van voortbrengselen en de toelichtingen worden door de Commissie van deskundigen, overeenkomstig de in artikel 3 omschreven procedure, aangenomen. 6). De internationale classificatie kan door de Commissie van deskundigen overeenkomstig de in artikel 3 omschreven procedure worden gewijzigd of aangevuld. - a). De internationale classificatie is opgesteld in de Engelse en de Franse taal. - b). In overleg met de betrokken regeringen worden door het Internationale Bureau van de intellectuele eigendom (hierna te noemen „het Internationale Bureau\"), genoemd in het [Verdrag ter oprichting van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004328) (hierna te noemen „de Organisatie”), officiële teksten van de internationale classificatie vastgelegd in de andere talen die de Algemene Vergadering, bedoeld in artikel 5, kan aangeven. Artikel 2. Toepassing en juridische draagwijdte van de internationale classificatie 1). Onvermi"},{"i":9004,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de status van personeel van de Verenigde Staten in het Caribische deel van het Koninkrijk Het Koninkrijk der Nederlanden (hierna „het Koninkrijk”) en de Verenigde Staten van Amerika (hierna „de Verenigde Staten”), hierna gezamenlijk te noemen „de partijen”, zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Begripsomschrijvingen 1. Onder „personeel van de Verenigde Staten” worden verstaan leden van de strijdkrachten van de Verenigde Staten en burgerpersoneel van het ministerie van Defensie van de Verenigde Staten. 2. Onder „contractanten van de Verenigde Staten” worden verstaan natuurlijke personen of rechtspersonen en hun werknemers, die onder contract staan bij het ministerie van Defensie van de Verenigde Staten in verband met activiteiten in het kader van deze Overeenkomst. Artikel II. Toepassingsgebied 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op Aruba, Sint Maarten en het Caribische deel van Nederland (de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba), voor de toepassing van deze Overeenkomst hierna gezamenlijk te noemen „het Caribische deel van het Koninkrijk”. 2. Deze Overeenkomst is van toepassing op de tijdelijke aanwezigheid van personeel van de Verenigde Staten en contractanten van de Verenigde Staten in het Caribische deel van het Koninkrijk in verband met vlootbezoeken, training, oefeningen en andere activiteiten zoals wederzijds overeen te komen. 3. De toepassing van deze Overeenkomst kan worden uitgebreid tot Curaçao door middel van een schriftelijke kennisgeving door het Koninkrijk en de schriftelijke aanvaarding door de Verenigde Staten. 4. Deze Overeenkomst heeft geen gevolgen voor en is niet van toepassing op de activiteiten die vallen onder de [Overeenkomst inzake samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende toegang tot en gebruik van faciliteiten in de Nederlandse Antillen en Aruba voor drugsbestrijd"},{"i":9003,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Republiek van Tanzania inzake technische samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Republiek van Tanzania, Verlangende, de tussen hun volken bestaande vriendschapsbanden nauwer aan te halen en in het algemeen de goede betrekkingen tussen hun landen uit te breiden, Erkennende, dat het in beider belang is wederzijds de wetenschappelijke, economische en sociale vooruitgang naar vermogen te bevorderen en dat een regeling van de technische samenwerking daartoe een belangrijke bijdrage vormt, Overwegende dat hiertoe bevorderlijk kan zijn het scheppen van een algemeen kader, waarbinnen zulke technische samenwerking kan worden tot stand gebracht, Komen het volgende overeen: Artikel 1 De beide Regeringen zullen wederzijds binnen de ten dienste staande financiële, personele en materiële mogelijkheden, de technische samenwerking tussen beider landen bevorderen. Artikel 2 1. De technische samenwerking zal bestaan uit de overdracht in de ruimste zin van kennis en ervaring, al dan niet vergezeld van materiële steun. 2. Tot daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in het vorige lid zal slechts kunnen worden overgegaan nadat hierom uitdrukkelijk is verzocht door het land dat van geboden mogelijkheden van samenwerking met het andere land gebruik wenst te maken en niet eerder dan nadat over de voor deze samenwerking vereiste zakelijke voorwaarden overeenstemming is bereikt. Artikel 3 Wanneer tot technische samenwerking als bedoeld in het eerste lid van artikel 2 wordt besloten en dientengevolge deskundigen worden beschikbaar gesteld, fellowships verleend of tot meer uitgebreide vormen van technische samenwerking wordt overgegaan, zullen, in overeenstemming met de beginselen nedergelegd in deze Overeenkomst, de wijze waarop en de voorwaarden waaronder zulks zal geschieden van geval tot geval in gemeenschappelijk overleg nader worden geregeld in administratieve akkoorden."},{"i":9005,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bangladesh inzake technische samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Bangladesh, Verlangend op het gebied van technische samenwerking een administratief kader te scheppen voor projecten ten aanzien waarvan beide Regeringen besluiten samen te werken, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I In gevallen waarin beide Regeringen hebben besloten samen ie werken bij een project van technische samenwerking (hierna te noemen „een Project”), worden de wederzijdse bijdragen aan dat project en de uitvoering ervan in elk afzonderlijk geval vastgelegd in een administratief akkoord waarover overeenstemming moet worden bereikt door de onderscheiden bevoegde bestuurlijke autoriteiten, volgens de in deze Overeenkomst vervatte beginselen. Artikel II In verband met een project verbindt de Regering van de Volksrepubliek Bangladesh zich ertoe: - a. de leden van het Nederlandse personeel vrij te stellen van betaling van inkomstenbelasting met betrekking tot alle hun door de Nederlandse Regering betaalde vergoedingen; - b. de leden van het Nederlandse personeel de voorrechten te verlenen van belastingvrije invoer van huishoudelijke artikelen en persoonlijke bezittingen, zoals bepaald in de desbetreffende wetten, regelingen en voorschriften van de Volksrepubliek Bangladesh, als van tijd tot tijd gewijzigd, met inbegrip van de. invoer van beroepsuitrusting, binnen zes maanden na hun aankomst, mits deze goederen weer uit Bangladesh worden uitgevoerd na afloop van hun tewerkstelling, evenwel met dien verstande, dat nadien in de desbetreffende Bengaalse regelingen aangebrachte wijzigingen slechts van toepassing zijn op die projecten waarmede daarna wordt begonnen; - c. de invoer te regelen, vrij van rechten, of de aankoop uit entrepot van één motorvoertuig door het Nederlandse personeel binnen zes maanden na eerste aankomst in Bangladesh, mits over dit motorvoertuig,"},{"i":9006,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bulgarije inzake de regeling van financiële vraagstukken De Nederlandse Regering en de Bulgaarse Regering, verlangende financiële vraagstukken tussen hun beide landen te regelen, hebben de volgende Overeenkomst gesloten: Artikel 1 1. De Bulgaarse Regering betaalt aan de Nederlandse Regering een bedrag van 1.500.000 gulden, berekend op basis van 1 gulden = 0,245489 gram fijn goud, bij wijze van algehele afdoening: - a). van de schadevergoedingsverplichtingen voortvloeiende uit de Bulgaarse maatregelen strekkend tot nationalisatie, onteigening, confiscatie of enigerlei andere vorm van gehele of gedeeltelijke ontneming van het bezit, waardoor eigendommen, rechten of belangen van natuurlijke personen of rechtspersonen, die zowel ten tijde van het uitvaardigen dezer maatregelen als van de ondertekening van de onderhavige Overeenkomst Nederlands waren, zijn aangetast; - b). van de verplichtingen van de Bulgaarse Regering jegens de Nederlandse Regering en jegens Nederlandse natuurlijke personen of rechtspersonen uit hoofde van artikel 23 van het op 10 februari 1947 te Parijs ondertekende Vredesverdrag met Bulgarije; - c). van alle handels- en financiële schuldvorderingen van Nederlandse natuurlijke of rechtspersonen op Bulgaarse schuldenaren voor zover deze schuldvorderingen zijn ontstaan vóór de afsluiting van de Bulgaars-Nederlandse Betalingsovereenkomst van 4 juni 1947; - d). van de verplichtingen voortvloeiende uit in het buitenland geplaatste Bulgaarse overheidsleningen of door de Bulgaarse staat gewaarborgde leningen voor zover op 31 december 1960 in handen van natuurlijke personen of rechtspersonen die op de datum van ondertekening van de onderhavige overeenkomst Nederlands waren. 2. Indien het hierboven weergegeven goudgehalte van de Nederlandse gulden een wijziging mocht ondergaan, zal het nog niet betaalde gedeelte van het schadevergoedingsbedrag dienovereenkomstig worden aangepast. Artikel 2"},{"i":9008,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Polen inzake samenwerking op veterinair gebied De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Polen, geleid door de wens de samenwerking op veterinair gebied verder uit te breiden en te verdiepen ten einde de gevaren die besmettelijke en andere dierziekten opleveren voor de volksgezondheid en de economie van beide staten te voorkomen en de ontwikkeling van de economische betrekkingen tussen beide staten te vergemakkelijken, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De Overeenkomstsluitende Partijen breiden de samenwerking tussen hun onderscheiden veterinaire diensten uit betreffende de invoer, uitvoer en doorvoer van levende dieren en produkten van dierlijke oorsprong, met inbegrip van grondstoffen en veevoeder, ten einde de mogelijkheid dat besmettelijke ziekten van het grondgebied van één van de Overeenkomstsluitende Partijen overslaan naar het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij te voorkomen. 2. De invoer, uitvoer en doorvoer van levende dieren en produkten van dierlijke oorsprong, met inbegrip van grondstoffen en veevoeder, vindt slechts plaats nadat hiervoor toestemming verkregen is van de onderscheiden veterinaire diensten van de Overeenkomstsluitende Partijen. Artikel 2 De bevoegde instanties van de centrale overheid van de Overeenkomstsluitende Partijen stellen, indien zij dit juist en noodzakelijk achten, de veterinaire voorwaarden op het gebied van de volksgezondheid en de dierziektebescherming vast voor de invoer, uitvoer en doorvoer van levende dieren alsmede van produkten van dierlijke oorsprong, met inbegrip van grondstoffen en veevoeder, van het grondgebied van één van de Overeenkomstsluitende Partijen naar of door het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij. Artikel 3 De bevoegde veterinaire autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen wisselen systematisch veterinaire bulletins uit met statistische"},{"i":9009,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Algemeen Hoofdkwartier van de Geallieerde Mogendheden in Europa inzake de bijzondere voorwaarden, die toepasselijk zijn op de vestiging en het functioneren van internationale militaire hoofdkwartieren binnen het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden Het Koninkrijk der Nederlanden en het Algemeen Hoofdkwartier van de Geallieerde Mogendheden in Europa, vertegenwoordigd door de Geallieerde Opperbevelhebber in Europa, Overwegende dat de betrekkingen tussen de Partijen bij het Noordatlantisch Verdrag en de internationale militaire hoofdkwartieren in algemene zin zijn omschreven in het op 28 augustus 1952 te Parijs ondertekende Protocol bij het op 19 juni 1951 te Londen door de Partijen bij het Noordatlantisch Verdrag gesloten Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, en dat de Noordatlantische Raad, overeenkomstig artikel 14, eerste lid, van het bovengenoemde Protocol, bij een besluit van 20 februari 1963 dit Protocol van toepassing heeft verklaard op het Technisch Centrum van SHAPE, maar dat zekere bepalingen nog moeten worden uitgewerkt inzake de vestiging en het functioneren van op het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden opgerichte of op te richten internationale militaire hoofdkwartieren, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I. Omschrijvingen In deze Overeenkomst betekent - 1. de afkorting „SHAPE”: Algemeen Hoofdkwartier van de Geallieerde Mogendheden in Europa; - 2. de afkorting „SACEUR”: Geallieerde Opperbevelhebber in Europa; - 3. „Geallieerd Hoofdkwartier”: elk rechtstreeks aan SHAPE ondergeschikt internationaal militair hoofdkwartier en elk ander aan SHAPE ondergeschikt internationaal militair hoofdkwartier of elke andere aan SHAPE ondergeschikte internationale militaire organisatie, waarop de Noordatlantische Raad artikel 14 van het Protocol van toepassing verklaart; - 4. „Verdrag”: het op 19 juni 1951 te Londen door de Partijen bij het Noordatlantisch"},{"i":9012,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië betreffende internationaal wegvervoer De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië, Verlangende in het belang van hun economische betrekkingen de ontwikkeling van het goederenvervoer over de weg tussen hun beider landen, alsmede van het transitovervoer over hun grondgebied te bevorderen, Besloten hebbende een Overeenkomst aan te gaan teneinde bestaande faciliteiten te bevestigen en verdere faciliteiten te scheppen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Ieder der Overeenkomstsluitende Partijen staat vervoerders die op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij zijn gevestigd en in het bezit zijn van een nationale vergunning voor het internationale goederenvervoer over de weg, toe zonder bijzondere vergunningen goederen te vervoeren: - a. tussen enig punt op haar grondgebied en enig punt buiten dat grondgebied; - b. in doorvoer over haar eigen grondgebied. Artikel 2 Niets in deze Overeenkomst wordt geacht vervoerders die op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen gevestigd zijn, toe te staan goederen te vervoeren die zijn geladen op enige plaats op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij naar enige andere plaats op hetzelfde grondgebied. Artikel 3 Tenzij in deze Overeenkomst anders bepaald, dienen vervoerders die op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen gevestigd zijn, de wetten die van kracht zijn op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, na te leven. Artikel 4 Ingeval van overtreding van de bepalingen van deze Overeenkomst door een vervoerder die op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen is gevestigd, kan de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied de overtreding plaatsvond, hiervan kennisgeven aan de andere Overeenkomstsluitende Partij, die de maatregelen kan nemen waarin haar nationale wetge"},{"i":9013,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de indijking van het Zwin Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, onderling besloten hebbende den ouden zeearm, genaamd **het Zwin**, te bedijken, ten einde den gezondheidstoestand der daar langs gelegen landstreek te verbeteren en den landbouw te ontwikkelen, door meer dan 600 hectaren rijpe schorren vruchtbaar te maken, hebben tot dat einde benoemd tot Hunne commissarissen: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, de heeren: JAN FREDERIK WILLEM CONRAD, hoofdingenieur van den waterstaat in de provincie Zeeland; EDMOND HENDRIK FRANS WILLEM MATRON, directeur der registratie en domeinen te Middelburg; ADAM VAN HOOFF, ingenieur van den waterstaat in het arrondissement Sluis; en WILLEM FREDERIK DEL CAMPO genaamd CAMP, gepensioneerd majoor der genie; en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de heeren: LEOPOLD CREPIN, hoofdingenieur, directeur der bruggen en wegen in de provincie West-Vlaanderen; CHARLES ALEXANDRE PILLAERT, directeur der registratie en domeinen in de provincie West-Vlaanderen; CHARLES BREYDEL DE BROCK, lid van den provincialen raad van West-Vlaanderen; en EUGÈNE PIENS, ingenieur der bruggen en wegen te Brugge; die, na elkander inzage te hebben gegeven van hunne wederzijdsche volmagten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, het in de navolgende artikelen vermelde zijn overeengekomen: Artikel 1 De bedijking van het **Zwin** zal worden uitgevoerd overeenkomstig het ontwerp, dat den 16den Februarij 1871 is opgemaakt door de daartoe benoemde commissie en den 14den November van dat jaar door die commissie in hare vergadering is gewijzigd. Artikel 2 De tot dat einde uit te voeren werken zullen in het openbaar aanbesteed worden te Brugge, in tegenwoordigheid van den gouverneur der provincie West-Vlaanderen, bijgestaan door de hoofdingenieurs van den waterstaat en van de bruggen en wegen der provincien Zeeland en West-V"},{"i":9014,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake de toelating van Belgische Consuls in de voornaamste havens der Nederlandse koloniën Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden de vriendschapsbanden, die tusschen het Koningrijk der Nederlanden en Belgie bestaan wenschende toe te halen, en aan de handelsbetrekkingen, die zoo gelukkig tusschen de beide natiën tot stand zijn gebragt, de meest mogelijke uitbreiding willende verzekeren, heeft, ten einde dat doel te bereiken, en om te voldoen aan een herhaaldelijk te kennen gegeven verlangen van de Regering van Zijne Majesteit den Koning der Belgen, toegestemd in het toelaten van Belgische Consuls in de voornaamste havens der Nederlandsche kolonien, onder voorbehoud evenwel deze vergunning tot het onderwerp te maken eener uitdrukkelijke overeenkomst, waarbij de regten, verpligtingen en vrijdommen dier Consuls in de gezegde kolonien duidelijk en naauwkeurig worden omschreven. Te dien einde, heeft Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden benoemd den heer Floris Adriaan van Hall, ridder grootkruis der orde van den Nederlandschen Leeuw, der Leopoldsorde van Belgie, der orde van den Ernestinischen tak van het Huis van Saxen, der orde van den Witten Valk van Saxen-Weimar, der Keizerlijke Russische orde van den Witten Arend, en der Guelphen orde van Hannover. Hoogstdeszelfs Minister van Staat en van Buitenlandsche Zaken, en den heer Charles Ferdinand Pahud, ridder grootkruis der orde van den Nederlandschen Leeuw, der Leopolds orde van Belgie en der orde van den Rooden Adelaar van Pruissen, Hoogstdeszelfs Minister van Kolonien; en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, den luitenant-generaal baron Willmar, commandeur van Hoogstdeszelfs orde, grootkruis der orde van den Nederlandschen Leeuw, grootkruis der orde van de Eikenkroon, grootkruis der orde van den Ernestinischen tak van het Huis van Saxen, grootkruis der orde van Hendrik den Leeuw, grootkruis der orde van Albert den Beer, commandeur der o"},{"i":9015,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België omtrent de grensscheiding tussen de beide Rijken in het Zwin Ten jare achttien honderd negen en zestig, den vijftienden van de maand Maart, tegenwoordig: de Commissarissen, benoemd krachtens besluit van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden van den 8sten September 1868, n°. 29, en het besluit van Zijne Majesteit den Koning der Belgen van den 1sten November 1868, om een voorstel te ontwerpen tot eene nieuwe regeling der grensscheiding tusschen Nederland en Belgie in het Zwin, wijl de scheidingslijn tusschen de beide koningrijken vastgesteld in het omschrijvend proces-verbaal, gehecht aan de grensovereenkomst, gesloten te Maastricht den 8sten Augustus 1843, en die geene andere is dan de Thalweg van het Zwin, door de toenemende verzanding van dien zeearm onherkenbaar geworden is: voor Nederland, de heeren JACOBUS MARIA HENNEQUIN, ridder der orde van de Eikenkroon en lid der Provinciale Staten van Zeeland, wonende te Sluis, en ABRAHAM STEIJAARD, gepensioneerd landmeter van het kadaster, wonende te Middelburg: voor Belgie, de heeren CHARLES BREYDEL DE BROCK, lid van den Provincialen Raad van West-Vlaanderen, en EUGENE PIENS, ingenieur der bruggen en wegen in het arrondissement Brugge, beiden wonende te Brugge. Die, na elkander hunne wederzijdsche geloofsbrieven te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, hebben nagezien en aan elkander conform bevonden de exemplaren in dubbeld van de zeven hiernevens gevoegde kaarten, opgemaakt op de schaal van één vijf en twintig honderdste en bevattende de gansche grensscheiding in het Zwin, en na zich overtuigd te hebben dat de scheidingslijn op volmaakt gelijke wijze gebragt is op de beide exemplaren van gemelde kaarten zoo als zij omschreven is in het tegenwoordig proces-verbaal, ten einde uitvoering te geven aan voorschreven Koninklijke besluiten, en behoudens nadere goedkeuring hunner wederzijdsche Regeringen, bepaaldeli"},{"i":9016,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België strekkende om wederkerig ingezetenen, onderdanen van het andere land, toe te laten om kosteloos te procederen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en in Hoogstderzelver naam Hare Majesteit de Koningin-Regentes van het Koninkrijk en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, wenschende in gemeen overleg eene overeenkomst te sluiten om wederkeerig aan de onderdanen van het andere land het voorrecht van kosteloozen rechtsbijstand te verzekeren, hebben tot dat einde tot hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin-Regentes van het Koninkrijk der Nederlanden den heer Baron GERICKE VAN HERWIJNEN, Ridder Grootkruis van de Orde van den Nederlandschen Leeuw, Ridder der 1ste klasse van de Orde van den Gouden Leeuw van het Huis van Nassau, Grootkruis van de Orde van LEOPOLD van België, enz., enz., Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden bij Zijne Majesteit den Koning der Belgen; en Zijne Majesteit de Koning der Belgen den heer AUGUSTE BEERNAERT, Hoogstdeszelfs Minister van Financiën en van Buitenlandsche Zaken ad interim, Officier van Hoogstdeszelfs Leopoldsorde, Grootkruis der Orden van de Afrikaansche Ster, van het Legioen van Eer, van den Rooden Adelaar, enz., enz.; die, na mededeeling hunner in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende artikelen zijn overeengekomen. Artikel I De Nederlanders sedert ten minste achttien maanden in **België** hunne woonplaats hebbende en de Belgen sedert ten minste achttien maanden hunne woonplaats in **Nederland** hebbende, zullen wederkeerig worden toegelaten tot het voorrecht van den kosteloozen rechtsbijstand op denzelfden voet als de eigen onderdanen en onder naleving van de wetgeving van den Staat, waar de kostelooze rechtsbijstand wordt verlangd. Artikel II De overheid belast met de afgifte van de verklaring van onvermogen zal bevoegd zijn omtrent den vermoge"},{"i":9017,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, ter regeling der voorwaarden voor de bouw en het onderhoud van een brug over de Maas bij Maaseyk Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, in gemeen overleg de voorwaarden voor den bouw en het onderhoud van eene brug over de Maas bij Maaseyk wenschende te regelen, hebben te dien einde tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden: Jhr. ABRAHAM PIETER CORNELIS VAN KARNEBEEK, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, enz., enz., Hoogstdeszelfs Minister van Buitenlandsche Zaken; Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Baron AUGUSTUS D'ANETHAN, Groot-officier der Leopoldsorde, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, Grootkruis der Orde van de Eikenkroon van Luxemburg, enz., enz., Hoogstdeszelfs buitengewoon Gezant en gevolmachtigd Minister te 's Gravenhage; dewelke, na uitwisseling hunner volmachten, die in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent het navolgende zijn overeengekomen: Artikel 1 De Belgische Regeering zal op hare kosten en voor hare rekening eene brug doen bouwen over de Maas bij Maaseyk, ter plaatse van den tegenwoordigen overgang over die rivier. De uitvoering van dat werk zal evenwel afhankelijk zijn van de bewilliging der subsidiën die reeds, zoowel in België als in Nederland, daarvoor zijn toegezegd. De brug zal, te rekenen van den linkeroever, hebben drie bogen, met metalen bovenbouw, van 48 M. wijdte horizontaal gemeten ter hoogte van den bovenkant der pijlers en twee doorlaatopeningen van 8 M. wijdte gespaard in het rechter landhoofd. De aanleg van den oprit ter verbinding van den weg naar Roosteren met het bovendek der brug zal eveneens ten laste der Belgische Regeering zijn. In het midden van de metalen overspanning zal de brug eene vrije hoogte aanbieden van minstens 3 M. tusschen den onderkant van den ligger en den hoogwaterstand van 4 Februari 1850, zijnde 32,30 M. bove"},{"i":9018,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot regeling der wederkerige uitlevering van misdadigers Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, in gemeenschappelijk overleg overeengekomen zijnde een nieuw verdrag te sluiten betreffende de uitlevering van misdadigers, hebben te dien einde tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden: den baron GERICKE VAN HERWIJNEN, Grootkruis der Orden van den Nederlandschen Leeuw en van de Eikenkroon van Luxemburg, Ridder eerste klasse der Orde van den Gouden Leeuw van het Huis van Nassau, Grootkruis der Belgische Leopoldsorde, enz., enz., enz., Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning der Belgen; En zijne Majesteit de Koning der Belgen: den prins DE CHIMAY, Officier der Leopoldsorde, Grootkruis der Hertogelijke Ernestinische orde van het Huis van Saxen, enz., enz., enz., Hoogstdeszelfs Minister van Buitenlandsche Zaken; die, na elkander hunne volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende artikelen zijn overeengekomen: Artikel 1 De Regeering der Nederlanden en de Regeering van België verbinden zich, volgens de voorschriften bij de volgende artikelen vastgesteld, met uitzondering hunner onderdanen, wederkeerig aan elkander uit te leveren de personen, welke veroordeeld of beklaagd zijn ter zake van een der feiten hieronder vermeld, wanneer dit gepleegd is op het grondgebied van den Staat die de uitlevering aanvraagt: - 1°. - a. aanslag tegen het leven van den Koning, van de regeerende Koningin of van den Regent; - b. aanslag tegen het leven van de niet-regeerende Koningin, van den vermoedelijken Troonopvolger of van een lid van het Vorstelijk Huis, en aanslag tegen het leven van een Hoofd van een bevrienden Staat; - 2°. doodslag of moord, kinderdoodslag of kindermoord; - 3°. bedreigingen, schriftelijk en onder ee"},{"i":9019,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen tot regeling van de indijking van de Dollard LEER, **den 23sten September** 1874. Vermits de Nederlandsche en Koninklijk Pruissische Commissarissen door hunne wederzijdsche Regeringen gemagtigd zijn om, op den grondslag van de tot nu toe gevoerde onderhandelingen, een verdrag te sluiten, waardoor de afwatering van de landstreek tusschen de provincie Groningen en Oost-Friesland geregeld, en de inpoldering van de wederzijdsche aanwassen in den Dollard tot stand gebragt kan worden, zijn hier heden als Commissarissen der beide genoemde Rijken bijeengekomen: Van wege het Koningrijk Pruissen: H. ROLOFF, Geheimer Regierungs-Rath, en J . CLAUDITZ, Bau-Inspector. Van wege den Staat der Nederlanden: Jhr. mr. J . D. LEWE QUINTUS, lid van Gedeputeerde Staten; Mr. W. DE SITTER, lid van de Provinciale Staten, en J. STROOTMAN, hoofdingenieur van den waterstaat; welke, onder voorbehoud van de goedkeuring hunner wederzijdsche Gouvernementen, de volgende OVEREENKOMST hebben aangegaan: I Afgezien van de Moersloot, zijnde de grens tusschen de provincie Groningen en Oostfriesland, waaromtrent eene bijzondere regeling blijft voorbehouden, wordt de afwatering der evengenoemde deelen van het Koningrijk Pruissen en van dat der Nederlanden geheel gescheiden, in dier voege dat Groningen voortaan uitsluitend op de grensrivier de Aa, Oostfriesland daarentegen uitsluitend naar de Eems zal afwateren. Dien ten gevolge wordt door Pruissen in de opruiming zoowel van de Krombeks- als van de zogenaamde Roode Pomp toegestemd, terwijl het Wijmeerster Zijldiep, zoowel als de afwatering van den Heinitz-polder, die tot nu toe in de Aa uitmondden, in den volgens § II te maken nieuwen Pruissischen polder en voorts daar doorheen naar de Eems geleid zullen worden. II In het belang zoowel van de Koninklijk Pruissische als van de Nederlandsche aanwassen of kwelders in den Dollard, verpligt zich de Staat der Nederlanden om, op zijn gebie"},{"i":9020,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Spanje inzake culturele en wetenschappelijke samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Spanje, de wens koesterende de vriendschappelijke betrekkingen tussen beide landen te versterken en te dien einde de samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur in de breedste zin des woords te ontwikkelen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen zullen het leggen van contacten en de samenwerking tussen organen en instellingen van onderwijs in hun respectieve landen bevorderen. Artikel II De Overeenkomstsluitende Partijen zullen de uitwisseling tussen hoogleraren, onderzoekers en studenten op basis van reciprociteit bevorderen. Artikel III Elk der Overeenkomstsluitende Partijen zal op basis van reciprociteit onderdanen van het andere land beurzen voor studie en onderzoek ter beschikking stellen. Artikel IV De Overeenkomstsluitende Partijen hechten groot belang aan het onderwijs van hun taal en cultuur in het andere land. Te dien einde zullen zij onder andere hun steun blijven verlenen aan het goed functioneren van de reeds bestaande leerstoelen en lectoraten, zullen zij welwillend de mogelijkheid onderzoeken deze steun te vergroten alsmede de wenselijkheid nieuwe leerstoelen en lectoraten in te stellen. De Overeenkomstsluitende Partijen staan welwillend, binnen de grenzen van het mogelijke, tegenover de oprichting en het instellen van culturele instituten in de meest brede zin des woords, op het grondgebied van de andere partij in overeenstemming met de wettelijke regelingen welke in elk land van kracht zijn. Artikel V De Overeenkomstsluitende Partijen zullen de uitwisseling van kennis en ervaring op onderwijsgebied op elk niveau bevorderen door uitwisseling van documentatie, door contacten tussen deskundigen en op andere wijze. Artikel VI De Overeenkomstsluitende Partijen zullen de toegang tot de eigen t"},{"i":9021,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden betreffende het wegvervoer De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Zweden, verlangende de akkoorden van Genève betreffende de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van het wegverkeer, opgesteld onder auspiciën van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, te bevestigen, verlangende de ontwikkeling van het wegvervoer van hun onderdanen in het kader van hun economische en culturele betrekkingen te bevorderen, besloten hebbende onderling een overeenkomst te sluiten met het doel de reeds bestaande faciliteiten te bevestigen en uit te breiden, zijn het volgende overeengekomen: Vervoer van personen Artikel 1 Elk der Overeenkomstsluitende Partijen verleent aan de wegvervoerondernemingen, gevestigd op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, de vrijheid om zonder enige vergunning en zonder enige voorafgaande formaliteit de volgende soorten van wegvervoer te verrichten: - a). internationaal vervoer van personen in gesloten rondritten welke vertrekken en eindigen in hetzelfde land; - b). internationaal vervoer van personen als groep in eenzelfde voertuig, gedurende een reis welke in een zeehaven, een luchthaven of een willekeurige plaats begint en welke een zeehaven, een luchthaven of een willekeurige plaats, gelegen op haar grondgebied, tot bestemming heeft, mits het voertuig dit grondgebied leeg verlaat, behoudens bijzondere vergunning; - c). transito-personenvervoer — met inbegrip van het vervoer in transito met lijndiensten — dat haar grondgebied doorkruist zonder dat er personen worden opgenomen of afgezet. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteiten van elk der beide Overeenkomstsluitende Partijen zullen de vergunningverlening waaraan de volgende soorten van internationaal wegvervoer zijn onderworpen liberaal toepassen: - a). lege binnenkomst op haar grondgebied van autobussen van de andere Overeenkomstsluitende Par"},{"i":9023,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Ottomaanse Rijk inzake de toelating van Turkse Consuls in de voornaamste havens der Nederlandse koloniën Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, de vriendschapsbanden die tusschen het Koningrijk der Nederlanden en het Ottomanische Rijk bestaan, wenschende toe te halen, en aan de handelsbetrekkingen, die zoo gelukkig tusschen de beide natien tot stand zijn gebragt, de meest mogelijke uitbreiding willende verzekeren, heeft, ten einde dat doel te bereiken en om te voldoen aan het verlangen, door de Regering van Zijne Keizerlijke Majesteit den Sultan te kennen gegeven, toegestemd in het toelaten van consuls der Verhevene Porte in de voornaamste havens der Nederlandsche kolonien, onder voorbehoud evenwel, deze vergunning tot het onderwerp te maken eener uitdrukkelijke overeenkomst, waarbij de regten, verpligtingen en vrijdommen dier consuls in de gezegde kolonien duidelijk en naauwkeurig worden omschreven. Te dien einde heeft Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden benoemd: Jonkheer Daniel Theodore Gevers van Endegeest, kommandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, kommandeur der orde van Wasa van Zweden, ridder der orde van St. Anna, 2de klasse, met diamanten, Hoogstdeszelfs Staatsraad en Minister van Buitenlandsche Zaken, en den heer Pieter Mijer, kommandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, Hoogstdeszelfs Minister van Kolonien; en Zijne Keizerlijke Majesteit de Sultan, Prins Constantijn Caradja, Staatsambtenaar van den eersten rang, Buitengewoon Gezant en Gevolmagtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, opgenomen in de Keizerlijke orde van de Migidiqié, 4de klasse, grootkruis der Koninklijke orde van Isabella la Catolica van Spanje, grootkruis der Guelphen orde van Hannover, groot-officier van het Legioen van Eer, commandeur der Koninklijke orde van St. Ferdinand van Napels, commandeur der Koninklijke orde van Burgerlijke Verdienste der Kroon van Beijeren; die, na elkander hun"},{"i":9024,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Prinsdom Monaco tot wederzijdse uitlevering van misdadigers Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en in Hoogstderzelver naam Hare Majesteit de Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk der Nederlanden, en Zijne Doorluchtige Hoogheid de Vorst van Monaco, in gemeenschappelijk overleg overeengekomen zijnde een nieuw verdrag te sluiten betreffende de uitlevering van misdadigers, hebben te dien einde tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk: de heeren Jonkheer JAN RÖELL, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, Minister van Buitenlandsche Zaken van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, en WILLEM VAN DER KAAY, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, Minister van Justitie van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; en Zijne Doorluchtige Hoogheid de Vorst van Monaco: den heer GERARD HENDRIK ARNAUD NICOLAAS RIETSTAP, ridder van HoogstDeszelfs orde van den Heiligen Karel, HoogstDeszelfs Consul-Generaal te 's Gravenhage; die, na elkander hunne volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de navolgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen En foi de quoi les plénipotentiaires respectifs ont signé la présente convention et y ont apposé leurs cachets. Fait, en double, à la Haye, le 26 Juin 1894. **(signé)** RÖELL. (L.-S.) **(signé)** RIETSTAP. (L.-S.) **(signé)** VAN DER KAAY. (L.-S.)"},{"i":9026,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Ierland betreffende culturele samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Ierland, verlangend de vriendschappelijke betrekkingen tussen hun beide landen te versterken en hiertoe de samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschap, onderzoek, cultuur en sociaal-culturele ontwikkeling in het algemeen te ontwikkelen, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de samenwerking tussen de organisaties en instellingen op het gebied van onderwijs (met inbegrip van kunst) en wetenschap. In het bijzonder ondersteunen zij, voor zover mogelijk en op basis van wederkerigheid: - (a). de samenwerking tussen universiteiten, instellingen voor hoger onderwijs en andere onderwijsinstellingen alsmede bezoeken van docenten en studenten; - (b). de samenwerking tussen wetenschappelijke instellingen en bezoeken van wetenschapsbeoefenaren en andere deskundigen; - (c). het toekennen van studiebeurzen en fellowships aan studenten en jonge onderzoekers; - (d). het bestuderen en het doceren van de talen, de literatuur en de cultuur van het andere land aan universiteiten, instellingen voor hoger onderwijs en andere onderwijsinstellingen en - (e). de uitwisseling van informatie en documentatie betreffende de ontwikkeling op het gebied van onderwijs, wetenschap en onderzoek in hun landen. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de samenwerking tussen de organisaties en instellingen op het gebied van cultuur en kunst alsmede tussen de personen die op deze gebieden werkzaam zijn. In het bijzonder ondersteunen zij, voor zover mogelijk en op basis van wederkerigheid: - (a). de contacten en de samenwerking tussen bibliotheken, archieven en musea, met inbegrip van kunstmusea; - (b). de bezoeken van personen die werkzaam zijn op het gebied van cultuur en kunst, met inbegrip van schrijvers, vertalers, componisten, architecten, scheppende en uitvoerende kunst"},{"i":9028,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Jamaica inzake technische samenwerking The Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of Jamaica; Reaffirming the friendly relations between the two States and their peoples; Desiring to promote technical cooperation, and to create for that purpose the necessary legal and administrative framework; Have agreed as follows: Article I 1. The aim of this Agreement shall be to promote technical cooperation and to create to that effect the legal and administrative framework for technical cooperation projects upon which the competent administrative authorities of the two Parties may decide for the purpose of implementing this Agreement. 2. A decision to cooperate as referred to in paragraph 1 above, the contributions to a project and the manner in which that project is to be implemented shall in each case be laid down in an administrative arrangement to be established by the two competent administrative authorities. Article II In connection with a project, the Government of Jamaica shall: - 1. - a). exempt the Netherlands personnel from all taxes and other fiscal charges in respect of all remunerations paid to them by the Netherlands Government; - b). exempt the Netherlands personnel from paying import and customs duties and other fiscal charges including VAT on new or used household and personal effects, imported into Jamaica within six months of the experts' arrival - except in special circumstances when that period may be extended - provided such goods are re-exported from Jamaica at the time of departure or within such period as may be agreed upon by the Government of Jamaica; this re-exportation shall also be exempted from duties and other fiscal charges; - c). exempt the Netherlands personnel from paying import and customs duties and other fiscal charges including VAT on professional equipment to be used for technical cooperation projects and imported into Jamaica during the whole period of the"},{"i":9030,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Litouwen, de Republiek Estland, de Republiek Letland en het Koninkrijk België inzake vervoer over de weg De Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Litouwen, de Republiek Estland, de Republiek Letland, het Koninkrijk België, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, de ontwikkeling te bevorderen van het vervoer van goederen en personen over de weg in, naar en vanuit hun landen en in doorvoer over hun grondgebieden, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Toepassingsgebied 1. De bepalingen van deze Overeenkomst zijn van toepassing op het vervoer van goederen en personen over de weg tegen betaling of voor eigen rekening tussen de Overeenkomstsluitende Partijen, in doorvoer over hun grondgebieden, naar of van derde landen, en op het vervoer van goederen en personen binnen het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij, hierna te noemen cabotage, verricht door vervoerders met voertuigen zoals omschreven in artikel 2. 2. De Overeenkomstsluitende Partijen waarborgen de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit tussen de Europese Gemeenschap en de Baltische Staten gesloten overeenkomsten. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen die lidstaat is van de Europese Gemeenschappen zal deze Overeenkomst toepassen in overeenstemming met haar verplichtingen ingevolge de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen zoals gewijzigd of aangevuld. 3. Elke Overeenkomstsluitende Partij die partij is bij het Verdrag tot instelling van de Belgisch-Nederlands-Luxemburgse Economische Unie zal deze Overeenkomst toepassen in overeenstemming met haar verplichtingen ingevolge dit Verdrag zoals gewijzigd of aangevuld. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - 1. „vervoerder\": een persoon (met inbegrip v"},{"i":9031,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Belgie, de Bondsrepubliek Duitsland, Spanje, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannie en Noord-Ierland betreffende het Airbus-programma De Regeringen van het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, Spanje, de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verlangend de Europese samenwerking op het gebied van de vliegtuigbouw verder te versterken; In overeenstemming met de hoofdlijnen van de Overeenkomst tussen de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van de Franse Republiek betreffende de ontwikkeling en de bouw van de Airbus A300B, getekend op 29 mei 1969 (de Overeenkomst van 1969); Gelet op de aanvullende Overeenkomsten, gesloten met de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, op 28 december 1970 (de Overeenkomst van 1970) en met de Regering van de Spaanse Staat op 23 december 1971 (de Overeenkomst van 1971) betreffende de Airbus A300B; In overeenstemming met de hoofdlijnen van de Overeenkomst, open gesteld voor ondertekening op 24 juli 1981 en ondertekend op 28 september 1981 (de Overeenkomst van 1981), tussen de Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en Spanje betreffende het Airbus-programma, Zijn de volgende Overeenkomst aangegaan: Artikel 1 1. De bepalingen van de Overeenkomsten van 1969 en 1971 (zoals geamendeerd door de bepalingen van de Overeenkomst van 1981) en de bepalingen van de Overeenkomst van 1970 blijven van kracht tussen die ondertekenende Regeringen van de onderhavige Overeenkomst die tevens ondertekenende Regeringen zijn van één der bovengenoemde Overeenkomsten, voorzover deze in de betrekkingen tussen de ondertekenende Regeringen van deze Overeenkomst niet zijn geamendeerd of vervangen door de bepalingen van de onderhavige Overeenkomst. 2. De Regering van het Koninkrijk"},{"i":9032,"b":"Overeenkomst tussen Nederland en Italië tot regeling van bepaalde kwesties welke voortvloeien uit de economische bepalingen van het Vredesverdrag tussen de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en Italië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Italiaanse Republiek, In het verlangen tot een definitieve vriendschappelijke regeling te geraken van kwesties welke nog hangende zijn tussen de beide landen en voortvloeien uit de economische bepalingen van het Vredesverdrag tussen de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en Italië, hetwelk, wat Nederland betreft, 17 Februari 1949 in werking is getreden, verklaren: de Nederlandse Regering, dat zij, met het oog op de hartelijke betrekkingen welke bestaan tussen Nederland en Italië, bereid is afstand te doen van bepaalde rechten, welke haar zijn verleend bij de artikelen 74 en 79 van het Vredesverdrag; de Italiaanse Regering, dat zij zo spoedig mogelijk, wat Nederland en de Nederlandse onderdanen betreft, zal zorgdragen voor de tenuitvoerlegging van de artikel 75 en 78 alsmede van de bijlagen XIV, XV, XVI en XVII van het Vredesverdrag; en dat zij het volgende overeenkomen: Artikel 1 De Italiaanse Regering verbindt zich, vóór 31 December 1951 de vorderingen, welke zijn ingediend door de Nederlandse Regering of door Nederlandse onderdanen, ingevolge de artikelen 75, 76, lid 2, tweede zin, en 78 van het Vredesverdrag, te onderzoeken en de Nederlandse Regering, binnen dezelfde termijn, kennis te geven van de vorderingen welke zijn aanvaard, en van die, welke geheel of gedeeltelijk door de Italiaanse Regering zijn afgewezen; in de laatste gevallen brengen de Italiaanse autoriteiten, door tussenkomst van het Gezantschap der Nederlanden te Rome, alle redenen, waarop haar beslissing is gegrond, ter kennis van belanghebbenden. Wat betreft de vorderingen, welke ingevolge art. 78 van het Vredesverdrag zullen worden ingediend na de ondertekening van deze Overeenkomst, zal de in het eerste lid van dit arti"},{"i":9033,"b":"Overeenkomst tussen zekere Lid-Staten van de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek en de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek inzake de uitvoering van een bijzonder TD-project De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, Spanje, de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat (hierna te noemen „de Regeringen”), Regeringen van Staten, partij bij het Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor ruimteonderzoek, voor ondertekening opengesteld te Parijs op 14 juni 1962 (hierna te noemen „het Verdrag”) en de Europese Organisatie voor ruimteonderzoek (hierna te noemen „de Organisatie”), Overwegende, dat het noodzakelijk is het ontwerpen, ontwikkelen, construeren en in een baan om de aarde brengen van een TD-satelliet ter hand te nemen; Overwegende, dat de uitvoering van een zodanig project, waarmede reeds een aanvang is gemaakt binnen het kader van het normale programma der Organisatie, niet in dat kader kan worden voortgezet; Overwegende, dat dit project moet worden beschouwd als een Bijzonder Project in de zin van artikel VIII van het Verdrag; Gelet op de Verklaring van 9 oktober 1968 van de vertegenwoordigers van de hierboven genoemde Regeringen in de Raad van de Organisatie; Gelet op de door de Raad van de Organisatie tijdens zijn 25ste zitting aanvaarde Resolutie No. ESRO/C/XXV/Res. 3.2(b); Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Overeenkomstig het bepaalde in artikel VIII van het Verdrag, verleent de Organisatie aan de Regeringen bijstand en stelt zij haar installaties ter beschikking voor het ontwerpen, ontwikkelen, construeren en in een baan om de aarde brengen van een TD-satelliet, waarin de voornaamste kenmerken zijn verwerkt van de opdracht van de TD-1 satelliet, die voordien deel uitmaakte van het programma van de Organisatie (hierna te noemen „het Bijzondere Project”). Ov"},{"i":9035,"b":"Overeenkomst van Madrid betreffende de internationale inschrijving van fabrieks- of handelsmerken Artikel 1 (1). De landen, voor welke deze Overeenkomst geldt, vormen een bijzondere Unie voor de internationale inschrijving van merken. (2). De onderdanen van elk der Overeenkomstsluitende landen zullen zich in al de andere landen, die bij deze Overeenkomst partij zijn, de bescherming kunnen verzekeren van hun in het land van oorsprong ingeschreven merken voor waren of diensten, door middel van het depot van genoemde merken bij het Internationaal Bureau voor de bescherming van de industriële eigendom, gedaan door de tussenkomst van de Administratie van genoemd land van oorsprong. (3). Als land van oorsprong zal beschouwd worden het land van de bijzondere Unie, waar de inzender een daadwerkelijke en wezenlijke inrichting van nijverheid of handel heeft; indien hij een dergelijke inrichting niet heeft in een land van de bijzondere Unie, het land van de bijzondere Unie, waar hij zijn woonplaats heeft; indien hij geen woonplaats heeft in de bijzondere Unie, het land van zijn nationaliteit in het geval hij onderdaan is van een land van de bijzondere Unie. Artikel 2 Met de onderdanen van de Overeenkomstsluitende landen worden gelijkgesteld de onderdanen der niet tot deze Overeenkomst toegetreden landen, die, op het grondgebied van de door deze gevormde bijzondere Unie, voldoen aan de voorwaarden, vastgesteld bij [artikel 3 van de Internationale Overeenkomst van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004120&artikel=3). Artikel 3 (1). Iedere aanvrage voor internationale inschrijving zal moeten worden aangeboden op het formulier, voorgeschreven door het reglement van uitvoering; de Administratie van het land van oorsprong van het merk zal de verklaring afgeven, dat de aanduidingen, die op dat aanvraagformulier voorkomen, overeenstemmen met die van het nationale register en zal de data en de nummers van het depot en van de ins"},{"i":9040,"b":"Overeenkomst van Straatsburg van 24 maart 1971 betreffende de internationale classificatie van octrooien De Overeenkomstsluitende Partijen, Overwegende dat de aanvaarding door de gehele wereld van een eenvormig stelsel voor de classificatie van octrooien, uitvinderscertificaten, gebruiksmodellen en gebruikscertificaten in het algemeen belang is en op het gebied van de industriële eigendom een nauwere internationale samenwerking tot stand kan brengen en de harmonisatie van de nationale rechtsstelsels kan bevorderen, Het belang erkennend van het Europees Verdrag betreffende de internationale classificatie van octrooien van 19 december 1954, waarbij de Raad van Europa de internationale classificatie van octrooien heeft ingesteld, Gezien de algemene waarde van deze classificatie en het belang dat zij heeft voor alle landen die partij zijn bij het [Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004120), Zich bewust van het belang dat deze classificatie vertegenwoordigt voor de ontwikkelingslanden, doordat zij deze de toegang tot de steeds in omvang toenemende moderne technologie vergemakkelijkt, Gelet op [artikel 19 van het Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, herzien te Brussel op 14 december 1900, te Washington op 2 juni 1911, te ’s-Gravenhage op 6 november 1925, te Londen op 2 juni 1934, te Lissabon op 31 oktober 1958 en te Stockholm op 14 juli 1967](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004120&artikel=19), Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Oprichting van een Bijzondere Unie Aanvaarding van een internationale classificatie De landen waarvoor deze Overeenkomst geldt vormen een bijzondere Unie en aanvaarden een gemeenschappelijke classificatie voor octrooien, uitvinderscertificaten, gebruiksmodellen en gebruikscertificaten, „internationale classificatie van octrooien” genaamd (hierna te noemen „classificatie”). Artikel 2. Omschrijving van de classificatie -"},{"i":9041,"b":"Overeenkomst van Wenen tot instelling van een internationale classificatie van beeldbestanddelen van merken De Overeenkomstsluitende Partijen, Gelet op [artikel 19 van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, van 20 maart 1883, herzien te Brussel op 14 december 1900, te Washington op 2 juni 1911, te ’s-Gravenhage op 6 november 1925, te Londen op 2 juni 1934, te Lissabon op 31 oktober 1958 en te Stockholm op 14 juli 1967](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004120&artikel=19), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Oprichting van een bijzondere Unie; vaststelling van een internationale classificatie De landen waarvoor deze Overeenkomst geldt vormen een bijzondere Unie en aanvaarden een gemeenschappelijke classificatie van beeldbestanddelen van merken (hierna te noemen „classificatie van beeldbestanddelen”). Artikel 2. Omschrijving en nederlegging van de classificatie van beeldbestanddelen 1. De classificatie van beeldbestanddelen omvat een lijst van categorieën, afdelingen en onderafdelingen waarin de beeldbestanddelen van merken worden gerangschikt, eventueel vergezeld van toelichtingen. 2. Deze classificatie is vervat in een authentiek exemplaar in de Engelse en de Franse taal, dat is ondertekend door de Directeur-Generaal van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (hierna te noemen respectievelijk „Directeur-Generaal” en „Organisatie”) en dat bij hem wordt nedergelegd op het tijdstip waarop deze Overeenkomst voor ondertekening wordt opengesteld. 3. De wijzigingen en aanvullingen bedoeld in artikel 5, derde lid, onder i, zijn eveneens vervat in een authentiek exemplaar in de Engelse en de Franse taal, dat wordt ondertekend door de Directeur-Generaal en dat bij hem wordt nedergelegd. Artikel 3. Talen van de classificatie van beeldbestanddelen 1. De classificatie van beeldbestanddelen wordt opgesteld in de Engelse en de Franse taal, waarbij beide teksten gelijkelijk authentiek zijn. 2. Het Internationale Bureau van d"},{"i":9042,"b":"Overeenkomst voor de vervolging en bestraffing van de grote oorlogsmisdadigers van de Europese As Londen, 8 Augustus 1945. Aangezien de Vereenigde Naties van tijd tot tijd verklaringen hebben afgelegd omtrent haar bedoeling, dat oorlogsmisdadigers zullen worden berecht; En aangezien de Verklaring van Moskou van 30 October 1943 met betrekking tot Duitsche wreedheden in bezet Europa bepaalde, dat die Duitsche officieren en manschappen en leden van de Nazi-partij, die verantwoordelijk zijn geweest voor of door hun toestemming te geven hebben deelgenomen aan wreedheden en misdrijven, zullen worden teruggezonden naar de landen, waar hun afschuwelijke daden werden verricht, opdat zij overeenkomstig de wetten van deze bevrijde landen en van de vrije Regeeringen, die aldaar zullen worden opgericht, zullen worden berecht en gestraft; En aangezien vastgesteld werd, dat deze Verklaring geen inbreuk zou maken op de zaak van de groote misdadigers, wier misdrijven niet aan een bijzondere aardrijkskundige plaats gebonden zijn en die gestraft zullen worden door de gezamenlijke beslissing van de Regeeringen van de Geallieerden; Zoo is het, dat de Regeering van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Regeering van de Vereenigde Staten van Amerika, de Voorloopige Regeering van de Fransche Republiek en de Regeering van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken (hieronder genoemd „de Onderteekenaars”), die in het belang van alle Vereenigde Naties handelen, door tusschenkomst van hun van behoorlijke volmachten voorziene vertegenwoordigers, deze Overeenkomst hebben gesloten. Artikel 1 Er zal na overleg met den Raad van Toezicht voor Duitschland een Internationale Militaire Rechtbank worden ingesteld voor de berechting van oorlogsmisdadigers, wier misdrijven niet aan een bijzondere aardrijkskundige plaats gebonden zijn, hetzij zij beschuldigd worden individueel, hetzij in hun hoedanigheid van leden van organisaties of groepen of wel in beide hoedanigheden. Art"},{"i":9043,"b":"Overeenkomst voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden De Europese Gemeenschap, Het Koninkrijk België, De Republiek Tsjechië, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, Ierland, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, De Republiek Hongarije, De Republiek Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, De Republiek Slovenië, De Republiek Slowakije, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland enerzijds, en De Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, hierna de „overeenkomstsluitende partijen” genoemd, Gelet op de nauwe betrekkingen tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, Geleid door de wens fraude en andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de overeenkomstsluitende partijen schaden doeltreffend te bestrijden, Gelet op de noodzaak om de administratieve bijstand op deze gebieden te versterken, Ervan overtuigd dat wederzijdse rechtshulp, met inbegrip van huiszoekingen en inbeslagneming van voorwerpen, moet worden verstrekt – ook voor alle gevallen van smokkel en ontduiking van indirecte belastingen, met name de belasting over de toegevoegde waarde, douanerechten en accijnzen, Erkennende het belang van de bestrijding van het witwassen van geld, Hebben besloten de volgende overeenkomst te sluiten: De Overeenkomst wordt voorlopig toegepast in de verhouding met Zwitserland. TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Voorwerp Voorwerp van deze overeenkomst is de uitbreiding van de administratieve bijstand en de wederzijdse rechtshulp in s"},{"i":9044,"b":"Overeenkomst voor technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Guatemala De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Guatemala, teneinde de vriendschappelijke betrekkingen tussen beide landen en hun bevolking te versterken, vanuit hun wens de technische samenwerking te bevorderen en hiervoor een juridisch en bestuurlijk kader te scheppen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel I 1. Het doel van deze Overeenkomst is het bevorderen van de technische samenwerking tussen beide landen en het in dat kader scheppen van een juridisch en bestuurlijk kader voor samenwerkingsprojecten waarover beide bevoegde bestuurlijke autoriteiten van beide Partijen overeenstemming bereiken. 2. De beslissing tot samenwerking zoals bedoeld in lid 1 van dit Artikel, de bijdragen aan een project en de wijze waarop elk project zal worden uitgevoerd, zullen per geval apart worden vastgesteld door middel van een administratief akkoord tussen genoemde bevoegde autoriteiten. Artikel II 1. Met betrekking tot de overeengekomen projecten, zal de Regering van de Republiek Guatemala het Nederlandse personeel, mits niet van Guatemalteekse nationaliteit, dat wordt ingezet als medewerker, deskundige of technicus voor de projecten, de volgende behandeling verlenen: - a. het Nederlandse personeel zal worden vrijgesteld van alle belastingen en andere fiscale heffingen, op vergoedingen die zij betaald krijgen van de Nederlandse Regering; - b. het Nederlandse personeel zal worden vrijgesteld van douanerechten en andere fiscale heffingen, waaronder BTW, op nieuwe of gebruikte huisraad en persoonlijke bezittingen die in één of meerdere verschepingen naar Guatemala worden geïmporteerd binnen zes maanden na de eerste aankomst van het personeel in Guatemala. Deze periode kan, indien de Regering van de Republiek Guatemala daartoe besluit, onder speciale omstandigheden worden verlengd met maximaal zes maanden. In ieder geval moeten deze bezittingen"},{"i":9051,"b":"Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds Preambule Gelet op het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) enerzijds, en de Overeenkomst van Georgetown tot oprichting van de groep van Staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, anderzijds; Vastbesloten samen te werken teneinde de doeleinden van uitroeiing van de armoede, duurzame ontwikkeling en geleidelijke integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie te verwezenlijken; Vastbesloten door middel van hun samenwerking een aanmerkelijke bijdrage te leveren tot de economische, sociale en culturele ontwikkeling van de ACS-staten en tot lotsverbetering van hun volkeren, door hen te helpen de uitdaging van de globalisering het hoofd te bieden en het partnerschap tussen ACS en EU te intensiveren, teneinde de sociale dimensie van het globaliseringsproces te versterken; Opnieuw bevestigende dat zij hun bijzondere betrekkingen een nieuw elan wensen te geven en ter versterking van hun partnerschap een brede geïntegreerde benadering tot stand wensen te brengen, gebaseerd op politieke dialoog, ontwikkelingssamenwerking en economische en handelsbetrekkingen; Erkennende dat een politiek klimaat dat vrede, veiligheid en stabiliteit, eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat en goed bestuur waarborgt, een integrerend onderdeel van de ontwikkeling op lange termijn dient te zijn; erkennende dat de verantwoordelijkheid voor de totstandbrenging van een dergelijk klimaat allereerst berust bij de betrokken landen; Erkennende dat een gezond en duurzaam economisch beleid een essentiële voorwaarde is voor ontwikkeling; Verwijzende naar de beginselen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en herinnerende aan de [Universele Verklar"},{"i":9052,"b":"Procedureregeling parlementaire instemming Verdrag van Lissabon (het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) In de Goedkeuringswet van het Verdrag van Lissabon (Stb. 2008, 301) is de bepaling opgenomen dat ontwerp-besluiten voortvloeiend uit de artikelen 77, derde lid, 87, derde lid, en 89 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie terstond aan de Staten-Generaal worden voorgelegd, voordat daarover besluitvorming plaatsvindt door de Raad. Dit betreft ook artikel 81, lid 3 van genoemd Verdrag, voorzover het niet gaat om de tweede alinea van dat lid. Instemming van beide Kamers der Staten-Generaal is vereist voordat de vertegenwoordiger van het Koninkrijk zijn medewerking kan verlenen aan de totstandkoming van een besluit (van de Raad). Stilzwijgende instemming is verleend indien niet binnen vijftien dagen na overlegging van het ontwerp-besluit door of namens een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het ontwerp-besluit de uitdrukkelijke instemming behoeft. Hierop is de volgende procedure gebaseerd:"},{"i":9053,"b":"Procedureregeling van de Kamer van Beroep van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (van 23 november 2006) Overeenkomstig artikel 45ter van de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868, zoals laatstelijk gewijzigd op 20 november 1963, stelt de Centrale Commissie voor de Rijnvaart de onderstaande procedureregeling van de Kamer van Beroep vast: I. Algemene bepalingen 1. Organisatie van de Kamer van Beroep Artikel 1 De Kamer is samengesteld uit door de Centrale Commissie aangewezen rechters en plaatsvervangende rechters. De plaatsvervangende rechters hebben alleen dan zitting in de Kamer wanneer zij rechters vervangen in geval van verhindering, wraking of vacature. Artikel 2 Overeenkomstig artikel 45bis van de Herziene Rijnvaartakte kiest de Kamer zijn voorzitter en zijn vice-voorzitter. De vice-voorzitter neemt het voorzitterschap waar in geval van verhindering of wraking van de voorzitter of ingeval de voorzittersfunctie vacant is. Bij de verkiezing van de voorzitter en de vice-voorzitter geldt als gekozen de rechter die de meerderheid der uitgebrachte stemmen heeft verkregen; hierbij dienen tenminste drie rechters of plaatsvervangende rechters aanwezig te zijn. Bij staking van stemmen geldt als gekozen de oudste in jaren van de rechters op wie hetzelfde aantal stemmen is uitgebracht. In geval van verhindering of wraking van de voorzitter en van de vice-voorzitter of ingeval de twee functies gelijktijdig vacant zijn wordt het voorzitterschap waargenomen door de rechter met het hoogste aantal dienstjaren en, bij een gelijk aantal dienstjaren, door de oudste in jaren. Artikel 3 Wanneer een rechter overeenkomstig artikel 45bis van de Herziene Rijnvaartakte geen zitting kan hebben in een zaak omdat hij reeds eerder in een andere hoedanigheid kennis daarvan heeft moeten nemen of wanneer hijzelf meent zich te moeten wraken, stelt hij de voorzitter hiervan in kennis. Wanneer deze meent dat de wraking ongegrond is onderwerpt hij deze aan het besluit van de Kamer. Indien e"},{"i":9055,"b":"Protocol 2, gehecht aan de Universele Auteursrecht-Conventie, zoals herzien te Parijs op 24 juli 1971, inzake de toepassing van de Conventie op werken van bepaalde internationale organisaties De Staten, die partij zijn bij de [Universele Auteursrecht-Conventie herzien te Parijs op 24 juli 1971](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003491) (hierna te noemen „de Conventie van 1971”) en ook partij zijn bij dit Protocol, Zijn het volgende overeengekomen: 1 - (a). De bescherming, bedoeld in het [eerste lid van artikel II van de Conventie van 1971](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003491&artikel=II), is van toepassing op werken, welke voor het eerst gepubliceerd zijn door de Verenigde Naties, door de daarmede verbonden gespecialiseerde organisaties of door de Organisatie van Amerikaanse Staten. - (b). Het [tweede lid van artikel II van de Conventie van 1971](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003491&artikel=II) is eveneens van toepassing op bovengenoemde organisaties. 2 - (a). Dit Protocol zal worden ondertekend en moet worden bekrachtigd of aanvaard door de ondertekenende Staten; toetreding is mogelijk, overeenkomstig de bepalingen van [artikel VIII van de Conventie van 1971](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003491&artikel=VIII). - (b). Dit Protocol treedt voor iedere Staat in werking op de datum van de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding door de betrokken Staat, mits deze Staat reeds partij is bij de [Conventie van 1971](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003491). IN FAITH WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Protocol. DONE at Paris, this twenty-fourth day of July 1971, in the English, French and Spanish languages, the three texts being equally authoritative, in a single copy which shall be deposited with the Director-General of the United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization. The Director-General shall send certified copies to the signatory States,"},{"i":9056,"b":"Protocol 22, zijnde een aanvullend protocol bij Protocol 43 van 14 december 1922 Straatsburg, 22 december 1923. De ondergetekenden, leden der Commissie, zijn overeengekomen te verklaren, dat de bepalingen voorkomende in het Verdrag van 14 december 1922 met de interpretatieve verklaringen opgenomen in Protocol 27 van de eerste zitting van 19232)Uittreksel uit de Resolutie van Protocol 27-I-1923.„Het is wel verstaan dat, wat betreft de patenten, de kwalificatie „lid van de bemanning (scheepsjongen uitgesloten)” (Protocol 44 - artikel 1) slechts toepasselijk is op hen, die in het bezit zijn van een certificaat van nautische bekwaamheid en geschiktheid tot bevelvoering, en op de varensgezellen, die gedurende tenminste twee jaar gevaren hebben op zee of op een rivier, en dat de uitdrukking „de gehele Rijn” in artikel 2 van Protocol 43 slechts toepasselijk is op het riviergedeelte, bedoeld in artikel 1.De Commissie is van oordeel, dat de term „chaland” in artikel 1 van Protocol 44 betrekking moet hebben op alle vaartuigen, die niet voorzien zijn van mechanische middelen van voortbeweging en behoudt zich het recht voor bij voorkomende gelegenheid tot herstel van deze materiële onjuistheid over te gaan.”voorlopig zullen worden toegepast tot de algemene herziening van de Akte van Mannheim van 17 oktober 1868 en dat op zijn laatst na het verstrijken van een termijn van twee jaar na het in werking stellen van het onderhavige Verdrag deze bepalingen aan een hernieuwd onderzoek zullen worden onderworpen, aan de hand van de ondervinding die terzake gedurende die tijd is opgedaan. In de tussentijd zullen de Commissarissen der Verdragsluitende Staten aan de Commissie alle terzake dienstige inlichtingen verschaffen nopens de toepassing van genoemde bepalingen en de gevolgen welke die toepassing heeft gehad voor de Rijnvaart. Voorts is het wel verstaan dat, in afwijking van de bepaling van artikel 1 van het Verdrag, gedurende bovengenoemde termijn de onderhavige bepalingen toepasseli"},{"i":9057,"b":"Protocol 3, gehecht aan de Universele Auteursrecht-Conventie, inzake voorwaardelijke bekrachtiging, aanvaarding of toetreding De Staten, die partij zijn bij dit Protocol, Overwegende, dat de toepassing van de [Universele Auteursrecht-Conventie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005162) (hierna te noemen de „Conventie”) op de Staten, die bij de verschillende bestaande stelsels van internationale auteursrechtbescherming partij zijn, de waarde dier Conventie belangrijk zou verhogen, Zijn het volgende overeengekomen: IN FAITH WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Protocol. DONE at Geneva, the sixth day of September 1952, in the English, French and Spanish languages, the three texts being equally authoritative, in a single copy which shall be annexed to the original copy of the Convention. The Director-General shall send certified copies to the signatory States, to the Swiss Federal council, and to the Secretary-General of the United Nations for registration."},{"i":9059,"b":"Protocol betreffende commerciële en economische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en Canada De Commissie van de Europese Gemeenschappen, namens de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, en De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Koninkrijk Denemarken, De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, De Regering van de Franse Republiek, De Regering van Ierland, De Regering van de Italiaanse Republiek, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, De Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, enerzijds, De Regering van Canada, anderzijds, Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: Artikel 1 De bepalingen van de artikelen I tot en met V van de kaderovereenkomst voor commerciële en economische samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en Canada, die op 6 juli 1976 te Ottawa is ondertekend, zijn eveneens van toepassing op de vraagstukken die onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallen. Artikel 2 Dit Protocol is van toepassing, enerzijds op het grondgebied van Canada en, anderzijds, op de gebieden waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, onder de in dat Verdrag neergelegde voorwaarden geldt. Artikel 3 Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de overeenkomstsluitende partijen elkaar kennis hebben gegeven van de voltooiing van de daartoe vereiste procedures. Het houdt op van toepassing te zijn indien de kaderovereenkomst, waarnaar in artikel 1 wordt verwezen, wordt opgezegd. Artikel 4 Dit Protocol is opgesteld in twee exemplaren in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. GEDAAN te Brussel, de zesentwintigste juli negentienhonderd zesenzeventig."},{"i":9062,"b":"Protocol betreffende de toetreding van Nederland tot de wijzigingen, welke door het Verdrag van Versailles zijn aangebracht in de Conventie van Mannheim van 1868 De ondergetekende Gedelegeerden der Regeringen van België, Frankrijk, Groot-Britannië en Italië, handelende in overeenstemming met het besluit van de Opperste Raad der Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden van 2 oktober 1919, hetwelk bepaalt: „Dat de Voorzitter van de Vredesconferentie de Nederlandse Regering zal uitnodigen deel te nemen aan de onderhandelingen, voorzien in artikel 354 van het Verdrag met Duitsland aangaande de wijzigingen aan te brengen in de [Conventie van Mannheim van 1868](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363); „Dat die onderhandelingen onder de auspiciën van de Opperste Raad zullen plaats hebben tussen de betrokken Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden, die volgens de bepalingen van artikel 335 vertegenwoordigd zullen zijn in de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, en de Regering van Nederland”, Zijn bijeengekomen te Parijs de 20ste maart en de 16de en 17de april 1920 met de ondergetekende Gedelegeerden van de Regering van Nederland, teneinde te geraken tot de overeenstemming, voorzien in het laatste lid van artikel 354 van het Verdrag van Versailles van 28 juni 1919, met betrekking tot de toepassing der bepalingen van dat Verdrag aangaande het Rijnrégime. Deze Gedelegeerden zijn tot overeenstemming gekomen omtrent de volgende punten: De Franse tekst van het Protocol is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. 1923/332. De vertaling is gepubliceerd in Stb. 1923/456. FAIT à Paris, le vingt et un janvier 1921, en six exemplaires."},{"i":9067,"b":"Protocol betreffende registers inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen De Partijen bij dit Protocol, Herinnerend aan [artikel 5, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001700&artikel=5), en [artikel 10, tweede lid, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001700&artikel=10) van 1998 (het Verdrag van Aarhus), Erkennend dat registers inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen een belangrijk mechanisme bieden voor vergroting van de verantwoordelijkheid van bedrijven, terugdringing van vervuiling en bevordering van duurzame ontwikkeling, zoals gesteld in de Verklaring van Lucca, die tijdens de eerste vergadering van de Partijen bij het [Verdrag van Aarhus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001700) is aangenomen, Gelet op beginsel 10 van de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling van 1992, Tevens gelet op de beginselen en verplichtingen overeengekomen tijdens de Conferentie van de Verenigde Naties over Milieu en Ontwikkeling van 1992, met name de bepalingen van hoofdstuk 19 van Agenda 21, Gelet op het Programma inzake de verdere implementatie van Agenda 21, in 1997 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties tijdens de negentiende speciale zitting, waarin zij opriep tot, onder andere, meer nationale capaciteit en mogelijkheden voor het verzamelen, verwerken en verspreiden van informatie, teneinde toegang van de burgers tot informatie over wereldwijde milieukwesties te vergemakkelijken met behulp van passende middelen, Gelet op het implementatieplan van de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling van 2002, waarin de ontwikkeling wordt aangemoedigd van samenhangende, geïntegreerde informatie over chemische stoffen, bijvoorbeeld door middel van registers inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen, Rekening houdend met het werk v"},{"i":9068,"b":"Protocol betreffende samenwerking ter bestrijding van olielozingen in het Caraïbisch gebied De Verdragsluitende Partijen bij dit Protocol, Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002733), gedaan te Cartagena de Indias op 24 maart 1983, Zich ervan bewust dat de werkzaamheden ter exploratie, produktie en raffinage van olie, alsmede het daarmede samenhangende vervoer over zee, een dreiging van aanzienlijke olielozingen in het Caraïbisch gebied inhouden, In het besef dat de eilanden van het gebied, gezien de broosheid van hun ecosystemen en de economische afhankelijkheid van enkele van hen van het voortdurend gebruik van hun kustgebieden, bijzonder kwetsbaar zijn voor uit aanzienlijke verontreiniging door olie voortvloeiende schade, Erkennend dat, in het geval van olielozing of de dreiging daarvan, onverwijld en doeltreffend dient te worden opgetreden, aanvankelijk op nationaal niveau, ten einde activiteiten, gericht op de voorkoming, de vermindering en de opruiming van de verontreiniging, te organiseren en te coördineren, Voorts het belang erkennend van een goede voorbereiding en samenwerking en van wederzijdse bijstand ten einde doeltreffend te kunnen optreden bij olielozingen of de dreiging daarvan, Vastbesloten door het nemen van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van uit olielozingen voortvloeiende verontreiniging, schade aan het mariene milieu, met inbegrip van de kustgebieden, van het Caraïbisch gebied af te wenden, Zijn als volgt overeengekomen: Inwerkingtreding voorheen door Trb. 1986, 195 gesteld op 30 maart 1986. Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Protocol: - 1. betekent «Caraïbisch gebied» het Verdragsgebied zoals omschreven in [artikel 2 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002733&artikel=2), en de aangrenzende kustgebieden. - 2. betekent «[Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":9071,"b":"Protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](onbekend) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](onbekend), hierna de „lidstaten” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd, enerzijds, alsmede de Republiek Tunesië, hierna „Tunesië” genoemd, anderzijds, voor de toepassing van dit protocol hierna gezamenlijk „de overeenkomstsluitende partijen” genoemd, overwegende dat de [Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001300), hierna „de overeenkomst” genoemd, op 17 juli 1995 in Brussel werd ondertekend en op 1 maart 1998 in werking is getreden; overwegende dat het [Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005638) op 9 december 2011 in Brussel werd ondertekend en op 1 juli 2013 in werking is get"},{"i":9072,"b":"Protocol bij de Europees-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Konininkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de lidstaten” genoemd, en De Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd, enerzijds, en De Arabische Republiek Egypte, hierna „Egypte” genoemd, anderzijds, voor de toepassing van dit protocol hierna gezamenlijk „de overeenkomstsluitende partijen” genoemd, Overwegende hetgeen volgt: De [Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001607) („de overeenkomst”), is op 25 juni 2001 in Luxemburg ondertekend en op 1 juni 2004 in werking getreden. Het [Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005638) is op 9 december 2011 in Brus"},{"i":9077,"b":"Protocol bij de Overeenkomst inzake de invoer van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard The contracting States parties to the Agreement on the Importation of Educational, Scientific and Cultural Materials, adopted by the General Conference of the United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization at its fifth session held in Florence in 1950, Reaffirming the principles on which the Agreement, hereinaftercalled “the Agreement”, is based, Considering that this Agreement has proved to be an effective instrument in lowering customs barriers and reducing other economic restrictions that impede the exchange of ideas and knowledge, Considering, nevertheless, that in the quarter of a century following the adoption of the Agreement, technical progress has changed the ways and means of transmitting information and knowledge, which is the fundamental objective of that Agreement, Considering, further, that the developments that have taken place in the field of international trade during this period have, in general, been reflected in greater freedom of exchanges, Considering that since the adoption of the Agreement, the international situation has changed radically owing to the development of the international community, in particular through the accession of many States to independence, Considering that the needs and concerns of the developing countries should be taken into consideration, with a view to giving them easier and less costly access to education, science, technology and culture, Recalling the provisions of the Convention on the means of prohibiting and preventing the illicit import, export and transfer of ownership of cultural property, adopted by the General Conference of UNESCO in 1970, and those of the Convention concerning the protection of the world cultural and natural heritage, adopted by the General Conference in 1972, Recalling, moreover, the customs conventions concluded under the auspices of the Customs Co-operat"},{"i":9079,"b":"Protocol bij de Overeenkomst inzake Partnerschap en Samenwerking waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507), het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033), hierna „de lidstaten” genoemd, De Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd, en De Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en De Russische Federatie, anderzijds, hierna samen „de partijen” genoemd, Overwegende dat de [Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001261), anderzijds, hierna „de overeenkomst” genoemd, op 24 juni 1994 te Corfu is ondertekend; Overwegende dat het [Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005638) op 9 december 201"},{"i":9081,"b":"Protocol bij de Overeenkomst tot instelling van samenwerking en een douane-unie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek San Marino naar aanleiding van de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland, De President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, De President van de Franse Republiek, De President van Ierland, De President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, De Federale President van de Republiek Oostenrijk, De President van de Portugese Republiek, De President van de Republiek Finland, De Regering van het Koninkrijk Zweden, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, wier staten partij zijn bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), en De Raad van de Europese Unie, enerzijds, en De Regering van de Republiek San Marino, anderzijds, Gelet op de op 16 december 1991 te Brussel ondertekende [Overeenkomst tot instelling van samenwerking en een douane-unie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek San Marino](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002917), hierna „de Overeenkomst” genoemd, Overwegende dat de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden op 1 januari 1995 tot de Europese Unie zijn toegetreden, Hebben overeenstemming bereikt omtrent hetgeen volgt: Artikel 1 De Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden worden partij bij de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002917). Artikel 2 De aan dit Protocol gehechte in de Finse en de Zweedse taal gestelde teksten van de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002917) zijn geli"},{"i":9083,"b":"Protocol bij de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, en Oekraïne, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de PSO Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, Ierland, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, De Republiek Hongarije, De Republiek Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten’’ genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor atoomenergie, hierna „de Gemeenschappen’’ genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie, enerzijds, en Oekraïne anderzijds, voor de toepassing van dit protocol hierna „de Partijen’’ genoemd, Gelet op de bepalingen van het Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (lidstaten van de Europese Unie), en de Republiek Bulgarije en Roemenië betreffende de t"},{"i":9084,"b":"Protocol bij de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „de Gemeenschappen” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, hierna voor de toepassing van dit protocol „de partijen” genoemd, Gelet op de bepalingen van het [Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (lidstaten van de E"},{"i":9085,"b":"Protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507), het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033), hierna „de lidstaten” genoemd, De Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd, en De Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Kirgizische Republiek anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, Overwegende dat de [Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001309) (hierna „de overeenkomst” genoemd), op 9 februari 1995 te Brussel is ondertekend; Overwegende dat het [Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Uni](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005638)e op 9 december 2011 te"},{"i":9087,"b":"Protocol bij de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Syrische Arabische Republiek in verband met de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Gemeenschap Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, de President van de Franse Republiek, de President van Ierland, de President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, de President van de Portugese Republiek, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, waarvan de Staten overeenkomstsluitende partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en de Raad van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en de Regering van de Syrische Arabische Republiek, anderzijds, Gelet op de op 18 januari 1977 te Brussel ondertekende Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Syrische Arabische Republiek, hierna „de overeenkomst” genoemd, Overwegende dat het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek op 1 januari 1986 tot de Europese Gemeenschappen zijn toegetreden, Hebben besloten in gemeenschappelijk overleg de aanpassingen en de overgangsmaatregelen vast te stellen die in verband met de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap in de overeenkomst moeten worden aangebracht, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Philippe de Schoutheete de Tervarent, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur; Hare Majesteit de Koningin van Denemarken: Jakob Esper Larsen, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur; de President van de Bondsrepubliek Duitsland: Werner Ungerer, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur;"},{"i":9091,"b":"Protocol bij het Noord-Atlantisch Verdrag betreffende de toetreding van de Bondsrepubliek Duitsland De Partijen bij het op 4 April 1949 te Washington ondertekende Noord-Atlantisch Verdrag, Ervan overtuigd, dat de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied door de toetreding van de Bondsrepubliek Duitsland tot dat Verdrag verhoogd zal worden, en Ervan kennis genomen hebbende dat de Bondsrepubliek Duitsland door middel van een verklaring, gedateerd 3 October 1954, de in artikel 2 van het Handvest der Verenigde Naties uiteengezette verplichtingen heeft aanvaard en zich heeft verbonden, bij haar toetreding tot het Noord-Atlantisch Verdrag, zich van elk optreden dat onverenigbaar is met het strikt defensief karakter van dat Verdrag, te onthouden, en Er tevens kennis van hebbende genomen dat alle Regeringen der staten-leden zich hebben aangesloten bij de eveneens op 3 October 1954 door de Regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Franse Republiek afgelegde verklaring, welke verband hield met de bovengenoemde verklaring van de Regering der Bondsrepubliek Duitsland, Komen als volgt overeen: Artikel I Bij de inwerkingtreding van dit Protocol zal de Regering der Verenigde Staten van Amerika uit naam van alle Partijen aan de Regering der Bondsrepubliek Duitsland een uitnodiging doen toekomen, tot het Noord-Atlantisch Verdrag toe te treden. Daarna wordt de Bondsrepubliek Duitsland partij bij dat Verdrag op de dag waarop zij bij de Regering der Verenigde Staten van Amerika haar akte van toetreding nederlegt in overeenstemming met artikel 10 van dat Verdrag. Artikel II Dit Protocol treedt in werking wanneer **(a)** elk der Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag aan de Regering der Verenigde Staten van Amerika mededeling heeft gedaan dat zij het Protocol aanvaardt, **(b)** alle akten van bekrachtiging van het Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel bij de Belgische Regering zijn ne"},{"i":9110,"b":"Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad Preambule De Staten die partij zijn bij dit Protocol, Verklarend dat doeltreffende stappen ter voorkoming en bestrijding van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, een alomvattende internationale aanpak vereisen in de landen van herkomst, doorvoer en bestemming, met inbegrip van maatregelen ter voorkoming van deze handel, ter bestraffing van de handelaren en ter bescherming van slachtoffers van deze handel, met inbegrip van de bescherming van hun internationaal erkende mensenrechten, Gelet op het feit dat er, ondanks het bestaan van uiteenlopende internationale instrumenten die regels en praktische maatregelen bevatten ter bestrijding van de uitbuiting van mensen, in het bijzonder van vrouwen en kinderen, geen universeel instrument bestaat dat alle aspecten van mensenhandel aanpakt, Bezorgd over het feit dat, door het ontbreken van een dergelijk instrument, personen die kwetsbaar zijn voor mensenhandel, niet voldoende worden beschermd, In herinnering roepend resolutie 53/111 van de Algemene Vergadering van 9 december 1998, waarin de Vergadering besloot een ``open-ended\" intergouvernementele ad hoc-commissie in het leven te roepen ten behoeve van de opstelling van een alomvattend internationaal verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en ter bespreking van de uitwerking van, onder andere, een internationaal instrument dat de handel in vrouwen en kinderen aanpakt, Ervan overtuigd dat aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad met een internationaal instrument ter voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, zal bijdragen tot de voorkoming en bestrijding van die misdaad, Zijn het volgende"},{"i":9111,"b":"Protocol inzake de voorrechten en immuniteiten van de Europese Organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond **Preambule** De Staten die partij zijn bij het [Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004585), ondertekend te Parijs op 5 oktober 1962, hierna te noemen „het Verdrag”, Overwegende dat genoemde Organisatie, hierna te noemen „de Organisatie” op het grondgebied van haar Lid-Staten een juridische statuut dient te genieten dat een vaststelling inhoudt van de voorrechten en immuniteiten die noodzakelijk zijn voor de vervulling van haar taak, Overwegende dat de Organisatie in Chili haar zetel heeft, waar haar status is omschreven in de Overeenkomst van 6 november 1963 tussen de Regering van de Republiek Chili en de Organisatie, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Organisatie bezit rechtspersoonlijkheid. Zij heeft in het bijzonder de bevoegdheid overeenkomsten te sluiten, roerende en onroerende goederen te verwerven en te vervreemden, en rechtsgedingen te voeren. Artikel 2 1. Met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel en in de artikelen 5 en 6, zijn de gebouwen en terreinen van de Organisatie onschendbaar. 2. De Organisatie staat niet toe dat haar gebouwen en terreinen als toevluchtsoord dienen voor enige persoon die wordt vervolgd wegens ontdekking op heterdaad van een misdrijf of een ander strafbaar feit of ten aanzien van wie een rechterlijk bevel, een veroordeling of een uitwijzingsbesluit bestaat, uitgevaardigd door de territoriaal bevoegde autoriteiten. Artikel 3 Het archief van de Organisatie en in het algemeen alle documenten die haar toebehoren of die zij onder zich heeft zijn onschendbaar, waar zij zich ook bevinden. Artikel 4 1. Binnen het raam van haar officiële werkzaamheden geniet de Organisatie immuniteit van rechtsmacht en executie, behoudens: - a. voor zover de Directeur-Generaal van de Or"},{"i":9112,"b":"Protocol inzake de voorrechten en immuniteiten van de Internationale Organisatie voor Maritieme Satellieten The States Parties to this Protocol, Having regard to the [Convention and the Operating Agreement on the International Maritime Satellite Organization](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003238) (INMARSAT) opened for signature at London on 3 September 1976 and, in particular, to [Articles 25 and 26(4) of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003238&artikel=25); Taking note that INMARSAT has concluded a Headquarters Agreement with the Government of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland on 25 February 1980; Considering that the aim of this Protocol is to facilitate the achievement of the purpose of INMARSAT and to ensure the efficient performance of its functions; Have agreed as follows: Article 1. Use of Terms For the purposes of this Protocol: - (a). ,,[Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003238)\" means the Convention on the International Maritime Satellite Organization (INMARSAT), including its Annex, opened for signature at London on 3 September 1976; - (b). ,,[Operating Agreement](onbekend)\" means the Operating Agreement on the International Maritime Satellite Organization (INMARSAT), including its Annex, opened for signature at London on 3 September 1976; - (c). ,,Party to the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003238)\" means a State for which the Convention is in force; - (d). ,,Headquarters Party\" means the Party to the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003238) in whose territory INMARSAT has established its headquarters; - (e). ,,Signatory\" means either a Party to the Protocol or an entity designated by a Party to the Protocol for which the [Operating Agreement](onbekend) is in force; - (f). ,,Party to the Protocol\" means a State for which this Protocol is in force; - (g). ,,Staff member\" means the Director General and any person employed full time by INM"},{"i":9114,"b":"Protocol inzake het optreden in volle zee in gevallen van verontreiniging door andere stoffen dan olie, 1973 De Partijen bij dit Protocol, Partij zijnde bij het [Internationaal Verdrag inzake optreden in volle zee bij ongevallen die verontreiniging door olie kunnen veroorzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003246), gedaan te Brussel op 29 november 1969, Gelet op de Resolutie inzake de Internationale Samenwerking betreffende andere verontreinigende stoffen dan olie, aanvaard door de Internationale Juridische Conferentie inzake schade door verontreiniging van de zee, 1969, Voorts gelet op het feit dat ingevolge de Resolutie, de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie haar werkzaamheden heeft geïntensiveerd, in samenwerking met alle belanghebbende internationale organisaties, ter zake van alle aspecten van verontreiniging door andere stoffen dan olie, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I 1. De Partijen bij dit Protocol kunnen in volle zee de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn ter voorkoming, vermindering of opheffing van ernstig en dreigend gevaar voor hun kust of daarmede samenhangende belangen door verontreiniging of dreigende verontreiniging door andere stoffen dan olie, na een ongeval op zee of na met zulk een ongeval verband houdende handelingen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zeer ernstige schade tot gevolg zullen hebben. 2. „Andere stoffen dan olie” zoals bedoeld in het eerste lid zijn: - (a). de stoffen opgesomd in een lijst die wordt opgesteld door een door de Organisatie aangewezen ter zake bevoegde instantie, en die als bijlage aan dit Protocol wordt gehecht, en - (b). de andere stoffen die de gezondheid van de mens in gevaar kunnen brengen, schade kunnen berokkenen aan de in zee voorkomende fauna en flora, een aantasting kunnen vormen van de mogelijkheden tot recreatie of een ander rechtmatig gebruik van de zee kunnen verhinderen. 3. Telkens wanneer een optredende Partij maatregelen neemt met betre"},{"i":9115,"b":"Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Preambule De Staten die dit Protocol hebben ondertekend, Geleid door de wens gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Geleid door de wens het **Verdrag van ’s-Gravenhage van 24 oktober 1956 nopens de wet welke op alimentatieverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is** en het **Verdrag van ’s-Gravenhage van 2 oktober 1973 inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen te moderniseren,** Geleid door de wens algemene regels inzake het toepasselijk recht te ontwikkelen die het **Verdrag van Den Haag van 23 november 2007 inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden** kunnen aanvullen, Hebben besloten hiertoe een Protocol te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1. Toepassingsgebied 1. Dit Protocol bepaalt het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit een familiebetrekking, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen jegens kinderen, ongeacht de burgerlijke staat van de ouders. 2. Beslissingen, gegeven met toepassing van dit Protocol, houden geen oordeel in over het bestaan van de banden bedoeld in het eerste lid. Artikel 2. Universele toepassing Dit Protocol is van toepassing ook indien het toepasselijke recht dat van een niet-Verdragsluitende Staat is. Artikel 3. Algemene regel inzake toepasselijk recht 1. Tenzij dit Protocol anders bepaalt, worden onderhoudsverplichtingen beheerst door het recht van de Staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft. 2. In geval van verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde, is het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats van toepassing vanaf het tijdstip waarop de verandering intreedt. Artikel 4. Bijzondere regels die bepaalde onderhoudsgerechtigden begunstig"},{"i":9116,"b":"Protocol inzake het Statuut van de handelsvertegenwoordiging van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken in Nederland De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds, en De Regering van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken anderzijds, Verlangend uitvoering te geven aan artikel 8 van het heden ondertekende Handelsverdrag tussen de Regeringen van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, leden van de Benelux Economische Unie, en de Regering van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken, Zijn overeengekomen als volgt: Opgeschort per 21 februari 2023 (Trb. 2023/19). Artikel 1 De handelsvertegenwoordiging van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken in Nederland heeft tot taak: - a). bij te dragen aan de ontwikkeling van de handelsbetrekkingen tussen de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken en Nederland; - b). de belangen van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken op het gebied van de buitenlandse handel te behartigen; - c). in naam van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken de noodzakelijke maatregelen te treffen met betrekking tot commerciële activiteiten tussen de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken en Nederland; - d). in naam van de Regering van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken handel te drijven in Nederland. Artikel 2 De handelsvertegenwoordiging maakt een integrerend deel uit van de diplomatieke missie van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken in Nederland en geniet uit dien hoofde alle voorrechten en immuniteiten die deze missie zijn toegekend. De handelsvertegenwoordiging heeft haar zetel te Amsterdam. Artikel 3 Het hoofd van de handelsvertegenwoordiging van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken in Nederland en zijn beide plaatsvervangers genieten alle rechten en voorrechten die aan de leden van het diplomatieke personeel van de diplomatieke missie van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken in Nederland zijn verleend. Artikel"},{"i":9117,"b":"Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van brandwapens (Protocol III) Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder: - 1. „Brandwapen”: elk wapen of elk stuk munitie dat in de eerste plaats is ontworpen om objecten in brand te steken of brandwonden toe te brengen aan personen via de inwerking van vlammen, hitte of een combinatie daarvan, voortgebracht door een chemische reactie van een op het doel gebrachte stof. - a. Brandwapens kunnen de vorm aannemen van bijvoorbeeld vlammenwerpers, fougasses, raketten, granaten, mijnen, bommen en andere houders van stoffen die brand doen ontstaan. - b. Brandwapens omvatten niet: - i. munitie waarvan de neveneffecten brand kunnen doen ontstaan, zoals lichtkogels, lichtspoormunitie, rook- of seinstelsels; - ii. munitie die is ontworpen om een penetrerende, explosieve of fragmenterende uitwerking te combineren met als bijkomend effect het doen ontstaan van brand, zoals bepantsering doorborende projectielen, fragmentatiegranaten, explosieve bommen en soortgelijke munitie met gecombineerde uitwerking, waarin het brand veroorzakende effect niet specifiek is bedoeld om personen brandwonden toe te brengen, maar om te worden gebruikt tegen militaire doelen, zoals pantserwagens, luchtvaartuigen en installaties of logistieke voorzieningen. - 2. „Concentratie van burgers”: een concentratie van burgers, hetzij van permanente, hetzij van tijdelijke aard, zoals in bewoonde delen van steden of in bewoonde steden of dorpen, of in kampen, dan wel colonnes vluchtelingen of evacués of groepen nomaden. - 3. „Militair doel”: voor zover het objecten betreft, ieder object dat naar zijn aard, ligging, bestemming of gebruik een daadwerkelijke bijdrage tot de krijgsverrichtingen levert en waarvan de gehele of gedeeltelijke vernietiging, verovering of onbruikbaarmaking onder de omstandigheden van dat moment een duidelijk militair voordeel oplevert. - 4. „Burgerobjecten”: alle objecten die geen"},{"i":9118,"b":"Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen, zoals gewijzigd op 3 mei 1996 (Protocol II zoals gewijzigd op 3 mei 1996), gehecht aan het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben ARTIKEL 1. : GEWIJZIGD PROTOCOL Het Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen (Protocol II), gehecht aan het [Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003694) („het Verdrag”) wordt hierbij gewijzigd. De tekst van het gewijzigde Protocol luidt als volgt: Artikel 1. Toepassingsgebied 1. Dit Protocol heeft betrekking op het gebruik te land van de mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen die hieronder worden omschreven, met inbegrip van mijnen gelegd ter belemmering van de toegang tot stranden, overgangen van waterwegen of rivieren, maar is niet van toepassing op het gebruik van tegen schepen gerichte mijnen op zee of in de binnenwateren. 2. Dit Protocol is behalve in de situaties bedoeld in [artikel 1 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003694&artikel=1), van toepassing in de situaties bedoeld in artikel 3 van alle vier de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949. Dit Protocol is niet van toepassing in situaties van binnenlandse ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, op zichzelf staande en sporadische gewelddadigheden en andere soortgelijke daden die geen gewapende conflicten zijn. 3. In geval van gewapende conflicten die geen internationaal karakter hebben en die zich voordoen op het grondgebied van een van de Hoge Verdragsluitende Partijen, is elke partij bij het conflict gehouden het bep"},{"i":9119,"b":"Protocol inzake het voorleggen aan het Internationale Gerechtshof van geschillen tussen de partijen betreffende de afbakening van het continentaal plat in de Noordzee DONE at Bonn on 2 February 1967 in four copies in the English language."},{"i":9120,"b":"Protocol inzake ontplofbare oorlogsresten De Hoge Verdragsluitende Partijen, Erkennend de ernstige humanitaire problemen die door ontplofbare oorlogsresten worden veroorzaakt in post-conflictsituaties, Zich bewust van de noodzaak een Protocol te sluiten inzake herstelmaatregelen van algemene aard in post-conflictsituaties teneinde de risico's en gevolgen van ontplofbare oorlogsresten tot een minimum te beperken, En bereid algemene preventieve maatregelen te treffen door middel van **best practices** op vrijwillige basis vervat in een Technische Bijlage voor de verbetering van de betrouwbaarheid van munitie, en daarmee de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten tot een minimum beperkend, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Algemene bepaling en toepassingsgebied 1. In overeenstemming met het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en met de op hen van toepassing zijnde regels van het internationaal recht inzake gewapende conflicten, komen de Hoge Verdragsluitende Partijen overeen de in dit Protocol vervatte verplichtingen na te komen, zowel individueel als in samenwerking met andere Hoge Verdragsluitende Partijen, teneinde de risico's en gevolgen van ontplofbare oorlogsresten in post-conflictsituaties te minimaliseren. 2. Dit Protocol is van toepassing op ontplofbare oorlogsresten te land, met inbegrip van de binnenwateren van de Hoge Verdragsluitende Partijen. 3. Dit Protocol is van toepassing op situaties die voortvloeien uit conflicten als bedoeld in artikel 1, eerste tot en met zesde lid, van het Verdrag, zoals gewijzigd op 21 december 2001. 4. De artikelen 3, 4, 5 en 8 van dit Protocol zijn van toepassing op andere ontplofbare oorlogsresten dan bestaande ontplofbare oorlogsresten als gedefinieerd in artikel 2, vijfde lid, van dit Protocol. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder: - 1. **Ontplofbare munitie**, conventionele munitie die explosieve stoffen bevat"},{"i":9121,"b":"Protocol inzake toetreding van de Helleense Republiek tot de Westeuropese Unie, met een bijlage De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag van economische, sociale en culturele samenwerking en collectieve zelfverdediging, ondertekend te Brussel op 17 maart 1948, zoals gewijzigd en aangevuld bij het Protocol ondertekend te Parijs op 23 oktober 1954 en de andere Protocollen en Bijlagen die daarvan een integrerend deel uitmaken, hierna te noemen „het Verdrag\", enerzijds, en de Helleense Republiek anderzijds, Bevestigend de lotsverbondenheid van hun landen en in overeenstemming met de op 7 februari 1992 in Maastricht in het Verdrag betreffende de Europese Unie aangegane verplichting om een Europese Unie op te richten; Ervan overtuigd dat de opbouw van een geïntegreerd Europa onvolledig blijft zolang deze niet mede de ontwikkeling van een Europese veiligheids- en defensie-identiteit omvat; Vastbesloten de rol van de WEU te versterken in het vooruitzicht op langere termijn van een gemeenschappelijk defensiebeleid binnen de Europese Unie dat uiteindelijk zou kunnen leiden tot een gemeenschappelijke defensie die verenigbaar is met die van het Atlantisch Bondgenootschap; Nota nemend van het feit dat de Helleense Republiek, die het Europese eenwordingsproces volledig is toegedaan en lid is van het Atlantisch Bondgenootschap, formeel te kennen heeft gegeven dat zij bereid is toe te treden tot het Verdrag; Nota nemend van het feit dat de Helleense Republiek de overeenkomsten, besluiten en regelingen aanvaardt die zijn aangenomen in overeenstemming met het Verdrag en de Verklaringen, te beginnen met de Verklaring van Rome van 27 oktober 1984; Nota nemend van het feit dat de Helleense Republiek zich ertoe verbindt de Westeuropese Unie te ontwikkelen als de defensiecomponent van de Europese Unie en als middel om de Europese pijler van het Atlantisch Bondgenootschap te versterken overeenkomstig de verplichting die op 10 december 1991 is aangegaan in de Verklaring over de rol"},{"i":9168,"b":"Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik bij het Verdrag inzake biologische diversiteit De partijen bij dit Protocol, Partij zijnde bij het [Verdrag inzake biologische diversiteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136), hierna te noemen „het Verdrag”, In herinnering roepende dat de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit het gebruik van genetische rijkdommen een van de drie kerndoelen van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136) is en erkennende dat met dit Protocol wordt beoogd dit doel binnen het kader van het Verdrag te verwezenlijken, Opnieuw de soevereine rechten van staten bevestigende met betrekking tot hun natuurlijke rijkdommen en overeenkomstig de bepalingen van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136), Voorts in herinnering roepende [artikel 15 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136&artikel=15), De belangrijke bijdrage aan duurzame ontwikkeling door overdracht van en samenwerking met betrekking tot technologie erkennende ten behoeve van de opbouw van onderzoeks- en innovatiecapaciteit ten einde waarde toe te voegen aan genetische rijkdommen in ontwikkelingslanden in overeenstemming met de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136&artikel=16) en [19 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136&artikel=19), Erkennende dat de bewustmaking van het publiek van de economische waarde van ecosystemen en biodiversiteit en de eerlijke en billijke verdeling van deze economische waarde met de beheerders van biodiversiteit belangrijke stimulansen zijn voor het behoud van biologische diversiteit en het duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan, De mogelijke rol erkennende van toegang en verdeling van voordelen als bijdrage aan het behoud en het duurzaam gebruik van biologische diversiteit, aan de uitbanning van armoede en"},{"i":9174,"b":"Protocol van Torremolinos van 1993 inzake het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977 De Partijen bij dit Protocol, Erkennend de aanzienlijke bijdrage die kan worden geleverd door het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977, aan de veiligheid van schepen in het algemeen en aan de veiligheid van vissersvaartuigen in het bijzonder, Erkennend evenwel dat sommige bepalingen van het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977, aanleiding hebben gegeven tot problemen bij de uitvoering van die bepalingen door een aantal Staten met omvangrijke vissersvloten die hun vlag voeren en dat dit de inwerkingtreding van het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977, en daarmee de uitvoering van de daarin vervatte voorschriften heeft verhinderd, Geleid door de wens in onderlinge overeenstemming de strengst mogelijke praktisch uitvoerbare normen vast te stellen voor de beveiliging van vissersvaartuigen die kunnen worden nageleefd door alle betrokken Staten, Overwegend dat dit doel het beste kan worden bereikt door het sluiten van een Protocol inzake het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Algemene verplichtingen 1. De Partijen bij dit Protocol geven uitvoering aan de bepalingen van: - a. de artikelen van dit Protocol; en - b. de voorschriften vervat in de Bijlage bij het Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977 (hierna te noemen „het Verdrag\"), onverminderd de wijzigingen vervat in de Bijlage bij dit Protocol. 2. De artikelen van dit Protocol en de voorschriften van de Bijlage bij het Verdrag worden, onverminderd de wijzigingen vervat in de Bijlage bij dit Protocol, gelezen en uitgelegd als een enkel instrument. 3. De Bijlage bij dit Protocol vormt een integre"},{"i":18288,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 25 april 2019, nr. Min-Buza.2019.3834-38 houdende instelling van een Expertgroep inzake politieke steun aan interstatelijk geweld en inzake humanitaire interventie Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Buitenlandse Zaken; - b. **groep:** Expertgroep bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042178&artikel=2&z=2019-06-01&g=2019-06-01). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Expertgroep inzake politieke steun aan interstatelijk geweld en inzake humanitaire interventie. 2. De groep heeft tot taak zijn opinie(s) te geven over: - a. het geven van politieke steun door het Nederlandse kabinet aan interstatelijk geweldgebruik door andere staten zonder grondslag in het internationaal recht; en - b. of het Nederlandse kabinet zich moet inzetten voor internationale acceptatie van humanitaire interventie als mogelijk nieuwe rechtsgrond voor interstatelijk geweldgebruik. Artikel 3. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De groep bestaat uit een voorzitter en ten minste zeven en ten hoogste negen andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van de groep. 5. De voorzitter en overige leden kunnen (op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden) worden geschorst en ontslagen door de minister. Artikel 4. Leden Voor de duur van de groep worden tot lid van de groep benoemd: - a. de heer em. prof. dr. Cyrille Fijnaut, hoogleraar criminologie & strafrecht; Erasmus Universiteit Rotterdam, Katholieke Universiteit Leuven en Universiteit Tilburg; tevens voorzi"},{"i":19403,"b":"Aanvullende Overeenkomst bij het Tractaat van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, en Hare Majesteit de Koningin van het Vereenigd Koningrijk van Groot-Brittannie en Ierland, verlangende verder uit te breiden de wederkeerige voorregten van scheepvaart, toegestaan aan de schepen der beide landen, respectivelijk bij het [tractaat van handel en scheepvaart tusschen Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden en hare Brittannische Majesteit](onbekend), hetwelk geteekend is te 's Gravenhage op den 27sten October 1837, hebben tot hunne gevolmagtigden, om ten dien einde eene overeenkomst te sluiten benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Zijne Excellentie Jonkheer Graaf Schimmelpenninck, Minister van Staat, kommandeur der Koninklijke orde van den Nederlandsche Leeuw, ridder van de Koninklijke Frederiksorde van Wurtemberg, buitengewoon gezant en gevolmagtigden Minister van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden bij hare Majesteit de Koningin van Groot-Brittannie; En hare Majesteit de Koningin van het Vereenigd Koningrijk van Groot-Brittannie en Ierland, den Hooggeboren Heer Henrij John Burggraaf Palmerston, Baron Temple, Pair van Ierland, Lid van Harer Majesteits meest eervollen Geheimen Raad, Lid van het Parlement, Ridder Grootkruis der zeer eervolle Orde van het Bad, en Harer Brittannische Majesteit's voornaamsten Secretaris van Staat voor Buitenlandsche zaken, en den Hoog Edel Gestrenge Heer Henrij Labouchere, Lid van Harer Brittannische Majesteit's meest eervollen geheimen Raad, Lid van het Parlement, en voorzitter der Commissie van den Geheimen Raad voor de zaken van Handel en Kolonien. Welke, na elkander hunne wederzijdsche volmagten, die in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, te hebben medegedeeld, overeengekomen zijn, dat voor en in plaats van de [artikelen II](onbekend) en [III](onbekend) van het bovengemeld tr"},{"i":19178,"b":"Richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen, gevaarlijk verkeersgedrag en verlaten plaats ongeval Deze richtlijn bevat het strafvorderingsbeleid van het OM inzake gevaarlijk verkeersgedrag, verkeersongevallen en verlaten plaats ongeval. 1 Bij een ongeval waarbij enkel materiële schade is ontstaan en welke zonder het ongeval zou zijn afgedaan als een feitgecodeerde RVV overtreding wordt aansluiting gezocht bij het bedrag uit de feiten en tekstenbundel voor die RVV-overtreding, vermeerderd met € 100. In geval van recidive kan daarnaast een OBM worden opgelegd; daarbij kunnen de maanden genoemd in de tabel [art. 5 WVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=5) dienen als uitgangspunt. 2 Van recidive is sprake indien de overtreding wordt begaan binnen twee jaar na een onherroepelijke afdoening van een verkeersmisdrijf, van [art. 5 WVW1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=5) of van [art. 107 WVW1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=107). Daarnaast tevens bij eerdere onherroepelijke afdoening van gevaarzettende overtredingen uit het RVV onder andere zoals omschreven in [artikel 5a WVW1994 lid 1 onder a t/m m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=5a). 1 Let op: rijden onder invloed wordt in lid 1 niet genoemd als een van de in [art. 5a WVW1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=5a) genoemde gedragingen, terwijl lid 2 voorschrijft dat bij de toepassing van het eerste lid mede in aanmerking wordt genomen de mate waarin de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid. In dergelijke gevallen is het opportuun verdachte in een apart feit overtreding van [art. 8 WVW1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8) ten laste te leggen. 2 Er is sprake van recidive in geval van een misdrijf dat wordt gepleegd binnen vijf jaar na onherroepelijke afdoening van een eerder verkeersmisdrijf (zie [art. 43 b o"},{"i":18759,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Huis van Bewaring en de Strafgevangenis Wolvenplein te Utrecht (aanvulling), 1940−1978 (2000) Als bedoeld in [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), aan de openbaarheid van het, naar Het Utrechts Archief, overgebrachte archief van het Huis van Bewaring en de Strafgevangenis Wolvenplein te Utrecht (aanvulling), 1940−1978 (2000) de volgende beperkingen gesteld: - 1. De beperking op de openbaarheid is van toepassing op de archiefbescheiden, die in de toegang zijn opgenomen onder de inventarisnummers 12−14, 15, 16−19, 20, 21, 22, 23, 24−28, 29−36, 37 en 43. De beperking van de openbaarheid is van toepassing op archiefbescheiden die jonger zijn dan 75 jaar, gerekend vanaf de afsluitingsdatum. - 2. Raadpleging van de archiefbescheiden is, gelet op [art. 15 derde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de Rijksarchivaris in de provincie Utrecht. Deze toestemming kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - •. de verzoeker doet een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot inzage van de archiefbescheiden; - •. de verzoeker vult hiertoe de Verklaring voor raadpleging van niet-openbare archiefbescheiden van Het Utrechts Archief in en ondertekent het formulier. De verzoeker verklaart daarmee tevens zich te zullen houden aan de, in het formulier opgenomen, bepalingen; - •. tevens verklaart de verzoeker de bevoegdheid van de Rijksarchivaris in de provincie Utrecht te erkennen om publicatie van bepaalde, uit de ter inzage gegeven bescheiden afkomstige, gegevens te verb"},{"i":17179,"b":"Onderlinge regeling boedelscheiding Sociale Verzekeringsbank Nederlandse Antillen Hierna gezamenlijk te noemen: ‘Partijen’; Partijen nemen in overweging: dat binnen het staatkundig proces waarin het Koninkrijk der Nederlanden zich bevindt, de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten gekozen hebben voor de status van land binnen het Koninkrijk en dat Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna ‘de BES-eilanden’) als openbare lichamen onderdeel zullen worden van Nederland; dat als gevolg van voornoemde staatkundige ontwikkelingen de boedel van de Sociale Verzekeringsbank Nederlandse Antillen over Curaçao, Sint Maarten en Nederland (voor de BES-eilanden) moet worden verdeeld, hetgeen onderlinge afspraken vergt; dat het wenselijk is een en ander zodanig te regelen dat de continuïteit van de dienstverlening en rechten van de verzekerden niet worden aangetast; dat het wenselijk is de afspraken neer te leggen in een onderlinge regeling als bedoeld in [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); Komen het volgende overeen: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepaling regeling 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **BES:** Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. **land:** Curaçao, Sint Maarten of, met betrekking tot de BES, Nederland, dan wel de met die landen corresponderende rechtspersonen land Curaçao, land Sint Maarten en Staat der Nederlanden; - c. **overnemende land:** het land dat ingevolge de bepalingen van het [Rijksbesluit opvolging Sociale Verzekeringsbank Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028600) de respectievelijke rechten en verplichtingen overneemt zoals dat bepaald wordt in dat besluit; - d. **uitkeringsgerechtigde:** degene die op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van transitie een uitkering, verstrekking of tegemoetkoming ontvangt op grond van: - 1°. de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (P.B. 1960"},{"i":18461,"b":"Regeling van 16 juni 2008, houdende het voorbehouden door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Algemene Zaken) van het auteursrecht op het beeldmerk en de huisstijl voor het gebruik van het beeldmerk die zullen worden gebruikt ten behoeve van het ontwikkelen van een herkenbare Rijksoverheid Gelet op [artikel 15b van de Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b); Besluit: Artikel 1 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Algemene Zaken) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot het ontwerp van het van nu af aan algemeen geldend Rijkslogo en huisstijl, als opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting en bijlage in de Staatscourant worden geplaatst. Bijlage **Eén logo** Het rijkslogo is een samenstelling van beeld- en woordmerk. **1. Het beeldmerk** Het beeldmerk bevat een lint met een uitgespaarde illustratie geïnspireerd op het Rijkswapen. Het lint staat voor het algemeen belang, de maatschappij. Het lint wordt altijd bovenin in het midden van het communicatiemiddel geplaatst. Blauw is in de corporate uitingen de prioriteitskleur. De illustratie binnen het lint is niet een op zichzelf zichtbare vorm; dankzij het lint wordt de illustratie zichtbaar. De illustratie is geïnspireerd op het Rijkswapen. Het Rijkswapen is hier een keurmerk, een icoon. Het beeldmerk is relatief ‘klein’ om zo een overheid weer te geven die niet overheerst, maar de balans verstaat tussen ordenen, richting geven en ruimte geven. Belangrijk om te melden is dat in samenspraak met de Hoge Raad van Adel het beeldmerk voldoet aan de heraldische wetten. **2. Het woordmerk** Naast het lint staat de naam van de organisatie vanuit wie gesproken wordt zodat duidelijk is wie de afzender is. Dat"},{"i":17744,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oezbekistan inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Oezbekistan, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en andere belastingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving van verboden, beperkingen en controlemaatregelen; Overwegende dat inbreuken op de douanewetgeving hun economische, fiscale, sociale en culturele belangen en hun handelsbelangen schaden; Overwegende dat de grensoverschrijdende handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, gevaarlijke stoffen, bedreigde diersoorten en giftig afval een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennende de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douane-administraties op basis van duidelijke wettelijke bepalingen; Gelet op de van belang zijnde instrumenten van de Internationale Douaneraad, in het bijzonder de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand van 5 december 1953; zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. wordt onder „douane-administratie” verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft: de centrale administratie die verantwoordelijk is voor de toepassing van de douanewetgeving; wat de Republiek Oezbekistan betreft: het Staatscomité voor de douane; - 2. wordt onder „douanewetgeving” verstaan: wetgeving die door de douane-administraties van de respectieve Verdragsluitende Partijen wordt toegepast en/of gehandhaafd, in verband met de invoer, uitvoer, overslag, doorvoer, opslag en het vervoer van goed"},{"i":18210,"b":"Besluit van 16 april 2009, nr. 09.001007, houdende vaststelling van een selectielijst van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. personeelsdossiers Op de voordracht van Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dr. R.H.A. Plasterk van (d.d. 5 maart, kenmerk NA/09/558) gedaan in overeenstemming met de Tweede Kamer der Staten-Generaal; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Gezien het advies van de Raad voor Cultuur van 29 januari 2009 (kenmerk bca-2009.05163/5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst voor de handelingen van de tweede kamer der staten-generaal op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier over de periode vanaf 1945 I. Toelichting behorende bij de Selectielijst voor de handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier over de periode vanaf 1945 Lijst van afkortingen BSD: Basisselectiedocument IF: Interim functie IKAP: Individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap NA: Nationaal Archief PCDIN: Permanente Commissie documentaire informatieverzorging PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn RAI: Rijksarchiefinspectie RvC: Raad voor Cultuur Stcrt.: Staatscourant WAO: [Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wbp: [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) WIA: [Wet w"},{"i":19018,"b":"Besluit van 8 juli 2000 tot instelling van een commissie auteursrecht als adviescollege van het Ministerie van Justitie ter advisering over het auteursrecht en naburige rechten Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 5 juli 2000, no. 5038727/00/6, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 5 lid 1 en lid 2 van de Wet van 3 juli 1996, houdende algemene regels over de advisering in zaken van algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk (Kaderwet adviescolleges)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Er is een commissie auteursrecht. 2. De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste tien leden. 3. De commissie heeft tot taak de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal te adviseren over vragen rond de uitvoering van de richtlijn van de Raad en het Europees Parlement tot harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, in het bijzonder de invloed van technische beveiliging van beschermd materiaal, op de behartiging van belangen die worden beschermd door bijzondere wettelijke beperkingen op het auteursrecht en de naburige rechten, de rol van de overheid bij geschillenbeslechting en de facilitering van onderhandelingen en tariefafspraken, alsmede initiatieven in het kader van internationale organisaties als World Intellectual Property Organisation, Raad van Europa en Europese Unie tot het scheppen van nieuwe rechten en het maken van regels van toepasselijk recht, contractenrecht en collectief beheer. Artikel 2 De commissie wordt ingesteld voor de duur van vier jaar. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota v"},{"i":17142,"b":"Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn De vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap, in het kader van de Raad bijeen, Gelet op het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), Na raadpleging van de Commissie, Na raadpleging van de Europese Investeringsbank, Overwegende hetgeen volgt: Op grond van [bijlage I bis, punt 3, van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005264&bijlage=I_Bis), ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3. (hierna „de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst’’ genoemd) worden alle noodzakelijke wijzigingen van het meerjarige financiële kader of de daarmee samenhangende delen van de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005264), in afwijking van het bepaalde in [artikel 95 van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005264&artikel=95), vastgesteld door de Raad van Ministers. De ACS-EG-Raad van Ministers hechtte tijdens zijn vergadering in Port Moresby (Papoea-Nieuw-Guinea) op 1 en 2 juni 2006 zijn goedkeuring aan [bijlage I ter bij de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005264&bijlage=1_ter) en stelde daarbij het totaalbedrag aan communautaire steun voor de ACS-staten binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2008-2013 in het kader van de [ACS-EG-overeenkomst](https://wetten.ove"},{"i":18315,"b":"Besluit van de Huishoudelijke Commissie en de Griffier van de Eerste Kamer der Staten- Generaal, houdende regels inzake het verlenen van mandaat en machtiging betreffende de uitvoering van de Wet open overheid (Mandaatbesluit Wet open overheid Eerste Kamer) Gelet op [artikel 15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007428&artikel=15) en [artikel 28 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007428&artikel=28), [artikel 2.2, eerste lid, van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=2.2) en [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), Besluiten: Artikel 1. Definities - Mandaat: voor de toepassing van dit besluit wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van machtiging om handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. - Griffie: het geheel van medewerkers die werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de Griffier. Artikel 2. Voorzitter De Huishoudelijke Commissie verleent aan de Voorzitter mandaat tot het nemen van besluiten op bezwaarschriften die zijn gericht tegen een door de Griffier genomen besluit op een verzoek om informatie op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). Artikel 3. Griffier 1. De Huishoudelijke Commissie verleent aan de Griffier mandaat voor aangelegenheden op het gebied van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754), met uitzondering van het nemen van besluiten op bezwaarschriften die zijn gericht tegen een besluit dat door de Griffier zelf is genomen. 2. De Griffier is bevoegd ten aanzien van de bevoegdheden van het eerste lid ondermandaat te verlenen aan onder zijn verantwoordelijkheid werkzame medewerkers. Artikel 4. Ondermandaat directeuren 1. De Griffier verleent aan de directeur Inhoud en de directeur Organisatie ondermandaat voor aa"},{"i":18637,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 december 2021, nr. 2021-0000622658 tot wijziging van de Regeling beheer onroerende zaken Rijk 2017 in verband met de aanpassing van de reallocatieprocedure Gelet op [artikel 4.20, vijfde lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling beheer onroerende zaken Rijk 2017. Artikel II [Artikel 9 van de Regeling beheer onroerende zaken Rijk 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040452&artikel=9), zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op gevallen waarin voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling met een provincie, waterschap of gemeente overleg is gestart met het oog op overname van een eigendomsrecht. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9179,"b":"Raamverdrag inzake vriendschap en nauwere samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Excellentie de President van de Republiek Suriname, zich baserend op het Protocol van conclusies van besprekingen tussen de Regeringen van beide Staten inzake nauwere samenwerking, zoals op 16 november 1991 te Bonaire tot stand gekomen; gelet op de Overeenkomst betreffende ontwikkelingssamenwerking van 25 november 1975 cum annexis en de andere tussen beide Staten gesloten verdragen; indachtig de historische, vriendschappelijke en bijzondere betrekkingen tussen beide Staten, onder andere tot uiting komend in het grote aantal personen van Surinaamse herkomst dat in het Koninkrijk der Nederlanden verblijft; overwegende dat beide Staten streven naar een voortdurende verbetering van de omstandigheden waaronder hun volkeren leven en werken; herbevestigend de beginselen van de democratie en de rechtsstaat en van eerbiediging, handhaving en bevordering van de fundamentele rechten en vrijheden van de mens, zoals die zijn vervat in: de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948; het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten (met Facultatief Protocol); het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake economische, sociale en culturele rechten; en het Internationaal Verdrag van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie; vastbesloten op deze grondslag samen te werken teneinde sterker te staan tegen de gevaren die de ontwikkeling en het voortbestaan van de democratie en de rechtsstaat, de economische, sociale en culturele ontwikkeling van de samenleving en daarmee het welzijn van hun volkeren kunnen bedreigen; hebben overeenstemming bereikt over dit Raamverdrag inzake vriendschap en nauwere samenwerking, waarin de hoofdlijnen van een samenhangend stelsel van nauwere betrekkingen tussen beide Staten op basis"},{"i":9180,"b":"Radioreglement 1979 Preamble **0.1** These Regulations are founded on the following principles: **0.2** Members1)**Note by the Secretariat:** Provision No. 195 (PP-02) uses the term “Member States”. shall endeavour to limit the number of frequencies and the spectrum used to the minimum essential to provide in a satisfactory manner the necessary services. To that end, they shall endeavour to apply the latest technical advances as soon as possible (No. 195 of the Constitution of the International Telecommunication Union (Geneva, 1992)). **0.3** In using frequency bands for radio services, Members shall bear in mind that radio frequencies and any associated orbits, including the geostationary-satellite orbit are limited natural resources and that they must be used rationally, efficiently and economically, in conformity with the provisions of these Regulations, so that countries or groups of countries may have equitable access to those orbits and frequencies, taking into account the special needs of the developing countries and the geographical situation of particular countries (No. 196 of the Constitution). **0.4** All stations, whatever their purpose, must be established and operated in such a manner as not to cause harmful interference to the radio services or communications of other Members or of recognized operating agencies, or of other duly authorized operating agencies which carry on a radio service, and which operate in accordance with the provisions of these Regulations (No. 197 of the Constitution). **0.5** With a view to fulfilling the purposes of the International Telecommunication Union set out in Article 1 of the Constitution, these Regulations have the following objectives: **0.6** to facilitate equitable access to and rational use of the natural resources of the radio-frequency spectrum and the geostationary-satellite orbit; **0.7** to ensure the availability and protection from harmful interference of the frequencies provided for distress and safety pu"},{"i":9181,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 augustus 2012, nr. GMT-3125861, houdende aanwijzing van de richtlijnen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen n en o, van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal (Regeling aanwijzing EU-richtlijnen Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal) Gelet op [artikel 1, eerste lid, onderdelen n en o, van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014682&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Als de richtlijn, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014682&artikel=1), wordt aangewezen: [richtlijn 2004/23/EG](32004L0023) van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (PbEU 2004, L 102). Artikel 2 Als de richtlijn, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel o, van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014682&artikel=1), wordt aangewezen: [richtlijn 2010/53](32010L0053)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 inzake kwaliteits- en veiligheidsnormen voor menselijke organen, bestemd voor transplantatie (PbEU 2010, L 207). Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 27 augustus 2012. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 24 augustus 2012 treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing EU-richtlijnen Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9184,"b":"Regeling Geschillenbeslechting Nederlandse Taalunie (2019) (REGES Taalunie 2019) Het Comité van Ministers, genoemd in [artikel 6 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake de Nederlandse Taalunie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002947); Gelet op [artikel 14, eerste lid, van het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002947&artikel=14) op grond waarvan het Comité van Ministers van de Taalunie regels vaststelt voor de wijze waarop het Algemeen Secretariaat, waaronder de algemeen secretaris, zijn werkzaamheden verricht; Gelet op [artikel 16, eerste lid, van het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002947&artikel=16) dat de algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie bevoegdheid verleent om de Nederlandse Taalunie te vertegenwoordigen; Overwegende dat de algemeen secretaris in verband met deze bevoegdheid beslissingen neemt in allerlei aangelegenheden, zoals de verstrekking van subsidies, het sluiten van licentieovereenkomsten, uitgavencontracten en andere contracten waartoe de Nederlandse Taalunie zich verbindt, en dat over deze beslissingen geschillen kunnen ontstaan; Overwegende dat de voorgaande [Regeling Geschillenbeslechting Taalunie van 30 oktober 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002955) op een aantal punten dient te worden geactualiseerd; Besluit: HOOFDSTUK I. HET BEZWAAR Artikel 1 1. Eenieder die rechtstreeks in zijn belang is geschaad door een beslissing van de algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie, waaronder het aangaan van een verbintenis voor de Nederlandse Taalunie, kan tegen die beslissing schriftelijk bezwaar indienen bij de algemeen secretaris. 2. De termijn voor het indienen van een bezwaar bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is bekendgemaakt. 3. Indien de beslissing niet wordt bekend gemaakt aan de betrokkene, dient deze zijn bezwa"},{"i":9187,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 januari 2014, 2013-0000176715, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan het Agentschap SZW ter uitvoering van het Europees Integratiefonds en het Asiel en Migratiefonds Gelet op [artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1 1. Aan de directeur van het Agentschap SZW wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten, waaronder het nemen van een besluit op een bezwaarschrift, en het verrichten van alle benodigde werkzaamheden, waaronder het vaststellen en ondertekenen van stukken, ter uitvoering van het Europees Integratiefonds 2007-2013. 2. Aan de directeur van het Agentschap SZW wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten, waaronder het nemen van een besluit op een bezwaarschrift, en het verrichten van alle benodigde werkzaamheden, waaronder het vaststellen en ondertekenen van stukken, ter uitvoering van het Asiel en Migratiefonds 2014-2020, voor dat onderdeel van het Asiel en Migratiefonds 2014-2020 dat op integratie ziet. 3. De directeur van het Agentschap SZW handelt daarbij in overeenstemming met de aanwijzingen die door de directeur Integratie en Samenleving worden gegeven. Artikel 2 De directeur van het Agentschap SZW kan zijn bevoegdheden, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034684&artikel=1&z=2014-01-21&g=2014-01-21), in een door hem te bepalen omvang mandateren of doorverlenen aan onder hem ressorterende functionarissen, met dien verstande dat hij geen ondermandaat verleent aan de functionaris aan wie door hem ondermandaat tot het nemen van het besluit waartegen het bezwaar zich richt is verleend. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9188,"b":"Regeling navordering van heffingen op minerale oliën 1990-II Gelet op de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004698&artikel=I), [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004698&artikel=II) en [III van de Tarievenwet brandstofheffingen milieu 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004698&artikel=III) (Stb. 1990, 45) alsmede op artikel 33b, zesde lid, van de Wet op de accijns van minerale oliën (Stb. 1964, 207), artikel 61c, derde lid, van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Stb. 1988, 133) en artikel 5 van de Wet tijdelijke toeslag op de accijns van gelode lichte olie (Stb. 1989, 187); Besluit: Artikel 1 De navordering van de tijdelijke toeslag op de accijns van gelode lichte olie ter zake van de verhoging van die toeslag met ingang van 1 februari 1990 en de navordering van de ingevolge de [Wet algemene bepalingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001833) milieuhygiëne ingestelde heffingen op aan accijns van minerale oliën onderworpen minerale oliën ter zake van de verhoging van de tarieven met ingang van 1 februari 1990 blijven achterwege indien het na te vorderen bedrag voor toeslag en heffingen gezamenlijk niet meer bedraagt dan f 300. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 1990. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling navordering van heffingen van minerale oliën 1990-II."},{"i":9189,"b":"Regeling navordering van heffingen van minerale oliën 1991 Gelet op de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005002&artikel=I), [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005002&artikel=II) en [III van de Tarievenwet brandstofheffingen milieu 1991](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005002&artikel=III) (Stb. 79) alsmede op artikel 33b, zesde lid, van de Wet op de accijns van minerale oliën (Stb. 1964, 207), artikel 61c, derde lid, van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Stb. 1988, 133) en artikel 5 van de Wet tijdelijke toeslag op de accijns van gelode lichte olie (Stb. 1989, 187); Besluit: Artikel 1 De navordering van de ingevolge de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Stb. 1988, 133) ingestelde heffingen op aan accijns van minerale oliën onderworpen minerale oliën ter zake van de verhoging van de tarieven van die heffingen met ingang van 1 maart 1991 en de navordering van de ingevolge de Wet tijdelijke toeslag accijns van gelode lichte olie (Stb. 1989, 187) ingestelde tijdelijke toeslag op de accijns van gelode lichte olie ter zake van de verhoging van die toeslag met ingang van 1 maart 1991 blijven achterwege indien het na te vorderen bedrag voor heffingen en toeslag gezamenlijk niet meer bedraagt dan f 300. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 1991. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling navordering van heffingen van minerale oliën 1991."},{"i":9190,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 29 november 2021, nr. WJZ/ 21294511, houdende de vaststelling van subsidie-instrumenten ter stimulering van de deelname van ondernemingen aan acties in het kader van het Europees Defensiefonds (Regeling stimulering deelname Europees Defensiefonds) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **actie:** subsidiabele actie als bedoeld in artikel 10 van de EDF Verordening; - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014 L 187); - **consortium:** samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2, onderdeel 4, van de EDF Verordening; - **EDF Verordening:** [Verordening (EU) nr. 2021/697](32597R2021) van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het Europees Defensiefonds en tot intrekking van [Verordening (EU) 2018/1092](32992R2018) (PbEU 2021, L 170); - **entiteit uit een niet-geassocieerd derde land:** entiteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de EDF verordening; - **Europees Defensiefonds:** fonds, genoemd in artikel 1 van de EDF Verordening; - **Europese ranglijst:** ranglijst van door de Europese Commissie voor financiering uit het Europees Defensiefonds geselecteerde acties; - **experimentele ontwikkeling:** experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel j, van de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2014/C 198/01 (PbEU 2014, C 198); - **juridische entiteit:** entiteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de EDF Verordening; - **kleine onderneming:"},{"i":9191,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 29 juni 2015, nr. IenM/BSK-2015/2371 tot aanwijzing van het wegennet bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken Gelet op [artikel 1, onderdeel h, van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019516&artikel=1) en [artikel 11b, eerste lid, van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=11b) Besluit: Artikel 1 Als het wegennet, bedoeld [artikel 1, onderdeel h, van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019516&artikel=1) en [artikel 11b, eerste lid, van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=11b) wordt aangewezen het Nederlandse deel van het wegennet, opgenomen in bijlage 1 van de verordening EU nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2015. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tot aanwijzing van het Nederlands deel van het trans-Europees wegennet (TEN-T). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9192,"b":"Regeling tot beteugeling van de verspreiding van ontuchtige uitgaven, ondertekend te Parijs, 4 mei 1910, zoals gewijzigd door het Protocol, ondertekend te Lake Success, New York, 4 mei 1949 De Regeeringen der hierna vermelde Mogendheden, gelijkelijk bezield met den wensch om, binnen de grenzen harer wetgevingen de wederkeerige mededeeling van inlichtingen, dienstig tot opsporing en bestrijding van strafbare feiten op het gebied der ontuchtige uitgaven te vergemakkelijken, hebben besloten tot dat doel eene Regeling te treffen en hebben diensvolgens hare Gevolmachtigden aangewezen, die op eene Conferentie, gehouden te **Parijs** van 18 April tot 4 Mei 1910, zijn overeengekomen nopens de volgende bepalingen. Het verdrag is oorspronkelijk tot stand gekomen op 4 mei 1910. Het verdrag is oorspronkelijk in werking getreden op 8 december 1912, zie Trb. 1951/37. Art. 1 Ieder der verdragsluitende Regeeringen verbindt zich eene autoriteit in te stellen of aan te wijzen, belast met: - 1°. het bijeenbrengen van alle inlichtingen, die de opsporing en de bestrijding kunnen vergemakkelijken van handelingen, welke eene overtreding opleveren van hare landswetgeving betreffende ontuchtige geschriften, teekeningen, afbeeldingen of voorwerpen en waarvan de bestanddeelen een internationaal karakter dragen; - 2°. het verschaffen van alle inlichtingen die kunnen dienen om den invoer van uitgaven of voorwerpen als bedoeld in het voorgaande lid, te beletten of de inbeslagname daarvan te verzekeren of te bespoedigen, een en ander binnen de grenzen der landswetgeving; - 3°. het mededeelen der wetten die reeds mochten zijn uitgevaardigd of nog mochten worden uitgevaardigd in hare Staten met betrekking tot het onderwerp van deze Regeling. De Verdragsluitende Regeringen doen door tussenkomst van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties elkander mededeling van de overeenkomstig dit artikel ingestelde of aangewezen autoriteit. Art. 2 De in artikel 1 bedoelde autoriteit beeft de bevoegdheid re"},{"i":9193,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 september 2010, nr. 143224, houdende bepalingen ten aanzien van de uitvoering van het CITES-verdrag op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba Gelet op de [artikelen 5, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=5), [6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=6), [7A, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=7a), en [7B, derde lid, van de Wet grondslagen natuurbeheer en -bescherming BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=7b); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Wet grondslagen natuurbeheer en -bescherming BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434). - –. **CITES-verdrag:** op 3 maart 1973 te Washington gesloten Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantsoorten, met bijlagen (Trb. 1975, 23), alsmede de Resoluties van de Conferentie van Partijen behorende bij dit verdrag. Artikel 2 Als de beheersinstantie, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=5) wordt aangewezen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 3 Als de wetenschappelijke autoriteit, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=6) wordt aangewezen de stichting Caribean Research and Management of Biodiversity. Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Als model voor vergunningen en certificaten als bedoeld in [artikel 7B, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=7b) wordt vastgesteld het model, opgenomen in Bijlage IV van het CITES-verdrag. Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang van 10 oktober 2010. Artikel 7 De regeling wordt aangehaald als: Regeling uitvoering CITES-verdrag BES Bijlage Niet opgenomen. Deze regeling zal met de toelichting in"},{"i":9196,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 10 december 2009, nr. WJZ/9222189, tot wijziging van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen in verband met onder meer wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies Gelet op de [artikelen 4, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=12), en [30, vijfde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=30); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. Artikel II Op aanvragen om subsidie krachtens [hoofdstuk 7 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024902&hoofdstuk=7) die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend en op subsidies die krachtens dat hoofdstuk vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt, blijft dat hoofdstuk van toepassing zoals het onmiddellijk voor dat tijdstip luidde. Artikel III Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2010. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9197,"b":"Regionaal Akkoord inzake het gebruik van de 87,5 - 108 MHz Band voor FM radio omroep IN WITNESS WHEREOF, the undersigned delegates of the Members of the Union mentioned above have, on behalf of the competent authorities of their respective countries, signed this Agreement in a single copy in the Arabic, English, French, Russian and Spanish languages; in case of dispute, the French text shall be authentic. This copy shall remain deposited in the archives of the Union. The Secretary-General shall forward one certified true copy to each Member of the Union in the planning area. DONE at Geneva, 7 December 1984"},{"i":9198,"b":"Regionaal Samenwerkingsverdrag inzake de bestrijding van piraterij en gewapende overvallen op zee in Azië De partijen bij dit Verdrag, Bezorgd over het toenemende aantal gevallen van piraterij en gewapende overvallen op zee in Azië, Indachtig de complexe aard van het probleem van piraterij en gewapende overvallen op zee, Erkennend het belang van de veiligheid van schepen, met inbegrip van hun bemanning, die het recht van scheepvaart uitoefenen zoals voorzien in het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172) van 10 december 1982, hierna te noemen „het UNCLOS”, Opnieuw bevestigend de plicht van de staten uit hoofde van het [UNCLOS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172) samen te werken bij het voorkomen en bestrijden van piraterij, Herinnerend aan het „Tokyo Appeal” van maart 2000, de „Asia Anti-Piracy Challenges 2000” van april 2000 en het „Tokyo Model Action Plan” van april 2000, Gelet op de relevante resoluties aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de relevante resoluties en aanbevelingen aangenomen door de Internationale Maritieme Organisatie, Zich bewust van het belang van internationale samenwerking en van de dringende behoefte aan intensievere regionale samenwerking en coördinatie tussen alle betrokken staten in Azië teneinde piraterij en gewapende overvallen op zee op effectieve wijze te voorkomen en te bestrijden, Ervan overtuigd dat het delen van informatie tussen en het opbouwen van capaciteiten in de verdragsluitende partijen significant zal bijdragen aan het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen op zee in Azië, Bevestigend dat, teneinde een grotere doeltreffendheid van dit Verdrag te waarborgen, het noodzakelijk is dat elke verdragsluitende partij haar maatregelen gericht op het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen op zee versterkt, Vastbesloten verdere regionale samenwerking te bevorderen en de doeltr"},{"i":9199,"b":"Regionale Overeenkomst betreffende het gebruik door de Omroepdienst van golven in de middengolfbanden in de gebieden 1 en 3 en in de langegolfbanden in gebied 1 Preamble With the object of facilitating relations, mutual understanding and cooperation in the field of LF/MF broadcasting; with a view to improving the use of the frequency bands allocated to the broadcasting service in order to ensure satisfactory reception of the broadcasting service for all countries; recognizing that all countries large and small have equal rights and that the needs of all countries and in particular the needs of the developing countries shall be fulfilled as far as possible in the implementation of this Agreement; the delegates of the following Members of the International Telecommunication Union, meeting in Geneva for a regional administrative conference convened under the provisions of the International Telecommunication Convention (Malaga-Torremolinos, 1973), have adopted, subject to the approval of their respective competent authorities, the following provisions relating to the broadcasting service in Regions 1 and 3 for the medium frequency bands and in Region 1 for the low frequency bands: **Republic of Afghanistan, Algeria (Algerian Democratic and Popular Republic). Federal Republic of Germany, Kingdom of Saudi Arabia, Australia, Austria, People's Republic of Bangladesh, Belgium, Byelorussian Soviet Socialist Republic, Republic of Botswana, People's Republic of Bulgaria, Republic of Burundi, United Republic of Cameroon, Central African Republic, People's Republic of China, Republic of Cyprus, Vatican City State, People's Republic of the Congo, Republic of Korea, Republic of the Ivory Coast, Republic of Dahomey, Denmark, Arab Republic of Egypt, United Arab Emirates, Spain, Ethiopia, Fiji, Finland, France, Gabon Republic, Republic of the Gambia, Ghana, Greece, Republic of Guinea, Republic of Upper Volta, Hungarian People's Republic, Republic of India, Republic of Indonesia, Iran,"},{"i":9200,"b":"Regionale Overeenkomst inzake de middengolfomroep in regio 2 Fully respecting the sovereign right of each country to regulate within its territory the broadcasting service in the medium frequency band and to reach special arrangements with such countries as it may consider appropriate, without prejudice to other administrations; In order to facilitate relations among the Members of Region 2, mutual understanding, and cooperation on broadcasting in the medium frequency band; In order to improve the utilization of the frequency band allocated to the medium frequency broadcasting service and achieve a satisfactory broadcasting service in all the countries; Recognizing that all countries have equal rights, and that, in the application of this Agreement, the needs of each country, in particular those of developing countries, shall be fulfilled as far as possible; Recognizing that the protection of mutually accepted services in a major objective for all countries, attempting thereby to bring about better coordination and the use of more efficient facilities; the delegates of the Members of the International Telecommunication Union meeting in Rio de Janeiro at a regional administrative conference convened under the provisions of the International Telecommunication Convention (Malaga-Torremolinos, 1973), have adopted, subject to approval by the competent authorities of their respective countries, the following provisions relating to the broadcasting service in Region 2 for the medium frequency band between 535 and 1605 kHz: Article 1. Definitions For the purposes of this Agreement, the following terms shall have the meanings defined below: **Union:**The International Telecommunication Union; **Secretary-General:**The Secretary-General of the Union; **IFRB:**The International Frequency Registration Board; **CCIR:**The International Radio Consultative Committee; **Convention:**The International Telecommunication Convention; **Radio Regulations:**The Radio Regulations suppleme"},{"i":9201,"b":"Regionale Overeenkomst van de Europese omroepregio betreffende het gebruik van frequenties voor de (analoge) omroep in de VHF en UHF banden **Preamble** The undersigned Delegates of the Administrations of the following countries: **Austria, Belgium, Bielorussian Soviet Socialist Republic, People’s Republic of Bulgaria, Republic of Cyprus, Vatican City State, Denmark, Spain, Finland, France, Greece, Hungarian People’s Republic, Ireland, Iceland, State of Israel, Italy, Lebanon, Luxembourg, Kingdom of Morocco, Monaco, Norway, Kingdom of the Netherlands, People’s Republic of Poland, Portugal, Federal Republic of Germany, Federal People’s Republic of Yugoslavia, Ukrainian Soviet Socialist Republic, Roumanian People’s Republic, United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, Sweden, Confederation of Switzerland, Czechoslovak Socialist Republic, Overseas Territories for the international relations of which the Government of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland are responsible, Turkey, Union of Soviet Socialist Republics,** meeting in Stockholm for a Regional Conference convened under the terms of Article 44 of the International Telecommunication Convention, Geneva, 1959, have adopted, subject to the approval of their Administrations, the following provisions relating to the broadcasting service (sound and television) in the European Broadcasting Area for the bands between 41 and 960 Mc/s allocated on a primary basis to broadcasting under Article 5 of the Radio Regulations, Geneva, 1959, with the exception of the bands between 68 and 73 Mc/s and between 76 and 87.5 Mc/s which are the subject of a Regional Agreement (Special Regional Conference, Geneva, 1960). ARTICLE 1. Definitions - 1. For the purposes of the present Agreement, the following terms shall have the meanings defined below: - 2. **Agreement:** The whole of the present Agreement and its Annexes. - 3. **Plans:** The plans forming Annex 2 to the Agreement. - 4. **European Broadcasting Ar"},{"i":9202,"b":"Controlebevindingen zoeklichtactie Europees aanbesteden Algemeen Er zijn door de Departementale Accountantsdienst zoeklichtacties verricht onder andere om na te gaan of scholen/instellingen bij hun inkoop de regelgeving inzake Europese aanbesteding toepassen. Met deze Accountantsdienst is afgesproken dat deze bevindingen algemeen bekend worden gemaakt door middel van publicatie in Uitleg Gele katern. Zoals bekend is in het algemeen de zorg voor het naleven van de Europese richtlijnen met betrekking tot de Europese aanbesteding en het bekend maken daarvan een taak van het Rijk. De zorg voor de bekendmaking aan en controle op de naleving van de Europese aanbesteding door scholen/instellingen als zelfstandige aanbestedendediensten behoort tot de taak van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en wetenschappen en in het bijzonder Cƒi. Cƒi heeft in het kader van deze taak de Departementale Accountantsdienst verzocht de naleving van de Europese richtlijnen bij de controle te betrekken. In dit verband heeft deze dienst vorig jaar, tijdens de zogenaamde ”zoeklichtacties” bij een aantal scholen/instellingen de naleving van de ”Leidraad voor Europees aanbesteden” bij wijze van steekproef gecontroleerd. De controle-bevindingen zijn inmiddels beschikbaar en onder meer opgenomen in bijlage 2 van de controleprotocollen 1999 voor BVE, HBO en WO. Daar waar nodig is één en ander ook opgenomen als aandachtspunt voor de controle 1999. Ik breng deze aandachtspunten onderstaand nog een keer onder de aandacht. Aandachtspunten (naar aanleiding van ”zoeklichtacties”) Uit het onderzoek is gebleken dat zowel de scholen/instellingen als de instellingsaccountants niet altijd rekening houden met de volgende aspecten: De leidraad voor Europees aanbesteden van 6 december 1996 staat sinds kort in herziene vorm op het internet op pagina:**http://www.dds.nl/~pdc/9221000/ leidraad.htm.** Daarvan is aankondiging gedaan in Uitleg nr. 28 van 24 november 1999. In deze leidraad voor Europees aanbesteden is"},{"i":9203,"b":"Richtlijn Toetsing geschiktheid onderzoeksinstelling **Richtlijn van de centrale commissie mensgebonden onderzoek, de CCMO, krachtens artikel 24 van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen, inzake de toetsingsprocedure voor de beoordeling van de geschiktheid van een Nederlandse (onderzoeks)instelling voor de uitvoering van een medisch-wetenschappelijk onderzoek (Richtlijn Toetsing geschiktheid onderzoeksinstelling)** Hoofdstuk 1. Algemeen 1. Begripsbepalingen In deze richtlijn wordt verstaan onder: 2. Reikwijdte van de richtlijn Deze richtlijn is van toepassing op de beoordeling van de geschiktheid van een Nederlandse (onderzoeks)instelling voor de uitvoering van een medisch-wetenschappelijk onderzoek, voor zover het onderzoek betreft dat valt onder de reikwijdte van de [Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408), alsmede voor zover het klinisch geneesmiddelenonderzoek betreft dat valt onder de reikwijdte van de [Verordening (EU) nr. 536/2014](32014R0536) (CTR), en voor zover het klinisch onderzoek betreft naar medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek dat valt onder de reikwijdte van de [Verordeningen (EU) nr. 2017/745](32645R2017) en [(EU) nr. 2017/746](32646R2017), en voor zover het onderzoek in Nederland plaatsvindt. In verband met de gefaseerde inwerkingtreding van de richtlijn is deze vooralsnog uitsluitend van toepassing op geneesmiddelenonderzoek dat valt onder de reikwijdte van de [Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408) en de [Verordening (EU) nr. 536/2014](32014R0536) (CTR). 3. Beoordelingscriteria De oordelende toetsingscommissie betrekt de volgende aspecten in haar beoordeling van de geschiktheid van het deelnemende centrum voor de uitvoering van het onderzoek: Hoofdstuk 2. De toetsing van het onderzoeksdossier 4. Beoordeling van het onderzoek 5. Beoordeling proefpersoneninformatie 6. Beoordeling"},{"i":9204,"b":"Richtlijnen voor het aanvragen van financiering voor wetenschappelijk onderzoek in het kader van het doorlopend Open Technologieprogramma (OTP) ‘Connecting innovators’ Utrecht, 1 juli 2017 Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek NWO-domein Toegepaste en Technische Wetenschappen 1. Inleiding Deze brochure geeft inzicht in de doelstelling en werkwijze van NWO-domein Toegepaste en Technische Wetenschappen. De voorwaarden worden uiteengezet, waaraan de bij NWO-domein TTW in te dienen aanvragen voor financiering van wetenschappelijk onderzoek in het kader van het Open Technologieprogramma moeten voldoen. NWO-domein TTW maakt deel uit van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO; zie ook www.nwo.nl). Als zodanig verstrekt NWO-domein TTW tweede geldstroomsubsidies. NWO-domein TTW adviseert u op de website (www.ttw.nwo.nl) te verifiëren dat u over de meest recente versie van deze brochure beschikt en de richtlijnen in het geheel aandachtig door te lezen, voordat u uw aanvraag elektronisch via ISAAC indient. 2. Doelstellingen NWO-domein TTW 2.1. Missie van NWO-domein Toegepaste en Technische Wetenschappen NWO-domein TTW verbindt mensen en middelen om wetenschap breed technologie en technische kennis te ontwikkelen, die bijdragen aan het creëren van economische waarde en het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. NWO-domein TTW doet dat: 2.2. Utilisatie TTW-onderzoek genereert waardevolle kennis. Naast excellente wetenschap wil NWO-domein TTW de toepassing van kennis bevorderen. Het geheel aan activiteiten dat tot doel heeft de kans op toepassing van de onderzoeksresultaten door derden te maximaliseren, duidt NWO-domein TTW aan met de term utilisatie. Om naast de wetenschappelijke kwaliteit ook utilisatie te bevorderen, wordt voor ieder project een gebruikerscommissie ingesteld. NWO-domein TTW verwacht van de aanvragers en de gebruikers dat zij actief meewerken aan het bevorderen van utilisatie en medewerking verlenen aan de doelste"},{"i":9214,"b":"Rijkswet van 15 december 1994, houdende goedkeuring van het op 24 juni 1994 te Korfoe tot stand gekomen Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie, met Toetredingsakte, Bijlagen en Protocollen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 24 juni 1994 te Korfoe tot stand gekomen Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie, met toetredingsakte, bijlagen en protocollen, ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 24 juni 1994 te Korfoe tot stand gekomen Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie, met toetredingsakte, bijlagen en protocollen, waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in **Tractatenblad** 1994, 200, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 De goedkeuring door de Staten-Generaal van de verdragen, welke als noodzakelijk en rechtstreeks gevolg van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007121&artikel=1&z=1994-12-23&g=1994-12-23) genoemde Verdrag gesloten worden tussen de lid-staten van de Europese Unie onderling, danwel tussen de lid-staten, al dan niet gezamenlijk met de Europese Gemeenschappen enerzijds en derde staten of internationale organisaties anderzijds, is niet vereist. Artikel 3 Dez"},{"i":9229,"b":"Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, inzake de Europese satellietnavigatieprogramma's De Europese Unie en Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, Ierland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, De Republiek Kroatië, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „lidstaten” genoemd, enerzijds, en De Zwitserse Bondsstaat, hierna „Zwitserland” genoemd, anderzijds, hierna „partij” of „partijen” genoemd, Gezien het gemeenschappelijke belang bij de ontwikkeling van een mondiaal navigatiesatellietsysteem (hierna „GNSS” genoemd) dat specifiek voor civiele doeleinden is ontworpen, Erkennende het belang van de Europese GNSS-programma's als een bijdrage tot de navigatie- en informatie-infrastructuur in de Europese Unie en Zwitserland, Gezien de toenemende ontwikkeling van GNSS-toepassingen in de Europese Unie, Zwitserland en andere gebieden in de wereld, Gezien het gemeenschappelijke belang bij de samenwerking op lange termijn tussen de Europese Unie, haar lidstaten en Zwitserland op het gebied van satellietnavigatie, Erkennende de nauwe deelname van Zwitserland aan de Galileo- en Egnos-programma's sinds de definitiefasen ervan, Gezien de resoluties van de Ruimteraad, met name „Resolutie"},{"i":9231,"b":"Scheldeverdrag De Regeringen van het Koninkrijk België, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van België, het Vlaams Gewest van België, het Waals Gewest van België, de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, Overwegend de door de Verdragspartijen van het [Verdrag inzake de Bescherming van de Schelde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001220), gesloten te Charleville-Mézières op 26 april 1994, verrichte werkzaamheden en verlangend de bestaande samenwerking te versterken tussen de Staten en Gewesten die betrokken zijn bij de bescherming en het gebruik van het water in het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde, Ernaar strevend zorg te dragen voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het water en van de aquatische ecosystemen van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde, teneinde recht te doen aan het waardevolle karakter van haar wateren, oevers, oevergebieden en kustwateren, Geleid door de gezamenlijke wens om samen te werken teneinde een duurzame ontwikkeling tot stand te brengen en de wil om, elk voor zich, de passende maatregelen voor een integraal beheer van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde te treffen teneinde een duurzaam en integraal waterbeheer te bereiken, in het bijzonder rekening houdend met de multifunctionaliteit van de Schelde, Teneinde in het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde gezamenlijk zorg te dragen voor de afstemming die op grond van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid noodzakelijk is, Gelet op het feit dat de tenuitvoerlegging van het onderhavig Verdrag en van de Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, vereist dat in de schoot van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde, al naar g"},{"i":9235,"b":"Slotdocument inzake de eerste Toetsingsconferentie van het Verdrag inzake Conventionele strijdkrachten in Europa Vienna, 15–31 May 1996 The Republic of Armenia, the Azerbaijan Republic, the Republic of Belarus, the Kingdom of Belgium, the Republic of Bulgaria, Canada, the Czech Republic, the Kingdom of Denmark, the French Republic, Georgia, the Federal Republic of Germany, the Hellenic Republic, the Republic of Hungary, the Republic of Iceland, the Italian Republic, the Republic of Kazakstan, the Grand Duchy of Luxembourg, the Republic of Moldova, the Kingdom of the Netherlands, the Kingdom of Norway, the Republic of Poland, the Portuguese Republic, Romania, the Russian Federation, the Slovak Republic, the Kingdom of Spain, the Republic of Turkey, Ukraine, the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland and the United States of America, which are the States Parties to the [Treaty on Conventional Armed Forces in Europe of 19 November 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002009), hereinafter referred to as the States Parties, Fulfilling the obligation set forth in [Article XXI, paragraph 1, of the Treaty on Conventional Armed Forces in Europe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002009&artikel=XXI), hereinafter referred to as the Treaty, to conduct a review of the operation of the Treaty, and thereby taking into account the Final Documents of the Extraordinary Conferences of the States Parties of 10 July 1992 in Helsinki and 13 November 1992 in Vienna, Acting in accordance with the provision of Section VII, paragraph 3, of the Concluding Act of the Negotiation on Personnel Strength of Conventional Armed Forces in Europe of 10 July 1992, hereinafter referred to as the Concluding Act, Recalling the results of the Extraordinary Conferences held thus far, Reaffirming all the decisions of the Joint Consultative Group made thus far, Having met at the First Review Conference, chaired by the Kingdom of the Netherlands, from 15 to 31 May 1996 in Vienna,"},{"i":3089,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 24 februari 2023, nr. DGED/DE/22544466, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, inzake de keuze voor het instrument veiling voor de uitgifte van de landelijke commerciële FM-vergunningen en de landelijke DAB-vergunningen in frequentieblok 11C (Besluit bekendmaking veiling vergunningen landelijke commerciële radio-omroep 2023) Gelet op [artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10), en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor landelijke commerciële radio-omroep in de FM-band en de DAB-vergunningen in frequentieblok 11C, genoemd in tabel 1, worden, met de daaraan te verbinden voorschriften en beperkingen, verleend met toepassing van een veiling als bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). | Pakket Bestaande uit (FM-+DAB-vergunning) | Vergunning FM en bereik | Geclausuleerd of ongeclausuleerd | Bijlagen FM-vergunningen | Bijlagen DAB-vergunningen | | --- | --- | --- | --- | --- | | LCO1 | A01 71,56% | ongeclausuleerd | 1, 10, 11 | 20, 21 | | LCO2 | A02 59,04% | ongeclausuleerd | 2, 10, 12 | 20, 21 | | LCO3 | A03 71,69% | ongeclausuleerd | 3, 10, 13 | 20, 21 | | LCO4 | A04 67,17% | Nieuws en actualiteiten | 4, 10, 14 | 20, 21 | | LCO5 | A05 55,79% | ongeclausuleerd | 5, 10, 15 | 20, 21 | | LCO6 | A06 72,28% | ongeclausuleerd | 6, 10, 16 | 20, 21 | | LCO7 | A07 64,16% | ongeclausuleerd | 7, 10, 17 | 20, 21 | | LCO8 | A08 50,38% | ongeclausuleerd | 8, 10, 18 | 20, 21 | | LCO9 | A09 60,90% | Nederlandstalige muziek | 9, 10, 19 | 20, 21 | Artikel 2 De aanvraag- en veilingprocedure vangt aan op 7 maart 2023. Artikel 3 De voorschriften en beperkingen inclusief de (technische) bijlagen"},{"i":18770,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Strafgevangenis Groningen en de dr. S. van Mesdagkliniek te Groningen (1943) 1951−1993 Als bedoeld in [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), aan de openbaarheid van het, naar het Regionaal Historisch Centrum de Groninger Archieven, overgebrachte archief van de Strafgevangenis Groningen en de dr. S. van Mesdagkliniek te Groningen over de periode (1943) 1951–1993 de volgende beperkingen gesteld: - 1. De beperking op de openbaarheid is van toepassing op de archiefbescheiden, die in de toegang zijn opgenomen onder de inventarisnummers: 5, 6–7, 8–9, 10, 11–12. De beperking van de openbaarheid is van toepassing op archiefbescheiden die jonger zijn dan 75 jaar, gerekend vanaf de afsluitingsdatum. - 2. Raadpleging van de archiefbescheiden is, gelet op [art. 15, derde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de Rijksarchivaris in de provincie Groningen. Deze toestemming kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - •. De verzoeker doet een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot inzage van de archiefbescheiden; - •. De verzoeker vult hiertoe het Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven van het Regionaal Historisch Centrum Groninger Archieven in en ondertekent het formulier. De verzoeker verklaart daarmee tevens zich te zullen houden aan de, in het formulier opgenomen, bepalingen; - •. Tevens verklaart de verzoeker de bevoegdheid van de Rijksarchivaris in de provincie Groningen te erkennen om publicatie van bepaalde, uit de ter inzage"},{"i":18023,"b":"Besluit van 4 oktober 2010, houdende regels met betrekking tot de inrichting en organisatie van het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit beheer politiekorps BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Justitie van 13 juli 2010, nr. 2010-0000460988, CZW/WSG; Gelet op [artikel 14, derde lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=14) en [artikel 2 van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 28 juli 2010, nr. W04.10.0296/1); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2010, nr. 2010-0000592855, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Veiligheidswet BES in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ingeslotene:** persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, alsmede de persoon die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op een bureau van het politiekorps is ondergebracht; - b. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **politiecellencomplex:** in een gebouw te onderscheiden ruimte waarin een of meer gangen met daaraan grenzend een of meer ruimten liggen die worden gebruikt voor het insluiten van personen. Hoofdstuk 2. Organisatie Artikel 2 1. De korpsbeheerder politie draagt zorg voor het inrichten van één of meerdere eenheden in elk van de openbare lichamen die uitsluitend of in hoofdzaak zijn belast met de basispolitiezorg. 2. Aan het hoofd van de eenheden, bedoeld in het eerste lid, staat het hoofd basispolitiezorg. Het hoofd basispolitiezorg wordt aangewezen door de korpsbeheerder politie in overeenstemming met de procureur-genera"},{"i":17265,"b":"Ministeriële regeling van 27 juni 2008, Afdeling Pensioenen, Sociale Zekerheid en Zorg, nr. P/2008011730 Gelet op [artikel 2, zesde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955&artikel=2) en op [artikel 13, tweede lid van het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008475&artikel=13); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband als bedoeld in de bij of krachtens de [Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955) vastgestelde bepalingen worden ter nadere invulling van de War Pensions Committee-schaal (WPC-schaal) de volgende protocollen en richtlijn gehanteerd: - a. het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen (WIA/IP Protocol) gevoegd als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026218&bijlage=1&z=2012-02-10&g=2012-02-10); - b. het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen met een posttraumatische stress stoornis (PTSS Protocol), gevoegd als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026218&bijlage=2&z=2012-02-10&g=2012-02-10); - c. het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen met medical unexplained physical symptoms/lichamelijk onverklaarde chronische klachten na uitzending (MUPS/LOK Protocol), gevoegd als [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026218&bijlage=3&z=2012-02-10&g=2012-02-10); - d. de richtlijn Medische eindtoestand / Duurzame functionele invaliditeit, gevoegd als [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026218&bijlage=4&z=2012-02-10&g=2012-02-10). Artikel 2 1. De vaststelling van de mate van invaliditeit bij verzoeken ingediend voor de inwerkingt"},{"i":19161,"b":"Richtlijn voor strafvordering rijden onder invloed van alcohol en/of drugs en rijden tijdens een rijverbod Achtergrond Op 1 juli 2017 is Stb 2014, 353 tot wijziging van de WVW1994 i.v.m. het verbeteren van de aanpak van rijden onder invloed in werking is getreden. De strafvorderingsrichtlijn die hierop betrekking had, is met deze geheel nieuwe richtlijn na ruim twee jaar vervangen. Daarbij is aansluiting gezocht bij ontwikkelingen die zich voor deze feiten in deze periode in de rechtspraak hebben voorgedaan. Tevens wordt aangesloten bij de voorgenomen verhoging van de wettelijke strafbedreiging bij [artikel 8 WVW1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8) op grond van wetsvoorstel 35086: “Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten”. De richtlijn Zie de tabellen, die in de bijlage zijn opgenomen. **TABELWIJZER** Richtlijn voor strafvordering rijden onder invloed van alcohol en/of drugs en rijden tijdens een rijverbod Bijlage. Richtlijn voor strafvordering rijden onder invloed van alcohol en/of drugs en rijden tijdens een rijverbod **SCHEMA RICHTLIJN VOOR STRAFVORDERING ARTIKEL 8, 162 EN 163 WVW 1994** 1. Bestuurders motorrijtuigen (niet zijnde brom-of snorfiets en niet zijnde vrachtauto of autobus) Alcohol en motorrijtuig Drugs en/of medicijnen en motorrijtuig Motorrijtuigen tijdens rijverbod/begeleidingsverbod * Let op taakstrafverbod ex [art 22 b Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22b). ** Tabel geldt ook voor begeleider. Geen OBM mogelijk *** Indien het 1e rijbewijs een buitenlands rijbewijs is, wordt de termijn van 5 c.q. 7 jaar berekend vanaf de datum afgifte van dat rijbewijs (zie [artikel 8 lid 6 WVW 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8)) 2. Bestuurders brom- of snorfiets, brommobiel en bestuurders gehandicaptenvoertuig met motor Alcohol en bromfiets c.a. **Let op! Deze tabel is van toepassing op strafrechtelijk meerderjarigen. Voor minderjarige bestuurders"},{"i":17073,"b":"Controleprotocol nacalculatie 2018 Wlz-zorgaanbieders Versie 2, februari 2019 1. Inleiding 1.1. Het nacalculatieproces De zorgaanbieder verantwoordt in de nacalculatie-opgave 2018 de totaal financieel gerealiseerde productie over 2018 en de totaal financiële realisatie overige onderdelen over 2018. De door de zorgaanbieder ingevulde nacalculatie-opgave 2018 bestaat uit het ‘Wlz Formulier Nacalculatie 2018’, met daarin de volgende onderdelen: Door het Ondertekeningsdocument 2018 van een handtekening te voorzien, verklaart de persoon die bevoegd is te tekenen namens de zorgaanbieder dat hij/zij de nacalculatie-opgave 2018 naar waarheid en in overeenstemming met de voor het jaar 2018 geldende beleidsregels en regelingen van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft ingevuld. In paragraaf 3.3 (tabel 1) van dit controleprotocol is een overzicht opgenomen van de NZa-regelgeving 2018. De accountant1Met accountant wordt in dit verband bedoeld: de openbare accountant die de nacalculatie-opgave 2018 van de Wlz-zorgaanbieder controleert., zoals bedoeld in [artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393), controleert het Ondertekeningsdocument 2018 van de zorgaanbieder en geeft de uitkomst van zijn onderzoek weer in een controleverklaring bij de nacalculatie-opgave 2018. De accountant verklaart in deze controleverklaring dat: Voor de tekst van de controleverklaring maakt de accountant gebruik van de voorbeeldtekst die in bijlage 1 van dit controleprotocol is opgenomen. Indien de bevindingen uit de controle daartoe aanleiding geven, wordt de tekst van de controleverklaring aangepast overeenkomstig de [Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040523) (NV COS). Met waarmerking wordt in dit controleprotocol bedoeld: een stempel van het controlerend accountantskantoor, uitsluitend ter identificatie. Vóór 1 juni 2019 moet door de zorgaanbieder en het zorgkantoor/de W"},{"i":19180,"b":"Richtlijn voor strafvordering vernieling Beschrijving Deze richtlijn is van toepassing op het vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken van andermans goederen. Voor huiselijk geweld en voor dierenmishandeling/verwaarlozing zijn aparte richtlijnen. Basiscasus/delict Vernieling, alleen gepleegd. Legenda **Afkortingen** GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Agressie in het verkeer Met betrekking tot een aantal delicten, zoals mishandeling, openlijke geweld, vernieling en bedreiging, dient het eventuele feit dat de gepleegde agressieve handeling samenhangt met, of terug te voeren is op een verkeerssituatie, strafverzwarend te worden beoordeeld. Reden voor die verzwaring is enerzijds het risico van escalatie van dergelijke delicten in een overgevoelige situatie, en anderzijds de verhoogde gevaarzetting die agressie in een verkeerssituatie voor andere verkeersdeelnemers doorgaans oplevert. Voor een toelichting op de andere onderstreepte begrippen zie de Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen."},{"i":18249,"b":"Besluit van 5 augustus 1972, houdende wijziging in de taakverdeling tussen het departement van Defensie en dat van Algemene Zaken Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Defensie dd. 31 juli 1972, AC nr. 205295; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: onbenoemd 1. De inlichtingendienst, die sedert 1 januari 1971 tot taak heeft het inwinnen van gegevens betreffende het buitenland gaat van het departement van Defensie over naar het departement van Algemene Zaken, waardoor de taakverdeling tussen beide departementen wordt gewijzigd; 2. De personeelsleden van de onder 1. genoemde inlichtingendienst gaan over in dienst van het departement van Algemene Zaken; de roerende en onroerende zaken van die dienst gaan in materieel beheer over naar dat departement. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 1972. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Defensie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van Ministers, de Hoge Colleges van Staat, de Gevolmachtigde Ministers van Suriname en van de Nederlandse Antillen en de departementen van Algemeen Bestuur."},{"i":18294,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Voorzitter van de raad van ministers van het Koninkrijk, van 10 december 2007, nr. 3047617 Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van het Koninkrijk; Gelet op [artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=10) en [artikel 17 van het reglement van orde voor de ministerraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006501&artikel=17); Besluit: Artikel 1 Er is een onderraad van de raad van ministers van het Koninkrijk, de raad voor Koninkrijksrelaties (RKR). Artikel 2 De raad voor Koninkrijksrelaties is belast met voorbereiding van de besluitvorming van de raad van ministers van het Koninkrijk. Artikel 3 Vaste leden van de raad voor Koninkrijksrelaties zijn: - a. de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, tevens voorzitter; - b. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - d. de Minister van Buitenlandse Zaken; - e. de Minister van Defensie; - f. de Minister van Financiën; - g. de Minister van Justitie; - h. de Minister van Verkeer en Waterstaat; - i. de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen; - j. de Gevolmachtigde Minister van Aruba. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit raad voor Koninkrijksrelaties. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant, de Curaçaosche Courant en de Landscourant van Aruba worden geplaatst."},{"i":17641,"b":"Wet van 6 oktober 1966, houdende vaststelling van een regeling tot toekenning van een uitkering aan gewezen militairen, die zijn ontslagen wegens het bereiken van bepaalde leeftijdsgrenzen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor militairen verleggen van de pensioengerechtigde leeftijd naar het tijdstip waarop de leeftijd van 65 jaar is bereikt het noodzakelijk maakt een financiële voorziening te treffen voor de periode liggende tussen het ontslag en het bereiken van vorengenoemde leeftijd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze minister: Onze Minister van Defensie; - b. ontslag: ontslag, verleend aan een beroepsmilitair in de zin van de [Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955), dan wel aan een reservist in de zin van die wet, voorzover deze krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot doorlopende werkelijke dienst als militair; - ter zake van het bereiken of overschrijden van de bij of krachtens [artikel 12 van de Wet ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) geldende ontslagleeftijd; - ter zake van het bereiken of overschrijden van de leeftijd van 50 jaren, wanneer hij naar Ons oordeel of naar het oordeel van Onze Minister in verband met zijn leeftijd voor het vervullen van de dienst niet meer ten volle geschikt is en de onder 1° bedoelde ontslagleeftijd nog niet heeft bereikt; - ter zake van het bereiken of overschrijden van een bij koninklijk besluit vastgestelde tijdelijk geldende andere leeftijd; - ter zake van een wisseling van betrekking, bedoeld in onderdeel c, onder 3°; - c. gewezen militair: - hij, aan wie een ontslag in de zin van deze wet is verleend en behoort tot diegenen: - voor wie de"},{"i":17337,"b":"Regeling Macrobeheersinstrument geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2014 Gelet op de artikelen: [35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68), [76, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op het verzekerd pakket op grond van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) behorend tot de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (GGZ) én dyslexiezorg. Deze regeling is voorts van toepassing op zorgverzekeraars als bedoeld in [artikel 3, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034443&artikel=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01). Deze regeling is daarnaast van toepassing op degene die gegevens verzamelt, bewaart en bewerkt ten behoeve van zorgaanbieders of zorgverzekeraars, alsmede op de groep als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b), indien zorgaanbieders of zorgverzekeraars daartoe behoren. Artikel 2. Doel Deze regeling heeft tot doel uitvoering te geven aan het macrobeheersinstrument (MBI) en daarbij de navolgende voorwaarden, voorschriften en/of beperkingen te stellen: - –. administratievoorschriften; - –. voorschriften met betrekking tot regelmatige gegevensverstrekking; - –. voorschriften met betrekking tot afdracht in verband met overschrijding van een grens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Artikel 3. Begripsbepalinge"},{"i":18597,"b":"Regeling van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 juni 2012, nr. 2012-200612, houdende instelling van een voorzieningenstelsel buitenlandtoelagen voor rechterlijke ambtenaren die buitengewoon verlof hebben in Nederland om in het Caribische deel van het Koninkrijk der Nederlanden tijdelijk werkzaam te zijn Gelet op [het Voorzieningenstelsel Uitzendingen Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024265); Besluit Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **belanghebbende:** de rechterlijk ambtenaar, aan wie buitengewoon verlof buiten bezwaar van ’s rijks schatkist is verleend in Nederland om tijdelijk in het Caribisch deel van het Koninkrijk voor de duur van langer dan een jaar werkzaam te zijn; - c. **echtgenoot:** echtgenoot volgens burgerlijk recht of de levenspartner met wie de niet gehuwde belanghebbende samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract, bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding, alsmede de geregistreerde partner; - d. **gezin:** belanghebbende en de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot van de belanghebbende en de kinderen waarvoor aanspraak bestaat op kinderbijslag ingevolge de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) of op een tegemoetkoming in de studiekosten op grond van de Wet tegemoetkoming studiekosten door één der ouders of, voor wat betreft de tegemoetkoming in de studiekosten, door het desbetreffende kind zelf; met gezin wordt gelijkgesteld de alleenstaande ouder die samenwoont met één of meer eigen kinderen; - e. **gehuwde belanghebbende:** belanghebbende die met één of meer van zijn gezinsleden samenwoont en"},{"i":19521,"b":"Regeling beperking openbaarheid archiefbescheiden Directoraat-Generaal Verkeer (1914) 1945–1979 (1994) Gelet op [artikel 15, eerste lid onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de bescherming van de Staat en zijn bondgenoten wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief overgebrachte archiefbescheiden van het Directoraat-Generaal Verkeer (1914) 1945–1979 (1994) de volgende beperking gesteld: Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op inventarisnummers 2686, 4653; Overleg met de Sovjet-Unie betreffende binnenvaartaangelegenheden, 1965–1977 en 3907; Overleg met Polen betreffende binnenvaartaangelegenheden, 1969–1974 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Nationaal Archief gehanteerde Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft wat betreft de bescheiden die betrekking hebben op inventarisnummer 3907 achterwege na 1 januari 2014 en wat betreft inventarisnummers 2686 en 4653 na 1 januari 2017. Artikel 2 De directeur van het Nationaal Archief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, in overeenstemming met het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplubiceerd."},{"i":17556,"b":"Reglement werkwijze Klachtenadviescommissie Wsnp 1. Begrippenomschrijving Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de minister van Veiligheid en Justitie; - b. **Wet:** de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) (Staatsblad 1998, nrs. 445 en 447 en Staatsblad 2007, 192 en 222); - c. **Klachtenregeling:** de [Klachtenregeling bewindvoerders Wsnp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032998); - d. **Commissie:** de Klachtenadviescommissie Wsnp; - e. **Klacht:** een bij de Raad voor Rechtsbijstand schriftelijk ingediende uiting betreffende ongenoegen of ontevredenheid over het in strijd met de bepalingen van de Gedragscode handelen of nalaten van de bewindvoerder Wsnp, die als zodanig optreedt dan wel als vertegenwoordiger van een natuurlijk persoon als juridisch casemanager of rechtsbijstandverlener, niet zijnde advocaat, in de zin van de [Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) of anderszins; - f. **Klager:** een natuurlijk- of rechtspersoon, die in relatie tot de bewindvoerder staat als schuldeiser, schuldenaar dan wel als overige belanghebbende in een wettelijke schuldsaneringsregeling waarin de bewindvoerder is benoemd; - g. **Beklaagde:** de bewindvoerder Wsnp tegen wie een klacht is gericht; - h. **de Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - i. **Rechter-commissaris:** de rechter-commissaris die belast is met het toezicht op de uitvoering van de wettelijke schuldsaneringsregeling als bedoeld in [artikel 287 lid 3 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287); - j. **Bewindvoerder:** de bewindvoerder die in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling ([artikel 287 lid 3 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287)) door de rechtbank is benoemd en die is ingeschreven in het register als bedoeld in het [Reglement register bewindvoerder Wsnp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR003"},{"i":18292,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 20 december 2024 nr. 2024-0000945721, houdende instelling van de Ministeriële Commissie Taakstelling Rijksdienst Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 25, eerste lid, van het reglement van orde voor de ministerraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006501&artikel=25), Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a). **De Commissie:** de Ministeriële Commissie Taakstelling Rijksdienst, kortweg: MCTR, zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050764&artikel=2&z=2025-02-11&g=2025-02-11); - b). **ICBR:** de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijksdienst zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit Interdepartementale commissie Bedrijfsvoering Rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047819&artikel=2). - c). **Toepassingsgebied:** de gezamenlijke verantwoordelijkheid op het gebied van de organisatie van het Rijk en de rijksbrede bedrijfsvoering. - d). **Rapportage taakstellingsoperatie:** valt, conform het regeerprogramma, uiteen in twee delen: - a. Rapportage en verantwoording door de ministers zelf via het eigen Jaarverslag en begroting. - b. Rapportage en verantwoording vanuit de coördinerende rol van BZK in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk. Artikel 2 1. Er is een Ministeriële Commissie Taakstelling Rijksdienst. 2. De Commissie is ingesteld voor de duur van het kabinet Schoof. Artikel 3 De Commissie heeft de taak om, gelet op het toepassingsgebied: - a. Op grond van monitoring periodiek vast te stellen of er voldoende voortgang is geboekt in het uitvoeren van de rijksbrede taakstellingsoperatie om te komen tot een toekomstbestendige rijksdienst1Regeerprogramma Kabinet Schoof, 2024, paragraaf ‘minder ambtenaren en externe inhuur’, pagina 92 of dat er aanvullende maatregelen getroffen moeten worden. - b. Monitoring heeft betrekking op: - –. de v"},{"i":18438,"b":"Regeling houdende vaststelling van bepalingen inzake toetsing van ambtenaren van politie en buitengewoon opsporingsambtenaren terzake van geweldsbeheersing, aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden en schietvaardigheid Gelet op artikel 3a van de Wet wapens en munitie en [artikel 48a van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=48a); Besluiten: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. ambtenaar: de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 2, onderdelen a, c, en d, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die rechtens is uitgerust met een of meer geweldsmiddelen; - b. geweldsmiddel: geweldsmiddel als bedoeld in [artikel 1, derde lid, onderdeel d, onder 1e, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=1); - c. LSOP: het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum, genoemd in [artikel 2 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014623&artikel=2) ; - d. de toets geweldsbeheersing: de door het LSOP, samengestelde toets ter beoordeling van de kennis op het gebied van geweldsbeheersing volgens de competentiegerichte eindtermen van de initiële opleidingen voor politieambtenaren, genoemd in [artikel 14 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014623&artikel=14), of de door het LSOP samengestelde toets ter beoordeling van kennis op het gebied van geweldsbeheersing volgens de competentiegerichte eindtermen van een door de betrokken ambtenaar gevolgde postinitiële opleiding; - e. de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden: de door het LSOP samengestelde toets ter beoordeling van aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden volgens de competentiegerichte eindtermen van de initiële opleidingen voor politieambtenaren, g"},{"i":18815,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 december 2015 nr. BOACAT2015/073, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Connexxion Openbaar Vervoer Gelezen het verzoek van Connexxion Openbaar Vervoer van 8 december 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037501&artikel=2&z=2016-04-30&g=2016-04-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Service e & Veiligheid, BOA 1 en BOA 3 in dienst van Connexxion Openbaar Vervoer of bij Hermes Openbaar Vervoer, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, als genoemd in [onderdeel 9.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor hetgrondgebied van Nederland, voor z"},{"i":19025,"b":"Besluit van 18 december 2019 tot wijziging van diverse besluiten in verband met de herziening van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Invoeringsbesluit herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 16 oktober 2019, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2725942; Gelet op de [artikelen 36e, eerste lid, onder a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36e), [36g, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36g), [36m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36m), [257b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257b), [257d, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257d), [410, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=410), [6:1:15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:1:15), [6:3:6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:3:6), [6:3:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:3:13) en [6:4:8 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:4:8), [artikel 74, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74), [artikel 27, eerste lid, onderdeel i, en vijfde lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=27), de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), de [artikelen 3, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=3), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=22), en [35 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=35), de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=9) en [13 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https"},{"i":17964,"b":"Wet van 6 december 2012 tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg en Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen alsmede enige andere wetten in verband met de verbetering van de positie van pleegouders (verbetering positie pleegouders) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de positie van pleegouders te verbeteren en dat daartoe de [Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637), [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656), de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368), de [Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007292) en enige andere wetten dienen te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de jeugdzorg. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel III Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/560. Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel IV Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/560. Wijzigt de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. Artikel V Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/560. Wijzigt de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming. Artikel VI Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/560. Wijzigt de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. Artikel VII Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/560. Op een ouderbijdrage die door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen is vastgesteld op een tijdstip voor inwerkingtreding van deze w"},{"i":19241,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 december 2019, nr. MinBuZa.2019.4731-13, houdende beperkende maatregelen in het licht van ongeoorloofde booractiviteiten van Turkije in het oostelijk deel van de Middellandse Zee (Sanctieregeling Turkije 2019) Gelet op [Verordening 2019/1890](33790R2019) van de Raad van 11 november 2019 betreffende beperkende maatregelen in het licht van ongeoorloofde booractiviteiten van Turkije in het oostelijk deel van de Middellandse Zee (PbEU 2019, L 291); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 2019/1890 van de Raad van de Europese Unie van 11 november 2019 betreffende beperkende maatregelen in het licht van ongeoorloofde booractiviteiten van Turkije in het oostelijk deel van de Middellandse Zee (PbEU 2019, L 291). 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2019/1890, geldt niet in gevallen waarin artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, of artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2019/1890 van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2019/1890 is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard. 2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2019/1890 is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische"},{"i":18049,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 2 februari 2007, nr. DDI/ST/reg001/2007, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de nagelaten stukken van mr. M.P.L. Steenberghe als leider van de Economische, Financiële en Scheepvaartmissie van het Koninkrijk der Nederlanden in de Verenigde Staten 1942–1945 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van de nagelaten stukken van mr. M.P.L. Steenberghe als leider van de Economische, Financiële en Scheepvaartmissie van het Koninkrijk der Nederlanden in de Verenigde Staten 1942–1945, de in de eerste tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer: | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 4 | 2019 | | 6 | 2019 | | 10 | 2019 | | 35 | 2021 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021194&artikel=1&z=2007-02-11&g=2007-02-11) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021194&artikel=1&z=2007-02-11&g=2007-02-11) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na v"},{"i":17384,"b":"Regeling registratie en aanlevering kostprijzen zorgproducten medisch-specialistische zorg Op grond van de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=61), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), alsmede de [beleidsregel ‘Kostprijsmodel zorgproducten medisch-specialistische zorg’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048131), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) deze regeling vast. Ingevolge [artikel 68, eerste lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68), kan de NZa regels stellen die inhouden door wie, aan wie en op welke wijze gegevens en inlichtingen moeten worden verstrekt. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Reikwijdte 1. Deze regeling is van toepassing op instellingen die medisch specialistische zorg verlenen of doen verlenen, waaronder in het kader van deze regeling de navolgende categorieën van instellingen worden verstaan: - a. algemene ziekenhuizen; - b. universitaire medische centra; - c. zelfstandige behandelcentra; - d. instellingen voor revalidatiezorg; - e. categorale instellingen voor long/astmazorg; - f. huisartsenlaboratoria; - g. trombosediensten; - h. productiesamenwerkingsverbanden; - i. klinisch genetische centra, voor zo ver deze geen deel uitmaken van een universitair medisch centrum; - j. protonentherapiecentra. 2. Deze regeling is niet van toepassing op: - a. categorale instellingen voor epilepsiezorg; - b. radiotherapeutische centra; - c. dialysecentra; - d. audiologische centra; - e. instellingen die geriatrische revalidatiezorg leveren en die niet behoren tot een van de instellingscategorieën genoemd in het eerste lid. Artikel 2. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: - **Academische zorg"},{"i":17235,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 november 2012, MC-U-3140782, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage continuïteit van zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 25 mei 2012 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2011/12, 32 393, nr. 17); Gezien het verslag van 29 juni 2012 van een schriftelijk overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 32 393, nr. 24); Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - **minister:** minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - **besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - **vangnetaanbieder:** zorgaanbieder die door de minister is opgericht of mede is opgericht ten behoeve van de continuïteit van zorg. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld in [artikel 2 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2), juncto [onderdeel A, onder 2, sub a tot en met e, van de bijlage bij het besluit](onbekend). Artikel 3. opdracht De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2013 regels of beleidsregels vast. Artikel 4. voorwaarde aan het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage De zorgautoriteit kent de beschikbaarheidbijdrage voor zorg als bedoeld in [artik"},{"i":17127,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 maart 2024, kenmerk, 3793684 – 1063413-J houdende instelling van de Commissie van Deskundigen ten behoeve van de uitvoering van de Hervormingsagenda Jeugd (Instellingsbesluit Commissie van Deskundigen Rijk|VNG Hervormingsagenda Jeugd) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Commissie:** de Commissie van Deskundigen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049523&artikel=2&z=2024-04-03&g=2024-04-03); - b. **Ministerie:** het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **Partijen:** het Rijk, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris, en gemeenten, vertegenwoordigd door de VNG; - d. **Staatssecretaris:** Staatsecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - e. **VNG:** de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie van Deskundigen. 2. De Commissie heeft tot taak onafhankelijk zwaarwegend advies uit te brengen aan Partijen over de uitvoering van de maatregelen en de gepleegde inspanningen uit de Hervormingsagenda Jeugd, mede in relatie tot de uitgavenontwikkeling. Het advies ziet op: - a. de beweging in het stelsel die de bij de Hervormingsagenda Jeugd betrokken Partijen met zowel elkaar, als met aanbieders, professionals en cliënten willen maken en die door de uitvoering van de voornemens en maatregelen dient te worden gerealiseerd; - b. een beoordeling op basis van de afspraken in de Hervormingsagenda Jeugd, de bijbehorende implementatieplannen, de inspanningen van Rijk en gemeenten en de bijbehorende opbrengsten, waarbij ook aandacht wordt besteed aan mogelijke knelpunten en de inspanningen van de andere partijen uit de vijfhoek, alsmede andere partijen die van belang zijn voor de uitvoering van de Hervormingsagenda Jeugd; - c. signalen en"},{"i":18394,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 21 april 2011, nr. DGV/DPV/P&M 2011-2000113644, houdende de vaststelling van een landelijk sociaal statuut politie (Regeling landelijk sociaal statuut) Gelet op de [artikelen 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=39), [55i, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=55i), en [55u van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=55u) en [artikel 6, zesde lid Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024064&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Definities In de regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** ambtenaar, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Barp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1) met uitzondering van de vakantiewerker, en de vrijwillige ambtenaar; - b. **Barp:** [Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516); - c. **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Barp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - d. **Brvvp:** [Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024064); - e. **bezwaaradviescommissie:** bezwaaradviescommissie als bedoeld in [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029961&artikel=12&z=2025-04-01&g=2025-04-01), dan wel een bovenregionaal ingestelde bezwaaradviescommissie; - f. **CGOP:** Commissie voor centraal georganiseerd overleg in politie- en ambtenarenzaken, bedoeld in [artikel 2 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006518&artikel=2); - g. **functie:** functie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Barp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - h. **herplaatsingskandidaat:** herplaatsingskandidaat als bedoeld in de [artikelen 55"},{"i":18247,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 december 2012, nummer WBN 2012/9, houdende wijziging van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 Gelet op de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) en de Vreemdelingencirculaire 2000; Besluit: Artikel I Wijzigt de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003. Artikel II De in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032587&artikel=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01) genoemde wijzigingen zijn niet van toepassing op verklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap en verzoeken om verlening van het Nederlanderschap ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking op 1 april 2013. Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17353,"b":"Regeling macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2025 Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van verpleging en verzorging, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2025 verkregen uit declaratie van de prestaties verpleging en verzorging. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2024 ontvangt van de minister, met daarin voor 2025 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - **macro-omzetgrens:** de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - **minister:** de Minister van Vo"},{"i":18567,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel vanaf 1945 (Minister van Defensie) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 19 december 2005, nr. arc-2005.02658/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Defensie en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Het BSD vervangt handeling 71 van de selectielijst Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel (Stcrt. 2002, 222). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":9310,"b":"Uitvoeringsprotocol tussen de Benelux-staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) en Oekraïne bij de Overnameovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne De Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) en Oekraïne, hierna „de Partijen” genoemd, Overeenkomstig artikel 16 van de op 18 juni 2007 te Luxemburg ondertekende Overnameovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne, hierna „de Overeenkomst” genoemd, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Definities In dit Uitvoeringsprotocol wordt verstaan onder: - –. „diplomatieke vertegenwoordiging”: de bij de verzoekende Partij geaccrediteerde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Partij; - –. „bevoegde autoriteit”: de door de relevante Partijen aangewezen autoriteit, belast met de praktische uitvoering van de Overeenkomst; - –. „begeleider(s)”: de door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij aangewezen persoon (of personen), belast met de begeleiding van de over te nemen of door te geleiden persoon. Artikel 2. Bevoegde autoriteiten 1. De bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van dit Uitvoeringsprotocol en de Overeenkomst staan in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006809&bijlage=1&z=2023-09-01&g=2023-09-01) bij dit Uitvoeringsprotocol vermeld. 2. De Partijen wisselen uiterlijk vijftien (15) dagen na de ondertekening van dit Uitvoeringsprotocol de contactgegevens van de bevoegde autoriteiten uit. 3. De Partijen worden onverwijld langs diplomatieke weg in kennis gesteld van iedere wijziging in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006809&bijlage=1&z=2023-09-01&g=2023-09-01) bij dit Uitvoeringsprotocol en de in het tweede lid van dit artikel vermelde contactgegevens. Artikel 3. Grensdoorlaatposten 1. Alle internationale luchthavens van de aangezochte Partij kunnen voor de effectieve overname en doorg"},{"i":9559,"b":"Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart De Staten-Partijen bij dit Verdrag, Indachtig de doelstellingen en beginselen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten, Erkennend in het bijzonder dat een ieder recht heeft op leven, vrijheid en veiligheid van zijn persoon, zoals uiteengezet in de [Universele verklaring van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) en het [Internationale Verdrag inzake de burgerrechten en de politieke rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001017), Ernstig bezorgd over de toeneming over de gehele wereld van daden van terrorisme in al zijn vormen, waardoor onschuldigen in gevaar worden gebracht of van het leven worden beroofd, fundamentele vrijheden worden bedreigd en de menselijke waardigheid ernstig wordt aangetast, Overwegend dat wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart de veiligheid van personen en goederen in gevaar brengen, de exploitatie van zeediensten ernstig aantasten en het vertrouwen dat de volkeren der wereld stellen in de veiligheid der zeevaart ondermijnen, Overwegend dat dergelijke gedragingen de gehele internationale gemeenschap ernstig verontrusten, Overtuigd van de dringende behoefte aan de totstandkoming van internationale samenwerking tussen Staten bij de opstelling en het nemen van doeltreffende en praktische maatregelen ter voorkoming van alle wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart, alsmede bij de vervolging en bestraffing van de daders, In herinnering brengend resolutie 40/61 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 9 december 1985 die, onder andere, „alle Staten dringend verzoekt om hetzij eenzijdig, hetzij in samenwerking met andere Staten"},{"i":9562,"b":"Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regels betreffende het conservatoir beslag op zeeschepen De Hoge Verdragsluitende Partijen, De wenselijkheid erkennende om in gemeen overleg enige eenvormige regels vast te stellen betreffende het conservatoir beslag op zeeschepen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 In dit Verdrag worden de volgende uitdrukkingen gebezigd in de hierna weergegeven betekenis: - 1. „zeerechtelijke vordering” betekent een vordering voortvloeiende uit: - a. schade, veroorzaakt door een schip in geval van aanvaring of anderszins; - b. dood of letsel, veroorzaakt door een schip of in verband met de exploitatie van een schip; - c. hulpverlening; - d. overeenkomsten betreffende het gebruik of de huur van een schip onder een charterpartij of anderszins; - e. overeenkomsten betreffende goederenvervoer per schip onder een charterpartij, cognossement of anderszins; - f. verlies van of schade aan goederen en bagage, vervoerd per schip; - g. avarij-grosse; - h. bodemerij; - i. slepen; - j. beloodsing; - k. leveranties aan een schip van goederen of materiaal ten behoeve van de exploitatie of het onderhoud van het schip, ongeacht de plaats van levering; - l. bouw, herstelling of uitrusting van een schip of dokkosten; - m. lonen van de kapitein, officieren of bemanning; - n. uitgaven van de kapitein en die van verzenders, bevrachters of agenten voor rekening van het schip of zijn eigenaar; - o. geschillen over de eigendom van een schip; - p. geschillen tussen medeëigenaars van een schip over eigendom, bezit, exploitatie of exploitatie-opbrengsten van dat schip; - q. hypotheek of „mortgage” op een schip. - 2. „Beslag” betekent het aanhouden van een schip met verlof van de bevoegde rechterlijke autoriteit ter verzekering van een zeerechtelijke vordering, maar omvat niet het leggen van beslag op een schip ter tenuitvoerlegging van een executoriale titel. - 3. Onder „persoon” is begrepen iedere"},{"i":9565,"b":"Verdrag tot instelling van het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, het Groothertogdom Luxemburg, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland De verdragsluitende partijen, het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, het Groothertogdom Luxemburg, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek en de Republiek Finland (de „lidstaten van de eurozone” of „ESM-leden”); vastbesloten de financiële stabiliteit van de eurozone te waarborgen; herinnerend aan de op 25 maart 2011 aangenomen conclusies van de Europese Raad betreffende de instelling van een Europees stabiliteitsmechanisme; overwegende hetgeen volgt: De Europese Raad is op 17 december 2010 overeengekomen dat de lidstaten van de eurozone een permanent stabiliteitsmechanisme moeten instellen. Dit Europees Stabiliteitsmechanisme zal de taken overnemen die momenteel door de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit („EFSF”) en het Europees financieel stabilisatiemechanisme („EFSM”) worden vervuld bij het verstrekken, indien nodig, van financiële bijstand aan lidstaten van de eurozone na juni 2013. Op 25 maart 2011 heeft de Europese Raad Besluit 2011/199/EU tot wijziging van [artikel 136 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506&artikel=136) met betrekking tot een stabiliteitsmechanisme voor de lidstaten die de euro als munt hebben1)PB L 91 van 6.4.2011, blz. 1.vastgesteld waarbij aan artikel 136 het v"},{"i":9569,"b":"Verdrag tot oprichting van de Afrikaanse faciliteit voor juridische ondersteuning De staten en de internationale organisaties die partij zijn bij dit Verdrag Herinnerend aan de verklaring van de Afrikaanse ministers van Financiën van 2 juni 2003 inzake hulp, handel, schulden, IMF, hiv/aids, waarin zij opriepen tot spoedige oprichting van een faciliteit voor juridisch-technische bijstand ter ondersteuning van arme landen met een zware schuldenlast („HIPCs” oftewel Heavily Indebted Poor Countries) in Afrika bij het aanpakken van problemen bij rechtsgedingen met schuldeisers; Gelet op het feit dat deze rechtsgedingen de voornaamste doelen van het HIPC-initiatief bedreigen, daar ze ten koste gaan van de resultaten van schuldverlichting voor de HIPCs en ertoe leiden dat de lasten ongelijk worden verdeeld tussen de schuldeisers; In herinnering roepend dat de Commissie voor Afrika in dit verband heeft opgeroepen tot de oprichting van een snel inzetbare faciliteit voor juridisch-technische bijstand, die los staat van de Bretton Woods Instellingen, en die Afrikaanse landen helpt dergelijke rechtsgedingen te voorkomen of te vermijden, dan wel ze tot een goed einde te brengen; In herinnering roepend de resolutie van de door de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en de Economische Commissie voor Afrika van de Verenigde Naties gezamenlijk georganiseerde Afrikaanse Ministersconferentie van februari 2007 inzake het beheer van Afrika's natuurlijke rijkdommen ten behoeve van groei en armoedevermindering, die wees op de kloof tussen Afrikaanse landen en geïndustrialiseerde landen op het gebied van onderhandelingscapaciteit ten behoeve van contracten voor de winning van natuurlijke rijkdommen, en die in het bijzonder opriep tot het oprichten van een faciliteit ter ondersteuning van Afrikaanse landen bij het ontwikkelen van expertise en capaciteit om onderhandelingen te voeren en eerlijke en billijke regelingen af te sluiten voor het beheer van Afrika's natuurlijke rijkdommen en mijnbouwactiv"},{"i":9570,"b":"Verdrag tot oprichting van de Associatie van Caraïbische Staten Preambule De Verdragsluitende Staten: Zich verbindend tot het op gang brengen van een nieuw tijdperk dat wordt gekenmerkt door een versterking van de samenwerking en van de culturele, economische, politieke, wetenschappelijke, sociale en technologische betrekkingen tussen hen: Ervan overtuigd dat de versterking van de samenwerking tussen de Staten, Landen en Grondgebieden van het Caraïbisch gebied, gestoeld op hun geografische nabijheid en historische banden, een bijdrage zal leveren aan de toekomstige culturele, economische en sociale ontwikkeling van hun volken, die uitstijgt boven hun verwijdering in het verleden; Zich bewust van de noodzaak een tijdig en doelmatig antwoord te vinden op de uitdagingen en mogelijkheden die de mondialisering van de internationale economie en de voortschrijdende liberalisering van de handelsbetrekkingen op het halfrond bieden; Bereid het proces van samenwerking en regionale integratie van het Caraïbisch gebied te bevorderen, te bestendigen en te versterken teneinde een grotere economische ruimte te creëren die een bijdrage zal leveren aan het vergroten van de concurrentiepositie op de internationale markten en de actieve en gecoördineerde deelname van de regio in de multilaterale fora zal vergemakkelijken; Zich bewust van het zeer aanzienlijke verschil in omvang, bevolking en ontwikkelingsniveau tussen de Staten, Landen en Grondgebieden van het Caraïbisch gebied; Zich verbindend tot het voortdurend bevorderen, bestendigen en versterken van onder meer de beginselen van democratie, de rechtsstaat, eerbiediging van de soevereiniteit, de territoriale onschendbaarheid van de Staten en het recht van volken op zelfbeschikking, gelijke kansen en eerbiediging van de mensenrechten, als fundamenten voor de versterking van de vriendschappelijke betrekkingen die bestaan tussen de volken van het Caraïbisch gebied; Het belang erkennend van de Caraïbische Zee als gemeenschappelijk erfg"},{"i":9571,"b":"Verdrag tot oprichting van de Bank voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling in het Midden-Oosten en Noord-Afrika De Verdragsluitende Partijen, Erkennende dat de oprichting van een duurzame, eerlijke en allesomvattende vrede in het Midden-Oosten de weg opent naar een beter leven voor miljoenen mensen in deze regio, die gedurende decennia met direct geweld geconfronteerd zijn, en hoop biedt op een drastische verbetering in de economische, sociale en menselijke ontwikkeling in het Midden-Oosten en Noord-Afrika; Zich ervan bewust dat de in het vredesproces genomen moedige stappen moeten worden ondersteund door resoluut optreden op het gebied van economische en sociale ontwikkeling; Ervan overtuigd dat resoluut optreden ter bevordering van regionale economische ontwikkeling en ter verbetering van de levensstandaard van de volkeren in de regio, essentieel is voor een bestendige vrede; dat een dergelijk optreden de participatie door de bevolking in economische samenwerking voor lange-termijnontwikkeling vergemakkelijkt, en dat daarmee de regio een nieuw tijdperk van onderlinge samenwerking en welvaart tegemoet kan gaan; Gelet op de behoefte om zowel de economische samenwerking en handel in de regio te verbeteren als de regio in staat te stellen haar concurrentiepositie in de wereldeconomie te versterken; Erkennende dat een permanent forum voor economisch overleg en financiële samenwerking een belangrijke factor kan zijn, die bijdraagt aan duurzame vrede en welvaart in de regio; Gelet op de behoefte de internationale samenwerking op het gebied van economische vooruitgang in de regio te versterken, de bijdrage in de vorm van binnenlandse en buitenlandse investeringen te versnellen, alsmede het milieubeheer te verbeteren; Verlangende de stroom van kapitaal en technologie voor productieve en vreedzame doeleinden naar de regio te vergroten, met het oog op leniging van de sociale en ontwikkelingsbehoeften van de regio en ter bevordering van de eerbiediging van de mensenrech"},{"i":9572,"b":"Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM) Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van de Italiaanse Republiek, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Beseffende, dat de kernenergie de voornaamste hulpbron vormt welke de ontwikkeling en de vernieuwing van de produktie zal verzekeren en de vooruitgang van de werken des vredes mogelijk zal maken, Overtuigd, dat alleen een onverwijlde gemeenschappelijke inspanning de belofte inhoudt van een verwezenlijking die beantwoordt aan het scheppingsvermogen van hun landen, Vastbesloten, de voorwaarden te scheppen tot ontwikkeling van een krachtige industrie op het gebied van de kernenergie als bron van ruime energievoorraden en van een modernisering der techniek, alsook van talrijke andere toepassingen welke zullen bijdragen tot het welzijn van hun volkeren, Verlangende, veiligheidsvoorwaarden te scheppen, waardoor de gevaren voor het leven en de gezondheid van de bevolking worden afgewend, Geleid door de wens, andere landen te betrekken in hun arbeid en samen te werken met de internationale organisaties die zich toeleggen op de vreedzame ontwikkeling van de atoomenergie, Hebben besloten een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) op te richten, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: **Zijne Majesteit de Koning der Belgen:** de Heer PAUL-HENRI SPAAK, Minister van Buitenlandse Zaken; J.CH. BARON SNOY ET D’OPPUERS, Secretaris-Generaal van het Ministerie van Economische Zaken, Voorzitter van de Belgische delegatie bij de Intergouvernementele Conferentie. **De President van de Bondsrepubliek Duitsland:** Dr. KONRAD ADENAUER, Bondskanselier; Prof. Dr. WALTER HALLSTEIN, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. **De President van de Franse Republiek:** de Heer CHRISTIAN PINEAU, Minister van Buitenlandse Zaken; de H"},{"i":9574,"b":"Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Overwegende dat de omvang van de voor werkzaamheden op het gebied van de ruimtevaart benodigde menselijke, technische en financiële hulpbronnen, zodanig is, dat deze de middelen van ieder Europees land afzonderlijk te boven gaan; Overwegende de Resolutie, aangenomen door de Europese Ruimteconferentie op 20 december 1972, en bevestigd door de Europese Ruimteconferentie op 31 juli 1973, waarbij besloten is dat een nieuwe organisatie, het „Europees Ruimte-Agentschap” genaamd, zal worden gevormd uit de Europese Organisatie voor Ruimte-onderzoek en de Europese Organisatie voor de ontwikkeling en de vervaardiging van dragers van ruimtevoertuigen, en dat het doel zal zijn in zoverre en zo spoedig als dit redelijkerwijs mogelijk is de nationale Europese ruimteprogramma’s te integreren in een Europees ruimteprogramma; Verlangende de Europese samenwerking op het gebied van het ruimteonderzoek en de ruimtetechnologie en de toepassing hiervan in de ruimte, uitsluitend voor vreedzame doeleinden voort te zetten en te versterken, met het oog op hun gebruik voor wetenschappelijke doeleinden en voor operationele ruimtesystemen bestemd voor praktische toepassing; Verlangende voor de verwezenlijking van deze doelstellingen één Europese ruimte-organisatie op te richten om de doeltreffendheid van alle Europese inspanningen op het gebied van de ruimtevaart te verhogen door een beter gebruik van de hulpbronnen die thans ten behoeve van de ruimte worden aangewend en om een gemeenschappelijk Europees ruimteprogramma tot stand te brengen, uitsluitend voor vreedzame doeleinden, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Oprichting van het Agentschap 1. Hierbij wordt een Europese Organisatie opgericht, „Europees Ruimte-Agentschap” genaamd, hierna te noemen „het Agentschap”. 2. De leden van het Agentschap, hierna te noemen „Lid-Staten”, zijn de Staten die partij bij dit Verdrag zijn overeenkomsti"},{"i":9575,"b":"Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond De Regeringen van de Staten die partij zijn bij dit Verdrag: Overwegende, Dat het onderzoek van het zuidelijk deel van de sterrenhemel veel minder gevorderd is dan dat van het noordelijk deel, Dat, dientengevolge, de gegevens die de basis vormen van de kennis van ons melkwegstelsel in de verschillende gedeelten van de sterrenhemel geenszins gelijkwaardig zijn en dat het noodzakelijk is deze gegevens te verbeteren en, voor zover zij onvoldoende zijn, aan te vullen, Dat het, met name, bijzonder te betreuren is dat sterrenstelsels die in het noordelijk deel van de sterrenhemel geen equivalent hebben, voor de grootste thans in gebruik zijnde instrumenten bijna ontoegankelijk zijn, Dat hieruit blijkt dat het noodzakelijk is spoedig op het zuidelijk halfrond krachtige, met die op het noordelijk halfrond vergelijkbare instrumenten te installeren, doch dat dit voornemen slechts met succes kan worden volbracht door middel van internationale samenwerking; Verlangende gezamenlijk een sterrenwacht op het zuidelijk halfrond op te lichten, voorzien van krachtige instrumenten, en op deze wijze de samenwerking op het gebied van het astronomisch onderzoek te stimuleren en te organiseren; Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: Artikel I. Oprichting van de Organisatie 1. Bij dit Verdrag wordt een Europese Organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond, hierna te noemen „de Organisatie”, opgericht. 2. De Organisatie is voorlopig gevestigd te Brussel. De zetel van de Organisatie zal door de bij artikel IV ingestelde Raad definitief worden vastgesteld. Artikel II. Doelstellingen 1. De Organisatie heeft tot doel de bouw, de uitrusting en het doen functioneren van een op het zuidelijk halfrond gelegen sterrenwacht. 2. Het basisprogramma van de Organisatie omvat de bouw, de inrichting en het doen functioneren van een sterrenwacht op het zuideli"},{"i":9576,"b":"Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten \"EUMETSAT\" De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Overwegend dat de veiligheid van de mensheid en de doeltreffende uitvoering van talloze menselijke activiteiten mede afhangen van meteorologische gegevens en dat betrouwbaardere en snellere weersvoorspellingen noodzakelijk zijn; de mogelijkheid tot verbetering van de weersvoorspellingen grotendeels bepaald wordt door de beschikbaarheid van meteorologische waarnemingen, zowel plaatselijk als mondiaal, met inbegrip van die welke betrekking hebben op afgelegen gebieden en woestijnen; meteorologische satellieten hun geschiktheid en buitengewone mogelijkheden hebben bewezen om als aanvulling te dienen op de waarnemingssystemen op de grond, in het bijzonder met betrekking tot de permanente bewaking van het weer en de uitvoering van waarnemingen, alsmede de snelle verzameling van gegevens daarvan, boven de ontoegankelijkste gebieden van het aardoppervlak; meteorologische satellieten, dankzij de hoeveelheid gegevens die zij kunnen verzamelen en hun bijzondere toepassingsgebieden, mondiale gegevens over lange termijn verschaffen die van wezenlijk belang zijn voor het observeren van de aarde en het klimaat, in het bijzonder van belang voor het constateren van veranderingen op wereldwijde schaal; Constaterend dat de Wereld Meteorologische Organisatie haar leden heeft aanbevolen de bestanden van meteorologische gegevens te verbeteren, en krachtige steun heeft verleend aan plannen voor de ontwikkeling en exploitatie van een wereldomvattend waarnemingssysteem door middel van satellieten, ten einde aan haar programma's bij te dragen; de ontwikkeling van METEOSAT-satellieten door het Europese Ruimte Agentschap geslaagd is; het operationele METEOSAT programma (MOP) dat door EUMETSAT wordt uitgevoerd, heeft aangetoond dat Europa in staat is zijn deel van de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van een wereldomvattend waarnem"},{"i":9577,"b":"Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor kernphysisch onderzoek De Staten welke partij zijn bij dit Verdrag, In aanmerking nemende de op 15 februari 1952 te Genève ter ondertekening opengestelde Overeenkomst houdende de instelling van een Raad van Vertegenwoordigers van Europese Staten ter bestudering van de plannen voor een internationaal laboratorium en de organisatie van andere vormen van samenwerking op het gebied van kernfysisch onderzoek; In aanmerking nemende de op 30 juni 1953 te Parijs ondertekende Aanvullende Overeenkomst tot verlenging van genoemde Overeenkomst; en Verlangende ingevolge lid 2 van artikel III van genoemde Overeenkomst van 15 februari 1952, een Verdrag te sluiten tot oprichting van een Europese Organisatie voor kernfysisch onderzoek, met inbegrip van de oprichting van een Internationaal Laboratorium voor de uitvoering van een overeengekomen programma van zuiver wetenschappelijk en fundamenteel onderzoek met betrekking tot deeltjes met grote energieën; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Oprichting van de Organisatie 1. Hierbij wordt een Europese Organisatie voor kernfysisch onderzoek (hierna te noemen „de Organisatie”) opgericht. 2. De Organisatie is gevestigd te Genève, tenzij de in artikel IV genoemde Raad op een later tijdstip met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten besluit de zetel van de Organisatie te verplaatsen naar de plaats waar een der andere in artikel II, lid 2, onder **a** bedoelde laboratoria is gevestigd. Artikel II. Doelstellingen 1. De Organisatie draagt zorg voor de samenwerking tussen de Europese Staten op het gebied van kernfysisch onderzoek van zuiver wetenschappelijke en fundamentele aard en onderzoekingen welke daar wezenlijk mee in verband staan. De Organisatie houdt zich niet bezig met werk voor militaire behoeften en de resultaten van haar proefondervindelijk en theoretisch werk worden gepubliceerd of op andere wijze voor iedereen toegankelijk gemaakt. 2. Ten aanzien van de in lid 1"},{"i":9578,"b":"Verdrag tot oprichting van een Internationale Organisatie voor wettelijke metrologie De Staten, welke partij zijn bij dit Verdrag, verlangende in internationaal verband de technische en administratieve vraagstukken op te lossen, welke zijn gerezen als gevolg van de aanwending van meetinstrumenten, en er zich van bewust dat het van belang is, hun streven om tot dit doel te geraken te coördineren, zijn overeengekomen een Internationale Organisatie voor wettelijke metrologie in het leven te roepen, welke als volgt wordt omschreven: HOOFDSTUK I. Doel van de Organisatie Artikel I Er wordt een Internationale Organisatie voor wettelijke metrologie opgericht, welke ten doel heeft: - 1°. een documentatie en voorlichtingscentrum te vormen - -. eensdeels omtrent de verschillende nationale diensten welke zich bezig houden met de keuring en de controle van meetinstrumenten welke aan een wettelijke regeling zijn of kunnen worden onderworpen; - -. anderdeels omtrent de genoemde meetinstrumenten, voor wat betreft hun ontwerp, hun constructie en hun gebruik; - 2°. de teksten der wettelijke voorschriften omtrent meetinstrumenten en hun gebruik, welke in de verschillende Staten van kracht zijn, te vertalen en uit te geven met alle op het grondwettelijk en administratief recht van deze Staten gebaseerde verklarende aantekeningen, nodig voor een volledig begrip van deze voorschriften; - 3°. de algemene beginselen van de wettelijke metrologie vast te stellen; - 4°. de op de wettelijke metrologie betrekking hebbende vraagstukken van wetgevende en verordenende aard, welker oplossing van internationaal belang is te bestuderen, ten einde eenheid te brengen in werkwijzen en regelingen; - 5°. een standaard-wetsontwerp en een standaard-regeling voor meetinstrumenten en hun gebruik op te stellen; - 6°. een ontwerp voor de materiële organisatie van een standaard-dienst voor de keuring en de controle van meetinstrumenten uit te werken; - 7°. de noodzakelijke kenmerken en eigenschappen vast te stel"},{"i":9580,"b":"Verdrag tot oprichting van het Adviescentrum voor WTO-recht De Partijen bij dit Verdrag Vaststellend dat de [Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001160) (hierna te noemen de „WTO”) een complex juridisch stelsel en uitvoerige procedures voor geschillenregeling tot stand heeft gebracht; Voorts vaststellend dat ontwikkelingslanden, in het bijzonder de minstontwikkelde landen, en de landen met overgangseconomieën beperkte deskundigheid inzake WTO-recht en het behandelen van complexe handelsgeschillen bezitten en dat hun vermogen om zulke deskundigheid te verwerven onderhevig is aan aanzienlijke financiële en institutionele beperkingen; Erkennend dat een juist evenwicht tussen rechten en verplichtingen uit hoofde van de [Overeenkomst tot oprichting van de WTO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001160) slechts gehandhaafd kan worden indien alle Leden van de WTO volledig inzicht hebben in hun daaruit voortvloeiende rechten en plichten en gelijke mogelijkheden om gebruik te maken van de WTO-procedures voor geschillenbeslechting; Voorts erkennend dat de geloofwaardigheid en aanvaardbaarheid van de WTO-procedures voor geschillenbeslechting slechts kunnen worden gewaarborgd indien alle Leden van de WTO daadwerkelijk daaraan kunnen deelnemen; Derhalve vastbesloten een bron te scheppen voor rechtskundig onderricht, deskundigheid en advies inzake WTO-recht die eenvoudig toegankelijk is voor ontwikkelingslanden, in het bijzonder de minstontwikkelde landen, en landen met overgangseconomieën; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Oprichting van het Adviescentrum voor WTO-recht Het Adviescentrum voor WTO-recht (hierna te noemen het „Centrum\") wordt hierbij opgericht. Artikel 2. Doelstellingen en taken van het Centrum 1. Doel van het Centrum is het geven van rechtskundig onderricht, bijstand en advies inzake WTO-recht en -procedures voor geschillenbeslechting aan ontwikkelingslanden, in het bijzonder de mi"},{"i":9581,"b":"Verdrag tot oprichting van het Agentschap voor internationale handelsinformatie en -samenwerking, als intergouvernementele organisatie De Partijen bij dit Verdrag, Gelet op het toenemende belang van de internationale handel als drijvende kracht voor groei en ontwikkeling en de mogelijkheden ervan om bij te dragen aan armoedeverlichting, Voorts gelet op het belang van handelsgerelateerde capaciteitsopbouw en technische samenwerking voor sterkere participatie van ontwikkelingslanden in het multilaterale handelssysteem, Opnieuw hun inzet bevestigend voor een rechtvaardig multilateraal handelssysteem en een Wereldhandelsorganisatie (WTO) waarbij niemand wordt uitgesloten, Gelet op het belang van versterking van de capaciteit van ontwikkelingslanden met beperkte middelen en van landen met een overgangseconomie, met inbegrip van kleine kwetsbare economieën, waarbij prioriteit wordt verleend aan de minstontwikkelde landen en landen die geen permanente vertegenwoordiging hebben in Genève, teneinde effectief te participeren in de Wereldhandelsorganisatie en in het internationaal handelssysteem en zich aansluitend bij het streven dat alle WTO-leden en -waarnemers naar behoren vertegenwoordigd worden in Genève, Voorts gelet op de problemen waarmee deze landen met beperkte middelen geconfronteerd worden wanneer zij effectief willen participeren in de WTO, in het bijzonder wanneer zij geen vertegenwoordiging hebben in Genève, Reagerend op de dringende behoefte van deze landen met beperkte middelen aan handelsgerelateerde technische samenwerking en capaciteitsopbouw teneinde hen in staat te stellen effectief te participeren in het WTO-activiteitenprogramma en -onderhandelingsproces, en de nadruk die daar op wordt gelegd in de ministeriële verklaring van Doha, goedgekeurd door de ministers tijdens de vierde vergadering van de Ministeriële Conferentie van de WTO en herhaald in artikel 38 van de consensus van Monterrey, goedgekeurd door de staatshoofden en regeringsleiders die de In"},{"i":9582,"b":"Verdrag tot oprichting van het Caribische Noodhulp Management Agentschap De staten die partij zijn: Zich ervan bewust dat de fragiele economieën en ecosystemen van staten in de Caribische regio uiterst kwetsbaar zijn voor natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen, waaronder orkanen, aardbevingen, tsunami's, vulkaanuitbarstingen, droogtes, overstromingen en aardverschuivingen; In herinnering brengend dat in de afgelopen decennia een opeenvolging van natuurrampen, waaronder orkanen, aardbevingen, overstromingen, aardverschuivingen en vulkaanuitbarstingen, nadelige gevolgen heeft gehad voor veel staten in de Caribische regio; Erkennend het werk van het Caribisch Agentschap voor Spoedhulp bij Rampen (Caribbean Disaster Emergency Response Agency) op het gebied van de voorbereiding op en bestrijding van rampen; De wens uitsprekend het Caribische Noodhulp Management Agentschap op te richten dat de werkzaamheden van het Caribisch Agentschap voor Spoedhulp bij Rampen overneemt en verder uitbreidt om te waarborgen dat de weerbaarheid van gemeenschappen in de Caribische regio een duurzame ontwikkeling laat zien; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Begripsomschrijvingen Tenzij uit het zinsverband anders volgt, wordt in dit Verdrag verstaan onder: - „getroffen deelnemende staat”: een staat op het grondgebied waarvan een ramp heeft plaatsgevonden; - „CARICOM”: de Caribische Gemeenschap; - „CDEMA”: het Caribische Noodhulp Management Agentschap (Caribbean Disaster Emergency Management Agency), opgericht ingevolge [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006839&artikel=II&z=2024-06-04&g=2024-06-04); - „CDERA”: het Caribisch Agentschap voor Spoedhulp bij Rampen (Caribbean Disaster Emergency Response Agency), een instantie van de Gemeenschap die erkend wordt ingevolge artikel 21 van het Verdrag van Chaguaramas; - „coördinerende eenheid”: het administratief en operationeel orgaan van CDEMA; - „raad”: het CDEMA-orgaan dat in artikel VI wordt bedoeld; - „ramp"},{"i":9583,"b":"Verdrag tot oprichting van het Europees Bureau voor Communicatie (EBC) 's-Gravenhage op 23 juni 1993, zoals gewijzigd te Kopenhagen op 9 april 2002 De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, hierna te noemen de „Verdragsluitende Partijen\"; Vastbesloten een permanente instelling zonder winstoogmerk op te richten die de Europese Conferentie van PTT-administraties, hierna te noemen de „CEPT\", moet bijstaan in de verrichting van haar taken met betrekking tot het intensiveren van de betrekkingen tussen haar Leden, het bevorderen van hun samenwerking en het bijdragen aan het creëren van een dynamische markt op het gebied van postale en elektronische communicatie in Europa, Vaststellend dat dit Verdrag de gewijzigde tekst vormt van het Verdrag tot oprichting van het Europees Bureau voor Radiocommunicatie en dat het Bureau dat bij dit Verdrag wordt opgericht de voormalige verantwoordelijkheden en taken van het Europees Bureau voor Radiocommunicatie (EBR) en het Europees Bureau voor Telecommunicatie (ETO) op zich neemt, Zijn het volgende overeengekomen: Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1997/286. Artikel 1. Oprichting van het EBR 1. Hierbij wordt een Europees Bureau voor Radiocommunicatie op gericht, hierna te noemen het „EBR\". 2. De zetel van het EBR wordt gevestigd te Kopenhagen, Denemarken. Artikel 2. Doel van het EBR Het EBR is een vaktechnisch centrum op het gebied van de radiocommunicatie, dat het ECR bijstaat en adviseert. Artikel 3. Taken van het EBR 1. Het EBR heeft tot taak: - 1. op te treden als coördinerend vaktechnisch centrum, dat probleemgebieden opspoort en zoekt naar nieuwe mogelijkheden op het gebied van de radiocommunicatie en hierover advies uitbrengt aan het ECR; - 2. lange-termijnplannen op te stellen voor het toekomstig gebruik van het radiofrequentiespectrum op Europese schaal; - 3. contacten te onderhouden met de nationale autoriteiten die zijn belast met het frequentiebeheer; - 4. het werk te coördineren en richtsnoeren te geven voor onderzoek; - 5"},{"i":9585,"b":"Verdrag tot oprichting van het Internationaal Vaccinatie-Instituut Overwegende dat het Initiatief tot Vaccinatie van Kinderen, (hierna te noemen „het CVI”) een coalitie is van regeringen, multi- en bilaterale organisaties, niet-gouvernementele organisaties met inbegrip van stichtingen en verenigingen, en de industrie die gericht is op het waarborgen van de beschikbaarheid van veilige, doeltreffende en betaalbare vaccins, de ontwikkeling en introductie van nieuwe en verbeterde vaccins en op het vergroten van de capaciteit van ontwikkelingslanden op het gebied van ontwikkeling, productie en gebruik van vaccins bij immunisatieprogramma's; Overwegende dat ten tijde van het initiatief van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (hierna te noemen „het UNDP”) de Republiek Korea ermee heeft ingestemd als gastland op te treden voor een nieuw op te richten instituut, het Internationaal Vaccinatie-instituut (hierna te noemen „het Instituut”), dat zich toelegt op het vergroten van de capaciteit van ontwikkelingslanden op het gebied van vaccintechnologie en vaccingerelateerde onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten; Overwegende dat de Partijen bij dit Verdrag het Instituut beschouwen als een instrument om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het CVI; Overwegende dat de Partijen bij dit Verdrag de wens koesteren het Instituut de vorm te geven van een internationale organisatie met een passend bestuur, een rechtspersoonlijkheid en een gepaste internationale status, voorrechten en immuniteiten en andere noodzakelijke voorwaarden om het Instituut in staat te stellen doeltreffend te werken aan het verwezenlijken van zijn doelstellingen; Overwegende dat de Partijen bij dit Verdrag het Instituut wensen op te richten als integrerend bestanddeel van het beleidskader, de strategie en de activiteiten van het CVI; Zijn de ondertekenende Partijen het volgende overeengekomen: Artikel I. Oprichting Er wordt een onafhankelijke internationale organisatie opg"},{"i":9586,"b":"Verdrag tot oprichting van het Multilateraal Investeringsfonds II Overwegend dat het Multilateraal Investeringsfonds („het MIF I’’) is opgericht bij het Verdrag tot oprichting van het Multilateraal Investeringsfonds van 11 februari 1992 („MIF I-verdrag’’); Overwegend dat het MIF I-verdrag overeenkomstig artikel V, afdeling 2, daarvan werd verlengd tot 31 december 2007; Overwegend dat, de noodzaak in de Latijns-Amerikaanse en Caraïbische regio erkennend om een doeltreffende aanpak te ontwikkelen teneinde private investeringen en de ontwikkeling van de private sector te bevorderen, het ondernemingsklimaat te verbeteren en micro-ondernemingen en kleine bedrijven te ondersteunen met als doel de economische groei en vermindering van de armoede te ondersteunen, de donoren die zijn toegetreden tot het MIF I-verdrag en de in Schema A van dit Verdrag tot oprichting van het Multilateraal Investeringsfonds II (het „MIF II-verdrag’’) vermelde toekomstige donoren (alle „toekomstige donoren’’) de voortzetting van de activiteiten van het MIF I na 31 december 2007 wensen te waarborgen en te voorzien in een verbeterd MIF I (het „MIF II of het „Fonds’’) binnen de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (de „Bank’’), die de activa en passiva van het MIF I zal aanvaarden; en Overwegend dat de toekomstige donoren beogen dat het MIF II de werkzaamheden van de Bank, de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij (de „IIC’’ ) en andere multilaterale ontwikkelingsbanken blijft aanvullen overeenkomstig de hierin bedoelde voorwaarden en dat het beheer van het MIF II door de Bank overeenkomstig het Verdrag inzake het beheer van het Multilaterale Investeringsfonds II van dezelfde datum (het MIF II-beheerverdrag) wordt voortgezet. Komen de toekomstige donoren derhalve thans het volgende overeen: Artikel I. Algemeen doel en taken Afdeling 1. Algemeen doel. Het algemene doel van het MIF II is het ondersteunen van de economische groei en van het terugdringen van de armoede in de regionale ontwikkelingsl"},{"i":9587,"b":"Verdrag tot oprichting van het Multilateraal Investeringsfonds Aangezien vele leiders in Latijns-Amerika en de Caraïben zijn overgegaan tot marktgerichte economische hervormingen, zij de noodzaak hebben onderkend de externe schuldenlast tot een beheersbaar niveau terug te brengen en de noodzaak hebben onderkend van geliberaliseerde investeringsregimes; Aangezien de noodzaak particulier kapitaal aan te trekken van cruciaal belang is voor de economische ontwikkeling van de landen van Latijns-Amerika en de Caraïben en investeringshervormingen nodig zijn om buitenlandse en binnenlandse investeringen in deze landen te stimuleren; Aangezien de in Schema A van dit Verdrag vermelde toekomstige donorleden van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (ieder bij toetreding tot dit Verdrag als „Donor\" beschouwd en hierna als zodanig aangeduid) zijn overeengekomen binnen de Bank een multilateraal fonds op te richten als een overgangsmaatregel ter ondersteuning van investeringshervormingen; Aangezien bedoeld multilateraal fonds middelen van cruciaal belang kan verschaffen ter aanvulling en vervollediging van de activiteiten van de Interamerikaanse Ontwikkelingsbank, van de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij en van andere multilaterale ontwikkelingsbanken ter ondersteuning van hun beleid en hun initiatieven om investeringshervormingen te bevorderen en in het bijzonder de activiteiten van micro-ondernemingen te stimuleren; Aangezien de Interamerikaanse Ontwikkelingsbank (hierna genoemd de „Bank\") ter verwezenlijking van haar doelstellingen en hetgeen zij beoogt, ermee heeft ingestemd een dergelijk fonds te beheren en op 11 februari 1992 het Verdrag inzake het beheer van het Multilateraal Investeringsfonds (hierna genoemd het „Beheerverdrag\") heeft ondertekend; Komen de Donoren derhalve overeen het Multilateraal Investeringsfonds (hierna genoemd het „Fonds\") op te richten als volgt: Artikel I. Algemene doelen Vervallen Artikel II. Bijdragen aan het Fonds Vervallen Artikel III."},{"i":9588,"b":"Verdrag tot regeling van de conflicten tussen de nationale wet en de wet van de woonplaats De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend; Verlangend gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen nopens een regeling van de conflicten tussen de nationale wet en de wet van de woonplaats; Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Wanneer de Staat, waar de betrokken persoon woont, de toepassing van de nationale wet voorschrijft, terwijl de Staat, waarvan die persoon onderdaan is, de toepassing van de wet van de woonplaats voorschrijft, past iedere verdragsluitende Staat de bepalingen van intern recht van de wet van de woonplaats toe. Artikel 2 Wanneer de Staat, waar de betrokken persoon woont, en de Staat, waarvan deze persoon onderdaan is, beiden de toepassing van de wet van de woonplaats voorschrijven, past iedere verdragsluitende Staat de bepalingen van intern recht van de wet van de woonplaats toe. Artikel 3 Wanneer de Staat, waar de betrokken persoon woont en de Staat, waarvan deze persoon onderdaan is, beiden de toepassing van de nationale wet voorschrijven, past iedere verdragsluitende Staat de bepalingen van intern recht van de nationale wet toe. Artikel 4 Geen der verdragsluitende Staten verplicht zich de regelen, gegeven bij de vorige artikelen, toe te passen, wanneer zijn regelen van internationaal privaatrecht in een bepaald geval de toepassing noch van de wet van de woonplaats, noch van de nationale wet voorschrijven. Artikel 5 Onder woonplaats, in de zin van dit Verdrag, wordt verstaan de plaats waar een persoon gewoonlijk verblijft, tenzij de woonplaats afhankelijk is van die van een andere persoon of van de zetel van een autoriteit. Artikel 6 In ieder van de verdragsluitende Staten kan de toepassing van de door dit Verdrag aangewezen wet ter zijde worden gesteld op grond van de openbare orde. Artikel 7 Geen Staat verplicht zich de bepalingen van dit Verdrag toe te passen, wanneer de Staat, waar de betr"},{"i":9589,"b":"Verdrag tot regeling van de walvisvangst De regeringen wier gemachtigde vertegenwoordigers hun instemming hiermede hebben betuigd; Erkennende het belang, dat de volkeren der wereld er bij hebben om de grote natuurlijke bronnen, vertegenwoordigd door de walvisstand voor toekomstige generaties veilig te stellen; In aanmerking nemende, dat in de geschiedenis van de walvisvangst een te intensieve vangst in het ene gebied na het andere is voorgekomen en op de ene soort walvis na de andere te sterk werd gejaagd, in zulke mate, dat het noodzakelijk is alle soorten walvissen te beschermen tegen verdere te sterke vangst; Erkennende, dat de walvisstand op natuurlijke wijze kan toenemen als de walvisvangst behoorlijk wordt geregeld, en dat een toename van de grootte van de walvisstand een toename van het aantal walvissen ten gevolge zal hebben, dat gevangen kan worden zonder deze natuurlijke hulpbronnen in gevaar te brengen; Erkennende, dat het van algemeen belang is, dat de walvisstand zo snel mogelijk op een optimaal peil wordt gebracht, zonder een algemene noodtoestand op het gebied van economie en voeding te veroorzaken; Erkennende, dat zolang deze doelstellingen nog niet zijn bereikt, de walvisvangst behoort te worden beperkt tot die soorten, welke het best tegen exploitatie bestand zijn ten einde bepaalde soorten walvissen, wier aantal sterk verminderd is, tijd te geven zich te herstellen. Er naar strevend de walvisvaart internationaal te regelen tot waarborging van een behoorlijke en doeltreffende instandhouding en ontwikkeling van de walvisstand volgens de beginselen, welke zijn neergelegd in de bepalingen van de Internationale Overeenkomst tot Regeling van de Walvisvangst, getekend te Londen op 8 Juni 1937 en de bij die Overeenkomst behorende Protocollen, getekend te Londen op 24 Juni 1938 en 26 November 1945; voorts Besloten hebbend een Verdrag te sluiten om te voorzien in een behoorlijke instandhouding van de walvisstand om op deze wijze een geregelde ontwikkeling v"},{"i":9590,"b":"Verdrag tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van cheques **(Opsomming van Staatshoofden.)** Verlangend regelen aan te nemen tot oplossing van zekere wetsconflicten ten aanzien van chèques, hebben als hun Gevolmachtigden aangewezen: **(Lijst van Gevolmachtigden.)** Die, na elkander hun in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 De Hooge Verdragsluitende Partijen verbinden zich jegens elkander voor de oplossing der hieronder genoemde wetsconflicten ten aanzien van chèques, de in de volgende artikelen opgesomde regelen toe te passen. Artikel 2 De bekwaamheid van een persoon om zich bij chèque te verbinden wordt bepaald door zijn nationale wet. Indien deze nationale wet de wet van een ander land bevoegd verklaart, is deze laatste wet toepasselijk. De persoon, die onbekwaam zou zijn volgens de wet, in het voorgaande lid genoemd, is desniettemin rechtsgeldig verbonden, indien de handteekening is geplaatst op het grondgebied van een land, volgens welks wetgeving de persoon bekwaam zou zijn geweest. Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen is bevoegd, de rechtsgeldigheid te ontkennen van een door één harer onderdanen aangegane verbintenis ten aanzien van chèques, welke op het grondgebied der andere Hooge Verdragsluitende Partijen slechts door toepassing van het voorgaande lid van dit artikel geldig zou zijn. Artikel 3 De wet van het land, waar de chèque betaalbaar is, wijst de personen aan, op wie eene chèque kan worden getrokken. Indien, volgens deze wet, de titel nietig is als chèque met het oog op den persoon, op wien zij is getrokken, zijn niettemin geldig de verbintenissen, voortvloeiende uit de handteekeningen, daarop gesteld in andere landen, wier wetten genoemde bepaling niet bevatten. Artikel 4 De vorm der verbintenissen ten aanzien van chèques aangegaan, wordt beoordeeld naar de wet van het land, op welks grondgebied die verbintenissen zijn onderteekend. Het"},{"i":9591,"b":"Verdrag tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes **(Opsomming van Staatshoofden.)** Verlangend regelen te stellen tot oplossing van zekere wetconflicten ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes, hebben als hun gevolmachtigden aangewezen: **(Lijst van Gevolmachtigden.)** Die, na elkander hun in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 De Hooge Verdragsluitende Partijen verbinden zich jegens elkander voor de oplossing der hieronder genoemde wetsconflicten ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes de in de volgende artikelen opgesomde regelen toe te passen. Artikel 2 De bekwaamheid van een persoon om zich bij wisselbrief en orderbriefje te verbinden wordt bepaald door zijn nationale wet. Indien deze nationale wet de wet van een ander land bevoegd verklaart, is deze laatste wet toepasselijk. De persoon, die onbekwaam zou zijn volgens de wet in het voorgaande lid genoemd, is desniettemin rechtsgeldig verbonden, indien de handteekening is geplaatst op het grondgebied van een land, volgens welks wetgeving de persoon bekwaam zou zijn geweest. Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen is bevoegd de rechtsgeldigheid niet te erkennen van een door één harer onderdanen aangegane verbintenis ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes, welke op het grondgebied der andere Hooge Verdragsluitende Partijen slechts door toepassing van het voorgaande lid van dit artikel geldig zou zijn. Artikel 3 De vorm der verbintenissen ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes aangegaan, wordt beoordeeld naar de wet van het land, op welks grondgebied die verbintenissen zijn onderteekend. Indien echter de op een wisselbrief of een orderbriefje aangegane verbintenissen volgens de bepalingen van het voorgaande lid niet rechtsgeldig zijn, doch in overeenstemming zijn met de wetgeving van den Staat, waar een latere verbintenis is onderteekend, doet d"},{"i":9592,"b":"Verdrag tot samenwerking inzake octrooien De Verdragsluitende Staten, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de wetenschap en de technologische kennis, Geleid door de wens de wettelijke bescherming van uitvindingen te vervolmaken, Geleid door de wens het verkrijgen van bescherming voor uitvindingen, wanneer deze bescherming wordt aangevraagd in meer dan één land, te vereenvoudigen en goedkoper te maken, Geleid door de wens het publiek gemakkelijker en sneller toegang te verschaffen tot de technische gegevens, vervat in documenten die nieuwe uitvindingen beschrijven, Geleid door de wens de economische ontwikkeling van ontwikkelingslanden te bevorderen en te bespoedigen door het nemen van maatregelen die zijn gericht op de verhoging van de doeltreffendheid van hun ter bescherming van uitvindingen uitgevaardigde nationale zowel als regionale wettelijke stelsels, door gemakkelijk toegankelijke gegevens te verstrekken over de beschikbaarheid van technologische oplossingen die kunnen worden toegepast op hun bijzondere behoeften en door de toegang tot de voortdurend in omvang toenemende moderne technologische kennis te vergemakkelijken, De overtuiging toegedaan, dat samenwerking tussen de naties het bereiken van deze doeleinden ten zeerste zal vergemakkelijken, Hebben het onderhavige Verdrag gesloten. Inleidende bepalingen Artikel 1. Oprichting van een Unie (1). De Staten die partij zijn bij dit Verdrag (hierna te noemen „de Verdragsluitende Staten”) vormen een Unie voor samenwerking bij de indiening, het nieuwheidsonderzoek en de beoordeling van aanvragen voor de bescherming van uitvindingen en voor het verlenen van bijzondere technische diensten. De Unie zal bekend staan onder de naam Internationale Unie voor samenwerking inzake octrooien. (2). Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag worden uitgelegd als een beperking van de rechten voorzien in het [Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV"},{"i":9593,"b":"Verdrag tot uitbanning van de oorlog als werktuig van nationale politiek DE PRESIDENT VAN HET DUITSCHE RIJK, DE PRESIDENT VAN DE VEREENIGDE STATEN VAN AMERIKA, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN, DE PRESIDENT VAN DE FRANSCHE REPUBLIEK, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN GROOT-BRITANNIË, VAN lERLAND EN VAN DE BRITSCHE OVERZEESCHE GEBIEDEN, KEIZER VAN INDIË, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN ITALIË, ZIJNE MAJESTEIT DE KEIZER VAN JAPAN, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK POLEN, DE PRESIDENT VAN DE TSJECHOSLOWAAKSCHE REPUBLIEK, Diep doordrongen van den hoogen plicht, die op hen rust om het welzijn der menschheid te bevorderen; Overtuigd, dat het oogenblik daar is om openlijk afstand te doen van den oorlog als werktuig van nationale politiek, opdat de vreedzame en vriendschappelijke verhoudingen, die thans tusschen hunne volkeren bestaan, altijd mogen voortduren; Overtuigd, dat alle veranderingen in hunne onderlinge verhoudingen slechts moeten worden nagestreefd door vreedzame middelen en verwezenlijkt moeten worden in orde en vrede en dat aan elke bij dit verdrag partij zijnde Mogendheid, welke in den vervolge zou trachten hare nationale belangen te bevorderen door van oorlog gebruik te maken, de voordeelen van het huidige verdrag zullen moeten worden ontzegd; Vervuld van de hoop dat, aangemoedigd door hun voorbeeld, alle andere Natiën der wereld zich bij dit menschlievend streven zullen aansluiten, en, door tot dit verdrag toe te treden, zoodra dit in werking zal treden, hare volkeren in het genot zullen stellen van zijne heilzame bepalingen, waardoor alle beschaafde Natiën der wereld vereenigd zullen worden in een gemeenschappelijke verwerping van den oorlog als werktuig van hare nationale politiek; Hebben besloten een verdrag te sluiten en tot dat doel als hun respectievelijke gevolmachtigden aangewezen, te weten: DE PRESIDENT VAN HET DUITSCHE RIJK: Dr. Gustav STRESEMANN, Minister van Buitenlandsche Zaken; DE PRESIDENT VAN DE VEREENIGDE STATEN VAN AMERIKA: The Honorable Frank B."},{"i":9594,"b":"Verdrag tot unificatie van accijnzen en van het waarborgrecht tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groot-Hertogdom Luxemburg Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, enerzijds, en Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins Regent, in naam van Zijne Majesteit de Koning der Belgen, en Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, anderzijds, Overtuigd, dat het wenselijk is, teneinde een economische unie te verwerkelijken tussen Nederland en de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, bepaalde accijnzen af te schaffen en de bedragen en maatstaven van de andere accijnzen aan elkaar gelijk te maken alsmede een gelijke regeling te treffen met betrekking tot de waarborg van rijkswege van platina, gouden en zilveren werken, Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Mr. D. U. Stikker, Minister van Buitenlandse Zaken, Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins Regent, in naam van Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Zijne Excellentie E. Graeffe, Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur van het Koninkrijk België, en Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg: Zijne Excellentie Auguste Collart, buitengewoon Gezant en gevolmachtigd Minister van het Groot-Hertogdom Luxemburg, Die, na elkaar hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. Afgeschafte accijnzen Artikel 1 Par. 1. In de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie vervallen de accijnzen op koffie, op benzol, op azijn en azijnzuur, op margarine en andere bereide vetten, op lucifers en aansteektoestellen, op druiven- en moutsuiker. Par. 2. In België vervalt de accijns op natuurlijk en kunstmatig mineraalwater, gashoudend en gesteriliseerd water en op gashoudende of schuimende limonade. Artikel 2 In Nederland vervallen de accijnzen op het geslacht, op zout, op houtgeest en op sigaretten"},{"i":9595,"b":"Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa **Preambule** Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Tsjechische Republiek, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Republiek Estland, de President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, de President van de Franse Republiek, de President van Ierland, de President van de Italiaanse Republiek, de President van de Republiek Cyprus, de President van de Republiek Letland, de President van de Republiek Litouwen, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, de President van de Republiek Hongarije, de President van Malta, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, de Federale President van de Republiek Oostenrijk, de President van de Republiek Polen, de President van de Portugese Republiek, de President van de Republiek Slovenië, de President van de Slowaakse Republiek, de President van de Republiek Finland, de Regering van het Koninkrijk Zweden, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat; In de overtuiging dat Europa, na bittere ervaringen herenigd, op de ingeslagen weg van beschaving, vooruitgang en welvaart wil voortgaan, voor het goed van al zijn bewoners, ook van de meest kwetsbaren en de meest behoeftigen; dat Europa een werelddeel wil blijven dat openstaat voor cultuur, kennis en maatschappelijke vooruitgang; en dat Europa het democratische en transparante karakter van zijn openbare leven wil verdiepen en zich wil beijveren voor vrede, rechtvaardigheid en solidariteit in de wereld; In het vertrouwen dat de volkeren van Europa, onverminderd trots op hun identiteit en hun nat"},{"i":9596,"b":"Verdrag tot vaststelling van eenvormige regelen inzake de immuniteit van staatsschepen [**Zie de Franse tekst voor een opsomming der Staatshoofden**] Het nut erkend hebbend om in gemeen overleg eenige eenvormige regelen betreffende de immuniteit van staatsschepen vast te stellen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben als hunne Gevolmachtigden aangewezen: [**Zie de Franse tekst voor een opsomming der Gevolmachtigden**] Welke, daartoe behoorlijk gemachtigd, het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 De zeeschepen, welke aan Staten toebehooren of door hen worden geëxploiteerd, de aan Staten toebehoorende ladingen, de in staatsschepen vervoerde ladingen en passagiers, evenals de Staten, die eigenaar zijn van deze schepen of deze exploiteeren, of die eigenaar zijn van deze ladingen, zijn, ten opzichte van vorderingen betreffende de exploitatie van die schepen of het vervoer van die ladingen, onderworpen aan dezelfde regelen in zake aansprakelijkheid en aan dezelfde verbintenissen als die, welke op particuliere schepen, ladingen en reeders van toepassing zijn. Artikel 2 Ten opzichte van die aansprakelijkheden en verbintenissen zijn de regelen betreffende de bevoegdheid der gerechten, de rechtsvorderingen en de rechtspleging dezelfde als voor de aan particuliere eigenaars toebehoorende koopvaardijschepen en voor de particuliere ladingen en derzelver eigenaars. Artikel 3 § 1. De bepalingen van de twee vorige artikelen zijn niet van toepassing op oorlogsschepen, staatsjachten, schepen belast met eenig toezicht, hospitaalschepen, hulpschepen, bevoorradingsschepen en andere aan een Staat toebehoorende of door hem geëxploiteerde vaartuigen, die bij het ontstaan van de schuldvordering uitsluitend gebezigd worden voor een regeeringsdienst, waarmede geen handelsdoeleinden worden beoogd; deze schepen kunnen niet in beslag genomen, aangehouden of vastgehouden worden tengevolge van eenigerlei gerechtelijken maatregel, noch ook onderworpen worden aan eene rec"},{"i":9598,"b":"Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Vastbesloten handelend op te treden ten einde daadwerkelijke vorderingen te bereiken in de richting van algemene en volledige ontwapening onder nauwlettend en doeltreffend internationaal toezicht, met inbegrip van het verbieden en uitbannen van alle vormen van massavernietigingswapens, Geleid door de wens bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen en beginselen van het Handvest der Verenigde Naties, In herinnering brengend dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties herhaaldelijk elk optreden dat in strijd is met de beginselen en doelstellingen van het Protocol van Genève van 17 juni 1925 nopens het verbod van het gebruik tijdens oorlogshandelingen van verstikkende, giftige of andere gassen en van vormen van bacteriologische oorlogvoering (Protocol van Genève van 1925) heeft veroordeeld, Erkennend dat dit Verdrag de hernieuwde bevestiging vormt van de beginselen en doelstellingen van en de verplichtingen aangegaan ingevolge het Protocol van Genève van 1925 en het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens, ondertekend te Londen, Moskou en Washington op 10 april 1972, Indachtig de doelstelling neergelegd in artikel IX van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens, Vastbesloten, in het belang van de gehele mensheid, de mogelijkheid van het gebruik van chemische wapens volledig uit te sluiten door toepassing van de bepalingen van dit Verdrag en aldus de ingevolge het Protocol van Genève van 1925 aangegane verplichtingen aan te vullen, Erkennend het verbod van het gebruik van herbi"},{"i":9597,"b":"Verdrag tot vaststelling van enige eenvormige regelen inzake aanvaring in de binnenvaart Artikel 1 1. Dit Verdrag regelt de vergoeding van schade die, ten gevolge van een aanvaring tussen binnenschepen in de wateren van een der Verdragsluitende Partijen, hetzij aan de vaartuigen, hetzij aan de zich aan boord daarvan bevindende personen of zaken, wordt toegebracht. 2. Dit Verdrag regelt eveneens de vergoeding van elke schade die door een binnenschip is toegebracht aan andere binnenschepen of aan de personen of zaken die zich aan boord van zodanige schepen bevinden, hetzij ten gevolge van het uitvoeren of nalaten van een manoeuvre, hetzij door het niet naleven der voorschriften, in de wateren van een der Verdragsluitende Partijen, ook wanneer zich daarbij geen aanvaring heeft voorgedaan. 3. Indien de in lid 1 en 2 bedoelde schepen deel uitmaken van een zelfde sleeptrein, laat zulks de toepassing van dit Verdrag onverlet. 4. Voor de toepassing van dit Verdrag: - a). wordt onder „schepen” mede kleine vaartuigen verstaan; - b). worden met schepen gelijkgesteld: draagvleugelboten, vlotten, veerponten, de beweegbare gedeelten van schipbruggen, voorts baggermolens, kranen, elevators en alle soortgelijke drijvende machines en inrichtingen. Artikel 2 1. Aansprakelijkheid voor schade bestaat slechts, indien de schade het gevolg is van schuld. Er bestaat geen wettelijk vermoeden van schuld. 2. Indien de schade is veroorzaakt door een toeval, door overmacht, of indien de oorzaak niet kan worden vastgesteld, wordt zij gedragen door degenen die haar hebben geleden. 3. Een schip dat deel uitmaakt van een sleeptrein is slechts aansprakelijk voor eigen schuld. Artikel 3 Indien de schade is veroorzaakt door de schuld van één schip rust de verplichting tot schadevergoeding op dit schip. Artikel 4 1. Indien twee of meer schepen gezamenlijk, door hun schuld, schade hebben veroorzaakt, zijn zij daarvoor aansprakelijk, en wel hoofdelijk wat betreft de schade aan personen, alsmede aan schep"},{"i":9599,"b":"Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Vastbesloten, handelend op te treden ten einde daadwerkelijke vorderingen te bereiken in de richting van algemene en volledige ontwapening, met inbegrip van het verbieden en uitbannen van alle vormen van wapens voor massale vernietiging, en overtuigd dat het verbieden van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van chemische en bacteriologische (biologische) wapens en het uitbannen van deze wapens door doeltreffende maatregelen de verwezenlijking van algemene en volledige ontwapening onder nauwlettend en doeltreffend internationaal toezicht zal vergemakkelijken, Erkennend de grote betekenis van het Protocol van Genève van 17 juni 1925 nopens het verbod van het gebruik tijdens oorlogshandelingen van verstikkende, giftige of andere gassen en van vormen van bacteriologische oorlogvoering, en zich tevens bewust van de bijdrage die genoemd Protocol reeds heeft geleverd en nog levert tot vermindering van de verschrikkingen van de oorlog, Opnieuw bevestigend hun trouw aan de beginselen en doelstellingen van dat Protocol en alle Staten oproepend, deze beginselen en doeleinden na te leven, In herinnering brengend dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties herhaaldelijk elk optreden dat in strijd is met de beginselen en doelstellingen van het Protocol van Genève van 17 juni 1925 heeft veroordeeld, Verlangend bij te dragen tot vergroting van het vertrouwen tussen de volken en tot de algemene verbetering van het internationale klimaat, Voorts verlangend bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen en beginselen van het Handvest der Verenigde Naties, Overtuigd van het belang en de urgentie van verwijdering uit de wapenvoorraden van de Staten, door doeltreffende maatregelen, van zulke gevaarlijke wapens voor massale vernietiging"},{"i":9600,"b":"Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika Preambule De Regeringen van de Staten die het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika ondertekenen, handelend uit naam van hun volken en getrouwelijk hun wensen en verlangens vertolkend, Verlangend, voor zover in hun vermogen ligt, er toe bij te dragen dat een einde wordt gemaakt aan de bewapeningswedloop, in het bijzonder op het gebied van de kernwapens, en dat de vrede in de wereld, gegrondvest op de soevereine gelijkheid van de Staten, wederzijdse eerbied en goede nabuurschap, wordt versterkt, Eraan herinnerend dat de Algemene Vergadering der Verenigde Naties, in haar Resolutie 808 (IX), met eenparigheid van stemmen als een van de drie punten van een gecoördineerd ontwapeningsprogramma heeft aanvaard „het algehele verbod van het gebruik en de vervaardiging van kernwapens en alle soorten wapens voor massale vernietiging”, Eraan herinnerend dat militair gedenucleariseerde zones geen doel op zichzelf zijn, doch veeleer een middel vormen om te eniger tijd tot algemene en volledige ontwapening te komen, Herinnerend aan Resolutie 1911 (XVIII) van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties, waarin werd gesteld dat de maatregelen tot denuclearisatie van Latijns-Amerika, ten aanzien waarvan overeenstemming zou worden bereikt, zouden moeten worden genomen „in het licht van de beginselen van het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en van regionale overeenkomsten”, Herinnerend aan Resolutie 2028 (XX) van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties waarin het beginsel is neergelegd van een aanvaardbaar evenwicht tussen de wederzijdse verantwoordelijkheden en verplichtingen der nucleaire en niet-nucleaire machten, en Eraan herinnerend dat in het Handvest van de Organisatie van Amerikaanse Staten wordt verklaard dat een wezenlijk doel van de Organisatie het versterken van de vrede en de veiligheid op het eigen halfrond is, Ervan overtuigd: Dat de onberekenbare verni"},{"i":9603,"b":"Verdrag tussen de Regering van Canada, de Regeringen van de Lidstaten van het Europees Ruimte-Agentschap, de Regering van Japan, de Regering van de Russische Federatie en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake samenwerking op het gebied van het civiele internationale ruimtestation De Regering van Canada (hierna ook te noemen „Canada”), De Regering van het Koninkrijk België, van het Koninkrijk Denemarken, van de Franse Republiek, van de Bondsrepubliek Duitsland, van de Italiaanse Republiek, van het Koninkrijk der Nederlanden, van het Koninkrijk Noorwegen, van het Koninkrijk Spanje, van het Koninkrijk Zweden, van de Zwitserse Bondsstaat en van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, zijnde Regeringen van lidstaten van het Europees Ruimte-Agentschap (hierna gezamenlijk aangeduid als „de Europese Regeringen” of „de Europese Deelnemer”), De Regering van Japan (hierna ook te noemen „Japan”), De Regering van de Russische Federatie (hierna ook te noemen „Rusland”), en De Regering van de Verenigde Staten van Amerika (hierna te noemen „de Regering van de Verenigde Staten” of „de Verenigde Staten”), In herinnering brengend dat de President van de Verenigde Staten in januari 1984 de Nationale Dienst voor Lucht- en Ruimtevaart („NASA”) heeft opgedragen een permanent bemand ruimtestation te ontwikkelen en in een omloopbaan te brengen, en vrienden en bondgenoten van de Verenigde Staten heeft uitgenodigd deel te nemen aan de ontwikkeling en het gebruik daarvan en te delen in de daaruit voortvloeiende voordelen, Herinnerend aan de aanvaarding van deze uitnodiging door de Eerste Minister van Canada tijdens de topontmoeting met de President van de Verenigde Staten in maart 1985 te Quebec en aan de wederzijdse bevestiging van de belangstelling voor samenwerking tijdens de topontmoeting in maart 1986 te Washington D.C., Herinnerend aan de inhoud van de desbetreffende Resoluties die op 31 januari 1985 en op 20 oktober 1995 werden aangenomen door de"},{"i":9604,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Macedonische Regering inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Macedonische Regering (hun Staten hierna te noemen „de Verdragsluitende Staten”), Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Staat op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Staten zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen” verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en know-how; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. omvat de term „onderdanen” met betrekking tot elk van de Verdragsluitende Staten: - i. natuurlijke personen die de nationaliteit van die Verdragsluitende Staat hebben; - ii. rechtspersonen die zijn opgericht krachtens het rec"},{"i":9605,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Overgangsregering van Ethiopië inzake technische samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Overgangsregering van Ethiopië (hierna te noemen de Regering van Ethiopië), Opnieuw de vriendschappelijke betrekkingen bevestigend die tussen beide Staten en hun volken bestaan; Geleid door de wens de technische samenwerking te bevorderen en hiertoe het noodzakelijke juridische en administratieve kader te scheppen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I 1. Het doel van dit Verdrag is de technische samenwerking te bevorderen en het juridische en administratieve kader te scheppen waarbinnen de bevoegde autoriteiten van beide Partijen deze technische samenwerking zullen uitvoeren. 2. De Nederlandse Regering zal technische bijstand verschaffen voor specifieke ontwikkelingsprojecten in Ethiopië, overeen te komen door de beide Regeringen. 3. Financiële bijdragen aan een project en de wijze waarop dat project in het kader van deze technische samenwerking dient te worden uitgevoerd, worden per geval door de bevoegde autoriteiten van beide Partijen vastgelegd in project-overeenkomsten of administratieve akkoorden. Artikel II In verband met projecten die zijn goedgekeurd in het kader van dit Verdrag verbindt de Regering van Ethiopië zich ertoe: - a. de Nederlandse personeelsleden vrij te stellen van inkomstenbelasting en andere fiscale heffingen ten aanzien van de door de Nederlandse Regering aan hen betaalde salarissen en vergoedingen; - b. het Nederlandse personeel vrij te stellen van de betaling van douane- of invoerrechten en andere fiscale heffingen op de invoer van nieuwe of gebruikte huishoudelijke artikelen en persoonlijke bezittingen die in Ethiopië worden ingevoerd binnen zes maanden na de aankomst van het personeel - behalve in bijzondere omstandigheden waarin deze termijn kan worden verlengd; - c. de Nederlandse personeelsleden gedurende de periode van hun aanstelling vrij te ste"},{"i":9606,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek inzake het wederzijdse recht van achtervolging tijdens maritieme antidrugsoperaties in de nabijheid van Saint Martin en Sint Maarten The government of the Kingdom of the Netherlands and the government of the French Republic, hereinafter referred to as “Parties”; Having regard to the [Agreement concerning the cooperation in suppressing illicit maritime trafficking in narcotic drugs and psychotropic substances in the Caribbean area](onbekend), completed in San Jose on April 10, 2003, specifically [articles 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004611&artikel=9), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004611&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004611&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004611&artikel=13), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004611&artikel=19) and [31.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004611&artikel=31), hereinafter referred to as the “San Jose Agreement”; Recalling their rights and responsibilities as coastal States under the [United Nations Convention on the Law of the Sea](onbekend) of 10 December 1982, hereinafter referred to as “the Convention”; Having regard to the [Agreement between the Government of the French Republic and the Government of the Kingdom of the Netherlands on insular cooperation for police affairs in Sint Maarten](onbekend), completed in Paris on October 7, 2010, specifically [article 13.7.c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004737&artikel=13), hereinafter referred to as the “Franco-Dutch customs treaty”; Considering that each Party exercises its sovereignty over its territory on the island of Saint Martin – Sint Maarten; Considering that both the French maritime services and the Dutch Caribbean Coast Guard wish to cooperate in the territorial sea of the French Republic and in the territorial sea of the Kingdom of the Netherlands in respect of Si"},{"i":9608,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en het Kabinet van Ministers van Oekraïne inzake technische en financiële samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en het Kabinet van Ministers van Oekraïne, hierna te noemen „de Partijen\", Met het oogmerk de vriendschappelijke banden tussen de twee landen te versterken, Geleid door de wens deze relaties te versterken en een vruchtbare technische en financiële samenwerking tussen de twee landen tot stand te brengen, Erkennende dat de totstandbrenging van deze technische en financiële samenwerking zal bijdragen aan de verbetering van de sociale en economische situatie in Oekraïne met het oogmerk de verdere ontwikkeling van een markteconomie en van democratie, alsmede van goed bestuur in het algemeen te bevorderen, Zich ervan bewust dat het Kabinet van Ministers van Oekraïne zich ervoor inzet de hervormingen na te streven om een markteconomie onder democratische voorwaarden tot stand te brengen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstellingen 1.1. De Partijen zullen de verwezenlijking van projecten of programma's inzake technische en financiële bijstand in Oekraïne bevorderen. De projecten of programma's dragen bij aan de ondersteuning van het transitieproces in Oekraïne en aan de verlichting van de economische en maatschappelijke kosten van de aanpassing. Zij dragen tevens bij aan de verdere versterking van de samenwerking tussen Nederlandse en Oekraïense ondernemingen. 1.2. Het doel van dit Verdrag is een wettelijk kader van regels en procedures te creëren voor het verloop en de uitvoering van deze projecten of programma's. Artikel 2. Werkingssfeer en toepassing De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op: - a. projecten of programma's die wederzijds zijn overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne; - b. projecten of programma's die wederzijds zijn overeengekomen tussen de Partijen of hun bevoegde autoriteiten met pu"},{"i":9609,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Tsjechische Republiek inzake internationaal vervoer over de weg De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Tsjechische Republiek, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen; Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, de ontwikkeling te bevorderen van het vervoer van goederen en personen over de weg in, naar en vanuit hun landen en in doorvoer over hun landen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Toepassingsgebied 1. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op het internationaal vervoer van goederen en personen over de weg tegen betaling of voor eigen rekening tussen de grondgebieden van het Koninkrijk der Nederlanden en de Tsjechische Republiek, in doorvoer door hun landen, naar of van derde landen, en op cabotage, verricht door vervoerders die voertuigen gebruiken zoals omschreven in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001359&artikel=2&z=1999-01-01&g=1999-01-01) van dit Verdrag. 2. Dit Verdrag laat de rechten en verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen voortvloeiend uit andere verdragen onverlet. 3. De toepassing van dit Verdrag doet geen afbreuk aan de toepassing door het Koninkrijk der Nederlanden, als lidstaat van de Europese Unie, van het recht van de Europese Unie. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „vervoerder”: een persoon (met inbegrip van een rechtspersoon) die in een van de landen gevestigd is en die overeenkomstig de desbetreffende nationale wetten en voorschriften in het land van vestiging wettig is toegelaten tot de markt voor het vervoer van goederen of personen over de weg tegen betaling of voor eigen rekening; - 2. „voertuig”: een motorvoertuig of combinatie van voertuigen waarvan ten minste het motorvoertuig is geregistreerd op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden of de Tsjechische Republiek en dat"},{"i":9611,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Regering van de Franse Republiek, de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van de Italiaanse Republiek tot oprichting van een Gezamenlijke Organisatie voor Samenwerking op Defensie-materieelgebied (Organisation Conjointe de Coopération en matière d'Armement) OCCAR De Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Regering van de Franse Republiek, de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, en de Regering van de Italiaanse Republiek, Geleid door de wens de samenwerking op defensiematerieelgebied te versterken teneinde de doelmatigheid te verhogen en de kosten te verlagen, Overwegende dat het dringend noodzakelijk is te komen tot een zo gunstig mogelijke verhouding tussen de kosten (te verstaan als levensduurkosten) en de doelmatigheid bij de huidige en toekomstige samenwerkingsprojecten; dat hiertoe nieuwe projectmanagementmethoden moeten worden ontwikkeld en geoptimaliseerd, dat de doeltreffendheid van de procedures voor de gunning van contracten moet worden vergroot, en dat de totstandkoming van daadwerkelijk geïntegreerde multinationale groepen van industriële hoofdcontractanten moet worden gestimuleerd; Verlangende te komen tot een coördinatie van hun behoeftestellingen op lange termijn, wanneer de militaire behoeften dat toelaten, alsmede tot een gemeenschappelijk technologie-investeringsbeleid, waarbij de beginselen van complementariteit, wederkerigheid en evenwicht in acht worden genomen; Overtuigd van de noodzaak bij gezamenlijke projecten de concurrentie te verbeteren overeenkomstig de in overeenstemming met dit Verdrag aangenomen uniforme regels, teneinde de concurrentiepositie van de Europese defensie-technologische en industriële basis te verbeteren, optimaal gebruik te maken van hun leidende industrieën en een nauwere relatie tussen hun ondernemingen te bevorderen; Ervan overtuigd dat een nauwere samenwerking"},{"i":9622,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking Het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, en het Koninkrijk der Nederlanden hierna genoemd „de Verdragsluitende Partijen” Geleid door: De wens de bestaande samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen verder te intensiveren en vastbesloten de mogelijkheden tot grensoverschrijdende politiële samenwerking uit te breiden met het oog op een nog nauwere samenwerking inzake de handhaving van de openbare orde en veiligheid en de voorkoming, de opsporing en het onderzoek van strafbare feiten; Overwegende: Dat het „[Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001717)”, ondertekend te Luxemburg op 8 juni 2004, dient te worden geactualiseerd; Dat er zich gelet op de ontwikkeling inzake internationale politiesamenwerking opportuniteiten voordoen om de verschillende vormen van politiesamenwerking tussen Verdragsluitende Partijen verder uit te breiden, in het bijzonder inzake grensoverschrijdende opsporing, grensoverschrijdende achtervolging, uitwisseling van informatie met inbegrip van het verlenen van een ruimere toegang tot elkaars politiedatabanken; Dat de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie van het Koninkrijk België, de minister van Interne Veiligheid en de minister van Justitie van het Groothertogdom Luxemburg en de minister van Veiligheid en Justitie van het Koninkrijk der Nederlanden op 18 november 2016 een gemeenschappelijke verklaring hebben ondertekend waarin zij het engagement verwoorden om het[voornoemde verdrag van 8 juni 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001717) te moderniseren; Gelet op: Het [Verdrag tot herziening van het op 3 februari 1958 gesloten Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie](https://wetten.overheid.nl"},{"i":9612,"b":"Verdrag tussen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake samenwerking op het gebied van ultracentrifugetechnologie De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van de Franse Republiek, de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna te noemen „de Vier Regeringen\"); Gelet op de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna te noemen „de Drie Regeringen\") inzake samenwerking bij de ontwikkeling en exploitatie van het gas-ultracentrifugeprocédé voor de productie van verrijkt uranium van 4 maart 1970 (hierna te noemen „het Verdrag van Almelo\"); Gelet op het voornemen van Areva het door Urenco ontwikkelde procédé te gebruiken voor het produceren van verrijkt uranium ten behoeve van andere doeleinden dan de productie van voor de vervaardiging van wapens geschikt uranium voor het vervaardigen van kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen; Gelet op de joint venture die is aangegaan tussen Urenco en Areva met het oog op onderzoek en ontwikkeling inzake ultracentrifugetechnologie, de vervaardiging van gascentrifuges en daarmee verwante technologie en activiteiten, Enrichment Technology Company Ltd geheten, met inbegrip van haar dochtermaatschappijen en de mogelijke rechtsopvolgers daarvan (hierna te noemen „ETC\"); Overwegend dat Areva haar diffusie-installatie zo snel mogelijk wil vervangen; Gelet op artikel IX van het Verdrag van Almelo en geleid door de wens een intergouvernementeel kader vast te stellen tussen de Drie Regeringen en de Regering van de Franse Republiek ten behoeve van samenwerking met betrekking tot ETC inzake alle onderzoek en ontwikkeling op het gebied van gas-ultracentrifuge, en de vervaardiging van gascentrifuges en daar"},{"i":9613,"b":"Verdrag tussen de staten die deelnemen in de „Multinational Stand-by High Readiness Brigade for UN Operations\" inzake de rechtspositie van hun strijdkrachten De Staten die deelnemen in de „Multinational Stand-by High Readiness Brigade for UN Operations\" (SHIRBRIG), In herinnering roepend de „Letter of Intent\" betreffende samenwerking inzake de „Multinational Stand-by Forces High Readiness Brigade\", die in eerste instantie door Denemarken is ondertekend op 15 december 1996, en In herinnering roepend het Memorandum van Overeenstemming inzake de Stuurgroep, dat in eerste instantie door Denemarken is ondertekend op 9 maart 1997, en In herinnering roepend het Memorandum van Overeenstemming inzake de werking, de financiering, het beheer en de rechtspositie van de kernbrigadestaf van de „Multinational United Nations Stand-by Forces High Readiness Brigade\", dat in eerste instantie door Denemarken is ondertekend op 14 maart 1997, en In herinnering roepend het Memorandum van Overeenstemming inzake de werking, de financiering, het beheer en de rechtspositie van de „Multinational United Nations Stand-by Forces High Readiness Brigade\", dat in eerste instantie door Denemarken is ondertekend op 16 april 1998, Overwegend dat de strijdkrachten van een Staat die Partij is bij dit Verdrag, door middel van een afzonderlijke regeling, naar het grondgebied van een andere Staat die Partij is kunnen worden gezonden en daar kunnen worden ontvangen, Verlangend, evenwel, de rechtspositie van dergelijke strijdkrachten tijdens hun verblijf op het grondgebied van een andere Staat die Partij is te bepalen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Begripsomschrijvingen Vervallen Artikel II. Toepasselijke documenten Vervallen Artikel III. Procedure bij vorderingen Vervallen Artikel IV. Beperkingen Vervallen Artikel V. Beslechting van geschillen Vervallen Artikel VI. Wijziging Vervallen Artikel VII. Bekrachtiging en ondertekening Vervallen Artikel VIII. Inwerkingtreding Vervallen Artikel IX. Ter"},{"i":9615,"b":"Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten De Staten die partij zijn bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), ondertekend te Washington op 4 April 1949; Overwegende, dat krachtens speciale overeenkomsten strijdkrachten van een Partij naar het grondgebied van een andere Partij gezonden kunnen worden om aldaar dienst te doen; Voor ogen houdende, dat de beslissing om deze te zenden en de voorwaarden, waarop zij gezonden zullen worden, voor zover zodanige voorwaarden niet in dit Verdrag zijn vastgelegd, het onderwerp zullen blijven van afzonderlijke regelingen lussen de betrokken Partijen; Verlangende echter de rechtspositie van die strijdkrachten te bepalen, wanneer deze zich op het grondgebied van een andere Partij bevinden; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I 1. In dit Verdrag wordt verstaan onder de uitdrukking: - a. „krijgsmacht”: het personeel, behorende tot de land-, zee- of luchtstrijdkrachten van een Verdragsluitende Partij, wanneer het zich voor de uitoefening van de dienst op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij in het werkingsgebied van het [Noord Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760) bevindt, met dien verstande, dat de beide betrokken Verdragsluitende Partijen kunnen overeenkomen, dat bepaalde personen, eenheden of formaties voor de toepassing van dit Verdrag niet worden beschouwd een „krijgsmacht” te vormen of daaronder te zijn begrepen; - b. „dienst”: het burgerpersoneel, hetwelk een krijgsmacht van een Verdragsluitende Partij vergezelt en dat in dienst is bij een der strijdkrachten van die Verdragsluitende Partij, met uitzondering van staatloze personen of onderdanen van een Staat, welke niet partij is bij het [Noord Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), of onderdanen van de Staat, waarin de krijgsmacht zich bevindt, of personen, die aldaar hun verbl"},{"i":9616,"b":"Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van een Europees ruimte-agentschap en het Europees ruimte-agentschap ten behoeve van de beveiliging en uitwisseling van gerubriceerde informatie De Staten die Partij zijn bij het [Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003813) (ESA) en het Europees Ruimte-Agentschap, hierna te noemen „de Partijen”, Gelet op het [Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003813) (hierna te noemen „het ESA-Verdrag”, dat in werking is getreden op 30 oktober 1980, en in het bijzonder [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003813&artikel=III) en [artikel XI.5.m van dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003813&artikel=XI), Gelet op hoofdstuk V van de Rules on Information, Data and Intellectual Property ESA/C/CLV/Rules 5 (definitief), aangenomen door de Raad op 19 december 2001, **Rules on Information, Data and Intellectual Property** ESA/C/CLV/Rules 5 (definitief), aangenomen door de Raad op 19 december 2001, Erkennend dat voor de activiteiten gericht op samenwerking tussen de Lidstaten op het gebied van ruimteonderzoek en ruimtetechnologie en de toepassing hiervan in de ruimte uitwisseling van gerubriceerde informatie en daarmee verband houdend materiaal tussen de Partijen nodig kan zijn, Gelet op de noodzaak binnen het Agentschap en zijn Lidstaten een adequaat beveiligingsniveau voor gerubriceerde informatie te waarborgen en dienovereenkomstig de noodzaak een passend juridisch instrument in te stellen, zoals vermeld in de resolutie van de ESA-Raad inzake het opzetten van een werkgroep ten behoeve van de beveiliging van informatie, aangenomen door de Raad onder ESA/C/CLI/Res.8 (definitief), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder „gerubriceerde informatie\" elke informatie, elk document of elk materiaal, ongeac"},{"i":9617,"b":"Verdrag tussen de Zwitserse Bondsstaat en de Republiek Oostenrijk met betrekking tot de oprichting en werking van het Internationaal Centrum voor de ontwikkeling van migratiebeleid (ICMPD), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 27 maart 1996, het Verdrag van 26 april 1996 en het Verdrag van 25 juni 2003, en zoals aangevuld door het Verdrag van 26 mei 2014 Artikel 1. Doel van het verdrag De afgelopen jaren werden gekenmerkt door een in toenemende mate asielgeoriënteerde zuid-noordmigratie, die de laatste tijd werd versterkt door een oost-westmigratie. Hoewel deze absoluut noodzakelijk zijn, volstaan uitsluitend nationale maatregelen ter beheersing van de immigratie niet om omvang en samenstelling van de immigratiestromen op een door de partijen gewenst niveau te houden. Om die reden moet prioriteit worden gegeven aan de formulering van langetermijnstrategieën met het doel het migratieprobleem op te lossen alsmede aan de uitvoering hiervan. Doel van de langetermijnstrategieën is vroegtijdige signalering, de bestrijding van de oorzaken, de harmonisering van de toelatingspraktijk en de afstemming van het vreemdelingen-, asiel- en vluchtelingenbeleid. Het verdrag heeft als doel de internationale samenwerking op het gebied van migratiebeleid alsmede het onderzoek naar migratie te bevorderen. Artikel 2. Internationaal Centrum voor de ontwikkeling van migratiebeleid 1. De verdragsluitende partijen richten het Internationaal Centrum voor de ontwikkeling van migratiebeleid (ICMPD), met hoofdkantoor in Wenen, op als internationale organisatie. Het ICMPD zal zowel de actuele als de potentiële migratiestromen naar de Europese gastlanden onderzoeken, de situatie in de belangrijkste landen van herkomst van de migranten monitoren en beoordelen, en mogelijkheden ontwikkelen om de migratiestromen beter te signaleren en te beheersen. 2. Bovengenoemde internationale organisatie is een organisatie met rechtspersoonlijkheid. 3. De rechtspersoonlijkheid, voorrechten en immuniteiten van het"},{"i":9618,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Lid-Staten der Europese Gemeenschappen, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van Ierland, de President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland Verenigd in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van het [Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en van het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033) voort te zetten, Vastbesloten, in de geest van deze Verdragen, op de reeds gelegde grondslagen een steeds hechtere eenheid tussen de Europese volkeren tot stand te brengen, Overwegende dat [artikel 237 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506&artikel=237) alsmede [artikel 205 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506&artikel=205) , aan de Europese Staten de mogelijkheid bieden lid van deze Gemeenschappen te worden, Overwegende dat het Koninkrijk Denemarken, Ierland, he"},{"i":9619,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie De hoge Verdragsluitende Partijen bij dit Verdrag, zijnde lidstaten van de Europese Unie, Overwegende dat het in een ruimte van vrij verkeer van personen van belang is dat de lidstaten van de Europese Unie hun samenwerking versterken teneinde terrorisme, grensoverschrijdende criminaliteit en illegale migratie effectiever te bestrijden, In het streven – onverminderd de bepalingen van het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) – ter verdere ontwikkeling van de Europese samenwerking een voortrekkersrol bij de totstandkoming van een zo hoog mogelijke standaard op het gebied van de samenwerking te vervullen, met name door verbeterde gegevensuitwisseling, in het bijzonder op het terrein van de bestrijding van terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit alsmede de illegale migratie, en de deelname aan deze samenwerking voor alle andere lidstaten van de Europese Unie open te stellen, In het streven de regelingen van dit Verdrag in het juridisch raamwerk van de Europese Unie op te nemen teneinde binnen de Europese Unie verbetering van de gegevensuitwisseling, in het bijzonder op het terrein van de bestrijding van terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit alsmede de illegale migratie, te bereiken en hiervoor de noodzakelijke juridische en technische voorwaarden te creëren, Met inachtneming van de grondrechten voortvloeiend uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten"},{"i":9620,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (lidstaten van de Europese Unie) en de Republiek Kroatië betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Republiek Bulgarije, de President van de Tsjechische Republiek, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Republiek Estland, de President van Ierland, de President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, de President van de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de President van de Italiaanse Republiek, de President van de Republiek Cyprus, de President van de Republiek Letland, de President van de Republiek Litouwen, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, de President van de Republiek Hongarije, de President van de Republiek Malta, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, de Federale President van de Republiek Oostenrijk, de President van de Republiek Polen, de President van de Portugese Republiek, de President van Roemenië, de President van de Republiek Slovenië, de President van de Slowaakse Republiek, de President van de Republiek Finland, de Regering van het Koninkrijk Zweden, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verenigd in de wil de verwezenlijkin"},{"i":9621,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (lidstaten van de Europese Unie) en de Republiek Bulgarije en de Republiek Roemenië betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en de Republiek Roemenië tot de Europese Unie Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de Republiek Bulgarije, de President van de Tsjechische Republiek, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Republiek Estland, de President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, de President van de Franse Republiek, de President van Ierland, de President van de Italiaanse Republiek, de President van de Republiek Cyprus, de President van de Republiek Letland, de President van de Republiek Litouwen, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, de President van de Republiek Hongarije, de President van Malta, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, de Federale President van de Republiek Oostenrijk, de President van de Republiek Polen, de President van de Portugese Republiek, de President van Roemenië, de President van de Republiek Slovenië, de President van de Slowaakse Republiek, de President van de Republiek Finland, de Regering van het Koninkrijk Zweden, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verenigd in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van de E"},{"i":9623,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lid-Staten van de Europese Unie) en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, betreffende de toetreding van het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, de President van de Franse Republiek, de President van Ierland, de President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen, de Federale President van de Republiek Oostenrijk, de President van de Portugese Republiek, de President van de Finse Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Zweden, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verenigd in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest voort te zetten, Vastbesloten, in de geest van deze Verdragen, op de reeds gelegde grondslagen een steeds hechtere eenheid tussen de Europese volkeren tot stand te brengen, Overwegende dat artikel O van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de Europese Staten de mogelijkheid biedt lid van de Unie te worden, Overwegende dat het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden hebben verzocht lid te worden van de Unie, Overwegende dat de Raad van de Europese Unie, na advies van de Commissie"},{"i":9625,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken Het Koninkrijk der Nederlanden en Australië Geleid door de wens in zo ruim mogelijke mate met elkander samen te werken ter bestrijding van misdaad, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Werkingssfeer 1. De Verdragsluitende Partijen verlenen elkander in overeenstemming met dit Verdrag rechtshulp ten behoeve van de opsporing en vervolging in strafzaken. 2. Deze rechtshulp bestaat uit: - (a). het afnemen van getuigenverklaringen onder ede of belofte; - (b). het verstrekken van processtukken en andere bescheiden; - (c). het opsporen van de verblijfplaats en het identificeren van personen; - (d). het ten uitvoer leggen van verzoeken om huiszoeking en inbeslagneming; - (e). het verkrijgen van de beschikking over gedetineerden om een getuigenverklaring af te leggen of medewerking te verlenen aan het onderzoek; - (f). het verkrijgen van de beschikking over andere personen om een getuigenverklaring af te leggen of medewerking te verlenen aan een onderzoek; - (g). het betekenen van stukken; - (h). maatregelen om de baten van strafbare feiten op te sporen, daarop beslag te leggen en deze verbeurd te verklaren; en - (i). andere rechtshulp die strookt met de doelstellingen van dit Verdrag en welke niet in strijd is met het recht van de aangezochte Staat. 3. Deze rechtshulp omvat niet: - (a). de inverzekeringstelling of bewaring van personen met het oog op uitlevering; - (b). de tenuitvoerlegging in de aangezochte Staat van in de verzoekende Staat uitgesproken strafvonnissen, behalve voor zover zulks is toegestaan krachtens de wet van de aangezochte Staat en dit Verdrag; en - (c). de overbrenging van gedetineerden voor de tenuitvoerlegging van vonnissen. Artikel 2. Andere vormen van samenwerking Dit Verdrag laat bestaande verplichtingen tussen de Verdragsluitende Partijen uit hoofde van andere verdragen of regelingen onverlet en belet de Verdragsluitende Partijen niet elkand"},{"i":9626,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Belize inzake de status van de strijdkrachten van het Koninkrijk der Nederlanden gedurende hun aanwezigheid in Belize Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en Belize, hierna gezamenlijk te noemen „partijen” en afzonderlijk „partij”, Geleid door de wens de status van personeel van het ministerie van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden en hun gezinsleden gedurende hun aanwezigheid op het grondgebied van Belize te bepalen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing en uitvoering van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „personeel”: het militair en civiel personeel van de ministeries van Defensie van de partijen. - 2. „militair personeel”: de militairen van het ministerie van Defensie van de zendende partij. Artikel II. Vereisten in verband met binnenkomst en vertrek 1. Het personeel van de zendende partij en hun gezinsleden zijn gerechtigd het grondgebied van de ontvangende partij te betreden, er te verblijven en het te verlaten. Het personeel van de zendende partij en hun gezinsleden hebben dezelfde bewegingsvrijheid als die aan onderdanen van de ontvangende partij is toegekend. 2. Op voorwaarde dat het militaire personeel in het bezit is van een officiële identiteitskaart of een ander identiteitsbewijs dat normaal gesproken aan hen wordt afgegeven, is het militaire personeel vrijgesteld van de voorschriften met betrekking tot paspoorten en visa en immigratievereisten bij het betreden of verlaten van het grondgebied van de ontvangende partij. Het civiel personeel van het ministerie van Defensie van de zendende partij en hun gezinsleden zijn op gelijke wijze vrijgesteld, mits zij in het bezit zijn van een geldig paspoort. Artikel III. Tucht en rechtsmacht 1. De zendende partij heeft het recht bevoegdheden op krijgstuchtelijk gebied uit te oefenen, die haar uit hoofde van het militaire tuchtrecht van de zendende partij ter beschikking staan jegens het desbetreffende"},{"i":9627,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Bermuda (zoals gemachtigd door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) inzake de toegang tot onderlinge overlegprocedures in verband met winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van Bermuda (zoals gemachtigd door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland), Geleid door de wens het Verdrag inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen, heden op 8 juni 2009 te Londen gesloten, aan te vullen en hun economische betrekkingen te versterken en de internationale handel te bevorderen; Zijn overeengekomen het volgende verdrag te sluiten dat uitsluitend de verplichtingen van de verdragsluitende partijen bevat: HOOFDSTUK I. BELASTINGEN WAAROP HET VERDRAG VAN TOEPASSING IS EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en op winstbelastingen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is bepaald: - a. betekent de uitdrukking „verdragsluitende partij” Nederland of Bermuda, al naargelang de context vereist; betekent de uitdrukking „verdragsluitende partijen” Nederland en Bermuda; - b. betekent de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten de territoriale zee waarbinnen Nederland, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent; - c. betekent de uitdrukking „Bermuda” de eilanden van Bermuda, met inbegrip van de omringende territoriale zee, in overeenstemming met het internationale recht; - d. betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”: - i. in het geval van Nederland, de minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger; - ii. in het geval van Bermuda, de minister van"},{"i":9638,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de zijdelingse begrenzing van het continentale plat in de nabijheid van de kust Het Koninkrijk der Nederlanden en De Bondsrepubliek Duitsland Overwegende dat het dringend noodzakelijk is, de begrenzing van het aan hun grondgebied grenzende continentale plat der Noordzee voor het gebied in de nabijheid van de kust in gemeenschappelijk overleg vast te stellen en dat dat grensgedeelte dient te worden vastgesteld in aansluiting op de in de Aanvullende overeenkomst van 14 mei 1962 bij het Eems-Dollardverdrag van 8 april 1960 getroffen gemeenschappelijke regeling, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 (1). Tot aan de 54ste noordelijke breedtegraad loopt de grens tussen het Nederlandse en Duitse deel van het continentale plat der Noordzee van het noordelijke eindpunt van de in de Aanvullende overeenkomst van 14 mei 1962 bij het Eems-Dollardverdrag van 8 april 1960 overeengekomen lijn die het grensgebied der Eemsmonding in lengterichting verdeelt, volgens de kortste lijn over de punten E1 en E2 tot punt E3. (2). De coördinaten (volgens de Duitse zeekaarten No. 50, uitgave 1956, VII en No. 90, uitgave 1964, V) zijn: - van het punt E1: 53°45’06” N, 6°19’56” O, - van het punt E2: 53°48’56” N, 6°15’49” O, - van het punt E3: 54°00’00” N, 6°06’26” O. Artikel 2 (1). De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van invloed op het vraagstuk van het verloop der staatsgrens in de Eemsmonding. Iedere Verdragsluitende Partij behoudt zich in dit opzicht haar rechtsstandpunt voor. (2). Een beslissing ingevolge lid 2 van artikel 46 van het Eems-Dollardverdrag laat dit Verdrag onverlet. Artikel 3 Dit Verdrag geldt eveneens voor het „Land” Berlijn, tenzij de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden mededeling doet van het tegendeel. Artikel 4 (1). Dit Verdrag moet worden bekrachtigd; de akten van bekrach"},{"i":9661,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek El Salvador inzake het vrij verrichten van betaalde werkzaamheden door afhankelijke gezinsleden van diplomatiek, consulair, administratief en technisch personeel van diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire posten Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek El Salvador, Geleid door de wens op basis van wederkerigheid afhankelijke gezinsleden van personeel van hun diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire posten op het grondgebied van de andere partij toe te staan betaalde werkzaamheden te verrichten, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Het wordt afhankelijke gezinsleden van diplomatiek, consulair, administratief en technisch personeel van diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire posten van de Republiek El Salvador in het Koninkrijk der Nederlanden en van het Koninkrijk der Nederlanden in de Republiek El Salvador toegestaan betaalde werkzaamheden te verrichten in de ontvangende staat onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van die staat, zodra daarvoor in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en de wet- en regelgeving van de ontvangende staat toestemming is verleend. Artikel 2 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „leden van de vertegenwoordiging”: - het hoofd van de vertegenwoordiging en de leden van het diplomatiek, consulair, administratief, technisch en ondersteunend personeel van de vertegenwoordiging van de zendstaat die taken vervullen bij die diplomatieke vertegenwoordigingen of consulaire posten en die noch de nationaliteit hebben van de ontvangende staat noch permanent in die staat verblijven; - b. „afhankelijke gezinsleden”: - de echtgenoot, echtgenote of partner van een lid van de vertegenwoordiging; - een ongehuwd, financieel afhankelijk kind van een lid van de vertegenwoordiging in de leeftijd tussen 16 en 23 jaar; - een ongehuwd, financieel afhankelijk kind van een lid van de vertegenwoordiging dat door de ontvangende staat"},{"i":9662,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland, Hierna te noemen „de partijen”, Geleid door de wens de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens te waarborgen, in het belang van de nationale veiligheid, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen de partijen of tussen rechtspersonen of natuurlijke personen onder hun rechtsmacht, of die worden gegenereerd in het kader van een bilateraal programma uit hoofde van dit Verdrag. In het Verdrag worden de beveiligingsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. **„Gerubriceerd contract”**, een contract, met inbegrip van eventuele voorafgaande contractonderhandelingen, dat een van de partijen of een opdrachtnemer onder haar rechtsmacht aangaat met een opdrachtnemer onder de rechtsmacht van de andere partij voor de levering van goederen, uitvoering van werkzaamheden of levering van diensten, waarbij voor de uitvoering toegang of mogelijk toegang tot gerubriceerde gegevens vereist is of waarbij deze gegenereerd worden. - b. **„Gerubriceerde gegevens”**, alle gegevens, ongeacht de vorm of aard daarvan, of voorwerpen of delen daarvan, die door een van de partijen als gerubriceerd worden aangemerkt, waarvan de ongeoorloofde bekendmaking of het verlies de belangen van een of beide partijen in meer of mindere mate zou kunnen schaden. - c. **„Bevoegde beveiligingsautoriteit”**, de overheidsautoriteit in een partij die verantwoordelijk is voor de implementatie van en toezicht op dit Verdrag. De bevoegde beveiligingsautoriteit kan een deel van zijn verantwoordelijkheden delegeren aan een gemachtigde bevoegde beveiligingsautoriteit. - d. **„Opdrachtn"},{"i":9663,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Gabon betreffende de status van civiel en militair personeel van hun Ministeries van Defensie, dat aanwezig zal zijn op elkaars grondgebied in het kader van militaire samenwerking Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en de Republiek Gabon, anderzijds, Gezamenlijk „de partijen” genoemd, Geleid door de wens de militaire samenwerking tussen beide landen te versterken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: „Personeel”: het civiel en militair personeel van de ministeries van Defensie van de partijen; „Militair personeel”: het militair personeel van het ministerie van Defensie van de zendstaat, met inbegrip van buitenlands militair personeel dat een integrerend onderdeel uitmaakt van militaire eenheden van de zendstaat op basis van een uitwisselingsprogramma; „Ten laste komende persoon”: de echtgenoot van een lid van het personeel van de zendstaat of de hem ten laste komende kinderen; „Echtgenoot”: tevens elke persoon die met een lid van het personeel van de zendstaat samenleeft als waren zij gehuwd, in de mate waarin een dergelijke situatie in de zendstaat wettelijk wordt erkend. Artikel II. Vereisten in verband met binnenkomst en vertrek De autoriteiten van de ontvangende staat verlenen het personeel van de zendstaat en de hun ten laste komende personen de vrije binnenkomst in en het vrije vertrek uit het grondgebied van de ontvangende staat in overeenstemming met de nationale wetgeving en de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen van de ontvangende staat. Artikel III. Tucht en rechtsmacht 1. De disciplinaire rechtsmacht over het personeel van de zendstaat blijft voorbehouden aan de bevoegde autoriteiten van de zendstaat. 2. De bevoegde autoriteiten van de zendstaat oefenen hun rechtsbevoegdheid uit bij strafbare feiten die het gevolg zijn van handelen of nalaten van een lid van het p"},{"i":9664,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek India inzake de bevordering en bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek India (beide hierna aangeduid als Verdragsluitende Partij), Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de investeerders van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft, In het besef dat wederzijdse bescherming van dergelijke investeringen uit hoofde van een verdrag de bovengenoemde doelstelling zal dienen en bevorderlijk zal zijn voor het stimuleren van het particulier initiatief om zaken te doen en de welvaart in beide Staten zal vergroten, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Vervallen Artikel 2. Werkingssfeer van het Verdrag Vervallen Artikel 3. Investeringsbevordering Vervallen Artikel 4. Nationale behandeling en behandeling van meestbegunstigde natie Vervallen Artikel 5. Onteigening Vervallen Artikel 6. Schadeloosstelling voor verliezen Vervallen Artikel 7. Repatriëring van de investering en opbrengsten Vervallen Artikel 8. Subrogatie Vervallen Artikel 9. Investeringsgeschillen Vervallen Artikel 10. Geschillen tussen de Verdragsluitende Partijen Vervallen Artikel 11. Toepasselijke wetgeving Vervallen Artikel 12. Verboden en beperkingen Vervallen Artikel 13. Toepassing van andere regels Vervallen Artikel 14. Toepassingsgebied Vervallen Artikel 15. Inwerkingtreding Vervallen Artikel 16. Werkingsduur en beëindiging Vervallen IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorised thereto, have signed this Agreement. DONE in duplicate at The Hague on 6 November 1995 in the Netherlands, English and Hindi languages, the three texts being equally authentic. In case of difference of interpretation the English text shall prevail. **For"},{"i":9665,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust betreffende de status van het personeel van het Ministerie van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden dat zich op het Ivoriaanse grondgebied bevindt in het kader van militaire activiteiten Het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en de Republiek Ivoorkust, anderzijds, hierna te noemen „de Partijen”, Komen het volgende overeen: Artikel I. Doel Dit Verdrag heeft als doel de aangelegenheden te regelen die verband houden met de status van burgerpersoneel en militair personeel van het ministerie van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden dat in het kader van militaire activiteiten tijdelijk op het grondgebied van Ivoorkust aanwezig is. Artikel II. Definities Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder de navolgende begrippen het volgende verstaan: - 1. „Ontvangende staat”: de Republiek Ivoorkust; - 2. „Zendstaat”: het Koninkrijk der Nederlanden; - 3. „Personeel”: het burger en militair personeel van de Ministeries van Defensie van Partijen; - 4. „Militair personeel”: het militair personeel van het Ministerie van Defensie van de Zendstaat, met inbegrip van buitenlands militair personeel dat een integrerend onderdeel uitmaakt van militaire eenheden van de Zendstaat op basis van een uitwisselingsprogramma. Artikel III. Voorwaarden bij binnenkomst en vertrek 1. Het personeel van de Zendstaat geniet het recht het grondgebied van de Ontvangende staat binnen te komen, er te verblijven en het te verlaten. Het personeel van de Zendstaat geniet dezelfde bewegingsvrijheid als de onderdanen van de Ontvangende staat. 2. Ter uitvoering van het [eerste artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0007034&artikel=I&z=2024-01-08&g=2024-01-08) van dit Verdrag, vergemakkelijken de autoriteiten van de Ontvangende staat de vrije toegang tot het grondgebied van de Ontvangende staat alsmede het vrije vertrek daaruit van Personeel van de Zendstaat op vertoon van een identiteitskaart en een individuele of"},{"i":9666,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kazachstan inzake internationaal vervoer over de weg De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Kazachstan, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, de ontwikkeling te bevorderen van het vervoer van goederen en personen over de weg in, naar en vanuit hun landen en in doorvoer door hun landen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Toepassingsgebied 1. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op het internationaal vervoer van goederen en personen over de weg tegen betaling of voor eigen rekening tussen Kazachstan en Nederland, in doorvoer over hun grondgebied, naar of van derde landen, en op cabotage, verricht door vervoerders met voertuigen zoals omschreven in artikel 2 van dit Verdrag. 2. Dit Verdrag laat de rechten en verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen voortvloeiend uit andere verdragen onverlet. 3. De toepassing van dit Verdrag doet geen afbreuk aan de toepassing door het Koninkrijk der Nederlanden, als Lidstaat van de Europese Unie, van het recht van de Europese Unie. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „vervoerder\": een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die op het grondgebied van de staat van een der Verdragsluitende Partijen gevestigd is en die overeenkomstig de desbetreffende nationale wetten en voorschriften in het land van vestiging wettig is toegelaten tot de markt voor het vervoer van goederen of personen over de weg tegen betaling of voor eigen rekening; - 2. „voertuig\": een motorvoertuig of combinatie van voertuigen waarvan ten minste het motorvoertuig geregistreerd is op het grondgebied van de staat van een der Verdragsluitende Partijen en dat uitsluitend wordt gebruikt en is uitgerust voor het vervoer van goederen of het vervoer van personen per bus; - 3. „cabotage\": het exploiteren van ve"},{"i":9667,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kosovo betreffende de vestiging van de Kosovo Relocated Specialist Judicial Institution in Nederland Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kosovo, Verwijzend naar de Grondwet van de Republiek Kosovo, zoals gewijzigd bij amendement nr. 24 d.d. 3 augustus 2015, machtigt artikel 162 tot instelling van Speciale Kamers en een Speciale Aanklager teneinde te voldoen aan de internationale verplichtingen van de Republiek Kosovo ter zake van het rapport van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, doc. 12462 d.d. 7 januari 2011; Verwijzend naar de briefwisseling tussen de President van de Republiek Kosovo en de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid d.d. 14 april 2014, bekrachtigd bij wet nr. 04/L-274 van Kosovo d.d.15 mei 2014, met daarin de toezegging van de Republiek Kosovo om Speciale Kamers en een Speciale Aanklager in te stellen binnen het Kosovaarse rechtssysteem ten behoeve van de berechting en de beroepsprocedures die voortvloeien uit het onderzoek van de Special Investigative Taskforce van het bijzondere parket van de Republiek Kosovo in verband met het rapport van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, doc. 12462 d.d. 7 januari 2011 en die naar een derde staat verplaatst mogen worden, op basis van sluiting van een zetelverdrag met de gastheerstaat; Verwijzend naar wet nr. 05/L-053 van Kosovo inzake de instelling van Speciale Kamers en een Speciale Aanklager binnen het Kosovaarse rechtssysteem teneinde te voldoen aan de internationale verplichtingen van Kosovo aangegaan bij wet nr. 04/L-274 in verband met aantijgingen omtrent bepaalde misdrijven gerapporteerd aan de Parlementaire Vergadering van de Raad via doc. 12462 d.d. 7 januari 2011 die strafrechtelijk worden onderzocht door de Special Investigative Taskforce van het bijzondere parket van de Republiek Kosovo; Verwijzend naar het [Interim-verdrag tussen het Koninkrijk"},{"i":9668,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kroatië inzake de tewerkstelling van partners van het diplomatieke en consulaire personeel Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kroatië hierna te noemen „de Partijen\", Geleid door de wens een Verdrag te sluiten teneinde de tewerkstelling van partners van leden van diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire posten uit de zendstaat op het grondgebied van de ontvangende staat te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Toestemming om betaalde werkzaamheden te verrichten 1. Op basis van wederkerigheid wordt het een partner van een lid van een diplomatieke vertegenwoordiging of een consulaire post van de zendstaat toegestaan betaalde werkzaamheden te verrichten in de ontvangende staat in overeenstemming met de bepalingen van de wet- en regelgeving van de ontvangende staat en onder voorbehoud van de bepalingen van dit Verdrag. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „een lid van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post\": elk geaccrediteerd personeelslid van de zendstaat, die geen onderdaan is van noch zijn vaste verblijfplaats heeft in de ontvangende staat, werkzaam bij een diplomatieke vertegenwoordiging, een consulaire post of een vertegenwoordiging bij een internationale organisatie in de ontvangende staat; - b. „partner\": de echtgenoot/echtgenote of de partner van een lid van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post of een vertegenwoordiging bij een internationale organisatie in de ontvangende staat; - c. „Verdragen\": het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (1961) en het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen (1963), of andere internationale verdragen inzake voorrechten en immuniteiten waarbij de Partijen partij zijn. Artikel 2. Procedures 1. Alvorens betaalde werkzaamheden te aanvaarden, dient een partner toestemming te verkrijgen van de ontvangende staat. 2. Een verzoek om toestemming voor het aanv"},{"i":9669,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kroatië inzake internationaal vervoer over de weg De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Kroatië, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, de ontwikkeling te bevorderen van het vervoer van goederen en personen over de weg in, naar en vanuit hun landen en in doorvoer over hun grondgebied, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Toepassingsgebied 1. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op het internationaal vervoer van goederen en personen over de weg tegen betaling (beroepsvervoer) of voor eigen rekening tussen de Verdragsluitende Partijen, in doorvoer over hun grondgebied, naar of van derde landen, en op het vervoer van goederen en personen binnen het grondgebied van een van beide Verdragsluitende Partijen, hierna te noemen cabotage, verricht door vervoerders met voertuigen zoals omschreven in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001183&artikel=2&z=1995-06-01&g=1995-06-01). 2. De Verdragsluitende Partijen waarborgen de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit eventueel tussen de Europese Gemeenschappen en de Republiek Kroatië te sluiten verdragen. De Verdragsluitende Partij die lidstaat is van de Europese Gemeenschappen zal dit Verdrag toepassen in overeenstemming met haar verplichtingen ingevolge de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen zoals gewijzigd of aangevuld. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „vervoerder”: een persoon (met inbegrip van een rechtspersoon) die in een der Verdragsluitende Partijen gevestigd is en die overeenkomstig de desbetreffende nationale wetten en voorschriften in het land van vestiging wettig is toegelaten tot de markt voor het vervoer van goederen of personen over de weg tegen betaling (beroepsvervoer) of voor eigen rekening. - 2. „voertuig”: een mot"},{"i":9673,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Mozambique inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Mozambique, (hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen); Geleid door de wens intensievere economische samenwerking tussen hen te bevorderen met betrekking tot investeringen door onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij; Erkennend dat overeenstemming over de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het particuliere kapitaalverkeer en de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen stimuleert; Beamend dat een stabiel kader voor internationale investeringen het doeltreffend gebruik van economische middelen optimaliseert en de levensomstandigheden verbetert; Erkennend dat met de ontwikkeling van economische en zakelijke banden de eerbiediging van internationaal aanvaarde arbeidsrechten dient te worden bevorderd; Beamend dat deze doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt zonder versoepeling van algemeen toepasselijke maatregelen op het gebied van gezondheid, veiligheid en milieu; Erkennend dat overeenstemming over de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen stimuleert, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen” verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op ied"},{"i":9675,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oezbekistan inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van de Republiek Oezbekistan, hierna aangeduid als de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. omvat de term „investeringen”: alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - iii. recht op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en know-how; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. omvat de term „onderdanen” met betrekking tot elk van beide Verdragsluitende Partijen: - i. natuurlijke personen die de nationaliteit van die Verdragsluitende Partij hebben; - ii. rechtspersonen die zijn opgericht krachtens het recht van die Verdragsluitende Partij; - iii. rechtspersonen die niet zijn opgericht krachtens het rec"},{"i":9676,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Panama inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Panama, hierna te noemen de „Verdragsluitende Partijen”, Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, In het besef dat een verdrag inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen” verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, met inbegrip van auteursrechten en aanverwante rechten en industriële eigendomsrechten, zoals octrooien, industriële ontwerpen, handelsmerken en -namen; alsmede technische werkwijzen, know-how en goodwill; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. omvat de term „investeerders” met betrekking tot elk van de Verdragsluitende Partijen: -"},{"i":9735,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Nieuw-Zeeland inzake het aanhouden van voorraden ruwe aardolie, aardolieproducten en onverwerkte oliën Het Koninkrijk der Nederlanden en Nieuw-Zeeland (hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen”), Gelet op de Overeenkomst inzake een Internationaal Energieprogramma van 18 november 1974, zoals gewijzigd door het Internationaal Energie Agentschap (hierna genoemd „de IEP-Overeenkomst”); Gelet op artikel 3 van de Bijlage bij de IEP-Overeenkomst waarin wordt voorzien in het aanhouden van voorraden op het grondgebied van een ander land voor rekening van een Deelnemend Land, krachtens een overeenkomst tussen de beide Regeringen van deze landen; Gelet op Nederlandse nationale wetgeving inzake de verplichting tot het aanhouden van voorraden aardolieproducten; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „bevoegde autoriteit” het overheidsorgaan van elke Verdragsluitende Partij dat verantwoordelijk is voor het toezicht op het voldoen aan voorraadverplichtingen; - b. „voorraad” elke voorraad ruwe aardolie, aardolieproducten en onverwerkte oliën waarop artikel 1 van de Bijlage bij de IEP-Overeenkomst van toepassing is; - c. „voorraadverplichting” de totale hoeveelheid voorraad die uit hoofde van de toepasselijke nationale wetgeving of ingevolge de IEP-Overeenkomst dient te worden aangehouden; - d. „grondgebied” wat betreft Nederland het binnen de Europese Unie gelegen grondgebied waarover het Koninkrijk der Nederlanden rechtsmacht uitoefent en wat betreft Nieuw-Zeeland het grondgebied waarover Nieuw-Zeeland rechtsmacht uitoefent; - e. „entiteit” elke instantie of onderneming, met inbegrip van de bevoegde autoriteit van Nieuw-Zeeland, gevestigd op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, die voorraden aanhoudt ten behoeve van het vergemakkelijken van de nakoming door Nieuw-Zeeland van zijn voorraadverplichtingen. Artikel 2 Dit Verdrag is van toepassing op voo"},{"i":9736,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake betaalde werkzaamheden door gezinsleden van diplomatiek en ander personeel van een diplomatieke vertegenwoordiging en/of consulaire post Het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne (hierna elk afzonderlijk te noemen „de partij” en tezamen „de partijen”), geleid door de wens de werkgelegenheidskansen voor gezinsleden van diplomatiek en ander personeel van een diplomatieke vertegenwoordiging en/of consulaire post van de zendstaat op het grondgebied van de ontvangende staat te verbeteren; zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Toestemming om betaalde werkzaamheden te verrichten Het is gezinsleden, zoals hieronder omschreven, toegestaan betaalde werkzaamheden te verrichten in de ontvangende staat in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de ontvangende staat en na het verkrijgen van de desbetreffende toestemming in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt verstaan onder „leden van de diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post”: het hoofd van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post en de leden van het diplomatieke, consulaire, administratieve, technische en ondersteunende personeel van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post van de zendstaat die taken vervullen bij die diplomatieke vertegenwoordigingen of consulaire posten en die noch onderdanen zijn van de ontvangende staat noch permanent in die staat verblijven; - b. wordt verstaan onder „gezinslid”: - –. de echtgenoot/echtgenote van een lid van de diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post, een persoon met wie zij samenleven in een verband dat ingevolge de wetgeving van de zendstaat op dezelfde wijze wordt behandeld als een huwelijk of een persoon met wie zij een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst hebben voor zover de wetgeving van de zendstaat in dergelijke overeenkomsten voorziet; - –. een ongehuw"},{"i":9737,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Oekraïne, hierna aangeduid als de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen op basis van wederkerigheid hiertoe zal bijdragen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. omvat de term „investeringen\": alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - iii. recht op geld, op andere vermogensbestanddelen of op elke prestatie die economische waarde heeft: - iv. rechten op het gebied van de industriële en de intellectuele eigendom, zoals auteursrechten, octrooien. industriële ontwerpen of modellen, handels- of dienstmerken, handelsnamen, technische werkwijzen, goodwill en know-how, en overige soortgelijke rechten; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen of winnen van natuurlijke rijkdommen, alsmede alle overige rechten verleend krachtens het recht, krachtens een overeenkomst of krachtens e"},{"i":9738,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake de voorrechten en immuniteiten van verbindingsofficieren die door Oekraïne bij Europol gedetacheerd worden Het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne, hierna te noemen de verdragsluitende partijen, onder verwijzing naar de bepalingen van artikel 8, vijfde lid, en artikel 63, tweede lid, van [Verordening (EU) 2016/794](32694R2016) van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) tot oprichting van een Europese Politiedienst (hierna „Europol”), waarin wordt verklaard dat verbindingsofficieren bij Europol de voorrechten en immuniteiten genieten die nodig zijn voor de vervulling van hun taken, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „verbindingsofficier”, elke functionaris die in overeenstemming met artikel 8 van [Verordening (EU) 2016/794](32694R2016) van 11 mei 2016 door Oekraïne bij het hoofdkantoor van Europol wordt gedetacheerd; - b. „Regering”, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden; - c. „autoriteiten van de gastheerstaat”, autoriteiten van de centrale of gemeentelijke overheid of andere autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden, naargelang het geval is, in het kader van en in overeenstemming met de wetten en gebruiken die in het Koninkrijk der Nederlanden van toepassing zijn; - d. „zendstaat”, Oekraïne; - e. „archief van de verbindingsofficier”, alle schriftelijke dossiers, correspondentie, documenten, computer- en mediagegevens, foto's, films, video- en muziekopnamen die toebehoren aan of in het bezit zijn van de verbindingsofficier, alsmede enig ander soortgelijk materiaal dat naar het unanieme oordeel van de zendstaat en de Regering deel uitmaakt van het archief van de verbindingsofficier; - f. „gezinslid dat deel uitmaakt van het huishouden”, de persoon als zodanig omschreven in"},{"i":9748,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Verenigde Staten van Amerika, inzake toegang tot en gebruik van faciliteiten op Curaçao voor humanitaire bevoorradingen bedoeld voor de bevolking van de Bolivariaanse Republiek Venezuela The Kingdom of the Netherlands, in respect of Curaçao, And The United States of America (hereinafter referred to as the Parties), Have agreed as follows: Article I. Definitions For the purposes of this Agreement: - a. “United States personnel” shall refer to the personnel of the U.S. Government who are present in Curaçao in connection with this Agreement. - b. “Facilities” shall refer to those sites, installations, structures, and areas, identified in writing by Curaçao after consultation with the United States, to which the United States Government and its Implementing Partners are authorized access and use, in connection with this Agreement. - c. “Implementing Partners” shall refer to entities and individuals operating under a grant or contract with the U.S. government. Article II. Purpose and authorization 1. Curaçao agrees to allow United States personnel and Implementing Partners access to and use of designated Facilities, solely for the purpose of providing humanitarian assistance for Venezuela and third countries affected by the crisis in Venezuela. 2. Transport of humanitarian assistance under this Agreement to and from Curaçao shall take place with civilian assets, unless otherwise authorized in accordance with paragraph 5 of this Article. 3. The transfer of humanitarian assistance directly from Curaçao to Venezuela shall only take place if the situation permits an orderly distribution of the assistance in peaceful circumstances within Venezuela. 4. If the Kingdom of the Netherlands determines, after consultation with the United States, that the situation does not permit an orderly distribution of the humanitarian assistance in peaceful circumstances within Venezuela, Curaçao shall not be used as"},{"i":9803,"b":"Vergoedingenregeling Commissie van advies volkenrechtelijke vraagstukken en Staatscommissie internationaal privaatrecht gelet op [artikel 14 van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=14) alsmede de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=3) en [5 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=5) en mede gelet op de[Wet van 12 maart 1998 houdende instelling van een vast college van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009457) (Stb. 1998, 219) en op de [Wet van 14 februari 1998 houdende regeling van de samenstelling en de werkzaamheden van de Staatscommissie tot voorbereiding van de te nemen maatregelen ter bevordering van de codificatie van het internationaal privaatrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009388) (Stb. 1998, 208); Besluit: Artikel 1 Aan de voorzitter van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken wordt een vaste vergoeding per maand toegekend ter hoogte van 130% van salarisschaal 18, trede 10, van [bijlage I-B van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2018–2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041311&bijlage=I-B) met een arbeidsduurfactor van 0,0959. Aan de voorzitter van de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht wordt een vaste vergoeding per jaar toegekend, overeenkomend met een bedrag dat gelijk is aan tweemaal het maximum maandsalaris behorend bij schaal 18, trede 10, van bijlage I-B van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2018–2020. Artikel 2 Aan de leden van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken wordt een vaste vergoeding per maand toegekend ter hoogte van 100% van salarisschaal 18, trede 10, van [bijlage I-B van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2018–2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041311"},{"i":9909,"b":"Wet van 12 mei 2011 tot wijziging van de Wet milieubeheer, houdende aanpassing van hoofdstuk 2 aan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en aanvulling, verduidelijking en vereenvoudiging van de in hoofdstuk 16 opgenomen regeling van de systemen voor de handel in broeikasgas- en NOx-emissierechten in verband met aanbevelingen uit het project Evaluatie Emissiehandel, proefprojecten voor de opslag van CO2 en wijzigingen van verordening (EG) nr. 2216/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 21 december 2004 inzake een gestandaardiseerd en beveiligd registersysteem overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 386) (Aanpassingswet handel in emissierechten II) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat tengevolge van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen een aantal bepalingen uit [hoofdstuk 2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=2) kan komen te vervallen en dat uit de evaluatie van de systemen voor de handel in broeikasgas- en NOx-emissierechten en uit de uitvoeringspraktijk van de Nederlandse emissieautoriteit is gebleken dat enige verduidelijking en vereenvoudiging in [hoofdstuk 16 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=16) nodig is en voorts dat dit hoofdstuk enige aanvulling behoeft in verband met proefprojecten voor de opslag van CO2 en met wijzigingen van [verordening (EG) nr. 2216/2004](32004R2216) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 21 december 2004 inzake een gestandaardiseerd en beveiligd registersysteem overeenkomstig [Richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 386); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevo"},{"i":9910,"b":"Wet van 27 januari 2011, houdende aanpassing van de Wet luchtvaart ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2009/12/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 maart 2009 inzake luchthavengelden (PbEG L 70) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2009/12/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 maart 2009 inzake luchthavengelden (PbEG L 70) noodzakelijk is de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel II 1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van: - a. een voorstel als bedoeld in [artikel 8.25e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25e), waarvan voor dat tijdstip aan de gebruikers van de luchthaven mededeling is gedaan; - b. een aanvraag als bedoeld in [artikel 8.25f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25f), die voor dat tijdstip is ingediend; - c. de vaststelling van tarieven en voorwaarden als bedoeld in [artikel 8.25f, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25f), die voor dat tijdstip heeft plaatsgevonden. 2. De tarieven en voorwaarden voor de activiteiten van de exploitant van de luchthaven ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers, vastgesteld door de exploitant van de luchthaven, op grond van de [artikelen 8.24a tot en met 8.25j van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.24a), behouden hun geldigheid tot het moment dat de nieuwe tarieven van kracht worden. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bi"},{"i":9912,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen De staten die partij zijn bij dit Protocol, Ernstig bezorgd over de wereldwijde verheviging van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de burgerluchtvaart; Erkennend dat nieuwe vormen van bedreigingen gericht tegen de burgerluchtvaart nieuwe gezamenlijke inspanningen en nieuw beleid inzake samenwerking van de staten vereisen; en Ervan overtuigd dat het, teneinde deze bedreigingen beter het hoofd te kunnen bieden, noodzakelijk is bepalingen aan te nemen die het [Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004424), ondertekend te ‘s-Gravenhage op 16 december 1970, aanvullen met het doel om het wederrechtelijk in zijn macht brengen of houden van een luchtvaartuig tegen te gaan en de doeltreffendheid van het Verdrag te verbeteren; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Dit Protocol vult het [Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004424), ondertekend te ‘s-Gravenhage op 16 december 1970, aan (hierna te noemen „het Verdrag”). Artikel II Wijzigt het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen; 's-Gravenhage, 16 december 1970. Artikel III Wijzigt het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen; 's-Gravenhage, 16 december 1970. Artikel IV Wijzigt het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen; 's-Gravenhage, 16 december 1970. Artikel V Wijzigt het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen; 's-Gravenhage, 16 december 1970. Artikel VI Wijzigt het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen; 's-Gravenhage, 16 december 1970. Artikel VII Wijzigt he"},{"i":9916,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 27 november 2016, nr. IENM/BSK-2016/253025, houdende de aanwijzing van Rijkswaterstaat als de instantie voor de melding van de afgifte van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de artikelen 10.38, derde lid, en 10.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer en intrekking van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Stichting Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (Aanwijzing instantie melden afgifte afvalstoffen 2017) Gelet op [artikel 10:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:8) en de [artikelen 10.38, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.38), en [10.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.40); BESLUIT: Artikel 1 Als instantie voor de melding van de afgifte van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de [artikelen 10.38, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.38), en [10.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.40) wordt aangewezen het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Artikel 2 Het [besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 december 2004, nr. MJZ2004125791, houdende de aanwijzing van de instantie voor de melding van de afgifte van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de artikelen 10.38, derde lid, en 10.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer (aanwijzing instantie melden afgifte afvalstoffen)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017620) (Stcrt. 2004, 242) wordt ingetrokken. Artikel 3 Het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging Stichting Landelijk Meldpunt Afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023813) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werki"},{"i":9917,"b":"Aanwijzing opsporing en vervolging bij voorvallen in de burgerluchtvaart Samenvatting Deze aanwijzing bevat voorschriften met betrekking tot de opsporing en vervolging van strafbare feiten bij een voorval in de burgerluchtvaart. 1. Achtergrond Op 15 november 2015 is EU-[verordening 376/2014](32014R0376) van toepassing.1Verordening (EU) Nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [Richtlijn 2003/42/EG](32003L0042) van het Europees Parlement en de Raad en de [Verordeningen (EG) nr. 1321/2007](32007R1321) en [(EG) nr. 1330/2007](32007R1330) van de Commissie, **PbEG**2014 L 122/18. Deze verordening heeft tot doel de veiligheid van de luchtvaart te verbeteren door ervoor te zorgen dat relevante veiligheidsinformatie met betrekking tot de burgerluchtvaart wordt gemeld, verzameld, opgeslagen, beschermd, uitgewisseld, verspreid en geanalyseerd. De verordening vervangt [Richtlijn 2003/42/EG](32003L0042) inzake de melding van voorvallen in de burgerluchtvaart. De verordening heeft grotendeels rechtstreekse werking en is verder in de nationale wet- en regelgeving geïmplementeerd. De nieuwe regelgeving is in deze aanwijzing verwerkt. Concreet betekent dit dat de aanwijzing, anders dan voorheen, van toepassing is op de gehele luchtvaartsector, uitgaat van een ruimere meldplicht (deze omvat voortaan ook ongevallen en ernstige incidenten), en het beschermingsniveau daarmee in overeenstemming brengt en verder verhoogt door ook bescherming te geven aan vrijwillige meldingen die krachtens de verordening worden gedaan. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de voorwaarden voor strafrechtelijke vrijwaring te verduidelijken. In de kern is het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie is daarmee echter niet veranderd. 2. Wettelijk kader 2.1. Doel: melding van voorvallen"},{"i":9921,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 26 juni 2020, nr. WJZ/ 20167069, houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet normering topinkomens op het terrein van Economische Zaken en Klimaat (Aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.1) en [5.3 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3) en [titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **WNT:** de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249); - –. **Eenheid toezicht WNT:** de als zodanig aangeduide eenheid, bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c van het Besluit BZK-toezicht en handhaving WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042396&artikel=1); Artikel 2 1. De ambtenaren werkzaam bij de Eenheid toezicht WNT worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) ten aanzien van rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen waarvoor de Minister van Economische Zaken en Klimaat in de WNT is aangewezen als Onze Minister wie het aangaat. 2. De bevoegdheid om namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat inlichtingen te vorderen van de organisaties genoemd in [artikel 5.3 van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), wordt uitgeoefend door het Hoofd van de Afdeling Topinkomens en Economische Advisering van de Eenheid toezicht WNT. Artikel 3 Het [Besluit aanwijzing EZ-toezichthouder WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036821) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscouran"},{"i":9966,"b":"Beleidsregeling voor de acceptatie van luchtvaartuigen, aanverwante produkten en onderdelen Gelet op [artikel 72, tweede lid](onbekend), [artikel 73, eerste lid](onbekend), [artikel 74, tweede lid](onbekend), [artikel 76, eerste lid](onbekend), [artikel 77, tweede lid](onbekend), en [artikel 93 van de Regeling Toezicht Luchtvaart](onbekend); Maakt bekend: Artikel 1 Voor het ontwerpen, het produceren, het beoordelen van de luchtwaardigheid, het afgeven en accepteren van type-certificaten en bewijzen van luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, aanverwante produkten en onderdelen worden op verzoek van de aanvrager de procedures toegepast uit JAR-21 zoals gepubliceerd door de Joint Aviation Authorities. Artikel 2 Deze beleidsregeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1996, werkt terug tot en met 1 januari 1995 en wordt met toelichting in de Staatscourant gepubliceerd. Artikel 3 Deze beleidsregeling wordt aangehaald als: Beleidsregeling voor de acceptatie van luchtvaartuigen, aanverwante produkten en onderdelen."},{"i":9968,"b":"Beleidsregels kostenvergoeding subsidie milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2006 Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. Minister: de Minister van Economische Zaken; - b. verzoeker: de indiener van een verzoek om kostenvergoeding of diens rechtsopvolger; - c. MEP-subsidie: subsidie op grond van [artikel 72m van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=72m). Artikel 2 1. De Minister kent een kostenvergoeding toe aan een verzoeker die: - a. voor 18 augustus 2006 geen aanvraag voor MEP-subsidie voor die productie-installatie heeft ingediend als waarvoor hij een verzoek tot kostenvergoeding indient; - b. voor 18 augustus 2006 de voor de aanvraag van de MEP-subsidie benodigde vergunningen heeft aangevraagd; - c. redelijkerwijs tussen 18 augustus 2006 en 31 december 2006 een volledig ingevuld aanvraagformulier met alle benodigde bijlagen als bedoeld in [artikel 15 van de Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit elektriciteitsproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015185&artikel=15) had kunnen indienen, en - d. op basis van deze aanvraag, uitgaande van de regels zoals deze golden voor 18 augustus 2006, MEP-subsidie van meer dan € 0,00 had kunnen krijgen. 2. De Minister kent geen kostenvergoeding toe indien voor een productie-installatie subsidie wordt verleend op grond van de in de brief van 11 september 2006 (Kamerstukken II, 28 665, 76) aangekondigde subsidieregeling voor vergistingsinstallaties. Artikel 3 1. Kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking indien het directe kosten betreffen die de verzoeker noodzakelijkerwijs voor 18 augustus 2006 heeft gemaakt en betaald aan derden om voor 1 januari 2007 MEP-subsidie aan te vragen, voor zover deze kosten redelijk zijn. 2. Kosten als bedoeld in het eerste lid die na 18 augustus 2006 zijn gemaakt en betaald aan derden kunnen voor vergoeding in aanmerking komen indien voor 18 augustus 2006 door middel van een schriftelijke overeenk"},{"i":9976,"b":"Beschikking vacatiegeld voor de luchtvaartexamencommissies Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Geen vacatiegeld wordt toegekend aan - a. functionarissen in dienst van het Rijk, van een ander publiekrechtelijk lichaam dan het Rijk of van een door het Rijk in het leven geroepen instelling, dan wel van een instelling welker personeelskosten door het Rijk worden vergoed, indien hun benoeming haar oorzaak vindt in de functie die zij vervullen; - b. deskundigen, secretarissen en adjunct-secretarissen die op andere wijze voor hun aandeel in de werkzaamheden van de commissie worden beloond. Artikel 2 Het vacatiegeld voor de leden van de examencommissies voor privé-vliegbewijzen en vliegtuigonderhoudstechnicus wordt vastgesteld op € 68,07 per dag. Artikel 3 Het vacatiegeld voor de leden van de examencommissie voor beroepsvliegbewijzen wordt vastgesteld op € 86,22 per dag. Artikel 4 Het vacatiegeld voor de voorzitter van de examencommissies voor privé-vliegbewijzen, vliegtuigonderhoudstechnicus en zweefvliegen, voor zover de activiteiten voortvloeien uit het voorzitterschap, wordt vastgesteld op € 136,13 per dag. Artikel 5 Het vacatiegeld voor de plaatsvervangend voorzitters van de examencommissies voor privé-vliegbewijzen en vliegtuigonderhoudstechnicus, voor zover de activiteiten voortvloeien uit het plaatsvervangend voorzitterschap, wordt vastgesteld op € 108,91 per dag. Artikel 6 Het vacatiegeld voor de voorzitter van de examencommissie voor beroepsvliegbewijzen, voor zover de activiteiten voortvloeien uit het voorzitterschap, wordt vastgesteld op € 72,44 per dag. Artikel 7 Het vacatiegeld voor de plaatsvervangend voorzitters van de examencommissie voor beroepsvliegbewijzen, voor zover de activiteiten voortvloeien uit het plaatsvervangend voorzitterschap, wordt vastgesteld op € 136,13 per dag. Artikel 8 Voor het buiten examentijd corrigeren en beoordelen van schriftelijk exam"},{"i":10000,"b":"Besluit beperking openbaarheid Archief registraties bemanningsleden en door Ministerie van Verkeer en Waterstaat uitgegeven zee- en visvaartdiploma’s 1950 – 1985, Inspectie Leefomgeving en Transport Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 15 september 2014, met kenmerk NA/2014/14103 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokken personen zijn de inventarisnummers uit het ‘Archief inzake registraties van bemanningsleden en door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat uitgegeven zee- en visvaartdiploma’s, 1950 – 1985 genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | **Registratiekaarten inzake aanmonstering en arbeidsplaatsen** | | | 283 | 2066 | | 282 | 2066 | | 284 | 2066 | | 302 | 2066 | | 278 | 2066 | | 285 | 2066 | | 280 | 2066 | | 281 | 2066 | | 301 | 2066 | | 279 | 2066 | | 286 | 2066 | | 287 | 2066 | | 317 | 2066 | | 316 | 2066 | | 318 | 2066 | | 320 | 2066 | | 313 | 2066 | | 321 | 2066 | | 314 | 2066 | | 315 | 2066 | | 291 | 2066 | | 288 | 2066 | | 290 | 2066 | | | | | **Registratiekaarten inzake diploma MDR** | | | 289 | 2066 | | 298 | 2066 | | 303 | 2066 | | 296 | 2066 | | 294 | 2066 | | | 2066 | | **Registratie diploma MDR Zeevisvaart I** | 2066 | | 311 | 2066 | | 310 | 2066 | | | 2066 | | **Registratie diploma MDR Zeevisvaart II** | 2066 | | 319 | 2066 | | 299 | 2066 | | | 2066 | | **Afgewezen examinandi** | 2066 | | 293 | 2066 | | | 2066 | | **MM oud O** | 2066 | | 300 | 2066 | | 295 | 2066 | | | 2066 | | **Verklaringen I** | 2066 | | 292 | 2066 | | | 2066 | | **Verklaringen II** | 2066 | | 297 | 2066 | | | 2066 | | **Registratiekaarten inzake bemanningsleden** | 2066"},{"i":10002,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 januari 2018, nr. PSG-DB/17192982, houdende besluit beperking openbaarheid archief Stichting Proefstation voor de Boomkwekerij te Boskoop van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en voorgangers (1899) 1943–2002 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, – van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 16-11-2017 nr. Edoc1271318; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer 197 van het archief Stichting Proefstation voor de Boomkwekerij te Boskoop van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en voorgangers (1899) 1943–2002 beperkt openbaar per 1-1-2035. Dit is 100 jaar na het geboortejaar 1934. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040649&artikel=1&z=2018-02-23&g=2018-02-23), is tot het moment van openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 De voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in het dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft voor inzage; Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040649&artikel=1&z=2018-02-23&g=2018-02-23), is tot het mo"},{"i":10003,"b":"Besluit beperking openbaarheid van het archief van de Provinciale Directie voor de Bedrijfsontwikkeling in Noord-Holland van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (1947) 1963–1983 (1995) Inventaris PDBNH Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van het algemene archivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is inventarisnummer 34 beperkt openbaar tot 1 januari 2034 Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045614&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de Provincie Noord-Holland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045614&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in Noord-Holland. De rijksarchivaris in de provincie Noord-Holland kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045614&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Noord-Holland. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant"},{"i":10009,"b":"Besluit van 14 januari 1999, houdende regels voor de uitoefening van het burgerluchtverkeer boven de Waddenzee (Besluit beperkingen burgerluchtverkeer Waddenzee) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 juli 1998, nr. DGRLD/JBZ/L 98.210489, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op [artikel 5.10, derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.10); De Raad van State gehoord (advies van 14 september 1998, nr. W09.98.0340); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 januari 1999, nr. DGRLD/JBZ/L 98.210749, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. kaart: kaart, opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage; - b. milieubeschermingsgebied Waddenzee: het gedeelte van de Waddenzee dat als zodanig op de kaart is aangegeven; - c. corridor: gedeelte van het luchtruim dat als zodanig op de kaart is aangegeven. - d. reclamesleepvlucht: een vlucht waarbij een sleepnet wordt gesleept. Artikel 2 1. De uitoefening van burgerluchtverkeer met gemotoriseerde luchtvaartuigen boven het milieubeschermingsgebied Waddenzee is tot een hoogte van 450 meter (1500 voet) boven de grond of het water verboden. 2. Bij een wolkenbasis lager dan 450 meter (1500 voet) boven de grond of het water dan wel een vliegzicht van minder dan 8 kilometer, is binnen de corridors de uitoefening van burgerluchtverkeer met gemotoriseerde luchtvaartuigen toegestaan boven een hoogte van 300 meter (1000 voet) boven de grond of het water. Artikel 3 1. Het is verboden een reclamesleepvlucht uit te voeren boven het milieubeschermingsgebied Waddenzee. 2. Onverminderd [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010215"},{"i":10015,"b":"Besluit van 23 januari 1992, houdende regels ten aanzien van bijdragen in de kosten van beheer en onderhoud van waterstaatswerken Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 september 1991, nr. RJI 102399, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op artikel 2, tweede lid, van de Wet van 24 april 1991, houdende regels met betrekking tot enkele specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten op het terrein van Verkeer en Waterstaat (**Stb.** 1991, 255); Gezien de adviezen van het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; Gehoord de Raad voor de Gemeentefinanciën; De Raad van State gehoord (advies van 4 december 1991, nr. W09.91 0489); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 januari 1992, nr. RJI 113251, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. bijdrage: een bijdrage als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet houdende regels met betrekking tot enkele specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten op het terrein van Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005062&artikel=2) (**Stb.** 1991, 255); - c. waterstaatswerken: waterstaatswerken als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet houdende regels met betrekking tot enkele specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten op het terrein van Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005062&artikel=2); - d. nieuwe beheerder: de provincie dan wel de gemeente, waarbij bij een koninklijk besluit op grond van [artikel 1, tweede lid, van de Waterstaatswet 1900](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001867&artikel=1) (**Stb.** 176) een waterstaatswerk in beheer of onderhoud is gebracht. Artikel 2. Voorwaarden om voor een bijdra"},{"i":10016,"b":"Besluit van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van de bodem (Besluit bodemkwaliteit) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 juli 2007, nr. DJZ2007057947, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [richtlijn nr. 89/106/EEG](31989L0106) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de voor de bouw bestemde produkten (PbEG L 40), zoals gewijzigd bij [richtlijn nr. 93/68/EEG](31993L0068) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 (PbEG L 220); Gelet op [richtlijn nr. 06/12/EEG](31906L0012) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PbEG, L 114), ter vervanging van [richtlijn nr. 75/442/EEG](31975L0442) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij [verordening nr. 1882/2003](32003R1882) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschap van 29 september 2003 (PbEU L 284); Gelet op de [artikelen 1.1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), [8.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.1), [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.5), [8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [8.45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.45), [8.49, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.49),[10.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.2), [10.15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.15), [10.17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&art"},{"i":10017,"b":"Besluit van 8 april 2011, houdende eisen met betrekking tot brandstoffen ter implementatie van richtlijn nr. 2009/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG met betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie en tot invoering van een mechanisme om de emissies van broeikasgassen te monitoren en te verminderen, tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad met betrekking tot de specificatie van door binnenschepen gebruikte brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 93/12/EEG (PbEU L 140) (Besluit brandstoffen luchtverontreiniging) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 september 2010, nr. BJZ2010024773, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 98/70/EG](31998L0070) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van [Richtlijn 93/12/EEG](31993L0012) van de Raad (PbEG L 350), richtlijn nr. 1999/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van [Richtlijn 93/12/EEG](31993L0012) (PbEG L 121), richtlijn nr. 2009/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van [Richtlijn 98/70/EG](31998L0070) met betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie en tot invoering van een mechanisme om de emissies van broeikasgassen te monitoren en te verminderen, tot wijziging van [Richtlijn 1999/32/EG](31999L0032) van de Raad met betrekking tot de specificatie van door binnenschepen gebruikte brandstoffen en tot intrekking van [Richtlijn 93/12/EEG](31993L0012) (PbEU L 140), het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen"},{"i":10021,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 12 augustus 2025 nr. BOACAT2025/155, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat Gelezen het verzoek van Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat van 29 juli 2025 en het advies van de hoofdofficier van Justitie van het Functioneel Parket; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051395&artikel=2&z=2025-11-08&g=2025-11-08). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van afdeling handhaving 'inspecteur handhaving' of 'mobiel verkeersleider' in dienst bij het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de bijlage bij de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede ve"},{"i":10022,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 1 september 2021 nr. BOACAT2021/026, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO) Gelezen het verzoek van Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing van 8 april 2021 en de adviezen van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045596&artikel=2&z=2023-06-03&g=2023-06-03). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Toezichthouder/Handhaver in dienst van de FUMO, en tevens zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein, II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede ve"},{"i":10024,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 30 maart 2022 nr. BOACAT2022/029, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Ministerie van Economische Zaken, DG Agro en Natuur/beleidsdirectie Natuur en Biodiversiteit/Waddenunit Gelezen het verzoek van de Middenmanager van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit, Directoraat Generaal Natuur Visserij en Landelijk Gebied (DG NVLG) / Waddenunit van 30 maart 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046495&artikel=2&z=2022-04-12&g=2022-04-12). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Waddenbeheer, Inspecteur, medewerker toezicht in dienst van het Ministerie Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit, Directoraat Generaal Natuur Visserij en Landelijk Gebied (DG NVLG) / Waddenunit zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het"},{"i":10025,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 11 november 2021, nr. BOACAT2021/057, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland Gelezen het verzoek van PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland van 14 september 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parketen de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045811&artikel=2&z=2021-12-19&g=2021-12-19). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Boswachter in dienst van PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals"},{"i":10026,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 30 juli 2015 nr. BOACAT2015/036, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland N.V Gelezen het verzoek van de manager Natuur en Recreatie regio Midden, van PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland N.V. van 27 juli 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036919&artikel=2&z=2015-09-21&g=2015-09-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van boswachter in dienst van PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland N.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, van [bijlage A-I van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694&bijlage=A). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schri"},{"i":10027,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 24 juni 2024 nr. BOACAT2024/060, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Rijkswaterstaat Verkeer en Watermanagement Gelezen het verzoek van Rijkswaterstaat Verkeer en Watermanagement van 13 juni 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049958&artikel=2&z=2024-12-18&g=2024-12-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van mobiel wegverkeersleider Rijkswaterstaat (Weginspecteur) in dienst van Rijkswaterstaat Verkeer en Watermanagement, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van N"},{"i":10028,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 3 december 2015 nr. BOACAT2015/069, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Landschap Overijssel, domein II Gelezen het verzoek van de Stichting Landschap Overijssel van 26 november 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037329&artikel=2&z=2016-01-07&g=2016-01-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van boswachter in dienst van de afdeling Natuurterreinen van de Stichting Landschap Overijssel, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schrifte"},{"i":10029,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 juni 2016 nr. BOACAT2016/042, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Stichting Waternet Gelezen het verzoek van afdeling Handhaving van de Stichting Waternet van 16 juni 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038094&artikel=2&z=2016-06-18&g=2016-06-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Handhaver A, Handhaver B, Handhaver C en Handhaver D in dienst van de Stichting Waternet, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld i"},{"i":10030,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 27 mei 2024 nr. BOACAT2024/052, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Unie van Waterschappen Gelezen het verzoek van de Unie van Waterschappen van 22 april 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049750&artikel=2&z=2024-06-24&g=2024-06-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van waterschapscontroleur in dienst van een waterschap, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de fu"},{"i":10031,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 7 augustus 2023 nr. BOACAT2023/052, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Vereniging Natuurmonumenten Gelezen het verzoek van de Vereniging Natuurmonumenten van 25 juli 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048554&artikel=2&z=2023-09-26&g=2023-09-26). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van boswachter of coördinator natuurbeheer in dienst van de Vereniging Natuurmonumenten, die zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, z"},{"i":10032,"b":"Besluit van 30 september 2009, houdende regels voor burgerluchthavens (Besluit burgerluchthavens) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 februari 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/120 sector LUV, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op: bijlage 14 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; de [artikelen 8.1a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.1a), [8.41, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.41), [8.44, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.44), [8.47, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.47), [8.54, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.54), [8.64, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.64), [8a.38, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.38), [8a.42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.42), [8a.50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.50), en [8a.51 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.51); [artikel 76, eerste lid, onderdeel a, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=76); [artikel 23, onder a, van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023775&artikel=23); De Raad van State gehoord (advies van 19 maart 2009, nr. W09.09.0030/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 24 september 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/1009 sector LUV, Hoofddirectie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt ver"},{"i":10035,"b":"Besluit van 26 oktober 2017 nr. 2017001809, houdende departementale herindeling met betrekking tot klimaat Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 25 oktober 2017, nr. 3213935; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op de terreinen van klimaatmitigatie, emissierechten, de Nederlandse emissieautoriteit en luchtemissies industrie voor zover deze voor 26 oktober 2017 waren opgedragen aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. Artikel 2 De taken van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en van het ministerie van Infrastructuur worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040151&artikel=1&z=2018-04-04&g=2018-04-04) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040151&artikel=2&z=2018-04-04&g=2018-04-04) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 26 oktober 2017. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de ministeries."},{"i":10036,"b":"Besluit van 10 april 2015 nr. 2015000645, houdende departementale herindeling met betrekking tot Nucleaire veiligheid en stralingsbescherming Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 10 april 2015, kenmerk 3142717; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming en de daarmee samenhangende crisisvoorbereiding, de daarmee samenhangende beveiliging en waarborgen en de verantwoordelijkheid voor de Kernenergiewet, voor zover deze voor 1 mei 2015 waren opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken. Artikel 2 De taken van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en het ministerie van Economische Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036541&artikel=1&z=2015-05-01&g=2015-05-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036541&artikel=2&z=2015-05-01&g=2015-05-01) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2015. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en"},{"i":10037,"b":"Besluit van 25 april 2005, houdende regelen ter uitvoering van de EG-verordening betreffende detergentia (Besluit detergentia Wms) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 februari 2005, nr. MJZ2005021614, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [verordening (EG) nr. 648/2004](32004R0648) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004, betreffende detergentia (PbEU L 104) en op de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=24) en [39, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=39); De Raad van State gehoord (advies van 7 april 2005, nr. W08.05.0061/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 april 2005, nr. MJZ2005025296, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij:** aanbieder van een dienst zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van [Richtlijn (EU) 2015/1535](32015L1535) van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241); - **marktdeelnemer:** marktdeelnemer als bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van de EU-verordening markttoezicht; - **op de markt aanbieden:** op de markt aanbieden als bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van de EU-verordening markttoezicht; - **verordening:** [verordening (EG) nr. 648/2004](32004R0648) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende detergentia (PbEU L 104). Artikel 2 Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 3, 6, tweede lid, 7, eerste zin, 9 en 11, tweede tot en met vijfde lid, va"},{"i":10038,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 december 2005, nr. VI/CM 2005199604, tot herziening van samenstelling, taken en bevoegdheden van de Eenheid Planning en Advies Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten Handelend in overeenstemming met de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Defensie, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Verkeer en Waterstaat en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. ongeval: gebeurtenis als gevolg waarvan chemische stoffen vrijkomen of dreigen vrij te komen, - a. die tot een gevaarssituatie of verhoogd risico leidt of kan leiden voor mens of milieu, of - b. die ter voorkoming of vermindering van een gevaarssituatie of een verhoogd blootstellingsrisico voor mens of milieu aan die stoffen een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines vergt, of - c. die anderszins dringend optreden vereist om mens of milieu tegen blootstelling aan die stoffen te beschermen; - –. het BOT-mi: het Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019180&paragraaf=2&artikel=2.1&z=2005-12-17&g=2005-12-17); - –. bevoegd gezag: bij crisisbeheersing verantwoordelijke instantie belast met de bestrijding van rampen en zware ongevallen en de voorbereiding daarvan; - –. koude organisatie: tijdens preparatiefase bestaande organisatie van het BOT-mi; - –. warme organisatie: tijdens de respons- en nazorgfase bestaande organisatie van het BOT-mi; - –. preparatie: voorbereiding op de bestrijding van rampen en zware ongevallen; - –. respons: daadwerkelijke reactie op rampen en zware ongevallen; - –. nazorg: beheersing van blootstellingseffecten op de middellange en lange termijn. Paragraaf 2. De BOT-mi organisatie Artikel 2.1 1. Er is een Eenheid Planning en Advies voor mili"},{"i":10039,"b":"Besluit van 1 juni 2016, houdende regels met betrekking tot de productie en distributie van elektriciteit en drinkwater op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Besluit elektriciteit en drinkwater BES) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 2 december 2015, nr. IenM/BSK-2015/75140, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 2.2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=2.2), [2.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=2.3), [3.2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=3.2), [3.5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=3.5), [3.13, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=3.13), [4.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=4.2), en [6.13, tweede lid, van de Wet elektriciteit en drinkwater BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=6.13); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 januari 2016, nr. W14.15.0423/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 30 mei 2016, nr. IenM/BSK-2016/74778, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet elektriciteit in drinkwater BES in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. (begripsomschrijvingen) In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **leveringspunt voor drinkwater:** plaats waar het drinkwaternet overgaat in een op dat net aangesloten woninginstallatie of installatie als bedoeld in [artikel 3.13, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=3.13); - **tappunt:** plaats waar drinkwater beschikbaar komt voor gebruik; - **wet:** [Wet elekt"},{"i":10041,"b":"Besluit van 7 oktober 1991, houdende uitvoering van artikel 37a, tweede en derde lid Luchtvaartwet Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 1 oktober 1991, nr. JBZ/L 91.010336, Rijksluchtvaartdienst, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Defensie; Gelet op [artikel 37**a**, tweede en derde lid van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37a) (**Stb.** 1958, 47); Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel 1. In afwijking van het bepaalde in [artikel 1, eerste lid, onder **d**, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=1) worden voor de toepassing van afdeling 2A van deze wet met betrekking tot militaire luchtvaartterreinen waarvan delen uitsluitend ten behoeve van de burgerluchtvaart worden gebruikt, als exploitant aangemerkt de hierna genoemde rechtspersonen: - a. Eindhoven Airport NV, - b. N.V. Luchthaven Twente, - c. Luchthaven Den Helder B.V. 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 1991. Indien het **Staatsblad** waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 oktober 1991, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 1 oktober 1991. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":10042,"b":"Besluit van 2 oktober 1959, houdende bepaling, dat de Luchtvaartwet (Stb. 1958, 47), ondanks het bestaande oorlogsgevaar, geldt ten aanzien van militaire luchtvaartuigen en de leden hunner bemanning, alsmede ten aanzien van militaire luchtvaartterreinen Op de voordracht van Onze Minister voor Defensie van 15 mei 1959, nr. 202.620/3 N; Gezien het Koninklijk besluit van 10 april 1939 (**Stb.** 181) betreffende de aanwezigheid van oorlogsgevaar in de zin, waarin dat woord in 's Lands wetten voorkomt; Gelet op [artikel 57 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=57) (**Stb.** 1958, 47); De Raad van State gehoord (advies van 23 juni 1959, nr. 31); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 16 september 1959, Directoraat Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving en Publiekrecht, nr. 202.620/4 Q; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In afwijking van [artikel 57 der Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=57) (**Stb.** 1958, 47) gelden, niettegenstaande blijkens het Koninklijk besluit van 10 april 1939 (**Stb.** 181) de tegenwoordige buitengewone omstandigheden oorlogsgevaar inhouden in de zin waarin dat woord in 's Lands wetten voorkomt, de bepalingen van en krachtens de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) voorzover in die wet niet anders is voorgeschreven ten aanzien van militaire luchtvaartuigen en de leden van hun bemanning, alsmede ten aanzien van militaire luchtvaartterreinen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) (**Stb.** 1958, 47) in werking treedt. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":10043,"b":"Besluit van 18 april 2017, houdende regels betreffende de exploitatie van de luchthaven Schiphol (Besluit exploitatie luchthaven Schiphol 2017) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 13 december 2016, nr. IenM/BSK-2016/297713, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op [artikel 8.1b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.1b), [8.25di, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25di), [8.25e, twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25e), [artikel 8.25f, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25f), [artikel 8.25fa, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25fa), [artikel 8.25g, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25g), en [artikel 8.29a, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.29a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 februari 2017, nr. W14.16.0415/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 12 april 2017, IenM/BSK-2017/78393, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet luchtvaart inzake exploitatie van luchthaven Schiphol (Stb. 2016/272) in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **benchmark kwaliteitsindicatoren:** een overzicht van de ontwikkeling van kwaliteitsindicatoren op de luchthaven in de laatste vijf kalenderjaren in vergelijking met de ontwikkeling van kwaliteitsindicatoren in de laatste vijf kalenderjaren op een aantal buitenlandse luchthavens in een peergroup; - **capaciteitsontwikkelingsplan:**"},{"i":10044,"b":"Besluit gebruik stormvloedkering Nieuwe Waterweg Gelet op het bepaalde in [artikel 5, tweede lid van de Waterstaatswet 1900](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001867&artikel=5) en het daarop gebaseerde [Organiek Besluit Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002743) (KB 14 januari 1971, Stb. 42), alsmede gelet op de bepalingen in [afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.4); Besluit: Artikel 1 De Stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg (hierna te noemen ’de kering’) wordt vanaf de ingebruikname tot 1 oktober 1998 gesloten bij een verwachte waterstand van de Nieuwe Maas te Rotterdam ter hoogte van het Boerengat van ten minste NAP +3.20 m. Artikel 2 De kering wordt vanaf 1 oktober 1998 gesloten bij een verwachte waterstand van de Nieuwe Maas te Rotterdam ter hoogte van het Boerengat van ten minste NAP +3.00 m. Artikel 3 Na 1 mei 2003 worden de consequenties van het in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008672&artikel=1&z=2009-12-22&g=2009-12-22) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008672&artikel=2&z=2009-12-22&g=2009-12-22) weergegeven sluitregime geëvalueerd, waarbij enerzijds zal worden bezien of en in welke mate de buitendijks gelegen gebieden hinder hebben ondervonden van wateroverlast en anderzijds of en in welke mate de sluiting nadelige gevolgen heeft gehad voor de haven van Rotterdam en de daarmee verwante scheepvaartbelangen. Artikel 4 Indien op 1 mei 2003 de kering nog niet gesloten is geweest zal de evaluatie plaatsvinden na de eerste sluiting. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Artikel 6 Dit besluit kan worden aangehaald als ’Besluit gebruik stormvloedkering Nieuwe Waterweg’. Artikel 1a Dit besluit berust mede op [artikel 1 van het Instellingsbesluit directoraat generaal Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002"},{"i":10045,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Defensie van 3 september 2010, nr. 3095255, tot gebruik van het regeringsvliegtuig en luchtvaartuigen van de krijgsmacht Overwegende dat het wenselijk is regels vast te stellen met betrekking tot het gebruik, de gebruiksvolgorde en de gebruiksvergoeding van het regeringsvliegtuig, alsmede nadere regels te stellen voor de taakuitoefening van de vluchtcoördinator; Besluiten: § 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **vluchtcoördinator:** een door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aan te wijzen ambtenaar; - **regeringsvliegtuig:** het vliegtuig met de registratie PH-GOV; - **aanvrager:** de indiener van de aanvraag bedoeld in [artikel 6, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028229&paragraaf=3&artikel=6&z=2019-05-01&g=2019-05-01). § 2. Luchtvaartuigen Artikel 2 Het gebruik van het regeringsvliegtuig is beperkt tot vluchten ten behoeve van: - a. de Koning en echtgenoot of echtgenote; - b. prinses Beatrix, waar doelmatigheid, veiligheid of privacy dit met zich brengen; - c. andere leden van het koninklijk huis indien zij de Koning vertegenwoordigen; - d. de Minister-President, ministers en staatssecretarissen ter uitoefening van hun functie; - e. door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat te bepalen doeleinden. Artikel 3 Voor vluchten ten behoeve van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028229&paragraaf=2&artikel=2&z=2019-05-01&g=2019-05-01) bedoelde personen en doeleinden kan de Minister van Defensie toestemming verlenen tot het beschikbaar stellen van luchtvaartuigen van de krijgsmacht, indien: - a. de aard, de bestemming of doelmatigheid van de vlucht, het gebruik van andere luchtvaartuigen dan het regeringsvliegtuig noodzakelijk of gewenst maakt; en - b. hieraan geen redenen van operationele of technische aard in de weg staan. Artikel 4 1. Indien de in de [artikel"},{"i":10046,"b":"Besluit van 1 maart 2014 tot uitbreiding van het toepassingsgebied van de titels 9.3 en 9.3a van hoofdstuk 9 van de Wet milieubeheer en van enkele op dat hoofdstuk gebaseerde besluiten tot de exclusieve economische zone (Besluit gedeeltelijke uitbreiding toepassingsgebied hoofdstuk 9 Wet milieubeheer tot de EEZ) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 24 januari 2014, nr. IenM/BSK-2013/308424, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [Verordening (EG) nr. 648/2004](32004R0648) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004, betreffende detergentia (PbEU L 104), verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van [Richtlijn 79/117/EEG](31979L0117) (PbEU L 158, zoals gerectificeerd in PbEU L 229), verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen (PbEU L 161), verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van [Richtlijn 1999/45/EG](31999L0045) en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede [Richtlijn 76/769/EEG](31976L0769) van de Raad en de [Richtlijnen 91/155/EEG](31991L0155), [93/67/EEG](31993L0067), [93/105/EG](31993L0105) en [2000/21/EG](32000L0021) van de Commissie (PbEU 2007, L 136), Verordening (EG) nr. [689/2008](32589L2008) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 2008 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (PbEG L 204), Verordening (EG) nr. [1102/2008](33002L2008) van het Eur"},{"i":10048,"b":"Besluit van 1 april 2014, houdende regels met betrekking tot het ingeperkt gebruik en de doelbewuste introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen (Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 29 juni 2012 nr. IENM/BSK-2012/120140, gedaan in overeenstemming met Onze Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op: [richtlijn nr. 2001/18/EG](32001L0018) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van [richtlijn nr. 90/220/EEG](31990L0220) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 april 1990 (PbEG L 106); [richtlijn nr. 2009/41/EG](32009L0041) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 mei 2009 inzake het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PbEU L 125); [verordening (EG) nr. 1830/2003](32003R1830) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van [richtlijn 2001/18/EG](32001L0018) (PbEU L 268); [verordening (EG) nr. 1946/2003](32003R1946) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2003 betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gemodificeerde organismen (PbEU L 287); de [artikelen 8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [9.2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1) en [9.2.2.3 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.3), alsmede, voor zover het [artikel 6.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&hoofdstuk=6&afdeling=6.4&artikel=6.14&z=2"},{"i":10049,"b":"Besluit geregeld en ongeregeld luchtvervoer BES Artikel 1 1. Een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in [artikel 8, eerste en derde lid, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=8), wordt ingediend bij de Minister. 2. Een vergunningaanvraag wordt in behandeling genomen wanneer de aanvrager: - a. kan aantonen dat in het vervoer waarop de aanvraag betrekking heeft op redelijke wijze kan worden voorzien; - b. aannemelijk kan maken dat hij één of meer in het Nederlandse nationaliteitsregister ingeschreven luchtvaartuigen te zijner beschikking heeft door eigendom of één of andere vorm van huurovereenkomst, mits hij aantoont dat de operationele verantwoordelijkheid bij hem berust; - c. kan aantonen dat het overwegend deel van het aandelenkapitaal en de daadwerkelijke zeggenschap in en de leiding van de onderneming in Nederlandse handen berusten als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=8); en - d. kan aantonen dat de dienstverlening in het publieke belang is. 3. Van de in behandeling genomen aanvraag wordt een afschrift ter inzage gelegd op een plaats en gedurende tijdstippen die door de Minister worden vastgesteld en die bekend worden gemaakt in de Staatscourant. 4. Belanghebbenden kunnen binnen 30 dagen na de mededeling, bedoeld in het vierde lid, schriftelijk commentaar indienen bij de Minister. 5. De Minister kan de aanvrager en andere belanghebbenden in de gelegenheid stellen de aanvraag en de daarop betrekking hebbende commentaren mondeling toe te lichten. 6. Indien op de aanvraag positief wordt beslist, wordt de daartoe strekkende beschikking gepubliceerd in de Staatscourant. 7. Indien op de aanvraag afwijzend wordt beslist, wordt zulks bij een met redenen omklede beschikking aan de aanvrager medegedeeld. Artikel 2 De documenten of gegevens, als aangegeven in de bij dit besluit behorende [bijlage A](https://wetten.overheid.n"},{"i":10051,"b":"Besluit van 10 november 1982, houdende herindeling van de departementale taak met betrekking tot openluchtrecreatie Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, dd. 8 november 1982, nr. 325426; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met ingang van heden: - 1. Onze Minister van Landbouw en Visserij te belasten met de zorg voor de openluchtrecreatie, voorzover thans opgedragen aan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, en de taak van beide departementen dienovereenkomstig te wijzigen. - 2. De organisatorische afwikkeling van zaken, verband houdende met het hierboven bepaalde op te dragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Binnenlandse Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan afschrift in de **Nederlandse Staatscourant** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen en de departementen van algemeen bestuur."},{"i":10052,"b":"Besluit van 27 maart 2009, houdende implementatie van richtlijn nr. 2006/117/Euratom van de Raad van de Europese Unie van 20 november 2006 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof (PbEU L 337) en intrekking van het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen (Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 november 2008, nr. BJZ2008105972, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 2006/117](32006L0117)/Euratom van de Raad van de Europese Unie van 20 november 2006 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof (PbEU L 337) en op [artikel 67 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=67); De Raad van State gehoord (advies van 12 december 2008, nr. W08.08.0507/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 maart 2009, nr. BJZ200901662, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **beheerder:** degene die verantwoordelijk is voor het beheer van de overbrenging binnen de eerste lidstaat van doorvoer; - **bestraalde splijtstoffen:** bestraalde splijtstoffen die permanent verwijderd zijn uit een reactorkern en voor opwerking bedoeld zijn; - **derde staat:** staat buiten de Europese Unie; - **derde staat van bestemming:** derde staat waarnaar een overbrenging of een voorgenomen overbrenging van radioactieve afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen plaatsvindt; - **derde staat van doorvoer:** derde staat, anders dan de derde staat van herkomst en de derde staat van bestemming, over het grondgebied waarvan e"},{"i":10065,"b":"Besluit van 19 maart 2004, houdende regels met betrekking tot het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen (Besluit inzamelen afvalstoffen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2003, nr. MJZ2003108190, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [richtlijn nr. 75/442/EEG](31975L0442) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194), zoals laatstelijk gewijzigd bij beschikking nr. 96/350/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 mei 1996 houdende aanpassing ingevolge artikel 17 van de bijlagen II A en II B (PbEG L 135/32) en [richtlijn nr. 75/439/EEG](31975L0439) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PbEG L 194), zoals gewijzigd door [richtlijn nr. 87/101/EEG](31987L0101) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 december 1986 tot wijziging van [Richtlijn 75/439/EEG](31975L0439) inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PbEG L 42), alsmede de [artikelen 10.45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.45), [10.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.46) en [10.48, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.48), in samenhang met [artikel 8.5, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.5); De Raad van State gehoord (advies van 23 januari 2004, no. W.08.03.0461/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 maart 2004, nr. MJZ2004026130, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. beschikking nr. 2000/532/EG: beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2000 tot"},{"i":10097,"b":"Besluit van 2 juli 2024, nr. 2024001703, houdende naamswijziging van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 2 juli 2024, kenmerk 4404106; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: De naam van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat te wijzigen in: het Ministerie van Economische Zaken. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":10105,"b":"Besluit van de directeur Communicatie van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 januari 2019, nr. 19009795, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Communicatie van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2019 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Communicatie van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2019) Gelet op [artikel 10 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=10); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur:** de directeur Communicatie van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **de MT-leden:** leden van het managementteam van de directie Communicatie niet zijnde de directeur van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. **het MT-DC:** het collectief van de onder a en b bedoelde functionarissen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - d. **het bedrag:** het bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW). § 2. Taakverdeling tussen de directeur en de onder hem ressorterende functionarissen Artikel 2 Aan de directeur is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden: - a. onderwerpen waarover binnen het MT-DC geen overeenstemming bestaat; - b. aangelegenheden: - 1°. ten aanzien waarvan de directeur in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of - 2°. die door een lid van het MT-DC aan de directeur ter afhandeling worden voorgelegd. Artikel 3 1. Aan de MT-leden wordt, ieder voor zich, ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op zijn werkterrein, met dien verstande dat het aangaan van fina"},{"i":10207,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein regulering en toezicht bank- en kredietwezen vanaf 1940 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 6 augustus 2007, nr. aca-2007.03872/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein regulering van en het toezicht op de centrale bank, het kredietwezen, het effectenverkeer, het giroverkeer (en de Rijkspostspaarbank), het voorkomen van het witwassen van uit criminele activiteiten verkregen gelden en het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden over de periode vanaf 1940](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10209,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Scheepvaart en maritieme zaken over de periode vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 mei 2008 , nr. bca-2008.04829/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Scheepvaart en maritieme zaken over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10211,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Toerisme vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 september 2006, nr. arc-2006.03149/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde [selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Toerisme, over de periode vanaf 1945](onbekend) en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10212,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Toezicht Verzekeringsbedrijf vanaf 1940 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 februari 2008 (nr. bca-2008.04435/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ‘Toezicht Verzekeringsbedrijf over de periode vanaf 1940](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10213,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Verslavingsbeleid vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27-11-2008, nr. bca-2008.05027/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Verslavingsbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10214,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voeding- en productveiligheid vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 juni 2008 nr. bca-2008.04876/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit behorende ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ‘‘Voeding- en productveiligheid over de periode vanaf 1945’’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10215,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voedselvoorziening en agrarisch markt- en prijsbeleid (1934) 1945-2000 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 16 maart 2007, arc-2007.03686/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Voedselvoorziening en agrarisch markt- en prijsbeleid (1934) 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10216,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voorlichting van de rijksoverheid, 1945- (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 april 2007, nr. arc-2007.03707/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Voorlichting van de rijksoverheid, over de periode 1945–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst neerslag handelingen Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid over de periode 1945–1999’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. [C/S&A/05/1359](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018538) d.d. 5 juli 2005 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 245 d.d. 16 december 2005)) wordt ingetrokken, uitsluitend voor handeling 312 Het behandelen van aangelegenheden met beroep op grond van de [Wet Openbaarheid van Bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) (WOB). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10217,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Waterstaat vanaf 2009 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 juni 2009, bca-2009.05320/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Waterstaat over de periode vanaf 2009’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De handelingen in de ‘lijst ingediend door de minister van Verkeer en Waterstaat, voor de neerslag van handelingen op het beleidsterrein waterstaat’ (vastgesteld bij [beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016557), nr. c/s/04/698 d.d. 29-3-2004 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 155 d.d. 16-8-2004) worden bij publicatie van dit besluit afgesloten in 2009. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10218,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Wonen vanaf 2009 (minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 november 2009, nr. bca-2009.05512/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Wonen over de periode vanaf 2009’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10219,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Zee- en Kustvisserij vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 juni 2007, arc-2007.03942/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Zee- en Kustvisserij over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdragers **Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit** **Minister van Financiën** Op het beleidsterrein **Zee- en Kustvisserij** 1945– **Tekst: drs. A. Mul (Doxis Informatiemanagers) en G. Stiemsma (Ministerie van LNV)** **Eindredactie: Bram Duizer (PWAA)** Lijst van Afkortingen AID: Algemene Inspectiedienst AMvB: Algemene maatregel van bestuur BZ: (Ministerie van) Buitenlandse Zaken BSD: Basis Selectiedocument CAS: Centrale Archief Selectiedienst DR: Dienst Regelingen Fin: (Ministerie van) Financiën KB: Koninklijk Besluit KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap LASER: Dienst Landelijke Service bij Regelingen LVV: 1946–1960 (Ministerie van) Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening LenV: 1960–1989 (Ministerie van) Landbouw en Visserij LNV: 1989–2003 (Ministerie van) Landbouw, Natuurbeheer en Visserij 2003– (Ministerie van) Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit NA: Nationaal Archief OM: Openbaar Ministerie PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn RIO: Rapport Institutioneel O"},{"i":10220,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting Afvalstoffen & Vaardocumenten Binnenvaart periode vanaf 1993 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Gehoord: de Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 12 juli 2012, nr. aca-2012.06552/2); de Externe deskundige Prof. dr. K.J.P.F.M. (Charles) Jeurgens, Professor of Archival Sciences (advies van 09-05-2013); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van Stichting Afvalstoffen & Vaardocumenten Binnenvaart (SAB) vanaf 1993’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10221,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Waterschappen vanaf 1 januari 2012 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 5 juli 2011, nr. arc-2011.06199/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de Waterschappen over de periode vanaf 1 januari 2012’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘Lijst van voor vernietiging/bewaring in aanmerking komende archiefbescheiden van waterschappen van na 1935’ (vastgesteld bij ministeriële beschikking van 18 januari 1993, afgekondigd in de Staatscourant nr. 69 d.d. 8 april 1993) wordt afgesloten per 1 januari 2012. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.archief.nl De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10223,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 22 april 2025, nr. IENW/BSK-2025/75409, tot vaststelling van de subsidieplafonds en aanvraagperiode voor 2025 van de Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen klimaat 2024–2026 Gelet op [artikel 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049378&artikel=5), en [artikel 6, derde lid, van de Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen klimaat 2024–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049378&artikel=6); BESLUIT: Artikel 1. Subsidieplafonds 2025 1. Het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen klimaat 2024–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049378&artikel=3) bedraagt voor 2025 € 15.000.000,00. 2. Het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen klimaat 2024–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049378&artikel=3) bedraagt voor 2025 € 4.000.000,00. Artikel 2. Aanvraagperiode Voor 2025 kan de aanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland worden ingediend vanaf 21 mei 2025, 9.00 uur tot en met 1 oktober 2025, 17.00 uur. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10224,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 15 oktober 2010, nr. VenW/BSK-2010/167916, tot vaststelling van de taakomschrijving van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu Gelet op [artikel 3 van de wet van 25 januari 1951, Stb. 24, houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3); Gezien het Koninklijk Besluit van 14 oktober 2010, nr. 10.002849; Besluit: De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu is, binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid, meer in het bijzonder belast met de behandeling van de aangelegenheden betreffende het beleid, de uitvoering en de handhaving betreffende: - 1. Milieu; - 2. Luchtvaart; - 3. Water; - 4. Het Koninklijk Nederlands Meteorologische Instituut; - 5. Onderwerpen die van geval tot geval door de minister worden aangewezen."},{"i":10226,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 9 maart 2026, nr. WJZ/104169007, tot vaststelling van de taken van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei (Besluit vaststelling taken Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei 2026) Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951 (Stb. 1951, 24), houdende nadere voorzieningen in verband met de uitvoering van de ambten van Minister zonder portefeuille en van Staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3); Mede gelet op het koninklijk besluit waarbij J. de Bat is benoemd tot Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Stcrt. 2026, 8192); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, de heer J. de Bat, is binnen de grenzen van het door de Minister van Klimaat en Groene Groei vastgesteld beleid in het bijzonder belast met beleid op het terrein van: - a. aanpak netcongestie, uitrol infrastructuur; - b. kernenergie; - c. implementatie clusteraanpak industrie; - d. vergunningen grote energieprojecten, o.a. infrastructuur, opslag en mijnbouw (waaronder Delta Rhine Corridor, waterstofopslag Zuidwending); - e. Staatstoezicht op de Mijnen; - f. ontmanteling Groningenveld; - g. andere aangelegenheden waarvan de behartiging door de Minister van Klimaat en Groene Groei aan hem is toevertrouwd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 23 februari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling taken Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei 2026. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10227,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 16 maart 2026, nr. WJZ/104165608, tot vaststelling van de taken van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Besluit vaststelling taken Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 2026) Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3) (Stb. 1951, 24), houdende nadere voorzieningen in verband met de uitvoering van de ambten van Minister zonder portefeuille en van Staatssecretaris; Mede gelet op het koninklijk besluit waarbij S.P.A. Erkens is benoemd tot Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Stcrt. 2026, 8193); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de heer S.P.A. Erkens, is binnen de grenzen van het door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur vastgesteld beleid in het bijzonder belast met beleid op het terrein van: - a. Nationale grondbank/Bureau beheer landbouwgronden; - b. dierenwelzijn; - c. voedselzekerheid en voedselkwaliteit; - d. diergezondheid (incl. Diergezondheidsfonds); - e. plantgezondheid (incl. gewasbeschermingsmiddelen); - f. tuinbouw (incl. kwekersrecht en nieuwe genomische technieken); - g. pacht; - h. NVWA, Staatsbosbeheer en keuringsdiensten (Skal, BKD, NAK, COKZ, KCB, NAK tuinbouw); - i. visserij; - j. andere aangelegenheden waarvan de behartiging door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aan hem is toevertrouwd. Artikel 2 Het [Besluit vaststelling taken Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050001) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt gepla"},{"i":10228,"b":"Besluit van 19 december 2008 tot ontbinding van het Fonds Luchtverontreiniging en tot vaststelling van het tijdstip van het vervallen van de wet van 18 oktober 2007, houdende intrekking van de artikelen 15.24 tot en met 15.28 van de Wet milieubeheer met het oog op de opheffing van het Fonds Luchtverontreiniging en het treffen van enkele daarmee verbandhoudende voorzieningen (opheffing Fonds Luchtverontreiniging) (Stb. 2007, 427) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 15 december 2008, nr. BJZ2008121493, directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, Afdeling wetgeving; Gelet op [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022780&artikel=I), en [artikel IV van de Wet van 18 oktober 2007, houdende intrekking van de artikelen 15.24 tot en met 15.28 van de Wet milieubeheer met het oog op de opheffing van het Fonds Luchtverontreiniging en het treffen van enkele daarmee verbandhoudende voorzieningen (opheffing Fonds Luchtverontreiniging)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022780&artikel=IV) (Stb. 2007, 427); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Fonds Luchtverontreiniging wordt ontbonden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Artikel 2 De [Wet van 18 oktober 2007, houdende intrekking van de artikelen 15.24 tot en met 15.28 van de Wet milieubeheer met het oog op de opheffing van het Fonds Luchtverontreiniging en het treffen van enkele daarmee verbandhoudende voorzieningen (opheffing Fonds Luchtverontreiniging)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022780) (Stb. 2007, 427) vervalt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10230,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 10 augustus 2024, nr. WJZ/ 63119461, tot vaststelling van het voorlopig correctiebedrag Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse voor 2024 Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en [artikel 6.13 van de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&artikel=6.13); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt onder regeling de [Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664) verstaan. Artikel 2. Vaststelling voorlopig correctiebedrag 2024 Voor 2024 wordt het voorlopige correctiebedrag, bedoeld in [artikel 6.13, eerste lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&artikel=6.13), vastgesteld op: - a. € 3,8131/kg waterstof voor gemiddelde kosten voor het produceren van waterstof met een stoommethaanreforminstallatie, bedoeld in [artikel 6.13, tweede lid, onderdeel a, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&artikel=6.13); - b. € 0,0000/kg waterstof voor de waarde van de garanties van oorsprong voor hernieuwbare waterstof, bedoeld in [artikel 6.13, tweede lid, onderdeel b, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&artikel=6.13); - c. € 0,0000/kg waterstof voor de opbrengsten of vermeden kosten die voor de subsidieontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in [artikel 6.13, tweede lid, onderdeel c, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&artikel=6.13). Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaats"},{"i":10231,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 2 februari 2025, nr. WJZ/ 95707469, tot vaststelling van de voorlopige correctiebedragen voor 2025 voor de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse en de Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse Gelet op [artikel 6.13, eerste lid, van de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&artikel=6.13) en [artikel 6.13, eerste lid, van de Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050156&artikel=6.13); Besluit: Artikel 1 Het voorlopige correctiebedrag, bedoeld in [artikel 6.13, eerste lid, van de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&artikel=6.13), wordt voor 2025 vastgesteld op de som van de volgende correcties: - a. € 2,1471/kg waterstof voor gemiddelde kosten voor het produceren van waterstof met een stoommethaanreforminstallatie als bedoeld in [artikel 6.13, tweede lid, onderdeel a, van de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&artikel=6.13); - b. € 0,0000/kg waterstof voor de waarde van de garanties van oorsprong voor hernieuwbare waterstof, bedoeld in [artikel 6.13, tweede lid, onderdeel b, van de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse via elektrolyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&artikel=6.13); - c. € 0,0000/kg waterstof voor de opbrengsten of vermeden kosten die voor de subsidieontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in [artikel 6.13, tweede lid, onderdeel c, van de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektr"},{"i":10232,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 22 januari 2026, nr. WJZ/103610128, tot vaststelling van de voorlopige correctiebedragen voor 2026 voor de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse en de Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse Gelet op [artikel 6.13, eerste lid, van de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&artikel=6.13) en [artikel 6.13, eerste lid, van de Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050156&artikel=6.13); Besluit: Artikel 1 Het voorlopige correctiebedrag, bedoeld in [artikel 6.13, eerste lid, van de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&artikel=6.13), wordt voor 2026 vastgesteld op de som van de volgende correcties: - a. € 2,0105/kg waterstof voor gemiddelde kosten voor het produceren van waterstof met een stoommethaanreforminstallatie als bedoeld in [artikel 6.13, tweede lid, onderdeel a, van de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&artikel=6.13); - b. € 0,0000/kg waterstof voor de waarde van de garanties van oorsprong voor hernieuwbare waterstof, bedoeld in [artikel 6.13, tweede lid, onderdeel b, van de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&artikel=6.13); - c. € 0,6226/kg waterstof voor de opbrengsten of vermeden kosten die voor de subsidieontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in [artikel 6.13, tweede lid, onderdeel c, van de Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse](https://w"},{"i":10233,"b":"Besluit van 20 januari 2010, houdende regels voor vergoedingen van luchtvaartnavigatiediensten ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1794/2006 tot vaststelling van een gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten (PbEU L 341) (Besluit vergoedingen luchtvaartnavigatiediensten 2010) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 december 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/1433 sector LUV, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de vergoedingenverordening en de [artikelen 5.20, zesde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.20), en [5.21, eerste en tweede lid, Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.21); De Raad van State gehoord (advies van 16 december 2009, nr. W09.09.0516/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 januari 2010, nr. CEND/HDJZ-2009/1629 sector LUV, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **NSA Amsterdam:** gebied zoals gedefinieerd in de door LVNL uitgegeven luchtvaartgids, volume I, hoofdstuk ENR 6-2-5. Artikel 2 In het vluchtinformatiegebied Amsterdam gelden de volgende heffingszones: - a. een «en route»-heffingszone voor luchtvaartnavigatiediensten die het hele vluchtinformatiegebied Amsterdam omvat, - b. een heffingszone voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten bestaande uit de volgende groep luchthavens: Amsterdam Airport Schiphol, Rotterdam Airport, Groningen Airport Eelde en Maastricht Aachen Airport. § 2. Vergoedingen luchtvaartnavigatiediensten «en route»-verkeer Artikel 3 LVNL draagt zorg voor de bekendmaking van het eenheidstarief dat de Eurocontrol-organisatie voor de «en route»-heffingszone vaststelt. Het eenheidstarief wordt in de Staatscourant bekendgemaakt. Artikel 4 De vergoeding voor luchtvaartnavigatiediensten voor «en route»-verkeer wordt binnen dertig dagen na de door de Eurocontrol-organis"},{"i":10236,"b":"Besluit Vervanging archiefbescheiden Directoraat-Generaal Politie en Veiligheidsregio’s ter uitvoering van de Beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast in juli 2021 gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b), de [Archiefbeheerregels Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035264) en de [Uitvoeringsregeling Archiefbeheer Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036548); besluit Artikel 1. Reikwijdte Dit besluit heeft betrekking op de fysieke archiefbescheiden van de aanvraag als bedoeld in de [Beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast in juli 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049967). Het betreft de fysieke archiefbescheiden uit categorie 13.5 van het geldende basisselectielijstdocument van het Ministerie van Justitie en Veiligheid 2021 (Staatscourant d.d. 24-01-2021 nr. 135) die door de Kredietbank Limburg zijn ontvangen ten behoeve van de beslissing op voormelde aanvraag. Artikel 2 De fysieke archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051175&artikel=1&z=2025-07-03&g=2025-07-03) worden digitaal vervangen en opgeslagen overeenkomstig het ‘Handboek vervanging archiefbescheiden Directoraat- Generaal Politie en Veiligheidsregio’s: Uitvoering Beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast in juli 2021’. Artikel 3 De vervangen archiefbescheiden blijven in het bezit van de aanvrager als bedoeld in de [Beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast in juli 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049967). Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking me"},{"i":10237,"b":"Besluit van 5 maart 2019, met kenmerk RWS-2019/7467 tot vervanging archiefbescheiden Rijkswaterstaat Gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en de [Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041); de regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161 (10265), tot wijziging van de [Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041) in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van archiefbescheiden door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2 De papieren archiefbescheiden van de zaken en werkprocessen van het Directoraat-generaal Rijkswaterstaat worden overeenkomstig de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042127&artikel=3&z=2019-04-19&g=2019-04-19), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042127&artikel=4&z=2019-04-19&g=2019-04-19) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042127&artikel=5&z=2019-04-19&g=2019-04-19) van dit besluit digitaal vervangen. Artikel 3 De digitale vervanging heeft betrekking op papieren archiefbescheiden die zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit en die worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met tien jaar na inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 4 1. De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties die zijn vastgelegd in het ‘Handboek vervanging archiefbescheiden Rijkswaterstaat’. 2. Het ‘Handboekvervanging archiefbescheiden Rijkswaterstaat’ ligt ter inzage bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Griffioenlaan 2 in Utrecht en is raadpleegbaar"},{"i":10238,"b":"Besluit van 2 juni 2003, houdende regels inzake bepaald vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht met militaire luchtvaartuigen (Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht met militaire luchtvaartuigen) Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 9 januari 2003, nr. CWW2002/089 2002004446 van de directie juridische zaken; Gelet op de [artikelen 10.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.6), en [10.7 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.7); De Raad van State gehoord (advies van 27 februari 2003, nr. W07.03.0017/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 26 mei 2003, nr. CWW2002/089 2003001778, directie juridische zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555); - b. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; - c. militair luchtvaartuig: luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is; - d. STANAG 2999: ingevolge een in de Staatscourant gepubliceerde mededeling van Onze Minister van Defensie van kracht zijnde versie van de NATO Standardization Agreement nr. 2999 USE OF HELICOPTERS IN LAND OPERATIONS DOCTRINE, zoals ter inzage gelegd op de bij die mededeling aangegeven locatie; - e. STANAG 4441: ingevolge een in de Staatscourant gepubliceerde mededeling van Onze Minister van Defensie van kracht zijnde versie van de NATO Standardization Agreement nr. 4441 ALLIED MULTI-MODAL TRANSPORTATION OF DANGEROUS GOODS DIRECTIVE met de daarbij behorende AMovP-6 en de Standards-related documents zoals ter inzage gelegd op de bij die mededeling aangegeven locatie; - f. STANAG 7213: ingevolge een in de Staatscourant gepubliceerde mededeling van Onze Minister van Defensie van kracht zijnde versie van de NATO Standardization Agreement nr. 7213 TACTICS, TECHNIQUES AND PROCEDURES"},{"i":10240,"b":"Besluit van 30 juni 2022, nr. PSG-DB/22287945, tot vervreemding archiefbescheiden van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken – 18593 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is de inhoud van inventarisnummer 131 beperkt openbaar tot 1 januari 2032 en de inhoud van inventarisnummer 207 beperkt openbaar tot 1 januari 2039 Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048273&artikel=1&z=2023-06-16&g=2023-06-16), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in Zeeland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048273&artikel=1&z=2023-06-16&g=2023-06-16), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in Zeeland. De rijksarchivaris in Zeeland kan aan haar toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048273&artikel=1&z=2023-06-16&g=2023-06-16) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in Zeeland. Deze kan aan haar toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant w"},{"i":10241,"b":"Besluit van 12 december 2008, houdende regels voor de toepassing van artikel 22 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en artikel 122k van de Waterschapswet (Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 15 augustus 2007, nr. HDJZ/I&O/2007-905, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 22 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682&artikel=22) en [artikel 122k van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=122k); De Raad van State gehoord (advies van 6 september 2007, nr. W09.07.0308/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 3 december 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1486 sector WAT, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **analyse:** analyse op het chemisch zuurstofverbruik door omzetting van de hoeveelheid totaal organisch koolstof in de stoffen en het zuurstofverbruik door omzetting van de hoeveelheid totaal stikstof verminderd met de som van nitriet-stikstof en nitraat-stikstof in de stoffen; - **geschatte vervuilingswaarde:** geschatte vervuilingswaarde als bedoeld in [artikel 2, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025073&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **inspecteur:** ambtenaar, bedoeld in [artikel 123, derde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=123) onderscheidenlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 7.10, vierde lid, van de Waterwet die voor de toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in de plaats treedt van de inspecteur; - **vervuilingswaarde per m3 ingenomen water:** vervuilingswaarde als bedoeld in [artikel 7.3, eerste lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.3) en [artikel 122k, tweede lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":10242,"b":"Besluit van 13 juli 2006, houdende regels voor de uitvoering van vluchten met luchtvaartuigen (Besluit vluchtuitvoering) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 4 mei 2006, nr. HDJZ/LUV-2006-623, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie en de Minister van Justitie; Gelet op de [artikelen 1.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2), [4.1, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=4.1), [4.2, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=4.2), en [4.6, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=4.6); De Raad van State gehoord (advies van 22 juni 2006, nr. W09.06.0152/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie en de Minister van Justitie van 6 juli 2006, nr. HDJZ/LUV-2006-1004, Hoofddirectie Juridische Zaken; uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie en de Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **EG-verordening 3922/91**: verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (PbEG L 373); **helikopter:** gemotoriseerd luchtvaartuig met rotorbladen, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht gehouden kan worden door aërodynamische reactiekrachten op zijn rotorbladen; **JAR-OPS 3:** sectie 1 van het technisch voorschrift, vastgesteld door de Joint Aviation Authorities, betreffende uitvoering van een vlucht door een helikopter; **luchtschip:** luchtvaartuig, lichter dan lucht, dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting en een besturingsinrichtin"},{"i":10243,"b":"Besluit van 20 juni 1956, bepalende de volgorde van en de verhouding tussen de rangen en standen bij de zee-, de land- en de luchtmacht Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog en van Marine van 26 maart 1956, Nr P. 105.270 H; De Raad van State gehoord (advies van 1 mei 1956, nr 47); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 15 juni 1956, Nr P. 105.270/O/MinMar 434890/381914; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De volgorde van en de verhouding tussen de rangen en standen bij de zee-, de land- en de luchtmacht - waarbij worden geacht te zijn inbegrepen de door Ons of door Onze Minister van Oorlog en (of) door Onze Minister van Marine daarmede gelijkgestelde rangen en standen - zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende tabel, waarin een hogere rang is aangegeven door een lager nummer en onderlinge gelijkheid van rang of stand door een gelijk nummer. Artikel 2 Een gewezen officier, die na zijn ontslag bij het voormalige Koninklijk Nederlands Indonesische Leger zijn rang heeft behouden, wordt voor wat het bepalen van rangsverhouding betreft, gelijkgesteld met de officier van de Koninklijke Landmacht, die een gelijknamige rang bekleedt. Artikel 3 Het Koninklijk besluit van 6 Augustus 1910 (**Stb.** 247) wordt ingetrokken. TABEL. behorende bij het Koninklijk besluit van 20 juni 1956, Stb. 361 | **Zeemacht** | **Landmacht** | **Luchtmacht** | | --- | --- | --- | | 1 luitenant-admiraal | 1 generaal | 1 generaal | | 2 vice-admiraal | 2 luitenant-generaal | 2 luitenant-generaal | | 3 schout-bij-nacht | 3 generaal-majoor | 3 generaal-majoor | | 4 commandeur | 4 brigade-generaal | 4 commodore | | 5 kapitein ter zee | 5 kolonel | 5 kolonel | | 6 kapitein-luitenant ter zee | 6 luitenant-kolonel | 6 luitenant-kolonel | | 7 luitenant ter zee der 1ste klasse | 7 majoor | 7 majoor | | 8 luitenant ter zee der 2e klasse oudste categorie | 8 kapitein | 8 kapitein | | 9 luitenant ter zee der 2e klasse jongste categorie | 9 eerste-luitenant | 9 eerste-lu"},{"i":10244,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 23 april 2020, nr.: 20096284, tot wijziging van de begrenzing van de beperking in toegankelijkheid van een gebied ex artikel 2.5, gelegen binnen het Natura 2000-gebied ‘IJsselmeer’ handelende in overeenstemming met de minister van Infrastructuur en Waterstaat; gelet op [artikel 2.5, eerste en tweede lid, van de Wet Natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=2.5); overwegende dat voor de navolgende met name genoemde gebieden een wijziging van de reeds geldende toegangsbeperking plaatsvindt, omdat de begrenzing in haar huidige vorm niet (meer) noodzakelijk is voor de bescherming van de in het betreffende gebied voorkomende relevante natuurwaarden; Besluit: Het binnen het Natura 2000-gebied IJsselmeer gelegen gebied ‘Makkumer Noordwaard’, gedeelte Kornwerderzand, is op grond van het toegangsbeperkend besluit van 19 maart 2009 binnen de periode 15 juni tot 1 september voor doorvaart opengesteld. Deze doorvaart is mogelijk in een zone waarvan de begrenzing indicatief op de Hydrografische Kaart is aangegeven en door middel van boeien in het veld is gemarkeerd. Met onderhavig wijzigingsbesluit wordt de begrenzing van de zone aangepast. Het betreft de volgende aanpassingen: Bij dit wijzigingsbesluit is een afbeelding van de zone waarop dit besluit betrekking heeft ter indicatie toegevoegd ([bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043451&bijlage=1&z=2020-07-01&g=2020-07-01)). Deze afbeelding is niet op schaal en dient slechts ter oriëntatie. De relevante Hydrografische Kaart zal op basis van de het definitieve wijzigingsbesluit worden aangepast. De restricties worden niet gewijzigd. Bij dit wijzigingsbesluit hoort een toelichting die in samenhang met het besluit moet worden gelezen. Zienswijzen Het ontwerpbesluit heeft vanaf 9 februari 2019 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ontvangen. Beroepsmogelijkheid Als u het niet eens bent met de"},{"i":10245,"b":"Besluit van 24 oktober 2017, houdende wijziging van enkele besluiten op het gebied van afvalstoffen (gescheiden aangeleverd afval gescheiden houden door inzamelaar en enkele andere verbeteringen en reparaties) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 22 juni 2017, nr. IenM/BSK-2016/289614, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 80 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=80), de [artikelen 7.2, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.2), [9.2.2.6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.6a), [9.5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2), [10.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.2), [10.46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.46), en [10.47, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.47) en [artikel 2.30, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.30); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 augustus 2017, nr. W14.17.0178/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 16 oktober 2017, nr. IENM/BSK-2017/232572, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel II Wijzigt het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging. Artikel III Wijzigt het Besluit inzamelen afvalstoffen. Artikel IV Wijzigt het Besluit milieueffectrapportage. Artikel V Wijzigt het Besluit omgevingsrecht. Artikel VI Wijzigt het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen. Artikel VII Wijzigt het Besluit beheer autowrakken. Artikel VIII Een beschikking tot vermelding op de lijst van inzamelaars, bedoeld in [artikel 10"},{"i":10246,"b":"Wijziging diverse subsidie-gerelateerde regelingen en besluiten van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu Artikel I Wijzigt het Besluit mandaat en machtiging Agentschap NL voor uitvoering subsidieregelingen en -programma’s Verkeer en Waterstaat. Artikel II Wijzigt het Besluit vaststelling Subsidieprogramma Innovatieprogramma Kaderrichtlijn Water. Artikel III Wijzigt de Tijdelijke regeling eenmalige uitkering stedelijke synergieprojecten kaderrichtlijn water. Artikel IV Wijzigt de Tijdelijke subsidieregeling Inland AIS-apparaten binnenvaart. Artikel V De volgende regelingen en besluiten worden ingetrokken, met dien verstande dat bestaande aanspraken en verplichtingen bij, op grond of in het kader van de regelingen en besluiten in stand blijven, en deze regelingen en besluiten van toepassing blijven op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend of vastgesteld: - –. [Faciliteit Nederlandse Zeescheepvaart 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004398); - –. [Faciliteit Nederlandse Zeescheepvaart 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004601); - –. [Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 25 maart 1999, nr. DGG/J-99000082, houdende vaststelling van de Stimuleringsregeling gecombineerd goederenvervoer 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010363) (Stcrt. 1999, 70); - –. [Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 november 1990, nr. DGV/WJZ/VO25424, houdende de vaststelling financiële vergoedingen vervoerplannen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004896) (Stcrt. 1990, 241); - –. [Regeling budgetten Wet stimulering zeescheepvaart 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006820); - –. [Regeling structuurplan Wet stimulering zeescheepvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006822); - –. [Regeling controleprotocol Wet stimulering zeescheepvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006823); - –. [Regeling openstelling Wet stimulering zeescheepvaart 1994](https://wette"},{"i":10247,"b":"Besluit van 25 juni 1964, houdende wijziging van de taak van de departementen van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid en van Verkeer en Waterstaat Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, van 22 juni 1964, nr. 158175; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig De zorg voor de zaken van de Afdeling Vaartuigen van het departement van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid gaat met ingang van 1 juli 1964 over naar het departement van Verkeer en Waterstaat. Onze Ministers van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid en van Verkeer en Waterstaat zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Ministers, aan de Raad van State, aan de Algemene Rekenkamer, en aan de Kamers der Staten-Generaal."},{"i":10248,"b":"Bezoldigingsbesluit adviescommissie duurzaamheid verkeer en waterstaat Gelet op [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), en [artikel 4, tweede lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=4); Besluit: artikel Enig 1. Aan de voorzitter van de adviescommissie duurzaamheid verkeer en waterstaat, die belast is met de advisering omtrent de aanvragen tot subsidie in het kader van het Subsidieprgramma Proeftuinen duurzame mobiliteit: truck van de toekomst, wordt een vaste vergoeding per maand eenmalig toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,0219. 2. Aan de leden van de adviescommissie duurzaamheid verkeer en waterstaat, die belast zijn met de advisering omtrent de aanvragen tot subsidie in het kader van het Subsidieprgramma Proeftuinen duurzame mobiliteit: truck van de toekomst, wordt een vaste vergoeding per maand eenmalig toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,0219. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10249,"b":"Bijdrageregeling milieuvriendelijke vervoertechnieken Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. **Senter:** Senter, uitvoeringsinstantie voor technologie, energie en milieu, agentschap van het Ministerie van Economische Zaken; - c. **bekendmaking:** bekendmaking, bedoeld in artikel 2; - d. **aanvraag:**aanvraag om een financiële bijdrage als bedoeld in artikel 3; - e. **aanvrager:** degene die een aanvraag heeft ingediend. Artikel 2 1. De Minister maakt in de Staatscourant bekend: - a. het bedrag, dat ter beschikking wordt gesteld voor de uitvoering van deze regeling; - b. de categorie of categorieën van vervoermiddelen of vervoertechnieken, voor de aanschaf waarvan het in onderdeel a bedoelde bedrag beschikbaar is; - c. de criteria voor de berekening van individuele bijdragen. 2. Een bekendmaking geldt ten minste tot en met 31 december van het jaar, waarin zij wordt gepubliceerd. § 2. De aanvraag Artikel 3 1. Aan de eigenaar van een vervoermiddel, dat voldoet aan de normen, bekend gemaakt op grond van artikel 2, kan op zijn overeenkomstig deze regeling ingediende aanvraag een financiële bijdrage worden verleend. 2. Een aanvraag dient te worden ingediend bij Senter. Artikel 4 1. Voor de aanvraag dient gebruik te worden gemaakt van een standaardformulier, verkrijgbaar bij Senter. 2. Een aanvraag dient vergezeld te zijn van een omschrijving van de aangeschafte zaak waaruit blijkt dat deze valt onder een categorie als bedoeld in artikel 2, onderdeel b. 3. De Minister kan in de bekendmaking nadere eisen stellen aan de aanvraag. 4. Indien de aanvrager niet in staat is om aan het bepaalde in het eerste of tweede lid, dan wel aan het bepaalde op grond van het derde lid te voldoen, kan Senter voor de afhandeling van de aanvraag andere gegevens vragen die binnen een door Senter te stellen termijn geleverd dienen te worden. Artikel 5 1. de termijn voor aanvulling van de"},{"i":10250,"b":"Bilateraal verdrag inzake luchtdiensten tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Islamitische Republiek Iran **Preambule** De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Islamitische Republiek Iran, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen; Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 (16/09/1323) te Chicago voor ondertekening opengesteld; geleid door de wens een bijdrage te leveren aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart; geleid door de wens de Overeenkomst van 31 oktober 1949 (09/08/1328), zoals gewijzigd bij briefwisseling van 12 februari/13 maart 1968, te vervangen teneinde de bestaande luchtdiensten tussen en via hun respectieve grondgebieden te verbeteren; zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag betekenen de onderstaande begrippen het volgende: - a. onder het „Verdrag van Chicago\" wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 (16/09/1323) te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van dat Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of van dat Verdrag ingevolge de artikelen 90 en 94 van dat Verdrag, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor of zijn bekrachtigd door beide Verdragsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat; wat de Islamitische Republiek Iran betreft, de Burgerluchtvaartorganisatie of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is een functie te vervullen die thans wordt vervuld door genoemde instanties; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij\" wordt verstaan: de luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 van dit Verdrag; - d. onder ``grondgebied\" wordt met betre"},{"i":10722,"b":"Wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet havenstaatcontrole, de Wet voorkoming verontreiniging door schepen en de Wet luchtvaart ten behoeve van de implementatie van Verordening (EU) 2023/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende het gebruik van hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen in het zeevervoer, en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (PbEU 2023, L 234) en ten behoeve van de implementatie van Verordening (EU) 2023/2405 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 inzake het waarborgen van een gelijk speelveld voor duurzaam luchtvervoer (ReFuelEU Luchtvaart) (PbEU 2023, L 2023/2405) en enkele aanpassingen van een ondergeschikte aard (Uitvoeringswet FuelEU Maritiem en ReFuelEU Luchtvaart) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het noodzakelijk is de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), de [Wet havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999), de [Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642) en de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) te wijzigen ten behoeve van de implementatie van [Verordening (EU) 2023/1805](32023R1805) van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende het gebruik van hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen in het zeevervoer, en tot wijziging van [Richtlijn 2009/16/EG](32009L0016) (PbEU 2023, L 234) en ten behoeve van de implementatie van [Verordening (EU) 2023/2405](32023R2405) van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 inzake het waarborgen van een gelijk speelveld voor duurzaam luchtvervoer (ReFuelEU Luchtvaart) (PbEU 2023, L 2023/2405); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:"},{"i":10252,"b":"Bilaterale Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Nigeria inzake luchtdiensten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Nigeria (hierna te noemen de „Overeenkomstsluitende Partijen”), Overwegende dat het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Nigeria partij zijn bij het op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengestelde Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, en Geleid door de wens een aanvullende Overeenkomst bij dit Verdrag te sluiten ten einde luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden in te stellen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Uitlegging Voor de toepassing van deze Overeenkomst en de ter uitvoering hiervan opgestelde Bijlage, hebben de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis, tenzij uit het zinsverband anders blijkt: - a. onder „Verdrag” wordt verstaan het op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengestelde Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, met inbegrip van alle krachtens artikel 90 van dat Verdrag aanvaarde Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen van dat Verdrag krachtens de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover die Bijlagen en wijzigingen door beide Overeenkomstsluitende Partijen zijn aanvaard; - b. onder „luchtvaartautoriteiten” wordt verstaan, wat de Bondsrepubliek Nigeria betreft, de voor zaken met de Burgerluchtvaart verband houdende verantwoordelijke Minister en iedere andere persoon of instantie die bevoegd is een van de functies die thans door genoemde Minister worden uitgeoefend of soortgelijke functies, te vervullen en, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat, die verantwoordelijk is voor met de burgerluchtvaart verband houdende aangelegenheden en iedere persoon of instantie die bevoegd is elk van de functies die thans door genoemde Minister worden uitgeoefend, of soortgelijke functies te vervul"},{"i":10253,"b":"Wet van 24 juni 1939, houdende regelen met betrekking tot de bodemproductie in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot de bodemproductie in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet verstaat onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. \"bodemproductie\": elke handeling, welke een onderdeel uitmaakt of kan uitmaken van den akkerbouw, den weidebouw, den tuinbouw, de ooftteelt, de veeteelt, de pluimveeteelt, de houtteelt en den boschbouw. Artikel 2 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden. De maatregelen, krachtens deze wet genomen, blijven zonder gevolg, voorzover zij onverenigbaar zijn met maatregelen, ten behoeve van de landsverdediging genomen krachtens: - a. de [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848); - b. de [Wet Militaire Inundatiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001863); - c. de [Onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842); - d. de [Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983); - e. de [Inkwartieringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002111); - f. de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267); - g. de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - h. de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend). Artikel 3 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan"},{"i":10254,"b":"Briefwisseling tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Venezuela inzake het omzetten van het Memorandum van Overeenstemming van 29 juni 1991 inzake luchtdiensten tussen en via de Nederlandse Antillen en de Republiek Venezuela Excellentie: Hierbij heb ik de eer me tot Uwe Excellentie te richten en te verwijzen naar het op 29 juni 1991 te Curaçao ondertekende memorandum van overeenstemming inzake luchtvaartdiensten tussen de delegaties van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Venezuela, waarbij overeenstemming werd bereikt ten aanzien van de volgende bepalingen die uitsluitend van toepassing zijn op de commerciële luchtvaartbetrekkingen tussen de Nederlandse Antillen en Venezuela: Hago propicia la ocasión para reiterar a Vuestra Excelencia, las seguridades de mi más alta consideración y estima. (fdo.) B. E. A. AMBAGS Beatrix E.A. Ambags Encargado de Negocios a.i. Embajada del Reino de los Países Bajos (fdo.) DESTA W. A. NISBETH Desta W.A. Nisbeth Ministro de Transporte y Comunicaciones de la Antaillas Neerlandesas"},{"i":10257,"b":"Circulaire 2019 (onkosten)vergoeding voor politieke ambtsdragers van waterschappen Van verzending circulaires naar publicatie op internet **Met ingang van 1 januari 2019 zullen circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers uitsluitend nog bekend worden gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website** **www.politiekeambtsdragers.nl** **. U kunt zich met een RSS-feed abonneren op deze site. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering. Gedurende het jaar 2018 worden bij wijze van overgangsmaatregel de circulaires ook nog per post verzonden.** Inleiding Door middel van deze circulaire wordt u, zoals elk jaar gebruikelijk, geïnformeerd over de wijzigingen van de bedragen van de (onkosten)vergoedingen voor leden van het algemeen bestuur, leden van het dagelijks bestuur en de voorzitters per 1 januari 2019. Omdat het doorvoeren van deze wijzigingen in de regelgeving tijd vergt, wordt u, vooruitlopend op het formeel van kracht worden van die wijzigingen, door middel van deze circulaire geïnformeerd over de aanstaande wijzigingen voor voorzitters, dagelijks bestuurders en algemeen bestuurders. U kunt deze wijzigingen nu al doorvoeren. Over de wijzigingen van bezoldigingsbedragen die per 1 juli 2018 voor de voorzitters en dagelijks bestuurders van waterschappen zijn doorgevoerd en over de tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering voor de algemeen bestuursleden van waterschappen, bent u reeds bij [circulaire van 9 augustus 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041270), kenmerk 2018-0000661682, geïnformeerd. Deze bedragen zijn omwille van het totaaloverzicht nogmaals in deze circulaire opgenomen. 1. Nieuw [rechtspositiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522) Nieuw [rechtspositiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522) met ingang van 28 maart 2019 Met ingang van 28 maart 2019 zal er voor voorzitters, dagelijks bestu"},{"i":10258,"b":"Circulaire Aanpassing plafond aantal DB'ers waterschap met terugwerkende kracht, d.d. 7 juni 2023, kenmerk 2023-0000339669 **Circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers worden uitsluitend bekend gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website** [**www.politiekeambtsdragers.nl**](onbekend) **. U kunt zich met een RSS-feed of e-mail-attendering abonneren op deze site. Als er dan een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering.** In overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, deel ik u mede dat het plafond voor het aantal dagelijks bestuurders per waterschap zal worden verhoogd van het huidige percentage van 300% naar 400%. Hiertoe zal [artikel 4.5 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=4.5) worden aangepast. Aan deze wijziging zal terugwerkende kracht worden verleend tot en met 29 maart 2023. Vooruitlopend op het formeel van kracht worden van deze wijziging, kunt u, voor zover van toepassing, nu al uitgaan van het verhoogde plafond. De toepassing op basis van deze aankondiging, vooruitlopend op de behandeling in de ministerraad en de advisering door de Raad van State, is uitzonderlijk. Hier is echter voor gekozen omdat het helpt bij de huidige collegeonderhandelingen in de waterschappen als er nu al rekening kan worden gehouden met een mogelijke formatie-uitbreiding. Hierdoor kan het takenpakket beter worden verdeeld en kan de werkdruk worden verminderd, waardoor het minder moeilijk zal zijn om bestuurders te vinden. Het betreft een plafond, een maximum. Het is aan het algemeen bestuur van een waterschap of het hiervan gebruik wil maken, mede gezien de daarmee samenhangende kosten (die ook neerslaan bij het waterschap). De terugwerkende kracht gaat terug tot en met 29 maart 2023 om duidelijk te maken dat het de nieuwe bestuurders betreft. Deze aanpassing heeft geen effect op"},{"i":10260,"b":"Circulaire Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer Geacht college, Met ingang van 1 april 2006 treedt [voorschrift 2.1.2, onderdeel a, van bijlage 1 bij het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012328&bijlage=1) in werking voor inrichtingen die voor 1 april 2001 al met PER reinigden. Dat betekent dat per die datum de immissie-concentratie van PER ter plaatse van gevoelige objecten en niet tot de inrichting behorende balkons, terrassen of tuinen, niet meer mag bedragen dan 0,25 mg/m3 als jaargemiddelde. Of aan deze immissieconcentratie-eis wordt voldaan, moet volgens [voorschrift 2.1.3 van bedoelde bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012328&bijlage=1) binnen drie maanden na 1 april 2006 worden aangetoond aan het bevoegde gezag. Daartoe moet degene die de inrichting drijft, metingen (laten) verrichten die worden uitgevoerd met inachtneming van de voorschriften voor het meten in de buitenlucht uit [bijlage 2 bij het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012328&bijlage=2). Met de branchevereniging voor de textielreinigings bedrijven (NETEX) heeft het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vastgesteld dat de in bedoelde [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012328&bijlage=2) gegeven voorschriften voor het meten in de buitenlucht tot aanmerkelijke lasten voor de betrokken inrichtingen leidt. Daarom is in samenwerking met die branchevereniging onderzoek gedaan naar een vereenvoudigde methode voor het meten in de buitenlucht. Voor het meten in de binnenlucht voorziet bedoelde[bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012328&bijlage=2) al in een vereenvoudigde meetmethode. Het onderzoek naar een vereenvoudigde methode voor het meten in de buitenlucht heeft begin dit jaar geleid tot een, naar het oordeel van NETEX, het ministerie van VROM en de VROM-Inspectie, doeltreffende methode. Die methode is"},{"i":10267,"b":"Circulaire Percentage WGA-premieverhaal 2010 Door middel van deze circulaire informeer ik u dat het premiepercentage voor werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) voor de voorzitters van waterschappen met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2010 op nihil wordt gesteld. De reden daarvan is de volgende. WGA staat voor de werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten en is een onderdeel van de [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. De werkgever mag de WGA-lasten (premie of eigen risico) op grond van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) voor maximaal de helft verhalen op de werknemer. Deze verdeling benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de werkgever en de werknemer tot het voorkomen en 'oplossen' van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid en daarmee verband houdende werkloosheid. Hoewel deze lasten per werkgever binnen de sector Rijk verschillen is bij de introductie van de premie WGA afgesproken om voor het verhaal op de rijksambtenaar van één premiepercentage uit te gaan. Dat percentage wordt jaarlijks vastgesteld op basis van de gegevens van de werkgever in de sector Rijk met de laagste WGA-lasten. In december 2009 werd het premiepercentage voor het jaar 2010 aldus vastgesteld op 0,1%. Thans blijkt echter, dat de laagste WGA lasten binnen de sector op een ander niveau liggen, zodat het premiepercentage vanaf 1 januari 2010, met terugwerkende kracht, op nihil kan worden gesteld. Het bovenstaande is op de voorzitters van de waterschappen van toepassing, omdat de voorzitter op grond van het [Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025) valt onder de wettelijke en bovenwettelijke sociale zekerheid van het rijkspersoneel. Voor uw informatie merk ik nog op dat voor dagelijks bestuursleden geen verhaal van de WGA-lasten plaats vindt. Dagelijks bestuursleden vallen onder de [Algemene pensioenwet politieke ambtsd"},{"i":10269,"b":"Circulaire wijziging bezoldiging politieke ambtsdragers waterschappen Inleiding Door middel van deze circulaire wordt u geïnformeerd over de wijzigingen van de bezoldigingsbedragen per 1 juli 2018, 1 juli 2019 en 1 januari 2020, de toekenning van een eenmalige uitkering per 1 januari 2019 voor de voorzitter en de dagelijks bestuurders van de waterschappen en over de wijziging van de tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering voor de algemeen bestuursleden van de waterschappen. Deze wijzigingen volgen de afspraken die in de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2018–2020 voor het personeel in de sector Rijk zijn gemaakt. Deze afspraken, en daarvan afgeleid de wijzigingen voor de voorzitter, de dagelijks bestuurders en de algemeen bestuursleden van de waterschappen moeten alle nog formeel in de regelgeving worden opgenomen. Omdat deze regelgevingsprocedure tijd vergt, wordt u, vooruitlopend op het formeel van kracht worden van die wijzigingen, door middel van deze circulaire geïnformeerd over de aanstaande wijzigingen voor de voorzitter, de dagelijks bestuurders en de algemeen bestuursleden. U kunt deze wijzigingen nu al doorvoeren. 1. Bezoldiging voorzitters Onlangs is in de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2018–2020) voor het personeel in de sector Rijk afgesproken dat met ingang van 1 juli 2018 de salarisbedragen structureel worden verhoogd met 3,0%. Deze verhoging komt in september 2018 met terugwerkende kracht tot uitbetaling, ook voor de medewerkers die sinds 1 juli 2018 uit dienst zijn getreden. Met ingang van 1 juli 2019 worden de salarisbedragen met 2,0% verhoogd. Met ingang van 1 januari 2020 worden de salarisbedragen opnieuw met 2,0% verhoogd. Het bedrag van de bezoldiging van de voorzitter van een waterschap is bepaald in [artikel 3.24, eerste lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.24) en is naar evenredigheid van de vastgestelde tijdsbestedingsnorm. Het bedrag wijzigt als"},{"i":10270,"b":"Circulaire wijzigingen in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) 2011 (Waterschap, enz.) 1. Algemeen Op 18 november 2011 is de [Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030652) gepubliceerd in Staatsblad 2011, 531. Allereerst is een uitvloeisel van genoemde wetswijziging de verplichte aansluiting van uw waterschap bij het Pensioenregister. In **paragraaf 2** wordt aangegeven wat dit voor uw waterschap betekent. De aansluiting wordt voor uw waterschap verzorgd door Loyalis Maatwerk Administraties (LMA). Tevens is in de wet verduidelijkt dat de inkomenselementen die in de [Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) worden verrekend, worden bepaald aan de hand van de bepalingen van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353). Uit de uitvoeringspraktijk van de Appa en een gerechtelijke uitspraak was namelijk naar voren gekomen dat er onduidelijkheid bestaat over de invulling en afbakening van de verschillende inkomensbegrippen. Dit zou het ongewenste gevolg kunnen hebben dat de verrekening van (neven-) inkomsten voor de politieke ambtsdragers, tijdens en na de ambtsvervulling, niet op dezelfde wijze plaatsvindt. Het gaat dan in het bijzonder om de begrippen winst uit een of meer ondernemingen en belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid. In **paragraaf 3** wordt hierop ingegaan. Voor de uitvoering van de [Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) door een waterschap zijn er verder ook andere relevante wijzigingen als gevolg van deze wet. Hierop wordt in **paragraaf 4** ingegaan. Deze wijzigingen gelden per 19 november 2011. Eén daarvan is de keuzemogelijkheid om de dekking van nabestaandenpensioen ook na deelnemerschap in stand te houden. Hierop wordt ingegaan in paragraaf 4.1. Van uw waterschap wordt op dit punt actie verwacht. Uw waterschap dient betrokkene te informeren. Het waterschap dient degenen waarvan het recht op een Appa-uitkering in"},{"i":10273,"b":"Wet van 1 december 2011 tot wijziging van de Waterwet en de Wet Infrastructuurfonds in verband met de bescherming tegen overstromingen en de zorg voor de zoetwatervoorziening in relatie tot verwachte klimaatveranderingen (Deltawet waterveiligheid en zoetwatervoorziening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de verwachte klimaatveranderingen grote opgaven op het gebied van waterveiligheid en zoetwatervoorziening met zich meebrengen. Dat het daarom wenselijk is aanvullende regels te stellen voor de realisatie van maatregelen ter bescherming tegen overstromingen en met het oog op de zorg voor de zoetwatervoorziening op de korte en de langere termijn; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Vervallen Artikel II Vervallen Artikel III 1. In het belang van de integrale besluitvorming en met het oog op de ambities, bedoeld in [artikel 4.9, derde lid, Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=4.9), kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bij wijze van experiment, in afwijking van de [artikelen 7.22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.22a) en [7.22d van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.22d), ten laste van het deltafonds uitgaven doen of subsidies verstrekken ten behoeve van voorzieningen, maatregelen of onderzoek ter bevordering of bescherming van doelen op andere beleidsterreinen, die rechtstreeks samenhangen met de voorzieningen, maatregelen of activiteiten, bedoeld in dat artikel 7.22d, eerste en tweede lid, voor zover die uitgaven en subsidies worden gedekt door ontvangsten als bedoeld in [artikel 7.22c, eerste lid, onderdeel b of c, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.22c). 2. De [artikelen 3 tot en met 6 van de Kaderwet subsidies Verkeer"},{"i":10271,"b":"Controleprotocol behorend bij de Regeling subsidies hoogwaterbescherming 2014, zoals gewijzigd op 2 december 2016 (nr. IENM/BSK-2016/280861), in verband met de nieuwe normering van de primaire waterkeringen, Rijkswaterstaat 1. Inleiding 2. Bijzondere situaties Indien een deel van de werkzaamheden is uitgevoerd door Rijkswaterstaat (RWS) (in opdracht van de subsidieontvanger), kan worden volstaan met het afzonderlijk zichtbaar maken in de financiële verantwoording van de aan RWS betaalde kosten ten behoeve van project gerelateerde diensten en/of leveringen. De accountant dient in deze alleen vast te stellen, dat de kosten aansluiten bij de financiële administratie van de subsidieontvanger en dat de kosten aan RWS zijn betaald. 3. Algemene uitgangspunten voor de controle 4. Specifieke controlepunten Bij de uitvoering van de controle van de financiële verantwoording dient, met inachtneming van de onder punt 3 genoemde algemene uitgangspunten, door de derde accountant te worden vastgesteld dat: 5. Slotbepaling Dit protocol zal met bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst en treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, onder gelijktijdige intrekking van het op [11 mei 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036604) (Stcr. 2015, nr. 12529) gepubliceerde controleprotocol. Bijlage 1. Format financiële (jaarlijkse en eind-)verantwoording HWBP Een format voor de financiële (jaarlijkse en eind-) verantwoording van de 100% subsidiabele kosten dient als volgt te worden opgesteld: | Toe te rekenen kosten | Verleende beschikking (€ incl. BTW) | Uitgegeven (€ incl. BTW) | | --- | --- | --- | | A. VAT Kosten interne uren (excl. BTW) Kosten externe uren Onderzoekskosten Engineeringskosten Kosten vergunningen/leges | | | | B. Realisatie Proefprojectkosten Uitvoeringskosten | | | | C. Onroerende zaken Verwerving onroerende zaken (excl. BTW) Zakelijke rechten (excl. BTW) Notariskosten Taxateurskosten Juridi"},{"i":10272,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 1 december 2025, nr. IENW/BSK-2025/292324, tot het overdragen van de bevoegdheid tot het verstrekken van subsidie ten behoeve van de sanering van bedrijfsterreinen voor de toepassing van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering (Delegatiebesluit subsidie bodemsanering bedrijfsterreinen 2025) Gelet op [artikel 6a van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=6a); BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit financiële bepalingen bodemsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285) zoals dat gold op 31 december 2024; - **bevoegd gezag:** de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten opgenomen in de bijlage bij dit besluit en de colleges van gedeputeerde staten. Artikel 2 Voor de toepassing van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&hoofdstuk=3) en de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=40) en [40a van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=40a) worden aan het bevoegd gezag de taken en bevoegdheden, waaronder de bevoegdheid tot het nemen van besluiten, overgedragen die de Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft op grond van het genoemde hoofdstuk en de genoemde artikelen, met dien verstande dat de overgedragen bevoegdheid niet geldt voor het stellen van nadere regels bij ministeriële regeling. Artikel 3 Bij de uitvoering van de taken en bevoegdheden zoals genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051893&artikel=2&z=2025-12-04&g=2025-12-04) zijn [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&hoofdstuk=3) en de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=40) en [40a van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=40a) van toepassing. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van ui"},{"i":10274,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van desinfectiemiddelen in luchtvaartuigen in verband met de uitbraak COVID-19 (Derde tijdelijke vrijstelling desinfectie luchtvaartuigen COVID-19 2021) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; In aanmerking genomen de noodzaak van desinfectie in luchtvaartuigen als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en het behoud en het waarborgen van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528); BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de oppervlaktedesinfectie in luchtvaartuigen en het waarborgen van de luchtwaardigheid van de luchtvaartuigen, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528), in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en gebruik van de volgende middelen voor de desinfectie van luchtvaartuigen: - −. Cee-Bee A18-S op basis van de werkzame stof Benzyl-C12-16-alkyldimethyl- ammoniumchloride, - −. Ki-ose 380 en Ki-ose 390 op basis van de werkzame stof Didecylmethylammonium chloride (DDAC) - −. Ki-ose 321 t/m Ki-ose 325 op basis van de werkzame stof Didecylmethylammonium chloride (DDAC) - −. TASKI Sani 4 in 1 Plus spray op basis van de werkzame stof L-(+) Lactic acid. - b). artikel 55 v"},{"i":10277,"b":"Besluit van 23 mei 2011, houdende bepalingen inzake de productie en distributie van drinkwater en de organisatie van de openbare drinkwatervoorziening (Drinkwaterbesluit) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 17 december 2010, nr. BJZ2010033451, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken i.o.; Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=1), [8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=8), [10, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10), [13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=13), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=18), [21, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=21), [22, eerste tot en met vierde lid en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=22), [25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=25), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=28), [29, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=29), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=38), [39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=39), [40, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=40), [43, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=43), en [51, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=51), [artikel 16 van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16), [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44), de [Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168), de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":10278,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 14 juni 2011, nr. BJZ2011046947 houdende nadere regels met betrekking tot enige onderwerpen inzake de voorziening van drinkwater, warm tapwater en huishoudwater (Drinkwaterregeling) Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Gelet op [richtlijn nr. 98/83/EG](31998L0083) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 330), de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=5), [39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=39), [48, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=48), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=62) en [64 van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=64), de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=1), [3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=3), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=6), [8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=8), [8a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=8a), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=14), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=26), [27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=27), [30, eerste, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=30), [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=55), [57, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=57), en [59 van het Drinkwaterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=59) en [artikel 14, derde lid, van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002253"},{"i":10279,"b":"Wet van 18 juli 2009, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot de productie en distributie van drinkwater en de organisatie van de openbare drinkwatervoorziening (Drinkwaterwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het belang van een duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening en in het belang van de volksgezondheid wenselijk is de bepalingen van de Waterleidingwet inzake de productie en distributie van drinkwater en de organisatie van de openbare drinkwatervoorziening aan te vullen, te verbeteren en te moderniseren en deze in een nieuwe wet onder te brengen, met inachtneming van [richtlijn nr. 98/83/EG](31998L0083) van de Raad van de Europese Unie van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 330), en enige andere wetten in verband daarmee te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bereiding:** iedere behandeling van grondwater, oppervlaktewater, zeewater of een andere grondstof met het oog op de productie van drinkwater, tot aan het punt waar het drinkwater voor consumptie beschikbaar komt; - **collectief leidingnet:** samenstel van leidingen, fittingen en toestellen dat tijdelijk, doch niet ten behoeve van bevoorrading, dan wel permanent, is aangesloten op het distributienet van een drinkwaterbedrijf of collectieve watervoorziening, en door middel waarvan drinkwater of warm tapwater ter beschikking wordt gesteld aan consumenten of andere afnemers; - **collectieve watervoorziening:** - a. landgebonden voorziening, niet zijnde een drinkwaterbedrijf, voor de productie of distributie van water dat met behulp van een leiding of distributienet aan consumenten of andere afnemer"},{"i":10280,"b":"Erkenning van een instantie als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder c, van het Besluit inzamelen afvalstoffen en artikel 5, eerste lid, onder c, van de Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen Gelet op [artikel 11, eerste lid, onder c, van het Besluit inzamelen afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016530&artikel=11) en [artikel 5, eerste lid, onder c, van de Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016608&artikel=5); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit inzamelen afvalstoffen in werking treedt. Artikel 1 Als instantie als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, onder c, van het Besluit inzamelen afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016530&artikel=11) en [artikel 5, eerste lid, onder b, van de Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016608&artikel=5) is erkend het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit inzamelen afvalstoffen in werking treedt. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10281,"b":"Euro-mediterrane luchtvaartovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds Het Koninkrijk België, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, Ierland, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, De Republiek Hongarije, Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, hierna „de lidstaten’’ genoemd, en De Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap’’ genoemd, enerzijds, en Het Koninkrijk Marokko, hierna „Marokko’’ genoemd, anderzijds, De wens uitdrukkend een internationaal luchtvaartsysteem te bevorderen dat gebaseerd is op eerlijke mededinging tussen luchtvaartmaatschappijen op de markt, met zo weinig mogelijk overheidsinmenging en regelgeving; De wens uitdrukkend de uitbreiding van de internationale luchtvervoersmogelijkheden te vergemakkelijken, onder meer via de ontwikkeling van luchtvervoersnetwerken, teneinde tegemoet te komen aan de behoefte van passagiers en expediteurs aan passende luchtvervoersdiensten; De wens uitdrukkend dat luchtvaartmaatschappijen de mogelijkheid krijgen om passagiers en expediteurs concurrerende prijzen en diensten aan te bieden in open markten; De wens uitdrukkend dat alle sectoren van de luchtvervoersindustrie, inclusief het personeel van luchtvaartmaatschappijen, profijt kunnen trekken van een geliberaliseerde overeenkomst; De wens uitdrukkend het hoogst mogelijke niveau van veiligheid en beveiliging van het internationale luchtvervoer te garanderen en nogmaals bevestigend dat zij zich g"},{"i":10283,"b":"Euromediterrane luchtvaartovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië, anderzijds Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, Ierland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, De Republiek Hongarije, Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna de „lidstaten” genoemd, en De Europese Unie, enerzijds, en Het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië, hierna „Jordanië” genoemd, anderzijds, De wens uitdrukkend een internationaal luchtvaartsysteem te bevorderen, dat gebaseerd is op eerlijke mededinging tussen luchtvaartmaatschappijen op een markt met een minimum aan overheidsbemoeienis en regelgeving; De wens uitdrukkend de uitbreiding van de internationale luchtvervoersmogelijkheden te vergemakkelijken, onder meer via de ontwikkeling van luchtvervoersnetwerken, teneinde tegemoet te komen aan de behoeften van passagiers en expediteurs aan passende luchtvervoersdiensten; Erkennende dat luchtvervoer belangrijk is voor het bevorderen van handel, toerisme en investeringen; De wens uitdrukkend dat luchtvaartmaatschappijen de mogelijkheid krijgen om passagiers en expediteurs concurrerende prijzen en diensten aan te bieden op open markten; Erkennende dat het op elkaar afstemmen en, voor zover praktisch mogelijk, het harmoniseren v"},{"i":10284,"b":"Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN) De Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens bij gezamenlijke overeenstemming uniforme beginselen en regels vast te stellen om: de veiligheid van internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren te vergroten; doeltreffend bij te dragen aan de bescherming van het milieu, door het voorkomen van verontreinigingen ten gevolge van ongevallen of voorvallen gedurende zulk vervoer; en vervoersactiviteiten te vergemakkelijken en internationale handel te bevorderen, Overwegende dat de beste wijze om dit doel te verwezenlijken is een verdrag te sluiten ter vervanging van de Europese bepalingen betreffende het internationaal vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke goederen, opgenomen in een bijlage bij resolutie nr. 223 van het Inland Transport Committee van de Economische Commissie voor Europa, zoals gewijzigd, Zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Toepassingsgebied 1. Dit Verdrag is van toepassing op het internationale vervoer van gevaarlijke goederen per schip over de binnenwateren. 2. Dit Verdrag is niet van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen per zeeschip over maritieme waterwegen die deel uitmaken van de binnenwateren. 3. Dit Verdrag is niet van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen per oorlogsschip of hulp-oorlogsschip of op andere aan een staat toebehorende of door een staat geëxploiteerde schepen, mits zulke schepen door een staat uitsluitend worden gebruikt voor overheids- en niet-commerciële doeleinden. Evenwel waarborgt elke Verdragsluitende Partij, door het nemen van passende maatregelen die geen afbreuk doen aan het vervoer met of de operationele capaciteiten van zulke aan hem toebehorende of door hem geëxploiteerde schepen, dat zulke schepen worden geëxploiteerd op een wijze die verenigbaar is met dit Verdrag, wanneer het in de praktijk redelijk is zulks te doen. Ar"},{"i":10286,"b":"Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen De ondertekenende Regeringen, Leden van de Raad van Europa, Verlangende het reizen voor vluchtelingen die op hun grondgebied verblijven, te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Rechtmatig op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij verblijvende vluchtelingen zijn, krachtens de bepalingen van deze Overeenkomst en onder voorbehoud van wederkerigheid, vrijgesteld van de verplichting zich te voorzien van visa voor het binnenreizen of het verlaten van het grondgebied van een andere Partij, over welke grens dan ook, mits: - (a). zij in het bezit zijn van een geldig reisdocument afgegeven door de autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied zij rechtmatig verblijven, overeenkomstig het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002) van 28 juli 1951 of de [Overeenkomst inzake de afgifte van een reisdocument aan vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005693) van 15 oktober 1946; - (b). hun bezoek niet langer duurt dan drie maanden. 2. Er kan een visum worden gevorderd voor een verblijf van langer dan drie maanden of voor inreis met het oogmerk winstgevende arbeid op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij te gaan verrichten. Artikel 2 Voor de toepassing van deze Overeenkomst heeft de term „grondgebied” van een Overeenkomstsluitende Partij de betekenis daaraan door deze Partij toegekend in een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring. Artikel 3 Voor zover een of meer Overeenkomstsluitende Partijen dit noodzakelijk achten, mag de grens slechts worden overschreden langs erkende doorlaatposten. Artikel 4 1. De bepalingen van deze Overeenkomst laten onverlet de wetten en voorschriften betreffende het verblijf van vreemdelingen op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij. 2. Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt zic"},{"i":10287,"b":"Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, Geleid door de wens de positie van vluchtelingen in de Lid-Staten van de Raad van Europa verder te verbeteren, Verlangende de toepassing van [artikel 28 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002&artikel=28) van 28 juli 1951 en van de [paragrafen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002&paragraaf=6) en [11 van de Bijlage van dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002&paragraaf=11) te vergemakkelijken, in het bijzonder in gevallen waarin sprake is van vluchtelingen die van verblijfplaats veranderen en zich rechtmatig op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij vestigen; Er met name naar strevend in een geest van ruimdenkendheid en menslievendheid, nauwkeurig aan te geven onder welke voorwaarden de verantwoordelijkheid voor het afgeven van een reisdocument van de ene Overeenkomstsluitende Partij aan een andere Overeenkomstsluitende Partij wordt overgedragen; Overwegend dat het wenselijk is deze aangelegenheid op uniforme wijze tussen de Lid-Staten van de Raad van Europa te regelen; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a. „vluchteling”: een persoon waarop het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002) van 28 juli 1951 of in voorkomende gevallen het [Protocol betreffende de status van vluchtelingen](onbekend) van 31 januari 1967 van toepassing is; - b. „reisdocument”: het reisdocument afgegeven krachtens bedoeld [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002); - c. „eerste Staat”: de Staat die Partij is bij deze Overeenkomst en die bedoeld"},{"i":10288,"b":"Regeling tot vaststelling van een nieuw examenreglement met betrekking tot bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart (Examenreglement voor luchtvarenden 2004) Gelet op de [artikelen 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=14), en [16 van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=16); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 1. Deze regeling berust mede op [artikel 1.5 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.5) en [artikel 14, vijfde lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=14). 2. In deze regeling wordt verstaan onder: - ATPL: bewijs van bevoegdheid voor verkeersvlieger (Airline Transport Pilot Licence); - BIR: bevoegdverklaring basis-instrumentvliegen (Basic Instrument Rating); - BPL: bewijs van bevoegdheid voor ballonvaarder (Balloon Pilot Licence); - CBR: Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; - CPL: bewijs van bevoegdheid voor commercieel vlieger (Commercial Pilot Licence); - deel BFCL: bijlage III bij Verordening (EU) 2018/395 van de Commissie van 13 maart 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vluchtuitvoeringen met ballonnen en voor bewijzen van bevoegdheid voor de bemanning van ballonnen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees parlement en de Raad (PbEU 2018, L 71); - **deel FCL:** bijlage I bij verordening (EU) nr. 1178/2011 betreffende de eisen voor de afgifte van bewijzen van bevoegdheid en bijbehorende bevoegdverklaringen en certificaten voor bestuurders van luchtvaartuigen en de voorwaarden voor de geldigheid en het gebruik ervan; - deel SFCL: bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 van de Commissie van 14 december 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees parlement en de Raad (PbEU"},{"i":10289,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 15 maart 2011, nr. 5687494/11, houdende de vaststelling van het Examenreglement voortgezette opleidingen buitengewoon opsporingsambtenaar milieu, welzijn en infrastructuur 2011 Gelet op [artikel 16, lid 2, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=16); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit examenreglement wordt verstaan onder: Onze Minister: de Minister van Veiligheid en Justitie Examencommissie: een door Onze Minister ingestelde commissie die is belast met het vaststellen en normeren van de examens en van de toetsen en het toezicht op de uitvoering van de examens en toetsen Het Samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband van opleidingsinstituten voor de opleiding van milieuboa’s. Artikel 2 Het examenreglement is van toepassing ter verkrijging van het getuigschrift van de volgende opleidingen: Vervolgopleiding Milieuboa; Permanente Her- en Bijscholing Milieuboa. Artikel 3 Het examen strekt zich uit over de examenstof, omschreven in het examenprogramma voor de buitengewoon opsporingsambtenaar milieu van het Samenwerkingsverband voor de Vervolgopleiding en de Permanente Her- en Bijscholing Milieuboa. Hoofdstuk 2. Toelating tot het examen Artikel 4 Om toegelaten te worden tot het examen voor de Vervolgopleiding Milieuboa dient de cursist over een geldige opsporingsakte behorende bij het domein Milieu, Welzijn en Infrastructuur te beschikken. Voor deelname aan de examens voor de Permanente Her- en Bijscholing dient de cursist in het bezit te zijn van het getuigschrift van de Bijspijkeropleiding Milieuboa of de Vervolgopleiding Milieuboa en te beschikken over een geldige opsporingsakte behorende bij het domein Milieu, Welzijn en Infrastructuur. Hoofdstuk 3. Aanmelding en inschrijving voor een examen Artikel 5 Tot het examen worden toegelaten personen die zich tijdig hebben ingeschreven. Artikel 6 Het Samenwerkingsverband zorgt vo"},{"i":10290,"b":"Faciliteitenregeling Vluchtelingen Overwegende dat sinds 1 januari 1982 gemeenten die vluchtelingen opnemen, in staat zijn gesteld de opvang, begeleiding en introductie van die vluchtelingen in de Nederlandse samenleving te realiseren op basis van de Faciliteitenregeling Vluchtelingen; dat gebleken is dat deze regeling op een aantal punten herziening behoeft; dat in verband daarmee de regeling opnieuw moet worden vastgesteld; Besluit: Hoofdstuk I. Begripsbepaling Artikel 1 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: a. de minister: de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; b. de vluchteling: de vreemdeling die voldoet aan de omschrijving van artikel 1 (a) van het verdrag van Genève, betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88) en bijbehorend Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) zoals ook neergelegd in artikel 15, eerste lid van de Vreemdelingenwet en op grond daarvan als vluchteling is toegelaten (A-status); Met dien verstande dat niet tot vluchtelingen worden gerekend kinderen van deze vreemdelingen, geboren na 306 dagen na toelating van hun moeder als vluchteling; c. kerngemeente: de door de minister als zodanig aangemerkte gemeente of samenwerkende gemeenten; d. voogdijpupil: de minderjarige vluchteling die door de rechter onder het gezag is gesteld van een door het Ministerie van Justitie aanvaarde voogdijinstelling; e. opvangcentrum: een accommodatie, waarin vluchtelingen in afwachting van definitieve huisvesting, van rijkswege worden opgevangen. 2. Voor zover in dit besluit wordt gesproken van vluchteling wordt daaronder tevens begrepen de vreemdeling die geen vluchteling is, doch als asielgerechtigde in het bezit is gesteld van een gekwalificeerde vergunning tot verblijf op humanitaire gronden (B-status). Hoofdstuk II. De rijksbijdragen Artikel 2 Een rijksbijdrage wordt slechts verleend voor zover de wetgever de nodige gelden toestaat en de gemeente voldoet aan de bij dit besluit gestelde voorwaarden. A"},{"i":10291,"b":"Financiële regeling kosten milieueffect-rapportage lagere overheden Overwegende dat het wenselijk is aan de provinciale besturen en aan andere overheidsorganen die besluiten nemen, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport is opgesteld en behandeld overeenkomstig het ontwerp van Wet tot uitbreiding van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Regelen met betrekking tot milieu-effectrapportage (Tweede Kamer, zitting 1980–1981, 16814, nrs. 1–2)), een bijdrage te verlenen als tegemoetkoming in de kosten die deze organen maken in verband met voorbereiden en behandelen van zulke besluiten; Besluiten: Artikel 1 In dit besluit wordt onder milieu-effectrapport verstaan een rapport als bedoeld in artikel 41i van het ontwerp van Wet tot uitbreiding van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Regelen met betrekking tot milieu-effectrapportage (Tweede Kamer, zitting 1980–1981, 16814, nrs. 1–2)), dat is opgesteld en behandeld met inachtneming van de artikelen 41k–41w van dit ontwerp van wet. Artikel 2 Aan de provincies en het openbaar lichaam Rijnmond wordt jaarlijks een bedrag van f 25 000 toegekend als tegemoetkoming in de kosten van de verwerving en het op peil houden van kennis van ambtenaren, die zijn belast met het voorbereiden en behandelen van besluiten, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport wordt gemaakt. Artikel 3 In de gevallen, waarin de besturen van de provincies en van het openbaar lichaam Rijnmond een of meer besluiten nemen, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport is gemaakt, wordt een bedrag van f 50 000 toegekend als tegemoetkoming in de kosten die zijn verbonden aan de toepassing van de artikelen 41k tot en met 41aj van het in artikel 1 bedoelde ontwerp van wet. Artikel 4 1. In de gevallen, waarin een bestuur van een gemeente, een waterschap of een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) een of meer besluiten neemt"},{"i":10292,"b":"Gelijkstelling provinciaal milieubeleidsplan Utrecht 1993-1997 aan een provinciaal milieubeleidsplan, Wet milieubeheer Gezien het verzoek van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, brief 95410044, van 17 februari, het provinciaal milieubeleidsplan Utrecht 1993-1997 aan te merken als provinciaal milieubeleidsplan in de zin van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245); Overwegende dat het provinciaal milieubeleidsplan Utrecht 1993-1997 voldoet aan de eisen die de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) aan de inhoud en de procedure van het tot stand komen van een provinciaal milieubeleidsplan stelt; Gelet op [artikel XIX, vierde lid, onder a, van de wet van 2 juli 1992 tot uitbreiding en wijziging van deWet algemene bepalingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001833)milieuhygiëne en daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (milieubeleidsplanning en milieukwaliteitseisen; provinciale milieuverordening; totstandkoming algemene maatregelen van bestuur) (Stb. 1992, 415); Besluit: 1. Het provinciaal milieubeleidsplan Utrecht 1993-1997, vastgesteld door provinciale staten op 17 februari 1993, zoals ten aanzien van het onderdeel afvalstoffen gewijzigd bij besluit van provinciale staten van 15 februari 1995, wordt aangemerkt als provinciaal milieubeleidsplan in de zin van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245). 2. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10293,"b":"Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval Preambule De Verdragsluitende Partijen Erkennend dat de bedrijfsvoering van kernreactoren bestraalde splijtstof en radioactief afval produceert en dat andere toepassingen van nucleaire technologieën eveneens radioactief afval produceren; Erkennend dat dezelfde veiligheidsdoelstellingen zowel op het beheer van bestraalde splijtstof als op het beheer van radioactief afval van toepassing zijn; Opnieuw bevestigend dat het voor de internationale gemeenschap van belang is ervoor te zorgen dat verantwoorde praktijken worden gepland en uitgevoerd voor de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval; Erkennend dat het van belang is het publiek te informeren inzake onderwerpen met betrekking tot de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval; Geleid door de wens een effectieve nucleaire veiligheidscultuur over de gehele wereld te bevorderen; Opnieuw bevestigend dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval berust bij de Staat; Erkennend dat de bepaling van een beleid inzake de splijtstofcyclus berust bij de Staat, aangezien sommige Staten bestraalde splijtstof beschouwen als een waardevol materiaal dat kan worden opgewerkt en andere Staten ervoor kiezen het op te bergen; Erkennend dat bestraalde splijtstof en radioactief afval die niet onder dit Verdrag vallen omdat zij tot militaire of defensieprogramma's behoren, moeten worden beheerd in overeenstemming met de in dit Verdrag neergelegde doelstellingen; Het belang bevestigend van internationale samenwerking bij het verhogen van de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en van radioactief afval door middel van bilaterale en multilaterale mechanismen en door middel van dit tot een inspanning verplichtend Verdrag; Indachtig de behoeften van de"},{"i":10294,"b":"Wet van 26 november 1998, houdende goedkeuring en uitvoering van het op 9 september 1996 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (Trb. 1996, 293) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 9 september 1996 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (Trb. 1996, 293) ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; dat het voorts noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van het genoemde verdrag, in hoofdzaak door middel van wijziging van de [Wet verontreiniging oppervlaktewateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682), de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245)en het Burgerlijk Wetboek; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Vervallen Artikel II Wijzigt de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Artikel III Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel IV Wijzigt Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel V Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VII Het tarief van de in [artikel 39c van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=39c) bedoelde afvalbeheerbijdrage is in het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van deze wet € 0,0075 per liter gasolie, voor zover voor dat kalenderjaar niet een andersluidend besluit als bedoeld in [artikel 39d, tweede lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=39d) is tot stand gekomen. Artikel VIII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip,"},{"i":10295,"b":"Wet van 9 juli 2007 tot goedkeuring van de regeling van de minister van Financiën van 11 oktober 2006, nr. DB2006/00476 (Stcrt. 198) tot buitentoepassingstelling voor een gedeelte van 2006 van de energie-investeringsaftrek en de milieu-investeringsaftrek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeling van de minister van Financiën van 11 oktober 2006, nr. DB2006/00476 (Stcrt. 198) tot buitentoepassingstelling voor een gedeelte van 2006 van de energie-investeringsaftrek en de milieu-investeringsaftrek ingevolge [artikel 3.52, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52) ter goedkeuring bij wet aan de Tweede Kamer dient te worden voorgelegd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De regeling van de minister van Financiën van 11 oktober 2006, nr. DB2006/00476 (Stcrt. 198) tot buiten toepassing stellen voor een gedeelte van 2006 van de energie-investeringsaftrek en de milieu-investeringsaftrek wordt goedgekeurd. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":10298,"b":"Wet van 3 februari 2011 tot wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet op de economische delicten ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU L 312) (Implementatiewet EG-kaderrichtlijn afvalstoffen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, ter implementatie van [richtlijn nr. 2008/98/EG](32008L0098) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU L 312), de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168) en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV 1. Het bij de inwerkingtreding van deze wet geldende afvalbeheersplan blijft gelden tot een nieuw afvalbeheerplan als bedoeld in [artikel 10.3 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.3) is vastgesteld, doch uiterlijk tot de dag waarop na de vaststelling van het geldende afvalbeheersplan een termijn van zes jaar is verstreken. 2. Voor zover bij de inwerkingtreding van deze wet reeds geldende omgevingsvergunningen als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=1.1) als gevolg van deze wet met be"},{"i":10299,"b":"Wet van 30 september 2004 tot wijziging van de Wet milieubeheer en enige andere wetten ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275) en de instelling van een emissieautoriteit (Implementatiewet EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ter implementatie van [richtlijn nr. 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van [Richtlijn 96/61/EG](31996L0061) van de Raad (PbEU L 275) in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) een regeling te treffen die handel in emissierechten mogelijk maakt, dat de verordening inzake een gestandaardiseerd en beveiligd stelsel van registers als bedoeld in artikel 19, derde lid, van genoemde richtlijn, nadat deze verordening door de Commissie van de Europese Gemeenschappen is vastgesteld en in werking is getreden, moet worden uitgevoerd, en dat het wenselijk is in verband hiermee een zelfstandig bestuursorgaan, genaamd Nederlandse emissieautoriteit, in te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Het nationale toewijzingsplan dat ter uitvoering van artikel 9 van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten is vastgesteld voor het tijdstip van inwerkingtredi"},{"i":10300,"b":"Wet van 27 mei 2020 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (PbEU L 150) (Implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het noodzakelijk is, ter implementatie van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van [Richtlijn 2008/98/EG](32008L0098) betreffende afvalstoffen (PbEU L 150), de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) en enkele andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel III [Artikel 15.36 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.36), zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043601&artikel=I&z=2020-07-01&g=2020-07-01) van deze wet, blijft tot 5 januari 2023 van toepassing op regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die voor 4 juli 2018 zijn vastgesteld. Artikel IV Wijzigt de Invoeringswet Omgevingswet. Artikel V 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 2020, met uitzondering van [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043601&artikel=I&z=2020-07-01&g=2020-07-01). Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven op of na 1 juli 2020, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaat"},{"i":10301,"b":"Instelling Adviescommissie milieutoets en milieuparagraaf beleidsvoornemens Rijksoverheid Overwegende dat het wenselijk is een commissie voor de invoering van een milieutoets en een milieuparagraaf voor beleidsvoornemens van de Rijksoverheid in te stellen. Besluit: Artikel 1 Voor de duur van ten hoogste twaalf maanden wordt ingesteld de Adviescommissie ontwikkeling milieutoets en milieuparagraaf beleidsvoornemens Rijksoverheid, verder te noemen: de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak: Advies uit te brengen aan de Regering over de vormgeving en invoering van een milieutoets en een milieuparagraaf voor beleidsvoornemens van de Rijksoverheid. Het advies dient zodanig geconcretiseerd te zijn dat binnen een korte termijn een besluit kan worden genomen inzake de invoering van de milieutoets in de besluitvorming van de rijksoverheid. Artikel 3 De commissie bestaat uit de volgende leden: - prof.dr. R.J. In 't Veld, voorzitter — hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam; - mr. J.A. Peters, secretaris — directeur Bestuurszaken, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (DGM); - drs. G. Burger, adjunct-secretaris — hoofdafdeling Maatschappelijke en beleidsintegratie, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (DGM); - drs. R. Bemer — plv. directeur-generaal voor Industrie en Regionaal Beleid, Ministerie van Economische Zaken; - drs. H.J. Hamer — plv. directeur Inspectie der Rijksfinanciën, Ministerie van Financiën; - drs. P.E. de Jongh, — plv. directeur-generaal Milieubeheer, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (DGM); - drs. A.M.V. Kleinmeulman — adjunct-directeur Milieu, Kwaliteit en Voeding, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; - mr. J.H. van Kreveld — hoofd Stafafdeling Algemeen Wetgevingsbeleid, Ministerie van Justitie; - mr. F. Plate — hoofddirecteur Bestuurlijke en Juridische Zaken van Rijkswaterstaat, Ministerie van Verkeer en Waters"},{"i":10302,"b":"Instelling begeleidingscommissie Ontwikkeling Nationale Luchthaven Lange Termijn Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Economische Zaken; Besluit: Artikel 1 1. Er is een begeleidingscommissie Ontwikkeling Nationale Luchthaven Lange Termijn. 2. De begeleidingscommissie wordt ingesteld voor de periode tot en met de vaststelling, door het kabinet, van de Planologische Kernbeslissing deel 3 houdende een lange termijn-voorziening voor de nationale luchthaven. Artikel 2 1. De Minister van Verkeer en Waterstaat benoemt de leden van de begeleidingscommissie in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Economische Zaken. 2. De onafhankelijkheid van de leden van de begeleidingscommissie is gewaarborgd. 3. Tot lid, tevens voorzitter, wordt benoemd drs. W.T. van Gelder, Commissaris van de Koningin in de provincie Zeeland, tot lid worden benoemd prof. dr. R.J. In ’t Veld en mr. G.M.W. Enthoven. Artikel 3 1. De begeleidingscommissie heeft als taak het begeleiden van het besluitvormingsproces, als bedoeld in het kabinetstandpunt WRR-advies ’Besluiten over Grote Projecten’, in het kader van het project ’Ontwikkeling Nationale Luchthaven, Lange Termijn’. 2. De begeleidingscommissie beoordeelt: - a. de kwaliteit van het proces van besluitvorming; - b. de wijze waarop maatschappelijke actoren bij het proces worden betrokken; - c. de communicatie tussen het rijk en andere procespartners, en 3. De begeleidingscommissie beoordeelt de externe kwaliteitsborging met betrekking tot de onderbouwing van de besluitvorming op het eerste moment van afweging van de locaties Schiphol en een eiland in de Noordzee. Artikel 4 1. De begeleidingscommissie regelt haar werkzaamheden naar eigen inzicht. 2. De begeleidingscommissie rapporteert haar bevindingen aan de Minister van Verkeer en Waterstaat, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening"},{"i":10303,"b":"Instelling Commissie Bodemsanering in gebruik zijnde bedrijfsterreinen Gezien zijn brief dd. 19 juli 1988 aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 1987–1988, 20 200, nr. 97) inzake de voorgestane aanpak van de problematiek van bodemsanering op in gebruik zijnde bedrijfsterreinen; Besluit: Artikel 1 Met ingang van 15 februari 1989 wordt ingesteld de Commissie Bodemsanering in gebruik zijnde bedrijfsterreinen. Artikel 2 De Commissie heeft tot taak: - a. het ontwikkelen van een strategie voor een milieuhygiënisch verantwoorde aanpak van de bodemverontreiniging op bestaande bedrijfsterreinen, uitgaande van de primaire verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor het treffen van vrijwillige maatregelen; - b. het vaststellen van een plan voor de operationalisering van de strategie, waarin de verantwoordelijkheid van elk van de in de Commissie vertegenwoordigde geledingen voor de uitvoering ervan wordt vastgelegd; - c. het ontwikkelen van eventuele aanvullende voorzieningen, nodig voor de uitvoering van het plan. Artikel 3 De commissie streeft er naar haar werkzaamheden vóór 31 december 1990 af te ronden. Artikel 4 De Commissie rapporteert bij het afsluiten van haar werkzaamheden aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Gedurende de looptijd van de commissie brengt zij jaarlijks uiterlijk op 1 december verslag van haar werkzaamheden uit aan voornoemde Minister. Artikel 5 In de Commissie worden benoemd: - a. tot lid en voorzitter: dr. ir. A. P. Oele; - b. tot lid: - zes leden aan te wijzen door het Bureau Milieu en Ruimtelijke Ordening van de Raad van Nederlandse Werkgeversverbonden VNO en NCW; - een lid aan te wijzen door het Koninklijk Nederlands Ondernemersverbond; - twee leden aan te wijzen door het Interprovinciaal Overleg; - twee leden aan te wijzen door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; - Twee leden aan te wijzen door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - een lid aan te wijzen door de Minister"},{"i":10304,"b":"Instelling Evaluatiecommissie Wet algemene bepalingen milieuhygiëne Overwegende dat het met het oog op de in artikel 80 van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne bedoelde verslaglegging gewenst is de Evaluatiecommissie Wet algemene bepalingen milieuhygiëne hernieuwd in te stellen met het oog op de advisering over opzet in inhoud van deze verslaglegging. Besluit: Artikel 1 Voor de duur van ten hoogste acht jaren wordt ingesteld de Evaluatiecommissie [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), verder te noemen: de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak: - a. de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van advies te dienen met betrekking tot de opzet en de inhoud van het ingevolge [artikel 21.2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.2) aan de Staten-Generaal uit te brengen verslag over de wijze waarop de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245)—nader te noemen: de wet—is toegepast, rekening houdend met de uitbouw van deze wet tot de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245). Met name zal worden gekeken naar de effectiviteit van de wettelijke regelingen. De commissie zal tijdig voor 1 september 1993 en 1 september 1998 een desbetreffend evaluatierapport uitbrengen. - b. de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van advies te dienen over de werking van algemene maatregelen van bestuur ingevolge artikel 2a van de Hinderwet. Het eerste advies wordt uiterlijk 1 april 1991 uitgebracht. - c. op verzoek van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of eigener beweging de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, te adviseren over mogelijkheden tot verbetering van in de praktijk gebleken tekortkomingen van milieuregelgeving, met name uit een oogpunt van uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en effectiviteit, mede in het perspectief van he"},{"i":10305,"b":"Instelling Evaluatiecommissie Wet milieubeheer Overwegende dat het met het oog op een verantwoorde onderbouwing van de in [artikel 21.2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.2) bedoelde verslaglegging over de werking van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) gewenst is de Evaluatiecommissie [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) hernieuwd in te stellen. Besluit: Artikel 1 Voor de duur van vier jaren wordt per 1 januari 2000 ingesteld de Evaluatiecommissie [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) (ECWM), verder te noemen: de commissie. Artikel 2 1. De commissie heeft tot taak de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer - verder te noemen: de Minister - te adviseren met betrekking tot de inhoud van het ingevolge [artikel 21.2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.2) aan de Staten-Generaal uit te brengen verslag over de wijze waarop de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) ‐ verder te noemen: de wet - is toegepast, door onderzoek te doen naar de effectiviteit, de efficiëntie, de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van de wet. 2. Voorts kan de commissie - uit eigen beweging of op verzoek van de Minister - de Minister adviseren over mogelijkheden tot verbetering van de milieuregelgeving als instrument van een op duurzame ontwikkeling gericht milieubeleid. 3. Met het oog op het uitoefenen van haar taak stelt de commissie, in overeenstemming met de Minister, een werkplan vast. Het eerste werkplan wordt uiterlijk op 1 april 2000 vastgesteld, het tweede werkplan wordt uiterlijk op 1 januari 2002 vastgesteld. 4. De Minister wordt tijdig in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over een ontwerp-werkplan. 5. Op verzoek van de Minister neemt de commissie bepaalde onderdelen van de milieuregelgeving, dan wel vragen met betrekking tot bep"},{"i":10306,"b":"Instelling examencommissies luchtvaart Gelet op [artikel 45, eerste lid van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=45); Besluit: Artikel 1 De examens ter verkrijging van de in de [Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309) genoemde bewijzen van bevoegdheid en de daarin aangeduide bevoegdheidverklaringen worden afgelegd voor één van de volgende commissies: | Examencommissie | Examens voor | | | --- | --- | --- | | voor: | bewijzen van bevoegdheid | bevoegdverklaringen | | a. privévliegbewijzen | privévlieger ballonvoerder | voor een categorie, klasse en type van vliegtuigen in privévliegbewijzen; sleepvliegen; radiotelefonie in de bvb's als genoemd in [artikel 12, eerste lid van de RTL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=12). | | b. beroepsvliegbewijzen | beroepsvlieger verkeersvlieger boordwerktuigkundige | voor een categorie, klasse en type van vliegtuigen in beroepsvliegbewijzen; blindvliegen; spuitvliegen; vliegonderricht. | | c. zweefvliegen | zweefvlieger | lieren; sleepvliegen; wolkenvliegen; vliegonderricht; motorzweefvliegen; | | d. vliegtuigonderhoudstechnicus | grondwerktuigkundige zweefvliegtechnicus | voor een categorie en type van luchtvaartuigen. | Artikel 2 De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 maart 1988, nr. LI/1523 wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met terugwerkende kracht per 1 januari 1992 en wordt gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":10307,"b":"Instelling Stuurgroep Informatie-uitwisseling Milieubeheer Gelet op het Besluit Informatievoorziening Rijksdienst 1990 (Stcrt. 29 januari 1991, nr. 20), Besluit: Artikel 1 Er is een Stuurgroep Informatie-uitwisseling Milieubeheer, hierna te noemen de stuurgroep. Artikel 2 1. De stuurgroep is het adviesorgaan van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor het deelgebied milieu-informatievoorziening. De stuurgroep kan de minister desgevraagd of uit eigen beweging van advies dienen. 2. Tot de taak van de stuurgroep behoort in ieder geval het tot stand brengen van een ontwerp van een structuurschets milieu-informatie als bedoeld in het Besluit Informatievoorziening Rijksdienst 1990, hierna aan te duiden als de ontwerp-structuurschets. De stuurgroep draagt met name zorg voor de bewaking van de kwaliteit van de ontwerp-structuurschets, van de voortgang van de totstandkoming en van de bestuurlijke haalbaarheid van het in de structuurschets op te nemen plan van aanpak. Voorts behoort het tot de taak van de stuurgroep om de structuurschets regelmatig aan te passen aan de ontwikkelingen op het gebied van de milieu-informatie. 3. De ontwerp-structuurschets bevat in ieder geval een analyse van de huidige situatie ten aanzien van de uitwisseling van milieu-informatie met knelpunten en oplossingsrichtingen. Voorts bevat de ontwerp-structuurschets een plan van aanpak betreffende de coördinatie van de informatievoorziening in de openbare sector. Artikel 3 1. De directeur-generaal Milieubeheer is voorzitter tevens lid van de stuurgroep. 2. Als lid hebben verder in de stuurgroep zitting: - a. een vertegenwoordiger van de Minister van Binnenlandse Zaken; - b. een vertegenwoordiger van de Minister van Verkeer en Waterstaat; - c. een vertegenwoordiger van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; - d. een vertegenwoordiger van de Rijksplanologische Dienst; - e. een vertegenwoordiger uit de kringen van Justitie en Politie; - f. een vertegenwoord"},{"i":10308,"b":"Instelling Stuurgroep wapenbeheersing en nucleaire bewapening Besluiten: - 1. Ingesteld wordt de Stuurgroep wapenbeheersing en nucleaire bewapening. - 2. Taak, samenstelling en werkwijze van de Stuurgroep zijn vervat in de bij deze beschikking gevoegde bijlage. - 3. Deze beschikking zal, met de daarbij behorende bijlage, in de Nederlandse Staatscourant worden geplaatst en treedt in werking met ingang van de dag van publikatie. Bijlage De Minister van Buitenlandse Zaken en Defensie stellen vast dat het nieuwe kabinet ter zake van vraagstukken van vrede en veiligheid in een nationaal en internationaal gecompliceerde situatie zal optreden. Zij realiseren zich dat het beleid op het gebied van de buitenlandse politiek en defensie moet worden gevoerd in de wetenschap dat ten aanzien van een essentieel punt, namelijk de uiteindelijke al of niet plaatsing van een aantal LRTNF-wapens op Nederlands grondgebied, verschillend wordt gedacht binnen het kabinet en geen overeenstemming bestaat tussen de fracties waarop dit kabinet steunt. Het zou onrealistisch zijn het gevaar niet te onderkennen dat de uiteindelijk te nemen beslissing in zekere mate haar schaduw vooruit zou werpen over de ontwikkelingen die daaraan voorafgaan. Het feit dat voorshands over plaatsing geen beslissing wordt genomen, zou kunnen leiden tot een zekere passiviteit in het Nederlandse internationale beleid. Dit moet echter worden vermeden. Waar zoveel essentiële zaken, de veiligheid en wapenbeheersing betreffende, in de komende periode aan de orde zijn binnen het NAVO-bondgenootschap, is juist een actief-creatieve diplomatie geboden. Daarnaast stellen beide Ministers de verwevenheid vast van de terreinen van wapenbeheersing en verdediging, en de doorwerking van hun beslissingen op elkaars terreinen. Zij zijn van oordeel dat bewapening en ontwapening geen belangen zijn die afzonderlijk moeten worden gediend, doch wezenlijke bestanddelen van een nationale veiligheid in integraal verband. Dat de zorg voor deze"},{"i":10309,"b":"Instellingsbeschikking Bouwdienst Rijkswaterstaat Op voordracht van de directeur-generaal van de Rijkswaterstaat. Overwegende dat door samenvoeging van de directies Bruggen en Sluizen & Stuwen van de Rijkswaterstaat tot één dienst een bundeling van deskundigheid wordt verkregen waarbij door een integrale en meer efficiënte benadering de kwaliteit van de geleverde produkten en diensten wordt verbeterd. Gelet op [artikel 8 van het Organiek Besluit Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002743&artikel=8) van 14 januari 1971, Stb. 42, Besluit: 1. Met ingang van 1 januari 1991 wordt ingesteld de Dienst Infrastructuur Rijkswaterstaat met hoofdvestigingsplaats Utrecht. 2. Per gelijke datum treedt de Dienst Infrastructuur Rijkswaterstaat in de rechten plichten van de directies Bruggen en Sluizen & Stuwen, respectievelijk te Voorburg en Utrecht, die beide worden opgeheven. 3. De Dienst Infrastructuur Rijkswaterstaat heeft als hooftaken: - a. Het leveren van bijdragen aan de beleidsvoorbereiding ten aanzien van infrastructuur en het waterbeheer. - b. Het realiseren en inspecteren van kunstwerken. - c. Het verstrekken van adviezen met betrekkeing tot het instrumentarium en de technieken die nodig zijn om de onder a. en b. genoemde taken binnen Rijkswaterstaat efficiënt en effectief te kunnen verrichten. 4. Dit besluit berust mede op [artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit directoraat generaal Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=2). 5. Dit besluit zal in de Nederlandse Staatscourant worden geplaatst en een afschrift daarvan zal aan de Algemene Rekenkamer worden gezonden."},{"i":10310,"b":"Instellingsbeschikking stuurgroep Nationaal Onderzoekprogramma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering Handelende in overeenstemming met de Ministers van Verkeer en Waterstaat (verder te noemen VW), Economische Zaken (verder te noemen EZ), Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (verder te noemen LNV), Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking (verder te noemen BuZa en OS), Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (verder te noemen OCW), en in overeenstemming met de Voorzitter van het Algemeen Bestuur van de Nederlandse Organisatie van Wetenschappelijk Onderzoek (verder te noemen NWO), Gezien het besluit betreffende het Nationaal Onderzoekprogramma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering van 30 oktober 1989 Stcrt. 1989,218, en het standpunt over dit programma d.d. 19 maart 1990 (Kamerstukken II, 1989/1990, 21611, nr. 1) en de Vervolgnota Klimaatverandering d.d. 24 juni 1996 (Kamerstukken II, 1995/96, 24 785, nr.1), Overwegende dat het wenselijk is het Nationaal Onderzoekprogramma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering te continueren ter onderbouwing van het nationaal en internationaal klimaatbeleid en de verankering van het klimaatonderzoek in de Nederlandse onderzoekswereld, Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de stuurgroep: de stuurgroep bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008988&artikel=2&z=1997-11-01&g=1997-11-01). Artikel 2 Er is een stuurgroep Nationaal Onderzoekprogramma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering (NOP-MLK). Artikel 3 De stuurgroep heeft als taak het dragen van de algehele verantwoordelijkheid voor het NOP-MLK. Artikel 4 De stuurgroep bestaat uit: - a. een voorzitter, tevens lid, zijnde de Directeur Lucht en Energie van DGM/VROM; - b. een vice-voorzitter, tevens lid, zijnde de directeur van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI); - c. een secretaris, tevens lid, te benoemen door de Minister van VROM; - d. een lid, zijnde de themacoördina"},{"i":10311,"b":"instellingsbesluit adviescommissie bezwaarschriften verlengingsbesluiten Natura 2000-beheerplannen Deltawateren, Waddenzee en Noordzeekustzone Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** De Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - b. **de adviescommissie:** de commissie bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048260&artikel=2&z=2023-06-13&g=2023-06-13); - c. **het ministerie:** het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een adviescommissie bezwaarschriften verlengingsbesluiten Natura 2000-beheerplannen Deltawateren, Waddenzee en Noordzeekustzone. 2. De adviescommissie heeft tot taak: - a. de belanghebbenden te horen; - b. de minister op de voet van [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrech](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13)t schriftelijk te adviseren over de te nemen beslissingen op bezwaar, die betrekking hebben op de besluiten om de Natura 2000-beheerplannen voor de Deltawateren, Waddenzee en Noordzeekustzone te verlengen. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De adviescommissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden, waarvan de voorzitter en één lid geen deel uitmaken van en niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het ministerie. 2. De voorzitter en de andere leden worden benoemd namens de minister door de (waarnemend) Directeur-Generaal van Rijkswaterstaat. 3. De voorzitter en de andere leden kunnen (op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden) worden geschorst en ontslagen namens de minister door de (waarnemend) Directeur-Generaal van Rijkswaterstaat. Artikel 4. Leden 1. Voor de duur van de adviescommissie worden tot lid van de adviescommissie benoemd: - a. de heer mr. dr. R.H.W. Frins, tevens voorzitter, - b. de heer dr. G.W.N.M. van Moorsel, onafhankelijk lid, - c. mevrouw mr. K. Douma, lid, en bij diens afwezigheid, mevrouw mr."},{"i":10312,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 29 november 2013, nr. WJZ / 13192135, houdende instelling van de adviescommissie Stralingsbescherming Handelende in overeenstemming met de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **de ministers:** de Minister van Economische Zaken, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **commissie:** Adviescommissie stralingsbescherming; - d. **besluit:** [Besluit stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012702); - e. **uitvoeringsregeling:** [Uitvoeringsregeling stralingsbescherming EZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034213); - f. **stralingsbeschermingsopleidingen:** opleidingen van erkende instellingen als bedoeld in [artikel 7f, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012702&artikel=7f). Artikel 2 1. Er is een Adviescommissie stralingsbescherming. 2. De commissie heeft tot taak de ministers te adviseren over: - a. de registratie, herregistratie of buitengewone registratie van stralingsbeschermingsdeskundigen, bedoeld in [artikel 3.2 van de uitvoeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034213&artikel=3.2); - b. het Registratieschema stralingsbeschermingsdeskundigen; - c. het document Aanwijzing van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bij de registratie van stralingsbeschermingsdeskundigen; - d. erkenningseisen en kwaliteitscriteria voor stralingsbeschermingsopleidingen; - e. eindtermen voor stralingsbeschermingsopleidingen; - f. criteria voor de erkenning van buitenlandse diploma’s, certificaten en andere getuigschriften van deskundigheid op het gebied van stralingsbesche"},{"i":10313,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie, van 17 april 2025, nr. IENW/BSK-2025/93055, tot instelling van een Adviescommissie uitvoering Programma Luchtruimherziening handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie, handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), hebben besloten dat wordt overgegaan tot het instellen van de Adviescommissie uitvoering Programma Luchtruimherziening zoals vastgelegd in dit instellingsbesluit. Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **commissie:** de commissie zoals bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051031&artikel=2&z=2025-05-15&g=2025-05-15); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **ministerie:** Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - **projecten Hoger Naderen Luchthavens:** verkenning van de mogelijkheden om door aanpassing van de naderingswijze van burgerluchthavens de leefomgevingskwaliteit rondom de burgerluchthavens stapsgewijs en in overleg met de omgeving te verbeteren; - **Schetsontwerp:** het eerste concept van de nieuwe indeling van het luchtruim dat binnen bestaande beleidskaders tot stand is gekomen en is gepubliceerd; - **staatssecretaris:** Staatssecretaris van Defensie; - **Voorlopig Ontwerp:** de nadere uitwerking van het eerste concept van de nieuwe indeling van het luchtruim, wat ter besluitvorming aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Adviescommissie uitvoering Programma Luchtruimherziening. 2. De commissie heeft tot taak om in het licht van de motie van de leden van Dijk en Grinwis (Kamerstukken II 2024/25, 31 936, nr. 1158) en aan de hand van het Schetsontwerp en de bijbehorende effectanalyses de minister te adviseren over d"},{"i":10314,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, houdende instelling van de Adviescommissie Water (Instellingsbesluit Adviescommissie Water) Besluit: Artikel 1 Er is een Adviescommissie Water, hierna te noemen: de Commissie. Artikel 2 De Commissie heeft tot taak de Minister van Infrastructuur en Milieu gevraagd en ongevraagd te adviseren omtrent de uitvoering van het integraal waterbeleid. Artikel 3 Voor zover het voor de vervulling van haar taak nodig is kan de Commissie inlichtingen verlangen van bestuursorganen, deskundigen en andere belanghebbenden. Artikel 4 De Commissie bestaat uit acht leden, onder wie de voorzitter. Artikel 5 1. De Minister van Infrastructuur en Milieu benoemt en ontslaat de leden van de Commissie. 2. De leden van de Commissie kunnen voor een tijdvak van vier jaar worden herbenoemd. Artikel 6 De Commissie kiest uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter. Artikel 7 1. Het secretariaat van de Commissie berust bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. 2. De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de Commissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de Commissie. 3. Indien de Commissie wordt opgeheven draagt de secretaris het archief over aan de beheerder van het archief van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, met inachtneming van het bepaalde in het [Besluit archiefoverdrachten rijksadministratie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004427). Artikel 8 1. Aan de leden, met inbegrip van de voorzitter, wordt een vaste vergoeding per maand toegekend. 2. De toepasselijke arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 0,1 van het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). Artikel 9 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatsten werkt terug tot en met 10 februari 2004. Artikel 10 Dit besluit wordt aangehaald als: Instelli"},{"i":10317,"b":"Instellingsbesluit Centrale Directie Juridische Zaken Verkeer en Waterstaat Besluit: Artikel 1 Ingesteld wordt de Centrale Directie Juridische Zaken. Artikel 2 De Centrale Directie Juridische Zaken staat onder leiding van de directeur Juridische Zaken. Artikel 3 1. De Centrale Directie Juridische Zaken adviseert minister en secretaris-generaal, met inbegrip van diens plaatsvervanger, de centrale diensten en het KNMI, inzake bestuurlijke en juridische aangelegenheden, en draagt zorg voor de totstandkoming van de nodige juridische producten. 2. De Centrale Directie Juridische Zaken vervult de functies, bedoeld in het eerste lid, eveneens voor de directeur-generaal Personenvervoer. 3. De Centrale Directie Juridische Zaken adviseert de directeur-generaal Rijkswaterstaat inzake beleidsjuridische aangelegenheden en draagt zorg voor de totstandkoming van de nodige regelgeving op diens beleidsterrein, met inbegrip van beleidsregels. 4. Desgevraagd kan de Centrale Directie Juridische Zaken taken als bedoeld in dit artikel ook voor andere diensthoofden vervullen. Artikel 4 De Centrale Directie Juridische Zaken is verantwoordelijk voor departementaal kwaliteitsbeleid ten aanzien van bestuurlijke en juridische aangelegenheden. Daartoe verricht zij onder meer de volgende activiteiten: - a. het ontwikkelen van beleid met betrekking tot inzet en inrichting van regelgeving en overig juridisch instrumentarium; - b. implementatie van dit beleid door onder meer: - 1º. toetsing van alle (voorgenomen) regelgeving op: - nut en noodzaak, - overeenstemming met hoger recht, waaronder internationale (notificatie-) verplichtingen, - integratie en samenhang met andere regelgeving, en - overige juridische kwaliteitseisen voor regelgeving, - 2º. het monitoren en adviseren met betrekking tot de kwaliteit van de gehele juridische functie, - c. het coördineren van aangelegenheden die meerdere diensten raken, - d. het inrichten en onderhouden van centra voor specialistische kennis, en - e. het tot s"},{"i":10318,"b":"Instellingsbesluit Commissie ruimtelijke ontwikkeling luchthavens Besluiten: Artikel 1 Er is een Commissie ruimtelijke ontwikkeling luchthavens, hierna te noemen de Commissie. Artikel 2 De Commissie heeft tot taak om de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te rapporteren over de rol en het proces van samenwerking van private en publieke partijen bij de ontwikkeling van de omgeving van luchthavens, daarbij inbegrepen de grondpolitiek en grondverwerving. Artikel 3 1. De Commissie bestaat uit de volgende leden: - a. de heer ir. C.J. Vriesman te Hippolytushoef, tevens voorzitter; - b. de heer prof. dr. M.J.W. van Twist te Dordrecht; - c. mevrouw dr. O.A.W.T. van de Riet te Den Hoorn (ZH). 2. Op grond van [artikel 2, eerste lid, onder a, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=2) is de voorzitter van de Commissie als functionaris in dienst van het Rijk uitgesloten van toekenning van vacatiegeld. 3. Op grond van [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1) ontvangen de overige leden per vergadering een vergoeding. De Commissie wordt als ‘zwaar’ in de zin van de [Regeling maximumbedragen vacatiegeld 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017556) aangemerkt. Artikel 4 De Commissie houdt op te bestaan nadat zij haar rapport heeft uitgebracht. Artikel 5 1. De Commissie stelt haar eigen werkwijze vast. 2. De Commissie kan zich desgewenst laten bijstaan door deskundigen en andere personen of instanties. Artikel 6 De archiefbescheiden van de Commissie worden na opheffing van de Commissie, of zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgedragen aan het archief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en in afschrift aan het archief van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 7 Dit besluit treedt in werking met ingang"},{"i":10319,"b":"Instellingsbesluit COVM luchthaven De Peel Gelet op [artikel 10.25 van de Wet Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.25) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) Besluit: Artikel 1. Instelling en taak 1. Er is een Commissie Overleg en Voorlichting Milieu (COVM) voor de militaire luchthaven de Peel, hierna te noemen: de commissie. 2. De commissie heeft de volgende taken: - a. het voeren van overleg teneinde uit eigen hoofde of naar aanleiding van vragen of klachten advies uit te brengen dan wel voorstellen te doen aan de Minister van Defensie of andere instanties over alle maatregelen en voorschriften ter beperking van milieuhinder, en daarbinnen met name geluidhinder, veroorzaakt door het gebruik van luchthaven De Peel; - b. het verstrekken van informatie en het geven van voorlichting inzake milieuaspecten van het gebruik van de luchthaven; - c. het evalueren van de eindresultaten van de jaarcontouren, bedoeld in [artikel 10.23 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.23). Artikel 2. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. In de Commissie hebben in ieder geval zitting: - a. een lid, tevens voorzitter, aan te wijzen door gedeputeerde staten van Limburg; - b. een lid aan te wijzen door gedeputeerde staten van Noord-Brabant; - c. twee leden aan te wijzen door ieder college van burgemeester en Wethouders van de gemeenten Asten, Bergen, Deurne, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Helmond, Horst aan de Maas, Laarbeek, Land van Cuijk, Someren, en Venray, waarvan één vertegenwoordiger van elke gemeente een omwonende van de luchthaven is; - d. het hoofd Bureau Geluidhinder, Zonering en Rapportering van het Commando Luchtstrijdkrachten, of een door hem aan te wijzen vertegenwoordiger; - e. de commandant van de Luitenant-generaal Bestkazerne, of een door hem aan te wijzen vertegenwoordiger; - f. een vertegenwoordig"},{"i":10322,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 20 oktober 2014, nr. IENM/BSK-2014/206986, tot instelling van het Expertise Netwerk Waterveiligheid (Instellingsbesluit Expertise Netwerk Waterveiligheid) BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **ENW:** Expertise Netwerk Waterveiligheid. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Expertisenetwerk Waterveiligheid. 2. Het ENW heeft tot taak: - a. de minister, waterschappen, provincies, gemeentes en andere betrokken instanties met een taak of verantwoordelijkheid voor waterveiligheid te adviseren vanuit een primair technisch-inhoudelijke invalshoek over vraagstukken met betrekking tot waterveiligheid; - b. de minister te adviseren over de technisch-inhoudelijke kwaliteit van technische leidraden als bedoeld in [artikel 2.19, tweede lid, onder d, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.19); - c. de kennis die nodig is voor de wettelijke taakuitoefening van waterkeringbeheerders en andere overheden en instanties met een taak of verantwoordelijkheid voor waterveiligheid samen te brengen, te delen en uit te wisselen. 3. Het ENW kan adviezen aan de minister als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, ook ongevraagd uitbrengen. Artikel 3. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. Het ENW bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste twaalf leden, onder wie de voorzitter. 2. De leden worden door de minister benoemd, waarvan een in de functie van voorzitter. 3. De leden kunnen worden herbenoemd door de minister. 4. De benoeming en herbenoeming geschieden voor de duur van vier jaar. 5. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen voor de duur van vier jaar. 6. De leden kunnen worden geschorst en uit hun lidmaatschap worden ontslagen door de minister. 7. De leden beschikken over theoretisch-wetenschappelijke expertise, danwel expertise vanuit de overheidspraktijk van w"},{"i":10323,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 januari 2003, nr. KvI2002106469, tot instelling van een programmaraad voor het nationaal vervolgprogramma klimaatonderzoek (Instellingsbesluit Programmaraad NVKO) Gezien de brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 3 juli 2002, kenmerk: KVI2002047962, en de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid deel 2 (Kamerstukken II, 2000/2001, 26 603, nr 28, VROM 17523/183); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Programmaraad NVKO:** programmaraad als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014591&artikel=2&z=2003-01-29&g=2003-01-29); - b. **NVKO:** Nationaal Vervolgprogramma Klimaatonderzoek; - c. **staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 2 1. Er is een Programmaraad voor het Nationaal Vervolgprogramma Klimaat Onderzoek. 2. De Programmaraad NVKO heeft tot taak de staatssecretaris te adviseren over de inhoud van de hoofdlijnen Fundamenteel onderzoek en Beleidsanalyse & assessment van het NVKO, alsmede omtrent de communicatie en internationale inbedding die in het kader van het NVKO op programmaniveau wenselijk is. 3. De Programmaraad NVKO kan voorts de staatssecretaris op diens verzoek adviseren omtrent de hoofdlijn Beleidsruimte. 4. Tot de taak van de Programmaraad NVKO behoort eveneens de kwaliteitsborging op programmaniveau, welke gestalte krijgt door een evaluatie halverwege en aan het einde van het programma onder verantwoordelijkheid en op initiatief van de Programmaraad NVKO. De resultaten van deze evaluaties worden gerapporteerd aan de staatssecretaris. Artikel 3 1. De Programmaraad NVKO bestaat uit de volgende leden: - a. prof. dr. H. Verbruggen, directeur van het Instituut voor Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit Amsterdam, in de functie van voorzitter; - b. prof. dr. G.J. Komen, hoofd klimaatonderzoek en seismologie van het Koninklijk Ne"},{"i":10324,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 1 april, nr. 6192727, tot instelling van de Strategische Milieukamer (Instellingsbesluit Strategische Milieukamer) Besluiten: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder **bewindspersonen**: de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Strategische Milieukamer. 2. De Strategische Milieukamer heeft tot taak: - a. ten minste eenmaal in de vier jaar een Dreigingsbeeld Milieucriminaliteit vast te stellen, waarin de aard en de omvang van verschijningsvormen van milieucriminaliteit met een Nederlandse component alsook de schade als gevolg daarvan worden beschreven; - b. op basis van in ieder geval het onder a genoemde Dreigingsbeeld Milieucriminaliteit ten minste eenmaal in de vier jaar een Agenda Strafrechtelijke Aanpak Milieucriminaliteit op te stellen, waarin afspraken tussen de in de Strategische Milieukamer vertegenwoordigde organisaties worden vastgelegd over in ieder geval de strategische prioritering voor de strafrechtelijke aanpak van milieucriminaliteit, de wijze van samenwerking bij de strafrechtelijke aanpak van milieucriminaliteit en de daarbij te behalen resultaten; - c. de bewindspersonen gevraagd en ongevraagd te adviseren over de strafrechtelijke aanpak van milieucriminaliteit. 3. De Strategische Milieukamer stelt ten minste eenmaal per jaar een verslag op over de voortgang en realisatie van de in het tweede lid, onder b, bedoelde Agenda Strafrechtelijke Aanpak Milieucriminaliteit. Artikel 3. Samenstelling 1. In de Strategische Milieukamer hebben zitting: - a. de Hoofdofficier van Justitie van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie, tevens voorzitter; - b. de Inspecteur-Generaal va"},{"i":10325,"b":"Besluit van 29 oktober 2022 tot instelling van de Wetenschappelijke Klimaatraad Op de voordracht van Onze Minister voor Klimaat en Energie van 25 oktober 2022, nr. WJZ / 22524141, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 5, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er is een Wetenschappelijke Klimaatraad. Artikel 2 De Wetenschappelijke Klimaatraad heeft tot taak de regering en beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over het te voeren klimaatbeleid. De Wetenschappelijke Klimaatraad brengt daarbij ten minste een advies uit ter voorbereiding van het Klimaatplan, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Klimaatwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042394&artikel=3). Artikel 3 De Wetenschappelijke Klimaatraad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste negen andere leden. Artikel 4 De evaluatie van de taakvervulling vindt drie jaar na instelling plaats. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 4 november 2026. Artikel 6 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Wetenschappelijke Klimaatraad. Onze Minister voor Klimaat en Energie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10326,"b":"Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966 De Verdragsluitende Regeringen, Verlangende uniforme beginselen en regels vast te stellen met betrekking tot de grenzen waartoe schepen op internationale reizen, gelet op de noodzaak van de beveiliging van mensenlevens en goederen op zee, mogen worden geladen; Overwegende dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Verdrag; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Algemene verplichting krachtens het Verdrag 1. De Verdragsluitende Regeringen verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en de daarbij behorende Bijlagen, die geacht worden een integrerend deel te vormen van dit Verdrag. Elke verwijzing naar dit Verdrag sluit in zich een gelijktijdige verwijzing naar de Bijlagen. 2. De Verdragsluitende Regeringen verbinden zich alle maatregelen te nemen, die nodig kunnen zijn voor de tenuitvoerlegging van dit Verdrag. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Bij de toepassing van dit Verdrag wordt, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, verstaan onder: - 1. „Voorschriften”: de Voorschriften opgenomen in de bijlagen behorende bij dit Verdrag. - 2. „Administratie”: de Regering van de Staat wiens vlag het schip voert. - 3. „Goedgekeurd”: goedgekeurd door de Administratie. - 4. „Internationale reis”: een zeereis van een land waarop dit Verdrag van toepassing is naar een haven, gelegen buiten dat land of omgekeerd. Te dien einde wordt elk gebied voor welks internationale betrekkingen een Verdragsluitende Regering verantwoordelijk is of waarover de Verenigde Naties als gezagsorgaan het beheer uitoefenen als een afzonderlijk land beschouwd. - 5. „Vissersvaartuig”: een schip gebruikt voor het vangen van vis, walvissen, zeehonden, walrussen of andere levende rijkdommen van de zee. - 6. „Nieuw schip”: een schip waarvan de kiel is gelegd, of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt, op of na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor iedere Verdragsluit"},{"i":10328,"b":"Internationaal Verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuvriendelijk recyclen van schepen, 2009 De partijen bij dit Verdrag, Gelet op de groeiende bezorgdheid om veiligheid, gezondheid, milieu en welzijn in de scheepsrecyclingsector, Erkennend dat het recyclen van schepen bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling en als zodanig de beste optie is voor schepen die het eind van hun levenscyclus bereikt hebben, In herinnering roepend resolutie A.962(23), aangenomen door de Vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie (richtlijnen inzake scheepsrecycling), wijzigingen van de Richtsnoeren aangenomen bij resolutie A.980(24), Beslissing VI/24 van de zesde vergadering van de Conferentie van de partijen bij het [Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan](onbekend), die technische richtsnoeren heeft aangenomen voor het milieuverantwoord beheer van de volledige en gedeeltelijke ontmanteling van schepen, alsmede de Richtsnoeren goedgekeurd tijdens de 289ste zitting van de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau (Safety and Health in Shipbreaking: Guidelines for Asian countries and Turkey), Voorts in herinnering roepend resolutie A.981(24) waarbij de Vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie heeft verzocht een wettelijk bindend instrument inzake scheepsrecycling op te stellen, Voorts gelet op de rol van de Internationale Arbeidsorganisatie bij de bescherming van de bedrijfsveiligheid en gezondheid van werknemers in de scheepsrecycling, Voorts gelet op de rol van het [Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan](onbekend) bij het beschermen van de gezondheid van de mens en het milieu tegen de mogelijk schadelijke gevolgen van deze afvalstoffen, Indachtig de voorzorgsbenadering vervat in be"},{"i":10330,"b":"Internationale Overeenkomst inzake de procedure voor de vaststelling van tarieven voor geregelde luchtdiensten De ondertekenende Regeringen, Overwegende dat de vaststelling van tarieven voor geregelde internationale luchtdiensten in talloze bilaterale luchtvaartovereenkomsten op verschillende wijzen is geregeld of dat te dien aanzien tussen de Staten in het geheel geen regelingen bestaan; Verlangende dat er eenvormigheid wordt gebracht in de beginselen en procedures voor de vaststelling van zodanige tarieven en dat, waar dit mogelijk is, gebruik wordt gemaakt van de procedures van de „International Air Transport Association”; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Deze Overeenkomst: - a). stelt de tariefbepalingen vast, die tussen twee Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst voor geregelde internationale luchtdiensten zullen gelden: - i). indien er tussen die Staten geen bilaterale overeenkomst bestaat die op deze diensten betrekking heeft, - ii). indien een zodanige bilaterale overeenkomst wel bestaat, doch geen tariefbepalingen bevat; - b). treedt in de plaats van de tariefbepalingen van een eventueel reeds eerder tussen twee Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst gesloten bilaterale overeenkomst, zolang laatstbedoelde overeenkomst ten aanzien van deze twee Staten van kracht blijft. Artikel 2 1. In de volgende leden wordt onder de uitdrukking „tarief” verstaan de prijzen die moeten worden betaald voor het vervoer van passagiers, bagage en vracht en de voorwaarden waaronder deze prijzen gelden, daarbij inbegrepen de prijzen en voorwaarden voor bemiddeling en andere bijkomende diensten, doch niet betalingen of voorwaarden voor het vervoer van post. 2. De door de luchtvaartmaatschappijen van een der partijen voor vervoer naar of van het grondgebied van de andere partij toe te passen tarieven, worden op een redelijk niveau vastgesteld, waarbij terdege rekening wordt gehouden met alle in aanmerking komende factoren, zoals exploitatiekosten, een redelijke w"},{"i":10331,"b":"Besluit van 2 december 2009, houdende aanpassing van besluiten met het oog op de invoering van de Waterwet (Invoeringsbesluit Waterwet) Artikel I Wijzigt het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel II Wijzigt het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Artikel III Wijzigt het Besluit beheer winningsafvalstoffen. Artikel IV Wijzigt het Besluit bodemkwaliteit. Artikel V Wijzigt het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten. Artikel VI Wijzigt het Besluit gebruik meststoffen. Artikel VII Wijzigt het Besluit glastuinbouw. Artikel VIII Wijzigt het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water. Artikel IX Wijzigt het Besluit lozing afvalwater huishoudens. Artikel X Wijzigt het Besluit milieu-effectrapportage 1994. Artikel XI Wijzigt het Besluit milieuverslaglegging. Artikel XII Wijzigt het Besluit overige niet-meldingplichtige gevallen bodemsanering. Artikel XIII Wijzigt het Besluit risico’s zware ongevallen 1999. Artikel XIV Wijzigt het Besluit stimulering duurzame energieproductie. Artikel XV Wijzigt het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998. Artikel XVI Wijzigt het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009. Artikel XVII Wijzigt het Infiltratiebesluit bodembescherming. Artikel XVIII Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Artikel XIX Wijzigt het Lozingenbesluit bodembescherming. Artikel XX Wijzigt het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Artikel XXI Wijzigt het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering. Artikel XXII Wijzigt het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater. Artikel XXIII Wijzigt het Lozingenbesluit Wvo vaste objecten. Artikel XXIV Wijzigt het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart. Artikel XXV Wijzigt het Transactiebesluit milieudelicten. Artikel XXVI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten. Artikel XXVII Wijzigt het Waterschapsbesluit. Artikel XXVIII De volgende besluiten word"},{"i":10333,"b":"Kaderverdrag inzake een multilateraal nucleair milieuprogramma in de Russische Federatie De Regering van het Koninkrijk België, de Regering van het Koninkrijk Denemarken, de Regering van de Republiek Finland, de Regering van de Franse Republiek, de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van het Koninkrijk Noorwegen, de Regering van de Russische Federatie, de Regering van het Koninkrijk Zweden, de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna te noemen de „Partijen\"), Gelet op het [Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001434) van 5 september 1997 (hierna te noemen het „Gezamenlijk Verdrag\"); Overwegende dat het Gezamenlijk Verdrag bepaalt dat bestraalde splijtstof en radioactief afval binnen militaire of defensieprogramma's dienen te worden beheerd in overeenstemming met de in dat Verdrag neergelegde doelstellingen, ook als zij daarvan uitgesloten zijn, onverminderd het bepaalde in [artikel 3 van dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001434&artikel=3); Voorts gelet op het [Verdrag inzake nucleaire veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001256) van 17 juni 1994; In herinnering roepend het belang dat in het Gezamenlijk Verdrag wordt gehecht aan internationale samenwerking ter verhoging van de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en van radioactief afval door middel van bilaterale en multilaterale mechanismen; Opnieuw het belang bevestigend dat Partijen hechten aan de beginselen vervat in de desbetreffende internationale verdragen inzake nucleaire aansprakelijkheid voor de verlening van internationale bijstand op dit gebied; Erkennend het werk van de **Contact Exper"},{"i":10336,"b":"Wet van 2 juli 2019, houdende een kader voor het ontwikkelen van beleid gericht op onomkeerbaar en stapsgewijs terugdringen van de Nederlandse emissies van broeikasgassen teneinde wereldwijde opwarming van de aarde en de verandering van het klimaat te beperken (Klimaatwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is doelstellingen voor Nederland te formuleren voor het terugdringen van de Nederlandse emissies van broeikasgassen en een wettelijk kader te scheppen voor het ontwikkelen van beleid hiervoor ter invulling van de eigenstandige verantwoordelijkheid die Nederland heeft om de mondiale stijging van temperatuur en de verandering van het klimaat te beperken, en dat het wenselijk is de bindende verplichtingen die Nederland met de op 12 december 2015 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst van Parijs is aangegaan in te vullen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - **aandeel hernieuwbare energie:** aandeel hernieuwbare energie, berekend in overeenstemming met de artikelen 5 tot en met 11 van de Richtlijn hernieuwbare energie, in het brutoeindverbruik van energie; - **broeikasgassen:** gassen genoemd in bijlage V, deel 2, van de Verordening governance van de Energie-unie; - **CO2-neutrale elektriciteitsproductie:** elektriciteitsproductie waarbij geen broeikasgassen vrijkomen in de atmosfeer of waarbij biomassa als brandstof gebruikt wordt; - **Europese klimaatwet:** [Verordening (EU) 2021/1119](32021R1119) van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van [Verordening (EG) nr. 401/2009](32009R0401) en [Verordening (EU) 2018/1999](32018R1999) (Pb EU 2"},{"i":10335,"b":"Wet van 21 februari 1963, houdende regelen met betrekking tot de vrijmaking van kernenergie en de aanwending van radioactieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende toestellen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is op het gebied van de kernenergie en de ioniserende stralen een regeling te treffen, in het bijzonder ter bevordering van een goede ontwikkeling op het gebied van de vrijmaking van kernenergie en de aanwending van radioactieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende toestellen, zomede ter bescherming tegen de hieraan verbonden gevaren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen en werkingssfeer Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. kernenergie: energie, vrijkomend bij splijting of versmelting van atoomkernen; - b. splijtstoffen: stoffen, welke ten minste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen percentage uranium, plutonium, thorium of andere daarbij aangewezen elementen bevatten; - c. ertsen: ertsen die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten en waarmee handelingen worden verricht wegens hun splijt- of kweekeigenschappen; - d. radioactieve stoffen: stoffen met uitzondering van splijtstoffen en ertsen, die in zodanige mate radionucliden bevatten dat zij, voorzover het de bescherming tegen ioniserende straling betreft, niet mogen worden verwaarloosd; - e. ioniserende straling: röntgen- en gammastraling, alsmede corpusculaire straling, die in staat is ionenvorming te veroorzaken; - f. toestel: toestel dat ioniserende straling kan uitzenden en geen radioactieve stof, splijtstof of erts bevat; - g. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een beschikking; - h. Autoriteit: Autoriteit N"},{"i":10337,"b":"Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 5 juni 2023, nr. WJZ/ 27312647, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor het sluiten van veehouderijlocaties voor de reductie van stikstofdepositie op natuurgebieden (Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **AERIUS Check:** rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van de stikstofvracht, beschikbaar op [www.aerius.nl](https://www.aerius.nl/nl); - **dierenverblijf:** gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop; - **diersoorten met productierecht:** melkvee, kippen, kalkoenen en varkens; - **landbouwhuisdier:** zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken; - **melkvee:** dieren als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1); - **minister:** Minister voor Natuur en Stikstof; - **Natura 2000-gebied:** Natura 2000-gebied als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=1.1), dan wel, na inwerkingtreding van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), als bedoeld in die wet; - **natuurvergunning:** vergunning als bedoeld in [artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=2.7) of omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in [artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027464&artikel=2.2aa) dan wel, na de inwerkingtreding van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), [artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e,"},{"i":10339,"b":"Besluit van 17 december 2018 tot vaststelling van een luchthavenbesluit voor de militaire luchthaven De Kooy (Luchthavenbesluit De Kooy) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 18 oktober 2018, nr. BS2018024134, Directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [artikel 10.15 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 november 2018, no. W07.18.0328/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 7 december 2018, nr. BS2018030700, Directie Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commercieel burgerluchtverkeer:** luchthavenluchtverkeer dat plaatsvindt door tussenkomst van de burgerexploitant; - b. **extramurale opslag of verwerking:** opslag of verwerking anders dan in een volledig afgesloten gebouw; - c. **gebruiksjaar:** de periode van een jaar die loopt van 1 januari tot en met 31 december; - d. **recreatief burgerluchtverkeer:** luchthavenluchtverkeer in de vorm van motorsportvliegen of modelvliegen als bedoeld in [artikel 20 van het Besluit militaire luchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025302&artikel=20); - e. **uniforme daglichtperiode:** het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang zoals geldt voor de positie 52°00’ N en 05°00’ O op zeeniveau; - f. **vliegtuigbeweging:** start of landing van een vliegtuig van of op de luchthaven; - g. **wet:** [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555). Hoofdstuk 2. Het luchthavengebied en het beperkingengebied Artikel 2.1 1. Het luchthavengebied is het gebied dat als zodanig is aangewezen op de kaart in [bijlage 1](https://wetten.overh"},{"i":10342,"b":"Besluit van 26 september 2014 tot vaststelling van een luchthavenbesluit voor de militaire luchthaven Eindhoven (Luchthavenbesluit Eindhoven) Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 10 juli 2014, nr. BS2014021512, Directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 10.15 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 augustus 2014, no. W07.0271/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 22 september 2014, nr. BS2014027729, Directie Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commercieel burgerluchtverkeer:** luchthavenluchtverkeer dat plaatsvindt door tussenkomst van de burgerexploitant; - b. **extramurale opslag of verwerking:** opslag of verwerking anders dan in een volledig afgesloten gebouw; - c. **gebruiksjaar:** de periode van een jaar die loopt van 1 januari tot en met 31 december; - d. **recreatief burgerluchtverkeer:** luchthavenluchtverkeer in de vorm van motorsportvliegen als bedoeld in [artikel 20 van het Besluit militaire luchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025302&artikel=20); - e. **uniforme daglichtperiode:** het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang zoals geldt voor de positie 52°00' N en 05°00' O op zeeniveau; - f. **vliegtuigbeweging:** start of landing van een vliegtuig van of op de luchthaven; - g. **wet:** [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555). Hoofdstuk 2. Het luchthavengebied en het beperkingengebied Artikel 2.1 1. Het luchthavengebied is het gebied dat als zodanig is aangewezen op de kaart in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR003"},{"i":10345,"b":"Besluit van 4 september 2015 tot vaststelling van een luchthavenbesluit voor de militaire luchthaven Volkel (Luchthavenbesluit Volkel) Op de voordracht van onze Minister van Defensie van 16 juni 2015, nr. BS2015012434, Directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 10.15 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 juli 2015, No.W07.15.0197/II); Gezien het nader rapport van onze Minister van Defensie van 28 augustus 2015, nr. BS2015016446, Directie Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu); Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **extramurale opslag of verwerking:** opslag of verwerking anders dan in een volledig afgesloten gebouw; - b. **gebruiksjaar:** de periode van een jaar die loopt van 1 januari tot en met 31 december; - c. **recreatief burgerluchtverkeer:** luchthavenluchtverkeer in de vorm van modelvliegen, motorsportvliegen, sleepvliegen of zweefvliegen, als bedoeld in [artikel 20 van het Besluit militaire luchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025302&artikel=20); - d. **uniforme daglichtperiode:** het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang zoals geldt voor de positie 52°00' N en 05°00' O op zeeniveau; - e. **vliegtuigbeweging:** start of landing van een vliegtuig van of op de luchthaven; - f. **wet:** [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555). Hoofdstuk 2. Het luchthavengebied en het beperkingengebied Artikel 2.1 1. Het luchthavengebied is het gebied dat als zodanig is aangewezen op de kaart in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037075&bijlage=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit besluit. 2. Het beperkingengebied is"},{"i":10346,"b":"Besluit van 26 november 2002 tot vaststelling van een luchthavenindelingbesluit voor de luchthaven Schiphol (Luchthavenindelingbesluit Schiphol) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 juli 2002, kenmerk HDJZ/LUV/2002-1856, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 8.4 van de Wet luchtvaart](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 12 september 2002, kenmerk W09.02.0303/V en W09.02.0305/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 21 november 2002, kenmerk HDJZ/LUV/2002-2735, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen § 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1.1.1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555); - b. **geluidgevoelig gebouw:** geluidgevoelig gebouw als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&bijlage=I); - c. **zeer kwetsbaar gebouw:** gebouw als bedoeld in [bijlage VI, onder E, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&bijlage=VI); - d. **kwetsbaar gebouw of kwetsbare locatie:** gebouw of locatie als bedoeld in [bijlage VI, onder C en D, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&bijlage=VI); - e. **beperkt kwetsbaar gebouw of beperkt kwetsbare locatie:** gebouw of locatie als bedoeld in [bijlage VI, onder A en B, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&bijlage=VI) en gebouwen of locaties met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of een elektriciteitscentrale, voor zover die gebouwen of locaties wegens de gevolgen van een vliegtuigongeval bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval; - f. **bestaand s"},{"i":10356,"b":"Luchthavenregeling Oirschot Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair oefenterrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter; - c. **hoveren:** het stilhangen van een helikopter op geringe hoogte boven de grond. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihaven op het militaire oefenterrein Oirschot. Artikel 3 De militaire helihaven is gelegen te Oirschot en bestaat uit een cirkelvormig gebied met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 51°28'42,31\"N 005°21'03,28\"E,zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 4 De militaire helihaven staat uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 1. Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029849&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting een maximum van 500 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. 2. Hoveren vindt plaats in aaneengesloten periodes van maximaal 15 minuten, met een maximum van 180 minuten per dag. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats: - a. op vrijdag na 16.00 uur; - b. op zaterdag voor 10.00 uur en na 17.00 uur, en - c. op zon- en feestdagen. 2. Op maandag tot en met donderdag vinden voor 09.00 uur en na 23.00 uur geen grootschalige helikopterverplaatsingen plaats. 3. Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van dringende operationele noodzaak. Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 novembe"},{"i":10357,"b":"Luchthavenregeling Rijen Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair terrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihaven Rijen. Artikel 3 De militaire helihaven is gelegen te Rijen en bestaat uit een cirkelvormig gebied met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 51°35'05,83\"N 004°54'07,96\"E, zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 4 De militaire helihaven staat uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029852&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting een maximum van 100 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats voor 06.00 uur en na 22.00 uur. 2. Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van dringende operationele noodzaak. Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2010. Artikel 9 Deze regeling wordt aangehaald als: Luchthavenregeling Rijen. Bijlage Kaart schaal 1:10.000 ligt ter inzage bij de Militaire Luchtvaart Autoriteit te Den Haag. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10358,"b":"Luchthavenregeling Stroese Zand Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair oefenterrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter; - c. **hoveren:** het stilhangen van een helikopter op geringe hoogte boven de grond. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihaven op het militaire oefenterrein Stroese Zand. Artikel 3 De militaire helihaven is gelegen te Stroe en bestaat uit een cirkelvormig gebied met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 52°12’01,13”N 005°43’46,38”E, zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 4 De militaire helihaven staat uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 1. Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029859&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting een maximum van 300 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. 2. Hoveren vindt plaats in aaneengesloten periodes van maximaal 15 minuten, met een maximum van 180 minuten per dag. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats: - a. op vrijdag na 16.00 uur; - b. op zaterdag voor 10.00 uur en na 17.00 uur, en - c. op zon- en feestdagen. 2. Op maandag tot en met donderdag vinden voor 09.00 uur en na 23.00 uur geen grootschalige helikopterverplaatsingen plaats. 3. Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van dringende operationele noodzaak. Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 n"},{"i":10359,"b":"Luchthavenregeling Vlasakkers Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair oefenterrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter; - c. **hoveren:** het stilhangen van een helikopter op geringe hoogte boven de grond. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihavens op het militaire oefenterrein Vlasakkers. Artikel 3 De militaire helihavens zijn gelegen te Soesterberg en bestaan uit twee cirkelvormige gebieden met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 52°08'26,78\"N 005°20'11,54\"E en de coördinaat 52°08'23,08\"N 005°20'01,87\"E,zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 4 De militaire helihavens staan uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 1. Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029843&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting voor de twee gebieden gezamenlijk een maximum van 400 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. 2. Hoveren vindt plaats in aaneengesloten periodes van maximaal 15 minuten, met een maximum van 180 minuten per dag. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats: - a. op vrijdag na 16.00 uur; - b. op zaterdag voor 10.00 uur en na 17.00 uur, en - c. op zon- en feestdagen. 2. Op maandag tot en met donderdag vinden voor 09.00 uur en na 23.00 uur geen grootschalige helikopterverplaatsingen plaats. 3. Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van dri"},{"i":10360,"b":"Luchthavenregeling Vliehors Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair terrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihaven Vliehors. Artikel 3 De militaire helihaven is gelegen te Vlieland en bestaat uit een cirkelvormig gebied met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 53°14'30,67”N 004°55'21,50”E, zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 4 De militaire helihaven staat uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029858&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting een maximum van 60 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats: - a. op vrijdag na 16.00 uur; - b. op zaterdag, zondag en feestdagen. 2. Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van dringende operationele noodzaak. Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2010. Artikel 9 Deze regeling wordt aangehaald als: Luchthavenregeling Vliehors. Bijlage Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10361,"b":"Luchthavenregeling Waalsdorpervlakte Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair terrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihaven Waalsdorpervlakte. Artikel 3 De militaire helihaven is gelegen te Den Haag en bestaat uit een cirkelvormig gebied met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 52°06'47,35”N 004°19'28,41”E, zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 4 1. De militaire helihaven staat open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. 2. Voorts staat de militaire helihaven open voor het landen en opstijgen van helikopters die een algemeen maatschappelijk belang dienen en die volgens een vrijstelling als bedoeld in [artikel 10.13 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.13) daartoe gerechtigd zijn. Artikel 5 Voor het in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029851&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01), bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting een maximum van 150 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats voor 06.00 uur en na 22.00 uur. 2. Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van: - a. dringende operationele noodzaak; - b. vluchten die een algemeen maatschappelijk belang dienen. Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2010. Artikel 9 Deze regeling wordt aangeha"},{"i":10362,"b":"Besluit van 26 november 2002 tot vaststelling van een luchthavenverkeerbesluit voor de luchthaven Schiphol (Luchthavenverkeerbesluit Schiphol) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 juli 2002, kenmerk HDJZ/LUV/2002-1857, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 8.15 van de Wet luchtvaart](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 12 september 2002, kenmerk W09.02.0303/V en W09.02.0305/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 21 november 2002, kenmerk HDJZ/LUV/2002-2735, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **gebruiksjaar**: de periode van een jaar die loopt van 1 november tot en met 31 oktober; - b. **vliegtuig**: het begrip zoals dat is bepaald in [artikel 1, onderdeel ak, van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=1), met uitzondering van draagschroefvliegtuigen; - c. **straalvliegtuig**: een vliegtuig waarbij de voortstuwing direct door ten minste één straalmotor wordt verzorgd; - d. **vliegtuigbeweging**: de aankomst of het vertrek van een vliegtuig op of van de luchthaven; - e. **taxiën**: het begrip zoals dat is bepaald in [artikel 1, onderdeel af, van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=1). - f. **vlieghoogte en vliegniveau**: de begrippen zoals deze zijn bepaald in [artikel 1, onderdelen ai en aj, van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=1), met dien verstande dat: - 1°. een vlieghoogte die is uitgedrukt in voeten altijd bepaald wordt ten opzichte van het gemiddeld zeeniveau; - 2°. een vlieghoogte niet van toepassing is in het luchtruim boven de Nederlandse territoriale zee en boven de Noordzee"},{"i":10363,"b":"Luchtvaartovereenkomst tussen de Nederlandse Regering en de Oostenrijkse Federale Regering De Regeringen van Nederland en Oostenrijk, geleid door de wens het burgerlijk luchtvervoer tussen Nederland en Oostenrijk te bevorderen, sluiten hierbij de volgende Overeenkomst betreffende de geregelde diensten van luchtvaartmaatschappijen tussen haar onderscheidene grondgebieden, welke diensten aan de volgende bepalingen zullen zijn onderworpen. Artikel 1 Elke overeenkomstsluitende partij verleent aan de andere overeenkomstsluitende partij rechten in de mate, omschreven in de bij deze Overeenkomst behorende Bijlage, met het doel de daarin omschreven luchtdiensten (hierna te noemen „de overeengekomen diensten”) in te stellen. Artikel 2 (1). De overeengekomen diensten kunnen onmiddellijk, dan wel op een later tijdstip, naar verkiezing van de overeenkomstsluitende partij, waaraan de rechten zijn verleend, aanvangen, maar niet voordat - (a). de overeenkomstsluitende partij, waaraan de rechten zijn verleend, een of meer luchtvaartmaatschappijen voor de aangegeven route of routes heeft aangewezen, en - (b). de overeenkomstsluitende partij, welke de rechten verleent, de passende exploitatievergunning heeft gegeven aan de betrokken luchtvaartmaatschappij of -maatschappijen (hetgeen zij, behoudens het bepaalde in par. 2 van dit artikel en in artikel 7 zonder onnodig uitstel zal doen). (2). Van de aangewezen luchtvaartmaatschappij of -maatschappijen kan worden verlangd, dat zij ten genoegen van de luchtvaartautoriteiten van de overeenkomstsluitende partij, welke de rechten verleent, aantoont, dat zij in staat is (zijn) de voorwaarden na te komen, welke worden gesteld bij of krachtens de wetten en voorschriften, welke gewoonlijk door die autoriteiten met betrekking tot de exploitatie van commerciële luchtvaartmaatschappijen worden toegepast. (3). In gebieden, welke militair bezet zijn, of in gebieden, welke daarbij betrokken zijn, zal zulk een opening, waar nodig, onderworpen blijven a"},{"i":10366,"b":"Luchtvaartovereenkomst tussen Nederland en Finland De Regeringen van Nederland en Finland, geleid door de wens het burgerlijke luchtvervoer tussen Nederland en Finland te bevorderen en lettende op de resolutie, getekend op 7 December 1944 op de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Conferentie te Chicago, strekkende tot de aanvaarding van een standaard-model voor overeenkomsten voor voorlopige luchtroutes en diensten, sluiten hierbij de volgende overeenkomst, welke de geregelde luchttransportdiensten tussen haar onderscheidene grondgebieden omvat, welke aan de volgende voorwaarden zullen zijn onderworpen: Artikel 1 Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij rechten (in de mate, omschreven in de bij deze Overeenkomst behorende Bijlage), met het doel de daarin omschreven luchtdiensten in te stellen. Artikel 2 Elk van de zodanig omschreven luchtdiensten zal in exploitatie worden genomen zodra de Overeenkomstsluitende Partij, waaraan op grond van Artikel 1 de rechten zijn verleend om een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor de betreffende route, voor zulk een route een maatschappij toestemming zal hebben gegeven en de Overeenkomstsluitende Partij, welke de rechten verleent zal behoudens Artikel 7 van deze Overeenkomst verplicht zijn onverwijld de passende exploitatievergunning aan de betrokken luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen te geven; met dien verstande, dat van de aldus aangewezen luchtvaartmaatschappijen kan worden verlangd, dat zij ten genoegen van de bevoegde luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij, welke de rechten verleent op grond van de wetten en voorschriften, welke gewoonlijk door die autoriteiten worden toegepast, haar bevoegdheid bewijst alvorens het haar zal zijn vergund de bij deze Overeenkomst beoogde exploitatie aan te vangen. Artikel 3 Exploitatierechten, welke tevoren zouden kunnen zijn toegestaan door een van de Overeenkomstsluitende Partijen"},{"i":10367,"b":"Luchtvaartovereenkomst tussen Nederland en Uruguay De Nederlandsche Regeering en de Regeering van Uruguay hebben, gelet op de resolutie van 7 December 1944 van de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Conferentie te Chicago, Illinois, U.S.A., tot het aanvaarden van een model voor een overeenkomst inzake luchtroutes en diensten, haar gevolmachtigden als volgt benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Meester Floris Baron van Pallandt, Haren Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij de Republiek Uruguay, en Zijne Excellentie de President van de Republiek Uruguay: Zijn Minister van Buitenlandsche Zaken, Señor Don Mateo Marques Castro, die, nu hun volmachten, welke in juisten en voorgeschreven vorm werden bevonden, te hebben uitgewisseld, tot overeenstemming kwamen omtrent de volgende artikelen: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen verleenen elkaar de rechten, vermeld in de Bijlage, behoorende bij deze Overeenkomst, opdat de daarin omschreven geregelde luchtdiensten (hierna te noemen „de overeengekomen diensten”) kunnen worden ingesteld. Artikel II (1). Elk van de overeengekomen diensten kan onmiddellijk dan wel op een later tijdstip worden geopend, zulks naar verkiezing van de Overeenkomstsluitende Partij, waaraan de rechten zijn verleend, doch niet, dan nadat: - a. de Overeenkomstsluitende Partij, waaraan de rechten zijn verleend, een of meer luchtvaartmaatschappijen voor de aangegeven route of routes heeft aangewezen; - b. de Overeenkomstsluitende Partij, die de rechten verleent, aan de betreffende luchtvaartmaatschappij(en) de benoodigde exploitatievergunning zal hebben verleend (hetgeen zij, in overeenstemming met de voorzieningen van lid 2 van dit Artikel en van Artikel VI, onverwijld zal doen). (2). Van de aangewezen luchtvaartmaatschappijen kan worden verlangd, dat zij ten genoegen van de luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij, die de rechten verleent, aantoonen, dat zij in staat zijn de bepalingen"},{"i":10369,"b":"Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Colombia Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Colombia, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens een bijdrage te leveren aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart; Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging in het internationale luchtvervoer te waarborgen; Geleid door de wens een verdrag te sluiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Colombia ten behoeve van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. INLEIDING Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Infrastructuur en Milieu, en wat de Republiek Colombia betreft, de burgerluchtvaartautoriteit, of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die thans door de genoemde autoriteiten worden vervuld; - b. wordt onder „overeengekomen dienst” en „omschreven route” verstaan: respectievelijk de internationale luchtdienst overeenkomstig dit Verdrag en de route omschreven in de bijlage bij dit Verdrag; - c. wordt onder „Verdrag” verstaan: dit Verdrag en de bijlage erbij opgesteld voor de toepassing ervan, alsmede elke wijziging van het Verdrag of de bijlage; - d. hebben „luchtdienst”, „internationale luchtdienst” en „luchtvaartmaatschappij” de betekenis die daaraan in [artikel 96 van het Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96) respectievelijk wordt toegekend; - e. wordt onder „verandering van luchtvaartuig” verstaan: de exploitatie van een van de overeengekomen diensten door een aangewezen luchtvaartmaatschappij op zodanige wijz"},{"i":10370,"b":"Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Mauritius Preamble The Kingdom of the Netherlands and the Republic of Mauritius, hereinafter referred to as the Contracting Parties, Being parties to the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Desiring to contribute to the progress of international aviation; Desiring to conclude a new Agreement for the purpose of replacing the [Air Services Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Mauritius](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003845) of 15 November 1973, signed at Port Louis; Have agreed as follows: CHAPTER I. INTRODUCTION Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement - a). the term “Aeronautical Authorities” means: for the Kingdom of the Netherlands, the Minister of Infrastructure and the Environment of the Netherlands; for the Republic of Mauritius: the national Minister to whom the responsibility for civil aviation is assigned, or in either case any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said Authorities; - b). the terms “Agreed Service” and “Specified Route” mean: International Air Service pursuant to this Agreement and the route specified in the [Annex](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006368&bijlage=2&z=2015-12-01&g=2015-12-01) to this Agreement respectively; - c). the term “Agreement” means: this Agreement, its Annexes drawn up in application thereof, as well as any amendment to the Agreement or the Annexes; - d). the terms “Air Service”, “International Air Service” and “Airline” shall have the meaning respectively assigned to them in [Article 96 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96); - e). the term “Capacity” means: the combination of (a) frequency per week, (b) the configuration and (c) the type of aircraft used on the route offered to the public by"},{"i":10373,"b":"Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Republiek Colombia Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Republiek Colombia, hierna te noemen „de partijen”; Overwegend dat de Republiek Colombia en het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, lid zijn van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), zijnde partij zijn bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend) dat op 7 december 1944 te Chicago werd opengesteld voor ondertekening; Geleid door de wens in aanvulling op genoemd [Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) een luchtvaartverdrag te sluiten; Erkennend dat de doelstelling van dit Verdrag de bevordering is van de ontwikkeling van het luchtvervoer tussen beide grondgebieden, zodanig dat de economische en commerciële ontwikkeling van beide partijen wordt gestimuleerd, door conform het bepaalde in [artikel 44 van het Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=44) billijke en gelijke kansen te scheppen voor het exploiteren van internationale luchtvaartmaatschappijen; Met het oog op de bevordering van hun belangen in het internationaal luchtverkeer; De richtlijnen voor de ontwikkeling van het internationale luchtvervoer volgend van ICAO; Geleid door de wens de hoogste graad van beveiliging en veiligheid te waarborgen in het internationale luchtverkeer; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij anders wordt aangegeven, geldt voor de toepassing van dit Verdrag dat: - a. onder „Verdrag van Chicago” wordt verstaan het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig [artikel 90 van dat Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=90) aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen bij het Verdrag van Chicago of van het Ver"},{"i":10375,"b":"Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en Antigua en Barbuda inzake luchtvervoer tussen Antigua en Barbuda en de Nederlandse Antillen The Kingdom of the Netherlands, in respect of the Netherlands Antilles, and Antigua and Barbuda, hereinafter referred to as “the Parties”; Being Parties to the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on December 7, 1944; Desiring to contribute to the progress of regional and international civil aviation; Desiring to conclude an agreement for the purpose of establishing and operating air services between and beyond their respective territories; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement, unless otherwise stated, the term: - 1. “Aeronautical authorities” means, in the case of Antigua and Barbuda, the Minister responsible for Civil Aviation and in the case of the Kingdom of the Netherlands, the Minister of Transport and Communications of the Netherlands Antilles, and any person or body authorized to perform any functions at present exercised by said authorities; - 2. “Agreement” means this Agreement, its Annexes, and any amendments thereto; - 3. “Air transportation” means the public carriage by aircraft of passengers, baggage, cargo, and mail, separately or in combination, for remuneration or hire; - 4. “Convention” means the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on December 7, 1944, and includes; - a). any amendment that has entered into force under Article 94(a) of the Convention and has been ratified by both Parties, and - b). any Annex or any amendment thereto adopted under Article 90 of the Convention, insofar as such Annex or amendment is at any given time effective for both Parties; - 5. “Designated airline” means an airline designated and authorized in accordance with [Article 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004072&artikel=4&z=2010-03-01&g=2010-03-01"},{"i":10376,"b":"Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van het Caribische deel van Nederland, en de Verenigde Staten van Amerika inzake het luchtvervoer tussen het Caribische deel van Nederland en de Verenigde Staten van Amerika The Kingdom of the Netherlands, in respect of the Caribbean part of the Netherlands, and the United States of America, (hereinafter referred to as “the Parties”); Desiring to promote an international aviation system based on competition among airlines in the marketplace with minimum government interference and regulation; Desiring to make it possible for airlines to offer the traveling and shipping public a variety of service options, and wishing to encourage individual airlines to develop and implement innovative and competitive prices; Desiring to facilitate the expansion of international air transport opportunities; Desiring to ensure the highest degree of safety and security in international air transport and reaffirming their grave concern about acts or threats against the security of aircraft, which jeopardize the safety of persons or property, adversely affect the operation of air transportation, and undermine public confidence in the safety of civil aviation; and Being Parties to the [Convention on International Civil Aviation](onbekend), done at Chicago on December 7, 1944; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purposes of this Agreement, unless otherwise stated, the term: - 1. “aeronautical authorities” means, in the case of the United States, the Department of Transportation and, in the case of the Kingdom of the Netherlands, in respect of the Caribbean part of the Netherlands, the Ministry of Infrastructure and Water Management of the Netherlands, and any person or agency authorized to perform functions exercised by the Department of Transportation or the Ministry of Infrastructure and Water Management; - 2. “Agreement” means this Agreement and any amendments thereto; - 3. “air transportation” means"},{"i":10378,"b":"Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden voor Aruba en de Verenigde Staten van Amerika inzake het luchtvervoer tussen Aruba en de Verenigde Staten van Amerika The Kingdom of the Netherlands in respect of Aruba and United States of America (hereinafter, “the Parties\"); Desiring to promote an international aviation system based on competition among airlines in the marketplace with minimum government interference and regulation; Desiring to facilitate the expansion of international air transport opportunities; Desiring to make it possible for airlines to offer the traveling and shipping public a variety of service options at the lowest prices that are not discriminatory and do not represent abuse of a dominant position, and wishing to encourage individual airlines to develop and implement innovative and competitive prices; Desiring to ensure the highest degree of safety and security in international air transport and reaffirming their grave concern about acts or threats against the security of aircraft, which jeopardize the safety of persons or property, adversely affect the operation of air transportation, and undermine public confidence in the safety of civil aviation; and Being Parties to the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on December 7, 1944; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purposes of this Agreement, unless otherwise stated, the term: - 1. “Aeronautical authorities\" means, in the case of the United States, the Department of Transportation, or its successor, and in the case of the Kingdom of the Netherlands, the Department of Civil Aviation of Aruba or its successor, and any person or agency authorized to perform the functions exercised by said authorities; - 2. “Agreement\" means this Agreement, its Annexes, and any amendments thereto; - 3. “Airline(s)\" when referring to the airline(s) of a Party, shall mean United States airlines in the case of the United States and Aruban airlines"},{"i":10379,"b":"Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden voor de Nederlandse Antillen en de Verenigde Staten van Amerika inzake het luchtvervoer tussen de Nederlandse Antillen en de Verenigde Staten van Amerika The Kingdom of the Netherlands in respect of the Netherlands Antilles and the United States of America (hereinafter, “the Parties\"); Desiring to promote an international aviation system based on competition among airlines in the marketplace with minimum government interference and regulation; Desiring to facilitate the expansion of international air transport opportunities; Desiring to make it possible for airlines to offer the travelling and shipping public a variety of service options at the lowest prices that are not discriminatory and do not represent abuse of a dominant position, and wishing to encourage individual airlines to develop and implement innovative and competitive prices; Desiring to ensure the highest degree of safety and security in international air transport and reaffirming their grave concern about acts or threats against the security of aircraft, which jeopardize the safety of persons or property, adversely affect the operation of air transportation, and undermine public confidence in the safety of civil aviation; and Being Parties to the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on December 7, 1944; Have agreed as follows: Article 1. Definitions Vervallen Article 2. Grant of Rights Vervallen Article 3. Designation and Authorization Vervallen Article 4. Revocation of Authorization Vervallen Article 5. Application of Laws Vervallen Article 6. Safety Vervallen Article 7. Aviation Security Vervallen Article 8. Commercial Opportunities Vervallen Article 9. Customs Duties and Charges Vervallen Article 10. User Charges Vervallen Article 11. Fair Competition Vervallen Article 12. Pricing Vervallen Article 13. Consultations Vervallen Article l4. Settlement of Disputes Vervallen Article 15. Termination Vervallen A"},{"i":10380,"b":"Luchtvaartwet BES Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **luchtvaart:** het gebruik van luchtvaartuigen; - b. **luchtvaartuigen:** toestellen, die in de dampkring kunnen worden gehouden tengevolge van krachten, die de lucht daarop uitoefent, met inbegrip of met uitzondering van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen toestellen; - c. **vliegtuigen:** gemotoriseerd luchtvaartuig met vaste vleugels, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht gehouden kan worden door aerodynamische reactiekrachten op zijn vleugels; - d. **helikopter:** gemotoriseerd luchtvaartuig met rotorbladen, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht kan worden gehouden door de aerodynamische reactiekrachten op zijn rotorbladen; - e. **Nederlands luchtvaartuigen:** in Nederland geregistreerde luchtvaartuigen; - f. **buitenlandse luchtvaartuigen:** luchtvaartuigen, ingeschreven in een buitenlands nationaliteitsregister; - g. **luchtvaartterrein:** delen van het territoir van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba te land of te water ingevolge deze wet aangewezen voor het landen en opstijgen van luchtvaartuigen, alsmede voor de bewegingen op de grond, die daarmee verband houden. - h. **exploitant van een luchtvaartterrein:** de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of de rechtspersoon te wiens naam ingevolge deze wet een luchtvaartterrein wordt aangewezen; - i. **luchtvaartmaatschappijen:** ondernemingen, die geheel of gedeeltelijk hun bedrijf maken van het vervoer van personen, dieren of goederen met luchtvaartuigen; - j. **beroepsvervoer:** vervoer met een luchtvaartuig van personen of goederen, niet zijnde eigen vervoer, luchtwerk of particulier vervoer; - k. **eigen vervoer:** vervoer niet tegen vergoeding en uitsluitend ten behoeve van een eigen onderneming of bedrijf, van werknemers met een dienstverband van tenminste drie maanden bij die onderneming of"},{"i":10723,"b":"Vaststelling beschikbaar bedrag 2002 Kredietregeling bodemsanering Nationale Investeringsbank handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën, maakt overeenkomstig artikel 11, vierde lid, van de overeenkomst kredietverlening vrijwillige bodemsanering 1993 bekend dat voor het jaar 2002 € 40.658.707,- beschikbaar is voor het verschaffen van garanties op grond van de genoemde overeenkomst."},{"i":10382,"b":"Luchtvervoersovereenkomst tussen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden en van de Republiek ten Oosten van de Uruguay Preambule De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van de Republiek ten Oosten van de Uruguay, partijen bij het op 7 december 1944 voor ondertekening opengestelde Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, met het oogmerk een Overeenkomst te sluiten waardoor de geregelde burgerluchtvaartdiensten tussen hun respectieve grondgebieden en verder gelegen punten zullen berusten op een grondslag van gelijke mogelijkheden en zullen worden uitgevoerd op gezonde en economische wijze, zijn het navolgende overeengekomen: Algemene begrippen Artikel I Vervallen Verlening van rechten Artikel II Vervallen Voorwaarden voor de uitoefening van de verleende rechten Artikel III Vervallen Verboden zones Artikel IV Vervallen Intrekking, opschorting en beperking van rechten Artikel V Vervallen Gebruik van installaties en diensten en het opleggen van luchthavenrechten Artikel VI Vervallen Vrijstelling van douanerechten Artikel VII Vervallen Vrijstelling van belasting op winst uit exploitatie Artikel VIII Vervallen Overmaking van overschotten Artikel IX Vervallen Faciliteiten voor passagiers, bagage en vracht in transito Artikel X Vervallen Erkenning van bewijzen van luchtwaardigheid, vergunningen en bewijzen van bevoegdheid Artikel XI Vervallen Vervoerstarieven Artikel XII Vervallen Toepassing van wetten en voorschriften Artikel XIII Vervallen Overtredingen door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen Artikel XIV Vervallen Statistieken Artikel XV Vervallen Gedachtenwisseling Artikel XVI Vervallen Overleg, wijziging en verbetering van Overeenkomst en Bijlagen Artikel XVII Vervallen Geschillenbeslechting Artikel XVIII Vervallen Wijziging door een multilateraal Verdrag Artikel XIX Vervallen Registratie van de Overeenkomst Artikel XX Vervallen Toepassing van de Overeenkomst Artikel XXI Vervallen Opzegging van de Overeenkomst Artikel XXII Ve"},{"i":10383,"b":"Besluit van 12 september 1996, houdende vaststelling van de Maatregel te boek gestelde luchtvaartuigen 1996 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 maart 1996, nr. MJZ96011826, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Ministers van Justitie en van Verkeer en Waterstaat; Gelet op het op 19 juni 1948 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale erkenning van rechten op luchtvaartuigen (**Trb.**1952, 86), alsmede op de artikelen 1303, eerste lid, onder **b**, en 1321 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, [artikel 584**f**, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=584f) en [artikel 10, vierde juncto derde lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=10); De Raad van State gehoord (advies van 11 juni 1996, nr. W08.96.0128); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 september 1996, nr. MJZ 96050717, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Ministers van Justitie en van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541); - b. verdragsregister: een buiten Nederland gehouden register als bedoeld in artikel I, eerste lid, onder ii, van het op 19 juni 1948 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de internationale erkenning van rechten op luchtvaartuigen (Trb. 1952, 86); - c. nationaliteitsregister: register als bedoeld in artikel 17 van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, H 165). Artikel 2 De verplichtingen die krachtens dit besluit rusten op de eigenaar"},{"i":10384,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 1 maart 2013, nr. IENM/BSK-2013/28037 tot machtiging van de algemeen manager van het Expertisecentrum Organisatie en Personeel inzake bezwaar- en beroepsprocedures betreffende personeelsaangelegenheden (Machtigingsbesluit EC O&P Infrastructuur en Milieu) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder manager: de algemeen manager van het Expertisecentrum Organisatie en Personeel, ressorterend onder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. Aan de manager wordt inzake personeelsaangelegenheden machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften, waaronder het ondertekenen van stukken in het kader van bezwaarprocedures, het ondertekenen van verweerschriften in bezwaar- en beroepsprocedures, het instellen van bezwaar bij uitvoeringsorganisaties, het instellen van beroep en hoger beroep bij rechtbanken en de Centrale Raad van Beroep, het vertegenwoordigen van de minister ter zitting, het verdagen van de beslistermijn in bezwaarzaken als bedoeld in [artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) alsmede het doen van mededelingen als bedoeld in [artikel 4:14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:14), [artikel 4:15, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15), en artikel 7:10, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 2. Aan de manager wordt machtiging verleend om bij de behandeling van een geschil inzake personeelsaangelegenheden één of meer personen als medegemachtigde te introduceren. 3. Het instellen van bezwaar, beroep en hoger beroep geschiedt uitsluitend na een daartoe strekkende opdracht. 4. De manager kan voor aangelegenheden als bedoeld in het eerste en tweede lid machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende medewerkers. Artikel 3 De uit dit besluit voor de manager voortvloeiende bevoegdheden ga"},{"i":10386,"b":"Besluit van de directeur Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 januari 2024, nr. 5164823, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart NCTV 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Mandaatbesluit NCTV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042181&artikel=1) aan de directeur Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun afdeling betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van de Afdeling Contraterrorisme 1; - b. het hoofd van de Afdeling Contraterrorisme 2; - c. het hoofd van de Afdeling Beveiliging Burgerluchtvaart. Artikel 2 De in [artikel 1, onder a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049335&artikel=1&z=2024-02-10&g=2024-02-10), genoemde functionarissen wordt toegestaan elkaar volledig te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars bevoegdheden. Artikel 3 Het [Mandaatbesluit Contraterrorisme NCTV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042186) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2022. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart NCTV 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10387,"b":"Meldingsregeling milieu-investeringsaftrek 2001 Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 3.42a, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42a); Besluit: Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 3.42a, vierde en achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42a). 2. Deze regeling verstaat onder wet: [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353). Artikel 2 1. De aanmelding, bedoeld in [artikel 3.42a, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42a), van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een bedrijfsmiddel als bedoeld in de bijlage 1 van de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen moet binnen een termijn van drie maanden plaats vinden. Deze termijn vangt aan: - a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichting; - b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt of, ingeval het bedrijfsmiddel ter zake waarvan de voortbrengingskosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen, bij ingebruikneming van het bedrijfsmiddel. 2. Ingeval [artikel 3.52, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52) toepassing vindt, vangt met betrekking tot voortbrengingskosten de termijn aan bij de inwerkingtreding van de ministeriële regeling indien dat leidt tot een aanmelding op een eerder tijdstip dan op grond van het eerste lid. Artikel 3 1. De aanmelding van de aangegane verplichtingen en de gemaakte voortbrengingskosten vindt uitsluitend plaats langs de daartoe door de Minister van Economische Zaken en Klimaat geopende elektronische weg. 2"},{"i":10388,"b":"Memorandum van overeenstemming inzake de oprichting van de Organisatie Mondiaal Samenwerkingsverband Water Preambule De ondertekenende Partijen hierbij, Erop wijzende dat het Netwerk Mondiaal Samenwerkingsverband Water een Netwerk is zonder rechtspersoonlijkheid, dat belanghebbende partners uit de overheidssector, de particuliere sector en de civiele samenleving verenigt die betrokken zijn bij waterzaken overal ter wereld; Geleid door de wens het Netwerk te steunen en daarmee samen te werken bij de verwezenlijking van zijn doelstelling met handhaving van het soepele en pragmatische karakter van de wijze van functioneren van het Netwerk; Ertoe aangezocht een organisatie op te zetten om het Netwerk te steunen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Oprichting 1. De Partijen bij dit Memorandum richten hierbij de Organisatie Mondiaal Samenwerkingsverband Water op in de vorm van een intergouvernementele organisatie. 2. De Partijen hierbij aanvaarden de Statuten voor het Netwerk Mondiaal Samenwerkingsverband Water en de Organisatie Mondiaal Samenwerkingsverband Water. Deze Statuten zijn als Bijlage I aan dit Memorandum gehecht en vormen een integrerend deel van dit Memorandum. 3. De Partijen bij dit Memorandum zijn hierbij aangewezen als Bijdragende Partners van de Organisatie Mondiaal Samenwerkingsverband Water, zoals geregeld in de Statuten. Artikel II. Uittreding Een Partij bij dit Memorandum kan hieruit uittreden, en treedt daarbij tevens uit als lid van de Organisatie. Deze uittreding wordt van kracht drie maanden na de datum waarop hiervan is kennis gegeven aan de Depositaris bedoeld in [artikel 20 van de Statuten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001570&artikel=20&z=2003-01-22&g=2003-01-22). Na uittreding is deze Partij niet langer een Bijdragende Partner van de Organisatie. Artikel III. Toetreding Een Staat of een intergouvernementele organisatie kan te allen tijde de Depositaris in kennis stellen van zijn verzoek tot toetreding tot dit Memorandum. I"},{"i":10390,"b":"Memorie van Overeenstemming inzake het vermijden van overlappingen en geschillen met betrekking tot zeebodemgebieden De Regeringen van het Koninkrijk België, Canada, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Italië, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika enerzijds en de Regering van de Volksrepubliek China anderzijds, hierna te noemen de „Partijen”; Overwegend dat een lichaam waarvoor de Volksrepubliek China borg staat, bij de Voorbereidende Commissie voor de Internationale Zeebodemautoriteit en het Internationale Hof voor het Zeerecht, hierna te noemen de „Voorbereidende Commissie”, een verzoek heeft ingediend voor registratie als pionier-investeerder met betrekking tot een gebied, de coördinaten waarvan zijn aangegeven in bijlage I van deze Memorie van overeenstemming, hierna te noemen de „Memorie”; Gelet op de belangen van de lichamen genoemd in het eerste lid, letter a onder ii, van Resolutie II van de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Zeerecht, in gebieden, de coördinaten waarvan zijn opgenomen in de Zeerechtbulletins 7, 11 en 12 en die zijn aangegeven in bijlage II van deze Memorie; Met voldoening opmerkend dat er tussen de bovenbedoelde gebieden geen overlappingen bestaan; Geleid door de wens wederzijdse eerbiediging van die gebieden te waarborgen teneinde mogelijke geschillen in de toekomst te vermijden; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Na toewijzing door de Voorbereidende Commissie aan het lichaam - in zijn hoedanigheid van pionier-investeerder - waarvoor de Volksrepubliek China borg staat, van het in bijlage I van deze Memorie genoemde gebied zullen de Regeringen van België, Canada, Duitsland, Italië, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten dat gebied eerbiedigen. 2. De Regering van de Volksrepubliek China zal de in bijlage II van deze Memorie genoemde gebieden eerbiedigen. 3. De in het eerste en tweede lid hierboven"},{"i":10391,"b":"Multilaterale Overeenkomst inzake bewijzen van luchtwaardigheid van ingevoerde luchtvaartuigen De Staten welke deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat het te Chicago op 7 december 1944 ondertekende [Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) zekere bepalingen bevat betreffende bewijzen van luchtwaardigheid, Overwegende dat er niettemin geen multilaterale overeenkomst bestaat betreffende de afgifte en gelijkstelling van bewijzen van luchtwaardigheid van luchtvaartuigen welke vanuit de ene Staat in de andere worden ingevoerd, en Overwegende dat het wenselijk is dergelijke regelingen te treffen met betrekking tot zulke luchtvaartuigen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Deze Overeenkomst is alleen van toepassing op burgerluchtvaartuigen welke zijn gebouwd binnen het gebied van een Overeenkomstsluitende Staat en welke vanuit de ene Overeenkomstsluitende Staat zijn ingevoerd in een andere, mits dergelijke luchtvaartuigen: - a). zijn gebouwd overeenkomstig de van toepassing zijnde wetten, bepalingen en eisen betreffende luchtwaardigheid van de Staat waar het luchtvaartuig gebouwd werd; - b). voldoen aan de van toepassing zijnde minimum luchtwaardigheidsnormen, vastgesteld overeenkomstig het [Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507); - c). kunnen voldoen aan de eisen gesteld bij de voorschriften voor de vluchtuitvoering van de Staat welke invoert; en - d). voldoen aan alle overige bijzondere voorwaarden medegedeeld overeenkomstig artikel 4 van deze Overeenkomst. Artikel 2 1. Indien een Overeenkomstsluitende Staat een aanvraag ontvangt voor een bewijs van luchtwaardigheid met betrekking tot een luchtvaartuig hetwelk is ingevoerd of wordt ingevoerd in zijn gebied en vervolgens ingeschreven in zijn register, dient hij, onder voorbehoud van voldoening aan de overige bepalingen van deze Overeenkomst, hetzij - a). het bewijs van luchtwaardigheid"},{"i":10392,"b":"Multilaterale Overeenkomst inzake commerciële rechten voor niet-geregelde luchtdiensten in Europa De Regeringen welke deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende, dat elk van de bij de Overeenkomst partij zijnde Staten tot beleid heeft, luchtvaartuigen, gebezigd op niet-geregelde commerciële vluchten binnen Europa, welke zijn geregelde luchtdiensten niet schaden, vrijelijk toe te laten op zijn grondgebied tot het opnemen en afzetten van personen, goederen en post, Overwegende, dat de behandeling bevredigend is, welke in de bepalingen van de eerste alinea van [artikel 5 van het te Chicago op 7 december 1944 ondertekende Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=5) (hierna te noemen „het Verdrag”) is voorzien voor de internationale bewegingen van particuliere luchtvaartuigen en van luchtvaartuigen, gebezigd voor niet-geregeld commercieel vervoer, welke het grondgebied van de Staten die partij zijn bij dat [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) binnenvliegen dan wel er zonder tussenlanding over vliegen of er landen anders dan voor verkeersdoeleinden, en Geleid door de wens tot verdere overeenstemming te komen met betrekking tot het recht hetwelk de [tweede alinea van artikel 5 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=5) aan hun commerciële luchtvaartuigen verleent om passagiers, goederen of post op te nemen en af te zetten op internationale vluchten tegen vergoeding of beloning anders dan op geregelde internationale luchtdiensten, Hebben tot dat doel deze Overeenkomst gesloten. Artikel 1 Deze Overeenkomst is van toepassing op elk burgerlijk luchtvaartuig dat - a). is ingeschreven in een Staat welke lid is van de Europese Burgerluchtvaart Vergadering, en - b). wordt geëxploiteerd door een onderdaan van een van de Overeenkomstsluitende Staten, daartoe behoorlijk gemachtigd door de bevoegde nationale autoriteit van die Staat, wanneer dat luchtva"},{"i":10393,"b":"Nachtvluchtenregeling Schiphol Handelende in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Overwegende dat de regering heeft besloten haar aanvankelijke in het Structuurschema burgerluchtvaartterreinen Deel d (Tweede Kamer, zitting 1980–1981, 15 880, nrs. 10–11) aangekondigde besluit tot de aanleg van een ten opzichte van de baan 01L-19R gedraaide baan, ter vervanging van deze baan, te herroepen (Deel d, gewijzigde regeringsbeslissing, Tweede Kamer, vergaderjaar 1985, 15 880, nrs. 27–28); Overwegende dat het in verband daarmee gewenst is het aantal nachtvluchten over Zwanenburg/Halfweg te beperken tot vermindering van de aldaar ondervonden geluidsoverlast; Gezien de brief van de N.V. Luchthaven Schiphol van 25 september 1985, kenmerk 104/26-1/RS/CB, aan de directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst, houdende een verzoek tot wijziging van de vigerende nachtvluchtenregeling; Gezien de brief van de Rijksluchtvaartdienst van 21 oktober 1986, nr. LI/GZ/7525, aan de van de luchthaven Schiphol gebruik makende luchtvaartmaatschappijen, ter zake van een ontwerp-wijziging van de vigerende nachtvluchtenregeling; Gezien de schriftelijke reacties van een aantal luchtvaartmaatschappijen alsmede van het Schiphol Airport Operators Committee, waarin de vrees wordt uitgesproken dat de in de ontwerp-wijziging voorgestelde bepaling, volgens welke het gebruik van een andere baan dan de geluidpreferente baan 06-24 zou zijn verboden voor vliegtuigen die niet aan de strengste (Hoofdstuk 3) geluidnormen van de internationale burgerluchtvaartorganisatie voldoen, de mogelijkheden tot het uitvoeren van nachtvluchten ernstig zou bemoeilijken, c.q. onmogelijk zou maken; Gelet op een analyse van het nachtverkeer op de luchthaven Schiphol waaruit blijkt dat, hoewel de aantallen nachtvluchten per maatschappij betrekkelijk gering zijn, een niet onaanzienlijk deel van deze vluchten door de voornoemde verbodsbepaling getroffen zou kunnen worden; Overw"},{"i":10394,"b":"Wet van 15 maart 1928, houdende regeling van sommige van landgoederen geheven belastingen tot bevordering van behoud van natuurschoon Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is om, tot bevordering van behoud van natuurschoon, sommige van landgoederen geheven wordende belastingen nader te regelen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan, bij deze: Artikel 1 1. Deze wet verstaat onder: - a. landgoed: een geheel of gedeeltelijk met natuurterreinen, bossen of andere houtopstanden bezette onroerende zaak - daaronder begrepen die waarop een buitenplaats of andere, bij het karakter van het landgoed passende, opstallen voorkomen - voor zover het blijven voortbestaan van die onroerende zaak in zijn karakteristieke verschijningsvorm voor het behoud van het natuurschoon wenselijk is, en: - 1°. de onroerende zaak in Nederland is gelegen, of - 2°. de onroerende zaak is gelegen in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat waarmee Nederland een regeling is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen en deze zaak een element vormt van het Nederlands cultureel erfgoed. - b. eigenaar: - 1°. de eigenaar van een onroerende zaak die niet is bezwaard met het beperkt recht van vruchtgebruik of, behoudens in gevallen als bedoeld in het derde lid, dat van erfpacht; - 2°. de vruchtgebruiker of, behoudens in gevallen als bedoeld in het derde lid, de erfpachter; - c. economische eigendom: een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot een onroerende zaak, dat een belang bij die zaak vertegenwoordigt. Het belang omvat ten minste enig risico van waardeverandering en komt toe aan een ander dan de civiel-juridische eigenaar. De verlening van uitsluitend het recht op levering wordt niet aangemerkt als overdracht van economische eigendom; - d. Onze Mi"},{"i":10395,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Amerikaanse Regering, houdende een Overeenkomst betreffende de oprichting van een Technisch Studiecentrum voor de luchtverdediging For the „Rijksverdedigings Organisatie TNO” (RVO-TNO) (National Defense Research Council TNO): (sd.) G. J. SIZOO **Professor G. J. Sizoo** **President, RVO-TNO** (sd.) P. F. TANJA **Mr. P. F. Tanja** **Secretary, RVO-TNO** For the Government of the United States of America: (sd.) WARD H. MARIS **Ward H. Maris, Maj. Gen.,** **USA (Ret.)** **Director, Mutual Weapons Development Program (Contracting Officer)** Approved: (sd.) C. STAF **Minister of War**"},{"i":10396,"b":"Notawisseling tussen de Nederlandse en de Franse Regering houdende een overeenkomst tot regeling van oorlogs- en watersnoodschade J'ai l'honneur de déclarer, par ordre de mon Gouvernement, que les dispositions ainsi établies sont acceptables pour le Gouvernement néerlandais. Si le Gouvernement français accepte également les dispositions qui précèdent, j'ai l'honneur de suggérer que la présente lettre et votre réponse soient considérées comme constituant un accord intervenu entre nos deux Gouvernements et entrant en vigueur le jour de la réception d'une note par laquelle le Gouvernement néerlandais fait savoir au Gouvernement français que l'approbation constitutionnellement requise aux Pays-Bas a été obtenue. Veuillez agréer, monsieur le Président, les assurances de ma plus haute considération. L'Ambassadeur, (s.) W. van BOETZELAER **Son Excellence** **Monsieur Pierre Mendès-France,** **Président du Conseil,** **Ministre des Affaires Etrangères,** **Quai d'Orsay,** **Paris**"},{"i":10397,"b":"Omscholing algemene natuurwetenschappen (anw) 1. Inleiding Met de Mededeling van 25 februari 1997 (Gele Katern, 1997, 6a) en de [Regeling van 21 november 1997](onbekend) (Gele Katern, 1997, 31) is de voorziening bekendgemaakt die ervoor zorgt dat het nieuwe vak algemene natuurwetenschappen door bevoegde docenten gegeven kan worden. In het cursusjaar 1999-2000 worden voor het laatst door de overheid gefaciliteerde cursussen georganiseerd (zie Mededeling d.d. 26 januari 1999, Gele Katern, 1999, 4). Het opgezette omscholingstraject voorziet in een duidelijke behoefte van docenten en scholen. Naar verwachting van de uitvoerders van de cursus blijft de belangstelling voor de cursus ook na afloop van de vastgestelde omscholingstranches bestaan. De behoefte zal blijven bestaan tot het moment dat de eerste lichting afgestudeerden van de vernieuwde (initiële) bèta-opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs afkomen, dat is in 2004. De uitvoerders zijn dan ook bereid om de omscholingscursus voor belangstellenden tegen betaling van de kosten te blijven aanbieden. 2. Omscholingscursus voor het vak ANW Na afloop van de gefaciliteerde omscholingstranches (zie de mededeling van 25 februari 1997) zal aan de volgende universitaire lerarenopleidingen (ulo’s) een omscholingscursus ANW blijven bestaan: De ulo’s van de Universiteit van Amsterdam, de Vrije Universiteit, de Rijksuniversiteit Groningen, de Universiteit Leiden, de Katholieke Universiteit Nijmegen, de Universiteit Twente en de Universiteit Utrecht. Het projectbureau omscholing ANW, Postbus 80000, 3508 TA te Utrecht (tel. 030-2531179) blijft het centrale aanspreekpunt voor de inschrijfprocedure. Verzoeken om een cursusplaats worden door scholen of individuen ingediend bij het projectbureau. Daarna worden de cursusplaatsen toegewezen aan de betrokken ulo’s. De locaties waar deze omscholingscursussen worden gegeven zullen evenwichtig over het land worden gespreid met het oog op de bereikbaarheid ervan voor de deelnemers. 3. I"},{"i":10398,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu houdende omzetting van bepalingen omtrent het luchthavenluchtverkeer uit het aanwijzingsbesluit van de luchthaven Ameland, in verband met de vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens (Omzettingsregeling luchthaven Ameland) Gelet op [artikel X van de Wet van 18 december 2008 houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024928&artikel=X) (Stb. 2008, 561); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **beweging:** een start of een landing met een luchtvaartuig; - **daglichtperiode:** het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang zoals geldt voor de positie 52°00’ N en 05°00’ O op zeeniveau; - **exploitant:** gemeente Ameland; - **helikopter:** gemotoriseerd luchtvaartuig met rotorbladen, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht gehouden kan worden door aërodynamische reactiekrachten op zijn rotorbladen; - **verordening (EU) nr. 923/2012:** uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie van 26 september 2012 tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 en verordeningen (EG) nr. 1265/2007, (EG) 1794/2006, (EG) nr. 730/2006, (EG) nr. 1033/2006 en (EU) nr. 255/2010 (PbEU 2012, L 281); - **vliegtuig:** gemotoriseerd luchtvaartuig met vaste vleugels, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht gehouden kan worden door aërodynamische reactiekrachten op zijn vleugels; - **wet:** [wet van 18 december 2008, houdende wijzigin"},{"i":10399,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu houdende omzetting van bepalingen omtrent het luchthavenluchtverkeer uit het aanwijzingsbesluit van de luchthaven Drachten, in verband met de vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens (Omzettingsregeling luchthaven Drachten) Gelet op [artikel X van de Wet van 18 december 2008 houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024928&artikel=X) (Stb. 2008, 561); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **beweging:** een start of een landing met een luchtvaartuig; - **daglichtperiode:** het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang zoals geldt voor de positie 52°00’ N en 05°00’ O op zeeniveau; - **exploitant:** Stichting Vliegveld Drachten; - **helikopter:** gemotoriseerd luchtvaartuig met rotorbladen, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht gehouden kan worden door aërodynamische reactiekrachten op zijn rotorbladen; - **verordening (EU) nr. 923/2012:** uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie van 26 september 2012 tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 en verordeningen (EG) nr. 1265/2007, (EG) 1794/2006, (EG) nr. 730/2006, (EG) nr. 1033/2006 en (EU) nr. 255/2010 (PbEU 2012, L 281); - **wet:** [wet van 18 december 2008, houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naa"},{"i":10400,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 28 maart 2011, nr. IENM/BSK-2011/35363, houdende omzetting van bepalingen omtrent het luchthavenluchtverkeer uit het aanwijzingsbesluit van de luchthaven Haamstede, in verband met de vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens (Omzettingsregeling luchthaven Haamstede) Gelet op [artikel X van de Wet van 18 december 2008 houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024928&artikel=X) (Stb. 2008, 561); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **daglichtperiode:** het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang zoals geldt voor de positie 52°00’ N en 05°00’ O op zeeniveau; - –. **verordening (EU) nr. 923/2012:** uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie van 26 september 2012 tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 en verordeningen (EG) nr. 1265/2007, (EG) 1794/2006, (EG) nr. 730/2006, (EG) nr. 1033/2006 en (EU) nr. 255/2010 (PbEU 2012, L 281); - –. **zweefvliegtuig:** zweeftoestel met vaste vleugel, zijnde een luchtvaartuig zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht kan worden gehouden door aërodynamische reactiekrachten waarvan de vrije vlucht niet afhankelijk is van een motor. 2. De exploitant van de luchthaven is de Vliegclub Haamstede. Hoofdstuk 2. Luchthaven Artikel 2 1. Deze regeling is van toepassing op de luchthaven Haamstede. 2. Het luchthavengebied is aangegeven op de kaart in [bijlage 1](https://w"},{"i":10403,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu houdende omzetting van bepalingen omtrent het luchthavenluchtverkeer uit het aanwijzingsbesluit van de luchthaven Stadskanaal, in verband met de vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens (Omzettingsregeling luchthaven Stadskanaal) Gelet op [artikel X van de Wet van 18 december 2008 houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerlucht-havens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024928&artikel=X) (Stb. 2008, 561); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder daglichtperiode en MLA hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=1). 2. De exploitant van de luchthaven is de Stichting Luchthaven Stadskanaal. Hoofdstuk 2. Luchthaven Artikel 2 1. Deze regeling is van toepassing op de luchthaven Stadskanaal. 2. Het luchthavengebied is aangegeven op de kaart in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030169&bijlage=1&z=2011-07-01&g=2011-07-01) bij deze regeling. Hoofdstuk 3. Regels en grenswaarden Artikel 3 Op de luchthaven zijn uitsluitend burger MLA’s toegestaan. Artikel 4 1. Het gebruik van de luchthaven vindt plaats binnen de daglichtperiode overeenkomstig de zichtvliegvoorschriften, bedoeld in [hoofdstuk 3, afdeling 3, van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&afdeling=3). 2. De in het eerste lid genoemde periode kan uitsluitend ten behoeve van vliegtuigbestuurders die vluchten uitvoeren of gaan uitvoeren ten behoeve van het bespuiten en bestuiven van landbouwgewassen door de exploitant worden verlengd tot uiterlijk een half uur vóór zonsopgang en een half uur na zonsonderg"},{"i":10404,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu houdende omzetting van bepalingen omtrent het luchthavenluchtverkeer uit het aanwijzingsbesluit van de luchthaven Teuge, in verband met de vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens (Omzettingsregeling luchthaven Teuge) Gelet op [artikel X van de Wet van 18 december 2008 houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024928&artikel=X) (Stb. 2008, 561); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **beweging:** een start of een landing met een luchtvaartuig; - **daglichtperiode:** het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang zoals geldt voor de positie 52°00’ N en 05°00’ O op zeeniveau; - **exploitant:** NV Luchthaven Teuge; - **helikopter:** gemotoriseerd luchtvaartuig met rotorbladen, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht gehouden kan worden door aërodynamische reactiekrachten op zijn rotorbladen; - **IFR:** instrument vliegvoorschriften; - **verordening (EU) nr. 923/2012:** uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie van 26 september 2012 tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 en verordeningen (EG) nr. 1265/2007, (EG) 1794/2006, (EG) nr. 730/2006, (EG) nr. 1033/2006 en (EU) nr. 255/2010 (PbEU 2012, L 281); - **vliegtuig:** gemotoriseerd luchtvaartuig met vaste vleugels, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht gehouden kan worden door aërodynamische reactiekrachten op zijn vleugels; - **wet:** [we"},{"i":10405,"b":"Besluit van de directeur Communicatie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, van 23 november 2023, nr. IENW/BSK-2023/344510, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Ondermandaatbesluit directie Communicatie Infrastructuur en Waterstaat 2023) Gelet op [artikel 27, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27); Besluit: Artikel 1. Verlening ondermandaat Aan de afdelingshoofden, bedoeld in [artikel 11, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=11), worden de door de minister aan de directeur Communicatie verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27), voor zover die behoren bij hun taak, bedoeld in [artikel 11, zesde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=11), in ondermandaat verleend. Artikel 2. Omvang ondermandaat Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048991&artikel=1&z=2023-12-05&g=2023-12-05) verleende ondermandaat omvat niet de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar. Artikel 3. Intrekking Het Ondermandaatbesluit directie Communicatie Infrastructuur en Milieu 2012 wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Ondermandaatbesluit directie Communicatie Infrastructuur en Waterstaat 2023 Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10406,"b":"Besluit van de directeur Nederlandse emissieautoriteit van 22 december 2011, nr. IenM/BSK-2011/174685, houdende de verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Ondermandaatbesluit directie Nederlandse emissieautoriteit Infrastructuur en Milieu 2012) Gelet op [artikel 23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=23), [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=29) en [artikel 30 van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=30); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. : Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **directeur:** de directeur Nederlandse emissieautoriteit, genoemd in [artikel 20, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=20); - b. **afdelingshoofd:** een afdelingshoofd als bedoeld in [artikel 20, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=20); - c. **aan de directeur verleende bevoegdheden:** de door de minister aan de directeur verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 23, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=23); en - d. **taken:** de taken, bedoeld in [artikel 20, vijfde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=20). Artikel 2. : Verlening ondermandaat Aan de afdelingshoofden worden de aan de directeur verleende bevoegdheden, voor zover die behoren bij hun taken, in ondermandaat verleend. Artikel 3. : Omvang ondermandaat Het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031091&artikel=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01) verleende ondermandaat omvat niet de bevoegdheid tot het besliss"},{"i":10408,"b":"Besluit van de directeur-generaal Milieu en Internationaal, van 13 november 2023, nr. IENW/BSK-2023/311445, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Ondermandaatbesluit directoraat-generaal Milieu en Internationaal 2023) Gelet op [artikel 27, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27); BESLUIT: Artikel 1. Verlening ondermandaat Aan de directeuren en afdelingshoofden, bedoeld in [artikel 6, derde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=6), worden de door de Minister aan de directeur-generaal Milieu en Internationaal verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27), voor zover die behoren bij hun taken, bedoeld in artikel 6, achtste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023, in ondermandaat verleend. Artikel 2. Omvang ondermandaat Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049283&artikel=1&z=2024-01-20&g=2024-01-20) verleende ondermandaat omvat niet de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar. Artikel 3. Intrekking Het [Ondermandaatbesluit directoraat-generaal Milieu en Internationaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042031) wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Ondermandaatbesluit directoraat-generaal Milieu en Internationaal 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10409,"b":"Besluit van de directeur-generaal Water en Bodem, van 13 november 2023, nr. IENW/BSK-2023/311019, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Ondermandaatbesluit directoraat-generaal Water en Bodem 2023) Gelet op [artikel 27, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27); BESLUIT: Artikel 1. Verlening ondermandaat Aan de directeuren, de programmadirecteur, afdelingshoofden en programmamanagers, bedoeld in [artikel 8, derde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=8), worden de door de Minister aan de directeur-generaal Water en Bodem verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27), voor zover die behoren bij hun taken, bedoeld in artikel 8, achtste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023, in ondermandaat verleend. Artikel 2. Omvang ondermandaat Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049279&artikel=1&z=2024-01-20&g=2024-01-20) verleende ondermandaat omvat niet de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar. Artikel 3. Intrekking Het [Ondermandaatbesluit directoraat-generaal Water en Bodem](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042028) wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Ondermandaatbesluit directoraat-generaal Water en Bodem 2023. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":10410,"b":"Ontheffing houtopstanden Rijkswaterstaat Gelet op [artikel 6, tweede lid, van de Boswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002357&artikel=6); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder wet: [Boswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002357). Artikel 2 1. Aan Rijkswaterstaat wordt toestemming als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit herbeplanting artikel 3 Boswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002372&artikel=2), verleend om een gevelde houtopstand te herbeplanten op andere grond dan waarop de gevelde houtopstand zich bevond. Rijkswaterstaat spant zich in om de herbeplanting te realiseren in de provincie waar de velling plaatsvindt. 2. Aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, is het voorschrift verbonden dat Rijkswaterstaat bij de kennisgeving, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002357&artikel=2) aangeeft waar de herbeplanting zal plaatsvinden, alsmede wat de aard en hoeveelheid van de herbeplanting is. De herbeplanting geschiedt door op bosbouwkundig verantwoorde wijze een ten minste gelijke oppervlakte te realiseren. Artikel 3 1. Voor projecten die langer dan twee jaren duren, wordt aan Rijkswaterstaat ontheffing verleend van de verplichting, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002357&artikel=3), om de houtopstand binnen een tijdvak van drie jaren te herbeplanten. 2. Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is de voorwaarde verbonden dat Rijkswaterstaat de betrokken houtopstanden zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen een tijdvak van vijf jaren na kennisgeving herbeplant. 3. Bij de kennisgeving op grond van [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002357&artikel=2), vermeldt Rijkswaterstaat de termijn waarbinnen Rijkswaterstaat verwacht voldaan te hebben aan de plicht tot herbeplanting. 4. Na opleve"},{"i":10411,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 8 mei 2023, nr. IENM/BSK-2023/96266, houdende vaststelling van de organisatie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de secretaris-generaal en de diensthoofden (Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023) Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), [10:11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:11) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen organisatie en mandaat Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bewindspersoon:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat of Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat; - **dienst:** onderdeel van het ministerie, genoemd in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2&z=2026-02-12&g=2026-02-12); - **diensthoofd:** persoon die overeenkomstig dit besluit, dan wel overeenkomstig overige wet- en regelgeving, is belast met de leiding van een dienst; - **dienstonderdeel:** onderdeel van een dienst; - **dienstonderdeelhoofd:** persoon die overeenkomstig dit besluit, dan wel overeenkomstig overige wet- en regelgeving, is belast met de leiding van een dienstonderdeel; - **functionaris:** persoon die krachtens een arbeidsovereenkomst of krachtens een andere overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie; - **ministerie:** Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - **plaatsvervangend secretaris-gene"},{"i":10413,"b":"Overeenkomst inzake de afgifte van een reisdocument aan vluchtelingen die ressorteren onder het Intergouvernementele Comité voor vluchtelingen The Contracting Governments, Having examined a Resolution adopted by the Intergovernmental Committee on Refugees at its Plenary Session on 17th August, 1944, relating to the establishment of an identity and travel document for refugees who are the concern of the Intergovernmental Committee on Refugees, Having regard to the international measures previously taken in the matter of travel documents for certain categories of refugees, Convinced of the necessity of taking similar measures on behalf of the refugees referred to in the above-mentioned Resolution, with a view, in particular, to facilitating the movement of these refugees, Considering that the making of arrangements for the emigration of refugees who cannot be absorbed in the countries in which they have taken refuge is an essential part of the work undertaken for the benefit of the said refugees, Have agreed as follows: Article 1 1. Subject to the further provisions laid down in Articles 2 and 16, a travel document, in accordance with the provisions of Article 3, shall be issued by the Contracting Governments to refugees who are the concern of the Intergovernmental Committee, provided that the said refugees are stateless or do not in fact enjoy the protection of any Government, that they are staying lawfully in the territory of the Contracting Government concerned, and that they are not benefiting by the provisions regarding the issue of a travel document contained in the Arrangements of 5th July, 1922, 31st May, 1924, 12th May, 1926, 30th June, 1928, 30th July, 1935, or the Convention of 28th October, 1933. 2. The said document will be issued to refugees who apply for it for the purpose of travel outside their country of residence. Article 2 As a transitional measure, the document referred to in Article 1 may, at the discretion of the Government concerned, be issued"},{"i":10414,"b":"Overeenkomst inzake de bescherming van Afrikaans-Euraziatische trekkende watervogels The Contracting Parties, Recalling that the [Convention on the Conservation of Migratory Species of Wild Animals, 1979](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004769), encourages international cooperative action to conserve migratory species; Recalling further that the first meeting of the Conference of the Parties to the Convention, held in Bonn in October 1985, instructed the Secretariat of the Convention to take appropriate measures to develop an Agreement on Western Palearctic Anatidae; Considering that migratory waterbirds constitute an important part of the global biological diversity which, in keeping with the spirit of the [Convention on Biological Diversity, 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136), and Agenda 21 should be conserved for the benefit of present and future generations; Aware of the economic, social, cultural and recreational benefits accruing from the taking of certain species of migratory waterbirds and of the environmental, ecological, genetic, scientific, aesthetic, recreational, cultural, educational, social and economic values of waterbirds in general; Convinced that any taking of migratory waterbirds must be conducted on a sustainable basis, taking into account the conservation status of the species concerned over their entire range as well as their biological characteristics; Conscious that migratory waterbirds are particularly vulnerable because they migrate over long distances and are dependent on networks of wetlands that are decreasing in extent and becoming degraded through non-sustainable human activities, as is expressed in the [Convention on Wetlands of International Importance, especially as Waterfowl Habitat, 1971](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003693); Recognizing the need to take immediate action to stop the decline of migratory waterbird species and their habitats in the geographic area of the African-Eurasian wat"},{"i":10415,"b":"Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld De Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, bijeengekomen in haar zeventiende zitting, van 17 oktober tot 21 november 1972 te Parijs gehouden, Constaterende dat het cultureel erfgoed en het natuurlijk erfgoed in toenemende mate worden bedreigd, niet slechts door de normale oorzaken van verval, maar bovendien door de veranderingen in het maatschappelijk en economisch leven die de situatie verergeren door het veroorzaken van nog ernstiger schade of vernietiging, Overwegende dat de achteruitgang of verdwijning van elk onderdeel van het cultureel en natuurlijk erfgoed een rampzalige verarming betekent van het erfgoed van alle volken ter wereld, Overwegende dat de bescherming van dit erfgoed op nationaal niveau vaak onvolledig blijft, omdat daarvoor middelen op grote schaal nodig zijn en de economische, wetenschappelijke en technische hulpbronnen van het land, waarin het te beschermen goed zich bevindt, te kort schieten, In herinnering brengende dat het Statuut van de Organisatie voorschrijft dat zij kennis zal bewaren, vermeerderen en verspreiden door het behoud en de bescherming te verzekeren van het erfgoed der wereld en door aan de betrokken volken de daartoe nodige internationale overeenkomsten aan te bevelen; Overwegende dat de bestaande internationale overeenkomsten, aanbevelingen en resoluties ten aanzien van culturele en natuurlijke goederen het belang aantonen dat alle volken der wereld hebben bij de bescherming van die unieke en onvervangbare goederen, aan welk volk zij ook mogen toebehoren, Overwegende dat sommige delen van het cultureel en natuurlijk erfgoed van uitzonderlijk belang zijn, hetgeen hun behoud als onderdeel van het erfgoed der gehele mensheid noodzakelijk maakt, Overwegende dat, gezien de omvang en de ernst van de nieuwe gevaren die hen bedreigen, het de taak is van de gehele internationale gemee"},{"i":10416,"b":"Overeenkomst inzake de doortocht van internationale luchtdiensten De Staten, die, lid zijnde van de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie, deze Overeenkomst inzake den Doortocht van Internationale Luchtdiensten onderteekenen en aanvaarden, verklaren het volgende: Artikel I **Sectie 1.** Elke overeenkomstsluitende Staat kent met betrekking tot geregelde internationale luchtdiensten aan de andere overeenkomstsluitende Staten toe de volgende vrijheden van de lucht: - (1). het recht om over zijn grondgebied te vliegen zonder tusschenlanding; - (2). het recht om te landen voor andere dan verkeersdoeleinden. De rechten, vervat in deze Sectie, zijn niet van toepassing op luchthavens, welke met uitsluiting van alle geregelde internationale luchtdiensten gebruikt worden voor militaire doeleinden. In gebieden, waar daadwerkelijke vijandelijkheden plaats hebben of welke militair bezet zijn, en, in tijd van oorlog, langs de toevoerwegen naar zulke gebieden, zal de uitoefening van deze rechten onderworpen zijn aan de goedkeuring van de bevoegde militaire autoriteiten. **Sectie 2.** De uitoefening van bovengenoemde rechten zal geschieden overeenkomstig de bepalingen van de op 7 December 1944 te Chicago opgestelde Tijdelijke Overeenkomst inzake de Internationale Burgerlijke Luchtvaart, en van het eveneens op 7 December 1944 te Chicago opgestelde [Verdrag inzake de Internationale Burgerlijke Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), wanneer dat Verdrag van kracht wordt. **Sectie 3.** Een overeenkomstsluitende Staat, welke aan de luchtvaartmaatschappijen van een anderen overeenkomstsluitenden Staat het recht verleent om te landen voor andere dan verkeersdoeleinden, zal den eisch mogen stellen, dat zoodanige luchtvaartmaatschappijen op de plaatsen, waar deze tusschenlandingen worden gemaakt, redelijke commercieele diensten bieden. Een zoodanige eisch zal niet ten gevolge mogen hebben eenig verschil in behandeling tusschen luchtvaartmaatschappijen welke"},{"i":10417,"b":"Overeenkomst inzake de terbeschikkingstelling en exploitatie van installaties en diensten voor het luchtverkeer door EUROCONTROL in het Luchtverkeersleidingscentrum Maastricht De Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, hierna genoemd „de Nationale Overeenkomstsluitende Partijen”, enerzijds, en de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart (EUROCONTROL), hierna genoemd „de Organisatie”, anderzijds, Overwegende dat de Permanente Commissie voor de veiligheid van de luchtvaart van de Organisatie (hierna genoemd „de Commissie”) op voorstel van de Nationale Overeenkomstsluitende Partijen overeenkomstig Bijlage 3 van het op 12 februari 1981 te Brussel ondertekende Protocol tot wijziging van het Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart „EUROCONTROL” van 13 december 1960 (hierna genoemd „het Protocol”) een regeling inzake de toekomst van het Luchtverkeersleidingscentrum Maastricht (hierna genoemd „het Centrum Maastricht”) heeft aanvaard, en tot toepassing ervan zal besluiten, Overwegende dat het Centrum Maastricht gehandhaafd zal worden als EUROCONTROL-instelling ten einde voor de Organisatie de essentiële schakel te vormen tussen de verplichte taken die voorzien zijn in [artikel 2, lid 1, van het in 1981 te Brussel gewijzigde Verdrag EUROCONTROL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004802&artikel=2) (hierna genoemd „het gewijzigd Verdrag”) en de feitelijke verlening van luchtverkeersdiensten waardoor de Organisatie haar technische en operationele vaardigheid op het stuk van de luchtverkeersdiensten kan behouden en ontwikkelen, Overwegende dat deze regeling beantwoordt aan de wens van de Nationale Overeenkomstsluitende Partijen, de Organisatie namens de Nationale Overeenkomstsluitende Partijen en overeenkomstig de bepalingen van het gewijzigd [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004802), inzonderheid de [artikelen 2.2(b)](h"},{"i":10418,"b":"Overeenkomst inzake een gemeenschappelijke luchtvaartruimte tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds en Oekraïne, anderzijds Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk Der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) (hierna gezamenlijk „de EU-Verdragen” genoemd) en lidstaten van de Europese Unie (hierna „de EU-lidstaten” genoemd), en de Europese Unie, hierna „EU” genoemd, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd; Geleid door de wens een gemeenschappelijke luchtvaartruimte tot stand te brengen, gebaseerd op wederzijdse toegang tot de luchtvervoersmarkten van de partijen, gelijke concurrentievoorwaarden en naleving van dezelfde regels, met name op het gebied van veiligheid, beveiliging, luchtverkeersbeheer, sociale aspecten en milieu; Erkennende dat de internationale burgerluchtvaart een geïntegreerd karakter heeft en erkenning tonend voor de rechten en plichten van Oekraïne en de EU-lidstaten die voortvloeien uit hun lidmaatschap van internationale luchtvaartorganisaties, met name de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart, en hun rechten en verplichtingen uit internationale overeenkomsten met derde landen en intern"},{"i":10419,"b":"Overeenkomst inzake gezamenlijke financiering van bepaalde diensten voor de luchtvaartnavigatie in IJsland De Regeringen van België, Canada, Denemarken, Frankrijk, de Bondsrepubliek Duitsland, IJsland, Israël, Italië, Nederland, Noorwegen, Zweden, Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika, welke lid zijn van de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie, VERLANGEND overeenkomstig de voorwaarden en met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk XV van het Verdrag inzake de Internationale Burgerlijke Luchtvaart een overeenkomst te sluiten inzake de gezamenlijke financiering van bepaalde diensten voor de luchtvaartnavigatie welke door de Regering van IJsland zullen worden verschaft: ZIJN OVEREENGEKOMEN als volgt: Artikel I In deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - (a). „Organisatie”: de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie; - (b). „Raad”: de Raad van de Organisatie; - (c). „Secretaris-Generaal”: de Secretaris-Generaal van de Organisatie; - (d). „Diensten”: de in Bijlage I van deze Overeenkomst omschreven diensten en alle bijkomende diensten die van tijd tot tijd ingevolge deze Overeenkomst verschaft kunnen worden. Artikel II De Regering van IJsland verschaft, exploiteert en onderhoudt de Diensten en zal in verband met speciale voordelen, voortvloeiende uit de Diensten, vijf procent van de goedgekeurde werkelijke kosten daarvan dragen. Artikel III 1. De Regering van IJsland exploiteert en onderhoudt de Diensten zonder onderbreking, op doelmatige wijze en zo economisch mogelijk en, voor zover uitvoerbaar, overeenkomstig de van toepassing zijnde maatstaven, aanbevolen werkwijzen, procedures en specificaties van de Organisatie. 2. Met inachtneming van de bepalingen van Bijlage I van deze Overeenkomst zal de wijze waarop meteorologische waarnemingen worden verricht en waarop meteorologische rapporten worden gemaakt en verspreid in overeenstemming zijn met de desbetreffende procedures"},{"i":10420,"b":"Overeenkomst inzake handel in burgerluchtvaartuigen Preambule De Ondertekenaars1)Onder „Ondertekenaars\" wordt hierna verstaan de Partijen bij deze Overeenkomst.van de Overeenkomst inzake de handel in burgerluchtvaartuigen, hierna „Overeenkomst\" genoemd; Gelet op het feit dat de Ministers tijdens hun bijeenkomst van 12 tot en met 14 september 1973 zijn overeengekomen, dat de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Tokio-ronde de uitbreiding en een steeds grotere liberalisatie van de wereldhandel dienen te bewerkstelligen, onder andere door de geleidelijke opheffing van de handelsbelemmeringen en de verbetering van het internationale kader voor het regelen van de wereldhandel; Geleid door de wens voor de wereldhandel in burgerluchtvaartuigen, alsmede voor onderdelen en toebehoren daarvan, een zo groot mogelijke vrijheid te bewerkstelligen, in het bijzonder de afschaffing van rechten en, zoveel mogelijk, de vermindering of opheffing van invloeden die de handel beperken of verstoren; Geleid door de wens de technologische vooruitgang in de luchtvaartindustrie over de gehele wereld te bevorderen; Geleid door de wens hun burgerluchtvaart en hun vliegtuigfabrikanten billijke en gelijke concurrentiemogelijkheden te verschaffen om aan de uitbreiding van de wereldmarkt voor burgerluchtvaartuigen deel te kunnen nemen; Zich bewust van de betekenis van hun algemene wederzijdse belangen, zowel economisch als commercieel, in de sector burgerluchtvaartuigen; Erkennende dat een groot aantal Ondertekenaars de vliegtuigsector als een bijzonder belangrijk onderdeel van het economische en industriële beleid beschouwt; Er naar strevend de nadelige gevolgen die voor de handel in burgerluchtvaartuigen voortvloeien uit overheidssteun bij de ontwikkeling, de produktie en de afzet van burgerluchtvaartuigen op te heffen, in het besef dat deze overheidssteun als zodanig niet als verstoring van het handelsverkeer wordt beschouwd; Geleid door de wens hun burgerluchtvaart een commerci"},{"i":10421,"b":"Overeenkomst inzake het internationale luchtvervoer De Staten, die, lid zijnde van de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie, deze Overeenkomst inzake het Internationale Luchtvervoer onderteekenen en aanvaarden, verklaren het volgende: Artikel I **Sectie 1.** Elke overeenkomstsluitende Staat kent met betrekking tot geregelde internationale luchtdiensten aan de andere overeenkomstsluitende Staten toe de volgende vrijheden van de lucht: - (1) Het recht om over zijn grondgebied te vliegen zonder tusschenlandingen; - (2) het recht om te landen voor andere dan verkeersdoeleinden; - (3) het recht om passagiers, post en goederen af te zetten, aan boord genomen binnen het grondgebied van den Staat welks nationaliteit het luchtvaartuig bezit; - (4) het recht om passagiers, post en goederen aan boord te nemen, bestemd voor het grondgebied van den Staat, welks nationaliteit het luchtvaartuig bezit; - (5) het recht om passagiers, post en goederen aan boord te nemen, bestemd voor het grondgebied van een willekeurigen anderen overeenkomstsluitenden Staat en het recht passagiers, post en goederen, afkomstig van het grondgebied van een zoodanigen Staat, af te zetten. Voor wat de rechten, vermeld onder de punten (3), (4) en (5) van deze Sectie betreft, heeft de verbintenis van elken overeenkomstsluitenden Staat enkel betrekking op doorgaande diensten, welke routes volgen, die een redelijk rechtstreeksche lijn vormen met het eigen gebied van den Staat, welks nationaliteit het luchtvaartuig bezit, als begin of eindpunt. De rechten, vervat in deze Sectie zijn niet van toepassing op luchthavens, welke met uitsluiting van alle geregelde nationale luchtdiensten gebruikt worden voor militaire doeleinden. In gebieden waar daadwerkelijke vijandelijkheden plaats hebben of welke militair bezet zijn, en, in tijd van oorlog, langs de toevoerwegen naar zulke gebieden, zal de uitoefening van deze rechten onderworpen zijn aan de goedkeuring van de bevoegde militaire autoriteiten. **Secti"},{"i":10422,"b":"Overeenkomst inzake het onderhoud van de in het grensgebied liggende watergang, achtereenvolgens genaamd Bimmensche Wetering, Zeeländische Wässerung en Hauptwässerung Genoemde watergang voert zowel Nederlands als Duits water af en bevindt zich zowel op Nederlands als Duits grondgebied (zie het in artikel 3 van deze overeenkomst genoemde plan). Van grenspaal 653 tot grenspaal 652 grensvormend. Van grenspaal 652 tot grenspaal 647 Nederlands. Van grenspaal 647 tot grenspaal 646 grensvormend. Van grenspaal 646 tot grenspaal 642 Duits. Gezien het gezamenlijke belang bij goed onderhoud van de watergang sluiten het polderdistrict Groot Maas en Waal, vertegenwoordigd door de dijkgraaf A. Th. J. M. Burgers en het Deichverband Kleve-Landesgrenze vertegenwoordigd door de Deichgraf Josef Püplichuisen met inachtneming van hoofdstuk 4, artikel 59, lid 2 van het Grensverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland van 8 april 1960, de volgende overeenkomst: Artikel 1 Het polderdistrict Groot Maas en Waal verplicht zich - behoudens verplichtingen van derden - het aan de Nederlandse zijde van de grens gelegen deel van de watergang van grenspaal 653 tot grenspaal 652, alsmede het op Nederlands gebied gelegen deel van de watergang van grenspaal 652 tot grenspaal 647, alsmede het aan Nederlandse zijde van de grens gelegen deel van de watergang van grenspaal 647 tot grenspaal 646, met de in en aan deze delen van de watergang gelegen kunstwerken te onderhouden. Artikel 2 Het Deichverband Kleve-Landesgrenze verplicht zich - behoudens verplichtingen van derden - het aan de Duitse zijde van de grens gelegen deel van de watergang van grenspaal 653 tot grenspaal 652, alsmede het aan de Duitse zijde van de grens gelegen deel van de watergang van grenspaal 647 tot grenspaal 646, alsmede het op Duits gebied gelegen deel van de watergang van grenspaal 646 tot grenspaal 642, met de in en aan deze delen van de watergang gelegen kunstwerken te onderhouden. Artikel 3 De v"},{"i":10423,"b":"Overeenkomst inzake het onderhoud van de Oude Spanische Ley (Grensgraaf), de Nieuwe Spanische Ley, de Hülmer Leitgraben, de Wolfsgraben, de Horsterbeek en de Eckeltsebeek, alsmede het beheren van de kunstwerken in en aan deze waterlossingen Het Wasser- und Bodenverband Spanische Ley, vertegenwoordigd door de voorzitter Karl Gödde, het Wasser- und Bodenverband Hülmer Heide, vertegenwoordigd door de voorzitter Alois Kempkes, het Wasser- und Bodenverband Wolfsgraben, vertegenwoordigd door de voorzitter Alois Kempkes, het Wasser- und Bodenverband Schwarz-, Laar- und Baaler Bruch, vertegenwoordigd door de voorzitter Mathias Hornbergs, en het waterschap Het Maasterras, hierna „Waterschap” genoemd, vertegenwoordigd door de voorzitter B. H. Caris gelet op hoofdstuk 4, artikel 59, lid 2, van het op 8 april 1960 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland gesloten Grensverdrag sluiten de volgende overeenkomst: Artikel 1 Het Waterschap verplicht zich, de gedeelten van de waterlossingen - a). de Horsterbeek vanaf de grens tot aan de uitmonding in de Eckeltsebeek en - b). de Eckeltsebeek vanaf grenssteen 523 tot aan de uitmonding in de Maas te onderhouden en de kunstwerken in en aan deze gedeelten van de waterlossingen, die naar aanleiding van of in verband met de verbetering en het onderhoud van deze beken werden aangelegd of nog zullen worden aangelegd en hun eigendom zijn, te onderhouden en te beheren. Artikel 2 1. De Wasser- und Bodenverbände - a). Spanische Ley - b). Wolfsgraben - c). Hülmer Heide verbinden zich onderscheidenlijk voor - a). het gedeelte van de waterlossing de Nieuwe Spanische Ley tot aan grenssteen 523, - b). het gedeelte van de waterlossing de Wolfsgraben tot aan de uitmonding in de Nieuwe Spanische Ley, - c). het gedeelte van de waterlossing de Hülmer Leitgraben tot aan de grens, te onderhouden en steeds de kunstwerken in en aan deze gedeelten van waterlossingen, die naar aanleiding van of in verband met de verbetering en het onde"},{"i":10424,"b":"Overeenkomst inzake het onderhoud van de Straelener Leitgraben en de Lingsforterbeek alsmede het beheren van de kunstwerken in en aan deze waterlossingen Het Wasser- und Bodenverband Straelener Veen in Straelen, vertegenwoordigd door de voorzitter Jakob Janssen en het waterschap Het Maasterras vertegenwoordigd door de voorzitter B. H. Caris gelet op hoofdstuk 4, artikel 59, lid 2 van het op 8 april 1960 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland gesloten Grensverdrag sluiten de volgende overeenkomst: Artikel 1 1. Het Waterschap Het Maasterras verbindt zich - a). het gedeelte van de waterlossing Straelener Leitgraben (Grensbeek) stroomopwaarts vanaf de grenssteen 475, en - b). het gedeelte van de Lingsforterbeek vanaf de grens tot aan de molen bij kasteel Arcen te onderhouden en steeds de kunstwerken in en aan deze gedeelten van waterlossingen, die naar aanleiding van of in verband met de verbetering en het onderhoud van deze beken werden aangelegd of nog zullen worden aangelegd en hun eigendom zijn, te onderhouden en te beheren. 2. De onderhoudskosten voor wat betreft het gedeelte van de Lingsforterbeek vanaf de grens tot aan de Zandhoekse Vonder komen ten laste van het Wasser- und Bodenverband Straelener Veen enerzijds en het Waterschap Het Maasterras anderzijds in de verhouding van 62 : 38. Het kostenaandeel van Wasser- und Bodenverband Straelener Veen dient door dit schap steeds vóór 31 december van het lopende jaar na toezending vanwege het Waterschap Het Maasterras van de betreffende rekening te worden betaald. Artikel 2 Het Wasser- und Bodenverband Straelener Veen verbindt zich het gedeelte van de Straelener Leitgraben vanaf grenssteen 475 tot aan de grens (bij grenssteen 484) te onderhouden en de kunstwerken in en aan dit gedeelte van de waterlossing, die naar aanleiding van of in verband met de verbetering en het onderhoud van dit beekgedeelte werden aangelegd of nog zullen worden aangelegd en haar eigendom zijn, te onderhouden en t"},{"i":10425,"b":"Overeenkomst inzake het onderhoud van het Schoonebeekerdiep/Grenzaa en de Nieuwe Sloot/Grenzschloot, alsmede het onderhoud en het beheer van werken in en langs deze watergangen Het Wasser- und Bodenverband Unterhaltungsverband 114 - Vechte, Neuenhaus, verder te noemen „Unterhaltungsverband”, vertegenwoordigd door de voorzitter, en het waterschap Bargerbeek, Klazienaveen, verder te noemen „waterschap”, vertegenwoordigd door de voorzitter, overwegende, dat de waterhuishoudkundige situatie in het gebied van het Schoonebeekerdiep/Grenzaa sinds de op 9 en 14.08.1929 en op 19.04 en 08.06.1956 gesloten overeenkomst tussen de Landkreis Grafschaft Bentheim en het waterschap Schoonebeekerdiep - rechtsopvolger is het waterschap Bargerbeek - betreffende de uitvoering van het plan ter verbetering van de afvoermogelijkheden van het Schoonebeekerdiep/Grenzaa, alsmede de destijds afgesloten onderhoudsovereenkomst, sedert 1968 belangrijk gewijzigd is door de verruiming, waardoor de grondslagen voor genoemde overeenkomsten weggevallen zijn, overwegende, dat de rechten en plichten van de beide partijen, met betrekking tot de verruiming van het Schoonebeekerdiep/Grenzaa, zich naar de volgende criteria moeten schikken: naar grootte van het neerslaggebied van het Schoonebeekerdiep/Grenzaa aan weerszijden van de grens, in de procentuele verhouding Unterhaltungsverband : waterschap = 73 : 27 voor de verruiming van de stroom van km 0,000 tot km 20,766 voor de grondverwerving van het onder 1.1 genoemde traject voor de nieuwbouw van de Berendsbrug bij km 0,425 Wilmsbrug bij km 9,454 Almingsbrug bij km 16,462 voor de stuwen bij km 8,580 en km 13,346 naar het gelijkwaardige belang van de beide partijen, in de procentuele verhouding Unterhaltungsverband : waterschap = 50 : 50 voor de bruggen bij de stuwen bij km 8,580 en km 17,338 voor de stuw bij km 5,488 voor de grondverwerving (grondruiling aan weerskanten van de grens) in plaats van de bouw van nieuwe bruggen voor eventuele nieuw te bouwen b"},{"i":10426,"b":"Overeenkomst inzake het reisverkeer van vluchtelingen tussen Nederland en Frankrijk Met het doel het reizen van de op hun grondgebied gevestigde vluchtelingen te vergemakkelijken zijn de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek overeengekomen de volgende bepalingen aan te nemen: Artikel 1 Vluchtelingen, die op regelmatige wijze in Nederland of in Frankrijk zijn gevestigd, zijn op basis van wederkerigheid vrijgesteld van het visumvereiste voor reizen van Nederland naar Frankrijk of omgekeerd, mits zij in het bezit zijn van een niet verlopen reisdocument voor vluchtelingen, afgegeven door de Nederlandse of de Franse autoriteiten overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951. De bepalingen van deze overeenkomst kunnen niettemin eveneens ten voordeel strekken van vluchtelingen, die in het bezit zijn van een reisdocument, opgemaakt overeenkomstig de te Londen op 15 oktober 1946 ondertekende „Overeenkomst inzake de afgifte van een reisdocument aan vluchtelingen die ressorteren onder het Intergouvernementele Comité voor Vluchtelingen”, tot aan de afloop van de geldigheid van hun desbetreffend reisdocument. Artikel 2 Deze faciliteiten worden slechts genoten voor een verblijf van niet langer dan drie maanden in Nederland of in Frankrijk. Het visum blijft vereist voor ieder verblijf van langere duur. In het reisdocument wordt door de Nederlandse of de Franse autoriteiten, al naar het geval zich voordoet, de volgende aantekening gesteld: „Houder dezes is ingevolge de op 15 februari 1957 gesloten overeenkomst vrijgesteld van de visumverplichting voor tijdvakken van verblijf van drie maanden in Nederland of in Frankrijk”. Artikel 3 De in artikel 1 vermelde vluchtelingen zijn gedurende hun verblijf op Nederlands of Frans grondgebied, al naar het geval zich voordoet, onderworpen aan de aldaar geldende bepalingen betreffende vreemdelingen. Elke Regering behoudt zich het recht voor, de binnenkomst of het verblijf i"},{"i":10427,"b":"Overeenkomst inzake luchtdiensten tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Republiek Tanzania De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Republiek Tanzania (hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen), Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld, en Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten tot aanvulling van genoemd Verdrag, met het doel luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Vervallen Artikel 2. Verlening van rechten Vervallen Artikel 3. Wetten en voorschriften Vervallen Artikel 4. Aanwijzing van luchtvaartmaatschappijen en exploitatievergunningen Vervallen Artikel 5. Herroeping en opschorting van exploitatievergunningen Vervallen Artikel 6. Douanerechten en andere lasten Vervallen Artikel 7. Bepalingen inzake capaciteit Vervallen Artikel 8. Verschaffing van statistische gegevens Vervallen Artikel 9. Tarieven Vervallen Artikel 10. Overmaking van inkomsten Vervallen Artikel 11. Kosten en andere lasten Vervallen Artikel 12. Vertegenwoordiging van de luchtvaartmaatschappij Vervallen Artikel 13. Overleg tussen de luchtvaartautoriteiten Vervallen Artikel 14. Wijziging van de overeenkomst Vervallen Artikel 15. Aanpassing aan multilaterale verdragen Vervallen Artikel 16. Regeling van geschillen Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18. Registratie bij de ICAO Vervallen Artikel 19. Toepasselijkheid van het Verdrag van Chicago Vervallen Artikel 20. Inwerkingtreding Vervallen IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorised for the purpose by their respective Governments, have signed this Agreement. DONE in duplicate at Dar es Salaam in the English language this third day of February 1979. (sd.) A. VAN DER WILLIGEN **For the Government of the Kingdom of the Netherlands.** (s"},{"i":10429,"b":"Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen Canada en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen Canada enerzijds, en De Republiek Oostenrijk, Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Republiek Cyprus, De Republiek Tsjechië, Het Koninkrijk Denemarken, De Republiek Estland, De Republiek Finland, De Franse Republiek, De Bondsrepubliek Duitsland, De Helleense Republiek, De Republiek Hongarije, Ierland, De Italiaanse Republiek, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slowakije, De Republiek Slovenië, Het Koninkrijk Spanje, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, zijnde partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en lidstaten van de Europese Unie (hierna „de lidstaten” genoemd), en de Europese Gemeenschap, anderzijds; Canada en de lidstaten die partij zijn bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 voor ondertekening is opengesteld in Chicago, samen met de Europese Gemeenschap; Wensende een luchtvaartstelsel te bevorderen dat gebaseerd is op mededinging tussen luchtvaartmaatschappijen met een minimum aan overheidsbemoeienis en -regulering; Wensende hun belangen op het gebied van luchtvervoer te bevorderen; Het belang erkennende van efficiënt luchtvervoer voor het bevorderen van handel, toerisme en investeringen; Wensende de luchtdiensten te verbeteren; Wensende de hoogste graad van veiligheid en beveiliging op het gebied van luchtvervoer te garanderen; Vastbesloten de mogelijke voordelen van samenwerking op het gebied van regelgeving te verwezenlijken en, voor zover praktisch haalbaar, harmonisering van regels en benaderingen tot stand te brengen; De belangrijke potentiële baten erkennende die kunnen voortvloeien uit concurrerende luchtdiensten en levensvatbare luchtdienstsectoren;"},{"i":10430,"b":"Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Staten van Amerika, anderzijds De Verenigde Staten van Amerika (hierna de „Verenigde Staten”), enerzijds; en de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Republiek Cyprus, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Estland, de Republiek Finland, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, de Republiek Hongarije, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Slovenië, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, zijnde Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en lidstaten van de Europese Unie (hierna „de lidstaten”), en de Europese Gemeenschap, anderzijds; Wensende een internationaal luchtvaartstelsel te bevorderen dat gegrondvest is op mededinging tussen luchtvaartmaatschappijen met een minimum aan overheidsbemoeienis en -regulering; Wensende de uitbreiding van de mogelijkheden voor het internationaal luchtvervoer te bevorderen, met name door ontwikkeling van luchtvervoersnetten, om aan de behoeften van reizigers en vervoerders aan geschikte luchtvervoersdiensten te voldoen; Wensende het de luchtvaartmaatschappijen mogelijk te maken om reizigers en vervoerders concurrerende prijzen en diensten aan te bieden op open markten; Wensende alle sectoren van de luchtvervoersindustrie, met inbegrip van het personeel van de luchtvaartmaatschappijen, het voordeel te geven van een geliberaliseerde overeenkomst; Wensende de hoogste mate van veiligheid en beveiliging in het internationaal luchtvervoer te verzekeren, en hun ernstige bezorgdheid herbevestigend ove"},{"i":10431,"b":"Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Staat Qatar, anderzijds Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk Der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna gezamenlijk „de EU-lidstaten” of afzonderlijk „de EU-lidstaat” genoemd, en de Europese Unie, hierna „Unie” genoemd, enerzijds; en de Staat Qatar, hierna „Qatar” genoemd, anderzijds, hierna gezamenlijk de „partijen” genoemd, De EU-lidstaten en Qatar, als partijen bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), voor ondertekening opengesteld te Chicago op 7 december 1944, samen met de Unie, De wens uitdrukkend hun belangen op het gebied van luchtvervoer te bevorderen als middel om bij te dragen tot nauwere politieke en economische banden tussen de partijen, Erkennende dat efficiënte luchtverbindingen belangrijk zijn om handel, toerisme, investeringen en sociaaleconomische ontwikkeling te bevorderen, De wens uitdrukkend de luchtdiensten te verbeteren en een internationaal luchtvaartsysteem te bevorderen op basis van non-discriminatie en gelijke kansen tot mededinging voor luchtvaartmaatschappijen, Geleid door de wens het hoogst mogelijke niveau van veiligheid en beveiliging van het luchtvervoer te garanderen en bev"},{"i":10433,"b":"Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen Ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika (hierna „de Verenigde Staten” genoemd), het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en lidstaten van de Europese Unie (hierna „de lidstaten”), en ten tweede, de Europese Unie, ten derde, IJsland, en, ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen (hierna „Noorwegen”), verlangend een internationaal luchtvaartstelsel te bevorderen dat gebaseerd is op mededinging tussen luchtvaartmaatschappijen, met een minimum aan overheidsbemoeienis en -regulering; verlangend de uitbreiding van de mogelijkheden voor het internationaal luchtvervoer te bevorderen, met name door de ontwikkeling van luchtvervoersnetten, om aan de behoeften van reizigers en vervoerders aan geschikte luchtvervoersdiensten te voldoen; verlangend de luchtvaartmaatschappijen in staat te stellen reizigers en vervoerders concurrerende prijzen en diensten aan te bieden op open markten; verlangend alle sectoren van de luchtvervoersindustrie, met inbegrip van het personeel van de luchtvaartm"},{"i":10436,"b":"Overeenkomst ter uitvoering van artikel 6 van de Overeenkomst inzake de terbeschikkingstelling en exploitatie van installaties en diensten voor het luchtvervoer door EUROCONTROL in het Luchtverkeersleidingcentrum Maastricht De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, hierna genoemd de „Partijen” Aangezien zij de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart „EUROCONTROL” (hierna genoemd „de Organisatie”) belast hebben met de terbeschikkingstelling en exploitatie van installaties en diensten voor het en-route luchtverkeer binnen de grenzen en op de wijze zoals voorgeschreven in de [Overeenkomst inzake de terbeschikkingstelling en exploitatie van installaties en diensten voor het luchtverkeer door EUROCONTROL in het luchtverkeersleidingscentrum Maastricht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002446) (hierna genoemd „de Bijzondere Overeenkomst”) die op 25 november 1986 te Brussel is gesloten op basis van het gewijzigd Verdrag EUROCONTROL, artikel 2.2 en 12; Overwegende dat de Organisatie voor de vervulling van de haar door de Partijen opgedragen taak gebruik maakt van de installaties van haar luchtverkeersleidingscentrum Maastricht en het personeel levert dat voor de exploitatie en het onderhoud van het Centrum noodzakelijk is; Overwegende dat het Bestuurscomité van het Agentschap van de Organisatie op voorstel van de Directeur-Generaal van het Agentschap de in het luchtverkeersleidingscentrum Maastricht te nemen operationele en technische maatregelen vaststelt; Gelet op hun verplichtingen zoals vervat in [artikel 6 van de Bijzondere Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002446&artikel=6), bestaande in het vaststellen van werkprocedures ten einde de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002446&artikel=3) en [4 van de Bijzondere Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV00024"},{"i":10437,"b":"Overeenkomst tot het tot stand brengen en exploiteren van geregeld vervoer door de lucht tussen Nederland en Italië De Nederlandse Regering en de Regering van de Italiaanse Republiek, geleid door de wens een overeenkomst te sluiten om op basis van wederkerigheid geregelde verbindingen door de lucht tussen Nederland en Italië tot stand te brengen, zijn de volgende bepalingen overeengekomen. Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst en haar Bijlage, behalve wanneer de tekst anders bepaalt - a. betekent de uitdrukking „luchtvaartautoriteit” de „Ministero della Difesa-Aeronautica Direzione Generale dell'Aviazione Civile e del Traffico Aereo” ofwel iedere persoon of ieder lichaam, gemachtigd om de functies te vervullen, welke thans vallen onder de bevoegdheid van het „Ministero della Difesa-Aeronautica Direzione Generale dell'Aviazione Civile e Traffico Aereo”, de „Directeur Generaal van de Rijksluchtvaartdienst” ofwel iedere persoon of ieder lichaam, gemachtigd om de functies te vervullen, welke thans vallen onder de bevoegdheid van de „Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst”; - voor wat betreft Italië - en voor wat betreft Nederland - b. betekent de uitdrukking „Aangewezen onderneming” een onderneming, die door de luchtvaartautoriteiten van de ene Overeenkomstsluitende Partij schriftelijk aan de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij is opgegeven als de onderneming, die die Partij ingevolge de bepalingen van artikel 3 van deze Overeenkomst wenst aan te wijzen voor de routes, in deze zelfde opgave vermeld; - c. komt het woord „grondgebied” overeen met de definitie, die daarvan gegeven wordt in artikel 2 van het Verdrag van Chicago inzake de Internationale Burgerlijke Luchtvaart (7 December 1944); - d. worden de definities van de paragrafen **a**, **b** en **d** van artikel 96 van het Verdrag van Chicago inzake de Internationale Burgerlijke Luchtvaart (7 December 1944) als geldig beschouwd. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende P"},{"i":10438,"b":"Overeenkomst tussen de Bondsregering van de Republiek Oostenrijk, enerzijds, en de Regeringen van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, anderzijds, betreffende het verblijf van vluchtelingen als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen met Bijlagen (Verdrag van Genève van 28 juli 1951) Met het doel bepaalde vraagstukken met betrekking tot reisdocumenten en het verblijf van vluchtelingen als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen met Bijlagen (Verdrag van Genève van 28 juli 1951) in het belang dezer vluchtelingen in een geest van vriendschap te regelen, zijn de Bondsregering van de Republiek Oostenrijk, enerzijds, en de Regeringen van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, die op grond van de op 11 april 1960 tussen hen gesloten Overeenkomst inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied gemeenschappelijk optreden, anderzijds, als volgt overeengekomen: Artikel 1 1). De bevoegde autoriteiten van de Republiek Oostenrijk zullen aan de houder van een krachtens het bepaalde in artikel 28 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 door de autoriteiten van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg of het Koninkrijk der Nederlanden afgegeven reisdocument, overeenkomstig het bepaalde in lid 11 van de Bijlage van dat Verdrag, een nieuw reisdocument uitreiken, indien de vluchteling rechtmatig - a). langer dan de geldigheidsduur van het reisdocument, of - b). tenminste twee jaren zonder onderbreking op het grondgebied van de Republiek Oostenrijk verblijf heeft gehouden. 2). Een tijdelijke afwezigheid tot een totale duur van zes maanden wordt voor het verblijf als bedoeld sub **b** van lid 1 niet als onderbreking beschouwd. 3). Tijdvakken gedurende welke de vluchteling een door het gerecht opgelegde vrijheidsstraf ondergaat of zich aan een medische behandeling in een ziekenhuis moet onde"},{"i":10439,"b":"Overeenkomst tussen de Europese Unie en Australië inzake de verwerking en doorgifte van persoonsgegevens van passagiers (PNR) uit de Europese Unie door luchtvaartmaatschappijen aan de Australische douane De Europese Unie, enerzijds, en Australië, anderzijds, Verlangende terrorisme en daarmee samenhangende misdrijven en andere ernstige misdrijven van grensoverschrijdende aard, waaronder begrepen de georganiseerde criminaliteit, doeltreffend te voorkomen en te bestrijden om hun respectieve democratische samenlevingen en gemeenschappelijke waarden te beschermen; Erkennende dat de uitwisseling van informatie een essentieel onderdeel vormt van de bestrijding van terrorisme en daarmee samenhangende misdrijven en andere ernstige misdrijven van grensoverschrijdende aard, waaronder begrepen de georganiseerde criminaliteit, en dat het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) in dit verband een belangrijk instrument is; Erkennende dat er met het oog op het waarborgen van de openbare veiligheid en de rechtshandhaving regels moeten worden vastgesteld met betrekking tot het beheren van de doorgifte door luchtvaartmaatschappijen van PNR-gegevens uit de Europese Unie aan de Australische douane; Erkennende het belang van het voorkomen en bestrijden van terrorisme en daarmee samenhangende misdrijven en andere ernstige misdrijven van grensoverschrijdende aard, waaronder begrepen de georganiseerde criminaliteit, waarbij de fundamentele rechten en vrijheden, met name het recht op privacy en gegevensbescherming, moeten worden geëerbiedigd; Erkennende dat de wetgeving, het beleid en de beginselen inzake gegevensbescherming van de Europese Unie en Australië een gemeenschappelijke basis hebben en dat eventuele verschillen bij de toepassing van deze beginselen geen belemmering voor de samenwerking tussen de Europese Unie en Australië op grond van deze overeenkomst mogen vormen; Gelet op artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten over"},{"i":10435,"b":"Overeenkomst over de verbetering en het onderhoud van het Grenskanaal (Netterdenscher Kanal) en de Wild alsmede het onderhoud en de bediening van kunstwerken in en aan deze wateren Het polderdistrict Rijn en IJssel, vertegenwoordigd door de dijkgraaf de heer Drs. W. Wolters en het Wasserverband Netterdenscher Kanal, vertegenwoordigd door de voorzitter de heer R. Lörks gaan uit van de volgende overwegingen: De omstandigheden bij het Grenskanaal (Netterdenscher Kanal) en de Wild zijn door indijking op Nederlands gebied en de bouw van het gemaal Kandia veranderd. De nieuwbouw van de sluis te Klein-Netterden is vereist op grond van de verplichting van de Bondsrepubliek Duitsland om het Grenskanaal (Netterdenscher Kanal) - tot nu toe afvoermogelijkheid van de Hetter Landwehr met een stroomgebied van ongeveer 44 km2 - gedurende het in werking zijn van het gemaal Kandia af te sluiten en het water in Duitsland af te voeren. De tot nu toe aanwezige stuwen bij de grensovergang Klein-Netterden en bij de grensovergang 's-Heerenberg vertonen aanzienlijke constructieve gebreken. De bodem van het Grenskanaal (Netterdenscher Kanal) en de Wild is verregaand opgeslibd. Eén van de oorzaken van deze opslibbing is de afvoer van de riolering en de afvoer (het effluent) van de zuiveringsinstallaties. De toevoer van deze waterhoeveelheden leidt bij het niet inlaten van water uit de Hetter Landwehr tot aanzienlijke (waterkwaliteits)verstoring. De tot nu toe uitgevoerde maatregelen (baggeren vanaf de Autobahn tot in de Tiefe Wild) hebben het probleem niet opgelost. De verbetering en het onderhoud van het Grenskanaal (Netterdenscher Kanal) en de Wild moeten, te zamen met de bouw en het onderhoud van de drie ontworpen stuwen een bepaalde waterstand garanderen, de afvoer van het grondwater beperken en de overmatige plantengroei op de bodem verminderen. Het voorkomende neerslagwater, het kwelwater en het gezuiverde afvalwater dient zonder nadelige gevolgen afgevoerd te worden. Dienovereenkomstig"},{"i":10440,"b":"Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake de verwerking en overdracht van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) door luchtvaartmaatschappijen aan het Ministerie van Binnenlandse Veiligheid van de Verenigde Staten van Amerika (PNR-Overeenkomst 2007) De Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, Verlangende om terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit doeltreffend te voorkomen en te bestrijden om hun respectieve democratische samenlevingen en gemeenschappelijke waarden te beschermen, Erkennende dat de uitwisseling van informatie een essentieel onderdeel vormt van de bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit en dat het gebruik van PNR-gegevens in dit verband een belangrijk instrument is, Erkennende dat er met het oog op het waarborgen van de openbare veiligheid en de rechtshandhaving regels moeten worden vastgesteld met betrekking tot de overdracht door luchtvaartmaatschappijen van PNR-gegevens aan het ministerie van binnenlandse veiligheid van de Verenigde Staten van Amerika (Department of Homeland Security, hierna het „DHS” genoemd), Erkennende het belang van het voorkomen en bestrijden van terrorisme en daarmee samenhangende misdrijven en andere ernstige misdrijven van grensoverschrijdende aard, waaronder begrepen de georganiseerde criminaliteit, met dien verstande dat de fundamentele rechten en vrijheden, met name het recht op privacy, moeten worden geëerbiedigd, Erkennende dat de Amerikaanse en de Europese privacywetgeving een gemeenschappelijke basis hebben en dat eventuele verschillen bij de toepassing van deze beginselen geen belemmering voor de samenwerking tussen de VS en de Europese Unie (EU) mogen vormen, Gelet op de internationale verdragen, de wet- en regelgeving van de Verenigde Staten die bepaalt dat elke luchtvaartmaatschappij die internationale passagiersvluchten van of naar de Verenigde Staten uitvoert, de PNR-gegevens beschikbaar dient te stellen aan het DHS, voor zov"},{"i":10441,"b":"Overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds, inzake een gemeenschappelijke luchtvaartruimte Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk Der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de EU-Verdragen” genoemd, en lidstaten van de Europese Unie, hierna gezamenlijk „de EU-lidstaten” en afzonderlijk „de EU-lidstaat” genoemd, en de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Armenië, hierna „Armenië” genoemd, anderzijds, hierna gezamenlijk de „partijen” genoemd, De EU-lidstaten en Armenië, als partijen bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), voor ondertekening opengesteld te Chicago op 7 december 1944, samen met de Europese Unie; Wijzend op de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds, gedaan te Luxemburg op 22 april 1996; De wens uitdrukkend een gemeenschappelijke luchtvaartruimte tot stand te brengen, gebaseerd op de doelstelling om de toegang tot de markten van de partijen open te stellen met gelijke concurrentievoorwaarden, non-discriminatie en inachtneming van dezelfde regels, met name op het gebied va"},{"i":10442,"b":"Overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds, betreffende een gemeenschappelijke luchtvaartruimte Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna de „lidstaten” genoemd, en de Europese Unie, enerzijds, en Georgië, hierna „Georgië” genoemd, anderzijds, nota nemende van de [Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001347), die op 22 april 1996 te Luxemburg is ondertekend; de wens uitdrukkend een gemeenschappelijke luchtvaartruimte tot stand te brengen, gebaseerd op wederzijdse toegang tot de luchtvervoersmarkten van de partijen, gelijke concurrentievoorwaarden en naleving van dezelfde regels, met name op het gebied van veiligheid, beveiliging, luchtverkeersbeheer, sociale aspecten en milieu; de wens uitdrukkend de uitbreiding van de luchtvervoersmogelijkheden te vergemakkelijken, onder meer via de ontwikkeling van luchtvervoersnetwerken, teneinde tegemoet te komen aan de behoeften van passagiers en expediteurs aan passende luchtvervoersdiensten; het belang erkennende van het luchtvervoer vo"},{"i":10445,"b":"Overeenkomst tussen de Nederlandse Regering en de Regering van de Libanese Republiek inzake luchtvervoer De Nederlandse Regering en de Regering van de Libanese Republiek, geleid door de wens het burgerlijk luchtvervoer tussen Nederland en de Libanon te bevorderen en lettende op de op 7 December 1944 op de Internationale Burgerlijke Luchtvaartconferentie te Chicago aangenomen resolutie, komen als volgt overeen: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar wederkerig de rechten, opgesomd in de hieraangehechte Bijlage, welke vereist zijn om de daarin genoemde luchtdiensten (Hierna genoemd: Overeengekomen diensten) in te stellen. Artikel II (1). De overeengekomen diensten kunnen onmiddellijk dan wel op een later tijdstip, naar verkiezing van de Overeenkomstsluitende Partij, waaraan de rechten zijn verleend, worden ingesteld, maar niet voordat - a). de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de rechten zijn verleend een of meer luchtvaartondernemingen voor de opgesomde route(s) heeft aangewezen en - b). de Overeenkomstsluitende Partij, welke de rechten verleent, de passende exploitatie-vergunning aan de betrokken luchtvaartonderneming(en) heeft veleend (hetgeen zij, behoudens de bepalingen van paragraaf (2) van dit Artikel en van Artikel VI zonder onredelijke vertraging zal doen.). (2). Van de aangewezen luchtvaartonderneming(en) kan door de luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij, welke de rechten verleent, worden geëist, dat zij de voorwaarden, welke zijn voorgeschreven bij de wetten en voorschriften, die gewoonlijk inzake de exploitatie van commerciële luchtdiensten door diezelfde autoriteiten worden toegepast, nakomen. (3). In de door militairen bezette zônes, of in de zônes, die hierbij zijn betrokken, zal, waar zulks noodzakelijk is, de instelling onderworpen zijn aan de goedkeuring van de bevoegde militaire autoriteiten. Artikel III Teneinde elke bevoorrechting te voorkomen en gelijkheid van behandeling te verzekeren, wordt overeenge"},{"i":10447,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van de Republiek Ghana en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden voor luchtdiensten tussen en via hun onderscheidene grondgebieden De Regering van de Republiek Ghana en De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat ter ondertekening is opengesteld te Chicago op de zevende dag van december 1944, en Geleid door de wens ter aanvulling van genoemd Verdrag een overeenkomst te sluiten met het oog op het instellen van luchtdiensten tussen en via hun onderscheidene grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Met betrekking tot deze Overeenkomst, tenzij de tekst anders bepaalt: - a). betekent de uitdrukking „het Verdrag” het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat ter ondertekening is opengesteld te Chicago, op de zevende dag van december 1944, met inbegrip van iedere op grond van artikel 90 van dat Verdrag aanvaarde bijlage en iedere wijziging van de Bijlagen of van het Verdrag op grond van de artikelen 90 en 94 daarvan; - b). betekent de uitdrukking „luchtvaartautoriteiten”, indien het de Republiek Ghana betreft, de voor de burgerluchtvaart verantwoordelijke Minister en iedere persoon of instantie die gemachtigd is tot het uitoefenen van enige bevoegdheid welke thans wordt uitgeoefend door genoemde Minister of tot soortgelijke bevoegdheden, en, indien het Nederland betreft, iedere persoon of instantie als zodanig aangewezen door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden; - c). betekent de uitdrukking „aangewezen luchtvaartonderneming” een luchtvaartonderneming welke een Overeenkomstsluitende Partij door middel van een schriftelijke mededeling aan de andere Overeenkomstsluitende Partij, overeenkomstig artikel 3 van deze Overeenkomst, zal hebben aangewezen voor de exploitatie van luchtdiensten op de in die mededeling omschreven routes; - d). betekent de uitdrukking „grondgebied” met betrekking tot een Staat de grondgebieden"},{"i":10454,"b":"Overeenkomst tussen het Duitse Deichverband \"Kleve-Landesgrenze\" en het Nederlandse Polderdistrict \"Maas en Waal\" over de waterafvoer uit het gemeenschappelijke stroomgebied naar het gemaal te Nijmegen Het Deichverband „Kleve-Landesgrenze” (hierna te noemen „het Deichverband”), vertegenwoordigd door de Dijkgraaf Robert Jansen en het Polderdistrict „Maas en Waal” (hierna te noemen „het Polderdistrict”), vertegenwoordigd door de Dijkgraaf P. Th. Ermers gaan van de volgende overwegingen uit: Ter verzekering van een goede waterafvoer uit hun gemeenschappelijk stroomgebied zijn de volgende overeenkomsten gesloten: de overeenkomst, met eerste en tweede nadere overeenkomst, alle van 28 juni 1932, tussen het Deichverband en het Nederlandse waterschap „Nijmegen-Duitsche grens”; de derde nadere overeenkomst van 24 oktober 1960 tussen het Deichverband en het Polderdistrict „Circul van Ooy en Millingen” (als rechtsopvolger van het inmiddels opgeheven waterschap „Nijmegen-Duitsche grens”). De kosten werden in deze overeenkomsten over de Partijen verdeeld overeenkomstig de verhouding van de oppervlakten van hun gebieden. Sindsdien is het noodzakelijk gebleken het door het Deichverband te dragen aandeel in de kosten te herzien, en wel op basis van de verhouding waarin de grootte van de wederzijdse, respectievelijk onder de ene en onder de andere partij ressorterende, delen van het stroomgebied tot elkaar staan. De noodzaak daartoe ontstaat in het bijzonder uit de toeneming van de waterafvoer, met name uit het Nederlandse gebied bij Groesbeek en het Duitse gebied bij Kranenburg, alsmede uit de wijzigingen van de Duits-Nederlandse landsgrens. Het Duitse deel van het stroomgebied is 9 700 ha groot, het Nederlandse 6 765 ha, zodat voor de toekomst een aandeel van het Deichverband van 60% in de kosten redelijk lijkt. De Permanente Nederlands-Duitse Grenswaterencommissie heeft zich met deze wijziging verenigd. Daarom sluiten het Deichverband en het Polderdistrict (als rechtsopvolger van"},{"i":10456,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake het luchtverkeer Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, geleid door de wens, het luchtverkeer tussen en via hun grondgebieden te regelen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 In de zin van deze Overeenkomst wordt verstaan, voorzover uit de tekst niet anders blijkt, onder - a). „luchtvaartautoriteit”, met betrekking tot de Bondsrepubliek Duitsland de Bondsminister voor Verkeer, met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst, of in beide gevallen iedere andere persoon of instantie, die gemachtigd is tot uitoefening van de taken die aan hen opgedragen zijn; - b). „grondgebied” met betrekking tot een Staat de onder de soevereiniteit, de suzereiniteit, de bescherming of het mandaat van die Staat staande grondgebieden en de daaraan grenzende territoriale wateren; - c). „aangewezen onderneming” een luchtvaartonderneming, die een Overeenkomstsluitende Partij aan de andere Overeenkomstsluitende Partij ingevolge artikel 3 schriftelijk heeft aangewezen als de onderneming, welke het internationale luchtverkeer op de ingevolge artikel 2, lid 2, vastgestelde luchtlijnen zal uitoefenen; - d). „luchtverkeer” elk geregeld luchtverkeer, uitgevoerd door luchtvaartuigen voor het openbare vervoer van passagiers, post en/of goederen; - e). „internationaal luchtverkeer” een luchtverkeer, dat door het luchtruim boven het gebied van meer dan één Staat voert; - f). „landing voor niet-verkeersdoeleinden” een landing gemaakt voor ieder ander doel dan voor het commercieel opnemen of afzetten van passagiers, post en/of goederen. Artikel 2 1. Iedere Overeenkomstsluitende Partij verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij voor het uitoefenen van het internationale luchtverkeer door de aangewezen ondernemingen: - het recht van overvliegen, - het recht van landing voor niet-verkeersdoeleinden, en - het recht van binnenko"},{"i":10457,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Democratische Volksrepubliek Algerije betreffende de luchtvaart De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Democratische Volksrepubliek Algerije, hierna te noemen de „Overeenkomstsluitende Partijen”, Overwegende dat het Koninkrijk der Nederlanden en de Democratische Volksrepubliek Algerije Partij zijn bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, voor ondertekening opengesteld te Chicago op 7 december 1944, Verlangende de betrekkingen tussen beide landen alsmede de internationale samenwerking op het gebied van de luchtvaart zoveel mogelijk te bevorderen, Verlangende een overeenkomst te sluiten ten einde geregelde luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Voor de toepassing van deze Overeenkomst en de daarbij behorende bijlage wordt verstaan onder: - a). „het Verdrag”: het op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengestelde Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; - b). „luchtvaartautoriteiten”: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat en wat de Democratische Volksrepubliek Algerije betreft de Minister van Verkeer en Visserij, of, in beide gevallen, iedere persoon of instelling, bevoegd tot het vervullen van de functies waarmede zij thans zijn belast; - c). „aangewezen maatschappij”: een luchtvaartmaatschappij die door een van de Overeenkomstsluitende Partijen is aangewezen overeenkomstig artikel III van deze Overeenkomst, voor het exploiteren van de overeengekomen luchtdiensten; - d). „grondgebied”: met betrekking tot een Staat, het land en de daaraan grenzende territoriale zee onder soevereiniteit van bedoelde Staat; - e). „luchtvaartmaatschappij” en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden”: dat wat er onder verstaan wordt in artikel 96 van het Verdrag; - f). „overeengekomen dienst”: het geregeld luchtvervoer van passagiers, bagage"},{"i":10458,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart inzake het verlenen van luchtvaartdiensten aan het operationele luchtverkeer The Kingdom of the Netherlands, hereinafter referred to as “the Netherlands”, and the European Organisation for the Safety of Air Navigation (EUROCONTROL), hereinafter referred to as “the Organisation” and, hereinafter jointly referred to as “the Parties”; Having regard to the [EUROCONTROL International Convention relating to Co-operation for the Safety of Air Navigation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004802) as amended at Brussels in 1981 (“the amended Convention”); Having regard to [Article 2, paragraph 2 (b)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004802&artikel=2), [Article 6, paragraph 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004802&artikel=6), [Article 7, paragraph 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004802&artikel=7), [Article 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004802&artikel=11) and [Article 12 of the amended Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004802&artikel=12); Having regard to Decision No. 71 of the Permanent Commission of 9 December 1997 on early implementation of certain provisions in the revised Convention, in particular in respect of the role and duties of the Organisation; Having regard to Decision No. 72 of the Permanent Commission of 9 December 1997 on early implementation of certain provisions in the revised Convention, in particular on the establishment of a Provisional Council; Having regard to the [Agreement relating to the Provision and Operation of Air Traffic Services and Facilities by EUROCONTROL at the Maastricht Area Control Centre](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002446), signed at Brussels on 25 November 1986 (hereinafter referred to as “the Maastricht Agreement”); Whereas the Netherlands wishes to integrate civil-military air traffic services in the Amsterdam Flight Information Region wi"},{"i":10459,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federale Volksrepubliek Zuidslavië betreffende geregelde luchtdiensten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Federale Volksrepubliek Zuidslavië, hierna te noemen „Overeenkomstsluitende Partijen”, Overwegende, dat er voor hen aanleiding bestaat, op een hechte en ordelijke wijze hun geregelde luchtverbindingen te organiseren en hun samenwerking op dit gebied zoveel mogelijk te ontwikkelen en op die wijze de internationale samenwerking te bevorderen, dat het bijgevolg nodig is een Overeenkomst te sluiten, welke de geregelde luchtdiensten tussen hun landen regelt, Hebben hun Gevolmachtigden aangewezen die, tot dat doel behoorlijk gemachtigd, het volgende zijn overeengekomen: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar op basis van wederkerigheid het recht de in de Bijlage van deze Overeenkomst omschreven geregelde luchtdiensten in te stellen. Overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst kunnen die diensten geheel of gedeeltelijk in exploitatie worden genomen, hetzij onmiddellijk, hetzij op een latere datum ter keuze van de Overeenkomstsluitende Partij waaraan dat recht is verleend. Artikel II 1. Elk van de Overeenkomstsluitende Partijen zal aan de andere Overeenkomstsluitende Partij een of meer luchtvervoersondernemingen aanwijzen, die krachtens deze Overeenkomst tot taak zullen hebben de geregelde luchtdiensten te exploiteren. 2. Zodra deze aankondiging zal zijn ontvangen, zal de andere Overeenkomstsluitende Partij, onder voorbehoud van de bepalingen van lid 3 van dit artikel en van artikel III van deze Overeenkomst, zonder ongerechtvaardigd uitstel de vereiste exploitatievergunning aan de aangewezen onderneming of ondernemingen verlenen. 3. Alvorens de bovengenoemde exploitatievergunning aan een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen onderneming te verlenen, zullen de onderscheiden Luchtvaartautoriteiten zich ervan kunnen overtuigen, dat die on"},{"i":10460,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek betreffende luchtvervoer De Regeeringen van Nederland en Portugal geleid door den wensch het burgerlijke luchtvervoer tusschen Nederlandsche en Portugeesche gebiedsdeelen te bevorderen, en gelet op de resolutie, onderteekend op 7 December 1944 op de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Conferentie te Chicago, Illinois, U. S. A., tot aanneming van een standaardmodel van een overeenkomst voor voorloopige luchtroutes en diensten, sluiten hierbij de volgende Overeenkomst betreffende de in de bijlagen aangegeven luchtdiensten tusschen haar onderscheidenlijke grondgebieden, welke diensten aan de volgende bepalingen zullen zijn onderworpen. Artikel 1 De overeenkomstsluitende partijen verleenen de rechten, opgesomd in de hierbij aangehechte Bijlage, welke vereischt zijn om de daarin omschreven internationale burgerlijke luchtlijnen en diensten in te stellen, onverschillig of zulke diensten onmiddellijk dan wel op een later tijdstip, naar verkiezing van de overeenkomstsluitende partij, aan welke de rechten worden verleend, zullen worden geopend. Artikel 2 a). Elk van de aldus omschreven luchtdiensten zal in exploitatie worden genomen, zoodra de overeenkomstsluitende partij, aan welke krachtens artikel 1 het recht is verleend, één of meer luchtvaartmaatschappijen voor de betreffende route aan te wijzen, aan een luchtvaartmaatschappij voor zoodanige route machtiging heeft verleend en de overeenkomstsluitende partij, welke het recht verleent, zal overeenkomstig artikel 7 van deze Overeenkomst, verplicht zijn aan de betreffende luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen de passende exploitatievergunning te verleenen, mits van de aldus aangewezen luchtvaartmaatschappij kan worden verlangd, dat zij, alvorens het haar zal zijn toegestaan de exploitaties als bedoeld in deze Overeenkomst, aan te vangen, ten overstaan van de bevoegde luchtvaartautoriteiten van de overeenkomstsluitende partij, welke d"},{"i":10464,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Estland, partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten met het doel geregelde luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in deze Overeenkomst en de Bijlage daarbij de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag\" wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of het Verdrag overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat; wat de Republiek Estland betreft, het Ministerie van Vervoer en Verbindingen; of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie die thans door de genoemde Minister of het genoemde Ministerie wordt uitgeoefend, te vervullen; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij\" wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 4 van deze Overeenkomst; - d. de term „grondgebied\" heeft met betrekking tot een Staat de betekenis die daaraan in artikel 2 van het Verdrag wordt toegekend; - e. de termen „luch"},{"i":10471,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kongo inzake het luchtvervoer De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Kongo, Verlangende de ontwikkeling van het luchtvervoer tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kongo te bevorderen en zoveel mogelijk te streven naar internationale samenwerking op dit gebied; Verlangende met betrekking tot dit vervoer de beginselen en bepalingen toe te passen van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar de in deze Overeenkomst omschreven rechten met het oog op de vestiging van de internationale burgerlijke luchtverbindingen, vermeld in de hierbij gevoegde Bijlage. Artikel 2 Voor de toepassing van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlage: - 1). heeft het woord „grondgebied” de betekenis zoals gedefinieerd in artikel 2 van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart; - 2). betekent de uitdrukking „luchtvaartautoriteit”: voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, de Minister belast met het luchtvervoer; voor wat betreft de Republiek Kongo, de Minister belast met het luchtvervoer; - 3). betekent de uitdrukking „Aangewezen maatschappij” de luchtvaartmaatschappij die de luchtvaartautoriteiten van een Overeenkomstsluitende Partij met name hebben aangewezen als de door hen gekozen organisatie voor het exploiteren van de verkeersrechten voorzien in deze Overeenkomst en die door de andere Overeenkomstsluitende Partij overeenkomstig de bepalingen van de hierna volgende artikelen 10, 11 en 13 is aanvaard. Artikel 3 1). De luchtvaartuigen gebruikt in internationaal verkeer door de aangewezen luchtvaartmaatschappij van een Overeenkomstsluitende Partij, alsmede hun normale uitrusting, hun reserves aan motorbrandstoffen en smeeroliën en hun boordvoorraden (met inbegrip va"},{"i":10473,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Malawi inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Malawi (hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen): Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld; Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten met het doel luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I. Begripsomschrijvingen Tenzij uit de inhoud van deze Overeenkomst anders blijkt, hebben de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - 1. „Luchtvaartautoriteiten”: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat en wat de Republiek Malawi betreft, de Minister belast met de Burgerluchtvaart of in beide gevallen iedere andere persoon of autoriteit die bevoegd is de functies te vervullen die thans worden vervuld of in de toekomst mogelijkerwijs worden vervuld door genoemde Minister. - 2. „Overeenkomst”: deze Overeenkomst, de ter uitvoering daarvan opgestelde bijlage, alsmede eventuele wijzigingen daarvan. - 3. „Luchtdiensten”, „internationale luchtdiensten”, „luchtvaartmaatschappij” en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden”: als onderscheidenlijk in artikel 96 van het Verdrag daaraan toegekend. - 4. „Het Verdrag”: Het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening is opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig de artikelen 90 en 94 (a) daarvan aangenomen bijlagen en wijzigingen, voor zover deze bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen. - 5. „Aangewezen luchtvaartmaatschappij”: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd in overeenstemming met artikel IV van deze Overeenkomst"},{"i":10478,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela tot instelling van een bilateraal rampenplan voor olieverontreiniging ter bescherming van de kustgebieden en het mariene milieu Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela, in het kader van het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch gebied, ondertekend te Cartagena de Indias op 24 maart 1983 en het Protocol betreffende de samenwerking ter bestrijding van olieverontreiniging in het Caraïbisch gebied, ondertekend te Cartagena de Indias op 24 maart 1983, zijn overeengekomen een Bilateraal Rampenplan (BRp) in te stellen ter bestrijding van verontreiniging van de kustgebieden en het mariene milieu door olielozingen, opdat een regeling wordt getroffen voor de procedures voor melding van ongevallen, de tactieken voor het bestrijden van zulke lozingen en de maatregelen ter vermindering van de uit zulke voorvallen voortvloeiende gevolgen van verontreiniging, en waarop de volgende bepalingen van toepassing zijn: Algemene bepalingen 1. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt deze Overeenkomst voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Wat de Nederlandse Antillen betreft, geldt dit BRp voor Bonaire en Curaçao. Aan Saba, St. Eustatius en St. Maarten kunnen op verzoek van de Regionale Bestrijdingscommissie van de Nederlandse Antillen adviezen worden verstrekt door de Regionale Bestrijdingscommissie van Venezuela. 2. In deze Overeenkomst wordt onder „Voorzitter van de Regionale Bestrijdingscommissie\" verstaan degene die door elk der Overeenkomstsluitende Partijen is belast met de leiding bij de instelling van hun onderscheiden nationale rampenplannen olieverontreiniging. 3. De partijen ontwikkelen binnen hun onderscheiden gebieden een doeltreffend systeem waardoor zij in staat zijn olielozingen in de kustgebieden, het mariene milieu of de rivieren te voorkomen, het bestaan van dergelijke olievlekken op te sporen en elkaar onmiddellijk daar"},{"i":10485,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot wijziging van art. 6 van het Tractaat van 12 mei 1863 betreffende de regeling der wateraftappingen uit de Maas Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, het nuttig geoordeeld hebbende de bepalingen van art. 6 van het tractaat van 12 Mei 1863, regelende de wateraftappingen van de Maas, door andere te vervangen, meer overeenkomstig de belangen van Belgie en van de Nederlanden, hebben te dien einde tot Hunne gevolgmagtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, den heer JAN WILLEM VAN LANSBERGE, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, officier der Leopoldsorde, grootkruis der orde van Frans Joseph, enz., enz., enz., Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmagtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning der Belgen; Zijn Majesteit de Koning der Belgen, den heer WILLEM B. F. C. graaf VAN ASPREMONT LYNDEN, officier der Leopoldsorde, kommandeur van den Ernestinischen tak van het Huis van Saksen, grootkruis der orden van den Witten Adelaar, van Karel III, van den Verlosser van Griekenland, ridder 1ste klasse der orde van Medjidié, lid van den Senaat, Hoogstdeszelfs Minister van Buitenlandsche Zaken; die, na hunne volmagten te hebben gewisseld en in orde bevonden, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Wijzigt het Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot regeling der wateraftappingen uit de Maas; 's-Gravenhage, 12 mei 1863. Artikel 2 De Belgische Regering verbindt zich de som van twee honderd vijftig duizend francs (fr. 250 000) bij te dragen in de kosten tot verbetering van de rivier de Dommel en hare zijtakken of andere wateren op Nederlandsch gebied gelegen en bestemd het water te ontvangen der Belgische bevloeijingen, dat ten allen tijde over het Nederlandsch gebied moet worden ontlast, zonder dat daaruit voor Belgie eenige vera"},{"i":10487,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen inzake het vestigen en onderhouden van luchtdiensten Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, geleid door de wens het luchtvervoer tussen en via Nederland en Noorwegen te bevorderen, sluiten hierbij de volgende Overeenkomst: Artikel 1 (1). Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij de in deze Overeenkomst omschreven rechten voor het instellen van geregelde internationale luchtdiensten op de routes die zijn omschreven in de hierbij behorende bijlage. Deze diensten en routes worden verder genoemd „overeengekomen diensten”, onderscheidenlijk „omschreven routes”. (2). De door elke Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappijen genieten bij de exploitatie van een overeengekomen dienst op een omschreven route de volgende rechten: - a). om zonder te landen over het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij te vliegen; - b). om op dat grondgebied te landen voor niet-verkeersdoeleinden; - c). om op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij te landen voor het opnemen en afzetten van passagiers, post en vracht in internationaal verkeer. Artikel 2 (1). Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht aan de andere Overeenkomstsluitende Partij schriftelijk mededeling te doen van de aanwijzing van een of meer luchtvaartmaatschappijen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes. (2). Na ontvangst van deze aanwijzing verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij, met inachtneming van het bepaalde in de leden 3 en 4 van dit artikel, zonder uitstel de passende exploitatievergunningen aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen. (3). De luchtvaartautoriteiten van een Overeenkomstsluitende Partij kunnen eisen dat de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappi"},{"i":10488,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Saoedi-Arabië inzake luchtvervoer Preambule De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Saoedi-Arabië, hierna te noemen „de Overeenkomstsluitende Partijen”; Partijen bij het [Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart](onbekend), dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld; Geleid door de wens een aanvullende overeenkomst bij dat [Verdrag](onbekend) te sluiten met het doel luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden in te stellen; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Overeenkomst: - A. Wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Rijksluchtvaartdienst, en wat het Koninkrijk Saoedi-Arabië betreft, de President van de Burgerluchtvaart, of in beide gevallen, iedere andere autoriteit of instantie die bevoegd is een van de thans door genoemde autoriteiten uitgeoefende functies te vervullen; - B. Wordt onder „overeengekomen diensten” verstaan de geregelde luchtdiensten voor het vervoer van passagiers, bagage, vracht en post op de routes, omschreven in de Bijlage bij deze Overeenkomst; - C. Wordt onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij” verstaan een luchtvaartmaatschappij die overeenkomstig [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002589&artikel=3&z=1985-06-24&g=1985-06-24) van deze Overeenkomst is aangewezen; - D. Wordt onder „luchtdienst” verstaan elke geregelde luchtdienst, uitgevoerd door luchtvaartuigen voor het openbare vervoer van passagiers, bagage, post of vracht; - E. Wordt onder „tarief” verstaan de prijzen van het vervoer van passagiers, bagage en vracht, alsmede de voorwaarden waarop deze prijzen worden toegepast, met inbegrip van de prijzen en de voorwaarden die betrekking hebben op de diensten van agentschappen en andere hulpdiensten, echter met uitzondering van de vergoedingen en de voorwaa"},{"i":10492,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake de uitvoering van het Verdrag inzake het open luchtruim De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, Vaststellende dat het [Verdrag inzake het open luchtruim](onbekend), hierna te noemen het Verdrag, werd ondertekend te Helsinki op 24 maart 1992, Verwijzende naar [artikel XIV van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001051&artikel=XIV), waarin onder andere is bepaald dat voor de toepassing van de [artikelen II tot en met IX](onbekend) en [artikel XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001051&artikel=XI), alsmede de [Bijlagen A tot en met I](onbekend) en [Bijlage K bij het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001051&bijlage=K), het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, hierna te noemen de Staten-Partijen, worden beschouwd als één Staat-Partij, hierna te noemen de Benelux, De nadruk leggend op het feit dat de samenwerking in Beneluxverband andere vormen van samenwerking ter uitvoering van het „open luchtruim”-regime, in het bijzonder als groep Staten-Partijen, zoals verwoord in [artikel III, Afdeling II, van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001051&artikel=III), niet uitsluit, Vaststellende dat de drie Staten-Partijen deel uitmaken van de groep Staten-Partijen die de Staten van de Westeuropese Unie hebben besloten te vormen ingevolge het [Verdrag](onbekend), zoals is verklaard door haar Voorzitterschap op 18 maart 1992 te Wenen, Zijn ter uitvoering van [artikel XIV van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001051&artikel=XIV) het volgende overeengekomen: Artikel 1. Coördinatie 1. De drie Staten-Partijen werken samen in aangelegenheden aangaande het [Verdrag](onbekend). Daartoe wijzen zij elk een coördinator aan ter uitvoering van de bepalingen van het Ve"},{"i":10494,"b":"Overeenkomst tussen het Wasser- und Bodenverband \"Itterbecker Moor\" en het waterschap De Bovenvecht over het onderhoud van de Dooze Het Wasser- und Bodenverband „Itterbecker Moor” te Itterbeek, in het onderstaande „Verband” genoemd, vertegenwoordigd door zijn voorzitter en het waterschap De Bovenvecht te Hardenberg, in het onderstaande „waterschap” genoemd, vertegenwoordigd door zijn voorzitter sluiten op grond van de wenselijkheid, de door de verbetering ontstane toestand van de Dooze in de toekomst in stand te houden en de onbelemmerde afvoer van het water in overeenstemming met de afvoercapaciteit van het dwarsprofiel na de verbetering te verzekeren, gelet op hoofdstuk 4, artikel 59 (2) van het grensverdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden van 8 april 1960 de volgende overeenkomst: Artikel 1 1. Deze overeenkomst betreft - a). het verbeterde gedeelte van de Dooze op Nederlands gebied van 0 tot 2917, - b). de zandvang bij grenssteen 100 op Duits gebied. 2. De te onderhouden waterleiding benevens de daarin gelegen kunstwerken en de voor het onderhoud maatgevende toestand van de waterleiding, alsmede van de zandvang zijn in een uit vier (4) bladen bestaand grondplan vastgelegd, dat inclusief de eventuele toekomstige wijzigingen, onderdeel van deze overeenkomst is. De door beide zijden ondertekende bladen nrs. 1 tot en met 4 bestaan uit een overzichtskaart (schaal 1 : 50.000), een situatie van het verbeterde gedeelte van de Dooze (schaal 1 : 5.000), een lengteprofiel met dwarsprofielen van het verbeterde gedeelte van de Dooze en een situatie, lengte- en dwarsprofiel van de zandvang. Artikel 2 1. Het onderhoud van het verbeterde gedeelte van de Dooze van de Nederlands-Duitse grens stroomafwaarts over een lengte van 600 m berust bij het Verband. De buiten het boord van de waterleiding bij de afrastering gedeponeerde ruigten en specie behoeft het Verband niet te verwijderen. 2. Bediening, onderhoud en ruiming van de zandvang (inclusief"},{"i":10495,"b":"Overeenkomst tussen het Wasserverband Netterdenscher Kanal en het waterschap Rijn en IJssel inzake het gemaal Kandia Het Wasserverband Netterdenscher Kanal (hierna te noemen: het Wasserverband), vertegenwoordigd door de voorzitter en het waterschap Rijn en IJssel (hierna te noemen: het waterschap), vertegenwoordigd door de dijkgraaf gaan van de volgende overwegingen uit: Op 3 december 1971 is tussen het Duitse Wasserverband Netterdenscher Kanal en het Nederlandse Polderdistrict Oude Rijn de [overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003826) getekend inzake de bouw en exploitatie van het gemaal Kandia. De rechten en plichten uit deze overeenkomst zijn overgegaan op het Wasserverband en het waterschap. Het Wasserverband en het waterschap hebben besloten de [overeenkomst inzake het gemaal Kandia](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003826), getekend op 3 december 1971 aan te passen in verband met noodzakelijke renovatie en ecologische verbetering. Deze aanpassingsovereenkomst heeft betrekking op het gebied dat is aangegeven op de bij deze overeenkomst behorende en gewaarmerkte kaart. Het in Duitsland gelegen gebied met een omvang van 3782 hectare is met de kleur geel aangegeven. Het in Nederland gelegen gebied met een omvang van 6053 hectare is met de kleur rood aangegeven. De kaart is als bijlage 1 bijgevoegd en maakt onderdeel uit van deze overeenkomst. Om de bij hoge waterstanden van het Pannerdensch Kanaal optredende afwateringsmoeilijkheden en overstromingen tegen te gaan, achten het Wasserverband en het waterschap het noodzakelijk een goede afwatering – in het bijzonder bij hoge waterstanden – te continueren door renovatie van het gemaal aan de monding van de Oude Rijn. Dit gemaal wordt door het waterschap gerenoveerd, bediend, beheerd en onderhouden, alsmede zonodig uitgebreid en verbeterd. Het Wasserverband draagt in de daardoor ontstane kosten bij naar rato van haar aandeel in het gezamenlijke stroomgebied. Dienovereenkomstig sluiten het Wass"},{"i":10498,"b":"Overeenkomst tussen het Waterschap van de Berkel en het Wasser- und Bodenverband Kalkbachgebiet over het onderhoud van de Ratumsebeek en van een zijleiding in het grensgebied Het Wasser- und Bodenverband Kalkbachgebiet, hierna „Verband” genoemd, vertegenwoordigd door den Verbandsvorsteher herrn Wilhelm Epping-Pasz en het Waterschap van de Berkel, hierna „Waterschap” genoemd, vertegenwoordigd door de watergraaf ir. Jan Baas sluiten, gelet op hoofdstuk 4, artikel 59, lid 2 van het Grensverdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden van 8 april 1960, de volgende overeenkomst: Artikel 1 Het Waterschap verbindt zich, op zijn kosten overeenkomstig de als bijlage bijgevoegde tekeningen (overzichtskaart1)[Red: De overzichtskaart is niet opgenomen.]en lengteprofiel2)[Red: Deze bijlage is niet opgenomen.] ) de Ratumsebeek op Nederlands gebied vanaf de grens (nabij grenssteen Gp 786) tot 485 m stroomafwaarts te onderhouden. De tekeningen maken deel uit van deze overeenkomst. Artikel 2 Het Verband verbindt zich, op zijn kosten overeenkomstig de in artikel 1 genoemde tekeningen de Ratumsebeek op Duits gebied vanaf de grens (nabij grenssteen Gp 786) tot 485 m stroomopwaarts en de zijleiding langs de grens (tussen de grensstenen Gp 786 en Gp 787) te onderhouden. Artikel 3 De verplichtingen in de artikelen 1 en 2 staan verderstrekkende maatregelen van de overeenkomstsluitende partijen niet in de weg, voorzover daardoor geen der overeenkomstsluitende partijen benadeeld wordt. Artikel 4 Ook Nederlandse eigenaren van aanliggende gronden mogen draineerwater brengen op het in artikel 2 genoemde gedeelte van de zijleiding met inachtneming van de Duitse technische voorschriften. Artikel 5 1. Veranderingen van de overeenkomst behoeven de goedkeuring van de regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland en van het Koninkrijk der Nederlanden. 2. Veranderingen van de in artikel 1 genoemde tekeningen behoeven slechts de instemming van de Regierungspräsident te Münster"},{"i":10500,"b":"Overeenkomst tussen zekere Lid-Staten van de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek en de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek inzake de tenuitvoerlegging van een programma betreffende luchtverkeerssatellieten De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Organisatie voor ruimteonderzoek (hierna te noemen „de Organisatie”), Overwegende dat er reden is aan te nemen dat de groei van het luchtverkeer, die gepaard gaat met een behoefte aan betere diensten van het luchtverkeer, in het bijzonder op het terrein van lucht-grondverbindingen, tegen het midden der tachtiger jaren boven de veschillende oceaanzones en met name boven de Atlantische Oceaan en de Stille Zuidzee een operationeel potentieel van luchtverkeerssatellieten gaat vereisen, alsmede dat ten einde aan het gewenste doel te beantwoorden op zo kort mogelijke termijn een preoperationeel potentieel tot stand gebracht dient te zijn; Overwegende dat over het scheppen van deze capaciteit besprekingen zijn gevoerd tussen vertegenwoordigers van de Deelnemers, van de Regering van de Verenigde Staten, van de Regering van Canada, van de Regering van Australië en van de Regering van Japan; Overwegende het Memorandum van Overeenstemming inzake een gezamenlijk programma van proefneming en evaluatie met luchtverkeerssatellieten, tussen het Federale Luchtvaartagentschap van het Ministerie van Vervoer van de Verenigde Staten, waarbij de Organisatie optreedt namens haar Deelnemende Lid-Staten en de Regering van Canada; Overwegende dat de Organisatie, optredend namens haar Deelnemende Lid-Staten, de Regering van Canada en een Amerikaanse maatschappij, gezamenlijk bij contract de satellietcapaciteit zullen opzetten; Rekening houdend met de Resolutie van de Europese Ruimte Conferentie, gehou"},{"i":10501,"b":"Premieregeling opgeviste milieugevaarijke stoffen Overwegende dat het wenselijk is de Premieregeling opgeviste milieugevaarlijke stoffen en explosieven (Stcrt. 1988, 254) op een aantal punten bij te stellen en gedeeltelijk in te trekken ingevolge het advies van de Interdepartementale coördinatiecommissie voor Noordzee-aangelegenheden, ICONA, van 10 juli 1989, uitgebracht naar aanleiding van de eerste evaluatie van die regeling; Handelende in overeenstemming met de regeringbeslissing inzake de bijstelling en gedeeltelijke intrekking van genoemde premieregeling, als vastgesteld in brief nr. ICONA 7958 van 17 augustus 1989, van de minister van Verkeer en Waterstaat, coördinerend minister voor Noordzee-aangelegenheden, aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; Overwegende, dat omwille van de duidelijkheid, besloten is tot vaststelling van een nieuwe Premieregeling te geraken onder gelijktijdige intrekking van voornoemde premieregeling; Besluit: Artikel 1. Toepassing Deze regeling is van toepassing op verpakte milieugevaarlijke stoffen die: - 1. op zee door schepen zijn verloren en, - 2. opgevist worden binnen de Nederlandse visserijzone, zijnde de Nederlandse territoriale zee alsmede het Nederlandse deel van het continentale plat en die, - 3. krachtens de International Maritime Dangerous Goods Code (IMO resolutie A.81 (IV) van 27 september 1965 zoals nadien gewijzigd) worden aangemerkt als ‘Marine Pollutant’, daaronder mede begrepen de stoffen die naar het oordeel van de met de uitvoering van deze regeling belaste ambtenaren van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, een zodanig gevaar meebrengen dat verwijdering uit het mariene milieu noodzakelijk is. Artikel 2. Toekenning van de premie Ten aanzien van de toekenning en de hoogte van de premie geldt het volgende: - 1a. Aan de visser die vóór 1 januari 1990 een verpakte milieugevaarlijke stof opvist en aan land brengt of aan de visser op wiens aanwijzing een dergelijke stof vóór 1 januari 1990 wordt g"},{"i":10503,"b":"Protocol 1 gehecht aan de Universele Auteursrecht-Conventie, inzake de bescherming van werken van staatlozen en vluchtelingen De Staten, die partij zijn bij de [Universele Auteursrecht-Conventie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005162) (hierna te noemen de „Conventie”) en ook partij zijn bij dit Protocol, Zijn het volgende overeengekomen: IN FAITH WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Protocol. DONE at Geneva this sixth day of September, 1952, in the English, French and Spanish languages, the three texts being equally authoritative, in a single copy which shall be deposited with the Director-General of Unesco. The Director-General shall send certified copies to the signatory Staates, to the Swiss Federal Council and to the Secretary-General of the United Nations for registration."},{"i":10506,"b":"Protocol betreffende de authentieke tekst in vier talen van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart The undersigned Governments, Considering that the 21st Session of the Assembly of the International Civil Aviation Organization requested the Council of this Organization “to undertake the necessary measures for the preparation of the authentic text of the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) in the Russian language, with the aim of having it approved not later than the year 1977”; Considering that the English text of the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) was opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Considering that, pursuant to the [Protocol signed at Buenos Aires on 24 September 1968 on the authentic trilingual text of the Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004681) done at Chicago, 7 December 1944, the text of the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) (hereinafter called the Convention) was adopted in the French and Spanish languages and, together with the text of the Convention in the English language, constitutes the text equally authentic in the three languages as provided for in the final clause of the Convention; Considering accordingly, that it is appropriate to make the necessary provision for the text of the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) to exist in the Russian language; Considering that in making such provision account must be taken of the existing amendments to the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) in the English, French and Spanish languages, the texts of which are equally authentic and that, according to [Article 94 (a) of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=94), any am"},{"i":10691,"b":"Subsidieregeling milieu- en energie-efficiency in het goederenvervoer 2002 Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3) en [4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=4); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De minister stelt ieder kalenderjaar een of meer programma's vast. Een programma bevat een beschrijving van met elkaar samenhangende doelstellingen en soorten projecten, gericht op het bevorderen van de milieu- en energie-efficiency in het goederenvervoer door middel van verdere ontwikkeling van logistiek, transport en technologie die tot een geringere uitstoot van CO 2. De minister maakt ieder kalenderjaar in de Staatscourant bekend: - a. de programma's, of de zakelijke inhoud ervan, ten behoeve waarvan met toepassing van deze regeling een subsidie kan worden verstrekt; - b. de termijn waarbinnen in het kader van de onderscheidene programma's aanvragen kunnen worden ingediend; - c. het subsidieplafond en de wijze van verdeling per programma of onderdeel daarvan; - d. de programmabeheerder van ieder programma. 3. Indien bij de bekendmaking, bedoeld in het tweede lid, uitsluitend de zakelijke inhoud van het programma wordt bekendgemaakt, worden plaats en tijdstip van de terinzagelegging van de tekst van het programma vermeld. Artikel 3 Op een overeenkomstig deze regeling ingediende aanvraag wordt slechts subsidie verstrekt, indien de aanvrager in Nederland een project uitvoert, dat naar het oordeel van de programmabeheerder: - a. past binnen een programma als bedoeld in artikel 2; - b. voldoet aan de criteria van dat programma; en - c. voldoende bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van dat programma. Artikel 4 1. De hoogte van de subsidie wordt bepaald met inachtneming van: - a. de mate waarin de aanvrager een eigen belang heeft bij de resultaten van het project en - b. de mate waarin het"},{"i":10692,"b":"Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 26 september 2023, nr. WJZ/ 36713828, houdende regels over de subsidiëring van de realisatie en exploitatie van productie-installaties voor waterstof (Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2), en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1.1. (begripsbepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - **aansluiting:** aansluiting als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=1); - **directe lijn:** directe lijn als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel ar, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=1); - **direct gekoppelde waterstofproductie-installatie:** waterstofproductie-installatie als bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&paragraaf=2&artikel=2.2&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - **dubbelgekoppelde waterstofproductie-installatie:** waterstofproductie als bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&paragraaf=2&artikel=2.2&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - **elektriciteitsnet:** net als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=1); - **exploitatiesubsidiebedrag:** bedrag van het exploitatiesubsidiedeel overeenkomstig [artikel 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&paragraaf=6&artikel=6.4&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - **exploitatiesubsidiedeel:** subsidiedeel als bedoeld [artikel 2.1, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048664&paragraaf=2&artikel=2."},{"i":10510,"b":"Protocol betreffende speciaal beschermde gebieden en wilde dieren en planten bij het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch gebied De Verdragsluitende Partijen bij dit Protocol, Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caribisch gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002733), ondertekend te Cartagena de Indias op 24 maart 1983, In aanmerking nemend [artikel 10 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002733&artikel=10) dat de instelling van speciaal beschermde gebieden verlangt, Gelet op de bijzondere hydrografische, biotische en ecologische kenmerken van het Caribisch gebied, Zich bewust van de ernstige bedreiging die slecht opgezette ontwikkelingsplannen vormen voor de natuurlijke staat van het mariene milieu en de kusten van het Caribisch gebied, Erkennende dat bescherming en behoud van het milieu van het Caribisch gebied van wezenlijk belang zijn voor een verantwoorde ontwikkeling in het gebied, Zich bewust van de ontzaglijke ecologische, economische, esthetische, wetenschappelijke, culturele, nutritieve en recreatieve waarde van zeldzame en broze ecosystemen en inheemse dier- en plantesoorten voor het Caribisch gebied, Erkennende dat het Caribisch gebied een groep onderling verbonden ecosystemen is, waarin een bedreiging voor het milieu in één deel een mogelijke bedreiging in andere delen vormt, De nadruk leggend op het belang te komen tot regionale samenwerking met het oog op de bescherming en, indien van toepassing, het herstel en de verbetering van de toestand van ecosystemen, alsmede bedreigde en uitstervende soorten en hun leefmilieu in het Caribisch gebied door middel van, onder andere, de instelling van beschermde gebieden in de mariene gebieden en de daarmee samenhangende ecosystemen, Erkennende dat de instelling en het beheer van zulke beschermde gebieden en de bescherming van bedreigde en uitstervende soorten het culture"},{"i":10511,"b":"Protocol betreffende verontreiniging afkomstig van bronnen en activiteiten op het land bij het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch gebied, met bijlagen The Contracting Parties to this Protocol, Being Parties to the Convention for the Protection and Development of the Marine Environment of the Wider Caribbean Region, done at Cartagena de Indias on 24 March 1983, Resolved, therefore, to implement the Convention and specifically Article 7, Taking note of Article 4, paragraph 4 of the Convention, Considering the principles of the Rio Declaration and Chapter 17 of Agenda 21 adopted by the United Nations Conference on the Environment and Development (Rio de Janeiro, 1992), and the Programme of Action for the Small Islands Developing States (Barbados, 1994), as well as the Global Programme of Action for the Protection of the Marine Environment from Land-based Activities (Washington, 1995), including the illustrative list of funding sources set forth in its Annex, Recalling the relevant rules of international law as reflected in the 1982 United Nations Convention on the Law of the Sea and in particular its Part XII, Conscious of the serious threat to the marine and coastal resources and to human health in the Wider Caribbean Region posed by pollution from land-based sources and activities, Aware of the ecological, economic, aesthetic, scientific, recreational and cultural value of the marine and coastal ecosystems of the Wider Caribbean Region, Recognising the inequalities in economic and social development among the countries of the Wider Caribbean Region and their needs for the achievement of sustainable development, Determined to cooperate closely in taking the appropriate measures to protect the marine environment of the Wider Caribbean Region against pollution from land-based sources and activities, Further recognising the need to encourage national, sub-regional and regional action through a national political commitm"},{"i":10512,"b":"Protocol betreffende zeelieden-vluchtelingen De Staten die partij zijn bij dit Protocol, Overwegende dat de toepassing van de [Overeenkomst betreffende zeelieden-vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002028), ondertekend te 's-Gravenhage op 23 november 1957 (hierna te noemen de Overeenkomst), nauw verband houdt met de toepassing van het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002), ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna te noemen het Verdrag), dat alleen van toepassing is op personen die vluchteling zijn geworden ten gevolge van gebeurtenissen welke voor 1 januari 1951 hebben plaatsgevonden, Overwegende dat sedert de aanvaarding van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002) nieuwe groepen vluchtelingen zijn ontstaan, en dat het wenselijk is dat een zelfde status geldt voor alle vluchtelingen die vallen onder de begripsomschrijving zoals die in het Verdrag is opgenomen, ongeacht de grensdatum van 1 januari 1951, en dat te dien einde op 31 januari 1967 te New York een [Protocol betreffende de status van vluchtelingen](onbekend) voor toetreding werd opengesteld, Geleid door de wens een soortgelijke regeling te treffen met betrekking tot zeelieden-vluchtelingen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I 1. De Staten die partij zijn bij dit Protocol verplichten zich de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002028&artikel=2) en [4 tot en met 13 van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002028&artikel=4) toe te passen op zeelieden-vluchtelingen zoals hieronder omschreven. 2. Voor de toepassing van dit Protocol is de uitdrukking „zeelieden-vluchtelingen\" van toepassing op alle personen die, vluchteling zijnde overeenkomstig de begripsomschrijving in het [tweede lid van artikel I van het Protocol betreffende de status van vluchtelingen](onbekend) van 31 januari 1967, in enigerlei hoedanigheid als zeevarende werkzaam zijn aan boord van een ko"},{"i":10513,"b":"Protocol bij het Verdrag inzake internationale zakelijke rechten op mobiel materieel betreffende voor luchtvaartuigmaterieel specifieke aangelegenheden De Partijen bij dit Protocol, Overwegende dat het nodig is het [Verdrag inzake internationale zakelijke rechten op mobiel materieel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003189) (hierna te noemen „het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003189)”) voor zover het betrekking heeft op luchtvaartuigmaterieel, in het licht van de in de preambule tot het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003189) vervatte doeleinden ten uitvoer te leggen, Indachtig de behoefte het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003189) aan te passen om tegemoet te komen aan de specifieke vereisten van de financiering van luchtvaartuigen en de reikwijdte van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003189) uit te breiden tot verkoopcontracten van luchtvaartuigmaterieel, Indachtig de beginselen en doeleinden van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944, Zijn de volgende bepalingen met betrekking tot luchtvaartuigmaterieel overeengekomen: HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSBEREIK EN ALGEMENE BEPALINGEN Artikel I. Begripsomschrijvingen 1. De in dit Protocol gebruikte termen hebben, behoudens indien de context anders vereist, de betekenis die daaraan in het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003189) wordt gegeven. 2. In dit Protocol worden de volgende termen gebruikt met de hieronder omschreven betekenis: - a. „luchtvaartuig”: een luchtvaartuig zoals omschreven voor de toepassing van het Verdrag van Chicago dat hetzij een luchtvaartuigcasco is met daarop geïnstalleerde luchtvaartuigmotoren, hetzij een helikopter; - b. „luchtvaartuigmotoren”: luchtvaartuigmotoren (anders dan die welke worden gebruikt door de krijgsmacht, douane of politie) die worden aangedreven door straalaandrijving of turbine- of zuigertechnologie en die: tezamen me"},{"i":10517,"b":"Protocol inzake strategische milieubeoordeling bij het Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband De Partijen bij dit Protocol, Erkennend het belang van het integreren van milieuoverwegingen, met inbegrip van gezondheidsoverwegingen, in de opstelling en aanneming van plannen en programma's, en, voor zover passend, beleid en wetgeving, Zich verbindend tot het bevorderen van duurzame ontwikkeling en zich daarom baserend op de conclusies van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling (Rio de Janeiro, Brazilië, 1992), en met name de beginselen 4 en 10 van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling en Agenda 21, alsook het resultaat van de derde Ministeriële Conferentie inzake milieu en gezondheid (Londen, 1999) en de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling (Johannesburg, Zuid-Afrika, 2002), Indachtig het [Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002731), gedaan te Espoo, Finland, op 25 februari 1991, en Besluit II/9 van de Partijen daarbij in Sofia op 26 en 27 februari 2001, waarin besloten is een juridisch bindend protocol inzake strategische milieubeoordeling op te stellen, Erkennend dat strategische milieubeoordeling een belangrijke rol moet spelen bij de opstelling en aanneming van plannen, programma's, en, voor zover passend, beleid en wetgeving, en dat de bredere toepassing van de beginselen van milieueffectrapportage op plannen, programma's, beleid en wetgeving de systematische analyse van de aanzienlijke milieugevolgen ervan verder zal versterken, Erkennend het [Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001700), gedaan te Aarhus, Denemarken, op 25 juni 1998, en gelet op de relevante paragrafen van de Verklaring van Lucca, aangenomen tijdens de eerste vergadering van de Partijen erbij, Zich daarom bewust van"},{"i":10519,"b":"Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad PREAMBULE De Staten die partij zijn bij dit Protocol, Verklarend dat doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht een alomvattende internationale aanpak vereist, met inbegrip van samenwerking, de uitwisseling van informatie en andere passende maatregelen, waaronder sociaal-economische maatregelen, op nationaal, regionaal en internationaal niveau, In herinnering roepend resolutie 54/212 van de Algemene Vergadering van 22 december 1999, waarin de Vergadering de lidstaten en het systeem van de Verenigde Naties aanspoorde de internationale samenwerking op het gebied van internationale migratie en ontwikkeling te intensiveren teneinde de oorzaken aan te pakken die ten grondslag liggen aan migratie, in het bijzonder die welke verband houden met armoede, en de voordelen van internationale migratie voor de betrokkenen te optimaliseren, en, waar relevant, internationale, regionale en subregionale mechanismen aanmoedigde zich te blijven inzetten voor de kwestie van migratie en ontwikkeling, Overtuigd van de noodzaak van een humane behandeling van migranten en de volledige bescherming van hun rechten, Rekening houdend met het feit dat er, ondanks het werk, verricht door andere internationale fora, geen universeel instrument bestaat dat alle aspecten van de smokkel van migranten en aanverwante kwesties aanpakt, Bezorgd over de sterke toename van de activiteiten van criminele organisaties bij het smokkelen van migranten en aanverwante criminele activiteiten als omschreven in dit Protocol, die veel schade berokkenen aan de betrokken Staten, Voorts bezorgd over het feit dat de smokkel van migranten het leven of de veiligheid van de betrokken migranten in gevaar kan brengen, In herinnering roepend resolutie 53/111 van de Algem"},{"i":10520,"b":"Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart bij het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 23 september 1971 De Staten Partij bij het onderhavige Protocol, Overwegende dat wederrechtelijke daden van geweld die de veiligheid van personen op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart in gevaar brengen of kunnen brengen of die de veilige exploitatie van die luchthavens in gevaar brengen, het vertrouwen dat de volkeren der wereld stellen in de veiligheid op die luchthavens ondermijnen, alsmede de veilige en ordelijke uitvoering van de burgerluchtvaart voor alle Staten verstoren; Overwegende dat zodanige gedragingen de internationale Gemeenschap ernstig verontrusten en dat, ten einde zodanige gedragingen te voorkomen, er dringend behoefte bestaat aan passende maatregelen ter bestraffing van de daders; Overwegende dat het noodzakelijk is bepalingen aan te nemen ter aanvulling op die van het [Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003604), gedaan te Montreal op 23 september 1971, ten einde op te treden tegen wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Het Protocol vult het [Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003604), gedaan te Montreal op 23 september 1971 (hierna te noemen: „het Verdrag”), aan en, tussen de Partijen bij het Protocol, worden het Verdrag en het Protocol samen als één enkele akte gelezen en geïnterpreteerd. Artikel II 1. Aan artikel 1 van het Verdrag wordt het volgende, nieuwe lid 1 **bis** toegevoegd: - „1 bis. Aan een strafbaar feit maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opz"},{"i":10523,"b":"Protocol tot wijziging van de Euromediterrane Luchtvaartovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en lidstaten van de Europese Unie (hierna „de lidstaten” genoemd), en de Europese Unie, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, Gezien de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie op 1 juli 2013, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 De Republiek Kroatië is partij bij de [Euro-mediterrane luchtvaartovereenkomst die op 12 december 2006 door de Europese Gemeenschap en haar lidstaten en het Koninkrijk Marokko is gesloten](onbekend) te Brussel („de overeenkomst”), zoals gewijzigd bij het [protocol in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie](onbekend), ondertekend te Brussel op 18 juni 2012 („het protocol”). Artikel 2 Wijzigt de Euro-mediterrane luchtvaartovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds; Brussel, 12 december 2006. Artikel 3 De tekst van de overeenkomst in de Kroatische taal, die bij dit protocol is gevoegd, is authentiek onder dezelfde voorwaarden als de andere taal"},{"i":10524,"b":"Protocol tot wijziging van de Luchtvervoersovereenkomst tussen Canada en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](onbekend) en bij het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](onbekend) en lidstaten van de Europese Unie (hierna „de lidstaten” genoemd), en De Europese Unie, enerzijds, en Canada, anderzijds, Gezien de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie op 1 juli 2013, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 De Republiek Kroatië is partij bij de [Luchtvervoersovereenkomst tussen Canada en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten](onbekend)2)De tekst van de overeenkomst is bekendgemaakt in PB L 207 van 6.8.2010, blz. 32., die is ondertekend op 17 december 2009 (hierna „de overeenkomst” genoemd). Artikel 2 De tekst van de [overeenkomst](onbekend) in de Kroatische taal is authentiek onder dezelfde voorwaarden als de andere taalversies. Artikel 3 Dit protocol wordt door de partijen volgens hun eigen procedures goedgekeurd. Het treedt in werking op dezelfde datum als de [overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004292). Indien dit protocol echter door de partijen wordt goedgekeurd na de datum van inwerkingtreding van de o"},{"i":10525,"b":"Protocol tot wijziging van de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke luchtvaartruimte tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en bij het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en lidstaten van de Europese Unie (hierna „de lidstaten” genoemd), en de Europese Unie, enerzijds, en Georgië, anderzijds, gezien de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie op 1 juli 2013, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Republiek Kroatië is partij bij de [Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke luchtvaartruimte tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds en Georgië, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005077), die is ondertekend op 2 december 2010 (hierna „de overeenkomst”). Artikel 2 De tekst van de [overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005077) in de Kroatische taal is authentiek onder dezelfde voorwaarden als de andere taalversies. Artikel 3 1. Dit protocol wordt door de partijen volgens hun eigen procedures goedgekeurd. Het treedt in werking op dezel"},{"i":10527,"b":"Protocol van 1988 bij het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966 De Partijen bij dit Protocol, Partij zijnde bij het [Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003267), gedaan te Londen op 5 april 1966, de belangrijke bijlage van dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003267) erkennend aan de bevordering van de veiligheid van schepen en goederen op zee en van het leven van personen aan boord, Tevens erkennend de behoefte de technische bepalingen van dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003267) verder te verbeteren, Voorts erkennend de behoefte aan het opnemen in dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003267) van bepalingen inzake het onderzoek en de afgifte van certificaten die zijn geharmoniseerd met overeenkomstige bepalingen in andere internationale akten, Overwegend dat in deze behoefte het best kan worden voorzien door het sluiten van een Protocol bij het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Algemene verplichtingen 1. De Partijen bij dit Protocol verbinden zich ertoe uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Protocol en van de Bijlagen daarbij, die een integrerend deel van dit Protocol vormen. Elke verwijzing naar dit Protocol houdt tegelijkertijd een verwijzing naar de Bijlagen in. 2. Tussen de Partijen bij dit Protocol zijn de bepalingen van het [Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003267) (hierna te noemen „het Verdrag”) met uitzondering van [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003267&artikel=29), van toepassing onder voorbehoud van de wijzigingen en aanvullingen vervat in dit Protocol. 3. Ten aanzien van schepen die gerechtigd zijn de vlag te voeren van een Staat die geen Partij bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003267) en"},{"i":10530,"b":"Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering De Partijen bij dit Verdrag, Beseffende dat veranderingen in het klimaat op aarde en de nadelige gevolgen daarvan een gemeenschappelijke zorg voor de mensheid vormen, Bezorgd over het feit dat door menselijke activiteiten de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer aanzienlijk zijn toegenomen, dat deze toeneming het natuurlijke broeikaseffect vergroot, en dat dit gemiddeld zal leiden tot een extra opwarming van het aardoppervlak en de atmosfeer, hetgeen schadelijke invloed kan hebben op natuurlijke ecosystemen en de mens, Vaststellende dat het grootste deel van de emissies van broeikasgassen over de gehele wereld, zowel in het verleden als in het heden, afkomstig is uit ontwikkelde landen, dat in ontwikkelingslanden de emissies per hoofd van de bevolking nog betrekkelijk gering zijn en dat het deel van de totale emissies dat afkomstig is uit ontwikkelingslanden zal toenemen naarmate wordt voorzien in hun behoeften van sociale aard en op het gebied van de ontwikkeling, Zich bewust van de rol en het belang van putten en reservoirs van broeikasgassen in ecosystemen op land en in zee, Vaststellende dat er veel onzekerheden bestaan in voorspellingen van klimaatverandering, met name met betrekking tot het verloop, de omvang en de regionale patronen daarvan, Beseffende dat de mondiale aard van klimaatverandering de breedst mogelijke samenwerking tussen alle landen vergt, alsmede hun deelneming in een doeltreffend en passend internationaal optreden, in overeenstemming met hun gezamenlijke, doch verschillende, verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden en hun sociale en economische omstandigheden, Herinnerende aan de desbetreffende bepalingen van de Verklaring van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Leefmilieu, aangenomen te Stockholm op 16 juni 1972, Voorts eraan herinnerende dat Staten, in overeenstemming met het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":10532,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 januari 2006, nr. DJZ 2006227630, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende aanpassingsregeling stad-en-milieu-benadering Gelet op de [Interimwet stad-en-milieubenadering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019466) en op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Interimwet stad-en-milieubenadering in werking treedt. Artikel I A. Wijzigt het Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving. - 1. De [Subsidieregeling stad & milieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010449) wordt ingetrokken. - 2. Voorzover er ter zake nog sprake is van enige bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze overeenkomstig de [Subsidieregeling stad & milieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010449) plaats. - 3. Bestaande aanspraken en verplichtingen bij, op grond of in het kader van de [Subsidieregeling stad & milieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010449) blijven in stand. Artikel II Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Interimwet stad-en-milieubenadering in werking treedt. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10534,"b":"Regeling aanwijzen Tafel van Alders als ander orgaan als bedoeld in artikel 8.23a, eerste en negende lid, Wet luchtvaart Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 8.23a, eerste en negende lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.23a); Besluit: Artikel 1 Voor het experiment met het nieuwe normen- en handhavingstelsel voor de luchthaven Schiphol wordt de Tafel van Alders aangewezen als ander orgaan, als bedoeld in [artikel 8.23a, eerste en negende lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.23a). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10535,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 5 maart 2015, nr. IENM/BSK-2014/265864, houdende nadere regels met betrekking tot het bepalen van beste beschikbare technieken voor grote inrichtingen op Bonaire, St. Eustatius en Saba (Regeling aanwijzing BBT-documenten grote inrichtingen milieubeheer BES) Gelet op [artikel 11, derde lid, van het Besluit grote inrichtingen milieubeheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036481&artikel=11); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit grote inrichtingen milieubeheer BES in werking treedt. Artikel 1 Onze Minister houdt bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken in ieder geval rekening met de informatiedocumenten over beste beschikbare technieken, die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036456&bijlage=1&z=2015-04-01&g=2015-04-01). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop het [Besluit grote inrichtingen milieubeheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036481) in werking treedt. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing BBT-documenten grote inrichtingen milieubeheer BES. Bijlage 1. Aanwijzing documenten BBT Aangewezen documenten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036456&artikel=1&z=2015-04-01&g=2015-04-01) zijn: - •. Reference Document on Best Available Techniques Emission from Storage, july 2006 (BREF Op- en overslag bulkgoederen); - •. Reference Document on Best Available Techniques Large Combustion Plants, july 2006 (BREF Grote stookinstallaties); - •. Reference Document on Best Available Techniques in Common Waste Water en Waste Gas Treatment, february 2003 (BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling); - •. Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) van april 2012; - •. Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) van juli 2012; - •. Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15"},{"i":10536,"b":"Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 6 juli 2025, nr. WJZ/98374713, houdende aanwijzing categorieën van productie-installaties voor de productie van duurzame energieproductie en klimaattransitie in 2025 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2025) [KetenID WGK 27799] Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en de [artikelen 1, eerste lid, onderdeel o, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde, vierde, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3, tweede lid, vijfde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=6), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [12a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12a), [14, eerste lid, onderdeel c, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [27, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, eerste lid, onderdeel c, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https:"},{"i":10537,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 december 2020, nr. IENW/BSK-2020/247614, tot aanwijzing van de Dienst Wegverkeer als bevoegde autoriteit in de zin van artikel 17, eerste lid, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947 van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 2019, L 152) Gelet op [artikel 1.5 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.5); BESLUITEN: Artikel 1 De Dienst Wegverkeer wordt aangewezen als bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947 van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 2019, L 152) met betrekking tot de volgende taken: - 1. het ter uitvoering van artikel 18, onderdeel c, van die verordening afgeven van een bewijs van voltooiing van een onlinetheorie-examen en het afgeven, wijzigen, schorsen, beperken of intrekken van een vaardigheidsbewijs voor piloten op afstand en het afgeven van een certificaat van theoriekennis als bedoeld in UAS.STS-01.020, 1e lid, sub e, onderdeel i, en UAS.STS-02.020, 7e lid, onderdeel a, van die verordening; - 2. het ter uitvoering van artikel 18, onderdeel e, van die verordening bijhouden van documenten, registers, verslagen voor vaardigheidsbewijzen van piloten op afstand; - 3. het ter uitvoering van artikel 18, onderdeel m, van die verordening oprichten en in stand houden van een nauwkeurig registratiesysteem voor UAS-exploitanten waarvan de vluchtuitvoeringen een risico kunnen inhouden voor de veiligheid, beveiliging, privacy en bescherming van persoonsgegevens of het milieu, als bedoeld in de verordening, waaronder inbegrepen de uitwisseling van gegevens met betrekking tot deze exploitanten en onbemande luchtvaartuigen waarvan het ontwerp onderworpen is aan certificering, via het in artikel 74 van Verordening (EU) 2018/1139 bedoelde re"},{"i":10539,"b":"Regeling aanwijzing luchtruim en luchtverkeersdienstverleners BES Gelet op de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028639&artikel=2), en [70, eerste lid, van het Besluit luchtverkeer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028639&artikel=70); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aerodrome reference point (ARP):** de aangewezen geografische locatie van een luchthaven; - **aerodrome traffic zone (ATZ):** bijzonder luchtverkeersgebied aangewezen rondom een luchthaven; - **control zone (CTR):** plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied; - **flight level (FL):** vliegniveau; - **ft:** voet (feet); - **luchtverkeersdienstverlener:** rechtspersoon als bedoeld [artikel 70, eerste lid, van het Besluit luchtverkeer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028639&artikel=70); - **nautical mile (NM):** zeemijl; - **terminal control area (TMA):** naderingsluchtverkeersleidingsgebied. Artikel 2 1. De volgende delen van het luchtruim, bedoeld in [artikel 2, derde lid, van het Besluit luchtverkeer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028639&artikel=2) worden aangeduid als: - a. Curaçao TMA, voor zover het het luchtruim betreft rondom het territoir van het openbaar lichaam Bonaire dat onder de bevoegdheid van de minister valt, zoals weergegeven in Dutch Caribbean AIP ENR 2.1 met de volgende grenzen: - 1°. een gebied dat omgeven wordt door lijnen tussen de coördinaten 134035N0672932W, 140835N0694004W, dan tegen de klok in langs de boog van een cirkel met een straal van 100NM vanaf het punt 123006N0700115W (VOR/DME BEA), naar 124240N0714237W, 123000N0712500W, 123000N0703000W, 112400N0675800W naar het punt van oorsprong; - 2°. tussen 2500 ft boven het aardoppervlak en FL 245. - b. Flamingo CTR, met de volgende laterale en verticale grenzen: - 1°. een cirkel met een straal van 25 NM vanaf het ARP van Flamingo luchthaven inclusief het luchtruim dat wordt begrensd door de raaklijnen die de Flamingo CTR met de Hato 25"},{"i":10541,"b":"Regeling aanwijzing militaire onbemande luchtvaartuigen Gelet op [artikel 5.7, derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.7), Besluit: Artikel 1 Als onbemande luchtvaartuigen aan boord waarvan zich geen gezagvoerder bevindt, worden aangewezen: - a. militaire onbemande luchtvaartuigen voor observatiedoeleinden vanuit de lucht; - b. militaire onbemande luchtvaartuigen die worden gebruikt als doel voor schietoefeningen of voor het slepen van een doel voor schietoefeningen. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit van 1 december 1998, houdende enige voorzieningen met betrekking tot onbemande luchtvaartuigen (Stb. 1998, 674) in werking treedt. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing militaire onbemande luchtvaartuigen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10542,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Financiën van 27 oktober 2020, nr. WJZ/ 18182465, houdende aanwijzing van natuurtypen en landschapselementtypen als bedoeld in het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 en wijziging van de Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928 (Regeling aanwijzing natuurtypen en landschapselementtypen Natuurschoonwet 1928) Gelet op [artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1) in samenhang met [artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004914&artikel=1) en [artikel 7, eerste en vierde lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004914&artikel=7); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (evaluatie Natuurschoonwet 1928) (Stb. 2020, 331) in werking treedt. Artikel 1 Als natuurtypen en landschapselementtypen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004914&artikel=1) worden aangewezen de natuurtypen en landschapselementtypen, genoemd in kolom 1, onder de in kolom 2 genoemde beperkingen. | 1 | 2 | | --- | --- | | Natuurtypen en landschapselementtypen | Beperkingen | | a. Rivieren | Beperkt tot de litorale zones van het wateroppervlak waarin nog zoveel zonlicht tot de bodem doordringt dat wortelende waterplanten zich hier kunnen vestigen, die grenzen aan of anderszins deel uitmaken van een gevarieerde oever zonder oeverbeschoeiing, met zowel flauwe als steile delen, en tijdelijke of permanente plas-dras zones. | | b. Beken en bronnen | | | c. Stilstaande wateren | Beperkt tot de litorale zones van het wateroppervlak waarin nog zoveel zonlicht tot de bodem doordringt dat"},{"i":10544,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 15 december 2010, nr. 169929, houdende aanwijzing van de Saba Bank als natuurpark In overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=2a) en [8d, eerste lid, van de Wet grondslagen natuurbeheer en -bescherming BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=8d); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet grondslagen natuurbeheer en -bescherming BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434); - b. **minister:** Minister van Economisch Zaken, Landbouw en Innovatie. Artikel 2 1. De Saba Bank wordt aangewezen als natuurpark als bedoeld in [artikel 2a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=2a). 2. Het natuurpark, bedoeld in het eerste lid, omvat het gebied, zoals aangegeven op de kaart opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 3 1. Het is verboden voor anker te gaan in het natuurpark, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029161&artikel=2&z=2013-06-01&g=2013-06-01). 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op hydrografische opnemingsvaartuigen, bergingsschepen en vaartuigen die worden ingezet voor opsporing en redding. 3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op vissersschepen op voorwaarde dat de kapitein van het schip beschikt over een geldige visserijvergunning voor enig gedeelte van de Saba Bank. 4. De kapitein van een vaartuig of schip als bedoeld in het tweede of derde lid, meldt zich bij de Kustwacht voor het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch gebied zodra hij de buitengrens van het natuurpark, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029161&artikel=2&z=2013-06-01&g=2013-06-01), in binnen- of buitenwaartse richting passeert. 5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassi"},{"i":10546,"b":"Regeling aanwijzingen ten aanzien van verplichtingen van de eigenaar of houder van een luchtvaartuig met betrekking tot onderhoud, revisie en herstelling Artikel 1. Algemeen 1. Met betrekking tot het onderhoud, de revisie en de herstelling van een Nederlands luchtvaartuig is de eigenaar of houder verplicht: - a. vervallen. - b. ervoor te zorgen, dat de Directeur Luchtvaartinspectie van het Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst op zijn verzoek wordt ingelicht omtrent het tijdstip, waarop met het onderhoud, de revisie of de herstelling dan wel met bepaalde daartoe behorende werkzaamheden zal worden aangevangen; - c. ervoor te zorgen, dat aan de bepalingen van de volgende artikelen wordt voldaan. 2. Aan het bepaalde in het vorige lid, onder c, wordt geacht te worden voldaan, indien het onderhoud, de revisie of de herstelling wordt verricht door een erkend bedrijf. Artikel 2. Werkplaatsen en personeel De organisatie en de inrichting van de bij het onderhoud, de revisie of de herstelling betrokken werkplaatsen, de werkwijzen en controlemethoden, de gereedschappen, alsmede de kundigheid van het bij de werkzaamheden betrokken personeel moeten dusdanig zijn, dat naar het oordeel van Minister van Verkeer en Waterstaat een goede uitvoering van het onderhoud, de revisie of de herstelling is gewaarborgd. Artikel 3 Alvorens materialen, onderdelen en halfproducten alsmede uitrustingsstukken bij het onderhoud, de revisie of de herstelling worden verwerkt, - a. zijn deze voorzien van een bewijs van deugdelijkheid als bedoeld in [artikel 92 van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=92), dan wel - b. heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat voor deze toestemming verleend, dan wel - c. heeft een erkend bedrijf voor deze toestemming verleend. Artikel 4. Inspecties en proeven Ten einde te verzekeren, dat het luchtvaartuig na het onderhoud, de revisie of de herstelling luchtwaardig zal zijn, moeten de inspecties en proeven worden"},{"i":10547,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 juli 2009, nr. BJZ2009044653, houdende vervanging van de Regeling acceptatie geconditioneerde gevaarlijke afvalstoffen op stortplaatsen in verband met de implementatie van beschikking nr. 2003/33/EG tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen (PbEG L 11) (Regeling acceptatie afvalstoffen op stortplaatsen) Gelet op beschikking nr. 2003/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van [Richtlijn 1999/31/EG](31999L0031) betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L 11) en de [artikelen 11f, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=11f), en [11h, vierde lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=11h); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **bepalingsgrens:** laagste concentratie van de parameter in het monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde zekerheid kan worden vastgesteld; - **besluit:** [Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094); - **blok:** vaste vorm van bepaalde afmetingen die door uitharding van een mengsel van sterk uitloogbare, en toeslagstoffen met een bekende samenstelling als één geheel in een compartiment of op een daarvoor geëigende plaats wordt gevormd; - **bouwstoffen:** bouwstoffen als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=1); - **compartiment:** afzonderlijk deel van een stortplaats dat niet beïnvloed kan worden vanuit andere compartimenten van de stortplaats en voorzien is van een separate afvoer van het percolaat uit het compartiment; - **kritische parameter:** pa"},{"i":10548,"b":"Regeling acceptatie van luchtvaartuigen, aanverwante producten en onderdelen Gelet op de [artikelen 72, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=72), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=73), [74, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=74), [76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=76), [77, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=77), en [93 van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=93); Besluit: Artikel 1 Voor het ontwerpen, het produceren, het beoordelen van de luchtwaardigheid, het afgeven, accepteren of wijzigen van type-certificaten, van supplementaire type-certificaten, bewijzen van luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, aanverwante produkten of onderdelen, worden op verzoek van de aanvrager de procedures toegepast uit JAR-21, vastgesteld door de Joint Aviation Authorities op 30 november 1993 en bekend gemaakt op 3 juni 1994. Artikel 2 De Beleidsregeling voor de acceptatie van luchtvaartuigen, aanverwante produkten en onderdelen wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 1997. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling acceptatie van luchtvaartuigen, aanverwante produkten en onderdelen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10550,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor Medische Zorg van 9 januari 2018, nr. IENM/BSK-2017/291098, houdende vaststelling van nadere regels ter bescherming van personen tegen de gevaren van blootstelling aan ioniserende straling (Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming) Gelet op [Richtlijn 2013/59](32013L0059)/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de [Richtlijnen 89/618](31989L0618)/Euratom, [90/641](31990L0641)/Euratom, [96/29](31996L0029)/Euratom, [97/43](31997L0043)/Euratom en [2003/122](32003L0122)/Euratom (PbEG L [13/1](31913L0001)) en [Richtlijn 2011/70](32011L0070)/Euratom van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PbEU 2011, L 199); Gelet op de [artikelen 2.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=2.3), [3.2, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.2), [3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.4), [3.6, derde lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.6), [3.17, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.17), [3.20, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.20), [3.22, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.22), [4.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=4.7), [4.15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=4.15), [5.4, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=5.4), [5.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=5.5), [5.7, zesde lid](https://"},{"i":10552,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, houdende voorschriften inzake de beleidsvoorbereiding en de verantwoording van waterschappen (Regeling beleidsvoorbereiding en verantwoording waterschappen) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 4.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=4.22), [4.24, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=4.24), [4.25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=4.25), [4.36, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=4.36), [4.73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=4.73) en [4.74, eerste lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=4.74); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt onder besluit verstaan: [Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025). 2. Indien dit noodzakelijk is voor het inzicht, bedoeld in [artikel 4.3 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=4.3), kan een waterschap van de in [paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024848&paragraaf=4&z=2025-01-01&g=2025-01-01) van deze regeling opgenomen bepalingen afwijken. 3. De reden van de in het tweede lid bedoelde afwijking wordt in de toelichting op het desbetreffende onderdeel van de meerjarenraming, de begroting, de jaarstukken en de uitvoeringsinformatie vermeld. § 2. Kengetallen Artikel 2 1. De kengetallen nettoschuldquote, EMU-saldo, wendbaarheid van de begroting en lastendruk worden berekend op de wijze zoals bepaald in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024848&bijlage=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) bij deze regeling. 2. De specificaties van de kengetallen weerstandsvermogen, nettoschuldquote, EMU-saldo, wendbaarheid van de begroting en lastendruk worden opgenomen in: - a. de meerjarenraming volgens de raming van het begrotin"},{"i":10554,"b":"Regeling beperking geluidhinder militaire luchtvaartuigen boven schietrange de Vliehors Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 2 van het Besluit van 21 mei 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003404&artikel=2), Stb. 1981, 343, houdende vaststelling van enige regels ter beperking van geluidhinder door luchtvaartuigen; Besluit: Artikel 1. Algemeen Met betrekking tot het uitvoeren van vluchten met militaire luchtvaartuigen boven en rondom de schietrange de Vliehors voor het gebruik hiervan gelden de volgende regels ter beperking van geluidhinder: - a. vluchten worden niet uitgevoerd tussen 00.00 uur lokale tijd en het aanbreken van de uniforme daglichtperiode; - b. vluchten worden niet uitgevoerd op vrijdagen na 16.00 uur, noch op zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen; - c. vluchten worden niet uitgevoerd in formaties van meer dan vier luchtvaartuigen. Artikel 2. Vaste vleugelvliegtuigen 1. Het aanvliegen van schietrange de Vliehors en de nadering van het circuitpatroon worden zoveel mogelijk uitgevoerd vanuit het noorden dan wel vanuit het zuidoosten. 2. Het uitvliegen van schietrange de Vliehors en de klimprocedure uit het circuitpatroon worden standaard uitgevoerd in noordwestelijke richting. 3. Rondom de schietrange Vliehors maakt het vliegverkeer gebruik van een circuitpatroon aan de zuidoostelijke zijde dat ligt vanaf de schietrange tot boven de Afsluitdijk, alsmede van circuitpatronen ten noordwesten van de schietrange en aan de westelijke en zuidwestelijke zijde van de schietrange. Bij het vliegen van de circuitpatronen dient het noorden van het eiland Texel beneden de hoogte van 10.000 voet (3.000 m), tot 1 NM (1,8 km) buiten de Texelse kust door het vliegverkeer van de schietrange te worden gemeden. 4. De vluchten worden uitgevoerd met een vliegsnelheid van ten hoogste 350 knopen. Indien de aard van de opdracht het vliegen met een hogere snelheid nood"},{"i":10555,"b":"Regeling beperking of verbod uitoefening burgerluchtverkeer in bepaalde gebieden 2018 Handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Gelet op [artikel 5.10, eerste en tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.10) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=5) en [19, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=19); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **AMC:** Airspace Management Cell, organisatie die het civiel en militair gebruik van het luchtruim op elkaar afstemt; - **AMC-Manageable Area:** luchtruim dat enerzijds voor militaire en anderzijds voor civiele activiteiten kan worden gebruikt; - **AMSL:** above mean sea level, boven gemiddeld zeeniveau; - **burgerluchtverkeer:** alle luchtvaartactiviteiten van burgerluchtvaartuigen; - **CBA:** cross border area, een tijdelijk gedefinieerd stuk luchtruim (zie EHTRA en EHTSA hieronder) dat zich over internationale grenzen uitstrekt; - **militair luchtverkeer:** vluchten uitgevoerd onder militair gezag; - **EHD:** danger area (in de Amsterdam FIR), gedefinieerd stuk luchtruim in de Amsterdam FIR waarbinnen op aangekondigde tijden activiteiten plaatsvinden die een gevaar kunnen vormen voor vluchten in dit gebied; - **EHP:** prohibited area (in de Amsterdam FIR), gedefinieerd stuk luchtruim in de Amsterdam FIR waarbinnen vluchten niet zijn toegestaan; - **EHR:** restricted area (in de Amsterdam FIR), gedefinieerd stuk luchtruim in de Amsterdam FIR waarbinnen vluchten alleen voorwaardelijk zijn toegestaan; - **EHTRA:** temporary restricted airspace (in de Amsterdam FIR), gedefinieerd stuk luchtruim waarbinnen op aangekondigde tijden (militaire) vliegactiviteiten plaatsvinden die een gevaar kunnen vormen voor civiele vlucht"},{"i":10557,"b":"Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001 Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=5), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=9) en [10, tweede lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=10); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **geregistreerde opleidingsinstelling:** geregistreerde opleidingsinstelling als bedoeld in de [Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012923); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **SP-SE klassebevoegdverklaring:** bevoegdverklaring voor de klasse luchtvaartuig, single pilot, eenmotorig (Single Pilot Single Engine class rating); - **SP typebevoegdverklaring:** bevoegdverklaring voor een type luchtvaartuig, single pilot (Single Pilot type rating); - **Verordening (EU) 2018/1976:** [Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976](32018R1976) van de Commissie van 14 december 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen overeenkomstig [Verordening (EU) 2018/1139](32018R1139) van het Europees parlement en de Raad (PbEU 2018, L 326); - **Verordening (EU) 2018/395:** [Verordening (EU) 2018/395](32018R0395) van de Commissie van 13 maart 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vluchtuitvoeringen met ballonnen en voor bewijzen van bevoegdheid voor de bemanning van ballonnen overeenkomstig [Verordening (EU) 2018/1139](32018R1139) van het Europees parlement en de Raad (PbEU 2018, L 71). 2. In deze regeling wordt met de volgende toevoegingen bedoeld: - a. A: de categorie vliegtuigen (Aircraft); - b. GC: de categorie gyrokopters (Gyrocopters); - c. H: de categorie helikopters (Helicopters). Hoofdstuk 2. Procedurele"},{"i":10563,"b":"Regeling houdende regels voor burgerluchthavens (Regeling burgerluchthavens) Gelet op: de [artikelen 8.49, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.49), [8.55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.55), juncto [artikel 8.29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.29), [8.64, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.64), juncto [artikel 8.49, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.49), [8.72, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.72) en [8a.50, tweede lid van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.50); de [artikelen 3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026525&artikel=3), [13, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026525&artikel=13), [14, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026525&artikel=14), [15, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026525&artikel=15), en [17, derde lid, van het Besluit burgerluchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026525&artikel=17); Besluiten: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **10-5 en 10-6 plaatsgebonden risicocontouren:** contouren ter aanduiding van de beperkingengebieden in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer als bedoeld in [artikel 9 van het Besluit burgerluchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026525&artikel=9); - **besluit:** [Besluit burgerluchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026525); - **gemotoriseerd schermvliegtuig:** schermvliegtuig, zijnde een zweeftoestel zonder starre hoofdstructuur dat kan worden gedragen en slechts kan worden gestart en geland door gebruik te maken van de benen van de bestuurder, dat over een motor beschikt; - **Lden-contouren:** contouren ter aanduiding van de beperkingengebieden in verba"},{"i":10565,"b":"Regeling burgerluchtvaartinlichtingen Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie, Gelet op [artikel 61 van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=61); Besluit: Hoofdstuk 1 Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Aeronautical Fixed Service (AFS):** een communicatie-netwerk voor luchtverkeersdiensten; - b. **Aeronautical Information Regulation and Control (AIRAC):** een vooraf vastgesteld tijdpad met algemene ingangsdata voor luchtvaartinlichtingen met een interval van 28 dagen; - c. **Aeronautical Information Services (AIS):** een dienstverlening, uitgevoerd door luchtvaartinlichtingendiensten, met als doel het verzekeren van de verstrekking van die inlichtingen nodig voor een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer; - d. **Aeronautical Information Circular (AIC):** een circulaire voor de luchtvaart met inlichtingen die niet in aanmerking komen voor publicatie in een NOTAM of luchtvaartgids, maar wel in verband staan met de vliegveiligheid, vluchtuitvoering of technische, administratieve of wetgevende aangelegenheden; - e. **AIS unit:** een vluchtvoorlichtingsdienst die is belast met het geven van luchtvaartinlichtingen voor de vlucht en het in ontvangst nemen daarvan na de vlucht; - f. **amendement:** permanente veranderingen van de inlichtingen in de luchtvaartgids; - g. **bijlage 4:** aeronautical charts, bijlage 4 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (ICAO) gesloten op 7 december 1944 te Chicago (Trb. 1973, 109); - h. **bijlage 15:** aeronautical information services, bijlage 15 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (ICAO) gesloten op 7 december 1944 te Chicago (Trb. 1973, 109); - i. **homebriefing:** het door gebruikers met een toegangsaccount opvragen van luchtvaartinlichtingen op hun eigen pc, tablet of telefoon; - j. **International NOTAM office:** de luchtvaartinlichtingendienst die door de Minister van Infrastructuur en"},{"i":10566,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 14 augustus 2012, nr. IENM/BSK-2012/145416, houdende instelling van en vaststelling van nadere regels omtrent de taak, samenstelling en werkwijze van de Commissies regionaal overleg bij burgerluchthavens van nationale betekenis (Regeling commissies regionaal overleg burgerluchthavens van nationale betekenis) Gelet op [artikel 8.75, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.75), juncto [artikel 8.59, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.59); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **commissie:** commissie als bedoeld in de [artikelen 2 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031909&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **wet:** [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555). Artikel 2. luchthaven Eelde Er is een Commissie regionaal overleg luchthaven Eelde. Artikel 3. luchthaven Lelystad Er is een Commissie regionaal overleg luchthaven Lelystad. Artikel 4. luchthaven Maastricht Er is een Commissie regionaal overleg luchthaven Maastricht. Artikel 5. luchthaven Rotterdam Er is een Commissie regionaal overleg luchthaven Rotterdam. Artikel 6. luchthaven Twente Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 7. Taak 1. De commissie heeft naast de in [artikel 8.59, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.59) bedoelde taak, tevens tot taak: - a. er op toe te zien dat aan de belangen van de organen en organisaties die in de commissie zijn vertegenwoordigd, zo veel mogelijk recht wordt gedaan, met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften; - b. de minister desgevraagd te informeren over haar werkzaamheden. 2. De commissie treedt niet in de rechten en bevoegdheden van betrokkenen. Artikel 8. Samenstelling 1. In de commis"},{"i":10570,"b":"Regeling doven luchtvaartuiglichten militaire luchtvaartuigen Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [artikel 56 van het Luchtverkeersreglement](onbekend); Besluit: Artikel 1 Onverminderd [artikel 13, onderdeel a, van de Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035356&artikel=13) gelden ten aanzien van vluchten met militaire luchtvaartuigen, waarbij door het doel van de vlucht niet kan worden voldaan aan paragraaf SERA.3215 van verordening (EU) nr. 923/2012 met betrekking tot het voeren van luchtvaartuiglichten, de volgende nadere regels: - a. de noodzaak tot het uitvoeren van de vlucht, of een deel daarvan, met gedoofde luchtvaartuiglichten blijkt uit de vluchtopdracht; - b. bij het uitschakelen van de luchtvaartuiglichten wordt, indien aanwezig aan boord van het militaire luchtvaartuig, de nachtzichtapparatuur ingeschakeld; - c. er wordt, voor zover als mogelijk is en voor zover de vluchtopdracht zich daartegen niet verzet, radiocontact onderhouden met de voor het betreffende luchtruim verantwoordelijke gevechtsleidings- of luchtverkeersdienstverleningsinstanties; - d. het militaire luchtvaartuig is uitgerust met een functionerend radar beantwoordingsysteem (SSR-transponder) en gedurende (het gedeelte van) de vlucht worden de opgedragen Secundary Surveillance Radar Transponder mode en code gevoerd. Indien een bijzondere taakstelling vereist dat de aanwezige SSR-transponder gedurende (een gedeelte van) de vlucht niet wordt ingeschakeld, wordt de voor het luchtruim verantwoordelijke gevechtsleidings- of luchtverkeersdienstverleningsinstantie hierover geïnformeerd; en - e. het uitvoeren van opleidings- en trainingsvluchten met gedoofde lichten binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam vindt uitsluitend plaats in daartoe aangewezen tijdelijke gebieden met beperkingen of oefengebieden of in een temporary res"},{"i":10572,"b":"Regeling eisen cockpitpersoneel en luchtverkeersdienstverleningspersoneel krijgsmacht Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010690&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010690&artikel=4) en [5 van het Besluit cockpitpersoneel en luchtverkeersdienstverleningspersoneel krijgsmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010690&artikel=5); Besluit: Paragraaf 1. Eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid cockpitpersoneel Artikel 1 Vliegers voldoen aan de volgende eisen: - a. Theoretische bekwaamheid: - 1. grondige kennis van de vakken meteorologie, vliegtuigen, motoren, instrumenten, avionica, navigatie, luchtvaartvoorschriften en vliegtuigfysiologie; - 2. grondige kennis van de wijze waarop operaties met luchtvaartuigen van het betreffende krijgsmachtdeel worden uitgevoerd; - 3. grondige kennis van de voorschriften inzake het veilig opereren met luchtvaartuigen; - 4. grondige kennis van de voorschriften met betrekking tot het gebruik van veiligheids- en reddingsmiddelen en het uitvoeren van noodprocedures. - b. Praktische bekwaamheid: - 1. goede bedrevenheid in de allesomvattende behandeling onder alle omstandigheden van het type luchtvaartuig waarmee wordt gevlogen, met inbegrip van de uitrusting van dat luchtvaartuig; - 2. voorzover toepasselijk voor het desbetreffende type luchtvaartuig, goede bedrevenheid in het bedienen van het luchtvaartuig uitsluitend met behulp van blindvlieginstrumenten; - 3. goede bedrevenheid in het navigeren in de lucht met gebruik van navigatiehulpmiddelen; - 4. goede bedrevenheid in het gebruik van verbindingsapparatuur en verbindingsprocedures; - 5. goede bedrevenheid in het gebruik van veiligheids- en reddingsmiddelen en het uitvoeren van noodprocedures. Artikel 1a Personen, belast met het op afstand bedienen van onbemande luchtvaartuigen van de krijgsmacht, voldoen aan de volgende eisen: - a. Theoretische bekwaamheid: - 1. grondige kennis van de vakken, meteorologie, vliegtuige"},{"i":10576,"b":"Regeling houdende regels met betrekking tot onderhoudserkenningen en erkenningen van geluidmeetorganisaties (Regeling erkenningen luchtwaardigheid 2008) Gelet op [artikel 3.25 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.25) en de [artikelen 18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=18), [19, tweede lid, onderdelen c en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=19), en [20, van het Besluit luchtvaartuigen 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=20); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **autoriseringspersoneel:** personeel dat door de houder van een erkenning volgens een door de Minister aanvaarde procedure is gemachtigd geluidsmeetrapporten af te geven nadat geluidsmetingen zijn verricht; - **BvL-acceptatiekeuring:** inspectie zoals gedefinieerd in [artikel 1 van de Regeling nationale veiligheidsvoorschriften luchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043696&artikel=1); - **BvL-verlengingsinspectie:** inspectie zoals gedefinieerd in [artikel 1 van de Regeling nationale veiligheidsvoorschriften luchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043696&artikel=1); - **CAMO-erkenning:** erkenning voor het beheren van de blijvende luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en de onderdelen daarvan, als bedoeld in verordening (EU) nr. 1321/2014, Part M, section A, subpart G; - **certificeringspersoneel:** personeel dat door de houder van een erkenning volgens een door de Minister aanvaarde procedure is gemachtigd luchtvaartuigen of onderdelen daarvan als geschikt voor gebruik te certificeren; - **ernstig defect of gebrek:** defect of gebrek van zodanige aard, dat als gevolg hiervan de veilige uitvoering van de vlucht niet meer is gewaarborgd of een ernstige verwonding van een inzittende tot gevolg kan hebben of zijn leven in gevaar kan brengen; - **houder van een erkenning:** natuurlijk of recht"},{"i":10579,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 juni 2020, nr. IENW/BSK-2020/111578, houdende regels met betrekking tot de afgifte, wijziging, overdracht, schorsing en intrekking van het Europese bewijs van luchtwaardigheid en enkele overige bepalingen (Regeling Europese bewijzen van luchtwaardigheid) Gelet op de [artikelen 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.5), [3.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.2), [3.3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.3), [3.5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.5), en [3.24,van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.24) en de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=4), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=9), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=13), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=18), en [20, van het Besluit luchtvaartuigen 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=20), en [artikel 18, tweede lid, van het Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=18); BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **algemene luchtvaart:** luchtvaart met vleugelvliegtuigen met een maximaal toegelaten startmassa van 5.700 kg of minder, helikopters met een maximaal toegelaten startmassa van 2.730 kg of minder, gyrokopters met een maximaal toegelaten startmassa van 2.730 kg of minder, ballonnen, luchtschepen en (motor)zweefvliegtuigen; - **AR:** beoordeling van de luchtwaardigheid van een luchtvaartuig conform Part M, subpart I, of conform Part ML, subpart I, van [verordening (EG) nr. 1321/2014](32014R1321) (Airworthiness Review); - **ARC:** certificaat van beoordeling van de luchtwaardigheid conform Part"},{"i":10581,"b":"Regeling tot vaststelling van een nieuwe regeling voor examinatoren voor luchtvarenden (Regeling examinatoren voor luchtvarenden 2004) Gelet op de [artikelen 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=14), en [15, tweede lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=15); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **acceptatietest:** vaardigheidstest voor examinatoren als beschreven in FCL 1.020 van verordening (EU) nr. 1178/2011; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **praktijkexamen:** onderzoek naar de mate waarin een kandidaat voldoet aan de bedrevenheideisen, bedoeld in de [Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021240), ten behoeve van de afgifte van een bewijs van bevoegdheid of een bevoegdverklaring; - **proeve van bekwaamheid:** onderzoek naar de mate waarin een kandidaat voldoet aan de bedrevenheideisen als bedoeld in de [Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021240), ten behoeve van de verlenging of de hernieuwde afgifte van een bevoegdverklaring; - **RFE:** examinator recreatief vlieger (Recreational Flight Examiner); - **RFIE:** examinator voor de bevoegdverklaring tot recreatief vlieginstructeur (Recreational Flight Instructor Examiner); - **wet:** [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555). 2. In deze regeling wordt met de volgende toevoegingen bedoeld: - a. A: de categorie vliegtuigen (Aeroplanes); - b. H: de categorie helikopters (Helicopters); - c. FB: de categorie vrije ballonnen (Free Balloons); - d. GC: de categorie gyrokopters (Gyrocopters). 3. Verwijzingen naar JAR-FCL in deze regeling hebben betrekking op de Nederlandstalige versie van JAR-FCL 1, 2 of 4, zoals deze ter inzage liggen bij"},{"i":10582,"b":"Regeling experiment microklimaat Rijsenhout Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 8.23a, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.23a); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. LVB: het [Luchthavenverkeerbesluit Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330); - b. het experiment: het experiment microklimaat Rijsenhout; - c. gebruiksjaar 2008: de periode van 1 november 2007 tot en met 31 oktober 2008; - d. CROS: Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol bedoeld in [artikel 8.34 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.34); - e. KLM: Koninklijke Luchtvaart Maatschappij; - f. LVNL: Luchtverkeersleiding Nederland; - g. Schiphol: N.V. Luchthaven Schiphol; - h. RNAV: area navigation, methode van navigatie die het vliegtuigen mogelijk maakt een willekeurige route te vliegen binnen een netwerk van navigatiebakens; - i. FMS: Flight Management System, boordcomputer in cockpit ter ondersteuning van piloten op het gebied van navigatie, vluchtplanning en besturingsfuncties; - j. SID: Standard Instrument Departure, vertrekprocedure die de piloot middels een code in de boordcomputer invoert waardoor het vliegtuig die procedure volgt vanaf de startbaan, ook wel: uitvliegroute; - k. straalvliegtuigen: vliegtuigen met straalaandrijving, met uitzondering van General Aviation; - l. gebruiksjaar 2009: de periode van 1 november 2008 tot en met 31 oktober 2009; - m. gebruiksjaar 2010: de periode van 1 november 2009 tot en met 31 oktober 2010. Artikel 2. Doel Het experiment beoogt een gunstig effect op de hinderbeleving te bewerkstelligen door gedurende de gebruiksjaren 2008, 2009 en 2010 te onderzoeken of met het nauwkeuriger vliegen van de bocht bij Rijsenhout door startende vliegtuigen van de Kaagbaan de geluidhinder voor bewoners van Rijsenhout afneemt en te b"},{"i":10583,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 december 2005, nr. LMV 2005.191530, Directie Lokale Milieukwaliteit en Verkeer, Afdeling Sturing Bodemsaneringsoperatie, houdende financiële bepalingen met betrekking tot bodemsanering (Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=3), [4, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=4), [7, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=7), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=11), [13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=13), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=20), [21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=21), [26, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=26), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=28), [29, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=29), [41, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=41), [43, van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285&artikel=43); Besluit: Treedt in werking als het Besluit financiële bepalingen bodemsanering in werking treedt. Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. besluit: [Besluit financiële bepalingen bodemsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019285); - b. netto-saneringskosten: de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019304&hoofdstuk=3&z=2018-11-30&g=2018-11-30) bedoelde saneringskosten verminderd met de omzetbelasting (BTW); - c. Richtsnoeren: Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014–2020 (PB C 200/01 va"},{"i":10586,"b":"Regeling geluidemissie buitenmaterieel Gelet op [richtlijn 2000/14/EG](32000L0014) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2000 betreffende de geluidsemissie in het milieu door materieel voor gebruik buitenshuis (PbEG L 162) en op [artikel 2, eerste lid, tweede lid, onder d, en derde lid, van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=2) en [artikel 15.31, onder b, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.31); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: a. **aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij:** aanbieder van een dienst zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van [Richtlijn (EU) 2015/1535](32015L1535) van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241); b. **CE-markering:** op het materieel voor gebruik buitenshuis op zichtbare, leesbare en onuitwisbare wijze overeenkomstig het in bijlage IV van [richtlijn 2000/14](32000L0014) gegeven model aangebrachte CE-markering als omschreven in Besluit 93/465, vergezeld van de vermelding van het gewaarborgde geluidsvermogensniveau overeenkomstig het in bijlage IV van [richtlijn 2000/14](32000L0014) gegeven model; c. **certificaat van overeenstemming:** certificaat volgens het model van bijlage X van [richtlijn 2000/14](32000L0014), dat een keuringsinstantie verstrekt indien het materieel voor gebruik buitenshuis voldoet aan de overeenstemmingsbeoordelingsprocedure van bijlage VII van [richtlijn 2000/14](32000L0014); d. **EG-verklaring van overeenstemming:** verklaring van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde dat het materieel voor gebruik buitenshuis in overeenstemming is met de voorschriften van [richtlijn 2000/14](32000L0014), welke verklaring in ieder geval bevat de in bijlage"},{"i":10588,"b":"Regeling van de Minister van Defensie inzake geluidwerende voorzieningen aan woningen rond militaire luchthavens (Regeling geluidwerende voorzieningen militaire luchthavens 2015) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 10.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.24) jo [8.32 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.32); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Defensie; - b. **gebouw:** gebouw als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - c. **woning:** woonfunctie als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - d. **geluidsgevoelige ruimten van woningen:** ruimten binnen woningen voor zover die kennelijk duurzaam als slaap-, woon- of eetkamer worden gebruikt of voor een zodanig gebruik zijn bestemd; - e. **ander geluidsgevoelig gebouw:** gebouw met een onderwijsfunctie of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - f. **geluidsgevoelige ruimten van andere geluidsgevoelige gebouwen:** les-, theorie- en studielokalen van gebouwen met een onderwijsfunctie, alsmede onderzoeks- en behandelings-, recreatie- en conversatieruimten en woon- en slaapruimten van gebouwen met een gezondheidszorgfunctie; - g. **geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie:** grootheid die het verschil tussen het niveau van het invallende geluid aan de buitenzijde van een uitwendige scheidingsconstructie en het geluidsniveau in een ruimte achter deze constructie in een getal weergeeft; - h. **kostenbegrenzingswaarde:** maximaal door de minister ter beschikking te stellen bedrag voor de geluidwerende voorzieningen en"},{"i":10589,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 14 april 2014, nr. IenM/BSK-2014/88344, houdende regels met betrekking tot het ingeperkt gebruik en de doelbewuste introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen (Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013) Gelet op [artikel 8.40 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), de [artikelen 1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=1.4), [1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=1.6), [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.2), [2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.5), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.6), [2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.7), [2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.8), [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.10), [2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.13), [2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.15), [2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.17), [2.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.31), [2.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.34), [2.36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.36), [2.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.46), [2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.51), [2.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.54), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=3.4), [3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=3.7), [3.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=3.15), [3.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=3.16), [3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=3.23), [3.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":10590,"b":"Regeling van 28 februari 2003 houdende regels inzake aan boord van een luchtvaartuig brengen van gevaarlijke stoffen door passagiers of leden van het boordpersoneel Gelet op artikel 6.59 van de Wet luchtvaart, Besluit: Artikel 1 Passagiers en leden van het boordpersoneel nemen bij het aan boord brengen van gevaarlijke stoffen Deel 8 van de Technische Voorschriften in acht. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 16 maart 2003. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gevaarlijke stoffen in bagage aan boord van een luchtvaartuig. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10593,"b":"Regeling houdende aanwijzing militaire luchthavens Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit militaire luchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025302&artikel=2); Besluit: Artikel 1 [Titel 10.3 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&titeldeel=10.3) is van toepassing op de volgende militaire luchthavens: - –. Arnhemse Heide; - –. Artillerieschietkamp Oldebroek; - –. Assen; - –. Beekhuizerzand; - –. Eder- en Ginkelse Heide; - –. Ermelose Heide; - –. Garderense Veld; - –. Leusderheide; - –. Marnewaard; - –. Oirschot; - –. Rijen; - –. Stroese zand; - –. Vlasakkers; - –. Vliehors; - –. Waalsdorpervlakte. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2010 Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling houdende aanwijzing militaire luchthavens. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10598,"b":"Regeling kenmerken, registratie en luchtwaardigheid militaire luchtvaartuigen 2022 Handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 1.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2a), [3.2, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.2), [3.3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.3), [3.5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.5), [3.9, eerste, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.9), [3.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.12), [3.14, eerste lid, onder b, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.14), [3.18, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.18), en [10.3 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.3); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - −. **Minister:** Minister van Defensie; - −. **register:** door de Militaire Luchtvaart Autoriteit aangehouden register van in Nederland geregistreerde militaire luchtvaartuigen; - −. **wet:** [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555). Paragraaf 2. Vrijstelling van het verbod om toestellen in het luchtruim te gebruiken Artikel 2 Militaire raketten en militaire projectielen zijn vrijgesteld van het verbod, bedoeld in [artikel 1.2a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2a), voor zover deze raketten of projectielen worden gebruikt in een gebied dat voor burgerluchtverkeer is gesloten. Paragraaf 3. Nationaliteitskenmerk en inschrijvingskenmerk Artikel 3 1. Het nationaliteitskenmerk, te voeren door een in Nederland geregistreerd militair luchtvaartuig, bestaat uit twee concentrische cirkels, waarvan de binnenste een straal heeft gelijk aan een vijfde de"},{"i":10594,"b":"Regeling houdende vaststelling kader veiligheid militaire luchtvaart De Minister van Defensie, Directie Juridische Zaken Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Military Aviation System:** geheel van regels, processen en de daarbij passende organisatiestructuur, waarmee onder inachtneming van de taakstelling van de krijgsmacht, de veiligheid van de militaire luchtvaart systematisch wordt geborgd; - b. **MLA:** Militaire Luchtvaart Autoriteit als bedoeld in [artikel 21 van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](onbekend). Artikel 2 1. Het normstellend kader voor de militaire luchtvaart bestaat uit het Military Aviation System. 2. Onder het Military Aviation System zijn mede begrepen de voor de militaire luchtvaart bij instructie van de Directeur van de MLA vastgestelde Militaire Luchtvaart Eisen. Artikel 3 1. Met het toezicht op de militaire luchtvaart en op de naleving van de voor de militaire luchtvaart geldende wet- en regelgeving, met inbegrip van de Militaire Luchtvaart Eisen, is belast de Directeur van de MLA. 2. De Directeur van de MLA en de door hem met het toezicht belaste ambtenaren van de MLA hebben in het kader van hun taak onbelemmerd toegang tot locaties in beheer bij het Ministerie van Defensie. 3. De Directeur van de MLA en de door hem met het toezicht belaste ambtenaren van de MLA zijn in het kader van hun taak bevoegd zakelijke inlichtingen en inzage in zakelijke gegevens en bescheiden te vorderen. Artikel 4 De Directeur van de MLA en de door hem aangewezen ambtenaren van de MLA zijn belast met de handhaving van de in [artikel 21, onderdelen b en c, van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](onbekend) aan de Directeur van de MLA opgedragen goedkeuringen en autorisaties alsmede besluiten en andere handelingen ter uitvoering van de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) en de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555). Artikel 5 Deze regeling treedt in werking me"},{"i":10596,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 juli 2007, nr. SAS/2007073464, Directoraat-Generaal Milieubeheer, Directie Stoffen, Afvalstoffen en Straling, houdende intrekking van de Regeling EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen Artikel I 1. De [Regeling EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006639) wordt ingetrokken. 2. Op kennisgevingen die vóór 12 juli 2007 ingevolge [verordening (EEG) nr. 259/93](31993R0259) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PbEG L 30) zijn gedaan en waarvoor de bevoegde autoriteit van bestemming vóór deze datum een ontvangstbevestiging heeft gegeven, blijft voornoemde regeling van toepassing. Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. [Artikel I, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022361&artikel=I&z=2007-08-08&g=2007-08-08), werkt terug tot en met 12 juli 2007. Gelet op [verordening (EG) nr. 1013/2006](32006R1013) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L 190) en [artikel 10.56, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.56); Besluit: Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10599,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 februari 2004, Nr. SAS/2004011401 inzake de eisen aan de uitvoering van het kwaliteitsmanagement bij kerncentrales (Regeling kwaliteitsborging van kerncentrales) Gelet op [artikel 20 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=20); Besluiten: Artikel 1 Inrichtingen als bedoeld in [artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15), waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt met het oogmerk om energie op te wekken, voldoen aan de Code and Safety Guides Q1 tot en met Q7 en Q10 tot en met Q14, Quality Assurance for Safety in Nuclear Power Plants and other Nuclear Installations, uitgave 1996, van het International Atomic Energy Agency te Wenen, zoals gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kwaliteitsborging van kerncentrales. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage. Tekstaanpassing per NVR Genoemde paragraaf en regelnummers zijn die van de IAEA Q-serie. **Definitielijst:** Item of zaak houdt in: onderdelen, materialen, samenstellingen, systemen, documentatie en programmatuur. **NVR 1.3. Hoofdregel kwaliteitsborging (IAEA C Q: Code on QA etc.)** **Sectie 102:** Code vs. Safety Guides: – Add the sentence: The guidance given in the NVR’s 2.3.1-14. shall be followed by the licensee, unless the licensee is able to justify that the methods and solutions the licensee wants to implement give at least the same level of safety and quality, or if the licensee is able to justify that the specific guidance is not applicable or possible for their installation or specific situation. **Section 104:** The responsible organisation:"},{"i":10600,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 27 juni 2011, nr. BJZ2011046957, houdende nadere regels met betrekking tot enige onderwerpen inzake legionellapreventie in drinkwater en warm tapwater (Regeling legionellapreventie in drinkwater en warm tapwater) Gelet op [richtlijn nr. 98/83/EG](31998L0083) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 330) en de [artikelen 35, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=35), [36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=36), [37, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=37), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=42), [43, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=43) en [44, zesde lid van het Drinkwaterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=44); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Drinkwaterwet in werking treedt. Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Drinkwaterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111); - **eenvoudige drinkwaterinstallatie:** samenstel van leidingen, fittingen en toestellen na de watermeter, aangesloten op het leidingnet van een drinkwaterbedrijf of een collectieve watervoorziening dan wel op een collectief leidingnet, dat in omvang en complexiteit overeenkomt met dat van een eengezinswoning. Artikel 2. Aanwijzen categorieën zorginstellingen 1. Als categorieën zorginstellingen, bedoeld in [artikel 35, eerste lid, onder b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=35), worden aangewezen: - a. revalidatiecentra met overnachting; - b. oncologische en radiotherapeutische instituten; - c. verpleeghuizen; - d. instellingen voor verstandelijk gehandicapten en psychiatrische cliënten; - e. instellingen voor niet-verstandelijk geh"},{"i":10603,"b":"Regeling luchtvaartmeteorologische inlichtingen 2006 Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op [artikel 8 van de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012952&artikel=8) en [artikel 61 van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=61); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: AMB: VOLMET uitzending bestemd voor luchtvaartuigen in of nabij het vluchtinformatiegebied Amsterdam tijdens de vlucht (amsterdam meteorological broadcast); ATIS: automatische uitzending tijdens de openingsuren van een luchthaven met inlichtingen over vertrek en nadering van een luchthaven inclusief het MET REPORT en SPECIAL (automatic terminal information service); AUTO MET REPORT: volledig automatisch tot stand gekomen waarnemingsrapport voor startend en landend luchtverkeer in gebruik op het luchthaven verstrekt door middel van ATIS en CCIS (automated local routine report); AUTO METAR: volledig automatisch tot stand gekomen halfuurlijks waarnemingsrapport van een luchthaven in luchtvaartmeteorologische code in gebruik voor de voorbereiding van een vlucht (automated meteorological aerodrome report); AUTO SPECIAL: volledig automatisch tot stand gekomen tussentijds waarnemingsrapport voor startend en landend luchtverkeer bij overschrijding van de limietwaarden of andere significante verandering in gebruik op het luchthaven verstrekt door middel van ATIS en CCIS (automated local special report);. briefing: mondeling verstrekken van actuele of verwachte meteorologische condities gebaseerd op bestaande berichten over het actuele of verwachte weer, dat wordt gebruikt tijdens de voorbereiding van een vlucht, vluchtuitvoering, luchthavenoperaties en het verlenen van luchtverkeersdiensten; continentaal plat: continentaal plat, bedoeld in [artikel 1 van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=1); CCI"},{"i":10606,"b":"Regeling luchtvaarttelecommunicatie BES Artikel 1 - a. het standaard-radiotelefonie ‘woordgebruik’ vermeld in ICAO-Document 4444 (Procedures for Air Navigation Services – Rules of the Air and Air Traffic Services), zoals opgenomen in de bijlage ‘ICAO documenten behorende bij diverse luchtvaartregelingen’; - c. de afkortingen en codes neergelegd in ICAO-Document 8400 (Procedures for Air Navigation Services – Abbreviations and Codes), zoals opgenomen in de bijlage bijlage ‘ICAO documenten behorende bij diverse luchtvaartregelingen’. 2. Een wijziging van Bijlage 10 bij het Verdrag voor de internationale burgerluchtvaart geldt vanaf het moment waarop van deze wijziging mededeling in het Tractatenblad is gedaan. 3. Van een wijziging in de bijlage bij deze regeling wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Artikel 2 1. De luchtvaartcommuncicatie tussen luchtverkeersdiensten en luchtvaartuigen wordt gevoerd in de Engelse taal. 2. In uitzonderlijke gevallen kunnen luchtverkeersdiensten ter vergemakkelijking van de communicatie met luchtvaartuigen en ter voorkoming van verwarring de communicatie in de Spaanse taal voeren. 3. De taal die de luchtverkeersdienst hanteert wordt gepubliceerd in de luchtvaartgids en andere luchtvaartpublicaties die betrekking hebben op faciliteiten van luchtverkeersdiensten. Artikel 3 Deze regeling wordt aangeduid als: Regeling luchtvaarttelecommunicatie BES. Artikel 4 Deze regeling berust op [artikel 112, eerste lid, van het Besluit luchtverkeer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028639&artikel=112). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd op het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Bijlage. Icao documenten behorende bij diverse luchtvaartregelingen (ligt ter inzage op het Ministerie van Verkeer en Waterstaat)"},{"i":10608,"b":"Regeling tot vaststelling van nieuwe regelen inzake de luchtverkeersdienstverlening Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=10), [42, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=42), [43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=43), [44, derde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=44), en [50, tweede lid, van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=50); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **above mean sea level (AMSL):** boven gemiddeld zeeniveau; - **aerodrome control tower (TWR):** verlener van luchtverkeersdiensten belast met het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten aan luchthavenverkeer; - **aerodrome flight information service (AFIS):** onderdeel van het verlenen van luchtverkeersdiensten dat voorziet in vluchtinformatieverstrekking en alarmering voor het luchthavenverkeer van de luchthaven waar de diensten worden verleend; - **AFIS-unit:** vluchtinformatiedienst, belast met het geven van AFIS; - **AFIS-unit Budel:** het onderdeel van de LVNL dat op grond van [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009899&artikel=10&z=2025-03-21&g=2025-03-21) belast is met het geven van AFIS op de luchthaven Budel; - **aerodrome flight information zone (AFIZ):** luchtruimte met vastgestelde begrenzingen waarbinnen AFIS wordt verstrekt; - **aerodrome traffic zone (ATZ):** luchtverkeersgebied aangewezen rondom een luchthaven dat is vastgesteld om het luchthavenverkeer te beschermen; - **Air Operations Control Station Nieuw Milligen (AOCS Nieuw Milligen):** dienstonderdeel van het Minister"},{"i":10611,"b":"Regeling van 13 oktober 2004, nr. SAS2004098785, houdende regels met betrekking tot de afgifte, de ontvangst en het vervoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen) Gelet op [artikel 10.50 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.50) voorzover het [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017313&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) betreft, [artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=24) voorzover het [artikel 3, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017313&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01), betreft, en de [artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017294&artikel=2), [3, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017294&artikel=3), [6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017294&artikel=6), en [12, eerste en derde lid, van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017294&artikel=12); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen in werking treedt. Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de minister: de Minister van Infrastructuur en Milieu; - b. het besluit: het [Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017294); - c. de wet: de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245); - d. bedrijfsnummer: het nummer waarmee het bedrijf staat ingeschreven bij het register, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de [Richtlijn (EU) 2017/1132](32017L1132) van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (PbEU L 169/46); - e. begeleidingsbrief: begeleidingsbrief als bedoeld in [artikel 10.39, ee"},{"i":10615,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 27 juni 2017, nr. IENM/BSK/265757, tot toelating van militair luchthavenluchtverkeer op luchthaven Lelystad (Regeling militair luchthavenluchtverkeer luchthaven Lelystad) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op [artikel 8.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.78) in samenhang met [artikel 8.24a, derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.24a); BESLUIT: Artikel 1 1. Als gevallen waarin de exploitant van de luchthaven Lelystad luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de militaire luchtvaart moet toelaten op de luchthaven Lelystad, worden aangewezen: - a. regeringsvluchten; - b. humanitair noodzakelijke vluchten; - c. operationeel noodzakelijke vluchten; - d. vluchten uit hoofde van een algemeen maatschappelijk belang. 2. Uitgezonderd van het in het eerste lid bedoelde luchthavenluchtverkeer is het luchthavenluchtverkeer met aan boord gevaarlijke stoffen als bedoeld in [artikel 2, onder 1°, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013514&artikel=2). Artikel 2 Het [Besluit gebruiksbeperkingen Rotterdam Airport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010791) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2017. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling militair luchthavenluchtverkeer luchthaven Lelystad. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10616,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 29 oktober 2025, nr. IENW/BSK-2025/269879, tot vaststelling van regels over de toelating van militair luchthavenluchtverkeer op de overige burgerluchthavens van nationale betekenis (Regeling militair luchthavenluchtverkeer op overige burgerluchthavens van nationale betekenis) [KetenID WGK027105] Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op [artikel 8.72, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.72), in samenhang met [artikel 8.24a, derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.24a); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Luchthavenbesluit Eelde in werking treedt. Artikel 1. (Luchthaven Lelystad) **Gereserveerd** Artikel 2. (Luchthaven Eelde) 1. Als gevallen waarin de exploitant van de luchthaven Eelde verplicht is luchthavenluchtverkeer met militaire luchtvaartuigen toe te laten op de luchthaven Eelde, worden aangewezen: - a. regeringsvluchten; - b. humanitair noodzakelijke vluchten; - c. operationeel noodzakelijke vluchten; - d. vluchten in bondgenootschappelijk verband; - e. vluchten uit hoofde van een algemeen maatschappelijk belang. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: - a. militaire les- en oefenvluchten met straalvliegtuigen; - b. militaire les- en oefenvluchten met vliegtuigen met een maximaal toegelaten startmassa van meer dan 6.000 kg; - c. vluchten met militaire jachtvliegtuigen. Artikel 3. (Luchthaven Maastricht) **Gereserveerd** Artikel 4. (Luchthaven Rotterdam) **Gereserveerd** Artikel 5. (Inwerkingtreding) Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Luchthavenbesluit Eelde in werking treedt. Artikel 6. (Citeertitel) Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling militair luchthavenluchtverkeer op overige burgerluchthavens van nationale betekenis. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10621,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 16 juni 2020 nr. IENW/BSK-2020/88503, houdende regels met betrekking tot de luchtwaardigheid en het gebruik van luchtvaartuigen (Regeling nationale veiligheidsvoorschriften luchtvaartuigen) Gelet op de [artikelen 3.13, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.13), [3.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.24), en [7.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=7.1), de [artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=2), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=6), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=9), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=12), en [13, van het Besluit luchtvaartuigen 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=13), de [artikelen 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=11), en [19, derde lid, van het Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=19), [artikel 7 van het Besluit ongeregeld luchtvervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002965&artikel=7), en [artikel 7 van het Besluit vluchtuitvoering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020111&artikel=7); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **amateurbouwluchtvaartuig:** luchtvaartuig als bedoeld in Bijlage I, onderdeel 1, onder c, bij de basisverordening; - **algemene luchtvaart:** luchtvaart met vleugelvliegtuigen met een maximaal toegelaten startmassa van 5.700 kg of minder, helikopters met een maximaal toegelaten startmassa van 2.730 kg of minder, gyrokopters met een maximaal toegelaten startmassa van 2.730 kg of minder, ballonnen, luchtschepen en (motor)zweefvliegtuigen; - **AR:*"},{"i":10624,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 december 2020, nr. IENW/BSK-2020/247616, houdende de vaststelling van regels met betrekking tot onbemande luchtvaartuigen (Regeling onbemande luchtvaartuigen) Gelet op uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947 van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 2019, L 152), de [artikelen 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.5), [1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.6), [1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.7) en [5.10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.10), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=4), [4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=4a), [19, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=19), en [20 van het Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=20) en [artikel 13, vierde lid en vijfde lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=13); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **onbemand luchtvaartuig:** onbemand luchtvaartuig als bedoeld in artikel 3, onderdeel 30, van de basisverordening; - **open categorie:** ‘open’ categorie als bedoeld in artikel 4 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947; - **subcategorie A1:** subcategorie A1 als bedoeld in artikel UAS.OPEN.020 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947; - **subcategorie A2:** subcategorie A2 als bedoeld in artikel UAS.OPEN.030 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947; - **subcategorie A3:** subcategorie A3 als bedoeld in artikel UAS.OPEN.040 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947; - **uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947:** Uitvoeringsverordening (EU) nr"},{"i":10629,"b":"Regeling recreatieve luchtvaart op militaire luchthavens Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op de [artikelen 23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025302&artikel=23), en [29 van het Besluit militaire luchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025302&artikel=29); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **hoofdvliegcoördinator:** door de commandant van de betrokken militaire luchthaven aangewezen persoon die is belast met de algehele leiding over en het algemeen toezicht op de totale recreatieve luchtvaart op de betrokken militaire luchthaven; - **modelvliegcoördinator:** door de commandant van de betrokken militaire luchthaven aangewezen persoon die is belast met de leiding over en het toezicht op de modelvliegactiviteiten op de betrokken militaire luchthaven; - **motorsportvliegcoördinator:** door de commandant van de betrokken militaire luchthaven aangewezen persoon die is belast met de leiding over en het toezicht op de motorsportvliegactiviteiten op de betrokken militaire luchthaven; - **zeilvliegcoördinator:** door de commandant van de betrokken luchthaven aangewezen persoon die is belast met de leiding over en het toezicht op de zeilvliegactiviteiten op de betrokken militaire luchthaven; - **zweefvliegcoördinator:** door de commandant van de betrokken militaire luchthaven aangewezen persoon die is belast met de leiding over en het toezicht op de zweefvliegactiviteiten op de betrokken militaire luchthaven. Artikel 2. Algemene vereisten coördinatoren Als hoofdvliegcoördinator of coördinator kan uitsluitend worden aangewezen degene die: - a. de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, - b. beschikt over een geldig BHV-certificaat met eerste hulp en brandbestrijding of voldoet aan de militaire basisvaardigheden op het gebied van brandpreventie/-bestrijding en Zelf Hulp Kameraden Hulp (ZHKH), - c. beschikt over kennis inzake alarmering, en - d. voldoet aa"},{"i":10630,"b":"Regeling registratie en verstrekking gegevens militaire luchthavens Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op de [artikelen 10.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.34), [10.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.35), [10.36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.36) en [10.43 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.43); Besluit: Paragraaf 1. Militaire luchthavens met luchthavenbesluit Artikel 1 Ten behoeve van het bepalen van de geluidsbelasting registreert de Minister van Defensie op jaarbasis de gegevens omtrent het feitelijk gebruik door het militaire luchthavenluchtverkeer van militaire luchthavens waarvoor een luchthavenbesluit is vereist. Artikel 2 De houder van een vergunning voor burgermedegebruik die is afgegeven voor het commercieel burgerluchthavenluchtverkeer onder vaststelling van een grenswaarde voor de geluidsbelasting anders dan in de vorm van een maximum aantal vliegtuigbewegingen per jaar: - a. verstrekt omtrent het verwachte burgerluchthavenluchtverkeer voorafgaand aan ieder kalenderjaar, verdeeld per kwartaal, aan de commandant van de luchthaven de gegevens, genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033519&bijlage=1&z=2013-06-17&g=2013-06-17), onderdeel A, onder c, j, k, en o alsmede het verwachte aantal starts en landingen; - b. registreert de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033519&bijlage=1&z=2013-06-17&g=2013-06-17), onderdeel A, genoemde gegevens omtrent het feitelijk gebruik door het burgerluchthavenluchtverkeer; - c. voert binnen de periode van een kalenderjaar per kwartaal, telkens cumulerend met het voorafgaande kwartaal onderscheidenlijk de voorafgaande kwartalen uit dat kalenderjaar, de berekening van de geluidsbelasting uit overeenkomstig de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033519&bijlage=1&z=2013-06-17&g=2"},{"i":10632,"b":"Regeling houdende regels voor de luchtvaart voor het geven en ontvangen van seinen in nood, bij spoed, bij zoek- en reddingsacties en bij onderschepping (Regeling seinen luchtvaart) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op [artikel 33 van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=33); Gezien aanhangsel 1 en 2 en bijvoegsel A van Bijlage 2 (Rules of the Air) en Bijlage 12 (Search and Rescue) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. grondsein: visueel signaal dat wordt gegeven door middel van een figuur op de grond; - b. lichtsein: visueel signaal dat wordt gegeven door middel van een kunstmatige lichtbron; - c. morsesein: signaal dat bestaat uit korte en lange tekens uit het morsealfabet; - d. noodsein: signaal dat blijk geeft van een ernstige situatie waarbij gevaar dreigt en onmiddellijk hulp is vereist; - e. spoedsein: signaal dat blijk geeft van een ernstige situatie waarbij mogelijk gevaar dreigt en hulp is gewenst. Hoofdstuk 2. Nood- en spoedseinen Artikel 2 Ten behoeve van zoek- en reddingsacties worden door de desbetreffende luchtvaartuigen, reddingsvoertuigen, reddingseenheden en overlevenden de seinen, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016765&bijlage=1&z=2014-12-12&g=2014-12-12) bij deze regeling, gebruikt. In deze bijlage is tevens aangegeven hoe overeenkomstig deze seinen wordt gehandeld. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Hoofdstuk 3. Zoek- en reddingsseinen; seinen bij onderschepping Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Hoofdstuk 4. Seinen voor het luchthavenverkeer Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Hoofdstuk 5. Slotbepalingen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 De [Regeling seinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006176) wordt ingetrokken. Artikel 14 Deze regeling treedt in"},{"i":10637,"b":"Regeling storing radioverbinding tijdens een gecontroleerde vlucht Handelend in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op [artikel 39 van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=39); Gezien paragraaf 3.6.5.2. van Bijlage 2 (Rules of the Air) en paragraaf 5.2.2.7. van Bijlage 10 (Aeronautical Telecommunications), van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart; Besluit: Artikel 1 1. Indien de radioverbinding van een luchtvaartuig met de betrokken luchtverkeersleidingsdienst uitvalt worden de voorschriften in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006174&artikel=2&z=2014-12-12&g=2014-12-12) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006174&artikel=3&z=2014-12-12&g=2014-12-12) in acht genomen. 2. Indien het betrokken luchtvaartuig deel uitmaakt van het luchtvaartterreinverkeer wordt bovendien uitgekeken naar eventuele opdrachten in de vorm van visuele seinen. Artikel 2 1. Indien het luchtvaartuig zich bevindt in zichtweersomstandigheden worden de volgende voorschriften in acht genomen: - a. de vlucht wordt voortgezet in zichtweersomstandigheden; - b. worden geland op het dichtstbijzijnde daarvoor geschikte luchtvaartterrein; - c. de aankomst op de snelst mogelijke wijze worden gemeld aan de betrokken luchtverkeersleidingsdienst. 2. Indien het luchtvaartuig zich bevindt in instrumentweersomstandigheden, of indien de weersomstandigheden zodanig zijn, dat het niet doenlijk lijkt de vlucht voort te zetten in zichtweersomstandigheden, worden de volgende voorschriften in acht genomen: - a. de vlucht wordt in overeenstemming met het geldende vliegplan voortgezet naar het daartoe aangewezen navigatiehulpmiddel van het luchtvaartterrein van bestemming; - b. zo nodig wordt boven dit hulpmiddel gewacht tot de aanvang van de daling; - c. de daling wordt vanaf het onder a. genoemde hulpmiddel aangevangen op of zo dicht mogelijk bij de verwachte naderingstijd zoals die het laatst is ontvangen"},{"i":10638,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 4 december 2015, nr. IENM/BSK-2015/84370, houdende vaststelling van categorieën van afvalstoffen waarvoor in Nederland geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is dan storten (Regeling storten als enige vorm van afvalbeheer) Gelet op [artikel 5 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=5); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **AVI-bodemas:** bodemas als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&bijlage=I); - **besluit:** [Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094). Artikel 2 1. Als categorie van afvalstoffen als bedoeld in [artikel 5 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=5) worden aangewezen de afvalstoffen, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel 23, onder b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=1) die vrijkomen bij de kwaliteitsverbetering van AVI-bodemas. 2. Van kwaliteitsverbetering als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake in geval van: - a). maximale afscheiding van ferro en non-ferro metalen, - b). beperking van de uitloging van verontreiniging zodat toepassing als niet-vormgegeven bouwstof mogelijk is, - c). het terugbrengen van niet-minerale delen met het oog op gebruik als toeslagmateriaal in beton, asfalt of andere producten, of - d). productie van een immobilisaat dat voldoet aan de eisen voor een vormgegeven product. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2016. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling storten als enige vorm van afvalbeheer. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10639,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 2018, nr. 2018-0000004839, tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften voor de bescherming van werknemers die beroepsmatig blootgesteld kunnen worden aan ioniserende straling (Regeling stralingsbescherming beroepsmatige blootstelling 2018) Gelet op de [artikelen 7.1, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.1), [7.2, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.2), [7.5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.5), [7.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.6), [7.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.7), [7.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.9), [7.11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.11), [7.12, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.12), [7.15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.15), [7.17, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.17), [7.21, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.21), [7.22, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.22), [7.27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.27), [7.31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.31), [7.33, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.33), en [7.38, vijfde en zevende lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=7.38); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **beheerder:** de beheerder van het NDRIS, bedoeld in [artikel 5.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040573&paragraaf=5&artikel=5.1&z=2"},{"i":10641,"b":"Regeling subsidiëring Extra Impuls natuur- en milieu-educatie Handelende in overeenstemming met de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat, voor Ontwikkelingssamenwerking, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; Mede gelet op artikel 13 van het Verdrag inzake biologische diversiteit, met bijlagen, Rio de Janeiro, 5 juni 1992 (Trb. 1992, 164 en 1993, 54); Besluit: 1. Definitiebepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: minister: minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; stichting: Stichting Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling; instelling: rechtspersoon zonder winstoogmerk die zijn domicilie in Nederland heeft; project: tijdelijke activiteit, uitgevoerd door een instelling, met een start- en einddatum, waarvan de looptijd uiterlijk 31 juli 2000 eindigt; aanvrager: instelling die op grond van deze regeling een aanvraag tot subsidieverlening indient of heeft ingediend; stuurgroep: stuurgroep als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007927&paragraaf=2&artikel=2&z=2002-01-01&g=2002-01-01); Extra Impuls: Extra Impuls als bedoeld in het Kaderplan Natuur- en Milieu-educatie (Kamerstukken II, 1993-1994, 20487, nr. 13). 2. In deze regeling worden onder subsidiabele kosten verstaan kosten voortvloeiende uit een project, onder aftrek van de uit een project voortvloeiende opbrengsten. 2. Algemene bepalingen Artikel 2 Er is een stuurgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat, voor Ontwikkelingssamenwerking, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, die is belast met de interdepartementale coördinatie van aanvragen voor subsidie die op grond van deze regeling worden ingediend. Artikel 3 1. De min"},{"i":10642,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 10 maart 2014, nr. IENM/BSK-2014/57174, houdende vaststelling van de Regeling subsidies hoogwaterbescherming 2014 Gelet op [artikel 7.23, tweede lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.23) en de [artikelen 2, aanhef en onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=2), [3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3), en [4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=4); Besluit: § 1. Algemene bepaling Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beheerder:** bevoegd bestuursorgaan van het overheidslichaam dat belast is met de zorg voor een primaire waterkering; - **hoogwaterbeschermingsprogramma:** onderdeel van het deltaprogramma, bedoeld in [artikel 4.9 van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=4.9), bevattende de maatregelen die beheerders dienen te treffen om een van de redenen, bedoeld in [artikel 7.24, eerste lid, onderdelen a, b of c, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.24); - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **planuitwerkingsfase:** fase volgend op de verkenningsfase, waarin het voorkeursalternatief wordt uitgewerkt om te komen tot vaststelling en goedkeuring van een projectbesluit; - **primaire waterkering:** primaire waterkering als bedoeld in de [bijlage, onder A, bij de Omgevingswet](onbekend); - **Project Planning Infrastructuur-methodiek:** planningsmethodiek die wordt toegepast door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - **projectbesluit:** projectbesluit als bedoeld in [afdeling 5.2 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&afdeling=5.2) voor de aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen; - **realisatiefase:** fase volgend op de planuitwerkingsfase, waarin he"},{"i":10643,"b":"Regeling van het College voor examens van 19 juni 2012, nummer Cve-12.01408, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens natuurkunde, scheikunde en biologie in het h.a.v.o. 2015 en v.w.o. 2016 (Regeling syllabi centrale examens natuurkunde, scheikunde en biologie h.a.v.o. 2015 en v.w.o. 2016) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 25 juni 2012, kenmerk 419504; Besluit: Artikel 1. Syllabi 2015 Vervallen Artikel 2. Syllabi 2016 Vervallen Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt: - 1. betreffende [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031773&artikel=1&z=2018-01-01&g=2018-01-01): per 1 januari 2017; - 2. betreffende [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031773&artikel=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01): per 1 januari 2018. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling syllabi centrale examens natuurkunde, scheikunde en biologie h.a.v.o. 2015 en v.w.o. 2016. Artikel 5. Bekendmaking 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De syllabi als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031773&artikel=1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031773&artikel=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01) worden bekend gemaakt op www.examenblad.nl. Bijlage 1 Vervallen Syllabi h.a.v.o. 2015 Voor de centrale examens h.a.v.o. 2015 worden syllabi voor de volgende vakken vastgesteld: Voor de centrale examens v.w.o. 2016 worden syllabi voor de volgende vakken vastgesteld: natuurkunde scheikunde Bijlage 2 Syllabi v.w.o. 2016 Voor de centrale examens v.w.o. 2016 worden syllabi voor de volgende vakken vastgesteld: natuurkunde scheikund"},{"i":10645,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 2 september 2021, nr. 3512514, houdende regeling van de tegemoetkoming in de waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021 (Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021) Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Financiën, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op de [artikelen 1, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=1), [4, eerste lid, onderdelen e en f, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4), [6, tweede tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=6), en [7, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=7) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010000&artikel=2), en [3, derde lid, van het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010000&artikel=3); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **afstromend water:** water, veroorzaakt door extreem zware regenval in heuvelachtig terrein, dat niet afgevoerd kan worden door de verzadigde aanwezige riolering en andere afvoermiddelen zoals beken en stroompjes, en dat zich daardoor over land verplaatst naar lagergelegen delen; - **AGVV:** [Verordening (EU) Nr. 651/2014](32014R0651) van de Europese Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Algemene Groepsvrijstellingsverordening (PbEU 2014, L 187); - **besluit:**"},{"i":10646,"b":"Regeling Tijdelijke Toelage Luchtverkeersleiders Gelet op: [Artikel 16 onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=16) en [artikel 26 van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=26); [Artikel 52 onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=52) en [artikel 62 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=62) Besluit: Artikel 1. Tijdelijke toelage luchtverkeersleiders 1. Een Tijdelijke toelage luchtverkeersleiders (TTLVL) ad € 1.000,– bruto per maand wordt toegekend aan luchtverkeerleiders van het Commando luchtstrijdkrachten behorende tot de vakgroep 13A4 Officieren Luchtverkeersleiding of 13A5 Burger Luchtverkeersbeveiliging die de initiële opleiding tot luchtverkeersleider succesvol hebben afgerond en - a. geplaatst zijn op een functie waaraan de categorie 13A4 of 13A5 is toegekend; - b. die niet geplaatst zijn op een functie waaraan de categorie 13A4 of 13A5 is toegekend, maar wel aantoonbaar als nevenarbeid operationele luchtverkeersleidingtaken uitoefenen. 2. Een TTLVL, ter hoogte van het bedrag (bruto per maand) in de van toepassing zijnde [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044076&bijlage=A&z=2020-09-12&g=2020-09-12), [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044076&bijlage=B&z=2020-09-12&g=2020-09-12) of [C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044076&bijlage=C&z=2020-09-12&g=2020-09-12) behorend bij dit besluit, wordt toegekend aan assistent luchtverkeerleiders van het Commando luchtstrijdkrachten behorende tot de vakgroep 13A3 Onderofficieren Luchtverkeersleiding die de initiële opleiding tot assistent luchtverkeersleider succesvol hebben afgerond en - a. geplaatst zijn op een functie waaraan de categorie 13A3 is toegekend; - b. die niet geplaatst zijn op een functie waaraan de categorie 13A3 is toegekend, maar wel aantoonbaar als nevenarbeid operationele luchtverkeersleidingtak"},{"i":10647,"b":"Besluit van 22 januari 1959, houdende vaststelling van een Regeling Toezicht Luchtvaart Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 1958, no. Jur/15760, Rijksluchtvaartdienst; Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=4), tweede lid, onder **a**, 5, tweede lid, 7, eerste lid, 8, tweede lid, onder **a**, 9, eerste lid, [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=62), derde lid, [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=76), eerste lid, onder **a**, **c** en **f** en tweede lid, onder **b** en **c** en [80, tweede lid, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=80) (**Stb.** 1958, 47); De Raad van State gehoord (advies van 16 december 1958, no. 36); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 16 januari 1959, no. Jur/10290, Rijksluchtvaartdienst; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. De begripsbepalingen, gegeven in de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267), zijn ook van toepassing op deze regeling. 2. Voorts wordt in deze regeling verstaan onder: - a. baan: een al dan niet verhard gedeelte van het landingsterrein, uitsluitend bestemd voor het opstijgen en/of het landen van luchtvaartuigen; - b. vervallen; - c. blindvliegen, onderscheidenlijk wolkenvliegen: het besturen van een vliegtuig, onderscheidenlijk een zweefvliegtuig, uitsluitend met behulp van instrumenten, zonder visuele oriëntatie buiten het vliegtuig, onderscheidenlijk het zweefvliegtuig; - d. bij nacht: op enig tussen zonsondergang en zonsopgang gelegen tijdstip; - e. vervallen; - f. drempel: het begin van het voor het landen bestemde gedeelte van een verharde baan; - g. eerste bestuurder: een lid van het stuurhutpersoneel, dat de leiding heeft bij de besturing van het luchtvaartuig; - h. geregeld luchtvervoer: een reeks van verkeersvluchten, waaraan het publiek kan"},{"i":10649,"b":"Regeling van 21 juni 2021, nr. 3366642 houdende voorschriften voor de uitvoering van de controle van personen, bagage en vracht op luchtvaartterreinen (Regeling uitvoering beveiliging burgerluchtvaart 2021) Gelet op de [artikelen 37a, tweede lid, onder h, sub 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37a), [37abd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37abd), [37aca, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37aca), [37acb, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37acb), [37ae, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37ae), [37h, eerste lid, onder c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37h), [37hb, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37hb), [37j, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37j), [37o, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37o), [37ra, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37ra), [37rc, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37rc), [37rd, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37rd), [37re, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37re), [37u, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37u), en [37v, tweede lid, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37v), de [artikelen 15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014397&artikel=15), [17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014397&artikel=17), [21, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014397&artikel=21), en [22, zesde lid, van het Besluit beveiliging burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014397&artikel=22) en de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33) en [36 van de Algemene wet erkenning EU-be"},{"i":10651,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 14 april 2025, nr. IENW/BSK-2025/72201, houdende vaststelling van regels voor het bepalen van het primaire energiegebruik voor waterschappen (Regeling vaststelling primair energiegebruik voor waterschappen) [KetenID WGK026124] Gelet op de [artikelen 117, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=117), en [122d, zevende lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=122d); BESLUIT: Artikel 1 De hoeveelheid primaire energie van elektriciteit wordt bepaald op basis van de primaire energiefactor 1,45. Artikel 2 De hoeveelheid primaire energie van warmte wordt bepaald op basis van de primaire energiefactor 1,11. Artikel 3 De hoeveelheid primaire energie van de overige energiedragers wordt bepaald op basis van de stookwaarde zoals opgenomen op de meest recente ‘Nederlandse lijst van energiedragers en standaard CO2 emissiefactoren’ die jaarlijks wordt gepubliceerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (rvo.nl). Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling primair energiegebruik voor waterschappen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10652,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 5 februari 2015, nr. IENM/BSK-2015/18222, houdende vaststelling van regels ter bepaling van de status einde-afval van recyclinggranulaat (Regeling vaststelling van de status einde-afval van recyclinggranulaat) Gelet op [artikel 1.1, zesde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1); BESLUIT: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **PAK’s:** polycyclische aromatische koolwaterstoffen als bedoeld in [bijlage A bij de Regeling bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023085&bijlage=A); - **producent:** degene wiens bedrijfsactiviteit het is om steenachtige afvalstoffen te bewerken tot recyclinggranulaat; - **recyclinggranulaat:** granulaat dat ontstaat bij het bewerken van steenachtige afvalstoffen en dat is geproduceerd overeenkomstig een norm als genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036239&bijlage=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - **steenachtige afvalstoffen:** steenachtige afvalstoffen die vrijkomen bij het bouwen, renoveren en slopen van bouwwerken en wegen en andere afvalstoffen die qua aard en samenstelling daaraan gelijkwaardig zijn; - **toeslagstoffen:** stoffen die worden toegevoegd aan recyclinggranulaat om daarmee de prestaties van het granulaat te verbeteren of te beïnvloeden; - **verordening bouwproducten:** verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van [Richtlijn 89/106/EEG](31989L0106) van de Raad (PbEU 2011, L88). Artikel 2. Recyclinggranulaat geen afval 1. Recyclinggranulaat dat voldoet aan de [artikelen 3 tot en met 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036239&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze regeling is geen afvalstof. 2. Recyclinggranulaat dat op grond van regelgeving van een andere lidstaat va"},{"i":10657,"b":"Beleidsregel vergoeding deskundigenkosten Rijkswaterstaat gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en gelet op het feit dat het bij de verwerving van onroerende zaken en beëindiging van een aantal rechten door de Staat (Rijkswaterstaat) ter voorkoming van gerechtelijke onteigening veelal redelijk is de wederpartij een vergoeding te verlenen voor de daartoe in redelijkheid gemaakte kosten van deskundige bijstand; Besluit tot vaststelling van de navolgende beleidsregel: Artikel 1 Bij minnelijke grondverwerving en beëindiging van rechten, als bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&artikel=3) en [4 van de Onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&artikel=4), door Rijkswaterstaat ter voorkoming van gerechtelijke onteigening, hanteert de Minister de volgende formule om het forfaitaire bedrag te berekenen exclusief btw voor de vergoeding van de kosten van deskundige bijstand: 2% van de schadeloosstelling met een minimum van € 2.250,– en een maximum van € 20.000,– Artikel 2 De vergoeding in de kosten van deskundige bijstand wordt uitsluitend vergoed indien de rechthebbende aantoont dat deskundige bijstand ook daadwerkelijk is verleend. Artikel 3 Bij gegronde redenen kan van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047555&artikel=1&z=2022-12-03&g=2022-12-03) genoemde bedragen naar boven of naar beneden worden afgeweken, zowel op verzoek van een rechthebbende als ambtshalve door de Minister, op basis van de door de rechthebbende te verstrekken specificatie van de bestede uren. Artikel 4 1. Indien een rechthebbende verzoekt om afwijking van de vergoeding als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047555&artikel=1&z=2022-12-03&g=2022-12-03), onderbouwt en verantwoordt de rechthebbende het verzoek. Die verantwoording bevat ten minste een specificatie waarop de aard van de verrichtingen, het uurtarief"},{"i":10653,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 2 november 2021, nr. WJZ/ 21253915, tot vaststelling van de correcties voor de voorschotverlening duurzame energieproductie en klimaattransitie 2022 (Regeling vaststelling voorschotverlening duurzame energieproductie en klimaattransitie 2022) Gelet op de [artikelen 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [39, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=39), [47, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47), [54, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=54), [55i, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=55i), en [68, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energie productie en klimaattransitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=68); Besluit: **Artikel** § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **basisbedrag:** basisbedrag als bedoeld in de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), en [55f, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=55f); - **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - **regeling 2008:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - **regeling 2009:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - **regeling 2010:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energie"},{"i":10669,"b":"Regeling van de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, houdende regels ter uitvoering van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (Regeling werk- en rusttijden luchtvaart) Gelet op [verordeningen (EG) nr. 1899/2006](32006R1899) en [8/2008](32008R0008) tot wijziging van [verordening (EEG) nr. 3922/91](31991R3922) inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart, en op de [artikelen 4.5:3 tot en met 4.5:6 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=4.5:3); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt. Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. grondtijd: elke tijdsduur binnen de vliegdienstperiode die geen deel uitmaakt van de bloktijd; - –. verordening: bijlage III van [verordening (EEG) nr. 3922/91](31991R3922) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (PbEG L 373); - –. bloktijd: bloktijd als bedoeld in onderdeel 1.1095 van de verordening; - –. thuisbasis: thuisbasis als bedoeld in onderdeel 1.1095 van de verordening; - –. besluit: [Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386); - –. horizontale rustgelegenheid: een deugdelijke accommodatie aan boord van het luchtvaartuig die is afgeschermd van zowel de cockpit als het passagiersgedeelte en kan worden verduisterd, en waarin horizontale rust kan worden genoten; - –. zitplaats klasse A: een zitplaats buiten de cockpit die ten minste even breed is als een economy class stoel, meer pitch heeft dan een economy class stoel, minimaal 40° recline en een volledig geïntegreerde steun aan benen en voeten geeft, en met ingang van 1 april 2009 is afgeschermd van de passagiers door ten minste een gordijn; - –. zitplaats k"},{"i":10672,"b":"Rijkswet van 20 februari 2010 tot goedkeuring en uitvoering van het op 10 april 2003 te San José totstandgekomen Verdrag inzake samenwerking bij de bestrijding van sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee en door de lucht in het Caribisch gebied (Trb. 2003, 82 en Trb. 2004, 54) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 10 april 2003 te San José totstandgekomen Verdrag inzake samenwerking bij de bestrijding van sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee en door de lucht in het Caribisch gebied ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 10 april 2003 te San José totstandgekomen Verdrag inzake samenwerking bij de bestrijding van sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee en door de lucht in het Caribisch gebied, waarvan de tekst is geplaatst in Tractatenblad 2003, 82 en de vertaling in het Nederlands in Tractatenblad 2004, 54, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 De strafwetten van de landen van het Koninkrijk zijn toepasselijk op ieder die zich in het Caribisch gebied zoals omschreven in artikel 1, onderdeel j en artikel 39 van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027602&artikel=1&z=2010-04-30&g=2010-04-30) genoemde Verdrag buiten de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba schuldig maakt aan een van de feiten die de landen overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het op 20 december 1988 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde"},{"i":10674,"b":"Rijkswet van 23 juni 1977, tot goedkeuring van het op 29 december 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag ter voorkoming van de verontreiniging van de zee door het storten van afval en vuil, met Bijlagen (Trb. 1973, 172) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 29 december 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag ter voorkoming van de verontreiniging van de zee door het storten van afval en vuil, met Bijlagen, ingevolge [artikel 60, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=60) de goedkeuring der Staten-Generaal behoeft alvorens te kunnen worden bekrachtigd. Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 29 december 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag ter voorkoming van de verontreiniging van de zee door het storten van afval en vuil, met Bijlagen, waarvan de Engelse en de Franse tekst en de vertaling in het Nederlands zijn geplaatst in **Tractatenblad** 1973, 172, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 Wijzigingen van de Bijlagen behorende bij het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003112&artikel=1&z=1977-07-20&g=1977-07-20) genoemde Verdrag behoeven niet de goedkeuring van de Staten-Generaal. Artikel 3 Deze Rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na heden. Lasten en bevelen, dat deze rijkswet in het **Staatsblad** en het **Publicatieblad van de Nederlandse Antillen** zal worden geplaatst en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":10678,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 8 februari 2012, nr. IENM/BSK-2011/177169, houdende vaststelling van de Scheepsafvalstoffen-regeling Rijn- en binnenvaart Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=3), [14, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=14), [20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=20), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=27), [32, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=32), [38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=38), [40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=40), [42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=42), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=45), [53, tweede lid en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=53), [62, eerste lid en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=62), [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=76), [82, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=82), en [100, van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019&artikel=100), alsmede de [artikelen 39d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=39d), en [39g, eerste lid, van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=39g); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart (implementatie van internationale voorschriften (Stb. 2012/101)) in werking treedt. Paragraaf 1. **Algemeen** Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder besluit: [Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012019). Artikel 2 De schepen die ingevolge [artikel 3 van het besluit](https://wett"},{"i":10679,"b":"Selectielijst Natuur- en landschapsbeheer voor de neerslag van handelingen van de Minister van LNV en taakvoorgangers (vanaf 1945) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 februari 2000, nr. arc-99.1670/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde `selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein natuur- en landschapsbeheer over de periode vanaf 1945' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Van de `Lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in de archieven van het Ministerie van Landbouw en Visserij en in de archieven van de onder dat Ministerie ressorterende commissies en ambtenaren' (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, nr. PAZ 400, Afdeling Post- en Archiefzaken d.d. 29 december 1966 en beschikking nr. 133349, Afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming d.d. 3 februari 1967, laatstelijk gewijzigd bij beschikkingen van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, nrs. R&B/OSTA/99/469 en R&B/OSTA/99/471 d.d. 3 augustus 1999 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 216 van 9 november 1999)) worden categorieën 21 en 114 ingetrokken voor wat betreft het natuur- en landschapsbeheer. Van de `Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van het onder het Ministerie van Landbouw en Visserij ressorterende Staatsbosbeheer en van de onder deze dienst ressorterende consulentschappen, houtvesterijen, commissies en ambtenaren, alsmede van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer en het Rijksinstituut voor Onderzoek in de Bos- en Landschapsbouw `De Dorschkamp'' (vastgesteld"},{"i":10680,"b":"Selectielijst Natuur- en landschapsbeheer voor de neerslag van handelingen van Staatsbosbeheer als ZBO (vanaf 1998) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 februari 2000, nr. arc-99.1670/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde `[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van Staatsbosbeheer op het beleidsterrein natuur- en landschapsbeheer over de periode vanaf 1945](onbekend)' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10681,"b":"Selectielijst neerslag handelingen m.b.t. Emancipatie en gelijke behandeling vanaf 1965-heden, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 maart 2003, nr. arc-2002.4707/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Emancipatie en gelijke behandeling over de periode vanaf 1965](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10683,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister voor Natuur en Stikstof van 12 maart 2024 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid natuurwetgeving (IB03-SPEC 08, versie 05) De Minister voor Natuur en Stikstof, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 18.6 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.6), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen Interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het specifiek interventiebeleid natuurwetgeving beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen Interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB), de klassenindeling van en interventies voor de beoordeling van specifieke overtredingen van de wetgeving in het domein natuur. De NVWA voert in het domein natuur allereerst inspecties uit om illegale handel in beschermde dier- en plantensoorten en producten daarvan tegen te gaan en legale handel te reguleren (onder andere CITES). De NVWA houdt ook toezicht op de handel en het bezit van invasieve exoten genoemd op de Unielijst. Voor dit onderdeel van het domein natuur heeft de NVWA uitsluitend een inspectietaak en geen interveniërende taak. Bestuurlijke interventies vinden plaats door RVO.nl. Daarnaast zijn er controles op de import van hout en houtproducten uit landen waarmee de EU een **Voluntary Partnership Agreement** heeft afgesloten in het kader van **Forest Law Enforcement, Governance and Trade**(FLEGT), en op het op de markt brengen van hout, papier en pulp en houten meubels in het kader van de EU-houtverordening. Het natuurbeleid is in 2017 deels gedecentraliseerd van rijksoverheid naar de provincies."},{"i":10684,"b":"Wet van 18 december 2019, houdende regels voor de aanpak van de stikstofproblematiek in relatie tot natuur (Spoedwet aanpak stikstof) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is regels te stellen om een gecoördineerde en versnelde aanpak van de stikstofproblematiek mogelijk te maken, in het belang van de bescherming van Natura 2000-gebieden en in het belang van andere maatschappelijk relevante opgaven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. (wijziging [Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552)) Wijzigt de Wet natuurbescherming. Artikel II. (wijziging [Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250)) Wijzigt de Wet dieren. Artikel III. (wijziging [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063)) Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV. (wijziging [Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147)) Wijzigt de Tracéwet. Artikel V. (wijziging [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431)) Wijzigt de Crisis- en herstelwet. Artikel VI. (wijziging [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752)) Wijzigt de Wet windenergie op zee. Artikel VIa. (wijziging [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054)) Wijzigt de Meststoffenwet. Artikel VII. (wijziging [Besluit natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038662)) Wijzigt het Besluit natuurbescherming. Artikel VIII. (wijziging [Besluit omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027464)) Wijzigt het Besluit omgevingsrecht. Artikel IX Wijzigt de Omgevingswet. Artikel IXa Wijzigt de Meststoffenwet. Artikel X. (inwerkingtredingsbepaling) Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, d"},{"i":10685,"b":"Statuut van de Latijns-Amerikaanse Commissie voor Burgerluchtvaart HOOFDSTUK I. Oprichting Artikel 1 De burgerluchtvaartautoriteiten van de staten die deelnemen aan de besprekingen van de Tweede Latijnsamerikaanse Conferentie van Luchtvaartautoriteiten, welke conferentie in december 1973 in Mexico is gehouden, stellen hierbij de Latijnsamerikaanse Commissie voor de Burgerluchtvaart (Sp. afk.: CLAC) in, met het doel om tot een zo groot mogelijke samenwerking te komen bij het oplossen van de problemen met betrekking tot de burgerluchtvaart in het geografische gebied dat in artikel 2 wordt aangeduid. Artikel 2 Van de Latijnsamerikaanse Commissie voor de Burgerluchtvaart, hierna zonder onderscheid aangeduid als de Commissie of de CLAC, kunnen uitsluitend deel uitmaken de staten die zijn gelegen in Zuid- en Midden-Amerika, met inbegrip van Panama, Mexico en de staten in het Caribisch gebied, tezamen het geografische gebied dat ten behoeve van deze akte Latijns-Amerika wordt genoemd. Artikel 3 De CLAC is een raadplegend orgaan en haar conclusies, aanbevelingen en besluiten zijn onderworpen aan de goedkeuring van ieder der regeringen. HOOFDSTUK II. Doelstellingen en taken Artikel 4 De Commissie heeft als voornaamste doel het aan de burgerluchtvaartautoriteiten van de lidstaten verstrekken van een geschikt kader waarbinnen alle maatregelen die nodig zijn voor samenwerking en voor het coördineren van de activiteiten op het gebied van de burgerluchtvaart, besproken en gepland kunnen worden. Artikel 5 Voor het realiseren van haar doelstellingen zal de Commissie alle nodige taken ontplooien, in het bijzonder: - a. Het bevorderen en ondersteunen van de coördinatie en samenwerking tussen de staten in de regio, ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling en het optimale gebruik van het luchttransport in, naar en vanuit Latijns-Amerika. - b. Het verrichten van economische onderzoeken betreffende het luchttransport in de regio. - c. Het bevorderen van een grotere uitwisseling van st"},{"i":10688,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 maart 2007, nr. SAS2007015288, houdende regels met betrekking tot subsidies aan gemeenten om hen te stimuleren tot het verminderen van milieudruk door het bevorderen van preventie en scheiding van huishoudelijke afvalstoffen (Subsidieregeling aanpak milieudrukvermindering 2007) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. samenwerkingsverband: verband van twee of meer Nederlandse gemeenten die aan de hand van een regeling als bedoeld in [artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=1), dan wel van een schriftelijke verklaring, kunnen aantonen dat zij samenwerken bij het uitvoeren van projecten als bedoeld in deze regeling; - b. stadsdeel: deel van een Nederlandse gemeente dat bevoegd is tot het zelfstandig voeren van beleid met betrekking tot onderwerpen als bedoeld in deze regeling; - c. restafval: ongescheiden ingezamelde grove en fijne huishoudelijke afvalstoffen; - d. afvalpreventie: het voorkomen of beperken van het ontstaan van afvalstoffen of het verminderen van de milieuschadelijkheid daarvan door interne nuttige toepassing of reductie aan de bron; - e. afvalscheiding: het scheiden en gescheiden houden van afvalstoffen en het gescheiden afgeven daarvan; - f. sorteeranalyse: onderzoek naar de samenstelling van het huishoudelijk afval uitgevoerd overeenkomstig de handreiking ‘Sorteeranalyses Handreiking voor gemeenten’, opgesteld door SenterNovem, AOO uitgave 2003-15; - g. nulmeting: inventarisatie van gegevens over afvalscheiding en afvalpreventie, voor zover het huishoudelijke afvalstoffen betreft, volgens de opgave in de bijlage bij deze regeling; - h. plan van aanpak: de beschrijving van feitelijk voorgenomen maatregelen met b"},{"i":10693,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 oktober 2008, nr. BREM2008094427, houdende regels met betrekking tot de programmafinanciering van lokale luchtkwaliteitsmaatregelen (Subsidieregeling programmafinanciering lokale luchtkwaliteitsmaatregelen) Gelet op [artikel 15.13, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245); - b. Besluit: [Besluit milieusubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010065); - c. lokale luchtkwaliteitsmaatregel: maatregel als bedoeld in [artikel 5.12, derde lid, onder b of d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=5.12), met inbegrip van maatregelen die bestemd zijn om te worden opgenomen in het NSL; - d. subsidie luchtkwaliteit: financiële bijdrage in de kosten van een of meer lokale luchtkwaliteitsmaatregelen; - e. eigen bijdrage: eigen bijdrage van provincie, plusregio, openbaar lichaam of gemeente in de kosten van een of meer lokale luchtkwaliteitsmaatregelen; - f. derde tranche: derde beschikbaarstelling van middelen voor de programmafinanciering van lokale luchtkwaliteitsmaatregelen; - g. vierde tranche: vierde beschikbaarstelling van middelen voor de programmafinanciering van lokale luchtkwaliteitsmaatregelen; - h. midterm-review: actualisatie van de verdeling van de subsidies vierde tranche; - i. Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu; - j. NSL: Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit als bedoeld in [artikel 5.12, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=5.12); - k. RSL: Regionaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit ten behoeve van een gebiedsgerichte uitwerking van het NSL als bedoeld in [artikel 5.12, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=5.12); - l. pro"},{"i":10694,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 22 juni 2023 nr. IENW/BSK-2023/168582, houdende vaststelling van regels voor subsidie ter stimulering van de uitvoering van maatregelen van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (Subsidieregeling stimulering uitvoering maatregelen Deltaplan Agrarisch Waterbeheer) Gelet op [artikel 7.22d, tweede lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.22d) en artikel 7.22d, derde lid, van de Waterwet juncto de [artikelen 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **deelproject:** project van een waterschap en een of meer agrariërs of het georganiseerde agrarisch bedrijfsleven met een beschrijving van de maatregelen; - **Gebiedsdocument agrarische wateropgave:** document waarin per waterschapsgebied de met de agrarische bedrijfsvoering samenhangende wateropgaven aangaande waterkwantiteit en waterkwaliteit, zijn beschreven voor zowel grond- als oppervlaktewater; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **projectpakket:** totaal van deelprojecten die als geheel bij een aanvraag wordt gevoegd. Artikel 2. Doel Deze regeling heeft tot doel het door middel van subsidieverstrekking stimuleren van het versneld uitvoeren van deelprojecten die de agrarische wateropgave zoals beschreven in de Gebiedsdocumenten agrarische wateropgave verminderen. Artikel 3. Bepalingen [Kaderbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381) van overeenkomstige toepassing De [artikelen 6, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [10, vierde lid, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=14), [17, eerste lid, aanhef en onder a, b, e en f](https:"},{"i":10705,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 12 juli 2022, nr. IENW/BSK-2021/328700, houdende vaststelling van een tijdelijke regeling stimulering van het nemen van maatregelen in het kader van de tweede fase van het Deltaprogramma zoetwater (Tijdelijke regeling stimuleren maatregelen tweede fase Deltaprogramma zoetwater) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), [5, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** regiocoördinator, waterschap als bedoeld in [artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046957&artikel=7&z=2025-12-11&g=2025-12-11), of, in het geval van zoetwaterregio Rivierengebied, waterschap Rivierenland; - **alternatieve maatregel:** maatregel die door de Minister is vastgesteld als alternatief voor een maatregel opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046957&bijlage=A&z=2025-12-11&g=2025-12-11) bij deze regeling; - **innovatieve pilot:** maatregel die als zodanig is aangemerkt in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046957&bijlage=A&z=2025-12-11&g=2025-12-11) bij de regeling of bij de vaststelling van een alternatieve maatregel; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **regiocoördinator:** aangewezen provincie als bedoeld in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046957&artikel=7&z=2025-12-11&g=2025-12-11); - **rijksbijdrage:** specifieke uitkering dan wel subsidie op grond van deze regeling; - **zoetwaterregio:** een van de zes onderscheiden zoetwaterregio’s als opgenomen op de kaart in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046957&bijlage=B&z=2025-12-11&g=2025-12-11). Artikel 2. Doel Deze regeling heeft tot doel het stim"},{"i":10708,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 7 oktober 2025, nr. IENW/BSK-2025/238367, houdende vaststelling van tijdelijke regels ter stimulering van de opschaling van watertechnologische innovaties voor testen in een pilotomgeving (Tijdelijke Subsidieregeling stimulering opschaling watertechnologische innovaties voor testen in een pilotomgeving) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8, eerste lid en tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=9), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), [23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23) en [26, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=26); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** consortium dat een aanvraag doet op grond van deze regeling; - **adviescommissie:** onafhankelijke adviescommissie die zorgdraagt voor de inhoudelijke beoordeling van de aanvragen; - **AGVV:** Algemene Groepsvrijstellingsverordening, bedoeld in [artikel 1 van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=1); - **consortium:** consortium als bedoeld in [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051578&artikel=12&z=2025-10-09&g=2025-10-09); - **experimentele ontwikkeling:** ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de AGVV; - **focusgebieden:** de vij"},{"i":10711,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 5 maart 2026, nr. RT-0000131866, houdende tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor de beheersing van appelbloesemkever in de teelt van appel in grondwaterbeschermingsgebieden en in de biologische appelteelt (Tijdelijke vrijstelling voor de beheersing van appelbloesemkever in de teelt van appel in grondwaterbeschermingsgebieden en biologische appelteelt, 2026) handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=38) en artikel 53 van de [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de [Richtlijnen nr. 79/117/EEG](31979L0117) en [91/414/EEG](31991L0414) van de Raad (PbEU 2009, L 309); BESLUIT: Artikel 1 Tijdelijke vrijstelling als bedoeld in [artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=38) en artikel 53 van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) wordt verleend het gebruik van Raptol voor de beheersing van appelbloesemkever (**Anthonomus pomorum**) in de teelt van appel in grondwaterbeschermingsgebieden en in de biologische appelteelt. Artikel 2 Aan de vrijstelling bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052409&artikel=1&z=2026-03-10&g=2026-03-10) zijn de in de bijlage bij dit besluit opgenomen voorschriften en beperkingen verbonden. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt op 15 april 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijke vrijstelling voor de beheersing van appelbloesemkever in de teelt van appel in grondwaterbesc"},{"i":10712,"b":"Wet van 22 februari 2021, houdende wijziging van de Wet publieke gezondheid in verband met een tijdelijke bevoegdheid om het vertoeven in de openlucht te beperken teneinde de verspreiding van het SARSCoV-2-virus zoveel mogelijk te belemmeren (Tijdelijke wet beperking vertoeven in de openlucht covid-19) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de verspreiding van het SARS-CoV-2-virus zoveel mogelijk te belemmeren en in verband daarmee in de [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) een tijdelijke bevoegdheid te creëren om het vertoeven in de openlucht te beperken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) Wijzigt de Wet publieke gezondheid. Artikel II. Overgangsrecht De [Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044738) wordt, met uitzondering van [artikel 6 van die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044738&artikel=6), aangemerkt als een geldende regeling als bedoeld in [artikel 58j, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=58j). Artikel III. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op het tijdstip van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel IV. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke wet beperking vertoeven in de openlucht covid19. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":10713,"b":"Wet van 20 december 2023, houdende tijdelijke regels inzake de instelling van een Klimaatfonds (Tijdelijke wet Klimaatfonds) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is meerjarig financiële middelen te reserveren en deze beschikbaar te stellen voor maatregelen die bijdragen aan de uitvoering van de Klimaatwet en [Verordening (EU) 2021/1119](32021R1119) van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van [Verordening (EG) nr. 401/2009](32009R0401) en [Verordening (EU) 2018/1999](32018R1999) (PbEU 2021, L 243) en daartoe tijdelijk een begrotingsfonds in te stellen als bedoeld in [artikel 2.11 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.11); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: - **broeikasgas:** CO2 of een van de andere broeikasgassen als bedoeld in de begripsomschrijving van broeikasgassen, in [artikel 1 van de Klimaatwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042394&artikel=1); - **fonds:** Klimaat- en energiefonds als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049322&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **meerjarenprogramma:** Meerjarenprogramma Klimaat- en energiefonds als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049322&artikel=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **Onze Minister:** Onze Minister van Klimaat en Groene Groei. Artikel 2. Instelling en doel van het fonds 1. Er is een Klimaat- en energiefonds. 2. Het fonds heeft als doel het faciliteren van maatregelen die bijdragen aan het terugdringen van emissies van broeikasgassen tot de niveaus, bedoe"},{"i":10714,"b":"Toepassing Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet Gelet op [artikel 1 van het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002768&artikel=1) (Stb. 1971, 420); Besluiten: Artikel 1 1. ‘Het [Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002768) (Stb. 1971, 420) geldt ten aanzien van: - a. gegevens welke noodzakelijk zijn voor het scheiden van verschillende in splijtstof voorkomende uraniumisotopen met gebruikmaking van lasertechnologie en welke niet zijn bekendgemaakt in algemeen toegankelijke publikaties; - b. hulpmiddelen en materialen, welke zijn benodigd voor het scheiden van verschillende in splijtstof voorkomende uraniumisotopen met gebruikmaking van lasertechnologie en waaraan gegevens als onder a, bedoeld kunnen worden ontleend; - c. met behulp van gegevens, hulpmiddelen en materialen als onder a. en b. bedoeld verrichte onderzoekingen en toegepaste werkmethoden. 2. De in [artikel 1, tweede lid, onder a, b, c en f van het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002768&artikel=1) genoemde ministers kunnen bepalen dat het eerste lid niet geldt ten aanzien van een of meerdere door hen aangewezen personen. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 16 maart 1989."},{"i":10715,"b":"Toepassing Geheimhoudingsbesluit Kernernergiewet (ultracentrifugetechnologie) Gelet op [artikel 1 van het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002768&artikel=1) (Stb. 1971, 420); Besluiten: Artikel 1 Het [Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002768) (Stb. 1971, 420) geldt, tenzij de in [artikel 1, tweede lid, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002768&artikel=1) genoemde ministers anders bepalen, ten aanzien van: - a. gegevens, welke noodzakelijk zijn voor het scheiden van verschillende in splijtstof voorkomende uraniumisotopen met gebruikmaking van gasultracentrifuges en welke nog niet zijn gepubliceerd; - b. hulpmiddelen en materialen, welke zijn benodigd voor het scheiden van verschillende in splijtstof voorkomende uraniumisotopen met gebruikmaking van gasultracentrifuges en waaraan gegevens als onder a. bedoeld kunnen worden ontleend; - c. met behulp van gegevens, hulpmiddelen en materialen als onder a. en b. bedoeld verrichte onderzoekingen en toegepaste werkmethoden. Artikel 2 1. Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekend gemaakt. 2. Zij treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"i":10709,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 7 oktober 2025, nr. IENW/BSK-2025/238366, houdende vaststelling van tijdelijke regels ter stimulering van het uitvoeren van fullscale demonstratieprojecten ter vergroting van de markt- en exportkansen voor de Nederlandse watertechnologiesector (Tijdelijke subsidieregeling stimulering fullscale demonstratieprojecten watertechnologie) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8, eerste lid en tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=9), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), [23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23) en [26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=26), van het Kaderbesluit subsidies I en M; BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** consortium dat een aanvraag doet op grond van deze regeling; - **adviescommissie:** onafhankelijke adviescommissie die zorgdraagt voor de inhoudelijke beoordeling van de aanvragen; - **AGVV:** Algemene Groepsvrijstellingsverordening, bedoeld in [artikel 1 van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=1); - **consortium:** consortium als bedoeld in [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051581&artikel=12&z=2025-10-09&g=2025-10-09); - **experimentele ontwikkeling:** ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de AGV"},{"i":10716,"b":"Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot regeling der wateraftappingen uit de Maas Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, wenschende op duurzame en afdoende wijze regelen te stellen voor de wateraftappingen van de Maas ten behoeve der voeding van de scheepvaart- en bevloeijingskanalen, hebben besloten te dien einde een tractaat aan te gaan, en tot hunne gevolmagden benoemd: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden: jhr PAUL VAN DER MAESEN DE SOMBREFF, ridder-grootkruis van de orde van den Nichan Iftihar van Tunis, Hoogstdeszelfs Minister van Buitenlandsche Zaken; den heer JOHAN RUDOLF THORBECKE, ridder-grootkruis van de orde van den Nederlandschen Leeuw, grootkruis van de Leopoldsorde van Belgie en van verschillende andere orden, Hoogstdeszelfs Minister van Binnenlandsche Zaken; en den heer GERARD HENDRIK BETZ, Hoogstdeszelfs Minister van Financien; en Zijne Majesteit de Koning der Belgen: den heer ALDEPHONSE ALEXANDER FELIX baron DU JARDIN, kommandeur der Leopoldsorde, versierd met het IJzeren Kruis, kommandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, ridder-grootkruis der orde van de Eikenkroon, grootkruis en kommandeur van verschillende andere orden, Hoogstdeszelfs buitengewoon gezant en gevolmagtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden; dewelke, na hunne in behoorlijken vorm bevonden volmagten te hebben uitgewisseld, de volgende artikelen hebben vastgesteld. Art. 1 Er zal beneden Maastricht, aan den voet van het glacis der vesting, eene nieuwe prise d'eau aan de Maas worden gemaakt, die tot voedingskanaal zal strekken voor alle beneden die stad gelegen kanalen, zoowel als voor de bevloeijingen in de Kempen en in Nederland. Art. 2 De sluis n°. 19 te Hocht zal opgeruimd worden en vervangen door eene nieuwe sluis, te maken in de Zuidwillemsvaart, boven het in art. 1 genoemde voedingskanaal. Het gedeelte van het kanaal tusschen de sluis te Ho"},{"i":10717,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van desinfectiemiddelen in luchtvaartuigen in verband met de uitbraak COVID-19 (Tweede tijdelijke vrijstelling desinfectie luchtvaartuigen COVID-19 2021) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; In aanmerking genomen de noodzaak van desinfectie in luchtvaartuigen als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en het behoud en het waarborgen van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de oppervlaktedesinfectie in luchtvaartuigen en het waarborgen van de luchtwaardigheid van de luchtvaartuigen, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en gebruik van de volgende middelen voor de desinfectie van luchtvaartuigen: - –. Cee-Bee A18-S op basis van de werkzame stof Benzyl-C12-16-alkyldimethyl- ammoniumchloride, - –. Ki-ose 380 en Ki-ose 390 op basis van de werkzame stof Didecylmethylammonium chloride (DDAC) - –. TASKI Sani 4 in 1 Plus spray op basis van de werkzame stof L-(+) Lactic acid. - b). artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012 toegestaan dat de in onderdeel a genoemde middelen onder de daarin genoemde voorwaarden op de"},{"i":10718,"b":"Uitgebreide Luchtvervoersovereenkomst tussen de lidstaten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds De Regeringen van: Brunei Darussalam, Het Koninkrijk Cambodja, De Republiek Indonesië, De Democratische Volksrepubliek Laos, Maleisië, De Republiek Unie van Myanmar, De Republiek der Filipijnen, De Republiek Singapore, Het Koninkrijk Thailand, en De Socialistische Republiek Vietnam, Zijnde de lidstaten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten („ASEAN”,) (hierna gezamenlijk „ASEAN-lidstaten” en afzonderlijk „ASEAN-lidstaat” genoemd) enerzijds, en Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, Ierland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, De Republiek Kroatië, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, De Republiek Malta, Het Koninkrijk Der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, en Het Koninkrijk Zweden, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) (hierna gezamenlijk „de EU-Verdragen” genoemd) en lidstaten van de Europese Unie (hierna gezamenlijk „de EU-lidstaten” en afzonderlijk „de EU-lidstaat” genoemd), en de EUROPESE UNIE (hierna „de Unie” of „de EU” genoemd), anderzijds, De wens uitdrukkend hun belangen op het gebied van luchtvervoer te bevorderen als middel om bij te dragen tot nauwere politieke en economische banden tussen de twee regio’s; Erkennende dat efficiënte luchtverbindingen belangrijk zijn om handel, toerisme, investeringen en sociaaleconomische ontwikkel"},{"i":10719,"b":"Besluit van 15 december 1994, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de artikelen 175, zesde lid, van Boek 6, en 620, onderdeel a, 1030, onderdeel a, 1210, onderdeel a, 1218, 1670, onderdeel a, en 1678 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede tot wijziging van het Besluit van 19 februari 1990 ter uitvoering van artikel 951f van het Wetboek van Koophandel Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 25 maart 1994, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 431900/94/6; Gelet op de artikelen 175, zesde lid, van Boek 6, en 620, onderdeel **a**, 1030, onderdeel **a**, 1210, onderdeel **a**, 1218, 1670, onderdeel **a**, en 1678 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede [artikel 951**f** van het Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=951f); De Raad van State gehoord (advies van 18 juli 1994, No. W03.94.0292); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 12 december 1994, stafafdeling Wetgeving Privaatrecht nr. 471491/94/6; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Aanwijzing gevaarlijke stoffen Artikel 1 Als stoffen die worden geacht aan de omschrijving van [artikel 175, eerste lid, eerste zin, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=175) te voldoen worden aangewezen: - a. de stoffen die zijn opgenomen in Bijlage I bij [richtlijn nr. 67/548/EEG](31967L0548) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (**PbEG** L 196), zoals gewijzigd door [richtlijn nr. 92/32/EEG](31992L0032) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 april 1992 (**PbEG** L 154); - b. de gevaarlijke afvalstoffen aangewezen ingevolge [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), voor zover zij niet reeds onder d"},{"i":10720,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat houdende een aanwijzing van ambtenaren van het Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren voor bevoegdheden van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Uitvoeringsbesluit verontreinigingsheffing rijkswateren) Gelet op [artikel 7.10, vierde lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.10); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren:** **Bureau** verontreinigingsheffing rijkswateren van Rijkswaterstaat vallende onder het gezag van de Directeur-Generaal van Rijkswaterstaat. Artikel 2 1. Als ambtenaren die ingevolge [artikel 7.10, vierde lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.10) voor de toepassing van de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) in de plaats treden van het bestuur van ’s Rijksbelastingen en van de inspecteur worden aangewezen het hoofd van Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren en de onder hem ressorterende ambtenaren. 2. Als ambtenaren die ingevolge [artikel 7.10, vierde lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.10) voor de toepassing van de [Algemene wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) in de plaats treden van de ambtenaren van de rijksbelastingdienst worden aangewezen de ambtenaren ressorterende onder het hoofd van Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren en de ambtenaren van Rijkswaterstaat werkzaam onder verantwoordelijkheid van een hoofdingenieur-directeur van een landelijke of van een regionale dienst. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 22 december 2009. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit verontreinigingsheffing rijkswateren. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10721,"b":"Besluit van 9 juni 2023 ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2020/741 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 inzake minimumeisen voor hergebruik van water (PbEU 2020, L 177) (Uitvoeringsbesluit verordening hergebruik stedelijk afvalwater) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 8 februari 2023, nr. IENW/BSK-2022/243132, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [Verordening (EU) nr. 2020/741](32641R2020) van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 inzake minimumeisen voor hergebruik van water (PbEU 2020, L 177) en [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=5.1) en [5.3, vierde lid, eerste volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=5.3), [artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), en [artikelen 4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [5.1, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), [5.2, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.2), [5.10, eerste lid, aanhef en onder c, onder 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.10), [16.139, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.139), [18.2, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.2), [18.22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.22), [20.6, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.6), en [23.1 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=23.1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 maart 2023, nr. No. W17.23.00032/IV ); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 30 mei 2023, nr. IENW/BSK-2023/99188, Ho"},{"i":10750,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000: Ministerie van Verkeer en Waterstaat Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](onbekend); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/2 en arc-2003.6517/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10751,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Deviezenbeleid over de periode 1945–1981 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](onbekend); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Deviezenbeleid over de periode 1945–1981](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10752,"b":"Vaststellingsbesluit Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000 (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 november 2004, nr. arc-2004.1462/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als vakminister op het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting over de periode 1940–1993’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, nr. R&B/OSA/2001/3032 d.d. 3 september 2001 (gepubliceerd in de Staatscourant 2001, 194 d.d. 8 oktober 2001)) wordt ingetrokken, voor wat betreft de handelingen 10, 80, 281, 288, 295, 296, 302, 305, 337, 340, 343, 351, 353, 357, 365, 368 en 369 van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017948) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10753,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Waterstaat over de periode (1911–) 1945–2001 (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 12 november 2003, nr. arc-2003.6257/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Waterstaat over de periode (1911–) 1945–2001](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10754,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijsten neerslag handelingen beleidsterreinen Energiebeleid en Energiedelfstoffen vanaf 1945 (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 april 2005, nr. arc-2005.02052/3 en arc-2005.0205/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijsten voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de onder hem ressorterende actoren op de beleidsterreinen Energiebeleid en Energie Delfstoffen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10755,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst handelingen beleidsterrein Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen over de periode 1964–2000, OCW en Verkeer en Waterstaat Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 2 oktober 2003, nr. arc-2003.5955/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen over de periode 1964–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10799,"b":"Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige bepalingen inzake conservatoir beslag op luchtvaartuigen [**Zie de Franse tekst voor een Opsomming van Staatshoofden**] het nut hebbende erkend om eenige eenvormige bepalingen te aanvaarden inzake conservatoir beslag op luchtvaartuigen, hebben tot dat doel ieder hunne Gevolmachtigden aangewezen, die na daartoe behoorlijk te zijn gemachtigd, het volgende Verdrag hebben gesloten en geteekend: Artikel 1 De Hooge Verdragsluitende Partijen verbinden zich de noodige maatregelen te nemen teneinde de in dit Verdrag gestelde regelen ten uitvoer te brengen. Artikel 2 (1). Dit Verdrag verstaat onder conservatoir beslag elke handeling, hoe ook genaamd, waardoor een luchtvaartuig ten behoeve van een privaat belang door tusschenkomst van justitieele of administratieve ambtenaren, hetzij ten behoeve van een schuldeischer, hetzij ten behoeve van den eigenaar of den gerechtigde tot een op het luchtvaartuig rustend zakelijk recht, in beslag wordt genomen, zonder dat de beslaglegger beroep kan doen op een tevoren, in de gewone procedure verkregen, voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis of een gelijkwaardigen executorialen titel. (2). In geval de van toepassing zijnde wet aan den schuldeischer, die het luchtvaartuig zonder toestemming van den houder onder zich heeft, een retentierecht toekent, wordt de uitoefening van dat recht voor de toepassing van dit Verdrag gelijkgesteld met conservatoir beslag en door de bepalingen van dit Verdrag beheerscht. Artikel 3 (1). Voor conservatoir beslag zijn niet vatbaar: - a. De luchtvaartuigen, welke uitsluitend zijn bestemd voor een tak van staatsdienst, postvervoer daaronder begrepen, doch met uitsluiting van handelsvervoer; - b. De luchtvaartuigen, welke werkelijk in dienst zijn gesteld op een geregelde luchtlijn van openbaar vervoer en de daarvoor onontbeerlijke reserve-luchtvaartuigen; - c. Elk ander luchtvaartuig, dat dient voor het vervoer van personen of goederen tegen betaling, wanneer het ger"},{"i":10800,"b":"Verdrag tot het verbieden van proefnemingen met kernwapens in de dampkring, in de kosmische ruimte en onder water De Regeringen van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken en de Verenigde Staten van Amerika, hierna te noemen de „Oorspronkelijke Partijen”, Verklarende, dat het hun voornaamste doel is zo spoedig mogelijk te komen tot een overeenkomst inzake een algemene en volledige ontwapening onder streng internationaal toezicht in overeenstemming met de doelstellingen van de Verenigde Naties, welke overeenkomst een einde zou moeten maken aan de bewapeningswedloop en het motief voor de vervaardiging en de beproeving van alle soorten wapens, met inbegrip van kernwapens, zou moeten wegnemen, Beogende, te geraken tot een voor altijd stopzetten van alle proefexplosies van kernwapens, vastbesloten de daartoe nodige onderhandelingen voort te zetten, en verlangende een einde te maken aan de besmetting door radioactieve stoffen van de omgeving waarin de mens leeft, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I 1. Elk der Partijen bij dit Verdrag neemt de verplichting op zich, iedere proefexplosie van een kernwapen of iedere andere kernexplosie te verbieden, te verhinderen en niet uit te voeren op iedere plaats die onder haar rechtsmacht valt of waarover zij feitelijk gezag uitoefent: - (a). in de dampkring, daarbuiten, met inbegrip van de kosmische ruimte, of onder water, met inbegrip van de territoriale wateren en de volle zee; of - (b). op iedere andere plaats indien door een dergelijke explosie radioactieve stof zou terechtkomen buiten de territoriale grenzen van de staat onder wiens rechtsmacht of feitelijk gezag een dergelijke explosie wordt teweeggebracht. Het is in dit verband welverstaan dat de bepaling van dit lid 1 (**b**) van dit artikel onverlet laat het sluiten van een verdrag, leidende tot een permanent verbod van alle proefnemingen met kernexplosies, met inbegrip van ondergrondse explosies; de"},{"i":10816,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Belarus inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Belarus, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een verdrag te sluiten met het doel luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in dit Verdrag en de Bijlage daarbij de volgende begrippen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag van Chicago\" wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag van Chicago aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of van het Verdrag van Chicago overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Verdragsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat; wat de Republiek Belarus betreft, de Minister van Vervoer en Verbindingen; of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie te vervullen die thans wordt vervuld door de genoemde autoriteiten; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij\" wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 4 van dit Verdrag; - d. het begrip „grondgebied\" heeft met betrekking tot een Staat de betekenis die daaraan in artikel 2 van het Verdrag van Chicago wordt toegekend; - e. de begripp"},{"i":10817,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bolivia inzake internationaal luchtverkeer tussen Aruba en Bolivia Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bolivia, zijnde beide partij bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart van 7 december 1944; Geleid door de wens een Verdrag te sluiten teneinde de luchtdiensten tussen hun respectieve grondgebieden te reguleren; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Begripsomschrijvingen Voor de uitlegging en de uitvoering van dit Verdrag en de Bijlage daarbij, hebben de onderstaande termen de volgende betekenis: - a. onder „het Verdrag van Chicago\" wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat voor ondertekening werd opengesteld op 7 december 1944 te Chicago, en alle wijzigingen daarop, die door beide Verdragsluitende Partijen zijn bekrachtigd; - b. onder „dit Verdrag\" wordt verstaan: dit document, de Bijlage daarbij en alle wijzigingen daarop; - c. onder „Luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat de Republiek Bolivia betreft, de Staatssecretaris voor de burgerluchtvaart, en wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft het Ministerie van Vervoer en Communicatie van Aruba, of, in beide gevallen, de persoon of instantie die gemachtigd is de functies te vervullen die door deze autoriteiten worden uitgeoefend; - d. onder „overeengekomen luchtdiensten\" wordt verstaan: de internationale luchtdiensten op de in de Bijlage bij dit Verdrag omschreven routes bestemd voor het transport van passagiers, vracht en post; - e. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij\" wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die overeenkomstig artikel III van dit Verdrag is aangewezen en een vergunning heeft gekregen; - f. onder „tarief\" wordt verstaan: de voor het vervoer van passagiers, bagage en vracht vastgestelde prijs, alsmede de voorwaarden waaronder deze prijs wordt vastgesteld, met inbegrip van de betalingen en commissies voor agentschappen of andere aanvullende diensten, met uitz"},{"i":10818,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Costa Rica inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden PREAMBULE Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Costa Rica, hierna te noemen „de verdragsluitende partijen”, Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale luchtvaart; Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging in internationale luchtdiensten te waarborgen; Geleid door de wens een verdrag te sluiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Costa Rica ten behoeve van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. INLEIDING Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Infrastructuur en Waterstaat, en wat de Republiek Costa Rica betreft, het ministerie van Openbare Werken en Transport, de Technische Raad Burgerluchtvaart en het Directoraat-Generaal Burgerluchtvaart; of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die thans door de genoemde autoriteiten worden vervuld; - b. wordt onder „overeengekomen dienst” en „omschreven route” verstaan respectievelijk de internationale luchtdienst overeenkomstig dit Verdrag en de route omschreven in de bijlage bij dit Verdrag; - c. wordt onder „Verdrag” verstaan dit Verdrag en de bijlage erbij opgesteld voor de toepassing ervan, alsmede elke wijziging van het Verdrag of de bijlage; - d. hebben „luchtdienst”, „internationale luchtdienst” en „luchtvaartmaatschappij” de betekenis die daaraan in [artikel 96 van het Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96) respectievelijk wordt toegekend; - e. wordt onder „ve"},{"i":10819,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Maldiven inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden The Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the Republic of Maldives, hereinafter referred to as the Contracting Parties; being parties to the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) opened for signature at Chicago on 7 December 1944; desiring to contribute to the progress of international civil aviation; desiring to conclude an Agreement for the purpose of establishing air services between and beyond their respective territories, have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement and its Annex, unless the context otherwise requires: - a. the term \"the Convention\" means the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), opened for signature at Chicago on the seventh day of December 1944, and includes any Annex adopted under [Article 90 of that Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=90) and any amendment of the Annexes or the Convention under Articles 90 and [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=94) thereof, in so far as those Annexes and amendments have become effective for, or been ratified by both Contracting Parties; - b. the term \"aeronautical authorities\" means: for the Kingdom of the Netherlands the Minister of Transport, Public Works and Water Management; for the Republic of Maldives, the Civil Aviation Department of the Ministry of Transport and Communications; or in either case any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said Minister or Department; - c. the term \"designated airline\" means an airline which has been designated and authorized in accordance with Article 4 of this Agreement; - d. the term \"territory\" in relation to a State has the meaning assigned to it in [Ar"},{"i":10843,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, voor Aruba, en de Regering van Canada inzake luchtvervoer The Kingdom of the Netherlands in respect of Aruba and the Government of Canada, hereinafter referred to as the ``Contracting Parties\", Being parties to the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago, on the 7th day of December, 1944, Desiring to ensure the highest degree of safety and security in international air transportation, Recognizing the importance of international air transportation in promoting trade, tourism and investment, Desiring to promote their interests in respect of international air transportation, Desiring to conclude an agreement on air transport, supplementary to the said Convention and replacing the Air Transport Agreement between the Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of Canada, done at Ottawa on the 17th day of June, 1974, as regards air transport services between Canada and Aruba, Have agreed as follows: Article I. Definitions For the purpose of this Agreement, unless otherwise stated: - a). ``Aeronautical authorities\" means, in the case of Canada, the Minister of Transport and the Canadian Transportation Agency and, in the case of the Kingdom of the Netherlands in respect of Aruba, the Minister of Tourism and Transport and the Department of Civil Aviation of Aruba or, in both cases, any other authority or person empowered to perform the functions exercised by the said authorities; - b). ``Agreed services\" means scheduled air services on the routes specified in this Agreement for the transport of passengers and cargo, including mail, separately or in combination; - c). ``Agreement\" means this Agreement, any Annex attached thereto, and any amendments to the Agreement or to any Annex; - d). ``Convention\" means the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago on the seventh day of December 1944 and includes any Annex adopted under Article 90 of that"},{"i":10844,"b":"Verdrag tussen lidstaten en geassocieerde leden van de Associatie van Caraïbische Staten inzake regionale samenwerking bij natuurrampen De Verdragsluitende Partijen, Partijen zijnd bij het Verdrag tot oprichting van de Associatie van Caraïbische Staten (hierna te noemen „het Verdrag (1994)\"), ondertekend te Cartagena de Indias, Colombia, op 24 juli 1994, Rekening houdend met het feit dat in artikel III, eerste lid, onderdeel d, van het Verdrag (1994) wordt gesteld dat de Associatie een organisatie is voor overleg, gezamenlijk optreden en samenwerking, met als doel het in kaart brengen en het bevorderen van de uitvoering van beleid en programma's, gericht op, onder andere, het tot stand brengen van samenwerkingsovereenkomsten die beantwoorden aan de verscheidenheid van culturen, aan de behoeften aan ontwikkeling en aan de regelgevingssystemen in de regio, Overwegend dat de Raad van ministers van de Associatie tijdens zijn eerste gewone vergadering, gehouden te Guatemala Stad, op 1 december 1995, middels Overeenkomst nr. 1/95, het werkprogramma voor de eerste fase van de Associatie heeft goedgekeurd, en heeft besloten dat de eerste activiteiten onder andere gericht moeten zijn op het verwezenlijken van de prioritaire maatregelen met betrekking tot natuurrampen die de lidstaten en geassocieerde leden van de Associatie treffen, In herinnering roepend dat de Raad van ministers van de Associatie middels Overeenkomst nr. 1/95 heeft aangegeven dat gezien de doelstelling het vermogen van de lidstaten en geassocieerde leden van de Associatie om natuurrampen het hoofd te kunnen bieden te vergroten en aldus hun negatieve gevolgen te verminderen, maatregelen zullen worden genomen teneinde een samenwerkingssysteem in dit gebied in te stellen, Bereid de regionale samenwerking te intensiveren en te versterken en het belang ervan benadrukkend bij de doeltreffende beheersing van natuurrampen, met name wanneer deze gericht is op het verminderen van de kwetsbaarheid van de bevolking, d"},{"i":10849,"b":"Verontreinigingsheffing rijkswateren Gelet op de [artikelen 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=52) en [64 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=64); Mede gelet op de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002729&artikel=19) en [21 van het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002729&artikel=21); Besluit: Artikel 1 De verplichtingen, welke volgens de [artikelen 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=47), [50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=50) en [51 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=51) bestaan jegens het hoofd van het bureau verontreinigingsheffing rijkswateren, gelden mede jegens de ambtenaren van het bureau verontreinigingsheffing rijkswateren, schriftelijk aangewezen door het hoofd van genoemd bureau. Artikel 2 Deze beschikking zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant."},{"i":10850,"b":"Besluit van het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit van 5 februari 2019, met kenmerk NEa-2018/17248 inzake de routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden (Vervangingsbesluit archiefbescheiden Nederlandse Emissieautoriteit 2019) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) en [artikel 6, eerste en derde lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), Besluit: Artikel 1 1. Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op papier. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. 2. In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van archiefbescheiden op papier door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2 De digitale vervanging heeft betrekking op papieren archiefbescheiden die zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit en die worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met tien jaar na inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 3 De digitale vervanging wordt niet in eigen beheer uitgevoerd en geschiedt volgens de specificaties die zijn vastgelegd in het Handboek Digitale Vervanging Archiefbescheiden voor het verzorgingsgebied IBI/DCI van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 4 1. De originele, vervangen papieren archiefbescheiden worden vernietigd in overeenstemming met artikel 4 van het Handboek Digitale Vervanging Archiefbescheiden voor het verzorgingsgebied IBI/DCI van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. 2. De digitale reproducties worden in goede, geordende en toegankelijke staat beheerd en bewaard alvorens te worden vernietigd of overgebracht op basis van een geldende selectielijst. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met"},{"i":10855,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van desinfectiemiddelen in luchtvaartuigen in verband met de uitbraak COVID-19 (Vierde tijdelijke vrijstelling desinfectie luchtvaartuigen COVID-19 2022) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; In aanmerking genomen de noodzaak van desinfectie in luchtvaartuigen als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en het behoud en het waarborgen van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528); BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de oppervlaktedesinfectie in luchtvaartuigen en het waarborgen van de luchtwaardigheid van de luchtvaartuigen, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528), in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en gebruik van de volgende middelen voor de desinfectie van luchtvaartuigen: - –. Cee Bee A-18S op basis van de werkzame stof Benzyl-C12-16-alkyldimethyl- ammoniumchloride, - –. Ki-ose 380 en Ki-ose 390 op basis van de werkzame stof Didecylmethylammonium chloride (DDAC) - –. Ki-ose 321 t/m Ki-ose 325 op basis van de werkzame stof Didecylmethylammonium chloride (DDAC) - –. TASKI Sani 4 in 1 Plus spray op basis van de werkzame stof L-(+) Lactic acid. - b). artikel 55"},{"i":10857,"b":"Volmacht en machtiging van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 26 april 2019, nr. WJZ/ 19092461, aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat inzake het verrichten van rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met inkoop(gerelateerde) taken ten behoeve van de Nederlandse Emissieautoriteit (Volmacht en machtiging Minister van Infrastructuur en Waterstaat inzake het verrichten van rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met inkoop (gerelateerde) taken ten behoeve van de Nederlandse Emissieautoriteit) Besluit: Artikel 1 1. Aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt volmacht en machtiging verleend voor het verrichten van de volgende rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met inkoop(gerelateerde) taken, ten behoeve van de Nederlandse Emissieautoriteit: - a. het op verzoek van een bevoegde functionaris van de Nederlandse Emissieautoriteit uitvoeren van een of meer inkooptrajecten (ook wel te noemen aanbestedingstrajecten), waaronder de procedures uit de vigerende [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203), voor zover betrekking hebbend op inkooptrajecten uitsluitend ten behoeve van de Nederlandse Emissieautoriteit of op inkooptrajecten uitsluitend ten behoeve van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de Nederlandse Emissieautoriteit; - b. het ondertekenen van de opdrachtverstrekking of (raam)overeenkomst die uit een inkooptraject voortvloeit, waarbij de Nederlandse Emissieautoriteit niet de enige deelnemer is, voor zover daartoe een verzoek is gedaan door een bevoegde functionaris van de Nederlandse Emissieautoriteit; - c. het voeren van gerechtelijke procedures verband houdende met een inkooptraject als bedoeld in artikel 1, onderdeel a; - d. het verrichten van overige handelingen verband houdende met een inkooptraject als bedoeld in artikel 1, onderdeel a; 2. De volmacht en machtiging wordt uitgeoefend met inachtneming van de vigerende rijks"},{"i":10858,"b":"Voorlopige Overeenkomst tussen Nederland en Zwitserland betreffende luchtlijnen De Nederlandse Regering en de Zwitserse Bondsraad, overwegende dat de mogelijkheden van de commerciële luchtvaart, als middel van vervoer, aanmerkelijk zijn toegenomen; dat het gewenst is op een veilige en ordelijke wijze regelmatige luchtverbindingen te organiseren en zoveel mogelijk de ontwikkeling te bevorderen van internationale samenwerking op dit gebied; dat het bijgevolg nodig is, tussen Nederland en Zwitserland een overeenkomst te sluiten, welke het luchtvervoer door middel van regelmatige lijnen regelt, hebben tot dat doel vertegenwoordigers aangewezen die, behoorlijk gemachtigd zijnde, de volgende bepalingen zijn overeengekomen. Artikel 1 a. De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar in vredestijd de rechten omschreven in de hierbij gevoegde bijlage, met het doel de daarin omschreven internationale luchtlijnen, via of tussen haar onderscheidenlijke grondgebieden in te stellen. b. Elke overeenkomstsluitende partij zal een of meer luchttransportondernemingen aanwijzen om de overeengekomen lijnen te exploiteren en zal de openingsdatum van die lijnen bepalen. Artikel 2 a. Elke overeenkomstsluitende partij zal, onder voorbehoud van artikel 8 hierna volgend, aan de onderneming of aan de ondernemingen, welke door de andere overeenkomstsluitende partij zijn aangewezen, onverwijld de benodigde exploitatievergunning verstrekken. b. Van deze ondernemingen kan evenwel verlangd worden dat zij, alvorens vergunning te ontvangen om de overeengekomen lijnen te openen, haar bekwaamheid bewijzen, overeenkomstig de wetten en voorschriften, welke gewoonlijk worden toegepast door de luchtvaartautoriteiten, die de exploitatievergunning uitreiken. Artikel 3 De overeenkomstsluitende partijen komen overeen, dat - a. De door de ondernemingen van de overeenkomstsluitende partijen aangeboden vervoerscapaciteiten aangepast zullen zijn aan de eis van het verkeer. - b. De ondernemingen van de overeenko"},{"i":10859,"b":"Voorschriften m.b.t. verzoeken om ontheffing bepalingen in de Wet verontreiniging zeewater Gelet op [artikel 8, eerste lid, van de Wet verontreiniging zeewater](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002975&artikel=8), Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - **wet:** de [Wet verontreiniging zeewater](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002975) (Stb. 1975, 352); - **stoffen:** afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen; - **de hoofdingenieur-directeur;** de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de dienst Noordzee. Artikel 2 Een verzoek om ontheffing als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002975&artikel=3) of tot wijziging van de aan de ontheffing verbonden voorschriften wordt ingediend bij de hoofdingenieur-directeur. Artikel 3 1. Bij het verzoek om ontheffing als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003613&artikel=2&z=2008-10-01&g=2008-10-01) dienen, onverminderd het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid, de volgende gegevens schriftelijk te worden verstrekt: - a. naam, adres en telex- of telefoonnummer van de aanvrager en van de door hem aangewezen contactpersoon; - b. een overzicht van de in verband met de verwijdering of verwerking van de stoffen, waarop het verzoek betrekking heeft, verleende vergunningen of ontheffingen dan wel van de lopende aanvragen om vergunning of ontheffing; - c. de periode waarvoor om ontheffing wordt gevraagd; - d. de voorgenomen frequentie van het lozen; - e. een zo volledig mogelijke karakterisering naar vorm, samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van de stoffen waarop het verzoek betrekking heeft, waaronder de gegevens als bedoeld in de bij dit besluit behorende [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003613&bijlage=I&z=2008-10-01&g=2008-10-01); - f. een opgave van de onderzoekingen die zijn of worden verricht en van de maatregelen die zijn of worden getroffen, teneinde het ont"},{"i":10861,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 9 december 2014, nr. IENM/BSK-2014/260116, houdende vaststelling van regels tot vrijstelling van het Besluit luchtverkeer 2014 ter uitvoering van uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie van 26 september 2012 tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 en Verordeningen (EG) nr. 1265/2007, (EG) nr. 1794/2006, (EG) nr. 730/2006, (EG) nr. 1033/2006 en (EU) nr. 255/2010 (Vrijstellingsregeling Besluit luchtverkeer 2014) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=3), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=18), en [19, eerste en tweede lid, van het Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=19); Besluiten: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsomschrijving In deze regeling wordt verstaan onder: - **daglichtperiode:** daglichtperiode als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=1); - **HEMS-vlucht:** vlucht met een helikopter uitgevoerd krachtens een AOC met voorziening A3-Emergency medical service; - **JAR-OPS 3:** sectie 1 van het technisch voorschrift, vastgesteld door de Joint Aviation Authorities, betreffende uitvoering van een vlucht met een helikopter; - **kustwachtvlucht:** vlucht met een vliegtuig of helikopter door de Kustwacht, bedoeld in de [Regeling organisatie Kustwacht Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042251), in het kader van de handhavingstaken van de desbetreffende samenwerkende diensten, genoemd in [artikel 6 van de Regeling organisatie Kustwacht Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042251&artikel=6); - **luchtschip:** luchtschip als bedoeld in [artikel 1 in het Besluit bewijzen van be"},{"i":10862,"b":"Besluit van 31 juli 1998, houdende regels voor bronwater, natuurlijk mineraalwater en andere verpakte waters (Warenwetbesluit Verpakte waters) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 juli 1997, GZB/VVB/973729 gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 96/70/EG](31996L0070) van het Europees Parlement en de Raad van 28 oktober 1996 tot wijziging van [richtlijn nr. 80/777/EEG](31980L0777) van de Raad van 15 juli 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-staten inzake de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (PbEG L 299); op artikel II, eerste lid, van de Wijzigingswet 1988 Warenwet; alsmede op [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=6), [artikel 8, onder a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [artikel 9, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=9), [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), en [artikel 14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14); De Raad van State gehoord (advies van 3 november 1997, no. W13.97.0417); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juli 1998 met nummer GZB/VVB/983597, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **richtlijn 2009/54/EG:** Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraa"},{"i":10863,"b":"Besluit van 30 november 2009 houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterbesluit) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 17 februari 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/132 Sector WAT, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op de [artikelen 1.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=1.2), [2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=2.9), [2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=2.14), [3.1, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=3.1), [3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=3.10), [3.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=3.11), [4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=4.3), [4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=4.7), [4.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=4.8), [5.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=5.1), [5.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=5.2), [5.29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=5.29),[6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=6.5), [6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=6.6), [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=6.7), [6.14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=6.14), [6.16, eerste lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=6.16)[6.20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=6.20), [7.8, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.8), en [10.1, eerste lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=10.1); De Raad van S"},{"i":10868,"b":"Wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de overheid zich bij de zorg voor de bewoonbaarheid van het land alsmede de bescherming en verbetering van het milieu, waar die zorg gestalte krijgt in het waterbeheer, voor grote opgaven gesteld ziet, en dat het met het oog op een doeltreffende en doelmatige aanpak van het waterbeheer wenselijk is om het wettelijke instrumentarium te stroomlijnen en te moderniseren en daarbij het integraal beheer van watersystemen centraal te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: - **deltafonds:** fonds, bedoeld in [artikel 7.22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&hoofdstuk=7&paragraaf=4a&artikel=7.22a&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **deltaprogramma:** programma, bedoeld in [artikel 4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&hoofdstuk=4a&artikel=4.9&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **Onze Minister:** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **Onze Ministers:** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat tezamen met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ieder voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren; - **oppervlaktewaterlichaam:** oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885); - **zuiveringtechnisch werk:** zuiveringtechnisch werk als bedoeld in de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885). § 2. Geografische bepalingen Artikel 1.2 Vervallen Artikel 1.3 Vervallen Artikel 1.4 Vervallen Hoofdstuk 2. Do"},{"i":10869,"b":"Wet van 29 januari 2014 tot wijziging van de Kieswet en de Waterschapswet ten behoeve van gecombineerde verkiezingen van vertegenwoordigers voor de ingezetenen in het algemeen bestuur van het waterschap en de verkiezingen voor de provinciale staten (Wet aanpassing waterschapsverkiezingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat gecombineerde stembusverkiezingen worden gehouden voor provinciale staten en de categorie ingezetenen in het algemeen bestuur van het waterschap; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kieswet. Artikel II Wijzigt de Waterschapswet. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV Wijzigt de Wet financiering politieke partijen. Artikel V 1. Het register van aanduidingen van het stembureau, bedoeld in [artikel 18 van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=18), zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034822&artikel=II&z=2014-11-29&g=2014-11-29), van deze wet wordt binnen twee maanden na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034822&artikel=I&z=2014-11-29&g=2014-11-29), door de voorzitter van het stembureau overgedragen aan het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur van een waterschap, behorende bij de categorie, bedoeld in [artikel 12, tweede lid, onderdeel a, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=12). 2. De instelling van het stembureau, bedoeld in [artikel 18 van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=18), zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel C](https://wetten.overhei"},{"i":10870,"b":"Wet van 23 maart 2016, houdende regels met betrekking tot de productie en de distributie van elektriciteit en drinkwater op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet elektriciteit en drinkwater BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, om, gelet op het belang van het betrouwbaar, duurzaam en doelmatig functioneren van de elektriciteits- en de drinkwatervoorziening in Caribisch Nederland, regels te stellen inzake de productie en de distributie van elektriciteit en drinkwater; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aansluiting:** één of meer leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve van transport van elektriciteit of drinkwater die een net verbinden met een installatie; - **afnemer:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die elektriciteit of drinkwater afneemt voor eigen gebruik; - **Autoriteit Consument en Markt:** Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - **bindende gedragslijn:** enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen ter bevordering van de naleving van wettelijke voorschriften die niet wegens een overtreding wordt opgelegd; - **distributie:** opslag, transport en levering van elektriciteit of drinkwater aan afnemers via netten of via transportmiddelen als bedoeld in [artikel 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&hoofdstuk=3&paragraaf=3.2&artikel=3.6&z=2023-01-01&g=2023-01-01); - **distributeur:** een distributeur van elektriciteit of drinkwater die op grond van [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3"},{"i":10871,"b":"Wet van 20 december 2023 tot wijziging van enkele belastingwetten (Wet fiscale Klimaatmaatregelen glastuinbouw) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is fiscale klimaatmaatregelen te treffen die de glastuinbouw aan een CO2-heffing onderwerpen, het verlaagde tarief van de glastuinbouw in de energiebelasting uitfaseren en de vrijstelling voor elektriciteitsopwekking middels gas gefaseerd inperken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel II Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel III Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel IV Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel V Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VIa Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VIb Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VIc Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VId Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VIe Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel VIII Wijzigt de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord. Artikel IX Wijzigt het Belastingplan 2023. Artikel X [Titel 15.13 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&titeldeel=15.13) vervalt en het [Besluit kosten-verevening reductie CO2-emissies glastuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030463) en de [Regeling kosten-verevening reductie CO2-emissies glastuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036075) worden ingetrokken, met dien verstande dat die titel, dat besluit en die regeling van toepassing blijven voor zover de emissie van kooldioxide heeft plaatsgevonden voorafg"},{"i":10875,"b":"Wet van 15 november 2000, houdende uitbreiding van het toepassingsgebied van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken tot de exclusieve economische zone Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor een goed beheer van het zeegebied van de Nederlandse exclusieve economische zone, mede gelet op het op 10 december 1982 te Montego-Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, met bijlagen (Trb. 1983, 83) noodzakelijk is, het vergunningstelsel van de [Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331) in die zone van toepassing te doen zijn; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Artikel II 1. [Artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=2) is niet van toepassing met betrekking tot werken die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn gemaakt in of op het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentale plat, tot het tijdstip waarop de ingevolge het tweede lid voor het desbetreffende werk verleende vergunning van kracht wordt. 2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleent ambtshalve binnen twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een vergunning als bedoeld in [artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=2) voor het houden van een werk als bedoeld in het eerste lid. Artikel III 1. Het Interimbesluit vergunningplicht installaties ter zee wordt ingetrokken. 2. [Artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=2) is, voor zover nodig in afwijking van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011790&artikel=II&z=2000-1"},{"i":10876,"b":"Wet van 16 februari 2006 tot goedkeuring en uitvoering van het op 22 juni 2001 te Boedapest tot stand gekomen Verdrag van Boedapest inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI) (Trb. 2001, 124) (Wet internationaal goederenvervoer over de binnenwateren) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 22 juni 2001 te Boedapest tot stand gekomen Verdrag van Boedapest inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden, alsmede dat het wenselijk is in verband daarmee aan [afdeling 2 van titel 10 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&afdeling=2) één bepaling toe te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 22 juni 2001 te Boedapest tot stand gekomen Verdrag van Boedapest inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI), waarvan de Nederlandse, Franse en Engelse tekst zijn geplaatst in Tractatenblad 2001, 124, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 Goedgekeurd wordt dat bij de binding van het Koninkrijk aan het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019572&artikel=1&z=2006-06-01&g=2006-06-01) genoemde verdrag voor Nederland verklaringen als bedoeld in artikel 31 onder a en b worden afgelegd, inhoudende dat partijen bij vervoerovereenkomsten waarbij de laadhaven of plaats van inontvangstneming en de loshaven of plaats van aflevering op Nederlands grondgebied gelegen zijn, bij overeenkomst CMNI van toepassing kunnen verklaren alsmede dat CMNI ook vervoer om niet behelst. Artikel 3 Aanpassing"},{"i":10877,"b":"Wet van 18 juni 1992, houdende algemene regeling met betrekking tot het luchtverkeer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is mede ter uitvoering van het Verdrag van Chicago (**Trb.** 1973, 109), het Eurocontrol Verdrag (**Trb.** 1961, 62 gewijzigd **Trb.** 1981, 182) en de Multilaterale Overeenkomst betreffende \"en route\" heffingen (**Trb.** 1981, 181), nieuwe regels te stellen omtrent de bescherming van de openbare veiligheid bij het gebruik van het luchtruim en de bevordering van de veilige, ordelijke en vlotte afwikkeling van het luchtverkeer; dat het tevens wenselijk is om de burgerlijke luchtverkeersbeveiliging onder te brengen in een zelfstandig bestuursorgaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1.1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - algemene luchtverkeersleiding: luchtverkeersleiding voor gecontroleerde vluchten; - AOC: door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan een onderneming of groep van ondernemingen afgegeven document waarin wordt verklaard dat de betrokken luchtvaartexploitant beschikt over beroepsbekwaamheid en organisatie om luchtvaartuigen veilig te exploiteren voor de in dat bewijs gespecificeerde luchtvaartactiviteiten (Air Operator's Certificate); - artikel 83bis-overeenkomst: overeenkomst waarbij ten behoeve van het uitoefenen van toezicht op de naleving van luchtverkeersregels, eisen of bepalingen met betrekking tot het bezit van het bewijs van luchtwaardigheid annex radiovergunning behorende bij het betreffende luchtvaartuig, eisen of bepalingen met betrekking tot het bezit van het bewijs van bevoegdheid, alsmede bevoegdverklaringen van het stuurhutpersoneel, door de staat van registratie van een luchtvaartuig functies en taken zijn overged"},{"i":10878,"b":"Wet luchtvervoer BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Vervallen Artikel 2 1. Deze wet is, behoudens het bepaalde in [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028227&hoofdstuk=V&artikel=39&z=2016-10-01&g=2016-10-01), niet van toepassing op het kosteloos luchtvervoer dat niet door een luchtvervoeronderneming wordt bewerkstelligd. 2. Deze wet is voorts niet van toepassing op het vervoer van brieven, andere poststukken en postpakketten, noch op het luchtvervoer door militaire, douane- of politieluchtvaartuigen op bevel van de overheid. Artikel 3 Het luchtvervoer, achtereenvolgens door verschillende vervoerders te bewerkstelligen, wordt voor de toepassing van deze wet geacht een enkel luchtvervoer te vormen, wanneer het door de partijen als een enkele handeling is beschouwd, onverschillig of het in de vorm van een enkele overeenkomst, dan wel in de vorm van een reeks van overeenkomsten is gesloten. Artikel 4 Wanneer in deze wet sprake is van dagen, worden kalenderdagen en niet werkdagen bedoeld. Hoofdstuk II. Luchtvervoerbewijzen Deel I. Reisbiljet Artikel 5 1. Bij het luchtvervoer van reizigers moet een reisbiljet worden uitgereikt. 2. Het reisbiljet strekt, behoudens tegenbewijs, tot bewijs van het sluiten van de luchtvervoerovereenkomst en de voorwaarden daarvan. Het ontbreken van het reisbiljet, een onnauwkeurigheid daarin of het verlies daarvan heeft invloed noch op het bestaan, noch op de geldigheid van de luchtvervoerovereenkomst, welke desondanks zal zijn onderworpen aan de bepalingen van deze wet. Indien evenwel de reiziger met toestemming van de vervoerder aan boord gaat, zonder dat een reisbiljet is uitgereikt, heeft de vervoerder niet het recht zich te beroepen op de bepalingen van deze wet, welke zijn aansprakelijkheid uitsluiten of beperken. Deel II. Bagagebiljet Artikel 6 1. Bij het luchtvervoer van aangegeven bagage moet een bagagebiljet worden uitgereikt. 2. Onder aangegeven bagage wordt verstaan: alle zaken welke toebehoren aan of"},{"i":10879,"b":"Wet van 13 juni 1979, houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, naast de wettelijke regelingen, geldende voor de onderscheidene onderdelen van het gebied van de milieuhygiëne, regelen te stellen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op dat gebied; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen § 1.1. Algemeen Artikel 1.1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: adviseurs: bestuursorganen die krachtens wettelijk voorschrift in de gelegenheid moeten worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit; afvalstoffen: alle stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; afvalstoffenhandelaar: natuurlijke of rechtspersoon die als verantwoordelijke optreedt bij het bedrijfsmatig aankopen en vervolgens verkopen van afvalstoffen, met inbegrip van natuurlijke of rechtspersonen die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben; afvalstoffenhouder: afvalstoffenproducent dan wel de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in zijn bezit heeft; afvalstoffenmakelaar: natuurlijke of rechtspersoon die ten behoeve van anderen bedrijfsmatig de verwijdering of de nuttige toepassing van afvalstoffen organiseert, met inbegrip van de natuurlijke of rechtspersonen die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben; afvalstoffenproducent: natuurlijke of rechtspersoon wiens activiteiten afvalstoffen voortbrengen of die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen verricht die leiden tot een wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen; afvalstoffenverordening: de verordening, bedoeld in [artikel 10.23](https://wetten.o"},{"i":10880,"b":"Wet van 21 mei 2007 tot wijziging van de Waterschapswet en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in verband met de modernisering en vereenvoudiging van de bestuurlijke structuur en de financieringsstructuur van waterschappen (Wet modernisering waterschapsbestel) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bestuurlijke structuur en de financieringsstructuur van waterschappen te vereenvoudigen en daartoe de [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108) en de [Wet verontreiniging oppervlaktewateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Waterschapswet. Artikel II Wijzigt de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV Wijzigt de Provinciewet. Artikel IVa Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet, voor zover het betreft de verkiezingen van het waterschapsbestuur in de praktijk. Artikel V 1. De bij de inwerkingtreding van deze wet zitting hebbende leden van het algemeen bestuur treden af op donderdag 8 januari 2009. 2. De toelating van plaatsvervangers in plaatsen welke openvallen in het algemeen bestuur vóór de in het eerste lid genoemde datum, geschiedt op de wijze als vóór de inwerkingtreding van deze wet was bepaald. 3. De zittingsduur van de leden van het algemeen bestuur wier zittingstermijn zou aflopen na inwerkingtreding van deze wet, doch vóór 8 januari 2009, wordt verlengd tot 8 januari 2009. Artikel VI De reglementen voor de waterschappen worden in overeenstemming gebracht met het bij of krachtens deze wet bepaalde vóór 1 april 2008. Artikel VII"},{"i":10881,"b":"Wet van 18 december 1991, houdende nadere voorzieningen met betrekking tot het tijdstip met ingang waarvan waterschapsomslagen kunnen worden geheven Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere voorzieningen te treffen met betrekking tot het tijdstip met ingang waarvan waterschapsomslagen kunnen worden geheven indien tegen de goedkeuring van de desbetreffende belastingverordening beroep op de Kroon open staat of is ingesteld; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het dagelijks bestuur van een waterschap is bevoegd aanslagen in omslagen op te leggen vanaf het tijdstip waarop gedeputeerde staten de door het algemeen bestuur vastgestelde belastingverordening waarop die aanslagen berusten, hebben goedgekeurd en die verordening in werking is getreden. Artikel 2 Tegen de heffing van omslagen door het waterschap zijn bezwaar en beroep als bedoeld in de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) (**Stb.** 1959, 301) niet toegelaten op grond van de omstandigheid dat beroep op de Kroon open staat of is ingesteld tegen de goedkeuring van de desbetreffende belastingverordening. Artikel 3 1. Vóór de inwerkingtreding van deze wet opgelegde aanslagen in omslagen, die berusten op een belastingverordening tegen de goedkeuring waarvan beroep op de Kroon open staat of is ingesteld, worden aangemerkt als bevoegdelijk opgelegde aanslagen. 2. De in het eerste lid bedoelde aanslagen ten aanzien waarvan vóór de inwerkingreding van deze wet op bezwaar of beroep een beslissing is genomen, worden aangemerkt als bevoegdelijk opgelegde aanslagen tot de bedragen waarop die aanslagen ingevolge die beslissing zijn vastgesteld. Artikel 4 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad"},{"i":10882,"b":"Wet van 24 december 1953, houdende regeling omtrent het verlenen van bijdragen door de Staat in materiële schade, geleden als gevolg van de op 1 februari 1953 ingetreden watersnood Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling in het leven te roepen omtrent het verlenen van bijdragen door de Staat in materiële schade, geleden als gevolg van de op 1 Februari 1953 ingetreden watersnood; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij deze wet bepaalde wordt verstaan onder: \"getroffene\": degene, die op het tijdstip van het ontstaan van de schade eigenaar was van de goederen, waarop de ingevolge deze wet te verlenen bijdrage betrekking heeft, dan wel een ander, voorzover deze tengevolge van een overeenkomst, geen overeenkomst van verzekering zijnde, aangegaan voor het bedoelde tijdstip, alstoen het risico voor de goederen droeg; \"rechthebbende\": de getroffene of diens rechtsopvolger; \"belanghebbende\": de rechthebbende of een derde, aan wie ingevolge de bepalingen van deze wet de bijdrage of een deel daarvan kan worden betaalbaar gesteld; \"vaststellend orgaan\": het orgaan, hetwelk ingevolge deze wet en de ter uitvoering daarvan te stellen regelen is belast met het onderzoek en de taxatie van de schade en de vaststelling van de bijdragen. Artikel 2 Van Rijkswege wordt, volgens de in deze wet gestelde regelen, een bijdrage verleend in watersnoodschade, geleden door getroffenen, niet zijnde de Staat of publiekrechtelijke lichamen in de zin van de [Wet Financiering Stormvloedschade Publiekrechtelijke Lichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002116). Artikel 3 1. Als watersnoodschade wordt voor de toepassing van het bij deze wet bepaalde aangemerkt schade, welke binnen Nede"},{"i":10883,"b":"Wet van 6 november 1997 tot aanvulling van de Wet milieubeheer met een regeling ter waarborging dat gesloten stortplaatsen geen of zo min mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu hebben, alsmede wijziging van de Wet bodembescherming Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) aan te vullen met een regeling ter waarborging dat gesloten stortplaatsen geen of zo min mogelijk nadelige gevolgen hebben voor het milieu, alsmede de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) aan te vullen teneinde duidelijkheid te scheppen ten aanzien van de toepassing van enkele bepalingen van die wet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet milieubeheer. ARTIKEL II 1. De in [artikel 15.44 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.44) bedoelde heffing wordt ingesteld binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet. 2. Het in artikel 8.49, derde lid, bedoelde nazorgplan wordt ter instemming bij gedeputeerde staten ingediend binnen 13 weken na de inwerkingtreding van deze wet. ARTIKEL III Wijzigt de Wet bodembescherming. ARTIKEL IV 1. Indien door of namens degene die een stortplaats drijft waarop [titel 15.11 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&titeldeel=15.11) van toepassing is, vóór de inwerkingtreding van deze wet een overeenkomst is gesloten, strekkende tot het door een derde tegen betaling doen treffen van maatregelen overeenkomstig artikel 8.49, vervalt deze overeenkomst van rechtswege, voor zover de overeenkomst op die maatregelen betrekking heeft. 2. Deze derde is verplicht de reeds ontvangen betalingen alsmede de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbren"},{"i":10885,"b":"Wet van 10 april 1997 tot uitbreiding van de Wet milieubeheer (milieuverslaglegging) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de wenselijkheid van een uniforme regeling van de milieuverslaglegging door bepaalde categorieën van bedrijven noodzakelijk is daarover bij wet regels te stellen en dat het wenselijk is daartoe de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) uit te breiden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet milieubeheer. ARTIKEL II Wijzigt de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de economische delicten. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. ARTIKEL V Een milieuverslag als bedoeld in [artikel 12.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=12.2) ten behoeve van het publiek en een milieuverslag als bedoeld in artikel 12.4, eerste lid, van die wet ten behoeve van een bestuursorgaan worden voor de eerste maal opgesteld over het verslagjaar 1998. Indien een bepaling, genoemd in de eerste volzin, later in werking treedt dan 1 juli 1997, wordt het betrokken milieuverslag voor de eerste maal opgesteld over het verslagjaar 1999. ARTIKEL VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":10886,"b":"Wet van 11 juli 2018, houdende bepalingen samenhangend met de vervolging en berechting in Nederland van strafbare feiten die verband houden met het neerhalen van Malaysia Airlines vlucht MH17 op 17 juli 2014 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is enige wettelijke voorzieningen te treffen in verband met de vervolging en berechting in Nederland van strafbare feiten die verband houden het neerhalen van vlucht MH17 van Malaysia Airlines op 17 juli 2014 en daarmee mede uitvoering te geven aan het op 7 juli 2017 te Tallinn tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake internationale juridische samenwerking met betrekking tot misdrijven die verband houden met het neerhalen van vlucht MH17 van Malaysia Airlines op 17 juli 2014; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **verdrag:** het op 7 juli 2017 te Tallinn tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake internationale juridische samenwerking met betrekking tot misdrijven die verband houden met het neerhalen van vlucht MH17 van Malaysia Airlines op 17 juli 2014 (Trb. 2017, 102); - b. **zaak:** strafbare feiten die verband houden met het neerhalen vlucht MH17 van Malaysia Airlines op 17 juli 2014. Artikel 2 In afwijking van [artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=2) is de rechtbank Den Haag bevoegd tot kennisneming van strafbare feiten die verband houden met het neerhalen van Malaysia Airlines vlucht MH17 op 17 juli 2014. Artikel 3 1. Onze Minister van Justitie en Veiligheid zendt een verzoek van de Oekraïense autoriteiten tot het instellen van een strafvervolging als bedoeld in artikel 6 van het verdr"},{"i":10887,"b":"Wet van 22 december 2011, houdende regels inzake de volkshuisvesting, de ruimtelijke ordening en het milieubeheer in de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het belang van de volkshuisvesting, de ruimtelijke ordening en de bescherming van het milieu in de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba regels te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Deze wet is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Artikel 1.2 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **activiteit:** beroepshalve of bedrijfsmatig verrichte activiteit, ongeacht het openbare of particuliere, winstgevende of niet-winstgevende karakter daarvan; - **afvalstoffen:** alle stoffen of voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen met het oog op de verwijdering of de nuttige toepassing daarvan; - **afvalwater:** alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; - **badinrichting:** een voor het publiek of voor personen, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën, toegankelijke plaats, welke is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen of baden, tezamen met de daarbij behorende terreinen, gebouwen, getimmerten en uitrustingen; - **bedrijfsterrein:** een perceel waarop bedrijfsactiviteiten worden verricht door een inrichting, niet behorend tot de landbouwsector; - **beheer van afvalstoffen:** inzameling, vervoer, nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen; - **beheer van afvalwater:** inzameling, transport, zuivering en verwi"},{"i":10888,"b":"Wijziging Bekendmaking 1995 op grond Bijdrageregeling milieuvriendelijke vervoertechnieken Gelet op [artikel 2 van de Bijdrageregeling milieuvriendelijke vervoertechnieken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005680&artikel=2); Maakt bekend: Artikel I Wijzigt de Bekendmaking ingevolge Bijdrageregeling milieuvriendelijke vervoertechnieken van 16 augustus 1995, zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 25 augustus 1995 (nr. 164). Artikel II 1. Deze bekendmaking werkt terug tot en met 25 augustus 1995. 2. In afwijking van artikel 7, eerste lid, onder b van de Bekendmaking van 16 augustus 1995 kan een aanvraag worden ingediend vier weken na de dagtekening van de Staatscourant waarin deze bekendmaking is geplaatst, indien de typegoedkeuring is verleend vóór 25 augustus 1995. Deze bekendmaking zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10889,"b":"Wijziging instelling, taak en samenstelling Commissie Centraal Overleg Verkeersveiligheid te Water Gezien de gemeenschappelijke beschikking van 22 mei 1979, nr. RRV 34129, houdende de instelling en samenstelling van de Commissie Centraal Overleg Verkeersveiligheid te Water, zoals nadien gewijzigd; Gezien de brief van de waarnemend voorzitter van voornoemde commissie van 26 juni 1990, kenmerk COVW 325; Besluiten Artikel 1 De instelling, taak en samenstelling van de Commissie Centraal Overleg Verkeersveiligheid te Water zoals vermeld in bovengenoemde beschikking, worden als volgt gewijzigd: - I. In te stellen het Centraal Overleg Verkeersveiligheid te Water (COVW) met als taak: - a. het bevorderen van de samenwerking en coördinatie in de taakuitvoering tussen diensten die betrokken zijn bij de verschillende aspecten van het toezicht op het scheepvaartverkeer en die belast zijn met de handhaving van de voorschriften betreffende de veiligheid en de goede orde van het verkeer op de vaarwegen; - b. het uitwisselen van gegevens van de onder a. bedoelde diensten enerzijds en het Openbaar Ministerie anderzijds om de beleidsuitgangspunten op elkaar af te stemmen; - c. het adviseren van de ondergetekenden omtrent maatregelen ter bevordering van de veiligheid en de goede orde van het verkeer op de vaarwegen, alsmede omtrent de inhoud en de toepassing van de hierop betrekking hebbende wetgeving; - d. het bevorderen van een efficiënte en effectieve informatievoorziening met betrekking tot het scheepvaartverkeer. - II. In het onder I bedoelde Overleg te benoemen: a. tot voorzitter: mr. R.H.J. de Vries, b. tot secretaris: ir. A. J. Veraart; tot adjunct-secretaris: (vacature); c. tot leden: namens het Openbaar Ministerie: mr. W.P.H. Hendriks; namens de Directie Politie van het MInisterie van Justitie: drs. A. Molenaar; namens de Rijkspolitie te Water: J. G. W. Bär; namens de Rijkswaterstaat: jhr. mr. H. R. van Doorn, ir. W.H. Barentsen; namens het Directoraat-Generaal voor het Vervo"},{"i":10890,"b":"Wijziging kostenverdeling en herverdeling van de beheerskosten als genoemd in artikel 6 lid 2 en 3 van de op 20 september 1972 gesloten overeenkomst tussen Waterschap Rivierenland en Deichverband \"Kleve-Landesgrenze\" inzake de waterafvoer uit het gemeenschappelijke Duits-Nederlandse stroomgebied naar het Hollands-Duits gemaal te Nijmegen Partijen Waterschap Rivierenland, gevestigd te Tiel, ten deze krachtens artikel 95 Waterschapswet vertegenwoordigd door zijn dijkgraaf ir. G. N. Kok, verder genoemd „het waterschap”, en het Deichverband Kleve-Landesgrenze, gevestigd te Kranenburg en ten deze vertegenwoordigd door de Verbandsdeichgraf J. Meisters, verder te noemen „het Deichverband”, Overwegende dat: Op 20 september 1972 een overeenkomst is gesloten tussen het Deichverband Kleve-Landesgrenze en het polderdistrict Maas en Waal, een rechtsvoorganger van Waterschap Rivierenland, over de waterafvoer uit het gemeenschappelijke stroomgebied naar het gemaal te Nijmegen; sedert 1 januari 1998 de Nederlandse polder Erlecom direct afwatert op het Nederlandse gedeelte van het gemeenschappelijk stroomgebied, hetgeen tot een wijziging in de verhouding tussen de oppervlakten en afvoer van respectievelijk het Duitse en het Nederlandse deel van het gemeenschappelijke stroomgebied heeft geleid; het Duitse deel 9.700 ha bedraagt en het Nederlandse deel door toevoeging van de polder Erlecom van 6.765 met 495 ha is toegenomen tot 7.260 ha. Het Nederlandse aandeel in de gemeenschappelijke afvoer is door toevoeging van dit afwateringsgebied met 7% toegenomen, hetgeen ingevolge [artikel 6 tweede lid van de overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003825&artikel=6) tot een wijziging van de in [artikel 4, eerste lid onder a van de overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003825&artikel=4) gegeven kostenverdeling moet leiden; zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Wijzigt de Overeenkomst tussen het Duitse Deichverband \"Kleve-Landesgrenze\" en het Nederlandse Po"},{"i":10891,"b":"Wijziging samenstelling Centraal Overleg Verkeersveiligheid te Water Handelende in overeenstemming met de Minister van Justitie; Gelet op het [besluit van 1/19 oktober 1990, nr. ZA 73223, houdende de instelling, taak en samenstelling van het Centraal Overleg Verkeersveiligheid te Water (COVW)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004869), zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 6 maart 2000, HKW/BDG 2000/3862; Gezien de brief van de secretaris van het COVW van 27 oktober 2003, kenmerk COVW/samenstel 2003, over de noodzaak de samenstelling van dat overleg aan te passen aan de huidige situatie; Besluit: De datum van inwerkingtreding is de datum van uitgifte. Artikel 1 Het gestelde onder II van [artikel 1 van het besluit van 1/19 oktober 1990, nr. ZA 73223](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004869&artikel=1), wordt aangepast aan de huidige situatie en komt te luiden als volgt: - a. tot voorzitter: mr. R.H.J. de Vries; - b. tot secretaris: ir. P.M. Stuurman; tot adjunct-secretaris: dhr. O.R.E.C. Arnold; - c. tot leden en plaatsvervangers, namens: het Openbaar Ministerie: **lid** mr. J. Spee, **plv.** mr. H.A. van Laar; het Ministerie van Justitie, Directoraat-Generaal Rechtshandhaving: **lid** drs. A. Moolenaar, **plv.** mr. M.P.P.M. Merx; het Ministerie van Verkeer en Waterstaat: het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: Directoraat-Generaal Openbare Orde: **lid** drs. M.A. Seijlhouwer, **plv.** vacature; de Raad van Hoofdcommissarissen: het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid: de Arbeidsinspectie: **lid** vacature, **plv.** vacature. - -. Directoraat-Generaal Goederenvervoer: **lid** mr. K. Polderman, **plv.** drs. H. Cramer; - -. Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat: **lid** ir. A.J. Veraart, **plv.** ir. C.W.A.O. van Raalten; - -. Inspectie Verkeer en Waterstaat: **lid** dhr. J. Sintnicolaas, **plv.** dhr. B.F.M. Joormann; - -. het Korps Landelijke Politiediensten: **lid** mevr. M.M. Smeijers, **plv.** dhr. G. Flobbe; -"},{"i":10892,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 februari 2007, nr. DGM/SB 2007017400, houdende wijziging van de Subsidieregeling milieugerichte technologie (wijziging Subsidieprogramma milieu & technologie) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling milieugerichte technologie. Artikel II [Paragraaf 2.2 van de Subsidieregeling milieugerichte technologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016362&paragraaf=2.2), zoals deze luidde voor het tijdstip waarop deze regeling in werking is getreden, blijft van toepassing op subsidies voor projecten als bedoeld in die paragraaf die voor dat tijdstip zijn aangevraagd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10895,"b":"Besluit van 25 maart 2013 tot wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met regels inzake bodemenergiesystemen en enkele technische verbeteringen Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, van 9 juli 2012, nr. IenM/BSK-2012/132287, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 2009/28/EG](32009L0028) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van [Richtlijn 2001/77/EG](32001L0077) en [Richtlijn 2003/30/EG](32003L0030) (PbEU 2009, L 140) en op de [artikelen 8.40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [8.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.41), [8.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42), [9.2.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), [9.2.2.6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.6a), [10.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.2), [10.30, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.30), en [11.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.2), op de [artikelen 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=6), [8, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=8), [18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=18), en [65, eerste lid, van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=65), op [artikel 2.1, eerste lid, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), en [2.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.17) en op de [artikelen 4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":10896,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 11 december 2018, nr. IENW/BSK-2018/197037, tot wijziging van de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 in verband met een nadere invulling van het normaal maatschappelijk risico en normaal ondernemersrisico en enige andere wijzigingen Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014. Artikel II De [Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010692), zoals deze luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op verzoeken die zijn ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10897,"b":"Besluit van 1 april 2008, nr. CenD/HDJZ/2008/435, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende wijziging van de Beleidsregels inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op installaties in de exclusieve economische zone Handelende in overeenstemming met de Ministers van Economische Zaken, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=2) en [3 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=3) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel I Wijzigt de Beleidsregels inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op installaties in de exclusieve economische zone. Artikel II [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023735&artikel=I&z=2008-04-09&g=2008-04-09) is tot en met 28 februari 2009 niet van toepassing op een aanvraag die gepaard gaat met de gegevens en bescheiden, bedoeld in [artikel 4, eerste en vierde lid, van de Beleidsregels inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op installaties in de exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017805&artikel=4), voor een activiteit ten aanzien waarvan vóór 1 april 2008 een schriftelijke mededeling als bedoeld in [artikel 7.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.12), is gedaan aan de Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2008. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10898,"b":"Besluit van 11 november 2025 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit en het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart in verband met de invoering van een verplichting voor het bestuursorgaan tot het verstrekken van een afschrift aan de minister bij afwijking van het circulair materialenplan, tot wijziging van het begrip landelijk afvalbeheerplan in circulair materialenplan en het nader invulling geven aan het begrip doelmatig beheer van afvalstoffen [KetenID WGK026744] Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 17 juli 2025, nr. IenW/BSK-2025/120721, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [5.18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.18), [5.34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.34), [5.38, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.38), [5.39, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.39), [5.40, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.40), en [16.139, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.139) en [artikel 39g, derde lid, van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=39g); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 september 2025, nr. W17.25.00205/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van, 3 november 2025 nr. IenW/BSK-2025/248134, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel II Wijzigt het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel III Wijzigt het Omgevingsbesluit. Artikel IV Wijzigt het Scheepsaf"},{"i":10899,"b":"Besluit van 14 september 2012 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (agrarische activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) Artikel I Wijzigt het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Artikel II Wijzigt het Besluit omgevingsrecht. Artikel III Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Artikel IV Wijzigt het Besluit lozen buiten inrichtingen. Artikel V Wijzigt het Waterbesluit. Artikel VI Wijzigt het Besluit milieueffectrapportage. Artikel VII Wijzigt het Besluit algemene regels milieu mijnbouw, het Besluit beheer autowrakken, het Besluit geluidhinder, het Besluit lozen buiten inrichtingen, het Besluit lozing afvalwater huishoudens, het Besluit omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012, het Invoeringsbesluit Waterwet, het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, het Besluit OM-afdoening en het Vuurwerkbesluit. Artikel VIII Wijzigt het Besluit beheer winningsafvalstoffen, het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen en het Stortbesluit bodembescherming. Artikel IX Wijzigt het Besluit landbouw milieubeheer. Artikel X 1. Een omgevingsvergunning op grond van [artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), die van kracht en onherroepelijk was onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032049&artikel=II&z=2014-01-01&g=2014-01-01), wordt, voor zover die omgevingsvergunning een activiteit betreft die in artikel II, onderdeel A, is aangewezen, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van die wet. 2. Onverminderd [artikel 6.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022762&artikel=6.4) blijft op een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van [arti"},{"i":10900,"b":"Besluit van 11 augustus 2012 tot herstel van gebreken van wetstechnische en inhoudelijk ondergeschikte aard in enkele besluiten op de beleidsterreinen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu Artikel I Wijzigt bet Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Artikel II Wijzigt het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Artikel III Wijzigt het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen. Artikel IV Wijzigt het Besluit milieueffectrapportage. Artikel V Wijzigt het Besluit omgevingsrecht. Artikel VI Wijzigt het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen. Artikel VII Wijzigt het Binnenvaartbesluit. Artikel VIII Wijzigt het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen. Artikel IX Wijzigt het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990. Artikel X Wijzigt het Binnenvaartpolitiereglement. Artikel XI Wijzigt het Waterbesluit. Artikel XII Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032011&artikel=IV&z=2012-10-23&g=2012-10-23) van dit besluit met betrekking tot activiteiten als bedoeld in [artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.2): - a. een kennisgeving van het voornemen tot het voorbereiden van een plan als bedoeld in [artikel 7.9, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.9) is gedaan; - b. een aanvraag als bedoeld in [artikel 7.28 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.28) voor een besluit bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport dient te worden gemaakt, is ingediend; - c. door het bevoegd gezag ingevolge [artikel 7.17, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.17), dan wel [artikel 7.19, vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.19) van een beslissing als bedoeld in artikel 7.17, eerste lid, onderscheidenlijk artike"},{"i":10901,"b":"Besluit van 22 december 2020 tot wijziging van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart, het Besluit luchtvaartuigen 2008 en het Besluit vluchtuitvoering in verband met de uitvoering van de bepalingen inzake onbemande luchtvaartuigen opgenomen in verordening (EU) nr. 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (PbEU 2018, L 212), van gedelegeerde verordening (EU) nr. 2019/945 van de Commissie van 12 maart 2019 inzake onbemande luchtvaartuigsystemen en uit derde landen afkomstige exploitanten van onbemande luchtvaartuigsystemen (PbEU 2019, L 152) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947 van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 2019, L 152) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 26 augustus 2020, nr. IenW/BSK-2020/151587, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op verordening (EU) nr. 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de [Richtlijnen 2014/30](32014L0030)/EU en [2014/53](32014L0053)/EU van het Europees Parlement en de Raad, en"},{"i":10902,"b":"Besluit van 20 september 2004 tot wijziging van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart en de Regeling Toezicht Luchtvaart in verband met de deregulering van ongemotoriseerd luchtverkeer Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 16 juli 2004, nr. HDJZ/LUV/2004-1744, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 1.2, tweede lid](onbekend), [2.2, derde lid](onbekend), [2.3, tweede en zesde lid](onbekend) en [2.4 van de Wet luchtvaart](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 2 september 2004, nr. W09.04.0376/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 16 september 2004, nr. HDJZ/LUV/2004-2229, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart. Artikel II Wijzigt de Regeling Toezicht Luchtvaart. Artikel III 1. Een RPL(FB) wordt aangemerkt als een CPL(FB). 2. Degene die voor 1 oktober 2004 een opleiding is aangevangen ter verkrijging van het RPL(FB), is bevoegd deze opleiding binnen de daarvoor geldende termijnen af te ronden met dien verstande dat deze opleiding uiterlijk 1 januari 2006 is afgerond. Aan degene die de opleiding met goed gevolg heeft afgerond en voldoet aan de overige in het [Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](onbekend) gestelde eisen, wordt een CPL(FB) afgegeven. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2004. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 september 2004, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2004. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10903,"b":"Besluit van 8 februari 2008 tot wijziging van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart in verband met de implementatie van Europese luchtvaartvoorschriften JAR-FCL 1 en JAR-FCL 2 van de Joint Aviation Authorities, Bijlage 1 bij het Verdrag inzake de internationale Burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109) en Verordening (EG) nr. 2042/2003 (PbEU L 315), met betrekking tot luchtvarenden en onderhoudstechnici Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 januari 2008 nr. HDJZ/LUV/2007-1635, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [verordening (EG) nr. 2042/2003](32003R2042) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PbEU L 315) en de [artikelen 1.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2), [2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.2), [2.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.3), [2.4, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.4), [2.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.7), en [2.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.9), en [3.30 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.30); De Raad van State gehoord (advies van 24 januari 2008, nr. W09.08.0008/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 februari 2008, nr. HDJZ/LUV/2008-116 Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart. Artikel II 1. Een PPL, CPL of ATPL waarop de bevoegdverklaring RT is afgegeven en dat is verkregen voor 5 maart 2008 wordt tot 5 maart 2011 aan"},{"i":10904,"b":"Besluit van 31 augustus 2005 tot wijziging van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart, onder meer ter uitvoering van Eurocontrol eisen voor personeel met veiligheidstaken binnen de luchtverkeersdienstverlening, de deregulering van ongemotoriseerd luchtverkeer en de erkenning van in het buitenland verrichte medische keuringen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 22 juni 2005, nr. HDJZ/LUV/2005-1425, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 1.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2), [2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.2), [2.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.3), [2.4, derde lid, onderdeel b, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.4); De Raad van State gehoord (advies van 21 juli 2005, nr. W09.05.0361/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 24 augustus 2005, nr. HDJZ/LUV/2005-1636, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart. Artikel II Een bewijs van bevoegdheid afgegeven vóór de inwerkingtreding van dit besluit blijft geldig tot de eerst verstrijkende geldigheidsdatum van de daarop weergegeven bevoegdverklaringen en wordt op die datum vervangen door een nieuw bewijs van bevoegdheid met bevoegdverklaringen. Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. In afwijking van het eerste lid: - a. treden [artikel 20, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=20), en [artikel 25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=25), in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. - b. treedt [artikel 24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&arti"},{"i":10905,"b":"Besluit van 31 oktober 2001, houdende wijziging van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, van 22 augustus 2001, nr. DGL/DLB/L 01.421042, Directoraat-Generaal Luchtvaart; Gelet op de [artikelen 1.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2), [2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.2), [2.3, tweede, vijfde en zesde lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.3)[2.4, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.4), [2.5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.5), [2.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.7), en [2.9, eerste en derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.9); De Raad van State gehoord (advies van 13 september 2001, nr. W09.01.0451/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, van 22 oktober 2001, nr. DGL/01.421065, Directoraat-Generaal Luchtvaart; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 oktober 2001. Datum inwerkingtreding ligt voor datum uitgifte. Artikel I Wijzigt het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart. Artikel II 1. De bewijzen van bevoegdheid om op te treden als bestuurder van een helikopter of als boordwerktuigkundige van een luchtvaartuig, die zijn afgegeven na 30 juni 2001, worden aangemerkt als te zijn afgegeven op grond van het [Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629). 2. De opleidingsinstellingen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde bewijzen van bevoegdheid, welke na 30 juni 2001 worden erkend als opleidingsinstelling, worden aangemerkt als te zijn erkend op grond van het [Besluit bewijzen van b"},{"i":10906,"b":"Besluit van 19 januari 1996, houdende het opnemen van voorschriften in enkele algemene maatregelen van bestuur gebaseerd op artikel 8.40 Wet milieubeheer met betrekking tot het brengen van bedrijfsafvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 mei 1995, nr. MJZ 19595008, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op artikel 11, eerste en tweede lid, van [richtlijn nr. 91/271/EEG](31991L0271) van 21 mei 1992 van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (**PbEG** L 135) alsmede op [artikel 8.40 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40); De Raad van State gehoord (advies van 10 oktober 1995, nr. W08.95 0267); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 17 januari 1996, nr. MJZ 9603543, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVI 1. Gedurende één jaar vanaf het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, zijn de voorschriften over bedrijfsaf"},{"i":10907,"b":"Besluit van 5 juli 1991, houdende wijziging van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties Wet inzake de luchtverontreiniging, het Inrichtingenbesluit artikel 19, eerste lid, Wet inzake de luchtverontreiniging en het Besluit zwavelgehalte brandstoffen Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 september 1990, nr. MJZ 06990011, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Overwegende dat het noodzakelijk is, mede ter uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap inzake beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (88/609/EEG, **PbEG** L 336), het Besluit emissie-eisen stookinstallaties [Wet inzake de luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002731) (**Stb.** 1987, 164) aan te passen en het Inrichtingenbesluit [artikel 19, eerste lid, Wet inzake de luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002731&artikel=19) (**Stb.** 1972, 294) en het [Besluit zwavelgehalte brandstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002939) (**Stb.** 1988, 415) te wijzigen; Gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002731&artikel=13) en [20**a** van de Wet inzake de luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002731&artikel=20a) (**Stb.** 1981, 411); Gehoord de Centrale raad voor de milieuhygiëne (advies van 12 oktober 1989, nr. L-89/1291); De Raad van State gehoord (advies van 19 februari 1991, nr. W08.90 0469); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 juni 1991, nr. MJZ 28691041, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wij"},{"i":10908,"b":"Besluit van 18 december 2024 tot wijziging van het Besluit energie vervoer in verband met het opheffen van de uitsluiting van de inboekbevoegdheid van geleverde biobrandstoffen en hernieuwbare brandstoffen aan luchtvaart en zeevaart en in verband met het wijzigen van de spaarpercentages van hernieuwbare brandstofeenheden vanwege de toekomstige overgang naar een aangepast systeem hernieuwbare energie vervoer, alsmede enkele technische wijzigingen op het gebied van het inboeken van geleverde hernieuwbare brandstoffen en elektriciteit Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 3 oktober 2024 en nummer IENW/BSK-2024/252888, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 9.7.1.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.1.2), [9.7.4.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.4.4), [9.7.5.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.5.6), en [9.8.4.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.8.4.6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 november 2024, No. W17.24.00278/IV; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 17 december 2024, IENW/BSK-2024/346549, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit energie vervoer. Artikel II [Artikel 29 van het Besluit energie vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040922&artikel=29), zoals dit luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op het aantal per soort te sparen hernieuwbare brandstofeenheden ten behoeve van het voldoen aan de jaarverplichting over het kalenderjaar 2025. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 2025, treedt he"},{"i":10911,"b":"Besluit van 20 oktober 2022 tot wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 (uitvoering verordeningen (EU) 2019/1381 en (EU) 2020/1043) Artikel I Wijzigt het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Artikel II Na het tijdstip waarop [artikel 3.1, derde lid, van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=3.1) is vervallen, blijft het van toepassing op klinische proeven als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van [verordening 2020/1043](32943R2020), die na dat tijdstip worden voortgezet en waarvoor in de periode vanaf 18 juli 2020 toelating is verleend op grond van de [Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408). Artikel III Wijzigt het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Artikel IV 1. Dit besluit, met uitzondering van [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047365&artikel=III&z=2024-05-18&g=2024-05-18), treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt voor [artikel I, onderdelen D en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047365&artikel=I&z=2024-05-18&g=2024-05-18), terug tot en met 18 juli 2020 en werkt voor artikel I, onderdelen E, F, H, I, J en K, terug tot en met 27 maart 2021. 2. [Artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047365&artikel=III&z=2024-05-18&g=2024-05-18) treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en werkt terug tot het bij dat besluit te bepalen tijdstip, zijnde het tijdstip waarop de Europese Commissie conform artikel 4, tweede lid, van [verordening 2020/1043](32943R2020), bericht dat de voorwaarden voor de toepassing van die verordening niet langer vervuld zijn. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 9 mei 2022, nr. IENW/BSK-2022/61000, Hoofddirectie Bestuu"},{"i":10912,"b":"Besluit van 26 april 2004 tot wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen houdende regels inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (uitvoering richtlijn nr. 2001/18) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 1 oktober 2003, nr. MJZ2003096308, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [richtlijn nr. 2001/18/EG](32001L0018) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van [richtlijn nr. 90/220/EEG](31990L0220) van de Raad (PbEG L 106) en de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=24), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=26) en [39, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=39); De Raad van State gehoord (advies van 23 december 2003, nr. WO.08.03.0419/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 20 april 2004, nr. MJZ 2004037316, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen. Artikel II Aanvragen om een vergunning die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit worden aangevuld binnen een door Onze Minister te bepalen redelijke termi"},{"i":10915,"b":"Besluit van 10 mei 2010 tot wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 en enkele andere algemene maatregelen van bestuur (technische aanpassing ten gevolge van modernisering regelgeving milieueffectrapportage) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 maart 2010, nr. BJZ2010006054, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op de [artikelen 7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.2), [7.35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.35), en [8.40 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), de [artikelen 40, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=40), en [49 van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=49), [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002505&artikel=5), en [10, vierde lid, van de Ontgrondingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002505&artikel=10), de [artikelen 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=2.4), [3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.7) en [10.8 van de Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=10.8) en [artikel 8.15 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.15); De Raad van State gehoord (advies van 31 maart 2010, no. W08.10.0081/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 mei 2010, nr. BJZ2010011773, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit milieu-effectrapportage 1994."},{"i":10916,"b":"Besluit van 12 juni 2009, houdende wijziging van diverse besluiten in verband met de implementatie van beschikking nr. 2003/33/EG tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen (PbEG L 11) (implementatie Beschikking aanvaarding afvalstoffen op stortplaatsen) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 februari 2009, nr. BJZ2009012137, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op beschikking nr. 2003/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van [Richtlijn 1999/31/EG](31999L0031) betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L 11) en de [artikelen 8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.5), [8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [8.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.41), [8.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42), [8.42a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42a), [8.45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.45), [10.41, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.41), [10.43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.43), en [11.2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.2); De Raad van State gehoord (advies van 24 april 2009, nr. W08.09.0059/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 juni 2009, nr. BJZ2009038751, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. Artikel II Wijzigt het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen. Artikel III Wijzigt het Inrichtingen- en"},{"i":10919,"b":"Besluit van 13 december 2024, houdende wijziging van het Besluit van 6 april 2011, houdende vaststelling van de bedragen waartoe de aansprakelijkheid van de vervoerder bij vervoer door de lucht is beperkt ter uitvoering van de artikelen 1359, 1399 en 1400 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 11 november 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5868725, gedaan mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 1359](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1359), [1399](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1399) en [1400 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1400); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 november 2024, No. W16.24.00316/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 9 december 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5974028, uitgebracht mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vaststelling bedragen ex artikelen 1359, 1399 en 1400 Boek 8 BW (beperking aansprakelijkheid vervoerder bij vervoer door de lucht). Artikel II Dit besluit is slechts van toepassing ten aanzien van aansprakelijkheid voortvloeiende uit schade die zich na de inwerkingtreding van dit besluit heeft voorgedaan. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 28 december 2024. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 28 december 2024, treedt het besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 28 december 2024. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10923,"b":"Besluit van 9 februari 2010 tot wijziging van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen in verband met de implementatie van het Ballastwaterverdrag en de herziene Bijlage VI van het MARPOL-verdrag Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 augustus 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/723, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Trb. 1975, 147) met het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag (Trb. 1978, 188), op het op 13 februari 2004 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen (Trb. 2005, 44) en de [artikelen 5, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=5), [6, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=6), [7, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=7), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=8), [8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=8a), [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=10), [11, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=11), [12e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=12e), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=21), [artikel 35, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=35), en [38 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=38); De Raad van State gehoord (advies van 15 oktober 2009, nr. W09.09.0334/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Rui"},{"i":10924,"b":"Besluit van 13 juni 1995, houdende wijziging van het Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer (bijdrageregeling sanering industrielawaai) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 juli 1994, nr. MJZ11794028, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 15.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.12), eerste lid, en [21.8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.8), de [artikelen 125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=125) en [174 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=174), alsmede [artikel 185 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=185); De Raad van State gehoord (advies van 10 januari 1995, nr. W08.94 0446); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 juni 1995, nr. MJZ06695034, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II In afwijking van [artikel 6**c**, derde lid, van het Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&artikel=6c) wordt de bijdrage voor het kalenderjaar 1995 betaald binnen vier weken na de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de negenentwintigste dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":10925,"b":"Besluit van 8 november 2022 tot wijziging van het Drinkwaterbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving en enkele andere algemene maatregelen van bestuur in verband met de omzetting van EU-Drinkwaterrichtlijn 2020/2184 (herschikking) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 23 juni 2022, nr. IENW/BSK-2022/153618, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [Richtlijn (EU) 2020/2184](32020L2184) van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) (PbEU L435/1); Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=1), [8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=8), [21, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=21), [22, eerste tot en met vierde lid en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=22), [25, tweede lid en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=25), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=28), [29, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=29), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=38), [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=51) en [54a, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=54a); Gelet op de [artikelen 2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [20.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.6), [20.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.8), [20.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.10), en [23.1 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=23.1), Gelet op de [artikelen 3.10,"},{"i":10926,"b":"Besluit van 17 juli 2014 tot wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies in verband met de samenvoeging van de voormalige Ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Economische Zaken Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 20 december 2013, nr. WJZ / 13201635; Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en [artikel 3.52a van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 februari 2014, nr. W15.13.0470/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 14 juli 2014, nr. WJZ / 14037388; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Kaderbesluit EZ-subsidies. Artikel II Wijzigt het Besluit RDA. Artikel III Het [Besluit RDA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030972) zoals dat onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit luidde, blijft van toepassing op voor de inwerkingtreding van dit besluit ingediende aanvragen voor een RDA-beschikking als bedoeld in [artikel 13 van het Besluit RDA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030972&artikel=13). Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel I, onderdeel A, onder 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035468&artikel=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01), dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2015. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10930,"b":"Besluit van 23 april 1996, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit voorzitters van waterschappen Op voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 december 1995, nr. R 201415, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 49 van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=49) (Stb. 1991, 444); De Raad van State gehoord (advies van 5 maart 1996, nr. W09.950707); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 april 1996, nr. RH215809, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 1996. Artikel I Wijzigt het Rechtspositiebesluit voorzitters waterschappen. Artikel II Op voorzitters van waterschappen die geen overheidswerknemer zijn in de zin van de [Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791) is het [Rechtspositiebesluit voorzitters waterschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005238) van toepassing behoudens het navolgende: - 1. Artikel 6, tweede lid, artikel 11, derde tot en met zesde lid, artikel 13, tweede lid, artikel 15 en artikel 16 zijn niet van toepassing. - 2. In artikel 20, vierde lid, wordt de zinsnede «een wachtgeld als bedoeld in artikel 26» vervangen door: een uitkering als bedoeld in artikel 26, zoals dit luidt op 31 december 1995. In artikel 20, vierde lid, wordt voorts de zinsnede «het wachtgeld» vervangen door: de uitkering. - 3. Artikel 26, zoals dit luidt op 31 december 1995, blijft van toepassing, met dien verstande dat in de daar bedoelde provinciale verordening kan worden bepaald dat bij ontslag wegens opheffing van het waterschap vóór 1 januari 1998 de uitkering het eerste jaar 100% in plaats van 80% van de laatstelijk genoten bezoldiging bedraagt. Artikel III. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1996. Indien het **Staatsblad** waarin dit"},{"i":10933,"b":"Besluit van 24 september 1998, houdende wijziging van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 juli 1998, nr. MJZ 9807355, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [artikel 15.13, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); De Raad van State gehoord (advies van 21 augustus 1998, nr. W08.98.0379); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 september 1998, nr. MJZ 98086925, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer. ARTIKEL II Op aanvragen om een bijdrage als bedoeld in [artikel 41 van het Bijdragenbesluit openbare lichamen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&artikel=41), waarop nog niet onherroepelijk is beschikt, blijven de [artikelen 40 tot en met 47 van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004739&artikel=40) van toepassing. ARTIKEL III Dit besluit treedt in werking met ingang van de negenentwintigste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10934,"b":"Besluit van 1 september 2020 tot wijziging van het Waterbesluit (actualisering van bijlagen III en IV) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 10 juli 2020, nr. IENW/BSK-2020/121394, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 3.1, eerste en tweede lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=3.1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 augustus 2020, nr. W17.20.0251/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 26 augustus 2020, nr. IenW/BSK-2020/162861, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Waterbesluit. Artikel II Indien een werk of handeling op het tijdstip, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, niet strijdig was met daarvoor bij of krachtens de [Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458) geldende regels of voorschriften en daarvoor als gevolg van een wijziging krachtens dit besluit een watervergunning als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=1.1) vereist zou worden, blijft die vergunningplicht buiten toepassing, totdat er een wijziging van dat werk of die handeling plaatsvindt waarvoor een watervergunning vereist is. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10935,"b":"Regeling van 24 november 2005, nr. HDJZ/SCH/2005-2175, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende wijziging van enkele regelingen in verband met het overdragen van publieke taken en bevoegdheden op het gebied van de verkeersveiligheid te water Gelet op [artikel 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003443&artikel=17), en [21 van de Binnenschepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003443&artikel=21), [artikel 11, tweede lid, van de Wet vervoer binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005319&artikel=11), [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010916&artikel=4) en [5 van het Besluit Reglement radarpatenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010916&artikel=5), [artikel 6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003526&artikel=6), [7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003526&artikel=7), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003526&artikel=11), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003526&artikel=20) en [28 van het Besluit vaarbewijzen binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003526&artikel=28) en [artikel 2, eerste lid, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling afgifte duplikaten en vervanging van vaarbewijzen. Artikel II Wijzigt de Regeling erkenning gelijkwaardige radardiploma’s Reglement radarpatenten. Artikel III Wijzigt de Regeling examen klein vaarbewijs. Artikel IV Wijzigt de Regeling geneeskundig onderzoek vaarbewijzen binnenvaart. Artikel V Wijzigt de Regeling uitwerking examenprocedure radarpatent. Artikel VI Wijzigt de Regeling vergunningverlening. Artikel VII Wijzigt de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen. Artikel VIII Wijzigt de Regeling vrijstellingen Binnenschepenwet. Artikel IX Voor de toepassing van [artikel 2, onderdeel d, van de Regeling erkenning gelijkwaardige radardiploma’s Reglement radarpatenten](https:"},{"i":10936,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 december 2020, nr. IENW/BSK-2020/224134, tot wijziging van de Drinkwaterregeling in verband met herziening van de beoordelingsrichtlijn BRL 6010 voor de certificatie van legionella-adviseurs Gelet op [artikel 1, eerste lid, van het Drinkwaterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=1); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Drinkwaterregeling. Artikel II Een vóór de inwerkingtreding van deze regeling onder BRL 6010, versie 1 juli 2011, verleend KOMO INSTAL® procescertificaat voor «legionellapreventie-advisering voor collectieve leidingwaterinstallaties» als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Drinkwaterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=1) blijft van toepassing tot uiterlijk 1 juli 2022. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10937,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 14 september 2017, nr. IENM/BSK-2017/134679, houdende wijziging van de Drinkwaterregeling ter implementatie van de Richtlijn (EU) 2015/1787 van de Commissie van 6 oktober 2015 tot wijziging van de bijlagen II en III bij Richtlijn 98/83/EG van de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEU 2015, L 260) Gelet op Richtlijn (EU) 2015/1787 van de Commissie van 6 oktober 2015 tot wijziging van de bijlagen II en III bij [Richtlijn 98/83/EG](31998L0083) van de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEU 2015, L 260) en [artikel 14 van het Drinkwaterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=14); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Drinkwaterregeling. Artikel II De minimumprestatiekenmerken ‘juistheid’, ‘precisie’ en ‘aantoonbaarheidsgrens’ van [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030152&bijlage=4), tabel I, en de daarbij horende noten 2, 3, en 4 blijven tot en met 31 december 2019 van toepassing op bijlage 4, tabel I, zoals die luidden op 26 oktober 2017. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 27 oktober 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10938,"b":"Regeling houdende wijziging van de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat in verband met de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3) en [4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat. Artikel II 1. De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. 2. Op een subsidie die is verleend voor 1 januari 2011 op basis van een subsidieprogramma dat voor de inwerkingtreding van deze regeling is vastgesteld en inwerking getreden, blijft de [Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026095) van toepassing zoals deze gold voor 1 januari 2011. 3. Op een subsidie die na 1 januari 2011 wordt verleend op basis van een voor of op 1 januari 2011 vastgesteld en inwerking getreden subsidieprogramma zijn [artikel I, onderdeel G, I en N](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028944&artikel=I&z=2011-01-01&g=2011-01-01), voorzover het [artikel 44, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026095&artikel=44) betreft, van toepassing. 4. Een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in het derde lid met een subsidiebedrag boven de € 25.000,– bevat tevens het maximale percentage van het totale voorschot. 5. Op een subsidie die is verleend voor 1 januari 2011 kan op verzoek van de subsidieontvanger [artikel I, onderdeel N](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028944&artikel=I&z=2011-01-01&g=2011-01-01), voorzover het [artikel 44, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026095&artikel=44) betreft, van toepassing worden verklaard door een wijziging van de beschikking tot subsidieverlening. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10939,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 oktober 2014, nr. 2014-0000305130, tot wijziging van de Kiesregeling in verband met de gecombineerde staten- en waterschapsverkiezingen Gelet op de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) en het [Kiesbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004632); Besluit: Artikel I Wijzigt de Kiesregeling. Artikel II Voor de herindelingsverkiezing van de leden van de gemeenteraden van de gemeenten die met ingang van 1 januari 2015 worden heringedeeld, gelden de modellen in de [bijlage van de Kiesregeling](onbekend) zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van deze regeling, met uitzondering van de modellen J 7 en L 11. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10942,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuishuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 september 2009, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, nr. BJZ2009051778, houdende wijziging van de Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen (borgsystematiek en vooraf goedgekeurde inrichtingen) Gelet op [Verordening (EG) nr. 1013/2006](32006R1013) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L 190) en [artikel 10.56, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.56); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen. Artikel II Op voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling ingediende verzoeken tot verlaging van een te stellen waarborgsom wordt beslist overeenkomstig de [Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022213), zoals deze luidde onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10945,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 5 juni 2020, nr. WJZ/ 19250484, tot wijziging van de Regeling handel in emissierechten in verband met de vierde handelsperiode ETS en toegangsrestricties voor rekeninghouders buiten Nederland Gelet op artikel 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1122 van de Commissie van 12 maart 2019 tot aanvulling van [Richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en de Raad betreffende de werking van het EU-register (Pb EU 2019, L 117) en; [artikel 16.29 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.29); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling handel in emissierechten. Artikel II Vervallen Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2020, met uitzondering van [Artikel I, onderdelen BB, EE en FF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043619&artikel=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), die in werking treden met ingang van 1 januari 2021. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10946,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 2 mei 2022, nr. IENW/BSK-2022/80275, tot wijziging van de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen in verband met een technische aanpassing voor melding handelsregisternummer; Gelet op [artikel 9.2.2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), en [artikel 3, zevende lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017294&artikel=3) melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen; BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen. Artikel II [Artikel 1, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017313&artikel=1), en de [bijlage](onbekend), onderdeel B, zoals die luidden voorafgaand aan inwerkingtreding van deze regeling, blijven tot 1 oktober 2022 van toepassing op de meldingen als bedoeld in [artikel 3, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017313&artikel=3). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 2022. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10947,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 7 december 2022, nr. 4354696, houdende wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden in verband met de wijziging van de regeling inzake de plaatsing in de extra beveiligde inrichting en de herbeoordeling hiervan en het uitsluiten van gedetineerden met een verhoogd vlucht- of maatschappelijk risico van regionale plaatsing Gelet op [artikel 13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=13), en [artikel 15, vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=15); Gezien het advies van de Raad voor de strafrechtstoepassing en jeugdbescherming van 4 november 2022, kenmerk 4229807; Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden. Artikel II 1. Binnen acht weken na het moment van inwerkingtreding van onderhavige regeling worden de besluiten tot plaatsing van gedetineerden in de extra beveiligde inrichting op grond van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011558&artikel=6) oud, zoals dit artikel luidde voor inwerkingtreding van onderhavige regeling herbeoordeeld. 2. De in het eerste lid genoemde besluiten blijven van kracht totdat de herbeoordeling heeft plaatsgevonden. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10948,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 maart 2005, nr. DGM/SB/BM 2005031074, Directoraat-Generaal Milieubeheer, Directie Strategie en Bestuur/Afdeling Bestuur en Maatschappij, houdende wijziging van de Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu (Criteria projectsubsidies en subsidieplafonds voor 2005) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu. Artikel II 1. De [Regeling Subsidieplafonds 2004 SMOM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016593) wordt ingetrokken. 2. De regeling, genoemd in het eerste lid, blijft van toepassing op subsidies die in het jaar 2004 zijn aangevraagd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10949,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 december 2007, nr. DGM/SB/2007118038, houdende wijziging van de Subsidieregeling milieugerichte technologie (wijziging Subsidieprogramma milieu & technologie) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling milieugerichte technologie. Artikel II [Paragraaf 2.2 van de Subsidieregeling milieugerichte technologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016362&paragraaf=2.2), zoals deze luidde voor het tijdstip waarop deze regeling in werking is getreden, blijft van toepassing op subsidies voor projecten als bedoeld in die paragraaf die voor dat tijdstip zijn aangevraagd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10951,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 november 2006, nr. LMV 2006 324469, houdende wijziging van de Subsidieregeling milieugerichte technologie (wijziging termijnen en subsidieplafond voor 2007) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling milieugerichte technologie. Artikel II De [Subsidieregeling milieugerichte technologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016362) zoals ze luidde voor het tijdstip waarop deze regeling in werking is getreden, blijft van toepassing op subsidies voor projecten die voor dat tijdstip op grond van die regeling zijn aangevraagd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Indien de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst na 30 december 2006 is, treedt deze regeling in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10952,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 juli 2004, nr. DGM/2004063127, houdende wijziging van de Subsidieregeling milieugerichte technologie (wijziging Subsidieprogramma milieu & technologie en Subsidieprogramma Piek) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling milieugerichte technologie. Artikel II [Paragraaf 2.2 van de Subsidieregeling milieugerichte technologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016362&paragraaf=2.2), zoals deze luidde voor het tijdstip waarop deze regeling in werking is getreden, blijft van toepassing op subsidies voor projecten als bedoeld in [die paragraaf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016362&paragraaf=2.2) die voor dat tijdstip zijn aangevraagd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10953,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 november 2023, nr. IENW/BSK-2023/342378, tot wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling drinkwater BES en rioolwaterzuiveringsinstallatie Bonaire 2018 tot en met 2024 (actualisatie, verlenging looptijd en verbetering flexibiliteit 2023) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, d en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4) en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), en [4 van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Tijdelijke subsidieregeling drinkwater BES en rioolwaterzuiveringsinstallatie Bonaire 2018 tot en met 2024. Artikel II De [Tijdelijke subsidieregeling drinkwater BES en rioolwaterzuiveringsinstallatie Bonaire 2018 tot en met 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040698), zoals deze luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op subsidie, verstrekt over de kalenderjaren 2018 tot en met 2021. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10954,"b":"Regeling tot wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling innovatieketen water Gelet op de [artikelen 2, aanhef, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3) en [4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Tijdelijke subsidieregeling innovatieketen water. Artikel II Op de subsidies waarvoor de aanvraag voor 1 december 2008 is gedaan blijft de [Tijdelijke subsidieregeling innovatieketen water](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024750) zoals die luidde op het tijdstip direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling van toepassing. Artikel III De regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10955,"b":"Wet van 29 april 1999 tot wijziging van bepalingen in de Wet milieubeheer met betrekking tot milieu-effectrapportage Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de regeling van de milieu-effectrapportage in de Wet milieubeheer op een aantal onderdelen te wijzigen in verband met [richtlijn nr. 97/11/EG](31997L0011) van de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 tot wijziging van [Richtlijn 85/337/EEG](31985L0337) betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEG L 73); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet milieubeheer. ARTIKEL II Indien voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, met betrekking tot een activiteit als bedoeld in [artikel 7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.2) of [7.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.4), - a. een aanvraag als bedoeld in [artikel 7.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.28) is ingediend of door het bevoegd gezag ingevolge artikel [7.8d, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.8d), van een beslissing mededeling is gedaan, of - b. mededeling is gedaan van een ontwerp onderscheidenlijk een voorontwerp van een besluit bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt en dit ontwerp onderscheidenlijk dit voorontwerp ter inzage is gelegd, blijft het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing. ARTIKEL III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":10956,"b":"Wet van 26 april 1995, houdende wijziging van de Grondwaterwet met betrekking tot voor het onttrekken van grondwater te stellen algemene regels en enige andere onderwerpen Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is het instrumentarium van de [Grondwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003406) te verbeteren en aan te vullen door het stellen van algemene regels voor kleine onttrekkingen, het verlenen van tijdelijke vergunningen en het stellen van vergunningvoorschriften met het oog op beëindiging of vermindering van onttrekkingen, mogelijk te maken. Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Bepalingen in provinciale verordeningen die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, in strijd zijn met [artikel 15, eerste lid, van de Grondwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003406&artikel=15), blijven gedurende twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet van kracht, tenzij zij eerder met die bepaling in overeenstemming zijn gebracht. 2. Bepalingen in provinciale verordeningen die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, in strijd zijn met [artikel 15, eerste lid, van de Grondwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003406&artikel=15), blijven buiten toepassing voor onttrekkingen als bedoeld in [artikel 15**a**, tweede lid, onder **a, c** en **d**, van de Grondwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003406&artikel=15a), die de in die onderdelen genoemde grenzen overschrijden en die na de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn aangevangen. 3. Indien als gevolg van het in overeenstemming brengen van bepalingen in provinciale verordeningen met [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003406&artikel=15), eerste lid, en [artikel 15**a**, tweede lid, van de Grondwaterwet](https://wetten.overheid"},{"i":10960,"b":"Wet van 7 juli 1994, houdende wijziging van de Luchtvaartwet (aanwijzing en gebruik van luchtvaartterreinen, strafbepalingen en dwangsomregeling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, in verband met nadere inzichten omtrent ontwaakreacties ten gevolge van nachtvluchten, de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) (**Stb.** 1958, 47) te wijzigen in die zin dat op basis daarvan de mogelijkheid bestaat verschillende soorten geluidszones vast te stellen, waaronder een nachtzone, alsmede dat het wenselijk is de strafmaat met betrekking tot bepaalde overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) te verhogen en de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) uit te breiden met nadere bepalingen betreffende de controle en handhaving van rond luchtvaartterreinen vastgestelde geluidszones en met een dwangsomregeling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet stelt Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met betrekking tot luchtvaartterreinen ten aanzien waarvan ingevolge artikel VII van de Wet van 7 juni 1978, houdende wijziging van de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) met betrekking tot de aanwijzing van luchtvaartterreinen (**Stb.** 1978, 354) de vaststelling van geluidszones voor 1 oktober 1979 moest zijn aangevangen, doch dit tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet achterwege is gebleven, per luchtvaartterrein of groep van luchtvaartterreinen een regeling vast, waarin wordt bepaald: - a. welke geluidszones op grond van de [Luchtvaartwet](https://wett"},{"i":10961,"b":"Wet van 18 april 2002 tot wijziging van de Luchtvaartwet inzake de beveiliging op de luchtvaartterreinen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van internationale verplichtingen, zoals neergelegd in Annex 17 bij het op 7 december 1944 te Chicago gesloten Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart noodzakelijk, maar ook overigens wenselijk is ter verhoging van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de beveiliging van de burgerluchtvaart de regels betreffende de beveiliging op luchtvaartterreinen te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Luchtvaartwet. Artikel II Wijzigt de Wet politieregisters. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Regels en andere besluiten, vastgesteld krachtens de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267), zoals deze luidde op de datum voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de verschillende onderdelen van deze wet, blijven van kracht, voor zover zij berusten op bepalingen welke door deze wet niet worden gewijzigd. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende [onderdelen van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013616&artikel=I&z=2003-04-01&g=2003-04-01) verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11029,"b":"Beleidsregel Educatieve master en verlenging studiefinanciering Gelet op [artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=11.5) (WSF 2000); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. WSF 2000: [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) - –. WHW: [Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) - –. Educatieve masteropleiding: een opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in vakken van voortgezet onderwijs als bedoeld in [art. 7.4a, derde lid, WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a). Artikel 2. Doelgroep Deze beleidsregel is van toepassing op de student, die een educatieve masteropleiding volgt en reeds in het bezit is van het afsluitend diploma van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in [artikel 7.4a WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a). Artikel 3. Het verzoek De student bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018675&artikel=2&z=2005-09-08&g=2005-09-08) kan op verzoek in aanmerking komen voor een verlenging van de prestatiebeurs van maximaal 12 maanden. Artikel 4. Reikwijdte Deze beleidsregel is niet van toepassing op studenten, die reeds een opleiding hebben gevolgd als bedoeld in [artikel 7.4a, derde lid, WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4a), als bedoeld in [artikel 7.4b, tweede lid, WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4b) voor zover opleidend tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken, dan wel als bedoeld in [16.10 WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=16.10) en daarvoor in aanmerking zijn gekomen voor studiefinanciering. Artikel 5. Bekendmaking Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waa"},{"i":10962,"b":"Wet van 6 juni 1991, tot wijziging van de Luchtvaartwet (Regels beveiliging luchtvaartterreinen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter beveiliging van de internationale burgerluchtvaart wenselijk is eisen te stellen met betrekking tot de op luchtvaartterreinen te treffen veiligheidsmaatregelen, alsmede een heffing in te stellen ter bekostiging van de beveiligingsmaatregelen die van overheidswege worden genomen; Zo is het, dat wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goed gevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Het tarief van de heffing, bedoeld in [artikel 37**j**, eerste lid, in Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005106&artikel=I&z=1991-10-01&g=1991-10-01), bedraagt voor het resterende deel van 1991 zes gulden vijftig per passagier. 2. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de vierde kalendermaand na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":10964,"b":"Wet van 4 juni 1992, tot wijziging van de Natuurbeschermingswet en de Pachtwet in verband met natuur- en landschapsbeheer in landbouwgebieden en reservaten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enerzijds een wettelijke grondslag te geven aan het verlenen van vergoedingen ter zake van het op vrijwillige basis richten of mede richten van de bedrijfsvoering van landbouwbedrijven, binnen daartoe aangewezen gebieden, op het beheer van natuur en landschap, en anderzijds om de mogelijkheden te vergroten om pachters te betrekken bij reservaatsbeheer en beheer van, uit een oogpunt van natuur- en landschapsbescherming, gevoelige gebieden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III De in deze wet opgenomen bepalingen tot wijziging van de [Pachtwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002269) zijn niet van toepassing op pachtovereenkomsten, aangegaan voor het in werking treden van deze wet en waarvan een schriftelijke pachtovereenkomst of een vonnis tot schriftelijke vastlegging aan de grondkamer ter goedkeuring ingezonden wordt binnen één jaar na het in werking treden van deze wet. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":10966,"b":"Wet van 13 oktober 1994, houdende uitbreiding en wijziging van wettelijke regelingen inzake externe advisering op het terrein van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (Versobering en harmonisatie externe adviesorganen VROM) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot versobering van de externe adviesstructuur op het terrein van de volkshuisvesting, de ruimtelijke ordening en het milieubeheer, alsmede de voor bestaande adviesorganen op die terreinen geldende wettelijke bepalingen te harmoniseren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIV 1. De Commissie drinkwatervoorziening, bedoeld in [artikel 2 van de Waterleidingwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002246&artikel=2), zet de lopende werkzaamheden van de Raad voor de Drinkwatervoorziening voort. 2. Personen die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de functie bekleden van voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, lid of plaatsvervangend lid van de Technische commissie bodembescherming of de Raad voor het milieubeheer, zetten de uitoefening van die functie voort voor d"},{"i":10967,"b":"Wet van 9 december 2022 tot wijziging van de Waterschapswet in verband met het schrappen van de geborgde zetels voor de categorie bedrijven, het schrappen van de eis dat ten minste één lid van het dagelijks bestuur houder is van een geborgde zetel en het introduceren van een vaste verdeling van de resterende geborgde zetels Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108) te wijzigen om de geborgde zetels voor de categorie bedrijven te schrappen, de eis dat ten minste één lid van het dagelijks bestuur houder is van een geborgde zetel te schrappen en een vaste verdeling van de resterende geborgde zetels te introduceren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108) Wijzigt de Waterschapswet. Artikel II Vervallen. Artikel IIA vervallen. Artikel IIB. Samenloop Wijzigt de Wet nieuwe procedure vaststelling verkiezingsuitslagen. Artikel IIBa. Overgangsrecht provinciale reglementen Indien de reglementen, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=13) niet voor 1 januari 2023 in overeenstemming met dat artikel zijn vastgesteld, bestaat het aantal vertegenwoordigers van de in [artikel 12, tweede lid, onderdeel a, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=12) bedoelde categorie bij ieder waterschap uit het totaal aantal vertegenwoordigers, van de in artikel 12, tweede lid, onderdelen a tot en met d, van de Waterschapswet bedoelde categorieën, zoals vastgesteld bij het desbetreffende reglement zoals dat luidde voor 1 januari 2023 verminderd met vier vertegenwoordigers. Dit aantal vertegenwoordig"},{"i":10968,"b":"Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing te versterken, meer ruimte te geven aan waterschappen om beter in te spelen op klimaatadaptatie, de energietransitie en de circulaire economie, en enkele knelpunten in de waterschapsheffingen op te lossen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Waterschapswet. Artikel II Wijzigt de Waterwet. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV Ten aanzien van belastingen die betrekking hebben op belastingtijdvakken die zijn aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, en op belastbare feiten die zich voor dat tijdstip hebben voorgedaan, blijven [hoofdstuk XVII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&hoofdstuk=XVII) en [XVIIb van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&hoofdstuk=XVIIb) en [artikel 7.5 van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.5) van toepassing zoals deze luidden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050855&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01) onderscheidenlijk [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050855&artikel=II&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze wet. Artikel V Ten aanzien van de behandeling van bezwaar of beroep dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is gemaakt onderscheide"},{"i":10969,"b":"Wet van 5 februari 2020 tot wijziging van de Waterwet ten behoeve van subsidiëring uit het deltafonds van maatregelen en voorzieningen tegen wateroverlast Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is ten laste van het deltafonds subsidies te kunnen verstrekken aan decentrale overheden ter bestrijding van wateroverlast en hiertoe de Waterwet te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Waterwet. Artikel Ia Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":10971,"b":"Wet van 27 mei 1992, houdende wijziging van het hoofdstuk Financiële bepalingen van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Verbeterblad) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels omtrent het verlenen van bijdragen in kosten op het gebied van het milieubeheer aan natuurlijke personen en rechtspersonen die in het hoofdstuk Financiële bepalingen van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (**Stb.** 1988, 133) voorkomen te verbeteren en uit te breiden, alsmede dat hoofdstuk op een aantal onderdelen te wijzigen en te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. Artikel 61**zd** van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne geldt gedurende twee jaren na de inwerkingtreding van deze wet niet voor het verlenen van een bijdrage krachtens ministeriële regelingen welke vóór die inwerkingtreding in de **Staatscourant** zijn bekendgemaakt. 2. Artikel 61**zd** van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne geldt niet voor het verlenen van een bijdrage ter uitvoering van verplichtingen die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn aangegaan. 3. Indien binnen de periode, bedoeld in het eerste lid, het in [artikel II, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005531&artikel=II&z=1992-07-01&g=1992-07-01), bedoelde voorstel van wet tot wet wordt verheven en in werking treedt, is voor het resterende gedeelte van die periode het eerste lid van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het gelden van [artikel 15.27 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.27). 4. Indien het in [artikel II, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005531&artikel=II&z=1992-07-01&g=1992-07-01), bedoeld"},{"i":10974,"b":"Wet van 15 september 2005 tot wijziging van de Wet bodembescherming (overgang taken Service Centrum Grond) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de verplichting om advies te vragen over de reinigbaarheid van verontreinigde grond vervalt, dat de overige taken van het Service Centrum Grond worden opgedragen aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en dat het noodzakelijk is daarvoor enige bepalingen in de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bodembescherming. Artikel II Op het tijdstip waarop deze wet in werking is getreden, draagt het Service Centrum Grond alle archiefbescheiden, met betrekking tot de taken die het Service Centrum Grond bij de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) waren opgedragen tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, over aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":10975,"b":"Wet van 10 mei 1994, tot uitbreiding van de Wet bodembescherming met een regeling inzake sanering van de bodem Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is de tijdelijke regeling voor het onderzoeken en saneren van gevallen van bodemverontreiniging zoals die in de Interimwet bodemsanering is opgenomen, te vervangen door een naar aanleiding van de ervaringen die met die tijdelijke regeling zijn opgedaan, gewijzigde regeling voor bodemsanering in de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V 1. Voor zover voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, bij de voorbereiding of de uitvoering van een saneringsprogramma als bedoeld in de Interimwet bodemsanering verplichtingen zijn aangegaan met betrekking tot gevallen waarvoor een bijdrage is verleend blijkens de mededeling, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van die wet, blijft voor die gevallen die wet van toepassing. 2. Een saneringsprogramma dat overeenkomstig artikel 6, tweede lid, van de Interimwet bodemsanering in het kalenderjaar voorafgaande aan dat waarin deze wet in werking treedt, aan Onze Minister is voorgelegd, geldt als een provinciaal milieuprogramma als bedoeld in [artikel 1 van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=1) vastgesteld bodemsaneringsprogramma. 3. Een mededeling van Onze Minister krachtens artikel 7, tweede lid, van de Interimwet bodemsanering naar aanleiding van een saneringsprogramma als bedoeld in het tweede lid, die"},{"i":10978,"b":"Wet van 22 november 2006 tot wijziging van de Wet luchtvaart in verband met de invoering van de mogelijkheid om ten aanzien van de luchthaven Schiphol experimenten te houden (Experimenten Schiphol) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) te wijzigen in verband met het invoeren van de mogelijkheid om ten aanzien van de luchthaven Schiphol, zonodig in afwijking van wettelijke bepalingen en alvorens te besluiten tot definitieve aanpassing van betrokken wet- en regelgeving, experimenten te houden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet Luchtvaart. Artikel IA Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na 10 jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":10982,"b":"Wet van 18 december 2008, houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de basis te leggen voor een nieuw normenstelsel voor burgerluchthavens met uitzondering van de luchthaven Schiphol, waarbij de bevoegdheid ten aanzien van de bepaling van de milieuruimte van burgerluchthavens en de ruimtelijke indeling van het gebied in de nabijheid van die luchthavens in principe wordt gedecentraliseerd naar het provinciaal bestuur, waarbij wordt uitgegaan van een scheiding van rollen en verantwoordelijkheden tussen overheid, exploitanten en gebruikers van luchthavens en waarbij door vereenvoudiging en stroomlijning van besluitvormingsprocedures voor luchthavens de lastendruk wordt verminderd; alsmede dat het wenselijk is het stelsel van regelgeving voor de militaire luchthavens aan te passen, waarbij het instrumentarium voor het gebruik van militaire luchthavens door burgerluchtvaart wordt verbeterd, de mogelijkheid wordt gecreëerd om milieurandvoorwaarden te kunnen stellen voor het gebruik van militaire helikopterlandingsplaatsen, en waarbij eveneens door vereenvoudiging en stroomlijning van besluitvormingsprocedures voor deze luchthavens de lastendruk wordt verminderd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. (Wijziging [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555)) Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel Ia. (Wijziging [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555)) Wijzigt de Wet luchtvaart. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel Ib. (Wijzigi"},{"i":10984,"b":"Wet van 26 maart 1997 tot wijziging van de Wet Luchtverkeer (bewijzen van bevoegdheid, bestrijding drank- en drugsgebruik) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het mede met het oog op de ontwikkelingen in het kader van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot het stellen van eisen aan bewijzen van bevoegdheid tot het bedienen van luchtvaartuigen wenselijk is de regels met betrekking tot die bewijzen van bevoegdheid te herzien; dat het voorts wenselijk is nadere regels te stellen ter verbetering van de bestrijding van het bedienen van luchtvaartuigen onder invloed van alcohol of andere verdovende middelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 januari 1998. Artikel I Wijzigt de Wet Luchtverkeer. Artikel II Wijzigt de Luchtvaartwet. Artikel III Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Artikel IV Wijzigt de Invoeringswet Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V 1. De door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat krachtens de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) aan leden van het boordpersoneel afgegeven bewijzen van bevoegdheid, de daarop aangetekende bevoegdverklaringen alsmede de door hem aan leden van het boordpersoneel afgegeven bewijzen van gelijkstelling, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldig zijn, worden aangemerkt als bewijzen van bevoegdheid, bevoegdverklaringen respectievelijk bewijzen van gelijkstelling op grond van de [Wet Luchtverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555). 2. Krachtens de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) aan leden van het boordpersoneel afgegeven medische verklaringen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldig zijn, worden aangemerkt al"},{"i":10985,"b":"Wet van 8 juli 1999, houdende wijziging Wet Luchtverkeer (implementatie LVB-evaluatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van de Nota inzake het algemene beleidskader voor luchtverkeersbeveiliging (kamerstukken II 1997/98, 25 856, nr. 2) noodzakelijk is de bevoegdheden van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat ten aanzien van de Luchtverkeersbeveiligingsorganisatie aan te scherpen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel II, onder A, werkt terug tot en met 1 januari 1999. ARTIKEL I Vervallen. Artikel II Wijzigt de Wet Luchtvaart. Artikel III Wijzigt de Wet Luchtverkeer. Artikel IV Wijzigt de Wet Luchtverkeer. Artikel V Wijzigt de Wet Luchtverkeer. Artikel VI In de [Wet Luchtverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) (Stb. 1992, 368) en de daarop gebaseerde besluiten en regelingen wordt het woord LVB-organisatie telkens vervangen door LVNL. Artikel VII Indien de [wijziging van de Wet Luchtverkeer (Stb. 1997, 255)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008613) in werking treedt, wordt in de wet en de daarop gebaseerde besluiten en regelingen het woord LVB-organisatie telkens vervangen door LVNL. Artikel VIII 1. Indien in de [Wet Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) geregelde onderwerpen in het belang van een goede invoering van die wet nadere regeling behoeven, dan wel indien de afstemming van de [Wet Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) nadere regeling behoeft, kan deze geschieden bij ministeriële regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk van Onze minister van Defensie. 2. Bij de in het eerste lid bedoelde regeling kan, indien dit voor de goede invoering of voor de afstemming noodzakelijk is, tijdelijk worden afgeweken van de [Wet Luchtvaart](https:/"},{"i":10988,"b":"Wet van 2 november 1994, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (afvalwater) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ter implementatie van enkele bepalingen van [richtlijn nr. 91/271/EEG](31991L0271) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (**PbEG** L 135) regels te stellen over het brengen van afvalwater in de riolering en daartoe de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) alsmede de [Wet verontreiniging oppervlaktewateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer stelt voor de eerste keer uiterlijk op 30 juni 1995 een rapport vast over de situatie met betrekking tot de inzameling en het transport van afvalwater en de afvoer van slib, als bedoeld in [artikel 10.16**c** van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.16c). Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV 1. Indien voor het tijdstip waarop [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007000&artikel=III&z=1996-03-01&g=1996-03-01) van deze wet in werking treedt, dan wel na dat tijdstip met toepassing van het tweede lid van dit artikel, met betrekking tot een inrichting als aangewezen krachtens [artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), een vergunning of ontheffing geldt krachtens een gemeentelijke verordening die regels stelt voor het brengen van afvalwater in de gemeentelijke riolering, dan wel bij of krachtens een zodanige vero"},{"i":10992,"b":"Wet van 2 oktober 2019 tot wijziging van de Wet milieubeheer ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/410 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2018 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG ter bevordering van kosteneffectieve emissiereducties en koolstofarme investeringen en van Besluit (EU) 2015/1814 (PbEU L 76) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Wet milieubeheer te wijzigen in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/410 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2018 tot wijziging van [Richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) ter bevordering van kosteneffectieve emissiereducties en koolstofarme investeringen en van Besluit (EU) 2015/1814 (PbEU L 76); Zo is het, dat Wij, de Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Het recht zoals dat luidde op de dag vóór de datum van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen A, B, C, D, E, F, G, H, I, J, K, L, M, N, O, P, Q, R, S, T, U, V, W, X, Y, Z, AA, BB, CC, DD, EE, FF, GG, HH, II, JJ, KK, LL, MM, NN en OO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042642&artikel=I&z=2019-11-14&g=2019-11-14), blijft van toepassing op emissies van broeikasgassen in de periode tot 1 januari 2021 en op broeikasgasemissierechten als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1) die zijn toegewezen en verleend of geveild voor de periode tot 1 januari 2021. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen"},{"i":10995,"b":"Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is bij wet regels te stellen ten aanzien van de luchtkwaliteit ter uitvoering van [richtlijn nr. 96/62/EG](31996L0062) van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296), [richtlijn nr. 1999/30/EG](31999L0030) van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163), [richtlijn nr. 2000/69/EG](32000L0069) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 november 2000 betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in de lucht (PbEG L 313), [richtlijn nr. 2002/3/EG](32002L0003) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 februari 2002 betreffende ozon in de lucht (PbEG L 67), [richtlijn nr. 2004/107/EG](32004L0107) van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht (PbEG L 23) en [richtlijn nr. 2003/35/EG](32003L0035) van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de [richtlijnen 85/337/EEG](31985L0337) en [96/61/EG](31996L0061) van de Raad (PbEU L 156); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wet inzake de luchtverontreiniging. Artikel III 1. Een plan, vastgesteld op grond van [artikel 9 van het Besluit luchtkw"},{"i":10996,"b":"Wet van 17 december 2009 tot wijziging van de Wet milieubeheer en enkele daarmee verband houdende wetten (modernisering van de regelgeving over de milieueffectrapportage) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen inzake [hoofdstuk 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=7) en de [paragrafen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&paragraaf=2.2) (en [14.2) van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&paragraaf=14.2) te vereenvoudigen en de samenhang te verzekeren tussen de milieueffectrapportage voor plannen en die voor besluiten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening. Artikel III Wijzigt de Wet bescherming Antarctica. Artikel IV Wijzigt de Tracéwet. Artikel IVA Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998. Artikel IVB Wijzigt de Wet ammoniak en veehouderij. Artikel IVC Wijzigt de Spoedwet wegverbreding. Artikel V 1. Indien een verzoek om ontheffing op grond van [artikel 7.5, tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.5), zoals dat luidde voor het tijdstip waarop [artikel I, onderdeel KK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027110&artikel=I&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van deze wet met betrekking tot een zodanige beschikking in werking treedt, is ingediend voor dat tijdstip, blijft artikel 7.5 en de daarop gebaseerde regelgeving zoals die toen luidden, na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel KK, ten aanzien van zodanige beschikkingen van toepassing tot het tijdstip waarop die beschikking onherroepelijk is geworden. 2. Een ontheffing, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel KK](https://wetten.overheid"},{"i":10997,"b":"Wet van 22 november 2006, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en enige andere daarmee verband houdende wetten (modernisering van de algemene milieuregels voor inrichtingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige bepalingen van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) en enige andere daarmee verband houdende wetten te wijzigen teneinde mogelijke belemmeringen voor het stroomlijnen en wijzigen van de huidige algemene milieuregels en het vergroten van het toepassingsbereik van die regels weg te nemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Kernenergiewet. Artikel III Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel IV Wijzigt de Wet ammoniak en veehouderij. Artikel V Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI Vervallen Artikel VII Wijzigt de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Artikel VIII Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de volgende algemene maatregelen van bestuur en regelingen, voor zover zij vóór de inwerkingtreding van deze wet berustten op [artikel 8.44 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.44), op de [artikelen 8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [8.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.41), [8.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42), en [8.42a van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42a): - –. [Besluit beheer autowrakken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013707) - –. [Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016990) - –. [Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":10998,"b":"Wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de Wet milieubeheer (structuur beheer afvalstoffen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de huidige regelingen inzake het voorkomen en beperken van het ontstaan van afvalstoffen en het verwijderen van afvalstoffen, zoals die zijn opgenomen in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel III Wijzigt de Wet op economische delicten. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI Wijzigt deze wet. Artikel VII Wijzigt de Wet milieugevaarlijke stoffen. Artikel VIII Wijzigt de Goedkeurings- en uitvoeringswet Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart. Artikel IX Wijzigt de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Artikel X Wijzigt de Wet verontreiniging zeewater. Artikel XI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XII Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel XIV 1. Na de inwerkingtreding van deze wet berusten algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen, vastgesteld krachtens de [artikelen 1.1, vijfde, tiende, elfde, twaalfde en dertiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), [8.35, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.35), [10.4, eerste, derde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.4), [10.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.5), [10.6, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.6), [10.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&art"},{"i":11000,"b":"Wet van 12 mei 2011 tot wijziging van de Wet milieubeheer en diverse aanverwante wetten (Verdere invulling van hoofdstuk 9) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen inzake handelingen met producten in de [Wet inzake de luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002731) en in de [Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227) alsmede de bepalingen inzake handelingen met stoffen, preparaten en producten in [titel 10.3 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&titeldeel=10.3) te vereenvoudigen, te harmoniseren en zoveel mogelijk samengevoegd op te nemen in [hoofdstuk 9 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=9); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wet geluidhinder. Artikel III Wijzigt de Wet inzake de luchtverontreiniging. Artikel IV Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel V 1. Na de inwerkingtreding van [artikel I, onder D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030069&artikel=I&z=2012-01-01&g=2012-01-01), berusten de algemene maatregelen van bestuur voor zover deze berustten op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=2), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=10) of [170 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=170) dan wel de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002731&artikel=13) of [86 van de Wet inzake de luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002731&artikel=86), onderscheidenlijk de [artike"},{"i":11001,"b":"Wet van 16 juli 2001 tot wijziging van enkele artikelen van de Wet milieubeheer (hoofdstuk 12) in verband met de herziening van de EMAS-verordening Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het noodzakelijk is de afstemming tussen hoofdstuk 12 van de Wet milieubeheer en de EMAS-verordening aan te passen in verband met [Verordening nr. 761/2001](32001R0761) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieu-auditsysteem (EMAS) (PbEG L 114); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 22 maart 2001. Dit is de datum van inwerkingtreding van de EG-verordening milieubeheer- en milieuauditsysteem. Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Met betrekking tot een als locatie geregistreerde inrichting als bedoeld in[artikel 12.3 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=12.3), zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals het toen gold van toepassing voor de periode gedurende welke de betrokken locatie ingevolge artikel 17, vierde lid, van [verordening nr. 761/2001](32001R0761) van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieu-auditsysteem (PbEG L 114) opgenomen blijft in het in dat artikellid bedoelde EMAS-register. Artikel III Deze wet treedt op hetzelfde tijdstip in werking als de in [artikel I, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012699&artikel=I&z=2001-08-24&g=2001-08-24), bedoelde verordening. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na het in de eerste volzin b"},{"i":11002,"b":"Wet van 30 juni 2021 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en ter uitvoering van het Klimaatakkoord Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om de Wet milieubeheer te wijzigen in verband met de implementatie van [Richtlijn (EU) 2018/2001](32018L2001) van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328) en ter uitvoering van het Klimaatakkoord; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel Ia Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet, de krachtens deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur en ministeriële regeling in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11003,"b":"Wet van 21 april 1993, tot wijziging van de Wet milieubeheer (instelling Raad voor het milieubeheer) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van een adequate advisering ten aanzien van de hoofdlijnen van het te voeren milieubeleid wenselijk is de taak, samenstelling en omvang van de Centrale raad milieubeheer te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. In afwijking van [artikel 2.6, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=2.6) wordt voor de eerste maal, nadat deze wet in werking is getreden, de in dat artikel bedoelde voordracht tot benoeming van de voorzitter gedaan zonder dat de raad is gehoord. 2. In afwijking van [artikel 2.6, derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=2.6) worden voor de eerste maal, nadat deze wet in werking is getreden: - a. ten hoogste zeven leden voor een periode van drie jaren, en - b. ten hoogste zeven leden voor een periode van vier jaren benoemd. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Deze wet treedt in werking met ingang van 1 mei 1993. Indien het **Staatsblad** waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 april 1993, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad"},{"i":11005,"b":"Wet van 4 februari 1994, tot wijziging van de regeling van de milieu-effectrapportage in de Wet milieubeheer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de regeling van de milieu-effectrapportage in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) op een aantal onderdelen te wijzigen in verband met de [Richtlijn nr. 85/337/EEG](31985L0337) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (**PbEG.** L 175/40), alsmede naar aanleiding van het Verslag over de werking van de regeling milieu-effectrapportage; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Paragraaf 7.3 van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) vindt geen toepassing indien op het tijdstip waarop de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.4 in werking treedt, met betrekking tot een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.4, - a. van het ontwerp van het bij de activiteit aangewezen besluit reeds mededeling is gedaan en dat ontwerp ter inzage is gelegd; - b. indien krachtens wettelijk voorschrift van het voorontwerp van het besluit mededeling wordt gedaan, van het voorontwerp reeds mededeling is gedaan en dat voorontwerp ter inzage is gelegd, - c. de bij de activiteit aangewezen vergunningaanvraag reeds is ingediend en in behandeling is genomen. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11006,"b":"Wet van 15 maart 2012 tot wijziging van de Wet milieubeheer (reparatie milieueffectrapportage) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele technische wijzigingen aan te brengen in de regels over de milieueffectrapportage van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Ten aanzien van een plan als bedoeld in [artikel 7.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.2) blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing, indien de kennisgeving als bedoeld in [artikel 7.9 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.9) voor dat tijdstip heeft plaatsgevonden. Artikel III Ten aanzien van een besluit als bedoeld in [artikel 7.2, derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.2) blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing, indien de kennisgeving als bedoeld in [artikel 7.27 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.27) voor dat tijdstip heeft plaatsgevonden. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11007,"b":"Wet van 5 juli 2006 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PbEG L 197) (milieu-effectrapportage plannen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is wettelijke voorzieningen te treffen ter uitvoering van [richtlijn nr. 2001/42/EG](32001L0042) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PbEG L 197); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt deze wet. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Vervallen Artikel V Wijzigt de Wet op de archeologische monumentenzorg. Artikel VI Wijzigt de Wet op de archeologische monumentenzorg. Artikel VII Wijzigt deze wet. Artikel VIII 1. Op een plan als bedoeld in [artikel 7.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.2), of [7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.2a) ten aanzien waarvan voor 21 juli 2004 overeenkomstig de procedure van totstandkoming van dat plan de eerste formele voorbereidende handeling is afgerond, blijft [hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=7) zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing, mits dat plan uiterlijk op 21 juli 2006 zal worden vastgesteld. 2. Indien in een geval als bedoeld in het eerste lid, blijkt dat het plan niet uiterlijk op 21 juli 2006 zal worden vastgesteld, geeft het bestuursorgaan dat het plan opstelt met betrekking tot dat plan"},{"i":11008,"b":"Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet op de waterkering en intrekking van de Deltawet grote rivieren, de Deltawet, de Deltaschadewet, de Wet schade oesterkwekers, de Vergunningwet Westerschelde, de Zuiderzeewet en de Zuiderzeesteunwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de waterkering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007801) te wijzigen in verband met de ervaringen die zijn opgedaan bij de toepassing ervan, en om op een aantal punten in de wet aanvullende voorzieningen te treffen, alsmede een aantal wetten in te trekken die nagenoeg zijn uitgewerkt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de waterkering. Artikel II Toezending van een verslag als bedoeld in [artikel 3, vijfde lid, van de Wet op de waterkering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007801&artikel=3), zoals dit artikellid luidt na inwerkingtreding van deze wet, geschiedt voor het eerst binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Wijzigt de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen. Artikel IV De [Deltawet grote rivieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007338) wordt ingetrokken. Artikel V De [Deltawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002283) wordt ingetrokken. Artikel VI De [Deltaschadewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002748) wordt ingetrokken. Artikel VII De [Wet schade oesterkwekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002538) wordt ingetrokken. Artikel VIII De [Vergunningwet Westerschelde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008748) wordt ingetrokken. Artikel IX De Zuiderzeewet wordt ingetrokken. Artikel X De [Zuiderzeesteunwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001925) wordt ingetrokken. Artikel XI [Artikel 12, eerste lid, van de Wet op de water"},{"i":11009,"b":"Wet van 18 december 1991, tot wijziging van de Wet tijdelijke fiscale maatregelen betreffende auto en milieu na 1988 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ten behoeve van de beperking van de luchtverontreiniging door het wegverkeer de tijdelijke fiscale maatregelen betreffende auto en milieu aan te passen aan verscherpte normen met betrekking tot de uitworp van luchtverontreinigende stoffen van personenauto's, alsmede de bedragen aan te passen waarmee de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's voor schone personenauto's wordt verminderd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Met betrekking tot na 31 maart 1986 doch vóór 1 januari 1992 in gebruik genomen personenauto's blijft artikel 2, eerste tot en met negende lid van de Wet tijdelijke fiscale maatregelen betreffende auto en milieu na 1988 van toepassing zoals dit luidt op 31 december 1991. Artikel IV Deze wet treedt in werking op 1 januari 1992. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11011,"b":"Wet van 6 juli 2004 tot wijziging van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen en de Wet op de economische delicten in verband met richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642) en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) te wijzigen in verband met [richtlijn nr. 2000/59/EG](32000L0059) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet voorkoming verontreiniging door schepen. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Na de inwerkingtreding van deze wet berust het [Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen in bulk vervoerde schadelijke vloeistoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004306) mede op de [artikelen 1, onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=1), en [12c van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=12c). Artikel IV Na de inwerkingtreding van deze wet berusten het [Besluit voorkoming olieverontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003936), het [Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen vervoerde schadelijke stoffen in verpakte vorm](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009371), het [Besluit voorkoming verontreiniging door sanitair afval van schepen](https://wette"},{"i":11012,"b":"Wet van 5 juni 2019 tot wijziging van de Wet wapens en munitie in verband met de Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PbEU 2017, L 137/22) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de implementatie van de Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2017 tot wijziging van [Richtlijn 91/477/EEG](31991L0477) van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PbEU 2017, L 137/22) het noodzakelijk maakt de [Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804) en de [Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet wapens en munitie. Artikel II Wijzigt de Wet natuurbescherming. Artikel III Onze Minister van Justitie en Veiligheid zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de effecten van [artikel 44 van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=44) in de praktijk. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11013,"b":"Wijzigingswet Wet wapens en munitie, Flora- en faunawet en Wet natuurbescherming (versterking beheersing legaal wapenbezit) Artikel I Wijzigt de Wet wapens en munitie. Artikel II Wijzigt de Flora- en faunawet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Wijzigt de Wet natuurbescherming. Artikel IV Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI 1. [Artikel 6a, tweede lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=6a) is slechts van toepassing op degene aan wie sinds de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel B, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039633&artikel=I&z=2019-10-01&g=2019-10-01), met toepassing van artikel 6a, eerste lid, van de Wet wapens en munitie een in dat artikellid genoemde ontheffing, erkenning of verlof is verleend. 2. Artikel 38a, tweede lid, van de Flora- en faunawet is slechts van toepassing op degene aan wie sinds de inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel A, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039633&artikel=II&z=2019-10-01&g=2019-10-01), met toepassing van artikel 38a, eerste lid, van de Flora- en faunawet een jachtakte als bedoeld in [artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640&artikel=38) is verleend. 3. [Artikel 3.28a, tweede lid, van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.28a) is slechts van toepassing op degene aan wie sinds de inwerkingtreding van [artikel III, onderdeel A, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039633&artikel=III&z=2019-10-01&g=2019-10-01), met toepassing van artikel 3.28a, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een jachtakte als bedoeld in [artikel 3.26, eerste lid, onderdeel a, van de Wet natuur"},{"i":11015,"b":"Aangepast vervoer gehandicapte leerlingen basisonderwijs (ba), speciaal basisonderwijs (so) en voortgezet onderwijs (vo) Vervoer gehandicapte leerlingen Met ingang van het schooljaar 2002-2003, kunnen ouders voor het vervoer van gehandicapte leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs geen aanspraak meer maken op een vergoeding van de kosten op basis van de [Wet (Re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565) maar valt ook het vervoer van deze leerlingen onder verantwoordelijkheid van de gemeenten. Dit betekent dat de ouders die voor een vergoeding in aanmerking willen komen zich niet meer tot het GAK (UWV/GAK) maar tot de gemeente moeten wenden. Om de gemeenten in staat te stellen de aanvraag tijdig voor aanvang van het schooljaar afgehandeld te hebben, is het van groot belang dat de desbetreffende ouders zich op zo kort mogelijke termijn tot de gemeente wenden waarin zij wonen. Om die reden verzoek ik u de ouders van de leerlingen waarvan u denkt dat zij op grond van de handicap gebruikmaken van aangepast vervoer, van deze wijziging op de hoogte te stellen. Aangezien het vooral in het speciaal basisonderwijs over vrij grote aantallen leerlingen gaat, is in de bijlage een modelbriefje opgenomen dat u desgewenst aan de leerlingen kunt meegeven (ook oproepbaar via cfi.kennisnet.nl). Verantwoordelijkheid gemeenten Nu de gemeenten de verantwoordelijkheid gaan dragen voor al het leerlingenvervoer zullen zij moeten beslissen ofeen leerling wegens een handicap al dan niet is aangewezen op aangepast vervoer. De gemeente kan zich daarbij laten adviseren. Wegens de bekendheid met de leerling ligt het daarbij voor de hand dat de gemeente zich daarvoor in het algemeen zal richten tot de directeur of rector van de school. Gelet op het belang hiervan voor de leerling verzoek ik u aan een dergelijk adviesverzoek mee te werken. U kunt zich als directeur of rector, afhankelijk van de situatie, laten adviseren door bijvoorbeeld de ambulante"},{"i":11016,"b":"Wet van 23 december 2004 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs (Aanpassingswet invoering bachelor-masterstructuur) Hoofdstuk 1. Ministerie van Algemene Zaken Hoofdstuk 1. Ministerie van Algemene Zaken Hoofdstuk 3. Ministerie van Justitie Hoofdstuk 2. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Hoofdstuk 5. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Artikel 5.1 Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel 5.2 Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel 5.2a Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel 5.3 Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel 5.4 Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel 5.5 Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel 5.5a Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel 5.6 Vervallen Artikel 5.7 Vervallen Artikel 5.8 Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek enz. (verbeteringen en aanvullingen van overwegend technische aard). Artikel 5.9 Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek enz. (verbeteringen en aanvullingen van overwegend technische aard). Artikel 5.10 Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en Wet op de studiefinanciering (uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen). Artikel 5.11 Wijzigt de Wijzigingswet van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs. Artikel 5.12 Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 (invoering bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs). Artikel 5.13 Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (onder meer ter uitvoering van in de nota «Zicht op kwaliteit» aangekondigde maatregel"},{"i":11017,"b":"Aanvullende formatie zeer moeilijk lerende kinderen (zmlk-leerlingen) in de groepen drie tot en met acht van de basisschool Inleiding Met ingang van 1 augustus 2003 wordt de leerlinggebonden financiering ingevoerd. Op grond van deze regeling hebben basisscholen, die een leerling toelaten die is geïndiceerd voor een leerlinggebonden budget, recht op leerlinggebonden financiering. De procedures voor indicatiestelling zijn geregeld in de [Wet op de expertisecentra](onbekend) en het daarop gebaseerde [Besluit leerlinggebonden financiering](onbekend) (Stb. 2002, 107). De criteria die gelden bij de indicatiestelling liggen vast in de ministeriële regeling indicatiecriteria lgf. De formatieve omvang van het leerlinggebonden budget is geregeld in het [Formatiebesluit WPO](onbekend). Voor zeer moeilijk lerende kinderen (zmlk) bedraagt de omvang van de leerlinggebonden financiering volgens dit [Formatiebesluit](onbekend) voor een basisschool 35,6 formatierekeneenheden, waarvan 16,6 fre’s dienen te worden herbesteed bij een school voor speciaal onderwijs ten behoeve van ambulante begeleiding (de eerste twee jaar gaan deze her te besteden fre’s direct naar de school voor speciaal onderwijs). De resterende 19 fre’s zijn beschikbaar voor de opvang van de geïndiceerde leerling in de basisschool. Tot 1 augustus 2003 kunnen basisscholen die verstandelijk gehandicapte kinderen hebben ingeschreven een aanvraag indienen voor aanvullende formatie. Het aantal fre’s aanvullende formatie voor deze verstandelijk gehandicaptekinderen bedraagt voor kinderen in de groepen 1 en 2 19 fre’s en voor kinderen in de groepen 3 tot en met 8 39 fre’s. Dit betekent dat de huidige aanvullende formatie voor de kinderen in de groepen 3 tot en met 8 een grotere omvang heeft dan de omvang van het leerlinggebonden budget. Tevens ontvangt de basisschool een hoger bedrag voor de materiële instandhouding (m.i.) dan het bedrag dat hiervoor binnen het leerlinggebonden budget wordt toegekend. Het verschil bedraagt"},{"i":11018,"b":"Aanwijzing onderwijsinstituten Gelet op de [artikelen 1, onder c sub 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=1) en [32 c van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=32c) (Stb. 1971, 406). Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van de Leerplichtwet 1969 worden tot wederopzegging, aangewezen als onderwijsinstituut: - 1e. de proefprojecten deeltijd kort middelbaar beroepsonderwijs; - 2e. de door mij goedgekeurde cursussen in het kader van de samenwerkingsverbanden vormingswerk/beroepsbegeleidend onderwijs verbonden aan: - a. de zelfstandige streekscholen voor beroepsbegeleidend onderwijs en - b. de scholen voor beroepsonderwijs, voorzover daaraan cursussen worden gegeven voor algemeen en op het beroep gericht onderwijs als bedoeld in de Wet op het leerlingwezen; - 3e. de cursussen algemene vorming en beroepsoriëentering verbonden aan: - a. de streekschool voor werkende jeugd te 's-Gravenhage; - b. de streekschool voor beroepsbegeleidend onderwijs ‘Jong Leven’ te Nijmegen; - c. de streekschool voor beroepsbegeleidend onderwijs te 's-Hertogenbosch; - d. de streekschool voor beroepsbegeleidend onderwijs te Eindhoven. - 4e. de avondscholen en dag-avondscholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, dan wel voor middelbaar economisch en administratief onderwijs; - 5e. de cursus voor partieel leerplichtige minderjarigen die werkzaam zijn in de grote en kleine handelsvaart, dan wel het voornemen daartoe te kennen hebben gegeven, verbonden aan de Outward Bound Zee- en Bergscholen te Ulvenhout; - 6e. de cursus ten behoeve van partieel leerplichtige moeilijk lerende leerlingen, verbonden aan de ‘Vijverhofschool’ voor Christelijk Individueel Onderwijs te Breukelen; - 7e. de dagcursus voor de opleiding tot dokters-assistenten, verbonden aan het Opleidingsinstituut voor beroepen in de gezondheidszorg, uitgaande van de Leidse Onderwijsinstellingen te Leiderdorp; - 8e. de brugcur"},{"i":11019,"b":"Besluit van de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen van 16 oktober 2002, nr. WJZ/2002/38010, houdende de aanwijzing van ambtenaren van de Inspectie van het onderwijs ten aanzien van wie de artikelen 5:12 tot en met 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing zijn Gelet op [artikel 9, tweede lid, Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=9) Besluit Artikel 1 Als de personen, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=9), worden aangewezen de inspecteur-generaal van het onderwijs en de ambtenaren van de Inspectie van het onderwijs die zijn belast met de uitoefening van de taken, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=3). Artikel 2 Dit besluit zal in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin dit besluit is geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit Inspectie van het onderwijs."},{"i":11020,"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Egypte inzake het project \"Fayoum Farmer Field School\" The Minister for Development Cooperation of the Kingdom of the Netherlands, being the competent Netherlands Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Netherlands Party”, represented in this matter by the Ambassador Extraordinary and Plenipotentiary of Her Majesty the Queen of the Netherlands in Cairo, and The Ministry of Agriculture and Land Reclamation of the Arab Republic of Egypt, being the competent Egyptian Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as the “the Egyptian party”; Having decided to cooperate in the field of “facilitating access to information and development through farmer field schools”, Having regard to the provision of Article I of the Agreement on Technical Cooperation between the Kingdom of the Netherlands and the Arab Republic of Egypt, signed in Cairo on 30 October 1976, hereinafter referred to as the Agreement”, Have entered into the following administrative arrangement: Article I. (The Project) Vervallen Article II. (The Netherlands Contribution) Vervallen Article III. (The Egyptian Contribution) Vervallen Article IV. (The Executive Authorities) Vervallen Article V. (Delegation) Vervallen Article VI. (The Team leader) Vervallen Article VII. (The Schedule of Operations) Vervallen Article VIII. (Reporting) Vervallen Article IX. (Status of the Netherlands Staff) Vervallen Article X. (Status of Netherlands Equipment and Materials) Vervallen Article XI. (Evaluation) Vervallen Article XII. (Settlement of Disputes) Vervallen Article XIII. (Entry into Force and Duration) Vervallen DONE in Cairo on the 21st of May 2008, in two originals in the English language. **For the Minister for Development Cooperation of the Kingdom of the Netherlands,** T.F. DE ZWAAN Ambassador **For the Minister of Agriculture and Land Reclamation of the Arab Rep"},{"i":11021,"b":"Applicatieopleidingen leraren in het voormalig speciaal voortgezet onderwijs voor leer en opvoedingsmoeilijkheden (svo/lom) en moeilijk lerende kinderen (svo/lmk) 1. Algemeen In OCenW-Regelingen nr. 24 van 14 oktober 1998 met kenmerk VO/BJA-98/41447 (Gele katern nr. 24 van 14 oktober 1998) is de ’[Overgangsregeling bevoegdheden leraren speciaal voortgezet onderwijs lom en mlk](onbekend)’ gepubliceerd. Hierin zijn alle docenten uit het svo-lom en svo-mlk bevoegd verklaard om onder voorwaarden les te geven aan een school voor voortgezet onderwijs, mits zij in het bezit waren van een bewijs van bekwaamheid, genoemd in [artikel 1, onder B, eerste lid, van deze regeling](onbekend) en meer dan 500 uren les hadden gegeven in een van de genoemde vakken. Deze 500 lesuren hadden betrekking op een periode van vijf jaar voordat de betreffende school voor svo-lom of svo-mlk als afdeling leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs opging in een school voor voortgezet onderwijs of werd omgevormd tot een school voor praktijkonderwijs of was opgegaan in een opdc. Er bleef echter een categorie docenten bestaan die wel onderwijs wenste te geven in het voortgezet onderwijs maar door uiteenlopende omstandigheden niet in staat was om aan de eis van het aantal te geven uren te voldoen. Volgens de toelichting van de genoemde regeling stond gedurende twee jaar de gelegenheid open om na de datumvan samenvoeging of omzetting van de school waaraan men was verbonden, een applicatiecursus te volgen die de bevoegdheid gaf om onder de voorwaarden van genoemde overgangsregeling les te geven in het voortgezet onderwijs. In vervolg hierop is een [regeling Belangstellingsregistratie applicatie-opleidingen leraren svo-lom en svo-mlk](onbekend) met kenmerk VO/TAB-2000/6446 van 24 maart 2000 (Gele katern nr. 10 van 5 april 2000) gepubliceerd. De desbetreffende docenten die alsnog voor een bevoegdheid in aanmerking wensten te komen konden zich voor het volgen van een applicatiecursus laten registr"},{"i":11022,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/177909, inzake de afdoening van verzoeken om toestemming tot het voeren van Nederlandse titulatuur op grond van een in het buitenland behaalde graad als bedoeld in artikel 7.23 derde lid van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek (WHW) 1. Inleiding Hierbij bericht de Minister, een ieder die op grond van een aan een buitenlandse instelling van hoger onderwijs behaalde graad, in aanmerking wil komen voor toestemming tot het voeren van een Nederlandse titel, dat het onderstaande beleid wordt gevoerd. 2. Vereiste voor behandeling van verzoeken 3. Verificatie van de echtheid van de opleidingsdocumenten 4. Het door de Minister gevoerde beleid 5. Geldigheidsduur Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2010 en vervalt uiterlijk op 1 januari 2014. 6. Intrekking Met ingang van 1 januari 2010 wordt de beleidsregel ‘[Titulatuur op grond van artikel 7.23 van WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020481)’ (kenmerk AGOCW/MT/06.048 d.d. 30 oktober 2006 ) ingetrokken. 7. Bekendmaking Deze beleidsregel met de toelichting wordt geplaatst in de Staatscourant. 6. Intrekking Met ingang van 1 januari 2010 wordt de beleidsregel ‘[Titulatuur op grond van artikel 7.23 van WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020481)’ (kenmerk AGOCW/MT/06.048 d.d. 30 oktober 2006 ) ingetrokken. 7. Bekendmaking Deze beleidsregel met de toelichting wordt geplaatst in de Staatscourant."},{"i":11023,"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-Generaal van het onderwijs van 15 oktober 2025, nr. 51880053, houdende regels over het instemmen met afwijking van het verplichte minimum aantal uren onderwijstijd in de WPO, WEC en WVO 2020 alsmede het verlenen van ontheffing voor de toelatingsleeftijd en het uitschrijven van een 20+ leerling als bedoeld in de WEC en ontheffing voor de duur van de stage als bedoeld in het Onderwijskundig besluit WEC (Beleidsregel afwijken onderwijstijd funderend onderwijs en verlenen ontheffingen WEC 2025) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=12), [artikel 14a, tweede lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=14a), [artikel 25, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=25), en [artikel 39, tweede en vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=39), [artikel 8 van het Onderwijskundig besluit WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003848&artikel=8), [artikel 8, tiende lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=8) en [artikel 2.38, elfde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.38); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **aanvraag afwijken onderwijstijd:** verzoek als bedoeld in [artikel 8, tiende lid, WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=8), [artikel 2.38, elfde lid, WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.38) en de [artikelen 12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=12), [14a, tweede lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=14a), en [25, vijfde lid, WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":11036,"b":"Besluit van de algemene raad van 11 januari 2016 tot vaststelling van de beleidsregel inzake vrijstelling deelname onderwijs, vrijstelling van onderdelen van het examen en de procedure met betrekking tot de aanvraag vrijstelling of het verzoek tot toepassing van de hardheidsclausule (Beleidsregel onderwijs en toetsen BA) gelet op [artikel 9c van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9c); gelet op de [artikelen 3.17, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.17), [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.18), [3.19, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.19), [3.20, van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.20); gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); stelt het navolgende besluit vast: Artikel 1. Reikwijdte van de beleidsregel onderwijs en toetsen BA Deze beleidsregel is van toepassing op de advocaat die op grond van [artikel 9c van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9c) de opleiding voor stagiaires moet volgen. Artikel 2. Uitleg wettelijke voorschriften In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **examen:** de afsluiting van de beroepsopleiding advocaten, bedoeld in [artikel 9c, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9c), die bestaat uit meerdere onderdelen; - **hardheidsclausule:** de mogelijkheid af te wijken in gevallen waarin toepassing van de desbetreffende bepaling zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard; - **toets:** een onderdeel van het examen. Artikel 3. Termijn verzoek hardheidsclausule De stagiaire verzoekt tot toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in [artikel 3.19, zesde lid, van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.19), uiterlijk vier weken"},{"i":11037,"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 21 september 2023, nr. 41801739, houdende regels met betrekking tot het niet op regelmatige wijze afnemen van het centraal examen in het voortgezet onderwijs en van het staatsexamen (Beleidsregel onregelmatigheden centraal examen in voortgezet onderwijs en van staatsexamen 2023) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 2.61 tweede lid WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.61) en [artikel 2.82 derde lid WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.82); Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **College:** het College voor toetsen en examens, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); - **centraal examen:** het centraal examen, bedoeld in [artikel 2.56 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.56); - **centraal examen van het staatsexamen:** het centraal examen van het staatsexamen of deelstaatsexamen, bedoeld in [artikel 2.72 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.72); - **examenreglement:** het examenreglement, bedoeld in [artikel 2.60 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.60) of [artikel 2.81 eerste lid van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.81); - **inspectie:** de inspectie, bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=1); - **onregelmatigheid:** het niet op regelmatige wijze plaatsvinden van het centraal examen, in de gevallen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048744&paragraaf=2&artikel=2&z=2023-10-18&g=2023-10-18) of [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048"},{"i":11038,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/178035, inzake de ‘Opheffing terugwerkende kracht Hoofdstuk 4 WTOS’ op grond van artikel 11.4 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en bestemd voor leerlingen en deelnemers van 18 jaar en ouder, die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten ingevolge hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten Hierbij bericht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te hebben besloten onderstaand beleid door de Dienst uitvoering Onderwijs te laten uitvoeren: Artikel 1 In afwijking van [artikel 4.10, tweede lid, WTOS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=4.10) kan de tegemoetkoming ingevolge [hoofdstuk 4 WTOS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=4) worden toegekend met terugwerkende kracht tot en met de eerste dag van het desbetreffende schooljaar. De overige bepalingen van de WTOS blijven onverkort van toepassing. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt met ingang van 1 januari 2010 in werking. Deze beleidsregel met toelichting wordt geplaatst in de Staatscourant."},{"i":11039,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 juni 2012, nr. IvhO/418788, betreffende de uitleg van de termen ‘specifieke aard van het beroep’ en ‘andere gewichtige omstandigheden’, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, in verband met de toepassing van de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 27 van de Leerplichtwet 1969, bij overtreding van de vrijstellingsgronden van geregeld schoolbezoek als bedoeld in artikel 13a, tweede lid, en artikel 14, derde lid, eerste volzin, van de Leerplichtwet 1969 (Beleidsregel uitleg ‘specifieke aard van het beroep’ en ‘andere gewichtige omstandigheden’ bedoeld in de Leerplichtwet 1969) Handelend in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I) voor zover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving; Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Specifieke aard van het beroep Op grond van [artikel 11, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=11), en [13a, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=13a) (Leerplichtwet) is om buiten de schoolvakanties op vakantie te gaan vanwege het specifieke beroep van één van de ouders, éénmaal vrijstelling van geregeld schoolbezoek mogelijk voor ten hoogste tien dagen per schooljaar. Dit verlof kan geen betrekking hebben op de eerste twee lesweken van het jaar. Voor een kwalificatieplichtige jongere kan slechts verlof worden verleend voor een evenredig deel van het aantal dagen dat deze verplicht is onderwijs te volgen. Het hoofd van de school of instelling kan hiervoor verlof verlenen. Bij het begrip ‘specifieke aard van het beroep’ bedoeld in [artikel 11, onderdeel f, van de Leerplichtwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=11) dient v"},{"i":11056,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 mei 2024, nr. O&B/39907799, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Algemeen Rijksarchief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode (1991) 1994–2002 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief 12 maart 2024, zonder kenmerk; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van het Algemeen Rijksarchief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode (1991) 1994–2002. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 1284 | 2059 | | 2938 | 2052 | | 3257 | 2075 | | 3278 | 2072 | | 3279 | 2073 | | 3285 | 2073 | | 3550 | 2072 | | 3915 | 2071 | | 4107 | 2067 | | 4467 | 2074 | | 4532 | 2074 | | 5984 | 2073 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049734&artikel=1&z=2024-05-29&g=2024-05-29), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049734&artikel=1&z=2024-05-29&g=2024-05-29), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besl"},{"i":13274,"b":"Wet van 21 december 2022, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2023) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IV Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel V Wijzigt de Wet op het BTW-compensatiefonds. Artikel VI Wijzigt de Provinciewet. Artikel VII Wijzigt de Gemeentewet. Artikel VIII Wijzigt de Waterschapswet. Artikel IX Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel X Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XIII Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de in [artikel XII, onderdelen B en D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047710&artikel=XII&z=2024-01-01&g=2024-01-01), van deze wet opgenomen wijzigingen van de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) en [28 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=28) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wijzigingen in de praktijk. Artikel XIV Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel XV Wijzigt de Fiscale vereenvoudigingswet 2017. Artikel XVI 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2023, met dien verstande dat: - a. [artikel XII, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047710&artikel=XII&z=2024-01-01&g=2024-01-01), terugwerkt tot en met 1 juli 2009; - b. [artikel I, onderdeel A, onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047710&artikel=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01), en [artikel II, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047710&artikel=II&z=2024-01-01&g=2024-01-01), terugwerken tot en met 1 januari 2017; - c. de [artikelen VI, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":12630,"b":"Besluit van 31 maart 2005, nr. 05.001109, houdende toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter en de overige leden van de referendumcommissie, genoemd in artikel 24 van de Wet raadplegend referendum Europese Grondwet Op de voordracht van Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 22 maart 2005, 2005-0000036083, CZW; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De voorzitter van de referendumcommissie, genoemd in [artikel 24 van de Wet raadplegend referendum Europese Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017966&artikel=24), ontvangt een vaste beloning van € 15.000. Artikel 2 De overige leden van de referendumcommissie, genoemd in [artikel 24 van de Wet raadplegend referendum Europese Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017966&artikel=24), ontvangen een vaste beloning van € 10.000. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11290,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 26 februari 2013, kenmerk: FM 2013/372M, houdende regels tot vaststelling van de eindtermen en toetstermen voor examens financiële dienstverlening Wft (Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft) Gelet op [artikel 9, tweede lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=9); BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder besluit: [Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421). Artikel 2 De eindtermen en toetstermen behorende bij de verschillende modules, bedoeld in [artikel 9, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=9), worden vastgesteld overeenkomstig de volgende bijlagen: - a. module basis: de eindtermen en toetstermen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032957&bijlage=1&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - b. module consumptief krediet: de eindtermen en toetstermen in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032957&bijlage=2&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - c. module schadeverzekeringen particulier: de eindtermen en toetstermen in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032957&bijlage=3&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - d. module schadeverzekeringen zakelijk: de eindtermen en toetstermen in [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032957&bijlage=4&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - e. module vermogen: de eindtermen en toetstermen in [bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032957&bijlage=5&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - f. module inkomen: de eindtermen en toetstermen in [bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032957&bijlage=6&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - g. module hypothecair krediet: de eindtermen en toetstermen in [bijlage 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032957&bijlage=7&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - h. module pensioenverzekeringe"},{"i":11336,"b":"Regeling houdende regels met betrekking tot opleidingen en examens ter verkrijging van bewijzen van bevoegdheid voor onderhoudstechnici (Regeling opleiding en examen bevoegdverklaringen AML en Part-66 AML) Gelet op [Verordening (EG) nr. 2042/2003](32003R2042) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PbEU L 315) en de [artikelen 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=13), [14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=14), [15, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=15) en [16 van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=16); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **typebevoegdheid:** bevoegdheid tot het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan een bepaald type vliegtuig met een maximum startmassa van 5700 kg of minder; - **verordening (EU) nr. 1321/2014:** verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PbEU 2014, L 362). Hoofdstuk 2. Geregistreerde opleidingsinstellingen Artikel 2 Deze regeling berust op verordening (EU) nr. 1321/2014 en de [artikelen 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=13), [14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=15) en [16 van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luch"},{"i":16465,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 10 december 2018, kenmerk 1453331-184685-PZo op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake het experiment resultaatbeloning en zorgvernieuwing eerstelijnsverblijf Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Na op 16 oktober 2018 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit inzake het experiment resultaatbeloning en zorgvernieuwing eerstelijnsverblijf (**Kamerstukken II** 2018/19 31 765 nr. 346); Besluit: Artikel 1. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12) voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met zorg zoals huisartsen plegen te bieden al dan niet gepaard gaande met verpleging en verzorging of paramedische zorg. Artikel 2. Experiment resultaatbeloning en zorgvernieuwing 1. De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2019 in een experiment resultaatbeloning en zorgvernieuwing. 2. Op grond van dit experiment krijgen een zorgaanbieder en een zorgverzekeraar de mogelijkheid om op basis van een overeenkomst af te wijken van de reguliere bekostiging voor eerstelijnsverblijf. 3. Voor het experiment geldt een vrij tarief. 4. Het bepaalde in [artikel 35, eerste lid, onder c en d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) is niet van toepassing op een prestatiebeschrijving die een zorgaanbieder en zorgverzekeraar die deelnemen aan het experiment zijn overeengekomen. 5. De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet in een regelluwe uitvoering"},{"i":12507,"b":"Besluit van 24 augustus 2012 tot ontbinding van twee regimenten cavalerie Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 20 augustus 2012, nr. BS2012027119, directie juridische zaken, sector wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Regiment Huzaren van Sytzama en het Regiment Huzaren Prins van Oranje worden ontbonden en de standaarden van die regimenten worden opgelegd. Artikel 2 De tradities van het Regiment Huzaren van Sytzama en van het Regiment Huzaren Prins van Oranje, waaronder mede begrepen de tradities van het Regiment Huzaren Prins Alexander, zullen bewaard worden door het Regiment Huzaren van Boreel. Artikel 3 Aan de standaard van het Regiment Huzaren van Boreel wordt een drievoudige cravate gehecht waarop achtereenvolgens de regimenten en standaardopschriften worden vermeld: Regiment Huzaren van Sytzama en het standaardopschrift Waterloo 1815 Regiment Huzaren Prins van Oranje en het standaardopschrift Tiendaagse Veldtocht 1831 Regiment Huzaren Prins Alexander en de standaardopschriften Quatre-Bras en Waterloo 1815 en Tiendaagse Veldtocht 1831. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 16 september 2012. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst wordt uitgegeven na 15 september 2012, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 16 september 2012. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12926,"b":"Besluit van de Raad van bestuur van het Fonds Podiumkunsten tot wijziging van de verdeling van het budget over de landsdelen binnen onderdeel a van de Deelregeling Programma- en Presentatiebijdrage Fonds Podiumkunsten Op basis van [artikel 1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051544&artikel=1.10), [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051544&artikel=2.2) en [artikel 2.7 lid 8 van de Deelregeling Programma- en Presentatiebijdrage Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051544&artikel=2.7) Besluit: Artikel 1. Gewijzigde subsidieplafonds per landsdeel in [onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051593&artikel=1): focus op geografische spreiding | **landsdeel** | **Gewijzigd subsidieplafond** | | --- | --- | | Noord | € 164.000 | | Oost | € 263.205 | | Midden | € 164.750 | | West | € 318.545 | | Zuid | € 272.250 | | Caribisch deel van het Koninkrijk | € 17.250 | | **Totaal** | **€ 1.200.000** | Artikel 2. Bekendmaking en inwerkingtreding - a. Dit besluit wordt bekengemaakt in de Staatscourant. - b. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2026. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 mei 2026 treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 mei 2026. Aldus vastgesteld in de vergadering van het bestuur van het Fonds Podiumkunsten, d.d. 28 april 2026"},{"i":11579,"b":"Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van de Leerplichtwet 1969 en de Wet inburgering in verband met onder meer de invoering van een kwalificatieplicht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is jongeren meer kansen te bieden op het behalen van een startkwalificatie door de invoering van een kwalificatieplicht; dat daartoe de [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628) en de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) dienen te worden gewijzigd; dat het voorts wenselijk is de leerplichtambtenaar een ruimere onderzoekbevoegdheid alsmede van rechtswege een opsporingsbevoegdheid te geven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Leerplichtwet 1969. Artikel II Wijzigt de Wet inburgering. Artikel III Wijzigt de Wijzigingswet Wet inburgering, enz. (vervallen van de mogelijkheid om Nederlandse onderdanen tot inburgering te verplichten)(kamerstuk 30877). Artikel IV Vervallen Artikel V Voor de jongere die in het schooljaar 2006–2007 de leeftijd van 17 jaar bereikt, blijven de [artikelen 4a tot en met 4c van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=4a) gelden zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze wet. Artikel VI Deze wet treedt in werking op 1 augustus 2007. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11580,"b":"Wet van 11 september 2013 tot wijziging van de Leerplichtwet 1969 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de registratie van vrijstellingen en vervangende leerplicht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is jongeren die zijn vrijgesteld van de leerplicht of jongeren die een vervangende leerplicht hebben, te registreren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628) Wijzigt de Leerplichtwet 1969. Artikel II. Wijziging [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel III. Overgangsrecht Burgemeester en wethouders verstrekken aan Onze Minister overeenkomstig de [artikelen 3c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=3c), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=6) en [15 van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=15) de in die artikelen genoemde gegevens van jongeren die op het moment van inwerkingtreding van deze wet zijn vrijgesteld van de leerplicht of een vervangende leerplicht hebben. Artikel IV. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":12150,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 25 maart 2024, nr. WJZ/ 45934614, houdende vaststelling van definitieve tarieven GLB 2023 Gelet op artikel 3, eerste lid, van [Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1465](https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32023R1465) van de Commissie van 14 juli 2023 tot verlening van financiële noodhulp aan de landbouwsectoren die worden getroffen door specifieke problemen die een impact op de economische levensvatbaarheid van landbouwproducten hebben (Pb EU 2023, L 180) en de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=2), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=14), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=17) en [27, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=27); Besluit: artikel Enig Vastgesteld worden de navolgende tarieven voor aanvraagjaar 2023: **A. Eenheidsbedragen voor basisinkomenssteun en herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid:** - 1. Het eenheidsbedrag basisinkomenssteun voor duurzaamheid bedraagt € 210,55 per hectare. - 2. Het bedrag voor de buitengewone steun als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van [Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1465](https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32023R1465) van de Commissie van 14 juli 2023 tot verlening van financiële noodhulp aan de landbouwsectoren die worden getroffen door specifieke problemen die een impact op de economische levensvatbaarheid van landbouwproducten hebben (Pb EU 2023, L 180) bedraagt € 2,73 per hectare. - 3. Het eenheidsbedrag aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid bedraagt € 54,53 per hectare en de hectaregrens is 40 hectaren. **B. Tarieven Ecoregeling** - 1. Het tarief voor categorie goud bedraagt € 150,70 per hectare. - 2. Het tarief voor categorie zilver bedraagt € 75,35 per hectare. - 3. Het tarief voor categorie brons bedraagt"},{"i":12408,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 6 februari 2008, nr. DGW/I&I20086274, tot instelling van de Taskforce Antilliaanse Nederlanders Overwegende dat: – in 2005 met de 21 Antillianengemeenten bestuurlijke arrangementen zijn afgesloten terzake van de terugdringing van de oververtegenwoordiging van Antilliaanse jongeren op het gebied van voortijdig schoolverlaten, criminaliteit en werkloosheid en deze arrangementen eind 2008 aflopen; – het, gelet op de medio 2007 uitgebrachte tussentijdse outputrapportage Antillianenprojecten, van belang is al gedurende 2008 een extra inspanning te leveren teneinde betere resultaten te halen op de projecten die zijn geïnitieerd; – voor de periode na 2008 een meerjarig, op duurzaamheid gericht, beleid ontwikkeld moet worden waarbij het voor alle betrokken partijen, waaronder het Rijk en gemeenten, duidelijk dient te zijn welke inzet van hen voor de uitvoering van dat beleid wordt verwacht; – deze beleidsopvattingen op 21 november 2007 in een bestuurlijk overleg door de 21 Antillianengemeenten zijn onderschreven; – er een Taskforce Antilliaanse Nederlanders dient te worden ingesteld teneinde voornoemde beleidsopvattingen in de praktijk te realiseren; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister voor Wonen, Wijken en Integratie; - b. bestuurlijke arrangementen: de door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op 8 juli 2005 met de 21 Antillianengemeenten afgesloten bestuurlijke arrangementen terzake van de terugdringing van de oververtegenwoordiging van Antilliaanse jongeren op het gebied van voortijdig schoolverlaten, criminaliteit en werkloosheid; - c. AG-21: de 21 Antillianengemeenten, zijnde de gemeenten Almere, Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Breda, Capelle a/d IJssel, Den Haag, Den Helder, Dordrecht, Eindhoven, Groningen, Leeuwarden, Lelystad, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam,Tilburg, Vlaardingen, Vlissingen, Zoetermeer en Zwolle; - d. taskforce: Taskforce Antilliaanse"},{"i":11785,"b":"Beleidsregel quota publieke media-instellingen 2023 Gelet op de [artikelen 2.115 tot en met 2.123 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.115) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: I. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - b. **besluit:** het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); - c. **regeling:** [Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040); - d. **catalogus:** de ordening van het audiovisueel media-aanbod in een databank die audiovisueel media-aanbod voor de gebruiker toegankelijk maakt; - e. **Europese producties:** producties als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder n en artikel 1, tweede, derde en vierde lid van de Richtlijn; - f. **Richtlijn:** [Richtlijn 2010/13](32010L0013)/EU van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele media- diensten; - g. **onafhankelijke producent:** de producent van een onafhankelijke productie als bedoeld in [artikel 2.120, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.120); - h. **ondertiteling:** Nederlands-of Friestalig programma-aanbod voorzien van Nederlandstalige onderti- teling; - i. **producent:** degene die programma-aanbod vervaardigt; - j. **programma-aanbod:** televisieprogramma-aanbod; - k. **programmakanaal:** televisieprogrammakanaal; - l. **themakanaal:** een themakanaal op televisie; - m. **recente productie:** een onafhankelijke productie die niet ouder is dan vijf jaar. Artikel 2. Europese producties 1. Een **producent**als bedoeld in artikel 1, derde en vierde lid, van de Richtlijn wordt geacht in een lidstaat gevestigd te zijn indien zijn"},{"i":12701,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 26 november 2018, kenmerk 1449924-184386-S, houdende vaststelling van beleidsregels voor het subsidiëren van sportevenementen 2019–2020 (Besluit vaststelling beleidskader sportevenementen 2019–2020) Gelet op [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1 De beleidsregels voor het subsidiëren van sportevenementen voor 2019–2020 worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019 en vervalt met ingang van 1 januari 2021. Artikel 3 Het beleidskader sportevenementen vastgesteld op 19 november 2013 en laatstelijk gewijzigd op 18 maart 2015, wordt ingetrokken. Artikel 4 Wijzigt de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring sportevenementen 2019–2020. Bijlage Deze bijlage hoort bij het Besluit vaststelling beleidskader sportevenementen 2019–2020. Beleidskader sportevenementen 2019–2020 Inhoud 1. Doel Met het organiseren van niet jaarlijks in Nederland georganiseerde internationale sportevenementen (in combinatie met side events) kunnen wij ons land als sportland op de kaart zetten. Nederlandse sporters krijgen zo de mogelijkheid voor eigen publiek de sportieve strijd aan te gaan met de buitenlandse concurrentie. Als zij het beste uit zichzelf halen kan dat zorgen voor trots en saamhorigheid. Ook kunnen zij daarmee anderen inspireren om zelf te gaan sporten of meer te bewegen. Het plezier in sport komt in ons land ook naar voren bij de vernieuwende manier waarop sportevenementen worden georganiseerd. Terwijl creativiteit en fanbeleving daarbij het meest opvallen, zorgen de maatschappelijke impact, de hoogwaardige kwaliteit van de organisatie en aanvaardbare financiële grenzen voor een solide basis. Het initiatief voor de organisatie van een niet jaarlijks sportevenemen"},{"i":13492,"b":"Instellingsbesluit Commissie Geschillen Aandelenlease Overwegende dat het wenselijk is een Commissie Geschillen Aandelenlease in te stellen die tot taak heeft te bemiddelen tussen aanbieders en afnemers en aldus te bevorderen dat partijen onderling op een efficiënte wijze tot een oplossing komen voor de openstaande geschillen die voortvloeien uit de verkoop van aandelenleaseproducten in de jaren 1995 tot en met 2002; Besluit: Artikel 1 Er is een ‘Commissie Geschillen Aandelenlease’, hierna te noemen: de Commissie. Artikel 2 De Commissie heeft tot taak te bemiddelen tussen aanbieders en afnemers en aldus te bevorderen dat partijen onderling op een efficiënte wijze tot een oplossing komen voor de openstaande geschillen die voortvloeien uit de verkoop van aandelenleaseproducten in de jaren 1995 tot en met 2002. De Commissie zal de Minister van Financiën rapporteren over haar vorderingen. Artikel 3 Als leden van de Commissie worden benoemd: prof. mr. C.E. du Perron mr. W. Sorgdrager Tot voorzitter van de Commissie, tevens lid, wordt benoemd: mr. dr. M. Oosting Artikel 4 In het secretariaat van de Commissie wordt voorzien door het Ministerie van Financiën. Artikel 5 De Commissie bepaalt de wijze waarop zij haar taak zal uitvoeren. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van de datum waarop de Commissie de laatste in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015700&artikel=2&z=2003-10-18&g=2003-10-18) bedoelde rapportage uitbrengt. Afschrift van het besluit zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":12022,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 maart 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Denemarken, Ambassade Kopenhagen (1965) 1975–2013, Besluit Beperking Openbaarheid, Kopenhagen (1965) 1975–2013 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 22 februari 2023, referentie 35150690; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 12 | 2060 | | 13 | 2086 | | 49 | 2080 | | 51 | 2085 | | 52 | 2074 | | 53 | 2070 | | 70 | 2088 | | 76 | 2071 | | 92 | 2088 | | 93 | 2069 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 24 | 2053 | | 57 | 2040 | | 60 | 2064 | | 62 | 2041 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047973&artikel=1&z=2023-03-22&g=2023-03-22), is, tot openbaring, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. (De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging in de inventarisnummers,"},{"i":12173,"b":"Besluit van 31 oktober 2019, houdende departementale herindeling met betrekking tot versterking gebouwen en toekomstbestendig maken van Groningen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 28 oktober 2019, nr. 3710685; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt, voor zover dit voor 16 oktober 2019 was opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en met uitzondering van de verantwoordelijkheid voor de normstelling ten aanzien van de veiligheid in het kader van de gaswinning in het Groningenveld, belast met: - a. de zorg voor het versterken van gebouwen in Groningen, voor zover dit voortvloeit uit [artikel 52g, derde lid, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=52g), - b. de zorg voor de Dienst Nationaal Coördinator Groningen, en - c. het bieden van een toekomstperspectief voor de regio, waarvoor het Nationaal Programma Groningen is ingericht. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042759&artikel=1&z=2019-11-13&g=2019-11-13) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042759&artikel=2&z=2019-11-13&g=2019-11-13) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 16 oktober 2019. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister"},{"i":14555,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 4 september 2024, nr. WJZ/86218195, houdende regels over het verstrekken van een specifieke uitkering aan provincies ten behoeve van PAS-melders (Regeling provinciale maatregelen PAS-melders 2024) Gelet op de [artikelen 2a, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2a), en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **gemeld PAS-project:** Natura 2000-activiteit die voldoet aan de voorwaarden van [artikel 17a.14 van de Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528&artikel=17a.14); - **minister:** Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - **onafhankelijke taxateur:** taxateur die is ingeschreven in de van toepassing zijnde Kamer van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs. Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De minister kan aan een provincie op aanvraag een specifieke uitkering verstrekken voor maatregelen die met voldoende zekerheid een oplossing bieden voor gemelde PAS-projecten en getroffen worden in de periode vanaf de inwerkingtreding van deze regeling tot en met 31 december 2026. 2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid komt slechts in aanmerking voor een uitkering als voor het bieden van een oplossing voor een gemeld PAS-project niet meer middelen worden besteed dan de waarde van de onderneming waarvoor de melding is gedaan, met een maximum van € 2.000.000, zoals bepaald door een onafhankelijke taxateur. 3. Als de oplossing het kopen van onroerende goederen omvat, kan de uitkering alleen worden verstrekt voor de waardedaling van de onroerende goederen door functieverandering of gebruiksbeperkingen. De uitkering bedraagt maximaal 85% van het aankoopbedrag. 4. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan inhouden dat de provincie een subsidie verstrekt aan ondern"},{"i":14556,"b":"Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 4 april 2023, nr. WJZ/26743967, houdende regels over het verstrekken van een specifieke uitkering aan provincies ten behoeve van PAS-melders (Regeling provinciale maatregelen PAS-melders) Gelet op de [artikelen 2a, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2a), en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - **gemeld PAS-project:** - a. tot de inwerkingtreding van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885): project dat voldoet aan de voorwaarden van [artikel 2.8b van de Regeling natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038668&artikel=2.8b); - b. na de inwerkingtreding van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885): Natura 2000-activiteit die voldoet aan de voorwaarden van [artikel 17a.8 van de Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528&artikel=17a.8); - **minister:** Minister voor Natuur en Stikstof; - **onafhankelijke taxateur:** taxateur die is ingeschreven in de van toepassing zijnde Kamer van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs. Artikel 2. (specifieke uitkering) 1. De minister kan aan een provincie op aanvraag een specifieke uitkering verstrekken voor maatregelen die met voldoende zekerheid een oplossing bieden voor gemelde PAS-projecten. 2. Per provincie kan één uitkering worden verstrekt. 3. De uitkering kan alleen worden verstrekt voor de kosten van verplichtingen die door de provincie zijn aangegaan in de periode vanaf 4 augustus 2022 tot en met 31 augustus 2023 ten behoeve van maatregelen die uiterlijk 28 februari 2025 zijn afgerond. 4. De uitkering wordt niet verstrekt voor: - a. uitvoeringskosten als bedoeld in de [Regeling specifieke uitkering voorbereidingskosten landelijk gebied, versnellingsvoorstellen en PAS-melders](https://wetten."},{"i":14558,"b":"Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 9 december 2005, nr. 05M480227, houdende toepassing van Aanwijzing 5 van de Aanwijzingen voor het verrichten van marktactiviteiten door de rijksdienst (Stcrt. 1998, nr. 95) in verband met uitbreiding van de diensten van de Postbus 51 Informatiedienst ten behoeve van derden Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Publieksvoorlichting: het beantwoorden, dan wel het organiseren van de beantwoording van publieksvragen inzake overheidszaken in brede zin; - b. Ministeries: ministeries, inclusief dienstonderdelen en diensten met een baten-lastenstelsel alsmede instellingen en lichamen zonder eigen rechtspersoonlijkheid die hiërarchisch ondergeschikt zijn aan de minister; - c. DPC: Dienst Publiek en Communicatie van het Ministerie van Algemene Zaken; - d. Postbus 51 Informatiedienst: dienst behorende tot de DPC die zorg draagt voor de behandeling van publieksvragen aan de rijksoverheid; - e. Organisaties gelieerd aan de rijksoverheid: zelfstandige bestuursorganen, rechtspersonen met een wettelijke taak en Staatsdeelnemingen; - f. Derden: overheidsorganisaties die niet tot de rechtspersoon Staat behoren, te weten: de mede-overheden bestaande uit gemeenten, provincies, waterschappen en uitvoeringsorganisaties. Artikel 2 Onverminderd hetgeen in de hierna volgende artikelen wordt bepaald, berust de verantwoordelijkheid voor de inhoud en aanwending van voorlichtings- en andere communicatie-uitingen bij de onder [artikel 1 sub b, e en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019219&artikel=1&z=2010-02-27&g=2010-04-29) bedoelde instellingen. Artikel 3 1. Ministeries verlenen opdrachten tot shared service publieksvoorlichting door de Postbus 51 Informatiedienst uitsluitend door tussenkomst van de DPC en met inachtneming van de door de DPC vastgestelde of gecontracteerde procedures en voorwaarden. 2. De DPC kan opdrachten t"},{"i":14561,"b":"Regeling radarpatent binnenvaart Gelet op [artikel 4, eerste lid, van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003627&artikel=4) en [artikel 19, zesde lid, onder c, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=19); Besluit: Artikel 1 Het diploma, bedoeld in [artikel 4A.02, eerste lid, onder b, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4A.02) en [artikel 19, zesde lid, onder c, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=19), is het radarpatent, bedoeld in [artikel 6.04, tweede lid, van het Rsp](onbekend), of een krachtens [artikel 6.03, eerste lid, van het Rsp](onbekend) hieraan gelijkgesteld radarpatent. Artikel 2 De Regeling radardiploma binnenvaart wordt ingetrokken. Artikel 3 De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 oktober 1992, nr. DGSM/J 31530/92, houdende de van toepassing verklaring van de Regeling radardiploma binnenvaart op het Kanaal van Gent naar Terneuzen (Stcrt. 219), wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2000. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling radarpatent binnenvaart. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14562,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 13 december 2016, nr. WJZ/16152284, houdende nadere regels inzake radioapparaten (Regeling radioapparaten 2016) Gelet op [richtlijn nr. 2014/53](32014L0053)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van [Richtlijn 1999/5/EG](31999L0005) (PbEU 2014, L 153), [artikel 10.1, vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=10.1) en de [artikelen 1, onderdeel l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038910&artikel=1), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038910&artikel=10), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038910&artikel=12), en [13, vijfde lid, van het Besluit radioapparaten 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038910&artikel=13); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Telecommunicatiewet (implementatie van richtlijn 2014/30/EU en richtlijn 2014/53/EU) (Stb. 2016/58) in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **besluit:** [Besluit radioapparaten 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038910); - b. **beschikking nr. 2000/637/EG:** beschikking nr. 2000/637/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 september 2000 over de toepassing van artikel 3, lid 3, onder e), van [Richtlijn 1999/5/EG](31999L0005) van het Europees Parlement en de Raad op radioapparatuur die onder de regionale regeling betreffende de radiotelefoondienst op binnenwateren valt (PbEG L 269); - c. **beschikking nr. 2001/148/EG:** beschikking nr. 2001/148/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 21 februari 2001 betreffende de toepassing van artikel 3, lid 3, onder e), van [Richtlijn 1999/5/EG](31999L0005) op lawinebakens (PbEG L55); - d. **beschikking nr. 2005/53/EG:** beschikking nr. 2005/53/EG van de Commissie van de Eur"},{"i":8809,"b":"Overeenkomst inzake de registratie van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen De Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst, Erkennende het gemeenschappelijk belang voor de gehele mensheid het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte voor vreedzame doeleinden te bevorderen, In herinnering brengend dat in het [Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004403), van 27 januari 1967, wordt bevestigd dat de Staten internationale verantwoordelijkheid dragen voor nationale activiteiten in de kosmische ruimte en wordt verwezen naar de Staat bij wie een in de kosmische ruimte gelanceerd voorwerp is geregistreerd, Eveneens in herinnering brengend dat in de [Overeenkomst inzake de redding van ruimtevaarders, de terugkeer van ruimtevaarders en de teruggave van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004569), van 22 april 1968, wordt bepaald dat de lancerende autoriteit op verzoek gegevens ter identificatie verstrekt voordat een voorwerp dat zij in de kosmische ruimte heeft gebracht en dat wordt aangetroffen buiten haar territoriale grenzen, aan haar wordt teruggezonden, Voorts in herinnering brengend dat in de [Overeenkomst inzake de internationale aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door ruimtevoorwerpen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003725), van 29 maart 1972, internationale regels en procedures worden vastgesteld betreffende de aansprakelijkheid van de lancerende Staten voor schade veroorzaakt door hun ruimtevoorwerpen, Verlangend, gezien het [Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004403), te voorzien in de nationale registratie door de"},{"i":14651,"b":"Regeling Talentontwikkeling Het bestuur van de stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit vast te stellen de navolgende regeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidies aan makers en partijen voor de uitvoering van projecten ter bevordering van de kwaliteit van de creatieve industrie. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen De in deze regeling gebruikte begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597). Specifiek binnen deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **aanvrager:** een natuurlijke persoon of, in het geval van een samenwerkingsverband, rechtspersoon die op grond van deze regeling een subsidieaanvraag doet bij het Stimuleringsfonds; - 2. **adviescommissie:** een onafhankelijke, door het bestuur aangestelde commissie van externe deskundigen; - 3. **beschikking:** de brief waarmee het bestuur formeel besluit over het al dan niet toekennen van de subsidie; - 4. **beschikkingsdatum:** de datum zoals vermeld op de beschikking; - 5. **bestuur:** de bestuurder van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, als bedoeld in [artikel 5 van de statuten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047849&artikel=5); - 6. **creatieve industrie:** het werkterrein van de disciplines vormgeving, architectuur en digitale cultuur inclusief mogelijke cross-overs tussen deze disciplines; - 7. **het Koninkrijk:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit de landen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - 8. **ontwikkelplan:** het geheel van werkzaamheden gericht op de verdere professionalisering en artistieke ontwikkeling van de eigen ontwerppraktijk, afgebakend in tijd en doel, uitgevoerd door een starter; - 9. **relevante opleiding:** het Stimuleringsfonds publ"},{"i":14735,"b":"Regeling uitzondering kentekenplicht krijgsmacht of civiele dienst Gelet op [artikel 37, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=37); Besluit: Artikel 1 [Artikel 37, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=37) is van toepassing op de volgende categorieën van motorrijtuigen: - a. motorrijtuigen, in eigendom toebehorend aan of gehouden door leden van de Nederlandse krijgsmacht of de Nederlandse civiele dienst in de zin van artikel 1 van het verdrag tussen de landen die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, op 19 juni 1951 te Londen gesloten (Trb. 1953, 10), voor zover deze motorrijtuigen op grond van artikel XI, zesde lid, van genoemd verdrag in Duitsland met tijdelijke vrijstelling van belasting kunnen worden ingevoerd mits: - 1º. aan de eigenaar of houder voor het motorrijtuig door de Minister van Defensie een registratiebewijs is afgegeven dat het voor het motorrijtuig opgegeven registratienummer inhoudt, en - 2º. aan de voor- en achterzijde van het motorrijtuig duidelijk zichtbaar een plaat is aangebracht met een witomrande zwarte achtergrond en in witte letters en cijfers het voor het motorrijtuig opgegeven registratienummer; - b. motorrijtuigen, in eigendom toebehorend aan of gehouden door leden van de Duitse krijgsmacht of de Duitse civiele dienst in de zin van artikel I van het in onderdeel a bedoelde verdrag van 1951, die de Duitse nationaliteit bezitten en behoren tot de vaste kampstaf van het te Budel gestationeerde onderdeel van de Duitse Bundeswehr, voor zover deze motorrijtuigen op grond van artikel XI, zesde lid, van het hiervoor bedoelde verdrag van 1951 hier te lande met tijdelijke vrijstelling van belasting kunnen worden ingevoerd, mits: - 1º. aan de eigenaar of houder voor het motorrijtuig door de Minister van Defensie een registratiebew"},{"i":14732,"b":"Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Wet financiering decentrale overheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=2), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet financiering decentrale overheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987); - b. **lidstaat:** staat die lid is van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; - c. **financiële onderneming:** een onderneming die in een lidstaat het bedrijf van bank mag uitoefenen, beleggingsdiensten mag verlenen, beleggingsinstellingen mag beheren, rechten van deelneming in een beleggingsmaatschappij mag aanbieden, of het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen. - d. **solvabiliteitsratio:** het in een lidstaat voor een financiële onderneming voorgeschreven minimumniveau aansprakelijk vermogen tegenover aangehouden naar risicograad gewogen activum; - e. **vastrentende waarden:** openbare en onderhandse leningen; - f. **nazorgfondsen:** fondsen als bedoeld in [artikel 15.47 van de Wet Milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.47). - g. **rating:** taxatie van de kredietwaardigheid van een financiële onderneming of een land, bepaald door een ratingbureau; - h. **nettingovereenkomst:** een overeenkomst op grond waarvan de wederzijdse verplichtingen tussen partijen verrekend worden waardoor wordt bepaald wat de ene partij per saldo aan de andere partij verschuldigd is; - i. **waardepapieren:** documenten met een geldswaarde, zoals een bewijs van een aandeel of obligatie; - k. **rentecap:** financieel derivaat waarbij de koper gedurende een in de overeenkomst overeengekomen renteperiode van de verkoper een geldsom ontvangt indien de variabele rente zich boven een ove"},{"i":14734,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 maart 2017, 2017-0000044513, tot vaststelling van de uitzondering van de inlichtingenplicht Gelet op [artikel 49 van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=49), [artikel 35, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=35), [artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=15), [artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=17), [artikel 13, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=13), en [artikel 13, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=13); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **basisregistratie personen:** de basisregistratie personen, bedoeld in [artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.2); - **college:** het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044), en de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163); - **polisadministratie:** de polisadministratie, bedoeld in [artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=33); - **SVB:** de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkom"},{"i":14814,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 oktober 2005, nr. Z/F-2620417, houdende vaststelling van de standaardpremie 2006 (Regeling vaststelling standaardpremie 2006) Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie wordt voor het jaar 2006 vastgesteld op € 1015. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie 2006. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14750,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 17 maart 2017, nr. WJZ/17041359, handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën, houdende regels met betrekking tot het bedrag verschuldigd door verkrijgers of houders van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte bestemd voor landelijke commerciële radio-omroep (Regeling vaststelling bedrag landelijke commerciële radio-omroep 2017) Gelet op [artikel 3.15 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.15); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Economische Zaken; - **kavel:** frequentie of het samenstel van frequenties voor het gebruik waarvan een vergunning kan worden verleend; - **vergunning voor kavel A1:** de vergunning voor kavel A1 die verleend is op grond van de [Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen commerciële radio-omroep 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014741); - **vergunning voor kavel A3:** de vergunning voor kavel A3 die verleend is op grond van de [Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen commerciële radio-omroep 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014741); - **vergunning voor kavel A6:** de vergunning voor kavel A6 die verleend is op grond van de [Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen commerciële radio-omroep 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014741); - **vergunning voor kavel A7:** de vergunning voor kavel A7 die verleend is op grond van de [Regeling aanvraag- en verdeelprocedure vergunningen kavels A7, B38 en C08 met bijbehorende vergunningen voor digitale radio-omroep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033308); - **vergunning voor digitale radio-omroep:** vergunning voor het gebruik van 1/9e deel van een capaciteit van het frequentieblok bedoeld in nationale voetnoot HOL007A van het Nationaal Frequentieplan 2014 die gekoppeld is aan de te verlengen vergunning. Artikel 2 1. De verkrijger of houder va"},{"i":14791,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 oktober 2016, kenmerk 1032205-157188-Z, houdende vaststelling van de geraamde gemiddelde nominale premie voor 2017 Gelet op [artikel 2b, tweede lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b); Besluit: Artikel 1 De geraamde gemiddelde nominale premie, bedoeld in [artikel 2b, tweede lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b) wordt voor het jaar 2017 vastgesteld op € 1.241. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14811,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 oktober 2018, nr. 2018-0000167262, tot vaststelling van de premiepercentages van de Cessantiawet BES, de Wet ongevallenverzekering BES en de Wet ziekteverzekering BES In overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 7, vierde lid, van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=7), [artikel 8, derde lid van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=8) en [artikel 8, vierde lid van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8); Besluit: Artikel I. Vaststelling premiepercentage [Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304) Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 7, derde lid, van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=7), wordt vastgesteld op 0,1%. Artikel II. Vaststelling premiepercentage [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497) Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Wet ongevallenverzekering BES,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=8) wordt vastgesteld op 0,3%. Artikel III. Vaststelling premiepercentage [Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728) Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 8, derde lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8), wordt vastgesteld op 1,3%. Artikel IV. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14769,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 november 2016, 2016-0000252614, tot vaststelling van de consumentprijsindexcijfers voor Caribisch Nederland voor 2017 alsmede naar aanleiding daarvan de vaststelling van diverse bedragen en percentages In overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de [artikelen 7b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7b), [8a, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=8a), en [27 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=27), [12a, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=12a), en [30 van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=30), [13, eerste, tweede en derde lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=13), [7, vierde lid, van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=7), [5, negentiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=5), [8, derde lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=8), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5), en [8, vierde lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8), [10, eerste lid, van de Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347&artikel=10), [7b, derde lid, van de Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=7b), [7, vierde lid, van de Arbeidsvrederegeling BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028762&artikel=7) en [21, eerste, derde en vierde lid, van het Besluit onderstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=21); Besluit: Artikel 1. Consumentenprijsindexcijfer Caribisch Nederland"},{"i":14760,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 2 december 2019, 2019-199999, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2020 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); BESLUIT: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2020: | Categorie 1 | € 37,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto’s; | | --- | --- | --- | | Categorie 3 | € 37,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 6 | € 12,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1, 3, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 12,50 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 12,50 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14756,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 30 november 2015, 2015-0000019790, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2016 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2016: | Categorie 1 | € 150,00 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 3 | € 150,00 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 6 | € 50,00 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1,3, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 50,00 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 50,00 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14754,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 2 december 2013, kenmerk: FM 2013/2100 M, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2014 (Regeling vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 2014) Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2014: | Categorie 1 | € 187,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 3 | € 187,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 6 | € 62,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1, 3, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 62,50 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 62,50 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14806,"b":"Regeling vaststelling meldingsformulier voor registratie geïndiceerde leerlingen Gelet op de [artikelen 11, lid 6 Besluit bekostiging WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=11), [artikel 4 Besluit informatievoorziening WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008948&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Vaststelling meldingsformulier voor registratie geïndiceerde leerlingen die vallen onder het regime van de [WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) en [WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Het formulier voor de opgave van een geïndiceerde leerling als bedoeld in [artikel 28c van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=28c), wordt vastgesteld conform de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Vervallen oude formulieren Met ingang van de datum van de inwerkingtreding van deze regeling, vervalt het oude formulier met nummer CFI 55026. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 augustus 2006. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling meldingsformulier geïndiceerde leerlingen. Bijlage Niet opgenomen. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a In uitzondering op [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020147&artikel=1&z=2022-08-01&g=2022-08-01), gebruikt een bevoegd gezag voor de opgave van een geïndiceerde leerling als bedoeld in [artikel 28c van de Wet op de Expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=28c), niet het formulier als bedoeld in het eerste lid, indien de minister van oordeel is dat een bevoegd gezag heeft aangetoond in staat te zijn de leerlinggegevens te leveren op de grond van de in [artikel 12 van de Wet register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=12) bedoelde wijze. Bijlage Niet opgenomen. Deze"},{"i":14810,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 oktober 2003, nr. GVM-2419898, houdende vaststelling van modellen BOPZ Gelet op [artikel 3 van het Besluit administratieve bepalingen Bopz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006222&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De verklaringen, bedoeld in de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=5), [14a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=14a), [14c, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=14c), [14h, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=14h), [16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=16), [21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=21), [33, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=33), [34b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=34b), [34p, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=34p), en de beschikking, genoemd in [artikel 20, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=20) worden opgesteld overeenkomstig modellen, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlagen. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang 1 januari 2004. 2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015807&artikel=1&z=2009-01-01&g=2009-01-01), met betrekking tot de bijlage, die uitvoering geeft aan [artikel 14h, vierde lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=14h) in werking op het tijdstip waarop de regels over de observatiemachtiging in de [wet van 13 juli 2002, houdende wijziging van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (voorwaardelijke machtiging en observatiemachtiging) (Stb. 431)](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":14825,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 oktober 2025, nr. MBO/54853825, houdende vaststelling van het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2026 van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027 en wijziging van het Instellingsbesluit Tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo in verband met de gewijzigde samenstelling van de adviescommissie Gelet op de [artikelen 2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3), [2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.2.3), [5.9 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9), en de [artikelen 5, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&artikel=5), en [18, eerste lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&artikel=18); Besluit: Artikel I. Vaststelling subsidieplafond voor het kalenderjaar 2026 [Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024-2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883) Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&artikel=5) voor het kalenderjaar 2026 wordt: - a. voor de aanvraagperiode van 1 januari 2026 tot en met 31 januari 2026 vastgesteld op € 7 miljoen; en - b. voor de aanvraagperiode van 1 juni 2026 tot en met 30 juni 2026 vastgesteld op € 10.431.065,–. Artikel II. Wijziging [Instellingsbesluit tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041860) Wijzigt het Instellingsbesluit tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo. Artikel III. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. De regeling zal met de toelichting in de Staa"},{"i":14792,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 30 oktober 2017, kenmerk 1248964-169715-Z, houdende vaststelling van de geraamde gemiddelde nominale premie voor 2018 Gelet op [artikel 2b, tweede lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b); Besluit: Artikel 1 De geraamde gemiddelde nominale premie, bedoeld in [artikel 2b, tweede lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b) wordt voor het jaar 2018 vastgesteld op € 1.371. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14742,"b":"Regeling valschermspringen BES Treedt in werking om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. doelgebied: het terrein waarop de valschermspringer beoogt neer te komen; - b. valscherm: een scherm, dat dient om de daalsnelheid van een persoon zodanig te beperken, dat hij veilig de begane grond kan bereiken; - c. valschermspringen: het uit een zich in de lucht bevindend luchtvaartuig springen met een valscherm; - d. valschermspringgebied: een kolom luchtruimte in de vorm van een cilinder met een straal van 3.7 km (2 nm) rond het middelpunt van het doelgebied en een hoogte gelijk aan de maximale voorgenomen springhoogte. Artikel 2 Voor het regelmatig gebruik van een valschermspringgebied moet door de betrokken luchtverkeersleidingorganisatie schriftelijk toestemming zijn verleend en moet het valschermspringgebied als zodanig zijn bekendgesteld aan luchtvarenden door middel van een publikatie in de luchtvaartgids AIP of een kennisgeving aan luchtvarenden (NOTAM). Artikel 3 Het voornemen tot incidenteel gebruik van een deel van het luchtruim als valschermspringgebied moet bekend zijn gesteld aan luchtvarenden door middel van een NOTAM. Artikel 4 - 1. Voor het incidenteel gebruik van een valschermspringgebied dat geheel of ten dele is gelegen binnen een (of meerdere) luchtverkeersleidingsgebied(en) moet toestemming zijn verkregen van de betrokken luchtverkeersleidingsdienst(en). - 2. Een verzoek tot toestemming als bedoeld in het eerste lid moet tenminste vijf werkdagen tevoren de betrokken luchtverkeersleidingsdienst hebben bereikt; indien een (voorlopige) toestemming wordt verleend, verzorgt laatstgenoemde dienst en wanneer meerdere luchtverkeersleidingsdiensten betrokken zijn, de luchtverkeersleidingsdienst die luchtverkeersleiding geeft in het luchtverkeersleidingsgebied met de laagste verticale begrenzing, de bekendstelling als bedoeld in [artikel 3](https://we"},{"i":14803,"b":"Regeling vaststelling legitimatiebewijs Kadasterwet Gelet op [artikel 7b, derde lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=7b), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen Het legitimatiebewijs als bedoeld in [artikel 7b, eerste lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=7b) wordt vastgesteld overeenkomstig het model dat als bijlage bij deze regeling is gevoegd. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004. Bijlage Deze bijlage behoort bij de regeling van 1 december 2003, nr. 03.030830 Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14780,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 22 maart 2018, nr. WJZ/18026072, tot vaststelling van de definitieve correcties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2017 (Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2017) Gelet op [artikelen 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [31, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31) en [47, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **basisbedrag:** het basisbedrag, bedoeld in de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28) of [artikel 44, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44); - –. **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - –. **regeling 2008:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - –. **regeling 2009:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - –. **regeling 2010:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - –. **regeling 2011:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030034); - –. **regeling 2012:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031291); - –. **regeling 2013:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032"},{"i":14785,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 november 2021, kenmerk 3279852-1019491-PG, houdende Regeling tot vaststelling formulier doodsoorzaak ten behoeve van de statistiek Gelet op [artikel 12a, vierde lid, van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=12a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel E, van de Wet van 14 juli 2021 tot wijziging van de Wet op de lijkbezorging in verband met het elektronisch doen van de opgave van de doodsoorzaak ten behoeve van de statistiek en het elektronisch verzenden van verslagen in het kader van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Stb. 2021, 408), in werking treedt. Artikel 1 Het formulier voor de opgave van de doodsoorzaak, bedoeld in [artikel 12a, vierde lid, van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=12a) wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage van deze regeling. Artikel 2 De [regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 april 2002, kenmerk IBE/E-2275895, houdende Vaststelling formulier opgave doodsoorzaak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013647) (Stcrt. 2002, nr. 86), wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel E, van de Wet van 14 juli 2021 tot wijziging van de Wet op de lijkbezorging in verband met het elektronisch doen van de opgave van de doodsoorzaak ten behoeve van de statistiek en het elektronisch verzenden van verslagen in het kader van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Stb. 2021, 408), in werking treedt. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als Regeling vaststelling formulier opgave doodsoorzaak 2021. Bijlage Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14840,"b":"Regeling verantwoording bbaz 2021 compartiment 3 NR/REG-2129 Vastgesteld op 17 mei 2022 Gelet op de [artikelen 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=61), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van informatie die benodigd is om de beschikbaarheidbijdrage academische zorg (bbaz) te kunnen vaststellen. 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 2. Doel van de regeling Deze regeling beoogt om op transparante wijze vast te leggen welke gegevens de ontvangers van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg (bbaz) uit compartiment 3 dienen te verstrekken aan de NZa en hoe zij deze gegevens aan de NZa verstrekken. Deze regeling heeft uitsluitend betrekking op de ontvangers van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg uit compartiment 3 zoals gedefinieerd in [artikel 5.2 van de Beleidsregel Beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046406&artikel=5). De regeling legt vast op welke wijze de ontvangers van de bbaz voor compartiment 3 zich dienen te verantwoorden over het jaar 2021. 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op de ontvangers van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg uit compartiment 3 zoals gedefinieerd in de [Beleidsregel Beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046406) (kenmerk: 2021 – BR/REG-21147a). 4. Te verstrekken informatie 4.1. Procedure De procedure voor het verantwoordingsjaar 2021 is als volgt: 4.2. Verantwoording De jaarlijkse verantwoording voor de ontvangers van de bbaz in compartiment 3 heeft uitsluitend betrekking op het vaste deel van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg. De verantwoording ziet daarom uitsluitend toe op het onderdeel Ontwikkeling en Innovatie. 4.2.1. V"},{"i":14841,"b":"Regeling Verantwoording bbaz 2025 compartiment 1 Gelet op de [artikelen 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=61), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van informatie die benodigd is om de beschikbaarheidbijdrage academische zorg (bbaz) te kunnen vaststellen. 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 2. Doel van de regeling Deze regeling beoogt om op transparante wijze vast te leggen welke gegevens de ontvangers van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg (bbaz) uit compartiment 1 verstrekken aan de NZa en hoe zij deze gegevens aan de NZa verstrekken. De regeling legt vast op welke wijze ontvangers van de bbaz zich dienen te verantwoorden over het jaar 2025. Op basis van de verantwoording stelt de NZa het bedrag voor de bbaz-ontvangers vast. 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op de ontvangers van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg uit compartiment 1. 4. Te verstrekken informatie 4.1. Procedure De procedure voor het verantwoordingsjaar 2025 is als volgt: 4.2. Verantwoording De jaarlijkse verantwoording vindt plaats aan de hand van de volgende twee onderdelen: 4.2.1. Verantwoording patiëntgebonden labels De systematiek voor de verantwoording van de labels bestaat uit de volgende stappen: In aanvulling op bovenstaande geldt het volgende ten aanzien van de berekening van de meerkosten: Ad a) De ontvanger berekent de meerkosten op instellingsniveau als volgt: ad b) De instelling bepaalt de top vijf diagnosegroep als volgt: Bij het bepalen van de kosten voor de subtrajecten is de volgende scope van toepassing. Het gaat uitsluitend om verzekerde dbc-zorgproductie gerelateerd aan academische patiënten die zijn uitgeleverd door de NZa zoals bedoeld onder artikel 4.1 inclusief zorgtyp"},{"i":14842,"b":"Regeling verantwoording bbaz 2025 compartiment 2 Gelet op de [artikelen 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=61), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van informatie die benodigd is om de beschikbaarheidbijdrage academische zorg (bbaz) te kunnen vaststellen. 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 2. Doel van de regeling Deze regeling beoogt om op transparante wijze vast te leggen welke gegevens de ontvangers van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg (bbaz) uit compartiment 2 dienen te verstrekken aan de NZa en hoe zij deze gegevens aan de NZa verstrekken. Deze regeling heeft uitsluitend betrekking op de ontvangers van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg uit compartiment 2 zoals gedefinieerd in artikel 5.2 van de Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2025. De regeling legt vast op welke wijze de ontvangers van de bbaz voor compartiment 2 zich dienen te verantwoorden over het jaar 2025. 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op de ontvangers van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg uit compartiment 2 zoals gedefinieerd in de Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2025. 4. Te verstrekken informatie 4.1. Procedure De procedure voor het verantwoordingsjaar 2025 is als volgt: 4.2. Verantwoording De jaarlijkse verantwoording voor de ontvangers van de bbaz in compartiment 2 heeft uitsluitend betrekking op het vaste deel van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg. De verantwoording ziet daarom uitsluitend toe op het onderdeel Ontwikkeling en Innovatie. 4.2.1. Verantwoording ontwikkeling en innovatie De verantwoording van ontwikkeling en innovatie (O&I) ziet er als volgt uit: 5. Normenkader bij het verantwoordingsformulier Het verantwoording"},{"i":14843,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 15 februari 2013, nr. WJZ/13014657, houdende regels met betrekking tot de verdeling van frequentieruimte als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b, van de Telecommunicatiewet (Regeling verdeling op afroep) Gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=14) en [16 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=16); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Telecommunicatiewet, enz. (Nota frequentiebeleid 2005) in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanvrager:** degene die een aanvraag heeft ingediend; - b. **vergunning:** een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte met de omvang zoals die is vastgesteld op grond van [artikel 14, derde lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=14), of een veelvoud daarvan; - c. **winnende combinatie:** die combinatie van biedingen uit alle biedronden, houdende ten hoogste één bieding per deelnemer en betrekking hebbende op ten hoogste het aantal beschikbare vergunningen, die de hoogste totaalopbrengst oplevert; - d. **finale winnende combinatie:** de combinatie van biedingen die op grond van [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032899&paragraaf=4&artikel=21&z=2020-09-29&g=2020-09-29) of [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032899&paragraaf=4&artikel=22&z=2020-09-29&g=2020-09-29) de uitslag van de veiling vormt; - e. **winnende deelnemer:** de deelnemer wiens bieding deel uitmaakt van de finale winnende combinatie; - f. **VOA-procedure:** de verdeelprocedure die aanvangt met de eerste aanvraag als bedoeld in [artikel 15 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=15) en eindigt met de beslissing op de aanvragen ingevolge [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032899&paragraaf"},{"i":14844,"b":"Besluit van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 21 augustus 2025, nr. OJ2526VD, tot vaststelling van een Subsidieregeling Verduurzaming Onderzoeksjournalistieke Organisaties 2025–2026 Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3) en [8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **Journalistiek handelen:** het vergaren, verwerken en verspreiden van informatie en nieuws, waarbij: - i. het gaat om onafhankelijk tot stand gekomen berichtgeving die bestemd is voor een breed publiek en die bestaat uit originele, eigen content die niet machine-gegenereerd is; - ii. gestreefd wordt naar zo accuraat en evenwichtig mogelijke berichtgeving; en - iii. verantwoording wordt afgelegd en transparant wordt gehandeld en waarbij de afzender van de content duidelijk wordt gemaakt. - b). **Onderzoeksjournalistiek:** kritisch en diepgravend journalistiek onderzoek: - i. dat wordt uitgevoerd op basis van een onafhankelijk geformuleerde onderzoeksvraag (waarmee vooral bedoeld wordt dat de opzet is om langs journalistieke weg iets te onderzoeken, anders dan aan te tonen) en met toepassing van specifiek onderzoeksjournalistieke methoden; - ii. dat beoogt feiten en verbanden bloot te leggen die apart of in hun samenhang nog niet zichtbaar waren; en - iii. waarbij een zeker algemeen maatschappelijk belang in het geding is. - c). **Onderzoeksjournalistieke organisatie:** een private of publieke organisatie met als hoofdactiviteit en missie het bedrijven van onderzoeksjournalistiek in plaats van het maken van regulier, dagelijks nieuws waarbij: - i. de activiteiten zijn gericht op de Nederlandse markt; en - ii. minimaal 25% van het product of de dienst tot stand is gekomen op basis van journalistiek handelen;"},{"i":14845,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 27 juni 2018, nr. 2296729, houdende vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor buitengriffiers en waarnemend griffiers (Regeling vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers) Gelet op [artikel 3, derde lid, van het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013133&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De vergoeding voor buitengriffiers en waarnemend griffiers bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013133&artikel=3) wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van de in het voorgaande kalenderjaar gerealiseerde contractloonmutatie op jaarbasis in de sector Rechterlijke Macht. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041133&artikel=1&z=2021-01-23&g=2021-01-23) genoemde vergoeding bedraagt in het jaar 2021: € 138,65. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als Regeling vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14846,"b":"Regeling vergoeding extra werkdruk BSB Gelet op [artikel 60c van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=60c); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De militair die op of na 1 juli 2001 is geplaatst of tewerkgesteld op een nader door de Commandant van het Wapen der Koninklijke marechaussee aan te wijzen functie bij de Brigade speciale beveiligingsopdrachten (BSB) van de Koninklijke marechaussee, komt met ingang van 1 juli 2001 in aanmerking voor een vaste vergoeding ter zake van extra werkdruk. Artikel 2 - 1. De vaste vergoeding ter zake van extra werkdruk wordt toegekend voor zolang de militair is geplaatst of tewerkgesteld op een functie, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039958&artikel=1&z=2019-11-12&g=2019-11-12). - 2. In afwijking van [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039900&artikel=8) en [8a van de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039900&artikel=8a) wordt een vaste vergoeding voor extra werkdruk in de vorm van een afkoopsom toegekend van 25 uren overwerk per maand waarbij de waarde van ieder uur wordt bepaald op basis van 1/165 van het voor de militair geldende maandsalaris. - 3. De vergoeding wordt opgeschort gedurende de periode dat op de militair de [Regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039789) dan wel [hoofdstuk 3 van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039849&hoofdstuk=3) van toepassing is. Artikel 3 - 1. In afwijking van het gestelde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039958&artikel=2&z=2019-11-12&g=2019-11-12) heeft de militair bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039958&artikel=1&z=2019-11-12&g=2019-11-12) die werkzaamheden in een gebied b"},{"i":14849,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 maart 2013, nr. 365293, tot vaststelling van de vergoeding voor de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag en een gedragsverklaring aanbesteden (Regeling vergoeding verklaring omtrent het gedrag en gedragsverklaring aanbesteden) Gelet op [artikel 39, derde en vierde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=39), [artikel 48, tweede lid, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016544&artikel=48) en [artikel 9, eerste lid, van het Aanbestedingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032919&artikel=9); Besluit: Artikel 1 De kostenvergoeding bedoeld in [artikel 48, eerste lid, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016544&artikel=48), bedraagt voor een: - a. verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen: - 1°. indien deze rechtstreeks elektronisch bij de Minister voor Rechtsbescherming wordt aangevraagd: € 33,85; - 2°. indien deze rechtstreeks elektronisch bij de Minister voor Rechtsbescherming wordt aangevraagd teneinde op vrijwillige basis te werken met kwetsbare personen: € 0,00, voor zover de aanvrager als vrijwilliger werkzaam is bij een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport goedgekeurde en geregistreerde organisatie; - 3°. in alle andere gevallen: € 41,35; - b. verklaring omtrent het gedrag voor op grond van [artikel 35a, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=35a) aangewezen functies: € 70,00–; - c. verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen: € 207,00. Artikel 2 1. De vergoeding bedoeld in [artikel 39, derde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=39) bedraagt € 33,85. 2. De Bank voor Nederlandse Gemeenten int maandelijks"},{"i":14855,"b":"Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 13 maart 2003, nr. 5213867/03/6, ter uitvoering van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 en het Besluit bewijs omtrent toelating Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=5), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=11), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=17), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=23), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=29), [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=57), [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) en [71 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=71), de [artikelen 4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4), en [8, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8) en [artikel 6, eerste lid van het Besluit bericht omtrent toelating](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=6); Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Rijkswet:** de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738); - b. **De Minister:** de Minister van Justitie; - c. **Uitvoeringsautoriteit:** de in [artikel 2 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) genoemde autoriteit of ambtenaar; - d. **Handleiding:** Handleiding voor de toepassing van de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), die van kracht is in het desbetreffende Rijksdeel. Artikel 2 Tenzij in deze regeling anders is bepaald, oefent de uitvoeringsautori"},{"i":14867,"b":"Regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2026–2028 gelet op [artikel 10, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), van de **Wet op het specifiek cultuurbeleid**; gelet op [artikel 4:23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23) van de **Algemene wet bestuursrecht**; gelet op het [Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516); met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 januari 2022; en voor de gewijzigde versie op 27 maart 2023; besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Gebruikte begrippen In deze regeling worden onderstaande begrippen gebruikt. - a. **Adviescommissie:** een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie. - b. **Amateurkunst:** het maken van kunst door individuele personen of groepen op een niet-professioneel niveau. Het betreft hier per definitie geen cultuureducatie of co-creatie. - c. **Amateur:** een niet-professional. Een amateur is een persoon die kunst maakt in de vrije tijd of zonder noemenswaardige directe inkomsten. - d. **Amateurkunstgroepen:** groepen amateurs in de vorm van formele verenigingen en stichtingen óf groepen en verbanden die zich op een informele manier, bijvoorbeeld op projectbasis, hebben verenigd. - e. **Amateurkunstkoepel:** in deze regeling, specifiek [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051961&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&z=2025-12-16&g=2025-12-16), worden de volgende negen instellingen als amateurkunstkoepel aangemerkt: Circuspunt, Danslink, Federatie van Folkloristische Groepen in Nederland, Fotobond, Koninklijke Nederlandse Muziek Organisatie, Koornetwerk Nederland, Landelijke Organisatie Studenten Theaterverenigingen + Stichting Visie Amateurtheater, Nederlandse Organisatie van Audiovisuele Amateurs, Stichting Textiel Informatie"},{"i":14868,"b":"Regeling verstrekken bijdrage festivalorganisaties die door onvoorziene weeromstandigheden in financiële nood komen (‘Slecht Weer Fonds’), Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+ Inleiding Het ‘Slecht Weer Fonds’ (SWF) is een revolverend fonds waaruit festivalorganisaties die een tekort hebben opgelopen als gevolg van onvoorziene weersomstandigheden een bijdrage kunnen krijgen. Te denken valt aan tegenvallende eigen inkomsten vanwege het wegblijven van bezoekers of tegenvallende horeca-inkomsten of extra kosten voor maatregelen die moeten worden genomen om festival doorgang te kunnen laten vinden (huur materiaal, extra beveiligingsmaatregelen). Uitgangspunt is dat de bijdrage moet worden terugbetaald als de financiële positie van de organisatie dat toelaat. Het SWF is ondergebracht bij het Fonds Podiumkunsten en staat open voor festivals in alle kunstvormen die gefinancierd worden door het Ministerie van OCW of een van de rijkscultuurfondsen. Het SWF is ingesteld omdat onverwachte weersomstandigheden voor een festival, vanwege de beperkte tijdspanne, een relatief grote impact hebben. Het SWF voorkomt dat festivalorganisaties een deel van hun middelen moeten reserveren voor het dekken van risico's, wat ten koste gaat van hun artistieke-inhoudelijke activiteiten. Doel Het doel van het SWF is om te voorkomen dat de continuïteit van een festival in gevaar komt. Het SWF is niet bedoeld om verantwoordelijkheden van het festival over te nemen, de eigen verantwoordelijkheid van de organisatie blijft centraal staan. Vereisten Een bijdrage wordt alleen verstrekt als: Bedragen Startkapitaal van het SWF is 500.000 euro. Het bedrag wordt revolverend ingezet, wat wil zeggen dat terugbetaalde bedragen terugvloeien in het SWF. De hoogte van de bijdrage is afhankelijk van verschillende factoren. Niet alleen moet de hoogte realistisch zijn ten opzichte van de gemiddelde jaarbegroting van het festival, ook moet aannemelijk zijn dat de bijdrage kan worden terugbetaald binnen een"},{"i":14869,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 29 maart 2017, nr. 2045955 houdende regels voor de verstrekking van zaaksinformatie aan slachtoffers gelet op de [artikel 51ac, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51ac). Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903). - b. **slachtoffer:** de personen als bedoeld in [artikel 51a, eerste lid, onder a en c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a). - c. **minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - d. **de opsporingsambtenaar:** een ambtenaar als bedoeld in [artikel 141 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141). Artikel 2 1. Het slachtoffer kan gedurende het strafproces op elk moment bij de opsporingsambtenaar, of andere ambtenaar van een organisatie die opsporing van strafbare feiten tot taak heeft, het verzoek doen om de informatie te ontvangen als bedoeld in [artikel 51ac, eerste lid, onder a tot en met k en het vierde en vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51ac). 2. Naast de informatie als bedoeld in [artikel 51ac, eerste lid, onder a tot en met k, en het vierde en vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51ac) kan het slachtoffer de opsporingsambtenaar, of andere ambtenaar van een organisatie die opsporing van strafbare feiten tot taak heeft, gedurende het strafproces verzoeken om andere informatie te ontvangen over de aanvang en voortgang van de zaak, naar aanleiding van een tegen het slachtoffer gepleegd strafbaar feit. 3. Wanneer het slachtoffer het verzoek als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan, doet de ambtenaar of andere ambtenaar van een organisatie die opsporing van strafbare feiten tot taak heeft, binnen 14 dagen vanaf het moment dat de informatie als bedoeld in [artik"},{"i":14922,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 februari 2026, nr. 2026-0000072641, houdende regels over waardevermeerdering van gebouwen in verband met schade als gevolg van gaswinning Groningenveld (Regeling waardevermeerdering gebouwen gaswinning Groningenveld 2026) [KetenID WGK 028672] Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3) en [4, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met f, en h, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, vijfde lid, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=9), [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), en [14 van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **de-minimisverordening:** [Verordening (EU) 2023/2831](32023R2831) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun; - **gebouw:** gebouw als bedoeld in [artikel 1 van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=1); - **logiesfunctie:** logiesfunctie als bedoeld in [bijlage I bij artikel 1.1, onderdeel B, van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I); - **lokaal energieproject:** project gericht op energiebesparing of opwekking van duurzame energie ten behoeve van het eigen gebouw, dat wordt uitgevoerd binnen het postcodegebied waarin het eigen gebouw is gelegen of één van de aangrenzende postcodegebieden; - **maatschappelijke organisatie:** - a. stichting als bedoeld in [artikel 285 van Boe"},{"i":14923,"b":"Regeling houdende uitvoering voor de Nederlandse Antillen van artikel 276, zesde lid, van het Vissersvaartuigenbesluit (Regeling wachtalarminstallatie voor de Nederlandse Antillen) Gelet op [artikel 276, zesde lid, van het Vissersvaartuigenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=276); Besluit: Artikel 1 1. Een wachtalarminstallatie wordt inen uitgeschakeld door middel van een sleutelbediende schakelaar. 2. Een wachtalarminstallatie is voorzien van een tijdmeetsysteem met ten minste twee verschillende looptijden, waarvan de langste looptijd niet meer mag bedragen dan vijftien minuten. De looptijdkeuze moet sleutelbediend zijn en mag worden gecombineerd met de in het eerste lid bedoelde schakelaar. 3. Een dimbare controlelamp geeft aan dat de wachtalarminstallatie in bedrijf is. 4. Na de inschakeling van de wachtalarminstallatie start het tijdmeetsysteem. Dit tijdmeetsysteem kan op elk gewenst moment door middel van een terugsteldrukknop op nul worden teruggesteld, waarna de tijdmeting weer opnieuw begint. 5. Aan het eind van de gekozen looptijd treedt in het stuurhuis een zichtbaar en hoorbaar waarschuwingssignaal in werking. 6. Indien niet binnen zestig seconden na de inwerkingtreding van het waarschuwingssignaal, bedoeld in het vijfde lid, het tijdmeetsysteem door middel van de terugsteldrukknop op nul wordt teruggesteld, wordt een hoorbaar alarm gegeven in de verblijven van de kapitein, de stuurman alsmede andere daarvoor in aanmerking komende verblijven. 7. De terugsteldrukknop wordt niet vanaf een normale navigatiepositie zoals de stuurstoel bediend. 8. Een wachtalarminstallatie voldoet aan de als bijlage bij deze regeling behorende paragrafen 5 en 6 van de op 6 november 1991 aangenomen Resolutie A.694(17) van de Internationale Maritieme Organisatie. Artikel 2 1. De kapitein ziet erop toe dat de wachtalarminstallatie in werking is wanneer uitsluitend door de chef van de wacht op de brug wacht wordt gelopen. 2. Tijdens de uitoefening van"},{"i":14935,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 september 2004, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/KO/2004/65638, houdende nadere regels ter zake van enkele in de Wet kinderopvang geregelde onderwerpen (Regeling Wet kinderopvang) Gelet op de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=24), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=30), [35, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=35), [45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=45), [46, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=46), [48, vijfde en negende lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=48), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=53), [56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=56), [62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=62), [67, tweede lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=67); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet kinderopvang in werking treedt. Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Besluit registers:** [Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030892); - b. **kinderopvangtoeslag buitenland:** totaalbedrag van de kinderopvangtoeslagen die door tussenkomst van de Sociale verzekeringsbank worden uitbetaald aan ouders die in een andere lidstaat dan Nederland of in Zwitserland wonen of werken dan wel wonen en werken; - c. **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - d. **uitvoeringskosten:** totaalbedrag van de kosten die de Sociale verzekeringsbank maakt bij de uitvoering, bedoeld in [artikel 34, derde lid, onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wett"},{"i":14936,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming van 25 november 2019 nr. 2710533 betreffende de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Regeling wetenschappelijke onafhankelijkheid WODC) Besluiten: § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling 1. In deze regeling wordt verstaan onder **ministerie**, **bewindspersoon**, **bestuursdepartement** en **bestuursraad**: hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=1). 2. In deze regeling wordt verstaan onder: - **WODC:** het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, bedoeld in [artikel 63h2 van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=63h2); - **directeur:** de directeur van het WODC; - **onderzoek:** een door of in opdracht van het WODC uit te voeren wetenschappelijk onderzoek of beleidsonderzoek, tenzij in deze regeling anders is bepaald; - **Raad van Advies:** de Raad van Advies, bedoeld in [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042833&paragraaf=3&artikel=13&z=2019-12-03&g=2019-12-03). Artikel 2. Toepassingsbereik Deze regeling wordt in acht genomen door de bewindspersonen en de onder hen ressorterende dienstonderdelen en personen. § 2. Functioneringsvoorwaarden Artikel 3. Beperking aanwijzingsbevoegdheid Een bewindspersoon geeft het WODC geen aanwijzingen over: - a. de te hanteren onderzoeksmethoden; - b. de gunning van een onderzoek; - c. de inhoud van een onderzoek; of - d. het resultaat van een onderzoek of de openbaarmaking daarvan. Artikel 4. Informatieplicht De onder de bewindspersonen ressorterende dienstonderdelen en personen verschaffen aan de directeur desgevraagd of uit eigen beweging alle informatie die redelijkerwijs voor de vervulling"},{"i":14961,"b":"Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 01-12-2020 tot instelling van de Adviescommissie Toelating op Rechtwijzer.nl en vaststelling Reglement Adviescommissie Toelating op Rechtwijzer.nl gelet op [artikel 8, eerste lid, van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8) Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Een Adviescommissie Toelating op Rechtwijzer.nl in te stellen voor de advisering over (de besluitvorming op) de aanvragen voor Toelating op Rechtwijzer.nl, alsmede de samenstelling en werkwijze van deze commissie conform onderstaand reglement Adviescommissie Toelating op Rechtwijzer.nl vast te stellen; Reglement Adviescommissie toelating op Rechtwijzer.nl Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de Raad:** het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand; - b. **de commissie:** de Adviescommissie Toelating op Rechtwijzer.nl; - c. **aanvraag:** een aanvraag tot toelating tot – en verlenging – van een product of dienst op www.rechtwijzer.nl; - d. **aanvrager/aanbieder:** de aanvrager/aanbieder van een aanvraag zoals bedoeld in het vorige lid; Artikel 2. Taken en werkzaamheden De commissie is belast met: - 1. het aan de hand van door de Raad opgestelde selectie-en kwaliteitsvoorwaarden (toelatingsvoorwaarden)1Zie bijlage 1 van visie Rechtwijzer 2017- 2019 uitbrengen van een advies over de toelating van een aanbieder die: - a. Op eigen initiatief verzoekt om toelating van zijn product/dienst op Rechtwijzer (Vrije inzending). - b. Op uitnodiging van de Raad een product/dienst voor Rechtwijzer ontwikkelt of aanbiedt. - c. Naar aanleiding van een door de Raad uitgeschreven prijsvraag (challenge, hackathon) een product/dienst ontwikkelt of aanbiedt. - 2. het aan de hand van de in het vorige lid bedoelde selectie- en kwaliteitsvoorwaarden uitbrengen van een advies aan het bestuur van de Raad over de verlenging of intrekking van de toelating van een o"},{"i":14964,"b":"Reglement behandeling bezwaarschriften RvR in aanmerking nemend de bepalingen over bezwaar van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Awb), in het bijzonder de [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=7), Besluit onderstaand reglement m.b.t. de inrichting van de bezwaarprocedure vast te stellen: Artikel 1. definities - 1. **de Raad:** de voor het behandelen van en het nemen van besluiten ten aanzien van ontvangen bezwaarschriften door het bestuur gemandateerde medewerkers; - 2. **de Commissie voor Bezwaar:** de adviescommissie als bedoeld in [artikel 7:13 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13). Artikel 2. ontvangstbevestiging 1. Op het bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst aangetekend. 2. De Raad bevestigt de ontvangst van het bezwaarschrift aan de indiener. 3. De Raad brengt daarnaast andere belanghebbenden na ontvangst van het bezwaarschrift schriftelijk op de hoogte van het ingediende bezwaar. Artikel 3. vertegenwoordiging 1. Als het bezwaarschrift is ingediend (mede) namens een natuurlijke of rechtspersoon, kan een schriftelijke machtiging worden verlangd. 2. Als de Raad een schriftelijke machtiging verlangt, stelt hij de indiener in de gelegenheid binnen twee weken een machtiging te overleggen op straffe van niet-ontvankelijkheid. Eerst na ontvangst van de machtiging wordt het bezwaarschrift verder in behandeling genomen. Artikel 4. vormverzuimen 1. Als niet is voldaan aan [artikel 6:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5) of aan enig ander wettelijk vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, wordt de indiener in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen twee weken te herstellen. Desgevraagd kan er uitstel worden verleend voor een termijn van twee weken. 2. Bij overschrijding van de in het eerste lid genoemde termijn wordt het b"},{"i":14966,"b":"Gelet op artikel 10, derde lid, van de Landbouwkwaliteitswet maakt de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bekend het hierna opgenomen Reglement COKZ-benamingen van de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel, goedgekeurd door de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij besluit van 15 augustus 1994, Nr. J. 9412308 Gelet op [artikel 10, eerste lid, onder e, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=10) (Stb. 1971, 371), alsmede artikel 36, tweede lid, van de statuten van genoemde Stichting (Stcrt. 1992, 63); Heeft in zijn vergadering van 15 september 1994 vastgesteld het navolgende reglement: Reglement controle op oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en specificiteitscertificering (Reglement COKZ benamingen) Artikel 1. Definities - a. Aangeslotene: iedere natuurlijke of rechtspersoon, die zich heeft aangesloten bij het COKZ in het kader van het [Besluit benamingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006327); - b. Besluit benamingen: het [Landbouwkwaliteitsbesluit bescherming van geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en specificiteitscertificeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006327) (Stb. 1994, 37); - c. EG-[verordening 2081/92](31992R2081): de [Verordening (EEG) nr. 2081/92](31992R2081) van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwprodukten en levensmiddelen; - d. EG-[verordening 2082/92](31992R2082): de [Verordening (EEG) nr. 2082/92](31992R2082) van de Raad van 14 juli 1992 inzake de specificiteitscertificering voor landbouwprodukten en levensmiddelen; - e. Regeling benamingen: de [Landbouwkwaliteitsregeling bescherming van geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en specificiteitscertificeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006397) (Stcrt. 1994, 7); - f. R.V.V.: de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees; - g. Partij: een hoe"},{"i":14967,"b":"Reglement commissie van advies inzake gewetensbezwaren militaire dienst Gelet op [artikel 4, tweede lid, van het Besluit gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002465&artikel=4); Gelezen de brief van de Commissie van advies inzake gewetensbezwaren militaire dienst van 2 juni 1995; Besluit: Het bij deze beschikking gevoegde reglement, op 23 mei 1995 vastgesteld door de commissie, bedoeld in [artikel 5 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386&artikel=5), goed te keuren. Reglement commissie van advies inzake gewetensbezwaren militaire dienst § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: § 2. Presidium en voorzitter Artikel 2 1. Voorzitter en vice-voorzitters van de commissie vormen het presidium. 2. Het presidium vergadert: - a. telkens ter voorbereiding van een plenaire vergadering van de commissie; - b. op verzoek van één van de vice-voorzitters; of - c. voor zover de voorzitter dat nodig oordeelt. 3. De voorzitter kan andere leden van de commissie respectievelijk de secretaris dan wel plaatsvervangend secretaris van de commissie uitnodigen de vergadering geheel of gedeeltelijk bij te wonen. De voorzitter kan voorts besluiten andere dan de in de eerste volzin bedoelde personen uit te nodigen de vergadering geheel of gedeeltelijk bij te wonen. 4. De oproeping tot een vergadering geschiedt schriftelijk door de voorzitter, met inachtneming van een termijn van tien werkdagen. In spoedeisende gevallen, ter beoordeling van de voorzitter, kan deze termijn worden teruggebracht tot drie werkdagen. 5. Bij de oproeping wordt mededeling gedaan van de agenda van de vergadering en worden de bijbehorende stukken meegezonden. Vergaderstukken kunnen worden nagezonden. Artikel 3 De algemene taak van de voorzitter berust tijdens zijn afwezigheid bij de vice-voorzitter die de oudste is naar benoeming of – bij gelijktijdige benoeming – naar leeftijd. § 3. Commissie Artikel"},{"i":14969,"b":"Reglement erkenning leerbedrijven SBB Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - 1. **SBB:** het bestuur van de samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven zoals bedoeld in [artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.5.1) (WEB). - 2. **Leerbedrijf:** het bedrijf dat of de organisatie die op grond van dit reglement bevoegd is om de beroepspraktijkvorming te verzorgen. - 3. **Praktijkopleider:** een door het leerbedrijf aangewezen persoon, die belast is met de begeleiding van de onderwijsdeelnemer binnen het leerbedrijf. - 4. **Reglement:** reglement erkenning leerbedrijven opgesteld ingevolge [artikel 7.2.10 lid 1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.10) (WEB). - 5. **Onderwijsdeelnemer:** VMBO-leerling of MBO-student. - 6. **Onderwijsinstelling:** school voor VMBO of MBO. Artikel 2. Doel Uitsluitend bedrijven en organisaties in binnen- en buitenland die voldoen aan de bepalingen in dit reglement en die door SBB als zodanig zijn erkend, zijn bevoegd om op te treden als leerbedrijf1SBB kan de toetsing van buitenlandse bedrijven op de geschiktheid als leerbedrijf overlaten aan buitenlandse partnerorganisaties. Deze partnerorganisaties dienen te beschikken over een goede systematiek voor het erkennen van leerbedrijven en SBB kan aantonen dat deze systematiek dekkend is voor de wettelijke erkenningseisen.. Artikel 3. Verzoek tot erkenning 1. Met inachtneming van de bepalingen in dit reglement wordt een erkenning afgegeven op verzoek van het bedrijf of de organisatie die de beroepspraktijkvorming wil verzorgen. Onderwijsinstellingen, onderwijsdeelnemers of andere betrokkenen kunnen met instemming van het leerbedrijf een voordracht voor erkenning indienen. 2. De aanvraag heeft betrekking op één of meerdere kwalificaties of delen daarvan. 3. Een aanvraag wordt in behandeling genomen indien dit een eerste"},{"i":14970,"b":"Reglement erkenning leerbedrijven van KC PMLF Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - 1. **KC PMLF:** Stichting Kenniscentrum Beroepsonderwijs Bedrijfsleven PMLF (voorheen Stichting VAPRO), zoals bedoeld in [artikel 1.5.1. van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.5.1). - 2. **BPV-overeenkomst:** De overeenkomst als bedoeld in [artikel 7.2.8. van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.8) (Stbl. 1995, 501). - 3. **Leerbedrijf:** Het (deel van het) bedrijf dat, of de organisatie die op grond van dit reglement bevoegd is om de beroepspraktijkvorming (BPV) te verzorgen. - 4. **Praktijkcentrum:** De organisatie die samen met een leerbedrijf het bij de kwalificatie behorende geheel aan beroepspraktijkvorming verzorgt. - 5. **Detacheringorganisatie:** De organisatie die fungeert als werkgever van de deelnemer, en de deelnemer plaatst bij een erkend leerbedrijf. - 6. **Kwalificatie:** De opleiding die gevolgd wordt door de onderwijsdeelnemer. Kenmerkend is dat aan de erkende kwalificaties een CREBO nummer is toegekend. - 7. **Reglement:** Reglement erkenning leerbedrijven van KC PMLF. - 8. **Onderwijsdeelnemer:** VMBO- of MBO-leerling. - 9. **Onderwijsinstelling:** school voor VMBO of MBO. Artikel 2.1. Doel Uitsluitend bedrijven en organisaties die voldoen aan de bepalingen in dit reglement en die door KC PMLF als zodanig zijn erkend, zijn bevoegd om op te treden als leerbedrijf, praktijkcentrum of detacheringorganisatie. Artikel 2.2. Soorten erkenningen In deze erkenningsregeling van KC PMLF worden de volgende erkenningen onderscheiden: - 1. **Erkend leerbedrijf.** In het leerbedrijf kan de volledige voor de kwalificatie te doorlopen beroepspraktijkvorming feitelijk plaatsvinden. In het leerbedrijf wordt de onderwijsdeelnemer geconfronteerd met de reële beroepspraktijk met alle daarbij behorende facetten, zoals de afhankelij"},{"i":14971,"b":"Reglement hoorcommissie bezwaarzaken met externe voorzitter 2023 Gelet op [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) en [7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=7), Besluit het volgende reglement vast te stellen voor het horen in de bezwaarfase door het Commissariaat voor de Media: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. **belanghebbende:** belanghebbende als bedoeld in [artikel 1:2, eerste lid, van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:2); - c. **Commissariaat:** Commissariaat voor de Media; - d. **externe voorzitter:** persoon, niet in dienst van het Commissariaat, die de hoorzittingen als benoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048869&artikel=2&z=2023-11-01&g=2023-11-01) leidt, daaronder ook te verstaan -tenzij hierna anders bepaald- de plaatsvervangend voorzitter; - e. **leden:** leden van de hoorcommissie, niet zijnde de externe voorzitter. Artikel 2. Toepassingsbereik Indien bezwaarschriften zijn gericht tegen een besluit van het Commissariaat, kan het Commissariaat bepalen dat het horen geschiedt door een hoorcommissie met een externe voorzitter. Dit [Reglement hoorcommissie bezwaarzaken met externe voorzitter 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048463) is van toepassing in bezwaarzaken waarbij het horen geschiedt door een hoorcommissie met een externe voorzitter. Artikel 3. Samenstelling hoorcommissie 1. De hoorcommissie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048869&artikel=2&z=2023-11-01&g=2023-11-01) bestaat uit de externe voorzitter en ten minste twee leden. 2. De leden zijn werkzaam bij de afdeling Handhaving en Bezwaar van het Commissariaat. Artikel 4. Benoeming externe voorzitter 1. De externe voorzitter wordt door het Commissariaat benoemd voor een ter"},{"i":14972,"b":"Besluit van het bestuur van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, houdende het organisatiereglement van de Dienst van het kadaster en de openbare registers (Reglement inrichting organisatie Kadaster 2021) Gelet op [artikel 17 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen De begripsomschrijvingen opgenomen in [artikel 1 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=1) gelden ook voor het onderhavige besluit. Artikel 2. Organisatieonderdelen 1. De Dienst bestaat uit de volgende organisatieonderdelen: - a. de directie Bestuur en Strategie; - b. de directie Data, Governance en Vernieuwing; - c. de directie Personeel en Organisatie; - d. de directie Beheer en Ontwikkeling Informatie Technologie; - e. de directie Operatie, Dienstverlening en Registratie; - f. de directie Financiën en Control; - g. Kadaster Bonaire; - h. Kadaster Sint Eustatius; - i. Kadaster Saba, en - j. Programmadirectie Tactische Beheerorganisatie [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885). 2. De organisatieonderdelen genoemd in het eerste lid, onder a. tot en met f. staan onder leiding van directeuren. De directeuren worden in functie benoemd bij besluit van het bestuur. Het bestuur kan ook besluiten dat de leden van het bestuur de functie van directeur van een of meer organisatieonderdelen bekleden. 3. Het organisatieonderdeel, genoemd in het eerste lid, onder j. staat onder leiding van de Programmadirecteur [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) en de organisatieonderdelen, onder g. tot en met i. staan onder directe leiding van het bestuur. Artikel 3. Evaluatie Het bestuur draagt zorg voor de evaluatie van dit reglement twee jaar na inwerkingtreding van dit reglement. Artikel 4. Intrekking eerdere regeling Het [Reglement inrichting organisatie Kadaster 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035964) wordt i"},{"i":14973,"b":"Reglement inzake de advisering van de Commissie beëdigde tolken en vertalers Artikel 1. Begripsomschrijvingen **In dit reglement wordt verstaan onder:** - 1. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - 2. **Wbtv:** de [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704); - 3. **Besluit btv:** het [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896); - 4. **reglement:** dit reglement inzake de advisering van de Commissie beëdigde tolken en vertalers; - 5. **De commissie:** de Commissie beëdigde tolken en vertalers zoals bedoeld in [artikel 2 van het Besluit btv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=2); - 6. **advies:** een advies op grond van de voorgeschreven taken zoals bedoeld in [artikel 2 van het Besluit btv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=2); - 7. **voorzitter:** de voorzitter dan wel de plaatsvervangend voorzitter; - 8. **Het lid/de leden:** leden van de commissie btv; - 9. **De secretaris:** de secretaris, die de commissie in haar werkzaamheden ondersteunt; - 10. **De Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie, voor deze de Raad voor Rechtsbijstand. Artikel 2. Samenstelling van de commissie 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en vier leden; 2. De Minister wijst een van de vier leden als plaatsvervangend voorzitter aan; 3. De voorzitter en leden maken geen deel uit van en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de Minister, respectievelijk de Raad voor Rechtsbijstand; 4. De Minister kan een protocol voor de commissie opstellen. Artikel 3. Secretaris 1. De commissie wordt bij de vervulling van haar werkzaamheden bijgestaan door een secretaris; 2. De secretaris is belast met het redigeren van het advies zoals bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034270&artikel=9&z=2014-02-01&g=2014-02-01) van het reglement. Artikel 4. Wijze van behandeling 1. De Minister vra"},{"i":14975,"b":"Reglement Kwaliteitsinstituut Wbtv 1. Begrippenomschrijving Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **minister:** de minister van Veiligheid en Justitie; - b. **Bureau Wbtv:** het Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers van de Raad voor Rechtsbijstand; - c. **Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - d. **wet:** de [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704); - e. **Kwaliteitsinstituut:** het Kwaliteitsinstituut Wet beëdigde tolken en vertalers. 2. Samenstelling, taken en bevoegdheden van het Kwaliteitsinstituut Artikel 2 1. Het Kwaliteitsinstituut heeft tot taak de minister en/of de Raad gevraagd en ongevraagd te adviseren over beleid en activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de [Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704). 2. Naar aanleiding van zijn bevindingen brengt het Kwaliteitsinstituut per onderwerp schriftelijk advies uit. De adviezen worden ondertekend door de voorzitter, gericht aan Bureau Wbtv en gepubliceerd op de internetsite van Bureau Wbtv. Artikel 3 1. Het Kwaliteitsinstituut stelt in samenspraak met de Raad een rooster van aan- en aftreden op dat de continuïteit van de samenstelling zo goed mogelijk waarborgt. Uitgangspunten zijn dat: - –. jaarlijks circa een vierde deel van de leden aan- en aftreedt; - –. de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter niet in hetzelfde jaar aftreden; - –. de tolk- en vertaalleden niet in hetzelfde jaar aan- en aftreden. Zodra er een vacature voor een lid van het Kwaliteitsinstituut ontstaat, stelt de Raad in samenspraak met de voorzitter een profiel op. De Raad maakt de vacature bekend via zijn nieuwsbrief, op zijn internetsite en eventueel via andere relevante kanalen. Het Kwaliteitsinstituut kan de voorzitter of een lid aanwijzen om de Raad te ondersteunen bij het selecteren van kandidaat-leden. 2. Het Kwaliteitsinstituut bestaat in elk geval uit: - –. twee tolken en twee vertalers; - –. een vertegenwoordiger van de mag"},{"i":14976,"b":"Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 Deel I Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.01. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - 1. **‘vaartuig’:** een schip of een drijvend werktuig; - 2. **‘schip’:** een binnenschip of een zeeschip; - 3. **‘binnenschip’:** een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren; - 4. **‘zeeschip’:** een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe is bestemd; - 5. **‘sleepboot’:** een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen; - 6. **‘duwboot’:** een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel; - 7. **‘duwbak’:** een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel; - 8. **‘passagiersschip’:** een schip voor dagtochten of een hotelschip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers; - 9. **‘schip voor dagtochten’:** een passagiersschip waarop zich geen hutten bevinden voor overnachting van passagiers; - 10. **‘hotelschip’:** een passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers; - 11. **‘snel schip’:** een schip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging dat een snelheid ten opzichte van het water kan bereiken van meer dan 40 km/u; - 12. **‘drijvend werktuig’:** een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggermolens, hei-installaties of elevatoren; - 13. **‘drijvende inrichting’** een drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst, zoals een badinrichting, een dok, een steiger of een botenhuis; - 14. **‘drijvend voorwerp’** een vlot, alsmede een ander voorwerp of samenstel van voorwerpen dat geschikt is gemaakt om te varen en d"},{"i":14978,"b":"Besluit van 10 mei 1995, houdende nadere regels met betrekking tot de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 10 maart 1994, Directoraat-Generaal Openbaar Bestuur; Gelet op artikel 14 van de wet van 29 september 1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw (**Stb.** 1994, 352) en op artikel 13 van de wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau (**Stb.** 1994, 351); Gezien het advies van het Kapittel voor de civiele orden; De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 13 april 1995, No. W04.95.0151/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 8 mei 1995, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Verleningscriteria Artikel 1 1. De Orde van de Nederlandse Leeuw strekt tot onderscheiding van personen wegens bijzondere verdiensten van zeer exceptionele aard jegens de samenleving. 2. Van verdiensten als bedoeld in het eerste lid is sprake, indien: - a. iemand een verantwoordelijkheid heeft gedragen of een bekwaamheid heeft getoond die aanmerkelijk groter is dan de samenleving van hem mocht verwachten; - b. iemand op uitstekende wijze werkzaamheden heeft verricht waarbij de samenleving in zeer belangrijke mate is gebaat, en in het bijzonder indien de maatschappelijke waardering daarvoor niet op andere wijze tot uitdrukking is gekomen of - c. iemand alleen of samen met anderen, al dan niet in opdracht, een zeer uitzonderlijke prestatie heeft verricht. Artikel 2 1. De Orde van Oranje-Nassau strekt tot onderscheiding van personen wegens bijzondere verdiensten jegens de samenleving. 2. Van verdiensten als bedoeld in het eerste lid is sprake, indien: - a. iemand zich geruime tijd ten bate van de samenleving heeft ingespannen of anderen heeft gestimuleerd; - b. iemand een of meer opvallende"},{"i":14979,"b":"Reglement op de Tuchtrechtspraak Gelet op [artikel 10, derde lid, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=10) (Stb. 1971, 371) maakt de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de tekst bekend van het Controleregelement en het gewijzigde Tuchtreglement van de Vereniging 'Kwaliteits-Controlebureau voor Groenten en Fruit': aan deze reglementen is bij beschikking van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 28 december 1992, No. J. 9220672, goedkeuring verleend. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: ‘K.C.B.’: de Vereniging ‘Kwaliteits-Controle-Bureau voor Groenten en Fruit’ gevestigd te ’s-Gravenhage; ‘(dagelijks) bestuur’: (dagelijks) bestuur van het K.C.B.; ‘statuten’: statuten van het K.C.B.; ‘tuchtgerecht’: orgaan van het K.C.B., als bedoeld in artikel 8, tweede lid, der statuten belast met de uitoefening van de tuchtrechtspraak over de aangeslotenen; ‘voorzitter’; de voorzitter van het tuchtgerecht, dan wel, bij diensontstentenis of verhindering, de vice-voorzitter; ‘aangeslotene’: een aangeslotene bij het K.C.B.; ‘Officier van Justitie’: Officier van Justitie bij de rechtbank van het arrondissement waar de overtreding werd gepleegd. Samenstelling en bevoegdheid van het tuchtgerecht Artikel 2 1. Het tuchtgerecht bestaat uit een voorzitter, een vice-voorzitter en vier overige leden. Het wordt bijgestaan door een secretaris en een adjunct-secretaris. De voorzitter en de vice-voorzitter alsmede de secretaris en de adjunct-secretaris dienen te voldoen aan de vereisten voor benoeming tot rechter in een arrondissementsrechtbank. 3. Het bestuur benoemt de in het eerste lid bedoelde personen voor drie jaar; zij zijn terstond herbenoembaar. 4. De benoeming van de voorzitter en de vice-voorzitter behoeft de goedkeuring van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Artikel 3 1. Echtgenoten, bloedverwanten of aanverwanten tot de derde graad ingesloten ku"},{"i":14981,"b":"Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film gelet op het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, lid 4, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van **4 november 2024**, besluit: Artikel 1. - definities - In dit reglement wordt verstaan onder: - **animatiefilm:** een filmproductie met een vertoningsduur van tenminste 60 minuten primair bestemd voor bioscoopuitbreng die een kunstmatige filmtechniek hanteert waarbij door het na elkaar afspelen van verschillende stilstaande beelden de illusie van beweging ontstaat; - **bestuur:** het bestuur van het Fonds; - **bioscoopuitbreng:** de landelijke distributie van een filmproductie, die na de première -voorafgaand aan de non-theatrical release – in een periode van tenminste 12 weken en in een significant aantal bioscopen of filmtheaters voor een betalend publiek in Nederland wordt uitgebracht; - **code diversiteit & inclusie:** de gedragscode gericht op een gelijkwaardige en toegankelijke cultuursector voor makers, producenten, werkenden en publiek, zoals van tijd tot tijd gepubliceerd op de website van het Fonds; - **completion bond:** de verzekering die waarborgt dat de filmproductie zal worden afgemaakt en opgeleverd onder in de verzekeringspolis opgenomen (budgettaire) voorwaarden, of dat – als de productie zou worden gestaakt – de tot dan toe gemaakte productiekosten worden terugbetaald; - **DAC-landenlijst:** de door de Development Assistance Committee (DAC) van de OESO opgestelde lijst met landen die ontwikkelingshulp ontvangen; - **DCP:** de digitaal opgeslagen kopie van de filmproductie (digital cinema package), die in een bioscoop kan worden vertoond; - **documentairefilm:** een non-fictie filmproductie met een vertoningsduur van tenminste 70 minute"},{"i":14982,"b":"Reglement toekenning Nederlandse Muziekprijs Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder - **de Nederlandse Muziekprijs:** een onderscheiding die tweejaarlijks namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt toegekend aan een musicus werkzaam in de klassieke muziek; - **juryprotocol:** Protocol juryleden en voorzitters prijsuitreikingen Fonds Podiumkunsten; - **solist:** solist: een instrumentalist of vocalist in de klassieke muziek. Artikel 2. Doel Het bestuur kent de Nederlandse Muziekprijs toe aan uitzonderlijke solisten in de klassieke muziek ter bevordering van erkenning en aandacht voor uitzonderlijk talent in de klassieke muziekpraktijk. Artikel 3. Jury 1. Er is een jury die het bestuur adviseert over de toekenning van de Nederlandse Muziekprijs. 2. Leden van de jury worden door het bestuur overeenkomstig het juryprotocol benoemd. 3. Voor de samenstelling van de jury geldt het juryprotocol. Artikel 4. Voorwaarden 1. Enkel personen met de Nederlandse nationaliteit of personen die op het moment van nominatie voor een langere periode in Nederland woonachtig en werkzaam zijn, komen in aanmerking voor de Nederlandse Muziekprijs. 2. De prijs is bestemd voor een solist in de leeftijd van 30 tot en met 45 jaar, die zich in de mid-career fase van diens carrière bevindt, een eigen praktijk heeft opgebouwd en de tijd en ruimte heeft om deze ook na een uitreiking verder uit te bouwen. Artikel 5. Procedure 1. Het Fonds stelt een lijst van genomineerden samen op basis van een uitvraag bij programmeurs van vijf vooraanstaande podia en eventueel aanvullende suggesties van de juryleden. Bij de uitvraag wordt gelet op de criteria voor de prijs: - a. Solistische excelle"},{"i":14983,"b":"Reglement tuchtrechtspraak BKD 2005 Gelet op [artikel 13, derde lid, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=13) en [artikel 2 van het Tuchtrechtbesluit Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003252&artikel=2) heeft het bestuur van de Stichting Bloembollenkeuringsdienst in haar vergadering van 25 april 2005 het navolgende reglement vastgesteld. Het reglement is goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: Bestuur: het bestuur van de Stichting. Voorzitter: de voorzitter van het tuchtgerecht. Hoofdstuk II. Samenstelling en bevoegdheid van het tuchtgerecht Artikel 2 1. Het tuchtgerecht is samengesteld uit een lid-voorzitter, een lid-vice-voorzitter en vier andere leden. Het wordt bijgestaan door een secretaris. 2. De voorzitter, de vice-voorzitter en de secretaris voldoen aan de vereisten voor benoeming tot rechter in een rechtbank. 3. De voorzitter, de vice-voorzitter en de andere leden mogen niet zijn leden van het bestuur van de Stichting of van een door dit bestuur benoemde commissie danwel enigerlei functie bij de Stichting bekleden. Het tuchtgerecht wordt zodanig samengesteld dat ten aanzien van alle productgroepen deskundigheid aanwezig is. 4. Het bestuur van de Stichting benoemt de in het eerste lid bedoelde personen voor vier jaren; zij zijn terstond herbenoembaar. 5. De benoeming van de voorzitter en de vice-voorzitter behoeft de goedkeuring van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 6. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaren wordt aan de voorzitter, de vice-voorzitter en de andere leden door het bestuur ontslag verleend. Artikel 3 1. Echtgenoten, bloed- of aanverwanten tot de derde graad ingesloten kunnen niet tezamen zijn voorzitter, vice-voorzitter, lid, of secretaris van het tuchtgerecht. 2. Indien het huwelijk eerst mocht worden aangegaan na de benoeming, zal de"},{"i":14984,"b":"Reglement van de Koninklijke Bibliotheek 2024 Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Hoofdstuk 2. Algemeen bestuurscollege Hoofdstuk 2. Algemeen bestuurscollege Hoofdstuk 4. De organisatie Hoofdstuk 5. Openbaarheid en tarieven Hoofdstuk 6. Rechtsbescherming Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen Bijlage 1. Besluit mandaat-, volmacht- en machtigingsregeling koninklijke bibliotheek 2022 Het Algemeen Bestuurscollege van de Koninklijke Bibliotheek, Gelet op de bepalingen in [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gelet op de bepalingen in de [Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886); Gelet op titel 3 van het Burgerlijk Wetboek; Gelet op de bepalingen in de [Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); Gelet op de bepalingen in de [Verordening (EU) 2016/679](32016R0679) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 96/46/EG](31996L0046) (verder: Algemene Verordening Gegevensbescherming) en de [Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940); Gelet op de bepalingen in de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); Gelet op de bepalingen in de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754); Gelet op de bepalingen in de [Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878) en; Gelet op [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050903&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2025-04-01&g=2025-03-12) en [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050903&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2025-04-01&g=2025-03-12) van het Reglement van de Koninklijke Bibliotheek Besluit: De directeur-biblioth"},{"i":14985,"b":"Besluit van 2 maart 1994, houdende vaststelling van een reglement van orde voor de ministerraad Op de voordracht van onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 25 februari 1994, nr. 94M001478, handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad van het Koninkrijk; Gelet op [artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=10) en [artikel 45 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=45); Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de raad: de ministerraad en voor zover zulks uit het Statuut volgt de raad van ministers van het Koninkrijk; - b. ministers: de minister-president, de overige bij koninklijk besluit benoemde ministers en voor zover zulks uit het Statuut volgt de gevolmachtigde ministers; - c. de gevolmachtigde minister: de door de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten benoemde gevolmachtigde minister. § 2. De samenstelling en bevoegdheid van de raad Artikel 2 1. De ministers vormen te zamen de raad. 2. De minister-president is voorzitter van de raad. 3. De bij koninklijk besluit benoemde vice-minister(s)-president(en) is (zijn) ondervoorzitter(s) van de raad. 4. De raad benoemt op voorstel van de minister-president de secretaris en de plaatsvervangend secretaris. 5. De minister-president benoemt een of meer adjunct-secretarissen. Artikel 3 1. Aan de vergaderingen van de raad, de onderraden en de andere commissies uit de raad kunnen deelnemen met raadgevende stem: - a. de door de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten overeenkomstig [artikel 10, tweede lid van het Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=10) aangewezen minister; - b. De staatssecretarissen, voorzover het zaken betreft waarbij zij uit hoofde van hun taak rechtstreeks zijn betrokken, bij afwezigheid van de minister, of voorzover de raad uit andere hoof"},{"i":14986,"b":"Reglement voor de gebruikersraad Kadaster 2023 Gelet op de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=16) en [16a van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=16a); Gehoord de gebruikersraad in de vergadering van 8 juni 2023; Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **bestuur:** bestuur als bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=3); - b. **beheerder:** beheerder als bedoeld in [artikel 1, onder h, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=1); - c. **Dienst:** Dienst voor het kadaster en de openbare registers als bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - d. **gebruikersraad:** gebruikersraad als bedoeld in [artikel 16 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=16); - f. **grondroerder:** grondroerder als bedoeld in [artikel 1, onder g, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=1); - g. **raad van toezicht:** raad van toezicht als bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=3); - h. **schriftelijk:** brief of e-mail; - i. **wet:** [Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463); Hoofdstuk 2. Inrichting en samenstelling Artikel 2 1. De gebruikersraad is gevestigd te Apeldoorn. 2. De gebruikersraad bestaat in elk geval uit de volgende leden: - a). een persoon die het notariaat vertegenwoordigt, aangewezen door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie; - b). een persoon die de tussenpersonen in onroerende zaken vertegenwoordigt, gezamenlijk aangewezen door de Nederlandse Vereniging van Makelaars, de Vereniging Bemiddeling Onroerend Goed en Vastgoedpro"},{"i":14995,"b":"Wet van 25 februari 2012 tot intrekking van de Invoeringswet Wet stedelijke vernieuwing en het redactioneel en wetstechnisch wijzigen van enkele wetten op het terrein van het wonen (Reparatiewet BZK op het terrein van het wonen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de Invoeringswet Wet stedelijke vernieuwing in te trekken en enkele wetten op het terrein van het wonen redactioneel en wetstechnisch te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I 1. De [Invoeringswet Wet stedelijke vernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011789) wordt ingetrokken. 2. Na inwerkingtreding van deze wet berusten de ministeriële regelingen die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit artikel berustten op de algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens [artikel 9, eerste lid, van de Invoeringswet Wet stedelijke vernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011789&artikel=9) op [artikel 87 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=87). Artikel II Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel III Wijzigt de Wijzigingswet Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (wettelijke grondslag verschillende waardering energieprestaties huurwoningen). Artikel IV Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel V Wijzigt de Woningwet. Artikel VI 1. De [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031339&artikel=I&z=2012-04-01&g=2012-04-01), [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031339&artikel=II&z=2012-04-01&g=2012-04-01), [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031339&artikel=III&z=2012-04-01&g=2012-04-01) en [V, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031339&artikel=V&z=2012-04-01&g=2012-04-01), treden in werking me"},{"i":12804,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Centraal Bureau voor de Statistiek vanaf 2004 en Centrale Commissie voor de Statistiek voor de periode 2004–2016 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Centraal Bureau voor de Statistiek over de periode vanaf 2004 en de Centrale Commissie voor de Statistiek (CCS) voor de periode 2004–2016 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst neerslag handelingen Centraal Bureau voor de Statistiek op het beleidsterrein Algemeen Wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid vanaf 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019888) van 22 mei 2006/ Nr. CS&A/06/1257) wordt afgesloten vanaf 2004. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15103,"b":"Besluit van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden van 24 september 2025, houdende vaststelling van de tarieven, verschuldigd in verband met de uitvoering van zijn wettelijke taken en overige diensten, als beschreven in dit besluit en de daarbij horende bijlagen (Tarievenbesluit 2026) Gelet op artikel 74 [Verordening (EG) 1107/2009](32009R1107) en artikel 80 van [Verordening (EU) 528/2012](32012R0528), [artikel 10, eerste lid, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=10), alsmede [artikel 17 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=17); Overwegende dat het overgangsrecht van [Verordening (EG) 1107/2009](32009R1107) met zich meebrengt dat ook tarieven gesteld moeten blijven worden voor de behandeling van aanvragen omtrent toelating van gewasbeschermingsmiddelen die behandeld moeten worden op basis van de inmiddels vervallen [richtlijn 91/414/EEG](31991L0414) en de implementatie daarvan in de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670), zoals die gold vóór 14 juni 2011; Overwegende dat ter uitvoering van de [Verordening (EU) 528/2012](32012R0528) nadere regels zijn gesteld inzake de tarieven, facturering en betaling voor de diensten en werkzaamheden die het Ctgb in het kader van de Verordening zal verrichten; Overwegende dat het overgangsrecht van [Verordening (EU) 528/2012](32012R0528) met zich meebrengt dat ook tarieven gesteld moeten blijven worden voor de behandeling van aanvragen omtrent toelating van biociden die behandeld moeten worden op basis van de inmiddels vervallen [richtlijn 98/8/EG](31998L0008) of op basis van de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) zoals deze gold vóór de inwerkingtreding van de [wet van 6 november 2013 tot wijzing van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden ter uitvoering van de Bioci"},{"i":15104,"b":"Besluit van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden van 7 mei 2024, houdende vaststelling van de tarieven, verschuldigd in verband met de uitvoering van zijn wettelijke taken en overige diensten, als beschreven in dit besluit en de daarbij horende bijlagen (Tarievenbesluit 2024) Gelet op artikel 74 [Verordening (EG) 1107/2009](32009R1107) en artikel 80 van [Verordening (EU) 528/2012](32012R0528), [artikel 10, eerste lid, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=10), alsmede [artikel 17 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=17); Overwegende dat het overgangsrecht van [Verordening (EG) 1107/2009](32009R1107) met zich meebrengt dat ook tarieven gesteld moeten blijven worden voor de behandeling van aanvragen omtrent toelating van gewasbeschermingsmiddelen die behandeld moeten worden op basis van de inmiddels vervallen [richtlijn 91/414/EEG](31991L0414) en de implementatie daarvan in de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670), zoals die gold vóór 14 juni 2011; Overwegende dat ter uitvoering van de [Verordening (EU) 528/2012](32012R0528) nadere regels zijn gesteld inzake de tarieven, facturering en betaling voor de diensten en werkzaamheden die het Ctgb in het kader van de Verordening zal verrichten; Overwegende dat het overgangsrecht van [Verordening (EU) 528/2012](32012R0528) met zich meebrengt dat ook tarieven gesteld moeten blijven worden voor de behandeling van aanvragen omtrent toelating van biociden die behandeld moeten worden op basis van de inmiddels vervallen [richtlijn 98/8/EG](31998L0008) of op basis van de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) zoals deze gold vóór de inwerkingtreding van de [wet van 6 november 2013 tot wijzing van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden ter uitvoering van de Biocidenvero"},{"i":15105,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666114, op grond van artikel 3.121 van de Energiewet en artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet tot goedkeuring en vaststelling van de methoden en voorwaarden over de systeemtarieven elektriciteit (Tarievencode elektriciteit 2026) Gelet op [artikel 3.121 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Deze code is onderdeel van de methoden of voorwaarden, bedoeld in [artikel 3.119 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.119), voor zover die betrekking hebben op elektriciteit en bevat de nadere onderscheiding van de tarieven, de toedeling van kostensoorten aan deze tarieven en de wijze waarop de kostensoorten in aanmerking worden genomen, bedoeld in [artikel 3.107, vierde lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.107). Artikel 1.2 1. Voor de toepassing van deze code gelden de begrippen en bijbehorende begripsbepalingen uit de [Begrippencode elektriciteit 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052320), de [Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714), [Verordening (EU) 2015/1222](32015R1222) (GL CACM), [Verordening (EU) 2016/631](32016R0631) (NC RfG), [Verordening (EU) 2016/1388](32016R1388) (ND DCC), [Verordening (EU) 2026/1447](32026R1447) (NC HVDC), [Verordening (EU) 2016/1719](32016R1719) (GL FCA), [Verordening (EU) 2017/1485](32017R1485) (GL SO), [Verordening (EU) 2017/2195](32017R2195) (GL EB), [Verordening (EU) 2027/2196](32027R2196) (NC ER) en [Verordening (EU) 2019/943](32019R0943). 2. In deze code wordt onder congestie, distributiesysteem, distributiesysteembeheerder, interconnectorsysteem, transmissiesysteem of transmissiesysteembeheerder telkens verstaan congestie, distributiesysteem, distributiesysteembeheerder, interconnectorsysteem, tr"},{"i":15106,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666064, op grond van artikel 3.121 van de Energiewet, en artikel 12f van de Gaswet juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet over de tariefregulering van gas bij de TSB en de DSBs (Tarievencode gas TSB en DSB) Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Deze code bevat de algemene tariefbeginselen voor het onderscheiden van de tarieven, de toedeling van kostensoorten aan deze tarieven en de wijze waarop de kostensoorten in aanmerking worden genomen, bedoeld in [artikel 3.107, vierde lid van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.107), alsmede kostenverdeling zoals beschreven in NC-TAR, voor zover die betrekking hebben op gas. Artikel 1.2 1. Voor de toepassing van deze code gelden de begrippen en bijbehorende begripsbepalingen uit de [Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714), uit de [Begrippencode gas TSB en DSB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052329) en, voor zover het de transmissiesysteembeheerder betreft, uit NC-TAR. 2. In deze code wordt verstaan onder: - a. **distributiesysteem:** distributiesysteem voor gas als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1); - b. **distributiesysteembeheerder:** distributiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1); - c. **transmissiesysteem:** transmissiesysteem voor gas als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1); - d. **transmissiesysteembeheerder:** transmissiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1); - e. **aangeslotene:** aangeslotene als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1) alsmede degene die om"},{"i":15107,"b":"Regeling van het bestuur van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers tot vaststelling van de Tarievenregeling Kadaster BES 2026 Gelet op [artikel 82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=82) en [83 van de Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=83); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **Dienst:** Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in [artikel 2, van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - **Kadasters:** Onderdelen van de Dienst, bedoeld in [artikel 3, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565&artikel=3); - **tarieven:** de tarieven genoemd in dit besluit; - **wet:** [Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565). Artikel 2. Opbouw tarieven, munteenheid en wijze van betaling 1. De tarieven zijn exclusief ABB en eventuele andere lokale belastingen. 2. De tarieven zijn weergegeven in Amerikaanse Dollars (USD). 3. De tarieven worden voldaan op de wijze als bepaald in de Regeling betaling kadastrale vergoeding BES. Artikel 3. Tarieven [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051884&bijlage=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Inzage Voor het nemen van schriftelijke, digitale of mondelinge inzage in of het verstrekken van afschriften of verklaringen van stukken uit de openbare registers en onderliggende registers, zijn de tarieven, genoemd in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051884&bijlage=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01). verschuldigd. Artikel 4. Tarieven [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051884&bijlage=II&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Inschrijving Voor het inschrijven van stukken in register B (hypotheek), register C (overdracht) en register D (beslag), alsmede het inschrijven van verklaringen, het stellen van aantekeningen of verklaringen en de teboekstelling van een schip of een luchtvaartuig, zijn de tarieven, genoemd in"},{"i":15108,"b":"Besluit van het bestuur van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, houdende vaststelling van de kadastrale tarieven (Tarievenregeling Kadaster) Gelet op de [artikelen 108, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=108), en [109 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=109); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **kadasterstylesheet:** een gestructureerd digitaal document waarin de opmaakgegevens voor een in de openbare registers in te schrijven stuk zijn opgenomen, zodanig dat een daarmee opgemaakt stuk geschikt is voor automatische bijwerking van een rechtszekerheidsregistratie en dat gelijktijdig met het in te schrijven stuk elektronisch wordt aangeboden; - **negatieve mededeling:** een mededeling inhoudende dat de gevraagde gegevens van een (rechts)persoon dan wel de naam van een schip of luchtvaartuig in een rechtszekerheidsregistratie ontbreken; - **netwerk:** een net als bedoeld in [artikel 5:20, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288&artikel=20); - **object:** een in een rechtszekerheidsregistratie vermeld perceel, appartementsrecht, netwerk, schip of luchtvaartuig; - **rechtszekerheidsregistratie:** een registratie als bedoeld in [artikel 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=48), [85](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=85) of [92 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=92), met uitzondering van de kadastrale kaart; - **stukdeel:** een deel uit een in de openbare registers ingeschreven stuk dat dient te worden aangetekend of verwerkt in de rechtszekerheidsregistratie; - **wet:** [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541). Hoofdstuk 2. Tarieven Titel 1. Inschrijven stukken Artikel 2 1. Voor de inschrijving in het openbaar register van een elektronisch aangeboden stuk inhoudende een stukdeel als genoemd in"},{"i":15109,"b":"Wet van 18 december 2003 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Technische herstelwet 2003) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt Belastingplan 2002 II – Economische infrastructuur. Artikel VI Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VIII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel IX Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel X Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XI Wijzigt de Waterschapswet. Artikel XII Wijzigt de Gemeentewet. Artikel XIII Wijzigt de Provinciewet. Artikel XIV Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel XV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XVI. Overgangsrecht inkomstenbelasting [Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1) wordt bij het begin van het kalenderjaar 2004 niet toegepast met betrekking tot het in [artikel 3.127, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.127), vermelde bedrag van € 10 571. Artikel XVII 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel I, onderdeel M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016208&artikel=I&z=2005-01-01&g=2005-01-01) en [artikel II, onderdelen C en D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016208&artikel=II&z=2005-01-01&g=2005-01-01), werken terug tot en met 1 januari 2001. 3. [Artikel IV, onderdeel J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016208&artikel=IV&z=2005-01-01&g=2005-01-01), werkt terug tot en met 1 januari 2002. 4. [Artikel I, onderdeel O](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016208&artikel=I&z=2005-01-01&"},{"i":15110,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 30 januari 2006, nr. TRCJZ/2006/323, Directie Juridische Zaken, houdende vaststelling van de tegemoetkoming voor de oogstschade 2002 (Tegemoetkomingsregeling oogstschade 2002) Gelet op artikel 87, derde lid, onderdeel c, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Trb. 1957, 74 en 91); Gelet op de Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouwsector (Pb EG 2000, C 28); Gelet op de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen bij beschikking nr. SG(2005) D/206688 van 7 december 2005; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009194&artikel=2) en [4 van de Kaderwet LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009194&artikel=4); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. schadetermijn: de op 1 augustus 2002 in gang zijnde teeltcyclus, uiterlijk eindigend op 1 juli 2003; - c. schadeperiode: 1 augustus 2002 tot en met 31 augustus 2002; - d. schade: financieel verlies als gevolg van een geringere opbrengst in kwantiteit of kwaliteit van gewassen, die redelijkerwijs is veroorzaakt door de zware regenval in de schadeperiode; - e. rechtspersoon: rechtspersoon, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon; - f. landbouwbedrijf: het geheel of gedeelte van bij de aanvrager in gebruik zijnde productie-eenheden, bestaande uit een of meer gebouwen of gedeelten daarvan en daarbij behorende cultuurgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van akker- of tuinbouw; - g. boekhouding gewassen: het Overzicht gewaspercelen 2002 bij het aanvragen van premies voor de Regeling dierlijke EG-premies of de [Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008301). - h. schade-expert: een deskundige die de Gedragscode van expertiseorganisaties van het Verbond voor verzekeraars of een"},{"i":15111,"b":"Tenderregeling Werkplezier 2013 gelet op [artikel 183, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=183) jo [artikel 187, zesde lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=187), besluit vast te stellen: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Project:** project dat ten doel heeft om door werknemer(s) ervaren werkdruk naar meer werkplezier om te buigen; - b. **Projectplan:** schriftelijk document waarin een plan voor een project is vervat, dat: - i. zo veel mogelijk gekwantificeerde doelstellingen van het project, de uitgangspositie, het beoogde resultaat, de planning en de begroting beschrijft; en - ii. beschrijft hoe het project binnen drie maanden na verlening van de subsidie operationeel is; en - iii. beschrijft hoe het project binnen twaalf maanden na verlening van de subsidie afgerond wordt; - c. **Vervangingsfonds:** het bestuur van de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs; - d. **Werknemer:** personeelslid, in dienst van de werkgever; - e. **Werkgever:** bestuur van het bevoegd gezag. Artikel 2. Subsidiabele activiteiten Een projectplan van een werkgever komt voor subsidiering in aanmerking indien het projectplan ten doel heeft door werknemer(s) ervaren werkdruk naar meer werkplezier om te buigen. Artikel 3. Niet-subsidiabele activiteiten 1. Een projectplan komt niet voor subsidiering in aanmerking indien een daarin genoemde activiteit reeds is aangevangen dan wel daarin genoemde activiteiten reeds zijn aangevangen op de datum waarop de aanvraag is ingediend. 2. Activiteiten die: - 1. tot de normale verantwoordelijkheden van goed werkgeverschap behoren; of - 2. die wettelijk verplicht zijn; of - 3. die vanuit een andere regeling bekostigd kunnen worden; of - 4. die zich richten op het oplossen van externe factoren zoals maatschappelijke, bestuurlijke en/of wettelijke ontwikkeling"},{"i":15112,"b":"Regeling betreffende de inwerkingtreding van de Richtlijn van de Commissie van 18 november 1987 houdende negende aanpassing aan de vooruitgang van de Richtlijn 67/548/EEG van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen Gelet op [artikel 4, eerste lid, van het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004050&artikel=4) (Stb. 1986, 592); Besluiten: Artikel 1 Onderzoek, dat betrekking heeft op de toxiciteit en ecotoxiciteit en dat ingevolge [hoofdstuk 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&hoofdstuk=2) wordt uitgevoerd, dient met ingang van 1 januari 1989 te worden verricht met toepassing van de testmethoden zoals deze op 18 november 1987 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn aanvaard en vastgesteld (PbEG 1988 L 133). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1989 en wordt met de bijbehorende toelichting bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant."},{"i":15113,"b":"Besluit van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 17 juli 2024, nr. OT2426, tot vaststelling van een subsidieregeling Onderzoek naar de journalistieke praktijk: thematische oproep 2024–2026 Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Gelet op de [artikelen 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3) en [8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **Journalistieke informatiebron:** een organisatie binnen de journalistieke bedrijfstak met als (hoofd)activiteit het maken en leveren van een dienst of product waarbij: - i. het product of de dienst gericht is op het Nederlandse publiek; en - ii. minimaal 25% van het product of de dienst tot stand is gekomen op basis van journalistiek handelen; en - iii. de publicatiefrequentie minimaal een keer per twee weken is en daarmee sprake is van een informatiebron waartoe burgers zich met een vaste regelmaat kunnen wenden; en - iv. die staat ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel. - b). **Journalistieke bedrijfstak:** het geheel van private en publieke journalistieke informatiebronnen gevestigd in Nederland, waarvan de activiteiten zijn gericht op de Nederlandse markt. - c). **Journalistiek handelen:** het vergaren, verwerken en verspreiden van informatie en nieuws, waarbij: - i. het gaat om onafhankelijk tot stand gekomen berichtgeving die bestemd is voor alle geledingen binnen de samenleving en die bestaat uit originele, eigen content die niet machine-gegenereerd is; - ii. gestreefd wordt naar zo accuraat en evenwichtig mogelijke berichtgeving; en - iii. verantwoording wordt afgelegd en transparant wordt gehandeld en waarbij de afzender van de content duidelijk wordt gemaakt. - d). **Onderzoek:** een praktijkgericht onderzoek dat betrekking heeft op de journalistieke bedrijfstak"},{"i":15114,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 21 april 2026, nr. WJZ/105683766, tot vaststelling van het Tijdelijk besluit mandaat, volmacht en machtiging circulaire economie KGG 2026 (Tijdelijk besluit mandaat, volmacht en machtiging circulaire economie KGG 2026) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 Mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die zijn verleend door of namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat of hun voorgangers, die op 22 februari 2026 van kracht waren ten behoeve van functionarissen van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat of andere personen en organisaties ten aanzien van de aangelegenheden op het terrein van de circulaire economie, die de hieronder bedoelde dienstonderdelen van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en andere organisaties betroffen, worden aangemerkt als mandaten, volmachten en machtigingen verleend door de Minister van Klimaat en Groene Groei aan: - a. de secretaris-generaal van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - b. de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - c. de directeur-generaal Milieu en Internationaal; - d. de directie Duurzame Leefomgeving en Circulaire Economie; - e. de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport; - f. overige diensthoofden van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - g. de functionarissen aan wie door of namens bovengenoemden mandaat, ondermandaat, volmacht of machtiging is verleend; - h. andere personen en organisaties aan wie door of namens bovengenoemden mandaat, ondermandaat, volmacht of machtiging is verleend; ten aanzien van aangelegenheden die bovengenoemd terrein betreffen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst e"},{"i":15115,"b":"Tijdelijk besluit ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging Hoofddirecteur Financiën en Control Gelet op [artikel 3, eerste lid, van het Algemeen mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit Defensie 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046551&artikel=3); Besluit: Aan de Hoofddirecteur Financiën en Control wordt ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging verleend met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in [artikel 2, van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=2) tijdens de afwezigheid van de SG, met uitzondering van deelname aan de Raad voor de Veiligheids- en Inlichtingendiensten, de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten en het behandelen van verzoeken om toestemming tot inzet van algemene en bijzondere bevoegdheden ingevolge de [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896). Dit besluit treedt in werking op 25 april 2026 en geldt tot en met 3 mei 2026. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15116,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden inzake desinfectiemiddelen aangaande 70% alcoholen in verband met de uitbraak COVID-19 (Tijdelijk besluit vrijstelling desinfectie 70% alcoholen professioneel gebruik Covid-19 2020) Handelende in overeenstemming met de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gezien de toegenomen vraag naar desinfectiemiddelen door de uitbraak van COVID-19, gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van handdesinfectiemiddelen die werkzaamheden in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden voor professioneel gebruik op de markt aanbieden en het gebruik van handdesinfectiemiddelen in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving op basis van minimaal 70% v/v alcoholen; - b). artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012 toegestaan dat de in onderdeel a bedoelde middelen onder de daarin bedoelde voorwaarden op de markt worden aangeboden en gebruikt. Artikel 2 1. De vrijstelling, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043642&artikel=1&z=2020-06-16&g=2020-06-16), en de daaraan verbonden beperkingen en voorschr"},{"i":15117,"b":"Tijdelijk instellingsbesluit Commissie eindtermen accountantsopleiding Gelet op het voorstel van Wet toezicht accountantsorganisaties (kamerstukken I 2004/05, 29 658 A); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Commissie: Commissie eindtermen accountantsopleiding; - b. minister: Minister van Financiën. Artikel 2 1. Er is een Commissie eindtermen accountantsopleiding. 2. De Commissie is belast met de voorbereiding van de taken, bedoeld in de [artikelen 56, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002856&artikel=56) en [69, tweede lid, van de Wet op de Registeraccountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002374&artikel=69), zoals deze zijn opgenomen in de artikelen 75, onderdeel M, en 76, onderdeel M, van het voorstel van Wet toezicht accountantsorganisaties (kamerstukken I 2004/05, 29 658 A). Artikel 3 1. De Commissie heeft ten hoogste acht leden waaronder de voorzitter. 2. De minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de Commissie. De leden zijn deskundig op het gebied van het accountantsberoep. De benoeming vindt plaats op persoonlijke titel en geschiedt voor een periode van ten hoogste vijf jaar. Bij de benoeming van de leden van de Commissie bepaalt de minister wie de voorzitter is. De leden van de Commissie zijn onbeperkt herbenoembaar. 3. Schorsing en ontslag vinden slechts plaats wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie dan wel wegens andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen. Ontslag vindt voorts plaats op eigen verzoek. 4. Een lid van de Commissie vervult geen andere functies die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van zijn functie of de handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin. 5. In het bestuursreglement worden regels vastgesteld omtrent: - a. het aanvaarden van een nevenfunctie anders dan uit hoofde van het lidmaatschap van de Commissie; en - b. de wijze van openba"},{"i":15144,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden inzake desinfectiemiddelen aangaande WHO-formuleringen in verband met de uitbraak COVID-19 (Tijdelijke vrijstelling handdesinfectie WHO-formuleringen COVID-19 2020) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gezien het verzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 maart 2020 tot vrijstelling van het op de markt brengen van niet-toegelaten handdesinfectiemiddelen zoals geformuleerd door de World Health Organisation1Guide to local production: WHO-recommended handrub formulations. Revision April 2010. https://www.who.int/gpsc/information_centre/handrub-formulations/en/, en het gebruik van deze formuleringen door professionele zorgaanbieders ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van handdesinfectiemiddelen die de werkzaamheden in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en het gebruiken van handdesinfectiemiddelen zoals g"},{"i":15145,"b":"Tijdelijke vrijstelling en wijzigingsbesluit op grond van artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden met betrekking tot het professioneel gebruik van desinfectiemiddelen in alle sectoren en de wijziging van enkele bestaande vrijstellingen (Tijdelijke vrijstelling en wijzigingsbesluit professioneel gebruik desinfectiemiddelen COVID-19) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; In aanmerking genomen de toenemende vraag naar desinfectiemiddelen, als gevolg van de uitbraak van COVID-19, Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van desinfectiemiddelen die de werkzaamheden in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46), vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het voor het professioneel gebruik op de markt aanbieden en gebruiken van middelen die als Product Type 1 in Nederland zijn toegelaten met een virusclaim; - b). artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012 toegestaan dat de in onderdeel a bedoelde middelen onder de daarin bedoelde voorwaarden op de markt worden aangeboden en gebruikt. Artikel 2 De vrijstelling en toestemming zoals bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043630&artikel=1"},{"i":15146,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken, van 26 juni 2014, nr. 14101915, houdende tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden ter bestrijding van de witlofmineervlieg in de teelt van witlofpennen (Tijdelijke vrijstelling ter bescherming van de teelt van witlofpennen tegen witlofmineervlieg 2014) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en artikel 53 van de [Verordening (EG) 1107/2009](32009R1107) van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de [Richtlijnen 79/117/EEG](31979L0117) en [91/414/EEG](31991L0414) van de Raad (PbEU 2009, L 309); BESLUIT: Artikel 1 Tijdelijke vrijstelling als bedoeld in [artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=38) en artikel 53 van [Verordening (EG) 1107/2009](32009R1107) wordt verleend voor het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel Vertimec Gold (toelatingsnummer 13087) ter bescherming van de teelt van witlofpennen tegen witlofmineervlieg. Artikel 2 De vrijstelling is slechts van toepassing indien de gebruiksvoorschriften in de bijlage bij dit besluit worden nageleefd. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2014. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 juli 2014, treedt zij in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 juli 2014. De vrijstelling vervalt met ingang van 30 oktober 2014. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijke vrijstelling ter bescherming van de teelt van witlofpennen tegen witlofmineervlieg 2014. Bijlage Gewasbeschermingsmiddel: Vertimec Gold Wettelijk Gebruiksvoorschrift Toegestaan is uitsluitend het professio"},{"i":2347,"b":"Bedrag B besluit 2025 **De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft het volgende besloten.** **Bedrag B van Pijler 1 is een beoogde vereenvoudiging van de verrekenprijsregels voor het vaststellen van de beloning voor routinematige marketing- en distributieactiviteiten.1In dit besluit is als vertaling van ‘baseline’ activiteiten gekozen voor ‘routinematige’ activiteiten. Voor de definiëring van het begrip wordt naar het rapport verwezen. Dit besluit beschrijft de gevolgen van de internationale afspraak van het Inclusive Framework over Bedrag B van Pijler 1 voor de belastingheffing in Nederland.** 1. Achtergrond Bedrag B Binnen het Inclusive Framework2Het OESO/G20 Inclusive Framework on BEPS is in 2016 gevormd met het oog op implementatie van de maatregelen uit het OESO/G20-project om grondslaguitholling en winstverschuiving tegen te gaan (het BEPS-project) en verdere internationale samenwerking op het gebied van belastingheffing. is in het kader van het ‘OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project’ als onderdeel van de ‘Two-Pillar Solution to the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy’ op 19 februari 2024 door de OESO het rapport ‘Pillar One – Amount B’ gepubliceerd (hierna: het rapport).3OECD (2024), Pillar One – Amount B: Inclusive Framework on BEPS, OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project, OECD Publishing, Paris, [https://doi.org/10.1787/21ea168b-en](https://doi.org/10.1787/21ea168b-en). In het rapport worden richtlijnen en handreikingen gegeven voor de toepassing van Bedrag B. Het rapport is toegevoegd als bijlage bij hoofdstuk 4 van de Richtlijnen voor Verrekenprijzen voor Multinationale Ondernemingen en Belastingdiensten (hierna: OESO-richtlijnen).4OECD (2022), OECD Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations 2022, OECD Publishing, Paris, [https://doi.org/10.1787/0e655865-en](https://doi.org/10.1787/0e655865-en). Het rapport is aangevuld op 17 juni 2024 met de defini"},{"i":15221,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 9 september 2010, nr. WJZ/10134751 houdende een tijdelijke voorziening voor internationale merken en regels ter uitvoering van het Uitvoeringsbesluit merken BES (Uitvoeringsregeling merken BES) Gelet op [artikel 44 van de Wet merken BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028306&artikel=44) en de [artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028591&artikel=2), [3, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028591&artikel=3), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028591&artikel=6), [10, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028591&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028591&artikel=11), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028591&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028591&artikel=19), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028591&artikel=24), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028591&artikel=26) en [30 van het Uitvoeringsbesluit merken BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028591&artikel=30); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt onder ‘het besluit’ verstaan: het [Uitvoeringsbesluit merken BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028591). Artikel 2 Vervallen Artikel 3 1. Voor een depot van een merk gelden de volgende tarieven: - a. basisrecht individueel merk, tot drie klassen een bedrag van USD 310; - b. basisrecht collectief merk, tot drie klassen een bedrag van USD 481; - c. aanvullend recht voor iedere klasse boven de derde een bedrag van USD 48; - d. aanvullend recht voor de beschrijving van onderscheidende elementen een bedrag van USD 50; - e. inschrijving verklaring van een recht van voorrang een bedrag van USD 19; - f. bevestigend depot van een merk gratis. 2. Voor vernieuwing van merken gelden de volgende tarieven: - a. basisrecht individueel merk, tot drie klassen een bedrag van USD 335; - b. basisrecht collectief merk,"},{"i":15239,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister van Justitie van 23 juli 2008, nr. FM 2008-1792 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Integriteit, tot vaststelling van regels ter uitvoering van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Uitvoeringsregeling Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme) Gelet op de [artikelen 3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=3), [6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=6), [11, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=11), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=12), [21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=21), en [24, zesde lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=24), [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [artikel 62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=62) en de [artikelen 27i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27i) en [30z van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30z); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder wet: [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282). Artikel 2 Van de bij of krachtens de wet gestelde regels zijn vrijgesteld instellingen als bedoeld in [artikel 1a, vierde lid, onderdeel n, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=1a), voor zover zij beroeps- of bedrijfsmatig gelegenheid geven als bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":15244,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 december 2014, nr. 2014-0000 104920, houdende regels over de bezoldiging en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband in de zin van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Uitvoeringsregeling WNT) Gelet op [artikel 1.9, onderdelen a tot en met c, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.9); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder ‘wet’: de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249). Artikel 2. De componenten van de bezoldiging van de functionaris in dienstbetrekking 1. Ten aanzien van de functionaris in dienstbetrekking wordt, voor zover niet in het tweede lid uitgezonderd, in ieder geval tot de bezoldiging in de zin van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) gerekend: - a. het bruto loon; - b. de vakantietoeslag of een component die zich kenmerkt als vakantietoeslag; - c. de eindejaarsuitkering of een component die zich kenmerkt als eindejaarsuitkering; - d. het tantième, de gratificatie, de bonus, de winstdeling of andere incidentele (variabele) beloning; - e. de uitkering of verstrekking die wordt toegekend na het bereiken van een bepaalde diensttijd; - f. de periodieke en de eenmalige bindingspremie; - g. de periodieke en de eenmalige mobiliteitstoeslag; - h. de periodieke en de eenmalige toeslag of toelage onder een andere benaming; - i. de afkoopsom van niet-opgenomen vakantie- of compensatiedagen; - j. het presentiegeld en het vacatiegeld; - k. het voordeel, bedoeld in [artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=13bis), wegens de terbeschikkingstelling van een auto (mede) voor privégebruik (fiscale bijtelling); - l. de belastbare vergoeding of verstrekking in natura; - m. de werkg"},{"i":15250,"b":"Wet van 13 december 2001 tot uitvoering van de verordening (EG) Nr. 1348/2000 van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PbEG L 160/37) (Uitvoeringswet EG-betekeningsverordening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is voorzieningen te treffen ter uitvoering van de [verordening (EG) Nr. 1348/2000](32000R1348) van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PbEG L 160/37); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **verordening:** [verordening (EU) nr. 2020/1784](33684R2020) van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken) (herschikking) (PbEU 2020, L 405/40); - b. verzendende instanties: verzendende instanties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de verordening; - c. ontvangende instanties: ontvangende instanties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de verordening. Artikel 2 1. Als verzendende instanties worden voor Nederland aangewezen de gerechtsdeurwaarders. 2. Als ontvangende instanties worden aangewezen de gerechtsdeurwaarders. 3. Ten aanzien van de kennisgeving en betekening van gerechtelijke stukken door een gerecht of de griffier van een gerecht worden mede als verzendende instantie aangewezen de gerechten. 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld voor een verzending als bedoeld in a"},{"i":15251,"b":"Wet van 26 mei 2004 tot uitvoering van de verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 174/1) (Uitvoeringswet EG-bewijsverordening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is voorzieningen te treffen ter uitvoering van de [verordening (EG) Nr. 1206/2001](32001R1206) van de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 174/1); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **verordening:** de [verordening (EU) Nr. 2020/1783](33683R2020) van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking) (PbEU L 405/1); - b. verzoekend gerecht: een verzoekend gerecht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de verordening; - c. aangezocht gerecht: een aangezocht gerecht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de verordening; - d. centraal orgaan: het centrale orgaan, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening. Artikel 2 1. Als gerechten die bevoegd zijn om als aangezocht gerecht handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten overeenkomstig artikel 2, eerste lid en artikel 3, van de verordening worden voor Nederland aangewezen de rechtbanken. 2. Het verzoek om een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten wordt gedaan aan de rechtbank binnen wier gebied de uitvoering van het verzoek moet geschieden."},{"i":15252,"b":"Wet van 23 oktober 2024, houdende uitvoering van verordening (EU) 2022/868 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende Europese datagovernance en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1724 (Uitvoeringswet datagovernanceverordening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van [Verordening (EU) 2022/868](32022R0868) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende Europese datagovernance en tot wijziging van [Verordening (EU) 2018/1724](32018R1724) (Datagovernanceverordening) (PbEU 2022, L 152); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepaling In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Autoriteit Consument en Markt:** Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - **bevoegd orgaan:** bevoegd orgaan als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de datagovernanceverordening; - **bijstand:** bijstand, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de datagovernanceverordening; - **datagovernanceverordening:** [Verordening (EU) 2022/868](32022R0868) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende Europese datagovernance en tot wijziging van [Verordening (EU) 2018/1724](32018R1724) (Datagovernanceverordening) (PbEU 2022, L 152); - **met een publieke taak belaste instelling:** openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2, zeventiende lid, van de datagovernanceverordening. Artikel 2. Aanwijzing bevoegd orgaan, centraal informatiepunt en bevoegde autoriteiten 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden een of meerdere bevoegde organen aangewezen. 2. De gegevens die een bevoegd or"},{"i":15253,"b":"Wet van 29 oktober 2025 tot uitvoering van Verordening (EU) 2023/2854 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2023 betreffende geharmoniseerde regels inzake eerlijke toegang tot en eerlijk gebruik van data en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn (EU) 2020/1828 (Dataverordening) (Uitvoeringswet dataverordening) [KetenID WGK014687] Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van [Verordening (EU) 2023/2854](32023R2854) van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2023 betreffende geharmoniseerde regels inzake eerlijke toegang tot en eerlijk gebruik van data en tot wijziging van [Verordening (EU) 2017/2394](32017R2394) en [Richtlijn (EU) 2020/1828](32020L1828) (Dataverordening); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepaling In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Autoriteit Consument en Markt:** Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - **Autoriteit persoonsgegevens:** Autoriteit persoonsgegevens als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=6); - **dataverordening:** [Verordening (EU) 2023/2854](32023R2854) van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2023 betreffende geharmoniseerde regels inzake eerlijke toegang tot en eerlijk gebruik van data en tot wijziging van [Verordening (EU) 2017/2394](32017R2394) en [Richtlijn (EU) 2020/1828](32020L1828) (Dataverordening). Artikel 2. Geschillenbeslechtingsorgaan 1. De Autoriteit Consument en Markt cert"},{"i":15254,"b":"Wet van 16 juli 1869, tot uitvoering der bepalingen van de artikelen 33, 36, 37 en 38 der herziene akte omtrent de Rijnvaart Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het noodig is bij de wet uitvoering te geven aan de bepalingen van de artikelen 33, 36, 37 en 38 der herziene akte omtrent de Rijnvaart, den 17den October 1868 te **Mannheim** gesloten tusschen de wederzijdsche gevolmagtigden der Regeringen van **Nederland, Baden, Beijeren, Frankrijk, Hessen** en **Pruissen** en, voor zooveel noodig, goedgekeurd bij de wet van den 4den April 1869 (**Staatsblad** n°. 37); Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De rechtbanken nemen kennis van: - 1°. de binnen hun arrondissement gepleegde in artikel 34 I der herziene Rijnvaart-akte bedoelde overtredingen; - 2°. de in artikel 34 II van de akte bedoelde burgerlijke vorderingen, voor zover de betaling van de verschuldigde rechten binnen hun arrondissement moest zijn geschied, of de schade binnen hun arrondissement is toegebracht. 2. Indien de onder 1° en 2° bedoelde overtredingen en burgerlijke vorderingen kantonzaken betreffen, worden de zaken behandeld en beslist door de kantonrechter van de rechtbank. Artikel 2 In strafzaken en in burgerlijke zaken wordt het hooger beroep tegen de vonnissen, waartegen met het oog op het bedrag der bedreigde boete of der gevorderde geldsom volgens artikel 37 der herziene Rijnvaart-akte hooger beroep openstaat, toegelaten bij de regterlijke collegien, die, volgens de bestaande Nederlandsche wetten, bevoegd zijn in hooger beroep kennis te nemen van de daarvoor vatbare, door de rechtbanken in eersten aanleg gewezen, vonnissen. Artikel 3 1. Zoowel in burgerlijke als in strafzaken gelden bij de door deze wet aangewezen regters en regterlijke collegien de gewone regelen van regtspleging,"},{"i":15255,"b":"Wet van 29 januari 2025 tot uitvoering van verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (Uitvoeringswet digitaledienstenverordening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels te stellen ter uitvoering van [verordening (EU) 2022/2065](32022R2065) van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van [Richtlijn 2000/31/EG](32000L0031) (digitaledienstenverordening) (PbEU 2022, L 277); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. (begripsbepalingen) In deze wet wordt verstaan onder: - –. **aanbieder van een tussenhandeldienst:** aanbieder van een tussenhandeldienst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de digitaledienstenverordening; - –. **afnemer van de dienst:** afnemer van de dienst als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van de digitaledienstenverordening; - –. **Autoriteit Consument en Markt:** Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - –. **Autoriteit persoonsgegevens:** Autoriteit persoonsgegevens als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=6); - –. **digitaledienstenraad:** digitaledienstenraad als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de digitaledienstenverordening; - –. **digitaledienstenverordening:** [verordening (EU) 2022/2065](32022R2065) van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 bet"},{"i":15256,"b":"Wet van 15 januari 2025, houdende Uitvoering van verordening (EU) 2022/1925 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2022 over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector, en tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2019/1937 en (EU) 2020/1828 (Uitvoeringswet digitalemarktenverordening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels te stellen ter uitvoering van [verordening (EU) 2022/1925](32022R1925) van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2022 over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector, en tot wijziging van [Richtlijnen (EU) 2019/1937](32019L1937) en [(EU) 2020/1828](32020L1828) (digitalemarktenverordening) (PbEU 2022, L 265); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze wet wordt verstaan onder: - **Autoriteit Consument en Markt:** Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - **digitalemarktenverordening:** [verordening (EU) 2022/1925](32022R1925) van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2022 over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector, en tot wijziging van [Richtlijnen (EU) 2019/1937](32019L1937) en [(EU) 2020/1828](32020L1828) (digitalemarktenverordeningdigitalemarktenverordening) (PbEU 2022, L 265). Artikel 2. (aanwijzing Autoriteit Consument en Markt) 1. De Autoriteit Consument en Markt is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 38, zevende lid, van de digitalemarktenverordening en belast met het toezicht op de naleving van de artikelen 5, 6 en 7 van de digitalemarktenverordening in Nederland. 2. De [artikelen 12h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=12"},{"i":15257,"b":"Wet van 22 januari 2014, houdende regels omtrent de uitvoering van Europese verordeningen inzake financiële bijdragen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (Uitvoeringswet EFRO) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 2.1. Grensoverschrijdende programma’s § 2.2. Autoriteiten Artikel 3 1. Onze Minister wijst na een daartoe strekkend verzoek de autoriteiten aan die een taak hebben bij de uitvoering van het programma. 2. Voor aanwijzing als autoriteit in een programma komen in aanmerking een bestuursorgaan van het Rijk, van een provincie, van een gemeente of van een openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8). 3. Voor aanwijzing als autoriteit in geval van een grensoverschrijdend programma komt tevens een orgaan van een EGTS in aanmerking. 4. Een in Nederland gevestigde autoriteit die door Onze Minister is aangewezen, heeft nadat het programma is goedgekeurd de aan die autoriteit in een EFRO-verordening, in het programma en bij of krachtens deze wet toegekende taken en bevoegdheden. 5. Na de goedkeuring van het programma door de Europese Commissie maakt Onze Minister de aanwijzing van de autoriteiten bekend in de Staatscourant en doet daarbij mededeling van hun taken. 6. Indien een autoriteit haar taken niet of in onvoldoende mate uitvoert, trekt Onze Minister de aanwijzing in en wijst hij een ander bestuursorgaan aan dat de taken van die autoriteit uitvoert. Hij gaat daartoe niet eerder over dan nadat de betrokken autoriteit binnen een door Onze Minister te stellen termijn in de gelegenheid is gesteld haar taak alsnog naar behoren uit te voeren. 7. Onze Minister maakt een besluit als bedoeld in het zesde lid, eerste volzin, bekend in de Staatscourant. Artikel 4 1. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor zover een goede uitvoering van een EFRO-verordening daartoe noopt, nader worden voorzien in een taakomschrijving van de in ["},{"i":15258,"b":"Wet van 24 april 2019 tot wijziging van de Luchtvaartwet en de Luchtvaartwet BES in verband met de uitvoering van Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 (Pb EU 2008, L 97/72) en enkele andere verordeningen op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart (Uitvoeringswet EG-verordening 300/2008) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) en de [Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549) aan te passen in verband met de uitvoering van Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 **(PbEU** L 97) en de uitvoeringsbepalingen daarvan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Luchtvaartwet. Artikel II Wijzigt de Luchtvaartwet BES. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Een door Onze Minister van Justitie en Veiligheid, in overeenstemming met Onze Minister, voor de datum van de inwerkingtreding van deze wet verleende instemming aan het beveiligingsprogramma van een luchthaven, luchtvaartmaatschappij of entiteit, wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een instemming als bedoeld in [artikel 37aba, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37aba), [37abb, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37abb), of [37abc, tweede lid, van de Luchtvaartwe"},{"i":15260,"b":"Wet van 24 september 2009 tot uitbreiding en wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de uitvoering van de verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EEG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 alsmede daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (Uitvoeringswet EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is [verordening (EG) nr. 1272/2008](32008R1272) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de [Richtlijnen 67/548/EEG](31967L0548) en [1999/45/EG](31999L0045) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. [1907/2006](31907L2006) (PbEU L 353) uit te voeren, en dat het wenselijk is de hiervoor noodzakelijke bepalingen op te nemen in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) en enkele andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel III Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel IV Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel V Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel VI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel VII Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IX Wijzigt de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Artikel X Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel XI Wijzigt deze wet. Artikel XII Wijzigt deze wet. Artike"},{"i":15261,"b":"Wet van 26 maart 1998 tot uitvoering van de verordening van de Raad van de Europese Unie inzake het Gemeenschapsmerk betreffende de aanwijzing van de nationale autoriteit voor het exequatur en de bevoegde rechtbank (Uitvoeringswet E.G.-verordening inzake het Gemeenschapsmerk) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat op grond van artikel 82, tweede lid, van de [verordening (EG) nr. 40/94](31994R0040) van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (PbEG 1994, L11), een nationale autoriteit voor het exequatur moet worden aangewezen en op grond van artikel 91 van die verordening een zo gering mogelijk aantal rechterlijke instanties moet worden aangewezen voor het beslechten van geschillen inzake inbreuk en geldigheid van Gemeenschapsmerken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder verordening: de [verordening (EG) nr. 40/94](31994R0040) van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (PbEG 1994, L11). Artikel 2 In afwijking van [artikel 994 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=994), wordt een beslissing van het Bureau, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de verordening, aangemerkt als een beslissing gegeven door de rechter van een vreemde Staat als bedoeld in artikel 985 van eerdergenoemd wetboek. Artikel 3 Voor alle vorderingen als bedoeld in artikel 92 van de verordening is in eerste aanleg uitsluitend bevoegd de rechtbank Den Haag en in kort geding, de voorzieningenrechter van de rechtbank die op grond van artikel 4.6 van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) bevoegd is. Artikel 4 Op de behandeling van vorderingen als bedoeld in artikel 92 van de v"},{"i":15262,"b":"Wet van 16 mei 2007 tot uitbreiding en wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de uitvoering van EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH) en de overheveling van de bepalingen van de Wet milieugevaarlijke stoffen naar de Wet milieubeheer, alsmede daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (Uitvoeringswet EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH)) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is [verordening (EG) nr. 1907/2006](32006R1907) van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van [Richtlijn 1999/45/EG](31999L0045) en houdende intrekking van [Verordening (EEG) nr. 793/93](31993R0793) van de Raad en [Verordening (EG) nr. 1488/94](31994R1488) van de Commissie alsmede [Richtlijn 76/769/EEG](31976L0769) van de Raad en de [Richtlijnen 91/155/EEG](31991L0155), [93/67/EEG](31993L0067), [93/105/EG](31993L0105) en [2000/21/EG](32000L0021) van de Commissie (PbEU L 396), alsmede [Richtlijn 2006/121/EG](32006L0121) van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot wijziging van [Richtlijn 67/548/EEG](31967L0548) van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen teneinde deze aan te passen aan [Verordening (EG) nr. 1907/2006](32006R1907) inzake de registratie en beoordeling van en de vergunningverlening en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen (PbEU L 396) uit te voeren, en dat het wenselijk is de hiervoor noodzakelijke bepalingen op te nemen in de [Wet milieubeheer](https://"},{"i":15263,"b":"Wet van 26 november 2009, houdende uitvoering van verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) (PbEU L 210) (Uitvoeringswet EGTS-verordening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wettelijke bepalingen vast te stellen ter uitvoering van [verordening (EG) nr. 1082/2006](32006R1082) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) (PbEU L 210); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. verordening: [verordening (EG) nr. 1082/2006](32006R1082) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) (PbEU L 210); - c. EGTS: Europese groepering voor territoriale samenwerking als bedoeld in artikel 1 van de verordening. Hoofdstuk 2. Bepalingen ten aanzien van Nederlandse leden van een EGTS Artikel 2 1. Onze Minister besluit omtrent de instemming met de deelneming, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de verordening. [Afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.1) is niet van toepassing. 2. Onze Minister besluit omtrent de goedkeuring van de wijziging van de overeenkomst en de wezenlijke wijziging van de statuten, bedoeld in artikel 4, zesde lid, van de verordening. 3. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, - a. inzake de deelneming van een waterschap, wordt genomen na overle"},{"i":15265,"b":"Wet van 29 maart 2023, houdende regels ter uitvoering van EU-verordeningen op het terrein van grenzen en veiligheid (Uitvoeringswet EU-verordeningen grenzen en veiligheid) Allen, die deze zullen zien of horen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is te voorzien in wettelijke regels ter uitvoering van de EES-verordening, Etias-verordening, de SIS-verordening grenscontroles, de SIS-verordening politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, de SIS-verordening terugkeer, de Verordening interoperabiliteit grenzen en visa, de Verordening interoperabiliteit politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie en de wijziging van de VIS-verordening met het oog op de herziening van het Visuminformatiesysteem; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **EES-verordening:** [Verordening (EU) 2017/2226](32017R2226) van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en [Verordeningen (EG) nr. 767/2008](32008R0767) en (EU) [nr. 1077/2011](32011R1077) (PbEU 2017, L 327); - –. **Etias-verordening:** [Verordening (EU) 2018/1240](32018R1240) van het Europees Parlement en de Raad van 12 september 2018 tot oprichting van een Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van de [Verordeningen (EU) nr. 1077/2011](32011R10"},{"i":15269,"b":"Wet van 16 februari 2006 tot uitvoering van het op 19 oktober 1996 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen alsmede van de verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (PbEU L 338), en wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Uitvoeringswet EG-executieverordening (Uitvoeringswet internationale kinderbescherming) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om wettelijke voorzieningen te treffen ter uitvoering van het op 19 oktober 1996 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Trb. 1997, 299) alsmede van de [verordening (EG) nr. 2201/2003](32003R2201) van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1347/2000](32000R1347) (PbEU L 338) en mede tot wijziging van het [Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656), het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en de [Uitvoeringswet EG-executieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015325); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk"},{"i":15267,"b":"Wet van 22 juni 2022 tot wijziging van de Wet strategische diensten voor de uitvoering van de Verordening (EU) 2021/821 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot instelling van een EU-regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel, de technische bijstand en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (herschikking) (PbEU 2021, L 206) (Uitvoeringswet herziening Verordening producten voor tweeërlei gebruik) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545) te wijzigen voor de uitvoering van de [Verordening (EU) 2021/821](32721R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot instelling van een EU-regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel, de technische bijstand en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (herschikking) (PbEU 2021, L 206) en [artikel 13, tweede lid, van de Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=13); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. (wijziging [Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545)) Wijzigt de Wet strategische diensten. Artikel II. (intrekking [Tijdelijk uitvoeringsbesluit herziening Verordening producten voor tweeërlei gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045599) en overgangsrecht) 1. Het [Tijdelijk uitvoeringsbesluit herziening Verordening producten voor tweeërlei gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045599) wordt ingetrokken. 2. Op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in [hoofdstuk 1, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&paragraaf=2), of [hoofdstuk 2, paragraaf 2, van de Wet strategische dienst"},{"i":15277,"b":"Uitvoeringswet verordening buitenlandse subsidies Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter implementatie van [verordening (EU) 2022/2560](32022R2560) van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren (PbEU 2022, L 330/1) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze wet wordt verstaan onder: - **Autoriteit Consument en Markt:** Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - **verordening buitenlandse subsidies:** [verordening (EU) 2022/2560](32022R2560) van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren (PbEU 2022, L 330/1). Artikel 2. (bijstand aan Europese Commissie bij inspectie) 1. Met het verlenen van bijstand bij een inspectie op grond van artikel 14, vijfde lid, van de verordening buitenlandse subsidies door de Europese Commissie zijn belast de ambtenaren, aangewezen krachtens [artikel 12a, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=12a). 2. Bij verzet tegen een inspectie op grond van de verordening buitenlandse subsidies door de Europese Commissie, verlenen de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, de nodige bijstand om de Europese Commissie in staat te stellen de inspectie te verrichten, zo nodig met behulp van de sterke arm. 3. [Artikel 5:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:12) is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3. (uitvoering geven aan verzoe"},{"i":15286,"b":"Wet van 13 oktober 2022 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en enige andere wetten ter uitvoering van Verordening (EU) 2021/23 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen (Uitvoeringswet verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter uitvoering van [Verordening (EU) 2021/23](31923R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de [Verordeningen (EU) nr. 1095/2010](32010R1095), [(EU) nr. 648/2012](32012R0648), [(EU) nr. 600/2014](32014R0600), [(EU) nr. 806/2014](32014R0806) en (EU) 201 [5/2365](32365R0005), en de [Richtlijnen 2002/47/EG](32002L0047), [2004/25/EG](32004L0025), [2007/36/EG](32007L0036), [2014/59](32014L0059)/EU en (EU) [2017/1132](32017L1132) (PbEU 2021, L 22); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Bankwet 1998. Artikel III Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht 2019. Artikel IV Wijzigt de Faillissementswet. Artikel V Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2 en het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel VII Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel VIII Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering"},{"i":15287,"b":"Wet van 18 april 2018 tot uitvoering van de Verordening (EU) nr. 2016/1191 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de bevordering van het vrije verkeer van burgers door vereenvoudigde overlegging van bepaalde openbare documenten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening nr. 1024/2012 (PbEU 2016, L 200) (Uitvoeringswet verordening overlegging openbare documenten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat wetgeving nodig is ter uitvoering van de Verordening (EU) nr. 2016/1191 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de bevordering van het vrije verkeer van burgers door vereenvoudigde overlegging van bepaalde openbare documenten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening nr. 1024/2012 (PbEU 2016, L 200). Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder «de verordening»: de verordening (EU) nr. 2016/1191 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de bevordering van het vrije verkeer van burgers door vereenvoudigde overlegging van bepaalde openbare documenten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening nr. 1024/2012 (PbEU 2016, L 200). Artikel 2 1. Onze Minister wijst de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de verordening aan. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de taken en bevoegdheden van de centrale autoriteit. Artikel 3 Wijzigt de Wet rechten burgerlijke stand. Artikel 4 Deze wet treedt in werking met ingang van 16 februari 2019. Artikel 5 Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet verordening overlegging openbare documenten. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autori"},{"i":15288,"b":"Wet van 24 maart 2023, houdende regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2021/784 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 inzake het tegengaan van de verspreiding van terroristische online-inhoud (PbEU 2021, L 172) (Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van [verordening 2021/784](32684R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 inzake het tegengaan van de verspreiding van terroristische online-inhoud (PbEU 2021, L 172); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **Autoriteit:** de autoriteit, genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048064&paragraaf=2&artikel=2&z=2025-09-05&g=2025-09-05); - –. **terroristische inhoud:** een of meer van de soorten materiaal als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van de verordening; - –. **Onze Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - –. **verordening:** [verordening (EU) 2021/784](32684R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 inzake het tegengaan van de verspreiding van terroristische online-inhoud (PbEU 2021, L 172). Paragraaf 2. De Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch materiaal Artikel 2. De Autoriteit 1. Er is een Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal. 2. De Autoriteit is de bevoegde autoriteit bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de verordening en heeft de taken die de verordening aan de bevoegde autoriteit toekent. 3. De Autoriteit heeft met het oog op de maatregelen bedoeld in artikel 1, eerste"},{"i":6192,"b":"Wet van 2 februari 2012, houdende wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Wet toelating zorginstellingen in verband met het regelen van de voorwaarden voor aanspraken op langdurige zorg buiten Nederland en de financiering van deze aanspraken (Wet AWBZ-zorg buitenland) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere regels te stellen met betrekking tot de wijze waarop aanspraken op langdurige zorg in het buitenland gerealiseerd kunnen worden en de financiering van deze aanspraken transparant te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel II Wijzigt de Wet toelating zorginstellingen. Artikel IIa Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel III Indien vóór de inwerkingtreding van deze wet een overeenkomst als bedoeld in [artikel 15 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=15) is gesloten met een buiten het grondgebied van het Europese deel van Nederland gevestigde rechtspersoon die voldeed aan [artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=1) zoals dat onderdeel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, en die rechtspersoon niet voldoet aan dat onderdeel zoals dat luidt vanaf de inwerkingtreding van deze wet, wordt die rechtspersoon gedurende één jaar na de inwerkingtreding van deze wet geacht een instelling te zijn in de zin van dat onderdeel, zoals dat luidt vanaf de inwerkingtreding van deze wet, en blijft de overeenkomst gedurende die periode van kracht, of zoveel korter als de resterende duur van de overeenkomst korter dan een jaar was. Artikel IV De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk beslui"},{"i":15307,"b":"Vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 1996 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 1996: Categorie 1 f 210 voor vierwielige personenauto’s bestelauto’s: Categorie 2 f 70 voor aanhangwagens bij auto’s behorende tot categorie 1; Categorie 3 f 210 voor autobussen en vrachtauto’s; Categorie 4 f 210 voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; Categorie 5 f 420 voor trekkers met opleggers; Categorie 6 f 70 voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; Categorie 7 f 70 voor landbouwwerktuigen; Categorie 8 f 70 voor rijwielen met hulpmotor. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1996. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7541,"b":"Besluit van 24 maart 2025 tot uitvoering van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van die wet (Besluit gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 27 september 2024, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5800424; Gelet op de [artikelen 12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050740&artikel=12), [13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050740&artikel=13), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050740&artikel=15), [16, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050740&artikel=16), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050740&artikel=19) en [25 van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050740&artikel=25); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 december 2024, no. W16.24.00281/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, 19 maart 2025, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6245475; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definitie In dit besluit wordt onder «wet» verstaan: [Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050740). Artikel 2. Aanwijzing contactpunt 1. De betrokkene richt een verzoek tot uitoefening van diens rechten op grond van hoofdstuk III van de Algemene verordening gegevensbescherming aan het contactpunt, voor zover dat verzoek betrekking heeft op persoonsgegevens die door het casusoverleg worden verwerkt. Een verzoek aan het contactpunt geldt als een verzoek aan alle gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken in het casusoverleg. 2. Als contactpunt voor een betrokkene voor de uitoefening van diens rechten op g"},{"i":15314,"b":"Vaststelling meerjarenprogramma SSZ 1999 tot en met 2003 en het actieplan SSZ 1999 Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008783&artikel=2) (Stcrt. 1997, 133); Besluit: vast te stellen het meerjarenprogramma SSZ 1999 tot en met 2003 en het actieplan SSZ 1999 van de Subsidie-regeling stiller, schoner en zuiniger, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlagen."},{"i":3678,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 18 mei 2023, nr. WJZ / 26854426, houdende mandaat en machtiging voor het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen inzake uitvoering van de Examenregeling frequentiegebruik 2008 (Besluit mandaat en machtiging EZK voor CBR inzake uitvoering Examenregeling frequentiegebruik 2008) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de directeur bedrijfsvoering van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen en van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **directeur bedrijfsvoering:** directeur bedrijfsvoering van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; - **CBR:** Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; - **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 1. Aan de directeur bedrijfsvoering wordt mandaat en machtiging verleend ten aanzien van: - a. het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister krachtens de [Examenregeling frequentiegebruik 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024285), met uitzondering van [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024285&artikel=8), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024285&artikel=13) en [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024285&artikel=18); - b. het uitgeven van certificaten op grond van [artikel 13 van de Examenregeling frequentiegebruik 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024285&artikel=13); - c. het behandelen van bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten, genomen in het kader van de onder a en b genoemde taken, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, het instellen van en het voeren van beroep, hoger beroep en voorlopige voorzieningen procedures. 2. Aan de directeur bedrijfsvoering wordt tevens mandaat verleend voor het vaststellen van beleidsregels die nodig zijn ter uitvoering van de aan d"},{"i":3763,"b":"Besluit van de Minister voor Klimaat en Energie van 21 december 2023, nr. WJZ/ 38213682, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging VertiCer B.V. voor het afgeven van garanties van oorsprong (Besluit mandaat, volmacht en machtiging VertiCer B.V. inzake garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong 2023) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gelet op de schriftelijke instemming van VertiCer B.V.; Besluit: Artikel 1 1. Aan het bestuur en ieder der bestuurders van VertiCer B.V. wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van overige handelingen die verband houden met [artikel 73 van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=73), [artikel 66i van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=66i), [artikel 25 van de Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=25) en [artikel 3, eerste tot en met derde lid, van Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046743&artikel=3). 2. Aan het bestuur en ieder der bestuurders van VertiCer B.V. wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar en beroepschriften, gericht tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid, waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen en voeren van beroep en hoger beroep. Artikel 2 1. Het bestuur van VertiCer B.V. kan voor de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049207&artikel=1&z=2024-01-09&g=2024-01-09) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049207&artikel=2&z=2024-01-09&g=2024-01-09) bedoelde aangelegenheden ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan medewerkers"},{"i":15316,"b":"Vaststelling model verklaring gemoedsbezwaren Gelet op [artikel 18, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=18); Besluit: Artikel 1 Het model van de verklaring, bedoeld in [artikel 18, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=18) (Stb. 1984, 269) wordt vastgesteld zoals het is opgenomen voor natuurlijke personen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004721&bijlage=I&z=1990-02-28&g=1990-02-28) en voor rechtspersonen in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004721&bijlage=II&z=1990-02-28&g=1990-02-28) bij deze regeling. Artikel 2 De beschikking van de Minister van Financiën van 29 juni 1984, nr. 384-7187, Stcrt. 126, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen, Afdeling Verzekeringswezen, wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage I **Formulier WAM-A** **Stamnummer:** Verzoek van een natuurlijk persoon om vrijstelling van de verplichting tot het sluiten van een verzekering als bedoeld in artikel 18 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen wegens gemoedsbezwaren. (natuurlijk persoon) De ondergetekende, naam..... voornamen..... straat en nummer..... postcode en woonplaats..... gemeente..... telefoonnummer..... geboorteplaats.....geboortedatum..... verklaart, dat hij/zij overwegende gemoedsbezwaren heeft tegen elke verzekering, welke ook, en dat hij/zij mitsdien noch zichzelf, noch iemand anders, noch zijn/haar eigendommen heeft verzekerd.1Een afschrift van het door de Sociale Verzekeringsbank verstrekte bewijs van vrijstelling, van hem of haar bij of krachtens de sociale verzekeringswetten opgelegde verplichtingen, bijsluitenTe zenden aanMinisterie van FinanciënAfdeling VerzekeringswezenPostbus 202012500 EE 's-Gravenhage Aldus na"},{"i":15317,"b":"Vaststelling modellen van akten van beëdiging Gelet op de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=19) en [20 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Ten behoeve van de beëdiging van een buitengewoon opsporingsambtenaar wordt gebruik gemaakt van een van de in de bijlage bij deze regeling gevoegde modellen A tot en met D. Voor de beëdiging van de buitengewoon opsporingsambtenaar aan wie tevens de bevoegdheid wordt verleend om gedurende de uitoefening van zijn ambt bewapend te zijn, wordt gebruik gemaakt van een van de in de bijlage bij deze regeling gevoegde modellen E tot en met I. Artikel 2 Voor het opmaken van het proces-verbaal van de aflegging van de eden, verklaring en beloften kan gebruik worden gemaakt van het in de bijlage bij deze regeling gevoegde model. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 7 december 1994. Dit besluit zal worden geplaatst in de Staatscourant en in het Algemeen Politieblad met uitzondering van de bijlagen die ter inzage liggen op het Ministerie van Justitie, Directie Politie."},{"i":15319,"b":"Vaststelling regelen vergoeding voor behandeling en verpleging Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 oktober 1986 (Stb. 595) tot uitvoering van artikel 15 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004038&artikel=3) (Stb. 1986, 360); Gehoord de Buitengewone Pensioenraad, de Commissie Indisch Verzet en de Stichting Pelita; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968) (Stb. 1986, 360); - b. **de Raad:** de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); - c. **de Sociale verzekeringsbank:** de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - d. **de belanghebbende:** de deelnemer aan het verzet in de zin van de wet. Artikel 2 1. De vergoeding ter zake van de kosten van behandeling en verpleging, bedoeld in [artikel 15 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=15) en [artikel 3 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1986](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004038&artikel=3) (Stb. 595) wordt aan de belanghebbende uitbetaald na overlegging van een rekening betreffende die behandeling en verpleging. Deze rekening dient vóór het einde van het kalenderjaar, volgende op dat waarin de kosten de belanghebbende in rekening zijn gebracht of de uitgaven door hem zijn gedaan, op de door de Sociale verzekeringsbank aan te geven wijze bij hem te worden ingediend. 2. Indien de belanghebbende de rekening niet zelf voldoet, wordt de vergoeding uitbetaald aan degene die de behandeling en verpleging heeft verstrekt dan wel te wiens laste deze zijn gekomen. Artikel 3 De in [artikel 2](https://wetten"},{"i":15320,"b":"Vaststelling selectielijst voor de administratieve neerslag betreffende de publiekrechtelijke taken van het CAK vanaf 2007 en zijn bedrijfsvoeringstaken vanaf 1968 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag betreffende de publiekrechtelijke taken van het CAK vanaf 2007 en zijn bedrijfsvoeringstaken vanaf 1968 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijsten: - •. selectielijst neerslag handelingen Centraal Administratiekantoor Bijzondere Zorgkosten beleidsterrein Bekostiging en verzekering van de gezondheidszorg vanaf 1941, **Stcrt.** 2006, 232 - •. selectielijst CVZ (1999–2014) en ZIN (periode vanaf 2014), **Stcrt.** 2015, 13106 worden respectievelijk afgesloten vanaf 1 januari 2007 en 1 januari 2017 voor de actor CAK. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19402,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake douanefaciliteiten ten behoeve van het toeristenverkeer, met betrekking tot de invoer van toeristische propagandabescheiden en toeristisch propagandamateriaal DE OVEREENKOMSTSLUITENDE STATEN, **Bij het sluiten** van het [Verdrag inzake douanefaciliteiten ten behoeve van het toeristenverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005182) door de Conferentie van de Verenigde Naties nopens douaneformaliteiten met betrekking tot de tijdelijke invoer van voertuigen gebezigd in het toeristenverkeer en met betrekking tot het toeristenverkeer, **Bezield door de wens** ook de verspreiding van toeristische propagandabescheiden en toeristisch propagandamateriaal te vergemakkelijken, **Zijn** de volgende aanvullende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Protocol worden onder „rechten en heffingen ter zake van de invoer” verstaan niet alleen de invoerrechten, doch tevens alle rechten en heffingen, hoe ook genaamd, welke ter zake van de invoer worden geheven. Artikel 2 Elke Overeenkomstsluitende Staat zal met vrijstelling van rechten en heffingen ter zake van de invoer de volgende goederen toelaten, mits zij worden ingevoerd uit een andere Overeenkomstsluitende Staat en er geen vrees voor misbruik bestaat: - a). bescheiden (vouwbladen, brochures, boeken, tijdschriften, gidsen, al dan niet ingelijste aanplakbiljetten, niet ingelijste fotografieën en fotografische vergrotingen, al dan niet geïllustreerde aardrijkskundige kaarten, transparantplaten) die bestemd zijn om gratis te worden verspreid en die voornamelijk ten doel hebben het publiek te bewegen tot het bezoeken van vreemde landen, onder andere tot het bijwonen van in die landen te houden bijeenkomsten of manifestaties met een cultureel, toeristisch, sportief of godsdienstig karakter of tot het bijwonen van in die landen te houden bijeenkomsten van deskundigen, mits die bescheiden voor niet meer dan 25 % uit particuliere handelsreclame bestaan en kenneli"},{"i":17189,"b":"Overeenkomst inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Zwitserse Bondsraad Geleid door de wens de tussen beide landen bestaande betrekkingen op het gebied van de sociale zekerheid aan te passen aan de ontwikkelingen welke sedert de ondertekening van het Verdrag inzake sociale verzekering van 28 maart 1958 en het Aanvullend Akkoord van 14 oktober 1960 in hun wederzijdse wetgeving hebben plaatsgevonden, Besloten hebbende een Overeenkomst te sluiten ter vervanging van deze beide overeenkomsten, Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: TITEL I. Definities en wetgeving Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a). „grondgebied”, wat Zwitserland betreft, het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat en, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; - b). „onderdaan”, wat Zwitserland betreft, een persoon van Zwitserse nationaliteit en, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, een persoon van Nederlandse nationaliteit; - c). „wetgeving” of „wettelijke regeling”, al naar het zinsverband vereist, de wetten en regelingen, genoemd in artikel 2 van de Overeenkomst, welke van kracht zijn in het gebied van beide Overeenkomstsluitende partijen; - d). „Zwitserse pensioenverzekering” de Zwitserse wettelijke regeling inzake ouderdoms-, weduwen-, wezen- en invaliditeitsverzekering; - e). „bevoegde Autoriteit”, wat Zwitserland betreft, het Federaal Bureau van Sociale Verzekering en, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid; - f). „wonen” of „woonachtig zijn” gewoonlijk verblijven. Artikel 2 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op - a). **in Zwitserland:** - 1°. de federale wettelijke regeling inzake ouderdoms-, weduwen- en wezenverzekering; - 2°. de federale wettelijke regeling inzake invaliditeitsverzekering; - 3°. de federale wettelijke regeling inzake"},{"i":19284,"b":"Wet van 20 december 2007, houdende wijziging van de Gemeentewet in verband met de invoering van een bestuurlijke boete voor overtreding van een aantal voorschriften bepaald bij gemeentelijke verordening betreffende overlast in de openbare ruimte (Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gemeenten de mogelijkheid te geven over te gaan tot de invoering van een bestuurlijke boete voor overtreding van voorschriften uit de gemeentelijke verordening betreffende bepaalde gedragingen die kunnen leiden tot overlast in de openbare ruimte; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel IIa Wijzigt deze wet. Artikel IIb Wijzigt de Wet OM-afdoening. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Wijzigt de Wet bestuurlijke boete fout parkeren en andere lichte verkeersovertredingen en wijzigt deze wet. Artikel V Wijzigt de Wet bestuurlijke boete fout parkeren en andere lichte verkeersovertredingen. Artikel VI Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, binnen drie respectievelijk zes jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel VIII Deze wet wordt aangehaald als: Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19154,"b":"Richtlijn voor strafvordering opiumwet, softdrugs Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op alle verboden handelingen met betrekking tot softdrugs (hennepproducten, qat, paddo’s en lachgas). Voor deze richtlijn is de plaatsing op [lijst II van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&bijlage=II) bepalend, niet de fase in het productieproces waarin de drugs zijn aangetroffen en/of het veronderstelde gevaar voor de volksgezondheid. Bij enkele delicten geldt een verzwaarde recidiveregeling. In beslaggenomen drugs worden onttrokken aan het verkeer. Bij het komen tot een OM-afdoening en/of het formuleren van een eis ter terechtzitting, dient voor ogen te worden gehouden dat aan een overtreding van de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) in nagenoeg alle gevallen een financieel motief ten grondslag ligt. De enige algemene uitzondering daarop betreft het bezit van een geringe hoeveelheid softdrugs voor eigen gebruik (0–5 gram). In zaken die zich daarvoor lenen en waarin dat passend wordt geacht dient gezien het winstbejag expliciet te worden overwogen om de hieronder genoemde strafmodaliteiten taakstraf en gevangenisstraf (al dan niet gedeeltelijk) om te zetten in de strafmodaliteit geldboete. Deze overweging geldt zowel voor de OM-afdoening als voor de eis ter terechtzitting, in het bijzonder – maar niet uitsluitend – in zaken waarin in de voorfase reeds conservatoir geldboete- of ontnemingsbeslag is gelegd. Als uitgangspunt voor de omzetting TS/GS naar GB geldt dat twee (2) uren taakstraf worden gewaardeerd op € 50 geldboete en dat een (1) dag gevangenisstraf wordt gewaardeerd op € 50 geldboete. Voorts dient, gelet op het financiële motief bij deze strafbare feiten, bij de OM-afdoening dan wel ter terechtzitting gedacht te worden aan (het vorderen van) de verbeurdverklaring van daarvoor vatbare voorwerpen die werden gebruikt bij het plegen van het feit (denk onder meer aan: dealtelefoons, voertuigen van waaruit wordt gehan"},{"i":17760,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tsjechische Republiek inzake de export van sociale verzekeringsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Tsjechische Republiek, hierna genoemd de Verdragsluitende Partijen, Wensend de rechtmatige betaling van hun uitkeringen terzake van sociale zekerheid in elkaars landen toe te staan, Verlangend de samenwerking tussen de twee Staten te regelen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa naar internationaal recht; - b. „wetgeving\": de wetten, voorschriften en bestuursrechtelijke regelingen die betrekking hebben op de in artikel 2 genoemde stelsels van sociale zekerheid; - c. „bevoegde autoriteit\", met betrekking tot de Tsjechische Republiek: het ministerie van Arbeid en Sociale Zaken van de Tsjechische Republiek; met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland; - d. „bevoegd orgaan\" met betrekking tot de Tsjechische Republiek: de „Česká správa sociálního zabezpečení\" (Tsjechische instelling voor sociale zekerheid) of haar rechtsopvolger; met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de wetgeving bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c: het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/a Gak Nederland BV of zijn rechtsopvolger en betreffende de wetgeving bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, e en f: de Sociale Verzekeringsbank; - e. „uitkering\": elke uitkering of elk pensioen krachtens de in artikel 2 bedoelde wetgeving; - f. „uitkeringsgerechtigde\": elke persoon die recht heeft op een uitkering; - g. „gezinslid\": een persoon die als zodanig wordt omschreven of aangemerkt in de door het bevoegde orgaan toegepaste wetgeving. 2. Andere in dit Verdrag gebruikte termen hebben de betekenis die daaraan in de toegepaste wetgevin"},{"i":18022,"b":"Besluit van 20 mei 2011, houdende de regels voor de begrotings- en verantwoordingsdocumenten van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit begroting en verantwoording openbare lichamen BES) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 maart 2011, 2011-2000034451, CZW/WBI; Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=13); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 april 2011, nr. W04.11.0102/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 mei 2011, nr. 2011-2000170518, CZW/WBI; Hebben goedgevonden en verstaan: Wordt voor het eerste toegepast voor het begrotingsjaar 2012. Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **deelneming:** een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie waarin het openbaar lichaam een bestuurlijk en een financieel belang heeft; - b. **financieel belang:** een aan de deelneming ter beschikking gesteld bedrag dat niet verhaalbaar is indien de deelneming failliet gaat onderscheidenlijk het bedrag waarvoor aansprakelijkheid bestaat indien de deelneming haar verplichtingen niet nakomt; - c. **bestuurlijk belang:** zeggenschap, hetzij uit hoofde van vertegenwoordiging in het bestuur hetzij uit hoofde van stemrecht; - d. **hoofdfuncties en functies:** zorggebieden, gerangschikt overeenkomstig de indeling, opgenomen in de ministeriële regeling, bedoeld in [artikel 16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030060&hoofdstuk=II&titeldeel=2.3&artikel=16&z=2011-06-08&g=2011-06-08); - e. **subfunctie:** een door de eilandsraad verbijzonderd onderdeel van een functie; - f. **de wet:** de [Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151); Artikel 2 1. De baten en de lasten van he"},{"i":18822,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 17 januari 2024 nr. BOACAT2023/089, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Dienst Vervoer & Ondersteuning Gelezen het verzoek van de algemeen directeur van de Dienst Vervoer & Ondersteuning van 27 december 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Landelijk Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049295&artikel=2&z=2025-12-24&g=2025-12-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van - a. Risico-analist; - b. (inrichtings) Beveiliger; - c. (inrichtings) Beveiliger Transport; - d. (inrichtings) Beveiliger EBV; - e. (inrichtings) Beveiliger BVIS; - f. (inrichtings) Beveiliger LBB; - g. (inrichtings) Beveiliger Hondengeleider; - h. (inrichtings) Beveiliger B"},{"i":17161,"b":"Mandaat en volmacht USZO Diensten B.V. ter zake van de uitvoering van de bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen sector Rijk Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 USZO is bevoegd om namens de Minister al die besluiten te nemen die de Minister bij of krachtens de regeling bevoegd is te nemen. Artikel 3 USZO is bevoegd om verzoeken in het kader van de [Wet Openbaarheid van Bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252), dan wel in het kader van de [Wet Nationale Ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372), voor zover die verband houden met de uitvoering van de regeling, namens de Minister af te handelen. Artikel 4 USZO is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de regeling namens de Minister te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. Artikel 5 USZO is bevoegd om inzake de uitvoering van de regeling namens de Minister in rechte op te treden en om namens de Minister tegen rechterlijke uitspraken ter zake hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie. Indien het een zaak betreft met een kennelijk aanmerkelijk financieel of rechtspositioneel belang, oefent de USZO deze bevoegdheid niet uit dan na verkregen instemming van de Minister en de minister die de ex-werkgever is van de wederpartij in de desbetreffende zaak. USZO is in dat geval wel bevoegd om vooruitlopend hierop zo nodig voorlopig hoger beroep of cassatie in te stellen. Artikel 6 Voor wat betreft het mandaat onderscheidenlijk de volmacht, bedoeld in dit besluit, is USZO bevoegd intern ondermandaat te verlenen onderscheidenlijk heeft zij recht van substitutie. Artikel 7 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001."},{"i":14778,"b":"Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2015 Gelet op [artikelen 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [31, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31) en [47, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **basisbedrag:** het basisbedrag, bedoeld in de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28) of [artikel 44, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44); - –. **besluit:** het [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - –. **regeling 2008:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - –. **regeling 2009:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - –. **regeling 2010:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - –. **regeling 2011:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030034); - –. **regeling 2012:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031291); - –. **regeling 2013:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032881); - –. **regeling 2014:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034817); - –. **regeling 2015:** de [Regeling aanw"},{"i":18981,"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Justitie, Gratiebeleid en uitvoering, (1827) 1947–1988 (1998), toegangsnummer 2.09.116 Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van 10 oktober 2019 van de Minister van Justitie en Veiligheid (nr. 54019)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042630), Gehoord hebbende de Minister van Justitie en Veiligheid, Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar op 1 januari: | | --- | --- | | 3059 | 2068 | | 3063 | 2072 | | 3065 | 2053 | | 2844 | 2063 | Artikel 2 De algemene rijksarchivaris stelt de inventarisnummers genoemd in de bijlagen bij artikel 1 beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 3 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefbescheiden gesteld zijn, opgeheven. Dit is van toepassing voor zover de archiefbescheiden een persoonsdossier betreffen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Niet opgenomen."},{"i":15380,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Wapens en Munitie periode 1945–1997 (Minister van Algemene Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005, nr. arc-2005.02444/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Algemene Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Wapens en Munitie over de periode 1945–1997](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17319,"b":"Regeling ‘Het beste van twee werelden’ van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie Het Fonds voor Cultuurparticipatie wil met de deelregeling **Het beste van twee werelden** professionele cultuurinstellingen stimuleren bij te dragen aan de ontwikkeling van de amateursector. Om dit doel te bereiken ondersteunt het fonds innovatieve voorbeeldprojecten waaruit een duurzame betrokkenheid van professionele cultuurinstellingen bij de amateursector spreekt. Deze betrokkenheid kan bestaan uit het voornemen de artistieke of inhoudelijke samenwerking tussen professionals en amateurs of erfgoedvrijwilligers te bevorderen, de ondersteuning en zichtbaarheid van de amateursector te verbeteren of talentontwikkeling van amateurs te stimuleren. Binnen het programma is nadrukkelijk aandacht voor culturele diversiteit. Het fonds streeft ernaar verspreid over het land dergelijke initiatieven te ondersteunen die gericht zijn op: het ontwikkelen van kennis, of realisatie van praktijkvoorbeelden; of ontwikkeling van methodieken of werkwijzen die kunnen worden overgedragen aan derden of door hen verder kunnen worden ontwikkeld. Deze regeling is vastgesteld om het beleid op dit punt, zoals dat is vastgelegd in het beleidsplan van het Fonds voor Cultuurparticipatie, te operationaliseren. Gezien het stimuleringskarakter richt het programma zich op vernieuwende, niet-reguliere activiteiten met een looptijd van 2010 tot en met 2012, met als oogmerk dat deze hierna structureel verankerd raken in het reguliere beleid van de deelnemende organisaties. De Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie, gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), met goedkeuring van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, op 22 april 2010; Besluit: Artikel 1. Ondersteuningsmogelijkheden Het Fonds voor Cultuurparticipatie ondersteunt onder de noemer ‘Het beste van twee werelden’ projecten afkomstig van cultuurinstell"},{"i":15381,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen IB-Groep vanaf 1994 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2006 (nr. arc-2006.02763/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst Informatie Beheer Groep, een instrument voor de selectie van de administratieve neerslag van het handelen van de IB-Groep vanaf 1994.’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De '[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Informatie Beheer Groep (IBG) op het beleidsterrein Studiefinanciering over de periode vanaf 1994’, vastgesteld bij beschikking van R&B/OSTA/99/284 d.d. 09-03-1999 (Stcrt. 66 1999)](onbekend)' wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument informatie beheer groep Informatie Beheer Groep Status definit A. Afkortingen AOB: Adviesbureau voor Opleiding en Beroep BAK: Basisadministratie Klant BAMA: Bachelor/master-structuur BBL: Beroepsbegeleidende leerweg BOL: Beroepsopleidende leerweg BRON: Basisregister Onderwijsnummer BSD: Basisselectiedocument BSF: Besluit studiefinanciering BTOS: [Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012645) BUS: Bewijs van uitschrijving BVE: Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie CBAP: Centraal Bureau Aanmelding en Plaatsing CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek CCAP: Centrale Commissie Aanmelding en Plaatsing CEVO: Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven Cfi: Centrale financiële instellingen CIOP: Centraal Identificatiesysteem Onderwijsgerelateerde Personen CITO: Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling CMPO: Centraal Meldpunt Overledenen COLO: Vereniging kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven CRI-HO: Centraal Register In"},{"i":18463,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 mei 2010, nr. DCB/CZW/WVOB 2010-0000225178, houdende bepalingen betreffende voorzieningen voor hondengeleiders bij de politie (Regeling voorzieningen hondengeleiders politie) Gelet op de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=21) en [48 van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=48); Besluit: Paragraaf 1. Definitiebepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **geleider:** ambtenaar als bedoeld in [artikel 1, onder e, van de Regeling politiehonden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019728&artikel=1) die de diensthond op het woonadres van de geleider verzorgt; - b. **diensthond:** - 1°. politiesurveillancehond als bedoeld in [artikel 23, onder a, van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=23); - 2°. AOT-hond als bedoeld in [artikel 23, onder b, van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=23); - 3°. politiespeurhond als bedoeld in [artikel 23, onder c, van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=23); - c. **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1). Paragraaf 2. Tegemoetkomingen en vergoedingen Artikel 2 1. Voor de kosten ten behoeve van het verzorgen van een diensthond heeft de geleider aanspraak op een maandelijkse tegemoetkoming van € 139,58 netto per diensthond. 2. Indien bij woon-werkverkeer gebruik wordt gemaakt van eigen vervoer voor het vervoeren van een diensthond, heeft de geleider aanspraak op een maandelijkse tegemoetkoming van € 97,06 netto. Deze tegemoetkoming is bedoeld als compensatie voor het gebruik van de eigen auto voor het vervoer van de hond alsmed"},{"i":19064,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 29 oktober 2018, nr. 2388102/18/DP&O, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging (Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid) Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bewindspersoon:** Minister van Justitie en Veiligheid, Minister voor Rechtsbescherming of Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, afhankelijk van wie het aangaat; - **clusters:** dienstonderdelen, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van het Organisatiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2); - **ministerie:** Ministerie van Justitie en Veiligheid; - **Organisatiebesluit:** [Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293). Artikel 2 Aan de secretaris-generaal wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de bewindspersoon behorende aangelegenheden, met uitzondering van de bevoegdheid tot het nemen van besluiten die zijn neergelegd in een document, gericht tot: - a. de Koning; - b. de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie; - c. een minister of staatssecretaris; - d. een autoriteit in binnen- of buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of staatssecretaris; - e. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie; - f. de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State; - g. de president van de Algemene Rekenkamer; of - h. de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven. Artikel 3 1. De secretaris-generaal kan ondermandaat verlenen aan: - a. de hoofden van de clusters, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van het Organisatiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2); - b. de hoofden va"},{"i":18533,"b":"Selectielijst neerslag handelingen Minister van Algemene Zaken op het beleidsterrein Beheer Rijksbegroting Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 10 september 1997, nr. arc-97.1473/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Algemene Zaken, als vakminister en als vakminister in Londen, binnen het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting (periode 1940-1993), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken de categorieën 12 tot en met 30 van de ’Lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken die behoren tot het archief van de afdeling Financiële, Administratieve en Personeelszaken’ (vastgesteld bij gemeenschappelijke beschikking door de Minister van Algemene Zaken en de Staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, No. AC.149372 d.d. 23 augustus 1962, alsmede No. OKN.91256 d.d. 28 september 1962, laatstelijk gewijzigd bij gemeenschappelijke beschikking door de Minister van Algemene Zaken en de Staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, No. AC.154492 d.d. 27 augustus 1963, alsmede No. OKN.99801 d.d. 2 oktober 1963). Voorts in te trekken de categorieën 13 tot en met 21 van de ’Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van de onder de Minister van Algemene Zaken ressorterende Rijksvoorlichtingsdienst’, betreffende de hoofdstukken Algemeen Organisme (.07) en Personeel (.08), alsmede de toelichting daarop (vastgesteld bij gemeenschappelijke beschikking door de Minister van Algemene Zaken en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, No. AR.9753, alsmede No. AR/MMA 9753 d.d. 2 januari 1984 (gepubliceerd in de Staatscourant No. 113 d.d. 13 juni 1984)). Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag"},{"i":15383,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Minister van Financiën beleidsterrein Binnenvisserij 1945–1999 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 oktober 2005, nr. arc-2005.02633/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Binnenvisserij over de periode1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18600,"b":"Rijkswet van 27 februari 1992, houdende bepalingen inzake de beëdiging en inhuldiging van de Koning Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat, ingevolge [artikel 32 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=32) (**Stb.** 1987, 458), de wet nadere regels dient vast te stellen inzake de beëdiging en inhuldiging van de Koning; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninklijk“Koninklijk” moet zijn “Koninkrijk” gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In de bij [artikel 32 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=32) bedoelde openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal wordt door de Koning de volgende eed of belofte afgelegd: \"Ik zweer (beloof) aan de volkeren van het Koninkrijk dat Ik het Statuut voor het Koninkrijk en de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) steeds zal onderhouden en handhaven. Ik zweer (beloof) dat Ik de onafhankelijkheid en het grondgebied van het Koninkrijk met al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat Ik de vrijheid en de rechten van alle Nederlanders en alle ingezetenen zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de welvaart alle middelen zal aanwenden welke de wetten Mij ter beschikking stellen, zoals een goed en getrouw Koning schuldig is te doen. Zo waarlijk helpe Mij God almachtig!\" (Dat beloof Ik!\") Artikel 2 Nadat de Koning de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005431&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde eed of belofte heeft afgelegd, spreekt de voorzitter namens de Staten-Generaal, de Staten van Aruba, de Staten van Curaçao en de Staten van Sint Maarten de volgende plechtige verklaring uit: \"Wij ontvangen en huldigen, in naam van de volkeren van het Konink"},{"i":19420,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241281, houdende vaststelling beleidsregels voor de sturing van en het toezicht op de Dienst Wegverkeer (Beleidsregels sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21); BESLUIT: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regels wordt verstaan onder: - **de dienst:** de Dienst Wegverkeer; - **de Kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - **de wet:** de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622). § 2. Directie van de dienst Artikel 2. Goedkeuring bestuursreglement Bij de goedkeuring van het bestuursreglement op grond van [artikel 11 Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11) io. [artikel 4n van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4n) bekijkt de minister in ieder geval of ten aanzien van de hierna volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen: - a. een nadere omschrijving van de taken van de leden van de directie; - b. nadere bepaling van de bevoegdheden binnen de directie; - c. de schriftelijke goedkeuring van diverse besluiten door de raad van toezicht; - d. de besluitvorming in en buiten de vergadering; - e. de notulen van de vergadering; - f. het hebben en melden van nevenfuncties aan de raad van toezicht; - g. de handelwijze in geval van tegenstrijdige belangen van een lid van de directie. Artikel 3. Procedure benoeming nieuwe leden directie 1. Bij de benoeming van een nieuw lid van de directie worden de volgende processtappen gevolgd: - a. de minister verzoekt de raad van toezicht een deskundigheidsprofiel op te stellen voor het nieuwe directielid; - b. na goedkeur"},{"i":17500,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 december 2010, nr. IVV/FB/2010/24129, tot de vaststelling van de premiepercentages werknemersverzekeringen en volksverzekeringen voor de BES en het maximum dagloon voor de Wet ziekteverzekering BES In overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [artikelen 27 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=27), [30 van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=30), [7 van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=7), [8 van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=8) en [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5), en [8 van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8); Besluiten: Artikel 1. Vaststelling premiepercentage [Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304) Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 7, vierde lid, van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=7), wordt voor het jaar 2011 vastgesteld op 0,2%. Artikel 2. Vaststelling premiepercentage [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497) Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 8, derde lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=8), wordt voor het jaar 2011 vastgesteld op 0,5%. Artikel 3. Vaststelling premiepercentage [Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728) Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 8, vierde lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8), wordt voor het jaar 2011 vastgesteld op 1,6%. Artikel 4. Vaststelling premiepercentage [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":18765,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 3 december 2020, kenmerk 2631141, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Justitie, Centrale ter bestrijding van de handel in vrouwen en kinderen en van de handel in ontuchtige uitgaven en taakvoorgangers, (1904) 1908–1968 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 30 augustus 2020, met kenmerk.PROZA 104676 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van het archief van het Ministerie van Justitie, Centrale ter bestrijding van de handel in vrouwen en kinderen en van de handel in ontuchtige uitgaven en taakvoorgangers, (1904) 1908–1968 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot de datum van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 26 | 2024 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044701&artikel=1&z=2021-01-14&g=2021-01-14), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044701&artikel=1&z=2021-01-14&g=2021-01-14), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte"},{"i":17160,"b":"Macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2015 De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft met inachtneming van [Hoofdstuk 4, paragrafen 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4.4, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), **en meer in het bijzonder:** de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), en [50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), **alsmede de beleidsregels:** **en de nadere regels:** **ambtshalve besloten:** de individuele omzetgrens per zorgaanbieder voor het jaar 2015 vast te stellen op de gerealiseerde omzet van de zorgaanbieder.1Het begrip zorgaanbieder is omschreven in de ’Beleidsregel Macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2015’ met kenmerk BR/CU-7124. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft namelijk aan de NZa laten weten dat de macro-omzetgrens 2015, het landelijk mbi-omzetplafond, niet of nauwelijks is overschreden. Ook heeft de Minister laten weten dat het kabinet heeft besloten dat er geen bedrag teruggevorderd hoeft te worden.2Bij brief van de Minister van VWS aan de NZa van 10 oktober 2016. Dit betekent dat er over 2015 geen mbi-betalingsverplichting wordt opgelegd aan de zorgaanbieders die wijkverpleging leveren. Deze beschikking wordt in de Staatscourant geplaatst. De beschikking treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de beschikking wordt geplaatst. Deze beschikking heeft betrekking op de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015. Ingevolge [artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:1) (Awb), juncto [artikel 7:1, eerste lid, van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1) kan een belanghebbende binnen zes weken na de datum van verzending van dit besluit een bez"},{"i":17518,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 december 2003, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/R&S/2003/89321, houdende regels met betrekking tot vrijlating vergoedingen uit of in verband met opleiding of scholing van werkloze werknemers (Regeling vrijlating vergoedingen scholing Werkloosheidswet) Gelet op [artikel 35a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=35a); Besluit: Artikel 1. Reiskostenvergoeding 1. De vergoedingen voor reiskosten in verband met opleiding of scholing als bedoeld in [artikel 47a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=47a), worden niet in mindering gebracht op de werkloosheidsuitkering voorzover zij niet meer bedragen dan: - a. in geval van vervoer per auto het bedrag per afgelegde kilometer, genoemd in [artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31a), of - b. de werkelijk gemaakte reiskosten voor openbaar vervoer tweede klas. 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, worden indien de werknemer, bedoeld in [artikel 47a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=47a), en voor zijn vervoer op medische gronden is aangewezen op vervoer per auto, de vergoedingen voor reiskosten niet in mindering gebracht op de werkloosheidsuitkering voorzover zij niet meer bedragen dan de kilometervergoeding voor vervoer per auto in eigen bezit, die het UWV op grond van [artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35) vaststelt. Artikel 2. Overgangsrecht Deze regeling is van toepassing op de werkloze werknemer die op of na de dag van inwerkingtreding van deze regeling begint met het volgen van opleiding of scholing als bedoeld in [artikel 35a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=35a). Artikel 3. Intrek"},{"i":17150,"b":"Wet van 1 maart 2014 inzake regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Jeugdwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verantwoordelijkheid voor het voorkomen van, de ondersteuning, hulp en zorg bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en de jeugdreclassering bij de gemeente te beleggen, om te komen tot betere samenwerking van hulpverleners rond gezinnen, eerdere ondersteuning bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, hulp op maat en meer ruimte voor professionals en tot het demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren van de jeugdsector, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1.1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **accommodatie:** bouwkundige voorziening of deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar jeugdhulp wordt verleend door of namens een jeugdhulpaanbieder; - –. **bijzondere categorieën van persoonsgegevens:** bijzondere categorieën van persoonsgegevens als bedoeld in[paragraaf 3.1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&paragraaf=3.1); - –. **burgerservicenummer:** burgerservicenummer als bedoeld in [artikel 1 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&a"},{"i":19384,"b":"Wet van 4 juli 2002 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen strekkende tot het verruimen van de bevoegdheid van de politierechter en de enkelvoudige kamer in hoger beroep (verruiming bevoegdheid enkelvoudige kamers) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bevoegdheid van de politierechter en de enkelvoudige kamer die in hoger beroep oordeelt te verruimen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel III Wijzigt de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. Artikel IV 1. In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een dagvaarding is uitgebracht waardoor de zaak bij de rechtbank ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, blijven de [artikelen 368](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=368) en [369 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=369) van toepassing zoals zij luidden voor die inwerkingtreding. 2. In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een dagvaarding of oproeping is betekend waardoor de zaak in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt, blijft [artikel 411, tweede lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=411) van toepassing zoals het luidde voor die inwerkingtreding. Artikel V Onder toepassing van [artikel 16 van de Tijdelijke referendumwe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012701&artikel=16)t treedt deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij is geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsbla"},{"i":15392,"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie SKE Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie kennisexploitatie ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie kennisexploitatie ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van de subsidieregeling kennis exploitatie ontvangen alle leden van de Adviescommissie kennisexploitatie jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van zes uur per aanvraag. Artikel 3 Het [besluit van 16 december 2004, nr. OI/O/ISM/4078792, houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie kennisexploitatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017731), wordt ingetrokken. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15391,"b":"Besluit van 26 februari 2002, houdende vaststelling van de vergoeding van de voorzitter van de Taskforce Woningbouwproductie Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 februari 2002, nr. MJZ2002014982, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De vergoeding van de voorzitter van de Taskforce Woningbouwproductie, bedoeld in artikel I van de Beschikking van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 november 2001, houdende instelling van een Taskforce Woningbouwproductie (Stcrt. 231), wordt vastgesteld volgens het maximum salarisnummer behorend bij schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), uitgaande van een arbeidsduur van 115 uren gedurende de maanden oktober 2001 tot en met januari 2002. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":15394,"b":"Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 2 april 2026, nr. 9932284, houdende vaststelling van de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren Handelen in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, BESLUIT: Artikel 1 Vastgesteld worden de als bijlage bij deze regeling gevoegde Aanwijzingen voor de externe contacten van rijksambtenaren. Artikel 2 De [regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 18 december 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044590), nr. 4177136 (Stcrt. 2020, 68088) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage. Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren Algemene toelichting Met deze aanpassing van de Aanwijzingen wordt uitvoering gegeven aan de toezegging die in de kabinetsreactie op het rapport ‘Grip op informatie’ van 10 januari 2025 is gedaan door de Minister van BZK dat bij een volgende herziening in de Aanwijzingen zal worden verduidelijkt dat rijksambtenaren ook op eigen initiatief, via de parlementair contactpersoon, contact kunnen opnemen met Kamerleden.1**Kamerstukken II** 2024/25, 28 362, nr. 72. Deze verduidelijking is nu opgenomen in de toelichting bij de nieuwe aanwijzing 4, tweede lid. Daarnaast is in het debat van 23 januari 2025 over werk- en informatieafspraken met de vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken door een aantal Kamerleden naar voren gebracht dat er nog ruimte voor verbetering is in de mogelijkheden voor direct contact tussen rijksambtenaren en Kamerleden. De regering is het daarmee eens en ziet daarbij vooral ruimte binnen de bestaande kaders, zoals ook in de brief van 19 februari 2025 is benadrukt.2**Kamerstukken II** 2024/25, 28 362, nr. 74. Verder is van deze gelegenheid gebruikgemaakt om een aantal teksten van de paragrafen 1 en 2 van de Aanwijzingen te herformuleren. Hierin is een aantal elementen uit de staa"},{"i":15590,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 25 mei 2005, nr. WJZ 5019424, houdende regels ter zake vrijstelling van het toestemmingsvereiste ex artikel 3.10, tweede lid, van de Telecommunicatiewet (Vrijstelling afwijkend gebruik frequentieruimte IVD) Gelet op [artikel 3.10, derde lid, j°. 3.10, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: de Minister van Economische Zaken; - b. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - c. een afwijkend gebruik van de frequentieruimte: een afwijkend gebruik van de frequentieruimte dat bestaat uit scannen of jammen, ter uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 3.22, derde lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22); - d. scannen: het met daartoe geschikte apparatuur automatisch en herhaald systematisch aftasten van een bepaalde frequentieband teneinde informatie te vergaren met betrekking tot een bepaald nummer of bepaalde nummers in een bepaald gebied; - e. jammen: het met daartoe geschikte apparatuur tijdelijk verstoren of onmogelijk maken van een normaal gebruik van een geselecteerd nummer of alle nummers over een bepaalde frequentieband in een bepaald gebied. Artikel 2 Voor een afwijkend gebruik van de frequentieruimte is geen ontheffing als bedoeld in [artikel 3.22, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22) vereist voor zover de desbetreffende frequentieruimte ingevolge het frequentieplan als bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.1) is bestemd voor openbare mobiele telecommunicatiediensten en wordt voldaan aan de [artikelen 3 tot en met 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018355&artikel=3&z=2013-03-15&g=2013-03-15) van deze regeling. Artikel 3 1. Aan een afwijkend gebruik van de frequentieruim"},{"i":15704,"b":"Wet van 15 december 2021, houdende bekrachtiging van een onderdeel van het Besluit benoemingsprocedure SER en tot wijziging van de Wet op de Sociaal-Economische Raad in verband met vervanging van de goedkeuringsprocedure door een voorhangprocedure Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het [Besluit benoemingsprocedure SER](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045206) wat betreft [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045206&artikel=5) bekrachtiging bij de wet behoeft en het wenselijk is de goedkeuringsprocedure in de [Wet op de Sociaal-Economische Raad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058) te vervangen door een voorhangprocedure; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Het [Besluit benoemingsprocedure SER](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045206) voor zover het [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045206&artikel=5) betreft, wordt bekrachtigd. Artikel II Wijzigt de Wet op de Sociaal-Economische Raad. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046082&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01) in werking treedt voordat [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046082&artikel=II&z=2022-01-01&g=2022-01-01) in werking treedt. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15737,"b":"Wet van 20 december 2023, houdende regels ten behoeve van de compensatie voor burgers wegens de selectie van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen waarvan niet aannemelijk is dat die selectie heeft plaatsgevonden op fiscale gronden (Wet compensatie wegens selectie aan de poort) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een compensatie toe te kennen aan bepaalde burgers wier aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen is geselecteerd voor handmatige beoordeling, zonder dat voor deze selectie een fiscale reden aannemelijk kan worden gemaakt, waardoor bij de vaststelling van de aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen de aangifte, onderscheidenlijk de reeds opgelegde aanslag, met betrekking tot het verzamelinkomen niet is gevolgd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: - **aanslag:** een aanslag als bedoeld in [artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=11) voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen; - **inkomensafhankelijke regelingen:** bij of krachtens de wet vastgestelde regelingen die natuurlijke personen aanspraak geven op een financiële bijdrage van het Rijk in kosten of bijdrageverplichtingen, waarbij de hoogte van de bijdrage in die regelingen afhankelijk is gesteld van draagkracht; - **inspecteur:** de inspecteur, bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2); - **nabestaande:** - a. de partner, bedoeld in [artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00023"},{"i":15742,"b":"Wet van 19 mei 2011, houdende een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is ter uitvoering van Europese verplichtingen en in het belang van de gezondheid en het welzijn van dieren en in dat van de volksgezondheid, regels te stellen betreffende dieren, in het bijzonder door de mens gehouden dieren, onder erkenning van de intrinsieke waarde van het dier en acht slaand op ethische aspecten in relatie tot biotechnologie, en daarbij, uitdrukking gevend aan de samenhang met die regels, te betrekken regels omtrent diervoeders, diergeneesmiddelen en de diergeneeskunde, en aldus mede te kunnen voorzien in effectieve en eenduidige maatregelen teneinde de naleving van deze regels te bevorderen, dat het voorts wenselijk is regels te stellen ter bevordering van de zuiverheid van de in Nederland gefokte rassen en de afzet van dierlijke producten, en ter bescherming van het milieu in relatie tot het gebruik van diervoeders en het toepassen van diergeneesmiddelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen deel § 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **antimicrobiële stof:** antimicrobiële stof als bedoeld in artikel 4, twaalfde lid, van [verordening (EU) 2019/6](31906R2019); - –. **beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen:** het als economische activiteit verlenen van diensten aan derden in de vorm van het verrichten van diergeneeskundige handelingen; - –. **dierenarts:** degene die is ingeschreven in het register, bedoeld in [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&hoofdstuk=4&artikel=4.3&z=2025-01-01&g=2025-01-01), en: - 1°. aan wie op gro"},{"i":15743,"b":"Wet van 24 maart 2023 tot algemene regels inzake het elektronisch verkeer in het publieke domein en inzake de generieke digitale infrastructuur (Wet digitale overheid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is algemene regels te stellen met het oog op de verdere digitalisering van het openbaar bestuur en daartoe standaarden voor elektronisch verkeer verplicht te stellen, algemene regels te stellen over informatieveiligheid en tevens regels te stellen over de generieke digitale infrastructuur, waaronder elektronische dienstverlening in het publieke en semipublieke domein aan burgers en bedrijven; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goed vinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen Hoofdstuk 2. Algemene regels Artikel 3. Standaarden 1. De volgende organen passen de ingevolge het tweede lid aangewezen standaarden voor elektronisch verkeer toe, voor zover die standaard ingevolge het derde lid op hen van toepassing is: - a. bestuursorganen; - b. organen, personen en colleges als bedoeld in [artikel 1:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:1); - c. rechtspersonen met een wettelijke taak als bedoeld in [artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=1.1). 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan een standaard worden aangewezen, indien: - a. aanwijzing van die standaard noodzakelijk en proportioneel is gelet op de goede werking, de veiligheid, de betrouwbaarheid, de duurzame toegankelijkheid of de doelmatigheid van het elektronische verkeer, dan wel noodzakelijk is ter uitvoering van verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties; - b. de standaard tot stand is gekomen volgens een voor eenieder toegankelijke procedure, en"},{"i":15744,"b":"Wet van 16 september 2004, houdende regeling van DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te regelen dat DNA-onderzoek plaatsvindt bij personen die zijn veroordeeld wegens bepaalde misdrijven, teneinde bij te dragen aan de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van deze personen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking voorzover het gaat om de misdrijven in de artikelen opgesomd in Stb. 2005/18. Treedt op 15 mei 2006 in werking voorzover het gaat om de misdrijven in de artikelen opgesomd in Stb. 2006/220. Treedt in werking op 1 augustus 2006 voorzover het gaat om de misdrijven in de artikelen opgesomd in Stb. 2006/312. Treedt in werking op 1 januari 2008 voorzover het gaat om de misdrijven in de artikelen opgesomd in Stb. 2007/513. Treedt in werking op 1 januari 2009 voorzover het gaat om een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering begaan door personen opgesomd in Stb. 2008/530. Treedt in werking op 1 mei 2010 ten aanzien van veroordeelden wegens ieder misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Stb. 2010/11). Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. DNA-onderzoek: onderzoek van celmateriaal dat slechts is gericht op het vergelijken van DNA-profielen; - b. verwerking: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4, aanhef en onder 2, van de Algemene verordening gegevensbescherming; - c. veroordeelde: een persoon die al dan niet onherroepelijk is veroordeeld tot een straf als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onder a, onderdeel 1° of 3°, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9), een straf als bedoeld in [artike"},{"i":15745,"b":"Wet van 6 oktober 2005 tot aanpassing van bijzondere wetten aan de Wet dualisering provinciebestuur (Wet dualisering provinciale medebewindsbevoegdheden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de bevoegdheidsverdeling in bijzondere wetten in overeenstemming te brengen met de [Wet dualisering provinciebestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014602); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Justitie Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk 2. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel II Wijzigt de Wet algemene regels herindeling. Artikel IIa Wijzigt de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen. Artikel III Wijzigt de Provinciewet. Hoofdstuk 3. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Artikel IV Wijzigt de Archiefwet 1995. Artikel V Wijzigt de Mediawet. Artikel VI Wijzigt de Monumentenwet 1988. Artikel VII Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel VIII Wijzigt de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Artikel IX Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Hoofdstuk 4. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Artikel IXa Wijzigt de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water. Artikel X Wijzigt de Waterleidingwet. Artikel XI Wijzigt de Wet bodembescherming. Artikel XIa Wijzigt de Wet geluidhinder. Artikel XIb Wijzigt de Wet inzake de luchtverontreiniging. Artikel XII Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel XIII Wijzigt de Woningwet. Hoofdstuk 5. Ministerie van Verkeer en Waterstaat Artikel XIIIa Wijzigt de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel XIV Wijzigt de Belemmeringenwet Verordeningen. Artikel XIVa Vervallen Artikel XV Wijzigt de Luchtvaartwet. Artikel XVI Wijzigt de Ontgrondingenwet. Artikel XVII Wijzigt de Planwet verkeer en vervo"},{"i":15746,"b":"Wet van 28 augustus 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met doeltreffendere rechtsmiddelen tegen niet tijdig beslissen door bestuursorganen (Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is belanghebbenden doeltreffendere rechtsmiddelen te bieden tegen het niet tijdig nemen van een besluit door een bestuursorgaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IA Wijzigt de Beroepswet. Artikel IB Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IIA 1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid, heeft de inwerkingtreding van deze wet geen gevolgen voor bepalingen van provinciale, gemeentelijke en waterschapsverordeningen ten aanzien van een financiële tegemoetkoming of dwangsom bij niet tijdig beslissen, noch voor de bevoegdheid om dergelijke bepalingen vast te stellen. 2. De bepalingen van provinciale, gemeentelijke en waterschapsverordeningen ten aanzien van een financiële tegemoetkoming of dwangsom bij niet tijdig beslissen, die van kracht zijn op het tijdstip waarop [artikel 4:16 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:16) vervalt, zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege vervallen, evenals de bevoegdheid tot het maken van dergelijke verordeningen ten aanzien van dit onderwerp. 3. Een bestuursorgaan dat krachtens een provinciale, gemeentelijke of waterschapsverordening een financiële tegemoetkoming of een dwangsom verschuldigd is indien het bepaalde besluiten niet tijdig neemt, kan ten aanzien van die besluiten niet een besluit nemen als bedoeld in [artikel 4:16 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":15747,"b":"Wet van 16 maart 2021, houdende erkenning van de Nederlandse Gebarentaal (Wet erkenning Nederlandse Gebarentaal) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de Nederlandse Gebarentaal te erkennen en het gebruik daarvan te bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze wet wordt verstaan onder: - a. **Nederlandse Gebarentaal:** de visueel-manuele taal die gebruikt wordt door gebarentaligen in Nederland; - b. **gebarentaligen:** personen die de Nederlandse Gebarentaal machtig zijn; - c. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Erkenning van de Nederlandse Gebarentaal De Nederlandse Gebarentaal wordt erkend. Artikel 3. Bevordering van het gebruik van de Nederlandse Gebarentaal Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Hoofdstuk 2. Nadere bepalingen over het gebruik van de Nederlandse gebarentaal in het bestuurlijk verkeer en rechtsverkeer Artikel 4. Crisiscommunicatie Gesproken berichtgeving in crisis- of noodsituaties wordt zoveel mogelijk onverwijld omgezet in de Nederlandse Gebarentaal. Artikel 5. Eed, belofte of bevestiging 1. De gebarentalige die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen, is bevoegd zich, in plaats van met de wettelijk voorgeschreven woorden, met de daarmee in de Nederlandse Gebarentaal overeenkomende gebaren uit te drukken. 2. Bij ministeriële regeling kunnen de met de wettelijk voorgeschreven woorden van een eed, belofte of bevestiging corresponderende gebaren in de Nederlandse Gebarentaal worden vastgesteld. Artikel 6 Een gebarentalige die ter terechtzitting ambtswege het woord voert dan wel verplicht is zich aan een verhoor te onde"},{"i":15756,"b":"Wet van 14 december 2000, houdende nieuwe bepalingen inzake het financieringsbeleid van openbare lichamen (Wet financiering decentrale overheden) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op grond van veranderde omstandigheden en nieuwe inzichten ten aanzien van het financieringsbeleid van openbare lichamen wenselijk is nieuwe regels vast te stellen ter herziening van de Wet financiering lagere overheid; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. openbare lichamen: - 1°. provincies; - 2°. gemeenten; - 3°. waterschappen; - 4°. lichamen met rechtspersoonlijkheid, ingesteld met toepassing van de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740); - 5°. door Onze Ministers aan te wijzen andere bij wet ingestelde lichamen en organen; - b. rentetypische looptijd: het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de leningvoorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare constante rentevergoeding; - c. financiële derivaten: financiële instrumenten belichaamd in contracten waarin de voorwaarden zijn vastgelegd waartegen een transactie op een bepaald moment zal of kan plaatsvinden en waarvan de waarde afhankelijk is van één of meer onderliggende activa, referentieprijzen of indices; - d. netto-vlottende schuld: het gezamenlijk bedrag van: - 1°. de opgenomen gelden met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van korter dan één jaar; - 2°. de schuld in rekening-courant; - 3°. de voor een termijn van korter dan één jaar ter bewaring in de kas gestorte gelden van derden, en - 4°. overige geldleningen die geen onderdeel uitmaken van de vaste schuld; verminderd met het gezamenlijk bedrag"},{"i":15757,"b":"Wet financiering politieke partijen § 1. Algemene bepalingen § 1. Algemene bepalingen Artikel 7 1. Onze Minister verstrekt na een daartoe strekkende aanvraag subsidie aan een politieke partij indien die partij op de peildatum beschikt over 1 000 leden die vergader- en stemrechten hebben in de politieke partij en elk per jaar minimaal € 12 contributie betalen. Het lidmaatschap blijkt uit een uitdrukkelijke wilsverklaring van betrokkene. 2. De subsidie wordt verstrekt voor uitgaven die direct samenhangen met de volgende activiteiten: - a. politieke vormings- en scholingsactiviteiten; - b. informatievoorziening; - c. het onderhouden van contacten met zusterpartijen buiten Nederland en het ondersteunen van vormings- en scholingsactiviteiten ten behoeve van het kader van die partijen; - d. politiek-wetenschappelijke activiteiten; - e. activiteiten ter bevordering van de politieke participatie van jongeren; - f. het werven van leden; - g. het betrekken van niet-leden bij activiteiten van de politieke partij; - h. werving, selectie en begeleiding van politieke ambtsdragers; - i. activiteiten in het kader van verkiezingscampagnes. 3. De subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt. Artikel 8 1. De subsidie bedraagt ten hoogste de som van de volgende bedragen: - a. een basisbedrag van € 273.058, per kamerzetel van de politieke partij een bedrag van € 82.022 en per lid van de politieke partij een bedrag dat gelijk is aan € 3.042.199 gedeeld door het totale aantal leden van de politieke partijen die op de peildatum subsidie ontvangen; - b. indien de politieke partij op de peildatum een politiek-wetenschappelijk instituut heeft aangewezen als neveninstelling als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&paragraaf=1&artikel=2&z=2025-11-07&g=2025-11-07), een basisbedrag van € 198.919 en een bedrag van € 20.609 per kamerzetel van de politieke partij; - c. indien de politieke partij op de peildatum een politieke jongerenorganisatie heeft aangewezen als nev"},{"i":15759,"b":"Wet van 10 juli 2019, houdende Invoering van een wettelijk mechanisme ten behoeve van de beslechting van belastinggeschillen tussen lidstaten van de Europese Unie (Wet fiscale arbitrage) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van [Richtlijn 2017/1852](32017L1852)/EU van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie (PbEU 2017, L 265); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover nodig in afwijking van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), verstaan onder: - **andere bevoegde autoriteit:** de autoriteit van een andere betrokken lidstaat of de autoriteiten van andere betrokken lidstaten die als zodanig door de andere betrokken lidstaat is, onderscheidenlijk de andere betrokken lidstaten zijn, aangewezen; - **arbitrageverdrag van de Unie:** Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen; - **belanghebbende:** elke persoon die een fiscaal ingezetene is van een lidstaat en voor wiens belastingheffing het geschilpunt rechtstreekse gevolgen heeft; - **belastingwet:** belastingwet als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2); - **bevoegde autoriteit:** de autoriteit van een lidstaat die als zodanig door de betrokken lidstaat is aangewezen; - **dubbele belasting:** de heffing van belastingen die vallen onder een overeenkomst of verdrag die voorzien in de afschaffing van dubbele belasting op inkomsten of vermogen door twee of meer"},{"i":15760,"b":"Wet van 19 februari 2000, houdende regels inzake het recht op aanpassing van de arbeidsduur (Wet aanpassing arbeidsduur) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels inzake het recht op aanpassing van de arbeidsduur tot stand te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Algemene bepaling Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. werkgever: degene die een ander krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid laat verrichten; - b. werknemer: de ander, bedoeld onder a; - c. arbeidsduur: het aantal overeengekomen uren waaruit een werkweek of een anderszins overeengekomen werkperiode van de werknemer bestaat; - d. arbeidsplaats: iedere overeengekomen plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt door de werknemer; - e. werktijd: de overeengekomen tijdstippen op een werkdag of een anderszins overeengekomen tijdvak waarop de werknemer werkzaam is. Beperking toepassingsbereik Artikel 2 1. De werknemer kan de werkgever verzoeken om aanpassing voor al dan niet wisselende perioden en met al dan niet verschillende omvang van de uit zijn arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling voortvloeiende arbeidsduur, arbeidsplaats of werktijd, indien de werknemer ten minste 26 weken voorafgaand aan het beoogde tijdstip van ingang van die aanpassing in dienst is bij die werkgever, behoudens onvoorziene omstandigheden. Voor de berekening van de termijn van 26 weken worden perioden waarin arbeid wordt verricht, die elkaar opvolgen met een onderbreking van niet meer dan zes maanden, samengeteld. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op perioden waarin voor verschillende werkgevers arbeid wordt verricht die ten aanzien van de"},{"i":15765,"b":"Wet van 27 juni 2018, houdende instelling van een gedeeltelijk verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding in het onderwijs, het openbaar vervoer, overheidsgebouwen en de zorg (Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijk verbod in te stellen op het dragen van gezichtsbedekkende kleding in het openbaar vervoer en in gebouwen en bijbehorende erven van onderwijsinstellingen, overheidsinstellingen en zorginstellingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Het is verboden om in het openbaar vervoer en in gebouwen en bijbehorende erven van onderwijsinstellingen, overheidsinstellingen en zorginstellingen kleding te dragen die het gezicht geheel bedekt of zodanig bedekt dat alleen de ogen onbedekt zijn, dan wel onherkenbaar maakt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing, voor zover kleding als bedoeld in dat lid: - a. wordt gedragen door cliënten, patiënten of hun bezoekers in residentiële delen van zorginstellingen, - b. noodzakelijk is ter bescherming van het lichaam in verband met de gezondheid of de veiligheid, - c. noodzakelijk is in verband met eisen die aan de uitoefening van een beroep of de beoefening van een sport worden gesteld, of - d. passend is in verband met het deelnemen aan een feestelijke of een culturele activiteit. 3. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag van een zorginstelling toestaan dat kleding als bedoeld in dat lid in niet-residentiële delen van de zorginstelling wordt gedragen door cliënten of patiënten die daar voor onbepaalde tijd verblijven, of hun bezoekers. Artikel 2 1. Degene die handelt in strijd met [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041161&artikel=1&z=2019-08-01&g=2019-08-01), wordt gestraft met een"},{"i":15766,"b":"Wet van 14 juli 2022 tot wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in verband met het tijdelijk achterwege laten van de rente bij bepaalde hervattingen van de invordering van toeslagschulden (Wet geen rente bij hervatting invordering toeslagschulden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om geen rente in rekening te brengen bij bepaalde hervattingen van de invordering van toeslagschulden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 2022. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 juni 2022, treedt deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 juli 2022. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet geen rente bij hervatting invordering toeslagschulden. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15768,"b":"Wet van 3 april 2003 tot vaststelling van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, mede in verband met [artikel 1 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=1) en alsmede op grond van de [Richtlijn nr. 2000/78/EG](32000L0078) van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000, tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PbEG, 2000, L303), ter bevordering van de deelneming op gelijke voet aan het maatschappelijke leven bescherming te bieden tegen discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte en dat het daarom wenselijk is behoudens de door de wet genoemde uitzonderingen onderscheid op deze grond te verbieden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de opdracht daartoe; - b. direct onderscheid: indien een persoon op grond van handicap of chronische ziekte op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld; - c. indirect onderscheid: indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een handicap of chronische ziekte in vergelijking met andere personen bijzonder treft; - d. richtlijn (EU) 2019/882: [Richtlijn (EU) 2019/882](32019L0882) van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019, L151). Artikel 2 1. Het verbod van onderscheid houdt mede in dat degene, tot wie dit verbod zich richt, gehouden is naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten, tenzij deze voor hem een onevenredige belasting"},{"i":15769,"b":"Wet van 1 maart 1980, houdende aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Nederlandse wetgeving aan te passen met het oog op de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemeen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de opdracht daartoe; - b. direct onderscheid: indien een persoon op grond van geslacht op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld; - c. indirect onderscheid: indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen van een bepaald geslacht in vergelijking met andere personen bijzonder treft. 2. Onder direct onderscheid wordt mede verstaan onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap. Artikel 1a 1. Het in deze wet neergelegde verbod van direct onderscheid houdt mede in een verbod op intimidatie en een verbod op seksuele intimidatie. 2. Onder intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: gedrag dat met het geslacht van een persoon verband houdt en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd. 3. Onder seksuele intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in he"},{"i":15770,"b":"Wet van 20 december 1984, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot gemeenschappelijke regelingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, nieuwe bepalingen vast te stellen met betrekking tot gemeenschappelijke regelingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Regelingen tussen gemeenten § 1. Bevoegdheid tot het treffen van een regeling Artikel 1 1. De raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van twee of meer gemeenten kunnen afzonderlijk of tezamen, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van die gemeenten. 2. De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters zenden het ontwerp van de regeling toe aan de raden van de deelnemende gemeenten, met uitzondering van het ontwerp van een regeling die getroffen of mede getroffen wordt door de raden. 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van hun gemeente binnen acht weken na ontvangst van het ontwerp hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren brengen. Indien de raden geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte. 4. De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters gaan niet over tot het treffen van een regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden. De toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 5. Onder het treffen van een regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een regeling. § 2. Algemene bepalingen Artikel 2"},{"i":15773,"b":"Wet van 27 september 1962, houdende regeling inzake vrijstelling van de militaire dienst wegens ernstige gewetensbezwaren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een nieuwe regeling ter uitvoering van [artikel 196 van de Grondwet](onbekend) te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **«militair»:** degene die behoort tot de krijgsmacht, ook gedurende de tijd, dat deze niet in werkelijke dienst is; **«vervangende dienst»:** de dienst die verplicht wordt vervuld ter vervanging van de militaire dienst; **«erkende gewetensbezwaarde»** degene van wie bezwaren tegen de persoonlijke vervulling van de militaire dienst als ernstige gewetensbezwaren zijn erkend; **«groot verlof»:** de tijd gedurende welke de erkende gewetensbezwaarde geen vervangende dienst vervult of behoeft te vervullen; **«tewerkgestelde»:** degene die voor vervangende dienst is opgeroepen van het ogenblik af dat deze op de plaats van de eerste bestemming is aangekomen tot het tijdstip, waarop deze met groot verlof wordt gezonden; **«dienstplichtige»:** degene die ingevolge de [Kaderwet dienstplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008589) geschikt is verklaard voor het vervullen van werkelijke dienst. 2. Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gesproken van personen die ongeschikt zijn verklaard, zijn erkend als gewetensbezwaarde, ontheven zijn van de verplichting tot het vervullen van de vervangende dienst in gewone omstandigheden, disciplinair gestraft of veroordeeld zijn, worden hieronder, voor zover het tegendeel niet blijkt, verstaan degenen omtrent wie het desbetreffende besluit of de desbetreffende uitspraak onherroepelijk is geworden. 3."},{"i":15778,"b":"Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Bouwen:** het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; - **Bezwaar:** het indienen van een zienswijze; - **Onze Minister:** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 2. In deze wet wordt onder «grond» mede verstaan: de onder- en bovengrond op verschillende niveaus alsmede water en de territoriale zee. Hoofdstuk II. Ontwikkelingsbeleid van het Rijk Artikel 2 1. Onze Minister doet het nodige ter voorbereiding van een samenhangend en duurzaam rijksbeleid voor de ontwikkeling van het gebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Daartoe doet hij een geregeld onderzoek verrichten. De uitkomsten hiervan worden, voorzover het algemeen belang zulks toelaat, gepubliceerd. 2. Onze Minister pleegt terzake bij voortduring overleg met de bestuurscolleges van de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Artikel 3 Het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028218&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01) bedoelde rijksbeleid richt zich op de volgende algemene doelstellingen: - a. er dient een zo gunstig mogelijk evenwicht te worden bewaard tussen de beschikbare ruimte en de daarop te bevorderen ontwikkeling, mede in het licht van de bevolkingsgroei waartoe deze zal leiden; - b. de ruimtelijke voorwaarden dienen te worden geschapen voor het behoud van een gezond leefmilieu, onder meer door het veiligstellen van natuur- en recreatieruimte in overeenstemming met de toekomstige omvang van de bevolking, alsmede door het zuiver houden van water, bodem en lucht; - c. het beschikbaar komen van woonruimte en van de bijbehorende sociale en culturele voorzieningen dient zoveel mogelijk gelijke tred te houden met de groei van de bevolking en de uitvoering van de ontwikkelingsprojecten; - d. er dienen tijdig maat"},{"i":15779,"b":"Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in verband met uitbreiding van de hardheidsclausule en invoering van een hardheidsregeling, een vangnetbepaling, een grondslag voor een compensatieregeling alsmede een O/GS-tegemoetkomingsregeling (Wet hardheidsaanpassing Awir) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen tot verzachting van de hardheden die zich bij de toepassing van de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472), de daarop berustende bepalingen of een inkomensafhankelijke regeling mochten voordoen en hebben voorgedaan, alsmede dat het wenselijk is een wettelijke delegatiegrondslag voor een compensatieregeling op te nemen alsmede een O/GS-tegemoetkomingsregeling; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel II Indien een belanghebbende voorafgaand aan de inwerkingtredingsdatum, bedoeld in [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043785&artikel=III&z=2022-11-05&g=2022-11-05), een verzoek heeft gedaan dat inhoudelijk overeenkomt met een verzoek als bedoeld in [artikel 49, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=49), zoals dat luidde op 25 januari 2021, wordt dit verzoek na die inwerkingtredingsdatum geacht een verzoek te zijn als bedoeld in artikel 49, tweede lid, van die wet, zoals dat luidde op 25 januari 2021 en wordt dit verzoek voor de toepassing van artikel 49, negende lid, van die wet, zoals dat luidde op 25 januari 2021, geacht te zijn ontvangen op die inwerkingtredingsdatum. Artikel IIa Onze Minister van Financiën zendt binnen twee jaar na"},{"i":15780,"b":"Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en enkele andere wetten in verband met de harmonisatie van de regelgeving met betrekking tot kindercentra en peuterspeelzalen (Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) te wijzigen ten einde de regelgeving aangaande kindercentra en peuterspeelzalen te harmoniseren en daarmee samenhangende wijzigingen door te voeren in enkele andere wetten; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel II Na de inwerkingtreding van deze wet berust: - a. het [Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027961), voor zover dit berust op de [Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017), op [artikel 1.50b van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.50b); - b. het [Besluit Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035779), voor zover dit berust op de [Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017), op de [artikelen 1.50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.50) en [1.56b, tweede lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.56b); en - c. het [Remigratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034905), voor zover dit berust op de [Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017), op [artikel 1.50, tweede lid, van de We"},{"i":15782,"b":"Wet hazardspelen BES II Artikel 1 Het bestuurscollege is bevoegd om, onder door hem te stellen voorschriften en waarborgen aan verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, verenigingen zonder volledige rechtsbevoegdheid doch die wel aangesloten zijn bij een overkoepelende organisatie die rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is en stichtingen met een sociaal of cultureel doel vergunning te verlenen tot het organiseren van hazardspelen. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028244&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde vergunning is persoonlijk en niet voor overdracht vatbaar. Artikel 3 Het bestuurscollege is bevoegd een vergunning in te trekken indien hij van oordeel is, dat de bij de vergunning gestelde voorschriften en waarborgen niet worden nagekomen. Artikel 4 De vergunninghouder, die de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028244&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde voorschriften of waarborgen niet nakomt, wordt geacht zonder vergunning te hebben gehandeld. Artikel 5 [vervallen] Artikel 6 Deze wet wordt aangehaald als: Wet hazardspelen BES II."},{"i":15784,"b":"Wet van 24 juni 2015, houdende regels over het hergebruik van overheidsinformatie (Wet hergebruik van overheidsinformatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen over het hergebruik van overheidsinformatie in verband met de implementatie van [Richtlijn nr. 2013/37](32013L0037)/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van [Richtlijn 2003/98/EG](32003L0098) inzake het hergebruik van overheidsinformatie (PbEU 2013, L 175/1); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **anonimisering:** proces waarbij documenten worden omgezet in anonieme documenten die geen betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, of waarbij persoonsgegevens zodanig anoniem worden gemaakt dat de betrokkene niet of niet meer identificeerbaar is; - –. **archief:** archiefbewaarplaats als bedoeld in[artikel 1, onderdeel f, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1), of beheerder daarvan; - –. **API:** reeks functies, procedures, definities en protocollen voor machine-naar-machine communicatie en de naadloze uitwisseling van gegevens; - –. **bibliotheek:** - a. Koninklijke Bibliotheek als bedoeld in [artikel 1.5, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.5); - b. landelijke digitale bibliotheek als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=1); - c. lokale bibliotheek als bedoeld in [artikel 1, eerst"},{"i":15790,"b":"Wet van 24 december 1997 tot herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van adoptie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het afstammingsrecht alsmede de regeling van de adoptie te herzien en de daarmee samenhangende bepalingen in het Burgerlijk Wetboek te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL II Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL III. OVERGANGSBEPALING 1. Het voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende recht blijft van toepassing op procedures waarin de inleidende dagvaarding is betekend dan wel het inleidende verzoekschrift is ingediend, met betrekking tot adoptie of herroeping daarvan alsmede met betrekking tot ontkenning van het vaderschap, vernietiging van een erkenning, inroeping of betwisting van staat, vaststelling van een onderhoudsbijdrage als bedoeld in artikel 394, of vaststelling van een som ineens als bedoeld in artikel 406, zoals deze artikelen luidden onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Het vervallen van artikel 405, tweede lid, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, heeft evenwel onmiddellijke werking. 2. Een kind aan wie tijdens de meerderjarigheid bekend is geworden en op het moment van inwerkingtreding van deze wet bekend is dat de erkenner vermoedelijk niet de biologische vader is van het kind, kan gedurende een termijn van drie jaren te rekenen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de wet een verzoek tot vernietiging van de erkenning doen overeenkomstig de bepalingen van deze wet. 3. Een kind aan wie tijdens de meerderjarigheid bekend is geworden en op het moment van inwerkingtreding van deze wet bekend is dat"},{"i":15791,"b":"Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere wetten in verband met de herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning (Wet herziening fiscale behandeling eigen woning) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VI Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VII Wijzigt het Belastingplan 2004. Artikel VIIa Wijzigt het Belastingplan 2010. Artikel VIII Wijzigt de Fiscale vereenvoudigingswet 2010. Artikel IX Wijzigt het Belastingplan 2011. Artikel X 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2013, met dien verstande dat [artikel VIIa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032676&artikel=VIIa&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [artikel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032676&artikel=IX&z=2013-01-01&g=2013-01-01) toepassing vinden voordat [artikel II van het Belastingplan 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029341&artikel=II) en [artikel III van het Belastingplan 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029341&artikel=III) worden toegepast. 2. [Artikel I, onderdeel Ma](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032676&artikel=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), werkt terug tot en met 29 oktober 2012, waarbij [artikel 3.120a, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.120a) in de periode van 29 oktober tot en met 31 december 2012 als volgt wordt gelezen: - 4. Artikel 3.120, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel XI Deze wet wordt aangehaald als: Wet herziening fiscale behandeling eigen woning. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de fiscale behandeling van de eigen woning door i"},{"i":15792,"b":"Wet van 29 oktober 1998, houdende aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Algemene wet bestuursrecht en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten (herziening van het fiscale procesrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het fiscale procesrecht in overeenstemming te brengen met het bestuursprocesrecht zoals neergelegd in [hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=8), en dat het in verband daarmee wenselijk is de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken te vervangen door een regeling in de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320), de Tariefcommissiewet opnieuw vast te stellen en wijzigingen aan te brengen in een aantal andere wetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. ARTIKEL II Wijzigt de Tariefcommissiewet. ARTIKEL III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht, de Successiewet 1956, de Registratiewet 1970, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Wet op de omzetbelasting 1968, de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Meststoffenwet, de Wet waardering onroerende zaken, de Luchtvaartwet, de Wet sloopregeling binnenvaart, de Douanewet. ARTIKEL IV De Wet administratieve rechtspraak belastingzaken wordt ingetrokken. ARTIKEL V Ten aanzien van de behandeling van bezwaar, beroep of beroep in cassatie dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is gemaakt onderscheidenlijk is ingesteld, blijft het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing. ARTIKEL VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of o"},{"i":15793,"b":"Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke indeling, de Wet op de rechterlijke organisatie en diverse andere wetten in verband met de vermindering van het aantal arrondissementen en ressorten (Wet herziening gerechtelijke kaart) Hoofdstuk I. Wijziging van wetten op het terrein van rechtspleging en juridische beroepen Hoofdstuk I. Wijziging van wetten op het terrein van rechtspleging en juridische beroepen Hoofdstuk II. Wijziging van overige wetten Artikel CII. (Overgang lopende zaken naar nieuwe rechtbanken) 1. Zaken die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031789&hoofdstuk=I&artikel=I&z=2015-07-01&g=2015-07-01) aanhangig waren bij een hieronder in de linkerkolom genoemde rechtbank gaan van rechtswege over naar de daarbij in de rechterkolom genoemde rechtbank. | Zaken aanhangig bij de rechtbank te | gaan van rechtswege over naar de rechtbank | | --- | --- | | Alkmaar | Noord-Holland | | Almelo | Oost-Nederland | | Amsterdam | Amsterdam | | Arnhem | Oost-Nederland | | Assen | Noord-Nederland | | Breda | Zeeland-West-Brabant | | Dordrecht | Rotterdam | | ’s-Gravenhage | Den Haag | | Groningen | Noord-Nederland | | Haarlem | Noord-Holland | | ’s-Hertogenbosch | Oost-Brabant | | Leeuwarden | Noord-Nederland | | Maastricht | Limburg | | Middelburg | Zeeland-West-Brabant | | Roermond | Limburg | | Rotterdam | Rotterdam | | Utrecht | Midden-Nederland | | Zutphen | Oost-Nederland | 2. Zaken die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031789&hoofdstuk=I&artikel=I&z=2015-07-01&g=2015-07-01) aanhangig waren bij de rechtbank te Zwolle-Lelystad, tot kennisneming waarvan de rechtbank Midden-Nederland onderscheidenlijk de rechtbank Oost-Nederland bevoegd is, gaan van rechtswege over naar de rechtbank Midden-Nederland onderscheidenlijk de rechtbank Oost-Nederland. Artikel CIII. (Overgang lopende zaken naar nieuwe gerechtshoven) Zaken"},{"i":15795,"b":"Wet van 2 april 2025 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 teneinde te voorzien in herziening van de regels voor niet tijdig beslissen op aanvragen op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken) Allen, die deze zullen of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te voorzien in nieuwe regels om te waarborgen dat tijdig beslissingen worden genomen op aanvragen op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel Ia Onze Minister van Justitie en Veiligheid zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. In het verslag wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de ontwikkeling van het aantal tijdige beslissingen. Artikel II Deze wet blijft buiten toepassing indien Onze Minister van Justitie en Veiligheid vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist op een aanvraag op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en hij vóór die datum van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling als bedoeld in [artikel 4:17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17) of [6:12, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:12) heeft ontvangen. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet herziening regels niet tijdig beslissen in"},{"i":15797,"b":"Wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid tot homologatie van een onderhands akkoord (Wet homologatie onderhands akkoord) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) een regeling te treffen op basis waarvan de rechtbank kan overgaan tot homologatie van een onderhands akkoord betreffende de herstructurering van schulden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Faillissementswet. Artikel II Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel IIa Onze Minister voor Rechtsbescherming zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet homologatie onderhands akkoord. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15798,"b":"Wet van 11 december 2013 inzake houdbare financiën van de collectieve sector (Wet houdbare overheidsfinanciën) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling te treffen voor het doelgericht streven naar houdbare financiën van de collectieve sector in nationaal en Europees verband; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. : Definities In deze wet wordt verstaan onder: - **Begrotingsbeleid:** de algemene gedragslijnen met betrekking tot de voorbereiding, de vaststelling, de uitvoering en de wijziging van de begrotingen van uitgaven en ontvangsten van de collectieve sector in meerjarig perspectief. - **Bestuurlijk overleg:** het overleg van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Financiën, als beheerders van het gemeente- en het provinciefonds, met de instanties die representatief kunnen worden geacht voor de desbetreffende decentrale overheden, welk overleg zo nodig kan worden uitgebreid met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de instantie die representatief kan worden geacht voor de waterschappen. - **CBS:** het Centraal Bureau voor de Statistiek. - **CPB:** het Centraal Planbureau. - **Collectieve sector:** het organisatorische geheel van: - a. de rijksdienst; - b. de sociale fondsen; - c. de decentrale overheden, en - d. de overige rechtspersonen met een wettelijke taak. - **Decentrale overheden:** provincies, gemeenten en waterschappen. - **EMU-saldo:** het saldo van de ontvangsten en de uitgaven van de collectieve sector in een jaar, zijnde het nettofinancieringssaldo van de collectieve sector, berekend overeenkomstig de voorschriften van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie. - **EMU-tekort:** een negatie"},{"i":15801,"b":"Wet van 22 november 2007, houdende verlenging van de totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege van ter beschikking gestelden te verlengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Deze wet is tevens van toepassing op ter beschikking gestelden wier verpleging van overheidswege op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, voorwaardelijk is beëindigd. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15802,"b":"Wet van 14 mei 1998, houdende voorschriften betreffende onder meer instelling van voortgezette kunstopleidingen op het gebied van de muziek met ingang van het studiejaar 1998–1999 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat met ingang van het studiejaar 1998–1999 een aanvang kan worden gemaakt met het onderwijs in enkele nieuwe voortgezette kunstopleidingen op het gebied van de muziek; dat in verband hiermee een wettelijke voorziening dient te worden getroffen onder meer ter afwijking van [artikel 6.16 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.16); dat het voorts wenselijk is dat een aantal in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs vermelde afstudeerroutes op het gebied van het kunstvakonderwijs uit dat register vervalt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 15 mei 1998. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: «wet»: de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); «Informatie Beheer Groep»: de Informatie Beheer Groep, bedoeld in de [Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006320); «register»: het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in [artikel 6.13 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13); «hogeschool»: een bekostigde hogeschool als bedoeld in [artikel 1.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.8); «opleiding»: een opleiding als bedoeld in [artikel 7.3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3). Artikel 2. Besluitvorming nieuwe voortgezette kunstopleidingen In afwijking van artikel 6.16, eerste, vierd"},{"i":15804,"b":"Wet identiteitskaarten BES Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder openbaar lichaam: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 1a 1. Ieder, die in het bevolkingregister van een openbaar lichaam is opgenomen en 12 jaar of ouder is, dient in het bezit te zijn van een op hem betrekking hebbende geldige identiteitskaart, door of namens de gezaghebber van het betrokken openbaar lichaam afgegeven, behalve wanneer betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld een zodanige identiteitskaart in ontvangst te nemen. 2. De gezaghebber draagt zorg dat betrokkenen in de gelegenheid worden gesteld de in het eerste lid bedoelde identiteitskaart in ontvangst te nemen. Artikel 2 1. Onverminderd andere vereisten voor de identiteitskaart bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gesteld, dient de identiteitskaart het volgende te bevatten: - a. geslachtsnaam en voornamen van betrokkene. Op verzoek van de kaarthouder kan, onder vermelding van diens burgerlijke staat, tevens de geslachtsnaam worden opgenomen van de echtgenoot, echtgenote of geregistreerde partner, dan wel, indien de houder geen echtgenoot, echtgenote of geregistreerde partner meer heeft, de geslachtsnaam van de gewezen echtgenoot, echtgenote of geregistreerde partner met wie het huwelijk of het geregistreerd partnerschap laatstelijk is geëindigd, voor zover het model van de identiteitskaart daartoe voldoende ruimte bevat; - b. geslacht, geboortedatum en -plaats van betrokkene; - c. nationaliteit van betrokkene; - d. handtekening van betrokkene, met dien verstande dat, indien betrokkene niet bij machte is zijn handtekening te plaatsen, een aantekening terzake door of namens de gezaghebber wordt opgenomen; - e. in de navolgende volgorde, achter elkaar in Arabische cijfers vermeld, het jaar, de maand en de dag van geboorte, waarbij de vermelding van het jaar door middel van vier cijfers en de maand en de dag van geboorte door middel van twee cijfers plaats heeft, met dien verstande dat de cijfers v"},{"i":15805,"b":"Wet van 18 juli 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het verbeteren en versterken van de vaststelling van de identiteit van verdachten, veroordeelden en getuigen (Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een juiste, betrouwbare en zorgvuldige vaststelling van de identiteit van verdachten, veroordeelden en getuigen in de strafrechtsketen te verbeteren en te versterken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel III Wijzigt de Overleveringswet. Artikel IV Wijzigt de Uitleveringswet. Artikel V Wijzigt de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. Artikel VI Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel VII Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Artikel VIII Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Artikel IX Wijzigt de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Artikel X Wijzigt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Artikel XI Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel XII De vingerafdrukken die op grond van [artikel 28, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=28), [artikel 22, tweede lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=22) en [artikel 33, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=33), zoals die artikelleden luidden voor de inwerkingtreding van deze wet, zijn verwerkt, worden tevens geacht te zijn verwerkt op"},{"i":15806,"b":"Wet van 7 augustus 1953, houdende voorzieningen met betrekking tot de immunisatie van militairen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wettelijke voorzieningen te treffen met betrekking tot de immunisatie van militairen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet verstaat onder: \"Onze Minister\": Onze Minister van Defensie; \"Immunisatie\": zowel vaccinatie en revaccinatie tegen pokken als iedere andere inenting en herinenting. Artikel 2 Onze Minister is tot 1 januari 1984 bevoegd militairen de verplichting op te leggen zich aan vaccinatie voor de eerste maal tegen pokken te onderwerpen. Artikel 3 1. Onze Minister is bevoegd militairen de verplichting op te leggen zich, ter voorkoming van optreden of verspreiding van ziekten in de strijdkrachten, aan revaccinatie tegen pokken en aan iedere door hem nodig geoordeelde inenting en herinenting tegen andere ziekten, te onderwerpen. 2. Alvorens een verplichting als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd, kan Onze Minister advies vragen aan een door hem ingesteld commissie van deskundigen. Artikel 4 De in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117&artikel=2&z=1998-01-01&g=1998-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117&artikel=3&z=1998-01-01&g=1998-01-01) bedoelde maatregelen vinden niet plaats dan met inachtneming van de door Onze Minister ter uitvoering van de wet gestelde regelen. Artikel 5 1. De militair, alsmede, indien de militair minderjarig is, degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent, die op gronden ontleend aan zijn of haar godsdienst, levensbeschouwing of zedelijke overtuiging gewetensbezwaren heeft tegen immunisatie, kan zich met een met redenen omkleed verzoekschrift tot het verkrijgen van vrijstelling van de aan hem of"},{"i":15807,"b":"Wet van 30 september 2015, houdende regels ter implementatie van het Nagoya Protocol (Wet implementatie Nagoya Protocol) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om te voorzien in wettelijke regels om het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik bij het Verdrag inzake biologische diversiteit te implementeren en uitvoering te geven aan ter zake geldende verordeningen van de Europese Unie. Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **EU-verordeningen inzake genetische rijkdommen:** verordeningen als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die betrekking hebben op de toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik, waaronder in ieder geval Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie (PbEU 2014, 150) en verordeningen die daarop berusten; - –. **Nagoya Protocol:** op 29 oktober 2010 te Nagoya tot stand gekomen Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (Trb. 2012, 16 en Trb. 2012, 244); - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 2 1. Het is verboden in strijd te handelen met bij ministeriële regelin"},{"i":15808,"b":"Wet van 7 juni 2017 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met de implementatie van de verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP's) (PbEU 2014, L 352) (Wet implementatie verordening essentiële-informatiedocumenten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter uitvoering van verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP’s) (PbEU 2014, L 352) (Wet implementatie verordening essentiële-informatiedocumenten); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie verordening essentiële-informatiedocumenten. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15809,"b":"Wet van 2 december 2020, houdende regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 2021) Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Hoofdstuk 3. De inburgeringsplicht Hoofdstuk 4. De inburgeringstermijn Hoofdstuk 2. Inburgeringsplichtig Hoofdstuk 6. Sociale lening Hoofdstuk 7. Handhaving Hoofdstuk 8. Overheidscertificering en keurmerk Hoofdstuk 3. De inburgeringsplicht Hoofdstuk 10. Financiering, toezicht en informatie Hoofdstuk 11. Wijziging van andere wetten Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 53. Evaluatie Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de mate waarin en de wijze waarop afspraken over het deelnemen aan voorschoolse educatie, bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.1), of de vroegschoolse educatie, bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), bijdragen aan het deelnemen aan voor- en vroegschoolse educatie bij deze groep. Artikel 54. Intrekking van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) 1. De [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de personen op wie deze wet van toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. 2. De [artikelen 18b, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=18b), [64, eerste lid, onderdeel p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=64), en [67, eerste lid, onderdeel h, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=67), [artikel 7.3.1, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https:"},{"i":15811,"b":"Wet van 21 februari 2018, houdende regels over de informatie-uitwisseling betreffende bovengrondse en ondergrondse infrastructuur van netten en netwerken ter voorkoming van graafschade en ter bevordering van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid, alsmede wijziging van de Telecommunicatiewet ter bevordering van medegebruik van fysieke infrastructuur en van de gecoördineerde aanleg van civiele werken (Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de implementatie van [richtlijn 2014/61](32014L0061)/EU van het Europese Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid (PbEU 2014, L 155) maatregelen vergt waardoor medegebruik van bestaande fysieke infrastructuur en coördineren van civiele werken wordt bevorderd teneinde de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid te stimuleren, alsmede dat daartoe uitbreiding nodig is van de bestaande wettelijke informatie-uitwisseling tussen beheerders van netten; dat het wenselijk is de regels voor informatie-uitwisseling over ondergrondse en bovengrondse elementen van netten en netwerken onder te brengen in dezelfde wet; dat gelet hierop de [Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023775) wordt vervangen door een wet die ziet op de informatie-uitwisseling omtrent ondergrondse en bovengrondse elementen van netten en netwerken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanbieder:** een aanbieder van een openbaar elektronisch commu"},{"i":15812,"b":"Wet van 20 december 2017 tot wijziging van de Wet op de dividendbelasting 1965, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met de introductie van een inhoudingsplicht voor houdstercoöperaties, de uitbreiding van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting en wijziging van enkele antimisbruikbepalingen in de dividendbelasting en vennootschapsbelasting (Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om misbruik van de coöperatie beter te bestrijden en een meer gelijke behandeling in de dividendbelasting van houdstercoöperaties en kapitaalvennootschappen te bewerkstelligen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel III Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel IV Wijzigt de Fiscale vereenvoudigingswet 2017. Artikel V Onder toepassing van [artikel 12 van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=12) treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15813,"b":"Wet van 24 maart 2005 tot aanvulling van het inkomen van ouderen met een bescheiden inkomen en aanpassing berekening vakantie-uitkering voor uitkeringsgerechtigden (Wet inkomensaanvulling 2005) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel V Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel VI Wijzigt de Wet werk en inkomen kunstenaars. Artikel VII Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel VIII Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel IX 1. De bedragen en normen op grond van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) worden in de maand april 2005 in afwijking van [artikel 38 van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=38) aangepast alsof [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018140&artikel=III&z=2005-04-15&g=2005-04-15) van toepassing is met ingang van 1 januari 2005, met uitzondering van de toepassing van de normen voor [artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475d). 2. In afwijking van de [artikelen 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=5) en van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=5) worden de bedragen in die artikelen gewijzigd overeenkomstig de aanpassing van het netto minimumloon op grond van [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018140&artikel=IV&z=2005-04-15&g=2005-04-15) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018140&artikel=V&z=2005-04-15&g=2005-04-15) alsof laatstgenoem"},{"i":15814,"b":"Wet van 19 juni 2008, houdende regels voor een Inkomensvoorziening voor Oudere Werklozen (Wet inkomensvoorziening oudere werklozen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers tot stand te brengen in verband met de wijziging van het WW-stelsel en de bijzondere arbeidsmarktpositie van ouderen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene begrippen en algemene bepalingen Artikel 1. Algemene begrippen Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aanvrager:** de persoon die een aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet heeft ingediend dan wel schriftelijke toestemming heeft gegeven om een aanvraag in te dienen; - –. **eerste dag van werkloosheid:** de eerste dag van werkloosheid, bedoeld in [artikel 16a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16a); - –. **minimumloon:** het minimumloon per maand, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8); - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. **re-integratiebedrijf:** een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert; - –. **uitkeringsgerechtigde:** de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet; - –. **uitreiziger:** persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan het UWV, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te slu"},{"i":15815,"b":"Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de herijking en harmonisatie van enige kwaliteitseisen voor kindercentra en peuterspeelzalen, de innovatie van die kwaliteitseisen en het aanpassen van enige eisen aan de kwaliteit van voorschoolse educatie (Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk te verhogen, door de kwaliteitseisen waaraan kindercentra en peuterspeelzalen moeten voldoen te harmoniseren en te innoveren en enige eisen aan de kwaliteit van voorschoolse educatie aan te passen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel Ia Wijzigt deze wet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel Ib Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15816,"b":"Wet van 3 december 1964, houdende voorzieningen ten aanzien van installaties op de bodem van de Noordzee Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter bescherming van rechtsbelangen voorzieningen te treffen ten aanzien van installaties op de bodem van het deel van de Noordzee waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentale plat, een en ander zolang geen internationale regeling ter zake is tot stand gekomen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet worden onder installaties ter zee verstaan: installaties opgericht buiten de territoriale wateren op de bodem van het deel van de Noordzee waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentale plat. Artikel 2 De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich op of met betrekking tot een installatie ter zee aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Artikel 3 Op en met betrekking tot installaties ter zee gelden de daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen Nederlandse wettelijke voorschriften. Artikel 4 Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van installaties ter zee worden voorzien in de betrekkelijke bevoegdheid van autoriteiten, colleges en ambtenaren, belast met de uitvoering van krachtens [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002467&artikel=3&z=2002-01-01&g=2002-01-01) aangewezen voorschriften, dan wel met het ten uitvoer leggen van rechterlijke uitspraken. Artikel 5 Bij algemene maatregel van bestuur kan, ten aanzien van daarin te omschrijven installaties ter zee, de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet en van de krachtens [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002467&artikel=3&z=2002-01-01&g=2002-01-01) aangewezen wettelijke"},{"i":15818,"b":"Wet van 19 juni 2003, houdende regels met betrekking tot ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht (Wet internationale misdrijven) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is om, mede gelet op het Statuut van het Internationaal Strafhof, regels te stellen met betrekking tot ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. Verdragen van Genève: - 1°. het op 12 augustus 1949 te Genève tot stand gekomen Verdrag (I) voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde (Trb. 1951, 72); - 2°. het op 12 augustus 1949 te Genève tot stand gekomen Verdrag (II) voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee (Trb. 1951, 73); - 3°. het op 12 augustus 1949 te Genève tot stand gekomen Verdrag (III) betreffende de behandeling van krijgsgevangenen (Trb. 1951, 74); en - 4°. het op 12 augustus 1949 te Genève tot stand gekomen Verdrag (IV) betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd (Trb. 1951, 75); - b. meerdere: - 1°. de militaire commandant, of degene die feitelijk als zodanig optreedt, die daadwerkelijk het bevel of gezag uitoefent over of daadwerkelijk leiding geeft aan een of meer ondergeschikten; - 2°. degene die in een burgerlijke hoedanigheid daadwerkelijk gezag uitoefent over of daadwerkelijk leiding geeft aan een of meer ondergeschikten. - c. deportatie of onder dwang overbrengen van bevolking: het onder dwang verplaatsen van personen door verdrijving of andere dwangmaatregelen uit het gebied waarin zij zich rechtmatig bevinden zonder dat daarvoor gronden bestaan die naar internationaal recht zijn toegelaten; -"},{"i":15821,"b":"Wet van 1 oktober 2025, houdende wijziging van diverse wetten in verband met het invoeren van het burgerservicenummer en de voorzieningen van de digitale overheid in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet invoering BSN en voorzieningen digitale overheid BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het burgerservicenummer en de voorzieningen van de digitale overheid in de openbare lichamen in te voeren, teneinde burgers en bedrijven beter van dienst te zijn; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer. Artikel II Wijzigt de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES. Artikel III Wijzigt de Wet basisregistratie personen. Artikel IV Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens BES. Artikel V Wijzigt de Wet digitale overheid. Artikel Va Wijzigt de Wet identiteitskaarten BES. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VII Deze wet wordt aangehaald als: Wet invoering BSN en voorzieningen digitale overheid BES. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges, en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15831,"b":"Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter bevordering van de rechtszekerheid ten aanzien van onroerende zaken, de toegankelijkheid van overheidsinformatie en een goede vervulling van publiekrechtelijke taken, de kenbaarheid van publiekrechtelijke beperkingen ten aanzien van onroerende zaken te vergroten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt volgens Stb. 2007/115 in werking op het tijdstip waarop de Invoeringswet Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken in werking treedt. § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. publiekrechtelijke beperking: - 1º. beperking van de bevoegdheid tot gebruik van of beschikking over een onroerende zaak of een recht waaraan die zaak is onderworpen, niet zijnde een privaatrechtelijke beperking, - 2º. schuldplichtigheid die rust op een onroerende zaak of een recht waaraan die zaak is onderworpen; - b. beperkingenbesluit: - 1°. op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016876&paragraaf=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) aangewezen schriftelijke publiekrechtelijke rechtshandeling waaruit een publiekrechtelijke beperking voortvloeit dan wel waarbij deze wordt gewijzigd of komt te vervallen; - 2°. een toezending van een ontwerpbesluit door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als bedoeld in [artikel 3.2, eerste lid, van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=3.2), in samenhang met [artikel 3:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:13); - 3°. een afschrift van een inschrijving door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap"},{"i":15832,"b":"Wet van 19 oktober 2022, houdende regels omtrent de oprichting en inrichting van een kiescollege voor de Eerste Kamer voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn alsmede wijziging van de Kieswet ten behoeve van de verkiezing van de leden van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn en de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer door de leden van dit kiescollege (Wet kiescollege niet-ingezetenen) Titel I. Begripsbepalingen Titel I. Begripsbepalingen Titel III. Wijziging van de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) Titel IV. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 31 Ten behoeve van de registratie van de kiesgerechtigdheid voor de verkiezing van de leden van het kiescollege, worden kiesgerechtigden in het eerste jaar na de inwerkingtreding van deze wet uitgenodigd tot registratie voor de verkiezing van de leden van het kiescollege op basis van de gegevens die zijn opgenomen in de bestanden, bedoeld in [artikel D 2 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=D_2). Artikel 32 Na de eerste verkiezing van de leden van het kiescollege geschiedt in afwijking van [artikel V 4 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=V_4) het onderzoek van de geloofsbrieven van de benoemde leden van het kiescollege, bedoeld in dat artikel, door die leden. Artikel 33 De gedragscode, bedoeld in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047384&titeldeel=II&hoofdstuk=II&artikel=11&z=2023-01-01&g=2023-01-01), wordt vastgesteld uiterlijk in de kalendermaand voorafgaande aan de eerstvolgende verkiezing van de leden van de Eerste Kamer na de inwerkingtreding van deze wet. Artikel 34 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 35 Vervallen Artikel 36 Vervallen Artikel 37 Vervallen Artikel 38 Vervallen Artikel 39 Vervallen Artikel 40 Vervallen Artikel 41 Vervallen Artikel 42 De kiesgerechtigden die op grond van [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047384&titelde"},{"i":15835,"b":"Wet van 22 mei 2024, houdende regels ten behoeve van de kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet kinderopvang BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op de grote armoedeproblematiek en achterstandenproblematiek op het terrein van ontwikkelen en leren en het belang om de kwaliteit van kinderopvang in Caribisch Nederland te verbeteren, wenselijk is om regels te stellen over kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius en Saba; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **beroepskracht:** persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen; - **beroepskracht in opleiding:** degene die in dienst van de houder van een kindercentrum en ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum; - **bestuurscollege:** bestuurscollege als bedoeld in [artikel 36 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=36); - **buitenschoolse opvang:** kinderopvang voor kinderen in de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd evenals gedurende vrije dagen of middagen en in schoolvakanties; - **dagdeel:** periode van ten minste vier aaneengesloten uren in de ochtend, middag, avond of nacht; - **dagopvang:** kinderopvangopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 tot en met de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang overda"},{"i":15838,"b":"Wet van 11 mei 2022, houdende regels met betrekking tot de private buitengerechtelijke incassodienstverlening en wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van de cumulatieregeling voor buitengerechtelijke incassokosten (Wet kwaliteit incassodienstverlening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in verband met de kwaliteit van de incassodienstverlening ten behoeve van schuldenaren, schuldeisers en incassodienstverleners regels te stellen met betrekking tot de private buitengerechtelijke incassodienstverlening en om de cumulatieregeling voor buitengerechtelijke incassokosten in [Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289) te wijzigen ter voorkoming van ongewenste stapeling van deze kosten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bestuurder:** de bestuurder van een verrichter of aanbieder van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden en degene die het beleid van een verrichter of aanbieder van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden bepaalt of mede bepaalt; - **buitengerechtelijke incassowerkzaamheden:** activiteiten ter verkrijging van voldoening buiten rechte van een vordering tot betaling van een geldsom; - **Bureau Financieel Toezicht:** het Bureau, genoemd in [artikel 1, onderdeel l, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=1); - **deken:** de deken, bedoeld in [artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45a); - **gerechtsdeurwaardersregister:** het gerechtsdeurwaardersregister, genoemd in [artikel 1, onderdeel b,"},{"i":15841,"b":"Wet van 15 december 2004, houdende regels ten aanzien van het veilig laden en lossen van zeeschepen (Wet laden en lossen zeeschepen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op [richtlijn nr. 2001/96/EG](32001L0096) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2001 tot vaststelling van geharmoniseerde voorschriften en procedures voor veilig laden en lossen van bulkschepen (PbEG 2002, L 13), noodzakelijk is regels te stellen ten aanzien van het veilig laden en lossen van zeeschepen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij daarin anders is bepaald, verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. SOLAS-verdrag: het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen; - c. laden- en lossenrichtlijn of -verordening: richtlijn, onderscheidenlijk verordening, van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie die berust op artikel 80, tweede lid, van het EG-verdrag, betrekking heeft op de zeevaart en regels stelt over procedures, taken en verantwoordelijkheden voor, tijdens en na het laden of lossen van een schip, of over technische eisen, informatieverschaffing of de afhandeling van schade in verband met het laden of lossen; - d. gedelegeerde richtlijn of verordening: richtlijn of verordening van de Commissie van de Europese Gemeenschappen die berust op een laden- en lossenrichtlijn of -verordening; - e. vaste bulklading: vaste stortlading als bed"},{"i":15842,"b":"Wet van 23 maart 1995, houdende regeling van de organisatie belast met de inning van onderhoudsbijdragen voor kinderen en met de vaststelling en inning van ouderbijdragen voor jeugdhulpverlening Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de uitoefening van de taken met betrekking tot de inning van onderhoudsbijdragen voor kinderen en de vaststelling en inning van ouderbijdragen jeugdhulpverlening door de dependance Gouda van de raad voor de kinderbescherming Den Haag en door de daar gedetacheerde werkeenheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te verzelfstandigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. het Bureau: het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007292&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01); - c. de directie: de directie, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007292&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=3&z=2021-07-01&g=2021-07-01); - d. de Kaderwet: de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495). Artikel 2 1. Er is een Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, dat gevestigd is te Rotterdam. 2. Het Bureau bezit rechtspersoonlijkheid. 3. Het Bureau is belast met de hem: - a. bij of krachtens [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) opgedragen taken ter zake van de inning van onderhoudsbijdragen voor minderjarigen en meerderjarigen die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt en ter zake van de inning van uitkeringen tot levensonderhoud"},{"i":15843,"b":"Wet van 30 mei 2002, houdende regeling van het lidmaatschap koninklijk huis alsmede daaraan verbonden titels (Wet lidmaatschap koninklijk huis) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een nieuwe regeling inzake het lidmaatschap van het koninklijk huis krachtens [artikel 39 Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=39) vast te stellen alsmede enkele voorzieningen inzake de daaraan verbonden titels en namen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Met de Koning als hoofd van het koninklijk huis zijn daarvan lid: - a. zij die krachtens de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) de Koning kunnen opvolgen en deze niet verder bestaan dan in de tweede graad van bloedverwantschap; - b. de vermoedelijke opvolger van de Koning; - c. de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan. Artikel 2 1. Lid van het koninklijk huis zijn eveneens de echtgenoten van hen die ingevolge [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013729&artikel=1&z=2002-06-12&g=2002-06-12) het lidmaatschap van het koninklijk huis bezitten. 2. Voor hen die het lidmaatschap van het koninklijk huis bezaten als echtgenote of echtgenoot, blijft dit lidmaatschap gedurende hun staat van weduwe of weduwnaar behouden, zolang de overleden echtgenote of echtgenoot bij leven ingevolge artikel 1 lid van het koninklijk huis zou zijn geweest. Artikel 3 1. Lid van het koninklijk huis blijven zij die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet meerderjarig lid zijn van het koninklijk huis en krachtens de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) de Koning kunnen opvolgen. Zij behouden hun lidmaatschap zolang zij krachtens de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) de Koning kunnen opvolgen. 2"},{"i":15844,"b":"Wet van 10 juli 2013, houdende regels over de aanleg, het beheer, het gebruik en de veiligheid van lokale spoorwegen (Wet lokaal spoor) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de regels inzake de aanleg, het beheer, het gebruik en de veiligheid van lokale spoorwegen te moderniseren en de verantwoordelijkheid van de decentrale overheden voor de lokale spoorweginfrastructuur vast te leggen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **beheerder:** beheerder van de lokale spoorweginfrastructuur die als zodanig is aangewezen op grond van [artikel 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&hoofdstuk=3&artikel=18&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - **dagelijks bestuur:** dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20); - **interoperabiliteitsrichtlijn:** richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU L 2016, 138); - **Locaalspoor- en Tramwegwet:** [Wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866) (Stb. 1900, 118); - **lokaal spoorwegverkeerssysteem:** verkeerssysteem van de krachtens [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), als zodanig aangewezen lokale spoorweg; - **lokale spoorweg:** spoorweg die krachtens [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":15845,"b":"Wet van 9 juli 2014, houdende regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven, en dat van burgers mag worden verwacht dat zij elkaar naar vermogen daarin bijstaan; dat het tevens wenselijk is nieuwe regels te stellen om de rechten en plichten van de burger meer met elkaar in evenwicht te brengen; dat burgers die zelf dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op door de overheid georganiseerde ondersteuning; dat de ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen, erop gericht moet zijn dat burgers zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven; dat het in de rede ligt de overheidsverantwoordelijkheid voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie zo dicht mogelijk bij de burger te beleggen; dat het daarom wenselijk is nieuwe regels te stellen inzake de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de ondersteuning van personen met een beperking en personen met psychische of psychosociale problemen; dat het voorts wenselijk is dat daarbij zorg wordt gedragen voor een goede toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en algemene bepalingen § 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1.1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt vers"},{"i":15846,"b":"Wet van 12 mei 1993, houdende machtiging tot deelneming door Nederland in de Zesde Middelenaanvulling van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat Nederland deelneemt in de Zesde Middelenaanvulling van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd, om het nodige te verrichten, opdat Nederland deelneemt in de Zesde Middelenaanvulling van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds voor een totaal bedrag van € 86 350 185,37. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15847,"b":"Wet van 20 april 1989, houdende machtiging als bedoeld in artikel 40 van de Comptabiliteitswet 1976 tot deelneming door de Staat in de naamloze vennootschap waarin de Nederlandsche Middenstandsbank N.V. en de Postbank N.V. samenwerken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de Staat der Nederlanden bij het samengaan van de Nederlandsche Middenstandsbank N.V. en de Postbank N.V. deelneemt in het kapitaal van de naamloze vennootschap waarin beide banken samenwerken, en dat ingevolge [artikel 40 van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=40) 1976 (**Stb.** 671) voor deze deelneming machtiging bij wet is vereist; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Onze Minister van Financiën is gemachtigd om namens de Staat der Nederlanden deel te nemen in het kapitaal van de naamloze vennootschap die in het kader van het samengaan van de naamloze vennootschap Nederlandsche Middenstandsbank N.V. en de naamloze vennootschap Postbank N.V. houdster zal zijn van de aandelen in de Postbank N.V. en van de aandelen in de Nederlandsche Middenstandsbank N.V. dan wel van de aandelen in de vennootschap waarin de activa en passiva van de Nederlandsche Middenstandsbank N.V. zullen worden ondergebracht. 2. De machtiging is beperkt tot het houden van een belang van ten hoogste negen en veertig procent van het kapitaal van de naamloze vennootschap. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15850,"b":"Wet van 21 november 1990, houdende machtiging tot deelneming van de Staat aan het geïntegreerd EEG-mechanisme voor financiële ondersteuning op middellange termijn van de betalingsbalansen van de Lid-Staten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor Nederland wenselijk is deel te nemen aan het geïntegreerd mechanisme voor financiële ondersteuning op middellange termijn van de betalingsbalansen van de Lid-Staten, ingesteld bij Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1988 (**Pb. EG** Nr. L 178); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd namens de Staat der Nederlanden tot een bedrag van € 905 miljoen deel te nemen aan het geïntegreerd mechanisme voor financiële ondersteuning op middellange termijn van de betalingsbalansen van de Lid-Staten, dat bij [Verordening nr. 1969/88](31988R1969) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1988 is ingesteld. 2. Wijziging van het maximum-bedrag tot hetwelk Onze Minister van Financiën gemachtigd is aan het mechanisme deel te nemen, wordt door Ons bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Artikel 2 De wet van 24 oktober 1973, houdende machtiging tot deelneming van de Staat in het EEG-mechanisme voor financiële bijstand op middellange termijn, zoals gewijzigd bij de wet van 1 september 1982 (**Stb.** 552), wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 24 juni 1988. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15853,"b":"Wet van 23 juni 2005 tot wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet op de economische delicten en het Wetboek van Strafvordering ter implementatie van richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (PbEU L 96), richtlijn nr. 2003/124/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de definitie en openbaarmaking van voorwetenschap en de definitie van marktmanipulatie betreft (PbEU L 339), Richtlijn nr. 2003/125/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de juiste voorstelling van beleggingsaanbevelingen en de bekendmaking van belangenconflicten betreft (PbEU L 339) en richtlijn nr. 2004/72/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 tot uitvoering van richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad wat gebruikelijke marktpraktijken, de definitie van voorwetenschap met betrekking tot van grondstoffen afgeleide instrumenten, het opstellen van lijsten van personen met voorwetenschap, de melding van transacties van leidinggevende personen en de melding van verdachte transacties betreft (PbEU L 72) (Wet marktmisbruik) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657), de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) en het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) te wijzigen in verband met de uitvoering van [richtlijn nr. 2003/6/EG](32003L0006) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2003 betreffende handel met voorweten"},{"i":15854,"b":"Wet van 24 juni 1939, houdende regelen met betrekking tot de medewerking van alle personen en lichamen aan de voorbereiding van de voorziening in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden in de behoeften van volkshuishouding en landsverdediging, zoomede aan de voorbereiding van de financiering dier voorziening Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot de medewerking van alle personen en lichamen aan de voorbereiding van de voorziening in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden in de behoeften van volkshuishouding en landsverdediging, zoomede aan de voorbereiding van de financiering dier voorziening; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet verstaat onder: - a. \"personen\": ingezetenen des Rijks, alsmede binnen het Rijk in Europa verblijfhoudende niet-ingezetenen; - b. \"lichamen\": - 1°. publiekrechtelijke lichamen, met uitzondering van Staat, provinciën en gemeenten; - 2°. binnen het Rijk in Europa gevestigde ondernemingen, diensten en instellingen; - 3°. binnen het Rijk in Europa gevestigde filialen, bijkantoren of andere nederzettingen van een buiten het Rijk in Europa gevestigde onderneming, dienst of instelling. Artikel 2 1. Alle personen en lichamen, wier medewerking naar het oordeel van Onze Ministers van Economische Zaken en Klimaat, van Defensie of van Financiën noodzakelijk is ter voorbereiding van de voorziening in geval van buitengewone omstandigheden in de behoeften van volkshuishouding en landsverdediging, zoomede ter voorbereiding van de financiering dier voorziening, zijn verplicht deze medewerking te verleenen, indien zij overeenkomstig de bepalingen de"},{"i":15856,"b":"Wet merken BES Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder «Onze Minister» verstaan: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 Alle stukken, gericht tot en uitgaande van Onze Minister, benevens de daarbij behorende volmachten en bewijsstukken, zijn vrij van recht van zegel en van de formaliteit van registratie. Artikel 3 Indien het kantoor van Onze Minister gedurende de laatste dag van enige door of jegens Onze Minister in acht te nemen termijn is gesloten, wordt de termijn voor de toepassing van deze wet verlengd tot het einde van de eerstvolgende dag, waarop het kantoor wederom is geopend. Artikel 4 Ingeval de bepalingen van het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496) niet een rechter aanwijzen, voor wie de rechthebbende op een merk tot vaststelling van zijn recht of wegens inbreuk daarop kan worden opgeroepen, kan de verweerder voor het gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Curaçao, worden opgeroepen. Hoofdstuk II. Individuele merken Artikel 5 1. Als individuele merken worden beschouwd de benamingen, tekeningen, afdrukken, stempels, letters, cijfers, vormen van waren of van verpakking en alle andere tekens, die dienen om de waren of diensten van een onderneming te onderscheiden. 2. Evenwel kunnen niet als merken beschouwd worden vormen die door de aard van de waar worden bepaald, die de wezenlijke waarde van de waar beïnvloeden of die een uitkomst op het gebied van de nijverheid opleveren. Artikel 6 Onverminderd de bepalingen van het gemene recht, kan een geslachtsnaam als merk dienen. Artikel 7 1. Onverminderd de in het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883 of het Protocol van 27 juni 1989 (Trb. 1990, 44) bij de Overeenkomst van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken van 14 april 1891 vastgestelde rechten van voorrang dan wel het recht van voorrang voortvloeiend uit het Overeenko"},{"i":15859,"b":"Wet van 21 december 2022 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag voor de invoering van een minimum CO2-prijs voor de industrie (Wet minimum CO2-prijs industrie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat bedrijven meer rekening houden met de negatieve gevolgen van de uitstoot van broeikasgassen voor de aarde door een aanvullende nationale belasting op de emissie van CO2 bij de industrie in te voeren; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel II Deze wet wordt aangehaald als: Wet minimum CO2-prijs industrie. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15860,"b":"Wet minimumlonen BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt onder Onze Minister verstaan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt ten aanzien van een dienstbetrekking onder normale arbeidsduur verstaan de arbeidsduur die in soortgelijke dienstbetrekkingen ingevolge de overeenkomsten waarop zij plegen te berusten, het arbeidsreglement, de collectieve arbeidsovereenkomst of de betrokken wettelijke regeling als volledige dienstbetrekking wordt beschouwd. 2. Onze Minister kan ambtshalve dan wel op gezamenlijk verzoek van een werkgever of een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van werkgevers en een zodanige organisatie van werknemers ten aanzien van een door hem aangewezen categorie dienstbetrekkingen de arbeidsduur vaststellen die voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde als normale arbeidsduur wordt beschouwd. Artikel 3 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder dienstbetrekking verstaan de dienstbetrekking krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. 2. Onder dienstbetrekking wordt mede verstaan de arbeidsverhouding van degene die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld bemiddeling verleent bij het tot stand komen van overeenkomsten van die ander – of een opdrachtgever van deze – met derden, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee personen laat bijstaan. 3. Onder dienstbetrekking wordt niet verstaan de arbeidsverhouding tussen de werkgever en zijn echtgenoot of tussen de werkgever en een bij hem inwonend pleegkind of een bij hem inwonende bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de zijlijn tot en met de derde graad. Artikel 4 1. Voor de toepassing va"},{"i":15864,"b":"Wet van 19 december 2018 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet modernisering kleineondernemersregeling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aantal wijzigingen aan te brengen in de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemers; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel II [Artikel 25 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=25) en de krachtens dat artikel bij ministeriële regeling vastgestelde regels, zoals dat artikel en die regels luidden op 31 december 2019, blijven van toepassing met betrekking tot de omzetbelasting die verschuldigd is vóór 1 januari 2020. Artikel III 1. De ondernemer die met ingang van 1 januari 2020 de vrijstelling, bedoeld in [artikel 25, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=25), zoals dat artikel komt te luiden na inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041782&artikel=I&z=2020-01-01&g=2020-01-01), wil toepassen, dient hiervan melding te doen bij de inspecteur uiterlijk 20 november 2019 op een door de inspecteur voorgeschreven wijze. De inspecteur kan bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat de ondernemer niet in aanmerking komt voor toepassing van de vrijstelling, indien aannemelijk is dat niet zal worden voldaan aan de gestelde voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling. 2. De ondernemer die op 31 december 2019 is ontheven van de verplichtingen, bedoeld in [artikel 25, derde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"i":15866,"b":"Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) aan te vullen met algemene bepalingen over schadevergoeding bij rechtmatig overheidshandelen alsmede met procedurele bepalingen inzake schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel III Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel IV 1. Op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit of die handeling in werking is getreden, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. 2. Op schade, veroorzaakt door een handeling ter uitvoering van een besluit dat werd bekendgemaakt voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit in werking is getreden, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. 3. Indien het eerste besluit tot uitvoering van een activiteit is genomen voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit in werking is getreden, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip ook van toepassing op schade, veroorzaakt door latere besluiten of andere handelingen ter uitvoering van diezelfde activiteit. Artikel V 1. Op schade, veroorzaakt door besluiten of andere handelingen van de Dienst Toeslagen of van andere bestuursorganen voor zover genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen tak"},{"i":15867,"b":"Wet van 25 mei 2022 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht houdende nadere regels met betrekking tot het beloningsbeleid van financiële ondernemingen (Wet nadere beloningsmaatregelen financiële ondernemingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om nadere regels te stellen met betrekking tot het beloningsbeleid van financiële ondernemingen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II 1. [Artikel 1:121, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:121), zoals dit artikel luidt na inwerkingtreding van deze wet, geldt ten aanzien van natuurlijke personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046753&artikel=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01), reeds werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van een financiële onderneming, met ingang van de eerste dag van de twaalfde kalendermaand na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, voor zover die personen gedurende dat jaar werkzaam blijven onder verantwoordelijkheid van dezelfde financiële onderneming. 2. [Artikel 1:130 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:130) geldt ten aanzien van natuurlijke personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046753&artikel=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01), reeds werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van een financiële onderneming, met ingang van de eerste dag van de twaalfde kalendermaand na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel H, voor zover die personen gedurende dat jaar werkzaam blijven onder verantwoordelijkheid van"},{"i":15868,"b":"Wet van 11 maart 2026 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met aanpassingen van het crisisraamwerk voor banken en beleggingsondernemingen ter aanvulling op de implementatie van Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2019/879 betreffende het kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere uitvoering te geven aan de wetgeving waarmee [Richtlijn 2014/59/EU](32014L0059) en [Richtlijn (EU) 2019/879](32019L0879) geïmplementeerd zijn teneinde de praktische uitvoering van de afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III Wijzigt de Bankwet 1998. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15869,"b":"Wet van 24 mei 2012, houdende regels met betrekking tot de naleving van Europese regelgeving door publieke entiteiten (Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot het toezicht op de naleving van Europese regelgeving door publieke entiteiten en deze in één wet op te nemen met bestaande bepalingen over het toezicht op de besteding van subsidies die ten laste komen van de begroting van de Europese Unie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: - a. **nutsrichtlijn:** richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PbEU 2014, L 94); - b. **aanbestedingsrichtlijn:** richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PbEU 2014, L 94); - c. **concessierichtlijn:** richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PbEU 2014, L 94); - d. **publieke entiteit:** - 1°. een bestuursorgaan als bedoeld in [artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:1), niet zijnde een van Onze Ministers; - 2°. een overige aanbestedende dienst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de aanbestedingsrichtlijn, niet zijnde de staat; - 3°. een overige aanbestedende instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de nutsrichtlijn en artikel 7, eerste lid, van de concessier"},{"i":15870,"b":"Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen Artikel 1 Er is een Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen. Artikel 2 1. De Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen wordt in zijn werkzaamheden ondersteund door een bureau. Het bureau en de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen vormen samen het instituut Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen. 2. De medewerkers van het bureau leggen voor hun werkzaamheden uitsluitend verantwoording af aan de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen. 3. Onze Minister van Justitie en Veiligheid sluit, wijzigt en beëindigt arbeidsovereenkomsten met de medewerkers van het bureau op verzoek van de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen. 4. Onze Minister van Veiligheid en Justitie draagt, na overleg met de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen, zorg voor de nodige voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden van het instituut Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen. Artikel 3 1. De Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen wordt bij koninklijk besluit benoemd op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, na overleg met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Hij wordt benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden. 2. De Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen wordt op eigen aanvraag ontslagen. Hij kan voorts bij koninklijk besluit worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. 3. Bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid wordt de rechtspositie van de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen nader geregeld en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot vereisten voo"},{"i":15871,"b":"Wet van 4 februari 1981, houdende instelling van het ambt van Nationale ombudsman en wijziging van een aantal wetten Hoofdstuk I. Begripsbepalingen en toepassingsbereik Artikel 1 Deze wet verstaat onder: - a. ombudsman: de Nationale ombudsman, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2022-07-01&g=2022-07-01); - b. **Kinderombudsman:** de als zodanig aangewezen substituut-ombudsman, bedoeld in [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2022-07-01&g=2022-07-01); - c. veteranenombudsman: de ombudsman voor zover hij optreedt als bedoeld in [hoofdstuk IIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&hoofdstuk=IIb&z=2022-07-01&g=2022-07-01), of de als zodanig aangewezen substituut-ombudsman bedoeld in [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2022-07-01&g=2022-07-01); - d. ambtenaar: een ambtenaar, een gewezen ambtenaar, personen genoemd in [artikel 3, onderdelen a, c, d, e en f, van de Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=3) en in [artikel 1, onderdeel b, onder 7°, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=1), ook na beëindiging van de aanstelling, alsmede andere personen werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, ook na het beëindigen van de werkzaamheden; - e. openbare lichamen: openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 1a 1. Deze wet is van toepassing op de gedragingen van de volgende bestuursorganen: - a. Onze Ministers; - b. bestuursorganen van provincies, gemeenten, openbare lichamen, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen, tenzij voor die bestuursorganen een eigen voorziening voor de behandeling van verzoekschriften is ingesteld op grond van respectievelijk [artikel 79q van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=79q), [artikel"},{"i":15872,"b":"Wet van 18 juli 2009, houdende Regeling voor niet-indexering van kinderbijslagbedragen per 1 juli 2009 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de beheersing van de uitgaven aan kinderbijslag de indexering van de bedragen voor de kinderbijslag per 1 juli 2009 achterwege te laten; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I 1. Voor de herziening van de bedragen, bedoeld in [artikel 12 van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=12), en de rangordebedragen, bedoeld in [artikel IV van de Wet van 22 december 1994 tot nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007157&artikel=IV) (Stb. 957), met ingang van 1 juli 2009 wordt [artikel 13, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13) niet toegepast. 2. Voor de herziening van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, met ingang van 1 januari 2010 wordt voor de toepassing van [artikel 13, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13) onder «de consumentenprijsindex, waarop de laatste herziening is gebaseerd» verstaan: de consumentenprijsindex over de maand april 2009. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 2009. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 juni 2009, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 juli 2009. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de n"},{"i":15873,"b":"Wet van 15 juni 2022 tot wijziging van de Kieswet in verband met de aanpassing van de procedure voor de vaststelling van verkiezingsuitslagen alsmede regeling van enkele andere onderwerpen in die wet, de Waterschapswet, de Mediawet 2008 en de Mediawet BES (Wet nieuwe procedure vaststelling verkiezingsuitslagen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de procedure voor de vaststelling van de uitslag van verkiezingen van vertegenwoordigende organen in de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) te wijzigen ter bevordering van de transparantie van die procedure en correctie van onjuistheden in de stemopneming of de vaststelling van de verkiezingsuitslag, alsmede diverse andere wijzigingen en technische verbeteringen aan te brengen in die wet, de [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108), de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) en de [Mediawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028433); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kieswet. Artikel II **[vervallen]** Artikel III Wijzigt de Wet algemene regels herindeling. Artikel IV Wijzigt de Waterschapswet. Artikel IVa Wijzigt deze wet. Artikel V Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel VI Wijzigt de Mediawet BES. Artikel VII **[vervallen]** Artikel VIIa Wijzigt deze wet. Artikel VIII Wijzigt de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten (Kamerstuk 35 455). Artikel VIIIa Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de nummering van de paragrafen en artikelen in de [hoofdstukken E, paragrafen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&paragraaf=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&paragraaf=4) en"},{"i":15874,"b":"Wet van 26 juni 2024 tot vaststelling van regels voor het Nederlands kwalificatieraamwerk voor een leven lang leren (Wet NLQF) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het, in verband met het Europees kwalificatieraamwerk voor een leven lang leren (EQF), wenselijk is regels te geven voor het daaraan te koppelen Nederlands kwalificatieraamwerk (NLQF) met oog op het bevorderen van transparantie over kwalificatieniveaus in het onderwijs en op de arbeidsmarkt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **EQF:** Europees kwalificatieraamwerk voor een leven lang leren als bedoeld in de Aanbeveling van de Raad van 22 mei 2017 inzake het Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren en tot intrekking van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren (PbEU 2017, C 189/15); - **EQF-niveau:** kwalificatieniveau binnen het EQF; - **formele opleiding:** - –. voortgezet onderwijs als bedoeld in de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - –. uitstroomprofiel vervolgonderwijs als bedoeld in [artikel 14a, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=14a); - –. beroepsopleiding of opleiding educatie als bedoeld in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) of de [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395); of - –. opleiding of promotie als bedoeld in de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":15876,"b":"Wet van 7 juli 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten (Wet OM-afdoening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het wettelijk kader voor buitengerechtelijke afdoening van strafzaken aan te passen en de mogelijkheden te verruimen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel V Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel Va Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel Vb Wijzigt de Gemeentewet. Artikel VI Wijzigt de Waterschapswet. Artikel VIa Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel VII Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel VIII Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IX Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel X Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel Xa Wijzigt de Wet melding ongebruikelijke transacties en de Wet identificatie bij dienstverlening. Artikel XI In strafzaken waarin voor het in werking treden van [artikel II, onderdelen O tot en met R](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=II&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=III&z=2013-04-01&g=2013-04-01), [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=IV&z=2013-04-01&g=2013-04-01) en [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=VI&z=2013-04-01&g=2013-04-01) van deze wet voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zi"},{"i":15877,"b":"Wet van 15 mei 1981, houdende regeling van de omrekening in Nederlands geld van in goud uitgedrukte rekeneenheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bepalingen vast te stellen voor de omrekening in Nederlands geld van in andere wetten of in internationale overeenkomsten in verband met beperking van aansprakelijkheid genoemde, in goud uitgedrukte rekeneenheden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De in een gewicht fijn goud uitgedrukte rekeneenheden, die in verband met beperking van aansprakelijkheid worden genoemd in door Ons bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen wetten of internationale overeenkomsten, worden als volgt in Nederlands geld omgerekend: - a. goudfranken met een gewicht van 65,5 milligram goud van een gehalte van 900/1000 fijn worden gelijkgesteld met 1/15 bijzonder trekkingsrecht; - b. goudfranken met een gewicht van 10/31 gram goud van een gehalte van 900/1000 fijn worden gelijkgesteld met 1/3 bijzonder trekkingsrecht; - c. rekeneenheden met een gewicht van 0,88867088 gram fijn goud worden gelijkgesteld met één bijzonder trekkingsrecht. 2. Het in het eerste lid genoemde bijzonder trekkingsrecht is het bijzonder trekkingsrecht zoals dat is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. Het wordt omgerekend in Nederlands geld volgens de waarderingsmethode die door het Fonds wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties. Artikel 2 1. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet omrekening in goud uitgedrukte rekeneenheden. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 2. De omrekening in Nederlands geld met betrekking tot de bedragen waartoe iemand zijn aansprakelijkheid ingevolge de bij de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003401&artikel=1&z=1982-03-15&g=1982-03"},{"i":15878,"b":"Wet van 13 februari 2019 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Burgerlijk Wetboek BES houdende de omzetting van aandelen aan toonder in aandelen op naam ten behoeve van de vaststelling van de identiteit van houders van deze aandelen (Wet omzetting aandelen aan toonder) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de mogelijkheden van misbruik van aandelen aan toonder te beperken in Europees Nederland, Bonaire, Sint Eustatius en Saba door de identiteit van houders van aandelen aan toonder vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 2. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 2. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met uitzondering van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041991&artikel=I&z=2019-07-01&g=2019-07-01), [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041991&artikel=III&z=2019-07-01&g=2019-07-01), en [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041991&artikel=IV&z=2019-07-01&g=2019-07-01) die in werking treden met ingang van zeven jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet; Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet omzetting aandelen aan toonder. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15879,"b":"Wet van 26 april 2006 tot regeling van een onafhankelijke uitoefening van risicobeoordeling door de Voedsel en Waren Autoriteit (Wet onafhankelijke risicobeoordeling Voedsel en Waren Autoriteit) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het vanuit het streven naar een zo hoog mogelijk niveau van gezondheidsbescherming van consumenten wenselijk is te verzekeren dat de Voedsel en Waren Autoriteit haar taken ten behoeve van op wetenschappelijke gegevens berustende risicobeoordeling en onderzoek alsmede de daarmee verbonden advisering op het gebied van voeding en voedsel en op het gebied van andere consumentenproducten in onafhankelijkheid uitoefent en daartoe bij wet procedurele waarborgen te creëren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. autoriteit: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, ressorterend onder Onze Minister; - c. risicobeoordeling: wetenschappelijk gefundeerd proces, bestaande uit vier stappen, te weten gevareninventarisatie, gevarenkarakterisatie, blootstellingschatting en risicokarakterisatie; - d. beoordelingseenheid: afzonderlijke eenheid binnen de autoriteit, belast met risicobeoordeling. Hoofdstuk 2. Waarborgen voor onafhankelijke uitoefening van risicobeoordeling en onderzoek Artikel 2 1. Deze wet heeft uitsluitend betrekking op de navolgende aan de autoriteit opgedragen taken: - a. het uitvoeren van risicobeoordelingen op het gebied van voeding en voedsel en op het gebied van andere consumentenproducten; - b. het verrichten of doen verrichten van wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van de uitvoering van risicobeoordelingen; - c. het gevraagd en ongevraagd verstrekken van adviezen naar aanleiding"},{"i":15880,"b":"Wet van 14 december 2000 tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. in verband met de tweede tranche van het ondernemerspakket 2001 (Wet ondernemerspakket 2001) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat een pakket fiscale maatregelen wordt ingevoerd voor de dynamisering van het ondernemerschap in brede zin en terugdringing onwenselijk gebruik; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel III Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel IV Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VIII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel IX Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel X Vervallen. Artikel XI Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel XII Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Artikel XIII Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet. Artikel XIV Met betrekking tot de aansprakelijkheidstelling voor 1 januari 2001 op de voet van [artikel 40 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=40), zoals dit luidde op 31 december 2000, is [artikel 50, tweede lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=50) van toepassing indien, ware laatstgenoemd artikellid reeds van toepassing voor 1 januari 2001, de termijn voor het instellen van bezwaar nog niet is verstreken. Artikel XIVa 1. In afwijking in zoverre van het bepaalde krachtens [artikel 25, eerste lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&arti"},{"i":15881,"b":"Wet van 3 maart 2021, houdende regels strekkende tot implementatie van Richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen (PbEU 2019, L 111/59) (Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **afnemer:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een consument, ongeacht de plaats van vestiging van die persoon, of een overheidsinstantie in de Unie, die landbouw- en voedingsproducten koopt, of een groepering van dergelijke natuurlijke personen of rechtspersonen; - **Autoriteit Consument en Markt:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - **bederfelijke landbouw- en voedingsproducten:** landbouw- en voedingsproducten die vanwege de aard ervan of in het stadium van verwerking ervan binnen dertig dagen na de oogst, productie of verwerking ongeschikt voor verkoop kunnen worden; - **landbouw- en voedingsproducten:** de producten die zijn vermeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, alsmede producten die niet in die bijlage zijn vermeld, maar op basis van in die bijlage vermelde producten zi"},{"i":15882,"b":"Wet van 11 juni 2025, houdende regels met betrekking tot het tegemoetkomen van burgers ten aanzien van wie door de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen ten onrechte geen medewerking aan een buitengerechtelijke schuldregeling is gegeven (Wet onverplichte tegemoetkoming onterechte afwijzing schuldregeling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is aan personen van wie een verzoek tot medewerking aan een buitengerechtelijke schuldregeling of stabilisatieverzoek in voorbereiding op een buitengerechtelijke schuldregeling onterecht is afgewezen, een onverplichte tegemoetkoming kan worden toegekend waarmee recht wordt gedaan aan het leed dat deze personen hebben ervaren door een fout van de Belastingdienst; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **afloscapaciteit:** het bedrag dat de belanghebbende beschikbaar dient te stellen voor de aflossing van zijn schulden in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling of schuldsaneringsregeling natuurlijke personen waarbij dit bedrag wordt vastgesteld aan de hand van het vrij te laten bedrag, het aanwezige vermogen en de te verwachte baten; - **afwijzingsbrief:** de brief waarin de ontvanger, al dan niet namens de Dienst Toeslagen, meedeelt dat een MSNP-verzoek wordt afgewezen; - **buitengerechtelijke schuldregeling:** een schuldregeling waarbij schuldeisers op basis van een buitengerechtelijk akkoord finale kwijting verlenen jegens de belanghebbende, nadat de belanghebbende de op hem rustende verplichtingen die voortvloeien uit de schuldregelingsovereenkomst is nagekomen; - **Dienst Toeslagen:** de Dienst Toeslagen, bedoeld in [artikel 11, tweede lid, van"},{"i":15883,"b":"Wet van 10 mei 1994, houdende regeling inzake de adeldom Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat op grond van additioneel artikel XXV van de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) een voorziening moet worden getroffen ter zake van de adeldom; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Adeldom wordt verleend bij koninklijk besluit. De verlening kan uitsluitend geschieden aan Nederlanders. Artikel 2 1. De verlening van adeldom geschiedt door verheffing, inlijving of erkenning. 2. Verheffing in de adel bij koninklijk besluit kan uitsluitend plaatsvinden ten aanzien van leden van het koninklijk huis en van voormalige leden daarvan binnen drie maanden na verlies van het lidmaatschap van het koninklijk huis. De verlening van de titels «Prins (Prinses) der Nederlanden» en «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» wordt bij of krachtens de [Wet lidmaatschap koninklijk huis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013729) bepaald. 3. Inlijving in de Nederlandse adel kan slechts plaatsvinden ten aanzien van personen wier geslacht behoort tot de wettelijk erkende adel van een staat met een vergelijkbaar adelsstatuut en die het verzoek tot inlijving hebben gedaan. - a. te zamen met het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap; - b. te zamen met het afleggen van de verklaring ter verkrijging van het Nederlanderschap door optie; - c. te zamen met het bereiken van de meerderjarigheid bij de verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege indien de vader van de verzoeker het Nederlanderschap niet van rechtswege heeft verkregen. 4. Erkenning te behoren tot de Nederlandse adel kan uitsluitend plaatsvinden ten aanzien van personen die behoren tot een geslacht dat voor 1795 reeds tot de inheemse adel behoorde. Artikel 3 Adeldom gaat ook volgens de bestaande re"},{"i":15886,"b":"Wet van 19 november 2014, houdende regels voor bedrijveninvesteringszones (Wet op de bedrijveninvesteringszones) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat uit evaluatie van de [Experimentenwet BI-zones](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025644) blijkt dat het wenselijk is op structurele basis te voorzien in de mogelijkheid voor gemeenten en ondernemers te voorzien in een gebiedsgerichte bestemmingsheffing voor gezamenlijke investeringen door ondernemers in de kwaliteit van de bedrijfsomgeving; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De gemeenteraad kan onder de naam BIZ-bijdrage een belasting instellen ter zake van binnen een bepaald gebied in de gemeente (bedrijveninvesteringszone) gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. 2. De BIZ-bijdrage is een bestemmingsheffing die strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. 3. Bij verordening wordt bepaald of de BIZ-bijdrage wordt geheven van: - a. eigenaren, waaronder voor de toepassing van deze wet worden verstaan degenen die bij het begin van het kalenderjaar van in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, - b. gebruikers, waaronder voor de toepassing van deze wet worden verstaan degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruiken of - c. eigenaren en gebruikers. 4. Onverminderd het derde lid"},{"i":15887,"b":"Wet van 12 maart 1998, houdende instelling van een vast college van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (Wet op de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een vast college van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken in te stellen en dat het in verband met [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79) noodzakelijk is daartoe wettelijke bepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 januari 1998. Artikel 1 Er is een Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken. Artikel 2 De Commissie heeft tot taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren inzake vraagstukken van internationaal recht. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1998. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1997, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 1998. Artikel 4 Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15888,"b":"Wet van 27 augustus 1980, houdende regelen betreffende de consignatie van gelden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling betreffende de consignatie van gelden aan te passen aan de behoeften van de praktijk; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet verstaat onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; - b. consignatie: het overmaken van gelden aan de Staat onder de in deze wet voorgeschreven vormen, ter beschikking van degene die van zijn recht op uitkering doet blijken. Artikel 2 1. Er is een consignatiekas waarin gelden worden opgenomen waarvan de consignatie wordt bevolen of toegelaten bij wettelijk voorschrift of een beschikking van Onze Minister dan wel een beslissing van de rechter. 2. Het beheer van de consignatiekas is opgedragen aan Onze Minister. Artikel 3 1. Consignatie geschiedt in Nederlandse wettige betaalmiddelen of door storting of overschrijving op door Onze Minister aan te wijzen bankrekeningen. 2. Een volmacht tot consignatie moet schriftelijk worden verleend. Artikel 4 Onze Minister stelt nadere regels omtrent de wijze waarop de consignatie kan plaatsvinden en uitkeringen uit de consignatiekas kunnen worden gedaan. Artikel 5 1. Bij de consignatie worden aan Onze Minister de bescheiden overgelegd of toegezonden waaruit blijkt op grond van welk wettelijk voorschrift, besluit, beschikking of beslissing, de consignatie plaatsvindt. Blijkt niet wie de rechthebbende op de gelden is dan verzoekt Onze Minister aan degene die de consignatie verlangt om aanvullende gegevens. Kunnen deze niet worden overgelegd of toegezonden dan vermeldt Onze Minister de reden daarvan in het bewijs van consignatie, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=6&z=2002-01-01&g=2002"},{"i":15890,"b":"Wet op de economische delicten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, het Besluit berechting economische delicten te vervangen door een wet, die de doeltreffendheid bevordert van de opsporing, vervolging en berechting van handelingen, welke schadelijk zijn voor het economische leven, en die in het bijzonder daarin meer eenheid brengt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Van de economische delicten Artikel 1 Economische delicten zijn: - 1°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens: de [Aanpassingswet Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023754), [artikel XLIX, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023754&artikel=XLIX); de [Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746), de [artikelen 1:4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:4), en [3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=3:1), voorzover betrekking hebbend op goederen die ingevolge regelingen van internationaal of nationaal recht worden aangemerkt als strategische goederen; de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346), de [artikelen 6, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=6), [28, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=28), [28a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=28a), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=32), en – voor zover aangewezen als strafbare feiten – de [artikelen 6, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=6), en [16, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16); de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.ove"},{"i":15892,"b":"Wet van 15 december 1982, houdende Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van een ononderbroken ontwikkeling van de kinderen voor wie vaststaat dat overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is, gewenst is wettelijke voorzieningen voor het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: **Onze Minister**: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; **inspectie of inspecteur**: de inspectie, bedoeld in de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800), voor zover belast met taken op het gebied van het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs; **school:** een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 2, tweede lid onder f, h, j, k, m of n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&titeldeel=I&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, tweede of derde volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&titeldeel=II&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=8&z=2026-01-01&g=2026-01-01), tenzij het tegendeel blijkt; **basisschool:** een basisschool als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); **speciale school voor basisonderwijs**: een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00034"},{"i":15893,"b":"Wet van 17 december 1997, houdende regels met betrekking tot naar buitenlands recht opgerichte, rechtspersoonlijkheid bezittende kapitaalvennootschappen die hun werkzaamheid geheel of nagenoeg geheel in Nederland verrichten en geen werkelijke band hebben met de staat naar welks recht zij zijn opgericht (Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij de wet regels te stellen met betrekking tot naar buitenlands recht opgerichte, rechtspersoonlijkheid bezittende kapitaalvennootschappen die hun werkzaamheid geheel of nagenoeg geheel in Nederland verrichten en geen werkelijke band hebben met de staat naar welks recht zij zijn opgericht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet wordt onder formeel buitenlandse vennootschap verstaan een naar een ander dan Nederlands recht opgerichte, rechtspersoonlijkheid bezittende kapitaalvennootschap die haar werkzaamheid geheel of nagenoeg geheel in Nederland verricht en voorts geen werkelijke band heeft met de staat waarbinnen het recht geldt waarnaar zij is opgericht. In dit artikel worden de landen van het Koninkrijk der Nederlanden en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als staat aangemerkt. 2. De volgende artikelen van deze wet gelden met uitzondering van [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009191&artikel=6&z=2020-02-01&g=2020-02-01) niet voor vennootschappen waarop het recht van een der lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 toepasselijk is. Artikel 2 De bestuurders van een formeel buitenlandse vennootschap zijn verplicht ter inschrijving in het handelsregister opgave te doen dat de vennootschap aan de omschrijving van"},{"i":15894,"b":"Wet van 24 mei 1937, houdende maatregelen tot nietigverklaring van goudclausules in bepaalde overeenkomsten Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, in verband met het Koninklijk besluit van 26 September 1936, N°. 52, bekrachtigd bij de Wet van 30 September 1936 (**Staatsblad** N°. 101), goudclausules, voorkomende in bepaalde overeenkomsten, nietig te verklaren; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet verstaat onder: - a. Goudclausules: alle clausules en alle bedingen, in welken vorm of onder welke benaming ook opgesteld, welke de strekking hebben den schuldeischer voor de gevolgen van waardedaling van den euro ten opzichte van het goud geheel of ten deele te vrijwaren. - b. Binnenlandsche overeenkomsten: overeenkomsten, waarbij de door den schuldenaar aangegane verplichting hetzij is uitgedrukt of mede is uitgedrukt in een bepaald bedrag van de munt van het Koninkrijk, hetzij is uitgedrukt uitsluitend in goudgewicht, hetzij in de tegenwaarde daarvan in de munt van het Koninkrijk, indien althans op 26 September 1936 de nakoming dier verplichting slechts binnen het Koninkrijk rechtsgeldig zou hebben kunnen plaats vinden. Artikel 2 Ingevolge deze wet zijn nietig goudclausules, voorkomende in binnenlandsche overeenkomsten van geldleening of van vestiging van altijddurende renten, van verhuring of verpachting, of tot vestiging van een zakelijk recht op een onroerende zaak, welke vóór 27 September 1936 zijn aangegaan. Artikel 3 Wanneer in de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001986&artikel=2&z=2002-01-01&g=2002-01-01) bedoelde overeenkomsten de verplichting van den schuldenaar hetzij is uitgedrukt of mede is uitgedrukt in Nederlandsche gouden munt, hetzij is uitgedrukt uitsluitend in goudgewicht, hetzij in de tegen"},{"i":15895,"b":"Wet op de huurtoeslag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet individuele huursubsidie te herzien, ter matiging van de huurlasten van huishoudens met lagere inkomens, ter vereenvoudiging van de wettelijke bepalingen, alsmede ter vergroting van de doelmatigheid van de huursubsidieverstrekking; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Definities Artikel 1 In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder: - a. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente waar de woning is gelegen waarop de huurtoeslag betrekking heeft; - b. huurcommissie: de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - c. huurder: persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een door hem gehuurde woning, daaronder begrepen een woonwagen, tenzij: - 1°. de overeenkomst van huur en verhuur een gebruik van de woning betreft dat naar zijn aard slechts van korte duur is, of - 2°. de woning onderdeel uitmaakt van een hotel-, pension-, kamp- of vakantiebestedingsbedrijf, ongeacht de duur van de huurovereenkomst; - d. huurprijs: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning; - e. huurtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=2) in de kosten van het huren van een woning; - f. onderhuurder: persoon als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=2); - g. Onze Minister: Onze Minister van"},{"i":15896,"b":"Wet van 9 december 1993, tot aanwijzing van documenten dienende ter vaststelling van de identiteit van personen alsmede aanwijzing van enige gevallen waarin de identiteit van personen aan de hand van deze documenten kan worden vastgesteld Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter verbetering van de handhaving van regelingen voor de uitvoering waarvan bekendheid met de identiteit van een persoon van belang is, wenselijk is te bepalen met welke documenten de identiteit van personen in bij de wet aangewezen gevallen kan worden vastgesteld alsmede enige van deze gevallen aan te wijzen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Aanwijzing van documenten Artikel 1 1. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen: - 1°. een geldig reisdocument als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=2), of een Nederlandse identiteitskaart en vervangende Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet; - 2°. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie; - 3°. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit; - 4°. een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in [artikel 107 van de"},{"i":15898,"b":"Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES Titel I. De justitiële documentatie § 1. Het registreren van gegevens Artikel 1 1. Er is een justitiële documentatiedienst, die belast is met het registreren van de door deze wet aangewezen justitiële gegevens. 2. De registratie geschiedt, naar door deze wet gestelde regelen, in strafregisters en op strafkaarten. 3. De leiding van de dienst berust bij Onze Minister van Justitie. De procureur-generaal is belast met het beheer van de strafregisters, en de officier van justitie met het beheer van de strafkaarten, ieder voor zijn bevoegdheidsgebied. 4. Onze Minister van Justitie treft de nodige maatregelen opdat de gegevens, bedoeld in het tweede lid, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn. Hij verbetert of verwijdert de gegevens dan wel vult deze aan of schermt deze af indien hem blijkt dat deze onjuist of onvolledig zijn. § 2. De strafregisters Artikel 2 1. De strafregisters bestaan uit: - a. strafbladen van de tegen natuurlijke personen gewezen onherroepelijke veroordelingen, waarbij, al dan niet tezamen met maatregelen, een of meer straffen zijn opgelegd, door rechters in het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba gewezen: - 1°. wegens misdrijven; - 2°. wegens overtredingen, indien daarbij vrijheidsstraf – anders dan vervangende – is opgelegd, alsmede wegens overtreding van [artikel 474 van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=474); - b. uittreksels van onherroepelijk geworden veroordelingen door andere dan rechters in het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba gewezen, voorzover Onze Minister van Justitie daartoe een voorschrift heeft gegeven. Deze uittreksels worden voor de toepassing van deze wet met strafbladen gelijkgesteld. 2. Met veroordeling wordt gelijkgeste"},{"i":15899,"b":"Wet van 10 december 1964, houdende nadere regelen met betrekking tot kansspelen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, de verspreide wettelijke bepalingen betreffende kansspelen te herzien en in één wet onder te brengen en voorts de tijdelijke bepalingen betreffende sportprijsvragen door blijvende te vervangen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Behoudens het in [Titel Va](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&titeldeel=VA&z=2025-02-12&g=2025-02-12) van deze wet bepaalde is het verboden: - a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend; - b. de deelneming hetzij aan een onder a bedoelde gelegenheid, gegeven zonder vergunning ingevolge deze wet, hetzij aan een overeenkomstige gelegenheid, gegeven buiten het Rijk in Europa, te bevorderen, daartoe middelen te verschaffen of daartoe voor openbaarmaking of verspreiding bestemde stukken in voorraad te hebben; - c. gebruik te maken van een onder a bedoelde gelegenheid, wetende dat voor het geven daarvan geen vergunning ingevolge deze wet is verleend; - d. opzettelijk in strijd met de waarheid het vermoeden te wekken dat voor een gelegenheid als onder a bedoeld ingevolge deze wet vergunning is verleend, of dat aan de verleende vergunning geen voorschrift of niet al de gestelde voorschriften zijn verbonden. 2. Het is verboden te handelen in strijd met de aan de verleende vergunning verbonden voorschriften. 3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder c, is niet van toepassing ten aanzien van de ambtenaren en personen, bedoeld in [a"},{"i":15900,"b":"Wet van 12 februari 1970, houdende regelen met betrekking tot de loonvorming Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de voorschriften van de [derde titel van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945](onbekend) (**Stb.** 1963, 271) door andere regelen met betrekking tot de totstandkoming van lonen en andere arbeidsvoorwaarden te vervangen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. werknemer: - 1°. degene die in dienst van een ander arbeid verricht; - 2°. degene die in de zelfstandige uitoefening van een bedrijf of beroep persoonlijk arbeid voor een ander verricht - tenzij hij zodanige arbeid in de regel voor meer dan twee anderen verricht of zich daarbij door meer dan twee personen, niet zijnde zijn echtgenoot of geregistreerde partner of een bij hem inwonend bloed- of aanverwant of pleegkind, laat bijstaan, dan wel deze arbeid voor hem slechts een bijkomstige werkzaamheid is; - Abusievelijk. wordt door Stb. 1997/660 onderdeel c i.p.v. onderdeel b gewijzigd.c. **werkgever:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon in wiens dienst dan wel voor wie de onder **b,** onderscheidenlijk sub 1° en sub 2°, bedoelde werknemer arbeid verricht; - d. **arbeidsverhouding:** de rechtsbetrekking tussen een werknemer en diens werkgever; - e. **loon:** arbeidsvoorwaarde, regelende de vergoeding van de werkgever aan de werknemer ter zake van diens arbeid. Artikel 2 1. Deze wet is niet van toepassing op de arbeidsverhouding van: - a. personen op wie [artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=3) van toepassing is; - b. perso"},{"i":15901,"b":"Wet van 18 maart 1993, houdende regelen inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films en omroeporganisaties en wijziging van de Auteurswet 1912 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met het voornemen toe te treden tot het in 1961 te Rome gesloten Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties (**Trb.** 1986, 182) en de in 1971 te Genève gesloten Overeenkomst ter bescherming van producenten van fonogrammen tegen het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen (**Trb.** 1986, 183) wenselijk is regelen te treffen inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties en dat het voorts in verband hiermee wenselijk is de [Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. **uitvoerende kunstenaar**: de toneelspeler, zanger, musicus, danser en iedere andere persoon die een werk van letterkunde, wetenschap of kunst of een uiting van folklore opvoert, zingt, voordraagt of op enige andere wijze uitvoert, alsmede de artiest, die een variété- of circusnummer of een poppenspel uitvoert; - b. **opnemen**: geluiden, beelden of een combinatie daarvan voor de eerste maal vastleggen op enig voorwerp dat geschikt is om deze te reproduceren of openbaar te maken; - c. **fonogram**: iedere opname van uitsluitend geluiden van een uitvoering of andere geluiden; - d. **producent van fonogrammen**: de natuurlijke of rechtspersoon die een fonogram voor de eerste maal vervaardigt of doet vervaardigen; - e."},{"i":15902,"b":"Wet van 7 juli 1987, houdende herziene regeling van de Nederlandse organisatie voor zuiver-wetenschappelijk onderzoek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de taak en de bestuursstructuur van de Nederlandse organisatie voor zuiver-wetenschappelijk onderzoek te wijzigen; dat het in verband daarmede noodzakelijk is de regeling van deze organisatie, vervat in de Wet op het Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (**Stb.** 1950, K5), te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. organisatie: de organisatie, genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2024-10-29&g=2024-10-29); - c. instellingsplan: instellingsplan, bedoeld in [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&hoofdstuk=III&paragraaf=2&artikel=18&z=2024-10-29&g=2024-10-29). Artikel 2. Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO) 1. Er is een organisatie, genaamd Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek. 2. De organisatie bezit rechtspersoonlijkheid; zij is gevestigd te 's-Gravenhage. Artikel 3. Taken NWO 1. De organisatie heeft tot taak het bevorderen van de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek alsmede het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek. 2. De organisatie voert haar taak uit in het bijzonder door het toewijzen van middelen. 3. De organisatie bevordert de overdracht van kennis van de resultaten van door haar geïnitieerd en gestimuleerd onderzoek ten behoeve van de maatschappij. 4. De organisatie richt zich bij het uitvoeren van haar taak in hoofdzaak op het universi"},{"i":15903,"b":"Wet van 28 september 2022, houdende regels omtrent de instelling van de Nederlandse Sportraad (Wet op de Nederlandse Sportraad) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een vast college van advies van het Rijk in te stellen die adviseert over beleid ten aanzien van sport en bewegen, en maatschappelijke vraagstukken in relatie tot sport en bewegen, en dat het in verband met [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79) en in samenhang met de [Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159) noodzakelijk is daartoe wettelijke bepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een Nederlandse Sportraad. 2. De Raad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste negen andere leden. 3. Bij de benoeming van de voorzitter en bij de benoeming van de andere leden wordt ernaar gestreefd dat een of meer van de leden van de Raad beschikken over deskundigheid over sport en bewegen voor ouderen, jongeren en mensen met een beperking. Artikel 2 De Raad heeft tot taak de regering en beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over beleid ten aanzien van sport en bewegen, en maatschappelijke vraagstukken in relatie tot sport en bewegen. Artikel 3 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 4 Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Nederlandse Sportraad. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15904,"b":"Wet van 28 januari 1971, houdende nieuwe regelen omtrent de medezeggenschap van de werknemers in de onderneming door middel van ondernemingsraden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regelen te stellen omtrent de medezeggenschap van de werknemers in de onderneming door middel van ondernemingsraden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. Raad: De Sociaal-Economische Raad, bedoeld in de [Wet op de Sociaal-Economische Raad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058); - c. onderneming: elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht; - d. ondernemer: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een onderneming in stand houdt; - e. bestuurder: hij die alleen dan wel te zamen met anderen in een onderneming rechtstreeks de hoogste zeggenschap uitoefent bij de leiding van de arbeid; - f. bedrijfscommissie: de bevoegde bedrijfscommissie, bedoeld in de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&hoofdstuk=VII&artikel=37&z=2023-02-18&g=2023-02-18) en [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&hoofdstuk=VII&artikel=46&z=2023-02-18&g=2023-02-18). 2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder in de onderneming werkzame personen verstaan: degenen die in de onderneming werkzaam zijn krachtens een publiekrechtelijke aanstelling bij dan wel krachtens een arbeidsovereenkomst met de ondernemer die de onderneming in stand houdt. Personen die in meer dan één onde"},{"i":15905,"b":"Wet van 9 maart 1962, op de Raad van State Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wet van 21 December 1861, **Stb.** 129, houdende regeling van de samenstelling en de bevoegdheid van de Raad van State, door een nieuwe wet te vervangen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. De Raad van State in het algemeen Artikel 1 1. De Raad van State bestaat, buiten de Koning als voorzitter, uit een vice-president en ten hoogste tien leden. 2. De vermoedelijke opvolger van de Koning heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van rechtswege zitting in de Raad. 3. Bij koninklijk besluit kan ook andere leden van het koninklijk huis wanneer zij meerderjarig zijn, zitting in de Raad worden verleend. 4. De leden van het koninklijk huis die zitting in de Raad hebben, kunnen aan de beraadslagingen deelnemen, doch onthouden zich van stemmen. Artikel 2 1. De vice-president en de leden worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Justitie voor het leven benoemd. Vacatures worden in de Staatscourant gepubliceerd onder opgave van het profiel van de gezochte kandidaat of kandidaten. De Tweede Kamer der Staten-Generaal voert ten minste eenmaal per jaar overleg met de vice-president over de vacatures. 2. Voor de benoeming van de vice-president wordt de Raad gehoord. Voor de benoeming van de leden doet de Raad een aanbeveling. De aanbeveling wordt gedaan gehoord de afdeling of afdelingen van de Raad waarvan het te benoemen lid deel zal uitmaken. 3. De leden worden bij koninklijk besluit benoemd in de Afdeling advisering of de Afdeling bestuursrechtspraak, dan wel in beide afdelingen. Het aantal leden dat in beide afdelingen wordt benoemd, bedraagt ten hoogste 10."},{"i":15906,"b":"Wet van 27 januari 1950, tot toepassing ten aanzien van het bedrijfsleven van de artikelen 80 en 152 tot en met 154 van de Grondwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ten aanzien van het bedrijfsleven toepassing te geven aan de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=80) en 152 tot en met 154 van de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: hoofdstuk Eerste. Van de Sociaal-Economische Raad Titel I. Van de zetel en de taak Artikel 1 1. Er is een Sociaal-Economische Raad, hierna genoemd Raad. 2. De Raad heeft zijn zetel te 's-Gravenhage. 3. De Raad is rechtspersoon. Artikel 2 De Raad heeft, onverminderd de hem bij de vijfde titel van dit hoofdstuk opgedragen adviserende functie, tot taak een het algemeen belang dienende werkzaamheid van het bedrijfsleven te bevorderen, alsmede het belang van het bedrijfsleven en de daartoe behorende personen te behartigen. Titel II. Van de samenstelling en inrichting § 1. Algemene bepaling Artikel 3 De Raad heeft een voorzitter, een dagelijks bestuur, een algemeen secretaris en, bij toepassing van [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&hoofdstuk=Eerste&titeldeel=II&paragraaf=6&artikel=19&z=2023-01-01&g=2023-01-01), een of meer commissies uit zijn midden. § 2. Van de Raad Artikel 4 1. De Raad bestaat uit ten minste dertig en ten hoogste vijf en veertig leden. 2. Van de leden worden ten minste twee derden benoemd door de door Ons aan te wijzen organisaties van ondernemers en van werknemers en de overige door Ons. Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking naar Ons oordeel algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van ondernemers en naar Ons oordeel algemeen erkende centrale organisaties v"},{"i":15907,"b":"Wet van 27 juli 1931, houdende regeling der strandvonderij Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is bij afzonderlijke wet bepalingen vast te stellen in zake de strandvonderij; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In alle aan zee grenzende gemeenten wordt het beheer der strandvonderij uitgeoefend door een strandvonder. Artikel 2 1. De burgemeester der gemeente bekleedt van rechtswege het ambt van strandvonder. In geval van een situatie als bedoeld in [artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=39), bekleedt de voorzitter van de veiligheidsregio voor het uitvoeren van [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001951&artikel=5&z=2017-09-01&g=2017-09-01), van rechtswege het ambt van strandvonder. 2. Bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt het ambt van strandvonder waargenomen door degene die ingevolge de [artikelen 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=77) en [78 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=78) (**Stb.** , ) het ambt van burgemeester waarneemt. Artikel 3 1. Onze Commissaris in de provincie kan op aanbeveling van den strandvonder één of meer hulpstrandvonders aanstellen, die ondergeschikt zijn aan den strandvonder, en hem in de zorg voor de strandvonderij ter zijde staan. 2. In de gevallen, bedoeld in de artikelen 558 en 559 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de hulpstrandvonder, zolang de strandvonder niet ter plaatse aanwezig is, diens taak waar. Artikel 4 De strandvonder oefent een voortdurend toezicht uit op de zeestranden onder zijn ambtsgebied. Artikel 5 1. De strandvonder is belast met het toezicht op de naleving van de voorschriften, vervat in de artikelen 557, 5"},{"i":15908,"b":"Wet van 9 november 2004, houdende regels omtrent de vaste boekenprijs (Wet op de vaste boekenprijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van een ruim gespreid en breed aanbod wenselijk is regels te stellen omtrent de vaste prijs van boeken en muziekuitgaven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. boek: een werk dat tekst bevat die vrijwel uitsluitend is gesteld in de Nederlandse of Friese taal, voorzien is van een titel, bestaat uit papieren bladzijden, al dan niet vergezeld van gerelateerde elektronische diensten of ondersteunende informatiedragers, en wordt uitgegeven in een oplage van meerdere exemplaren die voor verkoop aan eindafnemers zijn bestemd, met uitzondering van: - 1º. nummers van een jaargang van een met regelmatige tussenpozen verschijnende uitgave; - 2º. agenda's en almanakken die in de titel het jaartal van de gebruiksbestemming vermelden; - 3º. catalogi van uitsluitend registrerende of opsommende aard; - 4º. brochures of daarmee gelijk te stellen korte geschriften; - 5º. antiquarische boeken en boeken die reeds eerder door eindafnemers bij een verkoper zijn gekocht en op enigerlei wijze zijn gebruikt; - 6º. uitgaven van uitsluitend plaatselijk of regionaal belang; - 7º. schoolboeken; - 8º. muziekuitgaven. - c. muziekuitgave: een werk dat notenschrift, al dan niet vergezeld van tekst, bevat, bestaat uit papieren bladzijden, al dan niet vergezeld van ondersteunende informatiedragers, bestemd is voor muziekuitvoering of muziekeducatie en wordt"},{"i":15909,"b":"Wet op de weerkorpsen BES Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **regionaal bevelhebber:** de door Onze Minister van Defensie van het Koninkrijk aangewezen commandant van de Zeemacht in het Carabisch gebied; - c. **weerkorps:** iedere organisatie van particulieren, welke gericht is op of voorbereidt tot het in onderling verband verrichten van of deelnemen aan handelingen in bijstand of hulpverlening aan Onze Minister of de regionaal bevelhebber dan wel aan door hen aan te wijzen functionarissen; - d. **militaire bijstand:** de terbeschikking van de krijgsmacht ter handhaving van de openbare orde en rust, dan wel in het kader van hulpverlening bij rampen en crisis. Artikel 2 1. Het is verboden weerkorpsen tot stand te brengen, daarvan deel uit te maken of deze te steunen. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor organisaties die zijn toegelaten bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Aan de toelating kunnen voorwaarden worden verbonden. 3. [Vervallen] 4. [Vervallen] Artikel 3 1. De doelstelling, organisatie en de inrichting van een weerkorps worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, goedgekeurd. Zulks geschiedt bij de toelating van het weerkorps. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, worden nadere voorwaarden gesteld waaraan een weerkorps moet voldoen. Deze hebben in ieder geval betrekking op: - a. de inzet van een weerkorps; - b. de verantwoording van de financiële middelen; - c. de goedkeuring van de interne reglementen. 3. Weerkorpsen zijn verplicht te allen tijde mee te werken aan controles uitgeoefend door of namens Onze Minister. Artikel 4 1. Onze Minister kan weerkorpsen ter beschikking stellen van de gezaghebber in bijstand aan het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba ter handhaving van de openbare orde en rust. 2. Onze Minister kan weerkorpsen ter beschikking stell"},{"i":15911,"b":"Wet op de zorgtoeslag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat personen voor wie de premie voor een zorgverzekering in verhouding tot hun inkomen een te zware last vormt, een financiële tegemoetkoming kunnen krijgen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is geregeld, verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. zorgverzekering: de schadeverzekering, bedoeld in [artikel 1, onder d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - c. verzekerde: de persoon, bedoeld in [artikel 1, onder f, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1), de persoon die een bijdrage als bedoeld in [artikel 68b, vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=68b) verschuldigd is, of de persoon, bedoeld in [artikel 69 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69), steeds vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin hij achttien jaar wordt, met uitzondering van de verzekerde, bedoeld in [artikel 24, eerste of derde lid,van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=24); - d. premie: een premie als bedoeld in [afdeling 3.3.1 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&afdeling=3.3.1); - e. zorgtoeslag: een tegemoetkoming in een premie dan wel in een bestuursrechtelijke premie als bedoeld in [artikel 18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) of [18e van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18e) en in het verplicht eigen risico, bedoeld in"},{"i":15912,"b":"Wet van 13 december 2012, houdende bepalingen over het accountantsberoep, de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants en de Commissie eindtermen accountantsopleiding (Wet op het accountantsberoep) Hoofdstuk 1. Definities Hoofdstuk 1. Definities Hoofdstuk 3. Verordeningen en overige besluiten Hoofdstuk 2. De nederlandse beroepsorganisatie van accountants Hoofdstuk 5. Bestuurlijk toezicht op de beroepsorganisatie Hoofdstuk 6. Het accountantsberoep Hoofdstuk 7. De opleiding tot accountant Hoofdstuk 8. Overige bepalingen § 2.2. De ledenvergadering § 8.2. Beroep Artikel 57 Vervallen § 8.3. Intrekking en wijziging van wetten § 8.4. Overgangsbepalingen Artikel 70 1. De beroepsorganisatie is de rechtsopvolger onder algemene titel van het Nederlands Instituut van Registeraccountants en de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten. 2. Het personeel dat op de datum van inwerkingtreding van deze wet in dienst is bij het Nederlands Instituut van Registeraccountants of de Nederlandse Orde van Accountant-Administratieconsulenten, treedt met ingang van die datum, met behoud van rechten, in dienst bij het bureau van de beroepsorganisatie. Artikel 71 1. Binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet belegt het bestuur van de beroepsorganisatie een ledenvergadering waarin in ieder geval de volgende besluiten worden genomen: - a. het benoemen van de bestuursleden; - b. het vaststellen van de begroting. 2. In afwijking van [artikel 12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=12&z=2021-07-01&g=2021-07-01), kunnen de door de gezamenlijke ledenvergadering benoemde bestuursleden voor een kortere periode dan vier jaar worden benoemd, in verband met het op te stellen rooster, bedoeld in dat artikel. 3. Tot de benoeming van de bestuursleden, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt het bestuur van de beroepsorganisatie gevormd door de gezamenlijke bestuursleden van het opgeheven Nederlands Instituut van Regist"},{"i":15913,"b":"Wet van 20 november 2003, houdende vaststelling van een wet op het Centraal bureau voor de statistiek (Wet op het Centraal bureau voor de statistiek) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is over te gaan tot externe verzelfstandiging van het dienstonderdeel Centraal bureau voor de statistiek door oprichting van een zelfstandig bestuursorgaan en nieuwe regels vast te stellen inzake de verwerving, het gebruik en de verstrekking van gegevens in het kader van de statistische informatievoorziening; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. CBS: het Centraal bureau voor de statistiek; - c. directeur-generaal: de directeur-generaal van de statistiek; - d. CBS-organisatie: de directeur-generaal en de bij of voor het CBS werkzame personen; - e. Europese statistieken: statistieken ter uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen. Hoofdstuk 2. Centraal bureau voor de statistiek Paragraaf 1. Instelling en taak Artikel 2 1. Er is een Centraal bureau voor de statistiek. 2. Het CBS bezit rechtspersoonlijkheid. 3. De [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) is van toepassing. Artikel 3 1. Het CBS heeft tot taak het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken. 2. Het CBS bevordert: - a. een statistische informatievoorziening van overheidswege die voorziet in de behoeften van praktijk, beleid en wetenschap; - b. de nauwkeurigheid en volledigheid van de van overheidswege openbaar te maken statistieken. 3. Door Onze Minister of één van Onze"},{"i":15916,"b":"Wet van 1 november 2007, houdende regels inzake de aanspraak op een inkomensafhankelijke financiële bijdrage in de kosten van kinderen (Wet op het kindgebonden budget) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat personen voor wie de kosten van kinderen in verhouding tot hun inkomen een te zware last vormen, een financiële bijdrage in die kosten ontvangen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Algemene bepalingen 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. kindgebonden budget: een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen; - c. ouder: de verzekerde in de zin van de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368); - d. drempelinkomen: 108% van het twaalfvoud van het voor de maand januari van het berekeningsjaar geldende in [artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8) bedoelde bedrag per maand. 2. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen. 3. [Artikel 4 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=4) is niet van toepassing. 4. In afwijking van [artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=7), bestaat geen aanspraak op kindgebonden budget indien de rendementsgrondslag, bedoeld in [artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.3), van de ouder aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 146.011 of, indien de ou"},{"i":15917,"b":"Wet van 16 maart 1971, houdende nadere voorzieningen inzake de door wijlen Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Wilhelmina der Nederlanden in 1959 aan de staat gedane schenking (Wet op het Kroondomein 1959) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere wettelijke voorzieningen te treffen inzake de door wijlen Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Wilhelmina der Nederlanden in 1959 aan de staat gedane schenking; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: \"Kroondrager\": de Drager van de Kroon, als bedoeld in de overeenkomst, vermeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002752&artikel=2&z=1997-04-25&g=1997-04-25); \"Kroondomein\": de zaken, op 28 januari 1959 door wijlen Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Wilhelmina der Nederlanden aan de staat geschonken, welke schenking is bekrachtigd bij de wet van 25 juli 1959, **Stb.** 291, benevens de daarvoor in de plaats getreden of in de plaats tredende zaken; \"domein\": het Kroondomein; \"Onze Minister\": Onze Minister van Financiën; \"rentmeester\": de in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002752&artikel=5&z=1997-04-25&g=1997-04-25) bedoelde rentmeester; \"Raad\": de in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002752&artikel=6&z=1997-04-25&g=1997-04-25) bedoelde Raad van Beheer voor het Kroondomein. Artikel 2 1. De overeenkomst, neergelegd in de in afdruk bij deze wet gevoegde akte van 29 mei 1970, houdende wijziging van enige der voorwaarden en bepalingen van de schenking door wijlen Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Wilhelmina der Nederlanden aan de staat gedaan op 28 januari 1959, wordt bekrachtigd. 2. De in het eerste lid bedoelde wijzigingsovereenkomst is mede bindend voor een ieder die in de toekomst i"},{"i":15918,"b":"Wet op het notarisambt BES Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **Hof van Justitie:** het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie; - c. **stageverklaring:** de verklaring van de volbrachte werktijd van drie jaar, bedoeld in [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028457&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2015-07-01&g=2015-07-01). Artikel 2 1. Notaris is de openbare ambtenaar die, voor zover uit een wet niet het tegendeel blijkt, met uitsluiting van ieder ander bevoegd is tot het verlijden van authentieke akten en het verzekeren van de dagtekening en het tijdstip daarvan. 2. Voor zover zulks niet bij uitsluiting aan anderen opgedragen is, is hij voorts onder meer bevoegd tot: - a. het geven van verklaringen betreffende de staat en de bevoegdheid van personen; - b. het afgeven van attestaties de vita; - c. het legaliseren van handtekeningen; - d. het afnemen van eden en beloften; - e. het afgeven van verklaringen van erfrecht. 3. Tot het voeren van de titel notaris is uitsluitend bevoegd hij die als zodanig benoemd en beëdigd is. Artikel 3 1. De notaris wordt bij koninklijk besluit voor het leven benoemd. 2. De notaris is met ingang van de eerstvolgende maand na het bereiken van de leeftijd van vijfenzestig jaar van rechtswege ontslagen. 3. Aan de notaris die voor het bereiken van de in het tweede lid genoemde leeftijd ontslag verzoekt, wordt ontslag verleend bij koninklijk besluit, dat tevens de datum van ingang van het ontslag vermeldt. Artikel 4 1. In het besluit van de benoeming wordt het openbaar lichaam, waarbinnen de notaris zijn ambt uitoefent, als standplaats aangewezen. Indien het Saba en Sint Eustatius betreft, worden beide openbare lichamen genoemd als standplaats. 2. Het aantal notarisstandplaatsen bedraagt voor Bonaire ten hoogste twee en voor Saba en Sint Eustatius samen ten hoo"},{"i":15919,"b":"Wet van 3 april 1999, houdende wettelijke regeling van het notarisambt, mede ter vervanging van de Wet van 9 juli 1842, Stb. 20, op het Notarisambt en de Wet van 31 maart 1847, Stb. 12, houdende vaststelling van het tarief betreffende het honorarium der notarissen en verschotten (Wet op het notarisambt) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een nieuwe wettelijke regeling te geven met betrekking tot het ambt van notaris en de kandidaat-notarissen, mede ter vervanging van de Wet van 9 juli 1842, Stb. 20, op het Notarisambt en de Wet van 1847, Stb. 12, houdende vaststelling van het tarief betreffende het honorarium der notarissen en verschotten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Begripsbepalingen Artikel 1 1. Deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder: - a. notaris: de bekleder van het ambt, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&titeldeel=II&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - b. toegevoegd notaris: de toegevoegd notaris, bedoeld in [artikel 30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&titeldeel=IIIa&artikel=30b&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - c. kandidaat-notaris: degene die voldoet aan één van de opleidingseisen genoemd in [artikel 6, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&titeldeel=II&artikel=6&z=2024-01-01&g=2024-01-01), dan wel in het bezit is van een ten aanzien van het beroep van kandidaat-notaris afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in [artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5) en die onder verantwoordelijkheid van een notaris of een waarnemer notariële werkzaamheden verricht; - d. minuut: het originele exemplaar van een notariële akte; - e. r"},{"i":15922,"b":"Wet open overheid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op [artikel 110 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=110), het op 25 juni 1998 te Aarhus (Denemarken) tot stand gekomen Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Trb. 2001, 73) en richtlijn nr. 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van [Richtlijn 90/313/EEG](31990L0313) van de Raad (PbEU L 41), wenselijk is gebleken om in het kader van het onophoudelijke streven naar een goed en democratisch bestuur, de toegang tot overheidsinformatie voor iedereen te vergroten, de actieve openbaarmaking te bevorderen, bestuurlijke transparantie tot norm te verheffen, de regels voor openheid en openbaarheid te actualiseren en deze zoveel mogelijk in de wet op te nemen zodat openbaarheid een recht wordt van de burger en een plicht van de overheid blijft; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Rechten Artikel 1.1. Recht op toegang Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen. Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen Artikel 2.1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **document:** een door een orgaan, persoon of college als bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2026-02-20&g=2026-02-20), opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van dat orgaan, die persoo"},{"i":15923,"b":"Wet van 20 april 1988, houdende bepalingen betreffende de uitoefening van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en van het recht tot vergadering en betoging Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=6) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=9) en de additionele [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=III) en [V van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=V) nodig is, wettelijke bepalingen vast te stellen betreffende de uitoefening van het recht tot vrije belijdenis van godsdienst en levensovertuiging en betreffende de uitoefening van het recht tot vergadering en betoging, alsmede een aantal wetten te wijzigen, onderscheidenlijk in te trekken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wet openbare manifestaties Paragraaf I. Begripsbepaling Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder openbare plaats: plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. 2. Onder openbare plaats wordt niet begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=6). Paragraaf II. Bepalingen voor openbare plaatsen Artikel 2 De bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, kunnen slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Artikel 3 1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de gevallen waarin voor sa"},{"i":15924,"b":"Wet van 8 december 1988, houdende regelen inzake de opneming in Nederland van buitenlandse pleegkinderen met het oog op adoptie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan bij de opneming in Nederland van een buitenlands pleegkind met het oog op adoptie in de wet neer te leggen en tevens bij de wet te bepalen dat bemiddelende werkzaamheden inzake een zodanige opneming slechts kunnen worden verricht door organisaties aan welke daartoe een vergunning is verleend en op de bij of krachtens de wet bepaalde wijze, zulks ter bevordering van een verantwoorde gang van zaken rond de opneming in Nederland van buitenlandse pleegkinderen met het oog op adoptie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie; **buitenlands kind:** een buiten Nederland geboren, de Nederlandse nationaliteit niet bezittende minderjarige in de zin van de Nederlandse wet, die in Nederland met het oog op adoptie in een ander gezin dan het ouderlijke wordt of zal worden verzorgd en opgevoed in zodanige omstandigheden dat de verzorgers in feite de plaats van de ouders innemen; **aspirant-adoptiefouders:** echtgenoten of een persoon die een buitenlands kind met het oog op adoptie wensen op te nemen of hebben opgenomen; **adoptiefouders:** echtgenoten of een persoon die een buitenlands kind hebben geadopteerd; **beginseltoestemming:** de schriftelijke mededeling van Onze Minister omschreven in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2018-08-01&g=2018-08-01); **vergunninghouder:** de rechtspersoon die houder is van een vergunning als bedoeld in de[artikelen 15](https://we"},{"i":15925,"b":"Wet organisatie bloedvoorziening BES Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **bestuurscollege:** het bestuurscollege van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - **Bloedvoorzieningsorganisatie:** de krachtens [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028454&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2018-08-01&g=2018-08-01), aangewezen rechtspersoon; - **donor:** persoon die een deel van zijn bloed of een bestanddeel van een deel van zijn bloed afstaat voor gebruik in het kader van de geneeskundige behandeling van andere personen of ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek; - **inzamelen van bloed:** het werven, oproepen en keuren van donoren en het bij donoren afnemen van bloed, bloedcellen of bloedplasma; - **product:** menselijk bloed, alsmede daaruit afgescheiden bestanddelen, waaraan al dan niet een andere substantie is toegevoegd; - **tussenproduct:** product, niet geschikt voor toediening aan de mens; - **bloedproduct:** product, geschikt voor toediening aan de mens; - **bloedvoorziening:** het geheel van maatregelen en middelen terzake van onder meer het inzamelen van bloed en het bereiden en afleveren van tussenproducten en bloedproducten. - 2. Met een donor wordt gelijkgesteld de persoon die een deel van zijn bloed of een bestanddeel van een deel van zijn bloed laat afzonderen ten behoeve van de geneeskundige behandeling van zichzelf. - 3. De [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028454&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2018-08-01&g=2018-08-01), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028454&hoofdstuk=3&artikel=12&z=2018-08-01&g=2018-08-01), [13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028454&hoofdstuk=3&artikel=13&z=2018-08-01&g=2018-08-01), [15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028454&hoofdstuk=4&artikel=15&z=2018-08-01&g="},{"i":15928,"b":"Wet van 13 mei 1948, tot opheffing van de bijzondere gerechtshoven, de Bijzondere Raad van Cassatie en de tribunalen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de berechting van politieke delinquenten en het opleggen van bijzondere maatregelen krachtens het [Tribunaalbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002009) zo spoedig mogelijk aan de organen van de gewone rechterlijke macht over te dragen door de bijzondere gerechtshoven, de Bijzondere Raad van Cassatie en de tribunalen op te heffen en de rechtsmacht dezer colleges te doen overgaan op de organen der gewone rechterlijke macht, alsmede enige andere met de bijzondere rechtspleging verband houdende voorzieningen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Afdeling I. Opheffing van de bijzondere gerechtshoven en overgang van hun rechtsmacht. Artikel 1 Een bijzonder gerechtshof wordt - gehoord de president daarvan - opgeheven op een nader door Ons te bepalen tijdstip. Artikel 2 Indien een bijzonder gerechtshof is opgeheven, nemen de arrondissements-rechtbanken binnen zijn voormalig rechtsgebied kennis van de misdrijven, waarop het [Besluit Buitengewoon Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002006) van toepassing is. Artikel 3 Voor het bij uitsluiting behandelen en beslissen van de misdrijven waarop het [Besluit Buitengewoon Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002006) van toepassing is, vormen en bezetten de besturen van de rechtbanken één of meer bijzondere strafkamers. De bijzondere strafkamers bestaan uit drie rechters. Artikel 4 Wij behouden Ons voor in verband met de instelling van bijzondere strafkamers meer vice-presidenten, rechters, substituut-officieren van justitie en substituut-griffiers te benoemen dan is toegelaten volgens de wet van 18 December"},{"i":15929,"b":"Wet van 2 februari 1967, houdende overgangsregeling in verband met aanpassing van de Ziektewet aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake overgangsrecht met betrekking tot de aanpassing van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) aan de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=32), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=33), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=34) en [35 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=35), zoals deze artikelen luidden op de dag, voorafgaande aan die, waarop de Wijzigingswet in werking is getreden, is, met inachtneming van de wijzigingen welke de aard van het onderwerp vordert, van toepassing ten aanzien van degene, die wegens ongeschiktheid tot werken uitkering ontleent aan de [Liquidatiewet ongevallenwetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002553). Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 1. De vrijwillige verzekeringen ingevolge [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=64), eerste lid, en [artikel 65 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=65), zoals deze artikelen luidden op de dag, voorafgaande aan die, waarop de Wijzigi"},{"i":15930,"b":"Wet van 11 december 1996, houdende regels betreffende advies en overleg over het beleid inzake verkeer en waterstaat (Wet advies en overleg verkeer en waterstaat) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de [Herzieningswet adviesstelsel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008158) wenselijk is de Raad voor verkeer en waterstaat opnieuw in te stellen met handhaving van de bestaande regeling van het overleg met betrekking tot het terrein van verkeer en waterstaat; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **overlegorgaan:** Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008410&artikel=4&z=2021-01-01&g=2021-01-01). HOOFDSTUK 2. RAAD VOOR VERKEER EN WATERSTAAT Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen HOOFDSTUK 3. OVERLEGORGANEN Artikel 4 Er is een Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving voor het voeren van overleg over het beleid inzake fysieke leefomgeving. Artikel 5 Door of namens Onze Minister en, waar daartoe aanleiding bestaat door of namens Onze Ministers wie het mede aangaat, worden in het overlegorgaan beleidsvoornemens aan de orde gesteld met betrekking tot onderdelen van het beleid inzake fysieke leefomgeving. Artikel 6 In het overlegorgaan wordt door of namens Onze Minister en waar daartoe aanleiding bestaat, door of namens Onze Ministers wie het mede aangaat, overleg gevoerd met betrokkenen en hun organisaties. Artikel 7 1. Onze Minister wijst de betrokkenen of hun organisaties aan, die zich in het overlegorgaan kunnen doen vertegenwoordigen. 2. Waar daartoe aanleiding bestaat geschiedt de aanwijzing, bedoeld in het eers"},{"i":15931,"b":"Wet van 19 mei 1954, tot overlevering inzake oorlogsmisdrijven Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de op 12 Augustus 1949 voor ondertekening opengestelde Verdragen van Genève onderscheidenlijk voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde, voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee, betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, en betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd, wenselijk is een wettelijke voorziening te treffen met betrekking tot het aan andere Mogendheden ter berechting overleveren van personen, die verdacht worden van oorlogsmisdrijven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2. Onverminderd het bepaalde in met andere staten gesloten verdragen, kunnen personen aan een andere staat worden overgeleverd ter zake van één van de misdrijven omschreven in de [Wet internationale misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252), indien het feit een schending oplevert van: - a. het op 9 december 1948 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (Trb. 1960, 32); - b. het op 12 augustus 1949 te Genève tot stand gekomen Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde (Trb. 1951, 72); - c. het op 12 augustus 1949 te Genève tot stand gekomen Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee (Trb. 1951, 73); - d. het op 12 augustus 1949 te Genève tot stand gekomen Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgeva"},{"i":15932,"b":"Wet van 24 oktober 1997 tot vaststelling van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een afzonderlijke wet regels te stellen voor particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, ter vervanging van de regelgeving terzake bij of krachtens de [Wet op de weerkorpsen en de particuliere beveiligingsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001980), teneinde voorwaarden te scheppen voor een goed functioneren van deze organisaties en bureaus; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. korpschef: de korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); - c. beveiligingswerkzaamheden: het bewaken van de veiligheid van personen en goederen of het waken tegen verstoring van de orde en rust op terreinen en in gebouwen; - d. beveiligingsorganisatie: een door een of meer personen in stand gehouden particuliere organisatie die gericht is op het verrichten van beveiligingswerkzaamheden; - e. recherchewerkzaamheden: het vergaren en analyseren van gegevens; - f. recherchebureau: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening van een beroep of bedrijf met winstoogmerk recherchewerkzaamheden verricht, voor zover die werkzaamheden worden verricht op verzoek van een derde, in verband met een eigen belang van deze derde en betrekking hebben op een of meer bepaalde natuurlijke personen; - g. alarminstallateur: een persoon die - 1°. alarmapparatuur, installeert of zorgdraagt voor het onderhoud van alarmapparatuur, - 2°. een plan voor de installatie van alarmapparatuur ontwerpt of -"},{"i":15933,"b":"Wet van 11 juni 2025, houdende wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het verbod op contante betalingen voor goederen vanaf 3.000 euro en het recht van consumenten op kleinere contante betalingen (Wet plan van aanpak witwassen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de aanpak van witwassen te verbeteren en ten behoeve daarvan betalingen van goederen in contanten te verbieden vanaf een bedrag van 3.000 euro en dat het tevens gewenst is kleinere contante betalingen door consumenten blijvend te garanderen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten‑Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IIa Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel III Vervallen. Artikel IV Onze Minister van Financiën zendt in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid binnen drie jaar na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen A, B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051592&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die onderdelen in de praktijk. Artikel IVa Wijzigt deze wet. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet plan van aanpak witwassen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15938,"b":"Wet van 21 december 1995, houdende privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verantwoordelijkheid voor de pensioenen van het overheidspersoneel in handen te leggen van de betrokken sociale partners en met het oog daarop het Algemeen burgerlijk pensioenfonds om te vormen tot een privaatrechtelijk pensioenfonds waarop de [Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089) van toepassing is, alsmede dat in verband daarmee een voorziening dient te worden getroffen inzake de arbeidsongeschiktheidsverzekering van dat personeel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. AAW: de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet; - b. ABP: het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, bedoeld in artikel L 1 van de Abp-wet; - c. Abp-wet: de Algemene burgerlijke pensioenwet; - d. ambtelijk inkomen: het ambtelijk inkomen, bedoeld in artikel C 1 van de Abp-wet; - e. ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in de artikelen B 1, B 2 en B 3 van de Abp-wet, alsmede degene die ambtenaar is ingevolge de krachtens artikel B 7, onderdeel b, van de Abp-wet gestelde regels, zoals deze luidden op 31 december 1995; - f. Amp-wet: de Algemene militaire pensioenwet; - g. B 3-lichaam: een privaatrechtelijk lichaam dat op 31 december 1995, op grond van artikel B 3 van de Abp-wet, was aangewezen of op grond van artikel U 2 van de Abp-wet geacht werd te zijn aangewezen als lichaam waarvan het personeel geheel of ten dele ambtenaar in de zin van de Abp-wet is; - h. Centrale Commissie: de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, bedoeld in [artikel 105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overhei"},{"i":15939,"b":"Wet van 20 maart 2024 tot wijziging van de Kieswet, houdende vaststelling van regels over de programmatuur die bij verkiezingen wordt gebruikt ten behoeve van de vaststelling van de verkiezingsuitslag (Wet programmatuur verkiezingsuitslagen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op een betrouwbare, veilige en efficiënte vaststelling van de verkiezingsuitslag noodzakelijk is in de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) een regeling op te nemen over de beschikbaarstelling, betrouwbare werking en beveiliging van programmatuur die gebruikt wordt bij de vaststelling van de uitslag van de verkiezingen en over de verantwoordelijkheden van de Kiesraad en andere actoren in het verkiezingsproces met betrekking tot deze uitslagprogrammatuur; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kieswet. Artikel II [Vervallen] Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet programmatuur verkiezingsuitslagen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15940,"b":"Wet van 19 januari 2012 inzake instelling van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Wet Raad voor de leefomgeving en infrastructuur) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een vast college voor advies in te stellen met betrekking tot de hoofdlijnen van beleid inzake de leefomgeving en infrastructuur, onder de gelijktijdige opheffing van de VROM-raad, de Raad voor verkeer en waterstaat en de Raad voor het landelijk gebied; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Er is een Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, hierna te noemen de raad. Artikel 2 1. De raad heeft tot taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over strategische beleidsvraagstukken inzake de duurzame ontwikkeling van de leefomgeving en infrastructuur, meer in het bijzonder op het gebied van wonen, ruimtelijke ordening, milieu, klimaatbeleid, water, energie-infrastructuur, landbouw, natuur, voedsel(kwaliteit), verkeer en vervoer en de ruimtelijk-economische ontwikkeling, al dan niet in onderlinge samenhang. 2. De raad heeft voorts tot taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over de hoofdlijnen van het beleid en wetgeving gericht op het voorkomen van ongevallen en rampen als gevolg van het gebruik, de opslag, de productie en het vervoer van gevaarlijke stoffen en de beperking van de gevolgen van dergelijke ongevallen en rampen. Artikel 3 Wijzigt de Wet advies en overleg verkeer en waterstaat. Artikel 4 De [Wet op de VROM-raad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008279) en de [Wet op de raad voor het landelijk gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008278) worden ingetrokken. Artikel 5 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaa"},{"i":15941,"b":"Wet van 6 december 2001 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met de instelling van de Raad voor de rechtspraak (Wet Raad voor de rechtspraak) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830), de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365) en enkele andere wetten te wijzigen in verband met de instelling van de Raad voor de rechtspraak; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel II Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel III Wijzigt de Beroepswet. Artikel IV Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel V Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VI 1. Degenen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet zijn aangewezen als kwartiermaker voor de Raad voor de rechtspraak worden van rechtswege benoemd als lid van de Raad voor de rechtspraak. Degene in wiens besluit tot aanwijzing als kwartiermaker is bepaald dat hij beoogd voorzitter van de Raad voor de rechtspraak is, wordt tevens van rechtswege benoemd als voorzitter van de Raad voor de rechtspraak. 2. [Artikel 84, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=84) is van overeenkomstige toepassing. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de kwartiermakers die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet een functie vervullen die in [artikel 84, uitgezonderd het zevende lid, onderdeel g, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":15943,"b":"Wet rechtspositie Kustwacht BES § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. [Vervallen]; - b. **Onze Minister:** Onze Minister van Defensie; - c. [Vervallen] - d. vervallen; - e. **Kustwacht:** de Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - f. **kustwachtschip:** een schip dat door de Kustwacht wordt ingezet ten behoeve van haar taken; - g. [Vervallen]; - h. **ambtenaar:** de ambtenaar die is aangesteld in de zin van de [Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215) en werkzaam is bij de Kustwacht; - i. **geüniformeerd ambtenaar:** de ambtenaar die als zodanig is aangesteld. Artikel 2 Tenzij anders is bepaald, zijn de bij of krachtens de [Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215) gestelde voorschriften van toepassing op de ambtenaar. Artikel 3 (Vervallen] § 2. Aanstelling, ontslag en pensioenaanspraken Artikel 4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan een aanstelling bijzondere eisen worden gesteld inzake: - a. leeftijd; - b. vooropleiding; - c. geestelijke en lichamelijke geschiktheid en bekwaamheid. Artikel 5 1. Niet in aanmerking voor een aanstelling als ambtenaar komt degene ten aanzien van wie moet worden betwijfeld of hij zijn plicht als ambtenaar onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen. 2. Wanneer uit de gedragingen van een ambtenaar blijkt dat niet meer voldoende waarborg aanwezig is, dat hij zijn plicht als ambtenaar onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen, kan aan hem eervol ontslag worden verleend. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van het in het eerste en tweede lid bepaalde. Artikel 5a 1. Aan de geüniformeerd ambtenaar van de Kustwacht wordt door het bevoegd gezag eervol ontslag verleend met ingang van de dag waarop hij de leeftijd van 55 jaren bereikt. 2. In geval van ontslag als bedoeld"},{"i":15944,"b":"Wet van 2 december 1993, houdende regeling van de rechtspositie van ministers en staatssecretarissen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rechtspositie van ministers en staatssecretarissen wettelijk te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De bezoldiging van ministers wordt bepaald op € 14.760,00 per maand. De bezoldiging van staatssecretarissen wordt bepaald op € 13.787,12 per maand. 2. Indien voor de ambtenaren die op grond van een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen en daarbij is bepaald dat die wijziging een algemeen karakter draagt, wordt bij ministeriële regeling met ingang van de datum, waarop die wijziging ingaat, de bezoldiging van ministers en staatssecretarissen dienovereenkomstig gewijzigd, onder nadere vaststelling, voor zoveel nodig, van de in het eerste lid genoemde bedragen. 3. Indien voor de ambtenaren, bedoeld in het tweede lid, in een collectieve arbeidsovereenkomst een eenmalige uitkering is overeengekomen, ontvangen ministers en staatssecretarissen deze op gelijke voet. Artikel 2 1. Boven en behalve de bezoldiging, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006286&artikel=1&z=2024-07-01&g=2024-07-01), ontvangen ministers en staatssecretarissen een eindejaarsuitkering van 8,3 procent van de bezoldiging en een vakantie-uitkering van 8 procent van de bezoldiging. 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van: - a. de voorzieningen die aan de ministers en staatssecretarissen ter beschikking worden gesteld en noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun ambt; - b. een vaste vergoeding voor de kosten van"},{"i":15947,"b":"Wet van 23 januari 1958, houdende regeling van de gevolgen van de wijziging van de naam van het departement van Wederopbouw en Volkshuisvesting in die van departement van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de gevolgen te regelen van de wijziging van de naam van het departement van Wederopbouw en Volkshuisvesting in die van departement van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid bij Ons besluit van 12 oktober 1956, no. 31 (**Stcrt.** no. 201); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: art 1 Waar in wetten, besluiten, beschikkingen en akten wordt genoemd Onze Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting, wordt van 13 oktober 1956 af onder die benaming verstaan Onze Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15948,"b":"Wet van 4 december 2013, houdende regeling van het ouderlijk gezag over de minderjarige Koning en het toezicht daarop Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ter voldoening aan het bepaalde in [artikel 34 Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=34), de wet het ouderlijk gezag over de minderjarige Koning en het toezicht daarop regelt, alsmede dat het, gelet op het belang van alle uit Ons huwelijk met Hare Majesteit Koningin Máxima geboren minderjarige kinderen bij continuïteit in de opvoeding, wenselijk is dat de wet eveneens het gezag en de voogdij over de andere uit Ons huwelijk geboren minderjarige kinderen regelt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In het tijdvak dat de uit Ons huwelijk met Hare Majesteit Koningin Máxima, Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, geboren wettige nakomeling, krachtens erfopvolging Koning geworden, minderjarig is, oefent Onze voornoemde echtgenote, het ouderlijk gezag uit. 2. Indien de in het eerste lid bedoelde situatie zich voordoet, oefent Onze voornoemde echtgenote tevens het ouderlijk gezag uit over de andere uit Ons huwelijk geboren minderjarige kinderen. 3. Het bepaalde in het tweede lid blijft voor de uit Ons huwelijk geboren kinderen gedurende hun minderjarigheid van kracht. 4. Indien degene die de in dit artikel bedoelde minderjarigen goederen schenkt of vermaakt, bij de gift, onderscheidenlijk bij de uiterste wilsbeschikking, heeft bepaald dat een derde het bewind over die goederen zal voeren, blijft die bepaling buiten toepassing. Artikel 2 1. De bepalingen van het burgerlijk recht zijn op het ouderlijk gezag van toepassing, voor zover niet uit deze wet het tegendeel volgt. 2. Niet van toepassing zijn de [artikelen 235](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":15949,"b":"Wet van 17 maart 1979, houdende regeling van de vergoeding van de kosten van registratie van motorboten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat regeling van de vergoeding van de kosten van registratie van motorboten, die van rijkswege geschiedt, wenselijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De Dienst Wegverkeer, bedoeld in [artikel 4**a** van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4a), geeft aan degene, op wiens aanvraag een motorboot wordt geregistreerd, terzake van de registratie een registratiebewijs onder opgave van een registratieteken af tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst vastgestelde tarief. [Artikel 4**q**, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4q) is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15951,"b":"Wet van 24 januari 2007, houdende regels omtrent ruimtevaartactiviteiten en de instelling van een register van ruimtevoorwerpen (Wet ruimtevaartactiviteiten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ten aanzien van ruimtevaartactiviteiten en de instelling en beheer van een register van ruimtevoorwerpen regels te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. ruimtevaartactiviteiten: het lanceren, het bedienen van de vlucht of het geleiden van ruimtevoorwerpen in de kosmische ruimte; - c. ruimtevoorwerp: ieder voorwerp gelanceerd of bestemd om te worden gelanceerd in de kosmische ruimte; - d. Nederlands schip: een schip als bedoeld in [artikel 1 van de Wet bemanning zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=1); - e. Nederlands luchtvaartuig: een in Nederland krachtens [artikel 3.3 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.3) geregistreerd luchtvaartuig; - f. Ruimteverdrag: het op 27 januari 1967 te Londen/Moskou/Washington tot stand gekomen Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen (Trb. 1967, 31); - g. Aansprakelijkheidsverdrag: de op 29 maart 1972 te Londen/Moskou/Washington tot stand gekomen Overeenkomst inzake de internationale aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door ruimtevoorwerpen (Trb. 1981, 37). Artikel 2 1. Deze wet is van toepassing op ruimtevaartactiviteiten die worden verricht in of vanuit Nederland dan wel op of vanaf een Nederlands schip of Nederl"},{"i":15952,"b":"Wet van 14 mei 2014 tot samenvoeging van de gemeenten Groesbeek, Millingen aan de Rijn en Ubbergen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Groesbeek, Millingen aan de Rijn en Ubbergen samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Groesbeek, Millingen aan de Rijn en Ubbergen opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Groesbeek ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Groesbeek, Millingen aan de Rijn en Ubbergen, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Groesbeek wordt de op te heffen gemeente Groesbeek aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Groesbeek, Millingen aan de Rijn en Ubbergen wordt de nieuwe gemeente Groesbeek aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in"},{"i":15953,"b":"Wet van 26 juni 1975, houdende voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorlopige regelen te geven voor de instelling van een fonds waaruit uitkeringen kunnen worden toegekend aan personen die ten gevolge van een geweldsmisdrijf zwaar lichamelijk letsel hebben bekomen, alsmede aan bepaalde nabestaanden van die personen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: het fonds: het schadefonds geweldsmisdrijven, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=2&z=2024-07-01&g=2024-07-01); Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid; de commissie: de commissie, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=8&z=2024-07-01&g=2024-07-01); de benadeelde: het slachtoffer, onderscheidenlijk de nabestaande, door of namens wie een aanvraag voor een uitkering bij de commissie is ingediend. Artikel 2 Er is een Schadefonds Geweldsmisdrijven waaruit uitkeringen kunnen worden gedaan als bij of krachtens deze wet bepaald. Artikel 3 1. Uitkering kan worden gedaan - a. aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf dan wel schuldverkrachting of schuldaanranding, ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen; - b. aan een ieder die ten gevolge van een aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig buiten Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen; - c. aan nabestaanden en naasten van een onder a of b bedoeld persoon, indien deze ten gevolge van het misdrijf is overleden of ernstig en blijvend letsel heeft, als bedoeld in [artikel 107, eerste lid, onde"},{"i":15960,"b":"Wet van 21 December 1949, houdende een voorziening in de zin van artikel 211 der Grondwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat voor de aanvaarding van de resultaten van de Ronde Tafel Conferentie betreffende de wijze om werkelijke, volledige en onvoorwaardelijke souvereiniteit over te dragen aan de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië overeenkomstig de Renville-beginselen een voorziening in de zin van [artikel 211 der Grondwet](onbekend) moet worden getroffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De Mantelresolutie met ontwerp-overeenkomsten en briefwisseling betreffende de wijze om werkelijke, volledige en onvoorwaardelijke souvereiniteit over te dragen aan de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië overeenkomstig de Renville-beginselen, welke Mantelresolutie met ontwerp-overeenkomsten en briefwisseling door de Algemene Vergadering van de Ronde Tafel Conferentie te 's-Gravenhage op 2 November 1949 is aangenomen en in afdruk in Nederlandse en in Indonesische tekst en in Engelse vertaling nevens deze wet is gevoegd, wordt door het Koninkrijk der Nederlanden aanvaard. Artikel 2 Wij dragen zorg, dat, echter niet zonder voorafgaand overleg met de Regering van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië, hetzij bij de Commissie der Verenigde Naties voor Indonesië, hetzij bij een ander orgaan der Verenigde Naties, die stappen worden gedaan, welke naar Ons inzicht bevorderlijk kunnen zijn aan een volledig tot zijn recht komen van het zelfbeschikkingsrecht, gelijk dit is bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002055&artikel=2&z=1949-12-22&g=1949-12-22) der Overgangsovereenkomst, behorende bij de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002055&artikel=1&z=1949-12-22&g=1949-12-22) dezer wet vermelde Mantelresol"},{"i":15961,"b":"Wet van 24 april 2019 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 in verband met enkele spoedreparaties inzake de fiscale eenheid (Wet spoedreparatie fiscale eenheid) Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel III [Artikel 15, zestiende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) vindt met betrekking tot de toepassing van [artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) tot en met 31 december 2018 geen toepassing met betrekking tot renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van op 25 oktober 2017, 11.00 uur, bestaande schulden rechtens dan wel in feite direct of indirect verschuldigd aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon, voor zover die schulden rechtens dan wel in feite direct of indirect verband houden met een van de in artikel 10a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bedoelde rechtshandelingen die vóór 25 oktober 2017, 11.00 uur, is verricht, mits het bedrag van die renten op al die schulden tezamen zonder toepassing van artikel 10a, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 per twaalf maanden € 100.000 per fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet te boven gaat. De eerste zin vindt geen toepassing ingeval de inspecteur aannemelijk maakt dat aan de schuld of aan de daarmee verband houdende rechtshandeling niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Artikel IV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat: - a. [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042204&artikel=I&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [ar"},{"i":15962,"b":"Wet van 19 november 2014 tot vaststelling van een geactualiseerd stelsel van openbare bibliotheekvoorzieningen (Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wettelijke bepalingen ten aanzien van openbare bibliotheken te actualiseren en de landelijke digitale openbare bibliotheek vorm te geven; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Koninklijke Bibliotheek:** Koninklijke Bibliotheek als bedoeld in [artikel 1.5, tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.5); - b. **landelijke digitale bibliotheek:** plaats- en tijdonafhankelijke voor een ieder toegankelijke bibliotheekvoorziening; - c. **lokale bibliotheek:** organisatie met rechtspersoonlijkheid die een of meerdere voor een ieder toegankelijke openbare bibliotheekvoorzieningen verzorgt en die in overwegende mate door een of meer gemeenten dan wel de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba wordt gesubsidieerd of in stand gehouden. De verplichtingen in deze wet zijn van toepassing op de rechtspersoon als geheel en niet op iedere vestiging afzonderlijk; - d. **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - e. **provinciale ondersteuningsinstelling:** in overwegende mate door een of meer provincies gesubsidieerde of in stand gehouden voorziening die een pakket aan ondersteunende activiteiten biedt voor de lokale bibliotheken in de desbetreffende provincie of provincies; - f. **werk:** exemplaar van een werk als bedoeld in [artikel 10 van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=10); - g. **WHW:** [We"},{"i":15965,"b":"Wet van 29 december 1982, houdende machtiging tot mede-oprichting van de Stichting Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen \"Clingendael\" Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de Staat overgaat tot mede-oprichting van de Stichting Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen \"Clingendael\" en dat daartoe ingevolge [artikel 40 van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=40) 1976 (**Stb.** 671) machtiging bij de wet vereist is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Defensie wordt gemachtigd mede op te richten de Stichting Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen \"Clingendael\". Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze wet kan worden aangehaald als Wet Stichting Instituut Clingendael. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15966,"b":"Wet van 18 maart 1987, houdende machtiging tot mede-oprichting van de Stichting Landelijke Organisatie Trauma Teams Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de Staat tot mede-oprichting overgaat van de Stichting Landelijke Organisatie Trauma Teams en dat daartoe ingevolge [artikel 40 van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=40) 1976 (**Stb.** 671) machtiging bij de wet vereist is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: artikel Enig Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur wordt gemachtigd overeenkomstig de bepalingen van de bij deze wet gevoegde concept-statuten mede op te richten de Stichting Landelijke Organisatie Trauma Teams, met dien verstande dat in de statuten wordt vastgelegd dat een besluit tot wijziging van de statuten of tot ontbinding van de stichting, genomen door het daartoe bevoegde orgaan, niet in werking treedt dan nadat het door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur is goedgekeurd. Bijvoegsel. Statuten Stichting LOTT Naam en zetel Artikel 1 1. De stichting is genaamd: \"Stichting Landelijke Organisatie Trauma Teams\"; zij is gevestigd te Rijswijk. 2. De stichting wordt opgericht voor onbepaalde tijd. Doel en werkwijze Artikel 2 1. De stichting stelt zich ten doel door middel van samenwerking aanvullende voorzieningen tot stand te brengen gericht op snelle medische hulpverlening aan slachtoffers bij grote ongevallen en rampen. 2. Zij richt zich daarbij in het bijzonder op: Middelen Artikel 3 De middelen van de stichting bestaan uit: Bestuur Artikel 4 1. De stichting wordt bestuurd door de Raad van Bestuur, verder te noemen: de Raad, bestaande uit tenminste vijf en ten hoogste acht leden. Het bestuur is bevoegd tot het aangaan van de overeenkomsten bedoeld in artikel 2"},{"i":15969,"b":"Wet van 24 juni 2020 tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de wijziging van de regeling inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling (Wet straffen en beschermen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709) en het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) te wijzigen in verband met de wijziging van de regelingen inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IV 1. [Artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990&artikel=I&z=2021-12-01&g=2021-12-01), van deze wet heeft geen gevolgen ten aanzien van beslissingen tot deelname aan een penitentiair programma die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze wet. [Artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=4), zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft in deze gevallen van toepassing. 2. [Artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990&artikel=I&z=2021-12-01&g=2021-12-01), van deze wet is niet van toepassing op vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen waarvan de tenuitvoerlegging is aangevangen voor de inwerkingtreding van deze wet, indien de tenuitvoerlegging ten hoogste drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet nog gaande is. [Artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=4), zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van dez"},{"i":15968,"b":"Wet van 26 november 1992, houdende regelen met betrekking tot de oprichting van de Stichting ROI Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat het Rijks Opleidingsinstituut wordt geprivatiseerd en een privaatrechtelijke rechtspersoon wordt opgericht waarvoor een wettelijke machtiging op grond van [artikel 29 van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=29) is vereist; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; - b. de overgangsdatum: de datum van oprichting van de Stichting ROI; - c. de Stichting ROI: de stichting bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005739&artikel=2&z=1998-01-01&g=1998-01-01); - d. het personeelslid: degene die op de dag voor de overgangsdatum in dienst is bij het ROI, hetzij als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Artikel 2 1. Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat der Nederlanden op te richten de Stichting ROI v/h Rijks Opleidingsinstituut, die ten doel heeft het verlenen van diensten op het gebied van opleiding en training in de meest uitgebreide zin des woords, mede ter voortzetting van de dienstverlening zoals die voor de oprichting van de Stichting ROI werd verricht door het Rijks Opleidingsinstituut. 2. Een lid van het bestuur van de Stichting ROI wordt voorgedragen door Onze Minister en als zodanig door het bestuur benoemd. 3. Een besluit van het bestuur van de Stichting ROI strekkende tot wijziging van het doel van de Stichting, dan wel tot ontbinding van de Stichting, behoeft de toestemming van Onze Minister. Artikel 3 Gedurende een termijn van ten hoogste vijf jaren na de overgangsdatum zuivert de Staat der Nederlanden eventuele e"},{"i":15970,"b":"Wet strandvonderij BES Artikel 1 De gezaghebber van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba voert in zijn ambtsgebied als strandvonder het beheer van de strandvonderij. Artikel 2 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd om in elk ambtsgebied één of meer hulpstrandvonders aan te stellen, die als zoodanig ondergeschikt zijn aan den strandvonder in dat gebied en dezen in de zorg voor de strandvonderij ter zijde staan. Artikel 3 1. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den strandvonder vervangt de hulpstrandvonder hem. 2. De strandvonder heeft voor door hem verleende hulp nimmer aanspraak op hulploon. De vorige zin is op de hulpstrandvonder niet van toepassing. Artikel 4 De strandvonder oefent een voortdurend toezicht uit op de zeestranden in zijn ambtsgebied. Artikel 5 1. Hij draagt zooveel mogelijk zorg, dat de voorschriften, vervat in de [artikelen 557](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028753&artikel=557), [558](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028753&artikel=558) en [559 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028753&artikel=559), worden nageleefd, en is bevoegd, des noodig met behulp van den sterken arm, die naleving te verzekeren. 2. Hij neemt, indien een schip aan of op het vaste zeestrand schipbreuk lijdt, de leiding van de hulpverlening op zich zo dikwijls als [artikel 558 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028753&artikel=558) dat toelaat en indien buiten het geval van schipbreuk aan op op het vast zeestrand zaken aldaar aanspoelen, neemt hij de leiding van de hulpverlening op zich zo dikwijls als dat artikel zulks toelaat en het hem gewenst voorkomt. Artikel 6 Indien aan of op het vaste zeestrand van zijn ambtsgebied een schip schipbreuk lijdt, ten aanzien van hetwelk hulpverleening niet onder zijne leiding geschiedt, zorgt de strandvonder niettemin ter plaatse tegenwoordig te zijn, zich als zoodanig bekend te maken e"},{"i":15973,"b":"Wet van 29 juni 2000, houdende intrekking van de Wet op de studiefinanciering en vervanging door de Wet studiefinanciering 2000 (Wet studiefinanciering 2000) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) te wijzigen als uitvloeisel van het regeerakkoord 1998 en van de nota «Flexibele studiefinanciering; een stelsel dat past»; dat het voorts wenselijk is de leesbaarheid van de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) te vergroten; dat het in verband met het grote aantal wijzigingen wenselijk is de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) in te trekken en te vervangen door een nieuwe wet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Onderdeel A werkt terug tot en met 1 september 1996. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **achterstallige schuld**: achterstallige schuld als bedoeld in [artikel 6.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.8&z=2026-01-01&g=2026-01-01), **afsluitend examen**: - a. voor wat betreft [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01) het examen, bedoeld in [artikel 7.4.2 WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.2), alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in [artikel 2.13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.13a&z=2026-01-01&g=2026-01-01), - b. voor wat betreft [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&hoofdstuk=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) het examen, bedo"},{"i":15975,"b":"Wet van 23 september 2015, houdende regels omtrent de overheidszorg op het gebied van meteorologie en seismologie (Wet taken meteorologie en seismologie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat de overheidszorg op het gebied van meteorologie en seismologie wordt vastgelegd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - **overheidsbedrijven:** overheidsbedrijven als bedoeld in [artikel 25g van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25g), voor zover zij een publiekrechtelijke taak uitvoeren. Artikel 2 Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen. Hoofdstuk 2. Zorgplicht meteorologie en seismologie Artikel 3 1. Onze Minister draagt zorg voor: - a. het kosteloos verstrekken van algemene weerberichten omtrent de toestand van het huidige weer en het te verwachten weer; - b. waarschuwingen aan het algemeen publiek bij verwacht of werkelijk gevaarlijk of maatschappij-ontwrichtend weer of waarschuwingen bij calamiteiten waarbij het weer een belangrijke rol speelt; - c. het onverwijld informeren van het algemeen publiek bij een significante bodembeweging door geofysische bronnen of vulkanische activiteit; - d. het kosteloos ondersteunen van bestuursorganen in de gevallen, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&hoofdstuk=2a&artikel=5&z=2016-01-01&g=2016-01-01). - e. het voortbrengen of verzamelen van meteorologische, seismologische en andere geofysische gegevens in het kader van de uitvoering van de taken bedoeld in"},{"i":15976,"b":"Wet van 28 maart 1963, houdende vaststelling van de tarieven van gerechtskosten in strafzaken, waarvan de gewone rechter kennis neemt Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wet van 8 april 1874, **Stb.** 66, tot vaststelling der tarieven van gerechtskosten in strafzaken, waarvan de gewone rechter kennis neemt, te vervangen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Titel Eerste. Vergoedingen voor werkzaamheden, tijdverzuim en reis- en verblijfkosten § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Op de voet van het bij en krachtens deze wet bepaalde worden vergoedingen toegekend voor werkzaamheden, voor tijdverzuim alsmede voor daarmede verband houdende noodzakelijke kosten, en voor gemaakte reis- en verblijfkosten, voor zover voortvloeiende uit een verzoek of opdracht van de justitie, ten behoeve van: - a. strafzaken, hieronder begrepen zaken betreffende overtredingen waarvan de burgerlijke rechter kennis neemt; - b. zaken waarin het openbaar ministerie optreedt ter uitvoering van de wet en waarvan de burgerlijke rechter kennis neemt. 2. Behoudens het bepaalde in lid 3, komen de vergoedingen ten laste van 's Rijks kas, voor zover in bijzondere wetten niet anders is bepaald. 3. Ingeval een verzoek of opdracht, als bedoeld in lid 1, is gedaan of gegeven op verzoek van de verdachte of gerekwestreerde en ingeval een verzoek of opdracht van dezelfde strekking zonder tussenkomst van de justitie is gedaan of gegeven door de verdachte of de gerekwestreerde, komen te diens laste vergoedingen, overeenkomstig het bij en krachtens deze wet bepaalde. Komen deze vergoedingen toe aan opsporingsambtenaren ingevolge een hun gedaan verzoek of gegeven opdracht tot het afleggen van een verklaring in een zaak waarin zij als zodanig zijn opgetreden, dan komen deze vergoeding"},{"i":15978,"b":"Wet van 23 december 2015, houdende tegemoetkomingen in de loonkosten van specifieke groepen (Wet tegemoetkomingen loondomein) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het kader van de vereenvoudiging van de processen van de Belastingdienst en het terugdringen van administratieve lasten van werkgevers een instrument te introduceren dat het mogelijk maakt om op basis van reeds bij de overheid beschikbare gegevens geautomatiseerd en zonder de loonaangifteketen te belasten een tegemoetkoming in de loonkosten aan werkgevers te verstrekken en de bestaande premiekortingen voor ouderen en arbeidsgehandicapten te vervangen, mede om de bestaande verzilveringsproblematiek weg te nemen, en voorts een lage-inkomensvoordeel in te voeren voor werkgevers met werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1.1. Algemene begrippen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **werkgever:** de inhoudingsplichtige in de zin van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) of de werkgever in de zin van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745); - b. **werknemer:** de werknemer in de zin van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) of de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - c. **loonaangifte:** de aangifte voor de loonbelasting, de premie voor de volksverzekeringen, de premies voor de werknemersverzekeringen en de in"},{"i":15979,"b":"Wet van 14 juli 2025, houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om een tegenbewijsregeling te introduceren bij het bepalen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (Wet tegenbewijsregeling box 3) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III In afwijking van [artikel 2.17, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.17) wordt voor de persoonsgebonden aftrek die voortvloeit uit een herrekening van het verzamelinkomen over het kalenderjaar 2023 of 2024 door toepassing van [afdeling 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend), aangesloten bij de door de fiscale partners in de aangifte gekozen verdeling van uitgaven voor specifieke zorgkosten als bedoeld in [afdeling 6.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&afdeling=6.5) of aftrekbare giften als bedoeld in [afdeling 6.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&afdeling=6.9). Indien de belastingplichtige tezamen met zijn partner op een andere wijze het extra bedrag aan persoonsgebonden aftrek wil verdelen, kunnen zij hiervoor een verzoek om ambtshalve vermindering indienen bij de inspecteur waarin zij hun gezamenlijke keuze kenbaar maken. Artikel IV Wet rechtsherstel box 3. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met dien verstande dat: - a. de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051293&artikel=I&z=2025-07-19&g=2025-07-19) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051293&artikel=III&z=2025-07-19&g=2025-07-19) terugwerken tot en met 1 januari 2023; - b. [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051293&artikel=IV&z=2025-07-19&g=2025-07-19) terugwerkt tot en met 1 januari 2017. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet tegenbewijsregeling box 3. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluu"},{"i":15981,"b":"Wet van 1 december 2011, houdende regels ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Wet identificatie bij dienstverlening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028490), de [Wet melding ongebruikelijke transacties BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028598) en de [Wet grensoverschrijdende geldtransporten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028165) samen te voegen tot één wet, gericht op het voorkomen van het misbruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en het financieren van terrorisme; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: - a. **buitenland:** ander land van het Koninkrijk of andere staat, alsmede het Europese deel van Nederland; - b. **cliënt:** degene met wie een zakelijke relatie wordt aangegaan of die een transactie laat uitvoeren, daaronder begrepen in geval van het sluiten, het verlenen van bemiddeling bij het sluiten, of het doen van een uitkering uit hoofde van een levensverzekering als bedoeld in de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883), degene die de premie betaalt alsmede degene aan wie de uitkering wordt gedaan; - c. **correspondentbankrelatie:** vaste relatie tussen kredietinstellingen in verschillende landen of staten voor de afwikkeling van transacties of de uitvoering van opdrachten; - d. **dienst:** een in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&bijlage=A&z=2025-01-01&g=2025-01-01) b"},{"i":15982,"b":"Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet identificatie bij dienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006330) en de [Wet melding ongebruikelijke transacties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006331) samen te voegen tot één wet, gericht op het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en het financieren van terrorisme; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanbieder van cryptoactivadiensten:** een aanbieder van cryptoactivadiensten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 15, van [Verordening (EU) 2023/1114](32023R1114) van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van [Verordeningen (EU) nr. 1093/2010](32010R1093) en [(EU) nr. 1095/2010](32010R1095) en [Richtlijnen 2013/36/EU](32013L0036) en [(EU) 2019/1937](32019L1937) (PbEU 2023, L 150) wanneer deze een of meer cryptoactivadiensten verricht als bedoeld in dat artikel, onderdeel 16, met uitzondering van het verlenen van advies over cryptoactiva bedoeld in dat onderdeel, onder h; - **bijkantoor:** duurzaam in een andere staat dan de staat van zetel aanwezig onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid van een rechtspersoon of vennootschap; - **cliënt:** natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een zakelijke relatie wordt aangegaan of die een transactie laat uitvoeren; - **correspondentrelatie:** - a. het verlenen van bankdiensten door een bank als correspondent aan een andere bank als respondent, met inbegrip van het verstrekken van een lopende of andere passiefrekening en aanverwante diensten,"},{"i":15983,"b":"Wet van 8 augustus 1946, houdende voorziening met betrekking tot de territoriale bevoegdheid van enkele notarissen Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is, een voorziening te treffen met betrekking tot de territoriale bevoegdheid van enkele notarissen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I De notarissen, die vóór 15 Januari 1946 bevoegd waren hun ambtsbediening uit te oefenen in een gebied, gelegen buiten het arrondissement, waarin hun standplaats is gevestigd, behouden deze bevoegdheid. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van den tweeden dag na dien harer afkondiging met terugwerkende kracht tot 15 Januari 1946. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15984,"b":"Wet van 22 december 1993, tot wijziging van de Ziektewet, het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten, alsmede het treffen van een regeling voor het overheidspersoneel, in verband met terugdringing van het ziekteverzuim Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is door een vergroting van de financiële betrokkenheid van werkgevers en werknemers in de marktsector en bij de overheid het ziekteverzuim terug te dringen en daartoe de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten te wijzigen en een regeling te treffen voor het overheidspersoneel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Wetten op het terrein van de sociale zekerheid Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk II. Burgerlijk Wetboek Artikel XIV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk III. Regeling voor het overheidspersoneel Artikel XV Vervallen Hoofdstuk IV. Overgangs- en slotbepalingen Artikel XVI 1. De inwerkingtreding van deze wet heeft geen gevolgen voor het recht op ziekengeld van de verzekerde: - a. die op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet ongeschikt is tot het we"},{"i":15985,"b":"Wet van 21 februari 2018, houdende regels voor de terugvordering van staatssteun (Wet terugvordering staatssteun) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er met het oog op de naleving van Europeesrechtelijke verplichtingen een voorziening beschikbaar dient te zijn waarmee effectief uitvoering kan worden gegeven aan een besluit van de Europese Commissie tot terugvordering van staatssteun, en het derhalve wenselijk is te voorzien in een algemene wettelijke grondslag en regels voor de terugvordering van staatssteun; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **begunstigde:** onderneming in de zin van de artikelen 101, eerste lid, en 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die staatssteun ontvangt als gevolg van een steunmaatregel als bedoeld in laatstgenoemd artikelonderdeel; - **beschikking tot betaling:** beschikking die verplicht tot betaling van een geldsom; - **bestuursorgaan dat het aangaat:** - a. bestuursorgaan dat de desbetreffende staatssteun heeft verstrekt; - b. bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor: - 1°. de verstrekking van de desbetreffende staatssteun door de publiekrechtelijke rechtspersoon waarvan het deel uitmaakt, of - 2°. het direct of indirect uitoefenen van overheidszeggenschap in de privaatrechtelijke rechtspersoon die de staatssteun heeft verstrekt of in de niet krachtens het publiekrecht ingestelde entiteit door middel waarvan de staatssteun is verstrekt, en er geen ander bestuursorgaan met een dergelijke verantwoordelijkheid is dat reeds uitvoering geeft of heeft gegeven aan het desbetreffende Commissiebesluit; - c. bestuursorgaan dat belast is met de uitvoering van de wet- of regelgeving die rechtstree"},{"i":15986,"b":"Wet van 9 oktober 2008, houdende regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een maatregel in te voeren waarmee een persoon die een ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen met wie deze een huishouden deelt tijdelijk een huisverbod kan worden opgelegd teneinde de veiligheid van deze personen te waarborgen en een periode te creëren waarin maatregelen genomen kunnen worden om de dreiging van huiselijk geweld te doen wegnemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar van politie:** de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), en de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onder c, van die wet, voor zover hij is belast met de uitvoering van de politietaak; - b. **huisverbod:** beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven; - c. **uithuisgeplaatste:** degene aan wie een huisverbod is opgelegd. Artikel 2 1. De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op gr"},{"i":15987,"b":"Wet van 29 juni 1983, houdende tijdelijke maatregelen inzake de aftrekbaarheid van de kosten van groot onderhoud en van schilderwerk en in verband daarmee tijdelijke verhoging van het huurwaardeforfait in de inkomstenbelasting Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de werkgelegenheid in bepaalde bedrijfstakken tijdelijke maatregelen te treffen inzake de aftrekbaarheid voor de inkomstenbelasting van kosten van groot onderhoud en van schilderwerk van een eigen woning en in verband met de financiering van die maatregelen het huurwaardeforfait in de inkomstenbelasting tijdelijk te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor de toepassing van artikel 42**a,** eerste lid, aanhef en letter **a,** van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (**Stb.** 519) wordt, in afwijking in zoverre van het in letter **a** van dat lid bepaalde, bij een waarde in het economische verkeer van de eigen woning van: | meer dan | doch niet meer dan | de huurwaarde gesteld op | | --- | --- | --- | | - | f 15 000 | - | | f 15 000 | 30 000 | f 195 | | 30 000 | 60 000 | 480 | | 60 000 | 90 000 | 960 | | 90 000 | 120 000 | 1 440 | | 120 000 | 180 000 | 1 920 | | 180 000 | 240 000 | 2 880 | | 240 000 | 300 000 | 3 840 | | 300 000 | 360 000 | 4 800 | | 360 000 | 450 000 | 5 760 | | 450 000 | 540 000 | 7 200 | | 540 000 | - | 8 640 | 2. Voor de toepassing van artikel 42**a,** achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt, in afwijking in zoverre van het in de letters **b** en **c** van dat lid bepaalde, de huurwaarde gesteld op onderscheidenlijk f 795 en 3½ maal de met overeenkomstige toepassing van het vorige lid bepaalde huurwaarde. Artikel 2 1. Voor de toepassing van artikel 42**a,** eerste lid, aanhef en letter **b,** van de Wet op de ink"},{"i":15989,"b":"Wet van 11 december 2024 tot wijziging van de Participatiewet inzake een tijdelijke regeling voor een tegemoetkoming in verband met de alleenverdienersproblematiek (Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is om, in afwachting van een fundamentele oplossing, een tegemoetkoming te bieden aan alleenverdieners die vanwege de alleenverdienersproblematiek minder toeslag ontvangen dan een huishouden waarvoor het inkomen enkel bestaat uit een bijstandsuitkering; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel Ia Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt uiterlijk 1 juli 2026 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid, waaronder de vraag of de doelgroep wordt bereikt, en over de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II. Inwerkingtreding 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. 2. De [artikelen 31, tweede lid, onderdeel w](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=31), en [78gg van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78gg) vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15988,"b":"Wet van 12 juli 1962, tot tijdelijke openstelling van de mogelijkheid van adoptie in afwijking van sommige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is tijdelijk de mogelijkheid van adoptie open te stellen in sommige gevallen, waarin niet aan alle in artikel 344**k** van het Burgerlijk Wetboek gestelde voorwaarden is voldaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Adoptie van een kind dat voor 1 maart 1956 in het gezin van de adoptanten is opgenomen, kan worden uitgesproken, ofschoon aan de in artikel 228, onder **c,** van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gestelde voorwaarde niet is voldaan. Artikel II 1. Indien het verzoek daartoe binnen twee jaren na de inwerkingtreding van deze wet door de adoptanten of, een hunner overleden zijnde, door de overblijvende is gedaan, kan adoptie worden uitgesproken van een kind dat op de dag van de uitspraak in eerste aanleg meerderjarig is. 2. Het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de adoptie zowel uit het oogpunt van verbreking van de banden met de ouders als uit dat van bevestiging van de banden met de adoptanten, in het kennelijk belang van het kind is en aan de volgende voorwaarden is voldaan: - a. dat het kind in de adoptie heeft toegestemd; - b. dat het kind niet is een afstammeling van een der adoptanten; - c. dat het kind in het gezin van de adoptanten is opgenomen voor 1 maart 1956 en gedurende ten minste drie jaren feitelijk door hen tezamen en vervolgens tot zijn meerderjarig worden door ten minste een hunner is verzorgd en opgevoed geworden; - d. dat de adoptanten ten minste vijf jaren voor de dag, waarop het kind meerderjarig is geworden, met elkander zijn gehuwd. 3. Tegen toewijzing van het verzoek staat geen ander rechtsmiddel open dan beroep in cassat"},{"i":15992,"b":"Wet van 12 april 2001, houdende toetsing van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en wijziging van het Wetboek van Strafrecht en van de Wet op de lijkbezorging (Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) een strafuitsluitingsgrond op te nemen voor de arts die met inachtneming van wettelijk vast te leggen zorgvuldigheidseisen levensbeëindiging op verzoek toepast of hulp bij zelfdoding verleent, en daartoe bij wet een meldings- en toetsingsprocedure vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Ministers: de Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. hulp bij zelfdoding: het opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn of hem de middelen daartoe verschaffen als bedoeld in [artikel 294, tweede lid, tweede volzin, Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=294); - c. de arts: de arts die volgens de melding levensbeëindiging op verzoek heeft toegepast of hulp bij zelfdoding heeft verleend; - d. de consulent: de arts die is geraadpleegd over het voornemen van een arts om levensbeëindiging op verzoek toe te passen of hulp bij zelfdoding te verlenen; - e. de hulpverleners: hulpverleners als bedoeld in [artikel 446, eerste lid, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=446); - f. de commissie: een regionale toetsingscommissie als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410&hoofdstuk=III&paragraaf=1&artikel=3&z=2021-10-01&g=2021-10-01). Hoofdstuk II. Zorgvuldigheids"},{"i":15993,"b":"Wet van 16 november 1995, tot herziening van de Wet wapens en munitie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804) te herzien vanwege gewijzigde inzichten en nieuwe ontwikkelingen op het terrein van wapens en munitie, alsmede in verband daarmee het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en de [Wet politieregisters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004798) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Het Besluit wapens en munitie wordt ingetrokken. Artikel VI 1. Bevoegd tot het verlenen van een erkenning, een ontheffing, een consent, een vergunning, een verlof en een Europese schietwapenpas, aangevraagd vóór de inwerkingtreding van deze wet, is het bestuursorgaan dat daartoe bevoegd was overeenkomstig het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet. 2. Een erkenning, een ontheffing, een consent, een vergunning, een verlof en een Europese schietwapenpas, verleend vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijft geldig totdat de geldigheidsduur zou zijn verstreken overeenkomstig het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet. 3. De geldigheidsduur van een erkenning, een ontheffing, een consent, een vergunning, een verlof en een Europese schietwapenpas, verleend vóór de inwerkingtreding van deze wet, kan worden verlengd overeenkomstig het recht zoals dat geldt na de inwerkingtreding van deze wet. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor d"},{"i":15994,"b":"Wet van 10 april 1991, tot machtiging tot deelneming door Nederland in de Derde Aanvulling der Middelen van het Internationale Fonds voor Landbouw Ontwikkeling (IFAD) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, dat het Koninkrijk der Nederlanden deelneemt in de Derde Aanvulling der Middelen van het Internationale Fonds voor Landbouw Ontwikkeling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister voor Ontwikkelingssamenwerking wordt gemachtigd om het nodige te verrichten, opdat ten laste van 's Rijks schatkist voor het Koninkrijk der Nederlanden voor een totaal bedrag van f 42 718 884 (twee en veertig miljoen, zevenhonderdachtttienduizend achthonderd vierentachtig gulden) wordt bijgedragen in de derde Aanvulling van de Middelen van het Internationale Fonds voor Landbouw Ontwikkeling. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15995,"b":"Wet van 16 juli 1958, tot nadere regeling van de wettelijke tijd Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, de wettelijke tijd nader te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De wettelijke tijd in Nederland is de Midden-Europese tijd. 2. Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur een tijdvak van het jaar bepalen, waarin de Midden-Europese Zomertijd geldt. Artikel 2 Wanneer enig ambtelijk geschrift een tijdaanwijzing bevat welke betrekking heeft op het laatste uur van het tijdvak, bepaald bij Ons in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002288&artikel=1&z=1977-03-24&g=1977-03-24), bedoelde besluit, wordt bij de tijdaanwijzing aangegeven dat deze Midden-Europese Zomertijd betreft. Artikel 3 De wetten van 23 juli 1908 (**Stb.** 236), van 23 maart 1918 (**Stb.** 165) en van 30 augustus 1946 (**Stb.** G 223) worden ingetrokken. Artikel 4 Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad,** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15996,"b":"Wet van 27 april 1994, houdende regelen met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap De Nederlandse Munt N.V. en tot wijziging van de Muntwet 1987 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de Staat der Nederlanden overgaat tot oprichting van De Nederlandse Munt N.V. waarin de vermogensbestanddelen van de Staat die kunnen worden toegerekend aan 's Rijks Munt worden ingebracht en van de Stichting Nederlands Muntmuseum die het beheer zal voeren over de niet in de op te richten vennootschap onder te brengen collectie van het Muntmuseum van 's Rijks Munt en dat ingevolge [artikel 29 van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=29) voor de oprichting van deze beide rechtspersonen machtiging bij wet vereist is, en voorts dat het wenselijk is in verband met oprichting van De Nederlandse Munt N.V. en de beleidswijziging inzake de uitgifte van zilveren dukaten de Muntwet 1987 te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definitiebepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; - b. De Nederlandse Munt N.V.: de naamloze vennootschap, bedoeld in artikel 2; - c. 's Rijks Munt: het staatsbedrijf, bedoeld in de Aanwijzingswet 's Rijks Munt (**Stb.** 1928, 483); - d. Stichting Het Nederlands Muntmuseum: de stichting, bedoeld in artikel 2; - e. de overgangsdatum: de datum van oprichting van De Nederlandse Munt N.V.; - f. personeelslid: degene die op de dag voorafgaand aan de overgangsdatum in dienst is bij het Ministerie van Financiën en werkzaam is bij 's Rijks Munt te Utrecht, hetzij als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Hoofdstuk 2. Machtiging Artikel 2 1. Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat der"},{"i":15997,"b":"Wet van 8 november 1980, tot provinciale indeling van de Waddenzee Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het nog niet provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied van de Waddenzee, vooruitlopend op een nog te verwezenlijken gemeentelijke indeling, reeds thans provinciaal in te delen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet wordt het nog niet provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied van de Waddenzee ingedeeld bij de provincies Groningen, Friesland en Noord-Holland overeenkomstig de onderscheidenlijk in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003354&artikel=2&z=1981-01-01&g=1981-01-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003354&artikel=3&z=1981-01-01&g=1981-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003354&artikel=4&z=1981-01-01&g=1981-01-01) aangegeven begrenzingen. Artikel 2 Aan de provincie Groningen wordt toegevoegd het deel van de Waddenzee dat wordt begrensd door een lijn die begint in het ontmoetingspunt van de rijksgrens met de westelijke grens van de gemeente Hefshuizen, van daar laatstbedoelde grens volgt tot het punt waar deze de noordelijke grens van de gemeente Usquert ontmoet, vervolgens de grenzen van deze gemeente en van de gemeenten Warffum, Baflo, Eenrum, Kloosterburen en Ulrum in de Waddenzee volgt tot het punt waar de grens van laatstgenoemde gemeente de grens van de gemeente Schiermonnikoog ontmoet, vervolgens de grens van deze gemeente in aanvankelijk noordoostelijke en daarna noordelijke richting volgt tot het snijpunt met een denkbeeldige rechte lijn die kan worden getrokken tussen het punt met de coördinaten in het stelsel der rijksdriehoeksmeting x = + 62 545,87, y = + 150 425,89 (hoofdpaal 16 op Schiermonnikoog) en he"},{"i":15998,"b":"Wet van 27 juni 1963, tot uitvoering van de Verordening No. 11 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is enige regelen te stellen nopens de uitvoering van de Verordening No. 11 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Definities Artikel 1 In deze Wet wordt verstaan onder: - a. Verordening: de Verordening No. 11 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap (**Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen** van 16 augustus 1960); - b. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Algemene bepalingen Artikel 2 1. De ondernemers, die vervoer verrichten als bedoeld in artikel 5 van de Verordening, zijn verplicht volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorschriften aan Onze Minister en de door deze aangewezen instanties en ambtenaren gegevens te verschaffen betreffende tarieven, overeenkomsten, prijsafspraken en vervoervoorwaarden. 2. Een gelijke verplichting rust, voor wat betreft gegevens met betrekking tot de verrichte werkzaamheden en de toegepaste prijzen en voorwaarden, op - a. de expediteurs en andere tussenpersonen op het gebied van vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Verordening; - b. de ondernemers, die rechtstreeks bijkomstige werkzaamheden ten dienste van het vervoer verrichten, als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Verordening. Artikel 3 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van vervoer, waarop artikel 6 van de Verordening van toepassing is, regels worden gesteld met betrekking tot het gebruik van vervoerdocumenten en het bijhouden van een bedrijfsadministratie. 2. Voor"},{"i":16002,"b":"Wet van 23 december 2004 tot wijziging van de werknemersverzekeringswetten, de Coördinatiewet Sociale Verzekering, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met uitbreiding van de rechtsgevolgen van de verklaring arbeidsrelatie (Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, in het kader van het geven van zekerheid wenselijk is de rechtsgevolgen van de op voet van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) afgegeven verklaring arbeidsrelatie uit te breiden naar de werknemersverzekeringswetten en de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Artikel I. Wijziging [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel II. Wijziging [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel III. Wijziging [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel IV. Wijziging [Coördinatiewet sociale verzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002126) Wijzigt de Coördinatiewet sociale verzekering. Artikel IVa. Wijziging Wet financiering sociale verzekeringen Vervallen Artikel IVb. Nummering artikel IVa Vervallen Artikel V. Wijziging [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VI. Wijziging [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel"},{"i":16003,"b":"Wet van 21 april 2021 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht in verband met de nadere versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (Wet uitbreiding slachtofferrechten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de positie van het slachtoffer in het strafproces nader te versterken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goed vinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VII Deze wet wordt aangehaald als: Wet uitbreiding slachtofferrechten. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16006,"b":"Wet van 23 december 2015 tot wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Belastingwet BES in verband met de implementatie van Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PbEU 2014, L 359) en om uitvoering te geven aan de door de OESO ontwikkelde Common Reporting Standard (Wet uitvoering Common Reporting Standard) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen ter implementatie van [Richtlijn 2014/107](32014L0107)/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PbEU 2014, L 359) en om uitvoering te geven aan de door de OESO ontwikkelde Common Reporting Standard; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel II Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel III Deze wet treedt, onder toepassing van [artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=12), in werking met ingang van 1 januari 2016 en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot gegevens en inlichtingen over het kalenderjaar 2016. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet uitvoering Common Reporting Standard. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16007,"b":"Wet van 27 februari 1997, houdende enige regels ter uitvoering van een aantal EG-verordeningen op het gebied van de mededinging (Wet uitvoering EG-mededingingsverordeningen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is ter uitvoering van een aantal EG-verordeningen op het gebied van de mededinging enige regels te stellen ten aanzien van het verrichten van verificaties bij ondernemingen en ondernemersverenigingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: Commissie: de Commissie van de Europese Gemeenschappen; EG-mededingingsverordeningen: [verordening (EG) nr. 659/1999](31999R0659) van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PbEG L 83); Onze Ministers: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister, wie de zaak mede aangaat, tezamen. Artikel 2 1. Indien de Commissie op grond van een van de EG-mededingingsverordeningen verzoekt daarbij omschreven verificaties te verrichten, geven Onze Ministers daartoe opdracht aan voor ieder afzonderlijk geval schriftelijk aangewezen ambtenaren. 2. Deze ambtenaren beschikken voor het verrichten van de in het eerste lid bedoelde verificaties ten aanzien van ondernemingen en ondernemersverenigingen over dezelfde bevoegdheden als waarover de functionarissen van de Commissie ingevolge de EG-mededingingsverordeningen voor dat doel beschikken. Deze bevoegdheden hebben betrekking op: - a. de inzage van zakelijke gegevens en bescheiden; - b. het maken of verlangen van afschriften of uittreksels van deze zakelijke gegevens en bescheiden; - c. het ter plaatse vragen van mondelinge inlichtingen; - d. het betreden van alle plaatsen. 3. De bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, onder **d**, strekt zich niet"},{"i":16008,"b":"Wet van 26 februari 2011, houdende regels omtrent energie-efficiëntie (Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in het belang van energiebesparing, regels te stellen ter uitvoering van [richtlijn 2006/32/EG](32006L0032) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 (PbEG L 114) betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van [richtlijn 93/76/EEG](31993L0076) van de Raad en deze regels samen te voegen met de Wet energiebesparing toestellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Energiebesparing § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **energie:** alle vormen van energieproducten, brandstoffen, warmte, hernieuwbare energie, elektriciteit of elke andere vorm van energie; - c. **koudenet:** geheel van tot elkaar behorende, met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen dienstbaar aan het transport van koude, behoudens voor zover deze leidingen, installaties en hulpmiddelen zijn gelegen in een gebouw of werk van een verbruiker of van een beheerder van een koudenet en strekken tot toe- of afvoer van koude ten behoeve van dat gebouw of werk; - d. **warmte:** thermische energie die ten behoeve van ruimteverwarming of verwarming van tapwater wordt geleverd door middel van transport van water; - e. **koude:** koud water bestemd voor ruimtekoeling; - f. **eindafnemer:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon die energie koopt voor eigen eindgebruik; - g. **energiegerelateerd product:** energiegerelateerd product als bedoeld in artikel 2, onder 1,"},{"i":16012,"b":"Wet van 6 juli 2016 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en de Provinciewet (Wet uitwerking Autobrief II) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen in de sfeer van de autogerelateerde belastingen, in het bijzonder om het fiscale beleid om zuinige auto’s te stimuleren te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel V [vervallen] Artikel VI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel VIII In het bij [artikel VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038313&artikel=VII&z=2025-01-01&g=2025-01-01) gewijzigde [artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=9) worden het eerste bedrag, genoemd in de derde kolom van de tabel, de bedragen, genoemd in de vierde kolom van de tabel, en het bedrag, genoemd in de laatste volzin, bij het begin van het kalenderjaar 2017 vervangen door andere. De [artikelen 10.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1) en [10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2) zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bij het begin van het kalenderjaar 2016 gebruikte tabelcorrectiefactor wordt toegepast. Vervolgens worden de overige"},{"i":16014,"b":"Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VI Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel VII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel IX Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel X Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel Xa Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XI Wijzigt de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. Artikel XII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XIV Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XV Wijzigt het Belastingplan 2011. Artikel XVI Wijzigt het Belastingplan 2012. Artikel XVII Wijzigt de Fiscale verzamelwet 2012. Artikel XVIII 1. De [artikelen 10.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1) en [10.3, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.3) en de [artikelen 32bb, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32bb), en [32bc, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32bc) vinden geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2013. 2. Bij de toepassing van [artikel 10.7, tweede en derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.7) bij het begin van het kalenderjaar 2013 wordt de toepassing van [artikel 10.1 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&"},{"i":16015,"b":"Wet van 21 december 2016 tot wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen in verband met de automatische uitwisseling van inlichtingen over grensoverschrijdende rulings en verrekenprijsafspraken (Wet uitwisseling inlichtingen over rulings) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen ter implementatie van [Richtlijn 2015/2376](32015L2376)/EU van de Raad van 8 december 2015 tot wijziging van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PbEU 2015, L 332); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel II Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel III 1. [Artikel 6d van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](onbekend) is van toepassing op voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken die na 31 december 2016 zijn afgegeven, gemaakt, gewijzigd of hernieuwd. 2. [Artikel 6d van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](onbekend) is van overeenkomstige toepassing op voorafgaande grensoverschrijdende rulings of voorafgaande verrekenprijsafspraken die zijn gemaakt of afgegeven, gewijzigd of hernieuwd op of na 1 januari 2012 maar voor 1 januari 2017, met dien verstande dat inlichtingen inzake voorafgaande grensoverschrijdende rulings of voorafgaande verrekenprijsafspraken die op of na 1 januari 2012 maar voor 1 januari 2014 zijn gemaakt of afgegeven, gewijzigd of hernieuwd, slechts worden verstrekt indien deze op 1 januari 2014 nog geldig ware"},{"i":16016,"b":"Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van een aantal wetten ter uniformering van het loonbegrip (Wet uniformering loonbegrip) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de loonbegrippen voor de loonheffingen te uniformeren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel Ia Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel II Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel IIa Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel V Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel VI Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel VII Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel VIII Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel IX Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel X [**vervallen**] Artikel XI Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel XII Wijzigt de Ziektewet. Artikel XIII Wijzigt de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Artikel XIV Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel XV Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel XVI Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen. Artikel XVII Wijzigt de Wet investeren in jongeren. Artikel XVIII Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel XIX Wijzigt de Wet werk en inkomen kunstenaars. Artikel XX Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel XXI Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Artikel XXII Wijzigt de Reparatiewet VWS 2006. Artikel XXIII Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet. Artikel XXIV Wijzigt de Wet op de zorgtoeslag. Artikel XXV Wijzigt de Wet buiteng"},{"i":16024,"b":"Wet van 6 februari 2003, houdende regels inzake de veiligheid en kwaliteit van lichaamsmateriaal dat kan worden gebruikt bij een geneeskundige behandeling (Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen dat het wenselijk is, eisen te stellen aan de behandeling van menselijk lichaamsmateriaal dat bestemd is voor gebruik bij een geneeskundige behandeling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. lichaamsmateriaal: weefsel, cellen, bestanddelen van een embryo, foetaal weefsel in de zin van de [Wet foetaal weefsel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012983), alsmede uit weefsel of cellen of uit bestanddelen van een embryo dan wel uit foetaal weefsel in kweek gebrachte cellen, bestemd voor toepassing op de mens; - c. weefsel: alle delen van het menselijk lichaam die uit cellen bestaan; - d. cellen: afzonderlijke cellen van menselijke oorsprong of een verzameling cellen van menselijke oorsprong die niet door bindweefsel met elkaar verbonden zijn; - e. verkrijgen: een proces waardoor lichaamsmateriaal of een gedoneerd orgaan beschikbaar komt; - f. bewerken: alle handelingen die worden verricht bij het prepareren, manipuleren, preserveren en verpakken van lichaamsmateriaal; - g. preserveren: het gebruik van chemische stoffen, wijzigingen in de omgevingscondities of andere middelen tijdens de bewerking, bedoeld om biologische of fysieke achteruitgang van het lichaamsmateriaal te voorkomen of te vertragen of bedoeld om biologische of fysieke achteruitgang van organen van het tijdstip vanaf de"},{"i":16030,"b":"Wet van 1 juni 2016 tot wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet financiering sociale verzekeringen en enkele andere wetten in verband met verbetering van de hybride markt van de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wet verbetering hybride markt WGA) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) en enkele andere wetten te wijzigen om aanpassingen aan te brengen in de publieke financiering van de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten teneinde de hybride markt voor publieke en private verzekeraars te verbeteren; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel II. [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel III. [Burgerlijk wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IV. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel V. [Wet op de medische keuringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008819) Wijzigt de Wet op de medische keuringen. Artikel VI. [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel VII. [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel VIII"},{"i":16031,"b":"Wet van 29 november 2001 tot verbetering van de procesgang in het eerste ziektejaar en nieuwe regels voor de ziekmelding, de reïntegratie en de wachttijd van werknemers alsmede met betrekking tot de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever (Wet verbetering poortwachter) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een reïntegratieverslag en verlenging van de wachttijd in de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) in te voeren, de bepalingen over de ziekmelding in de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) en over de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever in het Burgerlijk Wetboek alsmede, in verband met het voorgaande, de [Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565) en enige andere wetten, te wijzigen met het oog op verbetering van de procesgang tijdens het eerste ziektejaar van de werknemer en een heldere verantwoordelijkheidsverdeling van werkgevers, werknemers, arbodiensten en uitvoeringsinstanties daarbij; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel II. [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel III. [Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel IV. Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 Wijzigt de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel VI. [Wet op de (re)integratie"},{"i":16032,"b":"Wet van 20 januari 1976, tot verbetering van de rechtspositie van militairen die zich gedurende de vijandelijke bezetting van Nederland aan krijgsgevangenschap hebben onttrokken en van die van hun nagelaten betrekkingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rechtspositie te verbeteren van militairen die zich gedurende de vijandelijke bezetting van Nederland aan krijgsgevangenschap hebben onttrokken en van die van hun nagelaten betrekkingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan en begrepen onder: - a. \"militair\": degene, die op 10 mei 1940 als militair onder de wapenen was; - b. \"verzetsorganisatie\": - 1. de op de voet van het Koninklijk Besluit van 5 september 1944, **Stb.** E 62, erkende verzetsorganisaties; - 2. andere bij de Pensioen- en Uitkeringsraad dan wel de Stichting 1940-1945 als zodanig bekende verzetsgroepen; - c. \"verzetsmilitair\": de onder **a** bedoelde militair die tijdens de vijandelijke bezetting van Nederland of door daad en houding of als behorende tot een verzetsorganisatie heeft deelgenomen aan het binnenlands verzet en voor 1 januari 1947 wederom onder de wapenen is gekomen; - d. \"ondergedoken militair\": de onder **a** bedoelde militair die vanwege het zich onttrekken aan feitelijke krijgsgevangenschap is ondergedoken en voor 1 januari 1947 wederom onder de wapenen is gekomen. 2. Als verzetsmilitair onderscheidenlijk ondergedoken militair wordt eveneens aangemerkt de militair die voor 1 januari 1947 is overleden ten gevolge van de ontberingen gedurende de oorlog ondervonden, doch die overigens voldoet aan de omschrijving van verzetsmilitair onderscheidenlijk ondergedoken militair en die, ware hij niet overleden doch op het tijdstip van z"},{"i":16033,"b":"Wet van 11 december 2019, houdende Regels voor het produceren van elektriciteit met behulp van kolen (Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om CO2-reductie te bewerkstelligen bij kolengestookte elektriciteitscentrales om klimaatverandering tegen te gaan en dat de meest geëigende maatregel daartoe een verbod op het gebruik van kolen is voor elektriciteitsopwekking door deze centrales; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **elektrisch rendement:** het elektrisch rendement zoals opgenomen in de omgevingsvergunning voor een productie-installatie op het moment waarop deze wet in werking treedt; - **kolen:** producten van de GN-codes 2701, 2702 en 2704 als bedoeld in bijlage I bij [Verordening (EEG) nr. 2658/87](31987R2658) van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEU 1987, L 256); - **Onze Minister:** Onze Minister van Klimaat en Groene Groei; - **productie-installatie:** een installatie, bestaande uit één of meer productie-eenheden, voor de opwekking van elektriciteit. Artikel 2 Het is verboden om in een productie-installatie elektriciteit op te wekken met behulp van kolen. Artikel 3 Het verbod, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is: - a. tot en met 31 december 2024 niet van toepassing op alle productie-installaties; - b. tot 1 januari 2030 niet van toepassing op een productie-installatie met een elektrisch rendement van 44% of meer. Artikel 3a In afwijking van [artikel 3, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042905&"},{"i":16034,"b":"Wet van 4 januari 2013, houdende een verbod op de pelsdierhouderij (Wet verbod pelsdierhouderij) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het houden, doden of doen doden van pelsdieren te verbieden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **huisvestingsplaats:** leefruimte dienende tot het houden van nertsen, bestaande uit één of meer compartimenten en voorzien van één of meer verrijkingsobjecten, met daaraan gekoppelde nestboxen, en die ten minste voldoet aan de eisen gesteld in de Verordening welzijnsnormen nertsen (PPE) 2003, zoals deze luidde op 17 januari 2008; - b. **nerts:** dier behorend tot de diersoort Mustela vison; - c. **nertsenhouderij:** bedrijf of een gedeelte daarvan, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel i, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1), dienende tot het houden van nertsen, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden; - d. **Onze Minister:** Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - e. **pelsdier:** dier dat gehouden wordt uitsluitend of in hoofdzaak ter verkrijging van de pels. Artikel 2 Het houden, doden of doen doden van een pelsdier is verboden. Artikel 3 1. Degene die op de dag van inwerkingtreding van deze wet nertsen als pelsdier houdt, doet daarvan binnen vier weken na inwerkingtreding van deze wet melding aan Onze Minister, onder opgave van: - a. het aantal nertsen dat hij volgens zijn vergunning, als bedoeld in [artikel 8.1 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.1), mag houden; - b. het aantal huisvestingsplaatsen, onderscheiden naar het aantal huisvestingsplaatsen voor reuen, voedsters en jonge dieren, dat op het tijdstip van melding in de nertsenhouderij beschikba"},{"i":16035,"b":"Wet van 25 januari 2017 tot wijziging van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met de verduidelijking van voorschriften voor woonboten (Wet verduidelijking voorschriften woonboten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181) en in de [Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779) enkele voorschriften en overgangsrechtelijke bepalingen neer te leggen in verband met de thans bestaande rechtsonzekerheid betreffende woonboten en andere drijvende objecten die hoofdzakelijk worden gebruikt voor verblijf; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Woningwet. Artikel II Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet verduidelijking voorschriften woonboten. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16039,"b":"Wet van 14 december 1949, houdende vereenvoudiging van de wijze van uitbrengen van exploiten aan het Grootboek 1946 en aan enig Schuldregister voor geldleningen ten laste van het Rijk Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ter betere effectuering van beslagen gelegd op inschrijvingen in het Grootboek 1946 en op inschrijvingen in enig schuldregister voor geldleningen ten laste van het Rijk, gehouden bij het Agentschap van het Ministerie van Financiën te Amsterdam, een vereenvoudiging in de wijze van het uitbrengen van exploiten aan de derde beslagene noodzakelijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Alle stukken, brieven en exploiten, die betrekking hebben op een inschrijving in het Grootboek 1946 of op een inschrijving in enig schuldregister voor geldleningen ten laste van het Rijk, gehouden bij het Agentschap van het Ministerie van Financiën te Amsterdam, worden gericht of betekend aan de Agent van het Ministerie van Financiën te Amsterdam, behoudens de verplichting om de dagvaarding uit te brengen aan de Staat, op de wijze als in [artikel 48, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=48) is voorgeschreven. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag volgende op die harer afkondiging. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16051,"b":"Wet van 29 oktober 2025 tot wijziging van de Auteurswet, de Wet op de naburige rechten en de Wet auteurscontractenrecht in verband met de verdere versterking van de positie van de maker en de uitvoerende kunstenaar bij overeenkomsten betreffende het auteursrecht en het naburig recht (Wet versterking auteurscontractenrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de wetgeving die de positie van makers en uitvoerende kunstenaars ten opzichte van exploitanten van werken van letterkunde, wetenschap of kunst respectievelijk uitvoeringen versterkt op het gebied van het overeenkomstenrecht te verbreden en aan te scherpen en daartoe de [Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886), de [Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921) en enige andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Auteurswet. Artikel II Wijzigt de Wet op de naburige rechten. Artikel III Wijzigt de Wet auteurscontractenrecht. Artikel IV 1. [Artikel 25c, tweede lid, van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=25c) is niet van toepassing op overeenkomsten die zijn gesloten en filmwerken die zijn voltooid vóór 1 juli 2015. 2. Deze wet laat vóór de inwerkingtreding van deze wet verrichte exploitatiehandelingen alsmede vóór dat tijdstip verworven rechten onverlet. Artikel V Onze Minister van Justitie en Veiligheid zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het recht van filmmakers en uitvoerend kunstenaars op een billijke vergoeding voor de beschikbaarstelling van filmwerken voor het publiek op grond van [artikel 45d va"},{"i":16053,"b":"Wet van 4 mei 2015 tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de aanpassing van het klachtrecht voor ouders, de wijziging van het adviesrecht van de oudercommissie en enkele andere aanpassingen (Wet versterking positie ouders kinderopvang en peuterspeelzalen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de positie van ouders die gebruik maken van een kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal voor de opvang van hun kind te versterken door de houders van kindercentra, gastouderbureaus en peuterspeelzalen te verplichten om zowel een interne- als een externe klachtenbehandelingsprocedure in te stellen en door het adviesrecht van de oudercommissie te wijzigen alsmede enkele andere aanpassingen aan te brengen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) Wijzigt de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Artikel II. Inwerkingtreding De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel III. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet versterking positie ouders kinderopvang en peuterspeelzalen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16054,"b":"Wet van 1 december 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten tot versterking van de positie van de rechter-commissaris (Wet versterking positie rechter-commissaris) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de positie van de rechter-commissaris in het voorbereidende onderzoek in strafzaken te versterken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof. Artikel IV Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel V Wijzigt de Wet Nationale ombudsman. Artikel VI Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel VII Wijzigt de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de lijkbezorging. Artikel IX Wijzigt de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. Artikel X Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel XI In strafzaken waarin ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet reeds een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld of dit gerechtelijk vooronderzoek nog niet onherroepelijk is gesloten, blijven de op dat tijdstip vervallen bepalingen van toepassing. Artikel XII Wijzigt deze wet. Artikel XIII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel XIV Deze wet wordt aangehaald als: Wet versterking positie rechter-commissaris. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16055,"b":"Wet van 30 juni 1954, houdende vaststelling van een vervaltermijn voor rechtsvorderingen ter zake van beheer, gevoerd door het Nederlandse Beheersinstituut of door personen, door wie het zich heeft doen bijstaan of vertegenwoordigen of die het heeft te werk gesteld Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een vervaltermijn te stellen, waarbinnen rechtsvorderingen ter zake van beheer, gevoerd door het Nederlandse Beheersinstituut of door personen, door wie het zich heeft doen bijstaan of vertegenwoordigen of die het heeft te werk gesteld, moeten worden ingesteld; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Rechtsvorderingen tegen de Staat, de Raad voor het Rechtsherstel, de samengevoegde Afdeling Beheer, Voorzieningen voor Afwezigen en Voorzieningen voor Rechtspersonen van de Raad voor het Rechtsherstel, het Nederlandse Beheersinstituut en personen, door wie dit instituut zich heeft doen bijstaan of vertegenwoordigen of die het heeft te werk gesteld, ter zake van door dat instituut of die personen gevoerd beheer of gegrond op de eigendom van door hen beheerd vermogen, voor zover niet strekkende tot enkele afgifte van nog onder de verweerder berustende bepaalde zaken, kunnen niet meer worden ingesteld, wanneer een termijn van twee jaren is verlopen, zowel sedert het tijdstip, waarop het beheer feitelijk is geëindigd, als sedert het inwerkingtreden van deze wet. 2. Voor zover de rechtsvordering haar grondslag vindt in een gedraging, ter zake waarvan tijdig beroep is ingesteld bij de voorzitter of de afdeling rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel, eindigt de in het eerste lid bedoelde termijn niet voordat twee jaren zijn verlopen sedert de einduitspraak op dat beroep. Artikel 2 Ingeval de belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest"},{"i":16056,"b":"Wet van 17 december 1998, houdende regels met betrekking tot de vervanging van verwijzingen in overeenkomsten, statuten en testamenten naar de Amsterdam Interbank Offered Rate en andere referentierentes, alsmede tot wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, in verband met de deelname van Nederland aan de Economische en Monetaire Unie (Wet vervanging referentierentes) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat De Nederlandsche Bank N.V. vanaf het tijdstip waarop Nederland de gemeenschappelijke munt zal aannemen de Amsterdam Interbank Offered Rate en de vaste voorschotrente niet langer zal vaststellen, en dat het met het oog op de rechtszekerheid en de continuïteit van overeenkomsten daarom wenselijk is een voorziening te treffen waardoor verwijzingen naar de Amsterdam Interbank Offered Rate, of een andere daarmee vergelijkbare referentierente (die niet langer wordt berekend en gepubliceerd) uit een staat die lid is van de Europese Unie en die deelneemt aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie, dan wel de vaste voorschotrente of het promessedisconto, in bestaande overeenkomsten, statuten en testamenten van rechtswege kunnen worden vervangen door verwijzingen naar een andere referentierente, alsmede dat het wenselijk is om de [Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657) te wijzigen teneinde de bestaande onzekerheid omtrent de juridische status van bepaalde vormen van transacties in effecten weg te nemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wijst referentierentes aan die in overeenkomsten, statuten en testamenten waarop het Nederlands recht van toepassing is en waarin de Amsterdam Interbank Offered Rate of een andere daarmee vergelijkbare referentierente uit een staat die lid"},{"i":16057,"b":"Wet van 12 oktober 1995, houdende regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op grond van maatschappelijke ontwikkelingen noodzakelijk is in het belang van de openbare veiligheid nieuwe regels te geven voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, welke mede kunnen dienen ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **binnenwateren:** de wateren die in Nederland zijn gelegen binnen een langs de Nederlandse kust gaande, krachtens artikel 1, eerste lid, onderdeel a van de Schepenwet aangewezen lijn; - **EU-richtlijn vervoerbare drukapparatuur:** [Richtlijn (EU) nr. 2010/35](32010L0035) van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2010 betreffende vervoerbare drukapparatuur en houdende intrekking van [Richtlijnen 76/767/EEG](31976L0767), [84/525/EEG](31984L0525), [85/526/EEG](31985L0526), [84/527/EEG](31984L0527), en [1999/36/EG](31999L0036) van de Raad (PbEU 2010, L 165); - **EU-verordening markttoezicht:** [Verordening (EU) nr. 2019/1020](32920R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van [Richtlijn 2004/42/EG](32004L0042) en [Verordeningen (EG) nr. 765/2008](32008R0765) en (EU) [nr. 305/2011](32011R0305) (PbEU 2019 L169); - **gevaarlijke stoffen:** - a. ontplofbare stoffen en voorwerpen, - b. samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen, - c. brandbare vloeistoffen, - d. brandbare vaste stoffen, - e. voor zelfontbranding vatbare stoffen, - f. stoffen die bij aanraking met water brandbare gassen ontwikk"},{"i":16058,"b":"Wet van 27 oktober 1982, houdende regelen inzake de zeevervoermarkt Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, ter uitvoering van de verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 mei 1979, nummer 954/79 en van het op 6 april 1974 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake een gedragscode voor lijnvaartconferences en met het oog op ontwikkelingen, waaronder de toename van de overheidsbemoeienis elders, op de internationale zeevervoermarkt, over te gaan tot het scheppen van wettelijke regelen voor de zeevervoermarkt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; schip: een schip in de zin van [artikel 1, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1); lijnvervoer: het vervoer tegen vaste vervoertarieven door scheepvaartondernemingen, die een geregelde dienst onderhouden tussen twee of meer havens. Hoofdstuk II. Bepalingen inzake lijnvervoer Artikel 2 1. Een ieder die lijnvervoerdiensten per schip over zee van of naar Nederlandse havens aanbiedt, is verplicht, in Nederland gevestigde door Onze Minister aan te wijzen representatieve verladersorganisaties en individuele verladers, de vervoertarieven en overige vervoercondities, waartegen deze diensten worden aangeboden, op aanvraag mondeling en, desgewenst, schriftelijk mee te delen. 2. Indien de in het eerste lid bedoelde vervoertarieven en vervoercondities schriftelijk zijn neergelegd mag voor de mededeling daarvan een vergoeding worden gevraagd die de kostprijs niet te boven gaat. Artikel 3 1. Een ieder die lijnvervoerdiensten per schip over zee van Nederlandse hav"},{"i":16060,"b":"Wet vestiging bedrijven BES Artikel 1 In de artikelen van deze wet wordt verstaan onder openbaar lichaam: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 1a 1. Onder zaak verstaat deze wet en de ter uitvoering daarvan uitgevaardigde besluiten, elke onderneming, waarin eenig bedrijf, door wien ook, wordt uitgeoefend. 2. Naamlooze vennootschappen, bestuurders van Naamlooze vennootschappen, coöperatieve vereenigingen, importeurs, agenten, tusschenhandelaars, alsmede vennooten van een vennootschap onder een firma en van een vennootschap en commandito, met uitzondering evenwel van den commanditairen vennoot, worden steeds geacht een zaak in den zin dezer wet te drijven. 3. Filialen, bijkantoren en andere nederzettingen van zaken worden ten aanzien van de bepalingen dezer wet als afzonderlijke zaken beschouwd. 4. Een zaak wordt gevestigd, wanneer het bedrijf ten aanzien van het publiek aanvangt. Artikel 2 Het is verboden: - a. een zaak te vestigen en te drijven of te doen drijven; - b. een zaak te doen vestigen en te drijven of te doen drijven; - c. een zaak over te nemen en te drijven of te doen drijven; - d. een zaak te doen overnemen en te drijven of te doen drijven; - e. een zaak voort te zetten of te doen voortzetten; - f. een zaak ten aanzien van het publiek te verplaatsen; - g. een zaak van aard te wijzigen, zonder een daartoe strekkende vergunning van het Bestuurscollege. Artikel 3 Geen vergunning is vereischt voor één of meer van bovengenoemde handelingen ten aanzien van zaken: - a. toebehoorende aan publiekrechtelijke lichamen; - b. welke uitsluitend uitgeoefend worden in of op openbare markten of als straatventerij op den openbare weg; - c. waarbij het bedrijf van land-, tuinbouw, veeteelt of visscherij uitgeoefend wordt al of niet samengaande met den verkoop van de producten in dat bedrijf voortgebracht, gewonnen of gevangen; - d. toebehoorende aan ambachtslieden, tenzij deze uitgeoefend worden met meer arbeiders dan voor elk bedrijf door het Bes"},{"i":16063,"b":"Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **MARPOL-verdrag:** het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975, 147 en 1978, 187), gewijzigd en aangevuld bij het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb, 1978, 188); - b. **AFS-verdrag:** het op 5 oktober 2001 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de beperking van schadelijke aangroeiwerende verfsystemen op schepen (Trb. 2004, 44); - c. **Ballastwaterverdrag:** het op 13 februari 2004 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen, met Bijlage, Aanhangsels, en Resoluties (Trb. 2004, 256); - d. **de verdragen:** de in dit lid genoemde verdragen. 2. In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt voorts verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. **VN-Zeerechtverdrag:** het op 10 december 1982 te Montego-Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83); - c. **Milieuprotocol bij het Antarcticaverdrag:** het op 4 oktober 1991 te Madrid tot stand gekomen Protocol betreffende milieubescherming bij het Verdrag inzake Antarctica, met Bijlagen (Trb. 1992, 110); - d. **territoriale zee:** de territoriale zee rond Bonaire, Sint Eustatius en Saba, vastgesteld bij of krachtens [artikel 1 van de Rijkswet uitbreiding territoriale zee van het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003749&artikel=1); - e. **binnenwateren:** de wateren van Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelegen landinwaarts vanaf de basislijn, bedoeld in het [Uitvoeringsbesluit ex artikel 1 Rijkswet uitbreiding territoriale zee van het Koninkrij"},{"i":16065,"b":"Wet van 2 december 1982, houdende voorlopige voorzieningen in verband met de voorgenomen intrekking van het Koninklijk besluit van 10 april 1939 (Stb. 181) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is enige tijdelijke voorzieningen te treffen in verband met de voorgenomen intrekking van het Koninklijk besluit van 10 april 1939 (**Stb.** 181); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Vervallen Artikel II Het bepaalde bij of krachtens de Wegenverkeerswet (wet van 13 september 1935, **Stb.** 554) en provinciale en plaatselijke verordeningen gelden, ook buiten de gevallen genoemd in artikel 45, eerste lid, van genoemde wet, niet dan voor zover zulks door Ons bij algemene maatregel van bestuur is bepaald, - a. ten aanzien van motorrijtuigen, rijwielen en andere rij- of voertuigen, voor zover die worden gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten; - b. voor militairen te voet, voor zover zij zich ter uitoefening van de dienst op een weg bevinden. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16066,"b":"Wet van 20 december 2012, houdende regels inzake het aanhouden van voorraden aardolieproducten (Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012373) integraal te herzien ter implementatie van [Richtlijn 2009/119/EG](32009L0119) van de Raad van 14 september 2009, houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden (PbEU 2009, L 265); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **bilateraal akkoord:** tussen Nederland en een andere staat geldend verdrag als bedoeld in artikel 3 van de bijlage bij de Overeenkomst inzake een Internationaal Energieprogramma (Trb. 1975, 47); - –. **binnenlands verbruik:** het overeenkomstig bijlage II van [richtlijn 2009/119/EG](32009L0119) berekende totaal van de in Nederland geleverde hoeveelheden aardolieproducten voor energie- en niet-energiedoeleinden, met dien verstande dat dit totaal bestaat uit de leveringen aan de omzettingssector, de industrie, de vervoersector, de huishoudens en andere sectoren met het oog op eindverbruik; dit totaal omvat mede het eigen gebruik van de energiesector zelf (met uitzondering van het verbruik van raffinaderijbrandstof); - –. **biobrandstof:** voor vervoer bestemde vloeibare of gasvormige brandstof gemaakt uit biomassa, waarbij onder «biomassa» wordt verstaan het biologisch afbreekbare deel van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede het biologisch"},{"i":16067,"b":"Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Deze wet en de ter uitvoering daarvan te geven voorschriften verstaan onder: - **bestrijdingsmiddelen:** elke stof of elk mengsel van stoffen, alsmede micro-organismen, bestemd om als zodanig of met andere stoffen gemengd, te worden gebruikt bij: - a. de bestrijding van onkruid en van ongewenste groei bij planten of delen van planten dan wel bij het doden van loof; - b. de bestrijding van de verwekkers van plantenziekten; - c. de bestrijding en afweer van dieren, welke schade kunnen aanrichten aan gewassen in land-, tuin- en bosbouw in de ruimste zin; - d. de bestrijding en afweer van ander gedierte; - e. de wering van bederf van de voortbrengselen van land-, tuin- en bosbouw in de ruimste zin; - **Onze Minister:** Onze Minister, bedoeld in [artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=1); - **bevoegde instantie:** door Onze Minister aangewezen dienst, autoriteit of instantie. Artikel 2 1. De handel in enig bestrijdingsmiddel is toegestaan, mits door de fabrikant of de importeur tenminste drie maanden te voren van het voornemen daartoe aan de bevoegde instantie schriftelijk kennis is gegeven. 2. Deze kennisgeving moet zijn vergezeld: - a. van een monster van het betreffende middel, van voldoende grootte om de nodige onderzoekingen te kunnen verrichten; - b. van een zodanige beschrijving van aard en samenstelling van het middel, alsmede van een opgave van de te garanderen gehalten aan waardegevende bestanddelen en van zodanige verdere gegevens omtrent deze bestanddelen, dat deze de grondslag kunnen vormen voor een onderzoek van de chemische samenstelling en fysische toestand; - c. van een opgave van alle bestanddelen, welke giftig zijn voor mensen en warmbloedige dieren; - d. van een opgave van het doel, waarvoor het bestrijdingsmiddel bestemd is, van de toepassingsmogelijkheden en van een nauwkeurige gebruiksaan"},{"i":16068,"b":"Wet van 25 januari 1951, houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige nadere voorzieningen te treffen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Algemene bepalingen Artikel 1 De bevoegdheden en verplichtingen, bij of krachtens de wet aan hoofden der ministeriële departementen in het algemeen verleend, onderscheidenlijk opgelegd, komen mede toe aan, onderscheidenlijk rusten mede op Onze ministers zonder portefeuille, en de staatssecretarissen, voorzover deze overeenkomstig de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) als minister optreden. Artikel 2 De bevoegdheden en verplichtingen, bij of krachtens de wet aan een hoofd van een ministerieel departement in het bijzonder verleend, onderscheidenlijk opgelegd, komen mede toe aan, onderscheidenlijk rusten mede op een staatssecretaris bij dat departement, voorzover hij overeenkomstig de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) als minister optreedt. Artikel 3 Onverminderd de overige gevallen, waarin de minister, voor wiens departement een staatssecretaris is benoemd, het nodig acht, dat de staatssecretaris in zijn plaats optreedt, maakt de minister in de **Nederlandse Staatscourant** bekend, met welke taak de staatssecretaris meer in het bijzonder zal zijn belast. Artikel 4 Buiten de gevallen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&titeldeel=I&artikel=1&z=1993-12-31&g=1993-12-31) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&titeldeel=I&artikel=2&z=1993-12-31&g=1993-12-31) worden ministers zonder portefeuil"},{"i":16069,"b":"Wet van 17 juli 1911, houdende voorziening in de bestaande onzekerheid ten aanzien van den vorm, waarin eeden, beloften en bevestigingen moeten worden afgelegd Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat onzekerheid bestaat ten aanzien van den vorm, waarin eeden, beloften en bevestigingen moeten worden afgelegd en dat mitsdien voorziening te dier zake noodig is; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Hij, die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen, zal: - a. indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden: \"Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig\", - b. indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden: \"Dat beloof ik\", indien hij een bevestiging aflegt, uitspreken de woorden: \"Dat verklaar ik\", tenzij hij aan zijn godsdienstige gezindheid den plicht ontleent den eed, de belofte of de bevestiging op andere wijze te doen. Artikel 2 Indien bij het wettelijk voorschrift andere uit te spreken woorden zijn vastgesteld als de in het vorige artikel voorgeschrevene, treden de bij het bijzonder wettelijk voorschrift vastgestelde voor deze in de plaats. Artikel 3 Hij, die tengevolge van een lichaams- of spraakgebrek den eed, de belofte of de bevestiging niet kan afleggen op de bij de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001881&artikel=1&z=1911-08-24&g=1911-08-24) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001881&artikel=2&z=1911-08-24&g=1911-08-24) bepaalde wijze, zal den eed, de belofte of de bevestiging afleggen op een wijze, zooveel mogelijk overeenstemmende met het bij die artikelen voorgeschrevene, te bepalen door dengene in wiens handen de eed, de belofte of de bevestiging wordt afgelegd. Lasten en bevelen, dat de"},{"i":16070,"b":"Wet van 15 december 2005, houdende wijziging van enkele belastingwetten (Wet VPB-pakket 2006) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2006 wenselijk is maatregelen te treffen ter verbetering van het vestigingsklimaat voor ondernemers als onderdeel van de nota Werken aan winst; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel III Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Artikel IV Wijzigt het Belastingplan 2005. Artikel V Indien voor 1 januari 2006 met betrekking tot een deelneming een afwaarderingsverlies als bedoeld in [artikel 13ca van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ca) in aanmerking is genomen, blijven daarna met betrekking tot die deelneming [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8), [artikel 13ba, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ba), [artikel 13ca, derde tot en met vijfde lid, zesde lid, tweede volzin, en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ca), [artikel 14c, vierde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14c), en [artikel 15aj, zevende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15aj), zoals die artikelen luidden op 31 december 2005, van toepassing. Artikel VI De vennootschapsbelasting over een boekjaar dat voor 1 januari 2006 aanvangt en op of na die datum eindigt, wordt, in afwijking in zoverre van [artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=22), berekend vol"},{"i":16071,"b":"Wet van 13 oktober 1994, houdende regels omtrent de vrijwillige verplaatsing naar het buitenland van de statutaire zetel van naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen in tijden van nood Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is voor naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen de mogelijkheid te openen in tijden van nood hun statutaire zetel vanuit Nederland naar een plaats buiten het Koninkrijk over te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij en een stichting kunnen de zetel van de rechtspersoon verplaatsen naar een plaats buiten het Koninkrijk. 2. Een besluit tot zetelverplaatsing treedt niet in werking dan in geval van oorlog, onmiddellijk oorlogsgevaar, revolutie of daarmee vergelijkbare buitengewone omstandigheden. 3. Het in werking treden van het besluit heeft van rechtswege tot gevolg dat de plaats waarheen de zetel is overgebracht, geldt als de zetel van de rechtspersoon. Artikel 2 1. Bevoegd tot het nemen van een besluit tot zetelverplaatsing zijn: - a. het bestuur van de rechtspersoon; - b. de algemene vergadering met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen van de ter vergadering aanwezige of vertegenwoordigde stemgerechtigden, indien het niet een stichting betreft; - c. een of meer door de algemene vergadering of door het bestuur bij een in Nederland verleden notariële akte aangewezen personen. 2. Het besluit tot zetelverplaatsing kan inhouden dat de rechtspersoon de staat van naamloze vennootschap, besloten vennoo"},{"i":16072,"b":"Wet van 15 december 1994, houdende algemene regels inzake de waardering van onroerende zaken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot een uniforme bepaling van de waarde van onroerende zaken en de wijze van vaststelling daarvan ten behoeve van de heffing van belastingen, alsmede om het toezicht op de waardebepaling en waardevaststelling op te dragen aan een daartoe in te stellen Waarderingskamer; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Deze wet geldt bij de bepaling, de vaststelling en de verstrekking van de waarde van in Nederland gelegen onroerende zaken ten behoeve van afnemers. 2. Het college van burgemeester en wethouders is belast met de uitvoering van deze wet, tenzij de gemeenteambtenaar, bedoeld in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=231), hiermee is belast. Artikel 2 In deze wet wordt verstaan onder: - –. afnemer: bestuursorgaan dat op grond van een wettelijk voorschrift bevoegd is tot gebruik van een waardegegeven; - –. authentiek gegeven: in een basisregistratie opgenomen gegeven dat bij wettelijk voorschrift als authentiek is aangemerkt; - –. basisregistratie: verzameling gegevens waarvan bij wet is bepaald dat deze authentieke gegevens bevat; - –. belastingen: belastingen geheven door het Rijk, de gemeenten en de waterschappen; - –. college: college van burgemeester en wethouders; - –. Dienst: Dienst voor het kadaster en de openbare registers als genoemd in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - –. landelijke voorziening WOZ: landelijke voorziening als bedoeld in [artikel 37aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":16073,"b":"Wet van 5 juli 1997, houdende regels inzake het vervaardigen, verhandelen, vervoeren, voorhanden hebben, dragen enz. van wapens en munitie (Wet wapens en munitie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Wet wapens en munitie opnieuw vast te stellen in overeenstemming met [richtlijn nr. 83/189/EEG](31983L0189) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (**PbEG** L 109); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - 1°. Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid; - 2°. de korpschef: de korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); - 3°. vuurwapen: een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie; - 4°. munitie: patronen en andere voorwerpen, bestemd of geschikt om een projectiel of een giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende of soortgelijke stof door middel van een vuurwapen af te schieten of te verspreiden, alsmede projectielen, bestemd om afgeschoten te worden door middel van een vuurwapen; - 5°. beheerder: degene die onmiddellijk leiding geeft aan de uitoefening van een bedrijf, waarin wapens en munitie worden vervaardigd, getransformeerd, uitgewisseld, verhuurd of anderszins ter beschikking gesteld, hersteld, beproefd of verhandeld; - 6°. bestemming: de onmiddellijke bestemming van de in een consentaanvraag omschreven wapens en munitie, aangevuld met de eindbestemming daarvan indien ten tijde van de consentaanvraag bekend is"},{"i":16074,"b":"Wet van 30 oktober 2008 tot wijziging van de regeling van het beroepsgoederenvervoer en het eigen vervoer met vrachtauto’s (Wet wegvervoer goederen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de regelgeving voor de toelating tot het beroep van goederenvervoerder over de weg en voor de toelating tot de markt van het goederenvervoer over de weg te versoberen, om de administratieve lasten voor de goederenvervoerders te verminderen en de handhaafbaarheid van de regelgeving te verbeteren, mede gelet op de eerste richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschap van 23 juli 1962 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor bepaalde soorten goederenvervoer over de weg (Pb EG 70), [verordening (EEG) nr. 881/92](31992R0881) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een Lidstaat of over het grondgebied van een of meer Lid-Staten (PbEG L 95), [verordening (EEG) nr. 3118/93](31993R3118) van de Raad van Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoerders worden toegelaten tot het binnenlands goederenvervoer over de weg in een Lid-Staat waarin zij niet gevestigd zijn (PbEG L 279) en op [richtlijn nr. 96/26/EG](31996L0026) van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van vervoerder van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers (PbEG L 124); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene"},{"i":16075,"b":"Wet van 14 juni 2014 tot wijziging van verschillende wetten in verband met de hervorming van het ontslagrecht, wijziging van de rechtspositie van flexwerkers en wijziging van verschillende wetten in verband met het aanpassen van de Werkloosheidswet, het verruimen van de openstelling van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen en de beperking van de toegang tot de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Wet werk en zekerheid) Hoofdstuk 1. Wijzigingen in verband met hervorming flexibele arbeid en ontslagrecht Hoofdstuk 1. Wijzigingen in verband met hervorming flexibele arbeid en ontslagrecht Artikel XXVI Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel XXVII Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel XXVIII Wijzigt de Ziektewet. Artikel XXIX Wijzigt de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters. Artikel XXX Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel XXXI Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel XXXII Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen. Artikel XXXIII Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel XXXIV Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel XXXV Wijzigt de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. Artikel XXXVI Wijzigt de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria. Artikel XXXVII Wijzigt de Wet privatisering spoorwegpensioenfonds. Artikel XXXVIII Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen. Hoofdstuk 3. Slotbepalingen Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het ontslagrecht te vereenvoudigen, de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid bij ontslag te bevorderen, de vergoeding bij ontslag te beperken en aanwending daarvan voor snelle werkhervatting te bevorderen, dat het wenselijk is de rechtspositie van werknemers met een arbeidsovereenkoms"},{"i":16076,"b":"Wet van 30 november 2006, houdende wijziging van belastingwetten ter realisering van de doelstelling uit de nota «Werken aan winst» (Wet werken aan winst) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het ondernemingsklimaat in Nederland wenselijk is fiscale wetgeving aan te passen om de doelstellingen uit de nota «Werken aan winst; naar een laag tarief en een brede grondslag» (Kamerstukken II 2004–2005, 30 107, nr. 2), te realiseren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel III Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel IIIa Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel IIIb Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel IV Wijzigt het Belastingplan 2005. Artikel V Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (invoering aftrekverbod aankoopkosten van een deelneming). Artikel VI Wijzigt de Wijzigingswet van enkele belastingwetten (herziening behandeling omzetting en kwijtschelding van afgewaardeerde vorderingen en aanpassing regeling voor afwaarderingsverliezen van deelnemingen). Artikel VII Wijzigt de Wijzigingswet van enkele belastingwetten (implementatie van Richtlijn 2003/123/EG). Artikel VIII 1. De wijzigingen ingevolge deze wet in de termijn van de voorwaartse verliesverrekening in de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) vinden toepassing met betrekking tot verliezen die worden verrekend met inkomens genoten na 31 december 2006. 2. In afwijking van het eerste lid kunnen ondernemingsverliezen geleden in het kalenderjaar 2002 of eerder nog voorwaarts worden verrekend tot en met het kalenderjaar 2011. 3. In afwijking van het eerste lid kunnen verliez"},{"i":16077,"b":"Wet van 9 november 2009, houdende regels met betrekking tot een wettelijke grondslag voor de brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (Wet wettelijke grondslag bdu siv) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke grondslag te creëren voor de brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **G31:** gemeenten Alkmaar, Almelo, Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Breda, Den Haag, Deventer, Dordrecht, Eindhoven, Emmen, Enschede, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hengelo (Overijssel), ’s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Leiden, Lelystad, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Sittard-Geleen, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad en Zwolle; - b. **gemeente:** gemeente die behoort tot de G31; - c. **GSB III periode:** periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2009; - d. **ontwikkelingsprogramma:** meerjarenontwikkelingsprogramma, waarin de gemeenteraad de in de GSB III periode te bereiken resultaten heeft vastgelegd; - e. **Wet inburgering nieuwkomers:** [Wet inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544) zoals die luidde op 31 december 2006; - f. **oudkomer:** - 1°. persoon die 18 jaar of ouder is, die buiten Nederland is geboren en behoort tot een etnische minderheidsgroep, die rechtmatig in Nederland verblijft anders dan voor een tijdelijk doel als bepaald bij of krachtens de [Wet inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544), en die niet verplicht is om op grond van die wet een inburgeringsprogramma te volgen; - 2°. geestelijke bedienaar als bedoeld in de ministeriële regeling op grond van [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet inbu"},{"i":16078,"b":"Wet van 16 oktober 2013 tot wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek inzake curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen en mentorschap ten behoeve van meerderjarigen en enige andere bepalingen (Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regelingen van de curatele, het beschermingsbewind en het mentorschap in overeenstemming te brengen met een aantal in de praktijk gebleken ontwikkelingen en dat daartoe [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656), alsmede enige andere bepalingen, worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel Ia Wijzigt deze wet. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3 en Boek 4. Artikel IIa Wijzigt de Wet beëdigde tolken en vertalers. Artikel IIb Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel III Wijzigt de Wet op het consumentenkrediet. Artikel IIIa Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel IIIb Wijzigt deze wet en de Wet basisregistratie personen. Artikel IV De curator van een persoon die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onder curatele wegens verkwisting is gesteld doet binnen twee jaar na dat tijdstip verslag aan de kantonrechter over de vraag of de maatregel dient voort te duren of door een andere voorziening kan worden vervangen. Artikel V Curatoren als bedoeld in [artikel 383, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=383), bewindvoerders als bedoeld in [artikel 435, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=435), en mentoren als bedoeld in [artikel 452, ze"},{"i":16079,"b":"Wet van 20 november 2024 tot wijziging van de Meststoffenwet in verband met de voorwaarden over de maximale mestproductie in de derogatiebeschikking 2022–2025 (Wet wijziging Meststoffenwet in verband met de maximale mestproductie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om de Meststoffenwet aan te passen ter regeling van de productieplafonds voor dierlijke meststoffen gelet op het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van de Commissie van 30 september 2022 tot verlening van een door Nederland gevraagde derogatie op grond van [Richtlijn 91/676/EEG](31991L0676) van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEU 2022, L 277) en ter voorkoming van het overschrijden van die plafonds; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Meststoffenwet. Artikel II Wijzigt de Meststoffenwet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet wijziging Meststoffenwet in verband met de maximale mestproductie. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met uitzondering van artikel I, onderdeel A, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2025. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16081,"b":"Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van de Ziektewet om een andere vorm van verrekening van inkomsten te introduceren en enige andere wijzigingen van de Ziektewet en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet wijziging verrekening inkomsten met ziekengeld) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wijze van verrekening van inkomsten in de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) te herzien en in de Ziektewet en de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) de mogelijkheid te introduceren van verlenging van de loondoorbetalingsperiode voor en van verhaal van ziekengeld op de werkgever van personen die aanspraak maken op ziekengeld op grond van de Ziektewet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I **[Vervallen]** Artikel II. Wijziging van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel III. Wijziging van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel IV. Grondslag Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2011/618. Na de inwerkingtreding van [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030113&artikel=III&z=2012-01-01&g=2012-01-01) van de Wet wijziging verrekening inkomsten met ziekengeld berust de [Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022309) op [artikel 26, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=26). Artikel V. Inwerkingtreding Deze wet"},{"i":16082,"b":"Wet van 12 februari 2020 tot wijziging van de Jeugdwet in verband met de verduidelijking van het woonplaatsbeginsel (Wet wijziging woonplaatsbeginsel) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) te wijzigen teneinde het woonplaatsbeginsel te verduidelijken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Jeugdwet. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet wijziging woonplaatsbeginsel. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16083,"b":"Wet van 24 juni 2015, houdende regels omtrent windenergie op zee (Wet windenergie op zee) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het realiseren van meer windenergie op zee bijdraagt aan het verwezenlijken van de hernieuwbare energiedoelstellingen, dat op zee meerdere activiteiten plaatsvinden waar windparken op zee ingepast moeten worden, dat het aansluiten van windparken op het elektriciteitsnet tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten moet plaatsvinden waardoor het wenselijk is om coördinatie van de ruimtelijke inpassing van windenergie op zee te versterken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en werkingssfeer Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aansluitpunt:** punt waarop een aansluitverbinding wordt aangesloten op een net of op een installatie; - **kavel:** locatie voor een windpark; - **kavelbesluit:** besluit waarin een kavel en een tracé voor een aansluitverbinding zijn aangewezen; - **net:** systeem als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1), voor elektriciteit; - **Onze Minister:** Onze Minister van Klimaat en Groene Groei; - **vergunning:** vergunning als bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=12&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **windenergie:** energiedrager die ontstaat na omzetting van wind; - **windpark:** een samenstel van voorzieningen waarmee windenergie wordt geproduceerd, waarbij onder een samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen, waaronder ten minste drie windturbines die op of in de bodem van de zee zijn geplaatst of eraan zijn bevestigd, en die onderling met elkaar zijn verbonden vo"},{"i":16085,"b":"Wijziging Besluit asbestwegen WMS Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Besluit asbestwegen Wms](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011619&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Het verbod om een weg die asbest bevat, voorhanden te hebben, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit asbestwegen Wms](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011619&artikel=2), is ten aanzien van wegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van dat besluit, niet van toepassing tot 1 juli 2002. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16086,"b":"Wijziging Besluit hulp vanwege een kruisorganisatie Gelet op de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005283&artikel=15) en [43d, eerste lid, onder v, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005283&artikel=43d) (Stb. 1991, 590); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit hulp vanwege een kruisorganisatie Bijzondere Ziektekostenverzekering. Artikel II Voor de toepassing van de in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005777&artikel=I&z=1993-01-01&g=1993-01-01) bedoelde termijn wordt de periode, dat de verzekerde voor 1 januari 1993 de verpleegartikelen van de kruisorganisatie in bruikleen heeft gehad, meegeteld. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1993. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16088,"b":"Wijziging Regeling kentekenbewijzen en Regeling kentekens en kentekenplaten Gelet op de [artikelen 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36), en [40, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=40) en [artikel 55 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=55); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling kentekenbewijzen. Artikel II Kentekenbewijzen volgens de modellen 1.1, 2.1 en 5.1 tot en met 10.1, overschrijvingsbewijzen en registratiebewijzen volgens de modellen 13.1, 14.1 en 17.1, alsmede ontvangstbewijzen volgens model C.1, afgegeven op grond van de Regeling kentekenbewijzen zoals deze luidde vóór 1 april 1998, behouden hun geldigheid tot het moment waarop zij op basis van de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) hun geldigheid verliezen. Artikel III 1. Artikel 8 van de Regeling kentekens en kentekenplaten vervalt met ingang van 1 april 1998. 2. Met toepassing van artikel 8 van de Regeling kentekens en kentekenplaten zoals dit artikel luidde vóór 1 april 1998, afgegeven kentekenbewijzen behouden hun geldigheid gedurende de in [artikel 20, vierde lid, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=20) bedoelde periode. Artikel IV 1. Voor wat betreft aanvullingsbladen wordt het in [artikel 55, eerste lid, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=55) bedoelde tijdstip vastgesteld op 1 april 1998. 2. Vóór de in het eerste lid genoemde datum afgegeven aanvullingsbladen behouden hun geldigheid. Artikel V Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 1998. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16090,"b":"Wijziging Regeling opvang asielzoekers 1994 Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling opvang asielzoekers. Artikel II In de kosten van een opvangprogramma van houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf wordt geen bijdrage verstrekt, indien voor hen als voormalig gedoogde reeds een bijdrage is verstrekt als bedoeld in artikel 27a, van de Regeling opvang asielzoekers zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16091,"b":"Wijziging Regeling opvang asielzoekers en intrekking van de Tijdelijke regeling opvang ontheemden Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling opvang asielzoekers. Artikel II De Tijdelijke regeling opvang ontheemden wordt ingetrokken met dien verstande dat de verstrekkingen aan ontheemden die op het moment van inwerkingtreding van de intrekking opvang werd geboden in het kader van Hoofdstuk III van voornoemde regeling, op dezelfde wijze, onder dezelfde voorwaarden en tot hetzelfde tijdstip kan worden voortgezet. Artikel III Aan degenen die als ontheemden een bedrag van f 150,- hebben ontvangen op grond van artikel 9 van de Tijdelijke regeling opvang ontheemden, wordt tot drie maanden na het verstrekken van dat bedrag geen toelage op het zakgeld als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Regeling opvang asielzoekers verstrekt. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na plaatsing in het Staatscourant. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16092,"b":"Wijziging Regeling opvang asielzoekers (ROA) Gelet op de inwerkingtreding van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de noodzaak de ROA aan die wet aan te passen; Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling opvang asielzoekers. Artikel II Onder `rechtmatig verwijderbare vreemdeling' als bedoeld in artikel 1, derde lid, zoals dat luidt na de inwerkingtreding van deze regeling, wordt ook verstaan een vreemdeling op wiens asielaanvraag in bezwaar in negatieve zin is beslist, tenzij de betrokkene in afwachting is van een rechterlijke uitspraak op een binnen de vertrektermijn ingediend verzoek om voorlopige voorziening tegen de beslissing dat de behandeling niet in Nederland mag worden afgewacht, tenzij dit verzoek op grond van de Vreemdelingencirculaire 1994 niet hier te lande mag worden afgewacht. Artikel III Indien er ten aanzien van de asielzoeker: - a. voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling op diens asielaanvraag in eerste aanleg of in bezwaar in negatieve zin is beslist; - b. een last tot uitzetting is gegeven, en - c. door de korpschef van de politieregio waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfsplaats heeft is meegedeeld dat hij de verstrekkingen moet verlaten, eindigen de verstrekkingen na de inwerkingtreding van deze regeling, in afwijking van artikel 15, derde lid, onder c, op de dag waarop de asielzoeker Nederland ingevolge de mededeling van de Korpschef dient te verlaten. Artikel IV Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) (Stb. 2000, 495) in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16093,"b":"Wijziging Regeling registratie snelle motorboten 1991 Gelet op [artikel 8.01, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=8.01); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling registratie snelle motorboten 1991. Artikel II De geldigheid van registratiebewijzen, die zijn afgegeven vóór 1 maart 1995 volgens het oude model, vervalt met ingang van 28 februari 2000. Dit besluit zal worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":16094,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte, van 17 december 2002, Directie Arbozorg en Verzuimbeleid, nr. AVB/AIS/02 78871 tot wijziging van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers, mede in verband met de verlening van een voorschot ter tegemoetkoming in immateriële schade aan werknemers die ten gevolge van blootstelling aan asbest ernstig ziek zijn geworden Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [9 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=9), de [artikelen 34, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34), [35, vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=35), [46, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=46), [49, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=49), [52, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=52), [54, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=54) en [77, derde lid, van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=77), en [artikel 43, vierde lid, onderdeel b, van de Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=43); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers. Artikel II Wijzigt de Regeling vrijlating immateriële schadevergoeding Algemene bijstandswet. Artikel III De minister zendt binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze regeling aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk. Artikel IV 1. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling aan de werknemer of zijn nabestaanden een eenmalige uitkering is toegekend of een aanvraag van de werknemer of zijn nabestaanden om een eenmalige uitkering is afgewezen op grond van de [Regeling tegemoetkoming asbe"},{"i":16095,"b":"Wijziging Regeling vergoeding a.w.b.z.-kosten van militairen Gelet op [artikel 33, tweede en derde lid, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005283&artikel=33); Besluiten: Artikel I Wijzigt de Regeling vergoeding AWBZ-kosten van militairen. Artikel II Ten aanzien van declaraties van [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614)-kosten en de daaruit resulterende vaststelling van de uitkering die betrekking hebben op de periode voor 1 januari 1996 zijn de bepalingen van de Regeling vergoeding AWBZ-kosten van militairen, zoals die luidden vóór deze wijziging, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 1996. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16097,"b":"Wijziging Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=3); Gelet op de inwerkingtreding van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de noodzaak om de Rvb aan die wet aan te passen; Besluit: Artikel I Wijzigt de [Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726). Artikel II Artikel 3 en 4 zijn niet van toepassing op de vreemdeling van 18 jaar of ouder die voor de inwerkingtreding van dit besluit een verblijfsvergunning heeft aangevraagd met het oog op gezinshereniging met een bloedverwant in de eerste graad. Artikel III Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) (Stb. 2000, 495) in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16098,"b":"Wijziging uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 Gelet op [artikel 26 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26), Besluit: Artikel I De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt gewijzigd. Artikel II In afwijking in zoverre van [artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004766&artikel=16) wordt ten aanzien van de belastingschuldige die, anders dan op commerciële basis, samen met een of meer anderen een woning bewoont terwijl geen sprake is van een duurzaam gezamenlijke huishouding, als kosten van bestaan als bedoeld in [artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004766&artikel=13) in aanmerking genomen een bedrag van f 1067 zolang dit bedrag uitgaat boven 90% van de normuitkering voor een alleenstaande woningdeler van 23 jaar of ouder. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1993."},{"i":16099,"b":"Wijziging Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 Gelet op [artikel 26 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Artikel II De kosten van bestaan, bedoeld in de [artikelen 12, tweede lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling Invorde-ringswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004766&artikel=12) en [13, eerste lid, van die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004766&artikel=13) bedragen, in afwijking van [artikel 16 van die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004766&artikel=16), voor het tijdvak dat aanvangt op 1 januari 1998 en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009006&artikel=I&z=1998-04-01&g=1998-04-01) van deze regeling, voor belastingschuldigen die worden aangemerkt als: - a. echtgenoten als bedoeld in [artikel 3 van de Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=3) die 65 jaar of ouder zijn, onderscheidenlijk waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is: 90 percent van f 2106,42, onderscheidenlijk van f 2061,42; - b. een alleenstaande en een alleenstaande ouder als bedoeld in [artikel 4, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=4) die 65 jaar of ouder zijn: 90 percent van f 1495,76, onderscheidenlijk van f 1902,43. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat: - a. [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009006&artikel=I&z=1998-04-01&g=1998-04-01) in werking treedt op het tijdstip waarop [artikel I van de wet tot Wijziging van de Algemene bijstandswet in verband met de voortgang van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":16100,"b":"Wijziging Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 en enige andere regelingen Gelet op de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26) en [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=31) zoals dat luidt na inwerkingtreding van [artikel VIII, onderdeel H, van de Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008427&artikel=VIII), van de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770), [artikel 232e van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=232e), de [artikelen 37l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37l) en [77b van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=77b) en [artikel 13ab van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=13ab) in samenhang met [artikel 26 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26), alsmede [artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Artikel II Vervallen. Artikel III Wijzigt de regeling van 11 november 1997, nr. WDB97/480M, Stcrt. 218. Artikel IV Wijzigt de Beschikking wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen en de omzetbelasting. Artikel V Wijzigt de Uitvoeringsregeling Rekenmodellen Wet waardering onroerende zaken. Artikel VI Voor zover belastbare feiten in de zin van de [Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226) hebben plaatsgevonden op of na 1 januari 1997 en verkrijgingen zijn als bedoeld in [artikel 25, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25), of [artikel 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overhe"},{"i":16101,"b":"Wijziging van de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten 1989 Besluit Artikel I De Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten 1989 wordt gewijzigd. Artikel II 1. Een aanvraag van een gemeente ter verkrijging van een bijdrage als bedoeld in artikel 2 van de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten 1989 op grond van een aanvraag als bedoeld in artikel 5 van die regeling, welke laatstbedoelde aanvraag is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, wordt beheerst door eerstgenoemde regeling zoals zij laatstelijk, met inachneming van het tweede lid van dit artikel, luidde voor dat tijdstip. 2. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die, waarop zij in de Staatscourant is geplaatst en werkt, wat betreft [artikel I, onderdeel L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005105&artikel=I&z=1991-06-08&g=1991-06-08), terug tot 22 februari 1991."},{"i":16106,"b":"Wijzigingsbesluit Beleidsregels grote rivieren Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=2) en [3 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=3) en [artikel 4.81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel I Wijzigt de Beleidsregels grote rivieren. Artikel II Met betrekking tot het nemen van besluiten op aanvragen om een vergunning als bedoeld in [artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=2) die zijn ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, blijven de [Beleidsregels grote rivieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020040) zoals deze luidden onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het besluit wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16108,"b":"Besluit van 22 september 2017 tot wijziging van het Besluit financiële markten BES in verband met de invoering van het depositogarantiestelsel Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 25 augustus 2017, 2017-0000159131, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 8:26, derde lid, van de Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=8:26); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord advies van 30 augustus 2017, No.W06.17.0253/III; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 21 september 2017, 2017-0000178220, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit financiële markten BES. Artikel II Onze minister evalueert uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit de doeltreffendheid van de financiering van het depositogarantiestelsel in de praktijk, alsmede de mogelijkheid over te gaan tot ex ante financiering van het depositogarantiestelsel. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16111,"b":"Besluit van 4 februari 2026 tot wijziging van het Besluit vrijwilligersmedaille openbare orde en veiligheid in verband met het voorkomen van dubbele decoratie na het van toepassing verklaren van het Besluit medaille trouwe en langdurige dienst Nederlandse politie op de vrijwillige ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Politiewet 2012, die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, onderscheidenlijk voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie in de hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering [KetenID WGK014739] Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 1 oktober 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6638884; Gelet op [artikel II van de Rijkswet van 21 oktober 2023 tot wijziging van de artikelen 14 en 38 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (beperken van de mogelijkheid een algemene maatregel van rijksbestuur uit te vaardigen zonder wettelijke grondslag daartoe)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048875&artikel=II) (Stb. 2023, 407); De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 5 november 2025, nr. W16.25.00306/II/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 30 januari 2026, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6907342; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vrijwilligersmedaille openbare orde en veiligheid. Artikel II Aan de ambtenaar op wie op de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit het [Besluit vrijwilligersmedaille openbare orde en veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009362) van toepassing was en die zonder wezenlijke onderbreking gedurende een langere periode dan 12½ jaren, doch minder dan 15 jaren werkzaam is binnen de Nederlandse politie, kent Onze Minister"},{"i":16112,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 2 oktober 2025, nr 54106451, houdende wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Brabants Historisch Informatie Centrum Gelet op [artikel 94 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de [Gemeenschappelijke regeling Brabants Historisch Informatie Centrum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042023). Artikel 2 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stemt in met het wijzigingsbesluit van de [Gemeenschappelijke regeling Brabants Historisch Informatie Centrum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042023) zoals voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal per 7 april 2025 (**Kamerstukken II**36 723 en **Kamerstukken I**36 723). Artikel 3 Het [besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 juni 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038404), nr. 960025 (Stcrt. 2017, 5407) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":16114,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 december 2025, kenmerk 57891224, houdende wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Noord-Hollands Archief Gelet op [artikel 94 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de [Gemeenschappelijke regeling Noord-Hollands Archief](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039546). Artikel 2 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stemt in met het wijzigingsbesluit van de Gemeenschappelijke regeling Noord-Hollands Archief zoals voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal per 10 november 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 723, nr. 4 en Kamerstukken I 2024/25, 36 723, nr. C). Artikel 3 Het [besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 2 oktober 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051901), nr. 54103077 (Stcrt. 2025, 37213) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":16115,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 december 2025, kenmerk 57891550, houdende wijziging van de Gemeenschappelijke regeling RHC Drents Archief Gelet op [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94) en [95 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=95) en [artikel 36 van de Gemeenschappelijke regeling Drents Archief](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042017&artikel=36); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de [Gemeenschappelijke regeling RHC Drents Archief](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042017). Artikel 2 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stemt in met de twee wijzigingsbesluiten van de [Gemeenschappelijke regeling RHC Drents Archief](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042017) zoals voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal per 10 november 2025 (**Kamerstukken II** 2024/25, 36 723, nr. 4 en **Kamerstukken I** 2024/25, 36 723, nr. C). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":16117,"b":"Wijzigingsbesluit Inkomstenbesluit militairen Gelet op: [artikel 26 van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=26) Besluit: artikel Enig 1. Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. 2. De militairen met de rangen van viceadmiraal/luitenant-generaal respectievelijk luitenant-admiraal/generaal ontvangen in november 2020 een eenmalige uitkering van € 225,– bij een volledige arbeidsduur van 38 uur per week. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16118,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 augustus 2013, nr. FEZ/530622, houdende wijziging van het Besluit instelling Audit Committee OCW 2010 in verband met de vaststelling van een vergoeding voor de niet-ambtelijke leden Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Gezien [artikel 5 van de Regeling Audit Committees 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031524&artikel=5); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit instelling Audit Committee OCW 2010. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013. Artikel III [Artikel 10 van het Besluit instelling Audit Committee OCW 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027186&artikel=10) zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit blijft tot 1 januari 2014 van toepassing op de niet-ambtelijke leden die op 1 januari 2013 reeds zitting in het Audit Committee hadden. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16119,"b":"Besluit van 27 februari 1998 tot wijziging van de instellingsbesluiten van de curatoria van de Koninklijke Militaire Academie en van het Koninklijk Instituut voor de Marine Op de voordracht van Onze Minister van Defensie, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving, van 23 februari 1998, nr. C96/317; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt het koninklijk besluit van 17 oktober 1961, nr. 1, houdende instelling van het Curatorium van de Koninklijke militaire academie. ARTIKEL II Wijzigt het koninklijk besluit van 19 maart 1976, nr. 20 (Stcrt. 81), tot instelling van het curatorium van het Koninklijk Instituut voor de Marine. ARTIKEL III 1. De hoogleraren die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit deel uitmaken van het curatorium van het Koninklijk Instituut voor de Marine of van het curatorium van de Koninklijke Militaire Academie en die niet bij koninklijk besluit zijn benoemd, worden aangemerkt als bij koninklijk besluit benoemde leden van het desbetreffende curatorium. 2. De benoemingsperiode van de hoogleraren die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit deel uitmaken van het curatorium van het Koninklijk Instituut voor de Marine dan wel van het curatorium van de Koninklijke Militaire Academie, wordt vastgesteld in een door elk curatorium vast te stellen rooster van aftreden, maar bedraagt ten hoogste vijf jaar, gerekend vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. ARTIKEL IV De tekst van: - a. het Instellingsbesluit curatorium KMA, en - b. het Instellingsbesluit curatorium KIM, wordt in het Staatsblad geplaatst. ARTIKEL V Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16120,"b":"Besluit van 11 september 2006 houdende de wijziging van het Kaderbesluit CCMS (Erkenning tot opleider en opleidingsinrichting) Het Centraal College Medische Specialismen, Gelet op [artikel 14, tweede lid, onder c van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14) en artikel 12, eerste lid, van de Regeling specialisten geneeskunst van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst; Gezien het advies van het Federatiebestuur van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, de Orde van Medisch Specialisten, de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband, de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, de Nederlandse Federatie van Universitair medische centra en de Medisch Specialisten Registratie Commissie; Besluit: Artikel I Wijzigt het Kaderbesluit CCMS. Artikel II. Overgangsbepaling 1. De eisen en verplichtingen voor opleiders en opleidingsinrichtingen voortvloeiende uit dit besluit zijn verbindend vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit. 2. In afwijking van het eerste lid worden ten aanzien van aanvragen voor erkenning ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit de bepalingen omtrent erkenning toegepast die golden ten tijde van de aanvraag. 3. Eisen en verplichtingen te stellen aan de opleider en de opleidingsinrichting aan wie een erkenning is verleend vóór de in het eerste lid genoemde datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn verbindend vanaf de eerstvolgende datum waarop de erkenning als opleider en opleidingsinrichting opnieuw wordt verleend. Tot die datum blijven de bepalingen omtrent erkenning van toepassing die golden op het moment dat de oorspronkelijke erkenning werd verleend. Artikel III. Publicatie 1. Dit besluit wordt gelijktijdig met het besluit van de Minister, inhoudende de goedkeuring van dit besluit, gepubliceerd in de Staatscourant. 2. In het officiële orgaan van de KNMG wordt mededeling gedaan"},{"i":16121,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 19 februari 2016, nr. Minbuza-2016.56641, tot wijziging van de landenlijst, behorend bij DGGF Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels verstrekken subsidie Dutch Good Growth Fund. Artikel II Vervallen Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Dit besluit zal met de bijlage en de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16122,"b":"Besluit van 9 oktober 2015, nr. BLKB2015/1277M, wijziging Leidraad Invordering 2008 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **De Leidraad Invordering 2008 wordt gewijzigd in verband met het afschaffen per 1 januari 2016 van de mogelijkheid voor inleners en aannemers om rechtstreeks vrijwarend te storten bij de Belastingdienst.** Artikel I Wijzigt de Leidraad Invordering 2008. Artikel II Op rechtstreekse stortingen die zijn verricht tot en met 31 december 2015 blijven de [artikelen 34.5](onbekend), [35.6](onbekend), [35.6.1](onbekend) en [35.6.2 van de Leidraad Invordering 2008](onbekend) zoals die luidden op 31 december 2015 van toepassing. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd."},{"i":16123,"b":"Besluit van 10 juni 2002, houdende de wijziging van de naam van het Regiment Stoottroepen in Regiment Stoottroepen Prins Bernhard Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 7 juni 2002, nr. C 2002/258 directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving; Overwegende dat er een bijzondere band bestaat tussen Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden en het Regiment Stoottroepen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Regiment Stoottroepen wordt met ingang van 29 juni 2002 voortgezet onder de naam: **REGIMENT STOOTTROEPEN PRINS BERNHARD** Artikel 2 Aan het vaandel van het Regiment Stoottroepen wordt een cravate gehecht waarop de naam: **REGIMENT STOOTTROEPEN PRINS BERNHARD** wordt vermeld. Artikel 3 In het Koninklijk Besluit van 12 maart 1977, nummer 101, houdende bepalingen inzake rangschikking, oprichtingsdata en genealogieën van de regimenten en korpsen der Koninklijke Landmacht, wordt «Regiment Stoottroepen» telkens vervangen door: Regiment Stoottroepen Prins Bernhard. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Adjudant-Generaal, tevens Chef van Ons militair Huis."},{"i":16125,"b":"Besluit van 6 augustus 1991, tot wijziging van het Reglement van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen a.i. van 26 juli 1991, nummer 91067060, directoraat-generaal voor het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek, Stafdirectie Juridische Zaken; Gezien de brief van het dagelijks bestuur (wijziging) van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen van 15 april 1991, kenmerk B 2016; Overwegende, dat het wenselijk is aan de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen een zelfstandige commissie te verbinden die, in verband met de nadere vormgeving van de tweede fase van het hoger onderwijs, belast is met de erkenning van onderzoekscholen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Het aantal verzoeken dat de universiteiten kunnen indienen ingevolge artikel 24**b,** eerste lid, is in ieder geval voor de jaren 1991, 1992 en 1993 beperkt tot in het protocol nader te bepalen aantallen en voorwaarden. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer."},{"i":16127,"b":"Besluit van 18 december 1997, tot wijziging van het Schepenbesluit 1965 en van het Vissersvaartuigenbesluit in verband met de rijkswet van 12 april 1995, houdende wijziging van de Schepenwet (Stb. 301) en met de invoering van een geharmoniseerd systeem van onderzoek en certificering Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 23 oktober 1997, nr. DGG/J-97008264, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=3), [3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=3a), 4, [4a, 6, 7 en 9 van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=4a); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 11 november 1997, nr. W09.97.0683/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 december 1997, nr. DGG/J97010651, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt het Schepenbesluit 1965. ARTIKEL II Wijzigt het Schepenbesluit 1965. ARTIKEL III Wijzigt het Schepenbesluit 1965. ARTIKEL IV Wijzigt het Schepenbesluit 1965. ARTIKEL V Wijzigt het Schepenbesluit 1965. ARTIKEL VI Wijzigt het Schepenbesluit 1965. ARTIKEL VII Wijzigt het Schepenbesluit 1965. ARTIKEL VIII Wijzigt het Schepenbesluit 1965. ARTIKEL IX Wijzigt het Schepenbesluit 1965. ARTIKEL X Wijzigt het Schepenbesluit 1965. ARTIKEL XI Wijzigt het Schepenbesluit 1965. ARTIKEL XII Wijzigt het Schepenbesluit 1965. ARTIKEL XIII Wijzigt het Vissersvaartuigenbesluit. ARTIKEL XIV Certificaten die zijn verleend krachtens het [Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501) zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit worden, zolang zij hun geldigheid niet hebben verloren, aangemerkt als geldige besluiten in de zin van het [Schepenbeslui"},{"i":16129,"b":"Besluit van 1 september 1995, houdende wijziging van het Vissersvaartuigenbesluit in verband met Richtlijn nr. 93/103/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (PbEG L 307) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 september 1994, nr. S/J-31.332/94, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en juridische zaken; Gelet op [Richtlijn nr. 93/103/EG](31993L0103) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (**PbEG** L 307), en op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=3), 5, 9, [66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=66) en [73 van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=73); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 12 december 1994, nr. W09.94.0560/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 augustus 1995, nr. J-14.032/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en juridische zaken; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II. Overgangsbepalingen 1. De artikelen 150, eerste lid, onderdeel 7, 175, eerste lid, onderdeel 7, 188, vijfde lid, 200, onderdeel 3, 276, vierde tot en met zesde lid, en 358 zijn met ingang van 23 november 1995 van toepassing op vissersvaartuigen gebouwd op of na 23 november 1995 en met ingang van 23 november 2002 van toepassing op vissersvaartuigen gebouwd voor 23 november 1995. 2. Artikel 193**a** is met ingang van 23 november 1995 van toepassing op vissersvaartuigen gebouwd op of na 23 november 1995. 3. Artikel 193**b** is met ing"},{"i":16130,"b":"Besluit van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 27 juli 2012, nr. WBV 2012/17, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 Gelet op de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), het [Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en het [Voorschrift Vreemdelingen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002); Besluit: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingencirculaire 2000 (B). Artikel II In aanvulling op het overgangsrecht, zoals bepaald in [artikel IV van het Besluit van 27 maart 2012 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000, het Besluit modern migratiebeleid en het Besluit inburgering (aanscherping eisen gezinsmigratie)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031443&artikel=IV) (Staatsblad 2012, 148), is het volgende van toepassing: - •. adviesverzoeken die zijn ontvangen vóór 1 oktober 2012 worden nog getoetst aan het recht dat gold ten tijde van het indienen van het adviesverzoek. - •. mvv-aanvragen die zijn ontvangen na 30 september 2012, maar ingediend naar aanleiding van een positief advies op een adviesverzoek dat is ontvangen vóór 1 oktober 2012, worden nog getoetst aan het recht dat gold ten tijde van het indienen van het adviesverzoek. - •. adviesverzoeken die zijn ontvangen na 30 september 2012, volgend op een eerder adviesverzoek waarin negatief is geadviseerd, worden getoetst aan het recht dat gold ten tijde van het indienen van het **laatste** adviesverzoek. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2012. Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16131,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 19 december 2008, nr. 2008/31, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 Gelet op de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), het [Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en het [Voorschrift Vreemdelingen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002); Besluit: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingencirculaire 2000 (B). Artikel II 1. [Paragraaf B14/5 Vreemdelingencirculaire 2000](onbekend), zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van kracht voor vreemdelingen: - a. ten aanzien van wie voor de inwerkingtreding van dit besluit een positieve beoordeling heeft plaatsgevonden omtrent de ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning op grond van [die paragraaf](onbekend), doch waarbij de daadwerkelijke verlening van de verblijfsvergunning niet vóór de inwerkingtreding van dit besluit heeft kunnen plaatsvinden; - b. ten aanzien van wie bij de IND voor de inwerkingtreding bekend is dat de burgemeester een verzoek om een burgemeestersverklaring als bedoeld in [paragraaf B14/5.2 Vreemdelingencirculaire 2000](onbekend) in behandeling heeft genomen; - c. die voor de inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van die paragraaf hebben ingediend; - d. die tijdig bezwaar hebben aangetekend tegen het besluit, dan wel de feitelijke handeling waarbij is geoordeeld dat er geen grond bestond een verblijfsvergunning op grond van de regeling te verlenen. 2. In de gevallen waarin de ambtshalve beoordeling niet heeft geleid tot een kennisgeving van de feitelijke handeling waarbij is geoordeeld dat er geen grond bestond een verblijfsvergunning op grond van de regeling te verlenen, is het eerste lid, onder d, slechts van toepassing, indien de vreemdeling binnen vier weken na de inwerkingtreding van dit besluit heeft verzocht om bekendmaking van die beoordeling. Artikel III Dit besluit treedt"},{"i":16132,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 8 december 2008, nr. WJZ/8171682, tot wijziging van de Afbakeningsregeling 1997 (Stcrt. 196, 248) Gelet op [artikel 1, vierde lid, onderdeel c, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk 1997. Artikel II Het ingevolge deze regeling gewijzigde [artikel 1 van de Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008459&artikel=1) vindt toepassing op aanvragen voor een S&O-verklaring die betrekking hebben op tijdvakken die na 31 december 2008 aanvangen. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16133,"b":"Wijzigingsregeling Beleidsregels grote rivieren Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=2) en [3 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=3) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel I Wijzigt de Beleidsregels grote rivieren. Artikel II Met betrekking tot het nemen van besluiten op aanvragen om een vergunning als bedoeld in [artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=2) die zijn ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, blijven de [Beleidsregels grote rivieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020040) zoals deze luidden vóór dat tijdstip van toepassing. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het besluit wordt geplaatst Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16134,"b":"Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen in verband met de Wet financiering sociale verzekeringen en de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 6.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.14) en [9.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=9.2), de [artikelen 27b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=27b), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28), [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28a), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32), [32a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32a), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=33), [35d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35d),[35e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35e), [35l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35l) en [35m van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35m) en [artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=19); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen. Artikel IV Wijzigt de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990. Artikel V Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel VI 1. Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2006. 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel V in werking op 1 november 2005 en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot het eerste tijdvak dat aanvangt na 31 december 2005. De"},{"i":16135,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken 2 december 2013, nr. WJZ/13161483, houdende wijziging van diverse regelingen in verband met de overname van taken van de bedrijfslichamen Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [verordening (EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (‘Integrale-GMO-verordening’) (PbEU 2007, L 299), [verordening (EG) nr. 412/2008](32008R0412) van de Commissie van 8 mei 2008 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van voor verwerking bestemd bevroren rundvlees (PbEU 2008, L 125), [verordening (EG) nr. 507/2008](32008R0507) van de Commissie van 6 juni 2008 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor [Verordening (EG) nr. 1673/2000](32000R1673) van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vezelvlas en -hennep (PbEU 2008, L 149), [richtlijn 90/427/EEG](31990L0427) van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen (PbEG 1990, L 224), [verordening (EG) nr. 504/2008](32008R0504) van de Commissie van 6 juni 2008 ter uitvoering van de [Richtlijnen 90/426/EEG](31990L0426) en [90/427/EEG](31990L0427) van de Raad wat betreft methoden voor de identificatie van paardachtigen (PbEU 2008, L 149), [richtlijn 2009/156/EG](32009L0156) van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (PbEU 2010, L 192), de [artikelen 94, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=94), en [96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=96), de [artikelen 13, eerste lid, onderdeel b](https://we"},{"i":16136,"b":"Wijzigingsregeling enige fiscale uitvoeringsregelingen 2007 Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Meldingsregeling milieu-investeringsaftrek 2001. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek Nederlandse Antillen en Aruba 2001. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Artikel V Wijzigt de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering. Artikel VI Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Artikel VII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Successiewet 1956. Artikel VIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Artikel X Wijzigt de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Artikel XI Wijzigt de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken. Artikel XII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XIII [Artikel 68, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012059&artikel=68), zoals dat luidde op 31 december 2006, blijft van toepassing op de gegevens met betrekking tot uitkeringen en verstrekkingen ter zake van kinderopvang als bedoeld in [artikel 16c, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=16c), zoals dat luidde op 31 december 2006. Artikel XIV 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. 2. In afwijking van het eerste lid werkt [artikel I, onderdeel D, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020840&artikel=I&z=2007-01-01&g=2007-01-01), terug tot en met 18 juli 2006 en werkt [artikel I, onderdeel D, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020840&artikel=I&z=2007-01-01&g=2007-01-01), terug tot en met 25 oktober 2006. 3. In afwijking van het eerste lid werkt [artikel IV, onderdeel Z](https://wetten.overhei"},{"i":16137,"b":"Wijzigingsregeling enige fiscale uitvoeringsregelingen Handelende wat [artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.13) betreft, in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat; Handelende wat [artikel 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.34) betreft, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken; Handelende wat de [artikelen 15c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=15c) en [17 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=17) betreft in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 2.14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14a), [3.13, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.13), [3.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.34), [3.38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.38), [3.55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.55), [3.56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.56), [3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.57), [3.87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.87), [4.17a, vijfde en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.17a), [4.17b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.17b), [4.17c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.17c), [4.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.41), [6.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.15), [6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.17), [6.33, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.33), en [9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":16138,"b":"Wijzigingsregeling enige fiscale uitvoeringsregelingen 2011 Handelende wat[3.13, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.13) betreft, na overleg met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Handelende wat [artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.13) betreft, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu; Handelende wat [artikel 3.22 van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.22); Handelende wat [artikel 3.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.31) betreft, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en na overleg met de Minister van Infrastructuur en Milieu; Gelet op de [artikelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.2), [2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.5), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.13), [3.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.22), [3.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.31), [3.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.34), [3.36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.36), [3.38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.38), [3.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42), [3.42a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42a), [3.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52), [3.104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.104), [4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.7), [6.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.15), [6.17](htt"},{"i":16139,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 december 2013, nr. DB 2013/599M tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen en van enige overige uitvoeringsregelingen alsmede van de Wet belastingen op milieugrondslag Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Meldingsregeling milieu-investeringsaftrek 2001. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Artikel V Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Artikel VI Wijzigt de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Artikel VII Wijzigt de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering. Artikel VIII Vervallen Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting. Artikel X Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel XI Wijzigt de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XII Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel XIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel XIV Wijzigt de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. Artikel XV Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XVI Wijzigt de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. Artikel XVII Wijzigt de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. Artikel XVIII In afwijking van [artikel 26, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=26) wordt met ingang van 1 april 2014 de periode van 1 april 2014 tot en met 30 september 2014 aangemerkt als het tijdvak waarover de in die periode verschuldigd geworden afvalstoffenbelasting moet worden betaald. Artikel XIX Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel XX Wijzigt de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Artikel XXI Wijzigt de Uitvoeringsregeling verplicht gebruik BSN. Artike"},{"i":16140,"b":"Regeling van de minister van Financiën tot wijziging van een aantal ministeriële regelingen op het terrein van de financiële markten (Wijzigingsregeling financiële markten 2010) Gelet op de [artikelen 1:105, tweede lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:105), [2:74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:74), [2:79, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:79), [3:7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:7), [4:3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:3), en [5:5 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:5), [artikel 11, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=11) en [artikel 8, eerste lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=8); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling Wft. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel III Wijzigt de Regeling vaststelling toetstermen examens financiële dienstverlening Wft. Artikel IV Wijzigt de Vrijstellingsregeling Wft. Artikel V Op het aanbieden van effecten aan het publiek en het toelaten van effecten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt blijft [artikel 53, tweede lid, van de Vrijstellingsregeling Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020536&artikel=53) van toepassing zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, voor zover het effecten betreft die deel uitmaken van een aanbieding die is aangevangen voor dat tijdstip. Artikel VI Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010, met uitzondering van [artikel IV, onderdeel F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002691"},{"i":16142,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 22 maart 2020, nr. IENW/BSK-2018/98566, tot wijziging van de Gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4 handelende in overeenstemming met de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Haarlemmermeer, Kaag en Braassem, Alphen aan den Rijn, Leiderdorp, Lansingerland, Zoeterwoude, Zoetermeer, Rotterdam, Zwijndrecht, Binnenmaas, Strijen, Dordrecht, Moerdijk en Breda; Gelet op [artikel 94, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4. Artikel II [Artikel 23, vierde tot en met zesde lid, van de Gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=23) zijn niet van toepassing op dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":16141,"b":"Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen en van enige overige uitvoeringsregelingen Handelende wat [artikel 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.34) betreft, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op de [artikelen 3.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.34), [8.14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.14a) en [10a.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10a.9), de [artikelen 11b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11b), [28, eerste lid, aanhef en onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28), [32, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32), en [32ba, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32ba), de [artikelen 68, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=68), en [69 van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=69), de [artikelen 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=15), [30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=30), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=31), [32, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=32), [33, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=33), [35, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=35), en [40 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=40), [artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15), de [artikelen 1:3, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel"},{"i":16143,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 17 augustus 2007, nr. WJZ 7099075, houdende wijziging van de Mijnbouwregeling in verband met terugdringing van administratieve lasten Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op de [artikelen 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=81) en [83 van het Mijnbouwbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=83); Besluit: Artikel I Wijzigt de Mijnbouwregeling. Artikel II 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Op ontheffingen en instemmingen die zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling blijven de [artikelen 9.2.2 tot en met 9.2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014468&artikel=9.2.2), zoals deze golden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing. 3. Op aanvragen om ontheffing en instemming die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling en waarop nog niet onherroepelijk is beslist, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16144,"b":"Wijzigingsregeling Nadere voorschriften op de praktijkopleidingen Gelet op [artikel 25 van de Verordening op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=25); Stelt de volgende nadere voorschriften vast: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel I Wijzigt de Nadere voorschriften op de praktijkopleidingen. Artikel II Op een trainee die voor 1 januari 2016 een opzet als bedoeld in [artikel 65, eerste lid van de Nadere voorschriften op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=65) heeft ingediend en voor 1 juli 2016 een verzoek als bedoeld in [artikel 70, eerste lid van de Nadere voorschriften op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=70) heeft gedaan, blijven de bepalingen van de [Nadere voorschriften op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049) van toepassing zoals deze luidden voor 1 januari 2016. Artikel III Deze nadere voorschriften treden in werking op 1 januari 2016."},{"i":16145,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 juni 2011, nr. CZW/WBI 2011-2000223569, houdende wijziging van de Paspoortuitvoeringsregeling Caribische landen in verband met in verband met het wijzigen van de bewaartermijn van vingerafdrukken in de reisdocumentenadministratie Gelet op de [artikelen 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=59) en [65, vierde lid, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=65); Besluit: Artikel I Wijzigt de Paspoortuitvoeringsregeling Caribische landen. Artikel II Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling eindigt de in [artikel 83, vierde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Caribische landen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012809&artikel=83) genoemde bewaartermijn van gegevens, voor zover het betreft de vingerafdrukken die in de reisdocumentenadministratie zijn opgenomen in verband met reisdocumenten die voor dat tijdstip zijn uitgereikt. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten worden geplaatst."},{"i":16146,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 juni 2011, nr. CZW/WBI 2011-2000223491, houdende wijziging van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 en de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 in verband met het wijzigen van de bewaartermijn van vingerafdrukken in de reisdocumentenadministratie Gelet op de [artikelen 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=59) en [65, vierde lid, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=65); Besluit: Artikel I Wijzigt de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001. Artikel II Wijzigt de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001. Artikel III Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling eindigt de in [artikel 72, vierde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012811&artikel=72) en in [artikel 82, vierde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012810&artikel=82) genoemde bewaartermijn van gegevens, voor zover het betreft de vingerafdrukken die in de reisdocumentenadministratie zijn opgenomen in verband met reisdocumenten die voor dat tijdstip zijn uitgereikt. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16147,"b":"Regeling van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, houdende wijziging van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001, de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 en de Paspoortuitvoeringsregeling Koninklijke Marechaussee 2001 Artikel I Wijzigt de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001. Artikel II Wijzigt de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001. Artikel III Wijzigt de Paspoortuitvoeringsregeling Koninklijke Marechaussee 2001. Artikel IV Wijzigt de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001, de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 en de Paspoortuitvoeringsregeling Koninklijke Marechaussee 2001. Artikel V [Artikel 32, vierde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012810&artikel=32) geldt uitsluitend ten aanzien van houders die na inwerkingtreding van deze regeling een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort hebben aangevraagd. Artikel VI Deze regeling treedt in werking met ingang 15 juni en werkt terug tot en met: - 1. 1 april 2004 voor zover het betreft [artikel I, onderdeel A, onder 2, onderdelen C en D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016771&artikel=I&z=2004-06-15&g=2004-06-15), [artikel II, onderdeel A, onder 2 en onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016771&artikel=II&z=2004-06-15&g=2004-06-15); - 2. 1 januari 2004 voor zover het betreft [artikel II, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016771&artikel=II&z=2004-06-15&g=2004-06-15); - 3. 1 juli 2002 voor zover het betreft [artikel IV, onderdeel E, eerste lid, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016771&artikel=IV&z=2004-06-15&g=2004-06-15); - 4. 1 maart 2003 voor zover het betreft [artikel IV, onderdeel E, eerste lid, onder 2 en 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016771&artikel=IV&z=2004-06-15&g=2004-06-15); - 5. 12 maart 2003 voor zover het betreft [artikel IV, onderdeel E, eerste lid, onder 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00167"},{"i":16148,"b":"Regeling van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, houdende wijziging van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederlandse Antillen en Aruba 2001 Artikel I Wijzigt de Paspoortuitvoeringsregeling Nederlandse Antillen en Aruba 2001. Artikel II Wijzigt de Paspoortuitvoeringsregeling Nederlandse Antillen en Aruba 2001. Artikel III [Artikel 30, vierde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederlandse Antillen en Aruba 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012809&artikel=30) geldt uitsluitend ten aanzien van houders die na inwerkingtreding van deze regeling een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort hebben aangevraagd. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 juni en werkt terug tot en met: - 1. 1 april 2004 voor zover het betreft [artikel I, onderdeel A, onder 2, en onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016761&artikel=I&z=2004-06-15&g=2004-06-15); - 2. 1 januari 2004 voor zover het betreft [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016761&artikel=I&z=2004-06-15&g=2004-06-15); - 3. 1 juli 2002 voor zover het betreft [artikel II, onderdeel E, eerste lid, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016761&artikel=II&z=2004-06-15&g=2004-06-15); - 4. 1 maart 2003 voor zover het betreft [artikel II, onderdeel E, eerste lid, onder 2 en 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016761&artikel=II&z=2004-06-15&g=2004-06-15); - 5. 12 maart 2003 voor zover het betreft [artikel II, onderdeel E, eerste lid, onder 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016761&artikel=II&z=2004-06-15&g=2004-06-15); - 6. 11 april 2003 voor zover het betreft [artikel II, onderdeel E, eerste lid, onder 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016761&artikel=II&z=2004-06-15&g=2004-06-15); - 7. 25 maart 2004 voor zover het betreft [artikel II, onderdeel E, tweede lid, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016761&artikel=II&z=2004-06-15&g=2004-06-15); - 8. 1 januari 2001 voor zover het b"},{"i":16152,"b":"Regeling van het bestuur van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, houdende wijzigingen van de Regeling Artistic & Design Research for Immersive Experiences 2025–2029 (eerste wijziging) gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling Artistic & Design Research for Immersive Experiences 2025–2029. Artikel II Op subsidies die voor 1 januari 2026 zijn aangevraagd blijft de [Regeling Artistic & Design Research for Immersive Experiences 2025–2029](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050932), zoals die luidde voor inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 26 maart 2026. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16154,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 april 2009, nr. DGR/LOK/2009021660, tot wijziging van de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006 Gelet op [artikel 28a van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=28a) en [artikel 2, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=2), juncto [artikel 1, onderdeel 24, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006. Artikel II Op een aanvraag van een verklaring die is ingediend bij de Minister voor het tijdstip waarop deze regeling in werking is getreden en waarop op dat tijdstip nog niet onherroepelijk is beslist, is de [Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020104) zoals deze gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16155,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 28 november 2016, nr. IENM/BSK-2016/258989, houdende wijziging van de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid in verband met de aanpassing van de omschrijvingen van een aantal coderingen Gelet op richtlijn (EU) 2015/653 van de Commissie van 24 april 2015 tot wijziging van [richtlijn 2006/126/EG](32006L0126) van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs (PbEU L 107) en de [artikelen 16 tot en met 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=16), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=19), [19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=19a), [19c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=19c), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=21), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=24), [103, vierde en tiende tot en met twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=103), [111 tot en met 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=111), [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=118), [118a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=118a), [145, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=145), en [193 van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=193); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid. Artikel II De [bijlage bij de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid](onbekend) zoals die gold tot 19 december 2016 blijft van toepassing op rijbewijzen die zijn afgegeven voor die datum, dan wel ten aanzien waarvan de beslissing tot afgifte is genomen voor die datum. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 19 december 2016. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16156,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 19 november 2014, nr. WJZ/14074918, houdende wijziging van de Regeling dierlijke producten in verband met de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen Gelet op [artikel 2.8a van het Besluit dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032335&artikel=2.8a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling dierlijke producten. Artikel II Archiefbescheiden van de bedrijfslichamen betreffende zaken die op basis van deze regeling worden behartigd door de Minister van Economische Zaken, worden overgedragen aan de Minister van Economische Zaken, voor zover zij niet overeenkomstig de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16158,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 11 augustus 2025, nr. IENW/BSK-2025/40904, tot wijziging van de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen en de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met het actualiseren daarvan [KetenID WGK 27522] Gelet op [artikel 10a, tweede lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=10a), [artikel 2, eerste lid, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2) en [artikel 6.51a, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.51a); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen Artikel II Wijzigt de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen. Artikel III Wijzigt de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen. Artikel IV De aaneengesloten periode van twaalf maanden in [artikel 16, derde lid, van de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026901&artikel=16), vangt aan op het tijdstip onmiddellijk volgend op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling. Artikel V Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16157,"b":"Regeling van het bestuur van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie van 21 januari 2026, houdende wijzigingen van de Regeling Digitale cultuur 2025–2028 (eerste wijziging) gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling Digitale cultuur 2025–2028. Artikel II Op subsidies die voor 1 februari 2026 zijn aangevraagd blijft de [Regeling Digitale cultuur 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050559), zoals die luidde voor inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2026. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16160,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 15 april 2015, nr. WJZ/16006190, houdende wijziging Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten, Regeling erkende keurders meetinstrumenten, Regeling metrologische merktekens en Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters Gelet op [artikel 11, eerste lid, van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=11); Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=11), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=14), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=21) en [22 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=22); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten. Artikel II Wijzigt de Regeling erkende keurders meetinstrumenten. Artikel III Wijzigt de Regeling metrologische merktekens. Artikel IV Wijzigt de Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters. Artikel V Gasmeters, volumeherleidingsinstrumenten, kilowattuurmeters, vloeistofmeetinstallaties, automatische weeginstrumenten, taxameters, multidimensionale meetinstrumenten en warmtemeters die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling rechtmatig worden gebruikt, worden geacht te voldoen aan de [Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020566). Artikel VI Deze regeling treedt in werking met ingang van 20 april 2016. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16161,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 10 oktober 2011, nr. WJZ/10187546, houdende wijziging van de Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten en het verbod tot het in de handel brengen van taxameters met een enkeltariefsysteem Gelet op [artikel 9 van het Meetinstrumentenbesluit I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019897&artikel=9) en [artikel 45, tweede lid, van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=45); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten. Artikel II [Artikel 45, eerste lid, van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=45) is ten aanzien van taxameters met een enkeltariefsysteem van toepassing tot 15 oktober 2011. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16162,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 7 september 2012 nr. IENM/BSK-2012/165475, tot wijziging van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart, in verband met een verduidelijking van gebruik van de parkeerkaart Gelet op [artikel 13, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=13), en [artikel 55, tweede lid van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=55); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling gehandicaptenparkeerkaart. Artikel II Gehandicaptenparkeerkaarten verleend met gebruik van het oude model dat is vastgesteld in de [bijlage van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart](onbekend) zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling blijven, na inwerkingtreding van deze regeling, geldig. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16164,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juli 2010, nr. BJZ2010019151, tot wijziging van de Regeling genetisch gemodificeerde organismen (herziening lijst van micro-organismen in bijlage 1 en actualisering indeling handelingen in procesinstallaties) Gelet op [artikel 9.2.2.1, derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), alsmede de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004703&artikel=2), en [6, eerste lid, van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004703&artikel=6); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling genetisch gemodificeerde organismen. Artikel II Voor zover bij de inwerkingtreding van deze regeling in een vergunning voor activiteiten als bedoeld in [artikel 7 van de Regeling genetisch gemodificeerde organismen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009653&artikel=7) reeds voorschriften zijn opgenomen als bedoeld in de artikelen 7, tweede lid, van die regeling, zoals dat artikellid bij de inwerkingtreding van deze regeling komt te luiden, worden deze voorschriften vanaf de inwerkingtreding van deze regeling aangemerkt als voorschriften die ingevolge voornoemde artikellid aan de vergunning zijn verbonden. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2010. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16166,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 januari 2015, nr. WJZ/15008282, houdende vaststelling van hoofdstuk 2 van de Regeling houders van dieren Gelet op [artikelen 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2), [7.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.3), [7.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.5) en [10.1, eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling houders van dieren. Artikel II De houders van dieren die behoren tot de soorten die in [bijlage 2, tabel 3, van de Regeling houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035248&bijlage=2) zijn opgenomen, zijn tot 1 april 2015 vrijgesteld van het verbod van [artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2015. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 februari 2015, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 februari 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16169,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 28 november 2016, nr. IENM/BSK-2016/268661, tot wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 in verband met het doorberekenen van kosten van onderzoeken Gelet op [artikel 130, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130), [131, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131), [132a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132a), en [133, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=133); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Artikel II Ten aanzien van zaken waarin vóór de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038789&artikel=I&z=2017-01-01&g=2017-01-01), van deze regeling door de politie een mededeling is verzonden aan het CBR, blijft [artikel 25 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030613&artikel=25) zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16172,"b":"Wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid in verband met de doorberekening van de kosten van onderzoeken naar de geschiktheid Gelet op de [artikelen 131, eerste en zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid. Artikel II Zaken waarin vóór de inwerkingtreding van deze regeling door het CBR een beslissing is genomen als bedoeld in [artikel 131, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131), worden afgehandeld overeenkomstig de bepalingen zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024815&artikel=I&z=2009-02-01&g=2009-02-01) treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen J en K, van de de wet van 24 oktober 2008 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 op een aantal punten van uiteenlopende aard alsmede wijziging van de Wet bereikbaarheid en mobiliteit, de Binnenschepenwet en de Wet wegvervoer goederen op enkele technische punten (Stb. 428) in werking treedt. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16178,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 17 december 2003, nr. ABG/GA/2003/88087 tot wijziging van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren in verband met de invoering van een model controle- en rapportageprotocol voor de jaren 2003 en 2004 alsmede andere actualiseringen Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling schoonmaakdiensten particulieren. Artikel II 1. Het controle- en rapportageprotocol, bedoeld in [artikel 7 van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009136&artikel=7), voor het jaar 2003 wordt vastgesteld overeenkomstig het bij deze regeling behorende model. 2. De modellen van de declaratie, de slotdeclaratie, de jaaropgave, de verklaring van de accountant en het controle- en rapportageprotocol, bedoeld in [artikel 7 van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009136&artikel=7), worden voor het jaar 2004 vervangen door de bij deze regeling behorende modellen. Artikel III Deze regeling treedt, met uitzondering van de [artikelen I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016179&artikel=I&z=2004-01-01&g=2004-01-01), en [II, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016179&artikel=II&z=2004-01-01&g=2004-01-01), in werking met ingang van 1 januari 2004. De [artikelen I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016179&artikel=I&z=2004-01-01&g=2004-01-01), en [II, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016179&artikel=II&z=2004-01-01&g=2004-01-01), treden in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 januari 2003. Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen, met uitzondering van het controle- en rapportageprotocol voor het jaar 2003 en het controle- en rapportageprotocol voor het 20"},{"i":16179,"b":"Regeling van de Minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 februari 2008, nr. UB/A/2008/3529, tot deregulering van de informatievoorziening in het kader van de planning en verslaglegging Gelet op de [artikelen 45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=45), [46, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=46), [49, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=49), en [77 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=77); Besluiten: Artikel I Wijzigt de Regeling SUWI. Artikel II 1. De [Regeling SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013280), zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling, is van toepassing op de verslagen betreffende het kalenderjaar 2007, met uitzondering van [artikel 5.10e van de Regeling SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013280&artikel=5.10e). 2. [Artikel 5.10e van de Regeling SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013280&artikel=5.10e), zoals dit artikel luidt na de inwerkingtreding van deze regeling, is van toepassing op de accountantscontrole bij de jaarrekening over het kalenderjaar 2007. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16175,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat houdende wijziging van de Regeling MLA’s Gelet op [artikel 1, vijfde lid, van het Besluit luchtwaardigheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012651&artikel=1) en [artikel 56 van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=56); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling MLA’s. Artikel II 1. De minister verstrekt op verzoek van de houder van een tijdelijk speciaal-BvL, dat is afgegeven op grond van [artikel 12, tweede lid van de Regeling MLA’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015237&artikel=12), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan inwerkingtreding van deze regeling, een speciaal-BvL af voor ten hoogste een jaar. 2. Indien bij afloop van de termijn van geldigheid van het in het eerste lid bedoelde speciaal-BvL niet is voldaan aan [artikel 12, tweede lid, van de Regeling MLA’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015237&artikel=12), kan een nieuw speciaal-BvL tot uiterlijk 3 april 2005 worden afgegeven. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel I, onderdeel D, werkt terug tot en met 3 januari 2004. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16180,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 juni 2012, nr. Z-3117671, houdende wijziging van de Regeling tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten en van de Regeling zorgverzekering in verband met diverse onderwerpen Gelet op de [artikelen 5, vierde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003&artikel=5) en [8, negende lid, onderdelen a en d van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003&artikel=8), [artikel 75, derde lid, onderdeel e, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=75), [artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, f en g, van het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025007&artikel=2) en [artikel 3a.1, eerste lid, onderdelen a en b, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3a.1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Artikel II Wijzigt de De Regeling zorgverzekering. Artikel III 1. Tabel 2 van [bijlage 2 van de Regeling tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025132&bijlage=2) zoals dat luidde op het aan de inwerkingtreding van deze regeling voorafgaand tijdstip, blijft van toepassing op de tegemoetkoming, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003&artikel=2) over het jaar 2010. 2. De [bijlagen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5) en [6 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6) zoals die luidden op het aan de inwerkingtreding van deze regel voorafgaand tijdstip, blijven van toepassing op de uitkering, bedoeld in [artikel 118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel="},{"i":16186,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 12 juni 2018, nr. IENW/BSK-2018/96488 tot wijziging van de Regeling vaststelling modellen rijbewijzen en daarmee verband houdende formulieren Gelet op de [artikelen 4b, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b), [107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=107), en [111a, zevende lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111a); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling vaststelling modellen rijbewijzen en daarmee verband houdende formulieren. Artikel II Begeleiderspassen afgegeven voor 15 april 2018 blijven geldig tot zich een van de omstandigheden, bedoeld in [artikel 111a, vierde of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111a) heeft voorgedaan. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 26 mei 2018. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 25 mei 2016, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 26 mei 2018. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16187,"b":"Wijzigingsregeling Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid Gelet op de [artikelen 60a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=60a) en [60c van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=60c); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid. Artikel II. Overgangsbepaling voor de koninklijke marechaussee In afwijking van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051558&artikel=I&z=2025-10-03&g=2025-10-03) wordt tot en met 31 december 2025 voor militairen die werkzaam en ingedeeld zijn bij de Koninklijke Marechaussee, met uitzondering van de militairen op wie de [Regeling vergoedingen militairen DSI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039792) van toepassing is, voor de berekening van de toelage voor onregelmatige dienst en de afbouwtoelage onregelmatige dienst uitgegaan van de berekeningssystematiek zoals die gold voor de inwerkingtreding van artikel I. Artikel III. Overgangsbepaling voor de dienst speciale interventies In afwijking van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051558&artikel=I&z=2025-10-03&g=2025-10-03) wordt met ingang van 1 augustus 2025 voor militairen op wie de [Regeling vergoedingen militairen DSI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039792) van toepassing is, als tijdelijke maatregel voor het vaststellen van de toelage voor onregelmatige dienst uitgegaan van een vast bedrag ter hoogte van € 616,84 per maand, totdat voor deze categorie militairen een structurele maatregel met betrekking tot de vergoeding voor onregelmatigheid van kracht is. Artikel IV. Overgangsbepaling voor de overgangsmaand 1. Voor de maand waarin de berekeningssystematiek van de toelage onregelmatige dienst wijzigt conform [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051558&artikel=I&z=2025-10-03&g=2025-10-03), ontvangt de militair zowel een voorschot"},{"i":16188,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 13 juni 2003, nr. WJZ/03/02524, houdende wijziging van de Regeling vergoedingen OPTA 2003 Gelet op de [artikelen 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=5) en [7 van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=7); Besluit: Artikel I Wijzigt de [Regeling vergoedingen OPTA 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014509). Artikel II 1. De certificatiedienstverlener die na inwerkingtreding van deze regeling geregistreerd wordt in de subcategorie 'certificatiedienstverlener die niet in het bezit is van een geldig bewijs van toetsing', wordt op diens aanvraag, indien een geldig bewijs van toetsing wordt overgelegd, geregistreerd in de subcategorie 'certificatiedienstverlener die in het bezit is van een geldig bewijs van toetsing'. 2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, worden niet opnieuw registratiekosten in rekening gebracht, wordt voor het jaar 2003 de vergoeding voor toezicht in rekening gebracht die hoort bij de subcategorie 'certificatiedienstverlener die in het bezit is van een geldig bewijs van toetsing', en wordt het teveel betaalde bedrag voor toezichtkosten gerestitueerd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 21 mei 2003. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16189,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 10 april 2008, nr. 5538388, tot wijziging van de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap van 13 maart 2003 Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap. Artikel II Het [eerste lid van artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5), zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van deze regeling is niet van toepassing op personen die in de Nederlandse Antillen of Aruba voor de inwerkingtreding van deze regeling in het desbetreffende Land Nederlander zijn geworden. Artikel III Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en het Afkondigingsblad van Aruba geplaatst. Deze regeling treedt in werking op 1 augustus 2008."},{"i":16190,"b":"Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 29 september 2005, nr. 5375831, tot wijziging van de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap van 13 maart 2003 Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap. Artikel II Het [eerste lid van artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=5), zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van deze regeling is niet van toepassing op personen die voor de inwerkingtreding van deze regeling Nederlander zijn geworden. Artikel III 1. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant gepubliceerd. 2. Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2006."},{"i":16191,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 februari 2011, nr. VGP/VC 3048441, houdende wijziging van de Regeling Verpakkingen- en gebruiksartikelen (Warenwet) Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op: [richtlijn nr. 2008/39/EG](32008L0039) van de Commissie van 6 maart 2008 (PbEU L 63) tot wijziging van [Richtlijn nr. 2002/72/EG](32002L0072) inzake materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen; [richtlijn nr. 2011/8](32011L0008)/EU van de Commissie van 28 januari 2011 (PbEU L 26) tot wijziging van [Richtlijn nr. 2002/72/EG](32002L0072) wat de beperking op het gebruik van bisfenol A in zuigflessen van kunststof voor zuigelingen betreft; en de [artikelen 3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=3), en [4, eerste lid, van het Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de [Regeling Verpakkingen- en gebruiksartikelen (Warenwet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003276). Artikel II Producten die voldoen aan hoofdstuk I van deel A, onderdeel 2.1, nummer 13480 van de [bijlage bij de Regeling Verpakkingen- en gebruiksartikelen (Warenwet)](onbekend) zoals die luidde onmiddellijk voor de inwerkingtreding van deze regeling, mogen met ingang van 1 maart 2011 niet meer worden vervaardigd en met ingang van 1 juni 2011 niet meer in de handel worden gebracht en worden ingevoerd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16192,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 september 2020, nummer 2995026, houdende wijziging van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 in verband met de versobering van de verstrekkingen aan bepaalde groepen asielzoekers Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. Artikel II Deze regeling is van toepassing op alle aanvragen die op of na de datum van inwerkingtreding overeenkomstig [artikel 3.108c, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.108c) zijn ingediend. Op aanvragen die voor de datum van inwerkingtreding overeenkomstig artikel 3.108c, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zijn ingediend is de regeling van toepassing zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16193,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 26 maart 2012, nr. IENM/BSK-2012/31297, tot wijziging van diverse regelingen met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen en tot intrekking van de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen Gelet op [artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen. Artikel II Wijzigt de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen. Artikel III Wijzigt de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen. Artikel IV 1. De [Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010216) wordt ingetrokken. 2. Een verleend vakbekwaamheidscertificaat als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, onder b, van de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010216&artikel=6) wordt geacht te zijn verleend op grond van de voorschriften onder randnummer 1.8.3 van de [bijlagen 1 behorend bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1), de [Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010053) of de [Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115). 3. Een verkregen bijscholingscertificaat als bedoeld in [artikel 10, tweede lid, van de Regeling veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010216&artikel=10), wordt gelijkgesteld met het slagen voor een examen als bedoeld in de randnummers 1.8.3.16.1 van de [bijlagen 1 behorend bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1), de [Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overhe"},{"i":16194,"b":"Regeling van het bestuur van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie van 21 januari 2026, houdende wijzigingen van de Regeling Vormgeving 2025–2028 (eerste wijziging) gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling Vormgeving 2025–2028. Artikel II Op subsidies die voor 1 februari 2026 zijn aangevraagd blijft de [Regeling Vormgeving 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050547), zoals die luidde voor inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2026. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16195,"b":"Wijzigingsregeling Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997 De Minister van Defensie, Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997. Artikel II Wapenvergunningen afgegeven op basis van [artikel 3, tweede lid, van de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008473&artikel=3), zoals deze bepaling luidde voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling, blijven voor de duur van hun geldigheid van kracht. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16196,"b":"Wijzigingsregeling Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997 Gelet op [artikel 3a, eerste lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=3a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997. Artikel II Wapenvergunningen afgegeven op basis van [artikel 3, derde lid, van de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008473&artikel=3), zoals deze bepaling luidde voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling, blijven voor de duur van hun geldigheid van kracht. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2014. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16197,"b":"Wijzigingsregeling Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997 (2018) Gelet op [artikel 3a, eerste lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=3a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997. Artikel II Wapenvergunningen afgegeven op basis van [artikel 3, tweede lid, van de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008473&artikel=3), zoals deze bepaling luidde voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling, blijven voor de duur van hun geldigheid van kracht. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16198,"b":"Wijzigingsregeling Regeling wapens en munitiekrijgsmachtpersoneel 1997 (2024) Gelet op [artikel 3a, eerste lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=3a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997. Artikel II Wapenvergunningen afgegeven op basis van [artikel 2, vijfde en zevende lid van de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008473&artikel=2), zoals genoemde bepalingen voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling luidden, blijven voor de duur van hun geldigheid van kracht. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16201,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 6 december 2023, nr. IENW/BSK-239694, tot wijziging van de bijlagen III en IV bij het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en de bijlagen IVe en IVf bij de Omgevingsregeling vanwege de aanpassing van rekenregels voor het afschermend effect langs wegen, de indeling van een nieuw type trein in een bestaande treincategorie, herstel van onjuistheden en overige technische wijzigingen Gelet op [artikel 110d, eerste lid, van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=110d) en [artikel 2.24, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24); BESLUIT: Artikel I. (Wijziging [Reken- en meetvoorschrift geluid 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031722)) Wijzigt het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Artikel II. (Wijziging [Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528)) Wijzigt de Omgevingsregeling. Artikel III. (Overgangsrecht) 1. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049110&artikel=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) is niet van toepassing op wegen en spoorwegen die zijn aangegeven op de geluidplafondkaart als bedoeld in [artikel 11.17 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.17). 2. Bij besluiten die ter inzage zijn gelegd in de periode tot 1 januari 2025, kan het bevoegd gezag er voor kiezen om de regels van het [Reken- en meetvoorschrift geluid 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031722), zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling toe te passen. Het bevoegd gezag dient daarbij wel te motiveren dat deze keuze in redelijkheid niet leidt tot nadelige gevolgen voor belanghebbenden. Artikel IV. (Inwerkingtreding) 1. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049110&artikel=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze regeling treedt in werking op de eerste dag na de datum"},{"i":16204,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 10 april 2026, nr. BZ2626902, tot wijziging van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in verband met subsidieverstrekking voor beleidsbeïnvloeding in Nederland Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010178&artikel=3) en [artikel 2 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006. Artikel II [Artikel 4.2, eerste lid, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.2), zoals dit luidde op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op subsidies die voor die datum zijn verstrekt en blijft van toepassing op voor inwerkingtreding van deze regeling bekendgemaakte beleidsregels en subsidieplafonds als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16207,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 6 december 2019, nr. WJZ/ 19238065, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB Gelet op de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=15), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=27) en [28 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=28); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. Artikel II De [Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035925) zoals deze luidde op 31 december 2019 blijft van toepassing op rechtstreekse betalingen aangevraagd voor de periode tot 1 januari 2020. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16209,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 7 augustus 2019, nr. WJZ/19145567, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling zeevisserij in verband met de invoering van verordening 2019/1022 (meerjarenplan westelijke Middellandse Zee), verordening 2019/1154 (mediterrane zwaardvis) en verordening 2019/1241 (technische maatregelen) Gelet op Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijk deel van de Middellandse Zee en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 508/2014 (PbEU 2019, L 172); op Verordening (EU) 2019/1154 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 voor een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis en tot wijziging van [Verordening (EG) nr. 1967/2006](32006R1967) van de Raad en Verordening (EU) 2017/2107 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L 188) en op Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 1967/2006](32006R1967) en [(EG) nr. 1224/2009](32009R1224) van de Raad en de Verordeningen (EU) [nr. 2013/1380](33280R2013), (EU) [nr. 2016/1139](33039R2016), (EU) [2018/973](32873R2018), (EU) [2019/472](32372R2019) en (EU) [2019/1022](32922R2019) van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen [(EG) nr. 894/97](31997R0894), [(EG) nr. 850/98](31998R0850), [(EG) nr. 2549/2000](32000R2549), [(EG) nr. 254/2002](32002R0254), [(EG) nr. 812/2004](32004R0812) en [(EG) nr. 2187/2005](32005R2187) van de Raad (PbEU 2019, L198); Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003144&artikel=3) en [4 van het Reglement zee- en kustvisserij 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003144&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzig"},{"i":16212,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 27 maart 2013, nummer 2013-0000175332, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdenzestiende wijziging) Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Gelet op de [artikelen 2b, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2b), [2c, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2c), [2d, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2d), [2e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2e), [2t, eerste lid, onder a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2t), [9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), [24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24), [24a, eerste lid, onder a en vierde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24a), [37, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=37), [107, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107) en [107a, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107a) en de [artikelen 1.16, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.16), [1.17 aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.17), [1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.22), [3.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), [3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6), [3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.21), [3.23, vierde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23), [3.24a, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a), [3.30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artik"},{"i":16213,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 december 2013, nummer 463556, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderddrieëntwintigste wijziging) Gelet op de [artikelen 6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6a), [24a, vierde lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24a), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=37), [59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59a) en [107, tweede lid, onder b en zevende lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), de [artikelen 1.16, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.16), [1.22, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.22), [3.6c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6c), [3.48, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48), [3.71a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71a), [3.99a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.99a), [3.102b, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.102b), [3.108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.108), [3.109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.109), [3.118b, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.118b), [4.53, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.53), [6.1c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.1c), [6.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.4) en [8.1, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.1) alsmede [artikel II, tweede lid, van het besluit van 17 december 2013 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (stroomlijning toelatingsprocedures)](https://wetten."},{"i":16215,"b":"Regeling van de Minister voor Immigratie en Asiel van 28 september 2011, nr. 5711322/11, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdenzesde wijziging) Gelet op [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) en [24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24) en [artikel 3.74, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74); Besluit: Artikel I Wijzigt het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Artikel II Ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlenen en verlengen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), voor een verblijfsdoel als bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, onder n en o, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), of van een aanvraag tot wijziging van de verblijfsvergunning in een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder n en o, van het Besluit, ingediend door tussenkomst van een onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 3.18a, is de vreemdeling tot 1 september 2011 het bedrag verschuldigd dat van toepassing was op 30 juni 2011. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2011, met dien verstande dat [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030485&artikel=II&z=2011-10-01&g=2011-10-01) terugwerkt tot en met 1 juli 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16216,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 maart 2014, nummer 497422, tot wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdzevenentwintigste wijziging) Gelet op de [artikelen 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=4), [9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) en [24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24) en de [artikelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.2), [3.99a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.99a), [3.102b, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.102b), [3.118b, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.118b), [4.53, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.53) en [6.1c, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.1c) alsmede [artikel II, tweede lid, van het besluit van 17 december 2013 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034536&artikel=II) (stroomlijning toelatingsprocedures) (Stb. 2013, 580); Besluit: Artikel I Wijzigt het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Artikel II Wijzigt de Wijzigingsregeling Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderddrieëntwintigste wijziging). Artikel III 1. [Artikel 3.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) is niet van toepassing op een aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), die is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling. 2. [Artikel 6.1d, eerste en tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.1d) is niet"},{"i":16217,"b":"Regeling van de Minister van Financiën tot wijziging van de Vrijstellingsregeling Wft Gelet op [artikel 5:81, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:81); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoeringswet richtlijn openbaar overnamebod in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Vrijstellingsregeling Wft. Artikel II Op een openbaar bod waarop [artikel 32 van het Besluit openbare biedingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022511&artikel=32) van toepassing is, blijft [artikel 4 van de Tijdelijke vrijstellingsregeling overnamebiedingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019870&artikel=4) van kracht tot en met het in het eerstgenoemde artikel bedoelde tijdstip. § 3. Slotbepalingen Artikel III Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet van 24 mei 2007 tot uitvoering van richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022074) (Stb. 202) in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16218,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport houdende wijziging van de Warenwetregeling Gebruik van additieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen in levensmiddelen, en van de Warenwetregeling Monsterneming Gelet op [richtlijn nr. 2003/114/EG](32003L0114) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 december 2003 (PbEU 2004, L 24) tot wijziging van [richtlijn 95/2/EG](31995L0002) betreffende levensmiddelenadditieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen, op [artikel 26, tweede lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=26), alsmede op [artikel 7, tweede lid, van het Warenwetbesluit Levensmiddelenadditieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005456&artikel=7); Besluit: Artikel I Wijzigt de Warenwetregeling Gebruik van additieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen in levensmiddelen. Artikel II Wijzigt de Warenwetregeling Monsterneming. Artikel III 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. In afwijking van het eerste lid: - a. treedt [artikel I, onder H, punt 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016843&artikel=I&z=2004-06-24&g=2004-06-24), in werking met ingang van het tijdstip waarop voorschriften voor de etikettering van eet- en drinkwaren die zijn behandeld met E 230, E 231, of E 232, zijn vastgesteld bij de [Regeling residuen van bestrijdingsmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003658); - b. mogen eet- en drinkwaren die: nog verhandeld worden zolang de voorraad strekt. - 1°. voldoen aan de [Warenwetregeling Gebruik van additieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008245) in levensmiddelen zoals die onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van deze regeling luidde; en - 2°. vóór 27 januari 2006 in de handel zijn gebracht of geëtiketteerd; Deze regeling zal met de toelichting in de Staa"},{"i":16219,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 december 2022, 3460737-1038951-VGP, houdende wijziging van de Warenwetregeling Kaaskorstbedekkingsmiddelen in verband met wijzigingen in toegestane kleurstoffen Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 12a, derde lid, Warenwetbesluit Zuivel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006982&artikel=12a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Warenwetregeling Kaaskorstbedekkingsmiddelen. Artikel II Schapenkaas, geitenkaas en kaas als bedoeld in [artikel 9 van het Warenwetbesluit Zuivel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006982&artikel=9), waarvan kan worden aangetoond dat zij voor de dag van inwerkingtreding van deze regeling zijn voorzien van een kaaskostbedekkingsmiddel met de kleurstof zonnegeel FCF (E 110), cochenillerood A (E 124) of titaandioxide (E 171), mogen nog verhandeld worden totdat de voorraden zijn uitverkocht. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2023. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16220,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2009, nr. VGP/VC 2976013, houdende wijziging van de Warenwetregeling tatoeëren en piercen in verband met de Dienstenwet Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken; Gelet op [artikel 4, vijfde lid, van het Warenwetbesluit tatoeëren en piercen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021605&artikel=4); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 60 van de Dienstenwet in werking treedt. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel I Wijzigt de Warenwetregeling tatoeëren en piercen. Artikel II Indien een aanvraag, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Warenwetregeling tatoeëren en piercen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021915&artikel=3), is gedaan voor de inwerkingtreding van deze regeling, blijft artikel 3, derde lid, van de Warenwetregeling tatoeëren en piercen van toepassing, zoals dat luidde direct voor de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel 60 van de Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=60) in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16223,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 april 2022, 3348384-1027396-VGP, houdende wijziging van de Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen in verband met het verwijderen en toevoegen van stoffen aan deel A van de bijlage en enkele technische wijzigingen Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=3), en [4, eerste lid, van het Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen. Artikel II 1. Verpakkingen en gebruiksartikelen die voldoen aan de [Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034991) zoals deze luidde op 30 juni 2022 en voor 1 januari 2023 in de handel zijn gebracht mogen verhandeld worden totdat de voorraden zijn uitgeput. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op verpakkingen en gebruiksartikelen van papier en karton en op deklagen, indien die de in [artikel I, onderdeel C, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046615&artikel=I&z=2022-07-01&g=2022-07-01), respectievelijk de in artikel I, onderdeel J, tweede lid, genoemde stoffen bevatten. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2022. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16224,"b":"Wijzigingsverordening Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995 Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=4), en [15 van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15) (Stb. 1988, 353); Besluit: Artikel I Wijzigt de Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995. Artikel II Het bestuur van de regionale loodsencorporatie Rotterdam-Rijnmond plaatst de tot die regionale loodsencorporatie behorende registerloodsen, met ingang van de datum waarop deze verordening van kracht is, in de [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=9) genoemde bevoegdheden, zodanig dat de krachtens [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=9) toegekende bevoegdheid zoveel mogelijk overeen komt met de bevoegdheid van de registerloods op de dag voorafgaande aan de inwerkingtredingsdatum van deze verordening. Artikel III Het bestuur van de regionale loodsencorporatie Amsterdam-IJmond plaatst de tot die regionale loodsencorporatie behorende registerloodsen, met ingang van de datum waarop deze verordening van kracht is, in de [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=7) genoemde bevoegdheden, zodanig dat de krachtens [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=7) toegekende bevoegdheid zoveel mogelijk overeenkomt met de bevoegdheid van de registerloods op de dag voorafgaande aan de inwerkingtredingsdatum van deze verordening. Artikel IV De verordening tot wijziging van de Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995 vastgesteld bij de ledenvergadering van de Nederlandse Loodsencorporatie op 11 december 2001 en goedgekeurd door de Minister van Verkeer en Waterstaat bij besluit van 29 januari 2002, kenmerk HDJZ/SCH/2002-16 wordt ingetrokken. Artikel V Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Aldus vastgesteld in de ledenvergadering v"},{"i":16229,"b":"Wijzigingsverordening ViO 2024 Gelet op [artikel 19, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Overwegende dat het noodzakelijk is om de [ViO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034652) te wijzigen ter nadere implementatie van de Revisions to the Definitions of Listed Entity and Public Interest Entity in the Code (Final pronouncement April 2022); Stelt de volgende verordening vast: Artikel I Wijzigt de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten Artikel II De definitie van ‘beursgenoteerde onderneming’ geldt niet voor een assurance-opdracht die betrekking heeft op een verantwoordingsperiode die aanvangt voor 15 december 2025. Artikel III Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025. In het geval de Staatscourant waarin deze verordening wordt gepubliceerd verschijnt na 31 december 2024, dan treedt de verordening in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot 1 januari 2025. Artikel IV Deze verordening wordt aangehaald als: Wijzigingsverordening ViO 2024."},{"i":16231,"b":"Wet van 25 mei 2009 tot wijziging van de Advocatenwet en de Wet op het notarisambt in verband met het verruimen van de mogelijkheden tot het spoedshalve tuchtrechtelijk optreden tegen advocaten en notarissen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093) en de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388) te wijzigen ten einde de mogelijkheden tot spoedshalve tuchtrechtelijk optreden tegen advocaten en notarissen te verruimen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Advocatenwet. Artikel II Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel III Vervallen Artikel IIIA 1. Indien een verzoek tot benoeming tot notaris als bedoeld in [artikel 8 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=8) wordt ingediend binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel AA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025874&artikel=II&z=2009-07-01&g=2009-07-01), van deze wet en indien de verzoeker ingevolge [artikel 14 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=14), zoals dat luidde voor deze inwerkingtreding, van rechtswege ontslagen is geweest uit het notarisambt, is [artikel 6, tweede lid, onderdelen a en b, onder 1° en 2°, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=6) voor de beslissing op dit verzoek niet van toepassing. 2. Wijzigt deze wet. Artikel IV 1. Met uitzondering van [artikel I, onderdelen A tot en met D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025874&artikel=I&z=2009-07-01&g=2009-07-01), en [artikel II, onderdelen AA en AB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025874&artikel=II&z=2009-07-01&g=2009-07-01"},{"i":16235,"b":"Wet van 27 september 2001 tot wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Fonds economische structuurversterking voor het jaar 2001 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de noodzaak is gebleken van een wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Rijk, vastgesteld bij de wet van 12 februari 2001, Stb. 138; Zo is het, dat Wij met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 juni 2001. Artikel 1 De begroting van de uitgaven van het Fonds economische structuurversterking voor het jaar 2001 wordt gewijzigd, zoals blijkt uit kolom 2 van de bij deze wet behorende begrotingsstaat, onderdeel uitgaven. Artikel 2 De begroting van de ontvangsten van het Fonds economische structuurversterking voor het jaar 2001 wordt gewijzigd, zoals blijkt uit kolom 2 van de bij deze wet behorende begrotingsstaat, onderdeel ontvangsten. Artikel 3 In afwijking van het bepaalde in [artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, juncto tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet Fonds economische structuurversterking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007788&artikel=2), laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 november 2000 (Stb. 2000, 552), worden de opbrengsten van de veiling van UMTS-frequenties in 2000 met ingang van 1 januari 2001 ten gunste van het Fes gebracht via een annuïteit met een looptijd van 15 jaar. Artikel 4 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juni van het onderhavige begrotingsjaar. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven op of na de datum van 1 juni, dan treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van dat Staatsblad en werkt zij terug tot en met 1 juni van het onderhavige begrotingsjaar. Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Fond"},{"i":16236,"b":"Wijzigingswet beperking toegang UBO-registers Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bescherming van het in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie opgenomen recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens noodzakelijk is de toegang te beperken tot de informatie over uiteindelijk belanghebbenden zoals opgenomen in het register met informatie over de uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten en in het register met informatie over de uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies, en dat daarvoor wijziging van de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777) en van de [Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156) nodig is; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel II Wijzigt de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel IIIa Onze Minister van Financiën zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wijzigingswet beperking toegang UBO-registers. Lasten"},{"i":16238,"b":"Wet van 13 juni 1996, houdende wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van enige andere wetten in verband met reorganisatie van de raden voor de kinderbescherming Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat in verband met de wenselijkheid de raden voor de kinderbescherming te reorganiseren [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656), alsmede andere wetten aanpassing behoeven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL II Wijzigt Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de jeugdhulpverlening. ARTIKEL IV Wijzigt de Pleegkinderenwet. ARTIKEL V Wijzigt de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen. ARTIKEL VI Wijzigt de Uitvoeringswet verdragen inzake internationale ontvoering van kinderen. ARTIKEL VII Wijzigt de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. ARTIKEL VIII Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Overgangs- en slotbepalingen ARTIKEL IX Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL X 1. In zaken, daaronder begrepen procedures, waarin tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een raad voor de kinderbescherming optreedt, treedt de landelijke raad voor de kinderbescherming in zijn plaats. 2. In zaken, daaronder begrepen procedures, waarin tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de raad voor de kinderbescherming te Amsterdam op grond van [artikel 239, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=239), zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, optreedt, treedt de landelijke raad voor de kinderbescherming in zijn plaats. ARTIKEL XI Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum va"},{"i":16241,"b":"Wet van 9 juli 2014 tot wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 onder andere in verband met het invoeren binnen de rijksdienst van verplichtingen-kasagentschappen en van een gezamenlijke accountantsdienst en in verband met het uitbreiden van de voorhangprocedure bij de Staten-Generaal ter zake van bepaalde privaatrechtelijke rechtshandelingen door het Rijk (Zesde wijziging van de Comptabiliteitswet 2001) Artikel I Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001. Artikel II Het [Besluit taak DAD](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007535) vervalt op het moment van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035493&artikel=I&z=2014-08-28&g=2014-08-28) van deze wet. Artikel III [Artikel I, Onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035493&artikel=I&z=2014-08-28&g=2014-08-28), is niet van toepassing op subsidieregelingen die vóór 1 oktober 2012 in werking zijn getreden en eindigen vóór 1 juli 2014. Artikel IV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. 2. De [onderdelen A en C van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035493&artikel=I&z=2014-08-28&g=2014-08-28) van deze wet werken terug tot en met 1 juli 2013. 3. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2013, dan treedt zij in werking met ingang van de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2014, met uitzondering van de [onderdelen A en C van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035493&artikel=I&z=2014-08-28&g=2014-08-28) die terugwerken tot en met 1 juli 2013. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen dat het wenselijk is de [Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891) te wijzigen onder andere in verband met het invoeren binnen de rijksdienst van verplichtingen-kasagentschappen en van een gezamenlijke accountantsdienst en in"},{"i":16242,"b":"Wet van 10 juli 1995, tot wijziging van de Comptabiliteitswet verband houdende met onder andere de introductie van agentschappen, de integratie van de begrotingsartikelen \"personeel\" en \"materieel\" en een nadere aanpassing van de financiële verantwoordingsprocedure (zesde wijziging van de Comptabiliteitswet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aantal artikelen van de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075) inzake de begrotingsartikelen personeel en materieel, de financiële verantwoording van het Rijk en de staatsbedrijven te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 2. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 3. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 4. Goedgekeurd wordt een toekomstige statutenwijziging van de Stichting International Reference Centre for Community Water Supply and Sanitation, voor zover het betreft wijziging van artikel 9 inhoudende het vervallen van de bepaling, dat een exemplaar van het accountantsrapport aan de Algemene Rekenkamer dient te worden gezonden. 5. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 6. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 7. Goedgekeurd wordt een toekomstige wijziging van de gemeenschappelijke regeling tot oprichting van het Havenschap Vlissingen, voor zover het betreft: - 1. wijziging van artikel 32, vijfde lid, inhoudende het vervallen van de bepaling dat afschrift van de rekening aan de Algemene Rekenkamer dient te worden gezonden; - 2. wijziging van artikel 34, inhoudende het vervallen van de Algemene Rekenkamer uit dat artikel. 8. Goedgekeurd wordt een toekomstige wijziging van de gemeenschappelijke regeling tot oprichting van het Havenschap Terneuzen, voor z"},{"i":16243,"b":"Wet van 12 april 2001, houdende wijziging van enkele artikelen van de Comptabiliteitswet onder andere in verband met de verdere invoering van het baten-lastenstelsel als begrotingsstelsel bij het Rijk en de invoering van een interne begrotingsreserve (Zevende wijziging van de Comptabiliteitswet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075) te wijzigen in verband met onder andere de verdere invoering van het baten-lastenstelsel en de introductie van een interne begrotingsreserve; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 juli 2000. Artikel I Wijzigt de Comptabiliteitswet. Artikel II 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 2000. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 juni 2000, dan treedt zij in werking met ingang van de dag na de uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 juli 2000. 2. Met betrekking tot de begrotingsjaren voorafgaande aan het begrotingsjaar 2000 blijven de artikelen van de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075), zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16245,"b":"Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een onafhankelijke positie van netbeheerders ten aanzien van productie-, handels- en leveringsbedrijven van elektriciteit en gas te bevorderen en ook overigens nadere eisen te stellen aan de taken van netbeheerders en aan de uitvoering daarvan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel II Wijzigt de Gaswet. Artikel III Wijzigt de Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht netbeheer. Artikel IV 1. De rechtspersoon die de vennootschap heeft aangewezen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de in [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020608&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voorgestelde wijziging van [artikel 10 van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=10) de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is, draagt ervoor zorg dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de hiervoor bedoelde wijziging de aanwijzing van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet mede betrekking heeft op de netten met een spanningsniveau van 110 kV en van 150 kV. 2. De in het eerste lid bedoelde wijziging van de aanwijzing als beheerder van het landelijk hoogspanningsnet behoeft de instemming van Onze Minister. [Artikel 12, eerste lid, eerste volzin, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=12) is van toepassing. 3. Onze Minister onthoudt zijn instemming of kan voorschriften verbinden aan de instemming, indien niet is voldaan aan [artikel 16 van de E"},{"i":16249,"b":"Wet van 13 december 2012 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten (Wijzigingswet financiële markten 2013) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Autoriteit Financiële Markten onder de werking van de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) te brengen, en dat het voorts wenselijk is de in de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) opgenomen biedingsregels en provisieregels te wijzigen, de bankierseed wettelijk te verankeren alsmede enige technische wijzigingen en verbeteringen in de wetgeving op het terrein van de financiële markten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel III Wijzigt de Wet financiële markten BES. Artikel IV VERVALLEN Artikel V Wijzigt de Bankwet 1998. Artikel Va Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving. Artikel VI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel VII Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsbeperking DNB en AFM en bonusverbod staatsgesteunde ondernemingen. Artikel VIIa Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel VIIb Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel VIIc Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel VIId Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel VIIe Wijzigt deze wet en de Wet op het financieel toezicht. Artikel VIII Wijzigt de Wijzigingswet financiële markten 2012. Artikel IX Wijzigt de Sanctiewet 1977. Artikel IXa Wijzigt de Faillissementswet. Artikel X 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder SEPA-verordening verstaan: verordening (EU) nr 260/2012 van"},{"i":16250,"b":"Wet van 25 november 2013 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten (Wijzigingswet financiële markten 2014) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te voorzien in toezicht op afwikkelondernemingen, regels te stellen met betrekking tot de stabiliteitstaken van de Nederlandsche Bank en de systeemrelevantiebuffer voor banken en beleggingsondernemingen, een algemene zorgplicht voor financiëledienstverleners in te voeren, de effectiviteit van het toezicht op de financiële verslaggeving en de informatievoorziening aan beleggers te verbeteren, de behandeling van bankspaardeposito’s eigen woning in het kader van het depositogarantiestelsel en het overdrachtsplan aan te passen, de regels voor vermogensscheiding van beleggingsinstellingen en icbe’s aan te passen alsmede enige andere wijzigingen en verbeteringen in de wetgeving op het terrein van de financiële markten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Bankwet 1998. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel IV Wijzigt de Faillissementswet. Artikel V Wijzigt de Muntwet 2002. Artikel VI 1. De [Postbankwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003842) wordt ingetrokken. 2. Het bepaalde ingevolge de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003842&artikel=2), [3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003842&artikel=3), en [20, tweede lid, van de Postbankwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003842&artikel=20), zoals die luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, blijft van toepassing op de in die artikelen bedoelde rechtsbetrekkingen. 3. [Artikel 10, tweede lid, van de Postban"},{"i":16315,"b":"Wet van 17 februari 2007, houdende wijziging van de Wet ammoniak en veehouderij Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wijzigingen aan te brengen in de regels gesteld met betrekking tot beslissingen inzake vergunningen krachtens de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), voorzover het betreft de ammoniakemissie uit dierenverblijven van veehouderijen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet ammoniak en veehouderij. Artikel II Totdat binnen een provincie het in [artikel 2, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013402&artikel=2) zoals [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013402&artikel=2) ingevolge [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021522&artikel=I&z=2007-05-01&g=2007-05-01) van deze wet is komen te luiden, bedoelde besluit is bekendgemaakt, worden in die provincie als zeer kwetsbaar gebied aangemerkt de gebieden die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet werden aangemerkt als kwetsbaar gebied als bedoeld in [artikel 2 van de Wet ammoniak en veehouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013402&artikel=2) zoals [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013402&artikel=2) tot vorenbedoeld tijdstip luidde. Artikel III Wijzigt de Interimwet stad-en-milieubenadering. Artikel IIIa Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16256,"b":"Wet van 11 mei 2022, houdende wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2022) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bepaalde financiële ondernemingen de mogelijkheid te bieden een rekening met gescheiden vermogen aan te houden, de stabiliteit van de heffingen van de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank aan onder toezicht staande personen te vergroten, alsmede enige andere wijzigingen en verbeteringen in de wetgeving op het terrein van de financiële markten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht 2019. Artikel III Wijzigt de Wet giraal effectenverkeer. Artikel IV Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES. Artikel V Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel VI Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel VII Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren 2018. Artikel VIII Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel IX Wijzigt de Pensioenwet. Artikel X Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel XI Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel W](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046712&artikel=I&z=2023-07-01&g=2023-07-01), reeds houder is van een verklaring van geen bezwaar in de zin van [artikel 3:95, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:95), wordt vermoed te voldoen aan de in [artikel 3:99a van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":16258,"b":"Wet van 17 februari 2016 tot wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet in verband met de evaluatie van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, alsmede de regeling van enkele andere onderwerpen in die wet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het naar aanleiding van de evaluatie van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders wenselijk is om de [Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197) te wijzigen en om enkele andere onderwerpen in verband met de Gerechtsdeurwaarderswet nader te regelen, alsmede de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388) te wijzigen in verband met de harmonisatie van de vervaltermijn bij de gereglementeerde juridische beroepen voor het instellen van een klacht bij de tuchtrechter; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet. Artikel Ia Wijzigt de Advocatenwet. Artikel II Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel III Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel IV 1. Degene die toegevoegd-kandidaat gerechtsdeurwaarder is op het moment van de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel T tot en met Z](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037705&artikel=I&z=2017-01-01&g=2017-01-01), wordt: - a. toegevoegd gerechtsdeurwaarder, indien hij op dat moment voldoet aan de voorwaarden voor toevoeging aan een gerechtsdeurwaarder op grond van [artikel 27 (nieuw) Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=27). De toestemming van Onze Minister die is verleend voor de toevoeging als kandidaat-gerechtsdeurwaarder op grond van de [Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197) zoals deze luidde op de"},{"i":16260,"b":"Wet van 13 december 2023 tot wijziging van de Huisvestingswet 2014 naar aanleiding van de evaluatie van de herziene Huisvestingswet 2014 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de [Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303) te wijzigen om de doelmatigheid en doeltreffendheid te vergroten en de reikwijdte van de wet aan te laten sluiten bij de maatschappelijke opgaven, zoals aanbevolen in de evaluatie van die wet; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Huisvestingswet 2014. Artikel II Wijzigt de Wet toeristische verhuur van woonruimte. Artikel III Wijzigt de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek. Artikel IIIa Wijzigt deze wet. Artikel IIIb Wijzigt de Huisvestingswet 2014. Artikel IV Onze Minister zendt binnen vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16261,"b":"Wet van 8 juli 1999 tot wijziging van de Interimwet ammoniak en veehouderij (verlenging; einde legalisering) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de werkingsduur van de Interimwet ammoniak en veehouderij te verlengen, met uitzondering van de mogelijkheid tot legalisering van de ammoniakdepositie veroorzaakt door veehouderijen zonder (toereikende) milieuvergunning; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Interimwet ammoniak en veehouderij. ARTIKEL II Indien voor 1 maart 1999 een aanvraag is ingediend om een vergunning als bedoeld in [artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.1) voor een veehouderij als bedoeld in artikel 6 van de Interimwet ammoniak en veehouderij, zoals dat artikel luidde voor 26 augustus 1999, blijft het voor 26 augustus 1999 geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. ARTIKEL III Deze wet treedt in werking met ingang van 26 augustus 1999, met uitzondering van [artikel I, onderdelen F en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010592&artikel=I&z=1999-08-26&g=1999-08-26), die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16268,"b":"Wet van 26 juni 2013 tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wijzigingswet kinderopvang 2013) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om wijzigingen in de [Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) aan te brengen ter verbetering van het waarborgen van de veiligheid van kinderen, vergroting van transparantie, verbetering van toezicht en kwaliteit van gastouderopvang en aanpassing van het register buitenlandse kinderopvang alsmede enkele andere wijzigingen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Artikel II Wijzigt de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel III Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel IV Wijzigt deze Wet. Artikel V 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen, onderdelen of subonderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. In afwijking van het eerste lid, treedt [artikel I, onderdelen Aa en AL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033595&artikel=I&z=2014-01-01&g=2014-01-01) voor wat betreft artikel 3.8h, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wijzigingswet kinderopvang 2013. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16269,"b":"Wet van 14 mei 1998 tot wijziging van de Machtigingswet Koninklijke PTT Nederland N.V. en enige andere wetten in verband met de juridische splitsing van Koninklijke PTT Nederland N.V Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met het besluit van de naamloze vennootschap Koninklijke PTT Nederland N.V., tot realisering van een juridische afsplitsing van haar dochtermaatschappij PTT Post BV, noodzakelijk is enige aanpassingen van wetgevingstechnische aard aan te brengen in een aantal wettelijke regelingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Machtigingswet Koninklijke PTT Nederland N.V. ARTIKEL II Wijzigt de Douanewet. ARTIKEL III Wijzigt deze wet. ARTIKEL IV Wijzigt de voorstel van wet, houdende regels inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet). ARTIKEL V De [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004423&artikel=6) en [25 van de Postwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004423&artikel=25) zijn niet van toepassing op een wijziging van de in [artikel 5 van de Postwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004423&artikel=5) bedoelde richtlijnen welke voortvloeit uit deze wet. ARTIKEL VI De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16276,"b":"Wet van 23 december 1994, houdende wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met het beperken van de duur waarvoor concessies voor omroepverenigingen, zendtijdtoewijzingen voor kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag en toestemmingen voor commerciele omroepinstellingen kunnen worden verleend, tot een periode van vijf jaren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de duur waarvoor concessies voor omroepverenigingen, zendtijdtoewijzingen voor kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag en toestemmingen voor commerciële omroepinstellingen kunnen worden verleend, tot een periode van vijf jaren te beperken en in verband daarmee enige wijzigingen in de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Ingeval Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet aan omroepverenigingen concessies voor landelijke omroep als bedoeld in [artikel 31, eerste lid, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=31) heeft verleend voor een periode van tien jaren, worden deze concessies met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet van rechtswege omgezet in concessies voor een periode van vijf jaren. Artikel III Ingeval het Commissariaat voor de Media vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet aan kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag zendtijd voor landelijke omroep als bedoeld in [artikel 39**f**, eerste lid, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=39f) heeft toegewezen voor een periode van tien jaren, wordt deze zendtijd met ingang van de datum van in"},{"i":16279,"b":"Wet van 22 december 1999 tot wijziging van de Mediawet in verband met nieuwe regels omtrent de financiering van de publieke omroep (afschaffing omroepbijdrage) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen omtrent de financiering van de publieke omroep en daartoe de Mediawet te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Mediawet. ARTIKEL II 1. Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn de personeelsleden van de Dienst omroepbijdragen, van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Financiën vastgestelde lijst, van rechtswege ontslagen en aangesteld als rijksambtenaar in dienst bij het Ministerie van Financiën, dan wel, indien de nieuwe functie behoort tot hoofdgroep V of VI van [bijlage B bij het Bezoldigings Besluit Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), in algemene rijksdienst, tewerkgesteld bij het Ministerie van Financiën. 2. De overgang van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden vindt plaats met een rechtspositie die als geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij de Dienst omroepbijdragen. ARTIKEL III 1. Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Financiën gezamenlijk bepalen welke vermogensbestanddelen van de Dienst omroepbijdragen met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel overgaan op de Staat. 2. Ingeval krachtens het eerste lid registergoederen overgaan, zal verandering in de tenaamstelling in de openbare registers, bedoeld in [afdeling 2 van titel 1 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&afdeling=2), plaatsvinden. De daartoe ben"},{"i":16283,"b":"Wet van 30 oktober 2003 tot wijziging van de Mediawet met het oog op noodzakelijke verbeteringen van de wet en de uitvoering daarvan Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) op een aantal onderdelen aan te passen met het oog op technische verbetering van de wet en de uitvoering daarvan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en in gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mediawet. Artikel II In afwijking van [artikel 15, vierde lid, tweede volzin, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=15), kunnen leden van het bestuur van de Nederlandse Programma Stichting, die voor de eerste keer zijn benoemd in de loop van de op 1 januari 2000 geëindigde vijfjarige termijn, bedoeld in [artikel 15, vierde lid, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=15), zoals dat artikellid luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015824&artikel=I&z=2003-12-31&g=2003-12-31), en die met ingang van 1 januari 2000 zijn herbenoemd, een tweede maal worden herbenoemd voor een termijn van vier jaar. Artikel III Na de inwerkingtreding van deze wet berust de [Regeling toezichtskosten commerciële omroep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012826) op [artikel 71u, tweede lid, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=71u). Artikel IV Ten aanzien van overtredingen van het bij of krachtens de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) bepaalde die begaan zijn voor het tijdstip van inwerkingtreding, alsmede ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangevangen bezwaar- en beroepsprocedures , blijft het recht zoals dat gold o"},{"i":16287,"b":"Wet van 21 december 2016 tot wijziging van de Mijnbouwwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met implementatie van richtlijn nr. 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178), en wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de omkering van de bewijslast bij fysieke schade als gevolg van bodembeweging door mijnbouwwerkzaamheden ten behoeve van gaswinning uit het Groningenveld Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor de implementatie van [richtlijn 2013/30](32013L0030)/EU noodzakelijk is de [Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168), de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) op enkele punten te wijzigen, alsmede dat het wenselijk is om [Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289) te wijzigen ten behoeve van een omkering van de bewijslast bij fysieke schade als gevolg van bodembeweging door mijnbouwwerkzaamheden ten behoeve van gaswinning uit het Groningenveld; Zo is het, dat Wij, de Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel Ia Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel II Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV 1. Voor productie-installaties en niet-productie-installaties die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds zijn geplaatst, wordt [§ 4.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&paragraaf=4.1a) toegepast vanaf het moment waarop ingevolge de op de dag voor de datum van i"},{"i":16289,"b":"Wet van 21 juni 2007 tot wijziging van de Ontgrondingenwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Ontgrondingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002505) te wijzigen in verband met de voorgenomen afbouw van de regierol van het Rijk met betrekking tot de voorziening in bouwgrondstoffen door middel van ontgrondingen, alsmede in verband met de ervaringen die zijn opgedaan met de toepassing van de wet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Ontgrondingenwet. Artikel II 1. Met betrekking tot het nemen van besluiten op aanvragen om een vergunning als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Ontgrondingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002505&artikel=8) en van andere daarmee verband houdende beschikkingen ten aanzien waarvan [paragraaf 14.1 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&paragraaf=14.1) is toegepast, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing. 2. Met betrekking tot het ambtshalve nemen van besluiten tot wijziging of intrekking van een vergunning als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Ontgrondingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002505&artikel=8), ten aanzien waarvan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet mededeling is gedaan van het ontwerp van het besluit, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing. 3. Met betrekking tot het beroep tegen een beschikking van het bestuur van een waterschap op grond van Hoofdstuk II bij gedeputeerde staten en tegen een beschikking van gedeputeerde staten op grond van [artikel 17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002505&artikel=17), zoals die luidden voor het tijdstip van"},{"i":16295,"b":"Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geldend voor Caribisch Nederland, met het oogmerk de rechten en verplichtingen van werkenden en ingezetenen in Caribisch Nederland te verduidelijken en te verbeteren (Wijzigingswet SZW-wetten BES 2024) Hoofdstuk I. Wijziging van wetten Artikel I. Burgerlijk Wetboek BES Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 7a. Artikel II. [Vakantiewet 1949 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028173) Wijzigt de Vakantiewet 1949 BES. Artikel III. [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) Wijzigt de Wet algemene ouderdomsverzekering BES. Artikel IV. [Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387) Wijzigt de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES. Artikel V. Aanpassing wetsbepalingen in verband met wijziging citeertitel [Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387) Wijzigt de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Wijzigt de Belastingwet BES. Wijzigt de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Wijzigt de Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES. Wijzigt de Wet inkomstenbelasting BES. Wijzigt de Wet ongevallenverzekering BES. Artikel VI. [Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347) Wijzigt de Wet kinderbijslagvoorziening BES. Artikel VII. [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497) Wijzigt de Wet ongevallenverzekering BES. Artikel VIII. [Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728) Wijzigt de Wet ziekteverzekering BES. Hoofdstuk II. Slotbepalingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enige wijzigingen aan te brengen in de wetgeving van het Ministerie van S"},{"i":16298,"b":"Wet van 10 februari 2017 tot wijziging van de Tracéwet, de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder in verband met de verruiming van de mogelijkheid om fouten in het geluidregister te herstellen en enkele technische verduidelijkingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de mogelijkheid te verruimen om fouten in het geluidregister te herstellen en dat enkele artikelen in de [Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147), de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) en de [Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227) verduidelijking behoeven; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Tracéwet. Artikel II Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel III Wijzigt de Wet geluidhinder. Artikel IV 1. [Artikel 11.36, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.36) zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van besluiten waarin geen gebied is aangegeven als bedoeld in artikel 11.36, derde lid, van de Wet milieubeheer en die zijn vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze wet. 2. In de in [artikel 11.36, derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.36) bedoelde mededeling geeft de beheerder aan op welke geluidproductieplafonds [artikel 11.20 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.20) niet van toepassing is. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16304,"b":"Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht ter uitvoering van de verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013, L 180) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is enkele wijzigingen aan te brengen in de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) ter uitvoering van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III 1. Vreemdelingen die onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet houder waren van een verblijfsrecht onder [artikel 8, onderdeel m van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geacht houder te zijn van een verblijfsrecht onder artikel 8, onderdeel f van de Vreemdelingenwet 2000. 2. Vreemdelingen die onder de reikwijdte van de Dublinverordening vallen en onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet in bewaring waren gesteld op grond van [artikel 59]"},{"i":16311,"b":"Wet van 26 oktober 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet (wettelijke vastlegging van de machtiging tot voorlopig verblijf) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de eis dat de vreemdeling die een verzoek om toelating indient, beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Vreemdelingenwet. ARTIKEL II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Vreemdelingen die een verzoek om toelating hebben ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt het vereiste van het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf niet tegengeworpen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16316,"b":"Wet van 1 maart 1995, tot wijziging van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling inzake de gevolmachtigde agent te moderniseren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. De ontheffingen van de verplichting tot inschrijving in het in artikel 20 bedoelde register, verleend op grond van de artikelen 2 of 4 van de Ontheffingsregeling Gevolmachtigde Agent (**Stcrt.** 1991, 61) worden op het moment van inwerkingtreding van deze wet van rechtswege omgezet in inschrijvingen in dat register. Daarbij blijft de verleende dispensatie van de vakbekwaamheidseisen vervat in die regeling in stand. 2. De inschrijvingen in het register op grond van een verleende ontheffing op grond van artikel 9 van de Ontheffingsregeling Gevolmachtigde Agent blijven na inwerkingtreding van deze wet gehandhaafd. Daarbij blijft de verleende dispensatie van de vakbekwaamheidseisen in stand. 3. Indien de gevolmachtigde agent niet een natuurlijk persoon is, geldt hetgeen in het eerste en tweede lid is bepaald met betrekking tot het instandblijven van de verleende dispensatie van de vakbekwaamheidseisen, slechts zolang degenen die voor 1 april 1991 belast waren met de feitelijke leiding van het verzekeringsbedrijf, op het kantoor of de kantoren van die agent als zodanig aldaar werkzaam zijn. 4. Volmachten die voor 1 januari 1989 zijn opgemaakt in overeenstemming met de destijds ter beurze gebruikelijke volmachten worden gelijk gesteld met volmachten, opgemaakt overeenkomstig het model, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel **a**. Artikel III Ondervolmachten die zijn afgegeven op grond van de beschikking van 13 juli 1964 (**Stb.** 152) of de regeling Model machtiging van 27 maart"},{"i":16318,"b":"Wet van 15 januari 1998 tot wijziging van de Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting (aanvullende bijdrage) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007419) de regeling van de aanvullende bijdrage te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel II werkt terug tot en met 13 juli 1995. ARTIKEL I Wijzigt de Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting. ARTIKEL II 1. In gevallen waarin voor een aanvullende bijdrage, als bedoeld in [artikel 7, derde lid, van de Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007419&artikel=7), zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van deze wet, van de woningen die voor risico en rekening van een ander dan de eigenaar werden beheerd, slechts de woningen in aanmerking worden genomen waarvan de eigendom niet is aanvaard in verband met verontreiniging van de bodem waarop die woningen zijn gebouwd, is in afwijking van artikel 7 van genoemde wet, zoals dat luidde, het tweede lid van toepassing. 2. Bij de vaststelling of nadere vaststelling van de in het eerste lid bedoelde bijdrage worden voor de bepaling van het percentage woningen, dat is tot stand gekomen met geldelijke steun, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, van genoemde wet, alle woningen in aanmerking genomen waarvoor is voldaan aan de in artikel 7, derde lid, zoals dat luidde, genoemde eisen ten aanzien van beheer en bodemverontreiniging. ARTIKEL III 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009332&artikel=II&z=1998-02-04&g=1998-02-04)"},{"i":16322,"b":"Wet van 17 november 2005 tot wijziging van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en enige andere wetten in verband met de aanpassing van de in deze wet opgenomen klachtregeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de klachtregeling in de [Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700) op een aantal punten te verduidelijken en aan te vullen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Wijzigt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Artikel IV Wijzigt de wet van 22 juni 2000 houdende een aantal wijzigingen van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen op technische punten onder meer naar aanleiding van de evaluatie (Stb. 2000/292). Artikel V Wijzigt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Artikel VI Wijzigt de Wet klachtrecht cliënten zorgsector. Artikel VII Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel VIII 1. [Artikel 41 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=41), zoals dit luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op: - a. beslissingen van de commissie of de rechter die krachtens dit artikel zijn genomen vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet; - b. klachten of verzoekschriften die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet krachtens dit artikel zijn ingediend bij de commissie onderscheidenlijk de rechter, maar waarop de commissie onderscheidenlijk de rechter op dit tijdstip nog niet heeft beslist. 2. [Artikel 42 van de Wet bijzondere o"},{"i":16324,"b":"Wet van 2 november 1994, tot wijziging van de Wet economische mededinging (vergroting van de effectiviteit) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de intensivering van het mededingingsbeleid wenselijk is enkele wijzigingen aan te brengen in de Wet economische mededinging ter vergroting van de effectiviteit van die wet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Artikel 8, derde lid, tweede volzin (oud), artikel 9**g**, derde lid, derde volzin, vijfde lid, tweede volzin, en zesde lid (oud), en artikel 12, tweede lid, vierde volzin, vierde lid, tweede volzin, en vijfde lid (oud), van de Wet economische mededinging, zoals die bepalingen luidden onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven, in gevallen waarin tegen de desbetreffende beschikking beroep is ingesteld voor dat tijdstip, gelden totdat twee maanden zijn verlopen na de dagtekening van de **Staatscourant**, waarin hetzij mededeling is gedaan, dat geen beslissing in beroep zal volgen, hetzij de beslissing in beroep is bekend gemaakt. Artikel IV 1. Voor bij het in werking treden van deze wet bestaande mededingingsregelingen die ingevolge de in deze wet neergelegde wijziging van artikel 1 van de Wet economische mededinging onder de werking van laatstgenoemde wet komen te vallen, treedt voor de in artikel 2, tweede lid, van de Wet economische mededinging genoemde termijn in de plaats de termijn van één maand na dat in werking treden. 2. Ten aanzien van mededingingsregelingen als in het eerste lid bedoeld gelden de artikelen 9**b** en 9**e**, eerste lid, van de Wet economische mededinging niet gedurende twee maanden na het in werking treden van deze wijzigingswet."},{"i":16325,"b":"Wet van 30 oktober 2008 tot wijziging van de Wet financiering decentrale overheden en enkele andere wetten ten behoeve van een verbeterde werking van de financieringsfunctie van decentrale overheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een aantal onderdelen van de [Wet financiering decentrale overheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987) en enkele andere wetten te wijzigen ten behoeve van een betere werking van de financieringsfunctie van decentrale overheden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet financiering decentrale overheden. Artikel II Wijzigt de Provinciewet. Artikel III Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IV Wijzigt de Waterschapswet. Artikel V [Artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024874&artikel=I&z=2009-01-01&g=2009-01-01), is niet van toepassing op de contracten met betrekking tot hypothecaire leningen of garanties op de verstrekking van hypothecaire leningen door andere financiële instellingen, zoals die op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet ten aanzien van het personeel en politieke ambtsdragers van openbare lichamen zijn afgesloten. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16341,"b":"Wet van 20 november 2024 tot wijziging van de Wet kinderopvang om aanspraak op kinderopvangtoeslag mogelijk te maken voor Oekraïense ontheemden gelet op het Uitvoeringsbesluit van de Raad tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan en daarnaast ouders met een partner buiten de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland ook aanspraak op kinderopvangtoeslag te geven Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om Oekraïense ontheemden aanspraak te laten maken op kinderopvangtoeslag gelet op het recht op toegang tot de arbeidsmarkt en tevens de aanspraak op kinderopvangtoeslag voor eenieder met een partner buiten de Europese Unie mogelijk te maken; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel Ia Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen achttien maanden na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 4 maart 2022, met uitzondering van [artikel I, onderdelen B, D en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050542&artikel=I&z=2024-12-11&g=2024-12-11), dat in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16342,"b":"Wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de gastouderopvang op te splitsen in twee nieuwe vormen van kleinschalige opvang, het toezicht op de kinderopvang te verbeteren, misbruik en oneigenlijk gebruik terug te dringen en het stelsel van de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) toegankelijk en beheersbaar te houden en dat daartoe de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) wordt gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel Ia A. Indien [artikel I, onderdeel H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I&z=2010-08-01&g=2010-08-01), op een later tijdstip in werking treedt dan [artikel I, onderdelen B en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I&z=2010-08-01&g=2010-08-01), gelden tot dat latere tijdstip met ingang van het tijdstip waarop [artikel I, onderdelen B en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026299&artikel=I&z=2010-08-01&g=2010-08-01), in werking treden, de volgende voorschriften: - 1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging houdt een register bij van op grond van [artikel 1.45, eerste en tweede lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.45) gemelde kindercentra, gastouderbureaus en voorzieningen voor gastouderopvang. In het register worden na de melding onverwijld opgenomen: - a. de gegevens, bedoeld in [paragraaf 3, van de Regeling Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&paragraaf=3), zoals [die paragraaf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&paragraaf=3) luidde"},{"i":16343,"b":"Wet van 2 december 2020 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met enkele wijzigingen met betrekking tot het recht op kinderopvangtoeslag Artikel I Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel Ia Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen twee jaar nadat alle onderdelen van deze wet die [artikel 1.6, achtste en negende lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.6) vaststellen of wijzigen in werking zijn getreden, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikel 1.6, achtste en negende lid, van de Wet Kinderopvang in de praktijk. Artikel II 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, waarbij [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044572&artikel=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01), terugwerkt tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip. 2. In afwijking van het eerste lid treden de [onderdelen Ha en Hb van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044572&artikel=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01) in werking met ingang van 1 januari 2023. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enige wijzigingen aan te brengen in de Wet kinderopvang; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16346,"b":"Wet van 12 juni 2008 tot wijziging van de Wet op de architectentitel (uitvoering van de richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255) voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten alsmede enige andere wijzigingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om door middel van een wijziging van de [Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189) regels te stellen ter uitvoering van de [richtlijn nr. 2005/36/EG](32005L0036) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255) voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de architectentitel. Artikel II Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen E en G tot en met J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024043&artikel=I&z=2008-07-15&g=2008-07-15), van deze wet bij het bureau een verzoek in behandeling is als bedoeld in [artikel 13 van de Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=13) beslist het bureau op dat verzoek krachtens [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189), zoals [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189) onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip luidde. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst e"},{"i":16347,"b":"Wet van 24 juni 1992, houdende wijziging van de Wet op de Bedrijfsorganisatie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de positie van de publiekrechtelijke bedrijfslichamen ten opzichte van de overheid te verzelfstandigen, alsmede in de [Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058) enkele andere wijzigingen aan te brengen waaraan behoefte gebleken is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XV 1. Alle ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet bestaande wetten en algemene maatregelen van bestuur, waarbij een hoofdproduktschap, een produktschap, een hoofdbedrijfschap of een bedrijfschap is ingesteld, alsmede alle koninklijke besluiten, houdende een voorziening met betrekking tot de bestuurssamenstelling van deze lichamen, blijven van kracht tot het tijdstip waarop in hetgeen waarin zij voorzien, wordt voorzien door een verordening als bedoeld in artikel 67, eerste lid, respectievelijk een besluit als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Sociaal-Economische Raad. 2. Zij worden geacht te zi"},{"i":16348,"b":"Wet van 12 september 1996 tot wijziging van de Wet op de dierproeven Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (86/609/EEG, **PbEG** 358) noopt tot een wijziging van de [Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081), terwijl ook andere ontwikkelingen zodanige wijziging wenselijk maken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de dierproeven. ARTIKEL II Voor degene voor wie op het tijdstip waarop het bij deze wet in de [Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081) ingevoegde artikel 11**a**, eerste lid, in werking treedt, het fokken of afleveren van dieren met het oog op dierproeven tot het terrein van zijn werkzaamheden behoort, geldt het in dat lid gestelde verbod niet gedurende drie maanden na bedoeld tijdstip, en, indien binnen die termijn een aanvraag om een vergunning als in dat lid bedoeld is ingediend, voorts niet totdat de beschikking waarbij op de aanvraag wordt beslist, onherroepelijk is geworden. [Artikel 4, eerste lid, van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=4) blijft met betrekking tot zodanige aanvraag buiten toepassing. ARTIKEL III De tekst van de [Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081) wordt door de zorg van Onze Minister van Justitie in het **Staatsblad** geplaatst. ARTIKEL IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle"},{"i":16357,"b":"Wet van 24 december 1998 tot wijziging van de Wet op de kansspelen (speelautomaten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) te wijzigen gezien de ontwikkelingen op het terrein van de speelautomaten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de kansspelen. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Artikel V van de wet van 13 november 1985, houdende herziening van de Wet op de kansspelen (speelautomaten) (Stb. 600) vervalt. Artikel IV 1. Een vergunning tot het aanwezig hebben van speelautomaten, verleend voor de inwerkingtreding van deze wet op grond van [artikel 30c van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30c) en van kracht op de dag onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop deze wet in werking treedt, blijft geldig tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, behoudens eerder verstrijken van de geldigheidsduur of eerdere intrekking van de vergunning. 2. Een vergunning tot het exploiteren van speelautomaten, verleend voor de inwerkingtreding van deze wet op grond van [artikel 30h van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30h), blijft geldig tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, behoudens eerder verstrijken van de geldigheidsduur of eerdere intrekking van de vergunning. Artikel V De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige u"},{"i":16363,"b":"Wet van 14 februari 1994, houdende wijziging van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de verdeling van de middelen die beschikbaar zijn voor de uitvoering van het beleid inzake de stadsvernieuwing aansluit op de behoefte, dat de beheerders van de stadsvernieuwingsfondsen aan het Rijk verantwoording afleggen over de besteding van die middelen, dat de voor de stadsvernieuwing bestemde gelden kunnen worden gebruikt voor de aflossing van leningen ter zake van stadsvernieuwing, en dat enkele andere bepalingen uit de [Wet op de stads- en dorpsvernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003709) vervallen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III De [artikelen 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003709&artikel=39) tot en met [42 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003709&artikel=42), zoals deze laatstelijk luidden vóór de inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006466&artikel=I&z=1995-01-01&g=1995-01-01) van deze wet, blijven van toepassing op de verlening van geldelijke steun als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van eerstgenoemde wet voor kalenderjaren die vóór de datum, bedoeld in [artikel V, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006466&artikel=V&z=1995-01-01&g=1995-01-01), zijn verstreken, en op de besteding van en de verslaglegging over die geldelijke steun. Artikel IV Tot het tijdstip waarop een wijziging van de [Wet op de stads- en dorpsvernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003709) in werking treedt waarbij gevolgen worden verbonden aan het niet binnen de in artikel"},{"i":16367,"b":"Wet van 29 mei 1991, houdende wijziging van de Wet op de studiefinanciering onder meer in verband met verlaging van het maximum van de rentedragende lening in het eerste jaar van studie in het HO, het direct berekenen van marktconforme rente bij opname van studieleningen en wijziging van de bijverdienregeling (heroriëntering studiefinanciering III) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in het kader van de heroriëntering op de studiefinanciering onder meer met betrekking tot de maximering van de rentedragende lening in het eerste studiejaar in het hoger onderwijs, de hoogte van het rentepercentage over de rentedragende lening en de ingangsdatum van de renteberekening over die lening en de bijverdienregeling, wijzigingen aan te brengen in de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Vervallen Artikel III De berekeningen die voortvloeien uit [artikel 36, eerste en tweede lid van de Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955&artikel=36) worden, voor zover het betreft de rentedragendheid van de rentedragende leningen voordat de terugbetalingsperiode, bedoeld in artikel 37 van die wet, is aangevangen, gemaakt vanaf 1 januari 1993 en werken terug tot en met 1 januari 1992. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1992, met uitzondering van onderdeel F dat in werking treedt met ingang van 1 augustus 1991 met dien verstande dat de bedragen, genoemd in onderdeel A, onderdeel 3, van 1 januari 1992 tot 1 augustus 1992 luiden: f 229,17 onderscheidenlijk f 136,91. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,"},{"i":16372,"b":"Wet van 10 juli 2019 tot wijziging van de Wet op het kindgebonden budget in verband met het verhogen van de inkomensgrens van het kindgebonden budget voor paren Artikel I Wijzigt de Wet op het kindgebonden budget. Artikel Ia Van de erfbelasting, bedoeld in de [Successiewet 1956](onbekend), is vrijgesteld hetgeen wordt verkregen aan aanspraken op een kindgebonden budget als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=1) over de berekeningsjaren 2013 tot en met 2017. Artikel II 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. [Artikel IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042770&artikel=Ia&z=2020-01-01&g=2020-01-01) werkt terug tot en met 1 januari 2013 en geldt uitsluitend voor erfgenamen die vóór 1 september 2019 op grond van de [Successiewet 1956](onbekend) aangifte hebben gedaan. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om gezinnen met kinderen extra te ondersteunen en daartoe het kindgebonden budget voor paren vanaf een hogere inkomensgrens af te bouwen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16373,"b":"Wet van 29 september 2011 tot wijziging van de Wet op het notarisambt naar aanleiding van de evaluatie van die wet, alsmede regeling van enkele andere onderwerpen in die wet en wijziging van de Wet op het centraal testamentenregister en van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388) te wijzigen naar aanleiding van de evaluatie van die wet, waaronder de invoering van een nieuwe vorm van algemeen toezicht en andere maatregelen ter bevordering van de integriteit en kwaliteit van het notariaat, en in verband met het van toepassing verklaren van de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) op het Bureau Financieel Toezicht, om de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) te wijzigen in verband met de introductie van een wettelijke uitzondering op het notarieel ambtsgeheim ten behoeve van het toezicht op de naleving van die wet, alsmede om de [Wet op het centraal testamentenregister](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003080) te wijzigen in verband met de overdracht van het testamentenregister en om enkele andere onderwerpen in verband met de Wet op het notarisambt te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel II Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet. Artikel III Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel V Wijzigt de Wet op het centraal testamentenregister. Artikel VI Bij regeling van Onze Minister van Justitie kunnen nadere regels worden gesteld over de"},{"i":16377,"b":"Wet van 6 juli 2011 tot wijziging van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie in verband met het invoeren van een regeling op grond waarvan adoptiefouders een tegemoetkoming kan worden verleend in de gemaakte kosten met betrekking tot interlandelijke adoptie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de wet een regeling op te nemen op grond waarvan adoptiefouders een tegemoetkoming in de kosten van interlandelijke adoptie kan worden verleend; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. Artikel II Voor adoptiefouders die op of na 1 januari 2009 doch voor inwerkingtreding van deze wet via interlandelijke adoptie een kind hebben geadopteerd, vangt in afwijking van [artikel 9a, eerste lid onder a, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=9a), de in dat artikel genoemde de termijn van drie jaar aan op het moment van inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16381,"b":"Wet van 19 februari 2005, houdende wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met invoering prestatiebeurs in een deel van de beroepsopleidende leerweg en meeneembaarheid studiefinanciering voor deze leerweg in het buitenland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het beroepsonderwijs voorzover het betreft een vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, een prestatiebeurs in te voeren, alsmede studiefinanciering toe te kennen voor een opleiding in de beroepsopleidende leerweg in het buitenland; dat daarvoor onder meer de [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) moet worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel II. Wijziging van de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel III. Wijziging van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV. Wijziging van de [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438) Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel V. Evaluatie Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt over de eerste twee jaren na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens over de eerste vier jaren na de inwerkingtreding van deze wet, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet voor wat betreft [afdeling 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&afdeling=4.2) in de praktijk. Artikel VI. Jaartal v"},{"i":16382,"b":"Wet van 30 juni 2004 tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met wijziging omzetmoment eerste 12 maanden prestatiebeurs en gedeeltelijke afschaffing 1 februari-regel Artikel I Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel III [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016943&artikel=I&z=2004-11-01&g=2004-11-01), met uitzondering van onderdeel F, is niet van toepassing op studenten die reeds voor 1 september 2004 studiefinanciering ontvingen. Artikel IV Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met dien verstande dat [artikel I, onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016943&artikel=I&z=2004-11-01&g=2004-11-01), terugwerkt tot en met 13 februari 2004 en dat [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016943&artikel=IV&z=2004-11-01&g=2004-11-01) terug kan werken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) en de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) te wijzigen in verband met de wijziging van het omzetmoment van de eerste 12 maanden prestatiebeurs in een gift, dat niet langer op basis van de studieresultaten van het eerste jaar maar pas na het behalen van een diploma zal plaatsvinden, alsmede de gedeeltelijke afschaffing van de 1 februari-regel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal word"},{"i":16385,"b":"Wet van 27 september 2012 tot wijziging van de Wet veiligheidsregio’s in verband met de oprichting van het Instituut Fysieke Veiligheid en in verband met de volledige regionalisering van de brandweer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om ten dienste van de veiligheidsregio’s een ondersteuningsorganisatie op te richten, en om te komen tot een volledige regionalisering van de brandweer; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet veiligheidsregio’s. Artikel II Wijzigt de Veiligheidswet BES. Artikel III 1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032044&artikel=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01) zijn de personeelsleden in dienst van het Nederlands instituut fysieke veiligheid en het Nederlands bureau brandweerexamens van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister vastgestelde lijst, van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van het Instituut Fysieke Veiligheid. 2. De overgang van de in het eerste lid bedoelde personen vindt plaats met dezelfde rechtspositie als die welke voor elk van hen gold bij het Nederlands instituut fysieke veiligheid en het Nederlands bureau brandweerexamens. Artikel IV De administratie en het archief van het Nederlands instituut fysieke veiligheid en het Nederlands bureau brandweerexamens worden van rechtswege overgedragen aan het Instituut Fysieke Veiligheid. Artikel V 1. In wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij het bestuur van het Nederlands instituut fysieke veiligheid of van het Nederlands bureau brandweerexamens is betrokken, treedt met ingang van de datum van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032044&artikel=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01) de voorzitt"},{"i":16392,"b":"Wet van 23 december 2004 tot wijziging van de Ziekenfondswet in verband met het invoeren van een no-claimteruggaaf voor verzekerden die geen of weinig gebruik hebben gemaakt van zorg waarop ingevolge die wet aanspraak bestaat Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te bevorderen dat de eigen verantwoordelijkheid van verzekerden ingevolge de [Ziekenfondswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460) voor de kosten van ingevolge [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460) aan hen verstrekte zorg wordt vergroot door te bepalen dat verzekerden die geen of weinig gebruik hebben gemaakt van zorg waarop ingevolge [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460) aanspraak bestaat, een no-claimteruggaaf ontvangen en dat verzekerden zich hierdoor bewust worden van die kosten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Ziekenfondswet. Artikel II Wijzigt de Ziekenfondswet. Artikel III Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met dien verstande dat de uitkering, bedoeld in [artikel 18a, eerste lid, van de Ziekenfondswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460&artikel=18a) voor het eerst wordt gedaan in 2006. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16393,"b":"Wet van 26 februari 1992, houdende wijziging van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten, alsmede een regeling voor het overheidspersoneel in verband met maatregelen ter vermindering van het ziekteverzuim, beperking van langdurige arbeidsongeschiktheid en bevordering van de arbeidsmarktkansen van arbeidsongeschikten, herschikking van bevoegdheden in de Ziektewet, alsmede enkele technische aanpassingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen gericht op vermindering van het ziekteverzuim, beperking van langdurige arbeidsongeschiktheid en bevordering van de inschakeling van arbeidsongeschikte werknemers in het arbeidsproces teneinde het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen te beperken, te komen tot een herschikking van bevoegdheden in de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), alsmede enkele technische aanpassingen aan te brengen en daartoe de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten te wijzigen, alsmede een regeling te treffen voor het overheidspersoneel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regel"},{"i":16399,"b":"Wet van 19 februari 2005, houdende een nieuwe regeling voor het toelaten van rassen, het in de handel brengen van teeltmateriaal en het verlenen van kwekersrecht (Zaaizaad- en plantgoedwet 2005) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een nieuwe regeling voor het toelaten van plantenrassen, het in de handel brengen van teeltmateriaal en het verlenen van kwekersrecht vast te stellen, mede gelet op het op 2 december 1961 te Parijs tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten (Trb. 1962, 117), zoals dit laatstelijk is herzien bij Akte van 19 maart 1991 (Trb. 1992, 52), alsmede gelet op diverse Europese richtlijnen met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal van verschillende soorten gewassen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. de Raad: de Raad voor plantenrassen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - c. ras: plantengroep binnen één botanisch taxon van de laagst bekende rang, welke groep, ongeacht of volledig wordt voldaan aan de voorwaarden die deze wet stelt voor de verlening van een kwekersrecht, kan worden - –. gedefinieerd aan de hand van de expressie van de eigenschappen die het resultaat is van een bepaald genotype of een combinatie van genotypen, - –. onderscheiden van elke andere plantengroep op grond van de expressie van ten minste één van die eigenschappen, en - –. beschouwd als een eenheid, gezien zijn geschiktheid om onveranderd te worden vermeerderd; - d. het rassenregister: het Nederlands rassenregister, genoemd in [arti"},{"i":16402,"b":"Wet van 5 juni 1913, tot regeling der arbeiders-ziekteverzekering Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is aan arbeiders een geldelijke uitkeering bij ziekte te verzekeren, en bepalingen te maken omtrent de voorziening tegen ziekte van arbeiders; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: afdeling Eerste. Algemene bepalingen § 1. Algemeen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens; - d. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823); - e. onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht; - f. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de [Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635), in de [Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632) en in [artikel 2.3 van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&arti"},{"i":16405,"b":"Aanpassing bedragen in Besluit woninggebonden subsidies 1995 (BWS 1995), Besluit locatiegebonden subsidies (BLS) en Besluit beheer sociale-huursector (BBSH) Aan: De Colleges van Burgemeester en Wethouders, de Colleges van Gedeputeerde Staten, de dagelijkse besturen van een budgetbeherend samenwerkingsverband, en de besturen van de toegelaten instellingen Geacht college, geacht bestuur, De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Stichtingskostengrenzen zijn, ook binnen VROM, onderwerp van discussie. Onderdeel van die discussie is voor mij ook nadrukkelijk de vraag of die grenzen substantieel dienen te worden aangepast dan wel te worden afgeschaft. De uitkomst van deze discussie staat op dit moment nog open. De effecten dienen, door de verwevenheid van grenzen in de diverse VROM regelingen, goed onderzocht te worden. Dit proces loopt op dit moment. Omdat deze discussie zorgvuldig gevoerd wordt, en de verwerking daarvan in de onderhavige AMvB's de nodige tijd kost, heb ik in afwachting hiervan besloten de huidige kostengrenzen ook voor 2002 te indexeren met de bouwkostenstijging. In het [BWS 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) is de categorie woningen in de sociale bouwsector opgenomen. Voor deze categorie geldt thans dat de geraamde kosten voor het in eigendom verkrijgen daarvan niet hoger zijn dan f 192.000. In het [BLS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425) is eveneens de categorie woningen in de sociale bouwsector opgenomen. Voor deze categorie geldt thans dat de geraamde kosten voor het in eigendom verkrijgen niet hoger zijn dan f 192.000. In het [BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686) is sprake van het bouwen van woningen met een gemiddeld stichtingskostenniveau van maximaal f 300.000. Gelet op de prijsontwikkeling van het bouwen van woningen is het wenselijk om met ingang van 1 januari 2002 de verschillende bedragen te verhogen. De nieuwe, verhoogde bedragen zijn tevens omgezet in euro's. De omzet"},{"i":16408,"b":"Besluit van 15 december 2005, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van de Zorgverzekeringswet (Aanpassingsbesluit Zorgverzekeringswet) Hoofdstuk 1. Volksgezondheid, Welzijn en Sport Artikel 1.1 Wijzigt het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering. Artikel 1.2 Wijzigt het Besluit bijdrage AWBZ-gemeenten. Artikel 1.3 Wijzigt het Besluit donorregister. Artikel 1.4 1. Het [Besluit opheffing contracteerplicht extramurale zorg AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017107) berust met ingang van de datum van inwerkingtreding van de [Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830) op [artikel 16b, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=16). 2. IWijzigt het Besluit opheffing contracteerplicht extramurale zorg AWBZ. Artikel 1.5 Wijzigt het Besluit opleidingseisen verpleegkundige. Artikel 1.6 Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999. Artikel 1.7 Wijzigt het Besluit wachttijd bijzondere ziektekostenverzekering. Artikel 1.8 Het [Besluit werkingssfeer maximumtarieven WTG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005343) wordt ingetrokken. Artikel 1.9 Wijzigt het Besluit werkingssfeer WTG 1992. Artikel 1.10 Wijzigt het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Artikel 1.11 Wijzigt het Besluit zorgverzekering. Artikel 1.12 Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1, tweede lid, Kwaliteitswet zorginstellingen, enz. Artikel 1.13 Wijzigt het Bijdragebesluit zorg. Artikel 1.14 Wijzigt het Inschrijvingsbesluit bijzondere ziektekostenverzekering 1992. Artikel 1.15 Wijzigt het Opiumwetbesluit. Artikel 1.16 Wijzigt het Registratiebesluit BIG. Artikel 1.17 Wijzigt het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven. Artikel 1.18 Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg. Artikel 1.19 Wijzigt het Vrijstellingsbesluit WTG. Artikel 1.20 Wijzigt het Zorgin"},{"i":16410,"b":"Wet van 10 juni 2020 tot wijziging van diverse wetten in verband met de invoering van de Wet toetreding zorgaanbieders (Aanpassingswet Wet toetreding zorgaanbieders) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor de invoering van de [Wet toetreding zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797) een aantal wetten te wijzigen zodra die wet in werking treedt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toelating zorginstellingen. Artikel II Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IV Wijzigt de Geneesmiddelenwet. Artikel V Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI Wijzigt de Wet inzake bloedvoorziening. Artikel VII Wijzigt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Artikel VIII Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel IX Wijzigt de Wet normering topinkomens. Artikel X Wijzigt de Wet op de orgaandonatie. Artikel XI Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel XII Vervallen. Artikel XIII Wijzigt de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal. Artikel XIV Wijzigt de Wet veiligheidsregio’s. Artikel XV Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel XVa Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel XVb Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel XVc Wijzigt de Jeugdwet. Artikel XVI Wijzigt deze wet en de Wet vergroten investeringsmogelijkheden in medisch-specialistische zorg. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XVII Wijzigt deze wet. Artikel XVIII [Vervallen] Artikel XIX [Vervallen] Artikel XX Wijzigt deze wet en Wijzigingswet Wet marktordening gezondheidszorg, enz. (aanpassingen van de tarief- e"},{"i":16417,"b":"Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten 1. Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor de toepassing van de wettelijke bepalingen over de bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten. 2. Achtergrond Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2013 van de Wet tot implementatie van [richtlijn nr. 2010/64](32010L0064)/EU van het Europees Parlement en de Raad van Europa van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280)1Stb. 2013, 85. is het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures uitgebreid. Het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) bevatte reeds bepalingen over de bijstand van tolken en vertalers tijdens het verhoor door de rechter-commissaris ([art. 191 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=191)) en het onderzoek ter terechtzitting ([art. 260](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=260), [274-276](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=274), [325](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=325), [346](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=346), [362](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=362) en [391 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=391)). Per 1 oktober 2013 is ook de bijstand van tolken en vertalers in de **opsporingsfase**wettelijk geregeld. Bijstand van tolken en vertalers in deze fase van het onderzoek is van groot belang. Een goede weergave van de bij de politie afgelegde verklaring(en) is immers van belang voor de beslissing of en terzake waarvan wordt vervolgd en, indien wordt vervolgd, voor het bezigen van die verklaring voor het bewijs. Een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt bij het politieverhoor bijgestaan door een tolk. Onder dat recht wordt mede begrepen bijstand van een daartoe geschikte persoon als"},{"i":16419,"b":"Besluit van Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid houdende regels met betrekking tot de aanwijzing van de elektronische verzendwijze van officiële berichten aan Zorgkantoor Zorg en Zekerheid (Aanwijzing elektronische verzendwijzen Zorgkantoor Zorg en Zekerheid Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Bijlage:** de bij dit besluit behorende bijlage inzake verzendwijzen - b. **Officieel bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) - c. **Contactformulier:** de algemene contactpagina van Zorgkantoor Zorg en Zekerheid: [www.zorgkantoor-zorgenzekerheid.nl/contact-met-het-zorgkantoor/](http://www.zorgkantoor-zorgenzekerheid.nl/contact-met-het-zorgkantoor/) - d. **Wetgeving:** de Algemene verordening gegevensbescherming, de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) en de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) en de bij of krachtens voornoemde wetten geldende regelgeving. - e. **PGB Portaal:** de online omgeving waar budgethouders van een persoonsgebonden budget (pgb), vertegenwoordigers en zorgverleners hun pgb-administratie regelen. Het portaal is te benaderen via [www.mijnpgb.nl](https://www.mijnpgb.nl/) - f. **PGB contactformulier:** het digitale formulier voor het indienen van een pgb-aanvraag: [https://www.zorgkantoor-zorgenzekerheid.nl/contact-met-het-zorgkantoor/formulier-pgb-aanvragen/](https://www.zorgkantoor-zorgenzekerheid.nl/contact-met-het-zorgkantoor/formulier-pgb-aanvragen/) - g. **Toeslagenformulier:** het digitale formulier voor het aanvragen van PGB toeslagen: [https://w"},{"i":16422,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 juni 2009, nr. Z/F-2929111, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de overdekking ziekenhuiszorg 2007 en volgende jaren Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Besluit: Artikel 1 1. Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg, die tarieven in rekening hebben gebracht of zouden hebben kunnen brengen voor prestaties, omschreven als diagnose behandelingcombinaties, geleverd in het jaar 2007 of in latere jaren en waarop functiegerichte budgettering of bekostiging van toepassing was, verder te noemen ziekenhuizen. 2. In deze aanwijzing wordt onder ziekenhuis mede begrepen de medisch specialisten die in of ten behoeve van dat ziekenhuis werkzaam zijn. Artikel 2 1. De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, stelt voor 2007 en daarna voor ieder volgend jaar, mede op basis van door die ziekenhuizen verstrekte gegevens, per ziekenhuis ambtshalve vast, het verschil tussen het budget en de daadwerkelijke opbrengst die is toe te rekenen aan de in dat jaar geleverde productie, verder te noemen het opbrengstverschil. 2. De zorgautoriteit stelt ambtshalve ter verrekening van het opbrengstverschil per ziekenhuis per jaar een bedrag vast. 3. De zorgautoriteit schort de toepassing op van de reguliere verrekening van opbrengstverschillen, zoals die verrekening in haar beleidsregels was vorm-gegeven op het moment van inwerkingtreding van de aanwijzing inzake de overdekking ziekenhuiszorg 2005 en 2006, voor zover de verrekening van het bedrag als bedoeld in het tweede lid daadwerkelijk plaats vindt. Artikel 3 1. De zorgautoriteit stelt voor 2007 en daarna voor ieder volgend jaar, mede op basis van door het Zorginstituut, verder te noemen het CVZ, verstrekte gegevens, per ziekenhuis ambtshalve vast, welk deel van het opbreng"},{"i":16423,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1995 voor medisch specialisten en de Minister van Economische Zaken, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Gehoord het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg (advies van 25 november 1994, kenmerk HV/th/VI/94/352, vastgesteld in de vergadering van 21 november 1994); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 30 november 1994, kenmerk VMP/O-943591); Besluiten: Artikel 1 1. Het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt voor de prestaties van personen en instellingen die in [artikel 1, onder 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007112&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05), nummer 5, [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007112&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05) nummer 32 en artikel 2 onder b, in het Besluit Werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat: - a. voor zover die prestaties worden geleverd in de ziekenfondspraktijk een aanpassing van de maximumtarieven een opbrengst van f 193 mln. voor 1995 bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor de medisch specialistische hulp in de ziekenfondspraktijk van het totaal van de in rekening te brengen tarieven is over 1995 maximaal f 953,5 mln (exclusief loon- en prijsbijstellingen en autonome volumegroei). Uitgaande van ongewijzigd beleid en een gelijkblijvend volume ten opzichte van 1993, zou het totaal van de in rekening te brengen tarieven f 220 mln. meer bedragen dan het aanvaardbare kostenniveau van f 953,5 mln; - b. voor zover die prestaties worden geleverd in de particuliere praktijk een aanpassing van de maximumtarieven een opbrengst van f 204 m"},{"i":16424,"b":"Aanwijzing ex artikel 4 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1994 voor de medisch specialisten Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14) (Stb. 1980, 646), laatstelijk gewijzigd bij wet van 20 november 1991 (Stb. 584); Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (advies van 21 oktober 1993, kenmerk Sch/mvd/A/93/084, vastgesteld in de vergadering van 18 oktober 1993) Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 1 november 1993, kenmerk VMP/O-933087); Besluiten: Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt voor de prestaties van personen en instellingen die in [artikel 1, onder B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006246&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21), nummer 5, [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006246&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21) nummer 32 en artikel 2 onder b, in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat - a. voor zover die prestaties worden geleverd in de ziekenfondspraktijk een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 158 mln bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor de medisch specialistische hulp in de ziekenfondspraktijk van het totaal van de in rekening te brengen tarieven is over 1994 maximaal f 942 mln. (exclusief loon- en prijsbijstellingen en autonome volumegroei). Uitgaande van ongewijzigd beleid en een gelijkblijvend volume ten opzichte van 1992, zou het totaal van de in rekening te brengen tarieven f 193 mln meer bedragen dan het hiervoor genoemde aanvaardbare niveau ad f 942 mln. Het verschil tussen de opbrengst van de neerwaartse aanpassing en de bij ongewijzigd beleid verwachte overschrijding, wordt geacht opgelost te worden in"},{"i":16429,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juli 2015, kenmerk 776202-137545-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de bekostiging van verpleging en verzorging Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 20 mei 2015 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2014/15, 29 689, nr. 611); Besluit: Artikel 1. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op verpleging en verzorging zoals omschreven in [artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10). Artikel 2. Prestaties en tarieven De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2016 in een prestatie prestatiebeloning en in een prestatie regionale beschikbaarheidfunctie voor onplanbare zorg. Voor deze prestaties geldt een vrij tarief. Artikel 3. Experiment zorgvernieuwing 1. De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2016 in een experiment zorgvernieuwing. 2. Op grond van dit experiment krijgen een zorgaanbieder en een zorgverzekeraar de mogelijkheid om op basis van een overeenkomst af te wijken van de reguliere prestaties en tarieven verpleging en verzorging. 3. Voor het experiment geldt een vrij tarief. 4. Het bepaalde in [artikel 35, eerste lid, onder c en d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) is niet van toepassing op een prestatiebeschrijving die een zorgaanbieder en zorgverzekeraar die deelnemen aan het experiment zijn overeengekomen. 5. De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet in een regelluwe uitvoering van het experiment door ambtshalve één landelijke experimentprestatiebeschikking vast te stellen, die in rek"},{"i":16431,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 28 juni 2024, kenmerk 3861777-1067529-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de modulaire bekostiging van ziekenhuisopleidingen via de beschikbaarheidbijdrage Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 17 mei 2024 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2023/24, 29 282, nr. 575) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen van modulaire bekostiging van ziekenhuisopleidingen via de beschikbaarheidbijdrage; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a). **beschikbaarheidbijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - b). **besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - c). **bijlage:** [bijlage](onbekend) behorende bij de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2) en [4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=4); - d). **CZO:** College Zorgopleidingen; - e). **EPA:** entrustable professional activity; - f). **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - g). **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op activiteiten verricht ten behoeve van ziekenhuisopleidingen als bedoeld in onderdeel B, aanhef, onder 1, sub c, en onderdeel C van de [Bijlage](onbekend). Artikel 3. Verstrekken beschikbaarheidbijdrage 1. De zorgautoriteit"},{"i":16432,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 maart 2025, kenmerk 4063416-1079243-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake bekostigingsexperiment tijdelijk verblijf en ambulante geriatrische revalidatiezorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 6 november 2024 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal **(Kamerstukken II**, 2024/25, 29 689, nr. 1270) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen om een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit inzake het invoeren van een experiment in de bekostiging voor het tijdelijk verblijf en de ambulante geriatrische revalidatiezorg. Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a). **ambulante geriatrische revalidatiezorg:** zorg als bedoeld in [artikel 2.5c van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5c), voor zover niet gepaard gaande met verblijf als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1) van dat besluit; - b). **eerstelijnsverblijf:** verblijf als bedoeld in [artikel 2.12 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met de geneeskundige zorg, bedoeld in [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), voor zover het gaat om zorg zoals huisartsen die plegen te bieden, al dan niet gepaard gaande met verpleging, verzorging of paramedische zorg; - c). **geriatrische revalidatiezorg:** zorg als bedoeld in [artikel 2.5c van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5c); - d). **maximumtarief:*"},{"i":16435,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 april 2018, kenmerk 1309558-174219-CZ, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake bekostiging acute psychiatrische hulpverlening Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 23 maart 2018 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II, 2017–2018, 25 424, nr. 390); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **aanbieder:** degene die acute psychiatrische hulpverlening biedt; - –. **acute psychiatrische hulpverlening:** hulpverlening die deel uitmaakt van de gespecialiseerde ggz en welke hulpverlening gericht is op personen in een crisissituatie waarvan het vermoeden bestaat dat zij een acute psychiatrische stoornis hebben bij wie snel (medisch) ingrijpen noodzakelijk is en de zorg bestaat uit de functies triage, beoordeling, beschikbaarheid (outreachende) ambulante crisisbehandeling tot maximaal 72 uur (inclusief beoordelingsruimte) en beschikbaarheid crisisbedden en opname tot maximaal 72 uur; - –. **Generieke module Acute psychiatrie:** module waarin de inhoud en organisatie van hulpverlening wordt beschreven voor personen in een crisissituatie, waarvan het vermoeden bestaat dat zij een acute psychiatrische stoornis hebben bij wie snel (medisch) ingrijpen noodzakelijk is, zoals die in maart 2017 is vastgesteld door het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGz; - –. **gespecialiseerde ggz:** geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), niet zijnde generalistische basis-ggz; - –. **vaste grens:** grens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en ond"},{"i":16436,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 november 2015, kenmerk 871366-144220-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de bekostiging en beheersing van meerzorg op grond van de Wet langdurige zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 2 oktober 2015 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2015–2016, 34 104, nr. 74 en Kamerstukken I 2015–2016, 34 104, C) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de uitbreiding van de meerzorg naar verpleging en verzorging en de geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in [artikel 2.2 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2) per 1 januari 2016. Artikel 2. prestaties en tarieven De Nederlandse zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2016 vaste tarieven en prestatiebeschrijvingen vast. Artikel 3. vereffeningbedrag De Nederlandse zorgautoriteit past ambtshalve een vereffeningbedrag toe als bedoeld in [artikel 56b van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56b). Artikel 4. financiële gevolgen De Nederlandse zorgautoriteit voert de uitbreiding van meerzorg budgettair neutraal uit. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing met de toelichting in de Staatscourant."},{"i":16441,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2010, nr. MC-U-3039968, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake een experiment voor de DOT-productstructuur Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 14 september schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2009/10, 29 248, nr. 132); Gezien het verslag van een schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 18 november 2010 inzake de voorhangbrief experiment Sint Maartenskliniek (Kamerstukken II, 2010/11, 29 248, nr. 154); Besluit: Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **DBC:** Diagnose behandeling combinatie, het geheel van prestaties van zorgaanbieders voortvloeiend uit de zorgvraag waarvoor een cliënt de zorgaanbieders consulteert; - e. **DOT:** DBC’s op weg naar transparantie; - f. **FB:** Functiegericht Budget. Artikel 2 1. Deze aanwijzing heeft betrekking op een experiment met de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029155&artikel=4&z=2010-12-21&g=2010-12-21) omschreven doelstelling. 2. Het experiment beperkt zich tot zorg geleverd op één locatie door een instelling voor medisch specialistische zorg bestaande uit orthopedie, reumatologie, anesthesiologie en revalidatiegeneeskunde. Artikel 3 Voor het experiment stelt de zorgautoriteit beleidsregels en regels vast. Artikel 4 Het experiment heeft de volgende doelen: - 1. Inzicht te krijgen in de financiële gevolgen voor de bela"},{"i":16443,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 juli 2009, nr. CZ-FBI-2940858, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake indexering Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Brief van 8 juni 2009, Kamerstukken II, 2008/09, 31 700, nr. 161); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg in de zin van de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) voor zover deze wordt geleverd door, of onder verantwoordelijkheid van, personen, die beroeps- of bedrijfsmatige zorg verlenen en zijn ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) of door personen als bedoeld in [artikel 34 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34), met uitzondering van: - a. zorg als bedoeld in het eerste lid van de [artikelen 3 tot en met 5 van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020326&artikel=3); - b. zorg waarvoor vrije tarieven gelden als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57), - c. huisartsenzorg als bedoeld bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) voor zover het betreft de toepassing op die zorg van [artikel 2, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026375&artikel=2&z=2009-09-14&g=2009-09-14), van deze aanwijzing en - d. geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in de wet van 22 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de"},{"i":16444,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 12 december 2014, 699324-130782-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de invoering van de Wet langdurige zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 12 november 2014 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2014/15, 30 597, nr. 480) Besluit: artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt vanaf de datum van inwerkingtreding van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (beleids)regels vast voor zorg als omschreven bij of krachtens deze wet. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":16445,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn van 14 december 2015, kenmerk MC-U-876908-144681, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake wijziging van de tariefsoort abortushulpverlening aan niet Wlz-verzekerden Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 29 oktober 2015 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2015–2016, 29 214, nr. 71) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op behandelingen gericht op het afbreken van een zwangerschap als bedoeld in de [Wet afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003396) welke worden geleverd door abortusklinieken aan personen die niet verzekerd zijn op grond van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). Artikel 2. Tariefsoort De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2016 maximumtarieven als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) vast voor de zorg als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037417&artikel=1&z=2016-02-01&g=2016-02-01). Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":16448,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2012, MC-U-3146470, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de nacalculatie 2013 en de opbrengstverrekening afwikkeling oude bekostigingssysteem geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 9 november schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2013/14, 25 424, nr. 191) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **Zorginstituut:** het Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - e. **geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:** zorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630, artikel III); - f. **gebudgetteerde instelling:** instelling voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg waarvoor de zorgautoriteit de aanvaardbare kosten op basis van AWBZ-parameters heeft vastgesteld; - g. **aanwijzing opbrengstverrekening:** Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 22 september 2011, MC-U-3082225, inzake opbrengstverrekening cggz-instellingen en enkele andere opbrengstverrekening aang"},{"i":16449,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2012, nr. MC-U-3146797, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake niet toepassen macrobeheersmodel op zelfstandige trombosediensten Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 7 november 2012 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2012/13, 30 597, nr. 270) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1 De Nederlandse Zorgautoriteit draagt er zorg voor dat met ingang van 2013 het macrobeheersmodel als bedoeld in de [Aanwijzing macrobeheersmodel instellingen voor medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884) (Stcrt. 2011, 23196) niet meer van toepassing is op trombosezorg geleverd door zelfstandige trombosediensten. Artikel 2 In aanvulling op [artikel 5, vierde lid, van de Aanwijzing macrobeheersmodel instellingen voor medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030884&artikel=5) (Stcrt. 2011, 23196) bevat het in die bepaling bedoelde bericht tevens de mededeling dat het aandeel van de zelfstandige trombosediensten in het te handhaven bedrag nul bedraagt. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing met de toelichting in de Staatscourant."},{"i":16450,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 november 2010, nr. MC-U-3033761, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het opstellen van een prestatiebeschrijving voor een stoppen-met-rokenprogramma Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 15 september, respectievelijk 13 september 2010 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2009/10, 22 894, nr. 280); Gezien het verslag van een schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 30 september 2010 inzake Voorhang aanwijzing prestatieomschrijving stoppen met roken-programma; Gelet op het besluit van 31 augustus 2009, houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met aanpassingen in de te verzekeren prestaties en in de regels voor het eigen risico per 1 januari 2010 (Stb. 2009, 381); Mede gelet op het besluit van 7 juli 2010 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de onderdelen B, C en D van artikel I, voor zover het betreft zorg bij stoppen-met-rokenprogramma, van het koninklijk besluit van 31 augustus 2009, houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met aanpassingen in de te verzekeren prestaties en in de regels voor het eigen risico per 1 januari 2010 (Stb. 2010, 303); Mede gelet op de kabinetsbrief van 24 september 2007 (Kamerstukken II 2007/08, 22 894, nr. 134); Besluit: Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **stoppen-met-rokenprogramma:** zor"},{"i":16453,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 april 2016, kenmerk 961626-149797-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake proeftuinen meerzorg 2.0 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 21 maart 2016 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2015-2016, 34 104, nr. 118 en Kamerstukken I, 2015-2016, 34 104, C) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - **de zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op meer zorg als bedoeld in [artikel 3.1.1, tweede lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.1.1). Artikel 3. Opdracht en looptijd De zorgautoriteit voorziet, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015, in een experiment proeftuinen meerzorg 2.0 met een looptijd van maximaal drie jaar. Artikel 4. Uitgangspunten experiment De zorgautoriteit neemt bij de vaststelling van de regelgeving voor het experiment als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037906&artikel=3&z=2016-07-01&g=2016-07-01) de volgende uitgangspunten in acht: - a. doel van het experiment is dat Wlz-uitvoerders, zorgaanbieders en het Centrum voor Consultatie en Expertise in gezamenlijkheid en in overleg met cliëntenvertegenwoordigers, streven naar een andere werkwijze bij de meerzorg die per saldo leidt tot een bredere (en daarmee wellicht betere) inzet van de middelen die beschikbaar zijn voor de meerzorg. - b. personen aan wie zorg wordt verleend komen door het experiment niet in een nadeliger p"},{"i":16454,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 augustus 2016, kenmerk 942707-148296-MC, inzake regulering ergotherapie Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 19 november 2015 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2015/16, 29 538, nr. 199); Besluit: artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2017 voor ergotherapie prestaties met een vrij tarief vast als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":16458,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport, van 30 augustus 2023, kenmerk 3636527-1051016-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg, inzake de vaststelling van een prestatie consultatiefunctie ggz met een vrij tarief in de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Na op 15 juni 2023 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 25 424, nr. 666) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **consultatiefunctie ggz:** rechtstreekse consultatieve raadpleging tussen een professional uit het sociaal domein en een professional uit de geneeskundige ggz over een inwoner van 18 jaar of ouder die niet onder behandeling is in de geneeskundige ggz en in situaties waarbij geen sprake is van bemoeizorg; - –. **ggz:** geestelijke gezondheidszorg; - –. **geneeskundige ggz:** geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - –. **prestatie:** prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - –. **sociaal domein:** maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de [Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733), jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering als bedoeld in de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925), schuldhulpverlening als bedoeld in de [Wet gemeentelijke schuldhulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031331) of op grond van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703); - –. **vrij tarief:** tarief als"},{"i":16459,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 19 februari 2016, kenmerk 926944-147689-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake verblijfsprestaties en hoofdbehandelaarschap curatieve geestelijke gezondheidszorg Gelet op [artikel 7, eerste lid onder a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Besluit: Artikel 1. : reikwijdte Deze aanwijzing heeft betrekking op de curatieve geestelijke gezondheidszorg en geldt met terugwerkende kracht voor de regels van de Nederlandse Zorgautoriteit voor het jaar 2013. Artikel 2. : hoofdbehandelaarschap De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet in een uitzonderingsbepaling bij de verplichting in de administratie- en declaratievoorschriften dat de hoofdbehandelaar direct cliëntgebonden tijd moet besteden in de diagnosefase. Deze uitzondering houdt in dat deze verplichting in 2013 niet van toepassing is voor de zorgaanbieder bij declaratie indien deze dat uitdrukkelijk met de zorgverzekeraar is overeengekomen. Artikel 3. : verblijfsprestaties De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet erin dat in 2013 bij de registratie en declaratievoorschriften voor de gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg het kenmerk bedbezetting van de verblijfsprestaties E, F en G zo wordt omschreven dat patiënten doorgaans ten tijde van de behandeling in de kliniek verblijven, en niet per definitie gedurende de gehele behandeling."},{"i":16461,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 12 februari 2012, nr. MC-U-3102226, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake verlenging experiment epilepsie-dbc’s Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 21 november 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2010/11, 29 248, nr. 220); Besluit: artikel Enig Het experiment bij epilepsie-inrichtingen als bedoeld in de [aanwijzing van 14 december 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023137) (Staatscourant 2007, nr. 248) wordt verlengd tot en met 31 december 2012. Van deze aanwijzing wordt door plaatsing met de toelichting in de Staatscourant mededeling gedaan."},{"i":16464,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 19 april 2024, kenmerk 3805336-1064180-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het experiment bekostiging van patiëntengroepsgebonden afstemming van zorg en ondersteuning voor specifieke categorieën verzekerden Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 1 maart 2024 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II**2023/2024, 31 765, nr. 842) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen om een experiment te starten voor de bekostiging van patiëntengroepsgebonden afstemming van zorg en ondersteuning voor specifieke categorieën verzekerden; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a). **Minister:** de Minister voor Medische Zorg; - b). **patiëntengroepsgebonden afstemming:** afstemming van zorg en ondersteuning voor specifieke categorieën verzekerden, niet zijnde voor individuele verzekerden; - c). **vrij tarief:** tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - d). **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - e). **zorgaanbieder:** - i. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - ii. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder i; - f). **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de w"},{"i":16467,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 1 november 2023, kenmerk 3703138-1054933-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg, inzake de verlenging van de geldigheidsduur van de transitieprestatie in de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg tot en met 2025 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Na op 25 september 2023 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 25 424, nr. 672) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: artikel Enig In afwijking van het bepaalde in [artikel 6 van de aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2020, kenmerk 1795863-215660-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering nieuwe bekostiging voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) en forensische zorg (fz)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044560&artikel=6)1Stcrt. 2020, 66990., stelt de zorgautoriteit voor de overgang naar de nieuwe bekostiging een tijdelijke transitieprestatie vast voor een periode van vier jaar: 2022, 2023, 2024 en 2025. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing met de toelichting in de Staatscourant."},{"i":16477,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake prijsbijstelling materiële kosten van organen voor de gezondheidszorg Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, (brief van 22 oktober 1997, kenmerk BA/tbk/A/97/118, vastgesteld in de vergadering van 20 oktober 1997); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief 6 november 1997, kenmerk VPZ/P-974000); Besluiten: Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt met het oog op de jaarlijkse aanpassing van de materiële component in de budgetten en de kostenbestanddelen in de tarieven (exclusief de loonkosten) in verband met de prijsontwikkeling, nieuwe richtlijnen vast ten behoeve van organen voor gezondheidszorg aangewezen in het [Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342) met in achtneming van het volgende: - a. de prijsbijstelling particuliere consumptie voor het jaar t wordt bepaald door de particuliere consumptie jaar t in prijzen jaar t te delen door de particuliere consumptie jaar t in prijzen jaar t-1 zoals gepubliceerd in het Centraal Economisch Plan (CEP) t, in de tabel ’middelen en bestedingen’ jaar t, - b. in de richtlijnen wordt ten aanzien van de prijsbijstelling materiële kosten het volgende geregeld: - de voorcalculatie voor het jaar t geschiedt conform een in het JOZ ter zake opgenomen voorcalculatorisch percentage, waaromtrent het Cotg zo spoedig mogelijk na de publicatie van het JOZ wordt geïnformeerd; - de eindcalculatie voor het jaar t is het saldo van de prijsbijstelling particuliere consumptie jaar t minus het voorcalculatorische percentage; - een eventueel verschil tussen de prijsbijstelling particuliere consumptie jaar t bepaald op grond van het CEP t+1 en de prijsbijstelling particuliere consumptie jaar t bepaald op grond van het CEP t wordt in"},{"i":16466,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 1 november 2023, kenmerk 3709686-1054932-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg, inzake de vaststelling van een tijdelijke prestatie cliëntgebonden coördinatie activiteiten Ketenveldnorm levensloopfunctie ggz/fz Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Na op 26 september 2023 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 25 424, nr. 673) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gezien het schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 25 424, nr. 674); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **cliëntgebonden coördinatie activiteiten Ketenveldnorm levensloopfunctie:** cliëntgebonden coördinatie activiteiten door een zorgaanbieder die voortkomen uit de Ketenveldnorm levensloopfunctie; - –. **forensische zorg:** forensische zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1); - –. **ggz:** geestelijke gezondheidszorg; - –. **geneeskundige ggz:** geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - –. **Ketenveldnorm levensloopfunctie:** de Ketenveldnorm levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg die overeenkomstig [artikel 11a van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=11a) is opgenomen in het openbaar Register; - –. **prestatie:** prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":16470,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 september 2019, kenmerk 1533873-190928-PZo, inzake hervorming beschikbaarheidbijdrage academische zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 29 april 2019 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2018/19, 32 864, nr. 6) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over de inzet van het instrument beschikbaarheidbijdrage academische zorg ten behoeve van medisch specialistische zorg; Gezien het verslag van een schriftelijk overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2018/19, 32 864, nr. 7); Gezien: Het Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) universitair medische centra (2012) (Kamerstukken II 2011/2012, 33 278, nr. 1); Het onderhandelingsakkoord medisch specialistische zorg 2014-2017 (Kamerstukken II 2012/13, 29 248, nr. 257); Het Addendum 2018 bij het onderhandelingsakkoord medisch specialistische zorg 2014-2017 (Kamerstukken II 2016/17, 29 248, nr. 303); Het Bestuurlijk akkoord Plan van aanpak ROBIJN (Kamerstukken II 2016/17, 32 864, nr. 5); Het Bestuurlijk akkoord medisch-specialistische zorg 2019 t/m 2022 (Kamerstukken II 2017/18, 29 248, nr. 311); Besluit: Artikel 1 1. De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2020 overeenkomstig het gestelde in de bijlage bij deze aanwijzing beschikbaarheidbijdragen vast voor academische zorg als bedoeld in de [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG, onderdeel B, subonderdeel 2](onbekend), met dien verstande dat het label wetenschap zoals bedoeld in de bijlage eerst bij de verlening en vaststelling van een beschikbaarheidbijdrage kan worden betrokken in het jaar volgend op het jaar waarop dat label naar het oordeel van de zorgautorite"},{"i":16471,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 10 maart 2020, kenmerk 1642169-201362-CZ, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake hervorming beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Gelet op de [Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 september 2019, kenmerk 1533873-190928-PZo, inzake hervorming beschikbaarheidbijdrage academische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042611) (Staatscourant 2019, nr. 53867); Gezien: Het Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) universitair medische centra (2012) (Kamerstukken II 2011/2012, 33 278, nr. 1); Het onderhandelingsakkoord medisch specialistische zorg 2014-2017 (Kamerstukken II 2012/13, 29 248, nr. 257); Het Addendum 2018 bij het onderhandelingsakkoord medisch specialistische zorg 2014-2017 (Kamerstukken II 2016/17, 29 248, nr. 303); Het Bestuurlijk akkoord Plan van aanpak ROBIJN (Kamerstukken II 2016/17, 32 864, nr. 5); Het Bestuurlijk akkoord medisch-specialistische zorg 2019 t/m 2022 (Kamerstukken II 2017/18, 29 248, nr. 311); Na op 9 december 2019 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) inzake de inzet van het instrument beschikbaarheidbijdrage ten behoeve van de bekostiging van kapitaallasten voor universitair medische centra in het kader van de hervorming van de beschikbaarheidbijdrage voor academische zorg die betrekking heeft op medisch specialistische zorg (Kamerstukken II 2019–2020, 32 864, nr.11); **Besluit:** Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - −. **aanwijzing:** [Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 september 2019, kenmerk 1533873-190928-PZo, inzake hervorming besc"},{"i":16478,"b":"Aanwijzing inzake tarievenbeleid 2000 en volgende jaren farmaceutische zorg Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Gelezen de brief van het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, (brief van 24 september 1999, kenmerk JHD/med/V/99/632, vastgesteld in de vergadering van 20 september 1999); Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brieven van 29 oktober 1999, kenmerk Z/P-2011790 en Z/P-2011825), Besluiten: Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van personen en instellingen, die in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=2), [aanhef en onder a, van het besluit werkingssfeer WTG 1992](onbekend) als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige beleidsregels vast dat de inkoopvergoeding structureel met ingang van 1 januari 2000 neerwaarts wordt aangepast met 6,82% teneinde een opbrengst in de jaren 2000, 2001 respectievelijk 2002 van tenminste f 350 mln, f 385 mln respectievelijk f 425 mln (excl. btw) te genereren. De in de receptregelvergoeding en het abonnementstarief voor farmaceutische hulp opgenomen forfaitaire aftrek voor het realiseren van kortingen en bonussen komt te vervallen. Artikel 2 Met het oog op de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010860&artikel=1&z=1999-11-19&g=1999-11-19) genoemde aanpassing neemt het Cotg generieke maatregelen. Het Cotg treft een voorziening waardoor onevenredig nadeel bij individuele apotheekhoudenden als gevolg van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010860&artikel=1&z=1999-11-19&g=1999-11-19) bedoelde verlaging van de inkoopvergoeding wordt bestreden. Daartoe maximeert het Cotg de hoogte van de korting op de inkoopvergoeding tot ten hoogste f 15,- (excl. btw) per receptregel. Artikel 3 In de bedoelde beleidsregels ter uitvoering van de onderhavige aanwijzing wordt bepaald d"},{"i":16474,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 23 juni 2023, kenmerk 3599781-1048828-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de aanwijzing voor de tijdsinzet van diverse functionarissen betrokken bij het stappenplan op grond van de Wet zorg en dwang Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 8 mei 2023 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal **(Kamerstukken II- 2022–23**, 35 370, nr. 10) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **Wzd:** [Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632); - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - –. **prestatiebeschrijving:** prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - –. **maximumtarief:** tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht. - –. **stappenplan:** het periodiek beoordelen van de inzet van onvrijwillige zorg bij een patiënt door betrokken functionarissen, zoals beschreven in de [Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de tijdsinzet van de diverse functionarissen die betrokken zijn bij het stappenplan op grond van de [Wzd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632) i"},{"i":16479,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 juni 2015, 762476-136223-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake vervoer bij intensieve kindzorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Gelet op het besluit van 25 maart 2015, houdende wijziging van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG en van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG in verband met het verlenen van een beschikbaarheidbijdrage voor gespecialiseerde en derdelijns psychotraumazorg en de toepassing van de tarief- en prestatieregulering op ziekenvervoer van kinderen anders dan via een ambulance (Stb. 2015, 139); Na op 30 juni 2014 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2013/14, 30 597, nr. 459); Besluit: artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 maximumtarieven vast voor ziekenvervoer van kinderen anders dan via een ambulance in het kader van intensieve kindzorg. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":16482,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 juli 2016, kenmerk 984908-152560-MC, inzake het macrobeheersinstrument voor eerstelijns verblijf en geriatrische revalidatiezorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 30 mei 2016 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2015/16, 34 104, nr. 125); Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **geriatrische revalidatiezorg:** zorg als bedoeld in [artikel 2.5c van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5c) - e. **eerstelijns verblijf:** zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12) voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is verband met zorg zoals huisartsen die plegen te bieden al dan niet gepaard gaande met verpleging, verzorging of paramedische zorg Artikel 2. macrogrens De zorgautoriteit stelt voor geriatrische revalidatiezorg en eerstelijns verblijf voor alle zorgaanbieders gezamenlijk jaarlijks, op basis van een door de Minister bij brief te verstrekken bedrag, ambtshalve een macrogrens vast, zijnde een bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Artikel 3. individuele grenzen 1. De zorgautoriteit stelt ambtshalve per individuele zorg"},{"i":16484,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2012, MC-U-3145881, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het macrobeheersinstrument voor tweedelijns geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 21 februari 2012 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 25 424, nr. 160) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gelet op het verslag van een schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 25 424, nr. 175) van 16 april 2012; Gelet op het voortgezet schriftelijk overleg en het voortgezet algemeen overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 26 april 2012 (Handelingen II 2011/2012, nr. 82, items 8 en 32); Gelet op de handelingen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 6 maart 2012 (Handelingen I 2011/12, nr. 21); Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:** zorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630, artikel III); - e. **bestuurlijk akkoord:** Bestuurlijk Akkoord toekomst GGZ 2013-2014 (Bijlage bij Kamerst"},{"i":16487,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2020, 1795863-215660-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering nieuwe bekostiging voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) en forensische zorg (fz) Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 6 oktober 2020 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2020/2021, 25 424, nr. 554) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gezien de afspraken in het Bestuurlijk Akkoord Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) 2019 t/m 2022 en de Meerjarenovereenkomst Forensische Zorg 2018/2021 (Kamerstukken II 2017/2018, 25 424, nr. 420 respectievelijk Kamerstukken II 2017-2018, 33 628, nr. 34); Gezien de brief van 14 september 2020 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2019/2020, 25 424, nr. 552). Gezien het schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2020/2021, 25 424, nr. 578). Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **forensische zorg:** forensische zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1., tweede lid, van de Wet forensische zorg (Wfz)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1); - –. **geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:** geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet (Zvw)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - –. **maximumtarief:** tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat ten hoogste voor een prestatie in rekening kan worden gebracht; - –. **prestatie:** prestati"},{"i":16490,"b":"Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude Samenvatting Deze aanwijzing betreft het opsporings- en vervolgingsbeleid aangaande fraude met uitkeringen en voorzieningen, verstrekt krachtens de sociale zekerheidswetgeving, gepleegd door uitkeringsgerechtigden en eventuele (mede)verdachten. Voor de keuze tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sanctionering neemt de aanwijzing de omvang van het benadelingsbedrag als uitgangspunt. Tot een benadelingsbedrag van € 50.000 wordt in beginsel bestuursrechtelijk gesanctioneerd, bij een bedrag van € 50.000 of meer in beginsel strafrechtelijk. De aanwijzing somt een aantal factoren op die aanleiding kunnen geven om af te wijken van deze uitgangspunten. 1. Uitgangspunten en reikwijdte 1.1. Sociale zekerheidsfraude In deze aanwijzing wordt onder sociale zekerheidsfraude verstaan: een verwijtbare overtreding in de zin van de sociale zekerheidswet- en regelgeving, met name bestaande uit het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, dan wel het verzwijgen of niet (tijdig) verstrekken van, voor de bepaling van het recht op uitkering en de duur en hoogte van de sociale zekerheidsuitkering relevante gegevens, met als doel misbruik te maken van de sociale zekerheid met als gevolg dat een uitkeringDaar waar uitkering wordt geschreven worden ook voorzieningen bedoeld. geheel of ten dele ten onrechte wordt verstrekt. Deze aanwijzing is van toepassing op de sociale zekerheidswet- en regelgeving, zowel ten aanzien van sociale voorzieningen als ten aanzien van sociale verzekeringen. 1.2. Benadelingsbedrag De omvang van het (vastgestelde of vast te stellen) benadelingsbedrag is van belang voor de keuze tussen bestuurs- en strafrecht. Tot een benadelingsbedrag van € 50.000 wordt in beginsel bestuursrechtelijk gehandhaafd, bij een bedrag van € 50.000 of meer in beginsel strafrechtelijk, zie hierna hoofdstuk 2. Onder het benadelingsbedrag wordt verstaan het brutobedrag dat ten onrechte ten laste van de uitvoerende instantie(s) is gekomen"},{"i":16497,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juni 2011, nr. MC-U- 3070826, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake transparante prestatiebeschrijvingen medisch specialistische zorg 2012 Overwegende dat het wenselijk is de functiegerichte budgettering voor instellingen voor medisch specialistische zorg en de bekostiging op basis van begrotingsfinanciering van audiologische centra te beëindigen, mede met het oog op de macrobudgettaire gevolgen zorgvuldig en geleidelijk over te gaan naar een systeem van prestatiebekostiging, en met het oog daarop een verbetering noodzakelijk is om te komen tot een nog stabieler, vollediger, transparanter en dynamischer declaratiesysteem; Overwegende dat de invoering van prestatiebekostiging en een stabiele product- en tariefstructuur essentieel is voor een stelsel waarin zorgaanbieders en zorgverzekeraars met elkaar onderhandelen over kwaliteit, prijs en volume, selectieve contractering door zorgverzekeraars toeneemt en aanbieders daadwerkelijk worden afgerekend op geleverde prestaties; Overwegende dat met de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, de Nederlandse Federatie van Universitair medische centra, de Orde van Medisch Specialisten en Zorgverzekeraars Nederland mede in het licht van beperkte macrobudgettair beschikbare middelen de vormgeving van een zorgvuldig overgangstraject is besproken; Overwegende dat voor de zorgvuldige overgang naar prestatiebekostiging een aantal instrumenten aan de Wet marktordening gezondheidszorg moeten worden toegevoegd en dat de parlementaire behandeling van het daartoe strekkend wetsvoorstel Aanvulling instrumenten bekostiging WMG nog niet is afgerond en het wetsvoorstel nog niet tot wet is verheven en in werking getreden; Overwegende dat de Eerste Kamer der Staten-Generaal de brieven van de minister over de voornemens een aanwijzing te treffen met betrekking tot de invoering van bedoelde prestatiebekostiging, een beheersmodel voor medisch"},{"i":16501,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 14 juni 2023, kenmerk 3604293-1049249-PZO, inzake de verwerking van taakstellingen uit het coalitieakkoord voor het jaar 2024 en verder voor bepaalde vormen van zorg zoals vergoed vanuit de Wlz Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 17 april 2023 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II 2022–23,**34 104, 376) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over de inzet van het aanwijzingsinstrument inzake de verwerking van taakstellingen uit het coalitieakkoord voor het jaar 2024 en verder voor bepaalde vormen van zorg zoals vergoed vanuit de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); Gezien de inbreng op 10 mei 2023 van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het verslag van een schriftelijk overleg (**Kamerstukken II** 2022–23, 34 104, nr. 378) en het Tweeminutendebat Voorhang aanwijzing aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) met betrekking tot de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz)-maatregelen uit het coalitieakkoord op 30 mei 2023 en de stemming over de moties (**Kamerstukken II** 2022–23, 34 104, nr. 379 en **Kamerstukken II** 2022–23, 34 104, nr. 380) op 31 mei 2023; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - 1. **bandbreedtegrens:** bandbreedtegrens als bedoeld in [artikel 50, lid 2 onder d van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - 2. **coalitieakkoord:** coalitieakkoord 2021–2025 ‘Omzien naar elkaar, vooruit kijken naar de toekomst’; - 3. **minister:** Minister voor Langdurige Zorg en Sport; - 4. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - 5. **Wlz:** [Wet langdurige zorg]("},{"i":16503,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juni 2022, kenmerk 3381555-1030850-PZO, inzake wijzigingen beschikbaarheidbijdrage academische zorg met betrekking tot wetenschap en compartimenten Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 9 mei 2022 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken 2021/22, 32 864, nr. 13) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **aanwijzing 2019:** [Aanwijzing inclusief bijlage van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 september 2019, kenmerk 1533873-190928-PZo, inzake hervorming beschikbaarheidbijdrage academische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042611) (Staatscourant 2019, nr. 53867); - –. **academische zorg:** zorg als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 2, van de [Bijlage](onbekend); - –. **beschikbaarheidbijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - –. **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - –. **Bijlage:** [bijlage](onbekend), behorende bij de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2) en [4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=4); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de beschikbaarheidbijdrage voor academische zorg. Artikel 3. Opdrachtverlening 1. De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2023 overeenkomstig de [aanwijzing 201"},{"i":16505,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake budgetkorting 1995 bij ziekenhuizen Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (advies van 25 november 1994, kenmerk Ba/th/V/94/367, vastgesteld in de vergadering van 21 november 1994); Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 30 november 1994, kenmerk VMP/O-943591); Besluiten: Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) wijzigt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007113&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05) de nummers 1, 3, 4, 6, 8, 9, 20 en 31 en in artikel 2b van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, de richtlijnen zodanig dat vanaf 1 januari 1995 de richtlijnen, die door het Cotg zijn vastgesteld ter uitvoering van de aanwijzing van 11 november 1993 (brief [VMP/O, 933223](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006247)) voor zover het betreft [Artikel 1, sub 1, onderdeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007113&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05) ‘incidentele verlaging van f 104 mln’, worden omgezet in richtlijnen, die bewerkstelligen dat genoemde verlaging een structureel karakter krijgt. Artikel 2 Het Cotg zal voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007113&artikel=1&z=1995-02-05&g=1995-02-05) nummer 2 in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, - de richtlijnen zodanig wijzigen dat vanaf 1 januari 1995 de richtlijnen, die door het Cotg zijn vastgesteld ter uitvoering van de aanwij"},{"i":16506,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 16 juli 2024, nr. 5601053, tot aanwijzing van het Keurmerkinstituut B.V. als certificerende instelling, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, van de Jeugdwet (Aanwijzingsbesluit certificerende instelling Jeugdwet 2024) Gelet op de [artikelen 3.4, eerste lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=3.4) en [3.1.1, derde lid, van het Besluit Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035779&artikel=3.1.1); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **certificaat of voorlopig certificaat:** certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in [artikel 3.4, tweede lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=3.4); - –. **certificerende instelling:** de certificerende instelling, bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=3.4); - –. **KMI:** het Keurmerkinstituut, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050093&artikel=2&z=2025-10-01&g=2025-10-01); - –. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Artikel 2 Het Keurmerkinstituut B.V., gevestigd te Zoetermeer, wordt aangewezen als certificerende instelling. Artikel 3 Onverminderd [artikel 3.1.5 van het Besluit Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035779&artikel=3.1.5) kan de aanwijzing in ieder geval worden ingetrokken indien KMI niet voldoet aan de bij of krachtens de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) gestelde voorschriften of de voorwaarden, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050093&artikel=4&z=2025-10-01&g=2025-10-01), of zich dusdanig gewijzigde omstandigheden voordoen die ertoe leiden dat er onvoldoende grondslag is om de aanwijzing voort te zetten. Artikel 4 Aan de aanwijzing zijn de volgende voorwaarden verbonden: - a. KMI past bij de besluitvorming inzake de afgifte van een certificaa"},{"i":16507,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 juli 2014, kenmerk 377960-121393-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de bekostiging van de langdurige op behandeling gerichte ggz binnen de Zorgverzekeringswet Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 24 maart 2014 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2013/14, 30 597, nr. 426) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); BESLUIT: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. **langdurige curatieve ggz:** het tweede en derde jaar intramurale geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), zoals gewijzigd bij besluit houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met het zorgpakket Zvw 2015 en wijziging van het [Besluit zorgverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404) in verband met het zorgpakket BES 2015; - d. **maximumtarief:** bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) dat ten hoogste voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - e. **vrij tarief:** tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de langdurige curatieve ggz. Artikel 3. tarieven De zorga"},{"i":16508,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 juni 2015, kenmerk 779917-137789-Z, houdende aanwijzing van de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen als instantie tot gerechtelijke geschillenbeslechting in de zin van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten (Aanwijzingsbesluit geschilleninstantie Zorgverzekeringswet) Gelet op [artikel 16, eerste lid, van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036550&artikel=16); Besluit: Artikel 1 1. De Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen wordt aangewezen als geschilleninstantie in de zin van de [Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036550). 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, is van toepassing op de behandeling van geschillen tussen consumenten en zorgverzekeraars die betrekking hebben op de uitvoering van de zorgverzekering in de zin van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 2 **Dit besluit treedt in werking met ingang van 9 juli 2015. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 8 juli 2015, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 9 juli 2015.** Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit geschilleninstantie Zorgverzekeringswet. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16519,"b":"Administratief Accoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 7 januari 1950 tussen Nederland en Frankrijk gesloten Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid Voor de toepassing van artikel 26 van het op 7 Januari 1950 tussen Nederland en Frankrijk gesloten Algemeen Verdrag hebben de hoogste administratieve Franse en Nederlandse autoriteiten, vertegenwoordigd door: **Van Nederlandse zijde:** de Heer A. M. Joekes, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid; **Van Franse zijde:** de Heer Pierre Garet, Minister van Arbeid en Sociale Zekerheid; de Heer Camille Laurens, Minister van Landbouw; in gemeen overleg de navolgende regelen vastgesteld met betrekking tot de wijze van toepassing van dat Verdrag. TITEL I. Uitvoering van artikel 3 van het Algemeen Verdrag Artikel 1 Wanneer loonarbeiders en met deze gelijkgestelden in een ander land dan dat, waar zij gewoonlijk verblijf houden, werkzaam zijn ten behoeve van een onderneming, welke in het land van hun gewone verblijfplaats is gevestigd en waarbij zij gewoonlijk in dienst zijn, en zij krachtens het bepaalde bij artikel 3, tweede lid, onder a, van het Algemeen Verdrag onderworpen blijven aan de wettelijke regelingen van het land, waar zij gewoonlijk werkzaam zijn, zijn de volgende bepalingen van toepassing: - 1. De werkgever en de belanghebbenden regelen alle zaken met betrekking tot premiebetaling en uitkeringen rechtstreeks met het bevoegde Franse orgaan, wanneer het land, waar zij gewoonlijk werkzaam zijn, Frankrijk is en met het bevoegde Nederlandse orgaan, wanneer het land, waar zij gewoonlijk werkzaam zijn, Nederland is. - 2. Het bevoegde orgaan van het land, waar de belanghebbenden gewoonlijk werkzaam zijn, reikt aan ieder van hen een bewijs uit, waarvan het model door de Technische Commissie, bedoeld in artikel 48, wordt vastgesteld en dat de verklaring bevat, dat de betrokkene onderworpen blijft aan de wetgeving inzake de sociale zekerheid van dat land. Dat bewijs moet zo nodig door de vertegenw"},{"i":16522,"b":"Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 14 februari 1972 te Rabat ondertekende Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake sociale zekerheid Voor de toepassing van de artikelen 14, tweede lid, 23, 26, derde lid, en 28 van het op 14 februari 1972 te Rabat ondertekende [Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001011), hierna aangeduid met de term „Verdrag”, hebben de Nederlandse en Marokkaanse bevoegde autoriteiten, te weten: de Nederlandse Minister van Sociale Zaken en de Nederlandse Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en de Marokkaanse Minister van Arbeid, Sociale Zaken, Jeugd en Sport in gemeen overleg de volgende bepalingen vastgesteld: HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001011) en van dit Akkoord: - a. wordt onder „orgaan” verstaan het lichaam dat belast is met de uitvoering van een of meer van de in artikel 1 van het Verdrag bedoelde wettelijke regelingen; - b. wordt onder „bevoegd orgaan” verstaan het orgaan waarbij de verzekerde is aangesloten op het tijdstip waarop hij prestaties aanvraagt of het orgaan dat hem prestaties verschuldigd is of zou blijven, indien hij in het land woonde waar dit orgaan gevestigd is; - c. wordt onder „woonplaats” of „woonachtig zijn” verstaan de normale verblijfplaats of gewoonlijk verblijven; - d. worden onder „gezinsleden” verstaan de personen die in de wettelijke regelingen van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen als zodanig worden aangemerkt of erkend. Artikel 2 Voor de toepassing van dit Akkoord worden als verbindingsorganen aangewezen: - 1. In Nederland: - a. voor de verstrekkingen in geval van ziekte en moederschap: het College voor Zorgverzekeringen te Amstelveen; - b. voor de ouderdoms- en nabestaandenpensioenen, a"},{"i":16525,"b":"Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tunesië inzake sociale zekerheid Ter uitvoering van de artikelen 18, tweede lid, 25, zesde lid, 30, 36, 39, eerste lid, en 40 van het op 22 september 1978 te Tunis ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tunesië inzake sociale zekerheid (hierna aangeduid met de term „Verdrag\"), hebben de bevoegde Nederlandse en Tunesische autoriteiten in gemeen overleg de volgende bepalingen vastgesteld: TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Akkoord hebben de in artikel 1 van het Verdrag omschreven termen de hun in genoemd artikel toegekende betekenis. Artikel 2 Voor de toepassing van dit Akkoord worden als verbindingsorganen aangewezen: - -. Van Nederlandse zijde: - a. Voor verstrekkingen in geval van ziekte en moederschap: De Ziekenfondsraad te Amstelveen; - b. Voor ouderdoms- en overlevingspensioenen alsmede voor kinderbijslag: De Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen; - c. In alle overige gevallen: het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam. - -. Van Tunesische zijde: - a. Het Nationale Fonds voor Sociale Zekerheid (Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS)) voor de takken van verzekering ziekte, moederschap en overlijden, gezinsuitkeringen, arbeidsongevallen en beroepsziekten; - b. Het Fonds Verzekering Ouderdom, Invaliditeit en Overleving (Caisse d'Assurance Vieillesse, Invalidité et Survie (CAVIS)) voor de takken van verzekering invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen voor nabestaanden) alsmede de verstrekkingen en de gezinsuitkeringen verleend aan de pensioengerechtigden. Artikel 3 1. In het in artikel 8, letter a), van het Verdrag bedoelde geval reikt de hierna genoemde instelling van het land, waarvan de wetgeving van toepassing blijft, de werknemer op verzoek een detacheringsbewijs uit waarin wordt verklaard dat op hem de wetgeving van dit land van toe"},{"i":16526,"b":"Administratief Akkoord voor de toepassing van het op 25 april 1984 te Jeruzalem tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid Overeenkomstig artikel 24 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël, ondertekend te Jeruzalem op 25 april 1984, zijn de bevoegde autoriteiten van de twee Verdragsluitende Partijen, te weten: voor Nederland: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voor Israël: de Minister van Arbeid en Sociale Zaken voor de toepassing van het Verdrag de volgende bepalingen overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Akkoord: - (a). wordt onder „Verdrag\" verstaan het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël, ondertekend te Jeruzalem op 25 april 1984; - (b). hebben de in artikel 1 van het Verdrag omschreven termen de hun in dat artikel toegekende betekenis. Artikel 2 1. De verbindingsorganen overeenkomstig artikel 24 van het Verdrag zijn: - A. in Israël het Nationaal Verzekeringsinstituut, Jeruzalem. - B. in Nederland - a). voor ouderdomspensioenen en pensioenen aan nagelaten betrekkingen en voor kinderbijslagen: de Sociale Verzekeringsbank, Amstelveen; - b). in overige gevallen: het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (National Institute Social Security) p/a GAK Nederland bv, Amsterdam. 2. De taken van de verbindingsorganen zijn uiteengezet in dit Akkoord. Voor de toepassing van het Verdrag kunnen de verbindingsorganen zich zowel rechtstreeks met elkaar als met de betrokken personen of hun vertegenwoordigers in verbinding stellen. Zij zijn elkaar bij de toepassing van het Verdrag behulpzaam. Artikel 3 1. In de in artikel 7, eerste lid, artikel 8, tweede lid, en artikel 9 van het Verdrag bedoelde gevallen verstrekt het in het tweede lid van dit artikel aangewezen orgaan van de Staat, waarvan de wetgeving van toepassing is, een bewijs waarin wordt"},{"i":16528,"b":"Administratief Akkoord voor de uitvoering van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland For the purpose of applying the [Convention on Social Security between the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland and the Kingdom of the Netherlands](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001782) in accordance with the provisions of [Article 28(1) of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001782&artikel=28), the competent authorities of the Parties have agreed the following. PART I. GENERAL PROVISIONS Section 1 1. For the purpose of this Administrative Agreement, “Convention” means the [Convention on Social Security between the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland and the Kingdom of the Netherlands](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001782), signed at The Hague on the 21st of December 2005 2. Other words and expressions used in this Administrative Agreement will have the same meaning as in the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001782). Section 2 1. In accordance with [Article 28(3) of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001782&artikel=28) the following bodies have been designated liaison offices between the competent authorities or competent institutions of both Parties for the purpose of applying the provisions of the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001782). - a). in the United Kingdom: - (i). in Great Britain and Northern Ireland For all contingencies including pension claims for Northern Ireland, except [Articles 7 to 13 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001782&artikel=7) and the provision of Great Britain insurance records for Sickness Benefit, Maternity Benefit and Unemployment Benefit, Department for Work and Pensions The Pension Service International Pension Centre Tyneview Park Newcastle upon Tyne England NE98 1BA; For [Articles 7"},{"i":16538,"b":"Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek inzake sociale verzekering Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en De President van de Italiaanse Republiek, Wensende de betrekkingen inzake sociale verzekering tussen beide Staten te regelen, hebben besloten een daartoe strekkend verdrag te sluiten en hebben daartoe tot Hun gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie de Heer J. W. Beyen, HoogstDerZelver Minister van Buitenlandse Zaken; De President van de Italiaanse Republiek: Zijne Excellentie de Heer Casto Caruso, buitengewoon Gezant en gevolmachtigd Minister van Italië te 's-Gravenhage; Die, na elkaar hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Titel I. ALGEMENE BEGINSELEN Artikel 1 1. Italiaanse of Nederlandse arbeiders, die in loondienst zijn of die krachtens de wettelijke regelingen inzake sociale verzekering, bedoeld in artikel 2 van dit Verdrag, met in loondienst zijnde personen zijn gelijkgesteld (hierna aan te duiden als „arbeiders”), zijn onderscheidenlijk onderworpen aan bedoelde in Nederland en in Italië van toepassing zijnde wettelijke regelingen en ontlenen daaraan rechten, evenals hun rechthebbenden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van elk van beide landen. 2. Nederlandse of Italiaanse onderdanen, die in Italië of in Nederland hun verblijfplaats hebben, kunnen aan de bepalingen inzake de vrijwillige verzekering ingevolge de wettelijke regelingen, genoemd in artikel 2, rechten ontlenen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van het land, waar zij verblijven. Artikel 2 1. De wettelijke regelingen, waarop dit Verdrag van toepassing is, zijn de volgende: - 1). **In Italië:** - a. de wetgeving inzake invaliditeits-, ouderdoms- en weduwen- en wezenverzekering; - b. de wetgeving inzake verzekering tegen bedrijfsongevallen en beroepsziekten; - c. de wetgeving inzake ziekteverz"},{"i":16543,"b":"Regeling van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 28 mei 2025 betreffende de archiefbeheersregels voor de Raad voor Rechtsbijstand Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14). Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, lid c, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1). - b. **Archiefbeheer:** het geheel van werkzaamheden om archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en bewaren, alsmede de archiefbescheiden die daarvoor in aanmerking komen, te vernietigen dan wel over te brengen naar de archiefbewaarplaats. - c. **Archiefbewaarplaats:** archiefbewaarplaats als bedoeld in [artikel 1, lid f, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1). - d. **Commissie:** een commissie als bedoeld in [artikel 8, lid 1, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8). - e. **Dossier:** het geheel van archiefbescheiden ontvangen of opgemaakt door een organisatie, een persoon of een groep personen bij de behandeling van één zaak. - f. **Handboek vervanging:** document waarmee de zorgdrager inzicht geeft in de aspecten van het vervangingsproces als bedoeld in [artikel 26b, Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) en kan aantonen dat zorgvuldig wordt omgegaan met de bevoegdheid tot vervanging, objectieve toetsing van het vervangingsproces mogelijk maakt en onderbouwt in hoeverre de reproductie kan worden vertrouwd als accurate en volledige weergave van het origineel. - g. **Metadata:** gegevens die context, inhoud en structuur van archiefbescheiden en hun beheer door de tijd heen beschrijven. - h. **Metadataschema:** metagegevensschema als bedoeld in [artikel 17, lid 1, Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl"},{"i":16544,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 1 mei 2007, Directie GOB/DIV/2007/14583, houdende een beperking van de openbaarheid voor de inventarisnummers 15, 16 tot en met 25, 30, 56, 88, 89, 111 en 122 uit het historische bestand van personeelsleden die met ontslag zijn gegaan in de periode (1932) 1933–1991 (Archiefregeling historische personeelsdossier Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden uit het historische bestand van personeelsleden van het Ministerie de in het volgende lid genoemde beperking gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 15, 16 tot en met 25, 30, 56, 88, 89, 111 en 122 is slechts mogelijk na voorafgaande toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van het verzoek geschiedt door invulling en ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. 3. De bescheiden van de hierboven genoemde inventarisnummers worden openbaar op: - –. inventarisnummer 15 op 1 januari 2022 - –. inventarisnummers 16 tot en met 25 op 1 januari 2022 - –. inventarisnummer 30 op 1 januari 2011 - –. inventarisnummer 56 op"},{"i":16539,"b":"Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake de sociale zekerheid Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw de Groothertogin van Luxemburg wensende de rechten, voortvloeiende uit de wetten betreffende de sociale zekerheid, van kracht in beide verdragsluitende Staten, te waarborgen voor personen, op wie die wetten van toepassing zijn of van toepassing zijn geweest, hebben besloten een verdrag te sluiten en hebben daartoe tot Haar Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Mr. A. M. Joekes, Minister van Sociale Zaken, Zijne Excellentie Jhr G. L. van der Maesen de Sombreff, Gevolmachtigd Minister, Zaakgelastigde a.i. der Nederlanden; en Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw de Groothertogin van Luxemburg: Zijne Excellentie Pierre Dupong, Minister van Staat, Minister-President, Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg, Zijne Excellentie Eugène Schaus, Minister van Binnenlandse Zaken en van Justitie, die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen nopens de volgende bepalingen: TITEL I. ALGEMENE BEGINSELEN Artikel 1 Nederlandse of Luxemburgse onderdanen, die in loondienst zijn of die bij de wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid, bedoeld in artikel 2 van dit verdrag, met in loondienst zijnde personen zijn gelijkgesteld, zijn onderscheidenlijk onderworpen aan bedoelde in het Groothertogdom Luxemburg of in Nederland van toepassing zijnde wettelijke regelingen en ontlenen daaraan rechten onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van elk van beide landen. Artikel 2 1. De wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid, waarop dit verdrag van toepassing is, omvatten: - a). de wettelijke regelingen inzake de ziekteverzekering, daaronder begrepen die inzake de geneeskundige verzorging en die inzake de moederschapsuitkeringen; - b). de wettelijke regelingen inzake de verze"},{"i":16550,"b":"Wet van 2 november 2000 tot vaststelling van een Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en daarmee verband houdende wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de jeugdhulpverlening alsmede enige andere wetten (Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een integrale regeling te treffen voor de materiële en formele rechtspositie ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt door verblijf in een justitiële jeugdinrichting dan wel door deelname aan een scholings- en trainingsprogramma en in verband daarmede het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en de [Wet op de jeugdhulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004608) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. inrichting: justitiële jeugdinrichting als bedoeld in [artikel 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&hoofdstuk=II&paragraaf=1&artikel=3a&z=2023-01-01&g=2023-01-01); - c. particuliere inrichting: een inrichting die door Onze Minister wordt gesubsidieerd; - d. rijksinrichting: een inrichting die door Onze Minister in stand wordt gehouden; - e. afdeling: een afdeling van een inrichting als bedoeld in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&hoofdstuk=III&artikel=8&z=2023-01-01&g=2023-01-01); - f. afdelingshoofd: een personeelslid dat of medewerker die namens de directeur is belast met de verantwoordelijkheid voor het beheer van een afdeling; - g. jeugdige: een persoon ten aanzien v"},{"i":16541,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 11 januari 2024, nr. 5125931, houdende algemene aanwijzingen inzake de afgifte van tijdelijke certificaten aan jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsinstellingen (Algemene aanwijzingen tijdelijk certificaat jeugdbescherming en jeugdreclassering 2024) Gelet op [artikel 3.1.4, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035779&artikel=3.1.4); Besluit: Artikel 1 In deze algemene aanwijzingen wordt verstaan onder: - –. **beëindigingscertificaat:** beëindigingscertificaat als bedoeld in [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049304&artikel=4&z=2024-03-01&g=2024-03-01); - –. **certificaat:** certificaat als bedoeld in [artikel 3.4 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=3.4); - –. **certificerende instelling:** certificerende instelling als bedoeld in [artikel 3.4 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=3.4); - –. **overbruggingscertificaat:** overbruggingscertificaat als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049304&artikel=4&z=2024-03-01&g=2024-03-01); - –. **tijdelijk certificaat:** tijdelijk certificaat als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049304&artikel=3&z=2024-03-01&g=2024-03-01). Artikel 2 De certificerende instelling beoordeelt, indien zij overweegt om een eerder verleend certificaat te schorsen, te beëindigen, het toepassingsgebied daarvan te beperken, of niet te verlengen, of de verlening van een tijdelijk certificaat noodzakelijk is ter borging van de continuïteit van de bij de betrokken gecertificeerde instelling lopende jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen. Artikel 3 1. Voor zover dat noodzakelijk is ter borging van de continuïteit van de jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen, verleent de certificerende instelling aan de betrokken gecertificeerde instelling een tijdelijk certificaat, mi"},{"i":16560,"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg Zorgkantoor Menzis Gelet op [artikel 5.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18) en de daarin besloten bevoegdheid om, bij de verlening van een persoonsgebonden budget aan de verzekerde, verplichtingen op te leggen die betrekking hebben op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Besluit: Artikel 1 Zorgkantoor Menzis hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg Zorgkantoor Menzis. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst. Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb-zorg Inleiding Per 1 januari 2026 is [artikel 5.18 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18) gewijzigd. De bevoegdheid van zorgkantoren om aanvullende verplichtingen op te leggen met betrekking tot de kwaliteit en doelmatigheid van in te kopen pgb-zorg is verduidelijkt. De Centrale Raad van Beroep1[ECLI:NL:CRVB:2022:250, Centrale Raad van Beroep, 19/1548 WLZ](https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CRVB:2022:250) is van oordeel dat de systematiek van het trekkingsrecht in het Wlz-pgb zoveel mogelijk controle aan de voorkant vereist. Het is de bedoeling dat door de controle aan de voorkant wordt geborgd dat het pgb aan zorg, waarin de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voorziet, wordt besteed. Dit betekent dat het zorgkantoor bij elke nieuwe aanvraag of wijziging vooraf controles uitvoert met als doel om budgethouders te beschermen tegen terugvorderingen achteraf. Is de gewenste zorgi"},{"i":16565,"b":"Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in artikel 56a van de Wmg. Op grond van [artikel 56a, tweede lid, onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a) geeft de NZa op aanvraag toepassing aan [artikel 56a, eerste tot en met negende lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). Gelet op [artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS een tweetal aanwijzingen op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Deze aanwijzingen dateren van 25 september 2019 en 27 juni 2023 en hebben respectievelijk als kenmerk 1533873-190928-PZo en 3381555-1030850-PZO. Op de beschikbaarheidbijdrage zijn titel 4.2 (‘subsidies’) en 4.4 (‘bestuursrechtelijke geldschulden’) van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), het [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971) en het Besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011 (C(2011)9380) van toepassing. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Academische zorg:** Het uitvoeren van topreferente zorg, innovatieve zorg en de ontwikkeling van nieuwe vormen van diagnostiek en behandeling. De omschrijving van academische zorg is opgenomen in [onderdeel B van de bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](onbekend) (Stb. 2012, 396). - **Academische zorgomzet:** De zorgomzet, inclusief het opleidingsfonds en de beschikbaarheidbijdragen, maa"},{"i":16566,"b":"Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg 2024–2043, Nederlandse Zorgautoriteit Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheidtot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). Gelet op [artikel 59, onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS met brief van 10 maart 2020, met kenmerk [1642169-201362-CZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043287) ten behoeve van de voorliggende beleidsregel, een aanwijzing op grond van [artikel 7 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 10 maart en heeft als kenmerk 1642169-201362-CZ. Deze aanwijzing is gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 15715. Op de beschikbaarheidbijdrage is [titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) (‘subsidies’) van toepassing. Artikel 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op academische zorg die betrekking heeft op medisch specialistische zorg geleverd door universitaire medische centra en het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Doel van deze beleidsregel is het bekostigen van kapitaallasten in verband met academische zorg die betrekking heeft op medisch specialistische zorg. Artikel 3. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Besluit:** [Besluit Beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971) van 24 augustus 2012, Staatsblad 2012, nr. 396. - **Academische zorg:** Hieronder wordt verstaan het uitvoeren van topreferente zorg en innovati"},{"i":16569,"b":"Beleidsregel Budgettair kader Wlz 2026 **Grondslag** Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 49e, zevende lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=49e) verdeelt de NZa het door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) vastgestelde bedrag dat beschikbaar is voor het verlenen van zorg in natura (zin) over de (zorgkantoor)regio’s als bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) (Wlz). Gelet op [artikel 49e, zesde lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=49e) informeert de NZa de Minister van VWS over relevante ontwikkelingen met betrekking tot de in dat artikel bedoelde landelijke bedragen voor zin, alsmede de regionale bedragen voor de verstrekking van persoonsgebonden budgetten (pgb) en voor de overige uitvoeringskosten. Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **basisbudget:** Wlz-kader, stand kader 2025, zoals opgenomen in de Definitieve kaderbrief Wlz 2026 en het indicatieve Wlz-kader voor de jaren 2027-2030 van 16 september 2025 (kenmerk 4208786-1087253-LZ; hierna: Definitieve kaderbrief Wlz 2026). De structurele overhevelingen die tot 1 oktober 2025 zijn gedaan, zijn hierin meegenomen. Incidentele overhevelingen worden niet meegenomen in het basisbudget. - **bruteringseffect:** het effect dat ontstaat wanneer middelen worden overgeheveld van zin naar pgb en andersom, of van overige uitvoeringskosten naar pgb. Hierbij wordt rekening gehouden met een gemiddelde onderuitputting van het pgb-subsidieplafond van 14%. Bij overhevelingen bi"},{"i":16571,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 5 juli 2013, nr. WJZ/13118300, houdende bijzondere regels betreffende concentraties van zorgaanbieders en zorgverzekeraars Gelet op [artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21) en [artikel 5d van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=5d); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **cliëntenraad:** cliëntenraad als bedoeld in [artikel 2 van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007920&artikel=2); - b. **zorg:** zorg als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van het Besluit van 6 december 2007, houdende tijdelijke verruiming van het toepassingsbereik van het concentratietoezicht op ondernemingen die zorg verlenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023022&artikel=1) (Stb. 2007, 518); - c. **zorgaanbieder:** onderneming die zorg verleent; - d. **zorgverzekeraar:** zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - e. **concentratie van zorgaanbieders:** concentratie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit van 6 december 2007, houdende tijdelijke verruiming van het toepassingsbereik van het concentratietoezicht op ondernemingen die zorg verlenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023022&artikel=1) (Stb. 2007, 518); - f. **concentratie van zorgverzekeraars:** concentratie als bedoeld in [artikel 27 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=27) van zorgverzekeraars; - g. **ACM:** Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in [artikel 2 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - h. **mededeling:** mededeling van de ACM of voor een concentratie een vergunning is vereist als bedoeld in [artikel 37, eerste lid, van"},{"i":16573,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 december 2005, nr. MC/MO-2641215, houdende vaststelling van een beleidsregel ex. artikel 13 van de Wet tarieven gezondheidszorg inzake de vaststelling van de contracteerruimte 2006 voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Gelet op [artikel 13 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=13); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brieven van 17 oktober 2005, kenmerk MC/MO-2621194 en MC/MO-2621191); Besluit: Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1, onder A, nummers 10, 16a en 16b van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1). Ter uitvoering van de [artikelen 3 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019218&artikel=3&z=2005-12-21&g=2005-12-21) van dit besluit stelt het College Tarieven Gezondheidszorg beleidsregels vast voor de in de eerste volzin bedoelde organen. Artikel 2 Deze beleidsregel verstaat onder: - a. het College: het College Tarieven Gezondheidszorg; - b. totale contracteerruimte: het totale bedrag – exclusief de in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019218&artikel=6&z=2005-12-21&g=2005-12-21) geoormerkte gelden – dat maximaal beschikbaar is voor het maken van de voor toetsing relevante productieafspraken tussen zorgkantoren en zorgaanbieders; - c. contracteerruimte per zorgkantoorregio: het aan een zorgkantoorregio toegerekende aandeel in de totale contracteerruimte. Artikel 3 Het College berekent de totale contracteerruimte, als bedoeld in [artikel 2, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019218&artikel=2&z=2005-12-21&g=2005-12-21), voor het jaar 2006 als volgt: - a. Startpunt is de som van de totale gehonoreerde productieafspraken 2005 ten laste van de contracteerruimte 2005 en de niet benutte contracteerruimte over he"},{"i":16575,"b":"Beleidsregel experiment integrale prestaties verpleging en verzorging Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Onder verwijzing naar [artikel 58 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58), is in de voorliggende beleidsregel een experiment opgenomen. De daartoe vereiste [aanwijzing van 17 juli 2023 met kenmerk 3613517-1050013-PZO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048443), bedoeld in [artikel 59, aanhef en onder f, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), is door de Minister voor Langdurige Zorg met brief van 17 juli 2023, met kenmerk 3613517-10500013-PZo, aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing is gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 2023, 20725, d.d. 25 juli 2023. Die aanwijzing is door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gewijzigd bij [aanwijzing van 16 oktober 2024 met kenmerk 3968506-1071223-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050326) aan de NZa. Deze aanwijzing is gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 2024, 34535, d.d. 25 oktober 2024. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **dag:** een dag betreft een kalenderdag. - **declaratie:** het in rekening brengen van de verrichte prestatie(s) door de zorgaanbieder aan de cliënt of de zorgverzekeraar. - **kwartaal:** een kwartaal betreft de periode januari t/m maart, april t/m juni, juli t/m september of oktober t/m december. - **maand:** een maand betreft een kalendermaand. - **tarief:** de prijs voor een prestatie, een deel van een prestatie of geheel van prestaties van een zorgaanbieder ([artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl"},{"i":16576,"b":"Beleidsregel experiment patiëntengroepsgebonden afstemming binnen Zvw-verzekerde zorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Onder verwijzing naar [artikel 58 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58), is in de voorliggende beleidsregel een experiment opgenomen. De daartoe vereiste aanwijzing van 19 april 2024 met kenmerk 3805336-1064180-PZO, bedoeld in [artikel 59, aanhef en onder f, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), is door de Minister van aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - 1. **patiëntengroepsgebonden afstemming:** afstemming van zorg en ondersteuning voor specifieke categorieën verzekerden, niet zijnde voor individuele verzekerden; - 2. **Minister:** Minister voor Medische Zorg; - 3. **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit; - 4. **Wmg:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - 5. **zorgaanbieder:** - a. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - b. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder a; Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van patiëntengr"},{"i":16581,"b":"Beleidsregel gevolmachtigde Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid Gelet op [artikel 5.11 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.11) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen of een gevolmachtigde namens een Wlz-verzekerde het pgb-beheer op zich mag nemen, besluit: Artikel 1 Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid. Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het zorgkantoor is uitvoerder van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz). De Wlz komt in beeld als vangnet voor mensen als ze niet (meer) in staat zijn om voor zichzelf te zorgen ondanks steun van de omgeving, zorgverzekeraar of gemeente. Wlz zorg kan ingekocht worden met een persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor heeft tot taak om voorafgaand aan de inkoop van zorg te controleren in hoeverre de zorg inhoudelijk aan de voorwaarden van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voldoet en of het pgb-beheer voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de verplichtingen bij het pgb. Het zorgkantoor bekijkt of de budgethouder en/of diens vertegenwoordiger aan die verplichtingen kan voldoen. Het zorgkantoor kan besluiten dat een Wlz-verzekerde alleen een pgb-Wlz krijgt als er iemand is die de Wlz-verzekerde ondersteunt. Dat wordt een gevolmachtigde genoemd. Hoofdstuk 1. Definities De begripsbepalingen van [artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1) (Wlz), [artikel 1.1.1 van het Besluit langdurige zorg](https://w"},{"i":16582,"b":"Beleidsregel gevolmachtigde VGZ Zorgkantoor Gelet op [artikel 5.11 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.11) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen of een gevolmachtigde namens een Wlz-verzekerde het pgb-beheer op zich mag nemen, besluit: Artikel 1 VGZ Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde VGZ Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het zorgkantoor is uitvoerder van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz). De Wlz komt in beeld als vangnet voor mensen als ze niet (meer) in staat zijn om voor zichzelf te zorgen ondanks steun van de omgeving, zorgverzekeraar of gemeente. Wlz zorg kan ingekocht worden met een persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor heeft tot taak om voorafgaand aan de inkoop van zorg te controleren in hoeverre de zorg inhoudelijk aan de voorwaarden van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voldoet en of het pgb-beheer voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de verplichtingen bij het pgb. Het zorgkantoor bekijkt of de budgethouder en/of diens vertegenwoordiger aan die verplichtingen kan voldoen. Het zorgkantoor kan besluiten dat een Wlz-verzekerde alleen een pgb-Wlz krijgt als er iemand is die de Wlz-verzekerde ondersteunt. Dat wordt een gevolmachtigde genoemd. Hoofdstuk 1. Definities De begripsbepalingen van [artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1) (Wlz), [artikel 1.1.1 van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=1.1.1) (Blz) en [artikel 1.1 van d"},{"i":16583,"b":"Beleidsregel gevolmachtigde Zilveren Kruis Zorgkantoor Gelet op [artikel 5.11 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.11) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen of een gevolmachtigde namens een Wlz-verzekerde het pgb-beheer op zich mag nemen, besluit: Artikel 1 Zilveren Kruis Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde Zilveren Kruis Zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het zorgkantoor is uitvoerder van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz). De Wlz komt in beeld als vangnet voor mensen als ze niet (meer) in staat zijn om voor zichzelf te zorgen ondanks steun van de omgeving, zorgverzekeraar of gemeente. Wlz zorg kan ingekocht worden met een persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor heeft tot taak om voorafgaand aan de inkoop van zorg te controleren in hoeverre de zorg inhoudelijk aan de voorwaarden van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voldoet en of het pgb-beheer voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de verplichtingen bij het pgb. Het zorgkantoor bekijkt of de budgethouder en/of diens vertegenwoordiger aan die verplichtingen kan voldoen. Het zorgkantoor kan besluiten dat een Wlz-verzekerde alleen een pgb-Wlz krijgt als er iemand is die de Wlz-verzekerde ondersteunt. Dat wordt een gevolmachtigde genoemd. Hoofdstuk 1. Definities De begripsbepalingen van [artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1) (Wlz), [artikel 1.1.1 van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=1"},{"i":16584,"b":"Beleidsregel gevolmachtigde Zorgkantoor DSW Gelet op [artikel 5.11 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.11) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen of een gevolmachtigde namens een Wlz-verzekerde het pgb-beheer op zich mag nemen, besluit: Artikel 1 Zorgkantoor DSW hanteert beleidsregels bij het beoordelen of een gevolmachtigde voldoende waarborg biedt ten aanzien van de nakoming van verplichtingen bij het pgb. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: beleidsregel gevolmachtigde Zorgkantoor DSW. Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het zorgkantoor is uitvoerder van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz). De Wlz komt in beeld als vangnet voor mensen als ze niet (meer) in staat zijn om voor zichzelf te zorgen ondanks steun van de omgeving, zorgverzekeraar of gemeente. Wlz zorg kan ingekocht worden met een persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor heeft tot taak om voorafgaand aan de inkoop van zorg te controleren in hoeverre de zorg inhoudelijk aan de voorwaarden van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voldoet en of het pgb-beheer voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de verplichtingen bij het pgb. Het zorgkantoor bekijkt of de budgethouder en/of diens vertegenwoordiger aan die verplichtingen kan voldoen. Het zorgkantoor kan besluiten dat een Wlz-verzekerde alleen een pgb-Wlz krijgt als er iemand is die de Wlz-verzekerde ondersteunt. Dat wordt een gevolmachtigde genoemd. Hoofdstuk 1. Definities De begripsbepalingen van [artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1) (Wlz), [artikel 1.1.1 van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=1.1.1) (Blz) en [artikel 1.1 van d"},{"i":16585,"b":"Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 53, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=53) juncto [52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven en prestatiebeschrijvingen die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59, onderdeel b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met brief van 14 juli 2014, met kenmerk [642423-123512-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035401), en brief van 11 juli 2017, met kenmerk 1153348-165402, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel aanwijzingen op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **zorgaanbieder:** - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - **Multidisciplinaire"},{"i":16586,"b":"Beleidsregel integrale bekostiging geboortezorg BR/REG-23130, Nederlandse Zorgautoriteit Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met brief van 13 juni 2022, met kenmerk 1030460-3378059-PZo, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing is gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 2022, 16848. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Cliënt** Zwangere vrouw die zich met haar zorgvraag wendt tot de zorgaanbieder. - **Integrale geboortezorg** In multidisciplinair verband geleverde geboortezorg die bestaat uit de volgende bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) omschreven soorten zorg: - a. geneeskundige zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), hierbij gaat het om: - •. medisch specialistische zorg voor zover deze betreft: - ○. obstetrische zorg met uitzondering van high care obstetrische zorg, geavanceerd ultrageluid onderzoek en niet invasieve prenatale test (NIPT) voor hoog-risico zwangeren. - ○. antenatale consultatieve kindergeneeskundige zorg, en - ○. eerstelijnsdiagnostiek voor zover die samenhangt met de zorgvraag van de cliënt. - •. verloskundige zorg, uitgezonderd preconceptiezorg en anticonceptiezorg voor zover het niet de voorlichting over anticonceptie betreft."},{"i":16587,"b":"Beleidsregel jeugdtandverzorging instellingen Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Gelet op [artikel 59, aanhef en onderdeel b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS met brief van 12 juli 2012, met kenmerk MC-U-3122855, ten behoeve van voorliggende beleidsregel een [aanwijzing op grond van artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031816) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Instelling voor jeugdtandverzorging** Een instelling voor jeugdtandverzorging kenmerkt zich door mondzorgverleners met specifieke deskundigheden en vaardigheden alsmede faciliteiten ten behoeve van consultatie, diagnostiek en behandeling verleent aan patiënten tot 18 jaar. De gebitsverzorging aan de deelnemende patiënten vindt plaats in een dental-car (tandartsbus) of andere mobiele praktijkruimte bij de (basis)school van de deelnemende kinderen of in het behandelcentrum. Indien de deelnemende kinderen per taxibus worden gehaald van de scholen voor controle en (preventieve) behandeling op een behandelcentrum, is sprake van de zogenaamde haalservice. Indien de kinderen worden gezien voor controle en (preventieve) behandeling op een dental-car of andere mobiele praktijkruimte bij de (basis)school van de deelnemende kinderen betreft dit de zogenaamde brengservice. - **Tarieven instelling voor jeugdtandverzorging** Een instelling vo"},{"i":16588,"b":"Beleidsregel ketenaanpak zorg en ondersteuning voor kinderen met overgewicht en obesitas Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS met brief van 26 juni 2018, met kenmerk 1342565-176534-PZO, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Centrale zorgverlener (CZV)** De centrale zorgverlener begeleidt en coördineert de juiste ondersteuning en zorg op het juiste moment door de juiste professional voor het kind en gezin. De centrale zorgverlener zorgt voor de samenhang in de aanpak, maar behandelt zelf niet. De centrale zorgverlener werkt vanuit een brede blik, domein overstijgend en als spin in het web. Zeker bij multi-problematiek is dat een belangrijke voorwaarde voor succes omdat het kind/gezin met vele verschillende hulp-/zorgverleners te maken kan krijgen. De centrale zorgverlener zet in op het versterken van het zelfmanagement van het kind/gezin zodat het steeds meer zelfstandig in staat is om duurzame gedragsverandering te bereiken. - **Gecombineerde leefstijlinterventie kinderen (GLI):** Interventies gericht op het verminderen van de energie-inname, het verhogen van de lichamelijke activiteit en eventuele toevoeging op maat van psychologische interventies ter ondersteuning van de gedragsverandering. - **Kwartaal:** Een periode van drie maanden welke kan ingaan op iedere willekeurige datum in het jaar. - **NZa:** Nederlandse Zorgautorite"},{"i":16589,"b":"Beleidsregel knelpuntenprocedure budgettair kader Wlz **Grondslag** Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **beschikbare onderproductie:** productie die een zorgaanbieder beschikbaar stelt omdat zijn totaal financieel gerealiseerde productie kleiner is dan de gehonoreerde productieafspraak. - **dreigend knelpunt:** de verwachting dat binnen vier weken een knelpunt ontstaat. - **gehonoreerde productieafspraak:** de productieafspraak (i) verminderd met de door de NZa verwerkte financiële korting(en) die per zorgaanbieder is/zijn doorgevoerd als gevolg van overschrijding van reguliere en/of geoormerkte contracteerruimte en (ii) aangepast in verband met de verdere toetsing van de productieafspraak aan de beleidsregels en regelingen van de NZa. - **knelpunt:** de situatie waarin de Wlz-uitvoerder/het zorgkantoor, volgens de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048521&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze beleidsregel genoemde voorwaarden, kan aantonen dat niet kan worden voldaan aan de zorgplicht. Binnen de regionale contracteerruimte kan onvoldoende zorg worden gecontracteerd. Dit heeft tot gevolg dat cliënten met een geldige Wlz-indicatie in deze regio binnen de Treeknormen geen toegang hebben tot de voor hen geïndiceerde zorg in natura. Daarnaast kan het zo zijn dat het regionale financiële kader voor persoonsgebonden budgetten ontoereikend is, waardoor cliënten met een geldige Wlz-indicatie geen aanspraak (meer) kunnen maken op een persoonsgebonden budget. - **onderproductie:** er is sprake van onderproductie als de totaal financieel gerealiseerde productie, na correcties als bedo"},{"i":16592,"b":"Beleidsregel kraamzorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Kraamzorg:** Zorg als omschreven in [artikel 2.11 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.11). - **Inschrijving:** Onder inschrijving worden de volgende handelingen verstaan: - −. het verwerken van de (telefonische) aanmelding; - −. het toesturen van informatiemateriaal en het inschrijfformulier; - −. het op basis van het ingevulde inschrijfformulier verrichten van diverse administratieve handelingen; - −. het plannen van het op termijn in te zetten personeel. - **Intake:** De intake betreft: De intake vindt plaats: - −. het verkennen en verduidelijken van de hulpvraag van de cliënt; - −. het inventariseren van de zorgbehoefte; en - −. het met inachtneming van de volgende criteria: objectief bepalen welke hulp naar inhoud en omvang en kwaliteit nodig is op grond waarvan verantwoorde beslissingen omtrent inzet en financiering van zorg mogelijk zijn, mede ter effectuering van de zorgaanspraken. - −. noodzakelijkheidsprincipe; - −. aanvullend op eigen mogelijkheden; - −. ontbreken van deskundigheid; - −. preventie; en - −. bijsturing, - −. of bij de cliënt thuis; - −. of op afstand. - **Assistentie van kraamzorg bij de bevalling:** Het voorbereiden op, het assisteren bij de bevalling en het verzorgen van moeder en kind direct na de bevalling. De assistentie"},{"i":16594,"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2024 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Gelet op [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) worden grenzen die uit deze beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met brief van 14 juli 2014, kenmerk 642423-123512-MC, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van huisartsenzorg, indien de Minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2024 verkregen uit declaratie van de prestaties huisartsenzorg. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2023 ontvangt van de Minister, met daarin voor 2024 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende"},{"i":16595,"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2025 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Gelet op [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) worden grenzen die uit deze beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met brief van 14 juli 2014, kenmerk 642423-123512-MC, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Besluit Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van huisartsenzorg, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2025 verkregen uit declaratie van de prestaties huisartsenzorg. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2024 ontvangt van de minister, met daarin voor 2025 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op grond van [artikel 35,"},{"i":16597,"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument kortdurende zorg 2024 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel f, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) worden grenzen, als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), die uit deze beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59, aanhef en onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met een brief van 7 juli 2016, met kenmerk 984908-152560-MC ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Gelet op [artikel 59, aanhef en onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister voor Medische Zorg met brieven van 3 juli 2019, met kenmerk 1549124-192760-PZO en van 29 juni 2020, met kenmerk 1708250-207156-PZO, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Gelet op [artikel 59, aanhef en onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister voor Medische Zorg met een brief van 4 juni 2021, met kenmerk 2369290-1009887-PZO ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&art"},{"i":16598,"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument kortdurende zorg 2025 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel f, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) worden grenzen, als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), die uit deze beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59, aanhef en onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met een brief van 7 juli 2016, met kenmerk 984908-152560-MC ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Gelet op [artikel 59, aanhef en onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister voor Medische Zorg met brieven van 3 juli 2019, met kenmerk 1549124-192760-PZO en van 29 juni 2020, met kenmerk 1708250-207156-PZO, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Gelet op [artikel 59, aanhef en onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister voor Medische Zorg met een brief van 4 juni 2021, met kenmerk 2369290-1009887-PZO ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&art"},{"i":16599,"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument kortdurende zorg 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel f, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) worden grenzen, als bedoeld in[artikel 50, tweede lid, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), die uit deze beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59, aanhef en onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met een brief van 7 juli 2016, met [kenmerk 984908-152560-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038289) ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Gelet op [artikel 59, aanhef en onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister voor Medische Zorg met brieven van 3 juli 2019, met [kenmerk 1549124-192760-PZO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042399) en van 29 juni 2020, met [kenmerk 1708250-207156-PZO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043857), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Gelet op [artikel 59, aanhef en onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister voor Medische Zorg met een brief van 4 juni 2021, met [kenmerk 2369290-100988"},{"i":16600,"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2024 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Gelet op [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) worden grenzen die uit deze beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met brief van 14 juli 2014, kenmerk 642423-123512-MC, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van multidisciplinaire zorg, indien de Minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2024 verkregen uit declaratie van de prestaties multidisciplinaire zorg. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2023 ontvangt van de Minister, met daarin voor 2024 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op gro"},{"i":16601,"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2025 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Gelet op [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) worden grenzen die uit deze beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met brief van 14 juli 2014, kenmerk [642423-123512-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035401), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van multidisciplinaire zorg, indien de Minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2025 verkregen uit declaratie van de prestaties multidisciplinaire zorg. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2024 ontvangt van de Minister, met daarin voor 2025 de macro-omzetgrens. - **"},{"i":16602,"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Gelet op [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) worden grenzen die uit deze beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met brief van 14 juli 2014, kenmerk 642423-123512-MC, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van multidisciplinaire zorg, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2026 verkregen uit declaratie van de prestaties multidisciplinaire zorg. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2025 ontvangt van de minister, met daarin voor 2026 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op gro"},{"i":16603,"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2024 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van artikel 50, tweede lid, van de Wmg. Gelet op [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) worden grenzen, die uit deze beleidsregel voortvloeien, ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met brief van 16 juli 2014, kenmerk 378012-121397-MC, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van artikel 7 van de Wmg aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van verpleging en verzorging, indien de Minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2024 verkregen uit declaratie van de prestaties verpleging en verzorging. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2023 ontvangt van de Minister, met daarin voor 2024 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), en [artikel 50, tweede l"},{"i":16604,"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2025 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Gelet op [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) worden grenzen, die uit deze beleidsregel voortvloeien, ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met brief van 16 juli 2014, kenmerk 378012-121397-MC, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van verpleging en verzorging, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2025 verkregen uit declaratie van de prestaties verpleging en verzorging. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2024 ontvangt van de minister, met daarin voor 2025 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee o"},{"i":16605,"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van artikel 50, tweede lid, van de Wmg. Gelet op [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) worden grenzen, die uit deze beleidsregel voortvloeien, ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met [brief van 16 juli 2014, kenmerk 378012-121397-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035404), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van verpleging en verzorging, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2026 verkregen uit declaratie van de prestaties verpleging en verzorging. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2025 ontvangt van de minister, met daarin voor 2026 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op grond van"},{"i":16607,"b":"Beleidsregel Meerzorg pgb Salland Zorgkantoor gelet op [artikel 2.2 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen in hoeverre er sprake is van een zorgprofiel overstijgende zorgbehoefte, en gelet op [artikel 5.1e Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.1e) en de daarin besloten bevoegdheid om af te wijken van de bedragen genoemd in [bijlage H Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&bijlage=H); besluit: Artikel 1 Salland Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 tot en met 4 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel Meerzorg pgb Salland Zorgkantoor Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het kan gebeuren dat een Wlz-geïndiceerde meer zorg nodig heeft dan op grond van zijn indicatie mogelijk is. In bepaalde gevallen is het budget van het zorgprofiel onvoldoende om passende zorg thuis te bieden. Zorgkantoren kijken dan naar de aard van zorg zoals verwoord in de beschrijving van het zorgprofiel1Bijlage A. bij artikel 2.1 van de Regeling langdurige zorg of van daaruit sprake is van een bijzondere zorgbehoefte die niet passend is in die beschrijving. Het uitgangspunt van zorgkantoren is dat er recht is op een budget dat toereikend is om op passende wijze te voorzien in de zorgbehoefte. De zorgbehoefte is daarmee leidend. De zorgbehoefte van de verzekerde is de behoefte aan zorg die medisch en zorginhoudelijk noodzakelijk is. Tegelijkertijd draagt het zorgkantoor de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met gemeenschapsgelden en onnodige uitgaven te voorkomen. In de beoordeling van Meerzorg kijkt het zorgkantoor kritisch naar de doelmatigheid en"},{"i":16608,"b":"Beleidsregel Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 december 2025, kenmerk 4292751-1091287-MEVA, omtrent de nadere concretisering van de vereisten die gelden om aangewezen te worden als opleidingsinstelling als bedoeld in het Besluit gezondheidszorgpsycholoog Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009467&artikel=4), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009467&artikel=7) en [10 van het Besluit gezondheidszorgpsycholoog](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009467&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Besluit:** het [Besluit gezondheidszorgpsycholoog](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009467); - b. **IOP:** individueel opleidingsplan; - c. **OI:** onderwijsinstelling; - d. **POI:** praktijkopleidingsinstelling. Artikel 2. Supervisiesessies 1. De supervisiesessies, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009467&artikel=4), worden gegeven door een externe supervisor en vindt buiten de directe werkstroom plaats. 2. De focus van supervisiesessies ligt op professionele ontwikkeling en integratie van theorie en praktijk. 3. De supervisor is onafhankelijk. 4. De kwaliteit van de supervisie wordt geborgd en geëvalueerd. 5. De uren supervisie zijn verspreid over de totale opleidingsperiode en sluiten aan op het leerstadium van de opleideling. Er wordt in het eerste jaar van de opleiding gestart met supervisie. 6. Supervisie staat los van werkplekbegeleiding en praktijkbegeleiding, als bedoeld in [artikel 7, onderdeel d, onder 2°, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009467&artikel=7). Artikel 3. Evenwichtige verhouding opleiding en werkervaring 1. Het bepaalde, in [artikel 7, onderdeel b, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":16609,"b":"Beleidsregel normatieve huisvestingscomponent (nhc) en normatieve inventariscomponent (nic) geestelijke gezondheidszorg, forensische zorg en langdurige zorg **Grondslag** Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Centrum Zorg en Bouw/TNO:** Expertisecentrum met betrekking tot specifieke deskundigheid op het gebied van bouw van zorgvoorzieningen in Nederland. Het centrum is onderdeel van TNO. Vanaf 1 januari 2016 is het Centrum Zorg en Bouw opgenomen binnen het Innovatie Centrum Bouw. - **forensische zorg:** Forensische zorg als bedoeld in [artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1), voor zover gepaard gaand met verblijf. - **geneeskundige ggz:** Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), voor zover gepaard gaand met verblijf. - **inventaris:** Roerende medische en andere zaken die in en om het gebouw aanwezig zijn. Onder inventaris wordt ook computerapparatuur en -programmatuur begrepen. Vervoermiddelen zijn geen inventaris. - **normatieve huisvestingscomponent (nhc):** Een integraal onderdeel van het tarief dat dient als normatieve vergoeding voor nieuwbouw en instandhouding. Deze vergoeding bestaat uit een jaarlijks geïndexeerde bijdrage die voldoende is om, over de gehele levenscyclus van een nieuwbouwvoorziening, de rente-, afschrijvings- en instandhoudingsuitgaven te dekken. - **normatieve inventariscomponent (nic):** Een integraal onderdeel van het tarief dat dient als normatieve vergoeding voo"},{"i":16610,"b":"Beleidsregel normenkader Wlz-uitvoerder De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt op grond van [artikel 16, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) (Wmg) toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) door Wlz-uitvoerders. Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (Awb), stelt de NZa beleidsregels vast met betrekking tot een haar toekomende of onder haar verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheid. Dit normenkader is hier een uitwerking van. Artikel 1. Begripsbepalingen Voor de begrippen die in deze beleidsregel voorkomen wordt verwezen naar de Beleidsregel definities Wlz. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om ten behoeve van de Wlz-uitvoerders vast te leggen hoe de NZa invulling geeft aan haar taak toezicht te houden op de uitvoering van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). De normen in deze beleidsregel drukken uit wat de NZa in haar toezichtuitoefening verwacht van Wlz-uitvoerders. De NZa heeft bij de formulering van deze normen de doelen van de Wlz als uitgangspunt genomen. Deze doelen (zie [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050558&bijlage=1&z=2024-12-14&g=2024-12-14) Overzicht doelen Wlz) vinden in deze beleidsregel artikelsgewijs hun uitwerking. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op Wlz-uitvoerders. Artikel 4. Normen Waarborgen beschikbaarheid van zorg (kerndoel I) De Wlz-uitvoerder waarborgt, voor de korte en langere termijn, de beschikbaarheid van voldoende, doelmatige en kwalitatief goede zorg (alle vormen zorg in natura (zin)), in aansluiting bij de voorkeuren en zorgvraag van verzekerden. - i. De Wlz-uitvoerder maakt tijdig contractuele afspraken met zorgaanbieders, die waarborgen dat er voldoende passende,"},{"i":16611,"b":"Beleidsregel orthodontische zorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59, aanhef en onderdeel b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met de brief van 12 juli 2012, met [kenmerk MC-U-3122855](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031816), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Arbeidskosten praktijkhouder:** Het aandeel van de arbeidskostencomponent in het (maximum) tarief, dat aanbieders van orthodontische zorg in rekening mogen brengen. - **Praktijkkostenbestanddeel:** Het aandeel van de praktijkkosten in het (maximum) tarief, dat aanbieders van orthodontische zorg in rekening mogen brengen. - **Rekenomzet:** De som van het inkomensbestanddeel en het praktijkkostenbestanddeel. - **Puntwaarde:** De uitkomst van de rekenomzet gedeeld door 2.000.000 punten. - **Materiaal- en/of techniekkosten:** De kosten van tandtechniek die noodzakelijk zijn voor de behandeling en extra zijn ingekocht door de zorgaanbieder en de kosten van de materialen die specifiek toe te rekenen zijn aan de betreffende prestatie. Hier worden expliciet niet de verbruiksmaterialen bedoeld. Bij de prestaties waarbij materiaal- en/of techniekkosten afzonderlijk in rekening kunnen worden gebracht, staat dit in de onderhavige beleidsregel en tariefbeschikking aangegeven met één sterretje (*). Met bovengenoemde regel mogen de materialen en/of technieken in rekenin"},{"i":16612,"b":"Beleidsregel overgang tarieven langdurige zorg 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) en [artikel 59, aanhef en onder b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ten behoeve van deze beleidsregel van de NZa aanwijzingen aan de NZa gegeven: aanwijzing van 11 juli 2017 met [kenmerk MC-U-165504](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039804), gepubliceerd in Staatscourant 2017, 40938; aanwijzing van 8 december 2014 met [kenmerk 699321-130782-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036151), gepubliceerd in Staatscourant 2014, 36856. Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om zorgaanbieders in de gelegenheid te stellen de bedrijfsvoering aan te passen aan de per 1 januari 2026 herijkte beleidsregelwaarden voor Wlz-zorg. Bij herijkte beleidsregelwaarden gaat het om beleidsregelwaarden voor Wlz-zorg die herijkt zijn in het kostenonderzoek langdurige zorg (ghz en ggz exclusief behandeling) en het kostenonderzoek ggz Zvw/Fz/Wlz alsmede beleidsregelwaarden die worden afgeleid van een herijkte beleidsregelwaarde. Het gaat om zorgaanbieders die verplichtingen hebben die niet per 1 januari 2026 konden worden beëindigd, terwijl tegenover die verplichtingen minder inkomsten kunnen worden gegenereerd. Er bestaan dan kosten waar geen inkomsten meer tegenover staan. Deze beleidsregel voorziet in een overgangsregeling met een aparte prestatie en bijbehorende beleidsregelwaarde. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op de zorg of dienst zoals omschreven in of bij d"},{"i":16613,"b":"Beleidsregel overige geneeskundige zorg, Nederlandse Zorgautoriteit Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Zorgaanbieder:** - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van de beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van geneeskundige zorg zoals bedoeld in [artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4) voor zover voor deze zorg nog geen prestatiebeschrijvingen zijn vastgesteld op grond van andere beleidsregels. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) voor zover de NZa voor de voornoemde zorg op grond van andere beleidsregels geen prestatiebeschrijvingen heeft vastgesteld op gron"},{"i":16616,"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven gespecialiseerde zorg Wlz 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **doelgroep:** cliënten die in een instelling verblijven met een aanspraak op gespecialiseerde zorg in verband met de ziekte van Huntington, het syndroom van Korsakov, een langdurige bewustzijnsstoornis, dementie met zeer ernstig probleemgedrag die gericht is op verbetering van het probleemgedrag, een zeer ernstige gerontopsychiatrische aandoening, multiple sclerose met ernstige motorische beperkingen of niet-aangeboren hersenletsel met zeer ernstig probleemgedrag zoals bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c, onder 9°, 10°, 11°, 12°, 13°, 14° en 15° van de Regeling langdurige zorg (Rlz)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2). - **expertisecentrum:** een (onderdeel van een) zorgaanbieder die gespecialiseerde zorg levert waarbij sprake is van een zekere concentratie van cliënten met vergelijkbare kenmerken. Hierbij kan in de praktijk onderscheid gemaakt worden tussen Doelgroepenexpertisecentra (DEC’s) en Regionale expertisecentra (REC’s). - **Wlz-uitvoerder:** de rechtspersoon die geen zorgverzekeraar is en die zich overeenkomstig [artikel 4.1.1 van de Wet langdurige zorg (Wlz)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1) heeft aangemeld voor de uitvoering van de Wlz, daaronder begrepen de met toepassing van [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) door de Minister van VWS aangewezen uitvoerder. - **zorgaanbieder:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon d"},{"i":16618,"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven modulaire zorg 2026 **Grondslag** Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **modulair pakket thuis (mpt):** het mpt bestaat uit één of meer losse vormen van zorg of dienst als bedoeld in [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) (Wlz): - –. het schoonhouden van de woonruimte van de cliënt; - –. persoonlijke verzorging; - –. begeleiding; - –. verpleging; - –. behandeling, omvattende geneeskundige zorg van specifiek medische, specifiek gedragswetenschappelijke of specifiek paramedische aard die noodzakelijk is in verband met de aandoening, beperking, stoornis of handicap van de cliënt; - –. vervoer naar een plaats waar de cliënt gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt; - –. logeeropvang. - **paramedische zorg:** onder paramedische zorg wordt verstaan fysiotherapie, ergotherapie, logopedie en diëtetiek, voor zover sprake is van Wlz-zorg. Voor een duiding van paramedische zorg binnen de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) verwijzen wij naar het Wlz-Kompas van Zorginstituut Nederland. - **dagbehandeling:** behandeling in groepsverband die in dagdelen wordt aangeboden. Alle zorg die nodig is tijdens de dagbehandeling, zoals persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, hoort bij de dagbehandeling. Individuele behandeling kan onderdeel uitmaken van behandeling in groepsverband. - **dagbesteding, begeleiding in groepsverband:** dagbesteding (ook dagactiviteit genoemd) is een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de cl"},{"i":16619,"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwaartepakketten en volledig pakket thuis 2026 **Grondslag** Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: In dit stuk wordt verstaan onder: - **zorgzwaartepakket (zzp):** een zzp bestaande uit een volledig pakket van verblijf en zorg dat aansluit op de kenmerken van de cliënt en het soort zorg dat die cliënt nodig heeft, beschreven in [artikel 3.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1). - **volledig pakket thuis (vpt):** vpt omvat de vormen van zorg zoals bedoeld in [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) (Wlz): - –. persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleging; - –. behandeling; - –. vervoer naar begeleiding en/of behandeling; - –. het verstrekken van eten en drinken; - –. het schoonhouden van de woonruimte; - –. logeeropvang - **woonzorg:** woonzorg omvat de vormen van zorg zoals bedoeld in [artikel 3.1.1 lid a en b van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1): - –. verblijf; - –. persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleging. - **specifieke behandeling:** specifieke behandeling omvat geneeskundige zorg van specifiek medische, specifiek gedragswetenschappelijke of specifiek paramedische aard die noodzakelijk is in verband met de aandoening, beperking, stoornis of handicap van de cliënt. - **ggz-behandeling:** geneeskundige zorg zoals klinisch-psychologen en psychiaters plegen te bieden in verband met de psychische stoornis van de cliënt. - **gespecialiseerde ggz:** deze term vervalt en wordt ve"},{"i":16620,"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen voor farmaceutische zorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59 aanhef en onderdeel a Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met brief van 16 mei 2011, kenmerk GMT/VDG/3063109, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **ANZ-dienstverlening:** Er is sprake van dienstverlening in de avond, nacht of op zon- of feestdagen (ANZ-dienstverlening) indien de apotheek is geopend in het kader van een gecontracteerde dienstwaarneming en indien de zorgvraag binnen de onderstaande tijden binnenkomt en de zorgaanbieder de farmaceutische zorgverlening ook binnen deze tijden start: Tussen 18.00 uur en 08.00 uur van de opvolgende dag, of; Tussen 08.00 uur en 18.00 uur op een zondag, of; Tussen 08.00 uur en 18.00 uur op Nieuwjaarsdag; Tweede Paasdag; Koningsdag; Hemelvaartsdag; Bevrijdingsdag in elk lustrumjaar (2020, 2025, etc.); Tweede Pinksterdag; beide Kerstdagen. - **Begeleidingsgesprek bij een nieuw UR-geneesmiddel:** Een begeleidingsgesprek bij een nieuw UR-geneesmiddel is het houden van een geprotocolleerd begeleidingsgesprek vóór de start van de betreffende farmacotherapie met de patiënt en/of diens verzorger, waarbij de verwachtingen van de patiënt worden besproken. Aanvullende mondelinge en/of schriftelijke informatie wordt aan de patiënt (en/of diens verzorger) aangeboden en zo nodig verstrekt. De handelingen worden vastgelegd in het digit"},{"i":16621,"b":"Beleidsregel ‘Prestaties en tarieven forensische zorg’ Gelet op [artikel 57 eerste lid onderdeel b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg) juncto [artikel 6 van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020326&artikel=6) (Bub Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Ingevolge [artikel 59, onderdeel a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV) met brief van 29 oktober 2012, kenmerk MC-U-3138396, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing1Daar waar in het vervolg van deze beleidsregel wordt gesproken over de aanwijzing van de Minister van VWS, dan wel ‘de aanwijzing’, wordt telkens gedoeld op de aanwijzing van de Minister van VWS in overeenstemming met de Minister van JenV. op grond van [artikel 7 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op forensische zorg (hierna aangeduid als fz) als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1) (Wfz) 2. Doel van de beleidsregel In deze beleidsregel staat het beleid beschreven dat de NZa hanteert bij het vaststellen van de prestatiebeschrijvingen en bijbehorende tarieven in de fz. 3. Begripsbepalingen In deze beleidsregel verstaat de NZa onder: 3.1. dbbc Diagnose-behandel-beveiligingscombinatie: Een dbbc omvat het zorgtraject dat een patiënt doorloopt als hij zorg nodig heeft voor een specifieke diagnos"},{"i":16627,"b":"Beleidsregel regiefunctie complexe wondzorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 53, aanhef en onder b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=53), worden prestatiebeschrijvingen die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59, aanhef en onderdeel a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met brief van 16 juli 2014 kenmerk 378012-121397-MC, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om een prestatiebeschrijving en tarief(soort) vast te stellen voor de regiefunctie van de complexe wondzorg. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) voor zover deze betrekking heeft op de regiefunctie bij de levering van complexe wondzorg. Artikel 3. Prestatiebeschrijving In het kader van deze beleidsregel wordt de volgende prestatiebeschrijving onderscheiden: **Regiefunctie complexe wondzorg** Artikel 4. Specifieke bepalingen bij de prestatiebeschrijving De prestatie Regiefunctie complexe wondzorg is een traject waarin de zorgaanbieder de cliënt voor één of meerdere complexe wonden begeleidt, adviseert en/of behandelt. Het traject omvat de volgende onderdelen: - •. Het opstellen en zo"},{"i":16628,"b":"Beleidsregel regionale ondersteuning eerstelijnszorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven en prestatiebeschrijvingen die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Artikel 1. Doel van de beleidsregel De beleidsregel heeft als doel een instrumentarium te bieden waarmee de macro beschikbare premiemiddelen voor regionale ondersteuning van de eerstelijnszorg kunnen worden toegekend. Met de inzet van deze middelen wordt beoogd de eerstelijnszorg te versterken, onder andere door multidisciplinaire samenwerking binnen de totale eerstelijnszorg te stimuleren. Het gaat hierbij om multidisciplinaire samenwerking tussen huisartsen, verloskundigen, oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, ergotherapeuten, fysiotherapeuten, logopedisten, zorgaanbieders die Basis GGZ leveren, diëtisten en apothekers. Zorgverzekeraars dragen het modulebedrag af aan Zorgverzekeraars Nederland (ZN), die op haar beurt op basis van het aantal inwoners per regio een herverdeling van deze gelden maakt. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) die wordt geleverd door eerstelijns zorgaanbieders die: - –. geneeskundige zorg leveren zoals huisartsen en verloskundigen die bieden; - –. geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (GGZ) leveren, niet zijnde gespecialiseerde GGZ (Basis GGZ); - –. paramedische zorg leveren zoals ergotherapeuten, fysiotherapeuten, oefentherapeuten, logopedisten en diëtisten die bieden; - –. fa"},{"i":16630,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 juli 2023, kenmerk 3628006-1050435-CZ, houdende subsidiëring van regionale zorgnetwerken voor het verrichten van activiteiten op het gebied van antimicrobiële resistentie 2024-2027 (Beleidsregel subsidiëring regionale zorgnetwerken antimicrobiële resistentie) Gelet op [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **antimicrobiële resistentie (AMR):** het niet of verminderd gevoelig zijn van micro-organismen voor antimicrobiële middelen waarvoor zij voorheen wel gevoelig waren; - **BRMO:** bijzonder resistente micro-organismen; - **Centrum Infectieziektebestrijding (CIb):** het Centrum Infectieziektebestrijding, dat onderdeel is van het RIVM en de bestrijding van infectieziekten coördineert; - **infectiepreventie:** preventie, opsporing en bestrijding van uitbraken van zorginfecties of pathogenen die deze kunnen veroorzaken; - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **penvoerder:** het Amsterdam UMC, het Erasmus MC, het Leids Universitair Medisch Centrum, het Maastricht UMC+, het Universitair Medisch Centrum Groningen, het Radboud universitair medisch centrum, het Universitair Medisch Centrum Utrecht, het Amphia ziekenhuis en het Isala ziekenhuis die afzonderlijk van elkaar en namens hun zorgnetwerk optreden als aanvrager van de subsidie; - **RIVM:** Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Wet op het RIVM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008289&artikel=1); - **regionale actoren:** de zorginstellingen, zorgorganisaties en professionals die zorg dan wel geneeskundige zorg verlenen binnen de openbare gezondheidszorg, cure en care, de koepelorganisaties en de koepelorganisaties in de regio die instellingen of profes"},{"i":16632,"b":"Beleidsregel tariefopbouw prestaties in de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdelen b, c en e, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), juncto [artikel 2 van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020326&artikel=2) (Bub Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen en met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **Acute psychiatrische hulpverlening:** hulpverlening die deel uitmaakt van de geneeskundige ggz en welke gericht is op personen in een crisissituatie waarvan het vermoeden bestaat dat zij een acute psychiatrische stoornis hebben. De zorg wordt geleverd conform de generieke module acute psychiatrie; - –. **Beschikbaarheidbijdrage mvo ggz (bb mvo ggz):** de beschikbaarheidbijdrage medische vervolgopleidingen ggz - –. **Consult:** direct, ononderbroken en zorginhoudelijk contact tussen zorgaanbieder en (forensische) patiënt of naasten van de patiënt; - –. **Directe kosten:** kosten die direct toewijsbaar zijn aan prestaties; - –. **Forensische zorg:** zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1); - –. **Fte:** de fulltime-equivalent is de rekeneenheid om aan te duid"},{"i":16633,"b":"Beleidsregel toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars Zvw Grondslag De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt toezicht op de rechtmatige uitvoering van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) door zorgverzekeraars. Deze bevoegdheid is gebaseerd op [artikel 16, sub b, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) (Wmg). De zorgplicht is opgenomen in [artikel 11, van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11), waardoor de NZa ook toezicht houdt op de zorgplicht. Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (Awb), stelt de NZa beleidsregels vast met betrekking tot een haar toekomende of onder haar verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheid. 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: 2. Doel van de beleidsregel Deze beleidsregel beschrijft op welke wijze de NZa, met inachtneming van de verplichtingen en normen genoemd in deze beleidsregel, toezicht houdt op rechtmatige uitvoering van de zorgplicht door zorgverzekeraars. 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgverzekeraars als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1). 4. Toezicht en handhaving 5. Algemene verplichtingen 6. Verplichtingen bij naturapolis 7. Verplichtingen bij restitutiepolis 8. Verplichtingen bij gecontracteerde zorg 9. Tijdigheid en bereikbaarheid van acute en subacute zorg: specifieke normen voor bepaalde vormen van zorg 9.1. Mondzorg 9.2. Huisartsenzorg 9.3. Spoedeisende hulp 10. Tijdigheid en bereikbaarheid van electieve basiszorg: specifieke normen voor bepaalde vormen van zorg 10.1. Mondzorg 10.2. Huisartsenzorg 10.3. Apotheek De toegangstijd tot de apotheek bedraagt voor burgers maximaal 1 werkdag. 10.4. Paramedische zorg De toegangstijd tot paramedische zorg bedraagt voor burgers maximaal 1"},{"i":16634,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 december 2016, 2016-0000259499, tot vaststelling van regels voor de subsidiabiliteit van de uitgaven voor technische bijstand ESF 2014–2020 en EFMB 2014–2020 Gelet op artikel 65, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad en artikel 26, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen; Besluit: Artikel 1 In de uitgavenstaten aan de Europese Commissie kunnen als technische bijstand voor de uitvoering van het Nederlandse Operationeel Programma Europees Sociaal Fonds en het Nederlandse Operationeel Programma Europees Fonds voor Meestbehoeftigen worden opgenomen: - a. kosten voor de werkzaamheden van de Managementautoriteit; - b. kosten voor de werkzaamheden van de Certificeringsautoriteit; - c. kosten voor de werkzaamheden van de Auditautoriteit; of, - d. kosten voor de beheersing en beleidsmatige ondersteuning van het Operationeel Programma Europees Sociaal Fonds en het Operationeel Programma Europees Fonds voor Meestbehoeftigen, door de Directie Participatie en Decentrale Voorzieningen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2016. De"},{"i":16635,"b":"Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid Gelet op de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=53) en [63 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=63), [artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=22), [artikel 10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=10) en [artikel 9 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=9); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. uitkering: de arbeidsongeschiktheidsuitkering bedoeld in [artikel 47 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=47), de [artikelen 2:45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:45) en [3:3 van de Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:3), [artikel 19 van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=19) en [artikel 7 van de WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=7), alsmede de WGA-uitkering bedoeld in [artikel 54 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=54) en de inkomensondersteuning, bedoeld in de [artikelen 2:39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:39) en [2:43 van de Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:43). - b. verzekerde: de verzekerde bedoeld in de [artikelen 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=47) en [54 WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=54), [artikel 19 WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=19) en [artikel 7 WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=7) en de jonggehandicapte bedoeld in de [artikelen 2:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&"},{"i":16637,"b":"Beleidsregel verpleging en verzorging Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Gelet op [artikel 59, aanhef en onderdelen a en b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met [brieven van 16 juli 2014, met kenmerk 378012-121397-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035404), [9 juli 2015, met kenmerk 776202-137545-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036865) en [25 januari 2021, met kenmerk 1811415-216967-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044769), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel aanwijzingen op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Deze aanwijzingen zijn gepubliceerd in de Staatscourant onder de nummers 2014, 21196, 2015, 20563 en 2021, 4639. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Verpleging en verzorging:** Verpleging en verzorging als bedoeld in [artikel 2.10 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10) (Bzv). - **Zorgaanbieder:** De natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - **directe zorgverlening:** Directe zorgverlening is de directe contacttijd tussen zorgaanbieder en cliënt in de thuissituatie/werksituatie, de verplaatste directe contacttij"},{"i":16638,"b":"Beleidsregel van de Raad voor Rechtsbijstand tot verstrekking van subsidie aan advocaten die rechtsbijstand verlenen aan aangehouden verdachten tijdens het politieverhoor Overwegende dat in [artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7) is bepaald dat de Raad voor Rechtsbijstand tot taak heeft om zorg te dragen voor de organisatie en de verlening van rechtsbijstand; Overwegende dat op grond van [artikel 7, derde lid, onderdeel b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7) de Raad tot taak heeft de vaststelling en uitbetaling van vergoedingen aan rechtsbijstandverleners en mediators; Overwegende dat de Hoge Raad bij uitspraak van 22 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3608) heeft overwogen ervan uit te gaan dat met ingang van 1 maart 2016 toepassing zal worden gegeven aan de regel dat een aangehouden verdachte recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie (“verhoorbijstand”). Deze overweging heeft, zo blijkt uit deze uitspraak en de context van eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad (30 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH3079)), niet langer alleen betrekking op aangehouden strafrechtelijk minderjarige verdachten, maar ziet anders dan de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad nu ook op aangehouden meerderjarige verdachten; Overwegende dat het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan de Raad voor Rechtsbijstand heeft verzocht om een beleidsregel vast te stellen die erin voorziet dat vanaf 1 maart 2016 – om verhoorbijstand mogelijk te maken – anders dan voorheen op gelijke voet een subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van zowel aangehouden meerderjarige als minderjarige verdachten van misdrijven waarvoor een bevel tot inverzekeringstelling kan worden verleend; Overwegende dat op grond van het voorgaande in deze beleidsregel wordt aangegeven op welke wijze de Raad gebruik zal maken van de mogelijkheid om op grond van [artikel 4:23, der"},{"i":16639,"b":"Beleidsregel Wet zorg en dwang Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS met brief van 4 juni 2021, met kenmerk 2369290-1009887-PZO, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een [aanwijzing op grond van artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045449), aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 4 juni 2021 en heeft als kenmerk 2369290-1009887-PZO. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister voor Langdurige Zorg en Sport met brief van 18 mei 2022, met kenmerk 3366568-1028982-PZo, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een [aanwijzing op grond van artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046807), aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 18 mei 2022 en heeft als kenmerk 3366568-1028982-PZo. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister voor Langdurige Zorg en Sport met brief van 23 juni 2023, met kenmerk 3599781-1048828-PZo, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een [aanwijzing op grond van artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048333), aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 23 juni 2023 en heeft als kenmerk 3599781-1048828-PZo. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **bij de zorg betrokken arts:** de arts als bedoeld in de [artikelen 10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=10), [15,"},{"i":16641,"b":"Beleidsregel zintuiglijk gehandicaptenzorg Grondslag Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Gelet op [artikel 59, onderdeel a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met brief van 14 juli 2014, met [kenmerk 642422-123511-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035400), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit. - **Wmg:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). - **Zorgaanbieder:** - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°. Hieronder staan de definities van de begrippen die gehanteerd worden in deze beleidsregel uitgelegd. Waar van toepassing voor een specifieke sector is dit geduid bij het begrip. - **Aandoeningen diagnostiek (visueel, MSZ):** Aandoeningen diagnostie"},{"i":16644,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 11 april 2025, nr. WJZ/ 97936920, tot nadere invulling van de verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Beleidsregel zorgvuldig opdrachtgeverschap) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 2 van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **maatregelenplan:** maatregelenplan als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050961&artikel=5&z=2025-04-19&g=2025-04-19); - **risico-inventarisatie:** risico-inventarisatie als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050961&artikel=3&z=2025-04-19&g=2025-04-19); - **wet:** [Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728). Artikel 2. Zorgvuldig opdrachtgeverschap Een opdrachtgever voldoet in ieder geval aan de verplichting, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=2), als hij: - a. met betrekking tot de voorgenomen graafwerkzaamheden op deugdelijke wijze een zorgvuldige risico-inventarisatie en een zorgvuldig maatregelenplan heeft opgesteld of onder zijn verantwoordelijkheid heeft laten opstellen; - b. de risico-inventarisatie en het maatregelenplan voor aanvang van de voorgenomen graafwerkzaamheden aan de grondroerder heeft verstrekt; - c. de grondroerder voldoende tijd en middelen ter beschikking stelt om op basis van de risico-inventarisatie en het maatregelenplan de voorgenomen graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze te verrichten; - d. ervoor zorgdraagt dat zowel de afspraken met de grondroerder over de voorbereiding"},{"i":16643,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 12 mei 2016, nr. WJZ/16043768, houdende beleidsregels inzake de naleving van de zorgplicht, bedoeld in artikel 33 van de Mijnbouwwet, om mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen (Beleidsregel zorgplicht mijnbouw) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **minister:** de Minister van Economische Zaken; - **wet:** de [Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168). Artikel 2 Een houder van een vergunning als bedoeld in [artikel 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=6) die voornemens is een diepboring dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan als bedoeld in de [Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage](onbekend), onderdeel D, categorie 17.2, uit te voeren kan aantonen dat aan de zorgplicht, bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=33), wordt voldaan, aan de hand van een beschrijving van: - a. de diepboring dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan, - b. de mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu van de onder a. bedoelde activiteit en - c. de maatregelen ter voorkoming van mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van die activiteit. Artikel 3 Een houder van een vergunning kan de minister verzoeken om de beschrijving, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037970&artikel=2&z=2016-05-24&g=2016-05-24), te toetsen. Artikel 4 Indien de minister uiterlijk zes weken vóór een melding, bedoeld in de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023771&artikel=7) en [8 van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023771&artikel=8), de beschrijving, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037970&artikel=2&z=2016-05-24&g=2016-05-24), ontvangt, wordt de"},{"i":16645,"b":"Beleidsregels aansluiting WW-beoordeling op WAO- en WIA-beoordeling Besluit: Artikel 1. Vaststelling moment arbeidsurenverlies 1. Het intreden van het arbeidsurenverlies van de werknemer die na een periode van arbeidsongeschiktheid een WW-uitkering aanvraagt, en die gedurende deze periode het einde van de wachttijd als bedoeld in [artikel 19 WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=19) of [artikel 23 Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=23) heeft bereikt, wordt gesteld op de eerste dag volgend op het einde van de genoemde wachttijd. 2. Als de dienstbetrekking, uit hoofde waarvan WW-uitkering is aangevraagd, tijdens de in het eerste lid genoemde wachttijd is opgehouden te bestaan, treedt in afwijking van het eerste lid het arbeidsurenverlies in op de dag volgend op datum einde van die dienstbetrekking. Artikel 2. Buiten beschouwing laten van gewerkte weken voor vaststelling referteperiode Als de WW-aanvraag het gevolg is van een herziening of intrekking van de WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsgeschiktheid, worden voor de toepassing van [artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=17a), de weken waarin werknemer voorafgaande aan de betreffende werkloosheid gedeeltelijk heeft gewerkt tijdens de WAO-uitkering, aangemerkt als weken waarin werknemer wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten. Artikel 3. Intrekking Het Besluit samenloop AAW/WAO met WW-uitkering wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels aansluiting WW-beoordeling op WAO- en WIA-beoordeling. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16646,"b":"Besluit van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 9 december 2025, kenmerk 2025014275, tot vaststelling van de Beleidsregels beheerskosten Wlz en overige zorgkosten 2026 Gelet op [artikel 91, eerste lid en derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4), en [artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5); Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities Deze Beleidsregels verstaan onder: - **Aanwijzingen:** [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051749) voor jaar t en de [Nadere aanwijzingen middelen beheerskosten Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050875) voor jaar t; - **beheerskosten:** de beheerskosten als bedoeld in [artikel 4.1, onder e, van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.1); - **beheerskostenbudget:** de ten laste van het Flz beschikbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten; - **CAK:** het CAK, genoemd in [artikel 6.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1); - **cliëntvertrouwenspersoon:** persoon die onafhankelijk advies en ondersteuning geeft in kwesties die te maken hebben met onvrijwillige zorg; - **contracteerruimte:** het financiële kader als bedoeld in de [Beleidsregel Budgettair kader Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051684) van jaar t; - **correctiebedrag:** een bedrag per Wlz-uitvoerder dat bij de overgang naar een nieuwe verdeelsystematiek in 2022 is vastgelegd voor de periode 2022 tot en met 2026; - **deelbudget:** bedrag dat in deze beleidsregels is opgenomen voor een specifiek doel; - **financieel verslag:** het financieel verslag van Wlz-uitvoerders,"},{"i":16647,"b":"Beleidsregels CAK termijnen eigen bijdrage Wlz en Wmo 2015 gelet op de [artikelen 3.3.1.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.3); [3.3.1.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.5); [3.3.1.6, derde lid, vijfde lid juncto zesde lid en het zevende lid juncto achtste lid van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.6) (Blz) en [3.5, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.5); [3.6, derde lid; vierde lid juncto vijfde lid en zesde lid juncto zevende lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.6) (Uvb). [4:93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:93) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (Awb), overwegende dat het gewenst is om regels te stellen ter invulling van de bevoegdheid om over te gaan tot het beperken van de vaststellings- en herzieningstermijn of het niet verschuldigd verklaren van de eigen bijdrage of verruimen van de herzieningstermijn, besluit om de volgende beleidsregels vast te stellen: Artikel 1. Toepassingsbereik van deze beleidsregels Deze regels zijn van toepassing op: - a. de aanvraag van de verzekerde en/of cliënt dan wel het ambtshalve besluit van het CAK tot het beperken van de vaststellingstermijn en het besluit tot het niet verschuldigd zijn van de eigen bijdrage in geval van vaststelling zoals bedoeld in de [artikelen 3.3.1.5, derde lid, van het Blz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.5) en [3.5, zevende lid, van het Uvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.5); - b. de aanvraag van de verzekerde en/of cliënt dan wel het ambtshalve besluit van het CAK tot het beperken van de herzieningstermijn en het besluit tot het niet verschuldigd zijn van de eigen bijdrage in geval van herziening zoals bedoeld in de [a"},{"i":16649,"b":"Beleidsregels erkenning van beroepskwalificaties en verklaring van vakbekwaamheid beroepen in de individuele gezondheidszorg Beleidsregels van de Minister voor Medische Zorg van 28 april 2020, kenmerk CIBG-20-0433, over de behandeling van een aanvraag van een erkenning van beroepskwalificaties en de aanvraag van een verklaring van vakbekwaamheid van een beroepsbeoefenaar in de individuele gezondheidszorg (Beleidsregels erkenning van beroepskwalificaties en verklaring van vakbekwaamheid beroepen in de individuele gezondheidszorg). Voor algemene informatie over buitenlandse diploma’s, zie: https://www.bigregister.nl/buitenlands-diploma. De Minister voor Medische Zorg besluit de volgende beleidsregels vast te stellen met betrekking tot: Dit besluit vervangt de [Circulaire Vakbekwaamheid buitenslands gediplomeerden volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027468) (CIBG/VV-2987442). 1. Aanvraag erkenning van beroepskwalificaties (algemeen stelsel) 1.1. Commissie De Minister voor Medische Zorg (hierna: Minister) stelt op grond van [artikel 41 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=41), voor elk daarvoor in aanmerking komend beroep een commissie van deskundigen in, die tot taak heeft hem van advies te dienen ten aanzien van het verlenen van een erkenning van beroepskwalificaties. Deze commissie heet de Commissie Buitenslands Gediplomeerden Volksgezondheid (hierna: de Commissie). De Commissie beoordeelt aan de hand van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of er wezenlijke verschillen zijn tussen de gevolgde (beroeps)opleiding en de Nederlandse (beroeps)opleiding en als dat zo is of deze zijn overbrugd door latere opleiding en werkervaring. 1.2. Uitkomst beoordeling De Minister kan, op grond van het advies van de Commissie, concluderen dat de beroepskwalificaties van de betrokken aanvrager in vergelijking met de betreffende Nederlandse opleiding gelijkwaardig zijn of dat er wezenlijke verschillen zijn. Indien de ber"},{"i":16656,"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017 voor de Sociale Verzekeringsbank gelet op [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3) en [4.4 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4), de [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039111) en de [Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039430), heeft op 18 april 2017 besloten: Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. **Wlz:** [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. **SVB:** Sociale verzekeringsbank; - c. **Aanwijzing:** [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039111); - d. **persoonsgebonden budget:** een subsidie waarmee de verzekerde onder de bij of krachtens [artikel 3.3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) en [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) gestelde voorwaarden aan hem te verlenen zorg kan inkopen; - e. **het Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland. Artikel 2 Het Zorginstituut keert het ten behoeve van de SVB voorlopig vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget voor het jaar 2017 uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen en vergoedingen Wlz 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036387). Artikel 3 Het Zorginstituut stelt in april 2017 een voorlopig beheerskostenbudget van 23,700 miljoen euro vast voor de SVB ter bepaling van de besteedbare middelen voor de beheerskosten ten laste van het Fonds langdurige zorg. Artikel 4 1. Het Zorginstituut stelt uiterlijk in 2019 het beheerskostenbudget voor de SVB definitief vast met inachtneming van de [Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR003"},{"i":16673,"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2014 Gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), [34, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34) en [artikel 90 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=90), [Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3), de [Regeling risicoverevening 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033959) en de brief van de minister van VWS van 23 september 2013, kenmerk 150693-110091-Z, Heeft in zijn vergadering van 30 september 2013 besloten: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. **college:** het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in [artikel 58, eerste lid Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. **zwaarte:** het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. **macroverzekerdenraming:** de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland; - d. **HKG:** hulpmiddelen kostengroepen als bedoeld in [artikel 5, eerste lid van de Regeling risicoverevening 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033959&artikel=5); - e. **MHK:** meerjarige hoge kosten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel z van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. **FKG GGZ:** FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - g. **DKG GGZ:** diagnose kostengroepen psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 5, tweede lid van de Regeling risicoverevening 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033959&artikel=5); - h. **GGZ-kosten lage drempel:** kosten van geneeskundige geeste"},{"i":16674,"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2015 Gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), [34, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34) en [artikel 90 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=90), [Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3), de [Regeling risicoverevening 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036251) en de brief van de minister van VWS van 7 oktober 2014, kenmerk 671602-126798-Z, Heeft in zijn vergadering van 16 maart 2015 besloten: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. **het Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland, bedoeld in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. **zwaarte:** het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. **macroverzekerdenraming:** de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland; - d. **MHK:** meerjarige hoge kosten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel z, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. **FKG GGZ:** FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. **DKG GGZ:** diagnose kostengroepen psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ff, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1) - g. **PKB:** persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudoni"},{"i":16675,"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2016 Gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en [34, vierde lid, van de zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34), [Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3), de [Regeling risicoverevening 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037291&wetgeving) en de brief van de minister van VWS van 7 oktober 2015, kenmerk 846552-142595-Z, heeft in zijn vergadering van 18 januari 2016 besloten: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. **het Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland, bedoeld in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. **zwaarte:** het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. **macroverzekerdenraming:** de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland; - d. **MHK:** meerjarige hoge kosten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel z, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. **FKG GGZ:** FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. **DKG GGZ:** DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ff, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1) - g. **PKB:** persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres; - h. **VPPKB:** verzekerde periode en persoonskenmerkenbestand;"},{"i":16676,"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage Zvw 2017 Gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en [34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34), [Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3), de [Regeling risicoverevening 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038554) en de brief van de minister van VWS van 30 september 2016, kenmerk 1024068-155663-Z, heeft in zijn vergadering van 10 oktober 2016 besloten: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. **het Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland, bedoeld in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. **zwaarte:** het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. **macroverzekerden-raming:** de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland voor het jaar 2017; - d. **FKG GGZ:** FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. **DKG GGZ:** DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ee, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. **PKB:** persoonskenmerkenbestand; een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres. Dit bestand wordt jaarlijks opgesteld aan de hand van opgaven van de zorgverzekeraars. Voor het PKB 2016 is de peildatum 1 mei 2016 en de aanleverdatum 1 juni 2016; - g. **VPPKB:** verzekerde periode en persoonskenmerkenbestand; e"},{"i":16677,"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2018 Gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en [34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34), [Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3), de [Regeling risicoverevening 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040055) en de brief van de Minister van VWS van 9 oktober 2017, kenmerk 1238742-168225-Z, heeft in zijn vergadering van 9 oktober 2017 besloten: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. **het Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland, bedoeld in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. **zwaarte:** het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. **macroverzekerden- raming:** de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland voor het jaar 2018; - d. **FKG GGZ:** FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. **DKG GGZ:** DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ee, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. **PKB:** persoonskenmerkenbestand. Een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres. Dit bestand wordt jaarlijks opgesteld aan de hand van opgaven van de zorgverzekeraars. Voor het PKB 2017 is de peildatum 1 mei 2017 en de aanleverdatum 1 juni 2017; - g. **VPPKB:** verzekerde periode en persoonskenmerkenb"},{"i":16797,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. DLZ/KZ-3057132, tot instelling van de denktank complexe zorg (Besluit Denktank complexe zorg) Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **denktank:** de Denktank complexe zorg, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029776&paragraaf=2&artikel=2&z=2011-03-31&g=2011-03-31). § 2. Instelling denktank complexe zorg Artikel 2 1. Er is een Denktank complexe zorg. 2. De denktank heeft tot taak te verkennen hoe schijnbaar perspectiefloze zorgsituaties kunnen worden vlotgetrokken zodat cliënten met complexe zorgvragen zich zoveel mogelijk in vrijheid kunnen bewegen. De denktank zal hiertoe onder meer ontwikkelvragen formuleren rond handelingsverlegenheid en voorstellen doen voor de introductie van een nieuwe manier van werken rond situaties waarbij sprake is van handelingsverlegenheid. De denktank zal daarbij tevens aandacht besteden aan mogelijkheden voor preventie en vroegdiagnostiek van ernstige gedragsproblemen. § 3. Samenstelling Artikel 3 1. De leden van de denktank worden benoemd, geschorst en ontslagen door de minister. 2. De minister voegt aan de denktank een secretariaat toe. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de denktank. Artikel 4 1. De denktank bestaat uit: - a. een voorzitter, tevens lid; - b. tien andere leden. 2. De benoeming van de leden geschiedt voor ten hoogste twee jaar. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste twee jaar plaats vinden. 3. De denktank wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan. § 4. Werkwijze Artikel 5 De denktank stelt zijn eigen werkwijze vast. Artikel 6 Een jaar na aanvang van zijn werkzaamheden zendt de denktank een tussenrapportage aan de minister. Binnen drie maanden na afloop van zijn werkzaamheden zendt de denktank een eindrappo"},{"i":16831,"b":"Besluit inzake bekrachtiging besluiten in het kader van de Wbtv en de Wsnp Besluit I tot bekrachtiging van de, door medewerkers in de functie van: - •. administratief medewerker Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers - •. medewerker Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers - •. stafmedewerker Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers - •. Hoofd Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers gedurende de periode 13 juli 2016 tot heden, volgende genomen besluiten: op grond van: - –. [artikel 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) en [5, eerste en tweede lid van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=5) van 9 december 2008. - –. de erkenning van EG-beroepskwalificaties en tijdelijke en incidentele werkzaamheden van migrerende of grensoverschrijdende beoefenaren van de Nederlandse gereglementeerde beroepen tolk en vertaler, zoals vermeld in [artikel 2 van de regeling erkenning EG-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024932&artikel=2). - –. de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) voor zover de bestuurlijke aangelegenheid taken en bevoegdheden in de [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) en [5, eerste en tweede lid van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=5) van 9 december 2008 en bevoegdheden met betrekking tot de erkenning van EG-beroepskwalificaties en tijdelijke en incidentele werkzaamheden van migrerende of grensoverschrijdende beoefenaren van de Nederlandse gereglementeerde beroepen tolk en vertaler, zoals vermeld"},{"i":16832,"b":"Besluit van 5 november 2014, houdende regels ter uitvoering van de Jeugdwet (Besluit Jeugdwet) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 5 augustus 2014, registratienummer 547112, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 1.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.3), [2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=2.14), [3.4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=3.4), [4.1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.1.5), [4.1.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.1.9), [6.2.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.2.1), [6.5.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.5.1), [7.1.1.2, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.1.1.2), [7.1.2.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.1.2.2), [7.1.4.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.1.4.2), [7.2.8, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.2.8), [7.4.5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.4.5), [8.2.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.2.1), en [8.3.2 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.3.2), [4.1.1, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.1.1), [4.2.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.2.3), [4.2.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.2.6), [4.2.12, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.2.12) en [5.3.1, vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362"},{"i":16834,"b":"Besluit van 9 december 2014, houdende regels inzake de langdurige zorg (Besluit langdurige zorg) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 oktober 2014, kenmerk 673059-126985-WJZ; Gelet op de [artikelen 2.1.1, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=2.1.1), [2.2.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=2.2.1), [3.1.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1), [3.1.3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.3), [3.2.1, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.1), [3.2.3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.3), [3.2.5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.5),[3.2.6, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.6), [3.3.2, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.2), [3.3.3, eerste, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3), [3.3.5, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.5), [4.1.1, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1), [4.2.4, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), [5.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=5.1.4), [7.1.2, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=7.1.2), [8.1.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=8.1.1), [10.1.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=10.1.4), [11.1.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.1.4), en [12.4.8, eerste en tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=12.4.8), [artikel 60,"},{"i":16835,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 30 juni 2006, nr. 5429968/06/6, houdende verlening van machtiging aan de directeur algemene zaken en de directeur vaktechniek en beleid van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie tot uitvoering van de taak, bedoeld artikel 1, tweede lid, van de Wet op het centraal testamentenregister Gelet op [artikel 10:12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) jo [10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), en [10:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1 Aan de directeur algemene zaken en de directeur vaktechniek en beleid van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie wordt machtiging verleend tot uitvoering van de taak, bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van de Wet op het centraal testamentenregister](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003080&artikel=1). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2006. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit machtiging KNB tot zorg voor de inrichting en het bijhouden van het centraal testamentenregister. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16836,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 november 2009, nr. BV/TPD/2009/17708, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt Handelend in overeenstemming met het Kabinetsbesluit van 4 juli 2003 tot oprichting van een Shared Service Center HRM voor Personeelsregistratie en Salarisadministratie; Gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - b. **ministerie:** ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - c. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie. 2. Met betrekking tot de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468): - a. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd om in het kader van de dienstverlening aan het ministerie verwerkingen van persoonsgegevens uit te voeren als bewerker in de zin van [artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=1). De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig het Normenkader Informatiebeveiliging. De machtiging wordt geacht te gelden als bewerkersovereenkomst in de zin van [artikel 14, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=14). - b. De directeur P-Direkt heeft geen machtiging tot uitvoering van [artikel 36 van de Wet bescherming perso"},{"i":16837,"b":"Besluit macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2015 De Nederlandse Zorgautoriteit heeft met inachtneming van [Hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&hoofdstuk=4), [paragrafen 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4), van de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) (Wmg), **en meer in het bijzonder:** de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), en [50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), **alsmede de beleidsregels:** **en de nadere regel:** **ambtshalve besloten:** Inwerkingtreding Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Bezwaar en beroep Ingevolge [artikel 8:1 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:1) (Awb) juncto [artikel 7:1 lid 1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1) kan een belanghebbende binnen zes weken na de datum van verzending van dit besluit een bezwaarschrift, per post of per fax (dus niet via e-mail), indienen bij de Nederlandse Zorgautoriteit, Unit Juridische Zaken, Postbus 3017, 3502 GA Utrecht. In de linkerbovenhoek van de envelop vermeldt u: Bezwaarschrift. Het bezwaar moet volgens [artikel 6:5 lid 1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5) schriftelijk en ondertekend worden ingediend en moet ten minste de volgende gegevens bevatten: naam en adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar zich richt en de gronden van het bezwaar. Wij verzoeken u een kopie van het bestreden besluit bij te voegen. Bijlage. Prestaties huisartsenzorg S1 S3 (gedeelte dat van toepassing op huisartsenzorg)3Verzekeraars dienen conform regelgeving van het Zorginstituut Nederland (Handboek zorgverzekeraars informatie zorgverzekeringswet 2015)"},{"i":16838,"b":"Besluit macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2015 De Nederlandse Zorgautoriteit heeft met inachtneming van [Hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&hoofdstuk=4), [paragrafen 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4.4, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), **en meer in het bijzonder:** de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), en [50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), **alsmede de beleidsregels:** **en de nadere regel:** **ambtshalve besloten:** Inwerkingtreding Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Bezwaar en beroep Ingevolge [artikel 8:1 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:1) (Awb) juncto [artikel 7:1 lid 1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1) kan een belanghebbende binnen zes weken na de datum van verzending van dit besluit een bezwaarschrift, per post of per fax (dus niet via e-mail), indienen bij de Nederlandse Zorgautoriteit, Unit Juridische Zaken, Postbus 3017, 3502 GA Utrecht. In de linkerbovenhoek van de envelop vermeldt u: Bezwaarschrift. Het bezwaar moet volgens [artikel 6:5 lid 1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5) schriftelijk en ondertekend worden ingediend en moet ten minste de volgende gegevens bevatten: naam en adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar zich richt en de gronden van het bezwaar. Wij verzoeken u een kopie van het bestreden besluit bij te voegen. Bijlage. Prestaties multidisciplinaire zorg S2 S3 (gedeelte dat van toepassing op multidisciplinaire zorg)3Verzekeraars dienen conform regelgeving van het Zorginstituut Nederland (Handboekzorgverzekeraars informatie zorgverzekeringswet 2015) onderscheid te maken welk"},{"i":16839,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 15 februari 2021, kenmerk 1825181-218196-MEVA, houdende verlening van mandaat en machtiging aan de Sociale verzekeringsbank (Besluit mandaat en machtiging pgb-zorgbonus voor pgb-zorgverleners COVID-19) Gelet op [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 8 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=8); Gelezen de instemmingsbrief van 27 januari 2021 van de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank en de instemmingsbrief van 27 januari 2021 van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen; - c. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - d. **Sociale verzekeringsbank:** de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=3); - e. **voorzitter:** de voorzitter van de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Artikel 2 Aan de voorzitter wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044090&hoofdstuk=3), [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044090&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 6A van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044090&hoofdstuk=6a); - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld onder a, voor zov"},{"i":16840,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 mei 2016, kenmerk 967200-150306-MC, houdende verlening van mandaat en machtiging aan Zorginstituut Nederland (Besluit mandaat en machtiging Zorginstituut Nederland subsidieverstrekking transparantie kwaliteit van zorg) Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gelezen de instemming van de voorzitter van het Zorginstituut Nederland van 18 april 2016; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - c. **Voorzitter:** voorzitter van het Zorginstituut. Artikel 2 Aan de voorzitter wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten tot subsidieverstrekking op grond van de [Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455) voor zover het gaat om subsidies op grond van de beleidsregels subsidiëring transparantie over de kwaliteit van zorg - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 3 1. De voorzitter is gemachtigd tot het verrichten van alle feitelijke handelingen en het afdoen van alle stukken die betrekking hebben op besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037989&artikel=2&z=2016-05-31&g=2016-05-31). 2. De voorzitter is gemachtigd ten aanzien van verweer- en beroepschriften in administratiefrechtelijke procedures, ten behoeve van het vertegenwoordigen van de minister in deze procedures en tot het afdoen van alle stukken en het verrichten van alle feitelijke handelingen die daarop betrekking hebben. Artikel 4 Bij afwezigheid of verhindering van de voorzitter worden, voor de duu"},{"i":16842,"b":"Besluit tot het verlenen van mandaat en volmacht aan de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen om namens de minister stukken over overzeese pensioen- en uitkeringsregelingen af te doen en te ondertekenen Gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075) en het [Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007804); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. regelingen: regelingen genoemd in de bijlage bij dit besluit; - c. SAIP: Stichting Administratie Indonesische Pensioenen. Artikel 2 De minister verleent aan de SAIP het volgende mandaat en volmacht. - 1. De SAIP is bevoegd om in naam van de minister op basis van de regelingen besluiten te nemen en op die regelingen betrekking hebbende stukken af te doen en te ondertekenen. - 2. De SAIP is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de regelingen namens de minister te beslissen op bezwaarschriften, met uitzondering van bezwaarschriften naar aanleiding van een besluit dat door de Raad van Beheer van de SAIP is genomen. - 3. De SAIP is bevoegd om inzake de uitvoering van de regelingen namens de minister in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken ter zake hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie. De SAIP stelt de minister tijdig in kennis van een voornemen om hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel daarvan af te zien. Artikel 3 De SAIP is niet bevoegd om zelfstandig verzoeken in het kader van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252), de [Wet nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372), dan wel verzoeken van gelijksoortig karakter, voor zover die verband houden met de uitvoering van de regelingen, namens de minister af te handele"},{"i":16843,"b":"Besluit mandaat KPMG uitvoering uitkeringsregelingen Besluit: De datum inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Defensie; - b. **KPMG:** KPMG Management Services B.V. gevestigd te Amstelveen; - c. **uitkeringsregelingen:** het [Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010510) en de [Suppletieregeling gedeeltelijke arbeidsongeschikten sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008977). Artikel 2. Mandaat 1. Ter uitvoering van de uitkeringsregelingen is KPMG bevoegd om namens de Minister - a. besluiten te nemen; - b. te beslissen op bezwaarschriften tegen de besluiten, genoemd in het eerste lid, met dien verstande dat degene die een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen niet ook de beslissing op het daartegen gerichte bezwaarschrift mag nemen; - c. in rechte op te treden indien tegen een besluit als bedoeld onder b, beroep wordt ingesteld; - d. voorlopig hoger beroep of voorlopig cassatie in te stellen; - e. hoger beroep of cassatie in te stellen tegen rechterlijke uitspraken, met dien verstande dat KPMG deze bevoegdheden niet uitoefent dan na verkregen instemming van de Minister indien het een zaak betreft met een kennelijk aanzienlijk of rechtspositioneel belang; - f. het schriftelijk verlenen van ondermandaat bij KPMG in dienst zijnde functionarissen. 2. De bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, onder b, omvat tevens de bevoegdheid om een hoorprocedure in te richten conform de bepalingen van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614). 3. KMPG informeert de Minister over bezwaarschriften, beroepschriften en rechterlijke uitspraken waarin de rechtsgeldigheid van de toegepaste regeling of van onderdelen daarvan ter discussie wordt gesteld. Artikel 3. Ondermandaat 1. KPMG kan ten aanzien van het in het [vorige"},{"i":16846,"b":"Besluit mandaat Stichting kwaliteitsontwikkeling Gehandicaptenzorg Gezien de schriftelijke instemming van de Stichting kwaliteitsontwikkeling gehandicaptenzorg april 1998, Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Aan het bestuur van de Stichting kwaliteitsontwikkeling Gehandicaptenzorg (SkoG) wordt mandaat verleend besluiten te nemen in het kader van de uitvoering van de wet, het bekostigingsbesluit en de regeling, voor zover de besluiten betrekking hebben op de financiering van projecten ten laste van het fonds ten behoeve van de ontwikkeling van kwaliteitssystemen in de gehandicaptenzorg. 2. Van het mandaat is uitgezonderd het beslissen op een bezwaarschrift. Artikel 3 Aan het bestuur van het SkoG wordt machtiging verleend om correspondentie met betrekking tot de subsidieverlening, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011671&artikel=2&z=2000-10-04&g=2000-10-04), namens de minister te ondertekenen. Artikel 4 De gemandateerde is bevoegd aan de directeur ondermandaat en machtiging te verlenen tot het geheel of gedeeltelijk uitoefenen van de bevoegdheden bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011671&artikel=2&z=2000-10-04&g=2000-10-04) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011671&artikel=3&z=2000-10-04&g=2000-10-04). Ondermandaat en machtiging wordt schriftelijk verleend. Artikel 5 1. De gemandateerde beslist op een aanvraag voor subsidie met inachtneming van de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, de wet, het bekostigingsbesluit, de regeling en de Beleidsregels subsidiebepalingen VWS. 2. De gemandateerde neemt de aanbevelingen die zijn opgenomen in de (in april 1997 verschenen) `Verkenning Subsidiebeheer VWS' zoveel mogelijk in acht. Artikel 6 De gemandateerde stuurt de Minister een afschrift van elk besluit. Artikel 7 1. De gemandateerde dient in elk besluit alsmede andere correspondentie tot uitdrukking te brengen dat namens de Minister is gehandeld. 2. Elk beslu"},{"i":16849,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 10 december 2020, kenmerk 1790414-214991-PZO, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het Zorginstituut Nederland inzake subsidieverstrekking Subsidieregeling leren gebruiken van uitkomstinformatie voor Samen beslissen 2021–2025 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Zorginstituut Nederland subsidieverstrekking leren gebruiken van uitkomstinformatie voor Samen beslissen 2021–2025) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gelezen de instemming van de voorzitter van Zorginstituut Nederland van 8 mei 2020; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister voor Medische Zorg; - b. **Zorginstituut;** Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - c. **Voorzitter:** de voorzitter van de Raad van Bestuur van het Zorginstituut. Artikel 2 Aan de voorzitter wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten op grond van de [Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455) en het verrichten van alle benodigde werkzaamheden, waaronder het tekenen van stukken, ter voorbereiding en uitvoering van de [Subsidieregeling leren gebruiken van uitkomstinformatie voor Samen beslissen 2021–2025](onbekend). Artikel 3 Aan de voorzitter wordt: - a. mandaat verleend tot het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044588&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01) voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. - b. machtiging verleend ten aanzien van verweer- en beroepschriften in administratiefrechtelijke procedures, ten behoeve van het vertegenwoordigen van de Minister i"},{"i":16863,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 21 december 2025, nr. 2025-0000700636 tot openstelling en vaststelling uitkeringsplafond aanvraagtijdvak van de achtste tranche van de Woningbouwimpuls Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=3), en [4, eerste lid van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4); Besluit: Artikel I Conform [artikel 4, eerste lid, van het Besluit woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) wordt het achtste aanvraagtijdvak van de woningbouwimpuls vastgesteld voor de periode van 27 februari tot en met 19 maart 2026. Artikel II Het uitkeringsplafond van dit aanvraagtijdvak is € 95.000.000,– inclusief btw. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16865,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 april 2024 nr. 2024-0000248729 tot openstelling en vaststelling uitkeringsplafond aanvraagtijdvak voor de herkansing van de zesde tranche van de Woningbouwimpuls Gelet op [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) en [artikel 3, tweede lid, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=3); Artikel I Conform [artikel 4, eerste lid, van het Regeling Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043557&artikel=4) krijgen gemeenten die in de zesde tranche van de Woningbouwimpuls een aanvraag hebben ingediend en die is afgewezen, de mogelijkheid om diezelfde aanvraag te verbeteren en opnieuw in te dienen. Het aanvraagtijdvlak voor de herkansing wordt vastgesteld voor de periode van 6 tot 7 juni 2024. Artikel II Het uitkeringsplafond van dit aanvraagtijdvak is € 122.584.034. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16879,"b":"Besluit van 14 december 2005, houdende overdracht van de zorg voor de planbureaufunctie voor milieu en natuur, het Milieu- en Natuurplanbureau en het beheer daarvan Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 9 december 2005, nr. 05M.480228; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De zorg voor de planbureaufunctie voor milieu en natuur, het Milieu- en Natuurplanbureau en het beheer daarvan gaat, voor zover deze thans behoort tot de taak van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, over naar Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de hierbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16883,"b":"Besluit van 6 december 2011, houdende wijziging van de percentages van het drempel- en het toetsingsinkomen voor de berekening van de zorgtoeslag (Besluit percentages drempel- en toetsingsinkomen zorgtoeslag) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 25 oktober 2011, Z/F-3087929; Gelet op [artikel 2, derde lid, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord advies van 28 november 2011, nummer W13.11.0452/III; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2011, Z/F-3094796; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het percentage van het drempelinkomen respectievelijk het percentage van het toetsingsinkomen, bedoeld in [artikel 2, derde lid, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=2), worden voor de hierna genoemde berekeningsjaren vastgesteld als in navolgend schema voor verzekerden met en zonder partner weergegeven: | | Percentage van het drempelinkomen | Percentage van het drempelinkomen | Percentage van het toetsingsinkomen voor zover dat het drempelinkomen te boven gaat | Percentage van het toetsingsinkomen voor zover dat het drempelinkomen te boven gaat | | --- | --- | --- | --- | --- | | Berekeningsjaar | Zonder partner | Met partner | Zonder partner | Met partner | | 2026 | 1,912% | 4,289% | 13,730% | 13,730% | | 2027 | 1,930% | 4,307% | 13,760% | 13,760% | | 2028 | 1,946% | 4,323% | 13,790% | 13,790% | | 2029 | 1,960% | 4,337% | 13,820% | 13,820% | | 2030 | 1,975% | 4,352% | 13,850% | 13,850% | | 2031 | 1,990% | 4,367% | 13,880% | 13,880% | | 2032 | 2,005% | 4,382% | 13,910% | 13,910% | | 2033 | 2,020% | 4,397% | 13,940% | 13,940% | | 2034 | 2,035% | 4,412% | 13,970% | 13,970% | | 2035 | 2,050% | 4,427% | 14,000% | 14,000% | | 2036 | 2,065% | 4,442% | 14,030% | 14,030% | | 2037 | 2,080% | 4,457% | 14,060% | 14,060% | | 2038 | 2,095%"},{"i":16884,"b":"Besluit van 14 mei 2020, houdende nadere regels voor de uitvoering van pleegzorg op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit pleegzorg BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 maart 2020, kenmerk 1662982-203215-WJZ; Gelet op [artikel 18.4.7i van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.7i); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 april 2020, no. W13.20.0076/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 mei 2020, kenmerk 1673684-203215-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **pleegkind:** persoon die vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar pleegzorg ontvangt en die - 1°. de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet heeft bereikt; - 2°. de leeftijd van eenentwintig jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie is bepaald: - –. dat de voortzetting van pleegzorg noodzakelijk is; - –. dat na beëindiging van pleegzorg binnen een termijn van een half jaar hervatting van de pleegzorg noodzakelijk is. - –. **pleegouder:** persoon die een pleegkind niet zijnde zijn kind of stiefkind, als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en daartoe een pleegzorgovereenkomst als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043716&artikel=3&z=2020-07-01&g=2020-07-01) heeft gesloten met een pleegzorgaanbieder; - –. **pleegzorg:** vorm van jeugdzorg waarbij een pleegouder een pleegkind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt; - –. **pleegzorgaanbieder:** aanbieder van jeugdzorg als bedoeld in [artikel 18.4.7a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.7a), die pleegzorg biedt; - –. **wet:** [Invoeringswe"},{"i":16892,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2013 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2013 vastgesteld op 5,19%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2013. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16893,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2014 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op 5,64%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2014. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16895,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2016 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op 6,61%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2016. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16915,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2016 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op 1,40%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2016. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":17574,"b":"Regeling van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 6 september 2023, kenmerk 3663019-1052552-DMO, houdende regels voor de subsidiëring van de onrendabele top bij realisatie van zorggeschikte woningen binnen geclusterde woonvormen (Stimuleringsregeling zorggeschikte woningen) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definitiebepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **bouwplan:** door één of meer bij de bouw betrokken partijen opgesteld dossier, waarin staat wat er gebouwd zal worden, op welke locatie, welke partijen hierbij betrokken zijn, en wat de planning is voor de bouw, inclusief de aanvangs- en einddatum; - –. **DAEB:** dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - –. **geclusterde woonvorm:** woongelegenheden als bedoeld in [artikel 1 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1) gelegen in Nederland, die fysiek verbonden zijn, dan wel zich in elkaars directe nabijheid bevinden; - –. **intergenerationele woonvorm:** geclusterde woonvorm met minimaal twee wooneenheden bewoond door jongeren, met een leeftijd van 18 tot en met 30 jaar, die een bijdrage leveren aan de cohesie en sociale interactie in de woonvorm; - –. **intramurale zorg:** zorg die cliënten ontvangen gedurende een onafgebroken verblijf in een instelling als bedoeld in de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - –. **maximum huurgrens:** de grens, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13); - –. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **nieuwbouw:** bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffe"},{"i":18484,"b":"Besluit van 27 september 2010, houdende regeling van de materiële rechtspositie van de Gouverneur van Curaçao en de Gouverneur van Sint Maarten (Rijksbesluit rechtspositie Gouverneur van Curaçao en Gouverneur van Sint Maarten) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 juli 2010, nr. 2010-0000484646; Gelet op [artikel 1, vierde lid, van het Reglement voor de Gouverneur van Curaçao](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028105&artikel=1) en [artikel 1, vierde lid, van het Reglement voor de Gouverneur van Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028096&artikel=1); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies 12 augustus 2010, nr. W04.10.0367/I/K); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse en Koninkrijksrelaties van 22 september 2010, nr. 2010-0000578407; De bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, eerste lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **Reglement:** [Reglement voor de Gouverneur van Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003900), [Reglement voor de Gouverneur van Curaçao](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028105) of [Reglement voor de Gouverneur van Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028096); - c. **Gouverneur:** Gouverneur van Aruba, Gouverneur van Curaçao of Gouverneur van Sint Maarten; - d. **waarnemend Gouverneur:** waarnemend Gouverneur van Aruba, waarnemend Gouverneur van Curaçao of waarnemend Gouverneur van Sint Maarten; - e. **kinderen:** tot het gezin van de Gouverneur behorende eigen kinderen, stief- en pleegkinderen, die de leeftijd van eenentwintig j"},{"i":17619,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 26 april 2022, nr. IENW/BSK-2022/76068, houdende de vaststelling van tijdelijke regels voor het verlenen van een specifieke uitkering voor bodemopgaven voor het jaar 2022 (Tijdelijke regeling specifieke uitkering bodem 2022) Gelet op de [artikelen 17 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), [3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5, onderdelen a tot en met h, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** provincie of gemeente als bedoeld in de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) of gemeente als bedoeld in het [Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011935), zoals die luidden voor de datum waarop de [Aanvullingswet bodem Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043277) in werking is getreden; - **buitenproportionele opgave:** buitenproportionele opgave als bedoeld in [artikel 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046602&paragraaf=3&artikel=13&z=2024-05-04&g=2024-05-04); - **convenant bodem en ondergrond:** convenant bodem en ondergrond 2016–2020 zoals dat luidde op 31 december 2020; - **convenant bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties:** convenant bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties zoals dat luidde op 31 december 2015; - **historische spoedopgave:** aanpak van historische spoedeisende bodemverontreiniging als bedoeld in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046602&paragraaf=2&artikel=8&z=2024-05-04&g=2024-05-04); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; -"},{"i":19314,"b":"Besluit van 25 oktober 2004, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen inzake de vermelding van ingrediënten, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen, en van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 juli 2004, nr. VGB/VL 2497249, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken, en van Justitie; Gelet op [richtlijn nr. 2003/89/EG](32003L0089) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 november 2003 (PbEU L 308) tot wijziging van [richtlijn 2000/13/EG](32000L0013) met betrekking tot de vermelding van de ingrediënten van levensmiddelen, alsmede op [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [artikel 6, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=6), [artikel 8, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [artikel 13, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), en [artikel 32b, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 2004, nr. W13.04.0358/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 oktober 2004 met nr. VGP/VL2524281, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken, en van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen. Artikel II Wijzigt het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen. Artikel III Wijzigt het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten. Artikel IV Eet- en drinkwaren die: - a. voldoen aan het [Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005310) zoals dat onmiddellijk vóór 25 november 2004 luidde;"},{"i":17089,"b":"Europees Verdrag inzake sociale zekerheid De Lid-Staten van de Raad van Europa welke dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat de Raad van Europa het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden beoogt, in bijzonder om hun sociale vooruitgang te bevorderen; Overwegende dat multilaterale coördinatie van de wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid één van de middelen is om deze doelstelling te verwezenlijken; Overwegende dat [artikel 73 van de op 16 april 1964 voor ondertekening opengestelde Europese Code inzake sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004465&artikel=73) bepaalt dat de Contracterende Partijen bij de Code ernaar streven in een afzonderlijk document de vraagstukken te regelen die betrekking hebben op de sociale zekerheid van buitenlanders en migranten, in het bijzonder met betrekking tot de gelijkstelling met de eigen onderdanen en het behoud van verworven rechten en rechten die nog verworven worden; Bevestigende het beginsel van gelijkheid van behandeling van de onderdanen der Verdragsluitende Partijen, vluchtelingen en staatlozen ten aanzien van de sociale zekerheidswetgeving van iedere Verdragsluitende Partij, alsmede het beginsel van het behoud van de uit de sociale zekerheidswetgeving voortvloeiende voordelen, onverschillig of de beschermde personen zich binnen de grondgebieden van de Verdragsluitende Partijen verplaatsen, zijnde beginselen, waarvan trouwens niet alleen sommige bepalingen van het [Europees Sociaal Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021), maar ook verschillende verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie zijn uitgegaan; Zijn het volgende overeengekomen: TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a). wordt onder „Verdragsluitende Partij” verstaan elke Staat, welke overeenkomstig artikel 75, eerste lid of artikel 77 een akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding heeft nedergelegd; - b). worden de termen „grondgebied van een"},{"i":17297,"b":"Regeling van 22 juli 1994/nr. DVMA/OA-9411086 houdende regels hoogte eenmalige uitkering bij vestiging van een opvangcentrum Gelet op [artikel 6, tweede lid, van het Faciliteitenbesluit opvangcentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006849&artikel=6); Besluit: Artikel 1 De uitkering, bedoeld in [artikel 6 van het Faciliteitenbesluit opvangcentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006849&artikel=6) is het produkt van f 1000 en het aantal jaren dat een opvangcentrum naar verwachting in de gemeente zal worden gevestigd. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 1994. Artikel 3 Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling eenmalige uitkering bij vestiging opvangcentrum. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19352,"b":"Wet van 1 juni 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met nieuwe ontwikkelingen in de informatietechnologie (computercriminaliteit II) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, met het oog op nieuwe ontwikkelingen in de informatietechnologie, het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en enige andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IIA Wijzigt de Uitleveringswet. Artikel III Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel IV Een bevel aan een opsporingsambtenaar tot het door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk afnemen van een bepaald persoon van gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, welk bevel is uitgevaardigd voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, geldt als een bevel als bedoeld in de [artikelen 126i, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126i), en [126q, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126q), indien het aan de in het toepasselijke artikel gestelde eisen voldoet. Artikel IVA Wijzigt de Wijzigingswet Wetboek van Strafrecht (fraude niet-chartaal geldverkeer) (Stb. 2004/180). Artikel IVB Wijzigt de Wijzigingswet Wetboek van Strafvordering (bevoegdheden vorderen gegevens) (Stb. 2005/390). Artikel V De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschil"},{"i":17080,"b":"Controleprotocol nacalculatie-opgave 2025 Wlz-zorgaanbieders Versie 1, mei 2025 Artikel 1. Inleiding Zorgaanbieders die Wlz-zorg in natura leveren, moeten aan de NZa gegevens en inlichtingen verstrekken, waaronder een nacalculatie-opgave, zoals bedoeld in de Regeling declaratievoorschriften, administratievoorschriften en informatieverstrekking Wlz 2025. De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat een accountant een uitspraak doet over de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de aan de NZa verstrekte gegevens en inlichtingen. Dit controleprotocol stelt eisen aan het door de accountant uit te voeren onderzoek naar het met de geldende beleidsregels en regelingen van de NZa in overeenstemming zijn van de (Geconsolideerde) Totaal financieel gerealiseerde productie en de (Geconsolideerde) Totaal financiële realisatie overige onderdelen over 2025. De accountant hanteert het controleprotocol als kader voor de werkzaamheden. Daarnaast voert de accountant de controle uit in overeenstemming met het Nederlands recht, waaronder de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA), de geldende beroepsvoorschriften van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA), de Nadere Voorschriften Controle en Overige Standaarden (NV COS, bij verwijzingen aangeduid met ‘Standaard’). De controle van de nacalculatie-opgave 2025 is een controleopdracht van andere historische informatie. Hierop zijn de Standaarden van toepassing. Het doel van dit controleprotocol is niet om de aanpak van de controleopdracht voor te schrijven. De accountant is zelfstandig verantwoordelijk voor het uitvoeren van voldoende werkzaamheden ter verkrijging van voldoende controle-informatie dat de in de nacalculatie-opgave opgenomen (Geconsolideerde) Totaal financieel gerealiseerde productie en de (Geconsolideerde) Totaal financiële realisatie overige onderdelen over 2025, (hierna: gerealiseerde bedragen), in alle van materieel belang zijnde aspecten in overeenstemming is met de geldende beleidsregels en"},{"i":17828,"b":"Wet van 14 februari 1998, houdende Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de bevordering van de samenhang en verbetering van de prioriteitenstelling met betrekking tot projecten, experimenten, onderzoek en ontwikkeling op het gebied van gezondheid, preventie en zorg wenselijk is een organisatie op te richten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. programma: een samenhangend geheel van projecten, experimenten, onderzoek en ontwikkeling op het gebied van gezondheid, preventie en zorg, gericht op praktijkvraagstukken; - c. organisatie: de organisatie genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009385&paragraaf=2&artikel=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01). § 2. Instelling en taken van de organisatie Artikel 2 1. Er is een organisatie ZorgOnderzoek Nederland (ZON). 2. De organisatie bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in een door Onze Minister te bepalen plaats. 3. De [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) is op de organisatie van toepassing. Artikel 3 1. De organisatie heeft tot taak het doen uitvoeren en het subsidiëren of het verlenen van opdrachten met betrekking tot projecten, experimenten, onderzoek en ontwikkeling op het terrein van gezondheid, preventie en zorg. De organisatie bewaakt daarbij de kwaliteit en de samenhang en bevordert tevens het gebruik van de resultaten. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat Onze Minister de organisatie kan opdragen de in het eerste lid genoemde werkzaamheden te verrichten op andere, in de maatregel aa"},{"i":18213,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vanaf 1 januari 2003 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van het ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties vanaf 1 januari 2003 wordt vastgesteld. Artikel 2 De selectielijsten - 000. DGMP ([Staatscourant 156 van 18-8-1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008856)) - 001. Coördinatie algemeen regeringsbeleid ([Staatscourant 53 van 20-03-2009](onbekend)) - 003. Oorlogsgetroffenen ([Staatscourant 98 van 24-5-2007](onbekend)) - 004. Telecommunicatie en post ([Staatscourant 43](onbekend), [48](onbekend), [68 van 11-3-2009](onbekend)) - 006. Planning voorzieningen gezondheidszorg ([Staatscourant 100 van 29-5-2007](onbekend)) - 007. Bekostiging en verzekering van de gezondheidszorg ([Staatscourant 232 van 28-11-2006](onbekend)) - 009. Ouderenbeleid ([Staatscourant 24 van 4-02-2008](onbekend)) - 012. Kwaliteit Nederlandse wetgeving ([Staatscourant 32 van 14-2-2007](onbekend)) - 015. Rijksbegroting ([Staatscourant 62 van 31-3-2005](onbekend) en [Staatscourant 142 van 30-7-1998](onbekend)) - 019. Belastingheffing ([Staatscourant 102 van 31-5-2005](onbekend)) - 020. Militair materieel ([Staatscourant 79 van 24-4-2007](onbekend)) - 021. Scheepvaart en maritieme zaken ([Staatscourant 128 van 7-7-2008](onbekend)) - 022. Geldvoorziening ([Staatscourant 194 van 8-10-2007](onbekend)) - 023. Toelating vreemdelingen over de periode vanaf 1945 ([Staatscourant 1751 van 9-2-2010](onbekend)) - 024. Arbeidsomstandigheden ([Staatscourant 105 van 4-6-2008](onbekend)) - 029. Staatkundige verhoudingen en samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk der Nederlanden vanaf 1954 ([Staatscourant 22 van 2-2-1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010017) en [Staatscourant 152 van 9-8-2000](onbekend)) - 031. Politie 1994- ([St"},{"i":18243,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 16 december 2020, kenmerk 1799528-215983-WJZ, houdende het verlenen van volmacht en machtiging aan de plaatsvervangend Secretaris-Generaal van het Ministerie van VWS voor de uitoefening van de rechten van de Staat als aandeelhouder van Intravacc B.V Gelet op [artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6) en [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1 De plaatsvervangend Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, heeft volmacht – met het recht van substitutie – en machtiging voor het verrichten van alle rechtshandelingen en feitelijke handelingen, zowel strekkende tot beheer als beschikking, ten laste van de Staat de Nederlanden, die noodzakelijk zijn voor, of dienstbaar zijn aan, de uitoefening van de rechten van de Staat der Nederlanden als (enig) aandeelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intravacc B.V., statutair gevestigd te Bilthoven, met adres: (3721 MA) Bilthoven, Antonie van Leeuwenhoeklaan 9, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 73887757. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":17590,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 september 2014, houdende regels voor een subsidie voor het faciliteren van medisch specialisten bij de overgang naar integrale tarieven voor medisch specialistische zorg en kaakchirurgie (Subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch specialistische zorg) Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [artikel 5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **arbeidsovereenkomst:** overeenkomst als bedoeld in [artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610); - **arts:** persoon ingeschreven als arts in een register als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3); - **inspecteur:** inspecteur als bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2); - **instelling:** organisatorisch verband dat strekt tot de verlening van zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), met uitzondering van een organisatorisch verband waarbinnen in het kader van de binnen een instelling verleende zorg, een deel van die zorg wordt verleend; - **medisch specialist:** arts als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035565&artikel=2&z=2016-04-01&g=2016-04-01); - **Minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **subsidie:** subsidie als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035565&artikel=3&z=2016-04-01&g=2016-04-01); - **vrijgevestigd medisch specialist:** medisch specialist die op basis van toelatingsovereenkomst werkzaam is in een instelling; - **zorgaan"},{"i":18511,"b":"Rijkswet van 18 april 2002, houdende bepalingen omtrent de tarieven voor consulaire dienstverlening Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen betreffende de heffing van kanselarijrechten die zijn neergelegd in de [Wet op de Kanselarijrechten 1948](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002043) te vervangen door een vereenvoudigd tariefstelsel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder - 1°. Onze Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken, - 2°. de Gevolmachtigde Minister: de Gevolmachtigde Minister van Aruba, Curaçao of Sint Maarten in Nederland. Artikel 2 1. De belanghebbende is aan Onze Minister dan wel indien dat bij algemene maatregel van rijksbestuur is bepaald aan de Gevolmachtigde Minister een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen vergoeding verschuldigd voor het verlenen van de bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur aangeduide diensten met betrekking tot: - a. de uitoefening van de bij of krachtens de [Consulaire Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001847) aan consulaire ambtenaren verleende bevoegdheden, - b. het verstrekken van consulaire verklaringen met het oog op het vervoeren van een stoffelijk overschot of een urn, - c. het verstrekken van verklaringen omtrent de burgerlijke staat en andere de persoon betreffende gegevens die tot bewijs strekken, - d. het verlenen van bijstand, zoals bemiddeling bij het oplossen van financiële en andere de belanghebbende betreffende problemen die verband houden met het verblijf in het buitenland, - e. het verschaffen van informatie en het bemiddelen bij het verkrijgen daarvan"},{"i":19215,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 23 juli 2014, nr. MinBuZa.2014.59695, houdende beperkende maatregelen in verband met de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol (Sanctieregeling inlijving Krim en Sebastopol 2014) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Financiën; Gelet op [Verordening (EG) nr 692/2014](32014R0692) van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 2014 betreffende beperkingen op de invoer in de Unie van goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol, als antwoord op de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol (Pb 2014, L183); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 2 bis, eerste lid, artikel 2 bis bis, eerste lid, artikel 2 ter, eerste en tweede lid, artikel 2 quater, eerste tot en met derde lid, artikel 2 quinquies, eerste en tweede lid, artikel 4 en artikel 8 bis van [Verordening (EU) nr. 692/2014](32014R0692) van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 2014 betreffende beperkende maatregelen, als antwoord op de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol (Pb L 183). 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 2, tweede lid, artikel 2 bis, tweede of derde lid, artikel 2 bis bis, tweede lid, artikel 2 quater, vierde tot en met achtste lid, artikel 2 quinquies, derde lid, of artikel 2 sexies, van [Verordening (EU) nr. 692/2014](32014R0692) van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2bis, derde lid, van Verordening (EU) nr. 692/2014 is de Minister van Financiën. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2ter, vierde lid, artikel 2sexies en artikel 3, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 692/2014 is de Minister van Financiën v"},{"i":19175,"b":"Richtlijn voor strafvordering vals/vervalst reisdocument Beschrijving Deze richtlijn ziet alleen op het voorhanden hebben en gebruikmaken van een vals of vervalst reisdocument of het gebruik van andermans reisdocument. Deze richtlijn kent een eigen recidiveregeling. Basiscasus/delict Vals/vervalst reisdocument of reisdocument van ander persoon voorhanden hebben of gebruiken Legenda Afkortingen GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk"},{"i":18158,"b":"Besluit van 7 maart 2006, houdende instelling van de medaille voor trouwe en langdurige dienst Nederlandse politie Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 februari 2006, kenmerk 2005-0000294185, directoraat-generaal Veiligheid; Overwegende dat het uitreiken van een medaille voor trouwe en langdurige dienst bijdraagt aan de waardering voor het functioneren van de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **ambtenaar:** - 1°. de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2); - 2°. de ambtenaar, bedoeld in [artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), voor zover diegene in de hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar, als bedoeld in [artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142), met uitvoerende politietaken is belast; - 3°. de vrijwillige ambtenaar, bedoeld in [artikel 2, onderdeel c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), voor zover diegene is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak onderscheidenlijk voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, voor zover diegene in de hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142), met uitvoerende politietaken is belast; - 4°. de ambtenaar, bedoeld in [artikel 2, onderdeel d, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), voor zover diegene is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak; - **bevoegd gezag:** de korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid."},{"i":17419,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 december 2022, kenmerk 3468798-1039784-J, houdende specifieke uitkeringen voor randvoorwaardelijke functies jeugdhulp Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **academisch centrum kinder- en jeugdpsychiatrie (ACKJP):** een instelling voor specialistische kinder- en jeugdpsychiatrie waar naast zorg ook medisch specialisten worden opgeleid en wetenschappelijke kennis wordt gegenereerd, toegepast en verspreid, als onderdeel van of gelieerd aan een universitair medisch centrum met academische infrastructuur zondervolledige financiering door het Landelijk Transitiearrangement; - –. **bovenregionaal gebied:** een cluster van jeugdzorgregio’s in een bepaald gebied genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047609&bijlage=1&z=2026-04-21&g=2026-04-21); - –. **coördinerende gemeente:** de gemeente, genoemd in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047609&artikel=4&z=2026-04-21&g=2026-04-21), die verantwoordelijk is voor de organisatie van de betreffende randvoorwaardelijke functie; - –. **expertisenetwerk jeugdhulp:** netwerk in een bovenregionaal gebied dat ten doel heeft om te zorgen voor een passende oplossing voor jongeren met complexe en meervoudige problematiek die vastlopen in de zorg of niet de juiste hulp krijgen en te voorkomen dat de zorgvraag van jongeren steeds complexer wordt; - –. **gesloten jeugdhulp:** opname, verblijf en jeugdhulp in een gesloten accommodatie op basis van een machtiging als bedoeld in [artikel 6.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.1.2), [6.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.1.3) of [6.1.4 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.1.4"},{"i":18804,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 juli 2016 nr. BOACAT2016/046, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Avri Gelezen het verzoek van de directeur van Avri van 17 april 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038205&artikel=2&z=2019-08-07&g=2019-08-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving in dienst van Avri, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel 4 1. Op grond van dit besluit kunnen maximaal 30 personen als buit"},{"i":17156,"b":"Maatregelbeleid inzake de rechtsbijstandverlening asiel en vreemdelingenbewaring Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verder te noemen de Raad, In aanmerking nemend de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) en [17 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=17) en het [Reglement Klachtencommissie rechtsbijstand asiel en vreemdelingenbewaring](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030197); Overwegende, dat het wenselijk is een nadere uitwerking te geven aan de wijze waarop toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde in [artikel 17, tweede lid van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=17) ten aanzien van de rechtsbijstandverlening inzake asiel en vreemdelingenbewaring en daarbij een kader te geven aan advisering door de Klachtencommissie rechtsbijstand asiel en vreemdelingenbewaring; Stelt het volgende maatregelbeleid vast. Bijlage Maatregelbeleid Raad voor Rechtsbijstand inzake de rechtsbijstandverlening asiel en vreemdelingenbewaring De [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) draagt het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad) op om de verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand aan minder draagkrachtige rechtzoekenden, waaronder asielzoekers, te organiseren. De wet draagt aan de Raad voorts het toezicht op de verlening van rechtsbijstand op. Krachtens de hem verleende wettelijke bevoegdheid heeft de Raad voor de asielrechtsbijstand inschrijvingsvoorwaarden vastgesteld. Ingevolge het reglement dat voor hun werkzaamheden is vastgesteld kan de Klachtencommissie Rechtsbijstand Asiel en Vreemdelingenbewaring (verder: KRAV) naar aanleiding van klachten, dan wel ambtshalve het functioneren van rechtsbijstandverleners onderzoeken. Uit een individuele klacht of uit ambtsh"},{"i":18090,"b":"Besluit van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van de archieven van het Ministerie van Defensie, Maatschappelijke Dienst Defensie (MDD), (1974) 1988–2004 (2006) bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Overwegende dat een aantal dossiers in de archieven van het Ministerie van Defensie, Maatschappelijke Dienst Defensie (MDD), (1974) 1988–2004 (2006) beperkingen aan de openbaarheid behoeft: Gelet op [artikel 15, lid 1, onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 06-07-2022, met kenmerk 32769197 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | 26 | 2074 | | --- | --- | | 27 | 2075 | | 28 | 2076 | | 38 | 2076 | | 39 | 2076 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050776&artikel=1&z=2025-02-15&g=2025-02-15), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050776&artikel=1&z=2025-02-15&g=2025-02-15), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrengin"},{"i":19045,"b":"Besluit van de directeur-generaal Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van 19 februari 2015, nr. 2015-618410, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de directeur-generaal ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit DGVZ Ministerie van Veiligheid en Justitie 2015) Gelet op [artikel 3 van de Mandaatregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030842&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1 van de Mandaatregeling hoofden clusters Ministerie van Veiligheid en Justitie 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032164&artikel=1) aan de directeur-generaal Vreemdelingenzaken verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun directie, dienst, bureau of secretariaat betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de directeur Migratiebeleid; - b. de directeur Regie Vreemdelingenketen; - c. de algemeen directeur van de dienst Terugkeer en Vertrek; - d. de hoofddirecteur van de baten-lastendienst Immigratie- en Naturalisatiedienst; - e. het hoofd van het secretariaat van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken; - f. de projectdirecteur Migratie. 2. Van het ingevolge [artikel 1 van de Mandaatregeling hoofden clusters Ministerie van Veiligheid en Justitie 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032164&artikel=1) aan de directeur-generaal Vreemdelingenzaken verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van de Organisatieregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030837&artikel=5), ondermandaat verleend aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken. Artikel 2 Als bevoegd gezag als bedoeld in het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950), worden aangewezen de ambtenaren, genoemd in kolom 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00363"},{"i":19440,"b":"Besluit Luchtverkeer BES Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **ACAS (Airborne Collision Avoidance System):** een systeem aan boord van een luchtvaartuig, werkend met signalen van transponders en onafhankelijk van installaties op de grond, dat de gezagvoerder advies geeft over mogelijk conflicterende luchtvaartuigen die zijn uitgerust met een transponder; - **AFIS: («Aerodrome flight information service»):** onderdeel van luchtverkeersdienstverlening dat voorziet in het geven van inlichtingen die tot doel hebben een veilig en geregeld verloop van het luchtvaartterreinverkeer op daartoe door de Minister aangewezen luchtvaartterreinen; - **luchtverkeerstroomregeling (air traffic flow management):** een dienstverlening aan het luchtverkeer met het doel een optimale luchtverkeerstroom te verzekeren naar of via gebieden waarin het luchtverkeersaanbod de capaciteiten van het luchtverkeerssysteem overtreft; - **AIS (Aeronautical Information Services):** vluchtvoorlichtingsdienst die is belast met het geven van luchtvaartinlichtingen, die nodig zijn voor een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer vóór de vlucht en het in ontvangst nemen daarvan na de vlucht; - **alarmering:** een dienstverlening met het doel de betrokken instanties te waarschuwen aangaande luchtvaartuigen, die hulp behoeven in de vorm van opsporing en redding en deze instanties bij te staan voor zover dat vereist is; - **algemene luchtverkeersleiding:** het geven van luchtverkeersleiding bij een aangewezen algemene luchtverkeersleidingsdienst; - **algemeen luchtverkeersleidingsgebied (Control Area-CTA):** een luchtverkeerleidings-gebied, dat zich in opwaartse richting uitstrekt vanaf een vastgestelde grens boven het aardoppervlak; - **ATC:** «Air Traffic Control» - **bijzonder luchtverkeersgebied:** een luchtruimte met vastgestelde begrenzingen, waarbinnen nadere voorschriften zijn gesteld ter bescherming van bep"},{"i":19506,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken inzake de Handelsscheepvaart De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken, Verlangende de handelsscheepvaart tussen hun landen te ontwikkelen en bij te dragen tot de ontwikkeling van de internationale handelsscheepvaart op basis der beginselen van de vrijheid daarvan, Hebben besloten de onderhavige Overeenkomst te sluiten: Artikel 1 In de onderhavige Overeenkomst betekent: - 1. de term „schip van de Overeenkomstsluitende Partij” elk vaartuig, dat ingeschreven is in een scheepsregister van die Partij. Echter heeft deze term geen betrekking op: - a). oorlogsschepen; - b). andere vaartuigen, gedurende de tijd dat deze uitsluitend worden gebruikt ten dienste van de krijgsmacht; - c). vaartuigen welke in een of andere vorm overheidsgezag uitoefenen; - d). vaartuigen welke werkzaamheden verrichten van niet-commerciële aard, zoals staatsjachten, hospitaalschepen en wetenschappelijke researchschepen. - 2. de term „lid van de bemanning” de kapitein benevens elke persoon, die tijdens de reis aan boord daadwerkelijk is belast met de vervulling van werkzaamheden welke verband houden met de exploitatie van of de dienstverlening op het schip, en die is opgenomen op de monsterrol. Artikel 2 De onderhavige Overeenkomst geldt voor het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden en voor het grondgebied van de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken. Artikel 3 De Overeenkomstsluitende Partijen zullen in alle opzichten bijdragen tot de vrijheid van de handelsscheepvaart en zich onthouden van alle handelingen welke schade zouden kunnen toebrengen aan een normale ontwikkeling van de internationale scheepvaart. Artikel 4 De Overeenkomstsluitende Partijen zullen binnen de grenzen van hun wetgeving als hun inspanningen voortzetten ten behoeve van de handhaving en de ontwikkeling van een effektieve zakelijke samenwerking"},{"i":17571,"b":"Stichting Vervangingsfonds en bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs, vaststelling subsidieplafonds 2014 Gelet op artikel 4 van de Kaderregeling Subsidieverstrekking Vervangingsfonds en Participatiefonds 2007, heeft het bestuur van de Stichting Vervangingsfonds en bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs in haar vergadering van 7 november 2013 de volgende subsidieplafonds voor 2014 vastgesteld. Subsidie Meerkracht Met betrekking tot de Subsidie Meerkracht is over 2014 een subsidieplafond vastgesteld van € 200.000,–. Regeling Maatwerkbudget Met betrekking tot de [Regeling Maatwerkbudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031915) is over 2014 een subsidieplafond vastgesteld van € 400.000,–. Tenderregeling Werkplezier Met betrekking tot Tranche 3 van de [Tenderregeling Werkplezier](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034274) is voor de periode van 1 maart 2014 tot en met 15 mei 2014 een subsidieplafond vastgesteld van € 1.500.000,–."},{"i":18393,"b":"Regeling Landelijk Functiehuis Nederlandse Politie Gelet op [artikel 17, derde lid, van het Besluit beheer regionale politiekorpsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006560&artikel=17); Besluit Artikel 1 Ten behoeve van een uniforme aanlevering van gegevens over de omvang en samenstelling van de regionale politiekorpsen aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als bedoeld in [artikel 17, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit beheer regionale politiekorpsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006560&artikel=17), wordt het in de bijlage bij deze regeling opgenomen Landelijk Functiehuis Nederlandse Politie vastgesteld. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Landelijk Functiehuis Nederlandse Politie. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties."},{"i":18062,"b":"Besluit nr. DBV / 11104883 van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Personeel Organisatie en Innovatie en diens taakvoorgangers van het Ministerie van Economische Zaken over de periode (1934) 1976–1997 (2004) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar. De beperkingen aan de openbaarheid vervallen op het moment van overlijden van de persoon op wie het dossier betrekking heeft. Indien het overlijden van die persoon niet is aangetoond, vervalt de beperking uiterlijk 100 jaar na geboortedatum zoals weergegeven in de tweede kolom van onderstaande tabel. | Inventarisnummers | | | --- | --- | | 179 | 2044 | 2. De beperking van het eerste lid geldt niet indien: - a. iemand inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op deze persoon zelf; - b. degene die inzage vraagt kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. degene die inzage vragt een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft voor inzage. Artikel 2 Raadpleging van de archiefbescheiden waarvan de openbaarheid op grond van het bepaalde in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030423&artikel=1&z=2011-09-14&g=2011-09-14) is beperkt, is slechts mogelijk met voorafgaand verkregen schriftelijke toestemming van de algemene Rijksarchivaris. Een verzoek tot inzage kan worden ingediend via de daarvoor bij het Nationaal Archief gebruikelijke formulieren. De algemene Rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. A"},{"i":17463,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 1 juli 2015, houdende regels over het toezicht op de arrestantenzorg bij de politie (Regeling toezicht arrestantenzorg politie) Gelet op [artikel 24, vijfde lid, van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=24); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **arrestantenzorg:** zorg voor de huisvesting, veiligheid, verzorging, bejegening en vervoer van ingeslotenen door de regionale eenheid en door een landelijke eenheid in het gebied van die regionale eenheid; - b). **ingeslotene:** de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, alsmede de persoon die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op een politiebureau is ondergebracht; - c). **politiecellen:** ruimten die door de politie worden gebruikt voor het insluiten van personen; - d). **politiecellencomplex:** een in een gebouw te onderscheiden ruimte waarin één of meer gangen met daaraan grenzend één of meer ruimten liggen die door de politie worden gebruikt voor het insluiten van personen; - e). **commissie:** de commissie van toezicht op de arrestantenzorg, bedoeld in [artikel 50, eerste lid, van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=50); - f). **landelijk afstemmingsoverleg:** het overleg, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036723&artikel=6&z=2023-01-01&g=2023-01-01); - g). **de minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - h). **ambtenaren van politie:** ambtenaren van politie als bedoeld in [artikel 2, onder a, b en c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2). Artikel 2 1. De commissie bestaat uit ten minste vijf leden. 2. De leden worden benoemd op basis van een open sollicitatieprocedure. 3. De benoeming van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de overige leden van een commissie voor een regionale eenheid vindt plaats op gezamenlijke aanb"},{"i":17238,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juni 2012, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het Experiment regelarme instellingen in de langdurige zorg nr. MC-U-3117725 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 8 maart 2012 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2011/12, 31 765, 56); Gelet op het algemeen overleg met de vaste commissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 29 maart 2012. Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. **de zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. **het Experiment regelarme instellingen:** het experiment zoals beschreven in mijn brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 23 december 2011 en de daarbij behorende bijlagen (Kamerstukken II 2011/12, 31 765, nr. 53); - d. **een experiment:** een individueel experiment in het kader van het Experiment regelarme instellingen, zoals nader gedefinieerd door de deelnemende zorgaanbieder en door mij medegedeeld aan de zorgautoriteit. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als bedoeld bij of krachtens [de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). Artikel 3. opdracht De zorgautoriteit stelt met toepassing van [artikel 58 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58) in het kader van het Experiment regelarme instellingen waar nodig regels of beleidsregels vast, zo nodig met terugwerkende kracht. A"},{"i":19097,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 december 2019, nr. 2772910, houdende regels over de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen) Gelet op de [artikelen 6:1:5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:1:5), en [6:1:25, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:1:25) en de [artikelen 1:2, eerste en tweede lid, onder a, b en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042962&artikel=1:2), [2:23, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042962&artikel=2:23), [3:27, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042962&artikel=3:27), [4:3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042962&artikel=4:3), en [4:15, eerste lid, van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042962&artikel=4:15); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemeen Titel 1.1. Algemene bepalingen Artikel 1:1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **besluit:** het [Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042962); - –. **betalingsregeling:** verlening van uitstel van betaling of het toestaan van betaling in termijnen als bedoeld in [artikel 6:4:1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:4:1); - –. **last tot aanhouding:** last tot tenuitvoerlegging die strekt tot aanhouding van een verdachte of veroordeelde als bedoeld in [artikel 6:1:6, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:1:6); - –. **Minister:** de Minister voor Rechtsbescherming; - –. **ongerichte betaling:** betaling waarbij geen melding of niet op de door de Minister aangegeven wijze melding is gemaakt van de zaak w"},{"i":19229,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 25 oktober 2017, nr. MinBuza-2017.1143609, betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Democratische Volksrepubliek Korea (Sanctieregeling Noord-Korea 2017) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de Minister van Financiën, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Infrastructuur en Milieu; Gelet op Verordening (EU) nr. 2017/1509 van de Raad van de Europese Unie van 30 augustus 2017 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 329/2017 (PbEU 2017, L 224); Gelet op Verordening (EU) 2017/1548 van de Raad van 14 september 2017 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1509 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea (PbEU 2017, L 237); Gelet op Verordening (EU) 2017/1836 van de Raad van de Europese Unie van 10 oktober 2017 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1509 van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea (PbEU 2017, L 261); Gelet op Besluit (GBVB) 2016/849 van de Raad van 27 mei 2016 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Besluit 2013/183/GBVB (PbEU 2016, L 141); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3), Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, artikel 5, artikel 7, eerste lid, artikel 10, eerste lid, artikel 11 tot en met artikel 13, artikel 15, artikel 16 bis, artikel 16 ter, artikel 16 quater, artikel 16 quinquies, artikel 16 septies, artikel 16 nonies, artikel 16 undecies, artikel 16 duodecies, artikel 16 terdecies, artikel 16 quaterdecies, artikel 16 quindecies, arti"},{"i":19058,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 10 december 2018, nr. 2410554/18/DP&O, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de hoofden van de clusters van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid) Gelet op [artikel 3, eerste lid, onder a, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 2 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=2) aan de secretaris-generaal verleende mandaat wordt ondermandaat verleend aan de hoofden van de clusters, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2) ten aanzien van: - a). de aangelegenheden die hun cluster betreffen; - b). de volgende aangelegenheden die mede hun cluster betreffen: - 1°. het nemen van besluiten op verzoeken als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de Algemene verordening gegevensbescherming en daarmee samenhangende beslissingen; - 2°. klachtprocedures in de zin van artikel 77 van de Algemene verordening gegevensbescherming; - 3°. bemiddelingsprocedures in de zin van [artikel 36 van de Uitvoeringswet algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=36); - 4°. het doen van kennisgevingen als bedoeld in [artikel 9:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:12) en daarmee samenhangende beslissingen. Artikel 2 De hoofden van de clusters, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2) worden aangewezen en volmacht verleend om op te treden als leidin"},{"i":19531,"b":"Regeling van 25 augustus 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1260, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende eisen voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie AM (Regeling eisen theorie-examen rijbewijscategorie AM) Gelet op [artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel C van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (invoering bromfietsrijbewijs) in werking treedt. Artikel 1 De aanvrager van het theorie-examen moet blijk geven kennis en inzicht te bezitten van de hierna genoemde voorschriften, alsmede kennis en inzicht van die voorschriften voor zover deze gelden voor andere verkeersdeelnemers: - a. van de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622): de [artikelen 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), [2, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=12), [21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), [36, eerste, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36), [37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=37), [40, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=40), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=41), [60, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&"},{"i":17188,"b":"Overeenkomst inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Nieuw-Zeeland De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Nieuw-Zeeland, Geleid door de wens de hartelijke en vriendschappelijke betrekkingen tussen de beide landen te handhaven en te versterken en de betaling van Nederlandse pensioenen in Nieuw-Zeeland en de betaling van Nieuw-Zeelandse uitkeringen in Nederland mogelijk te maken ten aanzien van staatsburgers die zich permanent vestigen in het andere land, Zijn als volgt overeengekomen: DEEL I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN WERKINGSSFEER Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Tenzij het zinsverband anders vereist, wordt in deze Overeenkomst verstaan onder: - a. „uitkering”: een Nieuw-Zeelandse uitkering of pensioen uit te betalen ingevolge de Social Security Act 1964 of de Social Welfare (Transitional Provisions) Act 1990 en, wat Nederland betreft, een uitkering of pensioen ingevolge de wetten van Nederland, met inbegrip van uit te betalen verhogingen van of aanvullingen op een uitkering of pensioen; - b. „bevoegde autoriteit”: wat Nieuw-Zeeland betreft, de Director General of Social Welfare of een gemachtigde plaatsvervanger van de Director General; en wat Nederland betreft, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - c. „orgaan”: met betrekking tot een Overeenkomstsluitende Partij, een orgaan dat verantwoordelijk is voor de toepassing van deze Overeenkomst ten aanzien van een Overeenkomstsluitende Partij; - d. „wetten inzake sociale zekerheid”: met betrekking tot de Overeenkomstsluitende Partij, de wetten die, wat die Overeenkomstsluitende Partij betreft, zijn genoemd in artikel 2; - e. „Nieuw-Zeeland”: uitsluitend Nieuw-Zeeland en niet de Cookeilanden, Niue en Tokelau; „Nederland”: het Koninkrijk der Nederlanden in Europa; - f. „onderdaan”: wat Nieuw-Zeeland betreft, een Nieuw-Zeelands staatsburger of een Nieuw-Zeelands onderdaan en, wat Nederland betreft, een persoon van de Nederla"},{"i":19548,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 27 april 2012, nr. IENM/BSK-2012/60134, houdende vaststelling van nadere regels voor de scheepvaart en organisaties en personen die niet aan het scheepvaartverkeer deelnemen betreffende meldingen en communicatie (Regeling meldingen en communicatie scheepvaart) Gelet op [Richtlijn nr. 2010/65](32010L0065)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten en tot intrekking van [Richtlijn 2002/6/EG](32002L0006) (PbEU L 283), Hoofdstuk V, Voorschrift 19-1, van het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157), en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen (SOLAS-verdrag), [Richtlijn nr. 2000/59/EG](32000L0059) van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332), [Richtlijn nr. 2002/59/EG](32002L0059) van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot het intrekken van [Richtlijn 93/75/EEG](31993L0075) van de Raad (PbEG L 131), [verordening (EG) nr. 725/2004](32004R0725) van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129), [richtlijn nr. 2005/44/EG](32005L0044) van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PbEU L 255), [richtlijn nr. 2009/16/EG](32009L0016) van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (Herschikking) (PbEU L 131), en de [artikelen 4 van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005444&artike"},{"i":19555,"b":"Regeling ter uitvoering van de artikelen 1, onderdeel e, 2, 9, 20, 26 en 38 van het Besluit spoorverkeer (Regeling spoorverkeer) Gelet op [artikelen 1, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017624&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017624&artikel=2), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017624&artikel=9), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017624&artikel=20), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017624&artikel=26) en [38 van het Besluit spoorverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017624&artikel=38); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit spoorverkeer in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - besluit: [Besluit spoorverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017624); - ETCS: European Train Control System; - hoofdsein: lichtsein dat rood licht kan uitstralen; - lichtsein: vast sein dat groen, geel, rood of wit licht kan uitstralen; - netverklaring: netverklaring als bedoeld in artikel 3, onderdeel 26, van de [richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PbEU 2012, L343); - P-sein: hoofdsein voorzien van een P-bord; - perronfase: opdeling van een spoor langs een perron door middel van letters; - vast sein: niet verplaatsbaar sein; - voorsein: lichtsein dat aan een hoofdsein of bord met betekenis *stop* voorafgaat en geen rood licht kan uitstralen. Hoofdstuk 2. Remvoorschriften § 1. Algemene bepaling Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen § 2. Rembeproeving Artikel 6 Vervallen Hoofdstuk 3. Maximumsnelheid treinen § 1. Algemene bepalingen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen § 2. Remgewicht Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen § 3. Treingewicht Artikel 16 Vervall"},{"i":19581,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 29 januari 2015, nr. ienm/bsk-2015/14242, houdende wijziging van de Subsidieregeling sanering verkeerslawaai en de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder (Regeling vernieuwen procedures sanering verkeerslawaai) Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling sanering verkeerslawaai. Artikel II Wijzigt de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder. Artikel III 1. Indien aan een subsidieaanvrager subsidie is verleend op grond van [artikel 7 van de Subsidieregeling sanering verkeerslawaai](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020731&artikel=7) zoals genoemde regeling luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, wordt die subsidie vastgesteld op grond van [artikel 25, eerste lid, van de Subsidieregeling sanering verkeerslawaai](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020731&artikel=25), zoals deze luidt na de onderhavige wijziging, indien het overeenkomstig dit artikel berekende subsidiebedrag 18% of meer van het bedrag van de subsidieverlening voor de maatregelen bedraagt. 2. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag dat deze in de Staatscourant wordt geplaatst en werkt met betrekking tot [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036219&artikel=I&z=2015-02-03&g=2015-02-03) terug tot en met 1 januari 2015. Dit besluit wordt aangehaald als: Regeling vernieuwen procedures sanering verkeerslawaai. Gelet op de [artikelen 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13), de [artikelen 126a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=126a) en [129 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=129) en de [artikelen 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020445&artikel=3.9) en [4.22 van het Besluit geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020445&artikel=4.22); Besluit: Deze regeling zal met de toelicht"},{"i":17451,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 juli 2012, IVV/OOG/2012/11022, houdende regels inzake de verstrekking van statistische gegevens met betrekking tot de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Regeling statistiek WWB, IOAW en IOAZ 2013) Gelet op [artikel 77 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=77), [artikel 78, derde lid, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78), [artikel 55, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=55), [artikel 55, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=55) en [artikel 5, derde lid, van de Wet participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **IOAW:** [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044); - c. **IOAZ:** [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163); - d. **WWIK:** [Wet werk en inkomsten kunstenaars](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017837), zoals deze luidde op 31 december 2011; - e. **WIJ:** [Wet investeren in jongeren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026054), zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van [artikel II van de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en"},{"i":2786,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2004 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i, van die regeling, stelt op 16 november 2004, doch niet later dan 15 december 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,694 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2004 en eindigende met 15 december 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overhei"},{"i":4826,"b":"Besluit van de directeur Bewaken en Beveiligen van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 28 oktober 2024, nr. 5841772, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Bewaken en Beveiligen NCTV 2024) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van het Mandaatbesluit NCTV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042181&artikel=1) aan de directeur Bewaken en Beveiligen verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die zijn afdeling betreffen ondermandaat verleend aan het hoofd van de Afdeling Coördinatie Bewaken en Beveiligen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Bewaken en Beveiligen NCTV 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6547,"b":"Besluit van 13 oktober 2012, houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en enkele andere rechtspositionele besluiten in verband met de inwerkingtreding van de Politiewet 2012 (Wijzigingsbesluit rechtspositie politie) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 22 september 2011, nr. 5710561/11/6; Gelet op [artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=47); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 december 2011, nr. W03.11.0386/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 8 oktober 2012, nr. 309251; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie. Artikel II Wijzigt het Besluit beschikbaarstelling politieambtenaren ten behoeve van vredesmissies. Artikel III Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel IV Wijzigt het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie. Artikel V Wijzigt het Besluit Herinneringsmedaille Vredesoperaties. Artikel VI Wijzigt het Besluit Kroonbenoemingen politie. Artikel VII Wijzigt het Besluit medaille trouwe en langdurige dienst Nederlandse politie. Artikel VIII Wijzigt het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie. Artikel IX Wijzigt het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994. Artikel X Wijzigt het Besluit rangen politie. Artikel XI Wijzigt het Besluit rechtspositie vrijwillige politie. Artikel XII Wijzigt het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie. Artikel XIII Wijzigt het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie. Artikel XIV Wijzigt het Besluit toekenning eindejaarsuitkering aan politie-ambtenaren in 1996. Artikel XV Wijzigt het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Artikel XVI Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel XVII Dit besluit wordt aangehaald als: Wijzigingsbesluit rechtspositie politie. Laste"},{"i":6544,"b":"Besluit van 6 september 1991, houdende wijziging van de Militaire wachtgeldregeling 1961 en de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht 1982 Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 18 maart 1991, Directoraat-Generaal Personeel, Directie Arbeidsvoorwaardenbeleid, Afdeling Beleid en Management Postaktieven, nr. D 91/100/5753; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12)**Stb.** 519); De Raad van State gehoord (advies van 13 augustus 1991, nr. WO7.91.0152); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 29 augustus 1991, Directoraat-Generaal Personeel, Directie Arbeidsvoorwaardenbeleid, Afdeling Beleid en Management Postaktieven, nr. D 91/100/16359; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III De op 1 april 1991 lopende militaire wachtgelden worden te rekenen van die datum voor de resterende duur beheerst door de bepalingen van de Militaire wachtgeldregeling 1961 (**Stb.** 1986, 494) zoals die ingevolge dit besluit zijn komen te luiden. De resterende duur wordt daarbij zo nodig verlengd met het verschil tussen de oorspronkelijk vastgestelde duur en de duur die een toets aan de met dit besluit geïntroduceerde nieuwe regels terzake oplevert. Artikel IV De [artikelen 8 en 9 van de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003538&artikel=8) 1982 (**Stb.** 648), zoals die artikelen voor de bij dit besluit aangebrachte wijzigingen luidden, blijven van kracht voor de daarin bedoelde voor 1 april 1991 ontslagen militair. Artikel V 1. De uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen uit hoofdstuk III van de Tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering (**Stb.** 1987, 400) blijven voor de op of na 1 april 1991 resterende duur, alsmede wat betreft de hoogte gehan"},{"i":19586,"b":"Regeling vrijstelling vervoer gevaarlijke stoffen militaire voertuigen 2002 Gelet op [artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=9); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Ten aanzien van de gevaarlijke stoffen waarmee, op terreinen die uit hoofde van eigendomsrecht dan wel overeenkomst aan de Minister van Defensie ter beschikking staan, handelingen met of ten aanzien van militaire voertuigen worden verricht in de uitvoering van de operationele taak, met inbegrip van in dat kader te houden oefeningen, wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=5), onderscheidenlijk van de regels, gesteld krachtens [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=3), voorzover die handelingen worden verricht overeenkomstig het Voorschrift voor de opslag van gevaarlijke stoffen (MP 40-21). Artikel 3 Van het in randnummer 1.1.3.3 van [bijlage 1 bij de VLG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1) opgenomen verbod om in de vaste reservoirs meer brandstof dan 1500 liter per transporteenheid mee te nemen, wordt, voorzover de inhoud van die vaste reservoirs niet meer bedraagt dan 2000 liter per voertuig, vrijstelling verleend voor het verrichten van handelingen met of ten aanzien van militaire voertuigen. Artikel 4 Aan bestuurders van tactische voertuigen wordt voor het verrichten van handelingen vrijstelling verleend van randnummer 8.2.1 van [bijlage 1 bij de VLG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1). Artikel 5 Voor het verrichten van handelingen met of ten aanzien van tactische voertuigen wordt vrijstelling verleend van de randnummers 5.3 en 8.1.2 van [bijlage 1 bij de VLG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1). Artikel 6 Voor het verrichten van handelingen met of ten aanzien van militaire voertuigen wordt voor wat bet"},{"i":12455,"b":"Besluit loondispensatie Wajong Gelet op [artikel 59a van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59a); Besluit: Artikel 1. Duidelijk verminderde arbeidsprestatie Een duidelijk verminderde arbeidsprestatie als bedoeld in de [artikelen 2:20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:20) en [3:63 van de Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:63) wordt slechts aangenomen indien die prestatie een geldelijke beloning rechtvaardigt die, berekend per gewerkt uur, ten minste 25% lager ligt dan de beloning die voor dezelfde arbeid gebruikelijk is. Artikel 2. Minimale duur Loondispensatie wordt slechts verleend indien naar verwachting gedurende ten minste zes maanden sprake zal zijn van een duidelijk verminderde arbeidsprestatie. Artikel 3. Percentage van minimumloon Bij het verlenen van loondispensatie wordt de aanspraak van de werknemer op een geldelijke beloning voor de door hem verrichte arbeid, berekend per uur, vastgesteld op een percentage van het op grond van de [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638) voor hem geldende minimumloon per uur. Artikel 4. Aanvang van de loondispensatie Loondispensatie wordt steeds verleend met ingang van de eerste dag van de maand waarin deze is aangevraagd. Artikel 5. Duur van de loondispensatie Loondispensatie wordt verleend voor de periode waarin naar de verwachting van het UWV sprake zal zijn van een duidelijk verminderde arbeidsprestatie, doch ten hoogste voor vijf jaar. Na afloop van deze periode is verlenging mogelijk. Artikel 6. Werknemers jonger dan 18 jaar Ten aanzien van een werknemer jonger dan 18 jaar wordt loondispensatie steeds verleend met de bepaling dat deze eindigt bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, tenzij aan die werknemer arbeidsondersteuning als bedoeld in [artikel 2:15 van de Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657"},{"i":13371,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2023, versie 1.00 (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 26 oktober 2022 krachtens [artikel 15 van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15), goedgekeurd bij besluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 28 november 2022). Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De Raad stelt dan ook als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de Wrb dat een verzoek om inschrijving bij de Raad eerst volledig is behandeld en is ingewilligd. Het bestuur van de Raad kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden. Deze inschrijvingsvoorwaarden van de Raad zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar advocaten die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. Er bestaan algemene voorwaarden die voor alle ingeschreven advocaten gelden en bijzondere voorschriften voor rechtsbijstand op specifieke rechtsgebieden. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft Gedragsregels1Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten. en verordeningen vastgesteld waarnaar advocaten zich behoren te richten. De deken in een arrondissement is belast met het toezicht op advocaten die kantoor houden in dat arrondisse"},{"i":13309,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2004, nr. IBE/BO-2535849, houdende de goedkeuring van het kaderbesluit en de 27 specifieke besluiten van het Centraal College Medische Specialismen Gelet op: – [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); – artikel 14, tweede lid, van de Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten; Besluit: De besluiten - –. Kaderbesluit van de CCMS, - –. de 27 specifieke besluiten van de CCMS, inzake anesthesiologie, cardiologie, cardio-thoracale chirurgie, dermatologie en venerologie, heelkunde, interne geneeskunde, keel-neus-oorheelkunde, kindergeneeskunde, klinische genetica, klinische geriatrie, longziekten en tuberculose, maag-darm-leverziekten, medische microbiologie, neurochirurgie, neurologie, nucleaire geneeskunde, oogheelkunde, orthopedie, pathologie, plastische chirurgie, psychiatrie, radiologie, radiotherapie, reumatologie, revalidatiegeneeskunde, urologie, verloskunde en gynaecologie, goed te keuren. Dit besluit zal samen met de desbetreffende besluiten van het Centraal College Medische Specialismen worden gepubliceerd in de Staatscourant, met uitzondering van de 16 bijlagen met eindtermen uit de specifieke besluiten, deze worden gepubliceerd op de web site van de KNMG www.knmg.nl/ore."},{"i":11818,"b":"Beleidsregel verloskunde Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52 aanhef en onderdeel e Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Gelet op [artikel 59 aanhef en onderdeel b Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van VWS met brieven van 21 juli 2011, [kenmerk MC-U-3073018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030322), en van 16 december 2011, [kenmerk MC-U-3093364](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031206), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel aanwijzingen op grond van [artikel 7 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen - a. **Inkomensbestanddeel** - Het aandeel van het (maximum)tarief van het normatief bepaalde inkomen van een verloskundige dat aanbieders van verloskundige zorg in rekening mogen brengen. - b. **Praktijkkostenbestanddeel** - Het aandeel van het (maximum)tarief van de normatief bepaalde praktijkkosten van een verloskundige dat aanbieders van verloskundige zorg in rekening mogen brengen. - c. **Rekeninkomen** - Het aandeel van het (maximum)tarief van het normatief bepaalde inkomen van een verloskundige dat aanbieders van verloskundige zorg in rekening mogen brengen. - d. **Rekenkosten** - Het aandeel van het (maximum)tarief van het normatief bepaalde praktijkkosten van een verloskundige dat aanbieders van verloskundige zorg in rekening mogen brengen. - e. **Rekennorm** - Begripsaanduiding voor een normatief bepaald zorgvolume per jaar. - f. **Rekenomzet** - De som van het rekeninkomen en de"},{"i":12302,"b":"Besluit goedkeuring tarieven Stichting Groene Erkenningen 2026 **Procesverloop** Het bestuur van Stichting Groene Erkenningen (hierna: de Stichting)) heeft op 30 september 2025 een voorstel gedaan tot aanpassing van de tarieven voor registratie, erkenning, verlenging en overige dienstverlening. Op 6 oktober 2025 is dit voorstel besproken door de Stichting met afgevaardigden van stakeholders en overheid waarbij het voorstel akkoord is bevonden. [Conform artikel 6.8 van de Regeling Gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022545&artikel=6.8) (Rgb) is van deze tariefswijziging voorgaande goedkeuring van Ministerie van LVVN in samenspraak met Ministerie van IenW vereist. **Overwegingen** Een wijziging van het tarievenbesluit kan plaatsvinden indien de hoogte van de tarieven de voorziene kosten niet meer dekt. De totale opbrengst van de tarieven die de Stichting vaststelt, mag niet hoger zijn dan de kosten die daarbij gemaakt worden, verminderd met de opbrengst van de bewijzen van vakbekwaamheid. Het huidige besluit is noodzakelijk vanwege de gestegen kosten van personeel, bedrijfsmiddelen als de porti. Daarnaast nemen de eisen als zelfstandig bestuursorgaan toe. De laatste aanpassing is van 1 augustus 2024. De toegepaste inflatiecorrectie bedraagt 7,5%. Besluit: Artikel 1 De volgende door Stichting Groene Erkenningen in het voorstel van 30 oktober 2025 voorgestelde tarieven voor het kalenderjaar 2026, zoal opgenomen in de bijlagen behorende bij dit besluit, worden goedgekeurd: a. kwaliteitsbeoordeling en certificering, activiteiten gericht op beoordelen toetsen, officieel erkennen van opleidingen, lesplannen of kwalificaties; b. examens en toets verwerking, taken die te maken hebben met het organiseren, afnemen, verwerken en registreren van toets- of examenresultaten; c. activiteiten die horen bij de administratieve of financiële afhandeling van (na)scholingsbijeenkomsten. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de d"},{"i":13484,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 december 2013, kenmerk 443885, houdende instelling van de commissie De Jong (Instellingsbesluit commissie De Jong) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **de commissie:** de commissie De Jong; Artikel 2. Instelling Er is een commissie De Jong. Artikel 3. Taak De commissie heeft tot taak voor één februari 2014 een advies op te stellen over: - a. Op welke wijze het validatiestelsel filantropie verplicht dient te worden gemaakt voor alle charitatieve ANBI’s; - b. Hoe taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden met betrekking tot het beheer van het validatiestelsel dienen te worden belegd. Artikel 4. Samenstelling 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier andere leden. 2. De commissie bestaat uit deskundigen op het snijvlak van de filantropie, de fiscaliteit, toezicht en staats- en bestuursrecht 3. De leden van de commissie worden op eigen aanvraag door de Minister tussentijds ontslagen. 4. De leden kunnen voorts door de Minister worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. 5. Nieuwe leden van de commissie worden, op aanbeveling van de voorzitter, door de Minister benoemd. Artikel 5. Leden Als leden van de commissie worden benoemd: - a. De heer drs. G. de Jong, oud-lid van de Algemene Rekenkamer, thans gepensioneerd, tevens voorzitter; - b. De heer professor dr. S.E. Zijlstra, hoogleraar staats- en bestuursrecht bij de Vrije Universiteit te Amsterdam; - c. De heer professor dr. mr. M. Pheijffer RA, hoogleraar accountancy en forensische accountancy bij de Universiteit Leiden en NijenRode; - d. De heer mr. M.L.A. van Rij, senior partner EY; - e. De heer professor dr. ing. F.J.H. Mertens, hoogleraar toezicht bij de Technische Universiteit te Delft. Artikel 6. Secretariaat 1. De heer mr. B. Franssen is secretaris van de commissie. 2. De secre"},{"i":13490,"b":"Instelling van een Commissie met als taak een feitenonderzoek betreffende het handelen van de Nederlandse overheid in het kader van terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers naar de Democratische Republiek Congo Overwegende: Dat in de Tweede Kamer der Staten-Generaal in een interpellatiedebat op 23 juni 2005 naar aanleiding van een uitzending van de actualiteitenrubriek Netwerk op 21 juni 2005 vragen zijn opgeworpen over een aantal uitzettingen van uitgeprocedeerde asielzoekers naar de Democratische Republiek Congo; Dat hierbij het handelen van de overheid in het geding zou kunnen zijn; Dat deze vragen van dien aard zijn dat een nader en onafhankelijk onderzoek aangewezen is. Besluit: Artikel 1 Er is een Commissie feitenonderzoek uitzettingen naar de Democratische Republiek Congo. Artikel 2 1. De commissie stelt een onafhankelijk feitenonderzoek in naar het handelen van de Nederlandse overheid in het kader van de uitzettingen naar de Democratische Republiek Congo in de periode 1999 tot heden, zoals aan de orde gesteld in de uitzendingen van Netwerk op 21 juni en 18 oktober 2005. 2. De commissie beziet ten aanzien van deze uitzettingen: - –. de feitelijke gang van zaken; - –. de mogelijke verstrekking van vertrouwelijke gegevens aan de Congolese autoriteiten; - –. de verlening van technische ondersteuning door de Nederlandse overheid aan de Congolese autoriteiten in verband met terugkeer. Artikel 3 1. De Commissie is als volgt samengesteld: - a. als voorzitter: mr. dr. A.J.E. Havermans; - b. als leden: mr. H.T. Wagenaar en J.J.T. Stoutjesdijk. 2. Aan de Commissie zijn toegevoegd: - a. als secretaris - niet lid: mr. drs. W.W. Stevens, beleidsadviseur van de directie Vreemdelingenbeleid van het Ministerie van Justitie - b. als adjunct secretaris - niet lid: drs. J.F. van Lammeren, beleidsmedewerker van de directie Vreemdelingenbeleid van het Ministerie van Justitie. Artikel 4 1. De Commissie is bevoegd zich binnen het kader van haar taak rechtstreeks te wenden tot in"},{"i":13829,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 februari 2011, nr. WJZ/277917 (8296), houdende vaststelling van een mediaregeling voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Mediaregeling BES) Gelet op de [artikelen 3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028433&artikel=3), [10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028433&artikel=10), en [11, vierde lid, van de Mediawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028433&artikel=11) en [artikel 20, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=20); Besluit: Artikel 1 1. Een aanvraag om toestemming voor het verzorgen van een omroepdienst in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba wordt ingediend bij het Commissariaat. 2. De aanvraag vermeldt voor welk openbaar lichaam of openbare lichamen de toestemming aangevraagd wordt en of deze voor radio-omroep of televisieomroep bedoeld is, en de aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van: - a. een opgave van naam, feitelijke vestigingsplaats en adres- en contactgegevens, waaronder e-mailadres of internetadres; - b. voor zover de aanvrager een rechtspersoon betreft, een kopie van de oprichtingsakte of laatstelijk gewijzigde statuten van die rechtspersoon, een overzicht van de organisatorische en juridische structuur van de aanvrager en een overzicht van zijn bestuurders en aandeelhouders; en - c. de machtiging, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Mediawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028433&artikel=3). 3. Het Commissariaat beslist op een aanvraag binnen dertien weken na ontvangst ervan. Artikel 2 1. Het Commissariaat wijst jaarlijks op schriftelijke aanvraag van de Minister-president, Minister van Algemene Zaken, een aantal uren zendtijd op de omroepdiensten toe ten behoeve van overheidsvoorlichting. Een aanvraag wordt ingediend bij het Commissariaat vóór 1 oktober van het"},{"i":13821,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 mei 2026, nr. 63288589, houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Ontwikkelingsmaatschappij Oost-Nederland N.V. (Oost NL) in verband met de uitvoering van de Subsidieregeling start-ups Big Chemistry (Mandaatbesluit Subsidieregeling start-ups Big Chemistry) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gelet op de Uitvoeringsovereenkomst voor de uitvoering door Oost NL van de Subsidieregeling start-ups Big Chemistry, kenmerk 63255588, en de instemming van Oost NL met de verlening van het mandaat, de volmacht en de machtiging; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Subsidieregeling start-ups Big Chemistry in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **algemeen directeur:** algemeen directeur van de Ontwikkelingsmaatschappij Oost-Nederland N.V.; - **beoordelingscommissie:** beoordelingscommissie als bedoeld in [bijlage 1 van de subsidieregeling](onbekend); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **subsidieregeling:** [Subsidieregeling start-ups Big Chemistry](onbekend). Artikel 2. Mandaatverlening en voorwaarden 1. Ter uitvoering van de [subsidieregeling](onbekend) wordt aan de algemeen directeur mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het: - a. vaststellen van een aanvraagformulier, inclusief begrotingsformat; - b. in behandeling nemen van subsidieaanvragen; - c. beslissen op een aanvraag tot verlenen van een subsidie; - d. beslissen op een aanvraag tot het vaststellen van een subsidie; - e. beslissen op een aanvraag tot wijziging van een subsidie; - f. beslissen op een aanvraag tot wijziging van de looptijd van een subsidie; - g. betalen van een subsidievoorschot en een vastgesteld subsidiebedrag; en - h. terugvorderen van een bes"},{"i":13820,"b":"Besluit van het hoofd van de Afdeling Strategie, Staf en Juridische zaken van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 januari 2024, nr. 5164888, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het plaatsvervangend hoofd van die afdeling (Mandaatbesluit Strategie, Staf en Juridische Zaken NCTV 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel a, van het Mandaatbesluit Strategie, Analyse Nationale Veiligheid en Bedrijfsvoering NCTV 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049334&artikel=1) aan het hoofd van de Afdeling Strategie, Staf en Juridische zaken verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die die afdeling betreffen ondermandaat verleend aan het plaatsvervangend hoofd van de Afdeling Strategie, Staf en Juridische zaken. Artikel 2 Het [Mandaatbesluit Strategie NCTV 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047458) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Strategie, Staf en Juridische zaken NCTV 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12258,"b":"Besluit gedifferentieerde premie WGA 2007 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2007 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | 27.000 | | --- | --- | | Grens grote/kleine werkgever | 675.000 | | Gemiddelde percentage | 0,70% | | Maximumpremie grote werkgevers | 2,80% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 2,10% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,40% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 1,39% | | Rekenpercentage | 0,75% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 0,50 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,14 | | 2 jaar bekend | 2,52 | | 3 jaar bekend | 1,67 | | 4 jaar bekend | 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie WGA 2007. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12277,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. 544330, van 2 oktober 2013, tot geheimhouding aanbestedingen met betrekking tot beveiligingsinstallaties landelijke publieke mediadienst Overwegende: dat bij [besluit van 12 juli 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022244), nr. MLB/FTZ/2007/28.872 (Stcrt. 2007, nr. 134), de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besloten heeft tot geheimverklaring van de aanbesteding voor het leveren, installeren en onderhouden van en het verhelpen van storingen aan technische beveiligingsvoorzieningen van de toenmalige Nederlandse Omroep Stichting (NOS); dat door het in werking treden van de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203) per 1 april 2013 de wettelijke grondslag van het genoemde besluit dient te worden aangepast; dat per 1 januari 2010 de oorspronkelijke Stichting NOS is gesplitst in twee stichtingen, de Nederlandse Omroep Stichting (NOS) en de Stichting Nederlandse Publieke Omroep (NPO); dat beide stichtingen vitale onderdelen van de infrastructurele voorzieningen voor de strategische uitzendprocessen van de landelijke publieke mediadienst bezitten en huisvesten en dat daarom het nieuwe besluit niet alleen dient te gelden voor de NOS, maar ook voor de NPO; dat bij de NOS en de NPO technische beveiligingsvoorzieningen nodig zijn voor de beveiliging van de gebouwen en daarin verblijvende personen en roerende zaken; dat het belang van de strategische uitzendprocessen voor de landelijke publieke mediadienst en voor de informatievoorziening in Nederland – specifiek in situaties van calamiteiten of als doelwit van acties – bijzondere beveiligingsaspecten kent; dat daarom geheimhouding noodzakelijk is met betrekking tot de functionele en technische invulling en uitvoering ervan, om het risico van inbreuk door derden op de beveiligingsvoorzieningen te minimaliseren; dat het daarom uitgesloten is in deze de Europese aanbestedingsprocedures te volgen; Gelet o"},{"i":12697,"b":"Besluit van 31 januari 2007, houdende de vaststelling van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die worden uitgegeven ter gelegenheid van de 400ste geboortedag van Michiel de Ruyter Op voordracht van Onze minister van Financiën van 25 januari 2007, FM 2007-0145 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen en internationaal; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2007/52. Artikel 1 1. De beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2007 worden uitgegeven ter gelegenheid van de 400ste geboortedag van Michiel de Ruyter is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in een getande binnencirkel Onze Beeltenis met daaronder de waardeaanduiding «euro5», onderscheidenlijk «euro10» en het omschrift «BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN», in een getande buitencirkel links het woord «ONZE» en rechts het woord «HUN», bovenin het initiaal logo van de ontwerper Martijn Engelbregt gevormd door de letters «EGBG» en onderin het jaartal 2007; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in een getande binnencirkel een portret van Michiel de Ruyter met daaronder de waardeaanduiding «5euro», onderscheidenlijk «10euro» en het omschrift «MICHIEL ADRIAENSZOON DE RUYTER», in een getande buitencirkel bovenin het woord «PAREL» en onderin het woord «SCHRIK», links het jaartal 1607 en rechts het teken van de Muntmeester « » en het teken van de Munt « »; - c. de woorden op voor- en keerzijde vormen samen de tekst «ONZE PAREL HUN SCHRIK» 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze minister van Financi"},{"i":17993,"b":"Wet van 9 maart 2016 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet met het oog op het opnemen van regels betreffende een Zvw-pgb Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) regels op te nemen over een Zvw-pgb; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel IA Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. In afwijking van het eerste lid, treden het in [artikel I, onderdeel B, opgenomen vijfde en zesde lid van artikel 13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037745&artikel=I&z=2017-01-01&g=2017-01-01) en artikel I, onderdeel C, op 1 januari 2017 in werking, of op een bij koninklijk besluit te bepalen eerder tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18116,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden rijksarchieven en collecties NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het besluit de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 29 mei 2007, houdende de beperking op de openbaarheid. Besluit: Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief Generalkommissariat für Verwaltung und Justiz, nummer archiefinventaris 20, die in de bijlage in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief Generalkommissariat für Finanz und Wirtschaft, nummer archiefinventaris 39, die in de bijlage in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 3 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief Generalkommissariat für das Sicherheitswesen (Höhere SS- und Polizeiführer Nord-West), nummer archiefinventaris 77, die in de bijlage in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 4 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden, nummer archiefinventaris 88, die in bijlage in de eerste kolom worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom. Artikel 5 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief Nederlandsche Arbeidsdienst (Ne"},{"i":19378,"b":"Wet van 27 november 1991, houdende enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in het bijzonder betreffende bepalingen houdende termijnen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter bevordering van de doelmatigheid van de strafrechtspleging in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en enige andere wetten enkele bepalingen te herzien, waaronder bepalingen waarin de inachtneming van bepaalde termijnen is voorgeschreven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII De [artikelen I onder B sub 6, C sub 1 en 2, D, F, G, H, K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005299&artikel=I&z=1992-05-01&g=1992-05-01) en [III onder 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005299&artikel=III&z=1992-05-01&g=1992-05-01) hebben geen gevolgen voor strafzaken die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds terechtzitting in eerste aanleg aanhangig zijn gemaakt. Artikel VIII [Artikel I onder A en I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005299&artikel=I&z=1992-05-01&g=1992-05-01) heeft geen gevolgen voor strafzaken waarin de vervolging vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet reeds is aangevangen. Artikel IX De [artikelen I onder B sub 1 tot en met 5, 7, 8 en 9, C sub 3, III onder 1 en 2, IV, V en VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005299&artikel=I&z=1992-05-01&g=1992-05-01) hebben geen gevolgen voor strafzaken waarin op het tijdstip van de inwer"},{"i":17157,"b":"Maatregelbeleid Raad voor Rechtsbijstand In aanmerking nemend [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=17) en [33d van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33d) (hierna: Wrb); Besluit: De wijze waarop de Raad gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om de inschrijving van advocaten of mediators al dan niet tijdelijk door te halen neer te leggen in het hiernavolgende Maatregelbeleid. Het onderhavige Maatregelbeleid vervangt het eerder gepubliceerde [Maatregelbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034249), voor zover niet betrekking hebbend op asielrecht en vreemdelingenbewaring. Bijlage Voorwoord De Raad heeft tot taak om de verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand aan minder draagkrachtige rechtzoekenden te organiseren. De Raad voert tevens toezicht uit op de verlening van rechtsbijstand. De primaire bevoegdheid ten aanzien van toezicht op de kwaliteit van advocaten ligt bij de lokale dekens van de Orde van Advocaten. Voor mediators waarborgt de Mediatorsfederatie Nederland (hierna: MfN) de kwaliteit van aangesloten mediators. Dit neemt niet weg dat de Raad een eigenstandige bevoegdheid heeft met betrekking tot de naleving van een zo doelmatig mogelijke besteding van de hem ter beschikking staande middelen. Daarnaast heeft de Raad de taak om kwalitatief goede rechtsbijstandverlening door ingeschreven rechtsbijstandverleners te waarborgen. In dit maatregelbeleid wordt nader ingegaan op de afstemming tussen de Raad en dekens en tussen de Raad en MfN, zodat een eenduidig en efficiënt kader voor beoordeling van rechtsbijstandverleners binnen het stelsel van de gesubsidieerde rechtsbijstand ontstaat. De dekens en de MfN worden in een vroeg stadium op de hoogte gesteld van gedragingen van rechtsbijstandverleners op grond waarvan toezicht nodig is c.q. de kwaliteit van de bijstand in het geding is. Dit is vastgelegd in de ‘Afspraken over informatie-uitwisseling tussen de dekens van de"},{"i":17120,"b":"Instellingsbesluit Adviescommissie Uitkeringsregeling chroom-6 Defensie Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **staatssecretaris:** Staatssecretaris van Defensie; - b. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044967&artikel=2&z=2021-03-26&g=2021-03-26); - c. **uitkeringsregeling:** [Regeling uitkering chroom-6 Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040982). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Adviescommissie Uitkeringsregeling chroom-6 Defensie. 2. De commissie heeft tot taak te komen tot een antwoord op de volgende vraagstellingen en dienaangaande een advies uit te brengen: - a. Bepaal hoe de Uitkeringsregeling zich verhoudt tot het wettelijk kader, tot de regelingen zoals die Rijksbreed zijn vastgesteld en betrek hierbij ook het rapport en de aanbevelingen van de Commissie Vergemakkelijken Schadeafhandeling Beroepsziekten (VSAB); - b. Onderzoek in hoeverre de arbeidsomstandigheden op de **Prepositioned Organizational Materiel Sites** (POMS) van Defensie, zoals Eygelshoven, dermate uniek waren ten opzichte van de arbeidsomstandigheden op andere defensielocaties waar gewerkt is met chroom-6 in genoemde periode, dat het daardoor gerechtvaardigd kan zijn om alleen voor alle oud-medewerkers van de POMS een aparte rechtspositionele regeling vast te stellen; - c. Voer een impactanalyse uit voor de situatie waarin voor het recht op een uitkering als uitgangspunt wordt gehanteerd een vergoeding voor iedere werknemer die mogelijk is blootgesteld aan chroom-6/gevaarlijke stoffen in plaats van de uitgangspunten zoals gehanteerd bij het opstellen van de Uitkeringsregeling Defensie. Het gaat hierbij om het loslaten van (1) het uitgangspunt dat er sprake moet zijn van blootstelling en een ziekte of medische aandoeningen en (2) het bestaan van causaliteit tussen ziekte en blootstelling aan chroom-6 of de gevaarlijke stof op basis van wetenschappelijk onderbouwde crit"},{"i":19422,"b":"Besluit van 7 april 1995, houdende aanwijzing van ambtenaren belast met opsporing als bedoeld in artikel 159, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994 Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 december 1994, nr. RV 188142, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Financiën; Gelet op [artikel 159, onderdeel **c**, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=159); De Raad van State gehoord (advies van 4 januari 1995, nr. W09.94.0770); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 april 1995, nr. RV 194856, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan; Artikel 1 De ambtenaren van de rijksbelastingdienst, die zijn belast met het toezicht op de naleving van de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324) of van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, zijn belast met het opsporen van overtredingen van de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36), tweede en derde lid, [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=72), eerste en tweede lid, [107](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=107), eerste en tweede lid, en [160, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=160). Artikel 2 1. De ambtenaren van het Bureau Handhaving van de Dienst Wegverkeer zijn belast met het opsporen van overtredingen van [artikel 72, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=72), en van [artikel 5.3.15, tweede tot en met vijfde lid, van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":19267,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 24 december 2010, nr. 5679537/10/DJI, houdende regels over de verlening van een machtiging tot verlof aan het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden (Verlofregeling TBS) Gelet op [artikel 53, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008690&artikel=53), en [54, vijfde lid, van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008690&artikel=54); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC):** inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden in de zin van de wet; - c. **hoofd FPC:** hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden; - d. **(vroeg)signaleringsplan:** een beschrijving van gedragingen van een ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde die een aanwijzing kunnen zijn voor een verhoogd recidiverisico en de maatregelen om de risico’s onder controle te houden; - e. **terugvalpreventieplan:** een beschrijving van de wijze waarop de dynamische risicofactoren (voor recidive) van een ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde onder controle worden of kunnen worden gebracht en gehouden; - f. **slachtofferonderzoek:** een analyse van mogelijke gevolgen en veiligheidsrisico’s van verlofverlening aan een ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde voor het slachtoffer of zijn omgeving; - g. **risicotaxatie:** een inschatting van het toekomstig delictrisico en vluchtgevaar van een ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde; - h. **risicomanagement:** de wijze waarop het delictrisico via behandeling of anderszins tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht; - i. **verlofplan:** een beschrijving van de doelstellingen van het verlof van een ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde, de plaats van het verlof"},{"i":14779,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 17 maart 2017, nr. WJZ/17028249, tot vaststelling van de definitieve correcties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2016 (Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2016) Gelet op [artikelen 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [31, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31) en [47, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **basisbedrag:** het basisbedrag, bedoeld in de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28) of [artikel 44, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44); - –. **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - –. **regeling 2008:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - –. **regeling 2009:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - –. **regeling 2010:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - –. **regeling 2011:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030034); - –. **regeling 2012:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031291); - –. **regeling 2013:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032881); - –."},{"i":19516,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 2 juni 2025 nr. IENW/BSK-2025/121368, houdende het aangeven en omwisselen van buitenlandse rijbewijzen voor het besturen van LBT-voertuigen, MMBS en mobiele machines als bedoeld in artikel 108, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 45, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Reglement rijbewijzen (Regeling aangeven en aanwijzen om te wisselen buitenlandse rijbewijzen LBT-voertuigen, MMBS en mobiele machines) [KetenID WGK026912] Gelet op [artikel 108, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=108) en [artikel 45, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=45); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **rijbewijs voor de Belgische categorie G:** aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg door de daartoe bevoegde Belgische autoriteit afgegeven rijbewijs voor de categorie G; - **rijbewijs voor de Duitse categorie T:** aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg door de daartoe bevoegde Duitse autoriteit afgegeven rijbewijs voor de categorie T. Artikel 2. Aangegeven rijbewijzen Als rijbewijs als bedoeld in [artikel 108, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=108) worden aangegeven: - a. een rijbewijs voor de Belgische categorie G; - b. een rijbewijs voor de Duitse categorie T. Artikel 3. Aanwijzing om te wisselen rijbewijzen Als om te wisselen rijbewijs als bedoeld in [artikel 45, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=45) worden aangewezen: - a. een rijbewijs voor de Belgische categorie G; - b. een rijbewijs voor de Duitse categorie T. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aan"},{"i":17178,"b":"Notawisseling tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Letland inzake de uitbreiding tot Aruba, Curaçao en Sint Maarten van het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Letland inzake wederzijdse administratieve bijstand ten behoeve van de juiste toepassing van de douanewetgeving en de voorkoming, opsporing en bestrijding van inbreuken op douanewetgeving **Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Letland** **Riga**"},{"i":18645,"b":"Rijkswet van 5 maart 2016 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter verruiming van de mogelijkheden voor het ontnemen van het Nederlanderschap bij terroristische misdrijven Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) te wijzigen ter verruiming van de mogelijkheden voor het ontnemen van het Nederlanderschap bij terroristische misdrijven; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Rijkswet op het Nederlanderschap. Artikel II Het intrekken van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), wegens een misdrijf als bedoeld in [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) is niet toegestaan in geval van een veroordeling wegens dit misdrijf, die onherroepelijk is geworden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze Rijkswet. Artikel III Deze Rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17671,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Bekostiging en verzekering gezondheidszorg over de periode 1993–2003 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 februari 2004, nr. arc-2003.6591/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van OZ Zorgverzekeringen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bekostiging en verzekering gezondheidszorg over de periode 1993–2003’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument oz zorgverzekeringen 1993–2003 Lijst van afkortingen en begrippen AFBZ: Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten Arbo-wet: Arbeidsomstandighedenwet Awb: Algemene Wet Bestuursrecht AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten BSD: Basis Selectie Document BU: Buitenland CAO: Collectieve Arbeids Overeenkomst CCT: Controle Centrale Taken CTG: College Tarieven Gezondheidszorg CTU: College toezicht uitvoeringsorganen CTZ: College toezicht zorgverzekeringen CVZ: College voor zorgverzekeringen. EER: Europese Economische Ruimte FES/BU: Financieel Economische Sector / Buitenland JA: Juridische Afdeling KB: Koninklijk Besluit MAC/MED: Medisch Advies College / Medische Afdeling OWM: Onderlinge Waarborgmaatschappij. OZ: Onderlinge Zorg PPT: Preventie, Paramedische Zorg en Tandheelkunde SGZ: Somatische Gezondheidszorg Stb.: Staatsblad Stcrt.: Staatscourant SV/AGZ: Sector Voorzieningen / Ambulante Gezondheidszorg SV/EMG: Sector Voorzieningen / Extramurale Gezondheidszorg SV/IMG: Sector Voorzieningen / Intramurale Gezondheidszorg SV/SGZ: Sector Voorzieningen / Somatische Gezondheidszorg SVV: Sector Verzekerden en Verdragen SVV/VERZ: Sector Verzekerden en Verdragen / Verzekerden TZ: Te"},{"i":19070,"b":"Besluit van de plaatsvervangend secretaris-generaal van 14 juni 2023 (kenmerk 4657751/23/DP&O), verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit SG-cluster Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022) gelet op [artikel 3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3), [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) en [2a van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=2a), paragraaf 1.3 van de CAO Rijk en [artikel 3.3 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=3.3); Besluit: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de plaatsvervangend secretaris-generaal verleende ondermandaat, wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de directeur Wetgeving en Juridisch Zaken; - b. de directeur Europese en Internationale Aangelegenheden; - c. de directeur Bestuursondersteuning; - d. de directeur Communicatie; - e. de directeur Financieel-Economische Zaken; - f. de directeur Innovatie, Kennis en Strategie; - g. het hoofd bureau Adviescollege Verloftoetsing tbs; - h. de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding; - i. de directeur Eigenaarsadvisering. 2. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de plaatsvervangend secretaris-generaal verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](ht"},{"i":17570,"b":"Statuten Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie 2025 Begripsbepalingen. Artikel 1 In de statuten wordt verstaan onder: - a. **stichting:** Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - b. **bestuur:** het bestuur van de stichting; - c. **minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - d. **raad van toezicht:** de raad van toezicht van de stichting; - e. **schriftelijk:** bij brief of e-mail, of bij boodschap die via een ander gangbaar communicatiemiddel wordt overgebracht en op schrift kan worden ontvangen. Naam en zetel. Artikel 2 - 2.1. De stichting draagt de naam: **Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie**. - 2.2. Zij heeft haar zetel in de gemeente Utrecht. Doel en middelen. Artikel 3 - 3.1. De stichting heeft ten doel het stimuleren van cultuurparticipatie, opdat iedereen in Nederland, te beginnen bij jongeren, actief in aanraking komt met ten minste een cultuurdiscipline. - 3.2. De stichting richt zich op het ontwikkelen, stimuleren, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden of bevorderen van uitingen op het gebied van cultuureducatie en cultuurparticipatie. - 3.3. De stichting tracht dit doel te bereiken door het verstrekken van bijdragen ten behoeve van onderzoek, studie, presentaties, uitvoering of anderszins aan individuen, instellingen, gemeenten en/of provincies op het gebied van cultuureducatie en/of cultuurparticipatie. - 3.4. De stichting beoogt niet het maken van winst met het totaal van haar activiteiten die erop gericht zijn om haar doelstelling te verwezenlijken of te bevorderen. - 3.5. De stichting zal alle op de stichting van toepassing zijnde governance codes en gedragscodes toepassen. Vermogen. Artikel 4 - 4.1. Het vermogen van de stichting wordt gevormd door: - a. subsidies; - b. bijdragen van instellingen en particulieren; - c. hetgeen wordt verkregen door erfstellingen en legaten, met dien verstande dat erfstellingen niet anders kunnen worden aanvaard dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving; - d. ande"},{"i":18694,"b":"Beleidsregel bestuurlijke boete Wmg 2024 Ingevolge [afdeling 6.4. van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=6.4) (Wmg) is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete. In deze beleidsregel geeft de NZa nadere invulling aan deze bevoegdheid. 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op alle overtredingen waar de NZa bevoegd is om op grond van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) een bestuurlijke boete op te leggen. 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik wenst te maken van haar bevoegdheid om boetes op te leggen. In deze beleidsregel zal de NZa met name de wijze van vaststelling van de hoogte van de boete nader invullen. 3. Begripsbepalingen 3.1. Omzet De totale netto jaaromzet1De berekening van de omzet geschiedt in beginsel op de voet van het omzetbegrip van artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. van de overtreder (zoals opgenomen in de jaarrekening) in het jaar voorafgaand aan de boetebeschikking, tenzij deze omzet naar het oordeel van de NZa geen passende beboeting toelaat. Onder dit omzetbegrip valt eveneens een schatting van de omzet, bijvoorbeeld indien deze niet op basis van de door de overtreder verstrekte informatie kan worden bepaald. 3.2. Boetegrondslag Percentage van de omzet van onderneming. Dit percentage stelt de NZa vast op grond van de waardering van de overtreding in abstracto. 3.3. Basisboete Voor de beoordeling van de ernst van de overtreding beziet de NZa voorts de context van de overtreding in concreto. Deze toets leidt tot de zogenaamde ernstfactor. Boetegrondslag x ernstfactor resulteert in de basisboete. 3.4. Onderneming Elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. 3.5. Rechtsvorm De rechtsvorm is de juridische vorm van een bedrijf of organisati"},{"i":19520,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 15 juni 2017, nr. 2086428, houdende bepalingen met betrekking tot onderzoek ter vaststelling van het gebruik van alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer) Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038936&artikel=4), [6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038936&artikel=6), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038936&artikel=8), [10, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038936&artikel=10), [11, derde lid onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038936&artikel=11), [12, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038936&artikel=12), [13, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038936&artikel=13), [16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038936&artikel=16), [19, derde lid, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038936&artikel=19); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (verbeteren aanpak rijden onder invloed van drugs) (Stb. 2014/353) in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder het Besluit: het [Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038936). Artikel 2 1. Als uiterlijke kenmerken als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038936&artikel=4) waarop een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties is gericht voor het verkrijgen van een vermoeden van het gebruik van alcohol, worden aangewezen: - a. de ogen: bloeddoorlopen ogen; - b. de spraak: slecht articuleren, langzaam praten, niet goed uit de woorden kunnen komen of met dubbele tong praten; - c. de motoriek: niet in rechte lijn kunnen lopen, zwalken of onvast o"},{"i":19700,"b":"Wet van 26 januari 2012 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in verband met de implementatie van de derde rijbewijsrichtlijn Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [richtlijn nr. 2006/126/EG](32006L0126) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PbEU L 403) noodzaakt tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Wijzigt de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Artikel III 1. [Artikel 110 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=110) zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031264&artikel=I&z=2013-01-19&g=2013-01-19), blijft van toepassing ten aanzien van bestuurders van motorrijtuigen: - a. aan wie voor het in de aanhef bedoelde tijdstip overeenkomstig de tot dat tijdstip bij of krachtens de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) gestelde regels een rijbewijs is uitgereikt voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie waarmee wordt gereden; - b. ten aanzien van wie het besluit tot afgifte van een rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie waarmee wordt gereden is genomen voor het in de aanhef bedoelde tijdstip; - c. ten aanzien van wie het besluit tot afgifte van een rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie waarmee wordt gereden is genomen op of na het in de aanhef bedoelde tijdstip, doch de voor die categorie benodigde verklaring van rijvaardigheid voor dat tijdstip is geregistreerd in het rijbewijzenregi"},{"i":19701,"b":"Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de implementatie van richtlijn 2014/45/EU alsmede ter invoering van een registratie- en kentekenplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om daardoor te worden voortbewogen en het niet meer toelaten tot het verkeer van nieuwe motorrijtuigen met beperkte snelheid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het ter implementatie van [richtlijn 2014/45](32014L0045)/EU noodzakelijk is een periodieke technische controle voor bepaalde landbouw- en bosbouwtrekkers en in verband daarmee een registratie- en kentekenplicht voor alle landbouw- en bosbouwtrekkers in te voeren alsmede dat het wenselijk is die registratie- en kentekenplicht ook in te voeren voor motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om daardoor te worden voortbewogen en daarnaast geen nieuwe motorrijtuigen met beperkte snelheid meer tot het verkeer toe te laten, om mede uitvoering te geven aan [richtlijn 2014/47](32014L0047)/EU en verordeningen (EU) nr. 167/2013 en (EU) 2016/1628, de verkeersveiligheid te verhogen en snelheidsverhoging en centrale ontheffing mogelijk te maken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Vervallen Artikel III Vervallen Artikel IV Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel V Vervallen Artikel VI Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel VII Vervallen Artikel VIII Wijzigt de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Artikel VIIIa Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dez"},{"i":19702,"b":"Wet van 3 december 2014 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in verband met de invoering van de rijbewijsplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid (T-rijbewijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat er een rijbewijsplicht komt voor het besturen van landbouw- en bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Wijzigt de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Artikel III Aanvragen tot afgifte van het op grond van [artikel 20, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=20) af te geven certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in [artikel 9.36 van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=9.36) zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036167&artikel=I&z=2022-08-01&g=2022-08-01) van deze wet die voor dat tijdstip zijn ingediend, worden behandeld overeenkomstig de bepalingen die tot dat tijdstip golden voor de afgifte van dat certificaat. Artikel IV 1. Op grond van [artikel 20, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=20) afgegeven certificaten van vakbekwaamheid als bedoeld in [artikel 9.36 van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=9.36) die zijn afgegeven voor de inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036167&artikel=I&z=2022-08-01&g=2022-08-01) van deze wet geven de bevoegdheid tot het besture"},{"i":19704,"b":"Wet van 2 november 2006 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en enkele verwante wetten op een aantal punten van uiteenlopende aard Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Wijzigt de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Artikel III Wijzigt de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (rijvaardigheid en rijbevoegdheid. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Wijzigt de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (rijvaardigheid en rijbevoegdheid. Artikel IVa Wijzigt de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (invoering bromfietsrijbewijs). Artikel IVb Wijzigt de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (invoering bromfietsrijbewijs). Artikel V 1. Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de bepalingen uit het [RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825) die betrekking hebben op verkeersregelaars en verkeersbrigadiers, alsmede de hierop gebaseerde uitvoeringsregelingen, op [artikel 12, eerste en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=12). 2. Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de bepalingen uit het [BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826) die betrekking hebben op verkeersregelaars en verkeersbrigadiers, alsmede de hierop gebaseerde uitvoeringsregelingen, op [artikel 12, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=12). Artikel VI Wijzigt deze wet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VII 1. Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. [Artikel I, onderdeel Ca](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020606&artikel=I&z=2009-05-01&g=2009-05-01), en [artikel IVb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020606&artikel=IVb&z=2009-05-01&g=2009-05-01) treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wor"},{"i":19705,"b":"Wet van 26 september 2018 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met mogelijk maken van experimenten met geautomatiseerde systemen in motorrijtuigen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat regels gesteld worden voor experimenten op de weg met motorrijtuigen waarvan de bestuurder zich buiten het motorrijtuig bevindt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. (Wijziging [Wegenverkeerswet 1994](onbekend)) Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II. (Evaluatiebepaling) Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III. (Inwerkingtreding) Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":13171,"b":"Wet van 3 april 1996, houdende regeling met betrekking tot uitzonderingstoestanden (Coördinatiewet uitzonderingstoestanden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ingevolge [artikel 103 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=103) bij de wet regels te stellen met betrekking tot uitzonderingstoestanden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Afkondiging, opheffing en einde van een uitzonderingstoestand Artikel 1 1. Ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de beperkte noodtoestand of de algemene noodtoestand worden afgekondigd. 2. Het begin van de beperkte noodtoestand en van de algemene noodtoestand wordt niet op een vroeger tijdstip gesteld dan dat waarop het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, op de daarin te bepalen wijze is bekendgemaakt. 3. Het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval geplaatst in het **Staatsblad**. Artikel 2 Het koninklijk besluit waarbij hetzij de beperkte noodtoestand hetzij de algemene noodtoestand wordt afgekondigd, wordt terstond medegedeeld aan de Staten-Generaal. Artikel 3 De beperkte noodtoestand en de algemene noodtoestand worden opgeheven: - a. bij besluit van de Staten-Generaal in verenigde vergadering indien zij van oordeel zijn dat de beperkte noodtoestand of de algemene noodtoestand niet, of niet langer dan een bepaalde termijn, mag voortduren; - b. bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister-President, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten. Artikel 4 De beperkte noodtoestand en de algemene noodtoestand eindigen van rechtswege bij de aanvang van de algemene noodtoestan"},{"i":17343,"b":"Regeling macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2025 Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van huisartsenzorg, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2025 verkregen uit declaratie van de prestaties huisartsenzorg. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2024 ontvangt van de minister, met daarin voor 2025 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - **macro-omzetgrens:** de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - **prestat"},{"i":18720,"b":"Beleidsregeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 november 2024, kenmerk 5942760, inzake Beleidskader beoordeling gedrag gedurende gehele detentie (herziene versie) Inleiding Als gevolg van de inwerkingtreding van de [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) (Wet SenB) per 1 juli 2021 zijn diverse op de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709) gebaseerde ministeriële regelingen ingrijpend gewijzigd. Een van de wijzigingen behelst meer nadruk te leggen op het gedrag van gedetineerden bij het toekennen van externe vrijheden. Eén van de uitgangspunten van de Wet SenB en de onderliggende visie op het gevangeniswezen ‘Recht doen, Kansen bieden: naar effectievere gevangenisstraffen’ is dat gedrag telt (vanaf het begin van de detentie). Bij de beoordeling van externe vrijheden, zoals een aanvraag voor re-integratieverlof, Penitentiair Programma (PP), overplaatsingen naar een forensische zorginstelling (artikelplaatsing, [artikel 43, lid 4 Pbw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=43)), tijdelijk verlaten van de inrichting (TVI) en strafonderbreking (SOB) wordt naast risico’s, slachtofferbelangen en de door de gedetineerde geleverde inspanningen om de door het strafbare feiten veroorzaakte schade te vergoeden, ook het gedrag gedurende de gehele detentie beoordeeld. Met de beoordeling van het gedrag gedurende de gehele detentie worden gedetineerden gestimuleerd om al vanaf het begin van de detentie gewenst gedrag1Zie bijlage 1 van de Rspog. te vertonen. In 2023 is middels een invoeringstoets2Brief van 11 oktober 2022, **Kamerstukken II 2022–2023,****35 122, nr. 43****,**Brief van 26 oktober 2023,**Kamerstukken II 2023–2024,****35 122, nr. 44****,**Brief van 20 juni 2024, **Kamerstukken II 2023–2024,****29 279 en 24487, nr. 865**. onderzocht of de [Wet SenB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) onbedoelde effecten heeft voor de uitvoeringspraktijk e"},{"i":69,"b":"Beleidsregel kostenvergoeding UWV Gelet op de [artikelen 28, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=28) en [37, tweede lid, Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=37), [artikel 26 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=26), [artikel 42 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=42), de [artikelen 2:38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:38) en [3:34 Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:34) en [artikel 41a Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=41a); Besluit: Artikel 1. Algemene bepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. **opgeroepene:** de persoon die door UWV is opgeroepen te verschijnen op tijdstip en plaats door UWV bepaald; - c. **woonadres:** het adres waar de opgeroepene woont overeenkomstig de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens. Artikel 2. Kostenvergoeding 1. De opgeroepene heeft aanspraak op vergoeding van reiskosten, verblijfkosten en gederfde inkomsten door tijdverlies als bepaald in deze beleidsregel. 2. De begeleider van de opgeroepene heeft aanspraak op vergoeding van reiskosten, verblijfkosten en gederfde inkomsten door tijdverlies als bepaald in deze beleidsregel voor zover begeleiding naar het oordeel van UWV noodzakelijk is. 3. Kosten van de begeleider komen uitsluitend voor vergoeding in aanmerking voor zover deze kosten niet zijn begrepen in de kostenvergoeding voor de opgeroepene. 4. Betaling van een kostenvergoeding geschiedt door bijschrijving op de bankrekening van de opgeroepene of de begeleider. 5. Dit besluit is"},{"i":83,"b":"Beleidsregels proefplaatsing UWV 2023 Gelet op de [artikelen 76a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=76a), [52 e, eerste lid van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=52e), [37, eerste lid, van de Wet en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=37), [2:24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:24) en [3:69, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:69), [65g, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65g) en [67 e van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67e): Besluit: Artikel 1. Algemene begrippen Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Inlener:** iedere natuurlijke of rechtspersoon die een persoon onder zijn leiding en toezicht in het kader van een uitzend- of detacheringovereenkomst werkzaamheden laat uitvoeren; - b. **Proefplaatsing:** het verrichten van onbeloonde werkzaamheden op een proefplaatsing door een uitkeringsgerechtigde bij een werkgever met behoud van uitkering met als doel de inschakeling van de uitkeringsgerechtigde in arbeid bij deze werkgever te bevorderen; - c. **Startkwalificatie:** een mbo-diploma op niveau 2 of hoger of een havo- of vwo-diploma. - d. **Uitzendbeding:** een bepaling als bedoeld in [artikel 7:691, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=691); - e. **Uitkeringsgerechtigden:** personen die al dan niet gedeeltelijk recht hebben op een uitkering op grond van de [WW-](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), [Wet Wia](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), [Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657), [WAO](https://wetten.overheid"},{"i":104,"b":"Besluit van 22 juli 2000, houdende regels voor de aanpassing van de arbeidsduur van militairen (Besluit aanpassing arbeidsduur militairen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. E. Verstand-Bogaert, van 10 mei 2000, nr. P/2000001073; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Wet aanpassing arbeidsduur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011173&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 23 juni 2000, no. W07.00.0192/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. E. Verstand-Bogaert, van 14 juli 2000, nr. FP/2000004445; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; - b. militair: militair in werkelijke dienst, als bedoeld in [artikel 1 van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1). Artikel 2 1. De militair kan Onze Minister verzoeken om aanpassing van zijn arbeidsduur, indien hij tenminste een jaar voorafgaand aan het beoogde tijdstip van ingang van die aanpassing in werkelijke dienst is. 2. Aanpassing van de arbeidsduur heeft bij vermindering van de arbeidsduur plaats door het verlenen van buitengewoon verlof zonder behoud van militaire inkomsten in verband met deeltijdarbeid. 3. Aanpassing van de arbeidsduur heeft bij vermeerdering van de arbeidsduur plaats door het beëindigen van het buitengewoon verlof, als bedoeld in het tweede lid, of het aanpassen daarvan. Artikel 3 1. Onze Minister kan een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur afwijzen of een verleend buitengewoon verlof, als bedoeld in [artikel 2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011531&artikel=2&z=2000-09-06&g=2000-09-06), tijdelijk opschorten, als naar zijn oordeel zwaarwegende dienstbelangen dat vereisen. 2. Onverminderd hetgeen is bepaald in ["},{"i":127,"b":"Besluit van 28 november 2016 tot uitvoering van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (Besluit arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 september 2016, nr. 2016-0000193477; Gelet op de [artikelen 6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=6), [10, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=10), en [15, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=15) en [2a, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 november 2016, No.W12.16.0281/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 november 2016, nr. 2016-0000252779; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054). Artikel 2 1. Op grond van een met redenen omkleed verzoek van een bevoegde instantie van een andere lidstaat verstrekken de door Onze Minister aangewezen ambtenaren die instantie onverwijld de gegevens over gedetacheerde werknemers en dienstverrichters in verband met het toezicht op de naleving van de arbeidsvoorwaarden en de arbeidsomstandigheden, bedoeld in artikel 3 van de detacheringsrichtlijn, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de administratieve samenwerking, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=4). Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een nationaal identificatienummer, met inbegrip van het burgerservicenummer. 2. Indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid ontoereikend is gemotiveerd, kan Onze Minis"},{"i":134,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief van De Nederlandsche Bank N.V., Stichting Voorzieningsfonds voor Personeelsleden en Pensioentrekkenden, 1914–2008 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d 3 juli 2017 met kenmerk 1198654 Besluit: Tot de volgende beperking aan de openbaarheid van het **Archief van De Nederlandsche Bank N.V., Stichting Voorzieningsfonds voor Personeelsleden en Pensioentrekkenden van de Nederlandsche Bank NV en voorganger, 1914–2008** Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 96311 | 2084 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040092&artikel=1&z=2017-10-24&g=2017-10-24) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040092&artikel=1&z=2017-10-24&g=2017-10-24), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van Archief van de Nederlandsche Bank N.V. Stichting Voorzieningsfonds"},{"i":7196,"b":"Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken De verdragsluitende partijen bij dit verdrag, Geleid door de wens de daadwerkelijke toegang tot de rechter voor allen te bevorderen en op regels gebaseerde multilaterale handel en investeringen, alsmede mobiliteit, te vergemakkelijken door justitiële samenwerking, Van mening dat die samenwerking kan worden versterkt door een uniform pakket basisregels tot stand te brengen inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken, teneinde de daadwerkelijke erkenning en tenuitvoerlegging van dergelijke vonnissen te vergemakkelijken, Ervan overtuigd dat voor die versterkte justitiële samenwerking met name een internationale juridische regeling vereist is die meer voorspelbaarheid en zekerheid biedt met betrekking tot het wereldwijde verkeer van buitenlandse vonnissen, en die een aanvulling vormt op het **Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze**, Hebben besloten daartoe dit verdrag te sluiten en hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: HOOFDSTUK I. – TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES Artikel 1. Toepassingsgebied 1. Dit verdrag is van toepassing op de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke of handelszaken. Het heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken. 2. Dit verdrag is van toepassing op de erkenning en tenuitvoerlegging in een verdragsluitende staat van een vonnis dat is gegeven door een gerecht van een andere verdragsluitende staat. Artikel 2. Uitsluitingen van het toepassingsgebied 1. Dit verdrag is niet van toepassing op de volgende aangelegenheden: - a. de staat en de handelingsbekwaamheid van natuurlijke personen; - b. onderhoudsverplichtingen; - c. andere familierechtelijke aangelegenheden, waaronder huwelijksvermogensregimes en andere rechten of verplichtingen die uit het huwelijk of soortgelijke be"},{"i":210,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 mei 2019, kenmerk 1527228-190339-BPZ, houdende het verlenen van de bevoegdheid aan de Beveiligingsambtenaar van het ministerie besluiten te nemen met betrekking tot het toevoegen, verwijderen of wijzigen van functies op de lijst van vertrouwensfuncties van het ministerie Gelet op [artikel 16a, eerste lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a); Besluit: Artikel 1 De Beveiligingsambtenaar van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft de bevoegdheid om in naam van de Minister besluiten te nemen betreffende het toevoegen, verwijderen of wijzigen van functies op de lijst van het ministerie waarin de functies staan vermeld die krachtens [artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=3) als vertrouwensfunctie zijn aangewezen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13710,"b":"Investeringsimpuls LNG-vulpunten binnenvaart Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026095&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Als programma als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Kaderregeling subsidies duurzaamheid verkeer en waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026095&artikel=2), wordt vastgesteld de Investeringsimpuls LNG-vulpunten binnenvaart, die is opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2011. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als Investeringsimpuls LNG-vulpunten binnenvaart. Bijlage. bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029670&artikel=1&z=2011-04-01&g=2011-04-01) Investeringsimpuls LNG-vulpunten in de binnenvaart § 1. Begripsomschrijvingen In dit programma wordt verstaan onder: § 2. Thema en doel van de investeringsimpuls § 3. Projecten die in aanmerking komen voor een investeringsimpuls Een aan te leggen vulpunt voor LNG kan voor een eenmalige impuls in aanmerking komen, indien het: § 4. Mogelijke ontvangers van de investeringsimpuls De eindverantwoordelijke voor de realisatie van een in paragraaf 3 bedoeld vulpunt kan een eenmalige investeringsimpuls ontvangen. § 5. Looptijd van het programma Dit programma vervalt met ingang van 1 april 2012, met dien verstande dat het op reeds toegekende bijdragen van toepassing blijft. § 6. Termijn waarbinnen een bijdrage kan worden aangevraagd § 7. Termijn waarbinnen een project moet worden voltooid De realisering van het vulpunt wordt uiterlijk twee jaar na toekenning van de bijdrage afgerond. § 8. Plafond van het programma De gezamenlijke bijdragen, bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel g, van de kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026095&artikel=2), bedragen ten hoogste € 500.000. § 9. Hoogte van de bijdrage en wijze van verdeling van de beschikbare geld"},{"i":228,"b":"Besluit van 5 oktober 1945, houdende vaststelling van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 Op de voordracht van Onzen Minister van Sociale Zaken van 5 September 1945, n°. 4600, afdeeling Arbeid II; Overwegende, dat het wenschelijk is gebleken, in afwachting van het tot stand komen van een nadere wettelijke regeling, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (**Staatsblad** 1944, n°. E 52), laatstelijk gewijzigd bij Ons besluit van 29 December 1944 (**Staatsblad** n°. E 157), te herzien en opnieuw vast te stellen; Den Raad van State gehoord (advies van 25 September 1945, n°. 16); Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 2 October 1945, n°. 4827, afdeeling Arbeid II; Hebben goedgevonden en verstaan: vast te stellen de navolgende bepalingen Eerste titel. Algemene Bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. werknemer: - 1°. de werknemer, bedoeld in [artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610); - 2°. degene, die persoonlijk arbeid verricht voor een ander, tenzij hij dergelijke arbeid in de regel voor meer dan twee anderen verricht of hij zich door meer dan twee andere personen, niet zijnde zijn echtgenoot of geregistreerde partner of bij hem inwonende bloedverwanten of aanverwanten of pleegkinderen, laat bijstaan of deze arbeid voor hem slechts een bijkomstige werkzaamheid is; - c. werkgever: - 1°. de werkgever, bedoeld in [artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610); - 2°. de natuurlijke of rechtspersoon, voor wie de onder b sub 2°. genoemde arbeid wordt verricht; - d. arbeidsverhouding: de rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer; - e. loon: de vergoeding van de werkgever aan de werknemer ter zake van de arbeid; - f. dringende reden voor de werkgever: daden, eigenschappen of gedra"},{"i":249,"b":"Controlevoorschriften Wet arbeid en zorg 2006 Gelet op [artikel 3:28 van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:28); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008); - b. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - c. uitkeringsgerechtigde: de werknemer en gelijkgestelde bedoeld in [artikel 3:6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:6), de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst bedoeld in [artikel 3:17 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:17), alsmede de persoon aan wie ingevolge de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) een uitkering is toegekend; - d. uitkering: een uitkering in de zin van [hoofdstuk 3, afdeling 2, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&afdeling=2); - e. verzekeringsarts: arts, werkzaam voor het UWV, die ingeschreven staat in het specialistenregister van de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of in opleiding daarvoor is; - f. medewerker: door het UWV in het kader van de verzuimbeheersing aangewezen medewerker; - g. aanvrager: degene die de aanvraag doet als bedoeld in de [artikelen 3:11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:11), [3:12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:12) of [3:22 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:22). Artikel 2. De aanvraag van uitkering De aanvrager maakt met betrekking tot haar aanvraag voor toekenning van de uitkering gebruik van een daartoe door het UWV beschikbaar gesteld formulier. Het formulier is door de aanvrager ondertekend. Artikel 3. Bij de aanvraag over te leggen stukken 1. De aanvrager voegt bij de aanvraag van uitkering in verband met adoptie of pleegzorg documenten waaruit blijkt dat een kind ter adoptie of pleegzorg is of zal worden opgenomen en wanneer die opne"},{"i":5548,"b":"Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging Ministerie van Asiel en Migratie 2025 Handelende in overeenstemming met de Ministers voor Asiel en Migratie; Besluit: Artikel 1 Vóór 19 juni 2025 door of namens de Minister van Asiel en Migratie verleende mandaten, volmachten en machtigingen worden aangemerkt als mandaten, volmachten en machtigingen die met ingang van 19 juni 2025 zijn verleend mede door of mede namens de Ministers voor Asiel en Migratie met betrekking tot de aangelegenheden die behoren tot het terrein waarmee onderscheidenlijke ministers zijn belast. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 19 juni 2025. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging Ministerie van Asiel en Migratie 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5788,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 april 2023, nr. 2022-0000566419, houdende regels voor de subsidiëring van de Stichting Koninklijk Paleis te Amsterdam (Subsidieregeling Stichting Koninklijk Paleis te Amsterdam 2023) Gelet op de [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), en [17, eerste lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=17); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - b. **stichting:** Stichting Koninklijk Paleis te Amsterdam. Artikel 2 1. De Minister verstrekt aan de stichting een subsidie ten behoeve van het organiseren van symposia, tentoonstellingen en de uitreiking van de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst, voor zover dat bijdraagt aan een veelvuldig gebruik van het Koninklijk Paleis te Amsterdam en het paleis mede een publieksfunctie in Amsterdam te doen vervullen. 2. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 3 De subsidie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048081&artikel=2&z=2023-04-21&g=2023-04-21), bedraagt ten hoogste € 50.000. Artikel 4 1. De stichting dient de aanvraag tot subsidieverlening uiterlijk in op 1 oktober van het boekjaar waarop de subsidie betrekking heeft. 2. Het is toegestaan de subsidie aan te wenden voor kosten gemaakt in het boekjaar die rechtstreeks samenhangen met de activiteiten genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048081&artikel=2&z=2023-04-21&g=2023-04-21), en gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag door de aanvrager. 3. De beschikking tot subsidieverlening bevat: - a. een datum waarop de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend uiterlijk moeten zijn verricht; en - b. een datum waarvoor de jaarrekening moet zijn aangeboden aan de Minister. Artikel 5"},{"i":6056,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit van 23 november 2021, 300008/01.251.938, tot het verlenen van een vergunning, als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Wet op de kansspelen, aan Lotto B.V., ingeschreven in het handelsregister van Nederland onder KvK-nummer 41151075 De raad van bestuur van de Kansspelautoriteit heeft besloten aan Lotto B.V. een vergunning te verlenen tot het organiseren van instantloterijen als bedoeld in [artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14a) en in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke voorschriften voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2026. Aan deze vergunning zijn op grond van [artikel 14c, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c) de volgende vergunningvoorschriften verbonden:"},{"i":5800,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 november 2024, nr. OVO/49012382, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor technologieonderwijs in het primair en voortgezet onderwijs (Subsidieregeling Techkwadraat 2025–2028) Gelet op [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11), [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71)[artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67) en [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen - **bedrijf:** organisatie, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent; - **beroepsgericht vmbo:** basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde leerweg van het vmbo, bedoeld in [artikel 2.22, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.22); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **bovenbouw mavo, havo en vwo:** leerjaar 3 of 4 van het mavo, leerjaar 4 of 5 van het havo en leerjaar 4, 5 of 6 van het vwo; - **buitenschoolse leeromgeving:** leeromgevingen die buiten de traditionele klaslokalen en schoolgebouwen plaatsvinden, die leerlingen de mogelijkheid bieden om te leren en te groeien in contexten die verschillen van de standaard schoolsetting; - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan I"},{"i":6008,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 november 2003, nr. DPV/DF/BS/112 tot vaststelling van het algemeen ambtsbericht inzake legalisatie en verificatie van documenten afkomstig uit de Dominicaanse Republiek De Minister van Buitenlandse Zaken, Besluit: Artikel 1 Op de legalisatie en verificatie van documenten afkomstig uit de Dominicaanse Republiek is het algemene ambtsbericht dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd van toepassing. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. - Legalisatie en verificatie van documenten uit de Dominicaanse Republiek 1. Inleiding In dit ambtsbericht wordt informatie gegeven met betrekking tot legalisatie en verificatie van uit de Dominicaanse Republiek afkomstige documenten. Om de juistheid van gegevens in de registers van de Burgerlijke stand, de bevolkingsadministratie en de administraties van vreemdelingendiensten te waarborgen en om te voorkomen dat bij voorbeeld ten onrechte huwelijken worden voltrokken of kinderbijslag wordt verkregen, heeft de Minister van Buitenlandse Zaken op 7 maart 1996 besloten een vijftal landen - Ghana, Nigeria, India, Pakistan, de Dominicaanse Republiek - aan te wijzen als probleemland op het gebied van schriftelijk bewijs. Vooral vanuit genoemde landen werd de Nederlandse administratie geconfronteerd met grote hoeveelheden documenten, die vals, vervalst, dan wel inhoudelijk onjuist bleken. Alle documenten die vanaf 1 april 1996 bij de diplomatieke vertegenwoordigingen van bovengenoemde landen ter legalisatie worden aangeboden, dienen eerst inhoudelijk te worden geverifieerd. Eerst indien vast staat dat de documenten rechtsgeldig en inhoudelijk juist zijn, kan worden overgegaan tot legalisatie van de documenten. Voor de werkwijze inzake legalisatie en verificatie in algemene zin wordt verwezen naar de 'Instructie legalisatie- en verificatieprocedure Nederlandse vertegenwoordigingen in Gh"},{"i":6082,"b":"Besluit van 4 september 2025 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit, het Invoeringsbesluit Omgevingswet, het Asbestverwijderingsbesluit 2005, het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, het Besluit veiligheidsregio’s en het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (Verzamelbesluit Omgevingswet IenW milieu 2025) [Ketenid WGK025523] Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, gedaan in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid, van 18 maart 2025, nr. IenW/BSK-2025/37846, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [2.28, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.28), [2.29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.29a), [4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [4.20, eerste lid, onder n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.20), [5.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1), [5.18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.18), [13.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=13.5), [16.24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.24a),[18.22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.22), en [20.6 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.6), [artikel 18, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=18), de [artikelen 8.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.10), [9.2.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), [9.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2) in"},{"i":483,"b":"Vaststelling pensioenverordening voor registerloodsen Gelet op artikel 67, eerste lid, juncto [artikel 15, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15) (Stb. 1988, 353), en artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van het Financieel besluit loodsen (Stb. 1988, 396), Besluit: Artikel I De verordening, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, onderdeel c, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15) (Stb. 1988, 353), wordt als volgt vastgesteld: De Stichting Beroepspensioenfonds loodsen te Rotterdam is belast met het uitkeren van functioneel leeftijdspensioen aan voormalige registerloodsen. De registerloods is verplicht deelnemer in de pensioenregeling van de Stichting Beroepspensioenfonds loodsen. De registerloods is verplicht de premie volgens het door het bestuur van de Stichting Beroepspensioenfonds loodsen vastgestelde pensioenreglement te voldoen. - 1. De algemene raad draagt, steeds indien daartoe aanleiding bestaat, na overleg met het bestuur van de Stichting Beroepspensioenfonds loodsen, één of meerdere kandidaat-bestuursleden voor die stichting, die deelnemer of gewezen deelnemer is aan of gepensioneerde is binnen de pensioenregeling voor (ex-)registerloodsen van de Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen, voor aan de ledenvergadering van de Nederlandse loodsencorporatie. De ledenvergadering kiest één kandidaat-bestuurslid ter voordracht aan het bestuur van de Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen. - 2. Het gekozen kandidaat-bestuurslid, bedoeld in het eerste lid, wordt door de algemene raad onverwijld voorgedragen aan het bestuur van de Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen ter benoeming als bestuurslid van de Stichting Beroepspensioenfonds door het bestuur van de Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen. - 3. De algemene raad draagt kandidaat-bestuursleden zodanig voor aan de ledenvergadering van de Nederlandse loodsencorporatie, dat steeds voorzien kan worden in een bestuur van de Stichting Beroepsp"},{"i":4185,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 5 december 2024, nr. IENW/BSK-2024/330488, houdende vaststelling van de speerpunten en het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2025 als bedoeld in de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027 Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=3), en [4, derde lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=4); BESLUIT: Artikel 1 Voor het kalenderjaar 2025 worden de in de bijlage bij dit besluit opgenomen drie speerpunten vastgesteld als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=3). Artikel 2 Voor het kalenderjaar 2025 wordt het subsidieplafond als bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=4) als volgt vastgesteld: - 1. Het subsidieplafond voor projecten die kwalificeren als project a, project b of project c bedraagt € 1.980.000. - 2. Het subsidieplafond voor projecten die kwalificeren als project d bedraagt € 20.000. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na de dag voor de beoogde datum van inwerkingtreding, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 2025. Bijlage. Speerpunten, behorend bij [artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artike"},{"i":492,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Buitensectorale arbeidsvoorwaarden over de periode 1945-1998 (Ministerie van VROM) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 2 oktober 2003, nr. arc-2003.6458/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde [‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Buitensectorale arbeidsvoorwaarden over de periode 1945–1998’](onbekend) en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12543,"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende prudentiële regels voor financiële ondernemingen die werkzaam zijn op de financiële markten (Besluit prudentiële regels Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 juni 2006, nr. FM 2006-01567 M; Gelet op de [artikelen 3:9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:9), [3:10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:10), [3:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:18, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:18), [3:29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:29), [3:36, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:36), [3:40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:40), [3:41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:41), [3:42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:42), [3:43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:43), [3:47, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:47), [3:48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:48), [3:52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:52), [3:53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:54, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:54), [3:55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:55), [3:57, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:59, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:59), [3:62, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:62), [3:63, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:63), [3:67, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:67), [3:71, tweede lid](https://wetten.overheid."},{"i":12585,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 mei 2007, nr. DBO/ADV-2753520, houdende Taakverdeling Minister/Staatssecretaris Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951 (Stb. 24), houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van Minister zonder portefeuille en van de Staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069); Mede gelet op de Koninklijke Besluiten van 22 februari 2007, nr. 07.000658 en nr. 07.000669; Besluit: artikel Enig De Staatssecretaris is binnen de grenzen van het door mij vastgestelde beleid en de daarmee gemoeide sturingsconcepten in het bijzonder belast met: - a. Het beleid met betrekking tot de [WMO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031), uitgezonderd het jeugdbeleid. - b. Het beleid met betrekking tot voorzieningen op gebied van verpleging en verzorging respectievelijk de uitvoering van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) op deze terreinen, voor zover ondergetekende bepaalt dat deze niet onder de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (komen te) vallen. - c. Het sociale beleid (welzijn), uitgezonderd gezinsbeleid. - d. Het ouderenbeleid. - e. Het sportbeleid. - f. Medisch ethische vraagstukken, inclusief het zogenoemde toetsingskader, exclusief technologisch onderzoek. - g. Biotechnologie, exclusief technologisch onderzoek. - h. Oorlogsgetroffenen en verzetsdeelnemers. - i. Andere aangelegenheden waarvan de behartiging door de Minister aan haar wordt toevertrouwd."},{"i":501,"b":"Verdrag betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau, en aldaar bijeengekomen in haar zevenenzestigste zitting op 3 juni 1981, Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot veiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu, welk onderwerp als zesde punt op de agenda van de zitting voorkomt, en Vastgesteld hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal verdrag dienen te krijgen, aanvaardt heden, de tweeëntwintigste juni van het jaar negentienhonderd eenentachtig het volgende Verdrag, dat kan worden aangehaald als Verdrag betreffende beroepsveiligheid en gezondheid 1981: DEEL I. TOEPASSINGSGEBIED EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing op alle takken van economische bedrijvigheid. 2. Een Lid dat dit Verdrag bekrachtigt kan, na raadpleging in een zo vroeg mogelijk stadium van de betrokken representatieve organisaties van werkgevers en van werknemers, bepaalde takken van economische bedrijvigheid, zoals de zeescheepvaart of de visserij, geheel of gedeeltelijk van de toepassing van dit Verdrag uitsluiten, indien zich met betrekking tot deze bijzondere problemen van ernstige aard voordoen. 3. Elk Lid dat dit Verdrag bekrachtigt, is gehouden in het eerste verslag over de toepassing van dit Verdrag, ingediend ingevolge [artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001986&artikel=22), alle bedrijfstakken te vermelden, die in toepassing van het tweede lid van dit artikel eventueel zijn uitgesloten, onder opgave van redenen, en dient een beschrijving te geven van de maatregelen die zijn genomen om de werknemers in de uitgesloten bedrijfstakken voldoende bescherming te bieden, en in de volgende verslagen te vermelden welke vooruitgang in de richting van een meer omvattende toepas"},{"i":13437,"b":"Instellingsbesluit Adviescommissie Versterking Randstad Handelend in afstemming met de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de leden van de groep ‘Holland Acht’; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. commissie: Adviescommissie Versterking Randstad; - b. minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - c. Holland Acht: de 4 burgemeesters van de vier grote steden in de Randstad, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht en de Commissarissen van de Koningin van Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland. Artikel 2 Er is een Adviescommissie Versterking Randstad. Artikel 3 1. De commissie heeft de opdracht een oordeel te geven over de bestaande analyses omtrent de (internationale) concurrentiepositie van de Randstad, alsmede over de aard en rol van bestuurlijke knelpunten daarbij. Voor de inhoudelijke analyse dient in elk geval gekeken te worden naar de volgende thema’s: - –. Vestigingslokaties - –. Verkeers- en vervoersinfrastructuur - –. Verstedelijking in relatie met groen-blauw - –. Kennisinfrastructuur - –. Marketing De voorgelegde bestuurlijke scenario’s uit de notitie Middenbestuur dienen te worden getoetst op de bijdrage die zij zouden kunnen leveren aan een structureel sterkere concurrentiepositie van de Randstad in internationaal verband. 2. De commissie wordt gevraagd voor het eind van 2006 advies uit te brengen. 3. De commissie brengt haar advies uit aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 1. De commissie bestaat uit: de heer W. Kok (voorzitter), de heer prof. drs. G.J. Cerfontaine, de heer mr. P.A. Nouwen, mevrouw mr. M.J. Oudeman MBA, mevrouw mr. Y.C.M.T. van Rooy, de heer mr. M. Tabaksblat en de heer H. Zwarts. 2. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties benoemt en ontslaat de leden van de commissie. 3. Het secretariaat van de commissie wordt gevormd door ambtenaren van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrel"},{"i":523,"b":"Verdrag betreffende de ziekteverzekering van arbeiders in de industrie en de handel en van huispersoneel De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 25 mei 1927 in haar tiende zitting, Besloten hebbende, verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de ziekteverzekering van arbeiders in de industrie en in de handel en van huispersoneel, welk onderwerp vervat is in het eerste punt van de agenda der zitting, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag, Neemt heden, de 15de juni 1927, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de ziekteverzekering (industrie), 1927”, ter bekrachtiging door de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 Ieder Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie dat dit Verdrag bekrachtigt verbindt zich een verplichte ziekteverzekering in te voeren op voorwaarden welke tenminste gelijkwaardig zijn aan die welke neergelegd zijn in dit Verdrag. Artikel 2 1. De verplichte ziekteverzekering is van toepassing op arbeiders, bedienden en leerlingen werkzaam in industriële en handelsondernemingen, op thuiswerkers en op huispersoneel. 2. Ieder Lid kan nochtans in zijn nationale wetten die uitzonderingen maken die het noodzakelijk acht met betrekking tot: - (a). tijdelijke werkzaamheden welke niet langer duren dan een door de nationale wet te bepalen tijd; niet geregeld voorkomende werkzaamheden welke geen verband houden met het beroep of de onderneming van de werkgever; gelegenheidswerkzaamheden en bijkomstige werkzaamheden; - (b). arbeiders van wie het loon of de inkomsten een door de nationale wet vast te stellen grens te boven gaan; - (c). arbeiders die geen loon in geld ontvangen; - (d). thuiswerkers van wie de arbei"},{"i":4125,"b":"Besluit vaststelling bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2008 Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2008 worden de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025932&bijlage=1&z=2009-06-14&g=2009-06-14) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage 1 De bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), over het uitkeringsjaar 2008. | Nr | Verdeelmaatstaf | Bedragen per eenheid | | --- | --- | --- | | 1 | Motorrijtuigenbelasting | –55,52 | | 2a | Inwoners | 19,93 | | 2b | Inwoners boven 640.000 | 11,84 | | 3a | Inwoners in stedelijke gebieden | 12,89 | | 3b | Inwoners in landelijke gebieden | 18,25 | | 4 | Land | 45,60 | | 5 | Water | 32,52 | | 6 | Groen | 16,74 | | 7 | Gewogen weglengte | 21.001,57 | | 8 | Warmtekrachtkoppeling | 0,66 | | 9 | Vast bedrag (alle provincies m.u.v. Fryslân) | 7.450.633,99 | | 9a | Vast bedrag Fryslän1Het vaste bedrag van Fryslân is met ingang van 2006 losgekoppeld van het vaste bedrag van de overige provincies. | 8.403.633,99 |"},{"i":541,"b":"Wet van 31 juli 1965, houdende verhaal van uitkeringen of verstrekkingen, bij ongeval krachtens zijn rechtspositieregeling verleend aan personeel, waarvan de bezoldiging of de beloning ten laste komt van de openbare geldmiddelen, en aan de nagelaten betrekkingen van dat personeel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling te treffen voor het verhaal van uitkeringen of verstrekkingen, bij ongeval krachtens zijn rechtspositieregeling verleend aan personeel, waarvan de bezoldiging of de beloning ten laste komt van de openbare geldmiddelen, en aan de nagelaten betrekkingen van dat personeel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt onder ambtenaar verstaan: - a. degene, die uit hoofde van een dienstverhouding een bezoldiging of een beloning geniet, welke hetzij direct, hetzij ingevolge een subsidieregeling ten laste komt van de openbare geldmiddelen; - b. de dienstplichtige militair. Artikel 2 1. Het lichaam dat aan of ten behoeve van een ambtenaar krachtens diens rechtspositieregeling, diens arbeidsovereenkomst of hetgeen collectief is overeengekomen en op die ambtenaar betrekking heeft uitkeringen of verstrekkingen verleent ter zake van een aan deze overkomen ongeval, heeft voor de kosten van deze voorzieningen verhaal op degene die, bij ontbreken van die voorzieningen, in verband met het veroorzaken van het ongeval jegens de ambtenaar naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn voor de alsdan door deze geleden schade. Het verhaal kan niet ten nadele van de ambtenaar worden uitgeoefend. 2. Is de ambtenaar ten gevolge van het ongeval geheel of voor een deel van zijn normale diensttijd verhinderd zijn dienst te verrichten, dan worden de krachtens zijn rechtspositieregeling, zijn arbeidsovereenkomst of hetgeen co"},{"i":546,"b":"Wet van 20 november 2006 tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van de arbeidsverhoudingen en de arbeidsmarkt (Verzamelwet arbeidsverhoudingen en arbeidsmarkt 2006) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat technische verbeteringen en enige andere wijzigingen in wetgeving op het terrein van de arbeidsverhoudingen en de arbeidsmarkt aan te brengen; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel IA Indien op grond van [artikel 11 van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=11) zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de [Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018471), een aanvraag tot vaststelling van de tegemoetkoming van het Rijk over het tegemoetkomingsjaar 2005 wordt gedaan, wordt in afwijking van dat artikel die aanvraag als tijdig beschouwd, indien deze is gedaan vóór 1 april 2007 en de aanspraak op de tegemoetkoming uitsluitend bestaat op grond van [artikel 6, vierde lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=6) zoals dit artikellid komt te luiden nadat [artikel I, onderdeel A, onder 3 en 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020681&artikel=I&z=2012-01-01&g=2012-01-01), van deze wet is getreden. Artikel IB Wijzigt deze wet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet. Artikel III Wijzigt de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Artikel IV Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel V Wijzigt de Arbeidstijdenwet. Artikel VI Wijzigt de Wet bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet. Artikel VII Wijzigt de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel VIII Wijzigt de Wet"},{"i":12261,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2015 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2015 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 31.400 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 314.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.140.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2015 worden voor de premiecomponent WGA voor vaste dienstbetrekkingen voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,50% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,48% | | Maximumpremie werkgevers | 1,92% | | Minimumpremie werkgevers | 0,12% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,28% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,36 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2015 worden voor de premiecomponent WGA voor flexibele dienstbetrekkingen voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Rekenpercentage | 0,25% | | --- | --- | | Gemiddelde percentage | 0,24% | | Maximumpremie werkgevers | 0,96% | | Minimumpremie werkgevers |"},{"i":16740,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 september 2022, kenmerk 3432838-1034796-CZ houdende aanwijzing van de Stichting Regionale Ambulancevoorziening Limburg voor de regio’s Limburg-Noord en Limburg-Zuid als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Wet ambulancezorgvoorzieningen Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Stichting Regionale Ambulancevoorziening Limburg is voor de regio’s Limburg-Noord en Limburg-Zuid de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=4). Artikel 2 Het [Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032297), CZ-3137235, houdende aanwijzing van Regionale Ambulancevoorziening Zuid Limburg voor de regio Zuid Limburg als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4) en het [Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032308), CZ-3137199, houdende aanwijzing van Regionale Ambulancevoorziening Limburg-Noord voor de regio Limburg-Noord als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16739,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137231, houdende aanwijzing van Regionale Ambulancevoorziening Utrecht voor de regio Utrecht als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Regionale Ambulancevoorziening Utrecht is voor regio Utrecht de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":689,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 maart 2022, 2022-0000085867, tot wijziging van de Regeling melding Wet arbeid vreemdelingen in verband met de tijdelijke vrijstelling van de tewerkstellingsvergunningsplicht, gelet op het Uitvoeringsbesluit van de Raad tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan Gelet op [artikel 2a, derde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 (tijdelijke vrijstelling tewerkstellingsvergunningsplicht Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 in verband met het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne) in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Regeling melding Wet arbeid vreemdelingen. Artikel II. Overgangsperiode Een melding op grond van [artikel 2a van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2a), gedaan in het kader van een tewerkstelling van een vreemdeling op grond van de vrijstelling uit [artikel 6.5 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046078&artikel=6.5), die is ontvangen in de periode tot en met 15 april 2022, wordt beschouwd als een melding die ten minste twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden is gedaan. Artikel III. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op het moment waarop het [besluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 in verband met een tijdelijke vrijstelling van de tewerkstellingsvergunningsplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046482), gelet op het Uitvoeringsbesluit van de Raad tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom v"},{"i":738,"b":"Wet van 24 juni 2004 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met de toepasselijkheid van de Wet arbeid en zorg ten aanzien van rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding Artikel I Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel II 1. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind als ouder in familierechtelijke betrekking is komen te staan en die tussen 1 februari 2001 en de datum waarop [artikel I, onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016909&artikel=I&z=2004-09-01&g=2004-09-01), in werking treedt ten aanzien van elk van die kinderen ouderschapsverlof heeft opgenomen, heeft tijdens dat verlof recht op doorbetaling van 75% van de bezoldiging. 2. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die tussen 1 februari 2001 en de datum van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016909&artikel=I&z=2004-09-01&g=2004-09-01), met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind als ouder in familierechtelijke betrekking is komen te staan en die daarvoor ouderschapsverlof heeft genoten, heeft na inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016909&artikel=I&z=2004-09-01&g=2004-09-01), mits aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, aanspraak op ouderschapsverlof ten aanzien van het kind of de kinderen voor wie hij nog geen verlof heeft genoten. 3. Indien een kind, voor wie nog geen verlof is genoten als bedoeld in het tweede lid op een tijdstip gelegen tussen 1 februari 2001 en 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van dit artikel, de leeftijd van acht jaar heeft bereikt dan wel zal bereiken, bestaat gedurende twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van dit artikel aanspraak op ouderschapsverlof ten aanzien van dat kind. Artikel III 1. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding die"},{"i":1133,"b":"Instellingsbesluit Commissie Visitatie raming belasting- en premieontvangsten Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Financiën; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040652&artikel=2&z=2018-02-23&g=2018-02-23). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie Toetsing systematiek raming van de belasting- en premieontvangsten 2. De commissie heeft tot taak: - •. Een onafhankelijke toetsing te verrichten voor de systematiek van de raming van de belasting- en premieontvangsten Artikel 3. samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste 6 andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de Minister benoemd. 3. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. 4. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de Minister een ander lid benoemen. 5. De voorzitter en overige leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de Minister. Artikel 4. Instellingsduur Na het uitbrengen van het advies of het rapport wordt de commissie per 1 september 2018 opgeheven. Artikel 5. Leden 1. Voor de duur van de commissie zijn tot lid van de commissie benoemd: - a. de heer prof. dr. C.A. de Kam te Groningen, tevens voorzitter; - b. de heer prof. dr. C.L.J. Caminada te Leiden; - c. mevrouw dr. S.J. Kok te Voorburg; - d. de heer M.C.H. Kuip BSc te Voorburg; - e. de heer drs. G.A. van Pruissen te Haarlem; - f. de heer dr. ir. S. van Veldhuizen te Rotterdam; - g. de heer dr. J.P. Verbruggen te Rotterdam; Artikel 6. Secretariaat 1. De commissie wordt ondersteund door een secretariaat. 2. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie. 3. In het secretariaat wordt voorzien door de Minister van Fi"},{"i":5892,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 april 2022, 2022-0000091000, tot vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling gericht op het ontwikkelen, uitvoeren en onderzoeken van experimenten en het uitvoeren van wetenschappelijke onderzoek naar effectieve interventies inzake duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen (Tijdelijke subsidieregeling onderzoek en experimenten duurzame inzetbaarheidsinterventies) Gelet op de [artikelen 3, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraagtijdvak:** een door de Minister vastgesteld tijdvak waarin aanvragen voor subsidie op grond van deze regeling kunnen worden ingediend; - **activiteit:** een activiteit als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046626&artikel=4&z=2024-07-02&g=2024-07-02); - **brancheorganisatie:** een organisatie die de belangen behartigt van leden die tot eenzelfde branche behoren; - **brutoloon:** bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werkenden als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende collectieve arbeidsovereenkomst of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief overige vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten; - **duurzame inzetbaarheid:** het gemotiveerd, gezond en productief houden van werkenden om hen in staat te stellen tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a), binnen of buiten een arbeidsorganisatie betaalde arbeid te verrichten; - **hoofdaanvrag"},{"i":5944,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 15 november 2022, nr. MinBuZa.2022.14611-9, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en tot wijziging van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 23 maart 2022, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Tweede openstelling en wijziging beleidsregels Subsidieprogramma Support International Business 2022–2026) Gelet op de [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2, eerste lid, onderdeel c, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Support International Business 2022–2026 voor 2023 worden ingediend vanaf 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023, 15.00 uur Nederlandse tijd. Artikel 2 1. Voor subsidieverlening in het kader van de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Support International Business 2022–2026 geldt voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2026 een subsidieplafond van € 3 miljoen. 2. Indien na toepassing van het eerste lid een deel van het subsidieplafond resteert, wordt dit toegevoegd aan het subsidieplafond voor de derde openstelling van het Subsidieprogramma Support International Business 2022–2026. Artikel 3 Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond voorsubsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma SupportInternational Business 2022–2026). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscou"},{"i":797,"b":"Wet van 18 december 2024 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten die betrekking hebben op de BES-eilanden (Belastingplan BES-eilanden 2025) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2025 en volgende jaren in een aantal belastingwetten en enige andere wetten die betrekking hebben op de BES-eilanden wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting BES. Artikel III Wijzigt de Wet loonbelasting BES. Artikel IIIa Wijzigt de Wet loonbelasting BES. Artikel IV Wijzigt de Douane- en Accijnswet BES. Artikel V Wijzigt de Wet algemene ouderdomsverzekering BES. Artikel VI Wijzigt de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES. Artikel VII Wijzigt de Cessantiawet BES. Artikel VIII Wijzigt de Wet ongevallenverzekering BES. Artikel IX Wijzigt de Wet ziekteverzekering BES. Artikel X Wijzigt de Wijzigingswet SZW wetten BES 2024. Artikel XI Wijzigt de Wijzigingswet SZW wetten BES 2024. Artikel XII Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel XIII Deze wet wordt aangehaald als: Belastingplan BES-eilanden 2025. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1061,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 7 november 2002, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de sector zaaizaden van voedergewassen in Nederland voor het jaar 2003 (Heffingsverordening GZP fonds zaaizaad van voedergewassen jaar 2003) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126, eerste en vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 5](onbekend), [6](onbekend) en [7 van de Instellingsverordening akkerbouwproductschappen 1997](onbekend); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | a. productschap | : | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | --- | | b. secretaris | : | secretaris van het productschap; | | c. ondernemer | : | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | d. voedergewassen | : | voederbieten, mergkool, stoppelknollen, grassen, bladkool, mais (excl. suikermais), klaver, luzerne, bladrammenas (Raphanus sativus var. oleiferus), duizendkoppige kool (Brassica oleracea var. laciniata), lupine (Lupinus spec.) serradella (Omithopus sativus), spurrie (Spergula arvensis var. sativa), voederwikke (Vicia sativa), voederwortel (Daucus carota), gele mosterd (Sinapis alba), phacelia (Phacelia tanacetifolia) en zandwikke (Vicia villosa); | | e. omzet | : | de financiële jaaromzet behaald over zaaizaad van de producten, genoemd onder d, exclusief de rechten verkregen uit licenties uit het buitenland. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer, die in het jaar 2003 werkzaamheden verricht in het kweekbedrijf voor zaaizaad van voedergewassen en/of met betrekking tot de be- en verwerking en/of met betrekking tot het in de handel brengen van zaaizaad van voedergewassen, is verplicht aan het productschap te betalen: - a. een basisheffing volgens onderstaand tarief: Voor de berekening van de b"},{"i":818,"b":"Beleidsregel Opheffing terugwerkende kracht Hoofdstuk 4 WTOS Datum: 14 oktober 2008 Nummer: CT/08.068 Gelet op [artikel 11.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=11.4); Besluit: Artikel 1 In afwijking van [artikel 4.10, tweede lid, WTOS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=4.10) kan de tegemoetkoming ingevolge [hoofdstuk 4 WTOS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=4) worden toegekend met terugwerkende kracht tot en met de eerste dag van het desbetreffende schooljaar. De overige bepalingen van de [WTOS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438) blijven onverkort van toepassing. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze beleidsregel is geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2008."},{"i":832,"b":"Besluit van het Bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 27 november 2002, houdende vaststelling van criteria voor gedeeltelijke restitutie van de vakheffing bloemkwekerijproducten (Besluit 2003/1 PT restitutie vakheffing bloemkwekerijproducten 2003) gelet op [artikel 5 van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013837&artikel=5); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 6 november 2002; BESLUIT: Artikel 1 1. Bedrijven die in aanmerking willen komen voor een gedeeltelijke verlaging van het heffingstarief, dienen over het betrokken kalenderjaar de gecertificeerde jaarrekening aan het productschap te overleggen. 2. Wanneer het productschap vaststelt dat op jaarbasis de heffingsgrondslag van aangekochte bloemkwekerijproducten hoger is dan € 11.344.505,=, wordt over: - a. de eerste € 11.344.505,= het heffingstarief van 0,375% toegepast, en - b. het bedrag hoger dan € 11.344.505,=, het verlaagde heffingstarief van 0,275% toegepast. 3. Wanneer het productschap vaststelt dat op jaarbasis de heffingsgrondslag van zelfgekweekte bloemkwekerijproducten (niet zijnde uitgangsmateriaal) hoger is dan € 11.344.505,=, wordt over: - a. de eerste € 11.344.505,= het heffingstarief van 1,11 % toegepast, en - b. het bedrag hoger dan € 11.344.505,= het verlaagde heffingstarief van 1,01% toegepast. 4. Aanvragen voor restitutie moeten worden ingediend binnen één jaar na afloop van het jaar waarover de restitutie wordt gevraagd en vergezeld gaan van een accountantsverklaring. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2003/1 PT restitutie vakheffing bloemkwekerijproducten 2003. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":1063,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 4 november 2004, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de sector zaaizaden van voedergewassen in Nederland voor het jaar 2005 (Heffingsverordening GZP fonds zaaizaad van voedergewassen jaar 2005) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126, eerste en vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=8) en [19 van het Instellingsbesluit akkerbouwproductschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=19); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | a. productschap | : Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | | --- | --- | --- | | b. secretaris | : secretaris van het productschap; | | | c. ondernemer | : natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | | d. voedergewassen | : voederbieten, mergkool, stoppelknollen, grassen, bladkool, mais (excl. suikermais), klaver, luzerne, bladrammenas (Raphanus sativus var. oleiferus), duizendkoppige kool (Brassica oleracea var. laciniata), lupine (Lupinus spec.) serradella (Ornithopus sativus), spurrie (Spergula arvensis var. sativa), voederwikke (Vicia sativa), voederwortel (Daucus carota), gele mosterd (Sinapis alba), phacelia (Phacelia tanacetifolia) en zandwikke (Vicia villosa); | | | e. omzet | : de financiële jaaromzet behaald over zaaizaad van de producten, genoemd onder d, exclusief de rechten verkregen uit licenties uit het buitenland. | | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer, die in het jaar 2005 werkzaamheden verricht in het kweekbedrijf voor zaaizaad van voedergewassen en/of met betrekking tot de be- en verwerking en/of met betrekking tot het in de handel brengen van zaaizaad van voedergewassen, is verplicht aan het productschap te betalen:"},{"i":4700,"b":"Instellingsbesluit Adviescollege Voorwaardelijke Invrijheidstelling Gezien de [Wet Straffen en Beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) (Stb. 2020, 224); Besluit: Artikel 1 Er is een Adviescollege Voorwaardelijke Invrijheidstelling, hierna te noemen AVI. Artikel 2 Het AVI heeft tot taak het inhoudelijk adviseren van de advocaten-generaal bij het Openbaar Ministerie omtrent het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) en het al dan niet daaraan verbinden van bijzondere voorwaarden. Met zijn advies levert het AVI een onafhankelijke bijdrage aan het intern beraad over de v.i-verlening. Artikel 3 Het AVI betrekt bij zijn advies de beoordelingskaders uit het vigerend beleid van het OM. Artikel 4 Ten behoeve van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045492&artikel=2&z=2021-08-04&g=2021-08-04) genoemde advisering wordt het AVI tijdig van het volledige v.i.-dossier voorzien. Artikel 5 Het AVI geeft zonder nader eigen onderzoek en/of met gebruikmaking van andere stukken dan voornoemd dossier schriftelijk advies aan de advocaten-generaal bij het Openbaar Ministerie. Artikel 6 Het AVI heeft leden uit diverse disciplines: - –. In beginsel vier juristen - –. In beginsel vier gedragsdeskundigen - –. In beginsel twee victimologen of deskundigen op het gebied van slachtofferzorg - –. In beginsel twee deskundigen op het gebied van reclassering De juristen zijn bij voorkeur oud-leden van de rechterlijke macht en treden op als voorzitter, als plaatsvervangend voorzitter of als gewoon lid. De gedragsdeskundigen, victimologen of deskundigen op het gebied van slachtofferzorg en de deskundigen op het gebied van reclassering beschikken over uitgebreide expertise in de strafrechtspleging. Artikel 7 De benoeming van de voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en de overige leden van het AVI geschiedt door het College van procureurs-generaal voor een periode van ten hoogste drie jaar. Herbenoeming is eenmaal mogelijk voor een aansluitende"},{"i":3444,"b":"Besluit van 16 januari 1998, houdende regels over de veiligheid en de deugdelijkheid van draagbare blustoestellen (Besluit draagbare blustoestellen 1997) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer en Rampenbestrijding, van 1 september 1997, nr. EB97/1121; Gelet op [artikel 17, eerste lid, van de Brandweerwet 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=17); De Raad van State gehoord (advies van 27 oktober 1997, nr. W04.97.0579); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer en Rampenbestrijding, van 12 januari 1998, nr. EB97/2134; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. bewijs: bewijs van typekeuring; - c. houder: houder van een bewijs; - d. draagbaar blustoestel: een tot het bestrijden van brand bestemd voorwerp dat door middel van eenvoudige handgrepen in werking wordt gesteld en gehouden, waarvan de inrichting zodanig is dat de bestrijding van brand geschiedt door middel van een zich in het blustoestel bevindende vulling en waarvan de massa gebruiksklaar niet meer bedraagt dan 20 kg; - e. vulling: de voor een draagbaar blustoestel bestemde blusstof en de stof of de stoffen, bestemd tot uitdrijving van de blusstof uit het draagbare blustoestel; - f. onafhankelijk keuringsinstituut: een instituut tot wiens normale takenpakket het keuren van draagbare blustoestellen behoort en dat voldoet aan de criteria, genoemd in onderdeel 1 van bijlage IV van de [richtlijn nr. 97/23/EG](31997L0023) van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende drukapparatuur (PbEG L 181); - g. NEN-EN 3-7+ A1: Draagbare blustoestellen, Deel 7, Eigenschappen, prestatie-e"},{"i":860,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 5 december 2011, nr. WJZ / 11172898, tot aanwijzing van toezichthouders douane (Besluit aanwijzing toezichthouders Belastingdienst 2012) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën, Gelet op[48a van de Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=48a), [artikel 1 van de Wet uitvoering antiboycotverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010176&artikel=1) en [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=17) en [29 van de Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=29); Besluit: Artikel 1 De ambtenaren, werkzaam bij de Belastingdienst, die daartoe door hun bevoegd gezag zijn aangewezen, zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de hierna genoemde wetten bepaalde: - a. de [artikelen 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=47) en [48 van de Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=48); - b. de [Wet uitvoering antiboycotverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010176); - c. de [Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545). Artikel 2 Het [Besluit aanwijzing toezichthouders Belastingdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028489) (Stcrt. 2010, 14897) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Belastingdienst 2012. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":861,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 22 augustus 2023, nr. IENW/BSK-2023/219150, houdende aanwijzing van de personen belast met het toezicht, bedoeld in artikel 15, eerste lid, Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Besluit aanwijzing toezichthouders Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15) Gelet op [artikel 15, eerste lid, van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517&artikel=15); BESLUIT: Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517&artikel=15) worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport die belast zijn met toezicht. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1166,"b":"Loonheffing, inkomstenbelasting, erfbelasting, salaire differé, executeurbeloning De Minister van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit betreft de fiscale behandeling van het zogenoemde salaire differé en de executeurbeloning. Het besluit vervangt het besluit van 3 augustus 2004, nr. CPP2004/1121M. De aanpassingen zijn louter redactioneel, met name in verband met de herziening van de Successiewet. Dit leidt niet tot een inhoudelijke wijziging.** 1. Inleiding In [artikel 4:36 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=36) zijn bepalingen opgenomen over het zogenoemde salaire differé. Een kind dat voor de erflater arbeid heeft verricht, zonder een voor die arbeid passende beloning te ontvangen, kan hierdoor aanspraak maken op een billijke vergoeding. In dit besluit behandel ik de gevolgen voor de loonheffing, erf- en inkomstenbelasting voor: 1.1. Gebruikte afkortingen 2. Het salaire differé en vergelijkbare beloningen voor werkzaamheden die zijn verricht voor de erflater Met de bepalingen voor het salaire differé is gewaarborgd dat een kind alsnog een billijke beloning kan krijgen voor de door hem verrichte arbeid. Het salaire differé komt aan de orde als het kind nog niet op andere wijze een passende beloning voor zijn arbeid heeft ontvangen. De passende beloning kan het kind worden toegekend op de volgende manieren: 3. De gevolgen voor de heffing van de loonheffing en inkomstenbelasting 3.1. De gevolgen voor de ontvanger De onder punt 2 van dit besluit genoemde beloningen vormen belastbaar inkomen uit werk en woning al dan niet in de vorm van loon uit (fictieve) dienstbetrekking tot de erflater. 3.2. Gevolgen voor de loonheffingen Het begrip salaire differé heeft net als een in de uiterste wil toegekende beloning voor de loonheffingen geen speciale betekenis. Dit houdt in dat het salaire differé of een in de uiterste wil toegekende beloning worden beschouwd als een nabetaling. Als sprake is van loon uit vroeger"},{"i":867,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 december 2025, nr. 2025-27601 over Belastingen op milieugrondslag **De Staatssecretaris van Financiën,** Gelet op [artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63), [artikel 64 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=64) en de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168). Besluit: 1. Inleiding In dit besluit zijn beleidsregels opgenomen voor de afvalstoffenbelasting, de kolenbelasting en de energiebelasting. Dit besluit vervangt het [besluit van 13 december 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050576), nr. 2024-563809 (Stcrt. 2024, 38360), dat hiermee wordt ingetrokken. De wijzigingen betreffen: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Afvalstoffenbelasting 2.1. Bovenafdichtingsconstructie Materiaal dat wordt gebruikt voor het realiseren van een bovenafdichtingsconstructie wordt niet tot afvalstoffen gerekend ([artikel 22, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=22) en [artikel 4, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007178&artikel=4)). De bovenafdichtingsconstructie wordt boven op de egalisatie-/steunlaag aangebracht en bestaat uit een minerale en een synthetische component. De minerale component is veelal een zand/bentoniet mengsel en de synthetische component een HDPE-folie. Hierbij kan het zogenoemde Hydrostab een vervanger voor het zand/bentoniet mengsel zijn. Indien de Advieskamer Stortbesluit heeft aangegeven dat een bovenafdichtingsconstructie van Hydrostab met een synthetische laag gelijkwaardig is aan een bovenafdichtingsconstructie van een zand/bentoniet mengsel met een synthetische laag, wordt de Hydrostab beschouwd als een onderdeel van de b"},{"i":1012,"b":"Bijstellingsregeling accijns, belasting van personenauto’s en motorrijwielen, motorrijtuigenbelasting, belastingen op milieugrondslag en de Provinciewet 2022 (Bijstellingsregeling indirecte belastingen en de Provinciewet) Gelet op [artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15), de [artikelen 27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a) en [84c van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84c), [artikel 16b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=16b), [artikel 81a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=81a), [artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=90) en [artikel 222 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel I Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel II Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel III Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel IV Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel V Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VI Wijzigt de Provinciewet. Artikel VII [Artikel 84a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84a) vindt geen toepassing op de in [artikel II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046110&artikel=II&z=2022-01-01&g=2022-01-01), opgenomen verhogingen van de accijns. Artikel VIII Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat het bij [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046110&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01) in [artikel 15, eerste lid, onderdeel p, subonderdeel 4°, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"i":1172,"b":"Luxemburgse uitvoeringsvoorschriften belastingverdrag Nederland – Luxemburg Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Regeling inzake het verkrijgen van gehele of gedeeltelijke vrijstelling of teruggaaf van Luxemburgse bronbelasting op dividenden, auteursrechten en royalty's, alsmede aandelen in de winst van een Luxemburgse onderneming, toekomende aan een geldschieter, genoten door inwoners van Nederland. Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan het op 8 mei 1968 tussen Nederland en Luxemburg gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 1968, 76), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van het Verdrag: - a. **Dividenden** De Luxemburgse bronbelasting op dividenden bedraagt 15 percent van het brutobedrag daarvan, liet Verdrag voorziet in een vermindering van deze belasting indien het dividend toekomt aan een Nederlandse vennootschap die onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van de uitdelende Luxemburgse vennootschap. In dat geval wordt de belasting verminderd tot 2.5 percent van het brutobedrag van het dividend (artikel 10, tweede lid, onderdeel a). Onder dividenden worden mede begrepen de inkomsten uit winstdelende obligaties (artikel 10, vijfde lid). - b. **Auteursrechten en royalty's** De Luxemburgse bronbelasting bedraagt 10 percent voor auteursrechten (filmhuren daaronder begrepen) en 12 percent voor royalty's, en wel over het brutobedrag van die opbrengsten. Het Verdrag voorziet in een algehele vrijstelling van deze belasting (artikel 12, eerste lid). - c. **Aandelen in de winst van een onderneming, toekomende aan een geldschieter** De Luxemburgse bronbelasting op deze inkomsten bedraagt 15 percent van het brutobedrag daa"},{"i":931,"b":"Besluit van 18 augustus 1959, houdende opheffing van het Departement van Zaken Overzee Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 14 augustus 1959, nr. 129173; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel 1. Onze Vice-Minister-President wordt belast met de coördinatie van aangelegenheden Suriname en de Nederlandse Antillen betreffende, voorzover Nederland krachtens het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) daarbij betrokken is. 2. Aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken wordt overgedragen de zorg voor de aangelegenheden betreffende Nederlands Nieuw Guinea. 3. Aan Onze Minister van Defensie wordt overgedragen de zorg voor de aangelegenheden betreffende het Koninklijk Militair Invalidenhuis op Bronbeek nabij Arnhem. 4. Het Departement van Zaken Overzee wordt opgeheven. Onze Vice-Minister-President wordt op de meest eervolle wijze ontheven van het tijdelijk beheer van dit departement. De afwikkeling van zaken wordt opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken. 5. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 1959. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst; waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van Ministers, de Hoge Colleges van Staat, de Gevolmachtigde Ministers van Suriname en van de Nederlandse Antillen en Departementen van Algemeen Bestuur."},{"i":1083,"b":"Inkomstenbelasting, aanwijzing massaal bezwaar plus over kalenderjaren 2017 tot en met 2020 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit wijs ik aan als massaal bezwaar plus als bedoeld in artikel 9.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) de in dit besluit nader omschreven verzoeken om ambtshalve vermindering van aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: inkomstenbelasting) over de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 waarbij sprake is van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) en de bezwaarschriften tegen de afwijzing hiervan.** 1. Inleiding Eerder heb ik bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 waarbij sprake is van een voordeel uit box 3 aangewezen als massaal bezwaar als bedoeld in [artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=25c) (hierna: [AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320)).1De aanwijzing is voor het jaar 2017 opgenomen in het Besluit van 7 juli 2018, nr. 2018-12775 (Stcrt. 2018, 39781). Voor het jaar 2018 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 18 april 2019, nr. 2019-8322 (Stcrt. 2019, 23335). Voor het jaar 2019 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 23 april 2020, nr. 2020-75650 (Stcrt. 2020, 24107) en voor het jaar 2020 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 28 mei 2021, nr. 2021-97946 (Stcrt. 2021, 28130). In die zogenoemde massaalbezwaarprocedure stond de rechtsvraag centraal of de vermogensrendementsheffing in het betreffende belastingjaar, uitgaande van de forfaitaire elementen van het stelsel, in onderlinge samenhang en met inachtneming van het heffingvrije vermogen en het belastingtarief van 30%, op regelniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, zonder dat de schending van de ‘fair balance’ op het niveau van de individuele belastingplichtige wordt beoordeeld, of in strijd"},{"i":933,"b":"Besluit opheffing openbaarheid enige inventarisnummers archief Directe Verre Oosten Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op de verklaring van overdracht van 18 augustus 1998 en de daarbij behorende regeling van de openbaarheid; Gehoord hebbende de Minister van Buitenlandse Zaken; Besluit: De beperking aan de openbaarheid van de inventarisnummers 1–15, 17, 19–22, 24–29, 31–67, 69, 77–105, 111–121, 127–146, 148–165, 168–172, 174–230, 232, 233, 235–309 en 311–595 in het archief Ministerie van Buitenlandse Zaken/Directie Verre Oosten 1944–1940, toegang 2.05.52 wordt opgeheven. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":1010,"b":"Bijstellingsregeling directe belastingen 2018 Gelet op de [artikelen 10.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1), [10.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2a), [10.2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2b), [10.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.3), [10.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.5), [10.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6), [10.6bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6bis), [10.6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6a), [10.6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6b), [10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.7), [10bis.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.12) en [10a.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10a.11), de [artikelen 18ga](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18ga) en [32bb van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32bb), [artikel 10 van de Wet op de vennootschapbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10), [artikel 35a van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35a), [artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=7), [artikel 8 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645&artikel=8), de [artikelen 10aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10aa) en [10eb van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10eb), de [artikelen 8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034553&artikel=8.2) en [8.2 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034"},{"i":753,"b":"Aanwijzing bezwaarschriften tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017 als massaal bezwaar **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit wijs ik aan als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de in dit besluit nader omschreven bezwaarschriften tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017 waarbij sprake is van belastbaar inkomen in box 3.** 1. Inleiding Op 26 juni 2015 is het besluit [Aanwijzing bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting als massaal bezwaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036754) (Stcrt. 2015, 18400) in werking getreden. Het besluit van 26 juni 2015 ziet uitsluitend op bezwaren tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting waarin de vermogensrendementsheffing (box 3-heffing) op spaarsaldi is berekend op basis van een forfaitair rendement van vier procent. Concreet betreft de aanwijzing dus de belastingjaren tot en met 2016. Met ingang van 1 januari 2017 is namelijk de tekst van [artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.2) (hierna: Wet IB 2001) ingrijpend gewijzigd, waardoor de vaststelling van de hoogte van het forfaitaire rendement op een andere wijze plaatsvindt. De lopende procedures betreffende de jaren tot en met 2016 kunnen dus niet beslissend zijn voor de bezwaren tegen de definitieve aanslagen inkomstenbelasting voor het belastingjaar 2017 (en later). De Bond voor Belastingbetalers heeft op 9 mei jl. een oproep gedaan aan belastingplichtigen om bezwaar te maken tegen de vermogensrendementsheffing in de aanslag inkomstenbelasting 2017. De Belastingdienst verwacht mede daardoor dat veel belastingplichtigen (ook) bezwaar zullen maken tegen de aanslag inkomstenbelasting 2017. In mijn brief aan de Tweede Kamer van 31 mei 20181Kamerstukken II 2017/18, 34 245, nr. 2. heb ik meegedeeld dat wordt gewerkt aan een aanwijzing massaal bezwaar vo"},{"i":1189,"b":"Nigeriaanse uitvoeringsvoorschriften belastingovereenkomst Nederland-Nigeria Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Nigeriaanse belasting op dividenden, interest en royalty's, genoten door inwoners van Nederland. Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 11 december 1991 tussen Nederland en Nigeria gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten (Trb. 1992, 12) kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. Vermindering tot 15 percent van de Nigeriaanse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Nigeria is aan een inwoner van Nederland, die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b). - b. Vermindering tot 12.5% van de Nigeriaanse belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Nigeria is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een venootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het onmiddellijk ten minste 10 percent bezit van het kapitaal van het Nigeriaanse lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel a). - c. Algehele vrijstelling van de Nigeriaanse belasting op uit Nigeria afkomstige interest, indien deze wordt betaald aan de Regering van Nederland, een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam van Nederland dan wel aan een agentschap of instantie (waaronder begrepen een financiële instelling) die eigendom is van of beheerst wordt door de Regering van Nederland, een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam van Nederland, alsmede algehele vrijste"},{"i":1190,"b":"Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Oekraïense belasting op dividenden, interest, en royalty's, genoten door inwoners van Nederland Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan het op 24 oktober 1995 tussen Nederland en Oekraïne gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het Protocol bij dat Verdrag (Trb. 1995, 285), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van het Verdrag en onderdelen van het Protocol: - a. vermindering tot 15 percent van de Oekraïense belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Oekraïne is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b); - b. vermindering tot 5 percent van de Oekraïense belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Oekraïne is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een venootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde daarvan is en het onmiddellijk ten minste 20 percent bezit van het kapitaal van het Oekraïense lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel a); - c. algehele vrijstelling van de Oekraïense belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Oekraïne is aan lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde daarvan is en: Voor de vaststelling of aan de voorwaarde van een minimale investering van 300.000 Amerikaanse dollars of de tegenwaarde daarvan in Nederlandse of Oekraïense valuta is voldaan, wordt een investering in aanmerking genomen naar de waarde op het tijds"},{"i":1200,"b":"Omzetbelasting, heffing van omzetbelasting ten aanzien van factoorsovereenkomsten De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten."},{"i":1226,"b":"Opheffingsbesluit ITO-Raad Besluit: Artikel 1 De ITO-Raad, ingesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij [besluit van 15 december 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011996), nr. EVIP2000/U97991, wordt opgeheven. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1232,"b":"Overdrachtsbelasting, intrekking ruime uitleg netvrijstelling **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit regelt dat een te ruimhartige uitleg van de netvrijstelling wordt herzien met een overgangstermijn tot 1 januari 2026.** 1. Inleiding De netvrijstelling regelt dat de verkrijging van een net gelegen in, op of boven de grond, bestaande uit een of meer kabels en leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie, of van informatie is vrijgesteld van overdrachtsbelasting ([artikel 15, eerste lid, onderdeel y, WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15)). Uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot opname van de netvrijstelling in de [WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740) blijkt dat de begrenzing van wat onder het begrip ‘net’ valt, wordt afgebakend door de definitie ervan in sectorspecifieke wetten, zoals de [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440) en de [Elektriciteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755).1Kamerstukken II 2005–2006, 30 306, nr. 3, p. 61. Uit deze definities kan worden afgeleid dat de grond waarin, waarop of waarboven het net is of wordt aangelegd niet tot het net behoort. Dit geldt eveneens voor een opstalrecht op die grond. Om ervoor te zorgen dat de aanlegger van een net de eigendom ervan behield, was het tot 1 februari 2007 noodzakelijk om een recht van opstal op de grond te vestigen. Anders werd de eigenaar van de grond door natrekking ook eigenaar van het betreffende gedeelte van het net. De Belastingdienst heeft destijds het standpunt ingenomen dat de verkrijging van een recht van opstal voor het in eigendom verkrijgen van een leiding in de grond van een ander was vrijgesteld van overdrachtsbelasting op grond van [artikel 15, eerste lid, onderdeel y, WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15) (de netvrijstelling).2Een ruimere toepassing van de ne"},{"i":1241,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zuid-Afrika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek van Zuid-Afrika; De wens koesterende een Overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Vervallen Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is Vervallen HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 3. Algemene begripsbepalingen Vervallen Artikel 4. Fiscale woonplaats Vervallen Artikel 5. Vaste inrichting Vervallen HOOFDSTUK III. BELASTINGHEFFING NAAR HET INKOMEN Artikel 6. Inkomsten uit onroerende goederen Vervallen Artikel 7. Winst uit onderneming Vervallen Artikel 8. Zeevaart en luchtvaart Vervallen Artikel 9. Gelieerde ondernemingen Vervallen Artikel 10. Dividenden Vervallen Artikel 11. Interest Vervallen Artikel 12. Royalty's Vervallen Artikel 13. Beperking van de artikelen 10, 11 en 12 Vervallen Artikel 14. Vermogenswinsten Vervallen Artikel 15. Zelfstandige arbeid Vervallen Artikel 16. Niet-zelfstandige arbeid Vervallen Artikel 17. Bestuurders- en commissarissenbeloningen Vervallen Artikel 18. Artiesten en sportbeoefenaars Vervallen Artikel 19. Pensioenen Vervallen Artikel 20. Overheidsfuncties Vervallen Artikel 21. Professoren en leraren Vervallen Artikel 22. Studenten Vervallen Artikel 23. Overige inkomsten Vervallen HOOFDSTUK IV. WIJZE VAN VERMIJDING VAN DUBBELE BELASTING Artikel 24 Vervallen HOOFDSTUK V. BIJZONDERE BEPALINGEN Artikel 25. Non-discriminatie Vervallen Artikel 26. Regeling voor onderling overleg Vervallen Artikel 27. Uitwisseling van inlichtingen Vervallen Artikel"},{"i":1243,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada, De wens koesterende de bestaande op 2 april 1957 te Ottawa ondertekende Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada ter vermijding van dubbele belasting en ter voorkoming van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van inkomsten, zoals deze is gewijzigd bij de op 28 oktober 1959 te Ottawa ondertekende Aanvullende Overeenkomst en zoals deze nader is gewijzigd bij de op 3 februari 1965 te Ottawa ondertekende Aanvullende Overeenkomst, te vervangen door een nieuwe Overeenkomst; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten. 2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, of naar bestanddelen van het inkomen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a). in Canada: de inkomstenbelastingen, geheven door de Regering van Canada (hierna te noemen: „Canadese belasting”); - b). in Nederland: - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepe"},{"i":11907,"b":"Besluit beëindiging verplichte periode ATF Overwegende, dat op grond van [artikel 3 lid 1 van het Besluit overgangsregeling ATF en SMF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006858&artikel=3), KPN als houder van een machtiging krachtens artikel 17 van de Wet op de Telecommunicatie Voorzieningen verplicht is ATF 3 aan een ieder aan te bieden tot een door mij te bepalen tijdstip waarop naar mijn oordeel de diensten van tenminste één van de houders van een vergunning voor GSM een met ATF 3 vergelijkbaar aanbod hebben bereikt; dat de diensten die door KPN als houder van een vergunning voor GSM worden aangeboden zich inmiddels zodanig hebben ontwikkeld dat sprake is van een met ATF 3 vergelijkbaar aanbod als boven bedoeld; dat ik derhalve het moment aangebroken acht om de hiervoor vermelde verlichting van KPN te beëindigen; dat KPN als houder van de hiervoor bedoelde machtiging overigens wel gerechtigd is om ATF 3 te blijven aanbieden. Gelet op [artikel 3, eerste lid, van het Besluit overgangsregeling ATF en SMF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006858&artikel=3); Besluit: de verplichting voor KPN tot het aan een ieder aanbieden van ATF 3 te beëindigen. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1996. Met ingang van die datum vervalt mijn besluit van 18 augustus 1994, HDTP/94/19246 (Besluit mobiele telecommunicatie ATF 3 verplichte periode) en is mijn besluit van 18 augustus 1994, [HDTP/94/19306](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006874) ([Besluit mobiele telecommunicatie ATF 3 niet verplichte periode en SMF 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006874)) van toepassing op het aanbieden van ATF 3 door KPN. Dit besluit zal worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":7192,"b":"Vaststellingsregeling regelen voor personen, die werkzaamheden verrichten, verband houdende met de luchtwaardigheid van vliegtuigen Artikel 1. Eisen voor de verkrijging van een erkenning 1. De aanvrager moet naar het oordeel van de Minister van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot het gebied van de werkzaamheden, ten aanzien waarvan hij de erkenning aanvraagt: - a. een grondige kennis bezitten omtrent de door de Joint Aviation Authorities opgestelde codes en procedures, welke in Nederland van toepassing zijn, alsmede de door de minister met betrekking tot de beoordeling van de luchtwaardigheid gestelde regelen en de krachtens die regelen door het hoofd van de afdeling Luchtvaartinspectie van de Rijksluchtvaartdienst gegeven aanwijzingen, voor zover deze regelen en aanwijzingen voor hem van belang zijn; - b. een gezond oordeel bezitten en een onafhankelijke dan wel een voldoende verantwoordelijke positie bekleden op dat gebied. 2. Voorts moet de aanvrager: - a. ten minste één jaar in goede samenwerking met de afdeling Luchtvaartinspectie van de Rijksluchtvaartdienst aangelegenheden, direct verband houdende met de verkrijging van bewijzen van luchtwaardigheid van vliegtuigen, hebben behandeld; - b. zijn aanbevolen door de onderneming, waarbij of waarvoor hij werkzaam is; - c. indien de erkenning geen vliegproeven zal omvatten, ongeveer acht jaren op het gebied, waarvoor hij de erkenning aanvraagt, dan wel op een aanverwant gebied, werkzaamheden hebben verricht, direct verband houdende met de verkrijging van bewijzen van luchtwaardigheid van vliegtuigen, of op een andere wijze hebben getoond, dat hij geschikt is voor die werkzaamheden; - d. indien de erkenning vliegproeven zal omvatten, ten minste houder zijn van een geldig vliegbewijs B 3, waarin de bevoegdverklaring \"blindvliegen\" is gesteld; voorts moet de aanvrager tijdens vluchten, waarvan de gezamenlijke tijdsduur ten minste 2000 uren bedraagt, als houder van een vliegbewijs vliegtuigen hebben bestuurd, waarv"},{"i":7560,"b":"Besluit van 3 juli 2009, houdende bepalingen inzake de overeenkomstige toepassing van de Wet politiegegevens op de verwerking van persoonsgegevens door een dienst van een publiekrechtelijk lichaam die is belast met de opsporing van strafbare feiten (Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, gedaan mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Defensie, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretarissen van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 14 april 2009, nr. 5596761/09/6; Gelet op de [artikelen 6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=6), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=11), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=15), [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18), en [46, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=46); De Raad van State gehoord (advies van 27 mei 2009, nr. W03.09.0132/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie, mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Defensie, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretarissen van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 1 juli 2009, nr. 5606412/09/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definitiebepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463); - b. **bijzondere opsporingsdienst:** een van de diensten bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2); - c. **verwerkingsverantwoordelijke:** dit is bij: - 1°. de Belastingdienst/Fiscale In"},{"i":1370,"b":"Tariefbeschikking Tarievenlijst tandtechniek in eigen beheer De Nederlandse Zorgautoriteit heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg) **op basis van de beleidsregels voor zorgaanbieders die mondzorg leveren zoals tandartsen, tandartsspecialisten voor mondziekten en kaakchirurgen en tandartsspecialisten in de dentomaxillaire orthopaedie die bieden** **en gelet op**: [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50 lid 1, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) jo. [artikel 51 tot en met 53 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=51) **besloten**: dat rechtsgeldig **door**: zorgaanbieders die mondzorg leveren zoals tandartsen, tandartsspecialisten voor mondziekten en kaakchirurgen, tandartsspecialisten in de dentomaxillaire orthopaedie die bieden en zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 1 onder c sub 2 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) (factoringmaatschappijen) **aan**: alle ziektekostenverzekeraars en alle (niet-)verzekerden **prestatiebeschrijving en bijbehorend maximumtarief (in euro’s)**: maximaal de bedragen, vermeld achter de desbetreffende prestaties, zoals omschreven in bij de onderhavige tariefbeschikking gevoegde tarievenlijst, in rekening kunnen worden gebracht. Deze maximumtarieven zijn inclusief BTW-kosten, maar exclusief de BTW- heffing en afdracht door een zorgaanbieder. Bijlage. bij Tariefbeschikking TB/CU-7044-01 Tarievenlijst tandtechniek in eigen beheer Indien in deze tarievenlijst aan de codes U05 of U10 wordt gerefereerd, worden de codes U05 en U10 met bijbehorende maximumtarieven in bijlage 1 bij tariefbeschikking TB/CU-7042-01 bedoeld."},{"i":1419,"b":"Besluit van 24 december 1992, tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 10 november 1992, nr. WV 92/534, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Gelet op de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=3), [4, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=4), [5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=5), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=14), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=29), [30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=30), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=31), [32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=32), [33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=33), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=37) en [40 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=40) (**Stb.** 1992, 683) en [artikel 70 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=70) (**Stb.** 1959, 301); De Raad van State gehoord (advies van 9 december 1992, nr. W06.92.0540); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 1992, nr. WV 92/648, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Afdeling 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 3, vi"},{"i":1534,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek San Marino tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek San Marino, hierna te noemen de „verdragsluitende staten”, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren, Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of het ontwijken van belasting (daaronder begrepen het oneigenlijk gebruik van verdragen door middel van constructies gericht op de verkrijging van in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen tot indirect voordeel van inwoners van derde staten), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een verdragsluitende staat als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomen te zijn van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die staat voor belastingdoeleinden behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die staat. 3. Dit Verdrag laat onverlet de belastingheffing, door een verdragsluitende staat, van zijn inwoners, behalve waar het de voordelen betreft die worden toegekend op grond van [artikel 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0007019&artikel=7&z=2025-08-31&g=2025-08-31), [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0007019&artikel=9&z=2025-08-31&g=20"},{"i":1592,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en Saint Vincent en de Grenadines inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van Saint Vincent en de Grenadines, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003488&artikel=8&z=2011-10-20&g=2011-10-20). De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Aruba. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is De belastingen waarop dit Verdrag van to"},{"i":4160,"b":"Besluit van 17 november 1981, houdende vaststelling van de lijn bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Schepenwet Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 23 juli 1981, nr. DGSM/PJ/S 23966, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Gelet op artikel 1, eerste lid, onder **a**, van de [Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876); De Raad van State gehoord (advies van 14 augustus 1981, nr. 810812/20); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 6 november 1981, nr. PJ/S 25985, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De lijn, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder **a**, van de [Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876) loopt van: - -. het snijpunt van de breedtecirkel 53°26'34\"N met de Duitse kust ter plaatse van Ulpenward, - -. vandaar naar het punt met de coördinaten 53°26'34\"N en 6°56'00\"O, - -. vandaar naar een punt gelegen 25 meter westelijk van de kop van de strekdam van Borkum, - -. vandaar via de noordelijkste punten van de eilanden Rottumeroog en Rottumerplaat en het noordwestelijkste punt van de zandplaat Simonszand naar het oostelijkste punt van het eiland Schiermonnikoog en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland, - -. vandaar naar het oostelijkste punt van het eiland Ameland en voorts langs de noordelijke kust naar het noordelijkste punt van dit eiland, - -. vandaar naar het noordelijkste punt van het eiland Terschelling en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland, - -. vandaar naar het noordelijkste punt van het eiland Vlieland en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland, - -. vandaar naar het noordelijkste punt van het eiland Texel en voorts langs de westelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland, - -. vandaar naar de Noord-Hollandse kust ter hoogte van de vuurtoren van Kijkdui"},{"i":4579,"b":"Besluit van 18 december 2024 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten (Eindejaarsbesluit 2024) Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Artikel III Wijzigt het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971. Artikel IV Wijzigt het Besluit fiscale eenheid 2003. Artikel V Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Artikel VI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Artikel VII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Artikel VIII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel IX Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel X Wijzigt het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XIII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. Artikel XIV Wijzigt het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel XV Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns. Artikel XVI Wijzigt het Besluit belasting- en invorderingsrente. Artikel XVII Wijzigt het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Artikel XVIII Wijzigt de Belastingregeling voor het land Nederland. Artikel XIX Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES. Artikel XX Wijzigt het Besluit gegevensverstrekking heffing eilandbelastingen BES. Artikel XXI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES. Artikel XXII Wijzigt het Besluit zorgverzekering BES. Artikel XXIII De in [artikel VII, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050618&artikel=VII&z=2025-01-01&g=2025-01-01), opgenomen termijn van acht weken vangt niet eerder aan dan op 1 januari 2025. Artikel XXIV 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025, met dien verstande dat: -"},{"i":1555,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Gemenebest van Dominica inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken Overwegend dat de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Gemenebest Dominica (de „verdragsluitende partijen”) de noodzaak van meer transparantie, samenwerking en de uitwisseling van informatie betreffende strafrechtelijke en civielrechtelijke belastingzaken erkennen; Overwegend dat de verdragsluitende partijen de voorwaarden voor de uitwisseling van informatie betreffende belastingen wensen te verbeteren en te vergemakkelijken; Geleid door de wens een verdrag te sluiten dat voorziet in de verplichtingen van de zijde van de verdragsluitende partijen ter zake van de uitwisseling van informatie betreffende belastingen, zijn de verdragsluitende partijen thans het volgende overeengekomen: Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004157&artikel=8&z=2012-03-01&g=2012-03-01). De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artik"},{"i":5816,"b":"De Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 21 maart 2023, nr. VO/37433047, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan scholen voor het verbeteren van de basisvaardigheden met bewezen effectieve interventies (Subsidieregeling verbetering basisvaardigheden voor scholen 2023) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **achterstandsscore:** score als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling aanvullende bekostiging uitvoering Nationaal Programma Onderwijs PO en VO 2022–2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046693&artikel=1) voor het voortgezet onderwijs of score als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=1) voor het primair onderwijs; - **basisteam:** het ondersteuningsnetwerk van een school dat bestaat uit partijen die de scholen op maat kunnen helpen, ontzorgen en ondersteunen; - **basisvaardigheden:** vaardigheden op het gebied van taal, rekenen of wiskunde en burgerschap of digitale geletterdheid; - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=1.1); - **evidence-informed interventie:** aanpak op basis van kennis uit wetenschap en praktijk over wat onder welke voorwaarden werkt in het onderwijs; - **Caribisch Nederland:** Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - **Cumi-leerling:** leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=1); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.over"},{"i":1666,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 24 maart 2009, houdende de vaststelling van een bijzondere heffing verduurzaamde groenten en fruit (Verordening PT bijzondere heffing verduurzaamde groenten en fruit 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 24 februari 2009. Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | bestuur | : | bestuur van het productschap. | | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | omzet | : | de verkoopwaarde ‘af fabriek’ van de door de fabrikant verduurzaamde groenten en fruit, met uitzondering van: pindakaas, sauzen, natte en droge soepen, aroma's, limonades, salades, kindervoedsel en kant en klaarmaaltijden; | | ondernemer | : | elk afzonderlijk natuurlijk- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin fruit, groenten, of daaruit verkregen producten worden verduurzaamd; | | verduurzamen | : | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze, al dan niet voorlopig langer houdbaar worden. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De ondernemer die een onderneming drijft waarin groenten en fruit worden verduurzaamd, is verplicht aan het productschap jaarlijks een heffing te betalen. Uit de opbrengst van deze heffing worden projecten ten behoeve van de verduurzaming van groenten en fruit gefinancierd. 2. De berekening van de heffing vindt plaats op basis van de door de ondernemer aan het productschap ingevolge de bij of krachtens de [Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.n"},{"i":5808,"b":"Subsidieregeling Uitelkaar.nl 2026 gelet op [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c), waarin is bepaald dat het bestuur van de Raad met het oog op de verlening van rechtsbijstand subsidie kan verstrekken voor bijzondere doeleinden en projecten, Besluit: de volgende regeling vast te stellen. Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **uitelkaar.nl:** het bijzondere project uitelkaar.nl opgezet door BV Justice42, ten behoeve van (online) geschiloplossing waarbij de rechtzoekende zelf de regie houdt over zijn scheidingszaak; - b. **de wet:** de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - c. **het besluit:** het [Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277); - d. **de Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - e. **het bestuur:** het bestuur van de Raad, bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - f. **gebruiker:** de rechtzoekende overeenkomstig [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1), die via uitelkaar.nl gebruik maakt van een dienstverlener, zijnde een bemiddelaar, een beslisser of een reviewer als in deze regeling omschreven; - g. **dienstverlener:** de bemiddelaar, beslisser of reviewer die bij de Raad voor Rechtsbijstand ingeschreven staat en een overeenkomst met uitelkaar.nl is aangegaan, heeft voldaan aan de daartoe vastgestelde, door de Raad goedgekeurde deelnamevoorwaarden en heeft ingestemd met deze subsidieregeling; - h. **dienstverlening:** de werkzaamheden verricht door een dienstverlener; - i. **bemiddelaar:** de advocaat en / of mediator die op verzoek begeleiding en advies biedt bij het maken van afspraken; - j. **beslisser:** de advocaat die op verzoek een beslissing neemt over"},{"i":7216,"b":"Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens de overmaking en uitvoering van rogatoire commissies te vergemakkelijken en te bevorderen, dat de verschillende werkwijzen welke zij te dien einde volgen beter met elkaar in overeenstemming worden gebracht, Strevend naar verbetering van de wederzijdse samenwerking op het gebied van de rechtshulpverlening in burgerlijke en in handelszaken, Hebben besloten te dien einde een Verdrag tot stand te brengen en zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. ROGATOIRE COMMISSIES Artikel 1 In burgerlijke en in handelszaken kan de rechterlijke autoriteit van een Verdragsluitende Staat overeenkomstig de wettelijke bepalingen van die Staat, bij wege van rogatoire commissie aan de bevoegde autoriteit van een andere Verdragsluitende Staat verzoeken, een handeling tot het verkrijgen van bewijs (onderzoekshandeling) of andere gerechtelijke handelingen te verrichten. Een onderzoekshandeling kan niet worden verzocht met het doel partijen in staat te stellen, zich bewijs te verschaffen dat niet bestemd is om te dienen tot gebruik in een reeds aanhangige of in een toekomstige procedure. De term „andere gerechtelijke handelingen\" heeft geen betrekking op de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken, noch op maatregelen tot bewaring van recht of tot tenuitvoerlegging. Artikel 2 Elke Verdragsluitende Staat wijst een Centrale Autoriteit aan, die belast is met het in ontvangst nemen van rogatoire commissies die afkomstig zijn van de rechterlijke autoriteit van een andere Verdragsluitende Staat, en met het overmaken daarvan aan de voor de uitvoering ervan bevoegde autoriteit. Iedere Staat organiseert de Centrale Autoriteit overeenkomstig de bepalingen van zijn eigen wetgeving. De rogatoire commissies worden aan de Centrale Autoriteit van de aangezochte Staat overgemaakt zonder tussenkomst van een andere autoriteit van die Sta"},{"i":1679,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 26 april 2005, houdende de vaststelling van aan telers van bloembollen op te leggen heffing ter bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci (Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 15 februari 2005; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | bloembollen: | gele krokussen, tulpen en narcissen; | | --- | --- | --- | | b. | oogstjaar: | de periode van 1 juni 2005 tot en met 31 mei 2006 | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De teler van bloembollen is na een daartoe strekkend besluit van het bestuur een heffing aan het productschap verschuldigd over het oogstjaar 2005, ten behoeve van de bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. 3. Uiterlijk"},{"i":1682,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 25 maart 2008, houdende de vaststelling van aan telers van bloembollen op te leggen heffing ter bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci, voor het oogstjaar 2008 (Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 18 maart 2008; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: - a. bloembollen: tulpen en narcissen; - b. oogstjaar: de periode van 1 juni 2008 tot en met 31 mei 2009. § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De teler van bloembollen is na een daartoe strekkend besluit van het bestuur een heffing aan het productschap verschuldigd over het oogstjaar 2008, ten behoeve van de bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. 3. Uiterlijk voor december 2008 neemt he"},{"i":5829,"b":"Subtaak- en ondermandaatbesluit Directie Juridische Zaken Defensie 2022 Gelet op [artikel 26 van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746&artikel=26) en op [artikel 3 van het Ondermandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit SG Defensie 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046552&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** Minister van Defensie of Staatssecretaris van Defensie, afhankelijk van wie het aangaat; - b. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon besluiten te nemen; - c. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Organisatie van de Directie Juridische Zaken De Directie Juridische Zaken bestaat uit: - a. het cluster wet- en regelgeving; - b. het cluster internationale aangelegenheden; - c. het cluster nationale taken en rechtshandhaving; - d. het cluster civielrecht; - e. het cluster bestuurs-, straf- en tuchtrecht; - f. de militair juridische dienst krijgsmacht. Artikel 3. Plaatsvervangend directeur en adjunct directeur De Directeur Juridische Zaken laat zich bij de uitvoering van zijn taken, genoemd in [artikel 6, onder a, van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746&artikel=6), bijstaan door: - a. een plaatsvervangend directeur die is belast met: - 1°. de plaatsvervanging van de Directeur Juridische Zaken bij diens afwezigheid; - 2°. door de Directeur Juridische Zaken opgedragen werkzaamheden of taken; - b. een adjunct directeur die is belast met: - 1°. beheerstaken op het gebied van personeels- administratief- en organisatorisch management van de Directie Juridische Zaken; - 2°. beheerstaken op het gebied van klachtbeh"},{"i":3489,"b":"Besluit van 24 juni 1998 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 66a van de Algemene nabestaandenwet (Besluit ex artikel 66a ANW) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1998, nr. SV/VP/98/1862a; Gelet op [artikel 66a, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=66a); De Raad van State gehoord (advies van 11 mei 1998, nr. W12.98.0154); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 juni 1998, nr. SV/VP/98/2215; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 juli 1996. Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. ANW: [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795); - b. persoon: een persoon die voldoet aan [artikel 66a, tweede lid, van de ANW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=66a); - c. echtgenoot: de echtgenoot die verzekerd is op grond van de [ANW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795); - d. verzekeraar: een financiële onderneming die ingevolge de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) in Nederland het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen; - e. onverzekerbaar: onverzekerbaar als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009723&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01). Artikel 2. Onverzekerbaar Voor de toepassing van dit besluit is onverzekerbaar de echtgenoot: - a. die gelet op zijn gezondheidstoestand bij een verzekeraar niet kan worden verzekerd voor een uitkering bij zijn overlijden ten gunste van de persoon; - b. op wiens leven gelet op zijn gezondheidstoestand door een persoon geen verzekering voor een uitkering bij overlijden van die echtgenoot kan worden afgesloten bij een verzekeraar; - c. die gelet op zijn gezondheidstoestand bij een verzekeraar wel kan worden verzekerd voor een uitkering bij zijn overlijden ten gu"},{"i":4817,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 23 juni 2011, nr. 5693332/11, houdende verlening van mandaat ten aanzien van de bevoegdheid tot beëdiging van de buitengewone agenten van politie in Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Mandaatbesluit beëdiging buitengewone agenten van politie BES) Gelet op [artikel 20, eerste lid, van het Besluit buitengewone agenten van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175&artikel=20); Besluit: Artikel 1 1. Het afleggen van de eden, verklaring en beloften, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het Besluit buitengewone agenten van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175&artikel=19), geschiedt in handen van de als direct toezichthouder aangewezen korpschef van het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2. Indien de te beëdigen persoon behoort tot een dienst die ressorteert onder enig ministerie, geschiedt de beëdiging in handen van het hoofd van die dienst. Artikel 2 1. De direct toezichthouder, bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030292&artikel=1&z=2011-07-02&g=2011-07-02), kan bepalen dat het afleggen van de eden, verklaring en beloften, bedoeld in [artikel 19 van het Besluit buitengewone agenten van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175&artikel=19), namens hem geschiedt in handen van de plaatsvervangend korpschef, alsmede direct leidinggevenden, in de rang van commissaris. 2. Het hoofd van dienst, genoemd in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030292&artikel=1&z=2011-07-02&g=2011-07-02), kan bepalen dat het afleggen van de eden, verklaring en beloften, bedoeld in [artikel 19 van het Besluit buitengewone agenten van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175&artikel=19), namens hem geschiedt in handen van zijn plaatsvervanger, alsmede direct leidinggevenden. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant w"},{"i":3846,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei van 12 februari 2026, nr. WJZ / 104122043, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging SG KGG 2026) Gelet op [artikel 11 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging KGG 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051991&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Aan de directeur Toezicht Economische Veiligheid en Eigenaars- en Aandeelhoudersadvisering wordt ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden verband houdend met de eigenaarsrol van de secretaris-generaal. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2025. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging SG KGG 2026. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3534,"b":"Besluit van 3 mei 2024 tot wijziging van het Besluit geslachtsnaamswijziging en de Regelen betreffende verzoeken tot naamswijziging en tot naamsvaststelling in verband met de tijdelijk kosteloze wijziging van geslachtsnamen van nazaten van tot slaaf gemaakten (Besluit geslachtsnaamswijziging nazaten van tot slaaf gemaakten en tijdelijke bekostiging) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming, van 22 december 2023, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5127856; Gelet op [artikel 7, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=7); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 maart 2024, nr. W16.23.00392/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 26 april 2024, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5410310; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit geslachtsnaamswijziging. Artikel II Wijzigt de Regelen betreffende verzoeken tot naamswijziging en tot naamsvaststelling. Artikel III Wijzigt het Besluit procedure en rechten geslachtsnaamswijziging Europees en Caribisch Nederland. Artikel IV Wijzigt het Besluit procedure en rechten geslachtsnaamswijziging Europees en Caribisch Nederland. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V Het tijdstip van 1 juli 2029, genoemd in de [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049707&artikel=III&z=2024-07-01&g=2024-07-01) en [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049707&artikel=IV&z=2024-07-01&g=2024-07-01), kan bij koninklijk besluit worden gewijzigd. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat de artikelen III en IV worden ingetrokken. Artikel VI De [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049707&artikel=I&z=2024-07-01&g=2024-07-01), [II onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049707&artikel=II&z=2024-07-01&g=2024-07-01), [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049707&artikel=III&z=2024-07-01&g=2024-07-0"},{"i":1725,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 19 september 2011, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van hoveniersbedrijven (Verordening PT heffing hoveniersbedrijven 2012) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Commissie voor hovenierswerkzaamheden, d.d. ; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bosbouw | : | uitvoering van werkzaamheden met betrekking tot bossen of andere houtopstanden en andere dienstverlening, daaronder begrepen de bijlevering van materialen zoals spuitmiddelen; | | c. | hovenierswerkzaamheden | : | het aanleggen, het aanbrengen van wijzigingen in en het onderhouden van siertuinen, begraafplaatsen, groenstroken, parken, plantsoenen, landgoederen en openbaar groen in stad en landschap, inclusief boomverzorging, werkzaamheden op sportterreinen en in bossen, met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, met inbegrip van de voorbereidende en grondwerkzaamheden; | | d. | leveringen | : | de bij de werkzaamheden behorende levering van levende en dode materialen; | | e. | omzet | : | het bruto-omzetbedrag van hovenierswerkzaamheden en leveringen per kalenderjaar; | | f. | ondernemer | : | natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin hovenierswerkzaamheden worden verricht; | | g. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | h. | secretaris | : | de secretaris van het productschap. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De ondernemer is jaarlijks een"},{"i":2997,"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders DNB 2022 Gelet op de [artikelen 1:72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:72) en [1:73 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:73); Gelet op [artikel 151 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=151); Gelet op [artikel 146 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=146); Gelet op [artikel 24 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=24); Gelet op [artikel 10 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10); Gelet op [artikel 42 van de Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=42); Gelet op [artikel 10 van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=10); Gelet op [artikel 9b van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9b); Gelet op de [artikelen 7:4 tot en met 7:11 van de Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=7:10); Gelet op de [artikelen 5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=5.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=5.5) en [5.7 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=5.7); Gelet op [artikel 19a van de Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=19a); Gelet op [titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **de Pw BES:** de [Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712);. - **de Wfm BES:** de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883); - **de Wwft BES:*"},{"i":5510,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de pers van 30 maart 2012, nr. 21947 tot vaststelling van subsidieplafonds voor het jaar 2012 Gelet op [artikel 8.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10), en [artikel 8.16 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.16) en [artikel 22 van de Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040&artikel=22), Besluit: Artikel 1. Subsidieverlening op grond van [titel 8.2 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&titeldeel=8.2) 1. Voor subsidieverstrekking aan persorganen voor de activiteiten bedoeld in de [artikelen 8.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10), [8.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.11), [8.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.12), [8.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.13) en [8.14 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.14) is in 2012 een totaalbedrag van ten hoogste € 150 000 beschikbaar. 2. In afwijking van het eerste lid kan aan persorganen subsidie boven het subsidieplafond worden verstrekt indien naar het oordeel van het Stimuleringsfonds: - a. de start of voortzetting van het persorgaan zonder subsidie niet mogelijk is en gestaakt moet worden; - b. de uitgever aannemelijk maakt alles in het werk te hebben gesteld om het persorgaan te starten of voort te zetten; - c. de uitgever tenminste de helft van de totale kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd voor zijn rekening neemt dan wel door derden laat meefinancieren; en - d. de start of voortzetting van het persorgaan de pluriformiteit van de pers zeer ten goede komt. 3. Voor subsidieverstrekking op grond het tweede lid is in 2012 in totaal ten hoogste € 2.000.000 beschikbaar. Artikel 2. Subsidieverlening op grond van [titel 8.3 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":1732,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 28 juni 2005, houdende de vaststelling van een heffing over de teelt van groenten en fruit, voor het jaar 2006 (Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2006) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 7 juni 2005; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. de ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de teelt van groenten en fruit, uitgangsmateriaal daaronder begrepen, wordt uitgeoefend; | | --- | --- | --- | | b. het bewerken | : | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | c. het verduurzamen | : | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze producten, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden; | | d. de productwaard"},{"i":5509,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de journalistiek nr. SP2022 tot vaststelling van subsidieplafonds voor het jaar 2022 Gelet op [artikel 8.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10) en [artikel 22 van de Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040&artikel=22), Besluit: Artikel 1. Subsidieverlening op grond van [artikelen 8.10 tot en met 8.15 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10) 1. Voor subsidieverstrekking voor de activiteiten ten behoeve van persorganen en onderzoek bedoeld in deze artikelen is in 2022 een bedrag van ten hoogste € 600.000,– beschikbaar. 2. Subsidie voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046089&artikel=1&z=2021-12-29&g=2021-12-29) genoemde activiteiten is alleen beschikbaar indien: - a. de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de start of voortzetting van de activiteiten de versterking of vernieuwing van de Nederlandse journalistieke infrastructuur zeer ten goede komt; of - b. de start of voortzetting van de activiteiten de pluriformiteit van de pers zeer ten goede komt; - c. de aanvrager tenminste de helft van de totale kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd voor zijn rekening neemt dan wel door derden laat meefinancieren. 3. Subsidie voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046089&artikel=1&z=2021-12-29&g=2021-12-29) genoemde activiteiten ten behoeve van persorganen is alleen beschikbaar indien: - a. de start of voortzetting van de bij de aanvraag betrokken persorganen zonder subsidie niet mogelijk is en gestaakt moet worden; - b. de aanvrager aannemelijk maakt alles in het werk te hebben gesteld om de activiteiten te starten of voort te zetten. Artikel 2. Subsidieverlening op grond van [artikel 8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a) 1. Voor subsidieverstrekking op grond van titel [8.15a van de Mediawet 2008](https:/"},{"i":1785,"b":"Vervanging archiefbescheiden Centraal Archief Belastingdienst Apeldoorn Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) en gelet op de machtiging afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, d.d. 10 juni 1997, kenmerk 97.399RW/EIB; Besluit: Over te gaan tot vervanging van archiefbescheiden uit het Centraal Archief van de Belastingdienst te Apeldoorn. De vervanging van de archiefbescheiden vindt plaats door middel van microverfilming volgens de standaardeisen substitutieverfilming van de Rijksarchiefdienst. De originele archiefbescheiden zullen aansluitend vernietigd worden. Bij de overweging om tot vervanging over te gaan is rekening gehouden met de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed en het belang van de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, voor recht- of bewijszoekenden en voor het historisch onderzoek. De vervanging betreft de volgende archiefbescheiden: Memories van successie over de periode 1903-1927 van de navolgende kantoren Kantoren Groningen; Kantoren Friesland; Kantoren Drenthe; Kantoren Overijssel; Kantoren Gelderland; Kantoren Utrecht; Kantoren Noord-Holland; Kantoren Noord-Brabant; Alsmede de volgende kantoren in: Alphen aan de Rijn; Brielle; Dordrecht; Gorinchem; Gouda; Den Haag I Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1801,"b":"Wet van 15 december 2004 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten in verband met de invoering van beroep bij de rechtbank, alsmede van hoger beroep bij het gerechtshof, in belastingzaken (Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in belastingzaken beroep bij de rechtbank, alsmede hoger beroep bij het gerechtshof, open te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Artikel I Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel V Wijzigt de Douanewet. Artikel VI Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VII Wijzigt de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Artikel VIII Wijzigt de Registratiewet 1970. Artikel IX Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel X Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel XI Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel XII Wijzigt de Wet op het BTW-compensatiefonds. Artikel XIII Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel XIV Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel XV Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel XVI Wijzigt de Provinciewet. Artikel XVII Wijzigt de Gemeentewet. Artikel XVIII Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel XIX Wijzigt de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Artikel XX Wijzigt de Ziekenfondswet. Artikel XXI Wijzigt de Luchtvaartwet. Artikel XXII Wijzigt de Waterschapswet. Artikel XXIII 1. Op het beroep tegen een uitspraak"},{"i":1792,"b":"Wet van 11 december 2024 tot wijziging van de Wet hersteloperatie toeslagen en van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen, houdende aanpassingen in de hersteloperatie toeslagen van bepaalde termijnen, van de peildatum voor brede ondersteuning voor gedupeerden in het buitenland en van de nabestaandenregeling (Wet aanpassing termijnen en nabestaandenregeling hersteloperatie toeslagen) Artikel I Wijzigt de Wet hersteloperatie toeslagen. Artikel II Wijzigt de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld en werkt terug ten aanzien van: - a. artikel I, onderdeel E, tot en met 24 juni 2022; - b. artikel I, onderdeel F, tot en met 15 juli 2023; - c. artikel I, onderdeel P, tot en met 1 januari 2024; - d. artikel I, onderdeel Q, tot en met 22 april 2024; - e. artikel I, onderdeel DD, tot en met 1 januari 2024. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpassing termijnen en nabestaandenregeling hersteloperatie toeslagen. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is aanvullende maatregelen te treffen om beslistermijnen in de hersteloperatie toeslagen in overeenstemming te brengen met de termijn waarbinnen in de praktijk een besluit wordt genomen, om de termijn voor het doen van een aanvraag voor aanvullende compensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming te verlengen, om de bezwaartermijn te verlengen, om de peildatum te wijzigen die geldt voor gedupeerden die zich in het buitenland bevinden om in aanmerking te komen voor brede ondersteuning en om de nabestaandenregeling aan te passen zodat deze uitvoerbaar is; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden e"},{"i":1753,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 25 maart 2008, houdende de vaststelling van een aan telers van en handelaren in bloembollen op te leggen heffing voor het oogstjaar 2008 (Verordening PT vakheffing bloembollen oogstjaar 2008) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | bloembollen | : | 1. bollen of knollen van bloemgewassen; | | --- | --- | --- | --- | | | | | 2. afgebroeide bloembollen; | | | | | 3. geholde en gesneden hyacinten; | | | | | 4. eenjarige bollen van geholde en gesneden hyacinten, voor zover verhandeld per bed of per mand; | | | | | 5. bollen van hyacinten, die zijn verkocht onder uitdrukkelijke voorwaarde dat deze zullen worden gebruikt als werkbolIen, in welk geval deze voorwaarde op het koopbriefje dient te worden vermeld; | | | | | 6. groen te velde per bed of per mand voor 15 juni van het kalenderjaar waarin het koopseizoen aanvangt verhandelde hyacinten, geplant in de maat onder zift 10, droog gesorteerd; | | | | | 7. schubbollen van lelies; | | | | | 8. voortkwekingsmateriaal, voor zover bestemd voor de teelt van bloembollen, met uitzondering van zaden; | | b. | factuurbedrag | : | het bedrag van de factuur, exclusief behandelingskosten en exclusief kosten kleinverpakkingsmateriaal; | | c. | veiling | : | Hobaho BV, Coöpe"},{"i":1787,"b":"Besluit van de directeur-generaal Toeslagen van 14 januari 2025 [2025-7416], houdende het verlenen van volmacht aan de waarnemend directeur-generaal Herstelbeleid van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel voor het ondertekenen van vaststellingsovereenkomsten in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Volmachtbesluit ondertekenen vaststellingsovereenkomsten in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en de [artikelen 2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.1), en [2.6, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.6); Besluit: Artikel 1. Mandaat, volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van: - a. volmacht: de bevoegdheid om in naam van de Staat privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; en - b. machtiging: de bevoegdheid om in naam van de Staat handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Verlening volmacht en ondervolmacht 1. Aan de directeur-generaal Herstelbeleid, de programmadirecteur Herstelbeleid en Parlementaire Zaken, de programmadirecteur Schulden, de programmamanager Schulden, het afdelingshoofd Staf en het afdelingshoofd Herstelbeleid en Parlementaire Zaken van het tijdelijk programmadirectoraat-generaal Herstel wordt volmacht verleend om vaststellingsovereenkomsten in de zin van [artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=900) en de daarmee samenhangende begeleidingsbrieven te ondertekenen ter uitv"},{"i":6061,"b":"Regeling houdende verlening van mandaat aan de stichting Nederlands Normalisatie-Instituut en de stichting Nederlands Elektrotechnisch Comité met betrekking tot de aanwijzing van geharmoniseerde normen en de bekendmaking van de referenties daarvan in de Staatscourant Gelet op artikel 4 van de overeenkomst van 24 maart 1995 (Stcrt. 126) inzake een informatieprocedure met betrekking tot normalisatie, tussen de Staat der Nederlanden enerzijds en de stichting Nederlands Normalisatie-Instituut (NNI) te Delft en de stichting Nederlands Elektrotechnisch Comité (NEC) te Delft anderzijds, ter uitvoering van [richtlijn nr. 94/10/EG](31994L0010) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 maart 1994 tot tweede substantiële wijziging van [Richtlijn 83/189/EEG](31983L0189) betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften; Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Het NEN is bevoegd om voor wat betreft [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014112&bijlage=I&z=2003-09-01&g=2003-09-01) namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voor wat betreft [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014112&bijlage=II&z=2003-09-01&g=2003-09-01) namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter uitvoering van EG-richtlijnen en de implementatieregelingen daarvan geharmoniseerde normen aan te wijzen en de referenties daarvan in de Staatscourant bekend te maken. Artikel 3 1. Aanwijzing van de geharmoniseerde normen en bekendmaking van de referenties daarvan vinden zo spoedig mogelijk plaats nadat de referenties van deze normen bekend zijn gemaakt in het publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, dan wel met betrekking tot de laagspanningsrichtlijn zo spoedig mogelijk nadat deze zijn vastgesteld door het CENELEC, doch uiterlijk binnen een termijn van twaalf maanden na publicatie in het publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, respectievelijk vaststell"},{"i":1800,"b":"Wet belastingen op milieugrondslag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is belastingen op grondwater, afvalstoffen en uranium-235 in te stellen en deze te zamen met de in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) opgenomen verbruiksbelastingen van brandstoffen te vervatten in één wet belastingen op milieugrondslag; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven: - a. een belasting op leidingwater; - b. een afvalstoffenbelasting; - c. een belasting op kolen; - d. een energiebelasting; - e. een minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking; - f. een CO2-heffing industrie; - g. een CO2-heffing glastuinbouw; - h. een vliegbelasting. Artikel 2 1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Financiën; - b. **Onze Ministers:** Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - c. **GN-code:** de code, bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG 1987, L 256), zoals deze luidde op 1 januari 2018. 2. Bij regeling van Onze Minister kunnen de GN-codes, genoemd in deze wet en de daarop berustende bepalingen worden aangepast indien de overeenkomstige GN-codes zoals opgenomen in Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEU 2003, L 283), in overeenstemming met artikel 2, vijfde lid, van die richtlijn zijn aangepast. In dat geval kan bij regeling van Onze Minister eveneens de laatstgenoemde datum"},{"i":7142,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 27 maart 2018, nr. IENW/BSK-2018/66380, houdende vaststelling van de Regeling vertrouwenspersonen ongewenste omgangsvormen en integriteit in de arbeidsorganisatie Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Gelet op [artikel 9:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14); Gehoord de departementale ondernemingsraad van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; BESLUIT: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** ambtenaar als bedoeld in [artikel 1 van de Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=1), werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - b. **klachtencommissie:** de Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen als bedoeld in [artikel 3 van het Besluit instelling Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen Infrastructuur en Milieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038720&artikel=3); - c. **cao:** CAO Rijk; - d. **diensthoofd:** hoogste leidinggevende als bedoeld in de cao die binnen een organisatie(onderdeel) bevoegd is omtrent een vermoeden van schending van een integriteitsnorm of een ongewenste omgangsvorm een standpunt in te nemen of maatregel te treffen; - e. **vertrouwenspersoon:** een vertrouwenspersoon als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040783&hoofdstuk=3&artikel=4&z=2020-03-07&g=2020-03-07). 2. Onder ambtenaar wordt voor de toepassing van deze regeling ook verstaan: de gewezen ambtenaar of degene die voor het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkzaamheden verricht of heeft verricht op basis van detachering of inhuur, als uitzendkracht of als stagiair. Hoofdstuk 2. Werkingsgebied Artikel 2 De ambtenaar die wordt of is geconfronteerd met een serieus vermoeden van een vermeende integriteitsschending of een misstand kan zich wenden tot zijn manager, tot een vertrouwensper"},{"i":7124,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 31 oktober 2012, nr. IenM/BSK-2012/219507, houdende regels voor de bepaling van de energie-efficiëntieklasse, en voor de vaststelling van de constanten en waarden ten behoeve van de berekening van de relatieve zuinigheid van personenauto’s (Regeling relatieve zuinigheid personenauto´s) Gelet op de [artikelen 6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&artikel=6a) en [8, eerste lid, van het Besluit etikettering energieverbruik personenauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&artikel=8); Besluit: Artikel 1 1. De energie-efficiëntieklasse van een nieuw model personenauto wordt bepaald aan de hand van de relatieve energiezuinigheid van de personenauto volgens de volgende tabel: 2. Bij de vaststelling van de energie-efficiëntieklasse wordt de relatieve energiezuinigheid uitgedrukt als een percentage en niet afgerond. Wanneer verscheidene varianten of uitvoeringen onder één model zijn gegroepeerd, is de op te geven energie-efficiëntieklasse van het model gebaseerd op de minst zuinige variant of uitvoering binnen die groep. De relatieve energiezuinigheid wordt berekend volgens de volgende zes stappen: - a. Berekening van de gemiddelde lengte met behulp van regressieformule voor de lengte: lengtegem.= C1, lengte+ C2, lengtex breedte + C3, lengtex [breedte]2 - b. Berekening van de gecorrigeerde lengte x breedte: (lengte x breedte)cor. = [0,7 x lengte + 0,3 x lengtegem.] x breedte - c1. Controle van het toepassingsgebied van de regressieformule voor de gemiddelde CO2- uitstoot van auto's met benzine als brandstof: Als: (lengte x breedte)cor. < -0,5 x C2, benzine/ C3, benzine dan: (lengte x breedte)cor.= -0,5 x C2, benzine/ C3, benzine - c2. Controle van het toepassingsgebied van de regressieformule voor de gemiddelde CO2- uitstoot van auto's met diesel als brandstof: Als: (lengte x breedte)cor. < -0,5 x C2, diesel/ C3, diesel dan: (lengte x breedte)cor. = -0,5 x C2, diesel/ C3, diesel - d"},{"i":6047,"b":"Verdrag tussen Nederland en België inzake de uitoefening der veeartsenijkunst in de grensgemeenten Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins-Regent van België, het wenschelijk geoordeeld hebbende de op 5 Maart 1884 te 's-Gravenhage tusschen**Nederland** en **België** gesloten Verklaring inzake de uitoefening der veeartsenijkunst in de wederzijdsche grensgemeenten te herzien, hebben tot Hunne gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Z.E. den Heer Baron Binnert Philip van Harinxma thoe Slooten, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur, Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins-Regent van België: den Heer Paul-Henri Spaak, Eerste Minister, Minister van Buitenlandsche Zaken, die, na elkander hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, nopens de navolgende artikelen zijn overeengekomen: Artikel 1 De Belgische veeartsen, gevestigd in de aan Nederland grenzende Belgische gemeenten en die aldaar bevoegd zijn de veeartsenijkunst uit te oefenen, zullen het recht hebben diezelfde kunst in de aan België grenzende Nederlandsche gemeenten uit te oefenen, en wederkeerig wordt aan de Nederlandsche veeartsen, gevestigd in aan België grenzende Nederlandsche gemeenten, onder dezelfde voorwaarde toegestaan hun kunst uit te oefenen in de aan Nederland grenzende Belgische gemeenten. Artikel 2 Zij zijn verplicht zich te gedragen naar de wetgeving, welke in het land, waar zij gebruik maken van het recht hun bij het voorgaand artikel verleend, met betrekking tot de uitoefening der veeartsenijkunst van kracht is of zal zijn. Zij zijn verplicht zich eveneens te gedragen naar de administratieve maatregelen in dat land voorgeschreven. De veeartsen, die zich naar de hierboven bedoelde wettelijke of administratieve bepalingen niet mochten gedragen, zullen verstoken worden van het voorrecht in artikel 1 omschreven. Artikel 3 De veeartsen, die op de plaats, waar zij gevestigd zijn, bevoegd zijn tot he"},{"i":5823,"b":"Subsidieregelingen van de Stichting Fonds voor de Scheppende Toonkunst, zoals laatstelijk gewijzigd bij bestuursbesluit van 29 september 1995 en goedgekeurd door de staatssecretaris op 18 januari 1996 Regeling compositie-opdracht Algemene bepalingen Aanvraagprocedure Voorbereiding Beoordeling Beslissing en bekendmaking beslissing Hoogte honorarium compositie–opdracht Uitbetaling Toekenningsvoorwaarden Retourneren beoordelingsexemplaren Regeling bij overlijden Bezwaar en beroep Regeling honorering achteraf Algemene bepalingen Aanvraagprocedure Voorbereiding Beoordeling Beslissing en bekendmaking beslissing Hoogte honorering achteraf Uitbetaling Retourneren beoordelingsexemplaren Regeling bij overlijden Bezwaar en beroep Regeling stipendia Algemene bepalingen Aanvraagprocedure Voorbereiding Beoordeling aanvragen Beslissing en bekendmaking beslissing Toekenningsvoorwaarden Gecontinueerde honorering Hoogte stipendia Uitbetaling Definitieve vaststelling Retourneren beoordelingsexemplaren Regeling bij overlijden Bezwaar en beroep Regeling meerjarige honorering Algemene bepalingen Aanvraagprocedure Voorbereiding Beoordeling Beslissing en bekendmaking beslissing Toekenningsvoorwaarden Gecontinueerde honorering Hoogte meerjarige honoreringen Uitbetaling honoreringen Definitieve vaststelling Retourneren beoordelingsexemplaren Regeling bij overlijden Bezwaar en beroep"},{"i":3386,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 5 april 2022 nr. BOACAT2022/025, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Toezicht en Handhaving Openbare ruimte (THOR) van de gemeente Amsterdam Gelezen het verzoek van de directeur THOR van de gemeente Amsterdam van 17 maart 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046547&artikel=2&z=2022-05-12&g=2022-05-12). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Handhaver Veiligheid team Openbaar Vervoer in dienst van THOR van de gemeente Amsterdam, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feite"},{"i":2892,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2022 van 29 augustus 2021, nummer 2021/1 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2021 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2020; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 2,1%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Landscourant van Curaçao en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2022."},{"i":1817,"b":"Wet inkomstenbelasting 2001 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de grondslag van de belasting op inkomen te verbreden en te versterken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De inwerkingtredingsdatum van de artikelen 3.16, 3.120, 4.15 en 5.4 is gewijzigd door hoofdstuk 3, art. II van Invoeringswet IB. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Inkomstenbelasting Onder de naam inkomstenbelasting wordt een belasting geheven van natuurlijke personen. Artikel 1.2. Uitbreiding en beperking partnerregeling 1. In aanvulling op [artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5a) wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen en: - a. uit wiens relatie met de belastingplichtige een kind is geboren; - b. die een kind van de belastingplichtige heeft erkend dan wel van wie een kind door de belastingplichtige is erkend; - c. die voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de belastingplichtige is aangemeld; - d. die samen met de belastingplichtige een woning heeft, die hun anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom, waaronder begrepen economisch eigendom, of op grond van een recht van lidmaatschap van een coöperatie; - e. die evenals de belastingplichtige meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belastingplichtige een verzoek indient om niet als partner te worden aangemerkt van degene, bedoeld in de aanhef van dit lid, bij welk verzoek de belastingplichtige door middel van een s"},{"i":1819,"b":"Wet inkomstenbelasting BES Artikel A De [hoofdstukken I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&hoofdstuk=I) en [VIII van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&hoofdstuk=VIII) zijn van overeenkomstige toepassing op deze wet en de daarop berustende bepalingen. Hoofdstuk I. Belastingplichtigen Artikel 1 1. Onder de naam van «inkomstenbelasting» wordt een belasting geheven, waaraan onderworpen zijn, zij, die op de BES eilanden wonen (binnenlandse belastingplichtigen). 2. In afwijking in zoverre van [artikel 1.5 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=1.5) geldt dat: - a. zij, die de BES eilanden tijdelijk verlaten, geacht worden nog op de BES eilanden te wonen, indien hun afwezigheid korter dan één jaar duurt; - b. zij, die de BES eilanden metterwoon verlaten, maar binnen één jaar zich aldaar weder metterwoon vestigen, geacht worden de BES eilanden tijdelijk te hebben verlaten, tenzij blijkt, dat zij tijdens hun afwezigheid op het grondgebied van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Nederland of van een vreemde staat hebben gewoond; - c. zij, die tijdelijk op de BES eilanden verblijven en hetzij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Nederland wonen, hetzij aldaar geacht worden te wonen volgens de daar geldende wetgeving inzake de belasting naar het inkomen, als niet op de BES eilanden wonend worden beschouwd indien hun verblijf niet langer dan een jaar duurt. 3. Aan de inkomstenbelasting zijn mede onderworpen de niet op de BES eilanden wonende personen, die binnenlandse bronnen van inkomen hebben als bedoeld in [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&hoofdstuk=III&artikel=17&z=2026-01-01&g=2026-01-01) (buitenlandse belastingplichtigen). Artikel 2 De volgende verrichtingen van niet op de BES eilanden wonende personen worden, ook voor zover zij plaatsvinden op de BES eilanden, niet aangemerkt als uitoefening van een bedrijf of beroep op de BES eilanden: - a. het vervoer te water of"},{"i":4835,"b":"Besluit van het College van procureurs-generaal van 11 februari 2025, [PaG / 19951], houdende verlening van ondermandaat en het doorgegeven van volmacht en machtiging ten aanzien van beheeraangelegenheden aan de hoofden van de rijksrecherche (Mandaatbesluit College van procureurs-generaal, beheer rijksrecherche 2025) Gelet op [hoofdstuk 4 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&hoofdstuk=4), [artikel 1, eerste lid onder I., sub 3, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); Gelet op [Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519) en het [Mandaatbesluit Beheer Openbaar Ministerie 2025](onbekend); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **het College:** het College van procureurs-generaal; - –. **het mandaat:** het door de Minister aan het College verleende (onder)mandaat met betrekking tot de aangelegenheden die het beheer van de rijksrecherche betreffen respectievelijk het mandaat om rechtspositionele besluiten te nemen ten aanzien van ambtenaren van de rijksrecherche; - –. **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 lid 1 onder l. sub 3 Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1) (Barp). Artikel 2 - 1). Elke procureur-generaal is afzonderlijk gemachtigd om invulling te geven aan het mandaat respectievelijk om te handelen als bevoegd gezag. - 2). Van het mandaat wordt ten aanzien van de beheeraangelegenheden die de Rijksrecherche betreffen, ondermandaat verleend aan de algemeen directeur. - 3). Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van volmacht en machtiging. Artikel 3 - 1). Aan de algemeen directeur van de rijksrecherche wordt mandaat verleend om ten aanzien van medewerkers van de rijksrecherche op te treden als bevoegd gezag. De bepa"},{"i":1852,"b":"Wet van 17 december 2025 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enkele andere wetten in verband met het stroomlijnen van het fiscale inzagerecht (Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de bepaling met betrekking tot het inzagerecht in het fiscale dossier zo wordt aangepast dat inzage kan worden verleend op een wijze die uitvoerbaar is voor de Belastingdienst en de Douane; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel III Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IV Wijzigt de Gemeentewet. Artikel V Wijzigt de Provinciewet. Artikel VI Wijzigt de Provinciewet. Artikel VII Wijzigt de Waterschapswet. Artikel VIII Wijzigt de Waterschapswet. Artikel IX Wijzigt de Waterwet. Artikel X Wijzigt de Waterwet. Artikel XI Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel XII Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel XIII [Artikel 66a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=66a) vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot belastingaanslagen en voor bezwaar vatbare beschikkingen die zijn bekendgemaakt op of na de datum van aanwijzing van de desbetreffende rijksbelasting bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 66a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XIV - a. Wijzigt deze wet. - b. Wijzigt de Archiefwet 20.. (Kst. 35 968). 2. Wijzigt deze wet. Artikel XV Deze wet treedt in werking met ingang van 31 december 2025. Artikel XVI Deze wet wordt aangehaald als: Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries"},{"i":4149,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 10 juni 2014, nr. MINBUZA-2014.304011, tot vaststelling van beleidsregels voor het verstrekken van subsidie in het kader van onderdeel 1 van het Dutch Good Growth Fund Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening in het kader van onderdeel 1 van het Dutch Good Growth Fund door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, met het oog op het financieren van activiteiten van ondernemingen met het oog op ontwikkelingsrelevante investeringen en handelstransacties in lage- en middeninkomenslanden respectievelijk met partijen in lage- en middeninkomenslanden, gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Voor subsidieverlening in het kader van het Dutch Good Growth Fund geldt een subsidieplafond van: - a. € 230 miljoen voor onderdeel 1a; - b. € 50 miljoen voor onderdeel 1b, voor de periode vanaf 10 mei 2023 tot en met 31 december 2023. 2. Indien na toepassing van het eerste lid, onder b, een deel van het subsidieplafond resteert, wordt dit toegevoegd aan het subsidieplafond, genoemd in het eerste lid, onder a. 3. Bij de berekening van de bedragen die beschikbaar zijn voor subsidieverstrekking ten laste van de in het eerste lid, onder a en b, genoemde subsidieplafonds, worden verstrekte middelen die op grond van de aan de subsidie verbonden verplichtingen door de subsidieontvangers aan de Minister zijn terugbetaald, toegerekend aan het plafond genoemd in het eerste lid, onder a. Artikel 3 Aanvragen worden in volgorde van binnenkomst behandeld. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2014. Bijlage Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen In deze beleidsr"},{"i":3707,"b":"Besluit mandaat uitvoering Beleidsregel nadeelcompensatie Spoorzone Delft Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), en [10:5, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:5); Gezien de schriftelijke instemming van de projectmanager Spoorzone Delft en de directeur Projecten van Prorail B.V.; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. **ProRail:** ProRail B.V., gevestigd te Utrecht. Artikel 2 Aan de projectmanager Spoorzone Delft van ProRail wordt mandaat en machtiging verleend om namens de minister besluiten te nemen op verzoeken om schadevergoeding in het kader van de Beleidsregel nadeelcompensatie Spoorzone Delft, met uitzondering van het beslissen op bezwaarschriften tegen voornoemde besluiten. Artikel 3 Aan de projectmanager Spoorzone Delft van ProRail wordt mandaat en machtiging verleend om namens de minister besluiten te nemen inzake de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij niet tijdig beslissen op verzoeken als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026982&artikel=2&z=2009-12-31&g=2009-12-31), met uitzondering van het beslissen op bezwaar tegen voornoemde besluiten. Artikel 4 1. De projectmanager Spoorzone Delft van ProRail kan van het in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026982&artikel=2&z=2009-12-31&g=2009-12-31) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026982&artikel=3&z=2009-12-31&g=2009-12-31) aan hem verleende mandaat schriftelijk ondermandaat verlenen en de in die artikelen bedoelde machtiging doorgeven aan een plaatsvervanger. 2. Van de verlening van ondermandaat en van het doorgeven van de machtiging als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk kennis gegeven aan de minister. Artikel 5 Bij de uitoefening van het mandaat"},{"i":3632,"b":"Besluit van 5 augustus 1994, in verband met de aanduiding van benoemingen bij koninklijk besluit bij de politie Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 30 mei 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA94/U1617 gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, directoraat-generaal Politie en Criminaliteitsbestrijding, directie Politie, hoofdafdeling Politieorganisatie en Bedrijfsvoering; Gelet op de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=25), derde lid, en [52 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=52); De Raad van State gehoord (advies van 27 juni 1994, nummer W04.94.0344); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juli 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA94/2254 uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, directoraat-generaal Politie en Criminaliteitsbestrijding, directie Politie, hoofdafdeling Politieorganisatie en Bedrijfsvoering; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen de ambtenaren die een functie vervullen waarvoor salarisschaal 18 of hoger geldt. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 De voordracht van een koninklijk besluit tot benoeming, schorsing en ontslag geschiedt door de Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1994. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Kroonbenoemingen politie. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden"},{"i":4755,"b":"Besluit van 21 november 2008, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door de Minister van Economische Zaken op het gebied van het technologiebeleid, het beleid met betrekking tot het midden- en kleinbedrijf en het ruimtelijk economisch beleid (Kaderbesluit EZ-subsidies) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 14 juli 2008, nr. WJZ / 8086267; Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 29 augustus 2008, nr. W10.08.0292 III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 17 november 2008, nr. WJZ / 8177535; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **bank:** binnen het grondgebied van de Europese Unie gevestigde bank die is toegelaten het bedrijf van bank uit te oefenen; - –. **de-minimisverordening:** verordening van de Europese Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, die bij ministeriële regeling als toepasselijke de-minimisverordening is aangewezen; - –. **Europees steunkader:** een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, beschikking, besluit of verordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie, gelet op de artikelen 42, 106, derde lid, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft vastgesteld, en die bij ministeriële regeling als toepasselijk Europees steunkader is aangewezen; - –. **financier:** bank, participatiemaatschappij, instelling die valt onder een bij ministeriële regeling aangewezen categorie instellingen of andere, krachtens ministeriële regeling door Onze Minister aangewezen instelling; - –. **groep:** een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden: - a. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die di"},{"i":7424,"b":"Wet van 22 april 1998 tot wijziging van de Huursubsidiewet in verband met het aan burgemeester en wethouders toedelen van de bevoegdheid een bijzondere bijdrage in de huurlasten toe te kennen (vangnetregeling huursubsidie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Huursubsidiewet te wijzigen opdat aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid wordt toegedeeld om een bijzondere bijdrage in de huurlasten toe te kennen in categorieën van gevallen waarin het gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners voor het einde van het subsidietijdvak aanmerkelijk lager is geworden dan het rekeninkomen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Huursubsidiewet. ARTIKEL II Wijzigt de Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. ARTIKEL III Wijzigt de Algemene bijstandswet. ARTIKEL IV 1. Deze wet is niet van toepassing op het subsidiejaar, bedoeld in [artikel 1 onder l, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=1), dat is aangevangen op 1 juli 1997. 2. Voor de toepassing van [artikel 26c, tweede lid, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=26c), geldt een inkomensdaling die heeft plaatsgevonden voor 1 juli 1998, als een inkomensdaling die per die datum heeft plaatsgevonden. 3. In afwijking van het eerste lid, verstrekken burgemeester en wethouders over het subsidiejaar dat is genoemd in het eerste lid, ten behoeve van de toepassing van het bepaalde bij en krachtens [artikel 25 van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=25), zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009562&artikel=I&z=1998-10-01&g=1998-10-01), van deze wet, desgevraagd aan Onze Minister van Volkshuisv"},{"i":6721,"b":"Wet van 2 oktober 2008 tot wijziging van de Warenwet in verband met de opneming van de mogelijkheid om een last onder bestuursdwang op te leggen en enkele andere wijzigingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het belang van de volksgezondheid en de veiligheid en gezondheid bij de arbeid en ter uitvoering van Europeesrechtelijke besluiten in de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) een voorziening op te nemen die het mogelijk maakt om bij ernstige schendingen van normen een last onder bestuursdwang op te leggen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Warenwet. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Vervallen Artikel IV Wijzigt de Warenwet en de Aanpassingswet vierde tranche Awb (Kst. 31124). Artikel V Wijzigt de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (Kst. 29702). Artikel VI Wijzigt deze wet. Artikel VII 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. Indien deze wet inwerking treedt op een tijdstip voordat artikel 11 van het voorstel van wet tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingswet vierde tranche Awb) (TK 2006–2007, 31 124, nr. 2) tot wet is verheven en in werking is getreden, treedt [artikel I, onderdeel H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024669&artikel=I&z=2018-11-17&g=2018-11-17), in afwijking van het eerste lid, in werking op het tijdstip dat dat artikel 11 in werking treedt. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7491,"b":"ACM Werkwijze voor onderzoek in digitale gegevens 2014 Gelet op de [artikelen 5:17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:17) en [5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20), [artikelen 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=51) en [89 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=89), [artikel 70, vierde lid, eerste volzin, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=70), [artikel 48, vierde lid, laatste volzin, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=48), [artikel 11.14a, eerste lid, tweede volzin, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.14a) en [artikel 2.4, tweede lid, van de Wet Handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586&artikel=2.4); Gezien de wens om nadere invulling te geven aan de bevoegdheid inzage te vorderen in digitale gegevens en deze te kopiëren bij de uitoefening van het toezicht op de naleving van de door haar gehandhaafde wetten; Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - 1. **afronding van een onderzoek:** de definitieve afronding van de besluitvorming volgend op een onderzoek of, indien van toepassing, de definitieve afronding van het onderzoek benodigd voor nacontroles aangekondigd op het moment van definitieve afronding van de besluitvorming volgend op een onderzoek; - 2. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - 3. **betrokkene:** degene die de geadresseerde is bij de inzet van de bevoegdheden van [artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:17); - 4. **binnen-de-reikwijdte:** dat wat naar zijn aard en/of inhoud redelijkerwijs binnen het doel en voorwerp van het onderzoek kan vallen; - 5. **binnen-de-reikwijdte dataset"},{"i":7253,"b":"Wet aansprakelijkheid olietankschepen BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de minister:** Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. **Verdrag:** het op 27 november 1992 te Londen tot stand gekomen Internationaal verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1992 (Trb. 1994, 229); - c. **schip:** alle zeeschepen en andere zeegaande vaartuigen, van welk type ook, gebouwd of aangepast voor het vervoer van olie in bulk als lading, met dien verstande dat een schip dat olie en andere soorten lading kan vervoeren alleen als schip wordt beschouwd, wanneer het daadwerkelijk olie in bulk als lading vervoert en tijdens iedere reis na een zodanig vervoer, tenzij wordt aangetoond dat het geen residuen van zulk vervoer van olie aan boord heeft; - d. **persoon:** een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon; - e. **eigenaar:** de persoon die in het register waarin het schip is teboekgesteld als eigenaar van het schip is ingeschreven of, bij gebreke van enige teboekstelling, de persoon die het schip in eigendom heeft, met dien verstande dat de persoon die een schip, dat eigendom is van een staat, exploiteert of reedt en die in die staat als exploitant of reder van dat schip is ingeschreven, als eigenaar van het schip wordt beschouwd; - f. **olie:** alle persistente uit koolwaterstoffen bestaande minerale oliën, zoals ruwe olie, stookolie, zware dieselolie en smeerolie, alsmede zonodig bij algemene maatregel van bestuur, nader te omschrijven andere bestendige oliën, vervoerd aan boord van een schip als lading of in de bunkers van het schip; - g. **schade door verontreiniging:** - 1. verlies of schade buiten het schip veroorzaakt door bevuiling ten gevolge van het ontsnappen of doen wegvloeien van olie uit het schip, waar zulk ontsnappen of doen wegvloeien ook mag plaatsvinden, met dien verstande dat vergoeding"},{"i":6655,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 december 2009, nr. R&P/RPA/2009/28483, tot wijziging van de Subsidieregeling innoveren in verband met de introductie van de Wajong adviesvoucher Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5) en [8 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=8); Besluit: Artikel I. Wijziging van de [Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855) Wijzigt de Subsidieregeling innoveren. Artikel II. Toezicht Met het toezicht op de naleving van [hoofdstuk 5b van de Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&hoofdstuk=5b) zijn belast de daartoe bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren van AgentschapNL en de Auditdienst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel III. Mandaat AgentschapNL 1. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verleent aan de algemeen directeur van AgentschapNL het volgende mandaat. De algemeen directeur van AgentschapNL is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de [artikelen 5b.1 tot en met 5b.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=5b.1) en [5b.10 tot en met 5b.15 van de Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=5b.10) namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid: - a. besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die een privaatrechtelijke rechtshandeling noch een besluit zijn; - b. te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg; - c. in rechte op t"},{"i":7472,"b":"Wet van 3 juli 2019 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland voorlopig te beëindigen en de mogelijkheden voor de mondelinge behandeling in het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) te verruimen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I 1. In vorderingsprocedures bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, is het recht van toepassing zoals dat bij de andere rechtbanken geldt in dagvaardingsprocedures waarin partijen niet in persoon kunnen procederen. 2. In vorderingsprocedures bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, blijft het recht van toepassing zoals dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet gold, - a. in geval van toepassing van [artikel 112 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=112) zoals dat luidt voor de procedures, vorderingen en gerechten waarvoor de [Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038353) (Stb. 2016, 288) in werking is getreden overeenkomstig artikel II van het Besluit van 24 april 2017 tot vaststelling van het tijd"},{"i":6823,"b":"Beleidsbesluit omzetting rechtspersonen **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat het beleid met betrekking tot artikel 28a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en is een actualisatie van het besluit van 3 april 2017, nr. 2017/116 (** **stcrt. 2017, 38087** **) dat laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 9 oktober 2019, nr. 2019-17461 (** **stcrt. 2019, 58240** **). Dit besluit bevat, naast redactionele wijzigingen nieuw beleid over de Regeling functionele valuta, terugwerking van het omzettingstijdstip en omzettingen waarbij buitenlands recht een rol speelt.** 1. Inleiding Dit besluit bevat het beleid met betrekking tot [artikel 28a Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28a). Het is een actualisatie van het besluit van 3 april 2017, nr. 2017/116 (stcrt. 2017, 38087) dat laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 9 oktober 2019, nr. 2019-17461 (stcrt. 2019, 58240). Dit besluit bevat redactionele wijzigingen en het volgende nieuwe beleid: Ten slotte heb ik de tekst van onderdeel 8 aangepast naar aanleiding van de invoering van de inhoudingsplicht voor houdstercoöperaties. 1.1. Opzet van het besluit In paragraaf 2 licht ik de werking van [artikel 28a Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28a) toe. In de paragrafen 3 tot en met 11 van dit besluit staat mijn beleid voor de toepassing van [artikel 28a Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28a). Hier ga ik onder andere in op de voorwaarden die in het algemeen worden gesteld bij de fiscale begeleiding van de omzetting. Deze voorwaarden zijn opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046561&bijlage=1&z=2022-04-14&g=2022-04-14) van dit besluit. Met nadruk wijs ik erop dat het algemene karakter van de voorwaarden meebrengt dat de voorwaarden worden gewijzigd of aangevuld al naar gelang de bijzondere omstandigheden van het geval. In paragraaf 12 verleen ik ee"},{"i":6673,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 14 december 2009, nr. WJZ/9223975, houdende wijzigingen van de regeling Sterktes in innovatie en de toevoeging van vier extra hoofdstukken Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [17, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=18), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=44) en [48, eerste lid van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=48); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling sterktes in innovatie. Artikel II Wijzigt de Subsidieregeling sterktes in innovatie. Artikel III [Artikel I, onderdelen D, M, N, onder a, O, onder a, T, U, V, W, X, AG en AH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026905&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01) zijn niet van toepassing op aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7482,"b":"Aanwijzing vorderen gegevens derdengeldenrekening notaris 1. Samenvatting Met ingang van 1 januari 2012 is in [artikel 25 lid 9 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=25) (Wna) een beperkte informatieplicht voor de notaris opgenomen, die inhoudt dat een notaris onder bepaalde voorwaarden verplicht is om in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de door een opsporingsambtenaar, een officier van justitie of een rechter-commissaris gevorderde gegevens te verstrekken met betrekking tot zijn derdengeldenrekening. Deze informatieplicht vormt een uitzondering op de geheimhoudingsplicht van de notaris die is neergelegd in [artikel 22 Wna](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=22). Deze aanwijzing bevat regels voor het verkrijgen van informatie over de derdengeldenrekening van een notaris ten behoeve van de opsporing, zoals bedoeld in artikel 25 lid 9 Wna. De gegevens moeten worden gevorderd met toepassing van de bevoegdheden uit het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) (Sv). Daarbij is in alle gevallen de toestemming van de officier van justitie vereist, ook als de wet deze eis niet stelt. De informatieplicht geldt niet voor de onderliggende akten en gegevens die geen verband houden met de betalingen die via de derdengeldenrekening zijn gedaan. Die vallen nog altijd onder de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de notaris. 2. Geheimhoudingsplicht, verschoningsrecht en de uitzonderingen daarop 2.1. Geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht De notaris is op grond van [artikel 22 Wna](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=22) verplicht tot geheimhouding ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheid als zodanig kennis neemt. Deze geheimhoudingsplicht strekt zich volgens de Hoge Raad ook uit tot derdengeldenrekening van de notaris.1HR 18 december 1998, **NJ** 2000, 341 (Van Olst/Ontvanger). Dezelfde geheimhouding"},{"i":6777,"b":"Wet van 30 januari 2002, houdende wijziging van enige bepalingen van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in verband met de zuivering van stedelijk afvalwater en toekenning bevoegdheid aan waterschapsbesturen tot vergunningverlening Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is in de [Wet verontreiniging oppervlaktewateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682) enkele voorzieningen te treffen inzake zuivering van stedelijk afvalwater in verband met de waterkwaliteitszorg door waterschappen, alsmede inzake de aanwijzing van de waterschapsbesturen als het ingevolge die wet voor de betrokken oppervlaktewateren tot vergunningverlening bevoegd gezag; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I, onderdelen I tot en met O, werken terug tot en met 1 januari 2002. Artikel I Wijzigt de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Artikel II Een vergunning, als bedoeld in [artikel 1, eerste en derde lid , van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682&artikel=1), welke vóór de inwerkingtreding van deze wet is verleend door gedeputeerde staten, dan wel door het bestuur van een gemeente of van enig ander openbaar lichaam waaraan met toepassing van [artikel 6 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682&artikel=6) de bevoegdheid tot vergunningverlening is toegekend, wordt beschouwd als te zijn verleend door het bestuur van het bevoegde waterschap. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel V Wijzigt de Wet bodembescherming. Artikel VI De tekst van de [Wet verontreiniging oppervlaktewateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682) wordt in het Staatsblad geplaatst. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit"},{"i":7475,"b":"Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) te wijzigen in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel II 1. Ten aanzien van een procedure in hoger beroep en cassatie waarbij het exploot voor de datum van inwerkingtreding van deze wet rechtsgeldig is betekend, blijft het recht van toepassing zoals dat voor die datum gold. 2. Ten aanzien van een procedure in hoger beroep en cassatie waarbij een beroepschrift of verzoekschrift voor de datum van inwerkingtreding van deze wet bij het gerechtshof of bij de Hoge Raad is ingediend, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet. 3. Zolang de verplichting om langs elektronische weg te procederen nog niet bij alle gerechten voor alle zaken in werking is getreden, bepaalt de rechter naar wie een zaak wordt doorgestuurd, verwezen of teruggewezen, zo nodig op welke wijze die zaak wordt behandeld of voortgezet. Artikel III De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, voor verschillende procedures, vorderingen en verzoeken en voor de verschillende gerechten verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren di"},{"i":7417,"b":"Wet van 5 juni 2000 tot wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte en van de wet van 19 juni 1996 tot wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte, de Wet op de huurcommissies en de Wet individuele huursubsidie in verband met de zogenaamde huursombenadering (Stb. 323) (wijziging percentages) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut ! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het percentage in [artikel 19, eerste lid, onder f, en tweede en derde lid, van de Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221&artikel=19) en in [artikel IV, derde lid, van de wet van 19 juni 1996 tot wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte, de Wet op de huurcommissies en de Wet individuele huursubsidie in verband met de zogenaamde huursombenadering (Stb. 323)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008111&artikel=IV) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Huurprijzenwet woonruimte. Artikel II 1. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011396&artikel=I&z=2000-07-01&g=2000-07-01) is van toepassing op voorstellen tot verhoging van de huurprijs waarin als voorgestelde datum van ingang van de voorgestelde huurprijs een datum is vermeld die gelegen is op of na 1 juli 2000. 2. Indien de verhuurder voor 1 juli 2000 een voorstel tot verhoging van de huurprijs heeft gedaan dat niet voldoet aan het bepaalde in [artikel 19, eerste lid, onder f, en derde lid, van de Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221&artikel=19), zoals gewijzigd door deze wet, en waarin als voorgestelde datum van ingang van de voorgestelde huurprijs een datum is vermeld die gelegen is in het tijdvak van 1 juli 2000 tot en met 1 september 2000, heeft hij de gelegenheid dat voorstel tot twaalf weken na het tijdstip waarop de verhoging van de huurprijs blij"},{"i":6805,"b":"Aanvullend Protocol bij de op 4 september 1958 te Istanbul ondertekende Overeenkomst inzake internationale uitwisseling van gegevens op het gebied van de burgerlijke stand De Staten die dit Protocol hebben ondertekend, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand en Partijen bij de [Overeenkomst van 4 september 1958 inzake internationale uitwisseling op het gebied van de burgerlijke stand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004928), In aanmerking nemende de ontwikkelingen met betrekking tot de internationale uitwisseling van gegevens op het gebied van de burgerlijke stand, en geleid door de wens de op grond van [artikel 1 van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004928&artikel=1) van 4 september 1958 vereiste kennisgevingen hiermee in overeenstemming te brengen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Voor de toezending van gegevens inzake de akten bedoeld in [artikel 1 van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004928&artikel=1) van 4 september 1958 kunnen de Staten gebruik maken hetzij van de in [artikel 2 van die Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004928&artikel=2) bedoelde formulieren, hetzij van de modellen van de meertalige uittreksels van de op 27 september 1956 te Parijs en [op 8 september 1976 te Wenen ondertekende Overeenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003621), hetzij van een ander hiertoe door de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand ontworpen model. 2. Wanneer de kennisgevingen per post worden verzonden, dient dit in een gesloten envelop te geschieden. Artikel 2 1. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de formulieren bedoeld in [artikel 2 van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004928&artikel=2) van 4 september 1958, moeten daaraan worden toegevoegd de in de bijlage van dit Protocol opgenomen Engelse, Spaanse, Griekse en Portugese vertalingen van de modellen van kennisgeving. 2. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de"},{"i":6853,"b":"Besluit beperking openbaarheid van bescheiden uit het archief Beleidsbureau Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds 1970–1988 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van het archief van het Beleidsbureau Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds 1970–1988, de volgende beperking gesteld: - 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 88, 91–96, 102–104 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen rijksarchief gehanteerde **Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven**; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. Het formulier is tevens via het Internet te benaderen op de site op de site van het Nationaal Archief. - 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft tot inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, in overeenstemming met het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid."},{"i":4385,"b":"Besluit van 17 maart 1951, regelende de door het nieuwe binnenvaartrecht voor bepaalde gevallen voorgeschreven oproeping door de griffier van de wederpartij bij een vervoerovereenkomst Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 27 Januari 1951, Afdeling Wetgeving, no. 2161; Gelet op artikel 852 (nieuw) van het [Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838), zoals dit artikel is vastgesteld bij de Wet van 24 Juni 1939 (**Staatsblad**, 1939, no. 201), houdende nieuwe wettelijke regeling van het binnenvaartrecht; De Raad van State gehoord (advies van 27 Februari 1951, no. 22); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 12 Maart 1951, Afdeling Wetgeving, no. 2306; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In de gevallen, waarin ingevolge [artikel 852 van het Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=852) de oproeping, bedoeld in de artikelen 825, 829, 833, 834, 836, 844 en 850 van dit Wetboek, geschiedt door de griffier, geschiedt zij bij aangetekende brief, waarvoor een bericht van ontvangst wordt verlangd, tenzij de rechter op grond van bijzondere omstandigheden een andere wijze van oproeping beveelt. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking tegelijk met de Wet van 24 Juni 1939 (**Staatsblad** 1939, no. 201), houdende nieuwe wettelijke regeling van het binnenvaartrecht. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":4399,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt tot wijziging van het formulier en de bijlagen behorende bij het formulier voor aanvraag van een vergunning voor het leveren van elektriciteit en/of gas aan kleinverbruikers Gelet op [artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4), Besluit: Artikel 1 Het formulier en de bijbehorende [bijlages](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047239&bijlage=1&z=2022-10-04&g=2022-10-04) voor het indienen van een aanvraag voor een vergunning voor het leveren van elektriciteit en/of gas aan kleinverbruikers op grond van [artikel 95d, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=95d), respectievelijk [artikel 45, eerste lid, van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=45), welke op 13 januari 20151Kenmerk ACM/DC/2014/206603, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 juni 2019 met kenmerk ACM/UIT/513956. zijn vastgesteld, worden, ten gevolge van het vaststellen van de Beleidsregel beoordeling financiële kwaliteiten van energieleveranciers voor de vergunning voor levering van elektriciteit of gas aan kleinverbruikers en de Beleidsregel betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers2Beleidsregel van de ACM met kenmerk ACM/UIT/584204., hierbij gewijzigd. Deze wijzigingen hebben betrekking op de onderdelen in het aanvraagformulier rondom het ondernemingsplan, de Administratieve Organisatie en Interne Controle, en de financiële administratie van de onderneming. Het aanvraagformulier, de toelichting bij het aanvraagformulier en [bijlages 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047239&bijlage=1&z=2022-10-04&g=2022-10-04), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047239&bijlage=5&z=2022-10-04&g=2022-10-04) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047239&bijlage=6&z=2022-10-04&g=2022-10-04) zijn tekstueel gewijzigd. De [bijlage 2](https://wetten.overhei"},{"i":2692,"b":"Beschikking individueel MBI-omzetplafond 2013 De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) (Wmg), gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50 lid 2 onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) en [artikel 52 aanhef en onder e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) en met inachtneming van het bepaalde in de beleidsregel en de [regeling “Macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030927)” en van de onderstaande definities voor elk(e) afzonderlijk(e) voor het jaar 2013 ambtshalve een bovengrens vastgesteld voor de omzet. Deze bovengrens luidt: **Bovengrens (2013) = omzet (2013)** Met de inwerkingtreding van deze beschikking wordt de geldigheidsduur van de voorgaande tariefbeschikking (kenmerk TB/CU-2003-01) beperkt tot en met 31 december 2012."},{"i":4023,"b":"Besluit van 4 mei 2001, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies in het kader van niet-fysieke stadseconomie in grote steden (Besluit subsidies niet-fysieke stadseconomie grote steden) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 4 december 2000, nr. WJZ 00071786; Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 26 februari 2001, nr. W10.00.0574/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 27 april 2001, nr. WJZ 01016877, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. niet-fysieke stadseconomie: hetgeen daaronder wordt verstaan in het doorstartconvenant grotestedenbeleid, dat als bijlage is gevoegd bij de brief van 4 december 1998 van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 1998/99, 21 062, nr. 77); - b. ontwikkelingsprogramma: door een gemeente vastgesteld strategisch overzicht van investeringen en maatregelen voor de komende vijf jaren, met een vooruitblik op de vijf daarop volgende jaren, dat gericht is op de beleidsdoelen economie en werkgelegenheid, fysieke ontwikkeling en sociale infrastructuur en dat meetbare doestellingen en prestaties bevat; - c. benchmark lokaal ondernemersklimaat: referentiekader voor de toetsing van de economische concurrentiepositie van de stad. Artikel 2 1. Onze Minister verstrekt in 2001 een subsidie ten behoeve van niet-fysieke stadseconomie aan een in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00124"},{"i":2567,"b":"Beleidsregel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 september 2023, kenmerk 2023-0000037360, over het voeren van verweer in procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin verzocht wordt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Gelet op de [artikelen 8:26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:26), [8:42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:42), [8:108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:108) en [titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=8.4); Overwegende dat degene die verzoekt om immateriële schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State er belang bij heeft dat er zo snel mogelijk een beslissing volgt op dit verzoek; Overwegende dat met toepassing van [artikel 8:73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:73) (oud) en [titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=8.4) uitsluitend de Staat (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot een immateriële schadevergoeding kan worden veroordeeld wegens een aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te wijten overschrijding van de redelijke termijn; Overwegende dat de jurisprudentie over immateriële schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter vergaand is uitgekristalliseerd en gestandaardiseerd; Besluit: Artikel 1 1. Indien gedurende het beroep of het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ziet de Minister van Binnenlandse Zake"},{"i":3862,"b":"Besluit van de korpschef van het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 20 januari 2025 met kenmerk 6099732 houdende verlening van ondermandaat en volmacht aan onder hem ressorterende functionarissen. (Besluit ondermandaatverlening aan onder de korpschef van Korps Politie Caribisch Nederland ressorterende functionarissen 2025) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid en 2, tweede lid, van het Besluit mandaatverlening aan korpschef Korps Politie Caribisch Nederland en algemeen commandant Brandweerkorps Caribisch Nederland 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049910&artikel=2); Besluit: Paragraaf 1. Bevoegdheden hoofd operatiën/plaatsvervangend korpschef van het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Artikel 1 Aan het hoofd operatiën/plaatsvervangend korpschef van het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt ondermandaat verleend voor: - a. de beëdiging van onder hem ressorterende functionarissen, zoals geregeld is in [hoofdstuk II, paragraaf 3b, Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&paragraaf=3b); - b. het toekennen en intrekken van enigerlei vorm van vakantie en verlof aan onder hem ressorterende functionarissen, zoals geregeld is in [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&hoofdstuk=IV), [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&hoofdstuk=V), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&hoofdstuk=VI) en [VII Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&hoofdstuk=VII); - c. het voeren van functioneringsgesprekken met het afdelingshoofd bedrijfsvoering, het afdelingshoofd Basis Politiezorg, het afdelingshoofd opsporing, en het afdelingshoofd Informatie & Expertise en de daarop gebaseerde beoordelingen, zoals geregeld is in [artikel 25 van het Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=25); - d. het uitreiken, registreren en innemen van"},{"i":6485,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 6 mei 2020, nr. Min-BuZa.2020.5182-23, tot wijziging van het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 10 juni 2014, nr. MINBUZA-2014.304011, tot vaststelling van beleidsregels voor het verstrekken van subsidie in het kader van onderdeel 1 van het Dutch Good Growth Fund (Wijziging Dutch Good Growth Fund) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels verstrekken subsidie Dutch Good Growth Fund. Artikel II De [bijlage bij het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 10 juni 2014, nr. MINBUZA-2014.304011, tot vaststelling van beleidsregels voor het verstrekken van subsidie in het kader van onderdeel 1 van het Dutch Good Growth Fund](onbekend) blijft van toepassing op de aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze wijziging zijn ingediend en op financieringen die voor de inwerkingtreding van deze wijziging zijn verstrekt. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2530,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 8 december 2008, nr. WJZ/8179284, houdende beleidsregels inzake de uitleg technisch nieuwe programmatuur Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van de [Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746) en de daarop gebaseerde regelgeving wordt het in [artikel 1, eerste lid, onder p, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=1) gehanteerde begrip ‘voor de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige technisch nieuwe (onderdelen van) programmatuur’ zo uitgelegd dat daaronder ook kan worden verstaan programmatuur die bestaande programmatuur op een voor de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige technisch nieuwe wijze integreert of laat samenwerken. Artikel 2 Deze beleidsregel wordt toegepast op aanvragen voor een S&O-verklaring die betrekking hebben op tijdvakken die aanvangen na 31 december 2008. Artikel 3 Deze beleidsregel wordt aangeduid met ‘Beleidsregel uitleg technisch nieuwe programmatuur’. Deze beleidsregel wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst en treedt 2 dagen na publicatie in werking."},{"i":6291,"b":"Wet van 18 juli 2009 tot samenvoeging van de gemeenten Moordrecht, Nieuwerkerk aan den IJssel en Zevenhuizen-Moerkapelle Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Moordrecht, Nieuwerkerk aan den IJssel en Zevenhuizen-Moerkapelle samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Moordrecht, Nieuwerkerk aan den IJssel en Zevenhuizen-Moerkapelle opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Zuidplas ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Moordrecht, Nieuwerkerk aan den IJssel, Zevenhuizen-Moerkapelle zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Zuidplas wordt de op te heffen gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Moordrecht, Nieuwerkerk aan den IJssel en Zevenhuizen-Moerkapelle wordt de nieuwe gemeente Zuidplas aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; -"},{"i":4744,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 december 2020 tot aanvulling en wijziging van de Omgevingsregeling, intrekking en wijziging van andere regelingen en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringsregeling Omgevingswet) Gelet op de richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht, de richtlijn luchtkwaliteit, de richtlijn omgevingslawaai, de richtlijn storten afvalstoffen, de richtlijn winningsafval en het werelderfgoedverdrag; Gelet op het [Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498), het [Besluit detectie radioactief besmet schroot](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014106), het [Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090), het [Besluit investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041487), het [Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667), het [Besluit kostenverevening reductie C02-emissies glastuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030463), het [Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621), de [artikelen 8.47, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=8.47), [8.48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=8.48), [8.53, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=8.53), [8.55, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=8.55), [8.56,"},{"i":3411,"b":"Besluit correctie 30%-regeling **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat regels voor toepassing van de 30%-regeling in de aangifte loonheffingen over verstreken loontijdvakken.** **Met ingang van 1 januari 2024 is in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 een regeling opgenomen voor de herziening of intrekking van een beschikking 30%-regeling. Ik acht het mede daarom van belang om meer duidelijkheid te scheppen voor de praktijk hoe de gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten volgens de 30%-regeling moet worden verwerkt in de aangifte loonheffingen als de beschikking 30%-regeling één of meer loontijdvakken bevat die reeds zijn verstreken.** 1. Inleiding Om gebruik te kunnen maken van de 30%-regeling moeten de inhoudingsplichtige en de werknemer gezamenlijk de inspecteur verzoeken om een beschikking 30%-regeling (hierna: beschikking). De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een toekennende beschikking bevat onder andere de looptijd van de 30%-regeling en de gegevens van de werknemer en van de inhoudingsplichtige. Het komt voor dat de beschikking wordt afgegeven voor een periode die al (deels) is verstreken. Bijvoorbeeld in de situatie dat een beschikking met terugwerkende kracht tot en met de datum van aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer wordt afgegeven1Zie artikel 10ei, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.. Hiernaast is per 1 januari 2024 in het [Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489)2Zie artikel 10ei, derde tot en met vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. een regeling opgenomen voor de herziening of intrekking van een beschikking. Hierdoor komt het voor dat een beschikking wordt herzien of ingetrokken waarbij een periode in het verleden wordt geraakt. In de praktijk is niet altijd duidelijk of en hoe de 30%-regeling kan worden toegepast over loontijdvakken w"},{"i":3184,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 oktober 2021 nr. BOACAT2021/050, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Rijswijk Gelezen het verzoek van de gemeente Rijswijk van 1 oktober 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045713&artikel=2&z=2025-11-25&g=2025-11-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Inspecteur openbaar gebied in dienst van de gemeente Rijswijk, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling dome"},{"i":1931,"b":"Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen en van enige overige uitvoeringsregelingen Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Artikel III De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zoals deze op 31 december 2010 luidde wordt als volgt gewijzigd: A. Artikel 34, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: - 1. In onderdeel a wordt ’€ 13,50’ vervangen door: € 13,00. - 2. In onderdeel b wordt ‘€ 57,00’ vervangen door ‘€ 62,00’, wordt ‘€ 13,25’ vervangen door ‘€ 14,25’ en wordt ‘€ 2,65’ vervangen door: € 2,85. - 3. In onderdeel c wordt ‘€ 31,50’ vervangen door ‘€ 34,25’, wordt ‘€ 7,25’ vervangen door ‘€ 8,00’ en wordt ‘€ 1,45’ vervangen door: € 1,60. - 4. In onderdeel d wordt ‘€ 13,50’ vervangen door ‘€ 14,25’, wordt ‘€ 3,00’ vervangen door ‘€ 3,25’ en wordt ‘€ 0,60’ vervangen door: € 0,65. - 5. In onderdeel e wordt ‘€ 6,25’ vervangen door: € 6,00. B. In artikel 35, eerste lid, wordt ‘€ 164,50’ vervangen door ‘€ 167,50’, wordt ‘€ 38,00’ vervangen door ‘€ 38,75’ en wordt ‘€ 7,60’ vervangen door: € 7,75. C. In artikel 51 wordt de tabel vervangen door: | Huisvesting: | Per maand | Per week | Per dag | | --- | --- | --- | --- | | a. aan boord van binnenschepen – andere dan vissersschepen – en baggermaterieel: | | | | | 1. voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont: | | | | | – van een schip van meer dan 2000 ton: | € 153,00 | € 35,00 | € 7,00 | | – van een schip van meer dan 500, doch niet meer dan 2000 ton: | € 114,75 | € 26,25 | € 5,25 | | – van een ander schip of van baggermaterieel: | € 76,50 | € 17,50 | € 3,50 | | 2. voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft: | € 62,00 | € 14,25 | € 2,85 | | b. aan boord van zeeschepen – andere dan vissersschepen – en op boorplatforms: | | | | | 1. voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont: | | | € 10,70 | | 2. voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft | | | | | – voor een kapitein en voor een off"},{"i":6927,"b":"Besluit van 31 oktober 1994, houdende toekenning van de eindejaarsuitkering over 1993 aan militairen en burgerlijk defensiepersoneel, toekenning van een eenmalige uitkering in 1993 aan burgerlijk defensiepersoneel en wijziging van enige besluiten in verband met het arbeidsvoorwaardenakkoord sector Defensie voor de periode van 1 april 1993 tot 1 april 1995 Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 15 juli 1994, nr. PAV6001/94017696; Gelet op [artikel 12 van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12), artikel 2 van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen en [artikel 125 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125); De Raad van State gehoord (advies van 20 september 1994, nr. W07.94.0453); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 24 oktober 1994, nr. PAV6001/94024023. Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Toekenning van de eindejaarsuitkering over 1993 aan militairen en burgerlijk defensiepersoneel Artikel 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - a. \"de betrokkene\" - 1°. de militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal die in de maand november 1993 in werkelijke dienst is, dan wel burgerlijk defensiepersoneel dat aanspraak heeft op salaris volgens [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006038&bijlage=B) en dat in de maand november 1993 in dienst is van het Ministerie van Defensie; - 2°. de militair met de rang van vice-admiraal of luitenant-generaal of met een hogere rang die in de maand november 1993 in werkelijke dienst is; - b. \"de berekeningsbasis\" de over de maand november 1993 genoten bezoldiging volgens de schaal of wedde, de over de maand november 1993 genoten bezoldiging volgens de tabel of wedde eerste oefening, dan wel het over de maand november 1993 genoten zakgeld of salaris in de zin van de voor betrokkene geld"},{"i":2537,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 18 december 2016, nr. WJZ / 16194652, inzake de toepassing door de Autoriteit Consument en Markt van de artikelen 13a tot en met 13k van de Postwet 2009 (Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken over het ex ante toezicht op grond van de Postwet 2009) Gelet op [artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21) en de [artikelen 13a tot en met 13k van de Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=13a); Besluit: Artikel 1 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572); - b. **ACM:** Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=1); - c. **aanmerkelijke marktmacht:** aanmerkelijke marktmacht als bedoeld in [artikel 13a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=13a); - d. **postvervoer:** postvervoer als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=2); - e. **postvervoerdienst:** een postvervoerdienst als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=2); - f. **postvervoerbedrijf:** een postvervoerbedrijf als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=2). § 1. Doelen ex ante toezicht Artikel 2 1. De ACM draagt er zorg voor dat haar besluiten op grond van de [artikelen 13a tot en met 13k van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=13a) niet verder strekken dan nodig is om potentiële mededingingsproblemen op een door de ACM afgebakende relevante markt voor postvervoerdiensten te adresseren en statische en dynamische efficiëntie op de markt voor postvervoerdiensten te borgen. 2. Ter verwezenlijking van"},{"i":3458,"b":"Besluit van 30 januari 2018, houdende regels inzake de etikettering van energiegerelateerde producten (Besluit energie-etikettering energiegerelateerde producten) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 15 november 2017, nr. WJZ/17174032, gedaan mede namens Onze Minister voor Medische Zorg; Gelet op Verordening (EU) nr. 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van [Richtlijn 2010/30](32010L0030)/EU (PbEU 2017, L198) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672&artikel=13) en [33 van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672&artikel=33), de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13) en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b) en [artikel 9.5.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 december 2017, No.W18.17.0372/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 25 januari 2018, nr. WJZ/17208115, uitgebracht mede namens Onze Minister voor Medische Zorg; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder model: model als bedoeld in artikel 2, onder 4, van Verordening (EU) nr. 2017/1369. Artikel 2 1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen: - a. 3, - b. 4, eerste en tweede lid in samenhang met het vijfde lid, en vierde en zesde lid; - c. 5, - d. 6, - e. 9, eerste lid, laatste volzin en vierde lid, - f. 11, dertiende lid, van Verordening (EU) nr. 2017/1369. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel d, is voor zover het gaat om het samenwerken met markttoezichtautor"},{"i":2497,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 juni 2014, nr. HO&S/633048, inzake het ruilen van bewijzen van toelating voor numerusfixusopleidingen in het hoger onderwijs (Beleidsregel ruilen bewijzen van toelating ho 2014) 1. Inleiding De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap laat de ruiling van bewijzen van toelating voor numerusfixusopleidingen in het hoger onderwijs uitvoeren door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), vestiging Groningen. DUO beschikt namelijk over de informatie die nodig is voor een ruiling: de ene kandidaat heeft een bewijs van toelating voor instelling A en wil naar B, de andere kandidaat heeft een bewijs van toelating voor instelling B en wil naar A. Deze beleidsregel vervangt de beleidsregel van [17 december 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027025), nr. HO&S/BS/2009/177907, inzake het Ruilen van bewijzen van toelating 2010 (gepubliceerd in Stcrt. 2009, 20662, van 31 december 2009) die op 1 januari 2014 is vervallen. 2. Procedure Voor een ruiling geldt de volgende procedure: De kandidaat die is ingeloot en die in aanmerking wil komen voor een bewijs van toelating voor dezelfde opleiding aan een andere instelling dan waarvoor hij een bewijs van toelating heeft ontvangen, dient bij DUO, Afdeling Loting, via de ruilapplicatie (de ruilbeurs) op de website van DUO een verzoek tot ruiling in. De ruilverzoeken worden op volgorde van binnenkomst behandeld. Via www.studielink.nl wordt de lotingsuitslag bekendgemaakt. De kandidaat kan vanaf de datum van vrijgave van de lotingsuitslag zien bij welke instelling hij is geplaatst. De ruilbeurs gaat op de eerste werkdag na de lotingsuitslag om 10.00 uur open. DUO moet het verzoek tot ruiling binnen twee weken na dagtekening van het bewijs van toelating hebben ontvangen. De termijn voor het indienen van een verzoek tot ruiling sluit uiterlijk op 15 september. De kandidaat dient te voldoen aan de inschrijvingsvoorwaarden die worden gesteld door de instelling wa"},{"i":1958,"b":"Wet van 25 april 2000 tot wijziging van de regulerende energiebelasting in verband met het beëindigen van het nihiltarief voor verbruik van aardgas en minerale oliën door de glastuinbouw Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het vanuit Europeesrechtelijke overwegingen noodzakelijk is het nihiltarief in de regulerende energiebelasting voor verbruik van aardgas en minerale oliën door de glastuinbouw te beëindigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I werkt terug tot en met 1 januari 2000. Artikel II werkt terug tot en met 1 mei 2000. Artikel I Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel II In afwijking van [artikel 83 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=83) vindt de tariefwijziging van [**ARTIKEL X** van de Wet van 22 december 1999, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 2000)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011029&artikel=X), Stb. 579, toepassing vanaf het tijdstip waarop dat artikel in werking treedt. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst met dien verstande dat **ARTIKEL I** terugwerkt tot en met 1 januari 2000 en [**ARTIKEL II**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011321&artikel=II&z=2000-05-17&g=2000-05-17) tot en met 1 mei 2000. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":3239,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 26 november 2024 nr. BOACAT2024/119, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Goeree-Overflakkee Gelezen het verzoek van gemeente Goeree-Overflakkee van 21 november 2024 van en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050672&artikel=2&z=2025-02-12&g=2025-02-12). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van boa domein I Openbare Ruimte in dienst van gemeente Goeree-Overflakkee zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opg"},{"i":2611,"b":"Beleidsregel kostenvergoeding uitgifte kavels A7 en A8 Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **verzoeker:** de indiener van een verzoek om kostenvergoeding of diens rechtsopvolger; - c. **Tijdelijke regeling:** [Tijdelijke regeling uitgifte kavels A7 en A8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560); - d. **kavel A7:** een kavel zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder a, van de Tijdelijke regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560&artikel=1) (ongeclausuleerd kavel); - e. **kavel A8:** een kavel zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de Tijdelijke regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560&artikel=1) (geclausuleerd kavel). Artikel 2 De minister kent desgevraagd een kostenvergoeding toe aan degene die een aanvraag voor een vergunning voor kavel A7, kavel A8 of kavels A7 en A8 heeft gedaan overeenkomstig de [Tijdelijke regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560), tenzij deze aanvraag voor het tijdstip waarop de [Tijdelijke regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560) is ingetrokken is afgewezen op grond van [artikel 3.6, eerste lid, onder f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.6) of buiten behandeling is gesteld op grond van [artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) juncto [artikel 4 van de Tijdelijke regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560&artikel=4). Artikel 3 1. Kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking indien het directe kosten betreffen die de verzoeker noodzakelijkerwijs voor het tijdstip van intrekking van de [Tijdelijke regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025560) heeft gemaakt en betaald om een aanvraag voor een vergunning voor kavel A7, kavel A8 of kavels A7 en A8 te doen, voor zover deze kosten redelijk zijn. 2. Kosten als bedoeld in het"},{"i":4072,"b":"Besluit van 5 september 1978, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 16 mei 1978, Hoofdafdeling Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. 58001 I; Gelet op [artikel 8, vierde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) (**Stb.** 1977, 493); Gezien de adviezen van de Buitengewone Pensioenraad en de Stichting 1940-1945; De Raad van State gehoord (advies van 12 juli 1978, nr. 17); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris voornoemd van 29 augustus 1978, nr. 64542; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. \"de Wet\": de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) (**Stb.** 1986, 575); - b. \"de belanghebbende\": de deelnemer aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, der wet, alsmede degene die behoort tot een der categorieën van personen, bedoeld in artikel 1, tweede lid, der wet, op wie artikel 8, vierde lid, der wet van toepassing is; - c. \"pensioengrondslag\": de pensioengrondslag, bedoeld in artikel 8, vierde lid, der wet. Artikel 2 De pensioengrondslag van de belanghebbende, wiens onderwijs is beperkt gebleven tot basisonderwijs, wordt vastgesteld op € 1225,21, tenzij de leeftijd van de belanghebbende, zijn verworven bekwaamheid en persoonlijke instelling ten tijde van de aanvraag, duidelijke redenen vormen om van dat bedrag af te wijken. Artikel 3 Bij de vaststelling van de pensioengrondslag wordt, indien sprake is van lager of middelbaar beroepsonderwijs, dan wel van algemeen voortgezet of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, uitgegaan van het inkomen, dat de belanghebbende bij voltooiing van vorenvermeld onderwijs in het jaar van indiening van de in artikel 24, eerste lid, der wet bedoelde aanvraag uit arbeid in e"},{"i":2046,"b":"Besluit van 15 maart 2012 tot wijziging van diverse algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van het Bouwbesluit 2012 (Aanpassingsbesluit Bouwbesluit 2012) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 januari, nr. 2012-0000022317, CZW; Gelet op [artikel 16, eerste en tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16), [artikel 2.1, eerste lid, onder d, en derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), [artikel 2.4, eerste lid, van de Crisis- en Herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.4), [artikel 10 van de Drank- en Horecawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=10), [artikel 28, eerste lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=28), [artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10), de [artikelen 108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=108), [110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=110), [114a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=114a), [130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=130) en [174 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=174), de [artikelen 8.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.1a) en [10.12, eerste en tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.12), de [artikelen 8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40) en [8.42 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42) en de [artikelen 8, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=8), [120](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120) en [120a van de Woningwet"},{"i":5803,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 29 mei 2020, nr. WJZ/17860769, houdende regels voor subsidieverstrekking over een periode van tien jaren voor iconische rijksmonumenten (Subsidieregeling tienjarige ondersteuning iconische rijksmonumenten) Gelet op de [artikelen 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.1) en [7.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.3), juncto [7.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.7), en [7.5, eerste lid, van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.5), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1) of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; - **eigenaar:** eigenaar als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043609&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - **instandhoudingskosten:** kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen en andere kosten die in de [Leidraad](onbekend) als subsidiabel zijn aangemerkt, met inbegrip van de werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 1.3, paragraaf 92, van de Leidraad ten aanzien van een groen monument als bedoeld in [artikel 1 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032075&artikel=1) die in de Leidraad als"},{"i":7095,"b":"Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, in verband met de deelname van de Republiek Kroatië als overeenkomstsluitende partij, ten gevolge van haar toetreding tot de Europese Unie De Europese Unie en het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland; hierna „de lidstaten” genoemd, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, hierna „Zwitserland” genoemd, anderzijds, hierna „de overeenkomstsluitende partijen” genoemd, Gezien de [Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001500) (hierna „de overeenkomst” genoemd), die op 1 juni 2002 in werking is getreden, Gezien het [protocol van 26 oktober 2004 bij de Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname, als overeenkomstsluitende partijen, van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, op grond van hun toetr"},{"i":2050,"b":"Besluit van 26 augustus 2008, tot wijziging van het Besluit handel in emissierechten in verband met verlenging NOx-opt-out, aanscherping prestatienormen en enkele andere wijzigingen (Aanpassingsbesluit handel in emissierechten III) Artikel I Wijzigt het Besluit handel in emissierechten. Artikel II Met betrekking tot een aanvraag als bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017779&artikel=3), in verbinding met [artikel 4, eerste lid, tweede volzin, van het Besluit handel in emissierechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017779&artikel=4), die in het kalenderjaar 2008 wordt ingediend, geldt het volgende: - a. Degene die de betrokken inrichting drijft, kan het bestuur van de emissieautoriteit bij de aanvraag verzoeken om de aanwijzing, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van het Besluit handel in emissierechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017779&artikel=2) terug te laten werken tot het tijdstip waarop de inrichting voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onder a en b, van het Besluit handel in emissierechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017779&artikel=2). - b. De verzoeker verstrekt gegevens waaruit ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit blijkt dat de inrichting op het tijdstip, bedoeld onder a, voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onder a en b, van het Besluit handel in emissierechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017779&artikel=2). - c. Het bestuur van de emissieautoriteit wijst het verzoek toe indien de inrichting voldoet aan de voorwaarden, bedoeld onder b. Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel I, onderdelen J, K, L en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024461&artikel=I&z=2011-01-01&g=2011-01-01), welke onderdelen in werking treden met ingang van 1 januari 2011. 2. De [artikelen I, o"},{"i":2672,"b":"Beschikking aanwijzing advocaat Gelet op de [artikelen 40, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=40), en [47 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=47); Besluit: Artikel 1 De aanwijzing van een advocaat op de voet van [artikel 40, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=40) geschiedt schriftelijk. Zij wordt slechts gedaan naar aanleiding van een schriftelijke, aan de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement gerichte verklaring van de advocaat dat hij bereid is om, binnen de grenzen van het praktisch mogelijke: - a. zo spoedig mogelijk nadat hem een inverzekeringstelling is gemeld de verdachte, ten einde hem bijstand te verlenen, te bezoeken in het politiebureau waar deze verblijft, indien dit politiebureau is gelegen in de plaats van vestiging van de advocaat of in de omgeving daarvan; - b. de verdachte van wie hem de inverzekeringstelling is gemeld bijstand te verlenen bij voorgeleiding aan de rechter-commissaris ter gelegenheid van de behandeling van een vordering tot bewaring. Artikel 2 De officier van justitie of de hulpofficier doet van een inverzekeringstelling telefonisch mededeling aan een daartoe door de deken aangewezen vast centraal contactpunt in het arrondissement. Dit contactpunt is telefonisch bereikbaar: - a. op maandag tot en met vrijdag; ten minste gedurende de kantooruren; - b. in het weekeinde: gedurende per arrondissement door de deken te bepalen en aan de hoofdofficier van justitie op te geven tijdvakken van ten minste een uur op zaterdag en zondag. Artikel 3 Aan degene die de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004105&artikel=2&z=2010-07-28&g=2010-07-28) geregelde mededeling heeft gedaan wordt vanuit het contactpunt terstond of in ieder geval zo spoedig mogelijk telefonisch medegedeeld of een advocaat beschikbaar is. Indien een in verzekering gestelde verdachte vraag"},{"i":3383,"b":"Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar sector Stadstoezicht van de Dienst Milieu en Beheer van de gemeente Leiden 2001 Handelende in overeenstemming met de Ministers die het aangaat; Gelezen het verzoek van de sector Stadstoezicht van de Dienst Milieu en Beheer van de gemeente Leiden, d.d. 12 oktober 2000 en de daarop volgende adviezen van de korpschef van de politieregio Hollands Midden en de hoofdofficier van justitie te Den Haag; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, onder b en c, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142), [artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=8), het [Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013); Besluit: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Dit besluit zal in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden geplaatst."},{"i":4019,"b":"Besluit van de algemene raad van 6 november 2023 tot vaststelling van een subsidieplafond (Besluit subsidieplafond 2024) gelet op [afdeling 4.2.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.2); gelet op [artikel 2.36c van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.36c); gelet op [artikel 3 van de Beleidsregel subsidies NOvA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039970&artikel=3); stelt de navolgende bepalingen vast: Artikel 1. Subsidieplafond 2024 1. Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 2.36c, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.36c) en [artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel subsidies NOvA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039970&artikel=3) wordt voor subsidieverleningen in het boekjaar 2024 van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 vastgesteld op € 3.500.000. 2. De algemene raad verlaagt het subsidieplafond indien: - a. de financiële bijdrage voor het betreffende kalenderjaar lager dan het voorstel wordt vastgesteld; - b. er lopende het boekjaar substantiële tekorten of financiële tegenvallers ontstaan ten opzichte van de begroting; Artikel 2. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidieplafond 2024."},{"i":5750,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 juni 2025, nr. MBO/[52787847], houdende regels voor de subsidieverstrekking voor Subsidieregeling Nationaal Groeifonds LLO Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden Gelet op [artikel 2.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.7) en de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **Ervaringsdeskundige:** persoon die zelf laagopgeleid of laaggeletterd is of is geweest en vanuit praktijkervaring advies kan leveren; - **Instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1) of [1.4.1 van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1) of [artikel 1.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=1.1.1) of [1.4.1 van de WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=1.4.1), instelling als bedoeld in [artikel 1.8 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.8) of rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 1.2, onderdeel b, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.2); - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **Kandidaat:** laagopgeleide of laaggeletterde die deelneemt aan de activiteiten als bedoeld in [artikel 3, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051162&artikel=3&z=2025-07-02&g=2025-07-02); - **LLO:** Leven Lang Ontwikkelen; - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **Opleider:** - a. publieke opleider, zijnde een instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de WEB](https://"},{"i":2058,"b":"Besluit van 25 juni 2009, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur aan de Vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingsbesluit vierde tranche Awb) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 13 augustus 2007, Directie Wetgeving, nr. 5494537/07/6; Gelet op de [artikelen 11, tweede lid, van de Brandweerwet 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=11) en [25, derde lid, van de Wet Rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=25), [artikel 25, derde lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=25), [art. 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12), [art. 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125), [artikel 60, derde lid, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=60), [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3), [artikel 85 van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=85), [artikel 64 van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=64), [artikel 93a van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=93a), [artikel 13a, vierde lid, van de Postwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004423&artikel=13a), [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&hoofdstuk=3) en [artikel 16.1, eerste, vierde en vijfde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=16.1), [artikel 135, vierde lid, onderdeel a, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=135), [artikel 5, derde lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=5), de [artikelen 37, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":2059,"b":"Besluit van 25 november 2013, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur aan de Wet op de Kamer van Koophandel (Aanpassingsbesluit Wet op de Kamer van Koophandel) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 1 oktober 2013, nr. WJZ / 13161457; Gelet op [artikel 16, eerste lid, van de Prijzennoodwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003734&artikel=16); [artikel 24, tweede lid, onder b, van de Colportagewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002896&artikel=24); [artikel 70, vierde lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=70); [artikel 17, eerste lid, van de Brandweerwet 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=17); [artikel 4:20, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:20); [artikel 110, derde lid, van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=110); [artikel 15.13, tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); de [artikelen 1.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.5), [1.45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.45), [1.47a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.47a), [1.50, tweede lid, 2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.50), [2.4a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.4a), en [2.6, tweede lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.6); [artikel 7b, zevende lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=7b); de [artikelen 8, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=8), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=19), [20, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":5742,"b":"Regeling houdende een subsidieregeling voor leerling- en deelnemersorganisaties binnen het voortgezet onderwijs (vo) en het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) Gelet op: [artikel 4, eerste lid, van de Wet overige OCenW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) Besluit Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet overige OCenW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458), - b. minister: de minister van onderwijs, cultuur en wetenschap, - c. staatssecretaris: de staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschap, - d. school: een school als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1), - e. instelling: instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1) of instituut als bedoeld in [artikel 12.3.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=12.3.8), - f. leerling: leerling als bedoeld in [hoofdstuk 8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&hoofdstuk=8), - g. **student:** student als bedoeld in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625), - h. **vavo-student:** vavo-student als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, en - i. subsidieontvanger: LAKS - de vereniging Landelijk Aktie Komitee Scholieren, gevestigd te Amsterdam, JOB - de vereniging Jongerenorganisatie Beroepsonderwijs, gevestigd te Amsterdam, en Combo - de Stichting Combinatie Onderwijsorganisatie, een uitvoeringsorganisatie, gevestigd te Amsterdam. Artikel 2. Doel van de subsidie voor LAKS en JOB 1. De minister verstrekt LAKS en JOB subsidie per boekjaar voor het ontwikkelen en in stand houden van herkenbare belangenorganisaties voor het voortgezet onderwijs onderscheidenlijk de BVE-sector die tot taak he"},{"i":4240,"b":"Besluit van 30 juni 1997, houdende vaststelling van het Hersendoodprotocol Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 februari 1997, DWJZ-U-97197, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op [artikel 15, eerste lid, van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=15); Gezien het rapport van de Gezondheidsraad inzake Hersendoodcriteria van 28 november 1996, nr. 1996/19; De Raad van State gehoord (advies van 4 juni 1997, No.W13.97.0090); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens Onze Minister van Justitie, van 12 juni 1997, DWJZ-U-971015; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De protocollen voor vaststelling van de dood op grond van circulatoire criteria, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=15), worden vastgesteld overeenkomstig [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008776&bijlage=1&z=2020-07-01&g=2020-07-01) bij dit besluit. 2. Het Hersendoodprotocol, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=15), wordt vastgesteld overeenkomstig [Bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008776&bijlage=2&z=2020-07-01&g=2020-07-01) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bijlage. bij besluit van 30 juni 1997, houdende vaststelling van het Hersendoodprotocol HERSENDOODPROTOCOL A. Protocol voor vaststelling van de dood op grond van circulatoire criteria wanneer de dood verwacht wordt (eDCD-procedure) 1. Inleiding Bij het voornemen tot verwijdering van een orgaan uit een beademd stoffelijk overschot dient de hersendood te zijn aangetoond door een ter zake kundige arts volgens de hierna beschreven methoden en criteria. Wanneer ten aanzien van een patiënt besloten wordt tot het staken"},{"i":3316,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 maart 2021 nr. BOACAT2021/008, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Schiedam Gelezen het verzoek van de gemeente Schiedam van 11 maart 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044983&artikel=2&z=2021-06-02&g=2021-06-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder A en B in dienst van de gemeente Schiedam, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijst"},{"i":4270,"b":"Besluit vergunning instantloterij 2017–2021 **Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 23 december 2016, kenmerk 10510, inzake de verlening van de vergunning tot het organiseren van instantloterijen.** Op grond van de [artikelen 14b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14b), en [14c, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c) (hierna: de wet) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan Lotto B.V., een besloten vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Rijswijk met KvK-nummer 41151075 (hierna: de vergunninghouder), vergunning tot het organiseren van instantloterijen voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021. Aan deze vergunning zijn de navolgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de vergunde kansspelen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Vergunde kansspelen B. Afdracht C. Bescherming van kwetsbare groepen D. Bescherming van consumenten E. Betrouwbaarheid en integriteit F. Controle, rapportage en toezicht G. Overig Bijlage A Niet opgenomen."},{"i":2084,"b":"Aanvullingswet geluid Omgevingswet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) aan te vullen met regels over de beheersing van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijzigingen in de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) Artikel 1.1. ([Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885)) Wijzigt de Omgevingswet. Hoofdstuk 2. Intrekking en wijziging van andere wetten Paragraaf 2.1. Intrekken van de [Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227) Artikel 2.1. (Intrekken [wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227)) De [Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227) wordt ingetrokken. Paragraaf 2.2. Wijziging van andere wetten Artikel 2.2. ([Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746)) Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel 2.3. ([Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2.4. ([Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245)) Wijzigt de Wet milieubeheer. Hoofdstuk 3. Overgangsrecht Artikel 3.1. (algemeen overgangsrecht [hoofdstuk 11 Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=11)) 1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op de onderstaande besluiten totdat deze onherroepelijk zijn: - a. de vaststelling of wijziging van geluidproductieplafonds waarvoor voor dat tijdstip een verzoek als bedoeld in [artikel 11.31, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":4884,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 21 maart 2017, nr. 2015730 houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het College van procureurs-generaal ten aanzien van aangelegenheden van het openbaar ministerie die niet het beheer van het Openbaar Ministerie betreffen (Mandaatbesluit niet-beheersaangelegenheden Openbaar Ministerie) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen; - c. **secretaris-generaal:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Veiligheid en Justitie; en - d. **College:** het College van procureurs-generaal. 2. Dit besluit heeft geen betrekking op aangelegenheden die het beheer van het Openbaar Ministerie betreffen. Artikel 2 1. Aan de secretaris-generaal wordt ten aanzien van aangelegenheden die het Openbaar Ministerie betreffen mandaat verleend tot: - a. het beslissen op bezwaarschriften ten aanzien van besluiten die het College krachtens mandaat heeft genomen en in verband daarmee op verzoeken als bedoeld in [artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1a); - b. het behandelen van klachten die gedragingen van het College of leden daarvan betreffen; - c. het beslissen op verzoeken op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754); - d. het beslissen op verzoeken op grond van de [Wet hergebruik van overheidsinformatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036795); en - e. het behandelen van klachten en verr"},{"i":3343,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 26 januari 2026 nr. BOACAT2026/003, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Woerden Gelezen het verzoek van gemeente Woerden van 19 januari 2026 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052241&artikel=2&z=2026-04-04&g=2026-04-04). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Handhaver openbare ruimte in dienst van gemeente Woerden zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeli"},{"i":4292,"b":"Besluit van 22 augustus 1991, tot uitvoering van de artikelen 475 lid 2 en 476b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 april 1991, Stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 126496/91/6; Overwegende dat er behoefte bestaat aan een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 475](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475) lid 2 en [artikel 476**b** lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=476b); Gelet op de [artikelen 475](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475), [476**a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=476a), [476**b**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=476b), [718](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=718) en [720 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=720); De Raad van State gehoord (advies van 25 juni 1991, nr. W03.91.0224); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 14 augustus 1991, Stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 143742/91/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het model voor het in [artikel 475, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475) bedoelde formulier, wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 2 1. De in [artikel 476**b** van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=476b) bedoelde verklaring wordt tot de in dat artikel bedoelde deurwaarder gericht door: - a. overhandiging aan de deurwaarder van een ingevuld formulier naar het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005174&artikel=1&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bedoelde model; - b. een gewone of aangetekende brief, inhoudende een ingevuld formulier als b"},{"i":2916,"b":"Besluit van 25 augustus 2023, nr. 2023001723, houdende de aanwijzing als verboden plaats van ruimten die in gebruik zijn bij diensten die op grond van artikel 91 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 werkzaamheden verrichten Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 juli 2023, nr. 974b7198-or1-1.; Gelet op de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I) en [IV van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=IV); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als verboden plaats ingevolge [artikel I van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I) worden aangewezen de ruimten in de in bijlage I benoemde locaties. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048719&artikel=1&z=2023-10-11&g=2023-10-11) aangewezen verboden plaatsen worden als zodanig aangegeven door borden, waarop staat dat de plaats is aangewezen als verboden plaats ingevolge de [Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074) en dat de toegang daartoe voor onbevoegden verboden is. Artikel 3 Het besluit van 24 oktober 2016 (Stcrt. 2016, 59292), houdende aanwijzing van plaatsen als verboden plaats die in gebruik zijn bij diensten die zijn aangewezen ingevolge [artikel 60 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013409&artikel=60), wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage | **01** | ID Noord Nederland | Groningen | Rademarkt 12, 9711 CV | | --- | --- | --- | --- | | **02** | ID Oost Nederland | Enschede | Hermandad 2, 7511 JN | | **03** | ID Oost Nederland | Nijmegen | Stieltjesstraat 1, 6511 AB | | **04** | ID Midden Nederland | Utrecht | Kroonstraat 25, 3511 RC | | **05** | ID Noord H"},{"i":4539,"b":"Circulaire WGA-premieverhaal naar 0,0% Met deze circulaire wordt het premiepercentage voor werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA) vanaf 1 mei 2009 op nihil gesteld. Een werkgever mag op grond van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) zijn lasten voor de uitvoering van WGA voor maximaal de helft verhalen op zijn werknemer. Hoewel deze lasten per werkgever binnen de sector Rijk verschillen is bij de introductie van de premie WGA afgesproken om voor het verhaal op de rijksambtenaar van één premiepercentage uit te gaan. Dat percentage wordt jaarlijks vastgesteld op basis van de gegevens van de werkgever in de sector Rijk met de laagste WGA lasten. In december 2008 werd het premiepercentage voor het jaar 2009 aldus vastgesteld op 0,05%. Thans blijkt echter, dat de laagste WGA lasten binnen de sector op een ander niveau liggen, zodat het premiepercentage vanaf 1 mei 2009 voor de resterende maanden van 2009 op nihil kan worden gesteld. Bij de salarisberekeningen vanaf de maand mei aanstaande, houdt P-Direkt met deze wijziging rekening. Ik verzoek u om de bij uw organisatie werkzame ambtenaren via een bericht op uw intranetsite van de inhoud van de premiewijziging op de hoogte te stellen. Op Rijksweb Personeel zal een nieuwsbericht geplaatst worden."},{"i":2094,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 november 2012, MC-U-3142049, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake bekostiging longrevalidatie Overwegende dat de functiegerichte budgettering voor instellingen voor medisch specialistische zorg en de bekostiging op basis van begrotingsfinanciering van audiologische centra is beëindigd en dat daarbij een tijdelijke uitzondering is gemaakt voor de zelfstandige longastmacentra totdat een voldoende stabiele product en tariefstructuur beschikbaar is; Overwegende dat de invoering van prestatiebekostiging en een stabiele product- en tariefstructuur essentieel is voor een stelsel waarin zorgaanbieders en zorgverzekeraars met elkaar onderhandelen over kwaliteit, prijs en volume, selectieve contractering door zorgverzekeraars toeneemt en aanbieders daadwerkelijk worden afgerekend op geleverde prestaties; Overwegende dat met de Vereniging Astmacentra Nederland, DBC-Onderhoud en Zorgverzekeraars Nederland mede in het licht van beperkte macrobudgettair beschikbare middelen de vormgeving van een zorgvuldig overgangstraject is besproken; Overwegende dat er geen reden meer is voor de tijdelijke uitzondering omdat een voldoende stabiele product- en tariefstructuur beschikbaar is; Gelet op [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) en [59 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59); Gezien de brief van de Nederlandse Zorgautoriteit van 16 augustus 2012, kenmerk EGES/djon/TDZ 11704, aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport inzake bekostiging voor epilepsiecentra en longrevalidatie-instellingen (bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 29 248, nr. 239); Na op 1 oktober 2012 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 29 248, nr. 239) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten."},{"i":5523,"b":"Regeling van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 24 mei 2012, nr. 2012-0000305271, houdende de vergoeding aan de voorzitter en de leden van de raad van toezicht van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Regeling vergoeding raad van toezicht Centraal Orgaan opvang asielzoekers) Gelet op [artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14); Besluit: Artikel 1 Aan de voorzitter van de raad van toezicht van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers wordt voor zijn werkzaamheden een vergoeding toegekend van € 14 051 per jaar. Artikel 2 Aan de leden van de raad van toezicht van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, uitgezonderd de voorzitter, wordt een vergoeding voor hun werkzaamheden toegekend van € 9 367 per jaar. Artikel 3 Bij ontstentenis van de voorzitter kan, met voorafgaande toestemming van de minister, aan een ander lid van de raad van toezicht van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, wegens tijdelijke extra werkzaamheden die verband houden met de vervanging van de voorzitter, gedurende de vervanging de vergoeding worden verhoogd tot het bedrag, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031601&artikel=1&z=2012-06-01&g=2012-06-01). Artikel 4 De [Regeling bestuursvergoeding Centraal Orgaan opvang asielzoekers 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008178) wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2012. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vergoeding raad van toezicht Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6036,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Islamitische Republiek Pakistan inzake de export en handhaving van socialezekerheidsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Islamitische Republiek Pakistan, Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, geleid door de wens betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid tot stand te brengen, geleid door de wens de samenwerking tussen de twee Staten bij de toepassing van de wetgeving van het ene land in het andere te regelen en fraude te bestrijden voorzover zulks wordt toegestaan door hun onderscheiden wetgeving, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; - b. „bevoegde autoriteit\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland; met betrekking tot de Islamitische Republiek Pakistan, de federale minister van Werkgelegenheid, Menskracht en Pakistani overzee; - c. „bevoegd orgaan\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en c: de Sociale verzekeringsbank; met betrekking tot de takken van sociale zekerheid genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen d, e en f: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; met betrekking tot de wetgeving betreffende sociale bijstand, het daartoe door de bevoegde autoriteit van Nederland aangewezen orgaan; met betrekking tot de Islamitische Republiek Pakistan de **Overseas Pakistanis Foundation** (OPF); of elke organisatie bevoegd tot het uitvoeren van een taak die momenteel wordt uitgevoerd door voornoemde organen; - d. „instantie\", elke organisatie die betrokken is bij de uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van onder meer de bevolkingsregisters, geboorte-, overlijdens- en huwelijksregisters, belasti"},{"i":6488,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 19 november 2018, nr. MINBUZA-2018.1975-18, tot wijziging van het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 8 maart 2018, nr. minbuza-2018.385214, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Wijziging Orange Knowledge Programme 2018–2022 en vaststelling subsidieplafonds eerste kwartaal 2019) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7) en [10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=10); Gelet op de [artikelen 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.4) en [6.5 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.5); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit vaststelling subsidieplafond en beleidsregels voor subsidiëring ex Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Orange Knowledge Programme 2018–2022). Artikel II 1. Voor subsidieverlening in het kader van het OKP 2018–2022 geldt voor de periode vanaf 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 voor subsidieverstrekking voor activiteiten gericht op het verstrekken van beurzen, het aanbieden van trainingen en het verstrekken van institutionele samenwerkingsprojecten een subsidieplafond van € 49.580.000. Dit bedrag is als volgt verdeeld over de verschillende soorten subsidies: - a. subsidies voor activiteiten gericht op het verstrekken van beurzen voor de volgende soorten opleidingen: Hierbij geldt dat indien middelen resteren van de middelen die beschikbaar zijn voor subsidieverstrekking voor het verstrekken van beurzen voor één van beide soorten opleidingen, genoemd onder 1) en 2), deze middelen beschikbaar zijn voor subs"},{"i":6313,"b":"Wet van 9 september 1993, tot gemeentelijke herindeling in het noordoostelijke deel van de provincie Noord-Brabant Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling in het noordoostelijke deel van de provincie Noord-Brabant te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing gemeenten en instelling nieuwe gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Megen c.a., Oss, Berghem, Schaijk, Zeeland, Grave, Beers, Cuijk c.a., Haps, Heesch, Nistelrode, Heeswijk-Dinther, Oeffelt, Boxmeer, Wanroij, Oploo c.a., Veghel en Erp opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling worden de nieuwe gemeenten Oss, Landerd, Grave, Cuijk, Boxmeer, St. Anthonis, Veghel en Heesch ingesteld. Artikel 3 1. **De nieuwe gemeente Oss** bestaat uit het gebied van de op te heffen gemeenten Oss, Berghem en Megen c.a. en delen van de op te heffen gemeenten Heesch, Schaijk en Nistelrode en van de gemeenten Lith en Ravenstein, met dien verstande dat haar grens komt te lopen als beschreven in het tweede tot en met het zevende lid. 2. De grens met de gemeente Lith volgt: - a. Beginnend in het punt, waar de percelen, kadastraal bekend gemeente Oss, sectie D, nrs. 2955, 2967 en 2956 aan elkaar grenzen, in oostelijke richting in een rechte lijn tot in het punt, waar de percelen, kadastraal bekend gemeente Oss, sectie D, nrs. 2967, 2965 en 2966 aan elkaar grenzen en van daar af in oostelijke richting de gemeenschappelijke grens van de percelen, kadastraal bekend gemeente Oss, sectie D, nr. 2965, Lith, sectie H, nr. 76, Oss, sectie D, nr. 2969, Lith, sectie H, nr. 150 enerzijds en Oss, sectie D, nr. 2966, Lith, sectie H, nr. 77, Oss, sectie D, nr. 2970, Lith, sectie H, nr. 151 anderzijds tot in het punt, waar de percelen,"},{"i":2101,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2009, nr. Z/F-2974504, tot aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2010 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2010) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2010 € 207,824 miljoen. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 13 december 2009, terug tot en met 14 december 2009. Artikel 3 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2010. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2103,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 19 januari 2012, inzake de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2012 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2012) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2012 € 175,479 miljoen. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 31 december 2011, terug tot en met 1 januari 2012. Artikel 3 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2012. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2016,"b":"Wet van 30 september 1992, tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (verlaging van het algemene tarief) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op de economische ontwikkeling en in het licht van de afschaffing van de fiscale grenzen wenselijk is het algemene tarief van de omzetbelasting te verlagen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. De omzetbelasting die na 30 september 1992 verschuldigd wordt ter zake van leveringen en diensten die worden verricht vóór of op deze datum, wordt berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht. 2. In geval omzetbelasting vóór 1 oktober 1992 verschuldigd is ter zake van leveringen en diensten die worden verricht op of na deze datum, wordt hetgeen minder verschuldigd zou zijn geweest indien de belasting zou zijn berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht, op verzoek aan de ondernemer teruggegeven, mits voor dat verschil een credit-factuur is uitgereikt. 3. De ondernemer aan wie de in het tweede lid bedoelde credit-factuur is uitgereikt, wordt het op deze factuur vermelde bedrag als belasting verschuldigd op het tijdstip waarop die factuur is uitgereikt, voor zover deze ondernemer ter zake van de desbetreffende leveringen en diensten recht heeft op aftrek van voorbelasting op de voet van [artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=15). 4. In geval een ondernemer ingevolge een vóór 1 oktober 1992 gesloten overeenkomst na 30 september 1992 een onroerende zaak levert of een werk in onroerende staat oplevert tegen een vergoeding welke vervalt in termijnen, blijft ten aanzien van het gedeelte van"},{"i":5747,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 april 2023, nr. OWB/38032344 houdende regels voor het verstrekken van subsidie ten behoeve van het bevorderen van wetenschap en innovatie door middel van het stimuleren en faciliteren van deelname aan het Europese kaderprogramma voor onderzoek en innovatie Horizon Europe (Subsidieregeling matching Horizon Europe) Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en Klimaat; Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **eCORDA:** databank van de Europese Commissie met data over voorstellen, evaluatie en subsidieovereenkomsten van de Europese kaderprogramma’s voor onderzoek en innovatie; - **Horizon Europe:** het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie van de Europese Unie voor de periode 2021 tot en met 2027, bedoeld in de [Verordening (EU) 2021/695](32595R2021), voor zover het betreft de uitvoering van het specifieke programma dat is vastgesteld bij Besluit (EU) 2021/764, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder a, van deze verordening; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **subsidieovereenkomst:** subsidieovereenkomst als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van [Verordening (EU) 2021/695](32595R2021), met uitzondering van subsidieovereenkomsten voor de gezamenlijk gefinancierde Europese partnerschappen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van deze verordening of de geïnstitutionaliseerde Europese partnerschappen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, van deze verordening die in het kader van Horizon Europe cofinanciering v"},{"i":5120,"b":"Besluit van 23 februari 1998, houdende vaststelling van de Penitentiaire maatregel en daarmee verband houdende wijziging van enige andere regelingen (Penitentiaire maatregel) Op de voordracht van de Onze Minister van Justitie, van 8 juli 1997, nr. 640008/97/6; Gelet op [artikel 89 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89), [artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=13) en voorts de [artikelen 3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=3), [4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=4), [7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=7), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=32), [41, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=41), [42, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=42), [45, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=45), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=59), [61, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=61), [65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=65), [67, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=67) en [artikel 40, vierde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=40); Gezien de adviezen van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 11 november 1996, nr. RA/98/96, 25 maart 1997, nr. RA 20/97 en 6 juni 1997, nr. 631365/97, en het advies van de Registratiekamer van 23 oktober 1996, nr. 96.A.495/1; De Raad van State gehoord (advies van 26 november 1997, No.W03.97 0476); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 16 februari 1998, nr. 680358/98/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit beslu"},{"i":5157,"b":"Provinciewet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Provinciewet aan te passen aan de herziene Grondwet en aan de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) en in verband daarmee nieuwe bepalingen vast te stellen met betrekking tot de inrichting van provincies, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder het aantal inwoners van een provincie: het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari. 2. Voor de vaststelling van het inwonertal bedoeld in artikel 8, geldt als peildatum 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar van de verkiezing van provinciale staten. Het Centraal Bureau voor de Statistiek kan op schriftelijk verzoek van provinciale staten het inwonertal per de eerste dag van de vierde maand voorafgaande aan de maand van kandidaatstelling vaststellen indien aannemelijk is dat een in dat artikel genoemd inwonertal op genoemde datum is overschreden. In dat geval geldt dit tijdstip als peildatum. Artikel 2 In deze wet wordt verstaan onder ingezetenen: zij die hun werkelijke woonplaats in de provincie hebben. Artikel 3 Zij die als ingezetene met een adres in een gemeente zijn ingeschreven in de basisregistratie personen, worden voor de toepassing van deze wet, behoudens bewijs van het tegendeel, geacht werkelijke woonplaats te hebben in de provincie waarin die gemeente is gelegen. Artikel 4 Vervallen Artikel 5 In deze wet wordt verstaan onder: - a. provinciebestuur: ieder bevoegd orgaan van de provincie; - b. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Titel II. De inrichting en samenstelling"},{"i":5158,"b":"Publicatie aanpassing vergoeding materiële instandhouding basisscholen als gevolg van groei 1. Inleiding De vergoeding materiële instandhouding (M.I.) voor het kalenderjaar 2001wordt berekend op basis van het aantal leerlingen op de reguliere teldatum 1 oktober 2000. Als een school echter op 1 maart 2001 aanzienlijk meer leerlingen heeft dan op 1 oktober 2000 bestaat het recht om de vergoeding voor de materiële instandhouding met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 aan te laten passen. Hiervoor moet de school een leerlingentelling laten plaatsvinden op 1 maart 2001. In verband met wijziging van het [Bekostigingsbesluit WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862) per 1 augustus 2000 ([artikel 14 3e lid, sub c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=14)) is er met ingang van het schooljaar 2000/2001 het één en ander veranderd voor het vastleggen van deze telling. Een belangrijke wijziging is, dat er vanaf dit jaar naast de leerlingen per achterstandscategorie ook de leeftijd van deze leerlingen dient te worden verstrekt. **Hierbij moet worden uitgegaan van de leeftijd van deze leerlingen op 1 oktober 2000.** Deze publicatie geeft informatie voor de telling op 1 maart 2001. 2. Doelgroep Deze regeling is bedoeld voor basisscholen waarbij op 1 maart 2001 aanzienlijk meer leerlingen daadwerkelijk schoolgaand en ingeschreven zijn dan op 1 oktober 2000 (zie ook onder punt 3.1). In tegenstelling tot voorgaande jaren is de voorwaarde komen te vervallen, dat u in de periode tussen 1 oktober 2000 en 1 maart 2001 aanspraak moet hebben gemaakt op verhoging van de personele formatie. 3. Procedure Hieronder wordt de procedure geschetst die leidt tot een hernieuwde vaststelling van de vergoeding voor materiële instandhouding 2001. 3.1. Indienen telformulier Een school heeft recht op toekenning van extra vergoeding voor de materiële instandhouding als het aantal leerlingen op 1 maart 2001 met tenminste 17 leerlingen is toegenomen ten opzichte van het aa"},{"i":7199,"b":"Verdrag betreffende het medische onderzoek naar de geschiktheid van jeugdige personen voor tewerkstelling ondergronds in de mijnen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 2 juni 1965 in haar negenenveertigste zitting; Besloten hebbende bepaalde voorstellen aan te nemen betreffende het medisch onderzoek naar de geschiktheid van jeugdige personen voor tewerkstelling ondergronds in de mijnen, welk onderwerp een onderdeel is van het vierde punt van de agenda der zitting; In aanmerking nemend dat het Verdrag betreffende het medisch onderzoek van jeugdige personen (industrie), 1946, dat op de mijnen van toepassing is, bepaalt dat tewerkstelling van kinderen en jeugdige personen beneden de leeftijd van 18 jaar in een industriële onderneming slechts kan worden toegestaan indien deze, blijkens een grondig medisch onderzoek, geschikt zijn bevonden voor het werk dat zij moeten verrichten, dat de voortzetting van de arbeidsverhouding met een kind of met een jeugdig persoon beneden de leeftijd van 18 jaar gebonden is aan de voorwaarde dat het medisch onderzoek wordt herhaald met tussenpozen van ten hoogste een jaar en dat de nationale wetgeving bepalingen dient te bevatten betreffende aanvullend medisch onderzoek; In aanmerking nemend dat het Verdrag voorts bepaalt dat, voor zover het beroepen betreft aan de uitoefening waarvan ernstige gevaren voor de gezondheid zijn verbonden, medisch onderzoek naar de geschiktheid van betrokkenen voor het werk en het periodiek herhalen hiervan ten minste totdat de leeftijd van eenentwintig jaar is bereikt verplicht moeten zijn gesteld, en dat hetzij in de nationale wetgeving zelf de beroepen of categorieën van beroepen waarvoor deze verplichting geldt worden vastgesteld, hetzij in die wetgeving een in aanmerking komende autoriteit met die bevoegdheid wordt bekleed; Overwegende dat het wenselijk is, met het"},{"i":5820,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 31 mei 2021, nr. 2021-0000136391, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van subsidie aan gebouweigenaren in het aardbevingsgebied in de provincie Groningen ten behoeve van verduurzaming, onderhoud en verbetering van het gebouw (Subsidieregeling verduurzaming, onderhoud en verbetering gebouwen aardbevingsgebied Groningen) Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=2), de [artikelen 6, vierde en vijfde lid, onderdeel b, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [11, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [13, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14), [16, eerste lid van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=16); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **adres:** adres als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=1); - **batch 1.588:** door de Nationaal Coördinator Groningen benoemde batch van 1.588 gebouwen waarvoor versterkingsadviezen zijn opgesteld, als bedoeld in de [Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 juni 2019, nr. WJZ/19138916, houdende een specifieke uitkering voor de gemeenten Appingedam, Delfzijl, Midden-Groningen en Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042306) in verband met de versterking van de gebouwen in batch 1.588; - **beoordeling:** bouwkundige berekening of een gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm, genoemd in [artikel 13i, eerste lid van de Tijdelijke wet Groningen](ht"},{"i":2125,"b":"Aanwijzing binnenvaart Samenvatting Deze aanwijzing bevat regels voor het OM en de politie ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de belangrijkste wet- en regelgeving op het gebied van de scheepvaart op de binnenwateren (beroeps- en recreatievaart). 1. Achtergrond 1.1. Inleiding De wet- en regelgeving op de Nederlandse binnenwateren verschilt per binnenwater. Van belang is met name de volgende regelgeving. 1.2. Reikwijdte De domeinen **Milieu** (bijvoorbeeld het Scheepsafvalstoffenverdrag en de [Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458)) en **Zeevaart** vallen buiten de reikwijdte van deze aanwijzing. Deze domeinen liggen bij het Functioneel Parket. Zeeschepen die de binnenwateren bevaren vallen wel onder de aanwijzing. 2. [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009) 2.1. Uitgangspunten bestuurlijke handhaving De bestuursrechtelijke handhaving van de [BVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009) is in hoofdzaak opgedragen aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT). Naast de aangewezen ambtenaren van de ILT zijn ook ambtenaren in de zin van [art. 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) en aangewezen ambtenaren van andere diensten (zoals Rijkswaterstaat) met het toezicht op de naleving van de BVW en de Herziene Rijnvaartakte (HRA) belast ([art. 40 BVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=40)). [Art. 48 van de BVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=48) geeft het overzicht van bepalingen die bestuurlijk beboetbaar zijn. De bijzonderheden met betrekking tot handhaving op de internationale Rijn worden uiteen gezet in hoofdstuk 5 van deze aanwijzing. 2.2. Strafrechtelijke handhaving Slechts enkele in de [BVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009) genoemde gedragingen worden strafrechtelijk gehandhaafd. Van overtreding van de desbetreffende voorschriften, gesteld bij of krachtens de BVW, wo"},{"i":2126,"b":"Aanwijzing Bureau Voorlichting Interlandelijke Adoptie als rechtspersoon Gelet op [artikel 1, van het Besluit opneming buitenlandse pleegkinderen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004582&artikel=1) (Stb. 1989, 262), Besluit: De Stichting Bureau Voorlichting Interlandelijke Adoptie, statutair gevestigd te Utrecht, met ingang van 15 juli 1989 aan te wijzen als de rechtspersoon die tot taak heeft algemene voorlichting te verstrekken aan aspirant-pleegouders die een verzoek tot verlening van een beginseltoestemming hebben ingediend. Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekend gemaakt."},{"i":5636,"b":"Besluit van de Inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA voedselveiligheid industriële productie, vis, zuivel en eieren (IB03-SPEC 39, versie 15) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA voedselveiligheid industriële productie, vis, zuivel en eieren (hierna genoemd specifiek interventiebeleid voedselveiligheid industrie) beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03), de klasseindeling en interventies voor de beoordeling van specifieke overtredingen ten aanzien van de wetgeving ter bescherming van de voedselveiligheid. Het specifiek interventiebeleid voedselveiligheid industrie is van toepassing op bedrijven die erkend of geregistreerd (moeten) zijn op grond van artikel 6 van de [Verordening (EG) 852/2004](32004R0852) en die hoofdzakelijk leveren aan andere bedrijven, de detailhandel en eventueel als nevenactiviteit rechtstreeks leveren aan de eindgebruiker. Uitgangspunt is dezelfde benadering voor alle bedrijven, zowel erkende als geregistreerde. Overtredingen die door de inspecteur/ toezichthouder worden waargenomen en die niet in dit IB02-SPEC 39 zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van d"},{"i":5541,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 30 november 2010, nr. DLZ/SFI-U-3036644 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, houdende vervolg op de aanwijzing inzake de Contracteerruimte AWBZ 2011 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Mede gelet op de op 16 november 2010 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangenomen motie van het lid Agema c.s. van 11 november 2010 (Kamerstukken II 2010/11, 32 500-XVI, nr. 53); Gezien de brief van 19 november 2010 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake het verzoek van de ChristenUnie omtrent genoemde motie (GMT-3036034); Besluit: De Nederlandse Zorgautoriteit geeft geen gevolg aan de opdracht bedoeld in [artikel 2, onderdeel 3, sub g, van de aanwijzing van 9 november 2010 inzake de Contracteerruimte AWBZ 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029035&artikel=2) (DLZ/SFI-U-3030940). Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7185,"b":"Vaststelling formulier Pachtnormenbesluit Gelet op artikel 10 van het Pachtnormenbesluit; Besluit: Artikel 1 Het formulier dat bij de vaststelling van de hoogst toelaatbare pachtprijs door de grondkamers wordt gebruikt, wordt vastgesteld overeenkomstig het bij dit besluit behorende model, waarvan een gewaarmerkt afschrift ter inzage ligt op de secretariaten van de grondkamers. Artikel 2 Het besluit van 20 mei 1994, no. J. 945498, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":5137,"b":"Procedureregels bij burgemeestersbenoemingen Aan de Commissarissen van de Koningin en de gemeentebesturen Op grond van de wijziging van de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) (wetsvoorstel 25 444), die op 10 juli j.l. door de Eerste Kamer is aanvaard, is het nodig de circulaires uit 1991 en 1996 met betrekking tot de procedureregels bij burgemeestersbenoemingen te herzien. De wijziging omvat onder andere: De herziene procedureregels zijn als bijlage bij deze brief gevoegd. Het Staatsblad waarin voornoemde wijziging van de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) is opgenomen, zend ik u separaat toe. Bijlage I. Het openstellen van de vacature II. Het schetsen van een profiel III. Het voornemen een raadplegend referendum over kandidaten te houden De raad geeft in de profielschetsvergadering (zie II) aan of hij een raadplegend referendum zal houden ten behoeve van zijn aanbeveling inzake de benoeming (zie XI). Het voornemen daartoe wordt bij de openstelling van de vacature vermeld. De aankondiging van dit voornemen is bedoeld om potentiële sollicitanten inzicht te verschaffen in de te volgen procedure, in het bijzonder over de vraag of burgers bij de totstandkoming van de aanbeveling zullen worden betrokken. IV. De sollicitatiebrief V. Het inwinnen van inlichtingen door de commissaris van de Koningin VI. De instelling, samenstelling en werkwijze van een vertrouwenscommissie VII. De handelwijze bij het niet-naleven van hetgeen in VI is bepaald Besteedt de raad of de vertrouwenscommissie naar het oordeel van de commissaris van de Koningin onvoldoende zorg aan de in VI omschreven punten, dan zal de commissaris de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties informeren over zijn bevindingen. De minister bepaalt, na overleg met de commissaris, hoe verder gehandeld wordt. VIII. De selectie van kandidaten ten behoeve van de vertrouwenscommissie IX. De bevindingen van de vertrouwenscommissie X. Het raadplegend referend"},{"i":5119,"b":"Paspoortclausules/geregistreerd partnerschap Circulaire aan de burgemeesters Met ingang van 1 januari 1998 treedt de nieuwe wettelijke regeling met betrekking tot het geregistreerd partnerschap in werking. Deze regeling maakt het mogelijk dat Nederlanders, alsmede over een geldige verblijfstitel beschikkende onderdanen van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hun partnerschap laten registreren. Zowel personen van verschillend als van gelijk geslacht kunnen een geregistreerd partnerschap aangaan. De invoering van het geregistreerd partnerschap als burgerlijke staat naast het huwelijk heeft geleid tot aanpassing van een aantal wetten, zoals [Boek I van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) en de [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723). De wijziging heeft ook gevolgen voor de vermelding van de burgerlijke staat in Nederlandse reisdocumenten. De noodzakelijke aanpassing van [artikel 3, eerste lid, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=3) zal evenwel per 1 januari 1998 nog niet zijn gerealiseerd. De Paspoortwet, die geldt voor Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba, wordt in de loop van 1998 gewijzigd door middel van een aparte rijkswet. Het is echter wenselijk dat de invoering van het geregistreerd partnerschap vanaf 1 januari a.s. ook gevolgen heeft voor de vermelding van de burgerlijke staat in Nederlandse reisdocumenten. Ik verzoek u derhalve om – vooruitlopend op de voorgenomen wijziging van de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) – desgevraagd over te gaan tot het vermelden van het geregistreerd partnerschap in het reisdocument van de houder. Deze vermelding dient plaats te vinden met inachtneming van de bepalingen die gelden voor gehuwde of gehuwd geweest zijnde personen. Dit betekent dat op verzoek v"},{"i":4745,"b":"Wet van 12 februari 2020 tot aanvulling en wijziging van de Omgevingswet, intrekking van enkele wetten over de fysieke leefomgeving, wijziging van andere wetten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringswet Omgevingswet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor een goede invoering van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) wenselijk is de Omgevingswet aan te vullen en te wijzigen, enkele wetten in te trekken, andere wetten te wijzigen en waar nodig in overgangsrecht te voorzien; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij dezen: Hoofdstuk 1. Aanvulling en wijziging [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) Artikel 1.1. ([Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885)) Wijzigt de Omgevingswet. Hoofdstuk 2. Wijziging andere wetten Artikel 2.a1 Wijzigt de Alcoholwet. Artikel 2.1. ([Algemene Douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746)) Wijzigt de Algemene Douanewet. Artikel 2.2. ([Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2.3. (Burgerlijk Wetboek) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2.4. ([Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981)) Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Artikel 2.5. ([Deltawet waterveiligheid en zoetwatervoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030836)) Wijzigt de Deltawet waterveiligheid en zoetwatervoorziening. Artikel 2.6. ([Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338)) Wijzigt de Drinkwaterwet. Artikel 2.7. ([Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755)) Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel 2.8. ([Erfgoedw"},{"i":2140,"b":"Besluit van de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek, de CCMO, van 11 december 2025 houdende de aanwijzing van elektronische kanalen voor het verzenden van formele berichten aan de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (Aanwijzing elektronische kanalen CCMO 2025) Overwegende, dat de [Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048252) burgers en bedrijven het recht geeft om ieder formeel bericht via een elektronisch kanaal aan de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek te zenden. Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); BESLUIT: Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. **bericht:** een formeel bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **kanaal:** een wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Verzendwijzen Een formeel bericht, bestemd voor de CCMO, kan elektronisch worden verzonden aan de CCMO op de in de bijlage vermelde wijze. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing elektronische kanalen CCMO 2025. Artikel 5. Bekendmaking Dit besluit zal met de bijbehorende bijlage en de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Bijlage De CCMO wijst op grond van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) de onderstaande processpecifieke elektronische kanalen aan voor het verzenden van formele berichten aan de CCMO: | Formeel bericht per proces | Elektronisch kanaal | | --- | --- | | Aanvraag toetsing onderzoek (incl. substantiële amendementen) **Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen**"},{"i":4624,"b":"Handhavingsbeleid prioritering handhavingsonderzoeken 1. Inleiding De Kansspelautoriteit (hierna: Ksa) heeft op grond van [artikel 33b van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33b) (hierna: Wok) onder andere de taak om verboden kansspelaanbod te bestrijden. Dit doet zij door handhavend op te treden tegen aanbieders die zonder vergunning van de raad van bestuur van de Ksa kansspelen aanbieden. Tevens treedt zij handhavend op tegen bevorderaars van dit illegale kansspelaanbod. 1.1. Kansspelen op afstand Kansspelen kunnen op afstand worden aangeboden. Kansspelen op afstand zijn kansspelen waaraan de speler met elektronische communicatiemiddelen en zonder fysiek contact met de organisator van de kansspelen (hierna: de aanbieder) deelneemt. Op 1 april 2021 is de [wet Kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042051) (hierna: wet Koa) in werking getreden waarmee de [Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) is gewijzigd. Hierdoor is het mogelijk om een vergunning aan te vragen voor het organiseren van kansspelen op afstand. Met het verlenen van deze vergunningen is het in Nederland mogelijk legaal kansspelen op afstand aan te bieden. Met deze wijziging van de Wok beoogt de regering de bestaande en toekomstige behoefte aan kansspelen op afstand naar een verantwoord, betrouwbaar en controleerbaar aanbod te leiden. Doel van de [wet Koa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042051) is de daadwerkelijke vraag naar kansspelen op afstand die nu bestaat of in de toekomst kan ontstaan, te kanaliseren.1MvT wet Kanspelen op afstand, p. 2. 2. Illegaal aanbod en bevorderen Iedereen die kansspelen op afstand aanbiedt in Nederland zonder vergunning van de raad van bestuur van de Ksa overtreedt de [Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Naast het aanbieden is ook het bevorderen2Naar algemeen taalgebruik wordt onder ‘bevorderen’ verstaan het ontplooien van activiteiten die het organiseren van"},{"i":3380,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 augustus 2023 nr. BOACAT2023/053, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de provincie Zuid-Holland Gelezen het verzoek van de provincie Zuid-Holland van en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048558&artikel=2&z=2023-11-21&g=2023-11-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van weginspecteur en vaarweginspecteur in dienst van de provincie Zuid-Holland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij d"},{"i":4017,"b":"Besluit van de algemene raad van 26 oktober 2020 tot vaststelling van een subsidieplafond (Besluit subsidieplafond 2021) gelet op [afdeling 4.2.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.2), gelet op [artikel 2.36c van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.36c), gelet op [artikel 3 van de Beleidsregel subsidies NOvA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039970&artikel=3), stelt de navolgende bepalingen vast: Artikel 1. Subsidieplafond 2021 Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 2.36c, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.36c) en [artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel subsidies NOvA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039970&artikel=3) wordt voor het boekjaar 2021 van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 vastgesteld op € 2.900.000. Artikel 2. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidieplafond 2021."},{"i":3381,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 29 oktober 2024 nr. BOACAT2024/111, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Samenwerking Kempengemeenten Gelezen het verzoek van Samenwerking Kempengemeenten van 5 september 2024 en de adviezen van de Hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050366&artikel=2&z=2024-11-06&g=2024-11-06). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder/buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van Samenwerking Kempengemeenten zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openb"},{"i":2158,"b":"Aanwijzing hoge transacties Samenvatting Deze aanwijzing schetst de kaders voor het aanbieden van hoge transacties. Het begrip ‘hoge transactie’ is nader afgebakend en omvat alle transacties waarbij betaling van een geldsom aan de Staat met een boetecomponent van € 200.000 of meer aan de orde is én transacties met een totale transactiewaarde van € 1.000.000 of meer. De aanwijzing benoemt de uitgangspunten voor het aanbieden van dergelijke transacties en geeft procedurele regels. Onderdeel hiervan is de verplichte adviserende rol van de onafhankelijke Toetsingscommissie hoge transacties. Indien is besloten tot een hoge transactie maakt het OM dat in beginsel bekend via een persbericht. De aanwijzing geeft algemene uitgangspunten voor de informatie die in een persbericht moet worden opgenomen. 1. Inleiding Strafzaken kunnen op verschillende manieren worden afgedaan. Als de officier van justitie de zaak bewijsbaar acht, kan deze de verdachte dagvaarden om de zaak ter beoordeling aan de rechter voor te leggen, een strafbeschikking uitvaardigen of de strafzaak al dan niet voorwaardelijk seponeren. Daarnaast kan de officier van justitie ervoor kiezen de verdachte een transactie aan te bieden om strafvervolging te voorkomen door te voldoen aan één of meer voorwaarden. De te stellen voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn in [artikel 74 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) en [artikel 36 WED](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=36) limitatief omschreven. Deze aanwijzing heeft betrekking op hoge transacties, dat wil zeggen transacties waarbij de voorwaarde ex [artikel 74, tweede lid sub a Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) (betaling aan de Staat van een geldsom) een bedrag van € 200.000 of meer betreft én transacties met een totale transactiewaarde van € 1.000.000 of meer (inclusief ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de waarde van voor verbeurverklaring vatbare voorwerpen w"},{"i":4983,"b":"Model Jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording 2023 1. Inleiding Dit Model Jaarverslaggeving CAK vormt een uitwerking van de afspraken voor het financieel verslag als onderdeel van de bestuurlijke verantwoording 2023 van het CAK. Het CAK moet de verantwoordingsdocumenten vergezeld van de controleverklaring en het accountantsverslag vóór 1 juli van het jaar volgend op het verslagjaar toezenden aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De regels voor het accountantsonderzoek en de op te leveren accountantsproducten heeft de Nederlandse Zorgautoriteit vastgelegd in het [Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2023](onbekend) (verder: protocol). In de bestuurlijke verantwoording legt het CAK verantwoording af met betrekking tot de uitvoering van vier wettelijke regelingen en taken. Dit betreffen: De NZa houdt toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de vier hierboven genoemde wettelijke regelingen en taken door het CAK. 2. Verantwoordingsstructuur Het financieel verslag2Conform artikel 6.2.6 van de Wlz. is opgenomen in de bestuurlijke verantwoording. In de bestuurlijke verantwoording wordt verantwoording afgelegd over het financieel beheer en de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de financiële stromen van de door het CAK uitgevoerde wettelijke taken. De nadere eisen die worden gesteld aan de bestuurlijke verantwoording van het CAK zijn opgenomen in dit model. De bestuurlijke verantwoording van de wettelijke regelingen en taken bestaat uit drie componenten: De andere informatie in de bestuurlijke verantwoording bestaat minimaal uit bovengenoemde onderdelen a tot en met g. Onderdeel a het voorwoord en de inleiding spreken hierbij voor zich. De verantwoording bij de overige onderdelen wordt onderstaand nader beschreven. In dit onderdeel beschrijft het CAK onder andere in hoeverre de organisatorische maatregelen ter borging van de rechtmatigheid gedurende het verantwoordingsjaar hebben gefunctioneerd. Voor een nadere toelicht"},{"i":2170,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake de vaststelling van de aanvaardbare kosten 1998 ten behoeve van thuiszorg, ouder- en kindzorg en dieetadvisering AWBZ Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, (brief van 23 oktober 1997, kenmerk AV/ih/A/97/172 vastgesteld in de vergadering van 20 oktober 1997); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 6 november 1997, kenmerk VPZ/P-974000); Besluiten: Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van instellingen, die vanaf 1-1-1998 in [artikel 1, onder A, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009059&artikel=1&z=1997-12-05&g=1997-12-05) nummer 16 (instellingen die thuiszorg leveren als bedoeld in [artikel 15 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005283&artikel=15)), nummer 16a (instellingen voor ouder- en kindzorg), nummer 16b (instellingen voor dieetadvisering) in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, richtlijnen vast met in achtneming van de aanvaardbaar geachte kosten van f 3380,4 mln. Dit bedrag is het saldo van de mutaties de conform tabellen van bijlage B10, de nummers 7.06, 7.07, 7.09 (te verminderen met f 70,3 mln intensieve thuiszorg en coördinatie thuiszorg) en 3.13 van het Jaaroverzicht Zorg 1998, verder genoemd JOZ 1998. Artikel 2 In verband met de overheveling van de indicatiestelling thuiszorg naar de gemeenten worden de aanvaardbare kosten van de voormalige kruiswerkorganisaties generiek verlaagd met f 31,2 mln en de aanvaardbare kosten van de voormalige gezinsverzorgingsinstellingen worden generiek verlaagd met f 31,3 mln, conform tabel 7.09 van bijlage B10 van h"},{"i":5220,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 14 januari 2010, nr. WJZ/9218768, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2010 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010) Gelet op de [artikelen 31, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=31), en [77c van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=77c) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=51), [52, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=52), [54, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=54), [55, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=55), [56, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=56), [61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=61), en [63, tweede lid, van het B"},{"i":4894,"b":"Besluit van de directeur Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 14 augustus 2024, nr. 5691214, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het hoofd van de Passagiersinformatie-eenheid Nederland inzake de behandeling van de rechten van betrokkene (Mandaatbesluit PI-NL 2024) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Mandaatbesluit NCTV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042181&artikel=1) aan de directeur Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de rechten van betrokkenen, bedoeld in [artikel 17 van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=17) juncto de [artikelen 24a tot en met 28 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=25), ondermandaat verleend aan het hoofd van de Passagiersinformatie-eenheid Nederland. Artikel 2 Aan het hoofd van de Passagiersinformatie-eenheid Nederland wordt toegestaan van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050159&artikel=1&z=2024-08-23&g=2024-08-23) verleende mandaat ondermandaat te verlenen aan het plaatsvervangend hoofd van de Passagiersinformatie-eenheid Nederland. Artikel 3 Het [Mandaatbesluit PI-NL 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044011) van 5 augustus 2020, nr. 2993052, wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit PI-NL 20"},{"i":4993,"b":"Mogelijkheid om een intrasectoraal programma (ISP) later in te voeren Intrasectorale programma’s Start intrasectorale programma’s Een groot aantal scholen heeft in de afgelopen jaren toestemming gekregen intrasectorale programma’s (isp’s) in te voeren. Voor het overgrote deel van de isp’s is de invoeringsdatum 1 augustus 2001. De meeste scholen hebben van de gegeven toestemming ook gebruik gemaakt. Aan een aantal scholen is de mogelijkheid gegeven de invoering van een isp uit te stellen (dit conform de daartoe geboden mogelijkheid via een mededeling in het Gele katern nr 4, 7 februari 2001). Ongeveer 15 procent van de aanvragers van een isp heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Daarnaast is er een aantal scholen, dat om organisatorische redenen het isp nog niet heeft ingevoerd, maar ook geen uitstel heeft gevraagd. Vervallen van toestemming voor verzorgen van intrasectorale programma’s In het algemeen vervalt de toestemming voor het verzorgen van een intrasectoraal programma in de volgende situaties: A. Isp niet ingevoerd op de in de beschikking aangegeven invoeringsdatum In het besluit tot goedkeuring van een isp is het tijdstip van invoering van het desbetreffende isp vermeld. Tevens is in hetzelfde besluit aangegeven dat de goedkeuring komt te vervallen als het isp niet op het aangegeven tijdstip in het 3e leerjaar is ingevoerd. B. Geen leerlingen gedurende twee achtereenvolgende schooljaren In [artikel 26m van het Inrichtingsbesluit W.V.O.](onbekend) is bepaald dat de toestemming voor het verzorgen van een isp van rechtswege vervalt met ingang van een schooljaar indien het desbetreffende isp gedurende de twee daaraan voorafgaande schooljaren door geen leerlingen is bezocht (peildatum is 1 oktober). Dit is analoog aan de regeling die geldt voor het vbo. Het gaat hier om een isp dat, in enig jaar, daadwerkelijk is ingevoerd. Afwijkende beleidslijn t.a.v. isp’s die nog niet per 1 augustus 2001 (of 1 augustus 2002) zijn ingevoerd De minister hecht veel waarde"},{"i":5006,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 maart 2017, kenmerk 1082725-160324-Z, houdende nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2017 (Nadere Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2017 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders, de zorgkantoren en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ten laste van het Fonds langdurige zorg, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), € 23,811 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039111&artikel=1). Van dit bedrag is € 23,700 miljoen bedoeld voor de SVB voor de uitvoering van de taak, bedoeld in [artikel 3.3.3, zevende lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3). Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017. Artikel 3 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5010,"b":"Besluit van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 13 januari 2022, kenmerk 3294283-1021510-Z, houdende vaststelling van een nadere aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2021 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2021) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2021 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 10,663 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044421&artikel=1). Artikel 2 Van het bedrag in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046219&artikel=1&z=2022-01-22&g=2022-01-22) genoemd van € 10,663 miljoen is € 3,612 miljoen bestemd voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), € 5,317 miljoen bestemd voor de overige bij of krachtens die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken van Wlz-uitvoerders en € 1,734 miljoen voor de Sociale verzekeringsbank. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2021. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2021. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2173,"b":"Aanwijzing kader voor tenuitvoerlegging Samenvatting Met de inwerkingtreding van de **Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen** (hierna: [Wet USB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039301)) op 1 januari 2020 is de algehele verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging verschoven van het openbaar ministerie naar de minister van Justitie en Veiligheid. Het OM heeft echter een aantal verantwoordelijkheden en taken in de executiefase behouden. Deze aanwijzing geeft een algemeen kader en algemene regels voor de uitoefening van die taken. De aanwijzing is tevens van toepassing op minderjarigen, tenzij anders is bepaald of tenzij dit uit de context van de aanwijzing voortvloeit. 1. Achtergrond Het sluitstuk van de strafrechtsketen wordt gevormd door de tenuitvoerlegging van de door de rechter opgelegde straffen en maatregelen of door of namens de officier van justitie getroffen schikkingen en uitgevaardigde strafbeschikkingen. Met ingang van 1 januari 2020 is de formele verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging neergelegd bij de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: minister).1Art. 6:1:1 jo 127a Sv. Bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) is onder verantwoordelijkheid van de minister een **administratie- en informatiecentrum voor de executieketen** (AICE) ingericht dat de operationele regie op de tenuitvoerlegging voert en er zorg voor draagt dat de organisaties die betrokken zijn bij de feitelijke tenuitvoerlegging kunnen beschikken over de benodigde gegevens.2Zoals die gegevens bekend zijn bij het CJIB. Het CJIB/AICE zorgt ervoor dat deze organisaties – zoals het CJIB, de Dienst Justitiële Inrichtingen, de Justitiële informatiedienst, Raad voor de Kinderbescherming, de reclassering en de politie – tijdig vernemen dat een bepaalde beslissing ten uitvoer moet worden gelegd. Het CJIB/AICE geeft namens de minister een last tot tenuitvoerlegging of aanhouding ([artt. 6:1:4 tot en met 6:1:6 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":5024,"b":"Besluit van 17 november 2004, houdende wijziging van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement en het Binnenvaartpolitiereglement in verband met enkele technische aanpassingen, de verbetering van de systematiek, de presentatie en de redactie (Negende wijzigingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 juli 2004, nr. HDJZ/SCH/2004-1538, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 4, eerste lid, onder a, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4), en [18 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=18); De Raad van State gehoord (advies van 9 september 2004, nr. W09.04.0322/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 november 2004, nr. HDJZ/SCH/2004-2678, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement. Artikel II Wijzigt het bij het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement behorende Binnenvaartpolitiereglement. Artikel III Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de [Regeling typegoedkeuring navigatielantaarns binnenvaart 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006078), op [artikel 4, eerste lid, van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003627&artikel=4) en op [artikel 1.01, onderdeel C, 3° en 4°, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.01). Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de [Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007331) op [artikel 13, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006309&artikel=13) en op [artikel 8.06, eerste en tweede lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artik"},{"i":5047,"b":"Besluit van de directeur Planbureau voor de Leefomgeving, van 15 november 2023, nr. IENW/BSK-2023/344959, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Ondermandaatbesluit directie Planbureau voor de Leefomgeving 2023) Gelet op [artikel 27, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27); BESLUIT: Artikel 1. Verlening ondermandaat Aan de plaatsvervangend directeur, sectorhoofden en hoofden stafbureaus, bedoeld in [artikel 20, tweede en derde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=20), worden de door de Minister aan de directeur Planbureau voor de Leefomgeving verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27), voor zover die behoren bij hun taken, bedoeld in [artikel 20, zesde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=20), in ondermandaat verleend. Artikel 2. Omvang ondermandaat Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048992&artikel=1&z=2023-12-05&g=2023-12-05) verleende ondermandaat omvat niet de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar. Artikel 3. Intrekking Het Ondermandaatbesluit directie Planbureau voor de Leefomgeving 2012 wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Ondermandaatbesluit directie Planbureau voor de Leefomgeving 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2174,"b":"Aanwijzing kader voor toepassing van voorwaarden, gedragsaanwijzingen en maatregelen Samenvatting Deze aanwijzing voorziet in een algemeen kader voor de toepassing van voorwaarden, gedragsaanwijzingen of maatregelen in het strafproces. Ondanks de verschillen zijn op deze voorwaarden, gedragsaanwijzingen en maatregelen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, van bepaaldheid en van uitvoerbaarheid van toepassing. Deze aanwijzing gaat in op de toepassing van deze algemene uitgangspunten. Verder geeft deze aanwijzing concrete handvatten met betrekking tot de gedragsaanwijzing ex [art. 509hh Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=509hh), de vrijheidsbeperkende maatregel ex [art. 38v Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38v) en de gratie onder voorwaarden ex [art. 13 Gratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004257&artikel=13). 1. Inleiding Het Openbaar Ministerie (OM) heeft verschillende mogelijkheden om in de diverse fasen van het strafproces het gedrag van verdachten of veroordeelden te beïnvloeden en/of hun vrijheid te beperken, middels het stellen of vorderen van voorwaarden, gedragsaanwijzingen of maatregelen. Dat brede arsenaal is van groot belang om maatwerk te kunnen leveren en recht te doen aan de specifieke kenmerken van de zaak of aan de verdachte/veroordeelde. De keerzijde van die veelheid aan mogelijkheden is dat iedere mogelijkheid min of meer andere juridische kaders kent en hierdoor uitvoeringsproblemen kunnen ontstaan. Daarbij komt dat een deel van de praktijk buiten de klassieke sanctionering op basis van de in [artikel 9 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9) genoemde straffen, niet door de wetgever genormeerd is. Met deze aanwijzing wordt beoogd de praktijk te vergemakkelijken en te voorzien van een duidelijk kader, teneinde de kwaliteit te bevorderen. Hiertoe wordt voorzien in een overzicht van algemene uitgangspunten die gelden naast de juridische kaders die geld"},{"i":5222,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 17 februari 2012, nr. WJZ/12001252, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2012 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=45), [47, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47), [48, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=48), [56, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=56), [59, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=59), [61, eerste lid](http"},{"i":5075,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 augustus 2017, 2017-0000141565, houdende de inrichting van de directie Analyse, Programmering en Strategie, alsmede de toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan de onder de directeur ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Analyse, Programmering en Strategie 2017) Gelet op de [artikelen 5, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039965&artikel=5), en [12 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal SZW 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039965&artikel=12); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - **afdeling BDI:** de afdeling Boete, Dwangsom en Inning; - **afdeling BO:** de afdeling Beleidsondersteuning; - **afdeling COM:** de afdeling Communicatie; - **afdeling HH:** de afdeling Handhaving; - **afdeling PCF:** de afdeling Planning, Control en Financiën; - **afdeling PSO:** de afdeling Programmering, Signalering en Onderzoek; - **afdeling SPO:** de afdeling Services, Personeelsontwikkeling en Ondersteuning; - **directeur:** de directeur van de directie Analyse, Programmering en Strategie; - **directie:** de directie Analyse, Programmering en Strategie; - **team ISI:** het team Inkoop, Secretariaat en Interne arbozorg; - **team MOMA:** het team Management, Ondersteuners en Assistenten; - **team P&O:** het team Personeel en Organisatieontwikkeling; - **team S&O:** het team Services en Ondersteunend cluster; - **uitvoerende directies:** de directie Toezicht, de directie Meldingen en Verzoeken, de directie Informatievoorziening en de directie Opsporing. § 2. Organisatie Artikel 2. Organisatie directie 1. De directie bestaat uit de volgende afdelingen: - a. de afdeling BDI, waarbinnen de volgende teams zijn ingericht: - 1°. drie teams voor de voorbereiding van bestuurlijke sancties, elk met een"},{"i":5087,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juli 2019, nr. 2019-0000097643, houdende de inrichting van de directie Gezond en Veilig Werken, alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Gezond en Veilig Werken (Organisatie-, mandaat- en volmachtsbesluit G&VW 2019) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042435&artikel=3), en [15 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtsbesluit directeur-generaal Werk 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042435&artikel=15); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directie:** de directie Gezond en Veilig Werken (G&VW) van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **directeur:** de directeur Gezond en Veilig Werken; - c. **MT:** het managementteam van de directie Gezond en Veilig Werken. § 2. Organisatie en taken Artikel 2 1. De directie bestaat uit de volgende teams: - a. team A; - b. team B; - c. team C. 2. Het MT wordt gevormd door de directeur en drie MT-leden. Het MT wordt ondersteund door de directiesecretaris. Artikel 3 De directie G&VW is stelselverantwoordelijk voor arbeidsomstandigheden. De directie G&VW stelt kaders en stimuleert werknemers en werkgevers om gezonde en veilige arbeidsomstandigheden te creëren. Het MT is verantwoordelijk voor onder meer de volgende hoofdtaken: - a. de ontwikkeling van en advisering over het beleid op het gebied van gezond en veilig werken; - b. het stimuleren en faciliteren van werkgevers en werknemers om arbeidsrisico’s te voorkomen en/of te beheersen; - c. het stimuleren en faciliteren van werkgevers en werknemers om een preventie- en verzuimbeleid te voeren gericht op inzetbaarheid van werkenden; - d. het uitvoeren van interventies die ingrijpen op gedrag en cultuur; - e. het bijdragen aan modernisering van EU-regelgeving op het gebied van gezond en veilig werken (zoals de machin"},{"i":5088,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juli 2019, nr. 2019-0000097647, houdende de inrichting van de directie Internationale Zaken alsmede doorverlening van vertegenwoordigings-bevoegdheden van de directeur Internationale Zaken (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit IZ 2019) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042435&artikel=3), en [15 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directeur-generaal Werk 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042435&artikel=15); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directie:** de directie Internationale Zaken van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **directeur:** de directeur Internationale Zaken § 2. Organisatie en taken Artikel 2 De directie bestaat uit de volgende afdelingen: - a. de afdeling Europese Aangelegenheden; - b. de afdeling Internationale Aangelegenheden; - c. het cluster Permanente Vertegenwoordiging, gevestigd te Brussel; Artikel 3 Het hoofd van de afdeling Europese Aangelegenheden is verantwoordelijk voor: - a. het ontwikkelen van een strategisch kader ten aanzien van het te voeren EU-beleid van het departement en toetsen van de Nederlandse inbreng daarin (waaronder het toetsen aan de strategische kaders); - b. het voeren van het inhoudelijke en procesmatige secretariaat ten aanzien van de EU-dossiers en het initiëren, adviseren, coördineren en toetsen van de Nederlandse inbreng daarin; - c. het voeren van onderhandelingen en uitdragen van Nederlandse standpunten in EU-verband. - d. het toetsen van nationale voornemens aan Europese kaders en ontwikkelingen; - e. de functionele aansturing van het cluster Permanente Vertegenwoordiging en het in samenwerking met het cluster Permanente Vertegenwoordiging voeren van de regie over het proces tussen de beleidsdirecties en de Europese Unie; - f. het onderhouden van het"},{"i":5098,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juli 2019, nr. 2019-0000097655, houdende de inrichting van de directie Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving, alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie UAW 2019) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042435&artikel=3), en [15 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directeur-generaal Werk 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042435&artikel=15); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directie:** de directie Collectieve arbeidsovereenkomsten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **directeur:** de directeur Collectieve arbeidsovereenkomsten. § 2. Organisatie en taken Artikel 2 De directie bestaat uit de volgende afdelingen: - a. de afdeling Cao Onderzoek en Beleidsinformatie; - b. team Functioneel beheer; - c. de afdeling Collectieve Arbeidsvoorwaarden. Artikel 3 Het hoofd van de afdeling Cao Onderzoek en Beleidsinformatie is verantwoordelijk voor: - a. Het instellen van onderzoeken naar ontwikkelingen met betrekking tot collectieve arbeidsovereenkomsten; - b. Het genereren van beleidsinformatie ten aanzien van de overige uitvoeringstaken die tot de taak van de directie behoren. Artikel 4 De Teamleider Functioneel Beheer is verantwoordelijk voor alle processen van de directie, betreffende het functioneel beheer van alle directie specifieke automatisering en de daaruit voortvloeiende managementinformatievoorziening. Artikel 5 Het hoofd van de afdeling Collectieve Arbeidsvoorwaarden is verantwoordelijk voor: - a. het registreren van collectieve arbeidsovereenkomsten als bedoeld in [artikel 4 van de Wet op de loonvorming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002698&artikel=4); - b. het inn"},{"i":5106,"b":"Overdracht woningen aan dochtermaatschappijen, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Doel en aanleiding Het is de wens van het kabinet dat woningcorporaties zich weer meer gaan richten op de kerntaken, de zogenaamde daeb-activiteiten. Daarbij past het in 2013 ingezette beleid ten aanzien van de verkoop van geliberaliseerde en mogelijk te liberaliseren woningen aan derden, zoals dat in de [MG2013-02](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033902) is neergelegd. De regels in deze circulaire voor verkoop aan derden zijn ook bepalend voor de verkoop aan een specifieke derde, te weten dochtermaatschappijen van woningcorporaties. Op basis van de nu in procedure zijnde Herzieningswet zullen niet-daeb-activiteiten onder voorwaarden in een dochtermaatschappij ondergebracht kunnen worden. Daarbij kunnen ook te liberaliseren woningen worden afgesplitst. Het is mij gebleken dat er in de corporatiesector belangstelling is om, al voorafgaand aan de invoering van de Herzieningswet, mogelijk te liberaliseren woningen onder te brengen in een dochtermaatschappij. Ik hecht er aan dat deze heroriëntatie op de kerntaken met het oog op het belang van de volkshuisvesting zorgvuldig plaats vindt. Bij overdracht van bezit dient in verband daarmee onder meer aandacht te zijn voor de belangen van huurders en gemeenten, de bescherming van het opgebouwde maatschappelijk vermogen, het voorkomen van kruissubsidiëring en met een adequaat toezichtsregime. Op basis van de huidige regelgeving wordt de overdracht van woningen aan dochtermaatschappijen, ongeacht of dit via verkoop of via splitsing van de rechtspersoon plaats vindt, getoetst aan het belang van de volkshuisvesting. Het lokale volkshuisvestelijk belang wordt in de eerste plaats geborgd door een zorgvuldige procedure met zienswijzen van gemeenten en huurdersorganisatie. Bij overdrachten met mogelijk financiële consequenties wordt de zienswijze van de financieel toezichthouder gevraagd. In de [MG2013-02](https://wetten."},{"i":5107,"b":"Besluit 13 juli 2002 tot uitvoering van artikel 10f van de Sanctiewet 1977 (Overdrachtsbesluit Sanctiewet 1977) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 18 juni 2002, Centrale Directie Wetgeving, Juridische en Bestuurlijke Zaken, nr. WJB 2002-0698M; Gelet op [artikel 10f van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10f); De Raad van State gehoord (advies van 27 juni 2002, no. W06.02.0257/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 4 juli 2002, nr. WJB 2002-0765M; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296); - b. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; - c. de rechtspersonen: de door Onze Minister op grond van [artikel 10, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10) aangewezen rechtspersonen. Artikel 2 Met inachtneming van het bepaalde in [artikel 10f, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10f) worden de bevoegdheden die Onze Minister heeft op grond van de [artikelen 10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10b), [10ba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10ba), [10c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10c), [10d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10d), en [10e, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10e), alsmede de bevoegdheid die Onze Minister heeft op grond van [artikel 10h van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10h), voor zover de in het laatstgenoemde artikel bedoelde gegevens en inlichtingen door de in dat artikel bedoelde instellingen rechtstreeks bij de rechtspersonen worden opgevraagd, overgedragen aan de rechtspersonen, voor zover deze ingevolge [artikel 10, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":5112,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen tot regeling der grensscheiding tussen de Nederlandse gemeente Dinxperlo en de Pruisische gemeente Süderwick **Dinxperlo**, 12 Augustus 1872. Ingevolge de bevelen van de Nederlandsche en de Pruissische Regeringen hebben zich op heden alhier vereenigd: van de zijde van Nederland, de Staatsraad L. G. A. Graaf VAN LIMBURG STIRUM, Commissaris des Konings in de provincie Gelderland; Mr. J. E. H. baron VAN NAGELL, Lid van Gedeputeerde Staten van Gelderland; F. W. H. VAN OPSTALL, Hoofdingenieur van den waterstaat in Gelderland; en J. M. WALESON, Hoofdinspecteur der directe belastingen, in- en uitgaande regten en accijnsen bij het Departement van Financien; van de zijde van Pruissen, de Regeringsraad MERSMANN van Munster; de Landraad BUCHOLZ van Borken; en de Kreisbaumeister HELD van Coesfeld; om aangaande de onzigtbaar geworden landsgrenzen tusschen de Nederlandsche gemeente **Dinxperlo** en de Pruissische gemeente **Süderwick** tot eene behoorlijke regeling te geraken. Na het terrein te hebben bezocht en in oogenschouw genomen, werd overeengekomen de regeling der grensscheiding, onder voorbehoud der goedkeuring der wederzijdsche Regeringen, op de volgende wijze vast te stellen: Art. 1 Van den afweg naar **Bocholt** tot aan den grenssteen n°. 181 wordt de grens definitief bepaald en aangeduid door de steenen 179, 180 en 181, zooals deze, blijkens de door beide Regeringen goedgekeurde verklaring der betrokken burgemeesters van 19 December 1849, zijn geplaatst en zich thans nog bevinden. Tusschen de grenssteenen n°. 181 en n°. 186 wordt de grens tusschen beide Rijken bepaald door eene regelmatig gebogen lijn, getrokken op een afstand van twee en een halve (2.5) meter uit de as der begrinding van den Heelweg, en zullen de bestaande grenssteenen tot aan die lijn worden vooruitgebragt. Art. 2 De in art. 1 bepaalde grenslijn zal worden aangeduid door met olieverw wit geverwde steenen palen, te plaatsen"},{"i":5117,"b":"Overheidspensioen, opbouw ter zake van diensten bewezen aan voormalige overzeese gebiedsdelen De staatssecretaris heeft besloten voor een groot aantal belastingverdragen af te zien van belastingheffing van dat deel van een Nederlands overheidspensioen dat is opgebouwd ter zake van diensten bewezen aan een voormalig overzees gebiedsdeel. Op dat deel van het pensioen moet de verdragsregeling voor particuliere pensioenen worden toegepast, die het heffingsrecht toewijst aan de woonstaat van de pensioengenieter. Mij is gebleken dat er onduidelijkheid bestaat over de fiscale behandeling van door buitenlandse belastingplichtigen genoten Nederlandse overheidspensioenen waarbij een deel van het pensioen is opgebouwd ter zake van diensten bewezen aan de voormalige overzeese gebiedsdelen. Voorzover een dergelijk deel van een Nederlands overheidspensioen wordt genoten door een inwoner van een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat een bepaling inzake overheidspensioenen bevat waarin als voorwaarde voor belastingheffing in Nederland is opgenomen dat belanghebbende in de uitoefening van een overheidsfunctie diensten moet hebben bewezen aan Nederland (of andere woorden van gelijke strekking), wordt dat deel van het Nederlandse overheidspensioen niet beheerst door de bepaling inzake overheidspensioenen, maar door de bepaling inzake particuliere pensioenen. Het vorenstaande betekent dat, indien wordt voldaan aan de hiervoor beschreven omstandigheden, dat deel van het Nederlandse overheidspensioen dat een belanghebbende in de voormalige overzeese gebiedsdelen heeft opgebouwd, ter belastingheffing toekomt aan zijn woonstaat en dat belanghebbende ter zake van dat deel van zijn Nederlandse overheidspensioen onder verwijzing naar het in zijn geval relevante belastingverdrag en onder overlegging van andere ter zake relevante informatie aan de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland te Heerlen om een vrijstelling van belasting kan ve"},{"i":2182,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3082225, inzake opbrengstverrekening cggz-instellingen en enkele andere opbrengstverrekening aangelegenheden Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 6 juni 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over de voornemens met betrekking tot de opbrengstverrekening curatieve GGZ en categorale instellingen (Kamerstukken II 2010/11, 29 248, nr. 210); Gelet op het Algemeen overleg en een verlengd algemeen overleg op 30 juni 2011 met de Tweede Kamer der Staten Generaal en de stemming op 30 juni 2011 over de moties ingediend tijdens eerdergenoemd verlengd algemeen overleg (Kamerstukken II, 29 248); Gelet op de korte aantekeningen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 28 juni 2011, kenmerk 43120/WB/, inzake de voorhangbrief over het voornemen om de Nederlandse Zorgautoriteit een aanwijzing te geven inzake opbrengstverrekening curatieve GGZ en categorale instellingen (Kamerstukken II 2010/11, 29 248, nr. 208); En gelet op de [Aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3072825, van 29 juli 2011 inzake transitiemodel prestatiebekostiging medisch specialistische zorg 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030318) (Stcrt. 2011, 13950); Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. definities - a. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **het Zorginstituut:** het Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerst"},{"i":3402,"b":"Besluit van 9 februari 2021, houdende vaststelling van regels met betrekking tot het verlenen van clementie voor geldboetes betreffende kartels (Besluit clementie) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 2 november 2020, nr. WJZ / 20238176; Gelet op richtlijn nr. [richtlijn 2019/1](32019L0001) van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt en [artikel 58c Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=58c); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 januari 2021, No.W18.20.0400/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 4 februari 2021, nr. WJZ / 21015285; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet tot wijziging van de Mededingingswet en de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2019/1 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt (PbEU 2019, L 11) tot wet is of wordt verheven en artikel II, onderdeel J, van die wet in werking treedt (Stb. 2021/9). § 1. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **ACM:** Autoriteit Consument en Markt; - **Bewijsmateriaal met significante toegevoegde waarde:** bewijsmateriaal dat het vermogen van de ACM versterkt om het bestaan van een vermeend geheim kartel te bewijzen, ten opzichte van het bewijsmateriaal waarover de ACM op het tijdstip van verstrekking reeds beschikt; - **Boete-immuniteit:** afzien van de geldboete die aan een onderneming of aan een natuurlijke persoon zou worden opgelegd voor haar deelname aan e"},{"i":6007,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 december 2023, nr. 2023-0000712297, houdende regels die de Invoeringswet Omgevingswet en de vier aanvullingswetten van de Omgevingswet aanvullen voor een goede invoering van de Omgevingswet (Vangnetregeling Omgevingswet) Gelet op [artikel 5.1, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=5.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Aanvullingen op de [Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660) Artikel 1.1. (begripsbepaling) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder wet: [Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660). Artikel 1.2. (aanvulling [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=2.2) – beroepsmogelijkheid [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555)) Vervallen Artikel 1.3. (aanvulling [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=2.3) – [artikel 7:235 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=235)) In aanvulling op [artikel 2.3, onder C, onder 1, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=2.3) geldt het bepaalde in [artikel 235 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=235) ook voor een bouwactiviteit waarvoor een melding voor het in gebruik nemen is gedaan als het in gebruik nemen van het bouwwerk of de bouwwerken die het resultaat zijn van de bouwactiviteit op grond van [artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3) is verboden zonder voorafgaande melding. Artikel 1.4. (aanvulling [artikel 2.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=2.53) – [Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119)) In aanvulling op [artikel 2.53 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR004"},{"i":1993,"b":"Wet van 16 december 1999, houdende wijziging van enkele belastingwetten (technische aanpassingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een aantal belastingwetten wijzigingen van redactionele aard aan te brengen alsmede enkele technische reparatiemaatregelen en maatregelen ter voorkoming van anticipatie-gedrag op het wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting 2001 te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel VII werkt terug tot en met 1 januari 1997. Artikel I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel V Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel VI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VIII 1. Bij de omrekening van het bedrag in guldens van de op de voet van de [Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119) vastgestelde waarde van de onroerende zaak met toepassing van de artikelen 4 en 5 van [verordening nr. 1103/97](31997R1103) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro (PbEG L 162), wordt, in afwijking in zoverre van [artikel 5, eerste lid, van de Wet overgang belastingheffing in euro's](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010136&artikel=5), het bedrag naar beneden afgerond op gehele euro's. 2. In een beschikking met betrekking tot de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak die voor 1 januari 2002 op de voet van de [Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119) wordt genomen voor het tijdvak dat aanv"},{"i":1994,"b":"Wet van 11 september 1997 tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met een verhoging van de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek in de inkomstenbelasting en de loonbelasting met ingang van 1 juli 1997 en 1 januari 1998 te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 juli 1997. ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. ARTIKEL V 1. Indien deze wet in het **Staatsblad** wordt geplaatst op of voor 30 juni 1997 treden de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008901&artikel=I&z=1998-01-01&g=1998-01-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008901&artikel=II&z=1998-01-01&g=1998-01-01) in werking op 1 juli 1997. 2. Indien deze wet in het **Staatsblad** wordt geplaatst na 30 juni 1997 treden de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008901&artikel=I&z=1998-01-01&g=1998-01-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008901&artikel=II&z=1998-01-01&g=1998-01-01) in werking op de eerste dag na plaatsing in het **Staatsblad** en werken zij terug tot en met 1 juli 1997. 3. De [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008901&artikel=III&z=1998-01-01&g=1998-01-01) en [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008901&artikel=IV&z=1998-01-01&g=1998-01-01) treden in werking met ingang van 1 januari 1998. 4. Onze Minister van Financiën kan, in afwijking in zoverre van de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=25) en ["},{"i":4162,"b":"Besluit van 2 april 1965, houdende intrekking van het KB van 1 augustus 1879, nr. 26, alsmede de vaststelling van een nieuwe regeling inzake de landsadvocatuur Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, mede namens zijn ambtgenoot van Financiën, van 15 januari 1965, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 17/665; Overwegende, dat het wenselijk is het Koninklijk besluit van 1 augustus 1879, nr. 26, in te trekken en een regeling te treffen omtrent de verlening van de titels van landsadvocaat en plaatsvervangend landsadvocaat en de intrekking daarvan; De Raad van State gehoord (advies van 10 februari 1965, nr. 22); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 11 maart 1965, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 111/665 en van Onze Minister van Financiën, van 25 maart 1965, nr. 204, Afdeling Kabinet en Personeel; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Koninklijk besluit van 1 augustus 1879, nr. 26, zoals dit is gewijzigd laatstelijk bij Ons besluit van 10 april 1963, nr. 28, wordt ingetrokken. Artikel 2 Aan de advocaat, die geregeld voor de Staat als zodanig optreedt, kunnen Wij de titel van landsadvocaat verlenen. Wij kunnen te allen tijde de verlening van deze titel intrekken. Artikel 3 Onze Minister van Justitie kan, na overleg met de landsadvocaat, aan andere advocaten de titel van plaatsvervangend landsadvocaat verlenen. Onze Minister van Justitie kan te allen tijde, na overleg met de landsadvocaat, de verlening van de titel van plaatsvervangend landsadvocaat intrekken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van het **Staatsblad** waarin het is geplaatst. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":3654,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 20 december 2006, nr. DDE-1026/2006, tot verlening van een mandaat en tot wijziging van beleidsregels en van een subsidieplafond met het oog op subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (ORET) Artikel I 1. Aan de Projectdirecteur ORET van PricewaterhouseCoopers Advisory N.V. wordt mandaat verleend om namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking: - a. besluiten te nemen inzake subsidieverlening op grond van de [artikelen 7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) en [7.3, onder h, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.3) overeenkomstig de daartoe vastgestelde beleidsregels (ORET) en - b. te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld onder a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. 2. De Projectdirecteur ORET van PricewaterhouseCoopers Advisory N.V. wordt gemachtigd tot het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding van de in het eerste lid bedoelde besluiten. 3. De Projectdirecteur ORET kan van zijn bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, ondermandaat en machtiging verlenen aan functionarissen van PricewaterhouseCoopers Advisory N.V. en Ecorys Nederland B.V. (Ecorys). Artikel II Wijzigt het Vaststellingsbesluit beleidsregels subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (ORET). Artikel III Wijzigt het Besluit vaststelling Subsidieplafond ORET 2007. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt wat betreft de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020963&artikel=I&z=2007-01-10&g=2007-01-10) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020963&artikel=II&z=2007-01-10&g=2007-01-10) terug tot en met 1 januari 2007. Gelet op ["},{"i":4383,"b":"Besluit van 16 november 2005 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen en enige andere wetten (Besluit Wfsv) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering Hoofdstuk 2. Premies werknemersverzekeringen Hoofdstuk 5. Slotbepalingen Artikel 5.1. Overgangsrecht [artikel 2.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=2.3&z=2026-04-01&g=2026-04-01) 1. [Artikel 2.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=2.3&z=2026-04-01&g=2026-04-01), zoals dat luidde op 31 december 2024 blijft van toepassing op herzieningen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, die betrekking hebben op de periode tot en met 31 december 2024. 2. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2030. Artikel 5.2. Intrekking algemene maatregelen van bestuur 1. Het [Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012465) en het [Besluit vrijwillige verzekering AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012781) worden ingetrokken. 2. Het [Besluit financiering uitvoeringsorganisatie bijzondere ziektekostenverzekering AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018059) wordt ingetrokken. 3. Het [Besluit vaststelling premiepercentage wachtgeldfondsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010118) wordt ingetrokken. 4. Het [Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007900) wordt ingetrokken. 5. Het [Besluit beperking eigenrisicodragen WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014305) wordt ingetrokken. Artikel 5.3. Inwerkingtreding 1. De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen"},{"i":3961,"b":"Besluit van 18 september 2020, houdende regels voor een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor het beheer van afvalstoffen (Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid) Op de voordracht van Onze Minister voor Milieu en Wonen van 8 april 2020, nr. IenW/BSK-2020/43287, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van [Richtlijn 2008/98/EG](32008L0098) betreffende afvalstoffen (PbEU 2018, L 150) alsmede [artikel 9.5.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 juli 2020, nr.W17.20.0103/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 11 september 2020, nr. IenW/BSK-2020/156218, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. (definities en reikwijdte) 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **in de handel brengen:** voor het eerst op de markt aanbieden van stoffen, mengsels of producten; - **producent:** degene die beroepsmatig, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, stoffen, mengsels of producten in Nederland in de handel brengt; - **producentenorganisatie:** de organisatie die namens producenten verplichtingen uit hoofde van een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid nakomt; - **wet:** [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245). 2. Dit besluit is van toepassing wanneer een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid op grond van [artikel 9.5.2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2) is vastgesteld, vanaf het tijdstip van de vaststelling van die regeling. Artikel 2. (verplichtingen producent) 1. De producent is verantwoordelijk voor het nakomen van de verplichtingen die in de regeling"},{"i":3912,"b":"Besluit van 18 oktober 2024 van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, nr. ANVS-2024/9573, inhoudende de organisatie en de verlening van mandaat, ondermandaat, volmacht en machtiging aan leden, directeuren, teamleiders en inspecteurs van de ANVS (Besluit organisatie en mandaat Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming) Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **ANVS:** Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming als bedoeld in [artikel 3, eerste lid van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=3); - **ANVS-organisatie:** de organisatie van het personeel, bedoeld in [artikel 10 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=10); - **bestuur:** de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de ANVS; - **directeur:** directeur als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050338&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2026-01-27&g=2026-01-27); - **inspecteur:** ambtenaar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit aanwijzing ANVS-toezichthouders Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039897&artikel=1); - **lid van de ANVS:** lid van de ANVS als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=5); - **Ministerie van I&W:** Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - **Richtlijn 2014/24/EU:** [Richtlijn 2014/24/EU](32014L0024) van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van [Richtlijn 2004/18/EG](32004L0018) (PbEU 2014 L 94); - **RIVM:** Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu; - **teamleider:** teamleider als bedoeld in [artikel 3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050338&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2026-01-27&g=2026-01-27). Hoofdstuk 2. Organisatiestructuur Artikel 2. Directies 1. De ANVS-or"},{"i":2731,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2005 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i, van die regeling, stelt op 16 februari 2005, doch niet later dan 15 maart 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,654 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2005 en eindigende met 15 maart 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":3884,"b":"Besluit van de Minister voor Klimaat en Energie van 18 maart 2024, nr. WJZ/ 45338525, tot openstelling van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2024 (Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2024) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=2), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=4), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=5), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=8), [9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=9), en [24, tweede lid, van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=24); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **netlevering:** elektriciteit die op het elektriciteitsnet wordt ingevoed; - **netto P50-waarde vollasturen:** aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van een locatie en een productie-installatie die gebruik maakt van windenergie, is bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%; - **niet-netlevering:** elektriciteit die op een installatie wordt ingevoed; - **regeling:** [Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882). Artikel 2. (subsidieplafond en aanvraagperiode) 1. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit op grond van [artikel 2, derde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=2), die wordt aangevraagd in de periode van 2 april 2024, 09:00 uur, tot 1 november 2024, 17:00 uur, wordt vastgesteld op € 100.000.000. 2. Per categorie productie-installaties kan in de periode, bedoeld in het eerste lid, per locatie waarop de produ"},{"i":2335,"b":"Circulaire van 10 april 1992 A. Taak en werkwijze van de ministerraad (algemeen) 1 In het eerste lid van [artikel 4 van het Reglement van Orde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006501&artikel=4) (RvO) van de ministerraad (**Stb.** 1979, 264) is geregeld dat de ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en de eenheid van dat beleid bevordert. Volgens de nota van toelichting bij het [RvO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006501) is aan de interpretatie van de raad zelf overgelaten wat onder algemeen regeringsbeleid dient te worden verstaan. Wel zijn in het tweede lid van artikel 4 verscheidene onderwerpen opgesomd die in ieder geval in de raad moeten worden behandeld. De tekst van artikel 4 luidt als volgt: Sinds de vaststelling van het [RvO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006501) in 1979 is een aantal wijzigingen in de werkwijze van de ministerraad opgetreden. Zo heeft de ministerraad in 1985 afgesproken naar aanleiding van de toezeggingen met betrekking tot het kabinetsstandpunt over moties inzake deregulering dat indien het advies van de Raad van State ingrijpende kritiek op de inhoud of de vormgeving van wetsvoorstellen en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur bevat, deze opnieuw in de ministerraad aan de orde moeten worden gesteld. De publikatie van adviezen van niet-ambtelijke adviesorganen is in [artikel 9 van de wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=9) (WOB) voorgeschreven. Is een regeringsstandpunt over een dergelijk advies wenselijk, dan zal van geval tot geval worden beoordeeld of behandeling in de ministerraad noodzakelijk is. 2 Bij twijfel over de vraag of een aangelegenheid in de ministerraad aan de orde moet worden gesteld, plegen de ministers overleg met de minister-president ([art.5 RvO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006501&artikel=5)). Hoewel het RvO veel onderwerpen die in de ministerraad aan de orde komen met name noemt, kan ten"},{"i":3095,"b":"Besluit van 9 december 2021, houdende voorschriften inzake berekening, toekenning en het beheer van de bekostiging van scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (Besluit bekostiging WEC 2022) Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 30 september 2021, nr. WJZ/29119624 (12546), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 14c, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=14c), [14f, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=14f), [18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=18), [45, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=45), [70, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=70), [88, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=88), [113, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=113), [114, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=114), [115, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=115), [116, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=116), [145, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=145), en [171, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=171), [artikel 7.1.1.2, eerste lid, onderdeel a, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.1.1.2), [artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) en [artikel 73, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=73); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 november 2021, nr. W05.21.0295/I); Gezien het nader rapport v"},{"i":5580,"b":"Besluit van 18 december 2008, houdende herstel van technische gebreken in algemene maatregelen van bestuur op grond van de Wet op het financieel toezicht, het Besluit fondsen en spaarregelingen, het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2 en het Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Reparatiebesluit Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 8 oktober 2008, nr. FM 2008-2324 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), [1:10, aanhef en onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:10), [1:40, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:40), [1:81, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81),[1:102, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:102), [2:45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:45), [2:54f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:54f), [3:5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:5), [3:36, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:36), [3:53, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:54, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:54), [3:57, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:59, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:59), [3:61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:61), [3:62, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:62), [3:67, vierde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:67), [3:259, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:259), [3:266, vijfde lid](h"},{"i":4764,"b":"Wet van 14 december 2012, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Infrastructuur en Milieu (Kaderwet subsidies I en M) Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. Artikel 2 In afwijking van [artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:21) is [titel 4.2 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) van toepassing op subsidies die worden verstrekt op grond van een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01), die uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. Artikel 3 1. Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten die passen in het beleid inzake: - a. infrastructuur; - b. milieubeheer; - c. luchtvaart en luchtverkeer; - d. ruimtelijke ordening; - e. scheepvaart en maritieme zaken; - f. verkeer en vervoer; - g. water. 2. Onze Minister kan voorts subsidies verstrekken voor activiteiten op het gebied van de onderwerpen, die zijn genoemd in de begrotingsstaat, onderdeel uitgaven en verplichtingen, behorend bij de wet, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu voor het desbetreffende jaar, of voor een voorafgaand jaar, voor zover daarin een beschikking tot subsidieverstrekking is gegeven. Indien bij de aanvang van enig jaar bedoelde wet nog niet in werking is getreden, wordt tot die inwerkingtreding het voorstel daartoe in aanmerking genomen. Artikel 4 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister kunnen de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bedoelde activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt nader"},{"i":3916,"b":"Besluit van het Instituut Mijnbouwschade Groningen van 6 november 2025, houdende vaststelling van de organisatiestructuur en verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de voorzitter, de andere leden en aan ambtenaren van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2026) Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [artikel 3:60 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=60), [artikel 4 van het Besluit volmacht en machtiging IMG 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043770&artikel=4) en het [Tijdelijk besluit mandaat, volmacht en machtiging herstel schade en versterking Groningen van 14 november 2024 II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050393); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **afdeling:** afdeling van het Bureau; - –. **afdelingsmanager:** manager van een afdeling; - –. **algemeen directeur:** algemeen directeur van het Bureau; - –. **bestuur:** voorzitter en andere leden van het Instituut; - –. **Bureau:** Bureau als bedoeld in [artikel 5 van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=5); - –. **corporate kosten:** kosten als gevolg van het aangaan van een privaatrechtelijke verplichting die ten laste komen van de eigen middelen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; - –. **directe uitvoeringskosten:** kosten voor de aanschaf van goederen of inzet van derden voor de uitvoering van de taken en bevoegdheden van het Instituut; - –. **directeur:** directeur van het Bureau en tevens plaatsvervangend algemeen directeur; - –. **directie:** algemeen directeur en directeur van het Bureau; - –. **Instituut:** Instituut Mijnbouwschade Groningen; - –. **overlastvergoeding:** vergoeding voor overlast, als gevolg van fysieke mi"},{"i":5776,"b":"Subsidieregeling Programmafinanciering Externeveiligheidsbeleid voor andere overheden Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. uitvoeringskosten: kosten voor personeel, onderzoek en communicatie; - b. provinciaal programma: een samenhangende verzameling van deelprojecten binnen een provincie die worden uitgevoerd door de provincie en haar gemeenten; - c. externeveiligheidsbeleid: het beleid gericht op de verbetering van de veiligheid buiten inrichtingen waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en buiten transportroutes en buisleidingen waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, voor zover die veiligheid kan worden beïnvloed door een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, alsmede verbetering van de veiligheid buiten luchthaventerreinen; - d. de minister: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 2. Doel 1. Deze regeling heeft tot doel het stimuleren van de uitvoering van het externeveiligheidsbeleid en het bevorderen van de samenwerking door gemeenten, provincies en regionale samenwerkingsverbanden op het gebied van externe veiligheid. 2. Subsidie kan worden verstrekt op aanvraag van een provincie ter zake van de kosten van activiteiten die zijn opgenomen in een provinciaal programma als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016863&artikel=3&z=2005-12-02&g=2005-12-02) en naar het oordeel van de minister bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van de subsidieregeling. De activiteiten moeten voor 1 april 2006 zijn afgerond. Artikel 3. Provinciaal programma 1. Een provinciaal programma bestaat uit een aantal van de volgende projecten op het gebied van externe veiligheid: - a. risicoinventarisatie van risicovolle situaties; - b. actualisatie bestaande vergunningen; - c. transport van geva"},{"i":4825,"b":"Mandaatbesluit bevoegdheid beëdiging getuigen en tolken gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), Besluit: Artikel 1 Aan de medewerkers van het bureau van het Huis voor Klokkenluiders aangesteld in de afdeling onderzoek als onderzoekers, als bedoeld in [art. 3d lid 4 van de Wet Huis voor klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3d), wordt mandaat verleend van de bevoegdheid tot het afnemen van de eed of belofte bij de in het belang van het onderzoek opgeroepen getuigen en tolken. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit bevoegdheid tot beëdiging getuigen en tolken. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5832,"b":"Subtaak- en ondermandaatbesluit Human Resources & Bedrijfsvoering (Kerndepartement) 2022 Gelet op [artikel 26 van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746&artikel=26) en op [artikel 3 van het Ondermandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit SG Defensie 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046552&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Definities 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** Minister van Defensie of Staatssecretaris van Defensie, afhankelijk van wie het aangaat; - b. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon besluiten te nemen; - c. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt begrepen onder: - a. **Kerndepartement:** de Bestuursstaf; - b. **Directie Human Resources & Bedrijfsvoering (HR&BV):** de directie HR&BV die zich richt op de ondersteuning van het Kerndepartement. Artikel 2. Organisatie van de Directie Human Resources & Bedrijfsvoering 1. De Directie HR&BV bestaat uit: - a. Bureau BC/EBB; - b. Directiebureau; - c. HR-Advies Kerndepartement; - d. HR-Advies MIVD; - e. Afdeling Bedrijfsvoering en Veiligheid; - f. Afdeling Advies, Informatiemanagement en Projecten. 2. Het organogram van de Directie HR&BV is opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 3. Bureau Beveiliging coördinatie/Eenheid bewaken en beveiligen De directeur HR&BV treedt tevens op als Hoofd Bureau BC/EBB en is in dat verband belast met de volgende taken: - a. het geven van ambtelijke leiding aan Bureau BC en het invullen van de HR-verantwoordelijkheden voor de medewerkers die namens de (P)SG de beveiliging van (bewinds)personen in het Rijksdomein coördineren; - b. de beveiligingscoördinatie van het kerndepartem"},{"i":2384,"b":"Besluit van de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 3 juni 2009, nr. 2673, houdende beëindiging van het verstrekken van financiële bijdragen ten behoeve van de uitzending van coproducties of andere omroepprogramma’s door omroepinstellingen Gelet op de regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 11 juli 2008, nr. 3067435, houdende intrekking van de Aanwijzingen inzake coproducties en andere omroepprogramma’s (Stcrt. 2008, nr. 138); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **coproductie:** een omroepprogramma waaraan meerdere partijen, waaronder in elk geval een omroepinstelling enerzijds en een ministerie dan wel een bestuursorgaan behorend tot de rijksoverheid anderzijds, op basis van een door alle partijen goedgekeurd scenario of uitgewerkte synopsis een inhoudelijke of financiële bijdrage hebben geleverd; - b. **omroepprogramma:** een programma-onderdeel als bedoeld in [artikel 1, onderdeel g, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=1); - c. **financiële bijdrage:** een geldelijk bedrag op grond van: - –. een privaatrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in [artikel 32, eerste lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32), dan wel - –. een subsidie als bedoeld in [artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:21). Artikel 2 Met het oog op de vervaardiging, aankoop, totstandkoming of uitzending van een coproductie of een ander omroepprogramma wordt geen financiële bijdrage aan derden verstrekt. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2010. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel beëindiging verstrekking financiële bijdragen aan coproducties en andere omroepprogramma’s LNV. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2386,"b":"Beleidsregel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, houdende vaststelling van een benoemingsprocedure voor de voorzitter en leden van het Huis voor klokkenluiders (Beleidsregel benoemingsprocedure Huis voor klokkenluiders) Gelet op [artikel 3c van de Wet bescherming klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3c); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Huis:** het Huis voor klokkenluiders, bedoeld in [artikel 3 van de Wet bescherming klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3); - b. **minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **ministerie:** het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - d. **bureau:** het werving- en selectiebureau; - e. **commissie incompatibiliteiten:** de commissie incompatibiliteiten Huis voor klokkenluiders; - f. **Instellingsbesluit:** [Instellingsbesluit commissie incompatibiliteiten Huis voor klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038301); - g. **vertrouwensfunctie:** een functie die krachtens [artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=3) als zodanig is aangewezen; - h. **veiligheidsonderzoek:** een onderzoek als bedoeld in de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=7) en [9 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=9); - i. **Verklaring van Geen Bezwaar:** een verklaring als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=1). Artikel 2. Vacature 1. De minister draagt zorg voor tijdige openbaarmaking van een vacature voor een lid of de voorzitter van het Huis. 2. De vacaturetekst bevat het functieprofiel met functie-eisen en het competentieprofiel alsmede de wijze waarop belangstellenden kunnen reageren. Daarn"},{"i":2387,"b":"Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage op aanvraag Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). Op grond van [artikel 56a, tweede lid, onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a) geeft de NZa op aanvraag toepassing aan artikel 56a, eerste tot en met negende lid, van de Wmg. [Gelet op artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met brieven van 12 december 2012 ([kenmerk MC-U-3147126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032584)), 16 juli 2014 ([kenmerk 640237-123257-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035403)), 11 december 2014 (kenmerk 696542-130372-MC en [692617-129795-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036150)), 16 juni 2015 ([kenmerk 776212-137548-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036716)) 30 juni 2015 (kenmerk 776198-137542-MC), 21 april 2017 (kenmerk [1123133-163202-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039509)), 29 september 2017 (kenmerk 1223399-167180-MC), 3 oktober 2017 (kenmerk [1223400-167181-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040057)), 25 juni 2020 (kenmerk [1662538-203164-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043774)), 6 juli 2020 (kenmerk [1713658-207569-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043858)), 27 september 2021 (kenmerk [3253869-1015137-PZO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045670)), 28 oktober 2021 (kenmerk [3266624-1017495-PZO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045779)) en 14 juni 2023 (kenmerk [3610431-1048165-PZo](https://wetten.overhe"},{"i":4515,"b":"Circulaire Tarieven in strafzaken: urenmaxima voor tripelrapportages Met ingang van 1 september 2017, kenmerk 2084694, worden de maxima uren die ten behoeve van het opstellen van tripelrapportages, als bedoeld in [artikel 2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=2), en [artikel 3, tweede en derde lid, van het Besluit tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=3), voor vergoeding in aanmerking komen met zes uur verhoogd. Dit betreft de rapportages waarvan de opdracht in de vervolgingsfase wordt verstrekt. De nieuwe maxima gelden voor opdrachten die op of na 1 september 2017 zijn verstrekt. Urenmaxima voor tripelrapportages per 1 september 2017 [Artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=2): 24 uur (was 18 uur) [Artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=2): 28 uur (was 22 uur) [Artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=3): 26 uur (was 20 uur) [Artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=3): 30 uur (was 24 uur). Bovenstaande wijzigingen zullen worden doorgevoerd in het [Besluit tarieven in strafzaken 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481). Totdat deze wijziging is geformaliseerd biedt deze circulaire de grondslag voor de toepassing van de nieuwe maxima. Ik verzoek u deze circulaire, die in de Staatscourant zal worden geplaatst, binnen uw organisatie bekend te maken aan de medewerkers die het aangaat."},{"i":2712,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2010 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2010, doch niet later dan 15 mei 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,234 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2010 en eindigende met 15 mei 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005"},{"i":2395,"b":"Beleidsregel Calamiteitenmeldingen Uitvoeringsbesluit Wkkgz Gelet op het bepaalde in [artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8), [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=25), jo. [artikel 11, eerste lid en onder a, van de Wet kwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=11), klachten en geschillen gezondheidszorg (hierna: ‘Wkkgz’) en [artikel 8.7 e.v., van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037262&artikel=8.7); zal de inspectie differentiëren in het onderzoeken en behandelen van meldingen van calamiteiten op basis van de volgende factoren: Toelichting Hierna volgt een toelichting op de onder a tot en met f genoemde factoren. In de nota van toelichting1Staatsblad 2024, 343, p. 9. bij de wijziging van het [Uitvoeringsbesluit Wkkgz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037262) is het volgende bepaald: **‘Dit wijzigingsbesluit regelt expliciet dat de IGJ kan differentiëren in de wijze waarop de IGJ de meldingen afhandelt. Deze differentiatie zal doorwerken in de stukken die IGJ na het onderzoek van de zorgaanbieder van de zorgaanbieder wil ontvangen. Hierdoor kan de IGJ haar toezicht afstemmen op de fase van ontwikkeling waarin de (sub)sector of de individuele zorgaanbieder zich bevindt en op de context en de ernst van de melding. Dit leidt ertoe dat de IGJ gaat naar een meer risicogerichte benadering van de afhandeling van meldingen. Als er bijvoorbeeld vertrouwen is dat calamiteiten door een zorgaanbieder op een juiste manier worden gemeld en onderzocht, kan de focus worden verlegd naar de volgende stappen van leren en verbeteren.’** Differentiëren als hiervoor bedoeld houdt in dat een melding, rekening houdend met de factoren onder a tot en met f, meer of minder uitgebreid kan worden onderzocht. Als één of meer factoren van toepassing zijn, wordt de melding in beginsel uitgebreider onderzocht dan wanne"},{"i":2432,"b":"Beleidsregel van de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport van 16 november 2023, nr. ILT-2023/56743, houdende vaststelling van beleid inzake de handhavingsstrategie Omgevingsrecht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (Beleidsregel Handhavingsstrategie Omgevingsrecht Inspectie Leefomgeving en Transport) Gelet op de [artikelen 4:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [5:32 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:32), [artikel 93 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=93), [artikel 26, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=26), [artikel 2, derde lid, van het Besluit mandatering aan ILT van handhavingsbevoegdheden en aanwijzing toezichthouders op het terrein van BZK-wetgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034893&artikel=2), [artikel 6 van het Besluit mandaat Autoriteit woningcorporaties en aanwijzing toezichthouders Woningwet en WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036749&artikel=6), [artikel 4 van het Besluit mandaat inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport en aanwijzing toezichthouders Wet precursoren voor explosieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038257&artikel=4), het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging IG ILT handhaving Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042392), [artikel 18.6 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.6) en [artikel 13.5 van het Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=13.5); Besluit: Artikel 1 1. De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (versie 12 oktober 2022) wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 1 bij deze beleidsregel. 2. De Inspectie Leefomgeving en Transport past bij de handhaving van wet- en regelgeving o"},{"i":4883,"b":"Besluit van de algemeen directeur van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 20 november 2020, houdende verlening van ondermandaat, alsmede het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de algemeen directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit NFI 2020) Gelet op [artikel 3, eerste lid onder b van het Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 29 oktober 2018, nr. 2388102/18/DP&O, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging (hierna: het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030842&artikel=3) en [artikel 1, onderdeel i van het Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 10 december 2018, nr. 2410553/18/DP&O, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de hoofden van de taakorganisaties van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (hierna: het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel i van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de algemeen directeur van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: de algemeen directeur) verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die zijn takenpakket betreffen, ondermandaat verleend aan de ambtenaar genoemd onder 1.1 in kolom I van [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044484&bijlage=I&z=2022-10-05&g=2022-10-05) bij dit besluit. De invulling van dit takenpakket wordt nader uitgewerkt in [bijlage III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044484&bijlage=III&z=2022-10-05&g=2022-10-05) bij dit besluit. 2. Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel i van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Ve"},{"i":5799,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 2 december 2021, nr. IENW/BSK-2021/308633, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van subsidies voor de taakuitoefening van beheerders van de hoofdspoorweginfrastructuur (Subsidieregeling taakuitoefening beheerders van de HSWI) Gelet op de [artikelen 4:58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:58), [4:72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:72) en [4:77 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:77), en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, tweede, onderdeel b, en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), [23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23), en [24, eerste en derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24); BESLUIT: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beheerder:** houder van een concessie als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=16); - **dienstvoorziening:** dienstvoorziening als bedoeld in artikel 3, onderdeel 11, van [richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU; - **hoofdspoorweginfrastructuur:** hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=1); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **MIRT:** Meerjarenprogramma Infrastruc"},{"i":2456,"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 mei 2018, nr. WJZ/18020186, inzake de kwaliteit van de opvang van invasieve uitheemse diersoorten (Beleidsregel kwaliteit opvang invasieve uitheemse diersoorten) Gelet op de artikelen 7, 17, 19 en 20 van de Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU 2014 L 317); Gelet op de [artikelen 3.37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.37) en [3.40 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.40) en op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **Unielijst:** door de Europese Commissie door middel van uitvoeringshandelingen vastgestelde lijst van voor de Europese Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, als bedoeld in artikel 4 van de Verordening invasieve uitheemse soorten; - –. **Verordening invasieve uitheemse soorten:** Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU 2014 L 317). Artikel 2 1. Deze beleidsregel geldt voor de verlening van een ontheffing van [artikel 3.37 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.37), in samenhang met [artikel 3.29 van de Regeling natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038668&artikel=3.29), op grond van [artikel 3.40 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.40), aan opvangcentra die dieren behorende tot soorten die worden genoemd op de Unielijst opvangen of gaan opvangen. 2. Aan een opvangcentrum dat handelt overeenkomstig h"},{"i":2457,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 29 juni 2021, nr. 28468296, houdende regels omtrent de kwijtschelding van studieschulden van gedupeerden van de problemen rondom de kinderopvangtoeslag (Beleidsregel kwijtschelding studieschulden gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek) Gelet op [artikel 4:94a van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:94a), [artikel 9b van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=9b), [artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=11.5), [artikel 8.3 van de Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=8.3), en [artikel 11.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=11.4); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **ex-toeslagpartner:** persoon die door de Belastingdienst/Toeslagen als ex-toeslagpartner van een gedupeerde is aangemerkt als bedoeld in [artikel 2.14g van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.14g); - **gedupeerde:** persoon van wie de Belastingdienst/Toeslagen heeft vastgesteld dat deze recht heeft op een forfaitair bedrag op grond van [artikel 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.7); - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **partner:** persoon die door de Belastingdienst/Toeslagen als toeslagpartner van een gedupeerde is aangemerkt als bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b of c, van de Wet hersteloperatie Toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.1); - **rechthebbende:** rechthebbende in de zin van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045370&a"},{"i":5571,"b":"Besluit van 19 november 1997, houdende vaststelling van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 23 juli 1997, no. J. 977964, Directie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 16 van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=16); De Raad van State gehoord (advies van 12 augustus 1997, no. W11.97.0503); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 11 november 1997, No. J. 9712264, Directie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. «boezemmaas»: nauwste maas bij meerwandige netten; - b. «maaswijdte»: lengte van de zonder bijzondere krachtsinspanning tussen haar eindknopen gestrekte, doch niet gerekte maas, nat gemeten, met dien verstande, dat bij meerwandige netten deze meting wordt toegepast op de boezemmaas; - c. «fuik»: vistuig, bestaande uit om twee of meer hoepels gespannen netwerk, voorzien van één of meer inkelingen, aan de voorzijde al dan niet voorzien van één of twee vleugels; - d. «visfuik»: fuik waarvan het netwerk, met uitzondering van de inkelingen, een maaswijdte heeft van tenminste 45 mm; - e. «aalfuik»: fuik waarvan het netwerk een maaswijdte heeft van ten hoogste 35 mm; - f. «ankerkuil»: vistuig bestaande uit een trechtervormig net dat aan de voorzijde wordt opengehouden door een rechthoekig raamwerk of twee horizontale bomen, voorzien van een inkeling waarbij het gedeelte achter de inkeling is opgehoepeld aan tenminste drie hoepels, welke niet meer dan 1 m van elkaar verwijderd zijn, terwijl de zich achter het opgehoepelde deel bevindende zak korter is dan 50 cm; - g. «aalkistje»: vistuig bestaande uit een langwerpige doos waarin aan de uiteinden inkelingen zijn aangebracht, waarin ten minste in elke inkeling één zuiver rond ringetje van metaal of enige andere niet rekbare stof met een middellijn van ten"},{"i":2561,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 27 september 2005, nr. WJZ 5061320, omtrent de uitvoering van de artikelen 1 en 2 van de Subsidieregeling pilot innovatievouchers 2005 tweede fase (Beleidsregel verstrekking innovatievouchers pilot 2005 tweede fase) Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018804&artikel=1) en [2 van de Subsidieregeling pilot innovatievouchers 2005 tweede fase](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018804&artikel=2) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder een samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit tenminste drie, niet in een groep verbonden, ondernemers. Artikel 2 1. De minister verstrekt op aanvraag een innovatievoucher aan: - a. een ondernemer, die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van [verordening (EG) nr. 70/2001](32001R0070) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), die een kennisoverdrachtsproject wil laten uitvoeren waarvan de resultaten ten goede komen aan de activiteiten die de ondernemer in Nederland verricht. - b. ondernemers als bedoeld in onderdeel a die deelnemer zijn in een samenwerkingsverband, die gezamenlijk een kennisoverdrachtsproject willen laten uitvoeren. 2. Per ondernemer kan één innovatievoucher worden verstrekt. 3. Een aan een ondernemer als bedoeld in het eerste lid, onder b, verstrekte innovatievoucher is uitsluitend geldig in combinatie met ten minste twee innovatievouchers van de overige deelnemers in dat samenwerkingsverband. Indien een ondernemer als bedoeld in het eerste lid, onder b, niet meer deelneemt aan dat samenwerkingsverband vervalt de geldigheid van zijn innovatievoucher. 4. Geen innovati"},{"i":4604,"b":"Besluit van 8 februari 2013, houdende regels betreffende toewijzing en gebruik van frequentieruimte (Frequentiebesluit 2013) Op de voordracht van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 21 juni 2011, nr. WJZ / 11081232; Gelet op de [artikelen 3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.4), [3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.9), [3.16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.16), [3.17, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.17), [3.22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22), [3.23, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.23), [3.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.24), [3.25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.25), [10.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=10.8), [13.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.4), [16.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=16.1) en [18.12 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=18.12), [artikel 1.2, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2) en de [artikelen 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124&artikel=19), en [64 van de Zeevaartbemanningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124&artikel=64); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 september 2011, nr. W 15.11.0235/IV); Gezien het nader rapport van de Minister van Economische Zaken van 5 februari 2013, nr. WJZ / 12048871; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. *"},{"i":5746,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 24 april 2023, nr. 37179289, houdende regels voor de subsidiëring van het programma Maatschappelijke Diensttijd (Subsidieregeling MDT 2023) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **afgerond MDT-traject:** een MDT-traject geldt als afgerond indien de vereiste uren zijn gemaakt, én de voorgenomen activiteiten van het MDT-traject zijn uitgevoerd; - **AVG:** [verordening (EU) 2016/679](32579R2016) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119); - **cofinanciering:** financiering voor het MDT-project, die wordt ingebracht door de penvoerder, projectpartners of derden; - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **gelieerde organisatie:** economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b); - **jongeren:** deelnemers van 12 tot 30 jaar bij aanvang van een MDT-traject; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **Impact:** het effect van het MDT-traject op jongeren en de maatschappij; - **MDT-basis-traject:** MDT-traject van ten minste 80 uur gedurende een periode van ten hoogste 6 maanden; - **MDT-certificaat:** document waarin wordt vermeld dat het MDT-traject volledig is afgerond; - **MDT-extra-traject:** MDT-traject van ten minste 80 uur gedurende een periode van ten hoogste 6 maanden, waarbij het MDT-traject de intensieve begeleiding van een jongere vergt; - **MDT-intensief-traject:** MDT-traject van ten minste 320 uur gedurende een periode van ten ho"},{"i":6522,"b":"Besluit van 24 oktober 2019 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft, het Besluit toezicht accountantsorganisaties, alsmede enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingsbesluit financiële markten 2019) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 juli 2019, 2019-0000112241, directie Financiële Markten; Gelet op verordening (EU) nr. 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot vaststelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de [richtlijnen 2009/65/EG](32009L0065), [2009/138/EG](32009L0138) en [2011/61](32011L0061)/EU en de verordeningen (EG) nr. [1060/2009](32960L2009) en (EU) nr. [648/2012](32548L2012) (PbEU 2017, L 347), de [artikelen 1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:81, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:3.0d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0d), [2:3.0i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0i), [2:3.0m, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3.0m), [2:3b, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3b), [2:3c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3c), [2:3i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3i), [2:5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:5), [2:7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:7), [2:12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:12), [2:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:17), [2:21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020"},{"i":2859,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 25 oktober 2005, nr. 5380212/05/6, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2006 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2006) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit : Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2006 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 0.9. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2006. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2887,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2017 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2016 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2015; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,8%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaosche Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2017. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2017."},{"i":3957,"b":"Besluit van 17 juni 2010, houdende vaststelling van referentieniveaus Nederlandse taal en referentieniveaus rekenen (Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 8 april 2010, nr. WJZ/199346 (2702), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027679&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 28 april 2010, nr. W05.10.0122/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 14 juni 2010, nr. WJZ/211307 (2702), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 2 van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **WPO:** [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); - **WEC:** [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - **WVO 2020:** [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - **WEB:** [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625). Artikel 2. Referentieniveaus Nederlandse taal Voor de hierna genoemde onderwijssoorten worden de volgende referentieniveaus Nederlandse taal, zoals opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027879&bijlage=1&z=2022-08-01&g=2022-08-01) van dit besluit, vastgesteld: - a. het basisonderwijs, bedoeld in de [WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420): de referentieniveaus 1F en 2F"},{"i":4671,"b":"Inschrijving geprivilegieerden in de GBA Aan: College van Burgemeesters en Wethouders i.a.a.: Hoofd Burgerzaken Gaarne vraag ik, mede namens het ministerie van Buitenlandse Zaken, uw aandacht voor het volgende. 1. Inleiding Bij [circulaire van 8 april 2002](onbekend) (BPR2002/U61160) bent u geïnformeerd over de administratieve problemen die geprivilegieerden ondervinden als gevolg van het feit dat zij niet zijn ingeschreven in de GBA. Geprivilegieerden zijn personen die op Nederlands grondgebied werkzaam zijn als diplomatiek of consulair ambtenaar, dan wel die in dienst zijn bij een internationale organisatie. Krachtens internationaal recht genieten zij (en hun inwonende gezinsleden) een bijzondere verblijfsrechtelijke status ten opzichte van andere vreemdelingen. Dit betekent dat zij geen vreemdeling zijn in de zin van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en derhalve niet in de vreemdelingenadministratie (VAS) worden geregistreerd. Na invoering van de [Koppelingswet](onbekend) in 1998, waardoor nog slechts vreemdelingen met een rechtmatig verblijf als bedoeld in de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) konden worden ingeschreven in de GBA, was inschrijving van geprivilegieerden in de GBA niet meer mogelijk. Bovendien gingen veel gemeenten over tot opschorting van de persoonslijst van reeds in de GBA ingeschreven geprivilegieerden. Inmiddels is gebleken dat geprivilegieerden in de praktijk problemen kunnen ondervinden door het feit dat zij niet (meer) als ingezetene in de GBA zijn ingeschreven. Hierbij moet worden gedacht aan problemen bij het aanvragen van rijbewijzen, parkeervergunningen, bouwvergunningen en dergelijke, het niet ontvangen van een oproep voor onderzoek naar borst- of baarmoederhalskanker, het niet kunnen overleggen van een uittreksel uit de GBA ten behoeve van het verkrijgen van een telefoonaansluiting of het openen van een bankrekening, etc. Op verzoek van een aantal interna"},{"i":3913,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 2 april 2013, ACM/DJZ/2013/200833, houdende regels inzake organisatie, mandaat, volmacht en machtiging van de Autoriteit Consument en Markt (Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging ACM 2013) Gezien de goedkeuring van de Minister van Economische Zaken; Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2), en [5, tweede lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=5) en [artikel 7, derde en vierde lid van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033132&artikel=7); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - c. **ACM-organisatie:** de organisatie van het personeel als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=5); - d. de **P&O-aangelegenheden:** de aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget; - e. **verordening 1/2003:** Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEG 2003, L 1); - f. **verordening 139/2004:** [Verordening (EG) nr. 139/2004](32004R0139) van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PbEU L 24/14); - g."},{"i":7183,"b":"Vaststelling bedragen, bedoeld in artikel 48, tweede en zesde lid, Besluit personenvervoer 2000 Gelet op [artikel 48, tweede en zesde lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=48); Besluit: Artikel 1 Het bedrag, bedoeld in [artikel 48, tweede lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=48) dat een reiziger is verschuldigd, wordt vastgesteld op € 70,00. Artikel 2 Het bedrag aan administratiekosten, bedoeld in [artikel 48, zesde lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=48), wordt vastgesteld op € 20,00. Artikel 3 Wijzigt deze regeling. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5768,"b":"Regeling van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 3 augustus 2023, kenmerk 3638565-1051255-PZo, houdende regels voor het subsidiëren van patiënten- en gehandicaptenorganisaties 2024–2028 (Subsidieregeling pg-organisaties 2024–2028) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5) en [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aandoening:** een ziekte, beperking, handicap of psychische kwetsbaarheid zoals beschreven in de ICD dan wel in de DSM; - **aandoeningsoverstijgend thema:** een thema, niet zijnde een product of dienst, dat speelt bij verschillende aandoeningen waarbij de nadruk ligt op maatschappelijke, sociale of levensfase gerelateerde aspecten, in plaats van op de aandoeningen; - **backoffice taken:** taken die worden verricht ter ondersteuning van de primaire activiteiten van pg-organisaties of federatieve samenwerkingsverbanden; - **belangenbehartiging:** activiteiten van en voor leden van pg-organisaties inzake het behartigen van de belangen van de leden van pg-organisaties; - **collectieve ervaringsdeskundigheid:** een bundeling van inzichten van individuele ervaringskennis van een doelgroep die boven het individuele niveau uitstijgt en wordt verbonden met kennis van de werking van het zorgstelsel of andere domeinen; - **de-minimisverklaring:** verklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de [Verordening (EU) nr. 1407/2013](32013R1407) van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352/1); - **doelgroep:** een"},{"i":7959,"b":"Aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Noodwet Geneeskundigen Gelet op [artikel 31, eerste lid, van de Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758&artikel=31) (Stb. 396 van 23 april 1971); De Raad voor de buitengewone geneeskundige en farmaceutische voorziening gehoord (advies van 12 oktober 1978, Nr. 18.164/CV); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het inwinnen van gegevens in het belang van de uitvoering van de [Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758) en met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens die wet bepaalde, worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Artikel 2 Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin het is geplaatst."},{"i":7233,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de zetel van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen verantwoordelijk voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalig Joegoslavië sedert 1991 The Kingdom of the Netherlands and the United Nations, Whereas the Security Council acting under [Chapter VII of the Charter of the United Nations](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143&hoofdstuk=VII) decided, by paragraph 1 of its resolution 808 (1993) of 22 February 1993, **inter alia**“that an international tribunal shall be established for the prosecution of persons responsible for serious violations of international humanitarian law committed in the territory of the former Yugoslavia since 1991”; Whereas the International Tribunal is established as a subsidiary organ within the terms of [Article 29 of the Charter of the United Nations](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143&artikel=29); Whereas the Security Council, in paragraph 6 of its resolution 827(1993) of 25 May 1993 further **inter alia**decided that “the determination of the seat of the International Tribunal is subject to the conclusion of appropriate arrangements between the United Nations and the Netherlands acceptable to the Council”; Whereas the Statute of the International Tribunal in its Article 31, provides that “the International Tribunal shall have its seat at The Hague”: Whereas the United Nations and the Kingdom of the Netherlands wish to conclude an Agreement regulating matters arising from the establishment and necessary for the proper functioning of the International Tribunal in the Kingdom of the Netherlands; Have agreed as follows: Article I. Definitions Vervallen Article II. Purpose and scope of the Agreement Vervallen Article III. Juridical personality of the Tribunal Vervallen Article IV. Application of the [General](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005561) and [V"},{"i":6621,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 26 oktober 2012, nr. IENM/BSK-2012/215729, tot wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 in verband met de implementatie van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Gelet op [artikelen 132a, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132a), [132b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132b), [132c, zesde, zevende en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132c), [133, vierde en vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=133); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Artikel II [Artikel I, onderdelen H, vierde lid en I, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032143&artikel=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is alleen van toepassing op verzoeken tot restitutie in verband met onderzoeken die op of na 1 januari 2013 plaatsvinden. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5754,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2018, kenmerk 1436504-183102-PG, houdende regels voor de subsidiëring van nader onderzoek naar de doodsoorzaak van kinderen (Subsidieregeling NODOK 2019–2023) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister voor Medische Zorg; - b. **NODOK-protocol:** multidisciplinaire richtlijn van april 2024, waarin richtlijnen zijn gegeven voor het verrichten van nader onderzoek naar de doodsoorzaak van kinderen. Artikel 2 Op deze regeling is de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) niet van toepassing. Artikel 3 1. De minister kan aan een universitair medisch centrum jaarlijks op aanvraag een subsidie verstrekken voor het verrichten van nader onderzoek naar de doodsoorzaak van kinderen. 2. De subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt. 3. Het laatste jaar waarover subsidie kan worden aangevraagd is het jaar 2028. 4. De subsidie voor de onderzoeken tot en met 2023 bedraagt per verricht onderzoek uit de categorieën zoals omschreven in de multidisciplinaire richtlijn NODOK: € 6.700 indien het gaat om een onderzoek uit de categorie NODOK A1; € 8.700 indien het gaat om een onderzoek uit de categorie NODOK A2; € 8.850 indien het gaat om een onderzoek uit categorie NODOK B1; € 10.850 indien het gaat om een onderzoek uit categorie NODOK B2; € 11.250 indien het gaat om een onderzoek uit categorie NODOK C1; € 13.250 indien het gaat om een onderzoek uit categorie NODOK C2. 5. Voor de onderzoeken die vanaf 2024 worden verricht, bedraagt de subsidie per verricht onderzoek uit de categorieën zoals omschreven in het NODOK-protocol: € 7.370 indien het gaat om een onderzoek uit de categorie NODOK A1; € 9.570 indien het gaat om een onderzoek uit de categorie NODOK A2; € 9.735 indien het gaat om een onderzoek uit de categ"},{"i":5793,"b":"Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger verkeer en vervoer in het stedelijk gebied Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De minister stelt een programma vast, waarin het beleidsvoornemen ten aanzien van de ondersteuning van stiller, schoner en zuiniger verkeer en vervoer in het stedelijk gebied is neergelegd voor de periode van een aantal kalenderjaren. 2. De minister stelt ieder kalenderjaar een actieplan vast waarin de doelstellingen van het programma, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar concreet worden uitgewerkt. 3. Het programma, bedoeld in het eerste lid, en het actieplan, bedoeld in het tweede lid, worden direct na vaststelling door terinzagelegging in de bibliotheek van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat bekend gemaakt. De minister doet daarvan mededeling in de Staatscourant. 4. De minister maakt ieder kalenderjaar in de Staatscourant bekend: - a. de termijn waarbinnen in het kader van de onderscheiden programma’s aanvragen kunnen worden ingediend; - b. het subsidieplafond en de wijze van verdeling van een programma of actieplan of onderdeel daarvan; - c. vanaf het jaar 1998 de programmabeheerder van ieder programma. Artikel 3 Op een overeenkomstig deze regeling ingediende aanvraag wordt slechts subsidie verstrekt indien het project: - a. betrekking heeft op verkeer- of vervoertechnieken, die geheel of op enig wezenlijk onderdeel nieuw zijn voor Nederland en waarvan de toepassing tot een vermindering van de belasting van het milieu in het stedelijk gebied leidt; - b. past binnen het actieplan, dan wel in voldoende mate bijdraagt aan de doelstellingen daarvan; - c. binnen vier jaar, te rekenen vanaf het moment van verlening van de subsidie, in Nederland wordt uitgevoerd en afgerond. Artikel 4 1. De hoogte van de subsidie wordt bepaald met inachtneming van: - a. de mate waarin de aanvrager een eigen belang heeft bij de resultaten van het project, en - b. de mate waarin het project bijdr"},{"i":5791,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 november 2022, nr. 2022-0000609015, houdende regels voor de subsidiëring van de stichting WeConnect (Subsidieregeling stichting WeConnect) Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3) en de [artikelen 6, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=22) en [24, vijfde lid van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=24); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **Caribisch deel van het Koninkrijk:** de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius; - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **stichting:** stichting WeConnect. Artikel 2 1. De minister kan jaarlijks aan de stichting een subsidie verstrekken voor kosten die direct samenhangen met de volgende activiteiten: - a. bevorderen dat studenten die uit het Caribisch deel van het Koninkrijk afkomstig zijn hun studie in Europees Nederland naar behoren afronden; - b. bevorderen dat personen die uit het Caribisch deel van het Koninkrijk afkomstig zijn aldaar deel zullen nemen aan de arbeidsmarkt. 2. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 3 De subsidie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047522&artikel=2&z=2022-11-29&g=2022-11-29), bedraagt ten hoogste het bedrag dat uit de begroting Koninkrijksrelaties blijkt. Artikel 4 1. De stichting dient de aanvraag tot subsidieverlening in voor 1 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft. 2. In afwijking van het eerste lid dient de stichting voor het boekjaar 202"},{"i":7964,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 16 november 2023, nr. 5013572, houdende een eenmalige specifieke uitkering voor de gemeenten met een Landelijke Vreemdelingen Voorziening in verband met de bekostiging ervan in 2023 Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; - b. **LVV:** Landelijke Vreemdelingen Voorziening, een begeleidings- en onderdakvoorziening die tot doel heeft bestendige oplossingen te vinden voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang; - c. **gemeenten:** de gemeenten waar op grond van een convenant een LVV is gerealiseerd, te weten Amsterdam, Eindhoven, Groningen, Rotterdam en Utrecht. Artikel 2. Verstrekking van een specifieke uitkering De staatssecretaris verstrekt een eenmalige specifieke uitkering aan een gemeente ten behoeve van de bekostiging van de LVV over 2023. Artikel 3. Hoogte van de uitkering De hoogte van de specifieke uitkering, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048950&artikel=2&z=2023-11-28&g=2023-11-28), is als volgt: - a. Amsterdam: € 5.404.444; - b. Eindhoven: € 1.943.000; - c. Groningen: € 4.671.667; - d. Rotterdam: € 1.870.889; - e. Utrecht: € 3.410.000. Artikel 4. Voorschot Uiterlijk op 31 december 2023 wordt aan de gemeenten een voorschot betaald van 100% van de specifieke uitkering. Artikel 5. Voorwaarden De gemeenten besteden de specifieke uitkering gedurende de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 aan de bekostiging van een LVV. Artikel 6. Verantwoording en vaststelling 1. De gemeenten nemen de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie in acht bij de besteding van de specifieke uitkering. 2. Nadat de staatssecretaris de verantwoordingsinformatie, bedoeld in [artikel 17"},{"i":2610,"b":"Beleidsregels juli en augustus 2004 De Staatssecretaris van Financiën geeft kennis van het volgende. In de maanden juli en augustus 2004 zijn de volgende beleidsregels op de website www.minfin.nl geplaatst. In verband met het bepaalde in [artikel 2:14, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14) liggen deze beleidsregels tevens ter inzage bij de afdeling Bibliotheek en documentatie van het Ministerie van Financiën, Korte Voorhout 7 te Den Haag. Winst uit onderneming en privé gebruik woning Besluit van 24/08/2004, nr. CPP04-1912M [Besluit Verrekenprijzen](onbekend) Besluit van 21/08/2004, nr. IFZ04-680M [Besluit verrekenprijzen](onbekend) Besluit van 17/08/2004, nr. IFZ04-653M Vrije vergoedingen en verstrekkingen bij bedrijfsjubilea Besluit van 17/08/2004, nr. CPP04-1031M Herinvesteringsreserve bij pachtontbindingsvergoeding Besluit van 12/08/2004, nr. CPP04-440M Eigenwoningregeling en verhuur aan de ex-partner Besluit van 12/08/2004, nr. CPP04-1406M Voorschrift administratieve- en factureringsverplichtingen omzetbelasting Besluit van 12/08/2004, nr. CPP04-1537M Aanpassing pensioenregelingen aan Witteveenkader Besluit van 12/08/2004, nr. CPP04-1779M Omzetbelasting en ondernemerschap kookvereniging Besluit van 12/08/2004, nr. CPP04-1357M [Successiewet](onbekend) en voorwaardelijke testamentaire ouderlijke boedelverdeling Besluit van 12/08/2004, nr. CPP04-257M Procedure voor behandeling van advance tax ruling-verzoeken Besluit van 11/08/2004, nr. IFZ04-125M Autodealer-besluit 2004 Besluit van 11/08/2004, nr. CPP04-1153M Omzetbelasting en verhuur van onroerende zaken Besluit van 11/08/2004, nr. DGB04-4221M Standaardvoorwaarden geruisloze omzetting Besluit van 11/08/2004, nr. CPP04-664M Zekerheid vooraf en goede trouw jegens de verdragspartner Besluit van 11/08/2004, nr. DGB04-1337M Omzetbelasting en arbodiensten Besluit van 11/08/2004, nr. DGB04-4018M [Instelbesluit Coördinatiegroep Verrekenprijzen](onbeke"},{"i":6074,"b":"Besluit van 11 juli 2018, houdende wijziging van enkele besluiten op het terrein van Justitie en Veiligheid in verband met het doorvoeren van technische verbeteringen (Verzamelbesluit Justitie en Veiligheid 2018) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 31 mei 2018, kenmerk 2281553, directie wetgeving en juridische zaken; Gelet op de [artikelen 11 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=11), [3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=3), [18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=18), [20d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=20d) en [244 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=244), [30c, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=30c), [8:36b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:36b), en [8:36d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:36d), [126m, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126m), [126ee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126ee), [226l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=226l) en [410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=410), [48ab, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=48ab), en [48ac, vierde lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=48ac), [21, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), en [34, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=34); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 juni 2018, No. W16.18.0129/II); Gezien he"},{"i":7989,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2015, nr. 799948-139486-MEVA, houdende aanwijzing toezichthouders Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Besluit aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5.1 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.1); Besluit: Artikel 1 Als personen belast met het toezicht op de naleving van de [Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) door rechtspersonen en instellingen waarvoor de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport moet worden aangemerkt als de Minister wie het aangaat, worden aangewezen: - a. de directeur van het Agentschap CIBG; - b. de Chief Financial Officer van het Agentschap CIBG; - c. de ambtenaren van het team WNT van het Agentschap CIBG. Artikel 2 Het Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2012, nr. DWJZ-3147986, houdende aanwijzing toezichthouders Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector Volksgezondheid, Welzijn en Sport ([Besluit aanwijzing toezichthouders WNT/VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032594)) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2014. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8314,"b":"Aanvullend Protocol bij het Europees Handvest inzake lokale autonomie betreffende het recht op participatie in de aangelegenheden van lokale autoriteiten Preambule De lidstaten van de Raad van Europa die dit Aanvullend Protocol bij het Europees Handvest inzake lokale autonomie (hierna te noemen „het Handvest”, ETS nr. 122) hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, teneinde de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfgoed zijn te beschermen en te verwezenlijken; Overwegend dat het recht te participeren in het openbaar bestuur een van de democratische beginselen is die alle lidstaten van de Raad van Europa met elkaar gemeen hebben; Overwegend dat uit ontwikkelingen in de lidstaten is gebleken dat dit beginsel van fundamenteel belang is voor lokale autonomie; Overwegend dat het wenselijk is het Handvest aan te vullen met bepalingen waarin het recht op participatie in de aangelegenheden van lokale autoriteiten wordt gewaarborgd; Indachtig het Verdrag van de Raad van Europa inzake toegang tot officiële documenten, op 27 november 2008 aangenomen door het Comité van Ministers; Tevens indachtig de Verklaring en het Actieplan aangenomen tijdens de derde top van staatshoofden en regeringsleiders van de Raad van Europa (Warschau, 16 en 17 mei 2005), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Recht op participatie in de aangelegenheden van lokale autoriteiten 1. Iedere staat die partij is waarborgt dat eenieder die onder zijn rechtsmacht valt het recht heeft te participeren in de aangelegenheden van lokale autoriteiten. 2. Onder het recht op participatie in de aangelegenheden van lokale autoriteiten wordt verstaan het recht te trachten de uitoefening van bevoegdheden en verantwoordelijkheden door een lokale autoriteit mede te bepalen of hierop invloed uit te oefenen. 3. De wet voorziet in middelen om de uitoefening van dit recht te bevorderen. De wet kan voorzien in bijzonde"},{"i":8037,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 16 november 2017, kenmerk 1248688-169690-GMT, houdende vaststelling van beleidsregels voor het subsidiëren van zorgaanbieders van farmaceutische ANZ-dienstverlening (Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring farmaceutische ANZ-dienstverlening 2018) Gelet op [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1 De beleidsregels voor het verstrekken van subsidies aan zorgaanbieders van farmaceutische ANZ-dienstverlening worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 [Artikel 7.5, tweede lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=7.5) is op subsidies op grond van dit beleidskader niet van toepassing. Artikel 3 Wijzigt de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2018. Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2020. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring farmaceutische ANZ-dienstverlening 2018. Bijlage. bij het Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring farmaceutische ANZ-dienstverlening Inhoud: 1. Inleiding In 2008 werd voor apotheken een gedifferentieerd tarief geïntroduceerd voor spoedrecepten die ’s avonds, ’s nachts of op zondag (ANZ) werden aangeboden. Apothekers mochten een hoger bedrag in rekening brengen dan tijdens reguliere tijden, de NZA bepaalde maximale tarieven. In de afgelopen jaren bleek deze systematiek, van landelijk gehanteerde toeslagen bovenop het normale tarief, voor veel dienstapotheken onvoldoende te zijn om de exploitatie rond te krijgen. Vanaf januari 2014 is een nieuwe financieringsstructuur afgesproken, waarbij verzekeraars farmaceutische ANZ-zorg gezamenlijk inkopen op basis van een representatiemodel op non-concurrentiële basis. Aan de hand van een transparante begroting stelt de lokaal dominante zorgv"},{"i":15514,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 3 november 2025, nr. 2025-10381 over inkomstenbelasting, aanmerkelijk belang (Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025) **De Staatssecretaris van Financiën,** **Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en Hoofdstuk 4 en artikel 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001;** Besluit: 1. Inleiding Dit besluit vervangt het [besluit van 9 maart 2018, nr. 2018-27139](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040742) (Stcrt. 2018, 15751). In het besluit is een nieuw hoofdstuk **3. Inkomen uit aanmerkelijk belang** opgenomen met daarin een nieuw onderdeel **3.1. Vererfd aanmerkelijk belang en binnen 24 maanden afboeking reguliere voordelen op verkrijgingsprijs.** Hierin staan beleidsstandpunten over de toepassing van [artikel 4.12a Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.12a). Aan hoofdstuk **4. Reguliere voordelen** (nieuwe nummering) zijn toegevoegd een onderdeel **4.3. Forfaitair voordeel uit vrijgestelde beleggingsinstellingen en buitenlandse beleggingslichamen** en een onderdeel **4.4. Fictief regulier voordeel**. Hierin zijn beleidsstandpunten opgenomen over de toepassing van het forfaitair rendement en het fictief regulier voordeel ([artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, en volgende, Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.13)). De volgende onderdelen in het besluit zijn nieuw, gewijzigd, dan wel verduidelijkt. Daarnaast zijn een drietal technische onvolkomenheden hersteld. De volgende onderdelen (nummering volgens het [besluit van 9 maart 2018, nr. 2018-27139](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040742)) zijn niet langer opgenomen. Deze onderdelen zijn niet langer opgenomen in verband met het vervallen van de dienstbetrekkingeis per 1 januari 2025 (Stb. 2025/504). Voor de toepassing van de doorschuiving bij schenking in de jaren vóór 1 januari 20"},{"i":8045,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde concernbrede selectielijst van de Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijsten worden ingetrokken, behalve voor het organisatieonderdeel Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP): - •. [Concernbrede selectielijst van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044733), Stcrt. 2021, nr. 2559; - •. [Generieke Selectielijst voor de archiefbescheiden van het CIBG Dienst voor registers vanaf 1995- vallend onder het zorgdragerschap van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting vanaf 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041263), Stcrt. 2018, nr. 47836; - •. [Selectielijst Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) vanaf 1 januari 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039470), Stcrt. 2017, nr. 20886; - •. BSD neerslag handelingen beleidsterrein Patiëntenbeleid 1945-, Stcrt. 2007, nr. 152. De [Concernbrede selectielijst van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044733) (Stcrt. 2021, nr. 2559) wordt voor het organisatieonderdeel SCP niet ingetrokken maar afgesloten. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8047,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bevolkingsadministratie en reisdocumenten vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bevolkingsadministratie en reisdocumenten over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8061,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Nationale ombudsman (1964) 1982– (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 augustus 2007, nr. aca-2007.03943/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Nationale ombudsman over de periode (1964) 1982–’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument nationale ombudsman (1964) 1982– Instrument voor de selectie, ter vernietiging dan wel blijvende bewaring, van de administratieve neerslag van de zorgdragers de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, op het terrein van de Nationale ombudsman **Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,** **Project Wegwerken Archiefachterstanden (PWAA),** **in samenwerking met het Nationaal Archief** Vastgesteld 15 januari 2008 **Afkortingen en begrippen** NA: Nationaal Archief Ab 1995: [Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748) Aw 1995: [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) Awb: [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) BNo: Bureau Nationale ombudsman BSD: basisselectiedocument KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap No: Nationale ombudsman PC DIN: Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening PIVOT: Project invoering verkorting overbrengingstermijn RAD: Rijksarchiefdienst Stb.: Staatsblad Stcrt.: Staatscourant So: substituut-ombudsman Wob: [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":8072,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Verslavingsbeleid vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27-11-2008, nr. bca-2008.05027/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Verslavingsbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8082,"b":"Besluit van 24 november 2014, houdende regels inzake de verplichte verzekering bij medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (Besluit verplichte verzekering bij medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen 2015) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 10 oktober 2014, nr. 570755, gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 7, eerste en derde lid, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=7); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 november 2014, No. W03.14.0366/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 20 november 2014, nr. 585831, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408); - b. **verzekering:** de verzekering, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=7); - c. **beëindiging van deelname aan het onderzoek:** het moment waarop de proefpersoon, in de zin van [artikel 1, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=1) niet langer wordt onderworpen aan handelingen of aan de proefpersoon niet langer een bepaalde gedragswijze wordt opgelegd. Artikel 2 1. De verzekering wordt gesloten en in stand gehouden bij een financiële onderneming die ingevolge de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) in Nederland het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen. 2. Indien de verzekering wordt gesloten bij een verzekeraar met zetel buiten Nederland, wordt in de polis een in Nederland gevestigde schaderegelaar aangewezen die belast is met de behandeling en afwikkeling van vorderingen ingevo"},{"i":8257,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 mei 2021, kenmerk 2361911-1009138-WJZ, houdende aanpassing van het Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2020, kenmerk 1793063-215168-WJZ, houdende aanwijzing van ambtenaren voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid in verband met de bestrijding van de epidemie van covid-19 (Stcrt. 2020, 66366) en het verlenen van mandaat aan de Inspectie Leefomgeving en Transport Gelet op [artikel 64a van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=64a) en [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 26 mei 2021 tot wijziging van de Wet publieke gezondheid vanwege de invoering van aanvullende tijdelijke maatregelen voor het internationaal personenverkeer in verband met de bestrijding van de epidemie van covid-19 (Stb. 2021, 242) in werking treedt. Artikel I Wijzigt het Besluit aanwijzing ambtenaren toezicht naleving hoofdstuk Va Wet publieke gezondheid (bestrijding epidemie covid-19). Artikel II 1. Aan de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt mandaat verleend om namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens [artikel 58u, eerste lid, onderdeel b, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=58u) een last onder bestuursdwang op te leggen ter handhaving van het bepaalde krachtens [artikel 58p, derde lid, onderdeel a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=58p). 2. De Inspecteur-Generaal is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Wet van 26 mei 2021 tot wijziging van de Wet publieke gezondheid vanwege de invoe"},{"i":8099,"b":"Wet van 8 februari 2007 tot vaststelling van een nieuwe Geneesmiddelenwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wettelijke regels op het terrein van de geneesmiddelenvoorziening te moderniseren en met het oog daarop een nieuwe Geneesmiddelenwet vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. geneesmiddel: een substantie of een samenstel van substanties die bestemd is om te worden toegediend of aangewend voor dan wel op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als zijnde geschikt voor: - 1°. het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek, wond of pijn bij de mens, - 2°. het stellen van een geneeskundige diagnose bij de mens, of - 3°. het herstellen, verbeteren of anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen; - b.1. geneesmiddel voor geavanceerde therapie: een geneesmiddel als bedoeld in artikel 2 van verordening 1394/2007; - c. immunologisch geneesmiddel: een vaccin, toxine, serum of allergeen; - d. bloedproduct: een uit menselijk bloed of menselijk plasma bereid geneesmiddel; - e. geneesmiddel voor onderzoek: een geneesmiddel voor onderzoek als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel 5, van verordening 536/2014; - f. homeopathisch geneesmiddel: een geneesmiddel dat volgens een homeopathisch fabricageprocédé, beschreven in de krachtens het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee van 22 juli 1964, Trb.1966, nr. 115, samengestelde Europese farmacopee of, bij ontstentenis daarvan, in een in een lidstaat officieel in gebruik zijnde fa"},{"i":8102,"b":"Gewijzigde Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2023 met kenmerk BR/REG-23136c Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). Op grond van [artikel 56a, tweede lid, onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a) geeft de NZa op aanvraag toepassing aan artikel 56a, eerste tot en met negende lid, van de Wmg. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist als bedoeld in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051327&artikel=1&z=2025-07-26&g=2025-07-26) van deze beleidsregel, een vijftal aanwijzingen op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Deze aanwijzingen dateren van [17 september 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032024), [17 oktober 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034146), [6 juli 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038287), [26 juni 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041116) en [6 juli 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043858) en hebben respectievelijk als kenmerk MC-U-3131142, 132010-106827-MC, 984591-152516-MC,1355023-177350-PZo en 1713658-207569-PZo. Deze aanwijzingen zijn gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 20041, 30705, 36918, 37253 en 37007. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de ziek"},{"i":8109,"b":"Informatieverschaffing gevolgen inwerkingtreding Wet uitvoeringsorganen volksgezondheid Circulaire aan alle besturen van inrichtingen voor gezondheidszorg 1. Inleiding/Aanleiding In 1993 heeft de bijzondere commissie Vraagpunten Adviesorganen haar eindrapport 'Raad op Maat' over de adviesstructuur van de rijksoverheid aan de Tweede Kamer aangeboden. Dit rapport is het startsein geweest voor de herziening van de advies- en uitvoeringsstructuur op het gebied van de volksgezondheid. Bij deze herziening stonden twee uitgangspunten centraal: (1) de scheiding van de functies advies, overleg en uitvoering en (2) het herstel van het primaat van de politiek. De [Wet uitvoeringsorganen volksgezondheid](onbekend) (WUV) vormt het sluitstuk van deze herziening. De [WUV](onbekend) bevat wijzigingen van onder meer de [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) (WTG), de [Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753) (WZV) en de [Ziekenfondswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460) (ZFW). Deze circulaire gaat over de veranderingen in de uitvoeringspraktijk van de [WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753) waar u als instelling mee te maken heeft. Bij deze circulaire stuur ik u de nieuwe [Regeling toestemmingsprocedures WZV](onbekend), waarin de procedures zijn vastgelegd zoals die gelden vanaf 1 januari 2000 (Stcrt. 2000, 20). 2. De Wet uitvoeringsorganen volksgezondheid In de [WUV](onbekend) zijn de samenstelling, taken en werkwijze van het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, het College voor ziekenhuisvoorzieningen, de Commissie sanering ziekenhuisvoorzieningen en de Ziekenfondsraad opnieuw gedefinieerd en vastgelegd. Om de overgang naar de uitvoeringsorganen 'nieuwe stijl' te illustreren werden zij voorzien van een nieuwe naam, te weten het College tarieven gezondheidszorg, het College bouw ziekenhuisvoorzieningen, het College sanering ziekenhuisvoorzieningen en het College voor zor"},{"i":8113,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 maart 2025, nr. 1669623, houdende instelling van de Commissie herziening bekostiging mbo (Instellingsbesluit Commissie herziening bekostiging mbo) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **commissie:** Commissie herziening bekostiging mbo, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050914&artikel=2&z=2025-12-31&g=2025-12-31). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie herziening bekostiging mbo. 2. De commissie heeft tot taak de Minister te adviseren over herziening van de bekostigingssystematiek voor het beroepsonderwijs. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de Minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. 5. De voorzitter en de andere leden kunnen op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden worden geschorst en ontslagen door de Minister. Artikel 4. Leden Voor de duur van de commissie worden tot lid van de commissie benoemd: - a. drs. C.C.M. Vendrik, tevens voorzitter; - b. prof. dr. H.L.F. de Groot; en - c. prof. dr. M.C. Mikkers. Artikel 5. Instellingsduur De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 april 2025 en wordt opgeheven per 1 juli 2026. Artikel 6. Secretariaat 1. De Minister voorziet in het secretariaat van de commissie. 2. Het secretariaat is voor de uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie. Artikel 7. Werkwijze 1. De commissie stelt"},{"i":8115,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 6 april 2022, nr. WJZ/ 22032292, tot instelling van de Commissie toelating diergeneesmiddelen Gelet op [artikel 7.7, eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.7) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **commissie:** de Commissie toelating diergeneesmiddelen; - –. **de minister:** de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 2 1. Er is een Commissie toelating diergeneesmiddelen. 2. De commissie heeft tot taak om desgevraagd de minister te adviseren over: - a. vergunningen voor het in de handel brengen van diergeneesmiddelen; - b. de aanwijzing van diergeneesmiddelen op grond van de [artikelen 5.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046416&artikel=5.1), en [5.3, eerste lid, van het Besluit diergeneesmiddelen 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046416&artikel=5.3). Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en zes andere leden. 2. De commissie vergadert met minimaal vijf leden. 3. De minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de andere leden. Artikel 4 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. 2. Het Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen voorziet in het secretariaat van de commissie. Artikel 5 1. Aan de voorzitter van de commissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op het maximum van schaal 18 van paragraaf 6.3 van de laatst afgesloten CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,105. 2. Aan de andere leden van de commissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op het maximum van schaal 18 van paragraaf 6.3 van de laatst afgesloten CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,052. Artikel 6 Te rekene"},{"i":8117,"b":"Instellingsbesluit Consultatief Orgaan Fries 2010 Gelet op artikel 7, vierde lid, van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (Trb. 1993, 1 en 199; 1998, 20); Gelet op het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden (Trb. 1995, 73 en 197; 2005, 77); Gelet op artikel 9, tiende lid, van de Bestuursafspraak Friese taal en cultuur 2001 (Stcrt. 2001, 125); Besluit: Artikel 1 Er is een consultatief orgaan ten behoeve van de Friese taal en cultuur, verder te noemen: het CO Fries. Artikel 2 1. Het CO Fries heeft tot taak aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te rapporteren over de behoeften en de wensen ten aanzien van de Friese taal en cultuur in relatie tot het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden alsmede het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden. 2. Het CO Fries heeft voorts tot taak aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties advies uit te brengen over de uitvoering van de Bestuursafspraak Friese taal en cultuur 2001 en de uitvoeringsconvenanten, in relatie tot het in het eerste lid bedoelde Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden en het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden. Artikel 3 1. Het CO Fries bestaat uit vijf leden, onder wie een voorzitter en een vice-voorzitter. 2. De voorzitter, vice-voorzitter en overige leden van het CO Fries worden, op voordracht van dit orgaan, door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar. 3. Bij de benoeming van de voorzitter en de vice-voorzitter en bij de benoeming van de overige leden van het CO Fries wordt rekening gehouden met het bepaalde in [artikel 12, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=12). 4. Het CO Fries kan waarnemers toelaten. Artikel 4 1. De voorzitter van het CO Fries ontvangt een vergoeding van € 220,– per ver"},{"i":8122,"b":"Wet van 23 april 1971, houdende regeling met betrekking tot de geneeskundige, tandheelkundige, verloskundige en farmaceutische voorziening ten behoeve van de bevolking voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden nieuwe regelen te stellen met betrekking tot de geneeskundige, tandheelkundige, verloskundige en farmaceutische voorziening ten behoeve van de bevolking; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister**: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **bevoegd gezag**: de Directeur-Generaal van de Volksgezondheid, of, voor zover krachtens [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758&hoofdstuk=I&artikel=5&z=2021-07-01&g=2021-07-01), een andere autoriteit is aangewezen, deze autoriteit; - c. **geneeskundige**: degene, ten aanzien van wie geen grond tot weigering van inschrijving in het desbetreffende overeenkomstig [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) (**Stb**. 1993, 655) ingestelde register als onderscheidenlijk arts, tandarts, apotheker of verloskundige van toepassing is; - d. inwoner van Nederland: degene, die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven of behoort te zijn ingeschreven. 2. Voor de toepassing van het eerste lid, onder c, blijft het bepaalde in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet op de beroepen in de indivi"},{"i":8128,"b":"Protocol bij het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee Preambule De Lidstaten van de Raad van Europa, Partij bij het [Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004454) van 22 juli 1964, opgesteld in het kader van het Partieel Akkoord van de Raad van Europa op sociaal gebied en op het gebied van de volksgezondheid, hierna te noemen „het Verdrag”, Gelet op het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004454) en met name de bepalingen in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004454&artikel=1); Overwegende dat de Europese Economische Gemeenschap regels heeft aangenomen, in de vorm van richtlijnen, die van toepassing zijn op de onderwerpen die het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004454) bestrijkt en dat zij terzake bevoegd is; Overwegende dat het derhalve voor de toepassing van [artikel 1 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004454&artikel=1) van belang is dat de Europese Economische Gemeenschap Partij bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004454) kan worden; Overwegende dat hiertoe enkele bepalingen van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004454) dienen te worden gewijzigd, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Wijzigt het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee; Straatsburg, 22 juli 1964. Artikel 2 Wijzigt het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee; Straatsburg, 22 juli 1964. Artikel 3 Wijzigt het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee; Straatsburg, 22 juli 1964. Artikel 4 Wijzigt het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee; Straatsburg, 22 juli 1964. Artikel 5 Wijzigt het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee; Straatsburg, 22 juli 1964. Artikel 6 Wijzigt het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee; Straatsburg, 22 juli 1964. Artikel 7 1. Dit Protocol staat"},{"i":8134,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 30 augustus 2021, nr. VO/29099210, houdende regels voor de aanvullende bekostiging voor nieuwe scholen en bij samenvoegingen in het voortgezet onderwijs (Regeling aanvullende bekostiging nieuwe scholen en samenvoeging vo) Gelet op [artikel 82, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=82) en [artikel 4, derde lid, van het Besluit bekostiging WVO 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045100&artikel=4); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **leerling:** leerling als bedoeld in [artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.7); - **minister:** Minister voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **nieuwe school:** school of scholengemeenschap als bedoeld in [artikel 4.2, eerste of tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.2), niet zijnde een school als bedoeld in [artikel 4.3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.3); - **Opgeheven school:** school die op 1 augustus van het lopende kalenderjaar is opgeheven, dan wel waarvan de bekostiging op 1 augustus van het lopende kalenderjaar volledig is beëindigd, zonder dat sprake is van samenvoeging, niet zijnde een school binnen een scholengemeenschap; - **Overname-leerling:** leerling die op 1 augustus van het lopende kalenderjaar staat ingeschreven en is overgenomen van een opgeheven school, niet zijnde een nieuwkomer eerste categorie als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling aanvullende bekostiging eerste opvang nieuwkomers vo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038995&artikel=1); - **samenvoeging:** samenvoeging als bedoeld in [artik"},{"i":8136,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 13 juni 2018 nr. VO/1364203, houdende regels voor aanvullende bekostiging voor technisch onderwijs in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs in de kalenderjaren 2018 en 2019 (Regeling aanvullende bekostiging technisch vmbo 2018 en 2019) Gelet op de [artikelen 85a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=85a) en [89 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=89) en [artikel 2.2.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beroepsgerichte keuzevakken:** vakken, bedoeld in [bijlage 3, paragrafen 1, 2 en 3 van de Regeling beroepsgerichte keuzevakken vmbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038193&bijlage=3); - **beroepsgericht vmbo:** het derde en vierde leerjaar van de basis- en kaderberoepsgerichte leerwegen en de gemengde leerweg van het vmbo; - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1)a of [artikel 1 van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=1); - **leerling:** leerling als bedoeld in [artikel 7 van het Bekostigingsbesluit WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672&artikel=7), [artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004259&artikel=1) of [artikel 2.1.2, onderdeel g, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.1.2), die op 1 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de aanvullende bekostiging wordt verstrekt, als werkelijk schoolgaand op een school stond ingeschreven; - **Minister:** Minis"},{"i":8142,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 30 augustus 2021, nr. VO/29097500, houdende regels voor de bekostiging van vo-scholen en samenwerkingsverbanden VO in Europees en scholen in Caribisch Nederland (Regeling bekostiging vo-scholen en samenwerkingsverbanden vo) Gelet op de [artikelen 80, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=80), [85, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=85), en [90 vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=90), [artikel 153 van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=153), [artikel 2.2.2, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.2.2), [artikel 17, derde lid, van het Besluit bekostiging WVO 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045100&artikel=17) en [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029598&artikel=9) en [artikel 11, derde lid, van het Bekostigingsbesluit WVO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029598&artikel=11); Besluit: § 1. Bekostiging vo-scholen Europees Nederland Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **gemengde leerweg:** gemengde leerweg als bedoeld in [artikel 2.22, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.22); - **havo:** hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.5); - **hoofdvestiging:** hoofdvestiging als bedoeld in [artikel 4.13 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.13); - **leerling:** leerling als bedoeld in [artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.7); - **lwoo:** leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in [artikel 2.42 van de wet](htt"},{"i":8146,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 oktober 2025, nr. PO/F&V/54397891, houdende regels voor de bekostiging van het primair onderwijs in Caribisch Nederland voor het kalenderjaar 2026 (Regeling bekostiging WPO BES 2026) Gelet op [artikel 100, vijfde lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), en de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=14), en [16, tweede en vierde lid, van het Besluit bekostiging WPO BES 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=16); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit bekostiging WPO BES 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152); - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **wet:** [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280). Artikel 2. Bedrag per leerling Het bedrag per leerling, bedoeld in [artikel 100, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), bedraagt USD 8.114,71. Artikel 3. Bedrag per school Het bedrag per school, bedoeld in [artikel 100, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), bedraagt USD 328.171,52. Artikel 4. Extra bekostiging voor zorg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte op Bonaire, Sint Eustatius en Saba 1. De extra bekostiging, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=16), bedraagt voor Bonaire USD 482.021,80. 2. De extra bekostiging, bedoeld in [artikel 16, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=16), bedraagt voor Sint Eustatius en Saba 11,50% van de bedragen, bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051616&artikel=2&z=2025-10-17&g=2025-10-17) en ["},{"i":8150,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 januari 2010, nr. DBV/IenA/I , houdende beperking van de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van het Regionaal Medisch Tuchtcollege Groningen, over de periode (1930) 1931–1985 (1986) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden worden de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027128&artikel=2&z=2010-01-29&g=2010-01-29) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027128&artikel=3&z=2010-01-29&g=2010-01-29) genoemde beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de naar het Regionaal Historisch Centrum Groninger Archieven over te brengen archiefbescheiden van het Regionaal Medisch Tuchtcollege Groningen, over de periode (1930) 1931–1985 (1986), die zijn opgenomen in de inventaris onder de in kolom 1 van onderstaande tabel genoemde inventarisnummers. Deze beperkingen gelden tot 1 januari van het in kolom 2 van onderstaande tabel genoemde jaartal. | Inventarisnummer: | Niet openbaar vóór 1 januari: | | --- | --- | | 61, 115 | 2010 | | 32–33, 62–63, 116, 398–400, 424, 463 | 2011 | | 10, 47, 117–118, 430, 482 | 2012 | | 1, 119–120, 122 | 2013 | | 121, 123 | 2014 | | 64, 124, 401 | 2015 | | 65, 125–126 | 2016 | | 127–128 | 2017 | | 66–67 | 2018 | | 68–69, 130 | 2019 | | 129 | 2020 | | 70, 131–134, 431 | 2022 | | 11–12, 135–136, 402, 432 | 2023 | | 137–138, 433 | 2024 | | 139–140, 403, 414 | 2025 | | 13, 141, 415, 425 | 2026 | | 434 | 2027 | | 36, 464–465 | 2028 | | 71–72, 142–143 | 2029 | | 73, 144 | 2030 | | 74, 146, 416–417, 466–467 | 2032 | | 14–15, 37, 45–46, 75–76, 145, 147–148, 435, 483–484 | 2033 | | 149–151, 468 | 2034 | | 77, 153, 418, 469–470 |"},{"i":8153,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 juni 2014, nr. WJZ / 14101632, houdende regels voor diergeneeskundigen (Regeling diergeneeskundigen) Gelet op [Richtlijn nr. 2005/36/EG](32005L0036) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU 2005, L 255) en [artikel 33 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33), de [artikelen 1.1, eerste lid, derde gedachtestreepje, onder 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=1.1), [7.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.7), [8.22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.22), en [8.36, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.36), en [10.1, eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.1), de [artikelen 3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=3.1), [3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=3.4), [3.6, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=3.6), [3.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=3.16), [3.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=3.18), [4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=4.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=5.5) en [5.7, eerste en tweede lid, van het Besluit diergeneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091&artikel=5.7) en [artikel 5.8 van het Besluit diergeneesmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032386&artikel=5.8); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **besluit:** [Besluit diergeneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035091); - –. **betrokken staat:** betrokken staat als bedoeld in [artikel"},{"i":8155,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 april 2021, nr. WJZ/ 21072840, houdende regels met betrekking tot de preventie en bestrijding van dierziekten en tot wijziging van de Regeling diergeneesmiddelen, de Regeling dierlijke producten, de Regeling diergeneeskundigen, de Regeling diervoeders 2012, de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren en de Regeling houders van dieren (Regeling diergezondheid) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Medische Zorg en Sport en na overleg met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op verordening (EU) nr. 2016/429 van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (diergezondheidsverordening) (PbEU 2016, L 84), [verordening (EG) nr. 2160/2003](32003R2160) van het Europees parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU 2003 L 325), verordening (EU) 2020/688 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees parlement en de Raad wat betreft de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsing binnen de Unie van landdieren en broedeieren (PbEU 2020, L 174), verordening (EU) 2020/689 van de commissie van 17 december 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees parlement en de Raad wat betreft regels voor bewaking, uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrij status voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten (PbEU 2020, L 174), verordening (EU) 2020/999 van de Commissie van 9 juli 2020 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees parlement en de Raad wat betreft de erkenning van inrichtingen voor levende producten en de traceerbaarheid van levende producten van runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen"},{"i":8162,"b":"Regeling maximumprijzen geneesmiddelen Gelet op [artikel 2 van de Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867&artikel=2), Besluit: Artikel 1 Voor de in de bijlage bij deze regeling opgenomen geregistreerde geneesmiddelen worden de daarbij per hoeveelheid en farmaceutische vorm aangegeven maximumprijzen vastgesteld. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 1996. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximumprijzen geneesmiddelen. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008023&artikel=1&z=2026-04-01&g=2026-04-01) van de Regeling maximumprijzen geneesmiddelen | **Productgroep** | | **Maximumprijs** | | --- | --- | --- | | ABACAVIR-20-MG/ML-OPLOSSING/SUSPENSIE, ORAAL * | | 0,332976 per ml | | **Registratienummer** | **Artikelnaam** | | | EU/1/99/112/002 | Ziagen drank 20mg/ml | | | | | | | **Productgroep** | | **Maximumprijs** | | ABACAVIR-300-MG-TABLET * | | 3,492466 per stuk | | **Registratienummer** | **Artikelnaam** | | | 117120 | Abacavir accord tablet filmomhuld 300mg | | | 117142 | Abacavir sandoz tablet filmomhuld 300mg | | | EU/1/99/112/001 | Ziagen tablet 300mg | | | | | | | **Productgroep** | | **Maximumprijs** | | ABACAVIR-60-MG-BRUISTABLET-DOLUTEGRAVIR-5-MG-BRUISTABLET-LAMIVUDINE-30-MG-BRUISTABLET | | 2,940426 per stuk | | **Registratienummer** | **Artikelnaam** | | | EU/1/14/940/003 | Triumeq dispergeerbare tablet 5/60/30mg+toebehoren | | | | | | | **Productgroep** | | **Maximumprijs** | | ABATACEPT-125-MG/ML-INJ.VLOEISTOF, WWSP | | 234,700218 per ml | | **Registratienummer** | **Artikelnaam** | | | EU/1/07/389/011 | Orencia injvlst 125mg/ml pen 1ml | | | EU/1/07/389/013 | Orencia injvlst 125mg/ml wwsp 0,4ml | | | EU/1/07/389/014 | Orencia injvlst 125mg/ml wwsp 0,7ml | | | EU/1/07/389/008 | Orencia injvlst 125mg/ml wwsp 1ml | | | | | | | **Productgroep** | | **Maximumprijs** | | ABATACEPT-250-MG-POED. V. INFUSIE,FLACON | | 316,527779 per stuk | | **Re"},{"i":8165,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 23 april 2020, kenmerk 1673023-204144, houdende de vaststelling van taaleisen en nadere regels in de zin van Verordening (EU) 2017/745 en Verordening (EU) 2017/746 (Regeling medische hulpmiddelen) Gelet op de [artikelen 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=4), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=7), [8, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=8), en [9 van de Wet medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=9); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 4, eerste lid, van de Wet medische hulpmiddelen in werking treedt. Artikel 1. Taalvereisten 1. De informatie en algemene samenvatting, bedoeld in de artikelen 10, elfde lid, 18, eerste lid, tweede alinea, en bijlage XV, hoofdstuk II, punt 3.1.5 van Verordening (EU) 2017/745 en 10, tiende lid, van Verordening (EU) 2017/746, worden opgesteld in de Nederlandse taal. 2. In afwijking van het eerste lid, kan de in artikel 10, elfde lid, van Verordening (EU) 2017/745 en artikel 10, tiende lid, van Verordening (EU) 2017/746 bedoelde informatie opgesteld worden in de Engelse taal, voor zover het medisch hulpmiddel of medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek bestemd is om uitsluitend te worden toegepast door een zorgverlener en onder de voorwaarde dat de zorgverlener beschikt over een adequate beheersing van de Engelse taal. 3. De informatie, documentatie, en field safety notice, bedoeld in de artikelen 10, veertiende lid, 11, derde lid, onderdeel d, 19, eerste lid, 41, en 89, achtste lid, eerste alinea, van Verordening (EU) 2017/745, en 10, dertiende lid en 11, derde lid, onderdeel d, 17, eerste lid, 37, en 84, achtste lid, eerste alinea, van Verordening (EU) 2017/746, worden opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal. Artikel 2. Lijsten met categorieën naar maat gemaakte medische hulpmiddelen Fabrikanten van een naar maat"},{"i":8172,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 februari 2021, nr. WJZ/18085049, houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot plantgezondheid (Regeling plantgezondheid) Gelet op de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=9), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=16) en [20, eerste lid, van de Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=20) en de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044299&artikel=6) en [8, tweede en derde lid, van het Besluit plantgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044299&artikel=8); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen § 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1 - –. **aardappel:** een plant of plantaardig product van het geslacht **Solanum tuberosum** L.; - –. **aardappelopslag:** aardappelplanten gegroeid uit op een terrein of perceel achtergebleven aardappelknollen of zaad; - –. **bacterievuur:** de ziekte veroorzaakt door de bacterie **Erwinia amylovora** (Burrill) Winslow et al; - –. **bedrijfsmatige teelt:** de teelt van planten in de uitoefening van een bedrijf; - –. **besluit:** [Besluit plantgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044299); boomkwekerijgewassen en vaste planten: winterharde en half-winterharde houtgewassen, vaste planten en vaste planten en wortelstokken, uitgezonderd de gewassen die gerekend worden tot de bloembollensector, en als zodanig worden genoemd in [bijlage II van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022543&bijlage=II); - –. **bietenopslag:** bladvorming aan of bietenplanten gegroeid uit resten of zaad van een voorgaande suiker-, voeder- of rode bietenteelt die op een productielocatie zijn achtergebleven; - –. **een door een schadelijk organisme aangetaste partij:** een partij waarop of waarin op enigerlei wijze een schadelijk organisme voorkomt; - –. **dezelfde onderneming:** - 1°. het geheel van terreinen of percelen voor de t"},{"i":8179,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 december 2015, kenmerk 878144-144815-GMT, houdende vaststelling en wijziging van tarieven op het terrein van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen (Regeling tarief notificatie medische hulpmiddelen) Gelet op de [artikelen 19, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=19), [98, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=98), en [100b, vijfde lid, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=100b), en [artikel 10g, tweede lid, van de Wet op de medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002697&artikel=10g); Besluit: Artikel 1. Notificatie medische hulpmiddelen en in-vitro diagnostica Voor de verwerking van de notificatie, bedoeld in [artikel 5, eerste en tweede lid, van het Besluit medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007307&artikel=5), en [artikel 4, eerste lid, van het Besluit in-vitro diagnostica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012610&artikel=4), is de persoon of de fabrikant die notificeert een vergoeding van € 200,– verschuldigd. Voor zover de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=24) en [25 van de Wet medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=25) bepalen dat [artikel 5, eerste en tweede lid, van het Besluit medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007307&artikel=5), en [artikel 4, eerste lid, van het Besluit in-vitro diagnostica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012610&artikel=4), zoals die luidden op de dag voor het tijdstip waarop de [Wet op de medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002697) wordt ingetrokken, van toepassing blijven, is de persoon of de fabrikant die notificeert een vergoeding van € 200,– verschuldigd. Artikel 2. Wijziging van de [Regeling Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022160) Wij"},{"i":8181,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 november 2004, nr. CZ/IZ/2538616, houdende toekenning vacatiegeld commissie onderbouwing normatief uurtarief medisch specialisten Gelet op het [Vacatiegeldenbesluit 1988](onbekend); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Commissie onderbouwing normatief uurtarief medisch specialisten ontvangt voor het bijwonen van één of meer vergaderingen op één dag een vergoeding van € 249,58. 2. De andere leden van de Commissie onderbouwing normatief uurtarief medisch specialisten ontvangen voor het bijwonen van één of meer vergaderingen op één dag een vergoeding van € 124,79. Artikel 2 De voorzitter en de leden van de Commissie onderbouwing normatief uurtarief hebben recht op een vergoeding van de reiskosten overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 2 oktober 2004. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toekenning vacatiegeld commissie onderbouwing normatief uurtarief medisch specialisten. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8183,"b":"Regeling tot vaststelling model geneeskundige verklaring krankzinnigheid BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk."},{"i":8188,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 november 2018, kenmerk 1437842-183262-ESTT, houdende vaststelling van het vacatiegeld voor personen die lid of plaatsvervangend lid zijn van het Medisch Tuchtcollege bedoeld in artikel 8 van de Wet medisch Tuchtrecht BES (Regeling vacatiegeld Medisch Tuchtcollege BES) Gelet op [artikel 19 van de Wet medisch tuchtrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028542&artikel=19) en [artikel 4 van het Besluit ter uitvoering van de artikelen 16 en 19 van de Wet medisch tuchtrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028483&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet medisch tuchtrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028542); - b. **College:** het medisch tuchtcollege, bedoeld in [artikel 8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028542&artikel=8); - c. **lid:** de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, de geneeskundige, tandheelkundige, verloskundige en apotheker, bedoeld in [artikel 1, onderdelen a, b, c en d van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028542&artikel=1) en hun plaatsvervangers bedoeld in [artikel 9, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028542&artikel=9); - d. **zittingsdag:** elke dag waarop het lid, de secretaris of de plaatsvervangend secretaris op een openbaar lichaam verblijft ter behandeling van voor het College aanhangig gemaakte schriftelijke klachten, alsmede de dag waarop het lid van de woonplaats naar een openbaar lichaam reist en terug. Artikel 2 1. Aan de leden van het College, de secretaris of de plaatsvervangend secretaris wordt een vacatiegeld toegekend voor het bijwonen van bijeenkomsten van het College. 2. Het vacatiegeld bedraagt per zittingsdag het bedrag bedoeld in [artikel 6a, eerste lid, onderdeel c van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=6a). 3. Indien de"},{"i":8194,"b":"Reglement Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs 2026 Preambule In 1992 richtten de sociale partners in het onderwijs de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs op. Het doel van het Vervangingsfonds is het bieden van waarborgen aan aangeslotenen voor de kosten van vervanging bij afwezigheid van gewezen personeel en het invoeren en in stand houden van bedrijfsgezondheidszorg in het primair onderwijs, alsmede het bevorderen en bewaken van die zorg. Het bestuur stelt, conform het bepaalde op grond van [artikel 188, vierde lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=188) juncto [artikel 167, vierde lid van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=167), het Reglement Vervangingsfonds vast. In dit reglement wordt bepaald welke rechten de aangeslotenen in het kader van de taakuitoefening van de stichting, als hierboven genoemd, jegens de stichting kunnen doen gelden en tot welke verplichtingen de aangeslotenen jegens de stichting zijn gehouden. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Hoofdstuk 2. Aansluiting bij het Vervangingsfonds § 2.1. Vrijwillige en verplichte aansluiting Artikel 2. Verplichte aansluiting bij het Vervangingsfonds Artikel 3. Vervanging die niet voor bekostiging in aanmerking komt Personeelsleden: zijn niet verplicht aangesloten bij het Vervangingsfonds. Vervanging van deze personeelsleden wordt niet bekostigd door het Vervangingsfonds. Artikel 4. Vrijwillige aanmelding van personeel § 2.2. Eigenrisicodragerschap Artikel 5. Eigenrisicodragerschap Artikel 6. Lopende vervangingen Hoofdstuk 3. Premie § 3.1. Premie Artikel 7. Premie Artikel 8. Premiepercentages § 3.2. Bonus-malus regeling Artikel 9. Bonus-malus regeling Artikel 10. Toepassingsbereik Artikel 11. Maximering malus Indien een bevoegd gezag een bonus-malus verhouding heef"},{"i":8197,"b":"Selectielijst binnen de taakgebieden volksgezondheid en milieu Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 10 september 1997, nr. arc-97.6849/1); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen binnen de taakgebieden volksgezondheid en milieu, over de periode 1940-1995, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":8200,"b":"Selectielijst neerslag handelingen m.b.t. Emancipatie en gelijke behandeling vanaf 1965-heden, Volksgezondheid, Welzijn en Sport Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 maart 2003, nr. arc-2002.4707/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Emancipatie en gelijke behandeling over de periode vanaf 1965](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8204,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 september 2005, nr. PG-2.611.880, houdende de regels inzake de verstrekking van subsidies op het terrein van de publieke gezondheid (Subsidieregeling publieke gezondheid) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet volksgezondheidssubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk I. Algemene subsidiebepalingen § 1. Begrippen en algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld; - c. instellingssubsidie: een subsidie aan een instelling voor de kosten van haar structurele activiteiten, of een gedeelte van die kosten; - d. accountant: accountant als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393); - e. projectsubsidie: een subsidie voor activiteiten aan een instelling die anders dan als instellingssubsidie wordt verstrekt; - f. uitkering: een specifieke uitkering als bedoeld in [artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=15a). Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de subsidies, bedoeld in [Hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018743&hoofdstuk=II&z=2026-05-01&g=2026-05-01). Artikel 3 1. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in [artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:34). 2. Subsidie wordt slechts verstrekt indien: - a. naar het oordeel van de minister mag worden verwacht dat de met de subsidiëring beoogde doeleinden zullen worden bereikt; - b. de aanvrager naar het oordeel van de minister de behoefte aan subsidie heeft a"},{"i":8210,"b":"Uitvoering artikel 5, eerste lid, van de Noodwet Geneeskundigen Gelet op [artikel 5, eerste lid, van de Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758&artikel=5) (Stb. 1971, 396); De Raad voor de buitengewone geneeskundige en farmaceutische voorziening gehoord (advies van 9 maart 1978, nr. 17,624/CV); Besluit: Artikel 1 Als autoriteit die in de plaats van de Directeur-Generaal van de Volksgezondheid optreedt als bevoegd gezag in de zin van de [Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758), wordt aangewezen de inspecteur-generaal van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 6a De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003209&artikel=1&z=2018-08-01&g=2018-08-01) als bevoegd gezag aangewezen autoriteit oefent – onverminderd het krachtens [artikel 6 van de Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758&artikel=6) bepaalde – de hem bij of krachtens de [Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758) toegekende bevoegdheden uit met inachtneming van de door de Directeur-Generaal van de Volksgezondheid gegeven aanwijzingen.’ Artikel 7 1. Dit besluit wordt met de daarbij behorende toelichting in de Nederlandse Staatscourant geplaatst. 2. Het treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Nederlandse Staatscourant, waarin het is geplaatst."},{"i":8214,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Gezondheid en welzijn van dieren over de periode 1945–1998: neerslag handelingen Universiteit Utrecht Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 22 maart 2005, nr. arc-2005.02052/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde [‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Universiteit Utrecht op het beleidsterrein Gezondheid en welzijn van dieren over de periode 1945–1998’](onbekend) en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8220,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Openluchtrecreatie 1946–1983 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 oktober 2005, nr. arc-arc-2004.01772/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Openluchtrecreatie in de periode 1946–1983’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basis selectie document openluchtrecreatie 1946–1983 **Vastgesteld BSD** **November 2005** Lijst van afkortingen AMvB: Algemene maatregel van bestuur BIZA: (Ministerie van) Binnenlandse Zaken BSD: Basis Selectiedocument CAS: Centrale Archief Selectiedienst CRM: (Ministerie van) Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk CO: Coördinatiecommissie Openluchtrecreatie DGRR: Directie Groene Ruimte en Recreatie EG: Europese Gemeenschap EZ: (Ministerie van) Economische Zaken INCOR: Interdepartementale Coördinatiecommissie voor de Openluchtrecreatie INCORET: Interdepartementale coördinatiecommissie openluchtrecreatie en toerisme KB: Koninklijk Besluit KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap LNV: (Ministerie van) Landbouw, Natuurbeheer en Visserij NA: Nationaal Archief NBOR: (Hoofddirectie) Natuurbehoud en Openluchtrecreatie NRLO: Nationale Raad voor Landbouwkundig onderzoek OCenW: (Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen OKW: (Ministerie van) Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn RAD: Rijksarchiefdienst RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek Stb.: Staatsblad van het Koninkrijk der"},{"i":8224,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](onbekend); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/2 en arc-2003.6517/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8228,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijsten neerslag handelingen beleidsterreinen Energiebeleid en Energiedelfstoffen vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 april 2005, nr. arc-2005.02052/3 en arc-2005.0205/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijsten voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de onder hem ressorterende actoren op de beleidsterreinen Energiebeleid en Energie Delfstoffen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8230,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst handelingen beleidsterrein Welzijn over de periode 1945–1996, Volksgezondheid, Welzijn en Sport Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, arc-2002.4317/2; Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Welzijn over de periode 1945–1996’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basis selectiedocument **1. De selectie** Het BSD is opgesteld tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van de RAD/PIVOT, zoals die door de Minister van WVC bij de behandeling van het ontwerp van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) in de Tweede Kamer op 13 april 1994 is verwoord. De selectiedoelstelling luidt: het mogelijk maken van een reconstructie van de hoofdlijnen van het handelen van de overheid. Door het Convent van Rijksarchivarissen is de selectiedoelstelling vertaald in de richting van de (bewaar)doelstelling van de RAD als ‘het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring’. De algemene selectiedoelstelling is geoperationaliseerd voor het terrein van het adelsbeleid, adelsrecht en het decoratiestelsel. Dat wil zeggen dat de geformuleerde handelingen van de betrokken overheidsactoren zijn gewaardeerd op de bijdrage die zij leveren aan de verwezenlijking van de selectiedoelstelling. De selectie gold derhalve de vraag ten aanzien van welke handelingen de administratieve neerslag noodzakelijk zou zijn om een reconstructie mogelijk"},{"i":8235,"b":"Verdrag tot instelling van het Caribisch Volksgezondheidsinstituut (CARPHA) De verdragsluitende partijen: Geleid door de wens een Caribisch gebied te verwezenlijken waar de gezondheid van de inwoners wordt bevorderd en de kans op ziekte, letsel en invaliditeit wordt verkleind, en zo bij te dragen aan de welzijnsrevolutie afgekondigd in de verklaring van Port of Spain van de conferentie van regeringsleiders van de Caribische Gemeenschap (de conferentie) tijdens de top over chronische niet-overdraagbare ziekten van 15 september 2007; Overwegende het CCH-initiatief (Caribbean Cooperation in Health) dat in 1984 werd voorgesteld tijdens een bijeenkomst van de conferentie van CARICOM-ministers belast met de volksgezondheid als een mechanisme ter bevordering van de gezondheid door toenemende samenwerking en stimulering van de technische samenwerking tussen de Caribische landen, dat formeel werd aangenomen en uitgewerkt door de conferentie van regeringsleiders bij de Verklaring van Nassau inzake de volksgezondheid van 2001: „De gezondheid van de regio is de rijkdom van de regio”, Nassau, Bahama’s, 6 juli 2001; Gelet op het bestaan in de Cariben van de volgende vijf regionale gezondheidsinstanties (RHI’s)– Het Caribische Centrum voor Epidemiologie (CAREC), dat wordt beheerd door de Pan-American Health Organisation (PAHO) voor het Caribisch gebied inclusief leden van de Caribische Gemeenschap; Het Caribbean Environmental Health Institute (CEHI), dat in 1972 werd opgericht bij intergouvernementele overeenkomst tussen de leden van de Caribische Gemeenschap en wordt erkend als een instantie van de Caribische Gemeenschap; Het Caribbean Food and Nutrition Institute (CFNI), dat wordt beheerd door de PAHO voor de Caribische regio inclusief leden van de Caribische Gemeenschap, en wordt erkend als een instantie van de Caribische Gemeenschap; De Caribbean Health Research Council (CHRC), die door de ministers belast met de volksgezondheid in het Caribisch gebied oorspronkelijk werd opge"},{"i":8243,"b":"Wet van 19 mei 1994, houdende regels betreffende de instelling van een zelfstandig bestuursorgaan, belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de materiële en immateriële opvang van asielzoekers toe te vertrouwen aan een wettelijk ingesteld bestuursorgaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Asiel en Migratie; - b. COA: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&paragraaf=2&artikel=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - c. Kaderwet: de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - d. opvangcentrum: opvangvoorziening, niet zijnde een woning, hotel of pension, waarin door het COA aan asielzoekers opvang wordt geboden; - e. opvangvoorziening: een accommodatie waarin door of onder verantwoordelijkheid van het COA onderscheidenlijk door of onder verantwoordelijkheid van het college opvang wordt geboden aan asielzoekers; - f. ontheemde: de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet als bedoeld in [artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1), omdat hij onder de reikwijdte valt van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van [Richtlijn 2001/55/EG](32001L0055), en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan, of een verlenging daarvan. § 2. Instelling en taken Artikel 2 1. Er is een Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dat rechtspersoonlijkheid bezit. 2"},{"i":8247,"b":"Wet van 24 oktober 2019, houdende regels over de veiligheid en kwaliteit van medische hulpmiddelen (Wet medische hulpmiddelen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is uitvoering te geven aan Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van [Richtlijn 2001/83/EG](32001L0083), Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van [Richtlijnen 90/385/EEG](31990L0385) en [93/42/EEG](31993L0042) van de Raad en aan Verordening (EU) [2017/746](32017L0746) van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van [Richtlijn 98/79/EG](31998L0079) en Besluit 2010/227/EU van de Commissie teneinde daarmee het soepel functioneren van de interne markt te garanderen en tegelijkertijd hoge kwaliteits- en veiligheidseisen aan medische hulpmiddelen te stellen en in verband hiermee de Wet op de medische hulpmiddelen te vervangen door een nieuwe wet en tevens de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen op een aantal onderdelen te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Uitvoering Verordeningen (EU) 2017/745 en (EU) 2017/746 Hoofdstuk 3. Bijzondere onderwerpen Hoofdstuk 2. Uitvoering Verordeningen (EU) 2017/745 en (EU) 2017/746 Hoofdstuk 5. Wijzigings- en samenloopbepalingen Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 23. Overgangsrecht 1. Besluiten als bedoeld in [artikel 10 van de Wet op de medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002697&artikel=10) die voor de inwerkingtreding van [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&hoofdstuk=6&artikel=2"},{"i":8249,"b":"Wet op de geneesmiddelenvoorziening BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet en de uitvoering daarvan te geven voorschriften wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **Inspecteur:** de Inspecteur van de inspectie, bedoeld in onderdeel c; - c. **Inspectie:** de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; - d. **zelfstandigheden:** stoffen, dieren, planten delen of producten van dieren of planten, producten bereid uit dieren of planten of uit gedeelten van dieren of planten, alsmede de mengsels hiervan; - e. **geneesmiddelen:** - 1°. Zelfstandigheden, welke worden gebruikt voor genezing, leniging of voorkoming van enige aandoening, ziekte, ziekteverschijnsel, pijn, verwonding of gebrek bij de mens, voor zover zij in een apotheek plegen aanwezig te zijn of uit een apotheek zijn of plegen te worden afgeleverd; - 2°. Zelfstandigheden, welke op recept zijn bereid waarbij onder bereiden tevens wordt verstaan het in de vereiste vorm brengen of het ter aflevering gereedmaken; - 3°. Zelfstandigheden, welke zich bevinden in een verpakking of voorwerp, en kennelijk bestemd zijn om in die verpakking of in dat voorwerp aan de verbruiker te worden afgeleverd en welke op enigerlei wijze worden of werden aangeduid of aangeprezen als zijnde geschikt of als zouden zij geschikt kunnen zijn ter genezing, leniging of voorkoming van enige aandoening ziekte, ziekte- verschijnsel pijn, verwonding of gebrek bij de mens; - 4°. Zelfstandigheden, als zodanig door Onze Minister aangewezen; - f. **verpakte geneesmiddelen:** de geneesmiddelen, bedoeld in onderdeel e, onder 3° en 4° voor zover deze zich bevinden in een verpakking of voorwerp, en kennelijk bestemd zijn om in die verpakking of in dat voorwerp aan de verbruiker te worden afgeleverd; - g. uitoefening der artsenijbereidkunde: - 1°. bereiden: geheel of gedeeltelijk vervaardigen van geneesmiddelen dan wel het verpakken of etiketteren daarvan; - 2°"},{"i":8251,"b":"Wet van 24 mei 1996, houdende regelen omtrent het ter beschikking stellen van organen (Wet op de orgaandonatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede in verband met [artikel 11 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=11), wenselijk is met het oog op de rechtszekerheid van de betrokkenen, ter bevordering van het aanbod en de rechtvaardige verdeling van geschikte organen en ter voorkoming van handel in organen bij wet regelen te stellen omtrent het ter beschikking stellen van organen ten behoeve van in het bijzonder de geneeskundige behandeling van anderen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. orgaan: bestanddeel van het menselijk lichaam, met inbegrip van weefsels en cellen, met uitzondering van bloed en geslachtscellen; - c. donor: een persoon of stoffelijk overschot, door of ten aanzien van wie op grond van deze wet toestemming is verleend voor, dan wel bij wie geen bezwaar bestaat tegen het bij hem of daaruit verwijderen van een orgaan; - d. verwijderen: het verwijderen van een orgaan, anders dan ten behoeve van de donor zelf; - e. implantatie: het in- of aanbrengen van een orgaan van een donor in of aan het lichaam van een ander met het oog op diens geneeskundige behandeling; - f. ziekenhuis: een ziekenhuis dat of een verpleeginrichting dan wel een afdeling daarvan waar zorg of een andere dienst wordt verleend waarop aanspraak bestaat ingevolge [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverze"},{"i":8293,"b":"Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst betreffende de uitwisseling van testsera voor bloedgroeponderzoek De Lid-Staten van de Raad van Europa, die Overeenkomstsluitende Partij zijn bij de [Europese Overeenkomst van 14 mei 1962 betreffende de uitwisseling van testsera voor bloedgroeponderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004573) (hierna te noemen „de Overeenkomst”), Gelet op de bepalingen van [artikel 5, eerste lid, van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004573&artikel=5), luidende: „De Overeenkomstsluitende Partijen treffen alle nodige maatregelen ten einde de hun door de andere Partijen ter beschikking gestelde testsera voor bloedgroeponderzoek vrij te stellen van alle invoerrechten”; Overwegende dat, wat de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap betreft, het aangaan van de verplichting deze vrijstelling te verlenen behoort tot de competentie van de Gemeenschap, die hiertoe de nodige bevoegdheden bezit uit hoofde van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) waarbij zij is opgericht; Overwegende derhalve dat het, voor de toepassing van het bepaalde in [artikel 5, eerste lid, van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004573&artikel=5) noodzakelijk is dat de Europese Economische Gemeenschap Partij kan worden bij de Overeenkomst, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 De Europese Economische Gemeenschap kan Partij worden bij de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004573) door deze te ondertekenen. Wat de Gemeenschap betreft, treedt de Overeenkomst in werking op de eerste dag van de maand die volgt op deze ondertekening. Artikel 2 1. Dit Aanvullend Protocol staat open voor aanvaarding door de Partijen bij de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004573). Het treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de laatste van de Overeenkomstsluitende Partijen haar akte van aanvaarding heeft nedergelegd bij de"},{"i":8323,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde inzake transplantatie van organen en weefsel van menselijke herkomst **Preamble** The member States of the Council of Europe, the other States and the European Community signatories to this Additional Protocol to the [Convention for the Protection of Human Rights and Dignity of the Human Being with regard to the Application of Biology and Medicine](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005627) (hereinafter referred to as “Convention on Human Rights and Biomedicine”), Considering that the aim of the Council of Europe is the achievement of greater unity between its members and that one of the methods by which this aim is pursued is the maintenance and further realisation of human rights and fundamental freedoms; Considering that the aim of the [Convention on Human Rights and Biomedicine](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005627), as defined in [Article 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005627&artikel=1), is to protect the dignity and identity of all human beings and guarantee everyone, without discrimination, respect for their integrity and other rights and fundamental freedoms with regard to the application of biology and medicine; Considering that progress in medical science, in particular in the field of organ and tissue transplantation, contributes to saving lives or greatly improving their quality; Considering that transplantation of organs and tissues is an established part of the health services offered to the population; Considering that, in view of the shortage of organs and tissues, appropriate action should be taken to increase organ and tissue donation, in particular by informing the public of the importance of organ and tissue transplantation and by promoting European co-operation in this field; Considering moreover the ethical, psychological and socio-cultural problems inherent in the transplantation of organs and tissues; Considering that the misus"},{"i":6548,"b":"Besluit van 17 maart 1997 tot wijziging van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 26 november 1996, Directoraat-generaal Openbaar Bestuur, afdeling bestuur en wetgeving, nr. BW96/U2167; Gelet op de [artikelen 66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=66) en [73 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=73); De Raad van State gehoord (advies van 17 februari 1997, No.WO4.96.0581); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 11 maart 1997, Directoraat-generaal Openbaar Bestuur, afdeling bestuur en wetgeving, nr. BW97/301; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 1997. ARTIKEL I Wijzigt het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994. ARTIKEL II 1. Bij de inwerkingtreding van dit besluit wordt de bezoldiging van de burgemeester vastgesteld op het bedrag dat gelijk is aan de bezoldiging die voor hem zou hebben gegolden indien de vervanging van de bijlagen, bedoeld in [artikel I, onderdeel J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008598&artikel=I&z=1997-04-09&g=1997-04-09), niet zou hebben plaatsgevonden en indien dat niet mogelijk is, op het naasthogere bedrag van de bezoldiging die voor hem zou hebben gegolden. 2. Aan de burgemeester van wie de bezoldiging is vastgesteld op een gelijk bedrag als bedoeld in het eerste lid, wordt een eenmalige uitkering toegekend van f 250,-. ARTIKEL III De burgemeester die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit recht heeft op wachtgeld op grond van het [Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743), behoudt dit recht met toepassing van de bepalingen van het [Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743) zoals deze luiden voor inwerkingtreding van dit besluit. ARTIKEL IV Wijzigt het Bezoldigingsbesluit burgemeester/secretaris. ARTIKEL V Dit besluit treedt in werking met ingan"},{"i":5787,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 1 juli 2003, nr OWB/FO/2002/54873, houdende regels voor het verstrekken van subsidie aan Stichting AAP voor de huisvesting, verzorging en behandeling van door de Stichting Biomedical Primate Research Centre aan de Stichting AAP in eigendom overgedragen chimpansees (Subsidieregeling Stichting AAP) Gelet op [artikel 4 van de Wet overige OCenW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4); Besluit: Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, - b. **BPRC:** Stichting Biomedical Primate Research Centre gevestigd te Rijswijk, - c. **Stichting AAP:** Stichting AAP, Opvang voor Uitheemse Dieren gevestigd te Almere, - d. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), - e. **Convenant:** het op 3 juni 2003 ondertekende Convenant inzake de overdracht, huisvesting, verzorging en behandeling van de chimpansees van het BPRC. Artikel 2. Doelomschrijving 1. De minister verleent aan Stichting AAP subsidie per boekjaar dan wel subsidie voor een bepaald aantal boekjaren voor de huisvesting, verzorging en behandeling van de in het kader van het Convenant door het BPRC aan Stichting AAP over te dragen en overgedragen chimpansees. 2. De subsidie wordt verleend voor: - a. de investeringsuitgaven die Stichting AAP maakt ten behoeve van de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde chimpansees; - b. de exploitatiekosten die zijn verbonden met de huisvesting, verzorging en behandeling van de in het eerste lid bedoelde chimpansees; voor zover Stichting AAP deze kosten maakt ter uitvoering van het Convenant en de daarbij horende bijlagen. 3. De subsidie wordt verleend op grond van de volgende overwegingen: - a. dat de regering het doen van onderzoek met mensapen in Nederland niet langer wenselijk acht en voornemens is dit bij wet"},{"i":5745,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 juni 2023, nr. 1409103, houdende regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van het Leven Lang Ontwikkelen-Katalysator programma voor Bouwsteen 3 (Subsidieregeling LLO-professionalisering opleiders 2023–2026) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beoordelingscommissie:** commissie als bedoeld in [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048369&paragraaf=4&artikel=25&z=2025-11-19&g=2025-11-19); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **LLO:** Leven Lang Ontwikkelen; - **LLO-oplossing:** leer- of ontwikkelactiviteit of reeks van activiteiten gericht op het oplossen van een competentieknelpunt van werkenden, werkzoekenden en werkgevers binnen de context van een (arbeidsmarkt)regio of sector; - **LLO-organisatie:** organisatie van een opleider of samenwerkingsverband met de organisatiecapaciteit en dienstverlening om vraaggericht en op maat LLO-oplossingen te bieden aan de arbeidsmarkt; - **LLO-professionalisering:** op grond van deze regeling gesubsidieerd geheel van professionaliseringsactiviteiten gericht op het ontwikkelen van de LLO-organisatie van een publieke opleider of van een samenwerkingsverband met het doel vraaggericht en op maat LLO-oplossingen te kunnen bieden aan de arbeidsmarkt; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **opleider:** publieke opleider of private opleider formeel onderwijs; - **penvoerder:** penvoerder als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":5522,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 28 oktober 2021, kenmerk 3577060/21/DP&O, houdende regels met betrekking tot de vergoedingen van de bestuursleden van het Bureau Financieel Toezicht (Regeling vergoeding bestuur Bureau Financieel Toezicht 2021) Gelet op [artikel 110, negende lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=110) en de [artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Bestuur:** het bestuur van het Bureau Financieel Toezicht als bedoeld in [artikel 110 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=110); - b. **lid:** degene door de Minister van Justitie en Veiligheid is benoemd tot voorzitter of lid van het Bestuur; - c. **rijksambtenaren:** degenen die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 2. Bezoldiging voorzitter De voorzitter van het Bestuur ontvangt voor zijn werkzaamheden een vaste vergoeding per maand. De salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De deeltijdfactor is vastgesteld op 0,167. Artikel 3. Bezoldiging leden De leden van het Bestuur ontvangen een vaste vergoeding per maand. De salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 17 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De deeltijdfactor is vastgesteld op 0,111. Artikel 4. Vakantiegeld en eindejaarsuitkering Boven en behalve de bezoldiging bedoeld in de artikelen 2 en 3, ontvangen de voorzitter en de leden een eindejaarsuitkering van 8,3 procent van de bezoldiging en een vakantie-uitkering van 8 procent van de bezoldiging. Artikel 5. Pensioen De voorzitter en de leden zijn voor de duur van de benoeming deelnemer conform de bepalingen van het"},{"i":6022,"b":"Vaststellingsbesluit subsidieplafond 2011 Toegepast Onderzoek Stichting Deltares Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Subsidieregeling Stichting Deltares](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023172&artikel=4); Besluit: artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 4, tweede lid van de Subsidieregeling Stichting Deltares](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023172&artikel=4), wordt, voor zover het betrekking heeft op toegepast onderzoek als genoemd in [artikel 2, eerste lid van de Subsidieregeling Stichting Deltares](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023172&artikel=2), voor het jaar 2011 vastgesteld op € 40.000.000,–."},{"i":6086,"b":"Wijziging van 12 januari 2024 tot het Besluit algemene rechtspositie politie en Besluit bezoldiging politie en enkele andere besluiten in verband met de formalisering van afspraken uit de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector politie 2022–2024 alsmede enkele technische wijzigingen (Verzamelbesluit rechtspositie politie 2023) Artikel I Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie. Artikel II Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel III Wijzigt het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994. Artikel IV Wijzigt het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie. Artikel V 1. In de jaren 2022, 2023 en 2024 wordt telkens een eenmalige uitkering uitbetaald aan ambtenaren die: - a. feitelijk en bij besluit vastgesteld, werkzaamheden verrichten behorende bij een LFNP-functie in het domein uitvoering, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Regeling vaststelling LFNP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033460&artikel=3), waaraan ten hoogste salarisschaal 9 is verbonden; of - b. zijn aangesteld in de functie medewerker Huisvesting, Services en Middelen B of medewerker Huisvesting, Services en Middelen D, als bedoeld in [bijlage 1 bij de Regeling vaststelling LFNP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033460&bijlage=1), die takelwerkzaamheden uitvoeren die overeenkomen met de takelwerkzaamheden uit hoofde van een functie als bedoeld in onderdeel a. 2. De in het eerste lid bedoelde uitkering bedraagt de som van de brutobedragen aan toelagen en vergoedingen, genoemd in de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=14), [27, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=27) en [27b, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=27b), die zijn genoten in de periode van november van het voorgaande jaar tot en met oktober van het jaar van de uitbetaling, tot ten hoogste een totaalbedrag van € 2.500 bruto per uitkering. 3. [Artikel 29a van het Besluit b"},{"i":3281,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 mei 2024 nr. BOACAT2024/047, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Maashorst Gelezen het verzoek van gemeente Maashorst van 6 mei 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049704&artikel=2&z=2024-08-16&g=2024-08-16). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar handhaver in dienst van gemeente Maashorst, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling"},{"i":8352,"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bangladesh inzake het project 'Char Development and Settlement Project – Bridging (Additional Financing)' The Minister for Foreign Trade and Development Cooperation of the Netherlands, being the competent Netherlands Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Netherlands Party”, represented in this matter by the Ambassador of the Kingdom of the Netherlands in Dhaka, Bangladesh and The Economic Relations Division of the Ministry of Finance, Government of the People's Republic of Bangladesh, being the competent Bangladesh Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Bangladesh Party”, Having regard to the provisions of [Article I of the Agreement on Technical Co-operation between the Kingdom of the Netherlands and the People's Republic of Bangladesh](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005634&artikel=I), signed at Dhaka on 19 May 1977, hereinafter referred to as “the Agreement”, Have entered into the following Administrative Arrangement: Article I. (The Project) 1. The two Parties shall jointly carry out a Project, entitled “Char Development and Settlement Project – Bridging (Additional Financing)”, hereinafter referred to as “the Project”. 2. The aim of the Project is the preparation of future Char Development and Settlement Programmes, the development of permanent institutional framework for such programmes and the planning, execution, supervision and monitoring of activities in the field of water management, rural infrastructure, institutional development, land-settlement, agricultural value chains, social development and gender-inclusivity. 3. The aforesaid co-operation between the two Parties is planned to last from 1 July 2019 to 30 June 2024, or shall expire on the date on which the Project has been completed in conformity with the provisions of the Administrative Arrangement a"},{"i":6006,"b":"Vaknamen en vakcodes voor vmbo leerwegen (2004) De eerdere voorlichtingspublicatie Vaknamen en Vakcodes voor vmbo leerwegen komt hiermee te vervallen. Het betreft de publicatie VO/BOB/2002/2936 van 8 mei 2002, Gele Katern nr. 12. Deze publicatie voegt de aanvullende tabel in met vaknamen en vakcodes van de ’combi vakken’ in de sector landbouw, zoals in mei 2003 op de internetsite eindexamen.nl gepubliceerd. Daarbij zijn de vaknamen betreffende de sector landbouw verkort door de aanhef ’Landbouw en natuurlijke omgeving’ in te korten tot LNO, waardoor ze binnen de daarvoor beschikbare lengte in de geautomatiseerde systemen passen. Tevens zijn enkele vakken, die aan een beperkte groep scholen gegeven worden, toegevoegd. Er zijn derhalve geen vaknamen en vakcodes gewijzigd, echter er wordt voorzien in een volledig overzicht. Ter voorbereiding en na afloop van de examens voortgezet onderwijs wisselen scholen gegevens uit met instanties zoals IB-Groep, inspectie, CITO-Groep, Cfi e.d. Die uitwisseling kan vergemakkelijkt worden door één uniforme codering en benaming te gebruiken voor de examenvakken. De instanties die betrokken zijn bij de gegevensuitwisseling met scholen hebben een gemeenschappelijke afspraak voor de vakcodering ontwikkeld. Deze afspraak omvat de nieuwe vakken voor de leerwegen in het vmbo. De voorliggende publicatie zal, inclusief komende aanvullingen, permanent in het Examenblad op Internet (www.eindexamen.nl) beschikbaar zijn. Aanvullende informatie is te verkrijgen bij: CFI/ICO/VO, telefoonnummer 079-3232444. De benaming van onderstaande vakken komt overeen met de benaming gehanteerd in de regeling modellen diploma’s vmbo. Bij de beroepsgerichte programma’s in de sector landbouw kunnen twee programma’s worden gecombineerd tot één examenvak. Hiervoor zijn in deze publicatie nu ook de vaknamen en vakcodes opgenomen (zie ook de regeling diploma’s modellen vmbo). De systematiek van de vakcodering In deze systematiek wordt een vak uniek benoemd met: In de"},{"i":6016,"b":"Besluit van 7 juli 2006, nr. 2006- 0000227879, tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 2003 Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9) en [artikel 6 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2003 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020068&bijlage=1&z=2006-07-20&g=2006-07-20) bij dit besluit. Artikel 2 Voor het uitkeringsjaar 2003 worden de bedragen, bedoeld in [artikel 6 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=6), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020068&bijlage=2&z=2006-07-20&g=2006-07-20) bij dit besluit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage 1 De bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), over het uitkeringsjaar 2003 (bijlage bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020068&artikel=1&z=2006-07-20&g=2006-07-20)) | | Maatstaven | Bedragen (euro’s) | | --- | --- | --- | | 1 | OZB (per eenheid van € 2268) | – 5,05 | | 2 | Inwoners | 150,43 | | 3 | Inwoners *bodemfactor buitengebied | 0,80 | | 4 | Jongeren | 183,25 | | 5 | Ouderen | 47,59 | | 6-a | Inwoners Waddengemeenten, eerste schijf (t/m 2500 inwoners) | 188,44 | | 6-b | Inwoners Waddengemeenten, tweede schijf (van 2501 t/m 7500 inwoners) | 146,75 | | 6-c | Inwoners Waddengemeenten, derde schijf (vanaf 7501 inwoners) | 32,49 | | 7 | Huishoudens met laag inkomen"},{"i":6018,"b":"Besluit van 26 oktober 1983, tot vaststelling van een reglement houdende bepalingen ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 april 1983, nr. RRV 16 895, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van Justitie; Overwegende, dat de ontwikkelingen in het scheepvaartverkeer en het streven te komen tot een uniform stelsel van verkeersregels en verkeerstekens voor de vaarwegen in Europa het wenselijk maken de bepalingen ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan, te herzien; Gelet op artikel 1 van de Wet van 15 april 1891 (**Stb.** 91), houdende bepalingen tot voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan; De Raad van State gehoord (advies van 7 september 1983, nr. W09.83.0219/08.3.35); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 oktober 1983, nr. RRV 54005, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Vastgesteld wordt een reglement houdende bepalingen ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan, met de daarbij behorende bijlagen, dat is gevoegd bij dit besluit, en dat wordt aangehaald als \" Binnenvaartpolitiereglement\". Artikel 2 1. Het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628) geldt op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan, met uitzondering van: - a. de Boven-Rijn, de Waal, het Pannerdensch Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek; - b. de aan de onder a genoemde vaarwegen gelegen havens, laad- en losplaatsen en recreatieplassen, met uitzondering van d"},{"i":3451,"b":"Besluit van 12 december 2016, houdende regels inzake elektromagnetische compatibiliteit van uitrusting ter implementatie van richtlijn 2014/30/EU (Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 29 juni 2016, nr. WJZ / 16097720; Gelet op [richtlijn nr. 2014/30](32014L0030)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit (herschikking) (PbEU 2014, L 96), alsmede op het Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 3/2006, van 27 januari 2006 tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-Overeenkomst (PbEG 2006, L 92), artikel 3, tweede lid en de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika (PbEG 1999, L 31), artikel II, derde lid en de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en Canada (PbEG 1998, L 280), artikel 2, tweede lid, en de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling, certificaten en markeringen tussen de Europese Gemeenschap en Australië (PbEG 1998, L 229), artikel 2, tweede lid en de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland (PbEG 1998, L 229), artikel 1 en bijlage 1, Hoofdstuk 9, betreffende elektromagnetische compatibiliteit van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling tussen de Europese Gemeenschap en Zwitserland (PbEG 2002, L 114), en op de [artikelen 10.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&a"},{"i":7097,"b":"Protocol tot wijziging van het Verdrag over de status en werkzaamheden van de Internationale Commissie voor Vermiste Personen De staten die partij zijn bij het [Verdrag over de status en werkzaamheden van de Internationale Commissie voor Vermiste Personen](onbekend) (hierna: „het Verdrag”) die dit Protocol hebben ondertekend, Indachtig het feit dat het [Verdrag](onbekend) op 14 mei 2015 in werking is getreden, waardoor de Commissie over de nodige juridische bevoegdheden beschikt om haar taken uit te voeren, met inbegrip van het sluiten van verdragen met staten en internationale organisaties; Indachtig het feit dat [artikel IX (7) van het ICMP-verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006432&artikel=IX) voorziet in een herziening en wijziging van het [Verdrag](onbekend) op initiatief van de oorspronkelijke ondertekenende staten; Eraan herinnerend dat vertegenwoordigers van de staten die partij zijn, ondertekenende staten en waarnemende staten, op 18 december 2020 op afstand bijeen, belangstelling hebben getoond voor een herziening van het [Verdrag](onbekend); Eraan herinnerend dat de Conferentie van de staten die partij zijn op 14 december 2021 de directeur-generaal heeft verzocht een werkgroep voor herziening van het [Verdrag](onbekend) bijeen te roepen, bestaande uit vertegenwoordigers van de staten die partij zijn en de ondertekenende staten, die haar aanbevelingen heeft gepresenteerd tijdens de vergadering van de Conferentie van de staten die partij zijn op 16 november 2023; Geleid door de wens de deelname van de staten aan de werkzaamheden van de Commissie te versterken, onder meer door het bevorderen van het lidmaatschap, het verbeteren van de duurzaamheid en het herbevestigen van de doelstellingen van de Commissie; Indachtig de talrijke internationale instrumenten die van invloed zijn op de kwestie van vermiste personen en dat deze instrumenten de staten een breed scala aan verplichtingen opleggen, hetgeen vraagt om een organisatie met een overeenkomst"},{"i":7009,"b":"Wet van 30 september 1893, op het faillissement en de surséance van betaling Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat de wettelijke bepalingen omtrent het faillissement en de surséance van betaling herziening vereischen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Van faillissement afdeling Eerste. Van de faillietverklaring Artikel 1 1. De schuldenaar, die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zijner schuldeisers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard. 2. De faillietverklaring kan ook worden uitgesproken, om redenen van openbaar belang, op verzoek van het Openbaar Ministerie. Artikel 2 1. De faillietverklaring geschiedt door de rechtbank van de woonplaats des schuldenaars. 2. Indien de schuldenaar zich buiten het Rijk in Europa heeft begeven, is de rechtbank zijner laatste woonplaats bevoegd. 3. Ten aanzien van vennoten onder ene firma is de rechtbank, binnen welker gebied het kantoor der vennootschap is gevestigd, mede bevoegd. 4. Indien de schuldenaar binnen het Rijk in Europa geen woonplaats heeft, doch aldaar een beroep of bedrijf uitoefent, is de rechtbank, binnen welker gebied hij een kantoor heeft, bevoegd. 5. Wordt in het geval van het derde of vierde lid door meer dan één daartoe bevoegde rechtbank op verschillende dagen de faillietverklaring uitgesproken, dan heeft alleen de eerst gedane uitspraak rechtsgevolgen. Heeft de uitspraak van verschillende rechtbanken op dezelfde dag plaats, dan heeft alleen de uitspraak van de rechtbank, die in de wet van 10 augustus 1951, **Stb.** 347 het eerst genoemd wordt, rechtsgevolgen. Artikel 3 1. Indien een verzoek tot faillietverklaring een natuurlijke persoon betreft en hij geen verzoek heeft ingediend tot"},{"i":8404,"b":"Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom De Raad van de Europese Unie, Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 311, derde alinea, Gezien het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033), en met name [artikel 106 bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033&artikel=106_bis), Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Parlement,3)Advies van 16 september 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: Het stelsel van eigen middelen van de Unie moet de zekerheid bieden dat de middelen toereikend zijn voor een geordende ontwikkeling van het beleid van de Unie, zonder dat daarbij de noodzaak van een strakke begrotingsdiscipline uit het oog wordt verloren. De ontwikkeling van het stelsel van eigen middelen kan en moet tevens zoveel mogelijk bijdragen tot de ontwikkeling van beleidsinitiatieven van de Unie. Met het Verdrag van Lissabon zijn wijzigingen aangebracht in de bepalingen met betrekking tot het stelsel van eigen middelen van de Unie, die de afschaffing van een bestaande categorie eigen middelen en de vaststelling van een nieuwe categorie mogelijk maken. De Europese Raad van 7 en 8 februari 2013 heeft een beroep gedaan op de Raad om te blijven voortwerken aan het voorstel van de Commissie voor een nieuwe bron eigen middelen op basis van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) om die zo eenvoudig en transparant mogelijk te maken, het verband met het Uniebeleid inzake btw en de feitelijke btw-inkomsten te versterken en een gelijke behandeling van de belastingbetalers in alle lidstaten te waarborg"},{"i":4582,"b":"Besluit van 17 januari 2007, houdende nieuwe eisen inzake de veiligheid en kwaliteit van lichaamsmateriaal (Eisenbesluit lichaamsmateriaal 2006) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 augustus 2006, kenmerk GMT/MVG 2698800; Gelet op richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (PbEU L 102), alsmede op [artikel 8 van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014682&artikel=8) en [artikel 18, derde lid, van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=18); De Raad van State gehoord (advies van 22 september 2006, nummer W13.06.0351/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 januari 2007, kenmerk GMT/MVG 2727986; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014682); - b. donatie: het doneren van lichaamsmateriaal of van organen voor transplantatie; - c. quarantaine: de status van uitgenomen lichaamsmateriaal, dan wel van weefsel dat fysisch of op een andere doeltreffende wijze is geïsoleerd, in afwachting van een beslissing over de vrijgave of afkeuring ervan; - d. **ernstig ongewenst voorval:** een ongewenst en voor zover het de donatie van een orgaan betreft onverwacht voorval in verband met het verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van lichaamsmateriaal of dat zich ergens in de keten van donatie tot transplantatie voordoet, en dat voor een patiënt besmetting met een overdraagbare ziekte, overlijden, levensgevaar, invaliditeit of arbeidsongeschiktheid tot gevolg kan hebben, dan wel zou kunnen"},{"i":3390,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 augustus 2015 nr. BOACAT2015/037, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Nijkerk Gelezen het verzoek van gemeente Nijkerk van 31 juli 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b) [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037000&artikel=2&z=2015-10-21&g=2015-10-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver C in dienst van gemeente Nijkerk, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, van [bijlage A-I van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694&bijlage=A). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervul"},{"i":2910,"b":"Besluit van 23 november 2001 tot regeling van de aanstellingskeuringen Op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 juli 2001, kenmerk AV/RV/2001/40324; Gelet op de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008819&artikel=9) en [14, tweede lid, van de Wet op de medische keuringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008819&artikel=14); De Raad van State gehoord (advies van 3 augustus 2001, nr. W12.01.0306/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 november 2001, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/RV/2001/40324; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Begripsbepaling Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op de medische keuringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008819); - b. **bedrijfsarts:** een arts die als bedrijfsarts is ingeschreven in een erkend specialistenregister als bedoeld in [artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14). Toepasselijkheid Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op een keuring als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, onder 1° en 2°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008819&artikel=1). § 2. De aanstellingskeuring Artikel 3 1. Een bedrijfsarts verricht slechts keuringen indien aan de vervulling van de functie, waarop de arbeidsverhouding of aanstelling in openbare dienst betrekking heeft, en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, waaronder wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid, terwijl de risico's voor de gezond"},{"i":4353,"b":"Besluit van 22 februari 2017, houdende vaststelling van eisen inzake verlening van vertrouwensdiensten, tot intrekking van het Besluit elektronische handtekeningen en tot aanpassing van enige andere besluiten (Besluit vertrouwensdiensten) Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Hoofdstuk 3. Intrekking en wijziging andere besluiten Artikel 4. Intrekking [Besluit elektronische handtekeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015047) Het [Besluit elektronische handtekeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015047) wordt ingetrokken. Artikel 5. Wijziging [Aanbestedingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032919) Wijzigt het Aanbestedingsbesluit. Artikel 6. Wijziging [Aanbestedingsbesluit op defensie- en veiligheidsgebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032903) Wijzigt het Aanbestedingsbesluit op defensie- en veiligheidsgebied. Artikel 7. Wijziging [Besluit doorberekening kosten ACM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035712) Wijzigt het Besluit doorberekening kosten ACM. Artikel 8. Wijziging [Besluit elektronische dienstverlening burgerlijke stand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036618) Wijzigt het Besluit elektronische dienstverlening burgerlijke stand. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 9. Wijziging [Besluit elektronisch verkeer met de bestuursrechter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027917) Wijzigt het Besluit elektronisch verkeer met de bestuursrechter. Artikel 10. Wijziging [Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334) Wijzigt het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet. Artikel 11. Wijziging [Handelsregisterbesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024067) Wijzigt het Handelsregisterbesluit 2008. Artikel 12. Wijziging [Uitvoeringsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021934) Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wet kenbaarheid publi"},{"i":2739,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2003 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 58 derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en gelet op artikel 31 onderdeel l., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2003, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel 1. van die regeling, stelt op 16 januari 2003, doch niet later dan 15 februari 2003 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,729 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2003 en eindigende met 15 februari 2003 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":2826,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 23 december 2005, nr. L.O. 730/0002/5393381, tot afgifte van de Beschikking Sponsorloterij Overwegende dat de geldigheidsduur van de Beschikking Sponsorloterij op 31 december 2005 verstrijkt; Overwegende dat Sponsor Loterij B.V. op 16 augustus 2005 heeft verzocht haar opnieuw vergunning te verlenen voor het organiseren van de Sponsor Loterij; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3),[5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) en[34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34), en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=2) en [5 van het Kansspelbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=5); Gezien het advies van het College van toezicht op de kansspelen van 29 september 2005, nr. C.753/05; Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. het besluit: het [kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067); - c. de minister: de Minister van Justitie; - d. de vennootschap: Vriendenloterij N.V., gevestigd te Amsterdam; - e. de holding: Holding Nationale Goede Doelen Loterijen N.V., gevestigd te Amsterdam; - f. de stichting aandelen: Stichting Aandelen Nationale Goede Doelen Loterijen, gevestigd te Amsterdam; - g. begunstigden: de overeenkomstig [artikel 13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019398&artikel=13&z=2011-01-01&g=2011-01-01), toegelaten instellingen; - h. Vriendenloterij: een kansspel als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), zijnde een loterij waarbij door de onderscheidene deelnemers wordt aangegeven aan welke begunstigde 50% van hun inleg ten goede dient te komen, dan wel waar de deelnemer"},{"i":3459,"b":"Besluit van 3 mei 2018, houdende regels met betrekking tot de jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer en de rapportage- en reductieverplichting vervoersemissies, ter implementatie van Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen alsmede in verband met de operationalisering van de reductieverplichting uit Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof, en tot intrekking en wijziging van enkele andere besluiten (Besluit energie vervoer) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 29 december 2017, nr. IenM/BSK-2017/302182, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 9.7.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.1.2), [9.7.2.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.2.1), [9.7.2.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.2.4), [9.7.2.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.2.5), [9.7.3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.3.8), [9.7.4.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.4.1), [9.7.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.4.2), [9.7.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.4.3), [9.7.4.4, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.4.4), [9.7.4.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.4.7), [9.7.4.8, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.4.8), [9.7.4.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.4.11), [9.7.4.12, vierde lid](https://wetten.overh"},{"i":6053,"b":"Vergoedingenregeling Raad voor het openbaar bestuur Gelet op [artikel 5 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De voorzitter van de Raad voor het openbaar bestuur ontvangt een vaste vergoeding. De salarissschaal van de voorzitter wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,10. Artikel 2 De overige leden van de Raad voor het openbaar bestuur ontvangen een vaste vergoeding. De salarissschaal van de overige leden wordt vastgesteld op schaal 17 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,10. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3850,"b":"Besluit van de directeur Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw van 1 februari 2021 houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw 2021) gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging keuringsdiensten 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044854); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **de Naktuinbouw:** de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw; - c. **de wet:** de [Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194); - d. **de regeling:** de [Regeling plantgezondheid](onbekend). Artikel 2 1. Aan het hoofd Keuringen en de managers Keuringen van de Naktuinbouw wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor: - a. de registratie, bedoeld in artikel 65 van [verordening 2016/2031](32031R2016); - b. de officiële controle en andere officiële activiteiten als bedoeld in artikel 2 van [verordening 2017/625](32525R2017) om de aanwezigheid van schadelijke organismen vast te stellen; - c. het verrichten van taken ten behoeve van de afgifte van een fytosanitair uitvoercertificaat als bedoeld in artikel 100 van [verordening 2016/2031](32031R2016) met uitzondering van de afgifte van een fytosanitair uitvoercertificaat en het eindonderzoek van de voor export gereedstaande zending; - d. voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de aanzegging, bedoeld in [artikel 14 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044863&artikel=14). 2. Aan het hoofd keuringen van de Naktuinbouw wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor: - a. he"},{"i":19563,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 24 oktober 2023, nr. 4960470, houdende bepalingen betreffende tegemoetkoming van het rijbewijs B aan aspiranten (Regeling tegemoetkoming rijbewijs aspiranten) Gelet op [artikel 21 van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=21); Besluit: Paragraaf 1. Definitiebepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aspirant:** aspirant als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - **functie:** functie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - **politieopleiding:** politieopleiding als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=1); - **rijbewijs B:** het volledige rijbewijs B. Paragraaf 2. Tegemoetkoming en voorschot Artikel 2 1. De aspirant die tussen 1 januari 2024 en 1 januari 2027 met de politieopleiding begint en op dat moment het praktijkexamen rijopleiding rijbewijs B nog niet met goed gevolg heeft behaald, heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van: - a. het volgen van een theoriecursus rijvaardigheid B; - b. het volgen van een rijopleiding voor het rijbewijs B; - c. het afleggen van het theorie-examen rijvaardigheid B, inclusief één herexamen; - d. het afleggen van één tussentijdse toets; en - e. het praktijkexamen rijopleiding rijbewijs B, inclusief één herexamen. 2. Kosten die meer dan één jaar voorafgaand aan de start van de politieopleiding zijn gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. 3. De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 2.750,– netto en ziet op werkelijk gemaakte kosten. 4. Op aanvraag van de aspirant wordt een eenmalig voorschot van maximaal € 2.000,– verstrekt. 5. De in het derde lid bedoelde tegemoetkoming wordt toegekend indien de aspi"},{"i":3886,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 30 januari 2026, nr. WJZ/101765171, tot openstelling van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2026 (Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2026) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=2), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=4), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=5), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=8), [9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=9), en [24, tweede lid, van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=24); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **netlevering:** elektriciteit die op het elektriciteitsnet wordt ingevoed; - **netto P50-waarde vollasturen:** aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van een locatie en een productie-installatie die gebruik maakt van windenergie, is bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%; - **niet-netlevering:** elektriciteit die op een installatie wordt ingevoed; - **regeling:** [Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882). Artikel 2. (subsidieplafond en aanvraagperiode) Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit op grond van [artikel 2, derde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=2), die wordt aangevraagd in de periode van 2 maart 2026, 09:00 uur, tot 1 oktober 2026, 17:00 uur, wordt vastgesteld op € 78.000.000. Artikel 3. (aanwijzing categorieën productie-installaties) 1. Als categorieën productie-installaties waarv"},{"i":8513,"b":"Europees Verdrag inzake de bescherming van slachtdieren De Lid-Staten van de Raad van Europa, die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het wenselijk is te zorgen voor de bescherming van dieren die zijn bestemd voor de slacht; Overwegende dat slachtmethoden waarbij de dieren zoveel mogelijk lijden en pijn worden bespaard, op uniforme wijze in hun landen moeten worden toegepast; Overwegende dat vrees, angst, pijn en lijden van een dier bij het slachten van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van het vlees, Zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEGINSELEN Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing op het verplaatsen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen en slachten van huisdieren, behorende tot de volgende soorten: eenhoevigen, herkauwers, varkens, konijnen en gevogelte. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: **Slachthuis:** Elke plaats die onder sanitaire controle staat en die is bestemd voor het beroepsmatig slachten van dieren voor het verkrijgen van vlees bestemd voor menselijke consumptie of voor het doden van dieren om andere redenen; **Verplaatsen:** Het uitladen van dieren of het drijven van deze dieren van de losplaatsen, of van de stallen of hokken behorende bij het slachthuis naar de ruimten of plaatsen waar zij zullen worden geslacht; **Onderbrengen:** Het houden en het op passende wijze verzorgen (water, voedsel, rust) van dieren in stallen, hokken of overdekte plaatsen bij het slachthuis voordat zij worden geslacht; **Fixeren:** Het toepassen op een dier van iedere methode die in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag en die erop is gericht de bewegingen van het dier te beperken ten einde het bedwelmen en het slachten te vergemakkelijken; **Bedwelmen:** Iedere methode die in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag die, bij toepassing op een dier, dit dier in een staat van bewusteloosheid brengt die aanhoudt tot het intreden van de dood. Bij het bedwelmen moet in ieder geval elk onnodig"},{"i":8524,"b":"Europees Vestigingsverdrag De Regeringen welke dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het veilig stellen en verwezenlijken van de idealen en beginselen welke het gemeenschappelijk erfdeel zijn van zijn Leden, en het bevorderen van hun economische en sociale vooruitgang; Beseffende dat de banden tussen de landen-leden van de Raad van Europa, zoals deze worden bevestigd in verdragen en overeenkomsten welke reeds in het kader van de Raad van Europa zijn gesloten - zoals het op 4 november 1950 ondertekende [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000), het op 20 maart 1952 ondertekende Protocol bij dat Verdrag, het op 11 december 1953 ondertekende [Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005096) en de twee op diezelfde datum ondertekende Europese Interim-Overeenkomsten inzake sociale zekerheid - een bijzonder karakter dragen; Ervan overtuigd dat, door het sluiten van een regionaal verdrag, het vastleggen van gemeenschappelijke regels ten aanzien van de aan onderdanen van elk Lid op het grondgebied van de andere Leden toegekende behandeling het bereiken van grotere eenheid kan bevorderen; Bevestigende dat de rechten en voorrechten welke zij aan elkanders onderdanen toekennen, uitsluitend worden verleend uit hoofde van de nauwe aaneensluiting welke, door middel van het Statuut, de landen-leden van de Raad van Europa verenigt; Constaterende dat de algemene opzet van het Verdrag past in het kader van de organisatie van de Raad van Europa, Zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. Binnenkomst, verblijf en verwijdering Artikel 1 Elk der Verdragsluitende Partijen vergemakkelijkt voor onderdanen van de andere Partijen de toegang tot haar grondgebied voor een tijdelijk verblijf, en staat hun toe zich aldaar vrijelijk te verplaatsen, tenzij redenen van openbare o"},{"i":8550,"b":"Financieel Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara ondertekende Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije Zijne Majesteit de Koning der Belgen, De President van de Bondsrepubliek Duitsland, De President van de Franse Republiek, De President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, en de Raad van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en de President van de Republiek Turkije, anderzijds, Verlangende de versnelde ontwikkeling van de Turkse economie te bevorderen ten einde het nastreven van de doelstellingen van de [Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004316), te vergemakkelijken, Hebben als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: de heer Pierre Harmel, Minister van Buitenlandse Zaken; De President van de Bondsrepubliek Duitsland: de heer Walter Scheel, Minister van Buitenlandse Zaken; De President van de Franse Republiek: de heer Maurice Schumann, Minister van Buitenlandse Zaken; De President van de Italiaanse Republiek: de heer Mario Pedini, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg: de heer Gaston Thorn, Minister van Buitenlandse Zaken; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: de heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken; De Raad van de Europese Gemeenschappen: de heer Walter Scheel, Fungerend Voorzitter van de Raad van de Europese Gemeenschappen; de heer Franco Maria Malfatti, Voorzitter van de Commissie van de Europese Gemeenschappen; De President van de Republiek Turkije: de heer Ihsan Sabri Çaglayangil, Minister van Buitenlandse Zaken; Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, Overeenstemming hebben bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan de [Asso"},{"i":8551,"b":"Fytosanitaire Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Polen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Polen, In het besef dat het wenselijk is het binnenbrengen van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen op hun grondgebied te voorkomen en Verlangende de onderlinge samenwerking op het gebied van de planteziektenbestrijding zoveel mogelijk te vergemakkelijken; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a. „planten”: levende planten en levende delen daarvan, met inbegrip van zaaizaden; - b. „plantaardige produkten”: produkten van plantaardige oorsprong, die niet zijn verwerkt of slechts een eenvoudige behandeling hebben ondergaan; - c. „schadelijke organismen”: organismen die schadelijk zijn voor planten of plantaardige produkten en die van dierlijke of plantaardige aard zijn, met inbegrip van onkruiden en hun zaden. Artikel 2 De invoer van planten, plantaardige produkten en grond, afkomstig van het grondgebied van de ene Overeenkomstsluitende Partij, op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, is slechts toegestaan, indien deze vrij zijn van de schadelijke organismen, vermeld in Bijlage I respectievelijk deel A en deel B en voldoen aan de bijzondere eisen, genoemd in respectievelijk deel A en deel B van bijlage II. Artikel 3 Elke zending bestaande uit planten, plantaardige produkten of grond, zoals aangegeven in respectievelijk deel A en deel B van bijlage III, en afkomstig van het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, moet bij invoer vergezeld zijn van een door de Planteziektenkundige Dienst van die Overeenkomstsluitende Partij afgegeven gezondheidscertificaat, dat overeenkomt met het laatste model gezondheidscertificaat, als aangegeven in het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, dat op 6 december 1951 te Rome onder auspici"},{"i":8552,"b":"Fytosanitaire Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China (hierna te noemen: „de Overeenkomstsluitende Partijen”), Ten einde het brengen van schadelijke organismen binnen respectievelijk buiten hun onderscheiden grondgebieden te voorkomen, de uitwisseling van en de handel in planten en plantaardige produkten te vergemakkelijken, en de samenwerking op het gebied van de quarantaine van planten en de planteziektenbestrijding te bevorderen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder de term: - 1. „planten”: levende planten en levende delen daarvan, met inbegrip van zaaizaden; - 2. „plantaardige produkten”: voortbrengselen van plantaardige oorsprong die niet zijn verwerkt of slechts een eenvoudige behandeling hebben ondergaan; - 3. „schadelijke organismen”: die insekten ,aaltjes, schimmels, bacteriën, virussen en viroïden, mycoplasma's, onkruiden en hun zaden die zeer schadelijk zijn voor planten en plantaardige produkten. Artikel II De Overeenkomstsluitende Partijen komen overeen: - 1. alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat schadelijke organismen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij worden binnengebracht door middel van de uitvoer van zendingen planten of plantaardige produkten die afkomstig zijn van hun grondgebied; - 2. grondige aandacht te schenken aan alle wettelijke fytosanitaire voorschriften van de andere Overeenkomstsluitende Partij en deze volledig in acht te nemen; - 3. elkaar de tekst van de in hun land geldende fytosanitaire voorschriften ter beschikking te stellen; - 4. elkaar in te lichten over de verspreiding en de bestrijding van nieuw ontdekte schadelijke organismen. Artikel III De Overeenkomstsluitende Partijen komen overeen: - 1. dat, met betrekking tot het fytosanitaire onderzoek ten behoeve van voor"},{"i":18496,"b":"Rijkswet van 7 juli 2010, houdende regeling van taken en bevoegdheden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van de landen van het Koninkrijk en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten binnen het Koninkrijk willen samenwerken door inrichting van één rechterlijke organisatie voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dat zij deze samenwerking onderling willen regelen in een rijkswet op grond van [artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) en dat de regeringen van de landen van het Koninkrijk en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten instemmen met de inhoud van deze regeling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **algemene maatregel van rijksbestuur:** algemene maatregel van rijksbestuur in de zin van [artikel 38, tweede lid, van het Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); - b. **bestuur van het Hof:** bestuur als bedoeld in [artikel 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&hoofdstuk=4&artikel=40&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - c. **hofvergadering:** hofvergadering als bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&hoofdstuk=2&"},{"i":8576,"b":"Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Hannover **Gesloten en geteekend te Meppen den 2den Julij 1824,** **bekrachtigd door Z. M. den Koning der Nederlanden,** **den 18den Augustus 1824,** **en** **door Z. M. den Koning van Hanover,** **den 24sten September 1824.** Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz. En Zijne Majesteit de Koning der vereenigde Rijken van Groot-Brittanje en Ierland, ook Koning van Hanover, Hertog van Brunswijk-Lunenburg, enz., enz., enz. Noodig geoordeeld hebbende, tot meerdere bevestiging der tusschen de beide Koningrijken der Nederlanden en van Hanover zoo gelukkig bestaande opregte vriendschap en tot onderhouding der rust op de grenzen, dezelve over de geheele linie, waar de beide Rijken aan elkander sluiten, te regelen en vast te stellen, en tevens de tusschen wederzijdsche grensbewoners, wegens wederkeerige betrekkingen, hier en daar bestaande oneenigheden zoo mogelijk te vereffenen, alsmede, ten opzigte der grens-afwaterings-inrigtingen, de voor beide Staten meest doelmatige bepalingen te treffen, hebben met dit oogmerk als Commissarissen benoemd en met de noodige volmagten voorzien, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden enz., de Heeren Maximiliaan Jacob de Man, Generaal-Majoor, Directeur van het Archief van Oorlog en topographisch Bureau, Ridder van de Militaire Willems-Orde, derde klasse, Kommandeur van de Orde van den Nederlandschen Leeuw en Ridder van de Orde van den Rooden Adelaar van Pruissen, tweede klasse, Mr. Albertus Sandberg, lid der Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel, Mr. Hendrik Guichart, lid der Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, en Mr. Johannes Linthorst Homan, lid van de Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe. En Zijne Majesteit de Koning van Hanover, enz., Hoogstdeszelfs Regeringsraad, den Doctor in de regten Coenraad Ferdinand Frederik von Pestel-Bruche, Ridder van de Koninkl"},{"i":8584,"b":"Handelsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Mexicaanse Staten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Mexicaanse Staten, bezield met de wens, de traditionele vriendschapsbanden tussen de beide landen nauwer aan te halen door middel van de handhaving van het beginsel van gelijke behandeling in onvoorwaardelijke en onbeperkte vorm als grondslag voor de handelsbetrekkingen, zijn het volgende overeengekomen: I Beide Regeringen komen overeen ter zake van de invoer, de uitvoer, de doorvoer en de opslag van goederen onder douaneverband elkander wederkerig de onvoorwaardelijke en onbeperkte behandeling van de meestbegunstigde natie te verlenen voor alles wat betreft de douanerechten en alle bijkomende rechten, heffingen en belastingen, de wijze van heffing of inning van deze rechten, heffingen en belastingen en de voorschriften, formaliteiten en verplichtingen, waaraan de douanehandelingen kunnen zijn onderworpen. II Ingevolge artikel I, zullen de producten van bodem en nijverheid van het grondgebied van een van beide landen, welke worden ingevoerd in het grondgebied van het andere land, in geen geval, ter zake van genoemd stelsel, worden onderworpen aan andere of hogere rechten, belastingen of heffingen, noch aan enige andere of drukkender voorschriften, formaliteiten en verplichtingen dan die, aan welke gelijksoortige producten van enig derde land zijn of in de toekomst mochten worden onderworpen. III Insgelijks zullen de producten van bodem en nijverheid uitgevoerd uit het grondgebied van een van beide landen naar het grondgebied van het andere land, in geen enkel geval, onder hetzelfde stelsel, worden onderworpen aan enige andere of hogere rechten, belastingen of heffingen, noch aan enige andere of drukkender voorschriften, formaliteiten en verplichtingen dan die, aan welke gelijksoortige producten met bestemming naar enig derde land zijn of in de toekomst mochten worden onderworpen. IV Alle gunsten, v"},{"i":8585,"b":"Handelsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Egypte Moved by the desire to promote and develop economic relations between their respective countries to the greatest possible extent, bearing in mind the exchange of notes of March 17th, 1930, concerning “most favoured nation” treatment, the Government of the Kingdom of Egypt and the Government of the Kingdom of the Netherlands have agreed upon the following provisions. Article 1 The Netherlands Government will freely issue import licences for all goods of Egyptian origin that appear on the Netherlands list of liberalised imports as presented to the Organisation of European Economic Cooperation. For the Egyptian goods not included in this list, import licences will be granted within the quotas enumerated in the Annex. The inclusion of quotas for new articles or increases of the present quotas will be favourably considered. Article 2 The Egyptian Government will freely issue import licences for all goods of Netherlands origin. Article 3 Payments and other charges in connection with goods delivered and services rendered will be settled in accordance with the provisions of the Payments Agreement signed to-day. Payments in third currencies will be possible if accepted by both parties. Article 4 Obligations entered into under the provisions of the present Agreement, but not yet fulfilled on the date of termination, will be settled in conformity with these provisions. Article 5 The Contracting Parties undertake to arrange for a Mixed Commission representing the two Governments in order to review the progress of trade and payments, as well as all other questions relevant to the present arrangements, to examine difficulties that may have arisen, to decide upon ways and means for overcoming these difficulties or to revise the provisions of the present Agreements if this is deemed necessary by either or both Contracting Parties. The Mixed Commission will meet at the request of either Party with the"},{"i":8634,"b":"Internationaal Verdrag betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel van vissersvaartuigen, 1995 De partijen bij dit Verdrag, Gelet op het [Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003452) (hierna te noemen het „STCW-verdrag van 1978”), Geleid door de wens de veiligheid van mensenlevens en zaken op zee verder te bevorderen en het mariene milieu verder te beschermen door het in onderling overleg opstellen van internationale normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel aan boord van vissersvaartuigen, Overwegend dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Internationaal Verdrag betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel van vissersvaartuigen, hierna te noemen „het Verdrag”, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Algemene verplichtingen 1. De partijen verplichten zich ertoe uitvoering te geven aan de bepalingen van het Verdrag en van de bijlage daarbij, die een integrerend onderdeel vormt van het Verdrag. Elke verwijzing naar het Verdrag houdt tegelijkertijd een verwijzing in naar de bijlage daarbij. 2. De partijen verplichten zich ertoe alle wetten, besluiten, beschikkingen en voorschriften uit te vaardigen en alle andere maatregelen te nemen die nodig zijn voor de volledige uitvoering van het Verdrag, teneinde te waarborgen dat, uit het oogpunt van de veiligheid van mensenlevens en zaken op zee en van de bescherming van het mariene milieu, het personeel aan boord van zeevissersvaartuigen wat zijn vakbekwaamheid en lichamelijke conditie betreft geschikt is om zijn taak te vervullen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, wordt bij de toepassing van het Verdrag verstaan onder: - .1. **partij:** een staat waarvoor het Verdrag in werking is getreden; - .2. **administratie:** de regering van de partij waarv"},{"i":8643,"b":"Internationaal Verdrag inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging De Partijen bij dit Verdrag, Zich bewust van de noodzaak tot behoud van het milieu in het algemeen en van het mariene milieu in het bijzonder, Erkennende de ernstige bedreiging voor het mariene milieu, gevormd door voorvallen van olieverontreiniging waarbij schepen, offshore-installaties, zeehavens en inrichtingen voor de overslag van olie zijn betrokken, Indachtig het belang in eerste instantie van voorzorgsmaatregelen en preventie ter vermijding van olieverontreiniging, alsmede de noodzaak van een strikte toepassing van de bestaande internationale overeenkomsten ter zake van de veiligheid op zee en de voorkoming van verontreiniging van de zee, in het bijzonder het [Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264), zoals gewijzigd, en het [Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973, zoals gewijzigd bij het daarop betrekking hebbende Protocol van 1978](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003241), zoals gewijzigd, alsmede de spoedige ontwikkeling van verscherpte normen voor het ontwerp, de exploitatie en het onderhoud van schepen die olie vervoeren en van offshore-installaties, Tevens indachtig het feit dat bij een voorval van olieverontreiniging onmiddellijk en doeltreffend optreden noodzakelijk is om de schade die uit een dergelijk voorval kan voortvloeien tot een minimum te beperken, De nadruk leggend op het belang van een doeltreffende voorbereiding op de bestrijding van voorvallen van olieverontreiniging en de belangrijke rol die de olie- en de scheepvaart-industrie daarbij kunnen vervullen, Voorts erkennende het belang van wederzijdse bijstand en internationale samenwerking met betrekking tot zaken als de uitwisseling van informatie betreffende de mogelijkheden van Staten om op te treden bij voorvallen van olieverontreiniging, de ops"},{"i":8649,"b":"Internationaal verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie, 2001 De staten die partij zijn bij dit verdrag, Herinnerend aan artikel 194 van het Verdrag van de Verenigde Naties van 1982 inzake het recht van de zee, waarin wordt bepaald dat de Staten alle maatregelen dienen te nemen die nodig zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, Tevens herinnerend aan artikel 235 van dat verdrag, waarin wordt bepaald dat de Staten, met het doel onverwijlde en toereikende vergoeding te verzekeren met betrekking tot alle door verontreiniging van het mariene milieu veroorzaakte schade, samenwerken bij de verdere ontwikkeling van de toepasselijke voorschriften van het internationale recht, Nota nemend van het succes van het Internationaal Verdrag van 1992 inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie en het Internationaal Verdrag van 1992 betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, die waarborgen hebben geschapen voor vergoeding aan personen die schade lijden door verontreiniging ten gevolge van het ontsnappen of doen wegvloeien van door schepen over zee in bulk vervoerde olie, Tevens nota nemend van de aanvaarding van het Internationaal Verdrag van 1996 inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen om te voorzien in een passende, onverwijlde en doeltreffende vergoeding voor schade veroorzaakt door voorvallen in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen, Het belang erkennend van de vaststelling van een strikte aansprakelijkheid voor alle vormen van olieverontreiniging in samenhang met een passende beperking van dat aansprakelijkheidsniveau, Overwegende dat aanvullende maatregelen nodig zijn om betaling te garanderen van een toereikende, onverwijlde en doeltreffende verg"},{"i":8660,"b":"Internationaal Verdrag tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, zoals gewijzigd door het Protocol van 4 mei 1949 De Souvereinen, Staatshoofden en Regeeringen der hierna vermelde Mogendheden, gelijkelijk bezield met den wensch om de bestrijding van den zoogenaamden handel in vrouwen en meisjes zoo afdoende mogelijk te doen zijn, hebben besloten, tot dat doel een verdrag te sluiten en hebben, nadat een ontwerp was vastgesteld op eene eerste Conferentie, bijeengekomen te **Parijs** van den 15den tot den 25sten Juli 1902, hunne gevolmachtigden aangewezen, die, op eene tweede Conferentie, gehouden te **Parijs** van den 18den April tot den 4den Mei 1910, zijn overeengekomen nopens de volgende bepalingen: Het oorspronkelijke Verdrag is tot stand gekomen op 4 mei 1910 (Stb. 1912/355) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 8 februari 1913 (Trb. 1961/101). Art. 1 Gestraft wordt ieder die, ter voldoening van eens anders lusten, eene minderjarige vrouw of meisje, zelfs met haar goedvinden, met het oog op het plegen van ontucht heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen, die de bestanddeelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn. Art. 2 Mede wordt gestraft ieder die, ter voldoening van eens anders lusten, eene meerderjarige vrouw of meisje door bedrog of met behulp van geweld, bedreiging, misbruik van gezag of eenig ander dwangmiddel, met het oog op het plegen van ontucht heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen, die de bestanddeelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn. Art. 3 De verdragsluitende partijen, wier wetgeving op dit oogenblik nog niet voldoende is tot het strafbaar stellen der in de beide voorgaande artikelen omschreven feiten, verbinden zich die maatregelen te nemen of aan hare wetgevende lichamen voor te stellen, welke vereischt worden, opdat bedoelde fe"},{"i":8670,"b":"Internationale Overeenkomst inzake de harmonisatie van de goederencontroles aan de grenzen Preambule De Overeenkomstsluitende Partijen, Geleid door de wens het internationale goederenverkeer te verbeteren, Overwegende dat het noodzakelijk is de grensoverschrijding van goederen te vergemakkelijken, Vaststellende dat aan de grenzen door verschillende controlediensten controlemaatregelen worden toegepast, Erkennende dat de voorwaarden waaronder deze controles worden uitgeoefend in ruime mate kunnen worden geharmoniseerd zonder dat het doel, de goede uitvoering en de doeltreffendheid ervan worden aangetast, Ervan overtuigd dat de harmonisatie van de grenscontroles een belangrijk middel is om deze doelstellingen te bereiken, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a). „douane” de overheidsdiensten die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de douanewetgeving en het innen van rechten en heffingen bij invoer en uitvoer en die tevens zijn belast met de toepassing van andere wetten en voorschriften met betrekking tot, onder andere, de invoer, doorvoer en uitvoer van goederen; - b). „douanecontrole” alle maatregelen genomen met het oog op het doen naleven van de wetten en voorschriften met de toepassing waarvan de douane is belast; - c). „medisch-sanitaire controle” controle verricht met het oog op de bescherming van het leven en de gezondheid van de mens, met uitzondering van de veterinaire controle; - d). „veterinaire controle” sanitaire controle van dieren en produkten van dierlijke oorsprong, verricht met het oog op de bescherming van het leven en de gezondheid van mens en dier, alsmede controle van voorwerpen of goederen die overbrengers van dierenziekten kunnen zijn; - e). „fytosanitaire controle” controle ter voorkoming van de verspreiding en de overbrenging over de nationale grenzen van voor planten en plantaardige produkten schadelijke or"},{"i":8688,"b":"Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Australië, anderzijds De Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd, en het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, lidstaten van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, enerzijds, en Australië anderzijds, hierna „de partijen” genoemd, Overwegende hun gedeelde waarden en hun nauwe historische, politieke, economische en culturele banden; Ingenomen met de vooruitgang die is geboekt met de ontwikkeling van duurzame en wederzijds tot voordeel strekkende betrekkingen door de goedkeuring van de gezamenlijke verklaring over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Australië van 26 juni 1997 en de tenuitvoerlegging van de agenda 2003 voor samenwerking; Erkennend het vernieuwde engagement en de vernieuwde samenwerking tussen Australië en de Unie sinds de ontwikkeling van het op 29 oktober 2008 aangenomen partnerschapskader Australië-Europese Unie; Opnieuw bevestigend hun engagement voor de doelstellingen en beginselen van het [Handvest van de Verenigde Naties](onbekend) („VN-Handvest”) en ter versterking van de rol van de Verenigde Naties („VN”); Opnieuw bevestigend hun engagement voor de democratische beginselen en de rechten van de mens, vastgelegd in de [Universele Verklaring van de rechten van de mens](onbekend) en andere toepasselijke internationale mensenrechteninstrumenten,"},{"i":8691,"b":"Kaderovereenkomst voor samenwerking ter voorbereiding van een associatie van politieke en economische aard tussen de Europese Gemeenschap en haar Lid-Staten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, als einddoel Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en het [Verdrag van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507), hierna aangeduid als „de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap”, De Europese Gemeenschap, hierna aangeduid als „de Gemeenschap”, enerzijds, en De Republiek Chili, hierna aangeduid als „Chili”, anderzijds, Overwegende dat zij een cultureel erfgoed gemeen hebben en dat tussen hen nauwe historische, politieke en economische banden bestaan; Overwegende dat de op 20 december 1990 ondertekende Kaderovereenkomst voor Samenwerking tussen de Europese Economische Gemeenschap en Chili een essentiële bijdrage heeft geleverd tot versterking van al deze banden; Overwegende dat zij de eerbiediging van de democratische beginselen en de fundamentele mensenrechten, zoals vermeld in de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008), ten volle onderschrijven; Overwegende dat beide Partijen groot belang hechten aan de waarden en beginselen die zijn vervat in de Slotverklaring van de Sociale Top die in maart 1995 in Kopenhagen heeft plaatsgevonden; Rekening houdende met het streven van beide Partijen om een duurzame ontwikkeling te verzekeren en tevens met de noodzaak het milieu in stand te houden en te beschermen; Overwegende"},{"i":8694,"b":"Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die dit verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is om een grotere eenheid tussen zijn leden tot stand te brengen, met name op basis van de eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat; De waarde onderkennend van het bevorderen van de samenwerking tussen de partijen bij dit verdrag en van de uitbreiding daarvan tot andere staten die dezelfde waarden delen; Zich bewust van de snelle ontwikkelingen op het gebied van wetenschap en technologie en van de ingrijpende veranderingen die voortvloeien uit de activiteiten binnen de levenscyclus van artificiële-intelligentiesystemen („AI-systemen”), die door een verbetering van de vooruitgang en innovatie het potentieel hebben om de menselijke welvaart, het individuele en het maatschappelijke welzijn, de duurzame ontwikkeling, de gendergelijkheid, de empowerment van vrouwen en meisjes en andere belangrijke doelstellingen en belangen te bevorderen; Onderkennend dat de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen ongekende kansen kunnen bieden om de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat te beschermen en te bevorderen; Bezorgd dat bepaalde activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen de menselijke waardigheid, de individuele autonomie, de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat kunnen ondermijnen; Bezorgd over de risico’s van discriminatie in digitale context, met name indien daar AI-systemen mee gemoeid zijn, en over de potentiële gevolgen van die systemen voor het creëren of verergeren van ongelijkheden, bijvoorbeeld voor vrouwen en personen in kwetsbare situaties, met betrekking tot de uitoefening van hun mensenrechten en hun volledige, gelijke en doeltreffende deelname aan economische, sociale, culturele en politieke aangelegenheden; Bezorgd over misbruik van"},{"i":8630,"b":"Interim-verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kosovo betreffende de vestiging van de Kosovo Relocated Specialist Judicial Institution in Nederland The Kingdom of the Netherlands and the Republic of Kosovo, Referring to the Constitution of the Republic of Kosovo, as amended by Amendment No. 24 of 3 August 2015, Article 162, authorizing the establishment of Specialist Chambers and a Specialist Prosecutor’s Office in order to comply with the international obligations of the Republic of Kosovo in relation to the Council of Europe Parliamentary Assembly Report Doc 12462 of 7 January 2011; Referring to the exchange of letters between the President of the Republic of Kosovo and the High Representative of the European Union for Foreign Affairs and Security Policy dated 14 April 2014, ratified by Kosovo Law No. 04/L-274 of 15 May 2014, containing the commitment of the Republic of Kosovo to establish Specialist Chambers and a Specialist Prosecutor’s Office within the Kosovo judicial system to be used for trial and appellate proceedings arising from the investigation of the Special Investigative Task Force of the Special Prosecution Office of the Republic of Kosovo related to the Council of Europe Parliamentary Assembly Report Doc 12462 of 7 January 2011 and which may be relocated to a third State subject to the conclusion of a Host State Agreement with the Host State; Referring to Kosovo Law No. 05/L-053 on Specialist Chambers and Specialist Prosecutor’s Office establishing the Specialist Chambers within the Kosovo justice system and the Specialist Prosecutor’s Office to fulfil Kosovo’s international obligations undertaken in Law No. 04/L-274 in relation to allegations of certain crimes reported in the Council of Europe Parliamentary Assembly Report Doc 12462 of 7 January 2011 and which have been the subject of criminal investigation by the Special Investigative Task Force of the Special Prosecution Office of the Republic of Kosovo; Wishing to conclude"},{"i":8631,"b":"Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, inzake maatregelen en procedures voor de tenuitvoerlegging van de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst De vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap, in het kader van de Raad bijeen, Gelet op het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „het Verdrag\" genoemd, Gelet op de [Partnerschapsovereenkomst tussen de ACS en de EG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005264), ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, hierna de „ACS-EG-Overeenkomst\" genoemd, Gezien het ontwerp van de Commissie, Overwegende hetgeen volgt: De vertegenwoordigers van de Gemeenschap zullen gemeenschappelijke standpunten dienen in te nemen in de bij de [ACS-EG-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005264) ingestelde Raad van Ministers, hierna „ACS-EG-Raad van Ministers\" genoemd; bij de toepassing van de besluiten, aanbevelingen en adviezen van deze Raad kan, naar gelang het geval, optredenvan de Gemeenschap, gemeenschappelijk optreden van de lidstaten of optreden van een afzonderlijke lidstaat noodzakelijk zijn. De lidstaten dienen derhalve duidelijk aan te geven op welke wijze de door de vertegenwoordigers van de Gemeenschap in de ACS-EG-Raad van Ministers in te nemen gemeenschappelijke standpunten zullen worden vastgesteld op de gebieden die onder hun bevoegdheid vallen; voorts dienen zij ook op deze gebieden maatregelen te treffen voor de toepassing van besluiten, aanbevelingen en adviezen van deze Raad die een gemeenschappelijk optreden van de lidstaten of optreden van een afzonderlijke lidstaat noodzakelijk zouden kunnen maken. De Raad moet door de lidstaten, ten aanzien van de terreinen die door de [ACS-EG-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005264) worden bestreken en die binnen hun bevoegdheid vallen, worden gemachtigd tot het vastst"},{"i":8709,"b":"Nader Aanvullend Protocol bij het Verdrag tussen de Staten die Partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag en de overige Staten die deelnemen aan het Partnerschap voor de Vrede nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten Gezien het „[Verdrag tussen de Staten die Partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag en de overige Staten die deelnemen aan het Partnerschap voor de Vrede nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001297)” en het Aanvullend Protocol daarbij, beide ondertekend te Brussel op negentien juni 1995; Gezien de behoefte de rechtspositie van militaire hoofdkwartieren van de NAVO en het personeel daarvan op het grondgebied van Staten die deelnemen aan het Partnerschap voor de Vrede vast te leggen en te regelen teneinde de betrekkingen met de strijdkrachten van de individuele landen die deelnemen aan het Partnerschap voor de Vrede te vergemakkelijken; Gezien de behoefte in een adequate rechtspositie te voorzien voor aan militaire hoofdkwartieren van de NAVO verbonden of toegevoegd personeel van de strijdkrachten van Partnerschapsstaten; Gezien het feit dat de omstandigheden in bepaalde NAVO-lidstaten of Partnerschapsstaten het wenselijk kunnen maken aan bovengenoemde behoeften te voldoen door middel van dit Protocol; Zijn de Partijen bij dit Protocol het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Protocol wordt aan de onderstaande uitdrukkingen de volgende betekenis toegekend: - 1. „[Protocol van Parijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005255)”: het „Protocol nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag”, ondertekend te Parijs op 28 augustus 1952. - a. „Verdrag”, ongeacht waar deze uitdrukking in het [Protocol van Parijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005255)voorkomt: het NAVO-Status-verdrag, zoals van toepassing geworden door het „[Verdrag tussen de Staten die Partij zijn bij het Noord-Atlanti"},{"i":8720,"b":"Notawisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Politie Organisatie (INTERPOL) inzake privileges en immuniteiten voor verbindingsofficieren die door INTERPOL bij Europol te 's-Gravenhage gedetacheerd worden 1. Begripsomschrijvingen In dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „verbindingsofficier”, elke functionaris die in overeenstemming met artikel 4 van de Overeenkomst bij Europol wordt geplaatst; - b. „Regering”, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden; - c. „autoriteiten van de gastheerstaat”, autoriteiten van de centrale of gemeentelijke overheid of andere autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden, naargelang het geval is, in het kader van en in overeenstemming met de wetten en gebruiken die in het Koninkrijk der Nederlanden van toepassing zijn; - d. „Organisatie”, de Internationale Politie Organisatie – INTERPOL; - e. „archief van de verbindingsofficier”, alle dossiers, correspondentie, documenten, manuscripten, computer- en mediagegevens, foto’s, films, video- en geluidsopnamen die toebehoren aan of in het bezit zijn van de verbindingsofficier, alsmede enig ander soortgelijk materiaal dat naar het unanieme oordeel van de Organisatie en de Regering deel uitmaakt van het archief van de verbindingsofficier. 2. Voorrechten en immuniteiten 1. Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag genieten de verbindingsofficier en de gezinsleden die deel uitmaken van zijn huishouding en niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, in en ten aanzien van het Koninkrijk der Nederlanden dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke worden verleend aan de leden van het diplomatieke personeel door het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer. 2. De immuniteit die aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde personen wordt verleend, strekt zich niet uit tot: - i. civiele rechtshandelingen van derden wegens schade, met inbegrip van lichamelijk letsel of overlijden ten gevolge van verkeersongevalle"},{"i":8760,"b":"Overeenkomst betreffende de overdracht en mutualisatie van de bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds De overeenkomstsluitende partijen, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek en de Republiek Finland; Vastbesloten om in de Europese Unie een geïntegreerd financieel kader tot stand te brengen waarvan de bankenunie een fundamenteel onderdeel uitmaakt; Herinnerend aan het Besluit van de vertegenwoordigers van de lidstaten van de eurozone, in het kader van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2013 bijeen, met betrekking tot het voeren van onderhandelingen over en het sluiten van een intergouvernementele overeenkomst betreffende het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds ( het „Fonds”) ingesteld bij Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds1)Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad. („GAM-verordening”), alsook aan de aan dat besluit gehechte bes"},{"i":8776,"b":"Overeenkomst betreffende onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen De Regeringen, die Partij zijn in de onderhavige Overeenkomst, Overwegingen, dat het wenselijk is onderling strijdige aanspraken op vijandelijke Duitse bezittingen binnen hun jurisdicties tot een oplossing te brengen en de beschikking over zodanige bezittingen in het gemeenschappelijk belang te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Bij de behandeling van vijandelijke Duitse bezittingen zullen de Partijen in de onderhavige Overeenkomst (hierna en in het daarbij behorende Aanhangsel „Partijen” te noemen) zich in hun betrekkingen tot elkaar zoveel mogelijk te laten leiden door de bepalingen, neergelegd in de onderhavige Overeenkomst en in het daarbij behorende Aanhangsel (hierna en in het daarbij behorende Aanhangsel tezamen de „Overeenkomst” te noemen) en zij zullen bij de toepassing van de Overeenkomst zo handelen als noodzakelijk en passend zal zijn. Artikel 2 De Overeenkomst zal geen voorafgaande overeenkomsten, afgesloten tussen twee of meer Partijen of tussen een Partij en een andere Regering, niet-partij, buiten werking stellen, met dien verstande dat een zodanige voorafgaande Overeenkomst, waarbij een of meer der Partijen betrokken is, geen afbreuk doet aan de uit de Overeenkomst voortvloeiende rechten van een niet bij de voorafgaande overeenkomst betrokken Partij of aan die van haar onderdanen. Indien een voorafgaande overeenkomst tussen een Partij en een andere Regering door een niet bij de voorafgaande overeenkomst betrokken Partij wordt geacht afbreuk te doen aan haar uit de Overeenkomst voortvloeiende rechten of aan die van haar onderdanen, zal de Partij die ook bij de voorafgaande overeenkomst is betrokken de andere Regering benaderen om, indien mogelijk, de betreffende bepalingen in de voorafgaande overeenkomst zodanig te doen veranderen dat deze in overeenstemming met de Overeenkomst wordt gebracht. Artikel 3 Geen bepaling van d"},{"i":8810,"b":"Overeenkomst inzake de samenwerking op het gebied van het wetenschappelijk landbouwonderzoek tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken Het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken, de wens koesterend de samenwerking op het gebied van het wetenschappelijk landbouwonderzoek en tevens de verdere versteviging van de vriendschappelijke banden tussen beide landen te bevorderen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Partijen zullen, in overeenstemming met hun nationale wetten en procedures, de uitbreiding van contakten tussen de instellingen van wetenschappelijk landbouwonderzoek en de wetenschappelijke onderzoekers van het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken bevorderen door middel van wederzijdse uitwisseling van technisch-wetenschappelijke gegevens en literatuur en, in onderling overleg, van zaadmonsters, pootgoed en andere materialen, alsook door middel van bezoeken van wetenschappelijke onderzoekers over en weer. Artikel II Partijen zullen de totstandkoming van de samenwerking ten aanzien van onderwerpen genoemd in de aan deze Overeenkomst gehechte lijst bevorderen. De lijst van onderwerpen kan van tijd tot tijd, in onderling overleg, worden herzien en aangevuld. Artikel III Partijen zijn het er over eens dat de uitwisseling van technischwetenschappelijke gegevens en literatuur, zaadmonsters, pootgoed en andere materialen rechtstreeks tussen de instellingen van wetenschappelijk onderzoek geschiedt. Het Al-unie-instituut voor Technisch-Wetenschappelijke gegevens over de Landbouw (WINTISKH) van de U.S.S.R. en het Landbouw Publicatie en Documentatie Centrum (PUDOC) zullen literatuur en andere benodigde gegevens over de landbouw uitwisselen. Ten aanzien van problemen van algemene aard en ten aanzien van de organisatie van de samenwerking zal de coördinatie uitgaan van het Ministerie van Landbouw en Visserij van Nederland en het Ministerie van Landbo"},{"i":7205,"b":"Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zambia De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zambia, Geleid door de wens de bilaterale samenwerking op het gebied van het strafrecht verder te ontwikkelen; Overwegende dat deze samenwerking een goede rechtsbedeling en de reclassering van de gevonniste persoon beoogt te bevorderen; Overwegende dat deze doelstellingen met zich meebrengen dat vreemdelingen die gedetineerd zijn als gevolg van het plegen van een strafbaar feit, in de gelegenheid dienen te worden gesteld om hun veroordeling binnen hun eigen samenleving te ondergaan; en Overwegende dat dit doel het beste kan worden bereikt door hen naar hun eigen land over te brengen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „veroordeling”: elke straf of maatregel door een rechter of tribunaal van een van de Partijen opgelegd en met zich medebrengende vrijheidsbeneming wegens een strafbaar feit; - b. „vonnis”: de onherroepelijke uitspraak van een rechter of tribunaal van een van de Partijen waarbij een veroordeling tegen een persoon wordt uitgesproken; - c. „gevonniste persoon”: een persoon die bij vonnis is veroordeeld en is gedetineerd; - d. „de Staat van veroordeling”: de Staat waarin de veroordeling werd uitgesproken tegen de persoon die kan worden of reeds is overgebracht. Voor wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft wordt onder de Staat van veroordeling verstaan, Nederland, de Nederlandse Antillen, of Aruba, al naargelang het deel van het Koninkrijk waar het vonnis is gewezen; - e. „de Staat van tenuitvoerlegging”: de Staat waarnaar de gevonniste persoon kan worden of reeds is overgebracht teneinde zijn vonnis te ondergaan. Voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden wordt onder de Staat van tenuitvoerlegging verstaan, Nederland, de Nederlandse"},{"i":17044,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 30 april 2020, kenmerk 1680122-204629-MEVA, houdende het versoepelen van de regels voor het verantwoorden van subsidies bij de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg 2019 in verband met de uitbraak van het Coronavirus (Besluit versoepeling regels verantwoording Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg 2019) Gelet op [artikel 7.2, derde lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Aan ontvangers van subsidies op grond van de [Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041610) wordt een vrijstelling verleend van de termijn, bedoeld in [artikel 7.2, eerste lid, onderdeel b, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=7.2), voor het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling, tot 1 oktober 2020. Artikel 2 Een ontvanger van een subsidie op grond van de [Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041610) hoeft bij het afleggen van rekening en verantwoording het financieel verslag niet vergezeld te doen gaan van een rapport van feitelijke bevindingen omtrent de naleving van de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen door de subsidieontvanger. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit versoepeling regels verantwoording Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg 2019. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15191,"b":"Besluit van 19 april 1929, tot uitvoering van het eerste lid van artikel 19 der Archiefwet 1918 (Staatsblad n°. 378), gewijzigd bij de wet van 14 Mei 1928 (Staatsblad n°. 177) en van het vierde lid van dat artikel, voor zoover dit de archieven van de voormalige wees- en momboirkamers betreft Op de voordracht van Onzen Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van 12 Februari 1929, n°. 545/3, afdeeling Kunsten en Wetenschappen; Overwegende, dat volgens het eerste lid van [artikel 19 der Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=19) 1918 (**Staatsblad** n°. 378), gewijzigd bij de wet van 14 Mei 1928 (**Staatsblad** n°. 177), bij algemeenen maatregel van bestuur moeten worden vastgesteld de regelen, waarnaar de archieven van de voormalige wees- en momboirkamers, van gemeenten, die geen eigen archivaris en geene doelmatige archiefbewaarplaats hebben, naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen moeten worden overgebracht; Overwegende voorts, dat overeenkomstig het vierde lid van bovengenoemd artikel 19 de voorwaarden, waarop archieven van voormalige wees- en momboirkamers, die in de Rijksarchiefbewaarplaatsen mochten berusten, aan gemeenten in bewaring kunnen worden gegeven, door Ons moeten worden geregeld; Den Raad van State gehoord (advies van 26 Maart 1929, n°. 32); Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, van 15 April 1929, n°. 1592, afdeeling Kunsten en Wetenschappen; Hebben goedgevonden en verstaan: te bepalen als volgt: Artikel 1 1. De archieven van de voormalige wees- en momboirkamers van gemeenten, die geen eigen archivaris en geene doelmatige archiefbewaarplaats hebben, worden overgebracht naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen in de hoofdplaatsen van de provinciën, waarin de gemeenten gelegen zijn, 2. Indien eene wees- en momboirkamer hare werkzaamheid binnen het grondgebied van meer dan eene provincie uitgeoefend heeft, is de Rijksarchiefbewaarplaats in de hoofdplaats van die provincie, waarbin"},{"i":8952,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Dominicaanse Republiek inzake economische en technologische samenwerking tussen de Nederlandse Antillen, Aruba en de Dominicaanse Republiek De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van de Dominicaanse Republiek, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen; geleid door hun wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden te versterken en een op gelijkwaardigheid gebaseerde en tot wederzijds voordeel strekkende onderlinge economische en technologische samenwerking te bevorderen; komen het volgende overeen: Artikel I 1. De Overeenkomstsluitende Partijen zullen, met inachtneming van de binnenlandse wetten en voorschriften en onverminderd hun internationale verplichtingen, een op wederzijds voordeel gebaseerde onderlinge economische en technologische samenwerking bevorderen en inhoud geven. 2. Teneinde de in het vorige lid vermelde doeleinden te bereiken, zullen de Overeenkomstsluitende Partijen, uitgaande van de behoeften en mogelijkheden, met name de totstandkoming van banden tussen bedrijven en organisaties in enerzijds de Nederlandse Antillen en/of Aruba en anderzijds de Domincaanse Republiek, stimuleren. Artikel II De onderlinge economische en technologische samenwerking zal zich kunnen afspelen op het gebied van handel en industrie, energie, toerisme, transport en communicatie, landbouw, de dienstensector en elk ander gebied waarover de Overeenkomstsluitende Partijen overeenstemming bereiken, uitgaande van de voordelen voor, en de capaciteiten van enerzijds de Nederlandse Antillen en/of Aruba en anderzijds de Dominicaanse Republiek. Artikel III De Overeenkomstsluitende Partijen komen overeen elkaar te zullen raadplegen, teneinde betere resultaten te verkrijgen uit deze Overeenkomst en uit de onderlinge betrekkingen die in de verschillende sectoren van hun economie tot stand komen door samenwerking tussen bedrijven en organisaties van enerzijds de Nederlandse Antillen en/of Aruba e"},{"i":8954,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in ’s-Gravenhage, inclusief Afzonderlijke overeenkomst Het Koninkrijk der Nederlanden en De Europese Octrooiorganisatie, Gelet op het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973, Gelet op artikel 25 van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie, Overwegende dat ingevolge artikel 6 van genoemd Verdrag het Europees Octrooibureau een onderdeel heeft in ’s-Gravenhage, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze Overeenkomst: - a. wordt onder „Verdrag’’ verstaan het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973; - b. wordt onder „Protocol’’ verstaan het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie; - c. wordt onder „Organisatie’’ verstaan de Europese Octrooiorganisatie; - d. wordt onder „Regering’’ verstaan de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden; - e. wordt onder „Bureau’’ verstaan het Europees Octrooibureau; - f. wordt onder „onderdeel’’ verstaan het onderdeel van het Europees Octrooibureau in ’s-Gravenhage (Rijswijk); - g. wordt onder „Verdrag van Wenen’’ verstaan het Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer van 18 april 1961; - h. wordt onder „Afzonderlijke overeenkomst’’ verstaan de Afzonderlijke overeenkomst houdende de omschrijving van inwonende gezinsleden van een personeelslid. Artikel 2. Onschendbaarheid van het archief De in artikel 2 van het Protocol bedoelde onschendbaarheid geldt voor het gehele archief, de correspondentie, documenten, manuscripten, foto’s, films, geluidsopnamen, computer- en mediagegevens, gegevensdragers en alle overige, soortgelijke materialen die aan de Organisatie toebehoren of die zij onder zich houdt, ongeacht waar deze zich bevinden en bij wie zij berusten, en voor alle daarin vervatte informatie. Artikel 3. Afstand van immuniteit I"},{"i":3729,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 december 2022, nr. WJZ/ 22233745, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland betreffende het verstrekken van subsidies ten laste van de Rijkscofinanciering op grond van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland inzake subsidieverstrekking Rijkscofinanciering Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder SNN verstaan: het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland zijnde beheerautoriteit van het Programma EFRO 2021-2027 Noord-Nederland. Artikel 2 Aan SNN wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het verstrekken van subsidies ten laste van de Rijkscofinanciering op grond van [hoofdstuk 4 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045685&hoofdstuk=4), voor zover het subsidies betreft die verband houden met het Programma EFRO 2021-2027 Noord-Nederland. Artikel 3 Aan SNN wordt mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047659&artikel=2&z=2022-12-21&g=2022-12-21), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep. Artikel 4 1. SNN kan voor de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047659&artikel=2&z=2022-12-21&g=2022-12-21) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":13870,"b":"Besluit van het College gerechtelijk deskundigen van 17 januari 2019, houdende intrekking van diverse besluiten van algemene strekking en interne regelingen (NRGD veegregeling 2019) Gelet op [artikel 11, tweede lid onderdeel e van het Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=11), Besluit: Artikel I De besluiten van algemene strekking en interne regelingen van het College gerechtelijk deskundigen worden bekendgemaakt via de website van het Nederlands register deskundige in strafzaken, www.nrgd.nl. Artikel II De in de bijlage bij dit besluit vermelde besluiten van algemene strekking en interne regelingen worden ingetrokken. Artikel III Aanspraken of verplichtingen die voortvloeien uit een van de regelingen, genoemd in de bijlage als vermeld in [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041875&artikel=II&z=2019-02-06&g=2019-02-06), blijven in stand. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel V Deze regeling wordt aangehaald als: NRGD veegregeling 2019. Bijlage | Naam besluit van algemene strekking of interne regeling | publicatienummer | publicatiedatum | | --- | --- | --- | | [Beoordelingskader Toetsing aan de Wet wapens en munitie (006.2) v.2.0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038934) | 70321 | 28-12-2016 | | [Regeling mandaat en machtiging NRGD](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038642) | 56944 | 24-10-2016 | | [Regeling ondermandaat en -machtiging NRGD](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038643) | 56947 | 24-10-2016 | | [Beoordelingskader 003. Forensische Psychiatrie, Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek - Versie 4.0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038332) | 35163 | 19-7-2016 | | Wijzigingsbesluit regeling mandaat en Machtiging NRGD | 32163 | 16-6-2016 | | [Gedragscode Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":17858,"b":"Wijziging Rijkswachtgeldbesluit 1959 en Uitkeringsregeling 1966 Circulaire aan de ministers De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. In de overeenkomst arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid sector Rijk (contractperiode 1 april 1995 t/m 31 maart 1997) is opgenomen de afspraak om het [Rijkswachtgeldbesluit 1959](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002326) en de [Uitkeringsregeling 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002537) met ingang van 1 januari 1996 te wijzigen. Dit betekent dat met ingang van 1 januari 1996 de hoogte van het wachtgeld en de uitkering gedurende het eerste jaar 80% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende zes maanden 75% van de bezoldiging en gedurende de resterende periode 70% van de bezoldiging wordt. Voorts vervalt per die datum de bijzondere verlenging van het wachtgeld tot aan het 65e levensjaar, waarop recht bestaat indien de leeftijd en diensttijd van de ambtenaar op het tijdstip van ontslag samen 60 of meer bedragen en hij tenminste 10 dienstjaren heeft. Daarvoor in de plaats treedt in werking een maatregel voor de ambtenaar die op het moment van ontslag 55 jaar en ouder is en tenminste tien dienstjaren heeft. Voor deze ambtenaar geldt de voorziening dat bij ontslag het recht op een wachtgeld doorloopt tot aan zijn 65e levensjaar, waarbij de uitkering gedurende het eerste jaar 80% bedraagt, gedurende de daaropvolgende zes maanden 75% en gedurende de resterende periode tijdelijk, te weten tot 1 januari 1998, eveneens 75% van de bezoldiging bedraagt. Bij ontslag na 1 januari 1988 bedraagt laatstgenoemd percentage tot aan het 65e levensjaar 70%. Voor de ambtenaar van 55 jaar en ouder die tenminste 10 dienstjaren heeft en die in de periode van 1 oktober 1995 tot en met 31 december 1995 ontslagen is en recht heeft op wachtgeld is de volgende overgangsmaatregel getroffen. Deze ambtenaar heeft recht op wachtgeld tot aan zijn 65e levensjaar, waarbij het wachtgeld gedurende de eerste drie maanden"},{"i":8989,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, houdende regelen met betrekking tot de rechtspositie van militair en burgerpersoneel van het Koninkrijk der Nederlanden, ressorterende onder het Departement van Defensie De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Suriname, Overwegende dat het met het oog op het onafhankelijk worden van Suriname wenselijk is regelen te treffen met betrekking tot de rechtspositie van militair en burgerpersoneel van het Koninkrijk der Nederlanden, ressorterende onder het Departement van Defensie, zijn overeengekomen: Artikel 1 De Republiek Suriname verleent aan al het militair personeel dat behoorde tot de categorie blijvend geplaatsten van de troepenmacht in Suriname (hierna verder te noemen TRIS) het recht een vrijwillige verbintenis bij de Surinaamse Krijgsmacht aan te gaan. Artikel 2 Het Koninkrijk der Nederlanden verleent de Republiek Suriname medewerking voor het overgaan in Surinaamse militaire dienst van beroepsmilitairen van Surinaamse landaard behorende tot de krijgsmacht van het Koninkrijk die daartoe de wens te kennen geven. Artikel 3 De Republiek Suriname verplicht zich alle burgerpersoneelsleden van de TRIS, die daartoe de wens te kennen geven, in dienst te nemen in tenminste gelijkwaardige functies. Artikel 4 De Republiek Suriname zal de voor pensioen geldige diensttijd van militair en burgerpersoneel voorzover van belang voor de pensioenrechten verkregen in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden, niet meetellen voor de aanspraak van dat personeel op pensioen vanwege de Surinaamse overheid. Artikel 5 De Republiek Suriname zal geen belasting heffen op de uitkeringen en pensioenen, welke op grond van Nederlandse regelingen worden betaald aan voormalig personeel van de TRIS. Artikel 6 Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname komen overeen, dat de dienstplichtigen, die vóór de onafhankelijkwording van Suriname op grond van de Surinaamse dienstpli"},{"i":8993,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tsjaad betreffende de ter beschikkingstelling aan Tsjaad van ontwikkelingswerkers van de SNV-Organisatie voor ontwikkelingssamenwerking en bewustwording De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Republiek Tsjaad, verlangend de goede verstandhouding en de vriendschappelijke betrekkingen tussen de volken van beide landen te versterken door middel van uitwisseling van kennis en van beroepservaring, zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen EN FOI DE QUOI les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Accord. FAIT à N'Djaména, le 5 avril 1988, en deux exemplaires en langue française. **Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas** (s.) H. PHILIPSE **Pour le Gouvernement de la République du Tchad** (s.) SOUMAILA MAHAMAT"},{"i":8994,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela inzake de culturele betrekkingen tussen de Nederlandse Antillen en Venezuela De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Venezuela, verlangend de bestaande vriendschappelijke betrekkingen tussen de volken van de Nederlandse Antillen en Venezuela te versterken door middel van uitbreiding van hun onderlinge samenwerking op cultureel gebied, hebben besloten de volgende Overeenkomst te ondertekenen: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich tot het organiseren van culturele uitwisselingen tussen Venezuela en de Nederlandse Antillen op het gebied van onderwijs, letteren, wetenschappen, kunst en sport, en verbinden zich in het bijzonder tot het bevorderen van alle initiatieven en activiteiten, die beogen een beter inzicht in de taal, de geschiedenis, de geografie en de cultuur van het andere land te verschaffen. Artikel II Ten einde de in artikel I van deze Overeenkomst omschreven doelstellingen te verwezenlijken, stellen de Regeringen van de Republiek Venezuela en van de Nederlandse Antillen een Protocol van Uitvoering op, waarin de terreinen waarop de culturele samenwerking zal plaatsvinden in bijzonderheden zijn omschreven en waarin eveneens de procedures met betrekking tot overleg zijn opgesteld. Artikel III Ieder van de Overeenkomstsluitende Partijen afzonderlijk maakt aan de andere de vervulling van de wettelijk vereiste formaliteiten met betrekking tot het in werking treden van deze Overeenkomst bekend. De Overeenkomst zal dertig dagen na ondertekening voorlopig worden toegepast en treedt definitief in werking op de datum van de laatste kennisgeving. Artikel IV Deze Overeenkomst wordt gesloten voor een periode van vijf jaar. Zij kan worden vernieuwd door stilzwijgende verlenging en kan door beide Partijen te allen tijde worden beëindigd met inachtneming van een opzegtermijn van negen maanden. De Regering van de Republiek Venezuela en de R"},{"i":8996,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zimbabwe inzake de tewerkstelling van Nederlandse vrijwilligers in Zimbabwe De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zimbabwe, Geleid door de wens door uitwisseling van kennis en vakbekwaamheid de goede verstandhouding en vriendschappelijke betrekkingen tussen de volken van de beide landen te bevorderen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen DONE in Harare on the 29th day of July 1985. **For the Government of** **the Kingdom of the Netherlands,** (sd.) H. E. A. L. SCHNEIDERS **For the Government of the** **Republic of Zimbabwe,** (sd.) F. M. M. SHAVA"},{"i":9025,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake de exploitatie van de voorkomens in het Markham-veld en de afname van bitumina daaruit De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Overwegende dat boringen op het continentale plat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk het bestaan van gasvoorkomens hebben aangetoond, thans de voorkomens in het Markham-veld genaamd, die zich uitstrekken over de grenslijn als omschreven in de Overeenkomst van 6 oktober 1965 tussen de beide Regeringen inzake de begrenzing van het tussen de twee landen gelegen continentale plat onder de Noordzee; Gelet op de Overeenkomst van dezelfde datum inzake de exploitatie van op zichzelf staande geologische structuren of velden die zich over die grenslijn uitstrekken, waarbij de beide Regeringen zich ertoe hebben verplicht ernaar te streven overeenstemming te bereiken over zowel de wijze waarop een structuur of veld zo doelmatig mogelijk kan worden geëxploiteerd als de wijze waarop de daarmede verband houdende kosten en opbrengsten zullen worden verdeeld; Geleid door de wens vóór de aanvang van de winning voorzieningen te treffen voor de geïntegreerde exploitatie van de voorkomens in het Markham-veld en de regulering van de afname van de gewonnen bitumina uit de voorkomens in het Markham-veld; Zijn als volgt overeengekomen: DEEL I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Tenzij het zinsverband anders vereist, wordt voor de toepassing van deze Overeenkomst verstaan onder: - a. „ontwikkelingsplan\": het ingevolge artikel 7 goedgekeurde ontwikkelingsplan, zoals van tijd tot tijd gewijzigd. - b. „exportpijpleiding\": de pijpleiding waarin Markham-bitumina worden afgevoerd vanuit het Markham-stelsel. - c. „herziening van een vaststelling van regeringswege: datgene wat daaronder wordt verstaan in artikel 6, derde lid. - d. „groep Ma"},{"i":9027,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Ierland betreffende het internationale goederenvervoer over de weg De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Ierland, Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, het goederenvervoer over de weg tussen hun beide landen en in doorvoer over hun grondgebied te bevorderen; Besloten hebbende een Overeenkomst te sluiten ten einde bestaande faciliteiten te bevestigen en verdere faciliteiten te scheppen; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a. „vervoerder” een persoon (met inbegrip van een rechtspersoon) die hetzij in het Koninkrijk der Nederlanden, hetzij in Ierland overeenkomstig de ter zake dienende nationale wetten en voorschriften goederen over de weg vervoert als beroepsvervoerder of voor eigen rekening; - b. „voertuig” ieder mechanisch voortbewogen voertuig voor gebruik op de weg dat is gebouwd of ingericht voor het vervoer van goederen, met inbegrip van de aanhangwagen of oplegger die met dat voertuig een combinatie vormt. Artikel 2. Toepassingsgebied De bepalingen van deze Overeenkomst zijn van toepassing op het internationale goederenvervoer over de weg tegen betaling (beroepsvervoer) of voor eigen rekening tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Ierland, in doorvoer over het grondgebied van beide landen en naar of vanuit andere landen. Artikel 3. Vervoer Elk der Overeenkomstsluitende Partijen staat vervoerders die op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij zijn gevestigd, toe zonder bijzondere vergunning goederen te vervoeren: - a. tussen enige plaats op haar grondgebied en enige plaats buiten dat grondgebied; - b. in doorvoer over haar eigen grondgebied. Artikel 4. Verbod van binnenlands vervoer Niets in deze Overeenkomst wordt geacht een vervoerder van het ene land toe te staan goederen te laden op enige plaats in het andere land ten einde deze op enige andere p"},{"i":9054,"b":"Protocol 2, gehecht aan de Universele Auteursrecht-Conventie, inzake de toepassing dier Conventie op werken van bepaalde internationale organisaties De Staten, die partij zijn bij de [Universele Auteursrecht-Conventie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005162) (hierna te noemen de „Conventie”) en ook partij zijn bij dit Protocol, Zijn het volgende overeengekomen: IN FAITH WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Protocol. DONE at Geneva, this sixth day of September, 1952, in the English, French and Spanish languages, the three texts being equally authoritative, in a single copy which shall be deposited with the Director-General of the Unesco. The Director-General shall send certificated copies to the signatory States, to the Swiss Federal Council, and to the Secretary-General of the United Nations for registration."},{"i":9060,"b":"Protocol betreffende de militaire verplichtingen in zekere gevallen van dubbele nationaliteit DE GEVOLMACHTIGDEN, die namens hun onderscheidene Regeeringen dit Protocol onderteekenen, Ten einde in zekere gevallen voor personen, die twee of meer nationaliteiten bezitten, den toestand te regelen met betrekking tot hun militaire verplichtingen, ZIJN OMTRENT DE VOLGENDE BEPALINGEN OVEREENGEKOMEN: Artikel 1 Wie in het bezit der nationaliteit van twee of meer landen gewoonlijk verblijf houdt op het grondgebied van één dezer en tevens tot dit land in de nauwste betrekking staat, zal van alle militaire verplichtingen in ieder ander van deze landen zijn vrijgesteld. Deze vrijstelling zal het verlies van nationaliteit van ieder ander van deze landen kunnen medebrengen. Artikel 2 Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 1 van dit Protocol zal, indien de persoon de nationaliteit bezit van twee of meer Staten en hij krachtens de wetgeving van één van deze Staten het recht heeft op het oogenblik, waarop hij meerderjarig wordt, afstand te doen van de nationaliteit van dien Staat of deze nationaliteit te weigeren, deze persoon gedurende zijn minderjarigheid van den militairen dienst in dezen Staat zijn vrijgesteld. Artikel 3 Een persoon, die de nationaliteit van een Staat krachtens de wet van dezen Staat heeft verloren en een andere nationaliteit heeft verkregen, zal vrijgesteld worden van de militaire verplichtingen in het land, waarvan hij de nationaliteit heeft verloren. Artikel 4 De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, in haar onderlinge betrekkingen met ingang van den datum van inwerkingtreding van dit Protocol de beginselen en regelen, die in bovenstaande artikelen zijn nedergelegd, toe te passen. Het nederleggen van bovenbedoelde beginselen en regelen in het Protocol beslist in geenen deele over de vraag of deze beginselen en regelen nu reeds al dan niet deel uitmaken van het internationale recht. Bovendien is het wel te verstaan, dat ten aanzien van ieder pu"},{"i":11804,"b":"Beleidsregel toekenning en intrekking informatienummers Geeft met deze beleidsregel duidelijkheid over het beleid met betrekking tot het toekennen en intrekken van 090x- en 18xy-nummers in de gevallen waarin de ACM redelijkerwijs de verwachting heeft dat de aanvrager, nummerhouder of nummergebruiker niet zal of kan voldoen of niet voldoet aan het bij of krachtens de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) met betrekking tot nummers bepaalde, Besluit, gelet op de [artikelen 4.1, vierde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.1), [4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.3), [4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.4), [4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.7), [15.1, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1), [artikel 3.6b van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=3.6b) en [artikel 3.7, onder a, van de Regeling universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016709&artikel=3.7), in samenhang gelezen met [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Artikel 1. – Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. **Tw:** de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - c. **nummerplan:** het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten; - d. **Bude:** het [Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698); - e. **090x-nummers:** 0900-, 0906- en 0909-nummers, bestemd voor gratis of betaal"},{"i":6260,"b":"Wet van 5 juli 2006 tot samenvoeging van de gemeenten Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs en Bleiswijk Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs en Bleiswijk samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs en Bleiswijk opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Lansingerland ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs en Bleiswijk, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Lansingerland wordt de op te heffen gemeente Berkel en Rodenrijs aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs en Bleiswijk wordt de nieuwe gemeente Lansingerland aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&a"},{"i":9076,"b":"Protocol bij de kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de lidstaten” genoemd, en de Europese Unie, hierna „de Unie”, genoemd, enerzijds, en de Republiek Korea anderzijds, hierna „de overeenkomstsluitende partijen“ genoemd, Overwegende hetgeen volgt: Op 10 mei 2010 is in Brussel de [kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004159), hierna „de overeenkomst’’ genoemd, ondertekend, Op 9 december 2011 is in Brussel het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie, hierna „het Toetredingsverdrag” genoemd, ondertekend, De Republiek Kroatië moet tot de overeenkomst toetreden door de sluiting van een protocol bij de overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie namens de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel"},{"i":9095,"b":"Protocol bij het Noord-Atlantisch Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Zweden De Partijen bij het op 4 april 1949 te Washington ondertekende [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760&artikel=10), Ervan overtuigd dat de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied door de toetreding van het Koninkrijk Zweden tot dat Verdrag verhoogd zal worden, Komen als volgt overeen: Artikel I Bij de inwerkingtreding van dit Protocol zal de Secretaris-Generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie uit naam van alle Partijen aan de Regering van het Koninkrijk Zweden een uitnodiging doen toekomen tot het [Noord-Atlantisch Verdrag](onbekend) toe te treden. In overeenstemming met [artikel 10 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760&artikel=10) wordt het Koninkrijk Zweden Partij op de dag waarop het een akte van toetreding nederlegt bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika. Artikel II Dit Protocol treedt in werking wanneer elk van de Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](onbekend) aan de Regering van de Verenigde Staten van Amerika mededeling hebben gedaan dat zij het Protocol aanvaarden. De Regering van de Verenigde Staten van Amerika stelt alle Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag in kennis van de datum van ontvangst van iedere mededeling van aanvaarding en van de datum van inwerkingtreding van dit Protocol. Artikel III Dit Protocol, waarvan de Engelse en de Franse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt in het archief van de Regering van de Verenigde Staten van Amerika nedergelegd. Naar behoren gewaarmerkte afschriften worden door die Regering aan de Regeringen van alle Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](onbekend) toegezonden. IN WITNESS WHEREOF, the undersigned plenipotentiaries have signed the present Protocol. SIGNED at Brussels on the fifth day of July 2022."},{"i":9133,"b":"Protocol opgesteld krachtens artikel 19 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek betreffende het internationale wegvervoer Met het oog op de toepassing van genoemde Overeenkomst zijn de Directeur-Generaal van het Verkeer en de „Director-Geral de Transportes Terrestres”, de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Portugal, overeengekomen als volgt: I. Met betrekking tot artikel 1 De voertuigen die zijn ingeschreven in het land van een der Overeenkomstsluitende Partijen zijn bevoegd bij bevrachting voor de terugrit goederen te laden op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij die zijn bestemd voor een derde land op de volgende voorwaarden: - a. dat dit vervoer in transito leidt over het grondgebied van het land van inschrijving; - b. in andere gevallen en bij wijze van proef met een beperking tot 1/3 van het aantal vergunningen dat is vastgesteld bij toepassing van artikel 9 van de Overeenkomst. II. Met betrekking tot de artikelen 2, 4 en 5 1. De bevoegde autoriteiten aan wie de aanvragen om vergunning dienen te worden gericht en die deze vergunningen afgeven, zijn de volgende: - -. Voor de Portugese Republiek: Director-Geral de Transportes Terrestres Avenida 28 de Maio, 40 Lisboa - 4 - -. Voor het Koninkrijk der Nederlanden: Directeur-Generaal van het Verkeer Plesmanweg 1-6, Den Haag 2. De aanvragen om vergunning voor de diensten bedoeld in artikel 4 dienen vergezeld te gaan van de volgende gegevens: - -. periode van uitvoering en frequentie; - -. voorgestelde tarieven; - -. reisweg; - -. eventueel bijzondere exploitatievoorwaarden. 3. De aanvragen om vergunning bedoeld in artikel 5 dienen te worden gericht aan de bevoegde autoriteiten, en wel zo vroeg mogelijk voor de datum die is voorzien voor de uitvoering van de rit. Zij dienen vergezeld te gaan van de volgende gegevens: - -. naam en adres van degene die de rit organiseert; - -. naam en adres van de vervoerder; - -. aant"},{"i":9169,"b":"Protocol van ondertekening bij het Protocol betreffende de nationale behandeling bij de aanbesteding van werken en de aankoop van goederen De Regeringen van Nederland, België en Luxemburg; Na heden een [Protocol betreffende de nationale behandeling bij de aanbesteding van werken en de aankoop van goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004734) te hebben ondertekend; Verbinden zich dit Protocol onverwijld aan Haar onderscheidene Parlementen ter goedkeuring voor te leggen. I In afwachting van de inwerkingtreding daarvan, zijn de drie Regeringen voorlopig en voor de duur van één jaar overeengekomen de bepalingen van [genoemd Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004734), met uitzondering van die, welke betrekking hebben op de arbitrage, onmiddellijk toe te passen. In afwachting van de inwerkingtreding van laatstbedoelde bepalingen, wordt een Verzoeningscommissie ingesteld, waarop mutatis mutandis de bepalingen betrekking hebbend op de arbitrage van toepassing zijn. De conclusies der Verzoeningscommissie hebben evenwel de waarde van een advies. II Ter verwezenlijking van het beginsel der non-discriminatie, zoals voorzien in artikel 2 en dat bedoelt Nederlandse ondernemers en producten een zelfde behandeling te verzekeren als Belgische ondernemers en producten, verbindt de Belgische Regering zich zo spoedig mogelijk en uiterlijk tegelijk met het ontwerp van het Verdrag ener Economische Unie, aan de volksvertegenwoordiging de wetsontwerpen voor te leggen strekkende tot wijziging van de in België bestaande wettelijke bepalingen ten doel hebbend de nationale ondernemingen en producten te beschermen. Hieruit volgt onder meer dat een wijziging zal worden voorgesteld van: - a). de Besluitwet nr 204 van 1 october 1935, welke het mogelijk maakt het Koninklijk Besluit nr 658 van 1 october 1935 daaraan aan te passen. In afwachting van deze wijzigingen zullen de bestaande wettelijke bepalingen zodanig worden toegepast dat er geen onderscheid meer zal worden"},{"i":18689,"b":"Beleidskader Beperkt Beveiligde Afdeling van het Gevangeniswezen Inleiding Op 17 juni 2018 bood de Minister voor Rechtsbescherming de visie ‘Recht doen, kansen bieden; naar effectievere gevangenisstraffen’ bij de kamer aan. Een visie waarin een effectieve tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen recht moet doen aan vergelding en bij moet dragen aan een veiligere samenleving door herhaald crimineel gedrag te voorkomen. Eén van de middelen om dit te bereiken is een goede re-integratie van (ex-) gedetineerden in de samenleving. Het beleid gaat ervan uit dat de kans op recidive kleiner wordt wanneer overheden en betrokken instanties investeren in een aantal basisvoorwaarden waar gedetineerden al tijdens hun detentie aan werken. Re-integratie-maatregelen voor (ex-)gedetineerden zijn bedoeld om aan vijf basisvoorwaarden voor maatschappelijke (re-)integratie te voldoen; Deze vijf punten worden als schakels gezien naar een succesvolle maatschappelijke re-integratie. In de handreiking Bestuurlijk akkoord, van 19 december 2019, is aan de vijf basisvoorwaarden ook het sociale netwerk toegevoegd. Het gevangeniswezen, de reclassering en de gemeente ondersteunen de gedetineerde bij het op orde krijgen van deze vijf basisvoorwaarden en het sociale netwerk. Dit gebeurt op een herstelgerichte wijze. Alle werkzaamheden en activiteiten door personeel die een bijdrage kunnen leveren aan een of meerdere lagen van herstel worden met de term ‘herstelgericht werken’ aangeduid1Goulding, D., Hall, G., & Steels, B. (2008). Restorative prisons: Towards radical prisonreform. **Current Issues in Criminal Justice**, **20**(2), 231-242.. Ingevolge de [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990), welke op 1 juli 2021 is ingegaan, dient verlof gekoppeld te zijn aan een re-integratiedoel. Ten aanzien van de basisvoorwaarden werk en inkomen is het mogelijk om re-integratieverlof voor extramurale arbeid toegekend te krijgen. Gedetineerden aan wie dit wordt toegekend wor"},{"i":19487,"b":"Wet van 17 november 1994, houdende regeling van de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de inwerkingtreding van de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) te regelen alsmede de wetten waarin wordt verwezen naar de Wegenverkeerswet, aan te passen aan de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet wordt onder Onze Minister, motorrijtuig, kenteken, kentekenbewijs, keuringsbewijs en rijbewijs verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wegenverkeerswet, onderscheidenlijk in de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622). Hoofdstuk II. Wijziging van de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) Artikel 2 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk III. Wijziging van de wetten waarin wordt verwezen naar de Wegenverkeerswet en de daarop berustende uitvoeringsvoorschriften Artikel 3 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 4 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 5 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 6 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 7 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 8 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 9 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 10 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 11 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 12 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 13 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 14 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 15 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 16 Bevat wijzigingen in andere re"},{"i":18775,"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Ministerie van Justitie betreffende Slobodan Mitric, toegang 2.09.101 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de Minister van Justitie nummer 5589132/09 houdende de beperking op de openbaarheid van de archiefbescheiden betreffende Slobodan Mitric](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026698), Gehoord hebbende de Minister van Justitie, Besluit: Artikel 1 De beperking aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers 1 en 6 t/m 10 wordt opgeheven. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":18728,"b":"Beschikking aanwijzing opsporingsambtenaren Wet op de economische delicten Gelet op de [artikelen 1, onder 4°, en 17, eerste lid, onder 2°, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1), Besluit: In overeenstemming met de Minister van Economische Zaken: - 1. de ambtenaren van de Economische Controledienst van het Ministerie van Economische Zaken aan te wijzen als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij de [Wet uitvoering Internationaal Energie Programma](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003235), voor zover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1); - 2. te bepalen dat deze beschikking zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en in werking zal treden met ingang van de dag volgend op die der bekendmaking."},{"i":18962,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 3 april, nr. 2509646, houdende aanwijzing van opsporingsambtenaren bij de Belastingdienst/FIOD, de NVWA-IOD, de directie Opsporing van de Inspectie SZW, en de ILT-IOD tot hulpofficier van justitie (Besluit hulpofficieren van justitie van de bijzondere opsporingsdiensten) Gelet op [artikel 146a, aanhef en onder d, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=146a); Besluit: Artikel 1 Aangewezen tot hulpofficier van justitie is de opsporingsambtenaar die - a. werkzaam is bij: - •. de Belastingdienst/FIOD de functie vervult van teamleider of projectleider, of de medewerker opsporing groepsfunctie F of I, die minimaal vijf jaar opsporingservaring heeft binnen een of meer bijzondere opsporingsdiensten als bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2); - •. de NVWA-IOD, en de functie vervult van operationeel manager, senior inspecteur of inspecteur; - •. de directie Opsporing van de Inspectie SZW, en de functie vervult van operationeel manager of senior inspecteur; - •. de ILT-IOD, en de functie vervult van operationeel manager, coördinerend specialistisch inspecteur, senior inspecteur of inspecteur; - b. en die met goed gevolg een door de Minister van Justitie en Veiligheid goedgekeurd examen tot hulpofficier van justitie heeft voltooid en in het bezit is van het certificaat ‘hulpofficier van justitie’. Artikel 2 1. De examencommissie bijzondere opsporingsdiensten, zoals bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Besluit bekwaamheid en betrouwbaarheid opsporingsambtenaren bijzondere opsporingsdiensten 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028308&artikel=4), is verantwoordelijk voor het samenstellen, afnemen en vaststellen van de uitslag van het examen als bedoeld in [artikel 1, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042114&artikel=1&z=2019-04-13&g=2019-04-13). 2. De exa"},{"i":19057,"b":"Besluit van de hoofddirecteur bedrijfsvoering van 12 juni 2023 (kenmerk 4657710/23/DP&O), verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de hoofddirecteur bedrijfsvoering ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Hoofddirectie Bedrijfsvoering Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022) Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) en [artikel 1A, eerste lid van het Mandaatbesluit hoofden clusters van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1a) aan de hoofddirecteur bedrijfsvoering verleende ondermandaat, wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de directeur Personeel en Organisatie; - b. de directeur Informatievoorziening en Inkoop; - c. de directeur van het Dienstencentrum; - d. de directeur Huisvesting en Facilities; - e. het hoofd van het Project-, Programma- en Adviescentrum; - f. de directeur van de directie Openbaarmaking. 2. Van het ingevolge [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) en [artikel 1A, eerste lid van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1a) aan de hoofddirecteur bedrijfsvoering verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=5), ondermandaat verleend aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken behoudens het behandelen van beroepsprocedures vanwege niet tijdig beslissen naar aanleiding van verzoeken op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). 3. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1"},{"i":18748,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Algemene Inspectie van het Korps Rijkspolitie van het Ministerie van Justitie (1945–1992) (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van het naar het Nationaal Archief over te brengen archief van de Algemene Inspectie van het Korps Rijkspolitie van het Ministerie van Justitie bevattende de hierboven genoemde archieven, de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":9345,"b":"Verdrag betreffende betaalde vakantie in de landbouw De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen op 4 Juni 1952, in haar vijf en dertigste zitting, Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende betaalde vacantie in de Landbouw, welk onderwerp het vierde punt vormt van de agenda der zitting, Bepaald hebbende dat deze voorstellen de vorm zullen krijgen van een internationaal Verdrag, Neemt heden de zes en twintigste Juni 1952, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als „het Verdrag betreffende betaalde vacantie (landbouw), 1952”. **Betaalde vacantie in de landbouw** Artikel 1 Arbeiders, werkzaam in landbouwondernemingen en in aanverwante beroepen, dienen in het genot te worden gesteld van een jaarlijkse betaalde vacantie, nadat zij gedurende een onafgebroken periode bij dezelfde werkgever in dienst zijn geweest. Artikel 2 1. Elk Lid, dat dit Verdrag bekrachtigt, is vrij te bepalen op welke wijze in de toekenning van bepaalde vacantie in de landbouw zal worden voorzien. 2. De toekenning van betaalde vacantie in de landbouw kan eventueel verzekerd worden door middel van een collectieve arbeidsovereenkomst dan wel door de regeling daarvan toe te vertrouwen aan speciale lichamen. 3. Ingeval de wijze waarop in de toekenning van betaalde vacantie in de landbouw is voorzien zulks toelaat: - a. dient hieraan een diepgaand overleg vooraf te gaan met de meest representatieve betrokken organisaties van werkgevers en van werknemers, voorzover deze bestaan, zomede van alle andere personen, die uit hoofde van hun beroep of functie te dezer zake in het bijzonder deskundig zijn en op wie het bevoegde gezag een beroep zou willen doen; - b. dienen de betrokken werkgevers en werknemers deel te hebben aan de regeling van betaalde vacantie dan wel terzake te worden geraadpleegd of het recht te hebben terzake te worden"},{"i":9352,"b":"Verdrag betreffende de bescherming van het moederschap (herzien) De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 4 Juni 1952 in haar vijf en dertigste zitting, Besloten hebbende, verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de bescherming van het moederschap, welk onderwerp vervat is in het zevende punt van de agenda der zitting, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag, Neemt heden, de 28ste Juni 1952, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de bescherming van het moederschap (herzien), 1952”: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen"},{"i":9362,"b":"Verdrag betreffende de Internationale Hydrografische Organisatie De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag Overwegende dat het Internationale Hydrografische Bureau in juni 1921 werd opgericht ten einde bij te dragen tot het vergemakkelijken en veiliger maken van de navigatie over de hele wereld door het verbeteren van zeekaarten en boekwerken; Overwegend dat de Internationale Hydrografische Organisatie een bevoegde internationale organisatie is, zoals bedoeld in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, die de vaststelling van normen op mondiaal niveau coördineert voor de productie van hydrografische gegevens en het verlenen van hydrografische diensten en die de capaciteitsopbouw van nationale hydrografische diensten vereenvoudigt; Overwegend dat de Internationale Hydrografische Organisatie tot taak heeft te fungeren als de gezaghebbende hydrografische instantie die alle kuststaten en belanghebbende staten actief betrekt bij de bevordering van de maritieme veiligheid en efficiëntie en die de bescherming en het duurzame gebruik van het mariene milieu ondersteunt; Overwegend dat het de opdracht van de Internationale Hydrografische Organisatie is een mondiale omgeving te creëren waarin de Staten adequaat en tijdig hydrografische gegevens, producten en diensten verschaffen en het gebruik ervan op zo ruim mogelijke schaal waarborgen; en Verlangende op intergouvernementele basis samen te werken op het gebied der hydrografie; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I Bij dezen wordt opgericht een Internationale Hydrografische Organisatie, hierna te noemen de Organisatie, waarvan de zetel in Monaco is gevestigd. Artikel II De Organisatie heeft een raadgevend en technisch karakter. De Organisatie beoogt: - a. de toepassing van hydrografie ten behoeve van de veiligheid van de scheepvaart en alle overige mariene doelstellingen te stimuleren en het bewustzijn van het belang van hydrografie op mondiaal niveau te bevorderen; - b. de mondiale dekking, beschik"},{"i":9384,"b":"Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van de Italiaanse Republiek, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, 2)[Red: De lijst van ondertekenaars is niet toegevoegd.] Vastberaden de grondslagen te leggen voor een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren, Besloten hebbende door gemeenschappelijk optreden de economische en sociale vooruitgang van hun staten te verzekeren en daartoe de barrières die Europa verdelen te verwijderen, Vaststellende als wezenlijk doel van hun streven, een voortdurende verbetering van de omstandigheden waaronder hun volkeren leven en werken, te verzekeren, Erkennende dat de verwijdering van de bestaande hinderpalen eensgezind optreden vereist teneinde de gestadige expansie, het evenwicht in het handelsverkeer en de eerlijkheid in de mededinging te waarborgen, Verlangende de eenheid hunner volkshuishoudingen te versterken en de harmonische ontwikkeling daarvan te bevorderen door het verschil in niveau tussen de onderscheidene gebieden en de achterstand van de minder begunstigde gebieden te verminderen, Geleid door de wens door middel van een gemeenschappelijke handelspolitiek bij te dragen tot de geleidelijke opheffing der beperkingen in het internationale handelsverkeer, Wensende de verbondenheid van Europa met de landen overzee te bevestigen en verlangende de ontwikkeling van hun welvaart te verzekeren, overeenkomstig de beginselen van het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), Vastbesloten door deze bundeling van krachten de waarborgen voor vrede en vrijheid te versterken en de overige Europese volkeren die hun idealen delen, oproepende zich bij hun streven aan te sluiten, Vastbesloten het hoogst mogelijke kennisniveau voor hun volkeren na te streven door middel van ruime toegang tot"},{"i":9385,"b":"Verdrag betreffende de werktijden van zeevarenden en de bemanning van schepen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar vierentachtigste zitting op 8 oktober 1996; Gelet op de bepalingen van het Koopvaardijverdrag (minimumnormen), 1976, het daarbij behorende [Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001594) van 1996 en het Arbeidsinspectieverdrag (zeevarenden), 1996; In herinnering brengende de desbetreffende bepalingen van de volgende akten van de Internationale Maritieme Organisatie: het [Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264), 1974, zoals gewijzigd, het [Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003452), 1978, zoals gewijzigd in 1995, Resolutie A.481 (XII) inzake de beginselen van veilige bemanning, 1981, Resolutie A.741 (18) inzake de internationale code voor de veilige exploitatie van schepen en voor de voorkoming van vervuiling (International Safety Management (ISM) Code), 1993 en Resolutie A.772 (18) inzake vermoeidheidsfactoren bij bemanningen en veiligheid, 1993; In herinnering brengende de inwerkingtreding, op 16 november 1994, van het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172), 1982; Besloten hebbende tot de aanneming van bepaalde voorstellen met betrekking tot de herziening van het Verdrag betreffende de gages, de arbeidsduur aan boord en de bemanningssterkte (herzien), 1958, en de Aanbeveling betreffende de gages, de arbeidsduur aan boord en de bemanningssterkte, 1958, welk onderwerp als tweede punt op de agenda van de zitting voorkomt; Vastgesteld hebbende dat deze voorstellen de vorm dienen te krijgen van een verdrag; Neemt heden, de tweeëntwintigste okt"},{"i":9386,"b":"Verdrag betreffende deeltijdwerk De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar 81ste zitting op 7 juni 1994; Gelet op het grote belang, voor deeltijdwerkers, van de bepalingen van het [Verdrag betreffende gelijke beloning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004933), 1951, van het [Verdrag betreffende discriminatie (arbeid en beroep)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004947), 1958, en van het [Verdrag en de Aanbeveling betreffende arbeiders met gezinsverantwoordelijkheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002363), 1981; Tevens gelet op het grote belang, voor deze werknemers, van het Verdrag betreffende de bevordering van de werkgelegenheid en de bescherming tegen werkloosheid, 1988, en van de Aanbeveling betreffende het werkgelegenheidsbeleid (aanvullende bepalingen), 1984; Erkennend het belang dat produktief en in vrijheid gekozen werk heeft voor alle werknemers, het belang dat deeltijdwerk heeft voor de economie, de noodzaak dat in het werkgelegenheidsbeleid rekening wordt gehouden met de rol die deeltijdwerk vervult bij het scheppen van aanvullende werkgelegenheidskansen alsmede de noodzaak de bescherming van deeltijdwerkers te waarborgen op het gebied van toegang tot de arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en sociale zekerheid; Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen betreffende deeltijdwerk, welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de zitting voorkomt; Vastgesteld hebbende dat deze voorstellen de vorm dienen te krijgen van een internationaal verdrag, neemt heden, de vierentwintigste juni negentienhonderd vierennegentig, het volgende verdrag aan, dat kan worden aangehaald als Verdrag betreffende deeltijdwerk, 1994. Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt verstaan onder „deeltijdwerker\": een werknemer in loondienst van wie de normale arbeidsduur korter is dan die van d"},{"i":9398,"b":"Verdrag betreffende minimumnormen op koopvaardijschepen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar tweeënzestigste zitting op 13 oktober 1976; In herinnering brengende de voorzieningen van de Aanbeveling inzake het aannemen van zeelieden (vreemde schepen) 1958 en de Aanbeveling inzake sociale voorwaarden en veiligheid (zeelieden) 1958; Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot schepen die niet aan bepaalde normen voldoen, in het bijzonder die welke varen onder goedkope vlag, welk onderwerp als vijfde punt op de agenda van de zitting voorkomt; Vastgesteld hebbende, dat deze voorstellen de vorm van een internationaal Verdrag dienen te krijgen; Aanvaardt heden de negenentwintigste oktober negentienhonderd zesenzeventig het volgende Verdrag, dat kan worden aangehaald als Koopvaardijverdrag (minimumnormen), 1976: Artikel 1 1. Tenzij in dit artikel anders is bepaald, is dit Verdrag van toepassing op elk zeeschip, hetzij in bezit van de overheid, hetzij in particulier bezit, dat voor handelsdoeleinden wordt gebruikt voor het vervoer van goederen of passagiers, dan wel voor enig ander commercieel doel wordt gebezigd. 2. De nationale wetgeving bepaalt welke schepen voor de toepassing van dit Verdrag als zeeschepen dienen te worden beschouwd. 3. Dit Verdrag is van toepassing op zeesleepboten. 4. Dit Verdrag is niet van toepassing op: - a. schepen die hoofdzakelijk worden voortbewogen door middel van zeilen, ongeacht of zij al of niet zijn uitgerust met hulpmotoren; - b. schepen die worden gebruikt voor de visvangst, de walvisvangst of voor soortgelijke doeleinden; - c. kleine schepen en schepen zoals drijvende boorinstallaties en booreilanden wanneer er niet mee wordt gevaren, waarbij de beslissing welke schepen hieronder vallen dient te worden genomen door het bevoegd gezag in ieder land, in overleg"},{"i":9400,"b":"Verdrag betreffende repatriëring van schepelingen **Verdrag betreffende repatriëring van schepelingen** De Algemene Conferentie van de Internationale Organisatie van de Arbeid, door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 7 Juni 1926, in haar negende zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende repatriëring van schepelingen, welk onderwerp begrepen is in punt 1 van de agenda der zitting en besloten hebbende, dat deze voorschriften de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden de 23ste Juni 1926 het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden het “Verdrag betreffende repatriëring van schepelingen, 1926”, ter bekrachtiging door de leden van de Internationale Organisatie van de Arbeid, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: De wijziging is in werking getreden op 15 januari 1948 (Trb. 1957/181). Artikel 1 1. Dit verdrag is van toepassing op alle zeevaartuigen ingeschreven in het land van een der leden, die dit verdrag bekrachtigd hebben en op de reders, kapiteins en schepelingen van die schepen. 2. Het is niet van toepassing op: - oorlogsschepen; - Staatsschepen niet gebezigd voor de handel; - schepen gebezigd voor de kustvaart; - pleziervaartuigen; - schepen begrepen onder „Indian country craft”; - vissersvaartuigen; - schepen met een bruto tonnenmaat minder dan 100 ton of 300 M³ en, indien het schepen voor korte vaart betreft, met een tonnenmaat minder dan die, welke voor die korte vaart is vastgesteld door de nationale wet, die van kracht is op het ogenblik, dat dit verdrag wordt aangenomen. Artikel 2 Voor de toepassing van dit verdrag moeten de volgende uitdrukkingen als volgt worden verstaan: - a. onder „schip” elk schip of vaartuig van welke aard ook, publiek of privaat eigendom, dat gewoonlijk gebezigd wordt voor zeevaart; - b. onder „schepeling” ieder persoon, die werkzaam of in dienst i"},{"i":9426,"b":"Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Erkennende dat het voor de volledige en harmonieuze ontwikkeling van de persoonlijkheid van een kind noodzakelijk is dat het opgroeit in een gezinsverband, in een sfeer van geluk, liefde en begrip, Eraan herinnerend dat elke Staat bij voorrang passende maatregelen behoort te nemen opdat het kind in zijn familie van herkomst kan blijven, Erkennende dat interlandelijke adoptie het voordeel van een vast gezinsverband kan bieden aan een kind waarvoor geen geschikt gezin kan worden gevonden in zijn Staat van herkomst, Overtuigd van de noodzaak maatregelen te nemen om te waarborgen dat interlandelijke adopties plaatsvinden op zodanige wijze dat het hoogste belang van het kind daarmee is gediend en dat zijn grondrechten worden geëerbiedigd, en om ontvoering, verkoop van of handel in kinderen te voorkomen, Geleid door de wens daartoe gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen die rekening houden met de in internationale akten vervatte beginselen, met name het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508) van 20 november 1989, en de Verklaring van de Verenigde Naties inzake sociale en juridische beginselen betreffende de bescherming en het welzijn van kinderen, in het bijzonder met betrekking tot plaatsing in een pleeggezin en adoptie, zowel nationaal als internationaal (Resolutie van de Algemene Vergadering 41/85 van 3 december 1986), Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG Artikel 1 Dit Verdrag heeft tot doel: - a. waarborgen vast te leggen om te verzekeren dat interlandelijke adopties op zodanige wijze plaatsvinden dat het hoogste belang van het kind daarmee is gediend en de grondrechten die hem volgens het internationale recht toekomen, worden geëerbiedigd; - b. een samenwerkingsverband tussen de Verd"},{"i":9439,"b":"Verdrag inzake de culturele samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oekraïne Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oekraïne (hierna te noemen de „Verdragsluitende Partijen\"), Geleid door de wens de culturele samenwerking tussen beide landen te bevorderen en te intensiveren en hiervoor een formeel kader te scheppen, Op grond van de Helsinki-akkoorden en op grond van de principes van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, Overtuigd dat deze samenwerking tot verdere verbreding van de vriendschappelijke betrekkingen en het wederzijds begrip tussen de volkeren der beide landen zal bijdragen, Ervan overtuigd dat deze samenwerking zal bijdragen tot de instandhouding en ontwikkeling van het meertalige en multiculturele karakter van Europa. Constaterende dat de bilaterale culturele samenwerking in nauwe relatie staat met Europese en internationale culturele samenwerking, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Dit Verdrag betreft samenwerking op het gebied van onderwijs en wetenschappen, op het gebied van cultuur, op het gebied van welzijn, en op het gebied van volksgezondheid. Artikel 2 Beide Verdragsluitende Partijen bevorderen een zo rechtstreeks mogelijke samenwerking tussen de organisaties en instellingen op de in Artikel 1 genoemde gebieden. Artikel 3 1. Tot dit doel moedigen de Verdragsluitende Partijen, op basis van wederkerigheid, de uitwisseling aan van personen die werkzaam zijn op de in Artikel 1 genoemde gebieden. 2. Aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde personen worden, met inachtneming van de geldende nationale wetten en voorschriften, faciliteiten verleend ten aanzien van het verblijven op en het zich verplaatsen binnen het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen. Artikel 4 De Verdragsluitende Partijen stimuleren de uitwisseling en vertaling in elkaars talen van informatie en documentatie betreffende ontwikkelingen op de in Artikel 1 genoemde gebieden. Artikel 5 De Verdragsluitende Pa"},{"i":9444,"b":"Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed die zijn verkregen in hun onderscheidene grondgebieden, te vergemakkelijken, Hebben besloten hiertoe een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Dit Verdrag is van toepassing op de erkenning, in een Verdragsluitende Staat, van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed die in een andere Verdragsluitende Staat zijn verkregen ingevolge een gerechtelijke of een andere in die Staat officieel erkende procedure en die daar rechtsgeldig zijn. Het Verdrag heeft geen betrekking op beslissingen inzake de schuldvraag noch op bijkomende maatregelen of veroordelingen uitgesproken bij de toewijzing van het verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed, in het bijzonder veroordelingen tot betaling van geldsommen of beschikkingen inzake het gezag over kinderen. Artikel 2 Deze echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed worden onder voorbehoud van de overige bepalingen van dit Verdrag in elke andere Verdragsluitende Staat erkend, indien op de datum waarop in de Staat waar de vordering tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed werd ingesteld (hierna te noemen: „Staat van herkomst\"): - 1. de gedaagde daar zijn gewone verblijfplaats had; of - 2. de eiser daar zijn gewone verblijfplaats had en bovendien aan een der volgende voorwaarden was voldaan: - a). hij heeft gedurende ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de datum van indiening van de vordering, daar zijn gewone verblijfplaats gehad; - b). de echtgenoten hadden daar laatstelijk hun gezamenlijke gewone verblijfplaats; of - 3. beide echtgenoten onderdanen waren van die Staat; of - 4. de eiser onderdaan van die Staat was en bovendien aan een van de volgende voorwaarden was voldaan: - a). de eiser had daar zijn gewone verblijfplaats; of - b). had daar zijn gewone verbli"},{"i":5627,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA speelgoed (IB03-SPEC 58, versie 02) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA speelgoed beschrijft de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen in het toezichtdomein speelgoed en geeft daarmee invulling aan het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. Begrippen 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). 2.3. Wettelijke basis Op het werkterrein speelgoed gelden zowel Europese als nationale regels. De wettelijke basis voor het Specifiek interventiebeleid is: 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van de overtreding Overtredingen worden ingedeeld naar de klassen zoals gedefinieerd in het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":5801,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 08 juli 2025, nr. OVO/52996928, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan DAMU-scholen voor het vergoeden van reiskosten aan DAMU-leerlingen in het voortgezet onderwijs (Subsidieregeling tegemoetkoming reiskosten DAMU-leerlingen VO 2025) Gelet op [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **DAMU-leerling:** leerling die staat ingeschreven op een DAMU-school en tevens staat ingeschreven bij een hbo-voortraject dans of muziek; - **DAMU-school:** school die beschikt over een DAMU-licentie als bedoeld in de [Beleidsregel DAMU-licentie VO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044030); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **hbo-voortraject:** beroepsvoorbereidend traject voor vo-leerlingen, aangeboden door een hogeschool, dat voorafgaat aan een hbo-bachelor op het gebied van dansvakonderwijs of muziekvakonderwijs; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **schooljaar:** schooljaar als bedoeld in [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **vestiging:** hoofdvestiging of nevenvestiging van een school, als bedoeld in [artikel 4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.13) of [4.14 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.14); - **WVO 2020:** [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212). Artikel 2. Toepassing [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Deze regeling geldt in aanvulling op de [Kaderregeling sub"},{"i":7511,"b":"Besluit aanwijzing Functionaris voor Gegevensbescherming AVG bij de Autoriteit Persoonsgegevens Gelet op artikel 37 van [Verordening (EU) 2016/679](32016R0679) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (Algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L119/1) en [titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2); Besluit: Artikel 1 1. Als Functionaris voor Gegevensbescherming voor de Algemene verordening gegevensbescherming is aangewezen de heer mr. E.H.M. Daverveld. Artikel 2 1. De Functionaris voor Gegevensbescherming is belast met de taken zoals omschreven in artikel 39 van de Algemene verordening gegevensbescherming en voert deze taken uit in volledige onafhankelijkheid. 2. De Functionaris voor Gegevensbescherming vervult zijn taken voor alle situaties waarin het bestuur van de Autoriteit Persoonsgegevens geldt als (al dan niet gezamenlijk) verwerkingsverantwoordelijke of als verwerker. Artikel 3 Dit besluit geldt voor de gehele Autoriteit Persoonsgegevens. Artikel 4 1. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Dit besluit werkt voor de Functionaris voor Gegevensbescherming terug tot en met 1 juli 2022. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13154,"b":"Comptabiliteitswet 2016 Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de [Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891) te vervangen door nieuwe wettelijke bepalingen over het beheer, de informatievoorziening, de controle en de verantwoording inzake de financiën van het Rijk, mede ter uitvoering van de [artikelen 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=78) en [105 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=105), en dat het wenselijk is daarin bepalingen op te nemen over het beheer van publieke liquide middelen buiten het Rijk en over het toezicht op het beheer van publieke liquide middelen en publieke financiële middelen buiten het Rijk; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begrippen - **agentschap:** een baten-lastenagentschap of een verplichtingen-kasagentschap; - **Auditdienst Rijk:** het dienstonderdeel van het Ministerie van Financiën dat belast is met de uitoefening van de auditfunctie bij het Rijk; - **baten-lastenagentschap:** een dienstonderdeel van een ministerie, dat op grond van [artikel 2.20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=2.20&z=2023-09-26&g=2023-09-26), als baten-lastenagentschap is aangewezen; - **baten-lastenstelsel:** het financieel-administratieve stelsel van rekeningen waarin als uitgaven en ontvangsten in een jaar worden opgenomen de geldswaarden van het verbruik van goederen en diensten (lasten) in dat jaar, respectievelijk de geldswaarden van de rechten op ontvangsten (baten), die in dat jaar ontstaan; - **bedrijfsvoering:** het inzetten van personeel en materieel ter ondersteuning van het beleid of de taak; - **begrotingsbeheer:*"},{"i":6574,"b":"Besluit van 2 oktober 2006, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit WTZi Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2006, kenmerk MC/MO-2695851; Gelet op de [artikelen 1, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=1), [5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=6), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=7), en [16 van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=16); De Raad van State gehoord (advies van 2 augustus 2006, nummer W13.06.0312/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 september 2006, MC/MO-2714340; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WTZi. Artikel II Een instelling, toegelaten voor verpleging, activerende begeleiding of behandeling, in verband met een psychiatrische aandoening in de zin van het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149), zoals dat luidde onmiddellijk voor de inwerkingtreding van dit artikel, wordt voor de toepassing van [artikel 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=5) aangemerkt als een instelling, toegelaten voor medisch-specialistische zorg in verband met een psychiatrische aandoening. Artikel III Een instelling, toegelaten voor niet-klinische revalidatie, niet-klinische hemodialyse of chronisch intermitterende beademing, wordt voor de toepassing van [artikel 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=5) aangemerkt als een instelling, toegelaten voor medisch-specialistische zorg. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderde"},{"i":9469,"b":"Verdrag inzake de territoriale zee en de aansluitende zone De staten die partij zijn bij dit Verdrag Zijn het volgende overeengekomen: Hoofdstuk I. TERRITORIALE ZEE Afdeling I. Algemeen Artikel 1 1. De soevereiniteit van een staat strekt zich buiten zijn landgebied en zijn binnenwateren uit over een zeestrook grenzende aan zijn kust en omschreven als de territoriale zee. 2. Deze soevereiniteit wordt uitgeoefend met inachtneming van de bepalingen van deze artikelen en van de andere regels van het volkenrecht. Artikel 2 De soevereiniteit van een kuststaat strekt zich uit over het luchtruim boven de territoriale zee en over de bedding en ondergrond van die zee. Afdeling II. Begrenzing van de territoriale zee Artikel 3 Behalve voorzover anders in deze artikelen bepaald, is de normale basislijn vanwaar de breedte van de territoriale zee gemeten wordt de laagwaterlijn langs de kust, zoals die is aangegeven op officieel door de kuststaat erkende, op grote schaal uitgevoerde zeekaarten. Artikel 4 1. Op plaatsen waar de kustlijn diepe uithollingen en insnijdingen vertoont, of indien er een eilandenreeks langs en in de onmiddellijke nabijheid van de kust ligt, kan de methode van rechte basislijnen die daarvoor in aanmerking komende punten verbinden, worden toegepast voor het vaststellen van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten. 2. Aldus getrokken basislijnen mogen niet aanmerkelijk afwijken van de algemene richting van de kust en de binnen die lijnen gelegen zeegebieden moeten voldoende nauw met het landgebied verbonden zijn om onderworpen te zijn aan het regime der binnenwateren. 3. Er mogen geen basislijnen worden getrokken van en naar bij eb droogvallende bodemverheffingen, tenzij er vuurtorens of soortgelijke installaties die duurzaam boven zee uitsteken, op gebouwd zijn. 4. In de gevallen waarin overeenkomstig het bepaalde in lid 1 de methode van de rechte basislijnen kan worden toegepast, kan bij het vaststellen van bepaalde basislijnen"},{"i":9487,"b":"Verdrag inzake duurzame ontwikkeling tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Bhutan The Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the Kingdom of Bhutan; Convinced of the crucial importance of development that meets the needs of the present without compromising the ability of future generations to meet their own needs; Desiring therefore to promote the implementation of the Rio Declaration on Environment and Development and Agenda 21 adopted by the United Nations Conference on Environment and Development held from 3 to 14 June 1992 at Rio de Janeiro; Convinced of the necessity to establish a new and equitable global alliance aiming at the creation of new forms of co-operation between States, between key sectors of society and between individuals; Recognizing the right of each country to strive for higher standards of living for its people; Desiring further to give effect to the Declaration of Intent signed by the representatives of the Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the Kingdom of Bhutan in Rio de Janeiro on 11 June 1992; Realizing the complexity of operationalizing sustainable development in view of differing economic development levels, resource endowments, social and political systems and cultures; Recognizing that development can only be sustainable if it is comprehensive in nature, **i.e.**embraces economic, social, cultural, civil and political as well as religious and ecological aspects; Guided by the precautionary principle, by virtue of which lack of full scientific certainty shall not be used as a reason for postponing efficient measures to prevent or minimize environmental degradation where there are threats of serious or irreversible damage; Considering that States have to co-operate in a spirit of global solidarity to conserve, protect and establish an ecosystem of the Earth, taking into account that they have contributed to a significant extent to the degradation on a global le"},{"i":9502,"b":"Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op erfopvolging De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen betreffende het recht dat van toepassing is op erfopvolging, Hebben besloten hiertoe een Verdrag te sluiten en zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG Artikel 1 1. Dit Verdrag bepaalt welk recht van toepassing is op erfopvolging. 2. Dit Verdrag is niet van toepassing op: - a. de vorm van uiterste wilsbeschikkingen; - b. de bekwaamheid om bij uiterste wil te beschikken; - c. vragen die het huwelijksvermogensregime betreffen; - d. rechten en goederen, in het leven geroepen of overgedragen op andere wijze dan door erfopvolging, zoals aan verschillende personen gemeenschappelijke eigendom welke overgaat op de langstlevende, pensioenregelingen, verzekeringsovereenkomsten of regelingen van soortgelijke aard. Artikel 2 Het Verdrag is van toepassing zelfs als het toepasselijk recht dat van een niet-Verdragsluitende Staat is. HOOFDSTUK II. HET TOEPASSELIJKE RECHT Artikel 3 1. De erfopvolging wordt beheerst door het recht van de Staat waar de overledene zijn gewone verblijfplaats had op het tijdstip van zijn overlijden, indien hij op dat tijdstip de nationaliteit van die Staat bezat. 2. De erfopvolging wordt eveneens beheerst door het recht van de Staat waar de overledene zijn gewone verblijfplaats had op het tijdstip van zijn overlijden, indien hij daar gedurende een tijdvak van ten minste vijfjaren onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden zijn verblijfplaats had. Echter, in uitzonderlijke omstandigheden, indien de overledene op het tijdstip van zijn overlijden kennelijk nauwere banden had met de Staat waarvan hij op dat tijdstip de nationaliteit bezat, is het recht van die Staat van toepassing. 3. Voor het overige wordt de erfopvolging beheerst door het recht van de Staat waarvan de overledene op het tijdstip van zijn overlijden de nationaliteit bezat, tenz"},{"i":6312,"b":"Wet van 5 september 1996 tot gemeentelijke herindeling van Lemelerveld Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling van Lemelerveld te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De grenzen van de gemeenten Dalfsen, Heino, Ommen en Raalte worden gewijzigd als aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 2 1. Ingevolge [artikel 52, tweede lid, onder **b**, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=52) worden tussentijdse raadsverkiezingen gehouden voor de gemeente Dalfsen. 2. Indien de datum van herindeling valt binnen twee jaar voor de datum waarop reguliere verkiezingen voor de leden van de gemeenteraden ingevolge de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) moeten worden gehouden, dan vinden deze verkiezingen niet plaats in de gemeente Dalfsen. 3. De zittingsperiode van de leden van de raad van de gemeente Dalfsen eindigt in de in het tweede lid bedoelde situatie gelijk met de zittingsperiode van de leden van de raden van de overige gemeenten die volgt op de eerste verkiezingen voor de gemeenteraden na de datum van herindeling. Artikel 3 1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen stelt op de wijze als aangegeven in de artikelen 56, tweede lid, en 107a van de Wet op het basisonderwijs de stichtings- en opheffingsnormen voor scholen voor basisonderwijs vast voor de bij deze wet betrokken gemeenten. 2. Indien de raad van een bij deze wet betrokken gemeente binnen drie maanden na de datum van herindeling een besluit neemt tot splitsing van de gemeente, stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vast. Artikel 107b, eerste lid eerste, tweede en vierde vol"},{"i":6487,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 6 december 2013, nr. DSO/OO-326/13, tot wijziging van het Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 1 juli 2013, nr. DSO/OO-201/13, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieplafonds 2014 NFP II, NICHE II en MSP II en wijziging beleidsregels MSP II en NICHE II) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7) en [10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=10); Gelet op de [artikelen 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.4) en [6.5 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.5); Besluiten: Artikel I Wijzigt het Besluit vaststelling subsidieplafond en beleidsregels subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Beleidsregels en subsidieplafond NFP II, MSP II, MSP Syrië programma en NICHE II). Artikel II Vervallen Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5760,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 23 april 2024 nr. VO/37841750, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan scholen voor het deelnemen aan het programma Ontwikkelkracht 2024/2025 (Subsidieregeling Ontwikkelkracht 2024/2025) Gelet op [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71), [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11), [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71), en [artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanbieder:** - a. voor de uitvoering van het onderzoeks- en verbetercultuurtraject: Groeikracht of Transformatieve School; - b. voor de uitvoering van het leertraject: de desbetreffende expertiseschool; - c. voor de uitvoering van het aspirant-traject expertisescholen: programmabureau Ontwikkelkracht; - d. voor de uitvoering van de co-creatielabs: Education Lab Netherlands; - **aspirant-expertisescholen:** vestigingen die deelnemen aan het aspirant-traject expertisescholen, en zo worden opgeleid tot expertiseschool; - **aspirant-traject expertisescholen:** opleidingsprogramma voor aspirant-expertisescholen waarin de vestiging wordt opgeleid tot expertiseschool, waarbinnen expertise van de vestiging wordt vastgesteld en een leertraject wordt ontwikkeld waarmee de school andere scholen kan begeleiden; - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1)"},{"i":7559,"b":"Besluit van 10 november 1998, houdende overgangsrechtelijke bepalingen krachtens hoofdstuk 20 van de Telecommunicatiewet (Besluit overgangsrecht Telecommunicatiewet) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 mei 1998, nr. HDTP/98/1541/MO, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post; Gelet op de [artikelen 20.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.1), [20.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.3), en [20.18 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.18); De Raad van State gehoord (advies van 13 augustus 1998, nr. W09.98.0220); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 3 november 1998, nr. HDTP/98/2584/CG, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950). § 2. Criteria als bedoeld in [artikel 20.1, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.1) Artikel 2 1. Criteria als bedoeld in [artikel 20.1, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=20.1) zijn: - a. het hanteren van dezelfde tarieven in het gehele land voor gelijke vormen van dienstverlening, - b. verkeersvolume, - c. tijdsduur, - d. tijdstip, - e. afstand of - f. contractduur. 2. Na het voor de eerste maal vaststellen van de hoogte van de tarieven kan de hoogte van de tarieven eenmaal per jaar opnieuw worden vastgesteld, uitgaande van de ramingen van het Centraal Planbureau ten aanzien van de ontwikkeling van de consumptieprijs voor de periode waarin de nieuwe tarieven zullen gelden. § 3. Vergunningen met een in de tijd onbeperkte werking Artikel 3 Deze paragraaf is van toepassing op vergunningen als bedoeld in [artikel 20.3, eerste of tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000995"},{"i":5952,"b":"Uitvoering wachtgeldvutgarantie Bij [circulaire](onbekend) van 11 december 1997 informeerde ik u over de uitvoering van de wachtgeldvutmaatregel en de wachtgeldvutgarantie. In aanvulling en ter correctie op die [circulaire](onbekend) bericht ik u het volgende. In genoemde [circulaire](onbekend) is op de pagina’s 7, 8 en 9 aangegeven dat, indien de FPU-uitkering als basis voor de uitvoering van de wachtgeldvutmaatregel en -garantie dient, een aantal met name genoemde verschillen zouden worden gecompenseerd. Die verschillen betreffen: Na het nader overleg dat hierover is gevoerd met de Stichting Pensioenfonds ABP is mij gebleken dat er ten onrechte verschillen zijn geconstateerd tussen de FPU-regeling en de VUT-regeling ten aanzien van de indexering van de berekeningsbasis. Daarnaast blijkt het niet mogelijk te zijn om de anticumulatieregeling uit te voeren zoals die door mij is aangegeven en blijkt er nog een extra verschil te zijn met betrekking tot de inhouding van de pensioenpremie, de pensioenopbouw tijdens VUT en FPU en de overlijdensuitkering. Ad Berekeningsbasis Voor de toepassing van de wachtgeldvutgarantie zal als berekeningsbasis worden gehanteerd: de VUT berekeningsbasis. De VUT-berekeningsbasis is de laatstelijk vastgestelde berekeningsbasis van het wachtgeld (op jaarbasis), waarop de belanghebbende op de dag voorafgaande aan de ingangsdatum van de FPU-uitkering aanspraak had. Ad Indexering Er blijkt geen verschil te zijn tussen de indexering van de berekeningsbasis van de FPU-regeling en de VUT-regeling. In de genoemde [circulaire](onbekend) is daaromtrent aangegeven dat bij de indexering van de VUT regeling de algemene maatregelen in de sector Rijk zullen worden gevolgd. Dit is niet juist, omdat reeds vanaf 1 januari 1996 de VUT-uitkeringen worden geïndexeerd volgens het gewogen gemiddelde van de loonontwikkelingen in de overheidssectoren. Dit is geregeld in artikel 2, vijfde lid, van het Reglement Vrijwillig Vervroegd Uittreden, hetwelk in werking is g"},{"i":4235,"b":"Besluit van de Directeur/bestuurder van het Nederlands fonds voor de Film van 26 oktober 2011, nr. FB 110623, tot vaststelling van de subsidieplafonds voor subsidiëring op grond van het Deelreglement Filmactiviteiten, de Suppletieregeling Filminvesteringen Nederland en het Deelreglement Distributie Gelet op [artikel 7 van het Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030067&artikel=7), [artikel 4 lid 3 van het Deelreglement Filmactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030647&artikel=4), [artikel 23 lid 3 van de Suppletieregeling Filminvesteringen Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022008&artikel=23), en [artikel 23 lid 1 van het Deelreglement Distributie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030071&artikel=23); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel lid 4 van het Deelreglement Filmactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030647&artikel=4) ten behoeve van de meerjarige activiteitensubsidie filmfestival geldt voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016 een jaarlijks subsidieplafond van maximaal € 800.000,– (zegge: achthonderd duizend euro). Artikel 2 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 4 van de Suppletieregeling Filminvesteringen Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022008&artikel=4) geldt voor het kalenderjaar 2012 een subsidieplafond van maximaal € 11.750.000,– (zegge: elf miljoen zevenhonderd en vijftig duizend euro).Dit bedrag is inclusief € 250.000 (zegge: tweehonderd en vijftigduizend euro) aan beheerslasten. Artikel 3 Voor subsidieverlening op grond van [artikel lid 21 het Deelreglement Distributie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030071&artikel=21) ten behoeve van de bioscoopuitbreng buitenlandse arthouse film in Nederland geldt voor het kalenderjaar 2012 een subsidieplafond van maximaal € 300.000 euro (zegge: driehonderd duizend euro). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening va"},{"i":9573,"b":"Verdrag tot oprichting van de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding Preambule Door middel van een Overeenkomst gesloten op 29 november 1924 zijn de Regeringen van Spanje, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië, Luxemburg, Portugal en Tunesië de instelling van een Internationaal Wijnbureau overeengekomen. Bij besluit van zijn lidstaten is op 4 september 1958 de naam van het bureau veranderd in Internationaal Bureau voor Wijnbouw en Wijnbereiding. Deze intergouvernementele organisatie telt per 3 april 2001 vijfenveertig lidstaten. De Algemene Vergadering van het Internationaal Bureau voor Wijnbouw en Wijnbereiding heeft in zijn resolutie COMEX 2/97, genomen tijdens haar zitting van 5 december 1997 te Buenos Aires (Argentinië), besloten, voorzover nodig, over te gaan tot aanpassing van het Internationaal Bureau voor Wijnbouw en Wijnbereiding aan de nieuwe internationale situatie. Dit behelst de aanpassing van zijn taken, zijn personele, materiële en budgettaire middelen en, waar dienstig, zijn procedures en regels met betrekking tot zijn werking, teneinde de nieuwe uitdagingen aan te gaan en de toekomst van de mondiale druiven- en wijnsector veilig te stellen. Met toepassing van artikel 7 van bovengenoemde Overeenkomst heeft de Regering van de Franse Republiek, op verzoek van zesendertig lidstaten, te Parijs een Conferentie van de lidstaten bijeengeroepen op 14, 15 en 22 juni 2000 en op 3 april 2001. De lidstaten van het Internationaal Bureau voor Wijnbouw en Wijnbereiding, hierna te noemen „de Partijen\", zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. DOELSTELLINGEN EN TAKEN Artikel 1 1. Hierbij wordt „de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding\" (OIV) opgericht. De OIV vervangt het Internationaal Bureau voor Wijnbouw en Wijnbereiding ingesteld bij de gewijzigde Overeenkomst van 29 november 1924 en is onderworpen aan de bepalingen van dit Verdrag. 2. De OIV streeft de in artikel 2 genoemde doelstellingen na en oefent de daarin ge"},{"i":9601,"b":"Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen De Lid-Staten, Gelet op de nauwe banden tussen hun volken; In overweging nemende het belang van een versterking van de justitiële samenwerking met het oog op het tot stand brengen van een Europese ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van personen is gewaarborgd overeenkomstig de bepalingen van de [Europese Akte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002951); Overtuigd dat de bestaande vormen van onderlinge internationale samenwerking in strafzaken dienen te worden aangevuld met bepalingen inzake de overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen, in het bijzonder vonnissen waarbij vrijheidsbenemende en geldelijke sancties zijn opgelegd; Zich bewust van de noodzaak om bij de overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen met de belangen van alle daarbij betrokken personen rekening te houden; Indachtig de [Verdragen van de Raad van Europa inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001038), gesloten te 's-Gravenhage op 28 mei 1970, en [inzake de overbrenging van gevonniste personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001039), gesloten te Straatsburg op 21 maart 1983, Zijn als volgt overeengekomen: Voor voorlopige toepassing zie ook Trb. 2009/38. In de verhouding tussen het Koninkrijk der Nederlanden (Nederland) en Duitsland. Artikel 1. Definities 1. Ten behoeve van dit Verdrag betekent: - a. „rechterlijke beslissing”: de onherroepelijke beslissing van een rechter waarbij een straf wordt opgelegd terzake van een strafbaar feit; dit betekent eveneens de oplegging van een geldelijke sanctie door een bestuurlijke autoriteit terzake van een administratief delict of een overtreding, mits de betrokkene de mogelijkheid heeft gehad de zaak aan de rechter voor te leggen; - b. „veroordeling”: de oplegging van een vrijheidsstraf of geldstraf door een rechter of de oplegging"},{"i":9602,"b":"Verdrag tussen de Nederlandse en Duitse Regering nopens krediet en steenkolen De Nederlandsche Regeering en de Duitsche Regeering wenschende regelingen te treffen nopens het verleenen van crediet aan Duitschland en den uitvoer van steenkolen naar Nederland, hebben te dien einde tot hare gevolmachtigden benoemd: DE NEDERLANDSCHE REGEERING: Mr. R. J. H. PATIJN, buitengewoon Gezant en gevolmachtigd Minister, Secretaris-Generaal van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken; C. J. K. VAN AALST, lid van den Raad van Bijstand van de Directie van Economische Zaken van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken; Mr. J. C. A. EVERWIJN, Chef van de Afdeeling Handel van het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel; F. H. FENTENER VAN VLISSINGEN, lid van den Raad van Bijstand van de Directie van Economische Zaken van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken; Jhr. mr. A. M. SNOUCK HURGRONJE, Chef van de Directie van Economische Zaken van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken; Mr. L. J. A. TRIP, Thesaurier-Generaal. DE DUITSCHE REGEERING: S. MOESLE, Onderstaatssecretaris bij het Rijksministerie van Financiën; L. KEMPFF, Gezantschapsraad bij het Ministerie van Buitenlandsche Zaken; FRITZ RECHBERG, Handelsraad; Dr. KREUTER, Geheim Regeeringsraad; Baron VON REISWITZ UND KADERZIN, Gezantschapsraad; Direktor WALLMICHRATH, als gevolmachtigd vertegenwoordiger van den Reichskohlen-Kommissar; die na overlegging hunner in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten, omtrent het navolgende zijn overeengekomen: Artikel 1 Ter beslechting van alle uit dit verdrag voortspruitende geschillen wordt een permanent scheidsgerecht ingesteld, hetwelk zijn zetel heeft in den Haag en aldaar bij voorkomende gevallen bijeenkomt. Het scheidsgerecht kan ook een andere plaats voor zijn bijeenkomst aanwijzen. Het scheidsgerecht bestaat uit vijf scheidsrechters. Binnen vier weken te rekenen vanaf den dag waarop dit verdrag van kracht wordt, benoemt iedere partij twee scheidsrechters, die zich tot de aanva"},{"i":9607,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsraad betreffende militaire oefeningen, trainingen en opleidingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Zwitserse Bondsraad, hun Staten hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen’’, Opnieuw de wens uitsprekend de goede en vriendschappelijke betrekkingen tussen hun onderscheiden strijdkrachten te versterken; Geleid door de wens de militaire samenwerking op het gebied van oefeningen, trainingen en opleidingen verder te ontwikkelen; Geleid door de wens actieve betrekkingen te onderhouden tussen de onderscheiden strijdkrachten van de Verdragsluitende Partijen waarbij zij, voor zover mogelijk, hun ervaring, professionele kennis en trainingsdoctrines zullen uitwisselen tot wederzijds voordeel; De wens uitsprekend de beginselen en procedures vast te leggen voor het doelmatige gebruik van trainingsmiddelen alsmede de voorbereiding en uitvoering van militaire oefeningen, trainingen en opleidingen; Indachtig het feit dat de strijdkrachten van beide Verdragsluitende Partijen de gelegenheid moeten hebben op elkaars grondgebied te trainen en te oefenen; Onder verwijzing naar de bepalingen van het „Verdrag tussen de Staten die Partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag en de overige Staten die deelnemen aan het Partnerschap voor de Vrede nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten’’ (PfP SOFA), en het Aanvullend Protocol daarbij, beide gedaan te Brussel op 19 juni 1995. Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. Ontvangende Staat: de Verdragsluitende Partij op wiens gebied de overeengekomen militaire oefening, training en opleiding plaatsvinden; - b. Zendstaat: de Verdragsluitende Partij die personeel en militaire uitrusting naar de Ontvangende Staat zendt om deel te nemen aan de overeengekomen militaire oefening, training en opleiding; - c. Personeel van de Zendstaat: het personeel dat deel"},{"i":9614,"b":"Verdrag tussen de Staten die Partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag en de overige Staten die deelnemen aan het Partnerschap voor de Vrede nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten De Staten die Partij zijn bij het op 4 april 1949 te Washington tot stand gekomen [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), enerzijds, en de Staten die ingaan op de uitnodiging voor het Partnerschap voor de Vrede, die op 10 januari 1994 is uitgegaan en ondertekend door de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Noordatlantische Verdragsorganisatie, en die het Raamwerkdocument van het Partnerschap voor de Vrede onderschrijven, anderzijds; Tezamen de aan het Partnerschap voor de Vrede deelnemende Staten vormend; Overwegende dat krachtens overeenkomsten krijgsmachten van een Staat die Partij is bij dit Verdrag kunnen worden uitgezonden naar en ontvangen op het grondgebied van een andere Staat die Partij is; Voor ogen houdende dat beslissingen om krijgsmachten uit te zenden en te ontvangen het onderwerp zullen blijven van afzonderlijke overeenkomsten tussen de betrokken Staten die Partij zijn; Verlangende echter de rechtspositie van die krijgsmachten te bepalen, wanneer deze zich bevinden op het grondgebied van een andere Staat die Partij is; In herinnering roepend het [Verdrag tussen de Staten die Partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004785), ondertekend te Londen op 19 juni 1951; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Tenzij in dit Verdrag of in enig aanvullend protocol aangaande de eigen Partijen anders is bepaald, passen alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag de bepalingen van het [Verdrag tussen de Staten die Partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004785), ondertekend te Londen op 19 juni 1951, hierna te noemen het NAVO Status-ver"},{"i":3361,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 9 augustus 2022 nr. BOACAT2022/048, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Omgevingsdienst IJsselland Gelezen het verzoek van de Omgevingsdienst IJsselland van 31 mei 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047054&artikel=2&z=2024-05-15&g=2024-05-15). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Toezichthouder A, Toezichthouder B en Coördinerend toezichthouder A in dienst van Omgevingsdienst IJsselland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, v"},{"i":19510,"b":"Protocol inzake de afschaffing van controles en formaliteiten aan de binnengrenzen van Benelux en inzake de opheffing van de belemmeringen van het vrije verkeer De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Overwegende dat het wenselijk is aan het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie de bevoegdheid te verlenen om voor de drie Regeringen bindende beschikkingen te nemen tot opheffing van maatregelen, welke aan de binnengrenzen van Benelux een hindernis vormen voor het vrije verkeer, alsmede tot coördinatie van de wetgevingen der drie landen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Overeenkomstig [artikel 19 a) van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047&artikel=19), kan het Comité van Ministers beschikkingen nemen met het oog op: - a). de afschaffing van controles en formaliteiten aan de binnengrenzen van Benelux; - b). de coördinatie van de wetgevingen der drie landen, ten einde de belemmeringen, bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047&artikel=6) en [7 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047&artikel=7), weg te nemen. Artikel 2 Dit Protocol vormt een integrerend bestanddeel van het [Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047). Het treedt in werking op de dag van de nederlegging van de derde akte van bekrachtiging bij de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie. TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend. GEDAAN te 's-Gravenhage, op 29 april 1969, in drievoud, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek."},{"i":9674,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Namibië inzake technische samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Namibië; Opnieuw de vriendschappelijke betrekkingen bevestigend die tussen beide Staten en hun volken bestaan; Geleid door de wens de technische samenwerking te bevorderen en hiertoe het noodzakelijke juridische en administratieve kader te scheppen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I 1. Het doel van dit Verdrag is de technische samenwerking te bevorderen en hiertoe het juridische en administratieve kader te scheppen voor projecten inzake technische samenwerking waartoe de bevoegde bestuurlijke autoriteiten van beide Partijen ter uitvoering van dit Verdrag besluiten. 2. Een besluit tot samenwerking als bedoeld in het eerste lid hierboven, de bijdragen aan een project en de wijze waarop dat project wordt uitgevoerd, worden per geval vastgelegd in een projectovereenkomst, te sluiten door de bevoegde autoriteiten van beide Regeringen. Artikel II In verband met een project verbindt de Regering van de Republiek Namibië zich ertoe: - a. het Nederlandse personeel vrij te stellen van alle directe belastingen en andere fiscale heffingen ten aanzien van alle door de Nederlandse Regering aan hen betaalde vergoedingen; - b. het Nederlandse personeel vrij te stellen van invoerrechten en andere fiscale heffingen op nieuwe of gebruikte huishoudelijke artikelen en persoonlijke bezittingen die in Namibië worden ingevoerd binnen zes maanden na de aankomst van de deskundigen - behalve in bijzondere omstandigheden waarin deze termijn kan worden verlengd - op voorwaarde dat deze goederen weer uit Namibië worden uitgevoerd op het tijdstip van vertrek of binnen een termijn waarmee de Regering van de Republiek Namibië instemt, en met dien verstande dat over deze goederen, indien zij worden verkocht aan een persoon die niet soortgelijke voorrechten geniet, invoerrechten zijn verschuldigd; - c. de Nederland"},{"i":17709,"b":"Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Arabische Republiek Egypte Het Koninkrijk der Nederlanden en de Arabische Republiek Egypte, Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid tot stand te brengen, Geleid door de wens de samenwerking tussen de twee staten te regelen ter waarborging van de handhaving van de wetgeving van het ene land in het andere en ter waarborging van een gelijke behandeling van de onderdanen van beide landen, Zijn het volgende overeengekomen: DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; met betrekking tot de Arabische Republiek Egypte, het gehele staatsgebied van de Arabische Republiek Egypte met inbegrip van de binnenwateren, en de territoriale zee en de ondergrond ten aanzien waarvan Egypte haar soevereine rechten en rechtsmacht uitoefent, en de exclusieve economische zone waarin Egypte haar soevereine rechten en rechtsmacht uitoefent, in overeenstemming met haar wetgeving en met de regels en beginselen van het internationale recht; - b. „bevoegde autoriteit\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland; met betrekking tot de Arabische Republiek Egypte, de minister van Verzekering en Sociale Zaken; - c. „bevoegd orgaan\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, ii, iii en iv: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder v, vi en vii: de Sociale verzekeringsbank; betreffende de wetgeving inzake sociale bijstand: de instelling die daartoe is aangewezen door de Nederlandse bevoegde autoriteit; met betr"},{"i":18204,"b":"Besluit vaststelling van de Generieke Selectielijst Defensie (GSD) over de periode vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Gehoord de deskundige als bedoeld in [art. 3, eerste lid, onder d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘**generieke selectielijst voor de archiefbescheiden van het ministerie van defensie vanaf 1945**’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Met de vaststelling van deze selectielijst worden de volgende selectielijsten voor de zorgdrager Minister van Defensie ingetrokken: - •. De Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van het Ministerie van Defensie, vastgesteld bij beschikking van de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk en de Minister van Defensie, nrs. OKN/MA 154.391 en EAO 250.880/2B van 30 december, laatstelijk aangepast 19 december 2005, Staatscourant 2006, nr. 46; - •. De [selectielijst sociale voorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019446), vastgesteld 17-01-2006 (Staatscourant 72 van 11-4-2006); - •. De selectielijst arbeidsvoorzieningsbeleid, vastgesteld 13-01-2005 (Staatscourant 9 van 11-11-2004); - •. De selectielijst overheidspersoneel, deelbeleidsterreinen arbeidsverhoudingen, arbeidsvoorwaarden, formatiebeleid, arbeidsomstandigheden en personeelsinformatievoorzieningen en -administratie, vastgesteld 30 juli 2001 (Staatscourant 2001 nummer 201); - •. De [selectielijst Regionaal Economisch Beleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022560), vastgesteld 21-8-2007 (Staatscourant 193 van 5-10-2007) - •. De [selectielijst Energiebeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018572), vastgesteld 7-7-2005 (Staatscourant 10 van 13-1-2006); - •. De [selectielijst Bekostiging en verzekering gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002"},{"i":18030,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 juli 2009, nr. DDI/ST/reg. 021/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Bewindslieden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1952–1998 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Bewindslieden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1952–1998, pas openbaar met ingang van 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum is het dossier niet openbaar en zijn, op grond van [artikel 15, zevende lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), de regelingen van toepassing inzake het recht op informatie die zouden gelden indien de archiefbescheiden onder vorenbedoelde archiefnummer niet naar het Nationaal Archief waren overgebracht. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 210 | 2068 | 2. Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Bewindslieden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1952–1998, pas openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 198 | 2018 | | 205 | 2023 | | 213 | 2020 | | 214 | 2023 | | 219 | 2021 | | 220 | 2022 | | 224 | 2023 | | 227–228 | 2023 | | 229 | 2022 | | 230–232 | 2023 | | 235 | 2023 | | 241 | 2019 | | 245–247 | 2023 | | 248 | 2020 | | 250 | 2022 | | 251–253 | 2021 | | 255–258 | 2022 | | 292 | 2020 | | 296 | 2021 | | 300 | 2013 | | 311–312 | 20"},{"i":13573,"b":"Besluit van de Minister van Defensie, houdende instelling van de Marechausseemedaille (Instellingsbesluit Marechausseemedaille) Besluit: Artikel 1 Ingesteld wordt de Marechausseemedaille. Artikel 2 1. De medaille is cirkelvormig met een middellijn van 35 millimeter en vervaardigd van bronskleurig metaal. De voorzijde van de medaille vertoont het westelijk halfrond met een gekroonde granaat met een gesloten vlam oprijzend uit de Atlantische Oceaan. De achterzijde vertoont het Rijkswapen. 2. De medaille is door middel van een ring verbonden aan een moiré lint. Dit lint is 27 millimeter breed. Het lint heeft 7 banen in de kleuren Nassau-blauw, lichtblauw, wit, groen, wit, lichtblauw, en Nassau-blauw in breedtes van respectievelijk 6, 3, 1, 7, 1, 3 en 6 millimeter. Artikel 3 1. De Marechausseemedaille wordt toegekend aan de militair in werkelijke dienst die: - a. tenminste 48 maanden, opgebouwd uit perioden van minimaal 30 aaneengesloten dagen, dienst heeft verricht bij een operationele eenheid van de Koninklijke Marechaussee in het buitenland; - b. tenminste 48 maanden, opgebouwd uit perioden van minimaal 30 aaneengesloten dagen, dienst heeft verricht bij een operationele eenheid van de Koninklijke Marechaussee in Nederland, en bovendien - 1°. tenminste 24 maanden, opgebouwd uit perioden van minimaal 30 aaneengesloten dagen dienst heeft verricht in het buitenland bij een operationele eenheid of bij een in het buitenland gestationeerde internationale operationele eenheid of staf, of - 2°. tenminste 6 maanden dienst heeft verricht bij een eenheid in de Nederlandse Antillen, het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea of het voormalig Koninkrijksdeel Suriname, dan wel ten minste 6 maanden dienst heeft verricht bij een onderdeel van de Koninklijke Landmacht, Koninklijke Marine of van de Koninklijke Luchtmacht, dat in één van de hiervoor genoemde gebieden was ingezet; - c. tenminste 84 maanden, opgebouwd uit perioden van minimaal 30 aaneengesloten dagen, dienst heeft verricht bij"},{"i":17470,"b":"Regeling van de Minister van Justitie tot uitvoering van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](onbekend), en [35, tweede en vierde lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](onbekend); Besluit: Artikel 1 1. Het normbedrag dat geldt voor de bepaling van de hoogte van het voorschot dat in elk kwartaal wordt verstrekt aan door de raad ingeschreven advocaten wordt vastgesteld op € 668,–. 2. Het kwartaalvoorschot bedraagt niet meer dan € 41.700,–. 3. Het kwartaalvoorschot wordt op nihil gesteld, indien minder dan tien toevoegingen zijn afgegeven in de referentieperiode, bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](onbekend). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2005. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tot vaststelling van de normbedragen voor voorschotverlening in 2005 op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3126,"b":"Besluit van 27 januari 2005, houdende nadere regels over de beroepsvereisten voor het beroep advocaat (Besluit beroepsvereisten advocatuur) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 15 december 2004, nr. 5325866/04/6; Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=2), en [62, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=62); De Raad van State gehoord (advies van 6 januari 2005, nr. W03.04.0627/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 20 januari 2005, nr. 5330212/05/6 ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het afsluitend examen, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=2), omvat ten minste de volgende vakken: - a. het privaatrecht, met inbegrip van het burgerlijk procesrecht; - b. het strafrecht, met inbegrip van het strafprocesrecht, en - c. één van de volgende drie vakken: - 1°. staatsrecht; - 2°. bestuursrecht met inbegrip van het administratief procesrecht, of - 3°. belastingrecht. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beroepsvereisten advocatuur. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Artikel 1a 1. Voor de toepassing van [artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=2) wordt met de in dat onderdeel bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht gelijkgesteld de graad Bachelor, verleend op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van de opleiding HBO-Rechten aan een hogeschool als bedoeld in de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682), indien blijkens hierop betrekking hebbende bewijsstukken tevens met goed g"},{"i":4520,"b":"Circulaire Toepassing van staalslak en hoogovenslak(zand) in aanvullingen en ophogingen Aanleiding Aanleiding voor deze circulaire zijn de recentelijk in een aantal situaties waargenomen effecten van de toepassing van staalslak en hoogovenslak(zand) als ophoogmateriaal (bouwstof) op de bodem. Gebleken is dat bij de toepassing van deze bouwstoffen als ophoogmateriaal onvoldoende rekening werd gehouden met de specifieke eigenschappen van deze bouwstoffen. Probleemstelling Bij de toepassing van staalslak in aanvullingen of ophogingen kan een verhoging van de zuurgraad (pH) van oppervlaktewater en van grondwater optreden als gevolg van de uitspoeling van vrije kalk. Ook de directe lozing van drainagewater op oppervlaktewater kan dit effect hebben. De mate waarin een nadelig effect kan optreden is afhankelijk van diverse factoren waaronder de omvang van het werk en de omvang en doorstroming van het aanwezige oppervlaktewater. Deze uitspoeling kan in extreme situaties o.a. leiden tot vissterfte en risico’s voor gezondheid van mensen die met dit water in aanraking komen. Ook bij de toepassing van hoogovenslak(zand) in aanvullingen of ophogingen kan verhoging van de pH van het grondwater en van het oppervlaktewater optreden. De pH-verhoging bij toepassing van hoogovenslak(zand) is dan vooral afkomstig van de hydratatie van bepaalde calciumsilicaten. Opgemerkt zij dat verhoging van de pH wellicht ook zou kunnen optreden bij bijzondere toepassingen van andere bouwstoffen, waaronder cementgebonden materialen in aanvullingen of ophogingen. Tot nu toe zijn bij de gebruikelijke toepassingen van cementgebonden materialen dit soort problemen niet opgetreden. In welke mate dergelijke effecten zouden kunnen optreden hangt van een aantal factoren af, zoals de hoeveelheid toegepast materiaal, de fijnheid van het materiaal, de chemische en minerale samenstelling, de aard en mate van contact met water, en dergelijke. Aangezien soortgelijke effecten bij specifieke, afwijkende toepassingen"},{"i":4109,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2020, kenmerk 1786276-214693-OBP, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmacht aan de programmadirecteur van de programmadirectie COVID-19 Gelet op de [artikelen 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a), [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17) en [artikel 10 van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Voor de duur van het programma COVID-19 heeft de heer ir. P.J.A.L. Munters, programmadirecteur – naast de heer mr. H. van Faassen, programmadirecteur – de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma COVID-19, met inachtneming van de kaders zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923), de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710) en de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 23 november 2020. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4029,"b":"Besluit van 28 februari 1976, ter uitvoering van artikel 29 van de Wet aansprakelijkheid olietankschepen (Stb. 1975, 321) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, gedaan na overleg met Onze Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Financiën, van 30 januari 1976, no. J/S 20383, Directoraat-Generaal van Scheepvaart; Gelet op [artikel 29 van de Wet aansprakelijkheid olietankschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002976&artikel=29) (**Stb.** 1975, 321); De Raad van State gehoord (advies van 11 februari 1976, nr. 9); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, uitgebracht na overleg met Onze Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Financiën, van 24 februari 1976, no. J/S 20.662, Directoraat-Generaal van Scheepvaart; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De geldigheidsduur van een certificaat als bedoeld in [artikel 15 van de Wet aansprakelijkheid olietankschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002976&artikel=15), kan op verzoek van de eigenaar van het schip worden verlengd, doch ten hoogste viermaal achtereenvolgend. Artikel 2 1. Voor de kosten van de aanvraag en de afgifte, waarmerking of verlenging van de geldigheidsduur van een certificaat of een bewijs van financiële zekerheid als bedoeld in de hierna genoemde artikelen is de eigenaar van het schip een vergoeding verschuldigd: - a. [artikel 15 van de Wet aansprakelijkheid olietankschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003234&artikel=15); - b. [artikel 647 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=647). 2. De tarieven ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld. 3. In de regeling, bedoeld in het tweede lid, kan worden bepaald dat de vergoeding van kosten voorafgaand aan de behandeling van de aanvraag en de afgifte, waarmerking of verlenging van de geldigheidsduur van certificaten of bewijs van financiële zekerheid wordt betaa"},{"i":4299,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 november 2020, kenmerk 1776285-213699-OBP, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmacht aan de programmadirecteur van het programma Maatschappelijke Diensttijd, alsmede het regelen van de vervanging van de programmadirecteur bij diens afwezigheid Artikel 1 Voor de duur van het programma Maatschappelijke Diensttijd heeft mr. J.H. de Jager, programmadirecteur Maatschappelijke Diensttijd, de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma. Artikel 2 Voor de duur van het programma Maatschappelijke Diensttijd worden, bij afwezigheid of verhindering van de programmadirecteur, de bevoegdheden genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044353&artikel=1&z=2020-11-20&g=2020-11-20), uitgeoefend door drs. M.C. Siebelt, procesmanager van het programma Maatschappelijke Diensttijd. Artikel 3 Het [besluit van de Secretaris-Generaal van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 februari 2018, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmacht aan de kwartiermaker programma Maatschappelijke Diensttijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040633), wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt ten aanzien van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044353&artikel=1&z=2020-11-20&g=2020-11-20) terug tot en met 1 augustus 2019 en ten aanzien van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044353&artikel=2&z=2020-11-20&g=2020-11-20) terug tot en met 1 november 2020. Gelet op de [artikelen 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a), [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.n"},{"i":2766,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2012 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984. Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2012, doch niet later dan 15 juli 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,655 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2012 en eindigende met 15 juli 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, t"},{"i":4521,"b":"Circulaire uitvoering en handhaving Asbest-verwijderingsbesluit Aan: – de colleges van burgemeester en wethouders – de besturen van de gemeentelijke samenwerkingsverbanden – de regionale inspecteurs voor de milieuhygiëne – de regionale inspecteurs voor de volkshuisvesting – de commandanten van de regionale corpsen van politie – de regiodirecteuren van de inspectiedienst SZW – de directeur van het stafbureau openbaar ministerie Hierbij doe ik u recente informatie over de uitvoering en handhaving van het [Asbest-verwijderingsbesluit](onbekend) en de daarmee in overeenstemming gebrachte voorschriften van de bouwverordening toekomen. Deze informatie betreft de plicht om vanaf 1 maart 1996 het verwijderen van asbest in de meeste gevallen op te dragen aan een asbestverwijderingsbedrijf dat in het bezit is van een KOMO-procescertificaat voor het verwijderen van asbest (paragraaf 1) en overige informatie (paragraaf 2). Ik verzoek u, voor zover van toepassing, de inhoud van deze circulaire bekend te maken aan een ieder die binnen uw organisatie belast is met een taak op het gebied van de asbestregelgeving zoals medewerkers van de afdelingen of diensten Bouw- en Woningtoezicht, Gemeentewerken, Milieuzaken, Juridische Zaken en Voorlichting. 1. Plicht tot opdragen asbestverwijdering aan asbestverwijderingsbedrijf dat beschikt over KOMO-procescertificaat voor verwijderen van asbest Op grond van het [Asbest-verwijderingsbesluit](onbekend) (Stb. 1993, 290), de daarmee in overeenstemming gebrachte voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening en de [Regeling merkteken asbestverwijdering](onbekend)(Stcrt. 1994, 164) geldt vanaf 1 maart 1996 de verplichting de sloop van asbest uit bouwwerken en het uit elkaar nemen van asbesthoudende objecten op te dragen aan een asbestverwijderingsbedrijf dat in het bezit is van een geldig KOMO-procescertificaat voor het verwijderen van asbest. Een object is een apparaat, transportmiddel, constructie of installatie, niet zijnde een bouwwerk in"},{"i":3999,"b":"Besluit van 24 augustus 2016, houdende regels voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (Besluit slachtoffers van strafbare feiten) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 6 juni 2016, nr. 768965, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 51aa, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51aa), [51ab, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51ab) en [51h, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51h); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 juli 2016, nr. W03.16.0144/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 12 augustus 2016, nr. 791601; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); - b. **slachtoffer:** de persoon als bedoeld in [artikel 51a, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a); - c. **familieleden:** de personen als bedoeld in [artikel 51a, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a); - d. **de opsporingsambtenaar:** een ambtenaar als bedoeld in [artikel 141 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141); - e. **slachtofferhulporganisatie:** een rechtspersoon die is belast met uitvoering van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038468&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2022-07-01&g=2022-07-01) genoemde taken; - f. **gespecialiseerde hulporganisaties:** instellingen die op een specifiek terrein hulp en voorzieningen aan slachtoffers kunnen bieden. Hoofdstuk 2. Instellingen voor slachtofferhulp Artikel 2 1. Het slachtoffer heeft, rekening houdend met zijn behoeften, voor, tijdens en gedurende een p"},{"i":9767,"b":"Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Overwegend dat elk kind recht heeft op de beschermende maatregelen, van de zijde van zijn familie, de maatschappij en de Staat, die vanwege zijn status van minderjarige noodzakelijk zijn; Opmerkend dat de seksuele uitbuiting van kinderen, met name kinderpornografie en -prostitutie, en alle vormen van seksueel misbruik van kinderen, met inbegrip van in het buitenland verrichte handelingen, zeer schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van kinderen en hun psychosociale ontwikkeling; Opmerkend dat de seksuele uitbuiting en het seksueel misbruik van kinderen zowel op nationaal als internationaal niveau verontrustende proporties hebben aangenomen, met name door het toegenomen gebruik door zowel kinderen als daders van informatie- en communicatietechnologieën (ICT), en dat het voorkomen en bestrijden van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van kinderen internationale samenwerking vereist; Overwegend dat het welzijn en de belangen van kinderen fundamentele waarden zijn die door alle lidstaten worden gedeeld en die dienen te worden bevorderd zonder aanziens des persoons; Herinnerend aan het Actieplan aangenomen tijdens de derde top van staatshoofden en regeringsleiders van de Raad van Europa (Warschau, 16-17 mei 2005) waarin wordt opgeroepen tot het uitwerken van maatregelen om een einde te maken aan de seksuele uitbuiting van kinderen; In het bijzonder herinnerend aan Aanbeveling nr. R (91) 11 van de Raad van Ministers inzake seksuele uitbuiting, pornografie en prostitutie van, en handel in, kinderen en jonge volwassenen, Aanbeveling Rec (2001)16 inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en aan het [Verdrag inzake de be"},{"i":9768,"b":"Verdrag van de Raad van Europa inzake de manipulatie van sportwedstrijden Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere ondertekenaars van dit Verdrag, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Overwegend het Actieplan van de derde top van staatshoofden en regeringsleiders van de Raad van Europa (Warschau, 16-17 mei 2005) waarin wordt aanbevolen de activiteiten van de Raad van Europa voort te zetten die fungeren als referentie op het gebied van sport; Overwegend dat het nodig is een algemeen Europees en mondiaal kader te ontwikkelen voor de ontwikkeling van sport gebaseerd op de begrippen pluralistische democratie, rechtsstaat, mensenrechten en sportethiek; Ervan doordrongen dat elk land en elk type sport ter wereld een mogelijk doelwit kan zijn van de manipulatie van sportwedstrijden en benadrukkend dat dit verschijnsel wereldwijd een bedreiging vormt voor de integriteit van sport en een mondiaal antwoord vergt dat ook dient te worden ondersteund door staten die geen lid zijn van de Raad van Europa; Blijk gevend van hun bezorgdheid over het feit dat er sprake is van criminele activiteiten en in het bijzonder georganiseerde misdaad bij de manipulatie van sportwedstrijden en over het transnationale karakter ervan; Herinnerend aan het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000) (1950, ETS nr. 5) en de protocollen daarbij, de [Europese Overeenkomst inzake gewelddadigheden door en wangedrag van toeschouwers rond sportevenementen en in het bijzonder rond voetbalwedstrijden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002623) (1985, ETS nr. 120), de [Overeenkomst ter bestrijding van doping](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004757) (1989, ETS nr. 135), het [Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001532) (1999, ETS nr. 173) en het [Verd"},{"i":9769,"b":"Verdrag van de Raad van Europa inzake een integrale benadering van veiligheid en gastvrijheid bij voetbalwedstrijden en andere sportevenementen Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die partij zijn bij het [Europees Cultureel Verdrag](onbekend) (ETS nr. 18) die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Zich inzettend voor het recht op fysieke integriteit en de legitieme verwachting van individuen om voetbalwedstrijden en andere sportevenementen bij te kunnen wonen zonder te hoeven vrezen voor geweld, verstoring van de openbare orde of andere criminele activiteiten; Zich ervoor inzettend dat alle burgers voetbalwedstrijden en andere sportwedstrijden als plezierig en gastvrij ervaren, daarbij onderkennend dat het creëren van een gastvrije omgeving ook een belangrijke positieve impact op de veiligheid en beveiliging van dergelijke evenementen kan hebben; Zich bewust van de noodzaak alle belanghebbenden te betrekken bij het bieden van een veilige omgeving bij voetbalwedstrijden en andere sportevenementen; Zich bewust van de noodzaak de rechtsstaat te handhaven in en rondom voetbalstadions en andere sportstadions, op de doorgangsroutes naar en van de stadions en in andere gebieden die door vele duizenden toeschouwers worden bezocht; Erkennend dat de sportwereld en alle instanties en belanghebbenden die betrokken zijn bij de organisatie en het management van een voetbalwedstrijd of ander sportevenement, kernwaarden van de Raad van Europa, zoals sociale cohesie, tolerantie, respect en non-discriminatie, hoog dienen te houden; Erkennend dat er tussen staten verschillen bestaan wat betreft de constitutionele, gerechtelijke, culturele en historische omstandigheden, en de aard en ernst van veiligheids- en beveiligingsproblemen die samenhangen met voetbalwedstrijden en andere sportevenementen; Erkennend de noodzaak volledig rekening te houden met"},{"i":9770,"b":"Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die dit Verdrag hebben ondertekend, In herinnering roepend het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000) (ETS nr. 5, 1950) en de Protocollen daarbij, het [Europees Sociaal Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021) (ETS nr. 35, 1961, herzien in 1996, ETS nr. 163), het [Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004138) (CETS nr. 197, 2005) en het [Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004127) (CETS nr. 201, 2007); In herinnering roepend de volgende aanbevelingen van het Comité van Ministers aan de lidstaten van de Raad van Europa: Aanbeveling Rec(2002)5 inzake de bescherming van vrouwen tegen geweld, Aanbeveling CM/REC(2007)17 inzake normen en mechanismen voor gendergelijkheid, Aanbeveling CM/Rec(2010)10 inzake de rol van vrouwen en mannen bij de voorkoming en oplossing van conflicten en bij vredesopbouw en andere relevante aanbevelingen; Rekening houdend met de groeiende jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin belangrijke normen worden vastgesteld op het gebied van geweld tegen vrouwen; Gelet op het [Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001017) (1966), het [Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001016) (1966), het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002909) (“CEDAW”, 1979) en het [Facultatieve Protocol](https://wetten.overheid.n"},{"i":9771,"b":"Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Overtuigd van de noodzaak een gezamenlijk strafrechtelijk beleid te voeren dat is gericht op de bescherming van de maatschappij; Overwegende dat de bestrijding van de zware criminaliteit, die in toenemende mate een internationaal probleem wordt, het gebruik van moderne en doeltreffende methoden vergt op internationaal niveau; In de mening dat een van die methoden behelst de daders de opbrengsten van misdrijven alsmede hulpmiddelen om strafbare feiten te plegen, af te nemen; Overwegende dat voor de verwezenlijking van dat doel tevens een goed functionerend systeem van internationale samenwerking moet worden opgezet; Indachtig het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven (ETS nr. 141, hierna te noemen „het Verdrag van 1990’’); Tevens in herinnering roepend Resolutie nr. 1373 (2001) betreffende gevaren voor de internationale vrede en veiligheid ten gevolge van terroristische handelingen, op 28 september 2001 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en daarvan in het bijzonder artikel 3, onderdeel d; In herinnering roepend het [Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001518), op 9 december 1999 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, en in het bijzonder de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001518&artikel=2) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001518&artikel=4), waarin de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verplicht worden het financieren van terr"},{"i":9772,"b":"Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme **Warschau, 16-05-2005** De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Erkennend de waarde van het versterken van de samenwerking met de andere Partijen bij dit Verdrag; Geleid door de wens doeltreffende maatregelen te nemen om terrorisme te voorkomen en, in het bijzonder, om het publiekelijk uitlokken van het plegen van terroristische misdrijven en werving en training met een terroristisch oogmerk tegen te gaan; Zich bewust van de gevoelens van grote ongerustheid die veroorzaakt worden door de toename van terroristische misdrijven en de toenemende terroristische dreiging; Zich bewust van de onzekere situatie waarin degenen die onder terrorisme te lijden hebben verkeren, en in dit verband opnieuw hun gevoelens van diepe solidariteit bevestigend met de slachtoffers van terrorisme en hun familie; Erkennend dat terroristische misdrijven en de misdrijven vervat in dit Verdrag, door wie ook gepleegd, onder geen enkele omstandigheid te rechtvaardigen zijn door overwegingen van politieke, filosofische, ideologische, raciale, etnische, religieuze of soortgelijke aard, en herinnerend aan de verplichting van alle Partijen dergelijke misdrijven te voorkomen en, indien zij niet voorkomen worden, te vervolgen en te waarborgen dat er straffen op worden gesteld die rekening houden met de ernst ervan; Herinnerend aan de noodzaak de strijd tegen het terrorisme te versterken en opnieuw bevestigend dat bij alle maatregelen die genomen worden om terroristische misdrijven te voorkomen of te bestrijden de rechtsstaat en democratische waarden, mensenrechten en fundamentele vrijheden alsmede andere bepalingen van het internationaal recht, met inbegrip van, wanneer van toepassing, het internationaal humanitair recht, dienen te worden geëerbiedigd; Erkennend dat met dit Ver"},{"i":9773,"b":"Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van het advocatenberoep Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere ondertekenaars van dit Verdrag, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; In herinnering roepend het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000) (ETS nr. 5, 1950) en de bijbehorende Protocollen en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; Rekening houdend met de basisbeginselen inzake de rol van advocaten, aangenomen door het achtste congres van de Verenigde Naties over de preventie van criminaliteit en de behandeling van daders (Havana, Cuba, 27 augustus-7 september 1990); Rekening houdend met Aanbeveling Rec(2000)21 van het Comité van Ministers aan de lidstaten inzake de vrijheid van uitoefening van het advocatenberoep; Rekening houdend met Resolutie 44/9 over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht, juryleden en beoordelaars, en de onafhankelijkheid van advocaten, aangenomen door de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties op 16 juli 2020; Benadrukkend de fundamentele rol die advocaten en hun beroepsverenigingen spelen bij het handhaven van de rechtsstaat, het waarborgen van de toegang tot de rechter en het waarborgen van de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; Er met grote bezorgdheid nota van nemend dat advocaten steeds vaker het slachtoffer worden van aanvallen, bedreigingen, pesterijen en intimidatie vanwege hun beroepsactiviteiten, alsook van ongepaste belemmeringen of inmenging bij de uitoefening van hun legitieme beroepsactiviteiten; Hun veroordeling uitsprekend over deze aanvallen, bedreigingen, pesterijen, intimidatie en ongepaste belemmeringen of inmenging; Gelet op de verschillende wijzen waarop het beroep van advocaat kan worden georganiseerd in de lidstaten van de Raad van Europa en de an"},{"i":9774,"b":"Verdrag van de Verenigde Naties inzake de overeenkomsten voor het internationaal vervoer van goederen geheel of gedeeltelijk over zee De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Opnieuw hun overtuiging bevestigend dat de internationale handel op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel een belangrijke rol speelt bij het bevorderen van vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten, Ervan overtuigd dat het verder harmoniseren en unificeren van het internationale handelsrecht door het verminderen of wegnemen van juridische belemmeringen voor de internationale handelsstromen, een aanzienlijke bijdrage levert aan universele economische samenwerking tussen alle Staten op basis van gelijkheid, billijkheid en gemeenschappelijk belang en aan het welzijn van alle volkeren, Erkennend de aanzienlijke bijdrage die het Verdrag ter vaststelling van enige eenvormige regelen betreffende het cognossement, ondertekend te Brussel op 25 augustus 1924, en de Protocollen daarbij, en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het vervoer van goederen over zee, ondertekend te Hamburg op 31 maart 1978, hebben geleverd aan de harmonisatie van het recht dat van toepassing is op het vervoer van goederen over zee, Indachtig de technologische en commerciële ontwikkelingen die sinds de aanneming van deze verdragen hebben plaatsgevonden en de noodzaak deze te consolideren en aan de moderne tijd aan te passen, Vaststellend dat afzenders en vervoerders niet beschikken over een bindend universeel regime ter ondersteuning van de uitvoering van zeevervoerovereenkomsten waarbij andere wijzen van vervoer worden gebruikt, Ervan overtuigd dat het aannemen van uniforme regels die van toepassing zijn op overeenkomsten voor het internationale vervoer van goederen geheel of gedeeltelijk over zee, de rechtszekerheid zal bevorderen, de doelmatigheid van het internationale goederenvervoer zal vergroten en voorheen geïsoleerde partijen en markten nieuwe afzetmogelijkheden zal bieden, hetgeen fundamenteel zal bijd"},{"i":9775,"b":"Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Geleid door de wens om in een geest van wederzijds begrip en wederzijdse samenwerking alle problemen met betrekking tot het recht van de zee te regelen, en zich bewust van de historische betekenis van dit Verdrag als een belangrijke bijdrage tot de handhaving van vrede, gerechtigheid en vooruitgang voor alle volkeren van de wereld, Vaststellend dat de ontwikkelingen, die zich hebben voorgedaan sinds de Conferenties van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, gehouden te Genève in 1958 en 1960, de noodzaak hebben beklemtoond van de totstandkoming van een nieuw en algemeen aanvaardbaar Verdrag inzake het recht van de zee, Zich ervan bewust dat de problemen van de oceanen nauw met elkaar zijn verbonden en als een geheel dienen te worden beschouwd, Erkennend dat het wenselijk is om door middel van dit Verdrag, met inachtneming van de soevereiniteit van alle staten, een rechtsorde voor de zeeën en oceanen in te stellen, die de internationale verbindingen vergemakkelijkt en het vreedzame gebruik van de zeeën en oceanen, het rechtvaardige en doelmatige gebruik van de rijkdommen ervan en de instandhouding van de levende rijkdommen ervan alsmede de studie, de bescherming en het behoud van het mariene milieu bevordert, Indachtig het feit dat de verwezenlijking van deze doeleinden zal bijdragen tot de totstandkoning van een billijke en rechtvaardige internationale economische orde die rekening houdt met de belangen en behoeften van de gehele mensheid en in het bijzonder met de specifieke belangen en behoeften van de ontwikkelingslanden, of deze nu aan zee grenzen of door land worden omsloten, Verlangend door middel van dit Verdrag de beginselen nader tot ontwikkeling te brengen die zijn neergelegd in resolutie 2749 (XXV) van 17 december 1970, waarin de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties onder andere plechtig heeft verklaard, dat het gebied van de zee- en oc"},{"i":9776,"b":"Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie Preambule De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Bezorgd over de ernst van de problemen die door corruptie worden veroorzaakt en de bedreiging die zij vormt voor de stabiliteit en veiligheid van samenlevingen, waardoor democratische instituties en waarden, ethische waarden en rechtvaardigheid worden ondermijnd en duurzame ontwikkeling en de rechtsstaat in gevaar worden gebracht, Tevens bezorgd over de banden die bestaan tussen corruptie en andere vormen van misdaad, in het bijzonder de georganiseerde misdaad en economische criminaliteit, met inbegrip van witwaspraktijken, Voorts bezorgd over gevallen van corruptie waarbij zeer grote hoeveelheden activa betrokken zijn, die een aanzienlijk deel van de middelen van Staten kunnen uitmaken, en die een bedreiging vormen voor de politieke stabiliteit en duurzame ontwikkeling van deze Staten, Ervan overtuigd dat corruptie niet langer een lokale aangelegenheid is, maar een grensoverschrijdend verschijnsel dat alle samenlevingen en economieën aantast, waardoor internationale samenwerking van essentieel belang wordt voor het voorkomen en onder controle krijgen ervan, Er voorts van overtuigd dat een brede en multidisciplinaire aanpak vereist is om corruptie op doeltreffende wijze te voorkomen en te bestrijden, Er daarnaast van overtuigd dat de beschikbaarheid van technische bijstand in belangrijke mate kan bijdragen, mede door middel van capaciteitsversterking en de opbouw van instituten, aan het vermogen van Staten corruptie op doeltreffende wijze te voorkomen en te bestrijden, Ervan overtuigd dat ongeoorloofde zelfverrijking buitengewoon schadelijk kan zijn voor democratische instellingen, nationale economieën en de rechtsstaat, Vastbesloten op doeltreffender wijze de overbrenging van op illegale wijze verkregen activa te voorkomen, op te sporen en te beletten en de internationale samenwerking bij het terugkrijgen van activa te versterken, Erkennend de grondbeginselen van ee"},{"i":9777,"b":"Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen De Partijen bij dit Verdrag, Ten zeerste verontrust door de omvang en de groei van de clandestiene produktie van, de vraag naar en de handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, die een ernstige bedreiging vormen voor de gezondheid en het welzijn van mensen en de economische, culturele en politieke fundamenten van de samenleving aantasten, Eveneens ten zeerste verontrust door het feit dat de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen in toenemende mate in verschillende maatschappelijke groepen weet binnen te dringen, en met name door het feit dat kinderen in vele delen van de wereld worden misbruikt als consumenten op de markt van verboden verdovende middelen, en worden gebruikt voor de clandestiene produktie en distributie van en handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, hetgeen een uiterst ernstig gevaar vormt, De verbanden erkennende tussen sluikhandel en andere, verwante, georganiseerde misdadige praktijken die de legale economieën ondermijnen en een bedreiging vormen voor de stabiliteit, de veiligheid en de soevereiniteit van Staten, Tevens erkennende dat sluikhandel een vorm van internationale misdadige activiteit is, de bestrijding waarvan dringende aandacht en de hoogste prioriteit vereist, Zich bewust van het feit dat sluikhandel grote geldelijke voordelen en rijkdom oplevert, waardoor internationale misdadige organisaties in staat worden gesteld bestuurlijke structuren, de legale commerciële en financiële bedrijvigheid en de samenleving op al haar niveaus binnen te dringen, te besmetten en aan te tasten, Vastbesloten personen die betrokken zijn bij sluikhandel de opbrengsten van hun misdadige praktijken te ontnemen en daardoor hun belangrijkste drijfveer voor deze praktijken weg te nemen, Geleid door de wens de grondoorzaken van het probleem van misbruik van verdovende middelen en psychotrope stoffen weg te nemen, waaronde"},{"i":9778,"b":"Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad Artikel 1. Verklaring omtrent het doel Het doel van dit Verdrag is de samenwerking te bevorderen teneinde grensoverschrijdende georganiseerde misdaad te voorkomen en doeltreffender te bestrijden. Artikel 2. Gebruikte termen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „criminele organisatie”: een gestructureerde groep bestaande uit drie of meer personen, die gedurende enige tijd bestaat en gezamenlijk optreedt met het doel een of meer ernstige misdrijven of overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten te plegen teneinde, direct of indirect, een financieel of ander materieel voordeel te verkrijgen; - b. „ernstig misdrijf”: handelingen die een strafbaar feit vormen waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaar of een zwaardere straf staat; - c. „gestructureerde groep”: een groep die niet willekeurig wordt gevormd voor het onmiddellijk plegen van een strafbaar feit en waarbij geen sprake behoeft te zijn van formeel omschreven rollen voor de leden, continuïteit van het lidmaatschap of een ontwikkelde structuur; - d. „goederen”: alle soorten activa, stoffelijk of onstoffelijk, roerend of onroerend, tastbaar of ontastbaar, en rechtsbescheiden waaruit rechten op, of andere belangen bij deze activa blijken; - e. „opbrengsten van misdaad”: alle goederen afkomstig van of verkregen door, direct of indirect, het plegen van een strafbaar feit; - f. „bevriezing” of „inbeslagneming”: het tijdelijk verbieden van de overdracht, omzetting, vervreemding of verplaatsing van goederen of het tijdelijk aanvaarden van het beheer van of zeggenschap over goederen op basis van een door de rechter of andere bevoegde autoriteit afgegeven bevel; - g. „confiscatie” met inbegrip van, indien van toepassing, verbeurdverklaring: permanente inbeslagneming van goederen door een bevel van een rechter of andere bevoegde autoriteit; - h. „gronddelict”: elk strafbaar feit als gevo"},{"i":9779,"b":"Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming in de landen die te kampen hebben met ernstige droogte en/of woestijnvorming, in het bijzonder in Afrika De Partijen bij dit Verdrag, Bevestigend dat mensen in getroffen of bedreigde gebieden in het middelpunt staan van het streven om woestijnvorming te bestrijden en de gevolgen van droogte in te perken, Uiting gevend aan de ernstige bezorgdheid van de internationale gemeenschap, waaronder Staten en internationale organisaties, over de nadelige gevolgen van woestijnvorming en droogte, Zich ervan bewust dat aride, semi-aride en droge subhumide gebieden gezamenlijk een aanmerkelijk deel van het landoppervlak van de Aarde vormen en dat zij het woongebied en de bron van bestaan zijn van een groot gedeelte van haar bevolking, Erkennend dat woestijnvorming en droogte problemen van mondiale omvang zijn, doordat zij alle regio's van de wereld raken, en dat gezamenlijk optreden van de internationale gemeenschap noodzakelijk is om woestijnvorming te bestrijden en/of de gevolgen van droogte in te perken, Nota nemend van het grote aantal ontwikkelingslanden, met name minstontwikkelde landen, onder de landen die te kampen hebben met ernstige droogte en/of woestijnvorming, en de bijzonder tragische gevolgen van deze verschijnselen in Afrika, Tevens nota nemend van het feit dat woestijnvorming wordt veroorzaakt door de complexe wisselwerking tussen fysische, biologische, politieke, sociale, culturele en economische factoren, Gelet op de invloed van de handel en de hiermee verband houdende aspecten van de internationale economische betrekkingen op het vermogen van de getroffen landen om de woestijnvorming adequaat te bestrijden, Beseffend dat duurzame economische groei, sociale ontwikkeling en armoedebestrijding prioriteit hebben in de getroffen ontwikkelingslanden, in het bijzonder in Afrika, en van wezenlijk belang zijn om de doelstellingen van duurzaamheid te verwezenlijken, Indachtig het feit dat woestijnvormin"},{"i":9780,"b":"Verdrag van de Wereld Meteorologische Organisatie Gelet op de noodzaak van duurzame ontwikkeling, terugdringing van het aantal dodelijke slachtoffers en de materiële schade ten gevolge van natuurrampen en andere catastrofale gebeurtenissen die verband houden met weer, klimaat en water, alsmede het veiligstellen van het milieu en het wereldomvattende klimaat voor de huidige en toekomstige generaties, Het belang onderkennend van een geïntegreerd internationaal systeem voor het bestuderen, verzamelen, verwerken en verspreiden van meteorologische, hydrologische en daarmee verband houdende gegevens en producten, Opnieuw het grote belang bevestigend van het doel van nationale meteorologische, hydrometeorologische en hydrologische diensten bij het waarnemen en doorgronden van weer en klimaat en bij het verlenen van meteorologische, hydrologische en daarmee verband houdende diensten ter ondersteuning van relevante nationale behoeften die de volgende terreinen zou moeten omvatten: bescherming van leven, have en goed, bescherming van het milieu, bijdragen aan duurzame ontwikkeling, bevorderen van het doen van langetermijnwaarnemingen en het verzamelen van meteorologische, hydrologische en klimatologische gegevens, met inbegrip van daarmee verband houdende milieugegevens, bevorderen van nationale capaciteitsopbouw, voldoen aan internationale verplichtingen, bijdragen aan internationale samenwerking. Voorts erkennend dat de Leden moeten samenwerken ten behoeve van de coördinatie, standaardisatie en de verbetering en de bevordering van de efficiëntie bij de onderlinge uitwisseling van meteorologische, klimatologische, hydrologische en daarmee verband houdende informatie ter ondersteuning van menselijke activiteiten, Overwegend dat meteorologie het best op internationaal niveau door één verantwoordelijke internationale organisatie kan worden gecoördineerd, Voorts gelet op de behoefte aan nauwe samenwerking met andere internationale organisaties die eveneens actief zijn op het geb"},{"i":9781,"b":"Verdrag van de Westeuropese Unie inzake beveiliging De Hoge Verdragsluitende Partijen, hierna te noemen „de Partijen\", bij het Verdrag van economische, sociale en culturele samenwerking en collectieve zelfverdediging, ondertekend te Brussel op 17 maart 1948, zoals gewijzigd en aangevuld bij het op 23 oktober 1954 te Parijs ondertekende Protocol en bij de andere Protocollen en Bijlagen die een integrerend deel daarvan uitmaken, hierna te noemen „het WEU-Verdrag\"; Gelet op de door de Hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie genomen besluiten betreffende de uitvoering van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de bijbehorende Verklaring betreffende de Westeuropese Unie; Bevestigend dat doeltreffend politiek overleg, technische en industriële samenwerking, samenwerking en operationele planning in het kader van humanitaire taken en vredeshandhavingstaken alsook activiteiten ten behoeve van crisis-beheer de verwezenlijking van de doelstellingen van het WEU-Verdrag en de bovengenoemde Verklaring ten goede komen; Erkennend dat de activiteiten gericht op de verwezenlijking van deze doelstellingen de uitwisseling van gerubriceerde gegevens en gerubriceerd materiaal tussen de Partijen vergen; Erkennend de noodzaak van herziening van de resolutie betreffende beveiliging binnen de Westeuropese Unie, aangenomen door de Raad van de Westeuropese Unie in WEU-document C(90)53 van 21 mei 1990; Handelend voor zichzelf en namens de Westeuropese Unie; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Agreement. DONE at Brussels, this 28th day of March 1995, in a single copy in the English and French languages, each text being equally authoritati"},{"i":4000,"b":"Besluit van 24 november 1997, houdende regelen met betrekking tot de toewijzing van «slots» op communautaire luchtvaartterreinen (Besluit slotallocatie) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 september 1997, nr. DGRLD/JBZ/L. 97.500638, Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst; Gelet op [verordening nr. 95/93](31993R0095) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van «slots» op communautaire luchthavens (**PbEG** L 14) en [artikel 76, eerste lid, onderdeel **c** van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=76); De Raad van State gehoord (advies van 14 november 1997, nr. WO9.97.0621); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 november 1997, nr. DGRLD/JBZ/L97.500865, Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 november 1997 Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - **ATM-capaciteit:** het aantal vliegtuigbewegingen dat de verlener van de luchtverkeersleidingsdiensten kan verwerken en dat betrekking heeft op de luchtzijdige afhandeling van het vliegverkeer; - **coördinatiecomité:** coördinatiecomité als bedoeld in artikel 5 van de verordening; - **coördinatieparameters:** parameters als bedoeld in artikel 6 van de verordening; - **exploitant:** de exploitant van een burgerluchthaven of de burgerexploitant van een militaire luchthaven; - **gecoördineerde luchthaven:** een luchthaven als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van de verordening; - **Onze Minister:** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **verordening:** [verordening nr. 95/93](31993R0095) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van «slots» op communautaire luchthavens (PBEG L 14). 2. Een wijziging van de verordening gaat voor de toepassing van dit"},{"i":9782,"b":"Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen De ondergetekenden, Gevolmachtigden van de Regeringen, vertegenwoordigd op de Diplomatieke Conferentie welke te Genève van 21 April tot 12 Augustus 1949 is bijeengekomen tot herziening van het Verdrag, gesloten te Genève op 27 Juli 1929, betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, zijn het volgende overeengekomen: TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich dit Verdrag onder alle omstandigheden te eerbiedigen en te doen eerbiedigen. Artikel 2 Onverminderd de bepalingen welke reeds in tijd van vrede in werking moeten treden, is dit Verdrag van toepassing ingeval een oorlog is verklaard of bij ieder ander gewapend conflict dat ontstaat tussen twee of meer der Hoge Verdragsluitende Partijen, zelfs indien de oorlogstoestand door één der Partijen niet wordt erkend. Het Verdrag is eveneens van toepassing in alle gevallen van gehele of gedeeltelijke bezetting van het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij, zelfs indien deze bezetting geen gewapende tegenstand ontmoet. Indien één der in conflict zijnde Mogendheden geen partij is bij dit Verdrag, blijven de Mogendheden die wel partij zijn, niettemin in haar onderlinge betrekkingen hierdoor gebonden. Bovendien zullen zij door het Verdrag gebonden zijn ten opzichte van bedoelde Mogendheid, indien deze de bepalingen daarvan aanvaardt en toepast. Artikel 3 In geval van een gewapend conflict op het grondgebied van één der Hoge Verdragsluitende Partijen, hetwelk geen internationaal karakter draagt, is ieder der Partijen bij het conflict gehouden ten minste de volgende bepalingen toe te passen: - 1. Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak, moeten onder alle omstandigheden menslievend worden behandeld, zon"},{"i":9783,"b":"Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd De ondergetekenden, Gevolmachtigden van de Regeringen, vertegenwoordigd op de Diplomatieke Conferentie welke te Genève van 21 April tot 12 Augustus 1949 is bijeengekomen voor het opstellen van een Verdrag voor de bescherming van burgers in oorlogstijd, zijn het volgende overgekomen: TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich dit Verdrag onder alle omstandigheden te eerbiedigen en te doen eerbiedigen. Artikel 2 Onverminderd de bepalingen welke reeds in tijd van vrede in werking moeten treden, is dit Verdrag van toepassing ingeval een oorlog is verklaard of bij ieder ander gewapend conflict dat ontstaat tussen twee of meer der Hoge Verdragsluitende Partijen, zelfs indien de oorlogstoestand door één der Partijen niet wordt erkend. Het Verdrag is eveneens van toepassing in alle gevallen van gehele of gedeeltelijke bezetting van het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij, zelfs indien deze bezetting geen gewapende tegenstand ontmoet. Indien één der in conflict zijnde Mogendheden geen partij is bij dit Verdrag, blijven de Mogendheden die wel partij zijn, niettemin in haar onderlinge betrekkingen hierdoor gebonden. Bovendien zullen zij door het Verdrag gebonden zijn ten opzichte van bedoelde Mogendheid, indien deze de bepalingen daarvan aanvaardt en toepast. Artikel 3 In geval van een gewapend conflict op het grondgebied van één der Hoge Verdragsluitende Partijen, hetwelk geen internationaal karakter draagt, is ieder der Partijen bij het conflict gehouden ten minste de volgende bepalingen toe te passen: - 1. Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak, moeten onder alle omstandigheden menslievend worden behandeld, zonder enig voor hen nadelig onder"},{"i":9784,"b":"Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde De ondergetekenden, Gevolmachtigden van de Regeringen, vertegenwoordigd op de Diplomatieke Conferentie welke te Genève van 21 April tot 12 Augustus 1949 is bijeengekomen tot herziening van het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de legers te velde, van 27 Juli 1929, zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen Artikel 1 De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich dit Verdrag onder alle omstandigheden te eerbiedigen en te doen eerbiedigen. Artikel 2 Onverminderd de bepalingen welke reeds in tijd van vrede in werking moeten treden, is dit Verdrag van toepassing ingeval een oorlog is verklaard of bij ieder ander gewapend conflict dat ontstaat tussen twee of meer der Hoge Verdragsluitende Partijen, zelfs indien de oorlogstoestand door één der Partijen niet wordt erkend. Het Verdrag is eveneens van toepassing in alle gevallen van gehele of gedeeltelijke bezetting van het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij, zelfs indien deze bezetting geen gewapende tegenstand ontmoet. Indien één der in conflict zijnde Mogendheden geen partij is bij dit Verdrag, blijven de Mogendheden die wel partij zijn, niettemin in haar onderlinge betrekkingen hierdoor gebonden. Bovendien zullen zij door het Verdrag gebonden zijn ten opzichte van bedoelde Mogendheid, indien deze de bepalingen daarvan aanvaardt en toepast. Artikel 3 In geval van een gewapend conflict op het grondgebied van één der Hoge Verdragsluitende Partijen, hetwelk geen internationaal karakter draagt, is ieder der Partijen bij het conflict gehouden ten minste de volgende bepalingen toe te passen: - 1. Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevange"},{"i":9785,"b":"Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee De ondergetekenden, Gevolmachtigden van de Regeringen, vertegenwoordigd op de Diplomatieke Conferentie welke te Genève van 21 April tot 12 Augustus 1949 is bijeengekomen tot herziening van het Tiende Haagse Verdrag van 18 October 1907 voor de toepassing op den zeeoorlog der beginselen van het Verdrag van Genève van 1906, zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen Artikel 1 De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich dit Verdrag onder alle omstandigheden te eerbiedigen en te doen eerbiedigen. Artikel 2 Onverminderd de bepalingen welke reeds in tijd van vrede in werking moeten treden, is dit Verdrag van toepassing ingeval een oorlog is verklaard of bij ieder ander gewapend conflict dat ontstaat tussen twee of meer der Hoge Verdragsluitende Partijen, zelfs indien de oorlogstoestand door één der Partijen niet wordt erkend. Het Verdrag is eveneens van toepassing in alle gevallen van gehele of gedeeltelijke bezetting van het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij, zelfs indien deze bezetting geen gewapende tegenstand ontmoet. Indien één der in conflict zijnde Mogendheden geen partij is bij dit Verdrag, blijven de Mogendheden die wel partij zijn, niettemin in haar onderlinge betrekkingen hierdoor gebonden. Bovendien zullen zij door het Verdrag gebonden zijn ten opzichte van bedoelde Mogendheid, indien deze de bepalingen daarvan aanvaardt en toepast. Artikel 3 In geval van een gewapend conflict op het grondgebied van één der Hoge Verdragsluitende Partijen, hetwelk geen internationaal karakter draagt, is ieder der Partijen bij het conflict gehouden ten minste de volgende bepalingen toe te passen: - 1. Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangens"},{"i":9786,"b":"Verdrag van Ljubljana-Den Haag inzake internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en andere internationale misdrijven Preambule De staten die partij zijn bij dit Verdrag, In herinnering brengend dat de internationale misdrijven waarop dit Verdrag van toepassing is, behoren tot de ernstigste misdrijven die de gehele internationale gemeenschap met zorg vervullen, Benadrukkend dat de strijd tegen straffeloosheid van deze misdrijven essentieel is voor vrede, stabiliteit, rechtvaardigheid en de rechtstaat, Onderstrepend dat staten primair verantwoordelijk zijn voor het onderzoeken van de internationale misdrijven waarop dit Verdrag van toepassing is en het vervolgen van de verdachten van de misdrijven in kwestie en dat zij daartoe alle noodzakelijke wetgevende en uitvoerende maatregelen dienen te treffen, hun bereidheid bevestigend de omstandigheden te bevorderen die staten in staat stellen deze primaire verantwoordelijkheid volledig op zich te nemen, Strevend naar de ontwikkeling van het internationaal recht ter bestrijding van straffeloosheid van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en andere internationale misdrijven, Opnieuw bevestigend de rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden van staten op grond van het internationaal recht, met inbegrip van het internationaal humanitair recht, het internationaal mensenrechtenrecht en het internationaal vluchtelingenrecht en het daarin vervatte beginsel van non-refoulement, Erkennend de rechten van slachtoffers, getuigen en andere personen in relatie tot de internationale misdrijven waarop dit Verdrag van toepassing is, de cruciale rol die zij vervullen in de rechtspleging en de noodzaak hun fysiek en geestelijk welzijn te beschermen en een op overlevenden gerichte aanpak te hanteren alsmede toegang tot rechtsbescherming en genoegdoening, waaronder door middel van herstelrecht waar nodig, Tevens erkennend het recht"},{"i":9787,"b":"Verdrag van Minamata inzake kwik De partijen bij dit Verdrag, Erkennend dat kwik een chemische stof is die mondiaal reden geeft tot bezorgdheid vanwege de verspreiding ervan over lange afstand in de atmosfeer, persistente aanwezigheid ervan in het milieu na de antropogene introductie, de mogelijkheid tot bioaccumulatie ervan in ecosystemen en de aanzienlijke schadelijke gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid en het milieu, Herinnerend aan besluit 25/5 van 20 februari 2009 van de Beheerraad van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties om de aanzet te geven tot internationale actie om kwik op efficiënte, effectieve en samenhangende wijze te beheren, Herinnerend aan paragraaf 221 van het slotdocument „The future we want” van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling waarin werd opgeroepen tot succesvolle afronding van de onderhandelingen over een mondiaal, juridisch bindend instrument inzake kwik teneinde de gevaren voor de menselijke gezondheid en het milieu aan te pakken, Herinnerend aan de herbevestiging door de Conferentie van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling van de beginselen van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling, met inbegrip van onder meer gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden, en erkennend de onderscheiden omstandigheden en mogelijkheden van staten en de noodzaak van wereldwijde actie, Zich bewust van de gezondheidsproblemen, in het bijzonder in ontwikkelingslanden, als gevolg van de blootstelling aan kwik van kwetsbare bevolkingsgroepen, met name vrouwen, kinderen, en, via hen, toekomstige generaties, Gelet op de bijzondere kwetsbaarheid van arctische ecosystemen en inheemse gemeenschappen vanwege de biomagnificatie van kwik en de verontreiniging van traditioneel voedsel en bezorgd zijnde over de inheemse gemeenschappen meer in het algemeen vanwege de gevolgen van kwik, Erkennend gezien de belangrijke lessen van de Minamataziekte, met name de ernstige gezondheids- en"},{"i":9788,"b":"Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel De Verdragsluitende Partijen, Zich bewust van de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel, Wijzende op de ter zake geldende bepalingen van de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling en van Hoofdstuk 19 van Agenda 21 betreffende „Milieuverantwoord beheer van toxische stoffen, met inbegrip van de voorkoming van internationale handel in toxische en gevaarlijke producten”, Indachtig de werkzaamheden van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) met betrekking tot de procedure van „Voorafgaande Geïnformeerde Toestemming” op vrijwillige basis, als bepaald in de gewijzigde „Richtlijnen van Londen voor de uitwisseling van gegevens over chemische stoffen in de internationale handel van de UNEP” (hierna „Gewijzigde Richtlijnen van Londen” genoemd) en de „Internationale Gedragscode voor de distributie en het gebruik van pesticiden” van de FAO (hierna „Internationale Gedragscode” genoemd), Rekening houdende met de omstandigheden en specifieke behoeften van de ontwikkelingslanden en de landen met een overgangseconomie, en met name met de noodzaak de nationale deskundigheid en capaciteit op het gebied van het beheer van chemische stoffen, met inbegrip van de overdracht van technologie, te vergroten door financiële en technische bijstand te verlenen en de samenwerking tussen de Partijen te bevorderen, Vaststellende dat in bepaalde landen een specifieke behoefte aan informatie over grensoverschrijdend vervoer bestaat, Erkennende dat de toepassing van goede praktijken voor het beheer van chemische stoffen in alle landen moet worden aangemoedigd, waarbij, onder meer, rekening moet worden g"},{"i":9789,"b":"Verdrag van Singapore inzake het merkenrecht Artikel 1. Verkorte uitdrukkingen Tenzij uitdrukkelijk anders vermeld, wordt voor de toepassing van dit Verdrag verstaan onder: - i. „Bureau”: de instelling die door een Verdragsluitende Partij is belast met de inschrijving van merken; - ii. „inschrijving”: de inschrijving van een merk door een bureau; - iii. „aanvrage”: een aanvrage ten behoeve van inschrijving; - iv. „bericht”: elke aanvrage of elk verzoek, elke verklaring, correspondentie of andere informatie met betrekking tot een aanvrage of inschrijving, dat of die is ingediend bij het Bureau; - v. verwijzingen naar een „persoon” worden zowel beschouwd als een natuurlijke persoon als een rechtspersoon; - vi. „rechthebbende”: de persoon die blijkens het merkenregister rechthebbende op de inschrijving is; - vii. „merkenregister”: de verzameling gegevens, bijgehouden door een Bureau, die de inhoud van alle inschrijvingen en alle met betrekking tot alle inschrijvingen geregistreerde gegevens bevat, ongeacht de informatiedrager waarin deze gegevens zijn opgeslagen; - viii. „procedure voor het bureau”: elke procedure voor het bureau met betrekking tot een aanvrage of inschrijving; - ix. „Verdrag van Parijs”: het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, ondertekend te Parijs op 20 maart 1883, zoals herzien en gewijzigd; - x. „Classificatie van Nice”: de classificatie vastgesteld bij de Overeenkomst van Nice betreffende de internationale classificatie van waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, ondertekend te Nice op 15 juni 1957, zoals herzien en gewijzigd; - xi. „licentie”: een licentie voor het gebruik van een merk krachtens het recht van een Verdragsluitende Partij; - xii. „licentiehouder”: de persoon aan wie een licentie is verleend; - xiii. „Verdragsluitende Partij”: een Staat of intergouvernementele organisatie die Partij is bij dit Verdrag; - xiv. „Diplomatieke Conferentie”: de bijeenroeping van de Verdragsluitende Partij"},{"i":9790,"b":"Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen De Partijen bij dit Verdrag, Erkennend dat persistente organische verontreinigende stoffen toxische eigenschappen bezitten, ongevoelig zijn voor degradatie, bioaccumuleren en door de lucht, via water en door migrerende diersoorten worden meegevoerd over internationale grenzen en ver van hun plaats van oorsprong neerslaan, waar zij accumuleren in ecosystemen op het land en in het water, Zich bewust van de zorgen op het gebied van de volksgezondheid, in het bijzonder in ontwikkelingslanden, als gevolg van de lokale blootstelling aan persistente verontreinigende stoffen, en met name de gevolgen voor vrouwen en via hen, voor de toekomstige generaties, Erkennend dat de arctische ecosystemen en inheemse gemeenschappen bijzonder bedreigd worden als gevolg van de biomagnificatie van persistente organische verontreinigende stoffen en dat de besmetting van hun traditionele voedsel de volksgezondheid raakt, Zich bewust van de behoefte aan mondiale maatregelen op het gebied van persistente organische verontreinigende stoffen, Indachtig besluit 19/13 C van 7 februari 1997 van de Beheerraad van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) voor het initiëren van internationale activiteiten ter bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu, in de vorm van maatregelen ter vermindering en/of beëindiging van emissies en vrijkomingen van persistente organische verontreinigende stoffen, In herinnering roepend de van toepassing zijnde bepalingen van de relevante internationale milieuverdragen, met name het [Verdrag van Rotterdam inzake voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001432), en het [Verdrag van Bazel inzake de beheersing van grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV00020"},{"i":9791,"b":"Verdrag van Straatsburg inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI) De Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat, Erkennende het nut van een harmonisering van het recht inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart, in het bijzonder op de Rijn en de Moezel, Hebben besloten te dien einde een Verdrag ter zake te sluiten en zijn derhalve het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Het recht op beperking Artikel 1. Personen die gerechtigd zijn hun aansprakelijkheid te beperken Vervallen Artikel 2. Vorderingen vatbaar voor beperking Vervallen Artikel 3. Vorderingen uitgezonderd van beperking Vervallen Artikel 4. Gedragingen die de beperking opheffen Vervallen Artikel 5. Verrekening van vorderingen Vervallen HOOFDSTUK II. Aansprakelijkheidsgrenzen Artikel 6. Algemene grenzen Vervallen Artikel 7. Grenzen voor vorderingen van passagiers Vervallen Artikel 8. Rekeneenheid Vervallen Artikel 9. Samenloop van vorderingen Vervallen Artikel 10. Beperking van aansprakelijkheid zonder vorming van een beperkingsfonds Vervallen HOOFDSTUK III. Het Beperkingsfonds Artikel 11. Vorming van het fonds Vervallen Artikel 12. Verdeling van het fonds Vervallen Artikel 13. Gronden voor niet-ontvankelijkheid Vervallen Artikel 14. De toepasselijke wet Vervallen HOOFDSTUK IV. Toepassingsgebied Artikel 15 Vervallen HOOFDSTUK V. Slotbepalingen Artikel 16. Ondertekening, bekrachtiging en toetreding Vervallen Artikel 17. Inwerkingtreding Vervallen Artikel 18. Voorbehouden Vervallen Artikel 19. Opzegging Vervallen Artikel 20. Wijziging van de aansprakelijkheidsgrenzen Vervallen Artikel 21. Depositaris Vervallen Artikel 22. Talen Vervallen TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, na overlegging van hun volmachten, deze Overeenkomst hebben ondertekend. GEDAAN te Straatsburg, de 4 november 1988 HOOFDSTUK I. Het recht op beperking HOOFDSTUK II. Aansprakelijkheidsg"},{"i":9794,"b":"Verdrag van vriendschap tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije Nederland, eenerzijds en Turkije, anderzijds, bezield met het verlangen de banden van oprechte vriendschap tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en de Turksche Republiek te vestigen en te verstekken en gelijkelijk doordrongen van dezelfde overtuiging, dat wanneer de betrekkingen tusschen de beide Staten eenmaal zijn gevestigd, deze ten goede zullen komen aan den voorspoed en het welzijn van hunne wederzijdsche volken, hebben besloten een Verdrag van Vriendschap te sluiten en hebben te dien einde benoemd tot hunne gevolmachtigden: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Baron VAN WELDEREN RENGERS, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; en de President van de Turksche Republiek: Zijne Excellentie TEWFIK KIAMIL Bey, Onder-Staatssecretaris aan het Ministerie van Buitenlandsche Zaken, die, na elkander hunne volmachten te hebben medegedeeld, die in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, tot overeenstemming zijn gekomen over de volgende bepalingen: Artikel 1 Er zal zijn onschendbare vrede en oprechte en voortdurende vriendschap tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en de Turksche Republiek. Artikel 2 Er bestaat overeenstemming tusschen de Hooge Verdragsluitende Partijen om de diplomatieke betrekkingen tusschen de beide Staten te vestigen overeenkomstig de beginselen van bet volkenrecht. Zij komen overeen, dat de diplomatieke vertegenwoordigers van elk harer, onder verplichting van wederkeerigheid, op het gebied van den ander de behandeling zullen ontvangen, vastgelegd door de algemeene beginselen van het algemeen internationaal publiek recht. Artikel 3 Er bestaat overeenstemming tusschen de Hooge Verdragsluitende Partijen om de consulaire- en handelsbetrekkingen tusschen hare wederzijdsche landen, evenals de voorwaarden van vestiging en verblijf op het gebied van elk harer van onderdanen van de andere par"},{"i":9795,"b":"Verdrag van vriendschap tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Afghanistan Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden enerzijds en Zijne Majesteit de Koning van Afghanistan anderzijds, gelijkelijk geleid door de wens, de betrekkingen van vriendschap tussen de beide Staten nauwer aan te halen, hebben besloten, een verdrag van vriendschap te sluiten en hebben te dien einde tot Hunne gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Dr. PHILIP CHRISTIAAN VISSER, Hoogstderzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te Ankara; Zijne Majesteit de Koning van Afghanistan: Zijne Excellentie FAIZ MOHAMED KHAN, Hoogstdeszelfs Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te Ankara, welke, na elkander mededeling te hebben gedaan van hun volmachten, welke in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, over de volgende bepalingen tot overeenstemming zijn gekomen: Artikel 1 Er zal onschendbare vrede en oprechte en bestendige vriendschap bestaan tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Afghanistan alsmede tussen de onderdanen der beide Staten. Artikel 2 De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen wederkerig het recht hebben, behoorlijk geaccrediteerd diplomatieke vertegenwoordigers uit te zenden welke, op voorwaarde van wederkerigheid, in het land hunner vestiging de behandeling zullen genieten erkend door de beginselen en de praktijk van het algemene internationale recht. Artikel 3 De Hoge Verdragsluitende Partijen zijn overeengekomen de handelsbetrekkingen tussen de beide landen zoveel mogelijk te bevorderen en zullen een onderzoek instellen naar de wijze, waarop deze betrekkingen nader zouden kunnen worden geregeld. Artikel 4 Dit verdrag zal worden bekrachtigd en de bekrachtigingsoorkonden zullen zo spoedig mogelijk te Ankara worden uitgewisseld. En foi de quoi les Plénipotentiaires respectifs ont signé le présent Traité et y ont opposé leurs sceaux. Fait en double exemplaire à Istanboul, le 26 juillet 1939 le"},{"i":9796,"b":"Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, In herinnering brengend dat van oudsher consulaire betrekkingen tussen de volkeren hebben bestaan, Indachtig de doelstellingen en beginselen van het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) betreffende de soevereine gelijkheid der Staten, de handhaving der internationale vrede en veiligheid, alsmede de bevordering van vriendschappelijke betrekkingen tussen de volkeren, Overwegende dat de Conferentie der Verenigde Naties inzake diplomatiek verkeer en diplomatieke immuniteiten het [Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004345), hetwelk op 18 april 1961 voor ondertekening is opengesteld, heeft aanvaard, In de overtuiging dat een internationaal verdrag inzake consulaire betrekkingen, voorrechten en immuniteiten eveneens een bijdrage zou betekenen tot de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen tussen de volkeren, ongeacht de verschillen in hun constitutionele en maatschappelijke stelsels, Overtuigd dat het doel van deze voorrechten en immuniteiten niet is personen te bevoorrechten, maar te verzekeren dat de consulaire posten ten behoeve van hun onderscheiden Staten doelmatig functioneren, Bevestigend dat de regels van het internationale gewoonterecht van toepassing blijven op aangelegenheden die door de Bepalingen van dit Verdrag niet uitdrukkelijk worden geregeld, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. In dit Verdrag hebben de navolgende uitdrukkingen de hieronder aangegeven betekenissen: - (a). „consulaire post”, elk consulaat-generaal, consulaat, vice-consulaat of consulair agentschap; - (b). „consulair ressort”, het gebied dat is toegewezen aan een consulaire post ter uitoefening van de consulaire werkzaamheden; - (c). „hoofd van een consulaire post”, de persoon die belast is met de taak om in die hoedanigheid op te treden; - (d). „consulair ambtenaar”,"},{"i":9797,"b":"Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht tussen Staten en internationale organisaties of tussen internationale organisaties De Partijen bij dit Verdrag, In overweging nemend de fundamentele rol van verdragen in de geschiedenis van de internationale betrekkingen, Zich bewust van het consensuele karakter en van het steeds toenemend belang van verdragen als bron van volkenrecht, Vaststellend dat de beginselen van vrijwillige instemming en van goede trouw en de regel **pacta sunt servanda** algemeen erkend worden, Bevestigend dat het van belang is het proces te versterken van codificatie en geleidelijke ontwikkeling van het volkenrecht op universeel niveau, Van oordeel zijnde dat de codificatie en de geleidelijke ontwikkeling van de regels verband houdende met verdragen tussen Staten en internationale organisaties of tussen internationale organisaties middelen vormen om de rechtsorde in de internationale betrekkingen te bestendigen en de doelstellingen van de Verenigde Naties te dienen, Indachtig de beginselen van het volkenrecht, neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties, als daar zijn de beginselen van de gelijkgerechtigdheid der volken en hun recht op zelfbeschikking, de soevereine gelijkheid en de onafhankelijkheid van alle Staten, het zich niet mengen in binnenlandse aangelegenheden van Staten, het verbod van het dreigen met of het gebruik maken van geweld en de universele en daadwerkelijke eerbied voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden voor allen, In gedachten hebbend de bepalingen van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 1969, Erkennende de betrekkingen tussen het verdragenrecht tussen Staten en het verdragenrecht tussen Staten en internationale organisaties, dan wel tussen internationale organisaties, Overwegende het belang van verdragen tussen Staten en internationale organisaties of tussen internationale organisaties als nuttig middel voor het ontwikkelen van internationale betrekkingen en voor het waarborgen van voorw"},{"i":9798,"b":"Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, In overweging nemend de fundamentele rol van verdragen in de geschiedenis van de internationale betrekkingen, Zich bewust van het steeds toenemend belang van verdragen als bron van volkenrecht en als middel ter ontwikkeling van de vreedzame samenwerking tussen de naties, ongeacht hun constitutionele en sociale stelsels, Vaststellend dat de beginselen van vrijwillige instemming en van goede trouw en de regel **pacta sunt servanda** algemeen erkend worden, Bevestigend dat geschillen betreffende verdragen, evenals andere internationale geschillen, dienen te worden geregeld langs vreedzame weg en overeenkomstig de beginselen van gerechtigheid en het volkenrecht, Herinnerend aan de vastbeslotenheid van de volken van de Verenigde Naties tot het scheppen van de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor het handhaven van de gerechtigheid en de eerbiediging van de uit verdragen voortvloeiende verplichtingen, Indachtig de beginselen van het volkenrecht, neergelegd in het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), als daar zijn de beginselen van de gelijkgerechtigdheid der volken en hun recht op zelfbeschikking, de soevereine gelijkheid en de onafhankelijkheid van alle Staten, het zich niet mengen in binnenlandse aangelegenheden van Staten, het verbod van het dreigen met of het gebruikmaken van geweld en de universele en daadwerkelijke eerbied voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden voor allen, Van oordeel zijnde dat de codificatie en de geleidelijke ontwikkeling van het in dit Verdrag neergelegde verdragenrecht de in het [Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) omschreven doelstellingen van de Verenigde Naties zullen bevorderen, te weten: het handhaven van de internationale vrede en veiligheid, het ontwikkelen van vriendschappelijke betrekkingen tussen de naties en de verwezenlijking van de internationale samenwerking,"},{"i":9792,"b":"Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012) De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, de wenselijkheid erkennende om in gemeen overleg enige eenvormige regels vast te stellen betreffende de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart voor alle binnenwateren, overwegende dat modernisering van het [Verdrag van Straatsburg van 1988 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002922) wenselijk is, zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. HET RECHT OP BEPERKING Artikel 1. Personen die gerechtigd zijn hun aansprakelijkheid te beperken; begripsbepalingen 1. Scheepseigenaren en hulpverleners, zoals hierna omschreven, kunnen hun aansprakelijkheid beperken voor de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006133&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2025-03-01&g=2025-03-01) genoemde vorderingen overeenkomstig de regels van dit Verdrag. 2. De uitdrukking: - a). „scheepseigenaar” betekent de eigenaar, huurder, of bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, alsmede de exploitant van een schip; - b). „schip” betekent een voor de bedrijfsmatige scheepvaart gebruikt binnenschip en omvat mede voor de bedrijfsmatige scheepvaart gebruikte draagvleugelboten, kleine vaartuigen en veerponten, maar niet luchtkussenvoertuigen. Met schepen worden gelijkgesteld baggermolens, kranen, elevatoren en alle andere drijvende en verplaatsbare werktuigen en materiaal van soortgelijke aard; - c). „hulpverlener” betekent iedere persoon die diensten verricht rechtstreeks verband houdende met hulpverleningswerkzaamheden. Hulpverleningswerkzaamheden omvatten mede werkzaamheden als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, letters d), e) en f)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006133&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2025-03-01&g=2025-03-01); - d). „gevaarlijke stoffen” betekent gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk 3.2 van het bij het Europee"},{"i":9793,"b":"Verdrag van Vriendschap en Samenwerking in Zuidoost-Azië Preambule De Hoge Verdragsluitende Partijen: In het bewustzijn van de bestaande historische, geografische en culturele banden tussen hun volkeren; Vastbesloten om de regionale vrede en stabiliteit te bevorderen door respect voor het recht en de rechtsstaat en een sterkere regionale weerbaarheid in hun onderlinge betrekkingen; In het verlangen vrede, vriendschap en wederzijdse samenwerking in zaken die Zuidoost-Azië aangaan, te bevorderen, in de geest en volgens de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, de tien beginselen die zijn goedgekeurd op de Azië- Afrika-conferentie in Bandung van 25 april 1955, de verklaring van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten, ondertekend te Bangkok op 8 augustus 1967, en de verklaring ondertekend te Kuala Lumpur op 27 november 1971; Ervan overtuigd dat de beslechting van geschillen of disputen tussen hun landen moet worden geregeld door rationele, doeltreffende en voldoende flexibele procedures, met vermijding van negatieve attitudes die de samenwerking kunnen bedreigen of verhinderen; Gelovend dat alle vredelievende landen moeten samenwerken, zowel binnen als buiten Zuidoost-Azië, voor de bevordering van de wereldvrede, voor stabiliteit en harmonie; Komen plechtig overeen een Verdrag van Vriendschap en Samenwerking te sluiten, als volgt: HOOFDSTUK I. Doel en beginselen Artikel 1 Dit verdrag heeft tot doel blijvende vrede, vriendschap en samenwerking tussen hun volkeren te bevorderen en zodoende bij te dragen tot hun sterkte, solidariteit en nauwere banden. Artikel 2 In hun onderlinge betrekkingen worden de Hoge Verdragsluitende Partijen geleid door de volgende fundamentele beginselen: - a. wederzijds respect voor de onafhankelijkheid, soevereiniteit, gelijkwaardigheid, territoriale integriteit en nationale identiteit van alle staten; - b. het recht van elke staat op een nationaal bestaan zonder bemoeienissen, subversie of dwang van buitenaf; - c. niet-inmen"},{"i":9799,"b":"Verdrag van Wenen inzake Statenopvolging met betrekking tot verdragen De Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, Overwegende dat de internationale gemeenschap als gevolg van het dekolonisatieproces grondig is veranderd, Tevens overwegende dat andere factoren in de toekomst kunnen leiden tot gevallen van statenopvolging, Gezien deze omstandigheden overtuigd van de noodzaak van codificatie en voortgaande ontwikkeling van de regels inzake statenopvolging met betrekking tot verdragen als middel ter verzekering van grote rechtszekerheid in de internationale betrekkingen, Vaststellend dat de beginselen van vrije instemming, goede trouw en **pacta sunt servanda** algemeen worden erkend, Benadrukkend dat de consistente naleving van algemene multilaterale verdragen die betrekking hebben op de codificatie en de voortgaande ontwikkeling van het volkenrecht, en die waarvan het voorwerp en doel van belang zijn voor de internationale gemeenschap in haar geheel, van bijzondere betekenis is voor de versterking van vrede en internationale samenwerking, Indachtig de beginselen van het volkenrecht, neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties, zoals de beginselen van de gelijke rechten en zelfbeschikking van volkeren, van de soevereine gelijkheid en onafhankelijkheid van alle Staten, van niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Staten, van het verbod van het dreigen met of het gebruik van geweld en van de universele eerbiediging en inachtneming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden voor allen, In herinnering roepend dat respect voor de territoriale integriteit en politieke onafhankelijkheid van elke Staat krachtens het Handvest van de Verenigde Naties wordt vereist, Gezien de bepalingen van het Verdrag van Wenen inzake verdragenrecht van 1969, Tevens gezien het bepaalde in artikel 73 van dit Verdrag, Bevestigend dat andere vraagstukken ten aanzien van het verdragenrecht dan die welke voortvloeien uit een statenopvolging, worden geregeld door de desbetreffen"},{"i":17564,"b":"Selectielijst neerslag handelingen m.b.t. Emancipatie en gelijke behandeling vanaf 1965-heden, Sociale Zaken en Werkgelegenheid Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 maart 2003, nr. arc-2002.4707/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Emancipatie en gelijke behandeling over de periode vanaf 1965](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘lijst van te vernietigen archiefbescheiden van de Directie coördinatie emancipatiebeleid van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, nr. CD/RAI/88/355/Wk d.d. 22-11-1988 en nr. CDAZ 89/0522 d.d. 02-02-1989 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 1989/143)), laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, nr. R&B/OSA/2001/873 d.d. 30-07-2001 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 200-201 d.d. 16 en 17-10-2001)) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":9800,"b":"Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag Preambule De Partijen bij dit Verdrag, Zich bewust van de schadelijke invloed die elke verandering van de ozonlaag zou kunnen hebben op de gezondheid van de mens en op het milieu, Gelet op de desbetreffende bepalingen in de Verklaring van de Conferentie van de Verenigde Naties met betrekking tot het leefmilieu van de mens, en in het bijzonder op Beginsel 21, waarin wordt bepaald dat „de Staten, overeenkomstig het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en de beginselen van het internationale recht, het soevereine recht hebben hun eigen hulpbronnen te exploiteren volgens hun eigen milieubeleid, alsmede ervoor verantwoordelijk zijn dat activiteiten, verricht onder hun rechtsmacht of toezicht geen schade veroorzaken aan het milieu van andere Staten of van gebieden die buiten de grenzen van de nationale rechtsmacht vallen”, Rekening houdend met de omstandigheden en de bijzondere behoeften van de ontwikkelingslanden, Gezien de werkzaamheden en studies die thans worden verricht door zowel internationale als nationale organisaties, en, in het bijzonder, gezien het wereldactieplan betreffende de ozonlaag in het kader van het milieuprogramma van de Verenigde Naties. Voorts gezien de voorzorgsmaatregelen die reeds op nationaal en internationaal niveau zijn getroffen ter bescherming van de ozonlaag, Zich ervan bewust dat maatregelen ter bescherming van de ozonlaag tegen veranderingen die te wijten zijn aan activiteiten van de mens, internationale samenwerking en actie vereisen en behoren te worden gebaseerd op ter zake doende wetenschappelijke en technische overwegingen, Zich voorts bewust van de noodzaak van voortgezet wetenschappelijk onderzoek en van systematische waarnemingen ter vergroting van de wetenschappelijke kennis van de ozonlaag en van mogelijke schadelijke gevolgen die uit de verandering van de ozonlaag voortvloeien, Vastbesloten de gezondheid van de mens en het milieu t"},{"i":2787,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, november 2005 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand november 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 november 2005, doch niet later dan 15 december 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,513 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 november 2005 en eindigende met 15 december 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overhei"},{"i":5751,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 11 juli 2022, nr. WJZ/ 22018415, houdende regels voor de verstrekking van subsidie uit het Nationaal Groeifonds (Subsidieregeling Nationaal Groeifonds) Gelet op de [artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046840&artikel=2), en [8, tweede en vijfde lid, van de Tijdelijke wet Nationaal Groeifonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046840&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **activiteitenplan:** activiteitenplan als bedoeld in [artikel 6b, derde lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046995&artikel=6b&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - **adviescommissie:** Adviescommissie Nationaal Groeifonds als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046840&artikel=9); - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); - **innovatieclusters:** innovatieclusters als bedoeld in artikel 2, onderdeel 92, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **kleine en middelgrote ondernemingen:** ondernemingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **onderneming:** iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent; - **onderzoeks- en ontwikkelingsproject:** onderzoeks- en ontwikkelingsproject als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, zoals nader omschreven in artikel 2, onderdelen 84 tot en met 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **onderzoeksinfrastructuur:** onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 91, van"},{"i":5966,"b":"Besluit van 17 augustus 1976, houdende uitvoering van artikel IV, tweede lid, van de wet van 26 juni 1975 (Stb. 384), tot wijziging van de Woningwet en de Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, drs. M. P. A. van Dam, van 6 mei 1976, nr. 0405939, Centrale Afdeling Juridische Zaken; Gelet op artikel IV, tweede lid, van de wet van 26 juni 1975 (**Stb.** 384); De Raad van State gehoord, advies van 2 juni 1976, nr. 10; Gezien het nader rapport van voornoemde Staatssecretaris van 12 augustus 1976, nr. 0622 926, Centrale Afdeling Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De geldmiddelen, bedoeld in artikel IV, tweede lid, van de wet van 26 juni 1975 (**Stb.** 384), worden aangewend tot dekking van: - a. nadelige saldi, ontstaan uit de exploitatie van in de gemeente gelegen, aan toegelaten instellingen, als bedoeld in [artikel 59, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=59), of aan de gemeente toebehorende woningen of woongebouwen, ter zake van de bouw, verwerving of exploitatie waarvan geldelijke steun op voet van artikel 56 in verband met [artikel 52 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=52) 1901 dan wel artikel 67 in verband met [artikel 60, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=60), onderscheidenlijk op voet van artikel 56 in verband met [artikel 54 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=54) 1901 dan wel artikel 67 in verband met [artikel 61, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=61) is verleend; - b. kosten van verbeteringen van woningen en woongebouwen, als bedoeld onder **a**. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen de geldmiddelen worden aangewend tot storting in een of meer algemene bedrijfsreserves, als bedoeld in a"},{"i":4995,"b":"Multilaterale Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Republiek IJsland, de Republiek Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Servië, Roemenië en de Missie van de Verenigde Naties voor interimbestuur in Kosovo (UNMIK) betreffende de totstandbrenging van een Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten van de EG’’ genoemd, en de Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap’’ of „de Europese Gemeenschap’’ genoemd, en de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, de Republiek IJsland, de Republiek Montenegro, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Servië, Roemenië, en de missie van de Verenigde Naties voor interimbestuur in Kosovo, hierna alle „de overeenkomstsluitende partijen’’ genoemd, Erkennende het geïntegreerde karakter van de internationale burgerluchtvaart en wensende een Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte (ECAA) tot stand te brengen die gebaseerd is op wederzijdse toegang tot de luchtvervoermarkten van de overeenkomstsluitende partijen en de vrijheid van vestiging, onder gelijke mededingingsvoorwaarden en eerbiediging van dezelfde regels, in het bijzonder met be"},{"i":9907,"b":"Zevende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden De Staten die Lid zijn van de Raad van Europa en dit Protocol hebben ondertekend, Vastbesloten aanvullende maatregelen te nemen ter verzekering van de collectieve waarborging van bepaalde rechten en vrijheden door middel van het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000), ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen „het Verdrag”), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Procedurele waarborgen met betrekking tot de uitzetting van vreemdelingen 1. Een vreemdeling die wettig verblijft op het grondgebied van een Staat wordt niet uitgezet behalve ingevolge een overeenkomstig de wet genomen beslissing en hem wordt toegestaan: - a. redenen aan te voeren tegen zijn uitzetting, - b. zijn zaak opnieuw te doen beoordelen, en - c. zich met dit doel te doen vertegenwoordigen bij de bevoegde instantie of een of meer door die instantie aangewezen personen. 2. Een vreemdeling kan worden uitgezet vóór de uitoefening van zijn rechten ingevolge het eerste lid, letters a, b en c van dit artikel, wanneer een zodanige uitzetting noodzakelijk is in het belang van de openbare orde of is gebaseerd op redenen van de nationale veiligheid. Artikel 2. Recht op hoger beroep in strafzaken 1. Een ieder die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, heeft het recht zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hogere gerecht. De uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld. 2. Op dit recht zijn uitzonderingen mogelijk met betrekking tot lichte overtredingen, zoals bepaald in de wet, of in gevallen waarin de betrokkene in eerste aanleg werd berecht door het hoogste gerecht of werd veroordeeld na een beroep tegen vrijspraak. Artikel 3. Schadeloosstelling in geval van gerechtelij"},{"i":9911,"b":"Aanvullend Protocol bij het op 8 april 1960 ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag) tot regeling van de samenwerking met betrekking tot het waterbeheer en het natuurbeheer in de Eemsmonding (Eems-Dollardmilieuprotocol) Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland In aanmerking nemende dat er een nauwe samenwerking tussen beide landen bestaat op grond van het op 8 april 1960 ondertekende Grensverdrag, van het op dezelfde dag ondertekende Eems-Dollardverdrag, van de Aanvullende Overeenkomst van 14 mei 1962 alsmede van de Overeenkomst van 17 november 1975 tot wijziging van het Eems-Dollardverdrag; Voorts in aanmerking nemende de samenwerking tussen beide landen in de Nederlands-Duitse Commissie voor de Ruimtelijke Ordening en tussen de provincie Groningen en het Land Nedersaksen met betrekking tot het milieu- en natuurbeheer in het kader van de Overeenkomst Nieuwe Hanze-Interregio van 20 maart 1991; Gelet op de besluiten tot samenwerking inzake de Noordzee en de Waddenzee; Met referte aan de richtlijnen van de Europese Economische Gemeenschap inzake milieu-effectrapportage en inzake water- en natuurbeheer; Onder verwijzing naar het in het kader van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties opgestelde en door beide landen op 18 maart 1992 in Helsinki ondertekende Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren; Met het oog op het waterbeheer in de Eemsmonding en het behoud van de natuur; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De Verdragsluitende Partijen werken in de Eemsmonding samen op het terrein van water- en natuurbeheer. 2. De Verdragsluitende Partijen laten zich daarbij leiden door de volgende beginselen: - –. het principe van goed nabuurschap - –. het principe van voorzorg - –. het principe van preventie - –. het principe „de vervuiler betaal"},{"i":9913,"b":"Aanvullende Overeenkomst tussen ten eerste, de Europese Unie en zijn lidstaten, ten tweede, IJsland en ten derde, het Koninkrijk Noorwegen met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en lidstaten van de Europese Unie (hierna „de lidstaten” genoemd), en ten eerste, de Europese Unie, ten tweede, IJsland, en ten derde, het Koninkrijk Noorwegen (hierna „Noorwegen”), erop wijzende dat de Europese Commissie namens de Europese Unie en de lidstaten heeft onderhandeld over een overeenkomst inzake luchtvervoer met de Verenigde Staten van Amerika, overeenkomstig het besluit van de Raad waarbij de Commissie werd gemachtigd om onderhandelingen te openen, erop wijzende dat de [overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002513) (hierna „de luchtvervoersovereenkomst” genoemd) op 2 maart 2007 is geparafeerd, op 25 april 2007 te Brussel en o"},{"i":9924,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 4 maart 2026, nr. IENW/BSK-2026/26937, tot aanwijzing van elektronische kanalen voor het verzenden van berichten (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); BESLUIT: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **bericht:** bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - **kanaal:** aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - **ministerie:** Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 2. Aanwijzing elektronische kanalen per proces 1. Voor berichten die de verzender uit eigen beweging indient, worden voor ieder afzonderlijk proces de kanalen aangewezen zoals vermeld in de bijlage bij dit besluit. 2. Voor berichten die op verzoek van het ministerie worden ingediend, wordt het kanaal in de desbetreffende uitnodiging aangewezen. 3. Voor berichten die de verzender uit eigen beweging indient, waarvoor in dit aanwijzingsbesluit geen expliciet kanaal is aangewezen en voor zover bij wettelijk voorschrift of besluit niet anders is bepaald, wordt het algemeen contactformulier van het ministerie aangewezen: [https://www.rijksoverheid.nl/contact/informatie-rijksoverheid/e-mail-sturen](https://www.rijksoverheid.nl/contact/informatie-rijksoverheid/e-mail-sturen). Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Bijlage. bij [a"},{"i":9969,"b":"Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren 2022 Gelet op [artikel 8, eerste lid, van de Ontgrondingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002505&artikel=8) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); BESLUIT: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (toepassingsbereik) Deze beleidsregels zijn van toepassing op de verlening van een vergunning voor een ontgronding in een rijkswater. Artikel 2. (afstandsbepalingen) Bij de ontgronding worden de in de tabel genoemde afstanden in acht genomen. | Type kunstwerk of project | Locatie rijkswater | Locatie rijkswater | Locatie rijkswater | Locatie rijkswater | Locatie rijkswater | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | | Noordzee | Waddenzee | IJsselmeergebied | Rivieren, kanalen en havens | Grote Zeeuwse en Zuid-Hollandse wateren | | **Waterkeringen** | **Waterkeringen** | **Waterkeringen** | **Waterkeringen** | **Waterkeringen** | **Waterkeringen** | | Primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk | – | 500 m | – | – | 100 m | | **Archeologie en cultuurhistorie** | **Archeologie en cultuurhistorie** | **Archeologie en cultuurhistorie** | **Archeologie en cultuurhistorie** | **Archeologie en cultuurhistorie** | **Archeologie en cultuurhistorie** | | Wettelijk beschermde monumenten van archeologische vondsten, locaties met melding van archeologische vondsten en wrakken | 100 m | 100 m | 100 m | 100 m | 100 m | | **Overige objecten** | **Overige objecten** | **Overige objecten** | **Overige objecten** | **Overige objecten** | **Overige objecten** | | Olie- en gasleidingen in de bodem van het betreffende rijkswater | 500 m | 500 m | 500 m | 100 m | 500 m | | In gebruik zijnde telecommunicatie-kabels in de bodem van of boven het betreffende rijkswater | 500 m | 500 m | 500 m | 100 m | 500 m | | Overige vaste objecten van het Rijk of van derden | 500 m | 500 m | 500 m | 100 m | 500 m | § 2. Schelpenwinning Artikel 3. (ontgrondingsvergunning v"},{"i":9970,"b":"Beleidsregels ontheffing voorschriften voor nationaliteits- en inschrijvingskenmerken van luchtvaartuigen Gelet op [artikel 6 van de ministeriële regeling van 10 augustus 1992, nr. LI/92.5378](onbekend) (Stcrt. 1992, 159); Maakt bekend: Ontheffing van de voorschriften voor het aanbrengen van nationaliteits- en in-schrijvingskenmerken op Nederlandse burgerluchtvaartuigen wordt in principe op aanvraag verleend aan de eigenaren of houders van ex-militaire luchtvaartuigen die aantonen dat hun luchtvaartuig: - a. ex-militaire kenmerken voert met instemming van het Hoofd van de Stafgroep Juridische Zaken van de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten of de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten en, indien toepasselijk, de betreffende buitenlandse militaire autoriteit; - b. de burgerkenmerken voert op ten minste beide zijden met een hoogte van ten minste 5 cm; - c. als Nederlands luchtvaartuig herkenbaar is. Deze beleidsmaatregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9975,"b":"Beschikking oplegging van de verplichting tot immunisatie tegen tuberculose aan bepaalde groepen van militairen der koninklijke landmacht en der koninklijke luchtmacht Gelet op [artikel 3 van de Wet immunisatie militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117&artikel=3); Gezien het advies van 29 december 1955 van de commissie van deskundigen, bedoeld in het hiervóór aangehaald artikel, betreffende de inenting en herinenting van bepaalde groepen van militairen der Koninklijke Landmacht en der Koninklijke Luchtmacht tegen tuberculose, Besluit: overeenkomstig vorenbedoeld advies aan militairen der Koninklijke Landmacht en der Koninklijke Luchtmacht, die behoren tot of hun opleiding krijgen bij: - a. het dienstvak van de geneeskundige dienst; - b. de onderafdeling geneeskundige dienst van de militaire vrouwenafdeling, de verplichting op te leggen zich te onderwerpen aan inenting en herinenting tegen tuberculose."},{"i":17578,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 december 2019, kenmerk 1617702-199192-J, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor continuïteit van cruciale jeugdzorg (Subsidieregeling continuïteit cruciale jeugdzorg) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Rechtsbescherming, Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **betrokken gemeenten:** opdrachtgevers van een organisatie waar sprake is van risico's op discontinuïteit van de jeugdhulp, jeugdreclassering of kinderbeschermingsmaatregelen; - **jaaromzet:** jaaromzet zoals die valt af te leiden uit de meest recente door een accountant gecontroleerde jaarrekening van de aanvragende organisatie, dan wel uit de meest recente concept jaarrekening indien het jaar is afgerond en nog geen accountantsverklaring is afgegeven; - **jeugdhulp:** jeugdhulp als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **jeugdreclassering:** jeugdreclassering als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **kinderbeschermingsmaatregelen:** kinderbeschermingsmaatregelen als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **organisatie:** aanbieder van jeugdhulp of een gecertificeerde instelling als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2 De [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":10033,"b":"Besluit van 31 augustus 1999, houdende vaststelling van regels met betrekking tot cockpitpersoneel en luchtverkeersdienstverleningspersoneel van de krijgsmacht (Besluit cockpitpersoneel en luchtverkeersdienstverleningspersoneel krijgsmacht) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 18 november 1998, nr. C96/255, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 1.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2), [10.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.1), en [10.2, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.2); De Raad van State gehoord (advies van 8 februari 1999, no.W07.98.0537); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 26 augustus 1999, nr. C96/255, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Cockpitpersoneel Artikel 1 Cockpitpersoneel wordt onderscheiden in: - a. vliegers, - b. personen belast met het op afstand bedienen van onbemande luchtvaartuigen van de krijgsmacht, en - c. overig cockpitpersoneel. Artikel 2 Cockpitpersoneel voldoet aan de voor de betrokken functie bij regeling van Onze Minister van Defensie vastgestelde eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid. Paragraaf 2. Luchtverkeersdienstverleningspersoneel Artikel 3 Luchtverkeersdienstverleningspersoneel van de krijgsmacht kan worden belast met het geven van een of meer van de volgende vormen van luchtverkeersleiding: - a. plaatselijke luchtverkeersleiding: het geven van luchtverkeersleiding bij een aangewezen plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst, - b. naderingsluchtverkeersleiding: het geven van luchtverkeersleiding bij een aangewezen naderingsluchtverkeersleidingsdienst, - c. algemene luchtverkeersleiding: het geven van luchtverkeersleiding bij een aangew"},{"i":10040,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 27 februari 2014, nr. 489424, houdende erkenning van de Geschillencommissie Natuursteen als geschillencommissie zoals bedoeld in de Erkenningsregeling geschillencommissie consumentenklachten 1997 Gezien het verzoek om erkenning betreffende de Geschillencommissie Natuursteen van 14 januari 2014, schriftelijk ingediend door de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken; Overwegende dat verzoekster heeft voldaan aan de in [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&artikel=3) en [4 van de Erkenningsregeling geschillencommissies consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&artikel=4) (Stcrt. 1996, 248) vermelde erkenningseisen; Overwegende dat genoemde commissie in voldoende mate zal bijdragen aan het oplossen van geschillen die hun oorsprong vinden in consumentenklachten; Gelet op [artikel 2 van de Erkenningsregeling geschillencommissies consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De Geschillencommissie Natuursteen, die in stand wordt gehouden door de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken, wordt erkend als geschillencommissie zoals bedoeld in de [Erkenningsregeling geschillencommissie consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448). Artikel 2 De Geschillencommissie Natuursteen dient wijzigingen in de gegevens als bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Erkenningsregeling geschillencommissie consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&artikel=5), zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de Minister van Veiligheid en Justitie door te geven. Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag volgende op die publicatie."},{"i":10069,"b":"Besluit van 19 september 1989, tot uitvoering van artikel 2, en andere van de Wet geluidhinder met betrekking tot luchtkussenvoertuigen Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 juli 1988, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, nr. MJZ1178014, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Verkeer en Waterstaat; Overwegende dat het in het belang van het voorkomen en beperken van geluidhinder wenselijk is regels te stellen met betrekking tot het gebruik van luchtkussenvoertuigen; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=5), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=7), [147**a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=147a) en [170 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=170) (**Stb.** 1979, 99); De Raad van State gehoord (advies van 24 oktober 1988, nr. W08.88.0412); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 september 1989, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, nr. MJZ 25889010, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - -. luchtkussenvoertuig: een toestel dat blijkens zijn bouw bestemd is zich te verplaatsen op een luchtkussen, dat wordt in stand gehouden tussen het toestel en het dragend oppervlak; - -. vaart van en naar zee: de vaart met een zeeschip in een van beide richtingen tussen de zee en: - 1°. de haven van Amsterdam, over het Noordzeekanaal, alsmede de vaart in die haven en in de aan deze vaarweg gelegen havens en overlaadplaatsen"},{"i":13863,"b":"Nadere voorschriften praktijkopleidingen 2017 Gelet op [artikel 25 van de Verordening op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=25); Stelt de volgende nadere voorschriften vast: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze nadere voorschriften wordt verstaan onder: - –. **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - –. **accountantsafdeling:** accountantsafdeling als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - –. **accountantspraktijk:** accountantspraktijk als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - –. **assurance-opdracht:** assurance-opdracht als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034652&artikel=1); - –. **begeleidingsdag:** begeleidingsdag als bedoeld in de eindtermen; - –. **beginnend beroepsbeoefenaar:** beginnend beroepsbeoefenaar als bedoeld in de eindtermen; - –. **beoordelaar:** beoordelaar als bedoeld in [artikel 8, eerste lid van de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=8); - –. **CEA:** Commissie eindtermen accountantsopleidingen, bedoeld in [artikel 49, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49); - –. **controle-opdracht:** opdracht als bedoeld in [artikel 1, onderdeel o of onderdeel p, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1), in deze nadere voorschriften tevens aangeduid als jaarrekeningcontrole; - –. **eindtermen:** eindtermen bedoeld in [artikel 49, tweede lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49); - –. **examen:** examen bedoeld in [artikel 47, eerste lid, tweede volzin"},{"i":13864,"b":"Nadere voorschriften van 9 maart 2021 houdende regels tot wijziging van de Nadere voorschriften Permanente Educatie 2019 Overwegende dat het wenselijk is de [Nadere voorschriften Permanente Educatie 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041616) zodanig aan te passen dat het bestuur een ruimere bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing en vrijstelling krijgt. Gelet op [artikel 24 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635&artikel=24); Stelt de volgende nadere voorschriften vast: Artikel I Wijzigt de Nadere voorschriften permanente educatie 2019. Artikel II De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze nadere voorschriften aanhangige aanvragen zijn aanhangig in de staat, waarin zij zich op dat moment bevinden en worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze nadere voorschriften overeenkomstig het bepaalde bij deze nadere voorschriften behandeld. Artikel III Deze nadere voorschriften treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst."},{"i":13877,"b":"NWO Bevoegdhedenregeling 2025 1. Algemeen 1.1. Begripsbepalingen In deze bevoegdhedenregeling gelden de begripsbepalingen zoals opgenomen in [artikel 1.1 van het Bestuursreglement NWO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039246&artikel=1.1). Daarnaast wordt in deze bevoegdhedenregeling verstaan onder: 1.2. Juridische grondslag en werkingssfeer 2. Raad van bestuur 2.1. Bevoegdheden en algemeen budgethouderschap 2.2. Uitoefening bevoegdheden raad van bestuur, bevoegdheden (vice-)voorzitter en portefeuillehouder bedrijfsvoering en financiën 2.3. Beslissingen op bezwaar en procesbevoegdheid 2.4. Toekenning bevoegdheden aan organen, organisatieonderdelen en/of functionarissen: mandaten en volmachten 2.5. Hoofd bureau raad van bestuur 2.6. Hoofd afdeling interne audit 3. Domeinbestuur 3.1. Domeinbestuur: gemandateerd budgethouderschap 3.2. Domeinbestuur: uitoefening bevoegdheden 3.3. Domeinbestuur: volmacht 3.4. Domeindirecteur: budgetverantwoordelijke 3.5. Regieorgaan: overeenkomstige toepassing 4. Thematische Programma’s 4.1. Thematische Programma’s: budgethouderschap en budgetverantwoordelijkheid 4.2. Thematische Programma’s: dagelijkse leiding en verantwoording 4.3. Thematische Programma’s: besluitbevoegdheid 4.4. Thematische Programma’s: tekenbevoegdheid 5. Afdeling bedrijfsvoering 5.1. De portefeuillehouder bedrijfsvoering en financiën 5.2. Afdelingshoofden: dagelijkse leiding en autorisatie 5.3. Arbeidsovereenkomsten 6. Algemeen: uitoefening bevoegdheden op grond van mandaat of volmacht 6.1. Goede taakvervulling: geen misbruik van bevoegdheid 6.2. Verbod van (de schijn van) vooringenomenheid en verbod splitsing verplichtingen 6.3. Vervangingsregeling Bij afwezigheid of ontstentenis van een bevoegd functionaris vindt vervanging plaats door een of meerdere door de desbetreffende directeur aangewezen functionaris(sen) mits opgenomen in het register. 6.4. Register 6.5. Ondertekening Bijlage. Bevoegdhedenmatrix | | Raad van Bestuur | Domeinbestuur | 1) Domeindirect"},{"i":13868,"b":"Wet van 12 december 1962, houdende verzekering van de voedselvoorziening in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen, ten einde in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de voedselvoorziening te verzekeren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Landbouw en Visserij; landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, bijenhouderij, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen -, teelt van griendhout en elke andere vorm van bodemcultuur met uitzondering van bosbouw; produkten: - a. alle voortbrengselen, welke, al dan niet na bewerking of verwerking, kunnen dienen als voedsel voor mens of dier, alsmede de bij bewerking of verwerking van die voortbrengselen verkregen derivaten en afvallen; - b. de niet reeds onder **a** begrepen, al dan niet bewerkte of verwerkte voortbrengselen van de landbouw en de visserij, alsmede de bij bewerking of verwerking van die voortbrengselen verkregen derivaten en afvallen. 2. Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt mede verstaan onder: handelaren: tussenpersonen; visserij: mosselteelt, oesterteelt en viskwekerij. Hoofdstuk II. Organen Artikel 2 1. Er is in iedere provincie een voedselcommissaris, die door Ons wordt benoemd en ontslagen. 2. Onze Minister bepaalt het ambtsgebied van de voedselcommissaris, al dan niet in afwijking van het gebied van de desbetreffende provincie. 3. De voedselcommissaris is, tenzij het tegendeel blijkt, onder de bevelen van Onze Minis"},{"i":13901,"b":"Openbaarheid archiefbescheiden Militair Gezag Gelet op artikel 7a, tweede lid, van de Archiefwet 1962, Gehoord de Minister van Defensie, Besluit: Artikel 1 De beheerder van een rijksarchiefbewaarplaats bepaalt welke van de daar berustende archiefbescheiden van het Militair Gezag slechts beperkt openbaar kunnen zijn met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Artikel 2 Tot 1 januari 2021 mogen de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007284&artikel=1&z=1995-06-02&g=1995-06-02) bedoelde archiefbescheiden slechts worden geraadpleegd door de verzoeker die schriftelijk heeft verklaard: - a. dat uit de bescheiden verkregen gegevens slechts voor het door de verzoeker aangegeven doel zullen worden aangewend; - b. dat hij niets zal publiceren of op andere wijze openbaar maken waardoor de belangen van nog levende personen onevenredig kunnen worden geschaad; - c. dat hij niet tot publikatie van gegevens uit de archiefbescheiden zal overgaan dan na schriftelijke toestemming van de beheerder van de rijksarchiefbewaarplaats; - d. dat hij de overige gegevens uit de archiefbescheiden die hem ter kennis zullen komen en waarvoor geen toestemming tot publikatie is verkregen slechts voor eigenstudie zal gebruiken en deze niet aan derden zal mededelen; - e. dat hij de Staat der Nederlanden vrijwaart voor aanspraken van derden ter zake van alle schade die zij lijden tengevolge van de raadpleging door de verzoeker. Artikel 3 Tot 1 januari 2021 mogen van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007284&artikel=1&z=1995-06-02&g=1995-06-02) bedoelde archiefbescheiden slechts met toestemming van de beheerder van de rijksarchiefbewaarplaats en onder door hem te bepalen voorwaarden, reprodukties worden vervaardigd. Artikel 4 De overige aan de openbaarheid van de in de rijksarchiefbewaarplaatsen berustende archiefbescheiden van het Militair Gezag gestelde beperkingen worden opgeheven. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de"},{"i":13865,"b":"Nadere voorschriften inzake de werkwijze van de Ledengroep van Intern en Overheidsaccountants (Nadere voorschriften werkwijze LIO) Gelet op [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=17) en [20 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=20) en het bepaalde in de [Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813); Stelt de volgende nadere voorschriften vast: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze nadere voorschriften wordt verstaan onder: Hoofdstuk 2. Bijeenroepen van de vergadering en agenda Artikel 2 1. Het ledengroepbestuur draagt er zorg voor dat de volgende punten ieder jaar ten minste één maal geagendeerd worden voor een ledengroepvergadering: - a. vaststelling van de notulen van de vorige ledengroepvergadering; - b. de voorgenomen missie, strategie en meerjarenplanning; - c. het plan van voorgenomen activiteiten en de raming van de daarmee gemoeide uitgaven en het herziene plan van voorgenomen activiteiten en de herziene raming van de daarmee gemoeide uitgaven, bedoeld in respectievelijk [artikel 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=19) en [artikel 19, tweede lid van de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=19); - d. vaststellen van het profiel voor ledengroepbestuurders; - e. benoeming van de leden van het ledengroepbestuur; - f. benoeming van een voorzitter, alsmede van een plaatsvervangend voorzitter; - g. vaststellen van het rooster van aftreden. 2. Indien omtrent enig geagendeerd onderwerp genoemd in het eerste lid geen besluit kan worden genomen in de desbetreffende de ledengroepvergadering, wordt dit agendapunt behandeld op de eerstvolgende ledengroepvergadering en kan hierover rechtsgeldig worden besloten. Artikel 3 1. Indien het ledengroepbestuur een verzoek, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artik"},{"i":13866,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 3 november 2014, DGETM-TM / 14179469, houdende vaststelling van het Nationaal Frequentieplan 2014 (Nationaal Frequentieplan 2014) Gelet op [artikel 3.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.1); Handelend na overleg met de minister van Defensie, de minister van Infrastructuur en Milieu, de minister van Veiligheid en Justitie en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Besluit: Artikel 1 Het Nationaal Frequentieplan 2014 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Het [Nationaal Frequentieplan 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017991)1kst-24095-178-b1 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Nationaal frequentieplan 2014 (NFP2014) Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Rijksinspectie Digitale Infrastructuur Directoraat-Generaal Economie en Digitalisering 1. Inleiding Voor u ligt het Nationaal Frequentieplan 2014 (NFP2014). Deze editie is de opvolger van het Nationaal FrequentiePlan 2005 (NFP2005)2(Kamerstuk 24 095 nr. 178, maart 2005). Dit nieuwe NFP2014 is opgesteld in verband met meerdere aanleidingen, namelijk 1) ter implementatie van de Telecommunicatiewetswijziging3https://www.officielebekendmakingen.nl/stb-2013-48.html in verband met de Nota Frequentiebeleid 2005, 2) ter implementatie van de besluiten van de Wereld Radio Conferentie gehouden in 2012 (WRC-12), 3) om de notatie van de frequentietabel meer technologieneutraal, merkenneutraal, consequenter en overzichtelijker te maken, 4) om vermeldingen (zoals data) te actualiseren en 5) ter codificatie van de tussentijdse NFP-wijzigingen die de afgelopen negen jaar aan de orde zijn geweest. Het Nationaal FrequentiePlan is het bestemmingsplan voor het radiospectrum waarop de daadwerkelijke f"},{"i":4992,"b":"Model Jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2025 Bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2025 1. Inleiding Dit Model Jaarverslaggeving CAK vormt een uitwerking van de afspraken voor het financieel verslag als onderdeel van de bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2025 van het CAK. Het CAK moet de verantwoordingsdocumenten vergezeld van de controleverklaring en het accountantsverslag vóór 1 juli van het jaar volgend op het verslagjaar toezenden aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (het Ministerie van VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)1Conform artikel 6.2.6 van de Wlz en artikel 27 van de Wmg.. De regels voor het accountantsonderzoek en de op te leveren accountantsproducten heeft de NZa vastgelegd in het Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2025 (hierna: protocol). In de bestuurlijke verantwoording burgerregelingen legt het CAK verantwoording af over de uitvoering van 18 wettelijke regelingen en taken. Dit betreffen: Het Ministerie van VWS beoordeelt de uitvoering van de OVV-regeling, de gemoedsbezwaardenregeling en de Schengen- en Engelstalige medicijnverklaringen. De NZa houdt toezicht op de rechtmatige uitvoering van de overige burgerregelingen2Deze taken van de NZa staan o.a. in artikel 16d Wmg, artikel 16m Wmg en diverse EU verordeningen,. Om toezicht uit te kunnen oefenen moeten de NZa en het Ministerie van VWS over informatie beschikken. [artikel 27 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=27) en [artikel 6.2.6 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.2.6) (juncto [artikel 4.3.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.1)) wijzen de verantwoordingsdocumenten en de accountantsproducten aan die jaarlijks door het CAK moeten worden ingediend. Op basis van artikel 27 en [artikel 31 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=31) kan de NZa regels"},{"i":5026,"b":"Nieuwe codes volwasseneneducatie Algemeen Bij de voorbereiding van de invoering van het persoonsgebonden nummer, ook wel onderwijsnummer genoemd, in het BVE-veld, is er met de Bedrijfstakgroep (BTG) Educatie afgesproken dat er een nieuwe indeling komt voor opleidingen en vakken in de Volwasseneneducatie. De opleidingen zijn voorgesteld door de BTG, de vakken door OC&W. Deze laatste zijn grotendeels overgenomen van het Voortgezet Onderwijs, maar er zijn enkele vakken toegevoegd die alleen voorkomen in de Volwasseneneducatie. De bijbehorende codes zijn door de BTG en de Begeleidingsgroep Invoering Onderwijsnummer BVE (BIOB, met vertegenwoordigers van BVE-instellingen en OC&W) goedgekeurd en gepubliceerd als onderdeel van het Programma van Eisen Onderwijsnummer BVE op de Internetsite www.onderwijsnummer.nl. De tabellen met de nieuwe codes gaan hierbij als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015488&bijlage=1&z=2003-09-10&g=2003-09-10) (opleidingen) en [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015488&bijlage=2&z=2003-09-10&g=2003-09-10) (vakken). Ik verzoek u deze codes met ingang van oktober 2003 te gebruiken. (De vorige versie van deze tabellen is in de zomer van 2002 verspreid door de Bve Raad en is beschikbaar gesteld op de Internetsite www.cfi.kennisnet.nl van Cfi (tabblad BVE, rubriek brochures, KSE-tabel). Daar zijn opleidingen en vakken nog gecombineerd in één tabel.) Het is het voornemen het onderwijsnummer in de loop van het studiejaar 2004/5 in te voeren. (Het registreren van het SOFI-nummer is al in januari 2003 gestart.) De daartoe benodigde regeling wordt waarschijnlijk in september 2003 gepubliceerd. Hierin worden ook de nieuwe codes (officieel) ingevoerd. In de loop van het daaraan voorafgaande studiejaar (2003/2004) zullen al experimenten worden uitgevoerd wat betreft de gegevensuitwisseling tussen de BVE-instellingen en de IB-Groep. In BIOB is afgesproken dat na de invoering van de nieuwe codes voor het onderwijsnummer deze o"},{"i":5108,"b":"Overeenkomst inzake bestuurlijke samenwerking tussen de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Stichting Waarborgfonds HBO Overwegende dat: ● partijen het wenselijk achten afspraken te maken over contacten tussen de Minister en het Waarborgfonds met betrekking tot de informatie uitwisseling; ● deze afspraken de instemming hebben van de vereniging HBO-raad; Verklaren te zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Partijen zullen in hun onderling verkeer handelen overeenkomstig de volgende afspraken: - 1. De voorzitter van het bestuur van het Waarborgfonds zal de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, casu quo de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij vertrouwelijk informeren, indien de financiële toestand van een op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bekostigde hogeschool, hierna te noemen: hogeschool, zodanig verslechterd is dat de hogeschool niet meer in staat is, of op enig moment in het lopende begrotingsjaar niet meer in staat zal zijn, tot nakoming van de verplichtingen uit één of meer leningen. - 2. De voorzitter van het bestuur van het Waarborgfonds zal in samenhang met het onder 1 bepaalde de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen casu quo de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij tevens mondeling informeren over het saneringsplan van de hogeschool waarin is aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn het evenwicht tussen de inkomsten en uitgaven van de hogeschool hersteld wordt. - 3. Indien het Waarborgfonds ten behoeve van het saneringsplan aan de hogeschool voorwaarden van financiële aard stelt, die zijn gericht op het herstel van het evenwicht tussen de inkomsten en uitgaven van de hogeschool, zal de voorzitter van het bestuur van het Waarborgfonds de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen casu quo de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij terstond mondeling over deze voorwaarden informeren. - 4. Indien he"},{"i":5110,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Raad van Bestuur ingesteld bij het Statuut van de Europese School, betreffende het functioneren van de Europese School in Nederland De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen: de Regering) en de Raad van Bestuur ingesteld bij het op 12 april 1957 te Luxemburg ondertekende Statuut van de Europese School (hierna te noemen: de Raad van Bestuur), Overwegende dat de Raad van Bestuur, in overeenstemming met artikel 2 van het op 13 april 1962 te Luxemburg ondertekende Protocol nopens de oprichting van Europese Scholen, op 13 en 14 april 1962 heeft besloten tot oprichting van een nieuwe Europese School (hierna te noemen: de School) en als plaats van eerste vestiging dier School Bergen (Noord-Holland) heeft aangewezen, Verlangende, overeenkomstig de doelstellingen van genoemd Statuut en genoemd Protocol, een aanvullende overeenkomst zoals bedoeld in artikel 28 van het Statuut te sluiten ter verzekering van de meest gunstige materiële en geestelijke voorwaarden voor het functioneren van de School, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I (1). De Regering stelt kosteloos ter beschikking van de School de gebouwen welke voor het doelmatig functioneren van de School, volgens de doelstellingen omschreven in het Statuut van de Europese School, noodzakelijk zijn. Ook stelt zij kosteloos ter beschikking de vaste inrichting van deze gebouwen, overeenkomstig de praktijk ten aanzien van vergelijkbare Nederlandse instellingen van onderwijs. (2). Ten aanzien van het onderhoud van gebouwen en inrichting, het herstel van schade welke daaraan is ontstaan en het verstrekken aan de School van leermiddelen, handelt de Regering overeenkomstig de praktijk ten aanzien van vergelijkbare Nederlandse instellingen van onderwijs. Onder leermiddelen worden in dit artikel niet verstaan de schoolboeken en het schrijf- en tekenmateriaal van de leerlingen. Artikel II (1). Kinderen van Nederlandse nationaliteit wie"},{"i":5142,"b":"Protocol Accountantsonderzoek CAK Bestuurlijke verantwoording 2017 Bestuurlijke verantwoording 2017 Maart 2018 1. Inleiding Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben in het [Model Jaarverslaggeving CAK 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040814) Bestuurlijke verantwoording voorschriften opgenomen voor de inrichting van de bestuurlijke verantwoording 2017 van het CAK. Het model bevat modellen waarmee het CAK zijn bestuurlijke verantwoording moet inrichten. De regels voor het accountantsonderzoek en voor de inhoud en inrichting van het accountantsverslag hebben VWS en de NZa vastgelegd in dit Protocol Accountantsonderzoek CAK Bestuurlijke verantwoording 2017 (protocol).1Op basis van artikel 31 Wmg kan de NZa regels stellen voor de inhoud en inrichting van de verklaring en van het accountantsverslag zoals bedoeld in artikel 4.3.1 Wlz. Artikel 6.2.6 (lid 1) Wlz geeft aan dat artikel 4.3.1 (lid 1 tot en met 4) Wlz van overeenkomstige toepassing is op het CAK. Dit protocol geeft richtlijnen voor het door de externe accountant uit te voeren onderzoek naar de: Het doel van dit protocol is niet om de aanpak van het onderzoek voor te schrijven, maar om de kaders te geven waarbinnen het onderzoek moet plaatsvinden. De accountant is zelfstandig verantwoordelijk voor het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van voldoende en geschikte controle-informatie als basis voor zijn oordeel. De accountant hanteert het protocol als kader voor zijn werkzaamheden. Daarnaast laat hij zich leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de [Verordening gedrags- en beroepsregels accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635) (VGBA), de [Verordening inzake onafhankelijkheid van de accountant bij assurance opdrachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034652) (VIO) en de [Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040523) (NV CO"},{"i":10144,"b":"Besluit van 4 september 2002, houdende de toekenning van standaarden aan het Korps Veldartillerie en het Korps Rijdende Artillerie en een vaandel aan het Korps Luchtdoelartillerie Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 28 augustus 2002, nr. C2002/247 2002002920 directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 a. Het Korps Veldartillerie van de Koninklijke landmacht voert een standaard, bestaande uit een standaarddoek en een standaardstok. b. Het Korps Rijdende Artillerie van de Koninklijke landmacht voert een standaard, bestaande uit een standaarddoek en een standaardstok. c. Het Korps Luchtdoelartillerie van de Koninklijke landmacht voert een vaandel, bestaande uit een vaandeldoek en een vaandelstok. Artikel 2 De voorzijde van het standaarddoek van het Korps Veldartillerie is een vierkant doek van oranje zijde, omzoomd met gouden franje. De lengte en de breedte van het standaarddoek zijn vijftig centimeter. Op het doek is in goud geborduurd een gestileerde gekroonde**B**, de kroon in de kleuren van het Koninklijk wapen. Onder de **B** is in goud geborduurd: **KORPS** **VELDARTILLERIE** Voorts is in goud geborduurd in het eerste kwartier: **CITADEL VAN ANTWERPEN 1832** In het tweede kwartier: **MILL 1940** Het geheel van de gekroonde **B**, de naam van het korps en de vermelding van de wapenfeiten, is omgeven door een doorlopende oranjetak. Artikel 3 De voorzijde van het standaarddoek van het Korps Rijdende Artillerie is een vierkant doek van oranje zijde, omzoomd met gouden franje. De lengte en de breedte van het standaarddoek zijn vijftig centimeter. Op het doek is in goud geborduurd een gestileerde gekroonde**B**, de kroon in de kleuren van het Koninklijk wapen. Onder de **B** is in goud geborduurd: **KORPS** **RIJDENDE ARTILLERIE** Voorts is in goud geborduurd in het eerste kwartier: **QUATRE-BRAS 1815** **WATERLOO 1815** In het tweede kwartier: **HASSELT 1831** **KERMPT 1831** **LEUVEN 1831** Het g"},{"i":5834,"b":"Besluit van 14 oktober 2015, houdende samenvoeging van de algemene maatregelen van bestuur op basis van de Tabakswet tot één besluit (Besluit uitvoering Tabakswet) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 7 juli 2015, kenmerk 767940-136602-WJZ; Gelet op de [artikelen 2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=2), [3d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=3d), [7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=7), [9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=9) en [10, eerste en tweede lid, van de Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=10); Gelet op [richtlijn 2015/1139](32015L1139)/EU tot wijziging van [Richtlijn 2012/9](32012L0009)/EU wat de datum van omzetting en de uiterste datum van de overgangsperiode betreft (PbEU 2015, L 185); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 augustus 2015, No.W13.15.0233/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 oktober 2015, kenmerk 767933-136602-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **cigarillo:** een type kleine sigaar die per stuk niet meer dan drie gram weegt; - **gecombineerde gezondheidswaarschuwing:** een gezondheidswaarschuwing die bestaat uit een combinatie van een waarschuwende tekst en een corresponderende foto of illustratie, als bepaald bij of krachtens dit besluit; - **gezondheidswaarschuwing:** een waarschuwing betreffende de negatieve effecten op de menselijke gezondheid van een product of betreffende andere ongewenste gevolgen van de consumptie ervan, met inbegrip van waarschuwende teksten, gecombineerde gezondheidswaarschuwingen, algemene waarschuwingen en informatieve boodschappen, als bepaald bij of krachtens dit besluit; - **nieuwsoortig ta"},{"i":10251,"b":"Bilaterale Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Peru De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Peru, bezield door de wens het burgerlijke en commerciële luchtvervoer tussen haar onderscheiden grondgebieden te bevorderen, en gelet op de aanbeveling, uitgesproken door de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Conferentie, in vergadering bijeen te Chicago van 1 November tot 7 December 1944, welke aanbeveling is vervat in resolutie VIII van 7 December 1944 en welke aanbeveelt om de grootst mogelijke eenvormigheid te verkrijgen tussen de Overeenkomsten inzake de luchtdiensten, welke de Staten overkomen, hebben besloten de volgende bilaterale Overeenkomst inzake luchtvervoer te sluiten, welke de geregelde luchtdiensten omvat, welke in het hiernavolgende zijn omschreven, en welke door de volgende bepalingen zal worden beheerst: Artikel I. Definities Met betrekking tot deze Overeenkomst zullen de uitdrukkingen, welke hieronder worden omschreven, de betekenis hebben, welke in dit Artikel blijkt, behalve wanneer in de tekst van de Overeenkomst uitdrukkelijk anders is vermeld. - a. De uitdrukking „luchtvaartautoriteiten” zal betekenen in het geval van Nederland, de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst of ieder persoon of bureau, behoorlijk gemachtigd om zijn functies te vervullen en in het geval van Peru, het Ministerie van Luchtvaart of ieder lichaam, behoorlijk gemachtigd om de daardoor uitgeoefende functies te vervullen. - b. De uitdrukking „aangewezen luchtvaartmaatschappij” zal betekenen die luchtvaartmaatschappij, waarvan de luchtvaartautoriteiten van een der Overeenkomstsluitende Partijen schriftelijk aan de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij hebben medegedeeld, dat zij aangewezen is overeenkomstig Artikel 3 van deze Overeenkomst, om elk van de routes, vermeld in die mededeling, te exploiteren. - c. De uitdrukkin"},{"i":10262,"b":"Circulaire Introductie bij waterschappen van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers Van verzending circulaires naar publicatie op internet **Met ingang van 1 januari 2019 zullen circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers uitsluitend nog bekend worden gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website www.politiekeambtsdragers.nl. U kunt zich met een RSS-feed abonneren op deze site via https://feeds.politiekeambtsdragers.nl/circulaires.rss. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering. Vanwege het belang dat de introductie van dit rechtspositiebesluit bij alle betrokkenen bekend is, wordt onderhavige circulaire ook nog per post verzonden.** 1. Inleiding Hierbij informeer ik u over de totstandkoming van het [Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522) (Stb. 2018, 386), en de daarbij behorende uitvoeringsregeling, de [Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041573) (Stcrt 2018, 66006). Deze komen per 28 maart 2019 in de plaats van [hoofdstuk 3 van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&hoofdstuk=3). De ingangsdatum van 28 maart 2019 is gekozen vanwege het feit dat per deze datum een nieuw Algemeen Bestuur zal zijn benoemd. Voor de dagelijks bestuurders die op grond van [artikel 41, vierde lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=41) na 28 maart 2019 pas aftreden op het moment dat tenminste de helft van het door het algemeen bestuur te benoemen aantal leden van het dagelijks bestuur is benoemd, doch uiterlijk drie maanden na de start van de zittingsperiode van het algemeen bestuur, geldt tot hun aftreden de oude rechtspositie. Het doel is immers om de nieuwe rechtspositie te laten gelden voor de nieuw aangetreden waterschapsbestuurders. Deze ingangsdatum gel"},{"i":10266,"b":"Circulaire (onkosten)vergoeding 2018 en wijziging bezoldiging 2017 politieke ambtsdragers waterschappen Inleiding Door middel van deze circulaire wordt u, zoals elk jaar gebruikelijk, geïnformeerd over de wijzigingen van de bedragen van de (onkosten)vergoedingen voor leden van het algemeen bestuur, leden van het dagelijks bestuur en de voorzitters. Daarnaast wordt u in deze circulaire geïnformeerd over de wijzigingen van de bezoldigingsbedragen per 1 januari 2017 voor de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur, alsmede de tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering voor de leden van het algemeen bestuur. Deze wijzigingen volgen de afspraken die in het Sectoroverleg Rijk voor het personeel in de sector Rijk zijn gemaakt. Deze afspraken, en daarvan afgeleid de wijzigingen voor de voorzitter, de leden van het dagelijks bestuur en de leden van het algemeen bestuur, moeten alle nog formeel in de regelgeving worden opgenomen. Omdat deze regelgevingsprocedure tijd vergt, wordt u, vooruitlopend op het formeel van kracht worden van die wijzigingen, door middel van deze circulaire geïnformeerd over de aanstaande wijzigingen voor de voorzitter, de leden van het dagelijks bestuur en de leden van het algemeen bestuur. U kunt deze wijzigingen nu al doorvoeren. 1. Bezoldiging van een voorzitter Onlangs is in de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2017 voor het personeel in de sector Rijk afgesproken dat met ingang van 1 januari 2017 de salarisbedragen structureel worden verhoogd met 1,4%. Deze verhoging komt in december 2017 met terugwerkende kracht tot uitbetaling; ook voor medewerkers die sinds 1 januari 2017 uit dienst zijn getreden. Het bedrag van de bezoldiging van de voorzitter van een waterschap is bepaald in [artikel 3.24, eerste lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.24) en is naar evenredigheid van de vastgestelde tijdsbestedingsnorm. Het bedrag wijzigt als de bezoldiging van het personee"},{"i":10268,"b":"Circulaire Specifieke aandachtspunten Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers voor waterschappen, d.d. 10 december 2019, kenmerk 2019-0000643662 Van verzending circulaires naar publicatie op internet De circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers worden uitsluitend nog bekend gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant), op de website ****www.rijksoverheid.nl**** en op de website ****www.politiekeambtsdragers.nl****. U kunt zich ****inschrijven**** op de e-mailattendering. Als u zich hebt ingeschreven voor deze e-mailattendering, ontvangt u een attendering zodra er een circulaire op de site wordt gepubliceerd. De eerdere RSS-attendering is niet meer werkzaam. 1. Inleiding Bij [circulaire van 30 januari 2019](onbekend) bent u geïnformeerd over de totstandkoming van het [Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522) (Stb. 2018, 386), en de daarbij behorende [Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041573) (Stcrt 2018, 66006). Nadien is een aantal wijzigingen ingevoerd bij [besluit van 5 juli 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042417), Stb. 2019, 260, en bij regeling van 6 februari 2019, Stcrt. 2019, 7580. Verder is via signalen uit de praktijk gebleken dat er op bepaalde onderdelen meer duidelijkheid moest worden geboden of nadere regelgeving moest worden aangekondigd. In deze circulaire worden de relevante onderwerpen toegelicht. De fiscale aspecten zijn afgestemd met het Ministerie van Financiën. In **bijlage 1** is in een **overzicht per onderwerp** een **hyperlink** opgenomen in welke circulaire u hierover nadere informatie kunt vinden. Op die manier kunt u eenvoudig nagaan waar u de **actuele informatie** kunt vinden. 2. ICT: verstrekking Er is op gewezen dat [artikel 4.3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=4.3.2) niet is geformuleerd als een dis"},{"i":10275,"b":"Douaneformaliteiten luchtvaartuigen Besluit: Artikel 1 1. Het hoofd van de Belastingdienst/Douane district Hoofddorp is gemachtigd tot het afdoen en ondertekenen van de beslissingen, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=3) (Stb. 1959, 67). 2. De in het eerste lid, bedoelde machtiging betreft beslissingen voor zover deze betrekking hebben op het verlenen van vrijstelling betreffende het vervullen van de douaneformaliteiten voordat de inschrijving in het Nederlandse luchtvaartregister heeft plaatsgevonden. Artikel 2 Het hoofd van de Belastingdienst/Douane district Hoofddorp is gemachtigd de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004675&artikel=1&z=1990-01-01&g=1990-01-01) gegeven bevoegdheid, al dan niet geclausuleerd, te doen uitoefenen door onder hem werkzaam zijnde functionarissen. Artikel 3 De ondertekening van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004675&artikel=1&z=1990-01-01&g=1990-01-01) bedoelde beslissingen luidt: De staatssecretaris van Financiën, namens deze, Het hoofd van de Belastingdienst/Douane district Hoofddorp, Artikel 4 De ondertekening van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004675&artikel=2&z=1990-01-01&g=1990-01-01) bedoelde beslissingen luidt: De staatssecretaris van Financiën, namens deze, Het hoofd van de Belastingdienst/Douane district Hoofddorp, loco Artikel 5 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1990. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst wordt uitgegeven na 31 december 1989, treedt zij in werking met ingang van de tweede dag na de datum van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1990. 2. Deze regeling wordt bekendgemaakt in de Staatscourant. Afschrift van dit besluit wordt gezonden aan de minister van Verkeer en Waterstaat en aan belanghebbende."},{"i":10296,"b":"Wet van 27 september 2012, houdende goedkeuring van het op 2 december 2010 te Brussel tot stand gekomen Verdrag betreffende de oprichting van het Functioneel Luchtruimblok «Europe Central» tussen de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Republiek Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat (Trb. 2011, 27) en wijziging van de Wet luchtvaart ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1070/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 549/2004, (EG) nr. 550/2004, (EG) nr. 551/2004 en (EG) nr. 552/2004 teneinde de prestaties en de duurzaamheid van het Europese luchtvaartsysteem te verbeteren (PbEU 2009 L 300) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 2 december 2010 te Brussel tot stand gekomen Verdrag betreffende de oprichting van het Functioneel Luchtruimblok «Europe Central» tussen de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Republiek Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; en voorts dat het noodzakelijk is de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) te wijzigen in verband met de uitvoering van verordening (EG) nr. 1070/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 549/2004, (EG) nr. 550/2004, (EG) nr. 551/2004 en (EG) nr. 552/2004 teneinde de prestaties en de duurzaamheid van het Europese luchtvaartsysteem te verbeteren (PbEU 2009 L 300); Zo is het, dat Wij, de Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonde"},{"i":10316,"b":"Besluit van de Minister voor Klimaat en Energie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 juli 2023, nr. 2023-0000029558, houdende instelling van het Burgerforum klimaat- en energiebeleid (Instellingsbesluit Burgerforum klimaat- en energiebeleid) En handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluiten: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Burgerforum:** Burgerforum klimaat- en energiebeleid; - b. **De Ministers:** de Minister voor Klimaat en Energie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Artikel 2 1. Er is een Burgerforum klimaat- en energiebeleid. 2. Het Burgerforum bestaat uit 175 leden. 3. Het Burgerforum wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter. Artikel 3 1. Het Burgerforum heeft tot taak een antwoord te formuleren op de vraag: ‘Hoe kunnen we als Nederland eten, spullen gebruiken en reizen op een manier die beter is voor het klimaat?’ 2. Het Burgerforum is bevoegd gedurende zijn werkzaamheden aanvullende vragen te formuleren en deze te beantwoorden, indien het dat dienstig acht aan zijn opdracht. Artikel 4 1. De Ministers dragen zorg voor de selectie van deelnemers van het Burgerforum. Zij streven naar een representatieve samenstelling daarvan. 2. Onverminderd het derde lid, komt voor selectie in aanmerking degene die: - a. de Nederlandse nationaliteit bezit; - b. ingezetene is van een provincie; - c. de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt; en - d. niet bij rechterlijke uitspraak van het kiesrecht is ontzet. 3. Niet als deelnemer van het Burgerforum kan worden geselecteerd: - a. een Minister; - b. een Staatssecretaris; - c. een lid van de Staten-Generaal. Artikel 5 1. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat benoemt de voorzitter van het Burgerforum op grond van de [Wet overleg fysieke leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008410). 2. De Ministers doen een voordracht voor de benoeming van de voorzitter aan de Minister van Infrastructuur"},{"i":10320,"b":"Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat tot het instellen van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat (Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat) Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 1.1 van de Waterwet in werking treedt. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. Er is een directoraat-generaal Rijkswaterstaat. 2. Het directoraat-generaal Rijkswaterstaat staat onder leiding van de directeur-generaal Rijkswaterstaat. Artikel 2 1. Het directoraat-generaal Rijkswaterstaat is samengesteld uit: - a. de RWS Bestuursstaf; - b. regionale organisatieonderdelen; - c. centrale organisatieonderdelen; - d. programmadirecties en - e. projectdirecties. 2. De directeur-generaal Rijkswaterstaat stelt de in het eerste lid genoemde organisatieonderdelen en directies in en kan deze nader onderverdelen. 3. De directeur-generaal Rijkswaterstaat wijst de directeuren van de in het eerste lid genoemde organisatieonderdelen en directies aan. Artikel 3 1. Het directoraat-generaal Rijkswaterstaat is, namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, belast met de navolgende hoofdtaken en daarmee samenhangende activiteiten: - a. de aanleg, het beheer en het onderhoud van waterstaatswerken en wegen in beheer bij het Rijk; - b. de uitvoering van beleid met betrekking tot milieu, leefomgeving, mobiliteit, verkeersveiligheidsaudits en verkeersveiligheidsinspecties voor zover dit niet bij of krachtens de wet aan een ander bestuursorgaan of een ander onderdeel van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is opgedragen of gemandateerd; - c. het verrichten dan wel bevorderen van onderzoek en het adviseren van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over hetgeen dienstig kan zijn voor de uitvoering van de taken genoemd in onderdelen a en b; - d. het adviseren over en het toetsen van de uitvoerbaarheid van nieuwe wet- en regelgeving, die voor de uitvoering van de taken genoemd in onderdelen a en b, van belang is"},{"i":10321,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 14 maart 2005, nr. VI/CM20050113779, tot instelling van een Eenheid Planning en Advies nucleair Handelend in overeenstemming met de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Verkeer en Waterstaat, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Defensie; Besluit: Artikel 1 1. In dit besluit wordt onder ongeval verstaan: gebeurtenis - a. als gevolg waarvan straling vrijkomt of dreigt vrij te komen die tot een verhoogd risico leidt of kan leiden voor mens of milieu, of - b. die ter voorkoming of vermindering van een verhoogd stralingsrisico voor mens of milieu een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines vergt, of - c. (sluit anders niet aan bij ‘gebeurtenis’) anderszins die een dringend optreden vereist om mensen, milieu en economie tegen blootstelling aan straling te beschermen. 2. In dit besluit wordt onder een Eenheid Planning en Advies Nucleair (EPAn) verstaan een organisatorische eenheid als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018105&artikel=2&z=2005-03-20&g=2005-03-20). 3. In dit besluit wordt onder een Front Office EPAn verstaan een onderdeel van de EPAn die het ambtelijk beleidsteam of het bestuursorgaan dat bevoegd is met betrekking tot het ongeval besluiten te nemen omtrent de te treffen maatregelen, gevraagd en ongevraagd adviseert inzake maatregelen die noodzakelijk zijn om een (dreigend) ongeval en de gevolgen daarvan te beheersen. 4. In dit besluit wordt onder een Back Office verstaan een onderdeel van de EPAn dat aan de Front Office gevraagd en ongevraagd informatie geeft waardoor het Front Office haar taak kan uitvoeren. 5. In dit besluit wordt onder een Steuncentrum verstaan een onderdeel van de EPAn die aan het Back Office gegevens levert waardoor de Back Office in staat is haar taak ten behoeve van het"},{"i":10327,"b":"Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart “EUROCONTROL” De Bondsrepubliek Duitsland, Het Koninkrijk België, De Franse Republiek, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, overwegende dat het op steeds grotere schaal indienststellen van turbinevliegtuigen voor het vervoer van personen en goederen een ingrijpende wijziging van de organisatie van de luchtverkeersleiding ten gevolge zal kunnen hebben, overwegende dat op het gebied van de vluchtuitvoering het nieuwe materieel zich kenmerkt door: hoge snelheden, de noodzaak om in het belang van een economische exploitatie een snelle en ononderbroken stijging te kunnen uitvoeren tot op de meest rendabele hoogten en op deze hoogten te kunnen blijven tot zo dicht mogelijk bij de plaats van bestemming, overwegende dat deze kenmerken, behalve een aanpassing of reorganisatie van de bestaande methoden en vormen van controle, medebrengen dat er boven een bepaalde hoogte nieuwe vluchtinlichtingengebieden in het leven moeten worden geroepen, die geheel of ten dele in verkeersgebieden worden onderverdeeld, overwegende dat, rekening houdende met de snelheid waarmee het bedoelde materieel zich ontwikkelt, de luchtverkeersleiding op grote hoogte voor het merendeel der Europese landen niet langer denkbaar is binnen de nationale grenzen, overwegende derhalve dat het raadzaam is een internationale controle-instantie in het leven te roepen, die haar werkzaamheden zal uitoefenen in delen van het luchtruim die tot buiten de landsgrenzen van een staat reiken, overwegende dat het, wat het lager gelegen luchtruim betreft, in bepaalde gevallen van belang zou kunnen zijn om de luchtverkeersleiding boven een deel van het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen te doen verrichten door bovengenoemde internationale instantie of door een andere Verdragsluitende Partij, overwegende anderzijds dat de internationali"},{"i":10332,"b":"Wet van 9 november 2009 tot intrekking van enige wetten betreffende het waterbeheer, aanpassing van een aantal andere wetten, regeling van het overgangsrecht en aanvulling van de Waterwet, met het oog op de invoering van die wet (Invoeringswet Waterwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de invoering van de [Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458) noodzakelijk is een aantal wetten, waaronder de Waterwet, aan te passen en enige andere wetten in te trekken, alsmede het overgangsrecht te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijziging van enige wetten Artikel 1.1 Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel 1.2 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.3 Wijzigt de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat. Artikel 1.4 Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998. Artikel 1.4a Wijzigt de Ontgrondingenwet. Artikel 1.5 Wijzigt de Planwet verkeer en vervoer. Artikel 1.6 Wijzigt de Provinciewet. Artikel 1.7 Wijzigt de Spoedwet wegverbreding. Artikel 1.8 Wijzigt de Waterschapswet. Artikel 1.9 Wijzigt de Waterstaatswet 1900. Artikel 1.10 Wijzigt de Waterwet. Artikel 1.11 Wijzigt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Artikel 1.12 Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel 1.13 Wijzigt de Wet bodembescherming. Artikel 1.14 Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel 1.15 Wijzigt de Goedkeurings- en uitvoeringswet Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart. Artikel 1.16 Wijzigt de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel 1.17 Wijzigt de Wet inzake de luchtverontreiniging. Artikel 1.18 Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel 1.19 Wijzigt de Wet rampen en zware ongevallen. Artikel 1.20 Wijzigt de Wet voorkoming verontreiniging door schepe"},{"i":10334,"b":"Wet van 17 december 1997, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Verkeer en Waterstaat (Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de totstandkoming van de derde tranche van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) het wenselijk maakt een wettelijk kader te scheppen voor de verstrekking van een aantal subsidies door de Minister van Verkeer en Waterstaat; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt volgens Stb. 1997/725 in werking met ingang van de dag dat de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht in werking treedt. Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 Onze Minister kan bij regeling als bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3&z=2009-11-25&g=2009-11-25), subsidies verstrekken voor activiteiten die passen in: - a. het verkeers- en vervoerbeleid, - b. het luchtvaart- en luchtverkeersbeleid, - c. het scheepvaart- en maritiembeleid, - d. het waterbeleid of - e. het beleid terzake van de infrastructuur, voorzover deze subsidies niet gebaseerd zijn op een andere wet. Artikel 3 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij ministeriële regeling worden de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt nader bepaald alsmede de criteria voor die verstrekking vastgesteld. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven met betrekking tot: - a. de aanvraag van de subsidie en de besluitvorming daarover; - b. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend; - c. de verplichtingen van de subsidieontvanger; - d. de vaststelling van"},{"i":10338,"b":"Wet van 14 juli 1960, houdende regelen met betrekking tot de afsluiting van een gedeelte van de uit de Wet op de Materiële Oorlogsschaden, de Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen en de Wet op de Watersnoodschade 1953 voortvloeiende werkzaamheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen met het oog op de afsluiting van een gedeelte van de uit de Wet op de Materiële Oorlogsschaden, de [Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002065) en de [Wet op de Watersnoodschade 1953](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002128) voortvloeiende werkzaamheden, waarmede de opheffing van de voor deze werkzaamheden in het leven geroepen organen gepaard dient te gaan: Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet verstaat onder \"Onze Minister\": Onze Minister van Financiën. Artikel 2 1. Het Commissariaat voor Oorlogsschade, de schade-enquête-commissie te Rotterdam en het rampschadebureau te Rotterdam worden opgeheven met ingang van 1 augustus 1960. Tegelijkertijd eindigen de functies van Directeur van het bureau en van secretaris van dit Commissariaat, van secretaris van de schade-enquête-commissie te Rotterdam en van hoofd van het rampschadebureau te Rotterdam. Ten aanzien van de archieven van deze organen treft Onze Minister de nodige voorzieningen. 2. Voor zoveel door of krachtens de Wet op de Materiële Oorlogsschaden of door de [Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002065) aan de in het eerste lid genoemde organen opgedragen taken op de genoemde datum nog niet zijn voltooid, draagt Onze Minister daarvoor zorg: de bevoegdheden van die organen gaan op Onze Minister over. Artikel 89, tweede lid, van de eerstgenoe"},{"i":10340,"b":"Besluit van 4 september 2014 tot vaststelling van een luchthavenbesluit voor de militaire luchthaven Deelen (Luchthavenbesluit Deelen) Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 11 juli 2014, nr. BS2014019525, Directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 10.15 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 augustus 2014, no. W07.14.0270/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 1 september 2014, nr. BS2014025705, Directie Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **gebruiksjaar:** de periode van een jaar die loopt van 1 januari tot en met 31 december; - b. **recreatief burgerluchtverkeer:** luchthavenluchtverkeer in de vorm van modelvliegen, motorsportvliegen, sleepvliegen, zeilvliegen en zweefvliegen als bedoeld in [artikel 20 van het Besluit militaire luchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025302&artikel=20); - c. **uniforme daglichtperiode:** het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang zoals geldt voor de positie 52°00' N en 05°00' O op zeeniveau; - d. **vliegtuigbeweging:** start of landing van een vliegtuig van of op de luchthaven; - e. **wet:** [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555). Hoofdstuk 2. Het luchthavengebied en het beperkingengebied Artikel 2.1 1. Het luchthavengebied is het gebied dat als zodanig is aangewezen op de kaart in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035554&bijlage=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit besluit. 2. Het beperkingengebied is het gebied dat als zodanig is aangewezen op de kaart in [bijlage 2](https://wetten.overheid.n"},{"i":10343,"b":"Besluit van 3 mei 2013 tot vaststelling van een luchthavenbesluit voor de militaire luchthaven Leeuwarden (Luchthavenbesluit Leeuwarden) Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 18 maart 2013, nr. BS/2013007938, Directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 10.15 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 april 2013, no. W07.13.0082/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 26 april 2013, nr. BS/2013013084, Directie Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **gebruiksjaar:** de periode van een jaar die loopt van 1 januari tot en met 31 december; - b. **recreatief burgerluchtverkeer:** luchthavenluchtverkeer in de vorm van zweefvliegen, sleepvliegen, motorsportvliegen, modelvliegen of zeilvliegen, als bedoeld in [artikel 20 van het Besluit militaire luchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025302&artikel=20); - c. **uniforme daglichtperiode:** het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang zoals geldt voor de positie 52°00' N en 05°00' O op zeeniveau; - d. **vliegtuigbeweging:** start of landing van een vliegtuig van of op de luchthaven; - e. **wet:** [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555). Hoofdstuk 2. Het luchthavengebied en het beperkingengebied Artikel 2.1 1. Het luchthavengebied is het gebied dat als zodanig is aangewezen op de kaart in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033411&bijlage=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij dit besluit. 2. Het beperkingengebied is het gebied dat als zodanig is aangewezen op de kaart in [bijlage 2](https://wetten.overheid.n"},{"i":10349,"b":"Luchthavenregeling Assen Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair terrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihaven Assen. Artikel 3 De militaire helihaven is gelegen op het terrein van de Johan Willem Friso Kazerne te Assen en bestaat uit een cirkelvormig gebied met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 52°59'31,40\"N 006°31'58,15\"E, zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 4 De militaire helihaven staat uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029841&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting een maximum van 100 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats voor 06.00 uur en na 22.00 uur. 2. Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van dringende operationele noodzaak. Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2010. Artikel 9 Deze regeling wordt aangehaald als: Luchthavenregeling Assen. Bijlage Kaart schaal 1:10.000 ligt ter inzage bij de Militaire Luchtvaart Autoriteit te Den Haag. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10350,"b":"Luchthavenregeling Beekhuizerzand Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair oefenterrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter; - c. **hoveren:** het stilhangen van een helikopter op geringe hoogte boven de grond. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihaven op het militaire oefenterrein Beekhuizerzand. Artikel 3 De militaire helihaven is gelegen te Beekhuizen en bestaat uit een cirkelvormig gebied met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 52°20’12,85”N 005°40’59,51”E, zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 4 De militaire helihaven staat uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 1. Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029848&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting een maximum van 400 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. 2. Hoveren vindt plaats in aaneengesloten periodes van maximaal 15 minuten, met een maximum van 120 minuten per dag. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats: - a. op vrijdag na 16.00 uur; - b. op zaterdag voor 10.00 uur en na 17.00 uur, en - c. op zon- en feestdagen. 2. Op maandag tot en met donderdag vinden voor 09.00 uur en na 23.00 uur geen grootschalige helikopterverplaatsingen plaats. 3. Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van dringende operationele noodzaak. Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingan"},{"i":10351,"b":"Luchthavenregeling Eder- en Ginkelse Heide Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair oefenterrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter; - c. **hoveren:** het stilhangen van een helikopter op geringe hoogte boven de grond. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihavens op het militaire oefenterrein Eder- en Ginkelse Heide. Artikel 3 De militaire helihavens zijn gelegen te Ede en bestaan uit drie cirkelvormige gebieden met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 52°03'37,18\"N 005°42'16,26\"E, de coördinaat 52°03'14,06\"N 005°42'35,87\"E en de coördinaat 52°01'52,11\"N 005°43'04,11\"E, zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaarten. Artikel 4 De militaire helihavens staan uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 1. Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029842&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting voor de drie gebieden gezamenlijk een maximum van 1500 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. 2. Hoveren vindt plaats in aaneengesloten periodes van maximaal 15 minuten, met een maximum van 180 minuten per dag. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaarten. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats: - a. op vrijdag na 16.00 uur; - b. op zaterdag voor 10.00 uur en na 17.00 uur, en - c. op zon- en feestdagen. 2. Op maandag tot en met donderdag vinden voor 09.00 uur en na 23.00 uur geen grootschalige helikopterverplaatsin"},{"i":10352,"b":"Luchthavenregeling Ermelose Heide Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair oefenterrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter; - c. **hoveren:** het stilhangen van een helikopter op geringe hoogte boven de grond. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihaven op het militaire oefenterrein Ermelose Heide. Artikel 3 De militairehelihaven is gelegen te Ermelo en bestaat uit een cirkelvormig gebied met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 52°17’28,26”N 005°40’50,61”E, zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 4 De militaire helihaven staat uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 1. Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029860&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting een maximum van 300 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. 2. Hoveren vindt plaats in aaneengesloten periodes van maximaal 15 minuten, met een maximum van 180 minuten per dag. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats: - a. op vrijdag na 16.00 uur; - b. op zaterdag voor 10.00 uur en na 17.00 uur, en - c. op zon- en feestdagen. 2. Op maandag tot en met donderdag vinden voor 09.00 uur en na 23.00 uur geen grootschalige helikopterverplaatsingen plaats. 3. Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van dringende operationele noodzaak. Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingang van"},{"i":10353,"b":"Luchthavenregeling Garderense Veld Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair oefenterrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter; - c. **hoveren:** het stilhangen van een helikopter op geringe hoogte boven de grond. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihaven op het militaire oefenterrein Garderense Veld. Artikel 3 De militaire helihaven is gelegen te Garderen en bestaat uit een cirkelvormig gebied met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 52°14’36,33”N 005°43’41,14”E,zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 4 De militaire helihaven staat uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 1. Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029877&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting een maximum van 200 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. 2. Hoveren vindt plaats in aaneengesloten periodes van maximaal 15 minuten, met een maximum van 180 minuten per dag. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats: - a. op vrijdag na 16.00 uur; - b. op zaterdag voor 10.00 uur en na 17.00 uur, en - c. op zon- en feestdagen. 2. Op maandag tot en met donderdag vinden voor 09.00 uur en na 23.00 uur geen grootschalige helikopterverplaatsingen plaats. 3. Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van dringende operationele noodzaak. Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingang"},{"i":10354,"b":"Luchthavenregeling Leusderheide Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair oefenterrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter; - c. **hoveren:** het stilhangen van een helikopter op geringe hoogte boven de grond. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihavens op het militaire oefenterrein Leusderheide. Artikel 3 De militaire helihavens zijn gelegen te Leusden en bestaan uit twee cirkelvormige gebieden met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 52°05'52,81\"N 005°20'38,68\"E en de coördinaat 52°05'48,17\"N 005°20'43,19\"E, zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 4 De militaire helihavens staan uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 1. Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029847&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting voor de twee gebieden gezamenlijk een maximum van 600 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. 2. Hoveren vindt plaats in aaneengesloten periodes van maximaal 15 minuten, met een maximum van 180 minuten per dag. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaart. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats: - a. op vrijdag na 16.00 uur; - b. op zaterdag voor 10.00 uur en na 17.00 uur, en - c. op zon- en feestdagen. 2. Op maandag tot en met donderdag vinden voor 09.00 uur en na 23.00 uur geen grootschalige helikopterverplaatsingen plaats. 3. Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van dr"},{"i":10355,"b":"Luchthavenregeling Marnewaard Gelet op [artikel 10.39 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.39); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **militaire helihaven:** een op een militair oefenterrein gelegen militaire luchthaven voor gebruik door helikopters; - b. **vliegtuigbeweging:** een start of een landing van een helikopter; - c. **hoveren:** het stilhangen van een helikopter op geringe hoogte boven de grond. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de militaire helihavens op het militaire oefenterrein Marnewaard. Artikel 3 De militaire helihavens zijn gelegen te Marnewaard en bestaan uit drie cirkelvormige gebieden met een straal van 50 meter rondom de coördinaat 53°22’56,26”N 006°15’32,43”E, de coördinaat 53°24'01,77”N 006°16'06,13”E en de coördinaat 53°23'57,17”N 006°15'06,85”E, zoals aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaarten. Artikel 4 De militaire helihavens staan uitsluitend open voor het landen en opstijgen van helikopters in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht. Artikel 5 1. Voor het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029840&artikel=4&z=2010-11-01&g=2010-11-01) bedoelde luchthavenluchtverkeer wordt als grenswaarde voor de geluidbelasting voor de drie gebieden gezamenlijk een maximum van 210 vliegtuigbewegingen per jaar vastgesteld. 2. Hoveren vindt plaats in aaneengesloten periodes van maximaal 15 minuten, met een maximum van 180 minuten per dag. Artikel 6 Het luchthavenluchtverkeer vindt uitsluitend plaats met inachtneming van de in- en uitvliegroutes die zijn aangegeven op de in de bijlage bij deze regeling opgenomen kaarten. Artikel 7 1. Geen luchtverkeer vindt plaats: - a. op vrijdag na 16.00 uur; - b. op zaterdag voor 10.00 uur en na 17.00 uur, en - c. op zon- en feestdagen. 2. Op maandag tot en met donderdag vinden voor 09.00 uur en na 23.00 uur geen grootschalige helikopterverplaatsingen plaats. 3. Het e"},{"i":10371,"b":"Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Republiek Tanzania The Kingdom of the Netherlands and the United Republic of Tanzania, hereinafter referred to as the “Contracting Parties”, Being parties to the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Desiring to contribute to the progress of international aviation; Desiring to guarantee the highest level of safety and security in international air transport; Desiring to conclude an Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the United Republic of Tanzania for Air Services between and beyond their respective territories; Have agreed as follows: CHAPTER I. INTRODUCTION Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement - a). the term “Aeronautical Authorities” means: for the Kingdom of the Netherlands, the Minister of Infrastructure and the Environment, and for the United Republic of Tanzania: the Minister for the time being responsible for the matters relating to Civil Aviation, or in either case any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said Authorities; - b). the terms “Agreed Service” and “Specified Route” mean: international Air Service pursuant to this Agreement and the route specified in the [Annex](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006371&bijlage=1&z=2016-07-01&g=2016-07-01) to this Agreement respectively; - c). the term “Agreement” means: this Agreement, its [Annex](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006371&bijlage=1&z=2016-07-01&g=2016-07-01) drawn up in application thereof, as well as any amendment to the Agreement or the Annex; - d). the terms “Air Service”, “International Air Service” and “Airline” shall have the meaning respectively assigned to them in [Article 96 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96); - e). the term “Change of Aircraft” means: the operation of one of"},{"i":10385,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 13 december 2021, nr. 3700270, houdende verlening van mandaat en machtiging aan de Commandant van de Koninklijke marechaussee ter zake van bevoegdheden op het terrein van de beveiliging van de burgerluchtvaart (Mandaat- en machtigingsbesluit Kmar beveiliging burgerluchtvaart 2021) Gezien de instemming van de Commandant van de Koninklijke marechaussee (brief van 8 december 2021, kenmerk 2021009221); Gelet op [artikel 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [artikel 37q, tweede lid van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37q); Besluit: Artikel 1 Aan de Commandant van de Koninklijke marechaussee worden mandaat en machtiging verleend ter zake van de in onderstaande bepalingen van de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) genoemde bevoegdheden: - a. [artikel 37acb, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37abc); - b. [artikel 37ada, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37ada), voor zover er geen specifieke dreiging geldt en de inzet van ambtenaren van de Koninklijke marechaussee uitsluitend plaatsvindt ten behoeve van het op peil houden van vaardigheden en ter ontmoediging van terroristen; - c. [artikel 37q, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37q). Artikel 2 Aan de Commandant van de Koninklijke marechaussee wordt toegestaan van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046117&artikel=1&z=2022-01-01&g=2022-01-01) verleende mandaat ondermandaat te verlenen en de in artikel 1 verleende machtiging door te geven aan de onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 3 Het [Mandaat- en machtigingsbesluit Kmar beveiliging burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022452) van 24 augustus 2007, nr. 5501209/07/NCTb wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking me"},{"i":10401,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 10 december 2013, nr. IENM/BSK-2013/287792, houdende omzetting van bepalingen omtrent het luchthavenluchtverkeer uit het aanwijzingsbesluit van de luchthaven Maastricht, in verband met de vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens (Omzettingsregeling luchthaven Maastricht) Gelet op [artikel X van de Wet van 18 december 2008 houdende wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024928&artikel=X) (Stb. 2008, 561); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **ATC-slot (Air Traffic Control-slot):** een door de luchtverkeersleiding opgegeven CTOT (Calculated Take-Off Time). Dit is een nominale tijd met een tolerantie van 5 minuten voor tot 10 minuten na het opgegeven slot-tijdstip; - –. **circuitvlucht:** vliegtuigbeweging in de onmiddellijke omgeving van de luchthaven, in het bijzonder verband houdend met het starten, het oefenen voor het landen en het landen als onderdeel van het lesvliegen; - –. **exploitant:** de exploitant van de luchthaven Maastricht; - –. **lesvlucht:** vlucht onder leiding van een instructeur om vliegvaardigheid te verkrijgen; - –. **oefenvlucht:** solovlucht voor het verkrijgen dan wel behouden van vliegvaardigheid; - –. **proefvlucht:** vlucht met een luchtvaartuig ter beproeving van de eigenschappen en goede werking van een luchtvaartuig of voor de levering van bewijs van het voldoen aan de luchtvaardigheidsvoorschriften; - –. **regeringsvlucht:** vlucht ten behoeve van staatshoofden of regeringsfunctionarissen, dan wel in hun opdracht; - –. **verdrag:** Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109); - –. **wet:** [wet van 18 december"},{"i":10407,"b":"Besluit van de directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, van 11 oktober 2023, nr. IENW/BSK-2023/291378, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Ondermandaatbesluit directoraat-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken 2023) Gelet op [artikel 27, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27); BESLUIT: Artikel 1. Verlening ondermandaat Aan de directeuren, programmadirecteur, afdelingshoofden en project- of programmamanagers, bedoeld in [artikel 5, derde en vierde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=5), worden de door de minister aan de directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27), voor zover die behoren bij hun taken, bedoeld in artikel 5, negende lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023, in ondermandaat verleend. Artikel 2. Omvang ondermandaat Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048809&artikel=1&z=2023-11-01&g=2023-11-01) verleende ondermandaat omvat niet de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar. Artikel 3. Ondermandaat Rijkswaterstaat Voor de volgende aan de directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27), wordt ondermandaat verleend aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat: - a. het in behandeling nemen van en beslissen op verzoeken om schadevergoeding die verband houden met de luchthavens Eelde, Eindhoven, Lelystad, Maastricht, Rotterdam en Schiphol en het bij die luchthavens behorende luchtverkeer; - b."},{"i":10444,"b":"Overeenkomst tussen de Nederlandse Regering en de Internationale Vluchtelingen Organisatie Artikel 1 De Nederlandse Regering en de Internationale Vluchtelingen Organisatie, wensende regelingen te treffen voor haar ondersteuning van bejaarde vluchtelingen onder mandaat van de Internationale Vluchtelingen Organisatie en aan hun gezinsleden, komen het volgende overeen inzake de voortdurende zorg en financiële onderstand van de dertig bejaarde vluchtelingen en hun tien gezinsleden, die begunstigden zijn krachtens de aangehechte lijfrente-verzekeringspolissen, uitgegeven door de Levensverzekeringmaatschappij van de Nederlandse Verzekering Maatschappij. Artikel 2 De Nederlandse Regering: - (a). keurt de aanvaarding goed van dit schema van lijfrenten teneinde een aanvullende ondersteuning voor het leven te verlenen aan de veertig vluchtelingen, genoemd in artikel 1. - (b). gaat ermede accoord deze vluchtelingen als vaste ingezetenen van Nederland te aanvaarden, waaronder te verstaan: als vreemdelingen, aan wie toestemming tot verblijf in Nederland voor onbepaalde duur is verleend en die niet onderworpen zijn aan maatregelen van uitzetting uitsluitend op grond van armlastigheid. - (c). gaat ermede accoord deze vluchtelingen zover mogelijk (in het bijzonder wat betreft onderstand van overheidswege en sociale zekerheid) een rechtspositie te verlenen, zoals beoogd binnen het kader van het Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, opgesteld door de Verenigde Naties. - (d). gaat ermede accoord uitkeringen tot ondersteuning van overheidswege zoals door deze groep benodigd, toe te staan, zonder aftrek te eisen van de aanvullende bedragen afkomstig van de lijfrenten krachtens deze polis. - (e). gaat accoord met het beginsel van rechtstreekse betaling van de lijfrenten aan de betrokken vluchtelingen. Artikel 3 De Internationale Vluchtelingen Organisatie: - (a). gaat ermede accoord de totale kosten van de premie, te weten 110.415 (een honderd en tien duizend vier honderd en vi"},{"i":10449,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van de Soedan en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden voor de instelling en het onderhouden van luchtdiensten tussen hun onderscheidene grondgebieden en verder gelegen punten De Regering van de Soedan en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, verlangende het burgerlijke luchtvervoer tussen de Soedan en Nederland en verder gelegen punten te bevorderen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Met betrekking tot deze Overeenkomst betekent, tenzij uit het verband anders blijkt, - a). de uitdrukking „luchtvaartautoriteiten”: waar het Nederland betreft, de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst en enig persoon of lichaam gemachtigd tot het vervullen van de functies welke thans door bovenbedoelde Directeur-Generaal worden uitgeoefend of soortgelijke functies, en, waar het de Soedan betreft, de Directeur van de Burgerlijke Luchtvaart en enig persoon of lichaam gemachtigd tot het vervullen van de functies welke thans door bovenbedoelde Directeur worden uitgeoefend of soortgelijke functies; - b). de uitdrukking „aangewezen luchtvaartmaatschappij”: een luchtvaartmaatschappij welke de luchtvaartautoriteiten van de ene Overeenkomstsluitende Partij schriftelijk hebben opgegeven aan de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij als de luchtvaartmaatschappij welke door haar overeenkomstig artikel 3 van deze Overeenkomst is aangewezen voor het onderhouden van luchtdiensten op de in die kennisgevingen omschreven routes. Artikel 2 Onverminderd de bepalingen van deze Overeenkomst houdt iedere Overeenkomstsluitende Partij, voor wat betreft aangelegenheden welke betrekking hebben op de instelling en het onderhouden van de overeengekomen diensten, zich aan de desbetreffende artikelen van het op 7 december 1944 te Chicago ter ondertekening opengestelde Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart. Artikel 3 1). Iedere Overeenkomstsluitende Pa"},{"i":10450,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden voor de instelling en het onderhouden van geregelde luchtdiensten tussen en via hun onderscheidene grondgebieden De Regering van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen de Overeenkomst sluitende partijen; Partij zijnde bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart ondertekend op zeven december 1944 te Chicago, Illinois, Verenigde Staten van Amerika (hierna te noemen het Verdrag); Overwegende dat het gewenst is op veilige en ordelijke wijze internationale luchtdiensten te organiseren en zo veel mogelijk de ontwikkeling van internationale samenwerking op dit gebied te bevorderen; Tevens overwegende dat het wenselijk is het internationale luchtverkeer aan te moedigen tegen de laagste tarieven welke verenigbaar zijn met gezonde economische beginselen, en de vele indirecte voordelen van deze vorm van vervoer voor het gemeenschappelijk welzijn van beide landen te verzekeren; En geleid door de wens een overeenkomst te sluiten met het doel geregelde commerciële luchtdiensten tussen en via hun onderscheidene grondgebieden te bevorderen; Hebben dienovereenkomstig de ondergetekende gevolmachtigden voor dat doel aangewezen, die, behoorlijk daartoe door hun onderscheidene Regeringen gemachtigd, zijn overeengekomen de volgende overeenkomst te sluiten: Artikel 1 Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij de rechten omschreven in de Bijlage bij deze Overeenkomst, ten behoeve van de instelling van luchtdiensten (hierna te noemen „overeengekomen diensten”) op de daarin omschreven routes (hierna te noemen „omschreven routes”). Artikel 2 1. De overeengekomen diensten kunnen onmiddellijk, dan wel op een later tijdstip, naar verkiezing van de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de rechten worden verleend, worden geopend, maar niet voordat - a. De Overe"},{"i":10451,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Koninklijke Afghaanse Regering inzake instellen en onderhouden van luchtdiensten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Koninklijke Afghaanse Regering, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen; Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart en de Overeenkomst inzake de doortocht van internationale luchtdiensten, beide ondertekend te Chicago op de zevende dag van december 1944, zijnde de bepalingen van dat Verdrag en die Overeenkomst bindend voor beide Partijen; Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten voor het onderhouden van luchtvervoersdiensten tussen en via haar onderscheidene grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij de in de Bijlage bij deze Overeenkomst omschreven rechten teneinde te komen tot de instelling van luchtdiensten (hierna te noemen „overeengekomen diensten”) op de in die Bijlage omschreven routes (hierna te noemen de „omschreven routes”). Artikel 2 1. De overeengekomen diensten kunnen, naar verkiezing van de Overeenkomstsluitende Partij aan wie de rechten worden verleend, onmiddellijk dan wel op een later tijdstip worden geopend, op voorwaarde dat - a. de Overeenkomstsluitende Partij aan wie de rechten zijn verleend, een luchtvaartmaatschappij (hierna te noemen een „aangewezen luchtvaartmaatschappij”) voor de omschreven routes heeft aangewezen, en - b. de Overeenkomstsluitende Partij die de rechten verleent, aan de betrokken luchtvaartmaatschappij de passende exploitatievergunning heeft verleend, hetgeen zij behoudens het bepaalde in lid 2 van dit Artikel en in Artikel 7 zonder onnodige vertraging zal doen. 2. Van de aangewezen luchtvaartmaatschappij van elk der Overeenkomstsluitende Partijen kan worden verlangd, dat zij ten genoegen van de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij aantoont,"},{"i":10452,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Trinidad en Tobago inzake de instelling en exploitatie van luchtdiensten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Trinidad en Tobago, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, verlangend het burgerluchtvervoer tussen en via hun onderscheiden grondgebieden te bevorderen, sluiten hierbij de volgende overeenkomst: Artikel 1 1. Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij de in deze Overeenkomst omschreven rechten voor het instellen van geregelde internationale luchtdiensten op de routes die zijn omschreven in de bijlage bij deze Overeenkomst. Zulke diensten en routes worden hierna onderscheidenlijk „de overeengekomen diensten” en „de omschreven routes” genoemd. 2. De door elk der Overeenkomstsluitende Partijen aangewezen luchtvaartmaatschappijen hebben, bij de exploitatie van een overeengekomen dienst op een omschreven route, de volgende rechten: - (a). om zonder te landen over het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij te vliegen; - (b). om op dat grondgebied te landen voor andere dan verkeersdoeleinden; - (c). om op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij te landen voor het opnemen en afzetten van passagiers, post en vracht in internationaal verkeer. 3. Geen der in lid 2 van dit artikel vervatte bepalingen wordt geacht de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van een der Overeenkomstsluitende Partijen het recht te geven tot het opnemen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij van passagiers, vracht of post tegen vergoeding of beloning en bestemd om op een ander punt op het grondgebied van die andere Overeenkomstsluitende Partij te worden afgezet. Artikel 2 1. Elke Overeenkomstsluitende Partij is gerechtigd aan de andere Overeenkomstsluitende Partij schriftelijk mededeling te doen van de aanwijzing van een of meer luchtvaartmaatschappijen voor de exploitat"},{"i":10455,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake luchtvervoer tussen Nederland en Canada De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, Partij zijnde bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld, Geleid door de wens de totstandkoming van een doeltreffend internationaal luchtvaartsysteem te bevorderen, zodanig dat aan het reizende publiek en aan de verladers een ruime keuze wordt geboden wat luchtvervoersdiensten betreft, Geleid door de wens de uitbreiding van de internationale luchtvervoersdiensten tussen en voorbij hun onderscheiden grondgebieden te vergemakkelijken, Geleid door de wens de grootste mate van veiligheid en beveiliging wat het internationale luchtvervoer betreft, te waarborgen, Geleid door de wens een nieuwe Overeenkomst inzake Luchtvervoer te sluiten die, wat de luchtvervoersdiensten tussen Nederland en Canada betreft, in de plaats treedt van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada inzake luchtvervoer, gedaan op 17 juni 1974 te Ottawa, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Vervallen Artikel II Vervallen Artikel III Vervallen Artikel IV Vervallen Artikel V Vervallen Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIII Vervallen Artikel IX Vervallen Artikel X Vervallen Artikel XI Vervallen Artikel XII Vervallen Artikel XIII Vervallen Artikel XIV Vervallen Artikel XV Vervallen Artikel XVI Vervallen Artikel XVII Vervallen Artikel XVIII Vervallen Artikel XIX Vervallen Artikel XX Vervallen Artikel XXI Vervallen Artikel XXII Vervallen Artikel XXIII Vervallen Artikel XXIV Vervallen Artikel XXV Vervallen Artikel XXVI Vervallen TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, deze Overeenkomst hebben ondertekend. GEDAAN te Ottawa de 2 juni 1989, in tweevoud in de Eng"},{"i":10461,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Botswana inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Botswana, Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten met het doel luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in deze Overeenkomst en de Bijlage de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag” wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of het Verdrag overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten” wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Verkeer en Waterstaat; wat de Republiek Botswana betreft, de minister die verantwoordelijk is voor de burgerluchtvaart; of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie die thans door de genoemde minister wordt uitgeoefend, te vervullen; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij” wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 4 van deze Overeenkomst; - d. de term „grondgebied” heeft, met betrekking tot een Staat, de betekenis die daaraan in artikel 2 van het Verdrag wordt toegekend; - e. de begrippen „luchtdienst”, „internation"},{"i":10462,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cuba inzake luchtdiensten tussen en via de Nederlandse Antillen en Cuba Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cuba, partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten met het doel luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in deze Overeenkomst en de Bijlage daarbij de volgende begrippen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen; wat de Republiek Cuba betreft, de Voorzitter van het Instituut voor de Burgerluchtvaart; of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie die thans door de genoemde Minister of Voorzitter wordt uitgeoefend, te vervullen; - b. onder „het Verdrag\" wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of het Verdrag overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij\" wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 van deze Overeenkomst; - d. onder „tarief wordt verstaan: elk bedrag in rekening gebracht of in rekening te brengen door de luchtvaartmaatschappijen, rechtstreeks of via hun agenten, aan alle natuur"},{"i":10463,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus inzake het handelsluchtverkeer Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus, hierna in deze Overeenkomst te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, die beide het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening is opengesteld, hierna in deze Overeenkomst te noemen het „Verdrag”, hebben ondertekend, verlangend voorzieningen te treffen voor geregelde commerciële luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden en met het oog op de bevordering van het toerisme, zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 In deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlage hebben de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis, tenzij in de tekst anders staat vermeld: - (a). Onder „luchtvaartautoriteiten” wordt wat Nederland betreft, verstaan de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst en wat de Republiek Cyprus betreft, de Dienst voor de Burgerluchtvaart van het Ministerie van Verbindingen en Openbare Werken of, in beide gevallen, andere instellingen of personen bevoegd de functies te vervullen die thans door de genoemde autoriteiten worden vervuld. - (b). Onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij” wordt verstaan de luchtvaartmaatschappij die een van de Overeenkomstsluitende Partijen overeenkomstig artikel 3 van deze Overeenkomst, schriftelijk aan de andere Overeenkomstsluitende Partij heeft aangewezen als de luchtvaartmaatschappij die de internationale luchtdiensten zal exploiteren en de routes omschreven in artikel 2 van deze Overeenkomst. - (c). „Grondgebied”, „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij” en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden” hebben voor de toepassing van deze Overeenkomst de betekenis daaraan toegekend in de artikelen 2 en 96 van het Verdrag. Artikel 2 Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij de in deze Overeenkomst omschrev"},{"i":10467,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust inzake het luchtvervoer De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Ivoorkust, verlangende de ontwikkeling van het luchtvervoer tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ivoorkust te bevorderen en zoveel mogelijk te streven naar internationale samenwerking op dit gebied, verlangende met betrekking tot dit vervoer, de beginselen en bepalingen toe te passen van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944, Zijn het volgende overeengekomen: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar de in deze Overeenkomst omschreven rechten met het oog op de vestiging van de internationale burgerlijke luchtverbindingen, vermeld in de hierbij gevoegde Bijlage. Artikel 2 Voor de toepassing van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlage: - 1). heeft het woord „grondgebied” de betekenis zoals gedefinieerd in artikel 2 van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart; - 2). betekent de uitdrukking „luchtvaartautoriteit”: voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, de Minister belast met het luchtvervoer; voor wat betreft de Republiek Ivoorkust, de Minister belast met het luchtvervoer; - 3). betekent de uitdrukking „Aangewezen maatschappij” de luchtvaartmaatschappij die de luchtvaartautoriteiten van een Overeenkomstsluitende Partij met name hebben aangewezen als de door hen gekozen organisatie voor het exploiteren van de verkeersrechten voorzien in deze Overeenkomst en die door de andere Overeenkomstsluitende Partij overeenkomstig de bepalingen van de hierna volgende artikelen 10, 11 en 13 is aanvaard. Artikel 3 1). De luchtvaartuigen gebruikt in internationaal verkeer door de aangewezen luchtvaartmaatschappij van een Overeenkomstsluitende Partij, alsmede hun normale uitrusting, hun reserves aan motorbrandstoffen en smeeroliën en hun boordvoorraden"},{"i":10469,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Kaapverdië, Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten met het doel luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. Tenzij het zinsverband anders vereist hebben in deze Overeenkomst en de Bijlage de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. „het Verdrag”: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening is opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig de artikelen 90 van dat Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of het Verdrag overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen; - b. „luchtvaartautoriteiten”: - -. wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat en elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie die thans door genoemde minister wordt uitgeoefend te vervullen; - -. wat de Republiek Kaapverdië betreft: het Ministerie van Vervoer, Handel en Toerisme en elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie die thans door genoemd ministerie wordt uitgeoefend, te vervullen; - c. „aangewezen luchtvaartmaatschappij”: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 van deze Overeenkomst, - d. „grondgebied”: in verband met een Staat, de hieraan in artikel 2 van het Verdrag toegekende betekenis; - e. „luchtdienst”, „internationa"},{"i":10470,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kenya inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Kenya, Partijen zijnde bij het op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengestelde Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart en Geleid door de wens een aanvullende overeenkomst bij dat Verdrag te sluiten ten einde luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden in te stellen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij uit het zinsverband anders blijkt, hebben in deze Overeenkomst de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - (a). onder „luchtvaartautoriteiten” wordt wat de Republiek Kenya betreft, verstaan de minister voor de burgerluchtvaart of de persoon of instantie die bevoegd is een bepaalde functie op het gebied van deze Overeenkomst te vervullen; en wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, voor Nederland de directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst of de persoon of instantie die bevoegd is een van die functies te vervullen; - (b). de uitdrukkingen „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij” en „landing, anders dan voor verkeersdoeleinden” hebben onderscheidenlijk de betekenis die daaraan is toegekend in artikel 96 van het Verdrag; - (c). onder „Verdrag” wordt verstaan het op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengestelde Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, met inbegrip van alle krachtens artikel 90 van dat Verdrag aanvaarde Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of het Verdrag krachtens de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover die Bijlagen en wijzigingen door beide Overeenkomstsluitende Partijen zijn aanvaard; - (d). onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij” wordt verstaan een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 4 van deze Overeenkomst; - (e). onder „tarief” word"},{"i":10472,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Letland inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Letland, partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten met het doel geregelde luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in deze Overeenkomst en de Bijlage daarbij de volgende begrippen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag\" wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of het Verdrag overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat; wat de Republiek Letland betreft, de Minister van Vervoer; of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie die thans door de genoemde Minister wordt uitgeoefend, te vervullen; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij\" wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 4 van deze Overeenkomst; - d. het begrip „grondgebied\" heeft met betrekking tot een Staat de betekenis die daaraan in artikel 2 van het Verdrag wordt toegekend; - e. de begrippen „luchtdienst\", „internationale luchtdienst"},{"i":10474,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Malta inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Malta, Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld, en Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten tot aanvulling van genoemd Verdrag, met het doel luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Tenzij uit de inhoud van deze Overeenkomst anders blijkt, hebben de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - (a). „het Verdrag”: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening is opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van dat Verdrag aangenomen bijlagen en alle wijzigingen van de bijlagen of het Verdrag overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen; - (b). „luchtvaartautoriteiten”: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat en elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie die thans door genoemde minister wordt uitgeoefend of in de toekomst kan worden uitgeoefend of soortgelijke functies te vervullen, en wat de Republiek Malta betreft, de Minister belast met de Burgerluchtvaart en elke persoon of instantie die bevoegd is alle functies die thans door genoemde minister worden uitgeoefend of in de toekomst kunnen worden uitgeoefend of soortgelijke functies te vervullen; - (c). „aangewezen luchtvaartmaatschappij”: elke luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 van deze Overeenkomst; - (d). „grondgebied”: in verband met een Staat, het land en de daaraan grenzende territoriale zee onder"},{"i":10483,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten ten behoeve van de instelling van luchtdiensten tussen en buiten hun onderscheiden grondgebieden De Verenigde Arabische Emiraten en het Koninkrijk der Nederlanden, Partijen bij het Verdrag inzake de burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld, Geleid door de wens een aanvullende overeenkomst bij dit Verdrag te sluiten ten behoeve van de instelling van luchtdiensten tussen en buiten hun onderscheiden grondgebieden, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Tenzij uit het verband anders blijkt, wordt in deze Overeenkomst verstaan onder: - 1.1. „Verdrag”: het Verdrag inzake de burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld en waarin zijn begrepen alle Bijlagen die krachtens het bepaalde in artikel 90 van dit Verdrag zijn aanvaard, en alle wijzigingen van de Bijlagen of het Verdrag die krachtens het bepaalde in de artikelen 90 en 94 daarvan zijn aanvaard, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen van kracht zijn geworden of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen; - 1.2. „Overeenkomst”: deze Overeenkomst, de voor de toepassing daarvan opgestelde Bijlagen en alle wijzigingen daarvan; - 1.3. „luchtvaartautoriteiten”: in het geval van het Koninkrijk der Nederlanden de Minister van Verkeer en Waterstaat en elke andere persoon of instelling die gemachtigd is de functies te vervullen die thans of eventueel in de toekomst door deze Minister worden vervuld; en in het geval van de Verenigde Arabische Emiraten de Minister van Verbindingen en elke persoon of instelling die gemachtigd is de functies te vervullen die thans of eventueel in de toekomst door deze Minister worden vervuld; - 1.4. „aangewezen luchtvaartmaatschappijen”: (een) luchtvaartmaatschappij(en) die (is) (zijn) aangewezen en gemachtigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van deze Overeenkomst; - 1.5. „"},{"i":10491,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake luchtvaartdiensten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Oekraïne, hierna aangeduid als de „Overeenkomstsluitende Partijen\", partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een overeenkomst te sluiten met het doel geregelde luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in deze Overeenkomst en de Bijlage daarbij de volgende begrippen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag\" wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of het Verdrag overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Overeenkomstsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat; wat Oekraïne betreft, het Ministerie van Vervoer in Oekraïne; of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie die thans door de genoemde Minister of het genoemde Ministerie wordt uitgeoefend, te vervullen; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij\" wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 van deze Overeenkomst; - d. het begrip „grondgebied\" heeft met betrekking tot een Staat de betekenis die daaraan in artikel 2 van het Verdrag wordt toegekend; - e. de begrippen „luchtdienst\", „int"},{"i":10502,"b":"Privacyreglement verkeersregistratiesystemen Rijkswaterstaat Overwegende: dat door het gebruik van verkeersregistratiesystemen er sprake is van het verwerken van persoonsgegevens waar de Wet bescherming persoonsgegevens op van toepassing is; dat in de Wet persoonsregistraties een verplichting was opgenomen om een privacyreglement op te stellen; dat deze verplichting niet meer is opgenomen in de Wet bescherming persoonsgegevens; dat het niettemin wenselijk is vast te stellen welk beleid geldt voor de verwerking van persoonsgegevens verkregen uit verkeersregistratiesystemen, zodat op uniforme wijze met deze gegevens zal worden omgegaan; dat het derhalve aanbeveling verdient beleidsregels vast te stellen; dat deze regels worden vastgesteld in de vorm van een privacyreglement; dat het Informatie- en Volgsysteem voor de Scheepvaart (IVS90) een van de verkeersregistratiesystemen is waarvoor het privacyreglement geldt; dat het IVS90 ook wordt gebruikt in de provincies Groningen, Fryslân en Zuid-Holland en dat deze provincies hebben aangegeven een privacyreglement met dezelfde inhoud te zullen hanteren; dat in verband met de maatschappelijke zorgvuldigheid een verplichting bestaat aan het publiek kenbaar te maken dat verkeersregistratie door middel van cameratoezicht plaatsvindt; dat het door het aantal en de plaats waarop camera's staan opgesteld, niet doelmatig of mogelijk is ter plekke aan te geven dat cameratoezicht wordt uitgeoefend; dat publicatie van dit reglement in de plaats komt van een dergelijke plaatselijke kennisgeving; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de verantwoordelijke:** de Minister van Verkeer en Waterstaat, Gedeputeerde Staten van een provincie waar IVS90 wordt gebruikt of het college van B&W van een gemeente, voor wat betreft de bij hen in beheer zijnde delen van het IVS90; - b. **de beheerder:** de functionaris die namens de verantwoordelijke bij een regionale directie van Rijkswaterstaat en bij een provincie of gemeente"},{"i":10508,"b":"Protocol betreffende de status van vluchtelingen De Staten welke partij zijn bij dit Protocol, Overwegende dat het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002), ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna te noemen „het Verdrag”), alleen van toepassing is op personen die vluchteling zijn geworden ten gevolge van gebeurtenissen welke vóór 1 januari 1951 hebben plaats gevonden, Overwegende dat sedert de aanvaarding van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002) nieuwe groepen vluchtelingen zijn ontstaan en dat hierdoor deze vluchtelingen wellicht niet onder het Verdrag vallen, Overwegende dat het wenselijk is dat een zelfde status geldt voor alle vluchtelingen die vallen onder de begripsomschrijving zoals die in het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002) is opgenomen, ongeacht de grensdatum 1 januari 1951, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I. Algemeen 1. De Staten welke partij zijn bij dit Protocol verplichten zich de [artikelen 2 tot en met 34 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002&artikel=2) toe te passen op vluchtelingen zoals hieronder omschreven. 2. Voor de toepassing van dit Protocol wordt onder „vluchteling” verstaan, behalve wat betreft de toepassing van het derde lid van dit artikel, elke persoon die aan de omschrijving vervat in het eerste artikel van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002) voldoet, alsof de zinsneden „ten gevolge van gebeurtenissen welke vóór 1 januari 1951 hebben plaats gevonden”, en „ten gevolge van bovenbedoelde gebeurtenissen” uit artikel 1 A, lid 2, waren weggelaten. 3. Dit Protocol is zonder enige geografische begrenzing van toepassing op alle Staten welke hierbij partij zijn, met dien verstande dat de verklaringen die overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 B (1) (a) van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002) zijn afgelegd door Staten die reeds partij zijn bij h"},{"i":10516,"b":"Protocol inzake gecombineerd vervoer over binnenwateren bij de Europese Overeenkomst inzake belangrijke internationale gecombineerde vervoerslijnen en daarmee samenhangende installaties (AGTC) van 1991 De Overeenkomstsluitende Partijen, Geleid door de wens het internationaal goederenvervoer te vergemakkelijken, Beseffend dat een toename van het internationaal goederenvervoer te verwachten is als gevolg van de groeiende internationale handel, Zich bewust van de nadelige gevolgen die deze ontwikkelingen voor het milieu zouden kunnen hebben, De nadruk leggend op de belangrijke rol van alle technieken voor gecombineerd vervoer bij het verlichten van de last die op het Europese wegennet drukt en het verminderen van schade aan het milieu, Erkennende dat gecombineerd vervoer over binnenwateren en langs bepaalde kustroutes een belangrijk element in bepaalde Europese transportcorridors kan vormen, Ervan overtuigd dat het, wil men het internationaal gecombineerd vervoer over binnenwateren en langs bepaalde kustroutes in Europa doelmatiger en aantrekkelijker voor de klant maken, van wezenlijk belang is een wettelijk kader te scheppen dat voorziet in een gecoördineerd plan voor de ontwikkeling van diensten op het gebied van gecombineerd vervoer over binnenwateren en langs bepaalde kustroutes en de voor de exploitatie daarvan benodigde infrastructuur op basis van internationaal overeengekomen functioneringsparameters en -normen, Zijn het volgende overeengekomen: Hoofdstuk I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder: - a. „gecombineerd vervoer”: het vervoer van goederen in één en dezelfde laadeenheid, waarbij gebruik wordt gemaakt van meer dan één wijze van vervoer; - b. „net van belangrijke binnenwateren voor het internationaal gecombineerd vervoer”: alle binnenwateren en kustroutes die voldoen aan de minimumeisen, vervat in [Bijlage III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001415&bijlage=III&z=2016-12-29&"},{"i":10522,"b":"Protocol tot wijziging van de Euro-mediterrane Luchtvaartovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en lidstaten van de Europese Unie (hierna „de lidstaten” genoemd), en De Europese Unie, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds, Gezien de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie per 1 juli 2013, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 De Republiek Kroatië is partij bij de [Euromediterrane Luchtvaartovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005053)1)De overeenkomst is bekendgemaakt in **PbEU** 2012, L 334 van 6.12.2012, blz. 3., die op 15 december 2010 is ondertekend (hierna „de overeenkomst”). Artikel 2 De tekst van de overeenkomst in de Kroatische taal2)Speciale uitgave in het Kroatisch, hoofdstuk 7, volume 24, blz. 280. is authentiek onder dezelfde voorwaarden als de andere ta"},{"i":10526,"b":"Protocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake een gemeenschappelijke luchtvaartruimte tussen de Europese Unie en haar lidstaten en de Republiek Moldavië, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507)en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en lidstaten van de Europese Unie (hierna „de lidstaten” genoemd), en de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, Gezien de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie per 1 juli 2013, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Republiek Kroatië is partij bij de [Overeenkomst inzake een gemeenschappelijke luchtvaartruimte tussen de Europese Unie en haar lidstaten en de Republiek Moldavië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005858)1)De tekst van de overeenkomst is bekendgemaakt in **PbEU** L 292 van 20-10-2012, blz. 3. die op 26 juni 2012 is ondertekend (hierna „de overeenkomst”). Artikel 2 De tekst van de [overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005858) in de Kroatische taal2)Bijzondere uitgave in het Kroatisch, hoofdstuk 11, volume 102, blz. 197. is authentiek onder dezelfde voorwaarden als de an"},{"i":10529,"b":"Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering De Partijen bij dit Protocol, Partij zijnde bij het [Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001115), hierna te noemen „het Verdrag\", Strevende naar verwezenlijking van het uiteindelijke doel van het Verdrag als genoemd in [artikel 2 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001115&artikel=2), Herinnerende aan de bepalingen van het Verdrag, Geleid door [artikel 3 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001115&artikel=3), Ingevolge het mandaat van Berlijn dat bij besluit 1/CP.1 van de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag tijdens haar eerste zitting werd aangenomen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Protocol zijn de begripsomschrijvingen van [artikel 1 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001115&artikel=1) van toepassing. Daarnaast wordt verstaan onder: - 1. „Conferentie van de Partijen”: de Conferentie van de Partijen bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001115). - 2. „Verdrag”: het [Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001115), op 9 mei 1992 te New York aangenomen. - 3. „Intergouvernementele werkgroep inzake klimaatverandering”: de Intergouvernementele werkgroep inzake klimaatverandering die in 1988 door de Wereld Meteorologische Organisatie en het Milieuprogramma van de Verenigde Naties gezamenlijk werd ingesteld. - 4. „Protocol van Montreal”: het [Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002086), op 16 september 1987 te Montreal aangenomen en naderhand aangepast en gewijzigd. - 5. „Aanwezige Partijen die hun stem uitbrengen”: Partijen die aanwezig zijn en voor- of tegenstemmen. - 6. „Partij”: een Partij bij dit Protocol, tenzij uit de context anderszins blijkt. -"},{"i":10543,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat houdende aanwijzing van ambtenaren bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat belast met de opsporing van strafbare feiten (Regeling aanwijzing opsporingsambtenaren luchtvaart IVW) Gelet op [artikel 71, onderdeel b, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=71) en [artikel 11.3, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.3); Besluit: Artikel 1 Door de Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, zijn aangewezen als ambtenaren belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267), de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) en de [Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549) . Artikel 2 Ingetrokken worden: - a. het [besluit van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 24 november 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003461) (Stcrt. 239) houdende de aanwijzing ambtenaren als bedoeld in de Luchtvaartwet, - b. de [Regeling van de minister van Verkeer en Waterstaat van 6 mei 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009600) (Stcrt 95) houdende aanwijzing van ambtenaren van de RVI als personen belast met de opsporing van de bij of krachtens de Luchtvaartwet strafbaar gestelde feiten, en wijziging van het Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 augustus 1995 (Stcrt. 169). Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing opsporingsambtenaren luchtvaart IVW. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 5 Deze regeling berust tevens op [artikel 61a, eerste lid, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":10549,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 17 april 2012, nr. IENM/BSK-2012/14677, houdende regels met betrekking tot het afsluiten van kleinverbruikers van drinkwater (Regeling afsluitbeleid voor kleinverbuikers van drinkwater) Gelet op [artikel 9, tweede tot en met het vierde lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=9); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **kwetsbare consument:** kleinverbruiker voor wie de beëindiging van de levering van drinkwater zeer ernstige gezondheidsrisico’s tot gevolg zou hebben voor de kleinverbruiker of huisgenoten van de kleinverbruiker; - b. **schuldhulpverlening:** toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in [titel III van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&titeldeel=III) of ondersteuning van natuurlijke personen door een instantie als bedoeld in [artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=48) bij het vinden van een adequate oplossing voor schuldsituaties gericht op de aflossing van schulden. § 2. Procedure voorafgaand aan afsluiting wegens wanbetaling Artikel 2. Verplichte procedure De eigenaar van een drinkwaterbedrijf beëindigt de levering van drinkwater aan een kleinverbruiker wegens wanbetaling niet voordat de in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031481&paragraaf=2&artikel=3&z=2018-07-01&g=2018-07-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031481&paragraaf=2&artikel=4&z=2018-07-01&g=2018-07-01) beschreven procedure is gevolgd. Artikel 3. Schriftelijke herinnering 1. Indien een kleinverbruiker niet binnen de gestelde termijn voldoet aan een eerste vordering tot betaling door de eigenaar van een drinkwaterbedrijf, zendt die eigenaar ten minste eenmaal een schriftelijke herinnering daaromtrent aan die kleinverbruiker. 2. De eigenaar van een drinkw"},{"i":10551,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 29 april 2005, nr. HDJZ/LUV/2005-1084, Hoofddirectie Juridische Zaken, belasten LVNL met luchtverkeersdienstverlening Gelet op [artikel 5.14, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.14); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: AMSL: boven gemiddeld zeeniveau (above mean sea level); CTR: plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied (Control Zone); FL: vliegniveau (Flight Level); ft: voet (feet); MSL: gemiddeld zeeniveau (mean sea level). Artikel 2 De LVNL is belast met het verlenen van luchtverkeersdiensten volgens de regels behorende bij luchtverkeersdienstverleningsklasse E aan vluchten in: - a. het deel van het vluchtinformatiegebied Düsseldorf, weergegeven als Maskirchen A Area in de bij deze regeling behorende [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018272&bijlage=A&z=2008-05-28&g=2008-05-28), met uitzondering van de plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden, met een ondergrens vanaf 305 m (1000 ft) boven de grond en een bovengrens tot en met FL 095, voor zover lateraal begrensd door: - –. de noordgrens: de grens van het vluchtinformatiegebied Amsterdam, - –. de oostgrens: een lijn tussen de posities: 51°05’15” NB 006°00’18” OL, en 50°55’18” NB 006°03’31” OL, - –. de zuid-, en westgrens: de grens van het vluchtinformatiegebied Amsterdam. - b. het deel van het vluchtinformatiegebied Düsseldorf, weergegeven als Vaals A Area in de bij deze regeling behorende [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018272&bijlage=A&z=2008-05-28&g=2008-05-28), met een ondergrens vanaf 305 m (1000 ft) boven de grond en een bovengrens tot en met FL 095, voor zover lateraal begrensd door: - –. de noordgrens: de grens van het vluchtinformatiegebied Amsterdam, - –. de oostgrens: een lijn tussen de posities: 50°50’47” NB 006°04’27” OL, en 50°45’16” NB 006°01’14” OL, - –. de zuid-, en westgrens: de grenzen van het vluchtinformatiegebied"},{"i":10553,"b":"Beperking geluidhinder militaire luchtvaart Gelet op de artikelen 1, 2 en 3, tweede lid, onder b van het Besluit houdende vaststelling van enige regels ter beperking van geluidhinder door luchtvaartuigen (Stb. 1981, 343); handelende in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Besluit: Artikel 1 Met betrekking tot het uitvoeren van vluchten met militaire luchtvaartuigen binnen de plaatselijke verkeersleidingsgebieden rond militaire luchthavens moeten de volgende voorschriften worden nagekomen: - a. Het verkeerscircuit, de routering, de snelheid en de hoogte van vertrekkende en binnenkomende luchtvaartuigen moeten zodanig worden gekozen, dat het optreden van vermijdbare geluidhinder, met name in de bebouwde kommen en in de omgeving van bijzondere bebouwing, zoals ziekenhuizen en sanatoria, wordt voorkomen. - b. Een van de luchthaven opstijgend luchtvaartuig moet na de start zo snel mogelijk het startvermogen van de motor of motoren verminderen tot normaal klimvermogen en klimmen naar de voor het luchtvaartuig vastgestelde vlieghoogte. - c. Het aantal starts en doorstarts voor oefendoeleinden moet worden beperkt tot het, voor het verkrijgen dan wel het behouden van de vaardigheid door iedere individuele vlieger, noodzakelijk minimum. - d. Het overvliegen van de luchthaven beneden de voor het type luchtvaartuig vastgestelde verkeerscircuithoogte is niet toegestaan, tenzij door de commandant van de militaire luchthaven – om redenen van operationele aard, bijvoorbeeld in het kader van een onderdeelsoefening – anders is bepaald. - e. - 1°. Het vliegen voor oefendoeleinden is voor militaire luchtvaartuigen niet toegestaan op werkdagen na 00.00 uur plaatselijke tijd tot 07.00 uur plaatselijke tijd of zoveel eerder als de uniforme daglichtperiode aanbreekt, en op vrijdagen vanaf 17.00 uur, zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen. - 2°. Het vliegen voor oefendoeleinden is voor militaire luchtvaartuigen, belast met"},{"i":10558,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 13 juni 2016, nr. IENM/BSK-2016/113127, houdende regels inzake bijzondere bevoegdverklaringen met betrekking tot de certificering van personeel voor het onderhoud van luchtvaartuigen (Regeling bijzondere bevoegdverklaringen luchtwaardigheid) Gelet op de [artikelen 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.5), [2.5, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.5), [2.6, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.6), [3.25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.25), en [3.30, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.30), de [artikelen 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=8), en [9, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=9), en de [artikelen 18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=18), [19, tweede lid, onderdelen c en g, van het Besluit luchtvaartuigen 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=19); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. (Begripsbepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - **AR:** beoordeling van de luchtwaardigheid van een luchtvaartuig overeenkomstig Part M, subpart I (Airworthiness Review); - **ELA 1-luchtvaartuig:** luchtvaartuig als bedoeld in artikel 2, onder k, van verordening (EU) nr. 1321/2014 (European Light Aircraft); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **Part 66:** deel betreffende onderhoudstechnici en de bevoegdheid tot vrijgave na onderhoud van EASA-luchtvaartuigen (bijlage III bij verordening (EU) 1321/2014); - **Part-66 AML:** bewijs van bevoegdheid voor onderhoudstechnicus als bedoeld in Part 66 van verordening (EU) nr. 1321/2014; - **verordening (EU) nr. 1321/2014:** verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betre"},{"i":10561,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 20 april 2011, nr. BJZ2011043268, houdende nadere regels betreffende de kwaliteit en het zwavelgehalte van brandstoffen (Regeling brandstoffen luchtverontreiniging) Gelet op de [artikelen 2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029909&artikel=2.2), [2.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029909&artikel=2.3), [2.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029909&artikel=2.4), [2.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029909&artikel=2.5), [2.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029909&artikel=2.6), [2.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029909&artikel=2.9), [4.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029909&artikel=4.2), en [5.1, vierde lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029909&artikel=5.1); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **ASTM:** American Society for Testing and Materials; - **besluit:** [Besluit brandstoffen luchtverontreiniging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029909); - **richtlijn (EU) 2015/652:** Richtlijn (EU) 2015/652 tot vaststelling van berekeningsmethoden en rapportageverplichtingen overeenkomstig Richtlijn 98/70/EG van het Europees parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof (PbEU 2015, L 107). Artikel 2 1. De testmethode, bedoeld in [artikel 2.2, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029909&artikel=2.2) is de methode prEN 16135 of de methode prEN 16136. 2. De testmethode, bedoeld in [artikel 2.3, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029909&artikel=2.3) is de methode EN 228:2012. 3. De testmethode, bedoeld in de [artikelen 2.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029909&artikel=2.5), en [2.6, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":10562,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 februari 2011, nr. WJZ/11005409, houdende regels inzake buitengebruikstelling en ontmanteling van nucleaire inrichtingen en inzake de aanvraag om goedkeuring voor de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld voor de kosten van buitengebruikstelling en ontmanteling van nucleaire inrichtingen waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt (Regeling buitengebruikstelling en ontmanteling nucleaire inrichtingen) Gelet op de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=20), [26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=26), [30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=30b), [30d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=30d), [30e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=30e), [30f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=30f), en [44a, derde lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=44a); Besluiten: Paragraaf 1. Algemeen Paragraaf 2. Inhoud ontmantelingsplan Paragraaf 2. Inhoud ontmantelingsplan Paragraaf 4. Aantonen voltooiing van de ontmanteling Paragraaf 5. Aanvraag om goedkeuring van financiële zekerheid als bedoeld in [artikel 15f van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15f) Artikel 11 Indien de houder van een vergunning voor het in werking brengen, het in werking houden, het buiten gebruik stellen of het ontmantelen van een inrichting waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt de financiële zekerheid, bedoeld in [artikel 15f van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15f), stelt in de vorm van een borgtocht of bankgarantie, bevat de aanvraag om goedkeuring daarvan in elk geval: - a. een beschrijving van de onzekerheden in de berekening van de kosten b"},{"i":10567,"b":"Regeling houdende nadere voorschriften voor de scheepvaart aangaande melden, uitluisteren en communiceren op de binnenwateren Gelet op [artikel 4, eerste lid, van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003627&artikel=4) en op [artikel 9.07 van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=9.07); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. bijlage 1: de van deze regeling deel uitmakende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010360&bijlage=1&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - b. bijlage 2: de van deze regeling deel uitmakende [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010360&bijlage=2&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - c. IVS-post: post van het Informatie- en Volgsysteem voor de scheepvaart (IVS) als aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010360&bijlage=1&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - d. vaarweggedeelte: vaarweggedeelte waarop het [Binnenvaartpolitiereglement](onbekend) van toepassing is; - e. ADN: Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren; - f. vaste tank: een met het schip verbonden tank, waarbij de tankwanden kunnen worden gevormd ofwel door de scheepsromp zelf ofwel door wanden die onafhankelijk zijn van de scheepsromp; - g. **ES-RIS:** Europese standaard voor de rivierinformatiediensten. Paragraaf 2. Meldingen met betrekking tot alle vaarweggedeelten Artikel 2 1. De schipper of kapitein van de volgende schepen en samenstellen, meldt zich alvorens een vaarweggedeelte dat deel uitmaakt van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010360&bijlage=1&z=2026-04-01&g=2026-04-01) binnen te varen elektronisch overeenkomstig de bepalingen van deel IV Standaard voor het elektronisch melden van schepen in de binnenvaart van ES-RIS: - a. een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert waarop de [Regeling vervoer over"},{"i":10568,"b":"Regeling compensatie schade luchtvaartmaatschappijen 11 tot en met 14 september 2001 Handelende na overleg met de Minister van Financiën, Gelet op de begroting van de uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat voor het jaar 2002 (Kamerstukken II 2001-02, 28 000 hoofdstuk XII); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De minister verstrekt aan een luchtvaartmaatschappij compensatie voor de schade geleden door deze luchtvaartmaatschappij als gevolg van de onderbreking van het luchtverkeer waartoe de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika hebben besloten gedurende de periode van 11 tot en met 14 september 2001. 2. Van schade in de zin van deze regeling is alleen sprake indien er een direct verband bestaat tussen de onderbreking van het luchtverkeer, bedoeld in het eerste lid, en de ontregeling die daaruit is voortgevloeid in het Europese luchtruim en daarbuiten. Artikel 3 1. De voor compensatie in aanmerking komende schade wordt berekend door een vergelijking van het door de luchtvaartmaatschappij tijdens de periode 11 tot en met 14 september 2001 geregistreerde luchtverkeer met het luchtverkeer van die maatschappij tijdens de periode 4 tot en met 7 september 2001, met een correctie voor de trends die gedurende de periode 4 tot en met 7 en 11 tot en met 14 september 2000 zijn geconstateerd en de hieruit resulterende inkomstenderving. Aan dit schadebedrag worden toegevoegd de kosten die de luchtvaartmaatschappij in de periode 11 tot en met 14 september 2001 heeft moeten dragen wegens het opschorten van sommige activiteiten. 2. Op het bedrag, berekend op grond van het eerste lid, worden in mindering gebracht: - a. kosten die zich niet hebben voorgedaan, en - b. het bedrag van de schade die door een verzekering wordt gedekt en dat door deze verzekering wordt uitgekeerd. 3. De voor compensatie in aanmerking komende schade voor een luchtvaartmaatschappij bedraagt ten hoogste het vier driehonderdvijfenzestigst"},{"i":10569,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 18 maart 2015, nr. IENM/BSK-2015/52417, houdende vaststelling van criteria ter nadere invulling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn afvalstoffen (Regeling criteria bijproducten kaderrichtlijn afvalstoffen) Gelet op [artikel 1.1, zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1); Besluit: Artikel 1 Deze regeling berust op [artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1). Artikel 2 Onder ‘geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces’, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de kaderrichtlijn afvalstoffen, wordt in ieder geval verstaan het productieproces van herkomst dat ten aanzien van een stof, preparaat of voorwerp is opgenomen in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036424&bijlage=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01). Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling criteria bijproducten kaderrichtlijn afvalstoffen. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking op 1 april 2015. Bijlage 1. als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036424&artikel=1&z=2015-04-01&g=2015-04-01) van de Regeling criteria bijproducten kaderrichtlijn afvalstoffen | Stof, preparaat of voorwerp | Verwerkingsproces | | --- | --- | | **Ruwe glycerine** **Samenstelling** (massaprocent): 70% – 95% glycerine (CAS 56-81-5, EINECS 200-289-5) en indien aanwezig: – Methanol: maximaal 2% – MONG*: maximaal 10% – Zout (NaCl): maximaal 10% – Water: maximaal 20% * MONG: overige organische stoffen of materialen | Productie van zuivere glycerine door middel van achtereenvolgens: – verwarming tot 100 °C; – onder licht vacuüm (50 mbar) verdampen van methanol en water; – afscheiding gezuiverde glycerine door middel van destillatie bij 5 mbar; en – verhoging glycerine opbrengst door behandeling van bodemfractie in de-canter en post-still."},{"i":10571,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuishuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 juli 2007, nr. DGM/SAS 2007066536, Directoraat-Generaal Milieubeheer, Directie Stoffen, Afvalstoffen en Straling, houdende nadere regels ter uitvoering van de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L 190) (Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen) Gelet op verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L 190) en [artikel 10.56, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.56); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: de Minister: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; financiële zekerheid: financiële zekerheid als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022213&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01); EVOA-inrichting: inrichting waarop de Verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L 190) van toepassing is. Artikel 2 Financiële zekerheid kan worden gesteld in de vorm van: - a. een waarborgsom of - b. een gelijkwaardige verzekering. Artikel 3 1. De door of namens de kennisgever te stellen financiële zekerheid bedraagt € 450 per ton over te brengen afvalstoffen. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de door of namens de kennisgever te stellen financiële zekerheid voor de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022213&bijlage=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze regeling bedoelde afvalstoffen per ton over te brengen afvalstoffen het ingevolge [die bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022213&bijlage=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) voor die afvalstoffen geldende bedrag. 3. Indien de kosten va"},{"i":10573,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 10 juni 2016, nr. WJZ/15003661, houdende regels met betrekking tot de productie en de distributie van elektriciteit en drinkwater op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Ministeriele regeling elektriciteit en drinkwater BES) Gelet op [artikel 2.5, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=2.5), [3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=3.9), [3.14, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=3.14), [3.16, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=3.16), [3.17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=3.17), en [4.1, tweede lid, van de Wet elektriciteit en drinkwater BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=4.1) en op [artikel 3.1 van het Besluit elektriciteit en drinkwater BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038044&artikel=3.1); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In deze regeling wordt onder ‘besluit’ verstaan: [Besluit elektriciteit en drinkwater BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038044). § 2. Vaststelling van tarieven van productie en distributie van elektriciteit en drinkwater Artikel 2.1 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt na overleg met belanghebbenden voor een periode van drie tot tien jaar een in de [artikelen 2.5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=2.5), en [3.14, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037861&artikel=3.14) bedoelde methode vast. 2. De methode beschrijft op welke wijze de productieprijs en de tarieven worden vastgesteld, zodanig dat die methode de producent en distributeur prikkelt tot een doelmatige bedrijfsvoering, voorziet in een rendement dat in het economische verkeer gebruikelijk is en een betrouwbare, betaalbare en duurzame energie-en drinkwatervoorziening dient. 3. In de methode wordt ten minste de wijze van vaststelling van de verwachte e"},{"i":10575,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 17 februari 2023, nr. IENW/BSK-2023/14107, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de erkenning van opleidingsinstellingen en het afnemen van assessments inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht en enkele overige bepalingen (Regeling erkenning opleidingsinstellingen en assessments vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht) Gelet op de [artikelen 6.55, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.55), en [6.56, derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.56); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **assessment:** beoordeling van de geschiktheid van een persoon voor de uitvoering van zijn taken en verantwoordelijkheden horende bij zijn functie; - **erkende opleidingsinstelling:** door de minister erkende opleidingsinstelling voor het geven van opleidingen en het afnemen van assessments ter verkrijging van een certificaat inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht; - **erkenning:** erkenning als bedoeld in [artikel 6.56, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.56); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Hoofdstuk 2. Procedureregels § 2.1. Aanvraag van een erkenning Artikel 2 Een erkenning wordt aangevraagd door elektronische of schriftelijke indiening bij de minister van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier. Artikel 3 De aanvraag voor een erkenning gaat vergezeld van: - a. een verklaring waarin de aanvrager aangeeft dat de aangeleverde informatie juist is en dat de opleiding zal worden uitgevoerd in overeenstemming met deze regeling; - b. een overzicht en de curricula vitae van de bij de opleiding betrokken instructeurs; - c. een beschrijving van de accommodatie, theorie-instructievoorzieningen en theorie-assessmentorganisatie; - d. een bewijs van beschikbaarheid"},{"i":10577,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat inzake de erkenning van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zich bezighoudt met het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht (Regeling erkenningen vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht) Gelet op [artikel 6.55, zesde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.55) en [artikel 9, derde lid, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013514&artikel=9). Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **certificaat:** een door een erkende opleidingsinstelling als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling erkenning opleidingsinstellingen en assessments vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047902&artikel=1) afgegeven certificaat inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht als bedoeld in [artikel 9 van die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047902&artikel=9); - **DGOM:** een door de aanvrager van een erkenning opgesteld bedrijfshandboek, Dangerous Goods Operations Manual; - **erkenning:** een erkenning als bedoeld in [artikel 6.55 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.55); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Hoofdstuk 2. Procedureregels § 2.1. Aanvraag van een erkenning Artikel 2 Een erkenning wordt aangevraagd door elektronische of schriftelijke indiening bij de minister van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier. Artikel 3 1. De aanvraag voor verlening van een erkenning gaat vergezeld van: - a. een verklaring waarin de aanvrager aangeeft dat de aangeleverde informatie juist is en dat aan [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014764&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) wordt voldaan; - b. een overzicht van alle medewerkers die in het bezit zijn van een certificaat en per mede"},{"i":10580,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 oktober 2005, nr. DGM/SAS/2005183872, ex artikel 4, eerste lid, van het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen Gelet op [Richtlijn nr. 2004/73/EG](32004L0073) van de Commissie van 29 april 2004 (PbEU L 152/1, met rectificaties in PbEU L 216 en L 236), tot 29e aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van [Richtlijn 67/548/EEG](31967L0548) van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en op [artikel 4, eerste lid, van het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004050&artikel=4); Besluiten: De wijzigingen, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de [richtlijn nr. 2004/73/EG](32004L0073) van de Commissie van 29 april 2004 (PbEU L 152/1, met rectificaties in PbEU L 216 en L 236), tot 29e aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van [Richtlijn 67/548/EEG](31967L0548) van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen, gaan voor de toepassing van [artikel 4, eerste lid, van het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004050&artikel=4) gelden met ingang van 31 oktober 2005. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10587,"b":"Regeling houdende bepalingen met betrekking tot erkenningen van geluidscertificaten en geluidsverklaringen (Regeling geluidscertificaten en geluidsverklaringen luchtvaart) Gelet op [artikel 3.24 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.24) en op [artikel 22d van het Besluit luchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012651&artikel=22d); Besluit: Treedt in werking met betrekking tot luchtvaartuigen met een maximum startmassa van ten hoogste 8.618 kg. Treedt met betrekking tot luchtvaartuigen met een maximum startmassa van meer dan 8.618 kg in werking op 1 januari 2006. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - b. geluidscertificaat: certificaat als bedoeld in [artikel 3.19a van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.19a); - c. geluidsverklaring: verklaring als bedoeld in [artikel 3.19c van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.19c). 2. Deze regeling is eveneens van toepassing op een voorlopig geluidscertificaat, een voorlopige geluidsverklaring, een aanvullende geluidsverklaring en een voorlopige aanvullende geluidsverklaring. Paragraaf 2. Afgifte van een geluidscertificaat of geluidsverklaring Artikel 2 1. De aanvraag tot afgifte van een geluidscertificaat of van een geluidsverklaring geschiedt door indiening bij de minister van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat door de minister elektronisch beschikbaar wordt gesteld. 2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, is mede ondertekend door de houder van een bewijs van bevoegdheid, dat de bevoegdheid geeft tot afgifte van een certificaat van vrijgave voor gebruik van het desbetreffende luchtvaartuig. 3. In het geval als bedoeld in [artikel 14, derde lid, onderdeel b, van het Besluit luchtvaartuigen 2008](https://wetten.ove"},{"i":10591,"b":"Regeling grondafhandeling luchtvaartterreinen Gelet op [Richtlijn nr. 96/67/EG](31996L0067) van de Raad van de Europese Unie van 15 oktober 1996 betreffende de toegang tot de grondafhandelingsmarkt op de luchthavens van de Gemeenschap (PbEG L 272/36), en op [artikel 132a van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=132a); Besluit: Begripsbepalingen en wettelijke grondslag Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Verrichten van zelfafhandelingsdiensten Artikel 2 Vervallen Artikel 3 1. Op elke luchthaven in Nederland die voor burgerluchtvaart is opengesteld met een jaarlijkse verkeersomvang van tenminste 2 miljoen passagiersbewegingen of 50000 ton vracht kunnen de gebruikers met ingang van 1 januari 2001 zelfafhandelingsdiensten verrichten. 2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de categorieën afhandelingsdiensten: - a. bagageafhandeling; - b. platformafhandeling; - c. brandstof- en olielevering, of - d. vracht- en postafhandeling, voor wat betreft de fysieke afhandeling van vracht en post tussen gebouwen op de luchthaven en het vliegtuig, zowel bij aankomst en vertrek als bij doorgaande vluchten, het aantal gebruikers dat zelfafhandelingsdiensten verricht beperken tot niet minder dan twee. De selectie van deze gebruikers dient te geschieden op basis van relevante, objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria. Verlenen van grondafhandelingsdiensten Artikel 4 Vervallen Artikel 5 1. Op elke luchthaven in Nederland die voor burgerluchtvaart is opengesteld met een jaarlijkse verkeersomvang van tenminste 2 miljoen passagiersbewegingen of 50000 ton vracht kunnen verleners van grondafhandelingsdiensten met ingang van 1 januari 2001 grondafhandelingsdiensten verlenen. 2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de categorieën afhandelingsdiensten: - a. bagageafhandeling; - b. platformafhandeling; - c. brandstof- en olielevering, of - d. vracht- en postafhandeling, voor wat betref"},{"i":10595,"b":"Regeling inschrijving Nederlandse burgerluchtvaartuigen Gelet op de [artikelen 3.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.2), [3.3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.3), [3.5, vijfde lid van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.5) en [artikel 3 van het Besluit luchtwaardigheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012651&artikel=3); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** degene op wiens naam de minister een luchtvaartuig zal inschrijven indien deze aan de hier gestelde regels voldoet; - **CAMO:** ingevolge bijlage V quater (Part CAMO) bij verordening (EU) nr. 1321/2014 erkende management organisatie voor blijvende luchtwaardigheid (Continuing Airworthiness Management Organisation); - **CAO:** ingevolge bijlage V quinquies (Part CAO) bij [verordening (EG) nr. 1321/2014](32014R1321) erkende organisatie voor blijvende luchtwaardigheid (Continuing Airworthiness Organisation); - **Luchtvaartprotocol:** het op 6 november 2001 te Kaapstad tot stand gekomen Protocol bij het Verdrag inzake internationale zakelijke rechten op mobiel materieel betreffende voor luchtvaartuigmaterieel specifieke aangelegenheden (Trb. 2009, 86); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **register:** Nederlandse register voor burgerluchtvaartuigen. Artikel 2 1. Het aanvraagformulier voor inschrijving, wijziging van de inschrijving van een luchtvaartuig in het register of vernieuwing van het bewijs van inschrijving wordt volledig ingevuld en ondertekend door de aanvrager. Het formulier wordt door de minister elektronisch beschikbaar gesteld. 2. Bij de aanvraag tot inschrijving, voor wijziging van een inschrijving van een luchtvaartuig in het register of vernieuwing van het bewijs van inschrijving worden de in deze regeling genoemde gegevens ingediend. 3. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden op een z"},{"i":10605,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende nadere regels inzake de certificering van luchtvaartnavigatiediensten en het verlenen van erkenningen tot het verrichten van inspecties en onderzoeken hieromtrent in het kader van de uitvoering van vier EG-verordeningen betreffende een gemeenschappelijk Europees luchtruim (Regeling luchtvaartnavigatiediensten) Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023687&artikel=3), en [6, tweede lid, van het Besluit luchtvaartnavigatiediensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023687&artikel=6), de [artikelen 31, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=31), en [61 van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=61), de [artikelen 24a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=24a), en [28 van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=28), de [artikelen 5.14, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.14), en [5.23, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.23), en [artikel 8 van de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012952&artikel=8); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet luchtvaart, enz. (totstandkomen Gemeenschappelijk Europees luchtruim) (Stb. 2007/405) in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: het besluit: het [Besluit luchtvaartnavigatiediensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023687). het handboek: verzameling van procedures die beschrijven hoe men werkt volgens de eisen, bedoeld in artikel 6 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening. Artikel 2 De in [artikel 3, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023687&artikel=3) bedoelde gegevens betreffen ee"},{"i":10610,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 29 juni 2011, nr. BJZ2011048144, houdende regels met betrekking tot bij de drink- en warm tapwatervoorziening te gebruiken materialen en chemicaliën (Regeling materialen en chemicaliën drink- en warm tapwatervoorziening) Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties; Gelet op [richtlijn nr. 98/83/EG](31998L0083) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 330), beschikking 2002/359/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 mei 2002 betreffende de procedure voor de conformiteitsverklaring van de voor de bouw bestemde producten die met voor menselijke consumptie bestemd water in contact komen, overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van [richtlijn nr. 89/106/EEG](31989L0106) van de Raad van de Europese Unie, [artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van het Drinkwaterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=20) en [artikel 3.107 van het Bouwbesluit 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012727&artikel=3.107); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Drinkwaterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111); - **commissie:** commissie van deskundigen als bedoeld in [artikel 20, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=20); - **common approach:** gezamenlijke onderzoeksmethoden en beoordelingsmethoden van lidstaten van de Europese Unie voor producten in contact met drinkwater en warm tapwater, zoals bekendgemaakt overeenkomstig [artikel 20a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030279&hoofdstuk=7&artikel=20a&z=2025-10-24&g=2025-10-24); - **compositielijst:** overeenkomstig artikel 11, in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030279&bijlage=B&z=2025-10-24&g=2025-10-24) bij deze regeling opg"},{"i":10613,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat houdende regels inzake de meldingsplicht bij voorvallen in de luchtvaart en de informatieplicht bij luchtvaartongevallen (Regeling meldings- en informatieplicht vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht) Gelet op de [artikelen 6.60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.60) en [6.61a van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.61a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **incident:** incident met gevaarlijke stoffen (Dangerous goods incident) als bedoeld in Hoofdstuk 1 van Annex 18; - b. **minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - c. **NOTOC:** mededeling aan de gezagvoerder als bedoeld in Deel 7, hoofdstuk 4, § 1 van de Technische Voorschriften; - d. **ongeval:** ongeval met gevaarlijke stoffen (Dangerous goods accident) als bedoeld in Hoofdstuk 1 van Annex 18; - e. **PSN:** juiste vervoersnaam (proper shipping name); - f. **Technische Voorschriften:** Technische Voorschriften als gedefinieerd in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013514&artikel=1). Artikel 2 Vervallen Hoofdstuk 2. Melding van voorvallen Artikel 3 1. Ieder incident of ongeval dient onverwijld te worden gemeld, ongeacht of de gevaarlijke stoffen in vracht, luchtpost, of bagage van passagiers of bemanning worden vervoerd. 2. De melding van een incident of ongeval vindt elektronisch, per fax of schriftelijk plaats aan de Inspectie Leefomgeving en Transport. 3. De melding wordt gedaan overeenkomstig het model zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 4 1. De melding vindt zo nauwkeurig mogelijk plaats en bevat alle met betrekking tot het incident of ongeval relevante informatie. De melding bevat, voor zover op het moment waarop de melding wordt opgesteld bekend, in ieder geval de volgende gegeven"},{"i":10619,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 4 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/124376, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de vergunning van modelluchtvaartuigclubs of -verenigingen als bedoeld in artikel 16 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947 van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 2019, L 152) (Regeling modelluchtvaartuigclubs of -verenigingen) Gelet op de artikelen 16, eerste, tweede en derde lid, en artikel 18, onder a, van [uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947](32019R0947) van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 2019, L 152), de [artikelen 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.5) en [5.10, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.10) en [artikel 4a van het Besluit luchtverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=4a); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **modelluchtvaartuigclub of -vereniging:** club of vereniging als bedoeld in artikel 2 van [uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947](32019R0947) van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 2019, L 152); - **uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947:** [uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947](32019R0947) van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 2019, L 152); - **vergunning:** de vergunning bedoeld in artikel 16 van [uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947](32019R0947) van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 2019, L 152). Artikel 2. Toepassingsbereik Deze regeling is van toepassing op modelluchtvaartuigclubs of"},{"i":10620,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, houdende nadere voorschriften omtrent de toepassing van NEN 5897 en omtrent het voorhanden hebben van een asbestbevattende weg Gelet op [artikel 2, tweede en vierde lid, van het Besluit asbestwegen Wms](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011619&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder Besluit: het [Besluit asbestwegen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011619). Artikel 2 Voor de toepassing van NEN 5897 als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011619&artikel=2), wordt uitgegaan van het ontwerp van NEN 5897, Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopaval en recyclinggranulaat, augustus 2015, met correctieblad van augustus 2016 en correctieblad C2:2017. Artikel 3 Een asbestbevattende weg mag voorhanden worden gehouden indien de weg behoort tot de verkeersklasse 1 of 2a, bedoeld in C.R.O.W.-publicatie 81, uitgave januari 1994, en: - a. de eigenaar heeft aangetoond dat het asbest voor 1 juli 1993 is aangebracht, en - b. die weg een duurzame afscherming van het asbest heeft, welke afscherming bestaat uit: - 1e. asfalt, klinkers of beton, welke afscherming in een goede staat verkeert, of - 2e. een laag zand, grond, puingranulaat of materiaal dat een vergelijkbare afscherming biedt, waarvan de dikte ten minste 0,2 m is. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst of, indien op die datum het [Besluit asbestwegen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011619) nog niet in werking is getreden, met ingang van de dag waarop dat besluit in werking treedt. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nadere voorschriften asbestwegen milieubeheer. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 3a Deze regeling berust op [artik"},{"i":10627,"b":"Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001 Gelet op [artikel 13, eerste lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=13); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **aangewezen entiteit voor de onbemande luchtvaart:** een aangewezen entiteit, als bedoeld in [artikel 13, vierde lid, Besluit bewijzen van bevoegdheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=13); - **ATO:** erkende opleidingsorganisatie (approved training organisation) als bedoeld in verordening (EU) 1178/2011; - **attest voor cabinebemanningsleden:** document als bedoeld in subdeel CCA van bijlage V van verordening (EU) nr. 1178/2011, waaruit blijkt dat een bemanningslid met goed gevolg het examen heeft afgelegd na voltooiing van de basisopleiding voor cabinebemanningslid; - **bevoegde autoriteit:** instantie als bedoeld in artikel CC.GEN.001 van bijlage V van verordening (EU) nr. 1178/2011; - **DTO:** verklaarde opleidingsorganisatie (declared training organisation) als bedoeld in verordening (EU) 1178/2011; - **erkende entiteit voor de onbemande luchtvaart:** een erkende entiteit, als bedoeld in UAS.STS-01.20 en UAS.STS-02.20, Hoofdstuk 1 en Hoofdstuk 2, Aanhangsel 1, van de Bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947; - **erkende taalbeoordelingsinstantie:** door de minister met betrekking tot het aanbieden en afnemen van de test ten behoeve van de taalvaardigheidsaantekening erkende opleidingsinstelling; - **geregistreerde opleidingsinstelling:** een door de minster geregistreerde opleidingsinstelling voor het geven van training voor het verkrijgen van bepaalde bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen; - **goedgekeurde opleidingsinstelling:** door de minister goedgekeurde opleidingsorganisatie voor het verzorgen van de basisopleiding van cabinebemanningsleden; - **gyrokopter:** gyrokopter als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit luchtv"},{"i":10636,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 5 april 2024, nr. IENW/BSK-2024/91785, houdende regels voor het verstrekken van een rijksbijdrage voor schoon en emissieloos bouwen (Regeling stimulering schoon en emissieloos bouwen voor medeoverheden) Gelet op [artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), [artikel 3, eerste lid, onderdeel a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [artikel 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en [artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044860&artikel=6) en [artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** gemeente, provincie of waterschap; - **bouwmachine:** - a. bouwwerktuig: - 1°. mobiele machine; - 2°. vervoerbare industriële uitrusting; of - 3°. voertuig, niet bestemd voor personen- of goederenvervoer over de weg; en - 4°. welke genoemd is in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049544&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), onderdeel A; of - b. hulpfunctie: - 1°. machine die is gemonteerd op het chassis van een weg- of spoorvoertuig of een drijvend werktuig; en - 2°. welke genoemd is in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049544&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), onderdeel B; of - c. bouwvoertuig: - 1°. voertuig met de in het kentekenregister vastgelegde voertuigkwalificatie N2 of N3 en indien het voertuigcategorie N2 betreft vanaf een gewicht van 4.250 kg; en - 2°. welke genoemd is in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049544&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), onderdeel C; en - d."},{"i":10656,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat tot vaststelling van de vergoeding voor de leden van het Adviescollege burgerluchtvaartveiligheid en intrekking van de Vergoedingenregeling leden Veiligheids Advies Commissie Schiphol (Regeling vergoeding Adviescollege burgerluchtvaartveiligheid) Gelet op [artikel 5, eerste lid, van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=5); Besluit: Artikel 1 1. De leden van het Adviescollege burgerluchtvaartveiligheid ontvangen een vaste vergoeding. 2. De salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). 3. De deeltijdfactor wordt voor de voorzitter wordt vastgesteld op 0,22. 4. De deeltijdfactor voor de overige leden wordt vastgesteld op 0,18. Artikel 2 De [Vergoedingenregeling leden Veiligheids Advies Commissie Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014797) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2007. Artikel 4 De regeling wordt aangehaald als: Regeling vergoeding Adviescollege burgerluchtvaartveiligheid. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10662,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 25 juni 2015, nr. IENM/BSK-2015/124646, houdende regels met betrekking tot het vervoer van huishoudelijk gevaarlijk afval (Regeling vervoer huishoudelijk gevaarlijk afval 2015) Gelet op [artikel 4, derde lid, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=4); Besluit: Begripsomschrijving Artikel 1. Definities - **begeleider:** degene die bij het voertuig aanwezig is om het huishoudelijk gevaarlijk afval in ontvangst te nemen; - **chemokar:** voertuig dat is ingericht voor het, door of in opdracht van de voor het inzamelen van huishoudelijk afval verantwoordelijke gemeente, inzamelen van huishoudelijk gevaarlijk afval en het vervoer hiervan naar het depot; - **depot:** locatie waar het ingezamelde huishoudelijk gevaarlijk afval wordt verzameld, opgeslagen en gereed gemaakt voor vervolgtransport naar de afvalverwerker; - **element:** buitenverpakking waarin de ingezamelde stoffen ten behoeve van het vervoer met de chemokar worden verzameld; - **etiket:** etiket als bedoeld in [paragraaf 5.2.2.2.2 van bijlage 1 bij de VLG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1); - **huishoudelijk gevaarlijk afval:** KCA en de volgende niet tot KCA behorende gevaarlijke stoffen die als afvalstoffen vrijkomen uit huishoudens of in kleine hoeveelheden vrijkomen uit bedrijven: - a. restanten van vuurwerk dat op grond van [artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=2.1.1) is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik, - b. spuitbussen vallende onder klasse 2, UN nr. 1950, - c. brandblusapparaten vallende onder klasse 2, UN nr. 1044, - d. stoffen of voorwerpen vallende onder de klassen 3, 6.1 of 8, - e. afgeknipte capillairen, bloedbuizen en soortgelijke scherpe voorwerpen, onder klasse 6.2, - f. batterijen onder klasse 9; - **gevaarlijke stoffen:** gevaarli"},{"i":10664,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 29 juni 2020, nr. IENW/BSK-2020/117591, met betrekking tot een algemeen verbindend verklaring van een overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage, tot intrekking van de Regeling verzoek afvalbeheersbijdragen en tot wijziging van enkele regelingen ter implementatie van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (PbEU 2018, L 150) (Regeling verzoek algemeen verbindend verklaring overeenkomst afvalbeheerbijdrage) Gelet op [artikelen 1.1, vijfde, zevende, achtste en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), [10.29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.29), [15.36, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.36), [21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6); [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017294&artikel=3), en [5, derde lid, van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017294&artikel=5); en [artikel 2.12, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022762&artikel=2.12); BESLUIT: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **in de handel brengen:** voor het eerst op de markt aanbieden van een product; - **producent:** degene die beroepsmatig, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, een product in Nederland in de handel brengt; - **producentenorganisatie:** de organisatie die namens producenten geheel of gedeeltelijk verplichtingen uit hoofde van een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid nakomt; - **product:** een stof, mengsel of product. 2. In deze regeling kan producent mede betrekking hebben op: distributeur, en in de handel brengen mede betrekking hebben op: op de markt aanbieden, waarbij"},{"i":10670,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 december 2020, nr. IENW/BSK-2020/236627, houdende de vaststelling van regels met betrekking tot het afbakenen en aanwijzen van geografische zones voor onbemande luchtvaartuigen (Regeling zonering onbemande luchtvaartuigen) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie, Gelet op [artikel 9 van het Besluit vluchtuitvoering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020111&artikel=9); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **basisverordening:** Verordening (EU) nr. 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 2111/2005](32005R2111), [(EG) nr. 1008/2008](32008R1008), (EU) [nr. 996/2010](32010R0996), (EU) [nr. 376/2014](32014R0376) en de Richtlijnen [2014/30](31930R2014)/EU en [2014/53](31953R2014)/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen [(EG) nr. 552/2004](32004R0552) en [(EG) nr. 216/2008](32008R0216) van het Europees Parlement en de Raad en [Verordening (EEG) nr. 3922/91](31991R3922) van de Raad; - b). **onbemand luchtvaartuig:** onbemand luchtvaartuig als bedoeld in artikel 3 van de basisverordening; - c). **open categorie:** ‘open’ categorie als bedoeld in artikel 3 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947; - d). **uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947:** Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947 van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 2019, L 152); - e). **zone:** geografische UAS-zone als bedoeld in artikel 2 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947. Artikel 2. Laagvliegroutes en -gebieden voor civiele en militaire luchtvaartuigen 1. Het is verboden in de open categorie een vlucht"},{"i":10675,"b":"Saneringsregeling Wet bodembescherming; tarief beoordeling onderzoeken en saneringsplannen Circulaire aan de Colleges van Gedeputeerde Staten en de Colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Amsterdam, ’s-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht Geacht college, In de [Wet bodembescherming is in ’Hoofdstuk IV. Algemene bepalingen in geval van verontreiniging van de bodem’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&hoofdstuk=IV) onder meer geregeld, dat een plan voor de sanering van een geval van ernstige verontreiniging ter goedkeuring aan u dient te worden voorgelegd. In [artikel 39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=39)wordt bepaald dat bij het indienen van een saneringsplan voor de beoordeling van dat plan met de daaraan ten grondslag liggende onderzoeksrapporten een bedrag wordt betaald dat wordt berekend volgens een door provinciale staten dan wel de raad van uw gemeente vast te stellen tarief. In de praktijk is gebleken dat onduidelijkheid bestaat over de mogelijkheid om een tarief te heffen indien een onderzoeksrapport ter beoordeling wordt voorgelegd zonder dat een saneringsplan is bijgevoegd. Die onduidelijkheid is mede veroorzaakt door het gestelde inzake het tarief in de laatste alinea van [paragraaf 2.1.5 van de Circulaire tweede fase van inwerkingtreding saneringsregeling Wet bodembescherming d.d. 22 december 1994](onbekend) (DBO/16d94001). Ter verduidelijking diene het volgende: In [artikel 39, derde en vierde lid, van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=39) wordt bepaald dat: De bedoeling van de hiervoor weergegeven bepalingen is dat indien de onderzoeksrapporten en het saneringsplan op verschillende momenten worden ingediend, ook de heffing van een tarief voor de beoordeling van die stukken op verschillende momenten kan plaats hebben. Dit betekent echter wel dat op grond van de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) het heffen van"},{"i":10686,"b":"Besluit van 6 april 1990, houdende regelen inzake bijdragen aan de provincies, gemeenten en andere openbare lichamen in de kosten van door hen getroffen maatregelen in het belang van het voorkomen, beperken of ongedaan maken van verontreiniging of aantasting van het milieu Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 december 1988, no. MJZ 05D8002, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving; Gelet op de artikelen 61z en 81 van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Stb. 1988, 133) en artikel II van de Wet tot uitbreiding van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne met regels met betrekking tot de financiering van het beleid op het gebied van de milieuhygiëne (Stb. 1988, 113), alsmede artikel 144b van de Provinciewet en 237b van de gemeentewet; Gezien het advies van de Centrale raad voor de milieuhygiëne van 17 oktober 1988, nr. ABJ-88/985, het advies van de Raad voor de gemeentefinanciën van 31 augustus 1988, 26107 RFG 86/59, en het advies van het Interprovinciaal Overleg van 20 oktober 1988, 11 1984/88; De Raad van State gehoord (advies van 24 april 1989, No. W08.88 0684); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 april 1990, nr. MJZ 03490024, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245); - b. Rijkswaterstaat: het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat; - c. NMP-2: Tweede Nationaal Milieubeleidsplan (kamerstukken II 1993/94, 23 560, nr. 2); - d. geluidsgevoelige ruimte van een woning: verblijfsruimte binnen een woning als bedoeld in [bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&bijlage=I), met uitzondering van een keuken met een vloeroppe"},{"i":10689,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 april 2019, nr. IENW/BSK-2019/60784, houdende vaststelling van regels voor subsidiëring van het inwinnen van extern advies over maatschappelijk verantwoord inkopen door aanbestedingsplichtige organisaties (Subsidieregeling advies bij klimaatneutraal en circulair inkopen) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15) en [22, tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **inkoper:** aanbestedende dienst als bedoeld in [artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=1.1), uitgezonderd de staat, en een speciaal sectorbedrijf als bedoeld in deze [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203); - **Kaderbesluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381); - **maatschappelijk verantwoord inkopen:** inkoop van producten, diensten en werken waarbij binnen verschillende thema’s de effecten op mensen, de planeet, het milieu en welvaart worden meegenomen; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; -"},{"i":10695,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 juli 2023, nr. 2023-0000417918, houdende regels voor de subsidiëring van de waterschappen ter tegemoetkoming in de kosten voor de uitvoering van de Wet open overheid (Subsidieregeling uitvoeringskosten waterschappen Wet open overheid) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f en h van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=3), [6, vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [11, tweede lid en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=20) en [24, vijfde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=24); Besluit: 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. De minister verstrekt een subsidie aan een waterschap ter tegemoetkoming in de kosten van de uitvoering van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). 2. De subsidie wordt voor vijf boekjaren verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 3 De subsidie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048595&paragraaf=1&artikel=2&z=2023-09-02&g=2023-09-02), bedraagt per boekjaar ten hoogste het bedrag zoals opgenomen in de tabel in de bijlage bij deze regeling. 2. De subsidieverlening Artikel 4 1. Een waterschap dient de aanvraag tot subsidieverlening in voor 9 oktober 2023. 2. Door de aanvrager gemaakte kosten vóór indiening van de aanvraag komen voor subsidie in aanmerking indien de kosten niet ee"},{"i":10696,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 13 juni 2016, nr. IENM/BSK-2016/94637, houdende vaststelling van regels voor subsidiering van haalbaarheids- en pilotprojecten voor waterveiligheid en waterzekerheid in stedelijke delta’s in het buitenland (Subsidieregeling waterveiligheid en waterzekerheid stedelijke delta's) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=9), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), en [13 van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **haalbaarheidsproject:** project als bedoeld in artikel 2, onderdeel 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening waarbij wordt onderzocht of en onder welke technische, financiële en juridische condities een voorgenomen pilotproject kan worden geïmplementeerd; - **Kaderbesluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381); - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **onderzoeksorganisatie:** organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **pilotproject:** project betreffende experimentele ontwikkeling als bedoeld"},{"i":10698,"b":"Wet van 18 januari 1990, houdende wijziging van de tarieven van de bestemmingsheffingen Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en van de tijdelijke toeslag op de accijns van gelode lichte olie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is kooldioxide in de buitenlucht te verminderen en mede te dien einde de tarieven van de bestemmingsheffingen in de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (**Stb.** 1988, 133) te verhogen, alsmede vanwege de discrepantie tussen de raming en de feitelijke opbrengst van de tijdelijke toeslag op de accijns van gelode lichte olie deze tijdelijke toeslag te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Indien deze wet in werking treedt op een later tijdstip dan 1 januari 1990 wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding tot 1 januari 1991 het tarief van een heffing, als bedoeld in artikel 61**d,** eerste lid, 61**j,** eerste lid, 61**l,** eerste en tweede lid, en 61**n** van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, verhoogd met de uitkomst van de volgende berekening: het aantal maanden in 1990 dat voor de inwerkingtreding van deze wet is verstreken gedeeld door het aantal maanden in 1990 dat na de inwerkingtreding nog rest, vermenigvuldigd met het verschil tussen het tarief dat ingevolge de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, zoals deze luidt na die inwerkingtreding, geldt en het tarief dat voor die inwerkingtreding ingevolge de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne gold. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerste kalendermaand na de datum van bekendmaking. 2. Deze wet kan worden aangehaald als Tarievenwet brandstofheffingen milieu 1990. Lasten en bevelen dat deze in het **St"},{"i":10699,"b":"Wet van 26 februari 1991, tot wijziging van de tarieven van de bestemmingsheffingen Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en van de tijdelijke toeslag op de accijns van gelode lichte olie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de tarieven van de bestemmingsheffingen in de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (**Stb.** 1988, 133) en het tarief van de tijdelijke toeslag op de accijns van gelode lichte olie in de Wet tijdelijke toeslag op de accijns van gelode lichte olie (**Stb.** 1989, 187) te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Indien deze wet in werking treedt op een later tijdstip dan 1 januari 1991 wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding tot 1 januari 1992 het tarief van een heffing als bedoeld in artikel 61**d**, eerste lid, 61**h**, eerste lid, 61**j**, eerste lid, 61**l**, eerste en tweede lid, en 61**n** van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne verhoogd met de uitkomst van de volgende berekening: het aantal maanden in 1991 dat voor de inwerkingtreding van dat onderdeel is verstreken gedeeld door het aantal maanden in 1991 dat na de inwerkingtreding nog rest, vermenigvuldigd met het verschil tussen het tarief dat ingevolge de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, zoals deze luidt na die inwerkingtreding, geldt en het tarief dat voor die inwerkingtreding ingevolge de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne gold. 2. De uitkomst van de berekening wordt afgerond tot op twee decimalen, waarbij een bedrag kleiner dan 0,005 naar beneden en een bedrag gelijk aan of hoger dan 0,005 naar boven wordt afgerond. 3. In afwijking van het tweede lid wordt de uitkomst van de berekening van de verhoging van het tarief voor aardgas afgerond tot op vijf decimalen, waarbij een bedra"},{"i":10700,"b":"Besluit van 21 mei 2024, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 110 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (Tijdelijk besluit limitering aansprakelijkheid voor terrorismeschade luchtvaart) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 8 maart 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5193738; Gelet op [artikel 110 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=110); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 maart 2024, nr. W16.24.00048/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 15 mei 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5434373; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De aansprakelijkheid voor schade als gevolg van het niet naar behoren naleven van de beveiligingstaken, opgelegd in de [paragrafen 2 tot en met 4 van Afdeling 3A van Hoofdstuk IV van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&paragraaf=2), waardoor een of meer personen opzettelijk en met een terroristisch oogmerk schade hebben kunnen toebrengen aan derden, is beperkt tot een bedrag per gebeurtenis waarvoor de aansprakelijke ten tijde van het voorval redelijkerwijs ten hoogste verzekeringsdekking kon verkrijgen. 2. De aansprakelijke komt geen beroep op het eerste lid toe, indien bewezen is dat de schade is ontstaan door zijn handelen of nalaten, geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien. 3. Vorderingen wegens schade door overlijden of letsel hebben voorrang boven andere vorderingen, behoudens voor zover het totaal van die vorderingen meer bedraagt dan tweederde van het ingevolge het eerste lid in totaal beschikbare bedrag. 4. Onverminderd het in het derde lid bepaalde, worden, indien het totaal van de schade waarvoor aansprakelijkheid als bedoeld in het eerste lid bestaat, groter is da"},{"i":10702,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van desinfectiemiddelen in luchtvaartuigen die passagiers vervoeren in verband met de uitbraak COVID-19 (Tijdelijke vrijstelling desinfectie luchtvaartuigen COVID-19 2020) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gezien het verzoek van de directie Luchtvaart van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat van 17 augustus 2020 tot vrijstelling van het op de markt brengen en gebruik van een vijftal niet-toegelaten oppervlaktedesinfectiemiddelen, In aanmerking genomen de noodzaak van desinfectie in luchtvaarttoestellen als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en het behoud en het waarborgen van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de bij deze gebruik van oppervlaktedesinfectie in luchtvaartuigen en het waarborgen van de luchtwaardigheid van de luchtvaartuigen, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en gebruik van de volgende middelen voor de desinfectie van luchtvaartuigen: - –. Cee-Bee A18-S op basis van de werkzame stof Benzyl-C12-16-alkyldimethyl-ammoniumchloride, - –. Aerokleen ACS op basis van de werkzame"},{"i":10701,"b":"Besluit van 29 juni 2023 tot wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 in verband met de tijdelijke voorwaarden en overgangsbepalingen van nul-emissiezones (Tijdelijk besluit nul-emissiezones) Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 14 april 2022, nr. IenW/BSK-2022/63903, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=13); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 juni 2022, nr. W17.22.00047/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 27 juni 2023, nr. IenW/BSK-2023/164167, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2023 en vervalt op 1 januari 2030. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit nul-emissiezones. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10703,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 16 oktober 2020, nr. IENW/BSK-2020/195119, houdende vaststelling van een tijdelijke regeling voor versnelling van maatregelen ten behoeve van klimaatadaptatie 2021-2027 (Tijdelijke impulsregeling klimaatadaptatie 2021–2027) Gelet op [artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) en de [artikelen 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5, onderdelen a tot en met f en h, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **maatregelenpakket:** pakket van kosteneffectieve maatregelen of voorzieningen ter voorkoming of beperking van wateroverlast of ter beperking van de gevolgen van droogte of overstromingen; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **specifieke uitkering:** specifieke uitkering als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044224&artikel=4&z=2021-01-01&g=2021-01-01); - **werkregio:** werkregio als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044224&artikel=3&z=2021-01-01&g=2021-01-01). Artikel 2. Doel regeling Het doel van deze tijdelijke regeling is door middel van het verstrekken van specifieke uitkeringen decentrale overheden in staat te stellen tot het versneld uitvoeren van kosteneffectieve maatregelen en voorzieningen die bijdragen aan het voorkomen of beperken van wateroverlast of het beperken van de gevolgen van droogte of overstromingen in hun werkregio. Artikel 3. Indeling Nederland in werkregio’s 1. Voor de toepassing van deze regeling wordt het grondgebied van Nederland ingedeeld in werkregio’s. De werkregio’s worden aangewezen in de bij deze regeling behorende bijlage, eerste kolom. 2. In de bijlage, tweede kolom, wordt vermeld welke decentrale overheden deel uitmaken van een wer"},{"i":10707,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 22 april 2024, nr. IENW/BSK-2024/124323, houdende vaststelling van de Tijdelijke subsidieregeling Luchtvaart in Transitie Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [8, eerste lid en tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=9), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22) en [23, vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23) en artikel 36 van [verordening (EU) Nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014; BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **AGVV:** algemene groepsvrijstellingsverordening; - –. **experimentele ontwikkeling:** experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86 van de AGVV; - –. **founder coaching:** individuele of teamgerichte begeleiding gericht op het versterken van de ondernemersvaardigheden en leiderschapskwaliteiten van de oprichter, waaronder: - a. leiderschapsontwikkeling; - b. besluitvorming en strategie; - c. persoonlijke effectiviteit; - d. communicatie en stakeholdermanagement; en - e. coaching gericht op het vergroten van veerkracht en doorzettingsvermogen; - –. **fundamenteel onderzoek:** fundamenteel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 84 van de AGVV; - –. **haalbaarheidsproject:** project dat bestaat uit een haalbaarheidsstudie, als bedoeld in artikel 2, onderdeel 87 van de AGVV, of uit een combinatie van een haalbaarheidsstudie en industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; - –. **industrieel onderzoek:** industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85 van de AGVV; - –. **investor readiness:** het proces waarin een startup wordt vo"},{"i":10776,"b":"Verdrag inzake het Open Luchtruim De Staten die dit Verdrag sluiten, hierna te noemen, gezamenlijk, de Staten-Partijen of, afzonderlijk, een Staat-Partij, Indachtig de verplichtingen die zij op de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa op zich hebben genomen aangaande het bevorderen van grotere openheid en doorzichtigheid in hun militaire activiteiten en het vergroten van de veiligheid door middel van vertrouwen- en veiligheidbevorderende maatregelen, Verheugd over de historische gebeurtenissen in Europa, die de veiligheidssituatie van Vancouver tot Vladiwostok hebben gewijzigd, Geleid door de wens bij te dragen tot de verdere ontwikkeling en versterking van de vrede, stabiliteit en coöperatieve veiligheid in dat gebied door middel van het scheppen van een „open luchtruim\"-regime voor observatie vanuit de lucht, Erkennende de mogelijke bijdrage die een dergelijk regime inzake observatie vanuit de lucht tevens aan de veiligheid en stabiliteit in andere regio's kan leveren, Vaststellende de mogelijkheid een dergelijk regime te gebruiken ter verbetering van de openheid en doorzichtigheid, ter vergemakkelijking van de controle op de naleving van bestaande en toekomstige wapenbeheersingsovereenkomsten en ter versterking van het vermogen tot conflictvermijding en crisisbeheersing in het kader van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa en andere daarvoor in aanmerking komende internationale instellingen, Beogende de mogelijke uitbreiding van het „open luchtruim\"-regime tot andere gebieden, zoals bescherming van het milieu, Ernaar strevende overeengekomen procedures vast te leggen die voorzien in observatie vanuit de lucht van alle grondgebieden van de Staten-Partijen, met de bedoeling één bepaalde Staat-Partij of groepen Staten-Partijen te observeren op basis van billijkheid en doelmatigheid, met handhaving van de vliegveiligheid. Erop wijzende dat de toepassing van een dergelijk „open luchtruim\"-regime de Staten die daaraan niet deelnemen,"},{"i":10795,"b":"Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Overwegende dat het wederrechtelijk in zijn macht brengen of houden van luchtvaartuigen tijdens de vlucht de veiligheid van personen en goederen in gevaar brengt, de exploitatie van luchtdiensten ernstig aantast en het vertrouwen dat de volkeren der wereld stellen in de veiligheid der burgerluchtvaart ondermijnt, Overwegende dat zodanige handelingen hen ernstig verontrusten, Overwegende dat, ten einde zodanige handelingen te voorkomen, er dringende behoefte bestaat aan passende maatregelen ter bestraffing van de daders. Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. Aan een strafbaar feit maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk een luchtvaartuig in bedrijf in zijn macht brengt of houdt door geweld of bedreiging met geweld, of door dwang, of door elke andere vorm van intimidatie, of door enig technologisch middel. 2. Aan een strafbaar feit maakt zich eveneens schuldig hij die: - a. dreigt de in het eerste lid van dit artikel bedoelde strafbare feiten te plegen; of - b. wederrechtelijk en opzettelijk bewerkstelligt dat een persoon een dergelijke bedreiging ontvangt, onder omstandigheden die deze bedreiging geloofwaardig maken. 3. Aan een strafbaar feit maakt zich eveneens schuldig hij die: - a. poogt de in het eerste lid van dit artikel bedoelde strafbare feiten te plegen; of - b. het plegen van een strafbaar feit zoals bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, onderdeel a, van dit artikel organiseert of anderen opdracht geeft een van deze strafbare feiten te plegen; of - c. als medeplichtige deelneemt aan een strafbaar feit zoals bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, onderdeel a, van dit artikel; of - d. een andere persoon wederrechtelijk en opzettelijk helpt onderzoek, strafrechtelijke vervolging of bestraffing te ontlopen, wetende dat deze persoon een strafbaar feit heeft gepleegd zoals bedoeld in het"},{"i":10814,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Dominicaanse Republiek inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden PREAMBULE Het Koninkrijk der Nederlanden en de Dominicaanse Republiek, hierna te noemen de partijen; Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens een bijdrage te leveren aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart; Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging in internationale luchtdiensten te waarborgen; Geleid door de wens een verdrag te sluiten ter vervanging van het [Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Dominicaanse Republiek inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001495), ondertekend te Santo Domingo op 15 december 1998; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. INLEIDING Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Infrastructuur en Waterstaat; en, wat de Dominicaanse Republiek betreft, de Burgerluchtvaartdienst; - b. wordt onder „overeengekomen dienst” en „omschreven route” verstaan respectievelijk een internationale luchtdienst overeenkomstig dit Verdrag en de route omschreven in de Bijlage bij dit Verdrag; - c. wordt onder „Verdrag” verstaan dit Verdrag en de Bijlage erbij, alsmede elke wijziging van dit Verdrag of de Bijlage; - d. hebben „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij” en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden” de betekenis die daaraan in [artikel 96 van het Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96) respectievelijk wordt toegekend; - e. wordt onder „verandering van luchtvaartuig” verstaan de exploitatie van een van de overeengekomen diensten door een aangewez"},{"i":10815,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Albanië inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden The Kingdom of the Netherlands and the Republic of Albania, being parties to the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago on 7 December 1944; desiring to contribute to the progress of international civil aviation; desiring to conclude an Agreement for the purpose of establishing air services between and beyond their respective territories; have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement and its Annex, unless the context otherwise requires: - a). the term “the Convention” means the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on 7 December 1944, and includes any Annex adopted under Article 90 of that Convention and any amendment of the Annexes or the Convention under Articles 90 and 94 thereof, insofar as those Annexes and amendments have become effective for, or been ratified by both Contracting Parties; - b). the term “aeronautical authorities” means: for the Kingdom of the Netherlands the Minister of Transport, Public Works and Water Management; for the Republic of Albania the Minister of Industry, Transport and Trade; or in either case any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said Minister; - c). the term “designated airline” means an airline which has been designated and authorized in accordance with Article 4 of this Agreement; - d). the term “territory” in relation to a State has the meaning assigned to it in Article 2 of the Convention; - e). the terms “air service”, “international air service”, “airline” and “stop for non-traffic purposes” have the meaning respectively assigned to them in Article 96 of the Convention; - f). the terms “agreed service” and “specified route” mean international air service pursuant to [Article 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001285&artikel=2&z=1"},{"i":10845,"b":"Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan Preambule De Partijen bij dit Verdrag, Zich bewust van het risico van schade aan de gezondheid van de mens en het milieu veroorzaakt door gevaarlijke afvalstoffen en andere afvalstoffen en de grensoverschrijdende overbrenging daarvan, Indachtig de groeiende bedreiging voor de gezondheid van de mens en het milieu die wordt gevormd door de toenemende produktie en complexiteit van gevaarlijke afvalstoffen en andere afvalstoffen en door de grensoverschrijdende overbrenging ervan, Voorts indachtig dat de gezondheid van de mens en het milieu het meest doeltreffend kunnen worden beschermd tegen de gevaren die deze afvalstoffen opleveren door het terugbrengen van de produktie ervan tot een minimum wat betreft hoeveelheid en/of wat betreft het gevaar dat zij kunnen opleveren, Ervan overtuigd dat Staten de nodige maatregelen moeten nemen om te verzekeren dat het beheer van gevaarlijke afvalstoffen en andere afvalstoffen, daaronder begrepen de grensoverschrijdende overbrenging en de verwijdering ervan, verenigbaar is met de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, ongeacht de plaats van verwijdering, Erop wijzend dat Staten er zorg voor dienen te dragen dat de producent van het afval werkzaamheden ten aanzien van het vervoer en de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen en andere afvalstoffen uitvoert op een wijze die verenigbaar is met de bescherming van het milieu, ongeacht de plaats van verwijdering, Volledig erkennend dat iedere Staat het soevereine recht heeft de binnenkomst of verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen en andere afvalstoffen uit het buitenland op zijn grondgebied te verbieden, Voorts het toenemend verlangen erkennend dat grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan in andere Staten, in het bijzonder in ontwikkelingslanden, worden verboden, Erkennende dat bij grens"},{"i":10846,"b":"Verdrag van Boedapest inzake de Overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI) De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Overwegende de aanbevelingen in de slotakte van de Conferentie inzake veiligheid en samenwerking in Europa van 1 augustus 1975 voor de harmonisering van rechtsvoorschriften ten behoeve van de ontwikkeling van het verkeer door de lidstaten van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart en de Donaucommissie, in samenwerking met de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, Erkennende de noodzaak en doelmatigheid uniforme voorschriften vast te stellen inzake overeenkomsten voor het vervoer van goederen over de binnenwateren, Hebben besloten met dit doel een verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. wordt verstaan onder „vervoerovereenkomst\", elke overeenkomst, ongeacht hoe deze wordt aangeduid, waarbij een vervoerder zich verbindt tegen betaling van vracht goederen te vervoeren over de binnenwateren; - 2. wordt verstaan onder „vervoerder\", een ieder door wie of namens wie een vervoerovereenkomst is gesloten met een afzender; - 3. wordt verstaan onder „ondervervoerder\", een ieder, anders dan de ondergeschikte of lasthebber van de vervoerder, aan wie de uitvoering van het vervoer geheel of gedeeltelijk door de vervoerder is toevertrouwd; - 4. wordt verstaan onder „afzender\", een ieder door wie of namens wie of voor wiens rekening een vervoerovereenkomst is gesloten met een vervoerder; - 5. wordt verstaan onder „geadresseerde\", de persoon die gerechtigd is de goederen in ontvangst te nemen; - 6. wordt verstaan onder „vervoersdocument\", een document dat het bewijs vormt van een vervoerovereenkomst en dat de inontvangstneming of het aan boord nemen van goederen door een vervoerder aantoont, opgemaakt in de vorm van een cognossement of vrachtbrief of in de vorm van elk ander in de handel gebruikelijk d"},{"i":10847,"b":"Besluit van 20 mei 2008, houdende vaststelling van de vergoeding van de leden van de Technische commissie bodembescherming (Vergoedingenbesluit Technische commissie bodembescherming) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 april 2008, nr. BWL 2008037932, Directie Bodem, Water en Landelijk Gebied, afdeling Landbouw; Gelet op [artikel 3, eerste lid van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De voorzitter van de Technische commissie bodembescherming ontvangt een maandelijkse vergoeding die gelijk is aan een bezoldiging van 4/36 aanstelling in de hoogste trede van schaal 18 [BBRA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630). Artikel 2 De andere leden van de Technische commissie bodembescherming ontvangen een maandelijkse vergoeding die gelijk is aan een bezoldiging van 4/36 aanstelling in de hoogste trede van schaal 16 [BBRA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630). Artikel 3 De leden hebben overeenkomstig het [Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889) recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit Technische commissie bodembescherming. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10852,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 december 2018, nr. DB/18201628, inzake de routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden personeelsdossiers van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); Gelet op het [Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 december 2018, nr. WJZ/18271310, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041723); Besluit: Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op papier die behoren of zullen gaan behoren tot het personeelsdossier van de medewerkers van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Deze vervanging betreft alle papieren archiefbescheiden die betrekking hebben op personeelsgegevens en salarisgegevens zoals beschreven in het ‘Basisselectiedocument P-dossier is Mens-en-werk’. Artikel 2 De digitale reproductie geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in de bijlage het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers P-Direkt van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking te rekenen vanaf 1 januari 2019. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Bijlage. behorende bij het Besluit digitale vervanging archiefbescheiden"},{"i":10860,"b":"Vrijstelling ten behoeve van het vervoer over land van pesticiden door ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Gelet op [artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=9); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. handelingen: handelingen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=2); - b. pesticiden: pesticiden genoemd in [tabel A van randnummer 3.2 van bijlage 1 bij de VLG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1); - c. VLG: [Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054). Artikel 2 Aan de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wordt voor het in de uitoefening van hun functie verrichten van handelingen ten aanzien van pesticiden, die voor onderzoek, dan wel door inbeslagname zijn ingenomen en voorzover dit vervoer onverwijld noodzakelijk is, tot een hoeveelheid van ten hoogste 15 kilogram per transport, vrijstelling verleend van het bepaalde in [bijlage 1 bij de VLG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1). Artikel 3 Bij het verrichten van de handelingen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017306&artikel=2&z=2004-10-23&g=2004-10-23), wordt het volgende in acht genomen: - a. de handelingen geschieden met de vereiste behoedzaamheid; - b. de verpakkingen en sluitingen zijn behoorlijk afgesloten; - c. de verpakkingen zijn in een deugdelijk buitenverpakking geplaatst, welke voldoende sterk en bestand is tegen normale behandeling en normale vervoersomstandigheden, en - d. breekbare houders zijn door toevoeging van voor opvulling dienende stoffen stevig vastgezet in de buitenverpakking. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na"},{"i":10864,"b":"Regeling houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterregeling) Gelet op [artikel 7.5, eerste en vierde lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.5) en de [artikelen 2.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=2.3), [3.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=3.1), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=3.3), [3.4, derde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=3.4), [4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=4.13), [4.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=4.18), [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.2), [6.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.7), [6.11, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.11), [6.12, tweede lid, onderdeel f, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.12), [6.13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.13), [6.15, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.15), [6.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.16), [6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.17), [6.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.19), [6.21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.21), [6.22, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.22), en [6.23, eerste lid, van het Waterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.23); Besluiten: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Vervallen Hoofdstuk 2. Doelstellingen en normen Artikel 2.1 Vervallen Hoofdstuk 3. Organisatie van het waterbeheer § 1. Beheer van oppervlaktewaterlichamen en aanwijzing drogere oevergebieden Artikel 3.1 Vervallen Artikel 3."},{"i":10865,"b":"Besluit van 29 november 2007, houdende regels met betrekking tot de waterschappen (Waterschapsbesluit) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 15 augustus 2007, nr. HDJZ/I&O/2007-904, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 18, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=18), [19, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=19), [20, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=20), [21, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=21), [24, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=24), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=25), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=29), [32a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=32a), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=44), [49, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=49), [98a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=98a), [109, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=109), [120, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=120), [122g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=122g), [122k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=122k), en [126a van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=126a); De Raad van State gehoord (advies van 8 oktober 2007, nr. W09.07.0306/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 26 november 2007, nr. HDJZ/WAT/2007-1514, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **Onze Minister**: Onze Minister van Infrastructuur"},{"i":10867,"b":"Wet van 10 november 1900, houdende algemeene regels omtrent het waterstaatsbestuur Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is algemeene regels omtrent het waterstaatsbestuur te stellen; Gezien art. 188 der [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840); Zoo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Overdracht of overneming van waterstaatswerken Artikel 1 1. Het bij anderen in beheer of onderhoud brengen van waterstaatswerken die bij het Rijk in beheer of onderhoud zijn, alsmede het bij het Rijk in beheer of onderhoud brengen van waterstaatswerken die bij anderen dan het Rijk in beheer of onderhoud zijn dan wel die onbeheerd zijn, geschiedt bij wet. 2. In afwijking van het eerste lid kunnen waterstaatswerken in beheer of onderhoud bij het Rijk, die niet van nationaal belang zijn, bij koninklijk besluit bij anderen in beheer of onderhoud worden gebracht, indien daaromtrent overeenstemming is bereikt tussen het Rijk en die anderen. 3. In afwijking van het eerste lid kunnen waterstaatswerken in beheer of onderhoud bij anderen, die van nationaal belang zijn, bij koninklijk besluit bij het Rijk in beheer of onderhoud worden gebracht, indien daaromtrent overeenstemming is bereikt tussen het Rijk en die anderen. 4. Een besluit als bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt op gemeenschappelijke voordracht van Onze Minister met de uitvoering van deze wet belast en van Onze Minister van Financiën. Artikel 2 1. De Gedeputeerde Staten kunnen, waterstaatswerken in beheer of onderhoud bij anderen dan het Rijk, de beheerders gehoord, zoomede onbeheerde waterstaatswerken in het beheer en onderhoud der provincie brengen. 2. Zij, die van het onderhoud of het geven van bijdragen tot het onderhoud worden bevrijd, kunnen bij het besluit tot overneming in behee"},{"i":10910,"b":"Besluit van 28 november 2017 tot wijziging van het Besluit geluid milieubeheer en het Besluit geluidhinder in verband met aanpassingen aan het doelmatigheidscriterium en enkele kleine wijzigingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 18 september 2017, nr. IENM/BSK-2017/220788, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 11.22, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.22), [11.29, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.29), [11.38, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.38), [11.39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.39), [11.42, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.42), en [11.64, zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.64), de [artikelen 104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=104), [107](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=107), [114a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=114a), en [174 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=174) en [artikel XI, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Invoeringswet geluidproductieplafonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031679&artikel=XI); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 november 2017, nr. W14.17.0309/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 23 november 2017, nr. IENM/BSK-2017/280768, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit geluid milieubeheer. Artikel II Wijzigt het Besluit geluidhinder. Artikel III Het [Besluit geluid milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031477) en het [Besluit geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020445), zoals deze golden"},{"i":10913,"b":"Besluit van 29 maart 2004, houdende wijziging van het Besluit luchtwaardigheid in verband met eisen voor de afgifte van een geluidscertificaat Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 12 december 2003, nr. HDJZ/LUV/2003–2568, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 3.19b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.19b), [3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.23), [3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.25) en [3.29 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.29); De Raad van State gehoord (advies van 29 januari 2004, nr. W09.03.0536/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 23 maart 2004, nr. HDJZ/LUV/2004-508, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking met uitzondering voor zover het betreft MLA's. Treedt in werking voor zover het betrekking heeft op luchtvaartuigen met een maximum startmassa van ten hoogste 8.618 kg. Voor zover het betrekking heeft op luchtvaartuigen met een maximum startmassa van meer dan 8.618 kg treedt het in werking op 1 januari 2006. Artikel I Wijzigt het Besluit luchtwaardigheid. Artikel II De op het [Besluit luchtwaardigheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012651) gebaseerde besluiten worden aangemerkt als te zijn gebaseerd op het [Besluit luchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012651). Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor daarbij aan te geven categorieën luchtvaartuigen verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10928,"b":"Besluit van 31 augustus 2009 tot aanpassing van algemene maatregelen van bestuur aan wijzigingen van de Luchtvaartwet en de Wet luchtvaart (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 22 juni 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/456 sector LUV, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor Wonen, Wijken en Integratie, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Defensie en in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op: [artikel 2, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016876&artikel=2); de [artikelen 62, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=62), en [76, eerste lid, onderdeel e, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=76); de [artikelen 1.2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2), [2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.2), [2.3, tweede, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.3), [2.4, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.4), [5.5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.5), [5.10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.10), [5.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.11), [5.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.12), [6.51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.51), [8a.45, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.45), [8a.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.52), [10.6, derde lid](ht"},{"i":10931,"b":"Besluit van 9 mei 2001, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit voorzitters waterschappen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 21 december 2000, nr. CDJZ/WVW/2000–1549, Centrale Directie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=44) en [49 van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=49); De Raad van State gehoord (advies van 20 februari 2001, nr. W09.01.0011/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 1 mei 2001, nr. CDJZ/WVW/2001–544, Centrale Directie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Rechtspositiebesluit voorzitters waterschappen. Artikel II 1. Ten aanzien van de zittende voorzitter die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit recht heeft op een bezoldiging welke meer bedraagt dan waar hij op grond van de artikelen 8a juncto 8c van dit besluit recht op zou hebben, blijven de regels gelden zoals deze luiden vóór de inwerkingtreding van dit besluit. 2. Ten aanzien van een waterschap waarvoor op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit ten aanzien van de functie van de voorzitter een tijdsbestedingsnorm is vastgesteld die lager ligt dan 100%, blijft deze van toepassing. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10940,"b":"Regeling van de Ministers van Infrastructuur en Milieu, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 juni 2017, nr. IENM/BSK-2016/229044, tot wijziging van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen, de Regeling buitengebruikstelling en ontmanteling nucleaire inrichtingen, de Regeling detectie radioactief besmet schroot, de Regeling implementatie richtlijn nr. 2009/71/Euratom inzake nucleaire veiligheid, de Regeling nucleaire drukapparatuur, de Regeling stralingsbescherming werknemers 2014, de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen, de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen en de Uitvoeringsregeling stralingsbescherming EZ in verband met de Wet tot wijziging van de Kernenergiewet in verband met de instelling van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (Stb. 2016, 180) Gelet op de [artikelen 18a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=18a) en [76, vierde lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=76), [artikel 2, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2), de [artikelen 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014106&artikel=4), en [5, tweede lid, van het Besluit detectie radioactief besmet schroot](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014106&artikel=5), de [artikelen 21, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=21), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=22), [26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=26), en [30b van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=30b), de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012702&artik"},{"i":10944,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 12 december 2016, nr. IENM/BSK-2016/190489 tot wijziging van de Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 (aanpassing bijlagen 5 en 9) Gelet op [artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=2.2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Artikel II 1. Werkzaamheden die voor 1 januari 2017 werden gedaan op inperkingsniveau II-k en waarvoor na die datum inperkingsniveau II-v geldt, worden na die datum aangemerkt als werkzaamheden op inperkingsniveau II-v. 2. Werkzaamheden waarvoor voor 1 januari 2017 een aanvraag op inperkingsniveau II-v was ingediend, waarover voor die datum nog niet was beslist en waarvoor na die datum inperkingsniveau II-k geldt, worden na die datum aangemerkt als werkzaamheden op inperkingsniveau II-k. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10965,"b":"Wet van 16 november 1995, houdende wijziging van de Natuurschoonwet 1928 en de Gemeentewet (verruiming fiscale faciliteiten ten behoeve van de aanleg van bossen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels met betrekking tot de fiscale faciliteiten voor landgoederen te verruimen ter bevordering van de aanleg van bossen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel 7, derde lid, van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7) vindt met betrekking tot onroerende zaken als bedoeld in [artikel 1, derde lid, van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1) slechts toepassing indien het overlijden, de schenking of de in [artikel 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=45), derde lid, tweede volzin, of [artikel 53, eerste lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=53) bedoelde gebeurtenis op of na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet plaatsvindt, zomede indien op of na dat tijdstip krachtens schenking wordt verkregen door vervulling van een voorwaarde. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":10970,"b":"Wet van 2 juli 1992, tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (milieubeleidsplanning en milieukwaliteitseisen; provinciale milieuverordening; totstandkoming algemene maatregelen van bestuur) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op een doelmatige bescherming van het milieu wenselijk is, bestaande wettelijke regelingen met betrekking tot plannen inzake onderdelen van het milieubeleid en met betrekking tot milieukwaliteitseisen en provinciale verordeningen ter bescherming van onderdelen van het milieu zoveel mogelijk te integreren in een algemene regeling ter zake in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), die mede kan strekken ter uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1978, 78/319/EEG (**PbEG** L 48) en van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 7 juni 1990, 90/313/EEG ( **PbEG** L 158), alsmede de in die wet en in andere wetten voorkomende bepalingen inzake de totstandkoming van algemene maatregelen van bestuur ter bescherming van het milieu, te harmoniseren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII"},{"i":10973,"b":"Wet van 15 december 2005, houdende wijziging van de Wet bodembescherming en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het beleid inzake bodemsaneringen Artikel I Wijzigt de Wet bodembescherming. Artikel II 1. Op saneringsplannen die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019284&artikel=I&z=2006-01-01&g=2006-01-01), van deze wet blijft [artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=39) van toepassing zoals dat gold voor dit tijdstip. 2. Op een sanering of een fase van de sanering als bedoeld in [artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=38) die is uitgevoerd voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019284&artikel=I&z=2006-01-01&g=2006-01-01), van deze wet, zijn de [artikelen 39c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=39c), [39d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=39d) en [39e van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=39e) niet van toepassing. Op deze gevallen blijven de regels van toepassing die voor genoemd tijdstip door provinciale staten zijn gesteld met betrekking tot de onderwerpen die in genoemde artikelen zijn geregeld. 3. Beschikkingen die zijn gegeven krachtens [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=29) juncto [37 van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=37), zoals die artikelen golden voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019284&artikel=I&z=2006-01-01&g=2006-01-01), van deze wet blijven van kracht. Deze beschikkingen worden voor de toepassing van de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) gelijkgesteld met beschikking"},{"i":10976,"b":"Wet van 8 november 2012 tot wijziging van de Wet luchtvaart met betrekking tot de gevolgen van buitenlandse luchthavens voor de ruimtelijke ordening op Nederlands grondgebied (Beperkingengebied buitenlandse luchthaven) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om de regels voor de gevolgen van buitenlandse luchthavens voor de ruimtelijke ordening op Nederlands grondgebied ten aanzien van de systematiek in overeenstemming te brengen met de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens in Nederland, en deze regels op te nemen in de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet Luchtvaart. Artikel Ia Wijzigt deze wet. Artikel II Wijzigt de Wet geluidhinder. Artikel III 1. Binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet wordt een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven als bedoeld in [artikel 8a.54, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.54), vastgesteld. 2. Een algemene maatregel van bestuur die op grond van [artikel 108 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=108) is vastgesteld met betrekking tot een buitenlandse luchthaven, genoemd in [artikel 8a.54, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.54) en de krachtens die maatregel genomen besluiten blijven voor deze luchthaven van kracht tot het tijdstip waarop een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven voor deze luchthaven in werking treedt. Artikel IV De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en"},{"i":10977,"b":"Wet van 18 maart 2010 tot wijziging van de Wet luchtvaart en enkele andere wetten, houdende diverse wijzigingen met betrekking tot de luchtvaart Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) te wijzigen, alsmede enkele andere wetten, houdende diverse wijzigingen met betrekking tot de luchtvaart, rekening houdende met zowel [verordening (EG) nr. 2042/2003](32003R2042) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PbEU L 315), als met de implementatie van [richtlijn nr. 2006/23/EG](32006L0023) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 inzake een communautaire vergunning van luchtverkeersleiders (PbEU L 114); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel II Wijzigt de Wijzigingswet Wet luchtvaart (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens). Artikel IIa Wijzigt de Luchtvaartwet. Artikel IIb Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel IIc Het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) zoals het luidde vóór inwerkingtreding van [artikel IIb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027473&artikel=IIb&z=2010-07-07&g=2010-07-07) blijft van toepassing op een luchtvaartterrein, aangewezen op grond van [artikel 18 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=18), zolang op dat luchtvaartterrein het bepaalde bij of krachtens de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) van toepassing blijft krachtens [ar"},{"i":10979,"b":"Wet van 29 juni 2006 tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake de exploitatie van de luchthaven Schiphol Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op waarborgen voor publieke belangen bij de exploitatie van de luchthaven Schiphol regels te stellen voor een exploitatievergunning, de vaststelling van tarieven en voorwaarden en specifiek mededingingstoezicht, Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel II Wijzigt de Luchtvaartwet. Artikel III Bij de inwerkingtreding van [artikel 8.25 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25) is de N.V. Luchthaven Schiphol houder van de eerste luchthavenexploitatievergunning. Artikel IIIa 1. De eerste vaststelling van tarieven en voorwaarden vindt plaats binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van [artikel 8.25d van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25d). 2. Tot het moment waarop de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt, hanteert de exploitant van de luchthaven Schiphol de tarieven en voorwaarden die golden op de dag voor de inwerkingtreding van [artikel 8.25d van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25d). 3. De exploitant van de luchthaven Schiphol legt het toerekeningssysteem voor de kosten en opbrengsten, bedoeld in [artikel 8.25g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25g), voor de eerste keer aan de raad van de Nederlandse Mededingingsautoriteit ter goedkeuring voor binnen drie maanden nadat [artikel 8.25g van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25g) in werking is getreden. Artikel IV Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel V 1. De artikelen va"},{"i":10980,"b":"Wet van 19 december 2002, houdende wijziging van de Wet luchtvaart (geluidscertificaat en geluidsverklaring) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het gebruik van een geluidscertificaat dan wel een geluidsverklaring voor te schrijven voor bepaalde luchtvaartuigen, en enkele regels met betrekking tot luchtwaardigheid en vluchtuitvoering aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel II De houder van een burgerluchtvaartuig waarvoor bij de inwerkingtreding van deze wet een bewijs van luchtwaardigheid of een ontheffing als bedoeld in [artikel 3.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.21) is afgegeven, dient zijn aanvraag voor een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring of (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring in, tegelijkertijd met de eerstvolgende aanvraag tot afgifte of verlenging van het bewijs van luchtwaardigheid van dat luchtvaartuig, dan wel tot afgifte of verlenging van de ter zake verleende ontheffing. Artikel III 1. Documenten omtrent de geluidsproductie van een burgerluchtvaartuig welke zijn afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet vervallen op de dag waarop ingevolge deze wet dat luchtvaartuig voorzien dient te zijn van een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring of een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring. 2. Een document dat is vervallen ingevolge het eerste lid wordt op eerste vordering van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat binnen acht dagen ingeleverd bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan alsmede voor daarbij aan te geven categorieën luch"},{"i":10981,"b":"Wet van 27 juni 2002 tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake de inrichting en het gebruik van de luchthaven Schiphol Artikel I. (Wijziging Wet luchtvaart) Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel II. (Wijziging Luchtvaartwet) Wijzigt de Luchtvaartwet. Artikel III. (Wijziging Algemene wet bestuursrecht) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV. (Wijziging Wet geluidhinder) Wijzigt de Wet geluidhinder. Artikel V. (Wijziging Wet milieubeheer) Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel VI (Vervallen van PKB Schiphol en omgeving) Op het tijdstip waarop het eerste luchthavenindelingbesluit en het eerste luchthavenverkeerbesluit in werking treden vervalt de Planologische Kernbeslissing Schiphol en Omgeving. Artikel VII. (Vervallen van aanwijzing luchtvaartterrein Schiphol) Op het tijdstip waarop het eerste luchthavenindelingbesluit en het eerste luchthavenverkeerbesluit in werking treden vervalt de in [hoofdstuk IV van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&hoofdstuk=IV) bedoelde aanwijzing van het luchtvaartterrein Schiphol. Artikel VIII. (Overgangsbepaling milieueffectrapport) 1. Bij de voorbereiding van het eerste luchthavenindelingbesluit en het eerste luchthavenverkeerbesluit wordt een milieueffectrapport gemaakt. De [paragrafen 7.5 tot en met 7.7 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&paragraaf=7.5) zijn op dit rapport van overeenkomstige toepassing. 2. Het rapport wordt gemaakt door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. 3. Het rapport is gericht op een vergelijking van het beschermingsniveau, zoals dat wordt geboden bij de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde besluiten, met het beschermingsniveau zoals dat voor de inwerkingtreding van artikel VI ten aanzien van het vijfbanenstelsel is beschreven in de PKB Schiphol en Omgeving. 4. Het rapport bevat in ieder geval de informatie, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de [Richtlijn 85/337/EEG](31985L0337) van de Raad van de Europese Gemeenschap"},{"i":10999,"b":"Wet van 28 maart 2013 tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met de vaststelling van Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 181) en van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 181) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in verband met de vaststelling van Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens [Richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en de Raad **(PbEU L181)** en van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig [Richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en de Raad **(PbEU L181)** een aantal artikelen of onderdelen daarvan uit de in de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) opgenomen regeling inzake handel in broeikasgasemissierechten te laten vervallen of te wijzigen en enkele wijzigingen aan te brengen in de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IIA Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III 1. Uiterl"},{"i":11004,"b":"Wet van 25 april 2000 tot wijziging van de Wet milieubeheer (meldingenstelsel) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het meldingenstelsel voor veranderingen in inrichtingen in de Wet milieubeheer te verruimen en te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel II Wijzigt deze wet. Artikel III Ten aanzien van meldingen van veranderingen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig [artikel 8.19 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.19) bij het bevoegd gezag zijn gedaan, blijft het onmiddellijk voor dat tijdstip geldende recht van toepassing. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11014,"b":"Wet van 24 Juni 1939, houdende regelen teneinde de Regeering te machtigen tot het aangaan in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden van verzekeringsovereenkomsten op het terrein van de scheepvaart en de luchtvaart Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen, teneinde de Regeering te machtigen in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden maatregelen te nemen betreffende de verzekering van zeeschepen en daarmede gelijk te stellen schepen, luchtvaartuigen of andere middelen van vervoer en de daarmede te vervoeren goederen, van goederen met bestemming naar een der gebiedsdeelen van het Koninkrijk, welke zich buiten dat gebiedsdeel bevinden alsmede van de belangen, welke samenhangen met de exploitatie van Nederlandse zeeschepen of luchtvaartuigen of met het vervoer van de hiervoor genoemde goederen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Deze wet verstaat onder: - a. \"Onze Ministers\": Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Financiën; - b. \"zeeschepen\": zeeschepen in de zin van [artikel 2, eerste lid, van boek 8 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=2) alsmede zodanige schepen in aanbouw. - c. \"Nederlandse zeeschepen\": zeeschepen die op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren; - d. \"Arubaanse zeeschepen\": zeeschepen die op grond van voor Aruba geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren; - e. \"Curaçaose zeeschepen\": zeeschepen die op grond van voor Curaçao geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren; - f. \"Sint Maartense zeeschepen\": zeeschepen die op grond van voor Sint Maarten geld"},{"i":11040,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 december 2013, nr. HO&S/559042, inzake de uitzondering verblijfsvereiste studenten op grond van artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000 Gelet op [artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=11.5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **BSF 2000:** [Besluit studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011545); - **WSF 2000:** [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453). Artikel 2. Reikwijdte en inhoud maatregel 1. Voor de toepassing van [artikel 5a, eerste lid, onderdeel a, BSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011545&artikel=5a), wordt een Nederlander die ten minste 56 uur per maand werkt in Nederland en woont in een andere lidstaat van de Europese Unie, gelijkgesteld met een persoon die binnen de reikwijdte van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie valt. 2. Het vereiste om ten minste 3 van de 6 jaren voorafgaand aan de buitenlandse studie in Nederland te hebben gewoond, bedoeld in [artikel 2.14, tweede lid, onderdeel c, WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=2.14), is niet van toepassing op een ho-student die een kind of partner is van de persoon, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3738,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 26 juni 2015, nr. WJZ / 15058581, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant betreffende het verstrekken van subsidies ten laste van de Rijkscofinanciering op grond van de Regeling Europese EZ-subsidies (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant inzake subsidieverstrekking Rijkscofinanciering Regeling Europese EZ-subsidies) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder Gedeputeerde Staten verstaan: Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant zijnde managementautoriteit van het Operationeel Programma EFRO Zuid-Nederland 2014-2020. Artikel 2 Aan Gedeputeerde Staten wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het verstrekken van subsidies ten laste van de Rijkscofinanciering op grond van [hoofdstuk 5 van de Regeling Europese EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036758&hoofdstuk=5), voor zover het subsidies betreft die verband houden met het Operationeel Programma EFRO Zuid-Nederland 2014-2020. Artikel 3 Aan Gedeputeerde Staten wordt mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036803&artikel=2&z=2015-07-09&g=2015-07-09), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep. Artikel 4 1. Gedeputeerde Staten kunnen voor de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036803&artikel=2&z=2015-07-09&g=2015-07-09) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036803&artikel=3&z=201"},{"i":14300,"b":"Regeling gespen Herinneringsmedaille Humanitaire hulpverlening bij Rampen Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Besluit Herinneringsmedaille Humanitaire hulpverlening bij Rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011144&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. In verband met de hulpverlening in militair verband bij de leniging van de nood van slachtoffers van de orkaan Dorian op de Bahama’s, waarbij in de periode van 11 september 2019 tot en met 26 september 2019 op het eiland Abaco en vanaf het schip Zr.Ms. Johan de Witt en het vaartuig Zr.Ms. Snellius hulp werd verleend, wordt de gesp ‘BAHAMA’S 2019’ ingesteld. 2. In verband met de hulpverlening in militair verband bij de leniging van de nood van slachtoffers van de aardbeving in Haïti in de periode 19 augustus 2021 tot en met 1 september 2021 wordt de gesp ‘HAÏTI 2021’ ingesteld. 3. In verband met de hulpverlening in militair verband bij de bestrijding van de bosbranden in Albanië in de periode 4 augustus 2021 tot en met 30 augustus 2021 wordt de gesp «ALBANIË 2021» ingesteld. 4. In verband met de hulpverlening bij de evacuatie van non-combattanten uit Soedan in de periode 19 april 2023 tot en met 5 juni 2023, wordt de gesp ‘Soedan 2023’ ingesteld. 5. In verband met de hulpverlening bij de leniging van de nood van slachtoffers van de aardbeving in Turkije in de periode 10 februari 2023 tot en met 25 februari 2023 wordt de gesp ‘Turkije 2023’ ingesteld. 6. In verband met de hulpverlening bestaande uit het bijdragen aan voedseloperaties, het uitvoeren van evacuatievluchten, airdroppen van hulpgoederen en het leveren van sociaal-medische en geestelijke opvang op het grondgebied van en in het luchtruim boven Israël, Palestijnse Gebieden, Libanon, Jordanië en Egypte en op de Middellandse Zee vanaf 7 oktober 2023, wordt de gesp ‘MIDDEN-OOSTEN 2023 2024’ ingesteld. 7. In verband met de hulpverlening bestaande uit het airdroppen van hulpgoederen in het luchtruim boven Gaza in de periode van 6 tot en met 24 augustus 20"},{"i":11088,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 5 juni 2020, nr. VO/ 24521161 houdende regels inzake de uitslag van het eindexamen voortgezet onderwijs BES in het schooljaar 2019–2020 (Besluit eindexamens voortgezet onderwijs BES 2020) Gelet op [artikel 72, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=72), alsmede de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029990&artikel=33), [39, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029990&artikel=39) en [47a van het Eindexamenbesluit VO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029990&artikel=47a); Overwegende dat ter bestrijding van de uitbraak van het coronavirus Covid-19 de Minister voor medische gezondheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport respectievelijk op 17 maart, 23 maart en 24 april 2020 aanwijzingen hebben doen uitgaan op grond van [artikel 7, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=7) als gevolg waarvan onderwijsinstellingen voor voortgezet onderwijs gesloten zijn; Overwegende dat als gevolg van deze aanwijzingen een onvoorziene omstandigheid is opgetreden die een goede voorbereiding van leerlingen op het centraal examen en afname daarvan op de reguliere wijze verhindert; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen Vervallen Artikel 2. Afgelasting centrale examens in 2020 Vervallen Artikel 3. Afsluiting schoolexamen Vervallen Artikel 4. Cijfers voor het schoolexamen en het eindexamen Vervallen Artikel 5. Vaststelling uitslag Vervallen Artikel 6. Vaststelling uitslag schooljaren 2020–2021 en 2021–2022 na gespreid examen en na examen in eerder leerjaar dan het laatste Vervallen Artikel 7. Uitslag eindexamen leerwegen vmbo Vervallen Artikel 8. Uitslag eindexamen vwo en havo Vervallen Artikel 9. Voorschriften judicium cum laude Vervallen Artikel 10. Resultaatverbeteringtoets Vervallen Artikel 11. Onvoorziene omstandigheden res"},{"i":11095,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 april 2022, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Zimbabwe, Ambassade Harare (1956) 1980–2013 (2014), Besluit Beperking Openbaarheid Ambassade Harare 1980–2013 (2014) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 16 mei 2022, referentie 32534050; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 5 | 2075 | | 25 | 2079 | | 31 | 2084 | | 155 | 2088 | | 162 | 2063 | | 164 | 2088 | | 191 | 2073 | | 204 | 2073 | | 225 | 2070 | | 226 | 2072 | | 260 | 2087 | | 261 | 2079 | | 297 | 2032 | | 306 | 2079 | | 307 | 2080 | | 367 | 2074 | | 376 | 2085 | | 426 | 2041 | | 434 | 2031 | | 435 | 2080 | | 439 | 2057 | | 440 | 2036 | | 446 | 2100 | | 447 | 2085 | | 486 | 2060 | | 496 | 2055 | | 546 | 2042 | | 575 | 2056 | | 624 | 2074 | | 628 | 2066 | | 637 | 2054 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 9 | 2032 | | 11 | 2032 | | 19 | 2033 | | 20 | 2031 | | 28 | 2034 | | 29 | 2035 | | 37 | 2035 | | 38 | 2035 | | 183 | 2028 | | 207 | 2046 | | 210 | 2045 | | 211 | 2046 | | 212 | 2047 | | 213 | 2046 | | 215"},{"i":13923,"b":"Wet van 14 februari 1994, houdende verzelfstandiging van de Rijksdienst van het Kadaster en de Openbare Registers Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Rijksdienst van het Kadaster en de Openbare Registers te verzelfstandigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bestuur:** bestuur als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=3&z=2025-02-12&g=2025-02-12); - **Dienst:** Dienst voor het kadaster en de openbare registers als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-02-12&g=2025-02-12); - **kamer:** rechtszekerheidskamer of geoinformatiekamer als bedoeld in [artikel 16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&hoofdstuk=3&artikel=16&z=2025-02-12&g=2025-02-12); - **Onze Minister:** Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - **raad van toezicht:** raad van toezicht als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&hoofdstuk=2&paragraaf=1&artikel=3&z=2025-02-12&g=2025-02-12). Artikel 2 1. Er is een Dienst voor het kadaster en de openbare registers. De Dienst is werkzaam in het Europese deel van Nederland en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Hij bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Apeldoorn. 2. De Dienst is belast met de hem bij of krachtens de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541), de [Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565) of andere wetten opgedragen taken. 3. De Dienst kan andere werkzaamheden verrichten dan die, voortvloeiend uit de in het tweede lid bedoelde taken, indien die werkzaa"},{"i":12672,"b":"Besluit vacatiegeld Algemene Commissie Administratieve Lasten Burgers Gelet op het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317); Besluit Artikel 1 De leden of plaatsvervangend leden van de Algemene Commissie Administratieve Lasten Burgers, zoals bedoeld in [artikel 1 van het Instellingsbesluit Algemene Commissie Administratieve Lasten Burgers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017532&artikel=1) van 17 november 2004/nr. DIIOS/DTA2004/7058 ontvangen per vergadering een vergoeding van € 135,–. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vacatiegeld Algemene Commissie Administratieve Lasten Burgers. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2004."},{"i":12521,"b":"Besluit opheffen beperkingen openbaarheid archief Kabinet Gouverneur Nederlands Nieuw-Guinea 1945–1962 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op de Verklaring van Overdracht van 20 oktober 1994 waarbij dit archief door het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan het Nationaal Archief is overgedragen en de bijbehorende regeling van de openbaarheid, Gehoord de Minister van Buitenlandse Zaken, Besluit: Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden in het archief van het Kabinet Gouverneur Nederlands Nieuw-Guinea 1945–1962, nummer archiefinventaris 2.10.36.13, worden opgeheven met uitzondering van de archiefbescheiden die zijn geborgen in de volgende inventarisnummers: 2,13,14 en 16 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":14309,"b":"Regeling groenprojecten buitenland 2002 Gelet op [artikel 5.14, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14); Besluit: Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 5.14, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14) met betrekking tot de verklaringen als genoemd in [artikel 5.14, derde lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14) voor projecten welke gelegen zijn in ontwikkelingslanden en daarmee gelijk te stellen gebieden. 2. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **project:** een niet binnen het Koninkrijk der Nederlanden gelegen technisch, functioneel en in tijd samenhangend geheel van activa; - b. **bestaand project:** een project dat een jaar voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een verklaring wordt ingediend reeds bestaat, dan wel een project waarvoor een jaar voor die dag reeds een begin met de uitvoering der fysieke werkzaamheden is gemaakt; - c. **projectbeheerder:** degene voor wiens rekening en risico het project wordt ontwikkeld en in stand wordt gehouden; - d. **projectvermogen:** het vermogen dat nodig is voor de financiering van vaste activa en de landgebruiksrechten die noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan de uitvoering van een project. Het projectvermogen wordt voor een project van een projecttype dat is opgenomen in de publicatie: Normgetallen Groen Beleggen Buitenland (Publicatiereeks Groen Beleggen Buitenland 1), gelijk gesteld aan het in die publicatie genoemde bedrag; - e. **verklaring:** schriftelijk besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat als bedoeld in [artikel 5.14, derde lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14) waarin wordt verklaard dat een project in het belang is van de bescherming van het milieu, waaro"},{"i":11111,"b":"Besluit van 12 januari 1967, houdende overbrenging van de aangelegenheden betreffende enige instellingen van het Departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk naar het Departement van Onderwijs en Wetenschappen Op de voordracht van Onze minister-president, minister van algemene zaken van 9 januari 1967, nr. 170946 mede namens Onze minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk en Onze minister van onderwijs en wetenschappen; Gezien Ons besluit van 14 april 1965 (**Stb.** 1965, 146); Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig De zorg voor de aangelegenheden betreffende: - a. de Koninklijke Bibliotheek; - b. de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis; - c. het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie; - d. de Rijkscommissie van advies inzake het Bibliotheekwezen, en - e. de subsidiëring van het Nederlands Comité voor Geschiedkundige Wetenschappen, thans behorende tot de taak van het Departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, (Directoraat-Generaal voor de Culturele Zaken) gaat met ingang van 1 januari 1967 over naar het Departement van Onderwijs en Wetenschappen. Onze ministers van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk en van onderwijs en wetenschappen zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze ministers, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Kamers der Staten-Generaal."},{"i":13709,"b":"Wet van 7 april 2011 tot intrekking van de Wet stedelijke vernieuwing in verband met de decentralisatie van het investeringsbudget stedelijke vernieuwing (Intrekkingswet Wet stedelijke vernieuwing) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de decentralisatie van het investeringsbudget stedelijke vernieuwing wenselijk is de [Wet stedelijke vernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011788) in te trekken en te voorzien in overgangsrecht met betrekking tot die intrekking; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. (Intrekking [Wet stedelijke vernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011788)) De [Wet stedelijke vernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011788) wordt ingetrokken. Artikel II. (Wijziging [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IIa. (Wijziging van de [Crisis-en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431)) Wijzigt de Crisis-en herstelwet. Artikel III. (Wijziging [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181)) Wijzigt de Woningwet. Artikel IV. (Overgangsrecht) 1. In dit artikel wordt verstaan onder: - a. **eerste investeringstijdvak:** de jaren 2000 tot en met 2004; - b. **tweede investeringstijdvak:** de jaren 2005 tot en met 2009; - c. **derde investeringstijdvak:** de jaren 2010 tot en met 2014. 2. Ten aanzien van investeringsbudget als bedoeld in [artikel 5, eerste respectievelijk vierde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011788&artikel=5), verleend voor het eerste of tweede investeringstijdvak, waarvan het bedrag op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet is vastgesteld overeenkomstig [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":11113,"b":"Besluit inzake projectsubsidies voor ‘Verbreden en borgen methodiek Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem in het kader van de Bibliotheek op school’ 2026 gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=3) en [8, eerste lid, van de Gewijzigde tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023-2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=8); overwegende dat; met het beschikbaar stellen van projectsubsidies wordt beoogd te stimuleren dat de methodiek ‘Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem in het kader van Bibliotheek op school op effectieve wijze breed wordt geïmplementeerd op basisscholen in het werkgebied van bibliotheken. Dit door middel van de inzet van leesconsulenten van bibliotheken die de opleiding **‘Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem’** hebben gevolgd. besluit: Artikel 1. Subsidiabele activiteiten Het Algemeen bestuurscollege kan in het kader van ‘Verbreden en borgen methodiek Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem’ voor de volgende activiteit subsidie verstrekken: Het inzetten van leesconsulenten van bibliotheken die de opleiding hebben gevolgd op basisscholen, met als doel: - i. de kennis uit deze opleiding in de praktijk op een aantal basisscholen binnen het werkgebied van de bibliotheek te implementeren; en - ii. de implementatie te borgen binnen de betreffende basisscholen en het verder uitrollen hiervan op andere basisscholen binnen het werkgebied van de bibliotheek. Artikel 2. De aanvraag en beslissing op de aanvraag 1. Een hoofdvestiging van een bibliotheek kan een aanvraag doen voor een projectsubsidie ten behoeve van de hierboven genoemde activiteiten. 2. De aanvraag wordt gedaan door middel van een door de Koninklijke Bibliotheek beschikbaar gesteld aanvraagformulier en stramien voor implementatieplan. Het stramien voor het implementatieplan wordt ingevuld door de leesconsulent. 3. Het Algemeen bestuurscollege beslist binnen 13 weken na de datu"},{"i":12673,"b":"Besluit vacatiegelden gebruikersraden CBS Gelet op [artikel 25, tweede lid van het Bestuursreglement CBS 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050315&artikel=25) (**Stcrt.** 2024, 33974); Besluit: Artikel 1. Vergoeding voorzitter en leden gebruikersraden 1. Aan de voorzitters en leden van de in [artikel 19 van het Bestuursreglement CBS 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050315&artikel=19) genoemde gebruikersraden wordt vacatiegeld toegekend. 2. Het vacatiegeld bedraagt voor de leden van de gebruikersraden € 250,– per bijgewoonde vergadering. De vergoeding voor de voorzitters bedraagt € 350,– per bijgewoonde vergadering. Artikel 2. Reiskostenvergoeding De voorzitter en de leden hebben recht op een vergoeding van reiskosten overeenkomstig de bedragen in de CAO Rijk. Artikel 3. Uitsluiting van vergoeding 1. Van de toekenning van vacatiegeld en reiskosten zijn uitgesloten functionarissen in dienst van het Rijk, van een ander publiekrechtelijk lichaam dan het Rijk of van een door het Rijk in het leven geroepen instelling, dan wel van een instelling welker personeelskosten door het Rijk worden vergoed, indien hun benoeming haar oorzaak vindt in de functie die zij vervullen. 2. Indien op andere wijze voor hun aandeel in de werkzaamheden van de gebruikersraden worden beloond, wordt aan hen geen vacatiegeld toegekend. Artikel 4. Uitvoering van deze regeling 1. De kosten die voortvloeien uit deze regeling komen ten laste van het CBS. 2. Het CBS is belast met de uitvoering van deze regeling. Artikel 5. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2024. 2. Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit vacatiegelden gebruikersraden CBS."},{"i":14189,"b":"Regeling houdende bepalingen over de organisatie en inzet van de Dienst speciale interventies (Regeling Dienst speciale interventies) Gelet op de [artikelen 48a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=48a), [49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=49), [59, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=59), en [60 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=60), [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [artikel 3a van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=3a); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanhoudings- en ondersteuningsteams:** teams als bedoeld in [artikel 11, onder a, van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=11); - **bijzondere bijstandseenheid:** de bijzondere bijstandseenheid, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026381&artikel=2&z=2023-01-01&g=2023-01-01); - **Dienst speciale interventies:** de dienst, bedoeld in [artikel 11 van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=11). Artikel 2 1. Er is een bijzondere bijstandseenheid die in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde de volgende taken heeft: - a. het bestrijden van alle vormen van ernstig geweld dan wel terrorisme over het gehele geweldsspectrum; - b. de beveiliging van personen en objecten in bijzondere situaties, waaronder het beveiligen van ambtenaren van de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst bij operaties van die dienst; - c. het uitvoeren van andere door de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Defensie opgedragen bijzondere onderdelen van de politietaak. 2. De bijzondere bijstandseenheid bestaat uit de volgende onderdelen: - a. de Afdeling interventies; - b. de Afdeling expertise en op"},{"i":13819,"b":"Besluit van de directeur Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 januari 2024, nr. 5164834, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur Strategie, Analyse Nationale Veiligheid en Bedrijfsvoering ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Strategie, Analyse Nationale Veiligheid en Bedrijfsvoering NCTV 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van het Mandaatbesluit NCTV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042181&artikel=1) aan de directeur Strategie, Analyse Nationale Veiligheid en Bedrijfsvoering verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun afdeling dan wel academie betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van de Afdeling Strategie, Staf en Juridische zaken; - b. het hoofd van de Afdeling Analyse Nationale Veiligheid; - c. het hoofd van de Afdeling Bedrijfsvoering; - d. de decaan van de NCTV Academie. Artikel 2 De in [artikel 1, onder a tot en met d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049334&artikel=1&z=2024-02-10&g=2024-07-01), genoemde functionarissen wordt toegestaan elkaar volledig te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars bevoegdheden. Artikel 3 Het [Mandaatbesluit Strategie, Analyse en Bedrijfsvoering NCTV 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047449) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2022 onderscheidenlijk, voor zover het de verlening van ondermandaat aan de decaan van de NCTV Academie betreft, tot en met 1 september 2022. Artikel"},{"i":13572,"b":"Instellingsbesluit LOCOV Overwegende: dat op 23 november 1995 een brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is gestuurd waarin het beleid op hoofdlijnen is gepresenteerd ten aanzien van de inrichting van de consumentenbescherming op de spoorwegmarkt (DGV/MOVER/V-523364); dat in die brief is voorgesteld een projectorganisatie op te richten die voorstellen zou ontwikkelen voor de inrichting van de consumentenbescherming; dat daartoe in 1996 de Projectorganisatie Consumentenbescherming Openbaar Spoorwegvervoer (COS) in het leven is geroepen die op 29 oktober 1997 haar advies heeft uitgebracht; dat de Projectorganisatie COS heeft geadviseerd een landelijk platform in te richten dat het overleg faciliteert tussen consumentenorganisaties en vervoerders enerzijds en tussen consumentenorganisaties en de Minister van Verkeer en Waterstaat anderzijds; dat betrokkenen te kennen hebben gegeven, vooruitlopend op de herziening van de wetgeving inzake de spoorwegen, het overleg reeds te willen starten; dat partijen te kennen hebben gegeven om constructief overleg te willen aangaan reeds per medio september 1998, gezien de ontwikkelingen in de markt van het openbaar spoorwegvervoer; dat hiertoe een platform wordt opgericht om dit overleg te faciliteren; dat op 28 mei 1999 een brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is gestuurd inzake de uitwerking van de consumentenbescherming in het openbaar vervoer (DGP/M/MO/V920051/1); Besluit: Artikel 1 Er is een Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer, hierna te noemen: LOCOV. Artikel 2 1. Het LOCOV heeft tot taak informatieverstrekking, overleg en advies over het openbaar vervoer per spoor te faciliteren tussen consumentenorganisaties en de Minister van Verkeer en Waterstaat en voorts tussen consumentenorganisaties, spoorvervoerders en beheerders van stations. 2. De informatieverstrekking, het overleg en het advies hebben betrekking op de door de Minister van Verkeer en Waterstaat of de spoorvervoerders of de beheerde"},{"i":11123,"b":"Besluit van het College voor toetsen en examens van 18 april 2024, kenmerk CvTE-24.00565, houdende vaststelling van de tijdvakken centrale examinering mbo, studiejaar 2025–2026 (Besluit tijdvakken centrale examinering mbo, studiejaar 2025–2026) Gelet op [artikel 6, derde lid, van het Examen- en kwalificatiebesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); Gezien de instemming van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 18 april 2024, kenmerk 45597910, Besluit: Artikel 1. Tijdvakken centrale examinering mbo De vijf tijdvakken centrale examinering mbo voor het studiejaar 2025–2026 worden vastgesteld zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Intrekking besluiten De volgende besluiten worden ingetrokken: - a. [Besluit Tijdvakken centrale examinering mbo, studiejaar 2021–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043864); - b. [Besluit Tijdvakken centrale examinering mbo, studiejaar 2022–2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045338). Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt per 31 december 2026. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Tijdvakken centrale examinering mbo, studiejaar 2025–2026. Bijlage. Tijdvakken centrale examinering mbo, als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049677&artikel=1&z=2024-05-08&g=2024-05-08) Hieronder worden de tijdvakken van de centrale examinering mbo, studiejaar 2025–2026 weergegeven. Daarin wordt per periode aangegeven wanneer welke examens worden afgenomen. Per periode worden verschillende varianten van het examen afgenomen. De gebruikte afkortingen in de tabel: **NL**: Nederlandse taal **Rek**: rekenen **Eng**: Engels **2A**: examen voor studenten aan de mbo-entreeopleiding en mbo niveau 2 **2F**: examen voor studenten mbo niveau 3 **3F**: examen voor studenten van de mbo-opleiding niveau 4 *"},{"i":13438,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 25 juni 2021, nr. 3364133, houdende instelling van de adviescommissie voor de Landelijke Eenheid (Instellingsbesluit adviescommissie voor de Landelijke Eenheid) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **commissie:** adviescommissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045339&artikel=2&z=2021-07-07&g=2021-07-07); - c. **Landelijke Eenheid:** de Landelijke eenheid van de politie. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een adviescommissie voor de Landelijke Eenheid. 2. De commissie heeft tot taak: - a. te adviseren over de vormgeving alsook de (wijze van) uitrol van het verbeterprogramma bij de Landelijke Eenheid, dat is gericht op het (organisatorisch) op orde brengen van de basis, het verbeteren van leiderschap en cultuur en het versterken van de interne en externe sturing en monitoring; - b. te adviseren over de noodzaak van herpositionering van de Landelijke Eenheid in het huidige politiebestel en de mogelijke modaliteiten daarvoor. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en vier andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. 5. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen. 6. De voorzitter en de andere leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de minister. Artikel 4. Leden Voor de duur van de commissie worden tot lid van de commissie benoemd: - a. mr. B.B. (Bernt) Schneiders, tevens voorzitter; - b. mevr. drs. I.C. (Inge) Bryan; - c. prof. mr. d"},{"i":11124,"b":"Besluit van het College voor toetsen en examens van 23 juni 2025, kenmerk CvTE25.00952, houdende vaststelling van de tijdvakken centrale examinering mbo, studiejaar 2026–2027 (Besluit tijdvakken centrale examinering mbo, studiejaar 2026–2027) Gelet op [artikel 6, derde lid, van het Examen- en kwalificatiebesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); Gezien de instemming van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 24 mei 2025, kenmerk 52531292, Besluit: Artikel 1. Tijdvakken centrale examinering mbo De vijf tijdvakken centrale examinering mbo voor het studiejaar 2026–2027 worden vastgesteld zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Intrekking besluiten Het [Besluit Tijdvakken centrale examinering mbo, studiejaar 2023–2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046955) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt per 31 december 2027. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdvakken centrale examinering mbo, studiejaar 2026–2027. Bijlage.. Tijdvakken centrale examinering mbo, als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051169&artikel=1&z=2025-07-03&g=2025-07-03) Hieronder worden de tijdvakken van de centrale examinering mbo, studiejaar 2026–2027 weergegeven. Daarin wordt per periode aangegeven wanneer welke examens worden afgenomen. Per periode worden verschillende varianten van het examen afgenomen. De gebruikte afkortingen in de tabel: **NL**: Nederlandse taal **Eng**: Engels **B1/B2**: duiding van niveau van het Engels examen aan de hand van Europees referentiekader (ERK) 2F/3F: duiding van het niveau voor het Nederlandse taal examen aan de hand van het referentiekader Taal. | Periode 1 – (maandag 7 september tot en met dinsdag 15 september 2026) | Periode 1 – (maandag 7 september tot en met dinsdag 15 september 2"},{"i":13891,"b":"Ondernemersregeling zendinrichtingen Gelet op de artikelen D.1.3, D.1.4 en D.4.3 van het Besluit radio-elektrische inrichtingen (Stb. 1988, 552); Besluit: Artikel 1. Indeling Ten behoeve van registratie worden zendinrichtingen ingedeeld in de volgende klassen: - a. zendinrichtingen klasse 1: zendinrichtingen als bedoeld in hoofdstuk D en E van het Besluit radio-elektrische inrichtingen, die van een toegelaten type zijn alsmede zendinrichtingen voor algemene radiocommunicatie die niet van een toegelaten type zijn, voor zover deze zendinrichtingen zijn voorzien van een vanwege de bevoegde buitenlandse autoriteiten aangebracht keurmerk met een van de navolgende aanduidingen: - CEPT-PR 27 aangevuld met het in de CEPT-Recommandatie T/R 20–09 vastgesteld symbool van het land waar de zendinrichting is toegelaten; - PR 27D-FM en het bijbehorende toelatingsnummer van de Bondsrepubliek Duitsland; - PR27A; - PR 27 GB - b. zendinrichtingen klasse II: zendinrichtingen als bedoeld in hoofdstuk D van het Besluit radio-elektrische inrichtingen welke zijn geconstrueerd voor het doen van onderzoekingen, ingericht voor de frequentiebanden zoals aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004455&bijlage=1&z=1996-09-01&g=1996-09-01) behorend bij deze regeling en waarvan het zendvermogen niet meer dan 800 Watt bedraagt; - c. zendinrichtingen klasse III: andere zendinrichtingen dan bedoeld onder a en b. Artikel 2. Registratie van zendinrichtingen 1. De ondernemer aan wie machtiging is verleend ten behoeve van de vervaardiging, de handel, export, reparatie en installatie van zendinrichtingen is verplicht voor zendinrichtingen voor lokale radio-omroep, alsmede voor zendinrichtingen van de klassen II en III, voor elke klasse afzonderlijk een doorlopend register te houden overeenkomstig het model zoals is opgenomen in bijlage 2 behorend bij deze regeling en daarin onverwijld aantekening te houden van alle door hem vervaardigde, ontvangen en afgeleverde zendinrichtingen."},{"i":13938,"b":"Wet van 18 december 2008, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2009) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2009 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen, bijstellingen alsmede enkele technische reparaties aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2011/640. Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel V Vervallen Artikel VI Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel VII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel IX Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel X Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XI Wijzigt het Belastingplan 2007. Artikel XII Wijzigt de Overige fiscale maatregelen 2008. Artikel XIII Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XIV Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel XV Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel XVI [Paragraaf 4.1.3.2. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&paragraaf=4.1.3.2) vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot ingevolge de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) te nemen of genomen beschikkingen met betrekking tot het berekeningsjaar 2013. Artikel XVII 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. 2. In afwijking van het eerste lid werkt [artike"},{"i":14198,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 april 2015, 2015-0000087818, tot Besluit digitale vervanging financiele archiefbescheiden SZW systeem SAP Gelet op [artikel 6, eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b), Besluit: Artikel 1 De originele papieren financiële archiefbescheiden die volgens de vastgestelde selectielijst voor vernietiging dan wel voor permanente bewaring in aanmerking komen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het systeem SAP, worden overeenkomstig de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036580&artikel=2&z=2015-05-05&g=2015-05-05), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036580&artikel=3&z=2015-05-05&g=2015-05-05), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036580&artikel=4&z=2015-05-05&g=2015-05-05), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036580&artikel=5&z=2015-05-05&g=2015-05-05) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036580&artikel=6&z=2015-05-05&g=2015-05-05) digitaal vervangen. Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt overeenkomstig de eisen van [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) en met inachtneming van de waarde en het belang, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel c onderscheidenlijk onderdeel d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 3 De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties vastgesteld in het Handboek digitale vervanging financiële archiefbescheiden SZW systeem SAP. Artikel 4 De digitale vervanging betreft financiële archiefbescheiden die worden opgenomen in het systeem SAP. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaal"},{"i":14200,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 april 2015, tot Besluit digitale vervanging personele archiefbescheiden SZW systeem cRMA van P-Direkt Gelet op [artikel 6, eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b), Besluit: Artikel 1 De originele papieren personele archiefbescheiden die volgens de vastgestelde selectielijst voor vernietiging dan wel voor permanente bewaring in aanmerking komen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het systeem cRMA van P-Direkt, worden overeenkomstig de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036581&artikel=2&z=2015-05-05&g=2015-05-05), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036581&artikel=3&z=2015-05-05&g=2015-05-05), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036581&artikel=4&z=2015-05-05&g=2015-05-05), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036581&artikel=5&z=2015-05-05&g=2015-05-05) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036581&artikel=6&z=2015-05-05&g=2015-05-05) digitaal vervangen. Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt overeenkomstig de eisen van [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) en met inachtneming van de waarde en het belang, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel c onderscheidenlijk onderdeel d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 3 De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties vastgesteld in het Handboek digitale vervanging personele archiefbescheiden SZW systeem cRMA van P-Direkt. Artikel 4 De digitale vervanging betreft personele archiefbescheiden die worden opgenomen in het systeem cRMA van P-Direkt. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Arti"},{"i":1386,"b":"Tijdelijke wet van 17 juli 2024 inzake invoering van een belasting op marktinkomsten van inframarginale elektriciteitsproductie overeenkomstig verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen (PbEU 2022, L 261 I) (Tijdelijke wet inframarginale elektriciteitsheffing) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **accountant:** registeraccountant of accountant-administratieconsulent die is ingeschreven in het accountantsregister, bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=36); - **afvalstof:** afvalstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, van [verordening 2022/1854](33754R2022); - **balanceringsdienstverlener:** balanceringsdienstverlener als bedoeld in artikel 2, onderdeel 12, van [verordening (EU) 2019/943](32019R0943) van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PbEU 2019, L 158); - **balanceringsenergiemarkt:** markt voor balanceringsenergie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 11, van [verordening (EU) 2019/943](32019R0943) van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PbEU 2019, L 158); - **belastbare marktinkomen:** marktinkomsten als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050059&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2024-07-25&g=2024-07-25), die belastbaar zijn overeenkomstig [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050059&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2024-07-25&g=2024-07-25); - **biomassabrandstoffen:** biomassabrandstoffen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel e, van [verordening 2022/1854](33754R2022); - **certificaat van oorsprong:** certificaat van oorsprong als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel bb, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid"},{"i":11173,"b":"Centraal examen beeldende vakken 2 voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) ingaande 2003 Het examen beeldende vakken 2 zal op een aantal punten anders van aard zijn dan het huidige examen beeldende vakken (tehatex) vbo-mavo c/d. Het examen vmbo beeldende vakken 2 zal bestaan uit twee delen. Er is sprake van een centraal praktisch examen, CPE, en een centraal schriftelijk examen, CSE. CPE Het CPE gaat vooraf aan het CSE. Opgaven De opgaven worden ingeleid aan de hand thema dat voor alle kandidaten in de beeldende disciplines gelijk is. Er is een duidelijke relatie tussen dat thema en het CSE. Het thema wordt aangeboden in de vorm van een katern. In de uit te voeren opgave zal de kandidaat aandacht moeten besteden aan het proces van werken. Beoordeling Het CPE wordt beoordeeld door de eigen docent. Een andere docent in een beeldend vak van de eigen school treedt op als tweede beoordelaar. Het CPE wordt beoordeeld aan de hand van een beoordelingsinstructie. Het proces van werken dient nadrukkelijk bij de beoordeling betrokken te worden. Tijdsduur CPE De tijdsduur voor het CPE bedraagt 12 lesuren van 50 minuten, verdeeld over een periode van maximaal twee weken, of een andere indeling van in totaal 10 klokuren. De opgave voor het CPE wordt de kandidaten aangeboden 2 weken voorafgaande aan het moment waarop het CPE van start mag gaan. Het CPE start 6 tot 4 weken voorafgaande aan het CSE. CSE Het centraal schriftelijk examen is voor de vier beeldende vakken gelijk en bedraagt 40 tot 45 vragen, verdeeld over 3 tot 5 opgaven. Er is een duidelijk relatie tussen het gemeenschappelijk thema van het CPE en het CSE. De opgaven en vragen worden evenwichtig over de verschillende beeldende disciplines verdeeld. In het CSE komen beeldende kunst en vormgeving aan bod op het gebied van: De vragen in het CSE zijn overwegend kunstbeschouwelijk van aard. In het CSE wordt het proces van werken van kunstenaars en vormgevers, bv. in de vorm van studies en schetsen, betrokken. Het C"},{"i":11175,"b":"Circulaire Pilot tussen Rijk en Onderwijs Inleiding Met deze circulaire informeer ik u over de pilot ‘Tussen Rijk en Onderwijs’ en vraag ik om uw medewerking. Via deze pilot krijgen 50 rijksambtenaren de kans om op vrijwillige basis de overstap te maken naar een baan als leraar op een school in het voortgezet onderwijs in de regio Den Haag. Initiatiefnemer van het project is het A+O fonds Rijk. De pilot Geïnteresseerde rijksambtenaren met minimaal een hbo-diploma kunnen zich aanmelden bij Manpower, het bureau dat door de Mobiliteitsorganisatie is ingeschakeld. Kandidaten krijgen een intakegesprek en worden, als zij geschikt bevonden zijn, gekoppeld aan een vacature bij een school. Dan volgt een oriëntatieperiode van maximaal drie maanden op de school. In de meeste gevallen zal deze periode naar verwachting korter duren. Deelnemers lopen mee met een leraar en kunnen op die manier proeven aan het vak en aan de schoolcultuur. Deze periode is bedoeld om een afgewogen besluit te kunnen nemen, voor zowel de kandidaat als voor de school. Gedurende deze fase doorlopen de kandidaten een EVC-procedure, die bepalend is voor het opleidingsprogramma. Na afloop van de oriëntatieperiode nemen kandidaat en school het besluit of de overstap gerealiseerd wordt. Indien de oriëntatiefase tot wederzijds genoegen is verlopen krijgt de kandidaat een tijdelijke aanstelling bij de school. Op dat moment neemt de kandidaat ontslag als rijksambtenaar. Er volgt een duaal opleidingstraject (combinatie van leren en werken), waarmee de kandidaat zijn onderwijsbevoegdheid haalt. Op dat moment krijgt de deelnemer een vaste aanstelling bij de school. Faciliteiten vanuit BZK Deze pilot draagt bij aan de gewenste vernieuwing van de Rijksdienst. Daarom heb ik een bedrag van circa € 2,5 miljoen beschikbaar gesteld om faciliteiten te kunnen bieden voor de rijksambtenaren die de overstap willen maken. Op 8 april 2008 heb ik een convenant gesloten met het A&O fonds Rijk en de scholen in het voortgezet onder"},{"i":11884,"b":"Besluit van 26 oktober 2020, houdende het aanvullen van de naamvoering van het Regiment Infanterie Johan Willem Friso met de prinselijke titel Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 14 oktober 2020, nr. BS2020019451, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Regiment Infanterie Johan Willem Friso wordt met ingang van 20 november 2020 voortgezet onder de naam: REGIMENT INFANTERIE PRINS JOHAN WILLEM FRISO Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 20 november 2020. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan een afschrift zal worden gezonden aan Onze Adjudant-Generaal, tevens Chef van Ons Militaire Huis."},{"i":11200,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 17 december 2018, nr. VO/1433973, houdende instelling van de beoordelingscommissie technisch vmbo voor de periode 2018 tot en met 2023 (Instellingsbesluit beoordelingscommissie technisch vmbo 2018–2023) Gelet op [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **Minister:** Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; - **commissie:** beoordelingscommissie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041757&artikel=2&z=2018-12-28&g=2018-12-28); - **regeling:** [Subsidieregeling sterk techniekonderwijs 2020–2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041334). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Beoordelingscommissie sterk techniekonderwijs. 2. De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 december 2018 en wordt opgeheven per 1 januari 2025. 3. De commissie heeft tot taak: - a. subsidieaanvragen als bedoeld in [artikel 1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041334&artikel=1.6) en [1.8, tweede lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041334&artikel=1.8) te beoordelen op basis van de beoordelingscriteria, bedoeld in [artikel 1.7 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041334&artikel=1.7); - b. subsidieaanvragen van penvoerders in techniekarme regio’s die voldoen aan de criteria, bedoeld onder a, te rangschikken volgens de voorschriften, bedoeld in [artikel 3.4 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041334&artikel=3.4); - c. de Minister te adviseren over de subsidieverstrekking, bedoeld in [artikel 1.8 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041334&artikel=1.8), en dat advies te voorzien van een draagkrachtige motivering per beoordeling; - d. te reflecteren op de midtermreviews en de eindevaluatie van het onderzoekscons"},{"i":13886,"b":"Onderlinge regeling inzake het Strategic Education Alliance-programma Overwegende dat: de Koninkrijkslanden elkaar op grond van de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=36) en [38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) hulp en bijstand kunnen verlenen, en onderling regelingen kunnen treffen; de Koninkrijkslanden het belang van de samenwerking op het gebied van onderwijs erkennen, willen continueren en versterken; de onderwijsministers van de Koninkrijkslanden elkaar periodiek in het Ministerieel Vierlandenoverleg Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) treffen om gezamenlijke lijnen in de onderwijssamenwerking te bepalen en uit te zetten, en de daarover gemaakte afspraken te monitoren; de Koninkrijkslanden erkennen dat er strategische samenwerking nodig is voor het middelbaar en hoger onderwijs in het Caribisch deel van het Koninkrijk; de Koninkrijkslanden in het Ministerieel Vierlandenoverleg OCW hebben bekrachtigd, zich meerjarig in te zetten voor een stabiele en toekomstbestendige structuur voor de organisatie van het gezamenlijke programma voor Strategic Education Alliance (hierna: SEA) en daartoe het ‘implementatieplan SEA’ hebben vastgesteld; de Koninkrijkslanden in het Ministerieel Vierlandenoverleg OCW hebben bekrachtigdgezamenlijk het SEA-programma verder te ontwikkelen en daartoe potentiële vervolgprioriteiten en initiatieven te verkennen; uit onderzoeken, onder andere van de Nationale ombudsman, blijkt, dat er breedgedragen behoefte is aan verbetering van de overgang tussen het voortgezet onderwijs en het hoger onderwijs van het Caribisch deel van het Koninkrijk, naar Nederland. Komen het volgende overeen: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Paragraaf 1. Begripsbepalingen - **Hoogambtelijke stuurgroep:** de hoogambtelijke stuurgroep van het Vierlandenoverleg; - **Programmateam:** Programmateam SEA; - **SEA:** St"},{"i":11211,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 7 juli 2021, nr. 1161666, houdende instelling van de Wetenschappelijke Expertgroep Nationaal Programma Onderwijs (Instellingsbesluit Wetenschappelijke Expertgroep Nationaal Programma Onderwijs) Gelet op [artikel 1, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=1), en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; - b. **expertgroep:** Wetenschappelijke Expertgroep Nationaal Programma Onderwijs, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045421&artikel=2&z=2024-12-03&g=2024-12-03). Artikel 2. Instelling en taken 1. Er is een Wetenschappelijke Expertgroep Nationaal Programma Onderwijs 2. De Wetenschappelijke Expertgroep Nationaal Programma Onderwijs heeft tot taak: - a. het adviseren van de minister over (deel)onderzoeken die worden opgezet voor de evaluatie van het Nationaal Programma Onderwijs; - b. het bijdragen aan het valideren en opzetten van de (deel)onderzoeken voor de evaluatie van het Nationaal Programma Onderwijs; - c. het adviseren van de minister over de onderzoeksresultaten van de uitgevoerde (deel)onderzoeken over de evaluatie van het Nationaal Programma Onderwijs. Artikel 3. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De expertgroep bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vijf andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 3. De benoeming geschiedt voor de duur van de expertgroep. 4. De voorzitter en overige leden kunnen op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of wegens andere zwaarwegende gronden worden geschorst en ontslagen door de minister. 5. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen. Artikel 4. Leden Voor de"},{"i":13949,"b":"Wet van 9 december 2020 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2021) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2021 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel Ia Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IVa Wijzigt de Wet bronbelasting 2021. Artikel V Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Artikel VI 1. De [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=8) en [9c van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=9c) vinden geen toepassing met betrekking tot een onroerende zaak: - a. die op 31 december 2020 was aangemerkt als landgoed als bedoeld in [artikel 2, vijfde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=2), en die enkel doordat de eigenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, of derde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=1), van die onroerende zaak wijzigt, niet meer voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 1, tweede lid, eerste zin, en vierde lid, van die wet; of - b. die op 31 december 2030 was aangemerkt als landgoed als bedoeld in [artikel 2, vijfde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=2), maar die als gevolg van de op 1 januari 2021 in werking getreden wijzigingen van de regels, bedoeld"},{"i":13873,"b":"Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten Gelet op [artikel 4.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.1); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Een nummer als bedoeld in dit besluit bestaat uitsluitend uit cijfers. 2. De lengte van een geografisch nummer bedraagt tien cijfers. 3. De lengte van een niet-geografisch nummer kan varieren en is aangegeven in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&bijlage=1&z=2025-10-03&g=2025-10-03), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&bijlage=3&z=2025-10-03&g=2025-10-03), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&bijlage=4&z=2025-10-03&g=2025-10-03) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&artikel=5&z=2025-10-03&g=2025-10-03), genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&artikel=3&z=2025-10-03&g=2025-10-03). Artikel 3 In de bij dit besluit behorende: - a. [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&bijlage=1&z=2025-10-03&g=2025-10-03) worden de bestemmingen vastgesteld voor nummers voor telefoon- en ISDN-diensten; - b. [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&bijlage=2&z=2025-10-03&g=2025-10-03) worden de netnummergebieden, genoemd in bijlage 1, vastgesteld; - c. [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&bijlage=3&z=2025-10-03&g=2025-10-03) wordt de verbijzondering naar nummerlengte van de nummerreeksen 0800, 0900, 0906, 0909 en 140X vastgesteld; - d. [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&bijlage=4&z=2025-10-03&g=2025-10-03) worden voorwaarden gesteld aan het recht op het gebruik van nummers in de nummerreeks 116; - e. [bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&bijlage=5&z=2025-10-03&g=2025-10-03) worden voorwaarden gesteld aan het recht op het gebruik van het nummer 113; - f. [bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&bijlage=6&z=2025-10-03&g=2025-10-03) worden in a"},{"i":12298,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 3 juni 2020 houdende regels voor de geweldsregistratie (Besluit geweldsregistratie) Gelet op [artikel 17, derde lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=17); Besluit: Artikel 1 In de registratie, bedoeld in [artikel 17, derde lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=17) worden ten minste de in de bijlage bij dit besluit bedoelde gegevens vastgelegd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2020. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit geweldsregistratie. Bijlage. als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043644&artikel=1&z=2020-07-01&g=2020-07-01) van Besluit geweldsregistratie 1. Melding en registratie 2. Tijdstip en locatie 3. De hulpofficier van justitie 4. De ambtenaar die geweld heeft aangewend 5. Indien geweld is aangewend onder leiding van een ter plaatste aanwezige meerdere na diens uitdrukkelijke last 6. Geoefendheid van de ambtenaar 7. Legitimeren 8. Optreden onder een ter plaatse aanwezige meerdere 9. Geweldsaanwending 10. Persoonlijke ervaring van de ambtenaar Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11376,"b":"Regeling van het College voor examens van 17 juni 2014, nummer CvE-14.01699, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens wiskunde in het h.a.v.o. 2017 en v.w.o. 2018 (Regeling syllabi centrale examens wiskunde h.a.v.o. 2017 en v.w.o. 2018) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2) ; Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 28 juni 2014, kenmerk 645495; Besluit: Artikel 1. Syllabi 2017 Vervallen Artikel 2. Syllabi 2018 Vervallen Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt: - 1. betreffende [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035343&artikel=1&z=2019-01-01&g=2019-01-01) : per 1 januari 2018; - 2. betreffende [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035343&artikel=2&z=2019-01-01&g=2019-01-01) : per 1 januari 2019. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling syllabi centrale examens wiskunde h.a.v.o. 2017 en v.w.o. 2018. Artikel 5. Bekendmaking 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De syllabi als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035343&artikel=1&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035343&artikel=2&z=2019-01-01&g=2019-01-01) worden bekend gemaakt op www.examenblad.nl. Bijlage 1. bij de regeling syllabi centrale examens wiskunde h.a.v.o. 2017 en v.w.o. 2018, van 17 juni 2014, nummer cve-14.01699 Vervallen Syllabi h.a.v.o. 2017 Voor de centrale examens h.a.v.o. 2017 worden syllabi voor de volgende vakken vastgesteld: Bijlage 2. bij de regeling syllabi centrale examens wiskunde h.a.v.o. 2017 en v.w.o. 2018, van 17 juni 2014, nummer cve-14.01699 Syllabi v.w.o. 2018 Voor de centrale examens v.w.o. 2018 worden syllabi voor de vo"},{"i":11216,"b":"Keuringsreglement bloembollen Gelet op [artikel 10, eerste lid, en sub e van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=10) , heeft het bestuur van de Stichting Bloembollenkeuringsdienst in haar vergadering van 25 april 2005 het navolgende reglement vastgesteld. Het reglement is goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Dit reglement betreft het verloop van de keuring en het uitreiken van teken- en bewijsstukken: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. In dit reglement wordt verstaan onder: Besluit: [Landbouwkwaliteitsbesluit bloembollen en snijbloemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003358) (Stb. 1980, 632). BKD: Stichting Bloembollenkeuringsdienst. Bloembollen: bloembollen als bedoeld in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003358&artikel=1) waarvoor krachtens [artikel 2 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003358&artikel=2) nadere regelen zijn gesteld. Plantgoed: bloembollen, bestemd voor de voortbrenging van bloembollen. Monsterkeuring: keuring van het voor de teelt te gebruiken plantgoed. Veldkeuring: keuring van het te velde of in de kas staande gewas. Droge keuring: keuring van geoogste bloembollen. 2. Waar in dit reglement wordt gesproken over verhandelen onderscheidenlijk bedrijfsmatig vervoeren, wordt daaronder niet verstaan het verhandelen aan onderscheidenlijk het bedrijfsmatig vervoeren naar de uiteindelijke verbruiker voor zijn persoonlijke behoefte. 3. Voorts wordt in dit reglement onder bedrijfsmatig vervoeren niet begrepen het bedrijfsmatig vervoeren in Nederland door de teler naar een onderdeel van zijn bedrijf. Artikel 2 Degene die bloembollen ter keuring aanbiedt, is verplicht alle personen, die door de BKD zijn belast met de keuring, de inlichtingen omtrent zijn bedrijf en inzage van de boeken en bescheiden te geven, die redelijkerwijs van belang kunnen zijn in verband met die taak, en hen toe te staan de red"},{"i":11215,"b":"Inwerkingtreding Wet leerlinggebonden financiering (LGF-wet) in het voortgezet onderwijs De Rugzak De [wet Leerling Gebonden Financiering](onbekend) is per 1 augustus 2003 inwerking getreden. Voor het voortgezet onderwijs betekent dit het volgende. Gehandicapte leerlingen, visueel gehandicapte leerlingen uitgezonderd, die op een reguliere vo-school zitten, worden vanaf nu geïndiceerd door de Commissie voor de Indicatiestelling (CvI). Deze zijn te vinden via het regionaal expertise centrum (rec) bij u in de regio. Een geïndiceerde leerling komt in aanmerking voor Leerlinggebonden Financiering, de zogenoemde rugzak. De ’rugzak’ wordt aangevraagd en verstrekt aan de reguliere vo-school waar de leerling staat ingeschreven. Het verkrijgen van lgf-bekostiging in vijf stappen: Om voor de leerlinggebonden financiering in aanmerking te komen, meldt het bevoegd gezag de geïndiceerde leerling aan bij Cfi. Nadere informatie over het meldingsformulier is te vinden in het Gele Katern nummer 17 van 25 juni 2003. Het leerlinggebonden budget wordt toegekend in de vorm van één vast bedrag per geïndiceerde leerling. Het leerling gebonden budget wordt - vanwege de bekostigingssystematiek in het voortgezet onderwijs - aan de school uitbetaald in de maand augustus en dus niet de eerste dag van de maand volgend op de melding van de inschrijving van de leerling. Die datum is wel maatgevend voor de hoogte van het uit te betalen bedrag. Indien een school voor het schooljaar 2003 - 2004 voor een gehandicapte leerling aanvullende bekostiging is toegekend op grond van [artikel 85a WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=85a) en tijdens dat schooljaar een positieve indicatie voor een leerlinggebonden budget is afgegeven, heeft de school pas recht op het leerlinggebonden budget met ingang van 1 augustus 2004. Leerlingen met het Syndroom van down Leerlingen met het syndroom van down komen ook in aanmerking voor de Rugzak. Voor hen geldt daarnaast de ”[Overgangsregeling aanvull"},{"i":13888,"b":"Onderlinge regeling Tula-studiebeurs Gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) en overwegende dat: partijen elkaar op grond van de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=36) en [38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) hulp en bijstand kunnen verlenen, en onderling regelingen kunnen treffen; de Minister-President van Nederland op 19 oktober 2022 tijdens een toespraak excuses heeft aangeboden voor het handelen van de Nederlandse staat in het verleden: postuum aan alle tot slaaf gemaakten die wereldwijd onder dat handelen hebben geleden, aan hun dochters en zonen, en aan al hun nazaten tot in het hier en nu; de Nederlandse regering op 5 oktober 2023 tijdens een toespraak van de Staatssecretaris Digitalisering en Koninkrijksrelaties volmondig de rechtvaardigheid van Tula’s strijd, en die van anderen die zich tegen slavernij verzetten heeft onderkend, en heeft aangegeven met spijt en schaamte te kijken naar de manier waarop zij door historische, bestuurlijke voorgangers zijn behandeld; bij deze rehabilitatie van Tula is uitgesproken dat Nederland aan Curaçao een Tula-studiebeurs ter beschikking stelt. Komen het volgende overeen: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Paragraaf 1. Doelstelling Paragraaf 2. Beschikbaarstelling Paragraaf 3. Tula-studiebeurs Paragraaf 4. Voorstel en betaling Paragraaf 5. Inwerkingtreding en looptijd Paragraaf 6. Publicatie Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend,"},{"i":11367,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 26 juni 2017, nummer CvTE-17.01276, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo 2019, nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi (Regeling syllabi centrale examens vo 2019) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 11 juli 2017, kenmerk 1222606; Besluit: Artikel 1. Vaststelling syllabi 2019 Vervallen Artikel 2. Nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi Vervallen Artikel 3. Bekendmaking 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De syllabi als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039851&artikel=1&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039851&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01) worden bekendgemaakt op www.examenblad.nl. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt: - 1. betreffende [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039851&artikel=1&z=2021-01-01&g=2021-01-01) per 1 januari 2020; - 2.1. betreffende [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039851&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01): per 1 januari 2019; - 2.2. betreffende artikel 2.2: per 1 januari 2021. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling syllabi centrale examens vo 2019. Bijlage 1a Vervallen Syllabi vwo 2019 Voor de centrale examens vwo 2019 worden syllabi voor de volgende vakken vastgesteld: Bijlage 2a Vervallen Syllabi havo 2019 Voor de centrale examens havo 2019 worden syllabi voor de volgende vakken vastgesteld: Bijlage 1c Syllabi vmbo 2019 bedrijfseconomie Bijlage 2a Vervallen Nadere vaststelling"},{"i":11231,"b":"Onderwijs deelname leerlingen/studenten met Belgische nationaliteit 1. Inleiding Het grenslandenbeleid vraagt inzicht in de grensoverschrijdende leerlingen- en studentenstromen. Daarom is tussen Nederland en Vlaanderen afgesproken elke twee jaar het aantal Belgische studenten te tellen. Daar dergelijke informatie in de reguliere informatiestromen niet voorhanden is, zal Cfi de diverse instellingen benaderen voor de Grenslandtelling met België. Het gaat daarbij om: Het doel van de Grenslandtelling is het in kaart brengen van het aantal leerlingen/deelnemers/studenten met de Belgische nationaliteit, waarbij de vraag gesteld wordt in welk land (België of Nederland) zij woonachtig waren op het moment van eerste inschrijving. Het gaat daarbij om de regulier bekostigde leerlingen. Ter ondersteuning van afspraken met Vlaanderen inzake het grenslandenbeleid is het van belang inzicht te verkrijgen in de deelname aan het Nederlandse onderwijs en reisgedrag van leerlingen/deelnemers/studenten uit België. Hiertoe wordt er aan de geselecteerde onderwijsinstellingen een telformulier gezonden met het verzoek om de opgave te verstrekken. In Vlaanderen vindt een gelijksoortige inventarisatie plaats met betrekking tot deelname en reisgedrag van leerlingen/studenten met de Nederlandse nationaliteit. 2. Registratie onderwijsdeelname door leerlingen/studenten uit het grensland Door middel van een informatieformulier worden de geselecteerde onderwijsinstellingen verzocht het aantal op 1 oktober 2002 aan de school ingeschreven leerlingen/studenten met de Belgische nationaliteit op te geven. Met betrekking tot het reisgedrag kan op dit formulier informatie worden verschaft over het land, waar de betreffende leerlingen/studenten woonachtig waren op het moment van de inschrijving. Anders dan bij de Grenslandtelling van 2001, zal voor HBO en WO geen nadere onderverdeling meer opgevraagd worden in het kader van samenwerkingsverbanden. 3. Procedure ten aanzien van de registratie De geselecteerd"},{"i":13897,"b":"Wet van 28 augustus 1851, regelende de onteigening ten algemeenen nutte Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten; Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, de onteigening ten algemeenen nutte, in overeenstemming met art. 147 der [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840), bij de wet te regelen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Algemeene bepalingen Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Titel I. Over onteigening in gewone gevallen Hoofdstuk I. Over hetgeen aan de verklaring van het algemeen nut vooraf behoort te gaan Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Hoofdstuk II. Over de eindaanwijzing der te onteigenen goederen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Hoofdstuk III. Van het geding tot onteigening Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Vervallen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen Artikel 23 Vervallen Artikel 24 Vervallen Artikel 25 Vervallen Artikel 26 Vervallen Artikel 27 Vervallen Artikel 28 Vervallen Artikel 29 Vervallen Artikel 30 Vervallen Artikel 31 Vervallen Artikel 32 Vervallen Artikel 33 Vervallen Artikel 34 Vervallen Artikel 35 Vervallen Artikel 36 Vervallen Artikel 36a Vervallen Artikel 37 Vervallen Artikel 38 Vervallen Artikel 39 Vervallen Artikel 40 Vervallen Artikel 40a Vervallen Artikel 40b Vervallen Artikel 40c Vervallen Artikel 40d Vervallen Artikel 40e Vervallen Artikel 40f Vervallen Artikel 41 Vervallen Artikel 41a Vervallen Artikel 42 Vervallen Artikel 42a Vervallen Artikel 43 Vervallen Artikel 44 Vervallen Artikel 45 Vervallen Artikel 46 Vervallen Artikel 47 Vervallen Artikel 48 Vervallen Artikel 4"},{"i":11266,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 9 december 2008, nr. WJZ/8184750, met betrekking tot accountantsverklaringen bij subsidiëring aan onderwijsinstellingen Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en op [artikel 50, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=50); Besluit: Artikel 1 Indien een onderwijsinstelling als bedoeld in [artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.8) een subsidie ontvangt krachtens de [Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919), en ter zake [artikel 3, aanhef en onderdeel g, van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023132&artikel=3) toepast, is in afwijking van hetgeen in de betrokken subsidieregeling is bepaald geen afzonderlijke accountantsverklaring vereist met betrekking tot subsidieprojecten die zijn aangevangen op of na 1 januari 2008. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":13396,"b":"Besluit op grond van artikel 4 Besluit slotallocatie Gelet op [artikel 4 van het Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035&artikel=4); Besluit: Artikel 1 1. Er is een Coördinatiecomité, nader te noemen comité, dat ten minste uit de volgende leden bestaat: - a. een vertegenwoordiger van het door de Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van [artikel 2 van het Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035&artikel=2) aangewezen volledig gecoördineerde luchtvaartterrein; - b. een vertegenwoordiger van de luchtvaartmaatschappijen die gebruik maken van het luchtvaartterrein, of hun vertegenwoordigende organisaties; - c. een vertegenwoordiger van de Luchtverkeersbeveiligings-organisatie. 2. Als waarnemer wordt tot de vergaderingen van het comité toegelaten: - a. een vertegenwoordiger van de Rijksluchtvaartdienst; - b. de door de Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van [artikel 3 van het Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035&artikel=3) aangewezen coördinator. Artikel 2 Het comité heeft de in [artikel 4 van het Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035&artikel=4) genoemde taak. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dag waarop het [Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035) in werking is getreden. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11274,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00617, houdende vaststelling van de beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores voor het centraal examen (Regeling beoordelingsnormen en bijbehorende scores centraal examen VO 2015) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel d, en achtste lid van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling gelden de begripsbepalingen die zijn gegeven in [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) en [artikel 1.1 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=1.1). 2. Voorts wordt in deze regeling verstaan onder: - •. voorzitter: de voorzitter van het College voor Toetsen en Examens; - •. vakcommissie: een vakcommissie van het College voor Toetsen en Examens; - •. opdracht: een vraag of opdracht in een toets; - •. uitvoering van een opdracht: de wijze waarop een kandidaat een opdracht heeft uitgevoerd en het eindresultaat van die uitvoering; - •. antwoord: de uitvoering van een opdracht; - •. opgave: enige bij elkaar behorende opdrachten in een toets die als zodanig zijn aangemerkt; - •. praktische toets: het in [artikel 3.26 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=3.26) genoemd praktische gedeelte van het centraal examen v.m.b.o., onderscheiden in een cspe (centraal schriftelijk en praktisch examen) voor de beroepsgerichte vakken en een cpe (centraal praktisch examen) voor de beeldende vakken; - •. tweede examinator: de door de directeur aangewezen medebeoordelaar van een examentoets. Artikel 2. Beoordelingsnormen 1. De beoordelingsnormen voor de centrale examens worden weergegeven in een correctievoorschrift bij iedere toets. Dit bestaat uit: - a. regels voor de beoordeling, op grond van het [Uitvoeringsbes"},{"i":12178,"b":"Besluit van 18 juni 2025, nr. 2025001355, houdende departementale herindelingen met betrekking tot inburgering Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 18 juni 2025, nr. 8810128; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van inburgering voor zover deze voor 2 juli 2024 was opgedragen aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051177&artikel=1&z=2025-07-04&g=2025-07-04) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051177&artikel=2&z=2025-07-04&g=2025-07-04) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Justitie en Veiligheid, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 19 juni 2025. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":11444,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 30 augustus 2023, nr. 39778488, houdende regels voor het verstrekken van subsidie aan onderwijsregio’s (Subsidieregeling Onderwijsregio’s) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aspirant-opleidingsschool:** aspirant-opleidingsschool waaraan op grond van [paragraaf 2.3 van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042461&paragraaf=2.3), zoals die luidde op 25 april 2023, subsidie is verstrekt; - **bevoegd gezag:** - a. bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) of als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); of - b. instellingsbestuur als bedoeld [artikel 1.1 onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) van een instelling die een of meer lerarenopleidingen verzorgt; - **beoordelingsgerichte peer review:** peer review uitgevoerd door de commissie beoordelingsgerichte peer review die gericht is op de beoordeling van de basiskwaliteit van de aspirant-opleidingss"},{"i":12512,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 11 april 2012, nr DII1235364, houdende openbaarmaking van het volgen van innovatiegelden met betrekking tot uiteenlopende innovatiedoeleinden Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voorzover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de navolgende onderdelen van [artikel 1, derde lid, Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026914&artikel=1): 1.6 [Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024902) (seed capital technostarters); 2.1 [Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855) (Eurostars-projecten); 2.2 Subsidieregeling innoveren (innovatiekredieten); 2.3 Subsidieregeling innoveren (innovatiekredieten); 2.3a Subsidieregeling innoveren (innovatiekredieten); 2.4 Subsidieregeling innoveren (innovatieprestatiecontracten); 2.4a Subsidieregeling innoveren (innovatieprestatiecontracten); 2.5 Subsidieregeling innoveren (innovatieprestatiecontracten); 2.5a Subsidieregeling innoveren (innovatieprestatiecontracten); 2.11 Subsidieregeling innoveren (innovatie voor maatschappelijke veiligheid); 3.1 [Subsidieregeling sterktes in innovatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024881) (Internationaal innoveren); 3.2 Subsidieregeling sterktes in innovatie (Internationaal innoveren); 3.3 Subsidieregeling sterktes in innovatie (IOP’s); 3.4 Subsidieregeling sterktes in innovatie (LSH-projecten; ETB-samenwerkingsverbanden); 3.5 Subsidieregeling sterktes in innovatie (LSH-projecten; internationale MKB-samenwerkingsverbanden); 3.7 Subsidieregeli"},{"i":11374,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 24 juni 2024, nummer CvTE24.00909, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo ten behoeve van het examenjaar 2026, nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi ten behoeve van het examenjaar 2025, tevens preliminaire vaststelling van één syllabus ten behoeve van het examenjaar 2027 (Regeling syllabi centrale examens vo 2026) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bedoeld in [artikel 2, zevende lid, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2), gegeven op 27 juni 2024 kenmerk 45915725, Besluit: Artikel 1. Vaststelling syllabi ten behoeve van het examenjaar 2026 De syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo ten behoeve van het examenjaar 2026, worden vastgesteld dan wel nader vastgesteld voor de vakken als vermeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049951&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bij deze regeling. Artikel 2. Nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi Vervallen Artikel 3. Preliminaire vaststelling van syllabi ten behoeve van het examenjaar 2027 De syllabus voor het centrale examen bedrijfseconomie in het vwo wordt ten behoeve van het examenjaar 2027 vastgesteld. Artikel 4. Bekendmaking syllabi De syllabi, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049951&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049951&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) worden bekendgemaakt op [www.examenblad.nl](http://www.examenblad.nl). Artikel 5. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met"},{"i":14195,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 20 augustus 2010, nr. 145464, houdende voorschriften inzake diervoeders (Regeling diervoeders 2010) Gelet op: [Verordening (EG) nr. 999/2001](32001R0999) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PbEG L 147); [Verordening (EG) nr. 178/2002](32002R0178) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31); [Verordening (EG) nr. 1774/2002](32002R1774) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PbEG L 273) [Verordening (EG) nr. 1829/2003](32003R1829) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PbEU L 268); [Verordening (EG) nr. 1830/2003](32003R1830) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levenmiddelen en diervoeders en tot wijziging van [Richtlijn 2001/18/EG](32001L0018) (PbEU L 268); [Verordening (EG) nr. 1831/2003](32003R1831) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PbEU L 268); [Verordening (EG) nr. 882/2004](32004R0882) van Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake officiële controle"},{"i":11288,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 november 2014, 2014-0000166464, tot aanwijzing van beroepsopleidingen en scholen en vaststelling van de afstand tussen deze en het woonadres van de verzekerde als bedoeld in de Algemene Kinderbijslagwet (Regeling dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen) Gelet op [artikel 7, zesde lid, onderdeel b, onder 1°, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=7); Besluit: Artikel 1 Als beroepsopleiding of school als bedoeld in [artikel 7, zesde lid, onderdeel b, onder 1° of 5°, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=7) wordt aangewezen een beroepsopleiding of school die is opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035797&bijlage=A&z=2025-07-15&g=2025-07-15). Artikel 2 De afstand, bedoeld in [artikel 7, zesde lid, onderdeel b, onder 1° of 5°, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=7), bedraagt 25 kilometer. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen. Bijlage A. Lijst van aangewezen beroepsopleidingen | | kwalificatienaam | leerweg | niveau | instellingsnaam | postcode plaats | adres | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 97150 | Groen, grond, infra (Vakbekwaam medewerker gemechaniseerd loonbedrijf) | BBL | 3 | AOC De Groene Welle | 8017 JN ZWOLLE | Koggelaan 7 | | 97230 | Paardensport (Instructeur paardensport III) | BBL | 3 | AOC De Groene Welle | 8017 JN ZWOLLE | Koggelaan 7 | | 97230 | Paardensport (Instructeur paardensport III) | BOL | 3 | AOC De Groene Welle | 8017 JN ZWOLLE | Koggelaan 7 | | 97242 | Paardensport (Manager paardensportbedrijf) | BOL | 4 | AOC De Groene Welle | 8017 JN ZWOLLE | Koggelaan 7 | | 97251 | Vakbekwaam medewerker natuur en leefomgeving (Vakbekwa"},{"i":12553,"b":"Besluit van de directeur van de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 oktober 2019, kenmerk 1576929-194869-OBP, houdende de regeling van ondervolmacht Gelet op [artikel 16, tweede lid, onder a, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan de functionaris van het Evenementenbureau van de Directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel, die leiding geeft aan de organisatie van een evenement wordt de bevoegdheid verleend om, in het kader van de uitvoering van het project, namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten tot een maximum van € 10.000 inclusief btw. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14283,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 18 september 2015, nr. IENM/BSK-2015/183974, houdende vaststelling van nieuwe regels voor bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 517/2014 van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van 16 september 2009 betreffende ozonlaagafbrekende stoffen (Regeling gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen) Gelet op Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 842/2006](32006R0842) (PbEU L 150), [Verordening (EG) nr. 1005/2009](32009R1005) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 betreffende ozonlaag afbrekende stoffen (herschikking) (PbEU L 286) en de [artikelen 6, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037088&artikel=6), [9, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037088&artikel=9), [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037088&artikel=11), [12, eerste lid, onder g, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037088&artikel=12), en [14, vijfde lid, van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037088&artikel=14); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen in werking treedt. § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **apparatuur:** apparatuur als bedoeld in de artikelen 5, tweede en derde lid, en 8, tweede en derde lid, van de F-gassenverordening, de klimaatregelingssystemen, bedoeld in artikel 8, vierde lid en tiende lid, tweede alinea, van de F-gassenverordening, de"},{"i":11805,"b":"Beleidsregel van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden houdende de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen en biociden 2024 Gelet op het bepaalde in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=4), en [artikel 130a van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=130a); Gezien [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528) en [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107); Gezien het [Tarievenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049054) van het college; Gelet op [artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1:1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **afgeleide toelating biocide:** een toelating waarbij op basis van artikel 52 van de wet (oud) een reeds toegelaten biocide (het moedermiddel) op aanvraag tevens wordt geregistreerd onder een andere handelsnaam, met een ander toelatingsnummer en met dezelfde of een andere toelatingshouder; - **afgeleide toelating gewasbeschermingsmiddel:** een toelating waarbij een reeds toegelaten gewasbeschermingsmiddel (het moedermiddel) op aanvraag tevens wordt geregistreerd onder een andere handelsnaam, met een ander toelatingsnummer en met dezelfde of een andere toelatingshouder; - **biociden:** biociden als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a, van [verordening (EU) Nr. 528/2012](32012R0528); - **college:** het in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=3) bedoelde College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - **regeling:** [Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022545); - **regeling (oud):** Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden zoals die gold vóór 6 november 2013; - **wet:** [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overhei"},{"i":11297,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 25 september 2017, CvTE-17.01518, houdende vaststelling van het examenprogramma Staatsexamens Nederlands als tweede taal 2019 (Regeling examenprogramma Staatsexamens Nt2 2019) Gelet op [artikel 2, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); en [artikel 10, eerste lid, van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&artikel=10); Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 4 december 2017, kenmerk 1285060. Besluit: Artikel 1. Examenprogramma Staatsexamens Nederlands als tweede taal 2019 Het examenprogramma Staatsexamens Nederlands als tweede taal voor het examenjaar 2019 wordt vastgesteld zoals aangegeven in de bijlage. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019 en vervalt met ingang van 31 december 2019. Artikel 3. Citeertitel en bekendmaking Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling examenprogramma Staatsexamens Nt2 2019. Bijlage behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040352&artikel=1&z=2019-05-24&g=2019-05-24) Examenprogramma Staatsexamens Nederlands als tweede taal 1. Examenstof Het Staatsexamen Nederlands als tweede taal heeft tot doel personen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is in staat te stellen een bewijs van voldoende taalbeheersing te behalen. Het examen toetst of de kandidaat voldoende kennis, inzicht en vaardigheden verworven heeft om zich op adequate wijze van het Nederlands te kunnen bedienen in het kader van werk en opleiding, alsmede in het kader van het maatschappelijk functioneren en de sociale contacten die daaruit voortvloeien. In het Staatsexamen Nederlands als tweede taal worden onderzocht: Het examenprogramma is ontleend aan de examenstof zoals omschreven in het Eindrapport van de Adviescommissie Invoering Certific"},{"i":14293,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 8 mei 2025, nr. IENW/BSK-2025/101742, houdende regels omtrent het gemengd afmeren van schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren (Regeling gemengd afmeren) Gelet op de [artikelen 6.28, twaalfde lid, onderdeel c, vijftiende en zeventiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.28), en [7.07, vierde en vijfde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=7.07); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **binnenschip:** binnenschip als bedoeld in [artikel 1 van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=1); - **bunkerschepen:** tankschepen met aan boord scheepsaandrijfstoffen met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger ten behoeve van de afgifte ervan aan andere schepen; - **gemengd afmeren:** direct of indirect afmeren op ligplaatsen of wachtplaatsen of in sluizen door schepen die op grond van deze regeling zijn vrijgesteld van de afmeerafstanden, bedoeld in de [artikelen 6.28, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.28), en [7.07, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=7.07); - **ontsmettingsmiddel:** een toepassing van biociden en/of gewasbeschermingsmiddelen ter bestrijding van insectenplagen in lading die in bulk wordt vervoerd (zoals graan, voeder, hout); - **seinvoerend schip:** binnenschip dat gevaarlijke stoffen vervoert waarvoor op grond van [artikel 3.14, eerste lid dan wel tweede lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.14) een of twee tekens zijn voorgeschreven; - **tankschip:** schip dat gebouwd is voor het in een ladingtank vervoeren van gassen of vloeistoffen als bedoeld in sectie 1.2.1 van het ADN; - **ventileren:** het laten drogen van openstaande ladingtanks of tanks voor restproducten van ee"},{"i":11308,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 maart 2023, nr. MBO/36996245, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende bekostiging voor het verhogen van de kwaliteit van het beroepsonderwijs 2024–2027 (Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2024–2027) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvullende bekostiging:** aanvullende middelen als bedoeld in [artikel 2.2.3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); - **adviescommissie:** commissie als bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047959&artikel=7&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - **analyseonderdelen:** analyseonderdelen als genoemd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047959&bijlage=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01), en eventuele eigen analyseonderdelen; - **basisberoepsopleiding:** basisberoepsopleiding als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2); - **doelstellingen:** doelstellingen als genoemd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047959&bijlage=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - **eerste tranche:** kwaliteitsagenda’s die uiterlijk op 30 juni 2023 zijn ingediend; - **externe samenwerkingspartners:** externe samenwerkingspartners als bedoeld in [artikel 6, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047959&artikel=6&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - **indicatoren:** indicatoren als genoemd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047959&bijlage=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01), en eventuele eigen indicatoren; - **instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1), voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft; - **interne samenwerkingspartners:** de studenten en het personeel van de instelling; - **kwaliteitsagenda:** kwaliteitsagenda als bedoeld in [artikel 6](https://wet"},{"i":13104,"b":"Besluitvorming Chinees **Overwegende dat:** de Adviescommissie Talen Wbtv zijn grondslag vindt in de [Regeling van de Raad voor Rechtsbijstand van 6 augustus 2015, houdende de instelling van de Adviescommissie Talen Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036939) (Stcrt 2015, nr. 25102); de Adviescommissie Talen Wbtv advies uitbrengt over de wettelijke competentie Taalvaardigheid; de Raad voor Rechtsbijstand aanleiding heeft gezien om advies in te winnen bij de Adviescommissie Talen Wbtv omtrent het Chinees; De Adviescommissie Talen Wbtv op 20 november 2018 advies heeft uitgebracht. **Stelt vast dat:** Op de taallijst momenteel de volgende Chinese variëteiten zijn opgenomen: Chinees (Hakka); Chinees (Kantonees); Chinees (Mandarijn); Chinees (Min Nan); Chinees (Wú); Alle Chinese variëteiten die op de taallijst zijn opgenomen ook zijn opgenomen als schrijftaal; Het Chinees (Mandarijn) de enige geschreven vorm van het Chinees is; Het Wenzhou als taal is opgenomen in de door de Raad voor Rechtsbijstand gehanteerde taallijst; Het Wenzhou een dialect is van het Chinees (Wú). **Besluit dat:** **Slotbepalingen** Dit besluit wordt aangehaald als **‘Besluitvorming Chinees’.** Bekendmaking vindt plaats door publicatie in de Staatscourant. Dit besluit treedt in werking één dag na publicatie in de Staatscourant."},{"i":11327,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 26 januari 2021, nr. 26786807, houdende vaststelling van het onderwijsaccountantsprotocol voor de sectoren PO, VO en MBO in Caribisch Nederland (Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2020) Gelet op [artikel 131, vierde lid, tweede volzin, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=131), [artikel 17, zesde lid, van het Bekostigingsbesluit WVO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029598&artikel=17) en [artikel 5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029696&artikel=5); Besluit: Deze regeling heeft betrekking op het jaar 2020. Artikel 1. Vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES Het protocol voor de controle en onderzoek door de accountant over het jaar 2020 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Intrekking [Regeling onderwijsaccountantsprotocol BES 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036220) De [Regeling onderwijsaccountantsprotocol BES 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036220) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2020. 2. Deze regeling heeft betrekking op het jaar 2020 en vervalt met ingang van 1 januari 2027. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2020. Bijlage. bij de Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2020 Versie 18 december 2020 Inleiding 1 juli 2019 Dit is het onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2020. Dit protocol is afgeleid van het onderwijsaccountantsprotocol OCW 2020 en waar nodig aangepast aan de wet- en regelgeving zoals die op de BES-eilanden van toepassing is. Met ingang van het verslagjaar 2015 is het onderwijsaccountantsprotocol OCW BES ook van toepassing voo"},{"i":11355,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 16 november 2023, nr. PO/42234368, houdende regels met betrekking tot subsidieverstrekking aan de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland voor de jaren 2024 tot en met 2028 (Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2024–2028) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en [10 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=10) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Europese school:** school gesticht en in stand gehouden op grond van het Verdrag houdende het statuut van de Europese scholen (Trb. 1994, 250); - **mandaatbesluit:** [Mandaatbesluit Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042248); - **Minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **onderwijs op locatie:** onderwijs dat wordt verzorgd op een onderwijsvoorziening; - **onderwijsvoorziening:** school of voorziening die in stand wordt gehouden door een rechtspersoon, die volledig Nederlands onderwijs of onderwijs in de Nederlandse taal en cultuur verzorgt, op grond van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048981&artikel=5&z=2023-12-01&g=2023-12-01) vallend onder het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs; - **rechtspersoon:** rechtspersoon zonder winstoogmerk welke de onderwijsvoorziening in stand houdt; - **stichting:** Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (Stichting NOB), statutair gevestigd te Leidschendam-Voorburg; - **toezichthouder:** toezichthouder als bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":12112,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid notulen en bescheiden ministerraad 1998 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder b en c Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 14 juni 2023, met kenmerk 1181220. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de notulen en bescheiden van de rijksministerraad, de ministerraad, de onderraden en de ministeriële commissies, als bedoeld in de verklaring van overbrenging van de notulen en bescheiden van de ministerraad en onderraden (1 januari 1998 – 1 januari 1999). Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen. Op de stukken van de Rijksministerraad (RMR) is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 8390A | 2074 | | 8391A | 2074 | | 8398A | 2074 | | 8399A | 2074 | | 8400A | 2074 | De bovengenoemde dossiers zijn ten behoeve van de toegankelijkheid afgesplitst van het oorspronkelijke inventarisnummer. Bij het vervallen van de openbaarheidsbeperking zullen deze fysiek teruggeplaatst worden bij het oorspronkelijke stuk en zal de inventaris daarop worden aangepast. Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Op de stukken van de Ministeriële Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (MICIV) is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 8475A | 2073 | Het bovengenoemde dossier is t"},{"i":13887,"b":"Onderlinge regeling samenwerking bij hervormingen In overweging genomen hebbende dat: de COVID-19 pandemie ernstige financieel-economische en sociale gevolgen heeft gehad voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en dat het daardoor voor deze Landen noodzakelijk is om de economische weerbaarheid en bestuurskracht te verhogen; de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten het wenselijk achten de nodige hervormingen in de publieke sector ter verhoging van de economische weerbaarheid en bestuurskracht daadkrachtig en in samenwerking met de regering van Nederland uit te voeren; de regering van Nederland ondersteuning wenst te bieden en in dat verband op 13 november, 2 november en 22 december 2020 met de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten de door elk Land wenselijk geachte hervormingen ter bevordering van de economische weerbaarheid en versterking van de bestuurskracht hebben vastgelegd in onderscheidenlijke landspakketten; het wenselijk is om een werkwijze vast te stellen voor de samenwerking tussen enerzijds Nederland en anderzijds Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten ter ondersteuning en uitvoering van de in de landspakketten opgenomen hervormingen; eigenaarschap, gelijkwaardigheid en gemeenschappelijkheid binnen deze samenwerking de leidende beginselen vormen en de eerbiediging van de staatsrechtelijke positie en bevoegdheden van de regeringen en de Staten van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten conform het [Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) en het landsrecht hierbij als uitgangspunt geldt; Komen als volgt overeen: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze onderlinge regeling wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: - a. **hervormingsprojecten, -programma’s en -maatregelen:** de hervormingsprojecten, -programma’s en -maatregelen die vereist zijn voor het bereiken van de beleidsdoelen, genoemd in een landspakket; - b. **Landen:** Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - c. **landspakket:** een lands"},{"i":11892,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 9 juli 2013, nr. IENM/BSK-2013/127535, houdende aanwijzing van toezichthouders en opsporingsambtenaren bij de Inspectie Leefomgeving en Transport betreffende vervoerswetgeving (Besluit aanwijzing toezichthouders en opsporingsambtenaren Inspectie Leefomgeving en Transport betreffende vervoerswetgeving) Handelende in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op [artikel 5.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=5.1), [artikel 3, eerste lid, van het Besluit van 7 april 1995 houdende aanwijzingen van ambtenaren belast met opsporing als bedoeld in artikel 159, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007325&artikel=3), [artikel 7, onderdeel b, van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012950&artikel=7) en [artikel 87, eerste lid, onderdeel a, en vierde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=87); Besluit: Artikel 1 1. De ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport belast met toezicht en opsporing worden aangewezen als de ambtenaren van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu bedoeld in: - a. [artikel 5.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=5.1); - b. [artikel 3, eerste lid, van het Besluit van 7 april 1995 houdende aanwijzing van ambtenaren belast met opsporing als bedoeld in artikel 159, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007325&artikel=3) (Stb. 247); - c. [artikel 7, onderdeel b, van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012950&artikel=7); - d. [artikel 87, eerste lid, onderdeel a, vierde en zesde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":11344,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 november 2018, nr. MBO/1337390, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende bekostiging voor de verbetering van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt door publiek-private samenwerking (Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022) Gelet op [artikel 2.2.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **arbeidsorganisatie:** eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent; - **beoordelingscommissie:** commissie als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041553&paragraaf=3&artikel=20&z=2023-01-01&g=2023-01-01); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan instellingen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **georganiseerd bedrijfsleven:** representatieve organisatie van werkgevers of representatieve organisatie van werknemers; - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **O&O-fonds:** Opleidings- en Ontwikkelfonds, opgericht bij een bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst; - **onderwijsinstelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1), voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft; - **publiek-private samenwerking:** samenwerking tussen in ieder geval een uit de openbare kas bekostigde onderwijsinstelling en een arbeidsorganisatie; - **regionale overheid:** provincie, gemeente of waterschap; - **samenwerkingsverband:** samenwerkingsverband als bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041553&paragraaf=2&artikel=12&z=2023-01-01&g=2023-01-01); - **tussentijdse beoordeling:** tussentijdse beoordeling als bedoeld in [artikel 28](https:"},{"i":13882,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 juli 2008, nr. WJZ/34454 (2661), houdende intrekking van diverse regelingen op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in verband met het feit dat deze hun betekenis hebben verloren (OCW-intrekkingsregeling 2008) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=2), [5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=5a), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=11), en [48 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=48), de [artikelen 10, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004259&artikel=10), en [56a, derde lid, van het Bekostigingsbesluit WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004259&artikel=56a), de [artikelen 8a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672&artikel=8a), [14a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672&artikel=14a), [18, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672&artikel=18), [37, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672&artikel=37), en [52 van het Bekostigingsbesluit WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672&artikel=52), de [artikelen 11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=11), en [17, derde lid, van het Besluit bekostiging WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=17), [artikel 4 van het Besluit informatievoorziening WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008948&artikel=4), de [artikel 3, vierde lid, van het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015137&artikel=3), [artikel 18 van het"},{"i":11352,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 september 2025, nr. 54178956, houdende de vaststelling van de screenings- en testinstrumenten ten behoeve van de indicatiestelling voor leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en praktijkonderwijs (pro) en het gebruik daarvan voor het schooljaar 2026–2027 (Regeling screenings- en testinstrumenten lwoo en pro schooljaar 2026–2027) Gelet op [artikel 2.46, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=2.46); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - **besluit:** [Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **diagnostisch geschoold psycholoog of diagnostisch geschoold orthopedagoog:** diagnostisch geschoold psycholoog of diagnostisch geschoold orthopedagoog, als bedoeld in [artikel 2.46, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=2.46), onder wiens verantwoordelijkheid de instrumenten voor het vaststellen van de intelligentie en de instrumenten voor persoonlijkheidsonderzoek worden toegepast; - **didactische leeftijd:** aantal maanden dat een leerling vanaf groep 3 in de perioden van september tot en met juni was ingeschreven bij een school als bedoeld in [artikel 1 WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) of een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1 WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **DLE:** aantal maanden onderwijs dat behoort bij het niveau dat de leerling feitelijk heeft bereikt als bedoeld"},{"i":11386,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 5 februari 2024 nummer CvTE-24.00430, houdende vaststelling van toegestane hulpmiddelen bij centrale examinering in het mbo (Regeling toegestane hulpmiddelen bij centrale examinering mbo) Gelet op [artikel 3 van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3); het [Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB artikel 6, eerste lid onderdeel h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Gebruik algemene hulpmiddelen Bij de afname van de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels is het gebruik van pen, potlood en kladpapier toegestaan. Het kladpapier dient na afloop van de examenzitting ingeleverd te worden voordat de student de examenzaal verlaat. Artikel 2. Gebruik papieren woordenboek 1. Bij de afname van de centrale examens Nederlandse taal en rekenen is het gebruik van een eendelig verklarend papieren woordenboek Nederlands en vertalend woordenboek Nederlands-thuistaal en thuistaal-Nederlands toegestaan. 2. Bij de afname van het centraal examen Engels is het gebruik van een vertalend woordenboek Engels-thuistaal en thuistaal-Engels toegestaan. De examencommissie kan toestemming geven om een verklarend woordenboek Engels te gebruiken. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag nadat deze in de Staatscourant wordt geplaatst. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toegestane hulpmiddelen bij centrale examinering mbo. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11432,"b":"Statuut van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur Aangenomen te Londen op 16 november 1945 en gewijzigd door de Algemene Conferentie tijdens haar tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, tiende, twaalfde, vijftiende, zeventiende, negentiende, twintigste, eenentwintigste, vierentwintigste, vijfentwintigste, zesentwintigste, zevenentwintigste, achtentwintigste, negenentwintigste en eenendertigste zitting. De Regeringen van de Staten die Partij zijn bij dit Statuut verklaren uit naam van hun volken: Dat aangezien oorlogen hun oorsprong vinden in de menselijke geest, ook de verdedigingswerken van de vrede in de menselijke geest moeten worden opgebouwd; Dat in de geschiedenis van de mensheid de onbekendheid met elkaars levensgewoonten een voortdurende bron is geweest van achterdocht en wantrouwen tussen de volken, waardoor hun geschillen al te vaak tot oorlog hebben geleid; Dat de grote en verschrikkelijke oorlog die nu ten einde is mogelijk werd gemaakt door de ontkenning van de democratische beginselen van waardigheid, gelijkheid en wederzijds respect van mensen en door de verspreiding, in de plaats daarvan en met uitbuiting van onwetendheid en vooroordeel, van de leer van de ongelijkheid van mensen en rassen; Dat de ruime verspreiding van cultuur en de opvoeding van de mensheid tot gerechtigheid, vrijheid en vrede onontbeerlijk zijn voor de menselijke waardigheid en een heilige plicht zijn, die alle volken moeten vervullen in een geest van onderlinge hulp en zorg; Dat een vrede die uitsluitend berust op de politieke en economische afspraken tussen regeringen niet de eenstemmige, duurzame en waarachtige steun van de volken voor zich zou kunnen winnen en dat de vrede derhalve, wil zij behouden blijven, gegrondvest moet worden op het intellectuele en morele saamhorigheidsgevoel van de mensheid. Om deze redenen zijn de Staten die Partij zijn bij dit Statuut, gelovend in volledige en gelijke kansen op onderwijs vo"},{"i":13426,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 22 maart 2016, nr. 0000158458, houdende instelling van de Commissie geschilbeslechting bij totstandkoming van prestatieafspraken als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet (Instellingsbesluit Adviescommissie geschilbeslechting prestatieafspraken Woningwet) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister voor Wonen en Rijksdienst; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037756&artikel=2&z=2016-04-01&g=2016-04-01). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Adviescommissie geschilbeslechting prestatieafspraken Woningwet. 2. De commissie heeft tot taak: - a. tussen 1 april 2016 en 30 juni 2016 alle voorbereidingen te treffen die nodig zijn om per 1 juli 2016 de minister te kunnen adviseren over geschillen als bedoeld in onderdeel b; - b. vanaf 1 juli 2016 de minister te adviseren over geschillen als bedoeld in [artikel 44, vierde lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=44). Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter, drie leden en drie plaatsvervangende leden, die worden benoemd door de minister. 2. De leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd op schriftelijke voordracht van de hierna te noemen organisaties, met inachtneming van de volgende formule: - a. één lid en één plaatsvervangend lid uit de kring van organisaties die zich ten doel stellen de belangen van toegelaten instellingen te behartigen; - b. één lid en één plaatsvervangend lid uit de kring van organisaties die zich ten doel stellen de belangen van gemeenten te behartigen; - c. één lid en één plaatsvervangend lid uit de kring van organisaties die zich ten doel stellen de belangen van bewonersorganisaties te behartigen. 3. Bij afwezigheid als gevolg van verschoning, ontstentenis of belet van de voorzitter of een lid neemt zijn plaatsvervanger zi"},{"i":14306,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 november 2018, kenmerk 1430593-182478-DMO, houdende voorwaarden waaronder organisaties goedgekeurd en geregistreerd worden in het kader van de toepassing van de Regeling vergoeding verklaring omtrent het gedrag en gedragsverklaring aanbesteden (Regeling Gratis VOG voor vrijwilligers) Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **vrijwilliger:** de natuurlijke persoon, die niet bij wijze van beroep onverplicht en onbetaald werkt in een georganiseerd verband ten behoeve van anderen of de samenleving. Artikel 2 1. De Minister merkt een organisatie op aanvraag voor een periode van maximaal vijf jaar aan als Gratis VOG-organisatie, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: - a. binnen de organisatie werken vrijwilligers met kwetsbare personen; - b. de voor de organisatie werkzame vrijwilligers zijn niet reeds op grond van wet- of regelgeving gehouden om een verklaring omtrent het gedrag aan te vragen; - c. de organisatie hanteert een actief en gedegen preventie- en integriteitsbeleid. 2. Als kwetsbare personen, als bedoeld in het eerste lid, onder b, worden in ieder geval aangemerkt: - a. een minderjarige; - b. een natuurlijke persoon die zorg vraagt of aan wie zorg wordt verleend, als bedoeld in de [Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173); - c. een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in [artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.3.2); - d. een meerderjarig persoon met een verstandelijke beperking. 3. Voor organisaties die reeds zijn geregistreerd bij de inwerkingtreding van deze regeling geldt dat deze als Gratis VOG-organis"},{"i":11465,"b":"Toelating diploma Moderne Bedrijfsadministratie tot examen accountants-administratieconsulenten in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. K. de Jong, Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Examenbesluit accountants-administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002923&artikel=2) (Stb. 1974, 304); Besluit: Artikel 1 Tot het afleggen van het examen wordt toegelaten dege, die in het bezit is van het diploma Moderne Bedrijfsadministratie ingesteld door de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel te Haarlem en het Nederlands Instituut voor Efficiency te 's-Gravenhage, afgegeven in de jaren 1946 tot en met 1951. Artikel 2 1. Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekendgemaakt. 2. Zij treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"i":14282,"b":"Regeling gecombineerde leefstijlinterventie volwassenen Gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van gecombineerde leefstijlinterventie. Artikel 1. Begripsbepalingen - **Consument:** Een zorgvrager, patiënt, een potentiële patiënt of degene die namens een patiënt informeert. - **Gecombineerde leefstijlinterventie volwassenen (GLI):** Interventies gericht op het verminderen van de energie-inname, het verhogen van de lichamelijke activiteit en eventuele toevoeging op maat van psychologische interventies ter ondersteuning van de gedragsverandering. - **Prestatie(s):** De prestatie(s) genoemd in [artikel 4 van de Beleidsregel gecombineerde leefstijlinterventie volwassenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050025&artikel=4). - **Wmg:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). - **Zorgaanbieder:** Natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, lid 1 onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - **Zorgprogramma:** De gecombineerde leefstijlinterventie volwassenen wordt in de vorm van een programma aangeboden (hetzij individueel, hetzij in een groep). Een zorgprogramma bestaat uit een behandelfase en een onderhoudsfase. De totale doorlooptijd van het zorgprogramma is 24 aaneengesloten maanden. De startdatum van het zorgprogramma is de datum waarop het eerste contact na de intake tussen de patiënt en zorgverlener plaatsvindt. Dit kan fysiek face-to-face contact zijn maar ook contact via"},{"i":13876,"b":"Nummerplan voor identiteitsnummers ten behoeve van internationale mobiliteit (IMSI-nummers) Gelet op [artikel 4.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.1); Besluit: Artikel 1 - a. Autoriteit Consument en Markt: de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. IMSI-nummer: een identiteitsnummer ten behoeve van internationale mobiliteit als bedoeld in de aanbeveling E.212 van Internationale Telecommunicatie Unie bestaande uit een mobiele landencode, een mobiele netwerkcode en een randapparaatnummer of IMSI-gebruikersnummer, en waarop de in deze aanbeveling gestelde voorwaarden van toepassing zijn; - c. mobiele landencode: een nummer toegekend door de Internationale Telecommunicatie Unie aan een bepaald land ten behoeve van de identificatie van de in dat land aanwezige elektronische communicatienetwerken; - d. mobiele netwerkcode: een nummer dat: - 1. een bepaald openbaar elektronisch communicatienetwerk identificeert ten behoeve van mobiliteitsdiensten; - 2. een bepaald openbaar elektronisch communicatienetwerk identificeert ten behoeve van interoperabiliteit met openbare elektronische communicatienetwerken over welke mobiliteitsdiensten worden aangeboden; - 3. een netwerk identificeert voor GSM-R; - 4. een bepaald openbaar elektronisch communicatienetwerk identificeert ten behoeve van draadloze diensten; - 5. een netwerk identificeert voor mobiele elektronische communicatie voor interne bedrijfstoepassingen van het Ministerie van Defensie, of - 6. een bepaald besloten elektronisch communicatienetwerk identificeert waarbij de mobiele netwerkcode niet via radiosignalen wordt uitgezonden en de mobiele netwerkcode uitsluitend wordt gebruikt voor de selectie door een gebruiker van dat netwerk van een ander elektronisch communicatienetwerk voor het gebruik van draadloze elektronische commun"},{"i":11488,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Industrie- en technologiebeleid vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 juni 2006, nr. arc-2006.02959/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Industrie- en technologiebeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11792,"b":"Beleidsregel Remedies Voor de inhoud, indiening en tenuitvoerlegging van remedies bij concentraties De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op de [artikelen 37, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=37), en [41, vierde lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=41) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: 1. Introductie 2. Wettelijk kader 3. Uitgangspunten voor het indienen en de beoordeling van remedies 4. Soorten remedies 4.1. Algemeen 4.2. Structurele remedies: afstoting Voorwaarden af te stoten bedrijfsonderdeel De remedies in diverse ‘supermarktzaken’19Zie het besluit van 21 december 2021 in zaak 053545**/Plus – Coop**; het besluit van 9 juli 2021 in zaak/050672 **Ahold Delhaize – Deen Supermarkten**; het besluit van 25 juli 2012 in zaak 7429/**Coop – Jumbo activa**; het besluit van 21 februari 2012 in zaak 7323/**Jumbo – C1000**; het besluit van 5 maart 2010 in zaak 6879/**Schuitema – SdB Activa**; het besluit van 4 december 2009 in zaak 6802/**Jumbo – Super de Boer** en het besluit van 26 oktober 2006 in zaak 5586/**Ahold – Konmar Superstores.** bestonden voornamelijk uit het afstoten van complete winkels aan concurrenten met een bestaande eigen winkelorganisatie. In bijvoorbeeld de zaak **Plus/Coop** kwam de ACM in de meldingsfase tot de conclusie dat de voorgenomen fusie de mededinging tussen de twee supermarkten op twaalf lokale markten zou kunnen belemmeren.20Zie het besluit van 21 december 2021 in zaak 053545**/Plus – Coop.** De betrokken ondernemingen boden in reactie daarop een structurele remedie aan waarin zij zich verbonden om in elk van deze gebieden een supermarkt af te stoten aan een concurrerende supermarktketen. De ACM oordeelde dat het remedievoorstel de geconstateerde mogelijke mededingingsbezwaren zonder twijfel en volledig wegnam, en stelde daarom geen vergunningseis. Voor een deel betrof"},{"i":11489,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militaire Operatiën periode vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2005, nr. arc-2004.01772/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van handelingen op het beleidsterrein Militaire Operatiën over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Lijst van afkortingen 1LK: 1e Legerkorps ACE: Allied Command Europe ADA: Adviesraad Defensie Aangelegenheden AID: Algemene Inspectiedienst AMVB: algemene maatregel van bestuur AVV: Adviesraad Vrede en Veiligheid BLS: Bevelhebber der Landstrijdkrachten BSD: Basis selectie document Bv: Bijvoorbeeld CCIS: Command, Control and Information Systems CDS: Chef Defensiestaf CHYD: Chef der Hydrografie COCOM: Coördinatiecommissie voor Multilaterale Strategische Exportcontrole cpx: commando post exercise CSBM: Confidence and Security Building Measures CSE: Conventionele Strijdkrachten in Europa CVSE: Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa CW: Chemisch Wapenverdrag DGM: Directoraat-Generaal Materieel DGEF: Directoraat-Generaal Economie en Financiën DGSM: Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken DP: defensie Publicaties DPKM: Directie Personeel KM IAEA: International Atomic Energy Agency IFR: Instrument Flight Rules INF: Intermediate-range Nuclear Forces JCG: Joint Consultative Group KB: Koninklijk Besluit KL: Koninklijke Landmacht KLu: Koninklijke Luchtmacht KM: Koninklijke Marine KMar: Koninklijke Marechaussee KNMI: Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut LVR: Luchtvaartreglement MBFR: Mutual"},{"i":11490,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid periode 1945-1999 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2005, nr. arc-2004.01772/5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13159,"b":"Contributieverordening 2014 Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5), en [19, tweede lid, onder g, van de Wet op het accountsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 De contributie voor de contributiegroepen, bedoeld in [artikel 2 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031866&artikel=2), bedraagt: | H. | openbaar accountant | € 1.240 | | --- | --- | --- | | M. | intern accountant en overheidsaccountant | € 830 | | L. | accountant in business | € 415 | | Z. | lid zonder arbeidsinkomen | € 160 | Artikel 2 Het bedrag van de vermindering, bedoeld in [artikel 6 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031866&artikel=6), bedraagt: | H. | openbaar accountant | € 0 | | --- | --- | --- | | M. | intern accountant en overheidsaccountant | € 0 | | L. | accountant in business | € 0 | | Z. | lid zonder arbeidsinkomen | € 0 | Artikel 3 De korting, bedoeld in [artikel 7 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031866&artikel=7), wordt vastgesteld op: 0. Artikel 4 Het percentage, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031866&artikel=8), wordt vastgesteld op: 4. Artikel 5 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2014. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Contributieverordening 2014."},{"i":11491,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Studiefinanciering vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2006 (nr. arc-2006.02763/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Studiefinanciering over de periode vanaf 1994](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het beleidsterrein studiefinanciering vanaf 1945, vastgesteld bij beschikking van RAD/B&T/98.23/CZ d.d. 02-06-1998 (Stcrt. 66, 1999)’ wordt ingetrokken voor de archiefbescheiden vanaf 1994. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14191,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 26 maart 2015, houdende regels voor het verstrekken en dragen van dienstkleding van ambtenaren van de Dienst Justitiële Inrichtingen (Regeling dienstkleding Dienst Justitiële Inrichtingen) Gelet op [artikel 65 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=65); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder dienstkleding: de ingevolge deze regeling door de Dienst Justitiële Inrichtingen aan de ambtenaar verstrekte, gedurende de voor deze geldende werktijden te dragen kleding en schoeisel. Artikel 2 1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor de verstrekking van: - a. uniforme dienstkleding aan: - 1°. ambtenaren, die in een rijksinrichting of dienst beveiligingswerkzaamheden verrichten ten behoeve van personen en gebouwen; - 2°. ambtenaren, die in een penitentiaire inrichting zorg dragen voor beveiliging, observatie en voorbereiding op resocialisatie van volwassen gedetineerden; - 3°. ambtenaren, die in een penitentiaire inrichting uitvoering geven aan de begeleiding en beveiliging van volwassen gedetineerden met psychosociale of somatische problematiek in een beveiligde omgeving; - 4°. de operationeel manager van de ambtenaren, bedoeld onder 1° en 2°. - b. sportkleding en sportschoenen aan executieve ambtenaren, die door de Dienst Justitiële Inrichtingen zijn verplicht om aan de wekelijkse dienstsport en de jaarlijkse afname van de fitheidstoets en weerbaarheidstoets deel te nemen. - c. sportkleding en sportschoenen voor lichamelijke opvoeding aan ambtenaren die in een rijksinrichting of dienst kennis, vaardigheden en houdingsaspecten overdragen door middel van lichamelijke opvoeding. 2. Naast de in het eerste lid bedoelde ambtenaren kan door het bevoegd gezag aan andere ambtenaren toestemming worden verleend tot het dragen van dienstkleding indien: - a. de ambtenaar regelmatig direct contact heeft met ingeslotenen of externen; - b. de dienstkledin"},{"i":11808,"b":"Besluit tot vaststelling van beleidsregels ten aanzien van trillinghinder ten behoeve van de vaststelling van tracébesluiten voor de aanleg, wijziging of het opnieuw in gebruik nemen van een landelijke spoorweg (Beleidsregel trillinghinder spoor) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van de Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&artikel=9) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. definitiebepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **A1:** streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax; - **A2:** grenswaarde voor de trillingssterkte Vmax; - **A3:** grenswaarde voor de trillingssterkte Vper; - **bestaande situatie:** referentiesituatie waarin reeds sprake is van trillingen als gevolg van railverkeer; - **nieuwe situatie:** referentiesituatie waarin geen sprake is van trillingen als gevolg van railverkeer; - **plansituatie:** situatie als gevolg van de ingebruikneming van de infrastructuur die aangelegd of gewijzigd is of opnieuw in gebruik is genomen op basis van het tracébesluit; - **referentiesituatie:** situatie voor uitvoering van het tracébesluit; - **SBR-richtlijn B:** Meet- en beoordelingsrichtlijn trillingen van de Stichting Bouwresearch, deel B, Hinder voor personen in gebouwen, uitgave augustus 2002; - **tracébesluit:** een besluit tot aanleg, wijziging of het opnieuw in gebruik nemen van een landelijke spoorweg als bedoeld in de [Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147); - **Vmax:** de maximale trillingssterkte zoals gedefinieerd in paragraaf 5.3 van de SBR-richtlijn B en nader omschreven in hoofdstuk 9 van die richtlijn, met dien verstande dat voor de meettechnische bepaling van de waarde van Vmax de procedure wordt gevolgd, die opgenomen is in de bijlage bij deze beleidsregel; - **Vper:** de gemiddelde trillingssterkte zoals gedefinieerd in de SBR-richtlijn B. Artikel 2. toepasselijkheid SBR-richtlijn B 1. Bij"},{"i":12900,"b":"Besluit van 12 november 2020, kenmerk 2011002711, houdende vaststelling van de Selectielijst Raad van State voor het selecteren van te vernietigen en permanent te bewaren archiefbescheiden vanaf 1 september 2010 Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 november 2020, kenmerk NA/25771209, agentschap Nationaal Archief; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst Raad van State voor het selecteren van te vernietigen en permanent te bewaren archiefbescheiden vanaf 1 september 2010’ met de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijsten worden afgesloten per 31 augustus 2010: - •. **Selectielijst Raad van State inzake advisering over wet- en regelgeving in hoogste en laatste instantie**(Staatscourant 3 oktober 2003, nr. 191); - •. **Selectielijst voor de handelingen van de Raad van State op het beleidsterrein Tijdelijke waarneming van het Koninklijk gezag over de periode 1945–2000**(Staatscourant 18 april 2006, nr.75); - •. **Basisselectiedocument Raad van State inzake bestuursrechtspraak vanaf 1994 en algemene taken en bedrijfsvoering vanaf 1945**(Staatscourant 1december 2011, nr. 21590 ). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst. Raad van State voor het selecteren van te vernietigen en permanent te bewaren archiefbescheiden vanaf 1 september 2010 Niet opgenomen. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13879,"b":"NWO Tegemoetkomingsregeling bij overmacht Inleiding NWO moet waarborgen dat alle aanvragers en subsidieontvangers gelijk worden behandeld. Binnen elke subsidieronde hanteert NWO daarom een strakke deadline voor het indienen van een aanvraag en een aanvraagprocedure met een vast tijdpad. Tijdens een aanvraagprocedure wordt een aanvrager gevraagd om op een bepaald moment of binnen een bepaalde termijn schriftelijke input (bijvoorbeeld het indienen van een weerwoord) en/of mondelinge input (bijvoorbeeld een interview of site visit) te leveren. Ook na toewijzing van een aanvraag dient een subsidieontvanger (de ‘projectleider’) op vaste momenten input te leveren (bijvoorbeeld startformulieren, rapportages over de voortgang van het project en de financiële eindverantwoording).1Hoe ver de rapportage- en verantwoordingsplicht van de subsidieontvanger reikt hangt samen met de hoogte van de verleende subsidie. Het kan echter voorkomen dat een aanvrager c.q. projectleider verhinderd is de vereiste input op het gevraagde moment te leveren. In de gevallen dat dit wordt veroorzaakt door de komst van een kind tracht NWO de uitval van de aanvrager zo veel mogelijk te ondervangen door middel van de [NWO Tegemoetkomingsregeling kindverlof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041931)2De NWO Tegemoetkomingsregeling kindverlof is gepubliceerd in de Staatscourant op 22 februari 2019 (publicatienr. 9314), en is tevens te raadplegen op de NWO-website.. Die tegemoetkomingsregeling regelt onder welke voorwaarden en omstandigheden aanvragers met het oog op hun kindverlof in aanmerking kunnen komen voor een afwijkende behandeling van hun aanvraag. In onderhavige beleidsregel, de ‘NWO Tegemoetkomingsregeling bij overmacht’, is vastgelegd hoe NWO omgaat met gevallen waarin een aanvrager of projectleider als gevolg van overmacht niet in staat is om de door NWO gevraagde input vóór de daarvoor gestelde termijn of binnen de daarvoor gestelde termijn te leveren. 1. Definities In deze beleidsreg"},{"i":11863,"b":"Beleidsregels WSW 2008 Gelet op [artikel 21a Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=21a), en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017240&artikel=3) en [4 van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017240&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Aanvraag In geval van een herindicatie bedoeld in artikel 11 lid 3 van de Wet Sociale Werkvoorziening, bevat de aanvraag het re-integratieverslag bedoeld in [artikel 6 van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013540&artikel=6), met uitzondering van het gestelde onder h daarvan. Artikel 2. Onderzoek 1. UWV maakt bij het onderzoek als bedoeld in [artikel 3 van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017240&artikel=3) gebruik van: - a. de reeds bij UWV geregistreerde gegevens; - b. de door de aanvrager verstrekte gegevens; - c. de door of namens UWV bij derden, waaronder de behandelend artsen en/of psychologen, opgevraagde gegevens; - d. in geval van een herindicatie, de van het college van burgemeester en wethouders ontvangen informatie als bedoeld in [artikel 6 van het besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017240&artikel=6); - e. in geval van een herindicatie als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Wet Sociale Werkvoorziening, het reïntegratieverslag bedoeld in [artikel 6 van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013540&artikel=6). 2. Indien uit de beschikbare gegevens als bedoeld in het vorige artikellid, onduidelijk is of de aanvrager behoort tot de doelgroep, vraagt UWV – al dan niet in multidisciplinair verband – medisch, psychologisch en/of arbeids(des)kundig advies. 3. In de in het vorige lid bedoelde deskundigheid wordt voorz"},{"i":12544,"b":"Besluit radio-elektrische inrichtingen BES Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469); - b. **toezichthoudende ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 31a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=31a); - c. **zendinrichting:** radio-elektrische zendinrichting, bestaande uit één apparaat dan wel uit een samenstel van apparaten; - d. **ontvanginrichting:** radio-elektrische ontvanginrichting, bestaande uit één apparaat dan wel uit een samenstel van apparaten, niet uitsluitend bestemd voor de ontvangst van omroepprogramma’s; - e. **vrijstelling van een machtiging:** vrijstelling van het vereiste van een machtiging, bedoeld in [artikel 15, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=15); - f. **machtiginghouder:** degene aan wie machtiging is verleend ten aanzien van een zendinrichting of een ontvanginrichting; - g. **houder:** - 1°. met betrekking tot zendinrichtingen of ontvanginrichtingen waarvoor een machtiging is verleend: de machtiginghouder, en - 2°. met betrekking tot zendinrichtingen of ontvanginrichtingen waarvoor het vereiste van een machtiging niet geldt dan wel ten aanzien waarvan vrijstelling van een machtiging is verleend: degene die deze inrichtingen aanlegt, aanwezig heeft of gebruikt; - h. **ondernemer:** degene die het vervaardigen, verhandelen, installeren of herstellen van zendinrichtingen of ontvang-inrichtingen als beroep of bedrijf uitoefent; - i. **een ontheffing:** een ontheffing als bedoeld in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=12); - j. **technische eisen ten aanzien van zendinrichtingen** - 1°. de technische eisen, bedoeld in [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028621&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=18&z=2022-05-13&g=2022"},{"i":14190,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 21 oktober 2025, nr. IENW/BSK-2025/119810, houdende vaststelling van regels voor het verlenen van diensten voor het ontwerpen van vliegprocedures (Regeling diensten voor vliegprocedureontwerp) [KetenID WGK027445] Gelet op [artikel 1.5 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.5) en [artikel 6, onderdeel d, van het Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=6); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **uitvoeringsverordening (EU) 2017/373:** [uitvoeringsverordening (EU) 2017/373](32017R0373) van de Commissie van 1 maart 2017 tot vaststelling van de gemeenschappelijke eisen voor verleners van luchtverkeersbeheers-/luchtvaartnavigatiediensten en andere netwerkfuncties voor luchtverkeersbeheer en het toezicht daarop, en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 482/2008](32008R0482), [Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 1034/2011](32011R1034), [(EU) nr. 1035/2011](32011R1035) en [(EU) 2016/1377](32016R1377) en tot wijziging van [Verordening (EU) nr. 677/2011](32011R0677) (PbEU 2017, L 62). Artikel 2. Regelmatige beoordeling van vliegprocedures 1. LVNL is aangewezen voor de taak tot het regelmatig beoordelen van de vliegprocedures als bedoeld in artikel 3, negende lid, van [uitvoeringsverordening (EU) 2017/373](32017R0373) voor luchthaven gerelateerde vliegprocedures voor de luchthavens genoemd in [artikel 5, eerste lid, onderdelen a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009899&artikel=5), en voor de en-route gerelateerde vliegprocedures, zijnde luchtverkeersroutes als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Regeling luchtverkeersdienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009899&artikel=3). 2. LVNL informeert de luchthaven over de beoordeling van de luchthaven gerelateerde vliegprocedures bedoeld in het eerste lid. 3. Indien de in het eerste lid bedoelde beoordeli"},{"i":14192,"b":"Regeling dienstrooster Gelet op [artikel 2.4:3, tweede lid, van het Arbeídstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=2.4:3); Besluiten: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 De werkgever zorgt ervoor dat in elke stalling waarbij de werknemers, voorzover betrokken bij het vervoer, bedoeld in [artikel 2.4:3, eerste lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=2.4:3) zijn ingedeeld een afschrift van het dienstrooster dan wel van de vervanging of de wijziging daarvan, vanaf de dag vóór de inwerkingtreding en gedurende de gehele periode van geldigheid, is opgehangen op een zodanige wijze dat daarvan door hen gemakkelijk kennis kan worden genomen. Artikel 3 Indien enige taak van een werknemer als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010019&artikel=2&z=2007-06-10&g=2007-06-10) niet uit het dienstrooster blijkt, zorgt de werkgever ervoor dat tijdig voor de aanvang van die taak naast het dienstrooster een gewaarmerkte mededeling wordt opgehangen waarin de taak en de naam van de betrokken werknemer vermeld staan. Artikel 4 1. De werkgever leeft de voorschriften na, gegeven in artikel 16, tweede en derde lid, van verordening (EG) nr. 561/2006 met dien verstande dat het dienstrooster naast de gegevens, bedoeld in artikel 16, derde lid, onder a, van die verordening, ook de gegevens van de lopende dag bevat. 2. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemer het voorschrift naleeft, gegeven in artikel 16, tweede lid, tweede volzin, van verordening (EG) nr. 561/2006. 3. In geval van afwijkingen van de verschillende rijperioden, andere werkzaamheden, onderbrekingen en beschikbaarheid, zorgt de werkgever ervoor dat de bestuurder deze op het dienstrooster aantekent aan het begin en aan het einde van iedere lijn, iedere pauze en bij wisseling van de bestuurder. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling dienstrooster. Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang"},{"i":13918,"b":"Besluit van het bestuur van de huurcommissie, van 8 maart 2019, nr. MA/2019-062/UP, houdende de organisatie-inrichting van administratieve ondersteuning van de Huurcommissie aan te duiden als Dienst van de Huurcommissie (Organisatiebesluit dienst van de huurcommissie 2019) Gelet op de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315), Gelet op [artikel 2 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging bestuur huurcommissie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033211&artikel=2), Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315); - b. **huurcommissie:** de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - c. **bestuur:** het bestuur van de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - d. **voorzitter:** de voorzitter van de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - e. **plaatsvervangend voorzitter:** de plaatsvervangend voorzitter van de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - f. **administratieve ondersteuning:** de administratieve ondersteuning van de huurcommissie, bedoeld in de [artikelen 3c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3c) en [3h, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3h) en aangeduid als dienst van de huurcommissie, overeenkomstig [artikel 1 van het Instellingsbesluit Dienst van de Huurcommissie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026930&artikel=1); - g. **eenheid:** een organisatieonderdeel van de dienst van de huurcommissie, - h. **directeur:** de uitvoerend directeur van de d"},{"i":12548,"b":"Besluit rechtspositie Kustwacht BES § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen, wordt verstaan onder: - a. **belanghebbende:** degene die kenbaar heeft gemaakt in aanmerking te willen komen voor een aanstelling bij de Kustwacht; - b. **functietoewijzing:** de aanwijzing van de geüniformeerde ambtenaar voor het vervullen van een functie; - c. **inkomen:** de bezoldiging van de geüniformeerde ambtenaar, verhoogd met de eventuele schaalgarantieuitkering bedoeld in [artikel 13 van de Wet rechtspositie Kustwacht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028160&artikel=13), de eventuele kindertoelage, bonus en andere aan de betrekking van de geüniformeerde ambtenaar verbonden toelagen, welke op grond van een organieke regeling der bezoldigingen of ingevolge artikel 26 van de WMABES en [artikel 9 van het Bezoldigingsbesluit 1998 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028491&artikel=9) worden genoten, continudiensttoelage, vaartoelage en vergoeding van onkosten daaronder niet begrepen; - d. **uurloon:** de bezoldiging, vermenigvuldigd met twaalf en daarna gedeeld door tweeduizend; - e. **varen:** het buiten de thuishaven verrichten van werkzaamheden aan boord van een kustwachtschip; - f. **normvaardigheidsvereisten:** een stelsel van fysieke, politiële en nautische eisen. § 2. Aanstelling Artikel 2 1. Het geneeskundige onderzoek bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de WMABES alsmede het periodieke onderzoek, naar de geschiktheid voor het ambt van geüniformeerd ambtenaar, geschieden overeenkomstig het daaromtrent gestelde bij of krachtens de [Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876) en het [Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501). 2. Als geüniformeerd ambtenaar is slechts geschikt de persoon wiens fysieke en psychische toestand doet verwachten, dat hij zal voldoen aan de eisen die aan hem worden gesteld en bestand zal zijn tegen de daaraan verbonden vermoeienissen. Art"},{"i":11559,"b":"Besluit van 26 april 2017, houdende wijziging van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie in verband met aanscherping van de kwaliteitseisen aan beroepskrachten voorschoolse educatie Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 31 januari 2017, nr. WJZ/1139788 (B7197), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 1.50b, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.50b), en [2.8, aanhef en onder a, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 31 maart 2017, nr. W05.17.0023/I); Gezien het nader rapport van de Staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 april 2017, nr. WJZ/1173576 (B7197), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. Wijziging [Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027961) Wijzigt het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Artikel II. Invoerings- en overgangsrecht 1. Tot het tijdstip waarop [artikel I, onderdeel B, onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039549&artikel=I&z=2018-08-01&g=2018-08-01), in werking treedt, heeft de verwijzing naar kennis en vaardigheden in artikel I, onderdeel B, onder 3 en 5, betrekking op de kennis en vaardigheden, genoemd in [artikel 4, tweede lid, onder a tot en met e, van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027961&artikel=4) zoals dat met ingang van 1 augustus 2018 komt te luiden ingevolge dit besluit, en is in artikel I, onderdeel B, onder 3, de zinsnede «, onverminderd de eerste volzin» niet van toepassing. 2. De eisen aan het taalniveau, bedoeld in [artikel 4, lid 3a, van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":11560,"b":"Besluit van 20 september 2019 tot wijziging van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie in verband met de verhoging van het minimaal aantal uren aanbod voorschoolse educatie en de inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 3 juli 2019, nr. WJZ/9174320 (9277), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 1.50b, aanhef en onder d, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.50b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 augustus 2019, nr. W05.19.0178/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 17 september 2019, nr. WJZ/16484712 (9277), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. Wijziging [Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027961) Wijzigt het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Artikel II. Overgangsrecht Ten aanzien van het door een houder verzorgde aanbod van voorschoolse educatie aan kinderen die ten tijde van de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042633&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01), de leeftijd van tweeëneenhalf jaar al hebben bereikt, blijft [artikel 2 van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027961&artikel=2) gelden zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A. Artikel III. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2020, met uitzondering van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042633&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01), en artikel I, onderdeel C, subonderdeel 2, onderdeel h, die in werking treden met ingang van 1 januari 2022. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daar"},{"i":12556,"b":"Besluit van 24 juni 2008 tot vaststelling van regels ten aanzien van tegemoetkomingen en vergoedingen voor reis-, verblijf- en verhuiskosten van de politie (Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 mei 2008, nummer 2008-0000229974, directoraat-generaal Veiligheid, directie Politie, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid; Gelet op [artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50); De Raad van State gehoord (advies van 18 juni 2008, nr. W04.08.0203/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 juni 2008, nr. 2008-0000278080, directoraat-generaal Veiligheid, directie Politie, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1), met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, bedoeld in artikel 1, eerste lid van dat besluit, tenzij deze ambtenaar opsporingsbevoegdheid bezit of in opleiding is om deze opsporingsbevoegdheid te verkrijgen; - **ambtenaar in opleiding:** de ambtenaar in opleiding, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **aspirant:** de aspirant, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **bevoegd gezag:** het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **Onz"},{"i":13442,"b":"Instellingsbesluit ambtelijke commissie voor marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 Er is een ambtelijke commissie voor marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit. Artikel 3 1. De ambtelijke commissie heeft, met het oog op de verbetering van de wetgevingskwaliteit, waarin begrepen de rechtshandhaving, de verbetering van de marktwerking en de vermindering van uit wet- en regelgeving voortvloeiende onevenredig zware lasten voor burgers, bedrijven en instellingen, tot taak: - a. het onderzoek van de door de ministeriële commissie akkoord bevonden onderwerpen te organiseren en te begeleiden; - b. adviezen over deze onderwerpen uit te brengen aan de ministeriële commissie. 2. Hiernaast kan de ambtelijke commissie met eigen voorstellen komen ter verbetering van de wetgevingskwaliteit, ter verbetering van de marktwerking en ter vermindering van uit wet- en regelgeving voortvloeiende onevenredig zware lasten. 3. De activiteiten kunnen betrekking hebben op zowel bestaande als voorgenomen wet- en regelgeving. Artikel 4 1. Leden van de ambtelijke commissie zijn: - a. mr. L. A. Geelhoed, Ministerie van Economische Zaken, tevens voorzitter; - b. mr. drs. R. K. Visser, Ministerie van Algemene Zaken; - c. mr. D. van Dijk, Ministerie van Justitie; - d. mr. J. H. van Kreveld, Ministerie van Justitie; - e. drs. H. Brouwer, Ministerie van Financiën; - f. mr. W. de Boer, Ministerie van Economische Zaken. 2. Indien in de ambtelijke commissie een onderwerp aan de orde komt waarvoor geen van de in het eerste lid genoemde ministeries als eerste verantwoordelijke draagt, kan de minister die daarvoor wèl eerstverantwoordelijk is een vertegenwoordiger aanwijzen die voor de behandeling van dit onderwerp participeert in de ambtelijke commissie. Artikel 5 De Ministers van Justitie en van Economische Zaken wijzen beiden een secretaris van de ambte"},{"i":12508,"b":"Besluit op basis van artikel 8, tweede lid, van de Wet minimumlonen BES Artikel 1 De werknemer die de leeftijd van 16 jaar doch niet die van 21 jaar heeft bereikt, heeft de aanspraak bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=8). Artikel 2 Het minimumloon waarop [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028325&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) aanspraak geeft, bedraagt voor de hierna te onderscheiden leeftijdsklassen het daarbij aan te geven percentage van het minimumloon, dat ingevolge [artikel 9, eerste lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=9) voor de desbetreffende werknemer zou hebben gegolden indien hij de leeftijd van 21 jaar al zou hebben bereikt: de 16 en 17-jarigen: 65 de 18-jarigen: 75 de 19-jarigen: 85 de 20-jarigen: 90 Artikel 2a Dit besluit berust op [artikel 8, tweede lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=8). Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit op basis van [artikel 8, tweede lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=8)."},{"i":13410,"b":"Instelling Tijdelijke Expertise Commissie Emancipatie in het Nieuwe Adviesstelsel Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken; Overwegende dat de implementatie van emancipatoire aspecten als integraal onderdeel in het nieuwe adviesstelsel en de evenredige participatie van vrouwen in adviesraden tijdelijk begeleiding en ondersteuning behoeft; Gezien de antwoorden op de kamervragen Te Veldhuis en De Vries dd. 17 april 1997 betreffende het aantal deskundige vrouwen in adviesraden en gezien de toezegging in de brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 21 april 1997, kenmerk DCE/97/310; Besluit: Artikel 1 Er wordt een Tijdelijke Expertise Commissie Emancipatie in het Nieuwe Adviesstelsel, hierna te noemen TECENA, ingesteld voor de duur van maximaal 3 jaar. Artikel 2 1. De TECENA bestaat uit 4 leden waaronder begrepen de voorzitter. 2. De benoeming van de leden vindt plaats door de Minister. 3. Per 1 januari 1998 worden onder door de Minister te stellen voorwaarden voor de duur van maximaal 3 jaar benoemd de leden mw. dr. A. van Doorne-Huiskes te Bunnik, mw. dr. Ph. Essed te Amsterdam, mw. mr. C.H.S. Evenhuis te ’s-Gravenhage en dhr. dr. J.J. Schippers te Utrecht. Artikel 3 1. De TECENA zal helpen bevorderen dat de adviesraden in het nieuwe adviesstelsel zelf op adequate wijze de emancipatie-aspecten van voorgenomen beleid in hun advisering gaan betrekken. Deze taak omvat: - a. het stimuleren dat emancipatie-aspecten reeds in adviesaanvragen worden betrokken; - b. het adviseren van de raden hoe zij de emancipatiedeskundigheid van hun leden en hun medewerkers kunnen vergroten; - c. het stimuleren dat bij benoemingen in adviesorganen gericht gezocht wordt naar geschikte vrouwelijke kandidaten. 2. Personele ondersteuning wordt door het Ministerie van Sociale Zaken ter beschikking gesteld ten behoeve van de ondersteuning van de Commissie. 3. De TECENA stelt onmiddellijk na inwerkingtreding van dit besluit een Reglement van orde op en le"},{"i":12404,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 maart 2017, kenmerk 1056168-158851-OBP, houdende instelling Personeelsraadgever VWS Met instemming van de Departementale Ondernemingsraad; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - 1. **Medewerker:** degene die als ambtenaar werkzaam is bij een van de dienstonderdelen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - 2. **Personeelsraadgever VWS (p-raadgever)1Daar waar personeelsraadgever staat kan ook raadsman of raadsvrouw worden gelezen.:** de persoon bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039384&artikel=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01). Artikel 2 1. Er is een personeelsraadgever VWS. 2. De personeelsraadgever is belast met de behandeling van vragen van medewerkers betreffende hun rechtspositie, waarop het Rijksportaal en/of P-direkt geen eenduidig antwoord geven. 3. De personeelsraadgever is belast met de behandeling van bemiddelingsverzoeken van medewerkers bij (potentiële) arbeidsconflicten. De personeelsraadgever biedt de medewerker de mogelijkheid in gesprek te gaan over (potentiële) arbeidsconflicten. De personeelsraadgever luistert naar het verhaal van een medewerker, kan doorverwijzen naar een andere dienstverlener en kan op verzoek adviseren of bemiddelen in het zoeken naar een oplossing. Artikel 3 1. De personeelsraadgever wordt door de Secretaris-Generaal aangewezen. 2. Voor de aanwijzing van de personeelsraadgever wordt de Departementale Ondernemingsraad gehoord. 3. Het functie wervingsprofiel wordt in afstemming tussen de directie OBP en de Departementale Ondernemingsraad vastgesteld. 4. De aanwijzing geschiedt voor een periode van maximaal vier jaar. De personeelsraadgever kan daarna nog eenmaal worden aangewezen voor een periode van maximaal vier jaar. Artikel 4 1. De personeelsraadgever oefent zijn functie zonder last of ruggespraak uit. Bemiddelingsverzoeken worden vertrouwelijk behandeld en alleen met toestemming van de"},{"i":12522,"b":"Besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot het opheffen van de beperkingen, gesteld aan de openbaarheid van het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit (1930) 1945–1951 (1983) en van haar taakvoorgangers en taakopvolgers, Toegangnummer 2.08.42 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de minister van Financiën van 10 december 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032510) met het kenmerk BEDR/2012/604, Gehoord hebbende de minister van Financiën, Besluit: De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de beheersdossiers geborgen onder de inventarisnummers 133 t/m 185 en 1037 t/m 1054 worden opgeheven, zodra ten genoegen van de algemene rijksarchivaris is aangetoond dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft is overleden. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":13165,"b":"Controlereglement K.C.B Gelet op [artikel 10, derde lid, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=10) (Stb. 1971, 371) maakt de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de tekst bekend van het Controleregelement en het gewijzigde Tuchtreglement van de Vereniging 'Kwaliteits-Controlebureau voor Groenten en Fruit': aan deze reglementen is bij beschikking van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 28 december 1992, No. J. 9220672, goedkeuring verleend. Artikel 1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **aangeslotene**: een aangeslotene bij het KCB - b. **afkeuringsverklaring**: het document als bedoeld in artikel 3, lid 12, van de EG-verordening - c. **AID**: Algemene Inspectiedienst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij - d. **beschikking**: de Landbouwkwaliteitsbeschikking keuring groenten en fruit (dd 9 september 1977, Stcrt. 182) - e. **besluit**: het [Landbouwkwaliteitsbesluit groenten en fruit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003120) (dd 5 augustus 1977, Stb 490) - f. **controlecertificaat**: het certificaat als bedoeld in artikel 3, lid 9, van de EG-verordening - g. **elementair monster**: de uit een partij genomen colli of, bij onverpakte produkten, de op een bepaald punt in een partij genomen hoeveelheid - h. **EG-verordening**: [Verordening (EEG) nr 2251/92](31992R2251) van de Commissie van 29 juli 1992 inzake de kwaliteitscontrole van verse groenten en fruit - i. **gereduceerd monster**: de van een globaal monster genomen representatieve hoeveelheid produkt die groot genoeg is om een partij aan een aantal criteria te kunnen toetsen - j. **globaal monster**: verscheidene, voor de partij representatieve elementaire monsters die groot genoeg zijn om de partij aan alle criteria te kunnen toetsen - k. **groenten en fruit**: een of meer van de verse eetbare tuinbouwprodukten waarop het besluit van toepassing is - l. **industriecertificaa"},{"i":11608,"b":"Wet van 4 juli 1996 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Tijdelijke wet bekostiging nieuwe basisscholen inzake vereenvoudiging van het bekostigingsstelsel voor het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs (vereenvoudiging Londo) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de regelgeving inzake de bekostiging van het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs te vereenvoudigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE WET OP HET BASISONDERWIJS Wijzigt de Wet op het basisonderwijs. ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE INTERIMWET OP HET SPECIAAL ONDERWIJS EN HET VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS Wijzigt de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs. ARTIKEL III. OVERGANGSBEPALING VERGOEDINGEN Vervallen ARTIKEL IV. OVERGANGSBEPALING BIJZONDERE OMSTANDIGHEDEN Vervallen ARTIKEL V. GEWENNINGSREGELING Vervallen ARTIKEL VA. VERLENGDE GEWENNINGSREGELING Vervallen ARTIKEL VB. OVERGANGSREGELING VERGOEDING VOOR MATERIËLE INSTANDHOUDING BIJ INSTELLINGEN IN DE JAREN 1997, 1998 EN 1999 Vervallen ARTIKEL VI. WIJZIGING TIJDELIJKE WET BEKOSTIGING NIEUWE BASISSCHOLEN Wijzigt de Tijdelijke wet bekostiging nieuwe basisscholen. ARTIKEL VII. VASTSTELLING PROGRAMMA'S VAN EISEN TEN BEHOEVE VAN HET JAAR WAARIN DEZE WET IN WERKING TREEDT Vervallen ARTIKEL VIII. WIJZIGING IN VERBAND MET HET VOORSTEL VAN WET TOT WIJZIGING VAN DE WET OP HET BASISONDERWIJS INZAKE DE OVERBOEKING VAN NIET BESTEDE VERGOEDINGEN EN WIJZIGING VAN DE INTERIMWET OP HET SPECIAAL ONDERWIJS EN HET VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS INZAKE DE OVERBOEKING VAN NIET BESTEDE VERGOEDINGEN EN HET VERVALLEN VAN DE VERPLICHTE PAUZE Wijzigt de Wet op h"},{"i":11610,"b":"Wet van 2 juli 1997 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs inzake afwijking van de bevoegdheidseisen ten behoeve van leraren-in-opleiding Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om studenten van de lerarenopleiding in staat te stellen als werknemer ervaring op te doen in het uitoefenen van het beroep van leraar en daartoe de [Wet op het basisonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) en de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) te wijzigen: Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel III Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.Caret Artikel IV Vervallen Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij is geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":14369,"b":"Regeling Integraal macrobeheersmodel Gelet op: – [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35); – [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36); – [artikel 37, eerste lid, aanhef en onder d, vierde lid, en zevende tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37); – [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), juncto [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68); – [artikel 76, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (hierna: Wmg), en op: – de [aanwijzing integrale tarifering medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035137) d.d. 21 mei 2014, kenmerk 371987-120847-MC, van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS); – de NZa-beleidsregels ‘Integraal macrobeheersmodel’, ‘ [Prestaties en tarieven medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030241)’ en ‘Eerstelijnsdiagnostiek’, heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vastgesteld. Artikel 1. Reikwijdte 1. Deze regeling is van toepassing op de volgende zorgverleners: - –. instellingen voor medisch specialistische zorg1In het kader van deze beleidsregel worden hieronder verstaan: (algemene en categorale) ziekenhuizen, universitaire medische centra, zelfstandige behandelcentra, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra, longrevalidatie-instellingen (sanatoria), dialysecentra en (huisartsen)laboratoria voor zover deze werkzaamheden verrichten ten behoeve van de in dit artikel genoemde instellingen. - –. audiologische centra; - –. trombosediensten; - –. instellingen voor erfelijkheidsadvisering; - –. solisten (waartoe ook kaakchirurgen kunnen behoren), indien en voor zover zij de navolgende vormen van zorg leveren en voor zover op de levering van die zorg aan"},{"i":11647,"b":"Wet van 19 augustus 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met de vereenvoudiging van de vorming van samenwerkingsscholen (Wet samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wegens leerlingendaling noodzakelijk is om de vorming van samenwerkingsscholen te vereenvoudigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II. Wijziging van de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel III. Wijziging van de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel IV. Wijziging van de [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280) Wijzigt de Wet primair onderwijs BES. Artikel V. Wijziging van de [Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284) Wijzigt de Wet voortgezet onderwijs BES. Artikel VI. Samenloop [Wet normalisering rechtspositie ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039393) Wijzigt deze wet. Artikel VIa. Samenloop initiatiefwetsvoorstel Ypma, Voordewind en Rog Wijzigt deze wet en de Wijzigingswet Wet op de expertisecentra en Wet op het primair onderwijs (bekostiging levensbeschouwelijk onderwijs en godsdienstonderwijs op openbare scholen) (Stb. 2017/289). Artikel VII. De [Wet van 11 oktober 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032176) (Stb. 2012, 533) Wijzigt de Wijzigingswet enkele onderwijswetten (herziening organisatie en financiering van ondersteuning leerlingen in het basisonderwijs"},{"i":11654,"b":"Wet van 27 september 2001 tot aanpassing van wetten in verband met de vervanging van de gulden door de euro (Aanpassingswet euro) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving aan te passen in verband met de vervanging van de gulden door de euro; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1 Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië, de Garantiewet Militairen K.N.I.L., de Garantiewet Surinaamse pensioenen, de Gemeentewet, de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet, de Kieswet, de Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960, de Uitkeringswet KNIL-beroepsmilitairen, de Wet van 25 mei 1962, houdende instelling van een Bijstandkorps van burgerlijke rijksambtenaren, dat bestemd is voor dienst in Nederlands Nieuw-Guinea, de Wet bezoldiging Nationale ombudsman, de Wet bezoldiging Raad van State en Algemene Rekenkamer, de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, de Wet op de Raad van State, de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen, de Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders, de Wet Rietkerkuitkering, de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement, de Wet subsidiëring politieke partijen en de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer. Artikel 2 1. Wijzigt de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956. 2. De op 31 december 2001 met toepassing van de [Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002251) bestaande in guldens luidende aanspraken op grond van de [Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":11671,"b":"Addendum Protocol Accountantsonderzoek 2016 1. Addendum Protocol Accountantsonderzoek 1.1. Algemeen Dit document is een addendum op het op 20 september 2016 door de raad van bestuur van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het op 19 januari 2017 door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), vastgestelde [Protocol Accountantsonderzoek 2016 CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038721). Dit protocol is gepubliceerd in de Staatscourant en te raadplegen op de website van de NZa (www.nza.nl). 1.2. Waarderingsgrondslagen De hierna opgenomen waarderingsgrondslagen voor de jaarrekening 2016 en de bestuurlijke verantwoording 2016 vervangen de betreffende waarderingsgrondslagen voor de jaarrekening 2016 en de bestuurlijke verantwoording 2016 in het [Protocol Accountantsonderzoek 2016 CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038721). 1.2.1. Jaarrekening De jaarrekening 2016 wordt zoveel mogelijk ingericht conform [Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&titeldeel=9) en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, die uitgegeven zijn door de Raad voor de Jaarverslaggeving. Indien het CAK ervoor kiest om af te wijken van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (met andere woorden kiest voor eigen grondslagen) wordt dit door het CAK expliciet toegelicht in zijn jaarrekening. 1.2.2. Bestuurlijke verantwoording Het in de bestuurlijke verantwoording 2016 opgenomen overzicht van activa en passiva van de geldstromen van de door het CAK uitgevoerde wettelijke taken, de matrix bestuurlijke verantwoording VWS en de matrix bestuurlijke verantwoording NZa worden opgesteld op kasbasis. Indien het CAK ervoor kiest om hiervan af te wijken wordt dit door het CAK expliciet toegelicht in de bestuurlijke verantwoording. 1.3. Controleverklaringen Door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) is een nieuw stelsel van controleverklaringen"},{"i":11377,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 18 april 2017, nummer CvTE-17.00736, houdende vaststelling van de syllabus centraal examen Engels referentieniveau B1 bij centrale examinering in het mbo (Regeling syllabus centraal examen mbo Engels referentieniveau B1) Gelet op [artikel 3 van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3), en [artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 17 mei 2017, kenmerk 1182435; Besluit: Artikel 1. Syllabus De syllabus centraal examen mbo Engels referentieniveau B1 wordt vastgesteld zoals opgenomen in de bijlage. Artikel 2. Bekendmaking en inwerkingtreding 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039619&artikel=1&z=2017-06-13&g=2017-06-13) genoemde syllabus wordt gepubliceerd op www.examenbladmbo.nl. 3. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling syllabus centraal examen mbo Engels referentieniveau B1. Bijlage Gepubliceerd op www.examenbladmbo.nl."},{"i":11673,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 september 2022, nr. 33115912, houdende instelling van een commissie ter advisering over verzoeken tot teruggave van cultuurgoederen uit koloniale context (Instellingsbesluit Adviescommissie teruggave cultuurgoederen uit koloniale context) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **Adviescommissie:** Adviescommissie teruggave cultuurgoederen uit koloniale context, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047127&artikel=2&z=2022-09-10&g=2022-09-10); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **ministerie:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **verzoek om teruggave:** verzoek door een staat om teruggave van een cultuurgoed dat in de context van koloniaal gezag uit deze staat is weggenomen. Artikel 2. Instelling en taak Adviescommissie 1. Er is een Adviescommissie teruggave cultuurgoederen uit koloniale context, die tot taak heeft: - a. de minister op diens verzoek te adviseren over door hem te nemen beslissingen op verzoeken tot teruggave, voor zover het cultuurgoederen betreft die in het bezit zijn van de Staat der Nederlanden; - b. op verzoek van de minister advies uit te brengen over verzoeken tot teruggave, voor zover het cultuurgoederen betreft die in het bezit zijn van een ander dan de Staat der Nederlanden. 2. De minister gaat uitsluitend over tot het doen van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, indien de eigenaar daarmee heeft ingestemd. Artikel 3. Samenstelling Adviescommissie 1. De minister benoemt de leden van de Adviescommissie, waaronder een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter, op basis van deskundigheid. 2. De leden zijn niet werkzaam bij het ministerie en zijn ook overigens niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de minister. 3. De minister benoemt de leden voor ten hoogste vier jaar. Zij kunnen eenmaal voor een periode van ten hoogste vier jaar worde"},{"i":11675,"b":"Advocatenwet BES § 1. De inschrijving en de beëdiging van de advocaten Artikel 1 1. Bevoegd om aan het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba schriftelijk inschrijving als advocaat te verzoeken is degene: - a. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht door een universiteit als bedoeld in [artikel 24, eerste lid, Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=24), de graad van Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad van Master op het gebied van het recht is verleend; - b. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit als bedoeld in artikel [artikel 24, eerste lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=24), het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts nadere regels worden gesteld aan de beroepsvereisten. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden verleend door een universiteit of een hogeschool of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het eerste lid, onder a, gelijk worden gesteld aan de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht. 3. Bij het verzoek worden overgelegd de nodige stukken ten bewijze dat de verzoeker aan de in het eerste of tweede lid gestelde vereisten voldoet. Artikel 2 1. Alvorens op een verzoek als in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028204&paragraaf=1&artikel=1&z=2015-07-01&g=2015-07-01) bedoeld te beslissen, wint het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, gehoord de procureur-generaal, advies in van de raad van"},{"i":11688,"b":"Algemene contributieverordening Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5), en [19, tweede lid, onder g, van de Wet op het accountsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - –. **accountant in business:** accountant in business als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - –. **accountantsregister:** accountantsregister als bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=36); - –. **arbeidsinkomen:** som van het arbeidsinkomen, bedoeld in [artikel 8.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.1) en het aandeel in het resultaat voor belastingen van een rechtspersoon waarin het lid een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in [artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.6), genoten in het kalenderjaar waarvoor de contributie geldt; - –. **intern accountant:** intern accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - –. **openbaar accountant:** de openbaar accountant, bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - –. **overheidsaccountant:** overheidsaccountant als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1). Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen Artikel 2 Ten behoeve van de heffing van contributie wordt ieder lid in een van de volgende vier contributiegroepen ingedeeld: - H. openbaar accountant; - M. intern accountant en overheidsaccountant; - L. accountant in business; - Z. l"},{"i":13972,"b":"Podiumregeling Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definitie In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - **podium:** een organisatie die de hoofdgebruiker is van een gebouw met een of meer theater- en/of concertzalen, waarin zij op regelmatige basis professionele podiumkunstenaars en publiek samenbrengt bij voorstellingen en/of concerten. - **programmeringskosten:** de kosten in de vorm van uitkoopsommen, honoraria en gages voor de professionele podiumkunstprogrammering. Artikel 1.2. Doel Het bestuur verstrekt subsidies aan podia die bijdragen aan een kwalitatief hoogwaardig en pluriform aanbod van professionele podiumkunsten in Nederland en het opbouwen en bereiken van een publiek daarvoor in hun omgeving. Artikel 1.3. Subsidieperiode Subsidie wordt verstrekt voor een periode van vier jaren. Artikel 1.4. Subsidieplafonds 1. Het bestuur kan een of meer subsidieplafonds vaststellen. 2. Het bestuur kan eerder vastgestelde subsidieplafonds verhogen of verlagen. 3. Besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid worden bekendgemaakt via de website van het Fonds Podiumkunsten. Artikel 1.5. Weigeringsgronden 1. Het bestuur kan, onverminderd het bepaalde in [artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:35), subsidie weigeren: - a. als de aanvraag onvoldoende concreet is met betrekking tot de uit"},{"i":11694,"b":"Wet van 6 december 2007, houdende algemene bepalingen met betrekking tot de erkenning van EG-beroepskwalificaties (Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Tijdelijke en incidentele dienstverrichting Hoofdstuk 4. Overige bepalingen Hoofdstuk 5. Wijziging andere wetten Justitie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Artikel 42 Wijzigt de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen. Artikel 42a Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel 43 Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel 44 Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel 45 Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel 46 Wijzigt de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank. Artikel 47 Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Verkeer en Waterstaat Volksgezondheid, Welzijn en Sport Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het noodzakelijk is bij de wet regels te stellen ter uitvoering van [richtlijn nr. 2005/36/EG](32005L0036) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255); dat deze regels voor onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie, andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland de toegang tot en uitoefening van een gereglementeerd beroep in Nederland moeten waarborgen die afhankelijk zijn gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties, indien de in een andere betrokken staat of andere betrokken staten verworven beroepskwalificaties aan hen het recht verlenen aldaar hetzelfde beroep uit te oefenen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en"},{"i":13921,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 maart 2025, kenmerk 4055328-1078653-OBP, houdende de vaststelling van het Organisatiebesluit VWS 2025 Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **ministerie:** Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **ressorteren:** vallend onder het gezagsbereik van de genoemde functionaris; - d. **pSG:** plaatsvervangend Secretaris-Generaal; - e. **SG:** Secretaris-Generaal; - f. **budgethouder:** functionaris die verantwoordelijk is voor een rechtmatig en doelmatig financieel beheer van de aan hem toegewezen budgetten; - g. **budget:** aan een budgethouder toegewezen verplichtingen- en kasbedrag(en) alsmede de te realiseren ontvangsten ter uitvoering van de gehele of een deel van de VWS-begroting. Hoofdstuk 2. Hoofdstructuur van de organisatie Artikel 2 Het Ministerie bestaat uit de volgende organisatieonderdelen: - a. de Algemene Leiding; - b. het Directoraat-Generaal Volksgezondheid (DGV); - c. het Directoraat-Generaal Curatieve Zorg (DGCZ); - d. het Directoraat-Generaal Langdurige zorg (DGLZ); - e. de (staf)directies; - f. de diensten en instellingen; - g. de secretariaten van raden en commissies. Hoofdstuk 3. Algemene leiding Artikel 3 1. De Algemene Leiding ressorteert onder de Minister. 2. De Algemene Leiding bestaat uit: - a. de Secretaris-Generaal (SG); Onder de SG ressorteren de volgende onderdelen: - 1. de directie Macro-Economische Vraagstukken en Arbeidsmarkt (MEVA); - 2. de directie Financieel-Economische Zaken (FEZ); - b. de plaatsvervangend Secretaris-Generaal (pSG); De pSG is belast met de interne organisatie en het beheer van het Ministerie en vervangt de SG bij diens afwezigheid. Onder"},{"i":14117,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2003, IGZ/2003-12428, houdende beperking van de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en taakvoorgangers over de periode 1950-1994 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en taakvoorgangers, over de periode 1950-1994, de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld. 2. Raadpleging van de archiefbescheiden met de inventarisnummers 434, 489, 712, 820, 857, 889, 973, 1098 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Nationaal Archief gehanteerde ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. 3. De beperking van de openbaarheid van de inventarisnummers, bedoeld in het tweede lid, geldt tot 75 jaar na afsluiting van de betreffende dossiers. Artikel 2 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van de archiefbescheiden uit de dossiers, waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn, zonder toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Bijlage Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12419,"b":"Besluit tot intrekking van de Beleidsregels aangaande marktmisbruik Besluit: Artikel 1 De navolgende beleidsregels worden ingetrokken: - –. [Beleidsregel Meldingsformulier transacties in financiële instrumenten in de eigen uitgevende instelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021627); - –. [Beleidsregel Positie van onderzoek, onderzoeksrapporten, publicaties en adviezen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020749); - –. [Beleidsregel Model verplichte reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020756). Artikel 2 Dit is een besluit in de zin van [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). Artikel 3 De bekendmaking van dit besluit geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 3 juli 2016. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als **Besluit intrekking Beleidsregels aangaande marktmisbruik.**"},{"i":11715,"b":"Beëindiging NWO Stimuleringsfondsen Open Access Publicaties en Conferenties per 1 januari 2018 Per 1 januari 2018 beëindigt NWO de volgende subsidie-instrumenten: NWO komt alle eerder toegezegde financiële tegemoetkomingen uit beide fondsen na. Tot 1 januari 2018 is het voor onderzoekers nog mogelijk een aanvraag voor deze fondsen in te dienen. Zie de informatie over beide Stimuleringsfondsen op de website van NWO. https://www.nwo.nl/financiering/onze-financieringsinstrumenten/nwo/stimuleringsfonds-open-access/index.html Voor zowel publicaties als conferenties geldt dat alleen aanvragen die uiterlijk op 31 december 2017 zijn ontvangen in behandeling worden genomen. Voor publicaties geldt bovendien dat aanvragen binnen 6 maanden na definitieve publicatie moeten zijn ingediend. Ten aanzien van een conferentie geldt dat deze uiterlijk vóór 1 juli 2018 moet plaatsvinden. NWO heeft de Stimuleringsfondsen in 2010 ingesteld voor het bekostigen van open access-publicaties en voor activiteiten die open access onder de aandacht brengen tijdens wetenschappelijke conferenties. De Stimuleringsfondsen hebben sinds hun openstelling een duidelijke functie gehad om het open access publiceren te stimuleren. NWO is van mening dat de wetenschappelijke wereld nu voldoende bekend is met het belang van open access publiceren. Toegenomen mogelijkheden open access Inmiddels zijn er veel meer mogelijkheden voor auteurs om hun publicaties open access beschikbaar te maken zonder dat hiervoor publicatiekosten zijn verschuldigd. Dit is mede dankzij de open access-overeenkomsten van de Nederlandse universiteiten met de wetenschappelijke uitgevers. Verder zijn er steeds meer open access-tijdschriften en -platforms die geen publicatiekosten in rekening brengen. Als deze mogelijkheid niet bestaat, is het ook mogelijk om het artikel in een (universitaire) repository te deponeren zonder publicatiekosten voor de auteur (de zogenaamde groene route). Nwo groot voorstander van open access en open science"},{"i":12415,"b":"Besluit van 25 april 1995, houdende instemming met de landsverordening van de Nederlandse Antillen van 11 april 1995 tot wijziging van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen Op de voordracht van Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van 21 april 1995, nr. 951549; Gelet op artikel 44 van het Statuut voor het Koninkrijk; Artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig Met de landsverordening van de Nederlandse Antillen van 11 april 1995 tot wijziging van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen wordt ingestemd. Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** en in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen zal worden geplaatst."},{"i":14327,"b":"Regeling identiteitsbewijs geprivilegieerden Gelet op het op 18 april 1961 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, met twee protocollen (Trb. 1962, 159); Gelet op het op 24 april 1963 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen (Trb. 1981, 143); Gelet op de zetelovereenkomsten met in Nederland gevestigde internationale organisaties opgesomd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008859&bijlage=1&z=2022-10-20&g=2022-10-20); Gelet op overige in Nederland gevestigde internationale organisaties zonder zetelovereenkomst opgesomd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008859&bijlage=1&z=2022-10-20&g=2022-10-20); Besluit: Artikel 1 1. De Minister van Buitenlandse Zaken verstrekt identiteitsbewijzen aan geprivilegieerden, welke groep omvat de personeels- en gezinsleden van het Corps Diplomatique en het Corps Consulaire, de personeels- en gezinsleden van de in Nederland gevestigde Internationale Organisaties die ingevolge een zetelovereenkomst aanspraak maken op een dergelijke status, de personeels- en gezinsleden van de in Nederland gevestigde organisaties, genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008859&bijlage=1&z=2022-10-20&g=2022-10-20) bij deze regeling, en personen in de openbare dienst van een vreemde staat die aanspraak maken op een geprivilegieerde status op grond van een verdrag, genoemd in die bijlage, alsmede hun gezinsleden voor zover die eveneens aanspraak kunnen maken op een geprivilegieerde status op grond van datzelfde verdrag. 2. Vervallen. 3. Het vóór de inwerkingtreding van deze regeling uitgegeven identiteitsbewijs tezamen geldig met het geldig nationaal paspoort van de geprivilegieerden, wordt vervangen door een nieuw document: het identiteitsbewijs geprivilegieerden. 4. Het identiteitsbewijs geprivilegieerden kan tevens gebruikt worden als legitimatiebewijs in die gevallen dat geprivilegieerden zich dienen te legitimeren. Artikel 2"},{"i":11741,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 6 juli 2023, nr. 39326205, houdende vaststelling van het Advieskader nieuwe scholen 2023 Gelet op [artikel 75, elfde lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=75), [artikel 4.5, negende lid van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.5) en [artikel 75, tiende lid van de Wet op het primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=75); Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 23 juni 2023, nr. 38654546 Besluit: Artikel 1 De beleidsregel Advieskader nieuwe scholen 2023 (bijlage) wordt vastgesteld. Artikel 2 Het [Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 9 december 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044712), nr. 25930973, tot vaststelling van beleidsregel houdende Advieskader nieuwe scholen wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2023. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel advieskader nieuwe scholen 2023. Bijlage. Advieskader nieuwe scholen voor een kwaliteitstoets op aanvragen van nieuwe scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs Geldig per 1 augustus 2025 **Inhoud** 1. Inleiding Het advieskader nieuwe scholen (hierna: advieskader) van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) beschrijft de wijze waarop de inspectie over de te verwachten kwaliteit van onderwijs van nieuwe scholen adviseert aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister). De inleiding beschrijft allereerst het wettelijk kader dat ten grondslag ligt aan de adviestaak van de inspectie met betrekking tot nieuwe scholen en vervolgens de reikwijdte en werking van het advieskader. De inleiding sluit af met een leeswijzer. Deze versie van het advieskader treedt op 1 augustus 2024 in werking. 1.1. Wettelijk kader toezicht op n"},{"i":12588,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 11 oktober 2022, nr. WJZ/ 22489915, met betrekking tot de tarieven rechtstreekse betalingen GLB 2022 Gelet op de artikelen 25, achtste lid, 26, 30, achtste lid en 43, negende lid, van [Verordening (EU) nr. 1307/2013](32013R1307) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 637/2008](32008R0637) van de Raad en van [Verordening (EG) nr. 73/2009](32009R0073) van de Raad (PbEU 2013, L347); Gelet op [artikel 2.1, derde lid, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035925&artikel=2.1); Besluit: Enig artikel Vastgesteld worden de navolgende tarieven, waardes, percentages en betalingen voor aanvraagjaar 2022: - 1. Het vaste percentage van de waarde van de betalingsrechten, bedoeld in artikel 26, derde lid, tweede alinea, van [Verordening (EU) nr. 1307/2013](32013R1307), bedraagt 69,446%. - 2. De nationale gemiddelde waarde van de betalingsrechten, bedoeld in artikel 30, achtste lid, van [Verordening (EU) nr. 1307/2013](32013R1307), bedraagt € 240,621. - 3. De stap voor de jaarlijkse geleidelijke wijziging van de waarde van de betalingsrechten, bedoeld in artikel 25, achtste lid, tweede alinea, van [Verordening (EU) nr. 1307/2013](32013R1307), wordt voor 2022 vastgesteld op 83,265% ten opzichte van 2015. Het percentage van de totale waarde van de betalingsrechten, bedoeld in artikel 43, negende lid, derde alinea, van [Verordening (EU) nr. 1307/2013](32013R1307), bedraagt 43,134%. De lineaire verlaging, bedoeld in [artikel 2.1, derde lid, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035925&artikel=2.1), bedraagt 0% voor aanvragen gedaan in 2022. Dit besluit zal met de toelichting in de St"},{"i":11771,"b":"Beleidsregel Meerzorg pgb Zilveren Kruis Zorgkantoor gelet op [artikel 2.2 lid 1 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen in hoeverre er sprake is van een zorgprofiel overstijgende zorgbehoefte, en gelet op [artikel 5.1e Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.1e) en de daarin besloten bevoegdheid om af te wijken van de bedragen genoemd in [bijlage H Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&bijlage=H), besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Zorgkantoor Zilveren Kruis hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 tot en met 4 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel Meerzorg pgb Zilveren Kruis zorgkantoor. Artikel 4 De Beleidsregel Meerzorg pgb Zilveren Kruis Zorgkantoor vervangen het Beleidskader Meerzorg vanaf 2024. Artikel 5 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het kan gebeuren dat een Wlz-geïndiceerde meer zorg nodig heeft dan op grond van zijn indicatie mogelijk is. In bepaalde gevallen is het budget van het zorgprofiel onvoldoende om passende zorg thuis te bieden. Zorgkantoren kijken dan naar de aard van zorg zoals verwoord in de beschrijving van het zorgprofiel1Bijlage A. bij artikel 2.1 van de Regeling langdurige zorg of van daaruit sprake is van een bijzondere zorgbehoefte die niet passend is in die beschrijving. Het uitgangspunt van zorgkantoren is dat er recht is op een budget dat toereikend is om op passende wijze te voorzien in de zorgbehoefte. De zorgbehoefte is daarmee leidend. De zorgbehoefte van de verzekerde is de behoefte aan zorg die medisch en zorginhoudelijk noodzakelijk is. Tegelijkertijd draagt het zo"},{"i":3596,"b":"Besluit van 30 oktober 2009 tot uitvoering van de Implementatiewet EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie (Besluit Inspire) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 17 augustus 2009, nr. BJZ2009049464, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026158&artikel=2), [9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026158&artikel=9) en [10, eerste lid, van de Implementatiewet EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026158&artikel=10); De Raad van State gehoord (advies van 16 september 2009, no. W08.09.0327/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 oktober 2009, nr. BJZ2009056969; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **wet:** [Implementatiewet EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026158). Artikel 2 De thematische categorieën, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026158&artikel=2) zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026601&bijlage=I&z=2009-12-04&g=2009-12-04) bij dit besluit. Artikel 3 De in [artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026158&artikel=9) genoemde zoekdiensten omvatten in ieder geval de volgende zoekcriteria: - a. trefwoorden; - b. classificering van ruimtelijke gegevens en diensten; - c. kwaliteit en geldigheid van verzamelingen ruimtelijke gegevens; - d. mate van overeenstemming met de uitvoeringsbepalingen bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie; - e. geografische locatie; - f. voorwaarden voor de toegang tot en het gebruik van verzamelingen ruimte"},{"i":11836,"b":"Beleidsregels Meerzorg pgb VGZ zorgkantoor gelet op [artikel 2.2 lid 1 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen in hoeverre er sprake is van een zorgprofiel overstijgende zorgbehoefte, en gelet op [artikel 5.1e Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.1e) en de daarin besloten bevoegdheid om af te wijken van de bedragen genoemd in [bijlage H Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&bijlage=H), besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Zorgkantoor VGZ hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 tot en met 4 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Meerzorg pgb VGZ zorgkantoor Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregels in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het kan gebeuren dat een Wlz-geïndiceerde meer zorg nodig heeft dan op grond van zijn indicatie mogelijk is. In bepaalde gevallen is het budget van het zorgprofiel onvoldoende om passende zorg thuis te bieden. Zorgkantoren kijken dan naar de aard van zorg zoals verwoord in de beschrijving van het zorgprofiel1Bijlage A. bij artikel 2.1 van de Regeling langdurige zorg of van daaruit sprake is van een bijzondere zorgbehoefte die niet passend is in die beschrijving. Het uitgangspunt van zorgkantoren is dat er recht is op een budget dat toereikend is om op passende wijze te voorzien in de zorgbehoefte. De zorgbehoefte is daarmee leidend. De zorgbehoefte van de verzekerde is de behoefte aan zorg die medisch en zorginhoudelijk noodzakelijk is. Tegelijkertijd draagt het zorgkantoor de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met gemeenschapsgelden en onnodige uitgaven te voorkomen. In de beoordeling van Mee"},{"i":11883,"b":"Besluit aanpassing vergoedingen Raad van Beheer SAIP 2018 Gelet op artikel 4, vierde lid, van de statuten van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen; Gelezen het verzoek van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen en artikel 5 van het besluit d.d. 9 mei 2016; BESLUITEN: Artikel 1 1. De vergoeding van de voorzitter van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen vast te stellen op € 820,36 bruto per maand met ingang van 1 juli 2018; € 836,77 bruto per maand met ingang van 1 juli 2019, en € 853,50 bruto per maand met ingang van 1 januari 2020 2. Op 1 januari 2019 wordt eenmalig € 42,55 uitgekeerd. Artikel 2 1. De vergoeding van de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen vast te stellen op € 538,72 bruto per maand met ingang van 1 juli 2018; € 549,50 bruto per maand met ingang van 1 juli 2019, en € 560,49 bruto per maand met ingang van 1 januari 2020 2. Op 1 januari 2019 wordt eenmalig € 27,63 uitgekeerd. Artikel 3 1. De vergoeding van de leden en het plaatsvervangend lid van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen vast te stellen op € 187,77 bruto per maand met ingang van 1 juli 2018; € 191,52 bruto per maand met ingang van 1 juli 2019, en € 195,35 bruto per maand met ingang van 1 januari 2020 2. Op 1 januari 2019 wordt eenmalig € 9,63 uitgekeerd. Artikel 4 1. De vergoeding voor het voorzitten van een hoorzitting door een lid of een plaatsvervangend lid van de Raad van Beheer van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, niet zijnde de voorzitter van de Raad van Beheer vast te stellen op € 204,71 per dag met ingang van 1 juli 2018; € 208,80 per dag met ingang van 1 juli 2019, en € 212,98 per dag met ingang van 1 januari 2020 Artikel 5 De bedragen genoemd in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041427&artikel=1&z=2018-10-10&g=2018-10-10), [2](https://wetten.overheid"},{"i":12671,"b":"Besluit uitzondering van vernietiging in het kader van cultuurhistorisch belang hotspot MH17-casus gelet op [artikel 5, lid e van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=5) en [subonderdeel I.9 B van de ‘Selectielijst UWV vanaf 2014](onbekend)’; Besluit: Artikel 1 Het UWV gaat over tot uitzondering van vernietiging van op termijn te vernietigen archiefbescheiden. Artikel 2 De archiefbescheiden zijn nader gespecificeerd in de inventaris die als bijlage bij dit besluit is gevoegd. Artikel 3 De overweging om tot uitzondering van vernietiging over te gaan is gebaseerd op de nieuwe selectiemethode ‘hotspot-monitor’. Deze methode wordt in de Toelichting nader uitgelegd. Vanwege gebleken maatschappelijke relevantie (cultuurhistorisch erfgoed) worden bij de in de inventaris nader gespecificeerde archiefbescheiden bij afsluiting de markering B ingevoerd bij de archiefadministratie, in plaats van de in de bewaartermijnenlijst gestelde V-termijn. Facilitair Bedrijf Documentaire Informatievoorziening behandelt de archiefbescheiden vervolgens als blijvend te bewaren archiefbescheiden. Artikel 4 Deze archiefbescheiden worden overeenkomstig met [artikel 12 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=12), nadat de in dit artikel genoemde termijn het in eigen beheer van UWV bewaren verstreken is, door Facilitair Bedrijf Documentaire Informatievoorziening overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Artikel 5 Aan de raadpleging van de in de inventaris gespecificeerde archiefbescheiden zijn beperkende bepalingen verbonden op grond van artikel 9 en 10 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 7 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitzondering van vernietiging. Bijlage Niet opgenomen. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12478,"b":"Besluit van 29 december 1994, houdende de nadere uitwerking van de ministeriële taak met betrekking tot de overgang van Culturele Zaken Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 23 december 1994, nr. 94M008235, gedaan mede namens Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op het bepaalde in Ons Besluit van 22 augustus 1994; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel 1 Met ingang van 1 januari 1995 gaan over op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen: - 1. de verplichtingen voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voortvloeiend uit het dienstverband met het personeel van de centrale- en stafafdelingen van het voormalige Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur voorzover behorende tot het Directoraat-Generaal voor Culturele Zaken; - 2. De verplichtingen voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voortvloeiend uit het dienstverband met het personeel van de centrale- en stafafdelingen van het voormalige Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, voorzover dat personeel overeenkomstig de door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen vastgestelde plaatsingsprocedure wordt geplaatst. Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":13922,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 mei 2026, kenmerk 4375594-1096264-OBP, houdende de vaststelling van het Organisatiebesluit VWS 2026 Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **ministerie:** Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **ressorteren:** vallend onder het gezagsbereik van de genoemde functionaris; - d. **SG:** Secretaris-Generaal; - e. **pSG:** plaatsvervangend Secretaris-Generaal; - f. **budgethouder:** functionaris die verantwoordelijk is voor een rechtmatig en doelmatig financieel beheer van de aan hem toegewezen budgetten; - g. **budget:** aan een budgethouder toegewezen verplichtingen- en kasbedrag(en) alsmede de te realiseren ontvangsten ter uitvoering van de gehele of een deel van de VWS-begroting. Hoofdstuk 2. Hoofdstructuur van de organisatie Artikel 2 Het Ministerie bestaat uit de volgende organisatieonderdelen: - a. de Algemene Leiding; - b. het Directoraat-Generaal Volksgezondheid (DGV); - c. het Directoraat-Generaal Curatieve Zorg (DGCZ); - d. het Directoraat-Generaal Langdurige zorg (DGLZ); - e. de (staf)directies; - f. de diensten en instellingen; - g. de secretariaten van raden en commissies. Hoofdstuk 3. Algemene leiding Artikel 3 1. De Algemene Leiding ressorteert onder de minister. 2. De Algemene Leiding bestaat uit: - a. de Secretaris-Generaal (SG); Onder de SG ressorteren de volgende onderdelen: - 1. de directie Macro-Economische Vraagstukken en Arbeidsmarkt (MEVA); - 2. de directie Financieel-Economische Zaken (FEZ); - 3. de directie Bestuurlijke en Politieke Zaken (BPZ); - 4. de directie Wetgeving en Juridische Zaken (WJZ); - 5. het bureau Integriteit en Sociale Veiligheid (BISV). - b. de pl"},{"i":14427,"b":"Regeling literaire tijdschriften 2025–2028 gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement van het Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** het bestuur van het Nederlands Letterenfonds; - **Letterenfonds:** de Stichting Nederlands Letterenfonds; - **auteurs:** professionele literaire schrijvers, dichters en vertalers; - **illustratoren:** kunstenaars of grafische ontwerpers die visuele afbeeldingen creëren om een verhaal, concept of boodschap over te brengen; - **literair:** de Nederlandstalige, Friestalige, Nederlandse gebarentaal of Papiamentstalige oorspronkelijke literatuur betreffende of de in de vier voornoemde talen vertaalde literatuur betreffende; - **Koninkrijk der Nederlanden:** de landen Aruba, Curaçao, Nederland, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius; - **tijdschrift:** een papieren of digitaal literair platform met een onafhankelijke vakkundige redactie waarop verschillende vormen van en teksten over literatuur aan bod komen vanuit een autonome en (esthetisch en ethisch) samenhangende poëtica, - a. waarvan de bijdragen ten minste voor de helft literair van aard zijn en niet in hoofdzaak zijn geschreven door de redactieleden zelf; - b. dat redactioneel begeleide publicatiekansen biedt voor zowel beginnende als gevestigde auteurs, illustratoren en recensenten; - c. dat de mogelijkheid biedt om de diversiteit aan stemmen uit Nederland te vergroten en mogelijkheden om teksten van en over minder gekende auteurs uit het buitenland te ontsluiten naar nieuw publiek; en - d. dat een ontmoetingsplaats is voor auteurs, illustratoren, redacteurs en lezers, een vrijplaats biedt voor reflectie en experiment"},{"i":13176,"b":"Cusumsysteem Keurmeester APK Gelet op [artikel 75 van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=75); Besluit: Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze regeling worden de begripsbepalingen van de [Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669) overgenomen. Voorts wordt verstaan onder: - a. **herkeuring:** steekproef als bedoeld in [artikel 86, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=86), het deskundigenonderzoek als bedoeld in [artikelen 90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=90) en [91 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=91) alsmede onderzoeken door de politie of RDW; - b. **cusumsysteem keurmeester:** het systeem van bonus- en strafpunten voor de keurmeester zoals bedoeld in [artikel 75 Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=75); - c. **cusumbijdrage:** de bijdrage aan straf- of bonuspunten van een herkeuring; - d. **cusumstand:** startwaarde, vermeerderd met de som van bonus- en strafpunten van herkeuringen waarbij de cusumstand niet kleiner wordt dan 0; - e. **misser:** bij een herkeuring geconstateerd onjuist of vergeten afkeurpunt, adviespunt, reparatiepunt, reparatieadviespunt of opmerkingen inzake de uitvoering van een keuring als bedoeld in [artikel 52 van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=52); - f. **gradatie:** kwalificatie van een misser uitgedrukt in strafpunten bij toepassing van de keuringseisen; - g. **apert onveilig voertuig:** een voertuig met minimaal een misser gradatie 4 of 5 die direct gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid. Artikel 2. Toepassing Het cusumsysteem Keurmeester APK wordt toegepast bij herkeuringen ten behoeve van het meten van de door de keurmeester geleverde kwaliteit bij het toepassen van de keuringse"},{"i":13916,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 augustus 2024, met kenmerk nr.BZ2402895, tot vaststelling van de organisatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Organisatiebesluit Buitenlandse Zaken 2024) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Overwegende de missie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken om het Koninkrijk der Nederlanden veiliger en welvarender te maken en Nederlanders in het buitenland te steunen, alsmede ons samen met onze partners in te zetten voor een rechtvaardige wereld, waarbij de kernwaarden van het ministerie zijn samenwerken, verantwoordelijkheid nemen en het behalen van resultaten; Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ministerie:** het Ministerie van Buitenlandse Zaken, daaronder begrepen zowel het departement in Den Haag als de posten; - b. **posten:** de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland, te weten ambassades, gezantschappen, consulaten-generaal, consulaten, permanente vertegenwoordigingen bij internationale organisaties en andere (tijdelijke) vertegenwoordigingen, alsmede de permanente vertegenwoordigingen van het Koninkrijk der Nederlanden in Nederland bij internationale organisaties die in Nederland zijn gevestigd; - c. **bewindspersonen:** de Minister van Buitenlandse Zaken en de aan het ministerie verbonden minister(s) zonder portefeuille en/of staatssecretaris(sen); - d. **secretaris-generaal:** degene belast met de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, bedoeld in het [Besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004419) (Stb. 1988, 499); - e. **bestuursraad:** de Bestuursraad bestaande uit de secretaris-generaal (SG), de plaatsvervangend secretaris-generaal (PSG) en de"},{"i":13173,"b":"Cusumsysteem Erkenninghouder APK Gelet op [artikel 75 van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=75); Besluit: Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze regeling worden de begripsbepalingen van de [Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669) overgenomen. Voorts wordt verstaan onder: - a. **herkeuring:** steekproef als bedoeld in [artikel 86, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=86), het deskundigenonderzoek als bedoeld in [artikelen 90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=90) en [91 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=91) alsmede onderzoeken door de politie of RDW; - b. **cusumsysteem erkenninghouder:** het systeem van bonus- en strafpunten voor de erkenninghouder per keuringsplaats als bedoeld in [artikel 75 van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=75); - c. **cusumbijdrage:** de bijdrage aan straf- of bonuspunten van een herkeuring; - d. **cusumstand:** startwaarde vermeerderd met de som van bonus- en strafpunten van herkeuringen waarbij de cusumstand niet kleiner wordt dan 0; - e. **misser:** bij een herkeuring geconstateerd onjuist of vergeten afkeurpunt, adviespunt, reparatiepunt, reparatieadviespunt of opmerkingen inzake de uitvoering van een keuring als bedoeld in [artikel 52 van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=52); - f. **gradatie:** kwalificatie van een misser uitgedrukt in strafpunten bij toepassing van de keuringseisen; - g. **apert onveilig voertuig:** een voertuig met minimaal een misser gradatie 4 of 5 die direct gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid. Artikel 2. Toepassing Het cusumsysteem Erkenninghouder APK wordt toegepast bij herkeuringen ten behoeve van het meten van de kwaliteit bij het toepassen van de"},{"i":1180,"b":"Memorandum van Overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van de Republiek Argentinië en Nederland inzake automatische inlichtingenuitwisseling voor belastingdoeleinden **De Staatssecretaris van Financiën maakt het volgende bekend.** **Dit besluit bevat een bekendmaking van het in juni 2014 tussen het Hoofd van de Federale Belastingadministratie van Argentinië en de Plaatsvervangend Directeur-generaal Belastingdienst van Nederland gesloten Memorandum van Overeenstemming inzake automatische inlichtingenuitwisseling voor belastingdoeleinden. Het Memorandum geeft categorieën weer voor de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen, zoals over onroerende zaken, dividend, interest (indien beschikbaar), royalty’s (indien beschikbaar), vermogenswinsten, inkomsten uit zelfstandige arbeid, salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen, directeursbeloningen en andere soortgelijke beloningen, inkomsten verkregen door artiesten en sportbeoefenaars, pensioenen en lijfrenten, inkomsten uit overheidsfuncties en overige inkomsten. De eerste uitwisseling heeft betrekking op het jaar 2012.** Memorandum van overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en de Republiek Argentinië inzake automatische inlichtingenuitwisseling voor belastingdoeleinden Preambule Teneinde de bepalingen ten uitvoer te kunnen brengen van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Argentinië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend in Buenos Aires op 27 december 1996 en de Resolutie MEyP No. 336/2003 van het voormalige Ministerie van Economie en Productie van de Republiek Argentinië (hierna genoemd: ‘het Verdrag’), en met inachtneming van hun wens de wederzijdse bijstand te versterken door automatische inlichtingenuitwisseling, zijn de bevoegde autoriteiten van Nederland en de Republiek Argentinië het volgende overeengekomen: Al"},{"i":14438,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 21 maart 2026, nr. WJZ/105349014, houdende specifieke maatregelen in de beschermings- en de bewakingszone in verband met de bestrijding van hoogpathogene aviaire influenza in Geesbrug (Regeling maatregelen beschermings- en bewakingszone hoogpathogene vogelgriep Geesbrug 2026) Gelet op de artikelen 64, eerste lid, 65, eerste lid, en 71, eerste lid, van [verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidwetgeving’) (PbEU 2016, L 84), de artikelen 21, eerste lid, 25, eerste lid, 27, eerste en tweede lid, en 42 van gedelegeerde [verordening (EU) 2020/687](32020R0687) van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PbEU 2020, L 174) en de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.2), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.5), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.6), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.7) en [6.3, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3); Besluit: Treedt in werking om 18:53 uur. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **beschermingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052463&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2026-04-13&g=2026-04-13); - **bewakingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052463&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2026-04-13&g=2026-04-13);"},{"i":12510,"b":"Besluit op de weerkorpsen BES Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bevoegd gezag:** het gezag waaronder een organisatie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028722&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), eerste lid, bij een operationeel optreden is gesteld; - b. **korpscommandant:** de korpscommandant, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028722&artikel=5&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - c. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. Onze Minister kan een organisatie toelaten als weerkorps in de zin van [artikel 1, onderdeel c, van de Wet op de weerkorpsen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028240&artikel=1). 2. Geen toelating vindt plaats, indien: - a. de organisatie geen rechtpersoonlijkheid bezit of de organisatie niet wordt ondersteund door een rechtspersoon; - b. de statuten, de huishoudelijke en overige reglementen van de organisatie niet de instemming van Onze Minister hebben, en - c. de organisatie niet ten doel heeft het bevoegd gezag bij te staan in de handhaving van de openbare orde en rust en de in- of uitwendige veiligheid, dan wel in de hulpverlening bij rampen en crises. 3. Toelating kan voor bepaalde of onbepaalde tijd. Zij kan te allen tijden worden ingetrokken. Aan de toelating kunnen voorwaarden worden verbonden. 4. Wijziging van de in het tweede lid, onder b, genoemde documenten behoeft de instemming van Onze Minister. Artikel 2a 1. Uit de statuten van een organisatie als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028722&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), blijkt dat zij zich aan geen ander dan het wettig gezag dienstbaar zal stellen. 2. In de statuten of overige bedoelde reglementen staan vermeld de verwezenlijking van het doel alsmede de samenstelling en de inrichting van het korps en het beheer. Artikel 3 Ten aanzien van de kleding en uitrusting alsmede de opsla"},{"i":13913,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 februari 2020, nr. 2020-0000004496, houdende de inrichting van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering, alsmede de doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering (Organisatie-, Mandaat- en Volmachtbesluit DSU 2019) Gelet op de [artikelen 3, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=3), en [8 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit plaatsvervangend secretaris-generaal 2009 SZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=8); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 - a. **directie DSU:** de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering; - b. **afdeling:** een afdeling van de directie DSU; - c. **SVC:** de afdeling Sturing, Verantwoording en Control; - d. **UV:** de afdeling Uitvoering; - e. **UEC:** de afdeling Uitvoering Expertisecentrum; - f. **IV:** de afdeling Informatievoorziening; - g. **FDC:** de afdeling Financieel Dienstencentrum, met de volgende clusters: - i. beheer; - ii. concernadministratie; - iii. betalen; - iv. Bekostiging Subsidies en Vorderingenbeheer; - v. staf; - h. **LO-Plein:** de afdeling Leer- en Ontwikkelplein; - i. **directeur:** de directeur van de directie DSU; - j. **plaatsvervangend directeur:** de plaatsvervangend directeur van de directie DSU; - k. **afdelingshoofd of hoofd:** het hoofd van een afdeling; - l. **clustermanager:** een functionaris die leiding geeft aan een cluster van het FDC; - m. **teamleider:** een functionaris die leiding geeft aan een team binnen de afdelingen UV of UEC, IV, het LO-Plein of binnen een cluster van het FDC; - n. **controller:** een functionaris die de activiteiten rond de planning en control cyclus coördineert en bewaakt; - o. **Europese fondsen:** in ieder geval het Europees Sociaal Fonds plus (ESF en ESF+), het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), he"},{"i":14467,"b":"Model Jaarverslaggeving 2014 CAK Deel I. Verantwoordingsinformatie VWS 1. Verantwoordingsstructuur 1.1. Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop het Centraal Administratie Kantoor (CAK) haar jaarlijkse verantwoordingsplicht over de uitvoering van de [Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) (Wtcg) moet invullen. Ook beschrijft dit hoofdstuk welke verantwoordingsdocumenten het CAK jaarlijks moet aanleveren bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en VWS hebben een samenwerkingsprotocol opgesteld over het toezicht op het CAK. Onderdeel van dit samenwerkingsprotocol zijn de afspraken tussen beide partijen over samenwerking, coördinatie en informatie-uitwisseling. Het CAK is een rechtspersoon. De activiteiten van het CAK worden met ingang van 1 januari 2013 uitgevoerd door een Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO). De [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) is hierop van toepassing. Tot 1 januari 2013 werden de activiteiten van het CAK uitgevoerd door een Besloten Vennootschap (B.V.). 1.2. [Wtcg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) Het CAK is in het kader van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) (artikel 49)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=49) en de [Wtcg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) belast met het uitvoeren van publiekrechtelijke werkzaamheden. Voor wat betreft de Wtcg is dit vastgelegd in [hoofdstuk 2, paragraaf 2.1, artikel 3 van de Wtcg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003&artikel=3). Dit betreft het verrichten van de in het eerste en tweede lid van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003&artikel=3) genoemde taken met betrekking tot de tegemoetkomingsregeling Wtcg: De overige artikelen in [hoofdstuk 2, paragraaf 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003&paragraaf=2.1) bevatten nadere"},{"i":13914,"b":"Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 17 december 2025, 6935891, houdende vaststelling van de organisatie van het Ministerie van Asiel en Migratie (Organisatiebesluit Ministerie van Asiel en Migratie) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Gelet op het [Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293) Besluit: Artikel 1. Inleidende bepaling - a. Ministerie: het Ministerie van Asiel en Migratie; - b. Minister: de Minister van Asiel en Migratie; - c. bewindspersoon: de Minister van Asiel en Migratie of de Minister voor Asiel en Migratie, afhankelijk van wie het aangaat; - d. secretaris-generaal: de secretaris-generaal van het Ministerie van Asiel en Migratie; Artikel 2. De dienstonderdelen Het ministerie bestaat uit de secretaris-generaal en de directeur Financieel-Economische Zaken. Artikel 3. De Secretaris-generaal 1. Overeenkomstig [artikel 1 van het Besluit regeling functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004419&artikel=1), is de secretaris-generaal, met inachtneming van de aanwijzingen van de Minister, belast met de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft en in het bijzonder de volgende taken: - a. het informeren en adviseren van de bewindspersoon over aangelegenheden, de bewindspersoon of het Ministerie betreffende; - b. het zorgdragen voor de coördinatie en integratie van beleidsvoorbereiding, beleidsontwikkeling en beleidsuitvoering binnen het Ministerie; - c. het uitoefenen van de algemene controlfunctie bij het Ministerie; - d. het functioneel leiding geven aan de directeur-generaal Migratie die vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid taken uitvoert voor het Ministerie en de directeur Financieel-Economische Zaken; - e. het geven van uitvoering aan de [Regeling a"},{"i":14469,"b":"Regeling Model Jaarverslaggeving 2017 CAK Bestuurlijke verantwoording 2017 Maart 2018 1. Algemeen 1.1. Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de jaarlijkse verantwoordingsplicht van het CAK over de uitvoering van de [Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) (Wtcg)1Afgeschaft per 1 januari 2014., de Ouderbijdrage [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) (ObJw)2Afgeschaft per 1 januari 2016., de afgifte van Schengen- en Engelstalige verklaringen, de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ)3Afgeschaft per 1 januari 2015., de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz), de [Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) (Wmo) en de Compensatieregeling eigen risico (CER)4Afgeschaft per 1 januari 2014. als onderdeel van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Het CAK is belast met het uitvoeren van publiekrechtelijke werkzaamheden. Ook beschrijft dit hoofdstuk welke verantwoordingsdocumenten het CAK jaarlijks moet aanleveren voor de verantwoording over de uitvoering van deze taken bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Het CAK is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het CAK heeft in dit kader te maken met wet- en regelgeving en volgt zover van toepassing de Code Goed Bestuur Publieke Dienstverleners van de Handvestgroep Publiek Verantwoorden van november 20155Zie hiervoor www.publiekverantwoorden.nl.. De [Regeling bezoldiging en beheerskosten bestuursorganen volksgezondheid 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030162) en de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) maken hier onderdeel van uit en zijn van toepassing op het CAK. Nadere afspraken tussen het C"},{"i":13964,"b":"Pilotregeling Leesbevordering Nederlands Letterenfonds gelet op het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735). Besluit: De volgende Pilotregeling Leesbevordering Nederlands Letterenfonds vast te stellen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** het bestuur van het Nederlands Letterenfonds; - **het Letterenfonds:** Stichting Nederlands Letterenfonds; - **instelling of organisatie:** in het Koninkrijk gevestigde gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde culturele instellingen en culturele organisaties of rechtspersonen die actief zijn in de culturele sectoren; - **leesbevordering:** het stimuleren van het lezen en/of leesplezier in brede zin; - **literatuur:** literatuur in het Nederlands, Fries, Papiaments en de Nederlandse Gebarentaal; - **Koninkrijk:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk, te weten de zelfstandige landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba; - **Papiaments:** Papiamento en Papiamentu. Artikel 2. Doel Met deze regeling wil het Letterenfonds projecten op het gebied van leesbevordering stimuleren en ondersteunen die vanwege hun vernieuwend karakter of innovatief concept een aanvulling vormen op het bestaande aanbod. Ook wil het Letterenfonds de impact van die projecten onderzoeken. Artikel 3. Activiteiten 1. Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd voor niet-commerciële projecten die zich richten op leesbevordering in het Koninkrijk. 2. Projecten die zich enkel richten op leren lezen, in de zin van technisch lezen en begrijpend lezen, komen niet in aanmerking. Artikel 4. Aanvrager 1. Subsidie kan uitsluitend worden"},{"i":14485,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies) Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=7), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=10), [12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=12), [13, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=14), [14a, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=14a), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), [18, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), [21, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=21), [23, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=23), [23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=23), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25), [30, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=30), [32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=32), [33, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=33), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=34), [42, eerste en tweede li"},{"i":13183,"b":"Deelregeling Collectiemobiliteit 2017 Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het verhogen van de kwaliteit en de zichtbaarheid voor het publiek van de Collectie Nederland. Om de zichtbaarheid voor het publiek en de focus van het collectieprofiel te vergroten, worden initiatieven gestimuleerd die leiden tot selectie, overdracht en afstoten van collectieonderdelen. Selectie, overdracht en afstoten betekenen meer overzicht en inzicht in wat belangrijk is en bevorderen dat instellingen zich meer onderscheiden. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een bijdrage kan worden toegekend aan een Nederlandse publiekstoegankelijke instelling die erfgoedcollecties van (inter-)nationaal belang beheert of door meerdere instellingen gezamenlijk. 2. De aanvrager is coulant in het bruikleenverkeer ten opzichte van Nederlandse collectiebeherende instellingen. 3. Het afstoten van collecties wordt volgens het bepaalde in de [Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521) en de Leidraad Afstoting Museale Objecten (LAMO) uitgevoerd en waar mogelijk volgens het waardestellend kader van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Artikel 3. Aanvraag Naast de bepalingen vastgesteld in het [Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038798), in het aanvraagformulier en in de toelichting daarop, dient de aanvraag vergezeld te gaan van: - •. een motivering waarin de aanvrager aangeeft waarom het voorgenomen plan tot selectie, afstoten of overdracht van collecties belangrijk is voor de verbetering van de Collectie Nederland en de relatie die de voorgenomen selectie of afstootactie heeft met de collectie van de aanvrager zoals geformuleerd in het collectiebeleid, - •. een collectieplan, - •. en een dekkende begroting, - •. indien van toepassing een presentatieplan, waarin wordt toegelicht hoe een passend publiek wordt betrokken. Artikel 4. Beoordeling 1. Bij"},{"i":14511,"b":"Regeling ontwikkelbeurzen voor makers van boeken gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), besluit: de volgende Regeling ontwikkelbeurzen voor makers van boeken vast te stellen. Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **beeldverhaal:** (non-)fictieboeken voor kinderen en/of volwassenen waarin de illustraties in creatieve dialoog gaan met de tekst, zoals graphic novels, prentenboeken, geïllustreerde (jeugd)romans, of woordloze boeken waarin alleen de illustraties het verhaal vertellen. - b. **bestuur:** het bestuur van het Letterenfonds; - c. **boekpublicatie:** een oorspronkelijk literair werk in boekvorm in de Nederlandse, Engelse, Papiamentse of Friese taal in de genres: proza, non-fictie, poëzie, kinder- en jeugdliteratuur, toneel of beeldverhaal, waaronder graphic novels, geïllustreerde kinder- en jeugdliteratuur en prentenboeken; - d. **Engels:** de Engelse taal zoals door haar moedertaalsprekers wordt gehanteerd in het Caribisch deel van het Koninkrijk; - e. **gevorderde literaire maker:** schrijver of beeldmaker van oorspronkelijk Nederlands-, Papiaments of Friestalig literair werk, die zich richt op presentatie van een eigen grotendeels Nederlands-, Papiaments of Friestalige literaire creatie en die op het moment van aanvragen in de afgelopen twee jaar een projectsubsidie heeft ontvangen. - f. **graphic novel:** een boekpublicatie met een opeenvolging van getekende of geschilderde beelden waartussen een narratief verband bestaat; - g. **hij/hem:** iedere genderaanduiding die door de betreffende persoon als geëigend wordt ervaren; - h. **projectsubsidie:** projectsubsidie op basis van de [regeling Projectsubsidies makers van boeken](https://we"},{"i":11397,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 7 juni 2024, nr. 46071358, houdende regels voor de vaststelling van de kerstvakantie 2025, 2026, 2027, 2028, en 2029, de meivakantie in 2026, 2027, 2028, 2029 en 2030 en de spreiding en vaststelling van de zomervakantie 2026, 2027, 2028, 2029 en 2030 (Regeling vaststelling schoolvakanties 2025–2030) Gelet op [artikel 15, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=15), [artikel 20, tweede lid van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=20), [artikel 26, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=26), de [artikelen 1.3, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.3), en [2.39, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.39); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **de Minister:** de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **school:** - –. een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in [artikel 1 Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - –. een school waar basisonderwijs wordt gegeven als bedoeld in [artikel 1 Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - –. een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld [artikel 2, tweede lid, onder f, h, j, k, m of n, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=2), tenzij uit die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) het tegendeel blijkt; - –. een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen of auditief of communicatief gehandicapte"},{"i":13711,"b":"Investeringsregeling vrije producties Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - **vrije productie:** productie op het gebied van de professionele podiumkunst die gefinancierd wordt uit de opbrengsten van de commerciële exploitatie van deze productie en alle daarmee samenhangende uitingen. Artikel 1.2. Doel Het bestuur verstrekt subsidies onder voorwaarden aan producenten van podiumkunstenaanbod voor een groot publiek zodat zij in staat zijn extra te investeren in nieuwe Nederlandse producties. Hiermee beoogt het bestuur artistieke risico’s te stimuleren alsmede de werkgelegenheid in de culturele en creatieve sector te vergroten. Paragraaf 2. De aanvraag Artikel 2.1. Aanvrager 1. Een aanvraag kan worden ingediend door een organisatie met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid die: - –. in het kader van de bedrijfsuitoefening vrije producties tot stand brengt; en - –. de artistieke en financiële eindverantwoordelijkheid voor het project draagt; en - –. de uitvoering daarvan heeft belegd bij professionals die eerder minimaal twee vergelijkbare grootschalige vrije producties, als die waarvoor wordt aangevraagd, op hun naam hebben staan. 2. Het bestuur kan de aanvraag weigeren: - a. als de aanvraag wordt ingediend door een instelling die zich primair richt op het presenteren van podiumkunstenaanbod, zoals een podium of festival; - b. als de aanvrager of de feitelijk zakelijk/financieel verantwoordelijken in de voorgaande twe"},{"i":12520,"b":"Besluit betreffende het opheffen van de beperkingen gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Kabinet der Koningin: pakketarchief, 1989–2000 (nummer toegang 2.02.38) Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op het besluit van 12 december 2024 van de directeur van het Kabinet van de Koning, houdende de beperkingen gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Kabinet der Koningin (pakketarchief) over de periode 1989–2000 (Staatscourant 2024, nr. 41047), Gelet op het [besluit van 15 januari 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043072) van de Minister van Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media betreffende het opheffen van beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archieven van het Kabinet der Koningin over de periode 1946–1988, nummers toegangen 2.02.20 (archief 1946–1975), 2.02.30 (archief 1976–1988) (Staatscourant 2020, nr. 2450), Gehoord hebbende de directeur van het Kabinet van de Koning, Besluit: Artikel 1 Op de serie Originele wetten en Koninklijke Besluiten, inventarisnummers 19501 t/m 21023 in de archieven van het Kabinet der Koningin over de periode 1989–2000, berust een beperking met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De beperking op een document uit deze serie wordt opgeheven wanneer is vastgesteld dat het document geen persoonsgegevens van natuurlijke personen anders dan de betrokken ambtenaren bevat of wanneer een verzoeker ten genoegen van de algemene rijksarchivaris aantoont dat alle betrokkenen die voorkomen in het document zijn overleden. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":17123,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 november 2009, R&P/RA/2009/26289 tot Instelling van een Comité van Experts subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien), Actie Jeugd2 Gelet op [artikel 5 van de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&artikel=5), Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het comité:** het Comité van experts Subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie Jeugd2 als bedoeld in [artikel 5 van de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&artikel=5); - b. **de Subsidieregeling:** de [subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313); - c. **de minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - d. **het ministerie:** het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2. Instelling Er is een Comité van experts Subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie Jeugd2. Artikel 3. Taak - a. Het comité heeft tot taak projecten als bedoeld in [artikel 4, onderdeel f, van de Subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&artikel=4), van aanvragers als bedoeld in [artikel J1, eerste lid onderdeel b van de Subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&bijlage=1), te beoordelen aan de hand van de in [artikel J8 van die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&bijlage=1) genoemde criteria, zulks onder toepassing van een door de minister vooraf op te stellen toetsingskader, waarin deze criteria in afstemming met het comité, nader zijn uitgewerkt. - b. Het comité heeft tot taak de projecten op basis van deze beoordeling, alsmede op basis van het bepaalde in [artikel J8 van de Subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&bijlage=1), te rangschikken naar de mate waarin deze voor subsidieverlening in aanmerking komen. - c. Het comité adviseert de minister uiterlijk vier weken na het einde"},{"i":14774,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 28 maart 2012, nr. WJZ / 12042881, houdende vaststelling van de definitieve correcties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2011 (Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2011) Gelet op de [artikelen 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), en [31, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **besluit:** het [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - b. **regeling 2008:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - c. **regeling 2009:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - d. **regeling 2010:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - e. **regeling 2011:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030034); - f. **basisbedrag:** het basisbedrag, bedoeld in de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), en [28, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28). § 2. Correctiebedragen [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566) Artikel 2 1. De correcties op het basisbedrag voor subsidie-ontvangers als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de regeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566&artikel=3) worden voor 2011 als volgt vastgesteld: - a. € 0,058 per kWh voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in [artikel"},{"i":14767,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 juni 2018 tot vaststelling van het CBS-formulier levenloos geboren kinderen Gelet op [artikel 19i, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=19i); Besluit: Artikel 1 Het formulier bedoeld in [artikel 19i, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=19i), wordt vastgesteld zoals voorzien in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14790,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 oktober 2021, kenmerk 3262506-1016079-Z, houdende Regeling geraamde gemiddelde nominale premie 2022 Gelet op [artikel 2b, tweede lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b); Besluit: Artikel 1 De geraamde gemiddelde nominale premie, bedoeld in [artikel 2b, eerste lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b) wordt voor het jaar 2022 vastgesteld op € 1.522. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14853,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 januari 2006, nr. TRCJZ/2006/98, houdende regels met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal (Regeling verhandeling teeltmateriaal) Gelet op de Europese richtlijnen met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal van verschillende soorten gewassen, de [artikelen 21, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=21), [39, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=39), en [44 van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=44), alsmede gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019210&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019210&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019210&artikel=5) en [6 van het Besluit verhandeling teeltmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019210&artikel=6); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit verhandeling teeltmateriaal in werking treedt. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. besluit: [Besluit verhandeling teeltmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019210); - b. beschikking (EG) 2004/266: beschikking nr. 2004/266/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 17 maart 2004 houdende machtiging om de voorgeschreven gegevens onuitwisbaar aan te brengen op de verpakkingen van zaaizaad van voedergewassen (PbEG L 83); - c. beschikking (EG) 2004/371: beschikking nr. 2004/371/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 april 2004 betreffende voorwaarden voor het in de handel brengen van zaadmengsels bestemd voor gebruik als voedergewas (PbEG L 116); - d. beschikking (EG) 2004/842: beschikking nr. 2004/842/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1 december 2004 tot vaststelling van uitvoeringsregels volgens welke de lidstaten toestemming kunnen geven voor h"},{"i":4068,"b":"Besluit tot regeling van het toezicht op krankzinnigen BES § 1. Definities Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Wet toezicht op krankzinnigen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028223); - –. **inrichting:** op grond van [artikel 1a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028223&artikel=1a) aangewezen instelling. § 2. Het toezicht Artikel 2 1. De procureur-generaal stelt, telkens wanneer de Minister van Justitie zulks nodig oordeelt, in de inrichting een plaatselijk onderzoek in. 2. Dit plaatselijk onderzoek omvat een controle van de bescheiden, welke de wettigheid van de opneming van de verpleegden in de inrichting bepalen. 3. De procureur-generaal doet verslag van zijn bevindingen aan de Minister van Justitie. § 3. Het bestuur Artikel 3 Het bestuur van de inrichting wordt gevoerd door de directeur van de inrichting. § 4. De voorwaarden voor opneming en verpleging Artikel 4 Bij aanvraag tot opneming van een patiënt in de inrichting moet worden overgelegd: - 1. voor alle patiënten: de in de wet gevorderde stukken; - 2. voor personen die voor rekening van derden worden opgenomen: een verklaring waaruit blijkt, wie voor de betaling der verpleeggelden aansprakelijk is; - 3. voor de in [artikel 37A van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028223&artikel=37A) bedoelde onvermogenden: een bewijs van onvermogen, afgegeven door of vanwege de gezaghebber van het openbaar lichaam waar de betrokkene woonplaats heeft. Artikel 5 Met uitsluiting van alle andere kosten zijn in de verpleeggelden begrepen: - a. verpleging en verzorging in de inrichting, alsmede de voeding der patiënten; - b. geneeskundige behandeling, voor zover deze wordt verstrekt door geneeskundigen, verbonden aan de inrichting of door hun vervangers; - c. genees- en verbandmiddelen, voorgeschreven door geneeskundigen verbonden aan de inrichting of door hun vervangers. Artikel 6 [vervallen] Artikel 7 1. De verpleeggelden v"},{"i":3204,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 april 2024 nr. BOACAT2024/035, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Arnhem Gelezen het verzoek van de gemeente Arnhem van 5 april 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049570&artikel=2&z=2024-06-06&g=2024-06-06). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van gemeente Arnhem, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinli"},{"i":12471,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 1 december 2015, 2015-0000019207, directie Financiële Markten, houdende regels betreffende de vaststelling van de maximale afwikkelingsvergoeding voor betalingsdienstaanbieders voor binnenlandse debetkaarttransacties van consumenten (Besluit maximale afwikkelingsvergoedingen binnenlandse debetkaarttransacties) Gelet op artikel 3, derde lid, van Verordening (EU) nr. 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (PbEU 2015, L 123); Besluit: Artikel 1 1. De gewogen gemiddelde maximale afwikkelingsvergoeding voor binnenlandse debetkaarttransacties, bedoeld in artikel 3, derde lid, tweede volzin, van verordening (EU) nr. 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (PbEU 2015, L 123), bedraagt tot en met 8 december 2020 € 0,02 per transactie en geldt per betalingsdienstaanbieder. 2. De gewogen gemiddelde afwikkelingsvergoeding voor binnenlandse debetkaarttransacties wordt berekend volgens de formule: waarbij wordt verstaan onder: **n**: het aantal binnenlandse debetkaarttransacties van een betalingsdienstaanbieder binnen een betaalkaartschema; **IVi**: de afwikkelingsvergoeding die toegepast wordt op transactie **i** in €; **gi**: de transactiewaarde van transactie **i** in €. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 9 december 2015. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven op of na 9 december 2015, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 9 december 2015. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14885,"b":"Regeling verwijderen van voorwerpen Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op [artikel 13, tweede lid onder d, van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=13); Besluit: Artikel 1 Voor het verwijderen tijdens de vlucht van voorwerpen waarvan de massa niet meer is dan 200 gram per voorwerp gelden de volgende regels: - a. de vlieghoogte is maximaal 600 m (2000 ft) boven grond of water; - b. het vliegzicht is 3 km of meer; - c. er is zicht op grond of water; - d. er is geen ander luchtverkeer in de nabijheid; - e. het voornemen om voorwerpen te verwijderen binnen een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied wordt in het vliegplan vermeld, onder aanduiding van plaats en verwachte tijd; - f. ieder voorwerp met een massa tot 100 gram is voorzien van een valscherm met een middellijn van 25 cm of meer, tenzij het oppervlak van het voorwerp een massadichtheid in een bepaald punt heeft dat kleiner is dan 5 gram per cm⁲ en een massa heeft van minder dan 30 gram; - g. ieder voorwerp met een massa van 100 tot 200 gram is voorzien van een valscherm met een middellijn van 50 cm of meer; - h. strooibiljetten worden zodanig verwijderd dat deze niet in pakken of bundels kunnen neerkomen; - i. ieder voorwerp is van een niet-elektriciteit-geleidend materiaal of geïsoleerd; - j. voorwerpen worden door een ander dan de bestuurder van het luchtvaartuig verwijderd en wel zodanig dat de voorwerpen daarbij het luchtvaartuig niet raken. Artikel 2 Het besluit van de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst van 28 juli 1981, nr LVB/L 23872 (Stcrt. 1981, 164) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verwijderen van voorwerpen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst Artikel 1a Deze regeling berust op [artikel 10, tweede lid, van het Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.o"},{"i":14886,"b":"Regeling houdende implementatie van richtlijn 96/59/EG van de Raad van de Europese Unie betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's) (PbEG L 42) Gelet op [richtlijn 96/59/EG](31996L0059) van de Raad van de Europese Unie van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB’s/PCT’s), PARCOM Decision 92/3 on the phasing out of PCB’s and hazardous PCB substitutes en op de [artikelen 10.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.4), [10.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.6) en [21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 1.2 Deze regeling is niet van toepassing op: - a. degene die een milieubelastende activiteit verricht, voor zover de locatie waar die milieubelastende activiteit wordt verricht, is bedoeld voor het in bewaring geven, bewerken of verwerken van PCB’s of PCB’s-bevattende apparaten en - b. PCB’s of PCB’s bevattende apparaten in particuliere huishoudens. § 2. Reiniging en verwijdering van PCB's-bevattende apparaten Artikel 2.1 1. De houder van PCB’s of gebruikte PCB’s verwijdert deze vóór 1 januari 2000. 2. De houder van PCB’s-bevattende apparaten, reinigt deze overeenkomstig [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009821&paragraaf=2&artikel=2.2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) of verwijdert deze vóór 1 januari 2000. Artikel 2.2 1. De houder van transformatoren die meer dan 0,5 mg/kg PCB’s bevatten, bepaald volgens EN 12766-1: uitgave 2000, reinigt deze zodanig dat: - a. het gehalte aan PCB’s wordt verlaagd tot 0,5 mg/kg, bepaald volgens de methode, genoemd in de aanhef, en - b. de vervangende vloeistof, die geen PCB’s bevat, minder risico’s voor het milieu oplevert. 2. Na reiniging van een transformator wordt op die transformator de aanduiding aangebracht als aa"},{"i":14891,"b":"Regeling vliegplan BES Treedt in werking om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 - 1. Voor het opgeven van de gegevens van een vliegplan wordt gebruik gemaakt van het vliegplanformulier, en de daarbij behorende aanwijzingen, als aangegeven in ICAO DOC 4444 ATM/501 (Procedures for Air Navigation Services Air Traffic Management) in appendix 2 ‘flightplan’, zoals opgenomen in de bijlage ‘ICAO documenten behorende bij diverse luchtvaartregelingen’. - 2. Van een wijziging in de bijlage wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Artikel 2 - 1. Behoudens het gestelde in het derde lid wordt een vliegplan ingediend vóór de aanvang van een vlucht bij een luchtverkeersmeldingspost op het luchtvaartterrein van vertrek op een vliegplanformulier als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028687&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10). - 2. Indien op het luchtvaartterrein van vertrek geen luchtverkeersmeldingspost aanwezig is dan wel gesloten is wordt het vliegplan ingediend op een door de betrokken luchtverkeersdienst aan te duiden plaats dan wel met gebruikmaking van een door de luchtverkeersdienst aangegeven middel. - 3. In geval van een lokale vlucht kan het vliegplan telefonisch ingediend worden bij de betrokken luchtverkeersmeldingspost. - 4. Een vliegplan wordt ingediend tenminste 60 minuten vóór de aanvang van de vlucht of zoveel eerder als is vastgesteld door de ter plaatse bevoegde luchtverkeersleidingsdienst. Indien op de voorgenomen route maatregelen van kracht zijn met betrekking tot ATFM (air traffic flow management) wordt een vliegplan tenminste drie uur vóór de aanvang van de vlucht ingediend. - 5. De luchtverkeersleider kan in spoedeisende gevallen of in bijzondere omstandig-heden, nadat hij zorggedragen heeft voor de daarvoor benodigde coördinatie van het luchtverkeer, toestaan dat een vlucht aanvangt voordat het tijdslimieten aangegeven in het vierde lid is bereikt. - 6"},{"i":14905,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 28 augustus 2020, nr. PO/17896773, houdende regels voor de voorzieningenplanning bij scholen in het primair onderwijs in Caribisch Nederland (Regeling voorzieningenplanning po CN 2021) Gelet op de [artikelen 72, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=72), [72a, eerste, derde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=72a), [75, tweede lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=75); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** bevoegd gezag dat bij de minister een aanvraag indient voor bekostiging van een openbare of een bijzondere school. - **belangstellingsmeting:** belangstellingsmeting als bedoeld in [artikel 72a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=72a); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280); - **DUO:** Dienst Uitvoering Onderwijs; - **minister:** Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; - **ouder:** ouder als bedoeld in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280); - **school:** school als bedoeld in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280); - **voedingsgebied:** voedingsgebied als bedoeld in [artikel 72a, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=72a); - **wet:** [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280). Artikel 2. Melding voorgenomen aanvraag tot bekostiging 1. Het bevoegd gezag maakt melding van een voorgenomen aanvraag als bedoeld in [artikel 75, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=75), tussen 1 juni tot en met 30 juni in het kalenderjaar van de aanvraag, bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de wet. 2. De melding bevat de"},{"i":5212,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 30 november 2023, nr. WJZ/ 38868851, tot aanwijzing van bestuursorganen waarvoor de in artikel 32, eerste en tweede lid, van de Handelsregisterwet 2007 bedoelde verplichtingen uitsluitend gelden Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [artikel 59, tweede lid, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=59); Besluit: Artikel 1 De verplichtingen, bedoeld in [artikel 32, eerste en tweede lid, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=32), gelden uitsluitend voor: - a. de inspecteur, bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2); - b. de ontvanger, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=2); - c. de inspecteur of ontvanger, bedoeld in [artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:3); en - d. de Dienst Toeslagen, bedoeld in [artikel 11, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=11). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2024, en vervalt met ingang van 1 januari 2030. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17835,"b":"Wet sociale kanstrajecten jongeren BES Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **deelnemer:** de voortijdig schoolverlater die aan het voor hem vastgesteld sociaal kanstraject deelneemt; **deelnemersregister:** het register, bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028506&artikel=6&z=2022-08-01&g=2022-08-01); **Inspectie:** de Inspectie van het onderwijs, bedoeld in de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800); **kanstrajecttoelage**: een toelage als bedoeld in [artikel 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028506&artikel=11&z=2022-08-01&g=2022-08-01); **Onze Minister**: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; **openbaar lichaam:**het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; **projectbureau**: het bureau, bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028506&artikel=5&z=2022-08-01&g=2022-08-01); **raamplan sociale kanstrajecten**: een plan als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028506&artikel=8&z=2022-08-01&g=2022-08-01); **sociaal kanstraject:** een sociaal kanstraject als bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028506&artikel=9&z=2022-08-01&g=2022-08-01); **startkwalificatie:** startkwalificatie als bedoeld in [artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030281&artikel=1); **uitvoeringsinstantie:** een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die wordt bekostigd voor de uitvoering van de taak, bedoeld in [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028506&artikel=5&z=2022-08-01&g=2022-08-01); **voortijdig schoolverlater:** ingezetene van een openbaar lichaam, die: - a. de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, maar nog niet de leeftijd van 25 jaren, - b. niet beschikt over een startkwalificatie, - c. niet werkz"},{"i":14974,"b":"Reglement KCB tarieven kwaliteitscontrole Het bestuur van de Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau voor Groenten en Fruit (KCB) heeft, gelet op [artikel 11 van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=11), op 6 december 2005 het volgende reglement vastgesteld. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De ‘[Regeling KCB tarieven certificaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010491)’, die op 11 mei 1999 door het bestuur is vastgesteld en bij besluit van 7 juli 1999 (no. TRCJZ/1999/6436) door de minister van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is goedgekeurd en is gepubliceerd in de Staatscourant van 9 augustus 1999, wordt ingetrokken. Daarvoor in de plaats komt de voorliggende ‘Reglement KCB tarieven kwaliteitscontrole’. Artikel 2 In dit reglement worden de definities en begrippen gebruikt overeenkomstig het gestelde in [artikel 1 van het Controlereglement van het KCB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005820&artikel=1) en artikel 1 van het Reglement Interne Kwaliteitscontrole (RIK) van het KCB, die zijn vastgesteld door het bestuur van het KCB in de vergadering van 8 november 2004 en 15 maart 2005 en bij besluit van 17 maart 2005, nr. TRCJZ/2005/581 zijn goedgekeurd door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 3 Als vergoeding voor het certificaat als bedoeld in artikel 5, lid 2, van de Verordening, het waarmerken daarvan en de steekproefsgewijze inspectie van de (re)exportzending waarop het betreffende certificaat betrekking heeft, wordt € 16,85 per certificaat in rekening gebracht in het geval het bedrijf, ten behoeve waarvan het certificaat wordt gewaarmerkt, deelnemer is aan het RIK. Artikel 4 1. Als vergoeding voor het certificaat als bedoeld in artikel 5, lid 2 van de Verordening en het waarmerken daarvan ten behoeve van een bedrijf dat geen deelnemer is aan het RIK wordt € 5,35 per certificaat in rekening gebracht. 2. In het"},{"i":4602,"b":"Besluit staatssecretaris van Financiën 7 maart 1995, nr. IFZ95/223, oorspronkelijk 29 juni 1962, nr. B2/9545 (art. V, § 18,Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten VN) Functionarissen van de Verenigde Naties zijn op grond van artikel V, par. 18, van het verdrag van 13 februari 1946 nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties vrijgesteld van belasting op de salarissen en emolumenten, die door de Verenigde Naties aan hen worden betaald. Het progressie-voorbehoud wordt daarbij niet gemaakt. Bij resolutie 76 (1) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd onder andere de werking van de hierboven genoemde bepaling uitgebreid tot alle stafleden, waaronder wordt verstaan alle personeelsleden van de Verenigde Naties met uitzondering van hen, die plaatselijk worden gerecruteerd en per uur worden betaald. Ook functionarissen van de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties komen in aanmerking voor de onder punt 2 bedoelde vrijstelling, en wel op grond van artikel VI, par.19, van het verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties, zoals goedgekeurd door de Algemene Vergadering op 21 november 1947 enerzijds en op verschillende andere tijdstippen door de gespecialiseerde organisaties anderzijds. De onder 2 en 3 bedoelde organisaties sluiten soms met deskundigen contracten af tot het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Dergelijke personen worden wel aangeduid met ,,experts on missions’’ of ,,(short-term) consultants’’. Zij kunnen in beginsel niet als staflid worden aangemerkt. Noch het onder 2 genoemde verdrag, noch het onder 3 genoemde verdrag met bijlagen, voorziet in vrijstelling van belasting voor de vergoeding aan dergelijke deskundigen. Nu is het in theorie niet uitgesloten dat met een tijdelijk aangetrokken deskundige een dusdanig contract wordt afgesloten dat toch sprake is van staflidmaatschap. Teneinde in een concrete situatie te bepalen of dit wellicht het gev"},{"i":6531,"b":"Besluit van 3 februari 1992, houdende aanpassing van de jaarwedden van leden van gedeputeerde staten per 1 januari 1989 en 1 april 1990 Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 23 oktober 1991, nr. BW91/U322, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Gelet op [artikel 43 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=43) (**Stb.** 1962, 17); Provinciale Staten gehoord; De Raad van State gehoord (advies van 26 november 1991, nr. W04.91.0593); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 22 januari 1992, nr. BW92/U12, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 2 Aan degenen die op 1 april 1990 de functie van lid van gedeputeerde staten vervulden, wordt een eenmalige uitkering van f 250 toegekend. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":13439,"b":"Instellingsbesluit Agentschap IT-organisatie handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad (de vergadering van 19 december 1997, agendapunt 7). Gelet op [artikel 70, eerste lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=70), Besluiten: Artikel 1 1. Aan de divisie Informatie Technologie van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) te Driebergen, wordt de status van agentschap bedoeld in [artikel 70 van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=70), verleend. 2. De tenaamstelling van het agentschap komt te luiden: Organisatie Informatie- en communicatietechnologie OOV(ITO). 3. Het agentschap ressorteert onder de minister van Binnenlandse Zaken. Artikel 2 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 1998. 2. Dit besluit wordt aangehaald onder de titel: Instellingsbesluit Agentschap IT-organisatie. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en afschrift van dit besluit zal worden gezonden aan de algemene Rekenkamer."},{"i":13943,"b":"Wet van 18 december 2013 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2014) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IV Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel V Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel VI Wijzigt de Registratiewet 1970. Artikel VIA Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Artikel IX Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel X Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel XI Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel XIA Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel XIB Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel XII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XIII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XIV Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XV Wijzigt de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Artikel XVI Wijzigt de Fiscale vereenvoudigingswet 2010. Artikel XVII Wijzigt het Belastingplan 2012. Artikel XVIII 1. De in [artikel 30h van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=30h) opgenomen regeling van de belastingrente is met betrekking tot naheffingsaanslagen ter zake van verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken slechts van toepassing voor zover deze betrekking hebben op belastingschulden die zijn ontstaan in tijdvakken die zijn aangevangen op of na 1 januari 2013. 2. De in [artikel 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=30ha) opgenomen regeling van de belastingrente is met betrekking tot teruggaafbeschikkingen verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken slechts van toepassing voor zover deze betrekking heb"},{"i":12667,"b":"Besluit uitvoeringsregels financiering kinderopvang Gelet op artikel 74, van de Werkloosheidswet en artikel 22a, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, Besluit: Artikel 1 Het Landelijk instituut sociale verzekeringen voert terzake de uitvoering van de regeling financiering kinderopvang een beleid als weergegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 1. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2001. 2. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 juli 2001, treedt het in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 juli 2001. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoeringsregels financiering kinderopvang. Bijlage Algemeen Met ingang van 1 juli 2001 treedt de wet 'Wijziging van de Werkloosheidswet en de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten in verband met de invoering van een regeling inzake de financiering van kinderopvang voor uitkeringsgerechtigden' (hierna: regeling financiering kinderopvang) in werking. Hiermee krijgt het Lisv de mogelijkheid om voor arbeidsgehandicapten en werkloze uitkeringsgerechtigden op aanvraag een schriftelijke overeenkomst met betrekking tot kinderopvang te sluiten met een rechtspersoon of een natuurlijke persoon. Voorts kan het Lisv werkgevers, die arbeidsgehandicapte of werkloze werknemers gedurende minimaal zes maanden in dienst nemen, onder bepaalde voorwaarden een tegemoetkoming verstrekken in de kosten voor kinderopvang. De regeling financiering kinderopvang geldt voor arbeidsgehandicapte werknemers die in aanmerking zijn gebracht voor een voorziening op grond van artikel 22 van de Wet Rea of die werkzaamheden verrichten op een proefplaats. Ook ziet de regeling op werkloze werknemers die deelnemen aan een traject gericht op inschakeling in het arbeidsproces. Het doel van de regeling financiering kinderopvang is het bevorderen van de uitstroom uit de sociale zekerheid"},{"i":15039,"b":"Spoorwegwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op [richtlijnen 91/440/EEG](31991L0440), [95/18/EG](31995L0018), [96/48/EG](31996L0048), [2001/12/EG](32001L0012), [2001/13/EG](32001L0013), [2001/14/EG](32001L0014) en [2001/16/EG](32001L0016) en mede gelet op het belang van de bescherming van het milieu noodzakelijk is wettelijke bepalingen vast te stellen inzake de aanleg, het beheer en het gebruik van spoorwegen en dat het ter bevordering van een maatschappelijk gewenste benutting van spoorwegen wenselijk is, de verantwoordelijkheid van de overheid voor de aanleg van spoorweginfrastructuur vast te leggen, de verantwoordelijkheid voor vervoer en spoorweginfrastructuur te scheiden en de publieke belangen die gemoeid zijn met het beheer van spoorweginfrastructuur te verzekeren door de invoering van een concessiestelsel voor het beheer, het gebruik van spoorwegen te bevorderen door het stellen van transparante en niet-discriminerende voorschriften en dat het voorts wenselijk is de wetgeving inzake de spoorwegen overigens te moderniseren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aangemelde instantie:** conformiteitsbeoordelingsinstantie die overeenkomstig artikel 37 van de interoperabiliteitsrichtlijn bij de Europese Commissie en de lidstaten is aangemeld; - **aangewezen instantie:** conformiteitsbeoordelingsinstantie die op grond van [artikel 26v, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26v&z=2024-01-01&g=2024-01-01), door Onze Minister is aangewezen; - **Autoriteit Consument en Markt:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consum"},{"i":13511,"b":"Besluit van de Minister voor Natuur en Stikstof, van 7 februari 2023, nr. WJZ/ 26322531 tot instelling van de Commissie schadevergoeding PAS-melders Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **commissie:** commissie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047873&artikel=2&z=2023-02-14&g=2023-02-14); - –. **minister:** Minister voor Natuur en Stikstof; - –. **ministerie:** Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - –. **PAS-melder:** degene die een project heeft gerealiseerd waarvoor een melding is gedaan op grond van [artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036688&artikel=8) zoals dat luidde tot 1 januari 2017 of [artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038668&artikel=2.7) zoals dat luidde op 28 mei 2019. Artikel 2. Instelling Er is een Commissie schadevergoeding PAS-melders. Artikel 3. Taak 1. De commissie heeft tot taak de minister te adviseren over de toekenning van schadevergoeding in elk individueel geval waarin de minister daarom wordt verzocht door een PAS-melder. 2. De commissie baseert haar advies op het geldende recht, in het bijzonder het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. 3. Een verzoek om schadevergoeding wordt door de minister niet aan de commissie voorgelegd indien: - a. een vordering tot vergoeding van de betreffende schade aanhangig is bij de burgerlijke rechter; of - b. de burgerlijke rechter uitspraak heeft gedaan over een vordering tot vergoeding van de betreffende schade. Artikel 4. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten minste twee andere leden. 2. De leden van de commissie worden benoemd door de minister. 3. Benoeming vindt plaats voor een period"},{"i":13424,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 3 juli 2014, nr. WJZ/14109330, tot instelling van een adviescommissie geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen wijn (Instellingsbesluit Adviescommissie geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen wijn) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **commissie:** de Adviescommissie geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen wijn; - **minister:** de Minister van Economische Zaken; - **regeling:** de [Regeling wijn en olijfolie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035180); - **verordening:** Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EEG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) (PbEU 2013 L 347). Artikel 2 1. Er is een Adviescommissie geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen wijn. 2. De commissie heeft tot taak om op verzoek aan de minister advies uit te brengen over: - a. een aanvraag tot registratie van oorsprongsbenamingen of geografische aanduidingen voor wijn als bedoeld in artikel 94 van de verordening; - b. een verzoek tot wijziging van een productdossier als bedoeld in artikel 105 van de verordening; - c. een verzoek tot annulering van een registratie als bedoeld in artikel 106 van de verordening; - d. ingediende bedenkingen tegen de nationale aanvraag tot registratie van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding voor wijn als bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035180&artikel=17) of tegen nationale verzoeken tot niet-minimale wijziging of annulering van de registratie van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding voor wijn als bedoeld in artikel 17, vierde lid, in samenhang met artikel 17, eerste lid, van de regeling; - e. ingedien"},{"i":12485,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 29 juni 2021, nr. IENW/BSK-2021-138524, tot instelling van het Noordzeeoverleg (Besluit Noordzeeoverleg) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **NZA:** Noordzeeakkoord. Artikel 2. Instelling en kerntaak 1. Er is een Noordzeeoverleg. 2. Het Noordzeeoverleg heeft tot taak: - a. het voeren van een op consensus gericht overleg over voorgenomen kernbeslissingen van de overheid ten aanzien van de Noordzee met name op het gebied van de interactie tussen energie, natuur, voedsel/visserij en zeevaart; - b. het vastleggen van conclusies als resultaat van het overleg ten behoeve van de uitvoering van het NZA; - c. het toezien op de adequate uitvoering van het NZA. Artikel 3. Samenstelling Het Noordzeeoverleg bestaat uit: - a. een op voordracht van het Noordzeeoverleg door de Minister benoemde onafhankelijke voorzitter; - b. vier afgevaardigden van het Rijk; - c. drie afgevaardigden van elke van de volgende sectoren: - 1°. energie; - 2°. natuur; - 3°. voedsel/ visserij; en - 4°. zeevaart. Artikel 4. Taken voorzitter De voorzitter heeft tot taak: - 1. het voorzitten en begeleiden van het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045308&artikel=2&z=2024-06-26&g=2024-06-26) bedoelde op consensus gerichte overleg; - 2. ervoor zorg te dragen dat er minimaal twee keer per jaar over de samenwerking, voortgang en resultaten van het Noordzeeoverleg wordt gerapporteerd aan de Minister; - 3. na overleg met de sector, het voorstellen van één of meer vertegenwoordigers indien het de sector niet lukt om vertegenwoordigers af te vaardigen. Artikel 5. Secretariaat De Minister voorziet in het secretariaat voor het Noordzeeoverleg. A"},{"i":11961,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen Gelet op [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van het archief van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (DETAM) (BV18) over de periode (1930–1951) 1952–1997. Artikel 2 1. Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023911&artikel=1&z=2008-06-04&g=2008-06-04) genoemde archief wordt door UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht. 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de in de eerste kolom genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom genoemde jaartal. | Inventaris- nummers: | geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 199 | 2043 | | 200 | 2062 | | 201 | 2070 | | 209 | 2071 | | 265, 267 | 057 | Artikel 3 Raadpleging van de onder [artikel 2, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023911&artikel=2&z=2008-06-04&g=2008-06-04) genoemde archiefbescheiden is slechts mogelijk na schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De verzoeker vult daartoe het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven’ in. De directeur van het Nationaal Archief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. Artikel 4 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van documenten uit de dossiers, waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn, zonder toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. Artikel 5 Publicatie van gegevens uit de ter inzage gegeven archiefbescheiden waa"},{"i":12423,"b":"Besluit invoer kleine dieren BES Artikel 1 1. Onder kleine dieren wordt in dit besluit verstaan de tot de hierna genoemde biologische indeling behorende dieren: - a. de hond (canis domesticus) - b. de kat (felis domestica) - c. de familie der hondachtige - d. de familie der katachtige - e. de familie der hyena-achtige - f. de familie der marterachtigen - g. de familie der beren - h. de familie der haasachtige - i. de familie der halfhoevige - j. de familie der eekhoornachtige - k. de familie der muisachtige - l. de orde der apen - m. de orde der vleermuizen. 2. Bij ministeriële regeling kan dit besluit geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard op andere kleine dieren. Artikel 2 1. Het is verboden kleine dieren in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba in te voeren zonder een geldige gezondheidsverklaring. 2. Een geldig bewijs van vaccinatie tegen rabiës is bovendien vereist voor het invoeren of doorvoeren van de onder a., b. en e. van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028443&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemde diersoorten. 3. Een geldig bewijs van vaccinatie tegen rabiës kan vereist worden voor het invoeren of doorvoeren van de onder c., d., f., g., h., i., j., k., l. en m. genoemde diersoorten. 4. Bij ministeriële regeling kunnen andere voorschriften worden gegeven waaraan bij de invoer of doorvoer van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028443&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemde diersoorten moet worden voldaan. Artikel 3 1. Indien niet aan de in of krachtens [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028443&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) gestelde voorwaarden is voldaan, moet het betrokken dier onmiddellijk in quarantaine worden gesteld. In dat geval is de vervoerder die het dier heeft aangebracht, verplicht dit per eerstvolgende gelegenheid terug of door te voeren. 2. De kosten van onderhoud en verpleging van het dier komen gedurende de quarantainetijd ten last"},{"i":3737,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 26 juni 2015, nr. WJZ/15058474 , houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland betreffende het verstrekken van subsidies ten laste van de Rijkscofinanciering op grond van de Regeling Europese EZ-subsidies (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland inzake subsidieverstrekking Rijkscofinanciering Regeling Europese EZ-subsidies) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder Gedeputeerde Staten verstaan: Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland zijnde managementautoriteit van het Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2014–2020. Artikel 2 Aan Gedeputeerde Staten wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het verstrekken van subsidies ten laste van de Rijkscofinanciering op grond van [hoofdstuk 5 van de Regeling Europese EZ-subsidies,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036758&hoofdstuk=5) voor zover het subsidies betreft die verband houden met het Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2014–2020. Artikel 3 Aan Gedeputeerde Staten wordt mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036801&artikel=2&z=2015-07-09&g=2015-07-09), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep. Artikel 4 1. Gedeputeerde Staten kunnen voor de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036801&artikel=2&z=2015-07-09&g=2015-07-09) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036801&artikel=3&z=2015-07-09&g=201"},{"i":17846,"b":"Wet van 8 oktober 2025 tot wijziging van de Jeugdwet, de Wet marktordening gezondheidszorg en enige andere wetten teneinde te bevorderen dat jeugdhulp en gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering steeds voldoende beschikbaar zijn (Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925), de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) en enige andere wetten te wijzigen teneinde te bevorderen dat jeugdhulp en gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering steeds voldoende beschikbaar zijn en om in het kader daarvan onder meer de zorgautoriteit te belasten met het verrichten van onderzoek naar de beschikbaarheid van jeugdzorg, met het vroegtijdig signaleren van risico’s voor die beschikbaarheid, alsmede met het houden van toezicht op de nakoming van de [artikelen 4.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.5.1) en [4.5.2 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.5.2); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) Wijzigt de Jeugdwet. Artikel II. Wijziging van de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel III. Wijziging van de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IV. Wijziging van de [Verzamelwet VWS 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043208) Wijzigt de Verzamelwet VWS 2020. Artikel V. Wijzigin"},{"i":18648,"b":"Wet van 23 januari 2019 tot wijziging van de Wet op de parlementaire enquête 2008 in verband met de evaluatie van deze wet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om naar aanleiding van de ervaringen van enquêtecommissies sinds 2008 de Wet op de parlementaire enquête 2008 aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de parlementaire enquête 2008. Artikel II Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een van de kamers der Staten-Generaal dan wel de verenigde vergadering der Staten-Generaal op grond van de [Wet op de parlementaire enquête 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023825) heeft besloten een enquête te houden, blijven de bepalingen van die wet zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze wet van toepassing op die enquête. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":3539,"b":"Besluit van 23 april 1997, houdende vaststelling nadere regels inzake gebruik geweld bij uitoefening van buitengewone bevoegdheden (Besluit geweldgebruik bij uitoefening buitengewone bevoegdheden) Op de voordracht van Onze Minister van Defensie, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving, van 30 oktober 1996, nr. CWW 88/014; Gelet op [artikel 8, vierde lid, van de Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983&artikel=8); De Raad van State gehoord (advies van 20 december 1996, nr. W07.96.0515); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 22 april 1997, nr. CWW 88/014; HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983); - b. meerdere: degene die ingevolge het bepaalde bij of krachtens [artikel 67 van het Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=67) de meerdere is; - c. geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis, uitgeoefend op personen of zaken; - d. geweldmiddel: geweldmiddel, genoemd in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008650&paragraaf=4&artikel=6&z=1997-05-01&g=1997-05-01); - e. het gebruik van een vuurwapen: het richten, het gericht houden en het daadwerkelijk gebruik van een vuurwapen. 2. Onder gebruik van geweld wordt mede verstaan het dreigen met geweld. Artikel 2 Dit besluit is niet van toepassing in geval van een internationaal gewapend conflict of een intern gewapend conflict als bedoeld in de gemeenschappelijke artikelen 2 en 3 van de op 12 augustus 1949 tot stand gekomen Verdragen van Genève (**Trb.** 1951, 72 t/m 75), alsmede de op 10 juni 1977 te Genève tot stand gekomen Aanvullende Protocollen (**Trb.** 1980, 87 en 88), in welk geval de voor dat internationaal gewapend conflict of intern gewapend conflict vastgestelde geweldsinstructie van toepassing is op het"},{"i":4214,"b":"Besluit vaststelling Subsidieplafonds 2021 van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904), en gelet op [artikel 7 van het Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044475&artikel=7), [artikel 3 van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044642&artikel=3), [artikel 4 van het Deelreglement Ontwikkeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044508&artikel=4), [artikel 15 van het Deelreglement Realisering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044509&artikel=15), [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044551&artikel=13) en [16 van het Deelreglement Distributie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044551&artikel=16) en [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044640&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044640&artikel=12), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044640&artikel=18) en [23 van het Deelreglement Filmactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044640&artikel=23); Besluit: Artikel I **Het subsidieplafond van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland voor filmproducties voor het kalenderjaar 2021 is € 22.760.000,– (zegge: tweeëntwintig miljoen zevenhonderdzestig duizend euro). (€ 5.690.000,– (zegge: vijf miljoen zeshonderdnegentigduizend euro) per aanvraagronde). Het subsidieplafond van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland voor de pilot voor High-End series voor het kalenderjaar 2021 is € 10.000.000,– (zegge: tien miljoen euro). (€ 3.330.000,– (zegge: drie miljoen driehonderddertigduizend euro) per aanvraagronde in de eerste helft van het jaar, en daarna tot het budget volledig is besteed). Per aanvraagronde worden als eerste alle internationale coproducties gehonoreerd tot maximaal 70% van het budget.** Artikel II Het subsidieplafond van het [Deelreglem"},{"i":15190,"b":"Besluit van 10 september 1936, tot uitvoering van artikel 10, tweede lid, van de \"Schepenwet\" Op de voordracht van Onzen Minister van Waterstaat van 7 September 1936, n°. 482, Afdeeling Vervoer- en Mijnwezen; Gelet op artikel 10, tweede lid, van de \"[Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876)\"; Hebben goedgevonden en verstaan: te bepalen, dat de Commandanten van Onze Politiekruisers, belast met het toezicht op de visscherij in de Noordzee en de aan boord daarvan geplaatste zeeofficieren ter beschikking worden gesteld van den dienst van de Scheepvaartinspectie voor het houden van toezicht op de naleving van de bij of krachtens de \"[Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876)\" vastgestelde bepalingen. Onze Minister van Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":12511,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse zaken van 23 april 2005, nr. DDI/ST/reg 006/2005 houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Tweede Haagse Archief 1945 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is van het archief van het Tweede Haagse Archief 1945, het inventarisnummer 1303 pas geheel openbaar met ingang van 1 januari 2021. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder inventarisnummer 1303, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder inventarisnummer 1303, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationale archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit wordt bekendgemaakt door kennisgeving daarvan in de Staatscourant. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ’Verklaring van Overbrenging van het archief van het Tweede Haagse Archief 1945’."},{"i":15147,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 10 april 2026, nr. RT-0000136054, houdende tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor de beheersing van schurft in de biologische teelt van appel en peer (Tijdelijke vrijstelling voor de beheersing van schurft in de biologische teelt van appel en peer, 2026) handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=38) en artikel 53 van de [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de [Richtlijnen nr. 79/117/EEG](31979L0117) en [91/414/EEG](31991L0414) van de Raad (PbEU 2009, L 309); BESLUIT: Artikel 1 Tijdelijke vrijstelling als bedoeld in [artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=38) en artikel 53 van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) wordt verleend voor het gebruik van Curatio voor de beheersing van schurft (**Venturia** spp.) in de biologische teelt van appel en peer. Artikel 2 Aan de vrijstelling bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052538&artikel=1&z=2026-04-15&g=2026-04-15) zijn de in de bijlage bij dit besluit opgenomen voorschriften en beperkingen verbonden. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt op 28 juni 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijke vrijstelling voor de beheersing van schurft in de biologische teelt van appel en peer, 2026. Bijlage. Wettelijk Gebruiksvoorschrift Curatio (werkzame stof kalkzwavel, 380 g/l) Wettelijk Gebruiksvoorschrift Toegestaan is uitsluitend het professionele gebr"},{"i":12500,"b":"Besluit van de directeur Informatievoorziening, Data en Innovatie/CIO van de directie FIOD van 24 november 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en de teamleiders binnen de directie FIOD wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":12486,"b":"Besluit normbedragen WTS – Maas 2003 Gelet op [artikel 9 van de regeling tegemoetkoming schade bij overstroming van de Maas januari 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014589&artikel=9); Besluit: De volgende normbedragen vast te stellen ten aanzien van de berekening van de teeltplanschade overeenkomstig [artikel 9 van de regeling tegemoetkoming schade bij overstroming van de Maas januari 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014589&artikel=9): | **Granen** | | | --- | --- | | Wintertarwe | 1.210,– | | Wintergerst | 1.016,– | | Triticale | 818,– | | | | | **Graszaad** | | | Engelsraai | 1.320,– | | Italiaansraai | 1.244,– | | | | | **Asperges wit zonder bedekking** | **Asperges wit zonder bedekking** | | 2e jaar | 3.122,– | | 3e jaar | 13.988,– | | 4e t/m 10e jaar | 22.271,– | | | | | **Asperges wit met bedekking** | **Asperges wit met bedekking** | | 3e jaar | 18.256,– | | 4e t/m 10e jaar | 27.202,– | | | | | **Kool** | | | Struikboerenkool | 6.257,– | | Savooiekool bewaar | 14.151,– | | Spitskool bewaar | 11.451,– | | | | | **Rabarber pollenteelt** | | | Rabarber selectie 1-jarig | 12.785,– | | Rabarber selectie 2-jarig | 14.205,– | | | | | **Prei** | | | Winterprei | 16.688,– | | | | | **Uitgestelde teelten** | | | Knolselderij | 3.630,– | | Suikerbieten | 3.027,– | | Maïs | 1.296,– | | Zomertarwe | 1.113,– | | Zomergerst | 1.020,– | | | | | **Grasland** | | | Grassnede 1e | 200,– | | Grassnede 2e | 150,– | | | | | **Peren** | | | 1715 bomen per ha | 17.974,– | | 2100 bomen per ha | 19.358,– | | 2500 bomen per ha | 20.742,– | | 3000 bomen per ha | 23.510,– | | | | | **Zure kersen** | | | 800 bomen per ha | 10.156,– | | | | | **Heesters volle grond** | | | Eenjarig van winterstek | 119.723,– | | Tweejarig van winterstek | 88.553,– | | Eenjarig plantgoed gemakkelijk | 276.916,– | | Eenjarig plantgoed moeilijk | 215.491,– | | Tweejarig plantgoed moeilijk | 157.049,– | | Tweejarig leverbaar van plantgoed | 155.606,– | | Tweejarig leverbaar van door"},{"i":12528,"b":"Besluit van 13 oktober 2020 houdende de oprichting bij de Koninklijke Landmacht van het Wapen van de Informatiemanoeuvre en de oprichting van het daaronder ressorterende Korps Inlichtingen en Veiligheid Prinses Alexia en het Korps Communicatie en Engagement Prinses Ariane Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 7 oktober 2020, nr. BS2020019452, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Met ingang van 20 november 2020 worden opgericht: - a. Het Wapen van de Informatiemanoeuvre; - b. Het Korps Inlichtingen en Veiligheid Prinses Alexia; en - c. Het Korps Communicatie en Engagement Prinses Ariane, 2. Het Wapen van de Informatiemanoeuvre maakt deel uit van de Koninklijke Landmacht. 3. De in het eerste lid, onder b en c genoemde korpsen ressorteren onder het Wapen van de Informatiemanoeuvre. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 20 november 2020. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan een afschrift zal worden gezonden aan Onze Adjudant-Generaal, tevens Chef van Ons Militaire Huis."},{"i":12488,"b":"Besluit van den 30sten Juli 1822, waarbij ten behoeve van de lands drukkerij het regt voorbehouden wordt, tot den druk en de uitsluitende uitgave van het Staatsblad en het Journal officiel Gezien Ons besluit van den 2den Julij 1822 (staatsblad no. 16); Hebben besloten en besluiten : Wij verklaren bij dezen, ten behoeve der lands drukkerij, te reserveren het regt tot den druk en tot de uitsluitende, zoo gezamenlijke als afzonderlijke, uitgave van het **Staatsblad** en het **Journal officiel**, behoudens dat het aan elk en een iegelijk zal vrijstaan om de daarin voorkomende wetten, reglementen, besluiten enz., in dagbladen, nieuwspapieren en andere periodieke geschriften, mitsgaders in werken, de geschied- en staatkunde van het Rijk betreffende, overtenemen. Onze Ministers van binnenlandsche zaken en waterstaat en van justitie zijn belast met de executie van dit besluit, hetwelk in het staatsblad geplaatst zal worden."},{"i":12487,"b":"Besluit van 4 December 1925, tot uitvoering van artikel 198 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van 27 October 1925, 2de afdeeling A n°. 897; Gezien artikel 198 van het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); Den Raad van State gehoord (advies van 17 November 1925 n°. 19); Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Justitie van 30 November 1925, 2de afdeeling A n°. 931; Hebben goedgevonden en verstaan te bevelen: Artikel 1 De aanwijzing van eene inrichting ingevolge [artikel 198 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=198) kan niet plaats hebben dan indien met betrekking tot die inrichting voldaan wordt aan de navolgende voorwaarden: - a. de inrichting moet voldoende ruimte bevatten voor het daarin te huisvesten aantal personen; zij moet, met het oog op den aard der daarin op te nemen verdachten, voldoen aan behoorlijke eischen van veiligheid en waarborgen opleveren tegen hun ontvluchting; - b. voor de reinheid moet nauwgezet zorg worden gedragen; - c. aan de verdachten moet worden verschaft gezond voedsel in voldoende hoeveelheid en behoorlijke kleeding en ligging; aan iederen verdachte moet een afzonderlijk bed worden verstrekt; - d. de verdachten mogen geen anderen arbeid verrichten dan die evenredig is aan hun krachten; - e. in dezelfde inrichting mogen geen verdachten van verschillend geslacht worden opgenomen, tenzij in geheel van elkander gescheiden afdeelingen; - f. voor zooveel de verdachten gedurende den nacht niet onderling afgezonderd worden, moeten de voor hen bestemde slaapzalen zijn ingericht en moet daarbij gedurende den nacht toezicht worden gehouden overeenkomstig de regelingen voor elke inrichting te dien aanzien door Onze Minister van Justitie goed te keuren; - g. het personeel aan de inrichting verbonden moet zijn van goed zedelijk gedrag; - h. de geldelijke voorwaarden der opneming moete"},{"i":15172,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666116 op grond van artikel 3.121 van de Energiewet, en artikel 12f van de Gaswet juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet over transport van gas door de TSB (Transportcode gas TSB) De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f) en [artikel 3.121 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); Besluit: 1. Werkingssfeer en definities 2. Transportdiensten **2.1 Transport** **2.1.1a Entry- en exitpunten** **2.1.2 Entry- en exitcapaciteit** **Omschrijving** Gecontracteerde entrycapaciteit geeft het recht om op een entrypunt een hoeveelheid gas per uur in het transmissiesysteem in te voeden. Gecontracteerde exitcapaciteit geeft het recht om op een exitpunt een hoeveelheid gas per uur aan het transmissiesysteem te onttrekken. **Contractering en toewijzing** Entry- en exitcapaciteit wordt onderscheiden in verschillende capaciteitsproducten. De capaciteitsproducten verschillen wat betreft de aanvangsdatum en aanvangstijd, de duur waarvoor entry- of exitcapaciteit wordt gecontracteerd en de prijs die op het capaciteitsproduct van toepassing is. Op interconnectiepunten biedt de transmissiesysteembeheerder overeenkomstig artikel 9 van NC-CAM standaard jaarcapaciteitsproducten, standaard kwartaalcapaciteitsproducten, standaard maandcapaciteitsproducten, standaard dagcapaciteitsproducten en standaard within-day-capaciteitsproducten aan. Deze standaard capaciteitsproducten worden gecontracteerd en aan erkende balanceringsverantwoordelijken toegewezen door middel van een veiling als bepaald in NC-CAM. Op binnenlandse entry- en exitpunten worden jaarcapaciteitsproducten, kwartaalcapaciteitsproducten, maandcapaciteitsproducten, dagcapaciteitsproducten en within-day-capaciteitsproducten onderscheiden. Jaar-, kwartaal-, maand-, dag- en within-day-capaciteitsproduct"},{"i":7332,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 mei 2018, nr 2018-0000302839, houdende wijziging van de Regeling fonds energiebesparing huursector in verband met verlaging van de subsidieplafonds en intrekking met ingang van 1 juli 2018 Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onderdeel e, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=2) en [8, eerste lid, van de Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling fonds energiebesparing huursector. Artikel II. Overgangsrecht De vóór 1 juli 2018 op grond van de [Regeling energiebesparing huursector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035608) ingediende subsidieaanvragen worden afgehandeld en vastgesteld op basis van de Regeling energiebesparing huursector zoals die vóór die datum luidde. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18291,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 november 2022, nr. 2022-0000027551, houdende instelling van de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijksdienst (Instellingsbesluit Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijksdienst) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. - b. **de commissie:** de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijksdienst. - c. **SGO:** het overleg van Secretarissen-Generaal. Artikel 2 1. Er is een Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijksdienst. 2. De commissie is het ambtelijk voorportaal van de ministerraad op het terrein van de organisatie van het Rijk en de rijksbrede bedrijfsvoering. Artikel 3 1. De commissie heeft tot taak op het in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047819&artikel=2&z=2023-01-26&g=2023-01-26), genoemde terrein desgevraagd of uit eigen beweging te adviseren over wet- en regelgeving en beleidsinitiatieven. 2. De commissie kan ook zelf besluiten nemen over onderwerpen op het gebied van de rijksbrede bedrijfsvoering voor zover besluitvorming door het SGO of de ministerraad niet noodzakelijk is. 3. Besluitvorming door het SGO of de ministerraad is in ieder geval noodzakelijk in het geval van een kabinetsreactie en verantwoording naar de Tweede Kamer. Artikel 4 De commissie brengt de in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047819&artikel=3&z=2023-01-26&g=2023-01-26), bedoelde adviezen uit aan Onze Minister en de Minister die het aangaat. Artikel 5 1. De commissie bestaat uit: - a. een voorzitter, tevens lid: de directeur-generaal Digitalisering en Overheidsorganisatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, vanuit diens stelselverantwoordelijkheid voor de Rijksbrede Bedrijfsvoering - b. een secretaris, belast met vo"},{"i":18107,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 6 september 2022, kenmerk 2701704, houdende beperking van de openbaarheid van de aanvulling op het archief van het Ministerie van Justitie: Directoraat-Generaal van Politie, (1937) 1940-1946 (1948) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 7 juli 2022, met kenmerk zaaknummer 1172845. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid op de aanvulling van het archief van het Ministerie van Justitie: Directoraat-Generaal van Politie, (1937) 1940-1946 (1948) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 675 | 2023 | | 677 | 2024 | | 680 | 2023 | | 682 | 2033 | | 683 | 2029 | | 685 | 2023 | | 687 | 2025 | | 690 | 2027 | | 697 | 2025 | | 698 | 2039 | | 703 | 2024 | | 705 | 2025 | | 713 | 2026 | | 714 | 2025 | | 716 | 2029 | | 804 | 2023 | | 833 | 2043 | | 834 | 2043 | | 835 | 2043 | | 836 | 2043 | | 837 | 2043 | | 838 | 2043 | | 839 | 2043 | | 840 | 2032 | | 841 | 2045 | | 842 | 2056 | | 843 | 2026 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047164&artikel=1&z=2022-09-21&g=2022-09-21), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047164&artikel=1&z=2022-09-21&g=2022-09-21), is, tot openbaarwo"},{"i":15209,"b":"Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen van 12 december 2019, nr. IENW/BSK-2019/235039, houdende regelen ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/1021 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (Uitvoeringsregeling EU-verordening persistente organische verontreinigende stoffen) Gelet op Verordening (EU) nr. 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PbEU 2019, L 169) en op de [artikelen 9.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.1.1) en [9.2.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), in verband met [21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6); BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij:** aanbieder van een dienst zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van [Richtlijn (EU) 2015/1535](32015L1535) van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241); - **marktdeelnemer:** marktdeelnemer als bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van de EU-verordening markttoezicht; - **op de markt aanbieden:** op de markt aanbieden als bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van de EU-verordening markttoezicht; - **verordening:** [Verordening (EU) nr. 2019/1021](32921R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PbEU 2019, L 169). Artikel 2 Deze regeling is mede van toepassing op handelingen verricht binnen de exclusieve economische zone. Artikel 3 Als bevoegde instantie als bedoeld in artikel 19 van de verordening, wordt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen. Artikel 4 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artike"},{"i":15210,"b":"Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=5) en [8 van de Wet financiering decentrale overheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=8), Besluit: Artikel 1 In deze ministeriële regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Voor de openbare lichamen wordt het percentage, als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=3) als volgt vastgesteld: - a. voor de provincies: 7,0%; - b. voor de gemeenten: 8,5%; - c. voor de waterschappen: 23%; - d. voor de gemeenschappelijke regelingen: 8,2%. 2. Voor de openbare lichamen wordt het in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=5) genoemde percentage als volgt vastgesteld: - a. voor de provincies: 20%; - b. voor de gemeenten: 20%; - c. voor de waterschappen: 30%; - d. voor de gemeenschappelijke regelingen: 20%. 3. Voor de renterisiconorm geldt een minimumbedrag van 2.500.000 euro. Artikel 3 Het renterisico op de vaste schuld in een jaar wordt als volgt berekend: de som van het bedrag aan herfinanciering en het bedrag aan renteherziening op de vaste schuld. Artikel 4 1. De openbare lichamen zenden aan de toezichthouder - a. Jaarlijks tezamen met het jaarverslag een opgave van: - 1°. Het begrotingstotaal bij aanvang van het voorgaande jaar en het komende jaar; - 2°. De kasgeldlimiet bij aanvang van het voorgaande jaar; - 3°. De gemiddelde netto vlottende schuld in elk van de kalenderkwartalen van het voorgaande jaar; - 4°. De renterisiconorm bij aanvang van het komende jaar; - 5°. Het renterisico op de vaste schuld over de komende vier jaren. 2. De openbare lichamen als bedoeld in [artikel 1, lid a, van de wet](https://wetten.overh"},{"i":15240,"b":"Regeling tot vaststelling van regels ter uitvoering van de Wet op het financieel toezicht, de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht en tot wijziging van enige andere regelingen (Uitvoeringsregeling Wft) Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen § 2.1. Algemene bepalingen § 2.2. Berekening effectief kredietvergoedingspercentage voor consumptief krediet Artikel 4 1. Voor overeenkomsten inzake hypothecair krediet wordt het effectief kredietvergoedingspercentage berekend als volgt: **p** = [1 + **im**)**m** – 1] • 100, waarbij de waarde van **im** wordt berekend met de volgende formule: In deze formules is: p: het effectief kredietvergoedingspercentage; **im**: het honderdste deel van het kredietvergoedingspercentage per betalingstermijn; m: het aantal betalingstermijnen per jaar; K: de kredietsom; A: de kosten die de aanbieder van hypothecair krediet bij het afsluiten van de overeenkomst inzake hypothecair krediet in rekening brengt; t: het volgnummer van de onderscheidenlijke termijnbedragen en van de onderscheidenlijke betalingstermijnen; n: de economische looptijd, berekend over maximaal dertig jaren, uitgedrukt in het aantal betalingstermijnen; Tt: het termijnbedrag met volgnummer t; en Rn: de (eventuele) (restant-)schuld aan het eind van de economische looptijd of, indien de looptijd langer is dan dertig jaren, na dertig jaren. 2. Indien de termijnbedragen aan het begin van elke betalingstermijn worden betaald, wordt K in de formule in het eerste lid (K –T(1)), en wordt n in de formule in het eerst lid (n – 1). Artikel 5 In de informatie die een aanbieder op grond van [artikel 59aa, eerste lid, onderdelen a en b, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=59aa) aan een consument verstrekt, worden de componenten waaruit de variabele debetrentevoet is opgebouwd, met gebruikmaking van de volgende aanduidingen benoemd: - a. basistarief; - b. op"},{"i":15192,"b":"Besluit van 11 maart 1987, tot algemeen verbindendverklaring van de regeling omtrent de uitgifte, de verhandeling en de uitbetaling tegen inlevering van spaarbewijzen als bedoeld in artikel 2 van de Wet inzake spaarbewijzen Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen van 27 februari 1987 no. 387-1784; Gelet op [artikel 2 van de Wet inzake spaarbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003797&artikel=2) (**Stb.** 1985, 293); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Ten aanzien van ondernemingen en instellingen die spaarbewijzen uitgeven, worden algemeen verbindend verklaard: - a. de overeenkomst van 11 mei 1981 tussen De Nederlandsche Bank N.V. en de representatieve organisaties als bedoeld in artikel 1, onder **d**, van de [Wet inzake spaarbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003797) inzake een uniforme gedragslijn ten aanzien van niet op naam gestelde spaarbewijzen, voor zover het spaarbewijzen betreft die zijn uitgegeven na 10 mei 1981 doch voor 2 februari 1987, en - b. de overeenkomst van 2 februari 1987 tussen De Nederlansche Bank N.V., de representatieve organisaties als bedoeld in artikel 1, onder **d**, van de [Wet inzake spaarbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003797) en de Postbank N.V., inzake vaststelling van een nader gepreciseerde, uniforme gedragslijn ten aanzien van niet op naam gestelde spaarbewijzen, voor zover het spaarbewijzen betreft die zijn of worden uitgegeven na 1 februari 1987. 2. De tekst van de overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid zijn als bijlagen bij dit besluit gevoegd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Overeenkomst d.d. 11 mei 1981 inzake vaststelling van een uniforme gedragslijn ten aanzien van niet op naam gestelde spaarbewijzen Gelet op de wenselijkheid om: is ............, hierna te noemen bereid een overeenkomst aan te gaan met De Ned"},{"i":15281,"b":"Wet van 14 september 2006 tot uitvoering van verordening (EG) Nr. 1435/2003 van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) (Uitvoeringswet verordening Europese coöperatieve vennootschap) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [Verordening (EG) 1435/2003](32003R1435) van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) (PbEU L 207) moet worden uitgevoerd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van de [artikelen 2 tot en met 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020302&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2017-09-01&g=2017-09-01) van deze wet wordt verstaan onder: - a. Verordening: de [Verordening (EG) nr. 1435/2003](32003R1435) van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) (PbEU L 207); - b. Europese coöperatieve vennootschap: een vennootschap, opgericht overeenkomstig de Verordening. Artikel 2 Een juridisch lichaam in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Verordening kan deelnemen aan de oprichting van een Europese coöperatieve vennootschap met statutaire zetel in Nederland. Artikel 3 Tenzij de statuten anders bepalen, zijn de [leden 2 en 3 van artikel 86c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=86c) van overeenkomstige toepassing op de levering van aandelen van een Europese coöperatieve vennootschap. Artikel 4 Ten behoeve van de verplaatsing van de statutaire zetel naar een andere lidstaat van de Europese Unie, legt een Europese coöperatieve vennootschap met statutaire zetel in Nederland een voorstel tot zetelverplaatsing als bedoeld in"},{"i":2946,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 6 juli 2015, FM 2015/1000 M, directie Financiële Markten, tot aanwijzing van instanties tot buitengerechtelijke geschillenbeslechting als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht (Besluit aanwijzing geschilleninstanties Wft) Gelet op [artikel 16, eerste lid, van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036550&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Als instanties tot beslechting van geschillen als bedoeld in [artikel 4:17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:17) worden aangewezen: - a. voor geschillen met betrekking tot betaaldiensten, financiële diensten of financiële producten, niet zijnde ziektekostenverzekeringen als bedoeld in onderdeel b of zorgverzekeringen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1): de Stichting Klachteninstituut Financiële Dienstverlening; - b. voor geschillen met betrekking tot ziektekostenverzekeringen, niet zijnde zorgverzekeringen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1): de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen. Artikel 2 De volgende besluiten worden ingetrokken: - a. het [besluit van de Minister van Financiën van 21 december 2006 tot erkenning als geschilleninstantie als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, onder b, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020956) (Stcrt. 2007, 5); - b. het besluit van de Minister van Financiën van 11 juli 2008 tot erkenning als geschilleninstantie als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, onderdeel b, van de Wft (Stcrt. 2008, 141). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 9 juli 2015. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt"},{"i":7509,"b":"Besluit van de Staatssecretarisvan Veiligheid en Justitie van 3 november 2016, nr. 2008299 houdende aanwijzing van het College bescherming persoonsgegevens als toezichthoudende autoriteit bevoegd voor het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens door overheidsdiensten in de zin van Bijlage III, Bijlage A, § 3, onder a, van uitvoeringsverordening (EU) 2016/1250 van de Commissie van 12 juli 2016 overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming (PbEU L 207) Gelet op artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 25, zesde lid, van [richtlijn 95/46/EG](31995L0046) van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEU L 281), artikel 5 en Bijlage III, Bijlage A, § 3, onder a, van uitvoeringsverordening (EU) 2016/1250 van de Commissie van 12 juli 2016 overeenkomstig [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming (PbEU L 207) en [artikel 52, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=52); Besluit: Artikel 1 Het College bescherming persoonsgegevens, bedoeld in [artikel 51, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=51), is voor Nederland de toezichthoudende autoriteit bevoegd voor het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens door overheidsdiensten in de zin van Bijlage III, Bijlage A, § 3, onder a, van uitvoeringsverordening (EU) 2016/1250 van de Commissie van 12 juli 2016 overeenkomstig [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming"},{"i":4862,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal Overheidsinformatie en Erfgoed van 25 november 2025, nr. 54413708, houdende de verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de inspecteur-generaal ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed 2025) Gelet op [artikel 10:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=2), [artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=7), [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=11) en [artikel 14 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=14); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **inspecteur-generaal:** inspecteur-generaal Overheidsinformatie en Erfgoed. - b. **afdelingshoofd:** - –. hoofdinspecteur Overheidsinformatie, hoofd van de afdeling Overheidsinformatie; - –. hoofdinspecteur Erfgoed, hoofd van de afdeling Erfgoed; - –. hoofd Stafafdeling. - c. **convenant:** convenant als bedoeld in [aanwijzing 1, tweede lid, van de Aanwijzingen voor convenanten 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051610&artikel=1), vastgesteld door de Minister-President in de regeling van 29 september 2025 tot vaststelling van de Aanwijzingen voor convenanten, met inbegrip van soortgelijke schriftelijke en ondertekende afspraken met andere organisaties van de rijksoverheid. - d. **bedrag:** bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (btw). Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging 1. Alle in dit besluit genoemde ondermandaat- en volmachtbevoegdheden en machtigingen worden uitgeoefend met inachtneming van het [Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543). 2. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt"},{"i":17484,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 18 december 2007, nr. AM/SAM/07/41474, tot vaststelling van regels betreffende de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (Regeling uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken 2008) Gelet op de [artikelen 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=8) en [14, tweede lid, van de Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=14) en de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017240&artikel=3), [8, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017240&artikel=8), [16, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017240&artikel=16), en [18, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017240&artikel=18); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: de wet: de [Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903); het besluit: het [Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017240); de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hoofdstuk 2. Herindicatie Artikel 2. Inschakeling deskundigen bij het onderzoek 1. Bij het onderzoek, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017240&artikel=3) wordt zo nodig een arbeidsdeskundige, een arts of een psycholoog betrokken. 2. Bij het onderzoek, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017240&artikel=3) vindt multidisciplinair overleg plaats met een team van deskundigen bestaande uit een arbeidsdeskundige, een arts en een psycholoog, indien: - a. als gevolg van tegenstrijdige informatie van afzonderlijke deskundigen onduidelijkheid bestaat of de geïndiceerde al dan niet to"},{"i":15409,"b":"Verantwoordingen Zvw met accountantsproduct vanaf oplevering 2019 (Accountantsprotocol) Vooraf In december 2017 heeft de NZa het ‘Accountantsprotocol verantwoordingen RVE Zvw met oplevering in 2018’ gepubliceerd. In de aanbiedingsbrief daarbij hebben we aangekondigd een protocol voor onbepaalde tijd uit te brengen. Met dit protocol willen we waarborgen dat we tijdig duidelijkheid over de algemene kaders geven. Dit protocol betreft de uitvraag in een bepaald jaar mét accountantsproduct. Er vinden vrijwel jaarlijks wijzigingen plaats in deze uitvraag. Daarom maken wij voor de verantwoordingen die onder dit protocol vallen een verwijzing naar de publicaties hierover door het Zorginstituut. Naast de wijzigingen voor het omzetten naar onbepaalde tijd, zijn de belangrijkste inhoudelijke wijzigingen: Met het doorvoeren van deze wijzigingen willen we een positieve bijdrage leveren aan het zo tijdig mogelijk duidelijkheid geven en aan de beperking van de administratieve lasten. De Raad van Bestuur van de NZa heeft op 1 mei 2018 dit protocol vastgesteld. Het protocol treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin dit protocol is geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018. Bijlage 1. Uitgangspunten 1.1. Inleiding Dit accountantsprotocol heeft betrekking op de verantwoordingen die voor de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) met accountantsproduct worden uitgevraagd aan de zorgverzekeraars en het uitvoeringsverslag Zvw. In het Handboek zorgverzekeraars informatie Zorgverzekeringswet (verder ‘Handboek’) van het Zorginstituut is omschreven wat er wanneer uitgevraagd wordt. In de jaarlijks gepubliceerde ‘Regeling structurele aanlevering gegevens Zorgverzekeringswet 20xx’ is ook opgenomen wat, wanneer en aan wie opgeleverd moet worden. Digitale aanlevering aan de NZa is toegestaan. 1.2. Kader De NZa houdt op grond van [artikel 16 Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002007"},{"i":15432,"b":"Vergoedingenregeling reiskosten Kiesraad Gelet op [artikel 16 van het Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889&artikel=16); Besluit: Artikel 1 1. De Minister van Binnenlandse Zaken vergoedt aan de leden en de secretaris van de Kiesraad de reiskosten op basis van openbaar vervoer eerste klasse of op basis van eigen vervoer, gemaakt voor het bijwonen van vergaderingen ten behoeve van de uitoefening van hun taken zoals bedoeld in [artikel A 1 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=A_1), zonder dat daarvoor bewijsstukken behoeven te worden overgelegd. 2. De vergoeding van eigen vervoer bedraagt de hoogte van het bedrag zoals genoemd in [artikel 2 van de Reisregeling binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005912&artikel=2) (16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt. 56). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1994. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als Vergoedingenregeling reiskosten Kiesraad."},{"i":15475,"b":"Verordening op de organen voor de Beroepsreglementering Gelet op [artikel 3, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5) en [19, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: - –. **aan assurance verwante opdracht:** aan assurance verwante opdracht als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - –. **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); - –. **assurance opdracht:** assurance-opdracht als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034652&artikel=1); - –. **beroepsorganisatie:** Nederlandse beroepsorganisatie van accountants als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=2); - –. **beroepsreglementeringsproces:** het regelgevend proces voor het opstellen van gedrags- en beroepsregels van de beroepsorganisatie, handreikingen en alerts van de beroepsorganisatie en interpretaties van gedrags- en beroepsregels. - –. **bestuur:** bestuur van de beroepsorganisatie; - –. **collegelid of collegeleden:** lid of leden van het College; - –. **IAASB:** International Auditing and Assurance Standards Board; - –. **IESBA:** International Ethics Standards Boards for Accountants; - –. **lid of leden:** het lid of de leden van het Belanghebbendenorgaan; - –. **subcommissielid of subcommissieleden:** het lid of de leden van een subcommissie. Hoofdstuk 2. Het belanghebbendenorgaan beroepsreglementering Artikel 2 1. Er is"},{"i":15492,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 juni 2003, nr. AZ/B&ADIV/2003/34358 houdende vervanging van archiefbescheiden Gelet op de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) en [9, eerste lid, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=9) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2),[6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [8, Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=8); Besluit: Artikel 1 De dossiers Tewerkgestelde Erkend Gewetensbezwaarden Militaire Dienst (TEGMD) over de jaren 1990-1997 te vervangen overeenkomstig [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015146&artikel=2&z=2003-06-05&g=2003-06-05), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015146&artikel=3&z=2003-06-05&g=2003-06-05) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015146&artikel=4&z=2003-06-05&g=2003-06-05) van dit Besluit. Artikel 2 De gegevens uit de bovengenoemde dossiers worden op een juiste en volledige wijze in de Reproducties op microfilm weergegeven. Bij het nemen van het besluit is vastgesteld dat de mogelijke culturele waarde en het belang van de informatie die in de archiefbescheiden voorkomt, niet worden geschaad. Artikel 3 De oorspronkelijke archiefbescheiden worden om redenen van efficiënt beheer vernietigd. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":15495,"b":"Vervanging openbare registers door microfoto's (Kadaster Amsterdam, Zwolle) Gelet op [artikel 9 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=9) (Stb. 1991, 570), Besluit: Artikel 1 De inhoud van het register van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, gehouden aan het kantoor van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te Zwolle, wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van microfoto's, voor zover het betreft de van 6 januari 1990 tot en met 31 december 1992 verschenen delen van het register Hypotheken 4, zijnde de delen 6518 tot en met 7459. Artikel 2 De inhoud van het register van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, gehouden aan het kantoor van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te Amsterdam, wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van microfoto's voor zover het betreft de van 8 januari 1993 tot en met 16 februari 1993 verschenen delen van het register Hypotheken 4, zijnde de delen 11311 tot en met 11370. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1994 en wordt opgenomen in de Staatscourant."},{"i":11381,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 7 oktober 2013, houdende regels aangaande de voorwaarden waaronder een tegemoetkoming kan worden verleend in de kosten die voor de gedetineerden kunnen zijn verbonden aan het volgen van onderwijs en het deelnemen aan andere educatieve activiteiten (Regeling tegemoetkoming kosten onderwijs gedetineerden) Gelet op [artikel 48, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=48); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **kosten:** bedragen die verschuldigd zijn voor het volgen van een opleiding, de aanschaf van leermiddelen of voor het afleggen van tentamens en examens; - b. **opleiding:** onderwijs dat wordt verzorgd door een bij of krachtens de wet erkende onderwijsinstelling, voor zover hierin niet in de inrichting wordt voorzien; - c. **educatieve activiteiten:** activiteiten, niet zijnde onderwijs, gericht op de bevordering van de persoonlijke ontplooiing ten dienste van het maatschappelijk functioneren van de gedetineerde door de ontwikkeling van kennis, inzicht, vaardigheden en houdingen op een wijze die aansluit bij zijn behoeften, mogelijkheden en ervaringen alsmede maatschappelijke behoeften, voor zover hierin niet in de inrichting wordt voorzien; - d. **verzoek:** een verzoek om tegemoetkoming in de kosten; - e. **detentie- en re-integratieplan:** een beschrijving van de re-integratiedoelen en van de afspraken omtrent verwezenlijking van deze doelen, die in overleg met de gedetineerde worden opgesteld. Artikel 2 1. De gedetineerde die aan een opleiding of aan een educatieve activiteit wenst deel te nemen, kan een verzoek om tegemoetkoming in de kosten indienen bij de directeur indien aannemelijk is dat hij niet zelf de kosten kan dragen en indien niet uit andere hoofde in een tegemoetkoming in de kosten kan worden voorzien. 2. Het verzoek wordt tijdig voor het verstrijken van de inschrijvingstermijn voor de betreffend"},{"i":15544,"b":"Wet van 11 december 2024, houdende wijziging van enkele wetten van met name het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in verband met verscheidene technische en kleine beleidsmatige wijzigingen (Verzamelwet SZW 2025) Artikel I. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IV. [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel V. [Arbeidswet BES 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028202) Wijzigt de Arbeidswet 2000 BES. Artikel Va. [Tabaks- en rookwarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302) Wijzigt de Tabaks- en rookwarenwet. Artikel VI. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VII. [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) Wijzigt de Warenwet. Artikel VIII. [Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616) Wijzigt de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Artikel IX. [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel X. [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel XI. [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel XII. [Wet flexibel werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011173) Wijzigt de Wet flexibel werken. Artikel XIII. [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://w"},{"i":15559,"b":"Visserijwet BES Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **vissen:** te water brengen, te water hebben, lichten of ophalen van vistuigen alsmede het op enigerlei andere wijze pogen om vis uit het water te bemachtigen; - c. **visserijcommissie:** commissie, ingesteld krachtens [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&hoofdstuk=III&artikel=13&z=2023-01-01&g=2023-01-01); - d. **visserijzone:** zone bestaand uit de territoriale zee rond Bonaire, Sint Eustatius en Saba, vastgesteld bij of krachtens [artikel 1 van de Rijkswet uitbreiding territoriale zee van het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003749&artikel=1), en de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, voorzover deze betrekking heeft op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder vis mede verstaan: - a. schaaldieren, schelpdieren en overige weekdieren, zeewieren, koralen, zeezoogdieren, schildpadden, zeesterren en zeeëgels; - b. kuit en broed van vis; - c. broed en zaad van schaal- en schelpdieren. Hoofdstuk II. Algemene Bepalingen Artikel 2 1. Het is verboden in de territoriale zee en in de visserijzone te vissen zonder, of in afwijking van een vergunning. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is behoudens het bepaalde in het derde lid, in de territoriale zee niet van toepassing op degene die vist met een vaartuig met een inhoud van minder dan zes bruto registerton of een lengte van minder dan twaalf meter. De lengte van het vaartuig wordt hierbij gemeten van de aansnijding van het dek of het doorgestrookte dek met de voorsteven tot aan de binnenkant van de spiegel. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat voor het vissen in de territoriale zee met een vaartuig als bedoeld in het tweede lid, een vergunning van het bestuurscollege van het desb"},{"i":15562,"b":"Besluit van de directeur-generaal Toeslagen van 12 mei 2026, nr. 2026-0000195249, houdende het verlenen van volmacht aan de programmadirecteur van directie Business Ontwikkeling voor het ondertekenen van gegevensleveringsovereenkomsten met kinderopvangorganisaties in het kader van de pilot gegevenslevering (Volmachtbesluit ondertekenen gegevensleveringsovereenkomsten KOO’s pilot gegevenslevering) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=4) en [artikel 5 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=5) en [artikel 38 van de Algemene wet inkomensonafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=38); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit volmachtbesluit wordt verstaan onder: - a. **BO:** Business Ontwikkeling; - b. **Dienst Toeslagen:** Dienst Toeslagen als bestuursorgaan in de zin van [artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:1); - c. **Gegevensleveringsovereenkomst:** de overeenkomst tussen Dienst Toeslagen en een kinderopvangorganisatie die deelneemt aan de pilot gegevenslevering voor het leveren van gegevens door de kinderopvangorganisatie aan Dienst Toeslagen; - d. **KOO:** kinderopvangorganisatie; - e. **Volmacht:** de bevoegdheid om namens Dienst Toeslagen privaatrechtelijke handelingen te verrichten. Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van: - a. Volmacht: de bevoegdheid om namens Dienst Toeslagen privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten;"},{"i":15574,"b":"Vreemdelingencirculaire 2000 (C) C1. Asiel algemeen 1. Inleiding In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van de [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), [30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30a), [30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30b), [30c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30c), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=36), [37 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=37) en van de [artikelen 3.107b tot en met 3.121 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.107). De IND behandelt de informatie die de vreemdeling verstrekt op grond van [artikel 31, tweede lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) strikt vertrouwelijk met inachtneming van de AVG en de privacyreglementen voor de geautomatiseerde informatiesystemen, waarin de vreemdeling is geregistreerd. De IND verstrekt geen informatie over de vreemdeling aan derden, anders dan op grond van wettelijke verplichtingen of met de uitdrukkelijke toestemming van de vreemdeling. De IND verzoekt de vreemdeling om toestemming om het dossier van de vreemdeling door te zenden naar de Officier van Justitie, in ieder geval als: De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen maakt op grond van [artikel 4.29 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) geen aantekeningen in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling over de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling. Dit geldt in ieder geval voor de vreemdeling: De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen mag een aantekening maken in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling over de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de vreemdeling geen asielpro"},{"i":15579,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende een vrijstelling van de draagplicht van het legitimatiebewijs als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Gelet op [artikel 26, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=26); Besluit: Artikel 1 De ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die over opsporingsbevoegdheid beschikt, is bevoegd in plaats van een legitimatiebewijs als bedoeld in [artikel 26, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=26) het legitimatiebewijs bij zich te dragen dat hem op de voet van de [Regeling politielegitimatiebewijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006559) is uitgereikt. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":15583,"b":"Vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden inzake het biocide Maxforce Quantum (Vrijstelling Maxforce Quantum Mediterraan draaigatje 2021) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gezien het verzoek van het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD) tot vrijstelling van de biocide Maxforce Quantum (toelatingsnummer NL-0011349-0000) op basis van de werkzame stof imidacloprid ten behoeve van de bestrijding van de invasieve exotische mier Mediterraan draaigatje; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 In verband met de bestrijding van de kolonies van de invasieve exotische mieren Mediterraan draaigatje, wordt op grond van [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden van de professionele biocide en het professioneel gebruik van de biocide Maxforce Quantum. Artikel 2 Ten behoeve van de bestrijding van de invasieve exotische mier Mediterraan draaigatje is op grond van artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012 het op de markt aanbieden voor uitsluitend het hierna genoemde gebruik en het gebruik in de hierna genoemde omstandigheden van het middel Maxforce Quantum toegestaan uitsluitend na het doen van een melding bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en binnen een aanpak van geïntegreerde plaagdiermanagement. Artikel 3 Aan de vrijstelling en toestemming zijn de i"},{"i":15588,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 23 februari 2026, nr. IENW/BSK-2026/12867 houdende tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van VectoBac WG voor het bestrijden van exotische muggen in binnenruimten (Vrijstelling VectoBac WG Exotische muggen 2026) Gelezen het verzoek van de directeur Infectieziektenbeleid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (verder: VWS) van 12 augustus 2025 tot vrijstelling van het verbod op het gebruik van de biocide VectoBac WG, voor het bestrijden van bepaalde exotische muggen (Aedes spec) in binnenruimten, met uitzondering van ruimten die bedoeld zijn of gebruikt worden voor menselijk verblijf; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528); BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van het bestrijden van bepaalde exotische muggen (Aedes spec) in binnenruimtes, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528), voor het onder voorwaarden op de Nederlandse markt aanbieden en gebruiken van de biocide VectoBac WG, en - b). artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528) toegestaan dat de in het onderdeel a genoemde biocide op de Nederlandse markt wordt aangeboden en gebruikt. Artikel 2 Aan de vrijstelling en toestemming, bedoeld in [artikel 1, onderdelen a onderscheidenlijk b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052416&artikel=1&z=2026-03-11&g=2026-03-11), z"},{"i":15589,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 19 september 2014, nr. WJZ / 14122681, tot vrijstelling afwijkend gebruik frequentieruimte Explosieven Opruimingsdienst Defensie (Vrijstelling afwijkend gebruik frequentieruimte EODD) Gelet op [artikel 3.22, tweede lid, Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **afwijkend gebruik van de frequentieruimte:** afwijkend gebruik van de frequentieruimte dat bestaat uit jammen, ter uitvoering van de aan de EODD opgedragen taak als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035577&artikel=2&z=2014-09-25&g=2014-09-25); - b. **EODD:** Explosieven Opruimingsdienst Defensie, onderdeel van het Commando Landstrijdkrachten, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Defensie; - c. **jammen:** het met daartoe geschikte apparatuur tijdelijk verstoren of onmogelijk maken van specifieke communicatie of een normaal gebruik van frequentieruimte in een bepaalde frequentieband in een bepaald geografisch gebied; - d. **minister:** de Minister van Economische zaken; - e. **wet:** [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950). Artikel 2 Ambtenaren van de EODD zijn bevoegd om afwijkend gebruik te maken van de frequentieruimte ten behoeve van de ruiming van explosieven voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in de [artikelen 3 tot en met 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035577&artikel=3&z=2014-09-25&g=2014-09-25) van deze regeling. Artikel 3 1. Een afwijkend gebruik van de frequentieruimte wordt, voor zover dat mogelijk is, vooraf gemeld aan de minister. 2. De melding, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste de volgende gegevens: - a. de naam van degene die een besluit tot afwijkend gebruik van de frequentieruimte heeft genomen, de datum en het tijdstip waarop het besluit is genomen; - b. de periode waarbinnen een afwijkend gebruik van de frequentieruimte plaatsvindt; -"},{"i":15595,"b":"Vrijstellingsregeling Portieverpakkingen dik-vloeibare melkprodukten (Warenwet) Gelet op [artikel 14, vierde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) (Stb. 1935, 793); Besluiten Artikel 1 Vrijstelling wordt verleend van het bepaalde in artikel 23, eerste lid, van verordening (EU) 1169/2011 ten aanzien van voorverpakte dik-vloeibare melkprodukten, krachtens welke bepaling de hoeveelheid van bedoelde waren moet zijn uitgedrukt in liter, centiliter of milliliter, onder de volgende voorwaarden: - a. de hoeveelheid moet zijn uitgedrukt in grammen; - b. de nominale hoeveelheid mag ten hoogste 200 gram bedragen. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Vrijstellingsregeling portieverpakkingen dik-vloeibare melkproducten. Artikel 3 Deze regeling wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt en treedt in werking met ingang van de tweede dag volgende op die van haar bekendmaking."},{"i":15598,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 december 2004, nr. MJZ2004128508, houdende intrekking van diverse VROM-regelingen (VROM intrekkingsregeling 2004) Besluit: Paragraaf 1. Intrekking regelingen Artikel 1 Op het gebied van Wonen worden de volgende regelingen en beschikkingen ingetrokken: - A. Op grond van de [Huisvestingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005674): - Regeling tekortgemeenten standplaatsen Huisvestingswet. - B. Op grond van de [Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659): - 1°. Regeling huursubsidiegrenzen 1998; - 2°. Regeling huursubsidiegrenzen 1999; - 3°. Regeling huursubsidiegrenzen 2000; - 4°. Regeling huursubsidiegrenzen 2001; - 5°. Regeling huursubsidiegrenzen 2002; - 6°. Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 september 1997, nr. HIS97551937, houdende verlenging indieningstermijn aanvraag tot het verlenen van huursubsidie subsidiejaar 1997/1998 (Stcrt. 1997, 186); - 7°. Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 september 1998, nr. MJZ98091535, houdende verlenging van de termijn voor indiening aanvragen huursubsidie subsidiejaar 1998/1999 door primaire aanvragers (Stcrt. 1998, 202 en 206V), en - 8°. Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 juni 1999, nr. MJZ99177730, houdende verlenging indiening aanvragen huursubsidie voor het subsidiejaar 1999/2000 door eerste aanvragers (Stcrt. 1999, 115). - C. Op grond van de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315): - 1°. Regeling vaststelling maximale huurprijsgrenzen woonruimte 2000/2001, en - 2°. Regeling vaststelling maximale huurprijsgrenzen woonruimte 2001/2002. - D. Op grond van de [Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007419): - Regelin"},{"i":15603,"b":"Wet van 22 mei 2019, houdende regels omtrent het waarborgen van edelmetalen voorwerpen (Waarborgwet 2019) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Waarborgwet 1986](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009275) inhoudelijk op enkele punten te wijzigen en wetgevingstechnisch in zijn geheel te moderniseren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **deel:** te onderscheiden bestanddeel of onderdeel van een voorwerp met dien verstande dat een legering van edelmetaal als één deel wordt beschouwd; - –. **edelmetaal:** platina, goud, palladium of zilver; - –. **edelmetalen voorwerp:** sieraad, edelsmidswerk, uurwerk of ander object dat geheel of gedeeltelijk van edelmetaal of van een legering van edelmetaal is vervaardigd; - –. **gehalte:** hoeveelheid van een bepaald edelmetaal uitgedrukt in duizendsten van de totale massa van de betrokken legering; - –. **gehalteproef:** onderzoek van een voorwerp op het gehalte aan edelmetaal; - –. **gehaltemerk:** gehaltemerk dat ingevolge wettelijke voorschriften bestemd is of op enig tijdstip bestemd is geweest om het gehalte van platina, gouden, palladium of zilveren voorwerpen te waarborgen; - –. **gouden voorwerp:** edelmetalen voorwerp met een gehalte aan goud dat niet lager is dan 585 duizendsten; - –. **Kaderwet:** [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - –. **legering van edelmetaal:** vaste stof die bestaat uit een mengsel van ten minste één edelmetaal met andere metalen of elementen; - –. **nationale accreditatie-instantie:** nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4 van de verordening (EG) nr. 765/2008"},{"i":15609,"b":"Wet van 28 december 1935, houdende voorschriften betreffende de hoedanigheid en aanduiding van waren Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in verband met de huidige omstandigheden gewijzigde wettelijke voorschriften vast te stellen ter bevordering van de goede hoedanigheid van waren, en regelen vast te stellen betreffende de aanduiding van waren; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. waren: roerende zaken waaronder eetwaren, met inbegrip van kauwpreparaten andere dan tabak, en drinkwaren alsmede bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen onroerende zaken; - b. eet- en drinkwaren: levensmiddelen, bedoeld in artikel 2 van [verordening (EG) nr. 178/2002](32002R0178) van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31); - c. technisch voortbrengsel: iedere technisch voortgebrachte waar, niet zijnde een eet- of drinkwaar; - d. Onze Minister: - 1°. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, dan wel - 2°. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voor zover het te nemen besluit of te regelen onderwerp voor beroepsmatige toepassing bestemde persoonlijke beschermingsmiddelen, machines en verwante producten dan wel andere technische voortbrengselen betreft of indien het te nemen besluit of te regelen onderwerp liften, containers, drukvaten van eenvoudige vorm of drukapparatuur en samenstellen daarvan dan wel explosieveilig materieel betreft; - e. verhandelen: het te koop aanbieden, uitstallen, tentoon"},{"i":15614,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 april 2023, kenmerk 3562279-1045822-WJZ, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de veiligheid van attractie- en speeltoestellen (Warenwetregeling attractie- en speeltoestellen) Warenwetregeling attractie- en speeltoestellen Gelet op [artikel 7c, tweede lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7c) en de [artikelen 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048026&artikel=6), [7, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048026&artikel=7), [9, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048026&artikel=9), [12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048026&artikel=12), [24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048026&artikel=24), en [artikel 27, vierde lid, van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048026&artikel=27); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - −. **besluit:** [Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048026); - −. **de Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - −. **overleg aangewezen instellingen:** het overleg waaraan aangewezen instellingen deelnemen ten behoeve van kennisdeling en uniforme besluitvorming; - −. **onderaannemer:** een instelling met rechtspersoonlijkheid, waaraan een aangewezen instelling productonderzoek en eventuele daartoe te verrichten metingen uitbesteedt; § 2. Aangewezen instellingen Artikel 2 1. Voor aanwijzing als aangewezen instelling komen slechts instellingen in aanmerking die voldoen aan de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048051&bijlage=I&z=2025-04-01&g=2025-04-01)vermelde voorwaarden. 2. Indien een aangewezen instelling een onderaannemer inschakelt, draagt de aangewezen instelling er zorg voor dat die onderaannemer voldoet aan d"},{"i":15618,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 23 november 2017, 1257948-170256-VGP, houdende vaststelling van de bedragen voor het doorberekenen van kosten in de levensmiddelensector (Warenwetregeling doorberekening kosten levensmiddelensector 2017) Gelet op de [artikelen 13b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13b), [16, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=16), en [33 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=33); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel D, van de Wijzigingswet Warenwet, enz. (verhogen maximum bedrag bestuurlijke boete) (Stb. 2015, 235) in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanbieder:** degene die werkzaamheden laat verrichten, degene die daartoe het verzoek doet of degene ten behoeve van wie werkzaamheden worden verricht; - –. **aanvoerder:** degene die een partij visserijproducten aanlandt; - –. **aanvraagtarief:** de kosten voor de behandeling of wijziging van een aanvraag van werkzaamheden; - –. **aanvullende officiële controle:** officiële controle als bedoeld in artikel 79, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 2017/625; - –. **algemeen erkende feestdag:** de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei; - –. **aquacultuurproducten:** aquacultuurproducten als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van [verordening (EU) 1379/2013](32013R1379); - –. **doorvoer:** doorvoer als bedoeld in artikel 3, onderdeel 44, van [verordening (EU) 2017/625](32525R2017); - –. **eieren:** kippeneieren in de schaal, andere dan broedeieren en eieren bestemd voor de productie van vaccins; - –. **eiproducten:** producten als bedoeld in bijlage I, onderdeel 7.3, van [verordening (EG) 853/2004](32004R0853); - –. **eiproductfabrikant:** de ondernemer die bedrijfsmat"},{"i":15619,"b":"Regeling nadere eisen draagbaar klimmaterieel (Warenwet) Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Besluit draagbaar klimmaterieel (Warenwet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003914&artikel=2) (Stb. 1986, 86); De Adviescommissie Warenwet gehoord (advies van 10 juni 1983, nr. 13451/(11)15); Besluiten: Artikel 1 1. De afstand tussen de treden of sporten of tussen de treden of sporten en het platform of de standplaats dient onderling gelijk te zijn, met een tolerantie van + of – 10 mm. 2. De lengte van de treden of sporten, gemeten tussen de bomen of stijlen, moet ten minste 280 mm bedragen. Artikel 2 De afstand tussen de onderste trede of sport en het onderste uiteinde van de boom of stijl mag maximaal de in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003956&artikel=1&z=2020-01-31&g=2020-01-31), bedoelde afstand + 15 mm bedragen en moet minimaal de helft van die afstand bedragen. Artikel 3 Indien het draagbare klimmaterieel is voorzien van een platform welk als standplaats kan dienen, dan dient dit platform te zijn voorzien van een steunbeugel waarvan de steunverlenende zijde in zijn verticale projectie niet buiten het platform mag steken en waarbij de verticale afstand, gemeten tussen platform en steunbeugel, ten minste 600 mm dient te bedragen. Artikel 4 Indien het draagbare klimmaterieel is voorzien van een platform, dan mag dit platform maximaal 30 mm buiten zijn achterste ondersteuningspunt en 10 mm buiten zijn voorste ondersteuningspunt uitsteken terwijl de voorkant niet buiten hetzelfde vlak uit mag steken als het vlak van de voorkant van een trede c.q. sport als die in plaats van het platform aangebracht zou zijn. Artikel 5 1. In dit artikel wordt onder reformladder verstaan: draagbaar klimmaterieel dat zowel vrijstaand als aanleunend gebruikt kan worden. 2. Zowel de bovenzijde van de treden of sporten en het platform als de onderzijde der stijlen of bomen van het draagbare klimmaterieel dienen voldoende stroef te zijn. 3. De uitwe"},{"i":15477,"b":"Verordening op de Praktijkuitoefening (onderdeel Resultaatgerelateerde Beloning) Overwegende, - dat het gewenst is bij verordening regels te stellen betreffende de wijze van declareren; - dat dergelijke regels reeds voor een deel onder woorden zijn gebracht in de Gedragsregels voor Advocaten 1992; Gelet op de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=26) en [28 van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=28); Gezien het ontwerp van de Algemene Raad met bijbehorende toelichting; Gelet op het advies van de Overlegcommissie Gedragsregels; Stelt de navolgende verordening vast: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Bijlage A Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Bijlage A Vervallen Bijlage A Vervallen"},{"i":15625,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 augustus 2014, 647692124211-VGP, houdende vaststelling retributies voor het Warenwetbesluit hoeveelheden voorverpakkingen (Warenwetregeling hoeveelheden voorverpakkingen) Gelet op [artikel 7, tweede lid, van het Warenwetbesluit hoeveelheden voorverpakkingen](onbekend); BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder besluit: [Warenwetbesluit hoeveelheden voorverpakkingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035560). Artikel 2 De retributie voor het in behandeling nemen van een aanvraag bedraagt: - a. € 3.066 voor een voorlopige erkenning als bedoeld in [artikel 5, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035560&artikel=5); - b. € 2.156 voor een definitieve erkenning als bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035560&artikel=5); - c. € 2.793 voor een verklaring als bedoeld in [artikel 6 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035560&artikel=6). Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling hoeveelheden voorverpakkingen. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15629,"b":"Regeling houdende nadere regels ten aanzien van machines Gelet op de [artikelen 4, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006022&artikel=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006022&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), 12, eerste lid, eerste zin, en 16, tweede lid, van de Wet op de gevaarlijke werktuigen, de artikelen 3 en 12, derde lid, van het Besluit machines, [artikel 25, eerste lid, onderdeel a, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25) en [artikel 1, tweede lid, onderdeel 3°, van het Warenwetbesluit machines](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005577&artikel=1); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder Besluit: het [Warenwetbesluit machines](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005577). Artikel 2 1. Als categorie mobiele kranen als bedoeld in [artikel 6d, eerste lid, tweede zin, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005577&artikel=6d) worden aangewezen: hijskranen voor haakbedrijf op rupsen of banden alsmede torenvormige hijskranen voor haakbedrijf op rupsen of banden met een bedrijfslastmoment van tenminste 10 tonmeter, met uitzondering van: - a. op een voertuig bevestigde laadkranen die uitsluitend bestemd zijn of worden gebruikt voor het laden en lossen van de laadbak van het voertuig; - b. grondverzetmachines die ontgravingen maken en daarop aansluitend leidingwerk in die ontgravingen leggen of ten behoeve van het uitvoeren van grondverzetwerkzaamheden ondersteuningsschotten plaatsen. 2. Als categorie torenkranen als bedoeld in [artikel 6d, eerste lid, tweede zin, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005577&artikel=6d) worden aangewezen: torenvormige hijskranen, die vast zijn opgesteld of die verrijdbaar zijn op rails, met een bedrijfslastmoment van ten minste 10 tonmeter. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregel"},{"i":15640,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 maart 2014, 329805-117668-VGP, houdende vaststelling van uitlekgewichten voor verduurzaamde champignons en zuurkool (Warenwetregeling uitlekgewichten verduurzaamde champignons en zuurkool) Gelet op artikel 38 van de Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van [Verordeningen (EG) nr. 1924/2006](32006R1924) en [(EG) nr. 1925/2006](32006R1925) van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [Richtlijn 87/250/EEG](31987L0250) van de Commissie, [Richtlijn 90/496/EEG](31990L0496) van de Raad, [Richtlijn 1999/10/EG](31999L0010) van de Commissie, [Richtlijn 2000/13/EG](32000L0013) van het Europees Parlement en de Raad, [Richtlijnen 2002/67/EG](32002L0067) en [2008/5/EG](32008L0005) van de Commissie, en [Verordening (EG) nr. 608/2004](32004R0608) van de Commissie (PbEU 2011, L 304) en [artikel 10, onderdeel c, van het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033323&artikel=10); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **champignons:** de eetbare afgesneden vruchtlichamen (hoed en steel) van Agaricus-soorten; - b. **verduurzaamde champignons:** champignons, welke door middel van een warmtebehandeling en/of diepvriezen langer houdbaar zijn gemaakt; - c. **zuurkool:** gesneden witte kool (Brassica oleracea) welke na vermenging met zout of een verzadigde oplossing van zout een spontane melkzuurvergisting heeft ondergaan; - d. **verpakkingseenheid:** het verpakkingsmateriaal waarin de verduurzaamde champignons of zuurkool, alvorens zij ten verkoop worden aangeboden aan de verbruiker, zijn verpakt en waarin de verduurzaamde champignons of zuurkool zodanig geheel of ten dele bedekt zijn, dat de inhoud niet kan worden veranderd zonder dat het verpakkingsmateriaal wordt geopend of aangetast. Artikel 2 1. Het vas"},{"i":15642,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 januari 2022, 3292766-1021236-VGP, houdende de aanwijzing van veiligheidscodes voor tatoeëren en piercen (Warenwetregeling veiligheidscodes tatoeëren en piercen) Gelet op [artikel 7, tweede lid, van het Warenwetbesluit tatoeëren en piercen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021605&artikel=7); Besluit: Artikel 1 Als veiligheidscode worden aangewezen de in de bijlage bij deze regeling opgenomen norm en hygiënerichtlijnen. Artikel 2 De [Warenwetregeling aanwijzing veiligheidscodes tatoeëren en piercen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021861) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling veiligheidscodes tatoeëren en piercen. Bijlage. als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046276&artikel=1&z=2022-02-05&g=2022-02-05) van de Warenwetregeling veiligheidscodes tatoeëren en piercen | Veiligheidscodes | Opsteller | | --- | --- | | NEN-EN 17169:2020 (nl) Tatoeëren en PMU – Veilige en hygiënische praktijk, met uitzondering van het onderdeel: • 4.2 (eis inzake het volgen van een opleiding); en met gedeeltelijke uitzondering van de onderdelen: • 4.3, voor zover het onderdeel betrekking heeft op voorschriften inzake het volgen van een eerste hulpopleiding; en • 7.2, voor zover het onderdeel betrekking heeft op het verbod inzake het aanbrengen van pijnstilling door de tatoeëerder, waarbij aanvullende voorwaarden worden gesteld bij de onderdelen: • 7.10, te weten: ‘De gebruikte desinfectans moet voorzien zijn van een RVG-nummer.’; en • 7.12, te weten: ‘De wond moet zo schoon en droog mogelijk worden gemaakt en als volgt worden afgedekt: 1. Met een aftercareproduct dat is voorzien van een CE-logo óf RVG-nummer op de verpakking of een aftercareproduct dat uitsluitend bestaat uit petrolatum; waarbij ui"},{"i":15645,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 31 mei 2018, 1337436-176289-VGP, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de veterinaire controles van producten uit derde landen (Warenwetregeling veterinaire controles derde landen 2018) Gelet op: [Richtlijn 97/78/EG](31997L0078) van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG 1998, L 24); Beschikking 2000/572/EG van de Commissie van 8 september 2000 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften, gezondheidsvoorschriften en voorschriften inzake de veterinaire certificering voor de invoer in de Gemeenschap van vleesbereidingen uit derde landen (PbEG 2000, L 240); [Verordening (EG) nr. 854/2004](32004R0854) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 139); [Verordening (EG) nr. 2074/2005](32005R2074) van de Commissie van 5 december 2005 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor bepaalde producten die onder Verordening (EG) nr. 853/2004 vallen en voor de organisatie van officiële controles overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004, tot afwijking van Verordening (EG) nr. 852/2004 en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 853/2004 en (EG) nr. 854/2004 (PbEU 2005, L 338); Beschikking van de Commissie van 6 november 2006 tot vaststelling van de lijsten van derde landen en gebieden waaruit tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren, mariene buikpotigen en visserijproducten mogen worden ingevoerd (2006/766/EG) (PbEU 2006, L 320); Beschikking van de Commissie van 29 november 2007 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften en het model van de certificaten voor bepaalde uit d"},{"i":15480,"b":"Verordening opleiding kandidaat-notarissen Overwegende dat het gewenst is regels te stellen met betrekking tot de opleiding voor kandidaat-notarissen; Gelet op [art. 33 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=33); Gezien het ontwerp van het bestuur met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de kamers van toezicht; Gelet op de adviezen van de ringen; stelt de navolgende verordening vast: Onderwijsprogramma Artikel 1 Het bestuur van de KNB stelt een onderwijsreglement vast, waarin de volgende onderwerpen nader worden geregeld: - a. de aanvangsdata van de opleiding; - b. de cursusonderdelen van de opleiding; - c. de hoogte van het cursusgeld en het examengeld. Examen Artikel 2 Het bestuur van de KNB stelt een examenreglement vast, waarin de volgende onderwerpen nader worden geregeld: - a. de inhoud van de examens; - b. de wijze waarop de examens worden afgenomen; - c. de eisen voor de toelating tot de examens; - d. de personen die bevoegd zijn het examen af te nemen. Vrijstelling Artikel 3 1. Voor bepaalde cursusonderdelen van de opleiding en voor bepaalde onderdelen van het examen kan door het bestuur van de KNB vrijstelling worden verleend. 2. Het bestuur van de KNB stelt een vrijstellingenreglement vast waarin de voorwaarden voor het verkrijgen van een vrijstelling nader zijn geregeld. Cursus- en examengeld Artikel 4 1. Het door de kandidaat-notaris verschuldigde cursus- en examengeld komt ten laste van het kantoor waar de kandidaat-notaris werkzaam is. 2. Er mag door de notaris geen regeling worden getroffen met de kandidaat-notaris om het cursus- en examengeld bij vertrek van het kantoor, zowel tijdens de opleiding als na voltooiing daarvan, geheel of gedeeltelijk terug te betalen. 3. Het bepaalde in het tweede lid geldt niet in geval een kandidaat-notaris vrijwillig vertrekt. Voor die gevallen kan een terugbetalingsregeling worden overeengekomen, mits deze schriftelijk is vastgelegd. Slotbepalingen Artike"},{"i":15651,"b":"Warenwetregeling Vrijstelling vitamine D Handelende in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en van Economische Zaken; Gelet op [artikel 16, eerste en vierde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=16); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder gele vetsmeersels: margarines, halvarines en overige producten als bedoeld in de bijlage, onder B en C, van [verordening (EG) nr. 2991/94](31994R2991) van de Raad van de Europese Unie van 5 december 1994 tot vaststelling van normen voor smeerbare vetproducten (PbEG L 316). Artikel 2 Vrijstelling wordt verleend van [artikel 5a van het Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008065&artikel=5a), wat betreft de toevoeging van vitamine D aan gele vetsmeersels onder de volgende voorschriften: - a. het gehalte aan vitamine D bedraagt ten minste 0,20 µg en ten hoogste 0,25 µg per gram; - b. bij de verhandeling van de waar wordt in hetzelfde gezichtsveld als de aanduiding van de waar een vermelding gebezigd waaruit blijkt dat de waar bestemd is voor personen van 60 jaar en ouder, en derhalve niet geschikt is voor personen jonger dan 60 jaar. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: [Warenwetregeling Vrijstelling vitamine D](onbekend). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15658,"b":"Werkwijze bij concentratiezaken 2024 De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op het besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 17 december 2024 met zaaknummer ACM/24/191566 tot vaststelling van de Werkwijze bij concentratiezaken 2025, Besluit: 1. Introductie 2. Vragen voorafgaand aan een melding 3. Informele zienswijze voor concentratiezaken 3.1. Wanneer een informele zienswijze? 3.2. Termijnen waarbinnen de zienswijze wordt gegeven 3.3. Status zienswijze 4. Intakeformulier en prenotificatiefase 4.1. Intakeformulier 4.2. Prenotificatiefase 4.2.1. Wat houdt prenotificatie in? 4.2.2. Voordelen prenotificatiefase 4.2.3. Op welk moment een prenotificatie? 4.2.4. Proces van de prenotificatiefase 5. Proces en communicatie met partijen in de meldingsfase en vergunningsfase 5.1. Algemene bepalingen 5.1.1. Moment van de melding en de aanvraag vergunning 5.1.2. Standstill verplichting 5.1.3. Indiening melding of vergunningsaanvraag 5.1.4. Ontvangstbevestiging en zaakteam 5.1.5. Kosten verbonden aan een melding of vergunningsaanvraag 5.2. Behandeltermijn en aanvullende vragen 5.2.1. Meldingsfase 5.2.2. Vergunningsfase 5.3. Ontheffing van de wachtperiode 5.4. Gang van zaken bij aanvullende vragen 5.4.1. Gang van zaken bij formele vragen 5.4.2. Gang van zaken bij informele vragen 5.5. Stand van zaken-besprekingen 5.5.1. Wanneer wordt een bespreking georganiseerd? 5.5.2. Signaleren van mededingingsproblemen in de meldingsfase 5.5.3. Signaleren van mededingingsproblemen in de vergunningsfase 5.6. Remedies, efficiëncyverweer en reddingsfusieverweer 5.6.1. Aanbieden van remedies 5.6.2. Inroepen van een efficiëntieverweer 5.6.3. Inroepen van een reddingsfusieverweer 6. De betrokkenheid van derden in de meldingsfase en vergunningsfase 6.1. Derden 6.1.1. Wie zijn derden? 6.1.2. Belang van de inbreng van derden 6.2. Wanneer is de inbreng van derden mogelijk? 6.2.1. Na mededeling Staatscourant 6.2.2. Gedurende het onderzoek 6.2.3. Na het indienen van voorstellen voor remedies 6.2.4"},{"i":15661,"b":"Werkwijze Openbaarmaking ACM Inleiding Op 1 augustus 2014 is de [Wet van 26 juni 2014 tot wijziging van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en enige andere wetten in verband met de stroomlijning van het door de Autoriteit Consument en Markt te houden markttoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035297) (Stb., 247) in werking getreden. Daardoor beschikt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) sinds die datum over een uniform regime voor openbaarmaking van besluiten en andere documenten. Deze werkwijze geeft inzicht in de wijze waarop de ACM onder andere besluiten die zij in het kader van de aan haar opgedragen taken neemt, openbaar maakt met inachtneming van dit nieuwe regime. Algemene uitgangspunten Openbaarmaking Nieuwsberichten Slotbepalingen"},{"i":15672,"b":"Wet van 18 december 2024 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Successiewet 1956 en enkele andere wetten in verband met aanpassingen in een aantal fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten (Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025) Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om aanpassingen te doen in een aantal fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel IV Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel V Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VI Wijzigt de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2024. Artikel VII Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2025, met dien verstande dat [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050614&artikel=VI&z=2026-01-01&g=2026-01-01) toepassing vindt voordat de [artikelen II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049126&artikel=II), en [V, onderdeel B, van de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049126&artikel=V) per 1 januari 2025 worden toegepast en dat de [artikelen I, onderdelen A, onder 1 tot en met 6 en 8, Aa en B, onder 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050614&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [III, onderdelen B, onder 1 tot en met 5, 7 en 8, Ba en C, onder 1, subonderdeel a, tweede zin, en subonderdelen b tot en met d, 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050614&artikel=III&z=2026-01-01&g=2026-01-01), in werking treden op het tijdstip waarop [artikel II, onderdeel A, onder 0, en artikel V, onderdeel B, onder 1a, 1b en 3a, van de Wet aa"},{"i":15682,"b":"Wet van 19 december 1974, houdende regelen met betrekking tot de prijzen en de tarieven voor het leveren van aardgas Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de mogelijkheid te openen minimumprijzen vast te stellen voor de afzet in het binnen- en buitenland van in Nederland en in het Nederlandse deel van het continentaal plat gewonnen aardgas, alsmede aanwijzingen te geven omtrent de tarieven, die bij het leveren van aardgas aan degenen, die dat in Nederland verbruiken, worden toegepast, ten einde een goede energievoorziening te bevorderen en de opbrengst uit aardgas voor de Staat te vergroten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **winner:** degene, die aardgas wint krachtens een hem verleende winningsvergunning als bedoeld in de [Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168); **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. 2. Voor zover een ander dan de winner gebruik maakt van een hem toegekende bevoegdheid het door die winner gewonnen aardgas of een deel daarvan te verkopen, wordt in afwijking van het eerste lid in plaats van die winner die ander als winner aangemerkt. Artikel 2 1. Onze Minister kan indien aardgas wordt geleverd tegen een prijs, die naar zijn oordeel achterblijft bij de waarde daarvan, verbieden aardgas binnen of buiten Nederland te leveren of te doen leveren tegen een lagere dan een door hem vastgestelde prijs. 2. Een krachtens het eerste lid gesteld verbod kan uitsluitend gelden voor het door een winner leveren of doen leveren van al dan niet door hemzelf gewonnen gas. 3. Onze Minister kan afzonderlijke prijzen vaststellen voor afzonderlijke categorieën van gevallen. 4. Een krachtens het eerste lid vastgestelde prijs"},{"i":15687,"b":"Wet van 16 april 2014 tot instelling van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie en wijziging van enkele wetten (Wet Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een vast college voor advies in te stellen op het terrein van wetenschap, technologie en innovatie en dat het in verband met [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79) noodzakelijk is daartoe wettelijke bepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Instelling Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie 1. Er is een Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie, hierna de raad. 2. De raad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste negen andere leden. Artikel 2. Taak raad De raad heeft tot taak de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal te adviseren over het te voeren beleid in nationaal en internationaal verband ten aanzien van wetenschap, technologie en innovatie, met bijzondere aandacht voor de verbinding tussen wetenschap, technologie en innovatie en de inzet daarvan voor economische en maatschappelijke doelen. Artikel 3. Wijziging [Wet Raad voor de leefomgeving en infrastructuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031263) Wijzigt de Wet Raad voor de leefomgeving en infrastructuur. Artikel 4. Intrekking [Wet op de Algemene Energieraad 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008250) De [Wet op de Algemene Energieraad 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008250) wordt ingetrokken. Artikel 5. Intrekking [Wet Adviesraad voor het wetenschaps- en technologie-beleid 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008525) De [Wet Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid 1997](ht"},{"i":15689,"b":"Wet van 17 september 1870, tot afschaffing der doodstraf Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de doodstraf af te schaffen, met het na te melden voorbehoud ten aanzien van de militaire strafwetten; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 1. De doodstraf wordt mede afgeschaft in de gevallen, waarin zij door de militaire strafwetten wordt bedreigd, doch alleen ten aanzien van misdrijven in tijd van vrede en niet voor den vijand gepleegd. 2. Niettemin blijft de doodstraf gehandhaafd in alle gevallen van oproer, opstand, zamenzwering, zamenrotting of muiterij, voorzien bij de artt. 85 tot 92 van het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te water, voor zooverre deze misdrijven aan boord worden gepleegd in volle zee of in den vreemde ook in tijd van vrede. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 De doodstraf, door de militaire strafwetten bedreigd, wordt, in de gevallen, voorzien bij het [eerste lid van art. 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001846&artikel=2&z=1886-09-01&g=1886-09-01), vervangen: die met den strop door militaire gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaren; die met den kogel door militaire gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren. Artikel 8 Vervallen Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15693,"b":"Wet van 20 maart 2019 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken (Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken en daartoe het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen). Artikel IIa Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen). Artikel III 1. Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. 2. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042074&artikel=II&z=2020-01-01&g=2020-01-01) van deze wet is van toepassing op gedingen die aanhangig zijn gemaakt op of na het tijdstip van het in werking treden van de wet en die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Artikel IV Deze wet wordt geëvalueerd vijf jaar na inwerkingtreding. Artikel V Deze wet kan worden aangehaald als Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15697,"b":"Wet van 14 januari 2021 tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het financieel toezicht, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met de introductie van de mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen of op periodieke uitkeringen van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler op de ingangsdatum daarvan te laten afkopen, de tijdelijke versoepeling van de pseudo-eindheffing bij regelingen voor vervroegde uittreding en de uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof (Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809), de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831), de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) aan te passen om in de tweede en derde pijler meer keuzevrijheid te bieden door het introduceren van de mogelijkheid om een deel van de aanspraken op ouderdomspensioen op de ingangsdatum hiervan te laten afkopen of om een deel van de aanspraken op periodieke uitkeringen voortvloeiend uit een lijfrenteverzekering, lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht op de ingangsdatum hiervan te laten afkopen, de pseudo-eindheffing bij regelingen voor vervroegde uittreding tijdelijk te versoepelen en de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof uit te breiden; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Pensioenw"},{"i":15781,"b":"Wet hazardspelen BES I Artikel 1 Het Bestuurscollege is bevoegd om, onder door hem te stellen voorwaarden en waarborgen, vergunning te verlenen tot het exploiteren van hazardspelen, in daartoe met name aan te wijzen en speciaal daarvoor ingerichte hotels. De vergunning is persoonlijk en niet voor overdracht vatbaar. Artikel 1a [vervallen] Artikel 2 [vervallen] Artikel 3 De vergunninghouder die de in de [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028450&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde voorwaarden of waarborgen niet nakomt, wordt geacht zonder vergunning te hebben gehandeld. Artikel 4 Het Bestuurcollege is te allen tijde bevoegd, de vergunning vervallen te verklaren, indien hij acht, dat de gestelde voorwaarden of waarborgen niet worden nagekomen. Artikel 5 [vervallen] Artikel 5a [Artikel 1807 van Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752&artikel=1807) is niet van toepassing op prijzen en premies behaald in gelegenheden, gegeven met vergunning ingevolge deze wet verleend. Artikel 6 Deze wet wordt aangehaald als: Wet hazardspelen BES I."},{"i":15789,"b":"Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat met betrekking tot procedures tegen een WOZ-beschikking, bpm-aangifte of bpm-naheffingsaanslag en de daarmee verband houdende besluiten de overcompensatie wordt weggenomen die er is bij het toekennen van vergoedingen van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, de hoogte van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wettelijk wordt geregeld en belanghebbenden zich meer bewust worden van de in hun naam gevoerde procedures en van de kosten en inspanningen die hiermee voor de maatschappij gepaard gaan; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel II wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel IIa wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel IIb wijzigt de Gemeentewet. Artikel III Onze Minister van Financiën zendt in overeenstemming met Onze Minister voor Rechtsbescherming binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat: - a. [artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=3"},{"i":15803,"b":"Wet identificatieplicht BES Artikel 1 1. Iedere persoon vanaf 12 jaar is verplicht te allen tijde een op hem betrekking hebbend identiteitsdocument, als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028575&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), bij zich te hebben. 2. Iedere persoon, bedoeld in het eerste lid, is verplicht bij openbare vermakelijkheden, in instellingen voor onderwijs, in horeca-gelegenheden en binnen een afstand van 500 meter gerekend vanaf de grens van de locatie waar de vermakelijkheid plaats vindt, dan wel waarop de opstal van de instelling of de gelegenheid zich bevindt, desgevraagd terstond een identiteitsdocument, bedoeld in het eerste lid, ter inzage te verstrekken aan de opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen 184 en 185 van het Wetboek van Strafvordering BES, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van hen in het kader van de handhaving van de openbare orde of de opsporing van strafbare feiten toegekende wettelijke bevoegdheden. 3. Iedere persoon, bedoeld in het eerste lid, is verplicht desgevraagd terstond een identiteits-document, bedoeld in het eerste lid, ter inzage te verstrekken aan de opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen 184 en 185 van het Wetboek van Strafvordering BES, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de toepassing en handhaving van: - a. de Wet toelating en uitzetting BES; - b. de regelgeving met betrekking tot de leerplicht. 4. De opsporingsambtenaar, bedoeld in het tweede en derde lid, is bevoegd van het ter inzage verstrekte document, bedoeld in het tweede en derde lid, afschrift te nemen of dit daartoe tijdelijk mee te nemen. Is sprake van een tijdelijk meenemen dan verstrekt de opsporingsambtenaar een met redenen omkleed bewijs van inname. Artikel 2 1. Onder identiteitsdocument, als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028575&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), wordt verstaan: - a. een geldige identiteitskaart als bedoeld in de Wet ident"},{"i":15829,"b":"Wet van 21 mei 1985, houdende regelen inzake niet op naam gestelde spaarbewijzen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te geven met betrekking tot de uitgifte, de verhandeling en de uitbetaling van niet op naam gestelde spaarbewijzen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. spaarbewijzen: waardepapieren aan toonder, welke een nominale vordering op de uitgevende instelling inhouden en waarbij de rente niet gedurende de looptijd opeisbaar wordt; - b. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; - c. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V.; - d. representatieve organisatie: een organisatie, die met betrekking tot de uitvoering van deze wet door Onze Minister, de Bank gehoord, als representatieve organisatie voor een groep van ondernemingen en instellingen is aangewezen. Artikel 2 1. Indien de Bank met de representatieve organisaties overeenstemming bereikt over de invoering van een regeling omtrent de uitgifte, de verhandeling en de uitbetaling tegen inlevering van spaarbewijzen, kunnen Wij deze regeling algemeen verbindend verklaren ten aanzien van de ondernemingen en instellingen, die spaarbewijzen uitgeven. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van uitvoeren van een algemeen verbindend verklaarde regeling. 3. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid treedt niet eerder in werking dan een maand na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal. Artikel 3 1. Voor de duur dat een regeling als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003"},{"i":15861,"b":"Wet van 16 december 2020, houdende regels inzake instelling van een Mobiliteitsfonds (Wet Mobiliteitsfonds) (Wet Mobiliteitsfonds) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is het Infrastructuurfonds ter verruiming van de reikwijdte om te vormen tot een Mobiliteitsfonds en daartoe de [Wet Infrastructuurfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006001) te vervangen door de Wet Mobiliteitsfonds; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **basisinformatie:** gegevens nodig voor het beschrijven van het verkeer of vervoer van personen of goederen met het oog op aanleg, verbetering of gebruik van infrastructuur; - **bediening:** handelingen ten behoeve van verkeersbeheersing of -begeleiding of die nodig zijn om gebruik mogelijk te maken; - **fonds:** Mobiliteitsfonds, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044860&artikel=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01); - **infrastructuur:** onroerende zaken ten behoeve van verkeer of vervoer van personen of goederen met daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de verkeersveiligheid, verkeersmanagement en bescherming van het milieu; - **Onze Minister:** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 2. Doelen van het fonds 1. Er is een Mobiliteitsfonds. 2. Het fonds heeft ten doel het faciliteren van de bereikbaarheid van heel Nederland door veilige, innovatieve en duurzame mobiliteit van personen en goederen door middel van financiering en bekostiging van: - a. aanleg, verbetering, beheer en onderhoud en bediening van infrastructuur die door het Rijk wordt beheerd; - b. aanleg, verbetering, beheer en onderhoud en bediening van infrastructuur die niet door"},{"i":15884,"b":"Wet van 18 maart 1998 tot instelling van een vast college van advies inzake internationale vraagstukken, in het bijzonder met betrekking tot de rechten van de mens, vrede en veiligheid, ontwikkelingssamenwerking en Europese integratie (Wet op de Adviesraad internationale vraagstukken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een vast college van advies in te stellen met het oog op de advisering over internationale vraagstukken, in het bijzonder met betrekking tot de rechten van de mens, vrede en veiligheid, ontwikkelingssamenwerking en Europese integratie en dat het in verband met [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79) noodzakelijk is daartoe wettelijke bepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 januari 1998. Artikel 1 Er is een Adviesraad internationale vraagstukken, hierna te noemen de raad. Artikel 2 De raad heeft tot taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over internationale vraagstukken, in het bijzonder met betrekking tot de rechten van de mens, vrede en veiligheid, ontwikkelingssamenwerking en Europese integratie. Artikel 3 1. De raad stelt uit zijn midden vier permanente commissies in. De voorzitters van deze commissies worden uit de leden van de raad door Onze Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat aangewezen. 2. Indien voor de voorbereiding van adviezen specifieke deskundigheid is vereist die niet reeds in voldoende mate in de raad aanwezig is, kunnen in afwijking van [artikel 16 van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=16) in de commissies, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste vijftien andere personen dan leden van de r"},{"i":15885,"b":"Wet van 7 juli 1987, houdende regelen omtrent de bescherming van de titels architect, stedebouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij de wet regelen te stellen omtrent de bescherming van de titels architect, stedebouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect, alsmede regelen te stellen ter uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (**PbEG** 1985, L 223/15); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: beroepservaringperiode: beroepsstage als bedoeld in artikel 1 van de richtlijn; beroepsorganisatie: rechtspersoon die ten doel heeft of mede ten doel heeft de behartiging van belangen van architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten of interieurarchitecten; betrokken staat: lidstaat, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland; bevoegde autoriteit: bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 56 van de richtlijn; bureau: het bureau architectenregister als bedoeld in [artikel 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&hoofdstuk=III&paragraaf=1&artikel=2a&z=2021-08-26&g=2021-08-26); derde land: ander land dan een betrokken staat; dienstverrichter: een persoon die op wettige wijze is gevestigd in een andere betrokken staat en aldaar op wettige wijze het beroep van architect, stedenbouwku"},{"i":15889,"b":"Wet van 12 januari 1977, houdende regelen met betrekking tot het verrichten van proeven op dieren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de bescherming van het dier regelen te stellen met betrekking tot het verrichten van proeven op dieren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. **dierproef:** elk al dan niet invasief gebruik van een dier voor experimentele of andere wetenschappelijke doeleinden, waarvan het resultaat bekend of onbekend is, of onderwijskundige doeleinden, die bij het dier evenveel of meer pijn, lijden, angst of blijvende schade kan veroorzaken als, dan wel dan het inbrengen van een naald volgens goed diergeneeskundig vakmanschap. Dit omvat ieder gebruik waarvan het doel of het mogelijke gevolg de geboorte of het uit het ei breken van een dier is, dan wel het in een dergelijke toestand brengen en houden van een genetisch gemodificeerde dierenlijn, met inbegrip van het doden van dieren ten behoeve van het gebruik van hun organen, weefsels of lichaamsvloeistoffen voor een doel genoemd in [artikel 1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&paragraaf=1&artikel=1c&z=2021-07-01&g=2021-07-01); - b. **project:** een werkprogramma met een welomschreven doel dat een of meer dierproeven omvat; - c. **inrichting:** een installatie, gebouw, groep gebouwen of ander pand, in voorkomend geval met inbegrip van ruimten die niet volledig zijn afgeperkt of overdekt, alsmede verplaatsbare voorzieningen; - d. **fokker:** een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die de in bijlage I van de richtlijn aangewezen dieren fokt teneinde deze te gebruiken in dierproeven of hun weefsels of organen voor wetenschappelijke doeleinden te gebruiken"},{"i":15891,"b":"Wet van 23 januari 1997 tot uitvoering van richtlijn nr. 94/45/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (Wet op de Europese ondernemingsraden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan de [richtlijn nr. 94/45/EG](31994L0045) van de Raad van de Europese Unie van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. betrokken staat: een lid-staat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; - b. richtlijn: de richtlijn nr. 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PbEU 2009, L 122); - c. een communautaire onderneming: een onderneming, die sinds twee jaar in ten minste twee betrokken staten elk gemiddeld ten minste 150 werknemers en in de betrokken staten samen gemiddeld ten minste 1000 werknemers heeft, tenzij zij behoort tot een communautaire groep; - d. een communautaire groep: het geheel van ondernemingen bestaande uit een moederonderneming als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008508&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2017-12-16&g=2017-12-16) en de"},{"i":15915,"b":"Wet op het financieel toezicht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de hervorming van het toezicht op de financiële markten naar een functioneel ingericht toezicht, herziening van de wetgeving met betrekking tot dat toezicht noodzakelijk maakt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 1. Algemeen deel Hoofdstuk 1.1. Inleidende bepalingen Afdeling 1.1.1. Definities Artikel 1:1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voorzover niet anders is bepaald, verstaan onder: **aanbieden:** - a. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst met een consument inzake een financieel product dat geen financieel instrument, premiepensioenvordering of verzekering is of het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst; - b. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst waarbij een premiepensioenvordering ontstaat of het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst; - c. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst inzake een verzekering of het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst; of - d. het rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst inzake een recht van deelneming in een beleggingsinstelling of een icbe of het rechtstreeks of middellijk vragen of verk"},{"i":15921,"b":"Wet van 11 maart 1993, houdende regels betreffende enkele aspecten van het specifiek cultuurbeleid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het verstrekken van specifieke uitkeringen uit 's Rijks kas ten behoeve van cultuuruitingen wettelijk dient te worden geregeld, dat het wenselijk is het cultuurbeleid van het Rijk eenmaal per vier jaar in een nota vast te leggen en het verstrekken van subsidies ten behoeve van cultuuruitingen een grondslag in de wet te geven en voorts dat het wenselijk is de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur te machtigen tot het oprichten van privaatrechtelijke rechtspersonen die de verbreiding van cultuuruitingen bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. cultuuruitingen: de cultuuruitingen op de terreinen van de cultuur waarover het beleid van Onze Minister zich uitstrekt; - c. fonds: een privaatrechtelijke rechtspersoon die is opgericht op grond van de machtiging van [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&hoofdstuk=IV&artikel=9&z=2016-07-01&g=2016-07-01); - d. de Raad: de Raad voor cultuur, bedoeld in [artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&hoofdstuk=IA&artikel=2a&z=2016-07-01&g=2016-07-01). 2. De [artikelen 4 tot en met 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&hoofdstuk=III&artikel=4&z=2016-07-01&g=2016-07-01) zijn niet van toepassing op het verstrekken van subsidies ten behoeve van cultuuruitingen voorzover daarvoor bij of krachtens een andere wet regels zijn gesteld. Artikel 2 Onze Minister is belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch s"},{"i":15926,"b":"Wet van 2 november 1990, tot wijziging van de gemeentewet in verband met de overdracht van taken van de rijksbelastingdienst betreffende de heffing en de invordering van de onroerend-goedbelastingen aan de gemeenten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de taken die de rijksbelastingdienst verricht met betrekking tot de heffing en de invordering van de gemeentelijke onroerend-goedbelastingen over te dragen aan de gemeenten en in verband daarmee de [gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat: - a. [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004890&artikel=I&z=1990-11-22&g=1990-11-22), toepassing vindt met ingang van 1 januari 1991; - b. [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004890&artikel=I&z=1990-11-22&g=1990-11-22), toepassing vindt met ingang van 1 januari 1992; - c. [artikel 302, eerste, tweede en derde lid, van de gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=302), alsmede de bij of krachtens dit artikel en de artikelen 273 en 303 van die wet gegeven regelen, toepassing blijven vinden met betrekking tot belastingaanslagen, ten aanzien waarvan aanslagbiljetten zijn verzonden door de rijksbelastingdienst. 2. Ten aanzien van de overdracht van de bevoegdheden van de rijksbelastingdienst ter zake van de heffing en de invordering met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel **c,** bedoelde belastingaanslagen aan de gemeenten worden door Onz"},{"i":15967,"b":"Wet van 27 juni 1984, houdende machtiging tot oprichting van de Stichting Proefstation voor de Varkenshouderij Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de Staat overgaat tot oprichting van de Stichting Proefstation voor de Varkenshouderij en dat daartoe ingevolge [artikel 40 van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=40) 1976 (**Stb**. 671) machtiging bij de wet vereist is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Landbouw en Visserij wordt gemachtigd op te richten de Stichting Proefstation voor de Varkenshouderij. Artikel 2 De geldelijke aansprakelijkheid van de Staat voor het beheer van de stichting is beperkt tot de schulden welke na haar liquidatie als rechtspersoon mochten overblijven. Artikel 3 De wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 De wet kan worden aangehaald als Wet Stichting Proefstation voor de Varkenshouderij. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15974,"b":"Wet studiefinanciering BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Deze wet en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften verstaan onder: - **jongelieden:** jongelieden van Nederlandse nationaliteit die: - a. geboren zijn in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, met dien verstande dat het kind, wiens ouders op het tijdstip der geboorte van dat kind de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba tijdelijk hadden verlaten, geacht wordt in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba te zijn geboren, indien de afwezigheid der ouders korter dan een jaar heeft geduurd; - b. geboren zijn buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, doch wier vader of moeder in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba is geboren; - c. geboren zijn buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, doch wier vader of moeder tien jaren of langer woonplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba heeft gehad in de zin van het [Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743); - **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **ouders:** ouders, voogden en verzorgers; - **verzorgers:** meerderjarige personen, die, geen ouders of voogden zijnde, kinderen van anderen als eigen kinderen onderhouden en opvoeden, elk afzonderlijk geval door Onze Minister te beoordelen; - **pleegkinderen:** kinderen die door verzorgers als eigen kinderen worden onderhouden en opvoeden, elk afzonderlijk geval door Onze Minister te beoordelen; - **studie:** studie of opleiding; - **eigen bijdrage:** de ouderlijke bijdrage of de bijdrage van de meerderjarige student. Artikel 2 1. Overeenkomstige de bepalingen van deze wet kunnen aan jongelieden ten laste van ’s Rijks kas studietoelagen worden verleend, teneinde hen in de gelegenheid te stellen hetzij de Rechtshogeschool te Willemstad op Curaçao, hetzij de opleiding van Leraren bij het voorgezet onderwijs, uitgaande van het Departement"},{"i":15990,"b":"Wet van 21 december 2022, houdende invoering van een tijdelijke solidariteitsbijdrage (Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het noodzakelijk is een tijdelijke solidariteitsbijdrage over de overwinsten van ondernemingen die actief zijn in de sectoren ruwe olie, aardgas en de raffinage van aardolie in te voeren overeenkomstig [Verordening (EU) 2022/1854](33754R2022) van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen (PbEU 2022, L 261), teneinde bij te dragen tot de betaalbaarheid van energie voor huishoudens en bedrijven; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Solidariteitsbijdrage Onder de naam solidariteitsbijdrage wordt een belasting geheven van een bijdrageplichtige als bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047704&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2023-01-01&g=2023-01-01). Artikel 1.2. Definities 1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **bijdragejaar:** elk boekjaar dat aanvangt in het kalenderjaar 2022; - b. **boekjaar:** het jaar, bedoeld in [artikel 7, vierde lid, eerste zin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=7); - c. **belastbare winst:** de belastbare winst, bedoeld in [artikel 7, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=7); - d. **Nederlands inkomen:** het Nederlandse inkomen, bedoeld in [artikel 17, derde lid, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=19); - e. **referentiewinst:** het gemiddelde van de belastbare wins"},{"i":15991,"b":"Wet toelating en uitzetting BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - b. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie; - c. **ambtenaren belast met de grensbewaking dan wel het toezicht op personen:** ambtenaren, bedoeld in [artikel 22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&hoofdstuk=12&paragraaf=1&artikel=22a&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - d. **annulering van een visum:** intrekking van een visum met terugwerkende kracht tot en met het tijdstip van de verlening; - e. **machtiging tot voorlopig verblijf:** visum voor de toegang tot de openbare lichamen voor verblijf van meer dan drie maanden; - f. **referent:** een Nederlander of een in de openbare lichamen toegelaten en gevestigde vreemdeling dan wel het bevoegd gezag van een in de openbare lichamen kantoorhoudende rechtspersoon, die een aanvraag heeft ingediend omtrent een machtiging tot voorlopig verblijf ten behoeve van een vreemdeling; - g. **terugkeervisum:** visum voor de toegang tot de openbare lichamen van een visumplichtige persoon die de openbare lichamen tijdelijk zal verlaten; - h. **visum:** voor de toegang tot de openbare lichamen voor verblijf van niet langer dan drie maanden door Onze Minister van Buitenlandse Zaken afgegeven visum, alsmede een onder e of g bedoeld visum; - i. **verdragsvluchteling:** de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het op 28 juli 1951 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het op 31 januari 1967 te New York tot stand gekomen Protocol betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1967, 76) en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn; - j. **vreemdeling:** ieder die niet de Nederlandse nationaliteit bezit. Artikel 1a 1. Deze wet is, met uitzondering van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&hoofdstuk=2&z=2010-10-10&g=2010-"},{"i":15999,"b":"Wet van 26 juni 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet teneinde de collectieve afwikkeling van massavorderingen verder te vergemakkelijken (Wet tot wijziging van de Wet collectieve afwikkeling massaschade) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Burgerlijk Wetboek, het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) aan te passen teneinde de bestaande mogelijkheden om massavorderingen collectief af te wikkelen, te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de afdeling advisering Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IV Wijzigt de Faillissementswet. Artikel V 1. De [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033601&artikel=II&z=2013-07-01&g=2013-07-01) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033601&artikel=III&z=2013-07-01&g=2013-07-01) zijn niet van toepassing op verzoeken, bedoeld in [artikel 907, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=907), die vóór de inwerkingtreding van de wet zijn ingeleid. Op verzoeken, bedoeld in de eerste zin, blijft het tevoren geldende recht van toepassing. 2. [Artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033601&artikel=IV&z=2013-07-01&g=2013-07-01) is niet van toepassing op vorderingen die vóór de inwerkingtreding van de wet ter verificatie zijn ingediend. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel VII Deze wet wordt aangehaald als: Wet tot wijzig"},{"i":16001,"b":"Wet van 8 februari 1996, tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, de Ziektewet en enkele andere wetten in verband met loondoorbetaling door de werkgever bij ziekte van de werknemer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever bij ziekte van de werknemer uit te breiden van zes naar 52 weken en daartoe het Burgerlijk Wetboek, de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) en enkele andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Wetten op het terrein van het burgerlijk recht en de burgerlijke rechtsvordering Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk II. Wetten op het terrein van de sociale zekerheid Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk III. Regeling voor het overheidspersoneel Artikel XIX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk IV. Overige wetten Artikel XX Bevat wijzigingen in ander"},{"i":16009,"b":"Wet van 4 december 2019, houdende wijziging van Wet op het financieel toezicht en de Wet op de economische delicten in verband met de uitvoering van Verordening (EU) nr. 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PbEU 2016, L 171) (Wet uitvoering verordening financiële benchmarks) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter uitvoering van verordening (EU) nr. 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van [Richtlijnen 2008/48/EG](32008L0048) en [2014/17](32014L0017)/EU en Verordening (EU) nr. [596/2014](32496L2014) (PbEU 2016, L 171); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III **[Vervallen]** Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet uitvoering verordening financiële benchmarks. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16017,"b":"Wet van 24 april 1947, houdende voorzieningen onder den vijand aangetroffen goederen Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is nadere voorzieningen te treffen ten aanzien van roerende goederen, welke in handen van den vijand zijn aangetroffen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van de bij of krachtens deze wet uitgevaardigde bepalingen wordt verstaan onder: - 1. vijand: elke militaire of para-militaire organisatie van Duitschland of van zijn bondgenooten, alsmede de leden daarvan; - 2. goederen: roerende goederen, welke na 9 Mei 1940 al dan niet rechtmatig uit Nederlandsch bezit in handen van den vijand zijn overgegaan; - 3. oorspronkelijke rechthebbende: hij, die goederen, waarop hij eenig recht had, heeft verloren door handelingen als omschreven in artikel 25 van het Besluit herstel rechtsverkeer. Artikel 2 1. Voorzoover zulks niet reeds uit hoofde van het bepaalde bij artikel 3 van het Besluit Vijandelijk Vermogen is geschied, zijn op na te noemen tijdstippen van rechtswege in eigendom op den Staat overgegaan: - a. alle goederen, welke door de Nederlandsche strijdkrachten in handen van den vijand zijn aangetroffen en in bezit genomen, zulks op het tijdstip van de inbezitneming; - b. alle hier te lande aangetroffen goederen, welke door den vijand waren afgezonderd om ten behoeve van de oorlogvoering te dienen, zulks op het tijdstip van de bevrijding van het gebied, waar deze goederen zich bevonden; - c. alle goederen, welke hier te lande in handen van den vijand zijn aangetroffen en door de Geallieerden aan Nederlandsche instanties zijn overgedragen, zulks op het tijdstip van de overdracht. 2. Het bepaalde in Hoofdstuk III van het Besluit herstel rechtsverkeer, alsmede het bepaalde in artikel 26 van het Besluit Vija"},{"i":16018,"b":"Wet vaste huurcontracten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om tijdelijke huurcontracten af te schaffen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel Ia Wijzigt de Faillissementswet. Artikel Ib Wijzigt de Leegstandwet. Artikel Ic Wijzigt de Woningwet. Artikel II Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel IIa Wijzigt de Wet goed verhuurderschap. Artikel III Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet vaste huurcontracten. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16019,"b":"Wet van 6 oktober 1977, houdende vaststelling van regelen betreffende de gedwongen tenuitvoerlegging van uitspraken van het Benelux-Gerechtshof die executoriale titel vormen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is regelen te stellen betreffende de gedwongen tenuitvoerlegging van uitspraken van het Benelux-Gerechtshof die executoriale titel vormen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De aanvraag tot het doen aanbrengen van de formule tot gedwongen tenuitvoerlegging van de uitspraken van het Benelux-Gerechtshof die ingevolge het Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof inzake de rechtsbescherming van de personen in dienst van de Benelux Economische Unie, kunnen worden tenuitvoergelegd, wordt in Nederland gericht tot Onze Minister van Justitie. Artikel 2 1. De aanvragende partij zendt aan Onze Minister van Justitie haar aanvraag en een exemplaar van de uitspraak. 2. De uitspraak moet in de vorm van een authentieke expeditie worden toegezonden. 3. Indien de utspraak in de Franse taal is gesteld, dient de toezending van een authentieke expeditie in die taal te geschieden. In dat geval wordt tevens een exemplaar in het Nederlands of een Nederlandse vertaling bijgevoegd, die door de griffier van het Benelux-Gerechtshof of door een overeenkomstig de Nederlandse bepalingen beëdigd vertaler voor eensluidend is verklaard. 4. Onze Minister van Justitie zendt de genoemde stukken onverwijld aan de griffier van de Hoge Raad der Nederlanden. 5. De griffier geeft, binnen een week na de ontvangst van de stukken, na akkoordbevinding van de authenticiteit van de expeditie, aan de expeditie de vorm van een grosse. Hij doet zulks door de volgende formule aan het hoofd, terzijde of aan het slot van de expe"},{"i":16020,"b":"Wet van 1 mei 1981, houdende regelen met betrekking tot het afbreken van zwangerschap Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op de ontwikkeling van de opvattingen met betrekking tot het afbreken van zwangerschap, wenselijk is, met het oog zowel op de rechtsbescherming van ongeboren menselijk leven als op het recht van de vrouw op hulp bij ongewenste zwangerschap, regelen daaromtrent te stellen, en in verband daarmee het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en enige andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I [Wet afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003396) Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V 1. Een ziekenhuis of kliniek wordt geacht aan het bepaalde in artikel 2 te voldoen, indien - 1°. Het bestuur van het ziekenhuis of de kliniek binnen dertig dagen na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2 een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, en - 2°. zolang op de aanvraag om vergunning nog niet is beslist, dan wel, indien de vergunning wordt verleend, zolang het tijdstip waarop de vergunning ingaat nog niet is aangebroken. 2. Indien het een kliniek betreft, blijft het eerste lid van dit artikel buiten toepassing, indien de kliniek op het tijdstip van indiening van het ontwerp van deze wet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal minder dan één jaar onafgebroken heeft bestaan. Artikel VI 1. Deze wet kan worden aangehaald als \"Wet afbreking zwangerschap\". 2. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip dat voor de onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan kan verschillen. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staa"},{"i":16021,"b":"Wet van 26 augustus 1981, houdende regeling van de bezoldiging van de Nationale ombudsman en van de substituut-ombudsmannen, en wijziging van een aantal wetten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bezoldiging te regelen van de Nationale ombudsman en van substituut-ombudsmannen, bedoeld in respectievelijk [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=2) en [artikel 9 van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=9) ( **Stb.** 1981, 35), en wijziging te brengen in een aantal wetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I [Wet bezoldiging Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003429) Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst en werkt voor wat betreft het bepaalde in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003430&artikel=I&z=1993-04-01&g=1993-04-01) terug tot 1 juli 1979. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16022,"b":"Wet van 4 februari 1981, houdende instelling van het ambt van Nationale ombudsman en wijziging van een aantal wetten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er behoefte bestaat aan een bijzondere voorziening tot onderzoek van de wijze waarop de overheid zich in een bepaalde aangelegenheid jegens de burger heeft gedragen en dat het in verband hiermede wenselijk is over te gaan tot de instelling van het ambt van Nationale ombudsman en tot wijziging van een aantal wetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I [Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372) Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XV Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen verschillend kan worden gesteld. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16023,"b":"Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een vaststellingsprocedure staatloosheid in te stellen, gelet op het Verdrag betreffende de status van staatlozen en het Verdrag tot beperking der staatloosheid; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt onder «Onze Minister» verstaan: Onze Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 2 1. Een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, kan bij de rechtbank Den Haag een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. 2. De rechtbank stelt de staatloosheid van de verzoeker vast, indien hem niet is gebleken dat de verzoeker door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. Artikel 3 1. Omtrent verzoeken als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048458&artikel=2&z=2023-10-01&g=2023-10-01) hoort de rechtbank de Staat. In afwijking van [artikel 79 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=79) kan de Staat zonder advocaat in rechte optreden. 2. Indien de verzoeker tevens een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) heeft ingediend, is een verzoek als bedoeld in artikel 2 niet-ontvankelijk zol"},{"i":16025,"b":"Wet van 10 oktober 1996, houdende regelen inzake het verrichten van veiligheidsonderzoeken (Wet veiligheidsonderzoeken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regelen te stellen ter zake van het verrichten van veiligheidsonderzoeken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. vertrouwensfunctie: een functie die krachtens [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=3&z=2026-04-01&g=2026-04-01), als zodanig is aangewezen; - b. verklaring: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon; - c. Onze Minister: Onze Minister die verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waartoe een vertrouwensfunctie, gezien de aard daarvan, behoort; - d. bevoegd gezag van een Hoog College van Staat: de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, de vice-president van de Raad van State, de Algemene Rekenkamer of de Nationale ombudsman, voor zover het betreft een functie bij de Tweede Kamer, de Eerste Kamer, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, respectievelijk het bureau van de Nationale Ombudsman; - e. register: het register, bedoeld in [artikel 10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=10a&z=2026-04-01&g=2026-04-01). 2. In deze wet wordt onder werkgever verstaan: - a. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten; - b. degene aan wie een ander ter beschikkin"},{"i":16026,"b":"Wet van 11 februari 2010, houdende bepalingen over de brandweerzorg, de rampenbestrijding, de crisisbeheersing en de geneeskundige hulpverlening (Wet veiligheidsregio’s) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de brandweerzorg, de rampenbestrijding, de crisisbeheersing en de geneeskundige hulpverlening, met behoud van lokale verankering bestuurlijk en operationeel op regionaal niveau te integreren, teneinde een doelmatige en slagvaardige hulpverlening te verzekeren, mede op basis van een gecoördineerde voorbereiding, en daartoe veiligheidsregio’s in te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Onze Minister**: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - **veiligheidsregio:** een openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&paragraaf=3&artikel=9&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - **ramp:** een zwaar ongeval of een andere gebeurtenis waarbij het leven en de gezondheid van veel personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate zijn geschaad of worden bedreigd en waarbij een gecoördineerde inzet van diensten of organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken; - **rampenbestrijding:** het geheel van maatregelen en voorzieningen, met inbegrip van de voorbereiding daarop, dat het gemeentebestuur of het bestuur van een veiligheidsregio treft met het oog op een ramp, het voorkomen van een ramp en het beperken van de gevolgen van een ramp; - **crisis:** een situatie waarin een vitaal belang van de samenleving is aangetast of dreigt te worden aangetast; - **crisisbeheersing:** het geheel van maatregelen en voorzieningen, met"},{"i":16027,"b":"Wet van 18 mei 2022, houdende regels tot invoering van een toets betreffende verwervingsactiviteiten die een risico kunnen vormen voor de nationale veiligheid gezien het effect hiervan op vitale aanbieders, beheerders van bedrijfscampussen of ondernemingen die actief zijn op het gebied van sensitieve technologie (Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een toets in te richten betreffende verwervingsactiviteiten die een risico kunnen vormen voor de nationale veiligheid gezien het effect hiervan op vitale aanbieders, beheerders van bedrijfscampussen of ondernemingen die actief zijn op het gebied van sensitieve technologie; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aandeel:** aandeel als bedoeld in: - a. [artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:33), in geval van een beursgenoteerde onderneming; of - b. [artikel 82, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=82) in geval van een naamloze vennootschap, niet zijnde een beursgenoteerde onderneming als bedoeld in onderdeel a, of - c. [artikel 175 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=175) in geval van een besloten vennootschap, niet zijnde een beursgenoteerde onderneming als bedoeld in onderdeel a; - **aandelenbelang:** bepaalde hoeveelheid aandelen, waaronder tevens begrepen een tegoed ter zake van een hoeveelheid van aandelen dat wordt aangehouden bij een partij in de bewaarketen; - **beheerder van een bedrijfscampu"},{"i":16028,"b":"Wet van 23 juni 2016 tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verbetering van premieregelingen (Wet verbeterde premieregeling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) en in de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) de mogelijkheid op te nemen om pensioenaanspraken gedurende de gehele uitkeringsperiode flexibel te maken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Pensioenwet. Artikel II Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV In afwijking van [artikel I, onderdelen G en Ib](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038177&artikel=I&z=2016-09-01&g=2016-09-01), voor zover het betreft [artikel 63b van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=63b) en [artikel II, onderdelen G en K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038177&artikel=II&z=2016-09-01&g=2016-09-01), voor zover het betreft [artikel 75b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=75b), geldt de verplichting om de opgaven en indicaties, bedoeld in de [artikelen 44a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=44a) en 63b van de Pensioenwet en de [artikelen 55a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=55a) en 75b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, weer te geven op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario, niet tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI Wijzi"},{"i":16029,"b":"Wet van 29 mei 2017, houdende wijziging van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het verbeteren van het functioneren van verenigingen van eigenaars (Wet verbetering functioneren verenigingen van eigenaars) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is aanvullende voorschriften neer te leggen in [Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288) ten behoeve van het verbeteren van het functioneren van verenigingen van eigenaars daaronder mede begrepen het verbeteren van mogelijkheden tot het aangaan van overeenkomsten van geldlening door verenigingen van eigenaars; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 5. Artikel II Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet verbetering functioneren verenigingen van eigenaars. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16036,"b":"Wet van 8 maart 2017 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten in verband met een vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Wet vereenvoudiging beslagvrije voet) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een vereenvoudiging van de vaststelling van de beslagvrije voet; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel II. [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel III. [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel IV. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel V. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel VI. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel VII. [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) Wijzigt de Faillissementswet. Artikel X. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel XII. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel XIII. [Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581) Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel XIV. [Wet arbeidsongeschiktheids"},{"i":16038,"b":"Wet van 28 maart 2013 tot wijziging van enkele socialezekerheidswetten in verband met vereenvoudiging van de uitvoering van deze wetten door de Sociale verzekeringsbank (Wet vereenvoudiging regelingen SVB) Artikel I. Wijziging van de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II. Wijziging van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. Wijziging van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IIIa. Wijziging van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV. Wijziging van de [Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751) Wijzigt de Wet op het kindgebonden budget. Artikel V. Wijziging van de [Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel Va. Wijziging van de [Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI. Wijziging van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel VIa. Wijziging van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIb. Wijziging van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VII. Wijziging van de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overhe"},{"i":16052,"b":"Wet van 22 maart 2017 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de versterking van de positie van de curator (Wet versterking positie curator) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de positie van de curator te versterken ten behoeve van de bestrijding van faillissementsfraude en de bestrijding van de maatschappelijke schade van faillissementen door zowel de informatiepositie van de curator te verbeteren door de inlichtingen- en medewerkingsplichten alsmede de plicht tot het overleggen van de administratie in faillissementen te verduidelijken en te versterken, als door te voorzien in een vervolgprocedure voor de gevallen waarin de curator onregelmatigheden in een faillissement signaleert; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Faillissementswet. Artikel II 1. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039403&artikel=I&z=2017-07-01&g=2017-07-01) of onderdelen daarvan zijn na inwerkingtreding van toepassing op faillissementen die zijn uitgesproken na het tijdstip van inwerkingtreding. 2. In het geval een faillissement binnen drie jaar na de inwerkingtreding van [artikel I, onder I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039403&artikel=I&z=2017-07-01&g=2017-07-01), wordt uitgesproken, moet in [artikel 106, eerste lid, Fw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=106) (nieuw) in plaats van «alsmede op eenieder die in de drie jaar voorafgaande aan het faillissement bestuurder of commissaris was» worden gelezen: alsmede op eenieder die na de inwerkingtreding van dit artikel bestuurder of commissaris was. Artikel IIa Onze Minister zendt binnen vier jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de"},{"i":16648,"b":"Beleidsregels CAK Verstrekking compensatiebijdrage aan zorgverzekeraars voor het verzekerd houden van verzekeringsnemers met betalingsachterstanden zorgpremie 2025 gelet op [artikel 18a tot en met 18f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18a) en [artikel 34a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a), [artikel 6.5.5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.5.5), alsmede de [Beleidsregels CAK inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047544), besluit om de volgende beleidsregels vast te stellen: Artikel 1. Het betalen van voorschotten aan de zorgverzekeraar 1. Het CAK verstrekt een voorschot op de nog toe te kennen bijdrage als bedoeld in [artikel 6.5.5 Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.5.5). Dit voorschotbedrag wordt maandelijks uitbetaald met ingang van de maand volgend op de melding door de zorgverzekeraar. 2. Het CAK vermenigvuldigt per zorgverzekeraar per maand de eindstand van het aantal in behandeling genomen meldingen met de tot de maand herleide standaardpremie zoals bedoeld in de [Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451) en stelt de uitkomst daarvan als voorschotbedrag vast. 3. Het CAK zendt maandelijks per zorgverzekeraar een specificatie van het betaalde voorschotbedrag waarop staat vermeld: - −. de beginstand van de meldingen van de betreffende maand; - −. het aantal aanmeldingen van de betreffende maand; - −. het aantal afmeldingen van de betreffende maand; - −. de eindstand van de meldingen van de betreffende maand; - −. het aantal aanmeldingen op grond van [artikel 6.5.5, derde lid, Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.5.5). Artikel 2. De vaststelling van de bijdrage aan de zorgverzekeraar 1. Uiterlijk 1 september van het jaar volgend op het kalenderjaar waar"},{"i":16103,"b":"Wijziging van enige uitvoeringsregelingen Gelet op de artikelen 8b, 23, 30b, 36, 45, 46 en 47a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=13), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=15), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28) en [34a van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=34a), [artikel 22 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=22), [artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=10), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=4), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=18) en [19 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=19), [artikel 33 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=33), de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=7) en [8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=8) en [artikel 26 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=26); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965. Artikel V De Uitvoeringsbeschikking belastingen van rechtsverkeer wordt ingetrokken. Artikel VI Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel VII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet"},{"i":16104,"b":"Wijziging Voorschrift inzake het merken van munitie en de verpakking van munitie 2022 Besluit: Artikel 1 Wijzigt het Voorschrift inzake het merken van munitie en de verpakking van munitie 2022. Artikel 2 1. Er kan schriftelijk vrijstelling of ontheffing worden verleend van de regels gesteld in het in bijlage gevoegde voorschrift. Aan de vrijstelling of ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden. 2. Van een besluit zoals bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan aan de Commandant van het Korps militaire controleurs gevaarlijke stoffen bij de Koninklijke Marechaussee. 3. Aan de Commandant COMMIT wordt mandaat verleend voor het verlenen van vrijstellingen en ontheffingen als bedoeld in het eerste lid. 4. De functionaris, bedoeld in het derde lid, kan de bevoegdheid, bedoeld in respectievelijk het eerste lid, geheel of gedeeltelijk schriftelijk doormandateren aan een onder hem ressorterende functionaris. 5. Bij afwezigheid of verhindering van de functionaris, bedoeld in het derde lid treedt een door die functionaris schriftelijk aangewezen plaatsvervanger voor de duur van de afwezigheid of verhindering in diens plaats. Artikel 3 De Commandant en controleurs van het Korps militaire controleurs gevaarlijke stoffen bij de Koninklijke Marechaussee zijn belast met de controle op de naleving van het gestelde in het voorschrift. Artikel 4 Het navolgende besluit wordt ingetrokken: - –. Het [besluit van de Staatssecretaris van Defensie van 6 september 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047167), nr. BS2021024977 Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant. Bijlage Gepubliceerd op defensie publicatieportaal. Het voorschrift wordt gepubliceerd op het defensie publicatieportaal."},{"i":16105,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 10 juli 2012, nr. IENM/BSK-2012/129764, tot wijziging van de Beleidsregels grote rivieren (wijziging beheerregime in delen van het benedenriviergebied en kaartbladen bijlage 1) Gelet op de [artikel 6.12 van het Waterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.12) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening (toevoeging enkele onderwerpen van nationaal ruimtelijk belang) (Stb. 2012/388) in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Beleidsregels grote rivieren. Artikel II In gevallen waarin een aanvraag om een watervergunning voor een handeling binnen een gebied, waarvoor ingevolge dit besluit een stroomvoerend regime wordt gewijzigd in bergend regime, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit nog niet tot een onherroepelijk besluit heeft geleid, wordt beslist overeenkomstig het gewijzigde regime. Artikel III Dit besluit treedt in werking op het tijdstip dat het Besluit, houdende wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en van het Besluit ruimtelijke ordening in verband met de toevoeging van enkele onderwerpen van nationaal ruimtelijk belang, in werking treedt, doch uiterlijk met ingang van 1 oktober 2012. Bijlage A. behorend bij [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031803&artikel=I&z=2012-10-01&g=2012-10-01) van het Besluit tot wijziging van de Beleidsregels grote rivieren (wijziging kaartbladen bijlage 1) Deze bijlage ligt ter inzage op het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Hoofddirectie Juridische Zaken, en is tevens raadpleegbaar op en te downloaden van www.waterwet.nl. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de kaartbladen, opgenomen in [bijlage"},{"i":16109,"b":"Besluit van 28 januari 1993, houdende wijziging van de algemene maatregel van rijksbestuur van 27 januari 1986, Stb. 18, tot uitvoering van artikel 13 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Besluit naturalisatiegelden 1986) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 5 oktober 1992, stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr 256034/92/6; Gelet op [artikel 13 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) (**Stb.** 1984, 628); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 12 november 1992, nr. W03.92.0477/K); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 21 januari 1993, stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr 302064/93/6; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. Indien met betrekking tot op de in het tweede lid genoemde tijdstip in behandeling zijnde verzoeken tot naturalisatie reeds het voor naturalisatie verschuldigde bedrag is voldaan volgens het tot dan toe geldende tarief, behoeft geen bijbetaling plaats te vinden, noch zal restitutie plaatsvinden. 2. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad**, in het **Publicatieblad van de Nederlandse Antillen** en in het **Afkondigingsblad van Aruba** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State van het Koninkrijk en aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":16110,"b":"Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 26 maart 2024, 2024-0000077334, tot wijziging van het Besluit onderstand BES, de Wet algemene ouderdomsverzekering BES, de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES, de Wet minimumlonen BES, de Wet ongevallenverzekering BES en de Wet ziekteverzekering BES in verband met de beleidsmatige vaststelling van bedragen voor Caribisch Nederland Artikel I. [Besluit onderstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595) Wijzigt het Besluit onderstand BES. Artikel II. [Regeling AOV en AWW bijdragen aan zorginstellingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039238) Wijzigt de Regeling AOV en AWW bijdragen aan zorginstellingen BES. Artikel III. [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) Wijzigt de Wet algemene ouderdomsverzekering BES. Artikel IV. [Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387) Wijzigt de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES. Artikel V. [Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170) Wijzigt de Wet minimumlonen BES. Artikel VI. [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497) [Artikel 5 van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=5) wordt als volgt gewijzigd: 1. Het bedrag, bedoeld in het zeventiende lid, wordt voor een werknemer met een zesdaagse werkweek vastgesteld op: USD 224,65. 2. Het bedrag, bedoeld in het zeventiende lid, wordt voor een werknemer met een vijfdaagse werkweek of een werkweek van minder dan vijf dagen vastgesteld op: USD 269,57. Artikel VII. [Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728) [Artikel 5 van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5) wordt als volgt gewijzigd: 1. Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt voor een werknemer met een zesdaagse werkweek"},{"i":16113,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 december 2025, kenmerk 57890781, houdende wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Limburg Gelet op [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94) en [95 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=95) en [artikel 36 van de Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Limburg 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042878&artikel=36); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Limburg. Artikel 2 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stemt in met het wijzigingsbesluit van de Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Limburg zoals voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal per 10 november 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 723, nr. 4 en Kamerstukken I 2024/25, 36 723, nr. C). Artikel 3 Het [besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 november 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051900), nr. 54106733 (Stcrt. 2025, 37212) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":16159,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Justitie en Veiligheid van 11 december 2023, kenmerk 3720763-1056503-VGP, houdende wijziging van de Regeling experiment gesloten coffeeshopketen in verband met de aanpassing en verduidelijking van enkele eisen voor aangewezen telers, alsmede enkele technische aanpassingen Gelet op de [artikelen 29, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=29), [32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=32), en [33, eerste en vierde lid, van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=33); Besluiten: Artikel I Wijzigt de Regeling experiment gesloten coffeeshopketen. Artikel II Een verpakkingseenheid die voldoet aan de in [paragraaf 3 van de Regeling experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043749&paragraaf=3) neergelegde eisen, zoals die golden voorafgaand aan het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, mogen tot het tijdstip waarop de uitvoering van het experiment als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=4) aanvangt: - a. door een aangewezen teler als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=1) worden opgeslagen en aan een coffeeshophouder als bedoeld in artikel 1 van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen worden verkocht, geleverd of anderszins worden verhandeld; - b. door een coffeeshophouder als hiervoor bedoeld van een aangewezen teler als hiervoor bedoeld worden gekocht of afgenomen en door hem in de coffeeshop worden bewaard of verkocht. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staat"},{"i":16165,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, handelende in overeenstemming met en de Staatsecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, van 26 april 2024, nr. IENW/BSK-2024/97948, tot wijziging van de Regeling groenprojecten 2022 in verband met een wijziging van de eisen voor windturbines, fotovoltaïsche panelen en warmte-opwekkers Gelet op [artikel 5.14, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling groenprojecten 2022. Artikel II Op een aanvraag voor een groenverklaring waarover voor de inwerkingtreding van deze regeling is beslist, blijft de [Regeling groenprojecten 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046599) zoals die regeling voor die datum luidde van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16167,"b":"Regeling van het bestuur van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie van 21 januari 2026, houdende wijzigingen van de Regeling Internationalisering Ontwerpsector 2025–2028 (eerste wijziging) gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit: Artikel II van Stcrt. 2026/2165 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Artikel I Wijzigt de Regeling Internationalisering Ontwerpsector 2025-2028. Artikel II Op subsidies die voor 1 februari 2026 zijn aangevraagd blijft de [Regeling Architectuur 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050552), zoals die luidde voor inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2026. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16170,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 25 september 2012, nr. IENM/BSK-2012/190513, tot wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 en de Regeling voertuigen in verband met het alcoholslotprogramma Artikel I Wijzigt de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Artikel II Wijzigt de Regeling voertuigen. Artikel III Ten aanzien van alcoholsloten die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling reeds zijn ingebouwd, dan wel op dat tijdstip gereed liggen voor inbouw, wordt de in [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032038&artikel=II&z=2012-10-01&g=2012-10-01) van deze regeling bedoelde parameter bij de eerstvolgende periodieke uitlezing van het alcoholslot aangepast. Artikel IV 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2012. 2. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032038&artikel=I&z=2012-10-01&g=2012-10-01) werkt terug tot en met 1 december 2011. Gelet op de [artikelen 130, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130), [131, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131), [132a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132a), [132c, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132c), [132e, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), en [134, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=134); Besluit: Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16182,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 november 2016, nummer 2014207, tot wijziging van de Regeling toelating en uitzetting BES (zesde wijziging) Artikel I Wijzigt de Regeling toelating en uitzetting BES. Artikel II 1. Voor de periode van 10 oktober 2010 tot en met 31 december 2015 is het verschuldigde bedrag, bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=2.1), € 34. 2. Voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 is het verschuldigde bedrag, bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028815&artikel=2.1), € 28. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017, met dien verstande dat [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038834&artikel=I&z=2017-01-01&g=2017-01-01), terugwerkt tot en met 10 oktober 2010. Gelet op de [artikelen 2b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2b), en [7, derde lid, van de Wet toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7); Besluit: Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16184,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2014, CZW/S&B nr. 2014-0000672461, tot wijziging van de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden in verband met de nadere invulling van het prudent gebruik van derivaten Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 2a, tweede lid, van de Wet financiering decentrale overheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=2a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden. Artikel II Openbare lichamen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling financiële derivaten hanteren die afwijken van de bepalingen in deze regeling, dragen er zorg voor het hanteren van die derivaten zo spoedig mogelijk met de bepalingen uit deze regeling in overeenstemming te brengen. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16185,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 juli 2017, nr. MBO/1218825, houdende wijziging van de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2016 onder meer inzake aanpassing van wettelijke beroepsvereisten Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op [artikel 7.2.4, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4) en [artikel 2.2.3, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.2.3); Besluit: Artikel 1. Wijziging overzicht vastgestelde kwalificatiedossiers en kwalificaties Wijzigt de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2016. Artikel 2. Vaststelling nieuwe kwalificatiedossiers en kwalificaties In [bijlage 2 bij de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037678&bijlage=2) worden de kwalificatiedossiers en kwalificaties, bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039823&artikel=1&z=2017-07-22&g=2017-07-22), vastgesteld op de wijze bedoeld in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037678&bijlage=2) bij deze regeling. Artikel 3. Opnieuw vaststellen bestaande kwalificatiedossiers en kwalificaties In [bijlage 2 bij de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037678&bijlage=2) worden de volgende kwalificatiedossiers en kwalificaties vastgesteld op de wijze, bedoeld in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037678&bijlage=2) bij deze regeling: - –. Bij Opleidingsdomein 3. Techniek en procesindustrie (79020): kwalificatiedossier Industrieel onderhoud (23128) en de daarbij behorende kwalificatie Medewerker Operationele Techniek (25334) en het kwalificatiedossier Operationele Techniek (23132) en de daarbij behorende kwalificaties Allround op"},{"i":16199,"b":"Wijziging Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997 Gelet op [artikel 3a, eerste lid, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=3a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997. Artikel II Wapenvergunningen en opdrachten afgegeven op basis van [artikel 2, derde, vierde en zesde lid respectievelijk artikel 2, vijfde lid van de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008473&artikel=2), zoals genoemde bepalingen voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling luidden, blijven voor de duur van hun geldigheid van kracht. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16202,"b":"Regeling van de Minister van Langdurige zorg, Jeugd en Sport van 7 mei 2026, kenmerk 4375799-1097325-LZ, houdende wijziging van de Stimuleringsregeling zorggeschikte woningen in verband met het opnemen van weigeringsgronden, het vaststellen van het aanvraagtijdvak en het subsidieplafond voor 2026 en enkele andere wijzigingen [KetenID WGK028991] Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel I Wijzigt de Stimuleringsregeling zorggeschikte woningen. Artikel II Op aanvragen tot subsidieverlening die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze regeling, blijft de [Stimuleringsregeling zorggeschikte woning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048611) van toepassing zoals deze luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt ten aanzien van onderdeel C terug tot en met 26 april 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16203,"b":"Regeling van de Minister van Asiel en Migratie, Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Werk en Participatie van 9 april 2026, nummer 7300182, houdende wijziging van de Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021-2027 Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=2), en [3, eerste lid, van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=2) en [3, eerste en tweede lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3); Besluiten: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021-2027. Artikel II Voor lopende projecten blijft de tekst van [Bijlage D, artikel D4 tot en met D7 van de Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021-2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046658&bijlage=D) van toepassing zoals die luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijzigingsregeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16221,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 april 2026, kenmerk 4375777-1097324-WJZ, houdende wijziging van de Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen in verband met de Beschikking van het Benelux Comité van Ministers houdende vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van keramische voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen [KetenID WGK028592] Gelet op: de beschikking van het Benelux Comité van Ministers houdende vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van keramische voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen (M (2024) 5); de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=3), en [4, eerste lid, van het Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen. Artikel II Keramische voorwerpen die voor 1 december 2026 voor het eerst in de handel zijn gebracht en voldoen aan de [Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034991) zoals deze luidde op 28 mei 2026, mogen nog worden verhandeld tot de voorraden zijn uitgeput. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 29 mei 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16227,"b":"Wijzigingsverordening Financiële verordening Loodswezen 2008 Gelet op [artikel 26 van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=26); Besluit: Artikel I Wijzigt de Financiële verordening Loodswezen. Artikel II De vergoedingen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007548&artikel=2), worden voor de eerste maal geïndexeerd tot het jaar van inwerkingtreding van deze verordening overeenkomstig de index bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007548&artikel=4). Artikel III Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Deze verordening zal in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen die ter inzage worden gelegd ten kantore van de Nederlandse Loodsencorporatie. Van deze terinzagelegging wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Aldus vastgesteld in de ledenvergadering van de Nederlandse Loodsencorporatie op 20 mei 2008 te Rotterdam."},{"i":16232,"b":"Wet van 15 maart 2012 tot wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (versterking cassatierechtspraak) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de cassatierechtspraak te versterken en daartoe de [Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093), de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830) en enige andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Advocatenwet. Artikel II Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IV 1. De advocaat die op de datum van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen A en B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031378&artikel=I&z=2012-07-01&g=2012-07-01), kantoor houdt in het arrondissement ’s-Gravenhage, is, voor zover de advocaat als advocaat bij de Hoge Raad optreedt, tot uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze onderdelen uit dien hoofde advocaat bij de Hoge Raad, en daarna uitsluitend voor zaken die op dat moment aanhangig zijn bij de Hoge Raad en waarin hij in eigen naam optreedt. 2. Het college van afgevaardigden kan de inwerkingtreding van de regels voor het optreden van een advocaat bij de Hoge Raad in strafzaken en belastingzaken op een later tijdstip dan bedoeld in [artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031378&artikel=V&z=2012-07-01&g=2012-07-01) vaststellen, met dien verstande dat dit tijdstip niet later ligt dan uiterlijk een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdele"},{"i":16240,"b":"Wet van 7 november 2011 tot wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 in verband met de wijziging van een aantal begrotingen en enkele technische aanpassingen (Vijfde wijziging van de Comptabiliteitswet 2001) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891) te wijzigen in verband met de departementale herindeling en enkele technische aanpassingen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001. Artikel II In afwijking van [artikel 1, eerste lid, onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=1), artikel 1, tweede en derde lid, en [artikel 12, eerste lid van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=12), kan voor het begrotingsjaar 2012 worden afgezien van het indienen van een voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Waddenfonds. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst met uitzondering van de [onderdelen A, onder 1, 2 en 3, B, C, D, F en I van artikel I, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030677&artikel=I&z=2011-11-25&g=2011-11-25), en van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030677&artikel=II&z=2011-11-25&g=2011-11-25), die in werking treden met ingang van 1 augustus 2011. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven op of na de datum van 1 augustus 2011, dan treden deze onderdelen in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van dat Staatsblad en werken zij terug tot en met 1 augustus 2011. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,"},{"i":16262,"b":"Wet van 12 september 2002 tot wijziging van de Invorderingswet 1990 (Herziening procesrecht inzake aansprakelijkstelling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de dubbele rechtsgang in de Invorderingswet 1990 met betrekking tot aansprakelijkstelling te vervangen door een enkelvoudige rechtsgang ten overstaan van de belastingrechter, alsmede de reikwijdte van de rechtsgang uit te breiden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel II 1. Met betrekking tot een beschikking tot aansprakelijkstelling waaromtrent reeds is overgegaan tot dagvaarding voor de burgerlijke rechter overeenkomstig [artikel 49, vierde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=49) zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht gelden zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaande aan die datum. 2. Met betrekking tot een beschikking tot aansprakelijkstelling die is genomen vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet waarop het eerste lid niet van toepassing is, wordt een tijdige betwisting overeenkomstig [artikel 49, derde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=49) zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, en welke niet heeft geleid tot intrekking van de beschikking, aangemerkt als een tijdig tegen die beschikking gemaakt bezwaar als bedoeld in [artikel 49, derde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=49) zoals dat luidt na de datum van inwerkingtreding van deze wet. Indien in verband met die beschikking eveneens tijdig bezwaar is gemaakt op de voet van [artikel 50, eerste of tweede l"},{"i":16270,"b":"Wet van 28 juni 2007, houdende wijziging van de Mededingingswet als gevolg van de evaluatie van die wet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het als gevolg van de opgedane ervaring met de uitvoering van de [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691) en in verband met de afstemming op het Europees mededingingsrecht wenselijk is [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691) met betrekking tot het verbod op mededingingsafspraken, het toezicht op concentraties van ondernemingen en de handhaving van de regels omtrent mededingingsafspraken, economische machtsposities en concentraties van ondernemingen te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mededingingswet. Artikel II Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel III Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel IIIa Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV De werking van een beschikking als bedoeld in de [artikelen 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=62) en [79, eerste lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=79) blijft, voorzover bij die beschikking een last onder dwangsom is opgelegd voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist, tenzij de directeur-generaal of de raad van de Nederlandse mededingingsautoriteit op grond van de [artikelen 63, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=63) of [80, tweede lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=80) zoals deze artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, uitdrukkelijk heeft bepaald dat de werking van een beschikking tot oplegging van e"},{"i":16271,"b":"Wet van 24 maart 2011 tot wijziging van de Mededingingswet ter invoering van regels inzake ondernemingen die deel uitmaken van een publiekrechtelijke rechtspersoon of die hiermee zijn verbonden (aanpassing Mededingingswet ter invoering van gedragsregels voor de overheid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen omtrent economische activiteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen en van overheidsbedrijven teneinde zoveel mogelijk gelijke concurrentieverhoudingen te scheppen tussen enerzijds deze organisaties en ondernemingen en anderzijds andere aanbieders van goederen of diensten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mededingingswet. Artikel II 1. Gedurende twee jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is [artikel 25i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25i) niet van toepassing op economische activiteiten die ook voor dat tijdstip werden verricht. 2. Gedurende twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is [artikel 25j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25j) niet van toepassing op bepalingen in overeenkomsten die zijn gesloten voor het genoemde tijdstip en die in strijd zijn met dat artikel. 3. Gedurende twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is [artikel 25k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25k) niet van toepassing op bepalingen in overeenkomsten die zijn gesloten voor het genoemde tijdstip en die in strijd zijn met dat artikel. 4. Gedurende een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is [artikel 25l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25l) niet van toepassing op economische activiteiten die ook voor dat tijdstip werden verricht. Artikel III Onze Minister zend"},{"i":16285,"b":"Wet van 18 december 1991, houdende wijziging van bepalingen van de Mediawet met het oog op de invoering van landelijke commerciële omroep Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, mede gezien de internationale ontwikkelingen, landelijke commerciële omroep via draadomroepinrichtingen mogelijk te maken, de publieke omroep te versterken en de toegang voor programma's van buitenlandse omroepinstellingen te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II In afwijking van artikel 71**b**, eerste lid, wordt op aanvragen voor een toestemming, die in de eerste drie jaar na de inwerkingtreding van genoemd artikel worden ingediend, beslist door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Artikel III Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV De tekst van de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) wordt door Onze Minister van Justitie in het **Staatsblad** geplaatst. Artikel V 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. [Artikel I, onderdeel R](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005332&artikel=I&z=1993-01-01&g=1993-01-01), NN en PP, treedt niet eerder in werking dan op 1 januari 1992. 3. [Artikel I, onderdeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005332&artikel=I&z=1993-01-01&g=1993-01-01) QQ, RR en SS, treedt niet eerder in werking dan op 1 januari 1993. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16291,"b":"Wet van 1 juli 1992, houdende wijziging van de Overgangswet WBO in verband met de verlenging tot 1 augustus 1996 van de verplichting om één onderwijsgevende met een kleuteronderwijsbevoegdheid aan de school verbonden te hebben Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is in de Overgangswet WBO de verplichting om één onderwijsgevende met een kleuteronderwijsbevoegdheid aan de school verbonden te hebben, te verlengen tot 1 augustus 1996; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II In afwijking van artikel E 14, vierde lid, tweede volzin, van de Overgangswet WBO zoals gewijzigd door deze wet, is de daar bedoelde verplichting eveneens niet van toepassing voor de gevallen waarin op grond van het vierde lid, tweede volzin, van dat artikel, zoals luidend op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze wet ontheffing is verleend. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1992. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16306,"b":"Wet van 25 november 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) te wijzigen in verband met een betere afstemming van de nationale gronden voor asielverlening met de Europese gronden voor asielverlening en een vereenvoudiging van de toelatingsprocedure voor nareizende gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II Wijzigt de Huisvestingswet. Artikel III 1. Een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c dan wel d, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, wordt beheerst door [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 2. Een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e dan wel f, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, wordt vanaf de inwerkingtreding van deze wet, onder handhaving van de geldigheidsduur, aangemerkt als een vergunning voor bepaalde tijd, verleend op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a dan wel"},{"i":16307,"b":"Wet van 24 mei 2012 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met nationale visa en enkele andere onderwerpen Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) te wijzigen teneinde daarin regels op te nemen met betrekking tot nationale visa en enkele andere onderwerpen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II 1. Op de behandeling van aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031667&artikel=I&z=2013-06-01&g=2013-06-01), van deze wet blijft het recht dat gold voor dat tijdstip van toepassing. 2. Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken en beroep in te stellen tegen een besluit op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid blijft het recht dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031667&artikel=I&z=2013-06-01&g=2013-06-01), van deze wet van toepassing. 3. Op de behandeling van een aanvraag als bedoeld in [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25), ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031667&artikel=I&z=2013-06-01&g=2013-06-01), van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. 4. Op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031667&artikel=I&z=2013-06-01&g=2013-06-01), gegeven op een aanvraag a"},{"i":16326,"b":"Wet van 16 mei 2002, houdende wijziging van de Wet Fonds economische structuurversterking Artikel I Wijzigt de Wet Fonds economische structuurversterking Artikel II 1. Als opbrengsten als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Fonds economische structuurversterking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007788&artikel=2), worden in aanvulling op de opbrengsten, bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007788&artikel=2), van die wet, aangemerkt de opbrengsten van de veiling in het jaar 2000 van de UMTS-frequenties die in dat jaar leidden tot bespaarde rentelasten. 2. Met ingang van 1 januari 2001 worden de als gevolg van de opbrengsten van de veiling in het jaar 2000 van de UMTS-frequenties te besparen rentelasten, niet langer beschouwd als opbrengsten in de zin van [artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet fonds economische structuurversterking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007788&artikel=2). Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug: - a. wat betreft [artikel I, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013692&artikel=I&z=2002-09-01&g=2002-09-01), tot en met 1 januari 2001; - b. wat betreft [artikel I, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013692&artikel=I&z=2002-09-01&g=2002-09-01), en [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013692&artikel=II&z=2002-09-01&g=2002-09-01), tot en met 1 januari 2000. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen met betrekking tot de voeding van het Fonds economische structuurversterking te verfijnen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:"},{"i":16337,"b":"Wet van 5 juli 2000 tot wijziging van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars teneinde kunstenaars met een eigen woning niet langer van een beroep op de Wet inkomensvoorziening kunstenaars uit te sluiten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij het in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de Wet inkomensvoorziening kunstenaars te wijzigen teneinde de toegang tot de Wet inkomensvoorziening kunstenaars voor een kunstenaar die over vermogen beschikt dat gebonden is in een door hem of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf te bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomensvoorziening kunstenaars. Artikel II Wijzigt de Algemene bijstandswet. Artikel III Vervallen Artikel IV Vervallen Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16349,"b":"Wet van 2 oktober 2003 tot wijziging van de Wet op de dierproeven Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de Wet op de dierproeven een verbod neer te leggen op het doen van proeven op homonoïde primaten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is ingevolgde artikel 12, tweede lid van de Tijdelijke referendumwet opgeschort tot 18 november 2003. Artikel I Wijzigt de [Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081). Artikel II 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel 10e van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10e) geldt niet voor proeven met gebruikmaking van chimpansees (pan troglodytes) ten behoeve van onderzoek naar een vaccin tegen hepatitis-C, waarvan de uitvoering is begonnen vóór 1 januari 2003. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16359,"b":"Wet van 22 april 2010 tot wijziging van de Wet op de Raad van State in verband met de herstructurering van de Raad van State Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de advisering door de Raad van State over wetgeving te concentreren bij een kleiner aantal staatsraden en een afzonderlijke afdeling binnen de Raad te belasten met de vaststelling van de adviezen van de Raad; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel II Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel III Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IV Wijzigt de Provinciewet. Artikel V Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel VI Wijzigt de Waterschapswet. Artikel VII Wijzigt de Waterstaatswet 1900. Artikel VIII Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel IX Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel X Wijzigt de Wet op de waterhuishouding. Artikel XI Wijzigt de Wet bezoldiging Raad van State en Algemene Rekenkamer. Artikel XII Wijzigt de Aanpassingswet invoering bachelor-masterstructuur. Artikel XIII Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de rechterlijke organisatie, enz. (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie). Artikel XIIIA Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel XIIIB Wijzigt de Beroepswet. Artikel XIIIC Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel XIIID Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. Artikel XIIIE Wijzigt de Wet inrichting landelijk gebied. Artikel XIV 1. Zij die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet lid zijn van de Raad van State, blijven lid van de Raad van State. [Artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=1), blijft zo nodig buiten toepassing. 2. Zij zijn lid van de Afdeling advisering en van de Afdeling bestuursrechtspraak, tenzij bij koninklijk besluit anders"},{"i":16374,"b":"Wet van 26 oktober 1995, houdende wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met de instelling van een adviesorgaan voor het beleid op het terrein van de cultuur (Raad voor cultuur) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, met inachtneming van [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79), een vast college in te stellen dat adviseert over 's Rijks beleid op het terrein van de cultuur, zulks mede ter vervanging van de Raad voor de Kunst, de Mediaraad en de Raad voor het cultuurbeheer en daartoe de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II De archiefbescheiden van de Raad voor de Kunst, de Raad voor het cultuurbeheer en de Mediaraad gaan, voor zover zij niet zijn overgebracht ingevolge [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376), over naar de Raad voor cultuur. Artikel III 1. In afwijking van [artikel 2**b**, tweede lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=2b) worden de leden van de Raad voor cultuur voor de eerste maal benoemd zonder de Raad te horen. 2. In afwijking van artikel 2**k**, tweede en derde lid, worden de algemeen secretaris, de secretarissen en overige medewerkers van het bureau voor de eerste maal benoemd zonder overleg met de Raad voor cultuur. Artikel IV De Wet op de Raad voor de Kunst 1977 wordt ingetrokken. Artikel V De Wet Raad voor het cultuurbeheer wordt ingetrokken. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX"},{"i":16390,"b":"Wet van 14 juli 2021 tot wijziging van de Winkeltijdenwet in verband met de bescherming van winkeliers tegen eenzijdige wijzigingen van openingstijden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is winkeliers te beschermen tegen eenzijdige wijzigingen van openingstijden; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Winkeltijdenwet. Artikel Ia Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk, met in het bijzonder oog voor mogelijk negatieve effecten voor winkeliers in verband met hun vrijheid van vestiging en op de diversiteit van het winkelaanbod. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16401,"b":"Ziekengeldreglement 2017 Gelet op [artikel 54 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=54) en [artikel 3:16 van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:16); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - b. **werkgever:** de werkgever in de zin van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) en de werkgever in de zin van [artikel 3:6 van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:6); - c. **verzekerde:** de werknemer in de zin van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), en de werknemer en de gelijkgestelde in de zin van [artikel 3:6 van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:6); - d. **Wazo-uitkering:** uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, adoptie of pleegzorg, als bedoeld in de [artikelen 3:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:7), [3:8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:8) en [3:9 van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:9); - e. **ongeschiktheid:** de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als gevolg van ziekte, bedoeld in [artikel 19 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=19); - f. **wijzigingsformulier:** een door UWV aan de verzekerde ter beschikking gesteld formulier, waarop deze wijziging van de voor de beoordeling van het recht op of de hoogte van het ziekengeld noodzakelijke gegevens vermeldt; - g. **formulier inkomstenopgave:** een door UWV aan de verzekerde periodiek ter beschikking gesteld formulier, waarop deze de voor de beoordeling van de hoogte van het ziekengeld noodzakelijke gegevens vermeldt. Hoofdstuk 2. De uitbetaling van ziekengeld en Wazo-uitkering Artikel 2. De uitbetaling"},{"i":16407,"b":"Besluit van 19 mei 2008, houdende aanpassing van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 11 maart 2008, nr. 5533613/08/6; Gelet op de [artikelen 12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=12), [28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=28), [37, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=39) en [41 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=41); De Raad van State gehoord (advies van 10 april 2008, nr. W03.08.0091/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 13 mei 2008, nr. 5542320/08/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel II Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018), zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op aanvragen om een toevoeging die door de raad zijn ontvangen vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juni 2008. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16412,"b":"Aanvullend Akkoord bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije overeenkomstig de artikelen 7 en 26 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten op 14 december 1972, en houdende herziening van het Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije op 5 april 1966 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Turkije zijn de onderstaande wijzigingen overeengekomen in de tekst van het op 6 januari 2000 te Ankara ondertekende [Verdrag overeenkomstig de artikelen 7 en 26 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten op 14 december 1972, en houdende herziening van het Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije op 5 april 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003185): Treedt in werking op het tijdstip waarop het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije overeenkomstig de artikelen 7 en 26 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten op 14 december 1972, en houdende herziening van het Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije op 5 april 1966 in werking treedt. Artikel 1 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije overeenkomstig de artikelen 7 en 26 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten op 14 december 1972, en houdende herziening van het Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije op 5 april 1966; Ankara, 6 januari 2000. Artikel 2 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije overeenkomstig de artikelen 7 en 26 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten op 14 december 1972, en houdende herziening van het Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden"},{"i":16414,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 februari 2026, kenmerk 4346820-1093991-WJZ, aan de inspecteur-generaal van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd in verband met het niet handhavend optreden tegen een overtreding van de handelsvergunningplicht op grond van de Geneesmiddelenwet Gelet op de uitspraak van 3 februari 2026 van de voorzieningenrechter, rechtbank Zeeland – West-Brabant inzake BRE 25/6174, 6177, 6178, 6180, 6183 WET; Gelet op [aanwijzing nr. 15 van de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties](onbekend), [artikel 3 van het Besluit taakuitoefening IGJ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039998&artikel=3), [artikel 37 van de Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=37), [artikel 10:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6) en [artikel 3, eerste lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De inspecteur-generaal van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd treedt voor de geneesmiddelen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052267&artikel=2&z=2026-02-04&g=2026-02-04), niet handhavend op tegen een overtreding van [artikel 40, eerste of tweede lid, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=40) jegens een fabrikant, groothandelaar of apotheekhoudende, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - a. het betreffende geneesmiddel is vergelijkbaar met het geneesmiddel in tekort, wat betekent dat het dezelfde werkzame stof, sterkte en toedieningsvorm heeft, en heeft een handelsvergunning: - 1°. in een andere lidstaat; of - 2°. Indien niet commercieel beschikbaar in een andere lidstaat, in het Verenigd Koninkrijk of een land met een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning, - b. de betrokken fabrikant, groothandelaar of apotheekhoudende houdt een administratie bij waarin de hoeveelheid van het g"},{"i":16425,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, houdende aanpassing beschikbaarheidbijdrage traumazorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 10 oktober 2014 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2014/15, 29 247, nr. 192) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over de aanpassing van de beschikbaarheidbijdrage voor traumazorg, voor zover het gaat om de kennisfunctie en coördinatie van acute zorg (Regionaal Overleg Acute Zorg /ROAZ), Opleiden, trainen en oefenen (OTO) en Traumazorg door mobiel medische teams (MMT) voor wat betreft het onderdeel beschikbaar MMT; Gezien het Verslag van het schriftelijk overleg over de brief van 10 oktober 2014 over de Aanpassing van de beschikbaarheidbijdrage voor Traumazorg (29 247, nr. 192); Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - e. **Bijlage:** [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](onbekend); - f. **aanwijzing beschikbaarheidbijdrage curatieve zorg:** [Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 december 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032584), MC-U-3147126, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage curatieve somatische zorg (Stcrt. 2012, 26978); - g. **rapport LNAZ:** rapport van Landelijk"},{"i":16434,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 14 oktober 2015, kenmerk 846322-142560-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de beschikbaarheidsbijdrage curatieve geestelijke gezondheidszorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 4 september 2015 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2014/2015, 29 248, nr. 286); Besluit: artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet erin dat met ingang van 1 januari 2016 de uitzonderingen op de stapsgewijze afbouw als bedoeld in [artikel 1 lid 2 van de aanwijzing van 11 december 2014 inzake de beschikbaarheidsbijdrage curatieve geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036150&artikel=1) (Stcrt. 2014, 36863) ook gelden ten aanzien van de verrekenfactor in 2016. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":16442,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 oktober 2024, kenmerk 3973517-1072562-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het bekostigingsexperiment fysio- en oefentherapie bij COPD Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Nadat de voormalig Minister voor Medische Zorg op 20 juni 2024 schriftelijk mededeling heeft gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II**2023/2024, 29 689, nr. 1256) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen om een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit inzake het invoeren van een bekostigingsexperiment voor fysio- en oefentherapie bij **chronic obstructive pulmonary disease** (COPD); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a). **COPD in stadium II of hoger van de GOLD Classificatie:** **chronic obstructive pulmonary disease** in stadium II of hoger van de **Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease Classificatie voor spirometry**; - b). **vrij tarief:** tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - c). **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - d). **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op gesuperviseerde oefentherapie voor patiënten met COPD in stadium II of hoger van de GOLD Classificatieop grond van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 3. Opdracht experiment De zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2025 in een experiment voor de bekostiging van g"},{"i":16486,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 juli 2019, kenmerk 1546308-192510-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake niet-beïnvloedbare factoren bij verzuim van zorgpersoneel in de verpleeghuiszorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Na op 21 mei 2019 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit inzake niet-beïnvloedbare factoren bij verzuim van zorgpersoneel in de sector verpleging en verzorging van de langdurige zorg (voortgangsrapportage programmaplan ‘Thuis in het Verpleeghuis’, **Kamerstukken II** 2018/19, 31 765, nr. 411); Gezien de brief van 14 juni 2019 (**Kamerstukken II** 2018/19, 31 765, 413) waarbij de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn geïnformeerd over de technische analyse van de Nederlandse Zorgautoriteit over de financiële impact van de niet-beïnvloedbare factoren; en Gelet op het Algemeen overleg ‘Verpleeghuiszorg’ van 25 juni 2019; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **bandbreedtetarief:** een bedrag dat ligt tussen of gelijk is aan het bedrag dat ten minste en het bedrag dat ten hoogste als tarief in rekening mag worden gebracht als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - –. **grondslag component niet-beïnvloedbare factoren:** de loon- en materiële kostencomponent op basis van het meest recente kostenonderzoek voor het betreffende zorgzwaartepakket of volledig pakket thuis; - –. **maximumtarieven:** een bedrag dat ten hoogste als tarief in rekening mag worden gebracht als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c,"},{"i":16498,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 oktober 2007, nr. MC-U-2803757, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake tweedelijns geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 11 juli 2007 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2006/07, 29689, nr. 143); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) voorzover die wordt geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg verleend door psychiaters en overige zorgaanbieders die zijn toegelaten voor zorg aan verzekerden met een psychiatrische aandoening of zorgaanbieders van wie de zorg is gericht op verzekerden met een psychiatrische aandoening met uitzondering van eerstelijnspsychologische zorg. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 1. De zorgautoriteit voert met ingang van 1 januari 2008 een bekostigingssystematiek in voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022714&artikel=1&z=2007-10-25&g=2007-10-25) bedoelde zorg. De prestatiebeschrijvingen in deze bekostigingssystematiek zijn gebaseerd op diagnose behandeling combinaties (DBCs) voor de geestelijke gezondheidszorg (ggz). 2. De zorgautoriteit voert met ingang van 2008 voor instellingen, die ultimo 2007 waren toegelaten en die voor 2007 productieafspraken hebben gemaakt met een zorgkantoor, voor de prestaties tarieven in als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder a, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). Het budget dat deze instellingen met hun zorgverzekeraar afspreken wordt gebaseerd op de in 2007 bestaande NZa-parameters"},{"i":16502,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 juli 2025, kenmerk 4153676-1085457-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg, inzake wijziging van de aanwijzing inzake taakstelling meerjarig contracteren sector gehandicaptenzorg en langdurige ggz in verband met Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg en terugdraaien voor het jaar 2026 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Na op 3 juni 2025 en op 26 juni 2025 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2024–2025, 29 389, nr. 153 en Kamerstukken II, 2024–2025, 29 389, nr. 155 en Kamerstukken II, 2024–2025, 24 170, nr. 358) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over tariefmaatregel samenhangend met Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg en (vervolg) tariefmaatregel meerjarig contracteren sector gehandicaptenzorg en langdurige ggz; Gezien de procedurevergadering van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 juni 2025 en 2 juli 2025 en gezien het controversieel verklaren op 3 juli 2025 van de brief van 26 juni 2025 (Kamerstukken II, 2024–2025, 24 170, nr. 358) en de stemming over de motie (36 725-XVI-18) op 3 juli 2025; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **Aanwijzing taakstellingen Wlz 2024:** [Aanwijzing van 14 juni 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048323), 3604293-1049249-PZO, inzake de verwerking van taakstellingen uit het coalitieakkoord voor het jaar 2024 en verder voor bepaalde vormen van zorg zoals vergoed vanuit de Wlz;1Aanwijzing van de Minister voor langdurige zorg en Sport van 14 juni 2023, Stcrt. 2023, nr. 17290. - –. **HLO:** Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg; - –. **maximumtarief:** tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c van de wet](https:"},{"i":16504,"b":"Aanwijzingen ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1994 voor de algemeen psychiatrische ziekenhuizen Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14) (Stb. 1980, 646), laatstelijk gewijzigd bij wet van 20 november 1991 (Stb. 584); Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (advies van 21 oktober 1993, kenmerk Sch/mvd/A/93/084, vastgesteld in de vergadering van 18 oktober 1993); Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 1 november 1993, kenmerk VMP/O, 933087); Besluiten: Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006245&artikel=1&z=1993-11-21&g=1993-11-21) nummer 10 in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat op de aanvaardbare kosten 1994 een korting wordt toegepast, waardoor vanaf dat jaar in totaal een verlaging van f 50 mln structureel ten opzichte van 1993 wordt gerealiseerd (exclusief definitieve loon- en prijsbijstellingen) met inachtname van hetgeen is vermeld onder het tweede en het derde lid. 2. De verlaging van de aanvaardbare kosten is niet van toepassing op de zelfstandig in het kader van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) erkende verslavingsklinieken en klinieken voor kinderen en jeugd, op de als zodanig erkende afdelingen voor verslaafdenzorg en kinder- en jeugdpsychiatrie, alsmede op de poli- en deeltijdactiviteiten van Algemene Psychiatrische Ziekenhuizen. 3. De verlaging van de aanvaardbare kosten wordt generiek toegepast, tenzij betrokken partijen anders voorstellen. 4. In de bedoelde richtlijnen ter uitvoering van de onderhavige aanwijzing wordt bepa"},{"i":16515,"b":"Wet van 29 april 1998 tot aanwijzing van een controleautoriteit als bedoeld in artikel 37 van verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van de Europese Unie van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PbEG L 82) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Registratiekamer als nationale controleautoriteit te belasten met het onafhankelijk toezicht op de persoonsgegevens in het douane-informatiesysteem op communautair niveau dat is ingesteld bij de [verordening (EG) nr. 515/97](31997R0515) van de Raad van de Europese Unie van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PbEG L 82); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De controleautoriteit, bedoeld in artikel 37 van [verordening (EG) nr. 515/97](31997R0515) van de Raad van de Europese Unie van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PbEG L 82), is het College bescherming persoonsgegevens als bedoeld in [artikel 51 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=51). Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaats"},{"i":16529,"b":"Administratieve Schikking betreffende de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België voor de ontwikkeling van de samenwerking en van de wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de sociale zekerheid Gelet op het [Verdrag dat op 6 december 2010 in Brussel werd gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België voor de ontwikkeling van de samenwerking en van de wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005135), hierna „het Verdrag” genoemd; Met het oog op het bepalen van de nadere regels voor de uitvoering van dit Verdrag zoals bepaald in [artikel 16 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005135&artikel=16) en om de doeltreffendheid ervan te waarborgen; Beslissen de bevoegde autoriteiten, te weten: voor Nederland: de minister die het aangaat en voor België: de bevoegde Ministers op het federale niveau, en op het niveau van de gedefedereerde entiteiten de bevoegde Ministers van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie in onderlinge overeenstemming het volgende: Artikel 1. Definities 1. „Verdrag”: het [Verdrag dat op 6 december 2010 in Brussel werd gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België voor de ontwikkeling van de samenwerking en van de wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005135). 2. „Overdracht”: elke verwerking of elk geheel van verwerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, sam"},{"i":16556,"b":"Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb-zorg Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid Gelet op [artikel 5.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18) en de daarin besloten bevoegdheid om, bij de verlening van een persoonsgebonden budget aan de verzekerde, verplichtingen op te leggen die betrekking hebben op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Besluit: Artikel 1 Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid hanteert beleidsregels bij het opleggen van verplichtingen bij de verlening van een persoonsgebonden budget. Deze verplichtingen hebben betrekking op de kwaliteit en doelmatigheid van de in te kopen zorg. Deze beleidsregel is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvullende verplichtingen bij inkoop pgb zorg Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid. Artikel 4 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Per 1 januari 2026 is [artikel 5.18 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.18) gewijzigd. De bevoegdheid van zorgkantoren om aanvullende verplichtingen op te leggen met betrekking tot de kwaliteit en doelmatigheid van in te kopen pgb-zorg is verduidelijkt. De Centrale Raad van Beroep1[ECLI:NL:CRVB:2022:250, Centrale Raad van Beroep, 19/1548 WLZ](https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CRVB:2022:250) is van oordeel dat de systematiek van het trekkingsrecht in het Wlz-pgb zoveel mogelijk controle aan de voorkant vereist. Het is de bedoeling dat door de controle aan de voorkant wordt geborgd dat het pgb aan zorg, waarin de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) voorziet, wordt besteed. Dit betekent dat het zorgkantoor bij elke nieuwe aanvraag of wijziging vooraf controles uitvoert met als doel om budgethouders te beschermen tegen terugvorderingen achteraf."},{"i":16542,"b":"Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regelingen tot toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden, te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: afdeling Eerste. Algemeen gedeelte Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **Rijksvertegenwoordiger:** Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. **pensioengerechtigde leeftijd:** de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a); - d. **pensioenrichtleeftijd:** de pensioenrichtleeftijd, bedoeld in [artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18a), zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de [Wet toekomst pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048328). 2. Voor zover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd uitgedrukt in jaren, onderscheidenlijk maanden voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd. De overige tijd wordt uitgedrukt in gedeelten van jaren, onderscheidenlijk gedeelten van maanden, waarbij het jaar op 12 maanden en de maand op 30 dagen wordt gesteld. 3. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder pensioen tevens begrepen de toeslagen die in deze wet als zodanig zijn aangeduid, tenzij uit de desbetreffen"},{"i":16574,"b":"Beleidsregel experiment cosmetische mondzorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Onder verwijzing naar [artikel 58 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58), is in de voorliggende beleidsregel een experiment opgenomen. De daartoe vereiste [aanwijzing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047486) als bedoeld in [artikel 59, aanhef en onder f, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), is door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met brief van 9 november 2022, met kenmerk 3458392-1038667-PZ0, aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing is gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 2022, 30897. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **cosmetische mondzorg:** niet tandheelkundig-medisch noodzakelijke behandelingen, die het uiterlijk, de kleur, de vorm of de positie van de normale kenmerken van de weefsels in en of rondom de mond herzien of veranderen. - **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit. - **reguliere mondzorg:** de mondzorg die wordt gedeclareerd via de NZa-prestatiebeschrijvingen zoals omschreven in de: - –. [Beleidsregel tandheelkundige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047300); - –. Beleidsregel tandtechniek in eigen beheer. - **zorgaanbieder:** - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten beho"},{"i":16577,"b":"Beleidsregel geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder a, c, en f, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS met brieven van 3 juli 2019, met kenmerk [1549124-192760-PZO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042399) en van 29 juni 2020, met kenmerk [1708250-207156-PZO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043857), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **beroepsbeoefenaar die de poortfunctie uitvoert:** Zie begripsbepaling ‘poortfunctie’ in de Regeling-medisch specialistische zorg. - **geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen (gzsp):** generalistische geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen in de eerstelijn bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). - **dagdeel:** een dagdeel is een periode van minimaal 2 aaneengesloten uren aanwezigheid van de patiënt met een maximum van vier aaneengesloten uren. - **directe tijd:** tijd waarin de zorgaanbieder in direct contact staat met de patiënt, of diens vertegenwoordiger zoals omschreven in [art. 7:465 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&art"},{"i":16593,"b":"Beleidsregel Macrobeheersinstrument geneeskundige geestelijke gezondheidszorg vanaf 2023 – BR/REG-23151, Nederlandse Zorgautoriteit Ingevolge [artikel 57, eerste lid, aanhef en onder d van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van [artikel 50, tweede lid, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Ingevolge [artikel 52, aanhef en onder f, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) worden grenzen, als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), die uit deze beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Ingevolge [artikel 59 aanhef en onder c, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met brieven van 28 november 2013 (kenmerk 169317-113129-MC) en 8 juli 2014 (kenmerk 377960-121393-MC) ten behoeve van de voorliggende beleidsregel aan de NZa een aanwijzing op grond van [artikel 7 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) gegeven. 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). 2. Doel van de beleidsregel Doel van deze beleidsregel is vastlegging van de wijze waarop de NZa ontstane overschrijdingen van het budgettair kader zorg (bkz) betrekking hebbend op de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg met behulp van een macrobeheersinstrument (mbi) achteraf redresseert. 3. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **zorgaanbieder:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedri"},{"i":16596,"b":"Beleidsregel macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Gelet op [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) worden grenzen die uit deze beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Gelet op [artikel 59 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met brief van 14 juli 2014, kenmerk [642423-123512-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035401), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van huisartsenzorg, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2026 verkregen uit declaratie van de prestaties huisartsenzorg. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2025 ontvangt van de minister, met daarin voor 2026 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** i"},{"i":3471,"b":"Besluit van 23 januari 1948, tot uitvoering van artikel 13 der Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Financiën en van Sociale Zaken van 9 December 1947, afdeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers, no. 6411; Gelet op de artikelen 3 en 13, eerste lid, van de \"[Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032)\" (**Staatsblad** 1947, no. H 313); Gezien de adviezen van de Buitengewone pensioenraad en de Stichting 1940-1945; De Raad van State gehoord (advies van 6 Januari 1948, no. 25); Gezien het nader rapport van genoemde Ministers van 9 Januari 1948, no. 64505, afdeling Maatschappelijke Zorg II Bureau 4; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: de wet: de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) (**Stb.** 1986, 575); de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [artikel 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6). Artikel 2 1. Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in [artikel 13 der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=13), geschiedt door een geneeskundig adviseur, door de Raad of de Sociale verzekeringsbank aan te wijzen, of diens plaatsvervanger. 2. Op verzoek van de belanghebbende wijst de Raad of de Sociale verzekeringsbank bovendien een andere, door de belanghebbende gekozen arts aan, die het onderzoek bijwoont of de in het eerste lid bedoelde artsen schriftelijk van advies dient. 3. Bij de aanvrage om pensioen voegt de belanghebbende een omschrijving van de omstandigheden, waaronder de verwonding of verminking, of de ziekten of gebreken, naar zijn mening zijn ontstaan"},{"i":2015,"b":"Wet van 9 maart 1995, tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de wijziging van en de invoering van vereenvoudigingsmaatregelen in de Zesde Richtlijn Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) dient te worden aangepast aan [richtlijn nr. 92/111/EEG](31992L0111) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 december 1992 tot wijziging van [Richtlijn 77/388/EEG](31977L0388) en tot invoering van vereenvoudigingsmaatregelen op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (**PbEG** L 384); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Met betrekking tot de omzetbelasting dienen voor goederen die voldoen aan de artikelen 9 en 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en die overeenkomstig de op 31 december 1992 van toepassing zijnde douanewetgeving zich op of na 1 januari 1993 onder een douaneregeling bevinden, na 1 januari 1993 wat betreft de beëindiging van deze douaneregeling de douaneformaliteiten te worden vervuld overeenkomstig de douanewetgeving zoals deze op 31 december 1992 van toepassing was. 2. De in het eerste lid bedoelde douaneregelingen zijn: - a. een regeling voor communautair douanevervoer (interne procedure); - b. opslag als douanegoederen in een douane-entrepot of een vrij entrepot dan wel tijdelijke opslag; - c. een regeling voor tijdelijke invoer met vrijstelling van belasting. Artikel III [Artikel 40 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=40) vindt geen toepassing in de gevallen waarin de in artikel 37**a** van die wet bedoelde lijst is of had moeten worden ingediend op een tijdstip voorafgaande"},{"i":16691,"b":"Besluit van 7 juli 1967, houdende vaststelling van een Algemene Maatregel van Bestuur als bedoeld in artikel 17, vierde lid, en artikel 66, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 20 juni 1967, Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Soc. Verz., Afd. Algemene Zaken; Gelet op de [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=17), vierde lid, en [66, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=66); De Raad van State gehoord (advies van 28 juni 1967, No. 47); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 4 juli 1967, Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Soc. Verz., Afd. Alg. Zaken, No. 58232; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Degene die niet op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) en niet op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) verzekerd is en die arbeidsongeschikt wordt of wiens arbeidsongeschiktheid is toegenomen als gevolg van een beroepsziekte, genoemd in kolom I van de bijlage bij dit besluit, wordt voor het recht op toekenning onderscheidenlijk herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering beschouwd alsof hij verzekerd is op grond van [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), indien de beroepsziekte veroorzaakt is door de in kolom II van de bijlage achter de ziekte vermelde, door de betrokkene verrichte werkzaamheden en hij ter zake van die werkzaamheden op grond van laatstgenoemde wet verzekerd was doch nimmer verzekerd is geweest op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057). 2. Degene die niet op grond van de [Wet op de ar"},{"i":7600,"b":"Instelling werkgroep Bejegeningsgegevens Besluiten: Artikel 1 Er is een werkgroep ‘Bejegeningsgegevens’. Artikel 2 De werkgroep heeft tot taak de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken te adviseren over de concrete gevallen waarin de opname van bejegeningsgegevens in politieregisters noodzakelijk, respectievelijk onvermijdelijk, wordt geacht. Artikel 3 In de werkgroep hebben zitting: - a. mr. F. W. M. van Straelen, Advocaat-Generaal te 's-Hertogenbosch (voorzitter); - b. mw mr. W. C. J. M. Franssen-van Dijk, Hoofdafdeling Juridische Zaken van de Directie Politie van het Ministerie van Justitie (secretaris); - c. mr. D. Heimans, Hoofdafdeling Juridische Zaken van de Directie Politie van het Ministerie van Justitie; - d. mr. A. K. Jahier, afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van de Directie Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken; - e. P. W. C. H. L. Bisschop, Bureau Coördinerend Politie Beraad; - f. P. Bogmans, Centrale Recherche Informatiedienst (OPS); - g. E. C. Bol, Gemeentepolitie Haarlem/Regio Kennemerland (HKS); - h. R. van den Brink, Gemeentepolitie Apeldoorn (BPS); - i. P. Buijs, Centrale Recherche Informatiedienst (HKS/CVI); - j. A. D. van Duijn, Rijkspolitie Den Haag/Regio Hollands Midden (HKS); - k. E. Huizer, Rijkspolitie Den Bosch (OPS); - l. M. Slingenberg, Rijkspolitie Zeeland (BPS); - m. H. Theeuwes, Centrale Recherche Informatiedienst (CID); - n. H. L. Wouters, Centrale Recherche Informatiedienst (OPS). Artikel 4 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze beschikking zal geplaatst worden in de Staatscourant en in het Algemeen Politieblad."},{"i":5524,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 20 november 2025, nr. WJZ/101348398, houdende regels omtrent de vergoeding voor werkzaamheden en diensten van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (Regeling vergoedingen Rijksinspectie Digitale Infrastructuur 2026) Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=6) en [7 van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet en Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=7), [artikel 4:93 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:93) en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039114&artikel=3) en [4 van het Besluit kosten hercontroles Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039114&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken; - b. **Rijksinspectie Digitale Infrastructuur:** Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken; - c. **categorieën:** categorieën van gelijksoortige werkzaamheden of diensten, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet en Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=4); - d. **subcategorieën:** subcategorieën van gelijksoortige werkzaamheden of diensten, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet en Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=4); - e. **jaarlijkse bijdrage:** bijdrage, bedoeld in [artikel 16.1, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=16.1); - f. **vergunning:** een op grond van de [artik"},{"i":6035,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Belize inzake de export en handhaving van socialezekerheidsuitkeringen het Koninkrijk der Nederlanden en Belize Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid tot stand te brengen, Geleid door de wens de samenwerking tussen de twee staten te regelen ter waarborging van de handhaving van de wetgeving van het ene land in het andere, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied’’, met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; - b. „bevoegde autoriteit’’, met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland; met betrekking tot Belize, het ministerie van Financiën; - c. „bevoegd orgaan’’, met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de socialezekerheidsuitkeringen bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; betreffende de socialezekerheidsuitkeringen bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, e en f: de Sociale verzekeringsbank; betreffende de wetgeving met betrekking tot de sociale bijstand, het daartoe door de Nederlandse bevoegde autoriteit aangewezen orgaan; met betrekking tot Belize, de Raad voor sociale zekerheid; of elke organisatie bevoegd tot het uitvoeren van een taak die momenteel wordt uitgevoerd door voornoemde organen; - d. „instantie’’, elke organisatie die betrokken is bij de uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van onder meer de bevolkingsregisters, geboorte-, overlijdens- en huwelijksregisters, belastingautoriteiten, arbeidsbureaus en bureaus voor arbeidsbemiddeling, scholen en andere onderwijsinstellingen, kadasterregisters, handelsautoriteiten, politie, gevangeniswezen en immigratiediensten; - e. „wetgeving’’, de wetten en voorschriften inzake sociale"},{"i":14288,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 16 juni 2010, nr. GMT/MVG-3006021, houdende vaststelling van als gelijkwaardig erkende opleidingen voor het werken als verantwoordelijk persoon in een weefselinstelling (Regeling gelijkwaardig erkende opleidingen Eisenbesluit lichaamsmateriaal 2006) Gelet op [artikel 4.4, eerste lid, onder a, van het Eisenbesluit lichaamsmateriaal 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021255&artikel=4.4); Besluit: Artikel 1 Als gelijkwaardig aan een universitaire opleiding op het gebied van geneeskunde of biologie wordt erkend iedere andere universitaire opleiding die is gericht op het verkrijgen van kennis, op moleculair, cel- of weefselniveau, over fysiologische, anatomische, fysische of chemische eigenschappen van gewervelde organismen. Artikel 2 Het [besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2008, nr. GMT/MVG 2889571, houdende vaststelling van gelijkwaardig erkende opleidingen voor het werken als verantwoordelijk persoon in een weefselinstelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025126) (**Stcrt.** 2009, 337), wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gelijkwaardig erkende opleidingen Eisenbesluit lichaamsmateriaal 2006. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18232,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Rijksgebouwendienst, periode vanaf 2010 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 maart 2011, nr. bca-2010.06083/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Rijksgebouwendienst op het beleidsterrein rijkshuisvesting, over de periode vanaf 2010’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein rijkshuisvesting over de periode vanaf 1945’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer](onbekend), nr. C/S&A/07/522 d.d. 12-3-2007 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 142, d.d. 26-7-2007)) wordt afgesloten voor de periode vanaf 2010. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.archief.nl."},{"i":15193,"b":"Besluit van 2 maart 1936, tot uitvoering van artikel 20, tweede lid, der Warenwet (Staatsblad 1935, n°. 793) Op de voordracht van Onzen Minister van Sociale Zaken van 2 Januari 1936, n°. 1084 D., afdeeling Volksgezondheid, en van Onzen Minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart van 7 Januari 1936, N°. 934 J.A., Directie van Handel en Nijverheid; Gelet op [artikel 20, tweede lid, der Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=20) (**Staatsblad** 1935, n°. 793); Den Raad van State gehoord (advies van 4 Februari 1936, n°. 34); Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Sociale Zaken van 17 Februari 1936, n°. 209 D, dossier 60, afdeeling heid en Scheepvaart van 21 Februari 1936, N°. 8858 J.A., Directie van Handel en Nijverheid; Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen: Artikel 1 Met betrekking tot het nemen van monsters van andere artikelen, die voor den handel bestemd of in den handel gebracht zijn - geen \"waren\" zijnde in den zin van [artikel 1, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001971&artikel=1&z=1936-03-19&g=1936-03-19)., der [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) (**Staatsblad** 1935, n°. 793) -, vinden de bepalingen, vastgesteld bij of krachtens de artikelen 21-26 der [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) (**Staatsblad** 1935, n°. 793) overeenkomstige toepassing, echter met dien verstande, dat in plaats van den laatsten zin van het eerste lid van artikel 23 der wet de volgende bepaling geldt: \"Het monster wordt in dit laboratorium of in andere door Onze Ministers van Sociale Zaken en van Handel, Nijverheid en Scheepvaart daarvoor aan te wijzen laboratoria zoo spoedig mogelijk onderzocht\". Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van den tweeden dag na dien der dagteekening van het **Staatsblad**, waarin het is geplaatst. Onze Ministers van Sociale Zaken en van Handel, Nijverheid en Scheepvaart zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsbla"},{"i":15194,"b":"Besluit van 17 december 2015, houdende nadere regels omtrent de weigering en terugvordering van kinderbijslag BES op grond van de Wet kinderbijslagvoorziening BES (Uitvoeringsbesluit kinderbijslagvoorziening BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 november 2015, nr. 2015-0000306775; Gelet op de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347&artikel=16) en [21, tweede lid, van de Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347&artikel=21); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 december 2015, No. W12.15.0418/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2015, nr. 2015-0000306771; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1. Algemene begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347); - b. **maatregel:** de tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke weigering van de kinderbijslag BES, bedoeld in [artikel 16 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347&artikel=16). Hoofdstuk 2. Maatregel Artikel 2. Besluit oplegging maatregel Een besluit tot oplegging van een maatregel wordt schriftelijk meegedeeld en vermeldt de reden voor het opleggen van deze maatregel, alsmede de hoogte en duur van de maatregel. Artikel 3. Hoogte en duur 1. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de rechthebbende de gedraging verweten kan worden. 2. De hoogte en duur van een maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste 25 procent bedraagt van het geldende maandelijkse kinderbijslagbedrag BES voor één kind, vastgesteld op: - a. ten hoogste 30 procent van het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES gedurende ten minste één maand indien: - 1°. de rechthebbende binnen de vastgestelde termijn niet of niet"},{"i":16851,"b":"Besluit van de Sociale Verzekeringsbank, tot verlening van mandaat aan de Chefs de Postes met betrekking tot het in spoedgevallen uitkeren van bijzondere bijstand in het kader van de uitvoering van de WWB in het buitenland Gelet op [artikel 78h van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78h), zoals deze is gewijzigd met ingang van 1 januari 2009, artikel 1.2, onder c, van het Convenant met betrekking tot verlening Bijstand Buitenland (hierna Convenant) en [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1. Omvang van het mandaat De Raad van Bestuur van de SVB verleent aan de Chefs de Postes van het Ministerie van Buitenlandse Zaken mandaat en machtiging om in gevallen waarin sprake is van een levensbedreigende situatie of een situatie waarin geen uitstel mogelijk is, dat wil zeggen dat de uitbetaling binnen drie weken moet hebben plaatsgevonden, besluiten te nemen om bijzondere bijstand als bedoeld in [artikel 78 h van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78h), en als bedoeld in [artikel 35, eerste lid van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=35), toe te kennen en uit te betalen of deze te weigeren. Artikel 2. Ondermandaat De Chefs de Postes van het Ministerie van Buitenlandse Zaken kunnen met betrekking tot de bevoegdheden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025191&artikel=1&z=2009-01-21&g=2009-01-21), ondermandaat en machtiging verlenen aan één of meer onder hen ressorterende functionarissen. Artikel 3. Protocol Uitvoering Bijzondere Bijstand Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025191&artikel=1&z=2009-01-21&g=2009-01-21) genoemde mandaat is nader uitgewerkt in een Protocol Uitvoering Bijzondere Bijstand. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtek"},{"i":16864,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 juli 2021, nr. 2021-0000346891, tot openstelling en vaststelling uitkeringsplafond aanvraagtijdvak van de derde tranche van de Woningbouwimpuls Gelet op [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) en [artikel 3, tweede lid, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=3); Artikel 1 Conform [artikel 4, eerste lid, van het Besluit woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) wordt het derde aanvraagtijdvak van de woningbouwimpuls vastgesteld voor de periode van 1 september 2021 tot en met 17 september 2021. Artikel 2 Het uitkeringsplafond van dit aanvraagtijdvak is € 250.000.000. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16870,"b":"Besluit van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 11 juli 2025, nr. 2025-0000020796, tot openstelling en vaststelling uitkeringsplafond aanvraagtijdvak van de zevende tranche van de Woningbouwimpuls Gelet op [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=3), [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) en [artikel 5, derde lid, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=5); Artikel I Conform [artikel 4, eerste lid, van het Besluit woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) wordt het zevende aanvraagtijdvak van de woningbouwimpuls vastgesteld voor de periode van 15 september tot en met 8 oktober 2025. Artikel II Het uitkeringsplafond van dit aanvraagtijdvak is € 120.0000.000. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16901,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2022 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op 7,89%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2022. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":13924,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 10 februari 2003, nr. 03M449318, houdende beperkingen van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het ministerie voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk (1942-1946), het Kabinet van de Minister-President (1946-1947) en het ministerie van Algemene Zaken, Kabinet van de Minister-President (1947-heden), over het tijdvak (1924)1942-1979(1989) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), en [artikel 15, tweede lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, het belang van de Staat en zijn bondgenoten en het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden worden beperkingen gesteld aan de openbaarheid van bescheiden die in de vierdelige inventaris van archiefbescheiden van het ministerie voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk (1942-1946), het Kabinet van de Minister-President (1946-1947) en het Ministerie van Algemene Zaken, Kabinet van de Minister-President (1947-heden) die als bijlage I bij dit besluit is gevoegd, zijn vermeld als bescheiden waarop een beperking aan de openbaarheid rust. 2 De wettelijke grondslag en de duur van de beperkingen aan de openbaarheid van deze bescheiden worden vastgesteld zoals vermeld in de genoemde inventaris. 3 Over beperkingen aan de openbaarheid van bescheiden die in de inventaris zijn vermeld als bescheiden waarop een beperking aan de openbaarheid rust die inhoudt dat een herbeoordeling plaatsvindt voor het verstrijken van de aangegeven termijn, wordt bij het verstrijken van deze termijn beslist na overleg met de Minister-President, Minister v"},{"i":4416,"b":"Bestuursreglement College gerechtelijk deskundigen Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=9); Heeft besloten het volgende bestuursreglement vast te stellen: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de Wet:** de [Wet deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025251); - b. **het Besluit:** het [Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190); - c. **het register:** het landelijk openbaar register, met als volledige benaming het Nederlands register gerechtelijk deskundigen (NRGD), bedoeld in [artikel 51k van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51k); - d. **het College:** het College gerechtelijk deskundigen, bedoeld in [artikel 3 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=3); - e. **de voorzitter:** de voorzitter van het College; - f. **het lid:** de voorzitter of een ander lid van het College; - g. **de secretaris:** de secretaris van het College voor gerechtelijk deskundigen, bedoeld in [artikel 10 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=10); - h. **het bureau:** het bureau ter ondersteuning van het College voor de gerechtelijke deskundige, bedoeld in [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=10) en [11 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=11). Hoofdstuk 2. Inrichting Artikel 2 Ingevolge [artikel 5, tweede lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=5), bestaat het College uit een oneven aantal leden, waaronder de voorzitter en ten minste zes andere leden. Artikel 3 1. De voorzitter geeft leiding aan de werkzaamheden van de secretaris en van het bureau en bevordert daarbij een goede afstemming. 2. De secretaris is belast met de zorg voor een doe"},{"i":4370,"b":"Besluit van 19 februari 2019 houdende nadere regels met betrekking tot de finaliteit van opdrachten die worden gegeven aan betalings- en effectenafwikkelsystemen in derde landen (Besluit voorwaarden finaliteit en derde landen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 30 januari 2019, nr. 2019-0000015564, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming; Gelet op de [artikelen 212a, onderdeel b, onder 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=212a), [212b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=212b), en [212c, derde lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=212c); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 februari 2019, nr. W06.19.0028/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën, van 14 februari 2019, 2019-0000023544, directie Financiële Markten, uitgebracht mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Een toezichthouder als bedoeld in de [artikelen 212a, onderdeel b, onder 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=212a), en [212b, eerste lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=212b) is een toezichthouder die is gevestigd in een Staat, met uitzondering van een lidstaat van de Europese Unie, waarvan de centrale bank kapitaal houdt in de Bank for International Settlements. 2. Indien een toezichthouder ophoudt een toezichthouder als bedoeld in het eerste lid te zijn, wordt de toezichthouder nog gedurende twee jaar daarna voor de toepassing van het eerste lid aangemerkt als een toezichthouder als bedoeld in dat lid. Artikel 2 1. Deelnemers delen aan De Nederlandsche Bank N.V. mee aan welke systemen, bedoeld in [artikel 212a, onder b, onderdeel 3, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=212a), zij deelnemen en verstrekken aan de Nederl"},{"i":11373,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 26 juni 2023, nummer CvTE-23.00879, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo ten behoeve van het examenjaar 2025, nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi ten behoeve van het examenjaar 2024 tevens preliminaire vaststelling van enkele syllabi ten behoeve van het examenjaar 2026 (Regeling syllabi centrale examens vo 2025) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bedoeld in [artikel 2, zevende lid, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2), gegeven op 3 juli 2023, kenmerk 39303926, Besluit: Artikel 1. Vaststelling syllabi ten behoeve van het examenjaar 2025 Vervallen Artikel 2. Nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi Vervallen Artikel 3. Preliminaire vaststelling van syllabi ten behoeve van het examenjaar 2026 De syllabi voor de centrale examens in het vwo ten behoeve van het examenjaar 2026 worden vastgesteld voor de vakken vermeld in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048412&bijlage=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bij deze regeling. Artikel 4. Bekendmaking syllabi De syllabi, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048412&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048412&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) worden bekendgemaakt op [www.examenblad.nl](http://www.examenblad.nl). Artikel 5. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048412&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en de daarbij behorende [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":4224,"b":"Besluit van de Raad van Bestuur van het Fonds Podiumkunsten tot vaststelling van subsidieplafonds en verdeling budget over de landsdelen Deelregeling Programma- en Presentatiebijdrage Fonds Podiumkunsten Op basis van [artikel 1.4 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051544&artikel=1.4), [artikel 1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051544&artikel=1.10) en [artikel 2.2. van de Deelregeling Programma- en Presentatiebijdrage Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051544&artikel=2.2) Besluit: Artikel 1. Subsidieplafonds Voor de periode 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2028 zijn per subsidiejaar de volgende bedragen beschikbaar voor het verstrekken van programma- en presentatiesubsidies: Onderdeel a (focus op geografische spreiding): € 1.200.000; Onderdeel b (focus op onderscheidende programmering): € 505.000. Artikel 2. Subsidieplafond per landsdeel Voor de periode 1 juli 2026 t/m 30 juni 2028 zijn voor onderdeel a per subsidiejaar de volgende bedragen beschikbaar: Noord: € 168.000; Oost: € 228.000 Midden: € 156.000; Zuid: € 264.000; West: € 276.000 CdK: € 108.000. Artikel 3. Uiterste indiendatum Aanvragen moeten uiterlijk op 3 december 2025 zijn ontvangen. Artikel 4. Subsidiebedragen Voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2028 zijn de subsidiebedragen per subsidiejaar vastgesteld overeenkomstig de tabel in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051593&bijlage=1&z=2025-10-08&g=2025-10-08) bij dit besluit. Artikel 5. Inwerkingtreding - a. Dit besluit wordt bekendgemaakt via de website van het Fonds Podiumkunsten en gepubliceerd in de Staatscourant - b. Dit besluit treedt in werking met ingang van 8 oktober 2025. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 8 oktober 2025 treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 8 oktober 2025. Bijlage 1 | | cat.1 | ca"},{"i":16935,"b":"Besluit van 31 mei 2010, houdende regels inzake een financiële tegemoetkoming ter zake van uitgaven voor specifieke zorgkosten die in de inkomstenbelasting als gevolg van heffingskortingen niet of niet geheel zijn verzilverd alsmede wijziging van enige andere regelingen (Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 januari 2010, kenmerk DWJZ/SWW-2979296, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën en in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie; Gelet op [artikel 24 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003&artikel=24), [artikel 24, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=24), [artikel 6.1, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.1), [artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=6) en [artikel 55, zesde lid, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=55); De Raad van State gehoord (advies van 10 februari 2010, no. W13.09.0466/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 mei 2010, DWJZ/SWW-3003737, uitgebracht mede namens Onze Minister van Financiën en in overeenstemming met Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **belastingplichtige:** een belastingplichtige als bedoeld in [artikel 2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.1); - b. **aanslag:** een aanslag als bedoeld in [artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel="},{"i":17171,"b":"Meerjarenregeling Talentontwikkeling 2025–2028 Fonds voor Cultuurparticipatie gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gelet op [artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); gelet op het [Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516); met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 1 november 2022; en voor de gewijzigde versie op 27 maart 2023; besluit vast te stellen de Meerjarenregeling Talentontwikkeling 2025–2028 Fonds voor Cultuurparticipatie Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen Artikel 1.1. Gebruikte begrippen - a. **Adviescommissie:** een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het [Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026366); - b. **Actieve cultuurparticipatie:** (De sector die zich kenmerkt door) het actief beoefenen van of betrokken zijn bij kunst en cultuur in de vrije tijd door cultuureducatie, co-creatie of amateurkunst; - c. **Activiteit:** een specifieke handeling of bezigheid die door de aanvrager wordt geiniteerd en door, of met, de doelgroep (een individu, groep of organisatie) wordt uitgevoerd om een specifieke outcome te bereiken. Denk hierbij aan het brainstorms, repetities, coachingsessies, bijeenkomsten, presentaties etc.; - d. **Algemeen Subsidiereglement:** [Algemeen Subsidiereglement Fonds voor Cultuurparticipatie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516); - a. Amateurkunst: (De sector die zich kenmerkt door) de maken van kunst door individuen of groepen op een niet-professioneel niveau. Het betreft hier per definitie geen co-creatie; - e. **Caribisch deel van het Koninkrijk:** de landen Aruba, Curaçao, Sint-Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba; - f"},{"i":18863,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 februari 2023 nr. BOACAT2023/008, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Ministerie van Defensie, CLAS terreinen Gelezen het verzoek van de directeur P&O/Staf CLAS van het Ministerie van Defensie van 20 februari 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de commandant van de Koninklijke Marechaussee; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047931&artikel=2&z=2025-02-07&g=2025-02-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Buitengewoon Opsporingsambtenaar Defensie in dienst van het Ministerie van Defensie, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van"},{"i":18864,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 mei 2024 nr. BOACAT2024/049, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Nederlandse Kustwacht Gelezen het verzoek van de Nederlandse Kustwacht van 14 mei 2024 en de adviezen van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049741&artikel=2&z=2024-08-14&g=2024-08-14). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van ambtenaren, zoals bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042251&artikel=2) en [artikel 3, tweede lid van de Regeling organisatie Kustwacht Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042251&artikel=3) ten behoeve van de Nederlandse Kustwacht, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon"},{"i":18429,"b":"Regeling tarieven Kamer voor de Binnenvisserij Gelet op [artikel 54 van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=54) (Stb. 312), Besluit: Artikel 1 Het tarief voor de werkzaamheden van de Kamer voor de Binnenvisserij, zowel voor wat betreft die ten aanzien van ter goedkeuring ingediende overeenkomsten als bedoeld in [artikel 25 van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=25), als die ten aanzien van verzoeken tot verlenging van dergelijke overeenkomsten, bedraagt: - a. € 30,– bij een huurprijs van minder dan € 75,– per jaar; - b. € 50,– bij een huurprijs van ten minste € 75,– doch minder dan € 250,– per jaar; - c. € 75,– bij een huurprijs van ten minste € 250,– per jaar. Artikel 2 Ten aanzien van ter goedkeuring ingediende overeenkomsten als bedoeld in artikel 36 geldt het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003302&paragraaf=1&artikel=1&z=2023-07-01&g=2023-07-01) vermelde tarief, met dien verstande, dat telkens in plaats van een huurprijs dient gelezen te worden: een prestatie. Artikel 2a Het tarief voor de werkzaamheden van de Kamer bedraagt voor wat betreft het verlenen van toestemming als bedoeld in [artikel 22, eerste lid, van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=22) (Stb. 312) € 40,– per verzoek om toestemming. Artikel 3 Deze regeling is niet van toepassing voor werkzaamheden ten aanzien van overeenkomsten, die voor 1 april 1980 aan de Kamer voor de Binnenvisserij ter goedkeuring zijn voorgelegd noch ten aanzien van verzoeken tot verlenging die voor die datum bij de Kamer zijn ingediend. Artikel 4 De beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij van 27 november 1968, nr. J. 2684 (Stcrt. 235) wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 1980. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tarieven Kamer voor de Binnenvisserij. Paragraaf 1. Tarieven Kamer voor de Binnenvisserij P"},{"i":18101,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 25 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 070/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van de Nederlandse Ambassade, later het Consulaat in Pakistan te Karachi (1955–1974) en de Ambassade in Pakistan te Islamabad (1965–1974) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Ambassade, later het Consulaat in Pakistan te Karachi (1955–1974) en de Ambassade in Pakistan te Islamabad (1965–1974) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 52 | 2039 | | 146 | 2039 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Ambassade, later het Consulaat in Pakistan te Karachi (1955–1974) en de Ambassade in Pakistan te Islamabad (1965–1974) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 160 | 2047 | | 244 | 2048 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024793&artikel=2&z=2008-12-10&g=2008-12-10), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de di"},{"i":17833,"b":"Wet van 18 mei 1988, houdende regelen met betrekking tot de toekenning van een uitkering en herdenkingspenning Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gezien de gezamenlijke verklaring met betrekking tot het overleg tussen een delegatie uit het kabinet en de Badan Persatuan op 28 november 1985 en 21 april 1986, wenselijk is regelen te stellen met betrekking tot de toekenning van een uitkering en van een herdenkingspenning; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; - b. het register: het register van personen die door de zorg van de Nederlandse regering in 1951 of 1952 in groepsverband naar Nederland zijn overgebracht, welk register is aangelegd op basis van de enquête van februari 1952, bedoeld in het rapport van de commissie, ingesteld bij besluit van de Minister van Maatschappelijk Werk van 24 september 1957, nr. U 2598 Kabinet; - c. de uitkeringsgerechtigde: - 1°. degene die voorkomt in het register, op 1 januari 1986 in enig persoonsregister, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Besluit Bevolkingsboekhouding (**Stb.** 1967, 442) was ingeschreven, op 1 januari 1986 in leven was, en niet als kind, pleeg- of adoptiefkind naar Nederland is meegekomen; - 2°. degene die op 1 januari 1986 in enig persoonsregister, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Besluit Bevolkingsboekhouding was ingeschreven, op 1 januari 1986 in leven was, en waarvan door degene die de uitkering aanvraagt wordt aangetoond dat de betreffende persoon: - -. behoorde tot de groep personen die door de zorg van de Nederlandse regering in 1951 of 1952 in groepsverband naar Nederland zijn overgebracht, hetzij uit eigen hoofde, hetzij als echtgenoot of echtgenote van e"},{"i":16973,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Federatie van gezondheidszorgpsychologen, voor periode vanaf 27 februari 2002 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde “selectielijst voor de neerslag van de openbaar gezagtaken van de Federatie van gezondheidszorgpsychologen, voor de periode vanaf 27 februari 2002” en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19080,"b":"Regeling bekendmaking boetetoemeting aangaande bepaalde mededingings- beperkende activiteiten in de installatie-deelsector I. Inleiding en definities 1. Met deze Bekendmaking boetetoemeting aangaande bepaalde mededingingsbeperkende activiteiten in de installatie-deelsector (hierna: Bekendmaking) beoogt de directeurgeneraal van de NMa (hierna: d-g NMa) inzicht te geven in de wijze waarop hij voornemens is de hoogte van de boetes te bepalen voor ondernemingen die betrokken zijn bij overtredingen van [artikel 6 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=6) (Mw) en/of van artikel 81 van het EG-Verdrag in verband met de aanbesteding van werken in de installatie-deelsector. Deze Bekendmaking geldt voor de beboeting van overtredingen in de installatie- deelsector, zoals bij de NMa bekend en waarvan het redelijk vermoeden is vastgelegd in een rapport als bedoeld in [artikel 59 Mw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=59). De eerdere Bekendmaking boetetoemeting in de GWW-deelsector1Bekendmaking boetetoemeting aangaande bepaalde mededingingsbeperkende activiteiten in de GWW-deelsector (Stcrt. 14 oktober 2004, nr. 198). heeft model gestaan voor onderhavige Bekendmaking. 2. De d-g NMa heeft deze Bekendmaking opgesteld vanwege de aard en omvang van het gebleken kartelgedrag in de bouwsector in Nederland en de gevolgen die het onverkort toepassen van de [Richtsnoeren boetetoemeting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033008)2Richtsnoeren boetetoemeting met betrekking tot het opleggen van boetes ingevolge artikel 57 van de Mededingingswet, besluit van de d-g NMa van 19 december 2001 (Stcrt. 19 december 2001, nr. 248).voor de sector in zijn geheel zou hebben. Met deze Bekendmaking geeft de d-g NMa, in lijn met de eerdere Bekendmaking boetetoemeting in de GWW-deelsector, invulling aan deze bijzondere omstandigheden en de oproepen van de NMa en de regering aan de ondernemingen in de bouwsector om ‘schoon schip te maken’. D"},{"i":17596,"b":"Subsidieregeling Stelselherziening rechtsbijstand gelet op [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c), waarin is bepaald dat het bestuur van de raad met het oog op de verlening van rechtsbijstand subsidie kan verstrekken voor bijzondere doeleinden en projecten, besluit: de volgende regeling vast te stellen. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen - a. Aanvraagformulier: het door de raad vastgestelde en beschikbaar gestelde formulier ten behoeve van het aanvragen van een subsidie; - b. Aanvraag: de aanvraag, ingediend door de aanvrager, tot het verlenen van een subsidie dan wel de vaststelling daarvan, als bedoeld in deze regeling; - c. Aanvrager: de rechtspersoon die een aanvraag indient als bedoeld in deze regeling; - d. Activiteiten: de activiteiten binnen het kader van het project die door de aanvrager zullen worden uitgevoerd en door de raad kunnen worden gesubsidieerd op grond van deze regeling; - e. Adviescommissie: een commissie die is ingesteld op grond van [artikel 8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8); - f. Awb: de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - g. Bestuur: het bestuur van de raad, als bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - h. Rechtzoekende: de rechtzoekende als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1); - i. Project: een project in de vorm van een pilot of experiment dat op een innovatieve en vernieuwende manier bijdraagt aan (de uitgangspunten van) herziening van het stelsel voor gesubsidieerde rechtsbijstand en bijdraagt aan de ontwikkeling van rechtshulppakketten - j. Raad: de raad voor rechtsbijstand, als bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - k"},{"i":17650,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juni 2024, kenmerk 3847849-1067214-PZO, houdende nadere regels ter uitvoering van de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg en het Besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg in verband met het Informatieknooppunt zorgfraude (Uitvoeringsregeling Informatieknooppunt zorgfraude) Gelet op [artikel 2.5, tweede lid, van de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048601&artikel=2.5), en de [artikelen 3.19, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049565&artikel=3.19), [3,20, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049565&artikel=3.20), [3.25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049565&artikel=3.25), en [3.26 van het Besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049565&artikel=3.26); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg in werking treedt. Hoofdstuk 1. Begripsbepaling en algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049565); - **De minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **ICT-leverancier:** private partij, waarmee het Informatieknooppunt zorgfraude een overeenkomst heeft gesloten met als strekking dat ten aanzien van signalen, verrijkte signalen, analyse en onderzoek, een of meerdere applicaties of diensten voor de informatievoorziening worden geleverd of dat het beheer en het onderhoud daarvan, of voor een onderdeel daarvan door die partij, al dan niet samen met andere partijen, wordt uitgevoerd; - **Gebruikersportaal:** beveiligde verbinding waarmee het Informatieknooppunt zorgfraude informatie uitwisselt met een instantie; - **Signaal:** de gegevens, bedoeld in de [artikelen 3.1 tot en met 3.9 van het besl"},{"i":17862,"b":"Besluit van 27 februari 1998, houdende wijziging van het Besluit beheer sociale-huursector en het Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (verbetering van het toezicht op de sociale-huursector, verbetering van de werkwijze van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 juli 1997, nr. MJZ97113554, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=70), [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=71), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=82) en [88 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=88); De Raad van State gehoord (advies van 24 december 1997, nr. W08.97.0429); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 23 februari 1998, nr. MJZ98019441, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt het Besluit beheer sociale-huursector. ARTIKEL II 1. Indien een toegelaten instelling als bedoeld in [artikel 70, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=70) voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, overeenkomstig [artikel 30, eerste lid, van het Besluit beheer sociale-huursector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686&artikel=30) als laatstelijk luidend voor die inwerkingtreding, aan het college van burgemeester en wethouders de bescheiden, bedoeld in de onderdelen a en b van dat lid als laatstelijk luidend voor die inwerkingtreding, heeft doen toekomen: - a. is dat college in voorkomende gevallen niet meer gehouden toepassing te geven aan artikel 31, eerste lid, van genoemd besluit als laatstelijk luidend voor die inwerkingtreding; - b. geeft dat college geen toepassing aan artikel 32 van genoemd besluit als laats"},{"i":16991,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Lijkbezorging vanaf 1948 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2006, arc-2006.03350/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Lijkbezorging over de periode vanaf 1948](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17397,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 11 juli 2022, nr. 2022-0000353424, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van de financiering van capaciteitsondersteuning voor het voorkomen van vertragingen in de voorfase van de woningbouw (Regeling specifieke uitkering flexibele inzet ondersteuning woningbouw (tweede tranche)) Gelet op de [artikelen 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) juncto [artikel 4:23, derde lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aandachtsgroepen:** statushouders, arbeidsmigranten, dak- en thuisloze mensen, mensen met sociale of medische urgentie, mensen die uitstromen uit een intramurale zorginstelling, uitwonende studenten, woonwagenbewoners en ouderen. - b. **betaalbare woning:** - 1°. sociale huurwoning: huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13); - 2°. huurwoning voor middenhuur: huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13), en ten hoogste de bovengrens van € 1.000, of, indien er voor een geliberaliseerde woning voor middenhuur als bedoeld in [artikel 1.1.1, onderdeel j, van het Besluit ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023798&artikel=1.1.1) in de gemeentelijke verordening ten hoogste een aanvangshuurprijs is bepaald die lager is dan € 1.000, ten hoogste dat bedrag. De bovengrens wordt met ingang van elk kalenderjaar geïndexeerd; of - 3°. betaalbare koopwoning: koopwoning met een koopprijs van ten hoogste de kostengrens"},{"i":18231,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Politieacademie en rechtsvoorganger over de periode vanaf 1992 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 oktober 2011, nr. arc-2011.06241/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Politieacademie en rechtsvoorganger op het beleidsterrein Politie, over de periode vanaf 1992’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Wijzigt Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Politie 1945–1993 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17797,"b":"Wet ambtelijke bijstand verzoekschriften BES Artikel 1 1. Personen, die niet schrijven kunnen en die verzoekschriften wensen in te dienen bij de bevoegde macht, kunnen zich met het verzoekschrift vervroegen bij de gezaghebber van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waar zij verblijven, 2. De gezaghebbers kunnen ambtenaren aanwijzen, die namens hen de in deze wet bedoelde tussenkomst zullen verlenen. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028196&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemde ambtenaar zal, na voorlezing en bekendmaking aan de adressanten van de inhoud van het verzoekschrift, hun vragen of het hun verlangen is, het verzoekschrift zo bij de bevoegde macht, aan welke het gericht is, in te dienen. Bij bevestigende beantwoording stelt de ambtenaar aan de voet van het verzoekschrift een verklaring, luidende: «De ondergetekende verklaart, dat voor hem is verschenen een persoon, die volgens zijn/haar verklaring en de verklaring van de getuigen: (naam en voornamen) en (naam en voornamen) is genaamd: (naam en voornamen) wonende in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die te kennen gaf niet te kunnen schrijven en mitsdien zijn tussenkomst tot het indienen van bovenstaand verzoekschrift verzocht. | | | ........................................................ | | | --- | --- | --- | --- | | | | (eiland) | (datum) | | | De gezaghebber, eventueel: | De gezaghebber, eventueel: | | | | | namens deze, | (functie)». | Artikel 3 De ambtenaar draagt, na afgifte aan de adressant van een gedagtekend en ondertekend bewijs van ontvangst, zorg voor de verzending van het verzoekschrift aan de bevoegde macht, aan welke het gericht is. Artikel 4 De in deze wet bedoelde tussenkomst geschiedt kosteloos en de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028196&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde bewijzen van ontvangst zijn vrij van zegel. Artikel 5 Tot gelijke tussenkomst en op de voet van de bepal"},{"i":18462,"b":"Regeling voorzieningen hondengeleiders Defensie Gelet op [artikel 62 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=62) en [artikel 26 van het van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=26); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **commandant:** de commandant, bedoeld in het [Besluit toedeling uitvoerende personele bevoegdheden Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039990); - **defensieambtenaar:** de ambtenaar bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1); - **diensthond:** de hond die wordt ingezet ten behoeve van de uitvoering van politie- en defensietaken en die door de hondengeleider op het woonadres wordt verzorgd; - **hondengeleider:** de defensieambtenaar die een toegewezen diensthond buiten werktijd op diens woonadres verzorgt. Artikel 2. Tegemoetkoming Voor de kosten ten behoeve van de verzorging van de diensthond buiten werktijd heeft de hondengeleider aanspraak op een maandelijkse tegemoetkoming van netto € 165,00 per diensthond. Artikel 3. Compensatie 1. Voor de permanente verantwoordelijkheid voor de diensthond(en) waarvoor de hondengeleider de verantwoordelijkheid draagt heeft de hondengeleider aanspraak op een compensatie in de vorm van: - a. een compensatie in tijd van 6 uren per week, die in het rooster van de hondengeleider wordt verwerkt, of; - b. een compensatie in tijd van 3 uren per week die in het rooster van de hondengeleider wordt verwerkt, en een compensatie in geld tegen het bruto uurloon voor 3 uren per week. 2. De hondengeleider kan bij de commandant een aanvraag indienen om in aanmerking te komen voor één van de twee compensatievarianten als bedoeld in het eerste lid onder a of b. 3. De commandant wijst een aanvraag voor een compensatievariant toe, tenzij: - a. naar het oordee"},{"i":19286,"b":"Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en diverse andere wetten te wijzigen in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel III Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel IV Wijzigt de Advocatenwet. Artikel V Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel VI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VII Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Artikel VIII Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Artikel IX Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet. Artikel X Wijzigt de Gratiewet. Artikel XI Wijzigt de Jeugdwet. Artikel XII Wijzigt de Loodsenwet. Artikel XIII Wijzigt de Noodwet rechtspleging. Artikel XIV Wijzigt de Opiumwet. Artikel XV Wijzigt de Overleveringswet. Artikel XVI Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel XVII Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2017/82. Wijzigt de Postwet 2009. Artikel XVIII Wijzigt de Scheepvaartverkeerswet. Artikel XIX Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel XX Wijzigt de Uitleveringswet. Artikel XXI W"},{"i":18997,"b":"Besluit vervanging personeelsdossiers Centraal Justitieel Incassobureau Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **selectielijst:** de selectielijst die op 16 augustus 2007 namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Justitie, kenmerk [C/S&A/07/1516](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869) is vastgesteld naar [artikel 5, tweede lid onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) (Stcr. 2007, 225); - b. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën van 11 februari 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362) (Stcr. 2009, 43); - c. **regeling:** de [Regeling digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Justitie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775) (Stcr. 2010, 9361). Artikel 2 De archiefbescheiden van het Centraal Justitieel Incassobureau met betrekking tot de personeelsdossiers, zoals beschreven in de [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869), zijn en worden vervangen door reproducties met inachtneming van de [regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775). Artikel 3 De [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869) en de [regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775) bevatten waarborgen met betrekking tot [artikel 2, eerste lid onder c en d van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 4 De digitale reproductie berust bij P-Direkt. Artikel 5 Het Handboek Substitutie voor het Centraal Justitieel Incassobureau is als bijlage bij dit besluit gevoegd en wordt met dit besluit tevens vastgesteld. Bijlage Ligt ter inzage bij de hoofd- en nevenvestigingen van het Centraal Justitieel Incassobureau. Dit besluit wordt"},{"i":17111,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden mediators 2011 krachtens de Wet op de Rechtsbijstand Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die in aanmerking willen komen voor verwijzingen vanuit de gerechten of vanuit het Juridisch Loket zich inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en verdere van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: In het onderstaande zijn deze voorwaarden uitgewerkt. De voorwaarden zijn op te vatten als algemeen verbindende voorschriften. Inschrijvingsvoorwaarden Artikel 1. Certificering/opleidingsvereisten/evaluatie 1. De deelnemende mediator dient NMI-gecertificeerd mediator te zijn. De mediator is zich er van bewust dat het behouden van de certificering een absolute voorwaarde is om ingeschreven te kunnen blijven als mediator. De mediator verklaart zich per direct uit te laten schrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand vanaf het moment dat de certificering niet langer geldt. Het NMI geeft dit eveneens, ter controle, aan de Raad voor Rechtsbijstand door. 2. De mediator neemt deel aan kwaliteitsbevorderende bijeenkomsten die door de verwijzingsvoorziening(en) en/of de Raad voor Rechtsbijstand zullen worden georganiseerd. 3. De mediator dient bereid te zijn de door het NMI en de Raad voor Rechtsbijstand overeengekomen kwaliteitssystemen na te leven. 4. De mediator verklaart deel te nemen aan een schriftelijke of mondelinge evaluatie van zijn/haar werkzaamheden voor de verwijzingsvoorzieningen indien dit door de verwijzingsvoorziening geïnitieerd wordt. Artikel 2. Beschikbaarheid De mediator verplicht zich steeds beschikbaar te zijn voor het doen van een verwezen mediation – behoudens vakantie en tijdens ziekte – en telkens binnen twe"},{"i":17236,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 december 2010, nr. MC-U-3041144, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de budgetcorrectie ten behoeve van Fonds Ziekenhuis Opleidingen Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 16 augustus 2010 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2009/10, 29 282, nr. 104h); Gezien het verslag van een schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 24 november 2010 inzake voorhang overheveling middelen uit ziekenhuisbudgetten naar Fonds Ziekenhuis Opleidingen (Kamerstukken II, 2010/11, 29 282, nr. 108); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg met uitzondering van epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie en long/astmacentra waarop in 2011 de budgetsystematiek van toepassing is, te weten: de algemene en academische ziekenhuizen, de radiotherapeutische centra en de dialysecentra, verder te noemen ziekenhuizen. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 Aan ziekenhuizen wordt per 1 januari 2011 een neerwaartse macrobudgetcorrectie van structureel € 111,7 miljoen (prijspeil 2010) opgelegd in verband met de overheveling van de kosten voor het opleiden van gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel. Artikel 3 Voor de verdeling van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029214&artikel=2&z=2010-12-23&g=2010-12-23) vermelde neerwaartse budgetcorrectie gelden de volgende uitgangspunten: - 1. De toedeling van het macrobedrag van € 111,7 miljoen naar het niveau van de individuele ziekenhuizen dient te geschieden op basis van het aandeel"},{"i":18281,"b":"Besluit Instelling Commissie evaluatie modernisering rechterlijke organisatie Besluit: Artikel 1 Er is een Commissie evaluatie modernisering rechterlijke organisatie, verder te noemen de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak: - 1. het bewaken van de samenhang tussen en de kwaliteit van de verschillende deelonderzoeken van het evaluatieprogramma modernisering rechterlijke organisatie; - 2. het zonodig doen van voorstellen aan de minister van Justitie tot aanvulling van het onderzoeksprogramma; - 3. het jaarlijks rapporteren over de voortgang van de werkzaamheden die in het kader van het evaluatieprogramma worden verricht; - 4. desgevraagd leden af te vaardigen danwel aan te wijzen voor deelname in de begeleidingscommissies van de deelonderzoeken; - 5. een integraal eindrapport op te stellen op basis van de resultaten van de verschillende deelonderzoeken die in het kader van het evaluatieprogramma worden uitgevoerd. Artikel 3 De samenstelling en ondersteuning van de commissie: - a. voorzitter: – drs. W.J. Deetman (burgemeester van de gemeente Den Haag); - b. leden: – mr. J.W. van den Berge (raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden); – prof. dr. M. Herweijer (hoogleraar bestuurskunde Universiteit Groningen); - c. adviserende leden: – drs. H. Andersson (Andersson Elffers Felix); – ir. drs. H.N.J. Smits (Arthur D. Little); - d. secretariaat: – dr. F.C.J. van der Doelen (secretaris, sectorhoofd bij de directie Strategie echtspleging, ministerie van Justitie); – mr. M. Abelman (adjunct-secretaris, wetgevingsjurist bij de directie Wetgeving, ministerie van Justitie); Artikel 4 1. De Commissie bevordert dat het evaluatieprogramma zodanig wordt uitgevoerd dat uiterlijk op 31 december 2006 het eindrapport aan de minister van Justitie ter beschikking wordt gesteld. 2. Met het uitbrengen van het eindrapport is de evaluatiecommissie opgeheven. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt g"},{"i":19551,"b":"Regeling van 9 november 2005, Hoofddirectie Juridische Zaken, nr. HDJZ/AWW/2005-2157, houdende regels over de partijen waarmee en de wijze waarop de Dienst Wegverkeer periodiek overleg voert met betrekking tot de uitvoering van de artikelen 149a en 149b van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling overleg exceptioneel transport) Gelet op [artikel 4b, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b), en [artikel 149a, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a) en [artikel 7, eerste en tweede lid, van het Besluit ontheffing-verlening exceptionele transporten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680&artikel=7); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A, B, F tot en met H, en artikel IV van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (verlenen ontheffingen door Dienst Wegverkeer) in werking treden. Artikel 1 1. Er is een Overleg exceptionele transporten, dat minimaal twee maal per jaar overlegt over de uitvoering van de [artikelen 149a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a) en [149b van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149b). 2. Naast het overleg, bedoeld in het eerste lid, overlegt het Overleg exceptionele transporten minimaal twee maal per jaar over de uitvoering van de [artikelen 149a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a) en [149b van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149b) met betrekking tot samenstellen, met een laadlengte van tenminste 18 meter of een vergelijkbare laadlengte indien de voertuigen zijn ingericht voor het vervoer van afneembare laadstructuren, bestaande uit ten hoogste drie voertuigen en ingericht voor het vervoer van goederen waarvan de totale lengte niet meer bedraagt dan 25,25 meter en de totale massa niet meer dan 60 ton. 3. Het secretariaat wordt vervuld door de Dienst Wegverkee"},{"i":19577,"b":"Regeling verkeersbegeleidingstarieven scheepvaartverkeer Gelet op de [artikelen 15c, eer ste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=15c), en [15d, derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=15d); Besluit: Artikel 1 Het verkeersbegeleidingstarief is vastgesteld zoals opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007556&bijlage=behorend_bij_artikel_1&z=2011-12-21&g=2011-12-21) bij deze regeling. Artikel 2 De betaling van het verschuldigde tarief geschiedt binnen twee weken na dagtekening van het schriftelijke verzoek tot betaling. Artikel 3 1. De inspecteur, bedoeld in [artikel 1:4 van de Algemene douaneregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024291&artikel=1:4), is belast met het uitbrengen van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007556&artikel=2&z=2011-12-21&g=2011-12-21) bedoelde schriftelijke betalingsverzoeken en het vaststellen van de hoogte van de zekerheid, bedoeld in [artikel 8 van het Besluit verkeersbegeleidingstarieven scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007006&artikel=8). 2. De ontvanger, bedoeld in [artikel 1:4 van de Algemene douaneregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024291&artikel=1:4), is belast met het in ontvangst nemen van de zekerheid, bedoeld in [artikel 8 van het Besluit verkeersbegeleidingstarieven scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007006&artikel=8) alsmede de verdere inning van het tarief. Artikel 4 De ontvanger en de inspecteur zijn bevoegd ten behoeve van de inning van het tarief van de kapitein inzage te verlangen in de meetbrief van het desbetreffende zeeschip. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 1995. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: [Regeling verkeersbegeleidingstarieven scheepvaartverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007556). Bijlage , behorend bij artikel 1 | **Lengte** | | **"},{"i":19578,"b":"Regeling verkeersbrigadiers Gelet op [artikel 58 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=58) (Stb. 1990, 460); Besluit: Paragraaf 1. Opleiding Artikel 1 De opleiding tot verkeersbrigadier vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de korpschef. Artikel 2 De opleiding bestaat uit een theoretisch en een praktisch gedeelte. Paragraaf 2. Aanstelling Artikel 3 1. De aanstelling tot verkeersbrigadier geschiedt door de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene zijn taak zal uitoefenen. 2. Voor zover het gaat om minderjarigen, die als leerling bij een school staan ingeschreven geschiedt de aanstelling na overleg met het hoofd van deze school. Artikel 4 De aanstelling geschiedt nadat het theoretische gedeelte van de opleiding is voltooid en voordat het praktische gedeelte van de opleiding een aanvang neemt. Artikel 5 De aanstelling geschiedt schriftelijk. Artikel 6 1. Voor aanstelling komen slechts in aanmerking personen die de leeftijd van 10 jaar hebben bereikt. 2. Indien de aanstelling minderjarigen betreft, dienen zij een schriftelijke verklaring van ouders of voogden over te leggen houdende de toestemming tot het verrichten van de werkzaamheden van verkeersbrigadier. Artikel 7 Vervallen Artikel 8 1. De burgemeester verklaart de aanstelling vervallen: - a. indien de betrokken verkeersbrigadier het praktische gedeelte van de opleiding niet met succes heeft afgerond; - b. indien de korpschef van oordeel is dat de betrokken verkeersbrigadier niet meer geschikt is om de taak van verkeersbrigadier uit te oefenen; - c. indien het niet langer noodzakelijk is, dat de betrokken verkeersbrigadier als zodanig werkzaam is; - d. indien de meerderjarige verkeersbrigadier daartoe een verzoek indient of - e. indien de ouders of voogden van een minderjarige verkeersbrigadier of het hoofd van de school daartoe een verzoek indienen. 2. De vervallenverklaring van de aanstelling door de burgemeest"},{"i":19605,"b":"Tijdelijk ondermandaatbesluit Commandant Landstrijdkrachten aan Commandant Opleidings- en Trainingscentrum Rijden inzake artikel 25 van de Verkeersregeling Defensie Gelet op: [Artikelen 1, onder n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034157&artikel=1), en [15, onder a, van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034157&artikel=15); [Artikel 2, eerste lid, van het Ondermandaat, -volmacht en -machtigingsbesluit SG Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034185&artikel=2); Artikel 25, eerste lid, onder c, van de Verkeersregeling Defensie. Artikel 1. Ondermandaat Aan de Commandant Opleidings- en Trainingscentrum Rijden wordt ondermandaat verleend om ingevolge artikel 25, eerste lid, onder c, van de Verkeersregeling Defensie toestemming te verlenen aan derden, niet in dienst van het Ministerie van Defensie, tot het besturen van een militair voertuig zonder dat daartoe een militair rijbewijs is vereist, in verband met de door deze derden te verrichten werkzaamheden ten behoeve van de strijdkrachten. Artikel 2. Voorleggen ter beslissing aan mandaatgever De gemandateerde maakt geen gebruik van een aan hem in ondermandaat verleende bevoegdheid in de gevallen waarin hij van mening is dat de mandaatgever een beslissing moet nemen of een document moet ondertekenen. Artikel 3. Regelen en instructies De uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden geschiedt met inachtneming van de aan de uitoefening van het ondermandaat gestelde regelen en de daaraan verbonden instructies. Artikel 4. Ondertekening Bij de uitoefening van het ondermandaat ondertekent de gemandateerde de besluiten en correspondentie als volgt: DE COMMANDANT LANDSTRIJDKRACHTEN Voor deze Functie van de gemandateerde Handtekening van de gemandateerde Naam en rang van de gemandateerde Artikel 5. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 6. Citeertitel Di"},{"i":13427,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 8 mei 2017, nr. WJZ/17035793, tot instelling van de Adviescommissie Gids proportionaliteit (Instellingsbesluit Adviescommissie Gids proportionaliteit) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **adviescommissie:** de Adviescommissie Gids proportionaliteit. Artikel 2 1. Er is een Adviescommissie Gids proportionaliteit. 2. De adviescommissie heeft tot taak: - a. Het op verzoek van de minister uitbrengen van advies over voorgenomen wijzigingen van de in artikel 10 van het Aanbestedingsbesluit aangewezen Gids proportionaliteit; - b. Het ambtshalve uitbrengen van advies aan de minister over mogelijke wijzigingen van de in artikel 10 van het Aanbestedingsbesluit aangewezen Gids proportionaliteit. Artikel 3 1. De adviescommissie bestaat uit een voorzitter en vier andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar. De leden kunnen worden herbenoemd voor ten hoogste eenzelfde periode. De voorzitter en de andere leden kunnen door de minister worden geschorst en ontslagen. 3. De voorzitter is onafhankelijk en vertegenwoordigt geen ondernemersbelang of het belang van aanbestedende diensten. 4. De andere leden bestaan uit: - a. twee leden die binding hebben met belangen van ondernemers die op voordracht van VNO-NCW en MKB Nederland door de minister worden benoemd; - b. twee leden die werkzaam zijn voor een aanbestedende dienst of bij een vertegenwoordiger van aanbestedende diensten. Artikel 4 1. De adviescommissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. 2. De minister voorziet in het secretariaat van de adviescommissie. 3. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de adviescommissie geschiedt op overeenkomstige w"},{"i":14296,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 oktober 2022, kenmerk 3442093-1036919-Z, houdende Regeling geraamde gemiddelde nominale premie 2023 Gelet op [artikel 2b, tweede lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b); Besluit: Artikel 1 De geraamde gemiddelde nominale premie, bedoeld in [artikel 2b, eerste lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b) wordt voor het jaar 2023 vastgesteld op € 1.649. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4629,"b":"Herzien stappenplan beëindigen opvangvoorzieningen ongedocumenteerde asielzoekers Aan : de Colleges van Burgemeesters en Wethouders, de Korpschefs van politie, Centraal Orgaan opvang asielzoekers In vervolg op mijn brief van 3 juli 1997 zend ik u bijgaand een herzien stappenplan terzake het beëindigen van de opvangvoorzieningen van ondocumenteerde asielzoekers die beleidsmatig verwijderbaar zijn. De herziening van het stappenplan is het gevolg van de verwerking van het door de regering overgenomen advies van de commissie-Van Dijk, die mij op 15 januari 1998 heeft geadviseerd over de criteria voor niet-meewerken van afgewezen asielzoekers. Naar aanleiding van een discussie in de Tweede Kamer in november 1997 over een aantal in een tentenkamp verblijvende asielzoekers, heb ik een adviescommissie ingesteld onder voorzitterschap van de heer Mr. D.J. van Dijk, president van de Arrondissmentsrechtbank te Arnhem. Deze commissie kreeg tot taak de criteria aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een te verwijderen asielzoeker meewerkt aan zijn terugkeer te inventariseren, deze zonodig nader te objectiveren en eventueel nadere criteria aan te dragen. Het advies van de commissie en de reactie van de regering daarop treft u als bijlage bij deze brief aan. Voor de belangrijkste bevindingen van de commissie verwijs ik u kortheidshalve naar de bijgevoegde brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 23 maart 1998. Het stappenplan blijft onderverdeeld in twee trajecten. Traject A geeft de stappen weer die kunnen leiden tot de vaststelling door de vreemdelingendienst en/of de IND dat de betrokken vreemdeling medewerking weigert te verlenen aan het verkrijgen van de benodigde documenten. Traject B geeft de stappen weer die de gemeente, dan wel het COA, dient te nemen nadat is vastgesteld dat de betrokken vreemdeling medewerking weigert te verlenen. Voorts treft u aan de gewijzigde check-list die u bij de uitvoering van het beleid kunt hanteren. In bijgevoegd stappenplan is het adv"},{"i":3907,"b":"Besluit van 6 juli 2011, houdende regels inzake de opleidingseisen van de verpleegkundige (Besluit opleidingseisen verpleegkundige 2011) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 april 2011, kenmerk DWJZ/JBA&J-3061193; Gelet op [artikel 32 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=32); Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 juni 2011, no. W13.11.0151/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 juni 2011, kenmerk DWJZ/JBA&J-3071102; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. **EBP:** Evidence Based Practice, methode van praktische beroepsuitoefening die is gebaseerd op de integratie van de best beschikbare onderzoeksresultaten, klinische ervaring en vaardigheid, voorkeuren van patiënten en de beschikbare middelen. § 2. Opleiding Artikel 2 Om in het krachtens [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) ingestelde register van verpleegkundigen te worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene met goed gevolg het examen ter afsluiting van een opleiding tot verpleegkundige heeft afgelegd die is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13) en [artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.4.1) en die voldoet aan de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030267&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030267&paragraaf=2&"},{"i":5806,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 februari 2020 nr. HO&S/19526911, houdende regels voor het verstrekken van subsidie aan studenten die een tweede lerarenopleiding willen volgen en die instellingscollegegeld moeten betalen (Subsidieregeling tweede lerarenopleiding) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de[artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **DUO:** dienst Uitvoering Onderwijs; - **instellingscollegegeld:** collegegeld als bedoeld in [artikel 7.46 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.46); - **lerarenopleiding:** op basis van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) bekostigde bachelor- of masteropleiding die opleidt tot het verkrijgen van een bevoegdheid om les te geven in een school of instelling die valt onder de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549), de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212), de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **studiejaar:** tijdvak dat aanvangt op 1 september van een jaar en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar. Artikel 2. Toepassing [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.over"},{"i":2495,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 februari 2026, nr. 61729394, houdende nadere regels voor het organiseren van onderbouwklassen voor praktijkonderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs (Beleidsregel pro/vbo) Gelet op [artikel 9.3 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=9.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **medezeggenschapsraad:** medezeggenschapsraad als bedoeld in [artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685&artikel=3); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **pro:** praktijkonderwijs als bedoeld in [artikel 2.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.8); - **school:** school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs waar openbaar of uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs wordt verzorgd als bedoeld in de [artikelen 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.7) en [2.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.8); - **toelaatbaarheidsverklaring:** verklaring als bedoeld in [artikel 2.30 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.30); - **vbo:** voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 2.7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.7); - **wet:** [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - **zeer zwakke school:** zeer zwakke school als bedoeld in [artikel 2.94 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.94). Artikel 2. Doel en inhoud 1. Het doel van deze beleidsregel is om pro-scholen in samenwerking met vbo-scholen, in afwijking van de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":2694,"b":"Beschikking ingevolge artikel 4 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (vermoedelijk overlijden) Gelet op artikel 4 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, Besluit: Artikel 1 1. Voor de toepassing van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) wordt iemand vermoed te zijn overleden, wanneer hij gedurende één jaar afwezig is, zonder dat er bericht is ingekomen, waaruit blijkt, dat hij in leven is, of wanneer er één jaar verlopen is na de dag, waarop hij volgens de laatste tijding nog in leven was, een en ander mits de omstandigheden zijn dood waarschijnlijk maken. 2. Ingeval iemand zich aan boord van een vaartuig bevond en hij vermist is ter gelegenheid van een noodlottige gebeurtenis aan dat vaartuig, aan een deel van de bemanning of passagiers overkomen, wordt hij, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vermoed te zijn overleden, wanneer gedurende drie maanden na het tijdstip, waarop die gebeurtenis heeft plaatsgevonden of geacht moet worden te hebben plaatsgevonden, geen bericht is ingekomen, waaruit blijkt, dat hij in leven is. Onder vaartuig is mede begrepen een luchtvaartuig. 3. Ingeval iemand wegens omstandigheden in verband met de tweede wereldoorlog is vermist en het bepaalde in het vorige lid niet op hem van toepassing is, wordt hij, ook zonder dat overigens omstandigheden aanwezig zijn, welke zijn dood waarschijnlijk maken, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vermoed te zijn overleden. Artikel 2 1. Uit de omstandigheden wordt afgeleid, welke dag als dag van vermoedelijk overlijden moet worden vastgesteld. 2. Wanneer iemand vermist is ter gelegenheid van een noodlottige gebeurtenis, als bedoeld in het [tweede lid van artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002321&artikel=1&z=1996-11-28&g=1996-11-28), en vermoed wordt te zijn overleden, wordt als dag van het vermoedelijk overlijden aangenomen de dag, waarop die gebeurtenis heeft plaatsgevonden of geacht moet worden te hebben plaatsgevonden. 3"},{"i":2936,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 14 januari 2008, nr. ET/TM/7135438, houdende aanwijzing van een elektronisch communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk gebruikt wordt voor vitale overheidstaken Gelet op [artikel 5.16 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=5.16); Besluit: Artikel 1 Als netwerk dat geheel of hoofdzakelijk gebruikt wordt voor publieke taken als bedoeld in [artikel 5.16 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=5.16) worden aangewezen: - a. het bij het Ministerie van Defensie in gebruik en beheer zijnde Netherlands armed forces integrated network (NAFIN); - b. het bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, directoraat-generaal Rijkswaterstaat, in gebruik en beheer zijnde elektronisch communicatienetwerk voor de uitoefening van zijn publieke taken. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het is geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 2007. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan de Minister van Defensie."},{"i":2639,"b":"Beleidsregels Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling, aangepaste versie Het Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling (Toetsingskader Wvb) is na de inwerkingtreding van de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) (Wvb) ingevoerd per 1 september 2006. Beroepsgenoten, belanghebbenden en derden krijgen via het Toetsingskader Wvb inzicht in de criteria waaraan aanvragen om verplichtstelling en ook om wijziging of intrekking ervan, worden getoetst evenals in de procedures die daarbij gevolgd worden. Hierdoor kan ook van die zijde een bijdrage worden geleverd aan een snellere afwikkeling van aanvragen op basis van de Wvb. Met de verplichtstelling wordt tegemoet gekomen aan de behoefte onder vrije beroepsgenoten om in collectief verband een pensioenvoorziening te treffen. Een verplichtstelling die naar het oordeel van het kabinet alleen gehandhaafd kan worden met strikte eisen ten aanzien van solidariteit en representativiteit. Die eisen zijn in de [Wvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) opgenomen. Met de verplichtstelling wordt tegemoetgekomen aan de behoefte onder vrije beroepsgenoten om in collectief verband een pensioenvoorziening te treffen. Een verplichtstelling die naar het oordeel van het kabinet alleen gehandhaafd kan worden met strikte eisen ten aanzien van solidariteit en representativiteit. Die eisen zijn in de [Wvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) opgenomen. In [artikel 5, tweede lid, Wvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=5) is bepaald dat arbitrale bedingen buiten de reikwijdte van de verplichtstelling vallen. Doordat dit in de wet is vastgelegd, zijn zulke bepalingen van rechtswege van de verplichtstelling uitgesloten. Hierdoor zijn beroepsgenoten die geen lid zijn van de beroepspensioenvereniging niet gebonden aan arbitrale bedingen in de verplichtgestelde beroepspensioenregeling. In [artikel 5, tweede lid, Wvb](https://wetten.o"},{"i":3587,"b":"Besluit van 20 juni 1994, houdende nadere regels met betrekking tot de informatieverschaffing en de te verstrekken informatie inzake rampen Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 23 december 1993, nr. EB93/3035, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer en Rampenbestrijding, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [richtlijn nr. 82/501/EEG](31982L0501) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1982 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten (**PbEG** L 230), [richtlijn nr. 89/618](31989L0618)/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1989 betreffende de informatie van de bevolking over de bij stralingsgevaar toepasselijke maatregelen ter bescherming van de gezondheid en over de alsdan te volgen gedragslijn (**PbEG** L 357) en [richtlijn nr. 90/219/EEG](31990L0219) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (**PbEG** L 117); Gelet op de [artikelen 2a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=2a), [2c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=2c), [11a vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=11a), en [11b, derde lid, van de Rampenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=11b) en de [artikelen 8.40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40) , en [8.44, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.44); De Raad van State gehoord (advies van 22 maart 1994, nr. W04.94.0023); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 6 juni 1994, nr. EB 94/1029, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer en Rampenbestrijding, uitgebracht in overeenstemming met Onz"},{"i":3485,"b":"Besluit van 8 mei 1959, houdende regelen betreffende de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 5 van de Wet van 10 juli 1952 (Stb. 407) ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden Op de voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken, van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie en van Financiën van 30 augustus 1958, no. 32543 W.J.A.; Gelet op artikel 5 van de wet van 10 juli 1952 (**Stb.** 407); De Raad van State gehoord (advies van 4 november 1958, no. 33); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 29 april 1959, no. 871 W.J.A.; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Dit besluit verstaat onder: wet: de wet van 10 juli 1952 (**Stb.** 407) ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden; motorrijtuig: ieder rij- of voertuig, bestemd om uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het rij- of voertuig zelf aanwezig, anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen - behoudens indien het uitsluitend bestemd is voor gebruik buiten de wegen -, met inbegrip van een door zodanig rij- of voertuig voortbewogen aanhangwagen. 2. Dit besluit verstaat onder onderneming mede een bedrijf, waarmede niet wordt beoogd het maken van winst. Artikel 2 1. Indien een rechthebbende als gevolg van het voldoen aan een bevel, krachtens artikel 2 van de wet gegeven ten aanzien van een tot de handels- of bedrijfsvoorraad van een onderneming behorend goed, in dat goed kapitaal geïnvesteerd moet houden, wordt hij na de intrekking van het bevel schadeloos gesteld door vergoeding van rente over het geïnvesteerde kapitaal en, indien van anderen gelden zijn opgenomen moeten worden, tevens door vergoeding van deswege verschuldigde provisie. 2. De schadeloosstelling wordt m"},{"i":4773,"b":"Keuringsbeschikking ATP Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=9) en [10 van de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=10) (Stb. 1978, 430), Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan onder: Artikel 2 De keuringsaanvrage wordt ingediend bij de keuringsinstelling op een door deze aangegeven wijze. Artikel 3 1. De keuringsinstelling legt de keuringsuitslag schriftelijk vast en zendt, indien het vervoermiddel voor een keuringscertificaat in aanmerking komt, het keuringscertificaat toe aan de aanvrager. Ingeval niet tot afgifte van een keuringscertificaat kan worden overgegaan wordt zulks aan de aanvrager onder opgave van redenen medegedeeld. 2. Voor verloren gegane, versleten of teniet gegane keuringscertificaten kunnen na schriftelijke aanvraag duplicaten worden verstrekt. Artikel 4 De keuringsinstelling stelt een reglement vast ter zake van de ingevolge de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186) te verrichten keuringen. Dit reglement wordt in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt. Het bevat in elk geval bepalingen omtrent de bij de aanvrage te verstrekken gegevens en daarbij over te leggen bescheiden, en de wijze van betaling van de kosten. Artikel 5 1. Van een besluit van de keuringsinstelling kan de aanvrager bij de Minister in beroep komen. Het beroepschrift wordt schriftelijk ingediend bij de Directeur-Generaal Goederenvervoer binnen dertig dagen na de dag waarop het besluit is verzonden, en is met redenen omkleed. 2. de Minister zendt de keuringsinstelling onverwijld een afschrift van het beroepschrift toe. Artikel 6 De Minister belist op het beroep binnen drie maanden nadat het beroepschrift is ingediend. Hij stelt de keuringsinstelling in de gelegenheid het besluit waartegen beroep wordt i"},{"i":4400,"b":"Besluit van 8 december 2023 tot wijziging van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering in verband met de invoering van de Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2023, 87) (Besluit wijziging vergoeding bewindvoerder schuldsanering) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 2 oktober 2023, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4943181; Gelet op [artikel 320, zesde lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=320) en [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en [4 van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 november 2023, nr. W16.23.00299/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 4 december 2023, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5052334; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Artikel II Op schuldsaneringsregelingen die zijn gestart vóór 1 juli 2023, alsmede op de uitvoering daarvan, blijft het vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldende recht van toepassing. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024 en werkt terug tot en met 1 juli 2023. Artikel IV Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit wijziging vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4437,"b":"Bestuursreglement van het College sanering zorginstellingen 2020 Artikel 1. Begripsbepalingen In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. **WTZi:** [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906); - b. **College sanering:** College sanering zorginstellingen; - c. **minister:** minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - d. **ministerie:** ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - e. **RvB:** Raad van Bestuur van het College sanering zorginstellingen; - f. **voorzitter:** de voorzitter van de RvB; - g. **lid / leden:** lid / leden van de RvB waaronder de voorzitter; - h. **de secretaris:** ambtelijk secretaris van de Raad van Bestuur, welke functie wordt uitgeoefend door de manager van het College sanering; - i. **manager:** manager van het College sanering zorginstellingen Artikel 2. Samenstelling Raad van Bestuur 1. De RvB bestuurt de organisatie van het College sanering. 2. De minister benoemt de voorzitter voor een periode van ten hoogste vier jaar.1De minister is vacaturehouder voor de functie ‘voorzitter van de RvB’. De voorzitter kan eenmaal worden herbenoemd voor de periode van ten hoogste vier jaar. 3. De minister benoemt de leden voor een periode van ten hoogste vier jaar op voordracht van de RvB.2De voorzitter van de RvB is vacaturehouder voor de functie ‘lid van de RvB’. De leden kunnen eenmaal worden herbenoemd voor de periode van ten hoogste vier jaar. 4. De voorzitter benoemt een plaatsvervangend voorzitter uit de kring van leden. De plaatsvervangend voorzitter treedt in alle bevoegdheden van de voorzitter als hij de voorzitter vervangt. 5. De minister stelt de bezoldiging of de schadeloosstelling van de voorzitter en de leden vast. 6. De leden hebben of aanvaarden geen nevenfuncties die ongewenst zijn met het oog op de goede vervulling van hun functie, taken en verantwoordelijkheden die zij in de RvB hebben. De RvB meldt het voornemen van een lid tot het aanvaarden van en nevenfunctie aan de mi"},{"i":3297,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 28 oktober 2024 nr. BOACAT2024/112, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Oldambt Gelezen het verzoek van gemeente Oldambt van 11 oktober 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050358&artikel=2&z=2024-11-05&g=2024-11-05). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving III in dienst van gemeente Oldambt zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eer"},{"i":4548,"b":"Circulaire wijzigingen bedrag vergoeding lid algemeen bestuur waterschap ex art. 3.2, tweede lid, Waterschapsbesluit, enz per 1 januari 2014 Algemene informatie Door middel van deze circulaire wordt u geïnformeerd over de wijzigingen van het bedrag van de vergoeding voor een lid van het algemeen bestuur van een waterschap, genoemd onder [artikel 3.2, tweede lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.2). Daarnaast informeer ik u over de bezoldiging en de eindejaarsuitkering van een lid van het dagelijks bestuur en over de bezoldiging, de ambtstoelage en de eindejaarsuitkering van de voorzitter. 1. Algemene inwerkingtreding werkkostenregeling uitgesteld Zoals ik u eerder in de circulaire van 15 juli 2013, nr. 2013-0000395991, heb gemeld, gaat de [werkkostenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033956) (WKR) niet per 1 januari 2014, maar per 1 januari 2015 verplicht gelden voor alle werkgevers. De staatssecretaris van Financiën heeft de algemene inwerkingtreding met één jaar uitgesteld. In de [WKR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033956) kan in 2014, net als in 2013, naast een aantal gerichte vrijstellingen, maximaal 1,5% (was in 2011 en 2012: 1,4%) van het totale fiscale loon (de ‘vrije ruimte’) worden besteed aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor werknemers en politieke ambtsdragers die onder de loonbelasting vallen. Over het bedrag boven de vrije ruimte (en afgezien van de gerichte vrijstellingen) moet de gemeente loonbelasting betalen in de vorm van een (gebruteerde) eindheffing van 80%. Kortheidshalve zij hier verwezen naar de circulaire van 8 maart 2011, kenmerk 2011-40998. 2. Vergoeding van een lid van het algemeen bestuur van een waterschap Het bedrag van de vergoeding voor een lid van het algemeen bestuur van een waterschap wordt op grond van [artikel 3.2, tweede lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.2) per 1 januari van elk ja"},{"i":3221,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 juni 2024 nr. BOACAT2024/056, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Delft, Dienst Justis Gelezen het verzoek van gemeente Delft van 28 mei 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049776&artikel=2&z=2024-06-05&g=2024-06-05). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van controleur Openbare Ruimte in dienst van de gemeente Delft, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijst"},{"i":4154,"b":"Besluit van de Minister Klimaat en Energie van 5 april 2022, nr. WJZ/ 21321090, tot vaststelling van de definitieve correctiebedragen Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking voor 2021 (Besluit vaststelling definitieve correctiebedragen voor 2021 bij de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking) Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **netlevering:** elektriciteit die op het elektriciteitsnet wordt ingevoed; - **niet-netlevering:** elektriciteit die op een installatie wordt ingevoed; - **openstellingsbesluit 2021:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883); - **regeling:** [Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882). Artikel 2. (vaststelling definitief correctiebedrag) Voor een categorie productie-installaties als bedoeld in de eerste en tweede kolom van onderstaande tabel wordt het definitieve correctiebedrag, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=6), voor 2021 vastgesteld op het bedrag dat is opgenomen in de derde kolom van onderstaande tabel. | 1 | 2 | 3 | | --- | --- | --- | | Artikel openstellingsbesluit 2021 | Omschrijving categorie | Definitief correctiebedrag 2021 in euro/kWh | | [Artikel 3, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883&artikel=3) | Zonne-energie, kleinverbruikers-aansluiting | 0,071 | | [Artikel 3, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883&artikel=3) | Zonne-energie, grootverbruikers-aansluiting | Netlevering: 0,071 | | [Artikel 3, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883&artikel=3) | Zonne-energie, grootverbruikers-aansluiting | Niet-netlevering: 0,115 | | [Artikel 3, onderdeel c, subonderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883&artikel=3) | Windenergie, grootverbruikers-aansluiting, ≥ 8,5 m/s | 0,087 | | [Artikel 3, onderdeel"},{"i":4170,"b":"Besluit van 28 maart 1958, houdende vaststelling van een premieregeling voor militairen met de stand van soldaat der eerste klasse, die een verbintenis bij het reserve-personeel der Koninklijke Landmacht of der Koninklijke Luchtmacht hebben gesloten Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog van 3 februari 1958, Directie Militair Personeel, Afdeling Pensioenen, Bezoldigingen en Geneeskundige voorzieningen, nr. P. 112.533/C; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 25 februari 1958, nr. 34); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 22 maart 1958, Directie Militair Personeel, Afdeling Pensioenen, Bezoldigingen en Geneeskundige voorzieningen, nr. P. 112.533/G; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder maand: de periode gerekend van een datum tot de overeenkomstige datum van de volgende kalendermaand. Artikel 2 1. Een militair met de stand van soldaat der eerste klasse die een voor de tijd van twaalf maanden gesloten verbintenis als omschreven in artikel 2 van het Besluit verbintenissen reserve-personeel beneden de rang van tweede-luitenant Landmacht (**Stb.** 1952, nr. 496) ten volle heeft volbracht, heeft aanspraak op een geldelijke uitkering ten bedrage van f 600,-. 2. Een militair als bedoeld in het eerste lid, die een verbintenis als daargenoemd door een niet aan hemzelf te wijten oorzaak niet ten volle heeft kunnen volbrengen en deswege van die verbintenis is ontheven of wiens verbintenis door een niet aan hemzelf te wijten oorzaak van rechtswege is beëindigd binnen het tijdvak waarvoor zij is aangegaan, heeft voor elke maand welke hij krachtens de verbintenis in werkelijke dienst heeft doorgebracht aanspraak op een geldelijke uitkering ten bedrage van een twaalfde gedeelte van de in het eerste lid genoemde uitkering. 3. Een militair als bedoeld in het eerste lid heeft, ingeval een verbintenis"},{"i":3484,"b":"Besluit van 22 augustus 1979, houdende regelen ter uitvoering van artikel 48a, eerste lid, van de Landbouwwet Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 19 juli 1979, nr. J.2559, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Gelet op [artikel 48**a**, eerste lid, van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=48a) (**Stb.** 1957, 342); De Raad van State gehoord (advies van 1 augustus 1979, nr. 13); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 14 augustus 1979, nr. J.3108, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Indien Onze Minister functionarissen van het Ministerie van Financiën of van een onder dat ministerie ressorterende dienst of instelling aanwijst als ambtenaren, bedoeld in [artikel 48**a**, eerste lid, van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=48a), geschiedt zodanige aanwijzing niet dan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":3945,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw besluit, d.d. 25 april 2006, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de voorzitter en secretaris van het Productschap Tuinbouw (Besluit PT verlening mandaat, volmacht en machtiging voorzitter en secretaris Productschap Tuinbouw) Gelet op [artikel 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=86), [92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=92), [93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93), [95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95),[104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104), [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=118),[127 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=127) Gelet op [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:1) en [hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=10) BESLUIT: Inleiding Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen worden de begrippen overgenomen van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2) en de [Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684). 2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de secretaris: | de secretarissen van het productschap; | | --- | --- | --- | | b. | de afdeling: | de Stafafdeling; de afdeling Heffingen; de afdeling Marktinformatie en Marktonderzoek; de afdeling Beleid en onderzoek, en de afdeling Medebewind, | | c. | het afdelingshoofd: | degene die is belast met de leiding van een afdeling; | | d. | de functionaris: | persoon werkzaam bij en/of voor het productschap; | | e. | gemandateerde derde: | persoon of groep van personen anders dan onder d, werkzaam v"},{"i":4216,"b":"Besluit vaststelling Subsidieplafonds 2023 Stichting Nederlands Fonds voor de Film Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904), en gelet op [artikel 7 van het Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047797&artikel=7), [artikel 3 van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047791&artikel=3), [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044508&artikel=3) en [4 van het Deelreglement Ontwikkeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044508&artikel=4), [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047792&artikel=19) en [22 van het Deelreglement Realisering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047792&artikel=22), [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047796&artikel=13) en [16 van het Deelreglement Distributie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047796&artikel=16) en de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044640&artikel=12) en [23 van het Deelreglement Filmactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044640&artikel=23); Besluit: Artikel I Het subsidieplafond van het [Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047791) voor filmproducties voor het kalenderjaar 2023 is € 25.900.000,– (zegge: vijfentwintig miljoen negenhonderdduizend euro). (€ 6.500.000,– (zegge: zes miljoen vijfhonderdduizend euro) per aanvraagronde). Artikel II Het subsidieplafond van het [Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047791) voor high end series voor het kalenderjaar 2023 is € 13.000.000,– (zegge: dertien miljoen euro). (€ 6.550.000,– (zegge: zes miljoen vijfhonderdvijftigduizend euro) voor het eerste half jaar en (€ 6.550.000,– (zegge: zes miljoen vijfhonderdvijftigduizend euro) voor het tweede half jaar). Artikel III Het subsidieplafond van het [Deelreglemen"},{"i":3521,"b":"Besluit van 30 september 2015, houdende vaststelling van nieuwe regels voor bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 517/2014 van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en een aantal daarmee verband houdende verordeningen en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van 16 september 2009 betreffende ozonlaagafbrekende stoffen (Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 25 maart 2015, nr. IenM/BSK-2015/40181, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, in overeenstemming met Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en van Economische Zaken; Gelet op Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PbEU L 150), Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 betreffende ozonlaag afbrekende stoffen (herschikking) (PbEU L 286), Verordening (EG) nr. 1494/2007 van de Europese Commissie van 17 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van de vorm van etiketten en aanvullende etiketteringseisen betreffende producten en apparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (PbEU L 332), Verordening (EG) nr. 1497/2007 van de Europese Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (PbEU L 333), Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Europese Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschri"},{"i":2608,"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2025, kenmerk 4314698-1091860-SB, inhoudende de beoordeling van aanvragen van gemeenten voor de Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026 Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 2 van de Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049559&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De Beleidsregels inhoudende de beoordeling van aanvragen van gemeenten voor de [Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049559) worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 april 2024. 2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 september 2027. Artikel 3 Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels inhoudende de beoordeling van aanvragen van gemeenten voor de Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026. Bijlage Algemeen Op grond van [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) kan ik beleidsregels vaststellen met betrekking op een mij toekomende bevoegdheid. Met deze beleidsregels geef ik nadere uitleg over de wijze waarop de aan mij toekomende bevoegdheid betreffende het verstrekken van uitkeringen op grond van de [Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049559) (hierna: de Regeling) wordt uitgeoefend. Gemeenten kunnen bij de uitvoering van het sportbeleid de diensten van een sportbedrijf inschakelen. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij het exploiteren van grote sportvoorzieningen zoals een zwembad of ijsbaan, waarbij zeer specifieke kennis voor exploitatie vereist is. Een sportbed"},{"i":2761,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2007 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2007, doch niet later dan 15 juli 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,410 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2007 en eindigende met 15 juli 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000529"},{"i":4028,"b":"Besluit van 20 mei 2015, houdende vaststelling van het Besluit taaltoets Participatiewet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 april 2015, nr. 2015-0000083700; Gelet op [artikel 18b, twaalfde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=18b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 april 2015, No.W12.15.0105/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 mei 2015, nr. 2015-0000122007; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definitie In dit besluit wordt verstaan onder toets: toets als bedoeld in [artikel 18b, tweede, tiende en elfde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=18b). Artikel 2. Toetsonderdelen De onderdelen van de toets zijn gelijk aan de onderdelen, opgenomen in [Bijlage 1 bij artikel 2 van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027879&bijlage=1) op het referentieniveau 1F voor de Nederlandse taal. Artikel 3. Toetsingswijze 1. De toets bestaat uit een mondeling en een schriftelijk deel. Bij de wijze van toetsing kan aangesloten worden, dan wel gebruik gemaakt worden van bestaande toetsen voor de Nederlandse taal voor zover deze betrekking hebben op het referentieniveau 1F of van toetsen inzake vaardigheden Nederlandse taal die zijn ontwikkeld ter voorbereiding op of ter ondersteuning bij het examen, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7) en die aan het referentieniveau 1F voldoen. 2. Het college bepaalt of de toets individueel dan wel groepsgewijs plaatsvindt, alsmede de inzet van computers of andere hulpmiddelen bij onderdelen van de toets. Artikel 4. Toetsbeoordeling De uitkomst van de bij belanghebbende afgenomen toets wordt beoordeeld aan de hand van de beoordelingsschaal behorend bij het"},{"i":2738,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2012 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2012, doch niet later dan 15 maart 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,697 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2012 en eindigende met 15 maart 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing"},{"i":2817,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 19 juni 2008, nr. 5551529/08/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van een totalisator Overwegende dat de geldigheidsduur van de [Beschikking Totalisator 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018459) op 30 juni 2008 verstrijkt; Gelezen het verzoek van Scientific Games Racing B.V. van 18 oktober 2007 haar opnieuw vergunning te verlenen tot het organiseren van een totalisator; Gelet op de [artikelen 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=23), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=24), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=25) en [34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34); Gehoord het advies van het College van toezicht op de kansspelen van 22 november 2007, nr. C.949/07; Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. de wet: [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. de Minister: de Minister van Justitie; - c. vennootschap: besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sportech Racing B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage; - d. college: College van toezicht op de kansspelen bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - e. NDR: Vereniging Nederlandse Draf- en Rensport, gevestigd te Wassenaar, daaronder mede begrepen de als rechtsopvolger van de Vereniging Nederlandse Draf- en Rensport aan te merken stichting; - f. totalisator: een kansspel als bedoeld in [artikel 23, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=23); - g. wedkantoor: door of namens de vennootschap opengestelde gelegenheid waar in hoofdzaak activiteiten worden verricht die verband houden met het afsluiten van weddenschappen op de uitslag van paardenrennen en harddraverijen en waar tevens, voorzover door de Minister toegestaan, andere kansspelen kunnen worden aangeboden; -"},{"i":6539,"b":"Wijzigingsbesluit Leidraad Invordering 2008 De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **De Leidraad Invordering 2008 wordt gewijzigd in verband met de inwerkingtreding van de in Overige fiscale maatregelen 2012 opgenomen wetswijziging inzake het verplicht gebruik van één bankrekening voor uitbetalingen inkomstenbelasting, omzetbelasting en toeslagen.** De [Leidraad Invordering 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024096), besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1137M, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 18 oktober 2013, nr. BLKB2013/1910M, wordt gewijzigd als volgt. Artikel I Wijzigt de Leidraad Invordering 2008. Artikel II In afwijking van [artikel 79.15](onbekend) gaat de Belastingdienst/Toeslagen niet over tot aansprakelijkstelling als de Belastingdienst/Toeslagen een toeslag heeft uitbetaald op de bankrekening van een derde in situaties dat op 1 december 2013 geen bankrekening op naam van de belanghebbende bekend is en de bankrekening van die derde vóór 1 december 2013 door de Belastingdienst/Toeslagen werd gebruikt voor de uitbetaling van de toeslag aan de belanghebbende. De vorige volzin is niet van toepassing vanaf het moment dat de belanghebbende de bankrekening van een derde, die in de [Uitvoeringsregeling Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019237) is aangewezen als bevoegd om een toeslag van iemand op zijn bankrekening te ontvangen, voor uitbetaling aanwijst. Artikel III Vervallen Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2013 met dien verstande dat: - a. artikel II vervalt met ingang van 1 juli 2015; - b. [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034264&artikel=III&z=2015-07-01&g=2015-07-01) vervalt met ingang van 1 maart 2014. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd."},{"i":2732,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2006 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit : Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 februari 2006, doch niet later dan 15 maart 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,462 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2006 en eindigende met 15 maart 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl"},{"i":3244,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 14 juli 2016 nr. BOACAT2016/047, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Gouda Gelezen het verzoek van de gemeente Gouda van 19 mei 2016 Den Haag en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038348&artikel=2&z=2016-08-05&g=2016-08-05). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Controleur Openbare Ruimte A en B in dienst van de gemeente Gouda, afdeling Veiligheid en Wijken-team Stadstoezicht, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 - a. De buitengewoon opsporingsambtenaar in domein I Openbare Ruimte is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). - b. De buitengewoon opsporingsambtenaar in domein II Milieu, welzijn en infrastructuur is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbek"},{"i":4854,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 28 januari 2014, nr. 473857, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeur Agentschap SZW (Mandaatbesluit Europese fondsen DGVZ 2014) Gezien de schriftelijke instemming van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Europese fondsen:** het Europees Vluchtelingenfonds (EVF), het Europees Buitengrenzenfonds (EBF), het Europees Terugkeerfonds (ETF), het Fonds voor interne veiligheid, zijnde het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen, visa en politie (ISF) en het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), met uitzondering van het onderdeel van het Fonds dat ziet op integratie; - b. **de minister:** de minister van Veiligheid en Justitie; - c. **het ministerie:** het ministerie van Veiligheid en Justitie; - c. **de verantwoordelijke instantie (VA):** de erkende verantwoordelijke instantie als bedoeld in de Europese verordeningen aangaande de Europese fondsen en in artikel 23, eerste lid onderdeel b van de Europese Horizontale Verordening (HV); - d. **het Agentschap SZW:** de baten–lastendienst, ingesteld bij [besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014401) van 9 december 2002. Artikel 2 1. Aan de directeur Agentschap SZW wordt mandaat verleend met betrekking tot het nemen van besluiten over en het beslissen op bezwaarschriften alsmede het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op de subsidieverlening in overeenstemming met de voorwaarden die gesteld zijn in de Europese Verordeningen aangaande de Europese fondsen. 2. De directeur Agentschap SZW handelt daarbij in overeenstemming met de aanwijzingen die door de verantwoordelijke instantie worden gegeven. 3. De directeu"},{"i":2831,"b":"Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1978 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen vastgesteld krachtens [artikel 9, achtste lid, der Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9), per 30 september 1977 ten minste één procent afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1976; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1978 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 8. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1978."},{"i":4809,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 september 2021, houdende mandaatverlening aan de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst voor het doen van een verzoek aan de Minister van Justitie en Veiligheid dan wel de Minister van Defensie tot het verlenen van technische en andere vormen van ondersteuning bij de uitvoering van diens taak door een of meer landelijke eenheden van de politie onderscheidenlijk de Koninklijke Marechaussee (Mandaatbesluit AIVD ten aanzien van verzoeken om technische en andere vormen van ondersteuning 2021) Gelet op [artikel 95, vierde lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=95); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **AIVD:** Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - b. **hoofd van de dienst:** de directeur-generaal van de AIVD; - c. **unithoofd:** een leidinggevende bij de AIVD ressorterend onder een directeur met uitzondering van het Nationaal Bureau Verbindingsbeveiliging, de Centrale Staf en de Chief Information Officer; - d. **wet:** [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896). Artikel 2 1. Het hoofd van de dienst heeft mandaat om een verzoek te richten aan de Minister van Justitie en Veiligheid dan wel de Minister van Defensie tot het verlenen van technische en andere vormen van ondersteuning bij de uitvoering van diens taak door een of meer landelijke eenheden van de politie onderscheidenlijk de Koninklijke Marechaussee, voor zover het verzoek betrekking heeft op de uitoefening van de bevoegdheid op grond van de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=40), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=42), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=44), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=45) en [47 van de wet](https:/"},{"i":3139,"b":"Besluit van 12 april 2022, houdende regels met betrekking tot de vaststelling door het College van Toezicht van de betrouwbaarheid en geschiktheid van een persoon die is of wordt belast met de taken van het orgaan dat de toezichtfunctie uitoefent of de dagelijkse leiding heeft in een collectieve beheersorganisatie en tot wijziging van het Besluit doorberekening kosten College van Toezicht (Stb. 2021, 164) in verband met een aanpassing van overwegend technische aard (Besluit betrouwbaarheid en geschiktheid toezichthouders en bestuurders collectieve beheersorganisaties) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 10 februari 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3838455; Gelet op [artikel 5aa, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=5aa), en [artikel 12, derde lid, van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord 2 maart 2022, nr. W16.22.00009/II; Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 6 april 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3929568; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779); - b. **grote collectieve beheersorganisatie:** een collectieve beheersorganisatie als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=1), waarvan het geïnde bedrag aan vergoedingen in een bepaald kalenderjaar meer bedraagt dan € 50.000.000; - c. **persoon:** een persoon die bij een grote collectieve beheersorganisatie is of wordt belast met taken als bedoeld in de [artikelen 2e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel="},{"i":3658,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 11 december 2019, nr. IENW/BSK-2019/255828, tot vaststelling van het Besluit mandaat CBR met betrekking tot de afgifte, opschorting en intrekking van vaarbewijzen, Rijnpatenten, radarpatenten en de afgifte van het ICC 2019 (Besluit mandaat CBR 2019) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en de [artikelen 1.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=1.9), [1.18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=1.18), [7.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=7.6), [7.7, derde tot en met het achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=7.7), [7.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=7.9), [7.18, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=7.18), [7.25 van de Binnenvaartregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=7.25), [artikel 26 van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=26) en de [artikelen 7.09, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030215&artikel=7.09), [7.14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030215&artikel=7.14), [7.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030215&artikel=7.15), [7.17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030215&artikel=7.17), [7.18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030215&artikel=7.18), [7.19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030215&artikel=7.19), [8.02, eerste lid, van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030215&artikel=8.02); Gezien de instemming van de gemandateerde blijkens de brief van 22 januari 2019, nr. CDS20190011, van de direc"},{"i":4402,"b":"Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit geeft nader inzicht in mijn standpunten met betrekking tot de winstallocatie aan vaste inrichtingen. Het doel van dit besluit is om duidelijkheid te geven over de wijze waarop de Belastingdienst de winstallocatie aan vaste inrichtingen beoordeelt.** **De ontwikkelingen op het gebied van de winstallocatie aan vaste inrichtingen, waaronder de resultaten van het BEPS1Base Erosion and Profit Shifting.-project van de OESO, zijn aanleiding tot een actualisering van het Besluit van 15 januari 2011, nr. IFZ 2010/457M. In dit besluit is aandacht voor de introductie van de objectvrijstelling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) in 2012, is een aantal redactionele wijzigingen aangebracht en zijn verwijzingen naar andere besluiten en documenten geactualiseerd.** 1. Inleiding 1.1. Gebruikte afkortingen en termen 1.2. Doel besluit Het doel van dit besluit is om duidelijkheid te geven over de wijze waarop de Belastingdienst de winstallocatie aan vaste inrichtingen beoordeelt. Dit besluit geeft dan ook nader inzicht in de Nederlandse standpunten met betrekking tot de winstallocatie aan vaste inrichtingen. Deze standpunten zien slechts op de allocatie van de aan de winst ten grondslag liggende baten en lasten en niet op de belastbaarheid en de aftrekbaarheid van deze afzonderlijke baten en lasten. De standpunten zijn ook van belang bij de toepassing van [art. 15 Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) en de [Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515) ten aanzien van de toerekening van aandelen aan een in Nederland gevestigde vaste inrichting. Dit besluit betreft niet de toepassing van artikel 5 OESO-modelverdrag bij de vraag of er sprake is van een vaste inrichting en betreft niet artikel 9 OESO-modelverdrag bij de vraag of er at arm’s length gehandeld is door ge"},{"i":4410,"b":"Besluit van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming van 24 augustus 2017, nr. ANVS-2017/8574, tot vaststelling van een bestuursreglement (Bestuursreglement ANVS) Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) en [12b, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=12b); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bestuur:** de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter; - b. **directeur:** directeur van een directie van de Autoriteit volgens het organisatiebesluit van de Autoriteit; - c. **plaatsvervangend voorzitter:** plaatsvervangend voorzitter van de Autoriteit; - d. **secretaris:** functionaris belast met het ondersteunen van de vergaderingen; - e. **vergadering:** vergadering van het bestuur; - f. **voorzitter:** voorzitter van de Autoriteit. Hoofdstuk 2. Bevoegdheden Artikel 2. Verdeling van werkzaamheden 1. Het bestuur maakt een verdeling voor de te verrichten werkzaamheden. 2. Bij de verdeling worden de werkzaamheden voor het verlenen van vergunningen en de werkzaamheden voor het houden van toezicht en handhaving aan verschillende bestuursleden toebedeeld. 3. Bij afwezigheid of verhindering van een bestuurslid kunnen de werkzaamheden door een ander bestuurslid worden verricht. Artikel 3. Mandaat en ondermandaat 1. Het bestuur neemt een besluit over (onder)mandaat, volmacht en machtiging van de bestuursleden, de directeuren en de teamleiders. 2. Besluiten tot de vaststelling van een regeling als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=4) komen niet voor mandaat in aanmerking. Hoofdstuk 3. Vergaderingen Artikel 4. Algemeen 1. Het bestuur vergadert tezamen met de directeuren tenzij het bestuur anders besluit. 2. De voorzitter stelt aan het begin van de vergadering de agenda vast. 3. De secretaris zorgt ervoor dat de vergaderstukken tijdi"},{"i":3649,"b":"Besluit van 6 maart 2020 tot wijziging van het Besluit beheer verpakkingen 2014 in verband met het opnemen van een doelstelling voor gescheiden inzameling van kunststof drankflessen en het aanpassen van de artikelen over statiegeld op drankverpakkingen (Besluit maatregelen kunststof drankflessen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 5 juli 2019, nr. IenW/BSK-2019/4702, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 9.5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2), en [15.32, eerste lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.32); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 september 2019, no. W17.19.0197/IV); Gezien het nader rapport van de Minister voor Milieu en Wonen van 2 maart 2020, nr. IENW/BSK-2020/30201, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit beheer verpakkingen 2014. Artikel II Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2020 met uitzondering van de [onderdelen a, b, c en d van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043415&artikel=I&z=2020-07-01&g=2020-07-01) die in werking treden op 1 januari 2022. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit maatregelen kunststof drankflessen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4867,"b":"Besluit van de Algemeen Directeur van de Justitiële Informatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 10 juli 2023, nr. Alg. 6398, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de Algemeen Directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Justid 2023) gelet op het [Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de directeur van de Justitiële Informatiedienst, hierna genoemd ‘de Algemeen Directeur’, verleende ondermandaat, wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de directeur Ketenstrategie; - b. de Concern Controller; - c. de directeur Ketenvoorzieningen en Innovatie; - d. de directeur Dienstverlening; - e. de directeur Informatiehuishouding. Artikel 2 Als leidinggevende, als bedoeld in paragraaf 1.3 van de CAO Rijk, worden, ten aanzien van de onder hen ressorterende ambtenaren, aangewezen en gevolmachtigd, de ambtenaren, genoemd in kolom 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048531&bijlage=1&z=2023-08-11&g=2023-08-11) bij dit besluit, voor zover het betreft de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in kolom 2 van die bijlage. Artikel 3 Als bevoegd om te beschikken over bedragen voor het aangaan van verplichtingen en voor het verrichten van uitgaven, worden aangewezen de ambtenaren, genoemd in kolom 1 van [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048531&bijlage=2&z=2023-08-11&g=2023-08-11) bij dit besluit, voor zover het betreft de bedragen, genoemd in kolom 2 van die bijlage. Artikel 4 Aan de Algemeen Directeur blijft voorbehouden: - a. de bevoegdheid tot het vaststellen van de kwalitatieve formatie; - b. de bevoegdheid tot het nem"},{"i":4234,"b":"Besluit van de directeur-bestuurder van het Nederlands Fonds voor de Film tot vaststelling van de subsidieplafonds voor subsidiëring op grond van het Deelreglement Realisering en het Deelreglement Distributie Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904), en gelet op [artikel 7 van het Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044475&artikel=7), [artikel 15 van het Deelreglement Realisering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044509&artikel=15) en [artikel 8 van het Deelreglement Distributie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044551&artikel=8); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel I Het subsidieplafond van het [Deelreglement Realisering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044509) voor het kalenderjaar 2021 ten behoeve van de regeling Music Mayday is € 2.500.000,– (zegge: twee miljoen vijfhonderd duizend euro). Artikel II Het subsidieplafond van het [Deelreglement Realisering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044509) voor het kalenderjaar 2021 ten behoeve van de regeling De Korte Verbeelding is € 1.000.000,– (zegge: één miljoen euro). Artikel III Het subsidieplafond van het [Deelreglement Distributie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044551) voor het kalenderjaar 2021 ten behoeve van de regeling Full Circle is € 3.500.000,– (zegge: drie miljoen vijfhonderd duizend euro). Artikel IV Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst en treedt met terugwerkende kracht in werking per 1 mei 2021."},{"i":3854,"b":"Besluit van de directeur Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Financieel-Economische Zaken (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Financieel-Economische Zaken KGG 2025) Gelet op [artikel 11 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging KGG 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051991&artikel=11); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **directeur:** directeur Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei; - **MT-leden:** leden van het managementteam van de directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken, met uitzondering van de directeur; - **teamleiders FDA:** teamleiders van de afdeling Financiële Diensten en Administratie van het Ministerie van Economische Zaken; - **bedrag:** bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW). § 2. Taakverdeling tussen de directeur en de onder hem ressorterende functionarissen Artikel 2 Aan de directeur is voorbehouden het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden: - a. afdelingsoverstijgende onderwerpen; - b. het afwijken van de voor financiële faciliteiten bestaande criteria; - c. onderwerpen, ten aanzien waarvan hij mededeling heeft gedaan, dat zij door hem zullen worden behandeld. Artikel 3 1. Aan de MT-leden wordt, ieder voor zich, ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op zijn werkterrein met dien verstande dat het aangaan van financiële verplichtingen een bedrag van € 100.000 niet te boven gaat. 2. Aan de MT-leden wordt tevens, ieder voor zich, voor de onder hen ressorterende medewerkers ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor: - a. het verlenen van verlof en kor"},{"i":2560,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 5 september 2004, nr. WJZ 4055851, omtrent de uitvoering van de artikelen 1 en 2 van de Subsidieregeling pilot innovatievouchers 2004 (Beleidsregel verstrekking innovatievouchers 2004) Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017162&artikel=1) en [2 van de Subsidieregeling pilot innovatievouchers 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017162&artikel=2) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 1. De minister verstrekt op aanvraag een innovatievoucher aan een ondernemer, die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van [verordening (EG) nr. 70/2001](32001R0070) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10) en die een kennisoverdrachtsproject als bedoeld in de Subsidieregeling pilot innovatievouchers 2004 wil laten uitvoeren. 2. Per ondernemer kan één innovatievoucher worden verstrekt. 3. Geen innovatievoucher wordt verstrekt aan een ondernemer: - a. die een onderneming in stand houdt als bedoeld in artikel 1, onder a, van [verordening (EG) nr. 69/2001](32001R0069) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betref-fende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de de minimis-steun (PbEG L 10); - b. aan wie door een of meer bestuursorganen in de drie aan de aanvraag voorafgaande jaren reeds € 92 500 of meer aan subsidie is verstrekt zonder goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen; - c. die failliet is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of voor wie een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. Artikel 2 De aanvraag wordt ingediend"},{"i":11889,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 december 2019, nr. WJZ/ 19260258 , tot aanwijzing van dierenartsen als bedoeld in artikel 30 en 31 van Verordening officiële controles Gelet op verordening (EU) nr. 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), (EU) [nr. 1151/2012](32012R1151). (EU) [nr. 652/2014](32014R0652), (EU) [2016/429](32329R2016) en (EU) [2016/2031](32031R2016) van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen [(EG) nr. 1/2005](32005R0001) en [(EG) nr. 1099/2009](32009R1099) van de Raad en de Richtlijnen [98/58/EG](31958R0098), [2007/43/EG](31943R2007), [2008/119/EG](32019R2008) en [2008/120/EG](32020R2008) van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen [(EG) nr. 854/2004](32004R0854) en [(EG) nr. 882/2004](32004R0882) van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen [89/608/EEG](32508R0089), [89/662/EEG](32562R0089), [90/425/EEG](32325R0090), [91/496/EEG](32396R0091), [96/23/EG](31923R0096), [96/93/EG](31993R0096) en [97/78/EG](31978R0097) van de Raad en Besluit [92/438/EEG](32338R0092) van de Raad, [artikel 6.3, tweede lid, Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3) en [artikel 3 Besluit uitvoering verordening officiële controles diergezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042383&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **verordening (EU) nr. 2017/625:** verordening (EU) nr. 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere o"},{"i":12491,"b":"Besluit van de algemeen directeur van de directie Informatievoorziening van 1 september 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan het afdelingshoofd Interne Beheersing binnen de directie Informatievoorziening wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":12426,"b":"Besluit van 31 maart 2022, houdende inwerkingstelling van de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 31 maart 2022, nr. 3763231; Overwegende dat er sprake is van een zodanig grote toestroom van ontheemden uit Oekraïne dat met de bestaande structuren niet in de benodigde opvang kan worden voorzien, en dat het door deze buiten-gewone omstandigheden noodzakelijk is enkele artikelen uit de Wet verplaatsing bevolking in werking te stellen; Gelet op [artikel 2, eerste lid, en vijfde lid, eerste zin, van de Wet verplaatsing bevolking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De [artikelen 2c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=2c) en [4 van de Wet verplaatsing bevolking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=4) worden in werking gesteld. Artikel 2 Dit besluit wordt bekendgemaakt door publicatie in het Staatsblad. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":11398,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00620, houdende vaststelling van de syllabus centraal examen Nederlandse taal referentieniveau 2F bij centrale examinering in het mbo (Regeling vaststelling syllabus centraal examen mbo Nederlandse taal referentieniveau 2F) Gelet op [artikel 3 van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3); het [Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB artikel 6, eerste lid onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); het [Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027879); de [Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031310) en de Regeling gedeeltelijke centrale examinering Nederlandse taal. Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 5 maart 2015, nummer 734163; Besluit: Artikel 1. syllabus De syllabus, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6), wordt vastgesteld voor het centraal examen Nederlandse Taal referentieniveau 2F. Artikel 2. bekendmaking 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De onder [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036417&artikel=1&z=2019-08-01&g=2019-08-01) genoemde syllabus wordt gepubliceerd op Examenbladmbo.nl. Artikel 3. inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op 1 augustus 2015. Artikel 4. citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling syllabus centraal examen mbo Nederlandse taal referentieniveau 2F. Bijlage. Syllabus Gepubliceerd op www.examenbladmbo.nl."},{"i":12041,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 mei 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Hoofddirectie Dienst Buitenlandse Zaken en Hoofddirectie Personeel en Organisatie, personeelsdossiers, Besluit Beperking Openbaarheid Hoofddirectie Dienst Buitenlandse Zaken en Hoofddirectie Personeel en Organisatie, personeelsdossiers (1945) 1985–2010 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 2 mei 2023, referentie 37559585; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste, derde en vijfde kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de kolom rechts van het inventarisnummer. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventaris- nummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | Inventaris- nummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | Inventaris- nummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | 2049 | 457 | 2035 | 893 | 2046 | | 2 | 2049 | 458 | 2035 | 894 | 2044 | | 3 | 2049 | 459 | 2036 | 895 | 2045 | | 4 | 2049 | 460 | 2036 | 896 | 2045 | | 5 | 2047 | 461 | 2049 | 897 | 2045 | | 6 | 2047 | 462 | 2049 | 899 | 2046 | | 7 | 2047 | 463 | 2049 | 900 | 2045 | | 8 | 2047 | 464 | 2049 | 901 | 2045 | | 9 | 2047 | 465 | 2050 | 902 | 2045 | | 10 | 2047 | 466 | 2048 | 903 | 2046 | | 11 | 2044 | 467 | 2050 | 904 | 2053 | | 12 | 2044 | 468 | 2035 | 905 | 2046 | | 13 | 2041 | 469 | 2048 | 906 | 2055 | | 14 | 2040 | 470"},{"i":13707,"b":"Wet van 2 december 1991, houdende intrekking Wet Bezitsvormingsfonds Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het duurzaam persoonlijk bezit van kleine spaarders voldoende wordt bevorderd op andere wijze dan door de maatregelen van de Wet Bezitsvormingsfonds en het derhalve wenselijk is die wet in te trekken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I De Wet Bezitsvormingsfonds (**Stb.** 1977, 194) wordt ingetrokken. De middelen van het Bezitsvormingsfonds worden in 's Rijks kas gestort. Artikel II 1. Een lening als bedoeld in artikel 5 van de Wet Bezitsvormingsfonds, waarop de aflossing op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet is voltooid, wordt beheerst door de Wet Bezitsvormingsfonds zoals deze luidde voor dat tijdstip, met dien verstande dat: - a. die aflossing in afwijking van het bepaalde in artikel 4, tweede lid, aanhef en onderdeel **b**, van de Wet Bezitsvormingsfonds in 's Rijks kas wordt gestort en - b. een krachtens het bepaalde in artikel 9 van de Wet Bezitsvormingsfonds teruggevorderd bedrag in afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dat artikel in 's Rijks kas wordt gestort. 2. Indien Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet deelneemt in het verlies dat voor een gemeente voortvloeit uit een gegarandeerde lening als bedoeld in artikel 10 van de Wet Bezitsvormingsfonds, waarvoor op dat tijdstip de in dat artikel, tweede lid, onderdeel **a**, genoemde termijn van ten hoogste dertig jaren nog niet is verstreken, wordt die deelneming beheerst door de Wet Bezitsvormingsfonds zoals deze luidde voor dat tijdstip, met dien verstande dat in afwijking van het bepaalde in de artikelen 4, derde lid, aanhef en onderdeel **b**, en 10, eerste lid, van die wet, de uitgaven die voortvloei"},{"i":11814,"b":"Vaststelling gewijzigde eindtermen theoretische accountantsopleiding 2008 De Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) is een bij wet ingesteld zelfstandig bestuursorgaan dat tot taak heeft om eindtermen voor de opleiding tot accountant-administratieconsulent en registeraccountant ([artikel 46 Wet op het Accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=46)) vast te stellen. In 2007 heeft de CEA de eindtermen 2008 voor de theoretische opleiding tot accountant-administratieconsulent en registeraccountant vastgesteld. Jaarlijks beoordeelt de CEA de geldigheid en actualiteit van de eindtermen en brengt zij, indien nodig en wenselijk, een update uit. Nadat de noodzaak en wenselijkheid van aanpassing van de bestaande eindtermen zijn geïnventariseerd, heeft de CEA in haar vergadering van 25 maart 2013 besloten tot (beperkte) bijstelling van de theoretische eindtermen 2008 (grijs gemarkeerd). De gewijzigde eindtermen zijn van kracht met ingang van 1 september 2013. De eindtermen zijn van belang voor onderwijsinstellingen die de opleiding tot accountant-administratieconsulent en/of registeraccountant aanbieden dan wel willen gaan aanbieden. De eindtermen, evenals een toelichting op de wijzigingen, liggen ter inzage bij de CEA (Antonio Vivaldistraat 2-8, 1083 HP Amsterdam) en zijn beschikbaar via de website www.ceaweb.nl. De eindtermen treft u hieronder aan. Eindtermen theoretische Accountantsopleiding 2008 **Betreft:** Eindtermen theoretische accountantsopleiding **Auteur:** Commissie Eindtermen Accountantsopleiding **Datum:** november 2007 **Versie:** 2008/update 2013/1.5 1. Inleiding Dit rapport bevat de eindtermen voor de theoretische opleiding tot accountant-administratieconsulent en registeraccountant, zoals vastgesteld door de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding in haar vergadering van 20 november 2007. Nadere informatie over het tijdstip en de termijn van invoering wordt afzonderlijk aan de opleidingen verstrekt. 1.1. Positionerin"},{"i":13395,"b":"Instelling Commissie van onderzoek in het kader van de samenwerking tussen Aruba en Nederland op het gebied van criminaliteitsbestrijding Overwegende, dat het overleg in het kader van de justitiële samenwerking tussen Nederland en Aruba zoals vastgelegd in het Protocol van 9 september 1995 en mede naar aanleiding van het verzoek van de regering van Aruba te overleggen over diverse rapportages en evaluaties met betrekking tot de justitiële samenwerking, tot overeenstemming heeft geleid; handelende in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van het Koninkrijk; Besluit: Artikel 1 1. Er is een commissie van onderzoek in het kader van de samenwerking tussen Aruba en Nederland op het gebied van criminaliteitsbestrijding. 2. De commissie heeft tot taak: - a. onderzoek te doen naar de verhoudingen met betrekking tot de strafrechtelijke rechtshandhaving in Aruba, waaronder in het bijzonder de positie van het Arubaanse Openbaar Ministerie ten opzichte van de regering van Aruba, het Korps Politie Aruba en de relaties met Nederland; - b. aanbevelingen te formuleren ter verhoging van de effectiviteit van de rechtshandhaving op Aruba; - c. aanbevelingen te doen ter optimalisering van de gemeenschappelijke aanpak van de grensoverschrijdende en de georganiseerde criminaliteit in Koninkrijksverband. 3. De commissie brengt binnen drie maanden na instelling haar eindrapport uit aan de raad van ministers van het Koninkrijk en de Arubaanse regering. Voorafgaand aan de vaststelling van het eindrapport, worden de Arubaanse en koninkrijksregering in de gelegenheid gesteld commentaar te leveren op het concept-rapport. De commissie richt haar eindrapportage zodanig in dat deze na bespreking in de raad van ministers van het Koninkrijk en de Raad van Ministers van Aruba openbaar gemaakt kan worden. Artikel 2 1. Leden van de commissie zijn: - mr J. de Ruiter, voorgedragen door de raad van ministers van het Koninkrijk, tevens voorzitter, - een nog nader aan te wijzen lid, voor"},{"i":13910,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 november 2017, nr. 2017-0000168256, houdende de inrichting van de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel, alsmede de doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Bedrijfsvoering (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit OBP 2017) Gelet op de [artikelen 3, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=3), en [8 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit plaatsvervangend secretaris-generaal 2009 SZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026589&artikel=8); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directie:** de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel; - b. **directeur:** de directeur Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel - c. **SSO:** Shared Service Organisatie; - d. **hrm:** human resource management; - e. **liaison- en afnemerstaken:** alle werkzaamheden die voortvloeien uit deelname van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan een SSO of aan een interdepartementaal samenwerkingsverband of uit contracten met andere leveranciers in het betreffende domein; - f. **FMH:** FM Haaglanden, facilitair interdepartementaal samenwerkingsverband; - g. **SSC-ICT:** Shared Service Centrum-ICT; - h. **RIS:** Rijksinkoop Samenwerking; - i. **CDI:** Coördinerend directeur inkoop; - j. **O&P Rijk:** Organisatie & Personeel Rijk; - k. **P-Direkt:** Salaris- en personeelsadministratie dienstverlener binnen het Rijk; - l. **RvIHH:** Rijksorganisatie voor Informatiehuishouding. § 2. Organisatie Artikel 2 1. De directie bestaat uit de volgende afdelingen: - a. de afdeling Fysieke en Digitale Werkomgeving; - b. de afdeling Human Resource Management; - c. de afdeling Ondersteuning, Beheer en Evenementen; - d. de afdeling Strategieontwikkeling, Control en Informatie. 2. Het hoofd van de afdeling Strategieontwikkeling, Control en Informatie"},{"i":13869,"b":"Nota Integriteitsbeleid NWO, Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek 1. Inleiding De maatschappij vraagt in toenemende mate integriteit en integer handelen, van mensen en organisaties. Vandaag de dag vergt zulk integer handelen het nodige van overheidsinstanties, ook van ZBO’s. NWO is zich er van bewust dat haar medewerkers en derden die uit haar naam handelen, moeten beschikken over een sterk verantwoordelijkheidsgevoel en normbesef. NWO beheert immers, en beschikt als onderzoekfinancier over, een aanzienlijk budget aan publieke middelen. NWO heeft een voorbeeldfunctie en zij behoort het vertrouwen te genieten van relevante stakeholders, om optimaal invulling aan die functie te kunnen geven. Die voorbeeldfunctie brengt mee, dat NWO op het gebied van integriteit ook hoge eisen stelt aan haar medewerkers en aan iedereen die voor of namens NWO handelt. Niet integer handelen wordt door NWO niet getolereerd. Om het belang van integriteit te benadrukken, heeft NWO onderhavig document opgesteld, waaruit kenbaar is wat NWO onder integriteit verstaat, welke regels gelden op het gebied van integriteit, voor wie die regels gelden en hoe daarmee om wordt gegaan. 2. Beginselen integriteitsbeleid NWO Het integriteitsbeleid van NWO is gebaseerd op de Kernwaarden van NWO1De Kernwaarden zijn verwoord in de NWO-strategie Verbinden van Wetenschap en Samenleving 2019-2022: 3. Definitie Uit bovengenoemde kernwaarden kan een definitie van “integriteit” worden gedestilleerd. Een universele, algemeen toepasbare definitie van integriteit bestaat niet. Integriteit is plaats-, tijd- en context gebonden. NWO pretendeert derhalve niet, de maat der dingen te willen zijn. Wél stelt NWO, vanuit de maatschappelijke rol die zij vervult en de positie die zij als verstrekker van publieke middelen inneemt, hoge eisen aan haar organisatie en iedereen die bij, namens of met NWO werkt. Een voor NWO werkbare definitie, die weergeeft wat NWO onder integriteit verstaat, is de volgende: “ **I"},{"i":12161,"b":"Besluit van 10 januari 2022 nr. 2022000018, houdende departementale herindeling met betrekking tot maatschappelijke diensttijd Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 10 januari 2022, kenmerk 3758954; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt belast met de behartiging van aangelegenheden op het terrein van maatschappelijke diensttijd voor zover deze voor 10 januari 2022 was opgedragen aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046204&artikel=1&z=2022-01-19&g=2022-01-19) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046204&artikel=2&z=2022-01-19&g=2022-01-19) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 januari 2022. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden"},{"i":13955,"b":"Overzicht taken stafafdeling CWZ Besluit: Artikel 1 Er is een Stafafdeling Constitutionele Zaken, Wetgeving en Internationale Aangelegenheden, welke rechtstreeks ressorteert onder de Secretaris-Generaal. Artikel 2 De stafafdeling bestaat uit: - de chef van de stafafdeling; - de plaatsvervangend chef van de stafafdeling; - de juridisch adviseur van het ministerie; - beleidsvelden waarin een zoveel mogelijk samenhangend geheel aan constitutionele zaken en onderwerpen van wetgeving wordt behandeld; - de coördinator internationale aangelegenheden; - de sector managementondersteuning, publikaties en onderzoek; - het secretariaat. Artikel 3 De taak van de stafafdeling bestaat uit: - I. ten aanzien van constitutionele zaken - het behandelen van en adviseren over constitutionele vraagstukken en het ontwikkelen van beleid ter zake; - het verrichten van werkzaamheden ter herziening van de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840); - het voorbereiden van of medewerken aan de voorbereiding van wetgeving en bestuurshandelingen die strekken tot uitvoering van de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) of waarbij constitutionele aspecten in het geding zijn; - het toetsen van (in voorbereiding zijnde) wetgeving een bestuurshandelingen aan de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840); - het medewerken aan de voorbereiding van de totstandkoming en van de goedkeuring van internationale verdragen die constitutionele aangelegenheden raken en het toetsen van (in voorbereiding zijnde) wetgeving - waaronder de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) - en bestuursbeslissingen aan deze verdragen; - II. ten aanzien van de Hoge Colleges van Staat, de rechtsbescherming en het kiesrecht - het behandelen van en adviseren over de wetgeving betrekking hebbende op de Hoge colleges van Staat, met uitzondering van de regelgeving betreffende de financiële rechtspositie van de leden der Staten-Generaal; - het behandelen van en a"},{"i":13651,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 26 september 2020, nr. 2020-176696 tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Financiering Energietransitie (Instellingsbesluit Werkgroep IBO Financiering Energietransitie) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044199&artikel=2&z=2020-10-13&g=2020-10-13). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Financiering Energietransitie. 2. De werkgroep heeft tot taak interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren conform de taakopdracht zoals gepubliceerd in bijlage 18 van de Miljoenennota 2021 (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2020 / 2021, 35 570 nr. 2). 3. Het onderzoek zal moeten resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties worden gegeven waarover vervolgens afweging kan plaatsvinden. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en 10 leden. 2. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd mevrouw Gita Salden, werkzaam bij BNG Bank. 3. Tot eerste leden van de werkgroep worden benoemd: - –. Myrthe de Jong (Ministerie van Financiën) - –. Ben Geurts (Ministerie Algemene Zaken) - –. Marieke Spijkerboer (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) - –. Elise Splint (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) - –. Jan van Beuningen (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - –. Ernst-Paul Nas (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) - –. Fons Dingelstad (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) - –. Frank Kooiman (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) - –. Herman Vollebergh (Planbureau voor de Leefomgeving) - –. Arjan Trinks (Centraal Planbu"},{"i":14291,"b":"Regeling geluidproduktie sportmotoren Gelet op [artikel 4 van het Besluit geluidproduktie sportmotoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007578&artikel=4); Besluit: Artikel 1 1. Het geluiddrukniveau van een sportmotor mag bij de meting de grenswaarde die is aangeven in de onderstaande tabel niet overschrijden: | **Sportmotor bedoeld voor gebruik tijdens:** | **Toelaatbaar geluiddrukniveau:** | | --- | --- | | behendigheidswedstrijden (trial) | 94 dB(A) | | | | | crosswedstrijden | 98 dB(A) | | | | | wegraces: | | | – sportproduktiemotor | 102 dB(A) | | – andere categorieën | 105 dB(A) | 2. Het in het eerste lid bedoelde geluiddrukniveau wordt gemeten overeenkomstig de voorschriften die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop het [Besluit geluidproduktie sportmotoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007578) in werking treedt. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geluidproduktie sportmotoren. Bijlage 1. Meetapparatuur Voor de geluidmeting wordt gebruik gemaakt van een meetinstrument dat voldoet aan de voorschriften voor type 1 als omschreven in de IEC-publikatie 651. Het meetinstrument is tijdens de meting zodanig ingesteld, dat de integratie overeenkomt met die van RMS-slow, ’S’, volgens de IEC-publikatie bedoeld in 1.1. Voor elke meting wordt de geluidsniveaumeter volgens de aanwijzingen van de fabrikant gecontroleerd en afgesteld met behulp van een geschikte geluidsbron. 2. Meetomstandigheden Tijdens de meting mag het A-gewogen geluiddrukniveau van andere geluidbronnen dan die van de sportmotor, waaronder het geluidsniveau van de wind, binnen een straal van 5 meter van de sportmotor niet hoger zijn dan 90 dB(A). Het in de vorige volzin bedoelde geluidsniveau wordt gecontroleerd door de vaststelling van het achtergrondgeluidsniveau voor en na de meting. De bij de meting gebruikte microfoon mag worden voorzien van een geschikte windkap, mits rek"},{"i":13430,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 januari 2021 nr. WJZ/ 21008735, tot instelling van de Adviescommissie Nationale Parken (Instellingsbesluit Adviescommissie Nationale Parken) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - b. **adviescommissie:** de Adviescommissie Nationale Parken. Artikel 2 1. Er is een Adviescommissie Nationale Parken. 2. De adviescommissie heeft tot taak om de minister te adviseren over aanvragen voor statusaanwijzing van een gebied als nationaal park. 3. De adviesommissie adviseert over de aanvragen op grond van [artikel 2.44, derde lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.44) in samenhang met [artikel 3.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=3.68) en de [Beleidsregel aanwijzing Nationale Parken 2024–2030](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049721). Artikel 3 1. De adviescommissie bestaat uit een voorzitter en ten minste één en ten hoogste zeven andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd voor een termijn van vier jaar. De voorzitter en de andere leden kunnen door de minister worden geschorst en ontslagen. 3. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep. 4. Indien in voorkomend geval uit feiten of omstandigheden blijkt dat de voorzitter of een van de andere leden van de adviescommissie zelf direct of indirect betrokkenheid heeft bij een adviesaanvraag dan zullen zij zich weerhouden van enige bemoeienis ten aanzien van de adviesaanvraag. Artikel 4 1. De adviescommissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. 2. De minister voorz"},{"i":13874,"b":"Nummerplan telexdiensten Gelet op artikel 40d, eerste lid, onder a, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen; Gezien Aanbeveling F.69 Plan for telex destination codes van de Telecommunication Standardization Sector van de International Telecommunication Union (ITU-T); Besluit: Artikel 1 1. Een nummer als bedoeld in dit besluit bestaat uitsluitend uit cijfers. 2. De lengte van een nummer kan variëren en is aangegeven in de bijlage genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008189&artikel=2&z=2004-05-19&g=2004-05-19). Artikel 2 In de bij dit besluit behorende bijlage worden de bestemmingen vastgesteld voor nummers voor telexdiensten. Artikel 3 1. Een nummer dat is toegekend of gereserveerd, kan niet nogmaals worden toegekend of gereserveerd. 2. Een nummer mag niet zijn opgebouwd uit een ander, korter, nummer gevolgd door één of meer cijfers. Artikel 4 Aan de toekenning of reservering van een nummer wordt het voorschrift verbonden dat de nummerhouder of de reserveringhouder het bij dit besluit bepaalde alsmede de geldende ITU-T aanbevelingen in acht neemt. Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 1996. Artikel 7 Dit besluit wordt aangehaald als: Nummerplan telexdiensten. Dit besluit met de bijbehorende bijlage en toelichting wordt ter inzage gelegd bij de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit. Bijlage. als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008189&artikel=2&z=2004-05-19&g=2004-05-19) van het Besluit nummerplan telexdiensten | **Eerste cijfer van** **het nummer** | **Bestemming** | **Lengte van het nummer** | | --- | --- | --- | | 0 | internat. toegang | 1 | | 1 | telexdiensten | 5 | | 2 | telexdiensten | 5 | | 3 | telexdiensten | 5 | | 4 | telexdiensten | 5 | | 5 | telexdiensten | 5 | | 6 | telexdiensten | 5 | | 7 | telexdiensten | 5 | | 8 | telexdiensten | 5 | | 9 | speciale telexdiensten | 2 | Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14302,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 26 september 2007, nr. TRCJZ/2007/3100, houdende nadere regels omtrent gewasbeschermingsmiddelen en biociden Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=5), [12, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=12), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=31), [37, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=37), [42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=42), [43, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), [64, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=64), [70, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=70), [82, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=82), [126, negende lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=126) en de [artikelen 3, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=3), en [4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=4), [8, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=10), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=11), [12, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=12), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=14), [16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=16), [17, eerste, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=17), [18, tweede tot en met zesde lid](https://wetten"},{"i":14295,"b":"Regeling geprivilegieerde post gedetineerden Gelet op [artikel 37, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=37); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 16 juli 1998, nr. 704201/98. Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Algemeen De directeur is uitsluitend bevoegd de enveloppen van brieven als bedoeld in [artikel 37, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=37), te openen ter controle op bijgesloten voorwerpen, op de wijze als hieronder bepaald. Artikel 3. Brieven afkomstig van personen/ instanties genoemd in [artikel 37, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=37) 1. De afzender genoemd in [artikel 37, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=37), doet zijn brief in een gesloten envelop en adresseert deze aan de gedetineerde. De afzender sluit de envelop af en voegt deze in een andere envelop en adresseert deze aan de directeur met het verzoek de bijgesloten envelop aan de gedetineerde uit te reiken. De afzender dient er zorg voor te dragen dat kenbaar is in welke hoedanigheid de afzender de brief heeft geschreven. 2. Indien de directeur het met het oog op de aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen noodzakelijk acht ook de binnenste envelop van de brief of het andere poststuk te openen, dient hij dit in het bijzijn van de gedetineerde te doen. 3. In het geval dat een envelop kennelijk afkomstig is van een van de personen of instanties genoemd in [artikel 37, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=37), maar niet een dubbele envelop is gebruikt, wordt, indien de directeur het noodzakelijk oordeelt de envelop te openen, dezelfde procedure toegepast als vermeld in het tweede lid. 4. In het geval de brief niet herkenbaar is als zijnde afkomstig van een persoon of instantie,"},{"i":12482,"b":"Besluit van 15 april 2002, houdende regels ter uitvoering van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Besluit naturalisatietoets) Op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 31 januari 2002, Directie Wetgeving, nr. 5140649/01/6; Gelet op [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), en [artikel 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 8 maart 2002, nr. W03.02.0053/I/K); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 9 april 2002, Directie Wetgeving, nr. 5157553/02/6; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking voor Nederland. Treedt op 1 mei 2006 in werking voor Aruba (Stb. 2006/202). Treedt op 1 oktober 2007 in werking voor de Nederlandse Antillen (Stb. 2007/310). Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk; - b. verzoeker: vreemdeling die op grond van de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) verzoekt om verlening van het Nederlanderschap; - c. de naturalisatietoets: de toets, genoemd in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2&z=2022-05-26&g=2022-05-26); - d. openbaar lichaam: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 1. Een verzoeker beschikt over voldoende kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), indien hij beschikt over een zodanige mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, dat hij zelfstandig in d"},{"i":11820,"b":"Beleidsregel verstrekking van verhoogde puntvergoeding aan advocaten en mediators Gelet op de [artikelen 7, eerste en derde lid, onderdeel b, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7), alsmede de [artikelen 4:23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23), en [4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit de volgende beleidsregel vast te stellen: Artikel 1 Deze beleidsregel heeft betrekking op: - a. De vergoedingen die de raad voor rechtsbijstand op grond van de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37) en [33e, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33e) verstrekt aan respectievelijk rechtsbijstandverleners en mediators en waarop de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3), en [27, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=27) respectievelijk [artikel 7, eerste en vierde lid, van het Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830&artikel=7) van toepassing zijn, en; - b. die verband houdt met de afgifte van een toevoeging op grond waarvan rechtsbijstand is verleend op of na 1 januari 2019 of het tijdstip waarop rechtsbijstand is verleend in een piketzaak op of na 1 januari 2019. Artikel 2 Bij vaststelling van de vergoeding hanteert de raad voor rechtsbijstand ambtshalve: - a. ten aanzien van het basisbedrag als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3): het bedrag van € 108,57. - b. Ten aanzien van de administratieve vergoeding als bedoeld in [artikel 27 eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel="},{"i":18842,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 augustus 2024 nr. BOACAT2024/094, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de regionale eenheid Oost-Nederland Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Oost-Nederland van 29 juli 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050149&artikel=2&z=2024-09-19&g=2024-09-19). Artikel 2 1. De personen, werkzaam in de functie van assistent Intake en Service B en medewerker Intake en Service in dienst van de regionale eenheid Oost-Nederland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. 2. Als buitengewoon opsporingsambtenaar wordt op grond van het gestelde in het onderdeel Beperkte opsporingsbevoegdheden van [bijlage H van de Beleidsregels Buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766&bijlage=H), ontheffing verleend van het bepaalde in [artikel 16, eerste lid,"},{"i":18633,"b":"Besluit van 17 december 2010 tot wijziging van onder meer het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere besluiten in verband met onder meer de herziening van de functie- en bezoldigingstructuur voor rechterlijke ambtenaren Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 7 oktober 2010, nr. 5670871/10/6; Gelet op de [artikelen 5d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=5d), [5g, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=5g), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=7), [9, tweede lid, van de Wet rechtpositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=9), de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=11), [16, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=16), [25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=25), [86, eerste, zesde, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=86), en [145 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=145), de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170&artikel=3) en [5 van de Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170&artikel=5), [artikel 4 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002144&artikel=4), [artikel 46, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=46) en [artikel 51, zesde lid, van de Wet op de Raad van State](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=51); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 oktober 2010, nr. W03.10.0492/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 16 december 2010, nr. 5677236/10/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artike"},{"i":17512,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 november 2022, kenmerk 3469337-1039676-PPGB houdende het als onderdeel van een verzameluitkering verstrekken van compensatie aan gemeenten ter dekking van de kosten die verband houden met het kwijtschelden van publieke schulden van gedupeerden binnen het VWS-domein in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslagaffaire (Regeling verzameluitkering kwijtschelding schulden VWS-domein) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **gedupeerde:** persoon die door de Belastingdienst/Toeslagen is aangemerkt als gedupeerde als bedoeld in het [Besluit uitbreiding Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045192); - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **schulden binnen het VWS-domein:** schulden van gedupeerden en toeslagpartners als omschreven in de bijlage bij deze regeling; - **toeslagpartner:** persoon die door de Belastingdienst/Toeslagen is aangemerkt als toeslagpartner als bedoeld in het [Besluit uitbreiding Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045192); - **verzameluitkering:** verzameluitkering als bedoeld in [artikel 16a van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=16). Artikel 2. Doel van de bijdrage De Minister kan een bijdrage verstrekken ter compensatie van de gederfde inkomsten van gemeenten als gevolg van kwijtgescholden of gerestitueerde schulden van gedupeerden of toeslagpartners binnen het VWS-domein. Artikel 3. Hoogte van de bijdrage 1. De hoogte van de bijdrage, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047584&artikel=2&z=2023-01-01&g=2023-01-01), bedraagt per gemeente honderd procent van de gederfde inko"},{"i":18646,"b":"Wet van 24 juni 2004 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de wijziging van het stelsel van de rechterlijke toetsing van vrijheidsontnemende maatregelen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het stelsel van de rechterlijke toetsing van vrijheidsontnemende maatregelen op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II Ten aanzien van de vreemdeling aan wie op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn vrijheid is ontnomen, blijft het recht zoals het gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing tot het moment van de eerstvolgende uitspraak, bedoeld in [artikel 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=94) of [artikel 96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=96). Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17966,"b":"Wet van 12 juni 2009, houdende wijziging van de Wet op de lijkbezorging Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de [Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009) te wijzigen, onder meer naar aanleiding van een evaluatie van de wet en van de wens te komen tot het terugdringen van de administratieve lasten, alsmede om bij onverklaard overlijden van minderjarigen nader onderzoek naar de doodsoorzaak mogelijk te maken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de lijkbezorging. Artikel II Een gemeentelijke lijkschouwer die niet is ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 5 van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=5), kan tot drie jaar na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel Bb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026178&artikel=I&z=2012-10-01&g=2012-10-01), als zodanig benoemd blijven. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19333,"b":"Wet van 11 november 1999 tot wijziging van de Warenwet in verband met de invoering van bestuursrechtelijke boeten wegens overtredingen van voorschriften bij of krachtens de Warenwet gesteld Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om overtredingen van voorschriften bij of krachtens de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) gesteld, niet alleen op strafrechtelijke wijze maar tevens op bestuursrechtelijke wijze te kunnen afdoen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Warenwet. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Vervallen Artikel IV Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17787,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 31 maart 2026 nr. 2026-48474 over het verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen **De Staatssecretaris van Financiën,** **Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en afdeling 3.5 en 3.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en hoofdstuk 2, artikel I, onderdelen O en T van de Invoeringswet Wet IB 2001;** **Besluit:** **Dit besluit vervangt het besluit van 21 januari 2025, nr. 2024-375909,** **Stcrt. 2025, 3741** **De wijzigingen betreffen:** 1. Inleiding In dit besluit zijn de beleidsstandpunten opgenomen over de lijfrenteverzekering, de lijfrenterekening, het lijfrentebeleggingsrecht, de aftrek van premies voor lijfrenteverzekeringen en de aftrek van de inleg voor lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten als uitgaven voor inkomensvoorzieningen onder de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353). Ook zijn de beleidsstandpunten opgenomen over vóór 2001 gesloten lijfrenten en andere rechten op periodieke uitkeringen voor de toepassing van de [Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011354). Daarnaast zijn beleidsstandpunten opgenomen over onderhoudsverplichtingen in de vorm van verrekening van pensioenrechten. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.2. Basis goedkeuringen De goedkeuringen in dit besluit zijn gebaseerd op de hardheidsclausule van [artikel 63 AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63), tenzij anders aangegeven. 2. Voorwaarden voor lijfrenten ([artikel 1.7, eerste en derde lid, Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7)) 2.1. Vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen 2.1.1. Nagekomen bedragen bij omzetting lijfrente en restsaldo lijfrenterekening en lijfrentebeleggingsrecht na de laatste uitkering Van een lijfrente is alleen sprake als de aanspraak recht geeft op vaste en gelijkmatige periodiek"},{"i":19261,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst neerslag handelingen Stichting Reclassering Nederland op het beleidsterrein Reclassering over de periode 1948–1999 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 september 2001, nr. arc-2001.2443/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Reclassering Nederland op het beleidsterrein Reclassering over de periode 1948–1999’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument 1. Afkortingen en begrippen ARA: Algemeen Rijksarchief Awb: [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) BSD: basis-selectiedocument KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap PIVOT: Project invoering verkorting overbrengingstermijn OCenW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap RAD: Rijksarchiefdienst RIO: rapport institutioneel onderzoek Stb.: Staatsblad Stcrt.: Staatscourant SRN: Stichting Reclassering Nederland TBS: Ter Beschikking van de Staat WVC: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur actor: overheidsorgaan of particuliere organisatie/persoon die een rol speelt op een beleidsterrein handeling: complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid B: de selectiebeslissing ‘(blijvend) te bewaren’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling V: de selectiebeslissing ‘(op termijn) te vernietigen’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling 2. Verantwoording **2.1. Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven** Ingevolge [artikel 3 van de Archiefw"},{"i":17323,"b":"Regeling informatieverplichting acute zorg De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt op grond van [artikel 16, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) (Wmg) toezicht op de rechtmatige uitvoering door de zorgverzekeraars van hetgeen bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) is geregeld. [Artikel 11, onderdeel 1 van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11) bepaalt dat de zorgverzekeraar zorgplicht heeft. Ingevolge [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [artikel 68 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) is de NZa bevoegd tot het stellen van regels inhoudende welke gegevens en inlichtingen regelmatig moeten worden verstrekt dan wel onder welke omstandigheden deze moeten worden verstrekt door de zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars. De Algemene Maatregel van Bestuur van 15 juni 2021, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz en het Besluit beschikbaarheidsbijdrage WMG in verband met het stellen van eisen omtrent de voorbereiding, beschikbaarheid en bereikbaarheid van acute zorg (Staatsblad 2021, 291) en Ministeriële Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 september 2021, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling Wkkgz in verband met het stellen van nadere regels over de voorbereiding, bereikbaarheid en beschikbaarheid van acute zorg (Staatscourant 2021, 41958) zijn in ogenschouw genomen. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - a. **aanbieder van acute zorg:** zorgaanbieder die acute zorg levert én behoort tot een van de volgende categorieën zorgaanbieders: - 1. Traumacentrum; - 2. Aanbieder van medisch-specialistische zorg die acute zorg verleent, anders dan traumacentrum; - 3. Aanbieder van huisartsenzorg in een huisartsenpost; - 4. Aanbieder va"},{"i":19137,"b":"Richtlijn voor strafvordering kinderpornografie I. Inleiding Per 1 juli 2024 is de zedentitel in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) (Sr) door de [Wet seksuele misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049509) vervangen door de [titel Seksuele misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIV). De strafbaarstelling van kinderpornografie (oud artikel 240b Sr) is ondergebracht in [artikel 252 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=252). De voornaamste wijzigingen zijn dat de term ‘afbeelding’ in de strafbaarstelling is vervangen door de term ‘visuele weergave’ en dat de term ‘seksuele gedraging’ is vervangen door de term ‘van seksuele aard of met onmiskenbaar seksuele strekking’. Deze nieuwe terminologie wordt ook in deze richtlijn gehanteerd. Het wettelijke strafmaximum in artikel 252 Sr is verhoogd tot zes jaar gevangenisstraf. Het strafmaximum voor het maken van een beroep of gewoonte is verhoogd naar negen jaar gevangenisstraf ([art. 254 lid 1 sub c Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=254)). In [artikel 252 (nieuw) Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=252) is net als in het oude artikel 240b strafbaar gesteld: het verspreiden, aanbieden, openlijk tentoonstellen, vervaardigen, invoeren, doorvoeren, uitvoeren, verwerven en in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal en het zich de toegang verschaffen tot1In art. 240b (oud) Sr luidde het bestanddeel: ‘het zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang verschaffen tot’. In het vervolg van deze richtlijn zal gesproken worden over “zich toegang verschaffen”, zoals het in het nieuwe artikel 252 Sr is verwoord, maar daaronder wordt dan mede het bestanddeel uit artikel 240b (oud) Sr begrepen. kinderpornografisch materiaal. Deze richtlijn bevat allereerst criteria aan de hand waarvan in individuele zaken tot een afdoen"},{"i":17689,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijsten neerslag handelingen beleidsterreinen Energiebeleid en Energiedelfstoffen vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 april 2005, nr. arc-2005.02052/3 en arc-2005.0205/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijsten voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de onder hem ressorterende actoren op de beleidsterreinen Energiebeleid en Energie Delfstoffen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17415,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 18 september 2025, nr. 6692706, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering voor de aanpak Preventie met Gezag 2026–2029 Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), Besluit: Artikel 1. Definitiebepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - **Gemeenten:** de gemeenten genoemd in de bijlage behorende bij deze regeling; - **Programma:** het plan van aanpak over de activiteiten Preventie met Gezag per gemeente. Artikel 2. Doel en definitie activiteiten 1. Deze regeling heeft tot doel om gemeenten een specifieke uitkering te verstrekken waarmee zij in staat worden gesteld activiteiten in het kader van de aanpak Preventie met Gezag te ontplooien. Daarnaast worden enkele gemeenten in staat gesteld mee te doen aan de grassroot pilots. 2. Onder de aanpak Preventie met Gezag wordt verstaan de aanpak waarmee een betekenisvolle en merkbare bijdrage aan het voorkomen, terugdringen en aanpakken van diverse vormen van (jeugd)criminaliteit wordt geleverd. De aanpak richt zich op kinderen, jongeren en jongvolwassenen in de leeftijd van 8 tot 27 jaar. 3. De grassroot pilots zijn pilots bij zes gemeenten die gaan werken aan betere ondersteuning aan de geselecteerde informele organisaties in hun gemeenten. Artikel 3. Specifieke uitkering De Minister kan op aanvraag jaarlijks een specifieke uitkering verstrekken aan een gemeente genoemd in de bijlage bij deze regeling, voor het treffen van maatregelen in het kader van de aanpak Preventie met Gezag van 1 juni 2026 tot en met 31 december 2029. Artikel 4. Aanvraag 1. De aanvraag bevat: - a. een reflectie op het huidige programma tot en met juni 2025 en een vooruitblik van juli 2025 tot en met mei 2026; - b. een integraal domeinoverstijgend plan van aanpak voor 1 juni 2026 tot en met 31 december 2029. 2. I"},{"i":19475,"b":"Facultatief Protocol bij het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer betreffende de verplichte regeling van geschillen De Staten die Partij zijn bij dit Protocol en bij het [Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004345), hierna te noemen „het Verdrag”, aanvaard tijdens de Conferentie van de Verenigde Naties, gehouden te Wenen van 2 maart tot 14 april 1961, De wens te kennen gevend, in alle aangelegenheden die hun aangaan met betrekking tot een uit de uitlegging of toepassing van dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004345) gerezen geschil, beroep te doen op de verplichte rechtsmacht van het Internationale Gerechtshof, tenzij partijen binnen een redelijke termijn overeenstemming hebben bereikt over een andere wijze van regeling, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Geschillen die voortvloeien uit de uitlegging of toepassing van dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004345) vallen binnen de verplichte rechtsmacht van het Internationale Gerechtshof en kunnen dienovereenkomstig aan dit Hof worden voorgelegd door een desbetreffend request van een partij bij het geschil die tevens partij is bij dit Protocol. Artikel II Partijen kunnen, binnen een termijn van twee maanden nadat de ene partij de andere haar mening heeft te kennen gegeven dat er een geschil bestaat, overeenkomen zich niet tot het Internationale Gerechtshof te wenden, doch tot een scheidsgerecht. Na het verstrijken van bovengenoemde termijn kan elk der beide partijen het geschil door middel van een desbetreffend request aan het Hof voorleggen. Artikel III 1. Binnen dezelfde termijn van twee maanden kunnen partijen overeenkomen tot een verzoeningsprocedure over te gaan, alvorens zich tot het Internationale Gerechtshof te wenden. 2. De verzoeningscommissie doet haar aanbevelingen binnen vijf maanden nadat zij is ingesteld. Indien de partijen bij het geschil deze aanbevelingen niet binnen twee maanden nadat zij zijn geda"},{"i":17134,"b":"Instellingsbesluit van de Commissie Schrijnende Gevallen AOW-gat Militairen Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** Staatssecretaris van Defensie; - b. **Commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045591&artikel=2&z=2021-09-01&g=2021-09-01). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie Schrijnende Gevallen AOW-gat Militairen. 2. De commissie heeft tot taak te onderzoeken of in de uitvoering van de regeling AOW-gat van Defensie is geborgd dat de groep gewezen militairen daadwerkelijk 100% van de gerechtvaardigde verwachting heeft ontvangen. Binnen dit kader onderzoekt de commissie tevens of de uitvoering van de regeling kan leiden tot schrijnende individuele gevallen. 3. Wanneer er sprake is van schrijnende individuele gevallen brengt de Commissie de omvang van dit probleem in kaart, en komt met aanbevelingen voor mogelijke oplossingen. 4. Als opdrachtgever in de zin van dit besluit fungeert de Hoofddirecteur Personeel. Artikel 3. Samenstelling commissieleden 1. De commissie heeft één lid. 2. Het commissielid wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de Staatssecretaris. 3. Tot Lid, tevens voorzitter van de commissie wordt benoemd: - a. De heer drs. R. van Zwol 4. De commissie laat zich ter vervulling van haar taak bijstaan door twee onafhankelijke deskundigen, de heer dr. B. Dieleman en de heer em. prof. dr. Dietvorst 5. De commissie kan te allen tijde aanvullend materiedeskundigen oproepen. Artikel 4. Instellingsduur De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 juli 2021 en wordt opgeheven acht weken nadat het eindrapport is uitgebracht. Oplevering van het rapport is voorzien in het derde kwartaal van 2021. Artikel 5. Werkwijze 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. 2. De voorzitter is bevoegd externe materiedeskundigen uit te nodigen of advies bij externe materiedeskundigen in te winnen namens de commissie. 3. De commissie stelt een meldpu"},{"i":19184,"b":"Richtlijn voor strafvordering wederspannigheid Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op diverse vormen van verzet. Basiscasus/delict Verzet door rukken en trekken, alleen gepleegd. Legenda **Afkortingen** GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Voor een toelichting op de andere onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042068)."},{"i":18013,"b":"Regeling van de minister van Financiën van 18 augustus 2004, nr. IAZ 2004-165 M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Directie van de Grootboeken der Nationale Schuld, 3% Grootboek 1946 1946–1982 (1990) (Archiefregeling voor de archieven van de Directie van de Grootboeken der Nationale Schuld, 3% Grootboek 1946, ressorterend onder het ministerie van Financiën) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10), Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Directie van de Grootboeken der Nationale Schuld, 3% Grootboek 1946 1946–1982 (1990) de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn gerekend vanaf 1950. De archiefbescheiden zijn niet openbaar voor 1 januari 2025. 2. Raadpleging is slechts mogelijk na indiening van een schriftelijk verzoek gericht aan de directeur van het Nationaal archief en na ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier na het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Archiefregeling voor de archieven van de Directie van de Grootboeken der Nationale Schuld, 3% Grootboek 1946, ressorterend onder het ministerie van Financiën. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staats"},{"i":18741,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 12 oktober 2015, houdende bekendmaking van de taak waarmee de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de heer dr. K.H.D.M. Dijkhoff, in het bijzonder zal zijn belast Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951, houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van Minister zonder portefeuille en van Staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3) (Stb. 1951, 24); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de heer dr. K.H.D.M. Dijkhoff, is binnen de grenzen van het door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde beleid in het bijzonder belast met de aangelegenheden betreffende: - a. asiel, - b. immigratie, - c. de Immigratie- en naturalisatiedienst, - d. grensbewaking in relatie tot vreemdelingenzaken, - e. artikel 1F van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, - f. de Dienst Justitiële Inrichtingen, - g. reclassering, - h. de Uitvoeringsketen Strafrechtelijke Beslissingen (USB), - i. sanctiebeleid (o.a. TBS), - j. cybercrime en cybersecurity, met uitzondering van crisissituaties, - k. kansspelen, - l. de [Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804), telkens met inbegrip van de bijbehorende wetgeving en met inbegrip van de met de uitvoering van het beleid op deze terreinen belaste dienstonderdelen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Artikel 2 De Staatssecretaris kan voorts met nader door de Minister aan te wijzen onderwerpen worden belast. Artikel 3 De Staatssecretaris voert in de internationale contacten die hij heeft bij de behartiging van de in [artikel 1, onderdelen a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037090&artikel=1&z=2015-10-16&g=2015-10-16), genoemde aangelegenheden, de titel: Minister voor Migratie. Artikel 4 Dit besluit treedt in werk"},{"i":19466,"b":"Circulaire toepassen Baseline Informatiebeveiliging Overheid 2 in het digitale verkeer met het Rijk Met deze circulaire informeer ik u over de nieuwe versie van het normenkader inzake informatiebeveiliging; de Baseline Informatiebeveiliging Overheid 2 (BIO2), de opvolger van de BIO 1.04. De BIO2 versie 1.3 is opgenomen in deze circulaire. De BIO2 is: Iedere overheidslaag heeft in een eerder stadium besloten de BIO toe te passen. Dit is bevestigd in de Ministerraad van 14 december 2018. Dat is met u gedeeld middels de [circulaire 2019-0000184156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042237) van 16 april 2019. De BIO2 weerspiegelt de internationale beveiligingsnormen (NEN-EN-ISO/IEC 27001:2023 (nl) en NEN-EN-ISO/IEC 27002:2022 (nl)) en vervangt de indeling in 3 Basisbeveiligingsniveaus (BBN’s) uit de vorige BIO versies, door een explicietere risicogerichte benadering. Hiermee kunnen overheidsinstanties maatregelen afstemmen op specifieke risico’s, zonder vast te zitten aan de 3 beveiligingsniveaus. Daarnaast hebben de overheidsmaatregelen een update gehad en waar mogelijk zijn maatregelen verlicht. Door de verplichte doorwerking op de BIO2 van de NIS2-richtlijn (via de Nederlandse Cyberbeveiligingswet) is ook een aantal overheidsmaatregelen verzwaard. In de ministeriële regeling van de Cbw zal voor de zorgplicht rechtstreeks verwezen worden naar de BIO2 versie in deze circulaire. Deze versie vervangt per heden de versie 1.04 in het digitale verkeer met het Rijk en tevens de versie 1.2 die in het Overheidsbreed Beleidsoverleg Digitale Overheid (OBDO) van 23 september 2025 is vastgesteld. Daarmee komt ook de [circulaire 2019-0000684575](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043146) te vervallen. De BIO2 is het gezamenlijke product van het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen en is vastgesteld in het Overheidsbrede Beleidsoverleg Digitale Overheid (OBDO). De interbestuurlijke werkgroep BIO, waarin alle bestuurslagen vertegenwoordigd zijn, heeft afgelopen j"},{"i":17550,"b":"Reglement Vervangingsfonds 2023, Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs In 1992 richtten de sociale partners in het onderwijs de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs op. Het doel van het Vervangingsfonds is het bieden van waarborgen aan aangeslotenen voor de kosten van vervanging bij afwezigheid van gewezen personeel en het invoeren en in stand houden van bedrijfsgezondheidszorg in het primair onderwijs, alsmede het bevorderen en bewaken van die zorg. Het bestuur stelt, conform het bepaalde op grond van [artikel 188, vierde lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=188) juncto [artikel 167, vierde lid van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=167), het Reglement Vervangingsfonds vast. In dit reglement wordt bepaald welke rechten de aangeslotenen in het kader van de taakuitoefening van de stichting, als hierboven genoemd, jegens de stichting kunnen doen gelden en tot welke verplichtingen de aangeslotenen jegens de stichting zijn gehouden. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2023. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Hoofdstuk 2. Aansluiting bij het vervangingsfonds § 2.1. Vrijwillige en verplichte aansluiting Artikel 2. Verplichte aansluiting bij het Vervangingsfonds Artikel 3. Vervanging die niet voor bekostiging in aanmerking komt. Personeelsleden: zijn niet verplicht aangesloten bij het Vervangingsfonds. Vervanging van deze personeelsleden wordt niet bekostigd door het Vervangingsfonds. Artikel 4. Vrijwillige aanmelding van personeel § 2.2. Eigenrisicodragerschap Artikel 5. Eigenrisicodragerschap Artikel 6. Lopende vervangingen Hoofdstuk 3. Premie § 3.1. Premie Artikel 7. Premie Artikel 8. Premiepercentages § 3.2. Bonus-malus regeling Artikel 9. Bonus-malus regeling Artikel 10. Toepassingsbereik Artikel 11. Maximering malus Hoofdstuk 4. Bekostiging Hoofdstuk 4."},{"i":17609,"b":"Tijdelijk besluit Bijzondere regels voor de samenloop van een militair nabestaandenpensioen en een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet Gelet op [artikel 103 van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=103); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Voor de toepassing van de inbouw- en kortingsbepalingen uit hoofdstuk O van de wet wordt een Anw-uitkering gelijkgesteld met het daar omschreven algemeen nabestaandenpensioen of algemeen wezenpensioen. Artikel 3 Indien het pensioen van de nabestaande wordt afgeleid van een pensioen waarop artikel F 7, zestiende lid, van de wet is toegepast, wordt: - 1e. zolang dat een positief resultaat oplevert de toeslag ingevolge artikel H 1, elfde en twaalfde lid, van de wet, vervangen door een toeslag gelijk aan het verschil tussen de maximum-toeslag en de Anw-uitkering waarop recht bestaat en - 2e. de toeslag ingevolge artikel H 4, vijfde lid, onder 2e, van de wet, mits ook onder de werking van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) aan de strekking van de daar omschreven voorwaarden wordt voldaan, vastgesteld op 21,43% van de maximum-toeslag voor de aldaar onder a bedoelde gevallen en op 42,86% van de maximum-toeslag voor de gevallen bedoeld onder b. Artikel 4 De toeslagen ingevolge de artikelen H 1, vijftiende lid, en H 4, zevende lid, van de wet, worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in de voorgaande artikelen. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag van inwerkingtreding van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) en vervalt, indien deze niet met één of meer perioden van ten hoogste een jaar is verlengd, met ingang van de dag waarop een overeenkomst, dan wel een regeling in plaats van de in de wet genoemde aanspraken, rechten en verplichtingen met betrekking tot de nabestaanden- en wezenpensioenen van kracht is geworden. Artikel 6 D"},{"i":17167,"b":"Mandaatbesluit uitvoering defensiespecifieke uitkeringsregelingen 2020 Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bestuur:** het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP; - b. **De Staatssecretaris:** de Staatsecretaris van Defensie. Artikel 2 De Staatssecretaris verleent aan het bestuur mandaat om namens hem besluiten te nemen ter uitvoering en op grond van de onderstaande regelingen: - a. De [Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955), alsmede het daarop steunende [Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223) met uitzondering van de artikelen [8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223&artikel=8a) en [11a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223&artikel=11a) en het [Besluit bijzondere militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012222) met uitzondering van [artikel 11a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012222&artikel=11a); - b. Voor zover na die datum nog noodzakelijk, de voor 1 juni 2001 geldende militaire pensioenwetten of -regelingen; - c. De [Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540); - d. De [Regeling inkomsten Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004201); - e. De [artikelen 124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=124) en [125 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=125); - f. De Regeling procesverbaal van ongeval en rapportage medische aangelegenheden, [artikel 147 AMAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=147); - g. De [Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008406); - h. De Faciliteitenregeling; - i. De Regeling dienstverbandaanspraken geneeskundige verzorging, [artikel 104 AMAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":19451,"b":"Besluit van 7 december 1995, houdende bepalingen betreffende de toepasselijkheid van bij of krachtens de Scheepvaartverkeerswet gegeven regels op oorlogsschepen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 juli 1995, nr. S/J 13.297/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie; Gelet op de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=10), tweede lid, en [36, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=36); De Raad van State gehoord (advies van 12 september 1995, nr. W09.95.0377); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 november 1995, nr. J 15.365/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De commandant van een Nederlands of bondgenootschappelijk oorlogsschip, dat zich bevindt op de scheepvaartwegen die deel uitmaken van een zeehavengebied als bedoeld in [artikel 10, eerste, tweede en derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=10) en de daarop berustende bepalingen, is vrijgesteld van de loodsplicht, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet. Artikel 2 De commandant van een ander dan Nederlands oorlogsschip is, indien dit met de vlaggestaat van het desbetreffende schip is overeengekomen, vrijgesteld van de verplichting tot betaling van loodsgeld als bedoeld in de [Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364), indien deze verplicht of onverplicht gebruik maakt van de diensten van een loods. Artikel 3 De commandant van een Nederlands oorlogsschip, of van een ander dan Nederlands oorlogsschip indien dit met de vlaggestaat van het desbetreffende schip is overeengekomen, is vrijges"},{"i":17881,"b":"Besluit van 1 mei 2006, houdende wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 april 2006, nr. 5412173/06/6; Gelet op de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=39) en [41 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=41); De Raad van State gehoord (advies van 13 april 2006, nr. W03.06.0093/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 25 april 2006, nr. 5416614/06/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel II Indien op het moment waarop dit besluit in werking treedt een bezwaarschrift als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017212&artikel=7) is ingediend, is daarop het recht dat gold voor inwerkingtreding van dit besluit van toepassing. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 mei 2006. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18332,"b":"Overeenkomst nopens de instelling van een Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Bezield door de wens, de tussen Haar Staten bestaande banden te verstevigen en daartoe een geregelde samenwerking tussen de drie Parlementen tot stand te brengen, Hebben besloten te dien einde een Overeenkomst te sluiten en hebben tot Haar gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Baron B. Ph. van Harinxma thoe Slooten, Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur der Nederlanden te Brussel, Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Zijne Excellentie de Heer P. H. Spaak, Minister van Buitenlandse Zaken, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg: Zijne Excellentie de Heer Lambert Schaus, Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur van het Groothertogdom Luxemburg te Brussel, Die, na elkaar hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Ten blijke waarvan de bovengenoemde gevolmachtigden deze Overeenkomst hebben ondertekend en van hun zegel hebben voorzien. Gedaan te Brussel op 5 november 1955 in drievoud, in de Nederlandse en in de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek."},{"i":18878,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 26 augustus 2022 nr. BOACAT2022/061, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Qbuzz Openbaar Vervoer Gelezen het verzoek van de manager Service en Veiligheid van Qbuzz Openbaar Vervoer van 12 juli 2022 en de adviezen van de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047102&artikel=2&z=2023-03-16&g=2023-03-16). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker service & veiligheid in dienst van Qbuzz Openbaar Vervoer, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein"},{"i":17915,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 mei 2006, nr Z/VV-2686154, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met het vaststellen van de woonlandfactor ten behoeve van de gedifferentieerde berekening van de bijdrage voor verdragsgerechtigden Gelet op [artikel 69, tweede en vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II Indien de op grond van [artikel 6.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.3.1) berekende bijdrage op jaarbasis hoger is dan de berekende bijdrage op grond van [artikel 6.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.3.1), zoals dat [artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.3.1) luidde voordat de [Regeling houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met de gedifferentieerde berekening van de bijdrage voor verdragsgerechtigden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019808) van 25 april 2006 in werking trad, is over de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 het meerdere niet verschuldigd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18730,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 mei 2024 nr. 5464217, strekkende tot aanvulling van de opsporingsbevoegdheid van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Dienst Vervoer & Ondersteuning Gelezen het verzoek van de algemeen directeur van de Dienst Vervoer & Ondersteuning en het advies van het College van procureurs-generaal; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142) [artikel 14, eerste lid, Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=14). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon, werkzaam in de functie van (inrichtings) Beveiliger, als bedoeld in [artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Vervoer & Ondersteuning 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049295&artikel=2). Artikel 2 1. De opsporingsbevoegdheid, als bedoeld in [artikel 108, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108), van de buitengewoon opsporingsambtenaar strekt zich mede uit over de feiten, strafbaar gesteld in de [artikelen 285](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=285), [300](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=300), [310](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=310) en [350 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=350). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van de handhaving en toezichtlocatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers in Hoogeveen, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen, als bedoeld in [artikel 47 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":17816,"b":"Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES Artikel 1 1. Namens de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt voor bepaalde tijd en tot wederopzegging door een der partijen een overeenkomst aangegaan met advocaten, waarbij deze zich verbinden tegen een nader overeen te komen vergoeding kosteloos overeenkomstig de bepalingen van deze wet rechtskundige bijstand te verlenen. 2. Voor zover de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op rechtskundige bijstand in strafzaken, worden de bij of krachtens de [artikelen 61 tot en met 69 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=61) gegeven voorschriften in acht genomen. Artikel 2 1. Aan iedere in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba werkelijke woonplaats hebbende persoon, die on- of minvermogend is en rechtskundige bijstand behoeft, kan een kaart worden afgegeven, recht gevende op kosteloze rechtskundige bijstand. 2. Vreemdelingen niet ingezetenen, die voldoen aan de vereisten van deze wet komen voor kosteloze rechtskundige bijstand in strafzaken in aanmerking. Voorzover een internationale overeenkomst zulks verplicht, komen vreemdelingen niet ingezetenen eveneens voor kosteloze rechtskundige bijstand in burgerlijke zaken in aanmerking. 3. De betrokkene die een kaart, bedoeld in het eerste lid, wenst te verkrijgen, wendt zich daartoe tot Onze Minister van Justitie, onder overlegging van een verklaring, die door een ten aanzien van de betrokkene bevoegde belastingdienst is afgegeven, waaruit de hoogte van het zuiver inkomen op grond van, dan wel overeenkomstig, de bepalingen van de [Wet op de inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029306) blijkt. 4. Voor de toepassing van deze wet wordt onder on- of minvermogende verstaan: degene wiens inkomen gelijk is aan of minder bedraagt dan het bruto minimumloon, genoemd in [artikel 9, eerste lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":17351,"b":"Regeling macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2026 Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van multidisciplinairezorg, indien de Minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2026 verkregen uit declaratie van de prestaties multidisciplinaire zorg. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2025 ontvangt van de Minister, met daarin voor 2026 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - **macro-omzetgrens:** de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - **Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Wel"},{"i":18675,"b":"Aanwijzing opsporingsberichtgeving Samenvatting Het openbaar ministerie en de politie maken gebruik van opsporingsberichten om de hulp van het publiek in te roepen bij het vergaren van informatie ten behoeve van de waarheidsvinding, de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, het voorkomen van strafbare feiten of andere belangen die de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreffen. Deze aanwijzing geeft regels voor de inzet van opsporingsberichtgeving wanneer daardoor een inbreuk wordt gemaakt op de privacy van identificeerbare personen. 1. Inleiding en juridisch kader 1.1. Opsporingsberichtgeving Opsporingsberichtgeving is een opsporingsmiddel. Het openbaar ministerie en de politie1De aanwijzing ziet op alle opsporingsinstanties, maar het gros van de gevallen betreft de politie. Waar in deze aanwijzing gesproken wordt over de politie, worden ook de andere opsporingsinstanties bedoeld. vragen via opsporingsberichten in de media2De term media wordt in deze aanwijzing gebruikt in de ruimst mogelijk betekenis en omvat alle denkbare communicatiemiddelen, waaronder beeld- en geluidsdragers, geschreven en gedrukte berichtgeving. de hulp van het publiek bij waarheidsvinding in strafzaken en het opsporen van verdachten, veroordeelden of getuigen. Een opsporingsbericht geeft informatie over (mogelijke) strafbare feiten en personen die daar wetenschap van kunnen hebben met het doel om informatie te verkrijgen die relevant is voor de waarheidsvinding, de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen of het voorkomen van strafbare feiten.3Berichtgeving in de media buiten een strafrechtelijke context (zoals bij de vermissing van verwarde personen, minderjarigen of stoffen die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen vormen) valt buiten de context van deze aanwijzing. Daarvoor is het openbaar ministerie niet verantwoordelijk. Ook kunnen burgers in het opsporingsbericht gealerteerd worden op gevaarzetting die voortvloeit uit de context van het strafbare feit o"},{"i":19409,"b":"Aanwijzing Stichting Waarborgfonds Motorverkeer als rechtspersoon Gelet op [artikel 23, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=23) (Stb. 1984, 269), en op artikel 2 van de Wet van 3 mei 1989, Stb. 152, houdende regelen met betrekking tot de privatisering van het Waarborgfonds Motorverkeer; Gelet op het Koninklijk besluit van 17 mei 1989, Stb. 174, waarbij de datum van inwerkingtreding van de Wet van 3 mei 1989, Stb. 152, is bepaald op 1 juni 1989; Gezien de brief van de Stichting Waarborgfonds Motorverkeer, statutair gevestigd te Rijswijk, van 10 mei 1989; Besluiten: De Stichting Waarborgfonds Motorverkeer, statutair gevestigd te Rijswijk, met ingang van 1 juni 1989 aan te wijzen als de rechtspersoon die tot taak heeft in de gevallen, in [artikel 25 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=25) (Stb. 1984, 269) genoemd, aan de benadeelden hun schade te vergoeden overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 van die wet. Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekendgemaakt."},{"i":18844,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 28 maart 2022 nr. BOACAT2022/009, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij It Fryske Gea Gelezen het verzoek van de directeur It Fryske Gea van 7 februari 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in artikel 2. Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van beheermedewerker C in dienst van It Fryske Gea, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in he"},{"i":17406,"b":"Regeling van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 7 juli 2023, kenmerk 3634246-1050406-DMO, houdende een specifieke uitkering voor IZA-doelen 2023–2026 (Regeling specifieke uitkering IZA-doelen 2023–2026) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Algemene begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuurlijke afspraken:** afspraken tussen het Rijk en gemeenten zoals vastgelegd in het GALA en het IZA; - **criteria regiobeelden en regioplannen:** door de partijen bij het IZA opgestelde inhoudelijke en procesmatige criteria voor regiobeelden en regioplannen, Kamerstukken II 2022/23, 31 765, nr. 704, bijlage; - **GALA:** Gezond en Actief Leven Akkoord, Kamerstukken II 2022/23, 32 793, nr. 653, bijlage; - **IZA:** Integraal Zorgakkoord, Samen werken aan gezonde zorg van september 2022, Kamerstukken II 2022/23, 31 765, nr. 655, bijlage; - **mandaathouder:** de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048411&bijlage=1&z=2025-10-18&g=2025-10-18) bij deze regeling als zodanig genoemde gemeente of openbaar lichaam dat is ingesteld op grond van [hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=I); - **minister:** Minister voor Langdurige Zorg en Sport; - **regiobeeld:** een door een samenwerkingsregio met inachtneming van de criteria voor regiobeelden opgesteld document, dat prognoses van en verwachte ontwikkelingen in de zorgbehoefte en daarmee samenhangende informatie over de inwoners van de samenwerkingsregio bevat, alsmede een weergave van de capaciteit en prestaties van zorg, welzijn en ondersteuning in die regio; - **regionale mandaatstructuur:** de wijze waarop door de gemeenten in een samenwerkingsregio, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048411&bijlage=1&z=2025-10-18&g=2025-10-1"},{"i":18038,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, houdende beperking van openbaarheid van het archief betreffende deelname aan de Ministerraad en Onderraden evenals Ministeriële Commissies van het Ministerie van Economische Zaken over de periode 1951–2007 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord de algemene rijksarchivaris; Besluit: Artikel 1 Met het oog op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden zijn van de Archiefbescheiden betreffende deelname aan de Ministerraad en Onderraden evenals Ministeriële Commissies van het Ministerie van Economische Zaken over de periode 1951–2007, de inventarisnummers, genoemd in de bijlage bij dit besluit, beperkt openbaar tot 25 jaar na afsluiting dossier (zie voor de specifieke termijn per inventarisnummer de bijlage). Artikel 2 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032733&artikel=1&z=2013-01-09&g=2013-01-09), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage | Inventarisnummer | Openbaar per 1 januari | Inventarisnummer | Openbaar per 1 januari | | --- | --- | --- | --- | | 431 | 2013 | 486 | 2015 | | 432 | 2013 | 487 | 2015 | | 433 | 2013 | 488 | 2015 | | 434 | 2013 | 489 | 2015 | | 435 | 2013 | 490 | 2015 | | 436 | 2013 | 491 | 2015 | | 437 | 2013 | 492 | 2015 | | 438 | 2013 | 493 | 2015 | | 439 | 2013 | 494 | 2015 | | 440 | 2013 | 495 | 2015 | | 441 | 2013 | 496 | 2015 | | 442 | 201"},{"i":18579,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, beleidsterrein Volkshuisvesting 1945–1996 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 april 2005, nr. arc-2005.02131/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Volkshuisvesting over de periode 1945–1996](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘lijst van houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in de archieven van het ministerie van Binnenlandse Zaken en in de archieven van de onder dat ministerie ressorterende commissies en ambtenaren, vastgesteld januari/maart 1961 en gewijzigd juli/september 1967, voorzover het betreft het volkshuisvestingsbeleid’, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17897,"b":"Regeling van 13 november 2023, nr. 5009117 van de Minister voor Rechtsbescherming houdende de wijziging van de inkomens- en vermogensgrenzen, in de Wet op de rechtsbijstand en het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, eigen bijdragen en basisbedragen, bedoeld in het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, het Besluit vergoedingen rechtsbijstand en het Besluit toevoeging mediation, en vaststelling van het normbedrag en het bedrag van het voorschot voor advocaten als bedoeld in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op [artikel 34, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34), [artikel 3, tweede lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277&artikel=3), [artikel 4, vierde lid van het Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830&artikel=4), [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3), en [artikel 35, tweede en vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Besluit: Artikel 1 wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel 2 wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Artikel 3 wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Artikel 4 wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Artikel 5 wijzigt het Besluit toevoeging mediation. Artikel 6 wijzigt het Besluit toevoeging mediation. Artikel 7 1. Met ingang van 1 januari 2024 wordt het normbedrag als bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op € 960. 2. Met ingang van 1 januari 2024 wordt het voorschot als bedoeld in [artikel 35, vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op: ten hoogste 10% van € 59.100. Artikel 8 wijzigt het Besluit Ver"},{"i":17793,"b":"Wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers in verband met het beperken van de maximumduur van de uitkering (Wet aanpassing uitkeringsduur Appa) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de maximumduur van de uitkering aan politieke ambtsdragers te beperken tot de maximumduur van een WW-uitkering; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 18 september 2012. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpassing uitkeringsduur Appa. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18057,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 juli 2008, nr. DDI/ST/reg. 022/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Ambassade in Indonesië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1962–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade in Indonesië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1962–1974, openbaar met ingang 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum is het dossier onder dit inventarisnummer niet toegankelijk. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 62 | 2044 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief van de Nederlandse Ambassade in Indonesië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1962–1974’."},{"i":18211,"b":"Besluit van 12 februari 2021, kenmerk 2021000256, houdende vaststelling van een selectielijst Eerste Kamer der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945 Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 februari 2021, kenmerk NA/26551975, agentschap Nationaal Archief; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De ‘Selectielijst Eerste Kamer der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945’ met de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De met dit besluit vastgestelde selectielijst vervangt de volgende selectielijsten met betrekking tot de Eerste Kamer der Staten-Generaal, welke derhalve komen te vervallen: - •. Selectielijst Eerste Kamer der Staten-Generaal beleidsterrein Cultuurbeheer 1945–2002 (Staatscourant 2006, 77); - •. [Selectielijst Eerste Kamer der Staten-Generaal beleidsterrein Handelen van de Staten-Generaal 1945–2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019668) (Staatscourant 2006, 77). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18811,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 oktober 2023 nr. BOACAT2023/069, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Bureau Toetsing Investeringen Gelezen het verzoek van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Bureau Toetsing Investeringen van 10 oktober 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048821&artikel=2&z=2023-11-02&g=2023-11-02). Artikel 2 Het hoofd van en de ambtenaren werkzaam bij het Bureau Toetsing Investeringen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporing"},{"i":17270,"b":"Regeling beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2007 Gelet op de [artikelen 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=33) en [34 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34) en [Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3) en [Hoofdstuk 3 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&hoofdstuk=3); Gelezen de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 september 2006 (kenmerk Z/F-2717188); Heeft in zijn vergadering van 28 september 2006 besloten: Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen Artikel 1 Deze regeling verstaat onder: - a. college: Het College voor zorgverzekeringen; - b. risicoklasse naar leeftijd en geslacht: Een vijfjaarsklasse, verdeeld naar geslacht, overeenkomstig [tabel B4.1 van Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) en tabel[B5.1 van Bijlage 5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5); - c. aard van het inkomenklasse: Een klasse gebaseerd op de aard van het inkomen en de leeftijd van een verzekerde, overeenkomstig [tabel B4.4 van Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) en overeenkomstig [tabel B5.4 van Bijlage 5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5); - d. regioklasse: Een klasse gebaseerd op de postcode van het adres waar een verzekerde woonachtig is en op de verzekeringsgerechtigdheid van de verzekerde op grond van de [Ziekenfondswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460) op de datum 1 december 2005 overeenkomstig [tabel B4.5 van Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) en overeenkomstig [tabel B5.5 van Bijlage 5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5);"},{"i":17722,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek India inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Preamble The Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the Republic of India, hereafter referred to as the Contracting Parties, Considering the importance of accurate assessment of customs duties and of ensuring proper enforcement by their customs administrations of prohibitions, restrictions and measures of control in respect of specific goods; Considering that offences against customs law are prejudicial to the economic, commercial, fiscal, social, environmental, public health, public security and cultural interests of the Contracting Parties; Considering that illegal cross-border trafficking in weapons, explosives, chemical, biological and nuclear substances, endangered species, hazardous goods as well as in narcotic drugs, psychotropic substances and precursors constitutes a danger to society; Recognising the need for international co-operation in matters related to the application and enforcement of their customs laws; Convinced that action against customs offences can be made more effective by close co-operation between their customs administrations based on mutually agreed legal provisions; Having regard to relevant international conventions and recommendations of the World Customs Organization encouraging mutual administrative assistance between customs administrations and the relevant articles of the Trade Facilitation Agreement of the World Trade Organization; Having regard to the wide range of international conventions containing prohibitions, restrictions and special measures of control in respect of specific goods; Have agreed as follows: CHAPTER I. DEFINITIONS Article 1. Definitions For the purposes of this Agreement: - a). “customs administration” shall mean: - –. for the Kingdom of the Netherlands, the central administration responsible for the implementation of customs"},{"i":18333,"b":"Rijkswet van 26 september 1991, houdende het stellen van regelen betreffende de verstrekking van reisdocumenten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat in verband met het recht het land te verlaten, zoals neergelegd in voor het Koninkrijk geldende verdragen, in verband met [artikel 2, vierde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=2) en gelet op [artikel 3, eerste lid, onder **b**, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=3), bij rijkswet regelen dienen te worden gesteld met betrekking tot de aanspraken op paspoorten en andere reisdocumenten en de beperkingen van deze aanspraken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. aanvraag: het verzoek tot verstrekking van een reisdocument of tot wijziging van gegevens vermeld in een eerder verstrekt reisdocument; - b. aanvrager: degene die een aanvraag als bedoeld in onderdeel a indient of op wie een dergelijke aanvraag betrekking heeft; - c. weigering: de afwijzende beslissing op de aanvraag, die in behandeling is genomen; - d. verstrekking: de beslissing tot uitreiking van een nieuw reisdocument; - e. uitreiking: het feitelijk ter beschikking van de aanvrager stellen van het op zijn naam gesteld reisdocument; - f. houder: degene op wiens naam het reisdocument is gesteld en ten behoeve van wie het is uitgereikt; - g. wijziging: het in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet bepaalde aanbrengen van een of meer aantekeningen in een reisdocument, strekkende tot verandering dan wel aanvulling van daarin vermelde gege"},{"i":18220,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Geldzuivering over de periode 1942–1986 Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 augustus 2007, nr. aca-2007.03943/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Geldzuivering, over de periode 1942–1986](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18810,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 juni 2021 nr. BOACAT2021/025, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij BUHA B.V **Gelezen het verzoek van de directeur van BUHA B.V. van 20 april 2021** en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045327&artikel=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Senior Medewerker Handhaving A/Medewerker Handhaving C in dienst van BUHA B.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling"},{"i":17342,"b":"Regeling macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2024 Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van huisartsenzorg, indien de Minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2024 verkregen uit declaratie van de prestaties huisartsenzorg. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2023 ontvangt van de minister, met daarin voor 2024 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - **macro-omzetgrens:** de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - **prestat"},{"i":17659,"b":"Vaststelling gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds per 1 juli 1997 handelend in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op de artikelen 9, vierde lid, en 29, achtste lid, van de Algemene Ouderdomswet, artikel 2, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet, artikel 41a, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, artikel 55, derde lid, van de Algemene bijstandswet, artikel 10, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 10, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 6, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet, artikel 19a, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, artikel 36, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, artikel 32, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, [artikel 43, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=43) en [artikel 26, derde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=26); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van de [artikelen 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9), en [29, zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=29), [artikel 2, eerste lid, onderdelen b en d, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=2), artikel 41a, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, [artikel 37, eerste en tweede lid, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=37), [artikel 10, eerste lid, van de Wet"},{"i":19020,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 3 juli 2017, nr.2094030, houdende instelling van de Commissie modernisering opsporingsonderzoek in het digitale tijdperk (Instellingsbesluit Commissie modernisering opsporingsonderzoek in het digitale tijdperk) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Ministers:** de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming; - b. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039770&artikel=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01). Artikel 2 1. Er is een commissie modernisering opsporingsonderzoek in het digitale tijdperk. 2. De commissie heeft tot taak de Ministers te adviseren over de opdracht als gevoegd in de bijlage, inzake de modernisering van het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903). Artikel 3 1. De commissie bestaat uit de volgende leden: - a. dhr. prof. dr. E.J. Koops, voorzitter; - b. dhr. mr. R.J. Verbeek, secretaris; - c. dhr. mr. dr. B.W. Schermer; - d. mevr. mr. M.J. Grapperhaus; - e. dhr. mr. A. Kuijer; - f. mevr. mr. D. van der Ven-Laheij; - g. mevr. mr. A.M. van Hoorn; - h. dhr. mr. T. Dieben; - i. mevr. mr. E. van den Bosch; - j. dhr. mr. M. Goos; - k. mevr. mr. M. Viersma; - l. dhr. drs. M. van Barneveld; - m. dhr. mr. E. Gilissen; - n. dhr. mr. F.J.E. Krips; - o. dhr. mr. M. Zoetekouw; - p. dhr. mr. P.C. Verloop; - q. dhr. mr. E. Franken. 2. De benoeming van de leden geschiedt voor de duur van de commissie. 3. Bij tussentijds vertrek van een lid kunnen de Ministers een ander lid benoemen. Artikel 4 1. De commissie wordt ingesteld voor de periode van1 juni 2017 tot 1 mei 2018 2. De instellingsduur van de commissie kan eenmaal verlengd worden. 3. De commissie kan zich door andere personen doen bijstaan voor zover dat voor de vervulling van"},{"i":18155,"b":"Besluit van 14 november 1945, houdende machtiging tot het vestigen van schuldverplichtingen ten laste van het Rijk Op de voordracht van Onzen Minister van Financiën van 6 November 1945, Generale Thesaurie, Afdeeling Geldwezen, No. 130; Overwegende, dat het dringend gewenscht is de geblokkeerde tegoeden in rekening dienstbaar te maken aan de consolidatie van vlottende Staatsschuld; Den Raad van State gehoord (advies van 6 November 1945, No. 19); Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Financiën van 10 November 1945, Generale Thesaurie, Afdeeling Geldwezen, No. 39; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Machtiging. Bedrag 1. Onze Minister van Financiën is gemachtigd tot het vestigen van schuldverplichtingen ten laste van het Rijk, tot een gezamenlijk beloop van ten hoogste twee milliard gulden. 2. De vestiging der in het eerste lid bedoelde schuld kan geschieden, hetzij in eens tot het geheele beloop van het in het vorig lid genoemde bedrag, dan wel achtereenvolgens bij gedeelten van dat bedrag op de tijdstippen, welke Onze Minister van Financiën dienstig zal achten. Artikel 2. Uitvoeringsvoorschriften. Rekening. Schulddelging 1. De voorwaarden, waarop de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002016&artikel=1&z=1945-11-17&g=1945-11-17) bedoelde schuldverplichtingen zullen worden aangegaan, worden, met inachtneming van de voorschriften van dit besluit, door Onzen Minister van Financiën vastgesteld. 2. Van het aangaan der schuldverplichtingen wordt eene rekening afgelegd aan de Algemeene Rekenkamer, die dezelve na accoordbevinding goedkeurt. 3. Onverminderd het bepaalde in het volgend lid, zal de schuld, welke krachtens dit besluit wordt gevestigd, worden gedelgd in ten hoogste 50 jaren. 4. De bevoegdheid tot versterkte delging van de krachtens dit besluit gevestigde schuld en tot inkoop dier schuld beneden pari wordt voorbehouden. Artikel 3. Inschrijving in een Grootboek 1. De krachtens dit besluit gevestigde schuld wordt in een afzonderl"},{"i":18561,"b":"Vaststelling selectielijst OCW en Defensie Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, nr. arc-2002.4316/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Defensie en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De categorieën 7 van het hoofdstuk Algemeen, 1–4 van hoofdstuk 1410, 9–10 van hoofdstuk 4300 en 11, 12, 14–19, 22 en 24 van hoofdstuk 6400/7400/8400 van de ‘lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van het Ministerie van Defensie’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Defensie en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, nrs. OKN/MA 154.391 d.d. 30-12-1969 en EAO 250.880 d.d. 30-12-1969 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 1970/10, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Minister van Defensie en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, nr. R&B/OSA/2002/1164 d.d. 17-5-02 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 2002/222)) worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de [daarbij behorende selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19118,"b":"Richtlijn voor strafvordering belaging Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op enkele vormen van belaging. Bij deze richtlijn geldt een verzwaarde recidiveregeling. Voor stalking in een huiselijk geweld situatie (bijvoorbeeld door de ex-partner) geldt de [richtlijn voor strafvordering huiselijk geweld](onbekend). In beginsel wordt gedagvaard en een voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd zodat voorwaarden kunnen worden gesteld. Basiscasus/delict 1 **Mogelijkheden Elektronisch Toezicht (ET)** Bij recidive betreft het meestal hetzelfde slachtoffer, dan moet meteen enkele maanden gevangenisstraf worden gevraagd waarvan eventueel een deel voorwaardelijk. Bij akelige en gevaarlijke stalkers kan het interessant zijn zelf contact op te nemen met reclassering en na te gaan of er elektronisch toezicht (straatverbod) mogelijk is tijdens een proeftijd. In zeer ernstige gevallen kan dan via ET worden geregistreerd dat veroordeelde zich in verboden gebied bevindt en wordt alarm geslagen. Legenda TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf vw = voorwaardelijk"},{"i":17581,"b":"Subsidieregeling kosteloze rechtsbijstand procedures rondom uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging minderjarigen voor gedupeerde ouders herstelregelingen kinderopvangtoeslag gelet op [artikel 37b van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b), waarin is bepaald dat het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand subsidie kan verstrekken ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand voor bijzondere doeleinden en projecten, besluit: de volgende subsidieregeling vast te stellen. Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze subsidieregeling wordt verstaan onder: - a. **advocaat:** de advocaat die op basis van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050468&hoofdstuk=IV&artikel=5&z=2024-11-28&g=2024-11-28) van deze regeling is toegelaten tot deze subsidieregeling; - b. **bestuur:** het bestuur van de raad, als bedoeld in [artikel 3 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - c. **Bvr:** [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) - d. **raad:** de raad voor rechtsbijstand, als bedoeld in [artikel 2 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - e. **rechtsbijstand:** rechtskundige bijstand door een advocaat aan een rechtzoekende ter zake een procedures met betrekking tot uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging; - f. **rechtzoekende:** de ouder als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.1) die aanspraak heeft gemaakt op een tegemoetkoming of compensatie in het kader van de herstelregelingen kinderopvangtoeslag bij Belastingdienst/Toeslagen en als zodanig als gedupeerde is aangemerkt en van wie een of meer minderjarige kinderen uit huis zijn geplaatst of waarvan het gezag over een of meer minderjarige kinderen is beëindigd, dan wel dat een strekkend verzoek tot uithuisplaatsing of gezagsbeëindiging is gedaan; - g. **regeling:** Subsidie"},{"i":19203,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 26 oktober 2015, nr. MinBuZa.2015.590419, houdende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Burundi (Sanctieregeling Burundi 2015) Gelet op [Verordening 2015/1755](33655R2015) van de Raad van de Europese Unie van 1 oktober 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi (Pb L 257); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 van [Verordening 2015/1755](33655R2015) van de Raad van de Europese Unie van 1 oktober 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi (Pb L 257). 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in gevallen waarin artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste lid, artikel 4 bis, eerste, tweede of derde lid, artikel 5, eerste lid, of artikel 6 van [Verordening 2015/1755](33655R2015) van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, artikel 4, artikel 4 bis, tweede en derde lid, artikel 5, artikel 6, en artikel 7, eerste lid, van [Verordening 2015/1755](33655R2015) is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard. 2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, artikel 4, artikel 4 bis, tweede en derde lid, artikel 5 en artikel 7, eerste lid, van [Verordening 2015/1755](33655R2015) is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen of informatie anders dan van financiële aard. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Sanctieregeling Burundi 2015. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de da"},{"i":18784,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, namens deze de divisiedirecteur Gevangeniswezen en Vreemdelingenbewaring van de Dienst Justitiële Inrichtingen, d.d. 10 september 2019, kenmerk GW/SB 0909192, houdende beperking van de openbaarheid van het naar het Nationaal Archief over te brengen archief van de penitentiaire inrichting Rijkswerkinrichting Veenhuizen / Esserheem uit de periode 1940–1956, nummer toegang 5125.004 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 9 september 2019, met kenmerk 16557300 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Rijkswerkinrichting Veenhuizen / Esserheem uit de periode 1940–1956 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Rijkswerkinrichting Esserheem / Veenhuizen: | Def. nr. | Beperkt tot | | --- | --- | | 760 | 2024 | | 761 | 2021 | | 762 | 2032 | | 763 | 2023 | | 764 | 2026 | | 765 | 2032 | | 766 | 2028 | | 767 | 2028 | | 768 | 2024 | | 769 | 2024 | | 770 | 2024 | | 771 | 2024 | | 772 | 2025 | | 773 | 2024 | | 774 | 2024 | | 775 | 2024 | | 776 | 2024 | | 777 | 2024 | | 778 | 2024 | | 779 | 2024 | | 780 | 2026 | | 781 | 2024 | | 782 | 2024 | | 783 | 2024 | | 784 | 2023 | | 785 | 2024 | | 786 | 2024 | | 787 | 2024 | | 788 | 2024 | | 789 | 2025 | | 790 | 2024 | | 791 | 2024 | | 792 | 2024 | | 793 | 2025 | | 794 | 2025 | | 795 | 2025 | | 796 | 2024 | | 797 | 2024 | | 798 | 2024 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042555&artikel=1&z=2019-09-19&g=2019-09-19), is,"},{"i":17801,"b":"Wet van 21 december 2000 tot wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten ter verkorting van beslistermijnen bij beschikkingen op aanvraag (Wet beslistermijnen sociale verzekeringen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de termijn waarbinnen een uitvoeringsorgaan een beschikking op aanvraag op grond van socialeverzekeringswetten dient te geven op eenduidige wijze in de diverse wetten vast te leggen en waar mogelijk in vergelijking met de huidige situatie te verkorten en in verband daarmee een aantal wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IV. [Coördinatiewet Sociale Verzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002126) Wijzigt de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Artikel V. [Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004046) Wijzigt de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid. Artikel VI. Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 Wijzigt de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997. Artikel VII. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VIII. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel IX. [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel X. Wijziging ["},{"i":19351,"b":"Wet van 25 november 2015 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en Wetboek van Strafvordering in verband met het laten vervallen van de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, het verlengen van de proeftijden van de voorwaardelijke invrijheidsstelling en de invoering van een langdurige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel voor ter beschikking gestelden en zeden- en geweldsdelinquenten (langdurig toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bepalingen op te nemen in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) voor langdurig toezicht, het verlengen van de proeftijden van de voorwaardelijke invrijheidsstelling en de invoering van een langdurige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel voor personen aan wie een ter beschikkingstelling is opgelegd of voor veroordeelden tot een gevangenisstraf wegens een zeden- of een geweldsdelict; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel IV [Artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037362&artikel=I&z=2018-01-01&g=2018-01-01), van deze wet heeft geen gevolgen voor ter beschikking gestelden van wie de verpleging van overheidswege op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, reeds voorwaardelijk is beëindigd. Artikel V De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal"},{"i":19253,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 15 november 2022, nummer 4266516, houdende de tijdelijke aanwijzing van de (overige) zittingsplaatsen van een rechtbank als (overige) zittingsplaatsen van een andere rechtbank als bedoeld in artikel 46a van de Wet op de rechterlijke organisatie, ten behoeve van strafzaken in eerste aanleg (Tijdelijke aanwijzing rechtbank Zeeland-West-Brabant voor meervoudige strafzaken van de rechtbank Rotterdam) Gelet op [artikel 46a van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=46a); Gehoord de Raad voor de rechtspraak; Gehoord het College van procureurs-generaal; BESLUIT Artikel 1 Voor de behandeling van meervoudige strafzaken die aanhangig zijn gemaakt bij de rechtbank Rotterdam, wordt de rechtbank Zeeland-West-Brabant aangewezen als rechtbank waarvan de zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen tijdelijk mede worden aangemerkt als zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen van de rechtbank Rotterdam, als bedoeld in [artikel 46a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=46a). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2023 en vervalt op 1 januari 2027. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke aanwijzing rechtbank Zeeland-West-Brabant voor meervoudige strafzaken van de rechtbank Rotterdam. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19211,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 mei 2010, nr. DJZ/BR/0299-10, betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Guinee (Sanctieregeling Guinee 2010) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Economische Zaken; Gelet op Verordening (EU) nr. 1284/2009 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2009 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen ten aanzien van de Republiek Guinee (Pb EG L 346); Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt 2009/788/GBVB1Laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2009/1003/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2009 houdende wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2009/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Republiek Guinee (Pb EG L 346).van de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2009 betreffende beperkende maatregelen tegen de Republiek Guinee (Pb EG L 281); Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 6 en artikel 12, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1284/2009 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2009 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen ten aanzien van de Republiek Guinee (Pb EG L 346). 2. Een verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien artikel 8 bis, eerste, tweede of derde lid, 9 of 10 van [Verordening (EU) nr. 1284/2009](32009R1284) van toepassing is. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 8, eerste lid, artikel 8 bis, tweede en derde lid, en artikel 9, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 1284/2009](32009R1284) is, wat betreft de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden, bedoeld in voornoemde artikelen, de minister van Financiën. 2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 8, eerste lid, artikel 8 bis, tweede en derde lid, en"},{"i":19697,"b":"Wet van 25 oktober 2017 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de definitieve invoering van begeleid rijden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de proef met het rijden onder begeleiding om te zetten in een definitieve regeling; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II 1. Onze minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 2. Onverminderd [artikel 128 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=128) verstrekt de Dienst Wegverkeer inlichtingen aan Onze Minister en aan de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid ten behoeve van het in het eerste lid bedoelde onderzoek naar de doeltreffendheid en de effecten. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Wijzigt de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (verbeteren aanpak rijden onder invloed van drugs). Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI Wijzigt de Wijzigingswet Wetboek van Strafvordering (introductie bevoegdheid tot het bevelen van een middelenonderzoek bij geweldplegers, enz.)(Stb. 2016, 353). Artikel VII Na de inwerkingtreding van deze wet berust de [Regeling vaststelling modellen rijbewijzen en daarmee verband houdende formulieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008038) mede op [artikel 111a, zevende lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111a). Artikel VIII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenare"},{"i":18498,"b":"Rijkswet van 17 maart 1994, houdende goedkeuring en uitvoering van de op 20 november 1992 te Washington tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake wederzijdse samenwerking bij de opsporing, inbeslagneming en confiscatie van de opbrengsten van en hulpmiddelen voor misdrijven en de verdeling van geconfisqueerde voorwerpen (Trb. 1993, 5) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de op 20 november 1992 te Washington tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake wederzijdse samenwerking bij de opsporing, inbeslagneming en confiscatie van de opbrengsten van en hulpmiddelen voor misdrijven en de verdeling van geconfisqueerde voorwerpen ingevolge [artikel 91 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden en dat het wenselijk is ter uitvoering van die Overeenkomst enkele voorzieningen bij rijkswet te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De op 20 november 1992 te Washington tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake wederzijdse samenwerking bij de opsporing, inbeslagneming en confiscatie van de opbrengsten van en hulpmiddelen voor misdrijven en de verdeling van geconfisqueerde voorwerpen (**Trb.** 1993, 5), wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 Verzoeken afkomstig van de bevoegde autoriteit van de Verenigde Staten van Amerika, bedoeld in artikel 4 van de Overeenkomst, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":4,"b":"Aanvulling selectielijst arbeidsomstandigheden 1994-1998 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 december 1999, nr. arc-99.1301/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde aanvulling voor de periode 1994-1998 op de `selectielijst voor de neerslag van de Handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het beleidsterrein arbeidsomstandigheden (vanaf 1940)' (vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nrs. 96.755.RWS/EIB en DAZ/DA/96/3465 d.d. 4 december 1996 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 22 d.d. 31 januari 1997)) wordt vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Aanvulling selectielijst arbeidsomstandigheden periode 1994-1998 I. Actor: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid/de directeuren van de directie Arbeidsomstandigheden en het Centraal Kantoor van de Arbeidsinspectie I.1. Algemeen 966 Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen inzake de arbeidsomstandigheden. Product: brieven aan burgers e.d. Periode: (1940) 1945- Grondslag: Grondwet 1887 (Stb. 1887, 212) artikel 8, Grondwet 1983 (Stb. 1983, 22) artikel 5 Waardering: V Termijn: 2 jaar Opmerking: Onder deze handeling valt niet de behandeling van klachten. Zie hiervoor handeling 967. 967 Handeling: Het behandelen van klachten van individuele burgers, bedrijven en instellingen inzake de arbeidsomstandigheden. Product: `uitspraken' Periode: 1940- Bron: - Waardering: B (5) 968 Handeling: Het voorbereiden en begeleiden van wetenschappelijke onderzoeken van externe onderzoeksinstituten op het terrein van arbeidsomstandighedenaangelegenheden. Product: onderzoeksrapportages"},{"i":18373,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 22 september 2025, houdende regels over het financieel beheer van het Rijk (Regeling financieel beheer van het Rijk 2026) Gelet op de [artikelen 2.14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.14), en [4.20, eerste lid, aanhef en onder d tot en met f, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20) en de [artikelen 35a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=35a), en [104a, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=104a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **administratieve organisatie:** het geheel van organisatorische maatregelen en procedures binnen een ministerie of een college gericht op: - a. de beheersing van de processen, die direct of indirect betrekking hebben op een goede werking van het financieel beheer en de financiële administratie; - b. de informatievoorziening over die processen; - c. de verantwoording die over de beheersing moet worden afgelegd; - **betaaldienst:** de dienst, bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); - **betaaldienstverleners:** de dienstverleners, bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); - **buiteninvorderingstelling:** een door de Staat genomen beslissing om een vordering op een derde niet in te vorderen; - **derde:** een wederpartij die niet tot de Staat der Nederlanden behoort (hierna: de Staat); - **directeur FEZ:** de persoon die belast is met de dagelijkse leiding van de directie Financieel-Economische Zaken; - **financiële administratie:** het systematisch verzamelen, vastleggen en verwerken van financiële gegevens om het functioneren en beheersen van een organisatie te ondersteu"},{"i":96,"b":"Beleidsregel UWV Opschorting betaling bij vertrek naar onbekende bestemming Gelet op de [artikelen 30a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=30a), [42 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=42), [52 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=52), [69a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=69a), [55b van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=55b), [2:55a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:55a) en [3:47a van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:47a), [15c van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=15c), [3:14a van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:14a) en [33a van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=33a); Besluit: Artikel 1. Definities 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. **uitkering:** een uitkering ingevolge de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), de [Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":206,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Raad voor Werk en Inkomen (bedrijfsvoeringstaken periode vanaf 2002) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 12 april 2011, nr. bca-2011.06125/4; Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de archiefbescheiden voortkomend uit de bedrijfsvoeringstaken van de Raad voor Werk en Inkomen over de periode vanaf 2002’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.archief.nl De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":6224,"b":"Wet van 19 mei 2021 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het wijzigen van de rechterlijke procedure voor de beoordeling van de rechtmatige binnentreding van een woning of lokaal met als doel het verwijderen van personen alsmede voorwerpen die daar worden aangetroffen (Wet handhaving kraakverbod) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) te wijzigen teneinde de rechterlijke procedure te wijzigen voor de beoordeling van de rechtmatige binnentreding van een woning of lokaal met als doel het verwijderen door een opsporingsambtenaar van alle personen die daar wederrechtelijk op een plaats vertoeven alsmede alle voorwerpen die daar te plaatse worden aangetroffen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Onze Minister van Justitie en Veiligheid zendt in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet handhaving kraakverbod. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":547,"b":"Wet van 1 december 2011 tot wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten (Verzamelwet pensioenen 2012) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige wijzigingen in de wetgeving op het terrein van de pensioenen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) Wijzigt de Pensioenwet. Artikel II. [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel III. [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388) Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel IIIa. Overgangsrecht Vervallen Artikel IV. Inwerkingtreding De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Verzamelwet pensioenen 2012. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":623,"b":"Wet van 20 december 2012 tot wijziging van verschillende wetten in verband met de vereenvoudiging van de uitvoering van deze wetten door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Wet vereenvoudiging regelingen UWV) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een aantal socialezekerheidswetten te vereenvoudigen om zo de kosten gemoeid met de uitvoering te verlagen en tegelijkertijd de transparantie, de doelmatigheid en de eigen verantwoordelijkheid voor de burger te vergroten; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel II. Wijziging van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel III. Wijziging van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel IV. Wijziging van de [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel VI. Wijziging van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VII. Wijziging van de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel VIII. Wijzing van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) in verband met de [Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032089) Wijzigt de Ziektewet. Artikel VIIIa. Wijziging van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) in v"},{"i":1033,"b":"Wet van 16 december 2010 tot vaststelling van de Wet Douane- en Accijnswet BES (Douane- en Accijnswet BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen zodat voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt voorzien in een belastingstelsel op het terrein van de accijnzen en het douanerecht en wordt voorzien in een regeling betreffende handels- en dienstenentrepots op het moment dat in het kader van de staatkundige vernieuwing van het Koninkrijk der Nederlanden deze eilanden als openbaar lichaam onderdeel gaan uitmaken van het land Nederland; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00:00 uur in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05:00 uur in het Europese deel van Nederland. Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1.1 In deze wet en de daarop gebaseerde bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: - a. **aangever:** persoon die op eigen naam een aangifte doet of de persoon in wiens naam een aangifte wordt gedaan; - b. **aangifte:** de handeling waarbij een persoon, in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt aan goederen een bepaalde douanebestemming te willen geven; - c. **carnet ATA:** het bij het ATA-Verdrag (Trb. 1963, 128) vastgestelde internationale document dat wordt gebruikt ten behoeve van de tijdelijke in- en uitvoer van goederen; - d. **besloten terreinen:** terreinen die door gebouwen dan wel door muren, schuttingen of dergelijke afsluitingen van de openbare weg zijn afgescheiden; - e. **brief:** postzending in de betekenis die daaraan in het Algemeen Postverdrag (Trb. 1981, 75) wordt gegeven; - f. **ambtenaren:** degenen die namens de inspecteur een taak uitoefenen; - g. **document:** aangifte ten aanzien waarvan de inspecteur na re"},{"i":962,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 30 november 2004, houdende de vaststelling van de percentages van de heffingen groenten en fruit voor het jaar 2005 (Besluit PT heffing groenten en fruit 2005) gelet op [artikel 3, derde en vierde lid, van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016968&artikel=3); gelet op [artikel 3, vijfde lid, van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016961&artikel=3); gelet op [artikel 3, vijfde lid, van de Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016965&artikel=3); gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Verordening PT heffing verduurzaamde groenten en fruit 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016966&artikel=4); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 18 november 2004; BESLUIT: Artikel 1 1. Voor de in [artikel 3, tweede lid van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016968&artikel=3) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2005 als volgt vastgesteld: | a | glasgroenten: | 0,510% | | --- | --- | --- | | b | vollegrondsgroenten: | 0,160% 0,160% | | c | fruit: | 0,160% | | d | champignons: | 0,175% 0,055% | | e | uitgangsmateriaal: | 0,080% | 2. Het in [artikel 3, vierde lid van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016968&artikel=3) (de korting kwaliteitscontrole ingeval van contractteelt) genoemde percentage, wordt voor het jaar 2005 vastgesteld op: 0,090%. Artikel 2 1. Het in [artikel 3, derde lid van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016961&artikel=3) (de handel in groenten en fruit) genoemde percentage, wordt voor het jaar 2005 vastgesteld op: 0,055%. 2. Het bedrag, genoemd in [artikel 3, vierde lid van de Verord"},{"i":1092,"b":"Inkomstenbelasting, eigenwoningrente; tweede schuld voor aflossingen eigenwoningschuld De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit beschrijft in welke gevallen de Belastingdienst het standpunt zal innemen dat sprake is van een afzonderlijke schuld ondanks dat er een bepaalde samenhang is met een andere schuld.** 1. Inleiding Om een schuld aan te merken als een eigenwoningschuld moet worden voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in [artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.119a). Daar is onder meer bepaald dat een schuld alleen als eigenwoningschuld wordt aangemerkt als er een contractuele verplichting is tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen van de schuld. Ook moet daadwerkelijk aan deze aflossingsverplichting worden voldaan. De Minister voor Wonen en Rijksdienst is in zijn brief van 13 februari 20131Kamerstukken II 2012/13, 32 847, nr. 42. ingegaan op de situatie waarin naast de schuld die in verband met een eigen woning is aangegaan (hierna: de eerste schuld) een tweede schuld wordt aangegaan waaruit een deel van de aflossingen op de eerste schuld worden voldaan. De eerste schuld kwalificeert in beginsel als eigenwoningschuld en de tweede schuld wordt in aanmerking genomen in box 3. Ingeval er echter een zodanige samenhang is tussen beide schulden dat deze schulden gezamenlijk feitelijk als één schuld moeten worden aangemerkt, is niet voldaan aan de aflossingseis omdat de belastingplichtige steeds te weinig aflost. Van een zodanige samenhang is bijvoorbeeld sprake indien, vanwege de samenhang met de tweede schuld, de rente op de eerste schuld hoger is dan deze zou zijn indien geen tweede schuld zou zijn aangegaan. Hoewel nog steeds over het geheel een marktconforme rente kan worden berekend, wordt in dat geval verondersteld dat het maximaliseren van het fiscale voordeel voorop stond. In dat geval k"},{"i":1076,"b":"Besluit van 10 februari 2023 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit accijns en enige andere besluiten in verband met implementatie van de horizontale accijnsrichtlijn (EU) 2020/262 en de richtlijn alcoholaccijns (EU) 2020/1151 (Implementatiebesluit richtlijnen accijns 2023) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 23 december 2022, nr. 2022-0000311307; Gelet op [Richtlijn (EU) 2020/262](32020L0262) van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (PbEU 2020, L 58), [Richtlijn (EU) 2020/1151](32020L1151) van de Raad van 29 juli 2020 tot wijziging van [Richtlijn 92/83/EEG](31992L0083) betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (PbEU 2020, L 256) en de [artikelen 1a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=1a), [2, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=2), [2a, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=2a), [2e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=2e), [5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=5), [41, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=41), [42a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=42a), [50d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=50d), [50f, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=50f), [50h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=50h), [50i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=50i), [50j, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=50j), [50k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=50k), [56, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=56), [64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=64), [64a, eerste lid](https://we"},{"i":1154,"b":"Invordering, tijdelijk uitstelbeleid in verband met een verzoek om BTW-teruggaaf uit een andere EU-lidstaat De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Het komt voor dat Nederlandse ondernemers problemen ondervinden bij het terugvragen van BTW die in andere EU-lidstaten is betaald. Dat komt door – niet aan hen te wijten – uitvoeringsproblemen bij lidstaten. Tijdelijke mogelijkheid van uitstel van betaling voor Nederlandse ondernemers als de teruggaaf van in een andere lidstaat betaalde BTW vertraging ondervindt.** 1. Procedure voor teruggaaf van BTW die een Nederlandse ondernemer in een andere lidstaat heeft betaald Nederlandse ondernemers die in aanmerking komen voor een teruggaaf van BTW die in een andere EU-lidstaat is betaald, moeten daarvoor een verzoek indienen bij de Nederlandse Belastingdienst (hierna: de Belastingdienst). Dat geldt vanaf 1 januari 2010 ([Richtlijn 2008/9/EG](32008L0009)). De teruggaafprocedure staat in [artikel 33 en volgende van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=33) en werkt als volgt. De Nederlandse ondernemer dient een verzoek in via een speciale internetsite van de Belastingdienst. De Belastingdienst beoordeelt het verzoek op volledigheid. Daarna stuurt de Belastingdienst het naar de lidstaat waar de BTW is betaald. Die lidstaat neemt het verzoek in behandeling. Een lidstaat moet zijn beslissing om het teruggaafverzoek toe te kennen of af te wijzen, mededelen binnen vier maanden na de technisch correcte ontvangst van een verzoek. Als het stellen van nadere vragen nodig is, kan de termijn van vier maanden worden verlengd. Indien een lidstaat de teruggaaf toekent, betaalt die lidstaat het terug te betalen bedrag rechtstreeks uit aan de Nederlandse ondernemer. 2. Problemen met de teruggaafprocedure In de lidstaten verloopt de uitvoering van de bovengenoemde teruggaafprocedure nog niet vlekkeloos. Daardoor kunnen de bedoelde teruggaven niet altijd binnen een redeli"},{"i":768,"b":"Belarussische voorschriften tot uitvoering van het op 26 maart 1996 tussen Nederland en Belarus gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Belarussische belasting op voordelen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer, dividenden, interest, royalty’s, licentierechten en overige inkomsten genoten door inwoners van Nederland Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan het op 26 maart 1996 tussen Nederland en Belarus gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het Protocol bij dat Verdrag (Trb. 1996, 119), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van het Verdrag en onderdelen van het Protocol: - a. algehele vrijstelling van de Belarussische belasting op voordelen ontvangen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer, afkomstig uit Belarus en genoten door een onderneming die inwoner is van Nederland en haar werkelijke leiding in Nederland heeft (artikel 8, eerste lid); - b. vermindering tot 15 percent van de Belarussische belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Belarus is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b); - c. vermindering tot 5 percent van de Belarussische belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Belarus is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde daarvan is en het onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het Belarussische lichaam dat"},{"i":1034,"b":"Regeling inzake vermindering of vrijstelling van Duitse bronbelasting op dividenden, interest uit converteerbare obligaties en winstdelende obligaties, royalty's en soortgelijke vergoedingen, genoten door inwoners van Nederland Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 16 juni 1959 tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied (Trb. 1959, 85), en het Slotprotocol bij die Overeenkomst, kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst en het Slotprotocol: - a. Vermindering tot 15 percent van de Duitse bronbelasting op dividenden, verkregen uit de Bondsrepubliek Duitsland (artikel 13, derde lid). Deze vermindering geldt ook ter zake van de Duitse bronbelasting op dividenden, betaald door een Duitse vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld aan een Nederlandse vennootschap aan welke minder dan 25% van de stemgerechtigde aandelen van de eerstgenoemde vennootschap behoort. Behoort wel ten minste 25% van de stemgerechtigde aandelen van een Duitse vennootschap toe aan een Nederlandse vennootschap, dan vindt eveneens vermindering van Duitse bronbelasting plaats tot 15%, zolang in de Bondsrepubliek Duitsland het tarief van de vennootschapsbelasting voor uitgedeelde winsten minimaal 10 en maximaal 19% lager is dan dat voor niet-uitgedeelde winsten (artikel 13, derde lid, juncto artikel 13, vierde lid en Slotprotocol Ad artikel 13, punt 18a) Als dividend worden mede beschouwd interest uit converteerbare obligaties en winstdelende obligaties (artikel 14, derde lid, laat"},{"i":773,"b":"Wet van 18 december 2003, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IX Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel X Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel XI Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel XII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XIII [Artikel 84a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84a) vindt geen toepassing op de in [artikel XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016206&artikel=XII&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bedoelde verhoging van de accijns. Artikel XIV 1. De accijns voor sigaretten wordt met ingang van 1 februari 2004 zodanig verhoogd dat de totale accijns voor de meest gevraagde prijsklasse sigaretten € 18,40 per 1000 stuks hoger zal liggen dan het accijnsbedrag voor deze prijsklasse op 31 januari 2004. Indien met ingang van 1 februari 2004 het aldus berekende accijnsbedrag lager is dan het bedrag dat overeenkomt met 57 percent van de kleinhandelsprijs van de meest gevraagde prijsklasse sigaretten, berekend per 1000 stuks, geldt het laatstbedoelde bedrag. 2. De accijns van rooktabak wordt met ingang van 1 februari 2004 zodanig verhoogd dat de totale accijns voor de meest gevraagde prijsklasse rooktabak € 9,20 per kilogram hoger zal liggen dan het accijnsbedrag voor deze prijsklasse op 31 januari 2004. 3. Bij ministeriële regeling worden met ingang van 1 februari 2004 de tarieven van de accijns, bedoeld in [artikel 35, eerste lid"},{"i":1075,"b":"Besluit van 14 februari 2024, houdende regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2021/2101 van het Europees Parlement en van de Raad van 24 november 2021 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren (PbEU 2021, L 429) (Implementatiebesluit Richtlijn openbaarmaking winstbelasting) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 8 november 2023, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4942864, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën (Fiscaliteit en Belastingdienst); Gelet op [artikel 391a, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=391a) en [artikel 19a van de Handelsregisterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=19a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 december 2023, nr. W16.23.00349/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 9 februari 2024, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5166148, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën (Fiscaliteit en Belastingdienst); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **bijkantoor:** duurzaam in een andere staat dan de staat van de zetel aanwezig onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid van een rechtspersoon of vennootschap die niet valt onder het recht van een lidstaat van de Europese Unie of onder het recht van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en die een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid; - **fiscale jurisdictie:** jurisdictie van een staat of van een niet-staat, met fiscale autonomie wat de vennootschapsbelasting betreft; - **op zichzelf staande vennootschap:** naamloze vennootschap of besloten vennootschap m"},{"i":1089,"b":"Inkomstenbelasting. Eigenwoningregeling; bijleenregeling Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden 1. Inleiding 1. Inleiding 3. Een tegenprestatie ontbreekt De volgende onderdelen zijn vervallen, omdat deze onderdelen een voorlichtend karakter hebben en geen beleid bevatten: 3.1. Tegenprestatie bij verkoop onder voorwaarden 3.2. Sloop, brand en her- of nieuwbouw van een eigen woning 3.3. Aardbevingsschade Groningen De volgende onderdelen zijn vervallen, omdat deze onderdelen door tijdsverloop hun belang hebben verloren: Daarnaast zijn enkele verwijzingen aangepast naar aanleiding van de gewijzigde wetgeving vanaf 1 januari 2013. Verder zijn redactionele wijzigingen doorgevoerd. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging van bestaand beleid beoogd. Voor deze goedkeuring geldt de voorwaarde dat de maximale eigenwoningschuld van de nieuwe eigen woning wordt bepaald door de volgende onderdelen: Als de belastingplichtige vóór de verkoop van de oude eigen woning aan de gemeente al een eigenwoningreserve heeft door de vervreemding van een andere eigen woning, moet de maximale eigenwoningschuld van de nieuwe eigen woning daarmee nog wel worden verminderd. Dit geldt ook voor een eigenwoningreserve van zijn partner, bij toepassing van de partnerregeling ([artikel 3.119a, vierde lid, Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.119a)). 4. Ontbinding koopovereenkomst door (potentiële) koper 5. Ingetrokken regelingen 2.1. (Fictieve) verwerving en vervreemding van een eigen woning **De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat het beleid over de toepassing van artikel 3.119a en 3.119aa Wet IB 2001 met betrekking tot de bijleenregeling. Dit besluit is een actualisering van het besluit van 26 augustus 2010, nr. DGB2010/3057M (** **Stcrt. 2010, 13576** **), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 6 december 2021, nr. 2021-25187 (** **Stcrt. 2021, 48336** **). Een aantal onderdelen zijn ve"},{"i":1152,"b":"Wet van 19 december 1991, houdende inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan de Wet op de accijns Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de inwerkingtreding van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) te regelen, de wetten inzake de heffing van de accijnzen in te trekken en voorts de wetten waarin naar laatstbedoelde wetten wordt verwezen alsmede de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen en de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) aan te passen aan de bepalingen van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII De navolgende wetten worden ingetrokken: - 1°. De [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) van alcoholhoudende stoffen (**Stb.** 1963, 240); - 2°. De [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) van bier (**Stb.** 1963, 241); - 3°. De [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) van suiker (**Stb.** 1964, 206); - 4°. De [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) van minerale oliën (**Stb.** 1964, 207); - 5°. De"},{"i":1026,"b":"Directe belastingen, internationale inlichtingenuitwisseling; Italië De Staatssecretaris van Financiën maakt het volgende bekend. **Dit besluit bevat een bekendmaking van het in augustus 2014 tussen de Directeur-generaal Financiën van de Republiek Italië en de Plaatsvervangend Directeur-generaal Belastingdienst van Nederland gesloten Memorandum van Overeenstemming inzake wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van belastingen. Het Memorandum heeft met name betrekking op de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen. Het gaat daarbij om de volgende categorieën inlichtingen: onroerende zaken, winst uit ondernemingen, dividenden, royalty’s, inkomsten uit zelfstandige arbeid, salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen, directeursbeloningen, inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars, pensioenen en andere soortgelijke beloningen, alsmede overige inkomsten. Daarnaast bevat het Memorandum bepalingen over inlichtingenuitwisseling op verzoek en spontaan en over de aanwezigheid van belastingambtenaren op elkaars grondgebied. De eerste uitwisseling heeft betrekking op het jaar 2011.** Memorandum van overeenstemming tussen het directoraat-genraal belastingdienst van nederland en het directoraat financiën van de republiek italië inzake wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van belastingen Het Directoraat-generaal Belastingdienst van Nederland en het Directoraat Financiën van de Republiek Italië (hierna te noemen: ‘de Deelnemers’), Met inachtneming van, De bepalingen van de Richtlijn van de Raad nr. 2011/16/EU van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (hierna te noemen: de ‘Richtlijn’), en Artikel 27 van het Verdrag tussen de Italiaanse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van 8 mei 1990 (hierna te noemen: het ‘Verdrag’), e"},{"i":822,"b":"Belgische uitvoeringsvoorschriften belastingovereenkomst Nederland-België Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Regeling inzake vermindering of vrijstelling van Belgische belasting op dividenden, interest en royalty's genoten door inwoners van Nederland. Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 19 oktober 1970 tussen Nederland en België gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing (Trb. 1970, 192 en Trb. 1971, 174) kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. vermindering tot 15% van de Belgische roerende voorheffing op dividenden, betaald door een vennootschap die inwoner van België is ( artikel 10, par. 2, 2°); - b. verdere vermindering tot 5% van de Belgische roerende voorheffing op dividenden, indien de genieter van de dividenden een Nederlandse vennootschap op aandelen is die onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van de Belgische vennootschap die de dividenden betaalt en de dividenden in Nederland niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen ( artikel 10, par. 2, 1°, en onderdeel IV van het Protocol); - c. algehele vrijstelling van de Belgische roerende voorheffing op interest, afkomstig uit België betaald aan een door een inwoner van Nederland gedreven onderneming, met uitzondering van: - interest van obligaties en andere in effecten belichaamde leningen, daaronder niet begrepen handelspapier dat handelsschuldvorderingen vertegenwoordigt; - interest betaald door een vennootschap op aandelen of een personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die inwoner van België is, aan een zodanige vennootschap die inwoner van Nederland is, indien een van"},{"i":1030,"b":"Directe belastingen, Internationale inlichtingenuitwisseling; Spanje De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Dit besluit bevat een bekendmaking van het in maart 2017 tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en Spanje gesloten Memorandum van Overeenstemming inzake wederzijdse bijstand in belastingzaken. Het Memorandum vervangt het [Memorandum van Overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en Spanje inzake de stroomlijning en intensivering van wederzijdse bijstand in belastingzake](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020197)n van 11 april 2006 (Staatscourant 2006, 167), dat met het nieuwe Memorandum wordt ingetrokken. Het Memorandum geeft categorieën weer voor de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen, zoals over onroerende zaken, dividenden, royalty’s, inkomsten uit zelfstandige arbeid, salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen, directeursbeloningen, inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars, pensioenen en andere soortgelijke beloningen, alsmede overige inkomsten. Verder bevat het Memorandum bepalingen over gelijktijdige belastingcontroles en de aanwezigheid van belastingambtenaren op elkaars grondgebied. Het Memorandum is op 10 maart 2017 in werking getreden. Memorandum van overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk Spanje en Nederland inzake wederzijdse bijstand in belastingzaken Het Hoofd van de ‘Agencia Estatal de Administración Tributaria’ van het Koninkrijk Spanje en de Directeur-generaal van de Belastingdienst van Nederland, In aansluiting op de bepalingen van de Richtlijn van de Raad nr. 2011/16/EU van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van [Richtlijn 77/799/EEG](31977L0799) (hierna genoemd ‘[Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU’), En Artikel 28 van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Spaanse Staat tot het vermijden van dubbele belas"},{"i":865,"b":"Besluit bekendmaking van het op 14 juli 2015 tussen de Ministers van Financiën van Duitsland en Nederland gesloten Memorandum van Overeenstemming inzake de intensivering van de spontane inlichtingenuitwisseling m.b.t. grensoverschrijdende belastingafspraken met en beslissingen van de belastingdiensten **De Staatssecretaris van Financiën maakt het volgende bekend.** De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. **Dit besluit bevat een bekendmaking van het op 14 juli 2015 tussen de ministers van Financiën van Duitsland en Nederland gesloten Memorandum van Overeenstemming inzake de intensivering van de spontane inlichtingenuitwisseling m.b.t. grensoverschrijdende belastingafspraken met en beslissingen van de belastingdiensten. Het Memorandum heeft betrekking op de spontane uitwisseling van de volgende informatie:** **De eerste uitwisseling heeft betrekking op het jaar 2015, maar in onderling overleg kunnen beide ministeries overeenkomen dat ook informatie wordt uitgewisseld die betrekking heeft op voorgaande jaren.** Memorandum of understanding between the federal ministry of finance of germany and the ministry of finance of the netherlands on the intensification of the spontaneous exchange of information regarding cross-border tax agreements and decisions The Federal Ministry of Finance of Germany and the Ministry of Finance of the Netherlands (hereinafter referred to as ‘the Participants’), Having regard to, The provisions of Article 9 of the Council Directive number 2011/16/EU of 15 February 2011 on administrative cooperation in the field of taxation (hereinafter referred to as the ‘Directive’), The EU Model Instruction for the spontaneous exchange of cross-border rulings and unilateral advance transfer pricing agreements of 2013 (hereinafter referred to as ‘EU Model Instruction’), The forthcoming changes in EU legislation on exchange of information, The general principle of reciprocity, which both Participants consider as an important aspect of the"},{"i":963,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 28 november 2006, houdende de vaststelling van de percentages van de heffingen groenten en fruit voor het jaar 2007 (Besluit PT heffing groenten en fruit 2007) Gelet op [artikel 3, derde en vierde lid, van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020063&artikel=3); Gelet op [artikel 3, vijfde lid, van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021483); Gelet op [artikel 3, vijfde lid, van de Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021286); Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Verordening PT heffing verduurzaamde groenten en fruit 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021011&artikel=4); Gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 16 november 2006; Besluit: Artikel 1 1. Voor de in [artikel 3, tweede lid van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020063&artikel=3) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2007 als volgt vastgesteld: | a | glasgroenten: | 0,402% | | --- | --- | --- | | b | vollegrondsgroenten: – aardbeien | 0,087% 0,087% | | c | fruit: | 0,087% | | d | champignons: – overige paddestoelen | 0,105% 0,045% | | e | uitgangsmateriaal: | 0,080% | 2. Het in [artikel 3, vierde lid van de Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020063&artikel=3) (de korting kwaliteitscontrole ingeval van contractteelt) genoemde percentage, wordt voor het jaar 2006 vastgesteld op: 0,03%. Artikel 2 1. Het in [artikel 3, derde lid van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021483&artikel=3) (de handel in groenten en fruit) genoemde percentage, wordt voor het jaar 2007 vastgesteld op: 0,045% 2. Het bedrag, genoemd in [artikel 3, vierde lid"},{"i":1035,"b":"Eerste uitvoeringsbeschikking provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting Gelet op [artikel 152, achtste en elfde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=152) (Stb. 1962, 17); Besluiten: Artikel 1 Deze beschikking verstaat onder opcenten: de in [artikel 146, letter a, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=146) bedoelde opcenten op de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting. Artikel 2 De opbrengst van de ten behoeve van een provincie geheven opcenten wordt per kalendermaand aan die provincie uitgekeerd met inachtneming van het bepaalde in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003390&artikel=3&z=1981-04-16&g=1981-04-16) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003390&artikel=4&z=1981-04-16&g=1981-04-16). Artikel 3 1. Als opbrengst over een kalendermaand wordt aangemerkt de zuivere opbrengst over die maand 2. De zuivere opbrengst over een kalendermaand is het verschil tussen: - a. de som van de bedragen aan opcenten, die zijn begrepen in de in die maand betaalde motorrijtuigenbelasting, en - b. de som van de bedragen aan opcenten, die zijn begrepen in de in die maand terugbetaalde motorrijtuigenbelasting. Artikel 4 De opbrengst over een kalendermaand wordt betaalbaar gesteld op de vijfentwintigste dag van de daarop volgende kalendermaand. De Minister van Financiën is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van het bepaalde in de vorige volzin. Artikel 5 1. Het bedrag van de ten laste van een provincie komende kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden welke de rijksbelastingdienst ten behoeve van de provincies verricht krachtens [artikel 152, derde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=152), wordt per kalenderjaar aan die provincie in rekening gebracht. 2. Als de aan een kalenderjaar toe te rekenen kosten wordt aangemerkt het evenredige deel van de aan de heffing en invordering van de motorrijtuigenbelasting ve"},{"i":1038,"b":"Estse voorschriften tot uitvoering van het op 14 maart 1997 tussen Nederland en Estland gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Estse belasting op dividenden, interest en royalty's, genoten door inwoners van Nederland Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan het op 14 maart 1997 tussen Nederland en Estland gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en het Protocol bij dat Verdrag (Trb. 1997, 98 en 262), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van het Verdrag en onderdelen van het Protocol: - a. vermindering tot 15 percent van de Estse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Estland is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b); - b. vermindering tot 5 percent van de Estse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Estland is aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het onmiddellijk ten minste 25 percent beheerst van het kapitaal van het Estse lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel a); - c. algehele vrijstelling van de Estse belasting op uit Estland afkomstige interest, indien deze wordt betaald aan de Staat der Nederlanden, een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, de Nederlandsche Bank (centrale bank), een financiële instelling die eigendom is van of wordt beheerst door de Regering van Nederland, daaronder begrepen de staatkundige o"},{"i":1029,"b":"Directe belastingen, Internationale inlichtingenuitwisseling; Noorwegen De staatssecretaris van Financiën maakt het volgende bekend. **Dit besluit bevat een bekendmaking van het in april 2016 tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en Noorwegen gesloten Memorandum van Overeenstemming inzake automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen. De overeenkomst heeft voornamelijk betrekking op automatische uitwisseling van inlichtingen (zonder voorafgaand verzoek) over onroerende zaken, dividend, royalty's, inkomsten uit zelfstandige arbeid, inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid, directeursbeloningen, inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars, pensioenen, lijfrenten en sociale zekerheidsuitkeringen, betalingen aan studenten voor studie en opleiding, overige inkomsten en wijzigingen in fiscaal inwonerschap. Verder zijn bepalingen opgenomen over de aanwezigheid van belastingambtenaren op elkaars grondgebied.** **Het Memorandum is op 6 april 2016 in werking getreden en is voor het eerst van toepassing op informatie over het jaar 2014.** Memorandum of Understanding Memorandum of Understanding between the Norwegian Directorate of Taxes and the Directorate General of the Tax and Customs Administration of the Netherlands regarding the exchange of information in tax matters. The Norwegian Directorate of Taxes and the Directorate General of the Tax and Customs Administration of the Netherlands, hereinafter: the “Participants”, considering the desire to intensify mutual cooperation in tax matters, have agreed the following. Pursuant to the provisions with regard to the exchange of information of the Convention on mutual administrative assistance in tax matters, closed in Strasbourg on 25 January 1988, as amended in 2010, and article 27 of the Convention between the Kingdom of Norway and the Kingdom of the Netherlands for the avoidance of double taxation and the prevention of fiscal evasion with respect to taxes on income, signed in Oslo on 12 January 1990, as amended in"},{"i":1111,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, herinvesteringsreserve; Verzamelbesluit **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit beleidsbesluit bevat het beleid over de herinvesteringsreserve (HIR) voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting.** 1. Inleiding Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 27 oktober 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037149), nr. BLKB2015/864M (Stcrt. 2015, nr. 38250). De volgende onderdelen zijn aangepast, verduidelijkt of nieuw toegevoegd: Met de overige aanpassingen is geen inhoudelijke wijziging beoogd. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Vorming van de HIR 2.1. Vergoedingen wegens verlies of beschadiging van een bedrijfsmiddel Een HIR kan worden gevormd bij vervreemding van een bedrijfsmiddel. Verlies of beschadiging is gelijkgesteld met vervreemding ([artikel 3.54, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54)). De vergoeding wegens verlies of beschadiging wordt daarbij aangemerkt als opbrengst van het bedrijfsmiddel. Bij ‘verlies’ kan in de eerste plaats worden gedacht aan het onvrijwillig teloorgaan van een bedrijfsmiddel, bijvoorbeeld door brand. Onder ‘verlies’ valt ook het vrijwillig teloorgaan van het bedrijfsmiddel. Waar de wetgever welbewust de HIR van toepassing acht bij vrijwillige vervreemding, valt mede gelet op doel en strekking van de regeling niet in te zien waarom bij een vrijwillig verlies de HIR niet van toepassing zou zijn. Een veel voorkomende situatie is dat op grond van een saneringsregeling bepaalde bedrijfsmiddelen worden gesloopt of bepaalde rechten worden prijsgegeven, waardoor in verband met de geleden vermogensschade een recht op vergoeding ontstaat. 2.2. Boekwinst bij onttrekking en inbreng in andere onderneming Een HIR kan uitsluitend worden gevormd bij vervreemding, waaronder mede begrepen verlies of beschadiging, van een bedrijfsmiddel. Bij een onttrekking zonder een daarmee samenhangende vervreemding is de v"},{"i":1079,"b":"Indiase uitvoeringsvoorschriften belastingverdrag Nederland-India Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Indiase belasting op dividenden, interest, royalty's, vergoedingen voor technische diensten en vergoedingen voor het gebruik van uitrusting, genoten door inwoners van Nederland. Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 30 juli 1988 tussen Nederland en India gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en vermogen (Trb. 1988, 122) kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. Vermindering tot 15% van de Indiase belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van India is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid). - b. Algehele vrijstelling van de Indiase belasting op interest, afkomstig uit India en betaald aan de Regering van Nederland, de lagere overheden van Nederland, de instellingen, waarvan het kapitaal geheel in eigendom is van de Regering van Nederland of de lagere overheden van Nederland, de Nederlandsche Bank, de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V. en de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V. (artikel 11, derde lid, onderdeel a) en vierde lid, onderdeel a)). - c. Algehele vrijstelling van Indiase belasting op interest, afkomstig uit India en betaald ter zake van een lening gegarandeerd of verzekerd door de Regering van Nederland, de lagere overheden van Nederland, de instellingen, waarvan het kapitaal geheel in eigendom is van de Regering van Nederland of de lagere overheden van Nederland, de Nederlandsche Bank, de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikk"},{"i":1361,"b":"Schenk- en erfbelasting, toepassing van artikel 9, 10 en 15 van de Successiewet 1956 1. Inleiding 1. Inleiding Dit besluit bevat het beleid over de toepassing van [artikel 9 (onderdeel 2)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=9), [10 (onderdelen 3.1 tot en met 3.9)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=10) en [15 (onderdeel 4) van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=15). De [onderdelen 2 tot en met 6 van het besluit van 4 april 2012](onbekend), nr. BLKB2012/103M, zijn vernummerd tot 3.1 tot en met 3.4 en 3.6. In onderdeel 3.1 over het opgeofferd bedrag is een omissie hersteld. In het gegeven voorbeeld komt nu tot uitdrukking dat de betaalde overdrachtsbelasting niet in mindering kan worden gebracht op de verschuldigde erfbelasting. In de nieuwe onderdelen 2, 3.7, 3.8 en 3.9 is een aantal toezeggingen in de vorm van goedkeuringen opgenomen die zijn gedaan tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Overige fiscale Maatregelen 2012 en in het kader van het wetsvoorstel tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten. Het is mij gebleken dat deze niet algemeen bekend zijn. Onderdeel 3.3.1. is nieuw en bevat een regeling voor niet of niet tijdig betaalde huurtermijnen bij de toepassing van [artikel 10 van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=10). Ook onderdeel 3.5 is nieuw en behandelt de ongedaanmaking van een afstand van vruchtgebruik in de gevallen waarin ouders afstand hebben gedaan van het recht van vruchtgebruik van de woning in de veronderstelling dat er geen overgangsregeling zou worden getroffen voor woningen die zijn overgedragen vóór 1 januari 2010. In bepaalde gevallen ben ik bereid een tegemoetkoming te geven voor de overdrachtsbelasting en de schenkbelasting. 3. [Artikel 10 van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=10) 3.1. Gesplitste aankoop 3.2. Schuldigerkenningen uit vrijge"},{"i":6126,"b":"Besluit van 21 december 1995, regelende de deponering van informatie betreffende preparaten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 september 1995, nr. DGVgz/VVP/P 951738, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op artikel 12 van [richtlijn nr. 88/379/EEG](31988L0379) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 7 juni 1988, betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (**PbEG** L 187), alsmede op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1), vierde lid, 5, eerste lid, onder **c**, en zesde lid, [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13) en [14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14). Gezien het advies van de Adviescommissie [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) van 20 april 1995, no. 14870/035; De Raad van State gehoord (advies van 6 november 1995, No. W-13.95 0493); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 1995, nr. DGVgz/VVP/P 952699, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder preparaten: - a. mengsels en oplossingen die bestaan uit twee of meer stoffen, welke in de zin van artikel 3 van richtlijn nr. 99/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999, betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200), als gevaarlijk worden beschouwd en ten minste één gevaarlijke stof in de zin van artikel 2, tweede lid, onderdelen a tot en met n, van deze richtlijn bevatten; - b. biociden als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van"},{"i":6125,"b":"Besluit van 7 maart 2011, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit cosmetische producten 2011 Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 januari 2011, kenmerk VGP/VC 3045961, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Veiligheid en Justitie; Gelet op: [Verordening (EG) nr. 1223/2009](32009R1223) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PbEU L 342); de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [5, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=6), [8, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=9), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=11), [13, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 februari 2011, nr. W13.11.0017/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 maart 2011, VGP/VC 3053411, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Veiligheid en Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder [verordening (EG) 1223/2009](32009R1223): Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PbEU L 342). Artikel 2 1. Het is verboden te handelen in strijd met de volgende artikelen van [verordening (EG) 1223/2009](32009R1223): - a. artikel 3; - b. artikel 4, eerste en tweede lid; - c. artikel 5; - d. artikel 6; - e. artikel 7; - f. artikel"},{"i":1379,"b":"Teruggaafbeschikking motorrijtuigenbelasting 1973 Gelet op artikel 18 van de Wet van 29 november 1972 (Stb. 696), houdende goedkeuring en uitvoering van de op 29 mei 1972 te Luxemburg tussen Nederland, België en Luxemburg gesloten Overeenkomst tot unificatie van accijnzen, Besluit: Artikel 1 1. Voor motorrijtuigen als zijn bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002534&artikel=6) (Stb. 332) waarvoor vóór 1 januari 1973 reeds de vermeerdering van belasting met tweehonderd dertig percent is betaald over een rijtijdvak waarvan een gedeelte valt na 31 december 1972, wordt voor dat gedeelte teruggaaf van die vermeerdering verleend, indien deze motorrijtuigen worden voortbewogen of zijn ingericht om te worden voortbewogen door een kracht welke uitsluitend is ontleend aan minerale oliën als zijn bedoeld in [artikel 2, eerste lid, letter a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002862&artikel=2&z=1973-01-01&g=1973-01-01), 1°, of letter c, 2°, van de Wet op de minerale oliën (Stb. 1964, 207). 2. In afwijking van het eerste lid wordt geen teruggaaf van de in dat lid bedoelde vermeerdering van belasting verleend indien de aangifte is gedaan voor een rijtijdvak van: - a. zestig willekeurige binnen een jaar vallende dagen; - b. twaalf maanden, met voldoening van van de over een zodanig tijdvak verschuldigde belasting. Artikel 2 Voor een motorrijtuig als is bedoeld in [artikel 9, eerste lid, letter i van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002534&artikel=9), waarvoor vóór 1 januari 1973 reeds motorrijtuigenbelasting is betaald over een rijtijdvak, waarvan een gedeelte valt na 31 december 1972, wordt voor dat gedeelte teruggaaf van belasting verleend nadat de inspecteur voor dat motorrijtuig op een daartoe strekkend verzoek een vergunning heeft afgegeven als is bedoeld in artikel 5 a van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1966 (Stb. 383)"},{"i":1531,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen, Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren, Voornemens dubbele belasting te vermijden voor de onder dit Verdrag vallende belastingen, zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik van treaty-shopping-constructies die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag worden inkomsten die zijn verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een Verdragsluitende Staat als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomsten te zijn van een inwoner van een Verdragsluitende Staat, maar uitsluitend voor zover die inkomsten door die Verdragsluitende Staat voor belastingdoeleinden behandeld worden als inkomsten van een inwoner van die Verdragsluitende Staat. In geen geval mogen de bepalingen van dit lid aldus worden uitgelegd dat ze afbreuk doen aan het recht van een Verdragsluitende Staat om de inwoners van die Verdragsluitende Staat te belasten. Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdra"},{"i":14328,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 september 2010, nr. 2010-0000606584, houdende regels ter uitvoering van de Wet identiteitskaarten BES en het Besluit identiteitskaarten BES (Regeling identiteitskaarten BES) Gelet op de [artikelen 8, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028279&artikel=8) en [13a van de Wet identiteitskaarten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028279&artikel=13a) en de [artikelen 1a, eerste, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028517&artikel=1a), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028517&artikel=7) en [9, tweede lid, van het Besluit identiteitskaarten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028517&artikel=9); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet identiteitskaarten BES in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **de wet:** de [Wet identiteitskaarten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028279); - c. **het besluit:** het [Besluit identiteitskaarten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028517). Artikel 2 1. De identiteitskaarten worden in het openbaar lichaam Bonaire afgegeven overeenkomstig het model dat als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028473&bijlage=1&z=2026-04-01&g=2026-04-01) bij deze regeling is gevoegd. 2. De identiteitskaarten worden in het openbaar lichaam Sint Eustatius afgegeven overeenkomstig het model dat als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028473&bijlage=2&z=2026-04-01&g=2026-04-01) bij deze regeling is gevoegd. 3. De identiteitskaarten worden in het openbaar lichaam Saba afgegeven overeenkomstig het model dat als [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028473&bijlage=3&z=2026-04-01&g=2026-04-01) bij deze regeling is gevoegd. Hoofdstuk 2. Fotovereisten en nadere g"},{"i":14366,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 26 april 2013, nr. WJZ/13073193, houdende de instelling van een criminele-inlichtingeneenheid NVWA-IOD (Regeling instelling criminele-inlichtingeneenheid NVWA-IOD) Handelende in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op [artikel 12, tweede lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=12); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **nationale criminele-inlichtingeneenheid:** eenheid, genoemd in [artikel 1, onderdeel d, van het Besluit verplichte politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032083&artikel=1); - b. **informantgegevens:** gegevens omtrent een persoon als bedoeld in [artikel 12, zevende lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=12); - c. **criminele-inlichtingen:** gegevens, die in aanmerking komen voor verwerking op grond van [artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=10); - d. **CIE-officier van justitie:** de als zodanig aangewezen officier van justitie, verantwoordelijk voor de taakuitoefening van de criminele-inlichtingeneenheid NVWA-IOD; - e. **NVWA-IOD:** Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken; - f. **verantwoordelijke:** de Minister van Economische Zaken. 2. Namens de verantwoordelijke kunnen de in deze regeling voorgeschreven handelingen worden verricht door het hoofd van de NVWA-IOD, in het bijzonder die genoemd in de [artikelen 5, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033362&artikel=5&z=2013-05-04&g=2013-05-04), [7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033362&artikel=7&z=2013-05-04&g=2013-05-04), [8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033362&artikel=8&z=2013-05-04&g=2013-05-04), en [9](ht"},{"i":14341,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 10 februari 2010, nr. WJZ/9216044, houdende vaststelling van de eisen en vergunningstelsels die in ieder geval onder de reikwijdte van de Dienstenwet vallen (Regeling indicatieve vaststelling reikwijdte Dienstenwet) Gelet op [richtlijn nr. 2006/123/EG](32006L0123) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEG L 376) en [artikel 2, tweede lid, van de Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De eisen en vergunningstelsels, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=2), zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 1. Tot de eisen, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=2), behoren tevens de eisen in een: - a. bestemmingsplan als bedoeld in [artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.1); - b. wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in [artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.6); - c. rijksbestemmingsplan als bedoeld in [artikel 10.3 van de Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=10.3); - d. beheersverordening als bedoeld in [artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.38). 2. Tot de vergunningstelsels, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=2), behoren tevens: - a. een omgevingsvergunning als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=1.1) waarbij met toepassing van [artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1° of 3°, van die wet](https:/"},{"i":4711,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 september 2009, nr. R&P/RA/2009/17019, tot Instelling van een Comité van Experts subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie E Gelet op [artikel 5 van de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het comité:** het Comité van experts Subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie E als bedoeld in [5 van de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&artikel=5); - b. **de Subsidieregeling:** de [subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313); - c. **de minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - d. **het ministerie:** het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2. Instelling Er is een Comité van experts Subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie E. Artikel 3. Taak a. Het comité heeft tot taak projecten als bedoeld in [artikel 4, onderdeel e, van de Subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&artikel=4), te beoordelen aan de hand van de in [artikel E7 van die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&bijlage=1) genoemde criteria, zulks onder toepassing van een door de minister vooraf op te stellen toetsingskader, waarin deze criteria in afstemming met het comité, nader zijn uitgewerkt. b. Het comité heeft tot taak de projecten op basis van deze beoordeling, alsmede op basis van het bepaalde in [artikel E7 van de Subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&bijlage=1), te rangschikken naar de mate waarin deze voor subsidieverlening in aanmerking komen. c. Het comité adviseert de minister uiterlijk vier weken na het einde van het aanvraagtijdvak als bedoeld in [artikel E2 van de Subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&bijlage=1) en licht het advies desgevraagd nader toe. d. Het"},{"i":4268,"b":"Besluit vergunning Impact Loterij B.V. 2018–2023 **Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 16 oktober 2018, kenmerk 01.042.958, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van een gelegenheid als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de kansspelen.** Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de raad van bestuur) aan Impact Loterij B.V., een besloten vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Amsterdam met KvK-nummer 66554047 (hierna: de vergunninghouder), vergunning voor de periode van 16 oktober 2018 tot en met 15 oktober 2023. Aan deze vergunning zijn de navolgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de loterijen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. Algemeen Kenmerken van de loterij(en) Afdracht ten behoeve van het algemeen belang Consumentenbescherming Transparantie Meldplicht Rapportage Bijlage A Niet opgenomen."},{"i":3660,"b":"Besluit mandaat Dienst Regelingen betreffende Tijdelijke bijdrageregeling verbetering management overstroming In overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. Dienst Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. regeling: [Tijdelijke bijdrageregeling verbetering management overstroming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021928). Artikel 2 1. De teammanagers uitvoering en de regelingsmanagers van Dienst Regelingen zijn bevoegd om namens de Minister besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen met betrekking tot primaire beslissingen inzake: - a. het verlenen van een bijdrage als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021928&artikel=2), alsmede het verlenen van een voorschot als bedoeld in [artikel 6 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021928&artikel=6); - b. het rangschikken van de aanvragen als bedoeld in [artikel 5 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021928&artikel=5); - c. het vaststellen van de bijdrage als bedoeld in [artikel 8 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021928&artikel=8); - d. verzoeken tot vergoeding van wettelijke rente in verband met de vertraagde uitbetaling van een vastgestelde tegemoetkoming; - e. het nemen en ondertekenen van besluiten als bedoeld in [afdeling 4.2.6 ‘Intrekken en wijzigen’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.6) en [afdeling 4.2.7 ‘Betaling en terugvordering’ van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.7). 2. De teammanagers uitvoering en de regelingsmanagers van Dienst Regelingen zijn bevoegd om namens de Minister met toepassing van [artikel 7, derde en vierde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.n"},{"i":6240,"b":"Wet van 6 december 2001 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met de modernisering van de organisatie en de instelling van een bestuur bij de gerechten (Wet organisatie en bestuur gerechten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830), de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365) en enkele andere wetten te wijzigen in verband met de modernisering van de organisatie en de instelling van een bestuur bij de gerechten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel II Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel III De Wet op de samenstelling van de burgerlijke gerechten wordt ingetrokken. Artikel IV Wijzigt de Wet op de rechterlijke indeling. Artikel V Wijzigt de Beroepswet. Artikel VI Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel VII Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. Artikel IX 1. De benoemingen van degenen, die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als kantonrechter zijn benoemd, worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot vice-president van de rechtbank tot het rechtsgebied waarvan het kantongerecht behoort. Zij worden als zodanig niet beëdigd en geïnstalleerd. In afwijking van [artikel 15 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=15) worden zij in salariscategorie 8 ingepast op het bedrag dat zij voorafgaand aan hun benoeming tot vice-president genoten. Zij worden belast met het behan"},{"i":5346,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 2 december 2009, nr. WJZ/9165300, houdende intrekking van een aantal subsidieregelingen in verband met de stroomlijning hiervan Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: § 1. Intrekking regelingen op het terrein van ondernemen en innovatie Artikel I De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Subsidieregeling IOP-TTI-module van de experimentele Kaderregeling subsidies innovatieprojecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018997); - b. [Subsidieregeling prekwalificatie ESA-programma’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015867); - c. [Subsidieregeling Innovatieve Zeescheepsbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021771); - d. [Subsidieregeling erkenningsregelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006194); - e. [Subsidieregeling managementondersteuning 1991](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004954). § 2. Intrekking regelingen op het terrein van energie en telecom Artikel II De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Tijdelijke energieregeling markt en innovatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024452); - b. [Tijdelijke subsidieregeling korte termijn energieonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023852); - c. [Subsidieregeling houtmodificatie CO2-reductieplan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011422); - d. [Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistingsinstallaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023773); - e. [Subsidieregeling breedbandproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013387); - f. [Wijzigingsregeling Tijdelijke energieregeling markt en innovatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025981). § 3. Intrekking regelingen op het terrein van buitenlandse economische betrekkingen Artikel III De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Subsidieregeling 2getthere](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025915); - b. [S"},{"i":7340,"b":"Wet van 22 december 2005 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet, Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet op de huurtoeslag en enige andere wetten in verband met het toekennen van tegemoetkomingen aan personen die een uitkering ontvangen op grond van de Algemene Ouderdomswet of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele aanpassingen in de berekening van de uitkeringen Artikel I Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel II Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel III Wijzigt de Wet op de huurtoeslag. Artikel IV Wijzigt de Wet bevordering eigenwoningbezit. Artikel V Indien een aanvraag tot het verstrekken van een bijzondere bijdrage in de huurlasten als bedoeld in [artikel 26b, eerste lid, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=26b), zoals dat laatstelijk luidde vóór de inwerkingtreding van de [Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018471), betrekking heeft op het tijdvak dat loopt van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 wordt voor de toepassing van [eerstgenoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659)[artikel 26a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=26a), als volgt gelezen: a. actueel inkomen: het gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners, dat wordt berekend door het netto inkomen over de eerste kalendermaand van het desbetreffende bijdragetijdvak, verminderd met de tegemoetkoming waarop personen met een ouderdomspensioen op grond van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) recht hebben, herleid tot een bedrag per maand, te herrekenen naar een gecorrigeerd verzamelinkomen over het peiljaar;. Artikel VI Indien een aanvraag tot het verstrekken van een bijzondere bijdrage ter tegemoetkoming in de kosten van het in eigendom verkrijgen van ee"},{"i":6221,"b":"Wet van 24 januari 2024, houdende regels inzake een wettelijke taak van gemeenten om opvangvoorzieningen voor asielzoekers mogelijk te maken (Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels te stellen een wettelijke taak van gemeenten om opvangvoorzieningen voor asielzoekers mogelijk te maken ten behoeve van een stabiel en wendbaar stelsel van asielopvang om daarmee aan internationaalrechtelijke verplichtingen te voldoen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definitiebepaling In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder verstaan onder: - –. **asielzoeker:** een vreemdeling wiens vrijheid niet rechtens is ontnomen en door wie of ten behoeve van wie een asielaanvraag is ingediend; - –. **COA:** Centraal Orgaan opvang asielzoekers, bedoeld in [artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=2); - –. **college:** college van burgemeester en wethouders; - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie en Veiligheid; - –. **opvang:** de materiele en immateriële opvang van asielzoekers, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=3); - –. **opvangplaats:** een plaats bestemd voor de opvang van één asielzoeker in een opvangvoorziening; - –. **opvangvoorziening:** een accommodatie waarin door of onder verantwoordelijkheid van het COA onderscheidenlijk door of onder verantwoordelijkheid van het college opvang wordt geboden aan asielzoekers. Hoofdstuk 2. Landelijke raming en besluitvorming Artikel 2. Capaciteitsraming 1. Onze Minister maakt ee"},{"i":6207,"b":"Wet van 9 september 1998 tot gemeentelijke herindeling in de Bommelerwaard Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling in de Bommelerwaard te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Ammerzoden, Brakel, Hedel, Heerewaarden, Kerkwijk, Maasdriel, Rossum en Zaltbommel opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling worden de nieuwe gemeenten Zaltbommel en Maasdriel ingesteld zoals aangegeven op de bij de wet behorende kaart. Artikel 3 De nieuwe gemeente Zaltbommel bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Brakel, Kerkwijk en Zaltbommel en de nieuwe gemeente Maasdriel bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Ammerzoden, Hedel, Heerewaarden, Maasdriel en Rossum, met dien verstande dat de grenzen van de nieuwe gemeenten komen te lopen zoals aangegeven op de bij de wet behorende kaart. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeenten Zaltbommel respectievelijk Maasdriel worden de op te heffen gemeenten Zaltbommel respectievelijk Maasdriel aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Brakel, Kerkwijk en Zaltbommel, respectievelijk Ammerzoden, Hedel, Heerewaarden, Maasdriel en Rossum worden de nieuwe gemeenten Zaltbommel respectievelijk Maasdriel aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https"},{"i":7347,"b":"Wet van 22 november 2006 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met herschikking van de bevoegdheidsverdeling tussen rechtbank en kantonrechter, alsmede van artikel 12 van dat Boek en van artikel 268 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) te wijzigen teneinde een herschikking aan te brengen in de bevoegdheidsverdeling tussen rechtbank en kantonrechter en voorts de reikwijdte van [artikel 12 van dat Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=12) te beperken en in verband daarmee [artikel 268 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=268) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI 1. Ten aanzien van rechtsgedingen, die bij de inwerkingtreding van deze wet reeds bij de kantonrechter aanhangig zijn en die na de inwerkingtreding van deze wet tot de kennisneming van de rechtbank komen, blijft de kantonrechter bevoegd. 2. Ten aanzien van rechtsgedingen, die bij de inwerkingtreding van deze wet reeds bij de rechtbank aanhangig zijn en die na de inwerkingtreding van deze wet tot de kennisneming van de kantonrechter komen, blijft de rechtbank bevoegd. 3. De [eerste volzin van artikel 12, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=12), zoals deze volgens deze wet zal komen te luiden, geldt ten aanzien van curatelen, be"},{"i":6190,"b":"Wet van 3 juli 1989, houdende administratiefrechtelijke afdoening van inbreuken op bepaalde verkeersvoorschriften Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen om op zichzelf niet ernstige gedragingen in strijd met verkeersvoorschriften, gesteld bij of krachtens de [Wegenverkeerswet](onbekend) en enkele andere wetten, in plaats van op strafrechtelijke wijze op administratiefrechtelijke wijze af te kunnen doen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: **Onze Minister:** Onze Minister van Veiligheid en Justitie; **aanhangwagen, motorrijtuig, kenteken en rijbewijs**: hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1); **bestuurder**: alle weggebruikers behalve voetgangers; **kentekenregister**: het register, bedoeld in [artikel 42 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=42); **gedraging:** een gedraging als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01); **administratieve sanctie:** de aan de Staat te betalen geldsom, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01); **adres:** aanduiding van straatnaam, huisnummer, plaatsnaam en postcode van het woonhuis van de betrokkene. 2. In deze wet wordt mede verstaan onder: **bestuurder**: degene die wordt geacht een motorrijtuig onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen; **kenteken**: het kenteken waaronder een motorrijtuig in het buitenland is geregistreerd, het registratienummer, vermeld op het registratiebewijs, afgeg"},{"i":5995,"b":"Besluit van 13 november 2015, houdende vaststelling van nadere regels ter uitvoering van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Uitvoeringsbesluit Wkkgz) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 mei 2015, kenmerk 755048-135567-WJZ; Gelet op de [artikelen 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=1), [4, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=5), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=8), [9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=9), [13, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=13), en [25, tweede lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=25), [artikel 7, tweede lid, van de Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=7), [artikel 15, eerste lid, van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864&artikel=15) en [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002697&artikel=3), en op artikel 6 van [Richtlijn 2002/98/EG](32002L0098) van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong en tot wijziging van [Richtlijn 2001/83/EG](32001L0083) van de Raad (PbEU L 33); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 juni 2015, no. W13.15.0150/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 november 2015, kenmerk 804964-139584-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Definities en grondslag Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder"},{"i":5469,"b":"Regeling van 10 juli 2007, nr. 2007-0000251548, tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2006 Mede namens de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9); Stelt vast: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2006 worden de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022308&bijlage=1&z=2007-07-26&g=2007-07-26) bij dit besluit. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage 1. De bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2006 | Nr. | Verdeelmaatstaf | Bedragen per eenheid | Bedragen per eenheid | | --- | --- | --- | --- | | 1 | Motorrijtuigenbelasting | –55,52 | * | | 2a | Inwoners | 20,47 | | | 2b | Inwoners boven 640.000 | 10,25 | | | 3a | Inwoners in stedelijke gebieden | 12,49 | | | 3b | Inwoners in landelijke gebieden | 17,47 | | | 4 | Land | 42,91 | | | 5 | Water | 31,83 | | | 6 | Groen | 17,13 | | | 7 | Gewogen weglengte | 20.722,23 | | | 8 | Warmtekrachtkoppeling | 0,61 | | | 9 | Vast bedrag (alle provincies m.u.v.Fryslân) | 6.019.969,20 | | | 9a | Vast bedrag Fryslân ** | 6.972.969,20 | | * Niet in euro’s; het bedrag betreft het rekentarief voor de inkomstenmaatstaf (per € 45,38 hoofdsom). ** Het vaste bedrag Fryslân is met ingang van 2006 losgekoppeld van het vaste bedrag van de overige provincies. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5471,"b":"Regeling tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2007 handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9); Stelt vast: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2007 worden de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024464&bijlage=1&z=2008-09-11&g=2008-09-11) bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage 1. De bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2007 | Nr. | Verdeelmaatstaf | Bedragen per eenheid | | --- | --- | --- | | 1 | Motorrijtuigenbelasting | –55,52* | | 2a | Inwoners | 20,36 | | 2b | Inwoners boven 640.000 | 11,00 | | 3a | Inwoners in stedelijke gebieden | 12,49 | | 3b | Inwoners in landelijke gebieden | 17,92 | | 4 | Land | 43,68 | | 5 | Water | 31,83 | | 6 | Groen | 17,13 | | 7 | Gewogen weglengte | 20.722,23 | | 8 | Warmtekrachtkoppeling | 0,61 | | 9 | Vast bedrag (alle provincies m.u.v. Fryslân) | 6.697.974,01 | | 9a | Vast bedrag Fryslân** | 7.650.974,01 | * Niet in euro’s; het bedrag betreft het rekentarief voor de inkomstenmaatstaf (per € 45,38 hoofdsom). ** Het vaste bedrag van Fryslân is met ingang van 2006 losgekoppeld van het vaste bedrag van de overige provincies. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5468,"b":"Regeling van 19 december 2005, nr. 2005-287432, tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2004 Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2004 worden de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019321&bijlage=1&z=2006-01-05&g=2006-01-05) bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage 1. De bedragen per eenheid voor de uitkering uit het provinciefonds over het uitkeringsjaar 2004 | Nr. | Verdeelmaatstaf | Bedragen per eenheid | | --- | --- | --- | | 1 | Motorrijtuigenbelasting | –55,52*Niet in euro’s; het bedrag betreft het rekentarief voor de inkomstenmaatstaf. | | 2a | Inwoners | 21,19 | | 2b | Inwoners boven 640.000 | 9,87 | | 3a | Inwoners in stedelijke gebieden | 12,55 | | 3b | Inwoners in landelijke gebieden | 17,59 | | 4 | Land | 40,56 | | 5 | Water | 29,14 | | 6 | Groen | 16,84 | | 7 | Gewogen weglengte | 20.722,23 | | 8 | Warmtekrachtkoppeling | 0,63 | | 9 | Vast bedrag | 5.015.182,14 | Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5470,"b":"Regeling tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 2005 Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9) en [artikel 6 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=6); Stelt vast: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2005 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022961&bijlage=1&z=2007-12-08&g=2007-12-08) bij deze regeling. Artikel 2 Voor het uitkeringsjaar 2005 worden de bedragen, bedoeld in [artikel 6 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=6), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022961&bijlage=2&z=2007-12-08&g=2007-12-08) bij deze regeling. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage 1 | Nr. | Maatstaven | | | --- | --- | --- | | 1 | OZB (per eenheid van € 2268) | –4,01 | | 2 | Inwoners | 140,50 | | 3 | Inwoners *bodemfactor buitengebied | 0,66 | | 4 | Jongeren | 186,15 | | 5 | Ouderen | 26,03 | | 6-a | Inwoners Waddengemeenten, eerste schijf | 188,32 | | 6-b | Inwoners Waddengemeenten, tweede schijf | 147,19 | | 6-c | Inwoners Waddengemeenten, derde schijf | 32,38 | | 7 | Lage inkomens | 334,86 | | 8 | Bijstandsontvangers | 393,39 | | 9 | Uitvoeringskosten bijstand | 1.096,70 | | 10 | Schaalfactor bijstand | 217.593,22 | | 11 | Uitkeringsontvangers | 144,72 | | 12 | Minderheden | 269,26 | | 13 | Klantenpotentieel lokaal | 62,20 | | 14 | Klantenpotentieel regionaal | 25,65 | | 15 | Leerlingen | 242,19 | | 15-a | Extra leerlingen s"},{"i":5464,"b":"Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 24 maart 2021 nr. 4196055, houdende vaststelling van Aanwijzingen voor de juridische functie Rijk Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, BESLUIT: Artikel 1 Vastgesteld worden de als bijlage bij deze regeling gevoegde Aanwijzingen voor de juridische functie Rijk. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage. Aanwijzingen voor de juridische functie Rijk Aanwijzing 1. Definities In deze aanwijzingen wordt verstaan onder: Toelichting Deze aanwijzing definieert enkele kernbegrippen van de aanwijzingen en heeft daarmee invloed op de reikwijdte ervan. De aanwijzingen hebben hoofdzakelijk betrekking op de centrale juridische directies. Deze directies kunnen per departement een andere benaming hebben – voorbeelden zijn HBJZ, DJZ en CZW – maar worden voor deze aanwijzingen omschreven als ‘directie WJZ’. Niet alle centrale juridische directies stellen wet- en regelgeving op. Tegelijkertijd zijn er meerdere departementen die zowel de wetgevende als juridisch-adviserende functie centraal belegd hebben. De definitie van directie WJZ houdt met al deze varianten rekening door de directie WJZ te omschrijven als het dienstonderdeel dat departementsbreed wet- en regelgeving opstelt **of**juridisch advies geeft. Juridisch advies moet hierbij ruim worden opgevat (zie ook aanwijzing 5). Conform [aanwijzing 3.12 van de Aanwijzingen voor de regelgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005730&aanwijzing=3.12) wordt onder het woord ‘of’ de en/of-constructie begrepen. De omschrijving van de directeur WJZ laat ruimte voor directies die bijvoorbeeld worden geleid door een hoofddirecteur. In onderdeel c is beschreven wat in deze aanwijzingen onder ‘minister’ wordt verstaan. Voor directies WJZ die voor meerdere ministers werkzaam zijn, geldt dat al deze ministers onder het begrip vallen. Aanwi"},{"i":5467,"b":"Vaststelling van de bedragen, verdeelsleutels en bandbreedtes voor 2006, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, 11, tweede lid en 13, tweede lid van de Regeling toezichtkosten AFM Wet toezicht kredietwezen 1992 Gelet op de artikelen 8, eerste lid, 11, tweede lid en 13, eerste en tweede lid, van de Regeling toezichtkosten AFM Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992); Besluit: Artikel 1. Minimumbedragen Het minimumbedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Regeling toezichtkosten AFM Wet toezicht kredietwezen 1992, wordt vastgesteld op € 0 voor in Nederland gevestigde kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in [artikel 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792&artikel=6). Artikel 2. Verdeelsleutels en bandbreedtes De verdeelsleutels en bandbreedtes, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Regeling toezichtkosten AFM Wet toezicht kredietwezen 1992 worden vastgesteld ingevolge het bepaalde in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019983&bijlage=I&z=2006-06-30&g=2006-06-30) bij deze regeling. Artikel 3. Vaste bedragen De hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Regeling toezichtkosten AFM Wet toezichtkredietwezen 1992 wordt vastgesteld op: - a. € 0 voor buiten Nederland gevestigde ondernemingen of instellingen, die door middel van een bijkantoor in of vanuit Nederland het bedrijf van kredietinstellingen uitoefenen; - b. € 0 voor buiten Nederland gevestigde ondernemingen of instellingen, die zonder een bijkantoor in of vanuit Nederland het bedrijf van kredietinstelling uitoefenen; - c. € 0 voor kredietinstellingen, anders dan bedoeld in artikel 9, onder a, van de Regeling toezichtkosten AFM Wet toezicht kredietwezen 1992, die zijn ingeschreven in het register als bedoeld in [artikel 52 Wtk 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792&artikel=52), die gelden ter beschikking krijgen in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven waarmee betalingen kunnen worden"},{"i":5472,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 3 augustus 2022, nr. WJZ/ 22209127, houdende regels met betrekking tot het eenmalig bedrag verschuldigd door houders van vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte bestemd voor landelijke commerciële FM-radio-omroep in verband met de ambtshalve verlenging van die vergunningen en de daaraan gekoppelde DAB-vergunningen (Regeling vaststelling eenmalig bedrag ambtshalve verlenging vergunningen landelijke commerciële FM-radio-omroep 2022–2023) Gelet op [artikel 3.15, eerste lid, onderdeel b, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.15), en [artikel 18, elfde lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **ambtshalve verlengen:** verlengen als bedoeld in [artikel 18, elfde lid, van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=18), tot en met 31 augustus 2023; - **vergunning voor kavel A1:** vergunning voor kavel A1 die verleend is op grond van de [Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen commerciële radio-omroep 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014741); - **vergunning voor kavel A3:** vergunning voor kavel A3 die verleend is op grond van de [Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen commerciële radio-omroep 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014741); - **vergunning voor kavel A6:** vergunning voor kavel A6 die verleend is op grond van de [Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen commerciële radio-omroep 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014741); - **vergunning voor kavel A7:** vergunning voor kavel A7 die verleend is op grond van de [Regeling aanvraag- en verdeelprocedure vergunningen kavels A7, B38 en C08 met bijbehorende vergunningen voor digitale radio-omroep](ht"},{"i":6140,"b":"Besluit van 20 november 2003, houdende regels voor honing (Warenwetbesluit honing) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 september 2003, VGB/VL 2405520, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken, en van Justitie; Gelet op [richtlijn nr. 2001/110/EG](32001L0110) van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2001 inzake honing (PbEG 2002, L 10), alsmede op [artikel 8, onder a, en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), [artikel 13, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), en [artikel 32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2003, nummer W13.03.0376/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 november 2003, VGB/VL 2428050, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken, en van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **honing:** de natuurlĳke zoete stof, bereid uit bloemennectar of uit afscheidingsproducten van levende plantendelen of uitscheidingsproducten van plantensapzuigende insecten op de levende plantendelen, welke grondstoffen door de bĳensoort Apis mellifera worden vergaard, verwerkt door vermenging met eigen specifieke stoffen, gedeponeerd, gedehydreerd, en in de honingraten opgeslagen en achtergelaten om te rĳpen; - b. **verordening (EU) nr. 1169/2011:** Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekki"},{"i":6214,"b":"Wet van 1 juli 2004 tot gemeentelijke herindeling van een deel van de Achterhoek, de Graafschap en de Liemers, Deventer en Bathmen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling van de Achterhoek, de Graafschap en de Liemers, Deventer en Bathmen te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande gemeenten opgeheven: Aalten Angerlo Bathmen Bergh Borculo Deventer Didam Dinxperlo Doetinchem Eibergen Gendringen Gorssel Groenlo Hengelo Hummelo en Keppel Lichtenvoorde Lochem Neede Ruurlo Steenderen Vorden Warnsveld Wehl Wisch Zelhem Zevenaar Zutphen Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande nieuwe gemeenten ingesteld: Aalten Berkelland Bronckhorst Deventer Doetinchem Groenlo Lochem Montferland Oude IJsselstreek Zevenaar Zutphen 2. In de onderstaande tabel is aangegeven uit het gebied van welke op te heffen gemeenten het gebied van elk der nieuwe gemeenten bestaat, met dien verstande dat de grenzen van de nieuwe gemeenten komen te lopen zoals aangegeven op de bij de wet behorende kaart. | Nieuwe gemeente | Bestaande uit de op te heffen gemeenten | | --- | --- | | Aalten | Aalten Dinxperlo | | Berkelland | Borculo Eibergen Neede Ruurlo | | Bronckhorst | Hengelo Hummelo en Keppel Steenderen Vorden Zelhem | | Deventer | Bathmen Deventer | | Doetinchem | Doetinchem Wehl | | Groenlo | Groenlo Lichtenvoorde | | Lochem | Gorssel Lochem | | Montferland | Bergh Didam | | Oude IJsselstreek | Gendringen Wisch | | Zevenaar | Angerlo Zevenaar | | Zutphen | Warnsveld Zutphen | Paragraaf 2. Grenswijziging van gemeenten die niet worden opgeheven Artikel 3 De grens van de gemeente Rijnwaarden wordt gewij"},{"i":6122,"b":"Besluit van 10 december 1992, houdende vaststelling van het warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 16 juli 1992, nr. VVP/L U-921434, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Overwegende, dat uitvoering moet worden gegeven aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 juli 1976 betreffende de vaststelling van het maximumgehalte aan erucazuur in oliën en vetten, die als zodanig voor menselijke consumptie zijn bestemd, alsmede in levensmiddelen waaraan oliën en vetten zijn toegevoegd (76/621/EEG) (**PbEG** L 202); Overwegende, dat een basis moet worden gelegd voor de definitieve uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake voor menselijke voeding bestemde diepvriesprodukten (89/108/EEG) (**PbEG** L 40), alsmede voor de op die richtlijn gebaseerde Richtlijnen van de Commissie van 13 januari 1992 betreffende de temperatuurcontrole in vervoermiddelen en in opslagruimten van voor menselijke voeding bestemde diepvriesprodukten (92/1/EEG) (**PbEG** L 34) en tot vaststelling van de monsternemingsprocedure en de communautaire analysemethode voor de officiële controle van de temperatuur van diepvriesprodukten die voor de menselijke voeding zijn bestemd (92/2/EEG) (**PbEG** L 34), voor zover het betreft de daar bedoelde analysemethode; Overwegende, dat eveneens een basis moet worden gelegd voor de definitieve uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het gebruik van extractiemiddelen bij de produktie van levensmiddelen en bestanddelen daarvan (88/344/EEG) (**PbEG** L 157); Overwegende, dat het voor de inzichtelijkheid van d"},{"i":7339,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 28 december 2017, nr. 2017-0000235515, tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 en van enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Artikel IV Wijzigt de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990. Artikel V Wijzigt de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Artikel VI Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Artikel VII Wijzigt de Regeling aanvullende documentatieverplichtingen verrekenprijzen. Artikel VIII Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965. Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking kansspelbelasting. Artikel X Wijzigt de Uitvoeringsregeling Registratiewet 1970. Artikel XI Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel XII Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel XIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel XIV Een wijze van vermenging van overige alcoholhoudende producten als bedoeld in [bijlage A.2, onderdeel c, tweede aandachtstreepje, van de Uitvoeringsregeling accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005355&bijlage=A.2) zoals die bijlage luidde op 31 december 2017, die in overeenstemming met de algemeen directeur Douane, genoemd in [artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=4), is vastgesteld komt te vervallen met ingang van 1 juli 2018. Artikel XV Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XVI Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel XVII Wijzigt de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. Artikel XVIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegeve"},{"i":6506,"b":"Besluit van de raad van bestuur van het Fonds Podiumkunsten tot wijziging van de Deelregeling projectsubsidies Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Artikel I Wijzigt de Deelregeling projectsubsidies Fonds Podiumkunsten. Artikel II Op subsidies voor het verlenen van een opdracht die reeds zijn toegekend, blijft van toepassing het bepaalde in [paragraaf 4 van de Deelregeling projectsubsidies Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029367&paragraaf=4) zoals die luidde op 30 juni 2015. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2015. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7338,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 26 maart 2010, nr. BJZ2010008982, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte (regels in verband met de instelling van een landelijke huurcommissie) Gelet op de [artikelen 3b, vierde lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3b), [3d, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3d), [3i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3i), [7, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=7), en [10, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (instelling landelijke huurcommissie) in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte. Artikel II Het openbaar register, bedoeld in [artikel 9 van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015386&artikel=9), zoals die geldt met ingang van het tijdstip waarop de [wet van 23 december 2009 tot wijziging van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (instelling van een landelijke huurcommissie)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027142) (Stb. 2010, 28) in werking treedt, bevat tevens de gegevens zoals die zijn opgenomen in het openbaar register, bedoeld in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte, zoals die gold vóór dat tijdstip. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de [wet van 23 december 2009 tot wijziging van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (instelling van een landelijke huurcommissie)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027142) (Stb. 2010, 28) in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5480,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 december 2008, nr. Z/F-2895129, houdende vaststelling van het premiepercentage voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten 2009 Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt voor het jaar 2009 vastgesteld op 12,15. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage AWBZ 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5404,"b":"Regeling van de minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241288, houdende vaststelling regels in verband met de implementatie van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en de sturing van en het toezicht op de NIWO (Regeling sturing van en toezicht op de NIWO) Gelet op de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=26) en [32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=32) en [artikel 4.5, tweede lid, van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.5); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Kaderwet:** [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - **minister:** de Minister van Infrastructuur en Milieu. § 2. Financieel toezicht Artikel 2. Begroting De NIWO zendt jaarlijks voor 1 oktober de begroting, bedoeld in [artikel 26 van de Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=26), voor het daaropvolgende jaar aan de minister. Artikel 3. Accountantscontrole 1. De aandachtspunten voor de accountantscontrole zijn uitgewerkt in de bij deze regeling gevoegde bijlage. 2. De minister informeert de NIWO over het voornemen een review van de accountantscontrole te laten uitvoeren door de accountantsdienst van het Rijk. Het besluit tot het uitvoeren van een review van de accountantscontrole wordt vergezeld van een toelichting waaruit de aanleiding blijkt, alsmede de procedure die zal worden gevolgd en de informatie die de dienst ten behoeve van dit onderzoek beschikbaar dient te stellen. 3. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt de NIWO dat: - a. de controle en de verklaring daarover mede betreft een toereikende scheiding tussen de baten en lasten casu quo ontvangsten en uitgaven uit de bij of krachtens de wet aan de NIWO opgedragen taken dan wel op andere activiteiten; - b. de con"},{"i":5442,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 6 december 2012, houdende tijdelijke aanwijzing van bevoegde gerechten als bedoeld in de artikelen 46a en 62a van de Wet op de rechterlijke organisatie (Regeling tijdelijke aanwijzing bevoegde gerechten) Gelet op de [artikelen 46a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=46a) en [62a van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=62a); Gehoord de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal; Besluit: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 1. Voor de behandeling van beroepen als bedoeld in [afdeling 2 van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&afdeling=2) wordt de rechtbank Gelderland aangewezen als andere rechtbank als bedoeld in [artikel 46a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=46a), indien: - a. de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft in de provincie Gelderland, de provincie Noord-Holland voor zover het betreft de gemeenten Blaricum, Bussum, Hilversum, Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp en Wijdemeren, de provincie Overijssel of de provincie Utrecht, of - b. de indiener van het beroepschrift geen woonplaats heeft in Nederland en het bestuursorgaan zijn zetel heeft in de provincie Gelderland, de provincie Noord-Holland voor zover het betreft de gemeenten Blaricum, Bussum, Hilversum, Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp en Wijdemeren, de provincie Overijssel of de provincie Utrecht. 2. Voor de behandeling van beroepen als bedoeld in [afdeling 2 van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&afdeling=2) wordt de rechtbank Noord-Nederland aangewezen als andere rechtbank als bedoeld in [artikel 46a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=46a), indie"},{"i":5400,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 29 januari 2024, nummer 5190221, houdende specifieke uitkeringen voor gemeenten en provincies die het mogelijk maken asielzoekers op te vangen (Regeling specifieke uitkeringen Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen) Gelet op de [artikelen 9, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=9), [13, vierde lid, van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=13) en de [artikelen 2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049310&artikel=2.1), en [3.2, van het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049310&artikel=3.2); Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definitiebepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **uitkering:** een specifieke uitkering, als bedoeld in [artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=15a). Hoofdstuk 2. Capaciteitsraming Artikel 2 De in [artikel 2.1 van het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049310&artikel=2.1) bedoelde capaciteitsraming gaat uit van de verwachte behoefte aan opvangplaatsen voor asielzoekers op 1 januari in het opvolgende jaar. Hoofdstuk 3. Specifieke uitkeringen Artikel 3. Aanvraag of ambtshalve verstrekking 1. Voor opvangplaatsen als bedoeld in [artikel 9, tweede lid, onder a, en derde lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=9) verstrekt Onze Minister aan de gemeente onderscheidenlijk de provincie en de gemeente ambtshalve een uitkering. 2. Voor duurzame opvangplaatsen als bedoeld in [artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=9) verstrekt Onze Minister een uitkering op aanvraag van het college van"},{"i":5427,"b":"Regeling subsidievoorwaarden rechts- en wetswinkels 2021 wil gelet op [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c) subsidie verlenen aan rechts- en wetswinkels en heeft daartoe de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1). **De Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - 2). **Een rechts- of wetswinkel:** een rechtspersoon die zonder winstoogmerk, in hoofdzaak met vrijwilligers, rechtsbijstand verleent aan minderdraagkrachtige personen of groepen van personen; - 3). **Rechtsbijstand:** sociaaljuridische hulpverlening. Daartoe rekent de Raad ook activiteiten zoals: voorlichting, preventie en andere activiteiten, gericht op het signaleren, voorkomen en tegengaan van tekortkomingen en leemten in de door het recht te verlenen bescherming van belangen van minderdraagkrachtige rechtzoekenden; - 4). **Een subsidie:** subsidie als bedoeld in [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c); - 5). **Een activiteitenverslag:** een verslag van de activiteiten in 2020, waaruit blijkt dat de rechts- of wetswinkel gedurende de daarin beschreven periode heeft voorzien in een behoefte aan rechtsbijstand als hiervoor bedoeld. Uit het verslag dient ook te blijken dat de rechts- of wetswinkel voldoende aandacht heeft besteed aan de kwaliteitsborging van de dienstverlening; - 6). **Een financieel verslag:** een verslag van de rechts- of wetswinkel over het financieel beheer in 2020, waaruit blijkt dat de verstrekte subsidie doelmatig is besteed aan rechtsbijstand; Artikel 2 De Raad kan onder de volgende voorwaarden subsidie verlenen: - 1). De rechts- of wetswinkel heeft in 2019 en/of 2020 subsidie ontvangen van de Raad; - 2). De rechts- of wetswinkel die in 2019 en/of 2020 subsidie heeft ontvangen van de Raad, komt niet in aanmerking voor (extra) subsidie voor door deze rechts- of wetswinkel te openen nieuwe spreekuurlocaties. Art"},{"i":5387,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 7 januari 2016 houdende regels met betrekking tot het prudentieel toezicht op verzekeraars met beperkte risico-omvang (Regeling prudentieel toezicht verzekeraars met beperkte risico-omvang) Gelet op de [artikelen 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=4), [131, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=131)[133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=133) en [135 van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=135); Gelet op de [artikelen 5, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020415&artikel=5), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020415&artikel=6), en [artikel 9 van het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020415&artikel=9); Na consultatie van de betrokken representatieve organisaties; Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - b. **Wft:** [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - e. **totale intragroeppositie:** totale financiële verhouding die voortvloeit uit alle intragroepovereenkomsten. Hoofdstuk 2. Rapportagevereisten verzekeraars met beperkte risico-omvang Bepalingen ter uitvoering van [artikel 131, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=131), en [133 van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=133) Artikel 2:1. (Modellen van staten) 1. De modellen van de staten, bedoeld in [artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=131), worden vastgesteld voor een verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel in Nederland of een bijkantoor van een dergelijke verzekeraar als bedoeld in [artikel 130, vier"},{"i":5358,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 23 september 2019, nr. 2699493, houdende vaststelling van de Regeling model huisregels private instellingen voor de verpleging van ter beschikking gestelden Gelet op [artikel 3.4 van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=3.4); BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634); - b. **de Minister:** de Minister voor Rechtsbescherming. Artikel 2 1. Het hoofd van de private instelling met een aanwijzing, bedoeld in [artikel 3.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=3.3) stelt in aanvulling op de bij of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634) en de [Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765) gegeven regels, met inachtneming van het model opgenomen in de bijlage en de daarbij gegeven aanwijzingen huisregels voor zijn instelling vast. 2. Het hoofd van de private instelling met een aanwijzing, bedoeld in [artikel 3.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=3.3) zendt de huisregels voor zijn instelling aan de Minister. Een wijziging van de huisregels zendt het hoofd van de instelling binnen een maand naar de Minister. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling model huisregels private instellingen voor de verpleging van ter beschikking gestelden. Bijlage. Model Huisregels Inhoudsopgave Model Huisregels 1. Algemene bepalingen Definities en gebruikte begrippen in de instelling. 2. Toezicht In de huisregels wordt informatie verstrekt over: In de private instellingen kan tevens worden verwezen naar de toezichthoudende taak van het bestuur dan wel de raad van toezicht van d"},{"i":5384,"b":"Regeling projectsubsidies voor literaire vertalingen gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), besluit: De volgende regeling Projectsubsidies voor literair vertalers vast te stellen. Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bestuur:** het bestuur van het Letterenfonds; - b. **belastbaar verzamelinkomen:** het bedrag, zoals gedefinieerd in [artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.18) en zoals definitief vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst in de definitieve aanslag inkomstenbelasting; - c. **Cariben:** het Caribisch deel van het Koninkrijk zijnde de landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius; - d. **Engels:** de Engelse taal zoals door haar moedertaalsprekers wordt gehanteerd in het Caribisch deel van het Koninkrijk; - e. **gevorderde vertaler:** een natuurlijk persoon die op het moment van het indienen van de aanvraag minimaal twee vertalingen op grond van een modelcontract heeft gemaakt, waarvan minimaal één reeds gepubliceerd; - f. **hij:** onder hij wordt tevens verstaan iedere andere genderaanduiding die door de betreffende persoon als geëigend wordt ervaren; - g. **Letterenfonds:** Stichting Nederlands Letterenfonds; - h. **modelcontract:** een overeenkomst tussen vertaler en uitgeverij betreffende de exploitatierechten op de publicatie waarin minimaal de bepalingen over het royalty-percentage en de licentie zijn overeengekomen, zoals geregeld in het Modelcontract GAU (of LUG)/Auteursbond voor literaire vertalingen; - i. **Papiaments:** Papiamento en Papiamentu; - j. **starter:** natuurlijk persoon die een pr"},{"i":5385,"b":"Regeling projectsubsidies voor makers van boeken gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), besluit: De volgende Regeling projectsubsidies voor makers van boeken vast te stellen. Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **algemeen reglement:** [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735); - b. **belastbaar verzamelinkomen:** het bedrag, zoals gedefinieerd in [artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.18) en zoals definitief vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst in de definitieve aanslag inkomstenbelasting; - c. **beleidsperiode:** begrensde periode in het voortschrijdend meerjarenbeleidsplan als bedoeld in [artikel 6, negende lid, van de Statuten van het Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048363&artikel=6); - d. **beeldverhaal:** (non-)fictieboeken voor kinderen en/of volwassenen waarin de illustraties in creatieve dialoog gaan met de tekst, zoals graphic novels, prentenboeken, geïllustreerde (jeugd)romans, of woordloze boeken waarin alleen de illustraties het verhaal vertellen; - e. **bestuur:** het bestuur van het Letterenfonds; - f. **boekpublicatie:** een oorspronkelijk literair werk in boekvorm in de Nederlandse, Engelse, Papiamentse of Friese taal in de genres: proza, non-fictie, poëzie, kinder- en jeugdliteratuur, toneel of beeldverhaal, waaronder graphic novels, geïllustreerde kinder- en jeugdliteratuur en prentenboeken; - g. **Cariben:** het Caribisch deel van het Koninkrijk zijnde de landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius; - h. **debuut"},{"i":1808,"b":"Wet van 1 juli 2009, houdende Fiscaal stimuleringspakket en overige fiscale maatregelen Artikel I Wijzigt de Invorderingswet 1990. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VI Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VII Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001. Artikel VIII [Artikel 81a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=81a) vindt geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2009 op de bedragen, genoemd in de [artikelen 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=23) en [25 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=25). Artikel IX [Artikel XXVII van het Belastingplan 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023144&artikel=XXVII) vindt geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2008 op de bedragen, genoemd in de [artikelen XV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023144&artikel=XV), [XVI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023144&artikel=XVI) en [XVII van het Belastingplan 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023144&artikel=XVII). Artikel X Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XII Wijzigt Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel XIII Wijzigt Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel XIV Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XV 1. De [artikelen 67d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67d), [67e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67e) en [69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=69) zoals deze luid"},{"i":7261,"b":"Wet van 11 november 2020 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de kwaliteit van bestuur en toezicht bij verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen te verbeteren en daartoe enkele regels inzake bestuur en toezicht voor alle rechtspersonen te uniformeren alsmede enkele specifiek voor stichtingen geldende bepalingen te introduceren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van [Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II T/M IX **[vervallen]** Artikel X. Wijziging van de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel XI. Wijziging van de [Wet op de loonvorming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002698) **[vervallen]** Artikel XII. Wijziging van de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181) Wijzigt de Woningwet. Artikelen XIII en XIV **[vervallen]** Artikel XV. Overgangsrecht 1. De [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=29), [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=74), [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=79) en [80 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=80) zijn van overeenkomstige toepassing. 2. De algemene vergadering kan, indien een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij voorafgaan"},{"i":4021,"b":"Besluit subsidieplafond Projectsubsidies voor Doorontwikkeling Aangepast Lezen 2022 Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=5) en [8, vierde lid, van de Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2020–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=8); BESLUIT: I Voor het jaar 2022 het volgende subsidieplafond ter zake de [artikelen 3, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=3), en [8, eerste lid, van de Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2020–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=8) vast te stellen: Het subsidieplafond voor de in het besluit van 2022 vermelde activiteiten bedraagt € 200.000,– voor het jaar 2022. Een subsidie bedraagt € 4.000,– per ingezette leesconsulent. Er kan per subsidie-ontvanger voor de inzet van maximaal twee leesconsulenten subsidie worden aangevraagd. Voor deze projectsubsidies geldt als verdeelsleutel de volgorde van binnenkomst van de aanvragen. De datum waarop de aanvraag volledig is ontvangen geldt als ontvangstdatum. II Dit besluit treedt in werking op de dag na de dag van de bekendmaking. Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuurscollege op 27 juni 2022"},{"i":6497,"b":"Besluit van 23 juli 1996, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met de intrekking van de Algemene Weduwen- en Wezenwet en de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 22 mei 1996, nr. SV/VP/96/1993a; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=2), tweede lid, [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=13), tweede lid, [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=33), vijfde lid, en [63 van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=63), [artikel 6, tweede lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=6), [artikel 8, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=8) , [artikel 8, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=8), de artikelen 3, eerste lid, onder **b**, en negende lid, 5, derde lid, en 18, eerste lid, van de [Ziekenfondswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460), [artikel 11, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=11), [artikel 57 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386&artikel=57), artikel 12, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), eerste lid, [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=39) en [41 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=41) , de artikelen 6, tiende en elfde lid en 10, zesde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidsw"},{"i":6501,"b":"Besluit van 24 augustus 2004 tot wijziging van het Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 juli 2004, nr. MJZ2004070159, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [artikel 74 van de Kernenergiewet](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 29 juli 2004, nr. W08.04.00382/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 augustus 2004, nr. MJZ2004080741, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981. Artikel II 1. Op de verplichting tot het betalen van een bijdrage in verband met het verlenen van een vergunning, die is aangevraagd of verleend vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijft het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing. 2. Op de verplichting tot het betalen van een jaarlijkse bijdrage blijft het voor de inwerkingtreding van dit besluit geldende recht van toepassing tot en met de dag waarop voor de eerste maal na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit de verplichting tot een zodanige betaling ontstaat. 3. Op de verplichting tot het betalen van een bijdrage als bedoeld in [artikel 11 van het Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981](onbekend) blijft het recht van toepassing, dat gold op het tijdstip waarop die verplichting ontstond. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bev"},{"i":7116,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 5 december 2011, nr. 5718095/11, houdende indexering van de griffierechten van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Regeling indexering griffierechten burgerlijke zaken 2012) Gelet op [artikel 2 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel II Ten aanzien van de griffierechten die verschuldigd zijn geworden vóór de datum van inwerkingtreding van deze regeling of die rechtsgeldig zijn aangezegd op grond van de [artikelen 111, tweede lid, onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=111) of [276, tweede lid, Rv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=276) voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling, blijft het griffierecht zoals het vóór die datum gold, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel IV Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indexering griffierechten burgerlijke zaken 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4567,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 juli 2020, kenmerk 1697152-205828-Z, houdende Tweede Nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten 2017 (Derde nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2017 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 1,671 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040233&artikel=1). Artikel 2 Het bedrag in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043949&artikel=1&z=2020-07-28&g=2020-07-28) genoemd van € 1,671 miljoen is volledig bestemd voor de taken bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Derde nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2496,"b":"Beleidsregel recreatief medegebruik van defensieterreinen Inhoud 1. Inleiding In Nederland wonen veel mensen op een klein oppervlak. De ruimte is schaars en deze wordt dan ook veelal multifunctioneel gebruikt. Zo ook bij Defensie. Defensieterreinen in Nederland beslaan bij elkaar ongeveer 27.000 hectare. De primaire functie van deze terreinen is militair gebruik. Daarnaast worden andere functies nagestreefd, zoals natuur en recreatie. Zolang het militair gebruik niet ernstig belemmerd wordt, ziet Defensie het als haar verantwoordelijkheid om deze nevenfuncties zo goed mogelijk tot hun recht te laten komen. De afgelopen 10 jaar is veel aandacht uitgegaan naar de natuur. Natuur wordt beschouwd als de belangrijkste nevenfunctie van defensieterreinen en Defensie sluit met haar natuurbeleid nauw aan bij het natuurbeleid van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). De in 2000 verschenen natuurbeleidsnota van het Ministerie van LNV heet ‘Natuur voor mensen, mensen voor natuur’. ‘Mensen voor natuur’ betekent dat natuur door mensen beschermd, beheerd, bewerkt en ontwikkeld wordt. Met ‘natuur voor mensen’ wordt bedoeld dat natuur goed moet aansluiten bij de wensen van mensen en goed bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar moet zijn. Met andere woorden: de natuur is er ook om in te recreëren. In de Defensie Milieubeleidsnota 2004 (DMB 2004) is gesteld dat Defensie met de omliggende terreinbeheerders gezamenlijke afspraken maakt over een betere afstemming van het natuurbeheer. Dit zal in de toekomst ook gelden voor beheer gericht op recreatie (zoals toezicht e.d.). In het Structuurschema Groene Ruimte (1995) staat dat recreatief medegebruik van militaire terreinen zoveel mogelijk wordt bevorderd. Dit wordt ook beschreven in het Tweede Structuurschema Militaire terreinen (SMT2). Verder wordt er in het SMT2 geconstateerd dat militaire terreinen veelal drie functies hebben: defensieterrein, natuurterrein en recreatiegebied. Hierbij wordt gesteld dat de natuurwa"},{"i":3691,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 mei 2024, nr. 2024-0000233924, tot verlening van mandaat en machtiging aan de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw ten behoeve van de uitvoering van de wettelijke taken certificering werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (CO-stelsel) en tot verlening van volmacht om toe te zien op het gebruik van het beeldmerk ‘CO-VRIJ’ Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), de [kaderwet voor zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) (ZBO’s) en de [artikelen 92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=92) en [93 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=93) Gezien de schriftelijke instemming van het bestuur van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw overeenkomstig [artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) d.d.15 maart 2024. BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl):** houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving, waaronder regels over werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, verbrandingsluchttoevoervoorzieningen en rookgasafvoervoorzieningen; - b. **Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl):** houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden, waaronder regels over de aanwijzing van certificatie-instellingen en de aanwijzing van certificatie-schema’s; - c. **Omgevingsbesluit:** houdende procedurele regels en regels over algemene onderwerpen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving; - d. **Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - e. **Toelatingsorganisatie:** Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw. Artikel 2 Aan het bestuur van de toelatingsorganisatie wordt ten b"},{"i":7354,"b":"Wet van 31 mei 2001 tot wijziging van de titels 6 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (rechten en plichten echtgenoten en geregistreerde partners) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels met betrekking tot de rechten en verplichtingen van echtgenoten en geregistreerde partners te vereenvoudigen en in verband daarmee de [titels 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=6) en [8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=8) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II 1. Regelingen in huwelijkse voorwaarden met betrekking tot de kosten van de huishouding als bedoeld in artikel 84, die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn gemaakt, kunnen na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij schriftelijke overeenkomst worden gewijzigd of ingetrokken. 2. De [artikelen 118 tot en met 120 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=118), zoals deze luidden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de voor dat tijdstip ingediende verzoekschriften tot verkrijging van goedkeuring voor het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden staande het huwelijk als bedoeld in [artikel 119 van dat boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=119) . Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5341,"b":"Regeling tot vaststelling van de aanpassingen van het bedrag per hectare land en binnenwater in verband met de herziening van het wegenbeheer Gelet op [artikel 2, derde lid, van het Besluit integratie-uitkering WUW-middelen Gemeentefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006567&artikel=2); Besluiten: Artikel 1 De in [artikel 2, derde lid, van het Besluit integratie-uitkering WUW-middelen Gemeentefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006567&artikel=2) bedoelde aanpassingen van het bedrag per hectare voor de maatstaf land vermenigvuldigd met de bodemfactor gemeente en het bedrag per hectare voor de maatstaf binnenwater bedragen voor beide maatstaven in de uitkeringsbasis: | **Jaar** | **Bedrag** | **Jaar** | **Bedrag** | | --- | --- | --- | --- | | 2001 | f 1,89 | 2010 | € 0,86 | | 2002 | € 1,13 | 2011 | € 0,75 | | 2003 | € 1,01 | 2012 | € 1,07 | | 2004 | € 1,10 | 2013 | € 1,49 | | 2005 | € 1,32 | 2014 | € 0,07 | | 2006 | € 1,07 | 2015 | € 0,06 | | 2007 | € 1,19 | 2016 | € 0,08 | | 2008 | € 2,29 | 2017 | € 0,20 | | 2009 | € 0,69 | 2018 | € 0,41 | De bedoelde maatstaven zijn opgenomen in het [Besluit financiële verhouding 2001, bijlage 2, nummers 18 en 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012216&bijlage=2). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt met ingang van het uitkeringsjaar 1997. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling integratie WUW-middelen gemeentefonds. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5406,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241276, houdende vaststelling regels in verband met de implementatie van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en de sturing van en het toezicht op de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster (Regeling sturing van en toezicht op de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster) Gelet op de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=26) en [32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=32) en de [artikelen 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=31) en [31a van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=31a); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **de Kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - **de wet:** de [Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463). § 2. Bestuur en raad van toezicht van de Dienst Artikel 2. Ontstentenis bestuur De Dienst informeert de minister onverwijld over de ontstentenis van een lid van de raad van bestuur met het oog op een door de minister te treffen voorziening. Artikel 3. Rol raad van toezicht De raad van toezicht oefent onafhankelijk van bestuur en minister toezicht uit. De raad van toezicht heeft een interne toezichtfunctie en is daarbij gericht op het beleid van de directie en op de algemene gang van zaken in de Dienst. De raad van toezicht richt zich bij de vervulling van de taak naar het belang van de Dienst en weegt daartoe de in aanmerking komende belangen van de bij de Dienst betrokkenen af. § 3. Financieel toezicht Artikel 4. Begroting De Dienst zendt jaarlijks voor 1 september ter informatie de conceptbegroting voo"},{"i":6105,"b":"Vreemdelingencirculaire 2000 (A) Afkortingenlijst Lijst Richtlijnen, Verordeningen en Verdragen A1. Toegang 1. Inleiding 4. De verhouding tussen de Minister, de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke Marechaussee 1.1. Definities 2. Bevoegdheid 1.1. Toegang/Schengen 2. Bevoegdheid 1.3. Grensdoorlaatposten 1.3.1. Verdeling uitoefening grensbewakingstaken De ambtenaren van de KMar zijn belast: De Beneluxlidstaten zijn overeengekomen om het havengebied Gent-Terneuzen, met inbegrip van het kanaal Gent-Terneuzen, te beschouwen als buitengrens van het grondgebied van de Benelux voor de personencontrole van opvarenden van zeeschepen in de kanaalzone Gent-Terneuzen. De grensdoorlaatpost in het havengebied Gent-Terneuzen wordt als buitengrens van het Schengengebied beschouwd. 2. Bevoegdheden In Nederland zijn de ambtenaren van politie, de KMar en de ZHP bevoegd om visa, daaronder begrepen een mvv, nietig te verklaren en in te trekken. De ambtenaren van politie, de KMar en de ZHP maken de beslissing tot nietigverklaring of intrekking van een visum, anders dan een mvv, en de gronden waarop deze beslissing is gebaseerd aan de vreemdeling kenbaar door middel van een standaardformulier (bijlage VI Visumcode). De ambtenaren van politie, de KMar en de ZHP maken de beslissing tot annulering (nietigverklaring) of intrekking van een mvv bekend door middel van Model M8. De ambtenaren van politie, de KMar en de ZHP stellen de IND in kennis van de intrekking of nietig verklaren van het visum. 3. Voorwaarden 3. Handelingen na aantreffen aan de Nederlandse buitengrens bij inreis van een al dan niet gesignaleerde vreemdeling De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen is bevoegd op grond van de in [artikel 50, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50) toegekende bevoegdheid de vreemdeling over te brengen naar een plaats bestemd voor verhoor en de vreemdeling zich op die plaats laten ophouden. 3. Handelingen na aantre"},{"i":2072,"b":"Aanvraagprocedure exameninstellingen betreffende recht op examinering mbo 2015 Deel I. Algemeen 1. Recht op examinering 1.1. Inleiding Deze publicatie bevat informatie over de procedure voor het aanvragen van het recht tot examinering van een beroepsopleiding door een exameninstelling. Deze aanvraag geldt ook als aanmelding voor registratie in het centraal register beroepsopleidingen (crebo). Met het recht op examinering kan een exameninstelling in opdracht van een onderwijsinstelling de verantwoordelijkheid voor examinering voor de betreffende beroepsopleiding op zich nemen. Er is dan sprake van uitbesteding, waarbij de onderwijsinstelling de verantwoordelijkheid voor de examinering van de opleiding volledig heeft overgedragen aan de exameninstelling. De wet tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake de herziening van de kwalificatiestructuur is in voorbereiding. De verwachte inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is 1 augustus 2016 (onder voorbehoud van aanvaarding van het wetsvoorstel in de Eerste en Tweede Kamer der Staten Generaal). Dit houdt in dat met ingang van 1 augustus 2016 opleidingen op basis van de herziene kwalificatiedossiers aangeboden moeten worden, aangevuld met verplichte keuzedelen. De herziene kwalificatiedossiers krijgen zelfstandige crebocodes. De keuzedelen worden pas na inwerkingtreding van de wetswijziging vastgesteld. Vooruitlopend op voornoemde wetswijziging is op 27 februari 2015 de [Regeling vaststelling kwalificatiedossiers 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036352) in de Staatscourant geplaatst, te vinden via de link http://wetten.overheid.nl. Deze kwalificatiedossiers zijn op vrijwillige basis geldig voor de cohorten vanaf 1 augustus 2015. Het criterium voor het verlenen van het recht tot examinering is de borging van voldoende examenkwaliteit van die opleidingen. Dit wordt afgemeten aan de standaarden voor examenkwaliteit (zie [Regeling standaarden examenkwaliteit 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":6191,"b":"Wet van 15 december 1971, houdende een nieuwe regeling betreffende het ambtelijk toezicht bij openbare verkopingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat openbare verkopingen ook na intrekking van [artikel 103 van de Registratiewet](onbekend) 1917 ten overstaan van notarissen of deurwaarders zullen plaatsvinden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het is verboden openbare verkopingen bij opbod, bij opbod en afslag of bij afslag van roerende zaken, met uitzondering van zaken, toebehorende aan of beheerd door de Staat, provincies, gemeenten, waterschappen, veenschappen, veenpolders of andere lichamen aan wie krachtens de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) verordenende bevoegdheid is verleend, te houden, anders dan ten overstaan van notarissen of van deurwaarders bij de rechterlijke colleges. Artikel 2 1. De bepaling van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002798&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01) is niet van toepassing op verkopingen, welke gedurende ten minste zes weken van het jaar ten minste eenmaal per week in hetzelfde gebouw of op het zelfde terrein plaats hebben en waarbij uitsluitend voortbrengselen van een zelfde tak van bedrijf worden verkocht alsmede op verkopingen van te velde staande gewassen en op verkopingen door de strandvonder, bedoeld in de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001951&artikel=14) en [17 van de Wet op de strandvonderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001951&artikel=17). 2. Onze Minister van Justitie kan bepalen, dat de bepaling van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002798&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01) niet van toepassing is op de door hem aan te wijzen openbare verkopingen bij afslag. Artikel 3 Bevat wijziging"},{"i":6625,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 23 november 2014, nr. WJZ / 14185380, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-subsidies houdende een wijziging van de TKI-toeslag Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19) en [25 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling nationale EZ-subsidies. Artikel II Op aanvragen voor TKI toeslag die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend, op TKI toeslag die vóór inwerkingtreding van deze regeling is verleend en op TKI toeslag die vóór inwerkingtreding van deze regeling is vastgesteld, blijft het recht van toepassing zoals dat luidde onmiddellijk vóór inwerkingtreding. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5675,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juli 2014, kenmerk 641412-123384 PG, houdende regels voor de subsidiëring van abortusklinieken (Subsidieregeling abortusklinieken) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister voor Medische Zorg; - b. vervallen; - c. **zwangerschapsafbreking:** behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap, met inbegrip van de daaraan verbonden gesprekken, nazorg en nacontrole; - d. **eerste trimesterbehandeling:** zwangerschapsafbreking tot en met 12 weken en 6 dagen amenorroe; - e. **tweede trimesterbehandeling:** zwangerschapsafbreking vanaf 13 weken amenorroe; - f. **consult:** gesprek met een arts in verband met het voornemen om een zwangerschap af te breken zonder dat in die zwangerschap in die betreffende kliniek een afbreking plaatsvindt; - g. **PSA (procedurele sedatie en/of analgesie):** het toedienen van een sedativum of (sederend) analgeticum in het kader van een zwangerschapsafbreking; - h. **jaarrekening:** jaarrekening als bedoeld in [artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=361); - i. **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393); - j. **langdurige anticonceptie:** een intra-uterien hulpmiddel of etonogestrel implantatiestaafje; - k. **algehele anesthesie:** het door middel van narcotica teweegbrengen van een omkeerbare en gecontroleerde toestand van bewusteloosheid, pijnloosheid en uitschakeling van lichaamsreflexen; - l. **abortushulpverlening:** de activiteiten, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035433&paragraaf=1&artikel=4&z=2025-12-31&g=2025-12-31), voor zowel personen die overeenkomstig de [Wet la"},{"i":2124,"b":"Regeling van 2 december 2005, nr. HDJZ/SCH/2005-2257, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende het aanwijzen van de bevoegde autoriteiten van de reglementen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (Aanwijzing bevoegde autoriteiten reglementen CCR) Gelet op [artikel 2 van het Besluit Reglement radarpatenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010916&artikel=2), [artikel 2 van het Besluit Reglement Rijnpatenten 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008935&artikel=2), [artikel 2 van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007857&artikel=2), artikel 2, eerste lid, van het Besluit Reglement veiligheidspersoneel passagiersschepen en [artikel 3 van het Besluit Rijnvaartpolitiereglement 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006922&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Als bevoegde autoriteiten, bedoeld in het [Rijnvaartpolitiereglement 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923), worden aangewezen: - 1. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat in de artikelen: [2.02, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=2.02); [4.06, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=4.06); [15.05, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=15.05). - 2. Het College van gedeputeerde staten van de provincie, waarin de inrichting voor het ontvangen van afval is gelegen, dan wel de beheerder van een havenontvangstinrichting in het artikel: [15.05, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=15.05). - 3. De Commissie van Deskundigen, bedoeld in [artikel 2.01 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025973&artikel=2.01) in het artikel: [1.07, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.07). - 4. De Hoofdingenieur-Directeur van het Directoraat-Gen"},{"i":14091,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 juni 2016, nr. WJZ/800938 (6670), houdende regels voor onderwijsinstellingen omtrent het uitzetten van gelden, het aangaan van leningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële derivaten (Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016) Gelet op de [artikelen 148a van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=148a), [143a van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=143a), [99a van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=99a), [2.2.4b van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.4b) en [2.17, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=2.17); Besluit: § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **achtergestelde spaarrekeningen of deposito’s:** spaarrekeningen of deposito’s die in geval van faillissement de terugbetaling pas plaatsvindt nadat de andere schuldeisers hun geld hebben ontvangen; - **beleggingen:** uitzettingen van middelen die tijdelijk niet benodigd zijn om aan lopende financiële verplichtingen te voldoen, met uitzondering van financiële derivaten; - **externe toezichthouder:** de Inspectie van het Onderwijs; - **financiële derivaten:** financiële contracten waarvan de waarde is afgeleid van de waarde van de onderliggende lening; - **financiële onderneming:** een onderneming die in een lidstaat het bedrijf van bank mag uitoefenen, beleggingsdiensten mag verlenen, beleggingsinstellingen mag beheren, rechten van deelneming in een beleggingsmaatschappij mag aanbieden, of het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen; - **instellingen:** door de minister bekostigde onderwijsaanbieder als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wet"},{"i":5307,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 24 oktober 2016, nr. WJZ/16152571, tot vaststelling van categorieën niet-automatisch voortrollende vergunningen en andere wijzigingen (Regeling categorieën niet-automatisch voortrollende vergunningen) Gelet op [artikelen 2.3, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=2.3), [3.17, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.17), [7.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.1a), [11.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.9) en [14.1, tweede lid, onderdeel a, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=14.1), [artikel 4.06, eerste, derde en vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.06), [artikel 14, vierde lid, van de Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=14), de [artikelen 7e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=7e), [11b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=11b), en [14b, tweede lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=14b), [artikel 6, zesde lid, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=6), [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=3) en [4, achtste lid, van de Scheepvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4), [artikel 2b, vijfde lid, van het Warenwetbesluit algemene productveiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006158&artikel=2b) en de [artikelen 18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023775&artikel=18) en [21, vierde lid, van de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023775&artikel=21); Besluit: Artikel 1 De volgende vergunningen worden"},{"i":6569,"b":"Besluit van 24 februari 2022, houdende wijziging van het Tuchtrechtbesluit BIG in verband met het terugbrengen van het aantal regionale tuchtcolleges van vijf naar drie en het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied verloskundige 2008 in verband met een nadere invulling van de tijdens de stages te verrichten episiotomieën Op de voordracht van van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 28 januari 2022, kenmerk 3313455-1023811-WJZ; Gelet op de [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=30), [53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=53), en [94 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=94) en [artikel VI van de Wet van 22 december 2021 tot wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met de organisatie van de regionale tuchtcolleges en tot het aanbrengen van enkele andere wijzigingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046194&artikel=VI) (Stb. 2022, 15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 februari 2022, no. W13.22.00004/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 februari 2022, kenmerk 3325854-1023811-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Tuchtrechtbesluit BIG. Artikel II De bevoegdheid tot behandeling van zaken die direct voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046376&artikel=I&z=2022-04-01&g=2022-04-01), van dit besluit aanhangig waren bij de regionale tuchtcolleges te Den Haag, Eindhoven en Groningen, gaat bij inwerkingtreding van dat artikel over op de colleges van respectievelijk Amsterdam, ’s‑Hertogenbosch en Zwolle, bij welke colleges de behandeling van de zaak wordt voortgezet in de stand van de procedure waarin deze zich bevindt. Artikel III Wijzigt het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied verlosku"},{"i":6542,"b":"Besluit van 23 maart 1998, houdende wijziging van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978 Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 juni 1997, nr. DGG/J 97004903, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de op 15 februari 1966 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen, met Bijlage en Protocol van Ondertekening (Trb. 1967, 43), en op [artikel 89 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89); De Raad van State gehoord (advies van 4 augustus 1997, nr. W09.97.0349) Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 maart 1998, nr. DGG/J 98002907, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978. Artikel II Ten aanzien van een binnenvaartuig waarvan het vlak van de grootste toegelaten diepgang bij de laatste meting is vastgesteld volgens [artikel 5 van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003246&artikel=5) zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, kan bij hermeting het vlak van de grootste toegelaten diepgang op verzoek van de belanghebbende worden vastgesteld met toepassing van dat vervallen artikel 5, mits het vaartuig sinds de laatste meting geen verbouwing heeft ondergaan die van invloed kan zijn op de vaststelling van dat vlak. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 1998. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2628,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 12 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241278, houdende vaststelling beleidsregels voor de sturing van en het toezicht op de Luchtverkeersleiding Nederland (Beleidsregels sturing van en toezicht op de Luchtverkeersleiding Nederland) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21); Besluit: § 1. **Algemene bepalingen** Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regels wordt verstaan onder: - **common requirements:** uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 van de Commissie tot vaststelling van de gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten en tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 482/2008](32008R0482) en (EU) [nr. 691/2010](32010R0691) (PbEU L271); - **vergoedingenverordening:** verordening (EU) Nr. 1794/2006 van 6 december 2006 tot vaststelling van een gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten PbEU L 341); - **verordening inzake prestatiesturing:** verordening (EU) nr. 691/2010 van 29 juli 2012 tot vaststelling van een prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties en tot wijziging van [Verordening (EG) nr. 2096/2005](32005R2096) tot vaststelling van gemeenschappelijk eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten (PbEU L 201); - **de Kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - **de minister:** de Minister van Infrastructuur en Milieu; - **de wet:** de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555). § 2. **Bestuur van de LVNL** Artikel 2. Goedkeuring bestuursreglement Bij de goedkeuring van het bestuursreglement op grond van [artikel 11 Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11) juncto [artikel 5.34 van de wet](https://we"},{"i":3951,"b":"Besluit van 10 december 2001, houdende nadere regels met betrekking tot de rechtspositie van de leden van de gerechtsbesturen en de leden van de Raad voor de rechtspraak (Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 november 2001, Directie Wetgeving, nr. 5134463/01/6; Gelet op de [artikelen 16, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=16), [25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=25), en [86, eerste, zesde, zevende en achtste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=86), [3 van de Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170&artikel=3) en [4 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002144&artikel=4); De Raad van State gehoord (advies van 28 november 2001, nr. W03.01.0619/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 6 december 2001, nr. 5137764/01/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter onderscheidenlijk rechterlijk lid, anders dan voorzitter, van de Raad voor de rechtspraak is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in [artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=7) in categorie 2 onderscheidenlijk categorie 3 zijn ingedeeld. 2. Het bruto maandsalaris behorende bij de functies van voorzitter van het bestuur van een gerechtshof, voorzitter van het bestuur van de Centrale Raad van Beroep en voorzitter van het bestuur van het College van Beroep voor het bedrijfsleven is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in [artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=7) in categorie 3 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51. 3"},{"i":4922,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën van 6 januari 2025, kenmerk 2024-0000582936, houdende verlening van ondermandaat aan de voorzitter van de Commissie Werkelijke Schade inzake budget en personeel (Mandaatbesluit voorzitter Commissie Werkelijke Schade 2024) Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=8), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=12) en [13 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=13), [artikel 15 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=15), [artikel 5.1 van de Wet hersteloperatie Toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=5.1), [artikel 5a van de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045235&artikel=5a) en [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6), Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a). **CWS:** de Commissie Werkelijke Schade als bedoeld in [artikel 3, eerste lid van de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045235&artikel=3); - b). **Voorzitter van de CWS:** de voorzitter als bedoeld in [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045235&artikel=5) en [5a, eerst lid van de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045235&artikel=5a); - c). **De operationeel directeur van de CWS:** de operationeel direct"},{"i":4924,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2010, nr. DMO/OHW-U-3031548, houdende het verlenen van mandaat aan het bestuur van het Nationaal Comité 4 en 5 mei om subsidies te verstrekken voor activiteiten in relatie tot de Tweede Wereldoorlog (Mandaatbesluit VWS Nationaal Comité 4 en 5 mei) Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gezien de schriftelijke instemming van het bestuur van het Nationaal Comité 4 en 5 mei van 30 september 2010; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **het Comité:** Stichting Nationaal Comité 4 en 5 mei voor de Nationale Herdenking en Viering van de Bevrijding; - c. **het subsidiebeleid:** het beleid van de minister voor het verstrekken van subsidies voor de activiteiten educatie, reünies en lotgenotencontacten in relatie tot de Tweede Wereldoorlog. Artikel 2 1. De minister verleent aan de voorzitter van het bestuur van het Comité mandaat met betrekking tot het verstrekken van projectsubsidies op grond van de [Kaderregeling VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029947) voor activiteiten die passen binnen het subsidiebeleid. 2. De voorzitter van het bestuur van het Comité is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan personen binnen de organisatie op het niveau van de directie of ten hoogste één niveau lager tot het geheel of gedeeltelijk uitoefenen van de op grond van dit besluit toegekende bevoegdheden. 3. Een beslissing op bezwaar wordt door een andere persoon genomen dan de persoon die het besluit heeft genomen als bedoeld in het eerste lid. Artikel 3 1. De gemandateerde ondertekent een in mandaat genomen besluit met gebruikmaking van de formulering: De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, namens deze, (functie, handtekening en naam van de ondertekenaar). 2. Het Comité stuurt de minister een"},{"i":4923,"b":"Mandaatbesluit VRO 2025 gelet op [artikel 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), In overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Besluit vast te stellen het navolgende Mandaatbesluit VRO: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Ministerie:** het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO); - b. **Minister:** de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - c. **bewindspersoon:** de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ontwikkeling; - d. **Staat:** de Staat der Nederlanden; - e. **Secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministerie; - f. **Plaatsvervangend secretaris-generaal:** plaatsvervangend secretaris-generaal bij het Ministerie van BZK; - g. **een directeur-generaal:** directeur-generaal bij het Ministerie van BZK; - h. **directeur:** de leidinggevende werkzaam binnen een in het [Organisatiebesluit BZK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051449) genoemd dienstonderdeel die rechtstreeks ressorteert onder de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of een (programma) directeur-generaal; - i. **mandaat:** de bevoegdheid om namens de bewindspersoon besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen; - j. **volmacht:** volmacht als bedoeld in [artikel 3:60, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=60), om namens de Staat der Nederlanden rechtshandelingen te verrichten; - k. **werkterrein:** de taken van de betreffende functionaris en zijn dienstonderdeel overeenkomstig het Organisatiebesluit VRO en het daaraan gelieerde [Organisatiebesluit BZK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051449) en de daarop berustende bepalingen, uitsluitend voor zover deze taken behoren tot de beleidsmatige en beleidsuitvoerende portefeuille van de minister. A"},{"i":2752,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2007 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2007, doch niet later dan 15 augustus 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,450 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2007 en eindigende met 15 augustus 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":3391,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 20 mei 2021 nr. BOACAT2021/023, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Roermond Gelezen het verzoek van de gemeente Roermond van 17 mei 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045160&artikel=2&z=2021-05-25&g=2021-05-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van gemeentelijk opsporingsambtenaar en toezichthouder in dienst van de gemeente Roermond, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het"},{"i":2074,"b":"Aanvullend besluit bij de Organisatieregeling dienstonderdelen OM Overwegende dat de [Organisatieregeling dienstonderdelen OM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009155) van 15 december 1997 een beheersstructuur geeft voor de dienstonderdelen bij het openbaar ministerie; Overwegende dat het, in verband met de positionering van het bureau verkeershandhaving openbaar ministerie (BVOM) als dienstonderdeel bij het openbaar ministerie per 1 maart 2001, wenselijk is dat het BVOM als afzonderlijke dienst onder deze beheersstructuur wordt gebracht; Besluit: Artikel 1. (Landelijke dienst) Het bureau verkeershandhaving openbaar ministerie (BVOM) is een landelijke dienst, die ressorteert onder het College van procureurs-generaal. Artikel 2. (Bureau verkeershandhaving openbaar ministerie) 1. Het Bureau verkeershandhaving openbaar ministerie (BVOM) is gevestigd te Soesterberg. 2. Het BVOM heeft met betrekking tot de verkeershandhaving tot taak: - a). het verlenen van ondersteuning aan de portefeuillehouder van het College van procureurs-generaal; - b). het bieden van expertise aan het openbaar ministerie en politieonderdelen; - c). het uitoefenen van het gezagsmandaat over de divisie Mobiliteit van het Korps Landelijke Politiediensten; - d). het uitvoeren van projectmanagement, in de vorm van het opzetten en coördineren van regionale plannen voor verkeershandhaving; - e). het afhandelen van beroepen inzake de Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften, voorzover voortkomend uit de Klimaatnota; - f). overige ter zake door het College op te dragen taken. 3. Aan het hoofd van het BVOM staat een officier van justitie met de titel hoofd van het BVOM, die ondergeschikt is aan het College van procureurs-generaal. 4. Het hoofd van het BVOM is belast met de dagelijkse leiding van het BVOM. 5. Het hoofd van het BVOM maakt schriftelijke afspraken met de directeur arrondissementale stafdienst in het arrondissement Utrecht over de door de arrondissementale stafdienst te verle"},{"i":2307,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 25 november 2011, nr. DWJZ/G&E-3093665, houdende aanwijzing van ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het Warenwetbesluit cosmetische producten (Aanwijzingsbesluit toezichthouders cosmetische producten) Gelet op [artikel 25, eerste lid, onder a, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het [Warenwetbesluit cosmetische producten 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029746) zijn mede belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit toezichthouders cosmetische producten. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4123,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 21 november 2024, nr. 2024-0000691703, tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de algemene uitkering uit het provinciefonds voor het uitkeringsjaar 2021 Gelet op [artikel 9, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9); Besluiten: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2021 worden de bedragen per eenheid voor de algemene uitkering uit het provinciefonds, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050787&bijlage=1&z=2025-02-20&g=2025-02-20). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage 1. De bedragen per eenheid voor de algemene uitkering uit het provinciefonds voor het uitkeringsjaar 2021 (bijlage bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050787&artikel=1&z=2025-02-20&g=2025-02-20)) | nr | verdeelmaatstaf | bedragen per eenheid in € | | --- | --- | --- | | 1 | opcenten motorrijtuigenbelasting | – 65,90 | | 2a | rendement eigen vermogen Groningen | – 8.803.660 | | 2b | rendement eigen vermogen Fryslân | – 15.806.425 | | 2c | rendement eigen vermogen Drenthe | – 3.364.478 | | 2d | rendement eigen vermogen Overijssel | – 28.769.476 | | 2e | rendement eigen vermogen Gelderland | – 57.073.141 | | 2f | rendement eigen vermogen Utrecht | – 6.786.948 | | 2g | rendement eigen vermogen Noord-Holland | – 18.256.839 | | 2h | rendement eigen vermogen Zuid-Holland | – 2.481.924 | | 2i | rendement eigen vermogen Zeeland | – 10.021.375 | | 2j | rendement eigen vermogen Noord-Brabant | – 46.093.443 | | 2k | rendement eigen vermogen Limburg | – 23.792.099 | | 2l | rendement eigen vermogen Flevoland | – 1"},{"i":6151,"b":"Besluit van 1 augustus 1995, houdende Warenwetbesluit motor- en bromfietshelmen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 februari 1995; nr. VVP/P 95180, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op artikel 8, onder **a**, van de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969); De Raad van State gehoord (advies van 1 mei 1995, nr. W13.95.0073); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 1995; DGVgz/VVP/P 951248 uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. helm: motor- en bromfietshelm als bedoeld in artikel 60 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - b. reglement 22: de \"Uniform provisions concerning the approval of protective helmets for drivers and passengers of motorcycles\", behorende bij het op 20 maart 1958 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende het aannemen van eenvormige goedkeuringsvoorwaarden en de wederzijdse erkenning van goedkeuring van uitrustingsstukken en onderdelen van motorvoertuigen gesloten (**Trb.** 1959; 83). Artikel 2 Het is verboden helmen te verhandelen anders dan met inachtneming van de voorschriften bij dit besluit gesteld met betrekking tot de aanduiding. Artikel 3 1. Helmen zijn voorzien van een aanduiding die overeenkomt met de aanduiding die in de bijlage behorende bij dit besluit als model is weergegeven. 2. Helmen zijn uitsluitend van de in het eerste lid genoemde aanduiding voorzien indien deze is aangebracht naar aanleiding van goedkeuring van de helmen op grond van de bepalingen van reglement 22. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op helmen die voldoen aan voorschriften of normen die; op aanvraag van de belanghebbende, door Onze Minister zijn gelijkgesteld aan het veiligheidsniveau van reglement 22. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang"},{"i":6098,"b":"Voorlichting over leerlinggebonden financiering (lgf) Informatie naar aanleiding van veelgestelde vragen over lgf Op 1 augustus a.s. wordt de leerlinggebonden financiering (lgf) ingevoerd (zie Stb. 2002, 631, Stb. 2003, 54 en de ministeriële regeling m.b.t. de wijziging van een aantal data in de WEC die op 19 maart 2003 in het Gele Katern is gepubliceerd). De voorbereiding van scholen op de inwerkingtreding van deze wet leidt regelmatig tot vragen aan onder meer ICO en de wegbereiders lgf. Onderstaand vindt u antwoorden per onderwerp waar veel vragen over worden gesteld. Het betreft hier allereerst een blok met vragen van REC’s en (v)so-scholen. Daarna volgt informatie naar aanleiding van vragen van reguliere scholen. Scholengemeenschap ([artikel 71b WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71b)) Residentiële plaatsen ([artikel 71c WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71c)) Nevenvestigingen ([artikel 76a WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=76a)) Verbrede toelating ([artikel 76a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=76a)) Expertisebekostiging voor bestaande scholen voor meervoudig gehandicapten ([artikel VII van de wet van 28 november 2002 tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van een leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra (regeling leerlinggebonden financiering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014350&artikel=VII)) [Formatiegarantieregeling](onbekend) ([artikel X van de wet van 28 november 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014350&artikel=X) tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van een leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra (regeling leerlinggebonden financiering) Ambulante bege"},{"i":3247,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 januari 2024, nr. BOACAT2023/084, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Haarlemmermeer, Dienst Justis Gelezen het verzoek van de gemeente Haarlemmermeer van 20 oktober 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27) waaruit blijkt dat de noodzaak tot het wijzigen van het eerder genoemde categoriale besluit aanwezig is; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049284&artikel=2&z=2024-02-29&g=2024-02-29). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver in dienst van de gemeente Haarlemmermeer, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opspo"},{"i":7859,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2018 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op 9,00%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040268&artikel=1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op 7,80%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2018. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7853,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2021 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op 7,03%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2021. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":9730,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake de beeïndiging van de onderlinge koppeling van de loodsgeldtarieven Het Koninkrijk der Nederlanden en Het Vlaams Gewest, hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen’’, Gelet op het op 19 april 1839 te Londen totstandgekomen Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België (hierna te noemen ‘het Tractaat’), Verwijzend naar de lange en hechte samenwerking op basis van het Tractaat tussen enerzijds het Koninkrijk België en het Vlaams Gewest en anderzijds het Koninkrijk der Nederlanden, die onder meer gestalte heeft gekregen in de in het Tractaat opgerichte Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart, Overeenkomend dat, op basis van dit Verdrag, de loodsgelden en loodsvergoedingen voor de Scheldevaart in het vervolg worden vastgesteld door het Vlaams Gewest, Overwegend dat tevens de voorwaarde vervalt, vervat in het op 12 mei 1863 te Brussel totstandgekomen Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België nopens de afkoop van de Scheldetol, dat de loodsgelden op de Schelde nimmer hoger zullen zijn dan de loodsgelden die geheven worden op de mondingen van de Maas; komen het volgende overeen: Artikel 1 Wijzigt het Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden; Londen, 19-04-1839. Artikel 2 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Vlaams Gewest tot herziening van het Reglement ter uitvoering van artikel IX van het Tractaat van 19 april 1839 en van Hoofdstuk II, Afdelingen 1 en 2, van het Tractaat van 5 november 1842, zoals gewijzigd, voor wat betreft het loodswezen en het gemeenschappelijk toezicht daarop (Scheldereglement); Middelburg, 11-01-1995. Artikel 3 Wijzigt het Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België nopens de afkoop van de Scheldetol; 's-Gravenhage, 12-05-1863. Artikel 4 1. Ov"},{"i":4556,"b":"Deelregeling extra budget meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024 Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2); Besluit Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten. Artikel 2. Doel Het bestuur kan meerjarige subsidies verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan een kwalitatief hoogwaardig en pluriform aanbod van professionele podiumkunsten in Nederland in de jaren 2021 tot en met 2024 en het opbouwen en bereiken van een publiek daarvoor. Artikel 3. Vereisten aanvragers Het bestuur verstrekt uitsluitend subsidie aan instellingen die een aanvraag hebben ingediend voor een meerjarige subsidie op grond van de [Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042786), welke aanvraag is: - −. ingedeeld in de categorie ‘honoreren voor zover het budget dat toelaat’; en - −. afgewezen op de grond dat het van toepassing zijnde subsidieplafond is bereikt. Artikel 4. Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt € 15.000.000 per kalenderjaar. Artikel 5. Hoogte subsidiebedrag 1. Aan de instellingen wordt het door de commissie geadviseerde bedrag toegekend. 2. Indien het subsidieplafond door toepassing van het bepaalde in lid 1 wordt overschreden, worden de te verlenen subsidiebedragen naar rato verlaagd tot het niveau waarbinnen het totaal beschikbare bedrag volledig kan worden benut. Artikel 6. Procedure 1. Het bestuur verleent de subsidie zonder voorafgaande aanvraag. 2. Subsidie wordt verstrekt voor een periode van vier jaar. 3. Het bestuur kan in afwijking van het bepaalde in het tweede lid subsidie verlenen voor een kortere periode als de financiële gegevens"},{"i":7852,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2020 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op 6,77%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2020. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7854,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2022 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op 7,05%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2022. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5819,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 5 februari 2024, nr. 43729265, houdende regels voor subsidieverstrekking ten behoeve van de verbetering van de verbinding tussen het primair en voortgezet onderwijs (Subsidieregeling verbinding po-vo) Gelet op [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71), [artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67), [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11) en [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag van een school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1),[artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) of [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **coalitie:** groep van po-, vo- en – indien van toepassing – so-scholen, die uitvoering geven aan de doelstelling, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049346&artikel=3&z=2024-04-27&g=2024-04-27). - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **externe partij:** partij anders dan een school of samenwerkingsverband; - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs - **penvoerder:** bevoegd gezag van een van de scholen in de coalitie dat als penvoerder optreedt bij de aanvraag van subsidie op grond van deze regeling; - **po-school:** uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](htt"},{"i":4457,"b":"Circulaire 2019 (onkosten)vergoeding voor politieke ambtsdragers van provincies, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties **Met ingang van 1 januari 2019 zullen circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers uitsluitend nog bekend worden gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website** **www.politiekeambtsdragers.nl** **. U kunt zich met een RSS-feed abonneren op deze site. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering. Gedurende het jaar 2018 worden bij wijze van overgangsmaatregel de circulaires ook nog per post verzonden.** Door middel van deze circulaire wordt u, zoals elk jaar gebruikelijk, geïnformeerd over de wijzigingen van de bedragen van de (onkosten)vergoedingen voor de commissarissen van de Koning, de leden van provinciale staten, de leden van gedeputeerde staten en de commissieleden per 1 januari 2019. Omdat het doorvoeren van deze wijzigingen in de regelgeving tijd vergt, wordt u, vooruitlopend op het formeel van kracht worden van die wijzigingen, door middel van deze circulaire geïnformeerd over de aanstaande wijzigingen voor commissarissen, gedeputeerden en statenleden. U kunt deze wijzigingen nu al doorvoeren. Over de wijzigingen van de bezoldigingsbedragen per 1 juli 2018 voor de commissarissen van de Koning en de gedeputeerden en over de tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering voor de statenleden bent u reeds bij circulaire van 9 augustus 2018 geïnformeerd. Deze bedragen zijn omwille van het totaaloverzicht nogmaals in deze circulaire opgenomen. 1. Nieuw rechtspositiebesluit Met ingang van 28 maart 2019 zal er voor commissarissen van de Koning, gedeputeerden en statenleden sprake zijn van een nieuw [rechtspositiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522). Alle voormalige, voor de verschillende politieke ambten van de decentrale bestuursorganen, geldende rechtspositiebesluiten worden gebundeld in éé"},{"i":6217,"b":"Wet van 14 september 2006 tot gemeentelijke herindeling van een aantal gemeenten in het westelijk deel van Midden-Limburg Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Haelen, Heythuysen, Hunsel en Roggel en Neer en de gemeenten Heel, Maasbracht en Thorn samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Haelen, Heel, Heythuysen, Hunsel, Maasbracht, Roggel en Neer, en Thorn opgeheven. Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de nieuwe gemeenten Leudal en Maasgouw ingesteld. 2. De nieuwe gemeente Leudal bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Haelen, Heythuysen, Hunsel en Roggel en Neer, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. De nieuwe gemeente Maasgouw bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Heel, Maasbracht en Thorn, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeenten Leudal en Maasgouw worden de op te heffen gemeente Heythuysen, respectievelijk Maasbracht aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Haelen, Heythuysen, Hunsel en Roggel en Neer en de op te heffen gemeenten Heel, Maasbracht en Thorn worden de nieuwe gemeenten Leudal, respectievelijk Maasgouw aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 3"},{"i":6216,"b":"Wet van 29 juni 2000 tot gemeentelijke herindeling van West-Overijssel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling in West-Overijssel te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande gemeenten opgeheven. Avereest Brederwiede Dalfsen Genemuiden Gramsbergen Hardenberg Hasselt Heino Kampen Nieuwleusen Olst Raalte Steenwijk Wijhe IJsselham IJsselmuiden Zwartsluis Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande nieuwe gemeenten ingesteld. Dalfsen Zwartewaterland Hardenberg Kampen Olst Raalte Steenwijk 2. In tabel 1 is aangegeven uit het gebied van welke op te heffen gemeenten het gebied van elk der nieuwe gemeenten bestaat, met dien verstande dat de grenzen van de nieuwe gemeenten komen te lopen zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Tabel 1. Gebiedsbepaling nieuwe gemeenten | nieuwe gemeente | bestaande uit de op te heffen gemeenten | | --- | --- | | Dalfsen | Dalfsen | | | Nieuwleusen | | Zwartewaterland | Genemuiden | | | Hasselt | | | Zwartsluis | | Hardenberg | Avereest | | | Gramsbergen | | | Hardenberg | | | | | Kampen | Kampen | | | IJsselmuiden | | Olst | Olst | | | Wijhe | | Raalte | Heino | | | Raalte | | Steenwijk | Brederwiede | | | Steenwijk | | | IJsselham | Paragraaf 2. Grenswijzigingen van gemeenten die niet worden opgeheven Artikel 3 De grenzen van de gemeenten Zwolle en Staphorst worden gewijzigd zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 3. Bepalingen in verband met de toepassing van de Wet algemene regels herindeling Artikel 4 In tabel 2 zijn voor de nieuwe gemeenten de op te heffen gemeenten aangewezen in verband met de toepassing"},{"i":6507,"b":"Besluit van de raad van bestuur van het Fonds Podiumkunsten tot wijziging van de Deelregeling projectsubsidies Fonds Podiumkunsten, de Deelregeling internationaliseringssubsidies Fonds Podiumkunsten, de Deelregeling composities en libretto's Fonds Podiumkunsten, de Deelregeling programmeringssubsidies Fonds Podiumkunsten en de Tijdelijke regeling van het Fonds Podiumkunsten voor live-uitvoeringen tijdens de Covid-19crisis (Balkonscènes) Artikel I Wijzigt de Deelregeling projectsubsidies Fonds Podiumkunsten. Artikel II Wijzigt de Deelregeling internationaliseringssubsidies Fonds Podiumkunsten. Artikel III Wijzigt de Deelregeling composities en libretto's Fonds Podiumkunsten. Artikel IV Wijzigt de Deelregeling programmeringssubsidies Fonds Podiumkunsten. Artikel V Wijzigt de Tijdelijke regeling van het Fonds Podiumkunsten voor live-uitvoeringen tijdens de Covid-19crisis (Balkonscènes). Artikel VI De [Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds Podiumkunsten 2013–2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030587) wordt ingetrokken. Artikel VII Aanvragen voor het Programmeringssubsidie incidentele concerten popmuziek mogen nog tot en met 31 januari 2021 worden ingediend mits de activiteiten waarvoor wordt aangevraagd, hebben plaatsgevonden in 2020. Aanvragen worden afgehandeld op basis van de regeling zoals die gold op 31 december 2020. Artikel VIII 1. De [artikelen I tot en met IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044832&artikel=I&z=2021-02-19&g=2021-02-19) en de [artikelen VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044832&artikel=VI&z=2021-02-19&g=2021-02-19) en [VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044832&artikel=VII&z=2021-02-19&g=2021-02-19) treden met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari 2021. 2. [Artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044832&artikel=V&z=2021-02-19&g=2021-02-19) treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 november 2020. Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuu"},{"i":7968,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. DMO-OHW-U-3065710, houdende regels omtrent de bekostiging van de uitvoering van de taken van de Pensioen- en Uitkeringsraad en de Sociale verzekeringsbank, genoemd inde Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Bekostigingsregeling Wuvo) Gelet op [artikel 9, tweede lid, van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=9) en de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14), en [26 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=26); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660); - b. **AOR:** de Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië met inbegrip van het besluit van de Luitenant-Gouverneur Generaal van Nederlands-Indië van 5 november 1946 (Indisch Staatsblad 1946, 118); - c. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - d. **Raad:** de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); - e. **Sociale verzekeringsbank:** de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - f. **product:** een product als bedoeld in de bijlage bij deze regeling; - g. **begrote productie:** het geraamde aantal te realiseren eenheden product; - h. **realisatie productie:** het aantal tot stand gekomen eenheden product; - i. **tarief:** de vergoeding per eenheid product; - j. **normbegroting:** de begroting die is opgesteld op grond van genormeerde financiële uitgangspunten; - k. **normproductie:** het aantal eenheden product dat wordt gehanteerd bij"},{"i":7991,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 oktober 2023, houdende beperking openbaarheid archiefbescheiden van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de periode (1953) 1982–2006 (2009) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en c van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 20 september 2023, met kenmerk 40046311. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de periode (1953) 1982–2006 (2009). Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 45 | 2077 | | 47 | 2077 | | 48 | 2080 | | 49 | 2080 | | 51 | 2080 | | 52 | 2081 | | 62 | 2081 | | 64 | 2082 | | 633 | 2081 | | 634 | 2079 | | 635 | 2074 | | 636 | 2080 | | 637 | 2080 | | 638 | 2075 | | 639 | 2072 | | 640 | 2079 | | 641 | 2081 | | 642 | 2071 | | 643 | 2082 | | 644 | 2080 | | 645 | 2071 | | 646 | 2075 | | 647 | 2076 | | 649 | 2076 | | 650 | 2077 | | 651 | 2075 | | 652 | 2062 | | 653 | 2064 | | 654 | 2075 | | 655 | 2074 | | 656 | 2074 | | 657 | 2074 | | 658 | 2076 | | 659 | 2081 | | 660 | 2081 | | 661 | 2080 | | 662 | 2079 | | 663 | 2082 | | 664 | 2072 | | 665 | 2080 | | 666 | 2085 | | 667 | 2079 | | 668 | 2079 | | 669 | 2070 | | 670 | 2083 | | 671 | 2073 | | 672 | 2075 | | 673 | 2079 | | 674 | 2080 | | 675 | 2070 | | 676 | 2061 | | 677 | 2074 | | 678 | 2082 | | 679 | 2077 | | 680 | 2073 | | 681 | 2073 | | 682 | 2075 | | 683 | 2078 | | 685 | 2"},{"i":8038,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 27 maart 2019, kenmerk 1506290-188241-GMT, houdende de vaststelling van een beleidsregel inzake de interpretatie van het begrip medisch hulpmiddel Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 1, eerste lid, van de Wet op de medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002697&artikel=1); Besluit: Artikel 1 De Minister voor Medische Zorg neemt bij de interpretatie van het begrip medisch hulpmiddel als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002697&artikel=1), de maatregelen van de Europese Commissie, die overeenkomstig artikel 13, eerste lid, onderdeel d in samenhang met de procedure, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van [Richtlijn 93/42/EEG](31993L0042) van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PB 1993, L 169), kunnen worden vastgesteld, in acht. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8070,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Toelating Vreemdelingen vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 oktober 2009, nr. bca-2009.05465/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Toelating Vreemdelingen over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8078,"b":"Vaststelling selectielijsten Openbare en Bijzondere Universitaire Medische Centra (UMC) en bij de UMC geplaatste Medisch-Ethische Toetsingscommissies (METC’s), over de periode vanaf 1985 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 december 2012, nr. aca-2012.06628/7); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijsten voor de neerslag van de handelingen op het beleidsterrein Openbare en Bijzondere Universitaire Medische Centra (UMC) over de periode vanaf 1985’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld voor de volgende actoren: het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, het Universitair Medisch Centrum Groningen, het Leids Universitair Medisch Centrum, het Maastricht Universitair Medisch Centrum, het Universitair Medisch Centrum St Radboud te Nijmegen, het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam, het Universitair Medisch Centrum Utrecht, het Vrije Universiteit Medisch Centrum te Amsterdam, alsmede de volgende Medisch-Ethische Toetsingscommissies (METC’s): de Medisch Ethische Commissie van het AMC,de Commissie Medische Ethiek van het Leids Universitair Medisch Centrum, de Medische Ethische Toetsingscommissie van het Universitair Medisch Centrum Groningen, de Medisch Ethische Toetsings Commissie van het Erasmus Medisch Centrum, de Medisch Ethische Toetsingscommissie van het Universitair Medisch Centrum Utrecht, de Commissie Mensgebonden Onderzoek van het Universitair Medisch Centrum St Radboud te Nijmegen. Artikel 2 De ‘[selectielijsten voor de neerslag van de handelingen op het beleidsterrein Openbare en Bijzondere Universitaire Medische Centra (UMC), over de periode vanaf 1985](onbekend)’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nrs. [C/S&A/07/15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021267), [C/S&A/07/20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002"},{"i":8083,"b":"Besluit vervanging archiefbescheiden medische dossiers van medische keuringen van vliegers en luchtverkeersleiders, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat 2022 Overwegende dat het noodzakelijk is om in het kader van het digitale werken, ook digitaal te archiveren; Gelet op: de regeling van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012, nr. WJZ/466161 (10265), tot wijziging van de Archiefregeling in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; [artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). Artikel 1 1. over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in de bijlage. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vervanging archiefbescheiden medische dossiers van medische keuringen van vliegers en luchtverkeersleiders, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat 2022. Bijlage Niet opgenomen."},{"i":8085,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2023, kenmerk 3721016-1056531-MEVA houdende de wettelijke erkenning van de specialistentitel Spoedeisende Hulp arts (SEH-arts) en instemming met het besluit van het College Geneeskundig Specialismen (CGS) op 11 oktober 2023 tot vaststelling van het Besluit spoedeisende geneeskunde Gelezen de aanvraag met kenmerk CGS/mr/23-U 2282, van het College Geneeskundig Specialismen (CGS) als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14) (Wet BIG), Gelet op [artikel 14, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14), Gelet op het Besluit van 8 maart 2023 houdende de erkenning van de spoedeisende geneeskunde als medisch specialisme, Overwegende dat is voldaan aan de in [artikel 14, tweede lid, onder a t/m e van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14) genoemde voorwaarden en dat wettelijke erkenning van de specialistentitel Spoedeisende hulp-arts (SEH-arts) wenselijk is ter bevordering van de goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg, Overwegende dat bij dit besluit tot de wettelijke erkenning van de specialistentitel SEH-arts rekening is gehouden met de situatie zoals die gold op 8 maart 2023, te weten: het zogenaamde open format van de SEH-afdelingen, het generalistisch profiel van de SEH-arts en de driejarige opleidingsduur van de SEH-arts, Besluit: Dit besluit treedt op 1 januari 2024 in werking. Dit besluit en het Besluit spoedeisende geneeskunde van het CGS d.d. 11 oktober 2023 zullen in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8254,"b":"Wet van 21 oktober 1996, houdende regeling van de taakuitoefening door het RIVM (Wet op het RIVM) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wettelijk te regelen dat het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu zijn taken ten behoeve van de beleidsontwikkeling en het toezicht op het terrein van de volksgezondheid en het terrein van het milieu zelfstandig uitoefent; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK 1. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. RIVM: het rijksinstituut, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008289&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - c. de directeur-generaal: de directeur-generaal van het RIVM, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008289&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01). HOOFDSTUK 2. INSTELLING, TAAK EN WERKWIJZE Artikel 2 1. Er is een Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu, dat ressorteert onder Onze Minister. 2. De leiding van het RIVM berust bij de directeur-generaal. Artikel 3 1. Het RIVM heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten, tot taak: - a. monitoring, surveillance en onderzoek te verrichten dat is gericht op ondersteuning van de beleidsontwikkeling, de beleidsuitvoering, de bewaking van de veiligheid en de uitoefening van toezicht op het gebied van de volksgezondheid en het milieu; - b. periodiek te rapporteren over de toestand en de toekomstige ontwikkeling van de volksgezondheid en het milieu; - c. de landelijke aansturing en begeleiding uit te voeren van preventieprogramma’s die bij besluit van Onze Minister zijn vastgesteld; - d. deel te nemen aan internationale sa"},{"i":8092,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 12 augustus 2022, PO/F&V/33525597, houdende vaststelling van de bedragen voor personele bekostiging voor het primair onderwijs in Caribisch Nederland voor de eerste vijf maanden van het schooljaar 2022–2023 (Definitieve Regeling bekostiging personeel PO BES 2022–2023) Gelet op [artikel XI, vijfde lid jo. derde lid, van de Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op het voortgezet onderwijs en enkele andere wetten vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden (Stb. 2021, 171)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045030&artikel=XI); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **wet:** [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280). Artikel 2. Bedrag per leerling Het bedrag per leerling, bedoeld in [artikel 101, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=101), zoals dat luidde op 31 maart 2022, bedraagt USD 6.263,80. Artikel 3. Bedrag per school Het bedrag per school, bedoeld in [artikel 101, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=101), zoals dat luidde op 31 maart 2022, bedraagt USD 207.677,78. Artikel 4. Aanvullende bekostiging voor zorg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte op Bonaire, Sint Eustatius en Saba 1. De aanvullende bekostiging, bedoeld in [artikel 22, tweede lid, van het Besluit bekostiging WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029580&artikel=22), zoals dat luidde op 31 maart 2022, bedraagt voor Sint Eustatius en Saba 11,50% van de bedragen, genoemd in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047084&artikel=2&z="},{"i":8096,"b":"Wet van 24 mei 2023 tot wijziging van de Wet publieke gezondheid in verband met de bestrijding van een epidemie van infectieziekten behorend tot groep A1, of een directe dreiging daarvan Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is te voorzien in een structureel wettelijk kader voor verplichtende collectieve maatregelen voor de bestrijding van een epidemie van infectieziekten behorend tot groep A1, of een directe dreiging daarvan; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) Wijzigt de Wet publieke gezondheid. Artikel II. Wijziging van de [Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045176) Wijzigt de Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen. Artikel IIa. Wijziging van de [Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466) Wijzigt de Wet veiligheidsregio’s. Artikel III. Wijziging van de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) Wijzigt de Kieswet. Artikel IV. Wijziging [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel V. Wijziging [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel VI. Wijziging [Arbeidsveiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028228) Wijzigt de Arbeidsveiligheidswet BES. Artikel VII. Wijziging [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VIII. Wijziging [Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043413) Wijzigt de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid. Artikel VIIIa. Just"},{"i":8108,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 maart 2004, nr. IBE/BO-2463896, houdende de goedkeuring van het besluit CCSF 7-2003 betreffende Regeling Ziekenhuisapotheker–Klinisch onderzoeker (ZAPIKO) Gelet op: – [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14), – artikel 9, eerste lid, van de Regeling Specialisten Pharmacie; Besluit: De datum van inwerkingtreding is de datum van uitgifte. Het besluit **CCSF 7-2003** inzake Regeling Ziekenhuisapotheker–Klinisch onderzoeker (ZAPIKO) goed te keuren. Dit besluit zal samen met het desbetreffende besluit van het Centraal College Specialisten Farmacie worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":8111,"b":"Besluit van de Minister Justitie en Veiligheid van 25 oktober 2024, nr. 5849256, houdende instelling van het adviesorgaan Stelsel bewaken en beveiligen Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **adviesorgaan:** het adviesorgaan zoals bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050494&artikel=2&z=2026-01-06&g=2026-01-06). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een adviesorgaan ‘Stelsel bewaken en beveiligen’ 2. Het adviesorgaan heeft tot taak binnen het bestaande beleidskader te adviseren over de uitvoering en uitwerking van het stelsel bewaken en beveiligen. Artikel 3. Leden Het adviesorgaan bestaat uit een voorzitter en drie andere leden. Artikel 4. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 3. De benoeming geschiedt voor de duur van het adviesorgaan. 4. De voorzitter en overige leden kunnen (op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden) worden geschorst en ontslagen door de minister. Artikel 5. Instellingsduur Het adviesorgaan wordt opgeheven vier weken nadat het eindrapport is uitgebracht. Artikel 6. Werkwijze 1. Het adviesorgaan stelt haar eigen werkwijze vast. 2. De minister voorziet in het secretariaat van het adviesorgaan. Artikel 7. Kosten en beheer 1. De kosten van het adviesorgaan komen voor rekening van de minister. Onder kosten worden in onder andere verstaan: - a. kosten verbonden aan het inhuren van expertise; - b. de kosten voor oplevering van tussenrapporten en het eindrapport. Artikel 8. Eindrapport tussenrapport en uiterste datum voor oplevering 1. De voorzitter brengt voor 1 maart 2027 een eindrapport uit aan de minister. 2. Het adviesorgaan is bevoegd één of meer tussenrapporten uit te brengen. 3. De v"},{"i":8131,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 november 2024, nr. PO/49074818, houdende regels voor het verstrekken van aanvullende bekostiging voor onbedoelde effecten van het overgangsrecht van de vereenvoudiging van de bekostiging po voor het jaar 2025 (Regeling aanvullende bekostiging bij overgangsrecht vereenvoudiging bekostiging po 2025) Gelet op de [artikelen 119, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119) en [117, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvullende bekostiging:** aanvullende bekostiging, bedoeld in [artikel 119, eerste lid, van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119) en [artikel 117, eerste lid, van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117); - **bekostiging waarop de overgangsbekostiging is gebaseerd:** bekostiging, berekend op grond van [artikel 116, met uitzondering van het vierde lid, onderdelen b en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=116), en [artikel 121 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=121), dan wel [artikel 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=114) en [119 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=119); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **overgangsbekostiging:** het bedrag, waarmee de bekostiging waarop de overgangsbekostiging is gebaseerd, op grond van [artikel 214 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=214) en ["},{"i":8137,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 30 augustus 2021, nr. VO/29097410, houdende regels voor de aanvullende bekostiging voor vo-scholen in uitzonderlijke omstandigheden (Regeling aanvullende bekostiging vo-scholen in uitzonderlijke omstandigheden) Gelet op [artikel 82, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=82), [artikel 2.2.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3) en [artikel 2, vierde lid, van het Besluit bekostiging WVO 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045100&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **BAG:** basisregistratie adressen en gebouwen als bedoeld in [artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=2); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **cursus Europees Baccalaureaat:** het onderwijs dat wordt gegeven tijdens de secundaire cyclus van het curriculum van de Europese school in Den Haag; - **cursus internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs:** International Baccalaureate Career-Related Programme, International Baccalaureate Diploma Programme, International Baccalaureate Middle Years Programme of een cursus die gericht is op het behalen van het International General Certificate of Secondary Education, als bedoeld in de Beleidsregel IGVO 2021, niet zijnde het International Baccalaureate Diploma Programme Dutch Residents of IB Career Related Programme Dutch Residents; - **gemengde leerweg:** gemengde leerweg als bedoeld in [artikel 2.22, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.22); - **havo:** hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.5, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https:"},{"i":8141,"b":"Aanwijzing van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van 19 mei 2026, 4380551-1098043-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2024 en 2025 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 2 april 2026 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2025/26, 29 282, nr. 624) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2024 en 2025; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a). **beschikbaarheidbijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - b). **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - c). **Bijlage:** [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](onbekend); - d). **instroomplaats:** subsidiabele opleidingsplaats, uitgedrukt in fte’s en aantal personen, voor (medische) beroepsbeoefenaren in opleiding die in het betreffende jaar met een vervolgopleiding als bedoeld in het [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971) beginnen; - e). **OOR:** Onderwijs- en Opleidingsregio waarin universitair medische centra samenwerken in een regionaal opleidingsnetwerk; - f). **opleidende zorgaanbieder:** - –. zorgaanbieder die als zodanig is erkend door de voor de desbetreffende opleiding relevante registratiecommissie, voor zolang deze erkenning niet is ingetrokken of vervallen; of - –. ten aanzien van de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut, zorgaanbieder die een samenwerkingsovereenkomst heeft, gedurende de gehele periode"},{"i":8148,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 september 2004, nr. KICK 2512141, houdende beperking van de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van de Accountantsdienst van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en taakvoorgangers over de periode (1975) 1989–1999 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017167&artikel=2&z=2004-09-25&g=2004-09-25) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017167&artikel=3&z=2004-09-25&g=2004-09-25) genoemde beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Accountantsdienst van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en taakvoorgangers, over de periode (1975) 1989–1999, die zijn opgenomen in de institutionele toegang onder de in kolom 1 van onderstaande tabel genoemde inventarisnummers. Deze beperkingen gelden tot 1 januari van het in kolom 2 van onderstaande tabel genoemde jaartal. | Inventarisnummer: | Niet openbaar vóór 1 januari: | | --- | --- | | 2 | 2059 | | 36 | 2060 | | 136, 135, 137, 138 | 2061 | | 184, 185, 186, 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194 | 2062 | | 252, 253, 254, 255, 256, 257, 258, 259, 260, 261, 262, 263 | 2063 | | 266, 267, 268, 269, 270, 271, 273, 274, 275, 276, 277, 278, 279, 280, 281 | 2064 | | 91, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 98, 99, 100, 101 | 2065 | | 163, 164, 167, 168, 169, 171, 172, 173, 175, 177 | 2066 | | 216, 217, 218, 219, 220, 221, 222, 225, 228, 230, 232 | 2067 | | 331, 332, 333, 335, 336, 337, 338, 339, 340 | 2068 | | 364, 371, 372, 374 | 2069 | | 383, 384, 386, 387, 388 | 2070 | | 403, 404, 405, 407, 409 | 2071 | | 431, 432, 433, 434 | 2072 | | 449, 451, 452, 453, 455, 456 | 2073 | Artikel 2 Raadpleging van de in [artike"},{"i":8159,"b":"Regeling geprivilegieerde post verpleegden Gelet op [artikel 36, derde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=36); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 10 februari 1998, nr. 6798742/98; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Algemeen Het hoofd van de inrichting is uitsluitend bevoegd de enveloppen van brieven als bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=36), te openen ter controle op bijgesloten voorwerpen, op de wijze als hieronder bepaald. Artikel 3. Brieven afkomstig van personen/instanties genoemd in [artikel 36, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=36) 1. De afzender, genoemd in [artikel 36, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=36), doet zijn brief in een gesloten envelop en adresseert deze aan de verpleegde. De afzender sluit de envelop af en voegt deze in een andere envelop en adresseert deze aan het hoofd van de inrichting met het verzoek de bijgesloten envelop aan de verpleegde uit te reiken. De afzender dient er zorg voor te dragen dat voor het hoofd van de inrichting kenbaar is in welke hoedanigheid de afzender de brief heeft geschreven. 2. Indien het hoofd van de inrichting het met het oog op de aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen noodzakelijk acht de binnenste envelop van de brief of het andere poststuk te openen, dan dient hij dit, voor zover mogelijk, in het bijzijn van de verpleegde te doen. 3. In het geval dat een envelop kennelijk afkomstig is van een van de personen of instanties genoemd in artikel 36, eerste lid, van de wet, maar niet een dubbele envelop is gebruikt, wordt, indien het hoofd van de inrichting het noodzakelijk oordeelt de envelop te openen, dezelfde procedure toegepast als vermeld in het tweede lid. 4. In het geval dat de"},{"i":8163,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2015, kenmerk 849713-142849-MEVA, houdende uitvoeringsregels voor medische beroepsbeoefenaren BES (Regeling medisch beroep BES) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028397&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028397&artikel=7) en [8 van het Besluit uitoefenen medisch beroep BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028397&artikel=8), [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028456&artikel=2) en [16 van het Besluit bevoegdheid apothekers en apothekersassistenten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028456&artikel=16), [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028359&artikel=2) en [10 van het Besluit bevoegdheid uitoefening van de tandheelkunst BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028359&artikel=10), [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028370&artikel=2) en [12 van het Besluit bevoegdheid verloskundigen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028370&artikel=12), [artikelen 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028449&artikel=2a) en [8 van het Besluit geneeskunde BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028449&artikel=8) en [artikel 18.4.12, eerste en derde lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanvrager:** persoon die een verklaring van vakbekwaamheid aanvraagt; - –. **BIG-registratie:** registratie, bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3); - –. **inspectie:** Inspectie gezondheidzorg en jeugd; - –. **medisch beroep:** beroep van geneeskundige, tandheelkundige, apotheker of verloskundige; - –. **Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –."},{"i":8169,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 mei 2025, kenmerk 4096321-1081488-PZO, houdende regels ten aanzien van het verlenen van vergunningen voor orgaantransplantatie (Regeling orgaantransplantatie) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=5) en [6, tweede lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Een vergunning wordt verleend voor het uitvoeren van één of meer in de vergunning genoemde verrichtingen strekkende tot: - a. transplantatie van het hart; - b. transplantatie van de nier; - c. transplantatie van de alvleesklier; - d. transplantatie van de long; - e. transplantatie van de lever; - f. transplantatie van de dunne darm; - g. transplantatie van delen of cellen van de onder a tot en met f genoemde organen; - h. implantatie van kunstorganen, voor zover betrekking hebbend op de organen, genoemd onder a tot en met f. Artikel 2 1. Voor het uitvoeren van de verrichtingen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051021&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01), bestaat behoefte aan ten hoogste: - a. drie instellingen voor transplantatie van het hart; - b. zeven instellingen voor transplantatie van de nier; - c. twee instellingen voor transplantatie van de alvleesklier; - d. drie instellingen voor transplantatie van de long; - e. drie instellingen voor transplantatie van de lever; - f. één instelling voor transplantatie van de dunne darm; - g. één instelling voor transplantatie van de eilandjes van Langerhans; - h. vier instellingen voor implantatie van kunstorganen die betrekking hebben op het hart. 2. De wijze waarop in de behoefte wordt voorzien, is neergelegd in paragraaf 1 van de bijlage bij deze regeling. Artikel 3 1. De procedure omtrent de vergunningverlening is neergelegd in paragraaf 2 van de bijlage bij dez"},{"i":8170,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 30 augustus 2021, nr. VO/29098712, houdende regels voor de overgangsbekostiging in het kader van de vereenvoudiging van de bekostiging voortgezet onderwijs (Regeling overgangsbekostiging vereenvoudiging bekostiging vo) Gelet op [artikel 118ll, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=118ll); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **gemengde leerweg:** gemengde leerweg als bedoeld in [artikel 2.22, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.22); - **lwoo:** leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in [artikel 2.42 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.42); - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **onderwijsinhoudcode:** code die de schoolsoort, leerjaren en het profiel aangeeft; - **praktijkonderwijs:** praktijkonderwijs als bedoeld in [artikel 2.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.8); - **profiel:** profiel als bedoeld in [artikel 2.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.20) of [2.23 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.23); - **school:** school voor vwo, havo, mavo, vbo of praktijkonderwijs; - **schoolsoortgroep 1:** scholen voor mavo, scholen voor vbo, scholen voor praktijkonderwijs en scholengemeenschappen bestaande uit ten minste twee van deze schoolsoorten, inclusief het lwoo; - **schoolsoortgroep 2:** scholen voor vwo, scholen voor havo en scholengemeenschappen bestaande uit een combinatie van deze schoolsoorten; - **schoolsoortgroep 3:** scholengemeenschappen bestaande uit een school voor havo en een school voor mavo, al dan niet in combinatie met een school voor vwo, incluisef het lwoo; - **schoolsoortgroep 4:** scholengemeenschappen bestaande uit een school"},{"i":8177,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 12 januari 2018, kenmerk 1281162-172106-WJZ, houdende basisveiligheidsnormen voor stralingsbescherming bij medische blootstelling (Regeling stralingsbescherming medische blootstelling) Gelet op [artikel 5.14, vierde lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=5.14); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming in werking treedt. Artikel 1. Definitiebepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179); - **ConeBeam CT:** toestel dat gebruik maakt van computertomografietechniek en door middel van een conische röntgenbundel het te diagnosticeren volume in maximaal één rotatie bereikt. Artikel 2. Deskundigheideisen De deskundigheideisen, bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040539&artikel=3&z=2018-02-06&g=2018-02-06) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040539&artikel=4&z=2018-02-06&g=2018-02-06), zijn van toepassing op de medisch deskundigen, bedoeld in [artikel 5.14, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=5.14). Artikel 3. Opleiding bij erkende instellingen Een radiotherapeut-oncoloog, radioloog, tandarts, met inbegrip van tandheelkundig specialist kaakchirurg, of andere medisch specialist heeft met goed gevolg een opleiding afgerond bij een instelling die krachtens [artikel 5.11 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=5.11) is erkend met inachtneming van de eisen, bedoeld in de [artikelen 5.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040509&artikel=5.22) en [5.23 van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040509&artikel=5.23), voor zijn specifieke beroepsgroep, of een gelijkwaardige opleiding."},{"i":8187,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2017, kenmerk 170499-BPZ, houdende vaststelling van vacatiegeld ten behoeve van de leden van de Commissie buitenslands gediplomeerden volksgezondheid Gelet op [artikel 2, eerste lid van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. De leden en plaatsvervangende leden van de Commissie buitenslands gediplomeerden volkgezondheid, ontvangen per vergadering, een vergoeding ten bedrage van 3% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op leden en plaatsvervangende leden die voor deelname aan de Commissie buitenslands gediplomeerden volkgezondheid uit andere hoofde dan deze regeling een bezoldiging of tegemoetkoming ontvangen. Artikel 2 De [Regeling Commissie buitenslands gediplomeerden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009390) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2017. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vacatiegeld leden Commissie buitenslands gediplomeerden volksgezondheid. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8191,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 19 november 2013, kenmerk MEVA-164800-112408, houdende het voorschrijven van UR-geneesmiddelen door bepaalde categorieën van verpleegkundigen Gelet op de [artikelen 36, veertiende lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=36), en [2, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007648&artikel=2) en [4, tweede lid van het Registratiebesluit BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007648&artikel=4); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Paragraaf 2. Verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus Artikel 2 1. Als bevoegd tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen op het gebied van diabetes mellitus wordt aangewezen: - a. de verpleegkundige die in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat deze met goed gevolg een door de Minister aangewezen post-HBO-opleiding tot verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus heeft afgesloten; - b. de verpleegkundige die: - 1°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat betrokkene een post-HBO-opleiding tot verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus aan de Hogeschool van Rotterdam of de Hogeschool van Utrecht met goed gevolg heeft afgesloten; en - 2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, vóór 1 februari 2016, met goed gevolg heeft afgesloten; - c. de verpleegkundige die: - 1°. in het bezit is van een getuigschrift van de Stichting Specifieke Scholing Verpleegkundigen dan wel van een getuigschrift dat na 30 oktober 2009 is afgegeven door de Stichting Sint Antonius Ziekenhuis waaruit blijkt dat de betrokkene de op het getuigschrift betrekking hebbende vervolgopleiding diabetes mellitus met goed gevolg heeft afgesloten; en - 2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen modu"},{"i":8205,"b":"Tariefbeschikking Zelfstandig buiten instellingen werkzame medisch specialisten en Zelfstandige behandelcentra De Nederlandse Zorgautoriteit, Heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg); **Op basis van de beleidsregels:** **En gelet op** [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) jo. [artikel 52 lid 5 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52); **besloten:** dat rechtsgeldig **door:** instellingen voor medisch specialistische zorg, niet zijnde gebudgetteerde instellingen voor medisch specialistische zorg (voorheen: zelfstandige behandelcentra) en zelfstandig buiten instellingen voor medisch specialistische zorg werkzame zorgaanbieders die geneeskundige zorg leveren zoals medisch specialisten die bieden, te onderscheiden naar categorieën van specialismen overeenkomstig het onderscheid zoals dat wordt gemaakt in het specialistenregister van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, zoals dat register luidt op het tijdstip van vaststellen van een tarief/prestatiebeschrijving door de Nederlandse Zorgautoriteit voor het desbetreffende specialisme. **aan:** alle ziektekostenverzekeraars en alle (niet-) verzekerden **declaratievoorschriften:** met inachtneming van de declaratievoorschriften zoals opgenomen in de regeling ‘[Declaratiebepalingen DBC-bedragen en overige bedragen medisch-specialistische zorg door of vanwege de zorginstelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027627)’ **prestatiebeschrijving en bijbehorend tarief:** maximaal de honorarium- en kostenbedragen geldend voor het van toepassing zijnde specialisme en voor de desbetreffende prestatie, zoals vermeld in de DBC-tarieventabel op de website van de NZa in rekening mogen worden gebracht. Deze bedragen zijn inclusief BTW-kosten, ma"},{"i":8213,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Drinkwatervoorziening over de periode 1913–1983: neerslag handelingen Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 november 2004, nr. arc-2004.01692/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Rijksinstituut voor de Drinkwatervoorziening over de periode 1913–1983](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8216,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Auteursrecht periode (1912) 1945-2000 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005, nr. arc-20005.02444/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Auteursrecht. over de periode (1912) 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8236,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zuid-Afrika inzake samenwerking op het gebied van onderwijs en wetenschappen, kunst en cultuur, gezondheid, welzijn en sport Preambule Overwegende dat het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zuid-Afrika (hierna gezamenlijk te noemen „de Partijen” en afzonderlijk „de Partij”), de vriendschappelijke banden en het wederzijds begrip tussen hun volkeren wensen te bestendigen en aan te halen; Overwegende dat de Partijen zich bewust zijn van de wenselijkheid van het in zo groot mogelijke mate bevorderen van wederzijdse kennis en begrip van hun respectieve culturen en hun verworvenheden op intellectueel gebied en op het gebied van onderwijs, kunst en sport, alsmede van hun geschiedenis en levenswijze, door middel van vriendschappelijke samenwerking tussen hun respectieve landen; en Overwegende dat de Partijen de kwaliteit van het leven van hun volkeren wensen te verbeteren en te verhogen; Zijn de Partijen thans derhalve het volgende overeengekomen: Artikel 1 Ten einde de banden tussen hun landen uit te breiden en nauwer aan te halen zullen de Partijen samenwerking en de uitwisseling van kennis, ervaring en verworvenheden op het gebied van onderwijs en wetenschappen, kunst en cultuur, gezondheid, welzijn en sport bevorderen. Artikel 2 1. In overeenstemming met de doelstellingen van dit Verdrag zullen de Partijen de totstandkoming van contacten en samenwerking tussen betrokken instellingen, organisaties en personen in beide landen bevorderen op de gebieden waarop dit Verdrag van toepassing is. 2. Bij de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag wordt naar behoren rekening gehouden met de autonomie van de desbetreffende instellingen en lichamen. Hun vrijheid wederzijdse betrekkingen en overeenkomsten aan te gaan en te handhaven wordt erkend, met inachtneming van de wetten en constituties van hun respectieve Staten. Artikel 3 Met het oog op het uitbreiden en nauwer aanhalen van de banden tussen hun landen z"},{"i":8240,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 april 2004, nr. DWJZ/SWW-2476913, houdende regels met betrekking tot de vergoedingen van de leden van de commissie bedoeld in artikel 14 van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen Gelet op [artikel 14, achtste lid, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=14); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder centrale commissie: de centrale commissie, bedoeld in [artikel 14 van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=14). Artikel 2 De vergoeding van de voorzitter van de centrale commissie wordt vastgesteld volgens het maximum salarisnummer, behorend bij schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), rekening houdend met een arbeidsduur van gemiddeld 24 uren per week. Artikel 3 De vergoeding van de leden van de centrale commissie wordt vastgesteld volgens het maximum salarisnummer, behorend bij schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), rekening houdend met een arbeidsduur van gemiddeld 4 uren per week. Artikel 4 De plaatsvervangende leden van de centrale commissie ontvangen een vergoeding per vergadering die gelijk is aan de vergoeding per vergadering die andere leden dan de voorzitter van een adviescollege ten hoogste ontvangen volgens [artikel 3 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=3). Artikel 5 De voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden van de centrale commissie hebben recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig het [Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889) en het [Reisbesluit buitenland](https://wetten"},{"i":8245,"b":"Wet medisch tuchtrecht BES Artikel 1 In de artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **geneeskundige:** degene die tot de uitoefening van de geneeskunde bevoegd is op grond van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels; - b. **tandheelkundige:** degene die tot de uitoefening van de tandheelkunst bevoegd is op grond van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels; - c. **verloskundige:** degene die tot de uitoefening van de praktijk als verloskundige bevoegd is op grond van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels; - d. **apotheker:** degene die tot de uitoefening van de artsenijbereidkunde bevoegd is op grond van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels; - e. **College:** het college, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028542&artikel=8&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - f. **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - g. **openbare lichamen:** openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - h. **Gemeenschappelijk Hof:** Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - i. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 De geneeskundige of tandheelkundige, die zich schuldig maakt aan gedragingen, welke het vertrouwen dat men in een geneeskundige of een tandheelkundige moet kunnen hebben ondermijnen, of aan nalatigheid, waardoor schade ontstaat voor een persoon, te wiens behoeve hem geneeskundige of tandheelkundige raad of bijstand gevraagd wordt of aan wie hij die raad of bijstand verleent, of die in de uitoefening van de geneeskunst of tandheelkunst blijk geeft van niet toelaatbare onkunde, kan, onverminderd zijn aansprakelijkheid ingevolge andere wettelijke voorschriften, worden onderworpen aan een van de maatregelen vermeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":8248,"b":"Wet van 24 oktober 1997, houdende regels betreffende bijzondere verrichtingen op het gebied van de gezondheidszorg (Wet op bijzondere medische verrichtingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de regulering van de bijzondere verrichtingen zoals omschreven in de [Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753), een gradatie aan te brengen en de desbetreffende regels, te zamen met die inzake ontwikkelingsgeneeskunde, in een afzonderlijke wettelijke regeling onder te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepaling Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. medische verrichtingen: handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - c. ontwikkelingsgeneeskunde: de op wetenschappelijk inzicht gebaseerde ontwikkeling en evaluatie van methoden en technieken in de praktijk van de gezondheidszorg, waarvan de uiteindelijke toepassing ingrijpende kwalitatieve, maatschappelijke, ethische, juridische, financiële of organisatorische gevolgen kan hebben. Hoofdstuk II. Regulering door verboden Artikel 2 1. Indien gewichtige belangen daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister bij ministeriële regeling bepalen: - a. dat het verboden is zonder zijn vergunning medische verrichtingen van een bij de regeling aangegeven aard uit te voeren; - b. dat het verboden is zonder zijn vergunning apparatuur van een bij de regeling aangegeven aard ten behoeve van het uitvoeren van medische verrichtingen aan te schaffen of te gebruiken. 2. De vaststelling krachtens het eerste lid"},{"i":8266,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 12 december 2016, nr. IENM/BSK-2016/287004, tot wijziging van de Regeling veiligheid zeeschepen met het oog op diverse aanpassingen ten aanzien van geneesmiddelen in de scheepsuitrusting Gelet op artikel 2, eerste lid, van de [richtlijn nr. 92/29/EEG](31992L0029) van de Raad van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling veiligheid zeeschepen. Artikel II 1. De geneesmiddelen waarvan de aanwezigheid in de scheepsuitrusting tot aan 1 januari 2017 was voorgeschreven kunnen worden gebruikt totdat de houdbaarheidsdatum van de desbetreffende geneesmiddelen is verstreken. 2. In afwijking van het eerste lid kan het geneesmiddel Amoxicilline caps 500 mg tot twee jaar na de inwerkingtreding van deze regeling deel blijven uitmaken van de scheepsuitrusting. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15513,"b":"Wet van 5 december 1962, houdende regeling van het vervoer te land en op de binnenwateren in buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen, teneinde in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verbandhoudende buitengewone omstandigheden de instandhouding van het vervoer te land en op de binnenwateren en een doelmatig gebruik der vervoermiddelen zoveel mogelijk te waarborgen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. \"vervoermiddelen\": - 1°. vaartuigen, hoe ook genaamd en van welke aard ook, behalve zeeschepen in de zin van [artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=2); - 2°. motorrijtuigen in de zin van de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) en aanhangwagens, bestemd om door zodanige motorrijtuigen te worden voortbewogen; - 3°. spoorvoertuigen; - c. \"houder\": hij die als eigenaar of krachtens enige andere rechtstitel gerechtigd is een vervoermiddel te gebruiken. 2. Onder vervoer wordt in deze wet mede verstaan het verplaatsen van vervoermiddelen met behulp van een ander vervoermiddel. Artikel 2 1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002391&hoofdstuk=III&artikel=8&z"},{"i":8276,"b":"Wet van 24 november 2005 tot wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen en de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening ter implementatie van richtlijn nr. 2001/20/EG inzake de toepassing van de goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik (Wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408) en de [Wet op de Geneesmiddelenvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002290) te wijzigen in verband met de implementatie van [richtlijn nr. 2001/20/EG](32001L0020) van het Europese Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toepassing van goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PbEG L 121); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen. Artikel II Wijzigt de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Op een vóór de inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvraag om een oordeel van een daartoe ingevolge [artikel 2, tweede lid, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=2) bevoegde commissie over een wetenschappelijk onderzoek met geneesmiddelen waarop nog niet onherroepelijk is beslist, en de beoordeling van die aanvraag blijven de bepalingen van de [Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408), die golden te"},{"i":8304,"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake de bescherming van de Rijn tegen verontreiniging door chloriden De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van de Franse Republiek, de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, verwijzend naar de resultaten van de op 11 oktober 1988 in Bonn en op 30 november 1989 in Brussel gehouden ministersconferenties over de verontreiniging van de Rijn, verwijzend naar de [Overeenkomst van 3 december 1976 ter bescherming van de Rijn tegen verontreiniging door chloriden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003698), naar de briefwisselingen van 29 april, 4 en 14 mei 1983 en de verklaring van de delegatieleiders van 11 december 1986 (hierna te noemen „de Overeenkomst”), geleid door de wens de kwaliteit van het Rijnwater zodanig te verbeteren dat aan de Nederlands-Duitse grens de overschrijdingen van het gehalte van 200 mg/l chloride-ionen zowel qua omvang als qua tijdsduur worden beperkt, ernaar strevend de winning van drinkwater uit de Rijn en uit het IJsselmeer te vergemakkelijken, in de overtuiging dat behalve de reeds bereikte verminderingen en de in dit aanvullend protocol voorziene maatregelen andere maatregelen tot vermindering van de chloride-vracht van de Rijn over de gehele loop van de Rijn vanuit een ecologisch oogpunt niet noodzakelijk en op grond van technische en economische overwegingen niet gerechtvaardigd zijn, en met de bedoeling om tot een definitieve internationale regeling te komen inzake vermindering van de belasting van de Rijn door chloriden, zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. In de perioden gedurende welke de concentratie van chloriden in de Rijn de richtwaarde van 200 mg/l aan de Nederlands-Duitse grens overschrijdt, zal de Franse Regering naast de sinds 5 januari 1987 plaatsvindende vermindering met 20 kg/s chloride-ionen overeenkomstig [artikel 2, tweede lid, van de Overeenkomst](https://we"},{"i":4588,"b":"Examens accountants-administratieconsulenten In overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, dr. A. Veerman; Gelet op [artikel 10 van het Examenbesluit accountantsadministratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002923&artikel=10) (Stb. 1974, 304), Besluit: Afdeling I. **Algemene bepalingen** Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: Afdeling II. **Regeling van het examen** § 1. **Algemene bepalingen** Artikel 1a 1. Het examen bestaat uit: - a. een schriftelijk gedeelte; - b. een mondeling gedeelte. 2. Tot het mondeling gedeelte worden slechts toegelaten zij, die het schriftelijk gedeelte met goed gevolg hebben afgelegd. Artikel 2 1. Jaarlijks maakt de examencommissie tijdig bekend voor welk tijdstip, bij wie en op welke wijze zij, die aan een of meer onderdelen van het schriftelijk of het mondeling gedeelte van het examen wensen deel te nemen, zich moeten melden. In de bekendmaking wordt tevens het bedrag van het ingevolge [artikel 62 van de Wet op de Accountants-administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002856&artikel=62) verschuldigde examengeld vermeld, alsmede de wijze waarop en de datum waarvoor dit moet worden voldaan. 2. De onderdelen van het schriftelijk gedeelte worden jaarlijks eenmaal afgenomen in de periode maart tot en met mei. 3. De onderdelen van het mondeling gedeelte worden jaarlijks tweemaal afgenomen, en wel in de periode april – mei en in de periode september – oktober. § 2. **Schriftelijk gedeelte van het examen** Artikel 3 De voorzitter van de examencommissie draagt er zorg voor, dat aan elke kandidaat tijdig mededeling wordt gedaan: - a. van de dagen waarop en de plaats waar het schriftelijk gedeelte wordt afgenomen en van het rooster van dit examengedeelte; - b. van de regelen ter verzekering van een goede gang van zaken bij het examen, voor zover naar het oordeel van de voorzitter de kandidaat daarvan tevoren dient te worden verwittigd. Artikel 4 De opgaven voor"},{"i":4852,"b":"Mandaatbesluit eigenaarsrol pSG BZK 2023 Gelet op [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=1.2), [artikel 3.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=3.4), [artikel 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=4.1) en [artikel 4.2, aanhef en onder d, van het Mandaatbesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=4.2) en [artikel 5, tweede lid, onder e, van het Organisatiebesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047860&artikel=5); vast te stellen het navolgende Mandaatbesluit eigenaarsrol pSG BZK 2023: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 3.4, eerste lid van het Mandaatbesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=3.4) aan de secretaris-generaal verleende mandaat wordt ondermandaat verleend aan de plaatsvervangend secretaris-generaal ten aanzien van de aangelegenheden die de eigenaarsrol betreffen zoals bedoeld in de [Regeling agentschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040286) en de circulaire 'Governance ten aanzien van zbo’s’, voor de diensten en agentschappen zoals bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onder e, van het Organisatiebesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047860&artikel=5). 2. De in het eerste lid genoemde aangelegenheden omvatten in ieder geval de besluiten ten aanzien van benoeming, bezoldiging, disciplinaire maatregelen en ontslag van hoofden van de diensten en agentschappen zoals bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onder e, van het Organisatiebesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047860&artikel=5). Artikel 2 De plaatsvervangend secretaris-generaal wordt aangewezen en volmacht verleend om op te treden als leidinggevende in de zin van paragraaf 1.3 van de CAO Rijk ten aanzien van de hoofden van de diensten en agentschappen als bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onder e, van het Organisatiebesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047860&"},{"i":5224,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 10 februari 2014, nr. WJZ/13177759, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2014 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=45), [47, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47), [48, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=48), [56, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=56), [59, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=59), [61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":3354,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 december 2023 nr. BOACAT2023/087, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe Gelezen het verzoek van de Omgevingsdienst Drenthe (OD Drenthe) van 15 december 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049199&artikel=2&z=2025-12-23&g=2025-12-23). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder/buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de Omgevingsdienst Drenthe (OD Drenthe), zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend)."},{"i":4561,"b":"Deelregeling van het bestuur van het Fonds Podiumkunsten van 11 oktober 2023, houdende meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2025-2028 Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **festival:** reeks van onderling samenhangende activiteiten die gedurende een in de tijd beperkte periode onder een gemeenschappelijke noemer worden georganiseerd; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief de drie bijzondere gemeenten Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - **landsdelen:** **Noord** (provincies Friesland, Groningen en Drenthe);**Oost** (provincies Overijssel en Gelderland);**Midden** (provincies Flevoland en Utrecht); Zuid (provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg); **West** (provincies Noord-Holland en Zuid-Holland); **Caribisch deel van het Koninkrijk** (drie bijzondere gemeenten Bonaire, Sint Eustatius en Saba en landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten); - **kernactiviteit:** het organiseren van een festival op het gebied van professionele podiumkunsten in Nederland; - **programmeringskosten:** de kosten in de vorm van uitkoopsommen, honoraria en gages voor de professionele podiumkunstprogrammering; - **programmagegevens:** overzichten van de programmering van professioneel podiumkunstenaanbod; - **solvabiliteit:** het eigen vermogen gedeeld door het vreemd vermogen. Artikel 1.2. Doel Het bestuur kan meerjarige subsidies verstrekken aan festivalorganisaties voor activiteiten die bij"},{"i":8509,"b":"Europees Verdrag inzake de academische erkenning van universitaire kwalificaties De regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend, leden van de Raad van Europa, Gelet op het [Europese Culturele Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005098), ondertekend te Parijs op 19 december 1954; Gelet op het [Europese Verdrag betreffende de gelijkstelling van diploma's voor toelating tot universiteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004548), ondertekend te Parijs op 11 december 1953; Gelet op het [Europese Verdrag inzake de gelijkstelling van tijdvakken van universitaire studie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005357), ondertekend te Parijs op 15 december 1956; Overwegende dat het wenselijk is deze Verdragen aan te vullen door voorzieningen te treffen voor de academische erkenning van in het buitenland verworven universitaire kwalificaties, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - (a). betekent de term „universiteiten” - (i). universiteiten, alsmede - (ii). instellingen die door de Verdragsluitende Partij binnen welker grondgebied zij zijn gelegen worden geacht van universitair niveau te zijn en die het recht bezitten kwalificaties van universitair niveau te verlenen; - (b). betekent de term „universitaire kwalificaties” een graad, diploma of getuigschrift verleend door een op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij gelegen universiteit als bewijs van de voltooiing van een tijdvak van universitaire studie; - (c). een graad, diploma of getuigschrift, verleend op grond van een gedeeltelijk examen, wordt niet beschouwd als een universitaire kwalificatie als bedoeld onder (**b**) van dit artikel. Artikel 2 1. In dit Verdrag worden de Verdragsluitende Partijen in groepen verdeeld, al naar - (a). de staat; - (b). de universiteit; - (c). de staat of de universiteit, al naar het geval zich voordoet, de autoriteit is, die op hun grondgebied bevoegd is ten aanzien van aangelegenheden welke betrekking hebben o"},{"i":8570,"b":"Wet van 17 januari 2008 tot goedkeuring van het op 27 mei 2005 te Prüm totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie (Trb. 2005, 197) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 27 mei 2005 te Prüm totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 27 mei 2005 te Prüm totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie, waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in Tractatenblad 2005, 197, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 1. Een ontwerp van een besluit over de uitvoeri"},{"i":8583,"b":"Handelsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland Auf Grund von Verhandlungen, welche zwischen einer deutschen und einer niederländische Delegation in der Zeit vom 28. November 1950 bis 18. Januar 1951 stattgefunden haben, sind die Regierung, der Bundesrepublik Deutschland und die Regierung des Königreichs der Niederlande über folgende grundsätzliche Regelung ihres Wirtschaftsverkehrs übereingekommen: Artikel I. Liberalisierter Handel Soweit im Rahmen der von der Organisation für Europäische Wirtschaftliche Zusammenarbeit (O.E.E.C.) aufgestellten Richtlinien die Einfuhrbeschränkungen bestimmter Waren bereits durch die Freilisten der vertragschliessenden Teile aufgehoben worden sind, gelten für diesen Teil des Warenverkehrs die allgemeinen Regeln der O.E.E.C. Falls für Waren, deren Einfuhr in dem einen Lande liberalisiert ist, von dem anderen Lande Ausfuhrbeschränkungen eingeführt werden sollten, wird der Gemischte Regierungsausschuss über die Sachlage beraten, um eine erträgliche Mindestausfuhr zugunsten des anderen Landes sicherzustellen. Dabei soll grundsätzlich von der bisherigen Höhe der Lieferungen ausgegangen werden. Artikel II. Niederländische Warenausfuhr nach Deutschland Diejenigen Waren, deren Einfuhr nach Deutschland noch nicht liberalisiert ist, werden, soweit es sich um die Einfuhr aus den Niederlanden handelt, nach Massgabe der Anlage A dieses Abkommens behandelt werden. Die zuständigen niederländischen Behörden werden für die in dieser Anlage aufgeführten Erzeugnisse etwa notwendige Ausfuhrbewilligungen und die deutschen Behörden werden die erforderlichen deutschen Einfuhrbewilligungen mindestens bis zur Höhe der aufgeführten Mengen bezw. Werte erteilen. Sollten Änderungen in der deutschen Liberalisierungsliste eintreten, so werden für die in Frage kommenden Waren entsprechende Kontingente unter Berücksichtigung saisonaler Schwankungen nach Massgabe der Einfuhr der letzten 6 Monate nach Deutschland alsbald verein"},{"i":8611,"b":"Wet van 25 juni 2014 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PbEU 2013, L 176) en ter implementatie van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176) (Implementatiewet richtlijn en verordening kapitaalvereisten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter uitvoering van [richtlijn 2013/36](32013L0036)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van [Richtlijn 2002/87/EG](32002L0087) en tot intrekking van de [Richtlijnen 2006/48/EG](32006L0048) en [2006/49/EG](32006L0049) (PbEU 2013, L 176) en ter uitvoering van verordening (EU) [nr. 575/2013](32475L2013) van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) [nr. 648/2012](32548L2012) (PbEU 2013, L 176); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel III Wijzigt het Burgerlij"},{"i":8623,"b":"Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van richtlijn nr. 2014/91/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot wijziging van de richtlijn 2009/65/EG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) wat bewaartaken, beloningsbeleid en sancties betreft (PbEU 2014, L 257) (Implementatiewet wijziging richtlijn icbe’s) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat richtlijn nr. 2014/91/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot wijziging van [richtlijn 2009/65/EG](32009L0065) tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) wat bewaartaken, beloningsbeleid en sancties betreft (PbEU 2014, L 257) en de daarbij behorende uitvoeringsrichtlijnen in Nederland dienen te worden geïmplementeerd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze; Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Op bewaarders die voor 18 maart 2016 zijn aangesteld door een beheerder van een beleggingsinstelling of icbe blijft, in uitzondering op het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 2:3g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3g), [3:53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53) en [4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), tot en met 17 maart 2018 van toepassing het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3:53 en 4:1"},{"i":8710,"b":"NAVO-binnenvliegregeling Gelet op het Koninklijk besluit van 9 september 1959 (Stb. 332); Handelend na overleg met de ministers van Buitenlandse Zaken en van Verkeer en Waterstaat; Besluit: Artikel 1 1. Vreemde militaire luchtvaartuigen van de landen, aangesloten bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, mogen zich begeven binnen het Nederlands rechtsgebied en aldus aan het luchtverkeer deelnemen, alsmede landen op en opstijgen van de in de Militaire Luchtvaartgids Nederland (MIL AIP) vermelde militaire luchtvaartterreinen en voor militair medegebruik opengestelde burgerluchtvaartterreinen, onder de in de volgende artikelen gestelde voorwaarden. 2. De in het eerste lid bedoelde toestemming kan door de minister van Defensie, al dan niet voor een bepaald geval, worden ingetrokken, gewijzigd of aan andere dan hierna gestelde voorwaarden worden onderworpen. Artikel 2 Algemeen luchtverkeer dient de luchtverkeersvoorschriften vervat in de Luchtvaartgids Nederland (AIP) alsmede de regelen ter beperking van de geluidshinder door militaire luchtvaartuigen, zoals opgenomen in de MII AIP, na te leven. Artikel 3 1. Operationeel luchtverkeer dient de luchtverkeersvoorschriften vervat in de MIL AIP na te leven. 2. Indien de vlucht met inachtneming van de zichtvliegverkeersvoorschriften wordt uitgevoerd, dienen, onverminderd het onder het eerste lid gestelde, in het in te dienen vliegplan de posities, waar het vluchtinlichtingengebied Amsterdam wordt binnengevlogen en verlaten, alsmede de te volgen route te worden vermeld, terwijl bij het binnenvliegen en het verlaten van het vluchtinlichtingengebied Amsterdam door middel van de radio de positie aan het militaire luchtverkeersbeveiligingscentrum (MIL ATCC) moet worden gemeld; 3. Indien de vlucht met inachtneming van de instrumentvliegverkeersvoorschriften wordt uitgevoerd, dient onverminderd het onder het eerste lid gestelde, aan de hierna volgende voorschriften de hand te worden gehouden: - (a). Het aantal vluchten dat tussen"},{"i":8711,"b":"Nederlands-Zuidslavische Overeenkomst tot schadeloosstelling voor Nederlandse belangen in Zuidslavië welke zijn getroffen door Zuidslavische nationalisatiemaatregelen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Federale Volksrepubliek Zuidslavië zijn overeengekomen om op de voet van de hierna volgende bepalingen een regeling te treffen, strekkende tot vaststelling van een schadeloosstellingsbedrag voor het geheel der Nederlandse eigendommen, rechten en belangen in Zuidslavië, welke getroffen zijn door Zuidslavische nationalisatie- of onteigeningsmaatregelen dan wel door soortgelijke beperkende maatregelen. Artikel 1 De Zuidslavische Regering zal als schadeloosstelling voor het geheel der Nederlandse eigendommen, rechten en belangen in Zuidslavië, welke door nationalisatie- of onteigeningsmaatregelen dan wel door soortgelijke beperkende maatregelen zijn getroffen, aan de Nederlandse Regering een bedrag uitkeren ten belope van de tegenwaarde in Nederlandse guldens van 655 000 Amerikaanse dollars. Artikel 2 Krachtens de onderhavige Overeenkomst worden alle schadeloosstellingsaanspraken geacht te zijn geregeld, welke voortvloeien uit de toepassing van Zuidslavische nationalisatie- of onteigeningsmaatregelen dan wel van soortgelijke beperkende maatregelen op aan Nederlandse natuurlijke personen of rechtspersonen toebehorende eigendommen, rechten en belangen in Zuidslavië, met inbegrip van alle Nederlandse directe of indirecte deelnemingen in Zuidslavische ondernemingen, met dien verstande, dat de betrokken Nederlandse natuurlijke persoon of rechtspersoon zowel op het tijdstip waarop de bewuste maatregel werd genomen, als op het tijdstip van de ondertekening van de onderhavige Overeenkomst de hoedanigheid van Nederlandse natuurlijke persoon of rechtspersoon had. Eveneens worden krachtens deze Overeenkomst alle vorderingen (handelsvorderingen, financiële vorderingen en andere vorderingen) geacht te zijn gekweten volgens de bepalingen van deze Overe"},{"i":8780,"b":"Overeenkomst betreffende uurwerken tussen de Europese Economische Gemeenschap en haar Lid-Staten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds Le gouvernement de la Confédération suisse (dénommée ci-après la Suisse) d'une part, les gouvernements du Royaume de Belgique, de la République fédérale d'Allemagne, de la République française, de la République italienne, du Grand-Duché de Luxembourg, du Royaume des Pays-Bas (dénommés ci-après les Etats membres) et la Communauté économique européenne (dénommée ci-après la CEE) d'autre part, Prenant acte des engagements et déclarations suivants des organisations horlogères suisses, faites sous réserve de réciprocité au sens de la lettre C ci-après: A partir du 1er janvier 1968, l'industrie horlogère suisse abrogera toutes dispositions de sa réglementation professionnelle et de ses accords internes ou internationaux ayant pour effet de limiter l'exportation de produits horlogers, d'outillages et de machines destinés à des industriels en horlogerie de la CEE, Les conditions de vente en vigueur au sein de l'industrie horlogère suisse seront appliquées de manière non discriminatoire aux clients de la CEE; tel sera en particulier le cas en matière de livraison de „calibres standards” et d'articles nouveaux mis à disposition de l'ensemble des industriels suisses. A compter de la date ci-dessus, l'industrie horlogère suisse abrogera toutes dispositions de ses accords internationaux obligeant les industriels en horlogerie de la CEE à s'approvisionner uniquement auprès de certains fournisseurs. Dans le courant de l'année 1966, l'horlogerie suisse a abrogé vis-à-vis des pays de la CEE la plupart des dispositions de droit privé (restrictions quantitatives ou listes exclusives de fournisseurs) qui, dans le cadre d'accords passés entre organisations horlogères, limitaient l'importation de pièces détachées. A partir du 1er janvier 1968, l'industrie horlogère suisse abrogera toutes dispositions subsistant dans sa réglementation professi"},{"i":8877,"b":"Overeenkomst ter regeling van de activiteiten van Staten op de maan en andere hemellichamen De Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst, Gelet op de gunstige resultaten die Staten hebben verkregen bij het onderzoek en gebruik van de maan en andere hemellichamen, Erkennend dat de maan, als natuurlijke satelliet van de aarde, een belangrijke rol speelt bij het onderzoek van de kosmische ruimte, Vastbesloten op basis van gelijkheid de verdere samenwerking tussen Staten te bevorderen bij het onderzoek en gebruik van de maan en andere hemellichamen, Verlangend te verhinderen dat de maan een gebied van internationale conflicten wordt, Indachtig de voordelen die kunnen worden verkregen uit de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de maan en andere hemellichamen, In herinnering brengend het [Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004403), de [Overeenkomst inzake de redding van ruimtevaarders, de terugkeer van ruimtevaarders en de teruggave van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004569), de [Overeenkomst inzake de internationale aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt door ruimtevoorwerpen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003725), en de [Overeenkomst inzake de registratie van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003900), In aanmerking nemend de noodzaak tot een verdere verfijning en ontwikkeling van de bepalingen van deze internationale overeenkomsten met betrekking tot de maan en andere hemellichamen, daarbij rekening houdend met verdere vooruitgang bij het onderzoeken gebruik van de kosmische ruimte, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. De bepalingen van deze Overeenkomst met betrekking tot de maan zijn tevens van toepassing op andere hemellichamen dan de aarde"},{"i":8878,"b":"Overeenkomst ter uitvoering van artikel 13 van het tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden op 23 juli 2018 te Brussel gesloten Verdrag inzake politiesamenwerking Het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden, hierna genoemd „de Partijen”, Gelet op [artikel 13, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006758&artikel=13), en [artikel 62, tweede lid, van het Verdrag van 23 juli 2018 tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006758&artikel=62) (hierna genoemd: „het Politieverdrag”), Gelet op de wens van het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden om uitvoering te geven aan [artikel 13 van het Politieverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006758&artikel=13), teneinde een vlotte uitwisseling van referentiegegevens inzake geautomatiseerde vergelijking van kentekengegevens evenals de door deze vergelijking gegenereerde hits tussen de bevoegde diensten van beide Verdragsluitende Partijen mogelijk te maken, Gelet op het groeiende gebruik in deze twee Benelux-landen van camerasystemen die op geautomatiseerde wijze kentekengegevens van voertuigen vastleggen op of aan de openbare weg (ANPR-camerasystemen), Overwegende dat een dergelijke vlotte uitwisseling van referentiegegevens en hits de veiligheid op het grondgebied van deze beide Benelux-landen zal bevorderen, Overwegende dat een dergelijke uitwisseling van referentiegegevens en hits dient omkleed te worden met voldoende waarborgen ter bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van hun persoonsgegevens, Overwegende dat het Groothertogdom Luxemburg op dit moment niet wenst deel te nemen aan de voorziene uitwisseling van referentiegegevens, doch dat het de mogelijkheid wenst te voorzien om op een later moment eveneens van de mogelijkheden geboden door [artikel 13 van het Politieverdrag]("},{"i":8885,"b":"Overeenkomst tot beëindiging van investeringsverdragen tussen de lidstaten van de Europese Unie De overeenkomstsluitende partijen, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, Indachtig het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) (VEU) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) (VWEU) en algemene beginselen van het Unierecht, Indachtig de regels van internationaal gewoonterecht zoals neergelegd in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (VWVR), Eraan herinnerend dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in zaak C-478/07 Budĕjovický Budvar heeft gesteld dat bepalingen van een internationale overeenkomst tussen twee lidstaten geen toepassing kunnen vinden in de verhoudingen tussen deze twee staten indien die bepalingen strijdig blijken te zijn met de EU-Verdragen, Overwegende dat, conform de op de lidstaten rustende verplichting om hun rechtsorde in overeenstemming met het Unierecht te brengen, zij alle nodige consequenties moeten trekken uit het Unierecht zoals dat in het arrest van het HvJ-EU in zaak C-284/16 **Achmea** (het **Achmea**-arrest) is uitgelegd, Overwegende dat bedingen inzake arbitrage tussen investeerder en staat in bilaterale investeringsverdragen tussen de lidstaten van de Europese Unie (bilaterale investeringsverdragen binnen de EU) strijdig zijn met de EU-Verdragen en, als gevolg van deze onverenigbaarheid, geen toepassing kunnen vinden na d"},{"i":12848,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Consumentenbeleid vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 juni 2007, arc-2007.03942/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Consumentenbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8977,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kameroen inzake het programma van wetenschappelijk en technisch onderzoek en ontwikkeling betreffende tropische regenwouden, genaamd \"Tropenbos Kameroen\" De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en de Regering van de Republiek Kameroen, anderzijds (hierna te noemen de „Overeenkomstsluitende Partijen\"); Gezien de verslechtering van de toestand van de tropische regenwouden in de wereld en de belangrijke rol van wetenschappelijk en technisch onderzoek, onderwijs, opleiding en voorlichting bij het nemen van maatregelen ter vermindering van de ontbossing en de voortschrijdende achteruitgang van de tropische regenwouden, teneinde de ontwikkeling van deze wouden te verbeteren; Gelet op het initiatief van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden gericht op de bevordering van een internationaal gecoördineerd samenwerkingsprogramma voor onderzoek en ontwikkeling inzake tropische regenwouden, Tropenbos genaamd; Strevend naar het bevorderen van de samenwerking tussen hun beide landen op het gebied van wetenschappelijk en technisch onderzoek en ontwikkeling betreffende tropische wouden; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen stemmen toe gezamenlijk pogingen in het werk te stellen om het Tropenbosprogramma voor Kameroen te bevorderen en uit te voeren. De activiteiten van het Tropenbosprogramma voor Kameroen vormen een integrerend deel van het nationale programma voor bosinventarisatie en herbebossing, welk programma is gericht op het behoud en de ontwikkeling van de bossen in Kameroen. Artikel 2 De doelstellingen van het Tropenbosprogramma voor Kameroen zijn: - a. gegevens te verzamelen die nodig zijn voor het opstellen van geschikte plannen voor het behoud en de ontwikkeling van de tropische regenwouden in Kameroen; - b. deel te nemen aan een mondiaal netwerk teneinde ervoor te zorgen dat de noodzakelijke gegevens beschikbaar zijn voor alle betrokken"},{"i":8978,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kenya inzake technische samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Kenya, Opnieuw de vriendschappelijke betrekkingen bevestigend, die tussen de beide Staten en hun volken bestaan, Verlangend de technische samenwerking te bevorderen en daartoe het noodzakelijke juridische en administratieve kader te scheppen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I 1. Het doel van deze Overeenkomst is het bevorderen van de technische samenwerking en het daartoe scheppen van het juridische en administratieve kader voor de projecten van technische samenwerking waartoe de bevoegde bestuurlijke autoriteiten van de beide Partijen ter uitvoering van deze Overeenkomst besluiten. 2. Een besluit tot samenwerking zoals bedoeld in het eerste lid hierboven, de bijdragen aan het desbetreffende project en de wijze waarop het project zal worden uitgevoerd, worden voor elk afzonderlijk geval neergelegd in een door de beide bevoegde bestuurlijke autoriteiten op te stellen administratief akkoord. 3. De autoriteiten die bevoegd zijn met betrekking tot het voorgaande lid, zijn: - -. voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden: de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, p/a Nederlandse Ambassade, Nairobi; - -. voor de Regering van de Republiek Kenya: het Kabinet van de Vice-President en het Ministerie van Financiën, Nairobi. Artikel II In verband met een project verbindt de Regering van de Republiek Kenya zich ertoe: - a. het Nederlandse personeel vrij te stellen van alle belastingen en andere fiscale heffingen ten aanzien van alle hun door de Nederlandse Regering betaalde vergoedingen; - b. het Nederlandse personeel vrij te stellen van invoerrechten en andere fiscale heffingen op nieuwe of gebruikte huishoudelijke artikelen en persoonlijke bezittingen, ingevoerd in Kenya binnen drie maanden na aankomst van de deskundigen - behalve in bijzondere omstandigheden waarin die termijn k"},{"i":9007,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek China betreffende culturele samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China; Verlangend de vriendschappelijke betrekkingen tussen hun beide landen te versterken en hiertoe de samenwerking op het gebied van cultuur, onderwijs, wetenschap en onderzoek in de ruimste zin te ontwikkelen; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de samenwerking tussen de organisaties en instellingen op het gebied van cultuur en kunst alsmede tussen de personen die op deze gebieden werkzaam zijn. In het bijzonder ondersteunen zij, voor zover mogelijk en op basis van wederkerigheid: - a). de contacten en de samenwerking tussen bibliotheken, archieven en musea, met inbegrip van kunstmusea; - b). de bezoeken van personen die werkzaam zijn op het gebied van cultuur en kunst, met inbegrip van schrijvers, vertalers, componisten, architecten, scheppende en uitvoerende kunstenaars, beoefenaars van kunstkritiek en literaire kritiek, journalisten en soortgelijke deskundigen; - c). de samenwerking op het gebied van sociaal-culturele activiteiten, de massamedia, volwasseneneducatie, jeugdwerk, sport, recreatie in de open lucht en natuurbescherming en bescherming van stadsschoon; - d). kunstmanifestaties bedoeld om aan de cultuur van het ene land meer bekendheid in het andere land te geven, met inbegrip van de uitwisseling van tentoonstellingen, muziek-, toneel-, ballet- en dansuitvoeringen, van boeken, tijdschriften en andere publikaties van culturele, wetenschappelijke en technologische aard alsmede van films en ander audiovisueel materiaal; - e). de uitwisseling van andere informatie, gespecialiseerde publikaties en documentatie op het gebied van cultuur en kunst, alsmede de vertaling en de publikatie van werken van letterkunde, wetenschap en kunst en de verspreiding van gepubliceerde muziekwerken; - f). de uitvoeringen door ensem"},{"i":9058,"b":"Protocol betreffende arbitrageclausules A certified copy of the present Protocol will be transmitted by the Secretary-General to all the Contracting States. Done at Geneva on the twenty-fourth day of September, one thousand nine hundred and twenty-three, in a single copy, of which the French and English texts are both authentic, and which will be kept in the archives of the Secretariat of the League."},{"i":13672,"b":"Instellingsregeling Interdepartementale Commissie voor Veiligheid Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluiten: Artikel 1 Er is een Interdepartementale Commissie voor Veiligheid (ICV). Artikel 2 De commissie verzorgt ambtelijke afstemming voor en advisering aan de Raad voor de Veiligheid voor zover het betreft de voorbereiding van de politieke besluitvorming in die raad over beleid en uitvoering op de terreinen van: - a. integraal veiligheidsbeleid (nationaal en internationaal, i.e. rampenbeheersing, terrorismebestrijding en brandweer); - b. rechtshandhaving (politie (inclusief beheer), bijzondere opsporingsdiensten, strafrechtelijke keten); c. preventie. Artikel 3 De commissie brengt de in artikel 2 bedoelde adviezen uit aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie. Artikel 4 1. ledere minister uit de Raad voor de Veiligheid wijst voor de Interdepartementale Commissie voor Veiligheid een lid en een plaatsvervangend lid aan. Een minister zonder portefeuille kan een lid en een plaatsvervangend lid aanwijzen. 2. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie benoemen ieder een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. 3. Het secretariaat van de commissie berust bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Ministerie van Justitie gezamenlijk. 4. De commissie kan haar werkwijze en die van het secretariaat regelen. Artikel 5 De commissie treedt in de plaats van de Interdepartementale Commissie voor Veiligheid en Rechtshandhaving (ICVR). Artikel 6 De commissie evalueert haar functioneren voor 1 januari 2005. Zij brengt het verslag van de evaluatie ter kennis van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie. Artikel 7 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscoura"},{"i":13799,"b":"Maatregelenbeleid COA 1. Inleiding Het COA biedt opvang aan een omvangrijke groep bewoners en heeft daarbij de verantwoordelijkheid en zorg om de veiligheid, leefbaarheid en beheersbaarheid te waarborgen. Op asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen die onder de doelgroep van de [Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959) (hierna: Rva 2005)1https://wetten.overheid.nl/BWBR0017959/2021-01-01 vallen en gebruik maken van de opvang van het COA, rusten de verplichtingen, zoals vastgesteld in [art. 19 van de Rva 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959&artikel=19). Bij niet-naleving voorziet de [Rva 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959) in de mogelijkheid tot het opleggen van maatregelen. Afhankelijk van het incident of gedrag kan een maatregel aan de asielzoeker/vreemdeling worden opgelegd, met of zonder gevolgen voor zijn/haar verstrekkingen. Deze maatregelen worden ook wel rov-maatregelen genoemd. Deze zijn gebonden aan een aantal uitgangspunten en kaders. Rov is de afkorting voor reglement onthouding verstrekkingen. Overige vreemdelingen die niet onder de doelgroep van de [Rva 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959) vallen, kunnen onder omstandigheden feitelijke opvang van het COA krijgen.2Zie bijvoorbeeld art. 3, tweede lid van de wet COA: **‘Onze minister kan het COA taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.’** In dit verband de buitenwettelijke opvang van de vreemdelingen in een vrijheidsbeperkende locatie (vbl) of gezinslocatie (gl). In dat geval kunnen naar analogie ook maatregelen opgelegd worden namens de minister.3Zie ook https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2017-68395.odt 2. Visie op het maatregelenbeleid 2.1. Missie, visie en kernwaarden Het COA werkt vanuit een missie en een visie. Deze uitgangspunten liggen ten grondslag aan de visie bij het opleggen van een"},{"i":13671,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 juni 2019, 2019-0000090547, tot instelling van de Commissie vergemakkelijking schadeafhandeling beroepsziekten (Instellingsregeling commissie vergemakkelijking schadeafhandeling beroepsziekten) Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **commissie:** commissie vergemakkelijking schadeafhandeling beroepsziekten; - c. **beroepsziekte:** een ziekte of aandoening als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden. Artikel 2. Instelling Er is een commissie vergemakkelijking schadeafhandeling beroepsziekten. Artikel 3. Taak De commissie heeft tot taak om advies uit te brengen over een betere organisatie van schadeafhandeling bij beroepsziekten en doet daartoe verbetervoorstellen. Het advies gaat in op de volgende punten: - a. de verbeteringen die binnen het huidig proces om een schadevergoeding te claimen kunnen worden aangebracht in verband met een beroepsziekte binnen de kaders van het bestaande aansprakelijkheids- en schadevergoedings- en procesrecht, waarbij wordt ingegaan op de volgende aspecten; - 1°. de benadering en behandeling van (ex-)werknemers die in verband met een beroepsziekte een verzoek om schadevergoeding indienen of willen indienen bij hun werkgever of voormalige werkgever; - 2°. de mogelijkheden om een deskundig advies te verkrijgen over de causaliteit van een beroepsziekte met het oog op de afhandeling van de claim tot schadevergoeding; - 3°. de wijze waarop de informatievoorziening over beroepsziekten en de gevolgen daarvan kan worden verbeterd; - 4°. de behandeling van schadevergoedingsverzoeken v"},{"i":19483,"b":"Wet van 9 mei 1963, houdende regelen met betrekking tot het gebruik van havens in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen met betrekking tot het gebruik van havens in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. \"haven\": elk wateroppervlak, bestemd of geschikt om door schepen voor het laden en lossen van goederen of het in- en ontschepen van personen te worden benut, alsmede de kaden, steigers, wallen, beschoeiingen, terreinen, opstallen, werktuigen en bijbehorende uitrusting, bestemd of geschikt om te worden gebruikt ten dienste van het laden, lossen, in- en ontschepen, voor de opslag van geloste of in te laden goederen of voor de expeditie, reparatie en verdere behandeling van schepen; - c. \"schip\": elk vaartuig, hoe ook genaamd en van welke aard ook; - d. \"kapitein\": degeen, die rechtens dan wel feitelijk het gezag aan boord van een schip uitoefent. Artikel 2 1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7) en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002410&artikel=6&z=2021-07-01&g=2021-07-01) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002410&artikel=8&z=2021-07-01&g=2021-07-01) gezamenlijk"},{"i":9165,"b":"Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid bij het Verdrag inzake biologische diversiteit De Partijen bij dit Protocol, Partijen bij het [Verdrag inzake biologische diversiteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136), hierna „het Verdrag” te noemen, Herinnerend aan [artikel 19, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136&artikel=19), [artikel 8, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136&artikel=8), en [artikel 17 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001136&artikel=17), Tevens herinnerend aan besluit II/5 van 17 november 1995 van de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag betreffende de ontwikkeling van een Protocol inzake bioveiligheid, waarbij met name de nadruk ligt op de grensoverschrijdende verplaatsing van gemodificeerde levende organismen, voortgekomen uit de moderne biotechnologie, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het behoud en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit en waarin met name wordt gestreefd naar passende procedures voor voorafgaande geïnformeerde instemming, Opnieuw bevestigende de voorzorgbenadering die is opgenomen in Beginsel 15 van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling, Zich bewust van de snelle expansie van de moderne biotechnologie en de toenemende bezorgdheid bij het publiek over de mogelijke schadelijke gevolgen daarvan voor de biologische diversiteit, mede rekening houdend met de risico's voor de gezondheid van de mens, Erkennende dat de moderne biotechnologie grote mogelijkheden voor het welzijn van de mens biedt, mits deze met afdoende veiligheidsmaatregelen voor het milieu en de gezondheid van de mens wordt ontwikkeld en gebruikt, Tevens erkennende de cruciale betekenis voor de mensheid van centra van oorsprong en centra van genetische diversiteit, Rekening houdende met de beperkte mogelijkheden van veel landen, met name ontwikkelingslanden, om het hoofd te bieden aan de aard en de omvang van de bekende en potentiële risico's ge"},{"i":9253,"b":"Statuut van het Internationaal Gerechtshof Artikel 1 Het Internationaal Gerechtshof, ingesteld bij het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) als het voornaamste gerechtelijke orgaan van de Verenigde Naties, is samengesteld en functioneert overeenkomstig de bepalingen van dit Statuut. Hoofdstuk I. ORGANISATIE VAN HET HOF Artikel 2 Het Hof wordt gevormd door een college van onafhankelijke rechters die, onverschillig van welke nationaliteit zij zijn, worden gekozen uit personen van hoog zedelijk aanzien die aan de vereisten voldoen die in hun onderscheiden landen worden gesteld om de hoogste rechterlijke ambten te bekleden, ofwel die rechtsgeleerden zijn van erkende bekwaamheid op het gebied van het internationaal recht. Artikel 3 1. Het Hof bestaat uit vijftien leden, van wie geen twee onderdaan van dezelfde staat mogen zijn. 2. Iemand die, wat het lidmaatschap van het Hof betreft, zou kunnen worden beschouwd als een onderdaan van meer dan één staat, wordt geacht een onderdaan te zijn van de staat waar hij zijn burgerlijke en politieke rechten pleegt uit te oefenen. Artikel 4 1. De leden van het Hof worden door de Algemene Vergadering en door de Veiligheidsraad gekozen uit een lijst van personen, voorgedragen door de nationale groepen van het Permanente Hof van Arbitrage overeenkomstig de volgende bepalingen. 2. Wanneer het Leden van de Verenigde Naties betreft die niet zijn vertegenwoordigd in het Permanente Hof van Arbitrage, worden de kandidaten voorgedragen door nationale groepen die daartoe door hun regeringen worden aangewezen op dezelfde voorwaarden als die welke worden gesteld voor leden van het Permanente Hof van Arbitrage in [artikel 44 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1907 betreffende de vreedzame beslechting van internationale geschillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005617&artikel=44). 3. De voorwaarden waarop een staat die partij is bij dit Statuut, doch die geen Lid is van de Verenigde Natie"},{"i":9258,"b":"Strategische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Japan, anderzijds De Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd, alsmede Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, Ierland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, De Republiek Kroatië, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, De Republiek Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, en Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de lidstaten” genoemd, hierna „de Uniepartij” genoemd, enerzijds, alsmede Japan, anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, Opnieuw bevestigend dat zij gehecht zijn aan de gemeenschappelijke waarden en beginselen, in het bijzonder de democratie, de rechtsstaat, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, die de grondslag vormen voor hun diepgaande en langdurige samenwerking als strategische partners; Herinnerend aan de steeds nauwere banden die tussen hen zijn gesmeed sedert het afleggen van de gemeenschappelijke verklaring inzake betrekkingen tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Japan, anderzijds, in 1991; Geleid door de wens voort te bouwen op de waardevolle bijdrage tot hun betrekkingen die de bestaande overeen komsten tussen beide partijen op talrijke terreinen tot stand hebben gebracht en deze te versterken; Erkennende dat de toenemende onderlinge afhankelij"},{"i":9342,"b":"Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Van mening, dat het gezien de nauwe band waardoor Hun landen verenigd zijn en met name ten gevolge van de afschaffing van de personencontrole aan de binnengrenzen, noodzakelijk is om de mogelijkheid tot uitlevering van misdadigers uit te breiden tot een groter aantal strafbare feiten, de daaraan verbonden formaliteiten te vereenvoudigen en rechtshulp in strafzaken op uitgebreidere schaal mogelijk te maken dan de bestaande verdragen toelaten; Uitgaande van de beginselen vervat in de Europese overeenkomsten aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken; Hebben besloten een verdrag te sluiten tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden tot regeling van de uitlevering van misdadigers en de rechtshulp in strafzaken en hebben als Gevolmachtigde aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Zijne Excellentie de Heer H. Fayat, Minister Adjunkt voor Buitenlandse Zaken; Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg: Zijne Excellentie de Heer N. Hommel, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur te Brussel; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Jonkheer E. Teixeira de Mattos, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur te Brussel; Die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. De uitlevering Artikel 1. Verplichting tot uitlevering De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden in de volgende artikelen bepaald, elkander wederzijds de personen uit te leveren, die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij vervolgd worden terzake van een"},{"i":9368,"b":"Verdrag betreffende de privileges en immuniteiten van het Internationaal Strafhof De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Overwegende dat het [Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof](onbekend), aangenomen op 17 juli 1998 door de Diplomatieke Conferentie van Gevolmachtigden van de Verenigde Naties, het Internationaal Strafhof heeft opgericht met de bevoegdheid zijn rechtsmacht uit te oefenen over personen met betrekking tot de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap met zorg vervullen; Overwegende dat [artikel 4 van het Statuut van Rome](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001489&artikel=4) bepaalt dat het Internationaal Strafhof internationale rechtspersoonlijkheid bezit alsmede de handelingsbevoegdheid die benodigd is voor de uitoefening van zijn functies en de verwezenlijking van zijn doelstellingen; Overwegende dat [artikel 48 van het Statuut van Rome](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001489&artikel=48) bepaalt dat het Internationaal Strafhof op het grondgebied van elke Staat die Partij is bij het Statuut van Rome de voorrechten en immuniteiten geniet die benodigd zijn voor de vervulling van zijn taken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „[Het Statuut](onbekend)”, het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof, aangenomen op 17 juli 1998 door de Diplomatieke Conferentie van Gevolmachtigden van de Verenigde Naties inzake de oprichting van een Internationaal Strafhof; - b. „Het Hof”, het bij het [Statuut](onbekend) opgerichte Internationaal Strafhof; - c. „Staten die Partij zijn”, Staten die Partij zijn bij dit Verdrag; - d. „Vertegenwoordigers van de Staten die Partij zijn”, alle gedelegeerden, substituut-gedelegeerden, adviseurs, technisch deskundigen en secretarissen van delegaties; - e. „Vergadering”, de Vergadering van Staten die Partij zijn bij het [Statuut](onbekend); - f. „Rechters”, de rechters van het Hof; - g. „"},{"i":9406,"b":"Verdrag betreffende werk in de visserijsector De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar zesennegentigste zitting op 30 mei 2007, en Erkennend dat de globalisering grote gevolgen heeft voor de visserijsector, en Gelet op de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie inzake de fundamentele beginselen en rechten in verband met werk, 1998, en Gelet op de fundamentele rechten vervat in de volgende internationale verdragen op het gebied van arbeid: het [Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006218), 1930 (nr. 29), het [Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005545), 1948 (nr. 87), het [Verdrag betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005525), 1949 (nr. 98), [Verdrag betreffende gelijke beloning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004933), 1951 (nr. 100), het [Verdrag betreffende afschaffing van gedwongen arbeid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004945), 1957 (nr. 105), het [Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004947), 1958 (nr. 111), het [Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003701), 1973 (nr. 138) en het [Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001522), 1999 (nr. 182), en Gelet op de desbetreffende instrumenten van de Internationale Arbeidsorganisatie, met name het [Verdrag betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":6124,"b":"Besluit van 25 maart 1983, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet op de gevaarlijke werktuigen (Stb. 1952, 104) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevr. mr. A. Kappeyne van de Coppello, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, van 24 januari 1983, Directoraat-Generaal van de Arbeid, Hoofdafdeling Wetgevingsbeleid, nr. 130773; Overwegende dat het wenselijk is regelen te stellen ter uitvoering van de Internationale Overeenkomst voor Veilige Containers (**Trb.** 1976, 28, en 1982, 50); Gelet op [artikel 1, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=1), [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=2), [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=3), eerste en tweede lid, [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=6), [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=12), derde lid, en [artikel 24 van de Wet op de gevaarlijke werktuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=24) (**Stb.** 1952, 104); De Raad van State gehoord (advies van 25 februari 1983, nr. W12.83.0071/23.3.08); Gezien het nader rapport van voornoemde Staatssecretaris van 21 maart 1983, Directoraat-Generaal van de Arbeid, Hoofdafdeling Wetgevingsbeleid, nr. 134385; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. container: met hoekstukken toegeruste houder, in gebruik of ten gebruike in het internationale vervoer, die ingericht is om meermalen te worden gebruikt voor het vervoer van goederen op of in een vervoermiddel, zonder tussentijdse in- of uitlading van die goederen; - b. hoekstukken: aan de boven- of onderzijde van een container dan wel aan die beide zijden aanwezige voorzieningen waaraan de container zich laat hanteren of vastzetten; - c. maximale brutomassa: de maximaal toege"},{"i":7336,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 14 oktober 2020, nr. IENW/BSK-2020/191861, tot wijziging van de Subsidieregeling elektrische personenauto’s particulieren in verband met de beheersbaarheid van de jaarbudgetgrenzen Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onder b en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4 eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling elektrische personenauto’s particulieren. Artikel II Op aanvragen die zijn ingediend tot de dag van inwerkingtreding van deze regeling blijft de [Subsidieregeling elektrische personenauto’s particulieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043600), zoals deze luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 30 oktober 2020. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9454,"b":"Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden De staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens de samenwerking tussen staten ten behoeve van de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden te verbeteren, Zich bewust van de noodzaak van resultaatgerichte procedures die toegankelijk, snel, efficiënt, kosteneffectief en rechtvaardig zijn en tegemoetkomen aan de behoeften, Geleid door de wens voort te bouwen op de sterke punten van bestaande Haagse verdragen en andere internationale instrumenten, met name het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005233) van 20 juni 1956, Ernaar strevend gebruik te maken van de technologische vooruitgang en een flexibel systeem te creëren dat verder kan worden ontwikkeld naarmate de behoeften veranderen en kan worden aangepast aan verdere ontwikkelingen op technologisch gebied die nieuwe mogelijkheden creëren, Eraan herinnerend dat op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508&artikel=3) en [27 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508&artikel=27) van 20 november 1989, bij alle maatregelen betreffende kinderen het belang van het kind een eerste overweging vormt, elk kind recht heeft op een levensstandaard die toereikend is voor zijn lichamelijke, geestelijke, intellectuele, morele en maatschappelijke ontwikkeling, de ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, de primaire verantwoordelijkheid hebben voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind, en de staten die partij zijn alle passende maatregelen nemen, met inbegrip van het sluiten van internationale overeenkomsten, om de inning te waarbo"},{"i":6099,"b":"Voorlopig Bestuursreglement van de Nederlandse Zorgautoriteit, zoals vastgesteld op grond van artikel 124, derde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij brief van 29 september 2006, nr. MC/MO-2716649 Gelet op [artikel 124, derde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=124); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. Wmg: de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. NZa: de Nederlandse Zorgautoriteit, zoals ingesteld op grond van [artikel 3, eerste lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. Raad (van Bestuur): de voorzitter en de overige leden van de NZa, zoals benoemd door de Minister op grond van [artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=4); - d. Minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - e. reglement: het onderhavige bestuursreglement dat is vastgesteld door de NZa en goedgekeurd door de Minister; - f. voorzitter: degene die als voorzitter van de NZa is benoemd door de Minister, op grond van [artikel 4, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=4); - g. bestuurslid: diegene die als lid van de NZa is benoemd door de Minister, waaronder ook de voorzitter, op grond van [artikel 4, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=4). Artikel 2. De Raad van Bestuur 1. De Raad bestuurt de organisatie van de NZa. 2. De Raad maakt een evenredige verdeling van werkzaamheden door de aangelegenheden waarover de Raad besluiten moet nemen te verdelen in portefeuilles voor elk bestuurslid, waarbij gelijktijdig plaatsvervangers worden aangewezen. 3. Een bestuurslid is binnen de Raad voor de tot zijn portefeuille behorende aangelegenheden het eerste aanspreekpunt voor de mede"},{"i":6185,"b":"Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: - a. **voertuigen:** motorrijtuigen, rijwielen en andere rij- of voertuigen, met uitzondering van kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen; - b. **motorrijtuigen:** rij- of voertuigen, bestemd om uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het rij- of voertuig zelf aanwezig, te worden voortbewogen; - c. **bestuurder:** hij, die het motorrijtuig bestuurt of onder zijn onmiddellijk toezicht doet besturen. 2. Voor de toepassing van deze wet worden onder bezitter mede verstaan de beheerder en voorts allen, die krachtens enig zakelijk recht de beschikking over enig goed hebben. Artikel 2 1. In geval van botsing, aan- of overrijding met een motorrijtuig op een openbare weg, is de eigenaar van dat motorrijtuig aansprakelijk voor de schade toegebracht aan, niet door dat motorrijtuig vervoerde, personen en goederen, tenzij aannemelijk is, dat de schade is te wijten aan overmacht, daaronder begrepen schuld van iemand, voor wie de bezitter niet aansprakelijk is. 2. De bezitter die het motorrijtuig niet zelf bestuurt, is aansprakelijk voor de gedragingen van degene, door wie hij het motorrijtuig doet of laat rijden. 3. Ter zake eenzelfde ongeval is het totaal bedrag der ingevolge het eerste lid verschuldigde vergoeding voor aan goederen toegebrachte schade beperkt tot de waarde van het motorrijtuig tot op het ogenblik van het ongeval, tenzij wordt aangetoond schuld van de bezitter zelf, of van iemand voor wie de bezitter aansprakelijk is. In geval van geschil heeft de bezitter aan te tonen tot welk bedrag zijn aansprakelijkheid is beperkt. 4. Het bepaalde bij de vorige leden vindt geen toepassing ten aanzien van schade door een motorrijtuig toegebracht aan loslopende dieren, aan een ander motorrijtuig in beweging of aan personen en goederen, welke daarmede worden vervoerd. 5. De rechter kan het bedrag der schad"},{"i":6499,"b":"Besluit tot wijziging van het Mandaatbesluit Dienstonderdelen Openbaar Ministerie van 15 december 1997, nr. 665431/897 Overwegende dat, bij Mandaatbesluit openbaar ministerie d.d. 15 december 1997 (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 augustus 2002) het College van procureurs-generaal mandaat is verleend voor het budget, het personeels- en formatiebeheer en de arbeidsomstandigheden; Overwegende dat het College, krachtens artikel 9 van het Mandaatbesluit openbaar ministerie van 15 december 1997, bij Mandaatbesluit dienstonderdelen openbaar ministerie d.d. 15 december 1997, ondermandaat heeft verleend aan de hoofden van de dienstonderdelen van het openbaar ministerie, die zijn aangewezen als integraal manager voor hun onderdeel; Overwegende dat wetgeving in voorbereiding is, waarin een nieuw landelijk zelfstandig opererend onderdeel van het Openbaar Ministerie, rechtstreeks onder het College van procureurs-generaal, te weten de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, inzake het centraal afdoen van beroepen voortkomend uit de [Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581), [artikel 8 Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8) en [artikel 30 Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=30) en andere door het College aan te wijzen zaakstromen en taken; Overwegende dat vooruitlopend op die wetgeving, waarbij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie zal worden verankerd in de Wet op de rechterlijke organisatie, een overgangsregeling noodzakelijk en gewenst is waarbij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie door middel van opname in het Mandaatbesluit dienstonderdelen openbaar ministerie per 1 augustus 2005 onder de mandaatstructuur van het Openbaar Ministerie wordt gebracht; Besluit: Artikel 1. Definities Onder de dienstonderdelen als weergegeven onder artikel 1, sub c, van het Mandaatbesluit dienstonderdelen O"},{"i":6145,"b":"Besluit van 26 april 2001, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit Koffie- en cichorei-extracten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 december 2000, kenmerk GZB/VVB 2131294, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [Richtlijn nr. 1999/4/EG](31999L0004) van het Europees Parlement en de Raad van 22 februari 1999 inzake extracten van koffie en extracten van cichorei (PbEG L 66), alsmede op de [artikelen 1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [8 onder a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13) en [14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14); De Raad van State gehoord (advies van 27 februari 2001, no.W13.00.0606/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 april 2001, GZB/VVB 2173710, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. koffie-extract: de geconcentreerde waar die wordt verkregen door extractie van gebrande koffiebonen, waarbij uitsluitend water als extractiemiddel wordt gebruikt met uitsluiting van elk hydrolyseprocédé waarbij zuren of basen worden toegevoegd; - b. cichorei: de voor de bereiding van dranken bestemde, met het oog op het drogen en branden naar behoren gereinigde wortels van Cichorium intybus L., die niet voor de productie van witlof worden aangewend; - c. cichorei-extract: de geconcentreerde waar die wordt verkregen door e"},{"i":6150,"b":"Besluit van 4 juni 1998, houdende het Warenwetbesluit Meel en brood Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 september 1997, nr. GZB/VVB/975283, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op artikel II, eerste lid, van de Wijzigingswet 1988 Warenwet, alsmede op [artikel 4, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [artikel 8, onder b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), en [artikel 14, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14); De Raad van State gehoord (advies van 18 november 1997, no. W13.97.0624); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 mei 1998 met nummer GZB/VVB/981807, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: De als krentenbrood of als rozijnenbrood aangeduide voorverpakte waar die voldoet aan het Broodbesluit (Warenwet) 1985 zoals dat onmiddellijk vóór die dag luidde, mag verhandeld nog worden tot 14 februari 2000. § 1:. algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **meel**: de grotendeels poedervormige waar, verkregen door verkleinen of pletten van de vruchten van graan of de zaden van boekweit, waaraan kiemen en delen van de schil geheel of gedeeltelijk kunnen zijn onttrokken, en waarvan, voor zover het gerst, haver, rijst, wilde rijst of boekweit betreft, de doppen verwijderd zijn; - b. **bloem**: meel, waarin kiemen en delen van de schil niet met het blote oog waarneembaar zijn; - c. **brood:** de gebakken eetwaar, met als kenmerkende bestanddelen: - –. water of melk; - –. rijsmiddel, met dien verstande dat dit niet verplicht is voor roggebrood; - –. al dan niet verkleinde of geple"},{"i":6142,"b":"Besluit van 3 april 2013, houdende regels inzake de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten (Warenwetbesluit informatie levensmiddelen) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 februari 2013, VGP/3153658, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op: artikel 6, eerste en derde lid, van [Richtlijn 1999/2/EG](31999L0002) van het Europees Parlement en de Raad van 22 februari 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de behandeling van voedsel en voedselingrediënten met ioniserende straling (PbEG 1999, L 66); [Verordening (EG) nr. 178/2002](32002R0178) van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG 2002, L 31); [Verordening (EG) nr. 1924/2006](32006R1924) van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (PbEU 2006, L 404, en 2007, L 12); [Verordening (EG) nr. 110/2008](32008R0110) van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van de geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1576/89 van de Raad (PbEU 2008, L 39); [Verordening (EG) nr. 41/2009](32009R0041) van de Commissie van 20 januari 2009 betreffende de samenstelling en de etikettering van levensmiddelen die geschikt zijn voor personen met een glutenintolerantie (PbEU 2009, L 16); Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement"},{"i":6196,"b":"Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bestuursrechtelijk op te treden tegen de opslag en doorgifte van online kinderpornografisch materiaal; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aanbieder van een communicatiedienst:** de aanbieder van een communicatiedienst als bedoeld in [artikel 138g van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=138g); - –. **aanbieder van hostingdiensten:** de aanbieder van een communicatiedienst bestaande in de opslag van gegevens die van een ander afkomstig zijn; - –. **Autoriteit:** de Autoriteit, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&paragraaf=2&artikel=2&z=2026-04-25&g=2026-04-25); - –. **geautomatiseerd werk:** een geautomatiseerd werk als bedoeld in [artikel 80sexies van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=80sexies); - –. **kinderpornografisch materiaal:** visuele weergaven als bedoeld in [artikel 252 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=252); - –. **ontoegankelijk maken:** het treffen van maatregelen ter voorkoming dat van online kinderpornografisch materiaal wordt kennisgenomen, alsmede ter voorkoming van de verdere verspreiding van dit materiaal, dan wel het verwijderen van het materiaal uit het geautomatiseerde werk, met behoud van de gegevens ten behoeve van de strafvordering en de bestuursrechtelijke procedure; - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie en Veiligheid. Paragraaf 2. De Autoriteit Online Terroristis"},{"i":6256,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot samenvoeging van de gemeenten Bedum, De Marne, Eemsmond en Winsum Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Bedum, De Marne, Eemsmond en Winsum samen te voegen tot de nieuwe gemeente Het Hogeland; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en grenswijziging van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Bedum, De Marne, Eemsmond en Winsum opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Het Hogeland ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Bedum, De Marne, Eemsmond en Winsum, met dien verstande dat de grens van de nieuw te vormen gemeente komt te lopen zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 Met ingang van de datum van herindeling wordt de grens van de gemeente Zuidhorn gewijzigd, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Het Hogeland wordt de op te heffen gemeente Eemsmond aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Bedum, De Marne, Eemsmond en Winsum wordt de nieuwe gemeente Het Hogeland aangewezen voor de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39) in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000371"},{"i":6137,"b":"Besluit van 24 maart 1998, houdende het Warenwetbesluit Gereserveerde aanduidingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 september 1997, nr. GZB/VVB/975144, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), onder b, en [artikel 12 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 18 november 1997, no. W13.97.0626); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 maart 1998 met nummer GZB/VVB/98814, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **druiven:** vruchten van Vitis Vinifera L; - b. **verordening (EU) 2019/787:** [Verordening (EU) 2019/787](32687R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de definitie, omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken, het gebruik van de namen van gedistilleerde dranken in de presentatie en etikettering van andere levensmiddelen en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken, het gebruik van ethylalcohol en distillaten uit landbouwproducten in alcoholhoudende dranken, en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 110/2008](32008R0110) (PbEU 2019 L 130); - c. **ethylalcohol uit landbouwproducten:** een vloeistof met de in artikel 5 van [verordening (EU) 2019/787](32687R2019) genoemde vereisten; - d. **verordening (EEG) 2658/87:** verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG 1987, L 256); - e. **gedistilleerde drank:** drank als bedoeld in artikel 2 van [verordening (EU) 2019/787](32687R2019);"},{"i":5732,"b":"Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 20 februari 2023, 2023-0000079987, tot subsidiëring van re-integratiemethode Individuele Plaatsing en Steun voor de gemeentelijke doelgroep (Subsidieregeling IPS-trajecten voor de gemeentelijke doelgroep) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5) en de [artikelen 45, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=45), en [49, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=49); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **college:** het college van burgemeester en wethouders; - **CMD:** common mental disorder, zijnde een gediagnosticeerde hoogprevalente psychische stoornis waarvoor de klant gedurende beperkte tijd in behandeling is bij of onder begeleiding staat van een GGZ-instelling, voornamelijk in diagnosespecifieke ambulante of poliklinische zorgprogramma’s; - **EPA:** ernstige psychiatrische aandoening, zijnde een gediagnosticeerde psychische, gedrags- of emotionele stoornis waarvoor de klant in behandeling is bij of onder begeleiding staat van een GGZ-instelling, die: - a. van voldoende duur is om te voldoen aan de diagnostische criteria, bedoeld in de vierde herziene versie van het diagnostisch handboek ‘Diagnostic and statistic manual of mental disorders (DSM), vastgesteld door de American Psychiatric Association en overgenomen door de Nederlandse vereniging voor Psychiatrie, en - b. resulteert in ernstige functionele beperkingen die leiden tot substantiële verstoring of begrenzing van belangrijke levensactiviteiten; - **GGZ-instelling:** een rechtspersoon die geestelijke gezondheidszorg biedt, onder onafhankelijk toezicht staat en over een vergunning als bedoeld in [artikel 4, ee"},{"i":5725,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 maart 2026, nr. WJZ/1787349, houdende regels voor subsidieverstrekking voor de instandhouding van monumenten met een woonfunctie op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Subsidieregeling instandhouding woonhuis-monumenten Caribisch Nederland 2026) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beschermd stads- of dorpsgezicht:** beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in [artikel 1, onder e, van de Monumentenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028429&artikel=1); - **bestuurscollege:** het bestuurscollege van het desbetreffende openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - **bouwkundig inspectierapport:** rapport dat de technische staat van het monument of beschermd monument beschrijft, en dat is opgesteld door een ter zake deskundige persoon of instantie; - **instandhoudingskosten:** kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen en andere kosten die volgens de Leidraad als subsidiabel zijn aangemerkt; - **instandhoudingswerkzaamheden:** werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het herstel van het monument of beschermd monument en waarvoor op grond van deze regeling subsidie is of kan worden verleend; - **kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **leidraad:** Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, opgenomen als [bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten](onbekend); - **monument:** onroerend monument als bedoeld in [artikel 1, onder a, van d"},{"i":5736,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juni 2013, nr. 2013-0000329545, houdende regels voor de subsidiëring van de Stichting Europa decentraal; Kenniscentrum Europees recht en beleid (Subsidieregeling Kenniscentrum Europa Decentraal 2013) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdelen d, e en f, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), en [18, eerste lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=18); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **Kenniscentrum:** de Stichting Europa decentraal; Kenniscentrum Europees recht en beleid voor decentrale overheden. Artikel 2 1. De minister verstrekt aan het Kenniscentrum een subsidie voor het geven van voorlichting aan, het verspreiden van kennis onder, het signaleren van relevante ontwikkelingen voor en het coördineren van rapportages en kennisgevingen door provincies, gemeenten en waterschappen op het terrein van de Europese regelgeving en het Europese beleid dat voor deze organen van belang is in de decentrale praktijk. 2. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 3 De subsidie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033570&paragraaf=1&artikel=2&z=2021-10-29&g=2021-10-29), bedraagt ten hoogste het bedrag dat uit de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties blijkt. § 2. De subsidieverlening Artikel 4 Het Kenniscentrum dient de aanvraag tot subsidieverlening uiterlijk in op 1 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft. § 3. Voorschotverlening A"},{"i":7355,"b":"Wet van 14 maart 2002 tot wijziging van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (regels verrekenbedingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels met betrekking tot verrekenbedingen in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op te nemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Boek I van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel III Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel IV. Overgangsbepaling 1. Op huwelijkse voorwaarden die uitsluitend finale verrekening van vermogen bevatten, blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing. 2. Op een bepaling als bedoeld in [artikel 94, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=94), die vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet in een uiterste wilsbeschikking of bij de gift is opgenomen, blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6502,"b":"Besluit van 10 maart 2006, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2003 (wijzigingen in verband met de implementatie van de richtlijn tunnelveiligheid) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 januari 2006, nr. DJZ2005220565, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [richtlijn nr. 2004/54/EG](32004L0054) van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake de minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEG L 101/56) en op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=2) en [120 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120); De Raad van State gehoord (advies van 16 februari 2006, nr. W08.06.0019/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 maart 2006, nr. DJZ2006242277, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Bouwbesluit 2003. Artikel II Voor wegtunnels die zijn opengesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit blijven de [artikelen 2.218](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012727&artikel=2.218) en [2.219 van het Bouwbesluit 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012727&artikel=2.219) en de daarop rustende bepalingen tot 1 mei 2014 buiten beschouwing. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":14149,"b":"Richtlijnen voor buitenlandse verbindingsofficieren in Nederland op het gebied van de politiële en justitiële samenwerking Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder buitenlandse verbindingsofficier: een in Nederland door een andere staat aangemelde opsporingsambtenaar voor de politiële en justitiële strafrechtelijke samenwerking die zijn werkzaamheden op Nederlands grondgebied uitoefent. 2. Deze regeling laat onverlet de samenwerking tussen buitenlandse verbindingsofficieren en de douane op basis van de bestaande internationale douaneregelingen op het gebied van de wederzijdse bijstand en de communautaire regelingen ter zake. Artikel 2 1. Als centrale Nederlandse autoriteit, bedoeld in deze regeling, wordt aangewezen de dienst Internationale Netwerken van het Korps landelijke politiediensten. 2. Het gezag ten aanzien van de taakuitvoering van de centrale Nederlandse autoriteit, bedoeld in deze regeling, wordt uitgeoefend door de hoofdofficier van justitie van het landelijk parket. Artikel 3 De Minister van Buitenlandse Zaken zendt de staat die een buitenlandse verbindingsofficier in Nederland heeft aangemeld, onverwijld een afschrift van deze regeling onder verwijzing naar de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 41, eerste lid, van het op 18 april 1961 tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (Trb. 1962, 101). Artikel 4 1. Conform artikel 41, eerste lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, vervult een buitenlandse verbindingsofficier zijn taken binnen het raam van zijn bevoegdheden met inachtneming van de bepalingen van de Nederlandse wet- en regelgeving. Daarbij worden, voorzover van toepassing, tevens de voor Nederland en de zendstaat geldende en relevante verdragen in acht genomen. 2. Hij werkt samen met de Nederlandse politie en de overige diensten en bevoegde autoriteiten belast met de opsporing van stra"},{"i":18262,"b":"Gedragscode integriteit Eerste Kamer Artikel 1. Algemene bepaling Ieder lid handelt bij de naleving van de door hem afgelegde eed of belofte in overeenstemming met beginselen van integriteit en betrouwbaarheid. De invulling daarvan en de verantwoording daarover vinden plaats in overeenstemming met deze gedragscode. Integriteit is in de ruimste zin van het woord het goede doen, ook als niemand kijkt. Voor Eerste Kamerleden begint integriteit bij de eed of belofte die alle leden op grond van [artikel 60 Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=60) en [artikel 2 Wet beëdiging Ministers en leden Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005430&artikel=2) afleggen. Bij de aanvaarding van hun ambt leggen zij in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) en een getrouwe vervulling van hun ambt. Bij de naleving van de eed of belofte dienen leden te handelen in overeenstemming met beginselen van integriteit en betrouwbaarheid. Deze gedragscode beoogt die beginselen verder in te vullen. De verantwoording zoals voorzien in dit document streeft naar een wijze van transparantie die de samenleving redelijkerwijze mag verwachten van een gekozen volksvertegenwoordiger. De Tijdelijke commissie GRECO-rapport noemde in 2014 als elementen van het begrip integriteit het voorbeeldig, betrouwbaar en transparant handelen.2Kamerstukken I 2013/14, CX, A, p. 5. Leden geven het goede voorbeeld door respectvol met elkaar om te gaan in procedures en tijdens het debat, leven vastgestelde regels, afspraken en deadlines na en zijn bij hun handelen transparant over hun functies naast het Kamerlidmaatschap en eventuele andere belangen. Aldus ook de Tijdelijke commissie werkwijze Eerste Kamer in 2017.3Kamerstukken I 2016/17, CXXIV, A, p. 7. Leden van de Eerste Kamer zijn medewetgever en controleur van de regering. Zij behartigen, allema"},{"i":9644,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Duitse Bondsrepubliek inzake de begrenzing van het continentaal plat onder de Noordzee Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, Ten einde de grens vast te stellen tussen de aan elk van hen toekomende delen van het continentaal plat onder de Noordzee, voor zover dit niet reeds is geschied bij het Verdrag van 1 december 1964 inzake de zijdelingse begrenzing van het continentaal plat in de nabijheid van de kust, Verlangende tevens het economische gebruik van het continentaal plat te regelen voor zover hun gemeenschappelijk belang zulk een regeling vordert, Zich baserende op het arrest van het Internationale Gerechtshof van 20 februari 1969 in de geschillen tussen de Bondsrepubliek Duitsland, enerzijds, en het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden, anderzijds, over de afbakening van het continentaal plat onder de Noordzee, Met inachtneming van de grenzen op het continentaal plat die door het arrest van het Internationale Gerechtshof niet zijn getroffen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 (1). De grens tussen het Nederlandse en het Duitse deel van het continentaal plat onder de Noordzee wordt, in aansluiting aan het bij het Verdrag van 1 december 1964 vastgestelde grensgedeelte, gevormd door de bogen van grootcirkels tussen de volgende punten in de volgorde zoals hieronder aangegeven: | E3 | zoals vastgesteld in het Verdrag van 1 december 1964 | zoals vastgesteld in het Verdrag van 1 december 1964 | zoals vastgesteld in het Verdrag van 1 december 1964 | zoals vastgesteld in het Verdrag van 1 december 1964 | zoals vastgesteld in het Verdrag van 1 december 1964 | zoals vastgesteld in het Verdrag van 1 december 1964 | zoals vastgesteld in het Verdrag van 1 december 1964 | | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | E4 | 54° | 11' | 12\" N | 06° | 00' | 00\" | O | | | E5 | 54° | 37' | 12\" N | 05° | 00' | 00\" | O | | | E6 | 55° | 00' | 00\" N | 05° | 00' | 00\" | O |"},{"i":9651,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens Het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek, Hierna gezamenlijk te noemen „partijen” en elk afzonderlijk „partij”, Erkennend de belangrijke rol die hun samenwerking speelt bij het waarborgen van vrede, internationale veiligheid en wederzijds vertrouwen, Overwegend dat zij vergelijkbare beveiligingsnormen delen voor de bescherming van gerubriceerde gegevens en Teneinde de wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens te waarborgen; Zijn, in het belang van de nationale veiligheid, het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel en reikwijdte 1. Dit Verdrag heeft ten doel de beveiliging te waarborgen van gerubriceerde gegevens die worden uitgewisseld tussen de partijen, tussen een partij en een opdrachtnemer onder de rechtsmacht van de andere partij, tussen opdrachtnemers onder de rechtsmacht van de respectieve partijen, of die worden gegenereerd in het kader van een bilateraal programma uit hoofde van dit Verdrag. In dit Verdrag worden de beveiligingsprocedures en regelingen voor deze beveiliging vastgelegd. 2. De partijen nemen alle passende maatregelen krachtens hun interne wetgeving om de beveiliging van gerubriceerde gegevens in overeenstemming met dit Verdrag te waarborgen. 3. Dit Verdrag vormt geen basis om de partijen ertoe te verplichten gerubriceerde gegevens te verstrekken of uit te wisselen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a). **„Verdrag”**, dit document met inbegrip van de Bijlage daarbij; - b). **„Gerubriceerd contract”**, elk juridisch bindend instrument tot het leveren van goederen en/of diensten dat een van de partijen of een opdrachtnemer onder haar rechtsmacht aangaat met een opdrachtnemer onder de rechtsmacht van de andere partij, die gerubriceerde gegevens bevat of waarbij voor de uitvoering toegang of mogelijk toegang vereist i"},{"i":9700,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Voorbereidende Commissie voor de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens betreffende de zetel van de Commissie Het Koninkrijk der Nederlanden en De Voorbereidende Commissie voor de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens In aanmerking nemend dat het Koninkrijk der Nederlanden het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, gedaan te Parijs op 14 januari 1993, heeft ondertekend; Gelet op de Resolutie inzake de oprichting van de Voorbereidende Commissie voor de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens, die bepalingen omvat betreffende de rechtspositie, voorrechten en immuniteiten van de Commissie, haar Uitvoerend Secretaris en functionarissen; Overwegend dat voor de vestiging van de zetel van de Commissie op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden ('s-Gravenhage) een verdrag dient te worden gesloten; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit Verdrag: - a. wordt verstaan onder „het Verdrag”: het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, voor ondertekening opengesteld te Parijs op 13 januari 1993; - b. wordt verstaan onder „de Commissie\": de Voorbereidende Commissie voor de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens; - c. wordt verstaan onder „Lid”: een Lid-Staat van de Commissie; - d. wordt verstaan onder „de Regering\": de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden; - e. wordt verstaan onder „de Partijen\": het Koninkrijk der Nederlanden en de Commissie; - f. wordt verstaan onder „de Uitvoerend Secretaris\": de Uitvoerend Secretaris van de Commissie bedoeld in paragraaf 3 van Bijlage 1 bij de Resolutie inzake de oprichting van de Voorbereidende Commissie voor de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens; - g. wordt"},{"i":9743,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Internationale Politie Organisatie inzake de priviliges en immuniteiten van de Internationale Politie Organisatie tijdens de Eenentwintigste Amerikaanse Regionale Conferentie The Kingdom of the Netherlands, in respect of Aruba, and the International Criminal Police Organization (hereinafter referred to as “ICPO-Interpol” or “the Organization”), In anticipation of the 21st Americas Regional Conference of ICPO-INTERPOL, which will be held in Aruba from 6 July to 8 July 2011, have agreed to the following: Article 1. Entry into the host country territory Vervallen Article 2. Privileges and immunities of the organization Vervallen Article 3. Inviolability of archives and correspondence of the Organization Vervallen Article 4. Foreign exchange Vervallen Article 5. Exemption from customs duties Vervallen Article 6. Privileges and immunities of participants Vervallen Article 7. Diplomatic privileges Vervallen Article 8. Use of immunities Vervallen Article 9. Settlement of Disputes Vervallen Article 10. Entry into Force Vervallen IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized thereto, have concluded this Agreement. DONE at Oranjestad, this 7th day of June 2011, and at Lyon, this 20th day of June 2011, in duplicate, in the English language. **For the Kingdom of the Netherlands, in respect of Aruba** ARTHUR L. DOWERS **For the International Criminal Police Organization,** JEAN-MICHEL LOUBOUTIN Directeur Executif **p/o** Ronald K. Noble Secretary General"},{"i":12816,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Dienst voor het kadaster en de openbare registers Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de neerslag van het handelen van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers over de periode vanaf 1945 (actualisatie 2015)’ met de daarbij behorende toelichting wordt vastgesteld. Artikel 2 De voor de Dienst Kadaster en Openbare Registers geldende ‘Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein geo-informatie over de periode vanaf 1945 (Dienst kadaster en Openbare Registers)’, vastgesteld bij [besluit van de Staatssecretaris van Cultuur en Wetenschap van 14 mei 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016736), Staatscourant 118, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":9744,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden ten behoeve van Aruba en de Verenigde Staten van Amerika inzake de overdracht van geconfisqueerde gelden The Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the United States of America, Considering that the Government of Aruba provided valuable assistance in detaining an individual who attempted to enter Aruba with U.S. currency removed from the United States in violation of reporting requirements under U.S. law, and Considering that, as a result of such assistance, those funds were forfeited to the United States Customs Service, Have agreed that: This Agreement shall enter into force upon signature by both Parties. DONE at The Hague, this eleventh day of March 1994, in duplicate in the English language. **For the Government of the Kingdom of the Netherlands:** (sd.) H. R. KROES **For the Government of the United States of America:** (sd.) MICHAEL KLOSSON"},{"i":19028,"b":"Wet van 29 juni 1925, tot invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat volgens de slotbepaling van het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) het in werking treden van dat Wetboek nader bij de wet wordt geregeld; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze, vast te stellen de volgende bepalingen, welke zullen uitmaken de: Titel I. Algemeene bepalingen Artikel 1 Het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. Wij behouden Ons echter voor de inwerkingtreding der [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=48), [49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=49) en [275 van het Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=275) te bepalen op een later tijdstip dan dat bedoeld in [het eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001926&titeldeel=I&artikel=1&z=2002-03-01&g=2002-03-01). Artikel 2 Op Onzen last wordt het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) met de daarin gebrachte wijzigingen en aanvullingen in een doorloopend genummerde reeks van boeken, titels, afdeelingen, paragrafen en artikelen samengevat en wordt de aanhaling daarvan, zoo in dit Wetboek als in andere wetten en wettelijke voorschriften, in verband daarmede voor zoover noodig gewijzigd. De gewijzigde tekst van het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) wordt op Onzen last in het **Staatsblad** geplaatst. Titel II. Wijzigingen, aan te brengen in het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) Artikel 3 Bevat wijzigingen in ander"},{"i":9745,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en het Koninkrijk Zweden ter bevordering van de economische betrekkingen Overwegend dat het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en het Koninkrijk Zweden („de verdragsluitende partijen”) een [verdrag inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003506) hebben ondertekend; Aangezien zowel het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, als het Koninkrijk Zweden zich verplicht heeft zich in te zetten voor een internationaal financieel stelsel dat vrij is van verstoringen ten gevolge van een gebrek aan transparantie en het ontbreken van een doeltreffende uitwisseling van informatie bij belastingzaken; Aangezien het Koninkrijk Zweden het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, wenst bij te staan bij het diversifiëren van zijn economie; Zijn de verdragsluitende partijen thans het volgende overeengekomen: Artikel 1. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn: - a. op Aruba: de winstbelasting (hierna te noemen „Arubaanse belasting”); - b. in Zweden: de nationale inkomstenbelasting (**den statliga inkomstskatten**) (hierna te noemen „Zweedse belasting”). 2. Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de belastingen bedoeld in het eerste lid worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen doen elkaar mededeling van alle belangrijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht. Artikel 2. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist: - a. wordt verstaan onder de uitdrukking „verdragsluitende partij” het Koninkrijk der Nederlanden ten behoeve van Aruba, of het Koninkrijk Zweden, al naargelang de context vereist; - b. wordt verstaan"},{"i":9749,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en het Koninkrijk Zweden ter bevordering van de economische betrekkingen Overwegend dat het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en het Koninkrijk Zweden („de verdragsluitende partijen”) een [verdrag inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003509) hebben ondertekend; Aangezien zowel het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, als het Koninkrijk Zweden zich verplicht heeft zich in te zetten voor een internationaal financieel stelsel dat vrij is van verstoringen ten gevolge van een gebrek aan transparantie en het ontbreken van een doeltreffende uitwisseling van informatie bij belastingzaken; Aangezien het Koninkrijk Zweden het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, wenst bij te staan bij het diversifiëren van hun economie; Zijn de verdragsluitende partijen thans het volgende overeengekomen: Artikel 1. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn: - a. op de Nederlandse Antillen: - i. de inkomstenbelasting; - ii. de winstbelasting; en - iii. de opcenten op de inkomsten- en winstbelasting; (hierna te noemen: „de Nederlands-Antilliaanse belasting”); - b. in Zweden: de nationale inkomstenbelasting (**den statliga inkomstskatten**) (hierna te noemen: „Zweedse belasting”). 2. Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de belastingen bedoeld in het eerste lid worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen doen elkaar mededeling van alle belangrijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht. Artikel 2. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:"},{"i":9808,"b":"Verklaring tussen Nederland en België nopens de grensregeling tussen de beide landen in het kanaal van Gent naar Terneuzen De Regeering van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden en de Regeering van Zijne Majesteit den Koning der Belgen, overwegende eenerzijds, dat luidens artikel 5 van de op 5 November 1842 tusschen Nederland en België gesloten overeenkomst, » de as van het kanaal van Terneuzen bij voortduring de grens zal uitmaken van het oude fort St. Antonie af tot tegenover het Nederlandsche tolkantoor in het gehucht de Stuyver”, en anderzijds, dat die as verplaatst is, ten gevolge der werken aan gezegd kanaal uitgevoerd, ingevolge de overeenkomst van 31 October 1879, zijn omtrent de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 De oude as van het kanaal van Gent naar Terneuzen, zooals die vóór de verbreeding van het kanaal in 1879-1885 bestond, zal bij voortduring de grens tusschen beide Landen uitmaken. Artikel 2 De § § 1, 2 en 3 van artikel 127 van het proces-verbaal van beschrijving der grensscheiding tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, behoorend bij de op 8 Augustus 1843 te Maastricht gesloten overeenkomst omtrent de grensscheiding, worden gewijzigd overeenkomstig het ontwerp van proces-verbaal van beschrijving, door de Commissarissen der beide Regeeringen den 31sten Mei 1886 te Sas van Gent vastgesteld en onderteekend. Dat proces-verbaal, evenals het parcellair plan en de topographische kaart, door gezegde Commissarissen opgemaakt, zullen bij de tegenwoordige verklaring gevoegd blijven en zullen dezelfde kracht en waarde hebben alsof zij daarin in hun geheel waren opgenomen. Ten oorkonde waarvan de ondergeteekenden, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden en Minister van Buitenlandsche Zaken van Zijne Majesteit den Koning der Belgen, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze verklaring hebben onderteekend en het zegel hunner wapenen daarop gesteld. Fait en double expédition à"},{"i":7363,"b":"Wet van 29 juni 1994, tot invoering van de mogelijkheid van ontbinding van rechtspersonen door de Kamer van Koophandel en Fabrieken, vervanging in een aantal artikelen van Boek 2 Burgerlijk Wetboek van beroep op de Kroon door beroep op het College van Beroep voor het bedrijfsleven, alsmede enige andere wijzigingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de registratie van rechtspersonen en de voorkoming van misbruik van rechtspersonen wenselijk is de mogelijkheid van ontbinding van niet-actieve rechtspersonen door de Kamer van Koophandel en Fabrieken in te voeren en dat het tevens wenselijk is bij dezelfde gelegenheid het beroep op de Kroon in een aantal artikelen van Boek 2 Burgerlijk Wetboek te vervangen door een beroep op het College van Beroep voor het bedrijfsleven en enige andere artikelen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV. Overgangsbepaling Rechtspersonen die voor een bepaalde duur zijn opgericht worden geacht voor onbepaalde tijd te zijn opgericht, indien de bepaalde duur nog niet is verstreken vóór het tijdstip van in werking treden van deze wet, of indien deze duur wel is verstreken maar nog niet met de vereffening is begonnen vóór dat tijdstip. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6096,"b":"Besluit van 19 juni 2014, houdende nadere regels omtrent de bijzondere zorgplicht voor veteranen (Veteranenbesluit) Op de voordracht van onze Minister van Defensie, van 12 maart 2014 gedaan mede namens onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikelen 2 tot en met 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031401&artikel=2) en [7 tot en met 10 van de Veteranenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031401&artikel=7) en de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) en [12h van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12h); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 mei 2014, No.W07.14.0070/II); Gezien het nader rapport van onze Minister van Defensie, van 5 juni 2014, nr. BS/2014007292, uitgebracht mede namens onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Erkenning en waardering voor veteranen Artikel 1. Erkenning en waardering 1. Onze minister stelt een Inspecteur der Veteranen aan die tot taak heeft Onze Minister te adviseren over veteranenaangelegenheden en te bemiddelen in individuele aangelegenheden ten behoeve van veteranen. 2. Onze minister bevordert initiatieven op het gebied van erkenning van en waardering voor veteranen door het instellen van een veteranenloket voor informatie en aanvragen betreffende erkenning en waardering. Het veteranenloket heeft tevens tot taak het ondersteunen en begeleiden van veteranen en hun relaties als bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035237&hoofdstuk=4&artikel=10&z=2018-07-28&g=2018-07-28) en door het faciliteren, subsidiëren of door het beschikbaar stellen van personeel, materieel of infrastructuur aan of voor: - a. de Stichting het Veter"},{"i":6178,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 november 2009, nr. VGP/VC 2971146, houdende aanwijzing van controleurs van de VROM-Inspectie als toezichthouders Warenwet (Warenwetregeling aanwijzing toezichthouders VROM-Inspectie) Gelet op [artikel 25, eerste lid, onder a, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) gestelde voorschriften, worden aangewezen de controleurs van de VROM-Inspectie. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling aanwijzing toezichthouders VROM-Inspectie. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9888,"b":"Wet van 20 juni 1996, houdende wijziging van de Auteurswet 1912 en de Wet op de naburige rechten in verband met richtlijn nr. 93/83/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PbEG L 248) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van [richtlijn nr. 93/83/EEG](31993L0083) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (**PbEG** L 248) noodzakelijk is de [Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886) en de [Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Auteurswet 1912. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de naburige rechten. ARTIKEL III 1. Deze wet laat vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet verrichte exploitatiehandelingen onverlet. 2. Op overeenkomsten betreffende de exploitatie van een werk in de zin van de [Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886) of van een prestatie in de zin van de [Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921), die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog van kracht zijn, is de in deze wet opgenomen regeling betreffende het uitzenden door middel van een satelliet van toepassing met ingang van 1 januari 2000, indien deze overeenkomsten op het laatstgenoemde tijdstip nog van kracht zijn. 3. Met betrekking tot een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet tot stand gekomen internati"},{"i":9920,"b":"Aanwijzing toezichthoudende ambtenaren sanering loden drinkwaterleidingen Gelet op [artikel 15.15 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.15); Besluit: 1. het besluit van 24 juni 1999/Nr. COR99176450 (Stcrt. 1999, 121) wordt ingetrokken; 2. personen in dienst van Taxon WOZ consultants BV die daartoe zijn aangewezen te belasten met het toezicht op de naleving van de op grond van de [Subsidieregeling sanering loden drinkwaterleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010544) aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen; 3. te bepalen dat dit besluit in werking treedt met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt geplaatst in de Staatscourant."},{"i":9963,"b":"Beleidsregel betreffende de uitoefening van de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse zaken tot het afgeven van verklaringen van geen bezwaar, als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de Wet veiligheidsonderzoeken, in verband met de vervulling van vertrouwensfuncties op de burgerluchthavens De Minister van Binnenlandse Zaken, Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=5) en [7, tweede lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=7); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. Bij het afgeven van een verklaring als bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=4) en [5 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=5), in verband met de vervulling van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, wordt, indien het naar de betrokken persoon ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd als bedoeld in [artikel 7, tweede lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=7), bij de beoordeling van die gegevens rekening gehouden met: - a. de aard van de gegevens; - b. de ouderdom van de gegevens; - c. de aard en de zwaarte van de delicten waarop de gegevens betrekking hebben; - d. de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen; - e. het aantal in een bepaalde tijdsspanne vastgelegde gegevens; - f. de leeftijd van betrokkene ten tijde van het vastleggen van de gegevens. 2. Bij de beoordeling van de in de aanhef van het eerste lid bedoelde gegevens wordt in het bijzonder gelet op gegevens betreffende: - a. gebruik of handel in harddrugs; - b. handel in grotere hoeveelheden softdrugs; - c. voorhanden hebben of handel in vuurwapens of schijnvuurwapens; - d. zwaardere vormen van diefstal, inbraak of heling; - e. verduis"},{"i":10053,"b":"Besluit instelling Commissie Overleg en Voorlichting Milieuhygiëne (COVM) Vliegbasis Woensdrecht Overwegende dat een commissie ten behoeve van overleg en voorlichting omtrent de milieuhygiëne rond het militaire luchtvaartterrein van de vliegbasis Woensdrecht kan functioneren als een doelmatige organisatie voor het opstellen van adviezen uit eigen hoofde of naar aanleiding van vragen of klachten aan de bevoegde instanties betreffende alle maatregelen en voorschriften ter vermindering van geluidhinder rond het luchtvaartterrein; Overwegende dat de vliegbasis Woensdrecht door de Minister van Defensie is aangewezen als militair luchtvaartterrein bij beschikking nr. 264.020/H van 3 januari 1962 (Stcrt. 34); Overwegende dat de geluidszone als weergave van de geluidsbelasting door startende en landende vliegtuigen voor de vliegbasis Woensdrecht is vastgelegd in het Structuurschema Militaire Terreinen; Handelende na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de besturen van de Provincies Noord-Brabant en Zeeland en de besturen van de gemeenten Woensdrecht, Bergen op Zoom, Roosendaal, Reimerswaal en Essen (B). Gelet op [artikel 28 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=28); Besluit: Artikel 1 Er wordt een Commissie Overleg en Voorlichting Milieuhygiëne Vliegbasis Woensdrecht ingesteld. Artikel 2 1. In de Commissie hebben zitting: - a. een lid, tevens voorzitter, aan te wijzen door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant; - b. een lid aan te wijzen door Gedeputeerde Staten van Zeeland; - c. twee leden aan te wijzen door ieder college van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Woensdrecht, Bergen op Zoom, Roosendaal en Reimerswaal; - d. het hoofd Bureau Geluidhinder, Zonering en Rapportering van het Commando Luchtstrijdkrachten, of een door hem aan te wijzen vertegenwoordiger; - e. de commandant van de vliegbasis Woensdrecht, of een door hem aan te wijzen vertegenwoordiger; - f. de regionaal ins"},{"i":10136,"b":"Besluit van 8 december 1997, houdende een stortverbod binnen inrichtingen voor aangewezen categorieën van afvalstoffen (Besluit stortverbod afvalstoffen) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 november 1997, nr. MJZ97566861, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 8.44, eerste, vierde en zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.44); De Raad van State gehoord (advies van 26 november 1997, nr. W08.97.0711); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 december 1997, nr. MJZ97580608, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Stortverboden en begripsomschrijving van stortplaats Artikel 1 1. Het is verboden afvalstoffen te storten op een stortplaats, die behoren tot een of meer van de navolgende categorieën: | 1. | vloeibare afvalstoffen, niet zijnde metallisch kwik waarvan het storten met het oog op de veilige opslag ervan is toegestaan bij of krachtens Verordening (EU) nr. 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008 (PbEU 2017, L 137); | vloeibare afvalstoffen, niet zijnde metallisch kwik waarvan het storten met het oog op de veilige opslag ervan is toegestaan bij of krachtens Verordening (EU) nr. 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008 (PbEU 2017, L 137); | | --- | --- | --- | | 2. | afvalstoffen, aangewezen in de bijlage bij beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffen"},{"i":10137,"b":"Besluit van 25 november 1955, betreffende de taak van het Departement van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot het vervoer, de in-, uit- en doorvoer, verkoop en opslag van buskruit en andere licht ontvlambare of ontplofbare stoffen Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Verkeer en Waterstaat van 26 augustus 1955, nummer U 7530, Directie voor Openbare Orde en Veiligheid, Bureau Algemene en Juridische Zaken en van 21 november 1955, No. 430631 I.V.B. Directoraat-Generaal van Scheepvaart; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel Met ingang van 1 januari 1956 worden de zaken, geregeld bij de wet van 26 april 1884 (**Stb.** 81), houdende nadere bepalingen omtrent het vervoer, de in-, uit- en doorvoer, verkoop en opslag van buskruit en andere licht ontvlambare of ontplofbare stoffen, voor zoveel deze berusten bij het Hoofd van het Departement van Binnenlandse Zaken, overgedragen aan het Hoofd van het Departement van Verkeer en Waterstaat. Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Verkeer en Waterstaat zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":10138,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 13 april 2026, nr. IENW/BSK-2026/57677, houdende vaststelling van de taken waarmee de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat wordt belast Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951, houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3) (Stb. 24); Besluit: Artikel 1 Mevrouw A.H.W. Bertram is als Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, binnen de grenzen van het door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat vastgestelde beleid, belast met aangelegenheden op het terrein van: - a. Milieu (stelselverantwoordelijkheid) en duurzame leefomgeving (niet-Klimaat, o.a. geluidhinder, veiligheid en risico’s, (gevaarlijke) stoffen, biociden en gewasbescherming buiten landbouw, luchtkwaliteit, kaderstelling afval, verkeersemissies en brandstoffen; - b. bodem; - c. openbaar vervoer en spoor, met inbegrip van spoorveiligheid; - d. internationaal openbaar vervoer; - e. fietsbeleid; - f. Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut; - g. Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming; - h. Planbureau voor de Leefomgeving; - i. andere aangelegenheden waarvan behartiging door de minister aan haar wordt toevertrouwd. Artikel 2 Het [besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 13 juli 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051333), nr. IENW/BSK-2025/165935, houdende vaststelling van de taken waarmee de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat wordt belast (Stcrt. 25294), wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 23 februari 2026. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3261,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 augustus 2022 nr. BOACAT2022/055, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Hilversum Gelezen het verzoek van de gemeente Hilversum van 28 juli 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047067&artikel=2&z=2025-10-15&g=2025-10-15). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerker handhaving I t/m III in dienst van gemeente Hilversum, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de R"},{"i":10165,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 28 november 2017, nr. IENM/BSK-2017/271646, houdende vaststelling van het Landelijk afvalbeheerplan 2017–2029 (LAP 3) Gelet op [artikel 10.3 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.3); BESLUIT: Vast te stellen het Landelijk afvalbeheerplan 2017–2029 (LAP 3), dat als bijlage bij dit besluit is opgenomen. Bijlage Gepubliceerd op www.lap3.nl. Dit besluit en de toelichting worden in de Staatscourant geplaatst. De bijlage wordt niet in de Staatscourant geplaatst, maar kan worden ingezien op www.lap3.nl."},{"i":10166,"b":"Besluit van de Minister voor Natuur en Stikstof van 30 juni 2023, nr. WJZ/ 33366783, tot vaststelling van de marktwaarde van productierecht voor de uitvoering van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie Gelet op [artikel 8, derde lid, van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048258&artikel=8); Besluit: Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10167,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 12 oktober 2015, nr. IENM/BSK-2015/ 197529, houdende vaststelling van het maximaal toegestane aandeel eigen vermogen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Drinkwaterwet, en van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet, bedoeld in het derde lid van het genoemde artikel, voor 2016 en 2017 Gelet op [artikel 10, tweede lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10) juncto [artikel 7 van het Drinkwaterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=7)en [artikel 10, derde lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Het maximaal toegestane aandeel eigen vermogen in het totale vermogen van een drinkwaterbedrijf, bedoeld in [artikel 10, tweede lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10), wordt voor de kalenderjaren 2016 en 2017 vastgesteld op 70%. Artikel 2 De gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet, bedoeld in [artikel 10, derde lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10), wordt voor de kalenderjaren 2016 en 2017 vastgesteld op 4,2%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5223,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 4 februari 2013, nr. WJZ/13010648, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2013 Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=45), [47, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47), [48, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=48), [56, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=56), [59, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=59),[61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=61), en [62, vierde lid, van het Beslu"},{"i":10192,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 06-12-2007, nr. aca-2007.04114/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10276,"b":"Douaneovereenkomst betreffende de tijdelijke invoer voor persoonlijk gebruik van pleziervaartuigen en van luchtvaartuigen PREAMBULE De Overeenkomstsluitende Partijen, Gelet op het op 16 juni 1949 te Genève gesloten Akkoord tot voorlopige toepassing van de ontwerpen van internationale douaneovereenkomsten met betrekking tot het toeristenverkeer, tot voertuigen welke voor bedrijfsmatig vervoer langs de weg worden gebezigd en tot het internationale vervoer van goederen langs de weg, en in het bijzonder op artikel V van dit Akkoord, waarin wordt bepaald dat in geval wereldovereenkomsten, aangelegenheden regelende welke het voorwerp uitmaken van de in dit Akkoord bedoelde ontwerpovereenkomsten, „tot stand zouden komen, elke regering die partij is bij dit Akkoord en partij wordt bij een of meer van die wereldovereenkomsten, op de dag waarop deze overeenkomsten in werking treden, automatisch geacht zal worden dit Akkoord te hebben opgezegd voor die ontwerp-overeenkomsten, welke op hetzelfde onderwerp betrekking hebben als de wereldovereenkomsten, waarbij zij partij is geworden”, Gelet op het [Verdrag inzake douaneformaliteiten ten behoeve van het toeristenverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005182) en op het [Douaneverdrag inzake de tijdelijke invoer van particuliere wegvoertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005368), welke beide op 4 juni 1954 te New York zijn gesloten, Overwegende, dat in tegenstelling tot het ontwerp van een internationale douaneovereenkomst met betrekking tot het toeristenverkeer, krachtens het Akkoord van 16 juni 1949 voorlopig in werking gesteld, vorengenoemde Verdragen geen bepalingen bevatten inzake de tijdelijke invoer met vrijstelling van rechten en heffingen van luchtvaartuigen en van pleziervaartuigen, andere dan in gebruik zijnde kano's en kajaks met een lengte van minder dan 5,50 m, Bezield door de wens de ontwikkeling te vergemakkelijken van het internationale toeristenverkeer waarbij gebruik wordt gemaakt van plez"},{"i":10476,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Seychellen inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Seychellen (hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen); Partij zijnde bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld; en Geleid door de wens een aanvullende overeenkomst bij dat Verdrag te sluiten, met het doel luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden in te stellen; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent, tenzij uit het zinsverband anders blijkt: - 1.1. de uitdrukking „Verdrag” het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld, met inbegrip van alle krachtens de artikelen 90 en 94 van dat Verdrag aanvaarde Bijlagen en wijzigingen, voor zover die Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor of zijn bekrachtigd door de beide Overeenkomstsluitende Partijen; - 1.2. de uitdrukking „luchtvaartautoriteiten”, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat of de persoon of instantie, die bevoegd is de functies te vervullen die thans of in de toekomst door die Minister worden of kunnen worden uitgeoefend; en, wat de Republiek Seychellen betreft, de Minister van Burgerluchtvaart of de persoon of instantie die bevoegd is een bepaalde functie, waarop deze Overeenkomst betrekking heeft, te vervullen; - 1.3. de uitdrukking „aangewezen luchtvaartmaatschappij” een luchtvaartmaatschappij die overeenkomstig artikel 4 van deze Overeenkomst is aangewezen en gemachtigd; - 1.4. de uitdrukking „grondgebied” met betrekking tot een Staat de betekenis die daaraan in artikel 2 van het Verdrag is toegekend; - 1.5. de uitdrukkingen „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij” en „l"},{"i":10578,"b":"Regeling Europese afvalstoffenlijst Gelet op beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2000 tot vervanging van beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van [Richtlijn 75/442/EEG](31975L0442) van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van [Richtlijn 91/689/EEG](31991L0689) van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 226/3), zoals laatstelijk gewijzigd bij beschikking nr. 2001/573/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 2001 tot wijziging van Beschikking 2000/532/EG van de Commissie wat de lijst van afvalstoffen betreft (PbEG L 203/18) en op [artikel 1.1, eerste, zesde en tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), en [10.15 tot en met 10.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.15) jo. [21.6 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6), [artikel 3, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002380&artikel=3) en [artikel 2, tweede lid, van het Bestrijdingsmiddelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002450&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: **afvalstoffenlijst:** bijlage bij beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van [Richtlijn 75/442/EEG](31975L0442) van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van"},{"i":10584,"b":"Regeling financiële bepalingen bodemsanering en Circulaire bijdrageverlening bodemsanering Brief aan de colleges van gedeputeerde staten van de provincies en burgemeester en wethouders van Amsterdam, ’s-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht Geacht college, Ten tijde van de Interimwet bodemsanering was de financiële relatie tussen rijk en budgethouders geregeld op circulaire-niveau, te weten de Leidraad bodembescherming, deel III (financieel-administratief deel). De leidraadtekst is voor het laatst gewijzigd per 1 januari j.l., resulterend in de Circulaire herziening bijdrageverlening bodemsanering; financieel-administratief deel (hierna te noemen circulaire 1/96). Daarmee werden tevens een aantal aanpassingen aan de saneringsregeling Wet bodembescherming en procedurele vereenvoudigingen ingevoerd. In de saneringsregeling Wet bodembescherming zijn voor aantal financiële onderwerpen ministeriële regelingen voorgeschreven. Achtergrond daarvan is het uitgangspunt dat de uitvoering van het beleid zich zo veel mogelijk voltrekt door middel van wetgeving en daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen. De regeling is een vertaling van de circulaire 1/96. Alle onderwerpen waarvoor de wet een ministeriële regeling voorschrijft zijn in één regeling ondergebracht. Onderwerpen waarvoor geen ministeriële regeling is voorgeschreven, maar die wel enige nadere uitwerking behoeven, zijn opgenomen in de Circulaire bijdrageverlening bodemsanering. Die circulaire is het residu na overheveling van de onderwerpen (met bijlagen) die in de circulaire 1/96 en de Circulaire inwerkingtreding saneringsregeling Wet bodembescherming (tweede fase) voorkwamen naar de regeling. Aan de regeling en de nieuwe circulaire zijn, behalve het bepaalde over doelmatigheidstoetsing (zie volgende paragraaf), geen andere nieuwe onderwerpen opgenomen. Voor de verslaglegging over afgeronde omvangrijke gevallen is een richtinggevende checklist opgesteld (bijlage 6 van de regeling). Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de beho"},{"i":10626,"b":"Regeling operationele beperkingen lawaaiige luchtvaartuigen Schiphol Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 4, van het Koninklijk Besluit van 21 mei 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003404&artikel=4), houdende voorschriften ter beperking van de geluidhinder door luchtvaartuigen (Stb. 343); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **cumulatieve marge:** de in EPNdB uitgedrukte waarde die wordt verkregen door het bij elkaar optellen van de individuele marges, zijnde de verschillen tussen het gecertificeerde geluidsniveau en het maximaal toegestane geluidsniveau op elk van de drie referentiegeluidsmeetpunten zoals gedefinieerd, in hoofdstuk 3 van ICAO Bijlage 16; - **EPNdB:** de eenheid van effectief waargenomen geluid zoals gedefinieerd in hoofdstuk 3 van ICAO Bijlage 16; - **hoofdstuk 2-vliegtuig:** een vliegtuig waarvoor door het bevoegd gezag een verklaring is afgegeven dat het geluidgecertificeerd is overeenkomstig de bepalingen en voorschriften van hoofdstuk 2 van ICAO Bijlage 16; - **hoofdstuk 3-vliegtuig:** een vliegtuig waarvoor door het bevoegd gezag een verklaring is afgegeven dat het geluidgecertificeerd is overeenkomstig de bepalingen en voorschriften van hoofdstuk 3 van ICAO Bijlage 16; - **hoofdstuk 4-vliegtuig:** een vliegtuig waarvoor door het bevoegd gezag een verklaring is afgegeven dat het geluidgecertificeerd is overeenkomstig de bepalingen en voorschriften van hoofdstuk 4 van ICAO Bijlage 16; - **hoofdstuk 14-vliegtuig:** een vliegtuig waarvoor door het bevoegd gezag een verklaring is afgegeven dat het geluidgecertificeerd is overeenkomstig de bepalingen en voorschriften van hoofdstuk 14 van ICAO Bijlage 16; - **ICAO Bijlage 16:** volume I, deel II, van Bijlage 16, achtste uitgave (juli 2017), bij het Verdrag inzake de Burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109); - **landen:**moment van de vlucht van een luchtvaartuig waarop het landingsgest"},{"i":10631,"b":"Regeling seinen luchtvaart BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. grondsein: visueel signaal dat wordt gegeven door middel van een figuur op de grond; - b. lichtsein: visueel signaal dat wordt gegeven door middel van een kunstmatige lichtbron; - c. morsesein: signaal dat bestaat uit korte en lange tekens uit het morsealfabet; - d. noodsein: signaal dat blijk geeft van een ernstige situatie waarbij gevaar dreigt en onmiddellijk hulp is vereist; - e. spoedsein: signaal dat blijk geeft van een ernstige situatie waarbij mogelijk gevaar dreigt en hulp is gewenst. Hoofdstuk 2. Nood- en spoedseinen Artikel 2 - 1. Een luchtvaartuig dat zich in ernstig en onmiddellijk gevaar bevindt en dringend hulp behoeft, geeft gezamenlijk of afzonderlijk de volgende noodseinen: - a. het morsesein -…---…- met de betekenis SOS, door middel van radiotelegrafie of enige andere vorm van signaaloverdracht; - b. het gesproken woord MAYDAY bij gebruik van radiotelegrafie; - c. een noodbericht dat de bedoeling van het woord MAYDAY doorgeeft bij gebruik van een gegevensverbinding; - d. rood licht voortbrengende licht- of vuurpijlen, die met korte tussenpozen één voor één worden afgevuurd; - e. een rood licht voortbrengende fakkel die, verbonden aan een valscherm, uit een luchtvaartuig wordt geworpen. - 2. Indien het gebruik van één der in het eerste lid genoemde seinen niet mogelijk is, kan een in nood verkerend luchtvaartuig andere seinen gebruiken om de aandacht te trekken, zijn positie kenbaar te maken of hulp te verkrijgen. Artikel 3 Een luchtvaartuig dat moeilijkheden heeft waardoor het gedwongen wordt te landen zonder dat onmiddellijke hulp nodig is, geeft de volgende spoedseinen, gezamenlijk of afzonderlijk: - a. het herhaaldelijk in- en uitschakelen van de landingslichten; - b. het herhaaldelijk in- en uitschakelen van de naviga"},{"i":10735,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Buitenlandse Economische Betrekkingen vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 juli 2006 nr. arc-2006.02898/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Buitenlandse Economische Betrekkingen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10744,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Rijksdienst voor het Wegverkeer vanaf 1951 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005 nr. arc-2005.02405/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Rijksdienst voor het Wegverkeer op het beleidsterrein Rijksdienst voor het Wegverkeer vanaf 1951’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basiselectiedocument vanaf 1951 geldend voor de zorgdragers de RDW en de minister van Verkeer en Waterstaat drs. W.E. Overeem Lijst van afkortingen APK: Algemeen Periodieke Keuring AWB: Algemene Wet Bestuursrecht BSD: Basisselectiedocument CBV: Coördinatieberaad Voertuigbeleid CBM: Centraal Bureau Motorrijtuigenbelasting CJIB: Centraal Justitieel Incassobureau EC: Europese Commissie ECE: Economic Commission for Europe RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek RTL: Registratie Tenaamstelling Leasemaatschappijen V&W: Verkeer en Waterstaat WAM: Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen ZBO: Zelfstandig Bestuursorgaan 1. Inleiding **1.1. Verantwoording** Deze lijst is een selectielijst zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid van het Archiefbesluit 1995. De lijst is opgezet als basisselectiedocument (BSD). Het grootste deel van het BSD bestaat uit handelingen beschreven in het rapport institutioneel onderzoek (RIO) **Het blik waardig keuren, een institutioneel onderzoek naar het handelen van de RDW, 1951–**. In 1997 is reeds een ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Rijksdienst Wegverkeer’ voor de RDW vastgesteld. Dit BSD was gebaseerd op het RIO **De Heil"},{"i":10745,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Studiefinanciering vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2006 (nr. arc-2006.02763/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Studiefinanciering over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10746,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Wapens en Munitie periode 1945-1997 (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005, nr. arc-2005.02444/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Wapens en Munitie over de periode 1945–1997](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10747,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beleidsterrein Binnenvisserij 1945–1999 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 oktober 2005, nr. arc-2005.02633/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Binnenvisserij over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van de onder het Ministerie van Landbouw en Visserij ressorterende Directie van de visserijen en van de onder deze Directie ressorterende diensten, commissies en ambtenaren alsmede van de kamer voor de binnenvisserij’ vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en de Minister van Landbouw en Visserij d.d. 12 januari 1978, Dir/MMA/Ar 192.841 en PAZ 19 (Staatscourant 1978, 26), voor wat betreft de categorieën 38 t/m 48 (Taak), voor zover betrekking hebbend op het beleidsterrein binnenvisserij, en voor wat betreft de categorieën 49 en 50 (kamer voor de binnenvisserij) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10812,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de uitoefening van de luchtverkeersleiding door de Bondsrepubliek Duitsland boven Nederlands grondgebied alsmede de gevolgen van het burgergebruik van luchthaven Niederrhein op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, Partij zijnde bij het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944, Met inachtneming van de toepasselijke nationale luchtverkeersvoorschriften, Voornemens hun bilaterale samenwerking op het gebied van het luchtverkeer opnieuw vol vertrouwen uit te breiden en te intensiveren, Ten behoeve van de ontwikkeling van de internationale luchtvaart en het afwenden van gevaren voor de luchtvaart en de gemeenschap, Geleid door de wens de veilige afwikkeling van het internationale vliegverkeer over hun gemeenschappelijke landsgrenzen heen ten behoeve van de gebruikers van het luchtruim en hun passagiers te vergemakkelijken, Geleid door de wens mens, natuur en milieu in de grensstreken zo volledig mogelijk tegen de ongewenste gevolgen van het grensoverschrijdende luchtverkeer te beschermen, Gelet op de institutionele strategie van de Europese Conferentie voor de Burgerluchtvaart ten behoeve van air traffic management (ATM) in Europa en op het Protocol tot wijziging van het Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart (Eurocontrol), dat op 27 juni 1997 werd opengesteld voor ondertekening (het herziene Verdrag); Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. LUCHTVERKEERSLEIDING Artikel 1. Uitoefening van luchtverkeersleiding 1. Het Koninkrijk der Nederlanden verleent de Bondsrepubliek Duitsland toestemming voor afwikkeling van het luchtverkeer met inachtneming van het Nederlandse recht en de bijzondere bepalingen van dit Verdrag in een deel van het Nederlandse luchtruim. De Bondsrepubliek Du"},{"i":10894,"b":"Besluit van 6 januari 2014 tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten en herstel van gebreken van wetstechnische en inhoudelijk ondergeschikte aard) Artikel I Wijzigt het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel II Wijzigt het Besluit omgevingsrecht. Artikel III Wijzigt het Waterbesluit. Artikel IV Wijzigt het Besluit OM-afdoening. Artikel V Wijzigt het Besluit organisch-halogeengehalte van brandstoffen. Artikel VI Wijzigt het Besluit lozen buiten inrichtingen. Artikel VII Wijzigt het Besluit lozing afvalwater huishoudens. Artikel VIII 1. Een omgevingsvergunning op grond van [artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1) die van kracht en onherroepelijk was onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel A, onder 2, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034702&artikel=II&z=2014-03-01&g=2014-03-01), wordt, voor zover die omgevingsvergunning een activiteit betreft die in artikel II, onderdeel A, onder 2, onder c, is aangewezen, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van die wet. 2. Onverminderd [artikel 6.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022762&artikel=6.4) blijft op een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van [artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), voor zover die aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit die in [artikel II, onderdeel A, onder 2, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034702&artikel=II&z=2014-03-01&g=2014-03-01), is aangewezen, het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip v"},{"i":10972,"b":"Wet van 9 december 1999 tot wijziging van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en van enige andere wetten in verband met de rijksrivieren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut, doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het vanwege de ontwikkelingen in het beheer van de grote rivieren gewenst is de ingevolge de Rivierenwet geldende regels zowel aan te passen als te vereenvoudigen, deels in het kader van integratie met de algemene bepalingen van de [Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331), deels door aanvullende voorzieningen in de [onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842) en enige andere wetten ; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Artikel II Wijzigt de Waterstaatswet 1900. Artikel III Wijzigt de Ontgrondingenwet. Artikel IV Wijzigt de onteigeningswet. Artikel V 1. De Rivierenwet wordt ingetrokken. 2. Niettemin blijven de begrenzingen onderscheidenlijk gebiedsaanwijzingen en overige beperkingen op het vereiste van een vergunning, die op de datum van inwerkingtreding van deze wet gelden op grond van het bij of krachtens de Rivierenwet bepaalde, van kracht tot de datum van inwerkingtreding van het krachtens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken te nemen besluit tot vaststelling van begrenzingen onderscheidenlijk gebiedsaanwijzingen en overige beperkingen op het vereiste van een vergunning. Artikel VI Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11033,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 16 december 2022, nr. VO/35104710, met betrekking tot de wijze van uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen (Beleidsregel financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen 2022) Gelet op de [artikelen 155](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=155) en [169 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=169), de [artikelen 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=123) en [129 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=129), de [artikelen 133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=133) en [145, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=145), de [artikelen 5.49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.49), en [10.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=10.1), de [artikelen 2.5.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.9), en [11.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=11.1), de [artikelen 2.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=2.9), en [15.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=15.1), de [artikelen 2.3.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.3.11), en [10.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=10.2) en de [artikelen 4:46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:46), [4:48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:48), [4:49](https://wetten.overheid.nl"},{"i":14337,"b":"Regeling incidentele reizen voor de militair en zijn naaste betrekking Gelet op [artikel 113, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=113), en [artikel 115, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=115), van het Algemeen militair ambtenarenreglement; Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **hoofd defensieonderdeel** - 1°. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf; - 2°. de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando; - 3°. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf; - 4°. de commandant van het Commando DienstenCentra, voor zover het betreft het Commando DienstenCentra. - b. **echtgenote** de echtgenote als bedoeld in [artikel 1, derde lid, onderdeel a, van het AMAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=1); - c. **gezinsleden** - 1°. de echtgenote van de militair, die voor zover metterwoon gevestigd in een gebied buiten Nederland daartoe de goedkeuring heeft van de Minister van Defensie; - 2°. de eigen, aangehuwde, stief- of pleegkinderen van de militair of van zijn echtgenote, voor zover zij met de militair samenwonen en waarvoor bij verblijf in een gebied buiten Nederland aanspraak bestaat op een verhoging van de toelage buitenland; - d. **kernbemanning** een door de commandant van een schip, eenheid of inrichting aangegeven groep militairen die, tijdens een periode waarbij de bemanning collectief vakantieverlof geniet, (wacht)diensten verrichten; - e. **militair** de militair als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, en artikel 1, vijfde lid, van het AMAR](https://wetten."},{"i":14335,"b":"Regeling in verband met plaatsgebonden consignatie Gelet op [artikel 12, zevende lid 7, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=12), Besluit: Artikel 1 De ambtenaar, aan wie consignatie wordt opgelegd als bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=18), kan niet verplicht worden zich op een daartoe aangegeven plaats beschikbaar te houden, tenzij uitzonderlijke omstandigheden hiertoe noodzaken. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden geplaatst."},{"i":12841,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en voorlopers over de periode vanaf 1969 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 07 maart 2011, nr. bca-2011.06083/2; Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en voorlopers over de periode vanaf 1969’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.archief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13614,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat houdende instelling van de Raad voor Deltaonderzoek Besluit: Artikel 1 Er is een Raad voor Deltaonderzoek, hierna de te noemen: de Raad. Artikel 2 De Raad heeft tot taak: - a. maatschappelijke strategische onderzoeksvraagstukken met betrekking tot de Nederlandse delta te formuleren en te agenderen en daarover gevraagd en ongevraagd de Minister van Verkeer en Waterstaat te adviseren; - b. het (middel)lange termijn onderzoeksprogramma van de Stichting Deltares te beoordelen en indien nodig te prioriteren; - c. de Minister van Verkeer en Waterstaat te adviseren over de aanvraag tot subsidieverlening op grond van de [Subsidieregeling Stichting Deltares](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023172). Artikel 3 De Raad bestaat uit 18 leden, onder wie de voorzitter en de vice-voorzitter. Artikel 4 1. De Minister van Verkeer en Waterstaat benoemt en ontslaat de leden van de Raad. 2. Als voorzitter wordt benoemd de directeur-generaal van het directoraat-generaal Water van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en als vice-voorzitter de plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. 3. Als lid worden benoemd: - a. de hoofdingenieur-directeur Waterdienst van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat; - b. de directeur-generaal van het directoraat-generaal Milieu van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu; - c. een directeur-generaal van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - d. de directeur-generaal van het directoraat-generaal voor Ondernemen en Innovatie van het Ministerie van Economische Zaken; - e. de directeur-generaal van het directoraat-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs en Wetenschap van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. - f. de voorzitter van het college van bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam; - g. de"},{"i":12833,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen voor de periode vanaf 1 november 2020 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) voor de periode vanaf 1 november 2020 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst: - •. [Selectielijst voor het organisatiearchief van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036732)-, Staatscourant, nr. 17424, d.d. 26 juni 2015 wordt afgesloten vanaf 1 november 2020. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Staatssecretaris van Cultuur en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11091,"b":"Besluit van 1 april 2010, houdende bepalingen voor een experiment met het oog op het bevorderen van excellentie in het hoger onderwijs (Besluit experiment excellentie in het hoger onderwijs) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 24 november 2009, nr. WJZ/170222(4857), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 1.7a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.7a); De Raad van State gehoord (advies van 15 januari 2010, nr. W05.09.0494/l); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 30 maart 2010, nr. WJZ/186329 (4857), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - b. **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. **instellingsbestuur:** het instellingsbestuur van een bekostigde instelling, bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - d. **studiejaar:** het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar; - e. **experimenteel programma:** programma binnen een masteropleiding waarvan de duur van het programma gelijk is aan de duur van die masteropleiding en waarvoor aanvullende toelatingseisen of collegegeldverhoging worden toegestaan. Artikel 2. Doelstelling experiment 1. Het is bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, waarvan de daartoe strekkende aanvragen door Onze Minister op grond van dit besluit zijn goedgekeurd met het oog op de stimulering va"},{"i":13599,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 2 februari 2018, houdende instelling van de Onderzoekscommissie WODC II inzake relatie beleid en WODC (Instellingsbesluit Onderzoekscommissie WODC II inzake relatie beleid en WODC) In overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Besluit: Vindt toepassing met ingang van 15 januari 2018. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **Commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040616&artikel=2&z=2018-02-13&g=2018-02-13); - c. **WODC:** het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een onafhankelijke Onderzoekscommissie WODC II inzake relatie beleid en WODC. 2. De Commissie heeft tot taak onderzoek te verrichten naar: - a). de invulling van de relatie tussen het WODC en beleidsafdelingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; - b). de positionering van het WODC ten opzichte van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in vergelijking met andere publieke kennisorganisaties en de voor- en nadelen daarvan voor de wetenschappelijke integriteit. 3. De Commissie beoordeelt of: - a). de werkwijze na inwerkingtreding van het Protocol WODC in 2016 naar behoren functioneert; - b). het WODC en andere onderdelen van het bestuursdepartement van Justitie en Veiligheid handelen overeenkomstig het Protocol WODC uit 2016; - c). de onafhankelijkheid van het WODC of van onderzoekers die beleidsonderzoek verrichten in opdracht van het WODC is geschaad; en - d). de deugdelijkheid van de beleidsonderzoeken is geschaad. 4. De Commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan haar opdracht. Hieronder valt in ieder geval: - a). het onderzoek naar eventuele meldingen over een vermeend geb"},{"i":12836,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Loodswezen voor de periode vanaf 1988 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de neerslag van de processen van de Nederlandse loodsencorporatie (NLc), STODEL (Stichting Opleiding en Deskundigheidsbevordering Registerloodsen), de regionale loodsencorporaties (rlc’s) en het Nederlands Loodswezen BV (NLBV) voor de periode vanaf 1988 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12876,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Stimulering Midden- en Kleinbedrijf vanaf 1945 (Minister van Economische Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 6 december 2006, nr. arc-2006.03247/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Stimulering Midden- en Kleinbedrijf over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Hoofdstuk VI, Handel, Ambacht en Diensten, nr 1 van de ‘Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken, welke behoren tot het archief van het Ministerie van Economische Zaken en de daaronder ressorterende diensten, zoals vastgesteld in juni/september 1965 (bij beschikking nr. 465/878 M&H 14 juni 1965 en nr. 117173 O.K.N. 7 sept. 1965), laatstelijk gewijzigd in 1987 (bij beschikking nr. M.M.A./Ar-u-2423 II, d.d. 15-9-1987, IZ/AS 487/I/109) wordt ingetrokken uitsluitend voor de periode vanaf 1 januari 1945. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basis selectiedocument **Instrument voor de selectie – ter vernietiging danwel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdrager** op het beleidsterrein **Eindredactie: Project Wegwerken Archiefachterstanden (PWAA)** **Vastgestelde versie februari 2007** 1. Lijst van afkortingen AmvB: Algemene Maatregel van Bestuur Awb: [Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) BSD: Basisselectiedocument BV: Besloten vennootschap BZK: (Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden CBB: College van Beroep voor het bedrijfsleven CDK: (Stichting) Coördinatie Dienstverl"},{"i":12860,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Kunsten vanaf 1945 (Stimuleringsfonds voor de Architectuur) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007 nr. arc-2007.03635/5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Stimuleringsfonds voor de Architectuur op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12797,"b":"Besluit vaststelling selectielijst archieven Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en voorgangers Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en de nog niet overgedragen archiefbescheiden van zijn voorgangers de MID (Marine Inlichtingendienst (1941–1944), Marine Intelligentiedienst (1946-1947), Militaire Inlichtingendienst van de landmacht (1949–1972), Militaire Inlichtingendienst (1987–2003), Landmacht Inlichtingendienst (LAMID), Luchtmacht Inlichtingendienst (LUID) en Marine Inlichtingendienst (MARID) vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Tevens wordt de ‘generieke selectielijst voor de archiefbescheiden van het ministerie van Defensie vanaf 1945’ (vastgesteld bij besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Defensie, nr. NA/14/13082 d.d. 17 februari 2014, gepubliceerd in de Staatscourant nr. 5937, d.d. 5 maart 2014) vastgesteld voor de MIVD en in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037869&artikel=1&z=2016-04-27&g=2016-04-27) genoemde voorgangers voor die archiefbescheiden die vallen buiten de reikwijdte van de in artikel 1 genoemde selectielijst. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12289,"b":"Besluit van 1 juli 2025, nr. 2025001422 houdende gelijkstelling van 2 januari 2026, 15 mei 2026, 7 mei 2027, 28 april 2028 en 26 mei 2028 met een algemeen erkende feestdag Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 19 juni 2025, directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving, directie Juridische en Operationele Aangelegenheden, nr. 6350178; Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3) worden gelijkgesteld 2 januari 2026, 15 mei 2026, 7 mei 2027, 28 april 2028 en 26 mei 2028. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van verschijning van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Justitie en Veiligheid is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14370,"b":"Regeling van 29 september 2010, nr. 5668860/10/6 tot wijzing van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES ter uitvoering van het op 29 mei 1993 te 's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (Regeling interlandelijke adoptie BES) Gelet op [artikel 20, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=20); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. Artikel 1 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 1. Artikel 2 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 1. Artikel 3 De volgende regelingen zijn van toepassing op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: - a. de [Regeling betreffende de verklaring houdende toestemming tot adoptie, als bedoeld in artikel 4 van het Haags Verdrag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009816) (Stcrt. 1998, 148); - b. de [Regeling betreffende de verklaring inzake overeenstemming van interlandelijke adoptie en de verklaring inzake overeenstemming van omzetting van interlandelijke adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009831) (Stcrt. 1998, 158); - c. de [Richtlijnen opneming buitenlandse kinderen ter adoptie 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011679) (Stcrt. 2000, 234). Artikel 4 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028249&artikel=I) in werking treedt of. Vindt plaatsing in de Staatscourant op een later tijdstip plaats, dan treedt deze regeling in werking met ingang van tweede dag na de dagtekening van de Sta"},{"i":14356,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 13 juni 2018, nr. 1366416 PO, houdende regels omtrent informatievoorziening in het primair onderwijs (Regeling informatievoorziening WPO/WEC) Gelet op de [artikel 164a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=164a) en [164c, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=164c), de [artikelen 178a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=178a) en [178c, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=178c), [artikel 10b, tweede lid, van het Besluit bekostiging WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004259&artikel=10b), [artikel 11a, tweede lid, van het Besluit bekostiging WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=11a) en de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018065&artikel=4) en [9 van het Besluit informatievoorziening WPO/WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018065&artikel=9); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) dan wel [artikel 1 WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **inspectie:** Inspectie van het onderwijs; - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **WEC:** [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - **WOT:** [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800); - **WPO:** [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420). Paragraaf 2. Gebruik gegevens basisregister onderwijs door de Minister Artikel 2. Reikwijdte Vervallen Artikel 3. Te verstrekken gegevens Vervallen Artikel 4. Wijze van verstrekking Vervallen Artikel 5. Tijdstippen"},{"i":11137,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein ‘Coördinatie algemeen regeringsbeleid vanaf 1945’ (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 januari 2009 bca-2009.05163/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ‘Coördinatie algemeen regeringsbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12734,"b":"Besluit van 15 juni 2011, houdende vaststelling van de bestanddelen van de munten van vijf en de tien euro die in 2011 worden uitgegeven ter gelegenheid van 100 jaar Muntgebouw Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 7 juni 2011, FM/2011/9010 M, Generale Thesaurie, directie Financiële Markten, afdeling Institutioneel Beleid en Integritiet; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2011/11173. Artikel 1 1. De beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2011 worden uitgegeven ter gelegenheid van 100 jaar Muntgebouw is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis met daarboven in een bloemenlijst de tekst «BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN», ter linker- en ter rechterzijde twee hoofden, een jongere en een oudere medewerker van de Munt representerend en onderin de beeltenis van cherubijntje; in de buitencirkel zijn verschillende elementen en symbolen van het Muntgebouw afgebeeld en in de binnencirkel linksboven de mercuriusstaf, rechtsboven een mand met munten, rechtsonder de brug naast het Muntgebouw en linksonder een smeltoven; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden een oude muntpers met daaronder in een gecodeerde tekst die is opgebouwd uit een 3d lijnenspel het jaartal 2011 met links het teken van de Muntmeester en rechts het teken van de Munt , boven het teken van de Muntmeester de waardeaanduiding «5 EURO» respectievelijk «10 EURO»; de linkergreep van de muntpers vormt het getal «100» en de rechtergreep het woord «jaar» met daaronder het woord «MUNTGEBOUW», het raam daaronder symboliseert het gehele bouwwerk; tussen de grepen van de muntpers is een digitale vierkante barcode afgebeeld, met boven de barcode het wapenschild van Koningin Wilhelmina, daarboven in Romeinse cijfers het jaartal 1911 en ter linker- en rechterzij"},{"i":12837,"b":"Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende organisatieonderdelen belast met de bedrijfsvoering over de periode 1985–2010 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 januari 2012, nr. aca-2011.06289/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende organisatieonderdelen belast met de bedrijfsvoering over de periode 1985–2010’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijsten worden buitenwerking gesteld voor de periode 1985–2010 voor de organisatieonderdelen belast met de bedrijfsvoering (een beschrijving van deze is opgenomen in de selectielijst) van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De ‘[lijst Rijksbegroting ‘ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap](onbekend), nr. C/S&A/05/138 d.d. 25 januari 2005 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 62 d.d. 31 maart 2005. De ‘[lijst Organisatie van de Rijksoverheid’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap](onbekend), nr. C/S&A/05/1197 d.d. 5 juli 2005 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 245 d.d. 16 december 2005. De ‘l[ijst Inkomens- en arbeidsvoorwaardenbeleid’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap](onbekend), nr. C/S&A/06/548 d.d. 14 maart 2006 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 34 d.d. 16 februari 2007. De ‘[lijst Voorlichting van de Rijksoverheid’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap](onbekend), nr. C/S&A/06/1"},{"i":14331,"b":"Regeling impuls leefbaarheid, veiligheid en stadseconomie G15 Besluit: Artikel 1 1. De in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008340&bijlage=A&z=2002-01-01&g=2002-01-01) genoemde gemeenten ontvangen een rijksbijdrage voor de uitvoering van hun in bedoelde bijlage genoemde plannen. De rijksbijdrage dient besteed te worden aan de realisering van de in de plannen omschreven activiteiten en prestaties ten gunste van de leefbaarheid, veiligheid en stadseconomie. Minimaal 90% van de rijksbijdrage dient in de periode 1996 tot en met 1999 besteed te worden. 2. De rijksbijdrage wordt de gemeenten in drieëntwintig annuïteiten uitgekeerd, tenzij de uitbetaling van de resterende annuïteiten door het Rijk wordt afgekocht. 3. Het gemeentebestuur besteedt de rijksbijdrage aan de betaling van de rente en aflossing van een ten behoeve van de planuitvoering aangegane lening. 4. Een annuïteit wordt de gemeenten voor 1 april ter beschikking gesteld; in 1996 wordt de annuïteit voor 1 december ter beschikking gesteld. Artikel 2 1. Het gemeentebestuur brengt voor 1 oktober 2000 verslag uit over de besteding van de rijksbijdrage, bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008340&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01). 2. Het verslag behoort tot de rekening, bedoeld in [artikel 197 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=197). 3. Het gemeentebestuur zendt het verslag aan de Minister van Binnenlandse Zaken, voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in [artikel 215, tweede lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=215). Artikel 3 1. Het gemeentebestuur brengt voor 15 october van de jaren 1997 tot en met 2000 aan de Minister van Binnenlandse Zaken verslag uit over de omvang van de bestedingen die ter uitvoering van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008340&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01) bedoelde plan in het voorgaande jaar zijn gedaan en"},{"i":14368,"b":"Regeling Instructie DBC-registratie De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), Gelet op de [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg); Heeft de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1. Algemeen Deze regeling is van toepassing op zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) of de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en wordt geleverd door zorgaanbieders die geneeskundige zorg leveren zoals medisch specialisten die bieden (voor zover het psychiaters betreft), zorgaanbieders die zorg leveren zoals psychotherapeuten die bieden, ziekenhuizen (voor zover het de psychiatrische afdelingen betreft), zorgaanbieders die zijn toegelaten voor zorg aan verzekerden met een psychiatrische aandoening of zorgaanbieders van wie de zorgverlening is gericht op verzekerden met een psychiatrische aandoening. Artikel 2. Begripsbepalingen In het vervolg van deze regeling wordt verstaan onder: De natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020767&artikel=1&z=2006-12-20&g=2006-12-20) van deze regeling. Diagnose behandeling combinatie: het geheel van activiteiten en verrichtingen van een zorgaanbieder voortvloeiend uit de zorgvraag waarmee een cliënt de zorgaanbieders consulteert. Artikel 3. Doel De Instructie DBC-registratie schrijft de zorgaanbieder voor welke gegevens op welke wijze moeten worden vastgelegd in het kader van de toepassing van de DBC’s in de GGZ. Artikel 4. Instructie De instructie is neergeschreven in de ‘Spelregels DBC-registratie Versie 2007, F1.0’ uitgegeven door de Projectorganisatie DBC GGZ. Dit document is te downloaden van de website van de NZa www.nza.nl. Voorts ligt het document ter inzage ten kantore van de NZa en kan het op verzoek worden toeg"},{"i":14372,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 29 november 2010, nr. 5677000/10/6, tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES ter uitvoering van het op 19 oktober 1996 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Regeling internationale kinderbescherming BES) Gelet op [artikel 20, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 1. Artikel 2 Het [Besluit van 29 juni 2007, tot vaststelling van het formulier voor een notariële verklaring inzake ouderlijke verantwoordelijkheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022196) (Stcrt. 2007, 128), is van toepassing. Artikel 3 1. Het in [artikel 377aa van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=377aa) bedoelde verdrag is niet van toepassing in procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid of maatregelen ter bescherming van kinderen, die vóór zijn inwerkingtreding in een openbaar lichaam zijn ingesteld en waarin na zijn inwerkingtreding een beslissing wordt genomen. 2. De inwerkingtreding van het in [artikel 377aa van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=377aa) bedoelde verdrag voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba laat ouderlijke verantwoordelijkheid die voordien van rechtswege aan een persoon is toegekomen, onverlet. 3. Vanaf het tijdstip van de inwerkingtreding in de openbare lichamen van het in [artikel 377aa van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=377aa) bedoelde verdrag wordt het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze niet reeds heeft, door dat verdrag beheerst. Artikel 4 Deze regeling treedt"},{"i":14362,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 december 2023, nr IENW/BSK-2023/363174, houdende vaststelling algemene regels voor inrichtingen en activiteiten (Regeling inrichtingen- en activiteiten BES) Gelet op [artikel 2.1, eerste en tweede lid, van het Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049276&artikel=2.1); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aaneengesloten bodembeschermende voorziening:** vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht; - **ADR-klasse:** klasse waarin een gevaarlijke stof volgens de ADR valt vanwege het overheersende gevaar en het bijkomende gevaar; - **agrarische bedrijfsstoffen:** dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn, kuilvoer, bijvoedermiddelen die niet verpompbaar zijn, gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong en restmateriaal afkomstig van de teelt van gewassen, voor zover geen sprake is van inerte goederen; - **appendages:** bij machines of installaties behorende toestellen en onderdelen die dienen ter completering van deze machines of installaties; - **bedrijfsafvalwater:** afvalwater dat vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater is; - **besluit:** [Besluit inrichtingen- en activiteitenbesluit BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049276); - **bodembedreigende stoffen:** bodembedreigende stoffen die de bodem kunnen verontreinigen als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049285&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01), onderdeel A, bij deze regeling; - **bodembeschermende voorziening:** lekbak, opvangbassin, aaneengesloten"},{"i":14373,"b":"Regeling Internationalisering Ontwerpsector 2025–2028 Het bestuur van de stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit vast te stellen de navolgende regeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidies aan makers en partijen voor de uitvoering van projecten ter bevordering van de kwaliteit van de creatieve industrie. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen De in deze regeling gebruikte begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597). Specifiek binnen deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **aanvrager:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon die op grond van deze regeling een subsidieaanvraag doet bij het Stimuleringsfonds; - 2. **adviescommissie:** een onafhankelijke, door het bestuur aangestelde commissie van externe deskundigen; - 3. **beschikking:** de brief waarmee het bestuur formeel besluit over het al dan niet toekennen van de subsidie; - 4. **beschikkingsdatum:** de datum zoals vermeld op de beschikking; - 5. **beschouwer:** een schrijver, programmamaker of curator wiens werkzaamheden zich verhouden tot de creatieve industrie; - 6. **bestuur:** de bestuurder van het Stimuleringsfonds, als bedoeld in [artikel 5 van de statuten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047849&artikel=5); - 7. **cofinanciering:** aanvullende financiering voor het project in de vorm van een andere subsidie, sponsoring, investering, eigen inkomsten uit bijvoorbeeld kaartverkoop of bijdrage van een externe partij, naast de gevraagde subsidie van het Stimuleringsfonds. Eigen bijdragen in de vorm van investeringen of doorberekende kortingen worden niet gerekend tot cofinanciering; - 8. **creatieve industrie:** het werkterrein van de disciplines vormgeving, archite"},{"i":5380,"b":"Regeling overgangsbepalingen locatiegebonden subsidies Gelet op artikel 52 van het Besluit woninggebonden subsidies; Besluit: § 1. Intrekking van en overgangsbepalingen met betrekking tot de Locatiesubsidieregeling 1992 Artikel 1 1. De Locatiesubsidieregeling 1992 wordt met ingang van 1 januari 1995 ingetrokken. 2. Indien voor 1 januari 1995 een verzoek als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Locatiesubsidieregeling 1992 is ingediend of op grond van die regeling een verplichting is aangegaan of toezegging is gedaan, blijft die regeling van toepassing op de verlening van geldelijke steun voor de locatie in de zin van die regeling waarop dat verzoek, die verplichting of die toezegging betrekking heeft, en zijn voorts de [artikelen 2 tot en met 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007048&paragraaf=1&artikel=2&z=1994-12-16&g=1994-12-16) van deze regeling van toepassing. Artikel 2 1. De minimumrekenprijzen, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Locatiesubsidieregeling 1992, zijn voor het jaar 1995 gelijk aan die prijzen voor het jaar 1994, verhoogd of verlaagd met een positief of negatief percentage, dat gelijk is aan het percentage waarmee het prijsindexcijfer voor investeringen in woningen en gebouwen blijkens de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek is gestegen respectievelijk gedaald in het jaar 1994. 2. De minimumrekenprijzen, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Locatiesubsidieregeling 1992, zijn voor een op het jaar 1995 volgend kalenderjaar gelijk aan die prijzen voor het aan dat kalenderjaar direct voorafgaande kalenderjaar, als gewijzigd overeenkomstig het eerste lid. Artikel 3 De parameters voor renteverlies en rentewinst, bedoeld in punt 3.1 van bijlage I bij de locatiesubsidieregeling 1992, zijn voor een kalenderjaar gelijk aan het door de Bank voor Nederlandse Gemeenten N.V. bekendgemaakte gemiddelde rendement op geldleningen met een looptijd van 25 jaar, wederzijdse rente-aanpassingen om de tien jaar, jaarcoupon en geblij"},{"i":14053,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 6 december 2006, nr. Juza/2006/02364/IH, houdende regels met betrekking tot afgeschermde rekeningen onder de Wet op het financieel toezicht (Regeling afgeschermde rekeningen Wft) Gelet op [artikel 14, zesde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=14); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit prudentiële regels Wft in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. afgeschermde rekening: een rekening waarop een saldo in geld, effecten, edele metalen of andere waarden kan worden aangehouden en waarbij de identiteit van de cliënt bij de transactieverwerking niet zichtbaar is of anderszins afgeschermd is door slechts gebruik te maken van een rekeningnummer, een nummer of een codewoord, terwijl de (tijdelijke of aangenomen) identiteit van de cliënt wel bekend is bij de bank of het bijkantoor van de bank als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=11); - b. besluit: [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - c. centraal register: een bij een bank of een bijkantoor van een bank als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=11) op één centrale plaats toegankelijk register; - d. een cliënt als bedoeld in [artikel 1, eerste lid van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=1); - e. transactieverwerking: het uitvoeren van opdrachten of betaalopdrachten ten gunste of ten laste van een rekening. Artikel 2 Deze regeling heeft betrekking op in Nederland bestaande en nog open te stellen rekeningen, aangehouden bij een bank of een bijkantoor van een bank als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=11). Artikel 3 1."},{"i":11199,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 september 2022, nr. KENNIS/34020061, houdende de formele instelling van de Begeleidingscommissie Leerlingen- en Studentenramingen (Instellingsbesluit Begeleidingscommissie Leerlingen- en Studentenramingen 2022) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **begeleidingscommissie:** Begeleidingscommissie Leerlingen- en Studentenramingen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047356&artikel=2&z=2022-10-25&g=2022-10-25). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Begeleidingscommissie Leerlingen- en Studentenramingen. 2. De begeleidingscommissie heeft tot taak: - a. het adviseren over de gehanteerde ramingsmethodiek van de leerlingen- en studentenramingen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en gewenste ontwikkeling van deze methodiek, - b. bevorderen van de afstemming van de leerlingen- en studentenramingen met andere daarmee samenhangende ramingen, en - c. het adviseren over de wijze waarop informatie over de leerlingen- en studentenramingen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt verstrekt. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De begeleidingscommissie kent maximaal 15 stemgerechtigde leden en adviserende leden. 2. De stemgerechtigde leden van de begeleidingscommissie zijn: - a. een onafhankelijk voorzitter, welke wordt benoemd door de Minister; - b. deskundigen op het gebied van ramingsmethoden en -technieken, met dien verstande dat in ieder geval lid van de begeleidingscommissie zijn één medewerker vanuit het CBS, één medewerker vanuit het CPB, één medewerker vanuit het SCP en één medewerker vanuit het PBL; en - c. vertegenwoordigers van de sectorraden van het onderwijs, met dien verstande d"},{"i":13459,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 maart 2026, nr. 62201047, houdende de instelling van de Begeleidingscommissie Creative Industries Immersive Impact Coalition (CIIIC) (Instellingsbesluit Begeleidingscommissie Creative Industries Immersive Impact Coalition (CIIIC)) Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW); - b. **Begeleidingscommissie:** Begeleidingscommissie, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052491&artikel=2&z=2026-04-04&g=2026-04-04); - c. **uitvoerende organisaties:** Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek/Regieorgaan SIA (NWO), Stimuleringsfonds Creatieve Industrie (SCI), Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) en Topconsortium voor kennis en innovatie CLICKNL; - d. **programmadirecteur:** de door CLICKNL aangestelde programmadirecteur, genoemd in de beschrijving van de bestuurlijke structuur zoals die gepubliceerd is op [www.rijksoverheid.nl](http://www.rijksoverheid.nl) en [www.ciiic.nl](http://www.ciiic.nl); - e. **programmateam:** het programmateam, bedoeld in de beschrijving van de bestuurlijke structuur; - f. **adviesraad:** de adviesraad, bedoeld in de beschrijving van de bestuurlijke structuur. Artikel 2 1. Er is een Begeleidingscommissie Creative Industries Immersive Impact Coalition (CIIIC). 2. De Begeleidingscommissie bewaakt de strategische lijnen, stimuleert de voortgang van en samenhang in de uitvoering van het CIIIC-programma in alle actielijnen en bevordert dat publieke waarden en belangen geïdentificeerd en gehanteerd worden. De Begeleidingscommissie heeft daartoe een informerende, signalerende en adviserende functie naar alle geledingen in de organisatiestructuur van het programma en neemt daarvoor onder meer de Innovatieagenda, de masterplanning en de key performance indicators als uitgangspunt."},{"i":11219,"b":"Leerplichtwet 1969 (art. 3 en 7) Gelet op [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=3), en [artikel 7 van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=7) (Stb. 1968, 303), Besluit: voor de afgifte van verklaringen, als bedoeld in [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=3), en [artikel 7 van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=7), de bezitter van de middelbare akte pedagogiek B, uitgereikt door de Vereniging tot bevordering van de studie der Pedagogiek of de Stichting ‘Raad van Toezicht, Bijstand en Advies voor de studie der Pedagogiek’ gelijk te stellen met de academisch gevormde pedagoog."},{"i":11220,"b":"Wet van 30 mei 1968, houdende vaststelling Leerplichtwet 1969 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Leerplichtwet (**Stb.** 1900, 111) dient te worden vervangen door een nieuwe wettelijke regeling, die is aangepast aan het huidige onderwijsbestel en een kortere procedure bevat voor de bestrijding van het onwettig schoolverzuim, en dat het wenselijk is de leerplichtige leeftijd met een jaar te verlengen en in de Arbeidswet 1919 daarmee verband houdende wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Deze wet verstaat onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald; - b. \"school\": - 1. een openbare of een uit de openbare kas bekostigde bijzondere basisschool, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of dagschool voor voortgezet onderwijs, dan wel een openbare of een uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs; - 2. een ingevolge [artikel 2.66 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.66) aangewezen bijzondere dagschool voor voortgezet onderwijs; - 3. een andere dagschool die wat de inrichting van het onderwijs betreft, overeenkomt met de criteria, bedoeld in [artikel 1a1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&paragraaf=1&artikel=1a1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), en wat de bevoegdheden van de leraren betreft, overeenkomt met een of meer van de onder 1 bedoelde scholen; - 4. een andere krachtens [artikel 1a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&paragraaf=1&artikel=1a&z=2024-01-01&g=2024-01-01),"},{"i":12753,"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2012 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2012 vastgesteld op 0,179398%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2012 vastgesteld op 0,223076%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2012. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12778,"b":"Besluit vaststelling Logisch ontwerp Vestigingsregister Gelet op het besluit van 19 september 1994, GBA 94/U118, tot wijziging van het besluit tot vaststelling van de systeembeschrijving gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens; Besluit: Artikel 1 Het Logisch ontwerp Vestigingsregister wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage I bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723) in werking treedt. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage die ter inzage wordt gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant."},{"i":11239,"b":"Ouderschapsverlof in het primair onderwijs 1. Inleiding n het Gele Katern nummer 12 van 22 april 1998 (PO/PJ1998/5883) is aangekondigd dat met centrales en organisaties van schoolbesturen overleg zou worden gestart over wijziging van artikel I-C39 van het RPBO (ouderschapsverlof). Dat overleg is inmiddels afgerond. Daarbij zijn afspraken gemaakt over aanpassing van de regeling van het ouderschapsverlof in het [RPBO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003771) aan: Vooruitlopend op de voorgenomen wijziging van het [RPBO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003771) wordt u door middel van deze publicatie op de hoogte gesteld van de regeling voor ouderschapsverlof zoals die in overleg met centrales en organisaties van schoolbesturen is overeengekomen. 2. Op wie is de nieuwe regeling van toepassing ? De overeengekomen regeling geldt voor alle werknemers in het primair onderwijs op wie het [RPBO](onbekend) van toepassing is. In tegenstelling tot de regeling zoals die momenteel nog is opgenomen in [artikel I-C39 van het RPBO](onbekend) wordt geen minimum meer gesteld aan de betrekkingsomvang. Dat betekent dat ook betrokkenen met een werktijdfactor die kleiner is dan 0,4, recht hebben op ouderschapsverlof. De nieuwe regeling zoals die is afgesproken maakt ouderschapsverlof mogelijk tot de datum waarop het kind de leeftijd van 8 jaar bereikt. De volgende categorieën werknemers hebben recht op ouderschapsverlof: De onder punt 4 genoemde aspirant-adoptieouders kunnen het doel om te adopteren op verschillende manieren aantonen: 3. Omvang en duur Omvang De omvang van het ouderschapsverlof (het verlofsaldo) is afhankelijk van de relatie die de werknemer heeft met de kinderen, van het aantal kinderen en van de betrekkingsomvang. De omvang van het ouderschapsverlof wordt berekend naar evenredigheid van de werktijdfactor. De uitkomst van die berekening wordt rekenkundig afgerond op hele uren. Wanneer er sprake is van de geboorte, adoptie of aanvang van de verzorging van é"},{"i":11240,"b":"Overeenkomst inzake de erkenning van studies aan, en diploma's of graden van instellingen van hoger onderwijs in de Staten, behorende tot de Europese Regio Preambule De Staten, behoren tot de Europese Regio, die Partij zijn bij deze Overeenkomst, Herinnerend aan het feit dat, zoals de Algemene Conferentie van de Unesco bij diverse gelegenheden in haar resoluties inzake Europese samenwerking heeft opgemerkt, „de ontwikkeling van samenwerking tussen landen op het gebied van onderwijs, wetenschap, cultuur en communicatie, in overeenstemming met de beginselen, vervat in het Statuut van de Unesco, een essentiële rol speelt bij het bevorderen van vrede en internationaal begrip”, Zich bewust van de nauwe samenhang die, ondanks de verscheidenheid van talen en de verschillen tussen de economische en sociale stelsels, tussen hun culturen bestaat, en verlangend hun samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding in het belang van het welzijn en de blijvende welvaart van hun volken te verstevigen, Herinnerend aan het feit dat de Staten die in Helsinki zijn bijeengekomen, in de Slotakte van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (1 augustus 1975) uiting hebben gegeven aan hun voornemen „de toegang, op wederzijds aanvaardbare voorwaarden, voor studenten, docenten en wetenschapsbeoefenaren uit de deelnemende Staten tot elkaars instellingen voor onderwijs, cultuur en wetenschap te verbeteren ... in het bijzonder door ... te komen tot de wederzijdse erkenning van universitaire graden en diploma's, hetzij, waar nodig, door overeenkomsten tussen Regeringen, hetzij door rechtstreekse overeenkomsten tussen universiteiten en andere instellingen van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek” alsook door „het bevorderen van een nauwkeuriger bepaling van de problemen van vergelijking en gelijkwaardigheid van universitaire graden en diploma's”, Herinnerend aan het feit dat, ten einde de verwezenlijking van deze doeleinden te bevorderen, het merendeel van de Overee"},{"i":14332,"b":"Regeling impuls leefbaarheid, veiligheid en stadseconomie G6 Besluit: Artikel 1 1. Aan de hierna genoemde gemeenten wordt ten behoeve van de realisering van de in de achter hun namen genoemde plannen beschreven activiteiten en prestaties ten gunste van de leefbaarheid, veiligheid en stadseconomie, door het Rijk een eenmalige impuls gegeven ter hoogte van het als rijksbijdrage aangegeven bedrag. 2. Het gemeentebestuur besteedt het als rijksbijdrage aangegeven bedrag aan de uitvoering van het plan. 3. Het gemeentebestuur ontvangt drieëntwintig annuïteiten ter hoogte van het naast de rijksbijdrage vermelde bedrag. Het Rijk kan resterende annuïteiten afkopen. 4. De annuïteiten worden voor 1 april van elk jaar uitgekeerd, met uitzondering van de eerste annuïteit die voor 1 december 1997 wordt uitgekeerd. | **Gemeente** | **rijksbijdrage** | **annuïteit** | | --- | --- | --- | | Dordrecht | f 5.918.762,- | € 233.549,33 | | Haarlem | f 8.288.891,- | € 327.067,08 | | Heerlen | f 5.010.308,- | € 197.702,21 | | Leiden | f 6.265.889,- | € 247.207,21 | | Schiedam | f 4.179.100,- | € 164.904,18 | | Venlo | f 4.837.946,- | € 190.901,25 | | Totaal | f 34.499.986,- | € 1.361.331,56 | Het betreft de volgende plannen: Dordrecht: werk en economie, jeugd en veiligheid, leefbaarheid en jaarplannen. Haarlem: lokale economie, veiligheid, leefbaarheid en wijkplannen. Heerlen: werk en economie, leefbaarheid, veiligheid. Leiden: economie en werk, jeugd en veiligheid en actieplan van wijkbeheer naar wijkontwikkeling. Schiedam: ’Grote steden beleid, net op tijd’, wijkveiligheidsplannen Schiedam-oost, Schiedam Nieuwland. Venlo: werk en economie, leefbaarheid, veiligheid, zorg en opvang en pilotproject. Artikel 2 1. Het gemeentebestuur brengt voor 1 oktober 2000 aan de Minister van Binnenlandse Zaken verslag uit over de besteding van de rijksbijdrage, bedoeld in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009023&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01). 2. Het financieel verslag"},{"i":12964,"b":"Besluit vaststelling wachtgeldpremies 2003 Gelet op [artikel 85, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=85); Besluit: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2002/228. Artikel 1 De premies die ten gunste komen van de wachtgeldfondsen, bedoeld in [artikel 85, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=85), worden voor het jaar 2003 vastgesteld op de percentages, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014364&bijlage=1&z=2003-01-01&g=2003-01-01) bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2003. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling wachtgeldpremies 2003. Bijlage 1. wachtgeldpremies 2003 | Sectoren | Sectoren | Premiepercentage | | --- | --- | --- | | 1 | Agrarisch bedrijf | 2,50 | | 2 | Tabakverwerkende industrie | 0,16 | | 3 | Bouwbedrijf | 1,80 | | 4 | Baggerbedrijf | 0,00 | | 5 | Hout- en emballage industrie, houtwaren- en borstelindustrie | 0,68 | | 6 | Timmerindustrie | 0,00 | | 7 | Meubel- en orgelbouw industrie | 0,50 | | 8 | Groothandel in hout, zagerijen, schaverijen en houtbereidingsind. | 0,00 | | 9 | Grafische industrie | 1,21 | | 10 | Metaalindustrie | 0,10 | | 11 | Electrotechnische industrie | 1,65 | | 12 | Metaal- en technische bedrijfstakken | 0,78 | | 13 | Bakkerijen | 1,34 | | 14 | Suikerverwerkende industrie | 1,55 | | 15 | Slagersbedrijven | 1,55 | | 16 | Slagers overig | 1,20 | | 17 | Detailhandel | 1,33 | | 18 | Reiniging | 1,56 | | 19 | Grootwinkelbedrijf | 1,07 | | 20 | Havenbedrijven | 1,04 | | 21 | Havenclassificeerders | 0,00 | | 22 | Binnenscheepvaart | 0,75 | | 23 | Visserij | 1,57 | | 24 | Koopvaardij | 0,00 | | 25 | Vervoer KLM | 0,07 | | 26 | Vervoer NS | 0,20 | | 27 | Vervoer posterijen | 0,22 | | 28 | Taxi- en ambulancevervoer | 1,60 | | 29 | Openbaar vervoer | 0,00 | | 30 | Besloten busvervoer | 1,62 | | 31 | Overig personenvervoer te land en in de"},{"i":13450,"b":"Instellingsbesluit baten-lastendienst De Werkmaatschappij Handelend in overeenstemming met het oordeel van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Aan de Werkmaatschappij te Den Haag wordt de status van baten-lastendienst verleend als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10). 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: De Werkmaatschappij. 3. De baten-lastendienst ressorteert onder de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastendienst De Werkmaatschappij. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12389,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 28 februari 2012, nr. IENM/BSK-2012/27753, houdende instelling Externe Onderzoekscommissie Otapan Besluit: Artikel 1 Er is een Externe Onderzoekscommissie Otapan, hierna te noemen: de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak: - a). in het kader van de affaire met betrekking tot het schip de Otapan en op basis van de aan de Tweede Kamer aangegeven onderzoeksvragen te onderzoeken of binnen het Ministerie van Infrastructuur en Milieu nadere maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat zich ongewenste verbondenheid en verwevenheid kan voordoen binnen het Ministerie, de beleids-, uitvoerings-, en toezichthoudende functies daaronder mede begrepen, waarbij de commissie de beslisrol en de rapportagelijnen aan de bewindslieden mede in ogenschouw neemt, en - b). daarover te rapporteren aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. Artikel 3 1. Tot de leden van de commissie worden benoemd: - 1. Drs. P. Zevenbergen, voorzitter; - 2. Drs. F. Crone, lid; - 3. Prof. Dr. M. Otto, lid. 2. De leden worden benoemd tot het moment van opheffing van de commissie, bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031335&artikel=5&z=2012-03-08&g=2012-03-08). 3. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu een ander lid benoemen. 4. De commissie wordt bijgestaan door een secretaris. De secretaris wordt na overleg met de voorzitter van de commissie aangewezen door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. De secretaris is geen lid van de commissie en is voor zijn werkzaamheden verantwoording verschuldigd aan de commissie. Artikel 4 De leden ontvangen per vergadering een vergoeding op grond van het [Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279) van EURO 255,24 voor de commissieleden en EURO 333,11 voor de voorzitter. Artikel 5 1. Na het onderzoek en het uitbrengen van het rappo"},{"i":12749,"b":"Besluit vaststelling factoren L en r boekjaar 2008 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2008 vastgesteld op 0,084293%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2008 vastgesteld op 0,360275%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12782,"b":"Besluit van 24 november 2021, houdende vaststelling van een onderscheidingsvlag voor Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Catharina-Amalia en haar zusters Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Defensie en De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 23 november 2021, nr.3756798; Overwegende dat het wenselijk is een onderscheidingsvlag vast te stellen voor Onze geliefde dochter, Hare Koninklijke Hoogheid Catharina-Amalia Beatrix Carmen Victoria, Prinses van Oranje, Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, en voor haar zusters, zodra deze de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt; De Hoge Raad van Adel gehoord; Hebben goedgevonden en verstaan: De door Hare Koninklijke Hoogheid Catharina-Amalia Beatrix Carmen Victoria, Prinses van Oranje, Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, en haar zusters te voeren vlag, waarvan hoogte en lengte zich verhouden als 5 : 6 en die driehoekig is uitgesneden over 1/3 lengte van de vlag, is van oranje kleur; op het midden een Nassaus blauw kruis ter breedte van 1/5 van de hoogte van de vlag; op het midden van het kruis een oranje medaillon met een middellijn van 3/14 van de lengte van de vlag, waarop Ons wapen, zoals vastgesteld bij [Koninklijk besluit van 23 april 1980](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003312), no. 3 (Stb. 206), zijnde het schild gedekt met de Koninklijke kroon, het goud vervangen door geel en het zilver door wit; in het broektopkanton een blauwe jachthoorn met rode opening, monding en snoer en wit beslag (Oranje) en in het broekhoekkanton een rode burcht met deur, twee vensters en drie kantelen. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad, de Staatscourant, het Afkondigingsblad van Aruba, het Publicatieblad van Curaçao en het Afkondigingsblad"},{"i":11284,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 augustus 2023, nr. OCW-2023/40175854, houdende vaststelling van de erkende opleidingscodetabel, erkende opleidingscodetabel BES eilanden, erkende opleidingscodetabel staatsexamens, opleidingencodetabel, vakcodetabel en examenonderdelencodetabel voor voortgezet onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs (Regeling codetabellen vo, vso en mbo) Gelet op [artikel 8, vierde lid, Wet register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=8). Besluit: Artikel 1. Vaststelling erkende opleidingscodetabel vo en vso 1. De opleidingscodes voor de telling van leerlingen in het voortgezet onderwijs op 1 oktober worden in [bijlage Ia](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048579&bijlage=Ia&z=2025-08-28&g=2025-08-28) vastgesteld. 2. De opleidingscodes voor de telling van leerlingen in het voorgezet speciaal onderwijs op 1 februari worden in [bijlage Ib](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048579&bijlage=Ib&z=2025-08-28&g=2025-08-28) vastgesteld. Artikel 2. Vaststelling erkende opleidingscodetabel vo Caribisch Nederland De opleidingscodes voor de telling van leerlingen in het voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland op 1 oktober worden in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048579&bijlage=II&z=2025-08-28&g=2025-08-28) vastgesteld. Artikel 3. Vaststelling erkende opleidingscodetabel staatsexamens vo en staatsexamens vo BES 1. De opleidingscodes voor kandidaten die het staatsexamen vo doen worden in [bijlage Ia](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048579&bijlage=Ia&z=2025-08-28&g=2025-08-28) vastgesteld. 2. De opleidingscodes voor kandidaten die het staatsexamen vo doen zonder profiel worden in [bijlage IIIa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048579&bijlage=IIIa&z=2025-08-28&g=2025-08-28) vastgesteld. 3. De opleidingscodes voor kandidaten die het staatsexamen vo doen op grond van de regelgeving zoals die gold op 31 jul"},{"i":11293,"b":"Regeling erkenning ruiterexamen Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder ‘minister’: minister van Landbouw en Visserij. Artikel 2 Aan personen die met goed gevolg een door de minister erkend ruiterexamen hebben afgelegd wordt een door hem erkend ruiterbewijs afgegeven. Artikel 3 1. Om te kunnen worden erkend dient een ruiterexamen te bestaan uit een theoretisch en praktisch gedeelte, die voldoen aan het bepaalde in de volgende leden. 2. Het theoretische gedeelte bestaat uit een schriftelijke toets, welke in ieder geval vragen over de volgende onderwerpen bevat: - a. kennis van de dagelijkse verzorging van het paard of pony; - b. het correct passen van het harnachement; - c. het exterieur van het paard of pony; - d. de correcte houding te paard of pony; - e. de gedragsregels voor ruiters; - f. kennis natuurlijke waarden van terrein. 3. Het praktische gedeelte bevat een buitenrit of het rijden op een buitenterrein van minimaal 3000m⁲ gedurende 30 minuten, waarbij in ieder geval de volgende onderdelen worden beoordeeld: - a. elementaire kennis van de correcte houding; - b. beheersing van het paard of pony. - c. omgang van de ruiter met het paard of pony. 4. Het bepaalde in het tweede en derde lid dient te worden vastgelegd in een programma van eisen dat de goedkeuring van de minister behoeft. 5. Alvorens te worden vastgelegd, behoeven wijzigingen in het programma van eisen de goedkeuring van de minister. Artikel 4 Het programma van eisen kan vrijstelling van onderdelen van het bepaalde in [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003799&artikel=3&z=1985-06-01&g=1985-06-01), bevatten voor degenen die in het bezit zijn van de diploma's die in het programma van eisen worden aangegeven. Artikel 5 Een erkend ruiterexamen moet ten minste éénmaal per jaar worden georganiseerd. Artikel 6 Een erkend ruiterexamen staat onder toezicht van een door de minister aangewezen gecommiteerde Artikel 7 1. Deze regeling wordt bekend gemaakt i"},{"i":13951,"b":"Wet van 20 december 2023 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2024) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IV Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel V Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel VI Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel VII Wijzigt de Algemene douanewet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIII De [Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746) zoals die wet luidde op 30 juni 2024 blijft voor douaneschulden die zijn ontstaan vóór 1 juli 2021 van toepassing voor wat betreft de toepassing van artikel 103 van [Verordening (EU) nr. 952/2013](32013R0952) van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269) wanneer uit een douanecontrole in verband met een douaneschuld blijkt dat de betreffende boeking moet worden herzien. Artikel IX Wijzigt de Wet hersteloperatie toeslagen. Artikel IXa Wijzigt de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen. Artikel X Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XI Wijzigt de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer. Artikel XII 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat: - a. [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049169&artikel=I&z=2024-07-01&g=2024-07-01), terugwerkt tot en met 26 juni 2023; - b. [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049169&artikel=I&z=2024-07-01&g=2024-07-01), terugwerkt tot en met 1 januari 2022; - c. de [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049169&artikel=II&z=2024-07-01&g=2024-07-01), [III, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049169&artikel=III&z=2024-07-01&g=2024-07-01), en [X, onde"},{"i":14359,"b":"Regeling ingevolge de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel Gelet op [artikel 4, vijfde lid, van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007792&artikel=4); Gezien de brief van 30 september 1997 (PK97.01003) van de pensioenkamer uit de Raad voor het Overheidsperso-neelsbeleid; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder instelling: een instelling als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007792&artikel=3), dan wel een instelling waarop artikel 3 van die wet van overeenkomstige toepassing is. Artikel 2 1. De instelling die, of het onderdeel daarvan dat ophoudt te bestaan of ophoudt als zodanig te bestaan, is aan de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel voor de dekking van de financiële lasten die vanaf dan ontstaan wegens beëindiging van de gebondenheid aan de vut-overeenkomst, een vergoeding verschuldigd. 2. Het bedrag van de vergoeding wordt door het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel vastgesteld op het saldo van de contante waarde van de door die stichting gemiste premie-inkomsten voor personen die behoren of behoorden tot het personeel van de instelling, verminderd met de contante waarde van de vervallen verplichtingen van de stichting jegens die personen. 3. In afwijking van het tweede lid wordt indien sprake is van een afwikkeling van de aansluiting het bedrag van de vergoeding door het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel vastgesteld op de contante waarde van de te missen premie-inkomsten ten opzichte van een reguliere aansluiting. 4. Het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidpersoneel stelt nadere regels omtrent de betaling van de vergoeding. Artikel 3 De plicht tot betaling van de vergoeding, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":14347,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 15 december 2025 kenmerk 102812978. tot vaststelling van de Regeling voor het informatiebeheer van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Regeling informatiebeheer LVVN 2025) Gelet op [artikel 23, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=23) en [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14), Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1 onder c. van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - **hoofden van dienst:** hoofden van dienst genoemd in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LVVN 2025. - **minister:** Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; Hoofdstuk 2. Reikwijdte, verantwoordelijkheden en bevoegdheden Artikel 2. Reikwijdte 1. De regeling geldt voor de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ongeacht waar deze taken worden uitgevoerd. 2. De regeling is van toepassing op alle organisatieonderdelen van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur vermeld in de Bijlage Organisatie van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LVVN 2025. Artikel 3. Plaatsvervangend secretaris-generaal en Chief Information Officer 1. De plaatsvervangend secretaris-generaal is verantwoordelijk voor aangelegenheden op het gebied van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376), voor zover niet behorend tot een hoofd van dienst. 2. De plaatsvervangend secretaris-generaal stelt selectielijsten als bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":14072,"b":"Regeling van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 november 2019, houdende een auteursrechtelijk voorbehoud op het beeldmerk en woordmerk die zullen worden gebruikt ten behoeve van ‘Nederland Branding’ Gelet op [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b); Besluit: Artikel 1 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot het ontwerp van een beeldmerken een woordmerk, als opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage NL logo Het NL logo is een samenstelling van een beeldmerk en een woordmerk. Het beeldmerk Het beeldmerk combineert twee symbolen: NL en de tulp. In het design van het beeldmerk is een balans gevonden die beiden versterkt. De tulp is niet letterlijk genomen en is duidelijk gerepresenteerd. Het woordmerk Het woordmerk bevindt zich aan de rechterkant van het beeldmerk. Het geselecteerde lettertype van het woordmerk voor de NL branding identiteit is: Nitti Grotesk. Dit lettertype is gekozen vanwege zijn vriendelijke, eenvoudige en heldere uitstraling. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt als gebruik van het lettertype (praktisch) onmogelijk is. In deze gevallen wordt Arial gebruikt. Kleur De kleuren van het beeld- en woordmerk vertegenwoordigen Nederland. De geselecteerde kleuren zijn een belangrijk onderdeel van de visuele identiteit. Oranje is de primaire kleur en de basiskleur van de identiteit en zou in elke uiting terug moeten komen. Het secundaire palet ondersteunt het oranje en kan worden gebruikt als achtergrond. Het kleurenpalet is bewust beperkt en helder gehouden, om zo niet te concurreren met de branding van partners. De totale kleurenset biedt de mogelijkheid van g"},{"i":14358,"b":"Regeling ingangsdatum voorziening Wubo Gelet op [artikel 40, tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=40); Gezien de adviezen van de Pensioen- en Uitkeringsraad en de Stichting Burger-oorlogsgetroffenen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 Voor toepassing van [artikel 40, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=40) komen die aanvragen om een vergoeding van of een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening in aanmerking die zijn ingediend voor het einde van het kalenderjaar volgende op dat waarin de kosten door de belanghebbende zijn gemaakt of hem in rekening zijn gebracht. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling ingangsdatum voorzieningen Wubo. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14340,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 5 januari 2010, nr. 5636246/10, houdende vaststelling van de hoogte van de onkostenvergoeding als bedoeld in het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak (Regeling indexering onkostenvergoeding leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak) Gelet op [artikel 9b van het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013131&artikel=9b); Besluit: Artikel 1 De bedragen van de onkostenvergoeding als bedoeld in [artikel 9 van het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013131&artikel=9) worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de consumentenprijsindex over het voorgaande kalenderjaar. Artikel 2 De indexering van de onkostenvergoeding wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari van het betreffende kalenderjaar toegepast. Artikel 3 1. Het bedrag van de algemene onkostenvergoeding voor het jaar 2022 wordt met 2,57% verhoogd en vastgesteld op het in de bij deze regeling behorende bijlage 1 genoemde bedrag. 2. Het bedrag van de algemene onkostenvergoeding voor het jaar 2023 wordt met 17,16% verhoogd en vastgesteld op het in de bij deze regeling behorende bijlage 2 genoemde bedrag. 3. Het bedrag van de algemene onkostenvergoeding voor het jaar 2024 wordt met –1,39% verhoogd en vastgesteld op het in de bij deze regeling behorende bijlage 3 genoemde bedrag. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indexering onkostenvergoeding leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indexering onkostenvergoeding leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak. Bijlage 2. als bedoeld in [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027093&artikel=3&z=2024-09-27&g=2024-09-27) | Functie | Totaal | Vakliteratuur | Kleine consumpties | Representatie | | --- | --- | --- | --"},{"i":14339,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 oktober 2013, houdende indexering van de maximum uurprijs in het kader van de kinderopvangtoeslag (Regeling indexering maximum uurprijs kinderopvang 2014) Gelet op [artikel 1.9, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.9); Besluit: Artikel 1 De maximum uurprijs, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017321&artikel=4), bedraagt per 1 januari 2014 voor: - a. dagopvang € 6,70; - b. buitenschoolse opvang € 6,25; en - c. gastouderopvang € 5,37. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indexering maximum uurprijs kinderopvang 2014. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12846,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Algemeen Wetenschappelijke Voorbereiding van het Regeringsbeleid vanaf 1945 (Minister van Economische Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 januari 2009 nr. bca-2009.05163/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit behorende ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Algemeen Wetenschappelijke Voorbereiding van het Regeringsbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12748,"b":"Besluit vaststelling factoren L en r boekjaar 2006 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3) wordt voor het boekjaar 2006 vastgesteld op 0,143947%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3) wordt voor het boekjaar 2006 vastgesteld op 0,296425%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december 2005, treedt het besluit in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 2006. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12768,"b":"Besluit van 29 juni 2007, tot vaststelling van het formulier voor een notariële verklaring inzake ouderlijke verantwoordelijkheid Gelet op [artikel 25, tweede lid, van de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019574&artikel=25); Besluit: Artikel 1 Het formulier voor de verklaring inzake ouderlijke verantwoordelijkheid ingevolge [artikel 25 van de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019574&artikel=25) luidt als volgt: Verklaring inzake ouderlijke verantwoordelijkheid ingevolge [artikel 25 Uitvoeringswet internationale kinderbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019574&artikel=25) - 1. Op .......... verklaar ik, .........., notaris te .........., Nederland met betrekking tot: - 2. .......... (naam minderjarige), van het mannelijke/vrouwelijke geslacht*, hierna te noemen ‘de minderjarige’, naam vader: .........., naam moeder: .........., nationaliteit van de minderjarige: .........., gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland: te .......... (adres van de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland, dat wil zeggen: gemeente en woonadres); dat: - 3. (Naam van de persoon of de instelling waaraan de verklaring is afgegeven) .......... adres .......... - 4. gemachtigd is om in het belang van de genoemde minderjarige of voor diens rekening alle rechtshandelingen te verrichten met betrekking tot alle goederen*/ een bepaald goed*, (namelijk ..........) of een bepaalde categorie van de goederen* (namelijk ..........) van deze minderjarige, behoudens de navolgende rechtshandelingen: ..........; of dat: - 5. (Naam van de persoon of de instelling waaraan de verklaring is afgegeven) .......... adres .......... gerechtigd is alle rechtshandelingen te verrichten die op een aan deze verklaring gehechte bijlage zijn vermeld; - 6. en voorts dat de genoemde persoon of instelling de volgende verdere bevoegdheden ten aanzien van de goederen van de"},{"i":12758,"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2018 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2018 vastgesteld op 0,120123%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2018 vastgesteld op 0,075519%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":12843,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelen Stichting Airport Coordination Netherlands (SACN) over de periode vanaf 01 november 1997 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van het handelen van de Stichting Airport Coordination Netherlands, over de periode vanaf 01 november 1997’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11461,"b":"Tijdelijke verordening integratie examentraject opleiding tot Registeraccountant Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5), [19, tweede lid, aanhef en onderdeel j en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19), en [47, tweede lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=47); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - –. **accountant:** een accountant als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - –. **accountantsregister:** accountantsregister als bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=36); - –. **examen praktijkopleiding RA:** examen als bedoeld in [artikel 47 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=47), ter afronding van de praktijkopleiding passend bij een inschrijving in het accountantsregister met de vermelding van de beroepstitel van Registeraccountant; - –. **praktijkopleiding:** praktijkopleiding als bedoeld in [artikel 47 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=47); - –. **verordening:** [Verordening op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795); - –. **wet:** [Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573). Artikel 2 1. Om ervaring op te kunnen doen met een gedeeltelijke integratie van: - –. het examen ter afronding van de opleiding tot accountant passend bij een inschrijving in het accountantsregister met vermelding van de beroepstitel van Registeraccountant, niet zijnde het examen praktijkopleiding RA; en - –. het examen praktijkopleiding RA. kan bij nadere voorschriften van de bepalingen, genoemd in het tweede lid worden afgeweken. 2. De bepalingen, bedoeld in het eerste lid betreffen: - –. [artikel 14, vierde lid van de verordening](https://w"},{"i":12877,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Toelating Vreemdelingen vanaf 1945 (Minister van Buitenlandse Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 oktober 2009, nr. bca-2009.05465/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Toelating Vreemdelingen over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12871,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Ouderenbeleid vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 oktober 2007, aca-2007.04045/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Ouderenbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12838,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Naktuinbouw en rechtsvoorgangers periode vanaf (1941) 1966 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 oktober 2012, nr. aca-2012.06595/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) en haar rechtsvoorgangers over de periode vanaf (1941) 1966’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12863,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken vanaf 1945 (Stichting Etherreclame) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 mei 2006 nr. arc-2006.03029/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Etherreclame op het beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12770,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 mei 2014, 2014-0000048131, tot vaststelling van de formulieren in gebruik bij het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP) Gelet op [artikel 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030892&artikel=5), [artikel 7, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030892&artikel=7), [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030892&artikel=11) en [artikel 13, vijfde lid van het Besluit registers kinderopvang, buitenlandse kinderopvang en peuterspeelzaalwerk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030892&artikel=13); Besluit: Artikel 1 Het aanvraagformulier voor opname van een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang, het aanvraagformulier voor opname van een voorziening voor gastouderopvang, het aanvraagformulier voor opname van een gastouderbureau en het aanvraagformulier voor opname van een Peuterspeelzaal in het Landelijk register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP), gepubliceerd op Rijksoverheid.nl worden vervangen door de bij dit besluit gevoegde bijlagen. Artikel 2 Het wijzigingsformulier voor het doorgeven van wijzigingen aan de gemeente door een houder van een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang, het wijzigingsformulier voor het doorgeven van wijzigingen aan de gemeente door een houder van gastoudervoorziening, het wijzigingsformulier voor het doorgeven van wijzigingen aan de gemeente door een houder van een gastouderbureau, het wijzigingsformulier voor het doorgeven van wijzigingen aan de gemeente door een houder van een peuterspeelzaal, gepubliceerd op Rijksoverheid.nl worden vervangen door de bij dit besluit gevoegde bijlagen. Artikel 3 De voor de datum waarop dit besluit in werking treedt op Rijksoverheid.nl gepubliceerde losse aanvraagvoorwaarden en toelichtingen komen te vervallen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van publicatie in de Staatscourant. Bijlagen Aanvraagformulieren, inclusie"},{"i":11523,"b":"Voorlichting over de regeling toelagen schoolleiding basisscholen 1. Inleiding In de CAO 1999 – 2000 is afgesproken dat de beloningspositie van directeuren en adjunct-directeuren van basisscholen zal worden verbeterd door aan deze directieleden een toelage toe te kennen. In eerste instantie gaat het daarbij om personen in de zogenoemde normfuncties directeur en adjunct-directeur. De directeur die in een normfunctie zit die uitzicht geeft op maximum salarisschaal 12 krijgt geen toelage. Daarmee krijgt niet iedereen met de feitelijke dagelijkse leiding van een basisschool recht krijgt op een toelage. Daarom is afgesproken dat twee niet-normfuncties onder bepaalde voorwaarden ook recht op een toelage geven. Het betreft de zogenoemde ’locatieleider’ en de directeur die een niet-normfunctie heeft, mits deze functionarissen de feitelijke dagelijkse leiding over de school hebben. In een toelage voor andere directiefunctionarissen in het primair onderwijs (scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en de speciale school voor basisonderwijs) is niet voorzien. Vooruitlopend op de voorgenomen wijziging van het [RPBO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003771) waarin de toelage zal worden geregeld, wordt u door middel van deze publicatie op de hoogte gesteld van de regeling zoals die in overleg met de centrales is overeengekomen. In deze publicatie spreken we voor de eenvoud over leerlingenaantallen. Daarmee wordt bedoeld de factor y, (het aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, verhoogd met 3%) zoals gedefinieerd in [artikel I-Q201 onder e van het RPBO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003771&artikel=I-Q201). In het laatste deel van deze publicatie vindt u een aantal voorbeelden waarin de toelagesystematiek wordt toegepast. 2. Hoogte van de toelage De hoogte van de toelage hangt af van de functie en de voor de functionaris geldende maximumsalarisschaal. Per 1 januari 2000 gelden de volgende bedragen per maand: 3. Systematiek De vaststell"},{"i":12811,"b":"Besluit vaststelling selectielijst College gerechtelijk deskundigen vanaf 1 januari 2010 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van het College gerechtelijk deskundigen over de periode vanaf 1 januari 2010 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14030,"b":"Regeling aanlevering declaratiegegevens door ziektekostenverzekeraars Gelet op [artikel 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) jo. [65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=65) en [artikel 68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg) is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van informatieverstrekking door ziektekostenverzekeraars aan de NZa. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **BSN:** burgerservicenummer als bedoeld in de [Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428); - **Declaratiegegevens:** informatie-elementen over de declaratie; - **Declaratieset:** set met declaratiegegevens en/of set met verzekerdengegevens en/of set met gegevens betreffende het persoonsgebonden budget als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052586&artikel=4&z=2026-04-30&g=2026-04-30) van deze regeling; - **Gegevensaanleverstandaard:** procesbeschrijving waarin op uniforme wijze is vastgelegd hoe en volgens welk proces de declaratieset moet worden ingediend bij de NZa; - **Informatie-elementen:** de data die de NZa uitvraagt op item niveau; - **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in [artikel 1 lid 1 sub l van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - **Gegevens betreffende het persoonsgebonden budget (pgb):** informatie-elementen over het persoonsgebonden budget; - **Privacy Verzend Module (PVM):** software waarmee privacygevoelige databestanden via ZorgTTP op een beveiligde manier verstuurd kunnen worden aan de NZa; - **Schadelast:** schadebedrag behorend bij de declaraties met betrekking tot de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), aanvullende verzekeringen en de [Wet langdurende zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":12830,"b":"Besluit vaststelling selectielijst KNAW over de periode vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor het organisatiearchief van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), gevormd in de periode vanaf 1945 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14068,"b":"Regeling archiefbeheer NZa gelet op [artikel 41, tweede lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=41) en [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14), overwegende dat het vereist is een regeling te treffen met betrekking tot het beheer van de archiefbescheiden van de NZa, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats in de zin van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376), Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **archief:** geheel aan archiefbescheiden, ontvangen of opgemaakt door een persoon, groep personen of een organisatie; - b. **archiefbescheiden:** bescheiden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - c. **archiefbewaarplaats:** bij of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) voor blijvende bewaring van archiefbescheiden aangewezen bewaarplaats, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - d. **archiefruimte:** ruimte, als bedoel in [artikel 1, onderdeel e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1), bestemd of aangewezen voor de bewaring van archiefbescheiden in afwachting van hun overbrenging, ingevolge [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=12) of [13, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=13); - e. **architectuurplaat:** overzicht van alle applicaties met de daarin verwerkte data en documentsoorten; - f. **dynamsich archief:** actueel archief met regelmatige raadpleegfunctie; - g. **informatiebeveiliging:** beleid van de NZa zoals neergelegd in het Informatiebeveiligingsbeleid van de NZa nader uitgewerkt in het handboek Informatiebeveiliging; - h. **"},{"i":12780,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 7 december 2020, nr. WJZ/20297704, houdende vaststelling van modellen als bedoeld in artikel 7a, vierde lid, van de Warmteregeling Gelet op [artikel 7a, vierde lid, van de Warmteregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033862&artikel=7a); Besluit: Artikel 1 1. Het model, bedoeld in [artikel 7a, vierde lid, van de Warmteregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033862&artikel=7a), voor reguliere warmtesystemen is het model dat in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044454&bijlage=A&z=2020-12-09&g=2020-12-09) bij dit besluit is opgenomen. 2. Het model, bedoeld in [artikel 7a, vierde lid, van de Warmteregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033862&artikel=7a), voor kleine warmtesystemen is het model dat in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044454&bijlage=B&z=2020-12-09&g=2020-12-09) bij dit besluit is opgenomen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Indien de datum van uitgifte van de Staatscourant is gelegen na 1 januari 2021 werkt dit besluit terug tot en met 31 december 2020. Bijlage A. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044454&artikel=1&z=2020-12-09&g=2020-12-09) van het Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, nr. WJZ/20297704 Voorstel Rapportageformat Duurzaamheidsrapportage voor leveranciers in het kader van de [Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729)1 Naam leverancier: ................ Warmtenet: ................ Rapportageperiode: ................ Aantal afnemers: ................ Samenvatting | Indicator | Eenheid | | Optioneel data voor historische jaren | | --- | --- | --- | --- | | CO2 emissie | kg/GJth geleverde warmte of koude | | | | Primair fossiele energie-inzet | GJp/ GJth geleverde warmte of koude | | | | Aandeel hernieuwbare energie | % | | | | Aandeel restwar"},{"i":14069,"b":"Regeling Architectuur 2025–2028 Het bestuur van de stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit vast te stellen de navolgende regeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidies aan makers en partijen voor de uitvoering van projecten ter bevordering van de kwaliteit van de creatieve industrie. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen De in deze regeling gebruikte begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597). Specifiek binnen deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **aanvrager:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon die op grond van deze regeling een subsidieaanvraag doet bij het Stimuleringsfonds; - 2. **adviescommissie:** een onafhankelijke, door het bestuur aangestelde commissie van externe deskundigen; - 3. **architect:** waar in deze regeling de term architect staat, kan in de context van deze regeling ook worden verstaan: een professionele ontwerper of maker die zich beroepsmatig positioneert binnen het vakgebied architectuur; - 4. **beschikking:** de brief waarmee het bestuur formeel besluit over het al dan niet toekennen van de subsidie; - 5. **beschikkingsdatum:** de datum zoals vermeld op de beschikking; - 6. **beschouwer:** een schrijver, programmamaker of curator wiens werkzaamheden zich verhouden tot het vakgebied architectuur; - 7. **bestuur:** de directeur-bestuurder van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, als bedoeld in [artikel 5 van de statuten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047849&artikel=5); - 8. **creatieve industrie:** het werkterrein van de disciplines vormgeving, architectuur en digitale cultuur inclusief mogelijke cross-overs tussen deze disciplines; - 9. **cofinanciering:** aanvullende financiering in de vorm van een andere subsidie, sponsoring, investering, eige"},{"i":14333,"b":"Regeling impuls leefbaarheid, veiligheid en stadseconomie Besluit: Artikel 1 1. Indien de hierna genoemde gemeenten zich voor 16 januari 1996 schriftelijk jegens de Minister van Binnenlandse Zaken bereid verklaren met inachtneming van deze regeling in de jaren 1996 tot en met 1999 de achter hun naam genoemde plannen uit te voeren en het voor de uitvoering van het plan genoemde bedrag te besteden aan de realisering van de in het plan omschreven activiteiten en prestaties ten gunste van de leefbaarheid, veiligheid en stadseconomie, wordt door het Rijk een eenmalige impuls aan de planuitvoering gegeven ter hoogte van het als rijksbijdrage aangegeven bedrag. 2. Het gemeentebestuur besteedt het als rijksbijdrage aangegeven bedrag aan de uitvoering van het plan. 3. Het gemeentebestuur ontvangt drieëntwintig annuïteiten ter hoogte van het naast de rijksbijdrage vermelde bedrag. Het Rijk kan resterende annuïteiten afkopen. 4. Een annuïteit wordt de gemeenten voor 1 april ter beschikking gesteld. Plannen - Amsterdam: Uitvoering meerjarenprogramma nota gebiedsgerichte aanpak Amsterdam/Grote stedenbeleid - Rotterdam: Gebiedsgerichte aanpak Grote stedenbeleid Rotterdam - Den Haag: Woekeren met ruimte - Utrecht: Utrecht werkt aan leefbaarheid | | Rijksbijdrage | Annuïteit | | --- | --- | --- | | Amsterdam | 43,125 mln. | € 1.701.675,81 | | Rotterdam | 32,775 mln. | € 1.293.273,62 | | Den Haag | 25,30 mln. | € 998.316,48 | | Utrecht | **13,80 mln.** | **€ 544.536,26** | | Totaal | 115,0 mln. | € 4.537.802,17 | Artikel 2 1. Het gemeentebestuur brengt voor 1 oktober 2000 verslag uit over de besteding van de rijksbijdrage, bedoeld in [artikel 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007765&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01). 2. Het verslag behoort tot de rekening, bedoeld in [artikel 197 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=197). 3. Het gemeentebestuur zendt het verslag aan de Minister van Binnenlandse Zaken, voorzien van de acc"},{"i":12890,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen vanaf 1995 (Bedrijfschap Afbouw en rechtsvoorgangers) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 december 2007, nr. aca-2007.04229/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Bedrijfschap Afbouw en zijn rechtsvoorgangers over de periode vanaf 1995’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument voor het bedrijfschap afbouw versie december 2007 **1. Inleiding** Deze selectielijst is een selectielijst zoals bedoeld in [art. 2, eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). De lijst is opgezet als basisselectiedocument (BSD). Het BSD is het wettelijk voorgeschreven instrument voor de selectie van archiefbescheiden van het Bedrijfschap Afbouw (BA) en haar voorgangster het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud (2003–2006). Het bevat een voorstel voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die het resultaat of de neerslag zijn van het handelen van het BA. De generieke vernietigingslijst voor PBO-instellingen uit 1979 (Stcrt. 1979, nr. 115, blz. 6) is van toepassing op de archiefbescheiden van de voorgangers van het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud. **2. Institutionele beschrijving van het BA** **2.1. Algemeen** Het BA maakt deel uit van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Een bedrijfslichaam regelt voor een sector bepaalde zaken op economisch en sociaal gebied. Een sector bepaalt zelf of zij een bedrijfslichaam voor de sector wil laten instellen. Kenmerk van een bedrijfslichaam is het bindende karakter van zijn besluiten voor branchegenoten. Een schap is dan ook een openb"},{"i":12889,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Stimuleringsfonds voor de Pers vanaf 1974 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 december 2009, nr.bca-2009.05551/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Stimuleringsfonds voor de Pers, voorheen het Bedrijfsfonds voor de Pers op het beleidsterrein media, letteren en bibliotheken over de periode vanaf 1974’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De selectielijst behorend bij deze beschikking zal beschikbaar gesteld worden via www.nationaalarchief.nl/selectielijsten."},{"i":12886,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Raden voor Rechtshulp vanaf 1994 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 mei 2009, nr. bca-2009.0520/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Raden voor Rechtshulp over de periode vanaf 1994’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12883,"b":"Besluit vaststelling Selectielijst neerslag handelingen Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) vanaf 1993 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 maart 2010, nr. bca-2010/05642/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) over de periode vanaf 1993’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.archief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12799,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Bedrijfschap Horeca en Catering over de periode vanaf 1954 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Bedrijfschap Horeca en Catering over de periode vanaf het jaar 1954’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11594,"b":"Wet van 16 april 2015 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake overgang van de wettelijke taken van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het uit het oogpunt van kostenbeheersing en coördinatie wenselijk is om de taken die in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) zijn toegekend aan kenniscentra beroepsonderwijs en bedrijfsleven toe te kennen aan een bij ministeriële regeling aan te wijzen organisatie; dat in verband hiermee de bepalingen over deze kenniscentra in voornoemde wet en enige andere wetten moeten worden geschrapt of aangepast; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel III. Wijziging [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel IV. Wijziging [Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2017/43. Wijzigt de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. Artikel V. Invoeringsbepaling Wet overgang van de wettelijke taken van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar een Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven 1. Onverminderd het derde, vierde en vijfde lid ka"},{"i":12891,"b":"Besluit vaststelling selectielijst voor de neerslag van de PIOFACH-handelingen van de Ziekenfondsraad en de neerslag van haar commissies, over de periode 1949–1999 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de PIOFACH-handelingen van de Ziekenfondsraad en de neerslag van haar commissies, over de periode 1949–1999’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12888,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Stichting Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling (NCDO) beleidsterrein Ontwikkelingssamenwerking vanaf 1996 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 oktober 2010, nr. bca-2010.05961/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling (NCDO) op het beleidsterrein Ontwikkelingssamenwerking over de periode vanaf 1996’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.archief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12887,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Stichting Inschrijving Eigen Vervoer Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 januari 2009 nr. bca-2009.05163/3 Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit behorende ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Inschrijving Eigen Vervoer’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12884,"b":"Besluit van 12 januari 2015, nr. 2015000006, houdende vaststelling van een selectielijst voor de neerslag van het handelen (primaire taken en institutionele aangelegenheden) van de actoren Nationale- en Kinderombudsman (Nationale ombudsman vanaf 1998; Kinderombudsman vanaf 2011) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 december 2014, kenmerk NA/14/14680, agentschap Nationaal Archief; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de neerslag van het handelen (primaire taken en institutionele aangelegenheden) van de actoren Nationale- en Kinderombudsman (Nationale ombudsman vanaf 1998; Kinderombudsman vanaf 2011)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst voor de neerslag van het handelen (primaire taken en institutionele aangelegenheden) van de actoren Nationale- en Kinderombudsman (Nationale ombudsman vanaf 1998, Kinderombuds-man vanaf 2011 Een instrument voor de selectie van de administratieve neerslag van het handelen van de Nationale- en Kinderombudsman Doc-Direkt Edward Nieuwkerk Vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 januari 2015, nr. 2015000006. Lijst met gebruikte afkortingen 1. Inleiding De voorliggende selectielijst is een selectielijst als bedoeld in [artikel 5 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) (Stb. 276) en bestaat voor het grootste deel uit een lijst van handelingen of ‘werkprocessen’. Onder een handeling wordt verstaan een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. Deze selectielijst is organisatie specifiek en geldt voor zowel de Nationale ombudsman (No) als de"},{"i":12798,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Autoriteit Consument en Markt (ACM) voor de periode vanaf 1997 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Autoriteit Consument en Markt (ACM) en voorgangers van ACM over de periode vanaf 1997 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijsten - •. [BSD Mededingingsbeleid, PIVOT-rapport nummer 93](onbekend), actor Nederlandse Mededingingsbeleid **Stcrt.2008, nr. 5** - •. [BSD OPTA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030236) **Stcrt. 2011, nr. 12333** worden ingetrokken vanaf 1997. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12842,"b":"Besluit vaststelling Selectielijst van de Nederlandse Transplantatie Stichting vanaf 1 januari 2019 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de Nederlandse Transplantatie Stichting vanaf 1 januari 2019 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De handelingen 149, 151 en 152 van de [selectielijst voor de neerslag van de handelingen op het beleidsterrein Patiëntenbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend), Staatscourant nr. 152 d.d. 9 augustus 2007, worden per 1 januari 2019 afgesloten voor de actor Nederlandse Transplantatie Stichting. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11595,"b":"Wet van 14 oktober 2015 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met het regelen van keuzedelen waarop beroepsopleidingen mede worden gebaseerd Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is keuzedelen te introduceren waarop mede, naast de kwalificaties, beroepsopleidingen worden gebaseerd teneinde deelnemers een bredere of meer verdiepende toerusting voor de arbeidsmarkt te bieden of een betere voorbereiding voor vervolgonderwijs alsmede sneller en beter in te spelen op actuele ontwikkelingen en innovaties in het beroepenveld op de arbeidsmarkt en op de aansluiting op vervolgonderwijs, in het bijzonder in de eigen regio; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel III. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV. Invoeringsbepalingen 1. Op het moment van inwerkingtreding van deze wet strekt de beschikking afgegeven op grond van [artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1) zich mede uit over keuzedelen. 2. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip geldt invoering van keuzedelen op grond van deze wet niet voor de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in [artikel 7.2.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel"},{"i":14038,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 december 2015, nr. DB/2015/462M, houdende voorschriften ter verdere uitwerking van de aanvullende documentatieverplichtingen voor multinationale ondernemingen (Regeling aanvullende documentatieverplichtingen verrekenprijzen) Gelet op de [artikelen 29e](onbekend) en [29g van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](onbekend), Besluit: Hoofdstuk 1. Aanvullende documentatieverplichtingen verrekenprijzen Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 29e, tweede lid](onbekend), en [29g, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](onbekend). Artikel 2. Definities Deze regeling verstaat onder: - a. **wet:** [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672); - b. **groep (Group):** groep als bedoeld in [artikel 29b, onderdeel a, van de wet](onbekend); - c. **multinationale groep (MNE Group):** multinationale groep als bedoeld in [artikel 29b, onderdeel b, van de wet](onbekend); - d. **groepsentiteit (Constituent Entity):** groepsentiteit als bedoeld in [artikel 29b, onderdeel c, van de wet](onbekend); - e. **verslagjaar (Fiscal year):** verslagjaar als bedoeld in [artikel 29b, onderdeel g, van de wet](onbekend); - f. **geconsolideerde jaarrekening (Consolidated Financial Statements):** geconsolideerde jaarrekening als bedoeld in [artikel 29b, onderdeel h, van de wet](onbekend). Artikel 3. Landenrapport 1. Het landenrapport, bedoeld in [artikel 29e van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29e), wordt opgemaakt overeenkomstig het in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037475&bijlage=A&z=2018-01-01&g=2018-01-01) (Nederlandse taal) dan wel [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037475&bijlage=B&z=2018-01-01&g=2018-01-01) (Engelse taal) opgenomen model en opgesteld in XML format. 2. Indien het landenrapport, bedoeld in het eerste lid, is opgemaakt overeenkomstig het in [bijlage A](https://we"},{"i":12765,"b":"Besluit vaststelling factoren L en r boekjaar 2025 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2025 vastgesteld op 0,507387%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2025 vastgesteld op 0,221205%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":11375,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 23 juni 2025, nummer CvTE25.00945, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo ten behoeve van het examenjaar 2027 en nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi ten behoeve van het examenjaar 2026 (Regeling syllabi centrale examens vo 2027) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bedoeld in [artikel 2, zevende lid, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2), gegeven op 26 juni 2025 kenmerk 52568177, Besluit: Artikel 1. Vaststelling syllabi ten behoeve van het examenjaar 2027 De syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo ten behoeve van het examenjaar 2027 worden vastgesteld voor de vakken als vermeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051179&bijlage=1&z=2025-07-04&g=2025-07-04) bij deze regeling. Artikel 2. Nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi De syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo die bij de [Regeling syllabi centrale examens vo 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049951) zijn vastgesteld worden nader vastgesteld voor de vakken als vermeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051179&bijlage=2&z=2025-07-04&g=2025-07-04) bij deze regeling. Artikel 3. Bekendmaking syllabi De syllabi bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051179&artikel=1&z=2025-07-04&g=2025-07-04) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051179&artikel=2&z=2025-07-04&g=2025-07-04) worden bekendgemaakt op [www.examenblad.nl](http://www.examenblad.nl). Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij w"},{"i":12844,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen actor Stichting Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds beleidsterrein Media Letteren en Bibliotheken vanaf 1990 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 mei 2009, nr. bca-2009.05250/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de actor Stichting Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds op het beleidsterrein Media Letteren en Bibliotheken over de periode vanaf 1990’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11627,"b":"Wet van 6 juni 2002 tot wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is studenten meer keuzemogelijkheden te bieden en instellingen voor hoger onderwijs de ruimte te geven onderwijs te ontwikkelen dat flexibel, open en internationaal georiënteerd is; dat het in het verlengde daarvan wenselijk is een bachelor-masterstructuur in te voeren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke Referendumwet. Artikel I Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel II Vervallen Artikel III Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel IIIa Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IIIb Vervallen Artikel IIIc Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel IIId Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel IV Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel V Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel Va Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel Vb Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel VI Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel VII Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel VIIa Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIIb Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel VIII Wi"},{"i":11634,"b":"Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de bevordering van de kwaliteit en de studeerbaarheid van het onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen in verband met de voortgaande bevordering van de kwaliteit van het hoger onderwijs en de verbetering van de organisatie en de inrichting van de onderwijsprogramma's; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I, onderdeel B, werkt terug tot en met 1 juli 1996. ARTIKEL I Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. ARTIKEL III Vervallen ARTIKEL IV 1. Deze wet treedt met uitzondering van [artikel I onderdelen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008167&artikel=I&z=2005-08-03&g=2005-08-03), [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008167&artikel=II&z=2005-08-03&g=2005-08-03) en [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008167&artikel=III&z=2005-08-03&g=2005-08-03) in werking met ingang van 1 september 1996. [Artikel I onderdelen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008167&artikel=I&z=2005-08-03&g=2005-08-03) en [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008167&artikel=III&z=2005-08-03&g=2005-08-03) treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008167&artikel=II&z=2005-08-03&g=2005-08-03) treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. 2. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst wordt uitgegeven op of na 1 september 1996, treedt deze wet met uitzondering van [artikel I onderdeel B](https://wetten.overheid"},{"i":11635,"b":"Wet van 12 september 2002 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek onder meer ter uitvoering van in de nota «Zicht op kwaliteit» aangekondigde maatregelen Artikel I Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II Vervallen. Artikel III Vervallen Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en werkt wat betreft [artikel I, onderdelen C, D en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014020&artikel=I&z=2005-03-01&g=2005-03-01), terug tot en met 19 juni 2002 en wat betreft [artikel I, onderdeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014020&artikel=I&z=2005-03-01&g=2005-03-01) Ta, terug tot en met 1 september 2002. Het in de eerste volzin bedoelde tijdstip kan voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend worden vastgesteld. 2. Deze wet heeft voor het eerst betrekking op het studiejaar dat in het in het eerste lid bedoelde besluit wordt vermeld. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de verbetering van de kwaliteit en de vergroting van de transparantie en doelmatigheid van het kunstonderwijs wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de ondersteuning van de herstructurering van de opleidingen op het gebied van de kunst, de lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en de voortgezette kunstopleidingen; dat daartoe op een aantal onderdelen de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: In Stb. 2002/493 en Stb. 2002/559 is een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, c"},{"i":12737,"b":"Besluit van 3 september 2012 houdende vaststelling van de bestanddelen van de munten van vijf en de tien euro die in 2012 worden uitgegeven met het thema «Nederland en beeldhouwkunst» Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 28 augustus 2012, FM/2012/1184 M, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt 2012/18608. Artikel 1 1. De beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2012 worden uitgegeven met het thema «Nederland en beeldhouwkunst» is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: Onze beeltenis met daarboven in een vlak de tekst «BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden in gebeeldhouwde letters de waardeaanduiding «VIJF» respectievelijk «TIEN», boven de «F» respectievelijk de «N», euro, daaronder het teken van de Munt , het teken van de Muntmeester , het Europees muntteken en de letter «M», zijnde het initiaal van de ontwerpster Mirjam Mieras, en daaronder het jaartal 2012; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14330,"b":"Regeling immunisatie militairen 2002 Gelet op [artikel 4 van de Wet immunisatie militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117&artikel=4); Gezien het advies van de Commissie van deskundigen immunisatie militairen; Besluit: § 1. Algemene vaccinatie van militairen Artikel 1 De militair in werkelijke dienst wordt ter gelegenheid van de opkomst gevaccineerd tegen: - a. difterie, tetanus en poliomyelitis (DTP), - b. hepatitis A en B, en - c. bof, mazelen en rode hond (BMR). Artikel 2 1. De vaccinaties tegen difterie, tetanus en poliomyelitis (DTP) en tegen bof, mazelen en rode hond (BMR) geschieden door middel van een enkelvoudige inenting, de vaccinatie tegen hepatitis A en B door middel van een serie van drie inentingen. 2. In afwijking van het eerste lid geschiedt de vaccinatie tegen difterie, tetanus en poliomyelitis (DTP) door middel van de volledige serie van drie DTP-inentingen indien de betrokken militair aannemelijk maakt nooit door middel van een zodanige serie te zijn ingeënt. Bij een verwonding met gevaar voor tetanusinfectie vindt tevens toediening van tetanus-immunoglobuline plaats. 3. De vaccinatie tegen bof, mazelen en rode hond (BMR) geschiedt bij vrouwen slechts indien ze niet zwanger zijn. Als er sprake is van zwangerschap dan wel van onzekerheid hierover, wordt de vaccinatie uitgesteld tot na de zwangerschap respectievelijk totdat de mogelijkheid van een bestaande zwangerschap is uitgesloten. Artikel 3 Revaccinatie vindt plaats tegen difterie, tetanus en poliomyelitis (DTP): telkens na tien jaar, met dien verstande dat bij een verwonding met gevaar voor tetanusinfectie: - 1°. bij een volledig gevaccineerde militair tussentijdse toediening van een dosis tetanusvaccin plaatsvindt indien de laatste vaccinatie meer dan tien jaar geleden werd gegeven; - 2°. bij een militair met een onvolledige vaccinatiestatus de immunisatie wordt afgerond door toediening van de volledige serie van drie DTP-inentingen alsmede toediening van tetanus-immunoglobu"},{"i":14059,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 20 september 2024, houdende regels over de instelling, de inrichting en het beheer van agentschappen (Regeling agentschappen 2024) Gelet op [artikel 4.20, tweede lid, aanhef en onder g, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20); Besluit: Definities en toepassingsbereik § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - •. **agentschap:** een dienstonderdeel van een ministerie, dat op grond van [artikel 2.20, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.20), als baten-lastenagentschap is aangewezen; - •. **continuïteitsverantwoordelijke:** de secretaris-generaal of zijn plaatsvervanger die verantwoordelijk is voor het toezicht op het beleid, op de algemene gang van zaken met betrekking tot het agentschap en op het stelsel van werkafspraken en governance zoals bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050264&paragraaf=3&artikel=6&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050264&paragraaf=3&artikel=7&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - •. **beleidsverantwoordelijke:** de directeur-generaal of zijn plaatsvervanger of de directeur of zijn plaatsvervanger van een ministerie die het agentschap verzoekt om producten of diensten te leveren; - •. **centrale kas:** liquide middelen die door het Agentschap van de Generale Thesaurie van het Ministerie van Financiën worden beheerd; - •. **doelmatigheid:** de mate waarin de prestaties en effecten tegen de laagst mogelijke inzet van (financiële) middelen en ongewenste neveneffecten worden bewerkstelligd, dan wel de mate waarin met de inzet van een bepaalde hoeveelheid (financiële) middelen de maximale prestaties en effecten van beleid worden gerealiseerd tegen zo min mogelijk ongewenste neveneffecten; - •. **eindverantwoordelijke binnen het agentschap:** de hoogstgeplaatste ambtenaar die binnen het agentschap d"},{"i":12864,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Metrologie over de periode 1946–1997 (Minister van Economische Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2007, arc-2007.03507/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Metrologie over de periode 1946–1997](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12847,"b":"Vaststelling selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Buitenland over de periode 1945-1990 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Buitenland over de periode 1945–1990’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken op het beleidsterrein het beleidsterrein Buitenland over de periode 1945–1990 (vastgesteld bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Buitenlandse Zaken, nr. C/S/2002/2848 d.d. 9 september 2002 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 220 d.d. 14 november 2002) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12794,"b":"Vaststelling selectielijst archiefbescheiden provinciale organen vanaf 1 januari 2020 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de provinciale organen over de periode vanaf 2020 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘[Selectielijst voor archiefbescheiden van de provinciale organen, ontvangen of opgemaakt vanaf 1 januari 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034675)’, zoals vastgesteld in de Staatscourant van 17 januari 2014, nr. 1042 en opnieuw vastgesteld in de Staatscourant van 14 december 2017, nr. 71583 wordt per 1 januari 2020 afgesloten. De ‘[Selectielijst archiefbescheiden Provinciale Organen 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019621)’, zoals gepubliceerd in de Staatscourant nr. 89 van 8 mei december 2006, wordt afgesloten. De [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019621) uit 2005 blijft geldig voor de selectie van provinciale archiefbescheiden voor gemeenschappelijke regelingen waaraan provincies deelnemen voor de periode tot 1 januari 2020. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12740,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 27 juni 2019, kenmerk 1529221-190512-WJZ, houdende vaststelling van een bewaartermijn voor logging Gelet op [artikel 5, tweede lid, van het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040238&artikel=5), Besluit: De logging als bedoeld in het [Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040238), wordt ten minste 5 jaar bewaard vanaf het moment dat de logregel wordt geschreven. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12739,"b":"Besluit vaststelling bestemming radio-frequenties voor DCS 1800 en GSM Gelet op artikel 13a, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 Voor DCS 1800 zijn, overeenkomstig Recommandatie T/R 22/07 van de Conférence Européenne des Postes et des Télécommunications, de frequentiebanden 1710–1785 MHz en 1805–1880 MHz bestemd. Artikel 3 Voor GSM zijn, overeenkomstig [richtlijn nr. 87/372/EEG](31987L0372) (PbEG L 196) en ERC Decision ERC/DEC (94) 01, onderscheidenlijk ERC Decision ERC/DEC (97) 02, de frequentiebanden 890–915 MHz en 935–960 MHz, onderscheidenlijk 880–890 MHz en 925–935 MHz bestemd. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 1997. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling bestemming radio-frequenties voor DCS 1800 en GSM. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Tegen dit besluit kunnen belanghebbenden, binnen zes weken nadat dit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, een bezwaarschrift indienen bij de Minister van Verkeer en Waterstaat."},{"i":12729,"b":"Besluit van 5 oktober 2020 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro met als thema het Woudagemaal die in 2020 worden uitgegeven in de serie Nederlands Werelderfgoed Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 30 september 2020, nr. 2020-0000177633, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2020/66439. Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt met als thema het Woudagemaal die worden uitgegeven in de serie Nederlands Werelderfgoed zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en face, met op de achtergrond de vlag van de provincie Fryslân, daaronder een topografische weergave van waar het Woudagemaal zich bevindt, en met de tekst «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN» langs de bovenzijde; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden een afbeelding van het Woudagemaal, met op de achtergrond een topografische weergave van het gebied waar het Woudagemaal zich bevindt, langs de bovenzijde de tekst «NEDERLANDS WERELDERFGOED» «IR. D.F. WOUDAGEMAAL» «1920 – 2020», aan de rechterzijde het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt en het teken van de Muntmeester, en aan de onderzijde respectievelijk «10 EURO» en «5 EURO». 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044225&artikel=1&z=2020-10-20&g=2020-10"},{"i":12859,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Kansspelen 1945-2000 (Minister van Economische Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 april 2007 nr. arc-2007.03707/10); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Kansspelen over de periode 1945–2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022240)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022240) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12730,"b":"Besluit van 24 januari 2011, nr. 11.000107, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de Nederlandse nationale zijde van de herdenkingsmunt van twee euro ‘Erasmus Laus Stultitiae’ Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 17 januari 2011, FM/2011/153 M, Generale Thesaurie, directie Financiële Markten, afdeling Institutioneel Beleid en Integriteit; Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stb. 2011/30. Artikel 1 1. De Nederlandse nationale zijde van de beeldenaar van de herdenkingsmunt van twee euro die wordt uitgegeven ter gelegenheid van het feit dat het in 2011 500 jaar is geleden dat het boek ‘Laus Stultitiae’ van Erasmus werd uitgegeven, is, overeenkomstig onderstaande afbeelding: binnen een cirkel van 12 sterren, aan de linkerzijde Onze beeltenis, rechts daarvan vertikaal geschreven in twee regels «BEATRIX KONINGIN» «DER NEDERLANDEN», aan de rechtzijde een portret van Erasmus die de tekst «Laus Stultitiae» heeft geschreven, boven zijn rechterhand het teken van de Muntmeester en het teken van de Munt met daaronder het jaartal 2011. 2. De twee-euromunt heeft een fijngekartelde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS*». Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 24 januari 2011. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14031,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 mei 2023, kenmerk 3594862-1048050-WJZ, houdende aanpassing van de factoren, grondslag en bedragen in de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen per 1 juli 2023 Gelet op de [artikelen 31a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31a), [28a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28a), [35, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=35), [18, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=18) en [25, tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=25); Besluit: Artikel 1 De pensioenbedragen, bedoeld in [artikel 31b, eerste lid, onder a, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31b) en in [artikel 28b, eerste lid, onder a, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28b), zoals zij golden op 1 januari 2023, worden met ingang van 1 juli 2023 verhoogd met 3,13%. Artikel 2 De factoren waarmee het peil der buitengewone pensioenen ingevolge de [Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) en de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035) wordt aangepast, worden met ingang van 1 juli 2023 vastgesteld als volgt: | A | A | B | B | | --- | --- | --- | --- | | pensioengrondslagen 1947 per jaar in euro | pensioengrondslagen 1947 per jaar in euro | welvaartstoeslag vanaf 1 juli 2023 | welvaartstoeslag vanaf 1 juli 2023 | | van | tot en met | | | | 1.225,21 | 1.356,79"},{"i":13601,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 september 2024, nr. 2024-48050080, houdende de instelling van de Opvolgingscommissie Dansen (Instellingsbesluit Opvolgingscommissie Dansen) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **commissie:** Opvolgingscommissie Dansen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050307&artikel=2&z=2024-10-23&g=2024-10-23); - c. **ministerie:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - d. **ministeries:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport; - e. **dg’s:** Directeur-Generaal Cultuur en Media, Directeur-Generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs, Wetenschap en Emancipatie, Directeur-Generaal Volksgezondheid; - f. **alliantie:** Alliantie Dans Veilig; - g. **stuurgroep:** stuurgroep Alliantie Dans Veilig; - h. **expertgroepen:** expertgroepen Alliantie Dans Veilig. - i. **onderzoek Schaduwdansen:** ‘Schaduwdansen. Een onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag in het dansen’. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een onafhankelijke Opvolgingscommissie Dansen. 2. De commissie informeert en adviseert de dg’s en de alliantie over de opvolging van de aanbevelingen uit het Verinorm rapport ‘Schaduwdansen’. 3. De commissie heeft tot taak: - a. de planvorming voor de aanbevelingen te monitoren en te adviseren of deze planvorming afdoende aansluit op de aanbevelingen; - b. de uitvoering van de aanbevelingen te monitoren en te adviseren of de uitvoering afdoende aansluit op de aanbevelingen; - c. de implementatie en borging van de aanbevelingen te monitoren en te adviseren of de implementatie afdoende aansluit op de aanbevelingen; - d. bevorderen dat de alliantie en de dg’s open"},{"i":12803,"b":"Besluit vaststelling selectielijst CBR over de periode vanaf 1927 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het handelen van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen vanaf 1927 vast te stellen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13588,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 november 2022, kenmerk 3456138-1038442-VGP houdende instelling van en regels voor de taakuitoefening van de Nationaal Rapporteur Verslavingen (Instellingsbesluit Nationaal Rapporteur Verslavingen) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bewindspersonen:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister voor Langdurige Zorg en Sport, de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming; - b. **Nationaal Rapporteur Verslavingen:** Nationaal Rapporteur Verslavingen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047491&artikel=2&z=2022-12-01&g=2022-12-01); - c. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 1. Er is een Nationaal Rapporteur Verslavingen. 2. De Nationaal Rapporteur Verslavingen heeft tot taak: - a. het adviseren van de bewindspersonen over de aanpak van verslavingen, waarbij het gaat om een brede definitie van verslavingen die een impact hebben op de (volks)gezondheid en maatschappij, zowel aan (psychoactieve) stoffen zoals tabak, alcohol en drugs, als ook gedragingen zoals het onmatig deelnemen aan kansspelen; - b. het signaleren van ontwikkelingen in de aard en de omvang van verslavingsproblematiek; - c. het adviseren over preventiemaatregelen en het evalueren van genomen maatregelen in de aanpak van verslavingsproblematiek; - d. het samenbrengen van kennis over de maatschappelijke impact van verslavingsproblematiek en het identificeren van hiaten hierin; en - e. het rapporteren aan de Staatssecretaris door toezending van zijn rapporten ten aanzien van de aanpak van verslavingen. Artikel 3 1. De Nationaal Rapporteur Verslavingen wordt, in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad, door de Staatssecretaris benoemd. 2. De Nationaal Rapporteur Verslavingen heeft zitting op persoonlijke"},{"i":12854,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Goederenvervoer vanaf 1945 (College van Beroep voor het Bedrijfsleven) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007 nr. arc-2007.03635/5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven op het beleidsterrein Goederenvervoer over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument goederenvervoer 1945– **Dit BSD geldt voor de volgende zorgdragers:** In opdracht van Verkeer en Waterstaat Afkortingenlijst ADN: Accord Européen rélatif au transport international des marchandises dangereuses par voie de navigation intérieure ADNR: Règlement pour le transport des matières dangereuses sur le Rhin ADR: Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route AMvB: Algemene maatregel van bestuur ARV: Algemeen Reglement voor het vervoer op de spoorwegen ARVL: Algemeen Reglement voor het vervoer op lokaalspoorwegen AVV: Adviesdienst Verkeer en Vervoer Bgw: [Besluit goederenvervoer over de weg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005496) BIG: Buisleiding Industrie Gilde BISB: Beleidsinformatiesysteem Binnenvaart Bolegno: (Vereniging van) Boorondernemers en Buizenleggers BOR: Bereikbaarheidsoffensief Randstad BOVV: beperkt ongeregeld vervoer BSB: Besluit sloopregeling binnenvaart BSD: Basisselectiedocument BVB: [Besluit vervoer binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005503) BVGS: [Besluit Vervoer Gevaarlijke Stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080) BZK: (Ministerie van) Binenlandse Zaken en Koninkrijksr"},{"i":12762,"b":"Besluit vaststelling factoren L en r boekjaar 2022 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2022 vastgesteld op 0,173375%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2022 vastgesteld op 0,007330%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2022. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":12818,"b":"Besluit vaststelling selectielijst fonds Podiumkunsten vanaf 2007 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de archiefbescheiden van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+, voor de periode vanaf 2007’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten+ over de periode vanaf 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029145)’ (vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. NA/10/6576 d.d. 14 december 2010 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 20485, d.d. 21 december 2010)) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12686,"b":"Besluit vaststellen (gewijzigde) Eindtermen accountantsopleidingen 2016 1. Verantwoording Dit document bevat de eindtermen voor de Nederlandse accountantsopleidingen als bedoeld in [artikel 46 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=46) (hierna Wab). De Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (hierna CEA) heeft op grond van [artikel 49, tweede lid, onderdeel a, Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49) de bevoegdheid eindtermen vast te stellen en maakt deze bekend door plaatsing in de Staatscourant. CEA herziet periodiek de eindtermen, zodat de vakbekwaamheidseisen van accountants blijven aansluiten op de (ontwikkelingen in de) beroepspraktijk, de verwachtingen van gebruikers van diensten van accountants en op de ontwikkelingen in het onderwijs. De Eindtermen Accountantsopleidingen (2016) zijn in opdracht van CEA ontwikkeld door de Stuurgroep Herziening Eindtermen en van kracht geworden per 1 januari 2016. Voor een uitgebreide beschrijving van de uitgangspunten bij en aanpak van de ontwikkeling van de eindtermen wordt verwezen naar het oorspronkelijke rapport [Eindtermen Accountantsopleidingen 2016 (versie 1.0)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037494) van december 2015. Deze eindtermen zijn voor het eerst gepubliceerd in de Staatscourant 2015-48003. Per 1 januari 2017 zijn enkele tekstuele aanpassingen doorgevoerd in de eindtermen, die uitsluitend zagen op correcties en verduidelijkingen van de eindtermen respectievelijk de toelichtende tekst. Het betrof geen inhoudelijke wijzigingen. De aangepaste, integrale versie van de [Eindtermen accountantsopleidingen 2016 (versie 1.1)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039135) is gepubliceerd in de Staatscourant 2017-3935. Per 9 november 2018 zijn de eindtermen die zien op de opleiding met oriëntatie Accountancy-Finance komen te vervallen (Staatscourant 2018-63242). Eind 2018 heeft CEA een redactieraad ingesteld die CEA periodiek adv"},{"i":13479,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 8 maart 2019, nr. VO/1440721, houdende instelling van de Commissie beoordeling begaafdheid in het primair en voortgezet onderwijs ten behoeve van de Regeling subsidie begaafde leerlingen po en vo (Instellingsbesluit Commissie begaafdheid po en vo) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - •. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042091&artikel=2&z=2019-10-23&g=2019-10-23); - •. **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - •. **minister:** Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; - •. **regeling:** [Regeling subsidie begaafde leerlingen po en vo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041640). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie begaafdheid po en vo. 2. De commissie heeft tot taak: - a. de minister inhoudelijk te adviseren over subsidieaanvragen als bedoeld in en met inachtneming van [artikel 7 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041640&artikel=7); - b. subsidieaanvragers te voorzien van feedback op de ingediende plannen en hen in de gelegenheid te stellen hun aanvraag inhoudelijk te verbeteren, voorafgaand aan de definitieve beoordeling; - c. samenwerkingsverbanden objectief te informeren over de inhoudelijke eisen verbonden aan de subsidieregeling, middels een aantal regionale bijeenkomsten. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 3. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. 4. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen. 5. De voorzitter en overige leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de minist"},{"i":14326,"b":"Regeling identificatie van visserij producten BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ingrediënt:** iedere grondstof die bij de be- of verwerking van een visserijproduct is gebruikt en die als zodanig of als omzettingsproduct in het visserijproduct aanwezig is; - b. **opgietvloeistof:** een al dan niet bevroren of diepgevroren vloeistof, indien en voor zover deze slechts van ondergeschikt belang is ten opzichte van de essentiële bestanddelen van het betreffende visserijproduct, en waarvan daarom kan worden aangenomen dat zij voor de consument die het product uiteindelijk wenst te gebruiken niet doorslaggevend zal zijn voor zijn beslissing om het product aan te kopen; - c. **productiepartij:** een verzameling van visserijproducten die onder vrijwel identieke omstandigheden zijn be- of verwerkt en verpakt, en waarvan de omvang door of namens de ondernemer is vastgesteld; - d. **technologisch** hulpmiddel: een stof die op zichzelf niet als ingrediënt van voedsel wordt geconsumeerd, maar bij de be- of verwerking van het visserijproduct of een ingrediënt daarvan opzettelijk wordt gebruikt om tijdens die be- of verwerking aan een bepaald technisch doel te beantwoorden, en die de onbedoelde doch technisch onvermijdelijke aanwezigheid van residuen van de stof of een derivaat ervan in het product ten gevolge kan hebben, mits deze aanwezigheid voor de gezondheid geen gevaar oplevert en evenmin technologische consequenties voor het eindproduct heeft; - e. **verpakking:** het verpakkingsmateriaal, bedoeld in het Besluit verpakking visserijproducten BES, waarin een visserijproduct wordt verpakt, voordat het naar het gebied van de Europese Gemeenschap wordt uitgevoerd; - f. **verpakte waar:** de voor de uitvoer bestemde eenheid die bestaat uit een visserijproduct en de verpakking of recipiënt daarvan, indie"},{"i":14324,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 27 augustus 2014, nummer CvTE-14.02022, houdende vaststelling van de hulpmiddelen en aangepaste wijze of vorm van toetsen centrale eindtoets primair onderwijs (Regeling hulpmiddelen en aangepaste wijze of vorm van toetsen centrale eindtoets PO) Gelet op [artikel 2, zesde lid, onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); [artikel 7 Toetsbesluit PO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035216&artikel=7) Besluit: Artikel 1. Hulpmiddelen Bij de centrale eindtoets primair onderwijs zullen de algemene hulpmiddelen toegestaan worden zoals vermeld in de bijlage 1 bij deze regeling. Artikel 2. Aanpassing wijze van afname De directeur van de school kan voor een leerling met een speciale ondersteuningsbehoefte de wijze van afname van de centrale eindtoets primair onderwijs aanpassen indien bij toepassing van de standaard afname de leerling niet of onvoldoende kan laten zien hoe vaardig hij is op de onderdelen die in de centrale eindtoets worden getoetst. Artikel 3. Kaders aanpassing - a. De directeur handelt bij de aanpassing bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035539&artikel=2&z=2018-07-18&g=2018-07-18) binnen de kaders, vastgelegd door het College voor toetsen en examens in deze regeling. - b. Indien naar het oordeel van de directeur binnen bedoelde kaders geen adequate aanpassing wordt bereikt die de door de leerling ten gevolge van zijn speciale ondersteuningsbehoefte ondervonden belemmering wegneemt, neemt de directeur contact op met het College voor toetsen en examens. Artikel 4. Aangepaste toetsversies - a. Het College voor toetsen en examens stelt jaarlijks (in het toetsreglement) vast welke onderdelen van de wijze van toetsing door de directeur vanwege de speciale ondersteuningsbehoefte van een leerling kunnen worden aangepast. - b. Het College voor toetsen en examens stelt enkele aangepaste versies van de central"},{"i":14323,"b":"Regeling huisvesting en voeding militairen 2018 (RHVM 2018) Gelet op: de [artikelen 108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=108), [109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=109), [110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=110), [143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=143) en [144 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=144), de [artikelen 75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=75) en [76 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=76), de [artikelen 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=60) en [61 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=61), Besluit: Hoofdstuk 1. Inleiding Artikel 1. Begripsomschrijving In deze regeling wordt verstaan onder: - **afstand:** de afstand zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid van het Verplaatsingskostenbesluit defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032312&artikel=1); - **huisvesting:** gelegenheid tot nachtverblijf die wordt verstrekt door of voor rekening van Defensie; - **plaats van tewerkstelling:** de plaats als bedoeld in [artikel 1, eerste lid van het Verplaatsingskostenbesluit defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032312&artikel=1); - **voeding:** de door Defensie (deels) bekostigde kwalitatief en kwantitatief toereikende maaltijden; - **woning:** de verblijfplaats in Nederland waar de militair volgens de Basisregistratie Personen als ‘woonplaats’ staat ingeschreven, dan wel de verblijfplaats in het buitenland waar de militair metterwoon woonachtig is. Artikel 2. Toepasselijkheid Deze regeling is niet van toepassing op de militair op wie [hoofdstuk 3 van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039849&hoofdstuk=3) van toepassing is. Hoofdstuk"},{"i":14322,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 juni 2014, nr. WJZ/14101260, houdende regels met betrekking tot het houden van dieren Gelet op [richtlijn nr. 2007/43/EG](32007L0043) van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU L 182), verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002, tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, voor houders van productiedieren die gehouden worden voor de voedselproductie (PbEG 2002 L 31), [verordening (EG) nr. 1/2005](32005R0001) van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de [Richtlijnen 64/432/EEG](31964L0432) en [93/119/EG](31993L0119) en [Verordening (EG) nr. 1255/97](31997R1255) (PbEU 2005 L 3), [verordening (EG) nr. 1099/2009](32009R1099): [verordening (EG) Nr. 1099/2009](32009R1099) van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009 L 303), de [artikelen 2.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.1), [2.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.5), [6.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.2), [6.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3), [6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.4), [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.1), [7.6, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.6), [10.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.1), en [10.4 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00302"},{"i":14349,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 16 december 2021, nr. 2021-238261, houdende beheersregels op het gebied van de informatiehuishouding voor het Ministerie van Financiën (Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022) gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **archiefbeheerder:** degene die namens de plaatsvervangend secretaris-generaal verantwoordelijk is voor het laten uitvoeren van het beheer van de overheidsinformatie voor de onder hem vallende archiefvormende onderdelen; - **archiefbeherend onderdeel:** het organisatieonderdeel of de organisatie die tot taak heeft in opdracht van de archiefbeheerder de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot het beheer van overheidsinformatie uit te voeren; - **archieffunctie:** de bedrijfsfunctie gericht op de kwaliteit van het duurzaam toegankelijk maken en houden, bewaren en beheren van de overheidsinformatie van de archiefvormende onderdelen; - **archiefsysteem:** een informatiesysteem dat het beheer van overheidsinformatie ondersteunt; - **archiefvormend onderdeel:** een organisatieonderdeel onder verantwoordelijkheid van de Minister, dat bevoegd is te handelen en op grond van de verantwoordelijkheid voor dat handelen overheidsinformatie verzamelt, ontvangt, produceert, verzendt of beheert; - **beheer van overheidsinformatie (synoniem: archiefbeheer):** de uitvoerende werkzaamheden om overheidsinformatie in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, als ook om overheidsinformatie die daarvoor in aanmerking komt te vernietigen dan wel over te brengen; - **CIO van een verzorgingsgebied:** Chief Information Officer van het kernministerie, het directoraat-generaal Belastingdienst, het directoraat-generaal Douane of het directoraat-generaal Toeslagen; - **conversie:** het proces v"},{"i":14355,"b":"Regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten Gelet op [artikel 40, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40) juncto [artikel 38, zevende lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (hierna: Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van transparantie van ziektekostenverzekeraars aan consumenten. Ook is de NZa bevoegd om op grond van [artikel 62 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) regels te stellen over welke gegevens en inlichtingen regelmatig moeten worden verstrekt dan wel onder welke omstandigheden deze moeten worden verstrekt door de ziektekostenverzekeraars. Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - 1.1. **ziektekostenverzekeraar:** een zorgverzekeraar en een particuliere ziektekostenverzekeraar, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel f, onder 1 en 3, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - 1.2. **consument:** verzekeringsplichtige, verzekerde of patiënt, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel i, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - 1.3. **zorg:** zorg, dienst of handelingen op het gebied van de gezondheidszorg als gedefinieerd in [artikel 1, onderdeel b, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - 1.4. **website:** alle websites die de ziektekostenverzekeraar beheert of laat beheren en waar informatie verstrekt wordt over de polissen die de ziektekostenverzekeraar aanbiedt. - 1.5. **verzekering:** zorgverzekering en aanvullende ziektekostenverzekering. - 1.6. **(niet-)gecontracteerde zorgaanbieder:** een zorgaanbieder die voor een of meer vormen van zorg (niet/deels) door de verzekeraar voor zijn verzekerden is gecontracteerd. - 1.7. **vermelden op de website:** het beschikbaar stellen van informatie op de website zodanig dat deze: - –. zelfstan"},{"i":14350,"b":"Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 8 december 2005, nr. DDS 5389476, tot het geven van voorschriften voor de verstrekking van informatie over de inburgering van nieuwkomers en tot vaststelling van een controleprotocol (Regeling informatieverstrekking en controleprotocol WIN 2005) Gelet op [artikel 4, zevende en achtste lid, van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009768&artikel=4) en [artikel 15, vierde en zesde lid, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Het verstrekken van de gegevens, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009768&artikel=4) en [artikel 15, tweede lid, aanhef en onderdelen a en b, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238&artikel=15), geschiedt door middel van het volledig invullen, ondertekenen en verzenden van de in de [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019189&bijlage=1&z=2006-01-20&g=2006-01-20) van deze regeling opgenomen formulieren. Artikel 2 De formulieren, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019189&artikel=1&z=2006-01-20&g=2006-01-20), dienen te zijn gewaarmerkt door een accountant als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393) en vergezeld te gaan van een verklaring van bovengenoemde accountant met betrekking tot de juistheid van de gegevens. Artikel 3 Het controleprotocol ten behoeve van de verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, bedoeld in [artikel 4, achtste lid, van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009768&artikel=4), alsmede ten behoeve van de verklaring omtrent de getro"},{"i":14346,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 15 december 2025 kenmerk 102804120 tot vaststelling van de Regeling voor het informatiebeheer van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (Regeling informatiebeheer KGG 2025) Gelet op [artikel 23, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=23) en [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14), Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1 onder c. van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - **hoofden van dienst:** hoofden van dienst genoemd in het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging KGG 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051991). - **minister:** Minister van Klimaat en Groene Groei; Hoofdstuk 2. Reikwijdte, verantwoordelijkheden en bevoegdheden Artikel 2. Reikwijdte 1. De regeling geldt voor de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de Minister van Klimaat en Groene Groei ongeacht waar deze taken worden uitgevoerd. 2. De regeling is van toepassing op alle organisatieonderdelen van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei vermeld in de [Bijlage Organisatie van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei bij het Besluit mandaat, volmacht en machtiging KGG 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051991&bijlage=1). Artikel 3. Secretaris-generaal en Chief Information Officer 1. De Secretaris-generaal is verantwoordelijk voor aangelegenheden op het gebied van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376), voor zover niet behorend tot een hoofd van dienst. 2. De Secretaris-generaal stelt selectielijsten als bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) vast. 3. De Secretaris-generaal is bevoegd om, in overleg m"},{"i":14343,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 26 maart 2018, nr. WJZ/18027245, houdende een systeem van informatie-uitwisseling betreffende bovengrondse en ondergrondse infrastructuur van netten en netwerken ter voorkoming van graafschade en ter bevordering van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid (Regeling informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken) Gelet op [richtlijn nr. 2014/61](32014L0061)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid (PbEU 2014, L 155) en de [artikelen 20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=20), en [28, vierde lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=28), alsmede de [artikelen 3, vijfde lid](onbekend), [4, tweede en vierde lid](onbekend), en [5, eerste lid en derde tot en met zevende lid, van het Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](onbekend); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](onbekend); - **BMKL:** Berichtenmodel Kabels en Leidingen als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040787&paragraaf=3&artikel=8&z=2022-01-01&g=2022-01-01); - **burgerservicenummer:** burgerservicenummer als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=1); - **IMKL:** Informatiemodel Kabels en Leidingen als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040787&p"},{"i":8861,"b":"Overeenkomst inzake zeevervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Regering van de Volksrepubliek China anderzijds Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap hierna „lidstaten\" te noemen, de Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap\" te noemen, enerzijds, en de Regering van de Volksrepubliek China hierna „China\" genoemd, anderzijds, Indachtig de overeenkomst inzake commerciële en economische samenwerking tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Volksrepubliek China van mei 1985; Indachtig het belang van de bestaande zeevaartbetrekkingen tussen de Gemeenschap en haar lidstaten en China; Van mening dat samenwerking op het gebied van de internationale zeevaart tussen de partijen gunstig zal zijn voor de ontwikkeling van de handelsbetrekkingen en de economische betrekkingen tussen de Volksrepubliek China en de Gemeenschap en haar lidstaten; Verlangende de betrekkingen op het gebied van het internationale zeevervoer verder te versterken en te consolideren op basis van gelijkwaardigheid en wederzijds voordeel; Het belang van zeevervoersdiensten erkennend en verlangend zelfs verder multimodaal vervoer waarvan een traject over zee deel uitmaakt, te bevorderen om de efficiëntie van de vervoersketen te vergroten; Het belang erkennend van verdere ontwikkeling van een f.exibele marktgerichte benadering en de voordelen voor exploitanten van beide partijen die zijn verbonden aan het controleren en exploiteren van hun eigen internationale vrachtvervoersdiensten in het kader van een efficiënt internationaal zeevervoersysteem;"},{"i":14336,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 augustus 2021, nr. 2021-0000130089, tot uitvoering van de Wet inburgering 2021 (Regeling inburgering 2021) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=1), [4, eerste lid, onderdeel b en d, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=4), [5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=5), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=7), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=10), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=14), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=21), [24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=24), [32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=32), [34, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=34), en [39, tweede lid, van de Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770&artikel=39), de [artikelen 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045555&artikel=2.4), [2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045555&artikel=2.5), [2.7, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045555&artikel=2.7), [2.8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045555&artikel=2.8), [3.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045555&artikel=3.2), [3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045555&artikel=3.4), [3.5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045555&artikel=3.5), [3.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045555&artikel=3.6), [3.7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045555&artikel=3.7), [3.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045555&artikel=3.9), [3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045555&artikel=3.11), [3.12](https://wetten.o"},{"i":14357,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 14 december 2017, nr. VO/1016970, houdende regels over het gebruik van gegevens uit het basisregister onderwijs (bron) door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Inspectie van het onderwijs, vaststelling van de wijze van gegevenslevering in verband met het onderwijsnummer in het voortgezet onderwijs en de wijze van ordening en beschikbaarstelling van gegevens in het voortgezet onderwijs (Regeling informatievoorziening WVO) Gelet op [artikel 2.3.6c, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.3.6c), [artikel 164a, derde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=164), de [artikelen 58, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=58), [103b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=103b), en [103d, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=103d) en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008948&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008948&artikel=4) en [4e van het Besluit informatievoorziening WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008948&artikel=4e); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **accountantsverklaring:** verklaring als bedoeld in [artikel 6.12, tweede lid, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.12); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **BRIN:** Basisregistratie Instellingen; - **inspectie:** Inspectie van het onderwijs; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **school:** school die is aangewezen op grond van [artikel 2.66 van de wet](https://wett"},{"i":14352,"b":"Regeling Informatieverstrekking vaststelling aanvaardbare kosten Ingevolge [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van informatieverstrekking voor de vaststelling van de aanvaardbare kosten. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op regionale ambulancevoorzieningen (categorienummer: 240). Artikel 2. Doel van de regeling Deze regeling heeft tot doel het stellen van regels over de informatie die regionale ambulancevoorzieningen moeten aanleveren ten behoeve van de vaststelling van de aanvaardbare kosten. Deze regels hebben betrekking op de inhoud van de informatie zelf, de wijze waarop deze moet worden aangeleverd en de termijnen waarbinnen dat dient te geschieden. Artikel 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **zorgaanbieder:** natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Wmg](onbekend). - **regionale ambulancevoorziening:** zorgaanbieder als bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](onbekend), die zorgt draagt voor het verlenen of doen verlenen van ambulancezorg en het in stand houden van een meldkamer. - **meldkamer:** zorgaanbieder als bedoeld in de [artikel 1, eerste lid, onderdeel e](onbekend), en [artikel 5, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](onbekend). - **budgetsystematiek:** bekostigingssysteem gebaseerd op nacalculatie van geleverde zorgproductie ter dekking van een vooraf door de NZa vastgesteld budget. - **gebudgetteerde instelling:** zorgaanbieder die rechtspersoonlijkheid bezit en op wie de budgetsystematiek van toepassing is. Artikel 4. Te verstrekken informatie Regionale Ambulancevoorzieningen 1. Regionale ambulancevoorzieningen zijn op grond van de beleidsregel ‘Regionale ambulancevoorziening 2014’ voor het budgetjaar 2014"},{"i":14345,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 15 december 2025 kenmerk 102292336 tot vaststelling van de Regeling voor het informatiebeheer van het Ministerie van Economische Zaken (Regeling informatiebeheer EZ 2025) Gelet op [artikel 23, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=23) en [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14), Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1 onder c. van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - **hoofden van dienst:** hoofden van dienst genoemd in het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2025](onbekend). - **minister:** Minister van Economische Zaken; Hoofdstuk 2. Reikwijdte, verantwoordelijkheden en bevoegdheden Artikel 2. Reikwijdte 1. De regeling geldt voor de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de Minister van Economische Zaken ongeacht waar deze taken worden uitgevoerd. 2. De regeling is van toepassing op alle organisatieonderdelen van het Ministerie van Economische Zaken vermeld in de [Bijlage Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken bij het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2025](onbekend). Artikel 3. Plaatsvervangend secretaris-generaal en Chief Information Officer 1. De plaatsvervangend secretaris-generaal is verantwoordelijk voor aangelegenheden op het gebied van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376), voor zover niet behorend tot een hoofd van dienst. 2. De plaatsvervangend secretaris-generaal stelt selectielijsten als bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) vast. 3. De plaatsvervangend secretaris-generaal is bevoegd om, in overleg met het betreffende hoofd van dienst, beperkingen te stellen"},{"i":14342,"b":"Regeling informatie aanbestedingen concessies openbaar vervoer Gelet op [artikel 40, tweede lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=40); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder concessieverlener: bevoegde instantie genoemd in [artikel 20 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20). Artikel 2 De gegevens, bedoeld in [artikel 40, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=40), betreffen: - a. de gevolgde aanbestedingsprocedure; - b. de motivering van de keuze voor de in onderdeel a genoemde aanbestedingsprocedure; - c. een omschrijving van het openbaar vervoer en het gebied waarvoor de concessie is verleend; - d. een omschrijving van de voorschriften die aan de verleende concessie zijn verbonden; - e. de datum van verlening van de concessie; - f. de criteria voor de verlening van de concessie; - g. het aantal gegadigden voor de te verlenen concessie; - h. de naam en adres van de gegadigden voor de te verlenen concessie; - i. de geoffreerde reizigersopbrengsten van de geselecteerde offerte; - j. de van de concessieverlener gevraagde bijdrage van de geselecteerde offerte; - k. de waarde van de onder i en j genoemde financiële gegevens van de geselecteerde offerte in vergelijking tot de overige ingediende offertes; - l. de waarde en het gedeelte van de opdracht dat aan derden in onderaanbesteding kan worden gegeven; - m. overige informatie ten aanzien van de aanbesteding waarvan de concessieverlener weet of dient te weten dat deze voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden van de minister van belang kan zijn. Artikel 3 De concessieverlener verstrekt de gegevens, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011902&artikel=2&z=2001-01-01&g=2001-01-01), binnen drie maanden na de verlening van de concessie. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van1 januari 2001. Artikel 5 Deze regeling w"},{"i":14325,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 januari 2010, nr. BJZ2010001197 tot vaststelling van regels met betrekking tot de unieke identificatie van explosieven voor civiel gebruik Handelend in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken; Gelet op [artikel 3, vierde en vijfde lid, van de Wet explosieven voor civiel gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803&artikel=3); Besluit: Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2010/2576 gesteld op 5 april 2012. Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **ILT:** Inspectie Leefomgeving en Transport; - **lonten:** niet-exploderende ontstekingsvoorzieningen in de vorm van een snoer; - **slaghoedjes:** metalen of kunststof doppen met een kleine hoeveelheid van een primair explosief mengsel dat gemakkelijk ontbrandt door wrijving en die dienen als ontstekingselement in kleine wapenpatronen of in ontstekingsmechanismen voor voortdrijvende ladingen; - **veiligheidslonten:** lonten bestaande uit een kern van fijngemalen zwart kruit, omhuld door een flexibel weefsel met een of meer beschermende buitenlagen en die bij ontsteking branden in een vooraf bepaald tempo zonder extern explosie-effect; - **wet:** [Wet explosieven voor civiel gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803). Artikel 1a [Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803&artikel=3) en deze regeling gelden niet voor lonten, slaghoedjes en veiligheidslonten. Paragraaf 2. Uitzonderingen op het markeren met een unieke identificatie Artikel 2 Indien een explosief verdere fabricageprocessen moet ondergaan, kunnen producenten afzien van het markeren van een explosief met een nieuwe unieke identificatie, tenzij de oorspronkelijke unieke identificatie niet langer overeenkomstig [artikel 3, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803&artikel=3), is bevestigd of a"},{"i":14334,"b":"Regeling in-, uit- en doorvoer van verdovende middelen BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Artikel 1 Deze regeling verstaat onder: - a. **Onze Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **de wet:** de [Opiumwet 1960 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028519); - c. **het verdrag:** het op 30 maart 1961 te New York tot stand gekomen Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen (Trb. 1963, 81), zoals gewijzigd bij het op 25 maart 1972 te Genève tot stand gekomen Protocol tot wijziging van dat verdrag (Trb. 1987, 90), dan wel het op 21 februari 1971 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake psychotrope stoffen (Trb. 1989, 129); - d. **verdovende middelen:** alle stoffen, als bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028519&artikel=3) en [4 van de Opiumwet 1960 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028519&artikel=4); - e. **invoer:** elke invoer, voor zover geen doorvoer op de voet van [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028698&artikel=12&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - f. **uitvoer:** elke uitvoer, al dan niet uit het vrije verkeer, voor zover geen doorvoer op de voet van [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028698&artikel=12&z=2010-10-10&g=2010-10-10). Artikel 2 Het verlof voor invoer en voor uitvoer van verdovende middelen, als bedoeld in [artikel 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028519&artikel=6), kan schriftelijk worden aangevraagd door een naamloze vennootschap, een coöperatieve of andere rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging of een stichting, onder vermelding van haar naam en de plaats, waar het bedrijf wordt uitgeoefend. Anderen dan verlofhouders mogen niet in- of uitvoeren. Artikel 3 Invoer en uitvoer van verdovende middelen is uitsluitend geoorloofd aan of ten behoeve van hem, die hiertoe het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":14351,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 december 2010, nr. 2010-0000812461, houdende regels in verband met de verstrekking van informatie ten behoeve van de verantwoording van specifieke uitkeringen (Regeling informatieverstrekking sisa) § 1. Algemeen § 1. Algemeen § 3. Mededeling vanwege de minister § 2. De te verstrekken informatie en de wijze van verstrekking § 5. Slotbepalingen Bijlage 1 Ligt ter inzage bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te Den Haag en is gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl. Bijlage 2 Ligt ter inzage bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te Den Haag en is gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl. Gelet op [artikel 17a, derde lid, Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **een medeoverheid:** een gemeente, een provincie of een openbaar lichaam dat is ingesteld op grond van [hoofdstuk I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=I), [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=II), of [IV van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=IV); - c. **de jaarstukken:** de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in [artikel 198, eerste lid, Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=198), [artikel 202, eerste lid, Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=202) of de overeenkomstige stukken van een openbaar lichaam als bedoeld in onderdeel b; - d. **het verslag van bevindingen:** het verslag van bevindingen, bedoeld in [artikel 213, vierde lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=213), onderscheidenlijk [artikel 217, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&"},{"i":14371,"b":"Regeling Internationale Concoursen Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definitie In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - **concours:** internationaal concours dat zich richt op professionele podiumkunsten en deelnemers in staat stelt zich te presenteren in een programma van substantiële omvang en hen ondersteunt om zich voor en na het concours op internationaal niveau professioneel verder te kunnen ontwikkelen; - **podiumkunstenaar:** iemand die artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten. Artikel 1.2. Doel Om bij te dragen aan talentontwikkeling en carrièrevorming van podiumkunstenaars ondersteunt het bestuur in het kader van deze regeling internationale concoursen die in Nederland een belangrijk podium of platform zijn voor podiumkunstenaars om zich buiten de eigen markt te kunnen profileren. Artikel 1.3. Subsidieperiode Subsidie op grond van deze regeling wordt verstrekt voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2028. Artikel 1.4. Subsidieplafonds 1. Het bestuur kan een of meer subsidieplafonds vaststellen. 2. Het bestuur kan eerder vastgestelde subsidieplafonds verhogen of verlagen. 3. Besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid worden bekendgemaakt door kennisgeving van het besluit in de Staatscourant. Artikel 1.5. Weigeringsgronden 1. Het bestuur kan, onverminderd het bepaalde in [artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht](htt"},{"i":14058,"b":"Regeling Age Friendly Cultural Cities gelet op [artikel 10, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) van de Wet op het specifiek cultuurbeleid; gelet op [artikel 4:23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23) van de Algemene wet bestuursrecht; met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 oktober 2017; besluit: vast te stellen de Regeling Age Friendly Cultural Cities Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities - a. **Adviescommissie:** een externe adviescommissie als bedoeld in [artikel 8 van het Huishoudelijk Reglement van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037544&artikel=8); - b. **Algemeen Subsidiereglement:** Algemeen Subsidiereglement stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - c. **Bestuur:** bestuur van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - d. **Fonds:** stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - e. **Actieve cultuurparticipatie door ouderen:** kunstzinnige of erfgoedactiviteiten die door ouderen in de vrije tijd worden beoefend; - f. **Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - g. **Nederland:** Nederland, inclusief de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - h. **Wmo:** [Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362). Artikel 2. Doel Met deze regeling wordt beoogd projecten te stimuleren en ondersteunen die tot doel hebben om samen met gemeenten en andere domeinen te werken aan het verduurzamen van actieve cultuurparticipatie door ouderen, binnen het (gemeentelijke) cultuur- en Wmo-beleid. Artikel 3. Doelgroep Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan in Nederland gevestigde culturele instellingen die zich inzetten voor actieve cultuurparticipatie. Artikel 4. Aanvraagrondes Er zijn aanvraagrondes voor: - a. de periode 2018–2019; en - b. de periode 2019–2020. Artikel 5. Subsidieplafonds 1. Het subsidieplafond bedraagt € 520.000 en wo"},{"i":14186,"b":"Regeling Nederlands-Antilliaanse tarieven vissersvaartuigen 2009 Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen en de Minister van Toerisme en Transport van Aruba; Gelet op [artikel 72, eerste lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=72); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **certificaat van overeenstemming:** het certificaat, bedoeld in [artikel 1.8 van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=1.8); - b. **certificaat van vrijstelling:** het certificaat, bedoeld in [artikel 1.9 van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=1.9); - c. **certificaat van deugdelijkheid:** het certificaat, bedoeld in [artikel 22 van het Vissersvaartuigenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=22); - d. **certificaat van veiligheid:** het certificaat, bedoeld in [artikel 23 van het Vissersvaartuigenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=23); - e. **certificaat van ontheffing:** het certificaat, bedoeld in [artikel 24 van het Vissersvaartuigenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=24); - f. **certificaten:** de onder a tot en met e genoemde certificaten; - g. **eerste onderzoek:** het onderzoek, bedoeld in [artikel 1.12, eerste lid van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=1.12) en in [artikel 12, eerste lid, onder 1°, van het Vissersvaartuigenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=12). Artikel 2 De in deze regeling genoemde tarieven luiden in het betaalmiddel van Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten en zijn verschuldigd voor het verrichten van werkzaamheden of diensten door ambtenaren van Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten. Artikel 3 1. Voor het onderzo"},{"i":11744,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 19 april 2022, nr. IENW/BSK-2022/41066, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën en na overleg met de Minister voor Klimaat en Energie tot vaststelling van de wijze waarop de steun als percentage van het projectvermogen wordt berekend in het kader van de Regeling groenprojecten 2022 (Beleidsregel berekening steunpercentage Regeling groenprojecten 2022) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 2 van de Regeling groenprojecten 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046599&artikel=2); Overwegende dat: het bepalen van de steun als percentage van het projectvermogen van belang is voor de beoordeling of de bedragen, genoemd in de [Bijlage, behorend bij artikel 2 van de Regeling groenprojecten 2022](onbekend) niet per ondernemer en per investeringsproject worden overschreden door projecten waaraan een groenverklaring is toegekend; in [artikel 8 van de Regeling groenprojecten 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046599&artikel=8) is bepaald dat er informatie over een project waarvoor een groenverklaring is afgegeven openbaar wordt gemaakt als de genoemde drempelbedragen aan steun worden overschreden; de steun die een projectbeheerder geniet in het kader van de [Regeling groenprojecten 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046599) voortvloeit uit de rentekorting die hij als ondernemer krijgt van de bank ten opzichte van de marktrente en de rentekorting geldt tijdens de gehele looptijd van de groenverklaring; een deel van de factoren die de steun bepalen op het moment van het afgeven van de groenverklaring niet definitief vaststaat of gedurende de looptijd van de groenverklaring en de lening kan veranderen; in artikel 7, derde lid, van de [Verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen"},{"i":11746,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 29 november 2019, nr. WJZ/ 19229655, houdende beleidsregels over het buiten gebruik stellen van boorgaten en putten (Beleidsregel buiten gebruik stellen boorgaten en putten) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 8.5.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014468&artikel=8.5.1.4) en [8.5.3.1, vierde lid, van de Mijnbouwregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014468&artikel=8.5.3.1); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **regeling:** de [Mijnbouwregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014468); - **Industriestandaard nr.45:** Industriestandaard nr.45, het buiten gebruik stellen van putten, van 26 juni 2019, zoals bekend gemaakt in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042853&bijlage=I&z=2019-12-07&g=2019-12-07) bij dit besluit. Artikel 2 Als een boorgat buiten gebruik is gesteld in overeenstemming met Industriestandaard nr.45, het buiten gebruik stellen van putten, van 26 juni 2019, zoals bekend gemaakt in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042853&bijlage=I&z=2019-12-07&g=2019-12-07) bij dit besluit, is voldaan aan [artikel 8.5.1.3 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014468&artikel=8.5.1.3). Artikel 3 Als een boorgat niet buiten gebruik gesteld kan worden op een wijze als bedoeld in de [paragrafen 8.5.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014468&paragraaf=8.5.2) en[8.5.3. van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014468&paragraaf=8.5.3), wordt voor de gevallen, bedoeld in [artikel 8.5.1.4, eerste lid, onderdelen a, c en d, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014468&artikel=8.5.1.4), een ontheffing verleend, indien uit de aanvraag om ontheffing blijkt dat het boorgat buiten gebruik wordt gesteld in overeenstemming met hoofdstuk 7 van de Industriest"},{"i":11763,"b":"Beleidsregel innovatie voor kleinschalige experimenten Gelet op [artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59, eerste lid, sub f van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met brief van 8 mei 2008, kenmerk MC-U-2847325 en met brief van 24 november 2016, kenmerk 1036209-157521-MC, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **a) Zorgaanbieder:** een zorgaanbieder zoals beschreven in [art. 1, lid 1, sub c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - **b) Ziektekostenverzekeraar:** een ziektekostenverzekeraar zoals beschreven in [art. 1, lid 1, sub f van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - **c) Innovatieve zorgprestatie:** de zorgprestatie waarmee geëxperimenteerd wordt. Deze zorgprestatie is nog niet eerder vastgesteld door de NZa als reguliere zorgprestatie op basis van [artikel 50, eerste lid aanhef en onderdeel d, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - **d) Kortdurend kleinschalig experiment:** Het leveren van een innovatieve zorgprestatie in de praktijk binnen een experimentopzet. Het kortdurend kleinschalig experiment bestrijkt een periode van maximaal drie jaar respectievelijk (in totaal) maximaal vijf jaar bij afgifte van een verlengingsbeschikking. De innovatieve zorgprestatie is naar gelang zijn doelstelling beperkt tot een specifieke patiëntengroep, prestat"},{"i":11772,"b":"Beleidsregel Wet op het financieel toezicht 06-02 van de Stichting Autoriteit Financiële Markten van 12 december 2006 inzake het meldingsformulier transacties in financiële instrumenten in de eigen uitgevende instelling als bedoeld in artikel 5:60 Wettelijk kader Ingevolge [artikel 5:60 Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:60) (Wft) moet een ieder die behoort tot de genoemde categorieën van personen, melding doen van voor eigen rekening verrichte of bewerkstelligde transacties in aandelen die betrekking hebben op de eigen uitgevende instelling, of in financiële instrumenten waarvan de waarde mede wordt bepaald door de waarde van deze aandelen. Voor deze meldingen dient gebruik gemaakt te worden van onderstaand formulieren zoals voorgeschreven in [artikel 6, lid 2 van het Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels tot uitvoering van diverse bepalingen van hoofdstuk 5.4 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020417&artikel=6) (Besluit marktmisbruik Wft). Ten aanzien van het meldingsformulier transacties in financiële instrumenten in de eigen uitgevende instelling is het beleid van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) reeds in een eerder stadium bekend gemaakt. Deze beleidsregel kan worden aangemerkt als een technische en beleidsneutrale omzetting in het kader van de [Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en is vastgesteld door middel van het Besluit tot vaststelling van beleidsregels in het kader van de [Wet op het financieel toezicht van 12 december 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020417). Dit is een beleidsregel als bedoeld in [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) (Awb). De bevoegdheid van de AFM tot het vaststellen van deze beleidsregel is gebaseerd op [artikel 4:81, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81). Meldingsfo"},{"i":14367,"b":"Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 10 februari 2020, nr. IENW/BSK-2020/5739, houdende instelling van de PFAS-taskforce Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister voor Milieu en Wonen; - b. **taskforce:** PFAS-taskforce. Artikel 2 1. Er is een PFAS-taskforce. 2. De taskforce heeft tot taak: - a. het in kaart brengen van de knelpunten als gevolg van PFAS die zich voordoen in meerdere regio’s, waardoor grondverzet en baggerwerkzaamheden stilliggen of kosten hoger zijn; en - b. spoedig met oplossingen te komen voor de geïdentificeerde knelpunten. 3. De oplossingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, hebben als doel om de actuele stagnatie in het grondverzet en baggerwerkzaamheden (en andere activiteiten in de economische keten) te voorkomen, met inachtneming van de regelgevende kaders en rekening houdend met de bescherming van de leefomgeving en de gezondheid. 4. De taskforce kan op basis van zijn bevindingen tevens inzichten meegeven ten behoeve van het definitieve handelingskader voor PFAS. Artikel 3 1. Tot voorzitter van de taskforce wordt benoemd de heer J. (Hans) van der Vlist. 2. De voorzitter stelt, na overleg met de minister, de taskforce samen uit vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen, de Omgevingsdienst.NL, Rijkswaterstaat, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het bedrijfsleven. 3. Ter ondersteuning van de taskforce bij de uitvoering van zijn taken wordt een ambtelijk secretaris toegevoegd afkomstig van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De secretaris is geen lid van de taskforce en is voor zijn werkzaamheden uitsluitend verantwoording vers"},{"i":14344,"b":"Regeling Informatiebeheer Commissariaat voor de Media 2024 gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14), besluit: Artikel 1. begrippenkader In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Overheidsinformatie:** alle informatie die het Commissariaat voor de Media zelf maakt of van een ander ontvangt bij het uitvoeren van haar taken, ongeacht: - •. het werkproces waaruit de informatie voortkomt; - •. de inhoud van de informatie; - •. de formele status van de informatie; - •. de fase waarin de creatie en de behandeling van de informatie verkeert; - •. de termijn dat de informatie bewaard moet worden na afhandeling (bewaartermijn); - •. de technische vorm van de informatie; - •. de applicaties waarmee de informatie is gemaakt en wordt beheerd; - •. door wie de informatie beheerd wordt. - b. **Commissariaat voor de Media (CvdM):** het Commissariaat voor de Media zoals bedoeld in [artikel 7.1 t/m 7.22 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.1); - c. **College van Commissarissen (College):** de voorzitter en de leden van het Commissariaat voor de Media, waarvan de voorzitter is belast met de dagelijkse leiding over het CvdM, zoals bedoeld in [artikel 7.3, eerste lid van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.3); - d. **Chief Information Officer:** rol die in opdracht van het CvdM beleid en kaders op het gebied van informatievoorziening opstelt, bevordert dat het ontwikkelde beleid in de informatievoorziening uitvoerbaar is, bevordert dat het nieuwe beleid adequaat in de informatievoorziening wordt geïmplementeerd en op effect en implementatie wordt gemonitord; - e. **Hoofd Bestuurs- en Organisatiezaken:** de functionaris die is belast met de uitvoering van het informatiebeheer; - f. **Informatiebeheer:** het beheren en organiseren van registratie, ordening, selectie, vernietiging, raadpleging en overb"},{"i":14338,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juni 2012, nr. IVV/LZW/2012/8891, tot herziening van de AKW-bedragen (Regeling herziening AKW-bedragen juli 2012) Gelet op de [artikelen 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13), en [41b van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=41b); Besluit: Artikel 1. Verhoging basiskinderbijslagbedrag Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel 2. Verhoging rangorde bedragen De rangordebedragen, bedoeld in [artikel 12, vierde lid, onderdelen b, c en d, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=12), zoals dat artikel luidde op 31 december 1994 worden verhoogd tot € 355,10, € 435,24 respectievelijk € 499,48. Artikel 3. Intrekking regeling De [Regeling indexering AKW-bedragen januari 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030872) wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2012. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indexering AKW-bedragen juli 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14348,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 maart 2013, nr. FMICT/359419, houdende regels op het gebied van het informatiebeheer voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Regeling Informatiebeheer OCW 2013) Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Actor:** een medewerker die of geformaliseerd collectief van medewerkers dat een activiteit of een reeks van activiteiten in een bedrijfsproces uitvoert in het kader van de aan deze medewerker of dit collectief toegekende taak, waarbij informatie wordt ontvangen of opgemaakt (neerslag); - **Archief:** het geheel van logisch geordende informatie, ontvangen of opgemaakt door een instelling, persoon of groep personen, dat gebruikt is bij de uitvoering van bedrijfsprocessen en die bestemd is daaronder te berusten; - **Archiefbescheiden:** - •. alle informatie door overheidsorganen ontvangen of opgemaakt welke gebruikt is bij de uitvoering van bedrijfsprocessen en bestemd is daaronder te berusten; - •. alle informatie, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen welke gebruikt is bij de uitvoering van bedrijfsprocessen en wier rechten of functies op enig overheidsorgaan zijn overgegaan; - •. alle informatie, welke ingevolge overeenkomsten met of beschikkingen van instellingen of personen dan wel uit anderen hoofde in een archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten; - •. reproducties, welke bij of krachtens de wet in de plaats zijn gesteld van de onder 1°, 2° of 3° bedoelde informatie of welke op grond van het bepaalde in [artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) zijn vervaardigd; - **Archiefbestanddeel:** het geheel van informatie met een bepaald doel in een archief bijeengeb"},{"i":12531,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 3 maart 2026, nr. BZ2625321, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in verband met aanvullende geoormerkte middelen voor mine action in Oekraïne (Optopping Mine Action en Clustermunitie Programma III 2025–2030) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7) en [10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=10); Gelet op de [artikelen 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.5) en [2.6, sub d en f, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.6); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van de [artikelen 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.5) en [2.6, sub d en f, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.6) met het oog op de financiering van activiteiten op het gebied van mine action in Oekraïne (Optopping Mine Action en Clustermunitie Programma III 2025–2030), gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 Voor subsidieverlening in het kader van Optopping Mine Action en Clustermunitie Programma III 2025–2030 geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 een subsidieplafond van € 5.000.000 voor mine action activiteiten in Oekraïne. Artikel 3 1. Voor subsidieverlening in het kader van Optopping Mine Action en Clustermunitie Programma III 2025–2030 komen uitsluitend organisaties in aanmerking waaraan subsidie is verleend in het kader van het Mine Action en Clustermunitie Programma III 2025–20301Stcrt. 2024, 42978.. 2. De subsidie"},{"i":12741,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 28 november 2012, kenmerk: FM 2012/1764 M, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2013 (Vaststelling bedragen gemoedsbezwaarden 2013) Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2013: | Categorie 1 | € 187,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | € 62,50 | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | € 187,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 4 | € 187,50 | voor aanhangwagens en opleggers bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 6 | € 62,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 4, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 62,50 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 62,50 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12815,"b":"Besluit vaststelling selectielijst CVZ (1999–2014) en ZIN (periode vanaf 2014) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de neerslag van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) voor de periode 1 juli 1999–1 april 2014 en van Zorginstituut Nederland (ZIN) voor de periode vanaf 1 april 2014 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12708,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 2 december 2022, nr. MinBuZa.2022.14751-39, tot vaststelling van beleidsregels voor het doen van schenkingen met het oog op de financiering van ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden (DRIVE 2023) Gelet op de [artikelen 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.1) jo. [2.14 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.14); Besluit: Artikel 1 Voor het doen van schenkingen aan overheidsorganen in ontwikkelingslanden met het oog op de financiering van ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 Voor de toepassing van dit besluit is vanaf het tijdstip van inwerkingtreding tot en met 31 december 2023 een budget van EUR 150 miljoen beschikbaar. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat het van toepassing blijft op schenkingen op grond van de in de bijlage opgenomen beleidsregels van voor die datum. Beleidsregels DRIVE 2023 Paragraaf 1. – Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: **Schenkingsarrangement:** Een arrangement tussen Invest International Public Programmes BV (hierna: Invest) namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (de Minister) en de ontvangende overheid in het buitenland waarin de concrete voorwaarden voor en de afspraken over de op grond van deze beleidsregels verstrekte schenking zijn vastgesteld. Onderdeel van het schenkingsarrangement is een in de loop van het project nader uit te werken implementatieplan, waarin onder meer het project nader staat beschreven en waarin haalbaarheidsstudies (inclusief Environmental and Social Impact Assessment, ESIA), project- en financieringsplan zijn opgenomen voor de implementatie"},{"i":12716,"b":"Besluit van 15 september 2014 houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro ‘Kinderdijkse Molens’ die in 2014 worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 10 september 2014, FM/2014/1245 M, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stb. 2014/340. Treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van Stb. 2014/340, en werkt terug tot met 25 september 2014. Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro ‘Kinderdijkse Molens’ die in 2014 worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed, zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: onderaan in het midden Onze beeltenis, rondom het omschrift «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN», geheel zichtbaar de continenten Zuid-Amerika en Afrika en deels zichtbaar de continenten Noord-Amerika en Europa, voorts bovenaan in het midden de letters «**tm**», zijnde de initialen van de ontwerpster Tine Melzer: - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden afbeeldingen van negentien verschillende molens met daaronder de tekst «**Kinderdijkse Molens**» en het jaartal «2014», daarboven de waardeaanduiding «**vijf euro**» respectievelijk «**tien euro**», met links van de waardeaanduiding het teken van het Munthuis en rechts het teken van de Muntmeester , rondom het omschrift «NEDERLANDS WERELDERFGOED» en het continent Australië en deels de continenten Azië, Noord- en Zuid-Amerika, met rechts van Azië het logo van de UNESCO : 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 25 sept"},{"i":14407,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 9 november 2004, nr. 5310430/04/DTR, houdende de voor advisering over het ondernemingsplan van de gerechtsdeurwaarder in rekening te brengen kosten (Regeling kosten ondernemingsplan gerechtsdeurwaarder 2004) Gelet op [artikel 6, vijfde lid, onderdeel c, van de Gerechtsdeurwaarderwet](onbekend) en [artikel 12, tweede lid, van het Besluit ondernemingsplan gerechtsdeurwaarders](onbekend); Besluit: Artikel 1 Voor advisering over het ondernemingsplan door de Commissie van deskundigen wordt aan de verzoeker het bedrag van € 2600 in rekening gebracht. Dit tarief is exclusief omzetbelasting. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op verzoeken aan de Commissie van deskundigen om advies over het ondernemingsplan die zijn ingediend op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 3 De [Regeling kosten ondernemingsplan gerechtsdeurwaarder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012664) van 9 juli 2001, nr. 510725253/801, wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 november 2004. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kosten ondernemingsplan gerechtsdeurwaarder 2004. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12775,"b":"Besluit van 26 juni 1952, houdende vaststelling van een kortingspercentage als bedoeld in artikel 6, lid 2, slotalinea van de Garantiewet Militairen K.N.I.L Op de voordracht van de Staatssecretaris voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen van 14 Juni 1952, Afdeling Militaire Personeels-Zaken, Nr. 8; Gelet op [artikel 6, tweede lid van de Garantiewet Militairen K.N.I.L.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077&artikel=6) (**Stbl.** 1951 Nr. 239), zoals gewijzigd bij de Wet van 23 April 1952 (**Stbl.** Nr. 220); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel 1 Het kortingspercentage, bedoeld in artikel 6, tweede lid van bovenaangehaalde wet, bedraagt ten aanzien van de aldaar bedoelde personen, voor wie rangspensioenreglementen gelden: - A. voor zover zij een wachtgeld genieten: onderscheidenlijk 55, 40 en 25%, voor zolang hun een wachtgeld toekomt van onderscheidenlijk 80, 60 en 40% van de voor de berekening van dat wachtgeld vastgestelde maandelijkse bezoldiging; - B. voor zover zij een pensioen genieten: onderscheidenlijk 18 en 6%, indien dat pensioen is verleend op grond van onderscheidenlijk het Europees militair pensioenreglement en het niet-Europees militair pensioenreglement. Onze Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":13612,"b":"Besluit van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) van 15 februari 2023 tot instelling van de Raad van Advies van de TloKB **besluit** tot instelling van de Raad van Advies van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB). (Instellingsbesluit Raad van Advies TloKB) Gelet op: [artikel 19, lid 2, Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=19); [bestuursreglement TloKB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047074). Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **de minister:** de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO); - b). **de TloKB:** de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw; - c). **het Bestuur:** het Bestuur van de TloKB; - d). **de Directeur:** de directeur-secretaris van de TloKB; - e). **de Raad:** de Raad van Advies, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048032&artikel=2&z=2023-04-05&g=2023-04-05); - f). **het stelsel van kwaliteitsborging:** de stelsels van kwaliteitsborging in de bouw, erkende kwaliteitsverklaringen en van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, ten aanzien waarvan de TloKB bevoegdheden heeft. Artikel 2. De Raad van Advies Er is een Raad van Advies (verder te noemen ‘de Raad’) voor de TloKB. Artikel 3. Het doel en de taken van de Raad van Advies 1. Het doel van de Raad is om adviezen aan het bestuur van de TloKB te geven die gaan over strategie en beleid met betrekking tot het stelsel kwaliteitsborging. De adviezen gaan inhoudelijk over: - a). de werking van het stelsel van kwaliteitsborging; - b). uitvoering van haar taken door de TloKB als organisatie. 2. De Raad brengt gevraagd en ongevraagd, schriftelijk of mondeling, advies uit aan het Bestuur over hetgeen genoemd in lid 1. De TloKB neemt de adviezen van de Raad, voorzien van een appreciatie, op in het jaarverslag. 3. De Raad staat het Bestuur met raad terzijde, adviseert, stimuleert en ondersteunt het Bestuur inza"},{"i":14374,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 3 april 2017, nr. WJZ/17034490, houdende regels ten aanzien van de interventie van agrarische producten (Regeling interventie 2017) Gelet op de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=15) en [19 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **contractant:** degene die met de minister in het kader van deze regeling een contract sluit; - c. **marktinterventie:** samenstel van openbare interventie en steun voor particuliere opslag; - d. **openbare interventie:** aankoop en opslag door de minister van de in artikel 11 van [Verordening 1308/2013](32013R1308) genoemde producten tegen een op grond van uitvoeringshandelingen van de Commissie vastgestelde gegarandeerde prijs totdat deze worden afgezet; - e. **particuliere opslag:** tegen ontvangen van steun tijdelijk door de contractant opslaan van in artikel 17 van [Verordening 1308/2013](32013R1308) genoemde producten; - f. **NVWA:** Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - g. **COKZ:** Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken; - h. **WFSR:** Wageningen Food Safety Research; - i. **Verordening 1308/2013:** Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EEG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347); - j. **Verordening 907/2014:** Gedelegeerde Verordening (EU) Nr. 907/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de betaalorganen en andere instanties, het fina"},{"i":12835,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Liftinstituut B.V. vanaf 1 januari 1956 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Liftinstituut over de periode 1956 en de daarbij behorende toelichting wordt vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten afgesloten. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12984,"b":"Besluit verhoging subsidieplafond ex Deelregeling programma urban projecten Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 8, tweede en derde lid van de Deelregeling programma urban projecten Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040670&artikel=8); Besluit: Artikel 1. subsidieplafonds Voor het verlenen van financiële bijdrages als bedoeld in [artikel 2 van de Deelregeling programma urban projecten Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040670&artikel=2) geldt in 2026 het volgende: | verhoging | nieuw subsidieplafond | | --- | --- | | 400.000 | 1.049.000 | Artikel 2. inwerktreding - a. Dit besluit wordt bekendgemaakt via de website van het Fonds Podiumkunsten en gepubliceerd in de Staatscourant - b. Dit besluit treedt in werking met ingang van 08 mei 2026. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 08 mei 2026 treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 08 mei 2026."},{"i":12930,"b":"Besluit tot vaststelling van het tijdstip met ingang waarvan de strengere lozingsvoorschriften voor het gebied van de Middellandse Zee gaan gelden Gelet op resolutie MEPC.172(57) van de Mariene Milieucommissie van de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties, aangenomen op 4 april 2008, en [artikel 29, vijfde lid, onderdeel b, van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=29); Besluit: artikel Enig Voorschrift 5 van Bijlage V van het Verdrag met betrekking tot lozingen in bijzondere gebieden wordt met ingang van 1 mei 2009 van toepassing in het gebied van de Middellandse zee, zoals omschreven in dat voorschrift. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14495,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie tot uitvoering van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Regeling normbedragen voorschotverlening 2010) Gelet op de [artikelen 35, tweede en vierde lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Besluit: Artikel 1 1. Het normbedrag dat geldt voor de bepaling van de hoogte van het voorschot dat in elk kwartaal wordt verstrekt aan door de raad ingeschreven advocaten wordt vastgesteld op € 750,–. 2. Het voorschot bedraagt ten hoogste 75 % van € 46.500,–. 3. Het kwartaalvoorschot wordt op nihil gesteld, indien minder dan tien toevoegingen zijn afgegeven in de referentieperiode, bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2010 Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling normbedragen voorschotverlening 2010 Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14560,"b":"Regeling radarinstallaties en bochtaanwijzers 1995 Gelet op artikel 4A.02 van het [Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628), alsmede gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=6) en [19 van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=19). Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **radarinstallatie:** een radioapparaat als bedoeld in [artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1) voor gebruik als hulpmiddel bij de navigatie; - b. **bochtaanwijzer:** een aanwijzer van de snelheid van draaiing van een schip. Artikel 2. Goedkeuring 1. De Minister van Infrastructuur en Milieu verleent typegoedkeuring van een radarinstallatie dan wel van een bochtaanwijzer. 2. Een radarinstallatie als bedoeld in [artikel 4.06, eerste lid, onderdeel a, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.06) of als bedoeld in de [artikelen 6, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=6), en [19, zesde lid, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=19), is een radarinstallatie van een type dat door de Minister van Infrastructuur en Milieu is goedgekeurd volgens [bijlage M van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025973&bijlage=M). 3. Een bochtaanwijzer als bedoeld in [artikel 4.06, eerste lid, onderdeel a, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.06), of als bedoeld in [artikel 19, zesde lid, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=19), is een bochtaanwijzer van een type dat door de Minister va"},{"i":14559,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 juli 2024, nr. IENW/BSK-2023/166587, houdende vaststelling van regels omtrent de pyro-pass (Regeling pyro-pass) Gelet op [artikel 9.5.8, vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.8), [artikel 4.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=4.2), en [artikel 4.5, vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=4.5); BESLUIT: Artikel 1 Bij de aanvraag voor een pyro-pass worden door de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: - a. Naam en voornaam, geboortedatum, en in voorkomend geval naam en contactgegevens van de betrokken onderneming; - b. In voorkomend geval een afschrift van een geldig certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in [artikel 4.9, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.9); - c. In voorkomend geval een afschrift van de toepassingsvergunning als bedoeld in [artikel 3B.1 van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=3B.1) of de omgevingsvergunning als bedoeld in [artikel 1.1.2a, eerste lid, onderdeel a, van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=1.1.2a). Artikel 2 Het model van de pyro-pass is opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050000&bijlage=1&z=2024-10-01&g=2024-10-01). Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling pyro-pass. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2024 Bijlage 1. , behorend bij [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050000&artikel=2&z=2024-10-01&g=2024-10-01) Model pyro-pass Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14583,"b":"Ministeriële regeling van 18 mei 2010, nr. BS/2010015570, van de afdeling Pensioenen, Sociale Zekerheid, Zorg en Veteranen Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze Regeling wordt verstaan onder: - a. **Veteranen:** gewezen militairen van de Nederlandse krijgsmacht dan wel van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, alsmede degenen die behoorden tot het vaarplichtig koopvaardijpersoneel, die het Koninkrijk der Nederlanden hebben gediend onder oorlogsomstandigheden dan wel hebben deelgenomen aan een missie ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. - b. **Oorlogs- en dienstslachtoffers:** gewezen militairen die door de uitoefening van de militaire dienst tijdens buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden invalide zijn geraakt. - c. **Postactieven:** gewezen militairen en burgerlijke ambtenaren van Defensie die ten minste twaalf jaar tot het beroeps- of reservepersoneel hebben behoord dan wel een vaste aanstelling als burgerlijk ambtenaar bij Defensie hebben gehad. - d. **Reünie:** een bijeenkomst van leden van een vereniging van veteranen, oorlogs- en dienstslachtoffers of postactieven, eventueel samen met andere doelgroepen, gericht op het delen van ervaringen en het in stand houden van betrekkingen. - e. **Reünievereniging:** een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven vereniging van veteranen, oorlogs- en dienstslachtoffers of postactieven die als doel heeft om de onderlinge contacten tussen de leden dan wel de contacten tussen de leden en het actieve defensiepersoneel te bevorderen en te onderhouden. - f. **Belangenvereniging:** voor deze regeling wordt onder reünievereniging tevens verstaan een belangenvereniging van overheidspersoneel die is aangesloten bij een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006042&artikel=4). - g. **Reünieregister:** een register waarin de reünieverenigingen zijn opgenomen"},{"i":4828,"b":"Mandaatbesluit BZK 2025 handelend in overeenstemming met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Digitalisering en Koninkrijksrelaties) en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Herstel Groningen); gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); vast te stellen het navolgende Mandaatbesluit BZK: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Ministerie:** het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK); - b. **Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Digitalisering en Koninkrijksrelaties) of de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Herstel Groningen), afhankelijk van wie het aangaat; - d. **bewindspersoon:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Digitalisering en Koninkrijksrelaties) of de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Herstel Groningen), afhankelijk van wie het aangaat; - e. **Staat:** de Staat der Nederlanden. - f. **directeur-generaal:** een directeur-generaal en een plaatsvervangend directeur-generaal; - g. **algemeen directeur:** de algemeen directeur Logius, de algemeen directeur Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) en de algemeen directeur van de dienst Nationaal Coördinator Groningen (NCG); - h. **directeur:** de leidinggevende, daaronder begrepen de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme en de regeringscommissaris Omgevingswet, werkzaam binnen een in het [Organisatiebesluit BZK 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051449) genoemd dienstonderdeel die rechtstreeks ressorteert onder de secretaris-genera"},{"i":14601,"b":"Besluit van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 11 juni 2025, nr. ROJ2526, tot vaststelling van een subsidieregeling Ruimte voor Onderzoeksjournalistiek 2025–2026 Handelend in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3) en [8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **Journalistiek handelen:** het vergaren, verwerken en verspreiden van informatie en nieuws, waarbij: - i. het gaat om onafhankelijk tot stand gekomen berichtgeving die bestemd is voor een breed publiek en die bestaat uit originele, eigen content die niet machine-gegenereerd is; - ii. gestreefd wordt naar zo accuraat en evenwichtig mogelijke berichtgeving; en - iii. verantwoording wordt afgelegd en transparant wordt gehandeld en waarbij de afzender van de content duidelijk wordt gemaakt. - b). **Journalistieke bedrijfstak:** het geheel van private en publieke nieuwsorganisaties gevestigd in Nederland, waarvan de activiteiten zijn gericht op de Nederlandse markt. - c). **Nieuwsorganisatie:** een organisatie binnen de journalistieke bedrijfstak waar minimaal 3 fte aan journalisten, in loondienst of op freelancebasis, werkzaam zijn en met als hoofdactiviteit het maken en leveren van een dienst of product waarbij: - i. minimaal 25% van het product of de dienst tot stand is gekomen op basis van journalistiek handelen; en - ii. die staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. - d). **Onderzoeksjournalistiek:** kritisch en diepgravend journalistiek onderzoek: - i. dat wordt uitgevoerd op basis van een onafhankelijk geformuleerde onderzoeksvraag (waarmee vooral bedoeld wordt dat de opzet is om langs journalistieke weg iets te onderzoeken, anders dan aan te tonen) en met toepassing van specifiek onderzoeksjourn"},{"i":14602,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 februari 2016, nr. WJZ/15154754, houdende salariscompensatie voor medewerkers van productschappen bij de overgang naar de Rijksoverheid (Regeling salariscompensatie medewerkers voormalige productschappen) Gelet op [artikel 69, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=69); Gehoord het Departementaal Georganiseerd Overleg, bedoeld in [artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=113), bij het Ministerie van Economische Zaken en bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **datum van overgang:** datum waarop medewerkers zijn overgegaan van een vast dienstverband met een productschap naar een vast dienstverband met het Ministerie van Economische Zaken of met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **jaarsalaris:** jaarsalaris van de medewerker inclusief eindejaarsuitkering, vakantiegeld, algemene toeslag van 1,9% en de structurele toeslagen van 1,25%, met inbegrip van eventuele schriftelijk vastgelegde salarisafspraken; - c. **maandsalaris:** salaris per maand gebaseerd op het jaarsalaris, inclusief proportioneel deel eindejaarsuitkering, vakantiegeld, de algemene toeslag van 1,9% en de structurele toeslagen van 1,25%, met inbegrip van eventuele schriftelijk vastgelegde salarisafspraken; - d. **medewerker:** een persoon die op de datum van overgang vanuit een vast dienstverband met het productschap in algemene dienst van het Rijk in vaste dienst treedt bij het ministerie; - e. **ministerie:** het Ministerie van Economische Zaken of het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - f. **productschap:** openbaar lichaam alsmede rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, ingesteld op grond van [artikel 66](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":14603,"b":"Regeling Samen Cultuurmaken 2022–2024 gelet op [artikel 10, vierde lid, van de **Wet op het specifiek cultuurbeleid**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gelet op [artikel 4:23, eerste lid, van de **Algemene wet bestuursrecht**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); gelet op het **Algemeen Subsidiereglement** van het Fonds voor Cultuurparticipatie 2021; met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 februari 2022; besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Gebruikte begrippen In deze regeling worden onderstaande begrippen gebruikt. - a. **Fonds:** Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie. - b. **Activiteit:** project, verkenning, onderzoek, experiment, plan of ander initiatief met een inhoudelijk uitgangspunt dat voldoet aan het doel van de regeling. - c. **Adviescommissie:** een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het **Huishoudelijk Reglement** van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie. - d. **Algemeen Subsidiereglement:** [Algemeen Subsidiereglement Fonds voor Cultuurparticipatie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516). - e. **Caribisch deel van het Koninkrijk:** de landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - f. **Culturele Codes:** de Code Diversiteit en Inclusie, de Fair Practice Code en de Governance Code Cultuur. - g. **Culturele instelling:** stichting of vereniging zonder commercieel winstoogmerk, die zich inzet voor cultuurparticipatie of -educatie, gehuisvest in het Koninkrijk der Nederlanden. - h. **Cultuurmaker:** persoon die aan cultuurparticipatie doet. - i. **Cultuurparticipatie:** het actief in de vrije tijd beoefenen van kunstzinnige of erfgoedactiviteiten. - j. **Europees Nederland:** Nederland, zonder de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en zonder de landen van het Koninkrijk in het Caribisch gebied. - k. **Koninkrijk der Nederlanden:** Nederland"},{"i":14604,"b":"Regeling Samen werken aan cultuur gelet op [artikel 10, vierde lid, van de **Wet op het specifiek cultuurbeleid**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gelet op [artikel 4:23, eerste lid van de **Algemene wet bestuursrecht**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); gelet op het [Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516); met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 augustus 2021; en voor de gewijzigde versie op 27 maart 2023 besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Gebruikte begrippen In deze regeling worden onderstaande begrippen gebruikt. - a. **Fonds:** Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie. - b. **Website van het Fonds:** [www.cultuurparticipatie.nl](http://www.cultuurparticipatie.nl). - c. **Algemeen Subsidiereglement:** [Algemeen Subsidiereglement Fonds voor Cultuurparticipatie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516). - d. **Culturele Codes:** Code Diversiteit & Inclusie, Fair Practice Code, Governance Code Cultuur. - e. **Koninkrijk der Nederlanden:** Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland, inclusief de drie openbare lichamen: Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - f. **Europees deel van Nederland:** Nederland, zonder het Caribisch deel van het Koninkrijk. - g. **Caribisch deel van het Koninkrijk:** Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - h. **Aanvrager:** een (rechts)persoon die bij het Fonds een aanvraag indient. - i. **Adviescommissie:** een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het [Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026366). - j. **Co-creatie:** de methoden waarbij groepen mensen actief en gelijkwaardig betrokken zijn bij besluitvorming, beleidsvorming en/of projectuitvoering. Het resultaat is de vorming en ontwikkeling van de cultu"},{"i":14605,"b":"Regeling van 7 januari 2009, nr. DSV/2897940, houdende regels ter voorkoming of beperking van samenloop van kinderbijslag en kindgebonden budget met daarmee overeenkomende buitenlandse tegemoetkomingen of tegemoetkomingen van een volkenrechtelijke organisatie en aanvulling na toepassing prioriteitsregels Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72 (Regeling samenloop met buitenlandse tegemoetkomingen 2008) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 20 van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=20) en [artikel 2a van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018707&artikel=2a); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **kinderbijslag:** de kinderbijslag op grond van de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368); - –. **kindgebonden budget:** het kindgebonden budget op grond van de [Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751); - –. **kinderopvangtoeslag:** de kinderopvangtoeslag op grond van de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017); - –. **tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen:** de tegemoetkoming op grond van de [Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010997); - –. **Verordening (EG) nr. 883/2004:** Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166); - –. **Verordening (EG) nr. 987/2009:** Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betre"},{"i":14606,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 15 mei 2023, nr. 4596063, houdende vaststelling van de schadeloosstelling van de leden van de commissie schadefonds geweldsmisdrijven (Regeling schadeloosstelling leden commissie schadefonds geweldsmisdrijven) Gelet op [artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **CAO rijk:** de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren; - b. **enkelvoudige kamer:** enkelvoudige kamer van de commissie, bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=8); - c. **leden:** leden van de commissie, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven; - d. **meervoudige kamer:** meervoudige kamer van de commissie, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven; - e. **plaatsvervangend voorzitter:** plaatsvervangend voorzitter van de commissie, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven; - f. **voorzitter:** voorzitter van de commissie, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Artikel 2 1. De voorzitter ontvangt per vergadering een schadeloosstelling die gelijk is aan 130% van 4% van het maximum van salarisschaal 17 zoals overeengekomen in de Cao Rijk. 2. De overige leden ontvangen per vergadering een schadeloosstelling die gelijk is aan 3% van het maximum van salarisschaal 17 zoals overeengekomen in de Cao Rijk. 3. De plaatsvervangend voorzitter ontvangt een schadeloosstelling overeenkomstig het eerste lid, indien hij bij afwezigheid van de voorzitter de vergadering voorzit. Artikel 3 1. De voorzitter en plaatsvervangend voorzitter ontvangen voor het voorzitten van een vergadering van de meervoudige kamer een schadeloosstelling die gelijk is aan 130% van 5%"},{"i":14607,"b":"Besluit van de directeur-generaal van de statistiek van 19 november 2024 tot vaststelling van het bedrag van de schadeloosstelling ten behoeve van de leden van de raad van advies en van zijn adviescommissies (Regeling schadeloosstelling voorzitter en leden Raad van advies en adviescommissies CBS) Gelet op [artikel 25, eerste lid van het Bestuursreglement CBS 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050315&artikel=25) (**Stcrt.** 2024, 33974); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - 1. **wet:** [Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926); - 2. **CBS:** het Centraal bureau voor de statistiek; - 3. **CAO Rijk:** de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren; - 4. **Raad van advies:** de raad van advies, zoals bedoeld in [artikel 20 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=20); - 5. **Adviescommissie:** een adviescommissie zoals bedoeld in [artikel 15 van het Bestuursreglement CBS 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050315&artikel=15); - 6. **Voorzitter:** de voorzitter van de raad van advies, tevens lid van de raad van advies, bedoeld in [artikel 6 van het Bestuursreglement CBS 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050315&artikel=6); - 7. **Voorzitter van een adviescommissie:** voorzitter van de adviescommissie, tevens lid van de raad van advies, zoals bedoeld in [artikel 15, derde lid van het Bestuursreglement CBS 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050315&artikel=15). - 8. **Lid:** een lid van de raad van advies en/of van een adviescommissie zoals bedoeld in [artikel 15, derde lid van het Bestuursreglement CBS 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050315&artikel=15), niet zijnde de voorzitter; Artikel 2. Jaarlijkse vergoeding voorzitter 1. De voorzitter ontvangt jaarlijks een vergoeding van € 15.000. 2. Dit bedrag wordt aangepast overeenk"},{"i":14608,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 9 maart 2016, nr. IENM/BSK-2016/45897, houdende vaststelling van regels inzake scheepsrecyclinginrichtingen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG Gelet op Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van [Verordening (EG) 1013/2006](32006R1013) en van [Richtlijn 2009/16/EG](32009L0016) (PbEU 2013, L330) alsmede op de [artikelen 9.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2) en [21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **erkenning:** erkenning van een scheepsrecyclinginrichting als bedoeld in artikel 14 van de Verordening; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **scheepsrecyclinginrichting:** een scheepsrecyclinginrichting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 7, van de Verordening; - **Verdrag:** Internationaal verdrag voor het veilig en milieuvriendelijk recyclen van schepen (Trb. 2010, 227 en 2017, 29), tot stand gekomen op 15 mei 2009 in Hong Kong; - **Verordening:** Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van [Verordening (EG) 1013/2006](32006R1013) en van [Richtlijn 2009/16/EG](32009L0016) (PbEU 2013, L330). Artikel 2 De Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 14 en 18 van de Verordening en artikel 2, derde lid, van het Verdrag. Artikel 3 1. De exploitant van een scheepsrecyclinginrichting kan een verzoek tot erkenning als bedoeld in artikel 14 van de Verordening en een verzoek tot toelating als bedoeld in voorschrift 16 van de bijlage bij het Verdrag"},{"i":14609,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 22 augustus 2016, nr. IENM/BSK-2016/177402, houdende regels met betrekking tot de productie en conformiteitsbeoordeling van scheepsuitrusting (Regeling scheepsuitrusting 2016) Gelet op [richtlijn 2014/90](32014L0090)/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 juli 2014 inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van [richtlijn 96/98/EG](31996L0098) van de Raad (PbEU L 257), en op de [artikelen 5, vijfde lid](onbekend), [6, vijfde en zesde lid](onbekend), [8, tweede lid](onbekend), [9, vijfde lid](onbekend), [10, tweede lid](onbekend), [11, derde lid](onbekend), [13, derde lid](onbekend), [14, tweede lid](onbekend), [16](onbekend) en [21, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016](onbekend) en [artikel 48, eerste lid, Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=48) Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet scheepsuitrusting 2016 in werking treedt. Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **accreditatie:** accreditatie als bedoeld in artikel 2, tiende lid, van de verordening; - **Besluit 768/2008:** Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad; - **minister:** minister van Infrastructuur en Milieu; - **nationale accreditatie-instantie:** nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 2, elfde lid, van de verordening; - **wet:** [Wet scheepsuitrusting 2016](onbekend). Paragraaf 2. Verplichtingen van marktdeelnemers Artikel 2 1. De fabrikant brengt de stuurwielmarkering zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar aan op het product of op het gegevensplaatje op het product. Indien het product gebruik maakt van software, integreert de fabrikant de stuurwielmarkering tevens in de software van het product. 2. Wanneer het gelet op"},{"i":7857,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2025 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op 7,64%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2025. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7856,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2024 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op 7,54%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2024. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7855,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2023 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op 7,11%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2023. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":14839,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 1 september 2004, nr. WJZ 4050821, houdende regels met betrekking tot procedures voor het veilen en loten van nummers (Regeling veilingprocedure en lotingprocedure nummers) Gelet op [artikel 5 van het Besluit alternatieve verdeling van nummers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014124&artikel=5); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. besluit: het [Besluit alternatieve verdeling van nummers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014124); - b. aanvrager: degene die bij de Autoriteit Consument en Markt een aanvraag voor een nummer of nummers doet; - c. deelnemer: de aanvrager die door de Autoriteit Consument en Markt is toegelaten tot deelname aan de veiling dan wel de loting; - d. overlappende aanvragen: aanvragen van twee of meer aanvragers die elkaar geheel of gedeeltelijk en direct of indirect overlappen; - e. verschuldigd bedrag: bedrag dat de winnaar van de veiling moet betalen en dat gelijk is aan het op één na hoogste uitgebrachte bod. § 2. Veiling Artikel 2 1. De Autoriteit Consument en Markt wijst een veilingmeester aan. 2. De veilingmeester heeft tijdens de veiling een controlerende taak ten behoeve van een ordelijk verloop van de veiling. 3. De veiling vindt in ieder geval plaats in aanwezigheid van de veilingmeester en personeel van de Autoriteit Consument en Markt. Artikel 3 1. Een deelnemer onthoudt zich voorafgaand en gedurende de veilingprocedure van afspraken of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die afbreuk doen aan de tot stand te brengen mededinging in de veilingprocedure. 2. De Autoriteit Consument en Markt kan een deelnemer die handelt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) van deelname aan de veiling uitsluiten. Artikel 4 1. De veiling is een veiling met gesloten bod. Het object van de veiling is een recht om één nummer te kiezen. 2. De veiling omvat n"},{"i":14875,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat inzake de vervaardiging van prototypen van luchtvaartuigen door niet erkende bedrijven Gelet op [artikel 87, tweede lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=87); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Bedrijven die voor het vervaardigen van luchtvaartuigen niet zijn erkend als bedoeld in [artikel 93 van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=93), dienen ter verkrijging van een bewijs van luchtwaardigheid voor een prototype van een luchtvaartuig te voldoen aan de eisen van [artikel 2 van de Regeling verplichtingen vliegtuigbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008275&artikel=2). Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vervaardiging prototypen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14870,"b":"Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 Gelet op [artikel 12 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=12); Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: de Minister van Veiligheid en Justitie; - b. het COA: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers; - c. asielaanvraag: een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28); - d. asielzoeker: een vreemdeling wiens vrijheid niet rechtens is ontnomen, door wie of ten behoeve van wie een asielaanvraag is ingediend; - e. alleenstaande minderjarige vreemdeling: een asielzoeker die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en die zonder begeleiding of verzorging van een ouder of voogd in Nederland verblijft; - f. gezinsleden: de volgende leden van het gezin van de asielzoeker die in verband met de asielaanvraag in Nederland aanwezig zijn, voor zover het gezin reeds bestond in het land van herkomst: - 1°. echtgenoten of aan gehuwden gelijkgestelde partners; - 2°. hun minderjarige kinderen, mits zij ongehuwd en van hun afhankelijk zijn; - 3°. de vader, moeder, of een andere volwassene die volgens het recht of de praktijk in Nederland verantwoordelijk is voor de minderjarige en ongehuwde asielzoeker; - g. minderjarig: de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt hebbende; - h. uitgenodigde vluchtelingen: vreemdelingen die, na een verzoek daartoe van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) op uitnodiging van de Nederlandse regering in Nederland verblijven; - i. rust- en voorbereidingstermijn: de termijn van tenminste zes dagen waarin de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft na indiening van de asielaanvraag en het onderzoek als bedoeld in [artikel 3.110 van het Vreemdelingenbeslu"},{"i":14871,"b":"Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=3); Overwegende: dat er ingevolge de inwerkingtreding van de [Koppelingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009511) een noodzaak is ontstaan te voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden voor een drietal categorieën vreemdelingen; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de Wet: de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685); - b. de Koppelingswet: de Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland. - c. het COA: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers; - d. de Minister: de Minister van Justitie; - e. echtgenoot: de echtgenoot, geregistreerde partner of ongehuwde partner die met een ander samenwoont en een gezamenlijke huishouding voert; - f. alleenstaande ouder: de ongehuwde tot wiens huishouden een of meer kinderen behoren die hij verzorgt en opvoedt en die geen gezamenlijke huishouding voert met een ander; - g. minderjarige vreemdeling: een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, die niet over de Nederlandse nationaliteit beschikt en niet op grond van enig wettelijk voorschrift als Nederlander moet worden behandeld; - h. verzorger: een persoon, niet zijnde de ouder, die de minderjarige verzorgt en opvoedt als behoort deze tot het gezin; - i. wettelijke vertegenwoordiger: de persoon die het gezag over de minderjarige heeft; - j. instelling voor vrouwenopvang: instelling voor het tijdelijk bieden van onderdak en begeleiding aan personen die, al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben verlaten in verband met problemen van rel"},{"i":14872,"b":"Regeling verstrekkingen en vergoedingen BES Treedt in werking om 0.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 5.00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 6, vijfde lid, onderdeel g, onder 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=6), en [artikel 22 Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=22) Artikel 2 1. Vaste vergoedingen als bedoeld in [artikel 6, vijfde lid, onderdeel g, onder 3°, van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=6) behoren niet tot het loon indien: - a. de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat deze vergoedingen geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van de noodzakelijke kosten die de werknemer tot verwerving van zijn loon maakt; - b. deze vergoedingen naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd. 2. Aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is in ieder geval voldaan indien om de drie jaar een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten tot verwerving van het loon wordt verricht, waarbij de werknemer gedurende tenminste drie aaneengesloten maanden een overzicht bijhoudt van de werkelijk gemaakte kosten, met inbegrip van de declaraties en de betalingsbewijzen hiervan. 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de toekenning van vergoedingen aan een groep van werknemers, die vanuit het kostenoogpunt redelijkerwijs geacht kunnen worden in dezelfde omstandigheden te verkeren, met dien verstande dat deze vergoedingen niet hoeven te worden afgestemd op de kosten die door een tot deze groep behorende individuele werknemer zijn gemaakt, maar kan worden volstaan met een door de desbetreffende groep van werknemers gemiddeld te maken kosten. 4. De inspecteur kan op verzoek het bedrag, dat ingevolge het eerste tot en met het derde lid ten hoogste als vaste vergoedingen in aanmerking wordt genomen, vaststellen. 5. De inspecteu"},{"i":14873,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 20 januari 2022, MBO/30119886, houdende regels ten behoeve van de aanvraag voor de vorming, wijziging en beëindiging van een verticale scholengemeenschap (Regeling verticale scholengemeenschap) Gelet op de [artikelen 4.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=4.1.1), [4.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=4.1.2) en [4.1.3 van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=4.1.3), [artikel 53h, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=53h) en [artikel 2.1.4, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.4); Besluiten: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraag:** aanvraag tot de vorming, wijziging of beëindiging van een verticale scholengemeenschap als bedoeld in [artikel 2.6.2, eerste lid, WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.6.2); - **afsplitsing:** afsplitsing van een scholengemeenschap door een school als bedoeld in artikel 74b, eerste lid, WVO 2020; - **beëindiging:** beëindiging van een verticale scholengemeenschap, waarna de school of scholengemeenschap en de instelling niet langer deel van de verticale scholengemeenschap uitmaken; - **bestuursoverdracht:** bestuursoverdracht als bedoeld in [artikel 53e, eerste lid, onderdeel c, WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=53e) of [artikel 1.1.1 WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap als bedoeld in artikel 1 WVO 2020 of bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **inkrimping:** inkri"},{"i":14874,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 24 februari 2017, nr. WJZ/17028856, in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Infrastructuur en Milieu, tot vaststelling van procedurele bepalingen inzake de aanvraag tot certificerende instelling van gekwalificeerde middelen, de aanvraag tot toekenning van de status gekwalificeerd en inzake de vertrouwenslijst, tot intrekking van de Regeling elektronische handtekeningen en van de Regeling vertrouwenslijst en tot wijziging van een aantal regelingen als gevolg van de inwerkingtreding van de eidas-verordening (Regeling vertrouwensdiensten) § 1. Regels omtrent aanvragen § 1. Regels omtrent aanvragen § 3. Intrekking en wijziging van andere ministeriële regelingen Artikel 5. Intrekking [Regeling elektronische handtekeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015039) De [Regeling elektronische handtekeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015039) wordt ingetrokken. Artikel 6. Intrekking [Regeling vertrouwenslijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026956) De [Regeling vertrouwenslijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026956) wordt ingetrokken. Artikel 7. Wijziging [Dienstenregeling centraal loket en interne markt informatiesysteem](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026766) Wijzigt de Dienstenregeling centraal loket en interne markt informatiesysteem. Artikel 8. Wijziging [Regeling doorberekening kosten ACM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036097) Wijzigt de Regeling doorberekening kosten ACM. Artikel 9. Wijziging [Regeling specificaties en typegoedkeuring boordcomputer taxi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027945) Wijzigt de Regeling specificaties en typegoedkeuring boordcomputer taxi. Artikel 10. Wijziging [Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006596) Wijzigt de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994. Artikel 11. Wijziging [Uitvoeringsregeling Registratiewet 1970](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":14894,"b":"Regeling volmacht personele aangelegenheden CBR 2024 Gelet op [boek 7, titel 10 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&titeldeel=10), [artikelen 1, lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=1), en [2, lid 1, sub h van de Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=2), de lopende collectieve arbeidsovereenkomst van het CBR, Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **het CBR:** de publiekrechtelijke rechtspersoon het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; - b. **directie:** de directie van het CBR; - c. **directielid:** de algemeen directeur of de directeur bedrijfsvoering van het CBR; - d. **portefeuille:** het laatstelijk door de directie vastgestelde portefeuille met daarin de verdeling van de organisatie tussen directieleden; - e. **divisie:** de divisies Rijvaardigheid, Rijgeschiktheid, Theorie, CCV en Klantenservice; - f. **stafafdeling:** de afdelingen Communicatie, Human Resources (HR), Interne Auditdienst (IAD), Finance en control (F&C), Inkoop en Facilitaire zaken (IFZ), ICT en Bestuur, Beleid en Juridische Zaken (BBJZ); - g. **divisiemanager:** de functionaris die is belast met de leiding van een divisie; - h. **manager stafafdeling:** de functionaris die is belast met de leiding van een stafafdeling; - i. **manager JZ:** de functionaris die is belast met de leiding van het organisatieonderdeel Juridische Zaken binnen de stafafdeling BBJZ; - j. **manager HR:** de functionaris die is belast met de leiding van de stafafdeling HR; - k. **direct leidinggevende:** de eerste functionaris die volgens het vastgestelde functieprofiel leiding geeft aan een medewerker die aan deze leidinggevende ondergeschikt is; - l. **medewerker:** de persoon die bij het CBR werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst dan wel een overeenkomst in opdracht zoals uitzend-, detacherings- of stageovereenkomst; - m. **medewerker H"},{"i":14901,"b":"Regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties (VVHO) De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **operatie:** - 1°. een door de Minister als vredesoperatie aangemerkte daadwerkelijke militaire inzet buiten Nederland voor vredesafdwingende of vredeshandhavende taken in internationaal of bondgenootschappelijk verband of een andere door de Minister aangemerkte vorm van daadwerkelijke militaire inzet buiten Nederland; - 2°. een door de Minister als humanitaire operatie aangemerkte daadwerkelijke militaire inzet buiten Nederland voor hulpverlenende taken; - b. **orgaan:** - een orgaan van de Verenigde Naties, een bondgenootschappelijk orgaan, bondgenootschappelijke strijdkrachten of een andere internationaalrechtelijke organisatie; - c. **inzet:** - het verblijf buiten de standplaats ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden in het kader van een operatie, niet zijnde een detachering of een verplaatsing als bedoeld in het [Verplaatsingskostenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005137), of een dienstreis als bedoeld in het [Besluit dienstreizen defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007956); - d. **operatiegebied:** - het door de Commandant der Strijdkrachten aangegeven gebied waarbinnen de operatie wordt uitgevoerd; - e. **recuperatie:** - een periode, niet zijnde verlof, waarin aan de militair geen feitelijke werkzaamheden worden opgedragen, opdat door afwisseling van inzet en rust de gewenste operationele inzetbaarheid wordt gehandhaafd. Artikel 2. Toepasselijkheid - 1. Deze regeling is van toepassing op de militair die is ingezet in het kader van een operatie. Een overzicht van de operaties als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039789&paragraaf=1&artikel=1&z=2026-04-18&g=2026-04-18), onderdeel a, onder 1°, is opgenomen in tabel 3. Een overzicht van de operati"},{"i":14912,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 november 2023, kenmerk 3707195-1055377-WJZ, houdende vrijstelling van bepaalde eisen ten aanzien van het certificaat en merk van goedkeuring voor attractie- en speeltoestellen (Regeling vrijstelling eisen certificaat en merk van goedkeuring attractie- en speeltoestellen) Gelet op [artikel 16, eerste en vijfde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Ten aanzien van attractie- en speeltoestellen waarvoor vóór 1 juli 2023 op grond van [artikel 10a, eerste lid, van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008223&artikel=10a), zoals dit gold op de dag onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van het [Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048026), een certificaat van goedkeuring is afgegeven en die op grond van [artikel 10a, tweede of derde lid, van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008223&artikel=10a), zoals aangehaald, van een merk van goedkeuring zijn voorzien, wordt tot de datum van de oorspronkelijke geldigheidsduur van het certificaat, vrijstelling verleend van het bepaalde bij of krachtens [artikel 12 van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048026&artikel=12), onder de voorwaarde dat het certificaat van goedkeuring overeenkomt met het bij deze regeling als bijlage gevoegde model. Artikel 2 Ten aanzien van een certificaat van goedkeuring voor attractie- en speeltoestellen dat op grond van [artikel 12, eerste lid, van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048026&artikel=12) is afgegeven op of na 1 juli 2023 en vóór 15 oktober 2023, wordt vrijstelling verleend van [artikel 6 van de Warenwetregeling attractie- en speeltoestellen](https://wetten"},{"i":16860,"b":"Besluit van 16 maart 2016, houdende vaststelling van bepalingen omtrent de kwaliteitsvoorschriften met het oog op het bevorderen van de veiligheid, het pedagogisch klimaat en het voorkomen van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarigen in jeugdverblijven (Besluit op de jeugdverblijven) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 november 2015, nr. 2015-0000282214, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 5 van de Wet op de jeugdverblijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037645&artikel=5); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 december 2015, no. W12.15.0404/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 maart 2016, nr. 2016-0000025155, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet op de jeugdverblijven in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - **houder:** degene die een jeugdverblijf in stand houdt; - **jeugdverblijf:** inrichting, niet door een Nederlandse overheid of krachtens een wettelijk voorschrift bekostigd, waar ten minste vier minderjarigen elk gedurende een half jaar meer dan de helft van de tijd buiten familie- of gezinsverband overnachten of naar verwachting zullen overnachten. Artikel 2. Missie en visie jeugdverblijf De kwaliteitsvoorschriften betreffende de missie en visie van het jeugdverblijf bevatten in ieder geval de volgende elementen: - a. de doelen van het jeugdverblijf; - b. de normen en waarden die in het jeugdverblijf worden gehanteerd en die de houder aan de minderjarigen wil meegeven; en - c. een beschrijving van de doelgroep waar het jeugdverblijf zich op richt. Artikel 3. Positie en betrokkenheid minderjarigen en hun ouders De kwaliteitsvoorschriften betreffende de positie en betrokkenhe"},{"i":14931,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 19 april 2020, nr. WJZ/19207030, houdende regels over werkzaamheden die het Centraal bureau voor de statistiek voor derden verricht (Regeling werkzaamheden derden CBS) Gelet op [artikel 5, tweede lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de Statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=5); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **CBS:** Centraal bureau voor de statistiek; - **derde:** partij die niet behoort tot de overheid, uitgezonderd een partij die: - a. in overwegende mate wordt gefinancierd door de overheid, en - b. belast is met een wettelijke taak. Artikel 2 1. Het CBS voert slechts statistische werkzaamheden uit voor een derde indien: - a. de waarde van de werkzaamheden lager is dan € 10.000; - b. er geen private statistische dienstverlener bekend is bij het CBS die deze werkzaamheden wil of kan uitvoeren; - c. de derde de informatie die hij verkrijgt door middel van de statistische werkzaamheden van het CBS zelf weer gebruikt voor dienstverlening aan een overheid; of - d. de derde de informatie die hij verkrijgt nodig heeft voor de uitvoering van een wettelijke taak. 2. Het CBS voert geen werkzaamheden uit voor een derde met een looptijd van meer dan een jaar. Artikel 3 1. Voordat het CBS een verzoek aanvaardt voor de uitvoering van statistische werkzaamheden voor een derde, met uitzondering van de gevallen bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043438&artikel=2&z=2020-07-01&g=2020-07-01), overweegt het CBS of een deel van de werkzaamheden uitgevoerd kan worden door een private statistische dienstverlener. 2. Indien de derde kenbaar maakt bezwaar te hebben tegen het laten uitvoeren van een deel van de werkzaamheden door een private statistische dienstverlener, voert het CBS de statistische werkzaamheden niet uit. Artikel 4 Indien het CBS statistische werkzaamheden verricht op grond van een meerjarige overe"},{"i":4128,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 september 2016, nr. PO/B&S/940015, houdende vaststelling van beleidsregels en subsidieplafond inzake extern advies voor de verduurzaming van scholen in het kader van de Green Deal Scholen (Besluit vaststelling beleidskader inzake subsidie op extern advies verduurzaming scholen) Gelet op [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1), Besluit: Artikel 1. Vaststellen beleidskader De beleidsregels inzake subsidieverlening inzake extern advies voor de verduurzaming van scholen in het kader van de Green Deal Scholen, worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Subsidieplafond Voor subsidieverlening op grond van dit besluit is een bedrag van € 525.000 beschikbaar. Artikel 3. Inwerkingtreding en vervaldatum 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2016. 2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 oktober 2021. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidskader inzake subsidie op extern advies verduurzaming scholen. Bijlage Beleidskader inzake subsidie op extern advies verduurzaming scholen. [De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) is op dit beleidskader van toepassing. Deze bijlage hoort bij het Besluit vaststelling beleidskader inzake subsidie op extern advies verduurzaming scholen. 1. Aanleiding Op 4 november 2014 is de Green Deal Verduurzaming Scholen ondertekend door bewindslieden van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Infrastructuur en Milieu, Economische Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en vertegenwoordigers van de PO-Raad, de VO-raad, de VNG, Ruimte OK en het Klimaatverbond Nederland. Green Deals zijn een instrument van de overheid om op interactieve wijze vernieuwende, duurzame initiatieven uit de"},{"i":14977,"b":"Besluit van 30 juni 1941, waarbij wordt vastgesteld een Reglement op de Militaire Willems-Orde Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Algemeene Zaken, van Defensie, van Koloniën en van Justitie van 14 Mei 1941, N°. 352; Gelet op artikel 15 van de Wet, houdende herziening van de wet van 30 April 1815, N°. 5 (**Staatsblad** N°. 33) nopens de instelling van de Militaire Willems-Orde; Den Volksraad, de Staten van Suriname en de Staten van Curaçao gehoord; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Vast te stellen het volgend: REGLEMENT OP DE MILITAIRE WILLEMS-ORDE. Artikel 1 Waar in dit reglement wordt gesproken van de \"Wet\" en de \"Orde\" worden daarmede bedoeld onderscheidenlijk de \"Wet op de Militaire Willems-Orde\" en de \"Militaire Willems-Orde\". Artikel 2 Benoeming en bevordering in de Orde kan geschieden: - a. Op voordracht van den chef, onder wien de betrokken persoon dient of gediend heeft, of van een hoogere autoriteit; - b. Op aanvrage van den persoon, die meent zich in den strijd door een of meer uitstekende daden van moed, beleid en trouw te hebben onderscheiden. Artikel 3 1. Alle voordrachten worden langs den hiërarchischen weg gezonden aan het betrokken Departement van algemeen bestuur en Ons door het hoofd van dat Departement aangeboden. 2. In Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao geschiedt deze inzending der voordrachten mede door tusschenkomst van den Gouverneur-Generaal c.q. den Gouverneur van het betrokken gebiedsdeel. Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Bij de aanvraag moet de aanvrager een volledige en duidelijke beschrijving overleggen van de uitstekende daad, waarop hij zijn aanvrage steunt; van het onderdeel der krijgsmacht waarbij, van het tijdstip waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder hij de daad verrichtte; van de namen van zoo mogelijk niet minder dan drie personen, die daarbij tegenwoordig waren en die de juistheid van hetgeen de aanvrager opgeeft kunnen bevestigen. Artikel 6 Aan aanvragen om tot lid van de Orde"},{"i":12745,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 7 maart 2026, nr. WJZ/102571548, tot vaststelling van definitieve tarieven GLB 2025 Gelet op de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=2), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=14), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=17) en [27, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=27); Besluit: artikel Enig Vastgesteld worden de navolgende tarieven voor aanvraagjaar 2025: - A. **Eenheidsbedragen voor basisinkomenssteun en herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid:** - 1. Het eenheidsbedrag basisinkomenssteun voor duurzaamheid bedraagt € 174 per hectare. - 2. Het eenheidsbedrag aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid bedraagt € 50,35 per hectare en de hectaregrens is 40 hectaren. - B. **Tarieven Eco-regeling** - 1. Het tarief voor categorie goud bedraagt € 200 per hectare. - 2. Het tarief voor categorie zilver bedraagt € 100 per hectare. - 3. Het tarief voor categorie brons bedraagt € 60 per hectare. - C. **Tarief aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers** Het tarief voor aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers bedraagt € 2.800 per jonge landbouwer. - D. **Eenheidsbedrag voor de regeling voor zeldzame landbouwhuisdierrassen** Het eenheidsbedrag voor de regeling voor zeldzame landbouwhuisdierrassen bedraagt € 200 per grootvee-eenheid. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15014,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 augustus 2004, Directie Sociale Verzekeringen, nr. 04/57292, houdende vaststelling van regels over de noodzakelijke opleiding of scholing bedoeld in artikel 76 Werkloosheidswet (Scholingsregeling WW) Gelet op [artikel 76 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=76); Besluit: Artikel 1. Noodzakelijke opleiding of scholing 1. Het recht op uitkering tijdens noodzakelijke opleiding of scholing als bedoeld in [artikel 76 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=76) blijft bestaan indien de opleiding of scholing bestaat uit het systematisch verwerven van kennis dan wel vaardigheden volgens een vooraf vastgesteld programma, waarbij de verworven kennis en vaardigheden worden getoetst. 2. De opleiding of scholing is noodzakelijk indien aannemelijk is: - a. dat de werknemer niet zonder opleiding of scholing een voor hem passend beroep of functie kan uitoefenen op de arbeidsmarkt en dat de voorgestelde opleiding of scholing daartoe een adequaat middel is; en - b. dat de opleiding of scholing relevant is voor de arbeidsmarkt. 3. De noodzakelijke opleiding of scholing bestaat in overwegende mate uit het verrichten van activiteiten die niet productie als doel hebben. 4. Als noodzakelijke scholing wordt aangemerkt scholing waarvoor een verklaring is afgegeven als bedoeld in [artikel 3.6, vierde lid, van de Regeling cofinanciering sectorplannen 2015](onbekend). Artikel 2. Duur 1. De opleiding of scholing duurt maximaal een jaar. 2. In afwijking van het eerste lid kan het UWV in individuele gevallen opleiding of scholing van een langere duur toestaan. Artikel 3. Uitzondering recht op uitkering Geen recht op uitkering als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017139&artikel=1&z=2021-03-27&g=2021-03-27) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017139&artikel=2&z=2021-03-27&g=2021-03-27) blijft bestaan, ind"},{"i":14049,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 september 2015 houdende regels over de taak, de samenstelling en de werkwijze van de adviescommissie individuele trajectafdelingen (Regeling adviescommissie individuele trajectafdelingen) Gelet op [artikel 22c, zesde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=22c); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **adviescommissie:** een commissie als bedoeld in [artikel 22c, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=22c); - b. **individuele trajectafdeling:** een afdeling, aangewezen op grond van [artikel 22c, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=22c); - c. **de wet:** de [Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756). Artikel 2 De adviescommissie heeft tot taak: - a. aan de selectiefunctionaris schriftelijk advies en inlichtingen te geven over de verzoeken tot plaatsing van jeugdigen op een individuele trajectafdeling; - b. schriftelijk te adviseren ten aanzien van de voortgang, de voorzetting van het verblijf en de door- en uitstroom van de jeugdigen die op de individuele trajectafdeling verblijven. Artikel 3 1. De leden van de adviescommissie worden door de minister benoemd en ontslagen. De leden van de adviescommissie worden door de minister benoemd voor de tijd van twee jaar. Zij kunnen voor herbenoeming in aanmerking komen. 2. De leden wijzen uit hun midden één van hen als voorzitter aan. 3. De adviescommissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeven leden. 4. De adviescommissie is zo breed mogelijk samengesteld. Van de adviescommissie maken in elk geval deel uit: - a. twee gezondheidszorgpsychologen dan wel andere deskundigen op het gebied van pedagogische hulpverlening werkzaam in een justitiële jeugdinrichting, die niet de bestemming heeft van individuele trajectafdeling, en"},{"i":13609,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 november 2007, nr. DBO/ADV-2815959, houdende de instelling van de Raad van Advies NVI Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. De Minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS); - 2. Het NVI: het Nederlands Vaccin Instituut; - 3. De Raad: de Raad van Advies, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022973&artikel=2&z=2008-01-01&g=2008-01-01); - 4. De Directie: de Directie van het NVI; - 5. SVOP: Strategisch Vaccin Onderzoek Programma. Artikel 2 Er is een Raad van Advies voor het NVI. Deze Raad van Advies neemt de taken over van de Raad van Toezicht van het NVI, die met ingang van de inwerkingtreding van de Raad van Advies wordt opgeheven. Artikel 3. Taken van de Raad van Advies 1. De Raad heeft tot taak te adviseren over de gehele beleidsvorming, uitvoering en kwaliteitsborging van de productie (incl. inkoop en distributie), ontwikkelings- en onderzoekstaken van het NVI. De Raad wordt daarin ondersteund door de risicomanager/centrale auditor van het NVI. Daarnaast geeft de Raad advies over het SVOP. 2. De Raad staat de Directie met raad terzijde, adviseert, stimuleert en ondersteunt de Directie inzake relatiebeheer en politiek-bestuurlijke netwerkvorming. Bij de vervulling van zijn taak richt de Raad zich naar het belang van het NVI. 3. De Raad spreekt minstens eenmaal per jaar met de opdrachtgever of de eigenaar van het NVI. De Raad kan te allen tijde tussentijds advies uitbrengen aan de Minister als hij zulks nodig acht. Artikel 4. Samenstelling van de Raad van Advies 1. De Raad bestaat uit tenminste vijf leden en ten hoogste zeven leden, waaronder de voorzitter. De leden van de Raad kunnen slechts natuurlijke personen zijn. 2. De leden die zitting hadden in de Raad van Toezicht NVI nemen per inwerkingtreding van de Raad van Advies voor het NVI zitting in laatstgenoemde Raad. De zittingsduur als vermeld in [artikel"},{"i":11920,"b":"Besluit beleid kwaliteitsaudits voor bewindvoerderorganisaties Gezien: – [Artikel 48c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48c) en [48d van de Wet justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48d) (Staatsblad 1998, nr. 447); – [Artikel 3, lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012226&artikel=3) en [artikel 7, lid 1 van het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012226&artikel=7) (Staatsblad 2001, nr. 80 en Staatsblad 2004, nr. 200); – [Titel III van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&titeldeel=III) (Staatsblad 1998, nrs. 445 en 447); Stelt beleid vast ten aanzien van de kwaliteitsaudits voor bewindvoerderorganisaties. 1. Alle erkende bewindvoerderorganisaties dienen zich te onderwerpen aan periodieke audits, waarbij de kwaliteit van de betreffende bewindvoerderorganisatie wordt getoetst. Dit geldt tevens voor advocatenkantoren, waar bewindvoerders niet-advocaat werkzaam zijn. Deze periodieke audits zullen in principe éénmaal in de drie jaar plaats vinden."},{"i":13444,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 5 maart 2019, nr. FEZ / 19046355, tot instelling van het Audit Committee EZK (Instellingsbesluit Audit Committee EZK) Gelet op de [Regeling audit committees van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040281); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **het Audit Committee EZK:** het Audit Committee van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - c. **de secretaris-generaal:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - d. **de plaatsvervangend secretaris-generaal:** de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 1. Er is een Audit Committee EZK. 2. Het Audit Committee EZK heeft tot taak het adviseren van de ambtelijke leiding als bedoeld in [artikel 8, eerste en tweede lid, van de Regeling audit committees van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040281&artikel=8). Artikel 3 Het Audit Committee EZK bestaat uit de volgende leden: - a. de secretaris-generaal, tevens voorzitter; - b. de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie, de directeur-generaal Klimaat en Energie, de Chief Economist en de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; - c. ten minste twee door de minister benoemde onafhankelijke, externe leden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Audit Committee EZK. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen."},{"i":13458,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en de Minister van Financiën van 19 december 2003, nr. 5259698/503, tot instelling van de baten–lastendienst Nederlands Forensisch Instituut Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Aan het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk wordt de status van baten–lastendienst als bedoeld in [artikel 10, eerste lid van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10), verleend. 2. De tenaamstelling van de baten–lastendienst komt te luiden: Nederlands Forensisch Instituut. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten–lastendienst NFI. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14037,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 30 augustus 2021, nr. VO/29097410, houdende regels voor de aanvullende bekostiging voor vo-scholen in uitzonderlijke omstandigheden (Regeling aanvullende bekostiging vo-scholen in uitzonderlijke omstandigheden) Gelet op [artikel 82, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=82), [artikel 2.2.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3) en [artikel 2, vierde lid, van het Besluit bekostiging WVO 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045100&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **BAG:** basisregistratie adressen en gebouwen als bedoeld in [artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=2); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **cursus Europees Baccalaureaat:** het onderwijs dat wordt gegeven tijdens de secundaire cyclus van het curriculum van de Europese school in Den Haag; - **cursus internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs:** International Baccalaureate Career-Related Programme, International Baccalaureate Diploma Programme, International Baccalaureate Middle Years Programme of een cursus die gericht is op het behalen van het International General Certificate of Secondary Education, als bedoeld in de Beleidsregel IGVO 2021, niet zijnde het International Baccalaureate Diploma Programme Dutch Residents of IB Career Related Programme Dutch Residents; - **gemengde leerweg:** gemengde leerweg als bedoeld in [artikel 2.22, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.22); - **havo:** hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.5, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https:"},{"i":13597,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 29 maart 2018, houdende instelling van de Onderzoekscommissie NFI inzake een melding van een vermoeden van een misstand bij de uitvoering van de onderzoeksmethode Micro-analyse Invasieve Trauma’s door het Nederlands Forensisch Instituut (Instellingsbesluit Onderzoekscommissie NFI inzake MIT) Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **SG:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; - b. **Commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040906&artikel=2&z=2018-05-17&g=2018-05-17). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een onafhankelijke Onderzoekscommissie NFI inzake een melding van een vermoeden van een misstand bij de uitvoering van de onderzoeksmethode Micro-analyse Invasieve Trauma’s door het Nederlands Forensisch Instituut. 2. De Commissie heeft tot taak te beoordelen: - a). of de verwijten of beschuldigingen van de melder gegrond zijn dat bij de uitvoering van de onderzoeksmethode Micro-analyse Invasieve Trauma’s procedures niet zijn gevolgd dan wel onduidelijk zijn geweest; - b). of er bij de uitvoering van de hiervoor onder 2a genoemde onderzoeksmethode sprake is geweest van enige wijze van handelen of nalaten door één of meerdere medewerkers van het NFI in strijd met de voor hen toepasselijke gedragsregels en/of wetenschappelijk aanvaard normenkader. De Commissie onderzoekt uitdrukkelijk het proces dat bij deze onderzoeksmethode is gevolgd en niet het functioneren van personen; - c). of er sprake is geweest van enige wijze van handelen of nalaten door één of meer medewerkers van het NFI dat is aan te merken als een misstand in de zin van [artikel 1, onderdeel d, van de Wet Huis voor klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=1). De Commissie onderz"},{"i":12747,"b":"Besluit van 30 januari 2013, nr. 13.000173, houdende vaststelling en aanduiding van de zevenentwintigste april als Koningsdag Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 28 januari 2013, nr. 3120351; Overwegende dat het wenselijk is met het oog op de toepassing van wettelijke voorschriften ter zake een dag aan te wijzen, waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en deze dag van een aanduiding te voorzien; Hebben goedgevonden en verstaan: Inwerkingtreding voorheen gesteld op 20 februari 2013. Artikel 1 Met ingang van 1 januari 2014 wordt de zevenentwintigste april in het vervolg aangeduid als Koningsdag, behoudens uitzonderingen in verband met zondagen. Artikel 2 Het [koninklijk besluit van 24 april 1980](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031338), nr. 11, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de ministeries."},{"i":13462,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 maart 2019, houdende instelling van de begeleidingscommissie Tweede evaluatie Wet normering topinkomens (Instellingsbesluit begeleidingscommissie Tweede evaluatie Wet normering topinkomens) Gelet op [artikel 7.2 van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=7.2); Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **de begeleidingscommissie:** de begeleidingscommissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042201&artikel=2&z=2019-05-10&g=2019-05-10). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een begeleidingscommissie Tweede evaluatie Wet normering topinkomens. 2. De begeleidingscommissie heeft tot taak onafhankelijk inhoudelijk te adviseren over de aanpak van het kwantitatieve respectievelijk kwalitatieve onderzoek naar (mogelijke) neveneffecten van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) (deelonderzoek 6 en 7). 3. De voorzitter heeft daarnaast tot taak een onafhankelijk oordeel te geven en te adviseren over de methodologie van alle onderzoeken ten behoeve van de Tweede evaluatie van de Wet normering topinkomens. Artikel 3. Samenstelling Als leden van de commissie worden benoemd: - a. de heer prof. dr. P.H.M. van Hoesel, tevens voorzitter; - b. de heer prof. dr. A.J. Dur; - c. de heer prof. dr. F.M. van der Meer; Artikel 4. Ondersteuning begeleidingscommissie 1. De begeleidingscommissie wordt ondersteund door een secretariaat. 2. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de begeleidingscommissie. 3. In het secretariaat wordt voorzien door de Minister. Art"},{"i":12746,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 april 2024, nr. WJZ/52595041, houdende vaststelling van het eenheidsbedrag voor zeldzame landbouwhuisdierrassen GLB 2023 Gelet op de [artikelen 2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=2) en [31, derde lid, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=31); Besluit: artikel Enig Voor het aanvraagjaar 2023 wordt het eenheidsbedrag voor de regeling voor zeldzame landbouwhuisdierrassen vastgesteld op 200 euro per grootvee-eenheid. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13613,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport van 5 november 2025, nr. ILT-2025/34978, houdende instelling van de Raad van Advies ILT (Instellingsbesluit Raad van Advies ILT) en intrekking van het Instellingsbesluit Raad van Advies ILT-IBRA van 30 september 2020, nr. ILT-2020/0930-148 BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **inspecteur-generaal:** de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport. - b. **Raad van Advies:** de Raad van Advies, bedoeld in [artikel 2 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051782&artikel=2&z=2025-11-20&g=2025-11-20). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Raad van Advies ILT. 2. De Raad van Advies heeft tot taak de inspecteur-generaal gevraagd of uit eigen beweging onafhankelijk te adviseren over alle mogelijke aangelegenheden die verband houden met de ILT. 3. De Raad van Advies adviseert de inspecteur-generaal in ieder geval over de onafhankelijke uitvoering van haar taken, de organisatie van de ILT, het kwaliteitsbeleid van de ILT en de maatschappelijke impact van het toezicht. 4. De inspecteur-generaal kan desgewenst slechts één of enkele leden van de Raad van Advies om advies vragen. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De leden van de Raad van Advies worden door de inspecteur-generaal op persoonlijke titel en op basis van hun deskundigheid voor een periode van vier jaar benoemd. De leden kunnen daarna eenmaal worden herbenoemd. 2. De Raad van Advies bestaat uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste vijf overige leden. 3. De Raad van Advies wordt in de gelegenheid gesteld suggesties te doen voor het vervullen van een vacature in de Raad van Advies. 4. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de inspecteur-generaal een ander lid benoemen. 5. De voorzitter en de leden van de Raad van Advies kunnen te allen tijde zelf ontslag nemen door middel van een schriftelijk bericht aan de inspecteur-generaal. 6. De leden van de Raad van Advies kunnen do"},{"i":14081,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 september 2008, nr. K&K 2008088170, houdende regels met betrekking tot het afvalbeheer en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in batterijen en accu’s (Regeling beheer batterijen en accu’s 2008) Gelet op [richtlijn nr. 2006/66/EG](32006L0066) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 september 2006 inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s en tot intrekking van [Richtlijn 91/157/EEG](31991L0157) (PbEU L 266) en de [artikelen 9.2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), [10.15 tot en met 10.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.15) en [21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6); Besluit: § 1. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. batterij: bron van door rechtstreekse omzetting van chemische energie verkregen elektrische energie, bestaande uit een of meer primaire batterijcellen of uit een of meer secundaire batterijcellen; - b. accu: bron van door rechtstreekse omzetting van chemische energie verkregen elektrische energie, bestaande uit een of meer primaire batterijcellen of uit een of meer secundaire batterijcellen; - c. batterijpak: set van batterijen of accu’s, die onderling verbonden zijn of voorzien zijn van een buitenverpakking, die één complete eenheid vormt en niet is bedoeld om door de eindgebruiker te worden opgedeeld of geopend; - d. draagbare batterij of accu: batterij of accu die: - 1°. afgedicht is, - 2°. met de hand kan worden gedragen, en - 3°. geen industriële batterij of accu of een autobatterij of -accu is; - e. industriële batterij of accu: batterij of accu die uitsluitend voor gebruik voor industriële of professionele doeleinden is ontworpen of in een elektrisch voertuig wordt gebruikt; - f. autobatterij of -accu: batterij of accu gebruikt v"},{"i":12845,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel vanaf 1945 (Minister van Buitenlandse Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 oktober 2007, aca-2007.04045/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14025,"b":"Regelen voeren technische administratie en bepaling administratieve onderdelen Gelet op [artikel 77, eerste lid, onder d, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=77), Besluit: Artikel 1 De technische administratie van de onderdelen van luchtvaartuigen omvat: - a. voortstuwingsinrichtingen; - b. luchtschroeven; - c. onderdelen, welke na revisie of herstelling in het algemeen niet in het zelfde luchtvaartuig zullen worden gemonteerd, voor zover de in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004769&artikel=2&z=1998-04-01&g=1998-04-01), genoemde gegevens noodzakelijk zijn om na montage van het onderdeel in het luchtvaartuig het tijdstip te bepalen, waarop het onderdeel moet worden geïnspecteerd, gereviseerd of in verband met de beperkte levensduur buiten gebruik moet worden gesteld. Artikel 2 1. De technische administratie van luchtvaartuigen en de technische administratie van de onderdelen van luchtvaartuigen moet worden gevoerd op aanwijzingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat in daartoe bestemde boeken of op daartoe bestemde formulieren. 2. In de technische administratie van een luchtvaartuig moeten de onderhoudsverklaringen, alsmede de aantekeningen en verslagen betreffende de aan het luchtvaartuig verrichte werkzaamheden, worden opgenomen en moeten, met vermelding van de data, ten minste aantekeningen worden gesteld met betrekking tot: - a. het aantal vlieguren, zodanig dat hieruit blijkt hoe lang het luchtvaartuig heeft gevlogen sinds de bouw en sinds het laatste onderhoud; - b. de technische storingen, de opgelopen schade en de proefvluchten; - c. het onderhoud, de revisies, de herstellingen en de wijzigingen die het luchtvaartuig heeft ondergaan. 3. In de technische administratie van de onderdelen van luchtvaartuigen moeten de aantekeningen en de verslagen betreffende de aan het onderdeel verrichte werkzaamheden worden opgenomen en moeten, met vermelding van de data, ten minste a"},{"i":13611,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 juli 2007, nr. OHW-U-2780021, houdende de instelling van de Raad van advies programma erfgoed van de oorlog Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. de Raad: de Raad van advies, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022214&artikel=2&z=2007-07-13&g=2007-07-13). Artikel 2 Er is een Raad van advies programma Erfgoed van de Oorlog. Artikel 3 De Raad heeft tot taak de Minister gevraagd en ongevraagd op hoofdlijnen te adviseren over de reikwijdte, de werkwijze en de beoogde resultaten van het programma Erfgoed van de Oorlog. Artikel 4 Het advies wordt zo mogelijk unaniem vastgesteld. Het is toegestaan dat één lid een minderheidsstandpunt inneemt, dat alsdan in het advies wordt opgenomen. Artikel 5 1. De Raad bestaat uit een voorzitter en vijf leden. 2. De Minister benoemt en ontslaat de voorzitter en de leden van de Raad. 3. De Minister benoemt de voorzitter en de leden van de Raad voor een periode van vier jaar, met dien verstande dat zij tussentijds kunnen worden vervangen. 4. De Minister voegt een medewerker van de Eenheid Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog aan de Raad toe als secretaris. 5. De Minister voegt een medewerker van de Eenheid Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog aan de Raad toe als adviseur. Artikel 6 Tot voorzitter van de Raad wordt benoemd de heer drs. E. van Thijn, te Amsterdam. Artikel 7 Tot lid van de Raad worden benoemd: - –. de heer drs. M.P. van Gastel, te Leidschendam; - –. mevrouw drs. J.A. van Kranendonk, te Amsterdam; - –. mevrouw ir. J.M. Leemhuis-Stout, te Rotterdam; - –. mevrouw drs. C.E. van Rappard-Boon, te Amsterdam; - –. de heer mr. drs. G.J. Wolffensperger, te Amsterdam. Artikel 8 De Raad regelt zelf haar werkzaamheden. Artikel 9 De voorzitter en de niet-ambtelijke leden van de Raad ontvangen voor iedere dag waaro"},{"i":13600,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 2 februari 2018, houdende instelling van de Onderzoekscommissie WODC III inzake afhandeling klacht drugsonderzoeken (Instellingsbesluit Onderzoekscommissie WODC III inzake afhandeling klacht drugsonderzoeken) In overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Besluit: Vindt toepassing met ingang van 15 januari 2018. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **Commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040617&artikel=2&z=2018-02-13&g=2018-02-13). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een onafhankelijke Onderzoekscommissie WODC III inzake afhandeling klacht drugsonderzoeken. 2. De Commissie heeft tot taak onderzoek te verrichten naar de afhandeling van de klacht over beïnvloeding van de onderzoeken, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit Onderzoekscommissie WODC I inzake deugdelijkheid drugsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040615&artikel=2). 3. Bij haar onderzoek beantwoordt de Commissie in ieder geval de volgende vragen: - a). of, en zo ja, bij wie, wanneer en hoe de klacht is aangekaart en hoe vervolgens door degenen bij wie de klacht is geuit met deze klacht is omgegaan? - b). viel de klacht naar het oordeel van de Commissie aan te merken als een vermoeden van een misstand als bedoeld in het [Besluit melden vermoeden misstand Rijk en Politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026951) van 15 december 2009 dan wel als bedoeld in de [Interne klokkenluidersregeling Rijk, Politie en Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038940) van 21 december 2016, die te goeder trouw en op goede gronden is aangekaart? - c). zo ja, is de klacht behandeld in overeenstemming met het [in onderdeel b bedoelde besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026951) dan wel de [in onderdeel b bedoelde klokkenluidersregel"},{"i":14061,"b":"Regeling algemeen weerbericht BES 2010 Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012952&artikel=3), [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012952&artikel=3), en [artikel 3a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012952&artikel=3a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder - a. **algemeen weerbericht:** algemeen weerbericht, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028500&paragraaf=1&artikel=3&z=2016-01-01&g=2016-01-01); - b. **gezaghebber:** gezaghebber, bedoeld in [artikel 5, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=5); - c. **openbare lichamen:** de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - d. **WMO:** Wereld Meteorologische Organisatie, een VN-agentschap waarin de nationale meteorologische diensten wereldwijd samenwerken op het gebied van meteorologie en klimaat. Artikel 2 Aan de zorgplichten, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=3), wordt namens de minister uitvoering gegeven door het agentschap KNMI. Artikel 3 Tot het algemeen weerbericht behoren, voor zover betrekking hebbend op of gevolgen hebbend voor de openbare lichamen en de wateren behorende bij deze openbare lichamen: - a. actuele meteorologische waarnemingen; - b. een beschrijving van de weersgesteldheid, waarbij de onder a bedoelde waarnemingen zijn geïnterpreteerd; - c. de weersverwachtingen voor vandaag; - d. weersverwachtingen voor de middellange termijn; - e. weerberichten ten behoeve van de scheepvaar"},{"i":14073,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 19 maart 2014, nr. IENM/BSK-2014/67724, houdende vaststelling van de ligging van de risicoplafonds langs transportroutes en regels voor ruimtelijke ontwikkelingen langs transportroutes in verband met externe veiligheid (Regeling basisnet) Gelet op de [artikelen 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=13), [14, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=14), en [16, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=16), en de [artikelen 3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034233&artikel=3), [4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034233&artikel=4), [8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034233&artikel=8), [10, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034233&artikel=10), en [11, eerste en tweede lid, van het Besluit externe veiligheid transportroutes](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034233&artikel=11); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisnet, het Wijzigingsbesluit Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Wijziging routeringsystematiek in Wet vervoer gevaarlijke stoffen) (Stb. 2013/340) en het Besluit externe veiligheid transportroutes in werking treden. Paragraaf 1. Begrippen en reikwijdte Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **baanvak:** gedeelte van de hoofdspoorweg waarvan het begin en einde wordt aangeduid met coördinaten uit het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, bedoeld in [artikel 52 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=52); - **binnenste kantstreep:** markering van de begrenzing van de binnenzijde van de binnenste rijstrook; - **buitenste kantstreep:** markering van de begrenzing van de buitenzijde van de buitenste rijstrook; - **doorgaande rijbaan:** elk voor in één rijrichting rijdende voertuigen be"},{"i":12743,"b":"Besluit van 13 december 2024, teneinde de vaststelling van het cameraplan voor 2025, vereist op grond van artikel 29a van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 Inzet vaste camera’s De inspecteur maakt op grond van [artikel 77a, eerste lid van de Wet op de Motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=77a) (hierna: Wet MRB ’94) gebruik van technische hulpmiddelen. De vaste camera’s zijn Elektronische Camerabeelden (ECB)-camera’s boven de Nederlandse wegen en camera’s op, aan of in flitspalen langs de Nederlandse wegen. Deze camera’s zijn eigendom van de politie en maken deel uit van het reeds bestaande netwerk van politie-camera’s. Het gaat daarbij om technische hulpmiddelen die aangesloten zijn op de technische voorziening ‘Oogopslag’, zoals ook vastgesteld in het convenant tussen de Belastingdienst en de Politie inzake het medegebruik van ANPR-camera’s. Locaties vaste camera’s De inspecteur maakt in 2025 gebruik van 1101 camera’s. Voor het exacte aantal en de locaties van de camera’s verwijst de inspecteur naar de lijst die integraal onderdeel uitmaakt van het cameraplan. Deze lijst wordt gepubliceerd op [www.belastingdienst.nl](http://www.belastingdienst.nl). Motivering inzet en locaties Uitgangspunt is dat eenieder de belasting betaalt die hij verschuldigd is. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de Motorrijtuigenbelasting (MRB). Dit draagt bij aan het draagvlak voor de betreffende heffing en aan het continueren van de staatsinkomsten. Daarbij streeft het kabinet ernaar om de controle en het toezicht op de heffing en inning zo efficiënt en effectief mogelijk in te richten. Waar het gaat om de controle en het toezicht op de MRB is het efficiënt om hiervoor mede gebruik te kunnen maken van camerabeelden die gemaakt zijn op de openbare weg. Van deze camera’s is vast komen te staan dat aan alle eisen op het gebied van privacy, beveiliging en kwaliteit voldaan wordt. De locaties van deze camera’s kenmerken zich door"},{"i":13464,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 december 2012, DMO/SVP-3146067, houdende de instelling van de begeleidingscommissie voor het Sociaal Cultureel Planbureau na overleg met de Directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau, Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - −. **begeleidingscommissie:** begeleidingscommissie voor het Sociaal en Cultureel Planbureau, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032715&artikel=2&z=2021-11-05&g=2021-11-05); - −. **Minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - −. **planbureau:** Sociaal en Cultureel Planbureau. Artikel 2 Er is een begeleidingscommissie voor het Sociaal en Cultureel Planbureau. Artikel 3 De begeleidingscommissie heeft tot taak: - a. toezicht houden op de wetenschappelijke kwaliteit van het werk van het planbureau, waaronder in ieder geval de zorg voor periodieke visitaties wordt verstaan, en - b. toezicht houden op de maatschappelijke relevantie van het werk van het planbureau. Artikel 4 1. De Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de andere leden van de begeleidingscommissie, na overleg met de directeur van het planbureau en in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad. 2. De begeleidingscommissie bestaat uit ten hoogste 10 leden die niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de Minister of een andere belanghebbende minister. 3. De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij zijn eenmaal aansluitend herbenoembaar, voor een periode van maximaal drie jaren. 4. Een lid dat is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd had moeten aftreden. 5. De directeur van het planbureau kan de vergaderingen van de begeleidings-commissie bijwonen. 6. Het planbureau verzorgt het secretariaat van de begeleidingscommissie. Artikel 5 De begeleidingscommissie stelt een reglement omtrent haar"},{"i":12791,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Airport CoordinationNetherlands (ACNL) over de periode vanaf 1 april 2020 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van Airport Coordination Netherlands (ACNL) over de periode vanaf 1 april 2020 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt afgesloten per 31 maart 2020: - –. [Selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Stichting Airport Coordination Netherlands (SACN)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036329), Staatscourant 2015, nr. 4679 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15121,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 januari 2024, houdende nadere tijdelijke regels voor experimenten met nieuwe stembiljetten (Tijdelijke experimentenregeling nieuwe stembiljetten) Gelet op de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048850&artikel=3), [5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048850&artikel=5), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048850&artikel=10), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048850&artikel=11), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048850&artikel=13) en [17, eerste lid, van het Tijdelijk experimentenbesluit nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048850&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Modellen 1. Als de modellen, bedoeld in het [Tijdelijk experimentenbesluit nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048850), worden de modellen vastgesteld die in de bijlage bij deze regeling zijn opgenomen. 2. De tekst van de modellen in de bijlage bij artikel 1 van deze regeling kan redactioneel worden aangepast voor een specifieke doelgroep of voor de digitale toepassing, indien dat de leesbaarheid of doelmatigheid van het model ten goede komt. Artikel 2. Inrichting van het stemhokje 1. Onverminderd het bepaalde in [artikel J 5 van het Kiesbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004632&artikel=J_5) wordt het overzicht van kandidaten op de lessenaar bevestigd. 2. Het overzicht van kandidaten ligt centraal uitgelijnd tegen de achterwand van het stemhokje dan wel een ondoorzichtig deel van een wand van het stemlokaal. De vouwlijn van het overzicht van kandidaten loopt evenwijdig aan de achterzijde van het stemhokje. Artikel 3. Inwerkingtreding en vervallenverklaring 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2024. 2. Deze regeling vervalt op het moment dat de [Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":15123,"b":"Wet van 24 juni 2020, houdende regels inzake invoering van een tijdelijke mogelijkheid voor experimenten in de rechtspleging (Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een tijdelijke regeling te treffen die het mogelijk maakt om met het oog op het bevorderen van eenvoudige, snelle, effectieve en de-escalerende geschilbeslechting, bij wijze van experiment en derhalve voordat besloten wordt tot definitieve aanpassing van enkele wetten die betrekking hebben op de rechtspraak en de rechtspleging, voor een bepaalde periode af te wijken van die wetten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Bij algemene maatregel van bestuur kan, met het oog op het bevorderen van eenvoudige, snelle, effectieve en de-escalerende geschilbeslechting, bij wijze van experiment gedurende een periode van ten hoogste drie jaar worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens: - a. het [Eerste](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&boek=Eerste), [Tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&boek=Tweede) en [Derde Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&boek=Derde) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met uitzondering van de [artikelen 1 tot en met 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=1), [19 tot en met 22b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=19) en [25 tot en met 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=25); - b. de procesrechtelijke bepalingen uit [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656); - c. de procesrechtelijke bepalingen uit de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860); - d. de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://w"},{"i":4674,"b":"Instandhouding van basischolen De afgelopen tijd hebben er enkele wijzingen plaatsgevonden in de uitvoering van het Instandhoudingsbeleid basisonderwijs. Door middel van deze publicatie wil ik u hierover nadere informatie verstrekken. Bovendien wordt hieronder het beleid op een aantal punten verduidelijkt. Achtereenvolgens komen aan de orde: 1. De berekening van het aantal leerlingen op 1 oktober Met ingang van 1 maart 2000 (Staatsblad 1999, 527) is [artikel 152 van de Wet op het primair onderwijs](onbekend) (WPO) gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat voor de berekening van het aantal leerlingen, waarvan sprake is in de [artikelen 151 tot en met artikel 160 WPO](onbekend), moet worden uitgegaan van het aantal leerlingen op 1 oktober, verhoogd met 3% daarvan en waarbij de uitkomst naar beneden wordt afgerond op een geheel getal. Omdat de wetswijziging is ingegaan op 1 maart 2000, betekent dit dat voor de eerste keer op 1 oktober 2000 (en ver­volgens jaarlijks op 1 oktober) op deze wijze het aantal leerlingen wordt bepaald dat van belang is voor de uitvoering van het instandhoudingsbeleid basisonderwijs. Het opslagpercentage van 3% op het aantal leerlingen op 1 oktober 1999 en eerder, dat ook van belang is voor de uitvoering van dat beleid, zal, zoals gebruikelijk was, rekenkundig worden afgerond. 2. De toepassing van de gemiddelde schoolgrootte bij pas gestichte basisscholen In deze paragraaf wordt informatie verstrekt over basisscholen die zich bevinden in het vijfde schooljaar van de bekostiging en die gedurende die periode van vijf jaar niet aan de stichtingsnorm hebben voldaan. Volledigheidshalve wijs ik er op dat het gestelde in deze paragraaf alleen geldt voor basisscholen die zich in deze situatie bevinden. Aanleiding voor deze voorlichting is een door mij overgenomen advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van mijn departement inzake de toepassing van het bepaalde in [artikel 157 van de wet](onbekend), de zogenaamde gemiddelde schoolgrootte. Voorhee"},{"i":13930,"b":"Regeling van de minister van Financiën houdende aanvullende regels betreffende het overgangsrecht voor de financiële markten in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, alsmede regels betreffende vrijstellingen op grond van de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf BES (Overgangs- en vrijstellingsregeling financiële markten BES) Gelet op [artikel 6.16 van de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028129&artikel=6.16), [artikel 1b, eerste lid, van de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028547&artikel=1b) en [artikel 7, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028495&artikel=7); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. (definities) In deze regeling wordt verstaan onder: - **administrateur:** een administrateur als bedoeld in [artikel 1, onderdeel h, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen en administrateurs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028553&artikel=1); - **assurantiebemiddelaar:** een assurantiebemiddelaar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028566&artikel=1); - **beleggingsinstelling:** een beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen en administrateurs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028553&artikel=1); - **bijkantoor:** een duurzaam in een openbaar lichaam aanwezig onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid van een financiële onderneming; - **effectenbeurs:** een effectenbeurs als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht effectenbeurzen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":12867,"b":"Vaststelling selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Nederlands buitenlands beleid over de periode vanaf 1990 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘voor de neerslag van de handelingen van de minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Nederlands buitenlands beleid over de periode vanaf 1990’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken op het beleidsterrein Nederlands buitenlands beleid over de periode vanaf 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026085) (vastgesteld bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Buitenlandse Zaken, nr.C/S&A/07/1344, d.d. 8 augustus 2007, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Buitenlandse Zaken, nr. NA/09/1695 d.d. 16 juni 2009 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 10333 d.d. 10 juli 2009) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15180,"b":"Tweede tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden inzake handdesinfectiemiddelen in verband met de uitbraak COVID-19 (Tweede tijdelijke vrijstelling handdesinfectie apotheken COVID-19 2020) In aanmerking genomen de toegenomen vraag naar desinfectiemiddelen, als gevolg van de uitbraak van COVID-19, in overleg met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het landelijk consortium hulpmiddelen en de Nederlandse Vereniging van Zeepfabrikanten; Gelet op [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van handdesinfectiemiddelen die de werkzaamheden van professionele zorgaanbieders compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en het door professionele zorgaanbieders gebruiken van handdesinfectiemiddelen volgens de aanwijzingen in de LNA-mededeling ‘Handdesinfectantia voor professioneel gebruik’1De LNA-mededeling getiteld ‘Handdesinfectantia voor professioneel gebruik’, versie 20 maart 2020, is te vinden via https://www.knmp.nl. van 20 maart 2020 opgesteld door het Laboratorium der Nederlandse Apothekers van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie; - b). artikel"},{"i":19170,"b":"Richtlijn voor strafvordering teweegbrengen explosies (art. 157 Sr) Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op het teweegbrengen van ontploffingen/explosies op of aan goederen, woningen, bedrijven, vervoermiddelen enz. met het doel om af- of te bedreigen/intimideren/ruzies te beslechten e.d. Voor plofkraken bestaat een aparte richtlijn. Voor het sec tot ontbranding brengen van (geïmproviseerd) vuurwerk zie de richtlijn vuurwerkdelicten. Voor het voorhanden hebben van een explosief zie de richtlijn [Wet Wapens en Munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804). Strafmaattabel en bandbreedtes De genoemde strafbandbreedtes bij het basisdelict gaan uit van éénmalig plegen door een meerderjarige verdachte, zonder dat er sprake is van (relevante) recidive. In de praktijk zal zelden sprake zijn van een standaardsituatie waarin geen sprake is van feiten en omstandigheden die van invloed zijn op de beoordeling van de zaak. Naarmate er sprake is van strafmaat beïnvloedende factoren zal de eis richting de ondergrens of bovengrens van de bandbreedte verschuiven. Denk hierbij aan factoren als alleen of medeplegen, de locatie (woning, bedrijf, openbaar toegankelijk gebouw of voertuig) en de mate van gevaarzetting (bijv. aan het explosief zijn brandbare stoffen toegevoegd, bewoners aanwezig, letsel en schade, explosief in de woning of bedrijf (door de ruit of brievenbus) tot ontploffing gebracht e.d.). Bij uitzonderlijke omstandigheden kan de strafeis buiten de bandbreedte treden. Dat kan ook indien er sprake is van meerdere strafverzwarende omstandigheden. De strafeis dient altijd te worden gemotiveerd. Deze motiveringsplicht geldt in het bijzonder indien van de in de richtlijn genoemde strafbandbreedte wordt afgeweken. Basiscasus/delict Teweegbrengen van een explosie, alleen gepleegd 1 Let op, voor brandstichting aan voertuigen de richtlijn brandstichting gebruiken. Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering mee"},{"i":15200,"b":"Besluit van 10 juli 2023, houdende regels ter uitvoering van de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES, alsmede houdende wijziging van het Visserijbesluit BES in verband met het uitbreiden van verboden vistuigen en vistechnieken, redactionele verbeteringen en technische wijzigingen (Uitvoeringsbesluit Wgnb BES) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister voor Natuur en Stikstof van 11 juli 2022, nr. WJZ/22271787; Gelet op de artikelen 5, 10 en 11 van het op 18 januari 1990 te Kingston getekende protocol betreffende de bijzondere beschermde gebieden en de in de natuur levende dieren en planten, met bijlagen (Trb. 1990, 115), behorende bij het op 24 maart 1983 te Cartagena de Indias gesloten Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch gebied (Trb. 1983, 152); Gelet op [artikel 8a, derde lid, van de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&artikel=8a) en de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=4) en [12 van de Visserijwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 december 2022, no. W11.22.00092/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister voor Natuur en Stikstof van 6 juli 2023, nr. WJZ/33364356; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - **haaien en roggen:** dieren van soorten behorend tot de familie van de Elasmobranchii; - **Onze minister:** Onze Minister voor Natuur en Stikstof; - **wet:** [Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434); - **Ya"},{"i":15201,"b":"Besluit van 17 juli 2018, houdende nadere regels met betrekking tot uiteindelijk belanghebbenden en politiek prominente personen, het vaststellen van indicatoren voor het melden van ongebruikelijke transacties en tot wijziging van enige andere besluiten in verband met de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn en de verordening betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie (Uitvoeringsbesluit Wwft 2018) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 31 mei 2018, 2018-0000071536, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Gelet op de [artikelen 1, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=1), [15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=15), en [31, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=31), de [artikelen 2:3b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3b), [2:10b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:10b), en [4:10, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:10), [artikel 30, derde lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=30), [artikel 3.22, vierde lid, van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.22) en [artikel 127, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=127) en richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [Richtlijn 2005/60/EG](32005L0060) van het Europees Parlement en de Raad en [Richtlijn 2006/70/EG](32006L0"},{"i":15202,"b":"Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=6), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=12), [14](onbekend), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=16), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=18), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=20), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=22), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=23) en [32 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=32); Voor zoveel nodig in overeenstemming of na overleg met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Economische Zaken, Besluit: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=18), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=20) en [32 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=32). 2. Deze regeling verstaat onder de wet: [de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746). Artikel 1a De inhoudingsplichtige rekent tot het loon voor de door hem betaalde aanvullingen op uitkeringen ingevolge de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) het gezamenlijke bedrag van de uitkeringen en de aanvullingen. Hoofdstuk II. Vermindering af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen Artikel 1b Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artike"},{"i":15204,"b":"Uitvoeringsregeling AMAR Gelet op het [Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - **C-OPCO:** de commandant operationeel commando; - **dienverplichting:** de voor de militair geldende verplichting bedoeld in [artikel 12k van de Wet ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12k) jo. [artikel 7 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=7) of [artikel 3 van de Regeling tijdelijke aanstelling militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051757&artikel=3); - **FG-formulier:** het functioneringsgesprekformulier; - **HDO:** het hoofd defensieonderdeel; - **Minister:** de Minister van Defensie; - **POP-formulier:** het persoonlijk ontwikkelplanformulier. Hoofdstuk 2. Aanstelling en ontslag Paragraaf 2.1. Aanstelling Artikel 2:1. Maximum leeftijdsgrens bij aanstelling Voor de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052495&bijlage=1&z=2026-04-04&g=2026-04-04) bij deze regeling opgenomen specifieke functiegroepen personeel gelden de daarbij vermelde maximum leeftijden bij de initiële aanstelling bij het beroepspersoneel. Artikel 2:2. Aanstelling bij het beroepspersoneel 1. Bij de aanstelling bij het beroepspersoneel waarbij een militair wordt aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding wordt hem de rang of stand en klasse toegekend die past bij de fase van die opleiding waarvoor hij wordt aangewezen. 2. Bij een aanstelling bij het beroepspersoneel waarbij een militair niet wordt aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding, wordt hem de rang of stand en klasse toegekend die is verbonden aan de eerste functie waarvoor de militair is bestemd. 3. In afwijking van het eerste of het tweede lid behoudt de militair, die voor aanvang van de initiële opleiding reeds was aa"},{"i":15228,"b":"Uitvoeringsregeling PPM Gelet op de [artikelen 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006526&artikel=12), en [16 van het Besluit particuliere participatiemaatschappijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006526&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Het model voor het overzicht, bedoeld in [artikel 12 van het Besluit particuliere participatiemaatschappijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006526&artikel=12), wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 2 Het bedrag, inhoudende het totaal van de verkrijgingsprijzen van participaties waarvoor in het kalenderjaar 1994 een beschikking tot registratie kan worden verkregen, wordt vastgesteld op f 50.000.000, verminderd met het bedrag waarvoor in het kalenderjaar 1994 op basis van de Garantieregeling particuliere participatiemaatschappijen 1981 garantieverplichtingen zijn gemeld met inachtneming van artikel 13 van de Garantieregeling particuliere participatiemaatschappijen 1981. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling PPM. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant. De terinzagelegging geschiedt bij het ministerie van Economische Zaken, Directie Voorlichting, Bezuidenhoutseweg 30, 's-Gravenhage."},{"i":4455,"b":"Centrale examens volgens C- en D-programma in 2003 en 2004 In 2003 is de laatste reguliere gelegenheid een eindexamen oude stijl mavo of vbo af te leggen. In 2004 zijn de laatste staatsexamens mavo oude stijl. Voor een bijzondere groep leerlingen (die met toestemming van de inspectie meer dan vijf jaar over de opleiding doen) is 2004 het laatste jaar, waarin zij een eindexamen mavo of vbo oude stijl mogen afleggen. Oude stijl betekent: met de oude vakkenpakketvoorschriften (keuze van vakken en programma’s), vrijstellingsregeling, voorschriften over de inrichting van het schoolonderzoek en regels voor de bepaling van de uitslag. Voor wat betreft de centrale c.q. schriftelijke examens volgens C- of D-programma wordt hierbij meegedeeld over welke examenstof deze examens zich zullen uitstrekken. Voor de meeste vakken geldt het volgende: Er zullen geen opgaven beschikbaar worden gesteld voor de landelijke examens. Deze examens maken (formeel) deel uit van het schoolonderzoek. Scholen dienen in 2003 en waar van toepassing in 2004, eigen opgaven voor het schoolonderzoek vast te stellen. Voor het centraal examen geldt per vak het volgende 1. Nederlands Leesvaardigheid C overlapt ca 50% met KB (KB is lezen/schrijven). Leesvaardigheid D is identiek aan het centraal examen leesvaardigheid GL/TL. Voor schrijfvaardigheid zijn er eigen opgaven voor de C-en D-examens oude stijl, zowel voor opstel als voor functioneel schrijven. 2. Fries De examens zijn identiek (alleen leesvaardigheid). 3. Engels Het C-examen is identiek aan het KB-examen. Het D-examen verschilt van het GL/TL-examen (geen schrijfvaardigheid in het c.e. oude stijl). 4. Frans en Duits De C en D-examens zijn identiek aan respectievelijk het centraal examen KB en het centraal examen GL/TL. 5. Spaans, Arabisch, Turks Het D-examen is identiek aan GL/TL In de beroepsgerichte leerwegen hebben deze vakken geen centraal examen. In 2003 en 2004 is er nog wel een centraal C-examen. 6. Wiskunde, natuurkunde, biologie, economie"},{"i":6166,"b":"Besluit van 2 december 2024, houdende de vaststelling van regels in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2023/988 inzake algemene productveiligheid en Verordening (EG) 765/2008 inzake accreditatie (Warenwetbesluit uitvoering verordening algemene productveiligheid en verordening inzake accreditatie) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 14 oktober 2024, kenmerk 3978789-1073164-WJZ, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op: [Verordening (EU) 2023/988](32023R0988) van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 inzake algemene productveiligheid, tot wijziging van [Verordening (EU) nr. 1025/2012](32012R1025) van het Europees Parlement en de Raad en [Richtlijn (EU) 2020/1828](32020L1828) van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van [Richtlijn 2001/95/EG](32001L0095) van het Europees Parlement en de Raad en [Richtlijn 87/357/EEG](31987L0357) van de Raad (PbEU 2023, L 135); [Verordening (EG) nr. 765/2008](32008R0765) van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en tot intrekking van [Verordening (EEG) nr. 339/93](31993R0339) (PbEU 2008, L 218); de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13) en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 november 2024, no. W13.24.00287/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 november 2024, kenmerk 4010478-1073164-WJZ, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **Verordening (EG) nr. 765/2008:** [Verordening (EG) nr. 765/2008](32008R"},{"i":15431,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 augustus 2008, nr. BJZ2008065143, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende de vaststelling van de vergoedingen van de voorzitter en overige leden van de Raad voor de Wadden (Vergoedingenregeling Raad voor de Wadden) Gelet op [artikel 5 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De voorzitter van de Raad voor de Wadden ontvangt een vaste vergoeding. De salarisschaal van de voorzitter wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,20. Artikel 2 De overige leden van de Raad voor de Wadden ontvangen een vaste vergoeding. De salarisschaal van de overige leden wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,10. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling Raad voor de Wadden. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15468,"b":"Verordening op de klachtbehandeling Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5) en [19, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Verordening gedrags- en beroepscode accountants in werking treedt. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Hoofdstuk 2. Toepassingsbereik Hoofdstuk 3. Klachtencommissie Hoofdstuk 4. Klachtbehandeling Hoofdstuk 5. Slotbepalingen Artikel 17 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 18 In artikel 1 komt de definitie van accountantskantoor te luiden: - –. accountantskantoor: het accountantskantoor, bedoeld in [artikel 1, van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); Artikel 19 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 20 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 21 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot 1 januari 2014, met uitzondering van [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034671&hoofdstuk=5&artikel=18&z=2022-01-01&g=2022-01-01), dat in werking treedt op het tijdstip waarop de [Verordening gedrags- en beroepsregels accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635) in werking treedt. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op de klachtbehandeling. Artikel 1 Voor de toepassing van deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **accountantskantoor:** accountantskantoor als bedoeld in [artikel 1, van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1). Artikel 3 Er is een instantie voor de behandeling van klachten tegen accountants: de Klachtencommissie. Artikel 4 1. De Klachtencommissie bestaat uit de volgende leden: - a. een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter; - b."},{"i":15473,"b":"Verordening op de ledengroepen Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5), [16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=16), [17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=17) en [19, tweede lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - –. **aan assurance verwante opdrachten:** omvatten opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden en samenstellingsopdrachten; - –. **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - –. **accountant in business:** accountant die werkzaamheden verricht, maar niet als openbaar accountant, intern accountant of overheidsaccountant; - –. **accountantsafdeling:** organisatorische eenheid binnen een organisatie waar een accountant een assurance of aan assurance verwante opdracht uitvoert in opdracht van deze organisatie; - –. **accountantskantoor:** organisatie waar een accountant een assurance of aan assurance verwante opdracht uit voert in opdracht van een externe opdrachtgever; - –. **accountantsorganisatie:** accountantsorganisatie als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1); - –. **accountantspraktijk:** accountantskantoor of accountantsorganisatie; - –. **afgevaardigde:** afgevaardigde als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de wet; - –. **assurance-opdracht:** assurance-opdracht als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034652&artikel=1); - –. **begroting:** begroting als bedoeld in [artikel 28 van de wet](https://we"},{"i":15516,"b":"Wet van 17 juni 2020, houdende regels over een tijdelijke voorziening voor de betekening van exploten op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en wijziging van de Loodsenwet, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de Luchtvaartwet BES in verband met de uitbraak van COVID-19 (Verzamelspoedwet COVID-19) Artikel 1. (feitelijke onmogelijkheid uitreiking exploten in persoon) Voor de toepassing van [artikel 47, eerste lid, derde volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=47) is van een feitelijke onmogelijkheid om aan een van de in [artikel 46, eerste lid, van dat wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=46) bedoelde personen afschrift te laten, steeds sprake zolang de richtlijnen van het RIVM voorschrijven dat personen afstand houden wegens besmettingsgevaar met COVID-19. Artikel 2. (wijziging van de [Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365)) Wijzigt de Loodsenwet. Artikel 3. (wijziging [artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=30hb)) Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel 4. (wijziging [artikelen 27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=27a) en [29 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=29)) Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel 5. (wijziging [artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=27)) Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel 6. (wijziging [Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549)) Wijzigt de Luchtvaartwet BES. Artikel 7. (overgangsbepaling wijzigingen [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320), [Invorderingswet 1990](https://wetten.o"},{"i":15517,"b":"Besluit van het college van afgevaardigden van 19 april 2017 houdende de wijziging van de Verordening op de advocatuur in verband met de periodieke actualisatie, de evaluatie civiele cassatie en de financiering van de ondersteuning van de tuchtrechtspraak (Verzamelverordening 2016) gelet op [artikelen 9c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9c), [9j, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9j), [28, tweede lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=28); gelet op [artikel 4:58, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:58), en [artikel 4:77 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:77); gezien het voorstel van de algemene raad; gezien het advies van de raad van advies; gezien het advies van de adviescommissie regelgeving; stelt de navolgende bepalingen vast: Artikel I Wijzigt de Verordening op de advocatuur. Artikel II De leden van de adviescommissie civiele cassatie die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039604&artikel=I&z=2017-07-01&g=2017-07-01) zitting hadden in de adviescommissie civiele cassatie, worden lid van de commissie cassatie vanaf het moment van inwerkingtreding van artikel I, met dien verstande dat de termijn waarvoor zij waren benoemd niet opnieuw aanvangt. Artikel III Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2017. Artikel IV Deze verordening wordt aangehaald als: Verzamelverordening 2016."},{"i":15518,"b":"Wet van 27 maart 2019 tot wijziging van enige wetten en het treffen van voorzieningen in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (Verzamelwet Brexit) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ter voorbereiding op de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie het wenselijk is wijzigingen in een aantal wetten door te voeren en enkele wettelijke voorzieningen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Justitie en Veiligheid Artikel I. Wijziging van de [Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009191) Wijzigt de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen. Hoofdstuk 2. Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Artikel II. Wijziging van de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend) Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Hoofdstuk 3. Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Artikel III Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel IV Wijzigt de Gaswet. Artikel V. Wijziging van de [Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005766) Wijzigt de Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst. Artikel VI. Wijziging van de [Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004224) Wijzigt de Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten. Hoofdstuk 4. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Artikel VII. Tijdelijke delegatiegrondslag met betrekking tot socialezekerheidswetten Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/417. Vervallen. Hoofdstuk 5. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Artikel VIII. Wijziging [Wet langdurige zorg](http"},{"i":15523,"b":"Wet van 29 november 2017 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (Verzamelwet IenM 2018) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is in de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555), de [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007), de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670), de [Wet havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999), de [Wet zeevarenden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124), de [Wet pleziervaartuigen 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037546) en de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) wijzigingen, bijstellingen en technische verbeteringen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel II Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel III Wijzigt de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Artikel IV Wijzigt de Wet havenstaatcontrole. Artikel V Wijzigt de Wet zeevarenden. Artikel VI Wijzigt de Wet pleziervaartuigen 2016. Artikel VII Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel VIIa Wijzigt de Waterwet. Artikel VIIb Wijzigt de Kernenergiewet. Artikel VIII De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IX Deze wet wordt aangehaald als: Verzamelwet IenM 2018. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15533,"b":"Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013) Artikel I. [Algemene kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Algemene ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene ouderdomswet. Artikel IIIa. [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) Wijzigt de Arbeidstijdenwet. Artikel IV. [Arbeidswet 2000 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028202) Wijzigt de Arbeidswet 2000 BES. Artikel IVa. [Buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002014) Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2014/504. Wijzigt het Buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen 1945. Artikel IVb. [Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754) Wijzigt de Kaderwet SZW-subsidies. Artikel IVc. [Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712) Wijzigt de Pensioenwet BES. Artikel IVd. [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424) Wijzigt de Remigratiewet. Artikel V. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VI. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel VIa. [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) Wijzigt de Wet algemene ouderdomsverzekering BES. Artikel VII. [Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387) Wijzigt de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES. Artikel VIIa. [Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616) Wijzigt de Wet allocatie arbeidskrach"},{"i":15534,"b":"Wet van 26 november 2014 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Verzamelwet SZW 2015) Artikel I. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IV. [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IVa. [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V. [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel VI. [Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel VIa. [Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 7a. Artikel VIb. [Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304) Wijzigt de Cessantiawet BES. Artikel VIc. [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) Wijzigt de Faillissementswet. Artikel VII. [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) Wijzigt de Gemeentewet. Artikel VIIa. [Invoeringswet Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035333) Wijzigt de Invoeringswet Participatiewet. Artikel VIII. [Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754) Wijzigt de Kaderwet SZW-subsidies. Artikel IX. [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel IX"},{"i":4814,"b":"Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 17 december 2025 (kenmerk 7002790/25/DP&O), houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging (Mandaatbesluit Ministerie van Asiel en Migratie) Gelet op de [Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging beleidsterreinen Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049965) (Stcrt. 2024, 23190) en de [Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging Ministerie van Asiel en Migratie 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051962) (Stcrt. 2025, 43601) Besluit: Artikel 1 Aan de secretaris-generaal wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de bewindspersoon behorende aangelegenheden, met uitzondering van de bevoegdheid tot het nemen van besluiten die zijn neergelegd in een document, gericht tot: - a. de Koning; - b. de raad van Ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie; - c. een Minister of Staatssecretaris; - d. een autoriteit in binnen- of buitenland, gelijk of hoger in rang dan een Minister of Staatssecretaris; - e. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie; - f. de Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk of de Vice-President van de Raad van State; - g. de president van de Algemene Rekenkamer; of - h. de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven. Artikel 2 1. Aan de secretaris-generaal wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die, gelet op het [Besluit regeling functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004419) (Stb. 1988, 499), behoren tot het werkterrein van de secretaris-generaal. Artikel 3 1. Aan de directeur Financieel economische zaken ressorterend onder de secretaris-generaal wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden"},{"i":15557,"b":"Visserijbesluit BES Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **bottom longline:** lange hoofdlijn met vele korte zijlijnen met haakjes en aasvis, die horizontaal wordt afgezonken op de bodem; - **drift longline:** lange hoofdlijn met vele korte zijlijnen met haakjes en aasvis, die horizontaal net onder het wateroppervlak drijvend wordt gehouden; - **drop long line:** hoofdlijn met vele korte zijlijnen met haakjes en aasvis, die verticaal in het water wordt gehouden door een drijver aan het wateroppervlak en een gewicht aan de onderkant; - **haaien en roggen:** soorten behorend tot de familie van de Elasmobranchii; - **hookah-uitrusting:** onderwateruitrusting die de gebruiker via luchtaanvoer vanuit de buitenlucht boven het wateroppervlak in staat stelt om gedurende een lange periode onder water te verblijven; - **kieuwnet:** staand net dat uit een enkel net bestaat en verticaal in het water wordt gehouden door drijvers en zinkers; - **ringnet:** omsluitingsnet waarvan de bodem wordt samengetrokken door een sluitlijn aan de onderkant van het net, die door een reeks ringen langs de onderpees loopt, waardoor het net kan worden samengetrokken en gesloten; - **schrobnet:** bodem beroerend sleepnet; - **scuba-uitrusting:** **onderwateruitrusting die de gebruiker via onder druk gebrachte ademhalingslucht in duikflessen in staat stelt om gedurende een lange periode onder water te verblijven;** - **vergunninghouder:** de vergunninghouder bedoeld in [artikel 2 van de Visserijwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=2); - **zeekomkommers:** soorten die behoren tot de familie van de Holothuroidea. Artikel 2 1. Het is in de territoriale zee en de visserijzone verboden te vissen met: - a. visfuiken met een maaswijdte van minder dan 50 millimeter; - b. visfuiken die niet zijn voorzien van een ontsnappingsopening welke is afgedekt door een paneel, van biologisch afbreekbaar materiaal, dat na gebruik in zeewater uiteenvalt zodat na een periode van om"},{"i":15565,"b":"Voorschottenregeling BES Treedt in werking om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 Aan personen, die ten laste van de Staat inkomsten genieten kunnen door het bevoegd gezag in de na te noemen gevallen voorschotten worden verleend: - a. op bezoldigingen (verlofs- en non-activiteitsbezoldigingen daaronder begrepen) en vaste uitkeringen voor de aankoop van vervoermiddelen, wanneer het in het belang van de uitoefening van de dienst van de betrokkene noodzakelijk wordt geacht, dat hij over een eigen vervoermiddel beschikt, hetwelk hij bereid is ten behoeve van de dienst te gebruiken tegen de geldende vergoedingen; - b. op declaraties wegens reis- en verblijfkosten; - c. op bezoldigingen (verlofs- en non-activiteitsbezoldigingen daaronder begrepen) ter voldoening van overtochtskosten van leden van het gezin van een ambtenaar, die door hem naar het Europese deel van Nederland of het buitenland worden gezonden vóór hij zelf daarheen vertrekt of omgekeerd, ook al heeft hij op dat ogenblik zelf nog geen recht op vrije overtocht; - d. op bezoldigingen (verlofs- en non-activiteitsbezoldigingen daaronder begrepen) en vaste uitkeringen, ter betaling van de noodzakelijke uitgaven voortvloeiende uit een overplaatsing of detachering; - e. op bezoldigingen (verlofs- en non-activiteitsbezoldigingen daaronder begrepen), wachtgelden en vaste uitkeringen ter voldoening van kosten van geneeskundige behandeling en/of verpleging en tandheelkundige behandeling van het overheidspersoneel, de gepensioneerden en degenen die in het genot zijn van een uitkering of onderstand bij wijze van pensioen, hun echtgenoten en minderjarige wettige/ gewettigde en stiefkinderen (deze laatsten voor zover zij ten laste van het personeelslid of gewezen personeelslid of weduwe van het gewezen personeelslid komen) blijkende uit overgelegde nota's of ramingen van kosten terzake van geneeskundige of tandheelkundige behandeling of verpleging; - f."},{"i":15575,"b":"Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bestaande wetgeving betreffende de toelating en uitzetting van vreemdelingen, het toezicht op vreemdelingen die in Nederland verblijf houden, en de grensbewaking, te herzien en daartoe een nieuwe Vreemdelingenwet vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - aanvullend document: document waarin de aanvullende informatie is opgenomen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, tweede alinea van de Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven; - ambtenaren belast met de grensbewaking: de ambtenaren, bedoeld in [artikel 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=46&z=2026-02-28&g=2026-02-28); - ambtenaren belast met het toezicht op referenten: de ambtenaren, bedoeld in [artikel 47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=47a&z=2026-02-28&g=2026-02-28); - ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen: de ambtenaren, bedoeld in [artikel 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&hoofdstuk=4&afdeling=1&paragraaf=1&artikel=47&z=2026-02-28&g=2026-02-28); - asiel: het verblijf van de vreemdeling in Nederland op de gronden, bedoeld in de [artikelen 29](https://wetten.ov"},{"i":15577,"b":"Tweede tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van Biobor JF ten behoeve van het behandelen van kerosine in vliegtuigen (Tweede vrijstelling Biobor JF voor vliegtuigen 2020) Handelende in overeenstemming met de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gezien het verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, directie Luchtvaart van 18 augustus 2020 (IENW/BSK-2020/162084) tot vrijstelling van het verbod op het gebruik van de biocide Biobor JF in kerosine in vliegtuigen, ten behoeve van het voorkomen van en het behandelen van bacteriegroei in het brandstofsysteem van vliegtuigen; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de behandeling tegen bacteriegroei in het brandstofsysteem van vliegtuigen, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en gebruiken van de biocide Biobor JF in vliegtuigen, en; - b). artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012 toegestaan dat de in het onderdeel a genoemde middel op de markt worden aangeboden en gebruikt. Artikel 2 Aan de vrijstelling en toestemming, bedoeld in [artikel 1, onderdelen a onderscheidenlijk b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044228&artikel=1&z=2020-10-21&g=2020-10-21), zijn de in de bijlage bij dit besluit opgenomen beperkingen en voorschriften verbonden. Artikel 3 De vrijstel"},{"i":15584,"b":"Vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden inzake de biocide Maxforce Quantum (Vrijstelling Maxforce Quantum Mediterraan draaigatje 2022) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46); BESLUIT: Artikel 1 Vrijstelling als bedoeld in [artikel 46 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) wordt verleend voor het professioneel gebruik van de biocide Maxforce Quantum voor de beheersing van kolonies van het Mediterraan draaigatje (**Tapinoma nigerrimum**). Artikel 2 Aan de vrijstelling zijn de in de bijlage bij dit besluit opgenomen beperkingen en voorschriften verbonden. Artikel 3 De vrijstelling wordt verleend van 20 maart 2022 tot en met 15 september 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vrijstelling Maxforce Quantum Mediterraan draaigatje 2022. Bijlage. bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046431&artikel=2&z=2022-03-16&g=2022-03-16) Het insecticide Maxforce Quantum, op basis van de werkzame stof imidacloprid, en toegelaten (toelatingsnummer NL-0011349-0000) voor gebruik tegen een beperkt aantal mierensoorten, kan in het kader van een vrijstelling voor professioneel gebruik tegen het Mediterraan draaigatje gebruikt worden met inachtneming van de volgende voorschriften en beperkingen: - •. Het insecticide mag alleen toegepast worden door professionele plaagdierbeheersers die in het bezit zijn van een geldig bewijs van vakbekwaamheid, zoals bedoeld in [artikel 71 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=71) (Wgb) en [artikel 17a van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=17a) (Bgb). - •. De gebruiks"},{"i":15585,"b":"Vrijstelling van vervangende dienst wegens kostwinnerschap van erkende gewetensbezwaarde Overwegende, dat bij beschikking van de Minister van Defensie van 11 mei 1976, nr. 25 077 (Stcrt. 100), de voor dienstplichtingen geldende regeling inzake het toekennen van vrijstelling wegens kostwinnerschap is verruimd; Overwegende, dat voor hen, wier gewetensbezwaren ingevolge de [Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386) zijn erkend, een zoveel mogelijk daarmede overeenkomende regeling dient te worden vastgesteld; Gelet op het [Besluit gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002465) (Stb. 1964, 404), Besluit: Artikel 1 Vrijstelling van de gewone vervangende dienst wegens kostwinnerschap wordt verleend aan de erkende gewetensbezwaarde, ter zake van wiens verblijf in de vervangende dienst ten behoeve van een of meer personen, als omschreven in [artikel 16, tweede lid, van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386&artikel=16), een vergoeding als bedoeld in artikel 26 van die wet zou moeten worden toegekend. Artikel 2 1. De erkende gewetensbezwaarde, die vrijstelling wegens kostwinnerschap verlangt, dient daarop aanspraak te kunnen doen gelden: - a. op de datum, welke voor hem voor het aanvangen van de gewone vervangende dienst is of zal worden vastgesteld; - b. uiterlijk op 1 januari van het jaar, waarin hij 19 jaar oud wordt, indien hij vóór dit tijdstip de gewone vervangende dienst zou moeten aanvangen en na ontvangst van de desbetreffende oproeping, doch vóór de datum van opkomst, aannemelijk maakt, dat hij op 1 januari van dat jaar zal verkeren in een geval, als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003039&artikel=1&z=1978-10-21&g=1978-10-21). 2. Aan de erkende gewetensbezwaarde, bedoeld in het vorig lid onder b, wordt – uiterlijk tot 1 januari van het jaar, waarin hij 19 jaar oud wordt – zo nodig uitstel van de gewone v"},{"i":15587,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van VectoBac WG voor het bestrijden van exotische muggen in binnenruimten (Vrijstelling Vectobac WG 2025) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur; Gelezen het verzoek van de directeur Infectieziektenbeleid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (verder: VWS) op 23 juli 2024 tot vrijstelling van het verbod op het gebruik van de biocide VectoBac WG, voor het bestrijden van bepaalde exotische muggen (Aedes spec) in binnenruimten, met uitzondering van ruimten die bedoeld zijn of gebruikt worden voor menselijk verblijf; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528); BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van het bestrijden van bepaalde exotische muggen (Aedes spec) in binnenruimtes, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528), voor het onder voorwaarden op de Nederlandse markt aanbieden en gebruiken van de biocide VectoBac WG, en - b). artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528) toegestaan dat de in het onderdeel a genoemde biocide op de Nederlandse markt wordt aangeboden en gebruikt. Artikel 2 Aan de vrijstelling en toestemming, bedoeld in [artikel 1, onderdelen a onderscheidenlijk b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051000&artikel=1&z=2025-05-02&g=2025-05-02), zijn de in de bijlage bij dit besluit opgenom"},{"i":15591,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 23 april 2025, nr. WJZ/ 98207028, tot vaststelling van voorwaarden van afwijkend gebruik frequentieruimte ter bestrijding van onbemande mobiele systemen (Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte ter bestrijding van onbemande mobiele objecten) Gelet op [artikel 3.22, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22) en de [artikelen 1.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050986&artikel=1.3), [1.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050986&artikel=1.4) en [2.3, tweede lid, van het Besluit afwijkend gebruik frequentieruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050986&artikel=2.3); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit afwijkend gebruik frequentieruimte in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **azimut:** hoek van het maximaal uitgestraalde vermogen, geprojecteerd op het horizontale vlak, ten opzichte van het geografische noorden; - –. **besluit:** [Besluit afwijkend gebruik frequentieruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050986); - –. **eenheid:** organiek onderdeel van de politie, van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, of van het Ministerie van Defensie waarbinnen een radiointerventiemiddel voorhanden en aangelegd mag zijn; - –. **elevatie:** hoek van het maximaal uitgestraalde vermogen ten opzichte van het horizontale vlak; - –. **ICNIRP-aanbeveling:** ICNIRP guidelines for limiting exposure to electromagnetic fields (100 kHz to 300 GHz): 2020; - –. **minister:** minister van Economische Zaken; - –. **radiointerventiemiddel:** apparaat waarvan de inzet tot doel heeft om een onbemand mobiel object tot stoppen te brengen of zodanig te beïnvloeden dat hiermee een dreiging of het gevaar voor de veiligheid wordt afgewend. Artikel 2. Vrijstelling Afwijkend gebruik van de frequentieruimte dat voldoet a"},{"i":15599,"b":"Vuurwapenregeling BES Treedt in werking om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 1. De in deze regeling voorkomende uitdrukkingen hebben, met inachtneming van het bepaalde in het volgende lid, dezelfde betekenis als die zij hebben in de [Vuurwapenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028251). 2. Onder vuurwapenen worden mede verstaan: alarmpistolen en andere soortgelijke voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen met uitzondering van die, welke geen loop of een kennelijk verkorte, geheel gevulde loop hebben en welke zodanig zijn ingericht, dat zij enkel losse patronen van een kaliber kleiner dan 6 millimeter kunnen bevatten, terwijl de ligplaats van die patronen en de gasuitlaat loodrecht staan op den loop of op de lengterichting van het voorwerp. 3. Deze regeling berust op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028251&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028251&artikel=2), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028251&artikel=7) en [10 van de Vuurwapenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028251&artikel=10). Artikel 2 1. Invoer, uitvoer en doorvoer van vuurwapenen en van munitie zijn verboden. 2. Vervoer van vuurwapenen, anders dan door iemand, die ingevolge de [Wapenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028756) het wapen in het openbaar mag dragen, is op de openbare weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats verboden. Artikel 3 De verbodsbepalingen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028694&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), zijn niet van toepassing ten aanzien van invoer, uitvoer, doorvoer en vervoer: - 1. door of vanwege het Rijk of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - 2. toegelaten door de betrokken gezaghebber of met machtiging van hem, door de korpschef of door degene die als zijn plaatsvervanger is aangewezen, mits dit geschiedt met inachtnemin"},{"i":15608,"b":"Warenwet BES § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **waren:** alle roerende lichamelijke zaken; - c. **eet- of drinkwaren:** al hetgeen bestemd is door de mens te worden genuttigd, alsmede genotmiddelen, kauwpreparaten en grondstoffen daarvan; - d. **verpakking:** elk artikel of materiaal dat bestemd is om een waar of waren te bevatten of te omhullen; - e. **vervaardigen:** alle handelingen met betrekking tot het tot stand brengen van de waar, daaronder begrepen het bereiden; - f. **verhandelen:** alle handelingen die ten dienste staan van en samenhangen met de verkoop van de waar; - g. **ruimte:** elke plaats al dan niet permanent van aard alwaar handelingen met betrekking tot het vervaardigen van waren plaatsvinden; - h. **etikettering:** iedere aanduiding, identificatie, vermelding of voorstelling op of bij de waar dan wel op de verpakking daarvan gebezigd of aangebracht; - i. **Adviescommissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028619&paragraaf=3&artikel=7&z=2023-01-01&g=2023-01-01). § 2. Algemene bepalingen Artikel 2 1. Deze wet is niet van toepassing op het vervaardigen van waren in de sfeer van die particuliere huishouding waarbinnen zij worden genuttigd of gebruikt. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan een huishouding gelijk worden gesteld met een particuliere huishouding als bedoeld in het eerste lid. 3. In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat deze wet niet van toepassing is op voor militair gebruik bestemde waren. 4. Voorts kunnen bij algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van bindende verdragen of andere internationale afspraken en bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties regels worden gegeven, waarbij van de bepalingen van deze wet kan worden afgeweken o"},{"i":15615,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 november 2016, 1041185-157731-VGP, houdende vaststelling van regels met betrekking tot voor menselijke voeding bestemde caseïne en caseïnaten (Warenwetregeling caseïne en caseïnaten 2016) Gelet op: Richtlijn (EU) 2015/2203 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot voor menselijke voeding bestemde caseïne en caseïnaten en tot intrekking van [Richtlijn 83/417/EEG](31983L0417) van de Raad (PbEU 2015, L 314); [artikel 4, tweede lid, van het Warenwetbesluit Zuivel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006982&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **melkeiwit, type voedings-zuurcaseïne of voedingszuurcaseïne:** hetgeen [richtlijn 2015/2203](32015L2203) daaronder verstaat; - b. **melkeiwit, type voedings-lebcaseïne of voedingslebcaseïne:** hetgeen [richtlijn 2015/2203](32015L2203) daaronder verstaat; - c. **voor menselijke voeding bestemde caseïnaat:** hetgeen [richtlijn 2015/2203](32015L2203) daaronder verstaat. Artikel 2 1. De aanduiding ‘melkeiwit, type voedings-zuurcaseïne’ of ‘voedingszuurcaseïne’ als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038717&artikel=1&z=2016-12-22&g=2016-12-22), mag uitsluitend en moet worden gebezigd voor caseïne bestemd voor menselijke voeding, die voldoet aan de eisen opgenomen in bijlage I, onderdeel I, van [richtlijn 2015/2203](32015L2203). 2. De aanduiding ‘melkeiwit, type voedings-lebcaseïne’ of ‘voedingslebcaseïne’ als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038717&artikel=1&z=2016-12-22&g=2016-12-22), mag uitsluitend en moet worden gebezigd voor caseïne bestemd voor menselijke voeding, die voldoet aan de eisen opgenomen in bijlage I, onderdeel II, van [richtlijn 2015/2203](32015L2203). 3. De aanduiding ‘voor menselijke voeding bestemde caseïnaten’ als bed"},{"i":15624,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 november 2005, nr. VGP/VL 2637022, houdende de Warenwetregeling handelsbenamingen vis Gelet op [artikel 9a van het Warenwetbesluit Visserijproducten, slakken en kikkerbillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007216&artikel=9a); Besluit: Artikel 1 De lijst met handelsbenamingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van verordening (EU) 1379/2013, is opgenomen in de bijlage. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling handelsbenamingen vis. Bijlage De lijst met handelsbenamingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van [verordening (EU) 1379/2013](32013R1379), is de navolgende: | Nr | Wetenschappelijke naam | Handelsbenaming | | --- | --- | --- | | Vissen | | | | 1 | Chondrichthyes (Kraakbeenvissen) | | | 1.1 | Alopias spp. | Voshaai | | 1.2 | Callorynchus spp. | Zeerat | | 1.3.1 | Carcharhinus acronotus | Zwartsnuithaai | | 1.3.2 | Carcharhinus limbatus | Zwartpunthaai | | 1.3.3 | Carcharhinus longimanus | Witpunthaai | | 1.3.4 | Carcharhinus melanopterus | Zwartpuntrifhaai | | 1.3.5 | Carcharhinus plumbeus | Grijze haai | | 1.4 | Cetorhinus maximus | Reuzenhaai | | 1.5.1 | Dipturus batis | Vleet | | 1.5.2 | Dipturus oxyrinchus | Scherpsnuitrog | | 1.6 | Galeorhinus galeus | Ruwe haai | | 1.7 | Hexanchus griseus | Stompsnuitzeskieuwshaai, Zeskieuwshaai | | 1.8.1 | Isurus oxyrinchus | Makreelhaai, Kortvinmakreelhaai | | 1.8.2 | Isurus paucus | Langvinmakreelhaai, Langvinmako | | 1.9 | Lamna nasus | Haringhaai, Neushaai | | 1.10.1 | Mobula birostris | Grote duivelsrog | | 1.10.2 | Mobula mobular | Kleine duivelsrog | | 1.11 | Mustelus mustelus | Gladde haai, Toonhaai | | 1.12 | Prionace glauca | Blauwe haai | | 1.13 | Raja spp. | Rog | | 1.13.1 | Raja asterias | Atlantische sterrog | | 1.13.2 | Raja clavata | Stekelrog | | 1.13.3 | Raja miraletus | Spiegelrog | | 1.13.4 | Raja montagui | Gevlekte rog | |"},{"i":15627,"b":"Warenwetregeling kaaskorstbedekkingsmiddelen Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikel 12a, derde lid, van het Warenwetbesluit Zuivel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006982&artikel=12a); Gezien het advies van de Adviescommissie Warenwet van 19 juni 1995 met nummer 14886/(21)5; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit tot wijziging van het Warenwetbesluit Zuivel en van het Algemeen Aanduidingenbesluit in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **kaaskorstbedekkingsmiddel:** niet eetbaar bedekkingsmiddel dat op de korst van kaas is aangebracht; - **verordening (EG) 1333/2008:** [Verordening (EG) nr. 1333/2008](32008R1333) van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven. Artikel 2 1. Op de korst van kaas, bedoeld in [artikel 9 van het Warenwetbesluit Zuivel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006982&artikel=9), mogen kaaskorstbedekkingsmiddelen op basis van kunststofdispersies worden aangebracht. 2. Voor de vervaardiging van de in het eerste lid bedoelde kaaskorstbedekkingsmiddelen worden uitsluitend homo- of copolymeren gebruikt van de volgende monomeren: - a. etheen; - b. vinylesters van verzadigde vetzuren met een ketenlengte C2-C18; of - c. maleïnezure esters en fumaarzure esters van eenwaardige alifatische verzadigde alcoholen met een ketenlengte C4-C8. 3. Voor de vervaardiging van de in het tweede lid bedoelde polymeren mogen uitsluitend katalysatoren, polymerisatieregelaars, zuurteregelaars en oplosmiddelen worden gebruikt die voor het desbetreffende polymeer zijn toegelaten bij of krachtens het [Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370). 4. Voor de vervaardiging van de in het eerste lid bedoelde kaaskorstbedekkingsmiddelen mogen uitsluitend de volgende hulpstoffen worden gebruikt: - a. natrium-laurylsulfaat; - b. polyetheenoxide (4-14) et"},{"i":15631,"b":"Regeling methoden van onderzoek draagbaar klimmaterieel (Warenwet) Gelet op [artikel 4 van het Besluit draagbaar klimmaterieel (Warenwet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003914&artikel=4) (Stb. 1986, 86); De Adviescommissie Warenwet gehoord (advies van 10 juni 1983, nr. 13451/(11)15); Besluiten: Artikel 1 Ten aanzien van draagbaar klimmaterieel gelden de onderzoeksmethoden omschreven in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling methoden van onderzoek draagbaar klimmaterieel. Artikel 3 1. Deze regeling wordt met de daarbij behorende toelichting in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt. 2. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 1987 met dien verstande dat zij gedurende drie maanden na de inwerkingtreding niet geldt ten aanzien van de beoordeling van waren die vóór die datum in de handel zijn gebracht. Bijlage. Beproevingen van de stabiliteit, sterkte en stijfheid van draagbaar klimmaterieel 1. Voorbereiding van het te beproeven materieel Plaats het draagbare klimmaterieel op een voldoende draagkrachtig horizontaal vlak in het geval het betreft: Breng in het midden van het beklimbare deel een verticale kracht van 1000 N aan op de sport c.q. trede over een oppervlakte van 90 mm breed en de gehele diepte. Handhaaf de belasting gedurende 600 seconden. Draagbaar klimmaterieel, dat tweezijdig beklommen kan worden, moet aan beide zijden als boven omschreven worden belast. Daarna moet hetzelfde draagbare klimmaterieel aan de volgende beproevingen worden onderworpen. Breng het oplegpunt van één stijl omhoog en plaats er een blokje tussen van 10 mm dikte. Handhaaf de belasting gedurende 600 seconden. Verwijder de belasting en herhaal de beproeving met het blokje achtereenvolgens onder alle overige stijlen of bomen van het draagbare klimmaterieel. Daarna moet hetzelfde draagbare klimmaterieel aan de volgende beproevingen weerstand kunnen bieden. 2. Weerstand van het vrijstaand draagbare klimmaterie"},{"i":15635,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 januari 2006, nr. VGP/VL 2650539, houdende de Warenwetregeling procedures registratie en erkenning van levensmiddelenbedrijven Gelet op de [artikelen 3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018823&artikel=3), en [10, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018823&artikel=10); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. [verordening (EG) 178/2002](32002R0178): [verordening (EG) nr. 178/2002](32002R0178) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31); - b. exploitant van een levensmiddelenbedrijf: natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 3, derde lid, van [verordening (EG) 178/2002](32002R0178); - c. stadia van de productie, verwerking en distributie: stadia als bedoeld in artikel 3, zestiende lid, van [verordening (EG) 178/2002](32002R0178); - d. primaire productie: productie, fokken en telen als bedoeld in artikel 3, zeventiende lid, van [verordening (EG) 178/2002](32002R0178); - e. [verordening (EG) 852/2004](32004R0852): [verordening (EG) nr. 852/2004](32004R0852) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PbEU L 139 en 226); - f. [verordening (EG) 853/2004](32004R0853): [verordening (EG) nr. 853/2004](32004R0853) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU L 139 en 226); - g. verordening (EU) 2017/625: verordening (EU) 2017/625 van het Europees parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en"},{"i":15482,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 26 januari 2010 houdende de vaststelliing van algernene bepalingen die gelden ten aanzen van het productschap (Verordening PT algemene bepalingen 2009) gelet op de [artikelen 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=77), [83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=83), [93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93), [95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=96), [104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104), [106](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=106), [126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), [127 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=127); gelet op [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=7) en [10 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=10); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1:1 1. In deze verordening worden de begripsbepalingen van het [Instellingsbesluit Productschap tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235) overgenomen. 2. In de verordeningen van het Productschap Tuinbouw wordt verstaan onder: | a. | productschap | : het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : het bestuur van het productschap; | | c. | de voorzitter | : de voorzitter van het productschap; | | d. | secretaris | : de secretaris van het productschap; | | e. | functionaris | : eenieder werkzaam bij het productschap; | | f. | ondernemer | : de natuurlijke of rechtsperso"},{"i":15649,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 oktober 2010, nr. VGP/VC 3024905, houdende regels inzake jam met verlaagd suikergehalte (Warenwetregeling vrijstelling jam met verlaagd suikergehalte) Handelende in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en van Economische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 2001/113/EG](32001L0113) van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2001 inzake voor menselijke voeding bestemde vruchtenjam of -confituur, -gelei en -marmelade, alsmede kastanjepasta (PbEG 2002, L 10), alsmede op [artikel 16, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Vrijstelling wordt verleend van [artikel 13 van het Warenwetbesluit Verduurzaamde vruchtenproducten 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013972&artikel=13) voor als **jam met verlaagd suikergehalte** of **confituur met verlaagd suikergehalte** aangeduide waren met een suikergehalte dat ten minste 30% verlaagd is, waarin suikers niet gedeeltelijk zijn vervangen door zoetstoffen. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling vrijstelling jam met verlaagd suikergehalte. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15655,"b":"Besluit van 5 april 1932, tot uitvoering van de artikelen 33, 36 en 41, tweede lid, van de Wegenwet Op de voordracht van Onzen Minister van Waterstaat van 10 Februari 1932, La. H, Afdeeling Waterstaatsrecht; Gelet op de [Wegenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001948); Den Raad van State gehoord, advies van 8 Maart 1932, n°. 30; Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Waterstaat van 1 April 1932, La. A., Afdeeling Waterstaatsrecht; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onverminderd het bepaalde in de volgende artikelen wordt ter uitvoering van [art. 33 van de Wegenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001948&artikel=33), vastgesteld het volgende: Model Gemeente .......... Legger, ingevolge de [Wegenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001948) opgemaakt, van de wegen, gelegen buiten de door Gedeputeerde Staten van .... bij besluit(en) van ....., ingevolge [artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001948&artikel=27) vastgestelde bebouwde kom(men), van de wegen, bedoeld in [art. 28 van de Wegenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001948&artikel=28), welke deels binnen, deels buiten die bebouwde kom(men) zijn gelegen, alsmede van de toegangswegen naar stations, als bedoeld in [artikel 26, tweede lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26). | | Nommer van den weg (of van de brug). | I | | --- | --- | --- | | | Naam waaronder de weg (of de brug) bekend staat. | II | | | Eindpunten en richting van den weg (of van de brug). | III | | | Beperkingen in het gebruik v/d weg (of v/d brug), als bedoeld in [artikel 6 v/d Wegenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001948&artikel=6); alsmede de afschuttingen, welke zich op den weg bevinden. | IV | | | Verharding van den weg | V | | | **a.** Aard v/d verharding (of aangeven, dat de weg onverhard is). | | | | **b.** Breedte in meters v/d verharding of van de verschillende soorten van de verharding"},{"i":15659,"b":"Werkwijze Communicatie Commissariaat voor de Media § 1. Algemene uitgangspunten § 2. Voorlichting en vragen § 3. Openbaarmaking besluiten § 4. Openbaarmaking rapporten en adviezen § 5. Slot"},{"i":15553,"b":"Wet van 22 maart 2017 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet en de Wet op de zorgtoeslag in verband met enkele inhoudelijke en technische verbeteringen (Verzamelwet Zvw 2016) Artikel I Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel II Wijzigt de Wet op de zorgtoeslag. Artikel IIa Wijzigt de Wijzigingswet Zorgverzekeringswet, enz. (overgang van aantal taken van Zorginstituut Nederland naar CAK). Artikel IIb Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet. Artikel III Wijzigt deze wet en Wijzigingswet Zorgverzekeringswet, enz. (overgang van aantal taken van Zorginstituut Nederland naar CAK). Artikel IV 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. De [artikelen I, onderdeel Ao](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039440&artikel=I&z=2017-07-01&g=2017-07-01), [IIa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039440&artikel=IIa&z=2017-07-01&g=2017-07-01) en [IIb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039440&artikel=IIb&z=2017-07-01&g=2017-07-01) werken terug tot en met 1 januari 2017. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Verzamelwet Zvw 2016. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele inhoudelijke en technische verbeteringen aan te brengen in de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en de [Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451) onder meer met betrekking tot de bekendmaking van de premiegrondslag en in verband met de samenstelling van de commissies van het Zorginstituut; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleg"},{"i":15669,"b":"Wet van 16 december 2020 tot wijziging van enkele wetten houdende aanpassing van de belastingheffing over sparen en beleggen in de inkomstenbelasting (Wet aanpassing box 3) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen waarmee het heffingvrije vermogen in de vermogensrendementsheffing wordt verhoogd, het belastingtarief van de vermogensrendementsheffing wordt verhoogd en, om ongewenste effecten te voorkomen naar inkomensafhankelijke regelingen die voor hun vermogenstoets aansluiten bij de rendementsgrondslag, de aangifteplicht voor de inkomstenbelasting wordt verruimd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel III Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de zorgtoeslag. Artikel V Wijzigt de Wet op het kindgebonden budget. Artikel VI Wijzigt de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Artikel VII Wijzigt de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel IX Wijzigt de Wet bevordering eigenwoningbezit. Artikel X 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat: - a. [artikel I, onderdelen B tot en met E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044568&artikel=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01), en [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044568&artikel=III&z=2023-01-01&g=2023-01-01) eerst toepassing vinden nadat [artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1) bij het begin van het kalenderjaar 2021 is toegepast; - b. [artikel I, onderdelen D en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":15684,"b":"Wet van 4 oktober 1995, tot regeling van een vereenvoudigde administratie van de Grootboekschuld Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de schulden van de Staat der Nederlanden, welke zijn ingeschreven in de Grootboeken der Nationale Schuld als bedoeld in de Grootboekwet, worden gebracht onder een administratief stelsel dat beter is afgestemd op de huidige eisen van het maatschappelijk verkeer dan het stelsel van de Grootboekwet. Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de grootboeken: de Grootboeken der Nationale Schuld bedoeld in de [Grootboekwet](onbekend); - b. de schuldregisters: de schuldregisters bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007597&hoofdstuk=2&artikel=2&z=1999-02-17&g=1999-02-17); - c. Onze Minister: Onze Minister van Financiën. Hoofdstuk 2. De schuldregisters Artikel 2 Onze Minister draagt zorg voor het openen van schuldregisters, bestemd voor de inschrijving van schulden van de Staat der Nederlanden overeenkomstig hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald. Hoofdstuk 3. Beheer en inrichting van de schuldregisters Artikel 3 Op de schuldregisters is de Wet van 30 november 1949, houdende regelen nopens het beheer van schuldregisters voor geldleningen ten laste van het Rijk (**Stb.** J 529), van toepassing. Hoofdstuk 4. Overgangsbepalingen Artikel 4 1. Na het tijdstip waarop deze wet in werking is getreden vinden, behoudens overschrijving of afschrijving uit hoofde van deze wet, geen boekingen meer plaats op rekeningen in de grootboeken. 2. De inschrijvingen in de grootboeken worden, naar gelang de rechthebbenden op die inschrijvingen, derden die rechten kunnen doen gelden op die inschrijvingen e"},{"i":15692,"b":"Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enkele andere wetten in verband met de afschaffing van de plusregio’s Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verplichte samenwerking in plusregio’s te beëindigen, de bevoegdheden van deze regio’s te verdelen over provincies en gemeenten en daartoe de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) en enkele andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Opheffing plusregio’s Artikel I Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel II De [Wijzigingswet Wgr-plus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019114) wordt ingetrokken. Hoofdstuk 2. Wijziging van enkele wetten Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV Wijzigt de Provinciewet. Artikel V Wijzigt de Huisvestingswet. Artikel VI Wijzigt de Woningwet. Artikel VII Wijzigt de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek. Artikel VIII Wijzigt de Wet op het BTW-compensatiefonds. Artikel IX Wijzigt de Wet BDU verkeer en vervoer. Artikel X Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel XI Wijzigt de Planwet verkeer en vervoer. Artikel XII Wijzigt de Wet bereikbaarheid en mobiliteit. Artikel XIII Wijzigt de Wet Infrastructuurfonds. Artikel XIV Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel XV Wijzigt de Wet houdende regels met betrekking tot enkele specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten op het terrein van Verkeer en Waterstaat. Artikel XVI Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel XVII Wijzigt de Wet bodembescherming. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de jeugdzorg. Hoofdstuk 3. Samenloop met andere wetsvoorstellen Artikel XIX Wijzigt de Huisvestingswet 2014. Artikel XX Wijzigt de Huisvestingswet 2014."},{"i":15695,"b":"Wet van 24 oktober 1984, houdende algemene regelen in verband met wijziging van de gemeentelijke indeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is algemene regelen te stellen die bij wijziging van de gemeentelijke indeling van toepassing zijn; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; - b. wijziging van de gemeentelijke indeling: instelling en opheffing van gemeenten alsmede wijziging van gemeentegrenzen die naar verwachting het inwonertal van ten minste één van de betrokken gemeenten met 10% of meer zal doen toe- of afnemen; - c. wijziging van de provinciale indeling: instelling en opheffing van provincies alsmede wijziging van provinciegrenzen waardoor naar verwachting 10% of meer van het aantal inwoners van een gemeente deel gaat uitmaken van een andere provincie en wijziging van provinciegrenzen met niet provinciaal ingedeeld gebied; - d. grenscorrectie: een wijziging van een gemeentegrens die naar verwachting het inwonertal van geen van de betrokken gemeenten met 10% of meer zal doen toe- of afnemen; - e. herindelingsadvies: een met toepassing van deze wet voorbereid advies aan Onze Minister over wijziging van gemeentelijke en van provinciale grenzen; - f. herindelingsregeling: een wet, een algemene maatregel van bestuur of een besluit als bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&hoofdstuk=II&paragraaf=1&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&hoofdstuk=III&paragraaf=1&artikel=13&z=2024-01-01&g=2024-01-01) tot wijziging van de gemeentelijke of de provinciale indeling of tot grenscorrectie alsmede een samenstel van gelijkluidende bes"},{"i":15698,"b":"Wet van 19 december 2018 tot wijziging van enige wetten in verband met enkele maatregelen voor het bedrijfsleven (Wet bedrijfsleven 2019) Hoofdstukken 1 t/m 6 Hoofdstukken 1 t/m 6 Artikel 7.1. Wijzigingen [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) met ingang van 1 januari 2019 Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel 7.2 [Vervallen] Artikel 7.3. Wijzigingen [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) met ingang van 1 januari 2019 Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel 7.4. Wijzigingen [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) met ingang van 1 januari 2020 Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel 7.5. Wijzigingen [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) met ingang van 1 januari 2021 Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikelen 7.6 en 7.7 [Vervallen] Artikel 7.8. Wijziging [Wet werken aan winst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020645) met ingang van 1 januari 2019 Wijzigt de Wet werken aan winst. Artikel 7.9. Wijziging [Wet maatregelen woningmarkt 2014 II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034553)met ingang van 1 januari 2019 Wijzigt de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele fiscale maatregelen te treffen om voor ondernemingen een aantrekkelijk vestigingsland te blijven en gelijktijdig de aanpak van belastingontwijking voortvarend voort te zetten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 7. Wijzigingen enige wetten Artikel 8.0. Overgangsbepaling beperking afschrijving"},{"i":15731,"b":"Wet van 1 november 2001, houdende uitvoering van de Verordening (EG), nr. 718/1999, van de Raad van de Europese Unie van 29 maart 1999 betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren (PbEG L 90) (Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot) Allen, die zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is wettelijke bepalingen vast te stellen ter uitvoering van de [Verordening nr. 718/1999](31999R0718) van de Raad van de Europese Unie van 29 maart 1999 betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren (PbEG L 90), mede in verband met het door de Verdragsluitende Staten op 28 april 1999 te Straatsburg ter zake van een uniforme toepassing van voornoemde verordening in alle Verdragsluitende Staten ondertekende Aanvullend Protocol nr. 5 bij de op 17 oktober 1868 te Mannheim tot stand gekomen Herziene Rijnvaartakte (Trb. 1955, 161), alsmede de daarop betrekking hebbende Verklaring van de Overeenkomstsluitende Staten op grond waarvan het Aanvullend Protocol nr. 5 voorlopig kan worden toegepast voordat alle akten van bekrachtiging zijn nedergelegd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 29 april 1999, met uitzondering van de artikelen 6, 8, 9, 10 en 12, eerste lid. Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Raadsverordening: [Verordening nr. 718/1999](31999R0718) van de Raad van de Europese Unie van 29 maart 1999 betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren (PbEG L 90); - b. Onze Minister: Onze Minis"},{"i":15734,"b":"Wet van 24 november 2011, houdende de oprichting van het College voor de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om met het oog op de bescherming van de rechten van de mens, waaronder het recht op gelijke behandeling, en het bevorderen van de naleving daarvan in Nederland en mede ter uitvoering van Resolutie A/RES/48/134 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 20 december 1993 inzake nationale instituten voor de bevordering en bescherming van de rechten van de mens, aanbeveling R (97) 14 van het Comité van ministers van de Raad van Europa van 30 september 1997 inzake de oprichting van onafhankelijke nationale mensenrechteninstituten, [richtlijn nr. 2000/43/EG](32000L0043) van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PbEG L 180), [richtlijn nr. 2004/113/EG](32004L0113) van de Raad van de Europese Unie van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PbEU L 373) en [richtlijn nr. 2006/54/EG](32006L0054) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) (PbEU L 204), een nationaal mensenrechteninstituut op te richten, dat tevens is belast met de bescherming van het recht op gelijke behandeling en dat het mede in verband met [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79) noodzakelijk is daartoe wettelijke bepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en"},{"i":15755,"b":"Wet van 27 april 1994, houdende maatregelen gericht op een goede financiële basis voor de privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en reparatie van de invaliditeitspensioenen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorwaarden te scheppen voor de privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en dat daartoe maatregelen dienen te worden getroffen die leiden tot een gezonde financiële basis voor die privatisering, onder gelijktijdige invoering van een aantal inhoudingen in verband met de sociale zekerheid van het overheidspersoneel, en dat voorts de sociale partners in de overheidssector reparatie van de invaliditeitspensioenen gewenst achten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. AAW: de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet; - b. ABP: het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, bedoeld in [artikel L 1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet](onbekend); - c. Abp-wet: de [Algemene burgerlijke pensioenwet](onbekend); - d. ambtelijk inkomen: het ambtelijk inkomen, bedoeld in [artikel C 1 van de Abp-wet](onbekend); - e. ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in de [artikelen B 1](onbekend), [B 2](onbekend) en [B 3 van de Abp-wet](onbekend), alsmede degene die ambtenaar is ingevolge de krachtens [artikel B 7, onderdeel b, van de Abp-wet](onbekend) gestelde regels; - f. Amp-wet: de Algemene militaire pensioenwet; - g. Centrale Commissie: de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, bedoeld in [artikel 105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=105); - h. deelnemer: de ambtenaar, de wachtgelder en degene die een herplaatsingstoelage ontvangt; - i. deeltijdfactor: de deeltij"},{"i":15914,"b":"Wet van 12 januari 1977, tot vaststelling van de Wet op het centraal testamentenregister Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regelen betreffende de registratie van testamenten te herzien en aan te passen aan de behoeften van de praktijk; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een testamentenregister waarin worden opgenomen de in het volgende artikel vermelde gegevens van: - a. notariële akten bevattende uiterste willen of herroeping van uiterste willen; - b. akten bevattende bewaargeving of teruggave van uiterste willen; - c. uiterste willen als bedoeld in [artikel 105 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=105); - d. akten van benoeming ingaande bij overlijden. - e. notariële akten bevattende schenkingsovereenkomsten of andere giften met de strekking dat zij pas na het overlijden van de schenker of gever zullen worden uitgevoerd, bedingen als bedoeld in [artikel 126, tweede lid, onder a, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=126) en omzettingen als bedoeld in [artikel 126, tweede lid, onder c, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=126); - f. akten als bedoeld in [artikel 19a, eerste lid, onder a tot en met e, van de Consulaire Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001847&artikel=19a) die overeenkomstig de voorschriften van het recht van Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn opgemaakt. 2. In het register worden voorts opgenomen de in het volgende artikel vermelde gegevens van naar het in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldende recht opgemaakte akten, bevattende uiterste wilsbeschikkingen en schenkingen van de gehele of de gedeeltelijke"},{"i":15946,"b":"Wet van 29 april 2010 tot vaststelling van regels over referentieniveaus voor de taal- en rekenvaardigheden van leerlingen (Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat taal- en rekenvaardigheden een sleutelrol vervullen in de onderwijsloopbaan van leerlingen en van groot belang zijn voor het maatschappelijk en in voorkomende gevallen beroepsmatig functioneren van leerlingen; dat het wenselijk is te komen tot versterking van de taal- en rekenvaardigheden van leerlingen en tot een betere aansluiting tussen het taal- en rekenonderwijs van de verschillende sectoren in het onderwijs, in het belang van een doorlopende leerlijn van leerlingen; dat het in verband daarmee wenselijk is voor deze vaardigheden beheersingsniveaus vast te stellen; dat deze niveaus vanwege hun sectoroverstijgende betekenis een grondslag dienen te krijgen in een sectoroverstijgende wet; dat de doorwerking van de niveaus naar de afzonderlijke onderwijssectoren tevens noodzaakt tot aanpassing van de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549), de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) en de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **referentieniveau Nederlandse taal:** niveau van beheersing van de Nederlandse taal, uitgedrukt in kennis, inzicht en vaardigheden die van belang zijn voor de doorstroming naar het vervolgonderwijs en het maatschappelijk en in voorkomende gevallen beroepsmatig functioneren, waarmee de beheersing"},{"i":16064,"b":"Wet van 14 december 1983, houdende regelen ter voorkoming van verontreiniging door schepen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in verband met de bekrachtiging van het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (**Trb.** 1975, 147 en 1978, 187), zoals gewijzigd en aangevuld bij het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (**Trb.** 1978, 188), regelen vast te stellen teneinde uitvoering te kunnen geven aan de bepalingen van dit Verdrag en Protocol voor Nederland; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport:** de door Onze Minister aangewezen ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport; - **ballastwater:** water met daarin zwevende deeltjes dat aan boord wordt genomen teneinde de trim, helling, diepgang, stabiliteit van of krachten op het schip te beheersen; - **buitenlands schip:** een schip, niet zijnde een Nederlands schip en een schip als bedoeld in [artikel 2 van de Vaartuigenwet 1930 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028292&artikel=2); - **exploitant:** de eigenaar, rompbevrachter of ieder ander die de zeggenschap heeft over het gebruik van een schip; - **haven:** een rede, pier of steiger en in het algemeen iedere plaats, al of niet in zee, waar schepen ligplaats kunnen hebben of waar opvarenden en zaken ingescheept of ontscheept kunnen worden; - **havenafvalplan:** het plan, bedoeld in [artikel 6a, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&hoofdstuk=I"},{"i":16176,"b":"Regeling tot wijziging van de Regeling model document voor bromfietsen in verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen Gelet op [artikel 4, vierde lid, van het besluit van 16 september 1965, houdende vaststelling van het bewijs van verzekering voor de niet-kentekenplichtige motorrijtuigen en enkele regelen met betrekking tot het bewijs van vrijstelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002503&artikel=4) (Stb.414); Na overleg met de Minister van Justitie, Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994, enz. (invoering kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen) in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Regeling model document voor bromfietsen. Artikel II [Artikel 1 van de Regeling model document voor bromfietsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002508&artikel=1), zoals dit artikel luidde voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regeling, blijft van kracht: - a. voor wat betreft een bromfiets die op dat tijdstip reeds in het verkeer is gebracht tot voor de betrokken bromfiets een kenteken is opgegeven ter zake waarvan een kentekenbewijs is afgegeven als bedoeld in [artikel IV, van de wet van 12 mei 2005 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018326&artikel=IV) en enkele andere wetten in verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen alsmede vaststelling van overgangsbepalingen in verband daarmee (Stb. 281), of - b. tot het tijdstip waarop [artikel IV van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018326&artikel=IV) vervalt. Artikel III Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [wet van 12 mei 2005 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en enkele andere wetten in verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen alsmede vaststelling van overgangsbepalingen in verband daarmee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018326)(Stb. 281) in werkin"},{"i":16254,"b":"Wet van 3 juli 2019 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2019) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ten behoeve van het toezicht op accountantsorganisaties informatieverstrekking door het Bureau financieel toezicht aan de Autoriteit Financiële Markten mogelijk te maken, verordeningen en nadere voorschriften van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants in bepaalde gevallen aan goedkeuring van Onze Minister te onderwerpen, de bevoegdheid tot het afgeven van verklaringen van vakbekwaamheid aan personen met een buitenlandse accountantsopleiding en -kwalificatie over te dragen aan de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants, alsmede enige andere wijzigingen en verbeteringen in de wetgeving op het terrein van de financiële markten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel III Wijzigt de Wet op het accountantsberoep. Artikel IV 1. Een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in [artikel 54, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=54) die is afgegeven voor de inwerkingtreding van [artikel III, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042420&artikel=III&z=2020-01-01&g=2020-01-01), wordt aangemerkt als een verklaring van vakbekwaamheid, afgegeven door de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants. 2. Een aanvraag om een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in [artikel 54, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573"},{"i":16255,"b":"Wet van 7 december 2022 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998, de Wet financiële markten BES en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2022-II) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Financieel Stabiliteitscomité wettelijk te verankeren, een ruimere definitie van kredietvergoeding in de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883) te hanteren, alsmede enige andere wijzigingen en verbeteringen in de wetgeving op het terrein van de financiële markten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Bankwet 1998. Artikel III Wijzigt de Faillissementswet. Artikel IV Wijzigt de Pensioenwet. Artikel V Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel VI Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren 2018. Artikel VII Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving. Artikel VIII Wijzigt de Wet financiële markten BES. Artikel IX Wijzigt de Wet tuchtrechtspraak accountants. Artikel X Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel XI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel XII Wijzigt de Muntwet 2002. Artikel XIII Wijzigt de Sanctiewet 1977. Artikel XIV Wijzigt de Wijzigingswet financiële markten 2022. Artikel XV 1. Deze wet, met uitzondering van [artikel X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047899&artikel=X&z=2023-07-01&g=2023-07-01), treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. [Artikel X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047899&artikel=X&z=2023-07-01&g=2023-07-01) treedt in werking met ingang"},{"i":16430,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juli 2014, kenmerk 378012-121397-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake bekostiging van verpleging en verzorging Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 19 mei 2014 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2013/14,30 597, nr. 440); Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - b. **zorgaanbieder:** zorgaanbieder zoals bedoeld in [artikel 1 aanhef en onder c van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - c. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - d. **verpleging en verzorging:** zorg omschreven bij of krachtens [artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10) en verblijf zoals omschreven in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12) voor zover het intensieve kindzorg betreft; - e. **individueel toewijsbare verpleging en verzorging:** zorg die te koppelen is aan een individueel zorgtraject van een verzekerde; - f. **niet individueel toewijsbare verpleging en verzorging:** zorg die niet te koppelen is aan een individueel zorgtraject van een verzekerde; - g. **complexe wondzorg:** zorg voor wonden met een verstoorde genezingstendens ten gevolge van pathofysiologische factoren. Artikel 2. tariefsoorten De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2"},{"i":16654,"b":"Beleidsregels Meerzorg pgb Zorg en Zekerheid zorgkantoor gelet op [artikel 2.2 lid 1 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen in hoeverre er sprake is van een zorgprofiel overstijgende zorgbehoefte, en gelet op [artikel 5.1e Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.1e) en de daarin besloten bevoegdheid om af te wijken van de bedragen genoemd in [bijlage H Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&bijlage=H), besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Zorgkantoor Zorg en Zekerheid hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 tot en met 4 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Meerzorg pgb Zorg en Zekerheid zorgkantoor. Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregels in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het kan gebeuren dat een Wlz-geïndiceerde meer zorg nodig heeft dan op grond van zijn indicatie mogelijk is. In bepaalde gevallen is het budget van het zorgprofiel onvoldoende om passende zorg thuis te bieden. Zorgkantoren kijken dan naar de aard van zorg zoals verwoord in de beschrijving van het zorgprofiel1Bijlage A. bij artikel 2.1 van de Regeling langdurige zorg of van daaruit sprake is van een bijzondere zorgbehoefte die niet passend is in die beschrijving. Het uitgangspunt van zorgkantoren is dat er recht is op een budget dat toereikend is om op passende wijze te voorzien in de zorgbehoefte. De zorgbehoefte is daarmee leidend. De zorgbehoefte van de verzekerde is de behoefte aan zorg die medisch en zorginhoudelijk noodzakelijk is. Tegelijkertijd draagt het zorgkantoor de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met gemeenschapsgelden en onnodige uitga"},{"i":14057,"b":"regeling afgifte verklaringen door de Koninklijke marechaussee Gezien de brief van de Commandant Koninklijke marechaussee van 21 september 1994 en de brief van de Commandant van het district Koninklijke marechaussee Luchtvaart van 17 augustus 1994; Besluit: Artikel 1 De Commandant Koninklijke marechaussee is gemachtigd tot het namens de Minister van Justitie uitoefenen van de bevoegdheid tot het afgeven van een verklaring ten aanzien van personen naar wie een veiligheidsonderzoek is ingesteld in verband met een te vervullen vertrouwensfunctie op de burgerluchtvaartterreinen Schiphol, Rotterdam, Eelde, Maastricht, Eindhoven en Twente. Artikel 2 De bevoegdheid, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006999&artikel=1&z=1994-11-02&g=1994-11-02), gaat in geval van afwezigheid van de in dat artikel genoemde mandataris voor de duur daarvan over op zijn plaatsvervanger. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 2 november 1994. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als regeling afgifte verklaringen door de Koninklijke marechaussee. Deze regeling zal met bijbehorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Van de plaatsing zal mededeling worden gedaan in het Algemeen Politieblad."},{"i":13143,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 11 maart 2024, nr. 5192965/24/DI&I, houdende de herbenoeming en naamswijziging van de Commissie advies Informatie en Openbaarheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (voorheen: Commissie advies informatiehuishouding JenV) Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b). **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049763&artikel=2&z=2024-06-06&g=2024-06-06). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie advies Informatie en Openbaarheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. 2. De commissie geeft gevraagd en ongevraagd advies over de waarde, betrouwbaarheid, toegankelijkheid en toekomstbestendigheid van JenV-informatie, ten behoeve van burgers en beroepsgroepen zoals wetenschappers en onderzoeksjournalisten en een mogelijke toenemende vraag om openbaarheid van overheidsinformatie door verregaande digitalisering. De commissie kan JenV voorts adviseren inzake ketenarchivering en het gebruik van Artificiële Intelligentie binnen het domein informatiehuishouding. Daarnaast worden door juridische, maatschappelijke en digitale ontwikkelingen extra hoge eisen aan het beheer van overheidsinformatie gesteld. De commissie adviseert over actuele vraagstukken die hieruit voortvloeien. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zeven andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van vier jaar. Herbenoeming kan voor één periode van maximaal vier jaar plaatsvinden. 5. De voorzitter en de andere leden kunnen (op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden) wo"},{"i":12763,"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2023 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2023 vastgesteld op 0,201606%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2023 vastgesteld op 0,192368%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":6213,"b":"Wet van 13 september 1995, tot gemeentelijke herindeling in het samenwerkingsgebied 's-Hertogenbosch Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling in het samenwerkingsgebied 's-Hertogenbosch te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Berlicum, Boxtel, Den Dungen, Esch, Haaren, Helvoirt, 's-Hertogenbosch, Liempde, Rosmalen en Sint-Michielsgestel opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling worden de nieuwe gemeenten Boxtel, Haaren, 's-Hertogenbosch en Sint-Michielsgestel ingesteld. Artikel 3 De nieuwe gemeente Boxtel bestaat uit het gebied van de op te heffen gemeenten Boxtel en Liempde, met dien verstande dat haar grens komt te lopen als aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 4 De nieuwe gemeente Haaren bestaat uit het gebied van de op te heffen gemeenten Esch, Haaren en Helvoirt, met dien verstande dat haar grens komt te lopen als aangegeven op de bij deze wet behorende kaarten. Artikel 5 De nieuwe gemeente 's-Hertogenbosch bestaat uit het gebied van de op te heffen gemeenten 's-Hertogenbosch en Rosmalen, met dien verstande dat haar grens komt te lopen als aangegeven op de bij deze wet behorende kaarten. Artikel 6 De nieuwe gemeente Sint-Michielsgestel bestaat uit het gebied van de op te heffen gemeenten Berlicum, Den Dungen en Sint-Michielsgestel, met dien verstande dat haar grens komt te lopen als aangegeven op de bij deze wet behorende kaarten. § 2. Grenswijzigingen van gemeenten die niet worden opgeheven Artikel 7 De grenzen van de gemeenten Drunen, Heesch, Lith, Maasdonk, Schijndel, Sint-Oedenrode, Veghel, Vlijmen en Vught worden gewijzigd als aangegeven op de bij deze wet behor"},{"i":6187,"b":"Wet van 29 oktober 2009, houdende regels omtrent de aanwijzing van een nationale accreditatie-instantie in verband met de implementatie van EG-verordening nr. 765/2008 (Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ter implementatie van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 (PbEU L 218) tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van [verordening (EG) nr. 339/93](31993R0339) voorzien moet worden in de aanwijzing van de nationale accreditatie-instantie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. verordening: [verordening (EG) nr. 765/2008](32008R0765) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 (PbEU L 218) tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 339/93](31993R0339); - c. conformiteitsbeoordelingsinstantie: conformiteitsbeoordelingsinstantie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 13, van de verordening; - d. accreditatie: accreditatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, juncto artikel 3 van de verordening; - e. Raad voor Accreditatie: de Stichting Raad voor Accreditatie genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2019-01-01&g=2019-01-01). Hoofdstuk 2. Aanwijzing nationale accreditatie-instantie Artikel 2 1. De Stichting Raad voor Accreditatie wordt aangewezen als nationale accreditatie-instantie in de zi"},{"i":16702,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 juni 2016, kenmerk 979700-151911-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake Model kwaliteitsstatuut ggz – kwaliteit loont Gelet op [artikel 7, eerste lid onder b van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 26 april 2016 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2014/15, 29 689, nr. 611); Gezien het Algemeen Overleg GGZ gehouden op 26 mei 2016; Besluit: Artikel 1. reikwijdte Deze aanwijzing heeft betrekking op de curatieve geestelijke gezondheidszorg. Artikel 2. Model kwaliteitsstatuut De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet in haar beleidsregels in de mogelijkheid om, conform de professionele standaard “Model kwaliteitsstatuut GGZ” als ingeschreven in het register van het Zorginstituut, als bedoeld in [artikel 66b van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=66b), de volgende voorschriften of beperkingen aan de prestatiebeschrijvingen te verbinden: - 1. met ingang van 1 januari 2017 mogen uitsluitend de beroepsgroepen die in aanmerking komen voor het regiebehandelaarschap als vermeld in de professionele standaard het tarief declareren, tenzij partijen gebruik maken van de experimenteerruimte; - 2. met ingang van 1 januari 2018 geldt voor de zorgaanbieder de verplichting een schriftelijke overeenkomst te hebben met de partij(en) als genoemd in de professionele standaard voor de aanlevering van Routine Outcome Monitoring-gegevens. Artikel 3. uitzondering 18-jarige De verplichting van [artikel 2, aanhef en onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038079&artikel=2&z=2016-08-01&g=2016-08-01), geldt niet indien de cliënt tijdens de behandeling de leeftijd van 18 jaar bere"},{"i":16703,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 21 december 2011, nr. MC-3098541, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de beschikbaarheidbijdrage 2012 Gelet op [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) en [59 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59); Na op 22 november 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2010/11, 32 620, nr. 33) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over de voornemens met betrekking tot de inzet van het instrument beschikbaarheidbijdrage bij de invoering van prestatiebekostiging bij medisch specialistische zorg; Gelet op de korte aantekeningen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 6 december 2011, kenmerk 43547/WB; Gelet op het algemeen overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 21 december 2011; Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **Interimbesluit:** [Interimbesluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030760) (Stb. 2011, 589); - e. **Aanwijzing transitiemodel:** [Aanwijzing transitiemodel prestatiebekostiging medisch specialistische zorg 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030318) van 29 juli 2011 (Stcrt. 2011, 13950); - f. **compensatie voor diensten van algemeen economisch belang:** compensatie voor diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Beschikking van de Commissie"},{"i":16857,"b":"Besluit ondermandatering Raad voor Rechtsbijstand in het kader van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers Gelet op [hoofdstuk 10, Titel 10.1, Afdeling 10.1.1. van de Algemene Wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 2 van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024932) (Stc. 2008, 2211); Besluit: Artikel 1 De Raad verleent medewerkers in de functie van stafmedewerker Wsnp en Btv en administratief medewerkers Wsnp en Btv ondermandaat ten aanzien van handelingen en bevoegdheden met betrekking tot de erkenning van EG-beroepskwalificaties en tijdelijke en incidentele werkzaamheden van migrerende of grensoverschrijdende beoefenaren van de Nederlandse gereglementeerde beroepen tolk en vertaler, zoals vermeld in [artikel 2 van de regeling erkenning EG-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024932&artikel=2). Artikel 2 1. Het hoofd Bureau beëdigde tolken en vertalers beslist op bezwaarschriften. Indien het besluit in primo is genomen door het hoofd Bureau beëdigde tolken en vertalers wordt het besluit op het bezwaarschrift genomen door de landelijke directie van de Raad voor Rechtsbijstand. 2. In de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de Raad voor Rechtsbijstand in beroep, wordt via een afzonderlijke machtiging voorzien. Artikel 3 Dit besluit is vastgesteld door de Raad. Eventuele wijzigingen behoeven de instemming van de Raad. Artikel 4 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en via de internetsite van de Raad voor Rechtsbijstand, Bureau btv (www.bureaubtv.nl), en treedt in werking op de tweede dag na publicatie in de Staatscourant. Artikel 5 Deze regeling kan worden aangehaald als het Besluit ondermandatering Raad voor Rechtsbijstand in het kader van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers."},{"i":16859,"b":"Besluit van 30 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot de ontheffing van verplichtingen genoemd in de Werkloosheidswet en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Besluit ontheffing verplichtingen WW en Wet WIA) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 augustus 2006, nr. SV/WV/2006/56306; Gelet op de [artikelen 24, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24), en [26, zesde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=26) en [32, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=32); De Raad van State gehoord (advies van 17 augustus 2006, no. W12.06.0346/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 oktober 2006, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/2006/88880; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: **IOW:** [Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394); **IOW-uitkering:** een uitkering op grond van de [IOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394); **mantelzorg**: noodzakelijke zorg voor een zieke of gehandicapte; **uitkeringsgerechtigde**: de verzekerde, bedoeld in de [Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), die zijn resterende verdiencapaciteit als bedoeld in [paragraaf 7.2 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&paragraaf=7.2) niet volledig benut of de werknemer, bedoeld in [hoofdstuk 1, paragraaf 2, van de WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&paragraaf=2), die recht heeft op een WGA-uitkering respectievelijk een WW-uitkering, of de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning, bedoeld in [artikel 2:15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:15) en [2:17 van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:17), de verzeke"},{"i":16862,"b":"Besluit van 15 januari 2019, houdende vaststelling van regels ter uitvoering van de Gezondheidswet en de Jeugdwet over de openbaarmaking van informatie over naleving en uitvoering van regelgeving (Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en onze Minister voor Rechtsbescherming van 14 november 2018, kenmerk 1154311-165466-WJZ; Gelet op de [artikelen 38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=38), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=44), [44a, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=44a) en [44d van de Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=44d) en de [artikelen 9.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=9.7), [9.8 zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=9.8), en [9.9 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=9.9); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 november 2018, no. W13.18.0359/III, RvS.); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 januari 2019, kenmerk 1154304-165466-WJZ); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarbij behorende bijlage wordt verstaan onder: - a. **NVWA:** Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van het Besluit staatstoezicht op de volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010009&artikel=1); - b. **IGJ:** Inspectie gezondheidszorg en jeugd, bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van het Besluit staatstoezicht op de volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010009&artikel=1); - c. **IJenV:** Inspectie Justitie en Veiligheid, bedoeld in [artikel 60 van het Organisatie"},{"i":16873,"b":"Besluit van 17 mei 1985, houdende overbrenging van de zorg voor de uitvoering van de artikelen 38 tot en met 44 van de Woonwagenwet (Commissie van advies) van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 14 mei 1985, nr. MJZO755054; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig De zorg voor de uitvoering van de artikelen 38 tot en met 44 van de Woonwagenwet (**Stb.** 1968, 98), thans behorende tot de taak van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, gaat met ingang van 15 mei 1985 over naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Binnenlandse Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Ministers, aan de Raad van State, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Kamers der Staten-Generaal."},{"i":19193,"b":"Richtsnoeren vereenvoudigde afdoening van boetezaken ACM Gelet op de bevoegdheid van de ACM tot het opleggen van boetes bij overtreding van wettelijke bepalingen waarop zij toezicht houdt1In het bijzonder artikel 4.21, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012, artikel 3.8, eerste lid, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied, artikel 77i van de Elektriciteitswet 1998, artikel 60ad van de Gaswet, de artikelen 12l, derde lid, en 12m, eerste en tweede lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt, artikel 45f, eerste lid, aanhef en onder a, van de Loodsenwet, de artikelen 56, aanhef en onderdeel a, 70a, aanhef en onderdeel a, 71, 73, 74, aanhef en onderdelen 1º tot en met 5º, onder a, en artikel 75, aanhef en onderdeel a, van de Mededingingswet, artikel 49, eerste lid, van de Postwet 2009, artikel 76, tweede lid, aanhef en onder a, van de Spoorwegwet, artikel 15.4, tweede en derde lid, van de Telecommunicatiewet, artikel 18, tweede lid, van de Warmtewet, artikel 2.9,eerste lid, onderdeel b, jo. artikel 2.15 van de Wet handhaving consumentenbescherming, artikel 22 van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie en artikel IXc, vierde lid, aanhef en onderdeel a, en vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nader regels omtrent een onafhankelijk netbeheer (Stb. 2006, 614), artikel 8.25h, vierde lid, en 11.24 van de Wet luchtvaart, en artikel 96a van de Wet personenvervoer 2000. en gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: I. Inleiding II. Voordelen van vereenvoudigde afdoening III. Uitgangspunten en spelregels Initiatief Welke boetezaken lenen zich voor vereenvoudigde afdoening? Deelname is vrijwillig Opschorten beslistermijn Geheimhouding Gesprekken in de vereenvoudigde procedure Het stopzetten van de vereenvoudigde procedure Apart dossier voor v"},{"i":18862,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 7 juli 2021 nr. BOACAT2021/032, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Ministerie van Financiën/Douane Gelezen het verzoek van de Directeur Bedrijfsvoering van het Ministerie van Financiën/Douane van 24 juni 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de Directeur-Generaal Belastingdienst; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045391&artikel=2&z=2021-07-13&g=2021-07-13). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker informatieverwerking Douane in dienst van het Ministerie van Financiën/Douane, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de func"},{"i":16971,"b":"Besluit vaststelling selectielijst College Sanering Zorginstellingen vanaf 1981 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van het College Sanering Zorginstellingen over de periode vanaf 1981 (actualisatie 2017) en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst - •. [College Sanering Ziekenhuisvoorzieningen 1982–2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017279) (Stcrt. 2004, 215) wordt afgesloten met de inwerkingtreding van de selectielijst die met dit besluit wordt vastgesteld. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19091,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 15 februari 2019, kenmerk 2429311, houdende regels betreffende de kwalificaties van opsporingsambtenaren die door de korpschef kunnen worden aangewezen als lid van een technisch team Gelet op [artikel 3, derde lid, van het Besluit onderzoek in een geautomatiseerd werk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041426&artikel=3), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **‘besluit’:** [Besluit onderzoek in een geautomatiseerd werk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041426); - b. **‘technisch team', ‘en ‘korpschef’:** hetgeen het [besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041426) daaronder verstaat. Artikel 2 Een opsporingsambtenaar, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041426&artikel=3), kan door de korpschef worden aangewezen als lid van een technisch team indien hij beschikt over de in de bijlage bedoelde kwalificaties. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als Regeling kwalificaties opsporingsambtenaren technisch team. Bijlage. bij [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041953&artikel=2&z=2019-02-28&g=2019-02-28) van de Regeling kwalificaties opsporingsambtenaren technisch team | | | **Eisen** | | --- | --- | --- | | **Kennis, Vaardigheden en ervaring** | **1. Software engineering** | – Kennis van programmeren. – Vaardig in het programmeren in meerdere talen. | | **Kennis, Vaardigheden en ervaring** | **2. Web** | – Actuele kennis van webapplicaties. – Vaardig in het omzeilen van beveiliging van webapplicaties en webservers zoals beschreven in de OWASP top 101. | | **Kennis, Vaardigheden en ervaring** | **3. Reverse engineering** | – Vaardig in het analyseren van code. | | **Kennis, Vaardigheden en ervaring** | **4. Binary exploitation** | – Kennis van buffer overflows."},{"i":19272,"b":"Wet van 23 april 2025 tot wijziging van enkele wetten op het gebied van Justitie en Veiligheid en op het gebied van Asiel en Migratie in verband met aanpassingen van overwegend technische aard (Verzamelwet Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie 2025) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in enkele wetten op het terrein van Justitie en Veiligheid en op het terrein van Asiel en Migratie beperkte wijzigingen en correcties van wetstechnische of anderszins beperkte aard aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Auteurswet. Artikel III Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel V Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel VI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 4. Artikel VII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel VIII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IX Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7A. Artikel X Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 8. Artikel XI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 10. Artikel XII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 1. Artikel XIII Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel XIV Wijzigt de Overleveringswet. Artikel XV Wijzigt de Politiewet 2012. Artikel XVI Wijzigt de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Artikel XVII Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel XVIII Wijzigt de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne. Artikel XIX Wijzigt de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie. Artikel XX Wijzigt de Uitleveringswet. Artikel XXI Wijzigt de Uitvoeringswet restmechanismen straftribunalen. Artikel XXII Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel XXIII Wijzigt de We"},{"i":17147,"b":"Wet van 5 november 2014 tot het wijzigen van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Jeugdwet (Invoeringswet Jeugdwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de inwerkingtreding van de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) wenselijk is een aantal wetten te wijzigen teneinde deze in overeenstemming te brengen met de Jeugdwet alsmede een aantal verbeteringen aan te brengen in de Jeugdwet; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijziging van diverse wetten Artikel 1.1 Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel 1.2 Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel 1.3 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.3a Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 1.4 Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Artikel 1.5 Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Artikel 1.6 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel 1.7 Wijzigt de Gemeentewet. Artikel 1.8 Wijzigt de Gratiewet. Artikel 1.9 Wijzigt de Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming. Artikel 1.10 Wijzigt de Kwaliteitswet zorginstellingen. Artikel 1.11 Wijzigt de Leerplichtwet 1969. Artikel 1.12 Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel 1.13 Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel 1.14 Wijzigt de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming. Artikel 1.15 Wijzigt de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering. Artikel 1.16 Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel 1.17 Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel 1.18 Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel 1.19 Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens. Artikel 1.20 Wijzigt de Wet Landelijk Bureau Innin"},{"i":19072,"b":"Onderlinge regeling Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten ex art. 38, eerste lid, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (beschikbaarstelling detentiecapaciteit) Overwegende, dat in onderdeel D van de Slotverklaring van het bestuurlijk overleg over de toekomstige staatkundige positie van Curaçao en Sint Maarten op 2 november 2006 is afgesproken dat Curaçao, Sint Maarten en Nederland op basis van een onderlinge regeling als bedoeld in [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38), met elkaar zullen samenwerken om te voorzien in het beschikbaar stellen van detentiecapaciteit ten behoeve van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ten behoeve van elkaar; Overwegende dat, in het justitieel vierpartijen overleg van 12 december 2012, waarin door de Ministers van Justitie van het Koninkrijk der Nederlanden is uitgesproken dat Aruba deel gaat nemen aan de onderlinge regeling als bedoeld in [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) regelende de samenwerking tussen Curaçao, Sint Maarten en Nederland op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit. Gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); Komen het volgende overeen: Artikel 1 1. Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, hierna ook aan te duiden als de landen en elk afzonderlijk als land, stellen ten behoeve van elkaar detentiecapaciteit ter beschikking op de wijze, bij deze onderlinge regeling bepaald. 2. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder detentiecapaciteit verstaan de beschikbare verblijfsruimte voor het onderbrengen van personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen op grond van een bevel tot voorlopige hechtenis of een veroordeling tot een vrijheidsstraf, hierna ook aangeduid als gede"},{"i":19009,"b":"Erkenning Stichting reclassering Nederland Gelezen het verzoek, met bijlagen, van 19 december 1994 van de Stichting Reclassering Nederland, gevestigd te 's-Hertogenbosch; Gelet op de [artikelen 2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&artikel=2), [3, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&artikel=3) (Stb. 1994, 875); Gezien de statuten van de Stichting Reclassering Nederland van 21 november 1994 en de concept-fusie-akte van de Stichting NFR en de 19 arrondissementale stichtingen; Besluit: De Stichting Reclassering Nederland, gevestigd te 's-Hertogenbosch, met ingang van 1 januari 1995, te erkennen als de landelijke stichting, als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&artikel=2)."},{"i":19125,"b":"Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling, dierendoding, dierenverwaarlozing, bijtincidenten en overtreding houdverbod dieren Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op het mishandelen van dieren, het doden van dieren en op dierenverwaarlozing door particulieren. Daarnaast voorziet deze richtlijn in een uitgangspunt voor het overtreden van het zelfstandig houdverbod. Ook is er een tabel voor bijtincidenten en een uitgangspunt voor het houden van niet geregistreerde honden. Deze richtlijn kent een eigen recidiveregeling. De feiten mishandeling en doden van dieren, en verwaarlozing zijn onderverdeeld naar de meest voorkomende gedragingen en gevolgen. De strafbare feiten doden van een dier ([2.10 Wet Dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.10)) en vernieling van een dier ([350 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=350)) zijn niet afzonderlijk opgenomen in een tabel, omdat de gedragingen die eronder kunnen vallen zowel op grond van (verschillende kwalificaties in) de [Wet Dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250) als op grond van het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) strafbaar kunnen zijn. De ernst van het feit is bepalend voor de strafmaat en niet de kwalificatie. Algemeen Dierenmishandeling, dierendoding en verwaarlozing leiden nagenoeg altijd tot zeer grote maatschappelijke verontwaardiging. Het uitgangspunt van deze richtlijn is de intrinsieke waarde van het dier zoals vastgelegd in [artikel 1.3 van de Wet Dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=1.3). Dit staat los van de gebruikswaarde die de mens aan een dier toekent. Onder erkenning van de intrinsieke waarde wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. De Wet dieren houdt ten volle rekening met de gevolgen voor de intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien da"},{"i":17586,"b":"Regeling van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 12 juli 2022, kenmerk 3355048-1028024-PZO houdende regels voor de subsidiëring van [ont]regelprojecten bij zorgaanbieders (Subsidieregeling [ont]regelprojecten zorgaanbieders) Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen - **AGB-code:** Algemene GegevensBeheer-code van een zorgaanbieder zoals geregistreerd in het Algemene GegevensBeheer-register dat wordt beheerd door Vektis; - **de-minimisverordening:** [Verordening (EU) nr. 1407/2013](32013R1407) van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352); - **de-minimisverklaring:** verklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de de-minimisverordening; - **duurzame impact:** blijvend effect voor ten minste twee jaren; - **minister:** Minister voor Langdurige Zorg en Sport; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **samenvatting:** compacte weergave van de voorgenomen, ten dele of geheel uitgevoerde activiteiten waaruit blijkt wat de verwachte of gerealiseerde voortgang of opbrengsten van de activiteiten zijn met betrekking tot het verminderen van de administratieve lasten en waarin de contactgegevens van de aanvrager zijn vermeld; - **Zvw-zorgaanbieder:** instelling die Zvw-zorg verleent; - **Zvw-zorg:** zorg of een andere dienst waarop aanspraak bestaat ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1). Artikel 2. Toepassing [Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Op deze regeling is [artikel 10.1 van de Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":19455,"b":"Besluit vaststelling termijnen voor de klachtenprocedure van artikel 71 van de Spoorwegwet Gelet op [artikel 71, zesde lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=71), Besluit: Artikel 1. – Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Aanvrager:** een gerechtigde, een spoorwegonderneming, een partij bij een toegangsovereenkomst of een kaderovereenkomst, of een andere betrokken partij die een aanvraag indient als bedoeld in [artikel 71, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=71); - b. **Klacht:** een aanvraag als bedoeld in [artikel 71, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=71); - c. **Klachtbesluit:** een besluit als bedoeld in [artikel 71, tweede lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=71). Artikel 2. – Ontvangst van de klacht Binnen vier weken na ontvangst van de klacht vraagt de Autoriteit Consument en Markt, indien dat naar haar oordeel noodzakelijk is voor de behandeling van de klacht, relevante gegevens en bescheiden op en treedt zij in overleg met alle betrokken partijen. Artikel 3. – Opvragen van gegevens en bescheiden 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt, wanneer zij gegevens of bescheiden opvraagt, een redelijke termijn vast waarbinnen de betreffende gegevens of bescheiden dienen te worden verstrekt. 2. De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt maximaal vier weken. 3. De Autoriteit Consument en Markt kan de in het eerste lid bedoelde termijn in uitzonderlijke gevallen op verzoek van de partij die de gegevens of bescheiden dient te verstrekken eenmaal met ten hoogste twee weken verlengen. Artikel 4. – Nemen van een klachtbesluit De Autoriteit Consument en Markt neemt uiterlijk zes weken na ontvangst van alle relevante informatie een klachtbesluit. Artikel 5. – Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling termijnen voor de klachtenproce"},{"i":18117,"b":"Besluit van 14 maart 1994, betreffende ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, daartoe gemachtigd door de Raad van Ministers, van 10 maart 1994, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving: Gelet op de [artikelen 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=64) en [137, derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=137) en [artikel F 2 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=F_2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ontbonden met ingang van 17 mei 1994. Artikel 2 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer zal plaatshebben op dinsdag 22 maart 1994. Artikel 3 De eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer zal plaatshebben op dinsdag 17 mei 1994. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de beide kamers der Staten-Generaal, aan de Raad van State, aan de ministeries, aan de Kiesraad en aan de Algemene Rekenkamer, en dat met de nota van toelichting in het **Staatsblad** en in de **Staatscourant** zal worden geplaatst."},{"i":18012,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 1 september 2003, nr. IAZ2003/709M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het archief, van het Ministerie van Financiën, Afwikkelingsbureau te Londen, 1940–1948 (Archiefregeling Departement van Financiën te Londen – later: Afwikkelingsbureau van het Agentschap van het Ministerie van Financiën te Londen) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gelet op het advies van de directeur van het Nationaal Archief over de beperkingen voor de openbaarheid van archieven van 21 oktober 2002 met het kenmerk C/V/02/3485; Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Departement van Financiën te Londen – later: Afwikkelingsbureau van het Agentschap van het Ministerie van Financiën te Londen 1940–1948 de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 183, 241, 292, 295, 301, 336, 427, 534, 648 is slechts mogelijk na ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Archiefregeling Departement van Financiën te Londen – later: Afwikkelingsbureau van het Agentschap van het Ministerie van Financiën"},{"i":17021,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 4 december 2024, nr. IENW/BSK-, houdende vaststelling van het uitkeringsplafond voor het kalenderjaar 2025 met betrekking tot de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023–2027 Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048944&artikel=6); BESLUIT: Artikel I Het uitkeringsplafond, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048944&artikel=6) voor het kalenderjaar 2025 is € 82.250.000. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18109,"b":"Besluit houdende het stellen van een beperking aan de openbaarheid van de inventarisnummers 6939A, 6945A en 7258 van het archief van de ministeries voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk (AOK) en van Algemeene Zaken (AZ): Kabinet van de Minister-President (KMP), nummer archiefinventaris 2.03.01 Gelet op het [besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 10 februari 2003 (Stcrt 2003, 42)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014689), houdende beperkingen van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het ministerie van Algemeene Oorlogsvoering van het Koninkrijk (1942–1946), het Kabinet van de Minister-President (1946–1947) en het ministerie van Algemene Zaken, Kabinet van de Minister-President (1947–heden) over het tijdvak (1942) 1942–1979 (1989); Gelet op [artikel 15, eerste en tweede lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Besluit: Aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers 6939A, 6945A en 7258 van het archief van de ministeries voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk (AOK) en van Algemeene Zaken (AZ): Kabinet van de Minister-President (KMP), nummer archiefinventaris 2.03.01, wordt met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten een beperking gesteld tot 1 januari 2045. Dit besluit treedt in werking één dag na de datum van publicatie van dit besluit in de Staatscourant."},{"i":18212,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Ministerie van Algemene Zaken vanaf 2007 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst Ministerie van Algemene Zaken en daaronder ressorterende diensten, agentschappen, commissies en raden vanaf 2007 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijsten | | Titel | Staatscourantnummer | | --- | --- | --- | | 001 | Coördinatie algemeen regeringsbeleid vanaf 1945 | 18 maart 2009, nr. 53 | | 003 | Oorlogsgetroffenen vanaf 1945 | 24 mei 2007, nr. 98 | | 004 | Telecommunicatie en Post vanaf 1945 | 4 maart 2009, nr.43 | | 012 | Kwaliteit van de Nederlandse wetgeving vanaf 1945 | 14 februari 2007, nr. 32 | | 015 | Rijksbegroting over de periode 1945–2000 | 31 maart 2005, nr. 62 | | 016 | Burgerluchtvaart vanaf 1945 | 2 september 2008, nr. 169 | | 025 | Militair Personeel vanaf 1945 | 6 maart 2006, nr. 46 | | 040 | Regulering en toezicht bank- en kredietwezen vanaf 1940 | 26 november 2007, nr. 229 | | 042 | Studiefinanciering vanaf 1994 | 4 juli 2006, nr. 127 | | 045 | Rijkshuisvesting vanaf 1945 | 26 juli 2007, nr. 142 | | 046 | Voorlichting van de rijksoverheid vanaf 1945 | 14 juni 2007, nr. 112 | | 047 | Inkomens- en arbeidsvoorwaardenbeleid vanaf 1945 | 16 februari 2007, nr. 34 | | 049 | Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing vanaf 1945 | 15 juli 2008, nr. 134 | | 050 | Militaire operaties vanaf 1945 | 5 maart 2007, nr. 45 | | 067 | Toezicht Verzekeringsbedrijf vanaf 1940 | 1 april 2008, nr. 63 | | 068 | Constitutionele Zaken vanaf 1945 | 21 juni 2007, nr. 117 | | 071 | Kunsten vanaf 1945 | 30 mei 2007, nr. 101 | | 072 | Personeelsinformatievoorziening en -administratie over de periode 1945–1996 | 16 oktober 2001, nr. 200 | | 073 | Arbeidsvoorwaarden Rijkspersoneel over de periode 1945–1996. | 16 oktober 2001, nr. 200 | | 074 | Buiten sectorale Arbeid"},{"i":17281,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 16 september 2019, nr. IENW/BSK-2018/210508, houdende regels inzake bijzondere uitkeringen voor afvalbeheer op Bonaire voor de jaren 2020 tot en met 2023 (Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4) en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, tweede lid, onderdeel b, en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [10, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=20), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), en [24, eerste en derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling en daarop gebaseerde besluiten wordt verstaan onder: - **kaderbesluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire; - **project:** activiteiten ter uitvoering van het milieuprogramma, bedoeld in [artikel 1.5 van de Wet Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=1.5) op Bonaire dan wel een daarmee vergelijkbaar project. 2. In deze regeling wordt onder ‘subsidie’ mede verstaan ‘bijzondere uitkering als bedoeld in [artikel 91, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en"},{"i":18639,"b":"Wet van 17 december 2003 tot wijziging van enkele wetten op het beleidsterrein van het Ministerie van OCW in verband met het herstellen van wetstechnische gebreken en leemten Artikel I. Wijziging [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628) Wijzigt de Leerplichtwet 1969. Artikel IA. Wijziging [Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188) Wijzigt de Les- en cursusgeldwet. Artikel II. Wijziging [Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471) Wijzigt de Monumentenwet 1988. Artikel III. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel IV. Wijziging [Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227) Wijzigt de Wet geluidhinder. Artikel V. Wijziging [Wet medezeggenschap onderwijs 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746) Wijzigt de Wet medezeggenschap onderwijs 1992. Artikel VI. Wijziging [Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740) Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel VII. Wijziging [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel VIIA. Wijziging [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel VIIB. Toekomstige wijziging [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel VIII. Wijziging [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel IX. Wijziging [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel X. Wijziging [Wet o"},{"i":19259,"b":"Wet van 14 juli 2021 tot uitvoering van Deel III van de op 30 december 2020 te Brussel en Londen tot stand gekomen Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie enerzijds en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland anderzijds (PbEU 2020, L 444 en PbEU 2021, L 149) (Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU – VK Justitie en Veiligheid) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het noodzakelijk is ter uitvoering van de op 30 december 2020 te Brussel en Londen tot stand gekomen Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie enerzijds en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland anderzijds (PbEU 2020, L 444 en PbEU 2021, L 149) enkele wettelijke voorzieningen ten aanzien van de overlevering van personen van en naar het Verenigd Koninkrijk, de wederzijdse rechtshulp met het Verenigd Koninkrijk en doorgifte van justitiële gegevens en passagiersgegevens te treffen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Overlevering Artikel 1 Overlevering tussen Nederland enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland anderzijds vindt plaats met inachtneming van: - a. de op 30 december 2020 te Brussel en Londen tot stand gekomen Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie enerzijds en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland anderzijds (PbEU 2020, L 444 en PbEU 2021, L 149); - b. de door Nederland afgelegde verklaringen bij de in onderdeel a genoemde overeenkomst; - c. de [Overleveringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016664), met inachtneming van [artikel 3](https://wetten.overh"},{"i":19043,"b":"Besluit van de directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 18 juli 2024 nr. 5607789 houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de directeur-generaal ressorterende functionarissen (Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024) Gelet op [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1), [artikel 3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3), paragraaf 1.3 van de CAO Rijk en [artikel 3.3 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=3.3); Besluit: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters van Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel of programma betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de directeur Rechtshandhaving en Criminaliteitsbestrijding; - b. de directeur Rechtsbestel; - c. de directeur Advisering en Ondersteuning; - d. de directeur Juridische en Operationele Aangelegenheden; - e. de directeur Veiligheid en Bestuur; - f. de directeur Strafrechtketen. 2. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters van Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=5), ondermandaat verleend aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken. Art"},{"i":18214,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Ministerie van Defensie vanaf (1945) 2021 BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst Ministerie van Defensie vanaf (1945) 2021 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [Generieke selectielijst voor de archiefbescheiden van het Ministerie van Defensie vanaf 5 mei 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034869) (Staatscourant 2014, nr. 5937) wordt afgesloten op 31 december 2020 en voor de werkprocessen op het gebied van medische zorg en -keuringen: 9.1.4, 9.1.5, 9.1.7.1 en 9.1.7.2 ingetrokken vanaf 5 mei 1945. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17483,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december 2014, 2014-0000187843, tot vaststelling van de Regeling uitvoering dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg Gelet op [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035261&artikel=11), en [12, tweede lid, van het Besluit uitvoering kinderbijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035261&artikel=12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **advies:** een op medische gegevens gebaseerd advies als bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van het Besluit uitvoering kinderbijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035261&artikel=12); - –. **CIZ:** Centrum indicatiestelling zorg; - –. **intensieve zorg;** zorg als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van het Besluit uitvoering kinderbijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035261&artikel=11); - –. **SVB:** Sociale verzekeringsbank. Artikel 2. Vaststelling intensieve zorg 1. De SVB kan vaststellen dat er sprake is van intensieve zorg, indien het advies positief luidt. 2. Het advies luidt positief indien: - a. het kind blijkens een geldig indicatiebesluit als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1) is aangewezen op permanent toezicht of op 24 uur per dag zorg in de nabijheid; of - b. het kind blijkens de beoordeling van het CIZ intensieve zorg nodig heeft. Artikel 3. Advisering CIZ 1. De beoordeling, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036051&artikel=2&z=2015-01-01&g=2015-01-01), komt tot stand aan de hand van de volgende items: - a. lichaamshygiëne; - b. zindelijkheid; - c. eten en drinken; - d. mobiliteit; - e. medische verzorging; - f. gedrag; - g. communicatie; - h. alleen thuis zijn; - i. begeleiding buitenshuis; - j. bezig houden, handreikingen. 2. Indien het CIZ oordeelt dat er sprake is van een zware zorgbehoefte op een item, kent het"},{"i":19107,"b":"Regeling vakbekwaamheid technische hulpmiddelen strafvordering Gelet op de [artikelen 7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=7) en [16 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=16); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. betreden van een besloten plaats: het zonder toestemming van de rechthebbende toegang verschaffen tot en afsluiten van een besloten plaats, op zodanige wijze dat dit voor de rechthebbende of andere gebruikers van de plaats niet kenbaar is; - b. plaatsen van een technisch hulpmiddel: het aanbrengen, instellen en verwijderen van een technisch hulpmiddel; - c. inzet van een technisch hulpmiddel: het tactisch operationeel toepassen en technisch bedienen van een technisch hulpmiddel; - d. een certificaat van vakbekwaamheid: een verklaring omtrent het beschikken over bepaalde kwalificaties als bedoeld in [artikel 1, onder p, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=1), afgegeven door de Politieacademie, bedoeld in [artikel 73 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=73); - e. kwalificaties: kwalificaties als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder p, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=1). Artikel 2 1. Een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) kan door of namens de korpschef worden aangewezen voor het betreden van de in het tweede lid genoemde categorieën van besloten plaatsen ten behoeve van het plaatsen van een technisch hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie, indien hij beschikt over een certificaat van vakbekwaamheid voor de betreffende categorie. 2. Het in het eerste lid genoemde certificaat van vakbekwaamheid kan worden afgegeven voor de categorieën: - a. vervoermidde"},{"i":18326,"b":"Onderlinge regeling ‘Programma Stimuleren van Studeren in de Caribische Landen van het Koninkrijk en in de regio’ Overwegende dat: de Koninkrijkslanden elkaar op grond van de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=36) en [38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) hulp en bijstand kunnen verlenen, en onderling regelingen kunnen treffen; de Koninkrijkslanden het belang van de samenwerking op het gebied van onderwijs erkennen, willen continueren en versterken; de onderwijsministers van de Koninkrijkslanden elkaar periodiek in het Ministerieel Vierlandenoverleg Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) treffen om gezamenlijke lijnen in de onderwijssamenwerking te bepalen en uit te zetten, en de daarover gemaakte afspraken te monitoren; de Koninkrijkslanden het studeren in de Caribische Landen van het Koninkrijk willen blijven stimuleren als de bilaterale Samenwerkingsprotocollen ‘Studeren in de Regio’ (hierna: Samenwerkingsprotocollen) aflopen; de Samenwerkingsprotocollen in deze onderlinge regeling zijn: Samenwerkingsprotocol om studeren in Aruba en de regio van Aruba te stimuleren 2018/2023, ondertekend op 11 en 12 december 2018 Samenwerkingsprotocol om studeren in Curaçao en de regio van Curaçao te stimuleren 2018-2020, ondertekend op 8 en 11 november 2018; en Samenwerkingsprotocol om studeren in Sint Maarten en de regio van Sint Maarten te stimuleren 2020-2023, ondertekend op 1 en 16 oktober 2020; in de afgelopen jaren Aruba, Curaçao en Sint Maarten op grond van de Samenwerkingsprotocollen projecten hebben vormgegeven en uitgevoerd die zich richtten op het studeren in de Caribische Landen van het Koninkrijk en hun regio; de Samenwerkingsprotocollen in 2023 aflopen of zijn afgelopen en het van belang is om de verantwoording van deze samenwerkingsprotocollen goed af te ronden; onderwijs een van de thema’s is in de Landspakketten van Aruba, Curaçao en Sin"},{"i":19071,"b":"Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden regelende de samenwerking tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit op medische gronden of in verband met dringende redenen van veiligheid Overwegende, dat in onderdeel D van de Slotverklaring van het bestuurlijk overleg over de toekomstige staatkundige positie van Curaçao en Sint Maarten op 2 november 2006 is afgesproken dat Curaçao, Sint Maarten en Nederland op basis van een onderlinge regeling als bedoeld in [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38), met elkaar zullen samenwerken om te voorzien in het beschikbaar stellen van detentiecapaciteit ten behoeve van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ten behoeve van elkaar; Overwegende dat, ter uitvoering van bovengenoemde afspraak op 11 februari 2010 een onderlinge regeling regelende de samenwerking tussen Curaçao, Sint Maarten en Nederland op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit tot stand is gekomen, tot welke onderlinge regeling Aruba in het jaar 2013 is toegetreden; Overwegende dat, in aanvulling daarop, het wenselijk wordt geacht een bijzondere regeling te treffen voor de tijdelijke beschikbaarheid van detentiecapaciteit op medische gronden of in verband met dringende redenen van veiligheid ten behoeve van Curaçao, Sint Maarten, Aruba en Nederland; Gelet op [artikel 38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38), en [artikel 40 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=40); Komen het volgende overeen: Artikel 1 1. Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, hierna ook aan te duiden als de landen en elk afzonderlijk als land, stellen ten behoeve van elkaar detentiecapaciteit ter beschikking op de wijze, bij deze onde"},{"i":17577,"b":"Besluit van 7 april 1999, houdende regels omtrent het verstrekken van subsidie aan de raden voor rechtsbijstand voor de uitvoering van hun wettelijke taak (Subsidiebesluit raden voor rechtsbijstand) Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Justitie van 17 december 1998, Directie Wetgeving, nr. 736100/98/6; Gelet op [artikel 42a, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=42a); De Raad van State gehoord (advies van 4 maart 1999, nr. W03.98.0610/I) Gezien het nader rapport van Onze Staatssecretaris van Justitie van 23 maart 1999, Directie Wetgeving, nr. 754884/99/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 1999. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. subsidie: de krachtens [artikel 42, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=42) aan de raad te verstrekken subsidie voor de uitvoering van de wettelijke taken van het bestuur en de raad van advies; - c. deelsubsidie beheers- en programmakosten: de in [artikel 2, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010393&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01), bedoelde deelsubsidie; - d. deelsubsidie projecten en activiteiten: de in [artikel 2, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010393&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2010-07-01&g=2010-07-01), bedoelde deelsubsidie. Artikel 2 1. De verstrekking van de subsidie wordt getoetst aan de aard en de omvang van de activiteiten van de raad. 2. De subsidie bestaat uit deelsubsidies voor: - a. de beheers- en programmakosten, waaronder zijn begrepen: - 1°. de raads- en apparaatskosten; - 2°. de doeluitkering voor vergoedingen voor de verlening van rechtsbijstand en mediation krachtens toevoeging in civiele en bestuurszaken en in strafzaken; - 3°. de doeluitkering voor vergoedingen v"},{"i":19602,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 6 december 2006, nr. LMV 2006 333053, houdende regels met betrekking tot het subsidiëren van maatregelen ten behoeve van de sanering van verkeerslawaai (Subsidieregeling sanering verkeerslawaai) Gelet op de [artikelen 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13), [126a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=126a) en [129 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=129), [13, eerste lid, van het Besluit milieusubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010065&artikel=13) en [3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020445&artikel=3.9) en [4.22 van het Besluit geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020445&artikel=4.22); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking treedt. § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. afschermende maatregelen: maatregelen als bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020445&artikel=3.7), en [artikel 4.19, eerste lid, onder b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020445&artikel=4.19); - b. autonome gevelsanering: in het kader van de sanering wegverkeerslawaai of spoorweglawaai treffen van geluidwerende maatregelen met het uitsluitende oogmerk de beperking van het geluidsniveau binnen de woning of het andere geluidsgevoelig gebouw, vanwege een weg of spoorweg; - c. besluit: [Besluit geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020445); - d. bestuur: bestuur als bedoeld in of functionerend ten behoeve van een gemeenschappelijke regeling; - e. categorie a-ruimte-: ruimte als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel d, onder 1°, 2° en 3°, van het besluit](https://wetten.overheid"},{"i":19617,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 11 februari 2021, nr. IENW/BSK-2021/11012, houdende regels met betrekking tot de behandeling van klachten in het kader van de uitvoering van de EU-zeehavenverordening (Uitvoeringsregeling EU-zeehavenverordening) Gelet op [artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringswet EU-zeehavenverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044856&artikel=7); BESLUITEN: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoeringswet EU-zeehavenverordening in werking treedt. Artikel 1 Een klacht als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, tweede zin, van de Uitvoeringswet EU-zeehavenverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044856&artikel=7) wordt behandeld door: - a. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor zover het een klacht betreft met betrekking tot arbeid verricht in, respectievelijk op, een zeeschip of binnenschip, met uitzondering van aanbouw, verbouwing, herstel of sloop dan wel onderhouds- of reinigingswerkzaamheden en hiermee verband houdende andere werkzaamheden aan deze schepen, alsmede met uitzondering van laden en lossen, tenzij deze arbeid wordt verricht door een werknemer die behoort tot de bemanning van een zeeschip of binnenschip; - b. de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor zover het de behandeling van overige klachten betreft. Artikel 2 Met de behandeling van klachten zijn belast: - a. namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat: de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport; en - b. namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid: de ambtenaren van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling EU-zeehavenverordening. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de Uitvoeringswet EU-zeehavenverordening in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19634,"b":"Verdrag inzake het wegverkeer De Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens het internationale wegverkeer te vergemakkelijken en de verkeersveiligheid te verhogen door het aannemen van eenvormige verkeersregels, Zijn de navolgende bepalingen overeengekomen: Hoofdstuk I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de daaraan in dit artikel toegekende betekenis: - (a). „Nationale wetgeving” van een Verdragsluitende Partij: het geheel van de nationale of plaatselijke wetten en voorschriften die op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij van kracht zijn; - (b). Een voertuig wordt geacht zich „in het internationale verkeer” te bevinden op het grondgebied van een bepaalde Staat, indien: met dien verstande evenwel, dat aan een Verdragsluitende Partij het recht is voorbehouden een voertuig niet als „in het internationale verkeer” te beschouwen, indien het langer dan één jaar op het grondgebied van die Staat is verbleven zonder een belangrijke onderbreking, waarvan de duur door die Verdragsluitende Partij kan worden bepaald. Een samenstel van voertuigen wordt geacht zich „in het internationale verkeer” te bevinden, wanneer ten minste één van de voertuigen van dit samenstel aan bovenstaande definities beantwoordt; - (i). het eigendom is van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die gewoonlijk zijn woonplaats respectievelijk plaats van vestiging buiten die Staat heeft; - (ii). het niet in die Staat is ingeschreven; en - (iii). het tijdelijk in die Staat is ingevoerd; - (c). „Bebouwde kom”: een gebied dat op de plaatsen, waar men dit binnen- of uitrijdt, door speciale verkeerstekens als zodanig wordt aangeduid, dan wel een gebied dat in de nationale wetgeving op andere wijze is omschreven; - (d). „Weg”: het gehele oppervlak van elke weg of straat die voor het openbaar verkeer openstaat; - (e). „Rijbaan”: dat deel van een weg dat gewoonlijk voor het verkeer met voertuigen wordt gebru"},{"i":19642,"b":"Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Oostelijke Republiek Uruguay Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Excellentie de President der Oostelijke Republiek Uruguay, gelijkelijk bezield met den wensch, de vriendschapsbanden, die Nederland en Uruguay verbinden, nauwer aan te halen, en met het verlangen, de handels- en scheepvaartbetrekkingen tusschen de beide landen te versterken en uit te breiden, hebben besloten een verdrag van handel en scheepvaart te sluiten en hebben te dien einde hunne wederzijdsche gevolmachtigen benoemd, te weten: Zijne Excellentie de President van de Oostelijke Republiek Uruguay; den Heer Doctor ALBERTO MAÑÉ, Zijn Minister van Buitenlandsche Betrekkingen; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den heer PETRUS EPHREM TEPPEMA, Haren Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te Montevideo; die, na elkander mededeeling te hebben gedaan van hunne volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm werden bevonden, over de volgende artikelen tot overeenstemming zijn gekomen: Artikel 1 De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, elkander wederkeerig de onvoorwaardelijke en onbeperkte behandeling als meestbegunstigde natie toe te kennen voor alles wat betreft de douanerechten en alle bijkomende rechten, de wijze van heffing der rechten, zoomede voor de classificatie en de interpretatie van de tarieven en voor de regels, formaliteiten en heffingen, waaraan de inklaring zou kunnen worden onderworpen. Artikel 2 Bijgevolg zullen te bovengenoemder zake de voortbrengselen van den bodem of van de nijverheid van een der Verdragsluitende Partijen bij hunnen invoer in het andere land op geenerlei wijze onderworpen worden aan andere of hoogere rechten, belastingen of heffingen, noch aan andere of drukkender voorschriften en formaliteiten dan waaraan gelijke of gelijksoortige voortbrengselen van eenig derde land onderworpen zijn of zullen worden. Artikel 3 Insgelijks zullen te bovengenoemder zake d"},{"i":3978,"b":"Besluit van 24 juni 2008 tot vaststelling van regels ten aanzien van tegemoetkomingen en vergoedingen voor reis-, verblijf- en verhuiskosten van de politie (Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 mei 2008, nummer 2008-0000229974, directoraat-generaal Veiligheid, directie Politie, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid; Gelet op [artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50); De Raad van State gehoord (advies van 18 juni 2008, nr. W04.08.0203/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 juni 2008, nr. 2008-0000278080, directoraat-generaal Veiligheid, directie Politie, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1), met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, bedoeld in artikel 1, eerste lid van dat besluit, tenzij deze ambtenaar opsporingsbevoegdheid bezit of in opleiding is om deze opsporingsbevoegdheid te verkrijgen; - **ambtenaar in opleiding:** de ambtenaar in opleiding, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **aspirant:** de aspirant, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **bevoegd gezag:** het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **Onz"},{"i":4592,"b":"Besluit van 11 februari 2014, houdende de inschrijfvergoeding en retributies voor het handelsregister (Financieel besluit handelsregister 2014) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 13 januari 2014, nr. WJZ / 13208946; Gelet op de [artikelen 49, eerste, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=49), en [50, eerste en vierde lid, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=50); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 januari 2014, nr. W15.14.0005/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 6 februari 2014, nr. WJZ / 14016626; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Een onderneming of rechtspersoon die een opgave doet tot eerste inschrijving in het handelsregister, is daarvoor eenmalig een inschrijfvergoeding verschuldigd. 2. Bij ministeriële regeling wordt het bedrag vastgesteld van de inschrijfvergoeding, bedoeld in het eerste lid. De hoogte van de inschrijfvergoeding is gelijk voor alle ondernemingen of rechtspersonen, ongeacht de rechtsvorm van de onderneming of rechtspersoon en de wijze waarop opgave wordt gedaan. Artikel 2 1. Bij ministeriële regeling worden de bedragen vastgesteld die verschuldigd zijn voor het inzien van gegevens uit het handelsregister en de bescheiden die daarbij krachtens wettelijk voorschrift zijn ingeschreven of gedeponeerd. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt naar: - a. het ten kantore inzien; - b. het door middel van het internet inzien; - c. het door middel van een online-verbinding inzien; - d. het door middel van een speciaal afgeschermd kanaal inzien van gegevens; - e. het telefonisch verstrekken van inlichtingen over hetgeen in het handelsregister is opgenomen. 2. Bij ministeriële regeling worden de bedragen vastgesteld die zijn verschuldigd voor het verstrekken van een afschrift of een uittreksel van hetgeen in het handelsregister is ingeschreven of daarbij kracht"},{"i":3949,"b":"Besluit van 28 augustus 2012, houdende regels over de rechtspositie van de leden van het College voor de rechten van de mens en de tot het bureau behorende ambtenaren (Besluit rechtspositie College voor de rechten van de mens) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 18 mei 2011, nummer 5683452/11/6; Gelet op de [artikelen 17, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=17), en [18, vierde lid, van de Wet College voor de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 juni 2011, nr. W03.11.0179/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 22 augustus 2012, nummer 296134; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 3 van de Wet College voor de rechten van de mens in werking treedt. § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **rijksambtenaren:** degenen die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn; - b. **College:** College voor de rechten van de mens, genoemd in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=1); - c. **Onze Minister:** Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - d. **wet:** [Wet College voor de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733). § 2. Rechtspositie van de leden en plaatsvervangende leden Artikel 2 1. Een lid of een plaatsvervangend lid van het College legt voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in de bijlage bij dit besluit. 2. De voorzitter van het College legt de eed of belofte af ten overstaan van Onze Minister. De andere leden en de plaatsvervangende leden van het College leggen de eed of belofte af ten overstaan van de voorzitter van het College. 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt na het afleggen van de eed of belof"},{"i":3487,"b":"Besluit van 18 december 1986, tot uitvoering van artikel 58 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Justitie van 24 september 1986, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht nr. 395/686; Gelet op [artikel 58 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004028&artikel=58) (**Stb.** 1986, 464); De Raad van State gehoord (advies van 28 november 1986, nr. W03.86.0506); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister en van voornoemde Staatssecretaris van 10 december 1986, nr. 509/686; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit hebben de begrippen \"rechterlijke beslissing\", \"sanctie\" en \"veroordeelde\" dezelfde betekenis als in de [Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004028). Artikel 2 De veroordeelde, te wiens aanzien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat hij in aanmerking komt om naar een vreemde Staat te worden overgebracht ten einde aldaar een hem bij Nederlandse rechterlijke beslissing opgelegde, tot vrijheidsbeneming strekkende, sanctie te ondergaan of verder te ondergaan wordt, alvorens een beslissing tot overdracht van de tenuitvoerlegging van die sanctie wordt genomen, in de gelegenheid gesteld te verklaren of hij met zijn overbrenging instemt. Artikel 3 1. De in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004072&artikel=2&z=1988-01-01&g=1988-01-01) bedoelde verklaring kan, op schriftelijke vordering van het openbaar ministerie met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing belast, alleen worden afgelegd ten overstaan van een rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken. 2. De veroordeelde kan zich bij het afleggen van de verklaring doen bijstaan door een raadsman. Hierop wordt, zo hij zonder raadsman verschijnt, zijn aandacht gevestigd door de rechter-commissaris ten overstaan van wie de verklaring moet worden"},{"i":4038,"b":"Besluit terugbetaling looninkomsten **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit beschrijft het fiscale beleid voor ten onrechte ontvangen looninkomsten en voor in eerste instantie terecht ontvangen looninkomsten die later op grond van een afdwingbare verplichting terugbetaald moeten worden. Dit besluit vervangt het besluit van 5 augustus 2009, nr. CPP2009/12183.** 1. Inleiding Dit besluit vervangt mijn [besluit van 5 augustus 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026256), nr. CPP2009/12183. De wijzigingen ten opzichte van dat besluit zijn: De overige wijzigingen zijn redactioneel en daarmee heb ik geen wijziging beoogd. 2. Ten onrechte ontvangen looninkomsten Inkomstenbelasting wordt onder andere geheven over het door een belastingplichtige in een kalenderjaar genoten belastbare inkomen uit werk en woning ([artikel 2.3 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.3), hierna: Wet IB 2001). Ten onrechte ontvangen looninkomsten worden geacht niet te zijn genoten als belastingplichtige er binnen redelijke termijn blijk van heeft gegeven dat hij de ten onrechte ontvangen looninkomsten niet wil behouden (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 21 december 1988, BNB1989/120*). In dat geval is er dus geen sprake van belastbare looninkomsten als bedoeld in [artikel 3.80 Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.80). Als belastingplichtige er niet binnen redelijke termijn blijk van heeft gegeven dat hij de ten onrechte ontvangen looninkomsten niet wil behouden, zijn die looninkomsten belast ([afdeling 3.3 Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&afdeling=3.3)). Aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval beoordeelt de inspecteur vervolgens of de feitelijke terugbetaling van deze looninkomsten kan kwalificeren als negatieve inkomsten. In situaties waarin de feitelijke terugbetaling plaatsvindt in een later"},{"i":2701,"b":"Beschikking Landelijk MBI-omzetplafond 2013 De Nederlandse Zorgautoriteit heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50 lid 2 onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), [artikel 52 aanhef en onder e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) en met inachtneming van het bepaalde in de beleidsregel en de [regeling “Macrobeheersmodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030927)” en van de onderstaande definities voor de gezamenlijke voor het jaar 2013 ambtshalve een bovengrens vastgesteld van € 17.578.000.000 (zeventien miljard vijfhonderdachtenzeventig miljoen euro) (prijsniveau 2012) voor de tarieven voor medisch specialistische zorg, audiologische zorg, trombosezorg en zorg in het kader van erfelijkheidsadvisering waarop ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1 onder d van de Zorgverzekeringwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1) aanspraak bestaat en niet zijnde geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Met de inwerkingtreding van deze beschikking wordt de geldigheidsduur van de [voorgaande tariefbeschikking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032418) (kenmerk TB/CU-2005-01) beperkt tot en met 31 december 2012."},{"i":4112,"b":"Besluit van 3 mei 2005, houdende regels ter uitvoering van bepalingen van de Wet op de vaste boekenprijs (Besluit vaste boekenprijs) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mr. Medy C. van der Laan, van 23 februari 2005, nr. MLB/BJZ/2005/7902; Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=8), [9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=9), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=13) en [14 van de Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=14); De Raad van State gehoord (advies van 14 april 2005, nr. W05.05.0059/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mr. Medy C. van der Laan, van 26 april 2005, nr. MLB/BJZ/2005/17.678; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Kortingen Artikel 1 1. Bij gelijktijdige verkoop aan eenzelfde eindafnemer van meerdere exemplaren van een boek of een muziekuitgave kan de verkoper een korting op de vaste prijs toepassen van: - a. ten hoogste 5 procent bij verkoop van ten minste 10 exemplaren van een boek en van ten minste 2 exemplaren van een muziekuitgave; - b. ten hoogste 10 procent bij verkoop van ten minste 30 exemplaren. 2. Bij gelijktijdige verkoop aan eenzelfde eindafnemer van ten minste 100 exemplaren van een boek of een muziekuitgave kan de verkoper een door hem te bepalen korting op de vaste prijs toepassen. 3. Bij gelijktijdige verkoop van ten minste 2 exemplaren van een boek aan eenzelfde eindafnemer kan de verkoper een korting op de vaste prijs toepassen van ten hoogste 5 procent, indien de eindafnemer kan aantonen dat hij in het kalenderjaar waarin de verkoop plaatsvindt voor ten minste een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag aan boeken van de desbetreffende verkoper afneemt. Artikel 2 Voor boeken of muziekuitgaven die dienen tot onder"},{"i":3276,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 26 juli 2017 nr. BOACAT2017/048, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Dienst Welzijn, sector Sociale Zaken, team Handhaving van de gemeente Leeuwarden Gelezen het verzoek van gemeente Leeuwarden van 19 juli 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039861&artikel=2&z=2017-10-01&g=2017-10-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van sociaal rechercheur in dienst van de Dienst Welzijn, sector Sociale Zaken, team Handhaving van de gemeente Leeuwarden, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, als genoemd in [onderdeel 10.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn pro"},{"i":3435,"b":"Besluit van 29 augustus 2011, houdende regels inzake doorberekening van kosten van de stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 17 juni 2011, nr. BFI/2011/13667 U; Gelet op [artikel 7, derde lid, van de Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030033&artikel=7); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 juli 2011, no. W06.11.0242/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 24 augustus 2011, BFI/2011/16234 U; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder **de wet**: de [Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030033). Artikel 2 1. Onze Minister brengt jaarlijks kosten van de stichting administratiekantoor in rekening aan de vennootschappen. 2. Geen kosten worden in rekening gebracht aan een vennootschap waarin de stichting administratiekantoor aandelen houdt die minder dan tien procent uitmaken van het geplaatste aandelenkapitaal van de desbetreffende vennootschap. Artikel 3 1. Het gezamenlijke bedrag aan kosten, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030408&artikel=2&z=2011-09-09&g=2011-09-09), is niet hoger dan het bedrag aan kosten dat Onze Minister vergoedt aan de stichting administratiekantoor op grond van [artikel 7, eerste lid, eerste volzin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030033&artikel=7). 2. De aan een vennootschap in rekening te brengen kosten worden vastgesteld voor het jaar waarop het in rekening te brengen bedrag betrekking heeft. Daarbij worden de kosten toegerekend aan de vennootschap, overeenkomstig de toerekening van de geraamde kosten in de door Onze Minister goedgekeurde begroting van de stichting administratiekantoor. 3. De ingevolge het tweede lid aan een vennootschap toegerekende kosten worden verminderd of vermeer"},{"i":6149,"b":"Besluit van 30 juni 1992 houdende regelen betreffende de veiligheid van machines Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 13 december 1991, VVP/P-U 692408, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Overwegende, dat het, gelet op [richtlijn 89/392/EEG](31989L0392) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1989, inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lid-staten betreffende machines (**PbEG** L 183) en [richtlijn 91/368/EEG](31991L0368) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 juni 1991 tot wijziging van [richtlijn 89/392/EEG](31989L0392) (**PbEG** L 198), noodzakelijk is regels te stellen ten aanzien van de veiligheid van machines; Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), eerste lid, onderdeel **a**, 8, onderdelen **a, b** en **c**, [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13) en [14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) (**Stb.** 1988, 360); Gezien het advies van de Adviescommissie [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) van 18 september 1991, nr 14403/(41)5; De Raad van State gehoord (advies van 14 april 1992, nr. W13.92.0006); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 12 juni 1992, VVP/P 921207, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. aangewezen aangemelde instelling: krachtens [artikel 7a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7a) in het kader van de richtlijn aangewezen"},{"i":14070,"b":"Regeling Artistic & Design Research for Immersive Experiences 2025-2029 gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) besluit vast te stellen de navolgende regeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidies aan partijen voor de uitvoering van projecten. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen - 1). **aanvraagronde 2A:** op grond van deze regeling kan in aanvraagronde 2A van Artistic & Design Research for Immersive Experiences (ADRIE) door een consortium subsidie worden aangevraagd voor het opstellen van een tweejarig activiteitenprogramma. - 2). **aanvraagronde 2B:** op grond van deze regeling kan in aanvraagronde 2B van Artistic & Design Research for Immersive Experiences (ADRIE) door een consortium subsidie worden aangevraagd voor de uitvoering van een tweejarig activiteitenprogramma door een consortium. Deze aanvraagronde staat uitsluitend open voor aanvragen namens een consortium door een hoofdaanvrager waarvan een aanvraag is toegekend in aanvraagronde 2A. - 3). **accountantscontroleverklaring:** Een controleverklaring van een accountant als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393). In de verklaring doet de accountant een uitspraak over de naleving van de subsidiebepalingen door de subsidieontvanger overeenkomstig de controleprotocollen gepubliceerd op de website [www.stimuleringsfonds.nl](http://www.stimuleringsfonds.nl) met gebruikmaking van de daarbij opgenomen modellen voor accountantsverklaringen. - 4). **activiteit:** Een in het activiteitenprogramma opgenomen activiteit die bijdraagt aan de versterking van het Nederlandse IX-werkveld middels ontwikkeling van nieuwe IX-producties, de doorontwikkeling van bestaande IX-producties, de distributie van IX-producties, publiekspresentaties, onderzoeksactiviteiten en activiteiten t.b.v. debat, context, kennis"},{"i":14046,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 februari 2013, nr. 348025, tot vaststelling van de administratieve vergoeding voor de afgifte van verklaringen omtrent het gedrag BES (Regeling administratieve vergoeding afgifte verklaringen omtrent het gedrag BES) Gelet op [artikel 32 van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028258&artikel=32); Besluit: Artikel 1 Het bedrag, bedoeld in [artikel 32 van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028258&artikel=32), bedraagt $ 10. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 februari 2013. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling administratieve vergoeding afgifte verklaringen omtrent het gedrag BES. Deze regeling zal met de toelichting worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":12757,"b":"Besluit vaststelling factoren L en r boekjaar 2017 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2017 vastgesteld op 0,113015%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2017 vastgesteld op 0,058975%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":11969,"b":"Besluit nr. HDIOU-DB/170156 houdende beperking openbaarheid archief Commissariaat Buitenlandse Investeringen In Nederland (CBIN) over de periode 1967–2000 van het Ministerie van Economische Zaken Gelet op [artikel 15, lid 1, onder c, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief van 28-3-2017 met kenmerk 1166468; Besluit: Artikel 1 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 30 jaar na afsluiting van het dossier. De dossiers worden volledig openbaar per datum genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 292 | 1-1-2021 | | 293 | 1-1-2024 | | 294 | 1-1-2025 | | 296 | 1-1-2027 | | 297 | 1-1-2028 | | 298 | 1-1-2028 | | 299 | 1-1-2028 | | 300 | 1-1-2028 | | 301 | 1-1-2030 | | 302 | 1-1-2023 | | 303 | 1-1-2021 | | 304 | 1-1-2023 | | 305 | 1-1-2025 | | 306 | 1-1-2029 | | 307 | 1-1-2024 | | 309 | 1-1-2026 | | 310 | 1-1-2025 | | 311 | 1-1-2027 | | 312 | 1-1-2031 | | 315 | 1-1-2030 | | 316 | 1-1-2022 | | 319 | 1-1-2023 | | 320 | 1-1-2025 | | 321 | 1-1-2028 | | 322 | 1-1-2019 | | 330 | 1-1-2024 | | 332 | 1-1-2030 | | 333 | 1-1-2019 | | 334 | 1-1-2020 | | 335 | 1-1-2029 | | 336 | 1-1-2021 | | 338 | 1-1-2023 | | 340 | 1-1-2018 | | 341 | 1-1-2030 | | 342 | 1-1-2026 | | 343 | 1-1-2021 | | 334 | 1-1-2022 | | 345 | 1-1-2024 | | 346 | 1-1-2022 | | 347 | 1-1-2023 | | 348 | 1-1-2023 | | 349 | 1-1-2023 | | 350 | 1-1-2019 | | 351 | 1-1-2022 | | 352 | 1-1-2023 | | 353 | 1-1-2023 | | 354 | 1-1-2023 | | 355 | 1-1-2023 | | 356 | 1-1-2024 | | 357 | 1-1-2021 | | 358 | 1-1-2021 | | 359 | 1-1-2021 | | 360 | 1-1-2023 | | 361 | 1-1-2023 | | 362 | 1-1-2031 | | 364 | 1-1-2023 | | 365 | 1-1-2023 | | 366 | 1-1-202"},{"i":12795,"b":"Besluit vaststelling selectielijst archiefbescheiden provinciale organen vanaf 2014 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor archiefbescheiden van de provinciale organen ontvangen of opgemaakt vanaf 1 januari 2014’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld voor Gedeputeerde Staten van alle twaalf provincies, voor de duur van drie jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 2 De ‘[selectielijst voor archiefstukken van provinciale organen 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019621)’ (Staatscourant 2006, nr. 89) wordt ingetrokken voor de Gedeputeerde Staten van alle twaalf provincies. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13477,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 17 februari 2020, nr. 2355583/19/DI&I, houdende instelling van de Commissie advies informatiehuishouding van het ministerie van Justitie en Veiligheid (Instellingsbesluit Commissie advies informatiehuishouding JenV) Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b). **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043554&artikel=2&z=2020-05-20&g=2020-05-20). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie advies informatiehuishouding van het ministerie van Justitie en Veiligheid. 2. De commissie heeft tot taak om, gevraagd en ongevraagd, de minister te adviseren ten behoeve van de betrouwbaarheid, toegankelijkheid en toekomstbestendigheid van de informatiehuishouding van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zeven andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van vier jaar. Herbenoeming kan voor één periode van maximaal vier jaar plaatsvinden. 5. De voorzitter en de andere leden kunnen (op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden) worden geschorst en ontslagen door de minister. Artikel 4. Leden 1. Voor de periode van 17 oktober 2019 tot en met 17 oktober 2023 worden tot voorzitter en lid van de commissie benoemd: - a). prof. dr. mr. Catrien Bijleveld, voorzitter; - b). prof. dr. Frances Brazier, lid; - c). prof. dr. Paul Louis Iske, lid; - d). prof. dr. Charles Jeurgens, lid; - e). dr. mr. Marcel Verburg, lid; - f). drs. Hans Waalwijk, lid; - g). drs. Fanny Wallebroek, lid en - h). prof. dr. mr. Gerrit-Jan Zwenne, lid"},{"i":12865,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militair materieel vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, arc-2006.03456/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Militair materieel over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12805,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Centraal Fonds Volkshuisvesting (periode vanaf 1988) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het handelen van het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV), vanaf 1988 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Het [Basisselectiedocument (BSD)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016298)**Archiefbescheiden Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting over de periode vanaf 1988** (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 18, d.d. 28 januari 2004) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13476,"b":"Instellingsbesluit Comité Binnenvaartveiligheid Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder staatssecretaris: Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Comité Binnenvaartveiligheid. 2. Het Comité Binnenvaartveiligheid heeft tot taak: - a. het monitoren van de Risico Top 5, genoemd in de Beleidsbrief Binnenvaart, zonodig leidend tot: - b. het actualiseren en bijstellen van de Risico Top 5; - c. het signaleren van knelpunten en het daarover rapporteren aan de staatssecretaris. Artikel 3. Instellingsduur 1. De instellingsduur van het Comité Binnenvaartveiligheid loopt tot en met 31 december 2011. 2. Voor 1 oktober 2011 vindt een evaluatie plaats op basis waarvan de staatssecretaris besluit of de instellingsduur van het Comité Binnenvaartveiligheid wordt verlengd. Artikel 4. Samenstelling CBV 1. Het Comité Binnenvaartveiligheid staat onder voorzitterschap van dr. J. Blokland. 2. Elk van de volgende organisaties kan een lid van het Comité aanwijzen: - a. het Centraal Bureau Rijn- en Binnenvaart; - b. Kantoor Binnenvaart; - c. de EVO; - d. de Stichting Recreatietoervaart Nederland; - e. REAAL verzekeringen; - f. het Scheepvaart en Transport College; - g. Deltalinqs. 3. De staatssecretaris wijst een ambtenaar aan als secretaris alsmede twee andere ambtenaren als leden. Zij hebben in het Comité adviserende stem. Artikel 5. Werkwijze Het Comité Binnenvaartveiligheid stelt zijn eigen werkwijze vast. Artikel 6. Beheer bescheiden Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van het Comité Binnenvaartveiligheid geschiedt op een gelijke wijze als die betreffende de bescheiden van het Ministerie. Na ommekomst van de instellingsduur van het Comité worden de archiefbescheiden overgedragen aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Artikel 7. Budget Comité Ten behoeve van de werkzaamheden van het Comité Binnenvaartveiligheid stelt d"},{"i":13675,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 oktober 2018, nr. 2381058, houdende instelling van de Onderzoekscommissie Langdurig verblijvende vreemdelingen zonder bestendig verblijfsrecht (Instellingsregeling Onderzoekscommissie Langdurig verblijvende vreemdelingen zonder bestendig verblijfsrecht) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; - b. **Commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041444&artikel=2&z=2018-10-16&g=2018-10-16). Artikel 2 1. Er is een Onderzoekscommissie Langdurig verblijvende vreemdelingen zonder bestendig verblijfsrecht. 2. De Commissie heeft tot taak: - a. onderzoek te verrichten naar alle aspecten die eraan bijdragen dat vreemdelingen, ondanks een afwijzing van een toelatingsaanvraag en de daaruit voortvloeiende vertrekplicht, vaak langdurig in Nederland verblijven, met bijzondere aandacht voor kinderen, en - b. op grond van het onderzoek aanbevelingen te doen gericht op de relevante aspecten die bijdragen aan dit langdurig verblijf zonder bestendig verblijfsrecht. 3. Bij haar aanbevelingen gaat de Commissie in ieder geval in op: - a. de inrichting en de duur van (herhaalde) verblijfsrechtelijke procedures; - b. de invloed van rijks- en lokale voorzieningen alsmede de omgeving op de vertrekbereidheid van personen, en - c. de beschikbare mogelijkheden en instrumenten om daadwerkelijk vertrek te realiseren alsmede de praktische en juridische begrenzingen op dit punt. Artikel 3 De Commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. Artikel 4 1. De Commissie brengt uiterlijk 15 juni 2019 haar eindrapport uit aan"},{"i":17272,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 november 2015, kenmerk 871639-144249-MEVA, houdende vaststelling van wijze waarop de bezoldigingsmaxima voor topfunctionarissen bij instellingen op het terrein van de zorg en de jeugdhulp worden vastgesteld (Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **wet:** de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249); - **bijlage:** de bijlage bij deze regeling; - **rechtspersonen of instellingen voor zorg of jeugdhulp:** de rechtspersonen of instellingen, bedoeld in [bijlage 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&bijlage=1) onder het opschrift ‘Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport’, onder de nummers 1 tot en met 3, 7, 8 en 14. Artikel 2. Indeling in klassen 1. Het hoogste toezichthoudende orgaan van een rechtspersoon of instelling voor zorg of jeugdhulp deelt de rechtspersoon of instelling met inachtneming van de bijlage in een klasse in. 2. Het toezichthoudende orgaan, bedoeld in het eerste lid, legt de onderbouwing van de totaalscore die volgt uit de toepassing van de bijlage, alsmede de daaruit volgende klassenindeling, schriftelijk vast. 3. De verantwoordelijke vermeldt in het financieel verslaggevingsdocument de totaalscore alsmede de daaruit volgende klassenindeling, bedoeld in het tweede lid. Artikel 3. Bezoldigingsmaxima De bezoldiging voor een topfunctionaris bij een rechtspersoon of instelling voor zorg of jeugdhulp bedraagt voor de klasse waarin de desbetreffende rechtspersoon of instelling is ingedeeld, niet meer dan het in onderstaande tabel opgenomen bedrag. | Klasse | Bezoldigingsmaximum 2026 | | --- | --- | | I | € 147.000 | | II | € 178.000 | | III | € 214.000 | | IV | € 241.000 | | V | Het bedrag, genoemd in [artikel 2.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.3). | Artikel 4. Verzoek indel"},{"i":19082,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 december 2019, nr. 2772917, houdende regels met betrekking tot betalingsbewijzen en directe betalingen inzake geldelijke en administratieve sancties (Regeling betalingsbewijzen en directe betalingen geldelijke en administratieve sancties) Gelet op [artikel 9, tweede en vierde lid, van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006847&artikel=9) en [artikel 4:9, eerste en derde lid, van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042962&artikel=4:9); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip dat het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen in werking treedt. Artikel 1 1. Het betalingsbewijs, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006847&artikel=9) en [artikel 4:9, eerste lid, van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042962&artikel=4:9), voldoet ten minste aan de volgende eisen: - a. het vermeldt in ieder geval de tekst ‘kwitantie’, ‘betalingsbewijs’, ‘betalingsoverzicht’ of een andere tekst van gelijke strekking; - b. het vermeldt in ieder geval de volgende teksten of teksten van gelijke strekking ten behoeve van het ter plaatse opnemen van de informatie, bedoeld in onderdeel c: - 1°. ‘ter voldoening van’; - 2°. ‘nummer betaalvoorziening’; - 3°. ‘incasserende instantie’; - 4°. ‘betaalde sanctiebedrag’; - 5°. ‘betaalde administratiekosten’; - 6°. ‘procesverbaalnummer’, ‘zaaknummer’ of ‘CJIB-nummer’; - 7°. ‘datum en tijdstip betaling’; - 8°. ‘dienstnummer’ of ‘verbalisantennummer’; - c. het is in ieder geval voorzien van voldoende ruimte voor het ter plaatse opnemen van de volgende informatie of informatie van gelijke strekking bij de teksten, bedoeld in onderdeel b: - 1°. de sanctie ten aanzien waa"},{"i":18535,"b":"Selectielijst neerslag handelingen Minister van Buitenlandse Zaken op het beleidsterrein Beheer Rijksbegroting Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 10 september 1997, nr. arc-97.1473/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken, als vakminister en als vakminister in Londen, binnen het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting (periode 1940-1993), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken artikel 20 van de ’Lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en in de archieven van de Nederlandse Vertegenwoordigingen in het buitenland’ (vastgesteld bij gemeenschappelijke beschikking door de Minister van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, APA-25691 d.d. 19 februari 1960, alsmede No. 69502 d.d. 5 april 1960). Het intrekken geschiedt slechts voorzover dit artikel betrekking heeft op de bescheiden gerelateerd aan de handelingen die zijn beschreven in de hierbij vast te stellen selectielijst. Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":17282,"b":"Regeling Cliëntenparticipatie SVB 2019 Gehoord de cliëntenraad ingesteld d.d. 15 februari 2011 en zijn rechtsopvolgers; Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de SVB:** de Sociale verzekeringsbank, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=3); - b. **Raad van bestuur:** het met de dagelijkse leiding van de SVB belaste orgaan, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6); - c. **klant:** de meerderjarige die als pensioen- of uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van de dienstverlening van de SVB; - d. **klantenaangelegenheden:** alle onderwerpen die de vorming, de uitvoering, de controle en de evaluatie van de taken van de SVB betreffen daaronder begrepen een beleidsbesluit in de zin van het vierde lid van [artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3), met uitzondering van klachten en bezwaarschriften die betrekking hebben op zaken van individuele klanten, tenzij het gaat om het algemene karakter van de daarbij gehanteerde procedures en regelingen; - e. **Klantenadviesraad SVB:** de Klantenadviesraad bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042188&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2019-05-09&g=2019-05-09). Artikel 2. Instelling cliëntenparticipatie 1. De Raad van bestuur voorziet in de instelling van een Klantenadviesraad met de in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042188&hoofdstuk=3&z=2019-05-09&g=2019-05-09) genoemde taken en bevoegdheden. De samenstelling van de Klantenadviesraad en de benoeming van zijn leden vinden plaats overeenkomstig de bepalingen van deze regeling. 2. Op de wijze waarop de Klantenadviesraad zijn taken en bevoegdheden uitoefent alsmede de wijze waarop de Klantenadviesraad wo"},{"i":19236,"b":"Regeling houdende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme Gelet op Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van 28 september 2001; Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van de Europese Unie van 17 juni 2002 nr. 2002/462/GBVB inzake de actualisering van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en houdende intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2002/340/GBVB (Pb EG L 160); Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 nr. 2001/930/GBVB inzake terrorismebestrijding (Pb EG L 344); Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 nr. 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (Pb EG L 344); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3), Besluit: Artikel 1 1. De [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013904&artikel=1&z=2022-01-28&g=2022-01-28), [2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013904&artikel=2&z=2022-01-28&g=2022-01-28), [3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013904&artikel=3&z=2022-01-28&g=2022-01-28), [4, eerste lid, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013904&artikel=4&z=2022-01-28&g=2022-01-28) het eerste en tweede gedachtestreepje, en tweede lid, en 5, eerste lid, van [Verordening (EG) nr. 2580/2001](32001R2580) van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (Pb EG L 344) zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personen, groepen en entiteiten die met een ster zijn aangemerkt in de bijlage bij Gemeen"},{"i":18891,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 februari 2016 nr. BOACAT2016/012, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Limburg Gelezen het verzoek van de Korpschef van de Nationale Politie van 11 februari 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037680&artikel=2&z=2016-03-03&g=2016-03-03). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid [gebied]. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedo"},{"i":17466,"b":"Regeling tot vaststelling van de normbedragen voor voorschotverlening in 2001 op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3), en [35, tweede en vierde lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35). Besluit: Artikel 1 1. Het normbedrag dat geldt voor de bepaling van de hoogte van het voorschot dat in elk kwartaal wordt verstrekt aan door de raad ingeschreven advocaten wordt vastgesteld op f 1.175,-. 2. Het kwartaalvoorschot bedraagt niet meer dan f 73.500,-. 3. Het kwartaalvoorschot wordt op nihil gesteld, indien minder dan tien toevoegingen zijn afgegeven in de referentieperiode, bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2001. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tot vaststelling van de normbedragen voor voorschotverlening in 2001 op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17248,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 november 2010, nr. MC-U- 3035734, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake overschrijding ziekenhuiskader 2009 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 29 juni 2010 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2009/10, 29 248, nr. 128); Gezien het verslag van een schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 7 oktober 2010 inzake de voorhang taakstelling ziekenhuizen 2011 (Kamerstukken II 2009/10, 29 248, nr.152) en de besluitenlijst van die commissie van 13 oktober 2010; Gezien de Korte aantekeningen Vergadering van de commissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport/Jeugd en Gezin van dinsdag 6 juli 2010; Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg waarop in 2011 de budgetsystematiek van toepassing is, te weten: algemene en categorale ziekenhuizen (inclusief long/astmacentra), academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra en dialysecentra, verder te noemen ziekenhuizen. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 Voor zorg als bedoeld in het vorige artikel wordt per 1 januari 2011 een korting van structureel € 314 miljoen (prijspeil 2009) opgelegd. Artikel 3 Voor de verdeling van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029018&artikel=2&z=2010-12-06&g=2010-12-06) vermelde korting over de ziekenhuizen gelden de volgende uitgangspunten: - 1. De toedeling van de macro kortingsbedragen naar het niveau van de individuele ziekenhuizen dient te geschieden op basis van het aandeel van het individuele ziekenhu"},{"i":18581,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Politie over de periode vanaf 1994 (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 februari 1998, nr. arc-98.1650/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Politie over de periode vanaf 1994’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Van de ‘Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het Directoraat-Generaal Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Binnenlandse Zaken, nr. WVC MMA/Ar-9187 d.d. 26 juli 1984 (gepubliceerd in de Staatscourant 1984 nr.210)) wordt hoofdstuk 1 (Politie) ingetrokken, voor wat betreft archiefbescheiden vanaf 1 april 1994. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument voor het beleidsterrein ‘politie’, 1994– Januari 2005 Lijst van afkortingen AB: Arbeidsvoorwaardenbeleid amvb: algemene maatregel van bestuur (groot KB) BB: Bestuurlijk Beraad Politie BBE: bijzondere bijstandseenheid BFO: bureau financiële ondersteuning BSD: basisselectiedocument CGOP: Commissie voor georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken CID: criminele inlichtingendienst Coreper: ‘Comité des Representants Permanents’ ofwel Comité van Permanente Vertegenwoordigers (per pijler van de Europese Unie) DCRI: Divisie Centrale Recherche Informatie DGVP: Dienst geneeskundige verzorging politie EEG: Europese Economische Gemeenschap EU: Europese Unie GOP"},{"i":17361,"b":"Regeling medisch specialistische zorg met kenmerk NR/CU-263 Op grond van de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), alsmede de beleidsregel ‘[Prestaties en tarieven medisch specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030241)’, stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vast. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op instellingen voor medisch specialistische zorg (met uitzondering van sanatoria), audiologische centra, trombosediensten, instellingen voor erfelijkheidsadvisering en instellingen die geriatrische revalidatiezorg leveren. Deze regeling is voorts van toepassing op solisten als bedoeld in [artikel 13 van de beleidsregel ‘Prestaties en tarieven medisch specialistische zorg’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030241&artikel=13) en op zorgaanbieders die mondzorg leveren zoals kaakchirurgen die bieden. Deze regeling is niet van toepassing op abortuszorg geleverd door abortusklinieken en aanbieders van gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en generalistische basis GGZ, als bedoeld in de beleidsregels ‘Prestaties en tarieven gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg’ en ‘[Generalistische basis GGZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036728)’, met uitzondering van de relevante GGZ-prestaties die zijn opgenomen in [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036896&bijlage=4&z=2016-01-01&g=2016-01-01) (overige zorgproducten) van deze regeling. Artikel 2. Doel van de regeling In deze regeling legt de NZa regels vast die zorgaanbieders die op grond van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036896&artikel=1&z=2016-01-01&g=2016-01-01) onder de reikwijdte van deze regeling vallen in acht"},{"i":19375,"b":"Wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot aanpassing van de eisen te stellen aan de motivering van de bewezenverklaring bij een bekennende verdachte Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te bevorderen dat bij de motivering van de bewezenverklaring met een opgave van verklaringen en schriftelijke bescheiden kan worden volstaan voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II De wijzigingen, vervat in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017479&artikel=I&z=2005-01-01&g=2005-01-01) van deze wet, zijn van toepassing in zaken waarin het onderzoek ter terechtzitting na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt gesloten. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18670,"b":"Aanwijzing ambtenaren belast met toezicht op naleving Sanctiebesluiten Zuid-Afrika 1981 Gelet op [artikel 10 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10) (Stb. 1980, 93), Besluiten: Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het Sanctiebesluit wapenvervoer Zuid-Afrika 1981 (Stb. 1981, 459) en van het Sanctiebesluit licenties Zuid-Afrika 1981 (Stb. 1981, 460) worden aangewezen de controleurs van de Economische Controledienst. Artikel 2 Deze beschikking wordt bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"i":18966,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 6 oktober 2009, nr. DDS 5620948, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt Handelend in overeenstemming met het Kabinetsbesluit van 4 juli 2003 tot oprichting van een Shared Service Center HRM voor Personeelsregistratie en Salarisadministratie; Gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de minister van Justitie; - b. **ministerie:** ministerie van Justitie; - c. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie. 2. Met betrekking tot de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468): - a. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd om in het kader van de dienstverlening aan het ministerie verwerkingen van persoonsgegevens uit te voeren als bewerker in de zin van [artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=1). De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig het Normenkader Informatiebeveiliging. De machtiging wordt geacht te gelden als bewerkersovereenkomst in de zin van [artikel 14, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=14). - b. De directeur P-Direkt heeft geen machtiging tot uitvoering van [artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36) dan"},{"i":19224,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 december 2020, nr. Min-BuZa.2020.6281-10, houdende beperkende maatregelen tegen mensenrechtenschending (Sanctieregeling mensenrechtenschendingen 2020) Gelet op Verordening (EU) nr. 2020/1998 van de Raad van 7 december 2020 betreffende beperkende maatregelen tegen ernstige schendingen van de mensenrechten (PbEU 2020, LI 410); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 5, lid -1 bis, artikel 9, eerste lid, en artikel 10 van Verordening (EU) nr. 2020/1998 van de Raad van de Europese Unie van 7 december 2020 betreffende beperkende maatregelen tegen ernstige schendingen van de mensenrechten (PbEU 2020, LI 410). 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 3, eerste lid en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2020/1998, geldt niet in gevallen waarin artikel 4, eerste lid, artikel 5, lid -1, eerste lid, artikel 6, eerste lid, artikel 7, eerste lid, of artikel 8 van Verordening (EU) nr. 2020/1998 van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, lid 1 bis, artikel 6, eerste lid, artikel 7, eerste lid, artikel 8, eerste lid, en artikel 9, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2020/1998 is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard. 2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, lid 1 bis, artikel 6, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2020/1998 is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen of informatie anders dan van financiële aard. Artikel 3 Deze regeli"},{"i":17724,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Franse Republiek inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen hun douaneadministraties ten behoeve van de juiste toepassing van de douanewetgeving en de voorkoming, opsporing, vaststelling en bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving in het Caribisch gebied, in het bijzonder op het eiland Sint Maarten / Saint Martin Het Koninkrijk der Nederlanden en de Franse Republiek, hierna te noemen de Partijen, Overwegende dat inbreuken op de douanewetgeving hun economische, handels-, fiscale, sociale en culturele belangen schaden, In herinnering roepend de bestaande intensieve administratieve bijstand en samenwerking in het kader van de Europese Unie tussen de Nederlandse en Franse douaneadministraties op het gebied van fraudebestrijding ingevolge bilaterale akkoorden, Verordening (EG) Nr. 515/97, de op 7 september 1967 te Rome gesloten Overeenkomst inzake wederzijdse bijstand op douanegebied, en gelet op de wens deze bijstand en samenwerking te versterken, zoals geuit in de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (artikel 31 EU) inzake de wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties, gedaan te Brussel op 18 december 1997, en ingevolge Richtlijn 76/308 EEG van 15 maart 1976 betreffende de wederzijdse bijstand inzake invordering, Geleid door de wens om met dit Verdrag in het Caribisch gebied en met name op het eiland Sint Maarten/Saint Martin, de door de eerder vermelde teksten voorziene bijstand en samenwerking tussen de Partijen uit te breiden, Herinnerend aan de bestaande bijstand en samenwerking tussen de Partijen in het kader van de Inter-Caribische Douaneconferentie, het Europees initiatief inzake drugsbestrijding in het Caribisch Gebied en het in 1996 aangenomen actieplan van Barbados, Indachtig de zeer nauwe betrekkingen die tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Franse Republiek bestaan in het Caribisch Gebied, met name op het"},{"i":17604,"b":"Tariefbeschikking kraamzorg Nederlandse Zorgautoriteit heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) **op basis van de beleidsregel:** Tariefstructuur kraamzorg **en gelet op:** [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) juncto [artikel 52 lid 5 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) **besloten:** dat rechtsgeldig **door:** zorgaanbieders die kraamzorg bieden als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) **aan:** alle ziektekostenverzekeraars en alle (niet-)verzekerden **prestatiebeschrijving en bijbehorend tarief (in euro’s):** de volgende tarieven, vermeld achter de desbetreffende prestaties in rekening kunnen worden gebracht. De tarieven kunnen elk als maximumtarief in rekening worden gebracht. 1 Kraamzorg zoals omschreven in [artikel 2.12 van het besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12). 2 Per verzorging kan slechts één intake worden gedeclareerd. 3 Dit tarief wordt eenmalig per bevalling naast het uurtarief in rekening gebracht. Het aandeel van de overheveling van de middelen uit het sectorfonds Zorg (= arbeidsmarkt beleid) bedraagt 1,86% van de maximumtarieven exclusief de tijdelijke toeslag. Prestatiebeschrijvingen Kraamzorg Kraamzorg zoals omschreven in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12). Inschrijving Onder inschrijving worden de volgende handelingen verstaan: Intake bij de cliënt thuis en telefonische intake Het verkennen en verduidelijken van de hulpvraag van de cliënt, het inventariseren van de zorgbehoefte en het met inachtneming van de volgende criteria (noodzakelijkheidsprincipe, aanvullend op eigen mogelijkheden, ontbreken van deskundigheid, preventie, bijsturing) obj"},{"i":18322,"b":"Onderlinge regeling tussen Curaçao, Sint Maarten en Nederland, zoals bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, regelende de samenwerking tussen de landen op het gebied van de vreemdelingenketen Overwegende dat: in hoofdstuk I, onderdeel E van de Slotverklaring van het bestuurlijk overleg over de toekomstige staatkundige positie van Curaçao en Sint Maarten van 2 november 2006 is afgesproken dat Curaçao, Sint Maarten en Nederland een onderlinge regeling zullen treffen waarin ze afspraken maken over de vreemdelingenketen, zoals een gezamenlijk systeem, garanties voor professionaliteit, kwaliteit en integriteit, eenduidige procedures en registratiesystemen; een goed functionerende vreemdelingenketen in ieder van de afzonderlijke landen van het Koninkrijk en onderlinge samenwerking tussen de landen van belang zijn voor een goede uitvoering van en effectiviteit van het vreemdelingenbeleid,en het grensbeheer van de landen; maatregelen ter innovatie en optimalisering van de vreemdelingenketens in de Landen zo veel mogelijk zouden moeten aansluiten bij eerdere maatregelen die hetzelfde tot doel hadden; de onderlinge regeling betreft de instanties in de vreemdelingenketen van landen Curaçao en St. Maarten en het Caribische deel van Nederland (Bonaire, St. Eustastius en Saba); Gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); Verklaren het volgende te zijn overeengekomen: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. Hoofdstuk 1. Doel en reikwijdte Artikel 1 Er zal een nauwe samenwerking zijn tussen de vreemdelingenketens van de landen. De landen werken samen ten behoeve van een goede en effectieve uitvoering van het vreemdelingenbeleid en nationaliteitsrecht in de landen en ter bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel en -smo"},{"i":17616,"b":"Tijdelijke Regeling eenmalige uitkering Dutchbat-III-veteranen Gelet op [artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=115); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Dutchbat-III-veteraan:** de militair of gewezen militair van de Nederlandse krijgsmacht die in de periode van 6 januari 1995 tot en met 14 juli 1995 aan de VN-operatie in en nabij Srebrenica deel heeft genomen en op grond daarvan in aanmerking is gebracht voor het draaginsigne DB-III; - **Nabestaande:** degene die ten tijde van het overlijden van de Dutchbat-III-veteraan de echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner van de overleden Dutchbat-III-veteraan is of degene die door de Dutchbat-III-veteraan bij diens pensioenfonds is aangemeld als partner en door dit pensioenfonds als zodanig is aangemerkt. Artikel 2. Aanspraak eenmalige uitkering De Dutchbat-III-veteraan ontvangt ambtshalve een eenmalige uitkering ter hoogte van het bedrag genoemd in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045697&artikel=5&z=2021-10-16&g=2021-10-16) van deze regeling. Artikel 3. Recht op uitkering nabestaande Indien de Dutchbat-III veteraan ten tijde van inwerkingtreden van deze regeling is overleden ontvangt de nabestaande de eenmalige uitkering bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045697&artikel=2&z=2021-10-16&g=2021-10-16). Indien de nabestaande reeds is overleden, wordt voor de toepassing van deze regeling het bedrag zoals genoemd in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045697&artikel=5&z=2021-10-16&g=2021-10-16) toegekend aan het kind van de Dutchbat-III-veteraan, of bij meerdere kinderen aan hen gezamenlijk, op voorwaarde dat een verklaring van erfrecht wordt overgelegd. Indien de overleden Dutchbat-III-veteraan noch kinderen noch een nabestaande heeft in de zin van deze regeling, zijn diens ouders gezamenlijk gerechtigd tot het ontvangen van deze eenma"},{"i":17521,"b":"Regeling Wet zorg en dwang Gelet op [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38, derde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van zorg die wordt geleverd onder de [Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632) en valt onder de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **declaratie:** het in rekening brengen van de verrichte prestatie(s) door de zorgaanbieder aan de cliënt of de zorgverzekeraar. - **Algemeen Gegevens Beheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **prestatie(s):** de prestatie(s) genoemd in [artikel 4 van de Beleidsregel Wet zorg en dwang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049990&artikel=4) - **tarief:** de prijs voor een prestatie, een deel van een prestatie of geheel van prestaties van een zorgaanbieder ([artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1)). - **Wet zorg en dwang (Wzd):** de [Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632). - **zorgaanbieder:** - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verb"},{"i":17115,"b":"Instelling Werkgroep medische zorg in penitentiaire inrichtingen Overwegende dat in 1994 vier ernstige klachten bij de Nationale ombudsman zijn ingediend die alle betrekking hadden op de medische zorg in penitentiaire inrichtingen en waarbij de aanleiding was de dood van een gedetineerde; dat onder andere deze klachten aanleiding zijn om de medische zorg in penitentiaire inrichtingen van het gevangeniswezen door te lichten, waarbij in het bijzonder aandacht dient te worden geschonken aan de organisatie van de medische zorg; Besluit 1. Een werkgroep in te stellen die in het bijzonder tot taak heeft de organisatie van de medische zorg in penitentiaire inrichtingen van het gevangeniswezen door te lichten. Daartoe verricht de werkgroep een grondige analyse van de feitelijke situatie, inventariseert zij knelpunten en risicofactoren, doet zij voorstellen omtrent interne mogelijkheden ter verbetering van de situatie, geeft zij een voorzet tot formulering van kwaliteitscriteria waaraan de organisatie van de medische zorg moet voldoen en geeft zij een voorzet om de wijze waarop aan kwaliteitscriteria invulling wordt gegeven, periodiek te evalueren. 2. Tot voorzitter van de werkgroep te benoemen: mr. G.J. van Dinter. Tot leden van de werkgroep te benoemen: A.N.G. van den Broek (algemeen directeur PI Het Sticht), drs. A.P.J.M. de Wijs (algemeen directeur PI Dordrecht i.o.), Th.J. de Man (arts, Geneeskundig Inspecteur Dienst Justitiële Inrichtin-gen). Tot adviseur van de werkgroep te benoemen: G.H.A. Siemons (arts, Hoofdinspecteur voor de Curatieve en Preventieve Gezondheidszorg van de Inspectie voor de Gezondheidszorg). Tot secretarissen van de werkgroep te benoemen: drs. A. Ph. Bruinsma (Bureau kwaliteit Dienst Justitiële Inrichtingen), mw. mr. C.A. Schreuder (Juridische Zaken Dienst Justitiële Inrichtingen). 3. Te bepalen dat de werkgroep voor september 1995 haar eindrapport uitbrengt aan de Minister van Justitie. 4. Te bepalen dat dit besluit in werking treedt met ingang va"},{"i":17432,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 november 2024, kenmerk 3999529-1074590-J houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering voor de transformatie gesloten jeugdhulp Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Algemene begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **afbouw vastgoed:** bestedingen gedurende de af- en ombouw gesloten jeugdhulp die betrekking hebben op het vastgoed van een instelling gesloten jeugdhulp; - **bestuurlijke afspraken:** afspraken die zijn gemaakt tussen Jeugdhulp Nederland, VNG en de Staatssecretaris over de uitgangspunten rondom de transformatie van de gesloten jeugdhulp, te vinden op [https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2024/06/19/bestuurlijke-afspraken-transformatie-gesloten-jeugdhulp](https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2024/06/19/bestuurlijke-afspraken-transformatie-gesloten-jeugdhulp); - **bovenregionaal gebied:** cluster van jeugdregio’s dat valt onder een coördinerende gemeente, genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050438&bijlage=1&z=2024-11-21&g=2024-11-21); - **bovenregionaal plan:** document waarin per bovenregionaal gebied het toekomstperspectief voor de gesloten jeugdhulp is uitgewerkt; - **coördinerende gemeente:** gemeente genoemd in de tabel in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050438&artikel=5&z=2024-11-21&g=2024-11-21); - **gesloten jeugdhulp:** opname, verblijf en jeugdhulp op basis van een machtiging als bedoeld in de [artikelen 6.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.1.2), [6.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.1.3) of [6.1.4 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.1.4); - **jeugdregio:** regionaal samenw"},{"i":17074,"b":"Controleprotocol nacalculatie 2019 Wlz-zorgaanbieders 1. Inleiding 1.1. Het nacalculatieproces De zorgaanbieder verantwoordt in de nacalculatie-opgave 2019 de totaal financieel gerealiseerde productie over 2019, de totaal financiële realisatie overige onderdelen over 2019 en de totaal gerealiseerde lumpsum kwaliteitsbudget verpleeghuiszorg 2019. De door de zorgaanbieder ingevulde nacalculatie-opgave 2019 bestaat uit het ‘Wlz Formulier Nacalculatie 2019’, met daarin de volgende onderdelen: In sommige situaties komt het voor dat een zorgkantoor nog correcties doorvoert op de productie volgens de nacalculatie-opgave van de zorgaanbieder. Deze correcties (feitelijk: niet gehonoreerde (over)productie) worden op een separate regel opgenomen in het ondertekeningsdocument en zijn uitdrukkelijk geen object van onderzoek door de accountant. Door het Ondertekeningsdocument 2019 van twee handtekeningen te voorzien, verklaart de persoon die bevoegd is te tekenen namens de zorgaanbieder dat hij/zij de nacalculatie-opgave 2019 naar waarheid en in overeenstemming met de voor het jaar 2019 geldende beleidsregels en regelingen van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft ingevuld. In paragraaf 3.3 (tabel 1) van dit controleprotocol is een overzicht opgenomen van de NZa-regelgeving 2019. De accountant, zoals bedoeld in [artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393), controleert pagina 1 en dus niet pagina 2 van het Ondertekeningsdocument 2019 van de zorgaanbieder en geeft de uitkomst van zijn onderzoek weer in een controleverklaring bij de nacalculatie-opgave 2019. De accountant verklaart in deze controleverklaring dat: Voor de tekst van de controleverklaring maakt de accountant gebruik van de voorbeeldtekst die in bijlage 1 van dit controleprotocol is opgenomen. Indien de bevindingen uit de controle daartoe aanleiding geven, wordt de tekst van de controleverklaring aangepast overeenkomstig de [Nadere Voorschriften Con"},{"i":17702,"b":"Verdrag betreffende sociale en medische bijstand verleend door landen, welke partij zijn bij het Verdrag van Brussel De Regeringen van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk Groot-Brittannië en Noord-Ierland; Besloten hebbende om — in overeenstemming met de doelstelling van het Verdrag van Brussel, getekend op 17 Maart 1948 — haar samenwerking op sociaal gebied uit te breiden; Het belang erkennende om bij de toepassing van de wetgeving voor sociale en medische bijstand ten behoeve van de onderdanen van elk dezer landen, het beginsel van gelijke behandeling vast te leggen; Het wenselijk achtende tot dit doel een Verdrag te sluiten; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen In witness whereof the undersigned, duly authorised by their respective Governments, have signed the present Convention and have affixed thereto their seals. Done at Paris, the 7th November, 1949, in French and English, both texts being equally authorative in a single copy which shall be deposited in the archives of the Secretariat-General of the Brussels Treaty Permanent Commission and of which a certified copy shall be transmitted by the Secretary-General to each of the signatory Governments."},{"i":17064,"b":"Circulaire bezoldiging en eindejaarsuitkering burgemeesters 1. Structurele verhoging van de bezoldiging Op grond van [artikel 8, derde lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994](onbekend), wordt de bezoldiging van burgemeesters herzien overeenkomstig de wijziging die de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk ondergaat. In de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel is ten aanzien van het arbeidsvoorwaardenbeleid in de contractperiode 1 december 2002 tot 1 januari 2004 besloten tot een algemene salarisverhoging. Per 1 december 2002 worden de salarissen van de ambtenaren in de sector Rijk structureel met 2,5% verhoogd. Dit betekent dat de bezoldiging van burgemeesters eveneens met ingang van 1 december 2002 dient te worden aangepast. In verband met de inkomenseffecten als gevolg van de overeengekomen wijzigingen in het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](onbekend) (Btzr) ontvangen de ambtenaren in de sector Rijk per 1 mei 2003 een compensatie in de vorm van een structurele verhoging van de schaalbedragen met 0,25%. Gelet hierop is met de centrales van het overheidspersoneel afgesproken om per 1 mei 2003 de salarissen te verhogen met 0,25%. Als gevolg van deze afspraak zijn de bezoldigingsbedragen van burgemeesters per 1 mei 2003 structureel verhoogd met 0,25%. Voor de definitieve bezoldigingsbedragen verwijs ik u naar de bijlage bij deze circulaire. De beide structurele salarisverhogingen werken door naar reeds ingegane werkloosheidsuitkeringen. 2. Eindejaarsuitkering Op grond van [artikel 15a, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994](onbekend), heeft de burgemeester recht op een eindejaarsuitkering. De eindejaarsuitkering is structureel vastgesteld op 0,4%. In genoemd sectoroverleg is overeengekomen de eindejaarsuitkering voor het jaar 2002 incidenteel met 0,6% te verhogen tot 1%. Daarnaast is besloten de eindejaarsuitkering 2003 incidenteel met 0,4% te verhogen tot 0,8%. Voor burgemeesters geldt een verhoogde ei"},{"i":18846,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 2 maart 2022 nr. BOACAT2022/011, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Kansspelautoriteit Gelezen het verzoek van de Kansspelautoriteit van 28 oktober 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046409&artikel=2&z=2022-05-05&g=2022-05-05). Artikel 2 De personen, werkzaam bij de afdeling handhaving KSA in de functie van inspecteur, coördinator, jurist, afdelingshoofd en analist in dienst van de Kansspelautoriteit, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zove"},{"i":17321,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 november 2018, kenmerk 1437213-183157-WJZ, houdende indexering per 1 januari 2019 van bedragen krachtens het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 Gelet op de [artikelen 3.3.1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.7) en [3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.2.3) en [3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.7), en [3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.13), [6, eerste lid, onderdeel b, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=6), en [19 van het Bijdragebesluit zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=19) en [8.3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.3), en [8.4, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.4); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit langdurige zorg. Artikel II Wijzigt de Regeling langdurige zorg. Artikel III Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Artikel V 1. Dit artikel is van toepassing op de berekening van de bijdrage in de kosten die krachtens de [artikelen 8.3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.3), en [8.4, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.4) aan het college verschuldigd is. 2. De in [artikel 1a, zesde lid, van het Bijdragebesluit zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=1a) genoemde bedragen worden vastgesteld op: € 10.171. 3. Het in [artikel 4, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=4) genoemde bedrag wordt vastgeste"},{"i":19348,"b":"Wet van 22 december 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aantal strafmaxima in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend) te herijken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel V Vervallen Artikel VI Wijzigt de Wet oorlogsstrafrecht. Artikel VII Wijzigt de Kernenergiewet. Artikel VIII Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel IX Wijzigt de Wet wapens en munitie. Artikel X Wijzigt de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Artikel XI Wijzigt de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren. Artikel XII Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel XIII Ten aanzien van genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, die is gepleegd voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, blijven de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=5) en [5a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=5a) van toepassing zoals die golden voor dat tijdstip. Artikel XIV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18776,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 2 mei 2024, kenmerk 4998413, houdende beperking van de openbaarheid van het archiefblok Internationale Kindontvoering 1990–2005 van het Ministerie van Justitie Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. **30 april 2024**, met kenmerk **1234527**. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archiefbestand Internationale Kindontvoering (IKO) 1990–1995, met een omvang van 53 strekkende meter. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene en wellicht ook bijzonder persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Def.nr. | Advies openbaarheid per 1 januari | | --- | --- | | 1 | 2086 | | 2 | 2088 | | 3 | 2080 | | 4 | 2083 | | 5 | 2081 | | 6 | 2088 | | 7 | 2081 | | 8 | 2088 | | 9 | 2088 | | 10 | 2086 | | 11 | 2089 | | 12 | 2085 | | 13 | 2083 | | 14 | 2075 | | 15 | 2085 | | 16 | 2091 | | 17 | 2086 | | 18 | 2090 | | 19 | 2085 | | 20 | 2085 | | 21 | 2084 | | 22 | 2090 | | 23 | 2088 | | 24 | 2089 | | 25 | 2086 | | 26 | 2086 | | 27 | 2086 | | 28 | 2086 | | 29 | 2086 | | 30 | 2087 | | 31 | 2087 | | 32 | 2087 | | 33 | 2088 | | 34 | 2083 | | 35 | 2079 | | 36 | 2079 | | 37 | 2088 | | 38 | 2082 | | 39 | 2085 | | 40 | 2086 | | 41 | 2089 | | 42 | 2083 | | 43 | 2083 | | 44 | 2084 | | 45 | 2091 | | 46 | 2091 | | 47 | 2091 | | 48 | 2088 | | 49 | 2083 | | 50 | 2082 | | 51 | 2084 | | 52 | 2081 | | 53 | 2085 | | 54 | 2087 | | 55 | 2089 | | 56 | 2089 | | 57 | 2082 | | 58 | 2085 | | 59 | 2090 | | 60 | 2087 | | 61 | 2083 | | 62 | 2089 | | 63 | 2087 | | 64 | 2088 | | 65 | 2089 | | 66 | 2088 | | 67"},{"i":17534,"b":"Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand tot instelling van de Adviescommissie Subsidieregeling Stelselherziening rechtsbijstand en vaststelling Reglement Adviescommissie Subsidieregeling Stelselherziening rechtsbijstand gelet op [artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:5) jo. [artikel 8, eerste lid, van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8) jo. [artikel 11 van de Subsidieregeling Stelselherziening rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043033&artikel=11), Besluit: Een Adviescommissie Subsidieregeling Stelselherziening rechtsbijstand in te stellen voor de advisering over (de besluitvorming op) de aanvragen en de verlening van subsidie als bedoeld in de [Subsidieregeling Stelselherziening rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043033), meer in het bijzonder over de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043033&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043033&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043033&artikel=10) en [13 sub c. van de subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043033&artikel=13), alsmede de samenstelling en werkwijze van deze commissie conform onderstaand Reglement Adviescommissie Subsidieregeling Stelselherziening rechtsbijstand vast te stellen; Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de Raad:** het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand; - b. **de subsidieregeling:** de [Subsidieregeling Stelselherziening rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043033); - c. **de commissie:** de Adviescommissie subsidieregeling Stelselherziening rechtsbijstand; - d. **de aanvraag:** de aanvraag tot verlening van subsidie als bedoeld in [artikel 1 van de Subsidieregeling Stelselherziening rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043033&artikel=1); - e. **aanvrager:** de"},{"i":18015,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 19 oktober 2004, nr. IAZ 2004-882M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Ministerie van Financiën, kaartsysteem op de archiefbescheiden van de Liquidatie van de Verwaltung Sarphatistraat (1929) 1941–1958 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Liquidatie van de Verwaltung Sarphatistraat (1929) 1941–1958 de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn gerekend vanaf 1958. De archiefbescheiden zijn niet openbaar voor 1 januari 2033. 2. Raadpleging van de bescheiden die geborgen zijn onder inventarisnummers 2117–2125, 2079–2116 is slechts mogelijk na indiening van een schriftelijk verzoek gericht aan de directeur van het Nationaal Archief en na ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier na het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Archiefregeling voor de archieven van de Liquidatie van de Verwaltung Sarphatistraat (1929) 1941–1958, ressorterend onder het Ministerie van Financiën. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"i":18230,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Nederlandsche Bank en Rijkscommissie en Dagelijkse commissie Export-, import- en investeringsgaranties beleidsterrein Herverzekering van export- en importkredieten en investeringsgaranties 1922–2008 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 9 december 2009, nr.bca-2009.05551/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Nederlandsche Bank en de onder haar zorg vallende actoren Rijkscommissie en Dagelijkse commissie Export-, import- en investeringsgaranties op het beleidsterrein Herverzekering van export- en importkredieten en investeringsgaranties over de periode 1922–2008’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten."},{"i":19130,"b":"Richtlijn voor strafvordering heling Beschrijving Deze richtlijn is van toepassing op schuldheling en opzetheling. Basiscasus/delict Heling, alleen gepleegd. Legenda GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar HIC= High Impact Crime Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036337)."},{"i":17863,"b":"Besluit van 27 november 2007, houdende wijziging van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs in verband met wijziging van de Werkloosheidswet Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 1 november 2007, nr. AP/PSW/2007/42769 (B42), directie Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid; Gelet op [artikel 33, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=33) en [artikel 33, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=33); De Raad van State gehoord (advies van 8 november 2007, nr. W05.07.0402/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 22 november 2007, nr. AP/PSW/2007/47149 (B42), directie Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs. Artikel II. Overgangsbepaling [Artikel 9 van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012177&artikel=9), zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op de betrokkene die op die datum een recht op uitkering heeft waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden. Artikel III. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Artikel IIa. Omhangbepaling Dit besluit berust op [artikel X van de Wet tot wijziging van enige wetten in verband met de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren in het onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042739&artikel=X). Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden gep"},{"i":18020,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van het Koninkrijk van 21 december 2009, nr. WBN-A 2009/2, houdende actualisering van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba Gelet op de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738); Besluit: Artikel I De Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba wordt als volgt gewijzigd. De Handleiding voor de toepassing van de RWN toegespitst op het gebruik in Aruba is geheel geactualiseerd, zoals aangegeven in de bijlage. De eerste (en tevens laatste) versie dateert van 2003 en was tot nu toe nog niet digitaal beschikbaar. Wel zijn er sinds 2003 verschillende TBN’s voor Aruba geschreven en gepubliceerd op de Sdu-site. Deze zijn in deze Handleiding – die voortaan elk half jaar zal worden geactualiseerd – opgenomen. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2010. Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba [Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027122) Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant en het Afkondigingsblad van Aruba worden geplaatst."},{"i":17039,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 februari 2024, kenmerk 3768438-1060323-OBP, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmachten aan de programmadirecteur van het programma Integraal Zorgakkoord Gelet op de [artikelen 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a), [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17) en [artikel 10 van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Voor de duur van het programma Integraal Zorgakkoord heeft een programmadirecteur de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma. Artikel 2 Voor de duur van het programma Integraal Zorgakkoord heeft een daartoe aangewezen directeur van een directie als bedoeld in [artikel 2, aanhef en onder e, van het Organisatiebesluit VWS 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048616&artikel=2) van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij afwezigheid of verhindering van de programmadirecteur de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19500,"b":"Overeenkomst inzake een gemeenschappelijke luchtvaartruimte tussen de Europese Unie en haar lidstaten en de Republiek Moldavië Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Republiek Cyprus, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) (hierna gezamenlijk „de EU-Verdragen” genoemd) en zijnde lidstaten van de Europese Unie, en de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, nota nemend van de [Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002788), die op 28 november 1994 te Brussel is opgesteld; wensend een gemeenschappelijke luchtvaartruimte tot stand te brengen, gebaseerd op de doelstelling om de toegang tot de markten van de partijen open te stellen onder gelijke concurrentievoorwaarden en met inachtneming van dezelfde regels, met name op het gebied van veiligheid, beveiliging, luchtverkeersbeheer, sociale aspecten en milieu; wensend de uitbreiding van de luchtvervoersmogelijkheden te vergemakkelijken, onder meer via de ontwikkeling van luchtvervoersnetwerken, teneinde tegemoet te komen aan de behoeften van passagiers en expediteurs aan passende luchtvervoersdiensten; erkennende dat lucht"},{"i":18716,"b":"Beleidsregel boetetoemetingsbeleid BFT 2025 Het BFT, Autoriteit voor financieel-juridisch toezicht, heeft besloten om het boetetoemetingsbeleid te actualiseren en hierbij vast te stellen met betrekking tot het bepalen van de hoogte van bestuurlijke boetes die worden opgelegd wegens overtreding van bepalingen uit de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) (Wwft). Het BFT beschikt sinds juni 2016 over een gepubliceerd boetetoemetingsbeleid aan de hand waarvan de hoogte van boetes voor overtredingen van de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) wordt vastgesteld. Dit beleid is laatstelijk aangepast in mei 2021. Het BFT heeft de bevoegdheid om bestuurlijke boetes op te leggen voor overtredingen van de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282). De hoogte van deze boetes is gebaseerd op een wettelijk basisbedrag. Overtredingen waarvoor een boete kan worden opgelegd zijn door de wetgever ingedeeld in drie categorieën waarbij, afhankelijk van de zwaarte van de overtreding, het basisbedrag is gesteld op € 10.000,– (categorie 1), € 500.000,– (categorie 2) en € 2.000.000,– (categorie 3). Deze basisbedragen kunnen verlaagd dan wel (met uitzondering van de boete voor een overtreding die valt in categorie 1) verhoogd worden tot een maximumbedrag. De maximumbedragen zijn respectievelijk € 10.000,– voor een overtreding die valt in categorie 1, € 1.000.000 voor een overtreding die valt in categorie 2 en € 4.000.000,– voor een overtreding die valt in categorie 3. Het wettelijke basisbedrag is het uitgangspunt bij de bepaling van de boetehoogte door het BFT. Dit basisbedrag wordt (mede in verband met ernst, duur, verwijtbaarheid en draagkracht) aangepast tot een percentage van 1 tot 5% van de meest recente bekende jaaromzet van de overtreder. Daarbij wordt bij de meest voorkomende overtredingen als uitgangspunt genomen 1% van de omzet bij overtreding van de verplichting tot het ver"},{"i":17978,"b":"Wet van 9 oktober 1991, tot wijziging van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (invoering gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede enige andere wijzigingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gelijke behandeling van mannen en vrouwen in te voeren in de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844) (**Stb.** 1986, 386) en de [Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664) (**Stb.** 1984, 94), alsmede enige andere wijzigingen in die wetten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III - 1. Bij de inwerkingtreding van deze wet reeds toegekende rechten ingevolge de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844) of de [Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664) worden bij de inwerkingtreding van deze wet niet opnieuw getoetst aan de artikelen van deze wetten zoals deze dan komen te luiden behoudens voor zover het betreft de [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=17) en [19 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=19) en 23 en 28 van de [Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664). Indien ingevolge de vorige volzin de [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=17) en [19 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten."},{"i":19288,"b":"Rijkswet van 14 juni 1990, houdende nieuwe regels inzake de militaire strafrechtspraak Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe voorschriften te geven inzake de organisatie van de militaire strafrechtspraak, alsmede enige bepalingen inzake de daarbij plaatsvindende wijze van strafvordering; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. De zowel in deze rijkswet als in het [Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869) voorkomende uitdrukkingen hebben in beide dezelfde betekenis met dien verstande dat in deze rijkswet onder militairen niet worden begrepen militairen die Gouverneur, minister, staatssecretaris, lid van de Staten van Aruba, Curaçao of Sint Maarten of lid van de Staten-Generaal zijn. [Artikel 61 van het Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=61) is van toepassing. 2. In deze rijkswet wordt verstaan onder: - a. **Wetboek van Strafvordering:** het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) van het Europese deel van Nederland; - b. **Wetboek van Strafrecht:** het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) van het Europese deel van Nederland; - c. **Gemeenschappelijk Hof van Justitie:** het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - d. **Gerechten in eerste aanleg:** het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten en het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eus"},{"i":18559,"b":"Regeling van de Minister van Justitie, (nr. 426911/594/NE) houdende vaststelling van het politielegitimatiebewijs ten behoeve van enige ambtenaren van politie werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten en de bijzondere ambtenaren van politie Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Tijdens de uitoefening van de dienst dragen de ambtenaar, werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten, en de bijzondere ambtenaar, een politielegitimatiebewijs volgens het model als bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling bij zich. Artikel 3 1. De Staat is eigenaar van het politielegimatiebewijs. 2. Het politielegitimatiebewijs wordt tegen betaling van het Korps landelijke politiediensten betrokken. Artikel 4 Op de bewaring van het te verstrekken politielegitimatiebewijs wordt behoorlijk toezicht gehouden door: - a. de korpschef voor zover het betreft politielegitimatiebewijzen, verstrekt aan ambtenaren werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten; - b. de procureur-generaal voor zover het betreft politielegitimatiebewijzen, verstrekt aan bijzondere ambtenaren, die in zijn ressort zijn aangesteld. Artikel 5 1. De korpschef draagt er zorg voor dat het politielegitimatiebewijs voor de uitreiking wordt geprepareerd op de wijze, bedoeld in bijlage 2 bij dit besluit. 2. Na ondertekening reikt de korpschef het politielegitimatiebewijs uit aan de ambtenaar en de bijzondere ambtenaren. 3. De korpschef registreert de uitgifte van het politielegitimatiebewijs waarbij de naam van de ambtenaar dan wel van de bijzondere ambtenaar, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006488&artikel=1&z=1994-04-01&g=1994-04-01), en het uitgiftenummer worden vermeld. Artikel 6 1. De ambtenaar meldt vermissing, ontvreemding en geheel of gedeeltelijk tenietgaan van zijn politielegitimatiebewijs terstond aan de korpschef. 2. De bijzondere ambtenaar meldt vermissing, ontvreemding en geheel of gedeeltelijk tenietgaan van zijn politielegitimatiebewijs ters"},{"i":17589,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 14 mei 2020, kenmerk 1685523-204923-CZ, houdende regels voor een subsidie voor het faciliteren van medisch specialisten bij de overgang naar integrale tarieven voor medisch specialistische zorg en kaakchirurgie (Subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg 2020 en 2021) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **arbeidsovereenkomst:** overeenkomst als bedoeld in [artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610); - **arts:** persoon ingeschreven als arts in een register als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3); - **inspecteur:** inspecteur als bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2); - **instelling:** organisatorisch verband dat strekt tot de verlening van zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), met uitzondering van een organisatorisch verband waarbinnen in het kader van de binnen een instelling verleende zorg, een deel van die zorg wordt verleend; - **medisch specialist:** arts als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043552&artikel=2&z=2023-04-01&g=2023-04-01); - **minister:** Minister voor Medische Zorg; - **overstapjaar:** het kalenderjaar waarin de overstapperiode valt; - **overstapperiode:** de periode van het tweede of derde kwartaal van ofwel 2020, ofwel 2021, waarin een medisch specialist de subsidiabele activiteit, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":18950,"b":"Besluit van 22 december 1943, houdende vaststelling van het Besluit Buitengewoon Strafrecht Op de voordracht van Onze Ministers voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk, van Algemeene Zaken, van Buitenlandsche Zaken, van Justitie, van Binnenlandsche Zaken, van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, van Financiën, van Oorlog, van Marine, van Waterstaat, van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, van Landbouw en Visscherij, van Sociale Zaken, van Koloniën en van Onze Ministers zonder Portefeuille van 10 December 1943, N°. 2722/G.92(**a**); Overwegende, dat de veiligheid van den Staat het dringend noodzakelijk maakt buitengewone bepalingen van strafrecht vast te stellen voor de berechting van zekere gedurende den tijd van den huidigen oorlog begane feiten, welke in zoo ernstige mate strafwaardig zijn, dat hun strafbaarheid daarmede in overeenstemming dient te worden gebracht, zonder dat een beroep op het bepaalde in [artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=1) bij die berechting dient te worden toegelaten; Den Buitengewonen Raad van Advies gehoord; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de misdrijven, gedurende den tijd van den huidigen oorlog vóór 15 Mei 1945 begaan, welke zijn omschreven in: - 1°. een der [Titels I](onbekend) en [II](onbekend) van het Tweede Boek of een der [artikelen 137**a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=137a), [137](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=137)**b,**[205](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205) en [278 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=278), een der [Titels I](onbekend) en [II](onbekend) van het Tweede Boek of [artikel 150 van het Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=150) of een der [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002006&artikel"},{"i":19034,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 11 maart 2011, nr. 5688652/11, houdende mandaat van de bevoegdheid tot beëdiging van de buitengewoon opsporingsambtenaar (Mandaatbesluit bevoegdheid tot beëdiging buitengewoon opsporingsambtenaar) Gelet op [artikel 21, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=21) en [artikel 10:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Besluit: Artikel 1 1. Aan de direct toezichthouder, aangewezen krachtens [artikel 36, eerste en derde lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), wordt mandaat verleend van de bevoegdheid tot het afleggen van de eden, verklaringen en beloften, [bedoeld in artikel 20, eerste lid, van dat Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=20). 2. Het in het eerste lid bedoelde mandaat wordt ten aanzien van een te beëdigen persoon die behoort tot een dienst die ressorteert onder een ministerie, tevens verleend aan het hoofd van die dienst. Artikel 2 1. De direct toezichthouder kan bepalen dat het afleggen van de eden, verklaringen en beloften, bedoeld in [artikel 20, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=20), namens hem geschied in handen van politiefunctionarissen in de rang van commissaris. 2. In aanvulling op het eerste lid kan het hoofd van een onder de centrale overheid ressorterende landelijke dienst, bepalen dat het afnemen van de eden, verklaringen en beloften, bedoeld in [artikel 20, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=20), namens hem geschiedt in handen van zijn plaatsvervanger. 3. Het hoofd van dienst, genoemd in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029739&artikel=1&z=2020-"},{"i":18825,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 mei 2021 nr. BOACAT2021/019, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Dunea Gelezen het verzoek van Dunea van 19 april 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het functioneel parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [Artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045142&artikel=2&z=2021-07-07&g=2021-07-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Duinwachter in dienst van Dunea, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2."},{"i":17543,"b":"Reglement Landelijke Adviescommissie Rechtsbijstand Asiel en vreemdelingenbewaring In aanmerking nemend [artikel 8 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8); Besluit: Een commissie in te stellen voor de advisering over de rechtsbijstandverlening aan asielzoekers en vreemdelingen in bewaring alsmede de samenstelling en werkwijze van deze commissie als onderstaand vast te stellen. Bijlage Taak Artikel 1 De Landelijke Adviescommissie Rechtsbijstand Asiel en Vreemdelingenbewaring, hierna te noemen ‘de Commissie’, heeft tot taak het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad) gevraagd en ongevraagd van advies te dienen over de rechtsbijstandverlening aan asielzoekers en vreemdelingen in bewaring in de meest ruime zin. Zij doet dit ten aanzien van: Advisering Artikel 2 Samenstelling Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Werkwijze Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 De Commissie kan uit haar midden werkgroepen instellen ter voorbereiding van de door haar uit te brengen adviezen. Artikel 11 Indien de Commissie de Raad adviseert ten aanzien van signalen die zijn voortgekomen uit de Klachtencommissie rechtsbijstand asiel en vreemdelingenbewaring, dan verzorgt de Commissie een terugkoppeling van het advies naar die commissie. Artikel 12 Alle van de Commissie uitgaande stukken worden zoveel mogelijk door de voorzitter en de secretaris gezamenlijk ondertekend. Artikel 13 Elk jaar brengt de Commissie aan de Raad verslag uit van de door haar in het voorgaande jaar verrichte werkzaamheden. Slotbepalingen Artikel 14 Voor hun advieswerk ontvangen de commissieleden vacatiegeld en een reiskostenvergoeding zoals die op grond van de door de Raad gehanteerde vacatiegeldregeling zijn vastgesteld. Artikel 15 In gevallen waarin deze regeling niet voorziet beslist de Raad, nadat de Commissie terzake haar opvatting te kennen heeft gegeven. Artikel 16 Dit reglement vervangt alle voorgaande reglementen betreffende de adviseri"},{"i":17914,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 juli 2009, nr. Z/VV-2944170, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering, ter nadere invulling van de maatregelen om wanbetalers voor hun zorgverzekering te laten betalen Gelet op de [artikelen 18e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18e), [18f, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18f) en [34a, derde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34a) en [artikel IX, zesde lid, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Wet op de zorgtoeslag en enige andere wetten, houdende maatregelen om ook wanbetalers voor hun zorgverzekering te laten betalen (structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026276&artikel=IX); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Zorgverzekeringswet, Wet op de zorgtoeslag, enz. (structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering) in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II 1. De zorgverzekeraars verrichten meldingen als bedoeld in [artikel 18c van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c) volgens een door het Zorginstituut vast te stellen schema. 2. Indien een zorgverzekeraar ten aanzien waarvan het Zorginstituut eerder heeft vastgesteld dat deze in staat is aan het gestelde bij de [artikelen 18a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18a), [18b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18b) en [18c van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c) en ten aanzien waarvan derhalve [artikel 3.23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=3.23), gold, desondanks niet in staat blijkt de meldingen, bedoeld in [artikel 18c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), volgens het"},{"i":17461,"b":"Regeling toevoeging bewindvoerders Wsnp II Gelet op [artikelen 13 lid 1 sub c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=13) (Wrb), en [artikel 39 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=39); Op drie specifieke procedures die in de [faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) zijn opgenomen, rechtsbijstand laten verlenen door ‘anderen’ zoals bedoeld in [artikel 13 lid 1 sub c van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=13); Voor dit doel sluit de Raad voor Rechtsbijstand overeenkomsten tot het verlenen van rechtsbijstand. Deze overeenkomsten strekken ertoe om gedurende de looptijd van de overeenkomst een toevoeging af te geven ten behoeve van het verlenen van rechtsbijstand door bij de Raad voor Rechtsbijstand geregistreerde bewindvoerders; En heeft daartoe de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **De Raad:** Raad voor Rechtsbijstand. - 2. **Bewindvoerder:** de bewindvoerder Wsnp die staat geregistreerd bij de Raad voor Rechtsbijstand. - 3. **Register:** het Register Bewindvoerders Wsnp van de Raad waarin alle bewindvoerders Wsnp zijn opgenomen die voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in het ‘[Beleidsregels voor inschrijving bewindvoerders Wsnp en bewindvoerderorganisaties Wsnp in het register](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037325)’. - 4. **Overeenkomst:** Overeenkomst ‘Toevoegen Bewindvoerder Wsnp’ volgens de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=13) en [24 lid 1 sub c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=24). - 5. **Verzoekschriftenprocedures:** de verzoekschriftprocedures voor een: - a). **Moratorium** zoals omschreven in [artikel 287 lid 4 Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287); - b). Dwangakkoord zoals omschreven in [artike"},{"i":18154,"b":"Besluit van de Griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 25 juli 2018, nr. 18.1694, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt Handelend in overeenstemming met de Intentieverklaring transitie dienstverlening Tweede Kamer der Staten-Generaal - P-Direkt van 8 januari 2018 Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Griffier:** Griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; - b. **Tweede Kamer:** Tweede Kamer der Staten-Generaal; - c. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362) van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën van 11 februari 2009; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Griffier feitelijke handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. 2. Met betrekking tot de Algemene verordening gegevensbescherming: - a. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd om in het kader van de dienstverlening aan de Tweede Kamer verwerkingen van persoonsgegevens uit te voeren als verwerker in de zin van artikel 4, achtste onderdeel, van de Algemene verordening gegevensbescherming. De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst 2017. In aanvulling op de machtiging worden verwerkersafspraken overeengekomen in de zin van artikel 28, derde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming. - b. De directeur P-Direkt heeft geen machtiging tot uitvoering van artikel 16 tot en met 18 van de Algemene verordening gegevensbescherming dan na een besluit van of namens de Griffier. 3. Met betrekking tot de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) wordt de directeur van P-Direkt gemachtigd:"},{"i":18941,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 29 december 2025 nr. BOACAT2025/212, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Stichting Landschap Overijssel Gelezen het verzoek van Stichting Landschap Overijssel van 19 december 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052125&artikel=2&z=2026-02-13&g=2026-02-13). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van groene boa in dienst van Stichting Landschap Overijssel zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen"},{"i":17259,"b":"Regeling aanwijzing met wachtgeld gelijkgestelde periodieke uitkeringen BES Treedt in werking om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 Periodieke uitkeringen ter overbrugging van een periode van werkloosheid als gevolg van onvrijwillig ontslag wegens reorganisatie van een lichaam worden gelijkgesteld met wachtgeld. Artikel 2 Deze regeling berust op [artikel 3, tweede lid, van de Pensioenwet ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714&artikel=3). Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing met wachtgeld gelijkgestelde periodieke uitkeringen BES."},{"i":19263,"b":"Verdrag tot eenmaking van enige regelen betreffende de strafrechtelijke bevoegdheid in zaken van aanvaring en andere scheepvaartongevallen De Hoge Verdragsluitende Partijen, De wenselijkheid erkend hebbende in gemeen overleg enige eenvormige regelen vast te stellen betreffende de strafrechtelijke bevoegdheid in zaken van aanvaring en andere scheepvaartongevallen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 In geval van een aanvaring of van enig ander scheepvaartongeval, waarbij een zeeschip is betrokken en waarbij de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de kapitein of van enige andere persoon in dienst van het schip in het geding is, kan een strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vervolging alleen worden ingesteld ten overstaan van de gerechtelijke of administratieve autoriteiten van de Staat waarvan het schip op het tijdstip van de aanvaring of een ander scheepvaartongeval de vlag voerde. Artikel 2 In het geval bedoeld in het voorgaande artikel kan een schip niet worden in beslag genomen noch worden vastgehouden, zelfs niet bij wijze van maatregel van onderzoek, door de autoriteiten van een ander land dan dat welks vlag het schip voerde. Artikel 3 Geen bepaling van dit Verdrag belet een Staat zijn eigen autoriteiten de bevoegdheid te verlenen in geval van aanvaring of van een ander scheepvaartongeval maatregelen te treffen met betrekking tot de bewijzen van bevoegdheid en de vergunningen die hij heeft verleend, of zijn eigen onderdanen te vervolgen voor overtredingen die zij hebben begaan terwijl zij zich aan boord bevonden van een schip dat de vlag van een andere Staat voerde. Artikel 4 Dit Verdrag is niet van toepassing op aanvaringen of andere scheepvaartongevallen die hebben plaatsgevonden in havens, op reden en op binnenwateren. Daarnevens kunnen de Hoge Verdragsluitende Partijen bij de ondertekening, bij de nederlegging van de akten van bekrachtiging of van toetreding tot het Verdrag"},{"i":17979,"b":"Wet van 7 juli 1994, tot wijziging van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (sluiten Wuv voor de na-oorlogse generatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is uitdrukkelijk vast te stellen dat de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844) uitsluitend van toepassing is op personen die vóór de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog zijn geboren en de vervolging aan den lijve hebben ondervonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Op aanvragen, welke zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze wet, wordt beslist overeenkomstig [artikel 3, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=3), zoals dat artikellid luidde op de datum van indiening van de aanvraag. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18806,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 december 2024 nr. BOACAT2024/122 strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de BEL Combinatie Gelezen het verzoek van de BEL Combinatie van 8 april 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050579&artikel=2&z=2024-12-25&g=2024-12-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de BEL Combinatie, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij d"},{"i":19264,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland hierna te noemen: „de Verdragsluitende Staten\" In het streven de internationale criminaliteit alsmede grensoverschrijdende gevaren door samenwerking als partners effectiever het hoofd te bieden, In het streven de samenwerking tussen de Verdragsluitende Staten te bevorderen en vastbesloten de mogelijkheden van een grensoverschrijdend optreden ter handhaving van de openbare orde en veiligheid en de mogelijkheden tot strafrechtelijke samenwerking te verruimen, Overwegende dat het wenselijk is de uitwisseling van informatie tussen de Verdragsluitende Staten te intensiveren alsmede de samenwerking bij de inzet van middelen ter handhaving van de openbare orde en veiligheid alsmede in het kader van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten te versterken, Ter aanvulling op: de op 19 juni 1990 te Schengen tot stand gekomen Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (hierna te noemen: SUO) alsmede ter aanvulling op de hierop gebaseerde, in de Europese Unie ingevoerde verworvenheden van Schengen; het op 20 april 1959 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; de op 30 augustus 1979 te Wittem tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de aanvulling en het vergemakkelijken van de toepassing van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 20 april 1959; het op 17 maart 1978 te Straatsburg tot stand gekomen Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; het op 8 november 2001 te Straatsburg tot stand"},{"i":17885,"b":"Besluit van 30 september 2011, houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met wijziging van de te verzekeren prestaties Zorgverzekeringswet per 2012 en de eigen bijdragen daarvoor en wijziging van dat besluit en het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met stringent pakketbeheer en wijziging van het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juli 2011, Z/VU-3072473; Gelet op [artikel 11, derde en vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11), [artikel 6, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=6) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 augustus 2011, no. W13.11.0304/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 september 2011, Z/VU-3078441; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit zorgverzekering. Artikel II Wijzigt het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Artikel III Wijzigt het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Artikel IV Op een verzekerde als bedoeld in [artikel 2.6, tweede lid, tweede volzin, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.6) die uiterlijk op 31 december 2011 twaalf behandelingen fysiotherapie of oefentherapie heeft ontvangen, blijft artikel 2.6, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, zoals dat artikel op 31 december 2011 luidde, van toepassing voor zover het behandeling van de aandoening betreft waarop de twaalf behandelingen betrekking hadden en de aandoening ook na deze datum aanleiding kan zijn voor voor rekening van de zorgverzekering komende fysiotherapie of oefentherapie. Artikel V Dit besluit tr"},{"i":18039,"b":"Besluit nr. DBV / 11066447 van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Directie Interne Zaken en diens taakvoorgangers van het Ministerie van Economische Zaken over de periode 1951–1997 (2002) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 21 juni 2011; Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar. De beperkingen aan de openbaarheid vervallen op het moment van overlijden van de persoon op wie het dossier betrekking heeft. Indien het overlijden van die persoon niet is vastgesteld, vervalt de beperking uiterlijk 100 jaar na geboortedatum, in het jaar vermeld in de tweede kolom van onderstaande tabel. | Inventarisnummers | | | --- | --- | | 304 | 2048 | | 305 | 2039 | | 306 | 2030 | | 307 | 2034 | | 308 | 2047 | | 309 | 2038 | | 310 | 2036 | | 311 | 2031 | | 312 | 2031 | | 313 | 2038 | | 314 | 2035 | | 315 | 2032 | | 316 | 2038 | | 317 | 2037 | | 318 | 2040 | | 319 | 2044 | | 320 | 2032 | | 321 | 2025 | | 322 | 2033 | | 323 | 2039 | | 324 | 2038 | | 325 | 2039 | | 326 | 2037 | | 327 | 2039 | | 328 | 2024 | | 329 | 2037 | | 330 | 2035 | | 331 | 2041 | | 332 | 2035 | | 333 | 2040 | | 334 | 2035 | | 335 | 2033 | | 336 | 2035 | | 337 | 2026 | | 338 | 2039 | | 339 | 2034 | | 340 | 2038 | | 341 | 2029 | | 342 | 2041 | | 343 | 2035 | | 344 | 1934 | | 345 | 2039 | | 346 | 2029 | | 347 | 2036 | | 348 | 2040 | | 349 | 2017 | | 350 | 2037 | | 351 | 2037 | | 352 | 2035 | | 353 | 2031 | | 354 | 2038 | | 355 | 2033 | | 356 | 2031 | | 357 | 2037 | | 358 | 2037 | | 359 | 2038 | | 360 | 2034 | | 361 | 2030 | | 362 | 2032 | | 363 | 2030 | | 364 | 2037 | | 365 | 20"},{"i":17234,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juni 2009, nr. DLZ/SFI-2936670, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, houdende aanvulling van de aanwijzing inzake invoering prestatiebekostiging in de intramurale langdurige zorg op grond van zorgzwaartepakketten, in verband met uitbreiding van SGLVG-verblijfplaatsen Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 22 september 2008 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2008/09, 26 631, nr. 273); Gezien mijn inbreng van het schriftelijk verslag van 27 oktober 2008 (Kamerstukken II 2008/09, 26 631, nr. 279); Besluit: artikel Enig Voor het maken van productieafspraken voor 2009 voor zorg met verblijf voor sterk gedragsgestoorde licht verstandelijk gehandicapten op verblijfplaatsen die ten behoeve van die categorie van gehandicapten na 30 juni 2009 zijn toegelaten op grond van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) zijn extra financiële middelen tot ten hoogste € 47 miljoen beschikbaar. De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing beleidsregels op die voor zover nodig terugwerken tot 1 juli 2009. Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":19131,"b":"Richtlijn voor strafvordering huis- en lokaalvredebreuk Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op huisvredebreuk of lokaalvredebreuk, niet op kraken. Basiscasus/delict Huisvredebreuk of lokaalvredebreuk, alleen gepleegd. Legenda Afkortingen GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](onbekend)."},{"i":17358,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 september 2018, nr. 2018-0000141540, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Sociale verzekeringsbank voor de uitvoering van aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in verdragen of verordeningen toegekende bevoegdheden op het terrein van de socialezekerheidswetgeving (Regeling mandaat, volmacht en machtiging internationale taken Sociale verzekeringsbank) Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [34a, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34a); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **internationale regeling:** een tussen Nederland en een of meer andere Staten tot stand gekomen coördinatieverdrag dan wel een verdrag als bedoeld in de [artikelen 8a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=8a), en [9a, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9a) en [32a, zesde lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=32a) of een verordening van de Europese Economische Gemeenschap, de Europese Gemeenschap dan wel de Europese Unie inzake sociale zekerheid; - **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - **mandaat:** bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen; - **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - **SVB:** de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de minister privaatrechtelijke rechtshandelin"},{"i":19000,"b":"Boetebeleid RDI De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) heeft het volgende beleid vastgesteld met betrekking tot het bepalen van de hoogte van bestuurlijke boetes. Dit boetebeleid heeft betrekking op boetes die worden opgelegd wegens overtredingen waarop de RDI toezicht houdt en waarvoor de RDI bevoegd is om namens de Minister van Economische Zaken een bestuurlijke boete op te leggen. Deze voorschriften zijn opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050716&bijlage=1&z=2025-01-30&g=2025-01-30). Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. – Definities In het kader van dit beleid wordt verstaan onder: - a. **basisbedrag:** het in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050716&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2025-01-30&g=2025-01-30) vastgestelde basisbedrag voor overtredingen van bepalingen die zijn ingedeeld in de categorieën I, II, III, IV, V, VI en VII; - b. **boetebandbreedte:** de bandbreedte waarbinnen een bestuurlijke boete die is ingedeeld in een categorie wordt vastgesteld en die niet wordt overschreden; - c. **netto-omzet:** de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen ([artikel 2:377, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=377)); - d. **omzetgerelateerde boete:** boete op basis van een percentage van de netto-omzet van de overtreder in het boekjaar voorafgaande aan het boetebesluit; - e. **rechtspersoon:** de personen bedoeld in [titel 2.1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&titeldeel=1) of een buitenlandse equivalent; - f. **recidive:** de omstandigheid dat binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dagtekening van het opgemaakte rapport, bedoeld in [artikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:48), nog geen vijf jaar zijn"},{"i":18932,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 november 2016 nr. BOACAT2016/056, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Staatsbosbeheer Gelezen het verzoek van de directeur van Staatsbosbeheer van 23 augustus 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket, de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27) en de plaatsvervangend inspecteur-generaal bij de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038763&artikel=2&z=2019-07-17&g=2019-07-17). Artikel 2 De ambtenaren die werkzaam zijn bij Staatsbosbeheer en die belast zijn met de opsporing van strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het"},{"i":19480,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 31 oktober 2023, nr. IENW/BSK-2023/294008 houdende vaststelling van regels omtrent de beveiliging van havens (Havenbeveiligingsregeling) Gelet op de [artikelen 14, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016991&artikel=14), [14a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016991&artikel=14a), en [16b van de Havenbeveiligingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016991&artikel=16b); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet tot wijziging van de Havenbeveiligingswet (Stb. 2023/5) in werking treedt. § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **examencommissie:** door het bestuur van de SVPB ingestelde organisatorische eenheid die als geheel belast is met de taak om de kwaliteit van examinering en diplomering in brede zin te borgen; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **SVPB:** Stichting Vakbekwaamheid Particuliere Beveiligingsorganisaties, gevestigd te Amersfoort, ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder nummer 41151515; - **veiligheidsbeambte van een havenfaciliteit:** veiligheidsbeambte als bedoeld in bijlage II, deel A, paragraaf 2.1, onderdeel 8, van de Verordening; - **Wet tot wijziging van de Havenbeveiligingswet:** Wet van 5 oktober 2022 tot wijziging van de Havenbeveiligingswet in verband met de modernisering van de opleidingseisen voor personen die bij havenfaciliteiten beveiligingswerkzaamheden verrichten, de optimalisering van de veiligheidscontroles van schepen en een tweetal technische verbeteringen (Stb. 2023, 5). Artikel 2. Examenreglement 1. De SVPB stelt een examenreglement vast. 2. Het examenreglement bevat de geldende procedures en legt de rechten en plichten vast met betrekking tot het examen. Het reglement omvat ten minste: - a. de onderdelen van het examen en de wijze waarop deze worden afgenomen en beoordeeld; - b. de wijze van aanmelding"},{"i":17204,"b":"Periodieke uitkeringen, Rietkerk-uitkering De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Dit besluit is een herziene versie van het besluit van 14 december 2000, nr. CPP2000/2791M. Het besluit is herzien in verband met de vervanging van de gulden door de euro per 1 januari 2002 en bevat geen inhoudelijke wijzigingen. Inleiding Op grond van de Wet Rietkerk-uitkering wordt overeenkomstig het voorstel van wijlen minister Rietkerk, gezinnen en alleenstaanden die behoren tot de groep van personen van Molukse herkomst die in 1951 of 1952 in groepsverband door de zorg van de Nederlandse regering naar Nederland zijn overgebracht, een jaarlijkse uitkering van € 907,56 netto toegekend. Naar mijn oordeel vormen deze uitkeringen, die afhankelijk zijn gesteld van het in leven zijn van de gerechtigden belastbare periodieke uitkeringen in de zin van artikel 3.100, aanhef en letter a, en artikel 3.101, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De over de uitkeringen verschuldigde bedragen aan inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen komen op grond van artikel 8 van de Wet Rietkerk-uitkering voor rekening van het Rijk en zullen jaarlijks via een heffing ineens worden afgedragen. Goedkeuring In verband met het vorenstaande keur ik goed dat de hiervóór vermelde bedragen, welke op grond van de Wet Rietkerk-uitkering worden ontvangen, voor de heffing van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen ten aanzien van de genieters van die uitkeringen buiten aanmerking worden gelaten. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Vervallen besluit Het besluit van 14 december 2000, nr. CPP2000/2791M vervalt per 1 januari 2002."},{"i":19389,"b":"Wet van 28 januari 2015, houdende implementatie van richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (PbEU L 338) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de implementatie van [richtlijn 2011/99](32011L0099)/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (Pb EU 2011, L 338) noodzaakt tot het stellen van regels inzake het ten uitvoerleggen van een Europees beschermingsbevel; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036227&artikel=I&z=2015-03-01&g=2015-03-01) is niet van toepassing in relatie tot een andere lidstaat van de Europese Unie voor zover en voor zolang die lidstaat niet de maatregelen heeft getroffen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de [richtlijn 2011/99](32011L0099)/EU. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19433,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 10 maart 2015, nr. IENM/BSK-2015/50705, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Spoorwegongevallenraad, 1956–1999 (Besluit beperking openbaarheid archief Spoorwegongevallenraad, 1956–1999) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 16 februari 2015, met kenmerk NA/2015/14691. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Spoorwegongevallenraad van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat 1956–1999 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de dossiers geborgen onder de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 75 jaar na sluiting van de betreffende dossiers. De beperkingen aan de openbaarheid vervallen op 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 64 | 2050 | | 65 | 2052 | | 66 | 2045 | | 67 | 2065 | | 68 | 2065 | | 69 | 2055 | | 70 | 2051 | | 71 | 2054 | | 72 | 2044 | | 73 | 2049 | | 74 | 2066 | | 75 | 2043 | | 76 | 2055 | | 77 | 2050 | | 78 | 2069 | | 79 | 2046 | | 80 | 2051 | | 81 | 2050 | | 82 | 2050 | | 83 | 2051 | | 84 | 2056 | | 85 | 2056 | | 86 | 2057 | | 87 | 2043 | | 88 | 2050 | | 89 | 2045 | | 90 | 2069 | | 91 | 2045 | | 92 | 2044 | | 93 | 2058 | | 94 | 2058 | | 95 | 2058 | | 96 | 2058 | | 97 | 2059 | | 98 | 2060 | | 100 | 2068 | | 101 | 2068 | | 102 | 2036 | | 103 | 2037 | | 104 | 2069 | | 105 | 2070 | | 106 | 2035 | | 107 | 2037 | | 108 | 2038 | | 109 | 2052 | | 110 | 2052 | | 111 | 2053 | | 112 | 2068 | | 113 | 2068 | | 114 | 2068 | | 115 | 2068 | | 116 | 2068 | | 117 | 2068 | | 118 | 2068 | | 119 | 2068 | | 120 | 2051 | | 121 | 2070 | | 122 | 2070 | | 123 |"},{"i":18289,"b":"Besluit van 30 augustus 1991, houdende instelling van een gemengde ambtelijke werkgroep met als taak de voorbereiding van de vereenvoudiging en modernisering van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden Op de voordracht van Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van 28 augustus 1991, nr 31795; Overwegende dat in het in mei 1991 te 's-Gravenhage gehouden overleg tussen de drie landen van het Koninkrijk is afgesproken een gemengde ambtelijke werkgroep in te stellen met als taak het voorbereiden van voorstellen tot vereenvoudiging en modernisering van het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154); Artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Er is een gemengde ambtelijke werkgroep die tot taak heeft voorstellen voor te bereiden voor vereenvoudiging en modernisering van het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154), waarbij vooral dient te worden bezien op welke wijze de democratische en rechtsstatelijke waarborgen een versterkte nadruk kunnen krijgen (Gemengde werkgroep modernisering Statuut). 2. De werkgroep streeft ernaar binnen acht maanden een proeve met toelichting van een vernieuwd Statuut op te stellen. 3. De proeve met toelichting wordt vervolgens aangeboden aan de beide Kamers der Staten-Generaal, de Staten van de Nederlandse Antillen, de Staten van Aruba en de eilandsraden van de eilandgebieden Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten. Tevens worden andere autoriteiten, organisaties en personen in de gelegenheid gesteld te reageren op de proeve. 4. Na publicatie van de proeve en mede aan de hand van de ontvangen reacties stelt de werkgroep een voorstel op voor een vernieuwd Statuut ten behoeve van de regeringen van de landen. 5. De regeringen van de landen van het Koninkrijk streven na presentatie van het voorstel naar spoedige besluitvormin"},{"i":17129,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 sepember 2021, kenmerk 3232850-1013115-ZJCN, houdende instelling van de Klachtadviescommissie Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (Instellingsbesluit Klachtadviescommissie Zorg en Jeugd Caribisch Nederland) Gelet op [artikel 9:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **Directie:** directie Zorg en Jeugd Caribisch Nederland van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **Directeur:** directeur Zorg en Jeugd Caribisch Nederland van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - d. **klacht:** een klacht als bedoeld in [artikel 9:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:4); - e. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045600&artikel=2&z=2021-09-11&g=2021-09-11). Taak en samenstelling van de commissie Artikel 2 1. Er is een klachtadviescommissie Zorg en Jeugd Caribisch Nederland. 2. De commissie heef tot taak de Directeur te adviseren over de afhandeling van klachten van bewoners van Caribisch Nederland die betrekking hebben op een gedraging van de Directie. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, plaatsvervangend voorzitter, tevens lid, en meerdere andere leden. Er zal een maximum gelden van vijf leden. 2. De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en de andere leden worden op voordracht van de Directeur door de staatssecretaris benoemd. 3. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of"},{"i":19369,"b":"Wet van 30 augustus 2012 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het verhogen van de maximale proeftijd voor misdrijven die de gezondheid of het welzijn van dieren benadelen, en in verband met het verhogen van het strafmaximum voor onder meer het doden van andermans dieren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de maximale proeftijd te verhogen voor misdrijven die de gezondheid of het welzijn van dieren benadelen, en dat het wenselijk is het strafmaximum voor onder meer het doden van andermans dieren te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Onze Minister van Justitie zendt binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IIa Wijzigt deze wet en het Wetboek van Strafrecht. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19299,"b":"Wetboek van Strafrecht BES boek Eerste. Algemeene bepalingen Titel I. Omvang van de werking der strafwet Artikel 1 1. Geen feit is strafbaar dan uit kracht van eene daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. 2. Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor den verdachte gunstigste bepalingen toegepast. Artikel 2 De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op ieder die zich binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan eenig strafbaar feit schuldig maakt. Artikel 3 De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op ieder, die zich buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Artikel 4 De strafwet van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toepasselijk op ieder die zich buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba schuldig maakt: - 1°. aan een der misdrijven omschreven in de [artikelen 97–102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&boek=Tweede&titeldeel=I&artikel=97&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [103a onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&boek=Tweede&titeldeel=I&artikel=103a&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&boek=Tweede&titeldeel=I&artikel=104&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [104a–104d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&boek=Tweede&titeldeel=I&artikel=104a&z=2025-07-01&g=2025-07-01), [111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&boek=Tweede&titeldeel=I&artikel=111&z=2025-07-01&g=2025-07-01) en [114 tot en met 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&boek=Tweede&titeldeel=II&artikel=114&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - 1bis°. aan een der misdrijven omschreven in de [artikelen 137](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&boek=Tweede&titeldeel=V&artikel=137&z=2025-07-01&g=2025-07-01"},{"i":18574,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Buitenlandse Economische Betrekkingen vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 juli 2006 nr. arc-2006.02898/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op beleidsterrein Buitenlandse Economische Betrekkingen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17900,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2015, kenmerk 868952-144025-WJZ, houdende een wijziging van de Regeling Jeugdwet, de Regeling langdurige zorg en de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 in verband met het harmoniseren van regels inzake het budgetbeheer van de Sociale verzekeringsbank Gelet op [artikel 3.6.4, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.4), [artikel 3.6.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.6), en [artikel 3.6.7, de onderdelen c, d en f, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.7), [artikel 8.3 van het Besluit Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035779&artikel=8.3) en [artikel 5.3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=5.3); Besluiten: Artikel I Wijzigt de Regeling Jeugdwet. Artikel II Wijzigt de Regeling langdurige zorg. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Artikel IV Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing ten aanzien van declaraties voor prestaties die zijn verricht voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling. Artikel V Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17554,"b":"Reglement Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs In 1992 richtten de sociale partners in het onderwijs de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs op. Het doel van het Vervangingsfonds is het bieden van waarborgen aan aangeslotenen voor de kosten van vervanging bij afwezigheid van gewezen personeel en het invoeren en in stand houden van bedrijfsgezondheidszorg in het primair onderwijs, alsmede het bevorderen en bewaken van die zorg. Het bestuur stelt, conform het bepaalde op grond van [artikel 183, vierde lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=183) juncto [artikel 169, vierde lid van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=169), het Reglement Vervangingsfonds vast. In dit reglement wordt bepaald welke rechten de aangeslotenen in het kader van de taakuitoefening van de stichting, als hierboven genoemd, jegens de stichting kunnen doen gelden en tot welke verplichtingen de aangeslotenen jegens de stichting zijn gehouden. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2019. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - 1. **Bedrijfsgezondheidszorg:** de dienstverlening van het Vervangingsfonds ter voorkoming en terugdringing van ziekteverzuim en de verbetering van arbeidsomstandigheden. - 2. **Bekostiging:** de bekostiging van vervanging door en ten laste van het Vervangingsfonds. - 3. **Bestuur:** het bestuur van de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs. - 4. **Bevoegd gezag:** een bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wec](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of een samenwerkingsverband passend onderwijs als bedoeld in [artikel 18a van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=18a). - 5. **Bovenbestuurlijke vervangingspool:** e"},{"i":18132,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 maart 2011, nr. DJZ/BR/0282-11, houdende instelling van het Ereteken voor Verdienste (Besluit Ereteken voor Verdienste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) Besluit: Artikel 1 1. Er is een Ereteken voor Verdienste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als omschreven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029790&bijlage=1&z=2011-04-01&g=2011-04-01) bij dit besluit. 2. Het Ereteken kent twee graden: - a. het Ereteken in zilver, - b. het Ereteken in goud. Artikel 2 1. De Minister van Buitenlandse Zaken kan het Ereteken toekennen aan personen met bijzondere en persoonlijke verdiensten voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken dan wel voor de internationale betrekkingen van het Koninkrijk der Nederlanden. 2. Het Ereteken kan ten hoogste eenmaal in zilver en eenmaal in goud aan dezelfde persoon worden toegekend. 3. Bij de uitreiking van het Ereteken wordt een oorkonde overeenkomstig [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029790&bijlage=2&z=2011-04-01&g=2011-04-01) dan wel [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029790&bijlage=3&z=2011-04-01&g=2011-04-01) bij dit besluit verstrekt. Artikel 3 1. Degene aan wie het Ereteken in zilver is toegekend, is bevoegd het te dragen aan een lint op de linkerborst. 2. Degene aan wie het Ereteken in goud is toegekend, is bevoegd het te dragen aan een lint om de hals. 3. In plaats van de draagwijze als omschreven in het eerste of tweede lid, kan degene aan wie het Ereteken is toegekend een van de volgende draagtekenen voeren: - a. een draagteken, bestaande uit een lint opgemaakt in de vorm van een strik, - b. een verkleinde vorm van het Ereteken op de linkerborst, of - c. op uniformkleding een baton van het lint ter grootte van 27 bij 11 mm. Artikel 4 Het [besluit van 14 oktober 2010, nr. DKP-2010/885, houdende instellling van het Ereteken voor Verdienste](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029122) wordt ingetrokken. Ereteken"},{"i":18889,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 1 april 2025 nr. BOACAT2025/116, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de regionale eenheid Den Haag Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Den Haag van 14 maart 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050929&artikel=2&z=2026-03-25&g=2026-03-25). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen: - 1. de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Den Haag. - 2. de vrijwillig ambtenaren van politie bedoeld in [artikel 2"},{"i":17061,"b":"Bijzondere Overeenkomst betreffende de ouderdomsuitkeringen ter uitvoering van het Bijzonder Protocol, dat deel uitmaakt van het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek inzake sociale verzekering De REGERING VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN en de REGERING VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK zijn ter uitvoering van het Bijzonder Protocol, dat deel uitmaakt van het op 28 oktober 1952 te 's-Gravenhage ondertekende Algemeen Verdrag inzake sociale verzekering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek, de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 Italiaanse onderdanen die in Nederland wonen, ontvangen de ouderdomsuitkering, bedoeld in de Nederlandse wet van 24 mei 1947, onder dezelfde voorwaarden en tot eenzelfde bedrag als Nederlandse onderdanen. Artikel 2 Voor Nederlandse en Italiaanse onderdanen die in Nederland wonen, geldt de voorwaarde, dat zij gedurende zes jaren onafgebroken hun woonplaats in Nederland moeten hebben gehad, als vervuld, indien: - a). zij een ouderdoms-, invaliditeits- of weduwenrente krachtens de Nederlandse Invaliditeitswet of een daarmede naar Nederlands recht overeenkomende uitkering genieten en - b). zij gedurende de laatste zes jaren hetzij onafgebroken, hetzij afwisselend, in Italië of in Nederland hun woonplaats hebben gehad en - c). voor hen over de tijd, liggende vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd tenminste 150 weekpremiën voor de onder **a**) bedoelde uitkeringen in rekening gebracht zijn; hierbij gelden vier dagpremiën voor één weekpremie. Artikel 3 Nederlandse en Italiaanse onderdanen die in Italië wonen en die aan de in artikel 2, onder **a**) tot en met **c**) genoemde voorwaarden voldoen, ontvangen, wanneer zij de 65-jarige leeftijd hebben bereikt of op het tijdstip, waarop zij na het bereiken van die leeftijd aan de in artikel 2, onder **a**) en **b**) genoemde voorwaarden voldoen, een ouderdomsuitkering overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 6"},{"i":3,"b":"Aanvullende Overeenkomst ter uitvoering van het Algemeen Verdrag tussen Nederland en Frankrijk inzake de sociale zekerheid (Stelsel van Sociale Zekerheid van toepassing op arbeiders in de mijnen en daarmede gelijkgestelde ondernemingen) De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek; besloten hebbende een aanvullende overeenkomst te sluiten voor de toepassing van artikel 31 van het op 7 Januari 1950 tussen Nederland en Frankrijk gesloten Algemeen Verdrag, Zijn overeengekomen nopens de volgende bepalingen: AFDELING I. Algemene bepalingen Artikel 1 De onderhavige Overeenkomst regelt het pensioenstelsel, van toepassing op de Nederlandse of Franse onderdanen, die arbeid verrichten of verricht hebben in de mijnen of daarmede gelijkgestelde ondernemingen van het ene of het andere land, alsmede op hun rechtverkrijgenden. Artikel 2 De bepalingen van het Algemeen Verdrag zijn van toepassing op de arbeiders, bedoeld in artikel 1, alsmede op hun rechtverkrijgenden, onder voorbehoud van de bijzondere bepalingen van deze Overeenkomst AFDELING II. Ouderdoms- en invaliditeitsverzekering en verzekering bij overlijden (pensioenen) HOOFDSTUK I. Gemeenschappelijke bepalingen Artikel 3 1. Voor de arbeiders, die achtereenvolgens of om beurten in het ene en het andere land onderworpen zijn geweest aan de bijzondere wetgeving of regeling voor de mijnarbeiders, werden de verzekeringstijdvakken of tijdvakken van premiestorting, in het ene of andere land vervuld, alsmede de tijdvakken, welke volgens bedoelde wetgeving of regeling met verzekeringstijdvakken zijn gelijkgesteld, tezamen in aanmerking genomen, zowel met het oog op de vaststelling van het recht op uitkeringen ingevolge de ouderdoms- en invaliditeitsverzekering en de verzekering bij overlijden (pensioenen) als met het oog op het behoud of het terugverkrijgen van dit recht. 2. Arbeidstijdvakken, welke ingevolge de bijzondere wetgeving of regeling, geldende voor mijnarbeiders van een der beide"},{"i":18419,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 november 2018, nr. 2018-0000893805, houdende nadere regels inzake de rechtspositie van staten- en commissieleden, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, raads- en commissieleden, wethouders, burgemeesters en de leden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en de voorzitters van de waterschappen (Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers) Gelet op de [artikelen 2.1.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=2.1.7), [2.2.7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=2.2.7), [2.2.8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=2.2.8), [2.2.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=2.2.9), [2.2.10, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=2.2.10), [2.4.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=2.4.3), [3.1.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=3.1.7), [3.2.7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=3.2.7), [3.2.8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=3.2.8), [3.2.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=3.2.9), [3.2.10, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=3.2.10), [3.4.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=3.4.3), [4.1.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=4.1.7), [4.2.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=4.2.7), [4.2.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=4.2.9), [4.2.10, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=4.2.10), en [4.4.3, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041522&artikel=4.4.3); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Arti"},{"i":18767,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Molukse acties, ressorterend onder het Ministerie van Justitie (1970−2000) (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archieven van de Molukse acties ressorterend onder het Ministerie van Justitie (1970–2000) bevattende de hierboven genoemde archieven, de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":17110,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2014 krachtens de Wet op de Rechtsbijstand, versie per 1 januari 2014 Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De Raad stelt dan ook als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de Wrb dat een verzoek om inschrijving bij de Raad eerst volledig is behandeld en is ingewilligd. Het bestuur van de Raad kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsterreinen. Deze inschrijvingsvoorwaarden van de Raad zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar advocaten die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. Er bestaan algemene voorwaarden die voor alle ingeschreven advocaten gelden en bijzondere voorschriften voor rechtsbijstand op specifieke rechtsterreinen. De Nederlandse Orde van Advocaten houdt toezicht op advocaten en heeft Gedragsregels1Gedragsregels 1992 van de Nederlandse Orde van Advocaten. en verordeningen vastgesteld waarnaar advocaten zich behoren te richten. Volgens geldende regelgeving is uitvoering van het toezicht op advocaten is primair de taak van de Dekens in de verschillende arrondissementen. Daar waar het controle van de naleving van de eigen inschrijvingsvoorwaarden betreft, heeft de Raad een eigenstandige bevoegdheid . De Raad heeft hiervoor maatregelbe"},{"i":17249,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 augustus 2024, kenmerk 3871925-1068062-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de prestatie impactvolle transformaties binnen de Wet langdurige zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Nadat de voormalig Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 4 juni 2024 schriftelijk mededeling heeft gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II**, 2023/24, 31 765, nr. 850) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over impactvolle transformaties binnen de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); Besluit: Artikel 1. Definities - –. **Aanwijzing inzake de prestatie impactvolle transformaties:** [Aanwijzing van 9 oktober 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048769), 3696063-1053658-PZo, inzake de prestatie impactvolle transformaties; - –. **Aanwijzing inzake de prestatie impactvolle transformaties binnen de Wlz:** Aanwijzing van 13 augustus 2024, 3871925-1068062-PZo, inzake de prestatie impactvolle transformaties binnen de Wet langdurige zorg; - –. **AZWA:** Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord; - –. **beoordelingskader:** Beoordelingskader Impactvolle zorgtransformaties en inzet transformatiemiddelen. Bijlage bij **Kamerstukken II** 2022/23, 31 765, nr. 704; - –. **overig ventiel:** het gaat hier om (het deel van) de kosten van de impactvolle transformaties die niet via zorgverzekeraars of zorgkantoren worden gefinancierd; - –. **ventiel:** het gaat hier om (het deel van) de kosten van de impactvolle transformaties die niet via de zorgverzekeraars worden gefinancierd, maar op een andere manier worden gealloceerd; - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **Wlz"},{"i":18068,"b":"Besluit van de voorzitter van de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Rijksverzekeringsbank over de periode 1901–1956 (Bijlage bij de Verklaring van Overbrenging van de Rijksverzekeringsbank 1901–1956) Gelet op [artikel 10 van het archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: artikel Enig Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), aan de openbaarheid van de over te brengen archiefbescheiden van het archief van de Rijksverzekeringsbank 1901–1956 de volgende beperkingen gesteld; - 1. De archiefbescheiden met inventarisnummer: 230, 231, 233, 235, 236, 237, 238, 239, 242–244, 248, 249, 250, 251, 252, 253, 254, 257, 260 en 261 van bovengenoemd archief, zijn openbaar na het verstrijken van een periode van 75 jaar na datering van het betreffende archiefbescheid. - 2. Raadpleging van de archiefbescheiden, is, gelet op [artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Deze toestemming kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Voordat hij toestemming verleent, beoordeelt de directeur van het Nationaal Archief het verzoek. - –. de verzoeker doet een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot inzage van de archiefbescheiden, waarin wordt aangegeven: de omschrijving van het onderzoeksdoel, de onderzoeksopzet en de wijze waarop de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens zal worden gewaarborgd. - –. De verzoeker vult hiertoe het Formulier voor toestemming tot raadpleging van het archief van de Rijksverzekeringsbank 1901–1956, in en ondertekent het formulier. De verzoeker verklaart daarmee"},{"i":17706,"b":"Verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud **Preambule** Overwegende dat het dringend noodzakelijk is een oplossing te geven voor het humanitaire probleem dat voortvloeit uit de positie van personen die onderstand van node hebben en die voor het onderhoud waarop zij rechtens aanspraak kunnen maken, afhankelijk zijn van personen in het buitenland, Overwegende dat het aanhangig maken en vervolgen van vorderingen tot onderhoud of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen dienaangaande ernstige moeilijkheden, zowel van rechtskundige als van feitelijke aard, opleveren, wanneer zulks in het buitenland moet geschieden, Vastbesloten te voorzien in maatregelen om zodanige problemen op te lossen en zodanige moeilijkheden te overwinnen, Zijn de Verdragsluitende Partijen overeengekomen als volgt: Artikel 1. Draagwijdte van het Verdrag 1. Dit Verdrag heeft ten doel aan een persoon, hierna te noemen de schuldeiser, die zich bevindt op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen, het verhaal van uitkeringen tot onderhoud te vergemakkelijken, waarop die persoon aanspraak maakt tegenover een persoon, hierna te noemen de schuldenaar, die aan de rechtsmacht van een andere Verdragsluitende Partij is onderworpen. De instellingen, van wier diensten hiertoe gebruik zal worden gemaakt, worden hierna als verzendende instellingen en als ontvangende instellingen aangeduid. 2. De rechtsmiddelen, waarin dit Verdrag voorziet, zijn een aanvulling van, en komen niet in de plaats van, rechtsmiddelen, die krachtens het nationale of internationale recht bestaan. Artikel 2. Aanwijzing van de instellingen 1. Iedere Verdragsluitende Partij wijst, op het tijdstip van de nederlegging van de akte van bekrachtiging of toetreding, een of meer administratieve of rechterlijke autoriteiten aan, die in haar gebied de functies van verzendende instellingen zullen vervullen. 2. Iedere Verdragsluitende Partij wijst, op het tijdstip van nederlegging van de akte van b"},{"i":17951,"b":"Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bestaande taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg efficiënter vorm te geven, voorzieningen te treffen om de kwaliteit in samenhang met de doelmatigheid van de zorg beter te waarborgen, vernieuwing van de beroepen- en opleidingenstructuur te stimuleren, alsmede dat het wenselijk is één zelfstandig bestuursorgaan te belasten met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2015/407. Wijzigt de Wet cliëntenrechten zorg. Artikel II Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2015/407. Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel III Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2015/407. Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IV Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2015/407. Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel V Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2015/407. Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2015/407. Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VII Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel VIII Wijzigt de Kwaliteitswet zorginstellingen. Artikel IX Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel X Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel XI Wijzigt de Wet op de economische del"},{"i":17431,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming van 3 april 2024, nr. 5178141, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering ter voorkoming van jeugdcriminaliteit in specifieke gebieden met relatief ernstige problematiek (Regeling specifieke uitkering ter voorkoming van jeugdcriminaliteit 2024) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluiten: Artikel 1. Definitiebepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanpak:** de preventieve aanpak van jeugdcriminaliteit in de gemeente; - –. **gemeente:** een gemeente als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049549&artikel=2&z=2025-12-24&g=2025-12-24); - –. **Ministers:** de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming. Artikel 2. Doel en reikwijdte specifieke uitkering 1. De Ministers kunnen op aanvraag een eenmalige specifieke uitkering verstrekken voor de activiteiten, bedoeld in het derde lid. 2. Uitsluitend aanvragen van de hierna volgende gemeenten worden in behandeling genomen: - a. Almelo; - b. Bergen op Zoom; - c. Brunssum; - d. Den Helder; - e. Diemen; - f. Gouda; - g. Haarlem; - h. Hoorn; - i. Kerkrade; - j. Leiden; - k. Middelburg; - l. Nissewaard; - m. Oosterhout; - n. Rijswijk; - o. Roermond; - p. Venray; - q. Vlissingen; - r. Zoetermeer; - s. Zutphen; - t. Zwolle. 3. De specifieke uitkering wordt uitsluitend verstrekt voor de hierna volgende activiteiten: - a. de totstandkoming en uitwerking van een probleemanalyse die voldoet aan de voorwaarden gesteld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049549&artikel=3&z=2025-12-24&g=2025-12-24); - b. de programmaondersteuning of de programmacoördinatie dan wel allebei ten behoeve van de aanpak; en - c. de implementatie van kansrijke en bewezen effectieve interventies. 4. Onder kansrijke en b"},{"i":26,"b":"Akkoord ter uitvoering van het Europees Verdrag van 9 juli 1956 betreffende de sociale zekerheid van arbeiders werkzaam bij het internationaal vervoer Ter uitvoering van artikel 10, lid 1, alinea **a**), van het Europees Verdrag van 9 juli 1956 betreffende de sociale zekerheid van arbeiders werkzaam bij het internationaal vervoer — hierna te noemen „Verdrag” — hebben de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen in gemeen overleg de volgende bepalingen vastgesteld: Artikel 1 1. Voor de toepassing van het Verdrag en van dit Akkoord wijst de bevoegde autoriteit van elke Verdragsluitende Partij één of meer verbindingsorganen aan. 2. De verbindingsorganen en de organen van de Verdragsluitende Partijen treden rechtstreeks met elkaar in verbinding in hun onderscheiden officiële talen. 3. Elk orgaan van een Verdragsluitende Partij of elke persoon, die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij zijn woon- of verblijfplaats heeft, kan zich tot het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij wenden, hetzij direct, hetzij door bemiddeling van de verbindingsorganen. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit van elke Verdragsluitende Partij verstrekt aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau, op zijn laatst op de datum waarop dit Akkoord voor de betrokken partij in werking treedt, inlichtingen betreffende: - a). de „bevoegde autoriteit (en)”, bedoeld in artikel 1, alinea **d**), van het Verdrag; - b). de „bevoegde organen”, bedoeld in artikel 1, alinea **f**), van het Verdrag; - c). de „organen van de verblijfplaats”, bedoeld in artikel 1, alinea **g**), van het Verdrag; - d). het (de) „verbindingsorga(a)n(en)”, aangegeven krachtens artikel 1, lid 1, van dit Akkoord. 2. De bevoegde autoriteit van elke Verdragsluitende Partij brengt in.de krachtens de bepalingen van het vorige lid verstrekte inlichtingen de wijzigingen aan, welke wat zijn eigen land betreft noodzakelijk zouden kunnen worden; zij deelt deze wijzigingen, alsmede de datum waarop"},{"i":5826,"b":"Subsidiereglement Stimuleringsfonds Creatieve Industrie Het Subsidiereglement Stimuleringsfonds Creatieve Industrie is van toepassing op het aanvragen, beoordelen, verlenen en vaststellen van subsidies bij het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Aanvullend op dit reglement zijn deelregelingen opgesteld. Daarin stelt het Bestuur nadere formele, financiële, inhoudelijke, kwalitatieve en kwantitatieve eisen alsmede uitzonderingen vast. gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gezien de op 1 december 2015 door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verleende goedkeuring; Besluit Artikel 1. Taakopvatting van het Stimuleringsfonds 1. Dit reglement is van toepassing op aanvragen voor projecten, programma's of anderszins in een deelregeling benoemde activiteiten op het gebied van digitale cultuur, gaming, productontwerp, grafisch ontwerp, mode, architectuur, stedenbouw, landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur. 2. Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie verstrekt, in overeenstemming met zijn statuten en overeenkomstig de bepalingen vastgesteld in de wet, het onderhavige reglement, deelregelingen en, voor zover van toepassing, uitnodigingen tot het indienen van projecten, subsidies voor de uitvoering van projecten die bijdragen aan het bevorderen van hoogwaardige kwaliteit, ontwikkeling en professionalisering van de hedendaagse Nederlandse creatieve industrie. Artikel 2. Algemene doelstellingen Stimuleringsfonds Het Stimuleringsfonds hanteert bij het verlenen van subsidies de volgende doelstellingen: - a. bevorderen van experimenten en crossovers; - b. stimuleren van onderzoek, analyse en reflectie; - c. bevorderen van talentontwikkeling en artistieke kwaliteit; - d. bevorderen van maatschappelijk engagement en publieksactiviteiten; - e. versterken van de internationale positie van de ontwerpsectoren; - f. bevorderen van de professionalisering van de ontwerpp"},{"i":111,"b":"Besluit aanwijzing ambtenaren Schepenwet Gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren bedoeld in [artikel 10, vierde lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=10) worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het is geplaatst, en werkt terug tot en met 1 november 2004. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":219,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 augustus 2022 nr. IENW/BSK-2020/105070, tot het verlenen van volmacht en machtiging aan functionarissen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met bevoegdheden ten aanzien van attachés en lokale werknemers van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Besluit volmacht en machtiging attachés en lokale werknemers Infrastructuur en Waterstaat) Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken; Gelet op [artikel 1.2 van de Legal Status (Local Staff) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045662&artikel=1.2); Besluit: Artikel 1. Volmacht en machtiging 1. Aan de bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkzame secretaris-generaal, de directeuren van bedrijfsvoeringsdirecties en uitvoeringsorganisaties en hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland alsmede hun plaatsvervangers wordt volmacht en machtiging verleend voor het verrichten van rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met de uitvoering van: - a. de Aanvullende CAO Rijk Uitzendingen en de rechtsopvolgers daarvan en - b. de [Legal Status (Local Staff) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045662) en de rechtsopvolgers daarvan inclusief het afhandelen van daarmee verband houdende geschillen bij een geschillencommissie of rechterlijke instantie ten aanzien van uitgezonden werknemers en lokale werknemers die vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 2. De in het eerste lid bedoelde functionarissen kunnen schriftelijk besluiten dat onder hen ressorterende functionarissen mede bevoegd zijn uitvoering te geven aan de in het eerste lid bedoelde volmacht en machtiging. 3. De in het eerste lid bedoelde functionarissen oefenen hun in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden uit met inachtneming van de terzake: - a. door of namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minist"},{"i":475,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 maart 2011, nr. RUA/A/2011/1382, met betrekking tot de uitvoering van artikel 32b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Gelet op [artikel 32b, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32b); Besluit: Artikel 1 De regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 15 december 2009, nr. 3086451, houdende vaststelling van Aanwijzingen voor subsidieverstrekking, is van toepassing op het verstrekken van subsidie als bedoeld in [artikel 32b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32b). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":507,"b":"Verdrag betreffende de arbeidsovereenkomst van schepelingen VERDRAG BETREFFENDE DE ARBEIDSOVEREENKOMST VAN SCHEPELINGEN. De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 7 Juni 1926, in hare negende zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de arbeidsovereenkomst van schepelingen, welk onderwerp begrepen is in punt 1 der agenda der zitting, en besloten hebbende dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden den 24sten Juni 1926 het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden Verdrag betreffende de arbeidsovereenkomst van schepelingen, 1926, ter bekrachtiging door de leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid, zulks in overeenstemming met de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 1. Dit verdrag is van toepassing op alle zeevaartuigen ingeschreven in het land van een der leden, die dit verdrag bekrachtigd hebben en op de reeders, kapiteins en schepelingen van die schepen. 2. Het is niet van toepassing op: - oorlogsschepen; - Staatsschepen niet gebezigd voor den handel; - schepen gebezigd voor de kustvaart; - pleziervaartuigen; - schepen begrepen onder „Indian country craft”; - visschersvaartuigen; - schepen met een bruto tonnenmaat minder dan 100 ton of 300 M3 en, indien het schepen voor korte vaart betreft, met een tonnenmaat minder dan die, welke voor die korte vaart is vastgesteld door de nationale wet, die van kracht is op het oogenblik, dat dit verdrag wordt aangenomen. Artikel 2 Voor de toepassing van dit verdrag moeten de volgende uitdrukkingen als volgt worden verstaan: - a. onder „schip” elk schip of vaartuig van welken aard ook, publiek of privaat eigendom, dat gewoonlijk gebezigd wordt voor zeevaart; - b. onder „schepeling” ieder persoon, die werkzaam of in dienst is aan boord in welke hoed"},{"i":509,"b":"Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar vijfenzestigste Zitting op 6 juni 1979; Gelet op de bepalingen van bestaande, op dit gebied betrekking hebbende internationale Arbeidsverdragen en Aanbevelingen, en in het bijzonder van het Verdrag betreffende de aanduiding van het gewicht op grote stukken, vervoerd per schip (1929), het Verdrag betreffende beveiliging machines (1963) en het Werkmilieuverdrag (luchtverontreiniging, lawaai en trillingen) (1977); Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot de herziening van het Verdrag betreffende de bescherming tegen ongevallen havenarbeiders (herzien), 1932 (nr. 32), welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de Zitting voorkomt; Overwegende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal verdrag dienen te krijgen, aanvaardt heden, de vijfentwintigste juni van het jaar negentienhonderd negenenzeventig het volgende Verdrag, dat kan worden aangehaald als Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979): DEEL I. TOEPASSINGSGEBIED EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „havenarbeid” verstaan alle arbeid en elk deel van de arbeid met betrekking tot het laden en lossen van enig schip, alsmede alle hiermee verband houdende arbeid. De begripsomschrijving van deze arbeid dient te worden bepaald door de nationale wetgeving of het gebruik. De betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties dienen te worden geraadpleegd of op andere wijze deel te nemen aan de vaststelling en herziening van deze begripsomschrijving. Artikel 2 1. Een Lid kan ontheffingen verlenen van of uitzonderingen toestaan op de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot havenarbeid op iedere plaats waar het verkeer onregelmatig is en beperkt t"},{"i":517,"b":"Verdrag betreffende de gedeeltelijke herziening van de Verdragen aangenomen door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie op haar eerste tweeëndertig zittingen, ten einde eenvormigheid te brengen in de bepalingen aangaande het opstellen van verslagen door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau inzake de toepassing van Verdragen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Te Genève bijeengeroepen door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en bijeengekomen in haar vijfenveertigste zitting op 7 juni 1961, Besloten hebbende tot aanvaarding van bepaalde voorstellen betreffende de gedeeltelijke herziening van de Verdragen, aangenomen door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, ten einde eenvormigheid te brengen in de bepalingen aangaande het opstellen van verslagen door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau inzake de toepassing van Verdragen, Overwegende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal Verdrag dienen aan te nemen, neemt heden, de zesentwintigste juni 1961, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als „Verdrag tot herziening der slotartikelen, 1961”: Artikel 1 In de tekst van de Verdragen, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in de loop van haar eerste tweeëndertig zittingen, vervalt het slotartikel, hetwelk bepaalt dat de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau een verslag inzake de toepassing van het Verdrag dient voor te leggen aan de Algemene Conferentie; daarvoor in de plaats treedt het volgende artikel: „Telkens wanneer de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau zulks nodig acht legt deze een verslag inzake de toepassing van dit Verdrag voor aan de Algemene Conferentie, en gaat na of het wenselijk is de kwestie van de gehele of gedeeltelijke herziening van het Verdrag op de agenda van de Conferentie te plaatsen.”. Artikel 2 Ieder Lid van de Organisatie, dat na het tijdsti"},{"i":518,"b":"Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid **Verdrag betreffende den gedwongen of verplichten arbeid.** De algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 10 Juni 1930, in hare veertiende zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende den gedwongen of verplichten arbeid, welk onderwerp begrepen is in het eerste punt van de agenda der zitting, en besloten hebbende, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een verdrag; neemt heden, den 28sten Juni 1930, het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden het “Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid, 1930”, ter bekrachtiging door de leden van de Internationale Arbeidsorganisatie, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 1. Ieder lid van de Internationale Organisatie van den Arbeid, dat dit verdrag bekrachtigt, verbindt zich den gedwongen of verplichten arbeid in al zijn vormen binnen den kortst mogelijken termijn af te schaffen. 2. Vervallen. 3. Vervallen. Artikel 2 1. Voor de toepassing van dit verdrag duidt de uitdrukking „gedwongen of verplichte arbeid” aan: elken arbeid of dienst, welke van een persoon wordt gevorderd onder bedreiging met een of andere straf en waarvoor bedoelde persoon zich niet vrijwillig heeft aangeboden. 2. De uitdrukking „gedwongen of verplichte arbeid” zal echter voor de toepassing van dit verdrag niet omvatten: - a. elken arbeid of dienst, welke gevorderd wordt krachtens wetten op den verplichten militairen dienst en aangewend wordt voor werken, die een zuiver militair karakter dragen; - b. elken arbeid of dienst, welke deel uitmaakt van de normale burgerlijke verplichtingen van de burgers van een land, dat volledig zelfbestuur heeft; - c. elken arbeid of dienst van een persoon, gevorderd als gevolg van een veroordeeling, uitgesproken"},{"i":519,"b":"Verdrag betreffende de leeftijd waarop kinderen mogen worden toegelaten tot arbeid in de landbouw De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 25 oktober 1921 in haar derde zitting, Besloten hebbende, verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de arbeid van kinderen in de landbouw tijdens de uren van verplicht schoolbezoek, welk onderwerp vervat is in het derde punt van de agenda der zitting, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag, Neemt het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de minimumleeftijd (landbouw), 1921”, ter bekrachtiging door de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 Kinderen onder de veertien jaar mogen niet in dienst zijn van of arbeid verrichten in landbouwondernemingen, hetzij van de overheid, hetzij van particulieren, of in een toebehoren daarvan, tenzij buiten de voor schoolonderwijs bestemde uren, en deze arbeid dient, indien hij plaats heeft, van zodanige aard te zijn, dat hij hun regelmatig schoolbezoek niet kan schaden. Artikel 2 Ten behoeve van praktische vakopleiding kunnen schooltijden en -uren zodanig geregeld worden, dat de kinderen voor lichte landbouwwerkzaamheden gebruikt kunnen worden, in het bijzonder voor lichte oogstwerkzaamheden. De totale schooltijd per jaar mag evenwel niet tot minder dan acht maanden worden teruggebracht. Artikel 3 De bepalingen van artikel 1 zijn niet van toepassing op werkzaamheden van kinderen in vakscholen, mits deze werkzaamheden geschieden onder goedkeuring en toezicht van de overheid. Artikel 4 De officiële bekrachtigingen van dit Verdrag zullen, overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie, ter kennis van de Directeu"},{"i":520,"b":"Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 6 juni 1973 in haar achtenvijftigste zitting; Besloten hebbende tot het aanvaarden van diverse voorstellen betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces, welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de zitting voorkomt; Gelet op de bepalingen van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (nijverheidsondernemingen), 1919, van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee), 1920, van het [Verdrag betreffende de minimumleeftijd (landbouw)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005611), 1921, van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (tremmers en stokers), 1921, van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (niet-industriële werkzaamheden), 1932, van het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (arbeid op zee), 1936, van het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (nijverheidsondernemingen), 1937, van het (herziene) Verdrag betreffende de minimumleeftijd (niet-industriële werkzaamheden), 1937, van het [Verdrag betreffende de minimumleeftijd (visserij)](onbekend), 1959, en van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd (ondergrondse arbeid) 1965; Overwegende dat de tijd is gekomen voor het aanvaarden van een algemene regeling inzake dit onderwerp die geleidelijk de bestaande, voor beperkte economische sectoren van toepassing zijnde regeling zou moeten vervangen, met het oog op de algehele afschaffing van de kinderarbeid; Besloten hebbende dat deze regeling de vorm van een internationaal Verdrag zal krijgen, Neemt heden, de zesentwintigste juni negentienhonderd drieënzeventig, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973: Artikel 1 Elk Lid voor wie dit Verdrag van kracht is, verbindt zich tot het voere"},{"i":529,"b":"Verdrag betreffende grensarbeiders De Regeringen van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland; Besloten hebbende om — in overeenstemming met de doelstelling van het Verdrag van Brussel, ondertekend op 17 Maart 1948 — haar samenwerking op sociaal gebied uit te breiden; In overweging nemende de regelingen waaraan krachtens de thans van kracht zijnde bilaterale verdragen de grensarbeiders in de gebieden van de Verdragsluitende Partijen zijn onderworpen; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Ten blijke waarvan de ondergetekenden, behoorlijk gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend en van hun zegel hebben voorzien. Gedaan te Brussel, de zeventiende April 1950, in de Franse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal van de Permanente Commissie van het Verdrag van Brussel, en waarvan door de Secretaris-Generaal aan elk der Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend, een gewaarmerkt afschrift zal worden gezonden. Zo spoedig mogelijk zal een tekst van dit Verdrag in de Nederlandse taal worden opgesteld en zodra deze tekst door alle Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend, is goedgekeurd, zal de Nederlandse tekst eveneens authenthiek zijn."},{"i":7356,"b":"Wet van 2 december 1999 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de mogelijkheid een registratiedatum te bepalen voor de uitoefening van stem- en vergaderrechten in de naamloze vennootschap Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van de communicatie met aandeelhouders en de verwerving en uitoefening van volmachten wenselijk is dat het bestuur van een naamloze vennootschap kan bepalen dat slechts diegenen die op een bepaalde datum als aandeelhouder of certificaathouder of als pandhouder of vruchtgebruiker zijn geregistreerd, stem- en vergaderrechten kunnen uitoefenen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Burgerlijk Wetboek boek 2. Artikel II In afwijking van [artikel 119 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=119), zoals vastgesteld bij deze wet, kan het bestuur voor een algemene vergadering van aandeelhouders die in het jaar 2000 wordt gehouden, zonder machtiging van de algemene vergadering een registratiedatum bepalen. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de datum na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":557,"b":"Wet van 8 maart 1980, houdende uitvoering van artikel 19, zevende lid van het op 18 oktober 1961 te Turijn gesloten Europees Sociaal Handvest Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van artikel 19, zevende lid, van het op 18 oktober 1961 te Turijn gesloten Europees Sociaal Handvest (**Trb.** 1962, 3 en 1963, 90); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De werknemers die onderdaan zijn van een staat, welke partij is bij het Europees Sociaal Handvest, en wettig op het grondgebied van Nederland verblijven, zijn vrijgesteld van het stellen van zekerheid, als bedoeld in de [artikelen 224](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=224), [353](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=353) en [414 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=414) voor zover het rechtsvorderingen en verzoeken betreft in verband met artikel 19, leden 1-6 en 9 van het Europees Sociaal Handvest. Artikel 2 1. Aan werknemers, die onderdaan zijn van een staat welke partij is bij het Europees Sociaal Handvest en wettig op het grondgebied van Nederland verblijven, wordt rechtsbijstand verleend op de voet van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) voor zover het rechtsvorderingen en verzoeken betreft in verband met artikel 19, leden 1-6 en 9 van het Europees Sociaal Handvest. 2. Het bepaalde in [artikel 855, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=855) is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde werknemers. Artikel 3 De werknemers die onderdaan zijn van een staat welke partij is bij het Europees Sociaal Handvest en wettig op he"},{"i":558,"b":"Wet van 23 december 2015 tot wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten in verband met de invoering van een algemeen pensioenfonds (Wet algemeen pensioenfonds) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een algemeen pensioenfonds in te voeren; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Pensioenwet. Artikel II Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel III Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel IIIA Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet. Artikel IIIB Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel IIIC Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. In dat besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan [artikel 12 van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=12). Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet algemeen pensioenfonds. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18411,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van de Minister van Justitie van 5 oktober 2010, nr. 2010-0000612483, houdende regels over de inrichting van een politiecellencomplex en de registratie van gegevens van ingeslotenen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling politiecellencomplex BES) Gelet op [artikel 14, derde lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=14), [artikel 2 van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=2) en [artikel 9, vijfde, zesde en zevende lid, van het Besluit beheer politiekorps BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028780&artikel=9); Besluit: Hoofdstuk 1 Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **politiecellencomplex:** het politiecellencomplex, bedoeld in [artikel 1, onder c, van het Besluit beheer politiekorps BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028780&artikel=1); - b. **cel:** een afsluitbare ruimte geschikt voor het dag- en nachtverblijf van een persoon; - c. **ingeslotene:** de persoon, bedoeld in [artikel 1, onder a, van het Besluit beheer politiekorps BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028780&artikel=1). Hoofdstuk 2 § 1. Algemene eisen politiecellencomplex Artikel 2 1. De korpsbeheerder politie draagt er zorg voor dat een politiecellencomplex zodanig is ingericht dat ingeslotenen geen gelegenheid wordt gegeven tot ontvluchting, vernieling, brandstichting of zelfdoding. 2. De korpsbeheerder politie draagt er zorg voor dat voldoende maatregelen zijn genomen om de veiligheid van de ingeslotene te waarborgen. 3. Er is voor het politiecellencomplex een ontruimingsplan dat is goedgekeurd door de lokaal commandant van het brandweerkorps BES. Artikel 3 1. Het politiecellencomplex heeft als luchtruimte een buitenruimte met een oppervlakte van ten minste 30 m2, waarin begrepen een vierkant van 10 m2. 2. De luchtru"},{"i":560,"b":"Wet van den 19den December 1931, houdende regelen betreffende den rechtstoestand van de militaire ambtenaren Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat regelen betreffende den rechtstoestand van de militaire ambtenaren van zee- en landmacht behooren te worden gesteld; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Algemeene bepaling Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **ambtenaren:** militaire ambtenaren en burgerlijke ambtenaren, waarbij wordt verstaan onder: - 1. militaire ambtenaren: zij, die zijn aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht of bij het reservepersoneel van de krijgsmacht om in militaire openbare dienst werkzaam te zijn, - 2. burgerlijke ambtenaren: burgerlijke ambtenaren die zijn aangesteld om werkzaam te zijn bij het Ministerie van Defensie; - b. **werkelijke dienst:** de tijd gedurende welke de militair ambtenaar - 1. is aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht en hij niet op non-activiteit is gesteld en hem geen buitengewoon verlof van lange duur is verleend; - 2. is aangesteld bij het reservepersoneel van de krijgsmacht en hij als zodanig feitelijk onder de wapenen is, - c. **buitengewone omstandigheden:** een uitzonderingstoestand als bedoeld in [artikel 1 van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=1) dan wel andere omstandigheden die naar het oordeel van Onze Minister toepassing van buitengewone bevoegdheden op grond van deze wet noodzakelijk maken, - d. **Onze Minister:** Onze Minister van Defensie, - e. **militaire gezondheidszorg:** het geheel aan maatregelen, voorzieningen en verstrekkingen verleend door of vanwege de militair geneeskundige dienst ten behoeve van het behoud, herstel en bevordering van de gezo"},{"i":17680,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beleidsterrein Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing periode vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 november 2004, nr. arc-2004.01583/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het Directoraat-Generaal Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Binnenlandse Zaken, nr. MMA/Ar 9187 d.d. 26 juli 1984 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 210 d.d. 26 oktober 1984)), hoofdstuk 2 (Brandweer) en hoofdstuk 3 (Organisatie Bescherming Bevolking) en de ‘Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing over de periode vanaf 1945’ (vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, nr. R&B/OSTA/99/846 d.d. 3 augustus 1999 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 216)), voor wat betreft de handelingen 1, 2, 3, 5, 6, 8, 13, 14, 15, 16, 18, 22, 23, 24, 44, 46, 81, 83, 103, 106, 108, 113, 120, 147, 157, 158, 159, 160, 169, 188, 195, 197, 232, 249, 252, 254, 277, 327, 345, 365, 380, 393, 413, 415, 425, 453, 459, 469, 471, 4"},{"i":564,"b":"Wet van 21 december 1994, tot vaststelling van de Wet arbeid vreemdelingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen met betrekking tot de tewerkstelling van vreemdelingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § I. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. werkgever: - 1°. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten; - 2°. de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten; - c. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823); - d. niet eerder toegelaten vreemdeling: een vreemdeling die niet eerder over een voor het verrichten van arbeid geldige vergunning tot verblijf heeft beschikt, dan wel een vreemdeling die, na over een zodanige vergunning te hebben beschikt, zijn hoofdverblijf weer buiten Nederland heeft gevestigd dan wel buiten Nederland heeft voortgezet; - e. tewerkstellingsvergunning: vergunning voor een werkgever die wordt verleend door Onze Minister op grond van [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&paragraaf=II&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01), ten behoeve van een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft of heeft aangevraagd, anders dan op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) die is verleend onder de beperking «arbeid in loondienst» of «lerend werken»; - f. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeri"},{"i":14273,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 9 december 2014, nr. WJZ/14198645, houdende regels omtrent garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit (Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit) Gelet op [richtlijn nr. 2012/27](32012L0027)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van [Richtlijnen 2009/125/EG](32009L0125) en [2010/30](32010L0030)/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen [2004/8/EG](32004L0008) en [2006/32/EG](32006L0032) (PbEU 2012, L 315) en [2009/28](32009L0028)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van [Richtlijn 2001/77/EG](32001L0077) en [Richtlijn 2003/30/EG](32003L0030) (PbEG 2009, L28) en de [artikelen 77 van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=77), [66l van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=66l) en [29 van de Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=29); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **afvalverbrandingsinstallatie:** een productie-installatie waarin al dan niet de geproduceerde thermische energie wordt teruggewonnen en die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor: - a. de verbranding door oxidatie van afvalstoffen, - b. een andere thermische behandeling van afvalstoffen dan bedoeld onder a ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand of, - c. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling van afvalstoffen; - **AVI-eenheid:** een onderdeel binnen een afvalverbrandingsinstallatie dat ten minste bestaat uit een verbrandingsoven met bijbehorende ketel en een rookgasreinigingsinstallatie, waarvoor op grond van de AVI-meetvoorwaarden een systeemgren"},{"i":19377,"b":"Wet van 14 april 2016 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces en wijziging van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter uitbreiding van de mogelijkheid van uitkering aan nabestaanden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bepalingen op te nemen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) ter uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers in het strafproces en van de werking van de [Wet schadefonds geweldsmisdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Artikel IIA Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7061,"b":"Overeenkomst inzake kosteloze afgifte en vrijstelling van legalisatie van afschriften en uittreksels van akten van de burgerlijke stand De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat en de Republiek Turkije, leden van de Internationale Commissie van de Burgerlijke Stand, wensende bepaalde punten met betrekking tot de afgifte en de legalisatie van afschriften en uittreksels van akten van de burgerlijke stand in gemeenschappelijk overleg te regelen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Onverminderd de toepassing van bilaterale Overeenkomsten, tussen twee bij deze Overeenkomst partij zijnde Staten bestaande of eventueel nog te sluiten, verbindt elke Overeenkomstsluitende Staat zich om kosteloos aan de andere Overeenkomstsluitende Staten letterlijke afschriften of uittreksels af te geven van op zijn grondgebied opgemaakte, op onderdanen van de verzoekende Regering betrekking hebbende akten van de burgerlijke stand, wanneer de aanvraag hiertoe voor administratieve doeleinden of ten behoeve van onvermogenden wordt gedaan. Artikel 2 De aanvrage wordt gedaan door de diplomatieke vertegenwoordiging of de consuls aan de bevoegde autoriteit, door elke Overeenkomstsluitende Staat in de bij deze Overeenkomst gevoegde Bijlage aangewezen; als reden van aanvraag wordt vermeld „voor administratieve doeleinden” of „onvermogen van de aanvrager”. Artikel 3 Het feit der afgifte van een afschrift van een akte van de burgerlijke stand geeft geen aanwijzing omtrent de nationaliteit van de betrokkene. Artikel 4 Op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Staten zijn de letterlijke afschriften of de uittreksels van akten van de burgerlijke stand, voorzien van de handtekening en het zegel van de autoriteit die ze heeft afgegeven, vrijgesteld van legalisatie. Artikel 5 Onder akten van de burgerlijke stand als bedoeld in de artikelen 1, 3 en 4 worden verst"},{"i":588,"b":"Wet van 10 november 2005, houdende regels omtrent de invoering en financiering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen alsmede met betrekking tot de intrekking van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) Hoofdstuk 1. Wijziging van andere wetten § 1. Sociale Zaken en Werkgelegenheid § 1. Sociale Zaken en Werkgelegenheid § 3. Binnenlandse Zaken Artikel 1.28. [Bijlage 2 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&bijlage=2) Wijzigt de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet. Artikel 1.29. [Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267) Wijzigt de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. § 4. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap § 5. Financiën § 6. Defensie § 7. Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer § 8. Volksgezondheid Welzijn en Sport Hoofdstuk 2. Overgangs- en slotbepalingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen inzake de invoering en financiering van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) alsmede inzake de intrekking van de [Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijziging van andere wetten Artikel 1.1. [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel 1.2. [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel 1.3. [Werkloosheidswet](http"},{"i":589,"b":"Wet van 5 februari 2004, houdende regels met betrekking tot de productie, de keuring en de exploitatie van kabelbaaninstallaties voor personenvervoer (Wet kabelbaaninstallaties) Allen, die zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op [richtlijn nr. 2000/9/EG](32000L0009) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer (PbEG L 106), noodzakelijk is regels te stellen met betrekking tot de productie, de keuring en de exploitatie van kabelbaaninstallaties voor personenvervoer; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Tijdelijke referendumwet opgeschort tot 23 maart 2004. Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **CE-markering:** CE-markering als bedoeld in artikel 3, onderdeel 27, van de verordening; - **conformiteitsbeoordelingsinstantie:** ingevolge [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016366&hoofdstuk=3&artikel=5&z=2024-01-01&g=2024-01-01) aangewezen instantie; - **essentiële eisen:** essentiële eisen, genoemd in bijlage II bij de verordening; - **EU-conformiteitsverklaring:** EU-conformiteitsverklaring als bedoeld in artikel 19 van de verordening; - **kabelbaaninstallatie:** kabelbaaninstallatie als bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van de verordening; - **kabelbaanvergunning:** vergunning als bedoeld in [artikel 20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016366&hoofdstuk=5&artikel=20&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - **Onze Minister:** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - **subsysteem:** subsysteem als bedoeld in artikel 3, onderdeel 2, van de verordening; - **veiligheidscomponent:** veiligheidscomponent als bedo"},{"i":590,"b":"Wet van 26 november 2014 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer in verband met de maximering van het pensioengevend loon en in verband met enkele wijzigingen van technische aard (Wet maximering pensioengevend loon Appa) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het pensioengevend loon voor politieke ambtsdragers te maximeren en daartoe de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel II Wijzigt de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet maximering pensioengevend loon Appa. Artikel IV Deze wet treedt in werking op 1 januari 2015, met dien verstande dat [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035851&artikel=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01), in werking treedt met ingang van 1 januari 2016. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":591,"b":"Wet van 24 maart 1976, houdende regelen inzake melding van collectief ontslag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is werkgevers die voornemens zijn tot collectief ontslag van werknemers over te gaan, te verplichten dit te melden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister**, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **werkgever** en **werknemer:** partijen bij een arbeidsovereenkomst als bedoeld in [artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610); - c. **het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - d. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 671a, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a); - e. **werkgebied:** een door Onze Minister vastgesteld gebied. 2. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van personen, voor de toepassing van deze wet, gelijk worden gesteld met werknemers als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Artikel 2 1. Deze wet is niet van toepassing op het beëindigen van: - a. een arbeidsovereenkomst uitsluitend om redenen die de persoon van de werknemer betreffen; - b. een arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd. 2. Deze wet is voorts niet van toepassing op het beëindigen van arbeidsovereenkomsten wegens het aflopen van de seizoenarbeid voor het verrichten waarvan zij werden aangegaan. Onze Minister kan arbeid aanwijzen, die voor de toepassing van de vorige volzin in ieder ge"},{"i":603,"b":"Wet van 18 maart 1955, houdende regeling voor het voortbestaan van het Pensioenfonds voor de vaste onderwijzers van het Koninklijk Conservatorium voor Muziek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gebleken, een regeling te treffen met betrekking tot het voortbestaan van het \"Pensioenfonds voor de vaste onderwijzers van het Koninklijk Conservatorium voor Muziek\"; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het voortbestaan van het \"Pensioenfonds voor de vaste onderwijzers van het Koninklijk Conservatorium voor Muziek\" wordt goedgekeurd. Artikel 2 Ten aanzien van de bestemming en het beheer van het fonds stelt Onze Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen een reglement vast met inachtneming van het hiernavolgende. Artikel 3 Het fonds is bestemd voor de uitkering van pensioenen, die zijn toegekend vóór 1 Januari 1922, alsmede van pensioenen, die na die datum zijn toegekend op grond van diensttijd, vóór 1 Januari 1922 bij het Conservatorium doorgebracht, aan personen, die bij het Conservatorium in dienst zijn geweest, aan hun weduwen en aan hun kinderen, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt. Artikel 4 1. Het beheer van het fonds berust bij de Commissie van Toezicht op het Conservatorium. 2. Ingeval van opheffing dezer Commissie regelt Onze Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, op welke wijze in het beheer zal worden voorzien. Artikel 5 Voor een verandering in de wijze van belegging van de middelen van het fonds is de goedkeuring vereist van Onze Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Artikel 6 1. De Commissie van Toezicht verstrekt aan Onze Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, aan Onze Minister van Financiën en aan de Algemene Rekenkamer alle door hen gevraagde inlichtingen met betrekking"},{"i":604,"b":"Wet van 29 mei 1952, houdende nadere regelen met betrekking tot de pensioenaanspraken van bepaalde groepen van gewezen militairen van het Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger, alsmede van hun nagelaten betrekkingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere regelen te stellen met betrekking tot de pensioenaanspraken van bepaalde groepen van gewezen militairen van het Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger, alsmede van hun nagelaten betrekkingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het pensioen, waarop de militair, die op of na 27 December 1949 in vaste militaire dienst was bij het Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger en ingevolge artikel 32 van de \"Regelingen betreffende militaire aangelegenheden\", II, Hoofdstuk IV, gehecht aan de Overgangsovereenkomst, behorende bij de Mantelresolutie der Ronde Tafel Conferentie, werd geplaatst in vaste militaire dienst bij de Koninklijke landmacht, en op wie, indien deze plaatsing niet was geschied, artikel 39 dan wel artikel 40 van genoemde regelingen, II, Hoofdstuk V, van toepassing zou zijn geweest, recht kan doen gelden krachtens de Pensioenwet voor de landmacht 1922, zal niet minder bedragen dan het pensioen, waarop hij recht zou hebben kunnen doen gelden bij toepassing van genoemde artikelen 39 en 40. Artikel 2 1. Het pensioen, waarop de nagelaten betrekkingen van een militair, bedoeld in artikel 1, en van een militair, als daar bedoeld, die onder toekenning van pensioen de militaire dienst heeft verlaten, ter zake van diens overlijden recht kunnen doen gelden krachtens de Militaire Weduwenwet 1922 dan wel de Pensioenwet voor de landmacht 1922, zal niet minder bedragen dan het pensioen, hetwelk dan wel de onderstand, welke haar, bij toepassing van de op 26 December 1949 geldende regelen, di"},{"i":18632,"b":"Besluit van 9 december 2016 tot wijziging van onder meer het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met een herziening van de opleiding van rechters en officieren van justitie Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 10 augustus 2016, nr. 785282; Gelet op de [artikelen 5d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=5d), [5e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=5e), [5f, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=5f), [5g, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=5g), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=7), [19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=19a), [19b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=19b), [45, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=45), en [54 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=54) en [artikel 145, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=145); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 september 2016, nr.W03.16.0224/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, Directie Wetgeving en Juridische Zaken van 5 december 2016, nr. 2001468; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel II Wijzigt het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers. Artikel III Wijzigt het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren. Artikel IV Wijzigt het Besluit College van afgevaardigden. Artikel V Wijzigt het Besluit samenstelling en werkwijze toetsingscommissie uittreding zittende magistratuur. Artikel VI Op rechterlijke ambtenaren in opleiding die op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van dit besluit als"},{"i":18169,"b":"Besluit van 30 augustus 2025 houdende de ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 augustus 2025, 2025-0000406986, Constitutionele Zaken en Wetgeving Gelet op [artikel 64 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=64) en [artikel F 2 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=F_2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ontbonden op woensdag 12 november 2025 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Artikel 2 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vindt plaats op maandag 15 september 2025. Artikel 3 De eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer vindt plaats op woensdag 12 november 2025 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19081,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 februari 2024, nr. WJZ/ 34550459, houdende regels voor de oplegging van bestuurlijke boeten krachtens de Visserijwet 1963 (Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963) Gelet op de [artikelen 4, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049263&artikel=4), en [6, vierde lid, van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049263&artikel=6); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 22 augustus 2022 tot wijziging van de Visserijwet 1963 in verband met de invoering van de bestuurlijke boete in werking treedt (Stb. 2022/343). Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049263); - **uitvoeringsverordening controleverordening:** uitvoeringsverordening controleverordening als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030288&artikel=1). Artikel 2 1. Voor elke overtreding van een in de kolommen I of II van de bijlage genoemde bepalingen, bepaalt de in kolom III van de bijlage opgenomen aanduiding in welke categorie van overtredingen als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049263&artikel=4) de overtreding valt. 2. De in kolom III van de bijlage opgenomen aanduidingen corresponderen als volgt met de categorieën, genoemd in [artikel 4, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049263&artikel=4): - A –. [artikel 4, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049263&artikel=4); - B –. [artikel 4, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049263&artikel=4); - C –. [artikel 4, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049263&artikel=4); - D –. [artikel 4, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.o"},{"i":18587,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 6 november 2014 houdende de vaststelling van vergoedingen voor de leden van de klachtencommissies van de politie (Vergoedingenregeling leden klachtencommissies politie) Gelet op [artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De leden van de klachtencommissies, bedoeld in [artikel 1, onder h, van de Regeling klachtbehandeling politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032607&artikel=1), ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding per vergadering ter hoogte van 2,5% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren, met dien verstande dat de voorzitters en de plaatsvervangend voorzitters per vergadering een vergoeding ontvangen ter hoogte van 130% van de vergoeding per vergadering die de overige leden ontvangen. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 december 2014. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling leden klachtencommissies politie. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18065,"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking op het archief van het Rijkslandbouwconsulentschap voor Noord-Oostelijk Noord-Brabant in Oss, 1947–1969 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 42 | 1-1-2024 | | 43 | 1-1-2029 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045296&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris van provincie Noord-Brabant heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045296&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris van provincie Noord-Brabant. De rijksarchivaris van Noord-Brabant kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045296&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris van Noord-Brabant. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag n"},{"i":19239,"b":"Regeling van 21 februari 2007, nr. DJZ/BR/0185-07, houdende beperkende maatregelen tegen enkele aan Al Qa’ida gelieerde personen met het oog op de strijd tegen het terrorisme (Sanctieregeling terrorisme 2007) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van 29 september 2001; Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 (2001/930/GBVB) inzake terrorismebestrijding (Pb EG L 344); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van het in deze regeling bepaalde wordt verstaan onder: - a. Middelen: activa van welke aard ook, juridische documenten of instrumenten in welke vorm ook, ook elektronisch of digitaal, waaruit eigendom van of een belang in dergelijke activa blijkt, met inbegrip van, doch niet beperkt tot, bankkredieten, reischeques, bankcheques, postwissels, aandelen, obligaties, wissels, kredietbrieven en andere effecten; - b. Bevriezing van middelen: het voorkomen van het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren, gebruiken of omgaan met middelen met als gevolg wijzigingen van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken, bestemming, of andere wijzigingen waardoor het gebruik van bedoelde middelen, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk zou worden gemaakt; - c. Financiële diensten: alle diensten van financiële aard, waaronder alle verzekeringsdiensten en met verzekeringen verband houdende diensten, en alle bankdiensten en andere financiële diensten, met uitzondering van verzekeringen. Artikel 2 1. Alle middelen die toebehoren aan de personen,vermeld in de bijlage bij deze regeling, worden bevroren. 2. Het is verboden financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van de personen, vermeld in de bijlage bij deze"},{"i":613,"b":"Wet van 16 juli 2001 tot het stellen van nadere regels in verband met de introductie van een toeslagregeling ter compensatie van het gemis aan overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 ten aanzien van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 en enkele andere overzeese pensioenwetten alsmede het actualiseren van die wetten in verband met de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is in verband met de introductie van een toeslagregeling ter compensatie van het gemis aan overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 ten aanzien van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 en enkele andere overzeese pensioenwetten nadere regels te stellen, alsmede die wetten te actualiseren in verband met de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikelen 1, 2, 3, onderdelen A en B, punt 3 van onderdeel F, onderdeel N, punt 5 van onderdeel P, onderdeel Q, onderdeel T, 4, onderdeel A, 5, onderdeel C, punt 3 van onderdeel E, het artikel 19a genoemd in onderdeel G, punt 1b en punt 2 van onderdeel H, punt 2 van onderdeel I, onderdelen M en N, 6, onderdelen A en C werken terug tot en met 1 januari 2001. Artikel 3, het artikel 27b genoemd in onderdeel S en artikel 5, het artikel 19c genoemd in onderdeel G werken terug tot en met 1 januari 1998. Artikelen 3, de onderdelen C tot en met E, de punten 1 en 2 van onderdeel F, onderdelen G tot en met M, onderdeel O, de punten 1 tot en met 4 van onderdeel P, onderdeel R en de artikelen 27a en 27c genoemd in onderdeel S, 4, onderdeel B, 5, de onderdelen A en B, onderdeel D, de punten 1 en 2 van onderdeel E, onderdeel F, de artikelen 19b en 19d genoemd in onderdeel G, punt 1a van onderdeel H, punt 1 van onderdeel I, onderdelen J tot en met L en 6, ond"},{"i":18415,"b":"Regeling politie-legitimatiebewijs Gelet op [artikel 13 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006560&artikel=13); Besluit: Artikel 1 1. Tijdens de uitoefening van de dienst dragen de volgende ambtenaren van politie een politielegitimatiebewijs volgens het model, bedoeld in de bijlage bij deze regeling, bij zich: - a. de ambtenaar, bedoeld in [artikel 2, onderdelen a en c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), voor zover zij zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en werkzaam zijn bij een eenheid, met uitzondering van de aspirant gedurende het theoretische opleidingsdeel; - b. de door de korpschef aangewezen ambtenaren, bedoeld in [artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die over opsporingsbevoegdheden beschikken. 2. De korpschef kan ambtenaren, bedoeld in [artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2) die niet over opsporingsbevoegdheden beschikken, opdragen een politielegitimatiebewijs bij zich te dragen. Artikel 2 De politie, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=1) is eigenaar van het politielegitimatiebewijs. Artikel 3 De korpschef, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=1) draagt zorg voor een behoorlijk toezicht op de bewaring van het te verstrekken politielegitimatiebewijs. Artikel 4 1. De korpschef draagt er zorg voor dat het politielegitimatiebewijs wordt vervaardigd overeenkomstig het model en met inachtneming van de eisen, vermeld in de bijlage bij deze regeling. 2. De korpschef reikt het politielegitimatiebewijs uit aan de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006559&artikel=1&z=2023-01-01&g=2023-01-01). 3. De"},{"i":18300,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 18 september 2020, nr. 2020-176699, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Vastgoed Defensie (Instellingsbesluit Werkgroep IBO Vastgoed Defensie) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044204&artikel=2&z=2020-10-13&g=2020-10-13). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Vastgoed Defensie. 2. De werkgroep heeft tot taak interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren conform de taakopdracht zoals gepubliceerd in bijlage 18 van de Miljoenennota 2021 (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2020 / 2021, 35 570 nr. 2). 3. Het onderzoek zal moeten resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties worden gegeven waarover vervolgens afweging kan plaatsvinden. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en 7 leden. 2. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd de heer Hans van der Vlist, tot 1 oktober 2020 werkzaam bij ABD Topconsult. 3. Tot eerste leden van de werkgroep worden benoemd: - –. Betül Albayrak (Ministerie van Financiën) - –. David van Weel (Ministerie Algemene Zaken) - –. Marcel van de Leemkule (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) - –. Roger Paas (Ministerie van Justitie en Veiligheid) - –. Frank Foreman (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - –. Dick van Ingen (Ministerie van Defensie) - –. Sylvia Bijl (Ministerie van Defensie) 4. De leden van de werkgroep werkzaam voor de overheid kunnen bij afwezigheid of verandering van baan vervangen worden door een collega van dezelfde werkgever. 5. De werkgroep kan besluiten externe leden uit te nodigen om dee"},{"i":4951,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 19 september 1994, nr. 457711/594/NE, houdende mandaat aan de procureurs-generaal inzake toekenning van politiebevoegdheden aan buitengewoon opsporingsambtenaren Overwegende, dat de procureurs-generaal in de in [artikel 142, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142) genoemde gevallen zelfstandig beslissen over toekenning van de opsporingsbevoegdheid aan buitengewoon opsporingsambtenaren; dat het gewenst is dat de procureurs-generaal in die gevallen eveneens kunnen beslissen over toekenning van de in [artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=8) genoemde bevoegdheden (politiebevoegdheden); Gelet op [artikel 142, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142) en [artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=8); Gezien het verslag van de vergadering van procureurs-generaal van 17 augustus 1994, waarin instemming is betuigd met de mandatering van een deel van de in [artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=8) omschreven bevoegdheid; Besluit: Artikel 1 1. Het College van procureurs-generaal is bevoegd tot het toekennen van de bevoegdheden omschreven in [artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=8) aan de buitengewoon opsporingsambtenaar aan wie het College een akte van opsporingsbevoegdheid heeft verleend. 2. Het College van procureurs-generaal kan bepalen dat het toekennen van de in het eerste lid genoemde bevoegdheden namens het College geschiedt. Artikel 2 Het College van procureurs-generaal, bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006926&artikel=1&z=1999-12-20&g=1999-12-20), is namens de Min"},{"i":618,"b":"Wet van 2 december 1993, tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende informatie van de werknemer over zijn arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding van toepassing zijn (**Pb EG** L 288/32 van 18 oktober 1991) moet worden uitgevoerd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Voor personen in dienst van het Rijk, provincie, gemeente, waterschap of andere publiekrechtelijke lichamen gelden de volgende bepalingen. 2. De werkgever is verplicht aan de werknemer een schriftelijke opgave te verstrekken met ten minste de volgende gegevens: - a. identiteit van de werkgever, de plaats van diens vestiging en naam en woonplaats van de werknemer; - b. de plaats of de plaatsen waar het werk wordt verricht; - c. de functie van de werknemer; - d. de datum van indiensttreding; - e. indien de aanstelling of arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geldt, de duur daarvan; - f. de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van de aanspraak; - g. de duur van de door de werkgever respectievelijk werknemer in acht te nemen ontslag- respectievelijk opzeggingstermijnen of de wijze waarop die termijnen worden vastgesteld; - h. het salaris en de termijn van uitbetaling alsmede indien het salaris afhankelijk is van de uitkomsten van het te verrichten werk, de per dag of per week aan te bieden hoeveelheid werk, de prijs per stuk en de tijd die redelijkerwijs met de uitvoering gemoeid is; - i. de gemiddelde dagelijkse of wekelijkse arbeidsduur;"},{"i":620,"b":"Wet van 4 juli 1946 houdende de instelling van een arbeidsbureau BES Artikel 1 1. Onder openbare arbeidsbemiddeling wordt verstaan: de voortdurende bemoeiing, van Overheidswege geleid en in stand gehouden, met het doel werkgevers en werkzoekenden in het zoeken naar arbeidskrachten en arbeidsgelegenheid behulpzaam te zijn. 2. Onder Onze Minister wordt verstaan: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2 De openbare arbeidsbemiddeling tussen werkgevers en werkzoekenden in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius en Saba ligt bij de betrokken bestuurscolleges afzonderlijk. Artikel 3 1. Onze Minister voorziet in het toezicht op de juiste naleving van de wettelijke regelingen, betrekking hebbende op de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028536&artikel=2&z=2013-07-01&g=2013-07-01) bedoelde arbeidsbemiddeling. 2. Onze Minister kan voorzien in: - a. een voorziening voor de openbare arbeidsbemiddeling tussen werkgevers en werkzoekenden in de verschillende openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woonachtig, alsmede tussen werkgevers gevestigd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en werkzoekenden in andere delen van het Koninkrijk of het buitenland en omgekeerd; - b. een voorziening voor het verzamelen en verstrekken van gegevens omtrent de stand der arbeidsmarkt voor zover noodzakelijk in verband met de openbare arbeidsbemiddeling. 3. De bestuurscolleges zijn verplicht aan Onze Minister alle door deze in verband met het eerste en tweede lid verlangde inlichtingen kosteloos te verstrekken. 4. Onder openbare arbeidsbemiddeling in een eilandgebied wordt verstaan: - a. de arbeidsbemiddeling tussen werkgevers en werkzoekenden binnen het betrokken eilandgebied en het verzamelen van gegevens welke voor deze bemiddeling nodig zijn; - b. door het verstrekken van inlichtingen of anderszins mede te werken aan de openbare voorlichting bij beroepskeuze en de bevordering van vakopleiding binnen het betrokken eilandgeb"},{"i":648,"b":"Wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari c.q. 1 april 1996 «Circulaire aan de ministers» Inleiding Deze circulaire op het terrein van de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de sector Rijk betreft de hieronder genoemde aangelegenheden. De onderdelen A tot en met E zijn van belang met ingang van 1 januari 1996. Onderdeel F betreft een wijziging met ingang van 1 april 1996. **Onderdeel A:** Protocol aanstellingskeuringen. **Onderdeel B:** Toepassing verhaal van pensioenpremies en van vut-bijdrage indien de ambtenaar (langdurig) is ontheven van de uitoefening van zijn betrekking. **Onderdeel C:** Aanpassing van diverse bedragen en percentages, te weten: **Onderdeel D:** Wijziging van het salarisgrensbedrag voor de toekenning van de distorsietoeslag. **Onderdeel E:** Enkele mededelingen, te weten over: **Onderdeel F:** Wijziging van het Besluit inkomenstoeslag rijkspersoneel met ingang van 1 april 1996. Voor de goede orde merk ik op dat over de invoering van de WAO-conforme uitkering bij de sector Rijk per 1 januari 1996 dezer dagen een afzonderlijke circulaire verschijnt. Voorts vermeld ik dat in de loop van de maand januari 1996 een circulaire zal verschijnen over de wijzigingen met betrekking tot personele aspecten van reorganisatie bij de sector Rijk. A. Protocol aanstellingskeuringen Met de centrales is overeenstemming bereikt over een wijziging van het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](onbekend) (ARAR) per 1 januari 1996, voor wat de aanstellingskeuring betreft. Een en ander betekent dat uitsluitend een aanstellingskeuring zal mogen plaatsvinden indien daartoe een wettelijke verplichting bestaat, danwel indien een dergelijk onderzoek op grond van de functie-eisen die in medische termen kunnen worden vertaald, naar het oordeel van de betrokken minister noodzakelijk is. Een voorlopige inventarisatie van functies binnen de sector Rijk waarvoor een wettelijke verplichting tot het keuren bij aanstelling bestaat, is door de Rijks bedrijfsgezo"},{"i":647,"b":"Wijzigingen in de financiële arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2010 voor de ambtenaren werkzaam in de sector Rijk Inleiding Zoals te doen gebruikelijk ontvangt u aan het einde van het kalenderjaar een circulaire over de wijzigingen in de financiële arbeidsvoorwaarden voor de ambtenaren werkzaam in de sector Rijk. U treft in deze circulaire informatie aan over de volgende onderwerpen: 1. Vergoeding van verblijfkosten bij dienstreizen De vergoedingen voor verblijfkosten tijdens dienstreizen wijzigen met ingang van 1 januari 2010 als volgt: De vergoedingsbedragen voor het gebruik van een privé vervoermiddel, € 0,37 en € 0,09 per kilometer, wijzigen niet. NB: De Belastingdienst handhaaft het bedrag per kilometer dat maximaal onbelast mag worden vergoed op € 0,19 per kilometer. 2. Tegemoetkomingen in het woon-werkverkeer Met ingang van 1 januari 2010 wijzigen de bedragen die in het kader van het woon-werkverkeer als tegemoetkoming voor het gebruik van eigen vervoer kunnen worden verstrekt als volgt: 3. Verhuisvoorzieningen Sociaal flankerend beleid In het Sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012 zijn twee voorzieningen opgenomen die betrekking hebben op verhuizing (voorziening 11 en 12). De bij deze voorzieningen behorende bedragen worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd. In de [circulaire van 6 mei 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023859), nr. 2008-0000195249 en [van 16 december 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025133), kenmerk 2008-0000564650 is abusievelijk aangegeven, dat de indexatie plaatsvindt aan de hand van de consumentenprijsindex over de voorafgaande periode september tot en met oktober. De indexatie vond (per 1 januari 2008 en per 1 januari 2009) en vindt (per 1 januari 2010 en verder) echter plaats op basis van het cijfer over de periode november t/m oktober en resulteert daarmee in iets hogere bedragen. De bedragen per 1 januari 2010 wijzigen als volgt: voorziening 11: € 5.726,83 (was € 5.687,02) voorziening 12: € 11.454"},{"i":649,"b":"Besluit van 3 juli 2006 tot wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement, het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en enige andere besluiten in verband met actualisering van de bevoegdhedentoedeling, het beperken van aanstellingskeuringen alsmede de implementatie van arbeidsvoorwaardelijke afspraken omtrent loondoorbetaling bij ziekte Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 7 april 2006 nr. P/2006009286; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) en [artikel 125 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125); De Raad van State gehoord (advies van 16 juni 2006, nr. W07.06.0115/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 27 juni 2006 nr. P/2006020381; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie. Artikel III Wijzigt het Besluit dienstreizen defensie. Artikel IV Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Artikel V Wijzigt het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel VI Wijzigt het Besluit geneeskundig onderzoek bij blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen. Artikel VII Wijzigt het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen. Artikel VIII Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel IX Het [Besluit inkomenstoeslag dienstplichtigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007641) wordt ingetrokken. Artikel X. Overgangsbepaling Voor de [artikelen IV onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020038&artikel=IV&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [V onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020038&artikel=V&z=2006-10-01&g=2006-10-01) geldt dat voor de ambtenaar wiens eerste dag van ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor 1 januari 2004"},{"i":650,"b":"Besluit van 8 februari 2010 tot vaststelling van een eenmalige uitkering 2009 en tot wijziging van enige besluiten in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode 1 maart 2009 tot en met 28 februari 2010 Hoofdstuk 1. Toekenning van een eenmalige uitkering 2009 aan het defensiepersoneel Hoofdstuk 1. Toekenning van een eenmalige uitkering 2009 aan het defensiepersoneel Artikel 2 Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement. Artikel 3 Wijzigt het Besluit dienstreizen defensie. Artikel 4 Wijzigt het Besluit personenchauffeurs defensie. Artikel 5 Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie. Artikel 6 Wijzigt het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 7 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Artikel 8 Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel 9 Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit militairen. Hoofdstuk 3. Slotbepalingen Op voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 19 november 2009, nr. P/2009017614; Gelet op [artikel 125, eerste lid, onder a, c, d en e, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) alsmede op de [artikelen 12, onder a, g, h en m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12), en [12quinquies, onder a van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12quinquies); De Raad van State gehoord (advies van 16 december 2009, nr. WO7.09.0507/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 2 februari 2010, nr. BS/20100000605; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 2. Overige wijzigingen Hoofdstuk 3. Slotbepalingen Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Artikel 1 1. De volgende betrokkenen hebben aanspraak op een eenmalige uitkering 2009 ter grootte van 0,35% van het twaalfvoud van de voor hen geldende berekeningsbasis: - a. de militair aange"},{"i":12070,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 februari 2008, nr. DDI/ST/reg. 001/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het geheime archief van het Nederlands gezantschap, later de ambassade in Chili van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1984 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het geheime archief van het Nederlands gezantschap, later de ambassade in Chili van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1984, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 3 | 2052 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023506&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023506&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening"},{"i":12779,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2023, kenmerk 3720554-1056460-PG, houdende vaststelling modelformulieren bedoeld in het Besluit afbreking zwangerschap Gelet op de [artikelen 26, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003677&artikel=26), en [27, tweede lid, van het Besluit afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003677&artikel=27), Besluit: Artikel 1 1. Het model van het formulier, bedoeld in [artikel 26, tweede lid, van het Besluit afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003677&artikel=26) is het model zoals dit in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049004&bijlage=A&z=2025-01-01&g=2025-01-01) bij dit besluit is opgenomen. 2. Het model van het formulier, bedoeld in [artikel 27, tweede lid, van het Besluit afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003677&artikel=27) is het model zoals dit in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049004&bijlage=B&z=2025-01-01&g=2025-01-01) bij dit besluit is opgenomen. Artikel 2 Het [besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2010, nr. PG/E-3040158, houdende vaststelling model formulieren bedoeld in het Besluit afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029207) (Stcrt. 2010, 20555) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Bijlage A. FORMULIER A Model van het formulier, bedoeld in [artikel 26, tweede lid, van het Besluit afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003677&artikel=26), geldend vanaf 1 januari 2024 Bijlage B. FORMULIER B Model van het formulier, bedoeld in [artikel 27, tweede lid, van het Besluit afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003677&artikel=27), geldend vanaf 1 januari 2024 Rapportageformulier bestemd voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd **Per vraag dient alleen die regel ingevuld te worden die"},{"i":18782,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, namens deze de divisiedirecteur Gevangeniswezen en Vreemdelingenbewaring van de Dienst Justitële Inrichtingen, d.d. 10 september 2019, kenmerk GW/SB 0909191, houdende beperking van de openbaarheid van het naar het Nationaal Archief over te brengen archief van de penitentiaire inrichtingen in Breda uit de periode 1940–1975, nummer toegang 5121.003 en ’s-Hertogenbosch / Leuvense Poort uit de periode 1855–1975 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 9 september 2019, met kenmerk 16557300 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de gevangenissen in Breda uit de periode 1940–1975, en ’s-Hertogenbosch / Leuvense Poort uit de periode 1855–1975 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Gevangenissen Breda: | Def. Nr. | Beperkt tot: | | --- | --- | | 370 | 2050 | | 371 | 2043 | | 372 | 2051 | | 373 | 2020 | | 382 | 2021 | | 391 | 2020 | | 397 | 2095 | | 406 | 2021 | | 409 | 2022 | | 411 | 2021 | | 415 | 2025 | | 418 | 2022 | | 421 | 2020 | | 424 | 2021 | | 425 | 2026 | | 426 | 2021 | | 428 | 2021 | | 429 | 2023 | | 446 | 2022 | | 454 | 2025 | | 466 | 2027 | | 468 | 2024 | | 469 | 2026 | | 475 | 2022 | | 498 | 2020 | | 501 | 2022 | | 504 | 2020 | | 506 | 2023 | | 513 | 2025 | | 515 | 2030 | | 516 | 2003 | | 517 | 2024 | | 524 | 2020 | | 531 | 2024 | | 533 | 2020 | | 555 | 2022 | | 556 | 2027 | | 569 | 2020 | | 573 | 2024 | | 577 | 2022 | | 578 | 2024 | | 586 | 2028 | | 590 | 2022 | | 605 | 2025 | | 608 | 2035 | | 609 | 2035 | | 610 | 2023 | | 616 | 2021 | | 617 | 2022 | | 618 |"},{"i":651,"b":"Besluit van 8 maart 1996, houdende wijziging van enige besluiten naar aanleiding van het akkoord arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid 1995-1997 sector Defensie Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 9 januari 1996, nr. PAV2210/96000201; Gelet op [artikel 125 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125), [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) en artikel 2 van de Wet Rechtstoestand Dienstplichtigen; De Raad van State gehoord (advies van 13 februari 1996, nr. W07.96.0016); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 4 maart 1996, nr. PAV2210/96003149; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IX Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel X Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XI Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XIII Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1996, met uitzondering van: - a. [artikel I, onderdelen A, N, O en P](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007929&artikel=I&z=1996-04-01&g=1996-04-01), [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007929&artikel=III&z=1996-04-01&g=1996-04-01), [artikel IV, onderdelen A, F, onder 2, G en I](https://wetten.o"},{"i":656,"b":"Besluit van 30 januari 1996, houdende wijziging van het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen en van het Besluit uitvoering Algemene militaire pensioenwet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 13 oktober 1995, nr. PAV6210/9501966; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 22 december 1995, no. WO7.95.0555); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van, 23 januari 1996, nr. PAV 6210/96000898; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. Op de betrokkene, die op 31 december 1995 recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel **a** en **b**, van het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen, zoals dat besluit luidde op die datum, is [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007883&artikel=I&z=1996-02-16&g=1996-02-16) van toepassing, behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel. 2. De hoogte en de duur van de in het eerste lid bedoelde uitkering, bedraagt: - a. gedurende de eerste 27 maanden 80% van de laatstgenoten bezoldiging en - b. gedurende de daaropvolgende 33 maanden 73% daarvan. 3. De periode van 27 maanden gaat in op de dag van ontslag op grond waarvan het recht op pensioen is ontstaan. 4. Onze Minister neemt zo spoedig mogelijk ambtshalve een beslissing, waarin hoogte en duur van de uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden vastgelegd. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1996. Indien het **Staatsblad** waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1995, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 1996. Lasten en bevelen dat dit besluit"},{"i":658,"b":"Besluit van 14 augustus 2015, houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en enige andere besluiten en intrekking van het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie en de Regeling compensatie inkomensgevolgen WIA in verband met de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Artikel I Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie. Artikel II Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel III Wijzigt het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie. Artikel IV Het [Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008099) wordt ingetrokken. Artikel V Voor de ambtenaar van wie de eerste ziektedag voor inwerkingtreding van [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036968&artikel=IV&z=2015-08-27&g=2015-08-27) is gelegen, blijft het [Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008099) gelden zoals dat luidde voor het tijdstip waarop het werd ingetrokken. Artikel VI De [Regeling compensatie inkomensgevolgen WIA sector Politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020276) wordt ingetrokken. Artikel VII Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel VIII 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. In afwijking van het eerste lid werkt [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036968&artikel=I&z=2015-08-27&g=2015-08-27), terug tot en met 1 december 2004. 3. In afwijking van het eerste lid, werken [artikel I, onderdelen A, B, D en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036968&artikel=I&z=2015-08-27&g=2015-08-27), [artikel II, onderdelen A, C, D, E, F, H, I, J, K, L, M, N, O, P, Q en R](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036968&artikel=II&z=2015-08-27&g=2015-08-27), en [artikel III, onderdelen B en C](https:"},{"i":657,"b":"Besluit van 9 november 2024 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, Besluit bezoldiging politie en enige andere besluiten ter formalisering van het Arbeidsvoorwaardenakkoord sector politie 2024–2025 en enkele aanvullende wijzigingen Artikel I Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie. Artikel II Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel III Wijzigt het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie. Artikel IV 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ambtenaar verstaan: degene genoemd in [artikel 1, eerste lid, onder b tot en met f, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1). 2. De ambtenaar met een volledige betrekking die tussen 1 januari 2024 en 1 juli 2024 in dienst was heeft eenmalig aanspraak op een bedrag van € 1.200,– bruto. 3. De ambtenaar die een deel van de in het tweede lid, onder a, genoemde periode in dienst was, ontvangt het in het tweede lid genoemde bedrag naar evenredigheid van de periode dat hij in dienst was binnen die periode. 4. De ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking ontvangt het in het tweede lid genoemde bedrag naar evenredigheid van de aanspraak bij een volledige betrekking. Voor de toepassing van dit lid geldt de betrekkingsomvang van de ambtenaar per 1 januari 2024 of, bij indiensttreding na die datum, de betrekkingsomvang bij indiensttreding. 5. Geen uitkering ontvangt de ambtenaar die op 1 januari 2024 geen bezoldiging ontving in verband met buitengewoon onbezoldigd verlof. Indien dit verlof niet volledig genoten wordt, wordt de uitkering naar rato van de daadwerkelijke dienstverrichting berekend. Artikel V Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de eindejaarsuitkering en de vakantie-uitkering over het kalenderjaar 2024 in verband met de overgang naar een individueel keuzebudget. Artikel VI 1. Dit besluit treedt in werking in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van"},{"i":659,"b":"Besluit van 2 december 2016 tot wijziging van het Besluit bezoldiging politie en enkele andere rechtspositionele besluiten ter formalisering en uitvoering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Politie 2015–2017 inzake de beroepsincidentenregeling, het maximum aantal overuren, de vertrekstimuleringspremie en het buitengewoon verlof, de tijdelijke inzetwijziging, de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering en enkele andere onderwerpen Artikel I Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie. Artikel II Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel III Wijzigt het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie. Artikel IV Wijzigt het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie. Artikel V 1. In 2016 wordt een eenmalige uitkering uitbetaald aan de ambtenaren, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, c, d en e, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1) die op 1 september 2015 als zodanig zijn aangesteld binnen de sector Politie. 2. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, is pensioengevend en bedraagt € 500 voor de ambtenaar met een aanstelling van 36 uur of meer per week en bedraagt een evenredig deel daarvan ingeval van een aanstelling van minder dan 36 uur per week. 3. Indien de ambtenaar slechts een gedeelte van zijn bezoldiging geniet, heeft dit geen invloed op de hoogte van de eenmalige uitkering. 4. Geen eenmalige uitkering ontvangen de ambtenaren die op 1 september 2015: - a. geen bezoldiging ontvingen in verband met buitengewoon verlof, dan wel - b. op hun verzoek van hun werkzaamheden waren ontheven met behoud van aanspraken tot het einde van hun loopbaan als bedoeld in [artikel 55aa van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=55aa). 5. De ambtenaar kan op eigen verzoek afzien van de uitkering. Artikel VI 1. In 2016 wordt aan de ambtenaren, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, c, d en e, van het Besluit"},{"i":661,"b":"Besluit van 7 mei 2001 tot wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur in verband met onder meer de uitvoering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst 1999-2000 sector Rechterlijke Macht Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 27 februari 2001, nr. 5083302/01/6; Gelet op artikel 54 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren; De Raad van State gehoord (advies van 30 maart 2001, nr. W03.01.0127/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 27 april 2001, nr. 5094729/01/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I werkt terug tot en met 1 januari 1999. Artikel II, onderdelen A, onder a, C, onder a en b, werken terug tot en met 1 februari 1997. Artikel II, onderdeel B, III, IV, V en VI werken terug tot en met 1 januari 2000. ARTIKEL I Wijzigt het Besluit eindejaarsuitkering rechterlijke ambtenaren. ARTIKEL II Wijzigt het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren. ARTIKEL III Wijzigt de Regeling ziektekostenvoorziening rechterlijke ambtenaren. ARTIKEL IV Met betrekking tot het gedeelte van het tijdvak, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Regeling ziektekostenvoorziening rechterlijke ambtenaren zoals dit ingevolge dit besluit komt te luiden, dat is gelegen voor 1 januari 2000, blijft het oude recht van toepassing. ARTIKEL V 1. Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet, kan de functionele autoriteit in het jaar 2000 eenmaal op verzoek van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding het aantal uren dat de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding in dat jaar wekelijks gemiddeld meer werkt dan zijn arbeidsduur gemiddeld per week bedraagt en hij deswege met een maximum van vier per week opspaart, verlagen. 2. Het aantal uren waarmee het totale aantal in een jaar opgespaarde uren kan worden verlaagd, bedraagt voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding met een volledige taak ten hoogste 32 uren. Voor een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtena"},{"i":664,"b":"Besluit van 25 september 2020 tot wijziging van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren en het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak ter formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rechterlijke Macht 2018 – 2020 Artikel I Wijzigt het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel II Wijzigt het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak. Artikel III 1. Degenen die op 1 januari 2019 waren aangesteld als rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding ontvangen een eenmalige uitkering van € 450. 2. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, die is aangesteld of aangewezen voor een minder dan volledige arbeidsduur of voor wie de arbeidsduur op grond van [artikel 8b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=8b) is vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uren per week, ontvangt de in het eerste lid bedoelde uitkering vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor, bedoeld in [artikel 1 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=1). 3. Geen eenmalige uitkering ontvangen de rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding die op 1 januari 2019 in verband met buitengewoon verlof geen bezoldiging hebben ontvangen, tenzij het een buitengewoon verlof van maximaal zes weken betrof. Artikel IV 1. De voor de rechterlijke ambtenaren in opleiding, bedoeld in [artikel VI van de Wet van 2 december 2015 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met een herziening van de opleiding van rechters en officieren van justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037519&artikel=VI), geldende hoogten van salarissen luiden per 1 juli 2018 als volgt: | Salariscategorie | | Per 1 juli 2018 | | --- | --- | --- | | 12 | aanvang | 2.695,19"},{"i":8516,"b":"Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen Preambule De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat de strijd tegen de misdaad, waarvan de gevolgen zich steeds meer over de grenzen van één land uitstrekken, op internationaal vlak het gebruik van moderne doeltreffende middelen vereist; Overtuigd van de noodzaak om een gemeenschappelijk strafrechtelijk beleid te voeren, gericht op de bescherming van de samenleving; Zich bewust van de noodzaak de menselijke waardigheid te eerbiedigen en de reclassering van delinquenten te bevorderen; Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - (a). „Europees strafvonnis\": de onherroepelijke beslissing van een strafrechter van een Verdragsluitende Staat naar aanleiding van een strafvervolging; - (b). „strafbaar feit\": handelingen die in het strafrecht strafbaar zijn gesteld, alsmede handelingen die onder de in Bijlage II van dit Verdrag genoemde wettelijke bepalingen vallen, mits de betrokkene, indien die bepalingen bevoegdheid verlenen aan een bestuurlijke autoriteit, de mogelijkheid heeft de zaak aan de rechter voor te leggen; - (c). „veroordeling\": het opleggen van een sanctie; - (d). „sanctie\": de straf of maatregel, opgelegd wegens een strafbaar feit en uitdrukkelijk in een Europees strafvonnis of een strafbeschikking uitgesproken; - (e). „ontzetting\": de ontneming of opschorting van een recht, de ontzegging van een bevoegdheid of de ontzetting uit een recht; - (f). „verstekvonnis\": de beslissing, die krachtens het tweede lid van artikel 21 als zodanig wordt aangemerkt; - (g). „strafbeschikking\": een van de in een andere Verdragsluitende Staat genomen beslissingen als vermeld in Bijlage III van dit Verdrag. HOOFDSTUK II. TENUITVOERLEGGING VAN EUROPESE STRAFVO"},{"i":665,"b":"Besluit van 1 juli 2003 tot wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte, van 25 maart 2003, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/V&V/03/22945, gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 3, vierde en vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=3), [artikel 3, vierde en vijfde lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=3), [artikel 3, vierde en vijfde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=3), [artikel 6, derde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=6), [artikel 13, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=13), [artikel 6, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=6) en [artikel 5, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=5); De Raad van State gehoord (advies van 9 mei 2003, nr. W12.03.0113/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 juni 2003, nr. SV/V&V/03/38462, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. Wijziging [Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004613) Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990. Artikel II. Wijziging [Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00101"},{"i":4946,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 1 december 2016, nr. 2015364 houdende verlening van mandaat inzake benoeming en ontslag van rechters in opleiding in tijdelijke dienst (Mandaatregeling Raad voor de Rechtspraak rechters in opleiding in tijdelijke dienst) Gelet op [artikel 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel 1 De Raad voor de rechtspraak is bevoegd om ten aanzien van het ambt van rechter in opleiding bij een rechtbank namens de Minister van Veiligheid en Justitie de volgende hem toekomende bevoegdheid uit te oefenen: de benoeming in tijdelijke dienst op grond van [artikel 2, achtste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=2). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Mandaatregeling rechters in opleiding in tijdelijke dienst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4950,"b":"Mandaatregeling VWS Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en reikwijdte Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. mandaat: bevoegdheid om in naam van de Minister besluiten te nemen; - c. gemandateerde: degene aan wie mandaat is verleend; - d. mandaatgever: degene die mandaat verleent; - e. machtiging: bevoegdheid om in naam van de Minister handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - f. collegiaal managementteam: groep leidinggevenden van een directie of eenheid; - g. budget: budget als bedoeld in artikel 1 van het Organisatiebesluit VWS 2025. Artikel 1a. Personeelsaangelegenheden Vervallen Artikel 1b. Machtiging Hetgeen in deze regeling is bepaald met betrekking tot mandaat is van overeenkomstige toepassing op machtiging. Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen Artikel 2. Uitoefening bevoegdheid door mandaatgever 1. De mandaatgever blijft bevoegd de gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen. 2. De mandaatgever kan het mandaat te allen tijde beëindigen. Artikel 3. Aanwijzingen en inlichtingen 1. De mandaatgever kan ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid zowel algemene als bijzondere aanwijzingen geven. 2. De gemandateerde verschaft de mandaatgever op diens verzoek inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheid. Artikel 4. Toerekening aan mandaatgever Een door de gemandateerde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid genomen besluit geldt als een besluit van de mandaatgever. Artikel 5. Beperking uitoefening mandaat Vervallen Artikel 6. Vermelden mandaatgever Een krachtens mandaat genomen besluit vermeldt namens welk bewindspersoon het besluit is genomen. Artikel 7. Vervanging 1. Bij afwezigheid of verhindering van een gemandateerde wordt, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door de plaatsvervanger, behoudens de bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van een ond"},{"i":14312,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 juni 2012, nr. CZ-3115693, houdende regels ten aanzien van het verlenen van vergunningen voor het toepassen van hematopoietische stamceltransplantatie (Regeling hematopoietische stamceltransplantatie 2012) Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=5) en [6, tweede lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=6); Besluit: Artikel 1 In deze Planningsregeling wordt onder transplantatie van hematopoietische stamcellen verstaan: hetgeen [artikel 1, eerste lid, onder c, van het Besluit aanwijzing bijzondere medische verrichtingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022191&artikel=1) daaronder verstaat. Artikel 2 De omvang van de behoefte aan het aantal centra waar hematopoietische stamceltransplantaties plaatsvinden en de wijze waarop in deze behoefte kan worden voorzien, zijn neergelegd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031688&bijlage=1&z=2024-06-05&g=2024-06-05). Artikel 3 De voorschriften behorend bij een vergunning voor hematopoietische stamceltransplantaties zijn neergelegd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031688&bijlage=2&z=2024-06-05&g=2024-06-05). Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2012. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling hematopoietische stamceltransplantatie 2012. Bijlage 1. Omvang van de behoefte en de wijze waarop in de behoefte kan worden voorzien Op basis van de [Regeling celtransplantatie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030112), die met voorliggende regeling wordt ingetrokken, zijn eerder vergunningen verleend voor de volgende typen van transplantaties van hematopoietische stamcellen: - A. Autologe stamceltransplantaties bij volwassenen. - B. Autologe stamceltransplantaties bij kinderen. - C. Allogene stamceltransplantaties bij volwassenen met gebruik van stamcellen v"},{"i":14313,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 12 november 2024, nr. IENW/BSK-2024/253742, tot vaststelling van regels over herkenningstekens van militaire colonnes en tot intrekking van het Besluit herkenningstekens militaire kolonne (Regeling herkenningstekens militaire colonne) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op de begripsbepaling van militaire colonne in [artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=1); BESLUIT: Artikel 1 1. Voor een militaire colonne worden de volgende herkenningstekens vastgesteld: - a. **voor het voorste motorvoertuig:** één blauwe vlag aan de linker voorzijde van het motorvoertuig; - b. **voor elk volgend motorvoertuig:** optioneel één blauwe vlag aan de linker voorzijde van het motorvoertuig; - c. **voor het achterste motorvoertuig:** één groene vlag aan de linker voorzijde van het motorvoertuig; 2. Ieder motorvoertuig dat deel uitmaakt van een militaire colonne voert bij dag en nacht tenminste dimlicht. Artikel 2 Het [Besluit herkenningstekens militaire kolonne](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005218) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling herkenningstekens militaire colonne. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":667,"b":"Besluit van 26 mei 2021 tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met een tijdelijke vrijstelling voor startende innovatieve ondernemingen Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 oktober 2020, nr. 2020002194, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3) en [artikel 14, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 december 2020, No.W12.20.0932/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 mei 2021, nr. 2021-0000071860, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. Wijziging van het [Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523) Wijzigt het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen. Artikel II. Wijziging van het [Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel III. Overgangsrecht 1. [Artikel 1o van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1o) en [artikel 3.31, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31), zoals die luidden op 31 mei 2025, blijven tot en met 31 mei 2026 van toepassing met betrekking tot de vreemdeling die op basis van dat artikel werkzaamheden verricht. 2. [Artikel 2, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=2), zoals dat luidde op 31 mei 2025, blijft tot en met 31 mei 2026 van toepassing met betrekking tot het famil"},{"i":13692,"b":"Besluit van 19 april 2005, houdende instemming met de landsverordening van de Nederlandse Antillen van 27 december 2004 tot wijziging van de Eilandenregeling van de Nederlandse Antillen Op de voordracht van Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 30 maart 2005, 2005-0000051592, CZW; Gelet op artikel 88, eerste lid, laatste volzin, van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen; Hebben goedgevonden en verstaan: Met de landsverordening van 27 december 2004 tot wijziging van de Eilandenregeling van de Nederlandse Antillen wordt ingestemd. Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen zal worden geplaatst."},{"i":5343,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 december 2013, nr. WJZ/567599 (10422), houdende intrekking van subsidieregelingen op het terrein van cultuur omdat deze hun betekenis hebben verloren, alsmede wijziging van subsidieregelingen op terrein van cultuur en emancipatie in verband met het opnemen van een vervaldatum (Regeling intrekking en wijziging OCW-subsidieregelingen cultuur en emancipatie 2013) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5), [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&artikel=4) en [artikel 2.16 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597&artikel=2.16); Besluit: § 1. Intrekking van regelingen Artikel I Het volgende besluit en de volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Besluit van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 12 juni 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004576), nr. 33 392, houdende Besluit blindenbibliotheek (Stcrt. 1989, 118), - b. [Subsidieregeling aansluiting digitale bibliotheek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028121), - c. [Subsidieregeling aansluiting digitale bibliotheek 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030103), - d. [Subsidieregeling bibliotheekinnovatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026156), - e. [Subsidieregeling programma Leesbevordering 2008–2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024060). § 2. Opneming van vervaldatum in regelingen Artikel II Wijzigt de Regeling frictie- en transitiekosten culturele basisinfrastructuur 2009–2012. Artikel III Wijzigt de Subsidieregeling emancipatie 2011. § 3. Overgan"},{"i":1893,"b":"Wijzigingsbesluit Leidraad Invordering 2008 (aanpassing wetgeving per 1 januari 2014 en introductie bijzondere uitstelfaciliteit erfbelasting) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel I De [Leidraad Invordering 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024096), besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1137M, laatstelijk gewijzigd bij [besluit van 20 november 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034264), nr. BLKB2013/2119M, wordt gewijzigd als volgt. Artikel I Artikel III Artikel II De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **De Leidraad Invordering 2008 wordt gewijzigd onder meer in verband met aanpassing van de wetgeving per 1 januari 2014 en de introductie van een bijzondere uitstelfaciliteit voor de erfbelasting.** Wijzigt de Leidraad Invordering 2008. In afwijking van [artikel 48a van de Leidraad Invordering 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024096&artikel=48a) gaat de ontvanger tot en met 30 juni 2015 niet over tot aansprakelijkstelling bij uitbetaling van inkomstenbelasting of omzetbelasting op de bankrekening van een derde als: Artikel III [Artikel 25.4.5 van de Leidraad Invordering 2008](onbekend) vervalt met ingang van de inwerkingtreding van de wetgeving waarmee de in dit artikel opgenomen uitstelfaciliteit in de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) wordt gecodificeerd. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014, met dien verstande dat [artikel I, onderdeel K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034630&artikel=I&z=2014-01-01&g=2014-01-01), terugwerkt tot en met 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014, met dien verstande dat [artikel I, onderdeel K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034630&artikel=I&z=2014-07-01&g=2014-07-01), terugwerkt tot en met 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd."},{"i":684,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 december 25, 2015-0000300381, tot wijziging van de Ontslagregeling en de Regeling UWV ontslagprocedure in verband met de Verzamelwet SZW 2016 en technische aanpassingen Gelet op [artikelen 669, vijfde lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=669), [artikel 671a, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a), en [673a, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673a), [673d, eerste en tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673d); Besluit: Artikel I. Wijziging van de [Ontslagregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036599) Wijzigt de Ontslagregeling. Artikel II. Wijziging van de [Regeling UWV ontslagprocedure](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036593) Wijzigt de Regeling UWV ontslagprocedure. Artikel III. Overgangsrecht [Artikel 11, eerste lid, van de Ontslagregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036599&artikel=11), zoals dat luidde op 31 december 2015 blijft van toepassing op een verzoek om: - a. toestemming voor de opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst dat voor 1 juli 2016 is ingediend indien de peildatum, bedoeld in [artikel 12, tweede lid, van de Ontslagregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036599&artikel=12), gelegen is voor 1 januari 2016; - b. ontbinding van de arbeidsovereenkomst dat op of na 1 juli 2016 is ingediend omdat de toestemming, bedoeld in onderdeel a, is geweigerd. Artikel IV. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":683,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 juni 2016, nr. 2016-0000141518, tot wijziging van de Ontslagregeling in verband met de afschaffing van de VAR en enkele andere wijzigingen Gelet op de [artikelen 669, vijfde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=669), en [673d van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673d); Besluit: Artikel I Wijzigt de Ontslagregeling. Artikel II 1. De [artikelen 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036599&artikel=14), en [15, derde lid, van de Ontslagregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036599&artikel=15), zoals deze luidden op 30 juni 2016 blijven van toepassing op een verzoek om: - a. toestemming voor opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst dat is ingediend voor 1 januari 2017 indien de peildatum, bedoeld in [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036599&artikel=12), gelegen is voor 1 juli 2016; - b. ontbinding van de arbeidsovereenkomst dat is ingediend omdat de toestemming, bedoeld in onderdeel a, is geweigerd. 2. Indien een verzoek om toestemming voor opzegging of ontbinding is ingediend op of na 1 juli 2016 en de werkgever daarom heeft verzocht, blijft het eerste lid buiten toepassing ten aanzien van [artikel 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036599&artikel=14), of [artikel 15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036599&artikel=15). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2016."},{"i":9900,"b":"Wet van 15 juli 1998 tot wijziging van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees parlement ter wijziging van de non-activiteitsbepalingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612) te wijzigen in verband met de wijziging van de non-activiteitsbepalingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement. ARTIKEL II 1. Degenen die bij inwerkingtreding van deze wet reeds op non-activiteit zijn gesteld op grond van [artikel 3 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612&artikel=3), zoals het luidde voor inwerkingtreding van deze wet, behouden de aanspraken als omschreven in de [artikelen 4 tot en met 7 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612&artikel=4), gedurende de periode dat zij zonder onderbreking lid zijn van de Tweede Kamer, onderscheidenlijk van het Europees Parlement. 2. Degenen die op grond van het eerste lid de aanspraken als omschreven in de [artikelen 4 tot en met 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612&artikel=4), zoals die luidden voor inwerkingtreding van deze wet, hebben behouden tot aan de eerstvolgende verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, worden indien zij opnieuw worden toegelaten tot het lidmaatschap van de Tweede Kamer omdat een ander lid van de Tweede Kamer minister of staatssecretaris wordt bij de kabinetsformatie, van rechtswege op non-actief gesteld. Zij verkrijgen opnieuw de aanspraken als omschreven in de [artikelen 4 tot en met 7 van d"},{"i":688,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) van 6 mei 2025 tot wijziging van de Regeling melden interne collectieve waardeoverdracht pensioenfondsen bij transitie Gelet op [artikel 150m, tweede lid, laatste volzin, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=150m); Gelet op [artikel 145l, tweede lid, laatste volzin, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=145l); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling melden interne collectieve waardeoverdracht pensioenfondsen bij transitie. Artikel II [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048348&bijlage=1), zoals die luidde op 30 juni 2025, blijft van toepassing op fondsen die de melding als bedoeld in artikel 3 op uiterlijk 1 juli 2025 hebben gedaan bij DNB. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048348&bijlage=1). Bijlage 1 wordt gepubliceerd op de website van DNB, te weten op [https://www.dnb.nl/media/mdxf1cbu/invaarsjabloon_v2_2.xlsx](https://www.dnb.nl/media/mdxf1cbu/invaarsjabloon_v2_2.xlsx)."},{"i":673,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 januari 2020, nr. 17881647, houdende wijziging van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008 in verband met de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel I Wijzigt het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008. Artikel II [Het eerste lid, aanhef en onderdeel d, van artikel 14 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=14) zoals dat gold direct voorafgaand van de inwerkingtreding van dit besluit blijft van toepassing ten aanzien van personele handelingen en besluiten van vóór 1 januari 2020 waartegen bezwaar is gemaakt op grond van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt daarbij terug tot en met 1 januari 2020. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":674,"b":"Besluit van 14 december 2016, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES, het Besluit rechtspositie korps politie BES en het Bezoldigingsbesluit 1998 BES in verband met de formalisering arbeidsvoorwaardenovereenkomst CN 2016–2017 Artikel I Wijzigt het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES. Artikel II Wijzigt het Bezoldigingsbesluit 1998 BES. Artikel III Wijzigt het Besluit rechtspositie korps politie BES. Artikel IV 1. In dit artikel wordt verstaan onder: - a. **overgangsartikel 2012:** [artikel VIII van het besluit van 18 juni 2012, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES, het Besluit vakantie en vrijdstelling van dienst ambtenaren BES, het Besluit rechtspositie korps politie BES, het Bezoldigingsbesluit 1998 BES en het Dienst en werktijdenbesluit brandweerkorps BES in verband met de formalisering arbeidsvoorwaardenovereenkomst CN 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031709&artikel=VIII) (Stb. 2012, 280); - b. **oorspronkelijk artikel 71a:** [artikel 71a van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=71a), zoals dat zonder toepassing van [artikel V, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038925&artikel=V&z=2016-12-28&g=2016-12-28), van het onderhavige besluit op 1 juli 2012 luidde - c. **nieuw artikel 71a:** [artikel 71a van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=71a), zoals dat in verband met [artikel V, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038925&artikel=V&z=2016-12-28&g=2016-12-28), van het onderhavige besluit sinds 1 juli 2012 luidt. 2. Een ambtenaar die op 1 juli 2012, gelet op het oorspronkelijke [artikel 71a, derde lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=71a), geen aanspraak had op een gratificatie op grond van het overgangsartikel 2012 kan op zijn verzoek alsnog een gratificatie op basis van het overgan"},{"i":9898,"b":"Wet van 16 juni 2005, houdende wijziging van de Wet explosieven voor civiel gebruik ten behoeve van de implementatie van zowel richtlijn nr. 2004/57/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 april 2004 betreffende het identificeren van pyrotechnische voorwerpen en bepaalde munitie voor de doeleinden van richtlijn nr. 93/15/EEG van de Raad betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PbEU L 127) als de beschikking nr. 2004/388/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 april 2004 betreffende een document voor de overbrenging van explosieven binnen de Gemeenschap (PbEU L 120) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op [richtlijn nr. 2004/57/EG](32004L0057) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 april 2004 betreffende het identificeren van pyrotechnische voorwerpen en bepaalde munitie voor de doeleinden van [richtlijn nr. 93/15/EEG](31993L0015) van de Raad betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PbEU L 127), noodzakelijk is regels te stellen met betrekking tot de identificatie van pyrotechnische voorwerpen en dat het gelet op de beschikking nr. 2004/388/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 april 2004 betreffende een document voor de overbrenging van explosieven binnen de Gemeenschap (PbEU L 120) noodzakelijk is een modeldocument aan te wijzen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet explosieven voor civiel gebruik. Artikel II [Artikel 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803&artikel=11), en [artikel 15, tweede lid, eerste volzin, van de Wet explosieven voor civiel gebruik]("},{"i":687,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 18 april 2006, nr. AV/PB/2006/30063, tot wijziging van de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 Gelet op de [artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=2), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=10), en [11, zevende lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=11); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Artikel II Vervallen Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2006. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":677,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 oktober 2021, 2021-0000162643, tot Wijziging van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 in verband met het vervallen van de regeling voor tewerkstelling van koks in de Aziatische horeca Gelet op [artikel 8, derde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014. Artikel II. Overgangsbepaling [Paragraaf 19a van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034945&bijlage=I) zoals die luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op: - a. tewerkstellingsvergunningen of gecombineerde vergunningen die zijn verleend op grond van [paragraaf 19a van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034945&bijlage=I) zoals die luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling; - b. aanvragen die zijn ontvangen voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling; - c. de afwikkeling van bezwaar- en beroepsprocedures ten aanzien van vergunningen als bedoeld in onderdeel a, of aanvragen als bedoeld in onderdeel b; - d. aanvragen voor een tewerkstellingsvergunningen of gecombineerde vergunningen voor dezelfde vreemdeling, voorafgaand aan het verlopen van een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning die is verleend met toepassing van [paragraaf 19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034945&bijlage=I) zoals die luidde op de dag voor de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 2. [Artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045732&artikel=I&z=2022-02-01&g=2022-02-01), vervalt met ingang van 1 februari 2022, met dien verstande dat [paragraaf 19c van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014](https://wetten.ov"},{"i":12567,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, kenmerk: HD.018.091 houdende routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden (Besluit routinematige digitale vervanging inkomende papieren archiefbescheiden DUO Groningen) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) en [hoofdstuk 3A van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&hoofdstuk=3a); Besluit: Artikel 1 1. Voor de Dienst Uitvoering Onderwijs vestiging Groningen over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van de selectielijst OCW, onderdeel 4.2 processen Dienst Uitvoering Onderwijs, voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen. Na vervanging worden deze analoge archiefbescheiden vernietigd. 2. Dit besluit is niet van toepassing voor selectielijst OCW onderdeel 4.2, categorie 10 nr. 10.1, onderdeel het bekostigen van onderwijsinstellingen. Op dit onderdeel is het handboek routinematige digitale vervanging eDocs componenten van de directie Onderwijs Instellingen van DUO van toepassing. 3. De reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde handboek vervanging inkomende papieren archiefbescheiden DUO Groningen, dat als bijlage onderdeel uitmaakt van dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit routinematige digitale vervanging inkomende papieren archiefbescheiden DUO Groningen. Bijlage Gepubliceerd op www.duo.nl. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlage wordt op de internetsite van DUO (www.duo.nl) geplaatst en is daar te raadplegen."},{"i":19116,"b":"Richtlijn voor strafvordering Artikelen 30 en 34 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) 1. Samenvatting Deze richtlijn voor strafvordering bevat het strafbeschikkings- en strafvorderingsbeleid van het OM inzake [art. 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=30) en [34 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=34) (WAM) voor gekentekende voertuigen. Deze richtlijn geldt daarnaast voor onverzekerde aangewezen bromfietsen, gehandicapten voertuigen met motor en overige niet kentekenplichtige motorrijtuigen welke overtredingen nog wel feitgecodeerd kunnen worden afgedaan. Verder bevat deze richtlijn de recidiveregeling voor deze WAM feiten. 2. Achtergrond Vanaf 1 januari 2025 zijn de feitcodes A 901 a t/m A 901 d, A 903 a t/m A 903 c, A 904, A 914 a t/m A 914 d, A 917 a t/m A 917 c en A 918 afgesloten. Hierdoor kunnen deze overtredingen niet langer feitgecodeerd worden afgegaan en is de [Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050677) niet langer van toepassing op deze feiten. Voornoemde feitcodes zijn afgesloten omdat er een goed alternatief voorhanden is voor handhaving van de verzekeringsplicht. Immers voert de RDW de 100%- controle uit middels registervergelijking. De kentekenhouders van onverzekerde gekentekende voertuigen worden periodiek via deze controle opgespoord en beboet. Na het afsluiten van de WAM feitcodes kan door politie, in bijzondere gevallen, echter nog wel gehandhaafd worden op overtreding van de WAM door middel van het opmaken van een regulier proces-verbaal (tik-pv). Deze mogelijkheid wordt openhouden voor die gevallen waarin de politie van oordeel is dat een concrete bijzondere situatie daarvoor aanwezig is zoals situaties waarin de auto van de kentekenhouder bij een aanrijding is betrokken, de bestuurder zich vaker schuldig maakt aan onverzekerd rijden, er meerdere incidenten"},{"i":707,"b":"Wet van 29 augustus 1991, houdende wijziging van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (Stb. 519) en van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen (Stb. 1971, 231) in verband met Herziening van het militair tuchtrecht (Wet militair tuchtrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de invoering van de [Wet militair tuchtrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788) wenselijk is de [Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952) en de Wet rechtstoestand dienstplichtigen te wijzigen: Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingevolge artikel 71 van de Wet op de Krijgstucht (1903, **Stb.** 112) aanhangige zaken worden met toepassing van de bij of krachtens de Wet op de krijgstucht gegeven regelen behandeld en afgedaan. Artikel IV Deze wet treedt in werking één dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1991. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":712,"b":"Wet van 30 januari 1997 tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet (invulling begrip pensioentoezegging) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is wijziging aan te brengen in de [Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089) teneinde invulling te kunnen geven aan het begrip toezegging omtrent pensioen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet. ARTIKEL II Pensioenfondsen brengen hun statuten en reglementen binnen twee jaar na inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming met deze wet. ARTIKEL III Artikel 2, negende lid, van de [Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089) is niet van toepassing op rechten en verplichtingen die verband houden met tijdvakken gelegen voor de inwerkingtreding van deze wet. ARTIKEL IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1161,"b":"Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 5 juni 2023, nr. WJZ/ 27312934, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor het sluiten van veehouderijlocaties met piekbelasting op natuurgebieden (Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **AERIUS Check:** rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van de stikstofvracht, beschikbaar op [www.aerius.nl](http://www.aerius.nl/); - **dierenverblijf:** gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop; - **diersoorten met productierecht:** melkvee, kippen, kalkoenen en varkens; - **landbouwhuisdier:** zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken; - **melkvee:** dieren als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1); - **minister:** Minister voor Natuur en Stikstof; - **Natura 2000-gebied:** Natura 2000-gebied als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=1.1), dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, als bedoeld in die wet; - **natuurvergunning:** vergunning als bedoeld in [artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=2.7) of omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in [artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027464&artikel=2.2aa) dan wel, na de inwerkingtreding van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), [artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5"},{"i":1160,"b":"Wet van 12 februari 1969, houdende een nieuwe regeling met betrekking tot de kosten van vervolging inzake rijksbelastingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het tarief van de kosten van vervolging inzake rijksbelastingen te herzien en een voorziening te treffen om de betekening van dwangbevelen inzake rijksbelastingen te vereenvoudigen, alsmede in enkele andere wetten daarmede samenhangende wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In afwijking van de[afdelingen 4.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.4.4) en [4.4.5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.4.5) worden ter zake van het verrichten van werkzaamheden voor de invordering van bedragen door de zorg van een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger en door een belastingdeurwaarder op grond van de bepalingen van de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) of enige andere wettelijke bepaling aan degene die in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen, kosten in rekening gebracht volgens het bepaalde in de volgende artikelen, tenzij ter zake kosten verschuldigd zijn op grond van [artikel 8.39 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.39). Artikel 2 Voor het verzenden van een aanmaning tot betaling is verschuldigd € 10 bij een gevorderde som tot € 454 en € 22 bij een gevorderde som van € 454 of meer. Artikel 3 1. Voor het betekenen van een dwangbevel met bevel tot betaling is verschuldigd € 56 verhoogd met € 5 van elk geheel bedrag van € 45 waarmee de gevorderde som € 45 te boven gaat, met dien verstande dat niet meer verschuldigd is dan € 16.524. 2. Voor het ingevolge een wettelijk voorschrift do"},{"i":1162,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 28 augustus 2024, nr. WJZ/ 26374198, tot vaststelling van een regeling voor de verstrekking van subsidie voor het verplaatsen van veehouderijen met piekbelasting op natuurgebieden (Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting) Hoofdstuk 1. Algemeen Hoofdstuk 1. Algemeen Hoofdstuk 3. Bedrijfsverplaatsing Artikel 3.1. Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - –. **modernisering:** investering in een bouwwerk of voorziening, die voor de veehouderijonderneming nieuwe productietechnologie is of bestemd is ter vervanging van een aanwezige bouwwerk of voorziening, waarbij de betrokken productie of technologie fundamenteel gewijzigd wordt; - –. **vervanging bestaand bouwwerk:** vervanging van een bouwwerk of een deel daarvan door een ander bouwwerk of een deel daarvan waarbij het doel, de functie en de uitvoering van het betreffende bouwwerk gelijkwaardig blijft. Artikel 3.2. Subsidiabele activiteiten De minister kan een veehouderijonderneming op aanvraag subsidie verstrekken voor: - a. de verplaatsing van een veehouderijonderneming naar een hervestigingslocatie; en - b. investeringen op de hervestigingslocatie in verband met de in onderdeel a bedoelde verplaatsing van de veehouderijonderneming. Artikel 3.3. Vereisten hervestigingslocatie 1. De aanvrager vangt binnen vierentwintig maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening de veehouderijonderneming aan op een door hem gekozen hervestigingslocatie. 2. De termijn, genoemd in het eerste lid, kan op verzoek van de aanvrager eenmalig met zes maanden worden verlengd, indien aannemelijk is dat de aanvrager niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn de veehouderijonderneming kan aanvangen op de hervestigingslocatie. 3. Van aanvangen van de veehouderijonderneming op de hervestigingslocatie is sprake als: - a. deze locatie door de veehouder is geregistreerd met een uniek registratienummer;"},{"i":6222,"b":"Wet van 16 december 1999 tot wijziging van de grens tussen de gemeenten Deventer en Gorssel, tevens provinciegrens tussen Overijssel en Gelderland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de grens tussen de gemeenten Deventer en Gorssel, tevens provinciegrens tussen Overijssel en Gelderland, te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling wordt de grens tussen de gemeenten Deventer en Gorssel, tevens provinciegrens tussen Overijssel en Gelderland, gewijzigd als aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Kaart genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010983&artikel=1&z=1999-12-22&g=1999-12-22) van de wet tot wijziging van de grens tussen gemeenten Deventer en Gorssel, tevens provinciegrens tussen Overijssel en Gelderland Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1106,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, dividendbelasting, Algemene wet inzake rijksbelastingen, commanditaire vennootschap; het toestemmingsvereiste De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 11 januari 2007, nr. CPP2006/1869M. Het besluit is aangepast in verband met een goedkeuring bij het toestemmingsvereiste (onderdeel 2.2) en bij het stapelen van personenvennootschappen (onderdeel 5.2). Daarnaast is er een nieuw standpunt opgenomen over de juridische (af)splitsing (onderdeel 2.3). Ook zijn er tekstuele wijzigingen aangebracht om de inhoud te verduidelijken of beter leesbaar te maken, zonder dat een inhoudelijke wijziging is beoogd. Het besluit van 11 januari 2007, nr. CPP2006/1869M wordt ingetrokken.** 1. Inleiding Dit besluit geeft een nadere invulling aan het toestemmingsvereiste bij commanditaire vennootschappen als bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2). Onderdeel 2 gaat in op dit toestemmingsvereiste. Op grond hiervan kan onderscheid worden gemaakt tussen de fiscaal transparante (besloten) commanditaire vennootschap en de fiscaal niet-transparante (open) commanditaire vennootschap. Onderdelen 3 en 4 behandelen vervolgens het besloten of open zijn van andere personenvennootschappen en buitenlandse rechtsvormen. Onderdeel 5 gaat in op het zogenoemde stapelen van personenvennootschappen. Hierin wordt de situatie behandeld waarin een besloten samenwerkingsverband deelneemt in een ander besloten samenwerkingsverband. Ten slotte regelen onderdelen 6 en 7 het intrekken van het voorgaande besluit respectievelijk de inwerkingtreding van het onderhavige besluit. Dit besluit is – behalve de onderdelen 5 en 7 – niet van toepassing op fondsen voor gemene rekening. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. De commanditaire vennootschap en het"},{"i":739,"b":"Wet van 24 mei 2012 tot wijziging van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 en de Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met wijziging van de markt- en overheidbepalingen Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de markt- en overheidbepalingen in de pensioenwetgeving te wijzigen om een aantal belemmeringen weg te nemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Artikel II Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel III De [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=6) en [7 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=7) en de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=46) en [47 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=47), zoals deze luidden voor inwerkingtreding van de artikelen of onderdelen daarvan van deze wet, blijven van toepassing op gedragingen, feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor inwerkingtreding van de artikelen of onderdelen daarvan van deze wet. Artikel IV De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7221,"b":"Verdrag over de status en werkzaamheden van de Internationale Commissie voor Vermiste Personen De partijen bij dit Verdrag, Bezorgd over het feit dat er in de wereld momenteel jaarlijks grote aantallen personen vermist raken als gevolg van gewapende conflicten, mensenrechtenschendingen, natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen en andere oorzaken: Vaststellend dat het probleem van vermiste personen landsgrenzen overschrijdt en dat de kwestie van vermiste personen in toenemende mate als een mondiaal probleem wordt gezien dat een structureel en duurzaam internationaal antwoord rechtvaardigt; In het besef dat er in de afgelopen twee decennia belangrijke vorderingen zijn geboekt bij het aanpakken van de kwestie, waaronder wettelijk onderbouwde inspanningen om vermiste personen op te sporen en het gebruik van moderne forensische methoden om nauwkeurig vast te stellen wat hen overkomen is; Zich bewust van de gevolgen voor samenlevingen en families wanneer de vermisten niet worden opgespoord, waaronder het leed dat wordt veroorzaakt wanneer onbekend is waar geliefden zich bevinden of onder welke omstandigheden zij verdwenen zijn; Vaststellend dat voornamelijk mannen vermist raken, met name als gevolg van gewapende conflicten en mensenrechtenschendingen, en dat degenen die achterblijven, vrouwen en kinderen, bijzonder kwetsbaar zijn; Erkennend de inspanningen van gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties om de kwestie van vermiste personen wereldwijd aan te pakken; Bevestigend dat staten alle praktische stappen dienen te ondernemen om vermiste personen op te sporen, in het kader van hun verplichtingen uit hoofde van het internationale recht, in het bijzonder mensenrechteninstrumenten en de [artikelen 32-34 van het Aanvullend Protocol I bij de Verdragen van Genève](onbekend); Gelet op de uitgebreide ervaring met kwesties rond vermiste personen die dankzij de Internationale Commissie voor Vermiste Personen is opgedaan en onder de toezegging de wettelijke kad"},{"i":754,"b":"Aanwijzing bezwaarschriften tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2018 als massaal bezwaar **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit wijs ik aan als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de in dit besluit nader omschreven bezwaarschriften tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2018 waarbij sprake is van belastbaar inkomen in box 3.** 1. Inleiding Op 26 juni 2015 is het besluit [Aanwijzing bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting als massaal bezwaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036754) (Stcrt. 2015, 18400) in werking getreden. Het besluit van 26 juni 2015 ziet uitsluitend op bezwaren tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting over de belastingjaren tot en met 2016. In het [besluit van 7 juli 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041147) zijn bezwaarschriften tegen de forfaitaire elementen van de vermogensrendementsheffing (box 3-heffing) in definitieve aanslagen inkomstenbelasting voor het belastingjaar 2017 aangewezen als massaal bezwaar (Stcrt. 2018, 39781). De Belastingdienst verwacht dat veel belastingplichtigen (ook) bezwaar zullen maken tegen de box 3-heffing in de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2018. Gezien de nog lopende massaalbezwaarprocedures over de belastingjaren tot en met 2017, heb ik besloten om ook bezwaarschriften tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2018 aan te wijzen als massaal bezwaar. In dit besluit is deze aanwijzing opgenomen. Met het oog op een efficiënte en eenduidige afdoening wijs ik de bezwaarschriften die betrekking hebben op de in onderdeel 2 vermelde rechtsvraag aan als massaal bezwaar in de zin van [artikel 25c AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=25c). 2. Aanwijzing als massaal bezwaar Als massaal bezwaar in de zin van [artikel 25c AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=25c) wijs ik aan bezwaarschriften tegen de"},{"i":5553,"b":"Regeling van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 7 oktober 2015, nr. MinBuza.2015.530, tot wijziging van de expiratiedatum van enkele subsidieregelingen Gelet op [artikel 2 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=2); Gelet op [artikel 24a, zevende lid, de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=24a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006. Artikel II Wijzigt de Subsidieregeling internationaal excelleren. Artikel III Wijzigt de Subsidieregeling missievouchers 2014. Artikel IV Wijzigt de Subsidieregeling internationaal ondernemen 2014. Artikel V Deze regeling heeft geen gevolgen voor: - a. beleidsregels en subsidieplafonds voor de toepassing van de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366), vastgesteld na 1 juli 2014 en voor 1 juli 2017, met een expiratiedatum die niet later valt dan vijf jaar na aanvang van het tijdvak waarvoor subsidie kan worden verleend. - b. subsidies, verstrekt voor 1 juli 2017. Artikel VI Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":767,"b":"Assurantiebelasting De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit actualiseert en vervangt het besluit van 3 februari 2017, nr. BLKB2016/973M en bevat het beleid over de assurantiebelasting.** 1. Inleiding Dit besluit bevat het beleid over de assurantiebelasting. Op enkele onderdelen wordt de toepassing van dit beleid nader verduidelijkt. In onderdeel 3.2 is verduidelijkt in welke gevallen de vrijstelling voor transportverzekeringen kan worden toegepast. Hierbij is overeenkomstig bestendig beleid aangegeven dat de vrijstelling ook geldt voor verzekeringen van reizigersbagage. De slotalinea van dit onderdeel in het besluit van 3 februari 2017 is verplaatst naar onderdeel 3.2.2. Verder wordt in onderdeel 3.2.2 nader ingegaan op de dekking van opslag als onderdeel van de transportverzekering. Hierbij is de periode waarin geacht wordt sprake te zijn van een volstrekt noodzakelijke samenhang tussen transport en opslag gesteld op maximaal drie maanden. Onderdeel 3.3 is aangepast. Het in het besluit van 3 februari 2017 genoemde voorbeeld over de inhoud van serviceauto’s is niet meer opgenomen omdat dit voorbeeld in de praktijk tot misverstanden leidt over de toepassing van de vrijstelling voor transportverzekeringen. Verder is aangegeven dat in geval bij een samengestelde verzekering de premie niet eenduidig kan worden gesplitst, een verzoek om vooroverleg kan worden ingediend bij de inspecteur van de Belastingdienst. Verder wordt in onderdeel 3.5 nader aangegeven dat concrete casusposities over exportkredietverzekeringen ter beoordeling kunnen worden voorgelegd aan de inspecteur van de Belastingdienst. In onderdeel 4.1 is de bevoegdheid tot het aanwijzen van een assurantiebemiddelaar als belastingplichtige voor de assurantiebelasting aangepast aan de regelgeving rond mandatering binnen de huidige organisatie van de Belastingdienst. Tot slot bevat het besluit nog enkele redactionele aanpassingen zonder inhoudelijke wijziging. De goedkeuringen"},{"i":1113,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, invordering, lease, leaseregeling, goed koopmansgebruik **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit is beleid opgenomen over leasing. In het besluit is de zogenoemde leaseregeling uit het besluit van 15 november 1999, nr. AFZ 99/3262M, Stcrt. 1999, 225, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 juni 2001, RTB2001/2423M, Stcrt. 2001, 122, opgenomen. Daarbij zijn de vragen en antwoorden uit het besluit van 20 juli 2001, RTB2001/2503M, ingevoegd. Daarnaast is een beleidsstandpunt opgenomen over IFRS 16 en goed koopmansgebruik.** **In dit besluit zijn in onderdeel 2 vragen en antwoorden uit het besluit van 20 juli 2001 ingevoegd in de leaseregeling uit het besluit van 15 november 1999, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 juni 2001:** **Niet verwerkt zijn de volgende (aspecten van) vragen en antwoorden:** **Vraag en antwoord 13 is niet opgenomen omdat deze zijn belang heeft verloren.** **Met het niet opnemen van de overige (aspecten van) vragen en antwoorden is inhoudelijk geen wijziging beoogd.** **Niet alle bijzondere bepalingen uit voornoemd besluit van 15 november 1999 zijn opgenomen. Bijzondere bepaling 1 is niet meer opgenomen omdat deze bepaling niet passend is bij het risico dat een lessor moet lopen. Een aanpassing van de overeenkomst is een nieuw beoordelingsmoment. Bijzondere bepaling 3 betrof een situatie van vooroverleg met de inspecteur. Dit vooroverleg is nog steeds mogelijk binnen de kaders van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Bijzondere bepaling 4 is niet opgenomen omdat deze zijn belang heeft verloren.** **Met de tekstuele wijzigingen in onderdeel 2 ten opzichte van de vorige besluiten is overigens ook geen inhoudelijke wijziging beoogd.** **Nieuw in dit besluit is onderdeel 3, IFRS 16, operationele lease en jaarwinstbepaling lessee.** 1. Inleiding 1.1. Gebruikte afkortingen en begrippen 2. Leaseregeling Het is wenselijk om in het kader van de invordering en voor d"},{"i":770,"b":"Belastingen, internationale administratieve samenwerking; aanwijzing RDW als nationaal contactpunt uitwisseling voertuigregistratiegegevens EU en EVA De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft het volgende besloten. **Dit besluit bevat de aanwijzing van de Dienst Wegverkeer bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet (hierna: RDW) als nationaal contactpunt (NCP) voor het verwerken van inkomende en uitgaande verzoeken om voertuigregistratiegegevens voor BTW-doeleinden, zijnde identificatiegegevens met betrekking tot voertuigen en identificatiegegevens met betrekking tot eigenaars of houders van het voertuig op wier naam het voertuig is ingeschreven, overeenkomstig artikel 21 bis van Verordening(EU) nr. 904/2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde. De aanwijzing vindt plaats op grond van artikel 5 ter, vierde lid van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1129 van de Commissie van 2 juli 2019. De uitwisseling van informatie verloopt via het zogenoemde Eucaris systeem met de andere EU-lidstaten en een aantal derde landen, zoals Gibraltar, IJsland, Isle of Man, Jersey, Noorwegen en Zwitserland (lidstaten Europese Vrijhandelsassociatie, EVA).** **Dit besluit treedt met terugwerkende kracht in werking per 1 januari 2020; de datum waarop de wijzigingen van bovenvermelde verordeningen van kracht zijn geworden. Het besluit loopt vooruit op de totstandkoming van wetgeving waarin voor de aanwijzing van de RDW een aparte wettelijke basis wordt gecreëerd en heeft dus tijdelijke werking. Op de datum van inwerkingtreding van bedoelde wettelijke basis vervalt het besluit.** 1. Aanwijzing tot nationaal contactpunt voor de uitwisseling van voertuiggegevens De RDW is op basis van artikel 5 ter, vierde lid van de Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1129 van de Commissie van 2 juli 2019 tot wijziging van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 79/2012 aangewezen"},{"i":4916,"b":"Mandaatbesluit uitvoering Beurzenprogramma voor IO-instituten Besluit Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 Aan de vice-voorzitter van FION wordt mandaat verleend om namens de Minister te besluiten op subsidieaanvragen die worden ingediend in het kader van het BIO. Artikel 3 In de door gemandateerde te nemen besluiten in het kader van het BIO wordt dit mandaatbesluit aangehaald en wordt in de ondertekening vermeld: ’DE MINISTER VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING namens deze De Vice-Voorzitter van de FION (naam)’. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt. Dit besluit zal in de Staatscourant geplaatst worden."},{"i":7885,"b":"Besluit van 15 december 2010 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet geldstelsel BES en tot vaststelling van de termijn voor kosteloze omwisseling van Nederlands-Antilliaanse munten en bankbiljetten Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 9 december 2010, nr. BR/FM/2010/23710 M; Gelet op de [artikelen 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=13), en [17 van de Wet geldstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=17); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Wet geldstelsel BES, met uitzondering van de [artikelen 13a tot en met 13z](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=13a) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=16), treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel 2 Nederlands-Antilliaanse munten en bankbiljetten kunnen tot en met 30 juni 2011 kosteloos ter verwisseling voor wettig betaalmiddel worden aangeboden bij de ingevolge [artikel 13 van de Wet geldstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=13) aangewezen kantoren. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":774,"b":"Wet van 16 december 2004, houdende wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2005) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IIII Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IVa Wijzigt de Wet loonbelasting 1964. Artikel V Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel VI Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VII Vervallen Artikel VIII Vervallen Artikel IX Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel X Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel XI Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XIIIIa Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XV Vervallen. Artikel XVI Vervallen. Artikel XVIa Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XVII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel XIX Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIXa Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XIXb Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XIXc Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIXd Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XX Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XXI Wijzigt het Belastingplan 2004. Artikel XXII Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel XXIII Vervallen. Artikel XXIV Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XXV De vennootschapsbelasting over een boekjaar dat voor 1 januari 2005 aanvangt en op of na die datum eindigt, wordt, in afwijking in zoverre van [artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://we"},{"i":1095,"b":"Inkomstenbelasting, lijfrenten, pensioenaangroei voor belastingplichtigen die een Belgisch rustpensioen opbouwen De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Inleiding Binnen Nederland wordt de basis voor oudedagsvoorzieningen gevormd door AOW (eerste pijler) en pensioen (tweede pijler). Het zogenoemde rustpensioen dat in België werkzame werknemers opbouwen omvat mede aanspraken die in Nederland worden gedekt door de eerste pijler. Op grond van artikel 3.127 Wet IB 2001 is de hoogte van de in een jaar maximaal in aanmerking te nemen premies voor lijfrenten onder meer afhankelijk van de mate van opbouw van pensioenaanspraken in het jaar. Het gaat hierbij om de aangroei van aanspraken die recht geven op een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom. Naarmate in een jaar meer van dergelijke pensioenrechten worden opgebouwd is de ruimte om aanvullende lijfrentepremies in aftrek te brengen kleiner. Dit geldt zowel voor belastingplichtigen die binnen Nederland een pensioen opbouwen als voor belastingplichtigen die buiten Nederland een pensioen opbouwen. Het voorgaande heeft tot gevolg dat belastingplichtigen die een Belgisch rustpensioen opbouwen in verhouding minder lijfrentevoorzieningen kunnen opbouwen dan belastingplichtigen die naast hun pensioenrechten recht hebben op AOW of daarmee vergelijkbare voorzieningen. Deze problematiek speelt niet ten aanzien van personen die aanspraken opbouwen ingevolge een Belgisch brugrustpensioen en/of een Belgisch overlevingspensioen. Nu het daarbij niet gaat om aanspraken die recht geven op een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom wordt de aangroei van deze aanspraken niet in aanmerking genomen bij de berekening van de aangroei van pensioenrechten in een jaar. Voor de problematiek bij de opbouw van aanspraken ingevolge een Belgisch rustpensioen is door de Commissie Grensarbeiders in haar aanbeveling 16 mijn aandacht gevraagd. In zijn brieven van 5 oktober 2001"},{"i":778,"b":"Wet van 18 december 2008, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2009) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor het jaar 2009 wenselijk is fiscale maatregelen te treffen in het kader van het inkomensbeleid en mede ter bevordering van innovatief ondernemerschap en arbeidsparticipatie, vergroening en vereenvoudiging; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VII Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel IX Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel X Voor de producent, bedoeld in [artikel 84a, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=84a) die voor 1 april 2009 een verzoek als bedoeld in [artikel 84a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=84a), indient, kan het forfait ook worden vastgesteld over het kalenderjaar 2008. Artikel XI [Artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=90) vindt geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2009 op de bedragen, genoemd in [artikel 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=86). Artikel XII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XIII 1. [Artikel 16a, eerste en tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":783,"b":"Wet van 18 december 2013 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2014) Artikel I Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IVa Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VIIIa Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IX Indien [artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1) bij het begin van het kalenderjaar 2015, bij het begin van het kalenderjaar 2016, onderscheidenlijk bij het begin van het kalenderjaar 2017, wordt toegepast, worden, met overeenkomstige toepassing van dat artikel, bij ministeriële regeling eveneens gewijzigd: - a. bij het begin van het kalenderjaar 2015: de in [artikel II, onderdeel K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034538&artikel=II&z=2017-01-01&g=2017-01-01), [artikel III, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034538&artikel=III&z=2017-01-01&g=2017-01-01), [artikel VI, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034538&artikel=VI&z=2017-01-01&g=2017-01-01), en [artikel VII, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034538&artikel=VII&z=2017-01-01&g=2017-01-01), eerstvermelde bedragen en de in artikel II, onderdeel J, artikel III, onderdeel C, [artikel IV, onderdelen A en B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034538&artikel=IV&z=2017-01-01&g=2017-01-01), artikel VI, onderdeel C, artikel VII, onderdeel C, en [artikel VIII, onderdelen A en B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034538&artikel=VIII&z=2017-01-01&g=2017-01-01), vermelde bedragen; - b. bij het begin van het kalenderjaar 2016: de in [artikel III,"},{"i":6249,"b":"Wet van 19 juni 2008 tot samenvoeging van de gemeenten Alkemade en Jacobswoude Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Alkemade en Jacobswoude samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Alkemade en Jacobswoude opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Kaag en Braassem ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Alkemade en Jacobswoude, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Kaag en Braassem wordt de op te heffen gemeente Alkemade aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Alkemade en Jacobswoude wordt de nieuwe gemeente Kaag en Braassem aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektr"},{"i":785,"b":"Wet van 23 december 2015 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2016) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel Ia [Artikel 3.52a van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52a) en de op dat artikel gebaseerde bepalingen, zoals dat artikel en die bepalingen luidden op 31 december 2015, blijven van toepassing ter zake van aanvragen die betrekking hebben op een periode vóór 1 januari 2016. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Vervallen Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIII Vervallen Artikel IX Vervallen Artikel X Vervallen Artikel XI Vervallen Artikel XII Vervallen Artikel XIII Vervallen Artikel XIV Vervallen Artikel XV Vervallen Artikel XVI Vervallen Artikel XVII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XIX Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XX Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XXI Vervallen Artikel XXII Vervallen Artikel XXIII Vervallen Artikel XXIV Vervallen Artikel XXV Vervallen Artikel XXVI Vervallen Artikel XXVII Vervallen Artikel XXVIII Vervallen Artikel XXIX Vervallen Artikel XXX Vervallen Artikel XXXI Vervallen Artikel XXXII Vervallen Artikel XXXIII Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel XXXIV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel XXXV Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel XXXVI Bij het begin van het kalenderjaar 2017 wordt [artikel 35a van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35a) niet toegepast op het in [artikel 33, onderdelen 5° en 7°, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=33) laatstgenoemde bedrag. Artikel XXXVII Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel XXXVIII Onze Minist"},{"i":1104,"b":"Inkomstenbelasting, terugwerkende kracht bij ruisende inbreng in een besloten vennootschap Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 4 december 2000 nr. CPP2000/2438M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011875). De daarin opgenomen goedkeuring is uitgebreid ten behoeve van het resultaat uit overige werkzaamheden. Voor het overige is met dit besluit geen inhoudelijke wijziging beoogd. 1. Inleiding Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 4 december 2000, nr. CPP2000/2438M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011875) op het gebied van de inkomstenbelasting en de terugwerkende kracht bij ruisende inbreng in een besloten vennootschap. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van het [hiervoor genoemde besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011875). In onderdeel 3 is de goedkeuring uitgebreid ten behoeve van het resultaat uit overige werkzaamheden. Waar in dit besluit wordt gesproken over een besloten vennootschap wordt hiermee ook een naamloze vennootschap bedoeld. 2. Gebruikte begrippen en afkortingen Wet IB 2001: [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) BW: Burgerlijk Wetboek 3. Terugwerkende kracht van een voorovereenkomst Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 4 november 1953, BNB 1954/18*, kan het overgangstijdstip van de heffing van inkomstenbelasting naar de heffing van vennootschapsbelasting ingeval van inbreng van een onderneming in een besloten vennootschap niet liggen voor het moment waarop de voorovereenkomst is gesloten. Goedkeuring Om doelmatigheidsredenen keur ik echter goed dat inspecteurs op een schriftelijk verzoek door of namens een belastingplichtige bij de inbreng met fiscale afrekening van een onderneming in een besloten vennootschap voor de heffing van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting zodanige terugwerkende kracht aan een voorovereenkomst verlenen dat een vóór-voorperiode tot ten hoogste drie maanden in aanmerking kan worden genomen."},{"i":1099,"b":"Inkomstenbelasting, oudedagsreserve De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Inleiding De navolgende (onderdelen van) besluiten zijn geactualiseerd en overgenomen in dit besluit. De navolgende (onderdelen van) besluiten bevatten geen beleidsstandpunten die als rechtsvraag kunnen worden aangemerkt. Ze hebben vooral een voorlichtend karakter. Gelet hierop zijn deze (onderdelen van de) besluiten niet in dit besluit overgenomen. Voor zoveel nodig zijn of worden deze onderdelen geactualiseerd verwerkt in voorlichtingsmateriaal. De navolgende (onderdelen van) besluiten hebben hun belang verloren. Wet IB 2001: de Wet Wet op de vennootschapsbelasting 1969: Wet Vpb Algemene wet inzake rijksbelastingen: AWR 1. Toevoegingen (artikel 3.68) 1.1. Toevoegen in jaar van staken (inhoudelijk ongewijzigd, voorheen Besluit van 9 november 2001, nr. CPP2001/3034M) In artikel 3.68, eerste en tweede lid, van de Wet is het volgende bepaald: In het jaar van staken van een onderneming is het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar nihil. Door de bepaling van artikel 3.68, tweede lid, van de Wet kan, als gevolg van het ontbreken van ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar, in het jaar van staken dus niet toegevoegd worden aan de oudedagsreserve. Gelet op de wettelijke regeling van de oudedagsreserve en de doelstelling daarvan, keur ik, met toepassing van de hardheidsclausule, goed dat over het jaar van staken van een onderneming, waarbij aan het einde van het kalenderjaar ondernemingsvermogen ontbreekt, kan worden toegevoegd aan de oudedagsreserve onder de volgende voorwaarden: 1.2. Vermogenstoets oudedagsreserve (inhoudelijk ongewijzigd, voorheen Besluit van 14 november 2000, nr. CPP2000/2120M) In artikel 3.68, tweede lid, van de Wet is bij toevoeging aan de oudedagsreserve de vermogenstoets opgenomen. Deze toets beperkt de opbouw va"},{"i":788,"b":"Wet van 19 december 2018 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2019) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is fiscale maatregelen te treffen die werken aantrekkelijker maken door de lasten op arbeid te verlagen, die de belasting op consumptie verhogen of die voortvloeien uit de koopkrachtbesluitvorming voor het jaar 2019 en dat het voorts in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2019 en volgende jaren wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten enkele wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VI Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VII Vervallen Artikel VIII Vervallen Artikel IX Vervallen Artikel X Vervallen Artikel XI Vervallen Artikel XII Vervallen Artikel XIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XIV Voor de werknemer die uiterlijk op 31 december 2018 een vergoeding genoot waarop [artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31a) zoals dat op 31 december 2018 luidde of [artikel 39e van de Wet op loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=39e) zoals dat op 31 december 2018 luidde van toepassing was, blijft bij de toepassing van artikel 31a, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 de ingevolge die bepalingen geldende termijn van ten hoogste acht jaar, onderscheidenlijk ten hoogste tien jaar, van toepassing tot en met uiterlijk 3"},{"i":811,"b":"Beleidsbesluit samenvoeging gemeenten en vennootschapsbelasting **De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat het beleid in de vennootschapsbelasting voor de samenvoeging van gemeenten door bestuurlijke herindeling.** 1. Inleiding Als gemeenten verdwijnen door samenvoeging met een andere gemeente in het kader van een zogenoemde bestuurlijke herindeling wordt de vermogensovergang die zich hierbij voordoet geacht een overdracht te zijn krachtens [artikel 14ba, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14ba) (hierna: Wet Vpb 1969). In eenvoudige gevallen geldt voor de winst die daardoor wordt behaald een faciliteit direct op grond van de wet (artikel 14ba, tweede lid, Wet Vpb 1969). In andere gevallen kan ik de inspecteur toestaan onder het stellen van voorwaarden een faciliteit te verlenen (artikel 14ba, derde lid, Wet Vpb 1969). Dit besluit bevat mijn beleid voor de toepassing van [artikel 14ba Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14ba) bij de samenvoeging van gemeenten en sluit aan bij mijn beleid voor de fiscale begeleiding van de juridische fusie.1Zoals aangekondigd bij de parlementaire behandeling van artikel 14ba Wet Vpb 1969 (Kamerstukken II 2015/16, 34 305, nr. 3, p. 32). In paragrafen 2 tot en met 6 wordt onder andere ingegaan op de voorwaarden die in het algemeen worden gesteld bij de toepassing van [artikel 14ba, derde lid, Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14ba) met betrekking tot samenvoeging van gemeenten in het kader van een bestuurlijke herindeling. Deze voorwaarden zijn opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050219&bijlage=1&z=2024-09-21&g=2024-09-21) van dit besluit. Met nadruk wordt erop gewezen dat het algemene karakter van de voorwaarden meebrengt dat de voorwaarden worden gewijzigd of aangevuld al naar gelan"},{"i":810,"b":"Beleidsbesluit doorschuiffaciliteit einde belastingplicht FGR **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat een algemene toestemming voor de inspecteur om verzoeken af te doen als bedoeld in artikel V, tweede lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling. De voorwaarden die de inspecteur daarbij moet stellen zijn opgenomen in een bijlage en toegelicht in dit besluit.** 1. Inleiding Het overgangsrecht in het kader van de aanpassing van de definitie van het fonds voor gemene rekening, regelt dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 – voor Nederlandse fiscale doeleinden – sprake is van een fictieve vervreemding door fondsen voor gemene rekening, die als gevolg van de wet niet langer belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting, van haar vermogensbestanddelen aan de deelgerechtigden in dat fonds ([artikel IV, eerste lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049131&artikel=IV)). [Artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049131&artikel=V) biedt een doorschuiffaciliteit op grond waarvan het fonds voor gemene rekening niet hoeft af te rekenen over de fictieve vervreemdingswinst. Dit besluit bevat een algemene toestemming voor de inspecteur om verzoeken af te doen als bedoeld in [artikel V, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049131&artikel=V). De voorwaarden die de inspecteur daarbij moet stellen zijn opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049172&bijlage=1&z=2024-09-03&g=2024-09-03) en toegelicht in dit besluit. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen Dit besluit bevat de volgende onderdelen. 2. De faciliteit In [artikel IV, eerste lid, Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049131&artikel=IV) is bepaald dat"},{"i":812,"b":"Beleidsregel Belastingverdragen Duitsland **De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit regelt de voortzetting onder het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland (2012) van het besluit van 28 mei 2002, nr. IFZ2002/507M, met betrekking tot de verdeling van de winst van Duitse en Nederlandse land- en bosbouwbedrijven met grond in de andere staat en de intrekking van de regeling van 27 september 2002, nr. IFZ 2002/715M en de regeling van 14 november 2007, nr. IFZ 2007/754M.** 1. Inleiding Op 1 januari 2016 wordt het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland van toepassing. Op basis van artikel 25, derde lid, van dit verdrag, zijn de bevoegde autoriteiten van Nederland en Duitsland op 27 november 2015 overeengekomen dat de bepalingen uit het besluit IFZ2002/507M met betrekking tot de verdeling van de winst van Duitse en Nederlandse land- en bosbouwbedrijven van toepassing blijven onder dit verdrag. De Nederlandse en Duitse bevoegde autoriteit zijn ook overeengekomen dat de regelingen betreffende bloemenhandelaren en ontslagvergoedingen, niet worden voortgezet. 2. Winstverdeling Het besluit IFZ2002/507M regelt de verdeling van de winst van Duitse en Nederlandse land- en bosbouwbedrijven met grond in de andere verdragsstaat. De hierin bepaalde winstverdeling blijft onverminderd van kracht onder het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen van 12 april 2012. 3. In te trekken regelingen Met het van toepassing worden van het nieuwe belastingverdrag, is met Duitsland overeengekomen dat, behoudens de algemene overgangsregeling in artikel 33, zesde lid, van het nieuwe belastingverdrag tussen Duitsland en Nederland, de [regeling van 27 september 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014025), nr. IFZ 2002/715M betreffende de bloemenhandelaren en de [regeling"},{"i":815,"b":"Beleidsregel 2016 voor de beoordeling van verzoeken van notarissen om een ontheffing van de verplichting om een samenstellingsverklaring te verstrekken bij het indienen van kwartaalcijfers over het derde kwartaal 2016 tot en met het vierde kwartaal 2017 (Beleidsregel ontheffing samenstellingsverklaring 2016) Gelet op [artikel 2, lid 5 en 6 van de Regeling op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032707), Gelet op het goedkeurende besluit van het bestuur van het Bureau Financieel Toezicht van 18 april 2016; Besluit: Paragraaf 1. Inleiding Paragraaf 2. Voorwaarden ontheffing samenstellingsverklaring Paragraaf 3. Aanvraag Paragraaf 4. Inwerkingtreding en citeertitel Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":820,"b":"Beleidsregels CAK vergoeden declaraties naar Nederlands tarief gelet op de [artikelen 6.1.2, onderdeel k, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.2), [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [1 van het Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 augustus 2015, houdende de aanwijzing van enige organen ingevolge Verordening (EG) nr. 883/2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036921&artikel=1), gezien de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1270, overwegende dat het gewenst is om beleidsregels vast te stellen ter invulling van de bevoegdheid om declaraties te vergoeden naar Nederlands tarief, besluit om de volgende beleidsregels vast te stellen: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. **basisverordening:** [Verordening (EG) nr. 883/2004](32004R0883) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004, betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166); - b. **toepassingsverordening:** [Verordening (EG) nr. 987/2009](32009R0987) van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van [Verordening (EG) nr. 883/2004](32004R0883) betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2009, L 284); - c. **gerechtigde:** persoon als bedoeld in [artikel 69, eerste, zeventiende of achttiende lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69) die woont op het grondgebied van een van de lidstaten van de Europese Unie, een staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, het Verenigd Koninkrijk of Zwitserland; - d. **polis:** zorgvariatiepolis die de Onderlinge Waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars Groep U.A. aanbiedt als een zorgverzekering, bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, va"},{"i":4917,"b":"Mandaatbesluit uitvoering ZVD-afbouwregeling Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **APG Algemene Pensioen Groep:** de APG Algemene Pensioen Groep N.V. - b. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Defensie. Artikel 2 De Staatssecretaris verleent aan APG Algemene Pensioen Groep mandaat om namens hem besluiten te nemen ter uitvoering en op grond van de ZVD-afbouwregeling. Artikel 3 APG Algemene Pensioen Groep legt een voorgenomen besluit, voor zover dit voortkomt uit de uitvoering van in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025828&artikel=2&z=2009-04-16&g=2009-04-16) genoemde regeling voor aan de Staatssecretaris indien: - a. APG Algemene Pensioen Groep gerede twijfels heeft over het in een individueel geval toepassen van een regeling, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025828&artikel=2&z=2009-04-16&g=2009-04-16) en - b. het naar het oordeel van APG Algemene Pensioen Groep een geval betreft dat grote beleidsmatige of financiële gevolgen kan hebben voor het Ministerie van Defensie, dan wel kan leiden tot precedentwerking. Artikel 4 - a. APG Algemene Pensioen Groep kan het aan [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025828&artikel=2&z=2009-04-16&g=2009-04-16) ontleende mandaat geheel of gedeeltelijk mandateren. - b. De verlening van een mandaat door APG Algemene Pensioen Groep geschiedt schriftelijk. Artikel 5 De Staatssecretaris verleent mandaat aan het hoofd van de afdeling van APG Algemene Pensioen Groep welke expliciet is belast met de afdoening van bezwaar en beroep ten aanzien van bepaalde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025828&artikel=2&z=2009-04-16&g=2009-04-16) genoemde regeling, om te beslissen op een bezwaarschrift aangaande ingevolge [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025828&artikel=2&z=2009-04-16&g=2009-04-16) genomen besluit. Een en ander met dien verstande dat degene"},{"i":837,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 27 november 2002, houdende de vaststelling van de hoogte van het bedrag dat aan het Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijproducten wordt afgedragen (Besluit 2003/2 PT heffingsafdracht bloemkwekerijproducten bedrijfschap 2003) gelet op [artikel 2 van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013837&artikel=2); in overeenstemming met het besluit van het Bestuur van het Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijproducten, d.d. 14 november 2002; gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, 4 november 2002; BESLUIT: Artikel 1 Voor 2003 geldt dat het aan het Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijproducten af te dragen bedrag als bedoeld in [artikel 2 van de \"Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2003\"](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013837&artikel=2) wordt vastgesteld op de som van: - a. 90% van 11/111 deel van de jaarlijkse opbrengst van de in eerder genoemde verordening bedoelde heffing op het eindproduct; - b. 100% van 11/73,5 deel van de jaarlijkse opbrengst van de in eerder bedoelde heffing op het uitgangsmateriaal. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2003/2 PT heffingsafdracht bloemkwekerijproducten bedrijfschap 2003. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":838,"b":"Besluit van het Bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 6 mei 2003, houdende de vaststelling van de nadere omschrijving van diverse bepalingen uit de Verordening PT bloembollen leverbaar oogstjaar 2003 (Besluit 2003/2 PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003) gelet op het bepaalde in de [Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015987); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 1 april 2003; Besluit: Artikel 1 In dit besluit worden de begripsbepalingen van de [Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015987) overgenomen. Artikel 2 1. De aangifte beplante oppervlakte, als bedoeld in [artikel 4, vijfde lid, van de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015987&artikel=4), dient te geschieden op een vanwege het productschap te ver- strekken formulier en uiterlijk op de in dit formulier vermelde datum. 2. De aangifte moet ook worden gedaan, wanneer er in het desbetreffende voorjaar of najaar geen teelt vooreigen rekening en risico plaatsvindt. 3. Bij de aangifte van de beplante oppervlakte moet een onderscheid gemaakt zijn naar geslacht en per geslacht naar variëteiten. 4. Als de beplante oppervlakte wordt aangemerkt het 94/100 gedeelte van de aan het telen dienstbaar zijnde oppervlakte, waaronder verstaan de werkelijk beplante oppervlakte, vermeerderd met de oppervlakte van een strook van 30 cm breedte, gelegen rondom die werkelijk beplante oppervlakte. 5. Bij kasteelt wordt als de beplante oppervlakte aangemerkt de gehele kasoppervlakte, inwendig gemeten. Artikel 3 Eenieder, die bloembollen-leverbaar, afkomstig uit eigen kraam, aanwendt ten behoeve van de teelt van hyacinten, lelies, narcissen en/of tulpen, is verplicht aangifte te doen van het aantal gebruikte bloembollen-leverbaar op een vanwege het productschap te verstre"},{"i":1101,"b":"Inkomstenbelasting, schenk- en erfbelasting; diverse tegemoetkomingen bij bijzondere gebeurtenissen Dit besluit beschrijft de fiscale gevolgen van tegemoetkomingen bij bijzondere gebeurtenissen zoals oorlogen en rampen (zoals de nieuwjaarsbrand in Volendam) en de fiscale gevolgen voor asbestslachtoffers. Dit besluit vervangt het [besluit van 13 februari 2007, nr. CPP2007/289M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021301). 1. Inleiding 1. Inleiding 1. Inleiding 2. Fiscale kwalificatie uitkeringen vervolgingsslachtoffers De volgende fiscale gevolgen zijn van toepassing op uitkeringen aan en van de stichtingen. De volgende stichtingen houden zich bezig met het beheren en verdelen van gelden, die door de overheid en door private partijen ter beschikking zijn gesteld, als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen bij het naoorlogse rechtsherstel en de naoorlogse opvang. De volgende stichtingen houden zich bezig met het beheren en verdelen van gelden, die door de overheid en door private partijen ter beschikking zijn gesteld, als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen bij het naoorlogse rechtsherstel en de naoorlogse opvang. hierna: de stichtingen. De volgende fiscale gevolgen zijn van toepassing op uitkeringen aan en van de stichtingen. 3. Fiscale kwalificatie van schadeloosstellingen uit Duitse en Oostenrijkse compensatiefondsen aan slachtoffers van het nationaal-socialistische bewind 3.1. Inleiding 3.2. Van belang zijnde fondsen 3.3. Fiscale gevolgen Ter voorkoming van misverstanden merk ik op dat, nadat de betaling eenmaal aan de gerechtigde is toegekend, deze deel uitmaakt van diens vermogen. Opbrengsten daarvan worden op de normale wijze in de inkomstenbelasting betrokken. Bij vererving of schenking van (gedeelten van) dat vermogen vindt op reguliere wijze heffing van successie-, respectievelijk schenkbelasting plaats. 3. Fiscale kwalificatie van schadeloosstellingen uit Duitse en Oostenrijkse compensatiefondsen aan slachtoffers van het"},{"i":854,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 25 april 2006, houdende een verlaging van de vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2006 (Besluit 2006/1 PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2006) Gelet op [artikel 4, derde lid van de Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019837&artikel=4); Gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; Besluit: Artikel 1 Voor de inkoper en voor de verkoper van bloembollen wordt in de periode 1 juni 2006 tot en met 31 mei 2007 de heffing verlaagd. Dit betekent dat: - a. in [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019837&artikel=5), 2,1% wordt vervangen door: 1,6%; - b. in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019837&artikel=6), 2,1% wordt vervangen door: 1,0%; - c. in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019837&artikel=7), 2,1% wordt vervangen door: 1,0%; - d. in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019837&artikel=8), 2,1% wordt vervangen door: 1,0%; - e. in [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019837&artikel=9), 2,1% wordt vervangen door: 1,6%; - f. in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019837&artikel=10), 2,1% wordt vervangen door: 1,6%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2006/1 PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2006. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":856,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 25 april 2006, houdende een verlaging van de vakheffíg bloembollen leverbaar oogstjaar 2006 (Besluit 2006/2 PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2006) Gelet op [artikel 4, derde lid van de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019838&artikel=4); Gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; Besluit: Artikel 1 Voor de inkoper en voor de verkoper van bloembollen wordt in de periode 1 juni 2006 tot en met 31 mei 2007 de heffing verlaagd. Dit betekent dat: - a. in [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019838&artikel=5), 2,1% wordt vervangen door: 1,6%; - b. in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019838&artikel=6), 2,1% wordt vervangen door: 1,0%; - c. in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019838&artikel=7), 2,1% wordt vervangen door: 1,0%; - d. in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019838&artikel=8), 2,1% wordt vervangen door: 1,0%; - e. in [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019838&artikel=9), 2,1% wordt vervangen door: 1,6%; - f. in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019838&artikel=10), 2,1% wordt vervangen door: 1,6%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2006/2 PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2006. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":1191,"b":"Omzetbelasting, aftrek van omzetbelasting **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 25 november 2011, nr. BLKB 2011/641M (** **Stcrt. 2011, nr. 21834** **). Actualisering is onder andere noodzakelijk als gevolg van jurisprudentie en beleidsmatige wijzigingen. Ook zijn er enkele tekstuele wijzigingen aangebracht.** **De volgende inhoudelijke en beleidsmatige wijzigingen zijn opgenomen:** **Hoofdstuk 3. In dit hoofdstuk is het gevolg verwerkt van HvJ EU 25 juli 2018, zaak C-140/17 (Gmina Ryjewo). Op grond van dit arrest kan in meer gevallen herziening van belasting plaatsvinden ingeval goederen voor niet-economische activiteiten worden gebruikt.** **§ 4.2.6. In deze paragraaf is aangegeven dat bij leegstand van onroerend goed de uitgangspunten van HR 14 juni 2014, nr. 13/00282, worden gevolgd.** **§ 5. De tekst van de subparagraaf over de toepassing van de integratielevering bij privaatrechtelijke onderwijsinstellingen is vervallen, omdat de integratielevering per 1 januari 2014 is afgeschaft1Artikel XVI van de Wet van 18 december 2013 (Belastingplan 2014), Stb. 2013, nr. 565.. Voorts kan het onderdeel over aftrek van btw bij schadeherstel vervallen als gevolg van de jurisprudentie waarbij de aftrek kan worden genoten door de ondernemer die de opdracht heeft gegeven voor de prestatie én aan wie de factuur is uitgereikt2HR 1 mei 2015, nr. 13/06113, ECLI:NL:HR:2015:1173..** **§ 5.2.4. Deze paragraaf bevat een uitbreiding van de goedkeuring voor btw-aftrek door een samenwerkingsverband voor de verwerving van diensten door de maten in een maatschap.** **§ 5.2.6. In deze paragraaf is de goedkeuring voor btw-aftrek voor bedrijfs- en productschappen vervallen, omdat de bedrijfs- en productschappen zijn opgeheven. De voorwaarden voor de toepassing van de goedkeuring voor ondernemersverenigingen zijn aangepast.** **§ 5.2.7. Deze paragraaf bevat een goedkeuring om de werkgever aan te merken als afne"},{"i":859,"b":"Besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 december 2011, nr. 2011-2000585717, tot aanwijzing van de instantie voor advies over ontheffing van een of meer onderdelen van de naturalisatietoets wegens een belemmering als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit naturalisatietoets Gelet op [artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4) en [artikel 10, eerste lid, van de Regeling naturalisatietoets Curaçao 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029348&artikel=10); Besluit: Met ingang van 1 januari 2012 wordt als instantie voor advies over de ontheffing van een of meer onderdelen van de naturalisatietoets wegens een belemmering als bedoeld in [artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4), aangewezen: Stichting Arbo Consult, gevestigd te Curaçao. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant en het Publicatieblad van Curaçao worden geplaatst."},{"i":954,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 4 mei 2004, houdende vaststelling van het tarief van de heffing inzake export van groenten en fruit naar Japan en Taiwan (Besluit PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2004) gelet op [artikel 4 van de Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015320&artikel=4); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 8 april 2004; Besluit: In 2004 bedraagt de heffing € 40,00 per kwartier Dit besluit en de daarbij behorende toelichting zal worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":881,"b":"Besluit digitale vervanging aangiftes inkomensheffing Belastingdienst Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **selectielijst** de [selectielijst van de Belastingdienst voor het onderdeel Belastingregio’s en de fiscale processen vanaf 2007](onbekend) (3 februari 2012, nr. NA 12/8962) vastgesteld namens de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Financiën gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) (Stcrt. 2012, nr. 3159). - b. **handboek** Het handboek digitale vervanging aangiftes inkomensheffing Belastingdienst (2012). Artikel 2 Vanaf het verwerkingsjaar 2012 over te gaan tot digitale vervanging van de ontvangen papieren aangiftes inkomensheffing. Bij de overweging om tot vervanging over te gaan is rekening gehouden met het feit dat de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed niet aanwezig wordt geacht aangezien op grond van de [selectielijst](onbekend) sprake is van vervanging van op termijn te vernietigen archiefbescheiden. Bij de overweging om tot vervanging over te gaan is rekening gehouden met het belang van de in de archiefbescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, voor recht- of bewijszoekenden en voor historisch onderzoek. Artikel 3 De vervanging vindt plaats door middel van een digitale kopie. De originele papieren archiefbescheiden zullen aansluitend worden vernietigd. De digitaal opgeslagen archiefbescheiden zullen gedurende de vastgestelde bewaartermijn in goede, geordende en toegankelijke staat worden bewaard en na het verstrijken van de vernietigingstermijn worden vernietigd op grond van handeling nummer 14 uit de [selectielijst](onbekend). Artikel 4 De wijze waarop de vervanging geschiedt is vastgelegd in het handboek. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd"},{"i":886,"b":"Besluit van 12 mei 2014, houdende vaststelling van een grenswaarde voor de geluidsbelasting binnen en buiten de geluidszones rond luchtvaartterreinen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba alsmede de vaststelling van ruimtelijke beperkingen binnen de geluidszones van deze luchtvaartterreinen (Besluit geluidsbelasting luchtvaartterreinen BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 16 juli 2013, nr. IENM/BSK-2013/83546, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 33, tweede lid, onderdelen a en b, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=33); De afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 augustus 2013, nr. W14.13.0229/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 8 mei 2014, nr. IENM/BSK-2013/201681, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bedrijfswoning:** woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein slechts bestemd voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is; - **geluidsgevoelig gebouw:** gebouw met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie; - **geluidszone:** geluidszone als bedoeld in [artikel 33, eerste lid, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=33); - **Lden:** geluidsbelasting van luchtvaartuigen uitgedrukt in dB(A) Lden en berekend op de wijze bedoeld in [artikel 33, derde lid, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=33); - **woning:** gebouw, niet zijnde een bedrijfswoning, dat geheel of gedeeltelijk voor bewoning is bestemd. Artikel 2 1. De grenswaarde voor de toegelaten geluidsbelasting, bedoeld in [artikel 33, tweede lid, onderdeel a, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.n"},{"i":887,"b":"Besluit van 22 november 1990, houdende nadere regels ter uitvoering van de artikelen 283a en 283b van de gemeentewet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, van 12 juli 1990, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, nr. IBI 88/33/U55; Overwegende, dat het gewenst is nadere regels te stellen omtrent de naheffingsaanslag, het aanbrengen en verwijderen van de wielklem alsmede omtrent het wegslepen en in bewaring stellen van een voertuig met betrekking tot de gemeentelijke parkeerbelastingen; Gelet op de artikelen 283**a**, zevende lid, en 283**b**, dertiende en vijftiende lid, van de [gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416); Gezien het advies van de Raad voor de gemeentefinanciën (advies van 27 april 1990, nr. 63948 RGF 1/187); De Raad van State gehoord (advies van 6 november 1990, nr. W04.90.0361); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 14 november 1990, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, nr. IBI 88/33/U 61; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416); - b. wielklem: het in artikel 235, eerste lid, van de wet bedoelde mechanisch hulpmiddel waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden; - c. bewaringsregister: het in artikel 235, zesde lid, van de wet bedoelde register; - d. gemeenteambtenaar: de in [artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=231) bedoelde gemeenteambtenaar. Artikel 1a De voorschriften van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in [artikel 234, tweede lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=234), kunnen inhouden dat het in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden, indien de belastingplichtigen voldoende praktische middelen voor de voldoening op aangifte te"},{"i":889,"b":"Besluit heffing omzetbelasting bij leasing **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 25 januari 2007, nr. CPP2006/2847M (** **Stcrt. 2007, 24** **). Met deze actualisering is het besluit in lijn gebracht met het belastbaar feit in de bpm. Daarnaast is onderdeel 4 gewijzigd. Dit onderdeel bevat een goedkeuring waardoor geen btw over het bpm-gedeelte van de leasetermijnen wordt berekend. Per 1 juli 2023 treedt de nieuwe bpm-afschrijvingstabel in werking. Onder voorwaarde d van onderdeel 4 wordt beschreven hoe moet worden omgegaan met de nieuwe bpm-afschrijvingstabel voor lopende leasecontracten voor personenauto’s. De overige aanpassingen zijn redactioneel van aard. Met deze aanpassingen zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.** 1. Inleiding In dit besluit komt de heffing van omzetbelasting bij leasing aan de orde. In onderdeel 3 zijn richtlijnen gegeven over situaties waarbij leasing is te beschouwen als een levering of als een dienst en de verschuldigdheid van omzetbelasting daarbij. In onderdeel 4 wordt ingegaan op de maatstaf van heffing bij de doorberekening van bpm bij de leasing van personenauto’s. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen De in dit besluit opgenomen beleidsregels vormen een uitleg van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3) (leveringen), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=4) (diensten), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=8) (maatstaf van heffing) en [11, eerste lid, onderdeel j, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) (vrijstelling voor kredietverlening), van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629). Deze bepalingen zijn gebaseerd op de artikelen 14, 24, 72, 79 en 135, lid 1, onderdeel b, van de btw-richtlijn. 3. Leasing 3. Leasing De term ‘leasing’ heeft betrekking op een overeenkomst waarbij"},{"i":890,"b":"Besluit heffing omzetbelasting en toepassing KOR bij zonnepanelen **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit actualiseert het besluit van 16 juni 2023, nr. 2023-6393 (Omzetbelasting. Btw-heffing en toepassing KOR bij zonnepanelen).** **Met ingang van 1 januari 2025 wordt de kleineondernemersregeling gewijzigd. Voor dit besluit zijn enkele wijzigingen relevant. De minimale toepassingstermijn van de KOR wordt afgeschaft. Ook wordt de uitsluitingsperiode verkort tot de afloop van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de toepassing van de KOR is beëindigd. Dit besluit is op de wijzigingen aangepast.** **Daarnaast wordt de registratiedrempel verhoogd van € 1.800 naar € 2.200. Deze registratiedrempel wordt opgenomen in artikel 25b van de Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 25 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Het besluit Omzetbelasting, registratiedrempel voor kleine ondernemers vervalt daarom.** 1. Inleiding Per 1 januari 2025 wordt de KOR toepasbaar in de gehele Europese Unie. Een Nederlandse ondernemer kan vanaf die datum in andere lidstaten de KOR toepassen binnen de in die lidstaten geldende drempels en voor zover de totale omzet in de Unie onder de grens van € 100.000 blijft. Voor in Nederland gevestigde ondernemers (daarmee ook particuliere zonnepaneelhouders) blijft het zo dat de KOR toepasbaar is bij een jaaromzet in Nederland onder € 20.000. De wettelijke regels voor de het bepalen van de jaaromzet en voor de toepassing van de omzetdrempel in Nederland blijven verder ongewijzigd. Een voor particuliere zonnepaneelhouders relevante wijziging is ten eerste dat geen minimale toepassingsperiode van drie jaar meer geldt voor KOR. De KOR kan op elk moment worden opgezegd, met ingang van het kalenderkwartaal dat minimaal vier werken na wederopzegging ligt. Tweede verandering is dat de uitsluitingsperiode na wederopzegging of drempeloverschrijding wordt verkort tot de afloop van het kalenderjaar dat volgt"},{"i":891,"b":"Besluit heffing van omzetbelasting ter zake van vouchers, waardebonnen en zegels **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat nieuwe beleidsregels voor vouchers en vervangt en actualiseert eerdere besluiten die zien op artikelen 20 en 21 van het uitvoeringsbesluit, telefoonkaarten en cadeaubonnen.** 1. Inleiding Dit besluit bevat beleidsregels over vouchers, zegels en waardebonnen. Aanleiding voor dit besluit zijn de nieuwe regels over de vouchers en de wijziging van de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=20) en [21 van het uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=21) die op 1 januari 2019 in werking treden. Het besluit bevat de volgende beleidsmatige aanwijzingen en verduidelijkingen: Dit besluit bevat beleidsregels over vouchers, zegels en waardebonnen. Aanleiding voor dit besluit zijn de nieuwe regels over de vouchers en de wijziging van de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=20) en [21 van het uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=21) die op 1 januari 2019 in werking treden. Het besluit bevat de volgende beleidsmatige aanwijzingen en verduidelijkingen: § 2 heeft betrekking op instrumenten die verstrekt worden met het oog op het stimuleren van de verkoop van goederen en diensten en/of het vergemakkelijken van de betaling ervan. In § 2.1 wordt een onderscheid gemaakt tussen de begrippen ‘voucher’, ‘zegel’ en ‘waardebon’. In § 2.2 worden de btw-gevolgen beschreven voor instrumenten die door de consument naar keuze ingewisseld of gebruikt kunnen worden voor geld, goederen/diensten en/of als waardebon. In § 2.3 is goedgekeurd dat [artikel 20 van het uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=20) van overeenkomstige toepassing is op koopzegels. In § 2.4 wordt ingegaan op de btw-gevolgen van andere kortingsbonnen dan waardebonnen. § 2.5 behandelt de btw-h"},{"i":897,"b":"Besluit van de Minister voor Klimaat en Energie van 4 april 2023, nr. WJZ / 26741074, houdende verlening van mandaat en machtiging aan de directeur-generaal Belastingdienst voor uitvoering van de Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming blokaansluitingen (Besluit mandaat en machtiging Belastingdienst voor uitvoering Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming blokaansluitingen) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 7.1 van de Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming blokaansluitingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048035&artikel=7.1); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **directeur-generaal:** directeur-generaal Belastingdienst van het Ministerie van Financiën. Artikel 2 1. Aan de directeur-generaal wordt mandaat en machtiging verleend in het kader van de [Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming blokaansluitingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048035). 2. Het mandaat en de machtiging, bedoeld in het eerste lid, hebben mede betrekking op alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en ter uitvoering van de besluiten, daaronder begrepen het nemen van besluiten op bezwaarschriften, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door de directeur-generaal in mandaat is genomen, en op het voeren van beroep en instellen en voeren van voorlopige voorzieningen procedures. Artikel 3 1. De directeur-generaal kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048037&artikel=2&z=2023-04-07&g=2023-04-07), ondermandaat en machtiging verlenen aan een of meer onder hem ressorterende functionarissen. 2. Een afschrift van een besluit als bedoeld in het vorige lid wordt gezonden aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en aan degenen aan wie krachtens het besluit ondermandaat, en machtiging is verleend. Artike"},{"i":898,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 16 december 2014, nr. WJZ/14201006, aan de directeur van het Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel inzake het verlenen van mandaat en machtiging voor het verlenen van ontheffing van de verplichting bedoeld in artikel 2.40 van de Regeling dierlijke producten (Besluit mandaat en machtiging directeur COKZ inzake ontheffing van de verplichting bedoeld in artikel 2.40 van de Regeling dierlijke producten) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de directeur van het Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van de Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het verlenen van een ontheffing van de verplichting bedoeld in [artikel 2.40 van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.40). Artikel 2 Aan de directeur van de Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken wordt mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036076&artikel=1&z=2021-07-07&g=2021-07-07), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen en voeren van (hoger) beroep. Artikel 3 1. De directeur van de Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken kan voor de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036076&artikel=1&z=2021-07-07&g=2021-07-07) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036076&artikel=2&z=2021-07-07&g=2021-07-07) bedoelde aangelegenheden ondermandaat en machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende functionarissen. 2. Het verlenen van ondermandaat en machtiging alsmede wijziging daarvan, geschie"},{"i":953,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 28 September 2004, houdende de vaststelling van de tarieven genoemd in de Verordening PT heffing export bloembollen naar Japan seizoen 2003/2004 (Besluit PT heffing export bloembollen naar Japan seizoen 2003/2004) gelet op [artikel 4, derde lid van de Verordening PT heffing export bloembollen naar Japan seizoen 2003/2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015306&artikel=4); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen d.d. 7 September 2004; Besluit: Artikel 1 Voor het seizoen 2003/2004 worden de in [artikel 4, tweede lid van de Verordening PT heffing export bloembollen naar Japan seizoen 2003/2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015306&artikel=4) genoemde heffingsbedragen verlaagd met: 20%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing export bloembollen naar Japan seizoen 2003/2004. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":901,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 6 december 2022, nr. IENW/BSK-2022/281749, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Dienst Wegverkeer voor de uitvoering van de Wet vrachtwagenheffing en de Wet implementatie EETS-richtlijn (Besluit mandaat, volmacht en machtiging RDW voor de uitvoering van de Wet vrachtwagenheffing) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de Dienst Wegverkeer van 17 november 2022, kenmerk JBZ-22.0012133; BESLUIT: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **Dienst Wegverkeer:** Dienst als bedoeld in [artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4a); - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - **wet:** [Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082). Artikel 2. (bestuursrechtelijke bevoegdheden) Aan de Dienst Wegverkeer wordt mandaat en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met: - a. het verlenen van de ontheffing, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=3); - b. het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=15); - c. het kwijtschelden van een bestuurlijke boete, bedoeld in [artikel 18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=18); - d. het faciliteren van"},{"i":902,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 april 2024, nr. IENW/BSK-2024/117416, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau voor de uitvoering van enkele artikelen van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging tijdelijke tolheffing CJIB) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau van 3 april 2024, kenmerk 24UO203658; BESLUIT: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **Centraal Justitieel Incassobureau:** Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **Secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - **wet:** [Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517). Artikel 2. (bevoegdheid dwangbevel) Aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau wordt mandaat en machtiging verleend tot: - a. het uitvaardigen van het dwangbevel, bedoeld in [artikel 12, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517&artikel=12) en het verrichten van feitelijke handelingen die daarmee verband houden; en - b. het verwerken van de persoonsgegevens voor de uitvoering van de in onderdeel a bedoelde werkzaamheden. Artikel 3. (privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen) Aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau wordt volmacht en machtigin"},{"i":904,"b":"Besluit van Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door de directeur-generaal Toeslagen van 6 december 2024, nr. 2024-544716, houdende vaststelling van het Besluit mandaatverlening, volmacht en machtiging Dienst Toeslagen 2024 (Besluit mandaatverlening, volmacht en machtiging Dienst Toeslagen 2024) Handelende in overeenstemming met de directeur-generaal Belastingdienst; Mede namens de directeur toeslagen en de directeur van de tijdelijke uitvoeringsorganisatie herstel toeslagen voor respectievelijk [artikelen 5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050566&artikel=5&z=2024-12-17&g=2024-12-17), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050566&artikel=6&z=2024-12-17&g=2024-12-17) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050566&artikel=7&z=2024-12-17&g=2024-12-17) van dit besluit; Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), [artikel 11, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=11), [hoofdstuk 4 van Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=4) en [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=4) en [artikel 27, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=27); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. **Awir:** [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472); - c. **UR BD 2003:** [Uitvoeringsregeling Belastingdien"},{"i":1175,"b":"Regeling inzake vermindering van Maltese belasting op dividenden, interest en royalty's uit Maltese bron, genoten door inwoners van Nederland Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 18 mei 1977 tussen Nederland en Malta gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 1977, nr. 82) kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. Algehele vrijstelling van elke Maltese belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Malta is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is, indien het een Maltese belasting betreft, die van de aandeelhouder wordt geheven naast de belasting – momenteel 32,5% bedragende – die reeds geheven is ter zake van de winsten van het uitdelende lichaam; in dit verband wordt opgemerkt, dat de belasting die tot uitdrukking komt in een door het Maltese lichaam afgegeven ‘dividend warrant’ betrekking heeft op de belasting die het lichaam over het uitgekeerde dividend verschuldigd is en mitsdien niet als een bronbelasting ten laste van de aandeelhouder mag worden beschouwd. - b. Vermindering tot 15 percent van de Maltese belasting geheven ter zake van uitgedeelde winst, uitgekeerd door een lichaam dat inwoner van Malta is aan een lichaam dat inwoner van Nederland is, indien de uitgedeelde winst bestaat uit voordelen of winst die behaald zijn/is in enig jaar ter zake waarvan dat Maltese lichaam in het genot is van enige faciliteit ingevolge de bepalingen die de steun aan industrieën in Malta regelen, en het Nederlandse lichaam in Nederland ter zake van deze winst voor de heffing van de vennootschapsbelasting aanspraak kan maken op"},{"i":907,"b":"Omzetbelasting. Reisbureauregeling **Dit besluit vervangt en actualiseert het besluit van 19 augustus 2019, nr. 2019-7277 (** **Stcrt. 2019, nr. 47961** **) laatstelijk gewijzigd bij besluit van 22 februari 2021, nr. 2021-1926 (** **Stcrt. 2021, nr. 10781** **). In dit besluit wordt in onderdeel 7 ingegaan op de gevolgen voor de omzetbelasting ingeval van annulering van (reis)overeenkomsten. De overgangsmaatregel inzake de reikwijdte van de reisbureauregeling opgenomen in onderdeel 3. Algemeen komt te vervallen. Vanwege het tijdsverloop heeft deze goedkeuring haar belang verloren. Daarnaast is een aantal redactionele wijzigingen doorgevoerd.** 1. Inleiding Het besluit is geen allesomvattende beschrijving van de problematiek die zich voordoet bij de reisbureauregeling. Het besluit gaat in op enkele specifieke situaties. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Juridisch kader In de [artikelen 28z t/m 28zg van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=28z) zijn bepalingen opgenomen over de bijzondere regeling voor reisbureaus. De reisbureauregeling is gebaseerd op de artikelen 306 t/m 310 van de btw-richtlijn. 3. Algemeen Opgemerkt dient te worden dat veel ondernemingen die in het spraakgebruik ‘reisbureau’ worden genoemd niet onder de reisbureauregeling zullen vallen. Deze ondernemingen treden namelijk in Nederland veelal op als tussenpersonen die niet op eigen naam tegenover de reiziger handelen, maar namens de reisorganisator reizen verkopen. In dit besluit worden deze ondernemers die als tussenpersoon optreden aangeduid met de term ‘reisagentschap’. De reisbureauregeling is van toepassing op handelingen van reisbureaus (de zogenoemde reisdienst(en)) als de reisbureaus op eigen naam tegenover de reiziger handelen en voor zover zij voor de totstandkoming van de reizen gebruikmaken van één of meer leveringen van goederen en diensten van andere ondernemers ([artikel 28z van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=28z))."},{"i":908,"b":"Besluit omzetbelasting terbeschikkingstelling personeel **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 5 juli 2022, nr. 2022-181729 (** **Stcrt. 2022, nr. 18350** **). In dit besluit is verduidelijkt in welke situaties personeel werkzaamheden kan verrichten bij andere ondernemers zonder btw-heffing, naast het geval dat een btw-vrijstelling of een goedkeuring geldt voor het ter beschikking stellen van personeel. Het (tijdelijke) ter beschikking stellen van personeel in het kader van een medische beroepsopleiding is verduidelijkt. De aanwijzingen in het besluit voor het ter beschikking stellen van personeel als nauwsamenhangende prestatie binnen de onderwijsvrijstelling zijn verduidelijkt. Daarbij zijn enkele voorbeelden opgenomen van werkzaamheden die niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van vrijgestelde onderwijsprestaties.** 1. Inleiding Dit besluit gaat over de toepassing van de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) op het ter beschikking stellen van personeel. Die prestatie is in beginsel onderworpen aan de btw-heffing.1Zie ook HR 11 augustus 2017, ECLI:NL:HR:2017:1606. In dit besluit is nader toegelicht en verduidelijkt wanneer bij de inzet van personeel bij andere ondernemers geen belastbare prestatie is te zien, daarvoor een btw-vrijstelling geldt, of goedgekeurd wordt dat btw-heffing achterwege mag blijven. In de gevallen waarin btw-heffing achterwege mag blijven op basis van een goedkeuring, dient te worden gehandeld als ware sprake van een btw-vrijstelling en bestaat er in zoverre geen recht op aftrek van voorbelasting. In dit besluit komt ten eerste aan de orde in welke situaties personeel bij andere ondernemers werkzaamheden kunnen verrichten zonder btw-heffing, omdat geen sprake is van een belastbare prestatie tussen ondernemers of de door de werkgever van het personeel verrichte prestatie niet als terbeschikkingstelling van person"},{"i":910,"b":"Besluit van de directeur van Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel van (januari 2015), nr. N 150003, houdende regels inzake ondermandaat en machtiging voor het verlenen van ontheffing van de verplichting bedoeld in artikel 2.40 van de Regeling dierlijke producten Gelet op [artikel 3 van het Besluit mandaat en machtiging directeur COKZ inzake ontheffing van de verplichting bedoeld in artikel 2.40 van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036076&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Aan de manager Operations van Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel wordt ondermandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het verlenen van een ontheffing van de verplichting bedoeld in [artikel 2.40 van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.40). Artikel 2 Aan de stafmedewerker Beleid en Besluitvorming van Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel wordt ondermandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036348&artikel=1&z=2015-02-27&g=2015-02-27) van dit besluit, waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep. Artikel 3 Een afschrift van dit besluit wordt gezonden aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en aan degenen aan wie krachtens dit besluit ondermandaat is verleend. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt gepubliceerd en werkt terug tot en met 1 januari 2015. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondermandaat en machtiging COKZ inzake ontheffing van de verplichting bedoeld in artikel 2.40 van de Regeling dierlijke producten. Dit"},{"i":1100,"b":"Inkomstenbelasting, persoonsgebonden aftrek, uitgaven voor specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven heeft het volgende besloten. In dit besluit staat het beleid over de uitgaven voor specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven. Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 21 januari 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027135), nr. DGB2010/372M. De onderdelen van het besluit van 21 januari 2010 met slechts een voorlichtend karakter zijn vervallen. 1. Inleiding In dit besluit staat het beleid over de uitgaven voor specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven. Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 21 januari 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027135), nr. DGB2010/372M met vragen en antwoorden over uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, uitgaven voor specifieke zorgkosten, weekenduitgaven voor gehandicapten en scholingsuitgaven. Hieronder staan de wijzigingen ten opzichte van het besluit van 21 januari 2010. In de overige onderdelen zijn enkele tekstuele aanpassingen doorgevoerd. Hiermee is geen beleidswijziging beoogd. Het [besluit van 21 januari 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027135), nr. DGB2010/372M is ingetrokken. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Uitgaven voor specifieke zorgkosten 2.1. Specifieke zorgkosten van religieuzen **Belastingplichtige, een gepensioneerd verpleegkundige, is lid van een religieuze orde. Zij heeft de gelofte van armoede afgelegd wat betekent dat alleen de orde kan beschikken over haar inkomen en vermogen. In enig jaar betaalt de orde voor behandelingen van belastingplichtige door tandarts en doktoren € 8.000. Kan belastingplichtige deze kosten als uitgaven voor specifieke zorgkosten in haar aangifte verwerken?** Nee. Omdat de orde de kosten heeft betaald, drukken deze niet op belastingplichtige. Tegenover de verplichte besteding van de inkomsten van leden van religieuze orden staat doorgaans de plicht van de orde om te voorzien in de kosten van levensonderhoud van"},{"i":911,"b":"Besluit van de directeur-generaal Herstelbeleid van het Ministerie van Financiën van 30 juli 2024 (2024-395919) houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan de Stichting Sociale Banken Nederland en de kredietbanken in het kader van schulden en herstel (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor SBN en de kredietbanken van de directeur-generaal Herstelbeleid in het kader van schulden en herstel toeslagen 2024) Gelet op de [artikelen 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.13) en[4.1 tot en met 4.4 van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=4.1); Gelet op de eerder gegeven goedkeuring van de verantwoordelijken van de Stichting Sociale Banken Nederland en de kredietbanken die werken aan de schuldenaanpak in het kader van de hersteloperatie toeslagen; Gelet op het [Besluit verlening mandaat, volmacht en machtiging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050061) van de Minister van Financiën aan de directeur-generaal Herstelbeleid in het kader van de hersteloperatie toeslagen (Stcrt. 2024, 24113); Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. **Wht:** [Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436); - c. **SBN:** Stichting Sociale Banken Nederland; - d. **Kredietbank:** een kredietbank die is aangesloten bij SBN en die is betrokken bij de afwikkeling van de hersteloperatie van de [Wht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436). Artikel 2. Ondermandaat, volmacht en machtiging Tenzi"},{"i":912,"b":"Besluit van de directeur-generaal Belastingdienst d.d. 11 augustus 2025, houdende verlening van ondermandaat betreffende de uitvoering van de Wet open overheid aangaande het directoraat-generaal Belastingdienst (Besluit ondermandaat Wet open overheid directoraat-generaal Belastingdienst) Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gelet op de [artikelen 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=4), [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=5), en [artikel 19c, eerste, tweede en derde lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=19c); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - **Woo-verzoek:** een verzoek om informatie op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). Artikel 2. Volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van volmacht en machtiging. Artikel 3. Woo-verzoeken 1. Aan de algemeen directeur FIOD wordt mandaat verleend om te besluiten op Woo-verzoeken als bedoeld in [artikel 19c, eerste lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=19c) betreffende informatie die berust bij de FIOD. Hij kan aan onder hem ressorterende medewerkers ter zake ondermandaat verlenen. 2. Aan de (plaatsvervangend) directeur Bestuurlijke en Politieke Zaken wordt ondermandaat verleend om te besluiten op: - a. andere dan de in het eerste lid bedoelde Woo-verzoeken als bedoeld in [artikel 19c, eerste lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=19c) Hij kan aan onder hem ressorterende medewerkers ter zake ondermandaat verlenen. - b. Woo-verzoeken wanneer er geen inform"},{"i":913,"b":"Besluit van de directeur-generaal Douane d.d. 22 oktober 2025, nummer 2025-0000599812, houdende verlenging van ondermandaat, volmacht en machtiging betreffende de uitvoering van de Wet open overheid op het terrein van het directoraat-generaal Douane (Besluit ondermandaat Wet open overheid directoraat-generaal Douane) Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gelet op [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=4), [artikel 5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=5), en [artikel 19c, eerste, tweede en derde lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=19c); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Woo-verzoek:** een verzoek om informatie op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). Artikel 2. Volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit Besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlenging van mandaat gelijkgesteld de verlenging van volmacht en machtiging. Artikel 3. Ondermandaat 1. Aan het afdelingshoofd Bureau Juridische Zaken wordt mandaat verleend om te besluiten op: - a. Woo-verzoeken als bedoeld in [artikel 19c, eerste lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=19c) betreffende informatie die berust bij het directoraat-generaal Douane. - b. andere dan de in het eerste lid bedoelde Woo-verzoeken als bedoeld in [artikel 19c, eerste lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=19c). 2. De ondergemandateerde, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat. Artikel 4. Bezwaar en (hoger) beroep 1. Aan de plaatsvervangend directeur-generaal Douane en het afdelingshoofd Bureau Juridische Zaken"},{"i":916,"b":"Besluit van 7 juni 2022, [nr. 2022001204] houdende instelling van het onderscheidingsteken voor bijzondere operationele inzet Nederlandse Douane Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 31 mei 2022, 2022-0000154621, directoraat-generaal Douane; Gelet op het advies van de Kanselier der Nederlandse Orden van 17 februari 2022, kenmerk KNO/2022/24862; Overwegende dat het uitreiken van een onderscheidingsteken voor bijzondere operationele inzet bijdraagt aan de waardering van de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de douanetaak, voor langdurige of veelvuldige bijzondere operationele inzet in Nederland of daarbuiten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Financiën; - b. **Douane:** het directoraat-generaal Douane; - c. **bevoegd gezag:** de directeur-generaal Douane; - d. **ambtenaar:** diegene die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat der Nederlanden werkzaam is bij het directoraat-generaal Douane; - e. **onderscheidingsteken:** het onderscheidingsteken voor bijzondere operationele inzet Nederlandse Douane, de modelonderscheiding; - f. **oorkonde:** de bij het onderscheidingsteken behorende oorkonde; - g. **miniatuurversiersel:** verkleinde versie van de modelonderscheiding; - h. **draaginsigne:** het draagteken voor een civiel tenue. Artikel 2 Er is een onderscheidingsteken voor bijzondere operationele inzet Nederlandse Douane, hierna te noemen ‘het onderscheidingsteken’. Artikel 3 1. Onze Minister kent eenmalig het onderscheidingsteken met oorkonde toe aan de ambtenaar die: - a. ten minste 6 maanden aaneengesloten operationele dienst heeft verricht in het Caribisch deel van het Nederlands Koninkrijk of in een land buiten Europa, voor of door de Douane alsmede voor andere door Onze Minister te bepalen vormen van bijzondere inzet of missies en waarvoor geen andere onderscheiding is toegekend; - b. ten minste 24 maanden operationele dienst heeft verricht"},{"i":1109,"b":"Inkomstenbelasting, Vennootschapsbelasting, Emigrerende ondernemers; staking onderneming De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Onderdeel 4 van het bestaande Besluit van 16 januari 2003, nr. CPP2002/3543M, is gedeeltelijk herschreven naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 12 december 2003, nrs. 37.490 en 38.538, V-N 2004/2.14 en 15. Verder is een aantal toevoegingen opgenomen. De wijzigingen en toevoegingen zijn voorzien van een revisiemarkering in de kantlijn. Het besluit wordt hierbij opnieuw uitgebracht. 1. Inleiding Vanuit de praktijk bereiken mij signalen dat ondernemers die de intentie hebben om hun Nederlandse onderneming te staken en een nieuwe onderneming in het buitenland te starten, daaraan voorafgaand hun (huidige) onderneming inbrengen in een BV en in samenhang daarmee handelingen verrichten die tezamen als doel (lijken te) hebben om de belastingheffing dan wel invordering in Nederland over de stakingswinst te ontgaan of deze (voor lange tijd) uit te stellen. Hierna wordt een overzicht gegeven van de standpunten die (kunnen) worden ingenomen in gevallen waarin de inbreng van de onderneming in een BV onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen en feitelijke handelingen gericht op de overdracht of liquidatie van de onderneming. 2. Grondvorm De ondernemer (vaak agrariër) wil zijn onderneming staken en in het buitenland een nieuwe onderneming starten. Teneinde belastingheffing over de stakingswinst te ontgaan of uit te stellen, wordt voorafgaand aan de staking de onderneming ruisend of geruisloos ingebracht in een BV. Deze BV verkoopt vervolgens de ingebrachte onderneming (gedeeltelijk) aan een derde. De verkoopopbrengst wordt aangewend voor de aankoop van een onderneming in het buitenland. De BV blijft voor de heffing van vennootschapsbelasting aangifte doen alsof zij nog steeds feitelijk in Nederland is gevestigd, terwijl de voormalige ondernemer (meestal) emigr"},{"i":917,"b":"Besluit onderwijsvrijstelling omzetbelasting **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 30 juli 2014, nr. BLKB2014/125M. De belangrijkste inhoudelijke wijzigingen zijn als volgt.** 1. Inleiding 1.1. Algemeen De btw-vrijstelling van [artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) (hierna: de onderwijsvrijstelling) geldt voor het verzorgen van bepaalde vormen van onderwijs. De nauw met dit vrijgestelde onderwijs samenhangende leveringen en diensten zijn ook vrijgesteld. In dit besluit komen de reikwijdte van de onderwijsvrijstelling en de ingenomen beleidsmatige standpunten op het terrein van onderwijs en btw aan de orde. 1.2. Verwerking kennisgroepantwoorden In dit besluit is het kennisgroepantwoord KG:210:2022:2 inzake elektronisch, op afstand of online verzorgd onderwijs verwerkt.1[KG:210:2022:2 Elektronisch onderwijs; onderwijsvrijstelling | Kennisgroepen (belastingdienst.nl)](https://kennisgroepen.belastingdienst.nl/publicaties/kg21020222-elektronisch-onderwijs-onderwijsvrijstelling/) 2. Gebruikte begrippen en afkortingen 3. Juridisch kader De onderwijsvrijstelling maakt een onderscheid tussen het wettelijk geregeld onderwijs en het bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen onderwijs. De vrijstelling voor het wettelijk geregeld onderwijs staat in [artikel 11, eerste lid, onderdeel o, 1°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11). De vrijstelling voor het bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen onderwijs staat in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, 2° van de wet juncto [artikel 8 van het uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=8). Deze artikelen zijn gebaseerd op artikel 132, eerste lid, onderdelen i en j, van de btw-richtlijn. De voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling voor met onderwijs nauw samenhangende prestaties zijn opgenomen"},{"i":920,"b":"Besluit van De Nederlandsche Bank N.V. van 13 november 2013, houdende ontheffing van het bepaalde in artikel 6, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 260/2012 van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 942/2009 (Besluit ontheffing niet-storneerbare incasso voor kansspelen) gelet op [artikel X van de Wijzigingswet financiële markten 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032568&artikel=X); Besluit: De Nederlandsche Bank N.V. verleent ontheffing als bedoeld in artikel 16, derde lid, van Verordening (EU) nr. 260/2012 van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 942/2009 (PbEU L 98) (‘SEPA-verordening’) van de vereisten bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de SEPA-verordening voor betalingstransacties die worden uitgevoerd op basis van de Doorlopende Machtiging Kansspelen. Deze ontheffing is van kracht tot 1 februari 2016. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar maken door binnen zes weken na de dag van bekendmaking van dit besluit een bezwaarschrift in te dienen bij: De Nederlandsche Bank N.V., ter attentie van de Divisie Juridische Zaken Afdeling Toezicht en Wetgeving, Postbus 98, 1000 AB Amsterdam. Bekendmaking van dit besluit geschiedt door plaatsing daarvan in de Staatscourant."},{"i":925,"b":"Besluit opheffing beperkingen openbaarheid archief Rapportage Indonesië Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op de verklaring van overdracht van 13 september 1994 en de daarbij behorende regeling van de openbaarheid; Gehoord de Minister van Buitenlandse Zaken; Besluit: De beperking aan de openbaarheid van het archief Ministerie van Koloniën: Rapportage Indonesië 1945–1950, toegang 2.10.29, wordt opgeheven. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":950,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 30 maart 2010, houdende de vaststelling van de tarieven genoemd in de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2009 (Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2009) gelet op [artikel 2 van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027515&artikel=2); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen d.d. 16 maart 2010. Besluit: Artikel 1 1. De heffing als bedoeld in [artikel 2 derde lid, van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027515&artikel=2), bedraagt voor het oogstjaar 2009 voor iedere onderneming waarin de teelt wordt uitgeoefend van tulpenbollen: € 0,45 per are. 2. Bedragen lager dan € 10,00 worden niet opgelegd. Artikel 2 Uitgezonderd van de areaalheffing als genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027634&artikel=1&z=2010-04-25&g=2010-04-25), zijn: | a. | opgeplante bloembollen voor de bolproductie, afkomstig van afbroei uit het meest recente broeiseizoen; | | --- | --- | | b. | bloembollen, die voor de bolproductie in Nederland, in het eerste teeltjaar, volgend op het jaar van import, waren/zijn opgeplant en afkomstig waren/zijn van import. | Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2009. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":927,"b":"Besluit opheffing beperkingen openbaarheid enige inventarisnummers archief Commissariaat Indische Zaken Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op de verklaring van overdracht van 13 september 1994 en de daarbij behorende regeling van de openbaarheid, Gehoord hebbende de Minister van Buitenlandse Zaken, Besluit: De beperking aan de openbaarheid van de inventarisnummers 2139, 2638, 2653, 2738, 2739, 2787, 2791, 3307, 3323, 3324, 3406, 3424 en 3736–3740 in het archief Ministerie van Buitenlandse Zaken/Commissariaat Indische Zaken (1980–1950), toegang 2.10.49 wordt opgeheven. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":952,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw 27 maart 2012 houdende de vaststelling van de tarieven genoemd in de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2010 (Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2011) gelet op [artikel 2 van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030442&artikel=2); gelet op de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12) en [13 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen d.d. 15 maart 2012. Besluit: Artikel 1 1. De heffing als bedoeld in [artikel 2 derde lid, van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030442&artikel=2), bedraagt voor het oogstjaar 2011 voor iedere onderneming waarin de teelt van tulpenbollen wordt uitgeoefend: € 0,40 per are. 2. Bedragen lager dan € 10,00 worden niet opgelegd. Artikel 2 Uitgezonderd van de areaalheffing als genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031546&artikel=1&z=2012-04-22&g=2012-04-22), zijn: | a. | opgeplante bloembollen voor de bolproductie, afkomstig van afbroei uit het meest recente broeiseizoen; | | --- | --- | | b. | bloembollen, die voor de bolproductie in Nederland, in het eerste teeltjaar, volgend op het jaar van import, waren/zijn opgeplant en afkomstig waren/zijn van import. | Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2011. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":929,"b":"Besluit opheffing beperkingen openbaarheid enige inventarisnummers Indisch Archief Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op de verklaring van overdracht van 13 september 1994 en de daarbij behorende regeling van de openbaarheid; Gehoord de Minister van Buitenlandse Zaken; Besluit: De beperking aan de openbaarheid van de inventarisnummers 1-62 en 66-86 van het archief Ministerie van Koloniën: Indisch Archief 1945–1950, toegang 2.10.36.15 wordt opgeheven. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":930,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 juli 2020, 2020-0000092873, tot opheffing van de commissie vergemakkelijking schadeafhandeling beroepsziekten Gelet op [artikel 4 Instellingsregeling commissie vergemakkelijking schadeafhandeling beroepsziekten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042348&artikel=4) en vaststellende dat het adviesrapport op 14 mei 2020 is opgeleverd; Besluit: Artikel 1 De commissie vergemakkelijking schadeafhandeling beroepsziekten met ingang van 15 mei 2020 op te heffen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 15 mei 2020. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1170,"b":"Loonheffingen, inkomstenbelasting, winst, vervoer; reiskostenvergoedingen, reizen per auto en openbaar vervoer De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 20 maart 2015, nr. BLKB2015/0188M (** **Stcrt. 2015, 8385** **). In het besluit is een aantal verwijzingen aangepast en zijn de niet meer van belang zijnde gedeelten van onderdeel 9 verwijderd. Onderdeel 4 bevat een verduidelijking voor situaties waarin een werkgever met terugwerkende kracht met ingang van het begin van het kalenderjaar een vaste vergoeding voor reiskosten toekent. Onderdeel 6 gaat over de afschrijving van een terbeschikkinggestelde fiets. Overigens zijn geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht.** 1. Inleiding Het besluit betreft de fiscale behandeling in de loonheffingen en inkomstenbelasting van reiskostenvergoedingen, terbeschikkingstelling van een auto of een fiets en privégebruik auto. Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 20 maart 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036449), nr. BLKB2015/0188M (Stcrt. 2015, 8385). In het besluit is een aantal verwijzingen aangepast en zijn de niet meer van belang zijnde gedeelten van [onderdeel 9](onbekend) verwijderd. Onderdeel 4 bevat een verduidelijking voor situaties waarin een werkgever met terugwerkende kracht met ingang van het begin van het kalenderjaar een vaste vergoeding voor reiskosten toekent. Onderdeel 6 gaat over de afschrijving van een terbeschikkinggestelde fiets. Overigens zijn geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht. 1.2. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Reiskostenvergoedingen algemeen Vergoedingen van reiskosten en verstrekkingen van vervoer door de werkgever zijn onder voorwaarden onbelast. Voor kosten van vervoer kan de werkgever een onbelaste vergoeding geven van maximaal € 0,19 per kilometer (hierna: € 0,19-normering) over de volledige reisafstand voor alle zakelijke kilometers die de werknemer aflegt (zie [artikel 31a, tweede"},{"i":932,"b":"Besluit opheffing openbaarheid archiefbescheiden toegang nummer 2.03.01 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de Minister-President van 10 februari 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014689) (Stcrt 2003, 42), Gehoord de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Besluit: De beperking aan de openbaarheid van de archiefbescheiden beschreven onder inventarisnummer 12356 uit het archief Ministeries voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk (AOK) en van Algemene Zaken (AZ): Kabinet van de Minister-President (KMP) Kabinet Minister-President, 1924–1979, toegang nummer 2.03.01, wordt opgeheven. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":938,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 30 november 2004, houdende de vaststelling van de bedragen van de bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2005 (Besluit PT bijzondere heffing fruit en champignons 2005) gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Verordening PT bijzondere heffing fruit en champignons 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016971&artikel=4); gehoord de Commissie voor groenten en fruit d.d. 18 november 2004; BESLUIT: Artikel 1 Voor de volgende, in het eerste lid van [artikel 4 van de Verordening PT bijzondere heffing fruit en champignons 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016971&artikel=4) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2005 als volgt vastgesteld: | Groep | Omschrijving | Bedrag | | --- | --- | --- | | 32 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van appelen | € 73,65 per ha | | 33 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van peren | € 109,63 per ha | | 34 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van klein fruit | € 310,01 per ha | | 35 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van overige pit- en steenvruchten | € 165,21 per ha | | 36 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van akkerbouwmatig geteeld fruit | € 36,72 per ha | | 60 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt onder glas van fruit | € 7,58 per are | | 75 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt van champignons | € 1,64 per m2 teeltoppervlakte | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT bijzondere heffing fruit en champignons 2005. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie"},{"i":2438,"b":"Beleidsregel indexering Ingevolge [artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Ingevolge [artikel 52, aanhef en onder e, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) worden de tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Artikel 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op tandheelkundige zorg, orthodontische zorg, huisartsenzorg en verloskundige zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. op het terrein van de tandheelkundige zorg, orthodontische zorg, huisartsenzorg en verloskundige zorg geleverd door of onder verantwoordelijkheid van beroepsbeoefenaren als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3), dan wel [34, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34). Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het vastleggen op welke wijze de NZa jaarlijks de gereguleerde tarieven voor tandheelkundige zorg, orthodontische zorg, huisartsenzorg en verloskundige zorg indexeert. Artikel 3. Begripsbepalingen Het aandeel van de arbeidskostencomponent in het gereguleerde (maximum)tarief. Het aandeel van de praktijkkosten in het gereguleerde (maximum)tarief. Het praktijkkostenbestanddeel is opgebo"},{"i":940,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 28 november 2006, houdende de vaststelling van de bedragen van de bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2007 (Besluit PT bijzondere heffing fruit en champignons 2007) Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Verordening PT bijzondere heffing fruit en champignons 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020968&artikel=4); Gehoord de Commissie voor groenten en fruit d.d. 16 november 2006; Besluit: Artikel 1 Voor de volgende, in het eerste lid van [artikel 4 van de Verordening PT bijzondere heffing fruit en champignons 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018503&artikel=4) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2007 als volgt vastgesteld: | Groep | Omschrijving | Bedrag | | --- | --- | --- | | 32 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van appelen | € 69,91 per ha | | 33 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van peren | € 104,17 per ha | | 34 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van klein fruit | € 308,95 per ha | | 34a | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van blauwe bessen | € 150,0l per ha | | 35 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van overige pit- en steenvruchten | € 164,27 per ha | | 36 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van akkerbouwmatig geteeld fruit | € 36,53 per ha | | 60 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt onder glas van fruit | € 7,53 per are | | 75 | Teeltbakken beschikbaar voor de teelt van champignons | € 0,82 per m2 teeltoppervlakte | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT bijzondere heffing fruit en champignons 2007. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie"},{"i":941,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 30 november 2004, houdenden de vaststelling van de percentages van de heffingen voor de vollegrondsgroenten voor het jaar 2005 (Besluit PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2005) gelet op [artikel 4, tweede lid van de Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016959&artikel=4) gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 18 november 2004; BESLUIT: Artikel 1 Voor de in [artikel 4, eerste lid van de Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016959&artikel=4) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2005 als volgt vastgesteld: | Groep 1 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van groen te oogsten erwten, stamsperziebonen, snijbonen en tuinbonen: | € 35,00 per ha | | --- | --- | --- | | Groep 2 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van was-, bospeen, en winterpeen: | € 40,00 per ha | | Groep 3 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van herfst-, vroege-, en bewaarkool: | € 35,00 per ha | | Groep 4 | Cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van spinazie, kroten, knolselderij, en schorseneren: | € 35,00 per ha | | Groep 5 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van spruitkool: | € 50,00 per ha | | Groep 6 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van broccoli: | € 40,00 per ha | | Groep 7 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van bloemkool: | € 30,00 per ha | | Groep 8 | Cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van prei: | € 35,00 per ha | | Groep 9 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van witlofwortel: | € 25,00 per ha | | Groep10 | Cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van sla: | € 50,00 per ha | | Groep11 | Cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van asperges: | € 95,00 per ha | | Groe"},{"i":943,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 3 juli 2007, houdenden de vaststelling van de percentages van de heffingen voor de vollegrondsgroenten voor het jaar 2007 (Besluit PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2007) Gelet op [artikel 4, tweede lid van de Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021052&artikel=4) Gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 19 juni 2007; Besluit: Artikel 1 Voor de in [artikel 4, eerste lid van de Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021052&artikel=4) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2007 als volgt vastgesteld: | Groep 1 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van groen te oogsten erwten, stamsperziebonen, snijbonen en tuinbonen: | € 12,75 per ha | | --- | --- | --- | | Groep 2 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van was-, bospeen, en winterpeen: | € 25,00 per ha | | Groep 3 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van herfst-, vroege-, en bewaarkool: | € 29,75 per ha | | Groep 4 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van spinazie, kroten, knolselderij, en schorseneren: | € 12,75 per ha | | Groep 5 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van spruitkool: | € 42,50 per ha | | Groep 6 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van broccoli: | € 21,25 per ha | | Groep 7 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van bloemkool: | € 25,50 per ha | | Groep 8 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van prei: | € 29,75 per ha | | Groep 9 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van witlofwortel: | € 25,00 per ha | | Groep 10 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van sla: | € 42,50 per ha | | Groep 11 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van asperges: | € 80,75 per ha | | Groep 12 |"},{"i":944,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 2 december 2003, houdende de vaststelling van de tarieven genoemd in de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2003 (Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2003) gelet op [artikel 2 van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015311&artikel=2); gehoord de Sectorcommissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen d.d. 18 november 2003; BESLUIT: Artikel 1 1. De heffing als bedoeld in [artikel 2 derde lid, van de verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015311&artikel=2), bedraagt voor het oogstjaar 2003 voor iedere onderneming waarin de teelt wordt uitgeoefend van: | a. | tulpenbollen: | € 0,25 per are | | --- | --- | --- | | b. | narcissenbollen: | € 0,65 per are | 2. Bedragen lager dan € 22,50, worden niet opgelegd. Artikel 2 Uitgezonderd van de areaalheffing als genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015984&artikel=1&z=2005-07-03&g=2005-07-03), zijn: - 1. opgeplante bloembollen voor de bolproductie, afkomstig van afbroei uit het meest recente broeiseizoen; en - 2. bloembollen, die voor de bolproductie in Nederland, in het eerste teeltjaar, volgend op het jaar van import, waren/zijn opgeplant en afkomstig waren/zijn van import. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2003. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":965,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 30 april 2026, nr. 2026-174, Schenk- en erfbelasting, Bedrijfsopvolgingsregeling (Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026) **De Staatssecretaris van Financiën,** **Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, hoofdstuk IIIA van de Successiewet 1956 en hoofdstuk III van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting;** **Besluit:** 1. Inleiding Dit besluit vervangt het [besluit van 17 januari 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032849), nr. BLKB2012/1221M, Stcrt 2013-2175, laatstelijk gewijzigd bij besluit op 4 juni 2024, nr. 2024-0000012721, Stcrt. 2024-13949. Het besluit bevat het beleid over de bedrijfsopvolgingsregeling voor de schenk- en erfbelasting, zoals die met ingang van 2026 is opgenomen in de [Successiewet 1956](onbekend) en de [Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027018). Voor verkrijgingen van voor 1 januari 2026 blijft het [besluit van 17 januari 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032849) van belang. De datum van de verkrijging bepaalt welke wet- en regelgeving en welk besluit van toepassing zijn. Vanwege de wijzigingen in de wet- en regelgeving over de bedrijfsopvolgingsregeling voor de schenk- en erfbelasting met ingang van 1 januari 2026 zijn de volgende onderdelen van het besluit van 17 januari 2013 achterhaald en daarom niet opgenomen in dit besluit: De [onderdelen 3.5](onbekend), [3.9](onbekend), [3.11](onbekend) en [7 van het besluit van 17 januari 2013](onbekend) zijn vanwege de gewijzigde wet- en regelgeving aangepast, waarbij de eerste drie onderdelen zijn vernummerd. Deze onderdelen hebben in dit besluit de volgende nummers: 3.3, 3.7 respectievelijk 4. De subonderdelen van onderdeel 4 hebben in dit besluit elk een eigen nummer gekregen. De [onderdelen 4](onbekend) en [6.5 van het besluit van 17 januari 2013](onbekend) zijn samengevoegd en in dit besluit"},{"i":15425,"b":"Besluit van 1 november 2001 tot vaststelling van de Vergoedingenregeling Commissie van deskundigen notariaat Op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie, van 25 oktober 2001, nr. 5127199/801; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988 (Stb. 1988, 205)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 2001. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de Commissie: de commissie van deskundigen als bedoeld in [artikel 7, tweede lid van de Wet op het Notarisambt 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=7). Artikel 2 De voorzitter en de leden van de Commissie ontvangen een vaste jaarlijkse vergoeding. Artikel 3 De vergoeding van de voorzitter wordt vastgesteld op € 7.683,–. Artikel 4 De vergoeding van de leden wordt vastgesteld op € 6.146,–. Artikel 5 De vergoeding van de plaatsvervangend leden wordt naar rato van deelname vastgesteld op een evenredig deel van de vergoeding van de leden. Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Indien de voorzitter of een lid van de Commissie niet gedurende het hele jaar de functie van voorzitter of lid bekleedt, wordt de vergoeding, genoemd in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012954&artikel=3&z=2025-11-19&g=2025-11-19) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012954&artikel=4&z=2025-11-19&g=2025-11-19) naar evenredigheid vastgesteld. Artikel 8 De voorzitter en de leden hebben recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten in het binnenland en buitenland overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 9 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 2001. Artikel 10 Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling Commissie van deskundi"},{"i":1110,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting; geruisloze omzetting artikel 3.65 Wet IB 2001; standaardvoorwaarden en toelichting **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit beleidsbesluit is een actualisering van het besluit van 30 juni 2010, nr. DGB 2010/3599M (** **Stcrt. 2010, 10512** **). Dit beleidsbesluit bevat de standaardvoorwaarden en het beleid voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting voor een geruisloze omzetting op grond van artikel 3.65 Wet IB 2001. Belangrijke wijzigingen betreffen onderdeel 3.4. en de achtste standaardvoorwaarde. De wijziging van onderdeel 3.4. betreft verruiming van de bestaande goedkeuring voor kort gezegd inbreng in een holding. In de vernieuwde achtste standaardvoorwaarde is thans de voorwaarde opgenomen die voorheen in een bijlage bij het beleidsbesluit werd gesteld aan een geruisloze omzetting met een in het buitenland woonachtige aandeelhouder. Een opsomming van alle inhoudelijke wijzigingen is opgenomen in onderdeel 1.** 1. Inleiding Op grond van [artikel 3.65 Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.65) wordt bij het omzetten van een onderneming in een in de vorm van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven onderneming op verzoek van de belastingplichtige de onderneming onder voorwaarden geacht niet te zijn gestaakt. Dit besluit bevat de door de Minister van Financiën nader te stellen geactualiseerde voorwaarden voor de toepassing van dit artikel. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin deze voorwaarden zijn opgenomen. De zogenoemde standaardvoorwaarden zijn opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051693&bijlage=1&z=2025-11-05&g=2025-11-05) bij dit besluit. In dit besluit wordt eerst de wettelijke regeling nader toegelicht, waarbij enkele goedkeuringen worden verleend. Daarna worden de standaardvoorwaarden toegelicht. In onderdeel 15 van dit b"},{"i":1176,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën van 7 april 2021, (nr. 2021-63951), houdende vaststelling van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021 Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), [artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=4), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=10), [11 tot en met 16 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=11), de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5), [5A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5A) en [5B van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5B) en het [Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076); Besluit vast te stellen het navolgende Mandaatbesluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** de Minister of de Staatssecretaris van Financiën; - b. **de staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Financiën - c. **het DGBD:** het directoraat-generaal Belastingdienst; - d. **het DGTSL:** het directoraat-generaal Toeslagen; - e. *"},{"i":1181,"b":"Memorandum van overeenstemming tussen Georgië en Nederland inzake de uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken De Staatssecretaris van Financiën maakt het volgende bekend. **Dit besluit bevat een bekendmaking van het in december 2015 tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en Georgië gesloten Memorandum van Overeenstemming inzake de uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken. Het Memorandum geeft onder meer categorieën weer voor de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen, zoals over onroerende zaken, dividenden, interest, inkomsten uit zelfstandige arbeid, salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen m.b.t. arbeid, directeursbeloningen en andere soortgelijke betalingen, inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars, pensioenen, lijfrenten, sociale zekerheidsuitkeringen en andere soortgelijke beloningen, betalingen aan studenten voor studie en opleiding, alsmede overige inkomsten.** **Het Memorandum is op 2 december 2015 in werking getreden.** De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Memorandum van Overeenkomst Memorandum van overeenkomst tussen de Belastingdienst van Georgië en het Directoraat-generaal Belastingdienst van Nederland inzake de uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken De Belastingdienst van Georgië en het Directoraat Generaal Belastingdienst van Nederland, hierna te noemen de ‘Partijen’, gelet op de wens de wederzijdse samenwerking in belastingzaken te versterken, zijn het volgende overeengekomen. Algemene bepalingen 1. Juridische basis Ingevolge de bepalingen met betrekking tot de uitwisseling van informatie van het Verdrag inzake de wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken, gesloten in Straatsburg op 25 januari 1988, zoals gewijzigd in 2010, en artikel 27 van het Verdrag tussen tussen de Regering van Georgia en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen na"},{"i":1183,"b":"Memorandum van Overeenstemming tussen Hongarije en Nederland inzake de uitwisseling van inlichtingen op het gebied van de directe belastingen De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. **Dit besluit bevat een bekendmaking van het op 21 oktober 2011 tussen de Hongaarse Nationale Belasting- en Douaneadministratie en het Directoraat-generaal Belastingdienst van Nederland gesloten Memorandum van Overeenstemming over de uitwisseling van inlichtingen op het gebied van de directe belastingen.** **Het Memorandum geeft categorieën weer voor de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen, zoals over onroerende zaken, inkomsten uit zelfstandige arbeid, inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid, directeursbeloningen, inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars, inkomsten uit pensioenen, betalingen aan studenten voor studie en opleiding en overige inkomsten. Daarnaast bevat het Memorandum bepalingen over spontane inlichtingenuitwisseling, speciale gevallen van inlichtingenuitwisseling, alsmede richtlijnen voor de aanwezigheid van ambtenaren van de ene Staat op het grondgebied van de andere Staat ten behoeve van een boekenonderzoek en voor het uitvoeren van o.a. gelijktijdige belastingcontroles.** Memorandum van Overeenstemming tussen de Hongaarse Nationale Belasting- en Douaneadministratie en het Directoraat-Generaal Belastingdienst van Nederland inzake de uitwisseling van inlichtingen op het gebied van de directe belastingen Preambule De Hongaarse Nationale Belasting- en Douaneadministratie en het Directoraat-generaal Belastingdienst van Nederland, hierna te noemen de ‘Partijen’, gelet op de wens de wederzijdse samenwerking op het gebied van de directe belastingen te versterken, zijn het volgende overeengekomen. Algemene bepalingen Artikel 1. Juridische basis Ingevolge de bepalingen van de Richtlijn van de Raad nr. 77/799/EEG van 19 december 1977 inzake wederzijdse bijstand door de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten op het gebied van de directe belas"},{"i":1103,"b":"Inkomstenbelasting, staking gehele onderneming; verrekening niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek (art. 3.76 Wet IB 2001) **Dit besluit bevat een goedkeuring waardoor de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek kan worden verrekend met de stakingswinst ingeval de ondernemer in het jaar van zijn overlijden niet voldoet aan het urencriterium.** 1. Inleiding In dit besluit wordt voor de verrekening van de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek goedgekeurd dat het urencriterium niet geldt in het jaar dat de (gehele) onderneming wordt gestaakt als gevolg van het overlijden van de ondernemer. 2. Staking en goedkeuring Met ingang van 1 januari 2010 is de toepassing van de zelfstandigenaftrek gewijzigd ([artikel 3.76 van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.76)). Het bedrag van de zelfstandigenaftrek kan sindsdien niet meer bedragen dan het bedrag van de winst. Als niet het gehele bedrag van de zelfstandigenaftrek is benut, wordt het niet gerealiseerde deel van de zelfstandigenaftrek in de volgende negen jaren onder voorwaarden verrekend. Eén van de voorwaarden is dat de ondernemer in aanmerking dient te komen voor de zelfstandigenaftrek. Om hiervoor in aanmerking te komen dient de ondernemer te voldoen aan het urencriterium van [artikel 3.6 van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.6). In het geval de staking van de onderneming het gevolg is van overlijden kan het voorkomen dat de ondernemer om die reden niet kan voldoen aan het urencriterium. Hij komt dan niet in aanmerking voor de zelfstandigenaftrek en derhalve ook niet voor de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek. Dit laatste acht ik niet wenselijk. Gelet op het vorenstaande keur ik het volgende goed. Ik keur goed dat als de ondernemer overlijdt, daardoor zijn onderneming(en) op dat tijdstip staakt en als gevolg daarvan in dat jaar niet voldoet aan het urencriterium, de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek alsnog in mindering komt op de winst b"},{"i":1186,"b":"Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving De Partijen bij dit Verdrag, Erkennende dat regeringen een aanzienlijk deel van de opbrengst van de vennootschapsbelasting mislopen als gevolg van agressieve internationale fiscale planning waardoor winst op kunstmatige wijze verschoven wordt naar plaatsen waar deze aan een niet-heffing of aan een verminderde heffing van belasting onderworpen wordt; Overwegende dat grondslaguitholling en winstverschuiving (hierna „BEPS” genoemd) niet alleen voor geïndustrialiseerde landen maar ook voor opkomende economieën en ontwikkelingslanden een dringende kwestie is; Erkennende dat het belangrijk is om ervoor te zorgen dat winst daar belast wordt waar de substantiële economische activiteiten die de winst voortbrengen uitgeoefend worden en waar waarde gecreëerd wordt; Ingenomen met het pakket maatregelen dat in het kader van het OESO/G20 BEPS-project werd uitgewerkt (hierna het „OESO/G20 BEPS-pakket” genoemd); Overwegende dat het OESO/G20 BEPS-pakket maatregelen omvat die verband houden met belastingverdragen om bepaalde constructies met hybride structuren (**hybrid mismatch arrangements**) aan te pakken, het misbruik van verdragen te voorkomen, kunstmatige ontwijking van de kwalificatie als vaste inrichting aan te pakken en geschillenbeslechting te verbeteren; Bewust van het feit dat het noodzakelijk is te waarborgen dat de BEPS-maatregelen die verband houden met belastingverdragen op een vlotte, gecoördineerde en samenhangende wijze geïmplementeerd worden in een multilaterale context; Overwegende dat het nodig is te garanderen dat bestaande verdragen tot het vermijden van dubbele belasting naar het inkomen uitgelegd worden in de zin dat ze dubbele belasting moeten vermijden voor de onder die verdragen vallende belastingen, zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel"},{"i":1187,"b":"Nederlandse uitvoeringsvoorschriften inzake het belastingverdrag Nederland-Verenigde Staten van Amerika 1992 In deze regeling worden de Nederlandse uitvoeringsvoorschriften inzake het belastingverdrag Nederland-Verenigde Staten van Amerika 1992 opnieuw vastgesteld. In deze actualisering is bepaald dat verzoeken om toepassing van de inhoudingsvrijstelling bij deelnemingsdividenden voortaan bij de Belastingdienst/ kantoor Arnhem moeten worden ingediend. De beoordeling van deze verzoeken blijft berusten bij de bevoegde vpb-inspecteur. Tevens is de geldigheid van een afgegeven beschikking beperkt tot maximaal vier jaren. Hiermee samenhangend is bepaald dat reeds bestaande beschikkingen nog maximaal vier jaren geldig blijven. Ter uitvoering van artikel 34, eerste lid, van de op 18 december 1992 te Washington tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (**Trb.** 1993, 77 en 158), zoals deze overeenkomst is gewijzigd bij het op 13 oktober 1993 te Washington gesloten Protocol (**Trb.** 1993, 184), onderscheidenlijk bij het op 8 maart 2004 te Washington gesloten Protocol (**Trb.** 2004, 166), en gelet op de regeling gepubliceerd bij mededeling van 6 augustus 2007, nr. IFZ2007/537M, **Stcrt**. 2007, 154, en de wijziging gepubliceerd bij mededeling van 19 maart 2010, nr. IFZ 2010/193 M, **Stcrt**. 2010, nr. 4769, die op grond van artikel 29 van de genoemde overeenkomst is getroffen tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika, stel ik de navolgende regeling vast met [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036213&bijlage=I&z=2018-03-29&g=2018-03-29) (formulier IB 96 USA) en [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036213&bijlage=II&z=2018-03-29&g=2018-03-29) (formulier IB 95 USA): Artikel 1. Algemeen 1. Deze regeling verstaat onder: - a. **Verdrag:** de op 18 december 1992 te Washing"},{"i":1169,"b":"Loonheffingen, inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, pensioenen; prijsgeven pensioenrechten door directeur-grootaandeelhouder i.v.m. onderdekking **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is gebaseerd op de delegatiebepaling van artikel 19b, negende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Dit besluit bevat de voorwaarden voor het verminderen van pensioenen in eigen beheer zonder dat sprake is van een prijsgeven als bedoeld artikel 19, eerste lid, onderdeel c, van deze wet.** 1. Inleiding Het prijsgeven van pensioenaanspraken kan fiscale gevolgen hebben. Betreft het een pensioenaanspraak bij een zogenoemd eigenbeheerlichaam, dan heeft het prijsgeven alleen geen gevolgen voor zover sprake is van niet voor verwezenlijking vatbare rechten (zie [artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet LB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19b)). Aanspraken zijn niet voor verwezenlijking vatbaar als er dwingende maatschappelijke redenen zijn om af te zien van de aanspraken. Dit kan het geval zijn bij faillissement, surseance van betaling of schuldsanering. Met ingang van 1 januari 2013 is aan [artikel 19b Wet LB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19b) een negende lid toegevoegd. Hierin is een uitzondering opgenomen op het eerste lid, onderdeel c, voor de situatie dat de vermogenspositie van het eigenbeheerlichaam op het moment van pensioeningang (de pensioeningangsdatum) ontoereikend is om de aangegane pensioenverplichtingen na te komen. In die situatie is eenmalig een vermindering van de door het eigenbeheerlichaam verzekerde pensioenaanspraken mogelijk zonder dat de sanctie van het eerste lid optreedt. De vermindering van pensioenaanspraken kan plaatsvinden in door de minister van Financiën aangewezen gevallen, als blijkt dat is voldaan aan de door de minister te stellen voorwaarden. Met ‘blijkt’ wordt bedoeld dat de belanghebbende dit overtuigend aantoont. Dit besluit bevat de uitwerking"},{"i":1188,"b":"Negentigprocentsregeling buitenlandse belastingplichtigen BES Treedt in werking om 0.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 5.00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 58 van de Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=58) en [artikel 22 van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=22). Artikel 2 Personen die niet in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba wonen en wiens zuiver inkomen geheel of nagenoeg geheel is onderworpen aan de heffing ingevolge de [Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281) of de [Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283) worden op hun schriftelijk verzoek aan de inspecteur als binnenlands belastingplichtig beschouwd voor de toepassing van de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=16), [16A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=16a) en [24 van de Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=24) en de hiermee overeenstemmende bepalingen van de Wet loonbelasting BES, de [Wet Algemene Ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) en de [Wet Algemene Weduwen en Wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387). Artikel 3 De inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking op het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029320&artikel=2&z=2011-01-01&g=2011-01-01) bedoelde schriftelijke verzoek. Artikel 3bis [vervallen] Artikel 4 Deze regeling kan worden aangehaald als: Negentigprocentsregeling buitenlandse belastingplichtigen BES."},{"i":945,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 30 november 2004, houdende de vaststelling van de tarieven genoemd in de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2004 (Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2004) gelet op [artikel 2 van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016683&artikel=2); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen d.d. 23 november 2004; BESLUIT: Artikel 1 1. De heffing als bedoeld in [artikel 2 derde lid, van de Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016683&artikel=2), bedraagt voor het oogstjaar 2004 voor iedere onderneming waarin de teelt wordt uitgeoefend van: | a. | tulpenbollen: | € 0,34 per are | | --- | --- | --- | 2. Bedragen lager dan € 22,50, worden niet opgelegd. Artikel 2 Uitgezonderd van de areaalheffing als genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017595&artikel=1&z=2005-06-19&g=2005-06-19), zijn: | a. | opgeplante bloembollen voor de bolproductie, afkomstig van afbroei uit het meest recente broeiseizoen; | | --- | --- | | b. | bloembollen, die voor de bolproductie in Nederland, in het eerste teeltjaar, volgend op het jaar van import, waren/zijn opgeplant en afkomstig waren/zijn van import. | Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2004. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":1171,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 12 februari 2026, nr. 2026-2493 over Loonheffingen en Inkomstenbelasting. Youngtimerregeling; besluit introduceren overgangstermijn van een jaar vanwege versoberen youngtimerregeling **De Staatssecretaris van Financiën,** **Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht;** **Besluit:** 1. Inleiding Dit besluit bevat een goedkeuring waarmee vooruitlopend op wetgeving voor een bepaalde groep belastingplichtigen die gebruikmaken van de youngtimerregeling, de verhoging van de grens naar 16 jaar tijdelijk niet geldt. Artikel 1.1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 2. Overgangstermijn versobering youngtimerregeling Artikel 2.1. Overgangstermijn ter beschikking gestelde auto [Artikel 13bis, eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, Wet LB 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=13bis) zoals dat luidde op 31 december 2025 mag gedurende het jaar 2026 worden toegepast als de auto: Artikel 2.2. Overgangstermijn ter beschikking staande auto [Artikel 3.20, eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.20) zoals dat luidde op 31 december 2025 mag gedurende het jaar 2026 worden toegepast als de auto: 3. Inwerkingtreding en vervaldatum Artikel 3.1. Inwerkingtreding en vervaldatum Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2027 of eerder indien de vorenstaande goedkeuring in de [Wet LB 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) en de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) is gecodificeerd. 4. Publicatie en ondertekening Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1198,"b":"Omzetbelasting, heffing privégebruik auto en toepassing BUA **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 11 juli 2012, nr. BLKB 2012/639M laatstelijk gewijzigd bij het besluit van 20 december 2019, nr. 2019-20734. Naast tekstuele aanpassingen zijn de belangrijkste wijzigingen als volgt. De goedkeuring in § 2.2 in geval van een van het kalenderjaar afwijkend boekjaar, is vervallen vanwege de aanpassing van artikel 13, vierde lid, Wet op de omzetbelasting 1968. Eveneens in § 2.2 is het arrest van de Hoge Raad verwerkt van 21 april 2017, nr. 15/02212, ECLI:NL:HR:2017:713. Verder is in § 2.2 verduidelijkt in welk geval toepassing van het forfait ertoe kan leiden dat méér is verschuldigd dan de in dat jaar in aftrek gebrachte btw voor de desbetreffende auto(‘s). In § 2.4 zijn de begrippen ‘gemaakte kosten’ en ‘afschrijvingskosten’ verduidelijkt. In verband met het tijdsverloop zijn § 3.2. (Verbindendheid BUA) en § 3.3. (Aftrekcorrectie voor privégebruik auto (situatie tot 1 juli 2011) vervallen.** 1. Inleiding Dit besluit gaat over de vaststelling van btw die is verschuldigd voor het privégebruik van (ook zakelijk gebruikte) auto’s. Het privégebruik auto is belast op grond van [artikel 4, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=4). Het besluit bevat onder meer een goedkeuring in § 2.2. om de wegens privégebruik verschuldigde btw per auto vast te stellen via een forfaitaire berekening. Deze goedkeuring geldt zowel voor ondernemers die zelf een auto voor privédoeleinden gebruiken als voor ondernemers die aan hun werknemers een auto mede voor privédoeleinden ter beschikking stellen. Onder gebruik voor privédoeleinden valt (zowel voor werknemers als ondernemers) ook het zogenoemde woon-werkverkeer. In onderdeel 3 wordt ingegaan op de toepassing van het [Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":1205,"b":"Omzetbelasting, ontwikkelingswerk; uitvoering van projecten in ontwikkelingslanden De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. 1. Inleiding Dit besluit bevat een goedkeuring onder voorwaarden voor de btw-heffing bij de uitvoering van projecten en werken in ontwikkelingslanden door organisaties werkzaam op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. De relevante inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van het [besluit VB89/2161](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027797) zijn: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Projecten in ontwikkelingslanden Organisaties voeren projecten uit in ontwikkelingslanden. Veelal is het de bedoeling dat, na de voltooiing ervan, het beheer over de gerealiseerde projecten wordt overgedragen aan instanties in het ontwikkelingsland. Op de volgende drie manieren worden projecten geïnitieerd/gerealiseerd: 3. Ondernemerschap en toepassing btw-nultarief Hoewel de btw een ruime toepassing kent van het begrip ‘ondernemer’ zullen organisaties tegenover BuZa niet steeds optreden als ondernemer bij de uitvoering van projecten in ontwikkelingslanden. Er is alleen sprake van ondernemerschap als een organisatie met de ontvanger van zijn prestaties een rechtsbetrekking is aangegaan op basis waarvan over en weer (tegen)prestaties worden uitgewisseld en de ontvangen vergoeding daadwerkelijk de tegenwaarde vormt voor de verrichte prestaties (vergelijk HvJ EG 3 maart 1994, Tolsma, C-16/93). Hierbij geldt overigens dat de rechtsvorm of de vestigingsplaats van de ondernemer niet van belang is voor deze toets. Als ter zake een subsidie wordt ontvangen, kan het van belang zijn om vast te stellen of deze subsidie als een vergoeding (de hiervoor bedoelde ‘tegen’prestatie) is aan te merken. Deze beoordeling is voorbehouden aan de belastinginspecteur die bevoegd is voor de desbetreffende organisatie. Als de subsidie niet kwalificeert als een vergoeding en de organisatie ontvangt ook overigens geen vergoedingen in de zin van de [wet](https:"},{"i":1208,"b":"Omzetbelasting. Toelichting snelle oplossingen btw **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit vervangt het besluit van 8 december 2020, nr. 2020-25514 Omzetbelasting. Toelichting snelle oplossingen btw, (** **Stcrt. 2020, nr. 62979** **). De wijziging heeft betrekking op onderdeel 4 (Regeling inzake voorraad op afroep). Aan onderdeel 4 wordt onderdeel 4.4. toegevoegd. In onderdeel 4.4 wordt nader ingegaan op de toepassing van de regeling voorraad op afroep na de Brexit.** Dit besluit is gewijzigd bij besluit van 21 augustus 2024, nr. 2024-9776, (Stcrt. 2024, 29783). De wijziging betreft een verduidelijking van het in onderdeel 5.1 opgenomen standpunt van de Staatssecretaris inzake de ‘bredere toepassing’ van de vereenvoudigde A-B-C-regeling als voorgestaan in onderdeel 3.6.17.2 van de ‘Toelichting over de btw-wijzigingen in de EU met betrekking tot de regeling inzake voorraad op afroep, ketentransacties en de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen van goederen’. De wijziging vloeit voort uit standpunt nr. KG:210:2024:3 (vereenvoudigde ABC; levering in keten) van de Kennisgroep Overheid, Vrijstellingen en Internationaal. 1. Inleiding Op 1 januari 2020 zijn de zogenoemde ‘snelle oplossingen’ of ‘quick fixes’ voor de btw in werking getreden. Dit zijn regels die het handelsverkeer tussen lidstaten harmoniseren en vereenvoudigen. De Europese Commissie heeft in december 2019 een toelichting1Toelichting over de btw-wijzigingen in de EU met betrekking tot de regeling inzake voorraad op afroep, ketentransacties en de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen van goederen (“snelle oplossingen van 2020”), december 2019. gegeven op de snelle oplossingen (zogenoemde explanatory notes quick fixes). In dit besluit wordt aangegeven in hoeverre deze toelichting wordt gevolgd en in welk opzicht daarvan wordt afgeweken. Verder wordt in onderdeel 4.4 aangegeven hoe de regeling inzake voorraad op afroep na de Brexit wordt toegepast do"},{"i":1308,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2003 Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 2003 tot en met 31 maart 2004 bedraagt ten hoogste 89,9. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2003. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2003. De regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1212,"b":"Omzetbelasting, vrijstelling diensten door componisten, schrijvers en journalisten De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Dit besluit is een samenvoeging van besluiten die tot op heden zijn verschenen met betrekking tot de vrijstelling voor de diensten door componisten, schrijvers en journalisten ([artikel 11, eerste lid, onderdeel q, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11)). Het besluit bevat geen inhoudelijke wijzigingen van het bestaande beleid. De samenvoeging heeft tot doel de toegankelijkheid van het bestaande beleid te vergroten. 1. Juridisch kader [Artikel 11, eerste lid, onderdeel q, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) (de Wet) luidt: Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld: [Artikel 11, eerste lid, onderdeel q, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) is gebaseerd op artikel 28, derde lid, sub b, van de Zesde richtlijn. 2. Reikwijdte van de vrijstelling De [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) bevat geen omschrijving van de begrippen “componist, schrijver en journalist”. Voor de uitleg van niet in de wet omschreven begrippen wordt veelal aangesloten bij de maatschappelijke opvattingen over dat begrip en bij de uitleg ervan in de jurisprudentie. Hierna volgt per genoemd beroep een toelichting met, voor zover van toepassing, vermelding van de terzake ingenomen beleidsstandpunten. 3. Componist Kenmerkend voor een componist is het beroepsmatig verrichten van scheppende arbeid op het gebied van de muziek, zoals het tot stand brengen van orkestwerken. Kunstenaarschap is niet vereist. Evenmin is een muziekopleiding (bijvoorbeeld het conservatorium) een absoluut vereiste. 4. Schrijver Vrijgesteld zijn de die"},{"i":1222,"b":"Opheffingsbesluit baten-lastendienst Defensie Telematica Organisatie Gelet op [artikel 8, eerste lid, van de Regeling agentschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040286&artikel=8); Besluiten: Artikel 1 De baten-lastendienst Defensie Telematica Organisatie, ingesteld bij besluit van de Minister van Defensie en de Minister van Financiën van 1 januari 1998, nr. F98000061, wordt opgeheven. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot 30 juni 2019. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Opheffingsbesluit baten-lastendienst Defensie Telematica Organisatie. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1334,"b":"Regeling tot vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1987 Gelet op [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) (Stb. 1962, 17); Besluit: Artikel 1 1. De gecorrigeerde groeivoet als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 2,6 percent. 2. Gelet op het voor 1986 geldende maximum aantal te heffen opcenten van 27,9 en de bovenvermelde gecorrigeerde groeivoet bedraagt het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 1987 tot en met 31 maart 1988 derhalve ten hoogste 28,7. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling tot vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1987. Bijlage. Toelichting berekeningswijze maximum aantal opcenten motorrijtuigenbelasting 1987 Overeenkomstig de in de brief van 8 juni 1984, nr. 484-1863 voorgestelde berekeningswijze van het maximum aantal te heffen opcenten motorrijtuigenbelasting, zoals eerder gehanteerd voor de periode 1 april 1985 tot en met 31 maart 1986, zijn in het navolgende de relevante grootheden voor de vaststelling 1987 weergegeven **(Bron: MEV 1986 resp. 1987)**: - a. verwachte nominale stijging nationaal inkomen 1987 (384,10/382,15): 0,51% - b. bijgestelde verwachte nominale stijging nationaal inkomen 1986 (382,15/373,45): 2,33% - c. oorspronkelijk verwachte nominale stijging nationaal inkomen 1986 (379,35/369,10): 2,77% De gecorrigeerde groeivoet van het nationaal inkomen voor 1987 kan derhalve worden bepaald op: 1,0051 × (1,0233 - 0,0277) -1 = 0,0007 ofwel afgerond 0,1%. Rekening houdend met het vierjaarlijkse voortschrijdend gemiddelde van de gecorrigeerde groeivoet van het nationaal inkomen kan het volgende maximum aantal te heffen opcenten voor 1987 worden v"},{"i":1228,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van 7 april 2021, (nr. 2021-63950) houdende vaststelling van het Organisatiebesluit van de Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021 Gelet op [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5), [5A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5A) en [5B van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5B) en op het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022), en gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Besluit vast te stellen het navolgende Organisatiebesluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **het ministerie:** het Ministerie van Financiën; - b. **het DGBD:** het Directoraat-Generaal Belastingdienst; - c. **het DGTSL:** het Directoraat-Generaal Toeslagen; - d. **het DGD:** het Directoraat-Generaal Douane; - e. **de minister:** de Minister van Financiën; - f. **de staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Financiën; - g. **algemene leiding DGBD:** de directeur-generaal Belastingdienst (de DGBD) en/of de plaatsvervangend directeur-generaal Belastingdienst (pDGBD); - h. **algemene leiding DGTSL:** de directeur-generaal Toeslagen (de DGTSL) en/of diens plaatsvervanger; - i. **algemene leiding DGD:** de directeur-generaal Douane (de DGD) en/of diens plaatsvervanger; - j. **pDGBD:** de plaatsvervangend directeur-generaal Belastingdienst van het cluster Dienstverlening & Operaties (D&O) en de plaatsvervangend directeur-generaal Belastingdienst van het cluster Fiscaliteit, Rechtsstatelijkheid en Strategie (FR&S); - k. **directeuren van de topstructuur DGBD:** algemeen directeuren van de doelgroepdirecties en van de clusters als"},{"i":1305,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2000 Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 2000 tot en met 31 maart 2001 bedraagt ten hoogste 76,0. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2000. 2. Deze regeling wordt aangeduid als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2000. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1233,"b":"Overdrachtsbelasting, maatstaf van heffing De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit bevat het beleid over de maatstaf van heffing voor de overdrachtsbelasting. Een aantal besluiten is geactualiseerd en samengevoegd. Het besluit bevat nieuwe onderdelen over de maatstaf van heffing en de toepassing van artikel 13 van de WBR bij transformatiebouw en doorverkoop waarbij de koper de last op zich neemt om de overdrachtsbelasting van de verkoper voor zijn rekening te nemen. Het beleid over de omzetting van lidmaatschapsrechten in appartementsrechten is vervangen door een algemene regeling.** 1. Inleiding Dit besluit bevat het beleid over de maatstaf van heffing voor de overdrachtsbelasting. Met dit besluit worden de besluiten van 13 juli 1999, nr. VB1999/01 422, 16 juni 2004, nr. CPP2004/1029M, 3 mei 2005, nr. CPP2004/3039M, [19 februari 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021369), nr. CPP2006/878M, en [7 maart 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021501), nr. CPP2006/933M, samengevoegd en geactualiseerd. Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 9 januari 2023, nr. 2023-1 (Stcrt. 2023, nr. 1102). De wijziging betreft het vervallen van onderdeel 2. In de onderdelen 3 tot en met 8 is het beleid uit het [besluit van 19 februari 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021369), nr. CPP2006/878M overgenomen. In onderdeel 3 is beleid over de maatstaf van heffing bij een veiling van een onroerende zaak opgenomen. Het onderscheid tussen algemene en bijzondere veilingvoorwaarden is vervallen. Verder ging het vorige besluit nog uit van een vast notarieel tarief. Daar is nu geen sprake meer van. In de onderdelen 4 en 4.1 is het beleid over de maatstaf van heffing bij een overdracht van een woning onder voorbehoud van een vruchtgebruik respectievelijk een vruchtgebruik met een metterwoonclausule opgenomen. Aan beide goedkeuringen is de voorwaarde toegevoegd dat de gebruiksbevoegdheden van de vruchtgebruiker niet beperkt"},{"i":1236,"b":"Overdrachtsbelasting, teruggaaf van betaalde belasting **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit vervangt het besluit van 30 augustus 2012, nr. BLKB2012/791M, en bevat het beleid over de teruggaafregeling in de overdrachtsbelasting (artikel 19 WBR) en de daarmee samenhangende vrijstelling (artikel 15, eerste lid, onderdeel r, WBR).** 1. Inleiding Op verzoek kan teruggaaf van betaalde overdrachtsbelasting worden verleend als de toestand van vóór de verkrijging zowel feitelijk als rechtens wordt hersteld als gevolg van de vervulling van een ontbindende voorwaarde, nietigheid of vernietiging of ontbinding wegens niet nakoming van een verbintenis ([artikel 19 WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=19)). Voor de verkrijging krachtens herstel als bedoeld in artikel 19 WBR kan beroep worden gedaan op de vrijstelling van [artikel 15, eerste lid, onderdeel r, WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15). Dit besluit bevat het beleid over de toepassing van de teruggaafregeling en de vrijstelling. In onderdeel 2.1 (Restitutie koopsom) zijn de voorwaarden aangepast. In voorwaarde a is niet meer opgenomen dat het te verrekenen bedrag moet zien op de waardeverandering die het gevolg is van een vestiging van een beperkt recht of huurrecht overeenkomstig [Titel 4 van Boek 7 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&titeldeel=4). Dit omdat uit jurisprudentie is gebleken dat er in geval van een tussentijdse vestiging van een beperkt recht of huurrecht, nadien geen sprake meer kan zijn van een feitelijk en rechtens herstel als bedoeld in [artikel 19 WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=19), ongeacht de wijze van restitutie.1Zie Hof Amsterdam 22 november 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:3226) bevestigd door de Hoge Raad op 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:489) en Hof Arnhem Leeuwarden 11 juni 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:CA3907), bevestigd door de Hoge Raad op 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:20"},{"i":1239,"b":"Overeenkomst inzake de belastingheffing van wegvoertuigen voor persoonlijk gebruik in internationaal verkeer De Overeenkomstsluitende Partijen, Overwegende, dat enige Europese Staten bilaterale overeenkomsten hebben gesloten of andere maatregelen hebben genomen tot invoering van een ruimer regime dan dat van het Verdrag van 30 maart 1931 nopens de belastingheffing van vreemde motorrijtuigen, Verlangende de ontwikkeling van het internationale toerisme te bevorderen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan: - a. onder „voertuigen”, alle rijwielen, alle van een mechanisch voortbewegingsmiddel voorziene wegvoertuigen, en alle aanhangwagens, bestemd om aan zodanige voertuigen te worden gekoppeld en met het voertuig zelf dan wel afzonderlijk ingevoerd, met uitzondering evenwel van voertuigen of samenstellingen van gekoppelde voertuigen, welke voor het vervoer van personen worden gebezigd en welke meer dan acht zitplaatsen hebben buiten de zitplaats van de bestuurder; - b. onder „persoonlijk gebruik”, het gebruik voor andere doeleinden dan het vervoer van personen tegen betaling, beloning of ander materieel voordeel en dan het bedrijfsmatige vervoer van goederen, al dan niet tegen betaling. Artikel 2 Voertuigen, ingeschreven op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen, en voertuigen, welke op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen in het verkeer zijn gebracht met vrijstelling van de verplichting tot inschrijving, zijn, wanneer zij voor persoonlijk gebruik tijdelijk worden ingevoerd in het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij, onder de hierna omschreven voorwaarden vrijgesteld van belastingen en heffingen, die verschuldigd zijn wegens het rijden met of het houden van voertuigen op het grondgebied van laatstbedoelde Overeenkomstsluitende Partij. De vrijstelling strekt zich niet uit tot tolgelden noch tot belastingen of heffingen op het verbruik. Artikel 3 1. D"},{"i":1331,"b":"Regeling ter uitvoering van implementatie horizontale richtlijn accijns Gelet op [artikel IV, tweede lid, van de Wet van 23 december 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026961&artikel=IV), Stb. 2009, 608; Besluit: Artikel I [Artikel III, eerste lid, van het Besluit van 23 december 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026970&artikel=III), Stb. 2009, 614, is van overeenkomstige toepassing op de overbrengingen van accijnsgoederen, bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005360&artikel=3a). Artikel II 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2010. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling ter uitvoering van implementatie horizontale richtlijn accijns. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1304,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1999 Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 1999 tot en met 31 maart 2000 bedraagt ten hoogste 72,3. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 1999. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1999. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7844,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2012 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2012 vastgesteld op 5,05%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2012. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":1247,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Federatieve Republiek Brazilië, de wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of beide Overeenkomstsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Overeenkomstsluitende Staten. 2. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn: - a. voor Brazilië: - -. the federal income tax, excluding the supplementary income tax and the tax on activities of minor importance (de federale inkomstenbelasting, uitgezonderd de aanvullende inkomstenbelasting en de belasting op activiteiten van gering belang), (hierna te noemen: „Braziliaanse belasting”); - b. voor Nederland: - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, waaronder begrepen het aandeel van de regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse Mijnwet continentaal plat 1965, - -. de dividendbelasting, (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”). 3. De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van de Overeenkomst naast"},{"i":1250,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belasting naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Italiaanse Republiek, De wens koesterende het op 24 januari 1957 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag strekkende tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen van inkomsten en van vermogen te vervangen door een nieuwe overeenkomst, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten of van de staatkundige of administratieve onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende goederen, belastingen naar het totaalbedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn in het bijzonder: - a. in het geval van Nederland: - -. de inkomstenbelasting; - -. de loonbelasting; - -. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessie"},{"i":1252,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek India tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek India, De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totaalbedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a). in Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967,"},{"i":1311,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2006 In overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 2006 tot en met 31 maart 2007 bedraagt ten hoogste 102,4. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2006. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2006. De regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1312,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2007 In overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008 bedraagt ten hoogste 105,0. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2007. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2007. De regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1310,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2005 In overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 2005 tot en met 31 maart 2006 bedraagt ten hoogste 99,0. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2005. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2005. De regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1321,"b":"Regeling navordering van accijns van benzine en dieselolie 1991 Gelet op [artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet op de accijns van minerale oliën en van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005133&artikel=I) (Stb. 1991, 344) alsmede op artikel 33b, zesde lid, van de Wet op de accijns van minerale oliën (Stb. 1964, 207); Besluit: Artikel 1 De navordering van de accijns van minerale oliën ter zake van de verhoging met ingang van 6 juli 1991 van de tarieven van de accijns van gelode lichte olie en van ongelode lichte olie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van de Wet op de accijns van minerale oliën en van gasolie en lichte stookolie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van die wet blijft achterwege indien het na te vorderen bedrag voor deze minerale oliën gezamenlijk niet meer bedraagt dan f 300. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 6 juli 1991. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling navordering van accijns van benzine en dieselolie 1991."},{"i":1319,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 1 december 2010, nr. 5677198/10/6, houdende vaststelling van het model van het legitimatiebewijs van de ambtenaar Douane- en Accijnswet BES (Regeling model legitimatiebewijs ambtenaar Douane- en Accijnswet BES) Gelet op [artikel 2.50, tweede lid, tweede volzin, van de Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.50); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Douane- en Accijnswet BES in werking treedt. Artikel 1 Het legitimatiebewijs van de ambtenaar, bedoeld in [artikel 2.50, eerste lid, van de Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.50) bevat: - a. de naam, hoedanigheid en handtekening van de ambtenaar; - b. een foto van de ambtenaar; - c. de naam, het correspondentieadres en het telefoonnummer van de organisatie of het onderdeel daarvan, waarvoor de ambtenaar werkzaam is; d. de naam, hoedanigheid en handtekening van degene, die het bewijs namens de organisatie heeft afgegeven; - e. een omschrijving van de wettelijke voorschriften, met de ter zake doende taken waarmee de ambtenaar is belast; - f. de datum en plaats van afgifte van het legitimatiebewijs, en - g. de geldigheidsduur van het legitimatiebewijs. Artikel 2 Het legitimatiebewijs bevat het logo of beeldmerk van de organisatie of het onderdeel daarvan, waarvoor de ambtenaar werkzaam is. Artikel 3 Op het legitimatiebewijs worden vermeld: legitimatiebewijs afgegeven op grond van [artikel 2.50, eerste lid, van de Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.50). Artikel 4 De foto op het legitimatiebewijs is een pasfoto, die een duidelijk en goed gelijkend beeld van de ambtenaar toont. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling model legitimatiebewijs ambtenaar Douane- en Accijnswet BES. Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de [Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.ov"},{"i":1327,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 2025-0000064050, directie Financiële Markten, tot vaststelling van het tarief voor de Wft-examens vanaf 1 april 2025 (Regeling tarief centrale examenbank Wft 2025) Gelet op [artikel 11k, derde lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=11k); BESLUIT: Artikel 1 1. Het door exameninstituten verschuldigde tarief, bedoeld in [artikel 11k, derde lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=11k), bedraagt € 85,– per afgenomen examen. 2. In afwijking van het eerste lid is geen tarief verschuldigd voor een afgenomen examen dat ongeldig is verklaard door het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening, tenzij de ongeldigheid te wijten is aan de kandidaat of het exameninstituut dat het examen heeft afgenomen. Artikel 2 De [Regeling tarief centrale examenbank Wft 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046236) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2025. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tarief centrale examenbank Wft 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7861,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2020 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op 8,25%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042817&artikel=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op 7,40%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2020. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":1266,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Griekenland tot wederzijdse vrijstelling van de belastingen op inkomsten van bepaalde voordelen, voortvloeiende uit internationale zeescheepvaart- of luchtvaartondernemingen De Koninklijke Nederlandse Regering en de Koninklijke Griekse Regering, wensende een overeenkomst te sluiten tot wederzijdse vrijstelling van de belastingen op inkomsten van bepaalde voordelen, voortvloeiende uit internationale zeescheepvaart- of luchtvaartondernemingen, zijn het volgende overeengekomen; Artikel 1 (1). De belastingen, die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken, zijn: - a. wat Nederland betreft: de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting, de ondernemingsbelasting en de omzetbelasting; - b. wat Griekenland betreft: de inkomstenbelasting, met inbegrip van de cedulaire belastingen en de algemene inkomstenbelasting, de bedrijfsbelasting en het patentrecht. (2). Deze Overeenkomst zal eveneens van toepassing zijn op alle andere soortgelijke belastingen of heffingen, die door de ene of de andere van de Overeenkomstsluitende Partijen na de ondertekening van deze Overeenkomst mochten worden ingevoerd. Artikel 2 De inkomsten voortvloeiende uit de uitoefening van internationale zeescheepvaart- of luchtvaartondernemingen, uitgeoefend door een natuurlijke persoon, die woonachtig is in, of door een maatschappij, waarvan de zetel van de werkelijke leiding zich bevindt op het grondgebied van ene van de Overeenkomstsluitende Partijen, zullen zijn vrijgesteld van de belastingen van de andere Overeenkomstsluitende Partij. De Nederlandse scheepvaart- en luchtvaartondernemingen zullen niet zijn vrijgesteld van de Griekse belasting op de voordelen, voortvloeiende uit de exploitatie van vaartuigen, welke de Griekse vlag voeren. De Griekse scheepvaart- en luchtvaartondernemingen zullen evenmin zijn vrijgesteld van de Nederlandse belasting op de voordelen voortvloeiende uit de exploitatie van vaartuigen, welke de Nederlandse"},{"i":7379,"b":"Wet van 9 oktober 2008 tot wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het geregistreerd partnerschap, de geslachtsnaam en het verkrijgen van gezamenlijk gezag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige bepalingen met betrekking tot het geregistreerd partnerschap, de geslachtsnaam en het verkrijgen van gezamenlijk gezag aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II 1. De ouder en zijn echtgenoot die overeenkomstig [artikel 253sa van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253sa), het gezamenlijk gezag over het staande hun huwelijk geboren kind uitoefenen en aan wie het afleggen van een verklaring als bedoeld in [artikel 5, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=5), door de ambtenaar van de burgerlijke stand is geweigerd, kunnen tot twee jaren na de inwerkingtreding van deze wet bepalen welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal hebben. 2. Rechtshandelingen van of jegens de ouder die niet de geregistreerde partner is, welke zijn verricht voor de inwerkingtreding van deze wet in de uitoefening van het gezamenlijk gezag over hun kind op grond van [artikel 253aa van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253aa), zijn geldig. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1269,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Thailand, De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Reikwijdte van de Overeenkomst Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a). voor Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - (1). de inkomstenbelasting, - (2). de loonbelasting, - (3). de vennootschapsbelasting, - (4). de dividendbelasting, - (5). de vermogensbelasting, - b). voor Thailand: (hierna te noemen: „Thaise belasting”). - (1). de income tax (inkomstenbelasting), - (2). de local development tax"},{"i":1349,"b":"Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting stedelijke herstructurering Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onderdeel o, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15); Besluit: Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 15, eerste lid, onderdeel o, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15). 2. Deze regeling verstaat onder: - a. wet: [Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740); - b. herstructureringsplan: een plan dat beoogt uitvoering te geven aan een activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1); - c. wijkontwikkelingsmaatschappij: een in Nederland gevestigd lichaam dat bevordering van stedelijke herstructurering ten doel heeft en dat is opgericht om uitvoering te geven aan een herstructureringsplan en dat door de Minister voor Wonen en Rijksdienst op voordracht van het college van burgemeester en wethouders als zodanig is aangewezen. Artikel 2 1. Bij de voordracht door het college van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van een lichaam als wijkontwikkelingsmaatschappij worden overgelegd: - a. een door de gemeenteraad vastgesteld herstructureringsplan; - b. een geografische kaart met de begrenzingen van het te herstructureren gebied; - c. de oprichtingsakte van de wijkontwikkelingsmaatschappij; en - d. een verklaring van het college van burgemeester en wethouders dat de wijkontwikkelingsmaatschappij daadwerkelijk is belast met de uitvoering van het herstructureringsplan, bedoeld in onderdeel a. 2. De Minister voor Wonen en Rijksdienst beslist over de aanwijzing bij voor bezwaar vatbare beschikking. 3. H"},{"i":1356,"b":"Schenk- en erfbelasting, internationale aspecten **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 15 oktober 2014, nr. BLKB2013M/1870M en bevat het beleid over voorkoming van dubbele schenk- en erfbelasting en de toepassing van de woonplaatsficties in de Successiewet 1956.** **Onderdeel 12 van het besluit van 15 oktober 2014 is vervallen omdat dit onderdeel door rechtspraak achterhaald is. Het nieuwe onderdeel 12 bevat een goedkeuring voor de toepassing van de evenredigheidsbreuk van artikel 47 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. De overige onderdelen zijn waar nodig in lijn gebracht met de huidige wet- en regelgeving.** 1. Inleiding Dit besluit actualiseert en vervangt het [besluit van 15 oktober 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035673), nr. BLKB2013M/1870M. In dit besluit is het beleid opgenomen over: Onderdeel 2 bevat een goedkeuring voor verrekening van uitstel van betaling van Belgisch Successierecht verleend op grond van artikel 79 van het Wetboek der Successierechten. De tekst is aangepast omdat deze bepaling niet langer in het Vlaamse Gewest van kracht is. Onderdeel 6 is aangevuld in verband met de inwerkingtreding van de Europese Erfrechtverordening. Onderdeel 7 is aangevuld met een onderdeel dat de behandeling voor de schenk- en erfbelasting beschrijft van een ambtenaar die werkt voor een in Nederland gevestigde internationale organisatie. [Onderdeel 12 van het oude besluit](onbekend) is vervallen. In onderdeel 12 van het oude besluit werd verondersteld dat de schenking uit een huwelijksgoederengemeenschap (economisch gezien) voor de helft wordt toegerekend aan ieder van de echtgenoten. Naar aanleiding van een uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is deze veronderstelling en daarmee dit onderdeel achterhaald.1Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 juli 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6512. In deze uitspraak heeft het gerechtshof beslist dat de enkele omstandighe"},{"i":5282,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 28 oktober 2011, nr. WJZ/11151205, houdende regels inzake de algemene overdrachtsvergunning NL005 voor demonstratie, evaluatie of expositie (Regeling algemene overdrachtsvergunning NL005) Gelet op [richtlijn 2009/43](32009L0043) van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PbEU L 146) en de [artikelen 20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=20), [25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=25), en [26, tweede lid, van het Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=26); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **besluit:** het [Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139); - –. **EORI-nummer:** het nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel 18, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie Communautair douanewetboek; - –. **gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen:** de lijst van goederen waarop het Gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie van toepassing is; - –. **inspecteur:** de directeur-generaal Douane. § 2. Algemene overdrachtsvergunning Artikel 2 1. De Minister van Buitenlandse Zaken verleent een algemene overdrachtsvergunning voor de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030607&paragraaf=2&artikel=3&z=2021-07-31&g=2021-07-31) genoemde categorieën van militaire goederen indien aan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030607&paragraaf=3&artikel=4&z=2021-07-31&g=2021-07-31) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030607&paragraaf=3&artikel=5&z=2021-0"},{"i":5274,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 september 2012, nr. 292839, houdende de aanwijzing van de Regionale Toetsingscommissie euthanasie voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bedoeld in artikel 19c van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding Gelet op [artikel 19c van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410&artikel=19c); Besluiten: Artikel 1 De Regionale commissie voor de toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding te Groningen wordt aangewezen als de bevoegde regionale commissie voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bedoeld in [artikel 19c van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410&artikel=19c). Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing van de Regionale commissie voor de toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking op 10 oktober 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5255,"b":"Regeling aanwijzing landschapselementen 1986 Gelet op [artikel 1, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003126&artikel=1), en [artikel 2 van de Regeling onderhoudsovereenkomsten landschapselementen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003126&artikel=2) (Stcrt. 1977, 182)1Laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 september 1987, nr. J. 1922, Stcrt. 174.; Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Voor een onderhoudsovereenkomst als bedoeld in de [Regeling onderhoudsovereenkomsten landschapselementen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003126) komen in aanmerking de in de volgende gebieden voorkomende en nader aangeduide landschapselementen, voor zover gelegen in de agrarische cultuurlandschappen, te weten: **in Groningen** Zuidelijk Westerkwartier – houtwallen, houtsingels, bomenrijen, boselementen, natuurelementen en kleine wateren; **in Friesland** - 1. Terschelling – houtsingels, bomenrijen, boselementen, natuurelementen en kleine wateren; - 2. Noord-Oost Friesland – houtwallen, houtsingels, hagen, boselementen, natuurelementen en kleine wateren; - 3. Gaasterland – houtwallen, houtsingels, hagen, boselementen, natuurelementen en kleine wateren; **in Drenthe** - 1. Roden-Norg – houtwallen, houtsingels, boselementen, natuurelementen en kleine wateren; - 2. Drentse Aa-gebied – houtwallen, houtsingels, boselementen, natuurelementen en kleine wateren; - 3. Zweelo-Gees – houtwallen, houtsingels, boselementen, natuurelementen en kleine wateren; - 4. Zuid-West Drenthe – houtwallen, houtsingels, boselementen, kleine wateren en natuurelementen; **in Overijssel** - 1. Noord-West Overijssel – houtwallen, houtsingels, boselementen, natuurelementen en kleine wateren; - 2. Staphorst-Rouveen – houtsingels, boselementen, natuurelementen en kleine wateren; - 3. Reest – houtwallen, houtsingels, boselementen, natuurelementen en kleine wateren; - 4. Uiterwaarden van de IJssel – houtsingels, hagen, boselementen, n"},{"i":5258,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 augustus 2007, nr. TRCJZ/2007/1221, houdende aanwijzing nationale parken (Regeling aanwijzing nationale parken) Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 Vervallen Artikel 2 1. Als nationaal park zijn aangewezen: - –. De Alde Feanen; - –. De Biesbosch; - –. Drentsche Aa; - –. Drents-Friese Wold; - –. Duinen van Texel; - –. Dwingelderveld; - –. De Groote Peel; - –. Lauwersmeer; - –. De Maasduinen; - –. De Meinweg; - –. Nieuw Land; - –. Oosterschelde; - –. De Sallandse Heuvelrug; - –. Schiermonnikoog; - –. Utrechtse Heuvelrug; - –. Weerribben-Wieden; - –. Van Gogh; - –. Zuid-Kennemerland. 2. De nationale parken, bedoeld in het eerste lid, omvatten de gebieden, zoals aangegeven op de kaarten, opgenomen in de bijlage bij deze regeling. § 2. Het overlegorgaan Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen § 3. Nationaal park in oprichting Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen § 4. Slotbepalingen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2007. Artikel 15 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing nationale parken. Bijlage Bijlage Bijlage, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022396&paragraaf=1&artikel=1&z=2009-01-01&g=2009-01-01), [artikel 5, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022396&paragraaf=2&artikel=5&z=2009-01-01&g=2009-01-01), en [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022396&paragraaf=2&artikel=8&z=2009-01-01&g=2009-01-01), van de regeling. **I Nationaal park De Alde Feanen** Aangewezen per 26 april 2006 1. Zestien leden als vertegenwoordiger van onderscheidenlijk: 2. Het secretariaat van het overlegorgaan berust bij de provincie Friesland. **II Nationaal park De Biesbosch** Aangewezen per 10 maart 1994 1. Veertien leden als vertegenwoordiger van onderschei"},{"i":7084,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en van schenkingen Het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland; De wens koesterende een Overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en van schenkingen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Reikwijdte Deze Overeenkomst is van toepassing: - (a). op nalatenschappen van en op schenkingen gedaan door personen wier woonplaats, bij hun overlijden dan wel ten tijde van de schenking in een van de Staten of in beide Staten was; - (b). op vermogensbestanddelen die zijn begrepen in vermogensrechtelijke regelingen (“settlements”), gemaakt door personen wier woonplaats ten tijde van het maken van de vermogensrechtelijke regelingen (“settlements”) in een van beide Staten was. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is (1). De belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken, zijn: - (a). in het Verenigd Koninkrijk, de „capital transfer tax” (de belasting op de overgang van vermogen) en de „inheritance tax” (de belasting van nalatenschappen) (hierna te noemen: „belasting van het Verenigd Koninkrijk”); - (b). in Nederland, het recht van successie, het recht van schenking en het recht van overgang (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”). (2). Deze Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van deze Overeenkomst naast of in plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen die in hun on"},{"i":5300,"b":"Regeling beperking openbaarheid archiefbescheiden archief Binnenlands Bestuur Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief overgebrachte archiefbescheiden van het archief Binnenlands Bestuur betreffende het Financieel Binnenlands Bestuur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 1949–1993, de volgende beperking gesteld: - 1). Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 30208-30212, 30229-30253, 30256-30260 en 30814 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen rijksarchief gehanteerde Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. Het formulier is tevens via het Internet te benaderen op de site van het Nationaal Archief. - 2). Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a). de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b). de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c). de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft tot inzage; - d). er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3). Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, in overeenstemming met het bij of krach"},{"i":1306,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2001 Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222), Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 2001 tot en met 31 maart 2002 bedraagt ten hoogste 80,0. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2001. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2001. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1360,"b":"Schenk- en erfbelasting, samentelregeling bij ongehuwde partners **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat een goedkeuring voor samentelling van schenkingen en erfrechtelijke verkrijgingen bij personen die na vijf jaar onafgebroken inschrijving op hetzelfde woonadres automatisch als elkaars partner voor de Successiewet 1956 worden aangemerkt.** 1. Inleiding Als partners allebei van dezelfde persoon een schenking krijgen, worden deze schenkingen voor de berekening van schenkbelasting behandeld als één verkrijging voor het gezamenlijke bedrag. Voor erfrechtelijke verkrijgingen uit dezelfde nalatenschap geldt een soortgelijke systematiek. Dit kan ongewenste gevolgen hebben als twee bloedverwanten die voor de [Successiewet 1956](onbekend) als elkaars partner worden aangemerkt beiden een schenking of erfenis ontvangen van eenzelfde familielid. In onderdeel 2 van dit besluit is daarom een goedkeuring opgenomen die erin voorziet dat in dergelijke gevallen schenkingen en erfrechtelijke verkrijgingen door partners niet hoeven te worden samengeteld. De goedkeuring in dit besluit wordt verleend met toepassing van [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63) (de hardheidsclausule). 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Samentelregeling bij ongehuwde partners Twee ongehuwde personen kunnen als elkaars partner voor de [Successiewet](onbekend) worden aangemerkt als zij geen samenlevingscontract hebben, maar wel vijf jaar op hetzelfde woonadres staan ingeschreven. Dit volgt uit [artikel 1a, eerste lid, onderdeel c, juncto derde lid, van de Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=1a). Als zij in die periode aan de overige voorwaarden1Beiden zijn meerderjarig, staan ingeschreven op hetzelfde woonadres, zijn geen bloedverwanten in de rechte lijn van elkaar en voldoen niet met een andere persoon aan de partnereisen. van artikel 1a, eers"},{"i":1376,"b":"Besluit van de directie van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie tot vaststelling van de tarieven, bedoeld in artikel 37, vierde lid, van de Wet implementatie EETS-richtlijn (Tariefbesluit NIWO inzake EETS) Gelet op [artikel 37, vierde lid, van de Wet implementatie EETS-richtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586&artikel=37); Gezien de goedkeuring van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 10 maart 2022, nr. IENW/BSK-2021/325033; Besluit: Artikel 1. (tarief bemiddeling) 1. Het tarief voor de kosten van de bemiddeling, bedoeld in [artikel 37, derde lid, van de Wet implementatie EETS-richtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586&artikel=37) bedraagt € 300,– ex. btw per uur. 2. Aan de tolheffer en EETS-aanbieder wordt een voorschot van € 4.800,– ex. btw in rekening gebracht. 3. De werkelijke kosten voor de bemiddeling en het totaal te betalen bedrag voor de bemiddeling worden vastgesteld op basis van nacalculatie. 4. De tolheffer en de EETS-aanbieder voldoen elke ontvangen factuur binnen 30 kalenderdagen na verzending van het betalingsverzoek. Artikel 2. (start bemiddelingsprocedure) Een bemiddelingsprocedure wordt niet eerder gestart dan nadat het daarvoor verschuldigde voorschot is ontvangen. Artikel 3. (inwerkingtreding) Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4. (citeertitel) Dit besluit wordt aangehaald als: Tariefbesluit NIWO inzake EETS. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7126,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 19 november 2013, nr. WJZ/13185763, tot het vaststellen van een selectieprocedure bij gedwongen verkoop (Regeling selectieprocedure bij gedwongen verkoop) Gelet op de [artikelen 3.16, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.16), [3.19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.19a), [7.1, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.1), [7.3, eerste lid, onderdeel d, en vierde lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.3), en [7.7a van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.7a), de [artikelen 19 tot en met 22 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=19), [artikel 3.5b, derde lid, van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=3.5b), de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=3), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=6) en [7 van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=7) en [artikel 4:93 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:93); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanvrager:** degene die een aanvraag tot verlening van toestemming als bedoeld in [artikel 3.19a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.19a) heeft ingediend; - b. **vergunning:** een vergunning als bedoeld in [artikel 3.19a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.19a), of een in het [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034216&para"},{"i":5703,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 februari 2014, 2014-0000017865, houdende voorwaarden voor de projectvoorstellen voor financiële middelen uit het Europees Globaliseringsfonds 2014–2020 (Subsidieregeling EGF 2014–2020) Gelet op artikel 21, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014–2020) en tot intrekking van [Verordening (EG) 1927/2006](32006R1927) (PbEU 2013, L347) en [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **Aanvrager:** rechtspersoon die in aanmerking wil komen voor een financiële bijdrage uit het EGF en daartoe een projectvoorstel indient bij de minister; - –. **Auditautoriteit:** Auditdienst Rijk van het ministerie van Financiën; - –. **Certificeringsautoriteit:** Certificeringsautoriteit van het ministerie van Economische Zaken; - –. **Minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. **Verordening:** Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014–2020) en tot intrekking van [Verordening (EG) 1927/2006](32006R1927) (PbEU 2013, L347); - –. **EGF:** Europees Globaliseringsfonds; - –. **Managementautoriteit:** Agentschap van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat door de minister is aangewezen als uitvoerder van deze regeling; - –. **Project:** Een gecoördineerd pakket van individuele dienstverlening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de verordening, met het doel om aan de beoogde ontslagen werknemers tegemoet te komen; - –. **Referentieperiode:** de periode waarbinnen de vereiste 500 ontslagen zijn gevallen of een periode die, wanneer er geen 500 ontslagen zijn gevallen, om uitzon"},{"i":6644,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 13 juni 2012, nr. WJZ / 12057247, houdende wijziging van de Subsidieregeling energie en innovatie alsmede wijziging van de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2012 Gelet op [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=7), [14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=14a), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=44) en [50 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=50); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling energie en innovatie. Artikel II Wijzigt de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2012. Artikel III Op subsidies die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt en op aanvragen waarop voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling nog niet is beslist blijft de [Subsidieregeling energie en innovatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026952) van toepassing zoals zij voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling luidde. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5284,"b":"Regeling van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 14 juli 2016, nr. MinBuZa.2016.387662, houdende invoering van een algemene vergunning voor levering van militaire goederen aan partijen aangesloten bij goedgekeurde overeenkomsten in het kader van het F-35 Lightning II programma (Regeling Algemene Vergunning NL009) Gelet op de [artikelen 6a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=6a), [6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=6b), [13, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=13), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=17), [artikel 20, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=20), [25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=25), en [26, van het Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=26); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **Algemene Vergunning NL009:** een algemene doorvoervergunning, een algemene uitvoervergunning of een algemene overdrachtsvergunning; - –. **besluit:** het Besluit strategische goederen; - –. **EORI-nummer:** het nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel 18, van de gedelegeerde verordening (EU) nr. 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269); - –. **gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen:** de lijst van goederen waarop Gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie van toepassing is; - –. **inspecteur:** de Algemeen Directeur Belastingdienst/Douane; - –. **de Minister:** de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; - –. **overeenkomst:** een rechtsgeldige Technical Assistance Agreement (TAA),"},{"i":1382,"b":"Tijdelijke ontheffing van periodieke trainingen in verband met uitbraak COVID-19 2020 Gelet op [artikel 6.58, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.58); BESLUIT: Artikel 1 De Minister van Infrastructuur en Waterstaat verleent vanwege de uitbraak van het virus dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt, ontheffing van: - a. [artikel 3, eerste lid, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013514&artikel=3) door de lucht voor zover het betreft deel 1, artikel 4.2.3, van de Technische Voorschriften voor periodieke trainingen die tussen 1 maart 2020 en 30 november 2020 moeten worden gevolgd; - b. [artikel 10 van de Regeling erkenning opleidingsinstellingen en examinering vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014765&artikel=10). Artikel 2 Aan de ontheffing worden de volgende voorschriften verbonden: - a. de werkgever dient er zorg voor te dragen dat de medewerkers bekend zijn met de relevante wettelijke voorschriften bij het uitvoeren van hun functie; - b. deze ontheffing geldt voor trainingen die alleen klassikaal gevolgd kunnen worden. Artikel 3 Deze ontheffing geldt gedurende vier maanden na afloop van de termijn van 24 maanden, bedoeld in deel 1, artikel 4.2.3, van de Technische Voorschriften respectievelijk vier maanden na afloop van de termijn van 24 maanden, bedoeld in [artikel 10 van de Regeling erkenning opleidingsinstellingen en examinering vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014765&artikel=10), met dien verstande dat de ontheffing in ieder geval eindigt op 30 november 2020. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijke ontheffing van periodieke trainingen in verband met uitbraak COVID-19 2020. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 maart 2020. Deze ontheffing zal met de toel"},{"i":1383,"b":"Tijdelijke Regeling Ontheffing verplichte vermelding diagnose-informatie op DBC-factuur Ingevolge [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de wijze waarop het declaratieverkeer tussen zorgaanbieder en patiënt, respectievelijk zorgverzekeraar plaatsvindt. Meer in het bijzonder is de NZa op grond van artikel 38, derde lid, onder b, Wmg, bevoegd tot het stellen van nadere regels betreffende het door zorgaanbieders specificeren van op verrichte prestaties betrekking hebbende rekeningen. 1. Reikwijdte Deze regeling is uitsluitend van toepassing op de appellanten, sub 2 en sub 3, genoemd in de uitspraak1Uitspraak CBb d.d. 8 maart 2012, AWB 11/317, 11/358 en 11/372. van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 8 maart 2012, voor zover deze appellanten handelen als vrijgevestigde psychiater of psychotherapeut en zorg leveren als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). 2. Doel van de regeling Deze regeling heeft ten doel uitvoering te geven aan de voorlopige voorziening die het CBb in de in artikel 1 bedoelde uitspraak van 8 maart 2012 heeft getroffen ten behoeve van de appellanten sub 2 en 3 genoemd in deze uitspraak. 3. Schorsing verplichtingen 4. Toepasselijkheid [Regeling Declaratiebepalingen DBC GGZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030803) Met uitzondering van de geschorste verplichtingen, genoemd in artikel 3, blijft de [Regeling Declaratiebepalingen DBC GGZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030803) (NR/CU-513) onverkort van toepassing. 5. Inwerkingtreding en citeerregel Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling ingevolge [artikel 20, tweede lid, onderdeel a,"},{"i":1381,"b":"Teruggaafregeling verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en accijns van bier Gelet op [artikel XVIII, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, van de Wet van 24 december 1993 tot wijziging van een aantal belastingwetten en van de Wet Infrastructuurfonds in het kader van het belastingplan 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006376&artikel=XVIII) (Stb. 760); Besluit: Artikel 1 1. Voor limonade als bedoeld in [artikel 9 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=9) die aan het eind van 31 maart 1994 aanwezig is in of in vervoer is naar een opslagplaats wordt op verzoek teruggaaf van de verbruiksbelasting verleend ten bedrage van f 5 per hectoliter bij een temperatuur van 20° C. 2. Voor bier als bedoeld in [artikel 6 van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=6) met een extractgehalte, uitgedrukt in percenten Plato, van minder dan 7, dat aan het eind van 31 maart 1994 aanwezig is in of in vervoer is naar een opslagplaats wordt op verzoek teruggaaf van de accijns verleend ten bedrage van f 5 per hectoliter. 3. Onder opslagplaats wordt verstaan elk gebouw of terrein waar goederen als bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid voor commerciële doeleinden voorhanden zijn. Opslagplaatsen in gebruik bij een zelfde persoon worden te zamen als één opslagplaats beschouwd. 4. Het verzoek om teruggaaf van verbruiksbelasting als bedoeld in het eerste lid en accijns als bedoeld in het tweede lid wordt door de eigenaar van de in een opslagplaats aanwezige of daarnaar toe in vervoer zijnde goederen als bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid uiterlijk 8 april 1994 bij de inspecteur ingediend. 5. De inspecteur kan op verzoek toestaan dat het verzoek om teruggaaf op een later tijdstip wordt gedaan, doch niet later dan 29 april 1994. 6. De inspecteur stelt het bedrag van de teruggaaf vast bij voor bezwaar vatbare b"},{"i":1384,"b":"Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst 2019–2022 (Digitale Inclusie) Koninklijke Bibliotheek gelet op de [artikelen 1.2, eerste lid onder a sub ii en derde lid](onbekend) en [1.4 van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2019](onbekend); besluit: vast te stellen de navolgende Tijdelijke regels subsidieverstrekking samenwerking Belastingdienst 2019–2022 (Digitale Inclusie) Koninklijke Bibliotheek. Artikel 1. Begripsbepaling - **de Bibliotheek en basisvaardigheden:** de voortzetting van het Programma Basisvaardigheden Netwerkplan 2016–2018, vastgesteld op 29 maart 2016 door de directie van de Koninklijke Bibliotheek, dat beoogt lokale bibliotheken te stimuleren activiteiten te ontplooien richting burgers om hun basisvaardigheden te verbeteren waardoor burgers beter kunnen participeren in de huidige gedigitaliseerde samenleving; - **KB:** Koninklijke Bibliotheek; - **lokale bibliotheek:** lokale bibliotheek als bedoeld in [artikel 1, onder c, van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=1); - **project Belastingdienst:** subproject binnen het programma de Bibliotheek en basisvaardigheden dat zich richt op de uitvoering van de samenwerking tussen de KB en de Belastingdienst ten behoeve van digitale inclusie van kwetsbare burgers zoals bekrachtigd door de Belastingdienst op 20 november 2018. Artikel 2. Subsidiabele activiteiten In het kader van de activiteit het aansturen van het netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen door educatie, informatie en reflectie en de uitvoering van het project Belastingdienst, subsidieert het Algemeen Bestuurscollege het faciliteren en organiseren van spreekuren van maatschappelijke dienstverleners ten behoeve van ondersteuning aan burgers bij het online regelen van belasting- en toeslagzaken. Artikel 3. Subsidieplafond 1. Het subsidieplafond is vastgesteld op € 1.360.000,– onder het voorbehoud dat de Belastingdienst voldoende financiële middelen b"},{"i":1385,"b":"Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027 (Digitale Inclusie) gelet op [artikel 1.2, tweede lid onder a sub ii en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999&artikel=1.2) en [artikel 1.4, van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999&artikel=1.4) besluit: vast te stellen de navolgende Tijdelijke regels subsidieverstrekking samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027 Artikel 1. Begripsbepaling - **AVG:** Algemene Verordening Gegevensbescherming; - **Belastingdienst:** de rijksbelastingdienst, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=2); - **Convenant:** convenant inzake samenwerking tussen de Koninklijke Bibliotheek, de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen ten behoeve van de ondersteuning van een landelijk netwerk van hulp bij belasting- en toeslagzaken 2024–2027; - **Dienst Toeslagen:** Belastingdienst/Toeslagen, het organisatieonderdeel van de rijksbelastingdienst dat is belast met het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van tegemoetkomingen als bedoeld in [artikel 3, derde lid Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=3), en [artikel 11, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=11); - **KB:** Koninklijke Bibliotheek bedoeld in [artikel 1.5, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.5) en bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=9) en [20 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=20); - **Lokale bibliotheek:** lokale bibliotheek als bedoeld in"},{"i":1387,"b":"Wet van 4 december 2013 inzake invoering van een tijdelijke heffing voor de bankensector (Tijdelijke wet resolutieheffing 2014) § 1. **Algemene bepalingen** § 1. **Algemene bepalingen** § 3. **Grondslag** § 4. **Tarief** § 2. **Belastingplicht** § 6. **Overige bepalingen** Artikel 11 Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel 12 Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. § 7. **Slotbepalingen** Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het leveren van een bijdrage door de bankensector aan de financiering van de nationalisatie van SNS REAAL wenselijk is om een tijdelijke heffing in te voeren voor banken die op 1 februari 2013 deelnamen aan het depositogarantiestelsel; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen § 3. **Grondslag** Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen § 4. **Tarief** Artikel 7 Vervallen § 5. **Wijze van heffing** Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen § 6. **Overige bepalingen** § 7. **Slotbepalingen** Artikel 13 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, en vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. [Artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034433&paragraaf=6&artikel=11&z=2015-01-01&g=2015-01-01) werkt terug tot en met 1 februari 2013. Artikel 14 Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke wet resolutieheffing 2014. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, co"},{"i":1388,"b":"Toepassing Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belasting naar het inkomen en vermogen De plv. Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Inleiding De Italiaanse autoriteiten hebben mij ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Overeenkomst met Italië geïnformeerd over een wezenlijke wijziging in de Italiaanse belastingwetgeving. Deze wijziging betreft de volgende. Irap In artikel 2, van de Overeenkomst met Italië worden de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is opgesomd. In het geval van Italië wordt in het derde lid, onderdeel b, onder andere de l'imposta locale sui redditi (de lokale inkomstenbelasting) genoemd. Per 1 januari 1998 zijn bij wettelijk decreet, nummer 446 van 15 december 1996 bepaalde Italiaanse heffingen, waaronder de l'imposta locale sui redditi (de ILOR), vervallen en vervangen door de Imposta regionale sulle attività produttive (de IRAP), een regionale belasting op productieve activiteiten. De ILOR is in wezen een gelijksoortige belasting als de IRAP. Toepassing Overeenkomst Volgens artikel 2, vierde lid, van de Overeenkomst is de Overeenkomst ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen, die na de datum van ondertekening van de Overeenkomst naast of in plaats van de bestaande belastingen worden geheven. Daar de ILOR in wezen gelijksoortig is aan de IRAP, ben ik met de met de bevoegde Italiaanse autoriteiten overeengekomen dat de IRAP te beschouwen als een belasting waarop de Overeenkomst van toepassing is. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1998."},{"i":1393,"b":"Wet van 6 november 1986, houdende verlening van toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen inzake het verlenen van toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) en de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002822); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. Toeslagenfonds: het fonds, bedoeld in [artikel 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&hoofdstuk=IV&artikel=31&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - d. loondervingsuitkering: een uitkering krachtens de verplichte verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.n"},{"i":18000,"b":"Besluit van 27 september 2010 tot aanpassing van algemene maatregelen van bestuur in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland (Aanpassingsbesluit openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2009, nr. 2009-0000735948; Gelet op de [artikelen 38, zevende lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=38), de [artikelen 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=56), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=78), [120](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=120), [121](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=121), [142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=142), [143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=143), [158, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=158), en [180, derde lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=180), de [artikelen G 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=G_6), [H 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=H_8), [I 18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=I_18), [R 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=R_6) en [Y 13, tweede lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Y_13), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028160&artikel=4), [5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028160&artikel=5), en [7, tweede lid, van de Wet rechtspositie Kustwacht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028160&artikel=7) en de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028468&artikel=7), [11, tweede en de"},{"i":2959,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 29 januari 2016, nr. 717758 houdende de aanwijzing van de leden van Commissie Evaluatie Wet herziening gerechtelijke kaart (Besluit aanwijzing leden Commissie Evaluatie Wet herziening gerechtelijke kaart) Gelet op [artikel 6, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Gelet op [artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4), Besluit: Artikel 1. (Begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **commissie:** de commissie Evaluatie Wet herziening gerechtelijke kaart. Artikel 2. (Leden) Tot leden van de commissie worden benoemd: - a. prof. dr. H.R.B.M. Kummeling, tevens voorzitter; - b. prof dr. G. de Groot; - c. dr. M. Schoenmaker; - d. prof. dr. M. Noordegraaf; - e. prof. dr. mr. J.L. de Wijkerslooth de Weerdesteyn. Artikel 3. (Vergoeding) 1. De voorzitter ontvangt een vaste vergoeding per maand. De toepasselijke salarisschaal van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) voor de voorzitter is schaal 18. De arbeidsduurfactor voor de voorzitter is 7,2/36. 2. De andere leden ontvangen per vergadering een vergoeding, voor zover zij niet vallen onder de uitzondering van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en hiermee niet het in [artikel 6, eerste lid, van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=6) bedoelde maximumbedrag overschrijden. 3. De vergoeding per vergadering van de leden bedraagt 3% van het maximum van salarisschaa"},{"i":1643,"b":"Verordening van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 26 maart 2013, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van bloembollen voor het oogstjaar 2013 (Verordening PT bestemmingsheffing teelt bloembollen oogstjaar 2013) § 1. Begripsbepalingen § 1. Begripsbepalingen § 3. Grondslag en hoogte Artikel 4 1. Aan de ondernemer die bloembollen teelt wordt een bestemmingsheffing opgelegd naar de grondslag grondgebruik. 2. Onder grondslag grondgebruik, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan de bij de onderneming behorende cultuurgrond. 3. Onder cultuurgrond, zoals bedoeld in het tweede lid, wordt mede verstaan de cultuurgrond die: - a. zaai- of pootklaar is gehuurd of gepacht; - b. als overig los land is gehuurd of gepacht; - c. om niet in gebruik is ontvangen, of - d. wordt ingezet in het kader van contractteelt zoals bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033943&paragraaf=2&artikel=2&z=2014-12-31&g=2014-12-31). 4. De bestemmingsheffing is de gemeten maat van de door de ondernemer gebruikte cultuurgrond per bloembolgewas, uitgedrukt in de genoemde eenheid, vermenigvuldigd met het genoemde tarief in euro en bedraagt voor: | Gewas | BRSnr. | Tarief | Eenh. | | --- | --- | --- | --- | | Tulp | 560 | 60 | ha | | Lelie | 558 | 60 | ha | | Narcis | 559 | 40 | ha | | Hyacint | 552 | 40 | ha | | Gladiool | 553 | 40 | ha | | Iris | 550 | 40 | ha | | Zantedeschia | 130 | 60 | ha | | Dahlia | 548 | 40 | ha | | Krokus | 578 | 40 | ha | | Overige bloembolgewassen | 562 | 40 | ha | 5. Bij het vaststellen van de heffing per gewas wordt een gedeelte van een hectare of een are afgerond tot een veelvoud van respectievelijk een are en een centiare. § 4. Vaststelling en oplegging § 5. Slotbepalingen Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 13"},{"i":7792,"b":"Besluit van 14 juni 2001, houdende wijziging van het Huursubsidiebesluit en het Besluit vangnetregeling huursubsidie (verklaring huurgegevens, verlaging kostenvergoeding, tolerantiemarge en enkele andere wijzigingen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 maart 2001, nr. MJZ2001023255, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=11), [26a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=26a), [26b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=26b), en [26f, zesde lid, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=26f); De Raad van State gehoord (advies van 3 mei 2001, nr. W08.01.0123/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 juni 2001, nr. MJZ 2001062763, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I, onderdeel A, II, III, onderdeel B, onder 2, en IV werken terug tot en met 1 januari 2001. Artikel III, onderdeel A, B, onder 1, C en G, onder 1 werkt terug tot en met 1 juli 2001. Artikel l Wijzigt het Huursubsidiebesluit. Artikel ll Artikel 2 van het Huursubsidiebesluit blijft van toepassing op de aanvraag om toekenning van huursubsidie, voorzover die aanvraag betrekking heeft op een subsidiejaar dat eindigt voor 1 juli 2002. Artikel lll Wijzigt het Besluit vangnetregeling huursubsidie. Artikel lV Voorzover de aanvraag om toekenning van huursubsidie betrekking heeft op een subsidiejaar dat eindigt voor 1 juli 2002, wordt voor de toepassing van [artikel 3, derde lid, van het Besluit vangnetregeling huursubsidie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009632&artikel=3) onder het in dat lid bedoelde tijdstip verstaan het tijdstip, bedoeld in artikel 33 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Art"},{"i":7793,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 januari 2022, kenmerk 3786249, houdende wijziging van het Instellingsbesluit Cyber Security Raad Besluit: Artikel I Wijzigt het Instellingsbesluit Cyber Security Raad. Artikel II De medevoorzitter en de leden, die op het moment van inwerkingtreding van dit besluit als vertegenwoordiger van de private sector of de wetenschap deel uitmaken van de Raad, worden, rekenend vanaf de datum waarop zij deel zijn gaan uitmaken van de Raad, geacht te zijn benoemd respectievelijk herbenoemd met inachtneming van [artikel 2a, tweede tot en met vierde lid, van het Instellingsbesluit Cyber Security Raad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031950&artikel=2a), zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van dit besluit, met dien verstande dat hun herbenoemingen telkens een duur van vier jaar geacht worden te bedragen. Artikel III Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5681,"b":"Subsidieregeling bedrijfsgebonden vaarwegaansluitingen (SBV) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3) en [4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=4); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Op aanvraag van een verlader kan de Minister ter bevordering van de modal shift van het vervoer van goederen van de weg naar het water subsidie verlenen ten behoeve van initiële of uitbreidingsinvesteringen in bedrijfsgebonden vaarwegaansluitingen, waaronder begrepen het opnieuw in gebruik nemen van in onbruik geraakte bedrijfsgebonden vaarwegaansluitingen. De subsidie kan worden verleend voor zowel investeringen in de infrastructuur als in de vast geïnstalleerde en mobiele uitrusting die nodig is voor de overslag van goederen van en naar de vaarweg. 2. De met de bedrijfsgebonden vaarwegaansluiting gemoeide totale projectkosten worden voor ten minste 50% door de subsidieaanvrager risicodragend gefinancierd. 3. Tot de totale projectkosten, bedoeld in het tweede lid, behoren de kosten van: - a. vergunningen en leges voorzover door de Minister aanvaardbaar geacht; - b. bouwrente. Deze is gelijk aan de rente van de meest recente staatslening op het moment van gunning van het werk; het bedrag en de termijn waarover de bouwrente vergoed wordt, behoeft de goedkeuring van de Minister; - c. materialen; - d. werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur; - e. bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen; - f. met het project samenhangende door de Minister redelijk geachte schadevergoedingen aan derden; - g. de krachtens de [Wet op de Omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) verschuldigde belasting voorzover die niet kan worden teruggevorderd, en - h. VAT. 4. De beoogde vaarwegaansluiting"},{"i":1650,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 10 november 2010, houdende de vaststelling van een bijzondere heffing handel groenten en fruit 2011 (Verordening PT bijzondere heffing handel groenten en fruit 2011) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 19 oktober 2010. Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | aankoopwaarde handel | : | bedrag van de door de handelaar aangekochte groenten en fruit; | | afzetorganisatie/bemiddelaar | : | natuurlijke of rechtspersoon die, voor zover niet voor eigen rekening en risico, in opdracht van of ten behoeve van telers de door hen geteelde groenten en fruit verkoopt; | | bewerken | : | handelingen waardoor van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | derde land | : | een land dat geen lid is van de Europese Unie; | | groenten en fruit | : | producten als bedoeld in [artikel 3, vierde lid, onder a en b, van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=3); | | handelen | : | aankopen van vers of bewerkt fruit (met uitzondering van slaggrondnoten en kopra) en groenten (met uitzondering van zaden van groenten) en het verkopen daarvan; | | ondernemer | : : | natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming"},{"i":4024,"b":"Besluit van 26 november 2004, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies ten behoeve van de herstructurering van bedrijventerreinen van belang voor de ruimtelijk economische hoofdstructuur (Besluit subsidies Topprojecten herstructurering bedrijventerreinen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 13 juli 2004, nr. WJZ 4044959; Gelet op [artikel 3, eerste tot en met vierde lid, van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 21 september 2004, nr. W10.04.0350/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 november 2004, nr. WJZ 4070645; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. project: een samenhangend geheel van activiteiten gericht op de verbetering van het vestigingsklimaat op een bestaand bedrijventerrein; - b. openbaar lichaam: lichaam als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8); - c. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband van twee of meer gemeenten, provincies of openbare lichamen; - d. bedrijventerrein: ruimtelijk aaneengesloten of functioneel verbonden terrein dat bestemd en geschikt is voor gebruik door vestigingen ten behoeve van handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie, daaronder niet begrepen een terrein in overwegende mate bestemd voor kantoren, detailhandel of horeca. Artikel 2 1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een project aan een provincie, een gemeente, een openbaar lichaam of een samenwerkingsverband. 2. Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn, wordt de subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag om subsidie is opgetreden"},{"i":2673,"b":"Besluit van de minister van Verkeer en Waterstaat, houdende aanwijzing van de bevoegde autoriteiten bedoeld in het Binnenvaartpolitiereglement (Beschikking aanwijzing bevoegde autoriteiten Binnenvaartpolitiereglement) Gelet op [artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement](onbekend); Besluit: Artikel 1 De bevoegde autoriteit, bedoeld in het [Binnenvaartpolitiereglement](onbekend), is: - a. de Minister van Infrastructuur en Milieu, voor [artikel 1.01, onderdeel A 8°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.01), [6.29, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=6.29), en [8.06, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=8.06). - b. de desbetreffende hoofdingenieur-directeur van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat voor de artikelen: [1.01, onderdeel A 14°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.01); [1.09, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.09); [1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.23), met uitzondering van evenementen omtrent experimenten in het kader van vergaand geautomatiseerd varen; [3.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.15); [3.20, vijfde lid, onderdelen a en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.20); [3.25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.25); [3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.27); [3.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.28); [3.29, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=3.29); [4.05, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.05); [4.06, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.06); [4.07, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=4.07); [6.08](https://wett"},{"i":4053,"b":"Besluit van 4 mei 2023 tot het nader bepalen van het toepassingsbereik van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames op het gebied van sensitieve technologie (Besluit toepassingsbereik sensitieve technologie) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 28 december 2022, nr. WJZ/ 22886674, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=4) en [8 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 maart 2023, nr. W18.22.00222/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 1 mei 2023, nr. WJZ/26940684, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Gemeenschappelijk standpunt militaire goederen en technologie:** het Gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (PbEU 2008, L 335); - **militair goed:** militair goed als bedoeld in [artikel 2 van de Uitvoeringsregeling strategische goederen 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030610&artikel=2); - **product voor tweeërlei gebruik:** product voor tweeërlei gebruik waarvan de uitvoer vergunningplichtig is op grond van artikel 3, eerste lid, van [verordening (EU) nr. 2021/821](32721R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik (PbEU 2021, L 206); - **Verordening producten voor tweeërlei gebruik:** [Verordening (EU) nr. 2021/821](3272"},{"i":3030,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 oktober 2023, nr. 2023-0000520955, tot aanwijzing van de instelling voor de melding van beroepsziekten Gelet op [artikel 9, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=9) en op [artikel 1.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=1.11); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - **NCvB:** Nederlands Centrum voor Beroepsziekten van het Amsterdam UMC te Amsterdam; - **Verordening (EG) nr. 1338/2008:** [Verordening (EG) nr. 1338/2008](32008R1338) van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk (**PbEU** 2008, L 354). Artikel 2. Aanwijzing Het NCvB wordt voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2027 aangewezen als de instelling waar arbodiensten en bedrijfsartsen melding doen van een bij een werknemer aangetoonde beroepsziekte. Artikel 3. Taken en activiteiten 1. Het NCvB is belast met: - a. de registratie van en het rapporteren over beroepsziekten, onder meer door: - 1°. het beheer, onderhoud en ontwikkelen van registratiesystemen en peilstations waarin de gegevens over beroepsziekten, genoemd in [artikel 1.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=1.11), worden verwerkt; - 2°. het verwerken, beoordelen en analyseren van meldingen van beroepsziekten; - 3°. het signaleren en monitoren van nieuwe risico’s in relatie tot beroepsziekten; - 4°. het rapporteren over de incidentie van beroepsziekten in Nederland aan de minister en de Europese Commissie (Eurostat) op grond van [Verordening (EG) nr. 1338/2008](32008R1338); - 5°. het onderhouden van intensief contact met meldingsplichtigen over het (verbeteren van het) melde"},{"i":1654,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2003, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2004 (Verordening PT bijzondere heffing teelt fruit en champignons 2004) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=15) en [19 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](onbekend); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 26 juni 2003; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het lnstellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | het productschap: | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | het bestuur: | het bestuur van het productschap; | | c. | de voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | d. | de onderneming: | onderneming waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. | de ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming drijft; | | f. | het braakland: | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld, alsmede niet beteelde gronden, waarop in juli of augustus in enig oogstjaar aardbeien zullen worden geplant en waarvan in het daaropvolgende jaar zal worden geoogst; | | g. | de cultuurgrond: | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015318&paragraaf=3&artikel=4&z=2004-12-04&g=2004"},{"i":1657,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 27 juni 2006, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2007 (Verordening PT bijzondere heffing teelt fruit en champignons 2007) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en Gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); Gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 20 juni 2006; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | het braakland: | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld, alsmede niet beteelde gronden, waarop in juli of augustus in enig oogstjaar aardbeien zullen worden geplant en waarvan in het daaropvolgende jaar zal worden geoogst; | | --- | --- | --- | | b. | de cultuurgrond: | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimediurn met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020968&paragraaf=3&artikel=4&z=2006-12-24&g"},{"i":1662,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 11 november 2009, houdende de vaststelling van een bijzondere heffing groenten en fruit teelt 2010 (Verordening PT bijzondere heffing teelt groenten en fruit 2010) gelet op de [artikelen 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 20 oktober 2009. Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | braakland | : | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld; | | contractteelt | : | de teelt van gewassen en producten ingevolge een overeenkomst waarbij het teeltrisico ligt bij de teler; | | cultuurgrond | : | beteelde grond, braakland, beschikbare oppervlakte van bakken voor de trek van witlof of van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030494&paragraaf=3&artikel=3&z=2011-09-11&g=2011-09-11) genoemde groenten en fruit kunnen worden geteeld, of in het tijdvak bedoeld in de [Regeling Landbouwtelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029777) nog niet beteelde grond waarbij een teelt voor eind augustus wordt ingezet; | | cultuurgrond | : | beteelde grond, braakland, grond die gemoeid is met het gebruik van een groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030494&paragraaf=3&artikel=3&z=2011-09-11&g=2011-09-11) genoemde groenten en fruit kunnen worden geteeld, of de ten tijde v"},{"i":1668,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 10 november 2010, houdende de vaststelling van een bijzondere heffing verduurzaamde groenten en fruit (Verordening PT bijzondere heffing verduurzaamde groenten en fruit 2011) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 19 oktober 2010. Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | bestuur | : | bestuur van het productschap; | | voorzitter | : | voorzitter van het productschap; | | secretaris | : | secretaris van het productschap; | | omzet | : | de verkoopwaarde ‘af fabriek’ van de door de fabrikant verduurzaamde groenten en fruit, met uitzondering van: pindakaas, sauzen, natte en droge soepen, aroma's, limonades, salades, kindervoeding, kant en klaarmaaltijden en vruchten- en groentesappen, niet uitgezonderd compotes en moes; | | ondernemer | : | elk afzonderlijk natuurlijk- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin fruit, groenten, of daaruit verkregen producten worden verduurzaamd; | | verduurzamen | : | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De ondernemer die een onderneming drijft waarin groenten en fruit worden verduurzaamd, is verplicht aan het productschap jaarlijks een heffing te betalen. Uit de opbrengst van deze heffing worden projecten ten behoeve van de verduurzaming van groenten en fruit gefinancierd. 2. De berekening van de heffing vindt plaats op basis van de door de ondernem"},{"i":1680,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 25 april 2006, houdende de vaststelling van aan telers van bloembollen op te leggen heffing ter bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci, voor het oogstjaar 2006 (Verordening PT heffing bestrijding Ditylenchus dipsaci oogstjaar 2006) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); Gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); Gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 31 januari 2006; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: - a. bloembollen: gele krokussen, tulpen en narcissen; - b. oogstjaar: de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 mei 2007. § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De teler van bloembollen is na een daartoe strekkend besluit van het bestuur een heffing aan het productschap verschuldigd over het oogstjaar 2006, ten behoeve van de bestrijding van de ziekte Ditylenchus dipsaci. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. 3. Uiterlijk voor 1"},{"i":1690,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 26 april 2005, houdende de vaststelling van aan exporteurs van bloembollen op te leggen heffing voor de export van bloembollen naar Japan, voor het oogstjaar 2005 (Verordening PT heffing export bloembollen naar Japan oogstjaar 2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, 15 februari 2005; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1) en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan | a. | bloembollen: | bollen of knollen van bloemgewassen; | | --- | --- | --- | | b. | oogstjaar: | de periode van 1 juni 2005 tot en met 31 mei 2006. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloembollen is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloembollen aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd ten behoeve van de financiering van de controles van de bloembollen, die naar Japan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerst"},{"i":1691,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 28 november 2006, houdende de vaststelling van aan exporteurs van bloembollen op te leggen heffing voor de export van bloembollen naar Japan, voor het oogstjaar 2006 (Verordening PT heffing export bloembollen naar Japan oogstjaar 2006) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, 6 juni 2006; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1) en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | bloembollen: | bollen of knollen van bloemgewassen; | | --- | --- | --- | | b. | oogstjaar: | de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 mei 2007. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloembollen is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloembollen aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd ten behoeve van de financiering van de controles van de bloembollen, die naar Japan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het"},{"i":7458,"b":"Wet van 14 februari 2009 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Faillissementswet in verband met de samenloop van de vordering op de boedel ingeval van noodregeling, surseance van betaling en faillissement en de aanvraag van een vergoeding op grond van de vangnetregeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) te wijzigen teneinde de samenloop van de vordering op de boedel en de aanvraag van een vergoeding op grond van de vangnetregeling in geval van een insolventieprocedure van een kredietinstelling of beleggingsonderneming, te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III Op de afhandeling van een noodregeling, surseance van betaling of faillietverklaring die is vastgesteld, verleend onderscheidenlijk uitgesproken voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het vóór dat tijdstip geldende recht van toepassing. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6961,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 18 februari 2022, kenmerk 3804584, houdende verlening van mandaat aan de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport en aanwijzing van ambtenaren voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de Wet ter Bescherming Koopvaardij Gelet op [artikel 16, eerste lid van de Wet ter Bescherming Koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=16) en [artikel 10:3 lid 1 Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; en - b. **mandaat:** bevoegdheid om in naam van de Minister besluiten te nemen. Artikel 2 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet ter Bescherming Koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278), zoals bedoeld in [artikel 16 Wet ter Bescherming Koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=16), zijn belast de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Artikel 3 1. Aan de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport wordt mandaat verleend voor: - a. het verlenen, schorsen en intrekken van een vergunning zoals bedoeld in [artikel 3 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=3) jo. [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=13) jo. [artikel 14 Wet ter Bescherming Koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=14) jo. [hoofdstuk 4 van het Besluit bescherming koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&hoofdstuk=4); - b. het verwerken van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard en gezondheidsgegevens zoals bedoeld in [artikel 14a, eerste en tweede lid van de Wet ter Bescherming Koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=14a); - c. het opleggen van bestuurlijke boetes zoals bedoeld in [artikel 17 Wet ter Bescherming Koopvaardij](https://w"},{"i":6203,"b":"Wet van 6 oktober 2005, tot aanpassing van bijzondere wetten aan de Wet dualisering gemeentebestuur (Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de bevoegdheidsverdeling in bijzondere wetten in overeenstemming te brengen met de [Wet dualisering gemeentebestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013462); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Justitie Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Wijzigt de Wet rechten burgerlijke stand. Hoofdstuk 2. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel III Wijzigt de Brandweerwet 1985. Artikel IV Wijzigt de Financiële-verhoudingswet. Artikel V Wijzigt de Wet algemene regels herindeling. Artikel Va Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel VI Wijzigt de Wet Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens. Artikel VII Wijzigt de Wet op de lijkbezorging. Artikel VIII Wijzigt de Wet Wet rampen en zware ongevallen. Artikel VIIIa Wijzigt de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen. Hoofdstuk 3. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Artikel IX Wijzigt de Archiefwet 1995. Artikel X Wijzigt de Mediawet. Artikel XI Wijzigt de Monumentenwet 1988. Artikel XIa Wijzigt de Wet beheersing huisvestingsvoorzieningen k.o.-l.o. Artikel XII Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel XIIIa Wijzigt de Wet op de Onderwijsraad. Artikel XIV Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel XV Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel XVI Wijzigt de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Artikel XVII Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Hoofdstuk 4. Ministerie van Financiën Artikel"},{"i":2683,"b":"Beschikking bescherming persoonlijke levenssfeer ingeschrevenen voor de dienstplicht Gelet op de [Aanwijzingen van de Minister-President van 7 maart 1975 (Stcrt. 50) inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met geautomatiseerde systemen, waarin persoonsgegevens zijn opgenomen, bij de Rijksoverheid](onbekend), Besluit: Artikel 1. **Begripsbepalingen** Artikel 2. Doelstelling van de registratie De doelstelling van de registratie is de bestuurlijke informatieverstrekking ten behoeve van de uitvoering van de Dienstplichtwet. Artikel 3. **In de registratie opgenomen gegevens** De registratie kan omtrent de geregistreerde ten hoogste de gegevens bevatten, die zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003187&bijlage=I&z=1978-08-01&g=1978-08-01). Artikel 4. **Verwijdering van gegevens** 1. De gegevens vermeld in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003187&bijlage=I&z=1978-08-01&g=1978-08-01) – met uitzondering van de gegevens die tevens in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003187&bijlage=II&z=1978-08-01&g=1978-08-01) zijn opgenomen-, worden na een door de houder vast te stellen termijn uit de registratie verwijderd, met dien verstande, dat na opkomst in werkelijke dienst, verklaring tot buitengewoon dienstplichtige e.d., die gegevens niet langer worden gemuteerd en uitsluitend voor statistische doeleinden worden gebruikt. 2. De gegevens vermeld in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003187&bijlage=II&z=1978-08-01&g=1978-08-01) worden behouden tot het 35e levensjaar van de geregistreerden. Artikel 5. Functionering registratie 1. De diverse bureaus van de Directie Dienstplichtzaken (inclusief de Indelingsraden) verschaffen de uitvoerders de in de registratie op te nemen gegevens, alsmede de wijzigingen die daarin dienen te worden aangebracht. 2. De uitvoerders zijn belast met de technische verwerking van de gegevens; zij doen dit overeenkomstig de voorschriften van de ho"},{"i":6973,"b":"Burgerlijk Wetboek BES Boek 4 Boek 4. Erfrecht Titel Eerste t/m Tiende Artikelen 551 t/m 857 [vervallen] Titel Elfde. Van erfopvolging bij versterf Afdeling Eerste. Algemene bepalingen Artikel 858 Erfopvolging heeft alleen door de dood plaats. Artikel 859 Indien verscheidene personen, van welke de een tot des anderen erfenis geroepen is, door een en hetzelfde ongeval, of op dezelfde dag, omkomen, zonder dat men weten kunne wie het eerst overleden zij, worden zij vermoed op hetzelfde ogenblik gestorven te zijn, en er heeft geen overgang van erfenis van de een ten behoeve van de ander plaats. Artikel 860 1. Tot de erfenis worden door de wet geroepen zij die tot de overledene in familierechtelijke betrekkingen stonden, en de langstlevende echtgenoot, volgens de hierna vastgestelde regelen. 2. Bij gebreke van zodanige personen als bedoeld in het vorige lid, vervallen de goederen aan de Staat, onder de last om de schulden te voldoen, voor zover de waarde dier goederen toereikend is. Artikel 861 1. De erfgenamen treden van rechtswege in het bezit der goederen en rechtsvorderingen van de overledene. 2. Indien er geschil ontstaat wie erfgenaam, en alzo tot dat bezit bevoegd is, kan de rechter bevelen, dat de goederen onder gerechtelijke bewaring zullen worden gesteld. 3. De Staat moet zich door de rechter doen in het bezit stellen, en is, op straffe van schadevergoeding, gehouden de nalatenschap te laten verzegelen, en een boedelbeschrijving te doen opmaken, in de vorm voor de aanvaarding van nalatenschappen onder het voorrecht van boedelbeschrijving vastgesteld. Artikel 862 1. De erfgenaam heeft een rechtsvordering tot verkrijging der erfenis tegen al degenen, die, hetzij onder die titel, of zonder titel, in het bezit zijn van de gehele nalatenschap, of van een gedeelte daarvan, mitsgaders tegen degenen, die met arglist hebben opgehouden te bezitten. 2. Hij kan deze rechtsvordering instellen voor het geheel, indien hij alleen erfgenaam is, en voor zijn aandeel, zo er meer"},{"i":4893,"b":"Mandaatbesluit personele bevoegdheden Kabinet der Koningin 1992 Overwegende, dat het wenselijk is, dat in het kader van de decentralisatie van de personeelsfunctie bevoegdheden tot het behandelen en afdoen van personeelsaangelegenheden ten aanzien van het Kabinet der Koningin worden gemandateerd aan de directeur van het Kabinet der Koningin; Besluit: Artikel 1 De directeur van het Kabinet der Koningin is bevoegd om namens de minister van Binnenlandse Zaken bevoegdheden op personeelsgebied, zoals deze zijn vermeld in de bijlage, uit te oefenen, ten aanzien van de personeelsleden werkzaam bij het Kabinet der Koningin. Artikel 2 De directeur van het Kabinet der Koningin kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden, voor zover die aan hem zijn overgedragen, geheel of gedeeltelijk overdragen aan een of meer met name aangewezen functionarissen. De overdracht van bevoegdheden geschiedt bij schriftelijk door de directeur van het Kabinet der Koningin goed te keuren besluit. Artikel 3 De uitoefening van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005411&artikel=1&z=1992-02-15&g=1992-02-15) genoemde bevoegdheden geschiedt met inachtneming van de algemene en bijzondere voor de rijksdienst vastgestelde regels, de nadere departementale regelgeving en rekening houdend met de bijzondere positie van het Kabinet der Koningin. Artikel 4 Bij de uitoefening van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005411&artikel=1&z=1992-02-15&g=1992-02-15) genoemde bevoegdheden door de directeur van het Kabinet der Koningin luidt de ondertekening van de documenten: ‘De directeur van het Kabinet der Koningin’. Indien de directeur zijn bevoegdheid heeft overgedragen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005411&artikel=2&z=1992-02-15&g=1992-02-15), luidt de ondertekening: ‘De directeur van het Kabinet der Koningin voor deze, (functie-benaming van de ondertekenaar)’. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als ‘Mandaatbesluit personel"},{"i":6032,"b":"Verdeling standplaatsen; beëindigen voorrangsbepalingen Huisvestingswet Geacht college/bestuur, Inleiding Bij de integratie van de regelgeving inzake de huisvesting van woonwagenbewoners in de [Huisvestingswet](onbekend) per 1 maart 1999, zijn op uitdrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer in die [wet](onbekend) bepalingen opgenomen ([artikel 2, derde en vierde lid, van die wet](onbekend)) op grond waarvan woonwagenbewoners tot 1 januari 2003 voorrang krijgen bij de toewijzing van standplaatsen. Reden hiervoor was de vrees dat het vervallen van het zogenoemde afstammingsbeginsel de woonwagenbewoners - door de schaarste aan nieuwe standplaatsen - in een ongunstige positie zou brengen. Zij zouden immers concurrentie vanuit de 'burgerbevolking' kunnen krijgen. Er werd toen vanuit gegaan dat de deconcentratie van de laatste regionale woonwagencentra rond 2003 zou zijn afgerond. Tot de genoemde datum is het hanteren van voorrangsregels in de huisvestingsverordening verplicht voor de gemeenten waarin een regionaal woonwagencentrum is gelegen en de gemeenten die bij de deconcentratie van deze centra een opvangrol vervullen. Ook voor de gemeenten die bij de intrekking van de [Woonwagenwet](onbekend) een substantieel tekort (van meer dan 15 standplaatsen) hadden is toepassing verplicht. De regeling heeft betrekking op personen die op basis van de [Woonwagenwet](onbekend) in aanmerking kwamen voor een zogenaamde 'verklaring van recht' (het afstammingsbeginsel) en zij die voorafgaand aan de intrekking van de [Woonwagenwet](onbekend) tenminste een jaar in een woonwagen op een standplaats hebben gewoond. Mede gelet op het feit dat de afgelopen tijd mijn departement vragen bereiken of deze voorrangsregeling zal worden verlengd, bericht ik u als volgt. Beëindiging voorrangsregeling De vorenbedoelde tijdelijke voorrangsregeling op basis van de [Huisvestingswet](onbekend) loopt met ingang van 1 januari 2003 van rechtswege af. Tijdens een overleg met de Tweede Kamer over het woonwagenb"},{"i":1695,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 30 maart 2010, houdende de vaststelling van aan exporteurs van bloembollen op te leggen heffing voor de export van bloembollen naar Japan, voor het oogstjaar 2010 (Verordening PT heffing export bloembollen naar Japan oogstjaar 2010) § 1. Begripsbepalingen § 1. Begripsbepalingen § 3. Grondslag en hoogte Artikel 4 1. De heffing die is verschuldigd wordt opgelegd naar de grondslag hoeveelheid product ten behoeve van de export naar Japan. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor: | a. | amaryllis, hyacint, lelie, narcis en tulp: | € 0,34 per 1000 stuks leverbaar; | | --- | --- | --- | | b. | gladiool en overige bloembollen: | € 0,08 per 1000 stuks leverbaar; | | c. | plantgoed van iris, lelie en tulp: | € 6,81 per 1000 kg; en | | d. | narcis-tonnegoed: | € 3,40 per 1000 kg. | § 4. Oplegging en inning § 5. Slotbepalingen gelet op de [artikelen 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, 16 maart 2010; Besluit: Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en [3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=3:1) en de werkwijze zoals beschreven in [paragraaf 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3)."},{"i":4386,"b":"Besluit van 22 april 2022 tot wijziging van het Besluit inhoud bestuursverslag in verband met de tijdelijke verplichting voor grote vennootschappen om in het bestuursverslag te rapporteren over de man-vrouwverhouding in de top en subtop en over de streefcijfers Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 22 februari 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3850482, gedaan mede namens Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [artikel 391 lid 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=391); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 maart 2022, nr. W16.22.00014/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 19 april 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3960442, uitgebracht mede namens Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit inhoud bestuursverslag. Artikel II 1. Onderdelen A en B, artikel 3d, leden 1 en 2, zijn van toepassing op een bestuursverslag dat betrekking heeft op het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2022. 2. Onderdelen B, artikelen 3d, lid 3, en C zijn van toepassing op een bestuursverslag dat betrekking heeft op het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2029. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2022, met uitzondering van onderdeel C, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2030. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1699,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 1 juli 2003, houdende de vaststelling van de aan ondernemers die bloemkwekerijproducten naar Japan exporteren op te leggen heffing voor het jaar 2004 (Verordening PT heffing export bloemkwekerijproducten Japan 2004) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14),[15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=15) en [19 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](onbekend); gehoord de Sectorcommissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 21 mei 2003; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | bloemkwekerijproducten | : | producten als omschreven in [artikel 1, tweede lid, sub d, van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2004](onbekend), en | | e. | heffingsplichtige | : | degene die ingevolge deze heffingsverordening heffing is verschuldigd. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloemkwekerijproducten is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloemkwekerijproducten aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het jaar 2004, ten behoeve van de financiering van controles van bloe"},{"i":1702,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 27 juni 2006, houdende de vaststelling van de aan ondernemers die bloemkwekerijproducten naar Japan exporteren op te leggen heffing voor het jaar 2007 (Verordening PT heffing export bloemkwekerijproducten Japan 2007) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); Gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); Gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 17 mei 2006; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1) en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | bloemkwekerijproducten: | producten als omschreven in [artikel 1, derde lid, sub a, van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022088&artikel=1); | | --- | --- | --- | | b. | heffingsplichtige: | degene die ingevolge deze heffingsverordening heffing is verschuldigd. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloemkwekerijproducten is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloemkwekerijproducten aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedo"},{"i":2603,"b":"Beleidsregels van de Minister voor Medische Zorg van 19 februari 2018, kenmerk 1296993-173358-GMT, inzake gunstbetoon als bedoeld in artikel 94 van de Geneesmiddelenwet (Beleidsregels gunstbetoon Geneesmiddelenwet 2018) De Minister voor Medische Zorg besluit de volgende beleidsregels vast te stellen met betrekking tot het begrip gunstbetoon als bedoeld in de [Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505): 1. Inleiding De beslissing tot het voorschrijven, ter hand stellen of gebruik van een geneesmiddel moet zijn gebaseerd op gezondheidsbelangen. De kwaliteit van zo’n beslissing dient niet op onwenselijke wijze te worden beïnvloed door verkoopbevorderende activiteiten. Deze gedachte heeft geleid tot regelgeving over geneesmiddelenreclame in [Richtlijn 2001/83/EG](32001L0083) van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PbEU 2001, L311) en in de [artikelen 82 tot en met 96 van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=82). De richtlijn en de [Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505) gaan onder meer over het begrip gunstbetoon. In de onderhavige beleidsregels gunstbetoon worden de inhoud en reikwijdte van het begrip gunstbetoon meer concreet gemaakt. Deze beleidsregels zullen door de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd worden gehanteerd bij het toezicht op de naleving van de reclamebepalingen van de [Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505). Onder gunstbetoon wordt verstaan het in het vooruitzicht stellen, aanbieden of toekennen van geld of op geld waardeerbare diensten of goederen met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen (zie [artikel 1, eerste lid, onder zz, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1)). De regels voor gunstbetoon zijn w"},{"i":1857,"b":"Wet van 4 oktober 1988, tot verlaging van het tarief en het op nihil stellen van de vermogensaftrek in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van een betere aanwending van middelen wenselijk is in de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) het tarief te verlagen en de vermogensaftrek op nihil te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II De vermogensaftrek en de vennootschapsbelasting over een boekjaar dat voor 1 oktober 1988 begint en op of na die datum eindigt worden, in afwijking in zoverre van de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=18) en [22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=22), berekend volgens de formules: , waarin X voorstelt: het aantal voor 1 oktober 1988 vallende dagen van het boekjaar; Y voorstelt: het aantal na 30 september 1988 vallende dagen van het boekjaar; B voorstelt: het totale aantal dagen van het boekjaar; OV voorstelt: het ondernemingsvermogen bij het begin van het boekjaar als bedoeld voor de regeling van de vermogensaftrek; To voorstelt: het tarief van de vennootschapsbelasting zoals dat tarief luidt vóór de inwerkingtreding van deze wet; Tn voorstelt: het tarief van de vennootschapsbelasting zoals dat tarief luidt na de inwerkingtreding van deze wet; G voorstelt: het belastbare bedrag of het belastbare binnenlandse bedrag. Artikel III 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 oktober 1988. 2. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004412&artikel=I&z=1988-10-01&g=1988-10-01) vindt voor het ee"},{"i":1703,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 3 juli 2007, houdende de vaststelling van de aan ondernemers die bloemkwekerijproducten naar Japan exporteren op te leggen heffing voor het jaar 2008 (Verordening PT heffing export bloemkwekerijproducten Japan 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 16 mei 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1) en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | bloemkwekerijproducten: | producten als omschreven in [artikel 1, derde lid, sub a, van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022727&artikel=1); | | --- | --- | --- | | b. | heffingsplichtige: | degene die ingevolge deze heffingsverordening heffing is verschuldigd. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloemkwekerijproducten is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloemkwekerijproducten aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in"},{"i":1704,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 1 juli 2008 houdende de vaststelling van de aan ondernemers die bloemkwekerijproducten naar Japan exporteren op te leggen heffing voor het jaar 2009 (Verordening PT heffing export bloemkwekerijproducten Japan 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 15 mei 2008; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1) en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: | a.bloemkwekerijproducten: | : producten als omschreven in [artikel 1, derde lid, sub a, van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025121&artikel=1); | | --- | --- | | b. heffingsplichtige | : degene die ingevolge deze heffingsverordening heffing is verschuldigd. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloemkwekerijproducten is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloemkwekerijproducten aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eers"},{"i":6205,"b":"Wet van 22 april 2010 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met regels over elektronisch verkeer met de bestuursrechter (Wet elektronisch verkeer met de bestuursrechter) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) regels op te nemen over het elektronisch verkeer met de bestuursrechter; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet elektronisch verkeer met de bestuursrechter. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5673,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 8 september 2025, nr. BZ2519564 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van het [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) met het oog op subsidiëring van het MKB ter ondersteuning van het toepassen van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 augustus 2029 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029 worden ingediend vanaf 1 oktober 2025, 12:00 Nederlandse tijd tot en met 31 december 2025, 15:00 uur Nederlandse tijd. 2. Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029 voor 2026 worden ingediend van 3 maart 2026, 12:00 uur Nederlandse tijd tot en met 30 juni 2026, 15:00 uur Nederlandse tijd. 3. Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes. 4. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma verantwoord ondernemen MKB 2025–2029 worden ingediend aan de hand van een door de Minister beschi"},{"i":7103,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 3 december 2013, nr. 2013-0000731182, DCB/CZW/S&B, houdende regels ter uitvoering van de Wet basisregistratie personen en het Besluit basisregistratie personen (Regeling basisregistratie personen) Gelet op [richtlijn nr. 95/46/EG](31995L0046) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281), de [artikelen 1.12, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.12), [1.15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.15), [2.21, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.21), [2.40, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.40), en [4.7, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=4.7) en de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=3), [6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=6), [9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=9), [15, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=15), [16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=16), [17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=17), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=20), [23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=23), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=32), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=38), [47, tweede, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=47), [48, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=48), [49](https://wetten.o"},{"i":5557,"b":"Registratie geïndiceerde leerlingen 1. Inleiding Met ingang van 1 augustus 2003 treedt de [regeling leerlinggebonden financiering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014350) in werking. (Wet van 28 november 2002, staatsblad 2002 nr. 631). Om voor leerlinggebonden financiering in aanmerking te komen moet betreffende leerling door de school worden aangemeld. Het formulier dat hiervoor gebruikt moet wor­den is beschikbaar met ingang van het schooljaar 2003-2004. (Zie verder hoofdstuk 4). Deze publicatie geeft informatie over het gebruik van het formulier en de procedures rond de vereiste aanmelding om voor leerlinggebonden financiering in aanmerking te komen. 2. Doelgroep Deze publicatie is bedoeld voor scholen die op basis van de nieuwe [artikelen 70a (WPO)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=70a) en [77a (WVO)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=77) aanspraak willen maken op leerlinggebonden financiering (rugzakje). Om dit te bereiken moet door de school het ’meldingsformulier voor registratie geïndiceerde leerlingen’ worden ingediend. 3. Procedure Hieronder wordt de procedure van de registratie geïndiceerde leerling geschetst met daarbij per stap enkele belangrijke aandachtspunten. 3.1. Aanvraag Het meldingsformulier dient door het bevoegd gezag te worden ingestuurd zodra de geïndiceerde leerling zich heeft ingeschreven bij de school. Indien dit formulier niet volledig of onjuist is ingevuld zal het bevoegd gezag, op grond van [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5), de gelegenheid worden geboden het meldingsformulier aan te vullen/te corrigeren. Vervolgens zal dan het meldingsformulier in behandeling kunnen worden genomen. Voor de datum van melding is de ontvangstdatum van het eerst ingezonden meldingsformulier bepalend. 3.2. Ontvangstbevestiging Na ontvangst van het meldingsformulier verstuurt Cfi binnen één week een ontvangstbevestiging aan het bevoegd gezag van de school. Hier"},{"i":7104,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 19 januari 2021 houdende nadere regels ter uitvoering van de Wet ter Bescherming Koopvaardij en het Besluit bescherming koopvaardij (Regeling bescherming koopvaardij) Gelet op de [artikelen 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=6), [eerste, derde en vierde lid, 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=8), [11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=11), [12, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=12), [13, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=13), en [17, eerste en tweede lid, van de Wet ter Bescherming Koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=17) en de [artikelen 2.2, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=2.2), [2.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=2.4), [3.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=3.2), [5.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=5.4), [5.5, derde lid, onder c, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=5.5), [5.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=5.6), [5.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=5.7), [5.8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=5.8), [5.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=5.9), [5.10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=5.10), [5.13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=5.13), [6.1, tweede lid, van het Besluit bescherming koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=6.1), Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet ter Bescherming Koopvaardij in werking treed"},{"i":7105,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 13 december 2013, nr. WJZ/13200631, houdende regels ten aanzien van de bezoldiging en de schadeloosstelling van de bij de Kamer van Koophandel werkzame functionarissen (Regeling bezoldiging en schadeloosstelling functionarissen Kamer van Koophandel) Gelet op [artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14) en de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=11) en [15 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=15); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Kamer:** de Kamer van Koophandel, bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=2); - b. **Centrale Raad:** de Centrale Raad, bedoeld in [artikel 9 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=9); - c. **regionale raad:** een regionale raad als bedoeld in [artikel 13 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=13). Artikel 2 1. Aan de leden van de Kamer wordt maandelijks een vaste bezoldiging toegekend, bestaande uit: - a. een vergoeding die gelijk is aan het salaris van salarisschaal 19 als overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn; - b. een vakantie- en een eindejaarsuitkering van respectievelijk 8% en 8,3% van het salaris; - c. een representatiekostenvergoeding voor een directeur als overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn; en - d. een pensioenbijdrage. De leden van de Kamer worden aangemeld als deelnemer bij de Stichting Pensioenfonds ABP. 2. Boven"},{"i":5645,"b":"Stimuleringsregeling Programmatische Handhaving 2001 Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) en [artikel 98 van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=98); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Ter stimulering van programmatische handhaving kan de minister aan ten hoogste tien aanvragers een bijdrage voor de uitvoering van een projectvoorstel voor de ontwikkeling van een lokaal handhavingsprogramma verlenen. 2. Er is in beginsel een bijdrage beschikbaar voor één provincie, twee waterschappen en zeven gemeenten. Artikel 3 Een bijdrage, als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012600&artikel=2&z=2001-06-27&g=2001-06-27), betreft een geldbedrag van f 100.000.-. Artikel 4 1. Een aanvraag bestaat uit een brief waarin wordt verwezen naar deze regeling, vergezeld van een projectvoorstel, als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012600&artikel=2&z=2001-06-27&g=2001-06-27), en een kopie van het besluit van het bestuursorgaan belast met het dagelijks bestuur van de aanvrager waarbij het projectvoorstel is vastgesteld. 2. Een aanvraag wordt gedaan bij het Projectbureau Handhaven op Niveau van het ministerie van Justitie. 3. In een projectvoorstel, als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012600&artikel=2&z=2001-06-27&g=2001-06-27), is opgenomen de visie van de aanvrager op de door hem voorgestane wijze van programmatische handhaving, een plan van aanpak om tot realisatie van deze visie te komen en een bijlage. Een projectvoorstel bevat tenminste deze onderdelen en is vastgesteld door het bestuursorgaan belast met het dagelijks bestuur van de aanvrager. 4. In de beschrijving van de visie van de aanvrager, genoemd in het derde lid, worden de volgende elementen opgenomen: - a. de beleidscontext waar binnen hand"},{"i":5585,"b":"Richtlijn Opiumwet, harddrugs 5.18 **Toelichting:** **De wetswijziging uit 2006 is verwerkt, waarbij – analoog aan de verbodsbepaling voor softdrugs – het bestanddeel ‘telen’ is toegevoegd aan de verbodsbepaling voor harddrugs en waarbij opzet op het aanwezig hebben van harddrugs als strafverzwarende factor is opgenomen.** Beschrijving Deze richtlijn ziet op overtreding van [art. 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=2) in verband met de [artt. 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=10) en [10a van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=10a). De verboden hebben betrekking op het opzettelijk aanwezig hebben, het verhandelen, de productie en het grensoverschrijdende transport van harddrugs, alsmede het op bepaalde wijze bevorderen en/of voorbereiden van die verboden handelingen. Onder harddrugs wordt in deze richtlijn verstaan: middelen van [lijst I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&bijlage=I) en stoffen die aangewezen zijn bij Algemene maatregel van bestuur overeenkomstig [art. 2, lid 2 van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=2). Bij de beoordeling van de basisdelicten dient, naast het soort handeling, het gewicht van de harddrugs als beoordelingsfactor te worden beschouwd. In geval van het verhandelen en/of afleveren van harddrugs kan ook de handelsperiode een rol spelen. Gezien de ernst van de delicten wordt in bijna alle gevallen gedagvaard. Aard van de richtlijn Bijzondere wetten Basisdelicten Wettekst Basisdelict aanwezig hebben harddrugs 5.18.01 Beschrijving Dit basisdelict heeft betrekking op het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. Toepasselijk kader [Aanwijzing Kader voor strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029177) Basispunten 10 punten Strafbeschikking Nee Basisfactoren Gewicht aan harddrugs aanwezig of bij voorbereiden handel/productie Aantal pillen harddrugs aanwezig of bij voorbereiden handel/productie Delicts"},{"i":7114,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 12 december 2014, nr. 591110, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken Gelet op [artikel 11:2, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=11:2) en [artikel 2 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel III Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel IV 1. [Artikel 4:113 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:113) zoals dat artikel luidde vóór 1 januari 2015 blijft van toepassing indien de aanmaning betrekking heeft op een vóór die datum ontstane betalingsverplichting. 2. [Artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:41) zoals dat lid luidde vóór 1 januari 2015 blijft van toepassing indien het beroepschrift vóór die datum is ontvangen. Indien de eerste volzin van toepassing is en na 2014 een ander beroepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen hetzelfde besluit, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere beroepschrift. 3. [Artikel 8:109, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:109) zoals dat lid luidde vóór 1 januari 2015 blijft van toepassing indien het hogerberoepschrift vóór die datum is ontvangen. Indien de eerste volzin van toepassing is en na 2014 een ander hogerberoepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen dezelfde uitspraak, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere hogerberoepschrift. 4. [Onderdeel d van artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006358&artikel=2), en [onderdeel B van de bijlage bij het"},{"i":5612,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA dierlijke bijproducten (IB03-SPEC 33, versie 04) De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Doel en toepassingsgebied Het Specifiek interventiebeleid NVWA dierlijke bijproducten beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03) de interventiegrenzen voor specifieke overtredingen binnen het werkterrein dierlijke bijproducten en geeft per overtreding nadere invulling aan het hiervoor genoemde algemeen interventiebeleid. Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in dit IB03-SPEC 33 zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven, teneinde een klasseindeling en een interventie te bepalen. 2. Definities en wettelijke basis 2.1. Definities en afkortingen Voor de algemene definities wordt verwezen naar het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215). 2.2. Wettelijke Basis De wettelijke basis voor het Specifiek interventiebeleid NVWA dierlijke bijproducten is: 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van de overtreding Overtredingen worden ingedeeld naar de klassen zoals gedefinieerd in het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wette"},{"i":1709,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2004, houdende regels ter zake van de aan ondernemers, die groenten en fruit naar Japan en Taiwan exporteren, op te leggen heffing voor het jaar 2005 (Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 24 juni 2004; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | het productschap: | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | de voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | c. | het bestuur: | het bestuur van het productschap; | | d. | de heffingsplichtige: | degene die ingevolge deze heffingsverordening heffing is verschuldigd. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van groenten en fruit is over de door hem naar Japan en Taiwan uitgevoerde groenten en fruit aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het kalenderjaar 2005, ten behoeve van de financiering van controles van groenten en fruit die naar Japan en Taiwan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd big wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. Artikel 3 1. Ter uitvoering van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016969&par"},{"i":1710,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 28 juni 2005, houdende regels ter zake van de aan ondernemers, die groenten en fruit naar Japan en Taiwan exporteren, op te leggen heffing voor het jaar 2006 (Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2006) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 7 juni 2005; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van groenten en fruit is over de door hem naar Japan en Taiwan uitgevoerde groenten en fruit aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het kalenderjaar 2006, ten behoeve van de financiering van controles van groenten en fruit die naar Japan en Taiwan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. Artikel 3 1. Ter uitvoering van [artikel 2](https://wetten.overhei"},{"i":1711,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2007, houdende regels ter zake van de aan ondernemers, die groenten en fruit naar Japan en Taiwan exporteren, op te leggen heffing voor het jaar 2007 (Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2007) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 20 juni 2006; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van groenten en fruit is over de door hem naar Japan en Taiwan uitgevoerde groenten en fruit aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het kalenderjaar 2007, ten behoeve van de financiering van controles van groenten en fruit die naar Japan en Taiwan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. Artikel 3 1. Ter uitvoering van [artikel 2](https://wetten.overhei"},{"i":7060,"b":"Overeenkomst inzake internationale uitwisseling van gegevens op het gebied van de burgerlijke stand De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat en de Republiek Turkije, leden van de Internationale Commissie voor de burgerlijke stand, wensende in gemeenschappelijk overleg een regeling te treffen inzake internationale uitwisseling van gegevens op het gebied van de burgerlijke stand, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Iedere ambtenaar van de burgerlijke stand, die zijn ambt op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Staten uitoefent, dient, wanneer hij een huwelijks- of overlijdensakte verlijdt of overschrijft, van die akte kennis te geven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de geboorteplaats van elk der echtgenoten of van de overledene, indien deze plaats op het grondgebied van een van de andere Overeenkomstsluitende Staten is gelegen. Iedere Staat behoudt zich evenwel het recht voor om als voorwaarde voor toezending van de kennisgeving te stellen, dat deze betrekking heeft op een onderdaan van de Staat, voor welke het stuk bestemd is. Artikel 2 Voor de kennisgevingen worden de aan deze Overeenkomst gehechte modellen gebezigd. De te verstrekken gegevens worden in de hiervoor opengelaten ruimten op het formulier ingevuld, en wel de tekst in Latijnse letters, de geslachtsnamen en plaatsnamen in hoofdletters; de data dienen in Arabische cijfers te worden vermeld, evenals de maanden, naar hun volgorde in het jaar. Wanneer de autoriteit, die de kennisgeving opstelt, niet beschikt over een te verstrekken gegeven, wordt in de opengelaten ruimte een streep geplaatst. De kennisgeving dient door de ambtenaar van de burgerlijke stand te worden ondertekend en van zijn stempel te worden voorzien. De kennisgeving wordt binnen acht dagen na de datum van het verlijden of overschrijven van de akte rechtstreeks per post verzon"},{"i":1713,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 11 november 2008, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van glasgroenten en fruit voor het jaar 2009 (Verordening PT heffing glasgroenten en fruit 2009) § 1. Begripsbepalingen § 1. Begripsbepalingen § 3. Grondslag en hoogte Artikel 3 De heffing die is verschuldigd wordt opgelegd naar de grondslag grondgebruik over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009, een en ander overeenkomstig de volgende artikelen. Artikel 4 De heffing naar de grondslag grondgebruik voor glasgroenten wordt berekend naar de oppervlakte van de bij onderneming behorende cultuurgrond en bedraagt voor: | aubergine, komkommer, paprika en tomaten | €1,78 per are | | --- | --- | | overige glasgroenten | € 0,99 per are | Artikel 5 De heffing naar de grondslag grondgebruik voor fruit wordt berekend naar de oppervlakte van de bij de onderneming behorende cultuurgrond en bedraagt voor: | a. groep 32 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van appelen: | € 4,34 per ha; | | --- | --- | --- | | b. groep 33 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van peren: | € 7,34 per ha; | | c. groep 34 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van klein fruit: | € 18,01 per ha; | | d. groep 34a | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in open grond van blauwe bessen: | € 18,01 per ha; | | e. groep 35 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van overige pit- en steenvruchten: | € 8,34 per ha; | | f. groep 36 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt in de open grond van zwarte bessen, zure kersen, amandelen, hazelnoten en walnoten: | € 2,50 per ha; | | g. groep 60 | cultuurgrond in gebruik voor de teelt onder glas van fruit: | € 0,54 per are. | Artikel 6 1. Voor de toepassing van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030473&paragraaf=3&artikel=4&z=2011-09-11&g=2011-09-11) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030473&paragraaf=3&artikel=5&"},{"i":2423,"b":"Beleidsregel Handhaving jaarverantwoording over het overgangsjaar 2021 Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (hierna: Awb), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa) beleidsregels op met betrekking tot de volgende haar toekomende of onder haar verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheden. De NZa houdt op grond van [artikel 16, sub e van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) (hierna: Wmg) toezicht op de naleving van [artikel 40b, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40b). Artikel 40b Wmg voorziet in de verplichting voor een zorgaanbieder om zich jaarlijks voor 1 juni te verantwoorden door het openbaar maken van een jaarverantwoording. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Andere informatie betreffende de bedrijfsvoering van de zorgaanbieder:** specifieke informatie inzake gegevens betreffende de organisatiestructuur, bestuursstructuur, exploitatiekosten en bedrijfsvoering van de zorgaanbieder, als bedoeld in [artikel 1, sub g, Regeling verslaggeving WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019252&artikel=1). - **Beschikking:** een beschikking in de zin van [artikel 1:3, tweede lid Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). - **Bub WMG:** [Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020326). - **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit. - **CIBG:** uitvoeringsorganisatie die valt onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - **CJIB:** Centraal Justitieel Incassobureau. - **Combinatie-instelling:** een zorgaanbieder die tevens - 1). een jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling als bedoeld in de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":1714,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 11 november 2009, houdende de vaststelling van een vakheffing voor de handel in bloemkwekerijproducten. (Verordening PT heffing handel bloemkwekerijproducten 2010) gelet op de [artikelen 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93), [100 derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 12 oktober 2009; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=3:1), en de werkwijze beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder: | a. | aankoopwaarde: | het totaal van de bruto inkoopfactuurbedragen van in Nederland aangekochte bloemkwekerijproducten exclusief BTW minus | | --- | --- | --- | | b. | bloemkwekerijproducten: | I. siergewassen, II. teeltmateriaal, III. hydrocultuur, en IV. bloemzaden; | | c. | hydrocultuur: | siergewassen die bestemd zijn voor gebruik in plantenbakken of potten, waarbij de plant met zijn wortels houvast heeft in poreuze korrels in een bak of pot, met daarin een laag water en vo"},{"i":2774,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2010 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2010, doch niet later dan 15 april 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,265 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2010 en eindigende met 15 april 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":1715,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 14 november 2011, houdende de vaststelling van een vakheffing voor de handel in bloemkwekerijproducten (Verordening PT heffing handel bloemkwekerijproducten 2012) gelet op de [artikelen 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 24 oktober 2011; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=3:1) en de werkwijze beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT Algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder: | a. | aankoopwaarde | : | het totaal van de bruto inkoopfactuurbedragen van in Nederland aangekochte bloemkwekerijproducten exclusief BTW. | | --- | --- | --- | --- | | b. | bloemkwekerijproducten | : | I. siergewassen II. teeltmateriaal III. hydrocultuur en IV. bloemzaden; | | c. | hydrocultuur | : | siergewassen die bestemd zijn voor gebruik in plantenbakken of potten, waarbij de plant met zijn wortels houvast heeft in poreuze korrels in een bak of pot, met daarin een laag water en voedingsstoffen; | | d. | ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon"},{"i":6058,"b":"Vergunning sportprijsvragen 2017-2021 **Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 23 december 2016, kenmerk 10508, inzake de verlening van vergunning tot het organiseren van sportprijsvragen.** Op grond van de [artikelen 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=16), en [21, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=21) (hierna: de wet) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan Lotto B.V., een besloten vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Rijswijk met KvK-nummer 41151075 (hierna: de vergunninghouder), vergunning tot het organiseren van sportprijsvragen voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021. Aan deze vergunning zijn de navolgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de vergunde kansspelen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Vergunde kansspelen B. Afdracht C. Bescherming van kwetsbare groepen D. Bescherming van consumenten E. Betrouwbaarheid en integriteit F. Controle, rapportage en toezicht G. Overig Bijlage A Niet opgenomen."},{"i":5633,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA voedselcontact-materialen (IB03-SPEC 61, versie 02) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA voedselcontact-materialen beschrijft de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen in het subdomein voedselcontact-materialen en geeft daarmee invulling aan het [Algemeen interventiebeleid NVWA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. Begrippen 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). 2.2. Wettelijke basis Op het werkterrein voedselcontact-materialen gelden zowel Europese als nationale regels. De wettelijke basis voor het specifiek interventiebeleid is: 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van de overtreding Overtredingen worden ingedeeld naar de klassen zoals gedefinieerd in het [Algemeen int"},{"i":5601,"b":"Sofina-arrestbesluit **De Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat een goedkeuring voor teruggaaf van dividendbelasting en kansspelbelasting aan niet in Nederland gevestigde lichamen in lijn met het arrest in de zaak Sofina.** 1. Inleiding Op 15 september 2020 is in de aanbiedingsbrief van het pakket Belastingplan 2021 aangekondigd dat het kabinet voornemens is per 1 januari 2022 een maatregel in te voeren waarbij de verrekening van dividendbelasting en naar prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting met vennootschapsbelasting wordt beperkt. De aanleiding hiertoe is het zogenoemde Sofina-arrest van het Hof van Justitie van de EU. In de aanbiedingsbrief is ook een beleidsbesluit aangekondigd waarin vooruitlopend op en in afwijking van de aangekondigde wettelijke maatregel zal worden goedgekeurd dat de inspecteur in lijn met het arrest Sofina in bepaalde situaties teruggaaf van dividendbelasting en kansspelbelasting kan verlenen aan lichamen die buiten Nederland zijn gevestigd. Dit beleidsbesluit bevat deze goedkeuring en de daaraan verbonden voorwaarden, waarbij rekening is gehouden met de praktische uitvoerbaarheid van de goedkeuring. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Goedkeuring Vpb-plichtige lichamen kunnen in beginsel op basis van [artikel 25, eerste lid, Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=25), de van hen geheven dividendbelasting over de opbrengst uit portfolio-investeringen en geheven kansspelbelasting als voorheffing met de Vpb verrekenen. Dit geldt niet voor fiscale beleggingsinstellingen. Ook als in een jaar de berekening van de verschuldigde Vpb niet leidt tot een positief bedrag kunnen op basis van [artikel 25a, tweede lid, Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=25a), de Vpb-plichtige lichamen de van hen geheven dividendbelasting over de opbrengst uit portfolio-investeringen en de geheven kansspelbelasting toch te"},{"i":7918,"b":"Besluit van 19 april 1999 tot uitvoering van artikel 9, onder c, van de Bankwet 1998 Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, Directie Financieringen d.d. 9 april 1999, nr. FIN 99/133m; Gelet op [artikel 9, onder c, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Wij verlenen toestemming aan De Nederlandsche Bank NV om Onze Minister van Financiën te adviseren en verdere bijstand te verlenen bij diens toezicht op de activiteiten en de financiële positie van de Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden NV, overeenkomstig het tussen de Staat der Nederlanden, de Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden NV en De Nederlandsche Bank NV gesloten Protocol van 16 november 1998. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7127,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 19 februari 2019, nr. IENW/BSK-, houdende regels inzake het toezicht op Europese uitvoeringsverordeningen inzake de beoordeling van nieuwe spoorvervoerdiensten voor passagiers (Regeling toezicht uitvoeringsverordening nieuwe personenvervoerdiensten per trein zonder concessie) Gelet op [artikel 87, vijfde lid, onderdeel d, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=87); BESLUIT: Artikel 1 De Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving van uitvoeringsverordening (EU) 2018/1795 van de Europese Commissie van 20 november 2018 tot vaststelling van de procedure en criteria voor de analyse van de impact op het economisch evenwicht overeenkomstig artikel 11 van [Richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2018, L 294). Artikel 2 Met ingang van 12 december 2020 en onder toepassing van artikel 15, tweede volzin, van uitvoeringsverordening (EU) 2018/1795 van de Europese Commissie van 20 november 2018 tot vaststelling van de procedure en criteria voor de analyse van de impact op het economisch evenwicht overeenkomstig artikel 11 van [Richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2018, L 294) vervalt in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041974&artikel=1&z=2020-12-12&g=2020-12-12) ‘uitvoeringsverordening (EU) nr. 869/2014 van de Europese Commissie van 11 augustus 2014 inzake nieuwe spoorvervoersdiensten voor passagiers (PbEU 2014, L 239) en’. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toezicht uitvoeringsverordening nieuwe personenvervoerdiensten per trein zonder concessie. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en is wat betreft [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041974&artikel=1&z=2020-12-12&g=2020-12-12) voor het eerst van toe"},{"i":1716,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 3 juli 2002, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van hoveniersbedrijven voor het jaar 2003 (Verordening PT heffing hoveniersbedrijven 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de sectorcommissie Hovenierswerkzaamheden, d.d. 24 mei 2002; BESLUIT: Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](onbekend) en [2 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. hovenierswerkzaamheden: het aanleggen, het aanbrengen van wijzigingen in en het onderhouden van siertuinen, begraafplaatsen, groenstroken, parken, plantsoenen, landgoederen en openbaar groen in stad en landschap, inclusief werkzaamheden op sportterreinen en in bossen, met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, met inbegrip van de voorbereidende grondwerkzaamheden; - b. leveringen: de bij de werkzaamheden behorende levering van levende en dode materialen; - c. ondernemer: natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin hovenierswerkzaamheden worden verricht; - d. omzet: het bruto-omzetbedrag van hovenierswerkzaamheden en leveringen over het jaar 2002. Artikel 2 1. De ondernemer is in 2003 een heffing aan het Productschap Tuinbouw verschuldigd ten behoeve van promotionele en marketingactiviteiten, economische aangelegenheden, kwaliteitsaangelegenheden, technisch onderzoek, milieu-aangelegenheden en voorlichting, alsmede ten behoeve van de algemene kosten van het Productschap Tuinbouw. 2. De heffing als bedoeld in het eerst"},{"i":6276,"b":"Wet van 26 april 2012 tot samenvoeging van de gemeenten Graafstroom, Liesveld en Nieuw-Lekkerland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Graafstroom, Liesveld en Nieuw-Lekkerland samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Graafstroom, Liesveld en Nieuw-Lekkerland opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Molenwaard ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Graafstroom, Liesveld en Nieuw-Lekkerland, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Molenwaard wordt de op te heffen gemeente Graafstroom aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36) in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Graafstroom, Liesveld en Nieuw-Lekkerland wordt de nieuwe gemeente Molenwaard aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de rechten en verplichtingen in verban"},{"i":7212,"b":"Verdrag inzake de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, en tot het Eerste en het Tweede Protocol betreffende de uitlegging ervan door het Hof van Justitie De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Overwegende dat de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, door lid te worden van de Europese Unie, zich verplicht hebben om toe te treden tot het [Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003771), ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 De Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden treden toe - a. tot het [Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003771), ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, hierna „Verdrag van 1980” te noemen, met alle aanpassingen en wijzigingen die daarin zijn aangebracht: - –. bij het te Luxemburg op 10 april 1984 ondertekende [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002437), hierna „Verdrag van 1984” te noemen, inzake de toetreding van de Helleense Republiek tot het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst; - –. bij het te Funchal op 18 mei 1992 ondertekende [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001073), hierna „Verdrag van 1992” te noemen, inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst; - b. tot het op 19 december 1988 ondertekende [Eerste Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":5616,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA elektrisch materiaal (IB03-SPEC 54, versie 02) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), [artikel 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), in samenhang met [artikel 13a, eerste en tweede lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA elektrisch materiaal beschrijft de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen in het toezichtdomein elektrisch materiaal en geeft daarmee invulling aan het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03) (AIB). Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. Begrippen 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215). 2.2. Afkortingen CE Conformité Européenne EU Europese Unie AIB [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03) NL Nederland PV Proces-verbaal pro justitia (zie algemeen interventiebeleid voor definitie) RAPV Richtlijn algemene productveiligheid RvB Rapport van Bevindingen"},{"i":2796,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2007 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2007, doch niet later dan 15 november 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,536 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2007 en eindigende met 15 november 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.n"},{"i":4716,"b":"Instellingsbesluit Commissie van Toezicht Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit handelend in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Economische Zaken; - b. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **commissie:** Commissie van Toezicht Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit; - d. **SDa:** Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit; - e. **bestuur:** bestuur van de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit. Artikel 2. Instelling van de commissie van toezicht SDa 1. Om de onafhankelijke positie van de SDa te versterken is er een commissie van toezicht SDa. 2. De werkwijze en de taken van de commissie worden geregeld in dit besluit. Artikel 3. Taken van de commissie van toezicht 1. De commissie heeft tot taak om, vanuit maatschappelijk belang, toezicht te houden op een onafhankelijke taakuitoefening van de SDa, en de staatssecretaris en de minister op de hoogte te stellen van haar bevindingen. 2. De commissie beoordeelt de conformiteit met de statuten van de SDa van: - a. de onafhankelijkheid van de gewone bestuursleden: dat wil zeggen zonder last of ruggespraak als gevolg van bestuurlijke, organisatorische of financiële betrokkenheid bij de voordragende veehouderijsectoren dan wel de Koninklijke Nederlandse Maatschappij van Diergeneeskunde (KNMvD); - b. het profiel van de beoogde voorzitter: dat wil zeggen ruime bestuurlijke ervaring in politieke en/of maatschappelijke functie(s); - c. het onafhankelijk functioneren van het expertpanel. 3. De commissie beoordeelt voorts de onafhankelijkheid in het handelen van de SDa bij het uitvoeren van haar statutaire doelstellingen, te weten: - a. het nastreven van een volledige transparantie van het geneesmiddelengebruik bij dieren in de gehele keten; - b. het bevorderen van een verantwoord g"},{"i":3208,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 30 juni 2025 nr. BOACAT2025/139, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Barneveld Gelezen het verzoek van de gemeente Barneveld van 24 juni 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051198&artikel=2&z=2025-09-18&g=2025-09-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving III en medewerker handhaving I in dienst van gemeente Barneveld, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen"},{"i":4113,"b":"Besluit van 27 januari 1988, houdende de vaststelling van het aantal bestuursleden van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) te 's-Gravenhage Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 25 januari 1988, nr. 817018, directoraat-generaal voor het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek; Gelet op [artikel 6 van de Wet op de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=6) (**Stb.** 1987, 369); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel 1 het aantal bestuursleden van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) vast te stellen op 5. Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":1719,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 28 juni 2005, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van hoveniersbedrijven voor het jaar 2006 (Verordening PT heffing hoveniersbedrijven 2006) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor hovenierswerkzaamheden, d.d. 23 mei 2005; Besluit: Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. hovenierswerkzaamheden | : | het aanleggen, het aanbrengen van wijzigingen in en het onderhouden van siertuinen, begraafplaatsen, groenstroken, parken, plantsoenen, landgoederen en openbaar groen in stad en landschap, inclusief werkzaamheden op sportterreinen en in bossen, met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, met inbegrip van de voorbereidende en grondwerkzaamheden; | | --- | --- | --- | | b. leveringen | : | de bij de werkzaamheden behorende levering van levende en dode materialen; | | c. ondernemer | : | natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin hovenierswerkzaamheden worden verricht; | | d. omzet | : | het bruto-omzetbedrag van hovenierswerkzaamheden en leveringen over het jaar 2005. | Artikel 2 1. De ondernemer is in 2006 een heffing aan het Productschap Tuinbouw verschuldigd ten behoeve van promotionele en marketingactiviteiten, economische aangelegenheden, kwaliteitsaangelegenheden, technisch"},{"i":4203,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 20 juli 2022, nr. IENW/BSK-2022/167347, houdende vaststelling van het subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling VeiligheidNL voor het jaar 2022 Gelet op [artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8) en [artikel 4, tweede lid, van de Subsidieregeling VeiligheidNL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040088&artikel=4); BESLUIT: artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Subsidieregeling VeiligheidNL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040088&artikel=4) wordt voor de periode vanaf 1 augustus 2022 tot en met 30 september 2022 vastgesteld op € 100.000,– voor het doen van onderzoek en € 100.000,– voor het geven van voorlichting. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1721,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 13 november 2007 houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van hoveniersbedrijven (Verordening PT heffing hoveniersbedrijven 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor hovenierswerkzaamheden, d.d. 4 oktober 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1) en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT Algemene Bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. hovenierswerkzaamheden: het aanleggen, het aanbrengen van wijzigingen in en het onderhouden van siertuinen, begraafplaatsen, groenstroken, parken, plantsoenen, landgoederen en openbaar groen in stad en landschap, inclusief werkzaamheden op sportterreinen en in bossen, met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, met inbegrip van de voorbereidende en grondwerkzaamheden; - b. leveringen: de bij de werkzaamheden behorende levering van levende en dode materialen; - c. ondernemer: natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin hovenier"},{"i":5329,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 1 juni 2023, nr. 2023-0000309544 houdende regels voor het verlenen van eenmalige specifieke uitkeringen aan gemeenten ten behoeve van de versnelde huisvesting en begeleiding van grote gezinnen vergunninghouders (Regeling specifieke uitkering huisvesting grote gezinnen vergunninghouders) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **COA:** Centraal Orgaan opvang asielzoekers als bedoeld in [artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=2); - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **groot gezin:** gezin van zeven of meer personen dat gekoppeld is aan een gemeente en in een opvangvoorziening van het COA verblijft of waarvan een deel van het gezin in een woning in de gemeente verblijft en ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een specifieke uitkering ten minste één gezinslid in het bezit is van een verblijfsvergunning en de rest een machtiging tot voorlopig verblijf; - **minister:** Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - **object:** ruimte die ter bewoning voor verhuur wordt aangeboden of een ruimte met een andere bestemming dan wonen die na transformatie geschikt is voor bewoning en aan de daartoe gestelde eisen voldoet. Artikel 2. Doel en activiteiten 1. De minister kan ten behoeve van de versnelde huisvesting en begeleiding van grote gezinnen vergunninghouders op aanvraag van het college een specifieke uitkering verlenen aan een gemeente voor een project: - a. waarbij een groot gezin gehuisvest moet worden op grond van de taakstelling, bedoeld in [artikel 28 van de Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=28); - b. dat ziet op noodzakelijke ingrepen voor het geschikt maken van een obje"},{"i":5873,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 18 juli 2025, nr. IENW/BSK-2025/179312, houdende een tijdelijk verbod en een vergunningplicht op het toepassen van LD- en ELO-staalslak (Tijdelijke regeling verbod en vergunningplicht toepassing LD- en ELO-staalslak) [Keten-ID WGK028079] Gelet op [artikel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3) jo. [artikel 23.6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=23.6a) van de Omgevingswet en [artikel 9.2.2.6 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.6); BESLUIT: Artikel 1 1. Deze regeling is van toepassing op de milieubelastende activiteit, bedoeld in [artikel 3.48m, eerste en derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=3.48m). 2. In deze regeling wordt verstaan onder staalslak: - a. LD-staalslak; en - b. ELO-staalslak. Artikel 2 1. In afwijking van [paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&paragraaf=4.123) is het met het oog op de bescherming van de bodem, de gezondheid van de mens en het milieu een ieder verboden om niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent staalslak op of in de landbodem toe te passen, voor zover deze worden toegepast: - a. in een laagdikte van meer dan 0,5 m; of - b. op een locatie waar inname of inhalatie hiervan of oog-, mond- of huidcontact niet is uitgesloten. 2. Het verbod, bedoeld in [artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1) om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde bouwstoffen op of in de landbodem, anders dan de gevallen bedoeld in het eerste lid, onder a en b. Artikel 3 1. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan op aanvraag ontheffing verlenen van het in [artikel 2, eerste"},{"i":5863,"b":"Regeling van de hoofddirecteur Dienst Justitiële Inrichtingen van 15 mei 2014 nr. 505755/14/DJI, houdende verlening van ondermandaat aan onder de hoofddirecteur ressorterende ambtenaren in verband met de administratieve organisatie VWNW DJI (Tijdelijke mandaatregeling AO VWNW DJI 2014) Gelet op [artikel 3 van de Mandaatregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030842&artikel=3) en in aanvulling op de Mandaatregeling hoofddirecteur DJI 2013; Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit DGSenB Ministerie van Veiligheid en Justitie 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036844&artikel=1) aan de hoofddirecteur Dienst Justitiële Inrichtingen verleende ondermandaat wordt aan de ambtenaren, bedoeld in kolom 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035200&bijlage=1&z=2016-09-23&g=2016-09-23) bij deze regeling ondermandaat verleend inzake het nemen van rechtspositionele besluiten ten aanzien van ambtenaren die administratief zijn ondergebracht in de Administratieve Organisatie VWNW, voor zover het betreft de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in kolom 2 van die bijlage. Artikel 2 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit DGSenB Ministerie van Veiligheid en Justitie 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036844&artikel=1) aan de hoofddirecteur Dienst Justitiële Inrichtingen verleende ondermandaat worden aangewezen de ambtenaren, genoemd in kolom 1 van [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035200&bijlage=2&z=2016-09-23&g=2016-09-23) bij deze regeling als bevoegd om te beschikken over bedragen voor het aangaan van verplichtingen en voor het verrichten van uitgaven voor zover het betreft de bedragen, genoemd in kolom 2 van die bijlage. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2020. [Bijlage 1](https://wetten.overheid.n"},{"i":2844,"b":"Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1993 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1992 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1991; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402**a**, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1993 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 4,2. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1993."},{"i":5496,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 november 2025, kenmerk 4240017-1089849-Z, houdende Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2026 [KetenID WGK028492] Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4) en de [artikelen 18d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d), en [18e, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18e); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie, bedoeld in de [Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451), bedraagt voor het berekeningsjaar 2026 € 2.119,–. Artikel 2 Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5458,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid, van 16 april 2025, nr. 5706233, houdende de implementatie van de Richtlijn (EU) 2023/977 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 betreffende de uitwisseling van informatie tussen de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en tot intrekking van Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad (Regeling uitwisseling van informatie tussen rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten) Gelet op [artikelen 23, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=23), en [42, tweede lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=42) en [artikel 44 van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=44); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **wet:** de [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788) - –. **Richtlijn (EU) 2023/977:** [Richtlijn (EU) 2023/977](32023L0977) van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 betreffende de uitwisseling van informatie tussen de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en tot intrekking van Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad; - –. **Verordening (EU) 2016/794:** [Verordening (EU) 2016/794](32016R0794) van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PbEU 2016, L 135); - –. **lidstaat:** lidstaat die [Richtlijn (EU) 2023/977](32023L0977) heeft geïmplementeerd; - –. **bevoegde rechtshandhavingsinstantie van een andere lidstaat:** een politie-, douane- of andere instantie van een andere lidstaat die krachtens het nationale recht van die lidstaat bevoegd is gezag uit te oefenen en dwangmaatregelen te nemen om strafbare feiten te voorko"},{"i":5497,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 29 april 2009, nr. WJZ/9079703, tot vaststelling van een subsidieplafond krachtens het Besluit subsidies Topprojecten herstructurering bedrijventerreinen Gelet op [artikel 4 van het Besluit subsidies Topprojecten herstructurering bedrijventerreinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017584&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Het subsidieplafond voor het in 2009 verlenen van subsidies op grond van het [Besluit subsidies Topprojecten herstructurering bedrijventerreinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017584) op aanvragen krachtens dat besluit, ingediend vóór 1 januari 2009, wordt vastgesteld op € 11.000.000,–. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5403,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 13 juni 2024, IENW/BSK-2024/98337, houdende vaststelling regels in verband met de sturing van en het toezicht op Airport Coordination Netherlands (Regeling sturing van en toezicht op ACNL) Gelet op [artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=32) en [artikel 8a.70 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.70); BESLUIT: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Kaderwet:** [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - **begroting:** begroting als bedoeld in [artikel 8a.69, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.69); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **wet:** [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555); - **slotverordening:** [Verordening (EEG) nr. 95/93](31993R0095) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van slots op communautaire luchthavens (PbEG 1993, L 14). § 2. Directie van ACNL Artikel 2. Ontstentenis directie ACNL informeert de minister onverwijld over de ontstentenis van een lid van de directie met het oog op de conform [artikel 8a.66, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.66) te treffen voorziening. § 3. Financieel toezicht Artikel 3. Jaarbrief van de minister 1. ACNL ontvangt jaarlijks vóór 1 april een jaarbrief van de minister. 2. De jaarbrief heeft onder meer betrekking op: - a. onderwerpen die Rijksbreed aandacht krijgen dat betreffende jaar en de daaropvolgende boekjaren; - b. de aandachtspunten en voorgenomen wijzigingen betreffende de verantwoording, verslaglegging en de aandachtspunten voor de accountantscontrole, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overhe"},{"i":5457,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Financiën van 25 maart 2019, nr. 2019-0000113361, houdende regels met betrekking tot de uitwerking van de begrippen in de verdeelmaatstaven van het provinciefonds en gemeentefonds alsmede vaststelling van de verdeelsleutel voor een enkele verdeelmaatstaf (Regeling uitwerking verdeelmaatstaven provinciefonds en gemeentefonds) Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit financiële verhouding 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012216); - **maatstaf:** verdeelmaatstaf als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012216&bijlage=1) en [bijlage 2 bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012216&bijlage=2); - **topografische kaart:** topografische kaart van de Basisregistratie Topografie van het Kadaster, op schaal 1:10.000. Artikel 2 Voor de maatstaven waarvoor het CBS de bron is, worden de uitkomsten van de telling of berekening van het CBS gebruikt, tenzij anders is bepaald. Artikel 3 Indien voor een maatstaf gegevens aan de topografische kaart worden ontleend, wordt daarvoor de meest recente topografische kaart gebruikt, tenzij anders is bepaald. Paragraaf 2. Maatstaven provinciefonds Paragraaf 2. Maatstaven provinciefonds Artikel 8 Voor het gewogen gemiddelde aandeel van de verschillende grondsoorten, bedoeld in [artikel 12 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012216&artikel=12), zijn de wegingsfactoren voor: - a. goede grond en water: 1,00; - b. kleigebied: 1,30; - c. kleiveengebied: 1,45; - d. veengebied: 2,10. Artikel 9 De aandelen van de gemeenten in de tegemoetkoming, bedoeld in [artikel 18, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012216&artikel=18), worden vastgesteld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042163&bijlage=1&z=2019-04-30&g=2019-04-30) bij deze regeling. Artikel 10 1. Tot een etnische m"},{"i":5870,"b":"Regeling van de Minister van Asiel en Migratie en de Minister voor Asiel en Migratie van 16 januari 2026, nr. 6944227, houdende tijdelijke regels om de uitstroom van vergunninghouders uit de asielopvang te stimuleren (Tijdelijke regeling stimuleren uitstroom vergunninghouders uit de asielopvang 2026) Gelet op [artikel 4 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959&artikel=4) (Rva 2005); Besluiten: Artikel 1 1. Indien een gemeente aan een vreemdeling als bedoeld in [artikel 3, derde lid, onder c, e, k en I, van de Rva 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959&artikel=3), aan wie de verblijfsvergunning bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) of [28 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) is verleend, tijdelijk onderdak, niet zijnde woonruimte die bestemd of geschikt is voor permanente bewoning, of onzelfstandige woonruimte beschikbaar heeft gesteld, sluit het COA deze vreemdeling uit van de verstrekkingen, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onder a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959&artikel=9), onderscheidenlijk artikel 9, eerste lid, van de Rva 2005. 2. De uitsluiting van de verstrekkingen, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats vanaf het moment dat het tijdelijk onderdak of de onzelfstandige woonruimte voor de vreemdeling beschikbaar is, met dien verstande dat het tijdelijk onderdak of de onzelfstandige woonruimte beschikbaar moet zijn uiterlijk op 30 juni 2026. 3. In afwijking van het eerste lid wordt niet uitgesloten van de verstrekkingen, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onder a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959&artikel=9), of artikel 9, eerste lid, van de Rva 2005 een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, aan wie een gemeente tijdelijk onderdak, niet zijnde woonruimte die bestemd of geschikt is voor permanente bewoning"},{"i":2071,"b":"Aanvraagprocedure diploma-erkenning derde leerweg voor bekostigde en niet-bekostigde instellingen Deel I. Algemene informatie aanvragen diploma-erkenning derde leerweg (Overig Onderwijs) 1. Algemeen 1.1. Inleiding Deze publicatie bevat informatie over de procedure voor het aanvragen van diploma-erkenning derde leerweg voor alle instellingen. Voor de bekostigde instellingen geldt dat de beroepsopleiding in deze leerweg niet voor bekostiging in aanmerking komt. De aanvraag geldt ook als aanmelding van de diploma-erkenning van de betreffende opleiding(en) voor registratie in het centraal register beroepsopleidingen (crebo). Aanvragen kunnen gedurende het hele jaar worden ingediend. Met ingang van 1 augustus 2013 is [artikel I, onderdeel C, onder 2, van de Wet van 26 juni 2013 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033655&artikel=I) in werking getreden (Koninklijk Besluit van 19 juli 2013, nr. 305). Met dit artikel wordt, naast de beroepsopleidende (bol) en beroepsbegeleidende leerweg (bbl), in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) (Web) de mogelijkheid opgenomen om een opleiding in een nieuwe variant aan te bieden, de zogenaamde derde leerweg. Voor deze leerweg dient afzonderlijk diploma-erkenning aangevraagd te worden. Concreet houdt voornoemde wetswijziging in dat er een nieuw lid toegevoegd is aan [artikel 1.4.1 van de Web](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1), dat als volgt luidt: De derde leerweg houdt in dat de beroepsopleiding aan alle voorwaarden als genoemd in [artikel 1.4.1, eerste lid, Web](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1) dient te voldoen, met uitzondering van de urennormen die gelden voor de bol resp. de bbl ([art. 7.2.7, tweede tot en met achts"},{"i":5868,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 14 november 2012, nr. 2012-652544, houdende tijdelijke verlening van mandaat, volmacht en machtiging op het terrein van rijksvastgoed (Tijdelijke regeling mandaat, volmacht en machtiging Rijksvastgoed) Besluit: Artikel 1 Mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die op 4 november 2012 van kracht waren ten behoeve van functionarissen van het Ministerie van Financiën ten aanzien van de aangelegenheden die de hieronder onder b tot en met f bedoelde dienstonderdelen van het Ministerie van Financiën betroffen, worden aangemerkt als mandaten, volmachten en machtigingen die zijn verleend door de Minister voor Wonen en Rijksdienst aan: - a. de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. de algemeen directeur Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf; - c. de directeur van de directie Ontwikkeling; - d. de directeur van de directie Vastgoed; - e. de directeur van de directie Rijksvastgoed; - f. de functionarissen aan wie door of namens de algemeen directeur van het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf ondermandaat, volmacht of machtiging is verleend; ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdelen betreffen. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 november 2012. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling mandaat, volmacht en machtiging Rijksvastgoed. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5335,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 december 2023, nr. 5110503, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken Gelet op [artikel 11:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=11:2) en [artikel 2 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel III Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel IV 1. [Artikel 4:113 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:113) zoals dat artikel luidde voor 1 januari 2024 blijft van toepassing als de aanmaning betrekking heeft op een voor die datum ontstane betalingsverplichting. 2. [Artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:41) zoals dat lid luidde voor 1 januari 2024 blijft van toepassing als het beroepschrift voor die datum is ontvangen. Als de eerste volzin van toepassing is en op of na 1 januari 2024 een ander beroepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen hetzelfde besluit, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere beroepschrift. 3. [Artikel 8:109, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:109) zoals dat lid luidde voor 1 januari 2024 blijft van toepassing als het hogerberoepschrift voor die datum is ontvangen. Als de eerste volzin van toepassing is en op of na 1 januari 2024 een ander hogerberoepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen dezelfde uitspraak, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere hogerberoepschrift. Artikel V Het griffierecht in burgerlijke zaken zoals het gold vóór 1 januari 2024 blijft van toepassing: - a. voor de eiser of verzoeker"},{"i":5456,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 14 oktober 2013, nr. IENM/BSK-2013/176947, houdende regels in verband met de uitvoering en de handhaving van verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PbEU L 79) en diverse uitvoeringsverordeningen omtrent luchtvaartveiligheid (Regeling uitvoering en handhaving luchtvaartveiligheid) Gelet op [artikel 1.5 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.5); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. (definities) In deze regeling wordt verstaan onder: - **verordening (EU) nr. 1178/2011:** verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig [verordening (EG) nr. 216/2008](32008R0216) van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 311); - **verordening (EU) nr. 748/2012:** verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PbEU L 224); - **verordening (EU) nr. 965/2012:** verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 296); - **verordening (EU) nr. 923/2012:** uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie van 26 september 2012 tot vaststellin"},{"i":5422,"b":"Regeling subsidievoorwaarden rechts- en wetswinkels 2016 gelet op [artikel 37c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c) jo. [42c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=42c) subsidie verlenen aan rechts- en wetswinkels en heeft daartoe de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1). **De Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - 2). **Een rechts- of wetswinkel:** een rechtspersoon die zonder winstoogmerk, in hoofdzaak met vrijwilligers rechtsbijstand verleent aan minder draagkrachtige personen of groepen van personen; - 3). **Rechtsbijstand:** sociaal juridische hulpverlening. Daartoe rekent de Raad ook activiteiten zoals: voorlichting, preventie en andere activiteiten, gericht op het signaleren, voorkomen en tegengaan van tekortkomingen en leemten in de door het recht te verlenen bescherming van belangen van minder draagkrachtige rechtzoekenden; - 4). **Een subsidie:** subsidie als bedoeld in [artikel 37c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c) jo. [42c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=42c); - 5). **Een activiteitenverslag:** een verslag van de activiteiten in 2015, waaruit blijkt dat de rechts- of wetswinkel gedurende de daarin beschreven periode heeft voorzien in een behoefte aan rechtsbijstand als hiervoor bedoeld. Uit het verslag dient ook te blijken dat de rechts- of wetswinkel voldoende aandacht heeft besteed aan de kwaliteitsborging van de dienstverlening; - 6). **Een financieel verslag:** een verslag van de rechts- of wetswinkel over het financieel beheer in 2015, waaruit blijkt dat de verstrekte subsidie doelmatig is besteed aan rechtsbijstand; Artikel 2 De Raad kan onder de volgende voorwaarden subsidie verlenen; - 1). De rechts- of wetswinkel heeft in 2014 of 2015 subsidie ontvangen van de Raad; - 2). De rechts- of wetswinkel die in 2014 of 2015 subsidie heeft ontvangen v"},{"i":5414,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 april 2017, nr. VO/1091439, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor zij-instromers in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs om hun onderwijsbevoegdheid te halen (Regeling subsidie zij-instroom 2017) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bekwaamheidsonderzoek:** bekwaamheidsonderzoek als bedoeld in [artikel 175 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=175), [artikel 7.31 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.31) of [artikel 155 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=155); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1.1, onderdelen a en b van de begripsbepaling van bevoegd gezag, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **geschiktheidsonderzoek:** geschiktheidsonderzoek als bedoeld in [artikel 172 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=172), [artikel 7.27 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.27) of [artikel 152 van de We"},{"i":1726,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 27 juni 2006, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van hoveniersbedrijven op te leggen in het jaar 2007 (Verordening PT heffing hoveniersbedrijven omzetjaar 2006) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en Gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); Gehoord de Commissie voor hovenierswerkzaamheden, d.d. 12 april 2006; Besluit: Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1)en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | hovenierswerkzaamheden: | het aanleggen, het aanbrengen van wijzigingen in en het onderhouden van siertuinen, begraafplaatsen, groenstroken, parken, plantsoenen, landgoederen en openbaar groen in stad en landschap, inclusief werkzaamheden op sportterreinen en in bossen, met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, met inbegrip van de voorbereidende en grondwerkzaamheden; | | --- | --- | --- | | b. | leveringen: | de bij de werkzaamheden behorende levering van levende en dode materialen; | | c. | ondernemer: | natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin hovenierswerkzaam heden worden verricht; | | d. | omzet: | het bruto-omzetbedrag van hovenierswerkzaamheden en leveringen over het jaar 2006. | Artikel 2 1. De ondernemer is in 2007 een heffing aan het Productschap Tuinbouw verschuldigd ten behoeve van promotionele en marketingactiviteiten, economische aangelegenheden, kwaliteitsaangeleg"},{"i":1727,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2002, houdende de vaststelling van een heffing over de teelt van witlof bestemd voor de promotie van witlof, voor het jaar 2003 (Verordening PT heffing promotie witlof 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19, van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de sectorcommissie Groenten en Fruit, d.d. 20 juni 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](onbekend) en [2, van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | het productschap: | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | de voorzitter: | de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; | | c. | het bestuur: | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | d. | de ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de teelt van witlof wordt uitgeoefend; | | e. | de productwaarde teelt: | de verkoopsom van de door de ondernemer gedurende een kalenderjaar in Nederland geteelde witlof, ongeacht de bestemming daarvan; | | f. | de heffingplichtige: | de ondernemer die ingevolge deze verordening de heffing verschuldigd is; | | g. | een afzetorganisatie: | de natuurlijke of rechtspersoon die in opdracht van of ten behoeve van ondernemers de door hen geteelde producten verkoopt. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De ondernemer is jaarlijks een heffing aan het productschap verschuldigd ten behoeve van de afzetbevordering voor witlof 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd en berekend door de voorzitter, met inachtneming van he"},{"i":5990,"b":"Besluit van 31 mei 2021 tot wijziging van de Penitentiaire maatregel, het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen en het Besluit forensische zorg in verband met de wijziging van de regeling inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling (Uitvoeringsbesluit Wet straffen en beschermen) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 3 december 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3116255; Gelet op de [artikelen 4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=4), en [18a van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=18a), [artikel 6:2:14 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:2:14) en [artikel 5.3 van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=5.3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 24 maart 2021, nummer W16.20.0450/II; Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 27 mei 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3313235; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt de Penitentiaire maatregel. Artikel II Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Artikel III Wijzigt het Besluit forensische zorg. Artikel IV [Artikel I, onderdelen D tot en met I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045209&artikel=I&z=2021-12-01&g=2021-12-01), van dit besluit is niet van toepassing op vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen waarop [artikel IV, onderdelen 1 en 2, van de Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990&artikel=IV) van toepassing is. De [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009398&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009398&artikel=7), [7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009398&artikel=7a) en [9 van de Penitentiaire maatregel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009398&art"},{"i":1728,"b":"Besluit van het bestuur van het ProductschapTuinbouw van 1 juli 2003, houdende de vaststelling van een heffing over de teelt van witlof bestemd voor de promotie van witlof, voor het jaar 2004 (Verordening PT heffing promotie witlof 2004) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=15) en [19 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](onbekend); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 26 juni 2003; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit ProductschapTuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | het productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | de voorzitter | : | de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; | | c. | het bestuur | : | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | d. | de ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de teelt van witlof wordt uitgeoefend; | | e. | de productwaarde teelt | : | de verkoopsom van de door de ondernemer gedurende een kalenderjaar in Nederland geteelde witlof, ongeacht de bestemming daarvan; | | f. | de heffingplichtige | : | de ondernemer die ingevolge deze verordening de heffing verschuldigd is; | | g. | een afzetorganisatie | : | de natuurlijke of rechtspersoon die in opdracht van of ten behoeve van ondernemers de door hen geteelde producten verkoopt. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De ondernemer is jaarlijks"},{"i":5872,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 september 2024, nr. 2024-0000762167, houdende het tijdelijk uitzonderen van bepaalde bestuursorganen van de actieve openbaarmakingsplicht in de Wet open overheid (Tijdelijke regeling uitzonderen bestuursorganen van de actieve openbaarmakingsplicht Woo) Gelet op [artikel 10.2 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=10.2); Besluit: Artikel 1 [Artikel 3.3, eerste lid, onderdelen d en e, van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=3.3) is niet van toepassing op: - a. bestuursorganen bedoeld in [artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:1); - b. onderwijsinstellingen genoemd in onderdeel a van de [bijlage bij artikel 1.8, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](onbekend) en onderwijsinstellingen waarvan het bevoegd gezag een bestuursorgaan is als bedoeld in [artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:1); - c. academische ziekenhuizen genoemd in onderdeel j, onder 1, van de [bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](onbekend). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 november 2024 en vervalt met ingang van 1 mei 2029. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als Tijdelijke regeling uitzonderen bestuursorganen van de actieve openbaarmakingsplicht Woo. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5744,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 juni 2023, nr. 1409103, houdende regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van het Leven Lang Ontwikkelen-Katalysator programma voor Bouwsteen 2 (Subsidieregeling LLO-oplossingen energie- en grondstoffentransitie 2023–2026) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **arbeidsorganisatie:** publieke of private werkgever die binnen een samenwerkingsverband de aanleiding vormt voor het ontwerpen en het ontwikkelen van een LLO-oplossing niet zijnde een publieke opleider; - **beoordelingscommissie:** commissie als bedoeld in [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048365&paragraaf=4&artikel=26&z=2025-07-12&g=2025-07-12); - **cofinanciering:** cofinanciering als bedoeld in [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048365&paragraaf=3&artikel=17&z=2025-07-12&g=2025-07-12); - **co-makerschap:** vorm van partnerschap waarin de samenwerking dusdanig is dat alle deelnemers invloed hebben op en bijdragen aan het ontwikkelproces van een LLO-oplossing en een aantoonbaar belang hebben bij het resultaat van de samenwerking; - **competentieknelpunt:** belemmering in de ontwikkeling of beschikbaarheid van menselijk kapitaal op de arbeidsmarkt doordat de benodigde competenties of vaardigheden ontbreken of niet beschikbaar zijn, onvoldoende ontwikkeld zijn of onvoldoende erkend worden; - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **energie- en grondstoffentransitie:** overgang van het gebruik van fossiele energie naar energi"},{"i":1731,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2004, houdende de vaststelling van een heffing over de teelt van groenten en fruit, voor het jaar 2005 (Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 24 juni 2004 BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de voorzitter: de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; - b. het bestuur: het bestuur van het Productschap Tuinbouw; - c. de ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de teelt van groenten en fruit, uitgangsmateriaal daaronder begrepen, wordt uitgeoefend; - d. het bewerken: alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; - e. het verduurzamen: alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze producten, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden; - f. de productwaarde teelt: de verkoopsom van de door de ondernemer gedurende een kalenderjaar in Nederland geteelde groenten en fruit, ongeacht de bestemming daarvan; voor zover de ondernemer de door hem geteelde groenten en fruit verduurzaamt of bewerkt, wordt voor het bepalen van de verkoopsom de theoreti"},{"i":5312,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van, 19 december 2012, nr. WJZ/12357302, houdende voorschriften omtrent het eenmalig bedrag voor verlenging van de GSM-vergunningen (Regeling eenmalig bedrag verlenging GSM-vergunningen 2013) Handelend in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 3.3a, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. **Minister:** Minister van Economische Zaken; - c. **eenmalig bedrag:** eenmalig bedrag als bedoeld in [artikel 3.3a, tweede lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3a); - d. **intrekken:** intrekken van de vergunning krachtens [artikel 3.7, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.7) of een wijziging van de vergunning op verzoek van de vergunninghouder, voor zover deze tot gevolg heeft dat in heel Nederland aaneengesloten frequentieruimte van ten minste 1 MHz die voorafgaand aan deze wijziging in de vergunning werd genoemd, niet langer mag worden gebruikt; - e. **ingetrokken vergunning:** de ingetrokken vergunning of het deel van de vergunning dat is ingetrokken als bedoeld in onderdeel d. Artikel 2 Degene die op 26 februari 2013 om 0:00 uur houder is van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte genoemd in de eerste kolom van tabel 1 in de bijlage is voor het gebruik van de onder de verlengde vergunning vallende frequentieruimte genoemd in de tweede kolom van tabel 1, een eenmalig bedrag verschuldigd. Dit bedrag wordt berekend door de respectievelijke volgens de derde kolom van tabel 1 bij deze frequentieruimte behorende rekenprijs in tabel 2, te vermenigvuldigen met het respectievelijke aantal eenheden van 100 KHz van de betreffende frequentieruimte in de verlengde vergunning, en dit bedrag t"},{"i":2155,"b":"Aanwijzing handelwijze bij beroep op noodweer Achtergrond Noodweer is verdediging in een situatie, waarin men onverhoeds wordt aangevallen en waarin alleen zelfverdediging agressie kan afweren. De aangevallen burger die zijn aanvaller weet te weerstaan, wordt niet gestraft. De burger heeft het recht zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. In de gevallen dat de burger van dit recht gebruik maakt, moet achteraf getoetst worden of hij dat heeft gedaan volgens de wettelijke en jurisprudentiële regels. In het geval er inderdaad sprake is van een situatie waarin de burger zich genoodzaakt ziet zich te moeten verdedigen, dient het openbaar ministerie recht te doen aan de bijzondere omstandigheden waarin betrokkene zich bevindt. Immers, deze burger ziet zich ongevraagd geconfronteerd met een aanranding of dreigend gevaar. Dat doet zich het meest pregnant gevoelen indien de burger wordt geconfronteerd met een aanranding in zijn meest persoonlijke omgeving zoals de woning, het bedrijf of het daarbij behorend erf. Van noodweerexces is sprake op het moment dat bij de afweer de grenzen van de noodzakelijke verdediging worden overschreden als gevolg van de hevige gemoedstoestand die door de aanranding wordt veroorzaakt. Van noodweerexces is bijvoorbeeld sprake als harder wordt teruggeslagen dan nodig is om de aanval af te weren, een wapen wordt gebruikt waar met minder had kunnen worden volstaan of de situatie waarin langer wordt doorgeslagen dan strikt noodzakelijk is. Er kan alleen van noodweerexces worden gesproken, indien er een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding heeft plaatsgehad. Voorts kan een beroep op noodweerexces alleen slagen indien er sprake was van een noodweersituatie. In deze gevallen wordt het door de burger wie het overkomt als onrechtvaardig en grievend ervaren dat hij als verdachte wordt aangemerkt, terwijl hij feitelijk slachtoffer is of zich dat tenminste voelt. Het is d"},{"i":5318,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 29 juni 2020, nr. 2916673, houdende een eenmalige specifieke uitkering voor gemeenten in verband met het treffen van maatregelen ter vermindering van overlast en criminaliteit veroorzaakt door asielzoekers Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **COA:** Centraal Orgaan opvang Asielzoekers - –. **staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; - –. **SiSa:** het systeem van single information, single audit, zoals bepaald in de ministeriële [regeling informatieverstrekking SiSa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029251). Artikel 2. Specifieke uitkering De staatssecretaris kan in 2020 op aanvraag van één of meer gemeenten aan één of meer gemeenten eenmalig een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van het treffen van maatregelen ter vermindering van overlast en criminaliteit veroorzaakt door asielzoekers buiten de (COA-)opvanglocatie. Artikel 3. Aanvraag 1. Een aanvraag bevat in ieder geval: - a. de naam van de gemeente of gemeenten waarvoor een aanvraag wordt gedaan; - b. een plan van aanpak ten behoeve van de lokale aanpak van overlastgevende asielzoekers in 2020 of 2021; - c. een begroting van de te ondernemen activiteiten waaruit blijkt dat de gemeente of gemeenten overlast en criminaliteit door asielzoekers ervaart/ervaren en het plan bijdraagt aan vermindering van deze overlast en criminaliteit door asielzoekers; en - d. het IBAN-nummer waarop het toegekende bedrag kan worden overgemaakt. 2. De aanvraag heeft betrekking op kosten die zijn gemaakt tussen 1 januari 2020 en 31 mei 2021. 3. De aanvraag wordt voor 1 september 2020 ingediend, met gebruikmaking van een digitaal aanvraagformulier. Artikel 4. Hoogte specifieke uitkering en wijze van verstrekking 1. Voor het verlenen van uitkeringen op grond"},{"i":5396,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 17 december 2020, nr 3146111, houdende een eenmalige specifieke uitkering voor gemeenten in verband met de ondersteuning van de toezichts- en handhavingstaak door tijdelijke arbeidskrachten (Regeling specifieke uitkering tijdelijke ondersteuning toezicht en handhaving) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële Verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 2. Specifieke uitkering De minister kan op aanvraag aan een gemeente eenmalig een specifieke uitkering verstrekken ter bestrijding van de kosten die gemaakt worden voor het in dienst nemen van werknemers en voor de inhuur van ter beschikking gestelde arbeidskrachten om tijdelijk een deel van de toezicht- en handhavingstaken uit te voeren en daaraan rechtstreeks ondersteuning te bieden. Artikel 3. Hoogte specifieke uitkering De specifieke uitkering bedraagt ten hoogste het bedrag inclusief BTW, bij die gemeente opgenomen in de bijlage. [Artikel 4:25, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:25) zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 4. Aanvraag 1. Een aanvraag bevat in ieder geval: - a. de naam van de gemeente; - b. de hoogte van de aangevraagde specifieke uitkering; - c. het IBAN-nummer waarop het bedrag kan worden overgemaakt. 2. De aanvraag ziet op de kosten die gemaakt zijn of gemaakt worden in de periode van 15 december 2020 tot en met 30 september 2021. 3. De aanvraag wordt uiterlijk op 30 september 2021 ingediend, met gebruikmaking van door de minister ter beschikking gesteld digitaal aanvraagformulier. Artikel 5. Verlening en bevoorschotting 1. De minister besluit over de aanvraag binnen dertien weken na ontvangst ervan. 2. De minister verstrekt een voorschot van 100% van de specifieke uitkering. Art"},{"i":5417,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de Pers van 19 februari 2009, nr. 19215, tot vaststelling van subsidieplafonds voor het jaar 2010 Handelende na overleg met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [artikel 8.16 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.16); Besluit: Artikel 1. Subsidieverlening op grond van [titel 8.2 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&titeldeel=8.2) Voor subsidieverstrekking aan persorganen voor de activiteiten bedoeld in de [artikelen 8.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10), [8.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.11), [8.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.12), [8.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.13) en [8.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.14), is in 2010 een totaalbedrag van ten hoogste € 650.000 beschikbaar, waarvan ten hoogste € 550.000 in de vorm van een uitkering wordt verstrekt. Artikel 2. Subsidieverlening op grond van [titel 8.3 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&titeldeel=8.3) Voor subsidieverstrekking op grond van [titel 8.3 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&titeldeel=8.3) voor het verrichten van onderzoek ten behoeve van de persbedrijfstak als geheel is in 2010 een bedrag van ten hoogste € 350.000 beschikbaar, waarvan ten hoogste € 300.000 in de vorm van een uitkering wordt verstrekt. Artikel 3. Subsidieverstrekking op grond van de [Tijdelijke subsidieregeling minderhedenbladen en journalistieke internet-informatieproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027268) 1. Voor subsidieverstrekking aan minderhedenbladen op grond van [hoofdstuk 2 van de Tijdelijke subsidieregeling minderhedenbladen en journalistieke internet-informatieproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027268&hoofdstuk=2) is in 2010 een bedrag van te"},{"i":5344,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 6 december 2011, nr. IENM/BSK-2011/161754 tot intrekking van enkele subsidieregelingen en het laten vervallen van een subsidieprogramma op de beleidsterreinen ruimtelijke ordening en milieu (Intrekking enkele subsidieregelingen en een subsidieprogramma) Gelet op [artikel 15.13, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13), [artikel 6.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=6.10) en de [artikelen 6.3.1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023798&artikel=6.3.1.5), [6.3.2.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023798&artikel=6.3.2.1), en [6.3.4.1, vierde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023798&artikel=6.3.4.1); Besluit: Artikel I 1. De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. de [Projectstimuleringsregeling INTERREG IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022526); - b. de [RijksCofinancieringsregeling INTERREG IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023149); - c. de [Subsidieregeling aanpak zwerfafval](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022499); - d. de [Subsidieregeling dieselmotoren voor binnenvaartschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018788); - e. de [Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025911), en - f. de [Subsidieregeling milieugerichte technologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016362). 2. Wijzigt de Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen. Artikel II De regelingen en de paragraaf, genoemd in [artikel I, eerste lid, respectievelijk, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030851&artikel=I&z=2012-01-01&g=2012-01-01), zoals zij luidden voor 1 januari 2012, blijven van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2012 zijn aangevraagd of verleend o"},{"i":5402,"b":"Regeling stilhoudingsvordering toezichthouders Gelet op [artikel 5:19, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19); Besluit: Artikel 1 Een toezichthouder doet de vordering tot stilhouden, bedoeld in [artikel 5:19, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:19), op de navolgende wijze: - a. indien de toezichthouder tijdens de vordering gebruik maakt van een auto: door een stopteken, bestaande uit een in of aan de auto aangebrachte transparant waarin de aanduiding ’STOP’, al dan niet in combinatie met de aanduiding van de dienst waar de toezichthouders werkzaam is, in rode letters verlicht wordt; - b. in de overige gevallen: - 1º. van een half uur vóór zonsopgang tot een half uur na zonsondergang: door het opsteken van een stopteken, bestaande uit een ronde witte schijf waaromheen een rode rand, waarin met witte letters in ieder geval de aanduiding ’STOP’ is geplaatst; - 2º. van een half uur na zonsondergang tot een half uur vóór zonsopgang: door het verticaal op en neer bewegen van een rood lichtsein dat is aangebracht in het midden van het in onderdeel 1° bedoelde stopteken. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009206&artikel=1&z=1998-07-10&g=1998-07-10) kan de vordering tot stilhouden ook worden gedaan op een van de in [artikel 82 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=82) genoemde wijzen. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1998. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling stilhoudingsvordering toezichthouders. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5412,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 27 maart 2024, nr. 5278276, houdende regels inzake subsidie om gecertificeerde instellingen te ondersteunen bij het inzetten van zij-instromers (Regeling subsidie zij-instromers gecertificeerde instellingen 2024) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en [4, eerste lid, onder a, b en d van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=4) en de [artikelen 5, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=5), [7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=7), [10, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=10), [16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=16), en [20, vierde lid, van het Kaderbesluit overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=20); Besluit: Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - **gecertificeerde instelling:** rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in [artikel 3.4 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=3.4) en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert; - **Minister:** Minister voor Rechtsbescherming; - **zij-instromer:** medewerker van een gecertificeerde instelling die wordt opgeleid tot jeugdbeschermer of jeugdreclasseringsmedewerker. Artikel 2. Te subsidiëren activiteiten De Minister kan subsidie verstrekken aan een gecertificeerde instelling voor activiteiten die tot doel hebben om opleidings- en arbeidsplekken te bieden aan zij-instromers, voor zover zij beschikken over minimaal hbo-werk- en -denkniveau. Artikel 3. Verdeelsleutel De Minister verstrekt per gecertificeerde instelling een subsidie van ten hoogste het bedrag dat met betrekkin"},{"i":5395,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 29 oktober 2019, nr. WJZ/ 19003260, houdende een specifieke uitkering voor de Provincie Flevoland in verband met de sanering van windturbines in het windpark Zeewolde (Regeling specifieke uitkering provincie Flevoland sanering windpark Zeewolde) Gelet op [artikel 17, derde lid, van de Financiële verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **wet:** Financiële verhoudingswet; - –. **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - –. **provincie:** provincie Flevoland; - –. **saneringsfonds:** fondsonderdeel, beheerd door de provincie ten behoeve van een financiële compensatie voor gederfde inkomsten van eigenaren of opstalverleners van te saneren windturbines in het windpark Zeewolde. - –. **windpark Zeewolde:** windpark als bedoeld in het Rijksinpassingsplan ‘windpark Zeewolde’ van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Infrastructuur en Milieu (plannummer: NL.IMRO.0000.EZip16WZEEWOLDE-3003). Artikel 2 1. De minister verleent een eenmalige specifieke uitkering aan de provincie voor het saneringsfonds. 2. De specifieke uitkering wordt aangewend voor betalingen uit het saneringsfonds: - a. aan eigenaren of opstalverleners met wie de onderneming Windpark Zeewolde bv een overeenkomst heeft gesloten over de sanering van één of meer windturbines; of - b. voor schadeloosstellingen in verband met onteigeningsprocedures op grond van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&artikel=1), [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&artikel=18), en [78, eerste lid, van de onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&artikel=78) ten behoeve van de sanering van windturbines in windpark Zeewolde. Artikel 3 1. De specifieke uitkering, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042718&artikel=2&z=2020-01-01&g=20"},{"i":5844,"b":"Besluit van 13 april 2023, houdende tijdelijke regels voor een experiment met de inzet van re-integratie-instrumenten voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikte personen (Tijdelijk besluit experiment bredere inzet re-integratie-instrumenten) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 2022, nr. 2022-0000278924, gedaan in overeenstemming met Onze Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen; Gelet op [artikel 82a, eerste lid, onderdelen a, f en h, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=82a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 maart 2023, nr. W12.22.00214/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 april 2023, nr. 2023-0000173330, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - **Wajong:** [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657); - **Wet SUWI:** [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060); - **Wet WIA:** [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057). Artikel 2. Doelstelling experiment Bij wijze van experiment als bedoeld in [artikel 82a, eerste lid, van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=82a) wordt in afwijking van de [artikelen 30a, derde lid, onderdelen b en f, van de Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a), en [2:30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:30) en [3:73a van de Wajong](https://wetten"},{"i":1738,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2004, houdende de vaststelling van een heffing op verduurzaamde producten voor het jaar 2005 (Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 24 juni 2004; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de voorzitter: | de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | het bestuur: | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | c. | het verduurzamen: | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze producten, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden; | | d. | de fabrikant: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin fruit, groenten, of daaruit verkregen producten worden verduurzaamd; | | e. | de omzet: | de verkoopwaarde af fabriek van de door de fabrikant gedurende een kalenderjaar verduurzaamde groenten en fruit, met uitzondering van de in de bij deze verordening behorende bijlage genoemde producten; | | f. | de heffingsplichtige: | de fabrikant die ingevolge deze verordening heffing verschuldigd is. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De fabrikant is jaarlijks aan het Productschap Tuinbouw een heffing verschuldigd ten behoeve van aangelegenheden als milie"},{"i":5393,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 mei 2024, houdende regels voor het verlenen van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van de versnelde huisvesting en begeleiding van grote gezinnen vergunninghouders (Regeling specifieke uitkering huisvesting grote gezinnen vergunninghouders tweede tranche) Gelet op [artikelen 2, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2), en [3 van het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=3) (Stb. 2022, 452); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **COA:** Centraal Orgaan opvang asielzoekers als bedoeld in [artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=2); - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **groot gezin:** gezin van zes of meer personen dat gekoppeld is aan een gemeente en in een opvangvoorziening van het COA, (een deel) in een tijdelijke locatie verblijft of waarvan een deel van het gezin in een woning in de gemeente verblijft en ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een specifieke uitkering ten minste één gezinslid in het bezit is van een verblijfsvergunning en de rest in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf; - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **object:** ruimte die ter bewoning voor verhuur wordt aangeboden of een ruimte met een andere bestemming dan wonen die na transformatie geschikt is voor bewoning en aan de daartoe gestelde eisen voldoet. Artikel 2. Doel en activiteiten 1. De minister kan ten behoeve van de versnelde huisvesting en begeleiding van grote gezinnen vergunninghouders op aanvra"},{"i":5654,"b":"Subsidieplafond Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland 2014 Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904); Besluit: Artikel I Het subsidie plafond van het [Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035122) voor het jaar 2014 is € 19.400.000,– zegge: negentien miljoen vierhonderdduizend euro. Het subsidieplafond voor de eerste aanvraagronde op 5 juni 2014 bedraagt € 9.700.000,– zegge negen miljoen en zevenhonderdduizend euro. Artikel II Dit besluit treedt in werking na plaatsing in de Staatscourant en werkt terug tot en met 20 mei 2014. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7899,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 10 juli 2018, nr. IENW/BSK-2018/122639, houdende regels betreffende het bewijs van verzekering voor niet-kentekenplichtige motorrijtuigen (Regeling bewijs van verzekering niet-kentekenplichtige motorrijtuigen 2018) Gelet op de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002503&artikel=3), [4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002503&artikel=4), en [7 van het Besluit bewijs van verzekering niet-kentekenplichtige motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002503&artikel=7); BESLUIT: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder **besluit**: [Besluit bewijs van verzekering niet-kentekenplichtige motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002503). § 2. Kenmerken van het bewijs van verzekering Artikel 2 Een bewijs van verzekering als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002503&artikel=2) is een vierkante plaat of sticker van 80 x 80 mm met afgeronde hoeken. Artikel 3 Op het bewijs van verzekering worden drie hoofdletters naast elkaar en daaronder drie cijfers naast elkaar geplaatst. Deze letters en cijfers zijn ten minste 24 mm hoog en ten minste 16 mm breed, met dien verstande dat het cijfer 1 ten minste 7 mm breed moet zijn. Artikel 4 1. Op het bewijs van verzekering worden het woord ‘Nederland’ en een jaartal geplaatst. Deze aanduiding bestaat uit letters en cijfers van ten minste 5 mm hoog. 2. De aanduiding, bedoeld in het eerste lid, wordt boven de drie hoofdletters of onder de drie cijfers op het bewijs van verzekering geplaatst. 3. De aanduiding wordt in de kalenderjaren 2018 en 2019 onderaan het bewijs van verzekering geplaatst. Vanaf 1 januari 2020 wisselt de aanduiding elke drie kalenderjaren van plaats, beginnende met een plaats bovenaan het bewijs van verzekering. 4. De volgorde waarop het woord ‘Nederland’ en het jaartal op het bewijs"},{"i":1741,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2007, houdende de vaststelling van een heffing op verduurzaamde producten voor het jaar 2008 (Verordening PT heffing verduurzaamde groenten en fruit 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 19 juni 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | het verduurzamen: | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze producten, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden; | | --- | --- | --- | | b. | de fabrikant: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin fruit, groenten, of daaruit verkregen producten worden verduurzaamd; | | c. | de omzet: | de verkoopwaarde af fabriek van de door de fabrikant gedurende een kalenderjaar verduurzaamde groenten en fruit, met uitzondering van: pindakaas, sau"},{"i":5421,"b":"Regeling subsidievoorwaarden rechts- en wetswinkels 2015 gelet op [artikel 37c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c) jo. [42c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=42c) subsidie verlenen aan rechts- en wetswinkels; heeft daartoe de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1). **De Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - 2). **Een rechts- of wetswinkel:** een rechtspersoon die zonder winstoogmerk, in hoofdzaak met vrijwilligers rechtsbijstand verleent aan minder draagkrachtige personen of groepen van personen; - 3). **Rechtsbijstand:** sociaal juridische hulpverlening. Daartoe rekent de Raad ook activiteiten zoals: voorlichting, preventie en andere activiteiten, gericht op het signaleren, voorkomen en tegengaan van tekortkomingen en leemten in de door het recht te verlenen bescherming van belangen van minder draagkrachtige rechtzoekenden; - 4). **Een subsidie:** subsidie als bedoeld in [artikel 37c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c) jo. [42c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=42c); - 5). **Een activiteitenverslag:** een verslag van de activiteiten in 2014, waaruit blijkt dat de rechts- of wetswinkel gedurende de daarin beschreven periode heeft voorzien in een behoefte aan rechtsbijstand als hiervoor bedoeld. Uit het verslag dient ook te blijken dat de rechts- of wetswinkel voldoende aandacht heeft besteed aan de kwaliteitsborging van de dienstverlening; - 6). **Een financieel verslag:** een verslag van de rechts- of wetswinkel over het financieel beheer in 2014, waaruit blijkt dat de verstrekte subsidie doelmatig is besteed aan rechtsbijstand; Artikel 2 De Raad kan onder de volgende voorwaarden subsidie verlenen; - 1). De rechts- of wetswinkel heeft in 2014 subsidie ontvangen van de Raad; - 2). De rechts- of wetswinkel die in 2014 subsidie heeft ontvangen van de Raad, komt n"},{"i":5418,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 december 2006, nr. DJZ2006339088, houdende vaststelling van de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Subsidiebesluit experimenten en kennisoverdracht wonen Gelet op [artikel 8, eerste lid, van het Subsidiebesluit experimenten en kennisoverdracht wonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020333&artikel=8); Besluit: Artikel 1 De subsidieplafonds, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van het Subsidiebesluit experimenten en kennisoverdracht wonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020333&artikel=8), voor 2007 zijn voor de doeleinden, genoemd in: - a. [artikel 2, onderdeel a, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020333&artikel=2): € 3.423.000; - b. [artikel 2, onderdeel b, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020333&artikel=2): € 1.478.000; - c. [artikel 2, onderdeel c, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020333&artikel=2): € 867.000, en - d. [artikel 2, onderdeel d, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020333&artikel=2): € 1.569.000. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5398,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 12 juli 2019, nr. WJZ/ 19151243, houdende een specifieke uitkering voor de gemeenten Appingedam, Delfzijl, Groningen, Hogeland, Loppersum, Midden-Groningen en de provincie Groningen in verband met de uitvoering van het Nationaal programma Groningen Gelet op [artikel 2 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [17, tweede lid, van de Financiële verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - –. **gemeenten:** gemeenten Appingedam, Delfzijl, Groningen, Hogeland, Loppersum en Midden-Groningen; - –. **project:** project, zoals omschreven in bijlagen van de Bestuursvergaderingen van het Nationaal Programma Groningen dd. 15 mei 2019 en 17 juni 2019; - –. **nationaal programma Groningen:** nationaal programma Groningen zoals bedoeld in de Bestuursovereenkomst Nationaal Programma Groningen, Kamerstukken II, 33 529, nr. 587, bijlage 1; Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De minister versterkt een eenmalige specifieke uitkering aan de gemeenten voor de uitvoering van projecten die zijn goedgekeurd door de bestuursvergadering van het nationaal programma Groningen. 2. De specifieke uitkering bedraagt voor de gemeente: - a. Appingedam 15 miljoen, voor de uitvoering van het project Stadsvisie Appingedam; - b. Delfzijl 10,5 miljoen, voor de uitvoering van het project Gebiedsontwikkeling Centrum Zuidoost; - c. Groningen 17.1 miljoen, waarvan: - 1°. 3,8 miljoen voor de uitvoering van het project Dorpsvernieuwing Ten Post, dorpshart; - 2°. 4,95 miljoen voor de uitvoering van het project Dorpsvernieuwing Ten Post, Nije Buurt; - 3°. 1,5 miljoen voor de uitvoering van het project Dorpsvernieuwing Ten Post, pilot verduurzaming; - 4°. 2,25 miljoen voor de uitvoering van het project Dorpsvernieuwing Ten Boer, H"},{"i":5313,"b":"Regeling van de Ministerie van Justitie en Veiligheid van 5 november 2019, nr. 2736901, houdende een eenmalige specifieke uitkering voor gemeenten in verband met de versterking van de lokale integrale aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme in 2020 Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - –. **hoofdaanvrager:** de gemeente die mede namens andere gemeenten in zijn regio een aanvraag indient. Artikel 2. Specifieke uitkering De minister kan op aanvraag aan een gemeente een eenmalige specifieke uitkering verstrekken met het oog op het ondersteunen van de lokale integrale aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme in 2020. Artikel 3. Voorwaarden De minister verstrekt uitsluitend een eenmalige specifieke uitkering aan een gemeente voor een of meer van de volgende activiteiten: - a. de analyse van de lokale problematiek met betrekking tot radicalisering en extremisme en de evaluatie van de aanpak van radicalisering en extremisme; - b. persoonsgerichte aanpak van geradicaliseerde personen; - c. het opbouwen, behouden en faciliteren van een netwerk van personen en organisaties die betrokken zijn bij de preventie van radicalisering; - d. deskundigheidsbevordering en voorlichting van personen en organisaties die betrokken zijn bij de preventie van radicalisering; - e. preventie-activiteiten gericht op specifieke kwetsbare doelgroepen; - f. het evalueren van de activiteiten die zijn verricht in het kader van het tegengaan van radicalisering, extremisme en terrorisme. Artikel 4. Aanvraag 1. Zowel de gemeente als de hoofdaanvrager kunnen een aanvraag voor de eenmalige specifieke uitkering, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042852&artikel=2&z=2019-12-08&g=2019-12-08), indienen bij de minister. 2. Een aanvraag"},{"i":5411,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 6 maart 2023, nr. 4495438, houdende regels inzake subsidie om de werkdruk bij gecertificeerde instellingen te verlagen 2023 (Regeling subsidie verlagen werkdruk gecertificeerde instellingen 2023) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en [4, eerste lid, onder a, b en d, van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=4) en de [artikelen 5, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=5), [7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=7), [10, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=10), [16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=16) en [20, vierde lid, van het Kaderbesluit overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=20); Besluit: Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - **accounthoudende gemeente:** gemeente die optreedt als aanspreekpunt voor de gecertificeerde instellingen namens alle gemeenten en jeugdzorgregio’s die de betreffende gecertificeerde instelling hebben gecontracteerd; - **accounthoudende wethouder:** wethouder die het aangaat van het college van burgemeester en wethouders van de accounthoudende gemeente; - **gecertificeerde instelling:** rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in [artikel 3.4 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=3.4) en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert; - **jeugdbeschermer:** medewerker van een gecertificeerde instelling die een kinderbeschermingsmaatregel uitvoert en die is geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd van Stichting Kwaliteitsregister Jeugd; - **Minister:** de Minister voor Rechtsbescherming"},{"i":5413,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 maart 2026, nr. 7253609, houdende regels inzake subsidie om gecertificeerde instellingen te ondersteunen bij het inzetten van zij-instromers (Regeling subsidie zij-instromers gecertificeerde instellingen 2026) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en [4, eerste lid, onder a, b, d en e, van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=4) en de [artikelen 5, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=5), [7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=7), [10, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=10), [16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=16), en [20, vierde lid, van het Kaderbesluit overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=20); Besluit: Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - **gecertificeerde instelling:** rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in [artikel 3.4 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=3.4) en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert; - **minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - **zij-instromer:** medewerker van een gecertificeerde instelling die wordt opgeleid tot in het Stichting Kwaliteitsregister Jeugd geregistreerde jeugdbeschermer of jeugdreclasseringsmedewerker. Artikel 2. Te subsidiëren activiteiten De minister kan subsidie verstrekken aan een gecertificeerde instelling voor activiteiten die tot doel hebben om opleidings- en arbeidsplekken te bieden aan zij-instromers, voor zover zij beschikken over minimaal hbo-werk- en -denkniveau. Artikel 3. Verdeelsleutel De minister verstrekt per gecerti"},{"i":5415,"b":"Regeling subsidie zoute veren Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3) (Stb. 1997, 724) Besluit: 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 De Minister verleent subsidie aan de veerdiensten B.V. Rederij Doeksen en Zonen te Terschelling-West, Wagenborg Passagiersdiensten B.V. te Delfzijl en N.V. Texels Eigen Stoomboot Onderneming T.E.S.O. te Den Hoorn. Artikel 3 De subsidie wordt een veerdienst verleend ter tegemoetkoming in en tot de hoogte van de door die dienst verleende reductie op de vastgestelde vervoertarieven voor personen met een leeftijd van 65 jaar of ouder. Artikel 4 De subsidie wordt verleend onder de volgende voorwaarden: - a. de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010237&paragraaf=1&artikel=3&z=2001-06-01&g=2001-06-01) bedoelde reductie is uitsluitend verleend aan houders van een Pas 65 of houders van een document als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1) en houders van een paspoort uit een van de overige lidstaten van de Europese Unie waaruit de leeftijd van 65 jaar of ouder blijkt; - b. voor deze reductie worden specifieke kaartsoorten gebruikt. Deze kaarten worden alleen gebruikt met op\"met op\" moet zijn \"op\" vertoon van een van de documenten als bedoeld onder a. Op deze kaarten wordt vermeld dat zij enkel samen op vertoon van een van de documenten als bedoeld onder a geldig kunnen worden gebruikt; - c. deze reductie bedraagt nooit meer dan 50% van de normaal voor een kaartsoort geldende prijs en wordt alleen gegeven op de onder b. bedoelde specifieke kaartsoorten. 2. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger Artikel 5 1. De directeur van een in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010237&paragraaf=1&artikel=2&z=2001-06-01&g=2001-06-01) genoemde veerdienst kan éénmaal per kwartaal van het kalenderja"},{"i":1742,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2008, houdende de vaststelling van een heffing op verduurzaamde producten voor het jaar 2009 (Verordening PT heffing verduurzaamde groenten en fruit 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 17 juni 2008 Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening Algemene Bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. het verduurzamen: alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze producten, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden; - b. de fabrikant: de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin fruit, groenten, of daaruit verkregen producten worden verduurzaamd; - c. de omzet: de verkoopwaarde af fabriek van de door de fabrikant gedurende een kalenderjaar verduurzaamde groenten en fruit, met uitzondering van: pindakaas, sauzen, natte en droge soepen, aroma's, limonades, salades, kindervoedsel en kant en klaarmaaltijden. § 2. Heff"},{"i":7893,"b":"Opschorting Besluit grondbankstelsel Gelet op [artikel 3 van het Besluit grondbankstelsel1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003548&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Aanvragen voor uitgifte in erfpacht van landbouwgrond als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit grondbankstelsel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003548&artikel=2) kunnen voor onbepaalde tijd niet worden ingediend. Artikel 2 De Gedeeltelijke opschorting Besluit grondbankstelsel wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Opschorting Besluit grondbankstelsel. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6504,"b":"Wijzigingsbesluit Deelregeling internationaliseringssubsidies Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Artikel I Wijzigt de Deelregeling internationaliseringssubsidies Fonds Podiumkunsten. Artikel II Aanvragen voor het subsidie uitwisselingsprojecten worden afgehandeld op basis van de [regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030540) zoals die gold op het moment van het indienen van de aanvraag. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5666,"b":"Subsidieplafondbesluit Aangepast Lezen Instellingssubsidies 2026, Koninklijke Bibliotheek Gelet op [artikel 5 van de Gewijzigde Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=5); BESLUIT: I Voor het jaar 2026 de volgende subsidieplafonds ter zake de [Gewijzigde Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915) vast te stellen: A. Het subsidieplafond voor de in [artikel 3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=3), vermelde activiteit ‘de verzorging van de eerstelijnsvoorziening voor het publiek’ is voor het jaar 2026 vastgesteld op € 2.860.000,– Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Gewijzigde Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915) de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen uitvoerden. B. Het subsidieplafond voor de in [artikel 3, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=3), vermelde activiteiten ‘productie en levering’ is voor het jaar 2026 vastgesteld op € 11.893.000,– en onderverdeeld in twee deelplafonds: - 1. € 2.500.000,– voor de ‘productie en levering’ als bedoeld in [artikel 7, derde lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=7); - 2. € 9.393.000,– voor de ‘productie en levering’ inclusief de veilige opslag en back-up van de bestanden voor de productie van aangepaste leesvormen als bedoeld in [artikel 7, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=7). Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Gewijzigde Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915), de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen uitvoerden. II Dit besluit tr"},{"i":5342,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2008, nr. WJZ/8186951, houdende intrekking van een aantal subsidieregelingen in verband met de stroomlijning hiervan Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselveiligheid; Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: § 1. Intrekking regelingen op het gebied van starten, groeien en overdragen Artikel I De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Regeling Groeifaciliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020560); - b. [Regeling impuls kennisexploitatie creatieve starters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022317); - c. [Regeling seed capital technostarters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018146); - d. [Regeling subsidieprogramma kennisexploitatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017312); - e. [Subsidieregeling Beroepsonderwijs in Bedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021764); - f. [Subsidieregeling ondernemerschap en onderwijs 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021101). § 2. Intrekking regelingen op het gebied van innoveren Artikel II De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Subsidieregeling Eurostarsprojecten – module van de Experimentele kaderregeling subsidies innovatieprojecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023215); - b. [Subsidieregeling innovatiekredieten – module van de Experimentele kaderregeling subsidies innovatieprojecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024103); - c. [Subsidieregeling innovatieprestatiecontracten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020508); - d. [Subsidieregeling innovatievouchers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019805). § 3. Intrekking regelingen op het gebied van sterktes in de regio Artikel III De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Subsidieregeling pieken in de delta 2007](https"},{"i":1745,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 10 november 2010, houdende de vaststelling van een vakheffing voor de kweker en importeur van bloemkwekerijproducten (Verordening PT vakheffing aanbod bloemkwekerijproducten 2011) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 12 oktober 2010; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=3:1), en de werkwijze beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder: | a. | bloemkwekerijproducten | : | I. siergewassen, II. teeltmateriaal, III. hydrocultuur, IV. bloemzaden; | | --- | --- | --- | --- | | b. | extreme toegevoegde waarde | : | inkoopwaarde van sierpotten/ijzerwerken,verfmateriaal voor het verven van bloemen en luxe verpakkingen en of andere luxe verfraaiingen, met uitzondering van de arbeidskosten; | | c. | hydrocultuur | : | siergewassen die bestemd zijn voor gebruik in plantenbakken of potten, waarbij de plant met zijn wortels houvast h"},{"i":6264,"b":"Wet van 4 juni 2010 tot samenvoeging van de gemeenten Bodegraven en Reeuwijk Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Bodegraven en Reeuwijk samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Bodegraven en Reeuwijk opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Bodegraven-Reeuwijk ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Bodegraven en Reeuwijk, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Bodegraven-Reeuwijk wordt de op te heffen gemeente Bodegraven aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Bodegraven en Reeuwijk wordt de nieuwe gemeente Bodegraven-Reeuwijk aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5 1. Voor de nieuwe gemeente Bodegra"},{"i":5410,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 4 december 2017, nr. WJZ / 16181067, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van subsidies ter uitvoering van het Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen (Regeling subsidie uitvoering Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen) Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), [19, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=43), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=44), [48, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=48), [50, achtste lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=50); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aardbevingsgebied:** gebied waar zich bodembeweging voordoet of heeft voorgedaan als gevolg van aardgaswinning uit het Groningenveld; - **algemene de-minimisverordening:** verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352); - **besluit:** [Kaderbesluit nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796); - **de-minimisverordening landbouw:** verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassin"},{"i":5355,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 mei 2007, nr. VGP/PSL 2770996, houdende de Regeling mandaat- en volmachtverlening aan de GGD’en met betrekking tot de uitvoering van het Warenwetbesluit tatoeëren en piercen Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. mandaat: de bevoegdheid om in naam van de Minister besluiten te nemen; - c. gemandateerde: degene aan wie mandaat is verleend; - d. besluit: [Warenwetbesluit tatoeëren en piercen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021605); - e. door verlettering vervallen; - f. retributie: retributie als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021605&artikel=4). Artikel 2 1. Aan de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021917&bijlage=1&z=2017-05-01&g=2017-05-01) bij deze regeling genoemde functionarissen of instanties wordt mandaat verleend om: - a. besluiten te nemen op aanvragen van vergunningen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021605&artikel=3); - b. vergunningen in te trekken als bedoeld in [artikel 5 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021605&artikel=5); - c. de hoogte vast te stellen van de retributie; - d. de retributie op te leggen en te innen. 2. De functionarissen en instanties bedoeld in het eerste lid, zijn bevoegd ondermandaat of ondervolmacht te verlenen tot het geheel of gedeeltelijk uitoefenen van de op grond van deze regeling toegekende bevoegdheden. 3. Het verlenen van ondermandaat of ondervolmacht als bedoeld in het tweede lid leidt niet tot een hogere retributie. Artikel 3 1. Op aanvragen van vergunningen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021605&artikel=3) wordt door de gemandateerde of door degene aan wie ondermandaat is verleend niet beslist voordat is onderzocht of er een"},{"i":5350,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister voor Jeugd en Gezin van 1 december 2009, nr. IZ 2971712, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de gezant voor de BES-eilanden, Bonaire, St. Eustatius en Saba Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluiten: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of de Minister voor Jeugd en Gezin; - b. **Centrum:** Regionaal Service Centrum als bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit Regionaal Service Centrum BES-eilanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024746&artikel=2); - c. **BES-gezant:** functionaris die ten behoeve van de minister werkzaamheden verricht op het terrein van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Jeugd en Gezin op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - d. **kwartiermaker:** functionaris die ten behoeve van de minister werkzaam is bij het Centrum; - e. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de minister die het aangaat besluiten te nemen; - f. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de minister die het aangaat privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - g. **machtiging:** bevoegdheid om in naam van de minister die het aangaat handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Machtiging Hetgeen is bepaald met betrekking tot mandaat, is van overeenkomstige toepassing op machtiging. Artikel 3. Mandaat 1. De BES-gezant heeft mandaat ten aanzien van alle stukken die tot zijn werkterrein als BES-gezant behoren, met uitsluiting van de stukken, als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026807&artikel=5&z=2009-12-15&g=2009-12-15). 2. De BES-gezant is bevoegd om aan functionarissen die onder hem ressorteren een ondermachtiging te verlenen ten behoeve van het vertegenwoordigen van de min"},{"i":5354,"b":"Regeling van de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding laatstelijk gewijzigd op 3 juli 2013 houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging met betrekking tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen door de secretaris Overwegende dat zij een aantal van haar bevoegdheden wenst te mandateren aan de secretaris van het bureau van de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding; Overwegende dat de secretaris gevolmachtigd dient te zijn tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen; Gelet op [Afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen - a. **Mandaat:** de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten ex [artikel 1:3 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) te nemen en ondertekenen; - b. **Volmacht:** de bevoegdheid om namens een bestuursorgaan privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - c. **Machtiging:** de bevoegdheid om namens een bestuursorgaan handelingen, die noch een besluit als bedoeld in [artikel 1:3 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3), noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, te verrichten. Artikel 2. Positie secretaris CEA Bij de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) is, met inachtneming van de aanwijzingen van de commissie, de secretaris belast met de leiding van het bureau van de commissie, zoals bepaald in [afdeling 3 van het Bestuursreglement CEA](onbekend) (gepubliceerd in de Staatscourant van 14 mei 2013, nr. 12575). Artikel 3. Taken en bevoegdheden secretaris De secretaris is meer in het bijzonder belast met: - a. de zorg voor personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering; - b. het adviseren van CEA en haar subcommissies in de uitoefening van hun taken; - c. de uitvoering van aan hem gemandateerde taken. Artikel 4. Mandaat CEA verleent het mandaat aan de secretaris volgens het bij dit besluit be"},{"i":5356,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 juni 2014, 363869-120120-VGP,houdende mandaatverlening voor de handhaving van regels m.b.t. indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (Regeling mandaatverlening inzake de bevoegdheid tot handhaving van de regels m.b.t. indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels) Gelet op [artikel 32 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32), [artikel 5.15 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=5.15) jo. de [artikelen 9.3a.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.3a.2), [18.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.1a) en [18.2b van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.2b), en de instemming van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Infrastructuur en Milieu, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport, de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de inspecteur-generaal der mijnen; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **de Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 1. Aan de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport de inspecteur-generaal der mijnen en de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt mandaat verleend om namens de Minister een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen voor overtreding van bij of krachtens [titel 9.3a van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&titeldeel=9.3a) gestelde voorschriften. 2. Aan de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport, de inspecteur-generaal der mijnen en de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt mandaat verleend voor het verrichten van handelingen die verband houden met de invordering van verbeurde"},{"i":5353,"b":"Regeling van de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding laatstelijk gewijzigd op 7 september 2016 houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging met betrekking tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen door de secretaris Overwegende dat zij een aantal van haar bevoegdheden wenst te mandateren aan de secretaris van het bureau van de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding; Overwegende dat de secretaris gevolmachtigd dient te zijn tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen; Gelet op [Afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepalingen - a. **Mandaat:** de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten ex [artikel 1:3 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) te nemen en ondertekenen; - b. **Volmacht:** de bevoegdheid om namens een bestuursorgaan privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - c. **Machtiging:** de bevoegdheid om namens een bestuursorgaan handelingen, die noch een besluit als bedoeld in [artikel 1:3 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3), noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, te verrichten. Artikel 2. Positie secretaris CEA Bij de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) is, met inachtneming van de aanwijzingen van de commissie, de secretaris belast met de leiding van het bureau van de commissie, zoals bepaald in [afdeling 3 van het Bestuursreglement CEA](onbekend) (gepubliceerd in de Staatscourant van 14 mei 2013, nr. 12575). Artikel 3. Taken en bevoegdheden secretaris De secretaris is meer in het bijzonder belast met: - a. de zorg voor personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering; - b. het adviseren van CEA en haar subcommissies in de uitoefening van hun taken; - c. de uitvoering van aan hem gemandateerde taken. Artikel 4. Mandaat CEA v"},{"i":5319,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 oktober 2021, nr. WJZ/20222966, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021) Gelet op: [verordening (EU) 2021/1058](32958R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (PbEU 2021, L 231); [verordening (EU) 2021/1059](32959R2021) van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling ‘Europese territoriale samenwerking’ (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten (PbEU 2021, L 231); [verordening (EU) 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231); [verordening (EU) 2021/1139](33039R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van [Verordening (EU) 2017/1004](32904R2017) (PbEU 2021, L 247); [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); [artikel 6 van de Uitvoeringswet EFRO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034784&artikel=6); Besluiten: Hoofdstuk 1. Algemene"},{"i":5351,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 december 2020, Min-BuZa.2020.6279-19, houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken Handelende in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** de minister van Buitenlandse Zaken en in voorkomend geval de minister zonder portefeuille of de staatssecretaris die belast is met de behartiging van een of meer tot het werkgebied van het ministerie behorende beleidsterreinen; - b. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon besluiten te nemen; - c. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon de Staat te vertegenwoordigen bij het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - e. **directeuren-generaal:** - –. de directeur-generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen (DGBEB), - –. de directeur-generaal Europese Samenwerking (DGES), - –. de directeur-generaal Internationale Samenwerking (DGIS), - –. de directeur-generaal Politieke Zaken (DGPZ), - –. andere bij het ministerie van Buitenlandse Zaken (tijdelijk) benoemde project-directeuren-generaal; - f. **directeuren:** - –. de directeuren, hoofddirecteuren en projectdirecteuren, - –. de ambassadeurs in algemene dienst en de ambassadeurs in algemene dienst met bijzondere taken; - g. **hoofden:** de hoofden van afdelingen; - h. **chefs de poste:** de hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland, te weten ambassades, gezantschappen"},{"i":5374,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 december 2012, nr. WJZ/12347494, tot vaststelling van de subsidieplafonds en termijnen van openstelling van EZ-subsidieregelingen (Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2013) Gelet op [artikel 16 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16) en de [artikelen 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=3.9), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=5.5) en [5a.5 van de Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=5a.5); Besluit: Artikel 1 1. Als perioden in 2013, waarin subsidieaanvragen kunnen worden ingediend krachtens de in kolom 2 genoemde subsidieregelingen en de in kolom 3 genoemde artikelen, in voorkomende gevallen verbijzonderd naar de in kolom 4 omschreven of aangeduide groepen van aanvragers, projecten of aanvragen, worden vastgesteld de daarbij behorende perioden, genoemd in kolom 5; aanvragen moeten zijn ontvangen op de genoemde einddatum vóór 17.00 uur. 2. Als subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies als bedoeld in het eerste lid wordt per in kolom 5 genoemde periode vastgesteld: het daarbij behorende in kolom 6 genoemde bedrag. 3. Met betrekking tot het verstrekken van subsidies door de Minister van Economische Zaken op grond van wettelijke voorschriften of onderdelen daarvan kunnen aanvragen om subsidie in 2013 slechts worden ingediend indien in deze regeling of in enig ander wettelijk voorschrift daarvoor een periode is vastgesteld. | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Nr. | Regeling | Artikel | Groep | Openstelling 2013 | Plafond € | | **Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen** | **Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen** | **Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen** | **Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen** | **Subsidie"},{"i":4911,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 september 2016 nr. PO/B&S/969922 houdende de verlening van mandaat en machtiging aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in verband met de subsidieverstrekking inzake extern advies voor de verduurzaming van scholen in het kader van de Green Deal Scholen (Mandaatbesluit Rijksdienst voor Ondernemend Nederland inzake subsidie op extern advies verduurzaming scholen) Gelet op [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de instemming van de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; Besluit: Artikel 1 Aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken (hierna: RVO.nl), verder te noemen de algemeen directeur, wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten tot subsidieverstrekking op grond van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS voor zover het gaat om subsidies op grond van het [Besluit vaststelling beleidskader inzake subsidie op extern advies verduurzaming scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038565), en - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 De algemeen directeur is gemachtigd: - a. tot het verrichten van alle feitelijke handelingen en het afdoen van alle stukken die betrekking hebben op besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038563&artikel=1&z=2016-10-01&g=2016-10-01), en - b. ten aanzien van verweer- en beroepschriften in bestuursrechtelijke procedures, het vertegenwoordigen van de minister in deze procedures en tot het afdoen van alle stukken en het verrichten van alle feitelijke handelingen die daarop betrekking hebben. Artikel 3 Bij afwezigheid of verhinderi"},{"i":1747,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2002, houdende de vaststelling van een aan telers van en handelaren in bloembollen (leverbaar) op te leggen heffing voor het jaar 2003 (Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de sectorcommissie Bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d 4 juni 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 2](onbekend) en [3 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | bloembollen | : | bollen of knollen van bloemgewassen; | | e. | bloembollen-leverbaar | : | soorten en variëteiten bloembollen die in de lijst, welke als bijlage bij deze verordening is gevoegd, zijn vermeld en waarvan de maat ligt op of boven de daarachter vermelde minimummaat, alsmede alle andere bloembollen, ongeacht de maat; | | f. | handelskaarthouder | : | ieder die in het bezit is van een op zijn naam gestelde handels kaart als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013849&paragraaf=3&artikel=4&z=2003-01-01&g=2003-01-01); | | g. | factuurbedrag | : | het bedrag van de factuur, exclusief behandelingskosten en exclusief kosten kleinverpakkingsmateriaal; | | h. | veiling | : | de veilingen c.q. bemiddelingsbureaus: Hobaho BV., Coöperatieve Nederlands"},{"i":1748,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 2 december 2003, houdende de vaststelling van een aan telers van en handelaren in bloembollen (leverbaar) op te leggen heffing voor het oogstjaar 2003 (Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de Sectorcommissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; BESLUIT: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](onbekend) en [2 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | bloembollen | : | bollen of knollen van bloemgewassen; | | e. | bloembollen- leverbaar | : | soorten en variëteiten bloembollen die in de lijst, welke als bijlage bij deze verordening is gevoegd, zijn vermeld en waarvan de maat ligt op of boven de daarachter vermelde mini mummaat, alsmede alle andere bloembollen, ongeacht de maat; | | f. | handelskaarthouder | : | ieder die in het bezit is van een op zijn naam gestelde handels kaart als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015987&paragraaf=3&artikel=4&z=2003-06-01&g=2003-06-01); | | g. | factuurbedrag | | het bedrag van de factuur, exclusief behandelingskosten en exc"},{"i":5850,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2017, nr. 2017-0000584237, houdende tijdelijke verlening van mandaat, volmacht en machtiging op het terrein van de digitale informatievoorziening en dienstverlening van de overheid aan bedrijven en de elektronische identificatie en authenticatie van bestuursorganen en instanties met een publieke taak (Tijdelijk besluit mandaat, volmacht en machtiging generieke digitale overheid voor bedrijven) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 Mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die op 16 november 2017 van kracht waren ten behoeve van functionarissen van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat ten aanzien van de aangelegenheden op het terrein van de digitale informatievoorziening en dienstverlening van de overheid aan bedrijven en de elektronische identificatie en authenticatie van bestuursorganen en instanties met een publieke taak worden, voor zover het de bevoegdheid van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreft, aangemerkt als mandaten, volmachten en machtigingen die zijn verleend door de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan: - a. de secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. de directeur-generaal Overheidsorganisatie; - c. de directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving; - d. de directeur Informatiesamenleving en Overheid. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 17 november 2017. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit mandaat, volmacht en machtiging generieke digitale overheid voor bedrijven. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7896,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 5 september 2014, nr. WJZ/14145172, houdende een aanvullende bepaling inzake de doorberekening van kosten van de ACM in 2014 Gelet op [artikel 45 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=45); Besluit: Artikel 1 De regels voor de doorberekening van kosten van de Autoriteit Consument en Markt, zoals die bij of krachtens de [Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755), [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440), [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691), [Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572) en [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) luidden op 31 juli 2014, zijn van toepassing voor de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 december 2014. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2014. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1755,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 19 mei 2011, houdende de vaststelling van een aan telers van en handelaren in bloembollen op te leggen heffing voor het oogstjaar 2010 (Verordening PT vakheffing bloembollen oogstjaar 2010) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14): gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 10 mei 2011. Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en de procedure heffing en invordering zoals beschreven in [paragraaf 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | bloembollen: | 1. bollen of knollen van bloemgewassen; | | --- | --- | --- | | | | 2. afgebroeide bloembollen; | | | | 3. geholde en gesneden hyacinten; | | | | 4. eenjarige bollen van geholde en gesneden hyacinten, voor zover verhandeld per bed of per mand; | | | | 5. bollen van hyacinten, die zijn verkocht onder uitdrukkelijke voorwaarde dat deze zullen worden gebruikt als werkbollen, in welk geval deze voorwaarde op het koopbriefje dient te worden vermeld; | | | | 6. groen te velde per bed of per mand vóór 15 juni van het kalenderja"},{"i":1757,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 2 december 2003, houdende de vaststelling van aan telers van en handelaren in bloembollen op te leggen heffing voor het oogstjaar 2003 (Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=15) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de Sectorcommissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, BESLUIT: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | bloembollen | : | bollen of knollen van bloemgewassen; | | e. | bloembollen plantgoed | : | 1. soorten en variëteiten van bloembollen die in de lijst, welke als [bijlage bij de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar 2004](onbekend) is gevoegd, zijn vermeld voor zover deze beneden de daarachter genoemde minimum-maten zijn verhandeld; | | | | | 2. afgebroeide bloembollen; | | | | | 3. geholde en gesneden hyacinten; | | | | | 4. eenjarige bollen van geholde"},{"i":1758,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 4 mei 2004, houdende de vaststelling van aan telers van en handelaren in bloembollen op te leggen heffing voor het oogstjaar 2004/2005 (Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2004/2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Sectorcommissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 30 maart 2004 **Besluit:** De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | bloembollen | : | bollen of knollen van bloemgewassen; | | e. | bloembollen plantgoed | : | 1. soorten en variëteiten van bloembollen die in de lijst, welke als [bijlage bij de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2004/2005](onbekend)is gevoegd, zijn vermeld voor zover deze beneden de daarachter genoemde minimum-maten zijn verhandeld; 2. afgebroeide bloembollen; 3. geholde en gesneden hyacinten; 4. eenjarige bollen van geholde en gesneden hyacinten, voor zover verhandeld per bed of per mand; 5. bollen van hyacinten, die zijn verkocht onder de uitdrukkelijke voorwaar"},{"i":1759,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 26 april 2005, houdende de vaststelling van aan telers van en handelaren in bloembollen op te leggen heffing voor het oogstjaar 2005 (Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2005) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | bloembollen: | bollen of knollen van bloemgewassen; | | --- | --- | --- | | b. | bloembollen plantgoed: | 1. soorten en variëteiten van bloembollen die in de lijst, welke als [bijlage bij de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2005](onbekend) is gevoegd, zijn vermeld voor zover deze beneden de daarachter genoemde minimum-maten zijn verhandeld; | | | | 2. afgebroeide bloembollen; | | | | 3. geholde en gesneden hyacinten; | | | | 4. eenjarige bollen van geholde en gesneden hyacinten, voor zover verhandeld per bed of per mand; | | | | 5. bollen van hyacinten, die zijn verkocht onder uitdrukkelijke voorwaarde dat deze zullen worden gebruikt als werkbollen, in welk geval deze voorwaarde op het koopbriefje dient te worden vermeld; | | | | 6. groen te velde per bed of per mand voor 15 juni van het kalenderjaar waarin het koopseizoen aanvangt verhandelde hyacinten, geplant in de maat onder zift 10, droog gesorteerd; | |"},{"i":5450,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 oktober 2014, 2014-0000162941, tot instelling van het Comité van toezicht EFMB Gelet op artikel 11 van de Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen en [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **Comité:** het Comité van toezicht EFMB, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035716&artikel=2&z=2018-06-21&g=2018-06-21); - –. **EFMB:** het Europees fonds voor meest behoeftigen; - –. **minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. **Operationeel Programma:** het Operationeel Programma dat door de Europese Commissie wordt goedgekeurd ter uitvoering van de Verordening; - –. **beschikking:** de Beschikking van de Europese Commissie, houdende goedkeuring van het voor Nederland geldende Operationeel Programma EFMB 2014-2020; - –. **verordening:** Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen. Artikel 2. Instelling Comité van toezicht EFMB Er is een Comité van toezicht EFMB. Artikel 3. Samenstelling en benoeming 1. Het Comité bestaat uit ten minste vijf leden en een voorzitter. 2. De leden worden door de minister benoemd op voordracht van: - –. het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (tevens voorzitter); - –. het Movisie; - –. de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen; - –. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; - –. de gemeente Rotterdam ; - –. het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 3. De leden van het Comité kunnen zich ter vergadering laten bijstaan door een of meer adviseurs. 4. Voor ieder lid kan de minister een plaatsvervanger benoemen, voor zover"},{"i":6992,"b":"Circulaire handelwijze bij vermoedens van huwelijksdwang en achterlating, kinderontvoering, uitbuiting, onttrekking van kinderen aan overheidstoezicht en aangifte van geboorte en medischeverklaring (art. 2.43 en 2.49 Wet BRP) 1. Inleiding Gaarne vraag ik uw aandacht en uw medewerking voor het volgende. In Nederland komt het helaas voor dat vrouwen of kinderen slachtoffer zijn van huwelijksdwang, achterlating (in het buitenland), ontvoering of uitbuiting.1Op basis van cijfers uit een aantal andere landen is het aannemelijk dat sprake is van honderden slachtoffers van huwelijksdwang per jaar. De consequenties kunnen zeer ernstig zijn. Slachtoffers zijn vaak jong of bevinden zich in een afhankelijkheidsrelatie waar zij zich niet gemakkelijk uit kunnen losmaken. Bovendien gaat huwelijksdwang vaak gepaard met fysiek geweld of bedreiging. Dit brengt veel verdriet en leed met zich mee. Het betreft ernstige situaties die zoveel mogelijk voorkomen moeten worden.2Meer informatie over (de aanpak van) huwelijksdwang en achterlating is te vinden via [http://www.huiselijkgeweld.nl/dossiers/huwelijksdwang-en-achterlating](onbekend). Daarnaast komt het voor dat met een aangifte van vertrek naar het buitenland getracht wordt om kinderen te onttrekken aan het toezicht van overheidsinstanties, zoals bijvoorbeeld de leerplichtambtenaar of Jeugdzorg. Het kabinet is van oordeel dat dit krachtig moet worden bestreden. Op 6 juni 2013 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer een brief doen toekomen3Kamerstukken II 2012/13, 32 175, nr. 50. over de wijze waarop het kabinet de ketenaanpak voor het tegengaan van huwelijksdwang en achterlating wil versterken. Hierbij wordt onder andere ingezet op verbetering van signalering en melding. Ambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715) (hierna: Wet BRP) kunnen hierin een actieve signalerende rol hebben. Hiertoe kan het college van burg"},{"i":6265,"b":"Wet van 7 juli 2010 tot samenvoeging van de gemeenten Bolsward, Nijefurd, Sneek, Wûnseradiel en Wymbritseradiel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Bolsward, Nijefurd, Sneek, Wûnseradiel en Wymbritseradiel samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Bolsward, Nijefurd, Sneek, Wûnseradiel en Wymbritseradiel opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Súdwest Fryslân ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Bolsward, Nijefurd, Sneek, Wûnseradiel en Wymbritseradiel zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Súdwest Fryslân wordt de op te heffen gemeente Sneek aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Bolsward, Nijefurd, Sneek, Wûnseradiel en Wymbritseradiel wordt de nieuwe gemeente Súdwest Fryslân aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband m"},{"i":5452,"b":"Regeling tweejarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2021–2024 gelet op het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, lid 4, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **andere overheden:** provincies, gemeenten, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of de landen Aruba, Curaçao of Sint Maarten; - **auteurs:** professionele literaire makers, waaronder schrijvers en vertalers; - **het bestuur:** het bestuur van de Stichting Nederlands Letterenfonds; - **bezoekers:** betalende en niet betalende bezoekers van de activiteiten die zijn geteld op een, naar het oordeel van het Letterenfonds, duidelijk kenbare en controleerbare wijze; - **deelnemers:** betalende en niet betalende participanten aan literair educatieve activiteiten of talentontwikkelingsprogramma’s die zijn geteld op een, naar het oordeel van het Letterenfonds, duidelijk kenbare en controleerbare wijze; - **eigen inkomsten:** het deel van de baten in de jaarrekening dat bestaat uit: - a. publieksinkomsten; - b. overige inkomsten, te weten: Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten: - –. directe opbrengsten: sponsorinkomsten en overige inkomsten; - –. indirecte opbrengsten en - –. overige bijdragen. - –. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; - –. overige bijdragen uit publieke middelen; - –. rentebaten; - –. bijdragen in natura; - –. kapitalisatie van vrijwilligers; - –. waardering vrijkaarten en - –. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap; - **Letterenfonds:** Stichting Nederlands Letterenfonds; - **literatuur:** Nederlandstalige en/of Friestalig"},{"i":5407,"b":"Regeling Subsidie Lerend Werken, Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs **Coaching on the job voor schoolleiders** Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Begroting:** overzicht van de voor de trajectduur geraamde uitgaven van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd. De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien. - b. **Beschikking:** een besluit dat juridisch het wel of niet inwilligen van de aanvraag regelt. Het bevat een omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend en vermeldt tevens het bedrag van de subsidie en de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald. - c. **Certificaat:** het schriftelijk bewijs van de succesvol afgeronde coaching on the job, waarop de schoolleider en de coach hebben vermeld dat de vooraf opgestelde leerdoelstellingen zijn behaald en waar dat uit blijkt. De coach en schoolleider nemen daarin ieder hun verantwoordelijkheid voor het proces. - d. **Coach:** een extern begeleider (niet in de dienst bij de werkgever die de subsidie aanvraagt) die via een gestructureerd en doelgericht proces op interactieve wijze de schoolleider aanzet tot het gewenste effectief gedrag door: - •. bewustwording en persoonlijke groei; - •. het vergroten in zelfvertrouwen; - •. het exploreren, ontwikkelen en toepassen van eigen kennis, kunde en vaardigheden. - e. **Coaching on the job:** activiteiten uitgevoerd door de coach die ten doel hebben de professionele ontwikkeling van schoolleiders in het PO binnen de school te verbeteren, door ze in de alledaagse schoolpraktijksituatie te coachen dan wel te begeleiden. - f. **Cofinanciering:** financiering en middelen die een werkgever zelf meebetaalt en inbrengt voor de realisering van een coaching on the job ten behoeve van de schoolleider. - g. **Keurmerk NOBCO EIA (European Individual accreditation):** de EI"},{"i":5474,"b":"Regeling van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 13 december 2013, nr. MinBuza-2013.345221, tot vaststelling van enkele subsidieplafonds Gelet op [artikel 16 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16); Besluit: Artikel I 1. Als perioden in 2014, waarin subsidieaanvragen kunnen worden ingediend krachtens de in kolom 1 genoemde besluiten en de in kolom 2 genoemde artikelen, in voorkomende gevallen verbijzonderd naar de in kolom 3 omschreven of aangeduide groepen van aanvragers, projecten of aanvragen, worden vastgesteld de daarbij behorende perioden, genoemd in kolom 4. 2. Als subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies als bedoeld in het eerste lid wordt per in kolom 4 genoemde periode vastgesteld: het daarbij behorende in kolom 5 genoemde bedrag. | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | | --- | --- | --- | --- | --- | | Besluit | Artikel | Groep | Openstelling 2014 | Plafond € | | [Subsidieregeling internationaal excelleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983) (demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies en kennisverwerving) | [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983&artikel=3.1), [4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983&artikel=4.1), [5.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983&artikel=5.19) | M.b.t. de landen Bahrein, Bangladesh, Brazilië, China1, Colombia, Egypte, Ethiopië, Ghana, India, Indonesië, Kenia, Koeweit, Maleisië, Nigeria, Oekraïne, Oman, Qatar, Rusland, Saudi-Arabië, Singapore, Turkije, Verenigde Arabische Emiraten, Vietnam, Zuid-Afrika, Zuid-Korea, Argentinië, Azerbeidzjan, Chili, Irak, Kazachstan, Mexico, Panama, Servië | 01-01 t/m 31-12 | 5.867.000 | | Subsidieregeling internationaal excelleren (Finance for International Business-lening) | [5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983&artikel=5.2) | | 15-02 t/m 31-12 | 5.870.000 | | [Beleidsregel Partners for International Business](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":5314,"b":"Regeling, houdende toekenning van een eenmalige specifieke uitkering aan de Gemeente Rotterdam in verband met het Project ontwikkeling programma beveiligingsplannen voor havenfaciliteiten Gelet op [artikel 17, vijfde lid, Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. Gemeente: Gemeente Rotterdam; - c. project: Project ontwikkeling en nationaal toepasbaar maken van een web-based programma voor het maken van een beoordeling van veiligheidsrisico’s, het bepalen van de benodigde beveiligingsmaatregelen en het maken van het internationaal- en Europeesrechtelijk voorgeschreven beveiligingsplan voor havenfaciliteiten; - d. programma: programma als bedoeld onder c; - e. uitkering: uitkering als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016000&artikel=2&z=2003-12-14&g=2003-12-14). Artikel 2 De Minister verstrekt aan de Gemeente een eenmalige specifieke uitkering van honderdachttienduizend Euro (€ 118.000) als bijdrage in het nationaal toepasbaar maken van het programma. Artikel 3 De Gemeente stelt het programma ter beschikking van de beheerders van de andere Nederlandse zeehavens. Artikel 4 De Gemeente neemt de toepasselijke Europese regelgeving in acht. Artikel 5 De Gemeente draagt ervoor zorg dat het programma niet ter beschikking wordt gesteld van organisaties, personen of buitenlandse overheden die voorkomen op een lijst, welke door de Minister, gelet op de veiligheid van de Staat, na overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aan de Gemeente wordt medegedeeld. Artikel 6 Binnen vier weken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling wordt aan de gemeente een voorschot betaald van negentig procent van de verstrekte uitkering. Artikel 7 1. De gemeente legt binnen drie maanden na afloop van het project en uiterlijk op 31 maart 2004 aan de Minister over: - a. een"},{"i":5325,"b":"Regeling gegevens buitenlandse betrekkingen vergunninghouder interlandelijke adoptie Gelet op [artikel 16, tweede lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=16) ( Wet van 8 december 1988, Stb. 566, als gewijzigd bij de wet van 14 mei 1998 tot uitvoering van het op 29 mei 1993 te ‘s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie en, in verband daarmee, wijziging van de Wet opneming buitenlande pleegkinderen (Stb. 302), Besluit: Artikel 1 Een verzoek om een vergunning als bedoeld in [artikel 15 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=15) dient de navolgende gegevens te bevatten: - a. Een afschrift van de statuten van de aanvrager. - b. Een nauwkeurige beschrijving van de wijze waarop de aanvrager zich ervan vergewist dat de opneming van een buitenlands kind ter adoptie in Nederland in het belang van zodanig kind kan worden geacht. - c. Een opgave van de samenstelling van het bestuur van de rechtspersoon, waarbij tevens wordt aangegeven op welke wijze door de samenstelling van het bestuur de behartiging van de belangen van de in aanmerking komende buitenlandse kinderen en van de aspirant-adoptiefouders is gewaarborgd. - d. Een uiteenzetting omtrent de aard van de bemiddelende werkzaamheden en de wijze waarop de aanvrager uitvoering zal geven aan bemiddelende werkzaamheden en de procedure welke de aspirant-adoptiefouders dienen te volgen ter opneming van een buitenlands kind ter adoptie, zulks onderverdeeld per land. - e. Voor zover de aanvrager reeds bemiddelende activiteiten heeft verricht: een verslag van werkzaamheden alsmede de balans en staat van baten en lasten met toelichting over het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de vergunning wordt aangevraagd. - f. Een opgave per land van de personen en instanties in het buitenland waarmee"},{"i":5327,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 december 2012 , nr. WJZ/12363115, houdende regels met betrekking tot de handhaving van de Wet dieren en enige andere aangelegenheden met betrekking tot die wet (Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren) Gelet op [artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032334&artikel=2.2) en [artikel 120b van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=120b) Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren; - **minister:** Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - **verordening (EG) nr. 999/2001:** [verordening (EG) nr. 999/2001](32001R0999) van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PbEU 2001, L 147); - **verordening (EG) nr. 178/2002:** [verordening (EG) nr. 178/2002](32002R0178) van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG 2002, L 31); - **verordening (EG) nr. 2160/2003:** [verordening (EG) nr. 2160/2003](32003R2160) van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU, 2003, L 325); - **verordening (EG) nr. 852/2004:** [verordening (EG) nr. 852/2004](32004R0852) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PbEU 2004, L 139); - **verordening (EG) nr. 853/2004:** [ver"},{"i":5326,"b":"Besluit van 18 november 1985, houdende regeling van het georganiseerd overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren die overgaan in dienst van de provincie Flevoland Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken a.i. van 7 augustus 1985, nr. AB85/1452, directoraat-generaal voor Overheidspersoneelsbeleid, directie Overheidspersoneelszaken, afdeling Algemene en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 52, tweede lid, van de Wet instelling provincie Flevoland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003816&artikel=52) (**Stb.** 1985, nr. 360); De Raad van State gehoord (advies van 14 oktober 1985, nr. W04.85.0443/07.5.42); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 8 november 1985, nr. AB85/1930, directoraat-generaal voor Overheidspersoneelsbeleid, directie Overheidspersoneelszaken, afdeling Algemene en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § I. Begripsbepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; voorbereidingslichaam: het voorbereidingslichaam provincie Flevoland, bedoeld in [artikel 16 van de Wet instelling provincie Flevoland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003816&artikel=16); provincie: de provincie Flevoland; ambtenaar: degene die krachtens aanstelling bij of krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met het Ministerie van Binnenlandse Zaken onderscheidenlijk het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, de provincies Overijssel en Gelderland en de gemeenten Almere, Dronten, Lelystad en Zeewolde werkzaamheden verricht welke verband houden met de uitoefening van provincietaken op het grondgebied dat tot de provincie zal behoren; Centrale Commissie: de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken bedoeld in [artikel 105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=105); Advies- en Arbitragecommissie: de Ad"},{"i":5359,"b":"Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb Gelet op [artikel 5:12, derde lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:12); Besluit: Artikel 1 Het legitimatiebewijs van een toezichthouder bevat: - a. de naam, hoedanigheid en handtekening van de toezichthouder; - b. een foto van de toezichthouder; - c. de naam, het correspondentieadres en het telefoonnummer van het bestuursorgaan of het onderdeel daarvan, waarvoor de toezichthouder werkzaam is; - d. de naam en handtekening van degene, die het bewijs namens het bestuursorgaan heeft afgegeven; - e. een omschrijving van de wettelijke voorschriften, met het toezicht waarop de toezichthouder is belast; - f. de datum van afgifte van het legitimatiebewijs. Artikel 2 Het legitimatiebewijs bevat het logo of beeldmerk van het bestuursorgaan of het onderdeel daarvan, waarvoor de toezichthouder werkzaam is. Artikel 3 Op het legitimatiebewijs worden vermeld: legitimatiebewijs en toezichthouder als bedoeld in [artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:11). Artikel 4 De foto op het legitimatiebewijs is een pasfoto, die een duidelijk en goed gelijkend beeld van de toezichthouder toont. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb. Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5455,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 november 2023, nr. WJZ/ 40870666, houdende regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen voor de uitvoering bestuursovereenkomst nitraat in grondwaterbeschermingsgebieden (Regeling uitvoering bestuursovereenkomst nitraat) Gelet op [artikel 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2a), en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **bestuursovereenkomst nitraat:** voor de jaren 2023, 2024 en 2025 voortgezette aanpak van de bestuursovereenkomst ‘Aanvullende aanpak nitraatuitspoeling uit agrarische bedrijfsvoering in specifieke grondwaterbeschermingsgebieden’ van 12 december 2017, bijlage 7a bij het Zesde Nederlandse actieprogramma betreffende de Nitraatrichtlijn (2018–2021) (bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 33 037, nr. 250); - –. **minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - –. **Nationaal Programma Landelijk Gebied:** programma waarin gebiedsgerichte opgaven en maatregelen voor natuur, stikstof, water en klimaat zijn opgenomen, zoals beschreven in de startnotitie van 10 juni 2022 (bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 34 682, nr. 96). Artikel 2. specifieke uitkering 1. De minister verstrekt een specifieke uitkering aan de in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048959&artikel=3&z=2024-11-07&g=2024-11-07), genoemde provincies voor het uitvoering geven aan de bestuursovereenkomst nitraat zolang deze nog niet in het Nationaal Programma Landelijk Gebied is ingebed. 2. De specifieke uitkering wordt verstrekt voor kosten die zijn of worden gemaakt in de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2025. 3. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor kosten: - a. die de provincie kan aftrekken als omzetbelasting op grond van de [Wet op de omzetbelasting 1968](https:/"},{"i":3129,"b":"Besluit van 22 december 2021, houdende regels ter uitvoering van de Wet ter Bescherming Koopvaardij (Besluit bescherming koopvaardij) alsmede vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet ter Bescherming Koopvaardij Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 24 november 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3098778; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=2), [4, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=4), [6, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=8), [9, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=9), [11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=11), en [13, eerste en vijfde lid, van de Wet ter Bescherming Koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=13) en [9, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=9); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 januari 2021, no. W16.20.0437/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 17 december 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3685395; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. (definities) In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens:** het op 4 november 1950 te Rome tot stand gekomen Europees Verdrag tot bescherming van de rechte van de mens en de fundamentele vrijheden; - **geweldsinstructie:** regels in [artikel 9, eerste tot en met zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=9) en [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&hoofdstuk=3&artikel=3.4&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - **opslagp"},{"i":5708,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 11 april 2022, nr. 2022-0000167676, houdende regels voor de verstrekking van subsidies voor experimenten, kennisontwikkeling- en kennisoverdrachtactiviteiten op het terrein van het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving (Subsidieregeling experimenten, kennisontwikkeling en kennisoverdracht wonen 2022) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdelen a, b, d en f, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, vijfde lid, onderdeel b, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), en [14 van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **minister:** Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - –. **Commissie:** Commissie van de Europese Gemeenschappen; - –. **de-minimisverordening:** [verordening (EU) nr. 1407/2013](32013R1407) van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L352/1), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving. Artikel 2 De minister kan subsidie verstrekken aan rechtspersonen die experimenten uitvoeren of activiteiten ten behoeve van kennisontwikkeling en kennisoverdracht verrichten gericht op: - a. het scheppen van randvoorwaarden voor doeltreffend volkshuisvestingsbeleid en een goed functionerende woningmarkt; - b. het versterken van de positie van de woonconsument; - c. het bevorderen van de kwaliteit van de leefomgeving; of - d. het waarborgen van de minimale kwaliteit van gebouwen en het"},{"i":1761,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2001, houdende vaststelling van een vakheffing voor bloemkwekerijproducten, voor het jaar 2002 (Verordening PT Vakheffing Bloemkwekerij producten 2002) gelet op [artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); op voorstel van de Sectorcommissie voor bloemkwekerij producten; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 2](onbekend) en [3 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | het bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | de voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | bloemkwekerijproducten | : | siergewassen, bloemzaden daaronder begrepen, in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van: | | | | | 1e. winterharde houtgewassen in hun geheel voorzover niet vervroegd of verlaat, alsmede kerstbomen zonder wortels en delen van winterharde houtgewassen welke voor vermeerdering zijn bestemd; 2e. voorzover in groene toestand de Japanse azalea's alsmede variëteiten en hybriden daarvan; 3e. dahliastekken, begonia- en gloxiniaplantjes, uitsluitend bestemd voor de teelt van knollen; 4e. aquariumplanten en niet-levende bloemkwekerijproducten; | | e. | uitgangsmateriaal | : | planten en plantendelen van bloemkwekerij producten welke bestemd zijn voor de teelt van gebruiksklare (voor de consument geschikte) bloemkwekerijproducten, zoals stekken, zaaikisten en weefselkweekplanten; | | f. | kweken van bloemkwekerij producten of uitgangsmateriaal | : | 1e . het ter verkrijging van een"},{"i":5446,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 27 november 2018, kenmerk 2018-0000202559, directie Financiële Markten, houdende de vaststelling van vrijstellingen en de te verstrekken gegevens voor vergunningaanvragen en voor het melden van incidenten (Regeling toezicht trustkantoren 2018) Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=5), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=6), en [20, vijfde lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=20); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **in opdracht bestuurder zijn:** de trustdienst, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder **‘trustdienst’**, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=1); - **verbod:** verbod als bedoeld in [artikel 3, eerste tot en met derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=3); - **vergunning:** vergunning als bedoeld in [artikel 3, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=3), en [artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=4); - **wet:** [Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583). Hoofdstuk 2. Vrijstelling vergunning Artikel 2. Vrijstelling besturen stichting voor certificaathouders Vrijstelling van het verbod wordt verleend aan natuurlijke personen, voor zover deze in opdracht bestuurder zijn van een stichting die uitsluitend aandelen houdt voor certificaathouders. Artikel 3. Vrijstelling besturen door natuurlijke persoon Vrijstelling van het verbod wordt verleend aan natuurlijke personen, voor zover deze in opdracht bestuurder zijn: - a. van doelvennootschappen waaraan tevens een dienst als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder **‘trustdienst’,** onderdeel b, aanhef en onder 3°, van de wet]("},{"i":5704,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2014, 2014-0000040627, tot de besteding van gelden uit het Europees Sociaal Fonds 2014–2020 Gelet op [artikel 3, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5) en [artikel 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - •. **50-plusser:** een persoon van 50 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a); - •. **Adviseur investeringsprioriteit B:** een natuurlijk persoon, niet zijnde een werknemer van de subsidieaanvrager, die in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf als adviseur werkzaam is op het gebied van duurzame inzetbaarheid; - •. **arbeidsbelemmerde:** een persoon die jegens het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aanspraak heeft op een uitkering op grond van de Participatiewet, en naar het oordeel van dat college of een arts, een lichamelijke, verstandelijke, psychische of psychosociale beperking heeft, dan wel een persoon die tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=6) behoort; - •. **arbeidsorganisatie:** een onderneming als bedoeld in [artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=5) of een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 6 van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=6), waarin door werknemers arbeid wordt verricht; - •. **bijstandsuitkering:** uitkering op grond van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703); - •"},{"i":2151,"b":"Aanwijzing Fochteloërveen als speciale beschermingszone Besluit: Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de [richtlijn nr. 79/409/EEG](31979L0409) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb. EG L 103) wordt aangewezen: het op bijbehorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Fochteloërveen’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een toelichtende nota en een kaart, welke deel uitmaken van deze beschikking. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze beschikking zal, met uitzondering van toelichtende nota en de kaart, met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlage en de toelichtende nota worden ter inzage gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te ’s-Gravenhage."},{"i":3536,"b":"Besluit van 21 december 2005, houdende regels ter uitvoering van artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering (Besluit getuigenbescherming) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 27 augustus 2001, nr. 5116667/01/6; Gelet op [artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=226l); De Raad van State gehoord (advies van 29 oktober 2001, no. W03.01.0454/1); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 14 december 2005, nr. 5390597/05/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. College: het College van procureurs-generaal; - c. hoofdofficier van justitie: de hoofdofficier van justitie die verantwoordelijk is voor het opsporingsonderzoek of de vervolging in het kader waarvan een verzoek tot het treffen van beschermingsmaatregelen is gedaan; - d. officier van justitie: de officier van justitie bij het landelijk parket, belast met getuigenbescherming; - e. onderdeel getuigenbescherming: het onderdeel bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019359&artikel=2&z=2018-08-01&g=2018-08-01). Artikel 2 1. Er is een onderdeel belast met getuigenbescherming bij een landelijke eenheid als bedoeld in [artikel 25, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25), belast met: - a. het opstellen van dreigingsanalyses; - b. het adviseren van het bevoegde gezag omtrent de bescherming van personen als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019359&artikel=3&z=2018-08-01&g=2018-08-01); - c. de uitvoering van beschermingsmaatregelen. 2. Dit onderdeel getuigenbescherming staat onder gezag van de officier van justitie. Artikel 3 Beschermingsmaatregelen kunnen worden getroffen ten aanzien van een getuige als bedoeld in [artikel 226a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=226a), [226g]"},{"i":1763,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2003, houdende de vaststelling van een vakheffing voor bloemkwekerijproducten voor het jaar 2004 (Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2004) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=15) en 19 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw; gehoord de Sectorcommissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 21 mei 2003; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. het productschap: | het Productschap Tuinbouw; | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. het bestuur: | het bestuur van het productschap; | het bestuur van het productschap; | | c. de voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | de voorzitter van het productschap; | | | | | | d. de bloemkwekerijproducten: | siergewassen, bloemzaden daaronder begrepen, in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van: | siergewassen, bloemzaden daaronder begrepen, in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van: | | e. het uitgangsmateriaal: | planten en plantendelen van bloemkwekerijproducten welke bestemd zijn voor de teelt van gebruiksklare (voor de consument geschikte) bloemkwekerijproducten, zoals stekken, zaaikisten en weefselkweekplanten | planten en plantendelen van"},{"i":5454,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 23 februari 2010, nr. WJZ / 10013091, houdende uitvoering van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000 in verband met vaststelling subsidieplafond 2010 Gelet op [artikel 7 van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011582&artikel=7) en [artikel II van het Besluit van 8 oktober 2009 tot wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026535&artikel=II) (Stb. 2009, 419); Besluit: Artikel 1 Het subsidieplafond voor het in 2010 verlenen van subsidies krachtens het [Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011582) op aanvragen om subsidie die vóór 1 januari 2010 zijn ingediend bedraagt € 13.751.000. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5316,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 september 2023, nr. 4879916, houdende een eenmalige specifieke uitkering voor gemeenten in verband met het treffen van maatregelen ter vermindering van overlast en criminaliteit veroorzaakt door asielzoekers in 2023 en 2024 Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **COA:** Centraal Orgaan opvang Asielzoekers - –. **staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid Artikel 2. Specifieke uitkering De staatssecretaris kan in 2023 op aanvraag van een of meer gemeenten eenmalig een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van het treffen van maatregelen ter vermindering van overlast en criminaliteit veroorzaakt door asielzoekers. Artikel 3. Aanvraag 1. Een aanvraag bevat in ieder geval: - a. de naam van de gemeente of gemeenten waarvoor een aanvraag wordt gedaan; - b. een plan van aanpak ten behoeve van de lokale aanpak van overlastgevende asielzoekers in 2023 of 2024 waaruit blijkt dat de gemeente of gemeenten overlast en criminaliteit door asielzoekers ervaart/ervaren en het plan bijdraagt aan vermindering van deze overlast en criminaliteit door asielzoekers; - c. een begroting van de te ondernemen activiteiten; en - d. het IBAN-nummer waarop het toegekende bedrag kan worden overgemaakt. 2. De aanvraag heeft betrekking op kosten die zijn gemaakt tussen 1 juni 2023 en 31 december 2024. 3. De aanvraag wordt voor 1 november 2023 ingediend, met gebruikmaking van een door de staatssecretaris ter beschikking gesteld digitaal aanvraagformulier. Artikel 4. Hoogte specifieke uitkering en wijze van verstrekking 1. Voor het verlenen van uitkeringen op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048652&artikel=2&z=2023-09-29&g=2023-09-29) is ten hoogste € 2.000.000 beschikbaar. [Artikel 4:25, tweede en derde lid, van d"},{"i":5423,"b":"Regeling subsidievoorwaarden rechts- en wetswinkels 2017 gelet op [artikel 37c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c) jo. [42c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=42c) subsidie verlenen aan rechts- en wetswinkels en heeft daartoe de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1). **De Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - 2). **Een rechts- of wetswinkel:** een rechtspersoon die zonder winstoogmerk, in hoofdzaak met vrijwilligers rechtsbijstand verleent aan minder draagkrachtige personen of groepen van personen; - 3). **Rechtsbijstand:** sociaal juridische hulpverlening. Daartoe rekent de Raad ook activiteiten zoals: voorlichting, preventie en andere activiteiten, gericht op het signaleren, voorkomen en tegengaan van tekortkomingen en leemten in de door het recht te verlenen bescherming van belangen van minder draagkrachtige rechtzoekenden; - 4). **Een subsidie:** subsidie als bedoeld in [artikel 37c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c) jo. [42c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=42c); - 5). **Een activiteitenverslag:** een verslag van de activiteiten in 2016, waaruit blijkt dat de rechts- of wetswinkel gedurende de daarin beschreven periode heeft voorzien in een behoefte aan rechtsbijstand als hiervoor bedoeld. Uit het verslag dient ook te blijken dat de rechts- of wetswinkel voldoende aandacht heeft besteed aan de kwaliteitsborging van de dienstverlening; - 6). **Een financieel verslag:** een verslag van de rechts- of wetswinkel over het financieel beheer in 2016, waaruit blijkt dat de verstrekte subsidie doelmatig is besteed aan rechtsbijstand; Artikel 2 De Raad kan onder de volgende voorwaarden subsidie verlenen; - 1). De rechts- of wetswinkel heeft in 2015 of 2016 subsidie ontvangen van de Raad; - 2). De rechts- of wetswinkel die in 2015 of 2016 subsidie heeft ontvangen v"},{"i":6254,"b":"Wet van 8 juli 2020, houdende samenvoeging van de gemeenten Appingedam, Delfzijl en Loppersum Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Appingedam, Delfzijl en Loppersum samen te voegen tot de nieuwe gemeente Eemsdelta; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en rechtsopvolging Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Appingedam, Delfzijl en Loppersum opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Eemsdelta ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Appingedam, Delfzijl en Loppersum, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Eemsdelta wordt de op te heffen gemeente Delfzijl aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Appingedam, Delfzijl en Loppersum wordt de nieuwe gemeente Eemsdelta aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwa"},{"i":5444,"b":"Regeling toezicht en handhaving Gedragscode Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Adviseur: de onafhankelijke adviseur integriteit; - b. College: het college van onderzoek integriteit; - c. Gedragscode: de [Gedragscode Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044206) Hoofdstuk 1a. De adviseur Artikel 2. Samenstelling en benoeming 1. Het College bestaat uit een voorzitter en twee leden. Zij worden benoemd door de Kamer op voordracht van het Presidium voor de duur van ten hoogste zes jaar. De Kamer besluit zonder beraadslaging. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste zes jaar plaatsvinden. 2. Het College is onafhankelijk. 3. De leden van het College ontvangen enkel een vergoeding voor de kosten die samenhangen met het uitvoeren van hun taken. Artikel 3. Taak Het College heeft tot taak meldingen aangaande overtreding van de [Gedragscode](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044206) door Kamerleden te behandelen. Artikel 4. Jaarverslag 1. Het College zendt jaarlijks in februari aan het Presidium zijn jaarverslag over het voorgaande jaar. 2. Het College kan in zijn jaarverslag aanbevelingen doen die strekken tot een wijziging van de [gedragscode](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044206) of een verduidelijking geven van de gedragscode. 3. Het Presidium maakt het jaarverslag openbaar. Artikel 5. Archief en openbaarheid 1. Het College draagt elke zes jaar de documenten die op zijn verzoek zijn verstrekt en andere documenten die hij van belang acht aan de Kamer over. Hij kan hierbij gemotiveerd aangeven dat documenten niet openbaar gemaakt mogen worden en voor de duur van tien jaren alleen ter inzage liggen voor leden van het College. 2. Het college maakt geen informatie openbaar. Hoofdstuk 3. Klachtprocedure Artikel 6. Meldingen 1. Een ieder kan een melding aangaande overtreding van de [Gedragscode](ht"},{"i":5451,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 14 juni 2011, nr. BJZ2011046952 houdende intrekking van de Subsidieregeling voor motorrijtuigen met een emissiearme dieselmotor en recht op teruggaaf BPM Gelet op [artikel 15.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel I De [Subsidieregeling voor motorrijtuigen met een emissiearme dieselmotor en recht op teruggaaf BPM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019692) wordt ingetrokken. Artikel II De [Subsidieregeling voor motorrijtuigen met een emissiearme dieselmotor en recht op teruggaaf BPM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019692) blijft van toepassing op aanvragen als bedoeld in [artikel 4 van die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019692&artikel=4), die zijn ingediend voor 25 juni 2011, met dien verstande dat de beslissing op die aanvragen in afwijking van [artikel 5 van die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019692&artikel=5) wordt genomen voor 15 december 2011. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 25 juni 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5485,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 december 2013, kenmerk Z-178390-114503, houdende vaststelling van het premiepercentage voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten 2014 Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt voor het jaar 2014 vastgesteld op 12,65. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage AWBZ 2014. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6917,"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 16, tweede lid van de Faillissementswet BES Artikel 1 Het register, bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van de Faillissementswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028917&artikel=16), wordt ingericht volgens het bij dit besluit behoorend model. Alle inschrijvingen in het register worden door den griffier onderteekend. Artikel 2 Registers, welke voldoen aan het model behoorende bij het in het tweede lid van dit artikel bedoeld besluit, kunnen ook verder worden gebezigd, wanneer zij, voor zooveel noodig, met het bij het onderhavige besluit behoorende model in overeenstemming worden gebracht. Register, bedoeld in [art. 16, 2de lid, van de Faillissementswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028917&artikel=16). - 1. Jaar en volgnummer gedurende den loop van elk jaar. - 2. Dag van het vonnis houdende faillietverklaring. - 3. Gerecht, dat de faillietverklaring heeft uitgesproken. - 4. Naam, woonplaats of kantoor en beroep van den gefailleerde en, in geval een vennootschap onder een firma is failliet verklaard, van elk der hoofdelijk voor het geheel verbonden vennooten. - 5. Naam van den rechter-commissaris. - 6. Naam en woonplaats of kantoor van den curator. - 7. Naam, beroep en woonplaats of kantoor van ieder lid der voorloopige commissie uit de schuldeischers. - 8. Naam, beroep en woonplaats of kantoor van ieder lid der definitieve commissie uit de schuldeischers. - 9. Dag van het in kracht van gewijsde gegane vonnis houdende opheffing van de faillietverklaring ten gevolge van verzet of hooger beroep. - 10. Dag van het in kracht van gewijsde gegane vonnis waarbij de homologatie van het akkoord is toegestaan. - 11. Summiere inhoud van het akkoord. - 12. Dag van het vonnis houdende ontbinding van het akkoord. - 13. Naam van den rechter-commissaris; naam, woonplaats of kantoor van den curator; naam beroep en woonplaats of kantoor van ieder lid der commissie uit de schuldeischers in het heropend faillissementa. - 14."},{"i":6926,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 20 oktober 2025, nr. IENW/BSK-2025/258341, houdende toekenning van de bevoegdheid genoemd in artikel 20, vierde lid, Wet personenvervoer 2000 aan Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland Handelende in overeenstemming met Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland; Gelet op [artikel 20, vierde lid, Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20); BESLUIT: Artikel 1 Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland zijn bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdiensten, die de daarbij aangegeven stations verbinden: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Winterswijk – Zutphen | Winterswijk, Winterswijk West, Lichtenvoorde-Groenlo, Ruurlo, Vorden, Zutphen. | | Winterswijk – Doetinchem – Arnhem | Winterswijk, Aalten, Varsseveld, Terborg, Gaanderen, Doetinchem, Doetinchem De Huet, Wehl, Didam, Zevenaar, Duiven, Westervoort, Arnhem Velperpoort, Arnhem. | | Zutphen – Lochem, als onderdeel van de vervoersdienst Zutphen – Oldenzaal | Zutphen, Lochem. | | Apeldoorn – Zutphen | Apeldoorn, Apeldoorn De Maten, Klarenbeek, Voorst-Empe, Zutphen. | | Amersfoort Centraal – Ede – Wageningen | Amersfoort Centraal, Hoevelaken, Barneveld Noord, Barneveld Centrum, Barneveld Zuid, Lunteren, Ede Centrum, Ede-Wageningen. | | Tiel – Arnhem | Tiel, Kesteren, Opheusden, Hemmen – Dodewaard, Zetten-Andelst, Elst, Arnhem Zuid, Arnhem. | Artikel 2 De volgende besluiten worden ingetrokken: - a. [Besluit tot aanwijzing vervoersdiensten waarvoor het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018309) (Stcrt. 2005, 94); - b. [Besluit tot aanwijzing vervoersdienst waarvoor het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Gel"},{"i":5498,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 november 2024, nr. MBO/48828913, houdende vaststelling van het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2025 van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027, alsmede wijziging van deze regeling in verband met het wijzigen van het maximaal beschikbare budget en wijziging van het Instellingsbesluit Tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo in verband met de gewijzigde samenstelling van de adviescommissie Gelet op de [artikelen 2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3), [2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.2.3), [5.9 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9), en de [artikelen 5, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&artikel=5), en [18, eerste lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&artikel=18); Besluit: Artikel I. Vaststelling subsidieplafond voor het kalenderjaar 2025 [Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883) Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&artikel=5) voor het kalenderjaar 2025 wordt: - a. voor de aanvraagperiode van 1 januari 2025 tot en met 31 januari 2025 vastgesteld op € 10 miljoen; en - b. voor de aanvraagperiode van 1 juni 2025 tot en met 30 juni 2025 vastgesteld op € 8 miljoen. Artikel II. Wijziging [Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883) Wijzigt de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027. Artikel III. Wijziging [Instellingsbesluit Tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfo"},{"i":1767,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 13 november 2007, houdende de vaststelling van een vakheffing voor bloemkwekerijproducten voor het jaar 2007 (Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2007/2) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 18 september 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de bloemkwekerijproducten: | siergewassen, bloemzaden daaronder begrepen, in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van: | siergewassen, bloemzaden daaronder begrepen, in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van: | | --- | --- | --- | --- | | | | 1. | winterharde houtgewassen in hun geheel voorzover niet vervroegd of verlaat, alsmede kerstbomen zonder wortels en delen van winterharde houtgewassen welke voor vermeerdering zijn bestemd; | | | | 2."},{"i":5317,"b":"Regeling van de Minister voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting van 15 november 2022, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering ten behoeve van het versnellen van woningbouw in de Waddengemeenten (Regeling eenmalige specifieke uitkering woningbouw Waddengemeenten) Gelet op [artikel 17, tweede lid, Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) juncto [artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder - a. betaalbare woning: - 1°. sociale huurwoning: huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens als bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13); - 2°. huurwoning voor middenhuur: huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13), en in 2020 ten hoogste € 1.000, of, indien er voor een geliberaliseerde woning voor middenhuur als bedoeld in [artikel 1.1.1, onderdeel j, van het Besluit ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023798&artikel=1.1.1) in de gemeentelijke verordening ten hoogste een aanvangshuurprijs is bepaald die lager is dan € 1.000, ten hoogste dat bedrag. De in de vorige zin bedoelde bovengrens van € 1.000 wordt met ingang van elk kalenderjaar gewijzigd met het percentage waarmee het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag wordt gewijzigd; of - 3°. betaalbare koopwoning: koopwoning met een koopprijs van ten hoogste de kostengrens voor woningen zonder energiebesparende voorzieningen, bedoeld in de voorwaarden en normen voor de onder auspiciën van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nat"},{"i":6342,"b":"Wet van 28 maart 2018 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Wet toezicht accountantsorganisaties in verband met het vergroten van de transparantie van het toezicht op financiële markten (Wet transparant toezicht financiële markten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de transparantie van het toezicht op de financiële markten en accountantsorganisaties te vergroten door uitbreiding van de bevoegdheden tot openbaarmaking van informatie en verduidelijking van de rechtsbescherming van betrokkenen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel III 1. Op besluiten tot het openbaar maken van een overtreding door middel van een verklaring of een waarschuwing of besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie wegens een overtreding van een voorschrift of verbod ingevolge de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), die zijn genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040820&artikel=I&z=2018-07-01&g=2018-07-01), blijft [afdeling 1.5.1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&afdeling=1.5.1) van toepassing, zoals die gold voor dat tijdstip. 2. Op besluiten tot het uitvaardigen van een openbare waarschuwing of tot het opleggen van een bestuurlijke boete of last onder dwangsom wegens een overtreding van bij of krachtens de [Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468) gesteld voorschrift, die zijn genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040820&artik"},{"i":5687,"b":"Subsidieregeling Beurzen en stipendia 2004 Deze regeling vervangt per 1 september 2003 de regeling Beurzen en stipendia 2003. 1. Doel van de subsidieregeling Het doel van de subsidieregeling Beurzen en stipendia 2004 is: In aanmerking komen professioneel werkzame personen in artistieke functies (regisseurs, choreografen, dirigenten en dergelijke), die op landelijk niveau actief zijn. Voor dit doel wordt de beurs amateurkunst (VI) ingezet. Onder 'amateurkunst' verstaat het Fonds kunsten op het gebied van toneel, dans, literatuur, muziek, beeldende kunst, en audiovisuele kunst die beoefend worden door liefhebbers, personen die niet beroepsmatig in deze kunsten actief zijn. Aanvragers dienen in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit of een geldige verblijfsvergunning. Dit maakt een beroep op de openbare kas mogelijk. Het Fonds verleent geen tegemoetkoming in de kosten voor een studie aan een instelling gefinancierd door het Ministerie van OCenW. 2. Beschikbaar budget Het bestuur van het Fonds stelt het beschikbare budget voor de regeling Beurzen en Stipendia 2004 vast. Subsidie wordt slechts verleend voor zover de middelen van het Fonds toereikend zijn. Dit betekent dat niet alle aanvragen gehonoreerd kunnen worden, of gehonoreerd kunnen worden voor het gevraagde bedrag. 3. Aanvraag- en beslistermijn, uitvoeringsperiode Uw aanvraag voor de regeling Beurzen en stipendia 2004 kunt u het hele jaar indienen. Aanvragen worden in beginsel op drie momenten in behandeling genomen: op vrijdag 26 september 2003, op vrijdag 16 januari 2004 en op vrijdag 16 april 2004, telkens om 15.00 uur. Aanvragen voor startstipendia en oeuvre-stipendia worden slechts eenmaal per jaar in behandeling genomen. Deze aanvragen én aanvragen voor studiebeurzen voor een periode van een jaar moeten uiterlijk vrijdag 16 januari 2004 om 15.00 uur worden ingediend. De aanvrager ontvangt ongeveer dertien weken na een sluitingsdatum de beslissing of de aanvraag wordt gehonoreerd. Voor de derde r"},{"i":1770,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 3 juli 2002, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Tuinbouw ressorterende ondernemers in de sector boomkwekerij-producten op te leggen heffing voor het jaar 2003 (Verordening PT vakheffing boomkwekerij-producten 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de sectorcommissie Boomkwekerijproducten, d.d. 8 mei 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](onbekend) en [2 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening wordt verder verstaan onder: | a. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | --- | --- | --- | --- | | b. | boomkwekerijproducten | : | winterharde en half-winterharde houtgewassen, welke niet vervroegd zijn, alsmede delen daarvan en voorts vaste planten en wortelstokken; | | c. | kweken van boomkwekerijproducten | : | het ter verkrijging van een oogst van boomkwekerijproducten brengen, hebben of houden in al dan niet overdekte grond van boomkwekerijproducten of van zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan, alsmede het ter bevordering van het verkrijgen van een oogst van boomkwekerijproducten verrichten van alle wijzen van behandelen, bewerken, beschermen, be- waren en verzorgen van boomkwekerijproducten, respectievelijk de zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan; | | d. | ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin het kweken van of de handel in boomkwekerijproducten wordt uitgeoefend, met uitzondering van hovenierswerkzaamheden en het uitoefenen, anders dan als verze"},{"i":1771,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 1 juli 2003, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Tuinbouw ressorterende ondernemers in de sector boomkwekerijproducten op te leggen heffing in het jaar 2004 (Verordening PT vakheffing boomkwekerijproducten 2004) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de Sectorcommissie voor boomkwekerijproducten, d.d. 14 mei 2003 ; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening wordt verder verstaan onder: | a. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | --- | --- | --- | --- | | b. | boomkwekerijproducten | : | winterharde en half-winterharde houtgewassen, welke niet vervroegd zijn, alsmede delen daarvan en voorts vaste planten en wortelstokken; | | c. | kweken van boomkwekerijproducten | : | het ter verkrijging van een oogst van boomkwekerijproducten brengen, hebben of houden in al dan niet overdekte grond van boomkwekerijproducten of van zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan, alsmede het ter bevordering van het verkrijgen van een oogst van boomkwekerijproducten verrichten van alle wijzen van behandelen, bewerken, beschermen, bewaren en verzorgen van boomkwekerijproducten, respectievelijk de zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan; | | d. | ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin het kweken van of de handel in boomkwekerijproducten wordt uitge"},{"i":1810,"b":"Wet van 19 december 1990, tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (herziening van de tariefindeling voor rechtskundige diensten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van de rijksbegroting voor het jaar 1991 wenselijk is de aan het verlaagde tarief van de omzetbelasting onderworpen rechtskundige diensten te brengen onder het algemene tarief; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. De omzetbelasting die na 31 december 1990 wordt verschuldigd ter zake van diensten door advocaten en door procureurs in zaken betreffende het Personen- en Familierecht, geregeld in boek I van het Burgerlijk Wetboek en ter zake van diensten door advocaten en door procureurs in zaken voor onvermogenden waarvoor een vergoeding wordt verkregen van staatswege, die worden verricht vóór of op deze datum, wordt berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip waarop de dienst wordt verricht. 2. Ingeval omzetbelasting vóór 1 januari 1991 wordt verschuldigd ter zake van de in het eerste lid bedoelde diensten die worden verricht op of na deze datum, wordt hetgeen meer verschuldigd zou zijn geweest indien de belasting zou zijn berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip waarop de dienst wordt verricht, alsnog verschuldigd op 1 januari 1991. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1991. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1772,"b":"Besluit van het bestuur van het ProductschapTuinbouw van 1 juli 2004, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Tuinbouw ressorterende ondernemers in de sector boomkwekerijproducten op te leggen heffing in het jaar 2005 (Verordening PT vakheffing boomkwekerijproducten 2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Sectorcommissie voor boomkwekerijproducten, d.d 12 mei 2004; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening wordt verder verstaan onder: | a. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | --- | --- | --- | --- | | b. | boomkwekerijproducten | : | winterharde en half-winterharde houtgewassen, welke niet vervroegd zijn, alsmede delen daarvan en voorts vaste planten en wortelstokken; | | c. | kweken van boomkwekerij- producten | : | het ter verkrijging van een oogst van boomkwekerijproducten brengen, hebben of houden in al dan niet overdekte grond van boomkwekerijproducten of van zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan, alsmede het ter bevordering van het verkrijgen van een oogst van boomkwekerijproducten verrichten van alle wijzen van behandelen, bewerken, beschermen, bewaren en verzorgen van boomkwekerijproducten, respectievelijk de zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan; | | d. | ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin het kweken van of de handel i"},{"i":1773,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 28 juni 2005, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Tuinbouw ressorterende ondernemers in de sector boomkwekerijproducten op te leggen heffing in het jaar 2006 (Verordening PT vakheffing boomkwekerijproducten 2006) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor boomkwekerijproducten, d.d. 11 mei 2005; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening wordt verder verstaan onder: | a. voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | --- | --- | --- | | b. boomkwekerijproducten | : | winterharde en half-winterharde houtgewassen, welke niet vervroegd zijn, alsmede delen daarvan en voorts vaste planten en wortelstokken; | | c. kweken van boomkwekerijproducten | : | het ter verkrijging van een oogst van boomkwekerijproducten brengen, hebben of houden in al dan niet overdekte grond van boomkwekerijproducten of van zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan, alsmede het ter bevordering van het verkrijgen van een oogst van boomkwekerijproducten verrichten van alle wijzen van behandelen, bewerken, beschermen, bewaren en verzorgen van boomkwekerijproducten, respectievelijk de zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan; | | d. ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin het kweken van of de handel in boomkwekerijprodu"},{"i":5339,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheidvan 1 december 2014, 2014-0000177234, tot instelling van Toezichtcomité ESF2 en ESF 2014-2020 Gelet op artikel 63, eerste lid van Verordening (EG), nr. 1083/2006 van de raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1260/1999](31999R1260) en gelet op artikel 47, eerste lid van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1083/2006](32006R1083) van de Raad; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop Regeling intrekking ESF-comités in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Beschikking:** de beschikking van de Europese Commissie, houdende goedkeuring van het voor Nederland geldende Enig Programmeringsdocument voor de structurele bijstandverlening uit hoofde van doelstelling 2, voor de periode 2007-2013; - b. **Minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - c. **Ministerie:** het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - d. **Toezichtcomité:** het Toezichtcomité ESF2 en ESF 2014-2020, bedoeld in artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1083/2006 en genoemd in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1303/2013; - e. **Uitvoeringsbesluit:** Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie van 18 september 2014 tot goedkeuring van bepaalde elementen van het operationele programma ‘"},{"i":7891,"b":"Wet van 15 december 2021 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Faillissementswet ter implementatie van de richtlijn tot wijziging van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Implementatiewet verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van banken en beleggingsondernemingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter implementatie van [Richtlijn (EU) 2019/879](32019L0879) van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van [Richtlijn 2014/59](32014L0059)/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en van [Richtlijn 98/26](31998L0026)/EU (PbEU 2019, L 150); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten‑Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van banken en beleggingsondernemingen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5338,"b":"Regeling van de Minister voor Jeugd en Gezin van 13 juli 2010, nr. IVV/J&G/3013046, houdende de instelling van een onafhankelijke adviescommissie ter advisering van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank over de aspecten van de Leerplichtwet 1969 ten behoeve van de beslissing op bezwaar inzake artikel 7, tweede lid, onder a, van de Algemene Kinderbijslagwet Gelet op [artikel 41 van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=41); Besluit: Artikel 1 De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank stelt een commissie in die optreedt als adviseur als bedoeld in [artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:5) over de aspecten van de [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628) ten behoeve van door de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank te nemen beslissingen op bezwaar tegen de beschikking dat geen recht bestaat op kinderbijslag, omdat niet is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=7). Artikel 2 De leden van de commissie zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Artikel 3 De commissie heeft een voorzitter en twee leden die deskundig zijn op het gebied van de [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628). Artikel 4 De commissie hoort in het kader van het onderzoek voor haar advies de belanghebbenden, de betrokken leerplichtambtenaar, alsmede een ieder die de commissie voor het onderzoek noodzakelijk acht. Artikel 5 De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank stelt een reglement op waarin in ieder geval de plaatsvervanging en de ambtelijke ondersteuning van de commissie is geregeld. Artikel 6 De leden en de voorzitter van de commissie ontvangen een, onder overeenkomstige toepassing van de [Wet vergo"},{"i":5373,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 15 december 2011, nr. WJZ / 11144835, tot vaststelling van subsidieplafonds en termijnen van openstelling van EZ-subsidieregelingen (Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2012) Gelet op [artikel 16 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16) en de [artikelen 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=3.9), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=5.5) en [5a.5 van de Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=5a.5); Besluit: Artikel 1 1. Als perioden in 2012, waarin subsidieaanvragen kunnen worden ingediend krachtens de in kolom 2 genoemde subsidieregelingen en de in kolom 3 genoemde artikelen, in voorkomende gevallen verbijzonderd naar de in kolom 4 omschreven of aangeduide groepen van aanvragers, projecten of aanvragen, worden vastgesteld de daarbij behorende perioden, genoemd in kolom 5; aanvragen moeten zijn ontvangen op de genoemde einddatum vóór 17.00 uur. 2. Als subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies als bedoeld in het eerste lid wordt per in kolom 5 genoemde periode vastgesteld: het daarbij behorende in kolom 6 genoemde bedrag. 3. Met betrekking tot het verstrekken van subsidies door de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op grond van wettelijke voorschriften of onderdelen daarvan, waarvoor noch in deze regeling noch in een ander wettelijk voorschrift een subsidieplafond is vastgesteld, wordt het voor 2012 geldende subsidieplafond vastgesteld op € 0,–. Aanvragen om subsidie kunnen in 2012 slechts worden ingediend indien in deze regeling of in enig ander wettelijk voorschrift daarvoor een periode is vastgesteld. | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Nr. | Regeling | Artikel | Groep | Openstelling 2012 | Plafond € | | [Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen](https://we"},{"i":5352,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 26 januari 2012, nr. 5723477/12, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Raad voor de rechtspraak inzake verzoeken tot schadevergoeding verband houdend met de rechtspraak waarvoor de Staat aansprakelijk kan worden gehouden Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 32, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Raad:** de Raad voor de rechtspraak; - b. **rechterlijk college:** een rechtbank, een gerechtshof, de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven; - c. **minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie - d. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen; - e. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - f. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. Aan de Raad wordt mandaat en machtiging verleend om: - a. te beslissen op verzoeken tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van een rechtszaak door een of meer rechterlijke colleges; - b. te beslissen op bezwaarschriften tegen de onder a bedoelde beslissingen; - c. op te treden in zaken waarin de minister door de rechter in het geding is geroepen om verweer te voeren ter zake de onder a of b bedoelde beslissingen. 2. Aan de Raad wordt mandaat en machtiging verleend om te beslissen en op te treden in zaken waarin de minister door de rechter in het geding is geroepen om verweer te voeren te"},{"i":5449,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 10 december 2013, FM/2013/2072 M, directie Financiële Markten, tot buiten toepassing verklaring van artikel 48a van de Wet toezicht accountantsorganisaties voor auditorganisaties van een derde land (Regeling tot buiten toepassing verklaring van artikel 48a van de Wet toezicht accountantsorganisaties) Gelet op [artikel 12d, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=12d); Besluit: Artikel 1 [Artikel 48a van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=48a) is niet van toepassing op een auditorganisatie van een derde land, indien in de voorafgaande drie jaar een beoordeling van die auditorganisatie als bedoeld in artikel 45, derde lid, van de richtlijn, is uitgevoerd door een toezichthoudende instantie van: - a. een andere lidstaat; - b. Canada; - c. Japan; - d. de Verenigde Staten van Amerika; of - e. Zwitserland. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7890,"b":"Wet van 8 juli 1999, houdende aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Nederlandse wetgeving aan te passen met het oog op [richtlijn 96/9/EG](31996L0009) van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (Pb EG L77); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I. Bescherming van de producent van databanken - 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. databank: een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen die systematisch of methodisch geordend en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk zijn en waarvan de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering; - b. producent van een databank: degene die het risico draagt van de voor de databank te maken investering; - c. opvragen: het permanent of tijdelijk overbrengen van de inhoud van een databank of een deel daarvan op een andere drager, ongeacht op welke wijze en in welke vorm; - d. hergebruiken: elke vorm van het aan het publiek ter beschikking stellen van de inhoud van een databank of een deel daarvan door verspreiding van exemplaren, verhuur, on line transmissie of transmissie in een andere vorm; - e. technische voorzieningen: technologie, inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van databanken, en door de producent van de databank of zijn rechtverkrijgende niet zijn toegestaan; technische voorzieningen w"},{"i":2413,"b":"Beleidsregel FM-wijzigingen 2025 Artikel 1. Begripsbepalingen In de Beleidsregel FM-wijzigingen 2025 wordt verstaan onder: - a. **aantasting:** het plaatsvinden van storing op frequenties van een vergunning waardoor de groene gebieden en/of de paarse gebieden behorend bij deze vergunning geografisch worden verkleind; - b. **demografisch bereik:** het percentage van het aantal inwoners van Nederland dat de uitzendingen via een (samenstel van) etherfrequentie(s) kan ontvangen in de groene gebieden, berekend via de technische zerobase-norm; - c. **Genève ‘84:** **‘Final Acts of the Regional Administrative Conference for the Planning of VHF Sound Broadcasting (Region 1 and Part of Region 3)’**, tot stand gekomen door de International Telecommunication Union in Genève in 1984; - d. **groene gebieden:** de groene gebieden zoals door de RDI berekend volgens de zerobase-norm en conform de kaarten en database van de RDI; - e. **netgebonden frequentie:** een frequentie die, conform de zero-basenorm, het groene en/of paarse gebied van een vergunde frequentie aantast die onderdeel uitmaakt van dezelfde vergunning van de aanvrager van het wijzigingsverzoek; - f. **netonafhankelijke frequentie:** een frequentie die, conform de zerobase-norm, het groene en/of paarse gebied van een vergunde frequentie niet aantast die onderdeel uitmaakt van dezelfde vergunning van de aanvrager van het wijzigingsverzoek; - g. **Non Interference Base (NIB):** een voorschrift dat, in combinatie met artikel 4.7 Genève ’84, onderdeel kan zijn van de vergunning waardoor een frequentie van een vergunning geen interferentie mag veroorzaken op zenders in het buitenland en interferentie van zenders uit het buitenland moet dulden; - h. **opstelpunt:** het samenstel van zender- en een antenne-installaties die tezamen een uitzending van omroepsignalen vanaf een bepaalde locatie mogelijk maken; - i. **paarse gebieden:** de paarse gebieden zoals door de RDI berekend volgens de zerobase-norm conform de kaarten en"},{"i":1775,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 25 maart 2008 houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Tuinbouw ressorterende ondernemers in de sector boomkwekerijproducten op te leggen heffing (Verordening PT vakheffing boomkwekerijproducten 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor boomkwekerijproducten, d.d. 7 februari 2008; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT Algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verder verstaan onder: - a. voorzitter: de voorzitter van het productschap; - b. boomkwekerijproducten: winterharde en half-winterharde houtgewassen, welke niet vervroegd of verlaat zijn, alsmede delen daarvan en voorts vaste planten en wortelstokken; - c. kweken van boomkwekerijproducten: het ter verkrijging van een oogst van boomkwekerijproducten brengen, hebben of houden in al dan niet overdekte grond van boomkwekerijproducten of van zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan, alsmede het ter bevordering van het verkrijgen van een oogst van b"},{"i":5408,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 12 november 2024, nr. 5869441, houdende regels inzake subsidie voor het beproeven en doorontwikkelen van de werkwijze Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming (Regeling subsidie proeftuinen Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en [4, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=4) en de [artikelen 5, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=5), [7, tweede lid onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=7), [10, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=10), [16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=16), en [20, vierde lid, van het Kaderbesluit overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=20); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - **proeftuin:** door de penvoerder van een regionaal verband aangewezen gebied waarin de werkwijze Toekomstscenario wordt ontwikkeld, beschreven en beproefd in de praktijk; - **regionaal verband:** groep van in regionaal verband samenwerkende organisaties, waaronder in ieder geval gemeenten, lokale teams, Veilig Thuis, een gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming; - **regionaal veiligheidsteam:** een organisatievorm bestaande uit professionals: - a. die expertise biedt op het gebied van jeugdbescherming en onveiligheid in gezinnen en huishoudens; - b. die het lokale team ondersteunt bij complexe veiligheidsvraagstukken; en - c. waarbinnen een medewerker, indien noodzakelijk, de bevoegdheden kan inzetten die bij of krachtens de wet aan di"},{"i":1804,"b":"Wet van 16 december 2020 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet Milieubeheer voor de invoering van een CO2-heffing voor de industrie (Wet CO2-heffing industrie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is vanwege de aardopwarming te borgen dat de emissie van broeikasgassen bij en voor industriële productie en afvalverbranding verminderd wordt door voor die emissies een nationale heffing in te voeren; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel II Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel V Wijzigt de Wet minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking. Artikel VI Wijzigt de Wet vliegbelasting. Artikel VII Onze Minister van Financiën zendt in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VIII De exploitant van een industriële installatie stelt, voor zover noodzakelijk, een industrieel monitoringsplan of een industrieel monitoringsmethodiekplan op als bedoeld in [artikel 16b.7](onbekend), respectievelijk [artikel 16b.19, van de Wet milieubeheer](onbekend) uiterlijk binnen 4 maanden na inwerkingtreding van deze wet. Artikel IX Deze wet wordt aangehaald als: Wet CO2-heffing industrie. Artikel X 1. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2021. 2. Indien het bij koninklijke boodschap van 3 juni 2019 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet milieubeheer voor de invoering van een minimum CO2-prijs bij elektriciteitsopwekking"},{"i":5386,"b":"Regeling van de Nederlandsche Bank N.V. van 11 december 2006, nr. Juza/2006/02412/IH, houdende regels met betrekking tot aanvullend prudentieel toezicht op kredietinstellingen, levensverzekeraars, schadeverzekeraars en beleggingsondernemingen die tot een financiële groep behoren (Regeling prudentieel toezicht financiële groepen Wft) Gelet op de [artikelen 4, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020415&artikel=4), [5, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020415&artikel=5), [6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020415&artikel=6), [24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020415&artikel=24), [26, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020415&artikel=26), en [27, vierde lid, van het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020415&artikel=27); Na raadpleging van de betrokken representatieve organisaties; Besluit: Treedt in werking op tijdstip waarop het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft in werking treedt. § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Besluit: [Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020415); - b. DNB: De Nederlandsche Bank N.V.; - c. individuele intragroepsovereenkomst of -positie: intragroepsovereenkomst tussen een kredietinstelling, beleggingsonderneming, levensverzekeraar, schadeverzekeraar of herverzekeraar, die deel uit maakt van een groep of een financieel conglomeraat, met een andere onderneming van de groep of het financieel conglomeraat; - d. retrocessie: overeenkomst waarbij een verzekeraar een gedeelte van het door hem herverzekerde risico, tegen betaling van herverzekeringspremie, overdraagt aan een andere verzekeraar; - e. totale positie: totale positie van overeenkomsten tussen een kredietinstelling, beleggingsonderneming, levensverzekeraar, schadeverzekeraar of herverzekeraar, die deel"},{"i":5453,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 26 oktober 2012, nr. WJZ/12327942, houdende regels omtrent de procedure tot aanwijzing van de verzorger van de bemiddelingsdienst als bedoeld in artikel 2.3a van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen (Regeling uitbrengen bod aanwijzingsprocedure bemiddelingsdienst) Gelet op [artikel 9.3, zesde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=9.3); Besluit: Artikel 1 1. Een bod als bedoeld in [artikel 9.3, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=9.3) wordt inclusief onderbouwing uitgebracht door het opgeven van één bedrag per minuut dat via de bemiddelingsdienst een gesprek als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel k, van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=1.1) wordt gevoerd. 2. Het in het bod opgegeven bedrag per minuut geldt voor de eerste 10.000.000 minuten dat via de bemiddelingsdienst een gesprek als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel k, van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=1.1) wordt gevoerd. Voor de minuten boven dit aantal wordt het bod geacht te bestaan uit 90% van het opgegeven bedrag per minuut. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitbrengen bod aanwijzingsprocedure bemiddelingsdienst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a Aanvullend op de vergoeding per minuut dat via de bemiddelingsdienst een gesprek als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel k, van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=1.1) wordt gevoerd, wordt"},{"i":1777,"b":"Besluit van het Productschap Tuinbouw van 30 juni 2009, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Tuinbouw ressorterende ondernemers in de sector boomkwekerijproducten op te leggen heffing (Verordening PT vakheffing boomkwekerijproducten 2010) gelet op [artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikel 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Commissie voor boomkwekerijproducten, d.d. 20 mei 2009; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | bestuur: | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | | b. | boomkwekerijproducten: | winterharde en half-winterharde houtgewassen, die niet vervroegd of verlaat zijn, alsmede delen daarvan en voorts vaste planten en wortelstokken; | | c. | heffingsgrondslag: | het verkoopbedrag van de in een kalenderjaar verhandelde en afgeleverde boomkwekerijproducten, verminderd met het inkoopbedrag van de in hetzelfde kalenderjaar ingekochte boomkwekerijproducten. Op dit verschil kunnen in mindering worden gebracht: | | | | 1. de vrachtkosten | | | | 2. de daadwerkelijk niet ontvangen bedragen die afgeschreven zijn in de administratie; | | d. | inkoopbedrag: | het bruto inkoopfactuurbedrag (eindbedrag van de factuur) waarover de BTW wordt berekend; | | e. | jaarmutatie: | inflatie over een jaar in procenten volgens de consumentenprijsindex van het CBS in de maand januari; | | f. | kweken van boomkwekerijproducten: | het ter verkrijging van een oogst van boomkwekerijproducten brengen, hebben of houden in al dan niet overdekte grond van boomkwekerijproducten of van zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan, alsmede het ter bevordering van het verkrijgen van een oogst van boomkwekerijproducten, verrichten van alle wijzen van behandelen, bewerken, besch"},{"i":5433,"b":"Regeling, houdende nadere regels inzake de chauffeurspas en vakbekwaamheidseisen voor taxibestuurders die een taxidienst uitvoeren, wijziging van de Regeling vaststelling controledocument internationaal taxivervoer en van de Regeling vergoeding documenten Wet personenvervoer 2000 (Regeling taxibestuurders 2005) Gelet op [artikel 75, eerste, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=75), [artikel 76, eerste lid, onder d, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=76), [76, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=76), en [artikel 78 van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=78); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. besluit: [Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982); - b. beperkte taxidienst: een taxidienst als bedoeld in [artikel 81, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=81), waarbij op vaste tijdstippen en langs dezelfde routes wordt gereden met een vaste groep passagiers; - c. vervallen; - d. vervallen; - e. CCV: Contactcommissie Chauffeurs Vakbekwaamheid; - f. minister: Minister van Infrastructuur en Milieu. § 2. Vakbekwaamheidseisen taxibestuurder Artikel 2 Als getuigschrift als bedoeld in [artikel 82, eerste lid, onderdeel d, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=82), worden erkend: - a. het door de Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen afgegeven Chauffeursdiploma CCV Taxi Volledig, voor het verrichten van taxivervoer; - b. het door de Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen afgegeven Chauffeursdiploma CCV Taxi Beperkt, voor het uitvoeren van een beperkte taxidienst. Artikel 3 1. Bij het examen vakbekwaamheid voor het besturen van een taxi wordt tenminste de kennis vastgesteld van de in de [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018667&bijlag"},{"i":5465,"b":"Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 15 december 2009, nr. 3086451, houdende vaststelling van Aanwijzingen voor subsidieverstrekking Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Besluit: Artikel 1 Vastgesteld worden de als bijlage bij deze regeling gevoegde Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. Artikel 2 Deze regeling is niet van toepassing op: - a. subsidies die zijn aangevraagd of verstrekt voor 1 januari 2010; - b. subsidies die zijn aangevraagd of verstrekt op of na 1 januari 2010 en voor 1 januari 2012 op grond van regelingen die voor 1 januari 2010 in werking zijn getreden. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Bijlage Aanwijzingen voor subsidieverstrekking Hoofdstuk 1. Toepassingsbereik en begrippen Aanwijzing 1. Toepassingsbereik: subsidieverstrekking door het Rijk Toelichting: Deze aanwijzingen vloeien voort uit het uniforme kader voor een eenvoudiger uitvoering en beheer van subsidies (Kamerstukken II 2008/09, 31 865, nr. 5). Aangezien de aanwijzingen betrekking hebben op ‘het verstrekken van subsidies’, hebben deze betekenis zowel voor de regelingen op grond waarvan de subsidies worden verstrekt (en voor de daarop gebaseerde beschikkingen), als voor het financieel beheer en de uitvoering van verstrekte subsidies. Onder ‘regelingen’ vallen in dit kader, conform de betekenis die daaraan wordt toegekend op grond van de Aanwijzingen voor de regelgeving1Regeling van de minister-president, Minister van Algemene Zaken, van 18 november 1992, nr. 92M008337, houdende vaststelling van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Stcrt. 1992, 230), laatstelijk gewijzigd bij Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 21 augustus 2008, nr. 068336, houdende vaststelling van de achtste wijziging Aanwijzingen voor de regelgeving, zoals opnieuw integraal gepubliceerd in Staatscourant 22 september 2008, nr. 183, pag. 2. , niet alleen alle algemeen verbindende voorsc"},{"i":5349,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 februari 2021, nr. 2021-0000027549, tot het stellen van nadere regels met betrekking tot de het bepalen van de loonwaarde alsmede de vaststelling van de vergoeding voor de werkgeverslasten in het kader van de loonkostensubsidie (Regeling loonkostensubsidie Participatiewet 2021) Gelet op [artikel 10d, vierde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=10d) en de [artikelen 3, derde lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044894&artikel=3), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044894&artikel=4), en [6 van het Besluit loonkostensubsidie Participatiewet 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044894&artikel=6); Besluit: § 1. Hoogte vergoeding van werkgeverslasten Artikel 1. Vergoeding van werkgeverslasten De vergoeding voor werkgeverslasten, bedoeld in [artikel 10d, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=10d), bedraagt 25 procent van de loonkosten waarover loonkostensubsidie wordt verstrekt. § 2. Regels met betrekking tot de loonwaarde Artikel 2. Schriftelijke rapportage loonwaarde De loonwaarde wordt vastgelegd overeenkomstig het model opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 3. Minimale kwalificaties loonwaardedeskundige 1. De loonwaardedeskundige: - a. is in het bezit van een getuigschrift van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een relevante opleiding, bedoeld in [artikel 7.3a, eerste of tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a), of aantoonbare naar het oordeel van het college daaraan gelijkwaardige kwalificaties; - b. heeft twee jaar of meer werkervaring met betrekking tot re-integratiebegeleiding, arbeidsongeschiktheidsvaststelling, of loonwaardebepaling; - c. heeft voldoende aantoonbare kennis van de toepasselijke wet- en regelgeving"},{"i":5864,"b":"Tijdelijke overbruggingsregeling projectsubsidies voor makers van boeken gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), besluit: de volgende Tijdelijke overbruggingsregeling projectsubsidies voor makers van boeken vast te stellen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bestuur:** het bestuur van het Letterenfonds; - b. **boekpublicatie:** een oorspronkelijk literair werk in boekvorm in de Nederlandse, Engelse, Papiamentse of Friese taal in de genres: proza, non-fictie, poëzie, kinder- en jeugdliteratuur, toneel of beeldverhaal, waaronder graphic novels, geïllustreerde kinder- en jeugdliteratuur en prentenboeken - c. **ijkbedrag:** hoogst verleende subsidiebedrag aan aanvrager van de laatste drie toekenningen op basis van [Regeling projectsubsidie voor publicaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032647) of de regeling [Schrijverslevens, biografieregeling Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045523); - d. **Letterenfonds:** Stichting Nederlands Letterenfonds; - e. **letterkundige biografie:** een non-fictieboek over het leven en werk van één of meer hoofdpersonen die toonaangevend dan wel van groot belang zijn of zijn geweest voor de Nederlandse letterkunde en waarbij sprake is van een afgerond werkzaam leven; - f. **uitgaveovereenkomst:** een overeenkomst tussen auteur en uitgeverij betreffende de exploitatierechten op de boekpublicatie waarin minimaal de bepalingen over het royaltypercentage en de licentie zijn overeengekomen, zoals geregeld in het Modelcontract GAU/Auteursbond voor de uitgave van oorspronkelijk Nederlandstalig literair werk; - g. **website:** de website van het Letterenfonds, zijnde [www.letteren"},{"i":1779,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 14 november 2011, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Tuinbouw ressorterende ondernemers in de sector boomkwekerijproducten op te leggen heffing (Verordening PT vakheffing boomkwekerijproducten 2012) gelet op [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor boomkwekerijproducten, d.d. 25 oktober 2011; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verder verstaan onder: | a. | bestuur | : | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | boomkwekerijproducten | : | winterharde en half-winterharde houtgewassen, die niet vervroegd of verlaat zijn, alsmede delen daarvan en voorts vaste planten en wortelstokken; | | c. | heffingsgrondslag | : | het verkoopbedrag van de in een kalenderjaar verhandelde en afgeleverde boomkwekerijproducten, verminderd met het inkoopbedrag van de in hetzelfde kalenderjaar ingekochte boomkwekerijproducten. Op dit verschil kunnen in mindering worden gebracht: | | d. | inkoopbedrag | : | het bruto inkoopfactuurbedrag (eindbedrag van de factuur) waarover de BTW wordt berekend; | | e. | jaarmutatie | : | inflatie over een jaar in procenten volgens de consumentenprijsindex van het CBS in de maand januari; | | f. | kweken van boomkwekerijproducten | : | het ter verkrijging van een oogst van boomkwekerijproducten brengen, hebben of houden in al dan niet overdekte grond van boomkwekerijproducten of van zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan, alsmede het ter bevordering van het verkrijgen van een oogst van bo"},{"i":1780,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 27 juni 2006, houdende regels ter zake van de aan de onder het Productschap Tuinbouw ressorterende ondernemers in de sector boomkwekerijproducten op te leggen heffing in het jaar 2007 (Verordening PT vakheffing boomkwekerijproducten teelt- en handelsjaar 2006) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en Gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); Gehoord de Commissie voor boomkwekerijproducten, d.d. 10 mei 2006; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening wordt verder verstaan onder: | a. | voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | --- | --- | --- | | b. | boomkwekerijproducten: | winterharde en half-winterharde houtgewassen, welke niet vervroegd zijn, alsmede delen daarvan en voorts vaste planten en wortelstokken; | | c. | kweken van boomkwekerij-producten: | het ter verkrijging van een oogst van boomkwekerijproducten brengen, hebben of houden in al dan niet overdekte grond van boomkwekerijproducten of van zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan, alsmede het ter bevordering van het verkrijgen van een oogst van boomkwekerijproducten verrichten van alle wijzen van behandelen, bewerken, beschermen, bewaren en verzorgen van boomkwekerijproducten, respectievelijk de zaden, stekken of ander plantmateriaal daarvan; | | d. | ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin het kweken van of de handel i"},{"i":1781,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 10 november 2010, houdende de vaststelling van een vakheffing voor de handel in bloemkwekerijproducten (Verordening PT vakheffing handel bloemkwekerijproducten 2011) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 12 oktober 2010; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=3:1), en de werkwijze beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder: | a. | aankoopwaarde | : | het totaal van de bruto inkoopfactuurbedragen van in Nederland aangekochte bloemkwekerijproducten exclusief BTW; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bloemkwekerijproducten | : | I. siergewassen, II. teeltmateriaal, III. hydrocultuur, en IV. bloemzaden; | | c. | hydrocultuur | : | siergewassen die bestemd zijn voor gebruik in plantenbakken of potten, waarbij de plant met zijn wortels houvast heeft in poreuze korrels in een bak of pot, met daarin een laag water en voedingsstoffe"},{"i":1782,"b":"Verordening tarief inschrijvingen accountantsregister Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5), [19, tweede lid, onder i, van de Wet op het accountsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 Het bedrag, bedoeld in [artikel 38, eerste lid, Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=38) dat moet worden betaald bij de indiening van een aanvrage ter inschrijving in het accountantsregister, wordt vastgesteld op € 275,–. Dit bedrag moet vooraf worden voldaan aan de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants te Amsterdam. Artikel 2 De [Verordening op het inschrijfgeld](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002604) (Stcrt. 1968, 12) wordt ingetrokken. Artikel 3 De [Verordening op het inschrijfgeld](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006184) (Stcrt. 1994, 12) wordt ingetrokken. Artikel 4 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2014. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tarief inschrijvingen accountantsregister. Artikel 1a 1. Het bedrag, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033815&artikel=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01), wordt met ingang van 1 januari 2020 ieder jaar per 1 januari aangepast overeenkomstig de ontwikkeling van de consumentenprijsindex voor het kalenderjaar waarop de aanpassing betrekking heeft ten opzichte van deze index in het voorafgaande jaar. 2. De ontwikkeling van de consumentenprijsindex, bedoeld in het vorige lid, is de ontwikkeling van de geharmoniseerde consumentenprijsindex zoals deze blijkt uit de door het Centraal Planbureau, bedoeld in [artikel 2, eerste lid van de Wet voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002029&artikel=2), laatst uitgebrachte publicatie voor 1 april van het jaar dat vooraf gaat aan het jaar waarop de aanpassing, bedoeld in het v"},{"i":1783,"b":"Verrekening van buitenlandse bronbelasting voor Nederlandse vaste inrichtingen De Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. 1. Inleiding Mij is een aantal vragen voorgelegd over de verrekening van buitenlandse belasting (hierna ‘bronbelasting’) op betaalde dividenden, interest en royalty’s die bij een vaste inrichting van een buitenlands belastingplichtige persoon tot de grondslag behoren waarover Nederlandse belasting wordt geheven. Deze vragen houden verband met het arrest Saint Gobain van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG van 21 september 1999, zaak C-307/97, Saint-Gobain, Jurispr. 1999, blz. I-6161) en het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2002 (HR van 8 februari 2002, nr. 36.155, BNB 2002/184). 2. Vaste inrichting van buitenlands belastingplichtige met vestigingsvrijheid De onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie kunnen een beroep doen op de vrijheid van vestiging van artikel 43 EG. Onder onderdanen worden blijkens artikel 48 EG – naast natuurlijke personen – tevens verstaan vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de EU hebben. Wordt van deze vrijheid gebruik gemaakt doordat een onderdaan van een lidstaat zich in Nederland vestigt door middel van een vaste inrichting, dan volgt uit het arrest Saint Gobain dat de vaste inrichting in beginsel in het buitenland geheven belasting ter zake van aan de vaste inrichting toerekenbare belastbare dividenden, interest of royalty’s kan verrekenen met de Nederlandse belasting hierover. Deze verrekening is alleen mogelijk indien in het geval dat een binnenlands belastingplichtige persoon de dividenden, interest of royalty’s zou ontvangen, deze persoon voor de verrekening van in het bronland geheven belasting in Nederland een beroep op een (internationale) regeling ter voorkoming van dubbele belasting"},{"i":3304,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 februari 2025 nr. BOACAT2025/104, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Ridderkerk Gelezen het verzoek van gemeente Ridderkerk van 6 februari 2025 en de adviezen van de Hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050790&artikel=2&z=2025-05-07&g=2025-05-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Buitengewoon opsporingsambtenaar openbare ruimte in dienst van gemeente Ridderkerk zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen i"},{"i":5460,"b":"Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 30 september 2015, nr. 3151041, houdende de vaststelling van de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Besluit: Artikel 1 De bij deze regeling gevoegde ‘Aanwijzingen inzake de rijksinspecties’ worden vastgesteld. Artikel 2 De Minister voor Wonen en Rijksdienst zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze regeling een verslag aan de ministerraad over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de bij deze regeling gevoegde ‘Aanwijzingen inzake de rijksinspecties’. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Aanwijzingen inzake de rijksinspecties § 1. Toepassingsbereik en definities Aanwijzing 1 Deze aanwijzingen hebben betrekking op de uitoefening van toezichtstaken door rijksinspecties. Toelichting Het houden van toezicht is de kerntaak van elk van de rijksinspecties. Toezicht wordt in de Kaderstellende Visie op het Toezicht gedefinieerd als ‘het verzamelen van de informatie over de vraag of een handeling of zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan interveniëren’.1Kaderstellende visie op het toezicht (KVoT 2005), **Kamerstukken II** 2005/06, 27 831, nr. 15, bijlage, blz. 10. Rijksinspecties oefenen wisselende combinaties van verschillende soorten toezicht uit2Bij toezicht wordt onderscheid gemaakt tussen nalevingstoezicht, uitvoeringstoezicht en interbestuurlijk toezicht. Soms worden daar nog kwaliteitstoezicht, stelseltoezicht en markttoezicht als aparte vormen van toezicht aan toegevoegd. Zie verder het **Begrippenkader rijksinspecties** (Inspectieraad 2013), blz. 33–38., en rapporteren ook in bredere zin over trends en ontwikkelingen die zij signaleren binnen het terrein waarop zij toezicht houden. Bij de meeste rijksinspecties zijn niet alleen toezichtstaken ondergebracht. De bijzondere ops"},{"i":5320,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 juni 2015, nr. WJZ / 15083650, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van Economische Zaken (Regeling Europese EZ-subsidies) Gelet op: verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1083/2006](onbekend) van de Raad (PbEU 2013, L347); verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van [Verordeningen (EG) nr. 1954/2003](onbekend) en [(EG) nr. 1224/2009](onbekend) van de Raad en tot intrekking van Verordeningen [(EG) nr. 2371/2002](onbekend) en [(EG) nr. 639/2004](onbekend) van de Raad en Besluit [2004/585/EG](onbekend) van de Raad (PbEU 2013, L354); verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 2328/2003](onbekend), [(EG) nr. 861/2006](onbekend), [(EG) nr. 1198/2006](onbekend) en [(EG) nr. 791/2007](onbekend) van de Raad en Verordening (EU) [nr. 1255/2011](onbekend) van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014,L 149); verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1698/2005](onbekend) van de Raad (PbEU 2013, L347); verordening (EU) n"},{"i":5499,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 oktober 2025, nr. MBO/54853825, houdende vaststelling van het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2026 van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027 en wijziging van het Instellingsbesluit Tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo in verband met de gewijzigde samenstelling van de adviescommissie Gelet op de [artikelen 2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3), [2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.2.3), [5.9 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9), en de [artikelen 5, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&artikel=5), en [18, eerste lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&artikel=18); Besluit: Artikel I. Vaststelling subsidieplafond voor het kalenderjaar 2026 [Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024-2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883) Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&artikel=5) voor het kalenderjaar 2026 wordt: - a. voor de aanvraagperiode van 1 januari 2026 tot en met 31 januari 2026 vastgesteld op € 7 miljoen; en - b. voor de aanvraagperiode van 1 juni 2026 tot en met 30 juni 2026 vastgesteld op € 5 miljoen. Artikel II. Wijziging [Instellingsbesluit tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041860) Wijzigt het Instellingsbesluit tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo. Artikel III. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. De regeling zal met de toelichting in de Staatsc"},{"i":5383,"b":"Regeling projectsubsidies literaire activiteiten gelet op het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, lid 4, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. § 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **auteurs:** professionele literaire makers, waaronder schrijvers en vertalers; - **het bestuur:** het bestuur van de Stichting Nederlands Letterenfonds; - **bezoekers:** betalende en niet betalende bezoekers van de activiteiten die zijn geteld op een naar het oordeel van het Letterenfonds duidelijk kenbare en controleerbare wijze; - **Letterenfonds:** de Stichting Nederlands Letterenfonds; - **literatuur:** Nederlandstalige en/of Friestalige literatuur; - **literair:** de Nederlandstalige en/of Friestalige literatuur betreffende; - **project:** een in de tijd beperkte publieksactiviteit in Nederland op het gebied van de literatuur, of, een activiteit gericht op het binnen- of buitenschools stimuleren van het lezen van literatuur en/of literair creatief schrijven met betalende en niet betalende participanten die zijn geteld op een naar het oordeel van het Letterenfonds duidelijk kenbare en controleerbare wijze (literair-educatief project); - **eigen inkomsten:** de baten in de jaarrekening, te weten: Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten: - a. publieksinkomsten; - b. overige inkomsten, te weten: - –. directe opbrengsten: sponsorinkomsten en overige inkomsten; - –. indirecte opbrengsten en - –. overige bijdragen. - –. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; - –. overige bijdragen uit publieke middelen; - –. rentebaten; - –. bijdragen in natura; - –. kapitalisatie van vrijwilligers;"},{"i":5440,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 29 november 2016, nr. 2015308 houdende tijdelijke aanwijzing van bevoegde gerechten als bedoeld in de artikelen 46a en 62a van de Wet op de rechterlijke organisatie (Regeling tijdelijke aanwijzing bevoegde gerechten 2017) Gelet op de [artikelen 46a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=46a) en [62a van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=62a); Gehoord de Raad voor de rechtspraak; Besluit: Artikel 1 Voor de behandeling van beroepen tegen besluiten als bedoeld in [afdeling 2 van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&afdeling=2) worden aangewezen als andere rechtbanken als bedoeld in [artikel 46a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=46a): - a. de rechtbank Gelderland, indien de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft in het arrondissement Gelderland, het arrondissement Overijssel of het arrondissement Midden-Nederland, met uitzondering van de provincie Flevoland dan wel, indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, wanneer het bestuursorgaan zijn zetel heeft in het arrondissement Gelderland, het arrondissement Overijssel of het arrondissement Midden-Nederland, met uitzondering van de provincie Flevoland; - b. de rechtbank Noord-Nederland, indien de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft in het arrondissement Noord-Nederland of de provincie Flevoland dan wel, indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, wanneer het bestuursorgaan zijn zetel heeft in het arrondissement Noord-Nederland of de provincie Flevoland. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017 en vervalt met ingang van 1 januari 2020. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tijdelijke aanwijzing bevoegde ger"},{"i":5371,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 10 december 2009, nr. WJZ/9162315, houdende vaststelling van subsidieplafonds en termijnen van openstelling van EZ-subsidieregelingen (Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2010) Gelet op [artikel 16 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16) en op de [artikelen 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=3.9), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=5.5) en [5a.5 van de Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=5a.5); Besluit: Artikel 1 1. Als perioden in 2010, waarin subsidie-aanvragen kunnen worden ingediend krachtens de in kolom 2 genoemde subsidieregelingen en de in kolom 3 genoemde artikelen, in voorkomende gevallen verbijzonderd naar de in kolom 4 omschreven of aangeduide groepen van aanvragers, projecten of aanvragen, worden vastgesteld de daarbij behorende perioden, genoemd in kolom 5; aanvragen moeten zijn ontvangen op de genoemde einddatum om 17.00 uur. 2. Als subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies als bedoeld in het eerste lid wordt per in kolom 5 genoemde periode vastgesteld: het daarbij behorende in kolom 6 genoemde bedrag. 3. Met betrekking tot het verstrekken van subsidies door de Minister van Economische Zaken op grond van wettelijke voorschriften of onderdelen daarvan, waarvoor noch in deze regeling noch in een ander wettelijk voorschrift een subsidieplafond is vastgesteld, wordt het voor 2010 geldende subsidieplafond vastgesteld op € 0,–. Aanvragen om subsidie kunnen in 2010 slechts worden ingediend indien in deze regeling of in enig ander wettelijk voorschrift daarvoor een periode is vastgesteld. | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Nr. | Regeling | Artikel | Groep | Openstelling 2010 | Plafond € | | [Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024902) | ["},{"i":5368,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 maart 2014, nr. 2014-0000039187, tot openstelling van een aanvraagtijdvak in het kalenderjaar 2014 en vaststelling van een subsidieplafond voor dit aanvraagtijdvak in het kader van de Regeling cofinanciering sectorplannen Gelet op [artikel 1.4 van de Regeling cofinanciering sectorplannen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033761&artikel=1.4); Besluit: Artikel 1. Opening aanvraagtijdvak Aanvragen op grond van de [Regeling cofinanciering sectorplannen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033761) kunnen worden ingediend gedurende de periode van 1 april 2014 tot en met 31 mei 2014. Artikel 2. Subsidieplafond Het subsidieplafond voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034947&artikel=1&z=2015-01-14&g=2015-01-14), bedraagt 205 miljoen EUR. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1723,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 30 juni 2009, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van hoveniersbedrijven (Verordening PT heffing hoveniersbedrijven 2010) gelet op de [artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikel 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Commissie voor hovenierswerkzaamheden, d.d. 7 april 2009; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | bestuur | : het bestuur van het productschap; | | --- | --- | --- | | b. | bosbouw | : uitvoering van werkzaamheden met betrekking tot bossen of andere houtopstanden en andere dienstverlening, daaronder begrepen de bijlevering van materialen zoals spuitmiddelen; | | c. | hovernierswerkzaamheden | : het aanleggen, het aanbrengen van wijzigingen in een het onderhouden van siertuinen, begraafplaatsen, groenstroken, parken, plantsoenen, landgoederen en openbaar groen in stad en landschap, inclusief boomverzorging, werkzaamheden op sportterreinen en in bossen, met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, met inbegrip van de voorbereidende en grondwerkzaamheden; | | d. | leveringen | : de bij de werkzaamheden behorende levering van levende en dode materialen; | | e. | omzet | : het bruto-omzetbedrag van hovenierswerkzaamheden en leveringen per kalenderjaar; | | f. | ondernemer | : natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin hovenierswerkzaamheden worden verricht; | | g. | productschap | : het Productschap Tuinbouw; | | h. | secretaris | : de secretaris van het productschap; | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De ondernemer is jaarlijks een heffing aan het productschap verschuldigd. Uit de opbrengst van deze heffing worden projecten ten behoeve van de hovenierssector alsmede algemene ko"},{"i":5492,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 november 2021, kenmerk 3262509-1016080-Z, houdende Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2022 Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4) en de [artikelen 18d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d), en [18e, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18e); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=1), bedraagt voor het berekeningsjaar 2022 € 1.749. Artikel 2 Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2022. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5399,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 juni 2019, nr. WJZ/19138916, houdende een specifieke uitkering voor de gemeenten Appingedam, Delfzijl, Midden-Groningen en Groningen in verband met de versterking van de gebouwen in batch 1.588 Gelet op de [artikelen 2, onderdelen a en b, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - –. **gemeenten:** gemeenten Appingedam, Delfzijl, Midden-Groningen en Groningen; - –. **batch 1.588:** door de Nationaal Coördinator Groningen benoemde batch van 1.588 woningen in de gemeenten waarvoor versterkingsadviezen zijn opgesteld. Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De minister verleent een eenmalige specifieke uitkering aan de gemeenten voor de aanloopkosten van de eerste te versterken gebouwen in batch 1.588. 2. De specifieke uitkering bedraagt per gemeente: - a. gemeente Appingedam 44 miljoen; - b. gemeente Delfzijl 28 miljoen; - c. gemeente Midden-Groningen 5 miljoen; - d. gemeente Groningen 7 miljoen. Artikel 3. Voorwaarden 1. De gemeenten besteden de specifieke uitkering uitsluitend aan: - a. voorbereidende werkzaamheden voor de versterking van de gebouwen in batch 1.588; - b. het verstrekken van subsidies voor de versterking van de gebouwen in batch 1.588. 2. De gemeenten nemen de artikelen 107 tot en met 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie in acht bij de besteding van de specifieke uitkering. Artikel 4. Voorschot Op 15 juni 2019 wordt aan de gemeenten een voorschot betaald van 100% van de specifieke uitkering. Artikel 5. Verantwoording De gemeenten leggen verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze bepaald in [artikel 17a van de Financiële-verhoud"},{"i":5345,"b":"Regeling van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 januari 2012, nr. 2011-2000560883, houdende intrekking van de Subsidieregeling vorming en scholing raadsleden Gelet op [artikel 12 van de Wet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=12); Besluit: Artikel I De [Subsidieregeling vorming en scholing raadsleden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025903) wordt ingetrokken. Artikel II Bezwaar- en beroepsprocedures met betrekking tot besluiten genomen op grond van de [Subsidieregeling vorming en scholing raadsleden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025903) vinden plaats overeenkomstig die regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 23 december 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1797,"b":"Wet van 12 juli 2012 tot invoering van een bankenbelasting (Wet bankenbelasting) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in aanvulling op andere maatregelen ter versterking van de financiële stabiliteit in Nederland te voorzien in een bankenbelasting; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen § 2. Belastingplicht § 3. Belastbare grondslag § 2. Belastingplicht § 5. Wijze van heffing § 6. Indexatie § 7. Overige bepalingen Artikel 13 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld volgens welke de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden de belastingplichtige op zijn verzoek kan toestaan het belastbare bedrag te berekenen in een andere geldeenheid dan de euro. Daarbij wordt onder meer aangegeven tegen welke koers het bedrag van de doelmatigheidsvrijstelling wordt omgerekend in de andere geldeenheid en tegen welke koers het in de andere geldeenheid berekende belastbare bedrag wordt omgerekend in euro’s. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 14 Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel 14bis Wijzigt deze wet. Artikel 14a Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel 15 Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot belasting waarvan de verschuldigdheid is ontstaan op of na dat tijdstip, met dien verstande dat [artikel 14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031796&paragraaf=7&artikel=14a&z=2024-01-01&g=2024-01-01): - a. met ingang van 1 juli 2012 in werking treedt ingeval het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst wordt uitgegeven vóór 1 juli 2012; - b. met ingang van de eerste dag van de maand vol"},{"i":5409,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 3 oktober 2024, nummer 5645710, houdende een subsidie voor de uitbreiding van capaciteit van buitengewoon opsporingsambtenaren en buitengewoon agent van politie van wie de werkzaamheden in hoofdzaak gericht zijn op handhaving en toezicht van onder andere natuurwetgeving voor de jaren 2024 tot en met 2026 (Regeling Subsidie uitbreiding capaciteit groene boa en bavpol 2024–2026) Gelet op [artikel 2, eerste lid, onder d, van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=2); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **BavPol:** buitengewoon agent van politie als bedoeld in het [Besluit buitengewone agenten van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175); - **boa:** buitengewoon opsporingsambtenaar; - **groene boa:** personen die: - 1°. in Europees Nederland: - I. in het bezit zijn van een geldige akte in domein II als bedoeld in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend), dan wel in opleiding zijn voor boa in domein II; - II. werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst of vrijwilligersovereenkomst of daarmee gelijk te stellen rechtsverhouding; en - III. werkzaamheden in Europees Nederland verrichten die in hoofdzaak gericht zijn op handhaving en toezicht van onder andere natuurwetgeving, niet zijnde milieu, natuur- of omgevingsvergunning gebonden toezicht, in het landelijk gebied buiten de bebouwde kom. - 2°. op Bonaire, Sint Eustatius of Saba werkzaam zijn als buitengewoon agent van politie van wie de werkzaamheden als BavPol in hoofdzaak gericht zijn op handhaving en toezicht van onder andere natuurwetgeving en de lokale regelgeving, niet zijnde milieu, natuur- of omgevingsvergunning gebonden toezicht, in het landelijk gebied buiten de bebouwde kom van de drie genoemde openbare lichamen. - **minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - **werkgever:**"},{"i":5674,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 februari 2022, nr. 31400808, houdende regels voor de subsidiëring van het programma maatschappelijke diensttijd 5a (Subsidieregeling 5a – MDT Continueren en innoveren door te experimenteren) Gelet op de[artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5), en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beoordelingscommissie:** door de minister ingestelde commissie die de minister adviseert over de subsidieaanvragen; - **data sharing agreement:** een door de minister vastgestelde verwerkersovereenkomst tussen de penvoerder en een extern onderzoeksbureau, waarin wordt vastgelegd welke gegevens, voor welke verwerkingsverantwoordelijke en voor welk doeleinden worden verwerkt door het onderzoeksbureau; - **jongerenvragenlijst:** lijst met vragen die aan jongeren worden gesteld over hun MDT-traject; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **MDT-netwerk:** landelijk netwerk van partijen betrokken bij de uitvoering van de MDT-projecten; - **MDT-basis-traject:** MDT-traject van ten minste 80 uur gedurende een periode van ten hoogste 6 maanden; - **MDT-plus-traject:** MDT-traject van ten minste 200 uur gedurende een periode van ten minste 3 en ten hoogste 6 maanden; - **MDT-extra-traject:** MDT-traject van ten minste 80 uur gedurende een periode van ten hoogste 6 maanden, waarbij het MDT-traject de intensieve begeleiding van een jongere vergt; - **MDT-project:** MDT-basis-trajecten, MDT-plus-trajecten en MDT-extra-trajecten waarvoor een penvoerder een subsidieaanvraag indient op grond van d"},{"i":1802,"b":"Wet van 18 december 2019 tot invoering van een bronbelasting op renten en royalty’s (Wet bronbelasting 2021) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een bronbelasting op renten en royalty’s naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties te introduceren en enkele antimisbruikbepalingen in de dividendbelasting en vennootschapsbelasting te wijzigen om de aanpak van belastingontwijking voortvarend voort te zetten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Belastingplicht Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag Hoofdstuk 4. Tarief Hoofdstuk 2. Belastingplicht Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag Artikel 7.1. Wijzigingen Wet bronbelasting 2021 Wijzigt deze wet. Artikel 7.2. Wijzigingen [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel 7.3. Wijzigingen [Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515) Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel 7.4. Wijzigingen [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel 7.5. Wijzigingen [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) Wijzigt de Invorderingswet 1990. Hoofdstuk 4. Tarief Artikel 8.1. Inwerkingtreding 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. 2. In afwijking van het eerste lid treden [artikel 7.2, onderdelen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=7&artikel=7.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [artikel 7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&hoofdstuk=7&artikel=7.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) in werkin"},{"i":6935,"b":"Besluit vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 2003 ex art. 20 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2003: | Categorie 1 | € 90,- | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | € 30,- | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | € 90,- | voor autobussen en vrachtauto's; | | Categorie 4 | € 90,- | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 5 | € 180,- | voor trekkers met opleggers; | | Categorie 6 | € 30,- | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 30,- | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 30,- | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2003. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5842,"b":"Besluit van 3 mei 2018, houdende tijdelijke regels betreffende de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid overheid) Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 februari 2018, nr. 0000091712/CZW/SB; Gelet op Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (PbEU 2016, L 327) en [artikel 89 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 april 2018, No.W04.18.0021/I); Gezien het nader rapport van Onze Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 00 april 2018 nr. 0000218242/CZW/SB; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **content:** het geheel aan informatie dat een instantie via een website of mobiele applicatie wil overbrengen, waaronder tekst, downloadbare documenten en formulieren en interactie, zoals het verwerken van digitale formulieren en het afwikkelen van identificatieprocedures; - **stukken uit erfgoedcollecties:** in particulier bezit of overheidsbezit zijnde goederen die van historisch, artistiek, archeologisch, esthetisch, wetenschappelijk of technisch belang zijn en deel uitmaken van verzamelingen die worden bewaard door culturele instellingen, zoals bibliotheken, archieven en musea; - **mobiele applicatie:** toepassingssoftware die is ontworpen en ontwikkeld door of namens overheidsinstanties met het oog op gebruik door het algemene publiek op mobiele toestellen zoals smartphones en tablets. Zij omvat niet de besturingssoftware van die toestellen en de hardware; - **Onze Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **overheidsinstantie:** de staats-, regionale"},{"i":1722,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 1 juli 2008 houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van hoveniersbedrijven (Verordening PT heffing hoveniersbedrijven 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor hovenierswerkzaamheden, d.d. 10 april 2008; Besluit: § 1. begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1) en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT Algemene Bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. hovenierswerkzaamheden: het aanleggen, het aanbrengen van wijzigingen in en het onderhouden van siertuinen, begraafplaatsen, groenstroken, parken, plantsoenen, landgoederen en openbaar groen in stad en landschap, inclusief werkzaamheden op sportterreinen en in bossen, met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, met inbegrip van de voorbereidende en grondwerkzaamheden; - b. leveringen: de bij de werkzaamheden behorende levering van levende en dode materialen; - c. ondernemer: natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin hovenierswerkz"},{"i":1806,"b":"Wet van 14 oktober 2015 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten in verband met een regeling voor het elektronische berichtenverkeer (Wet elektronisch berichtenverkeer belastingdienst) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele wijzigingen aan te brengen in de formele belastingwetgeving om een wettelijk kader te scheppen voor het verplichten van elektronisch berichtenverkeer in het contact met de Belastingdienst en dat het wenselijk is een regeling te treffen voor de technische voorzieningen ten behoeve van dit berichtenverkeer; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel II Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel III Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel IV Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel V Wijzigt de Wet bereikbaarheid en mobiliteit. Artikel VI Wijzigt de Gemeentewet. Artikel VII Wijzigt de Gemeentewet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIII Wijzigt de Waterschapswet. Artikel IX Wijzigt de Waterschapswet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel X Vervallen Artikel XI 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. Bij de bepaling van het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, kan op grond van [artikel 12 van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=12) worden afgeweken van de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=8) en [9 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=9). 3. [Artikel X](https://wetten"},{"i":1809,"b":"Wet van 2 november 2022, houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen) Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Hoofdstuk 3. Kwijtschelding bestuursrechtelijke schulden Hoofdstuk 2. Compensatie, tegemoetkomingen, moratorium en brede ondersteuning Hoofdstuk 5. Commissies Hoofdstuk 6. Bepalingen van procedurele aard; verkrijgen, gebruiken en verstrekken van gegevens Hoofdstuk 7. Specifieke uitkeringen Hoofdstuk 8. Wijziging van enige wetten en overgangsrecht Afdeling 8.1. Wijziging van enige wetten Artikel 8.1. Wijzigingen van de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel 8.2. Vervallen van artikelen [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel 8.3. Wijzigingen van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 8.4. Wijzigingen van Wet hersteloperatie toeslagen Wijzigt deze wet. Artikel 8.5. Wijziging [Wet hardheidsaanpassing Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043785) Wijzigt de Wet hardheidsaanpassing Awir. Afdeling 2.1a. Compensatie en tegemoetkomingen nabestaanden van overleden aanvrager kinderopvangtoeslag Hoofdstuk 9. Slotbepalingen Artikel 7.1. Specifieke uitkering aan gemeenten door Minister van Financiën Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over een specifieke uitkering aan gemeenten ter bekostiging van door gemeenten te verlenen brede ondersteuning als bedoeld in [artikel 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&hoofdstuk=2&afdeling=2.7&artikel=2.21&z=2026-04-01&g=2026-04-01). Artikel 7.2. Specifieke uitkering aan gemeenten door Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Bij regeling van Onze Minister van Binnenlands"},{"i":1814,"b":"Wet van 4 december 2017 tot wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2016/2258 van de Raad van 6 december 2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft toegang tot antiwitwasinlichtingen door belastingautoriteiten (PbEU 2016, L 342) (Wet implementatie EU-richtlijn toegang belastingautoriteiten tot antiwitwasinlichtingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen ter implementatie van Richtlijn (EU) 2016/2258 van de Raad van 6 december 2016 tot wijziging van [Richtlijn 2011/16](32011L0016)/EU wat betreft toegang tot antiwitwasinlichtingen door belastingautoriteiten (PbEU 2016, L 342); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie EU-richtlijn toegang belastingautoriteiten tot antiwitwasinlichtingen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":4352,"b":"Besluit van 11 juli 2012 tot vaststelling van regels over de verstrekking van systematische informatie in het kader van interbestuurlijk toezicht (Besluit verstrekking systematische toezichtinformatie) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 april 2012, 2012-0000227850, DCB/CZW/S&B; Gelet op de [artikelen 119, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=119), en [124h van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=124h) en [117, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=117), en [121f van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=121f); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 juni 2012, nr. W04.12.0132/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 juli 2012, nr. 2012-0000394262, DCB/CZW/S&B; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 1.1 en 1.2 van de Wet revitalisering generiek toezicht in werking treden. Artikel 1 In dit besluit en op dit besluit gebaseerde regelingen en provinciale verordeningen wordt verstaan onder: - a. **wettelijke taak:** de wettelijk gevorderde beslissingen, handelingen of resultaten, bedoeld in [artikel 124, eerste lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=124) of [artikel 121, eerste lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=121); - b. **toezicht:** het verzamelen van de informatie door het provinciebestuur of Onze Minister die het aangaat over de vraag of de uitvoering van een wettelijke taak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan interveniëren; - c. **toezichtinformatie:** informatie die door het provinciebestuur of Onze Minister die het aangaat van het gemeentebestuur of het provinciebestuur word"},{"i":1815,"b":"Wet van 22 december 2021 tot wijziging van de Wet op de accijns en enkele andere wetten in verband met implementatie van de horizontale accijnsrichtlijn (EU) 2020/262, richtlijn alcoholaccijns (EU) 2020/1151 en richtlijn btw en accijns bij defensie-inspanningen (EU) 2019/2235 (Wet implementatie richtlijnen accijns 2022) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de wetgeving inzake accijns en omzetbelasting aan te passen overeenkomstig [Richtlijn (EU) 2020/262](32020L0262) van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (PbEU 2020, L 58), [Richtlijn (EU) 2020/1151](32020L1151) van de Raad van 29 juli 2020 tot wijziging van [Richtlijn 92/83/EEG](31992L0083) betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (PbEU 2020, L 256) en [Richtlijn (EU) 2019/2235](32019L2235) van de Raad van 16 december 2019 tot wijziging van [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en [Richtlijn 2008/118/EG](32008L0118) houdende een algemene regeling inzake accijns wat betreft defensie-inspanningen binnen het Uniekader (PbEU 2019, L 336); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel II Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel III Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel IV Wijzigt de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Artikel V Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel VI 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 2. In afwijking van het eerste lid treden [artikel I, onderdeel WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046107&artikel=I&z=2023-02-13&g=2023-02-13), en [artikel II](https://wetten.overheid"},{"i":1389,"b":"Toepassing van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van het bankbedrijf De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Toepassing van artikel 15 van de wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van het bankbedrijf 1. De toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de aftrek van voorbelasting ten aanzien van prestaties van bankbedrijven blijkt in de praktijk enige vragen op te roepen. Dienaangaande deel ik u het volgende mede. 2. Als uitgangspunt voor de vaststelling van de aftrekbare voorbelasting met betrekking tot bancaire prestaties geldt het bepaalde in artikel 11, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Dit houdt onder meer in dat voor goederen en diensten die uitsluitend voor vrijgestelde prestaties worden gebruikt in het geheel geen aanspraak op aftrek van voorbelasting kan worden gemaakt, terwijl voor goederen en diensten die uitsluitend voor belaste prestaties worden gebruikt aanspraak op volledige aftrek kan worden gemaakt. Voor goederen en diensten die zowel voor belaste als vrijgestelde prestaties worden gebruikt kan de voor aftrek in aanmerking komende voorbelasting worden bepaald op basis van de verhouding van de omzetten c.q. het werkelijk gebruik, een en ander volgens de in de artikelen 11 tot en met 14 van genoemde beschikking gegeven regels. In een aantal gevallen bestaat op de voet van artikel 15, lid 2, van de wet met betrekking tot vrijgestelde prestaties aftrek van voorbelasting. Dit is onder meer het geval indien een bank zodanige prestaties verricht jegens cliënten die niet binnen de lid-staten van de Europese Gemeenschappen wonen of gevestigd zijn. In dit verband merk ik op dat naar mijn mening voor bedoelde prestaties jegens andere cliënten nimmer recht op aftrek van voorbelasting bestaat, ook niet in gevallen waarin die prestaties ingevolge artikel 6, lid 2, letter e, van de"},{"i":1979,"b":"Wet van 23 februari 1983, houdende intrekking van de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wegens invaliditeit Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het beleid met betrekking tot de vervoersvoorzieningen ten behoeve van gehandicapten wenselijk is de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor motorrijtuigen gehouden door invaliden in te trekken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I 1. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 2. In afwijking van het eerste lid blijft een krachtens het aldaar bedoelde artikel 9, eerste lid, letter **e**, verleende vrijstelling van kracht, mits de invalide ten behoeve van wie vrijstelling is verleend op 1 april 1983 de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. 3. Onder door Onze Minister te stellen voorwaarden wordt vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gehouden ten gevolge van de invaliditeit van personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. 4. De vrijstelling, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt met ingang van 1 april 1995 aangemerkt als een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting geheven op grond van de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324). Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":2407,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juli 2015, nr. WJZ/785850 (10601), over het erkennen van buiten Nederland gelegen monumenten die verband houden met het Nederlands cultureel erfgoed en die voldoen aan de criteria voor aanwijzing als rijksmonument, in verband met aftrek van uitgaven voor die monumenten in de inkomstenbelasting (Beleidsregel erkenning tot het Nederlands cultureel erfgoed behorende monumenten gelegen buiten Nederland) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en het [besluit van 7 september 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026387), nr. 2009/1290M, laatstelijk gewijzigd bij besluit van juli 2015, nr. BLKB 2015/762M; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **monument:** monument als bedoeld in [artikel 1.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1); - **rijksmonument:** rijksmonument als bedoeld in [artikel 1.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1). Artikel 2. Reikwijdte De minister kan op aanvraag van een eigenaar van een onroerend monument dat gelegen is op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, een erkenning verstrekken inhoudende dat: - a. dit monument verband houdt met het Nederlands cultureel erfgoed; en - b. het in aanmerking zou komen voor aanwijzing als rijksmonument als het monument op het grondgebied van Nederland had gelegen. Artikel 3. Voorwaarden De minister verstrekt een erkenning alleen indien de aanvrager aantoont dat het monument voldoet aan de criteria, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036824&artikel=4&z=2016-07-01&g=2016-07-01). Artikel 4. Beoordelingscriteria 1. Een mon"},{"i":5334,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 20 november 2019, nr 2742859, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Wet griffierechten burgerlijke zaken en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Gelet op [artikel 11:2, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=11:2), [artikel 2 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=2) en [artikel 7.67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.67); Besluit: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel III Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel IV Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel V Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel VI 1. [Artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:41) zoals dat lid luidde voor 1 januari 2020 blijft van toepassing als het beroepschrift voor die datum is ontvangen. Als de eerste volzin van toepassing is en na 2019 een ander beroepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen hetzelfde besluit, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere beroepschrift. 2. [Artikel 8:109, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:109) zoals dat lid luidde voor 1 januari 2020 blijft van toepassing als het hogerberoepschrift voor die datum is ontvangen. Als de eerste volzin van toepassing is en na 2019 een ander hogerberoepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen dezelfde uitspraak, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere hogerberoepschrift. 3. [Artikel 7.67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https:/"},{"i":2411,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 5 juni 2019, nr. IENW/BSK-2019/122815, houdende vaststelling van regels voor experimenten in het kader van vergaand geautomatiseerd varen op de territoriale zee (Beleidsregel experimenten vergaand geautomatiseerd varen territoriale zee) Gelet op [artikel 12, eerste en tweede lid, van het Scheepvaartreglement territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914&artikel=12) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen en reikwijdte 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **experiment:** tijdelijke mogelijkheid om met een schip een praktijktest met vergaand geautomatiseerd varen uit te voeren; - –. **experimenteerpartij:** natuurlijk persoon of rechtspersoon die toestemming heeft gekregen om een experiment uit te voeren; - –. **experimenteerplan:** plan als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042274&artikel=2&z=2019-07-01&g=2019-07-01); - –. **territoriale zee:** territoriale zee, behoudens de aanloopgebieden als bedoeld in [artikel 2, onderdeel e, van het Scheepvaartreglement territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914&artikel=2); - –. **toestemming:** besluit als bedoeld in [artikel 12, tweede lid, van het Scheepvaartreglement territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914&artikel=12) op grond waarvan een experiment mag worden uitgevoerd; - –. **vergaand geautomatiseerd varen:** varen met een schip waarbij bepaalde menselijke taken worden overgenomen door één of meerdere geautomatiseerde toepassingen. 2. Deze beleidsregel is van toepassing op een experiment waarbij met een schip vergaand geautomatiseerd wordt gevaren op de territoriale zee en door de te testen geautomatiseerde toepassing de veiligheid van de scheepvaart in gevaar kan worden gebracht. 3. Er worden geen experimenten met watervl"},{"i":1820,"b":"Wet van 4 november 2021, houdende wijziging van de Wet bronbelasting 2021 in verband met de invoering van een aanvullende bronbelasting op dividenden naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties (Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aanvullende bronbelasting op dividenden naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties te introduceren om de aanpak van belastingontwijking voortvarend voort te zetten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bronbelasting 2021. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1823,"b":"Wet loonbelasting BES Algemene Bepaling Artikel A De [hoofdstukken I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&hoofdstuk=I) en [VIII van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&hoofdstuk=VIII) zijn van overeenkomstige toepassing op deze wet en de daarop berustende bepalingen. Hoofdstuk I. Belastingplicht Artikel 1 Onder de naam «loonbelasting» wordt een belasting van de werknemer of diens inhoudingsplichtige geheven. Artikel 2 1. Werknemer is de natuurlijke persoon die tot een inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staat of van een inhoudingsplichtige loon geniet uit een vroegere dienstbetrekking van hemzelf of van een ander. 2. Wie niet op de BES eilanden woont, wordt slechts als werknemer beschouwd voor zover hij: - a. zijn dienstbetrekking op de BES eilanden vervult, dan wel loon geniet uit een vroeger op de BES eilanden vervulde dienstbetrekking; - b. in dienstbetrekking staat tot een publiekrechtelijk rechtspersoon naar het op de BES eilanden geldende recht, dan wel uit andere hoofde loon geniet van een zodanige rechtspersoon; - c. loon geniet uit een bestaande of vroegere functie door hemzelf of door een ander vervuld als bestuurder of commissaris van een op de BES eilanden gevestigd lichaam als bedoeld in [artikel 1.3, onderdeel c, van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=1.3), ook in geval van beperking van de bevoegdheid tot niet op de BES eilanden gelegen gedeelten van de onderneming van dat lichaam. 3. Krachtens wettelijk vruchtgenot aan een kind ontleent loon wordt geacht door het kind te zijn genoten. 4. Indien de dienstbetrekking als bedoeld in letter a van het tweede lid slechts tijdelijk geschiedt en korter dan drie maanden achtereen duurt, kan bij algemene maatregel van bestuur gehele of gedeeltelijke ontheffing van loonbelasting worden verleend. 5. [vervallen] Artikel 3 1. Als dienstbetrekking wordt beschouwd elke arbeidsverhouding, waarbij een gezagsverhouding bestaat tus"},{"i":6924,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 7 maart 2017, nr. IENM/BSK-2017/19694, houdende toekenning van de bevoegdheid genoemd in artikel 20, vierde lid, Wet personenvervoer 2000 aan gedeputeerde staten van de provincie Fryslân Handelende in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincie Fryslân; Gelet op [artikel 20, vierde lid, Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20); BESLUIT: Artikel 1 Gedeputeerde staten van de provincie Fryslân zijn bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdiensten, die de daarbij aangegeven stations verbinden: | Vervoersdienst | Stations | | --- | --- | | Leeuwarden – Harlingen Haven | Leeuwarden, Deinum, Dronryp, Franeker, Harlingen, Harlingen Haven. | | Leeuwarden – Stavoren | Leeuwarden, Mantgum, Sneek Noord, Sneek, IJlst, Workum, Hindeloopen, Koudum-Molkwerum, Stavoren. | | Het deel van de vervoersdienst Leeuwarden – Groningen Europapark dat wordt verricht in de provincie Fryslân | Leeuwarden, Leeuwarden Camminghaburen, Hurdegaryp, Feanwâlden, De Westereen, Buitenpost. | Artikel 2 Het Besluit tot aanwijzing vervoersdiensten waarvoor het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein (Stcrt. 2005, 52), vervalt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1827,"b":"Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de opheffing van de fiscale grenzen binnen de Europese Gemeenschap wenselijk is het stelsel van heffing van de bijzondere verbruiksbelastingen van personenauto’s en van motorrijwielen te herzien, alsmede om deze belastingen op te nemen in een afzonderlijke wet en voorts dat het gewenst is in het tarief te differentiëren naar een milieu- en een energiegrondslag en het begrip personenauto nader te definiëren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Afdeling 1. Belastbaar feit Artikel 1 1. Onder de naam 'belasting van personenauto’s en motorrijwielen' wordt een belasting geheven met betrekking tot personenauto's, motorrijwielen en bestelauto's. 2. De belasting is verschuldigd ter zake van de inschrijving van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto. 3. Ingeval een ingeschreven motorrijtuig zodanig wordt veranderd dat het de hoedanigheid verkrijgt van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto, is de belasting verschuldigd ter zake van de wijziging van de inschrijving in personenauto, motorrijwiel of bestelauto dan wel, indien de inschrijving niet wordt gewijzigd in personenauto, motorrijwiel of bestelauto, ter zake van de aanvang van het gebruik als personenauto, motorrijwiel of bestelauto van de weg. 4. Ingeval een motorrijtuig als bedoeld in [artikel 9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&hoofdstuk=III&afdeling=2&artikel=9c&z=2026-01-01&g=2026-01-01) in een zodanige staat wordt gebracht dat deze niet meer voldoet aan de in dat artikel genoemde voorwaarden, is de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dit motorrijtuig in gewijzigde staat van de weg. 5. Ingeval"},{"i":1828,"b":"Wet van 23 december 1965, houdende vervanging van het Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een nieuwe wettelijke regeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Besluit op de Dividendbelasting 1941 door een meer overzichtelijke en op verschillende punten herziene wettelijke regeling te vervangen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Belastingplicht Artikel 1 1. Onder de naam «dividendbelasting» wordt een directe belasting geheven van degenen die – rechtstreeks of door middel van certificaten – gerechtigd zijn tot de opbrengst van aandelen in, winstbewijzen van, kapitaalverstrekkingen als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10) aan of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van die wet aan in Nederland gevestigde: - a. naamloze vennootschappen,besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en daarmee qua rechtsvorm vergelijkbare naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen; - b. fondsen voor gemene rekening en daarmee qua rechtsvorm vergelijkbare naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen; - c. houdstercoöperaties; - d. naar het recht van een andere staat opgerichte of aangegane lichamen waarvan de rechtsvorm niet vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2), noch met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of transparant fonds als bedoeld in [artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.n"},{"i":1829,"b":"Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, home country rule, begrip rentebetaling In dit besluit wordt het [besluit van 19 augustus 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018684), nr. CPP2005/1841M geactualiseerd. De [onderdelen 1](onbekend) en [2](onbekend) van laatstgenoemd besluit zijn vervallen in verband met codificering. 1. Inleiding Voor de toepassing van [art. 4b, eerste lid, onderdelen b en c en tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=4b) (hierna: WIB) heb ik besloten dat de zogenoemde home country rule mag worden toegepast bij de vraag of een collectieve beleggingsinstelling onder [Richtlijn 2003/48/EG](32003L0048) valt (onderdeel 2). Voorts heb ik besloten dat het begrip rentebetaling in [artikel 4b, eerste lid, aanhef en onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=4b), mag worden opgevat als het bedrag dat netto aan de gerechtigde wordt uitgekeerd, dus na aftrek van de in rekening gebrachte kosten (onderdeel 3). 2. Beleggingsinstellingen; de zogenoemde home country rule In [artikel 4b, eerste lid, onderdelen b en c, van de WIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=4b) wordt het begrip rentebetaling uitgebreid met inkomsten uit rentebetalingen door een collectieve beleggingsinstelling en de inkomsten bij verkoop, terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming in een collectieve beleggingsinstelling. In [artikel 4b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=4b), is aangegeven wat onder een collectieve beleggingsinstelling moet worden verstaan. Bij de beoordeling of een collectieve beleggingstelling onder [Richtlijn 2003/48/EG](32003L0048) valt, mag de zogenoemde home country rule worden toegepast. Dit betekent dat de lidstaat van vestiging bepaalt of de collectieve beleggingsinstelling wel of niet o"},{"i":1830,"b":"Wet van 24 april 1986, op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verplichtingen ten behoeve van de belastingheffing beter af te stemmen op verplichtingen van internationaal en interregionaal recht op het gebied van het verlenen van bijstand door Nederland aan andere staten bij de heffing van belastingen teneinde te bevorderen dat belastingschulden op het juiste bedrag kunnen worden vastgesteld en dat het ontgaan en ontwijken van belastingen wordt bestreden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. De bepalingen van deze wet strekken tot uitvoering van richtlijnen van de Raad van de Europese Unie en andere regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen, alsmede renten daarover en bestuursrechtelijke sancties en boeten die daarmee verband houden. 2. Onder de in het eerste lid bedoelde belastingen valt elke vorm van belastingen die door of namens een staat of de territoriale of bestuurlijke onderdelen van een staat, met inbegrip van de lokale overheden, worden geheven. 3. Deze wet is niet van toepassing bij het verlenen van wederzijdse bijstand op het gebied van: - a. de omzetbelasting in het kader van Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2010, L 268); - b. de accijnzen in het kader van Verordening (EU) nr. 389/2012 van de Raad van 2 mei 2012 betreffende administratieve samenwerking op het gebied van de accijnzen en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 2073/2004 (PbEU 2012, L 121). Bij toepassing v"},{"i":6508,"b":"Besluit van 20 juni 2024 tot wijziging van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft in verband met aanpassingen aan de regels ten aanzien van het depositogarantiestelsel (Wijzigingsbesluit depositogarantie 2024) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 10 april 2024, 2024-0000222654, directie Financiële Markten; Gelet op [Richtlijn 2014/49/EU](32014L0049) van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels en de [artikelen 3:259, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:259), [3:259a, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:259a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 mei 2024, nr. W06.24.00071/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 17 juni 2024, 2024-0000273856, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft. Artikel II De [Regeling risicoindicatoren bijdragen depositogarantiestelsel Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037234) wordt ingetrokken. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2024, met uitzondering van [artikel I, onderdeel A, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049944&artikel=I&z=2024-09-01&g=2024-09-01), dat in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel IV Dit besluit wordt aangehaald als: Wijzigingsbesluit depositogarantie 2024. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3466,"b":"Besluit van 18 Juni 1955, houdende uitvoering van artikel 11 van de Instellingswet Productschap voor Siergewassen Op de voordracht van Onze Ministers voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie van 24 Maart 1955, no. B. 2496, Dir. W.J.A., van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 24 Maart 1955, no. J. 1085, Afd. W.J.Z. en van Economische Zaken van 24 Maart 1955, no. 23479, Dir. W.J.A.; Overwegende, dat het wenselijk is te bepalen in welke gevallen Onze Minister van Economische Zaken voor de toepassing van de [Instellingswet Productschap voor Siergewassen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002149) (**Stb.** 1954, 447) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104) (**Stb.** 1950, K 22) ten aanzien van het Productschap voor Siergewassen mede als betrokken Minister wordt aangemerkt; Gelet op artikel 11 van eerstgenoemde wet; De Raad van State gehoord (advies van 19 April 1955, no. 49); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers onderscheidenlijk van 13 Juni 1955, no. B. 2638, Dir. W.J.A., van 13 Juni 1955, no. J. 1086, Afd. W.J.Z. en van 13 Juni 1955, no. 23480, Dir. W.J.A.; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van de [Instellingswet Productschap voor Siergewassen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002149) (**Stb.** 1954, 447) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104) (**Stb.** 1950, K 22) ten aanzien van het Productschap voor Siergewassen wordt Onze Minister van Economische Zaken mede als betrokken Minister aangemerkt, voor zoveel betreft:"},{"i":1845,"b":"Wet van 25 augustus 2023 tot wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de Algemene douanewet ter opheffing van de geheimhoudingsplicht in verband met het verstrekken van gegevens aan de inspectie belastingen, toeslagen en douane (Wet opheffing geheimhoudingsplicht ten behoeve van de inspectie belastingen, toeslagen en douane) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een wettelijke grondslag op te nemen voor het verstrekken van gegevens, waarop de geheimhoudingsplicht rust, aan de inspectie belastingen, toeslagen en douane ten behoeve van haar taakuitoefening; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet opheffing geheimhoudingsplicht ten behoeve van de inspectie belastingen, toeslagen en douane."},{"i":6094,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 18 juni 2020, nr. WJZ/24563641, houdende de invoering van een hardheidsclausule, alsmede wijziging van verschillende subsidieregelingen in verband met de uitbraak van COVID-19 (Verzamelregeling subsidies OCW COVID-19) Artikel 1. Hardheidsclausule 1. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media kunnen bepalingen in de door hen vastgestelde subsidieregelingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken, indien de onverkorte toepassing van deze bepalingen, gelet op de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan voor subsidieaanvragers of subsidieontvangers zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2. Voor subsidieregelingen die volledig of mede zijn gebaseerd op de [artikelen 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.1), [7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.3) of [7.7 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.7), is het eerste lid alleen van toepassing voor zover het gaat om indieningsvereisten, verbonden aan de subsidieaanvraag of de aanvraag om subsidievaststelling, waaraan niet geheel of niet tijdig kan worden voldaan als gevolg van de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan. Artikel 2. Wijziging [Besluit vaststelling beleidskader subsidie bèta-technieknetwerken 2017–2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039649) Wijzigt het Besluit vaststelling beleidskader subsidie bèta-technieknetwerken 2017–2020. Artikel 3. Wijziging [Besluit vaststelling beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase II 2019–2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042300) Wijzigt het Besluit vaststelling beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase II 2019–2021. Artikel 4. Wijziging [Subsidieregeling andere eindtoetsen PO](https://wetten."},{"i":7055,"b":"Overeenkomst inzake beslissingen tot verbetering van akten van de Burgerlijke Stand De Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat en de Turkse Republiek, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, Verlangende de doeltreffendheid en de uitvoerbaarheid van beslissingen betreffende verbetering van akten van de Burgerlijke Stand in het grondgebied van hun Staten te verzekeren, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt onder „beslissing tot verbetering” verstaan iedere beslissing van de bevoegde autoriteit welke, zonder een uitspraak te geven over een vraag betreffende de staat van personen of over het recht op een adellijke titel of een eretitel, een fout in een akte van de Burgerlijke Stand verbetert. Artikel 2 De autoriteit van een der Overeenkomstsluitende Staten, bevoegd tot het nemen van een beslissing tot verbetering van een fout in een op het grondgebied van die Staat opgemaakte akte van de Burgerlijke Stand, is eveneens bevoegd bij deze beslissing dezelfde fout te verbeteren in een akte betreffende dezelfde persoon of zijn afstammelingen, welke akte nadien op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Staat is opgemaakt. Deze beslissing is zonder verdere formaliteiten op het grondgebied van deze andere Staat uitvoerbaar. Te dien einde is de bevoegde autoriteit van de Staat waar de beslissing is genomen, gehouden een afschrift van deze beslissing en een afschrift van de verbeterde akte toe te zenden aan de bevoegde autoriteit van de Staat waar genoemde beslissing eveneens ten uitvoer moet worden gelegd. Artikel 3 Indien door de bevoegde autoriteit van een van de Overeenkomstsluitende Staten een beslissing tot verbetering van een akte van de Burgerlijke Stand is genomen, dan worden dienvolgens de registers van de Bur"},{"i":1848,"b":"Wet van 29 mei 1991, tot opheffing van het Visserijschap en het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven, tevens strekkende tot wijziging van de Instellingswet Productschap voor Vis en Visproducten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad op 20 januari 1989 daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot integratie van taken en bevoegdheden van het Visserijschap en het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven in het Produktschap voor Vis en Visprodukten, daartoe de [Instellingswet Productschap voor Vis en Visproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002220) te wijzigen en, in samenhang daarmee, beide voornoemde bedrijfschappen op te heffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Het Visserijschap, ingesteld bij het koninklijk besluit van 23 december 1955 (**Stb.** 615), is opgeheven. De door het bedrijfschap vastgestelde verordeningen, voorzover nog van kracht bij de inwerkingtreding van deze wet, vervallen. 2. Het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven, ingesteld bij het koninklijk besluit van 31 januari 1955 (**Stb.** 65), is opgeheven. De door het bedrijfschap vastgestelde verordeningen, voorzover nog van kracht bij de inwerkingtreding van deze wet, vervallen. Artikel 2 1. Van de inwerkingtreding van deze wet af berust het beheer van het vermogen van het Visserijschap en het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven bij het Produktschap voor Vis en Visprodukten. 2. Rechtsvorderingen, welke tot het vermogen van het Visserijschap danwel het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven behorende rechten of verplichtingen tot onderwerp hebben, worden ingesteld door of teg"},{"i":1849,"b":"Wet van 17 december 1998, houdende regels inzake de heffing en de invordering van rijksbelastingen in euro's (Wet overgang belastingheffing in euro's) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de deelneming van Nederland aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie wenselijk is regels te stellen inzake de overgang op de heffing en de invordering van rijksbelastingen in euro's; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALING Artikel 1 1. Deze wet verstaat onder belastingen: belastingen, premies en andere heffingen die worden geheven en ingevorderd door de rijksbelastingdienst met toepassing van de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) en de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770). 2. Het bij deze wet bepaalde met betrekking tot belastingen is mede van toepassing op renten, bestuurlijke boeten, kosten en dergelijke die met betrekking tot belastingen kunnen worden vastgesteld of opgelegd. HOOFDSTUK II. HEFFING EN INVORDERING MET BETREKKING TOT DE OVERGANGSPERIODE Artikel 2 De heffing en de invordering van belastingen met betrekking tot tijdvakken die aanvangen onderscheidenlijk tijdstippen die zijn gelegen in de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 vinden nog plaats in guldens. Artikel 3 Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke belastingen in afwijking in zoverre van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010136&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2001-01-01&g=2001-01-01) de heffing en de invordering reeds geheel of gedeeltelijk kunnen plaatsvinden in euro's. HOOFDSTUK III. HET NA DE OVERGANGSPERIODE VASTSTELLEN VAN BELASTINGAANSLAGEN EN NEMEN VAN BESCHIKKINGEN MET BETREKKING TOT DE PERIODE VOOR DE OVERGANGSPERIODE EN"},{"i":1850,"b":"Wet van 3 oktober 1984, houdende regelen omtrent de opheffing van het recht van de Dertiende Penning Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is om te geraken tot opheffing van het recht van de Dertiende Penning; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De hoogte van het recht van de Dertiende Penning wordt bepaald op elf ten honderd van de waarde van de onroerende zaken waarop het recht rust. 2. Het recht van de Dertiende Penning is opgeheven na verloop van dertig jaren te rekenen van de dag van inwerkingtreding van deze wet. 3. Naastingsrechten, verband houdende of ooit gehouden hebbende met het recht van de Dertiende Penning, zijn afgeschaft. Artikel 2 Deze wet treedt in werking op de eerste kalenderdag van de maand januari van het jaar dat volgt op dat waarin deze in het **Staatsblad** is geplaatst. Artikel 3 Onze Minister van Justitie draagt zorg dat bekendheid wordt gegeven aan de dag waarop ingevolge de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003714&artikel=1&z=1985-01-01&g=1985-01-01), en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003714&artikel=2&z=1985-01-01&g=1985-01-01) het recht van de Dertiende Penning zal zijn opgeheven. Deze bekendmaking geschiedt in de derde maand welke volgt op die waarin deze wet in het **Staatsblad** is geplaatst. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1853,"b":"Wet van 21 december 2016 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen met een zelfstandige aansluiting) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aantal wijzigingen aan te brengen in de energiebelasting voor de transitie naar elektrisch rijden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel II Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel III Wijzigt de Wet opslag duurzame energie. Artikel IV Wijzigt de Wet opslag duurzame energie. Artikel IVA Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IVB Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V 1. Onder toepassing van [artikel 12 van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=12) treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2017. 2. In afwijking van het eerste lid treden [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038926&artikel=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01), en de [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038926&artikel=II&z=2023-01-01&g=2023-01-01), [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038926&artikel=III&z=2023-01-01&g=2023-01-01) en [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038926&artikel=IV&z=2023-01-01&g=2023-01-01) in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, in welk besluit de volgorde van toepassing van de verschillende artikelen of onderdelen daarvan wordt vastgesteld. Als dat tijdstip na 1 januari 2017 valt werken zij terug tot en met 1 januari 2017. In dat besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan [artikel 12 van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=12). Artikel VI Deze wet wordt aange"},{"i":1855,"b":"Wet van 2 december 2015, houdende regels over het tijdelijk heffen van tol voor de gedeeltelijke bekostiging van de verbinding tussen de A15 bij Rozenburg en de A20 tussen Maassluis en Vlaardingen en de verbinding van de A15 tussen knooppunt Valburg en de A12 bij Zevenaar (Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om, mede gelet op [Richtlijn 1999/62/EG](31999L0062) van het Europese Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PbEG 1999, L 187), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij [Richtlijn 2013/22](32013L0022)/EU van de Raad van 13 mei 2013 (PbEU 2013, L 158), tol te heffen voor twee projecten met het oog op de bekostiging en financiering daarvan; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Blankenburgverbinding:** verbinding tussen de A15 bij Rozenburg en de A20 tussen Maassluis en Vlaardingen; - **boordapparatuur:** boordapparatuur als bedoeld in [artikel 1 van de Wet implementatie EETS-richtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586&artikel=1); - **dienstaanbieder:** hoofddienstaanbieder, EETS-aanbieder of ETS-aanbieder; - **dienstverleningsovereenkomst:** overeenkomst als bedoeld in [artikel 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&sub-paragraaf=2.2.2&artikel=8a&z=2025-05-16&g=2025-05-16); - **EETS-aanbieder:** EETS-aanbieder als bedoeld in [artikel 1 van de Wet implementatie EETS-richtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586&artikel=1); - **ET"},{"i":2857,"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2004 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens [artikel 402**a**, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), per 30 september 2003 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 2002; Gelet op [artikel 402**a** van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402**a**, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2004 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2,5. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2004."},{"i":1858,"b":"Wet van 30 december 1912, tot het verleenen van vrijdom van grondbelasting en van personeele belasting voor het Vredespaleis te 's-Gravenhage Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is dat vrijdom van grondbelasting en van personeele belasting worde verleend voor het te 's-Gravenhage gesticht wordende Vredespaleis; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor het Vredespaleis te 's-Gravenhage met zijne gebouwde en ongebouwde aanhoorigheden wordt geen belastbare opbrengst in den kadastralen legger opgenomen. Artikel 2 Wegens het gebruiken van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001887&artikel=1&z=1913-01-01&g=1913-01-01) bedoelde gebouw met zijne gebouwde en ongebouwde aanhoorigheden wordt geen personeele belasting geheven. Deze vrijstelling omvat niet de gedeelten dienende tot woning van bestuurders en beambten. Artikel 3 Deze wet treedt in werking op 1 Januari 1913. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":4389,"b":"Besluit van 22 september 2004, houdende wijziging van de grens tussen de gemeente Rotterdam en niet-ingedeeld gebied in de Noordzee, tevens provinciegrens van Zuid-Holland Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 augustus 2004, 2004-0000009483, CZW/WVOB; Gelet op [artikel 13 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=13); De Raad van State gehoord (advies van 2 september 2004, nr. W04.04.0418/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 september 2004, nr. 2004-0000012285; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Met ingang van 1 januari volgend op de datum van inwerkingtreding van dit besluit wordt het niet provinciaal ingedeelde gebied in de Noordzee, aangegeven op de bij dit besluit behorende kaart, toegevoegd aan de gemeente Rotterdam en ingedeeld bij de provincie Zuid-Holland, waarbij de grens van de gemeente Rotterdam, tevens grens van de provincie Zuid-Holland, wordt gewijzigd zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende kaart. Artikel II Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bijlage Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3569,"b":"Besluit van 5 juni 2014, houdende regels met betrekking tot houders van dieren (Besluit houders van dieren) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 19 oktober 2012, nr. 291872, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [verordening (EG) nr. 1099/2009](32009R1099) van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303), verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van [Richtlijn 2001/82/EG](32001L0082) van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 152), [richtlijn 2008/120/EG](32008L0120) van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (Gecodificeerde versie; PbEU 2009, L 47), [richtlijn 2008/119/EG](32008L0119) van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (Gecodificeerde versie; PbEU 2009, L 10); [richtlijn 2007/43/EG](32007L0043) van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU 2007, L 182), [richtlijn 2001/82/EG](32001L0082) van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG 2001, L 311), [richtlijn 1999/74/EG](31999L0074) van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PbEG 1999, L 203), [richtlijn 1999/22/EG](31999L0022) van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen (PbEG 1999, L 94), [richtlijn 98/58/EG](31998L0058) van de Raad va"},{"i":1859,"b":"Wet van 22 mei 1991, tot verlenging van de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervatte termijn van navordering voor vermogens- en inkomensbestanddelen in het buitenland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de in de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) vervatte termijn voor navordering tot twaalf jaren te verlengen voor gevallen waarin te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Artikel 16, tweede lid, onderdeel **d**, van de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320), zoals dit luidt voor inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing voor de heffing van de inkomstenbelasting over de jaren 1974 tot en met 1984. Artikel IV [Artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005086&artikel=I&z=1991-06-08&g=1991-06-08).3, blijft buiten toepassing voor gevallen waarin, op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag is vervallen. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**, waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1860,"b":"Wet van 14 mei 2013 tot wijziging van de Invorderingswet 1990 (Wet uitstel van betaling exitheffingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) te wijzigen in verband met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 november 2011, zaak C-371/10, National Grid Indus; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 29 november 2011. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet uitstel van betaling exitheffingen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1876,"b":"Wijziging van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 en van de ministeriële regeling van 22 december 1995 in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken (Stcrt. 250) alsmede intrekking van twee ministeriële regelingen Gelet op de [artikelen 2a, eerste lid, onderdeel m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=2a), [7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=7), [11, eerste lid, onderdeel a, onder 2º, en onderdeel b, onder 5°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11), [23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=23), [25, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=25), [28d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=28d), [28i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=28i) en [31, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=31), op [onderdeel a, posten 7 en 8, van de bij die wet behorende tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&bijlage=II), op [artikel V, achtste lid en negende lid, onderdeel c, van de Wet van 18 december 1995 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op belastingen van rechtsverkeer en enkele andere belastingwetten in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007756&artikel=V) (Stb. 659), [op artikel II van de Wet van 24 december 1992 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de afschaffing van de fiscale grenzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005810&artikel=II) (Stb. 713), alsmede op de [artikelen 4, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=4), [24b, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=24b), en [24ba, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":7337,"b":"Wijziging van de regeling van de Minister van Financiën van 1 februari 1999 ter uitvoering van artikel 19, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (Stcrt. 1999, 26) nr. FM/2012/410 M Gelet op [artikel 19, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=19); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoering artikel 19, eerste lid, Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Artikel II Een bewijs van vrijstelling als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=19), uitgereikt voor de inwerkingtreding van deze regeling, behoudt zijn geldigheid tot een jaar na de uitreiking. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3526,"b":"Besluit van 27 september 1995, houdende regels met betrekking tot de geluidproduktie van sportmotoren Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 december 1993, nr. MJZ26n93010, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 30 maart 1994, nr. W08.93.0812); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 september 1995, nr. MJZ 950099025, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder sportmotor: motorrijtuig op minder dan vier wielen: - a. dat niet voorzien is van een kenteken als bedoeld in [artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36) en - b. dat bestemd is of gebruikt wordt voor de beoefening van de motorsport. Artikel 2 Het is verboden een sportmotor te gebruiken: - a. die het krachtens [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007578&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01), vastgestelde geluiddrukniveau overschrijdt, of - b. anders dan op een terrein als bedoeld in [artikel 3.304 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=3.304) waarvoor het bevoegd gezag een omgevingsvergunning heeft verleend voor het exploiteren van dat terrein voor het sporten of recreëren met voertuigen met een verbrandingsmotor in de buitenlucht, bedoeld in [artikel 3.305 van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=3.305). Artikel 3 1. Van het in [artikel 2, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl"},{"i":6052,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2006, nr. DPenO 2733644, houdende regels omtrent vergoedingen aan het bestuur van ZorgOnderzoek Nederland Gelet op [artikel 5 van de Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009385&artikel=5), Besluit: Artikel 1 De voorzitter van het bestuur van ZorgOnderzoek Nederland ontvangt een vaste vergoeding. De vergoeding wordt vastgesteld op maximaal het salaris van een lid van de topmanagementgroep in groep A zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,3. Artikel 2 De vice-voorzitter van het bestuur van ZorgOnderzoek Nederland ontvangt een vaste vergoeding. De salarisschaal wordt vastgesteld op salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,2. Artikel 3 De leden van het bestuur van ZorgOnderzoek Nederland die zijn belast met een of meer van de volgende extra taken ontvangen een vaste vergoeding: penningmeesterschap, namens ZorgOnderzoek Nederland deelnemen aan (inter)nationale commissie, vaste vertegenwoordiging namens ZorgOnderzoek Nederland in samenwerkingsverbanden en themavoorbereiding. De salarisschaal wordt vastgesteld op salarisschaal 17 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,083. Artikel 4 De overige leden van het bestuur van ZorgOnderzoek Nederland ontvangen een vaste vergoeding. De salarisschaal wordt vastgesteld op salarisschaal 14 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,083. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt"},{"i":1887,"b":"Besluit van 23 oktober 2000 tot wijziging van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 oktober 2000, nr. WV2000/389 M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Gelet op [artikel 16, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=16); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 2000. Artikel I Wijzigt het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968. Artikel II [Artikel 1, derde lid, onderdeel b, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002636&artikel=1) zoals dat luidde tot het in [artikel III, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011727&artikel=III&z=2001-01-01&g=2001-01-01), bedoelde tijdstip, blijft op of na dat tijdstip van toepassing met betrekking tot die vergunningen die nog van kracht zijn ingevolge [artikel 112 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=112). Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2000. 2. In afwijking van het eerste lid treden [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011727&artikel=I&z=2001-01-01&g=2001-01-01), en [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011727&artikel=II&z=2001-01-01&g=2001-01-01) in werking op het tijdstip waarop [artikel 127 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=127) in werking treedt. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6437,"b":"Besluit van 1 november 2006, houdende wijziging van het Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties in verband met aanpassing van enkele bedragen Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 september 2006, nr. 5441962/06/6; Gelet op [artikel 408, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=408); De Raad van State gehoord (advies van 12 oktober 2006, nr. W03.06.0403/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 24 oktober 2006, nr. 5447709/06/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties. Artikel II Ten aanzien van de kostenopslag voor de invordering van uitkeringen tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie, waartoe vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is overgegaan, blijft het [Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006257) van toepassing zoals dat luidde direct voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het zal worden geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":13344,"b":"Wet van 14 juni 2024, houdende wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2556 betreffende een kader voor digitale operationele weerbaarheid van de financiële sector (Implementatiewet digitale operationele weerbaarheid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter implementatie van [Richtlijn (EU) 2022/2556](32022L2556) van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 tot wijziging van de [Richtlijnen 2009/65/EG](32009L0065), [2009/138/EG](32009L0138), [2011/61/EU](32011L0061), [2013/36/EU](32013L0036), [2014/59/EU](32014L0059), [2014/65/EU](32014L0065), [(EU) 2015/2366](32015L2366) en [(EU) 2016/2341](32016L2341) wat betreft digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector (PbEU 2022, L 333); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet digitale operationele weerbaarheid. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6314,"b":"Wet van 11 september 1996 tot gemeentelijke herindeling in de samenwerkingsgebieden Midden-Brabant, Breda en Westelijk Noord-Brabant en in een gedeelte van de samenwerkingsgebieden Zuidoost-Brabant en 's-Hertogenbosch Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling in de samenwerkingsgebieden Midden-Brabant, Breda en Westelijk Noord-Brabant en in een gedeelte van de samenwerkingsgebieden Zuidoost-Brabant en 's-Hertogenbosch te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Aarle-Rixtel, Alphen en Riel, Bakel en Milheeze, Beek en Donk, Bergen op Zoom, Bergeyk, Berkel-Enschot, Bladel en Netersel, Breda, Budel, Chaam, Diessen, Dinteloord en Prinsenland, Dongen, Drunen, Dussen, Eersel, Fijnaart en Heijningen, Geertruidenberg, Gemert, 's-Gravenmoer, Halsteren, Heeze, Heusden, Hilvarenbeek, Hoeven, Hooge en Lage Mierde, Hooge en Lage Zwaluwe, Hoogeloon, Hapert en Casteren, Huijbergen, Klundert, Leende, Lieshout, Luyksgestel, Maarheeze, Made en Drimmelen, Moergestel, Nieuw-Ginneken, Nieuw-Vossemeer, Oirschot, Oisterwijk, Oost-, West- en Middelbeers, Ossendrecht, Oud en Nieuw Gastel, Oudenbosch, Prinsenbeek, Putte, Raamsdonk, Reusel, Riethoven, Rijsbergen, Roosendaal en Nispen, Sprang-Capelle, Standdaarbuiten, Steenbergen, Terheijden, Teteringen, Tilburg, Udenhout, Vessem, Wintelre en Knegsel, Vlijmen, Waalwijk, Waspik, Werkendam, Westerhoven, Willemstad, Woensdrecht, Wouw, Zevenbergen en Zundert opgeheven. Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de nieuwe gemeenten Alphen-Chaam, Bergen op Zoom, Bergeyk, Bladel, Breda, Budel, Dongen, Eersel, Geertruidenberg, Gemert-Bakel, Halderberge, Heeze-Leende, Heusden, Hilva"},{"i":6948,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Huurcommissie periode vanaf 2009 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 oktober 2011, nr. arc-2011.06241/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Huurcommissie op het beleidsterrein Wonen (Volkshuisvesting) over de periode vanaf 2009’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":5050,"b":"Ondermandaatbesluit van de hoofddirecteur Consulaire en Visumzaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 30 november 2023, nr. Min-BuZa.2023.20222-33 Gelet op [artikel 1 van het Besluit doorverlening mandaat, volmacht en machtiging BZ 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044543&artikel=1) j° [artikel 3, vierde en vijfde lid, van de Regeling mandaat, volmacht en machtiging BZ 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044511&artikel=3); Gelet op het [Organisatiebesluit Buitenlandse Zaken 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047008), alsmede op de taakverdeling binnen de hoofddirectie, neergelegd in de taken/bevoegdhedenmatrix met betrekking tot financiële en administratieve processen, bekend als de competentietabel, zoals voor de eerste maal door mij vastgesteld op (30 november 2023; Min-BuZa.2023.20222-33); In overeenstemming met de directeur Consulaire Service Organisatie en de directeur Nederland Wereldwijd; Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. Aan de plaatsvervangend hoofddirecteur HDCV wordt de bevoegdheid verleend om bij afwezigheid of verhindering van de hoofddirecteur HDCV als waarnemend hoofddirecteur HDCV besluiten te nemen. 2. De plaatsvervangend hoofddirecteur HDCV maakt van het aan hem verleende mandaat uitsluitend gebruik bij afwezigheid of verhindering hoofddirecteur HDCV. 3. In afwijking van het tweede lid is de plaatsvervangend hoofddirecteur HDCV bevoegd besluiten te nemen in het kader van de realisatie van het strategische projectportfolio HDCV en het vertegenwoordigen van de hoofddirectie richting nationale en (inter)departementale toezichthouders en ketenpartners. Artikel 2. (HDCV/BE, HDCV/CB) Aan de volgende functionarissen wordt de bevoegdheid verleend besluiten te nemen voor zover het hun werkterrein betreft, zoals dit is aangeduid in het [Organisatiebesluit Buitenlandse Zaken 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047008), de administratie"},{"i":5051,"b":"Besluit van de hoofddirecteur Bestuurlijke en Juridische Zaken, van 23 oktober 2023, nr. IENW/BSK-2023/310971, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Ondermandaatbesluit hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken Infrastructuur en Waterstaat 2023) Gelet op [artikel 27, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27); BESLUIT: Artikel 1. Verlening ondermandaat Aan de directeur en de afdelingshoofden, bedoeld in [artikel 9, tweede en derde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=9), worden de door de minister aan de hoofddirecteur Bestuurlijke en Juridische Zaken verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27), voor zover die behoren bij hun taken, bedoeld in artikel 9, achtste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023, in ondermandaat verleend. Artikel 2. Intrekking Het Ondermandaatbesluit hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken Infrastructuur en Milieu 2012 wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Ondermandaatbesluit hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken Infrastructuur en Waterstaat 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2542,"b":"Beleidsregel houdende vaststelling van regels voor de naleving en toezicht op de veiligheidsadviseur vervoer gevaarlijke stoffen (Beleidsregel veiligheidsadviseur) Gelet op [artikel 34, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=34), en [46 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=46), [artikel 1 van het Besluit toezicht en opsporing vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008295&artikel=1), [Bijlage 1, sectie 1.8.3 bij de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=1), de [Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010053) en de [Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); BESLUIT: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **VLG:** [Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054); - **VSG:** [Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010053); - **VBG::** [Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115); - **Veiligheidsadviseur:** veiligheidsadviseur als bedoeld in bijlage 1, sectie 1.8.3 van [Bijlage 1 van de VLG, VSG of VBG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1); - **Jaarverslag:** een jaarverslag dat de activiteiten van de onderneming met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen beschrijft over een periode van 12 maanden; - **ILT:** Inspectie Leefomgeving en Transport. Paragraaf 1. Taakuitoefening Artikel 2. Taken van de veiligheidsadviseur De taken van de veiligheidsadviseur zijn de taken die zijn omsch"},{"i":4999,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2010, nr. Z/F-3037475, houdende tot nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2010 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2010) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2010 zijn voor de beheerskosten AWBZ van de zorgverzekeraars, de verbindingskantoren en het CAK tezamen, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), extra middelen besteedbaar ter grootte van € 3,371 miljoen. Artikel 2 De verbindingskantoren en het CAK leggen in hun jaarrekening over het jaar 2010 vast welk budget beheerskosten voor de uitvoering van de AWBZ is ontvangen en hoeveel in dat jaar is besteed voor de uitvoering van de AWBZ. De verschillen worden als overschotten dan wel tekorten in de jaarrekening opgeteld bij de primo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2010 en in de jaarrekening vastgelegd als de ultimo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2010. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 12 december 2010, terug tot en met 13 december 2010. Artikel 4 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2010. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1892,"b":"Besluit van 17 december 2014 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Artikel IV Wijzigt het Besluit beleggingsinstellingen. Artikel V Wijzigt het Besluit aftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente. Artikel VI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Artikel VII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Artikel VIII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Artikel IX Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Artikel X Wijzigt het Algemeen douanebesluit. Artikel XI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns. Artikel XII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. Artikel XIII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken. Artikel XIV Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XV Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES. Artikel XVI Voor overeenkomsten die voor 1 juli 2015 zijn gesloten tot de vestiging, overdracht, wijziging, afstand en opzegging van rechten waaraan onroerende zaken zijn of worden onderworpen als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=3), waarbij die rechten voor 1 januari 2017 juridisch worden gevestigd, overgedragen, gewijzigd, afgestaan of opgezegd, blijft [bijlage A, onderdeel c, bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&bijlage=A), zoals dat op 31 december 2014 luidde, van toepassing tot en met 31 december 2016, mits partijen dit overeenkomen en in de overeenkomst en in de akte opnemen. Dit overgangsrecht geldt ook voor de opvolgende vestiging, overdracht, wijziging, afsta"},{"i":4237,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 25 juni 2023, Min-BuZa.2023.15455-30, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [10.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=10.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [10.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=10.2) met het oog op de financiering van activiteiten die gericht zijn op het verbeteren van lokale voedselsystemen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2026 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika worden ingediend van 2 oktober 2023, 9:00 uur tot en met 18 december 2023, 15:00 uur Nederlandse tijd. 2. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika worden ingediend aan de hand van een door de Minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1[https://english.rvo.nl/accelerating-resilient-food-systems-africa-arfsa](onbekend) Artikel 3 Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsystemen Afrika geldt voor"},{"i":6177,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 december 2005, nr. VGP/VL 2642635, houdende aanwijzing van personen in dienst van het COKZ en het CPE als toezichthouder op de bij of krachtens de Warenwet gestelde regels (Warenwetregeling aanwijzing en werkwijze toezichthouders COKZ en CPE) Gelet op [artikel 25a, eerste en derde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25a); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. het COKZ: de stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken; - b. IG-NVWA: de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - c. [verordening (EG) 853/2004](32004R0853): [Verordening (EG) nr. 853/2004](32004R0853) van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 139); - d. verordening (EU) 2017/625: verordening (EU) 2017/625 van het Europees parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), (EU) [nr. 1151/2012](32012R1151), (EU) [nr. 652/2014](32014R0652), (EU) [2016/429](32329R2016) en (EU) [2016/2031](32031R2016) van het Europees parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. [1/2005](32005R0001) en (EG) nr. [1099/2009](32009R1099) van de Raad en de Richtlijnen [98/58/EG](31958R0098), [1999/74/EG](31974R1999), [2007/43/EG](31943R2007), [2008/119/EG](32019R2008) en [2008/120/EG](32020R2008) van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. [8"},{"i":6505,"b":"Besluit van de raad van bestuur van het Fonds Podiumkunsten tot wijziging van de Deelregeling programmeringssubsidies Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Artikel I Wijzigt de Deelregeling internationaliseringssubsidies Fonds Podiumkunsten. Artikel II Op subsidies die zijn verleend op basis van de in [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038365&artikel=I&z=2016-08-01&g=2016-08-01) genoemde [paragrafen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030540&paragraaf=4), blijft het bepaalde in die paragrafen van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2016. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6139,"b":"Besluit van 1 september 2014, houdende regels voor het aanduiden van de hoeveelheid op voorverpakkingen (Warenwetbesluit hoeveelheden voorverpakkingen) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 juni 2014, kenmerk 382626-122055-VGP, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op: [Richtlijn 2007/45/EG](32007L0045) van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van regels betreffende nominale hoeveelheden voor voorverpakte producten, tot intrekking van de [Richtlijnen 75/106/EEG](31975L0106) en [80/232/EEG](31980L0232) van de Raad en tot wijziging van [Richtlijn 76/211/EEG](31976L0211) van de Raad (PbEU 2007, L 247); [Richtlijn 76/211/EEG](31976L0211) van de Raad van 20 januari 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het voorverpakken naar gewicht of volume van bepaalde producten in voorverpakkingen (PbEG 1976, L 46); en de [artikelen 8, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [9, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=9), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), [32b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b), en [33, eerste en derde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=33); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 juli 2014, No.W13.14.0216/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 augustus 2014, 645331-123909-VGP, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bedrijfscontrolesysteem:** de wijze waarop bedrijfscontroles als bedoeld in bijlage I, punt 4, vijfde alinea, van [Richtlijn 76/211/EEG](31976L0211), worden uitgeoefen"},{"i":6117,"b":"Besluit van 30 juli 1960, tot vaststelling van een nieuwe wachtgeldregeling voor het personeel van de buitenlandse dienst Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 23 juni 1960, Directie Buitenlandse Dienst, DBD/RV-90513; Gelet op de [artikelen 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=58) en 72 der Grondwet; De Raad van State gehoord (advies van 12 juli 1960, No. 17.); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken a.i. van 21 juli 1960, Directie Buitenlandse Dienst, DBD/RV-103406; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I De bepalingen van het [Rijkswachtgeldbesluit 1959](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002326) (**Stb.** 319) zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid onder **a, b, f** en **g** van artikel 2 van het Reglement van de Buitenlandse Dienst 1951 (**Stb.** 449) bedoelde personeelsleden van de buitenlandse dienst voorzover zij in vaste dienst zijn, met dien verstande dat overal waar in de voor toepassing in aanmerking komende bepalingen wordt gesproken van: - a. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. - b. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na die van de dagtekening van het **Staatsblad**, waarin het is geplaatst en werkt terug tot 1 oktober 1959. 2. Het kan worden aangehaald als Wachtgeldbesluit Buitenlandse Dienst. 3. Het Koninklijk besluit van 4 maart 1924 (**Stb.** 91) is op 1 oktober 1959 vervallen. Onze Minister van Buitenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":6174,"b":"Besluit van 19 oktober 2012, houdende regels ter uitvoering van Richtlijn 2001/112/EG (Warenwetbesluit vruchtensappen 2012) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 augustus 2012, VGP 3128151, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op [Richtlijn 2001/112/EG](32001L0112) van de Raad van 20 december 2001 inzake voor menselijke voeding bestemde vruchtensappen en bepaalde soortelijke producten (PbEG 2002, L 10), en op de [artikelen 8, eerste lid, onder a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [13, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) en [32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 september 2012, No. W13.12.0356/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 oktober 2012, VGP 3135341, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **Richtlijn 2001/112/EG:** [Richtlijn 2001/112/EG](32001L0112) van de Raad van 20 december 2001 inzake voor menselijke voeding bestemde vruchtensappen en bepaalde soortelijke producten (PbEG 2002, L 10); - –. **vruchtensap:** hetgeen [Richtlijn 2001/112/EG](32001L0112) daaronder verstaat; - –. **vruchtensap uit concentraat:** hetgeen [Richtlijn 2001/112/EG](32001L0112) daaronder verstaat; - –. **geconcentreerd vruchtensap:** hetgeen [Richtlijn 2001/112/EG](32001L0112) daaronder verstaat; - –. **door waterextractie verkregen vruchtensap:** hetgeen [Richtlijn 2001/112/EG](32001L0112) daaronder verstaat; - –. **gedehydrateerd vruchtensap of vruchtensappoeder:** hetgeen [Richtlijn 2001/112/"},{"i":6175,"b":"Besluit van 25 oktober 1994, houdende het Warenwetbesluit Zuivel Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 11 mei 1994, nr DGVgz/VVP/L 94916, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [Verordening (EEG) nr 1411/71](31971R1411) van de Raad van 29 juni 1971 houdende aanvullende voorschriften voor de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten met betrekking tot melk bestemd voor menselijke consumptie (**PbEG** L 148); op [Verordening (EEG) nr 1898/87](31987R1898) van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelprodukten bij het in de handel brengen (**PbEG** L 182); op [Richtlijn nr 76/118/EEG](31976L0118) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 december 1975 houdende onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende bepaalde voor menselijke voeding bestemde geheel of gedeeltelijk gedehydrateerde verduurzaamde melk (**PbEG** L 24); op [Richtlijn nr 79/1067/EEG](31979L1067) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 november 1979 tot vaststelling van communautaire analyse-methoden voor de controle van bepaalde voor menselijke voeding bestemde geheel of gedeeltelijk gedehydrateerde verduurzaamde melk (**PbEG** L 327); op [Richtlijn nr 83/417/EEG](31983L0417) van de Raad van 25 juli 1983 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake bepaalde voor menselijke voeding bestemde melkeiwitten (caseïne en caseïnaten) (**PbEG** L 237); op [Richtlijn nr 85/503/EEG](31985L0503) van de Commissie van 25 oktober 1985 betreffende analysemethoden inzake voor menselijke voeding bestemde caseïnen en caseïnaten (**PbEG** L 308); op [Richtlijn nr 92/46/EEG](31992L0046) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 juni 1992 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel br"},{"i":6055,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 23 december 2016, kenmerk 10509, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van lotto’s Op grond van de [artikelen 27b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27b), en [27c, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27c) (hierna: de wet) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan Lotto B.V., een besloten vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Rijswijk met KvK-nummer 41151075 (hierna: de vergunninghouder), vergunning tot het organiseren van lotto’s voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021. Aan deze vergunning zijn de navolgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de vergunde kansspelen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Vergunde kansspelen B. Afdracht C. Bescherming van kwetsbare groepen D. Bescherming van consumenten E. Betrouwbaarheid en integriteit F. Controle, rapportage en toezicht G. Overig"},{"i":6093,"b":"Besluit van 30 mei 2023, houdende wijziging van het Besluit beheer autobanden en het Besluit beheer autowrakken en intrekking van het Besluit beheer batterijen en accu’s 2008 in verband met het per 1 januari 2023 van toepassing zijn van algemene regels ten aanzien van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor autobanden, autowrakken en batterijen en accu’s op grond van het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, en wijziging van het Besluit beheer verpakkingen 2014 (Verzamelbesluit wijziging bestaande UPV’s) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 12 oktober 2022, nr. IenW/BSK-2022/50363, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 9.5.2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 maart 2023, nr. W17.22.00131/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 30 mei 2023, nr. IENW/BSK-2023/138012, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit beheer autobanden. Artikel II Wijzigt het Besluit beheer autowrakken. Artikel III Het [Besluit beheer batterijen en accu’s 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024491) wordt ingetrokken. Artikel IV Wijzigt het Besluit beheer verpakkingen 2014. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2023 en werkt ten aanzien van de [artikelen I tot en met III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048234&artikel=I&z=2023-07-01&g=2023-07-01) terug tot en met 1 januari 2023. Artikel VI Dit besluit wordt aangehaald als: Verzamelbesluit wijziging bestaande UPV’s. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1981,"b":"Wet van 23 december 2009 tot wijziging van de Wet op de accijns in verband met Richtlijn nr. 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 (PbEU L 9) (Implementatie horizontale richtlijn accijns) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) aan te passen ter uitvoering van [Richtlijn 2008/118/EG](32008L0118) van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 (PbEU L 9); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel II Wijzigt de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. Artikel III Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel IV 1. De bij deze wet gewijzigde artikelen van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing voor zover zij betrekking hebben op: - a. de heffing van accijns waarvan de feiten die aanleiding geven tot het ontstaan van de verschuldigdheid van die accijns zich hebben voorgedaan vóór de dag van de inwerkingtreding van deze wet; - b. strafbare feiten en feiten die aanleiding kunnen zijn tot het opleggen van een bestuurlijke boete welke zich hebben voorgedaan vóór de dag van de inwerkingtreding van deze wet. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven met betrekking tot de uitvoering van de overgang naar het gebruik van het elektronisch administratief document en de daarmee verband houdende procedures. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van 1 april 2010. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, a"},{"i":1982,"b":"Wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Wet op de accijns in verband met de implementatie van de Richtlijn 2010/12/EU van de Raad van 16 februari 2010 tot wijziging van Richtlijnen 92/79/EEG, 92/80/EEG en 95/59/EG wat betreft de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten en Richtlijn 2008/118/EG (PbEU L 50) (Implementatie wijziging tabaksaccijns) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) aan te passen ter uitvoering van [Richtlijn 2010/12](32010L0012)/EU van de Raad van de Europese Unie van 16 februari 2010 (PbEU L 50); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel II 1. Met ingang van 1 juli 2011 worden bij ministeriële regeling de tarieven van de accijns, genoemd in [artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=35) zodanig gewijzigd dat: - a. de totale accijns voor de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs van sigaretten ten minste 60 percent van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs bedraagt, of indien dit hoger is, gelijk is aan het in [artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=35) genoemde totale bedrag van de accijns per 1 000 sigaretten zoals dit ten minste zal worden geheven op 30 juni 2011. - b. voor sigaretten van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs het specifieke gedeelte van de accijns 70 percent bedraagt van de som van de totale accijns overeenkomstig onderdeel a en de omzetbelasting; en - c. het bedrag dat in [artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=35) is opgenomen als de ten"},{"i":3041,"b":"Besluit aanwijzing vijfde mei als nationale feestdag Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 21 september 1990, nr. 90M005968; Overwegende dat de herdenking en overdenking van hetgeen in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd, een blijvende waarde heeft; Overwegende dat 5 mei zodanig is verankerd in de samenleving dat een besluit tot aanwijzing van die dag als nationale feestdag is gerechtvaardigd; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig 1. De vijfde mei aan te wijzen als nationale feestdag waarop jaarlijks de bevrijding van het Koninkrijk in 1945 van de Duitse en Japanse bezetter wordt herdacht en gevierd. 2. In te trekken het besluit van 12 maart 1982, nr. 1. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende Nota van Toelichting in de Nederlandse Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":3591,"b":"Besluit van 8 mei 1995, houdende nadere regels met betrekking tot de ingangsdatum van de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 1994, nr. DVVB/WUP/U-941728; Gelet op [artikel 21**a** van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=21a); Gezien de adviezen van de Pensioen- en Uitkeringsraad, de Stichting Joods Maatschappelijk Werk, de Stichting Pelita en de Stichting 1940-1945; De Raad van State gehoord (advies van 6 februari 1995, No. W13.94.0785.); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 mei 1995, nr. DVVB/WUP-U-95300; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844); - b. de vergoeding: de vergoeding, bedoeld in artikel 20 van de wet; - c. de tegemoetkoming: de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 21 van de wet. Artikel 2 1. De vergoeding en de tegemoetkoming gaan in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend. 2. Indien de aanvraag om een vergoeding van of een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening is ingediend nadat de desbetreffende kosten zijn gemaakt, kan de Raad of de Sociale verzekeringsbank, indien hij rekening houdende met alle omstandigheden een dergelijke afwijking in een individueel geval noodzakelijk acht, de vergoeding of de tegemoetkoming toekennen met ingang van het tijdstip waarop de kosten zijn gemaakt of in rekening zijn gebracht. 3. Voor een toekenning als bedoeld in het tweede lid komen uitsluitend aanvragen in aanmerking die zijn ingediend voor het einde van het kalenderjaar volgende op dat waarin de kosten door de belanghebbende zijn gemaakt of hem in rekening zijn gebracht. Artikel 3 Dit besluit tree"},{"i":1898,"b":"Besluit van 23 december 2015 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Artikel III Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. Artikel IV Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Artikel V Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Artikel VI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Artikel VII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel VIII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel IX Wijzigt het Uitvoeringsbesluit verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Artikel X Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. Artikel XI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. Artikel XII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. Artikel XIII Wijzigt het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel XIV Wijzigt het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Artikel XV Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XVI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel XVII 1. [Artikel 19a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066&artikel=19a) is van overeenkomstige toepassing op tegemoetkomingen als bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003&artikel=2) en [11a van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003&artikel=11a) zoals deze luidden op 31 december 2015. 2. [Artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=11) is van overeenkomstige toepassing op uitkeringen ingevolge [artikel 11a van de Wet tegemoetkoming chronisch ziek"},{"i":1899,"b":"Besluit van 19 december 2018 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Artikel III Voor de werknemer die uiterlijk op 31 december 2018 een vergoeding genoot waarop [artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31a) zoals dat op 31 december 2018 luidde of [artikel 39e van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=39e) zoals dat op 31 december 2018 luidde van toepassing was, blijft bij de toepassing van [artikel 10ec van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10ec) de ingevolge die bepalingen geldende termijn van maximaal acht jaar, onderscheidenlijk maximaal tien jaar, van toepassing tot en met uiterlijk 31 december 2020. Artikel IV wijzigt het Besluit beleggingsinstellingen. Artikel V Wijzigt het Besluit fiscale eenheid 2003. Artikel VI Het [Besluit aftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032818) wordt ingetrokken. Artikel VII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Artikel VIII Wijzigt het Algemeen douanebesluit. Artikel IX Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns. Artikel X Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel XI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. Artikel XIII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken. Artikel XIV Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XV Wijzigt de Belastingregeling voor het land Nederland. Artikel XVI 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari"},{"i":3592,"b":"Besluit van 23 december 2004 tot vaststelling van nadere voorschriften omtrent de inhoud van het jaarverslag Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 november 2004, Directie Wetgeving, nr. 5320900/04/6; Gelet op [artikel 391 lid 4 en 5 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=391); De Raad van State gehoord (advies van 17 december 2004, nr. W03.04.0572/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 23 december 2004, Directie Wetgeving, nr. 5327207/04/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017843&artikel=2&z=2026-02-03&g=2026-02-03), [2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017843&artikel=2a&z=2026-02-03&g=2026-02-03), [3a, onder a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017843&artikel=3a&z=2026-02-03&g=2026-02-03), [3b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017843&artikel=3b&z=2026-02-03&g=2026-02-03) en [3c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017843&artikel=3c&z=2026-02-03&g=2026-02-03), zijn van toepassing op een vennootschap waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1). 2. Een vennootschap waarvan uitsluitend effecten, niet zijnde aandelen, zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), is vrijgesteld van toepassing van [artikel 2a lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017843&artikel=2a&z=2026-02-03&g=2026-02-03) en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017843&artikel=3&z=2026-02-03&g=2026-02-03) en [3a onder b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017843&artikel=3a&z=2026-02-03&g=2026-02-03), tenzij van deze vennootschap aandelen zijn toegelaten tot"},{"i":1901,"b":"Besluit van 15 december 2014 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES ter uitvoering van het op 18 december 2013 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en tenuitvoerlegging van de FATCA (Trb. 2014, 22) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 21 oktober 2014, nr. DB 2014/432; Gelet op [artikel 8 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=8) en [artikel 8.129 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.129); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 december 2014, nr. W06.14.0398/111); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 11 december 2014, nr. DB 2014/507; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel II 1. In afwijking van [artikel 2a, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030973&artikel=2a) worden over het kalenderjaar 2014 als gegevens en inlichtingen als bedoeld in [artikel 8, vierde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=8) aangewezen: de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, onder (1) tot en met (4), van het FATCA-verdrag, ter zake van Amerikaanse te rapporteren rekeningen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel cc, van het FATCA-verdrag, te bepalen met inachtneming van artikel 3, eerste, tweede en vierde lid, van het FATCA-verdrag en de bepalingen in de b"},{"i":1902,"b":"Besluit van 11 december 1998, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (wijziging BTW-regime voor bad- en zweminrichtingen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 4 september 1998, nr. WV98/358 M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Gelet op [artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Stb. 329)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11); De Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 1998, no. W06.98.0420); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 3 december 1998, nr. WV98/457U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. ARTIKEL II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1999, met dien verstande dat de aanhef en nummers 11 en 21 van onderdeel b van de bij het [Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633) behorende bijlage B zoals deze bepalingen luidden op 31 december 1998, van toepassing blijven met betrekking tot die bad- en zweminrichtingen die deze bepalingen reeds toepasten op die datum, en wel uiterlijk tot het tijdstip waarop die bad- en zweminrichtingen ervoor kiezen die bepalingen niet langer op hen van toepassing te doen zijn. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2588,"b":"Beleidsregels benoemingen vanaf schaal 14 EZ Gelet op de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=7) en [57 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=57); Gehoord de Departementale Ondernemingsraad van het Ministerie van Economische Zaken; Besluit: Artikel 1 Benoemingen in functies vanaf schaal 14 van het [Bezoldigingsbesluit Burgerlijk Rijkspersoneel 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) vinden bij het Ministerie van Economische Zaken plaats op de wijze die is beschreven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels benoemingen vanaf schaal 14 EZ. Bijlage. Benoemingsvoorwaarden en -procedures S14 en hoger EZ Deze bijlage behoort bij het besluit van 12 februari 2003, kenmerk POI/A&R/03000357 Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3441,"b":"Besluit van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rijksvoorlichtingsdienst van 1 januari 2020, nr. 4091301, houdende doorverlening mandaat, volmacht en machtiging aan de medewerkers binnen de Rijksvoorlichtingsdienst Gelet op het besluit van de secretaris-generaal van 1 januari 2020, tot verlening van ondermandaat, overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=10) en [14 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Doorverlenen ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging 1. De aan de directeur-generaal krachtens ondermandaat toegekende bevoegdheden, als omschreven in de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=11) en [14 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=14), kunnen krachtens het hierbij verleende ondermandaat worden uitgeoefend door: - a. de plaatsvervangend directeur-generaal Rijksvoorlichtingsdienst; - b. de directeur Rijksvoorlichtingsdienst. 2. De plaatsvervangend directeur-generaal maakt van de aan hem verleende bevoegdheden uitsluitend gebruik: - a. bij afwezigheid van de directeur-generaal Rijksvoorlichtingsdienst; - b. in andere gevallen voor zover het aangelegenheden betreft die door de directeur-generaal Rijksvoorlichtingsdienst aan hem zijn toevertrouwd. 3. De directeur Rijksvoorlichtingsdienst maakt van de aan hem verleende bevoegdheden gebruik: - a. bij afwezigheid van de directeur-generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal; - b. in andere gevallen voor zover het aangelegenheden betreft die aan hem door de directeur-generaal of de plaatsvervangend directeur-generaal zijn toevertrouwd. Artikel 2. Beperkingen ondervolmacht 1. Van de ondervolmacht zijn uitgesloten: - a. de"},{"i":2886,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2016 van 28 juli 2015, nummer 2015/1 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2015 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2014; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,3%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2016. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2016."},{"i":4022,"b":"Besluit van 25 oktober 2017, houdende regels met betrekking tot subsidiëring van de kosten van sloop en ombouw van nertsenhouderijen (Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Ombouw Hoofdstuk 2. Sloop Hoofdstuk 5. Wijziging [Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012066) Artikel 16. Overgangsrecht Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van dit besluit, op subsidies die voor dat tijdstip zijn verleend en op subsidies die voor dat tijdstip zijn vastgesteld, blijft dit besluit van toepassing zoals het luidde vóór dat tijdstip. Hoofdstuk 6. Slotbepalingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 27 mei 2015, nr. WJZ / 15059322 en van 10 juli 2017, nr. WJZ / 17058674; Gelet op [artikel 7 van de Wet verbod pelsdierhouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032739&artikel=7), en [artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 juli 2015, nr. W15.15.0161/IV en advies van 2 augustus 2017, nr. W15.17.0215/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 20 oktober 2017, nr. WJZ /17128318; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definities In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **landbouwbedrijf:** onderneming als bedoeld in paragraaf 2.4, punt 35, onderdeel 16, van de Richtsnoeren van 1 juli 2014 van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014–2020 (PbEU C 204); - **nertsenhouderij:** bedrijf of een gedeelte daarvan als bedoeld in [artikel 1, onderdeel i, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1), dienende tot het houden van n"},{"i":4706,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 april 2012, houdende instelling van een bestuurlijk afstemmingsoverleg zoönosen in overeenstemming met de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Besluit: Artikel 1 Er is een bestuurlijk afstemmingsoverleg zoönosen (hierna: het BAO-Z). Artikel 2 1. In het geval van een (potentiële) crisis op het terrein van zoönosen beoordeelt het BAO-Z de maatregelen die worden geadviseerd door de directeur van het Centrum infectieziektebestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna resp.: het Centrum infectieziektebestrijding en het ministerie van VWS), op bestuurlijke haalbaarheid en wenselijkheid. 2. In overige gevallen pleegt het BAO-Z overleg over de bestuurlijke aspecten betreffende de bestrijding van zoönosen, 3. Naar aanleiding van het overleg, bedoeld in het eerste en tweede lid, brengt het BAO-Z zijn bevindingen over aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister van VWS), en de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna: de minister van EL&I). Artikel 3 1. Het BAO-Z bestaat uit de volgende leden: - a. de Directeur-Generaal Volksgezondheid van het ministerie van VWS, tevens voorzitter; - b. de Directeur Publieke Gezondheid van het ministerie van VWS, tevens plaatsvervangend voorzitter; - c. de Directeur-Generaal AGRO van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna: Ministerie van EL&I); - d. de directeur van het Centrum infectieziektebestrijding; - e. een vertegenwoordiger van de Directie Publieke Gezondheid van het ministerie van VWS, tevens secretaris; - f. de **Chief Veterinary Officer** van het Ministerie van EL&I; - g. een vertegenwoordiger van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; - h. een vertegenwoordiger van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - i. door de minister te benoemen vertegenwoordiger van het Veiligheidsberaa"},{"i":4694,"b":"Instellingsbeschikking Raad van Advies voor de CID Gelet op: het eindverslag 1992/1993 van de toenmalige Begeleidingscommissie CID; het advies van de Adviescommissie Criminaliteit (ACC) van de Raad van Hoofdcommissarissen; de ontwikkelingen die zich voordoen op het terrein van het vergaren en het gebruiken van criminele inlichtingen, Overwegende dat het, gelet op het bovenstaande, wenselijk is op het terrein van de criminele inlichtingendiensten (CID) een permanente adviesraad in te stellen; Besluiten: Artikel 1 Er is een Raad van Advies voor de CID. Artikel 2 De Raad van Advies voor de CID heeft tot taak: - De Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, gevraagd en ongevraagd, te adviseren over aangelegenheden, die, direct of indirect, betrekking hebben op de werkzaamheden van de criminele inlichtingendiensten. De advisering zal zich in het bijzonder richten op: - het bevorderen van de samenwerking tussen de criminele inlichtingendiensten; - de bruikbaarheid van de CID-regeling 1994 en de totstandkoming van overige CID-regelingen waaronder die van het Korps Landelijke Politiediensten en de bijzondere opsporingsdiensten; - de mogelijke consequenties van nieuwe wet- en regelgeving voor de criminele inlichtingendiensten; - verbetering van de opleiding van CID-functionarissen waarbij speciale aandacht dient te worden besteed aan de opleidingen van CID-chefs en CID-officieren, alsmede van de CID-functionarissen bij de bijzondere opsporingsdiensten; - verbetering van de recherche-informatiestructuren door gebruikmaking van de bestaande (eventueel uit te breiden) CID-structuur van en naar de regionale korpsen en de nationale en internationale recherche-informatie niveaus; - verbetering van de automatiseringsomgeving waarbinnen deze informatiestromen plaatsvinden; - de wenselijk geachte aansluiting bij de recherche-informatiestructuur van de regionale politiekorpsen door recherche-informatie behandelende onderdelen van bijzondere opsporingsdiensten; - verbetering van"},{"i":2600,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 3 september 2014, nr. IENM/BSK-2014/89247 tot vaststelling van beleid ten aanzien van de beoordeling van externe veiligheid bij de vaststelling van tracébesluiten voor de aanleg of wijziging van landelijke infrastructuur en van verkeersbesluiten (Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van de Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&artikel=9) en op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisnet, het Wijzigingsbesluit Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (wijziging routeringsystematiek Wet vervoer gevaarlijke stoffen) (Stb. 2013, 340), het Besluit externe veiligheid transportroutes, en de Regeling basisnet in werking treden. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. begripsbepalingen 1. In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - **aanleg van een hoofdweg, hoofdspoorweg of hoofdvaarweg:** aanleg van een hoofdweg, hoofdspoorweg of hoofdvaarweg, als gevolg waarvan een nieuwe verbinding ontstaat voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; - **baanvak:** baanvak als bedoeld in [artikel 1 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035000&artikel=1); - **basisnetafstand:** afstand als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Bevt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034233&artikel=1); - **beperkt kwetsbaar object:** object als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van het Bevt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034233&artikel=1); - **Bevt:** [Besluit externe veiligheid transportroutes](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034233); - **geprojecteerd beperkt kwetsbaar object:** nog niet aanwezig beperkt kwetsbaar object dat op grond van het voor het desbetreffende gebied geldende bestemmingsplan toelaatbaar is; - **geprojecteerd kwetsbaar object:** nog niet aanwezig kwetsbaar object"},{"i":3698,"b":"Besluit van de directeur van de Omgevingsdienst West-Holland inzake het verlenen van mandaat, ondermandaat en -machtiging aan de afdelingshoofden Gelet op: het door de minister van Infrastructuur en Milieu afgegeven mandaat, zoals opgenomen in het [Besluit aanwijzing toezichthouders en mandaat Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034449) d.d. 18 december 2013, nr. IENM/ILT-2013/74125 (Stcr.2013, 36393) en de daarbij behorende wijziging d.d. 22 april 2014, nr. IENM/ILT-2014/4259 (Stcr.2014, 12288); het besluit van de directeur tot instemming met voornoemd mandaat d.d. 8 mei 2014, kenmerk 2014010199, op grond van de instructie directeur Omgevingsdienst West-Holland, zoals vastgesteld door het algemeen bestuur op 4 maart 2013; de in [artikel 2 van het Besluit aanwijzing toezichthouders en mandaat Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034449&artikel=2) en de daarbij behorende wijziging gegeven mogelijkheid om voor de in het eerste lid van het genoemd besluit bedoelde aangelegenheden ondermandaat, volmacht en machtiging te verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen; Besluit:"},{"i":4442,"b":"Bezoldigingsbesluit Commissie toezicht financiën politieke partijen Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De leden van de Commissie toezicht financiën politieke partijen, voor zover niet vallend onder de uitzondering van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), ontvangen een vergoeding per vergadering overeenkomstig [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4865,"b":"Mandaatbesluit Senter Joint Implementation verleent hierbij de projectleider van het Joint Implementation Registratie Centrum, met recht van substitutie, mandaat om namens hem: 1. te beslissen op aanvragen voor registratie van een Joint Implementation proefproject als bedoeld in artikel 2, eerste lid, en artikel 6 van de procedure; 2. toestemming te verlenen aan de aanvrager om bij de uitvoering van een Joint Implementation proefproject af te wijken van de in de aanvraag vermelde gegevens; 3. te besluiten tot intrekking van de registratie van een project als een Joint Implementation proefproject, als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de procedure; 4. te toetsen of de gegevens van de baseline-studie juist zijn en te beslissen omtrent de vaststelling van een baseline als bedoeld in artikel 8 van de procedure; 5. te beslissen omtrent de vaststelling van een monitoring-studie als bedoeld in artikel 9 van de procedure; 6. te beslissen omtrent het verlenen van een broeikasgas-certificaat als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en artikel 13 van de procedure; 7. te beslissen op verzoeken om herziening van een beslissing die verband houdt met deze procedure. Dit besluit kan worden aangehaald als: Mandaatbesluit Joint Implementation. Dit besluit wordt bekend gemaakt door toezending aan de gemandateerde en door plaatsing in de Staatscourant en wordt in afschrift gezonden aan de Minister van Economische Zaken."},{"i":1983,"b":"Wet van 24 december 1992 tot wijziging van de Wet op de accijns in verband met de afschaffing van de fiscale grenzen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de wetgeving inzake accijnzen dient te worden aangepast aan de Richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (92/12/EEG van 25 februari 1992; **PbEG** L 76), betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (92/83/EEG van 19 oktober 1992; **PbEG** L 316), betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën (92/81/EEG van 19 oktober 1992; **PbEG** L 316), tot wijziging van de [Richtlijnen 72/464/EEG](31972L0464) en [79/32/EEG](31979L0032) betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten ([92/78/EEG](31992L0078) van 19 oktober 1992; **PbEG** L 316), betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven van alcohol en alcoholhoudende dranken (92/84/EEG van 19 oktober 1992; **PbEG** L 316), betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale oliën (92/82/EEG van 19 oktober 1992; **PbEG** L 316), inzake de onderlinge aanpassing van de belastingen op sigaretten (92/79/EEG van 19 oktober 1992; **PbEG** L 316) en inzake de onderlinge aanpassing van de belastingen op andere tabaksfabrikaten dan sigaretten (92/80/EEG van 19 oktober 1992; **PbEG** L 316); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Tot 1 januari 1994 kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere, zonodig van de wet afwijkende regels worden gesteld. 2. Het eerste lid is slechts van toepassing voor zover de in die bepaling bedoeld"},{"i":2587,"b":"Beleidsregels benoemingen Raad voor cultuur Overwegende dat het wenselijk is beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de wijze waarop de voordrachten door de Minister aan de Kroon tot benoeming van leden van de Raad voor cultuur tot stand komen alsmede met betrekking tot de wijze waarop de benoeming van commissieleden van die Raad tot stand komen, en voorts dat het wenselijk is in dat verband een benoemingenadviescommissie in te stellen; Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 1a 1. De voorzitter en de overige leden van de Raad worden voor vier jaar benoemd en herbenoeming voor twee jaar is eenmaal mogelijk. 2. Voorafgaand aan de herbenoeming zoals bedoeld in het eerste lid, zal eerst advies worden gevraagd aan de benoemingenadviescommissie. 3. De leden van de commissies, bedoeld in [artikel 2c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=2c), worden voor vier jaar benoemd en herbenoeming voor vier jaar is eenmaal mogelijk. Artikel 1b Vervallen Paragraaf 2. Benoemingsprocedure leden Raad voor cultuur Artikel 2 In geval van een vacature in de Raad vraagt de Minister eerst aan de Raad een profiel voor de in te vullen vacature en daarna vraagt hij aan de benoemingenadviescommissie een voorstel te doen voor de vervulling van die vacature. Artikel 3 Bij een voorstel voor de vervulling van een vacature geeft de benoemingenadviescommissie in ieder geval aan op welke wijze rekening is gehouden met: - a. evenredige deelname aan de Raad van vrouwen en personen behorende tot etnische of culturele minderheidsgroepen; - b. deelname van een of meer leden die voldoende kennis dragen van het gemeentelijke of provinciale cultuurbeleid; - c. een spreiding van leden van de Raad over het gehele land; en - d. de onafhankelijkheid van de voorgedragen kandidaat. Artikel 4 Alvorens de Minister op basis van het voorstel van de benoemingenadvies-commissie een voordracht voor een benoeming aan de Kroon d"},{"i":4441,"b":"Bezoldiging commissarissen van de Koningin, vergoeding en onkostenvergoeding statenleden, vergoeding commissieleden en onkostenvergoeding leden gedeputeerde staten Aan: De provinciebesturen 1. Bezoldiging commissaris van de Koningin De bezoldiging van commissarissen van de Koningin wijzigt overeenkomstig de wijziging van de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk. De laatste algemene salarisverhoging daarvan was in mei 2003. Indien er een volgende wijziging van het salaris wordt vastgesteld, wordt u geïnformeerd over de gevolgen daarvan voor de bezoldiging van de commissaris van de Koningin. Het bovenstaande houdt in dat u vooralsnog kunt uitgaan van de bezoldiging die is vastgesteld per 1 mei 2003. 2. Nominale en procentuele eindejaarsuitkering commissaris van de Koningin De nominale eindejaarsuitkering bedraagt € 45,88 per maand. U bent daarover geïnformeerd bij [circulaire van 4 september 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015549), nr. BK03/76642. Voor nadere informatie verwijs ik u naar genoemde circulaire. Bij [circulaire van 2 december 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014368), nr. BK02/98350, bent u geïnformeerd over de procentuele eindejaarsuitkering. Op dit moment is niet bekend of de procentuele eindejaarsuitkering voor 2004 wijziging ondergaat. De procentuele eindejaarsuitkering is structureel vastgesteld op 0,4%. Dat houdt in dat u voor 2004 vooralsnog een procentuele eindejaarsuitkering voor commissarissen kunt hanteren van 0,4%. 3. Vergoeding werkzaamheden statenleden In [artikel 2, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006534&artikel=2) is bepaald dat de bedragen van de vergoedingen voor de werkzaamheden van statenleden per 1 januari van elk jaar worden herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid voor volwassenen inclusief bijzondere beloningen geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar. Dit indexcijfer is op di"},{"i":1984,"b":"Wet van 4 februari 1994, tot wijziging van de Wet op de accijns en van enkele andere wetten in verband met de afschaffing van de fiscale grenzen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) en de Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen en de omzetbelastingen dienen te worden aangepast aan [richtlijn nr. 92/108/EEG](31992L0108) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 december 1992 (**PbEG** L390) tot wijziging van [richtlijn 92/12/EEG](31992L0012) betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop en tot wijziging van [richtlijn 92/81/EEG](31992L0081) en voorts dat het wenselijk is enkele wijzigingen aan te brengen in de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) en in de [Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954) in verband met het goede functioneren van de interne markt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V 1. De [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) en de daarop gebaseerde regelingen zoals deze luidden op 31 december 1992 zijn van toepassing op accijnsgoederen die vóór 1 januari 1993 zijn verzonden vanuit een accijnsgoederenplaats naar de in artikel 2, derde lid, onderdelen **a**, **b** of **c**, bedoelde bestemmingen en na 31 december 1992 op die bestemmingen worden ontvangen. 2. De [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":1904,"b":"Besluit van 25 november 1999, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een verleggingsregeling voor (beleggings)goud Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 21 oktober 1999, nr. WV1999/02043 M, Directoraat-generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Gelet op de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=10) en [12, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=12) (Stb. 329); De Raad van State gehoord (advies van 4 november 1999, nr. W06.99.0527/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 november 1999, nr. WV99/2124 U, Directoraat-generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2000, met dien verstande dat het in [ARTIKEL I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010903&artikel=I&z=2000-01-01&g=2000-01-01), opgenomen artikel 24ba, eerste lid, onderdelen b en c, eerst toepassing vindt met betrekking tot leveringen die plaatsvinden op of na 1 januari 2000. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3700,"b":"Besluit van de Inspecteur-generaal der Mijnen van 23 maart 2022, houdende verlening van mandaat, ondermandaat, volmacht en machtiging voor het Staatstoezicht op de Mijnen (Besluit mandaat, ondermandaat, volmacht en machtiging SodM 2021) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), [artikel 19, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=19), en [20 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=20), [artikel 4 van de Regeling mandaatverlening inzake de bevoegdheid tot handhaving van de regels m.b.t. indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035209&artikel=4), en [artikel 2 van het Besluit mandaat en machtiging inspecteur-generaal der mijnen Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039425&artikel=2); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Inspecteur-generaal:** de Inspecteur-generaal der Mijnen; - b. **de afdelingen:** - –. Bedrijfsvoering; - –. Bestuurszaken; - –. Centrale expertise; - –. Informatiemanagement; - –. Toezicht 1; - –. Toezicht 2; - –. Toezicht 3; - –. Vergunningen. - c. **de directeuren:** de directeuren van het Staatstoezicht op de Mijnen; - d. **de manager:** de manager van een afdeling; - e. **de operationeel manager:** de manager van Cluster 1; - f. **operationele kosten:** kosten die direct verband houden met het werkterrein van de directeuren, niet zijnde kosten genoemd in [artikel 4, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046579&paragraaf=2&artikel=4&z=2022-04-22&g=2022-04-22); - g. **P&O-aangelegenheden:** de aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget; - h. **bedrag:** het bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (btw). § 2. Taakverdeling Artikel"},{"i":3384,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 22 juli 2015 nr. BOACAT2015/033, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de afdeling Stadstoezicht van de gemeente Leeuwarden Gelezen het verzoek van de manager van Stadstoezicht van de gemeente Leeuwarden van 25 juni 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036906&artikel=2&z=2016-04-14&g=2016-04-14). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van ‘Manager Stadstoezicht’, ‘Juridisch beleidsadviseur’, ‘Coördinator handhaving’, ‘Senior integraal handhaver’, ‘Inspecteur buitenruimte’, ‘Integraal handhaver’, ‘Tactisch leidinggevende II’, ‘Medewerker ontwikkeling IIIa’, ‘Medewerker handhaving III’ of ‘Medewerker handhaving IV’, in dienst van de afdeling Stadstoezicht van de gemeente Leeuwarden, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsp"},{"i":3241,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 14 maart 2016, nr. BOACAT2016/013, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Gooise Meren Gelezen het verzoek van het hoofd van de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Gooise Meren van 18 februari 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037787&artikel=2&z=2016-04-05&g=2016-04-05). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver B, medewerker handhaving III, respectievelijk handhaver C, medewerker handhaving IV, in dienst van de gemeente Gooise Meren, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend)."},{"i":4787,"b":"Bijlage bij besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1137M Artikel 1. Inleiding en toepassingsgebied Dit artikel bevat in 1.1. de inleiding van de Leidraad Invordering 2008. 1.1. Inleiding De Leidraad Invordering 2008 is in de plaats getreden van de [Leidraad Invordering 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004800). De Leidraad Invordering 2008 bevat alleen nog beleidsregels. Werkinstructies en teksten die terug te vinden zijn in wet en regelgeving zijn niet opgenomen. 1.1.1. Lijst met gebruikte afkortingen 1.1.1. Lijst met gebruikte afkortingen Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde verstaan als de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) daaronder verstaat. 1.1.3. Reikwijdte beleidsvoorschriften Omwille van de leesbaarheid wordt niet iedere keer opnieuw vermeld dat beleidsvoorschriften inzake de rijksbelastingen ook gelden voor de sociale verzekeringspremies en de vorderingen waarvan de invordering aan de Belastingdienst is opgedragen. Omwille van de leesbaarheid wordt niet iedere keer opnieuw vermeld dat beleidsvoorschriften inzake de rijksbelastingen ook gelden voor de sociale verzekeringspremies en de vorderingen waarvan de invordering aan de Belastingdienst is opgedragen. 1.1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te beperken. 1.1.5. [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) en algemene beginselen van behoorlijk bestuur De ontvanger handelt bij de invordering zoveel mogelijk in overeenstemming met de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) en het [Besluit Fiscaal bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":5664,"b":"Subsidieplafondbesluit Aangepast Lezen Instellingssubsidies 2024 Het Algemeen Bestuurscollege van de Koninklijke Bibliotheek Gelet op [artikel 5 van de Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023-2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877&artikel=5); BESLUIT: I Voor het jaar 2024 de volgende subsidieplafonds ter zake [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023-2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877) vast te stellen: A Het subsidieplafond voor de in [artikel 3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877&artikel=3), vermelde activiteit ‘de verzorging van de eerstelijnsvoorziening voor het publiek’ is voor het jaar 2024 vastgesteld op € 2.197.000,- Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023-2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877) de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen uitvoerden. B Het subsidieplafond voor de in [artikel 3, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877&artikel=3), vermelde activiteiten ‘productie en levering’ is voor het jaar 2024 vastgesteld op € 10.154.000,– en onderverdeeld in twee deelplafonds: Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023-2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877), de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen uitvoerden. II Dit besluit treedt in werking op de dag na de dag van bekendmaking."},{"i":1906,"b":"Besluit van 18 december 2001 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 19 november 2001, nr. WV 2001/665M, directoraat-generaal voor Fiscale Zaken, directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Gelet op de [artikelen 8, vijfde lid, aanhef en onderdeel d, 11, eerste lid, aanhef en onderdelen f en o, 2°,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=8) en [33a, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=33a); De Raad van State gehoord (advies van 7 december 2001, nr. W06.01.0624/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2001, nr. WV2001/718 U, directoraat-generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002, met dien verstande dat de [aanhef juncto nummer 21 van onderdeel b van de bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 behorende bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&bijlage=B) zoals deze bepaling luidde op 31 december 2001, van toepassing blijft met betrekking tot die instellingen die deze bepaling toepasten op die datum, en wel uiterlijk tot het tijdstip waarop die instellingen ervoor kiezen die bepaling niet langer op hen van toepassing te doen zijn. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1907,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 21 april 2016, nr. AFP/2016/372M, tot wijziging van de Algemene douaneregeling en enige uitvoeringsregelingen inzake de fiscaliteit Handelende wat de [artikelen 2:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=2:1) en [2:2 van het Algemeen douanebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=2:2) betreft in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken; Handelende wat [artikel 2:1 van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=2:1) en [artikel 3:2 van het Algemeen douanebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=3:2) betreft in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 2:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=2:1), [7:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=7:1), [7:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=7:9), [9:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:5) en [10:11 van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=10:11), [artikel 21 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=21), de [artikelen 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=56) en [75 van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=75), [artikel XVI van de Wet aanpassingen aan het Douanewetboek van de Unie](onbekend), de [artikelen 2:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=2:1) en [2:2 van het Algemeen douanebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=2:2) en [artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=12); Besluit: Artikel I Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel IV Wijzigt de Uit"},{"i":1908,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 15 augustus 2017, nummer 2017-0000012937, tot wijziging van de Algemene douaneregeling, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling accijns Gelet op het op 19 juni 1951 te Londen tot stand gekomen Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (Trb. 1951, 114), het op 28 augustus 1952 te Parijs tot stand gekomen Protocol bij het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag – nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten – nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag (Trb. 1953, 11), de op 25 mei 1964 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Algemeen Hoofdkwartier van de Geallieerde Mogendheden in Europa inzake de bijzondere voorwaarden die toepasselijk zijn op de vestiging en het functioneren van internationale militaire hoofdkwartieren binnen het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden (Trb. 1964, 131), het op 6 oktober 1997 te Bergen (Duitsland) tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de stationering van strijdkrachten van de Bondsrepubliek Duitsland in het Koninkrijk der Nederlanden, met Protocolnotitie (Trb. 1998, 123), de op 6 oktober 1997 te Bergen (Duitsland) tot stand gekomen Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag van 19 juni 1951 tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten met betrekking tot de in het Koninkrijk der Nederlanden gestationeerde Duitse strijdkrachten, met Protocol (Trb. 1998, 124), artikel 131 van [Verordening (EG) nr. 1186/2009](32009R1186) van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanev"},{"i":1909,"b":"Wijzigingsregeling enige fiscale uitvoeringsregelingen, enige overige uitvoeringsregelingen en Wet op de accijns Handelende wat de [artikelen 3.13, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.13) en [3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.34) betreft, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Handelende wat de [artikel 3.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42), [5.14, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14), en [10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.10) betreft, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu en de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Handelende wat artikel 5a, eerste lid, van het besluit van 24 december 1986, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, [artikel 5 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=5), [artikel 5 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=5) (Stb. 655) en [artikel 2.3, derde lid, van het Besluit Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=2.3) betreft, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Handelende wat [artikel 28, tweede lid, onderdeel d, van de Wet belasting op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=28) en [artikel 3 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3) betreft, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu; Handelende wat [artikelen 21c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=21c) en [34g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.o"},{"i":1910,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 december 2015, nr. DB/2015/465M, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen inzake de fiscaliteit, toeslagen en douane alsmede van de Wet op de accijns Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel III Vervallen Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Artikel V De [artikelen 7.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028236&artikel=7.9), [8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028236&artikel=8.1) en [9.4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028236&artikel=9.4) zijn van overeenkomstige toepassing op tegemoetkomingen als bedoeld in [artikel 11a van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003&artikel=11a) zoals dat luidde op 31 december 2015. Artikel VI Wijzigt de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Artikel VII Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Artikel VIII Wijzigt de Regeling functionele valuta. Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel X Wijzigt de Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting stedelijke herstructurering. Artikel XI Wijzigt de Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting voor investeringen in stedelijke herstructurering. Artikel XII Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel XIII Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XV Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel XVI Wijzigt de Uitvoeringsregeling verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Artikel XVII Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel XVIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XIX Wijzigt de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. Artikel XX Wijzigt de"},{"i":1911,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 29 december 2016, nr. 2016-0000225960, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Artikel V Wijzigt de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Artikel VI Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965. Artikel VII Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel VIII Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel IX Voor de toepassing van artikel 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 van de Commissie van 18 mei 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorschriften inzake de vrijgave en de verbeurdverklaring van voor dergelijke certificaten gestelde zekerheden, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 2535/2001, (EG) nr. 1342/2003, (EG) nr. 2336/2003, (EG) nr. 951/2006, (EG) nr. 341/2007 en (EG) nr. 382/2008 van de Commissie en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2390/98, (EG) nr. 1345/2005, (EG) nr. 376/2008 en (EG) nr. 507/2008 van de Commissie (PbEU 2016, L 206) blijven de [artikelen 1:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024291&artikel=1:2), [3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024291&artikel=3:1), [3:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024291&artikel=3:2), [3:4 tot en met 3:8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024291&artikel=3:4), [3:13a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024291&artikel=3:13a), [3:13b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024291&art"},{"i":1912,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 31 december 2018 tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Artikel V Wijzigt de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990. Artikel VI Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Artikel VII Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965. Artikel VIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Registratiewet 1970. Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel X Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel XI Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel XII Wijzigt de Uitvoeringsregeling verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Artikel XIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XIV Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting zware motorrijtuigen. Artikel XV Wijzigt de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. Artikel XVI Wijzigt de Meldingsregeling milieu-investeringsaftrek 2001. Artikel XVII Wijzigt de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken. Artikel XVIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel XIX Wijzigt de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Artikel XX Wijzigt de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Artikel XXI Wijzigt de Uitvoeringsregeling Wob Financiën. Artikel XXII Wijzigt de Regeling aanwijzing rechtsgebieden Common Reporting Standard. Artikel XXIII Wijzigt de Regeling groenprojecten buitenland 2002. Artikel XXIV Wijzigt de Regeling team criminele inlichtingen FIOD. Artikel XXV Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting BES. Artikel XXVI Wijzigt de Uitvoe"},{"i":4845,"b":"Besluit tot mandatering aan de directeur van het GVB/A van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 15 van het Metroreglement en artikel 39 jo 36, 37 en 38 van de Spoorwegwet Gezien de instemming van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam, bij besluit van 22 januari 1999, met kenmerk 1998/98 CO; Gezien de instemming van de directeur van het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam, bij brief van 6 januari 1999, met kenmerk 9872810; Besluit: Artikel 1 De directeur van GVB, hierna te noemen de directeur van GVB, kan namens ondergetekende besluiten op een aanvraag voor een vergunning voor het op, in, boven of onder een spoorweg aanbrengen, te doen aanbrengen of te hebben van leidingen, werken en andere inrichtingen of beplantingen, dan wel het daarmee verband houdende uitvoeren of te doen uitvoeren van werkzaamheden als bedoeld in [artikel 15 Metroreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003454&artikel=15), voor zover door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam het onderhoud van die spoorweg is opgedragen aan de directeur van GVB. Artikel 2 De directeur van GVB kan namens ondergetekende besluiten op een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=39) j( [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=37) en [38 van de Spoorwegwet 1875](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001848&artikel=38) voor een uitgraving binnen de afstand van zes meter van een spoorweg waar het zonder nadeel voor de openbare veiligheid en voor die spoorweg kan geschieden, voor zover door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam het onderhoud van die spoorweg is opgedragen aan de directeur van GVB. Artikel 3 1. De directeur van GVB oefent het mandaat uit met inachtneming van de algemene instructies, opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage. 2. De directeur van GVB oefent het"},{"i":4991,"b":"Model Jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2024 1. Inleiding Dit Model Jaarverslaggeving CAK vormt een uitwerking van de afspraken voor het financieel verslag als onderdeel van de bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2024 van het CAK. Het CAK moet de verantwoordingsdocumenten vergezeld van de controleverklaring en het accountantsverslag vóór 1 juli van het jaar volgend op het verslagjaar toezenden aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (het Ministerie van VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) 1Conform artikel 6.2.6 van de Wlz en artikel 27 van de Wmg.. De regels voor het accountantsonderzoek en de op te leveren accountantsproducten heeft de NZa vastgelegd in het Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2024 (hierna: protocol). In de bestuurlijke verantwoording burgerregelingen legt het CAK verantwoording af over de uitvoering van 18 wettelijke regelingen en taken. Dit betreffen: Het Ministerie van VWS beoordeelt de uitvoering van de onverzekerbare vreemdelingenregeling, de gemoedsbezwaardenregeling en de Schengen- en Engelstalige medicijnverklaringen3Onderdeel e van de andere informatie.. De NZa houdt toezicht op de rechtmatige uitvoering van de overige burgerregelingen4Deze taken van de NZa staan o.a. in artikel 16d Wmg, artikel 16m Wmg en diverse EU verordeningen,. Om toezicht uit te kunnen oefenen moeten de NZa en het Ministerie van VWS over informatie beschikken. [Artikel 27 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=27) en [artikel 6.2.6 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.2.6) (juncto [artikel 4.3.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.1)) wijzen de verantwoordingsdocumenten en de accountantsproducten aan die jaarlijks door het CAK moeten worden ingediend. Op basis van artikel 27 en [artikel 31 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=31) kan"},{"i":5057,"b":"Ondermandaat aan de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering bij de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten Gelet op [artikel 6.7, eerste lid, van het Mandaatbesluit BZK 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046217&artikel=6.7); Uitvoering gevende aan [artikel 6.8, eerste lid, van het Mandaatbesluit BZK 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046217&artikel=6.8) BESLUIT: tot het verlenen van ondermandaat aan de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering bij de regering van Aruba, Curaçao en sint Maarten op grond van de volgende bepalingen: Artikel 1 Het ondermandaat wordt verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering bij de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit regeling positie vertegenwoordiger Nederlandse regering van Aruba, Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033134&artikel=2), 19 februari 2013, 2012-0000711991, en de onder de vertegenwoordiger ressorterende functionarissen en dienstonderdelen. Onder het (onder)mandaat wordt in dit besluit tevens verstaan volmacht voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en machtiging tot het verrichten van handelingen die een besluit noch een rechtshandeling zijn. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Ondermandaatbesluit vertegenwoordiger. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 3 oktober 2022. Een afschrift van dit besluit wordt toegezonden aan de directeuren FEZ en P&O."},{"i":4997,"b":"Nader voorschrift aanwijzing inzet- en planningssystemen van registerloodsen Gelet op het bepaalde in [artikel 3, derde lid onderdeel a, van de Loodsenregisterverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034558&artikel=3); B E S L U I T: artikel Enig 1. De volgende geautomatiseerde inzet- en planningssystemen, waaraan gegevens worden ontleend die als bewijs kunnen dienen voor een loods- of peilreis worden aangewezen: - –. in de regio Noord en de regio Rotterdam-Rijnmond: **SPIL**; - –. in de regio Amsterdam-IJmond: **LISA**; - –. in de regio Scheldemonden: **LIS**. 2. Dit besluit treedt in werking de eerste dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2014. 3. Dit besluit wordt aangehaald als: Nader voorschrift aanwijzing inzet- en planningssystemen van registerloodsen."},{"i":2462,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 4 juli 2014, nr. WJZ/14104938, over de totstandkoming van overeenkomsten tot de afwikkeling van massaschade (Beleidsregel massaschade) Gelet op [artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21) en [artikel 2.6, eerste lid, van de Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586&artikel=2.6); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. **onafhankelijke derde:** persoon die als onafhankelijk bemiddelaar optreedt bij de onderhandelingen tot het sluiten van een overeenkomst tot afwikkeling van massaschade; - c. **overeenkomst tot afwikkeling van massaschade:** een overeenkomst als bedoeld in [artikel 2.6, eerste lid, van de Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586&artikel=2.6). § 2. Overeenkomsten tot de afwikkeling van massaschade Artikel 2 1. Indien de ACM voornemens is een overeenkomst tot afwikkeling van massaschade te sluiten doet zij hiervan mededeling op haar website. 2. De ACM stelt consumentenorganisaties gedurende tien werkdagen na publicatie op de website in de gelegenheid om hun zienswijze naar voren te brengen over het voornemen. Artikel 3 De ACM draagt bij de wederpartij met wie zij voornemens is om een overeenkomst tot de afwikkeling van massaschade te sluiten een onafhankelijke derde voor. De wederpartij dient schriftelijk in te stemmen met de benoeming van de onafhankelijke derde. § 3. Slotbepalingen Artikel 4 De [Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken van 15 maart 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033096), nr. WJZ/12358033, over de totstandkoming van overeenkomsten tot de afwikkeling van massaschade"},{"i":5012,"b":"Besluit van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 5 oktober 2023, kenmerk 3696914-1053774-Z, houdende vaststelling van een nadere aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2023 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2023) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2023 is voor de beheerskosten [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 2,731 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047646&artikel=1). Artikel 2 Van het bedrag in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048750&artikel=1&z=2023-10-19&g=2023-10-19) genoemd van € 2,731 miljoen is € 2,506 miljoen bestemd voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), en € 0,225 miljoen voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken van Wlz-uitvoerders. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5020,"b":"Nadere regels subsidie Gelet op [artikel 17, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=17) j° de [artikelen 8.2, lid 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=8.2) en [8.4, lid 2 van het Uitvoeringsbesluit WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=8.4); Besluit: Artikel 1 In deze regels wordt verstaan onder: - –. instelling: een organisatorisch verband als bedoeld in [artikel 1, lid 1, onder f, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=1): - –. Het College: het College sanering zorginstellingen. Artikel 2 1. Bij de aanvraag tot subsidieverlening worden – voorzover van toepassing – overgelegd: - a. een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon die de instelling exploiteert of van de statuten zoals die laatstelijk zijn gewijzigd; - b. de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in [artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=361), voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, dan wel een verslag over de financiële positie van de instellinginstelling op het moment van de aanvraag; - c. het besluit of de besluiten krachtens welke de instelling is toegelaten als instelling in de zin van de [WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906); - d. het besluit of de besluiten op grond waarvan de subsidie wordt aangevraagd. 2. De aanvrager verschaft het College voorts andere gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het College voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. Artikel 3 In afwijking van [artikel 4:31 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:31) vermeldt de beschikking tot subsidieverlening niet het bedrag van de subsidie of het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld. Artikel 4 1. Aan de subsidieverlening wordt in ieder geval de verplichting verbonden dat d"},{"i":5065,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 juni 2012, nr. 2012-262679, houdende verlening van mandaat en machtiging van bevoegdheden van het bevoegd gezag ten aanzien van de rijksambtenaren BES (Organisatie en mandaatbesluit BZK-BES 2012) Handelende in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op [artikel 4 van de Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215&artikel=4), de [artikelen 21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=21), en [33, eerste lid, van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=33), het [Organisatiebesluit BZK 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027412) en het [Mandaatbesluit BZK 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027413); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **directeur-generaal:** de directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties; - c. **gemandateerd korpsbeheerder:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan wie de bevoegdheden van de Minister van Veiligheid en Justitie als korpsbeheerder van het korps politie Bonaire, Sint Eustatius en Saba en van het brandweerkorps Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn gemandateerd; - d. **directeur-generaal Politie:** de directeur-generaal Politie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie; - e. **bevoegdheden van het bevoegd gezag:** de bevoegdheden die bij of krachtens de [Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215) en de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=21) en [33 van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=33) aan het bevoegd gezag toekomen, voor wat betreft de ambtenaren in dienst van de Staat; - f. **politiekorps:** korps politie Bonai"},{"i":5023,"b":"Nato airborne early warning and controlprogramme management agency (NAPMA) De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. 1.0.1. Inleiding Per 1 juli 1979 is te Brunssum gevestigd NAPMA, onderdeel van de NAVO. De privileges en immuniteiten van NAPMA en zijn personeel zijn geregeld in het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951 (boekwerk IFZ 325.00.00) en nader uitgewerkt in de nog in het boekwerk IFZ op te nemen briefwisseling tussen de Minister van Buitenlandse Zaken en de Secretaris-Generaal van de NAVO van 31 augustus en 11 september 1979. Met betrekking tot de verleende fiscale faciliteiten, die met het oog op de vestiging van NAPMA op het terrein van AFCENT zoveel mogelijk op die van AFCENT zijn afgestemd, deel ik u het volgende mede. 1.1. Belastingvrijstellingen van NAPMA 1.1.1. Vrijstelling van belasting bij invoer, doorvoer en uitvoer 1. NAPMA is vrijgesteld van belasting bij de invoer van goederen bestemd voor officieel gebruik. Tevens wordt vrijstelling verleend voor goederen welke worden in- of doorgevoerd ten behoeve van het door NAPMA beheerde NATO AEW & C Programme. 2. Ter uitvoering van de hiervoor genoemde vrijstellingen vindt de douanebehandeling die voor Afcent is voorgeschreven in hoofdstuk I van de Douaneovereenkomst tussen Nederland en Afcent (boekwerk DAA 55.07.00) overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor NAPMA de bepaling van punt 1 in de plaats treedt van § 3, a van de Douaneovereenkomst. § 11 van de Douaneovereenkomst vindt geen toepassing ten aanzien van NAPMA, in verband met het feit dat de daartoe gerechtigde NAPMA-personeelsleden van de Afcent-kantines gebruik kunnen maken (zie punt 10). Het NAVO-formulier 302 moet zijn ondertekend door een der NAPMA-functionarissen die voorkomen op de lijst in de bijlage bij deze aanschrijving. 1.1.2. Levering van goederen bestemd voor officieel gebruik van NAPMA of bestemd voor het NATO AEW & C Programme Met betrekking tot der"},{"i":5029,"b":"NWO Subsidieregeling **De raad van bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek;** **gelet op** **artikel 6, vierde lid, van de Wet op de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek** **;** **gelet op** **artikel 2.2, eerste lid, onder e, van het Bestuursreglement NWO 2017** **;** **besluit de volgende regeling inzake de verstrekking van subsidies door NWO vast te stellen:** Deze regeling bevat regels voor subsidiebesluiten die genomen worden door of namens de raad van bestuur van NWO, zoals bedoeld in [artikel 6, vierde lid, van de Wet op de NWO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=6). Op subsidiebesluiten genomen door of namens de raad van bestuur van NWO is voorts onder meer de volgende wet- en regelgeving van toepassing: In deze regeling wordt waar nodig aangesloten op bovengenoemde wet- en regelgeving. Indien en voor zover deze regeling afwijkt van bovengenoemde wet- en regelgeving, heeft bovengenoemde wet- en regelgeving ten aanzien van de desbetreffende onderdelen voorrang op deze regeling. De besluitvorming door NWO in het subsidieproces vindt plaats door verschillende organen en/of functionarissen. Omwille van de leesbaarheid is in deze regeling gekozen voor de generieke aanduiding NWO. In de geldende [Bevoegdhedenregeling NWO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045229) is bepaald welk orgaan of welke functionaris bevoegd is tot het nemen van het desbetreffende besluit. Deze regeling is niet van toepassing op financieringsinstrumenten waarbinnen per aanvraag maximaal € 50.000 kan worden aangevraagd. Financieringsinstrumenten die NWO uitvoert, maar geheel of overwegend door een andere partij worden gefinancierd, kunnen buiten het bereik van deze regeling blijven, wanneer dat met de externe subsidiegever is afgesproken en in de Call for proposals wordt vermeld welke regels wel van toepassing zijn. 1. Algemene bepalingen 1.1. Aanvrager 1.2. Begunstigden 1.3. Kwalificaties onderzoekers 1.4. Subsidi"},{"i":5028,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), van 26 mei 2021, tot verdaging en opschorting van haar aanvraagprocedures in verband met de gevolgen van de hack van de NWO-netwerkservers gelet op [artikel 6, vierde lid, van de Wet op de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=6); overwegende dat NWO haar werkzaamheden tussen 14 februari 2021 en 22 maart 2021 noodgedwongen heeft moeten neerleggen in verband met de hack van de NWO-netwerkservers, en dat deze overmachtsituatie ertoe heeft geleid dat voor een groot aantal reeds gepubliceerde calls for proposals de indieningsdeadlines en daarmee samenhangende besluitmomenten moeten worden uitgesteld om de zorgvuldigheid van de beoordelingsprocedure en het beginsel van gelijke kansen voor aanvragers voldoende te waarborgen. BESLUIT: Werkt voor elk van de in dit besluit aangehaalde call for proposals terug tot de datum waarop de betreffende call for proposals is gepubliceerd in de Staatscourant. Artikel 1. Uitgestelde indieningsdeadlines en besluitmomenten voor vooraanmeldingen en uitgewerkte aanvragen 1. Voor een aantal calls for proposals worden de daarin vermelde indieningsdeadline en uiterste besluitmoment voor **vooraanmeldingen** uitgesteld. Onderstaande tabel bevat een overzicht van de gewijzigde indieningsdeadline en besluitmoment per call for proposals: | Call for proposals | Publicatiedatum Staatscourant | Publicatienummer Staatscourant | Oorspronkelijke indieningsdeadline vooraanmelding | Gewijzigde indieningsdeadline vooraanmelding | Gewijzigd besluitmoment vooraanmelding | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | NWO Open Competitie ENW – XL | 28 september 2020 | Stcrt. 2020, 49758 | 15 april 2021, 14.00 uur CE(S)T | 20 mei 2021, 14:00:00 uur CE(S)T | 28 oktober 2021 | | KIC – lange termijn programma’s | 12 november 2020 | Stcrt. 2020, 58819 | 22 april 2021, 14:00:00 CE(S)T | 27 mei 202"},{"i":5030,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 november 2009, nr. WJZ/165713 (8251), inzake het niet verstrekken van financiële bijdragen ten behoeve van programma’s van omroepinstellingen (OCW-beleidsregel inzake niet verstrekken financiële bijdragen coproducties) Gelet op de [artikelen 4:23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23), en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 32 van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **coproductie:** een programma waaraan meerdere partijen, waaronder in elk geval een omroepinstelling enerzijds en een ministerie dan wel een bestuursorgaan behorend tot de rijksoverheid anderzijds, op basis van een door alle partijen goedgekeurd scenario of uitgewerkte synopsis een inhoudelijke of financiële bijdrage hebben geleverd; - **programma:** een programma als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1). Artikel 2 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verstrekt geen financiële bijdragen met het oog op de vervaardiging, aankoop of verspreiding van een coproductie of een ander programma. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: OCW-beleidsregel inzake niet verstrekken financiële bijdragen coproducties. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4888,"b":"Regeling van het College van Procureurs Generaal van 18 december 2009, nummer PaG 14389, houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de hoofdofficieren van justitie van de arrondissementsparketten Overwegende dat bij besluiten van 9 november 2009 , [nummers 5602920/09](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026664) (Stcrt 2009, 17519) en [5628333/09](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026644) (Stcrt 2009, 17341) het mandaat, de volmacht en de machtiging verleend aan het College bij besluit van 15 december 1997, nummer 665429/897 is vervangen door een nieuwe regeling van mandaat, volmacht en machtiging; Dat er binnen het Openbaar Ministerie sprake is van verleende ondermandaten; Dat op grond van de besluiten van 9 november 2009 , [nummers 5602920/09](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026664) (Stcrt 2009, 17519) en [5628333/09](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026644) (Stcrt 2009, 17341) verleende ondermandaten geacht worden gegrond te zijn op de nieuwe regeling van mandaat, volmacht en machtiging; Dat er aanleiding is om de inhoud van het mandaat, volmacht en machtiging verleend aan de onderdelen van het openbaar ministerie aan te passen; Dat de regeling van mandaat, volmacht en machtiging ertoe dient om de (regionale) samenwerking te faciliteren en de hoofdofficieren van justitie en de directeur bedrijfsvoering de mogelijkheid te geven om aan die regionale samenwerking inhoud en vorm te geven; Gelet op de [Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950), het [Besluit Algemene Rechtspositie Politieambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516), de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365), de [Mandaatregeling niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026664) en de [Mandaatregeling beheer openbaar mi"},{"i":5039,"b":"Ondermandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit Directeur Juridische Zaken van Defensie betreffende het beslissen op bezwaarschriften 2025 Gelet op [artikel 3, eerste lid, van het Algemeen mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit Defensie 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046551&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** de Minister van Defensie of Staatssecretaris van Defensie, afhankelijk van wie het aangaat; - b. **Secretaris-Generaal:** de Secretaris-Generaal van Defensie, waaronder mede begrepen de functionaris die door de Secretaris-Generaal schriftelijk is aangewezen om bij afwezigheid van de Secretaris-Generaal diens functie waar te nemen; - c. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon besluiten te nemen; - d. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Ondermandaat, volmacht en machtiging 1. Aan de Directeur Juridische Zaken wordt ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging verleend tot het beslissen op een bezwaarschrift ten aanzien van de tot de Directie Juridische Zaken behorende aangelegenheden. 2. De verlening van bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, omvat niet: - a. de bevoegdheid tot het beslissen op een bezwaarschrift indien het besluit waartegen het bezwaar zich richt, door een bewindspersoon of door de Secretaris-Generaal is genomen; - b. de bevoegdheid tot het beslissen op een bezwaarschrift indien ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging reeds in een ander besluit is verleend aan de Directeur Juridische Zaken of de verantwoordelijken genoemd in [artikel 1, eerste lid, onder b tot en met g en i tot en met x van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":5048,"b":"Besluit van de directeur Uitvoering en Decentraal Advies en Control van 30 juni 2022 nr. IenW/BSK-2022/156807, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Ondermandaatbesluit directie Uitvoering en Decentraal Advies en Control) Gelet op de [artikelen 12d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=12d), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=21), [23, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=23), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=27) en [28 van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=28); BESLUIT: Artikel 1. Verlening ondermandaat Aan de directeuren en afdelingshoofden als bedoeld in [artikel 12d, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=12d) worden de door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aan de directeur Uitvoering en Decentraal Advies en Control verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 21, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=21), voor zover die behoren bij hun taken, bedoeld in artikel 12d, vijfde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat, in ondermandaat verleend. Artikel 2. Omvang ondermandaat Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046905&artikel=1&z=2022-07-14&g=2022-07-14) verleende ondermandaat omvat niet de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar. Artikel 3. Volmacht en machtiging Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046905&artikel=1&z=2022-07-14&g=2022-07-14) verleende ondermandaat omvat overeenkomstig [artikel 28 van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=28) tevens de verlening van volmacht en machtig"},{"i":5056,"b":"(Onder)Mandaatbesluit Politie beheer RST 2021 gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); de [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788); het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154); de [Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079) (Rijkswet politie); het Protocol inzake gespecialiseerde recherchesamenwerking tussen de landen van het Koninkrijk (Protocol); het [Mandaatbesluit beheer RST 2020 van de Minister van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043778); en het Mandaatbesluit politie januari 2020; overwegende: dat op grond van een wijziging van het **Protocol inzake gespecialiseerde recherchesamenwerking tussen de landen van het Koninkrijk** de Minister van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk is voor de zorg voor en instandhouding van een recherchesamenwerkingsteam (Stcrt. 26 juli 2019, nr. 38964); dat de Minister van Justitie en Veiligheid met het **Mandaatbesluit beheer RST 2020** van 10 juni 2020 (Stcrt. 2020 nr. 33182) invulling heeft gegeven aan de in het Protocol overeengekomen opdracht aan de korpschef namens de Minister zorg te dragen voor het beheer van het RST; dat de teamchef RST in overleg met de korpschef de bedrijfsvoering van het RST vorm geeft met de door de korpschef namens de Minister aan het RST ter beschikking gestelde personeel en middelen; dat de korpschef daartoe voor de door de Minister gemandateerde bevoegdheden ten aanzien van het beheer van het RST ondermandaat wenst te verlenen aan de teamchef RST en voor diens beslissingen op bezwaar, deels met tussenkomst van ondermandaat aan een door hem aan te wijzen functionaris; dat ambtenaren van politie door de korpschef aan de teamchef RST ter beschikking worden gesteld en als medewerker van het RST op grond van een individuele terbeschikkingstelling"},{"i":5058,"b":"Besluit van de directeur Hoger Onderwijs en Studiefinanciering (HO&S) van 11 februari 2025, nr. 50604047, houdende de vaststelling van een ondermandaatregeling t.b.v. de plaatsvervangend directeur HO&S (Ondermandaatregeling plv directeur bij HO&S OCW) Gelet op [artikel 11 van het Organisatie- en Mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=11); BESLUIT De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Verlening ondermandaat Met ingang van 11 februari 2025 aan de plaatsvervangend directeur HO&S ondermandaat te verlenen om, met inachtneming van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008: - 1. Namens de minister besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen ten aanzien van aangelegenheden voortvloeiend uit de portefeuille van de directeur HO&S. - 2. Verplichtingen ten aanzien van aangelegenheden voortvloeiend uit de portefeuille van de directeur HO&S aan te gaan tot het bedrag waartoe de directeur HO&S bevoegd is. Artikel 2. Uitsluiting bevoegdheden Het ondermandaat omvat geen bevoegdheid inzake personele aangelegenheden als bedoeld in [artikel 14 lid 1 t/m 3 van het Organisatie- en mandaatbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=14) en geen bevoegdheid tot het (verder) verlenen, wijzigen of intrekken van ondermandaat c.q. ondervolmacht. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit kan worden aangehaald als: Ondermandaatregeling plv directeur bij HO&S OCW. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 11 februari 2025. Dit besluit zal worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":5016,"b":"Nadere regelen Wet en Besluit openbaarheid van bestuur Besluit: vast te stellen de beschikking, houdende nadere regelen ter uitvoering van de Wet en het Besluit openbaarheid van bestuur: Artikel 1 Deze beschikking verstaat onder: - a. de wet: de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252); - b. het besluit: het Besluit openbaarheid van bestuur; - c. aanwijzing: het met nummervermelding aangehaalde onderdeel van de Aanwijzingen inzake Openbaarheid van bestuur (beschikking van de Minister-President van 21 december 1979, nr. 292146, Stcrt. 6 januari 1980 nr 6); - d. het departement: het departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk in de zin van [artikel 86 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=86); - e. het Ministerie: het te Rijswijk gevestigde ambtelijke departement dat de Minister bijstaat in zijn taak als hoofd van het departement; - f. het hoofd V.D.B.: het Hoofd van de Centrale Directie Voorlichting, Documentatie en Bibliotheek van het Ministerie; - g. informatiepunt: de ambtenaar of instelling, tot wie verzoeken om informatie in de eerste plaats dienen te worden gericht; - h. centraal informatiepunt: de ambtenaar bevoegd tot de verstrekking van informatie naast de onder g bedoelde ambtenaren of instellingen. Artikel 2 1. Er is een register van instellingen, diensten en bedrijven, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het besluit, welk register is opgenomen in bijlage 1, behorende bij deze beschikking. 2. Er is een register van niet-ambtelijke adviescommissies, als bedoeld in [artikel 3 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=3). 3. Beide registers worden bijgehouden door het Hoofd VDB en liggen ter inzage bij de bibliotheek. Artikel 3 1. Als gemachtigde ambtenaar voor het departement, als bedoeld in aanwijzing 6, wordt aangewezen de secretaris-generaal of diens vervanger. 2. Hij wijst in overleg met het Hoofd VDB een ambtenaar aan, die hem bijstaa"},{"i":6947,"b":"Besluit vaststelling selectielijst handelingen Kamers van Koophandel en Fabrieken vanaf 1945 ingediend door Vereniging Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 8 september 2010, nr. bca-2010.058576/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Kamers van Koophandel en Fabrieken vanaf 1945 ingediend door de Vereniging van Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘lijst Kamers van Koophandel en Fabrieken vanaf 1 januari 1998’ (vastgesteld bij [beschikking van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. C/S&A/06/262](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019582) d.d. 17 februari 2006 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 71 d.d. 10 april 2006)) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.archief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":5060,"b":"Ondernemingskosten en overdracht pensioenkapitaal, waarde-overdracht pensioenrechten bij verandering dienstbetrekking, PGGM naar SDS-circuit De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Bij brief van 08-07-1987, gepubliceerd in Infobulletin september 1987, volgnr. 87/560, heb ik het standpunt ingenomen dat aan overdrachten van pensioenkapitaal tussen ondernemingspensioenfondsen en levensverzekeringsmij.’en welke zijn aangesloten bij het Samenwerkingsverband voor waarde-overdrachten, t.a.v. de dienstbetrekkingveranderde werknemer voor de heffing van de l.b. geen gevolgen zijn verbonden, gelet op de wijze waarop dergelijke waardeoverdrachten zijn geregeld. Het pensioenfonds P.G.G.M., gevestigd te Zeist, is m.i.v. 01-01-1989 een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met de coördinator van bovengenoemd samenwerkingsverband, de Stichting Dienstverlening Samenwerkingsverband teb ’s-Gravenhage. Deze overeenkomst ziet op waardeoverdrachten van pensioenrechten van dienstbetrekking veranderde werknemers van het P.G.G.M. naar het S.D.S.-circuit v.v. De samenwerkingsovereenkomst heeft formeel echter niet tot gevolg dat het P.G.G.M. daadwerkelijk is toegetreden tot bovengenoemd samenwerkingsverband. Gelet evenwel op de wijze waarop deze overdrachten geregeld zijn, ben ik van oordeel dat ook aan dergelijke waarde-overdrachten t.a.v. de van dienstbetrekking veranderde werknemer voor de heffing van de l.b. geen gevolgen zijn verbonden. Hierbij ga ik er wel vanuit dat de pensioenregelingen van zowel de oude als de nieuwe werkgevers pensioenregelingen zijn in de zin van art. 11, derde lid L.B. ’64. M.b.t. de heffing van de vpb. ben ik van oordeel dat voor de aftrekbaarheid van de pensioenlasten, die voor de nieuwe werkgever uit de regeling voortvloeien, in beginsel geen belemmeringen aanwezig zullen zijn. Het besluit is per 1 januari 1995 vervallen."},{"i":5063,"b":"Opleiding coördinator onderbouw Inleiding Deze voorliggende publicatie komt in de plaats van de eerdere voorlichtingspublicatie over dit onderwerp, gepubliceerd in Uitleg gele katern van 24 november 1999, nr. 28. Deze komt hiermee dus te vervallen. In januari 2000 is de post-hbo opleiding ”Coördinator Onderbouw” gestart. Om te bereiken dat het aantal aanmeldingen zal toenemen, is deze regeling ten opzichte van de vorige op enige onderdelen gewijzigd (alle hogescholen kunnen in principe de opleiding aanbieden en deelnemers op scholen met 50 % gewichtenleerlingen in plaats van scholen met alleen 50 % 1.9 leerlingen komen voor faciliteiten in aanmerking). Dit betreft dus een uitbreiding van de potentiële doelgroep waarvoor faciliteiten ter beschikking worden gesteld en het aantal hogescholen dat de opleiding zal verzorgen. De cursus staat open voor alle leraren onderbouw en leidsters peuterspeelzalen met een adequate vooropleiding. Algemeen In het kader van de ontwikkeling van zowel de voorschoolse- als de vroegschoolse educatie is de professionalisering van leidsters van peuterspeelzalen en leerkrachten van de onderbouw in het basisonderwijs van groot belang. Inbeide sectoren is het nodig aandacht te besteden aan de doorgaande ontwikkeling en het leren van jonge kinderen met (taal)achterstanden. Met het in het leven roepen van de post-hbo opleiding Coördinator Onderbouw wordt een eerste stap gezet in de kwaliteitsverhoging van de voor- en vroegschoolse periode. Doel/opzet Behalve professionalisering van het personeel van peuterspeelzalen en leerkrachten basisonderwijs, zal deze integrale opleiding het vermogen van basisscholen moeten versterken om het onderwijs aan het jonge kind in de onderbouw beter te laten aansluiten op de voor- en vroegschoolse periode. Voorts is het doel van de opleiding: verbetering van de visie op het leren van jonge kinderen in met name de voor- en vroegschoolse periode en verbetering van de kennis van de diverse leermaterialen van deze perio"},{"i":7015,"b":"Heffingsregime op afkoopsommen Gelet op [artikel 33 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=33) (Stb. 1990, 104), Besluit: Artikel 1 De artikelen 39 en 42 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (Stcrt. 1989, 223) zijn niet van toepassing op afkoopsommen als bedoeld in artikel II van de Wet van 21 maart 1990, houdende nadere wijziging van de Liquidatiewet invaliditeitswetten houdende een vierde, tevens afsluitende liquidatiefase (Stb. 1990, 145). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van dagtekening van de Staatscourant, waarin zij is geplaatst."},{"i":1918,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/172644, tot wijziging van de Regeling burgerluchthavens in verband met de implementatie van Doc 29 (voor vliegtuigen) en NORAH (voor helikopters) als nieuwe rekenmethodes voor geluidbelasting rondom regionale luchthavens Gelet op [artikel 3, vierde lid, van het Besluit burgerluchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026525&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling burgerluchthavens. Artikel II [Bijlage 1 bij de Regeling burgerluchthavens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026564&bijlage=1), zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op: - –. de berekeningen van Lden-contouren, de Lden-grenswaarden in handhavingspunten en de geluidbelasting in handhavingspunten, die ten behoeve van de vaststelling of de wijziging van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling voor een overige burgerluchthaven van regionale betekenis, als bedoeld in [artikel 8.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.1), zijn uitgevoerd voor de datum waarop deze regeling is bekendgemaakt, tot 1 januari 2026; - –. een overige burgerluchthaven van regionale betekenis, als bedoeld in [artikel 8.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.1), waarvan het luchthavenbesluit of de luchthavenregeling is vastgesteld voor de datum waarop deze regeling is bekendgemaakt, tot het tijdstip waarop een wijziging van het luchthavenbesluit of de luchthavenregeling voor die burgerluchthaven in werking is getreden; - –. een overige burgerluchthaven van nationale betekenis, als bedoeld in [artikel 8.1, derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.1), tot het tijdstip waarop het luchthavenbesluit of de wijziging daarvan, als bedoeld in [artikel 8.70, eerste en tweede lid](h"},{"i":1998,"b":"Wet van 4 oktober 1995, tot goedkeuring van de Regeling buiten toepassing stellen willekeurige afschrijving milieu-investeringen en van de regeling van 23 december 1994, nr. WDB 94/494M, Stcrt. 250, houdende wijziging van de Regeling buiten toepassing stellen willekeurige afschrijving milieu-investeringen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Regeling buiten toepassing stellen willekeurige afschrijving milieu-investeringen en de regeling van 23 december 1994, nr. WDB 94/494M, **Stcrt.** 250, houdende wijziging van de Regeling buiten toepassing stellen willekeurige afschrijving milieu-investeringen ingevolge artikel 10, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij wet dienen te worden goedgekeurd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De Regeling buiten toepassing stellen willekeurige afschrijving milieu-investeringen en de regeling van 23 december 1994, nr. WDB 94/494M, **Stcrt.** 250, houdende wijziging van de Regeling buiten toepassing stellen willekeurige afschrijving milieu-investeringen, worden goedgekeurd. Artikel 2 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1919,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 13 december 2022, nr. WJZ 22526407, houdende wijziging van de Regeling Europese EZK en LNV subsidies 2021 door inpassing van de brede weersverzekering onder het nieuwe GLB en het opvragen van het BTW-nummer Gelet op: [verordening (EU) 2021/2115](32115R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van [Verordeningen (EU) nr. 1305/2013](32013R1305) en [(EU) nr. 1307/2013](32013R1307) (PbEU 2021, L 435); [verordening (EU) 2021/2116](32116R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) (PbEU 2021, L 435); [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=15) en [19 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021. Artikel II [Titel 4.1. van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036758&titeldeel=4.1) vervalt, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor 1 januari 2023 zijn verleend. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12031,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 30 juli 2007, nr. BenC 2007-1189 M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Bureau Erediensten over de periode 1940-1988 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Bureau Erediensten 1940-1988 met de inventarisnummers zoals opgenomen in de Bijlage, de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld voor een termijn van vijftig jaren gerekend vanaf de datum vermeld op archiefbescheiden, echter minimaal durende tot 2015 en maximaal durende tot 2036. Artikel 2 Raadpleging van de in het vorige lid genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruikt gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt gepubliceerd. Bijlage. Inventarisnummers Erediensten 1940-1983 Beperkt openbaar | Inv.Nr. | Sluitingsjaar Dossier | Aantal jaren beperkt | Beperkt tot 1 januari | | --- | --- | --- | --- | | 236 | 1972 | 50 | 2022 | | 244 | 1983 | 50 | 2033 | | 239 | 1974 | 50 | 2024 | | 238 | 1971 | 50 | 2021 | | 240 | 1973 | 50 | 2023 | | 245 | 1975 | 50 | 2025 | | 52 | 1984 | 50 | 2034 | | 34 | 1974 | 50 | 2024 | | 67 | 1984 | 50 | 2034 | | 68 | 1984 | 50 | 2034 | | 237 | 1981 | 50 | 2031 | | 218 | 1984 | 50 | 2034 | | 219 | 1984 | 50 | 2034 | | 2"},{"i":9727,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden inzake het wederzijds aanhouden van voorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden (hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen\"), Gelet op Richtlijn 68/414/EEG van de Raad van 20 december 1968 houdende de verplichting voor de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/93/EG van de Raad van 14 december 1998 (hierna samen te noemen „de Richtlijn\"); Gelet op artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn dat voorziet in het aanleggen van voorraden op het grondgebied van een lidstaat voor rekening van in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen, uit hoofde van overeenkomsten tussen regeringen; Gelet op nationale wetgeving inzake de verplichting tot het aanhouden van voorraden aardolieproducten; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „bevoegde autoriteit\", het overheidsorgaan van elke Verdragsluitende Partij dat verantwoordelijk is voor het toezicht op het voldoen door ondernemingen aan de voorraadverplichting; - b. „voorraden\", voorraden ruwe aardolie of aardolieproducten (met inbegrip van halffabrikaten en eindproducten) waarop de Richtlijn van toepassing is; - c. „voorraadverplichting\", de totale hoeveelheid voorraad die uit hoofde van de nationale wetgeving moet worden aangehouden; - d. „crisis in de voorziening\", hetzelfde als in artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn wordt verstaan; - e. „grondgebied\", het grondgebied van de desbetreffende Verdragsluitende Partij dat in Europa is gelegen; - f. „onderneming\", een onderneming of instantie gevestigd op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij die voorraden aanhoudt ten behoeve van het vergemakkelijken van de nakoming (door die onderneming of een derde) van de wetgeving inzake de verplichting tot het a"},{"i":3667,"b":"Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 1 juli 2009, nr. RR/2009/286 M, tot mandaatverlening aan de algemeen directeur van SenterNovem voor de uitvoering van de Tijdelijke regeling stimulering betere dienstverlening aan bedrijven (hierna: de Regeling) In overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op [artikel 10:3, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur van SenterNovem van 29-06-2009 (kenmerk ZJZ0913902); Besluit: Artikel 1 De algemeen directeur van AgentschapNL wordt gemandateerd tot: - a. het nemen van besluiten met betrekking tot de uitvoering van de [Regeling stimulering betere dienstverlening aan bedrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025960); - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 De algemeen directeur van AgentschapNL wordt gemachtigd tot: - a. het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026278&artikel=1&z=2010-03-04&g=2010-03-04) bedoelde besluiten; - b. het voeren van (hoger) beroepsprocedures over besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026278&artikel=1&z=2010-03-04&g=2010-03-04). Artikel 3 De algemeen directeur van AgentschapNL kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026278&artikel=1&z=2010-03-04&g=2010-03-04) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026278&artikel=2&z=2010-03-04&g=2010-03-04) ondermandaat en machtiging verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen. Het verlenen van ondermandaat zal zodanig geschieden dat er geen sprake zal zijn van strijdigheid met [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://we"},{"i":2377,"b":"Beleidsregel afsluitmiddelen in schotten van vissersvaartuigen Gelet op [artikel 2.1, derde lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op vissersvaartuigen die zijn geregistreerd in het register, bedoeld in [artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009353&artikel=4). Artikel 2 Voor schotten, afsluitmiddelen en afsluitingen van deze schotten aan boord van vissersvaartuigen alsmede de bevestiging en de beproeving ervan, dient een veiligheidsniveau aangetoond te worden dat ten minste gelijkwaardig is aan hetgeen is voorgeschreven door het op grond van [artikel 1.7, eerste lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](onbekend) gekozen klassebureau, dan wel als beschreven is in relevante ISO-normen op dit gebied. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze beleidsregel zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6940,"b":"Besluit vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 2008 ex art. 20 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2008: | Categorie 1 | € 95,25 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | € 31,75 | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | € 95,25 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 4 | € 95,25 | voor aanhangwagens en opleggers bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 6 | € 31,75 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 4, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 31,75 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 31,75 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1922,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 november 2025, kenmerk 4274001-1090913-LZ, houdende wijziging Subsidieregeling ADL-assistentie in verband met het vaststellen van het subsidieplafond voor 2025 en 2026 en de indexatie van het uurtarief voor 2026 Gelet op [artikel 7.1.1, vierde lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=7.1.1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling ADL-assistentie. Artikel II Op aanvragen om subsidie die zien op het jaar 2025 of eerdere jaren, op subsidies die voor het jaar 2025 of eerdere jaren zijn verleend en op subsidies die zijn vastgesteld voor het jaar 2025 of eerdere jaren, blijft het recht van toepassing dat gold ten aanzien van het betreffende jaar. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026, met uitzondering van [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051831&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01), dat in werking op 1 december 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6944,"b":"Besluit vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 2012 ex art. 20 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2012: | Categorie 1 | € 150,00 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | € 50,00 | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | € 150,00 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 4 | € 150,00 | voor aanhangwagens en opleggers bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 6 | € 50,00 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 4, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 50,00 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 50,00 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6941,"b":"Besluit vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 2009 ex art. 20 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2008/234. Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2009: | Categorie 1 | € 82,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | € 27,50 | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | € 82,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 4 | € 82,50 | voor aanhangwagens en opleggers bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 6 | € 27,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 4, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 27,50 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 27,50 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6283,"b":"Wet van 8 maart 2017 tot samenvoeging van de gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Menterwolde en Slochteren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Menterwolde en Slochteren samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Menterwolde en Slochteren opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Midden-Groningen ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Menterwolde en Slochteren, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Midden-Groningen wordt de op te heffen gemeente Menterwolde aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Menterwolde en Slochteren wordt de nieuwe gemeente Midden-Groningen aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang"},{"i":1923,"b":"Wijziging van de Uitvoeringsregeling accijns alsmede het nader uitwerken van een overgangsmaatregel in verband met een wijziging in de heffing van omzetbelasting op tabaksproducten Gelet op [artikel VIIf, tweede lid, van het Belastingplan 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032701&artikel=VIIf); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel II 1. Het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting, bedoeld in [artikel VIIf, eerste lid, van het Belastingplan 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032701&artikel=VIIf), betreft de in de kleinhandelsprijs, bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=35), begrepen omzetbelasting die is geheven met toepassing van [artikel 28 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=28), zoals dat op 30 juni 2013 luidde, van de tot de handelsvoorraad behorende tabaksproducten, zoals deze voorraad bij aanvang van 1 juli 2013 bij de ondernemer aanwezig is. 2. Als het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan, bedoeld in [artikel 31 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=31), wordt aangemerkt het tijdvak waar 30 juni 2013 in valt. 3. Voor de toepassing van dit artikel behoren tevens tot de aanwezige handelsvoorraad van de ondernemer de tabaksproducten die hij op of na 1 juli 2013 geleverd krijgt en waarvoor hij een vóór 1 juli 2013 opgemaakte factuur heeft ontvangen dan wel vóór die datum een betaling heeft gedaan. 4. Voor de toepassing van dit artikel behoren niet tot de aanwezige handelsvoorraad van de ondernemer de tabaksproducten die hij op of na 1 juli 2013 levert en waarvoor hij een vóór 1 juli 2013 opgemaakte factuur uitreikt dan wel vóór die datum de betaling voor deze tabaksproducten heeft ontvangen. 5. Onverminderd de algemene wettelijke voor de heffing van de omzetbelasting geldende administratieve verplichtingen"},{"i":5248,"b":"Regeling aanwijzing gebieden als speciale beschermingszone in kader van EG-Vogelrichtlijn Besluit: Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) worden de volgende gebieden aangewezen: - a. het op bijlage A van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Alde Feanen’; - b. het op bijlage B van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Hamert’; - c. het op bijlage C van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Lepelaarplassen’; - d. het op bijlage D van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Meinweg’; - e. het op bijlage E van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Zouweboezem’. 2. De aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, gaan vergezeld van een toelichtende nota. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":5920,"b":"Toeslagen, pleegvergoeding en kinderopvangtoeslag Dit besluit valt onder de werking van de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) (hierna: Awir) en heeft in de praktijk uitsluitend betrekking op het recht op een toeslag in de zin van de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017). Het besluit is in overeenstemming met de Minister voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot stand gekomen. 1. Inleiding Ingevolge de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) zoals deze luidt vanaf 1 januari 2006 kan een pleeggezin dat een pleegvergoeding ontvangt geen aanspraak maken op een kinderopvangtoeslag. Van een pleegkind is sprake als het kind door de ouder wordt opgevoed en onderhouden als een eigen kind. Een kind waarvoor een ouder een subsidie ontvangt op grond van [artikel 23 van de Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637&artikel=23) (hierna: pleegvergoeding), kan in verband met deze subsidie voor de opvoeding en verzorging, niet worden aangemerkt als pleegkind in de zin van [artikel 4 van de Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=4). In de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) zoals deze gold voor 2005, was in [artikel 1, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1), bepaald dat pleegouders die op grond van de destijds geldende [Wet op de jeugdhulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004608) een pleegvergoeding ontvingen, ondanks dat zij in verband hiermee het kind niet onderhielden als een eigen kind, toch als ouder in de zin van de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) werden aangemerkt. De achtergrond van deze uitzondering was dat kosten van kinderopvang niet in de pleegvergoeding zijn begrepen. Met de inwerkingtreding van de [Awir](https://wetten.overh"},{"i":6453,"b":"Besluit van 26 mei 2010 tot wijziging van het Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman in verband met de herstructurering van de Raad van State Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 juni 2009, 2009-0000286068, directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024788&artikel=2), en [3, tweede lid, van de Wet rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024788&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 11 juni 2009, nr. W04.09.0191/I ); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 mei 2010, nr. 2010-0000290541; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op de Raad van State (herstructurering Raad van State) in werking treedt. Artikel I Wijzigt het Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman. Artikel II Wijzigt het Besluit beroepsvereisten Raad van State. Artikel III Wijzigt het Besluit rechtspositionele voorschriften leden Raad van State en Algemene Rekenkamer. Artikel IV Vervallen Artikel V 1. Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [wet van 22 april 2010 houdende wijziging van de Wet op de Raad van State in verband met de herstructurering van de Raad van State](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027618) (Stb. 175) in werking treedt, met dien verstande dat [artikel I, onderdeel A, onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027813&artikel=I&z=2011-09-01&g=2011-09-01), terugwerkt tot en met 13 februari 2009 en [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027813&artikel=IV&z=2011-09-01&g=2011-09-01) terugwerkt tot en met 1 januari 2009. 2. [Artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027813&artikel=IV&z=2011-09-01&g=2011-09-01) vervalt een jaar na het"},{"i":6419,"b":"Besluit van 30 juni 2016 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PbEU 2014, L 60) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 18 april 2016, 2016-0000033688, directie Financiële Markten; Gelet op [richtlijn nr. 2014/17](32014L0017)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de [Richtlijnen 2008/48/EG](32008L0048) en [2013/36](32013L0036)/EU en Verordening (EU) nr. [1093/2010](32993L2010) (PbEU 2014, L 60) en de [artikelen 1:80, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:124b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:124b), [4:9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9), [4:15, tweede lid, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:15), [4:20, eerste lid en derde lid, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:20), [4:22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:22), [4:25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:25), [4:33, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:33), [4:74b, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:74b); De Afdeling advisering"},{"i":1924,"b":"Wijzigingsregeling Uitvoeringsregeling accijns en de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten Gelet op de [artikelen 71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=71), [75, vierde, zesde en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=75), [76, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=76), [77, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=77), [78, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=78), en [79, tweede lid, van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=79) en de [artikelen 33, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=33), en [35, tweede lid, van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=35); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. Artikel III 1. Tabaksproducten als bedoeld in [artikel 29 van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=29), die worden uitgeslagen tot verbruik vóór 1 januari 2013, mogen worden voorzien van een accijnszegel als bedoeld in [artikel 73, eerste lid van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=73), dat is aangevraagd vóór 1 juni 2012. 2. Pruimtabak en snuiftabak als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=1), die worden uitgeslagen of ingevoerd vóór 1 januari 2013, mogen worden voorzien van een belastingzegel als bedoeld in [artikel 35, eerste lid van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten](https://wet"},{"i":4608,"b":"Geluidhinder veroorzaakt door spooremplacementen; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer Geacht college, 1. Inleiding In Nederland vindt een belangrijk deel van het vervoer van personen en goederen plaats via het spoor. Deze vervoerswijze speelt een belangrijke rol bij het komen tot een duurzaam verkeers- en vervoersbeleid. Een goed functionerend spoorwegennet veronderstelt ook de aanwezigheid van emplacementen. Op emplacementen worden treinen gerangeerd, schoongemaakt en gewassen om vervolgens te kunnen worden ingezet voor een volgende dienst. Veel van deze activiteiten vinden plaats in de avond- en nachtperiode. Er zijn in ons land ruim honderd van deze emplacementen. Voor al deze emplacementen geldt dat ze door de activiteiten die er plaatsvinden in meer of mindere mate geluidhinder veroorzaken voor de omgeving. Al enige tijd is duidelijk dat lang niet alle emplacementen beschikken over een – dekkende – milieuvergunning. Daarbij blijkt tevens dat de geluidsbelasting van een belangrijk deel van de emplacementen de normen uit de [Circulaire industrielawaai](onbekend) overschrijdt. Een en ander is voor Railinfrabeheer van de NS aanleiding geweest om in 1995 te starten met het Project Industrielawaai emplacementen (PRIL), waarin via een landelijke aanpak wordt nagegaan welke maatregelen mogelijk zijn om te komen tot geluidreductie. Doel van PRIL is dat in de toekomst alle emplacementen beschikken over een toereikende milieuvergunning. Gedurende de laatste jaren zijn door gemeenten en provincies belangrijke inspanningen verricht om de achterstand in de vergunningverlening weg te werken. Ik acht het van belang dat ook ten aanzien van de vergunningverlening voor emplacementen de achterstand wordt ingehaald. De aangegeven ontwikkelingen maken echter dat het bevoegd gezag bij vergunningverlening soms voor lastige vragen komt te staan bij de toepassing van de [Circulaire industrielawaai](onbekend). Het gaat om de belangen van d"},{"i":2674,"b":"Aanwijzing gemeente Enschede als vestigingsplaats casino Gelet op [artikel 27p van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27p): Gezien de voordracht van de Raad voor de Casinospelen dd. 19 februari 1993; Overwegende dat de gemeenteraad van Enschede op 18 oktober 1993 heeft ingestemd met de aanwijzing van die gemeente als vestigingsplaats van een casino: Besluiten: Artikel 1 De gemeente Enschede wordt aangewezen als gemeente waarvoor ingevolge de Beschikking Casinospelen (Stcrt. 1988, 139) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. Artikel 2 Deze beschikking wordt in de Staatscourant gepubliceerd en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"i":3113,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse zaken van 23 april 2005, nr. DDI/ST/reg 006/2004, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van Sectie VI (Consulaire aangelegenheden) van de Nederlandse Missie bij de Geallieerde Bestuursraad te Berlijn 1945–1957 (1969) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van Sectie VI (Consulaire aangelegenheden) van de Nederlandse Missie bij de Geallieerde Bestuursraad te Berlijn 1945–1957 (1969), de in de eerste tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 00002 | 2026 | | 00003 | 2027 | | 00004 | 2024 | | 00005 | 2024 | | 00009 | 2027 | | 00012 | 2034 | | 00017 | 2025 | | 00022 | 2024 | | 00024 | 2024 | | 00026 | 2026 | | 00031 | 2025 | | 00039 | 2025 | | 00040 | 2025 | | 00045 | 2026 | | 00048 | 2025 | | 00053 | 2029 | | 00054 | 2028 | | 00061 | 2025 | | 00074 | 2033 | | 00087 | 2025 | | 00088 | 2028 | | 00090 | 2024 | | 00091 | 2025 | | 00092 | 2028 | | 00102 | 2028 | | 00103 | 2023 | | 00131 | 2024 | | 00136 | 2024 | | 00150 | 2027 | | 00156 | 2027 | | 00165 | 2029 | | 00168 | 2036 | | 00170 | 2027 | | 00179 | 2024 | | 00180 | 2030 | | 00188 | 2026 | | 00195 | 2025 | | 00197 | 2033 | | 00211 | 2029 | | 00238 | 2025 | | 00247 | 2024 | | 00255 | 2025 | | 00256 | 2027 | | 00258 | 2025 | | 00263 | 2029 | | 00264 | 2023 | | 00271 | 2026 | | 00272 | 2024 | | 00284 | 2024 | | 00286 | 2027 | | 00292 | 2029 | | 00294 | 2024 | | 00300 | 2026 | | 00309 | 2023 | | 00313 | 2024 | | 00323 | 2028 | | 00328 | 2024 | | 00332 | 2022 | | 00334 | 2031 | | 00337 | 2025 | | 00338 | 2025 | | 00340 | 2023 | | 00344 | 2030 | | 00350 | 2025 | | 00362 | 2025 | | 00375 | 2029 | | 00376 | 2026 | | 00381"},{"i":3716,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 27 juni 2017, nr. IENM/BSK-2017/159853, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (Besluit mandaat, volmacht en machtiging ANVS) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **ANVS:** Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=3), - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat, - **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Hoofdstuk 2. Mandaat, volmacht en machtiging Artikel 2. Bestuursrechtelijke bevoegdheden 1. Aan de ANVS wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met: - a. het aanvragen van een vergunning op grond van [Verordening (EG) nr. 428/2009](32009R0428) van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PbEU 2009, L 134); - b. het opleggen van een last onder bestuursdwang ter handhaving van hetgeen bij of krachtens de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) is bepaald; - c. [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=8), [11"},{"i":2507,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 11 november 2020, nr. 25767002, houdende de taakuitoefening van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (Beleidsregel taakuitoefening NWO) Gelet op [artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21) en [artikel 19 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=19); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **KNAW-instituten:** instituten van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen; - **NWO:** Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek; - **NWO-instituten:** instituten van NWO; - **Nationale Wetenschapsagenda:** het NWO-programma ‘de Nationale Wetenschapsagenda’; - **umc:** academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van de [bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](onbekend); - **universiteiten:** universiteiten als bedoeld in de onderdelen a, b en h van de [bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](onbekend); - **VSNU:** Vereniging van Universiteiten; - **wet:** [Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191). Artikel 2 1. De uitvoering van de taak van NWO, bedoeld in [artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=3) heeft mede betrekking op het toewijzen van financiële middelen aan universiteiten, umc’s, NWO-instituten en KNAW-instituten. Deze financiële middelen zijn bestemd voor onderzoekers van deze instellingen: - a. van wie het onderzoek vertraging heeft opgelopen door de veranderde werkomstandigheden als gevolg van de uitbraak van COVID-19, - b. die zich in de laatste fase van hun tijdelijke aanstelling bevinden, en - c. die hun onderzoeksopzet niet meer kunnen aanpassen. 2."},{"i":4046,"b":"Besluit van 5 juli 2008, nr. 08.002018, houdende toekenning van een vaste beloning aan de leden van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 26 juni 2008, nr. 5479962; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De leden van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding ter grootte van 0,15 maal het salaris conform de hoogste trede van schaal 18 van het [Bezoldigingsbesluit Rijksambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630). In deze vergoeding zijn de onkosten, waaronder reiskosten, inbegrepen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 4 juli 2007. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":3893,"b":"Besluit van 11 december 2013, houdende regels voor de opleiding van registerloodsen, noordzeeloodsen en VTS-operators en de bij die functies behorende bevoegdheden en verplichtingen (Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 14 november 2013, nr. IenM/BSK-2013/254642, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [Richtlijn 79/115/EEG](31979L0115) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1978 inzake het loodsen van schepen door Noordzee-loodsen op de Noordzee en het Kanaal (Pb EEG L 33/32), [richtlijn nr. 2009/16/EG](32009L0016) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PbEU L 131) en de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=2), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=5), [9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=9), [24, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=24), en [47, eerste lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=47), [artikel 9 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=9), de [artikelen 19, eerste lid, onderdeel a, van de Wet zeevarenden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124&artikel=19) en [artikel XVIII van de Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032046&artikel=XVIII); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 november 2013, no. W14.13.0406/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 7 december 2013, ienm/bsk-2013/286492, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In dit besluit en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan"},{"i":2508,"b":"Beleidsregel taalbeheersing machinisten Spoorwegwet Gelet op de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=76) en [77 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=77), [artikel 5, tweede lid van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=5), de [artikelen 4:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [5: 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:24) en [5:32 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:32); Besluit: Artikel 1 Bij de beoordeling van de vraag of er voldaan is aan het vereiste van taalbeheersing in de zin van [artikel 5, tweede lid van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=5), hanteert de Inspectie Leefomgeving en Transport niveau 3 van bijlage VI bij [richtlijn nr. 2007/59/EG](32007L0059) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de gemeenschap besturen (Pb EU L 315). Artikel 2 Indien de Inspectie Leefomgeving en Transport besluit een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom op te leggen vanwege onvoldoende taalbeheersing van de machinist, richt het besluit tot oplegging van die last zich tot degene onder wiens gezag die machinist zijn functie uitoefent. Artikel 3 [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033828&artikel=2&z=2013-08-31&g=2013-08-31) is van overeenkomstige toepassing bij het opleggen van een bestuurlijke boete. Artikel 4 1. Deze beleidsregels worden met toelichting in de Staatscourant geplaatst. 2. Deze beleidsregels treden in werking de dag na de plaatsing in de Staatscourant."},{"i":2506,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 19 april 2020, nr. WJZ/19207028, met betrekking tot de taakuitoefening van het Centraal bureau voor de statistiek (Beleidsregel taakuitoefening CBS) Gelet op [artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21) en de [artikelen 3 tot en met 5 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=3); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **aanvullende statistische dienst:** een statistische dienst die niet bekostigd wordt uit de algemene bijdrage van de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **directeur-generaal:** directeur-generaal van de statistiek; - **innovatief project:** project waarin wordt onderzocht of het gebruik van nieuwe technologieën of processen leidt tot betere statistieken of een efficiënter proces om tot deze statistieken te komen; - **CBS:** Centraal bureau voor de statistiek. § 2. Aanbieden van diensten Artikel 2 1. Het CBS onthoudt zich van het actief verwerven van verzoeken voor aanvullende statistische diensten. 2. Het CBS onthoudt zich in ieder geval van: - a. het meedingen naar een opdracht, waarvoor een aanbestedingsprocedure in gang is gezet op basis van de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203); - b. het uit eigen beweging benaderen van partijen om statistische dienstverlening aan te bieden; - c. algemene wervingsactiviteiten voor dienstverlening op markten waar private aanbieders werkzaam zijn. 3. In afwijking van het eerste lid en het tweede lid, aanhef en onderdeel b, mag het CBS een overheid actief benaderen indien situaties waarmee zwaarwegende publieke belangen gemoeid zijn dat vereisen. Artikel 3 Het CBS stelt het verlenen van een statistische dienst niet afhankelijk van de voorwaarde andere aanvullende statistische diensten bij het CBS af te nemen, tenzij deze"},{"i":2509,"b":"Beleidsregel Tarieventabel Handhaving Centraal Bureau voor de Statistiek Algemeen Het doel van de bestuursrechtelijke handhaving van de responsverplichting (verder: handhaving) is om de volledigheid van de respons binnen de wettelijke inzendtermijn van verplichte statistieken te verhogen. Dit bevordert de tijdigheid en kwaliteit van de CBS statistieken. De uitvoering van handhaving gebeurt door een zelfstandig organisatieonderdeel van het CBS (verder: handhavingsorganisatie). Zowel voor de bestuurlijke boete als de last onder dwangsom geldt dat de hoogte van de boete, respectievelijk de te verbeuren dwangsom, wordt bepaald door een afweging van de aard, ernst en omvang van de overtreding met inachtneming van het wettelijke maximum van de bestuurlijke boete. De Tarieventabel Handhaving Centraal Bureau voor de Statistiek (verder: tarieventabel) geeft voor deze afweging richtlijnen. Deze tarieventabel is door de Directeur-Generaal van de Statistiek vastgesteld en geldt vanaf 1-1- 2006 voor alle overtredingen van het niet nakomen van de responsverplichting die vanaf deze datum door de handhavingsorganisatie worden geconstateerd. Last onder dwangsom De handhavingsorganisatie past in eerste instantie het handhavingsinstrument van de last onder dwangsom toe. Hiermee wordt nadrukkelijk beoogd om de gevraagde gegevens alsnog te verkrijgen. De duur van de begunstigingstermijn1 bedraagt in alle gevallen 14 kalenderdagen. De hoogte van de te verbeuren dwangsom is in eerste instantie achtereenvolgens afhankelijk van: • de omvang2 van de onderneming, vrije beroepsbeoefenaar, instelling of rechtspersoon aan wie de last onder dwangsom is opgelegd; • de periode 3 waarop de gevraagde gegevens betrekking hebben; •en het responsgedrag4. Indien een onderneming, vrije beroepsbeoefenaar, instelling of rechtspersoon binnen twaalf maanden voorafgaand aan de datum van de overtreding voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister wordt de te verbeuren dwangsom verlaagd met 50%. In"},{"i":3091,"b":"Besluit van 22 december 2011, nr. WJZ/11168400, houdende bekendmaking van het via de procedure van veiling verdelen van vergunningen voor frequentieruimte in de 800, 900 en 1800 MHz-band Besluit op grond van [artikel 3, eerste en derde lid, van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=3) het volgende: Besluit: Artikel 1 De volgende vergunningen worden verdeeld door middel van de procedure van een veiling overeenkomstig de [Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen 800, 900 en 1800 MHz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031069): - a. zes vergunningen voor het gebruik van de frequentieruimte binnen het frequentiebereik 791–821 MHz en 832–862 MHz, - b. zeven vergunningen voor het gebruik van de frequentieruimte binnen het frequentiebereik 880–915 MHz en 925–960 MHz, - c. veertien vergunningen voor het gebruik van de frequentieruimte binnen het frequentiebereik 1710–1780 MHz en 1805–1875 MHz, - d. twee vergunningen voor het gebruik van de frequentieruimte binnen het frequentiebereik 1959,7–1969,7 MHz en 2149,7–2159,7 MHz, - e. een vergunning voor het gebruik van de frequentieruimte binnen het frequentiebereik 1900 en 1904,9 MHz en tussen 2010 en 2019,7 Mhz, - f. tien vergunningen voor het gebruik van de frequentieruimte binnen het frequentiebereik 2565 en 2615 MHz, en - g. een vergunning voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2615–2620 MHz. Artikel 2 De procedure, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031082&artikel=1&z=2011-01-07&g=2011-01-07), vangt aan op 16 april 2012. Artikel 3 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is geplaatst."},{"i":1925,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 27 oktober 2020, nr. 2020-0000196116, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling accijns Gelet op [artikel 78 van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=78); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel II Tabaksproducten mogen nog tot en met 30 juni 2021 bij de uitslag tot verbruik zijn voorzien van een accijnszegel als bedoel in [artikel 44 van de Uitvoeringsregeling accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005355&artikel=44) zoals dat luidde op 31 december 2020, mits hierop de juiste tariefcode, bedoeld in artikel 44, derde lid, van de Uitvoeringsregeling accijns, is vermeld. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Bijlage Wijziging van de [Uitvoeringsregeling accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005355) Beschrijving voorstel/regeling De wijzigingen van de [Uitvoeringsregeling accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005355) houden verband met de introductie van een nieuw accijnszegel met ingang van 1 januari 2021. De nieuwe accijnszegel heeft onder meer nieuwe echtheidskenmerken. Omdat het bedrijfsleven mogelijk op 31 december 2020 nog voorraden ‘oude’ accijnszegels heeft, is bepaald dat tabaksproducten nog tot en met 31 maart 2021 bij de uitslag tot verbruik mogen zijn voorzien van een ‘oud’ accijnszegel, mits hierop de juiste tariefcode is vermeld. De nieuwe tariefcodes voor sigaretten en rooktabak in verband met de verhoging van de accijns op tabaksproducten met ingang van 1 januari 2021 zijn in deze regeling vastgesteld. Interactie burgers/bedrijven De wijzigingen worden meegenomen in de communicatie via de reguliere kanalen. Maakbaarheid systemen De noodzakelijke wijzigingen van de systemen kunnen tijdig worden verwerkt. Handhaafbaarheid Niet van toepassing. Fraudebestendigheid Niet van toepassing. Complexiteitsgevolgen Niet van toepassing. Risico procesverstoringen Het risico op pro"},{"i":7096,"b":"Protocol inzake de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand De Hoge Contracterende Partijen, Overwegende, dat België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Zwitserland bij notawisseling de Internationale Commissie voor de Burgerlijke stand hebben erkend, Overwegende, dat de wijze waarop de uitwisseling van de door deze Commissie tot stand gebrachte documentatie zal geschieden, nader moet worden omschreven, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Vervallen Artikel II Vervallen Artikel III Vervallen Artikel IV Vervallen En foi de quoi les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont igné le présent Protocole qui sera déposé aux archives de la Confédération Suisse et dont une copie, certifiée conforme, sera remise par la voie diplomatique à chacune des Hautes Parties Contractantes. Fait à Berne, le 25 septembre 1950."},{"i":7836,"b":"Besluit intrekking, schorsing en opschorting Wet algemene ouderdomsverzekering BES Artikel 1. Intrekking of herziening van het recht op ouderdomspensioen bij onjuiste of onvolledige informatieverstrekking 1. Indien een ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend, dan wel ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verhoogd als gevolg van het verstrekken van onjuiste inlichtingen door degene, aan wie het ouderdomspensioen is toegekend of door het orgaan, waaraan op grond van [artikel 14 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=14) ouderdomspensioen wordt uitbetaald, kan Onze Minister de intrekking of de herziening van het ouderdomspensioen laten ingaan op de dag, met ingang waarvan het ouderdomspensioen is toegekend, dan wel is verhoogd. 2. Indien intrekking of herziening van een ouderdomspensioen ten onrechte achterwege is gebleven door het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in [artikel 34 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=34), kan Onze Minister de intrekking of de herziening van het ouderdomspensioen laten ingaan op de eerste dag van de maand, volgende op de maand, waarin de verandering van feiten of omstandigheden zich heeft voorgedaan. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene, die is gehuwd met degene aan wie een ouderdomspensioen is toegekend of een recht op toeslag op het ouderdomspensioen als bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7a). Artikel 2. Intrekking of herziening na toekenning van het ouderdomspensioen wegens het ontbreken van premiebetaling 1. Indien Onze Minister na de toekenning van een ouderdomspensioen constateert dat een gepensioneerde schuldig nalatig is geweest premie te betalen, kan Onze Minister het ouderdomspensioen met terugwerkende kracht intrekken of h"},{"i":7839,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2007 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), wordt voor het kalenderjaar 2007 vastgesteld op 5,63%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2007. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7832,"b":"Besluit van 9 juli 1981, houdende goedkeuring van uitbreiding van de werkzaamheden van De Nederlandsche Bank N.V Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, Centrale Directie juridische Zaken, dd. 7 juli 1981 nr. G 81-397; Overwegende, dat het in het algemeen belang is te achten dat De Nederlandsche Bank N.V. bevoegd is een rechtspersoon naar Nederlands recht op te richten, welke belast zal zijn met het verrichten van bepaalde financiële werkzaamheden, verband houdende met de uitvoering van de tussen Iran en de Verenigde Staten van Amerika overeengekomen Akkoorden van Algiers dd. 19 en 20 januari 1981, daarin deel te nemen en functies te vervullen en alle handelingen te verrichten, die nodig zijn om de rechtspersoon binnen haar doelomschrijving naar behoren te doen functioneren; Gelet op [artikel 9 van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9); Gezien het advies van de Bankraad; Hebben goedgevonden en verstaan: art 1 Wij verlenen aan De Nederlandsche Bank N.V. goedkeuring om een rechtspersoon naar Nederlands recht op te richten, welke belast zal zijn met het verrichten van bepaalde financiële werkzaamheden, verband houdende met de uitvoering van de tussen Iran en de Verenigde Staten van Amerika overeengekomen Akkoorden van Algiers d.d. 19 en 20 januari 1981, daarin deel te nemen en functies te vervullen en alle handelingen te verrichten, die nodig zijn om de rechtspersoon binnen haar doelomschrijving naar behoren te doen functioneren. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het **Staatsblad** en in de **Nederlandse Staatscourant** zal worden geplaatst."},{"i":7833,"b":"Besluit van 7 april 1999 tot uitvoering van artikel 9, aanhef en onder c, van de Bankwet 1998 Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, Centrale Directie Wetgeving, Juridische en Bestuurlijke Zaken d.d. 24 maart 1999, nr. WJB 99/277M; Gelet op de start van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie op 1 januari 1999 en in verband daarmee het vervangen van de gulden door de euro alsmede het opereren van De Nederlandsche Bank N.V. binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken; Gelet op het initiatief van De Nederlandsche Bank N.V. om ter gelegenheid van de komst van de euro en het afscheid van de gulden een éénmalige bijdrage te willen leveren voor kunstaankopen ten behoeve van het nationaal kunstbezit; Gelet op [artikel 9, aanhef en onder c, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In het kader van het beëindigen van de taak van De Nederlandsche Bank N.V. tot het reguleren en zoveel mogelijk stabiliseren van de waarde van de gulden en de invoering van de euro, verkrijgt De Nederlandsche Bank N.V. toestemming om eenmalig aan de Stichting Nationaal Fonds Kunstbezit gevestigd te Amsterdam een bedrag te schenken dat op eenzelfde wijze wordt berekend als het deel van de winst dat over het boekjaar 1998 zonder deze schenking met toepassing van de uit 1974 daterende regeling aan de reserve zou worden toegevoegd, onder de voorwaarde dat de daarmee aangekochte of aan te kopen kunstwerken eigendom worden van de Staat ten behoeve van openbare collecties, alsmede om alle met deze schenking verband houdende werkzaamheden te verrichten. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7831,"b":"Besluit van 2 juni 1994, tot uitvoering van artikel 21 van de Bankwet 1948 in verband met het Besluit particuliere participatiemaatschappijen Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, Centrale Directie Wetgeving, Juridische en Bestuurlijke Zaken, van 25 mei 1994, nr. WJB 97/754; Overwegende dat het wenselijk is dat De Nederlandsche Bank N.V., in het algemeen belang, de werkzaamheden verricht, welke voor haar als toezichthouder zijn verbonden aan het [Besluit particuliere participatiemaatschappijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006526); Gelet op [artikel 9 van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9); Gezien het advies van de Bankraad; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Wij verlenen Onze goedkeuring aan het verrichten door De Nederlandsche Bank N.V. van de werkzaamheden, welke voor haar als toezichthouder zijn verbonden aan de uitvoering van het [Besluit particuliere participatiemaatschappijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006526). Artikel 2 1. Het koninklijk besluit van 29 juni 1981, **Stb.** 402, wordt ingetrokken. 2. De goedkeuring die bij het in het eerste lid genoemde besluit is verleend blijft gehandhaafd ten aanzien van de werkzaamheden die De Nederlandsche Bank N.V. verricht overeenkomstig de bepalingen van de Garantieregeling particuliere participatiemaatschappijen 1981 die van toepassing blijven ten aanzien van participaties die gemeld zijn vóór 1 april 1994. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1994. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** en in de **Staatscourant** zal worden geplaatst."},{"i":7837,"b":"Besluit maximale aanvangswaarde Regeling herverzekering investeringen Gelet op [artikel 9, eerste en tweede lid, van de Regeling herverzekering investeringen](onbekend); Besluit: Artikel 1 Het bedrag van de maximale aanvangswaarde van de investering, waarvoor herverzekering kan worden verleend vast te stellen op € 46.000.000. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 oktober 1997."},{"i":3624,"b":"Besluit van 2 september 2020, houdende regels inzake de behandeling van klachten over de raad voor de kinderbescherming door een klachtadviescommissie (Besluit klachtadviescommissie raad voor de kinderbescherming) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 18 juni 2020, nr. 2946848, directie Wetgeving en Juridische Zaken, Gelet op [artikel 239, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=239); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 juli 2020, nr. W16.20.0198/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 27 augustus 2020, nr. 2986201, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister voor Rechtsbescherming; - b. **Raad:** de raad voor de kinderbescherming, bedoeld in [artikel 238, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=238); - c. **Klachtadviescommissie:** een commissie als bedoeld in [artikel 9:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14). Artikel 2 De behandeling van en advisering over klachten vindt plaats door een klachtadviescommissie. [Afdeling 9.1.3. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=9.1.3) is van toepassing. Artikel 3 1. Er zijn vier klachtadviescommissies waarin onafhankelijke personen zitting hebben. 2. Elke commissie behandelt de klachten over gedragingen van een medewerker van de raad, werkzaam bij de landelijke staforganisatie of in een van de gebieden, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036636&artikel=2), waarvoor zij bevoegd is en brengt daarover advies uit. 3. In afwijking van het tweede lid worden klachten betreffende de algeme"},{"i":1926,"b":"Wijzigingsregeling Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (2013) Gelet op [artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5b); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel II 1. De verplichting tot het openbaar maken van de informatie, bedoeld in [artikel 1a, zevende lid, onderdeel h, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006736&artikel=1a), is eerst van toepassing met betrekking tot boekjaren die zijn geëindigd na 31 december 2011. 2. De informatie, bedoeld in [artikel 1a, zevende lid, onderdeel h, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006736&artikel=1a), wordt in afwijking van artikel 1a, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, uiterlijk: - a. 1 januari 2014 openbaar gemaakt voor zover die informatie betrekking heeft op het voorlaatste volledige boekjaar voorafgaand aan 1 januari 2014; - b. 1 juli 2014 openbaar gemaakt voor zover die informatie betrekking heeft op het laatste volledige boekjaar voorafgaand aan 1 januari 2014. Artikel III De verplichting tot het openbaar maken van informatie, bedoeld in [artikel 1a, eerste lid, onderdeel j, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006736&artikel=1a), is voor kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd die op grond van [artikel 5b, zesde lid, derde volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5b) als algemeen nut beogende instelling worden aangemerkt, eerst van toepassing met ingang van 1 januari 2016. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Deze regeling zal met de toelichting"},{"i":7091,"b":"Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek BES Overgangsrecht Titel 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. De in deze wet zonder nadere aanduiding aangehaalde bepalingen zijn de bepalingen van de ingevoerde boeken 1 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. 2. In de volgende artikelen worden onder «de wet» verstaan de in werking getreden bepalingen van de in het eerste lid bedoelde boeken. 3. In deze wet wordt, voor zover nodig, mede verstaan onder: - a. het Burgerlijk Wetboek: het Burgerlijk Wetboek BES; - b. het Faillissementsbesluit 1931: de [Faillissementswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028917); - c. het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496); - d. het Wetboek van Koophandel: het [Wetboek van Koophandel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028278). Artikel 2 1. Van het tijdstip van haar in werking treden af is de wet van toepassing, indien op dat tijdstip is voldaan aan de door haar voor het intreden van een rechtsgevolg gestelde vereisten, tenzij uit de volgende artikelen iets anders voortvloeit. 2. Voor zover en zolang op grond van de volgende artikelen de wet niet van toepassing is, blijft het vóór haar in werking treden geldende recht van toepassing. Artikel 3 1. Wanneer de wet van toepassing wordt, heeft dat niet tot gevolg dat alsdan: - a. iemand een vermogensrecht verliest dat hij onder het tevoren geldende recht had verkregen; - b. een schuld op een ander overgaat; - c. het bedrag van een vordering wordt gewijzigd; - d. een goed met een beperkt recht wordt belast; - e. een vorderingsrecht ontstaat, indien reeds voordien aan alle vereisten die de wet daartoe stelt, was voldaan. 2. Bestaat op het tijdstip waarop de wet van toepassing wordt, een voortdurende toestand waaraan zij een vorderingsrecht verbindt, dan geldt zij daarvoor van dat tijdstip af voor het vervolg, tenzij uit de volgende artikelen iets anders voortvloeit. Artikel 4 Tenzij"},{"i":6046,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen omtrent de grensscheiding tussen de beide Rijken op enige punten langs de provincie Limburg en het district Aken Door het grenstractaat tusschen Hunne Majesteiten den Koning der Nederlanden en den Koning van Pruissen, den 26sten Junij 1816 te Aken geteekend, zijn de grenzen hunner respectieve Staten aan den regter Maasoever en langs het Groot-Hertogdom Luxemburg definitief vastgesteld, en krachtens de bepalingen van dat tractaat is de aanduiding der grenzen geregeld geworden en gewaarmerkt bij het algemeen proces-verbaal der grenslijn tusschen de Koningrijken der Nederlanden en van Pruissen, houdende de beschrijving van alle de rigtingen en bogten van die grens, enz., geteekend te Emmerik den 23sten September 1818. Maar sedert dat tijdperk zijn de uiterlijke grensteekens, bedongen bij de artt. 22 en 24 van het Akensche verdrag tusschen de palen 238—239, 263—266, 268—271 en 372—373, zoo als die omschreven zijn in het Emmeriksche algemeene proces-verbaal, veranderd geworden en zijn op vele plaatsen verdwenen of kunnen op vele andere plaatsen niet dan met veel moeite teruggevonden worden. De noodzakelijkheid bestond dus om in deze gapingen in de uiterlijke grensteekens te voorzien door een bijvoegsel tot het verdrag en tot het algemeen proces-verbaal bovenvermeld. Te dien einde zijn tot commissarissen benoemd en als zoodanig met volmagten voorzien geworden: door Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, de heer PIETER JOSEPH AUGUST MARIE VAN DER DOES DE WILLEBOIS, Hoogstdeszelfs commissaris in het hertogdom Limburg, kommandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, groot-officier der orde van de Eikenkroon, ridder 2de klasse met de ster der Koninklijke Kroonorde, ridder 4de klasse der orde van den Rooden Adelaar, groot-officier der Koninklijke Belgische Leopoldsorde, enz.; en de heer THEOPHILUS FRANÇOIS LEMIRE, ingenieur-verificateur van het kadaster in de provincien Gelderland en Utrecht en in e"},{"i":6493,"b":"Besluit van 11 juni 2004 tot wijziging van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen (uitvoering Euratom-richtlijn basisnormen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 8 januari 2004, nr. MJZ2003132977, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [richtlijn nr. 96/29](31996L0029)/Euratom van de Raad van de Europese Unie van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PbEG L 159) en de [artikelen 15c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15c), [16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=16), [21, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=21), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=29), [29a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=29a), [31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=31), [32, eerste, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=32), [67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=67), [76, derde lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=76) en [artikel 8.41, tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.41); De Raad van State gehoord (advies van 2 april 2004, nr. W08.04.0032/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 4 juni 2004, nr. MJZ 2004054618, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken, de St"},{"i":6492,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 16 maart 2021, Min-Buza.2021.7642-10, tot wijziging van het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 21 januari 2020, nr. Min-BuZa.2019.4758-25, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging inzake uitvoering van het Voice 2016–2024 Fonds Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit verlening mandaat, volmacht en machtiging inzake uitvoering Voice 2016–2024 Fonds. Artikel II Besluiten genomen door en voorbereidingshandelingen verricht door Directeur regiokantoor Hivos te Jakarta worden na inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als besluiten genomen door en voorbereidingshandelingen verricht door Directeur Yayasan (Stichting) Hivos te Jakarta. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 maart 2021. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1932,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 december 2014, nr. IZV 2014/715M, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen inzake de fiscaliteit en douane alsmede van de Wet op de accijns Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Artikel III Wijzigt de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Artikel V Wijzigt de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting. Artikel VI Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel VII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel VIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringsregeling verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Artikel IXa Wijzigt het Algemeen douanebesluit. Artikel X Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel XI Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XII Wijzigt de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. Artikel XIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel XIV Wijzigt de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Artikel XV Wijzigt de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Artikel XVI Wijzigt de Uitvoeringsregeling Belastingwet BES. Artikel XVII Voor overeenkomsten tot het verlenen van diensten inzake het adviseren en ondersteunen van paritaire organisaties die zijn gesloten voor 1 januari 2015, blijft [artikel 9a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002634&artikel=9a), zoals dat op 31 december 2014 luidde, van toepassing tot en met 31 december 2017. Artikel XVIII [Artikel 20, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006736&artikel=20) is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een pseudo-eindheffing als bedoeld in [artikel 32bc van de Wet op de loonbelasti"},{"i":1933,"b":"Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=3), [5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5b), [5c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5c) en [5d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5d); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Artikel V Met betrekking tot een instelling die vóór de datum van inwerkingtreding van deze regeling door de inspecteur is aangemerkt als algemeen nut beogende instelling, is tot de eerstvolgende wijziging van haar regelgeving [artikel 1a, eerste lid, onderdeel h, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006736&artikel=1a) niet van toepassing, maar blijft tot die wijziging [artikel 41a, eerste lid, onderdeel h, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012031&artikel=41a), zoals dat luidde op 31 december 2011, van toepassing. Artikel VI Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1934,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 29 mei 2018, nr. 2018-0000069720, tot wijziging van de Wet op de accijns, de Wet belastingen op milieugrondslag, het Uitvoeringsbesluit accijns en enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen Artikel I Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel II Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel III Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel V Wijzigt de Uitvoeringsregeling verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Artikel VI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel VIII Tabaksproducten mogen nog tot en met 31 december 2019 bij de uitslag tot verbruik zijn voorzien van een accijnszegel met een grootte van 2,4 x 4,3 cm, mits hierop de juiste tariefcode, bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling accijns, is vermeld. Artikel IX 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2018, met dien verstande dat de [artikelen V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040988&artikel=V&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040988&artikel=VII&z=2019-01-01&g=2019-01-01) terugwerken tot en met 1 april 2018. 2. In afwijking van het eerste lid treden de [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040988&artikel=II&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040988&artikel=III&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040988&artikel=VI&z=2019-01-01&g=2019-01-01) in werking met ingang van 15 september 2018. 3. In afwijking van het eerste lid treden [artikel IV, onderdelen A en B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040988&artikel=IV&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [artikel VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040988&artikel=VIII&z=2019-01-01&g=2019-01-01) in werking met ingang van 1 januari 2019. Gelet op [artikel 2:1 v"},{"i":1935,"b":"Wet van 19 december 1991, tot wijziging van de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen en enkele andere wetten (aanpassing in verband met communautaire regelgeving alsmede enkele andere wijzigingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen in overeenstemming te brengen met [Verordening (EEG) nr. 4046/89](31989R4046) betreffende de zekerheid die moet worden gesteld om de betaling van een douaneschuld te waarborgen (**PbEG** L 388), [Verordening (EEG) nr. 2503/88](31988R2503) betreffende de douane-entrepots (**PbEG** L 225), [Verordening (EEG) nr. 2561/90](31990R2561) tot uitvoering van de Verordening douane-entrepots (**PbEG** L 246), [Verordening (EEG) nr. 2504/88](31988R2504) betreffende de vrije zones en de vrije entrepots (**PbEG** L 225), [Verordening (EEG) nr. 2562/90](31990R2562) tot uitvoering van de Verordening vrije zones en vrije entrepots (**PbEG** L 246), [Verordening (EEG) nr. 4151/88](31988R4151) tot vaststelling van de bepalingen die van toepassing zijn op goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht ( **PbEG** L 367), dat het eveneens wenselijk is om de wetgeving inzake de verbruiksbelastingen aan te passen aan de verordeningen betreffende het binnenbrengen, de douane-entrepots en de vrije zones en vrije entrepots, dat het voorts wenselijk is in de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen regeling te treffen voor de berekening van de belasting in bepaalde gevallen van vermis van goederen in fictief entrepot en ter zake van het mogelijk maken van een andere wijze van toezicht dan door middel van documenten en dat het ten slotte wenselijk is enkele andere wijzigingen in die wet aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijziginge"},{"i":1936,"b":"Wet van 27 mei 2011, houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten ten behoeve van de rechtsbescherming met betrekking tot de administratieplicht en controlehandelingen van de fiscus Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de rechtsbescherming van belastingplichtigen met betrekking tot de administratieplicht en controlehandelingen van de fiscus te versterken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel II Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel III Vervallen Artikel IV Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel V Vervallen Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIII Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel IX Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel X Onze Minister van Financiën zendt binnen vier jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel XI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1940,"b":"Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 IV – Herziening successie- en schenkingsrecht, BTW-maatregelen, artiesten- en sportersregeling, alsmede overige aanpassingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2002 wenselijk is maatregelen te treffen inzake de herziening van het successieen schenkingsrecht, BTW, artiesten- en sportersregeling, alsmede overige onderwerpen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I onderdelen B, C, D, F en H en artikel X werken terug tot en met 1 januari 2001. Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel IV Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel V Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel VI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel VIIIA Wijzigt de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. Artikel VIIIB 1. Teruggaaf van accijns voor bier, wijn en tussenproducten op de voet van de [artikelen 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=70) en [71 van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=71) wordt tot en met 31 mei 2002 verleend naar het tot en met 31 maart 2002 geldende tarief, tenzij belanghebbende aantoont dat de accijns naar het vanaf 1 april 2002 geldende tarief is voldaan. 2. Teruggaaf van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken op de voet van de [artikelen 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802&artikel=32) en [33 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van en"},{"i":1941,"b":"Wet van 18 december 2003 tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Overige fiscale maatregelen 2004) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel V Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel VI Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel VII Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel IX Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel X Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XI Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XIV Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XV Wijzigt de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Artikel XVI Wijzigt de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Artikel XVII Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel XVIII Wijzigt de Goedkeuringswet Verdrag tussen Nederland en België tot het vermijden van dubbele belastingen en voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar inkomen en vermogen. Artikel XIX Wijzigt de Wijzigingswet Wet inkomstenbelasting 2001, enz. (Belastingplan 2003 Deel I). Artikel XX Met betrekking tot voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in [artikel 28r, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=28r), en betalingen als bedoeld in [artikel 28s, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=28s), zoals opgenomen in [artikel IX, onderdelen A en B, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016207&artikel=IX&z=2004-01-01&g=2004-01-01), gegeven respectievelijk ver"},{"i":1942,"b":"Wet van 11 december 2002, houdende wijziging van belastingwetten c.a. (Vervolgwijzigingen in samenhang met de Belastingherziening 2001) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VII Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VIII Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel IX Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel X Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen. Artikel XI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XII Wijzigt de Wijzigingswet Wet inkomstenbelasting 2001, enz. (Belastingplan 2002 I - Arbeidsmarkt en inkomensbeleid), de Wet op de inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XIII Wijzigt de Wijzigingswet Wet inkomstenbelasting 2001, enz. (Belastingplan 2002 II - Economische infrastructuur), de Wet op de vennootschapsbelasting1969 en de Wijzigingswet Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid). Artikel XIV De wijzigingen ingevolge de [Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II Economische infrastructuur)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013187) (Stb. 641) in de [Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515) en de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) zijn, in afwijking van [artikel VIII, vijfde lid, van de Wet van 14 december 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013187&artikel=VIII) (Stb. 641), tevens van toepassing op geldleningen die zijn aangegaan voor 1 januari 2002 , indien op of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet: - a. de voorwaarden waaron"},{"i":1943,"b":"Wet van 18 december 1997, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. 1998 (fiscale structuurversterking) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het belastingplan 1998 wenselijk is de werkgelegenheid en de scholing van werknemers te bevorderen en de economische structuur te versterken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel III werkt terug tot en met 1 januari 1997. ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. ARTIKEL III Wijzigt de Invorderingswet 1990. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 ARTIKEL V Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. ARTIKEL VI Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. ARTIKEL VII Artikel 10, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vindt geen toepassing met betrekking tot de na de totstandkoming van deze wet door Onze Minister krachtens het vierde lid van dat artikel te treffen regeling. ARTIKEL VIII Het koninklijk besluit van 24 september 1997 (Stb.423) tot wijziging van het [Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002636) (regeling aftrek voorbelasting op outplacement) wordt goedgekeurd. ARTIKEL IX 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1998, met uitzondering van [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009218&artikel=I&z=1998-02-13&g=1998-02-13), en [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009218&artikel=IV&z=1998-02-13&g=1998-02-13), die in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, doch niet eerder dan het tijdstip waarop een protocol is gesloten tussen de landen van het Koninkrijk waarin is opgenomen dat: - a. voor de berekening v"},{"i":1944,"b":"Wet van 13 december 1996 tot wijziging van enige belastingwetten (herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het regime voor de inkomstenbelasting ter zake van winst uit aanmerkelijk belang te herzien ten einde te komen tot een evenwichtiger behandeling van voordelen uit aandelen en vervreemdingswinst op aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren en voorts dat het wenselijk is te komen tot een beperking van de aftrekbaarheid van rente op consumptieve leningen voor die belasting alsmede tot een wijziging van de vermogensbelasting en enige andere wijzigingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1969. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de vermogensbelasting 1964. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. ARTIKEL IV Wijzigt de Invorderingswet 1990. ARTIKEL V Wijzigt de Successiewet 1956. ARTIKEL VI Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. ARTIKEL VII Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. ARTIKEL VIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. ARTIKEL IX Wijzigt de Wijzigingswet van 24 december 1993 van belastingwetten (verhoging van de ondernemingsvrijstelling, wijziging teruggaafregeling inzake beperking van de gezamenlijke druk van inkomstenbelasting en vermogensbelasting, verhoging van de belastingvrije sommen en vrijstelling van natuurschoonwetlandgoederen in de vermogensbelasting, wijziging loon- en inkomstenbelasting ivm uitstel van loon, alsmede wijziging van de fictief-rendementsregeling in de inkomstenbelasting (Stb. 733). ARTIKEL X Voor de kalenderjaren 1997 en 1998 worden de in artikel 45, vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 genoemde bedragen van f"},{"i":1945,"b":"Wet van 16 december 2004, houdende wijziging van belastingwetten in verband met noodzakelijk onderhoud (Fiscale onderhoudswet 2004) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Vervallen. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel V Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VI Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VII Wijzigt de Wijzigingswet van enkele belastingwetten (herstel van enige onjuistheden). Artikel VIII Wijzigt het Belastingplan 2004. Artikel VIIIa [Artikel 11, eerste lid, onderdeel p, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11) zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2003, blijft van toepassing voor gevallen waarin het computers en bijbehorende apparatuur betreft die door de werknemer vóór de genoemde datum in gebruik zijn genomen of ter zake waarvan door de werknemer nog vóór dat tijdstip een verplichting tot aanschaffing is aangegaan. Artikel IX 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel I, onderdelen A, D, E, L en Q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017750&artikel=I&z=2005-03-01&g=2005-03-01), werkt terug tot en met 1 januari 2001. 3. [Artikel V, onderdelen E en F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017750&artikel=V&z=2005-03-01&g=2005-03-01) werkt terug tot en met 1 januari 2003. 4. [Artikel I, onderdelen C, K, N, O, en P](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017750&artikel=I&z=2005-03-01&g=2005-03-01), [artikel V, onderdelen H, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017750&artikel=V&z=2005-03-01&g=2005-03-01), en [artikel VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017750&artikel=VII&z=2005-03-01&g=2005-03-01) en [artikel VIIIa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017750&artikel=VI"},{"i":1937,"b":"Wet van 12 juni 1997 tot aanpassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet op de loonbelasting 1964 en enkele andere wetten in verband met verruiming van de mogelijkheid tot het opleggen van voorlopige aanslagen tot een negatief bedrag (voorlopige teruggaaf) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de mogelijkheid te scheppen om bij wijze van proef een zogenaamde loonbelastingbeschikking te vervangen door een voorlopige aanslag tot een negatief bedrag; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL IV Wijzigt de Invorderingswet 1990. ARTIKEL V Onze Minister van Financiën zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. ARTIKEL VI Deze wet treedt in werking op een bij wet te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1946,"b":"Wet van 14 december 2006 houdende wijziging van enkele belastingwetten ter vermindering van administratieve lasten (Wijzigingsplan «Paarse krokodil») Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van de vermindering van de administratieve lasten wenselijk is administratieve lasten en de daarmee samenhangende irritaties te verminderen op het terrein van de loonheffing en enkele andere belastingwetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel IV Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel V Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel VI Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel VII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VIII Voor de toepassing van [artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1) bij het begin van het kalenderjaar 2007 op de bedragen, genoemd in [artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, en derde volzin, alsmede het derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=8.11) wordt de in genoemd [artikel 10.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1) bedoelde tabelcorrectiefactor verlaagd met 0,0052. Artikel IX Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel X Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XI Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XII 1. Voorzover op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel V, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020829&artikel=V&z=2023-06-01&g=2023-06-01), voor een personenauto, een bestelauto of een autobus het tijdvak waar"},{"i":1947,"b":"Wet van 18 december 1997, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. 1998 (fiscale milieuversterking) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het belastingplan 1998 wenselijk is het milieu, verkeer en vervoer nader fiscaal accent te geven en dat het mede in het kader van de liberalisering van de energiemarkt wenselijk is de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor overheidsenergiebedrijven te laten vervallen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. ARTIKEL V Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. ARTIKEL VI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. ARTIKEL VII Wijzigt de Wet van 23 december 1994 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen (Stb. 925). ARTIKEL VIII Wijzigt de Coördinatiewet Sociale Verzekering. ARTIKEL IX Indien met betrekking tot gebruikte personenauto’s en motorrijwielen het tijdstip waarop overeenkomstig artikel 6 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 de aangifte wordt gedaan, is gelegen vóór het tijdstip waarop de [onderdelen B en C van artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009219&artikel=IV&z=2015-06-12&g=2015-06-12) in werking treden, terwijl het tijdstip van registratie is gelegen na die datum, wordt de vermindering van de belasting vastgesteld overeenkomstig artikel 10 van die wet zoals dat luidt ten tijde van het doen van die aangifte. ARTIKEL X 1. Ten aanzien van de in het tweede lid aangeduide li"},{"i":1938,"b":"Wet van 27 september 2007, houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van enige andere wetten, in het kader van het versterken van de fiscale rechtshandhaving en het verkorten van beslistermijnen (Versterking fiscale rechtshandhaving) Artikel I Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel Ia Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel II A. Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. B. Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Ba. Indien deze wet na 30 juni 2006 in werking treedt, wordt in afwijking van de tekst [artikel 28, onderdelen d tot en met f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28), voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 als volgt gelezen: - d. aan de werknemer opgave te verstrekken van het in een kalenderjaar genoten loon, van de ingehouden belasting en van andere gegevens welke van belang kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting; - e. van de werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet vast te stellen de identiteit aan de hand van een document als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006297&artikel=1) en – zo de werknemer een vreemdeling is in de zin van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en niet behoort tot de categorie die op grond van overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd van de verplichting tot het hebben van een geldige verblijfsvergunning als bedoeld in die wet en een geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen – tevens de verblijfsrechtelijke status ter zake van het verrichten van arbeid aan de hand van een geldige verblijfsvergunning of aan de hand van een geldige tewerkstellingsvergunning, alsmede van een en ander de aard, het nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen. Bb. Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. D. Wijzigt de Wet op de l"},{"i":1939,"b":"Wet van 14 december 2000 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2001) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2001 wenselijk is maatregelen te treffen op het gebied van arbeidsmarktbeleid, zorg, onderwijs en kennisbevordering, natuur en milieu, stimulering van ondernemerschap alsmede enkele overige onderwerpen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VII Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel VIII Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel IX Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel X Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XII Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel XIII Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel XIV Wijzigt de Wet inschakeling werkzoekenden. Artikel XV Wijzigt de Wet sociale werkvoorziening. Artikel XVI Wijzigt de Kaderwet SZW-subsidies. Artikel XVIA 1. In afwijking van [artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=71a) bedraagt de teruggaaf voor de in dat artikel bedoelde motorrijtuigen per 1000 L: - a. voor de afleveringen die hebben plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2000: f 192; - b. voor de afleveringen die hebben plaatsgevonden in de periode van 1 april 2000 tot en met 30 juni 2"},{"i":1948,"b":"Wet van 18 december 1997, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1998) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het kader van het belastingplan 1998 een evenwichtige inkomensontwikkeling te realiseren, de druk van de vermogensbelasting te verlagen, alsmede enige andere daarmee samenhangende maatregelen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I, onderdeel D, werkt terug tot en met 1 januari 1997. Artikel I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de vermogensbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel V Wijzigt de Gemeentewet. Artikel VI Wijzigt de Wet bodembescherming. Artikel VII Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel IX 1. Per 1 januari 1998 vindt de aanpassing op grond van [artikel 27a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=27a) van de in artikel 27, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet vermelde bedragen, geen toepassing. 2. Indien het bij koninklijke boodschap van 16 mei 1997 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) (kamerstukken II 1996/97, 25349, nr. 2) tot wet wordt verheven en [artikel I, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009217&artikel=I&z=2000-01-01&g=2000-01-01), daarvan in werking treedt, vindt per 1 januari 1998 de aanpassing op grond van de tweede volzin van [artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=71a) van het in de eerste volzin van dat lid vermelde bedrag, g"},{"i":1949,"b":"Wet van 17 december 1998, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1999) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het belastingplan 1999 wenselijk is maatregelen te treffen in het kader van het inkomensbeleid, een bijdrage te leveren aan een verdere vergroening van het fiscale stelsel en in samenhang daarmee het prijsindexcijfer van de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) te wijzigen, om maatregelen te nemen in het kader van auto en vervoer, met name ter bevordering van milieuvriendelijke vervoersmodaliteiten, en voorts om enige andere belastingmaatregelen te treffen waaronder aanpassingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in verband met het voorkomen van ongewenste renteaftrek vooruitlopend op de herziening van het belastingstelsel in het kader van de 21e eeuw; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I, onderdeel F, eerste, tweede, derde en vijfde lid, en de onderdelen G en K, artikel II, onderdeel A, artikel III, artikel XII en artikel XV, onderdeel B, werken terug tot en met 1 januari 1998. Artikel I, onderdeel B, onderdeel F, vierde lid en artikel II, onderdeel B werken terug tot en met 1 oktober 1998. Artikel X, onderdeel A, werkt terug tot en met 1 januari 1998. Artikel I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Artikel IV Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel V Wijzigt de Wet op de studiefinanciering. Artikel VI Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen. Artikel VII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de verbruiksbelastingen. Artikel IX Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen1992. A"},{"i":1950,"b":"Wet van 12 december 2002, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel II - overig fiscaal pakket) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VI Het koninklijk besluit van 16 september 2002 (Stb. 472) tot wijziging van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 wordt goedgekeurd. Artikel VII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel IX Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel X Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XI Wijzigt de wet van 4 december 1997 tot wijziging van de Wet op de accijns. Artikel XII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIII De op 1 augustus 2002 in werking getreden ministeriële regeling van 16 juli 2002, nr. WV 2002/274M tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag (Stcrt. 135) wordt goedgekeurd. Artikel XIV Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XV Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XVI De [wet van 24 december 1927, houdende uitbreiding van de wettelijke en administratieve bevoegdheden der belastingambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001938) (Stb. 416) wordt ingetrokken. Artikel XVII Wijzigt de Gemeentewet. Artikel XVIII Wijzigt de Huursubsidiewet. Artikel XIX Wijzigt de Provinciewet. Artikel XX Wijzigt de Waterschapswet. Artikel XXI Wijzigt de Wet bevordering eigenwoningbezit. Artikel XXII Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen. Artikel XXIII Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel XXIV Wijzigt de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer. Artikel XXV Wijzigt de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlem"},{"i":1951,"b":"Wet van 16 december 2004, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Overige fiscale maatregelen 2005) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op deloonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel V Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VI Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VIII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel IX Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel X Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XI Wijzigt de Wet op de internationale bijstndsverlening. Artikel XII Wijzigt de Wijzigingswet belastingwetten c.a. (Overige fiscale maatregelen 2004). Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XIII Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel XIV Wijzigt de Aansluitingswet Walvis. Artikel XV Wijzigt de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Artikel XVI Wijzigt de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Artikel XVII Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel XVIII A. **Overgangsrecht** Wet inkomstenbelasting 2001 De in [artikel 3.22, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.22) gestelde voorwaarde van het voeren van de vlag van een van de Lidstaten van de Europese Gemeenschap geldt niet met betrekking tot schepen waarvoor de belastingplichtige reeds vóór de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017749&artikel=I&z=2006-01-01&g=2006-01-01), van deze wet de winst uit zeescheepvaart bepaalt aan de hand van de tonnage als bedoeld in genoemd [artikel 3.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.22) B. Vervallen. C. **Overgangsrecht** Algemene wet inzake rijksbelastingen - 1. Op het beroep tegen een uitspraak op een bezwaarschr"},{"i":1952,"b":"Wet van 8 februari 1996 tot afschaffing van het preventieve toezicht op belastingverordeningen van gemeenten, provincies en waterschappen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verantwoordelijkheid van gemeenten, provincies en waterschappen met betrekking tot het heffen van belastingen te versterken en daartoe de bepalingen in de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416), de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) en de [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108) met betrekking tot het toezicht op belastingverordeningen zodanig te herzien dat het preventieve toezicht op de belastingverordeningen van gemeenten, provincies en waterschappen wordt afgeschaft; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II Wijzigt de Provinciewet. Artikel III Wijzigt de Wet algemene regels herindeling. Artikel IV Wijzigt de Waterschapswet. Artikel V Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel VI Op besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van gemeentelijke, provinciale en waterschapsbelastingen die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven de [artikelen 218 tot en met 218b van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=218), [artikel 112 van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=112), [artikel 4, onder B, C en D van de Wet D'gemeenten en D'provincies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005182&artikel=4) en [artikel 220 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=220) van toepassing, zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze wet. [Artikel 13 van de Wet D'gemeenten en D'provincies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005182&artikel=13"},{"i":1953,"b":"Wet van 22 maart 2017 tot wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet en de Waterschapswet in verband met het beperken van de heffingsbevoegdheid van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de heffingsbevoegdheid van precariobelasting op enige openbare werken van algemeen nut te beperken en daartoe de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416), de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) en de [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II Wijzigt de Provinciewet. Artikel III Wijzigt de Waterschapswet. Artikel IV 1. In afwijking van [artikel 228, tweede lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=228) kunnen gemeenten waarin op 10 februari 2016 een belastingverordening gold voor het heffen van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut, die belasting blijven heffen tot 1 januari 2022, tot ten hoogste het in die verordening vastgestelde tarief. 2. In geval van een wijziging van gemeentegrenzen als bedoeld in de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718) wordt het ten hoogste in het gehele gebied van de gemeente te heffen tarief met ingang van de datum van herindeling als volgt berekend: - a. in een nieuwe gemeente: per overgaand gebied wordt het aantal meter openbare werken vermenigvuldigd met het voor de datum van herindeling per meter geldende tarief, waarna de som wordt gedeeld door het totale aantal meter openbare werken in de nieuwe gemeente; - b. in een bestaande gemeente waaraan een of meer gebieden worden toe"},{"i":1954,"b":"Wet van 29 oktober 1992, tot wijziging van de Handelsregisterwet in verband met de uitvoering van de elfde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het vennootschapsrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de uitvoering van de elfde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 betreffende de openbaarmakingsplicht voor in een Lid-Staat opgerichte bijkantoren van vennootschappen die onder het recht van een andere Staat vallen (**PbEG** L 395) noodzakelijk is dat de Handelsregisterwet (**Stb.** 1984, 353) wordt gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1993. 2. De artikelen 15**b** , vierde lid, en 15**d**, vierde lid, van de Handelsregisterwet zijn van toepassing op boekhoudbescheiden betreffende boekjaren die op of na 1 januari 1993 aanvangen. 3. Opgaven ter inschrijving in het handelsregister en nederlegging van geschriften ten kantore van het handelsregister, waartoe de verplichting ontstaat als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet, moeten binnen drie maanden daarna geschieden. 4. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in het handelsregister gegevens staan ingeschreven omtrent een onderneming, hoofdnederzetting of nevenvestiging als bedoeld in de artikelen 15 **b**, 15 **c**, 15**d** en 15**e** van de Handelsregisterwet, die op grond van deze artikelen niet behoeven te worden ingeschreven, haalt de Kamer van Koophandel en Fabrieken die gegevens binnen drie maanden na het eerder genoemde tijdstip door. De vorige volzin is niet van toepassing op de inschrijving van gegevens omtrent een nevenvestiging als bedoeld in de artikelen 15**b** , tweede lid, of 15"},{"i":6171,"b":"Besluit van 30 mei 2005, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen in verband met Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen en houdende intrekking van de richtlijnen 80/590/EEG en 89/109/EEG (PbEU L 338) (Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 maart 2005, VGP/P&L 2566277, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken en van Justitie; Gelet op: – [verordening (EG) nr. 1935/2004](32004R1935) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen en houdende intrekking van de [richtlijnen 80/590/EEG](31980L0590) en [89/109/EEG](31989L0109) (PbEU L 338); – [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [8, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [13, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 6 april 2005, nr. W13.05.0080/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 mei 2005, VGP/P&L 2584706, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken en van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder - a. verpakking: artikel dat - 1°. wordt gebruikt voor het verpakken, het anderszins geheel of gedeeltelijk omhullen dan wel het op enige wijze aanbieden van eet-"},{"i":7358,"b":"Wet van 16 juli 2005 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van Verordening (EG) Nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PbEG L 243), van Richtlijn nr. 2001/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG en 86/635/EEG met betrekking tot de waarderingsregels voor de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen evenals van banken en andere financiële instellingen (Pb EG L 283), en van Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG, 86/635/EEG en 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, banken en andere financiële instellingen, en verzekeringsondernemingen (Pb EG L 178) (Wet uitvoering IAS-verordening, IAS 39-richtlijn en moderniseringsrichtlijn) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045) moet worden aangepast aan [Richtlijn nr. 2001/65/EG](32001L0065) van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 tot wijziging van de [Richtlijnen 78/660/EEG](31978L0660) en [86/635/EEG](31986L0635) met betrekking tot de waarderingsregels voor de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen evenals van banken en andere financiële instellingen (PbEG L 283), [Verordening (EG) nr. 1606/2002](32002R1606) van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PbEG L 243) en [Richtlijn nr. 2003/51/EG](32003L0051) van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 tot wijziging van de [Richtlijnen 78/660/EEG](319"},{"i":6896,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 februari 2024, nr. HO&S/1489853, houdende de intrekking van een aanwijzing van personen belast met toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 Gelet op [artikel 9.1a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=9.1a); Besluit: Artikel 1 De personen die werkzaam zijn bij de dienst Projecten van SVLand zijn met ingang van 1 januari 2024 niet langer belast met het toezicht op de naleving als bedoeld in [artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Dit besluit zal met toelichting worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":5900,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 17 mei 2016, nr. IENM/BSK-2016/77865, houdende vaststelling van de Tijdelijke subsidieregeling spoorgoederenvervoer voor bijzondere omleidingskosten Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [artikel 5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4) en [artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beheerder:** beheerder als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=1); - **Betuweroute:** baanvak Maasvlakte – Kijfhoek – Elst – Zevenaar grens; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **spoorwegonderneming:** spoorwegonderneming als bedoeld in [artikel 57, tweede lid, onderdeel a, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=57). Artikel 2. Doel Deze regeling heeft tot doel de marktpositie van het spoorgoederenvervoer ten opzichte van het meer vervuilende goederenvervoer over de weg te behouden gedurende de periode dat de Betuweroute door de aanleg van een derde spoor in Duitsland tussen Emmerich en Oberhausen verminderd beschikbaar is en spoorwegondernemingen daardoor geconfronteerd worden met extra kosten door omleiding. Artikel 3. Subsidie 1. De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan spoorwegondernemingen voor de extra kilometers die spoorwegondernemingen in Nederland rijden ten gevolge van de verminderde beschikbaarheid van de Betuweroute door de aanleg van een derde spoor"},{"i":7080,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de wederzijdse erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van de Republiek Suriname, Overwegende, dat het in verband met de volledige onafhankelijkwording van Suriname wenselijk is voorzieningen te treffen om de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken mogelijk te doen blijven; Zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. Toepassingsgebied van de Overeenkomst Artikel 1 1. De Overeenkomst is van toepassing op: - a. rechterlijke beslissingen in burgerlijke zaken, daaronder begrepen wettelijke onderhoudsvorderingen, ongeacht de aard van het gerecht, waarvoor de zaken dienen, en ongeacht de nationaliteit van partijen; - b. authentieke akten en gerechtelijke schikkingen in burgerlijke zaken. 2. De Overeenkomst is niet van toepassing op: - a. de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksgoederenrecht en erfrecht; - b. het faillissement, het akkoord en de surséance van betaling; - c. de arbitrage; - d. beslissingen, waarbij de schuldenaar is veroordeeld tot betaling van een dwangsom aan de schuldeiser voor het geval hij zijn verplichtingen tot het verrichten of nalaten van een handeling niet nakomt, tenzij het beloop van de verbeurde dwangsom door een nadere beslissing van het gerecht, dat de beslissing heeft gegeven, is vastgesteld; - e. de sociale zekerheid; - f. beslissingen die in een strafrechtelijk geding zijn gegeven over vorderingen voortvloeiende uit een burgerrechtelijke rechtsbetrekking. HOOFDSTUK II. Erkenning en tenuitvoerlegging Artikel 2 1. Een in het Koninkrijk der Nederlanden of in de Republiek Suriname door een gerecht gegeven beslissing wordt in het andere land overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst erkend en tenuitvoergelegd indien: - a. t"},{"i":5770,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 16 mei 2023, nr. VO/38233241 houdende regels voor de subsidieverstrekking aan scholen voor deelnemen aan het doorontwikkeltraject van praktijkgerichte programma’s voor het havo en voor het deelnemen aan de pilot met de praktijkroute havo-Educatie (Subsidieregeling praktijkgerichte havo) Gelet op [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11), [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) of [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **concept-examenprogramma:** concept voor pgp-Maatschappij, pgp-Technologie, of praktijkroute havo-Educatie; - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **doorontwikkeltraject:** traject voor het ontwikkelen van praktijkgerichte programma’s voor het havo, waaraan vestigingen met een ontheffing van de minister op grond van [artikel 9.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=9.1) deelnemen, met als doel de voorbereiding en implementatie van pgp-Maatschappij en pgp-Technologie in het havo goed te laten verlopen; - **grote variant:** variant van een concept-examenprogramma met een studielast van 360 klokuur; - **havo:** hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.5 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&ar"},{"i":5315,"b":"Regeling eenmalige specifieke uitkering gemeente Rotterdam i.v.m. Project Multi-core Pijpleidingnetwerk Gelet op [artikel 17, vijfde lid, Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De minister verstrekt aan de gemeente een eenmalige specifieke uitkering van € 250.350,55. 2. De uitkering is een algemene bijdrage in de kosten van het project. 3. De gemeente besteedt de uitkering naar eigen inzicht ten behoeve van de verwezenlijking van het project. 4. De minister verstrekt de uitkering onder de volgende voorwaarden: - a. de gemeente draagt ervoor zorg dat de toegang tot het aangelegde multi-core pijpleidingnetwerk op non-discriminatoire basis geschiedt; - b. de gemeente draagt ervoor zorg dat aan marktpartijen die gebruik willen maken van het pijpleidingnetwerk, de exploitatiekosten en de kosten ter instandhouding van het pijpleidingnetwerk via marktconforme tarieven in rekening worden gebracht. Artikel 3 Binnen vier weken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling wordt aan de gemeente een voorschot betaald van 80% van de verstrekte uitkering. Artikel 4 1. De gemeente legt binnen drie maanden na afloop van het project en uiterlijk op 31 maart 2003 aan de minister over: - a. een inhoudelijk verslag over het project; - b. een financiële verantwoording over de gemaakte kosten van het project. 2. De financiële verantwoording, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt voorzien van een schriftelijke accountantsverklaring als bedoeld in [artikel 4:78, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:78). Artikel 5 1. De minister stelt de uitkering vast binnen een maand na de ontvangst van de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013074&artikel=4&z=2001-12-08&g=2001-12-08) bedoelde bescheiden. 2. De uitkering wordt overeenkomstig de vaststelling betaald, onder verrekening v"},{"i":6903,"b":"Besluit van 7 december 1992, houdende overbrenging in eigendom, beheer en onderhoud bij de Gemeente Almere van enige in die gemeente gelegen weggedeelten en fietspaden Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken van 17 juni 1992, nr. F092/876, Directoraat-Generaal Openbaar Bestuur en van Verkeer en Waterstaat van 27 april 1992, nr. RJI 120178, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken, en van de Staatssecretaris van Financiën van 23 november 1992, nr. DOM 92/3455-Z92/640, Directie der Domeinen, Afdeling Inspecties en Rentambten; Gelet op artikel 16, eerste lid, van de Wet van 6 juli 1983 tot instelling van de gemeenten Almere en Zeewolde (**Stb.** 328); Gehoord de Raad van de Gemeente Almere (brief van 18 september 1991, kenmerk 17919-GW); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De onderstaande onroerende rijkseigendommen gaan met ingang van de dag, volgende op die van de dagtekening van dit besluit in eigendom, beheer en onderhoud over op de Gemeente Almere. De wegpercelen, kadastraal bekend Gemeente Almere. | Weg naam | Kad. perc. nrs. | Kad. perc. nrs. | Kad. perc. nrs. | Oppervlakte | Oppervlakte | Oppervlakte | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | PAMPUSWEG | F | 37 | GED | 13267 | CA | ∗ | | | F | 187 | GED | 32241 | CA | ∗ | | | F | 202 | GED | 107367 | CA | ∗ | | | F | 202 | GED | | | | | | F | 202 | GED | | | | | | F | 220 | GED | 442 | CA | ∗ | | | F | 220 | GED | 1068 | CA | ∗ | | | F | 220 | GED | 4429 | CA | ∗ | | | F | 316 | GED | 580 | CA | ∗ | | KIEVITSWEG | C | 187 | GED | 10270 | CA | ∗ | | | C | 188 | GED | 6311 | CA | ∗ | | | C | 192 | GED | 2036 | CA | ∗ | | LIJSTERWEG | C | 333 | | 42871 | CA | | | | C | 333 | | | | | | NOORDERDREEF | G | 2420 | | 19980 | CA | | | | K | 1366 | GED | 1150 | CA | ∗ | | | K | 1367 | | 14966 | CA | | | OUDE WATERLANDSE WEG | G | 2415 | | 42483 | CA | | | | G | 2418 | | 24908 | CA | | | | C | 370 | | 18313 | CA | | | | G | 2411 | | 26609 | CA | | | KEM"},{"i":6747,"b":"Wet van 23 februari 2022 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Faillissementswet in verband met de bevoegdheid om vast te stellen of een bank of beleggingsonderneming faalt of waarschijnlijk zal falen en in verband met de verificatie van interesten die lopen vanaf de faillietverklaring van een bank of beleggingsonderneming ter uitvoering van Richtlijn nr. 2014/59/EU alsmede ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 806/2014 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om ter uitvoering van Richtlijn nr. 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van [Richtlijn 82/891/EEG](31982L0891) van de Raad en de [Richtlijnen 2001/24/EG](32001L0024), [2002/47/EG](32002L0047), [2004/25/EG](32004L0025), [2005/56/EG](32005L0056), [2007/36/EG](32007L0036), [2011/35](32011L0035)/EU, [2012/30](32012L0030)/EU en [2013/36](32013L0036)/EU en Verordeningen (EU) nr. [1093/2010](32993L2010) en (EU) nr. [648/2012](32548L2012), van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 173), alsmede ter uitvoering van Verordening (EU) nr. [806/2014](32706L2014) van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. [1093/2010](32993L2010) van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 225) aan De Nederlandsche Bank de bevoegdheid toe te kennen om in bepaalde gevallen vast te stellen dat een bank of beleggingsonderneming faalt of waarschijnlijk zal falen, en dat het gewenst is dat de interesten die lopen vanaf de faillietverklaring va"},{"i":6772,"b":"Wet van 7 december 2022 tot wijziging van de Wet toezicht trustkantoren 2018 in verband met maatregelen om trustdienstverlening in gevallen met hoge integriteitrisico’s te verbieden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen om trustdienstverlening met hoge integriteitrisico’s te verbieden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren 2018. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Trustkantoren met zetel in Nederland die over een vergunning beschikken als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=6), voldoen binnen zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen B en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047895&artikel=I&z=2023-07-01&g=2023-07-01), van deze wet aan de [artikelen 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=3a) en [23a, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=23a). Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7099,"b":"Protocol tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) en Bosnië en Herzegovina ter uitvoering van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Bosnië en Herzegovina betreffende de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven (Uitvoeringsprotocol) De Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden), en Bosnië en Herzegovina hierna de „Partijen” genoemd, Geleid door de wens de uitvoering te vergemakkelijken van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Bosnië en Herzegovina betreffende de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven, hierna de „Overeenkomst” genoemd, Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de Overeenkomst, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Bevoegde autoriteiten De Partijen wisselen uiterlijk dertig dagen na het sluiten van dit Uitvoeringsprotocol een lijst van de voor de uitvoering van de Overeenkomst bevoegde autoriteiten uit. Iedere wijziging in deze lijst delen zij elkaar onverwijld mede. Artikel 2. Grensovergangen 1. De Partijen delen elkaar uiterlijk dertig dagen na het sluiten van dit Uitvoeringsprotocol schriftelijk mede via welke grensovergangen personen krachtens de Overeenkomst daadwerkelijk worden overgedragen en toegelaten. Iedere wijziging in dit verband delen zij elkaar onverwijld mede. 2. De bevoegde autoriteiten kunnen van geval tot geval overeenkomen gebruik te maken van andere grensovergangen voor de terug- of overname of doorgeleiding. Artikel 3. Indiening van en antwoord op een terug- of overnameverzoek 1. Voor de indiening van een terug- of overnameverzoek op grond van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Overeenkomst wordt gebruik gemaakt van het formulier dat als bijlage 6 aan de Overeenkomst is gehecht. Het formulier wordt door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij per e-mail of telefax ingediend bij de bevoeg"},{"i":4114,"b":"Besluit van 10 juli 2023 tot vaststelling van een aantal tijdstippen waarvan in de Omgevingswet en daarmee verband houdende wet- en regelgeving is aangegeven dat deze bij koninklijk besluit worden bepaald en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.8, onderdeel B, van de Invoeringswet Omgevingswet Op de voordracht van Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 5 juli 2023, nr. 2023-0000385226; Gelet op de [artikelen 22.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.4), [22.5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.5), [22.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.6), [22.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.15), [22.16, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.16), en [22.17 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.17), de [artikelen 4.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=4.9), en [5.3 van de Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=5.3), de [artikelen 8.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044923&artikel=8.2.2) en [8.2.11 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044923&artikel=8.2.11) en [artikel XIV, vijfde lid, van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044911&artikel=XIV); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het tijdstip, bedoeld in de [artikelen 22.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.4), [22.5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.5), [22.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.6), [22.16, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.16), en [22.17 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":4001,"b":"Besluit van 26 juni 2024, no. 2024001553, houdende het sluiten van de aanvraagtermijn voor de Inhuldigingsmedaille en de Herinneringsmedaille voor het bezoek aan het Caribisch deel van het Koninkrijk 2013 Op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 juni 2024, nr. 2024-0000403893, Directoraat-Generaal Openbaar Bestuur en Democratische Rechtsstaat/Directie Democratie en Bestuur/Afdeling Politieke Ambtsdragers en Weerbaarheid; Hebben goedgevonden en verstaan Artikel 1 Voordrachten als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit van 24 april 2013, houdende de instelling van een herinneringsmedaille ter gelegenheid van de inhuldiging van Onze zoon Willem-Alexander](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033336&artikel=1) (Stb. 2013, 163) en voordrachten als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit van 13 december 2013, houdende instelling herinneringsmedaille «Medaille bezoek in 2013 aan het Caribisch deel van het Koninkrijk»](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034749&artikel=1) (Stb. 2014, 42) kunnen uiterlijk tot en met 1 juli 2024 worden gedaan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan een afschrift zal worden gezonden aan de Kanselier der Nederlandse Orden."},{"i":2526,"b":"ANVS-Beleidsregel inzake het toezicht op transparante, objectieve en niet-discriminerende vaststelling van tarieven voor de opslag en het beheer van radioactieve afvalstoffen en verbruikte splijtstoffen (Beleidsregel toezicht COVRA-tarieven) Gelet op de [artikelen 3, derde lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=3) en [58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=58), in samenhang met de[artikelen 10.10 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=10.10), [30g van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=30g) en [4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81): Besluit: Artikel 1. Begrippen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **afvalstoffen:** radioactieve afvalstoffen en verbruikte splijtstoffen. Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt onderscheid gemaakt tussen: - 1. **standaard afval:** aangeboden afvalstoffen die een standaard verwerkingsroute doorlopen en waarvoor het tarief is opgenomen op een vooraf vastgestelde tarievenlijst. Ook de categorieën incourant afval en incourant overig afval uit COVRA’s technische specificaties worden in deze Beleidsregel als standaard afval aangemerkt. - 2. **niet-standaard afval:** andere dan onder 1 genoemde afvalstoffen waarvoor oplossingen op maat worden gemaakt, waarop geen standaard tarief van toepassing is en waarvoor het tarief is opgenomen in een vooraf door de vergunninghouder en afvalaanbieder gesloten overeenkomst. - b. **beheer van afvalstoffen:** alle handelingen die te maken hebben met het hanteren, de voorbehandeling, de behandeling, het conditioneren, de opslag of de eindberging van afvalstoffen, met uitzondering van het vervoer buiten het terrein van de inrichting. - c. **tarief:**"},{"i":3488,"b":"Besluit van 1 augustus 1959, houdende regelen betreffende de samenstelling, benoeming, werkwijze en bevoegdheid der commissies, bedoeld in artikel 6 van de wet van 10 juli 1952 (Stb. 407) ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden Op de voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken en van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie van 28 april 1959, no. 872 W.J.A.; Gelet op artikel 6, vierde lid, van de wet van 10 juli 1952 (**Stb.** 407) ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden; De Raad van State gehoord (advies van 16 juni 1959, no. 33); Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Economische Zaken en van Binnenlandse Zaken van 28 juli 1959, no. 1849 W.J.A.; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De commissies, die krachtens artikel 6, tweede lid, van de wet van 10 juli 1952 (**Stb.** 407) ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden in hoogste ressort de schadeloosstellingen vaststellen, bedoeld in artikel 5 van die wet, bestaan ieder uit tien leden en vijf plaatsvervangende leden. Artikel 2 1. Onze Minister van Economische Zaken benoemt de leden en de plaatsvervangende leden der commissies. Hij benoemt voorts uit de leden een voorzitter en een of meer ondervoorzitters. Hij kan de benoemden wederom ontslaan. 2. Een beschikking krachtens het eerste lid wordt vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 1. Onze Minister van Economische Zaken benoemt voor iedere commissie een of meer secretarissen, die geen lid van de commissie zijn. Hij kan de benoemden wederom ontslaan. 2. On"},{"i":4801,"b":"Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 24 juni 2024, nr. 2024-0000164084 tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de voorzitter van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank ter uitvoering van het Besluit van 6 oktober 2023, houdende de toekenning van een eenmalig bedrag aan ouderen van Surinaamse herkomst (Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst, Stb. 2023, 386) Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [artikel 11 van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048840&artikel=11); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Besluit:** Het [Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048840), van 6 oktober 2023 (Stb. 2023, 386); - b. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van Onze Minister besluiten te nemen; - c. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van Onze Minister handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn - d. **SVB:** de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [Hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - e. **Onze minister:** de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen; - f. **volmacht:** volmacht, bedoeld in [artikel 3:60 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=60), voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen; - g. **voorzitter:** voorzitter van de Raad van bestuur van de SVB. Artikel 2 1. De voorzitter wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van primaire besluiten tot toekennen of weigeren van een recht op het eenmalige bedrag zoals bedoeld in [artikel 5 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048840"},{"i":3848,"b":"Besluit van de technisch directeur Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau van 19 februari 2021, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau 2021) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging keuringsdiensten 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044854); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **het KCB:** de Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau; - c. **de wet:** de [Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194); - d. **de regeling:** de [Regeling plantgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044863). Artikel 2 1. Aan het hoofd buitendienst, de rayonmanagers, de coördinator planning, de planners, de Vak Specialisten fyto zaken, de Vak Specialisten kwaliteitszaken, de inspecteurs, de beleidsmedewerkers product- en controlezaken, de medewerker product- en controlezaken en de medewerkers documentcontrole van het KCB wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor: - a. de registratie, bedoeld in artikel 65 van [verordening 2016/2031](32031R2016); - b. het verrichten van taken ten behoeve van de afgifte van een fytosanitair uitvoercertificaat als bedoeld in artikel 100 van [verordening 2016/2031](32031R2016) met uitzondering van de afgifte van een fytosanitair uitvoercertificaat en het eindonderzoek van de voor export gereedstaande zending. 2. Aan het hoofd buitendienst en het hoofd kwalificatie en kennisbeheer van het KCB wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van beschikkingen en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang a"},{"i":3146,"b":"Besluit van 15 december 1999, houdende regels ter uitvoering van de artikelen 126aa, tweede lid, en 126cc, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 16 juli 1999, nr. 777191/99/6; Gelet op de [artikelen 126aa, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126aa), en [126cc, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126cc); De Raad van State gehoord (advies van 11 oktober 1999, nr. WO3.99.0423/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 9 december 1999, nr. 770087/99/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. geheimhouder: een persoon als bedoeld in [artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=218); - c. officier van justitie: de officier van justitie, belast met de bewaring van de processen-verbaal en andere voorwerpen; - d. de orde: de Nederlandse orde van advocaten, bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=17); - e. nummer: het nummer, bedoeld in [artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1), van een telefoon of faxapparaat dat een advocaat gebruikt ten behoeve van de dienstverlening als advocaat; - f. nummerherkenning: het geautomatiseerd vergelijken van een nummer, dat verbinding maakt met een nummer dat is betrokken bij de toepassing van de [artikelen 126m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126m), [126t](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126t) of [126zg van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zg), met een nummer dat door de orde is aangemeld, ten behoeve van de v"},{"i":4721,"b":"Instellingsbesluit Interbestuurlijke taskforce gemeenten Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad en de vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. taskforce: Interbestuurlijke taskforce gemeenten; - b. Minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - c. staatssecretaris: de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - d. bestuursakkoord: ‘Samen aan de slag’, Bestuursakkoord rijk en gemeenten, juni 2007 Artikel 2 Er is een Interbestuurlijke taskforce gemeenten. Artikel 3 1. De taskforce heeft tot taak de uitvoering van het bestuursakkoord te bevorderen en daartoe: - a. de decentralisatievoorstellen uit het bestuursakkoord met kracht te bevorderen, en daarbij bijzondere aandacht te schenken aan het verminderen van bestuurlijke drukte, het vergroten van de benodigde bestuurskracht, de invulling van de financiële verhouding, en het inventariseren van verdere mogelijkheden tot decentralisatie; - b. te onderzoeken of en in welke mate bij de realisatie van de decentralisatieambities uit het bestuursakkoord het noodzakelijk of gewenst is dat gemeenten in de uitvoering van elkaar verschillen; - c. de complexiteit van de bestuurlijke praktijk te reduceren door op een aantal beleidsterreinen het ‘twee bestuurslagen principe’ uit het Coalitieakkoord en het bestuursakkoord toe te passen; - d. te onderzoeken op welke wijze de praktijk van intergemeentelijke samenwerking kan worden vergemakkelijkt. 2. De taskforce wordt gevraagd het rapport ‘De eerste overheid’ van de commissie Van Aartsen en de resolutie die de VNG naar aanleiding van dat rapport op 10 september 2007 heeft vastgesteld, te betrekken bij haar werkzaamheden. 3. De taskforce wordt gevraagd een half jaar na aanvang van haar werkzaamheden te rapporteren aan de Minister en staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, betrokken bewindslieden en aan de voorzitter van de VNG. 4."},{"i":1957,"b":"Wet van 26 april 2007 tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met het versterken van de bevoegdheden op rijksniveau ten aanzien van de politie, alsmede de opheffing van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verantwoordelijkheden van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Justitie ten aanzien van de politie te versterken en verduidelijken, alsmede de Raad voor het Korps landelijke politiediensten op te heffen, en de [Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299) in dat kader te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Politiewet 1993. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III De bescheiden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten worden overgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel IV De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1959,"b":"Wet van 14 december 2001 tot wijziging van enkele sociale zekerheidswetten (Belastingplan 2002 V – Sociale zekerheidswetgeving) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van de met het fiscale beleid samenhangende wijzigingen in het sociale zekerheidsbeleid voor het jaar 2002 wenselijk is maatregelen te treffen in de sociale zekerheidswetgeving; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Sociale zekerheidswetgeving Artikel I Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel II Wijzigt de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. Artikel III Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel IV Wijzigt de Wet inschakeling werkzoekenden. Hoofdstuk 2. Overgangs- en slotbepalingen Artikel V. Overgangsrecht structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Wijzigt de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel VI. Bepaling in verband met de Wet verbetering poortwachter Wijzigt de Wet verbetering poortwachter. Artikel VII. Bepaling in verband met de Verzamelwet SZW-wetten 2001 Wijzigt deze wet en de Verzamelwet SZW-wetten 2001. Artikel VIII. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":4505,"b":"Circulaire van 29 november 2013, nr. 2013-0000685101, inhoudende wijzigingen van de bedragen per 1 januari 2014 van de (onkosten)vergoedingen voor burgemeesters, wethouders, raadsleden en commissieleden Door middel van deze circulaire wordt u, zoals elk jaar gebruikelijk, geïnformeerd over de wijzigingen van de bedragen van de (onkosten)vergoedingen voor burgemeesters, wethouders, raadsleden en commissieleden. 1. Algemene inwerkingtreding werkkostenregeling uitgesteld Zoals ik u eerder in de circulaire van 15 juli 2013, nr. 2013-0000395118, heb gemeld, gaat de werkkostenregeling (WKR) niet per 1 januari 2014, maar per 1 januari 2015 verplicht gelden voor alle werkgevers. De staatssecretaris van Financiën heeft de algemene inwerkingtreding met één jaar uitgesteld. In de WKR kan in 2014, net als in 2013, naast een aantal gerichte vrijstellingen, maximaal 1,5% (was in 2011 en 2012: 1,4%) van het totale fiscale loon (de ‘vrije ruimte’) worden besteed aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor werknemers en politieke ambtsdragers die onder de loonbelasting vallen. Over het bedrag boven de vrije ruimte (en afgezien van de gerichte vrijstellingen) moet de gemeente loonbelasting betalen in de vorm van een (gebruteerde) eindheffing van 80%. Kortheidshalve zij hier verwezen naar de [circulaire van 8 maart 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029757), kenmerk 2011-40998. 2. Bezoldiging burgemeesters. Op grond van [artikel 8, derde lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743&artikel=8) wijzigt de bezoldiging van burgemeesters overeenkomstig de wijziging van de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk. De op dit moment geldende arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor het rijkspersoneel is overeengekomen voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010. Deze arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor het rijkspersoneel geldt nog steeds. Als een volgende overeenkomst wordt vastgesteld, informeer ik u o"},{"i":5939,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 1 maart 2021, kenmerk 1833982-218920-Z, houdende Tweede Nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten 2018 (Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2018 is voor de beheerskosten [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 0,614 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Nadere Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041530&artikel=1). Artikel 2 Het bedrag in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044909&artikel=1&z=2021-03-10&g=2021-03-10) genoemd van € 0,614 miljoen is volledig bestemd voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1960,"b":"Wet van 17 december 2009 tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in de [Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226) de tarieven te verlagen, het stelsel van vrijstellingen te vereenvoudigen, daar waar nodig de wet aan te passen om ontgaansmogelijkheden te pareren, de bedrijfsopvolgingsregeling opnieuw vorm te geven en in de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) een regeling voor afgezonderd particulier vermogen te introduceren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IV Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel V Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VI Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel VII Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Artikel VIII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VIIIA Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel VIIIB 1. De accijns op rooktabak wordt met ingang van 1 maart 2010 zodanig verhoogd dat de totale accijns voor de meest gevraagde prijsklasse rooktabak € 0,49 per kilogram hoger zal liggen dan het accijnsbedrag voor deze prijsklasse op 28 februari 2010. 2. Bij ministeriële regeling worden met ingang van 1 maart 2010 de tarieven van de accijns, bedoeld in [artikel 35, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&ar"},{"i":6432,"b":"Besluit van 4 mei 2016, houdende wijziging van het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden en het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek in verband met de implementatie van het Kaderbesluit 2009/905/JBZ van de Raad van de Europese Unie over de accreditatie van aanbieders van forensische diensten die laboratoriumactiviteiten verrichten (PbEU 2009, L 322) en in verband met enige andere onderwerpen Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 7 oktober 2015, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 691151; Gelet op de [artikelen 27b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=27b), [55c, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55c), en [61a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=61a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 december 2015, nr. W03.15.0351/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 22 april 2016, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 751547; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden. Artikel II Wijzigt het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek. Artikel III 1. De handpalmafdrukken die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn verwerkt, worden vernietigd overeenkomstig de termijnen die voor de inwerkingtreding van dit besluit golden. 2. Indien tegen een verdachte na de inwerkingtreding van dit besluit een einduitspraak als bedoeld in de [artikelen 351](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=351) en [352, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=352) in verband met een ander misdrijf is gedaan of een strafbeschikking in verband met een ander misdrijf is uitgevaardigd dan het misdrijf in het kader waarvan de handpalmafdrukken vo"},{"i":6467,"b":"Besluit van 19 april 2021 tot wijziging van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders in verband met de herijking van de schuldenaarstarieven Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 26 november 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3105826; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=2) en de [artikelen 240](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=240) en [434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=434a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 december 2020, nr. W16.20.0445/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 13 april 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3281551; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Artikel II De tarieven die golden op grond van het [Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012638), zoals dat luidde voor 1 juli 2021, blijven van toepassing met betrekking tot de vergoeding van ambtshandelingen die voor die datum zijn verricht. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2021. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1963,"b":"Wet van 1 december 2005, houdende wijziging van enkele belastingwetten in verband met een herziening van de behandeling van de omzetting en kwijtschelding van afgewaardeerde vorderingen en een aanpassing van de regeling voor afwaarderingsverliezen van deelnemingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met in de praktijk gesignaleerde knelpunten wenselijk is de bepaling op grond waarvan conversiewinst wordt betrokken in de vennootschapsbelasting te laten vervallen, dat het in verband daarmee wenselijk is maatregelen te treffen welke dubbele verliesverrekening in de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting beogen tegen te gaan en dat de regeling voor afwaarderingsverliezen van deelnemingen aanpassing behoeft; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet ondernemerspakket 2001. Artikel IV [Artikel 13b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13b) en [artikel 13ba van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ba) alsmede [artikel 3.98a van de Wet Inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.98a) blijven met betrekking tot een schuldvordering buiten toepassing voor zover met betrekking tot de met die schuldvordering corresponderende schuld reeds op de voet van [artikel 12 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12), zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze wet, een bedrag tot de winst is gerekend. Artikel V Vervallen Artikel VI 1. Indien op de voet van [artikel 12 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":2599,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 december 2022, nr. Min-BuZa.2022.14731-25, houdende beleidsregels voor de verstrekking en het gebruik van diplomatieke en dienstpaspoorten (Beleidsregels diplomatieke en dienstpaspoorten) Gelet op [artikel 10 van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=10) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); BESLUIT: Artikel I. Beleidsregels Voor de verstrekking en het gebruik van diplomatieke en dienstpaspoorten op grond van [artikel 10 van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=10) gelden de beleidsregels, bedoeld in de bijlage bij dit besluit. Artikel II. Intrekken oude beleidsregels Het besluit van 31 juli 2007, kenmerk DCZ 016/07, houdende beleidsregels voor de verstrekking en het gebruik van diplomatieke en dienstpaspoorten (Beleidsregels diplomatieke en dienstpaspoorten), wordt ingetrokken. Artikel III. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel IV. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels diplomatieke en dienstpaspoorten. Bijlage. Beleidsregels voor verstrekking en gebruik diplomatiek of dienstpaspoort (bijlage bij [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047688&artikel=I&z=2022-12-29&g=2022-12-29)) **Definitie- en algemene bepalingen:** Artikel 1. Diplomatiek paspoort leden Koninklijk Huis en diplomaten Diplomatieke paspoorten geldig voor alle landen worden verstrekt aan: Artikel 2. Diplomatiek paspoort overige functionarissen Diplomatieke paspoorten geldig voor alle landen worden ook verstrekt aan: Artikel 3. Dienstpaspoort Dienstpaspoorten geldig voor alle landen worden verstrekt aan: Artikel 4. Verstrekken en inhouden diplomatiek of dienstpaspoort Artikel 5. Inleveren diplomatiek of dienstpaspoort De houder levert het diplomati"},{"i":3655,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 oktober 2018, nr. IENW/BSK-2018/181633, tot verlening van mandaat voor de afgifte van het attest cabinebemanningslid (Besluit mandaat afgifte attest cabinebemanningslid) Gelet op de artikelen ARA.CC.100 en ARA.CC.200, onderdeel b, van bijlage VI van verordening (EU) nr. 1178/2011, de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) jo. [artikel 3, vierde lid, van de Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012923&artikel=3); BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **attest:** attest voor cabinebemanningsleden als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012923&artikel=1); - **gemandateerde:** persoon aan wie krachtens dit besluit mandaat is verleend tot het afgeven van attesten. Artikel 2 Aan de hoofden van de opleidingsinstellingen die krachtens [artikel 3, derde lid, van de Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012923&artikel=3) zijn goedgekeurd wordt mandaat verleend voor het afgeven van attesten aan kandidaten die met goed gevolg het examen hebben afgelegd na voltooiing van de basisopleiding voor cabinebemanningslid. Artikel 3 Aan de gemandateerde wordt machtiging verleend om handelingen te verrichten die verband houden met de afgifte van attesten. Artikel 4 De gemandateerde hanteert voor de afgifte, de registratie van en het toezicht op attesten de procedures overeenkomstig de artikelen ARA.GEN.300, ARA.GEN.220 en ARA.GEN.315 van bijlage VI van verordening (EU) nr. 1178/2011. Artikel 5 1. De gemandateerde kan ten aanzien van de aan hem op gr"},{"i":1985,"b":"Wet van 4 juli 1991, tot wijziging van de Wet op de accijns van minerale oliën en van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 (lastenverzwaring auto's in verband met tariefstijging openbaar vervoer) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het uit een oogpunt van een evenwichtige ontwikkeling van de tarieven van het openbaar vervoer enerzijds en van de autokosten anderzijds wenselijk is de accijnzen op de motorbrandstoffen en in samenhang daarmee de brandstoftoeslagen in de motorrijtuigenbelasting te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV 1. Voor een motorrijtuig als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel **a** of **b,** van de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002534), waarvoor vóór 16 juli 1991 motorrijtuigenbelasting is betaald over een tijdvak waarvan een gedeelte valt na 15 juli 1991, is over het gehele tijdvak motorrijtuigenbelasting verschuldigd naar het tarief dat met betrekking tot dat motorrijtuig gold bij de aanvang van dat tijdvak. 2. Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot een motorrijtuig waarvoor de motorrijtuigbelasting is betaald na 15 februari 1991 over een tijdvak van twaalf of van drie maanden tenzij: - a. het in het eerste lid bedoelde tijdvak eindigt op 31 juli 1991; - b. de houder van het motorrijtuig voor de eerste maal voor dat motorrijtuig de belasting heeft betaald; of - c. de houder van het motorrijtuig de belasting heeft betaald over een tijdvak dat aansluit op een tijdvak van twaalf of drie maanden dat is geëindigd vóór 16 juli 1991. 3. Voor een motorrijtuig waarmee gebruik van de weg wordt gemaakt"},{"i":2872,"b":"Beschikking van de Minister voor Rechtsbescherming van 19 oktober 2018, nr. 238277, Directie Wetgeving Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2019 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2019) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2019 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2019. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4471,"b":"Circulaire Afgifte jachtakten Flora- en faunawet De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, in overeenstemming met de Minister van Justitie; Paragraaf 1. Aanleiding In het kader van de afgifte jachtakten [Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640) is er een aantal onduidelijkheden ontstaan ten aanzien van de wapens die mogen worden bijgeschreven op de jachtakten. Met name ten aanzien van zogenaamde groot-kaliber wapens, die worden gebruikt in het kader van beheer en schadebestrijding als bedoeld in de [Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640), en ten aanzien van het voorhanden hebben van loodhagel voor het gebruik op schietbanen zijn vragen gerezen. Teneinde duidelijkheid te verschaffen voor de korpschefs van de regionale politiekorpsen, die belast zijn met de afgifte van jachtakten, is deze circulaire opgesteld. Paragraaf. : Inleiding De [Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640) is op 1 april 2002 in werking getreden. Deze wet bundelt de bepalingen omtrent de soortenbescherming die voorheen in de Vogelwet 1936, de Natuurbeschermingswet, de [Jachtwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002155), de Wet bedreigde dier- en plantensoorten en de Nuttige dierenwet 1914 waren opgenomen. De systematiek van de [Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640) is ten opzichte van de [Jachtwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002155) gewijzigd. De [Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640) kent nog slechts 6 wildsoorten (haas, fazant, patrijs, wilde eend, konijn, houtduif), waarop in beginsel de jacht kan worden geopend. Voor de overige diersoorten geldt een regime van beheer en schadebestrijding. Ook voor de 6 wildsoorten geldt dit regime van beheer en schadebestrijding buiten de bepalingen omtrent de reguliere jacht. De [Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804) verbiedt in beginsel het"},{"i":4636,"b":"Besluit van 16 november 2015, houdende regels tot wijziging van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft, het Besluit prudentiële regels Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband met de implementatie van richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (herschikking) (PbEU 2014, L 173) (Implementatiebesluit depositogarantiestelsel) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 21 september 2015, 2015-0000010673, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 3:17, tweede lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:72, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:72), [3:259, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:259), [3:259a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:259a), [3:263, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:263), [3:266, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:266), [3:267, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:267), en [3:266, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:266); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 oktober 2015, nr. W06.15.0338/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 13 november 2015, 2015-0000018092, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel III Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel IV Indien de Europese Commissie op grond van artikel 10, zesde lid, van de richtlijn depositogarantiestelsels een doelomvang van het depositoga"},{"i":4245,"b":"Besluit van 5 juli 2022, nr. 2022001458 houdende de vaststelling tot voortzetting van het financieel toezicht op Curaçao en Sint Maarten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 juni 2022, nr. 2022-0000342624 Gelet op [artikel 33 van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=33) Overwegende dat: [Artikel 33, eerste lid, van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=33) (hierna te noemen de Wet) bepaalt dat de raad van ministers van het Koninkrijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132) besluit of en, zo ja, met ingang van welk tijdstip een van de landen of beide een of meer verplichtingen op grond van deze wet blijvend niet meer behoeft na te komen; Bij besluit van 1 februari 2019 de verplichtingen voor Curaçao en Sint Maarten op grond van de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132) met drie jaar zijn verlengd en hieraan terugwerkende kracht is gegeven tot 10 oktober 2018; Ingevolge [artikel 33, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=33) drie jaar na een besluit, als bedoeld in het eerste lid, opnieuw een besluit wordt genomen en vervolgens telkens binnen een periode van drie jaar na ieder besluit, zolang ten aanzien van een land één of meer verplichtingen op grond van de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132) nog van toepassing zijn, wederom een besluit wordt genomen; Dergelijke besluiten pas worden genomen nadat aan de raad van ministers van het Koninkrijk een advies is uitgebracht door een evaluatiecommissie; Onze Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, conform [artikel 33, zevende lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028132&artikel=33) heeft besloten tot het instellen van een evaluatiecommissie, met i"},{"i":3608,"b":"Besluit van 23 december 2010, houdende wijziging van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000, ter nadere invulling van de eisen die worden gesteld op grond van de Wet introductie premiepensioeninstellingen (Besluit introductie premiepensioeninstellingen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 14 juli 2010, nr. FM 2010-4842 M, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 2:54h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:54h), [2:121a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:121a), [3:9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:9), [3:10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:10), [3:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:18, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:18), [3:53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:71, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:71), [3:267b, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:267b), en [4:71c, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:71c), de [artikelen 33, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=33), [46, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=46), [108a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=108a), [147, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=147), [151, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":3611,"b":"Besluit van 18 mei 1995, houdende vaststelling van maatstaven die bij het in artikel 7a, eerste lid, van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen bedoelde onderzoek dienen te worden gehanteerd Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 7 februari 1995, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 479580/95/6; Gelet op [artikel 7**a** van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=7a); De Raad van State gehoord (advies van 11 april 1995, No. W03.95.0057); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 11 mei 1995, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 492792/95/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het in [artikel 7**a**, eerste lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=7a) bedoelde onderzoek naar de zuiverheid en zorgvuldigheid van handelen van autoriteiten, instellingen of personen in het buitenland, van wier activiteiten de aspirant-adoptiefouders gebruik wensen te maken, heeft in elk geval betrekking op: - a. de bevoegdheden, de vakbekwaamheid en het werkterrein van deze autoriteiten, instellingen of personen alsmede de wijze waarop zij bij de centrale overheid van de desbetreffende Staat bekend staan; - b. de verslaglegging en de administratie van hun activiteiten; - c. de voor de door hen geboden diensten gevraagde vergoeding; - d. de gegevens met betrekking tot de identiteit en de herkomst van door hen voor opneming door aspirant-adoptiefouders buiten de Staat van herkomst in aanmerking gebrachte kinderen, de wijze waarop deze daarvoor in aanmerking zijn gekomen en de wijze waarop de afstand door de ouders is of zal worden geregeld; - e. de gegevens met betrekking tot de inspanningen die worden verricht ten einde plaatsing van onder **d.** bedoelde kinderen in de Staat van herkomst te bewerkstelligen en, voor zover vereist, de instemming van de bevoegde autoriteiten met de opneming van"},{"i":3423,"b":"Besluit van 2 november 2012, houdende regels met betrekking tot dierlijke producten (Besluit dierlijke producten) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 12 juli 2012, nr. 283263, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PbEG 2000 L 204), verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004 L 139), verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PbEU 2004 L 139), verordening (EG) nr. 2075/2005 van de Commissie van 5 december 2005 tot vaststelling van specifieke voorschriften voor de officiële controles op Trichinella in vlees (PbEU 2005 L 338), verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU 2006 L 93), verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU 2006 L 93), verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU 2007 L 189), verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening"},{"i":4821,"b":"Besluit van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 18 mei 2022, nr. 2022-0000161014, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw (Mandaatbesluit beheer TloKB) Gelet op de [artikelen 7ak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ak) en [7am van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7am), Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), Gelet op de schriftelijke instemming van de voorzitter van de Toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw van 22 april 2022, Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **TloKB:** toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw, bedoeld in [artikel 7ak van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ak); - b. **dienst:** de dienst TloKB bedoeld in [artikel 7am Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7am); - c. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening besluiten te nemen; - d. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de Minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. - f. **Minister:** de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Artikel 2 1. Aan de voorzitter van de TloKB wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend ten aanzien van de aangelegenheden die het beheer van de dienst betreffen, waaronder aangelegenheden op personeel, financieel, materieel en organisatorisch gebied. Het mandaat wordt begrensd door de van toepassing zijnde begrotingswet en de daarbij"},{"i":4596,"b":"Fiscale beleidsregels december 2004 De Staatssecretaris van Financiën geeft kennis van het volgende. In de maand december 2004 zijn de volgende beleidsregels op de website www.minfin.nl geplaatst. In verband met het bepaalde in [artikel 2:14, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14) liggen deze beleidsregels, vanaf datum publicatie op de website, tevens ter inzage bij de afdeling Bibliotheek en documentatie van het Ministerie van Financiën, Korte Voorhout 7 te Den Haag. Heffing van omzetbelasting ten aanzien van melkpremie Besluit van 29 november 2004, nr. CPP2004/2614M Afhandeling bezwaarschriften aankoopkosten Besluit van 29 november 2004, nr. DGB2004/5550M Vennootschapsbelasting; Artikel 13, eerste lid, Wet Vpb. Artikel 13a, eerste lid, Wet Vpb; earn-outregeling; begrip kosten Besluit van 6 december 2004, nr. CPP2004/1902M Inkomstenbelasting. Buitengewone uitgaven. Verhogingsfactor en chronisch ziekenforfait bij ontbreken aangifte voorgaande jaren Besluit van 6 december 2004, nr. CPP2004/2100M Landelijke Landbouwnormen Besluit van 9 december 2004, nr. CPP2004/2835M Inkomstenbelasting/loonbelasting. Bekendmaking percentage scholingsfondsen Besluit van 6 december 2004, nr. CPP2004/2619M, Stcrt. nr. 239 Inkomstenbelasting. Winst uit onderneming. Waardering van voorraden door detaillisten op het gebied van textiel, kleding, schoenen, meubelen en stoffering Besluit van 15 december 2004, nr. CPP2004/2379M Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Heffingsaspecten geschenken in natura Besluit van 16 december 2004, nr. CPP2004/2765M Loonbelasting.Vrije vergoeding; vrije vergoedingen en verstrekkingen; vakliteratuur; dagblad Besluit van 16 december 2004, nr. CPP2004/1859M Vennootschapsbelasting. Dividendbelasting. Inkomstenbelasting. Europees recht. Wijziging moeder-dochterrichtlijn. Kwalificatie rechtsvormen Besluit van 18 december 2004, nr. CPP2004/2730M Omzetbelasting. Verlaagde tarief toepassing p"},{"i":3375,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 7 augustus 2024 nr. BOACAT2024/089, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Parkeerbedrijf gemeente Arnhem Gelezen het verzoek van het Hoofd van Parkeerbedrijf gemeente Arnhem van 4 juli 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050134&artikel=2&z=2024-12-01&g=2024-12-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van parkeercontroleur in dienst van Parkeerbedrijf gemeente Arnhem, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, z"},{"i":4497,"b":"Circulaire Inwerkingtreding EG-Insolventieverordening Aan: - De president van de Hoge Raad - De Raad voor de rechtspraak - Het college van procureurs-generaal - De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak - De Nederlandse Orde van Advocaten - De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders 1. Inleiding Op 31 mei 2002 is in werking getreden de verordening (EG) van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 2000 (Nr. 1346/2000) betreffende insolventieprocedures (PbEG L 160), hierna aangeduid als EG-insolventieverordening of kortweg de verordening. Deze verordening noopt tot het treffen van enkele wettelijke voorzieningen ter uitvoering van de verordening, met name in de [Faillissementswet](onbekend). Een daartoe strekkend wetsvoorstel is op 12 juli in de Ministerraad behandeld en voor advies naar de Raad van State verzonden. Omdat de verordening reeds in werking is getreden, kunnen er vragen rijzen omtrent de betekenis en gevolgen van de verordening tot het tijdstip waarop dit wetsvoorstel tot wet zal zijn verheven. Met deze brief wordt beoogd daaromtrent duidelijkheid te brengen. Ik verzoek U om de inhoud van deze brief binnen Uw organisatie bekend te maken aan degenen die het aangaat. Bij brief van 24 juli 2001 is aan de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht advies verzocht over de wenselijkheid van aanpassing van de wetgeving aan de verordening. De Staatscommissie heeft een definitief advies aangeboden op 14 maart 2002. Dit advies is openbaar gemaakt op de website van het Ministerie van Justitie (www.justitie.nl. Vervolgens doorklikken op 'thema's', 'wetgeving', 'rapporten en nota's'). De Staatscommissie heeft, mede gelet op de korte termijn die nog restte tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening, geadviseerd om alleen die onderwerpen in de uitvoeringswet op te nemen die met de komst van de verordening op korte termijn noodzakelijk zouden moeten worden geregeld. Deze aanbeveling heb ik in het wetsvoorstel overgenomen. Nadat"},{"i":1970,"b":"Wet van 13 december 1995 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de invoering van een regulerende energiebelasting Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een regulerende energiebelasting in te voeren met het oog op het verminderen van de uitstoot van kooldioxide en het bevorderen van energiebesparing; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. De in artikel 36**c**, tweede en derde lid, alsmede de in [artikel 36**j**, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=36j) genoemde hoeveelheidsgrenzen worden naar evenredigheid verlaagd indien de periode gelegen tussen het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en het einde van de voor een verbruiker geldende verbruiksperiode korter is dan 12 maanden. 2. De in [artikel 36**l**, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=36l) genoemde hoeveelheidsgrenzen worden naar evenredigheid verlaagd indien de periode gelegen tussen het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en het einde van het jaar waarin deze wet in werking is getreden korter is dan 12 maanden. Artikel III 1. In afwijking van [artikel 36**i**, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=36i) bedraagt het tarief van 1 januari 1996 tot 1 januari 1997 voor: - a. halfzware olie, per 1000 L f 28,20; - b. gasolie, per 1000 L f 28,40; - c. vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kilogram f 33,60; - d. aardgas, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule, per m3 f 0,032. 2. In afwijking van [artikel 36**i**, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugr"},{"i":3430,"b":"Besluit van 27 augustus 2001, houdende nadere regels over het DNA-onderzoek in strafzaken (Besluit DNA-onderzoek in strafzaken) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 7 mei 2001, nr. 5096282/01/6; Gelet op de [artikelen 151a, eerste, vierde, vijfde, zesde en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=151a), [151b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=151b), [195a, eerste, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=195a), [195b, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=195b), en [195d, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=195d); De Raad van State gehoord (advies van 16 juli 2001, nr. W03.01 0218/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 20 augustus 2001, nr. 5113447/01/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking als de wet van 5 juli 2001 tot wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken (Stb. 2001, 335) in werking treedt. § 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de wet: het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); - b. een DNA-onderzoek: een onderzoek als bedoeld in [artikel 151a, eerste lid, eerste volzin, of zesde lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=151a), [151b, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=151b), [151d, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=151d), [151da, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=151da), [195a, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=195a), [195b, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=195b), [195d, eerste lid, eerste volzin](https://w"},{"i":2519,"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 21 maart 2019 tot toepassing van richtsnoeren van de Europese toezichthoudende autoriteiten in verband met het prudentieel toezicht en de afwikkelingstaak bij of krachtens de Wet op het financieel toezicht (Beleidsregel toepassing richtsnoeren Europese toezichthoudende autoriteiten Wft 2019) Gelet op [artikel 1:29a van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:29a) (Wft) en [artikel 6 van de Uitvoeringsregeling Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020537&artikel=6); Gelet op Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PbEU L 331), in het bijzonder artikel 16; Gelet op Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PbEU L 331), in het bijzonder artikel 16; Gelet op Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PbEU L 331), in het bijzonder artikel 16; BESLUIT: Artikel 1. (definities) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - –. **EBA:** Europese Bankautoriteit (European Banking Authority), rechtsopvolger van het Committee of European Banking Supervisors (CEBS); - –. **EIOPA:** de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (European Insurance and Occupational"},{"i":3725,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 maart 2020, nr. 2020-0000071915, houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging aan het Samenwerkingsverband Noord-Nederland voor het uitvoeren van de Regeling energiebesparing woningen bouwkundig versterkingsprogramma Groningenveld (Besluit mandaat, volmacht en machtiging BZK aan Samenwerkingsverband Noord-Nederland in het kader van de subsidieregeling energiebesparing woningen) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland; Besluit: Artikel 1 Aan het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van feitelijke handelingen die betrekking hebben op de subsidieverstrekking op grond van de [Regeling energiebesparing woningen bouwkundig versterkingsprogramma Groningenveld](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040901). Artikel 2 Aan het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland wordt tevens mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043355&artikel=1&z=2020-04-07&g=2020-04-07), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van beroep of hoger beroep. Artikel 3 1. Het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland kan voor de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043355&artikel=1&z=2020-04-07&g=2020-04-07) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043355&artikel=2&z=2020-04-07&g=2020-04-07) bedoelde aangelegenheden ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan de functionarissen werkzaam bij het Samenwerkingsv"},{"i":2551,"b":"Beleidsregel van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) inzake toepassing van de Wet wegvervoer goederen, Verordening (EG) nr. 1071/2009 en Verordening (EG) nr. 1072/2009 ten aanzien van vergunningverlening (Beleidsregel vergunningverlening van de NIWO) Gelet op [artikelen 4.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.1), [4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 0. Definitiebepaling - **beroepsverordening voor het wegvervoer:** [Verordening (EG) nr. 1071/2009](32009R1071) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen; - **ERRU:** elektronisch sanctieregister; - **marktverordening voor het wegvervoer:** [Verordening (EG) nr. 1072/2009](32009R1072) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg; - **onderneming:** elke natuurlijke persoon, rechtspersoon, alsook elke overheidsinstantie die ingeschreven staat in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, over een btw-nummer beschikt en goederen vervoert, als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de beroepsverordening voor het wegvervoer; - **uitvoerend directeur:** de natuurlijke persoon die belast is met het feitelijk leiding geven aan de vervoerder; - **vergunning:** de communautaire vergunning als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=1.1) of de binnenlandse vergunning als bedoeld in [artikel 7.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=7.1);"},{"i":4318,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 8 juni 2018, nr. MinBuZa.2018-1291-9 tot verlening van een algemeen mandaat, volmacht en machtiging aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Gelet op de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366) en op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluiten: Artikel 1 1. Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister van Buitenlandse Zaken of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp besluiten te nemen, rechtshandelingen te verrichten en de daartoe benodigde voorbereidingshandelingen en daarmee samenhangende werkzaamheden te verrichten met het oog op: - –. de toepassing van de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366), daaronder begrepen het sluiten van uitvoeringsovereenkomsten bij subsidies; - –. het ten laste van de begrotingsmiddelen van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk der Nederlanden buiten de Europese Unie sluiten van bijdrageovereenkomsten met het oog op het verstrekken van financiële middelen aan organisaties gevestigd buiten de Europese Unie, anders dan als betaling voor aan de vertegenwoordiging geleverde goederen of diensten; - –. het sluiten van memoranda of understanding en het sluiten van arrangements met internationale organisaties of overheidsorganen in andere landen met het oog op of verband houdend met de verstrekking van financiële middelen, gericht op de realisering van beleidsdoelstellingen op het gebied van buitenlandse handel en ontwikkelingshulp of van buitenlandse zaken; - –. het verlenen van assistentie aan en het sluiten van convenanten, het uitvoeren van aanbestedingsprocedures waaronder het sluiten van overee"},{"i":4288,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 12 juni 2023, nr. IENW/BSK-2023/134700, houdende verhoging van het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2023 als bedoeld in de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027 Gelet op [artikel 4, derde lid, van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046270&artikel=4); BESLUIT: Artikel I Het bij [besluit van 2 december 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047592), met kenmerk nr. IENW/BSK-2022/276234 vastgestelde subsidieplafond voor projecten die kwalificeren als project a, project b of project c, voor het kalenderjaar 2023 wordt verhoogd van € 1.000.000 tot € 1.950.000. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2861,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 15 oktober 2007, nr. 5509595/07/6, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2008 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2008) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit : Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2008 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2,2. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2008. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4832,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 november 2017, nr. 2140261, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Mandaatbesluit COA inzake verzoeken om onderdak, uitkering, leefgeld of aanvullende voorzieningen) Gezien de schriftelijke instemming van 16 november 2017 van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers; Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1 1. Aan het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers wordt mandaat verleend voor het nemen van besluiten over, het beslissen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep in zaken die betrekking hebben op: - –. vreemdelingen met rechtmatig verblijf vanwege een lopende procedure en die een beroep doen op overheidsvoorzieningen op grond van humanitaire of medische omstandigheden; - –. de voorzieningen, het voorzieningenniveau en het opleggen van sancties op de vrijheidsbeperkende- of gezinslocatie. 2. Het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan de onder hem werkzame strategisch adviseur juridische zaken, de senior bedrijfsjuristen, de bedrijfsjuristen, de juristen en de locatiemanagers van de vrijheidsbeperkende of gezinslocatie. Artikel 2 Voor de toepassing van dit besluit en de op grond daarvan verleende ondermandaten worden met mandaat en ondermandaat gelijkgesteld de verlening van: - a. volmacht om in naam van de Minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - b. machtiging om in naam van de Minister handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op 1 december 2017. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit COA inzake verzoeken om onderdak, leefgeld"},{"i":4196,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 18 november 2015, nr. IENM/BSK-2015/225920.01, houdende vaststelling van het subsidieplafond op grond van de Projectstimuleringsregeling Interreg V voor het jaar 2016 Gelet op [artikel 10, derde lid, van de Projectstimuleringsregeling Interreg V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036545&artikel=10); Besluit: artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 10, derde lid, van de Projectstimuleringsregeling Interreg V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036545&artikel=10) wordt voor het jaar 2016 vastgesteld op € 1.000.000,00. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3434,"b":"Besluit van 23 maart 2021, houdende regels met betrekking tot de bepaling van de bijdrage van elk van de collectieve beheersorganisaties en onafhankelijke beheersorganisaties aan de kosten van het College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten (Besluit doorberekening kosten College van Toezicht) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 28 januari 2021, nr. 3194183, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 12, derde lid, van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 februari 2021, No. W16.21.0021/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 18 maart 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3238480; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779). Artikel 2. Moment van doorberekening geraamde kosten College van Toezicht Ter bepaling van de kosten die op grond van [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=12), in rekening worden gebracht aan de collectieve beheersorganisaties en onafhankelijke beheersorganisaties, wordt uitgegaan van de voor een bepaald jaar geraamde kosten van het College van Toezicht. De kosten worden in rekening gebracht aan de collectieve beheersorganisaties en onafhankelijke beheersorganisaties in het jaar waarvoor de kosten van het College van Toezicht zijn geraamd. Artikel 3. Bijdrage collectieve en onafhankelijke beheersorganisaties 1. De hoogte van de jaarlijkse bijdrage van een onafhankelijke beheersorganisatie bedraagt 0,5% van de op gron"},{"i":6059,"b":"Verlengbaarheidsbesluit GSM-vergunningen 2013 Gelet op [artikel 1 van het Besluit continuïteit mobiele telecommunicatiedienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031844&artikel=1); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **transitie:** het door een vergunninghouder staken van het gebruik van de frequentieruimte genoemd in een vergunning genoemd in kolom 1 van tabel 1 zoals deze luidt op het moment van inwerkingtreding van dit besluit; - b. **gecombineerde vergunning:** een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte in zowel de 900 MHz-band als de 1800 MHz-band. Artikel 2 1. Om te voorkomen dat de transitie niet kan worden uitgevoerd zonder dat daarbij de continuïteit van dienstverlening in gevaar kan komen zijn de vergunningen, genoemd in kolom 1 van tabel 1, op aanvraag verlengbaar. 2. Alle vergunningen, bedoeld in het eerste lid, waarvoor verlenging is aangevraagd, zijn verlengbaar met dezelfde termijn, die: - a. niet eerder eindigt dan 25 mei 2013 en niet later dan 24 maanden na de dag waarop de mededeling, bedoeld in [artikel 42 van de Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen 800, 900 en 1800 MHz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031069&artikel=42), is gedaan, en - b. naar het oordeel van de Minister redelijkerwijs nodig is om de transities van alle aanvragers te voltooien zonder dat de continuïteit van dienstverlening daarbij in gevaar komt. 3. Indien dat de continuïteit van dienstverlening naar het oordeel van de Minister niet in gevaar brengt, kan de Minister een verlengingsduur per frequentieband hanteren. In dat geval wordt bij de toepassing van het tweede lid ‘alle vergunningen’ gelezen als ‘alle vergunningen voor zover die zien op frequentieruimte binnen een bepaalde frequentieband’ en worden in onderdeel b uitsluitend transities binnen dezelfde frequentieband in beschouwing genomen. 4. Indien toepassing gegeven wordt aan het derde lid wordt in gecombineerde vergunningen een verschillende verlen"},{"i":1976,"b":"Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II – Economische infrastructuur) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2002 wenselijk is maatregelen te treffen inzake de economische infrastructuur alsmede enkele overige onderwerpen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel IV, onderdeel LA en M, lid 2 werken terug tot en met 1 januari 2001. Bij Stb. 2001/641 is in artikel VIII een bepaling betreffende de toepassing geformuleerd. Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel III Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel VI. Overgangsrecht in verband met [artikel I onderdeel F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013187&artikel=I&z=2004-03-01&g=2004-03-01) 1. Met betrekking tot een onderneming die valt onder de werkingssfeer van [hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Dd, eerste lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend): - a. wordt voor investeringen in films waarvan de voortbrengingskosten in belangrijke mate zijn gemaakt in de periode van 1 januari 2001 tot 16 juli 2002 het in [artikel 3.42b van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42b) genoemde percentage van de filminvesteringsaftrek, vervangen door 25 en de verklaring, bedoeld in [artikel 3.42b, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42b) geacht te zijn verstrekt; - b. vindt voor desinvesteringen van investeringen waarvoor 25 percent fil"},{"i":1978,"b":"Wet van 3 juli 2008 tot wijziging van een aantal belastingwetten en enkele andere wetten Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet werken aan winst. Artikel VI Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VIII Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel IX Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel X Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XI Wijzigt de Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen. Artikel XII Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel XIII Wijzigt de Waterschapswet. Artikel XIV Wijzigt de Provinciewet. Artikel XV Wijzigt de Gemeentewet. Artikel XVI Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Artikel XVII Wijzigt de Luchtvaartwet. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel XIX Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel XX Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XXI Wijzigt de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. Artikel XXII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XXIII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XXIV Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel XXV Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XXVA Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XXVI Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel XXVII De met betrekking tot een van de kalenderjaren 2001 tot en met 2008 in [artikel 2.17, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.17) bedoelde onderlinge verhouding kan in"},{"i":3084,"b":"Bekendmaking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 november 2015, nr. MBO- 860341 inzake de vaststelling van het subsidieplafond van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo voor het kalenderjaar 2016 Gelet op [artikel 2.2, eerste lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2); Besluit: artikel Enig Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2016, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2) wordt: - a. voor het onderdeel van het investeringsbudget, bedoeld in [artikel 2.2, tweede lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2), vastgesteld op € 155,9 miljoen, en - b. voor de het onderdeel van het investeringsbudget, bedoeld in [artikel 2.2, derde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2) vastgesteld op € 24 miljoen. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5852,"b":"Besluit van 8 november 2004, houdende voorlopige voorzieningen inzake het gebruik van persoonsnummers ten behoeve van de elektronische toegang tot de overheid (Tijdelijk besluit nummergebruik overheidstoegangsvoorziening) Op de voordracht van Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 9 juni 2004, nummer IIOS2004/69201, DGMOS/DIIOS/II, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op [artikel 24, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 30 augustus 2004, no. W04.04.0344/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 12 oktober 2004, nr. 2004-0000013570, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **administratienummer:** het administratienummer, bedoeld in [artikel 4.9 van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=4.9); - b. **overheidstoegangsvoorziening:** de centrale voorziening die ondersteuning biedt bij het verifiëren van de identiteit van personen die langs elektronische weg toegang zoeken tot een bij de voorziening aangesloten bestuursorgaan; - c. **verwerkingsverantwoordelijke voor de overheidstoegangsvoorziening:** het bestuursorgaan dat de verantwoordelijke is ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens binnen de overheidstoegangsvoorziening. Artikel 2 Dit besluit berust op [artikel 46, tweede lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=46). Artikel 3 1. Het administratienummer kan bij de verwerking van persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke voor de overheidstoegangsvoorziening en door de bij die voorziening aangesloten bestuursorganen worden gebruikt met het oog op het verifiëren van de identiteit van degene die met behulp van de voorziening toegang zoekt tot elekt"},{"i":5375,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 oktober 2016, nr. 2016-0000227939, tot openstelling van een tweede aanvraagtijdvak, vaststelling van subsidieplafonds voor dit aanvraagtijdvak en aanpassing van de subsidieplafonds voor het eerste aanvraagtijdvak in het kader van de Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt Artikel 1. Opening aanvraagtijdvak Het tweede aanvraagtijdvak op grond van de [Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038055) loopt vanaf 28 november 2016, 9.00 uur tot en met 23 december 2016, 17.00 uur. Artikel 2. Subsidieplafond Het subsidieplafond voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038695&artikel=1&z=2017-07-08&g=2017-07-08), bedraagt: - a. voor projecten dienstverlening: € 12.000.000; - b. voor projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt: € 10.500.000. Artikel 3. Wijziging [Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038055) Wijzigt de Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038695&artikel=3&z=2017-07-08&g=2017-07-08) dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 15 juli 2016. Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":6176,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 mei 2007, nr. VGP/PSL 2769921, houdende aanwijzing van Europese normen die voldoen aan het algemeen veiligheidsvereiste van richtlijn 2001/95/EG (Warenwetregeling aanwijzing algemene veiligheidsnormen) Gelet op de beschikkingen van de Europese Commissie van 13 oktober 2005 en 20 juli 2006 betreffende de overeenstemming van bepaalde normen met het algemene veiligheidsvereiste van [Richtlijn 2001/95/EG](32001L0095) van het Europees Parlement en de Raad en de bekendmaking van de referenties ervan in het Publicatieblad (Pb EG 2005 L 271 en Pb EG 2006 L 200), de mededeling van de Europese Commissie in het kader van de uitvoering van [Richtlijn 2001/95/EG](32001L0095) van het Europees Parlement en de Raad inzake algemene productveiligheid (Pb EG 2006 C 171) en [artikel 18a, tweede lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=18a); Besluit: Artikel 1 Als normen bedoeld in [artikel 18a, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=18a), worden aangewezen de normen vermeld in de bijlage van deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling kan worden aangehaald als: Warenwetregeling aanwijzing algemene veiligheidsnormen. Bijlage. bij de Warenwetregeling aanwijzing algemene veiligheidsnormen EN 716-1:2017+AC:2019 Meubelen – Kinderledikanten en opvouwbare kinderbedjes voor huishoudelijk gebruik – Deel 1: Veiligheidsvoorschriften EN 913:2018+A1:2021 Turntoestellen – Algemene veiligheidseisen en beproevingsmethoden EN 914:2020 Turntoestellen – Bruggen met gelijke liggers en bruggen met ongelijke liggers – Eisen en beproevingsmethoden inclusief veiligheid EN 915:2008 Turntoestellen – Bruggen met ongelijke liggers – Functionele eisen en veiligheidseisen, beproevingsmethoden EN 916:2003 Turntoestellen – Springkasten – E"},{"i":6133,"b":"Besluit van 20 juni 2016, houdende regels voor elektrisch materiaal (Warenwetbesluit elektrisch materiaal) Op de voordracht van 0nze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 april 2016, kenmerk 952710-149053-VGP; Gelet op [richtlijn 2014/35](32014L0035)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (PbEU 2014, L 96) alsmede op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [8, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [9, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=9), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=11), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14), en [32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 april 2016, no. W13.16.0077/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 juni 2016, kenmerk 952704-149053-VGP; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **richtlijn 2014/35/EU:** [richtlijn 2014/35](32014L0035)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (PbEU 2014, L 96); - –. **op de markt aanbieden, in de handel brengen, fabrikant, gemachtigde, importeur, distributeur, marktdeelnemers, geharmoniseerde norm onderscheidenlijk CE-markering:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [richtlijn 2014/35](32014L0035)/EU. 2. Dit besl"},{"i":7125,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 21 november 2017, houdende regels over het schatkistbankieren door rechtspersonen met een wettelijke of publieke taak en rechtspersonen die publieke liquide middelen beheren (Regeling schatkistbankieren RWT’s en andere rechtspersonen) Gelet op [artikel 5.9 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=5.9); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **actuele marktwaarde:** de waarde die wordt berekend op basis van de actuele rente behorend bij de resterende looptijden van toekomstige kasstromen (rente en aflossing) van een deposito of lening; - **betaalrekening:** een rekening die de rechtspersoon bij een bank aanhoudt; - **daggeldrente:** de dagelijkse vaststelling door de Europese Centrale Bank van de Euro Short Term Rate (€STR), zijnde de rente waartegen gemiddeld genomen overnight en zonder onderpand liquiditeiten zijn geleend in de eurogeldmarkt (afgerond op 2 decimalen); - **deposito:** het creditbedrag op een aan een rekening-courant gekoppelde depositorekening van de schatkist van het Rijk, waarover een vooraf vastgestelde rente wordt vergoed en waarover de rechtspersoon gedurende een vooraf vastgestelde periode niet vrij kan beschikken; - **inleenrente:** de rente waartegen de Staat zichzelf financiert op de (inter)nationale geld- en kapitaalmarkt via de uitgifte van Dutch Treasury Certificates en Dutch State Loans; - **lening:** de lening, bedoeld in de [artikelen 5.5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=5.5), en [artikel 5.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=5.6); - **rechtspersoon:** de rechtspersoon met een wettelijke of publieke taak en de rechtspersoon die publieke liquide middelen beheert, bedoeld in [artikel 5.2, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=5.2), respecti"},{"i":4460,"b":"Circulaire Aanpassing bedragen Besluit woninggebonden subsidies 1995 en Besluit locatiegebonden subsidies Geacht college, geacht bestuur, Op basis van de te verwachten stijging van de bouwkosten van nieuwbouwwoningen worden jaarlijks de stichtingskostengrenzen voor (sociale) nieuwbouwwoningen berekend en worden de hierop betrekking hebbende regelingen geactualiseerd. De aanpassingen komen voort uit [artikel 24 van het Besluit woninggebonden subsidies 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950&artikel=24) en uit [artikel 6 van het Besluit locatiegebonden subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425&artikel=6). Daartoe dient bijgaande MG en Besluit. In het [BWS 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) en in het [BLS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425) is de categorie woningen in de sociale bouwsector opgenomen. Voor deze categorie geldt thans dat de geraamde kosten voor het in eigendom verkrijgen daarvan niet hoger zijn dan € 91.800,-. Gelet op de prijsontwikkeling van het bouwen van woningen is het wenselijk om met ingang van 1 januari 2003 dit bedrag te verhogen. Het nieuwe verhoogde bedrag in het [BWS 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) en in het [BLS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425) wordt verhoogd van € 91.800,- naar € 96.849,-. Bij ministeriële regeling zijn de bedragen in de genoemde besluiten aangepast. Een afschrift van deze regeling is bij deze circulaire gevoegd. Deze circulaire en bijbehorende ministeriële regeling worden in de Staatscourant gepubliceerd."},{"i":4461,"b":"Circulaire Aanpassing huurwaarde dienstwoningen per 1 juli 2006 In deze circulaire wordt de verhoging van de economische huurwaarde van dienstwoningen per 1 juli 2006 bekend gemaakt. De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn ter uitvoering van [artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), dienen naar van de zijde van de Belastingdienst is vernomen per 1 juli 2006 met 2,8% te worden verhoogd. Woningen die op of na 1 juli 2005 gereed zijn gekomen, vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 2,8%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. Ik verzoek u met bovengenoemde wijzigingen rekening te houden."},{"i":5710,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 15 maart 2017, nr. IenM/BSK-2017/67200, houdende verstrekking van subsidie aan de vereniging Fietsersbond (Subsidieregeling Fietsersbond 2017) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5), [2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2) en [4 van het Kaderbesluit I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **forfaitair uurtarief:** kostendekkend tarief per uur voor een boekjaar dat wordt gehanteerd voor de uitvoering van subsidiabele projecten en producten, en dat wordt berekend op basis van gemiddelde salariskosten en een opslag voor de overheadkosten, waarbij wordt aangesloten bij de systematiek van de Handleiding Overheidstarieven 2016; - **kosten derden:** op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele projecten en producten worden gemaakt; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **product:** (deel)resultaat dat voortkomt uit een project; - **project:** geheel van activiteiten dat deel uitmaakt van een thema; - **subsidieontvanger:** Vereniging Fietsersbond, statutair gevestigd te Utrecht; - **xls file:** een door de minister vast te stellen bestand met een format voor ramingen en realisaties van de gesubsidieerde projecten en producten ten behoeve van de subsidieverlening en subsidievaststelling. Artikel 2. Doel subsidie 1. De minister kan op aanvraag per boekjaar een subsidie verstrekken aan de subsidieontvanger voor het uitvoeren van projecten en producten, gericht op de behartiging van belangen van fietsers in de besluitvorming van overheden, openbaar vervoersbedrijven en mar"},{"i":4192,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 november 2023, houdende vaststelling van het subsidieplafond en de aanvraagperiode van de meerjarige stimuleringsregeling flex- en transformatiewoningen Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048657&artikel=3) en [4, eerste lid, van de meerjarige stimuleringsregeling flex- en transformatiewoningen 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048657&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Subsidieplafond Het plafond, bedoeld in [artikel 3, van de meerjarige stimuleringsregeling flex- en transformatiewoningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048657&artikel=3) bedraagt € 55.000.000 inclusief BTW. Artikel 2. Aanvraagperiode De aanvraagperiode, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de meerjarige stimuleringsregeling flex- en transformatiewoningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048657&artikel=4) loopt van woensdag 15 november 2023 vanaf 9.00 uur tot en met maandag 15 januari 2024 17.00 uur. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 november 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5250,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 februari 2022, nr. 3827949, directie Wetgeving en Juridische Zaken, houdende aanwijzing van de geschillencommissie zoals bedoeld in artikel 23, eerste en tweede lid, van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten Gelet op [artikel 23, eerste en tweede lid, van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=23), Besluit: Artikel 1 De Geschillencommissie Auteursrechten, die in stand wordt gehouden door de Stichting Geschillencommissies voor Beroep en Bedrijf, wordt aangewezen als geschillencommissie in de zin van [artikel 23, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=23). Artikel 2 De Geschillencommissie Buma/Stemra wordt aangewezen als geschillencommissie in de zin van [artikel 23, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=23). Artikel 3 Onverminderd het bepaalde in dit besluit worden de samenstelling, de inrichting, de procedures en de werkwijze van de Geschillencommissie Auteursrechten geregeld in het Reglement Geschillencommissie Auteursrechten, zoals opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046314&bijlage=1&z=2022-04-01&g=2022-04-01) van deze regeling. Artikel 4 Onverminderd het bepaalde in dit besluit worden de samenstelling, de inrichting, de procedures en de werkwijze van de geschillencommissie geregeld in het Reglement Geschillencommissie Buma/Stemra, zoals opgenomen in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046314&bijlage=2&z=2022-04-01&g=2022-04-01) van deze regeling. Artikel 5 De [Regeling"},{"i":3880,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg en de Minister van Justitie en Veiligheid van 15 mei 2020, kenmerk 1689433-205259-VGP, houdende opening van het tijdvak voor het indienen van een aanvraag om aanwijzing als teler in het kader van het experiment gesloten coffeeshopketen en vaststelling van de minimale hoeveelheid hennep die bij aanvang van de uitvoering van het experiment moet kunnen worden geproduceerd Gelet op de [artikelen 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=14), en [19, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=19), Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip dat de Wet experiment gesloten coffeeshopketen in werking treedt. Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818); - b. **aanwijzing als teler:** aanwijzing als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=5); - c. **coffeeshophouder:** coffeeshophouder als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=1); - d. **experiment:** experiment als bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=2); - e. **aanvang van de uitvoering van het experiment:** tijdstip als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=4). Artikel 2. (aanvraagtijdvak) Een aanvraag om aanwijzing als teler kan worden ingediend binnen het volgende tijdvak: vanaf de datum van inwerkingtreding van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818) tot en met vier weken na die datum. Artikel 3. (minimale productiehoeveelheid) Een aanvrager dient met zijn ondernemingsplan aannemelijk te maken dat hij bij de aanvang van de uitvoering van het exp"},{"i":6041,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Letland inzake de export en handhaving van socialeverzekeringsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Letland, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, geleid door de wens betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid tot stand te brengen, geleid door de wens de samenwerking tussen de twee staten te regelen ter waarborging van de handhaving van de wetgeving van het ene land in het andere, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Vervallen Artikel 2. Materiële werkingssfeer Vervallen Artikel 3. Personele werkingssfeer Vervallen Artikel 4. Export van uitkeringen Vervallen Artikel 5. Identificatie Vervallen Artikel 6. Verificatie van aanvragen en betalingen Vervallen Artikel 7. Geneeskundig onderzoek Vervallen Artikel 8. Erkenning van beslissingen en uitspraken Vervallen Artikel 9. Terugvordering van onverschuldigde betalingen en administratieve boetes Vervallen Artikel 10. Bescherming van persoonsgegevens Vervallen Artikel 11. Uitvoering van het Verdrag Vervallen Artikel 12. Taal Vervallen Artikel 13. Beslechting van geschillen Vervallen Artikel 14. Inwerkingtreding Vervallen Artikel 15. Territoriale toepassing Vervallen Artikel 16. Beëindiging Vervallen TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend. GEDAAN in tweevoud te Riga op 14 september 2004, in de Nederlandse, de Letse en de Engelse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. In geval van verschil in interpretatie is de Engelse tekst doorslaggevend. **Voor het Koninkrijk der Nederlanden** R. SCHUDDEBOOM **Voor de Republiek Letland** DAGNIJA STAKE"},{"i":2021,"b":"Wet van 13 december 1996 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het versterken van de fiscale infrastructuur Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het versterken van de fiscale infrastructuur voor internationaal opererende ondernemingen wenselijk is om de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II 1. Gedurende de jaren 1997 tot en met 2001 behoort bij een lichaam dat, dan wel een natuurlijk persoon die, rente ontvangt niet tot de winst onderscheidenlijk niet tot het inkomen, de rente welke ingevolge [artikel 10**a** van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a) bij het bepalen van de winst van degene die de rente is verschuldigd niet in aftrek is gebracht. 2. Artikel 13**ca** van de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) vindt slechts toepassing met betrekking tot een afwaarderingsverlies voor zover de daling van de waarde van de deelneming beneden het opgeofferde bedrag betrekking heeft op een jaar dat aanvangt met of na 1 januari 1997. Artikel III 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. De [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008425&artikel=I&z=1996-12-24&g=1996-12-24) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008425&artikel=II&z=1996-12-24&g=1996-12-24) vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot de heffing"},{"i":2022,"b":"Wet van 15 september 2005, houdende wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (vervallen van de concernfinancieringsregeling) Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IA Wijzigt de Wijzigingswet Wet inkomstenbelasting 2001, enz. (Belastingplan 2003 Deel I). Artikel II 1. Ten aanzien van een aan de vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtige die op 11 juli 2001 voldeed aan de regeling van [artikel 15b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15b), zoals dat artikel toen luidde, blijven de [artikelen 10a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a), [14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14), [14a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14a), [15b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15b) en [18, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=18) alsmede de daarop berustende bepalingen, zoals deze toen luidden, van toepassing. 2. Het eerste lid is van toepassing gedurende een periode van tien jaren gerekend vanaf de datum met ingang waarvan de belastingplichtige een reserve als bedoeld in [artikel 15b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15b), mocht vormen, met dien verstande dat deze toepassing uiterlijk eindigt met ingang van 1 januari 2011. Artikel III 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. In afwijking van het eerste lid werken de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018778&artikel=I&z=2005-12-01&g=2005-12-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018778&artikel=II&z=2005-12-01&g=2005-12-01) terug tot en met 12 juli 2001. 3. In afwijking van het eerste lid werkt [artikel IA](https://wetten.overheid.nl"},{"i":2023,"b":"Wet in 18 december 1995 tot wijziging van de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op belastingen van rechtsverkeer, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Invorderingswet 1990 (terugsluis opbrengst reparatiewetsvoorstel-btw) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen om lasten te verlichten ter stimulering van de economische infrastructuur, van de cultuur en de sport en ter bevordering van het fiscale klimaat voor ondernemingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelingen. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelingen. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelingen. Artikel IV Vervallen Artikel V Indien het bij koninklijke boodschap van 14 september 1995 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting in verband met de invoering van een regulerende energiebelasting (Kamerstukken II 1994/95, 24 344, nrs. 1-2) tot wet wordt verheven en met ingang van 1 januari 1996 in werking treedt, vervallen daarvan de [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007757&artikel=IV&z=1998-09-01&g=1998-09-01) tot en met [IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007757&artikel=IX&z=1998-09-01&g=1998-09-01), vervalt artikel IV van de onderhavige wet, wordt [artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=22) als volgt gewijzigd en wordt de vennootschapsbelasting over een gebroken boekjaar als volgt berekend. - A. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. - B. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. - C. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. - D. De vennootschapsbelasting over een boekjaar dat voor 1 januari 1996 begint en op of n"},{"i":7521,"b":"Besluit van het Fonds voor Cultuurparticipatie, zoals vastgesteld door de directeur-bestuurder op 1 september 2022, strekkende tot bekendmaking van de wijze waarop bezwaarschriften, klachten alsook verzoeken in het kader van de Wet open overheid en de Algemene verordening gegevensbescherming kunnen worden ingediend De directeur-bestuurder van het Fonds voor Cultuurparticipatie besluit: Definities:"},{"i":4800,"b":"Besluit houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan ambtenaren van de Dienst Regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van Dienst Regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, alsmede aan de door deze directeur aangewezen ambtenaren van de Dienst Regelingen, wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van andere handelingen ter afhandeling van schademeldingen die worden ingediend door afnemers van stroom en/of diens verzekeraars die schade hebben geleden naar aanleiding van de stroomstoring die zich als gevolg van het ongeval met een Apache helikopter op 12 december 2007 heeft voorgedaan. Artikel 2 De functionaris, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023474&artikel=1&z=2008-02-16&g=2008-02-16), maakt geen gebruik van de aan hem verleende bevoegdheden zonder voorafgaande instemming van zijn opdrachtgever (Directeur Juridische Dienstverlenging van het Commando DienstenCentra) indien de schademelding een bedrag van EUR 10.000,– te boven gaat. Dit bedrag kan door opdrachtgever worden aangepast voor zover de feitelijke situatie hiertoe aanleiding geeft. Artikel 3 Een document waarin een besluit of een andere handeling als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023474&artikel=1&z=2008-02-16&g=2008-02-16) is vastgelegd bevat aan het slot de volgende formule: DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE voor deze, … (functie, handtekening en naam van de ondertekenaar) Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 9 januari 2008. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaat, volmacht en machtigingsbesluit Defensie-LNV. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4269,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 25 november 2014, kenmerk 8786, inzake verlening van een vergunning tot het organiseren van een instantloterij Op grond van de [artikelen 14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14a) en [14b van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14b) (hierna: de wet) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan de Lotto B.V., gevestigd te Rijswijk met KvK-nummer 41151075 (hierna: de vergunninghouder), een vergunning voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016. Aan deze vergunning zijn de volgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de kansspelen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Bestuursstructuur B. Aangeboden kansspelen C. Afdracht D. Bescherming van consumenten E. Toezicht en controle F. Rapportage en verslaglegging"},{"i":9726,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen tot wijziging van vroegere grenstractaten Uit hoofde eene wijziging der tusschen het voormalige Koningrijk Hannover en het Koningrijk der Nederlanden bestaande grenstractaten noodzakelijk is bevonden en tot dat einde tot gemagtigden benoemd zijn: van zijde der Koninklijke Nederlandsche Regering, de kamerheer des Konings in buitengewone dienst en Commissaris des Konings in de provincie Groningen mr. LOUIS graaf VAN HEIDEN REINESTEIN, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, kommandeur der orde van de Eikenkroon, ridder van de Duitsche Kapittels-orde; en jhr. mr. JOHANNES ALBERTUS SANDBERG, lid der Gedeputeerde Staten van Overijssel, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, kommandeur der orde van de Eikenkroon; van zijde der Koninklijke Pruissische Regering, de gecommitteerde Landdrost, Opperregeringsraad OSCAR WUNDERLICH te Osnabrück, ridder der orde van den Rooden Adelaar; de geheime Regeringsraad SIXT. PHILIPP LOUIS VEZIN te Osnabrück, ridder der Guelphen-orde en ridder eerste klasse der Groothertoglijk-Oldenburgsche Huis- en Verdiensten-orde, alsmede de ambtman CARL RUSSELL te Meppen, houder der 4de klasse van de Guelphen-orde; is door genoemde gemagtigden, onder voorbehoud der ratificatie, het volgende verdrag gesloten: Art. 1 Artikel 32 van het grenstractaat van 2 Julij 1824, voor zooverre hetzelve betrekking heeft op het bij overeenkomst van de belanghebbenden van 31 October 1863 te Assen reëel verdeelde compascuum, en de tot gemeld compascuum in betrekking staande artikelen 5, 7 en 8 van het grensverdrag van 11 October 1784 worden ingetrokken. Art. 2 Het in artikel 5 van het grenstractaat van 2 Julij 1824 vervatte verbod, om nader dan 100 Rijnlandsche roeden of 376 Nederlandsche ellen en 7 palmen aan de grenslinie gebouwen op te rigten, gelijk mede de daartoe behoorende latere verklaringen, wordt ter weêrszijden der grenslinie, langs het door de daartoe geregtigden bij overeenko"},{"i":2032,"b":"Besluit van 5 februari 2013, houdende de regeling van enkele onderwerpen van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (Aanbestedingsbesluit op defensie- en veiligheidsgebied) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 9 oktober 2012, nr. WJZ / 12330580, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie; Gelet op [richtlijn nr. 2009/81/EG](32009L0081) van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van [richtlijnen 2004/17/EG](32004L0017) en [2004/18/EG](32004L0018) (PbEU L 216) en de [artikelen 2.74, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032898&artikel=2.74), en [3.1, eerste lid, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032898&artikel=3.1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 december 2012, nr. W15.12.0415/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 31 januari 2013, nr. WJZ / 12378942, uitgebracht mede namens Onze Minister van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **eidas-verordening:** verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG (PbEU 2014, L 257); - **Europese lijst van syntaxen:** lijst van syntaxen waarvan het referentienummer op grond van artikel 3 van [richtlijn 2014/55](32014L0055)/EU bekend is gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie; - **Europese norm voor elektronische facturering:** Europese norm als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) n"},{"i":9331,"b":"Wet van 14 mei 1998 tot uitvoering van het op 29 mei 1993 te 's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie en, in verband daarmee, wijziging van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen en enige andere wetten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om wettelijke voorzieningen te treffen ter uitvoering van het op 29 mei 1993 te 's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie (Trb. 1993, 197) en in verband daarmee de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen en enige andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. het verdrag: het op 29 mei 1993 te 's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (Trb. 1993, 197); - b. de centrale autoriteit van de staat van herkomst: de in de staat van herkomst van het kind aangewezen centrale autoriteit dan wel de overheidsinstantie, de vergunninghoudende instelling of andere persoon of instelling aan wie in die staat bepaalde taken van de centrale autoriteit zijn opgedragen. HOOFDSTUK 2. TAAK EN BEVOEGDHEDEN VAN DE CENTRALE AUTORITEIT EN DE VERGUNNINGHOUDENDE INSTELLINGEN Artikel 2 1. Onze Minister van Justitie wordt voor Nederland aangewezen als centrale autoriteit, bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009614&hoofdstuk=3&artikel=6&z=2017-09-01&g=2017-09-01) van het verdrag. 2. De centrale autoriteit is belast met de in het verdrag omschreven taken van de centrale autoriteit, voor zover deze niet door deze wet of door de Wet opnem"},{"i":2033,"b":"Besluit van 11 februari 2013, houdende de regeling van enkele onderwerpen van de Aanbestedingswet 2012 (Aanbestedingsbesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 5 november 2012, nr. WJZ / 12338533 gedaan, in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [richtlijn nr. 2004/17/EG](32004L0017) van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsten van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PbEU 2004 L 134), [richtlijn nr. 2004/18/EG](32004L0018) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEU 2004 L 134) en de [artikelen 1.10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=1.10), [1.13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=1.13), [1.16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=1.16), [1.22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=1.22), [2.84, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.84), [4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=4.6), [4.7, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=4.7), en [4.12, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=4.12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 december 2012, nr. W15.12.0455/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 7 februari 2013, nr. WJZ / 13017859; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **eidas-verordening:** verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 bet"},{"i":9334,"b":"Wet van 14 november 2016, houdende uitvoering van Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PbEU 2014, L 189) (Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat Verordening (EU) Nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PbEU 2014, L 189) moet worden uitgevoerd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder «de verordening»: Verordening (EU) Nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PbEU 2014, L 189). Artikel 2 1. De bevoegde instantie als bedoeld in artikel 4, veertiende lid, van de verordening is de deurwaarder als bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet. 2. Onverminderd de verordening, legt de deurwaarder het Europees bevel tot conservatoir beslag ten uitvoer, als bedoeld in artikel 23 van de verordening, overeenkomstig de [Eerste](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&afdeling=Eerste) en [Vierde afdeling van de Vierde titel van het Derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://w"},{"i":9335,"b":"Wet van 10 juli 2013, houdende regels tot uitvoering van de Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief (PbEU 2011, L 65) (Uitvoeringswet verordening Europees burgerinitiatief) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van de Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief (PbEU 2011, L 65); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **Verordening:** Verordening (EU) nr. 2019/788 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 over het burgerinitiatief (PB L 130/55 van 17.5.2019). Artikel 2 Onze Minister is bevoegd: - a. certificaten als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Verordening af te geven; - b. de verificatie van de steunbetuigingen, bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de Verordening, te coördineren; - c. certificaten als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de Verordening af te geven. Artikel 3 Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens en bescheiden in ieder geval bij een aanvraag voor een certificaat als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Verordening worden verstrekt. Artikel 4 1. De aanvrager draagt er zorg voor dat door Onze Minister aangewezen ambtenaren ten behoeve van het beoordelen van de aanvraag voor een certificaat als bedoeld in artikel 11, derde lid van de Verordening, met medeneming van de benodigde apparatuur, de plaats kunnen betreden waar het onlinesysteem, bedoeld in artikel 11 van de Verordening, zich bevindt en ter plaatse inzage kunnen krijgen in het onlinesysteem. 2."},{"i":5507,"b":"Regeling vaststelling subsidieplafonds muziekhubs pop, hiphop en dance en hoogte subsidie ontwikkelbeurs muziekauteur Gelet op [artikel 4:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:25); Gelet op [artikel 4.4, eerste lid van de Regeling voor muziekhubs op het gebied van pop, hiphop en dance](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048389&artikel=4.4); Gelet op [artikel 2.5 van de Deelregeling composities en libretto's Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036773&artikel=2.5); Besluit: Artikel 1. Subsidieplafonds [Regeling muziekhubs op het gebied van pop, hiphop en dance](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048389) Voor het budget dat op grond van [artikel 1.4, lid 3 van de Regeling voor muziekhubs op het gebied van pop, hiphop en dance](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048389&artikel=1.4) per kalenderjaar in periode 2026-2028 beschikbaar is voor Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten gelden per eiland voor 2026 de volgende subsidieplafonds: | eiland | subsidieplafond | | --- | --- | | Bonaire | 50.125 euro | | Sint-Eustatius | 30.075 euro | | Saba | 20.051 euro | | Aruba | 60.150 euro | | Curaçao | 70.175 euro | | Sint Maarten | 55.138 euro | Artikel 2. Subsidiehoogte subsidie ontwikkelbeurs muziekauteur Een subsidie ontwikkelbeurs muziekauteur bedraagt nooit meer dan 9.500 euro. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit wordt bekendgemaakt in de Staatscourant en via de website van Fonds Podiumkunsten en treedt in werking met ingang van 1 april 2026."},{"i":5238,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 juli 2010, nr. BJZ2010018765, tot aanwijzing van consumenten- en theatervuurwerk (Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk) Gelet op [richtlijn nr. 2007/23/EG](32007L0023) van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen (PbEU L 154), [artikel 9.2.2.1, derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), [artikel 1.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=1.1.1) en [artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=2.1.1); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: **bijlage:** bij deze regeling behorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027932&bijlage=I&z=2025-12-01&g=2025-12-01); **burstlading:** pyrotechnische stoffen of preparaten welke zijn bedoeld om het vuurwerk open te rijten en de effectlading te verspreiden en zo nodig te ontsteken; **compartiment:** afgesloten deel van vuurwerk dat een of meer pyrotechnische units bevat; **effectlading:** pyrotechnische stoffen of preparaten, anders dan een voortdrijvende lading of een burstlading, welke na ontsteking een geluid- of lichteffect veroorzaakt; **externe ondersteuner:** drager welke geen integraal onderdeel uitmaakt van het consumentenvuurwerk of die moet worden bevestigd aan het consumentenvuurwerk voorafgaand aan gebruik en zorgt voor stabiliteit; **knallading:** pyrotechnische stoffen of preparaten met een knal als beoogd effect; **lanceerbuis:** voorwerp dat uitsluitend is geproduceerd om vuurwerk de lucht in te schieten; **lont:** onderdeel van het vuurwerk waardoor de gebruiker in staat wordt gesteld het vuurwerk tot ontbranding te brengen; **pyrotechnische stoffen of preparaten:** explosieve stoffen of explosieve mengsels van stoffen, die tot doel hebben warmte, licht, geluid, gas of rook"},{"i":2939,"b":"Besluit aanwijzing Erfgoedinspectie als centrale autoriteit in de zin van Richtlijn 2014/60/EU Gelet op artikel 4 van [Richtlijn 2014/60](32014L0060)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (herschikking), welk artikel bepaalt dat elke lidstaat één of meer centrale autoriteiten aanwijst die de in deze richtlijn omschreven bevoegdheden uitoefenen; Overwegende dat de Erfgoedinspectie bij [besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 1 december 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030764), nr. DCE/303694 als ‘centrale autoriteit’ in de zin van [richtlijn 93/7/EEG](31993L0007) is aangewezen; Overwegende dat [Richtlijn 93/7/EEG](31993L0007) met ingang van 19 december 2015 is ingetrokken, en is vervangen door [Richtlijn 2014/60](32014L0060)/EU. Besluit: De Erfgoedinspectie aan te wijzen als centrale autoriteit in de zin van [Richtlijn 2014/60/EU](32014L0060). Dit besluit, dat strekt ter vervanging van het [besluit van 1 december 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030764), nr. DCE/303694, zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6181,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 mei 2007, nr. VGP/PSL 2771003, houdende de Warenwetregeling vrijstelling vergunningplicht tatoeëren en piercen Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken; Gelet op [artikel 16, eerste en vierde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=16); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder evenement: een voor het publiek toegankelijke gebeurtenis. Artikel 2 1. Aan de organisator van een evenement wordt vrijstelling verleend van [artikel 3, eerste lid, van het Warenwetbesluit tatoeëren en piercen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021605&artikel=3), voor zover het gebruik van tatoeage- of piercingmateriaal plaatsvindt in het kader van een evenement dat is georganiseerd in een overdekte ruimte en waarvan de duur ten hoogste zeven opeenvolgende dagen bedraagt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien op dezelfde locatie door dezelfde organisator binnen zes maanden na het beëindigen van een eerder evenement wederom een evenement wordt georganiseerd of indien aansluitend op het evenement door een andere organisator op dezelfde locatie wederom een evenement wordt georganiseerd. Artikel 3 1. De organisator van het evenement meldt het evenement ten minste twee maanden voor aanvang daarvan schriftelijk aan bij de gemeentelijke gezondheidsdienst van de gemeente waar het evenement wordt gehouden. Bij de aanmelding wordt opgave gedaan van de ondernemers die op het evenement gebruik maken van tatoeage- of piercingmateriaal. 2. De aanwijzingen ter bescherming van de volksgezondheid, gegeven door de met het toezicht belaste ambtenaar van de gemeentelijke gezondheidsdienst, worden in acht genomen. Artikel 4 Tot 1 augustus 2007 vindt de aanmelding, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021914&artikel=3&z=2018-11-07&g=2018-11-07), in afwijking van dat lid, zo spoedig mogelijk plaats na de inwerkin"},{"i":7351,"b":"Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het recht van het kind op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid ook in de regeling van de maatregelen van kinderbescherming meer centraal te stellen, en voorts te verduidelijken dat bij alle beslissingen het belang van het kind een eerste overweging dient te zijn, en dat daartoe [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656), het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827), de [Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637) en de [Pleegkinderenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002084) dienen te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel III Wijzigt de Wet op de jeugdzorg. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Wijzigt de Pleegkinderenwet. Artikel V Onze Ministers zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VI De wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen"},{"i":2035,"b":"Wet van 28 januari 2013 inzake implementatie van richtlijn nr. 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG (Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om te voorzien in wettelijke regels om uitvoering te geven aan [richtlijn nr. 2009/81/EG](32009L0081) van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van [richtlijnen 2004/17/EG](32004L0017) en [2004/18/EG](32004L0018) (PbEU L 216); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Deel 1. **Algemene bepalingen** Hoofdstuk 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanbestedende dienst:** de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een publiekrechtelijke instelling dan wel een samenwerkingsverband van deze overheden of publiekrechtelijke instellingen; - **aanbestedingsstukken:** alle documenten in een aanbestedingsprocedure die door de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf in de procedure zijn gebracht; - **aankoopcentrale:** een aanbestedende dienst of een openbare instantie van de Europese Unie, die voor aanbestedende diensten onderscheidenlijk speciale-sectorbedrijven bestemde leveringen of diensten verwerft of met betrekking tot voor aanbestedende diensten of speciale-sectorbedrij"},{"i":2036,"b":"Uitvoering van artikel 10 van het Besluit registratie splijtstoffen en ertsen Gelet op [artikel 10 van het Besluit registratie splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002673&artikel=10) (Stb. 1969, 471), Besluit: Artikel 1 Deze beschikking verstaat onder: Artikel 2 Een aangifte betreffende het voorhanden hebben van splijtstoffen of ertsen voor nucleaire doeleinden, ingevolge [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002673&artikel=5) of [artikel 7 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002673&artikel=7), wordt gedaan door inzending van twee voor eensluidend getekende afschriften van elk der bescheiden, welke de tot het doen van die aangifte verplichte persoon ingevolge de artikelen 5, 7, 9 en 10 van de door de Commissie vastgestelde Verordening nr. 8 (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 29 mei 1959) ten aanzien van de betrokken kalendermaand bij de Commissie dient in te zenden. Artikel 3 1. Een aangifte betreffende het voorhanden hebben van splijtstoffen of ertsen voor niet-nucleaire doeleinden, ingevolge [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002673&artikel=6) of [artikel 8, eerste of tweede lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002673&artikel=8), wordt in tweevoud afzonderlijk gedaan ten aanzien van de in het betrokken kalenderkwartaal ontvangen en de op de laatste dag van dat kwartaal voorhanden zijnde splijtstoffen of ertsen, onderscheidenlijk met gebruikmaking van een formulier AKO en een formulier AKV. 2. Voor een aangifte ten aanzien van splijtstoffen en een aangifte ten aanzien van ertsen dienen afzonderlijke formulieren te worden gebruikt. Artikel 4 Een aangifte, waarop [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002689&artikel=3&z=1970-01-01&g=1970-01-01) van toepassing is, wordt – onverminderd het in dat artikel bepaalde – afzonderlijk gedaan ten aanzien van splijtstoffen of ertsen, die krachtens een overeenkomst, welke voor of mede voor N"},{"i":7866,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2025 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op 10,50%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050512&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op 9,20%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2025. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":9461,"b":"Verdrag inzake de permanente neutraliteit en exploitatie van het Panamakanaal De Verenigde Staten van Amerika en de Republiek Panama zijn overeengekomen als volgt: Artikel I De Republiek Panama verklaart dat het Kanaal, als een internationale waterweg voor het doorgaand verkeer, permanent neutraal blijft, overeenkomstig het in dit Verdrag neergelegde regime. Dit neutraliteitsregime geldt voor iedere andere internationale waterweg die geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van de Republiek Panama wordt gegraven. Artikel II De Republiek Panama verklaart dat het Kanaal neutraal is, opdat het zowel in vredes- als in oorlogstijd gewaarborgd is en open blijft voor de vreedzame doorvaart van schepen van alle naties op grond van volledige gelijkheid, en er derhalve geen onderscheid gemaakt zal worden tussen de naties, hun staatsburgers of onderdanen met betrekking tot de voorwaarden of kosten in verband met het doorgaand vervoer, of om enige andere reden, en opdat het Kanaal en daardoor de landengte van Panama evenmin het doelwit wordt van vergeldingsmaatregelen in enig gewapend conflit tussen andere naties van de wereld. Hetgeen hierboven gesteld is, is onderworpen aan de volgende vereisten: - (a). betaling van tol en andere kosten voor het doorgaand vervoer en ondersteunende diensten, mits deze overeenkomstig de bepalingen van artikel III (c) zijn vastgesteld; - (b). nakoming van geldende regels en voorschriften, mits deze regels en voorschriften worden toegepast overeenkomstig de bepalingen van artikel III; - (c). het vereiste dat doorvarende schepen in het Kanaal geen vijandige handelingen verrichten; en - (d). inachtneming van de overige in dit Verdrag vastgestelde voorwaarden en beperkingen. Artikel III 1. Met het oog op de veiligheid, de doelmatigheid en een behoorlijk onderhoud van het Kanaal zijn de volgende regels van toepassing: - (a). het kanaal wordt doelmatig geëxploiteerd, overeenkomstig de voorwaarden voor de doorvaart door het Kanaal, alsmede overeenkoms"},{"i":5573,"b":"Besluit van 2 december 1970, houdende uitvoering van artikel 72 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en het Beleid der Justitie Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 15 oktober 1970, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, Nr. 469/670; Gelet op [artikel 72 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=72) en het Beleid der Justitie; De Raad van State gehoord (advies van 28 oktober 1970, Nr. 8); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, van 26 november 1970, Nr. 546/670; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **gerechtshof:** het gerechtshof Amsterdam of het gerechtshof Den Haag; - –. **ondernemingskamer:** de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam, bedoeld in [artikel 66, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=66); - –. **bijzondere kamer:** de bijzondere kamer van het gerechtshof Den Haag, bedoeld in [artikel 66, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=66). Artikel 3 1. De rang van benoeming van de deskundige leden en de plaatsvervangende deskundige leden van de ondernemingskamer en de bijzondere kamer wordt geregeld naar de dag waarop het besluit van hun eerste benoeming door Ons is getekend. 2. De rang van benoeming van verschillende op éénzelfde dag benoemde deskundige leden en plaatsvervangende deskundige leden wordt, indien hun benoeming bij hetzelfde besluit plaats vindt, bepaald door de volgorde hunner namen, en, indien zij bij verschillende besluiten benoemd zijn, door de volgorde dezer besluiten. 3. De griffier van het gerechtshof houdt een lijst waarop de namen van de deskundige leden en plaatsvervangende deskundige leden van de ondernemingskamer en de bijzondere kamer geplaatst worden met vermelding van ieders rang van benoeming. Artikel 3 1."},{"i":7006,"b":"Europese Overeenkomst nopens het verkeer van personen tussen de Lid-Staten van de Raad van Europa De ondertekenende Regeringen, Leden van de Raad van Europa, Verlangend het reizigersverkeer tussen hun landen te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Onderdanen van de Overeenkomstsluitende Partijen mogen, ongeacht het land hunner vestiging, het grondgebied van een andere Partij over alle grenzen binnenkomen of verlaten op vertoon van een van de documenten vermeld in de Bijlage bij deze Overeenkomst, die een integrerend onderdeel van de Overeenkomst vormt. 2. De in lid 1 bedoelde faciliteiten gelden alleen voor bezoeken van ten hoogste drie maanden. 3. Voor ieder verblijf van langer dan drie maanden of bij iedere binnenkomst met het oogmerk winstgevende arbeid op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij te gaan verrichten kan een geldig paspoort en visum worden geëist. 4. Voor de toepassing van deze Overeenkomst heeft de term „grondgebied” van een Overeenkomstsluitende Partij de betekenis daaraan door deze toegekend in een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa ter mededeling aan alle andere Overeenkomstsluitende Partijen gerichte verklaring. Artikel 2 Voor zover een of meer Overeenkomstsluitende Partijen dit noodzakelijk achten, mag de grens slechts langs erkende doorlaatposten worden overschreden. Artikel 3 De bovenstaande bepalingen laten onverlet de wetten en voorschriften inzake het verblijf van vreemdelingen op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij. Artikel 4 Deze Overeenkomst laat onverlet de bepalingen van nationale wetten en bilaterale of multilaterale verdragen, conventies of overeenkomsten die thans van kracht zijn of die hierna eventueel in werking zullen treden en waarbij gunstiger voorwaarden worden toegepast op de onderdanen van andere Overeenkomstsluitende Partijen ten aanzien van de grensoverschrijding. Artikel 5 Iedere Overeenkomstsluitende Partij staat de houder van een van de do"},{"i":2038,"b":"Aanmelding staatsexamen Nederlands als tweede taal (NT2) Het staatsexamen Nederlands als tweede taal kent twee programma’s: Programma I en Programma II. Elk programma bestaat uit vier onderdelen; lezen, luisteren, spreken en schrijven. De staatsexamencommissie wil er met klem op wijzen dat maximaal 3500 kandidaten per onderdeel het examen af kunnen leggen. Dit aantal is onder andere gebaseerd op het aantal beschikbaar gestelde talenpractica voor het examen spreken. Kandidaten die zich aanmelden nadat het maximum van 3500 voor een onderdeel is bereikt, zullen worden doorverwezen naar het eerstvolgende moment. Met name bij het examen van 4 en 5 juli 2004 dienen kandidaten met deze mogelijkheid rekening te houden. Om het voor de partijen die betrokken zijn bij de organisatie van het staatsexamen mogelijk te maken om op dit maximum te kunnen sturen, heeft de staatsexamencommissie het noodzakelijk geacht om voor beide programma’s te komen tot een andere spreiding van de examenmomenten. De zomer examens van beide programma’s zijn daarbij als uitgangspunt genomen waarna er telkens na 17 weken een volgend examen plaatsvindt. Belanghebbenden, die in oktober 2003 of in het jaar 2004 wensen deel te nemen aan het examen Nederlands als tweede taal ter verkrijging van het diploma van Programma I of II, kunnen vanaf 16 juni 2003 een aanmeldingsformulier aanvragen door te bellen naar de IB-Groep Infolijn: 050 - 599 77 55 of door het aankiezen van de internetsite van de IB-Groep: www.ib-groep.nl Hieronder worden de examendata en uiterste aanmeldingsdata van de examens voor Programma I en II vermeld. Het examen voor de onderdelen lezen en luisteren vindt altijd plaats op vrijdag, de onderdelen spreken en schrijven worden op de zaterdag afgenomen. De datum waarop de staatsexamencommissie de uitslagen vaststelt, is per examen vermeld. Kandidaten kunnen erop rekenen dat zij de uitslagen uiterlijk één week na deze datum ontvangen. Uiterlijk één dag na vaststelling zullen de uitslagen tev"},{"i":2527,"b":"Besluit van het college van toezicht van de Nederlandse orde van advocaten van 29 september 2025 tot vaststelling van de beleidsregel toezicht en klachtbehandeling gelet op [artikel 45h van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45h); gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); overwegende dat: het college van toezicht tot taak heeft om toe te zien op de werking van het toezicht, bedoeld in [artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45a), [artikel 24, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=24), [artikel 14, tweede lid, onderdeel b Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=14) en de klachtbehandeling door de deken ingevolge [46c van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=46c); het college van toezicht op grond van [artikel 45h van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45h) beleidsregels dient vast te stellen voor de uitoefening van de taken ingevolge [artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=45a), [artikel 24, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=24), [artikel 14, tweede lid, onderdeel b Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=14), en [artikel 46c van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=46c); besluit: Artikel I. Beleidsregel toezicht en klachtbehandeling De beleidsregel toezicht en klachtbehandeling, zoals opgenomen in de bijlage behorende bij dit artikel, wordt vastgesteld. Artikel II. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in we"},{"i":4355,"b":"Besluit van 18 juni 2015, houdende vervanging bijlage Tabakswet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 april 2014, kenmerk 738855-134397-WJZ, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op [artikel 11c, tweede lid, van de Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=11c); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 mei 2015, No. W13.15.0108/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 juni 2015, kenmerk 768678-136660-WJZ, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt de Tabakswet. Artikel II Op overtredingen van het bepaalde bij [artikel 8, eerste lid, van de Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=8) die zijn begaan voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijven de boetebedragen van kracht die golden op het moment waarop de overtreding is begaan. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2039,"b":"Aanmelding staatsexamen Nederlands als tweede taal (NT2) Het staatsexamen Nederlands als tweede taal kent twee programma’s: Elk programma bestaat uit vier onderdelen: De staatsexamencommissie wil er met klem op wijzen dat maximaal 3500 kandidaten per onderdeel het examen af kunnen leggen. Dit aantal is onder andere gebaseerd op het aantal beschikbaar gestelde talenpractica voor het examen spreken. Kandidaten die zich aanmelden nadat het maximum van 3500 voor een onderdeel is bereikt, zullen worden doorverwezen naar het eerstvolgende moment. Met name bij het examen van **1 en 2 juli 2005** dienen kandidaten met deze mogelijkheid rekening te houden. De zomer examens voor beide programma’s zijn voor de bepaling van de examendata als uitgangspunt genomen. Belanghebbenden, die in oktober 2004 of in het jaar 2005 wensen deel te nemen aan het examen Nederlands als tweede taal ter verkrijging van het diploma van Programma I of II, kunnen vanaf 26 juli 2004 een aanmeldingsformulier aanvragen door te bellen naar: Hieronder worden de examendata en uiterste aanmeldingsdata van de examens voor Programma I en II vermeld. Het examen voor de onderdelen lezen en luisteren vindt altijd plaats op vrijdag, de onderdelen spreken en schrijven worden op de zaterdag afgenomen. De datum waarop de staatsexamencommissie de uitslagen vaststelt, is per examen vermeld. Kandidaten kunnen erop rekenen dat zij de uitslagen uiterlijk één week na deze datum ontvangen. Uiterlijk één dag na vaststelling zullen de uitslagen tevens worden gepubliceerd op de internetsite van de IB-Groep: **www.ib-groep.nl** Gegevens uit deze publicatie kunnen alleen worden verkregen met behulp van het examennummer van de kandidaat. Examendata Programma I Programma II"},{"i":2041,"b":"Aanpassing circulaire ex artikel 24, onder b, Paspoortwet betreffende signaleringsprocedure vermoeden misbruik reisdocumenten 1. Inleiding Deze circulaire heeft tot doel uw medewerking te vragen om reisdocumenten van personen die het vertrouwen in het reisdocument schaden ex [artikel 24, onder b, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=24) te kunnen weigeren dan wel vervallen te verklaren. Dit gebeurt door opname van de persoonsgegevens van betrokkene in het Register paspoortsignalering (hierna RPS). Met uw medewerking levert u, als verstrekkende autoriteit, niet alleen een onmisbare bijdrage aan de bestrijding van misbruik van en met reisdocumenten, maar draagt u eveneens actief bij aan het voorkomen van identiteitsfraude in het algemeen. Deze circulaire begint met de criteria voor een signalering op grond van [artikel 24, onder b, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=24). Vervolgens wordt ingegaan op de signaleringsprocedures en hoe moet worden gehandeld in geval van weigering of vervallenverklaring van een reisdocument als er al sprake is van een bestaande signalering op grond van artikel 24, onder b, van de Paspoortwet. In overeenstemming met de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) omvat het begrip ‘reisdocument’ zowel de Nederlandse reisdocumenten zoals bedoeld in [artikel 2 lid 1, Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=2)1Reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden zijn: nationaal paspoort, diplomatiek paspoort, dienstpaspoort, reisdocument voor vluchtelingen, reisdocument voor vreemdelingen, nooddocument: laissez-passer of noodpaspoort en andere reisdocumenten, bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen., als de Nederlandse identiteitskaart (NIK) en de vervangende identiteitskaart.2Hoewel de NIK in de Paspoortwet niet langer formeel als reisdocument is opgenomen, is hetgeen bij of krachtens die wet"},{"i":2042,"b":"Aanpassing pensioenen en inhoudingen Appa Van verzending circulaires naar publicatie op internet **Met ingang van 1 januari 2019 zullen circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers uitsluitend nog bekend worden gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website** **www.politiekeambtsdragers.nl** **. U kunt zich met een RSS-feed abonneren op deze site:** **https://feeds.politiekeambtsdragers.nl/circulaires.rss** **. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering. Gedurende het jaar 2018 worden bij wijze van overgangsmaatregel de circulaires ook nog per post verzonden.** 1. Inleiding De pensioenen van politieke ambtsdragers zijn gebaseerd op de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) (Appa). In het [Besluit pensioen politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034414) (verder: het besluit) wordt de aanpassing van de pensioenen (indexatie) en de hoogte van de bij de pensioenen en inhoudingen te hanteren franchise en het opbouwpercentage geregeld. In **paragraaf 2**wordt het jaarlijkse advies gegeven over hoe een bestuursorgaan de omvang van de benodigde reservering voor Appa-pensioenen en -waardeoverdracht kan berekenen. In **paragraaf 3** wordt benadrukt dat het doorberekenen van kosten van een waardeoverdracht aan een politieke ambtsdrager wettelijk niet is toegestaan. De indexatie van de Appa-pensioenen vindt plaats in overeenstemming met de aanpassing van ABP-pensioenen. In deze jaarlijkse circulaire wordt de aanpassing bekend gemaakt van al ingegane pensioenen (**paragraaf 3**). De ingangsleeftijd voor de voortgezette uitkering in het komende jaar is opgenomen in **paragraaf 4**. Ook worden de in 2019 in aanmerking te nemen inhoudingpercentages bekend gemaakt (**paragraaf 5**). Aldus kunnen de nodige aanpassingen in de salarisadministraties worden doorgevoerd voor de deelnemers in de [Appa](htt"},{"i":2044,"b":"Besluit van 5 juli 2008, houdende regels ter aanpassing van algemene maatregelen van bestuur aan de invoering van de Algemene douanewet (Aanpassingsbesluit Algemene douanewet) Artikel I Wijzigt het Besluit ex artikel 37 van de Wet op de economische delicten. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Artikel III Wijzigt het Aanwijzingsbesluit economische noodwetgeving. Artikel IV Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns. Artikel V Wijzigt het Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. Artikel VI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel VII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. Artikel VIII Wijzigt het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999. Artikel IX Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel X Wijzigt het Besluit bedrijfsvergunning en veiligheidsattest hoofdspoorwegen. Artikel XI Wijzigt het Besluit vrijstelling energiebelasting op elektriciteit bij convenanten. Artikel XII 1. Gedurende vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit wordt voor de toepassing van [artikel 4 van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010673&artikel=4) een onherroepelijke veroordeling tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in [artikel 9, onderdeel a, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9) wegens dan wel mede wegens overtreding van bepalingen van de [Douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007632), voor zover het alcoholhoudende dranken betreft, aangemerkt als een onherroepelijke veroordeling wegens dan wel mede wegens overtreding van bepalingen van de [Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746). 2. Gedurende vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit wordt voor de toepassing van [artikel 3 van het"},{"i":2045,"b":"Besluit van 7 december 2001, houdende aanpassing van het Besluit subsidies energieprogramma's aan de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG 2001, C 37) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 7 november 2001, nr. WJZ 01056965; Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 28 november 2001, nr. W10.01.0584/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 4 december 2001, nr. WJZ 01062219; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit subsidies energieprogramma's. Artikel II Het [Besluit subsidies energieprogramma's](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006515), zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn verstrekt. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2047,"b":"Besluit van 2 september 2009, houdende aanpassing van enige algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van het burgerservicenummer (Aanpassingsbesluit burgerservicenummer) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 juni 2009, nr. 2009-0000285349, DCB/CZW/WVOB; Gelet op [artikel 16, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=16), de [artikelen 24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=24), en [29, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=29), [artikel 38, vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=38), [artikel 39 van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=39), de [artikelen 35, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35), [35f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35f), [35g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35g), en [35n van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35n), [artikel 2.7a, zesde lid, van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019058&artikel=2.7a), [artikel 36, vierde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=36) en de [artikelen 42, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=42), en [126, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=126); De Raad van State gehoord (advies van 17 juni 2009, nr. W04.09.0192/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 augustus 2009, nr. 2009-0000335"},{"i":14159,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 november 2014, 2014-0000179536, tot vaststelling van de bepalingen betreffende cofinanciering sectorplannen 2015 (Regeling cofinanciering sectorplannen 2015) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3) en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraagtijdvak:** een door de minister vastgesteld tijdvak waarin aanvragen tot cofinanciering van sectorplannen kunnen worden ingediend; - **algemene opleiding:** een interne of externe opleiding, niet zijnde bedrijfsspecifieke training, met als oogmerk de leerling vakspecifieke beroepsvaardigheden aan te leren, de opleiding leidt tot een erkend diploma of certificaat; - **ander beroep:** een ander beroep dan het beroep dat de werknemer of de zelfstandige zonder personeel uitoefent of dat de WW-gerechtigde voorheen uitoefende, voor zover dit beroep wordt uitgeoefend bij een andere werkgever, en in het geval van een WW-gerechtigde bij een andere werkgever dan de werkgever waarbij de werkloosheid is ontstaan; - **arbeidsmarktregio:** een arbeidsmarktregio die is opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035840&bijlage=1&z=2018-11-14&g=2018-11-14) bij deze regeling; - **arbeidsorganisatie:** iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent; - **baangarantie:** zekerheid op een arbeidsovereenkomst of een aanstelling in openbare dienst van ten minste één jaar direct nadat de algemene opleiding succesvol is afgerond, met een minimale omvang per week van het gemiddelde aantal gewerkte uren en het aantal uren gevolgde scholing in de scholingsperiode voorafgaand aan het afronden daarvan; - **beroepsbegeleidende leerweg:** een leerweg als be"},{"i":7058,"b":"Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen De Algemene Vergadering van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, bijeengekomen te Parijs in haar zestiende zitting, van 12 oktober tot 14 november 1970, Herinnerend aan het belang van de bepalingen vervat in de Verklaring van de beginselen van internationale culturele samenwerking die de Algemene Vergadering in haar veertiende zitting heeft aangenomen, Overwegende dat de uitwisseling van culturele goederen tussen de volken voor wetenschappelijke, culturele en opvoedkundige doeleinden de kennis van de beschaving van de mens vergroot, het culturele leven van alle volken verrijkt en leidt tot wederzijds begrip en wederzijdse waardering tussen de volken, Overwegende dat culturele goederen van fundamenteel belang zijn voor de beschaving en de nationale cultuur en dat hun werkelijke waarde alleen kan worden beseft wanneer men beschikt over zo volledig mogelijke gegevens betreffende hun herkomst, hun geschiedenis en hun omgeving, Overwegende dat het de plicht is van elke Staat de culturele goederen die zich op zijn grondgebied bevinden te beschermen tegen de gevaren van diefstal, heimelijke opgraving en onrechtmatige uitvoer, Overwegende dat het, ten einde deze gevaren af te wenden, noodzakelijk is dat elke Staat zich in toenemende mate bewust wordt van zijn morele plicht zijn eigen cultureel erfgoed en dat van alle volken te eerbiedigen, Overwegende dat musea, bibliotheken en archieven, als culturele instellingen, dienen te waarborgen dat hun verzamelingen worden aangelegd in overeenstemming met algemeen erkende morele beginselen, Overwegende dat de onrechtmatige invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht van culturele goederen een belemmering vormen voor dit wederzijdse begrip tussen de volken, dat de UNESCO volgens haar opdracht dient te bevorderen door de betrokken Staten het sluiten van daart"},{"i":2048,"b":"Besluit van 24 november 2009 tot aanpassing van diverse besluiten ter implementatie van richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU L 376) (Aanpassingsbesluit dienstenrichtlijn) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 13 juli 2009, nr. WJZ / 9098683, gedaan na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [richtlijn nr. 2006/123/EG](32006L0123) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU L 376), de [artikelen 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=45), [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=55) en [56 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=56), de [artikelen 62, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640&artikel=62), en [76, eerste lid, van de Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640&artikel=76), de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=9) en [14 van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=14), [artikel 5, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, onder a en b, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), de [artikelen 17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=17), en [19, eerste lid, van de Handelsregisterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=19), [artikel 49 van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=49), de [artikelen 3.22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.22), [3.23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020449&artikel=3.23), [3.37, eerste en tweede lid](https://wetten.ove"},{"i":5253,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 december 2025, nr. 2025-0000241766, tot aanwijzen Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk als klachtadviescommissie Gelet op [artikel 9:14, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14); Gelet op de Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen Rijk Gelet op het [Besluit instelling Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051145), in werking getreden met ingang van 28 juni 2025, Besluit: Artikel I De Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk, zoals ingesteld bij het [Instellingsbesluit Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051145) (KCOO) (Stcrt. 2025, nr. 19890), aan te wijzen als klachtadviescommissie als bedoeld in [artikel 9:14, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14) voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel II De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Regeling vertrouwenspersonen integriteit en ongewenste omgangsvormen en Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen SZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039805) (Stcrt, 2017, nr. 40638); - b. [Regeling Raadsman SZW 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039800) (Stcrt. 2017, nr. 40641); - c. [Instellingsbesluit Adviescommissie Bezwaren Personeel SZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025852) (Stcrt. 2009, nr. 92). Artikel III 1. Klachten, ingediend op grond van de [Regeling vertrouwenspersonen integriteit en ongewenste omgangsvormen en Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen SZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039805) zoals vermeld in [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052011&artikel=II&z=2025-12-20&g=2025-12-20), waarin voor de inwerkingtreding van artikel II nog geen uitspraak is gedaan, worden afgehandeld door de Klachtenc"},{"i":5508,"b":"Bekendmaking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 november 2016, nr. MBO-1086710 inzake de vaststelling van de subsidieplafonds van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo voor het kalenderjaar 2017 Gelet op [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2), [artikel 3.3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=3.3), en [artikel 4.3, tweede lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=4.3); Besluit: artikel Enig 1. Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2), voor het kalenderjaar 2017 wordt: - a. voor het onderdeel van het investeringsbudget, bedoeld in [artikel 2.2, tweede lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2), vastgesteld op € 159,6 miljoen, en - b. voor de het onderdeel van het investeringsbudget, bedoeld in [artikel 2.2, derde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=2.2) vastgesteld op € 24 miljoen. 2. Het subsidieplafond voor het resultaatafhankelijk budget studiewaarde, bedoeld in [artikel 3.3, eerste en tweede lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=3.3) voor het kalenderjaar 2017 wordt vastgesteld op € 105,2 miljoen. 3. Het subsidieplafond voor het resultaatafhankelijk budget bpv, bedoeld in [artikel 4.3, tweede lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=4.3) voor het kalenderjaar 2017 wordt vastgesteld op € 58 miljoen. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5281,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 28 oktober 2011, nr. WJZ/11151166, houdende regels inzake de algemene overdrachtsvergunning NL004 voor leveringen aan gecertificeerde afnemers (Regeling algemene overdrachtsvergunning NL004) Gelet op [richtlijn 2009/43](32009L0043) van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PbEU L 146) en de [artikelen 20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=20), [25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=25), en [26, tweede lid, van het Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=26); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **besluit:** het [Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139); - –. **EORI-nummer:** het nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel 18, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie Communautair douanewetboek; - –. **gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen:** de lijst van goederen waarop het Gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie van toepassing is; - –. **inspecteur:** de directeur-generaal Douane. § 2. Algemene overdrachtsvergunning Artikel 2 1. De Minister van Buitenlandse Zaken verleent een algemene overdrachtsvergunning voor de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030609&paragraaf=2&artikel=3&z=2021-07-31&g=2021-07-31) genoemde categorieën van militaire goederen indien aan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030609&paragraaf=3&artikel=4&z=2021-07-31&g=2021-07-31) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030609&paragraaf=3&artikel=5&z=202"},{"i":11901,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 11 februari 2019, nr. 19009380, houdende de algemeenverbindendverklaring van een overeenkomst tussen handelaren in gewasbeschermingsmiddelen Gelezen het verzoek van de vereniging Agrodis tot algemeenverbindendverklaring van haar overeenkomst tussen handelaren in gewasbeschermingsmiddelen; Gelet op [artikel 111, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=111); Besluit: Artikel 1 1. In dit besluit wordt onder ‘gebruiker’, ‘gewasbeschermingsmiddel’, ‘toelating’, en ‘op de markt brengen’ verstaan, hetgeen daaromtrent is bepaald in [artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=1). 2. Onder stichting CDG wordt verstaan: stichting Certificatie Distributie in Gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 2 1. De overeenkomst van 18 oktober 2018, inclusief het CDG-certificatieschema versie 4.0, tussen handelaren in gewasbeschermingsmiddelen verenigd in Agrodis, wordt algemeen verbindend verklaard. 2. De algemeenverbindendverklaring, bedoeld in het eerste lid, is van toepassing op een ieder die in Nederland gewasbeschermingsmiddelen op de markt brengt of vanuit Nederland wederverkoopt. Artikel 3 1. In afwijking van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041927&artikel=2&z=2019-02-23&g=2019-02-23) is de overeenkomst niet van toepassing op een natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechthebbende is van een toelating en een gewasbeschermingsmiddel levert of doet leveren aan: - a. een leverancier of distributeur die beschikt over een geldig bewijs van vakbekwaamheid; - b. een professionele gebruiker met het oog op de behandeling van het zaaizaad door die gebruiker. 2. In afwijking van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041927&artikel=2&z=2019-02-23&g=2019-02-23) zijn de punten 1 en 2, onderdeel b, van de overeenkomst niet van toepass"},{"i":2863,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 28 oktober 2009, nr. 5625586/09/6, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2010 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2010) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2010 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2,3. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2010. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4759,"b":"Kaderregeling subsidiëring projecten ten behoeve van onderzoek en wetenschap Gelet op [artikel 4 van de Wet overige OCenW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4), Besluit: Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, - b. **project:** - 1°. één- of meerjarige onderzoekprogramma's of -projecten waaraan subsidie anders dan per boekjaar wordt verstrekt, - 2°. éénmaal of meermalen per jaar voorkomende activiteiten, of - 3°. éénmalige activiteiten, - c. **Rijksbegroting OCenW:** de begroting van de uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Artikel 2. Doelomschrijving 1. De minister kan projectsubsidie verlenen voor projecten op het gebied van onderzoek en wetenschap. 2. De subsidie wordt verleend op grond van een of meer van de volgende overwegingen: - a. de subsidieaanvrager is door of mede door de minister in aanmerking genomen voor de uitvoering van een project op het gebied van onderzoek en wetenschap, - b. de subsidie past binnen één of meer van de in de Rijksbegroting OCenW onder het hoofdstuk Onderzoek en Wetenschapsbeleid opgenomen beleidsterreinen, of - c. de subsidie past binnen de uitoefening van coördinerende verantwoordelijkheid van de minister voor het Nederlandse wetenschapsbeleid zoals deze verantwoordelijkheid is uitgewerkt in het hoofdstuk Onderzoek en Wetenschapsbeleid van de Rijksbegroting OCenW. Artikel 3. Subsidieaanvrager Een aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend door een natuurlijke persoon of rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de statutaire doelstelling past binnen het doel van de subsidieverlening. Artikel 4. Subsidieplafond De in de Rijksbegroting OCenW in het hoofdstuk Onderzoek en Wetenschapsbeleid onder het overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid opgenomen uitgaven, gelden als subsidieplafonds voor de"},{"i":6561,"b":"Besluit van 7 augustus 2006, houdende wijziging van het Reglement rijbewijzen en het Kentekenreglement op een aantal punten van uiteenlopende aard Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 mei 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-772, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 50, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=50), [111, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111), [113, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=113), [126, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=126), en [127, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=127); De Raad van State gehoord (advies van 20 juli 2006, nr. W09.06.0178/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 1 augustus 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1175, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel II Wijzigt het Kentekenreglement. Artikel III Wijzigt dit besluit en het Wijzigingsbesluit Reglement rijbewijzen, enz. (implementatie [richtlijn 91/439/EEG](31991L0439)) (Stb. 2004/483). Artikel IV De [artikelen 33, eerste lid, onderdeel b, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=33); [45, eerste lid, onderdeel b, onder IV, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=45); [47, eerste lid, onderdeel c, onder IV, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=47); [48, eerste lid, onderdeel c, onder IV, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=48); [49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=49); [145, onderdelen g en p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=145), en [152, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=152), alsmede de [arti"},{"i":6535,"b":"Besluit van 9 oktober 2019, houdende wijziging van het Kansspelenbesluit in verband met de verlaging van de minimaal verplichte procentuele afdracht ten behoeve van enig algemeen belang en een andere wijziging Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 juli 2015, nr. 666588; Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Wet op de Kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 augustus 2015, No. W03.15.0257/II); Gezien het nader rapport van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 oktober 2019, nr. 2717092 Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Kansspelenbesluit. Artikel II [Artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042687&artikel=I&z=2020-01-01&g=2020-01-01), is niet van toepassing op de vergunning, bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=6), die vóór inwerkingtreding van dit besluit voor de duur van maximaal twaalf maanden is verleend. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3353,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 5 oktober 2023 nr. BOACAT2023/065, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Omgevingsdienst Brabant Noord Gelezen het verzoek van de Omgevingsdienst Brabant Noord van 19 juli 2023 en de adviezen van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048726&artikel=2&z=2025-09-11&g=2025-09-11). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van natuurinspecteur in dienst van de Omgevingsdienst Brabant Noord, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlij"},{"i":2049,"b":"Besluit van 19 maart 2007, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van de Geneesmiddelenwet en houdende aanpassing van een aantal andere besluiten (Aanpassingsbesluit Geneesmiddelenwet) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 januari 2006, kenmerk DWJZ/SWW-2732373; Gelet op de [Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505), de [Wet op de medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002697), de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941), de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251), de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078), de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969), de [Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031), de [Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066), de [Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892), de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), het [Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838) en de [Diergeneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003818); De Raad van State gehoord (advies van 15 februari 2007, nr. W13.07.0008/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 maart 2007, kenmerk DWJZ/SWW-2753622 Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Geneesmiddelenwet in werking treedt. Hoofdstuk 1. Volksgezondheid, Welzijn en Sport Artikel 1.1 Wijzigt het Besluit actieve implantaten. Artikel 1.2 Wijzigt het Besluit medische hulpmiddelen. Artikel 1.3 Wijzigt het Besluit gesteriliseerde medische hulpmiddelen in ziekenhuizen. Artikel 1.4 Wijzigt het Opiumwetbesluit"},{"i":7197,"b":"Verdrag betreffende de nachtarbeid van jeudige personen in de nijverheid werkzaam De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te San Francisco en aldaar bijeengekomen in haar een en dertigste zitting op 17 Juni 1948, Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de gedeeltelijke herziening van het verdrag betreffende de nachtarbeid van jeugdige personen (nijverheid), 1919, door de Conferentie in hare eerste zitting aangenomen, welk onderwerp het tiende punt van de agenda der zitting is, Overwegende, dat die voorstellen de vorm moeten aannemen van een internationaal verdrag, Neemt heden, de 10de Juli 1948, het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden „verdrag nachtarbeid van jeugdige personen in de nijverheid werkzaam, herzien 1948”. DEEL I. **Algemene bepalingen** Artikel 1 1. Voor de toepassing van dit verdrag worden als „nijverheidsondernemingen” met name beschouwd: - a. mijnen, groeven en alle andere inrichtingen voor het winnen van minerale stoffen uit de aardbodem; - b. ondernemingen, waarin goederen worden vervaardigd, veranderd, gereinigd, hersteld, versierd, afgewerkt, tot verkoop geschikt gemaakt, gesloopt of vernietigd, of waarin stoffen een verandering ondergaan, hieronder begrepen scheepsbouwondernemingen, ondernemingen voor de voortbrenging, transformatie en overbrenging van electriciteit en van alle andere beweegkracht; - c. bouwondernemingen en ondernemingen voor de burgerlijke bouwwerken, daaronder begrepen bouw-, herstel-, onderhouds-, veranderings- en slopingswerkzaamheden. - d. ondernemingen voor het vervoer van personen of goederen langs wegen of spoorwegen, met inbegrip van het behandelen der goederen in havens, op kaden, werven, in opslagplaatsen of luchthavens. 2. De bevoegde autoriteit zal de scheidingslijn aangeven tussen de nijverheid enerzijds en de landbouw, de handel en de andere niet-industriële werkzaamheden ande"},{"i":6889,"b":"Besluit van 4 juli 2000, houdende verhoging van de in de artikelen 63b lid 2 onder a, 153 lid 2 onder a en 263 lid 2 onder a van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde grensbedragen alsmede omzetting in euro (financiële benedengrens verplichte structuurregeling) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 27 juni 2000, no. 5036220/00/6; Gelet op de [artikelen 63b lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=63b), [153 lid 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=153) en [263 lid 4 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=263) en op artikel XXII van de Wet van 16 juni 1988 tot invoering van de structuurregeling voor grote coöperaties en voor grote onderlinge waarborgmaatschappijen, Stb. 305; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I De bedragen, bedoeld in de [artikelen 63b lid 2 onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=63b), [153 lid 2 onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=153) en [263 lid 2 onder a van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=263), worden elk verhoogd tot en omgezet in 13 000 000 euro. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2000. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6890,"b":"Besluit huurprijswijziging gesubsidieerde onzelfstandige woonruimte gelet op artikel V, derde lid, van de Wet tot wijziging van de [Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221) in verband met de decentralisatie van de subsidiëring van de volkshuisvesting en de liberalisatie van huurprijzen van duurdere woningen; Besluit: Artikel 1 Van de op of na 1 juli 1993 tot stand gekomen woonruimte, aangewezen in [artikel 2 van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=2), zoals dat artikel luidde onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de [Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221) in verband met de decentralisatie van de subsidiëring van de volkshuisvesting en de liberalisatie van huurprijzen van duurdere woningen (Stb. 1994, 132), is de huurprijs per 1 juli 1994 gelijk aan die op 30 juni 1994. Artikel 2 Van de vóór 1 juli 1993 tot stand gekomen woonruimten, aangewezen in [artikel 2 van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=2), zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006656&artikel=1&z=1994-07-01&g=1994-07-01) genoemde wet, is de huurprijs met ingang van 1 juli 1994 die op 30 juni 1994 vermeerderd met 5½%. Artikel 3 Voor de toepassing van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006656&artikel=1&z=1994-07-01&g=1994-07-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006656&artikel=2&z=1994-07-01&g=1994-07-01) geldt als tijdstip van totstandkoming de datum waarop de woonruimte voor bewoning is gereedgekomen. Indien dergelijke woonruimte deel uitmaakt van een complex, geldt als tijdstip van totstandkoming de gemiddelde datum waarop de woonruimten in dat complex zijn gereedgekomen. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1994."},{"i":6888,"b":"Besluit van 15 mei 1990, houdende regels met betrekking tot aanstelling, schorsing en ontslag van de tot het bureau van de Nationale ombudsman behorende personen Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 3 mei 1990, nr. AB90/165/U2, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidsvoorwaarden, afdeling Algemene Arbeidsvoorwaarden en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=11) (**Stb.** 1981, 35); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 [Artikel 11, tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=11) is niet van toepassing op: - a. het aangaan of beëindigen van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, indien het loon dan wel het aan de functie verbonden maximumsalaris van de schaal die voor de functie geldt, lager is dan het maximum van salarisschaal 15, zoals is opgenomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn; en - b. het aangaan en beëindigen van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Artikel 2 Het koninklijk besluit van 25 september 1981, nr. 19, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State, de Nationale ombudsman en aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":3360,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 januari 2018 nr. BOACAT2018/002, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Omgevingsdienst IJsselland Gelezen het verzoek van de Omgevingsdienst IJsselland van 7 december 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040538&artikel=2&z=2018-02-01&g=2018-02-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Toezichthouder A, Toezichthouder B en Coördinerend toezichthouder A in dienst van de Omgevingsdienst IJsselland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eer"},{"i":2528,"b":"Beleidsregel uitbreiding voorschotregeling voor oude bij het CJIB nog openstaande schadevergoedingsmaatregelen Wettelijk kader [Artikel 36f, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36f) bepaalt sinds 1 januari 2011: Indien de veroordeelde voor een misdrijf niet of niet volledig binnen acht maanden na de dag waarop het vonnis of arrest, waarbij de maatregel bedoeld in het eerste lid is opgelegd, onherroepelijk is geworden, aan zijn verplichting heeft voldaan, keert de staat het resterende bedrag uit aan het slachtoffer dat geen rechtspersoon is. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze uitkering gedurende een in deze algemene maatregel van bestuur te bepalen tijd wordt beperkt tot slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven. In het overgangsrecht van de [Wet versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027053) is bepaald dat [artikel 36f, zesde lid, Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36f) alleen geldt voor schadevergoedingsmaatregelen die zijn opgelegd bij rechterlijke uitspraak die onherroepelijk is geworden na de inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2011. [Artikel 6, tweede lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=6) bepaalt: In gevallen waarin het onderzoek naar de vraag of in de vergoeding van de schade niet op andere wijze kan worden voorzien, dan wel het invorderen van het bedrag van de schade, zou leiden tot ernstige vertraging in de behandeling van het verzoek, of tot van de benadeelde in redelijkheid niet te vergen kosten, kan niettemin bij de uitkering met die schade rekening worden gehouden. Redengeving Uit het voorgaande valt af te leiden dat voorzien is in de mogelijkheid om beleid te voeren ten aanzien van die slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven die vertraging ondervinden bij het innen van een schadevergoeding. I"},{"i":6300,"b":"Wet van 27 februari 1992, houdende samenvoeging van de gemeenten Geffen en Nuland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Geffen en Nuland samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Geffen en Nuland opgeheven. 2. Met ingang van de datum van herindeling wordt een nieuwe gemeente Maasdonk ingesteld. Deze nieuwe gemeente bestaat uit het gebied van de op te heffen gemeenten Geffen en Nuland, **alsmede** een deel van de gemeente Lith ten zuiden van de Hertogswetering, een deel van de gemeente Oss gelegen ten zuiden van de Hertogswetering, een deel van de gemeente Heesch gelegen ten oosten van de Koksteeg, een deel van de gemeente Heesch nabij de kom van de kern Vinkel, een deel van de gemeente Heeswijk-Dinther nabij de kern Kaathoven, een deel van de gemeente Berlicum nabij de kern Kaathoven, een deel van het vakantiedorp Vinkeloord, dat thans behoort tot de gemeente Rosmalen, een deel van de gemeente Rosmalen ten zuiden van de spoorlijn nabij de kom van Nuland, Heiduinen genaamd en een deel van Rosmalen ten noorden van de spoorlijn, Heeseind genaamd, **behoudens** het gebied bij het sportpark De Bergsche Hoeve en het recreatiegebied De Geffense Bosjes die naar de gemeente Oss overgaan, het gebied gelegen tussen oude en nieuwe Rijksweg A-50 dat naar de gemeente Heesch overgaat, het gebied ten zuiden van de Barrièrewetering dat naar de gemeente Berlicum overgaat, een deel van het themapark Autotron dat naar de gemeente Rosmalen overgaat, **met dien verstande** dat de grens van de nieuw te vormen gemeente Maasdonk komt te lopen als volgt: - A. Grens tussen de gemeenten Lith en Rosmalen De nieuwe grens tussen de gemeente Lith en de gemeente Rosmalen begint in het on"},{"i":7050,"b":"Opkoopregeling gereserveerde licenties 2003 Gelet op de artikelen 2 en 4 van de Kaderwet LNV-subsidies; Gelet op de goedkeuring van de Europese Commissie, bij beschikking van 27 november 2002, nr. SG(2002)D/232898; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een ondernemer terzake van het afstand doen van het recht op toekenning van een licentie. Artikel 3 1. De minister maakt in de Staatscourant de periode bekend waarin een aanvraag als bedoeld in artikel 2 kan worden ingediend. 2. De minister stelt voor de aanvraagperiode, bedoeld in het eerste lid, een subsidieplafond vast voor de op grond van de regeling te verstrekken subsidies. Het besluit tot vaststelling van het subsidieplafond wordt in de Staatscourant bekendgemaakt. 3. De minister verdeelt de beschikbare bedragen in volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag volledig is, als datum van ontvangst geldt. 4. Indien door toewijzing van de aanvragen met dezelfde datum van ontvangst het subsidieplafond zou worden overschreden, geschiedt toewijzing aan de hand van het rangschikken van de aanvragen, waarbij telkenmale de hoogst gerangschikte aanvraag het eerst voor toewijzing in aanmerking komt. De rangschikking vindt plaats volgens loting, welke geschiedt door een door de minister aan te wijzen notaris. 5. Voor de toepassing van het vierde lid komen uitsluitend aanvragen in aanmerking ten aanzien waarvan als datum van ontvangst geldt de dag waarop het subsidieplafond zou worden overschreden. Artikel 4 De in artikel 2 bedoelde subsidie wordt slechts verstrekt aan een ondernemer: - a. ten behoeve van wie op 27 februari 2003 de toekenning van een licentie ten behoeve van een vissersvaartuig dat op grond van tabel I van bijlage I van de verordening tot het segment met"},{"i":6516,"b":"Besluit van 21 december 2012 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit marktmisbruik Wft, het Besluit prudentiële regels Wft, alsmede enige andere besluiten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingsbesluit financiële markten 2013) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 18 september 2012, FM/2012/1319M, Generale Thesaurie, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1:20, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:20), [1:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:54h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:54h), [3:5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:5), [3:9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:9), [3:10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:10), [3:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:72, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:72), [4:9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9), [4:10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:10), [4:11, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:11), [4:14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), [4:15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:15), [4:17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:17), [4:19, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:19), [4:20, eerste lid, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:20), [4:22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl"},{"i":5257,"b":"Regeling, houdende aanwijzing militaire gezagsdragers en vaststelling hiërarchische verhoudingen met betrekking tot de uitoefening van buitengewone bevoegdheden Gelet op [artikel 4 van de Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Als militaire gezagsdragers als bedoeld in [artikel 4 van de Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983&artikel=4) worden aangewezen: - a. de Commandant der Strijdkrachten, - b. de Commandant Landstrijdkrachten en de regionale militaire commandanten, en - c. de Commandant Zeestrijdkrachten, ieder in het in deze regeling toegewezen gezagsgebied. Artikel 2 Bij ontstentenis van een militaire gezagsdrager, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008873&artikel=1&z=2006-07-23&g=2006-07-23), treedt voor de uitoefening van het militair gezag in de plaats degene die de functie van die militaire gezagsdrager waarneemt. Artikel 3 1. Wanneer voor de uitoefening van het militair gezag tijdens de beperkte of de algemene noodtoestand meer dan één militaire gezagsdrager is aangewezen, is elk van die gezagsdragers gehouden bij de uitoefening van dat gezag de bevelen en aanwijzingen te volgen van de in het betrokken gebied mede voor de uitoefening van het militair gezag aangewezen gezagsdragers voor zover deze hiërarchisch boven hem zijn gesteld. 2. Militaire gezagsdragers die bevoegd zijn tot uitoefening van het militair gezag in een gedeelte van het grondgebied van Nederland, zijn steeds gehouden de bevelen en aanwijzingen ter zake van de uitoefening van het militair gezag te volgen van de hoogste militaire gezagsdrager die in het gehele grondgebied bevoegd is. Artikel 4 De gezagsgebieden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008873&artikel=1&z=2006-07-23&g=2006-07-23), omvatten: - a. voor wat betreft de Commandant der Strijdkrachten en de Commandant Landstrijdkrachten: Nederland; - b. voor wat betreft de regio"},{"i":6899,"b":"Besluit levering verkoop, Inspectie Leefomgeving en Transport Op grond van sectie 5.4.1.1.1 h) van [bijlage 1 (ADR) van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1) (VLG) mag de bevoegde autoriteit van het bij het vervoer betrokken land akkoord gaan om in plaats van de naam van de geadresseerden(n), de woorden **“Levering Verkoop”** op het vervoerdocument aan te geven, indien gevaarlijke goederen worden vervoerd om te kunnen afgeleverd bij diverse geadresseerden die niet geïdentificeerd kunnen worden bij het begin van het vervoer. In [bijlage 3 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3) (VLG) is de Inspectie Leefomgeving en Transport opgenomen als erkende instantie met betrekking tot de uitvoering van dit voorschrift Ik besluit op grond van sectie 5.4.1.1.1 h) van het [ADR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=1) akkoord te gaan dat in plaats van de naam en het adres van de geadresseerde(n) **“Levering Verkoop”** op het vervoerdocument mag worden vermeld, indien gevaarlijke goederen worden vervoerd om te worden afgeleverd bij diverse geadresseerden die niet geïdentificeerd kunnen worden bij het begin van het vervoer. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":5130,"b":"Prestatiebeschrijvingbeschikking Facultatieve Prestatie Fysiotherapie Heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) **Op basis van de beleidsregel:** Prestatiebeschrijvingen voor fysiotherapie (BR/CU-7049) **En gelet op:** [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50 lid 1, onderdelen a en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50)[jo. artikel 51 tot en met 53 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=51) Besloten: dat rechtsgeldig ****door:**** waarbij deze prestatiebeschrijvingbeschikking niet van toepassing is op instellingen als bedoeld in [artikel 1.2, aanhef en onder de nummers 2 en 3, 10 en 12 tot en met 24 van het Uitvoeringsbesluit WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=1.2) en voor zover de prestaties niet als onderdeel van een diagnose behandelingscombinatie in rekening worden gebracht **aan:** alle ziektekostenverzekeraars en alle (niet-)verzekerden de prestaties: zoals omschreven in de bijgevoegde prestatielijst, in rekening kunnen worden gebracht waarbij deze prestaties slechts door een niet-Big’er in rekening kunnen worden gebracht indien het zorg betreft waarop bij of krachtens de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) of [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat. Voor alle facultatieve prestaties geldt dat zij enkel gedeclareerd kunnen worden wanneer hier een schriftelijke overeenkomst tussen een ziektekostenverzekeraar en de betreffende zorgaanbieder aan ten grondslag ligt. Bijlage. bij Prestatiebeschrijvingbeschikking TB/CU-7038-01 van 4 april 2012 Facultatieve prestaties fysiotherapie Lijst met facultatieve prestaties Fp1. Fysiotherapeutisch traject aansluitend op operatieve ingreep Menisectomie type 1 Fp2. Fysiothera"},{"i":5542,"b":"Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie 2025–2028 gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit vast te stellen de navolgende regeling, houdende regels voor het verstrekken van vierjarige instellingssubsidies aan instellingen ter bevordering van de kwaliteit van de creatieve industrie. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Taakopvatting van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 1. Het is de taak van het Stimuleringsfonds om, vanuit het culturele perspectief, de rijke ontwerptraditie die Nederland heeft te continueren en te vernieuwen door het proces van experimenteren, onderzoeken en maken te stimuleren en goed opdrachtgeverschap te bevorderen. 2. Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie verstrekt, in overeenstemming met zijn statuten en volgens bepalingen vastgesteld in de wet en subsidieregelingen, subsidies aan natuurlijke personen en rechtspersonen die bijdragen aan het bevorderen van hoogwaardige kwaliteit, ontwikkeling en professionalisering van de hedendaagse creatieve industrie binnen het Koninkrijk. Artikel 2. Begrippen De in deze regeling gehanteerde begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597), daarbij wordt verstaan onder: - 1. **Het fonds:** het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie; - 2. **Het bestuur:** de directeur-bestuurder van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, als bedoeld in artikel 5 van de statuten; - 3. **Regeling:** Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie 2025–2028 - 4. **Creatieve industrie:** het werkterrein van de ontwerpende disciplines vormgeving, architectuur en digitale cultuur, inclusief mogelijke cross-overs tussen deze disciplines; - 5. **Koninkrijk:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit de landen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eus"},{"i":5797,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 november 2024, kenmerk 4009410-1075454-MEVA, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor het opleiden en ontwikkelen van zorgpersoneel (Subsidieregeling Strategisch Opleiden MSZ) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **activiteitenplan:** plan voor een opleidingsproject of meerdere opleidingsprojecten dat - a. als addendum bij het jaarplan is gevoegd; - b. een overzicht bevat van de activiteiten en het aantal werknemers per activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd; - c. de aard, omvang, duur en wijze van uitvoering van de activiteiten beschrijft; en - d. de met de activiteiten na te streven doelen in het kader van het opleiden en scholen van personeel, resultaten of producten beschrijft; - **activiteitenverslag:** verslag waarmee een werknemersvertegenwoordiging heeft ingestemd en waarvan de opbouw overeenkomt met de opbouw van het activiteitenplan en logisch voortvloeit uit het jaarplan en het strategisch opleidingsplan en dat: - a. een overzicht bevat van de gerealiseerde activiteiten voor een opleidingsproject of meerdere opleidingsprojecten waarvoor subsidie is verstrekt; - b. de aard, omvang, duur en wijze van uitvoering beschrijft van de gerealiseerde activiteiten per activiteitenplan en het aantal werknemers per activiteit voor een opleidingsproject of meerdere opleidingsprojecten waarvoor subsidie is verstrekt; - c. per activiteitenplan de met het activiteitenplan gerealiseerde doelen, resultaten of producten beschrijft; - d. voor zover van toepassing, beschrijft in hoeverre is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; en - e. voor zover van toepassing, een vergelijking bevat van de gerealiseerde activiteiten met de voorgenomen activiteite"},{"i":6933,"b":"Besluit vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 2001 ex art. 20 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20), Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2001: | Categorie 1 | f 280,- | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | f 95,- | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | f 280,- | voor autobussen en vrachtauto's; | | Categorie 4 | f 280,- | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 5- | f 560, | voor trekkers met opleggers; | | Categorie 6 | f 95,- | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | f 95,- | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | f 95,- | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7051,"b":"Besluit van het bestuur van de huurcommissie, van 17 juni 2025 houdende de organisatie-inrichting van administratieve ondersteuning van de huurcommissie, aan te duiden als Dienst van de Huurcommissie (Organisatiebesluit dienst van de huurcommissie 2024) Gelet op de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315), Gelet op [artikel 2 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging bestuur huurcommissie 2024](onbekend), Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315); - b. **huurcommissie:** de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - c. **bestuur:** het bestuur van de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - d. **voorzitter:** de voorzitter van de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - e. **plaatsvervangend voorzitter:** de plaatsvervangend voorzitter van de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - f. **administratieve ondersteuning:** de administratieve ondersteuning van de huurcommissie, bedoeld in de [artikelen 3c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3c) en [3h, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3h) en aangeduid als dienst van de huurcommissie, overeenkomstig [artikel 1 van het Instellingsbesluit Dienst van de Huurcommissie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026930&artikel=1); - g. **directeur:** de uitvoerend directeur van de dienst van de huurcommissie; - h. **strategisch manager:** integraal eindverantwoordelijke van een of meerdere taakgebieden van de dienst van de huur"},{"i":5461,"b":"Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 13 maart 2025, nr. 4446101 houdende de vaststelling van de Aanwijzingen inzake de instelling van de functie van regeringscommissaris Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Besluit: Artikel 1 De bij deze regeling gevoegde ‘Aanwijzingen inzake de instelling van de functie van regeringscommissaris’ worden vastgesteld. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage Aanwijzingen inzake de instelling van de functie van regeringscommissaris Deze aanwijzingen worden in acht genomen door de ministers en staatssecretarissen en de onder hen ressorterende dienstonderdelen en personen. Deze aanwijzingen gaan over de organisatie en de interne werkwijze van de ministeries. Zij zijn alleen van toepassing op de ministers en staatssecretarissen en personen en diensten die onder de ministeriële verantwoordelijkheid vallen. In deze aanwijzingen wordt verstaan onder de **functie van regeringscommissaris**: een tijdelijke vanwege de regering ingestelde functie voor een bepaald project of bepaalde opdracht, niet zijnde een topmanager of topmanager-generaal. Voor nieuw in te stellen functies die vallen onder de reikwijdte van deze Aanwijzingen wordt de benaming ‘regeringscommissaris’ gebruikt, of wordt in de toelichting bij het organisatiebesluit expliciet vermeld dat de functionaris een regeringscommissaris zoals is bedoeld in deze Aanwijzingen. Regeringscommissarissen kunnen aanjagen, coördineren of adviseren (over ministeries en bestuurslagen heen). De benaming kan verschillend zijn, bijvoorbeeld ‘regeringscommissaris’, ‘nationaal coördinator’, ‘bestuurlijke aanjager’ of ‘gezant’. De functie van regeringscommissaris betreft een functie als ambtenaar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=1). Dit betekent onder a"},{"i":2052,"b":"Besluit van 31 oktober 2009 tot wijziging van een aantal socialezekerheidsbesluiten, het Besluit inburgering en het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 in verband met de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (Aanpassingsbesluit IOW) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 september 2009, Directie Inkomensverzekeringen en -voorzieningen, nr. IVV/I/2009/20373, gedaan na overleg met Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie en de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [artikel 2, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=2), [6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=6), [16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=16), [19, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=19), [21, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=21); De Raad van State gehoord (advies van 30 september 2009); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 oktober 2009, nr. IVV/I/2009/22402, uitgebracht na overleg met Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie en de Staatssecretaris van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen in werking treedt. Artikel I. Wijziging van het [Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009280) Wijzigt het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998. Artikel II. Wijziging van het [Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011136) Wijzigt het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid. Artikel III. Wijziging van het [Boetebesluit socialezekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011708) Wijzigt het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Artikel"},{"i":2054,"b":"Besluit van de plv. directeur Personeel en Organisatie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van 1 juni 2014, kenmerk 524177, houdende aanpassing van de vacatiegelden die worden toegekend aan de voorzitters en externe leden van de Adviescommissie voor bezwaarzaken inzake personele aangelegenheden ministerie van Justitie (Aanpassingsbesluit vacatiegelden Awb-commissie personeelsaangelegenheden 2014) Gelet op de circulaire van de Minister van Justitie van 14 oktober 2008, kenmerk 5566616/08, houdende Regeling behandeling bezwaarschriften inzake personele aangelegenheden Ministerie van Justitie; met inachtneming van de [Wet vergoedingen Adviescolleges en Commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775); Overwegende dat: de vacatiegelden van de voorzitters en externe leden van de in bovengenoemde circulaire bedoelde Awb-commissie zijn gebaseerd op het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317); het [Vacatiegeldenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317) in 2009 is ingetrokken; de vacatiegelden gedurende enige jaren niet zijn verhoogd; het redelijk is bij de toekenning van de vacatiegelden standaard uit te gaan van 130% van 3% van salarisschaal 17, trede 10; dit leidt tot een bedrag van € 308,09 aan vacatiegeld dat zou worden toegekend aan voorzitters en tot een bedrag van € 236,99 voor externe leden; de hiervoor genoemde bedragen om administratieve redenen op hele euro’s worden afgerond; Besluit: Artikel 1 De vacatiegelden voor de Awb-commissie per vergadering/zitting als volgt te verhogen: - a. het vacatiegeld voor **voorzitters** tot **€ 308**; - b. het vacatiegeld voor **externe leden** tot **€ 237**. Artikel 2 Bedoelde verhoging per **1 juni 2014** in te laten gaan. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2014. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aa"},{"i":6907,"b":"Besluit van 15 februari 1999, houdende de vaststelling van enkele rechtspositionele bepalingen ten aanzien van burgerambtenaren van Defensie, die belast zijn met het vervoer van bewindslieden en hoge ambtelijke functionarissen (Besluit personenchauffeurs defensie) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 13 november 1999, nr. P/98007410; Gelet op [artikel 125 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [artikel 12:15 van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=12:15); De Raad van State gehoord (advies van 18 december 1998, No.W07.98.0528); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 5 februari 1999, nr. P/99000429; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. personenchauffeur: de krachtens dit besluit door Onze Minister van Defensie aangewezen ambtenaren die de functie van personenchauffeur uitoefenen, alsmede de krachtens artikel 1 van het Besluit van 3 mei 1989 (Stb. 1989, 194), houdende een nadere werktijd regeling en overwerkvergoeding voor personenchauffeurs aangewezen ambtenaar; - b. het inkomstenbesluit: het [Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191); - c. het reglement: het [Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040). Artikel 2. Toepasselijkheid reglement en bezoldigingsbesluit [Artikel 30b, tweede lid, van het reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=30b) alsmede de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=20), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=22) en [49 van het inkomstenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=49) zijn op de personenchauffeur niet van toepassing. Artikel 3. Verlenging arbeidstijd De arbeidstijd voor de personenchauffeur met een volledige arbeidstijd bedraag"},{"i":5245,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 22 juli 2009, nr. MEVA/NBO-2936858, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake opschoning in verband met het opleidingsfonds AWBZ en Zvw Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 18 oktober 2007 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, vergaderjaar 2007/08, 29 282, nr. 45); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg of dienst: - a. als omschreven bij of krachtens de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) voor zover die wordt geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg verleend door psychiaters en overige zorgaanbieders die zijn toegelaten voor zorg aan verzekerden met een psychiatrische aandoening of zorgaanbieders van wie de zorg is gericht op verzekerden met een psychiatrische aandoening met uitzondering van eerstelijnspsychologische zorg; - b. waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat en voor zover die wordt geleverd door instellingen in de geestelijke gezondheidszorg die zijn toegelaten voor de functie verblijf, in combinatie met de functies persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling als omschreven in het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149) met uitzondering van regionale instellingen voor beschermd wonen en instellingen die extramurale prestaties leveren waarbij geen behandeling plaatsvindt. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 De zorgautoriteit past met ingang van 1 januari 2010 een aanvullende opschoning toe van de budgetten van de instellingen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026198&ar"},{"i":6307,"b":"Wet van 3 juli 2015 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enkele andere wetten met het oog op een regelgevend kader voor kredietunies (Wet toezicht kredietunies) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) aan te passen teneinde een regelgevend kader voor kredietunies te scheppen, waarmee de financiering van personen die handelen in hun beroep of bedrijf kan worden gestimuleerd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel III (vervallen) Artikel IV Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet toezicht kredietunies. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":4195,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 13 februari 2026, nr. BZ2624753, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 en tot wijziging van het Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 juli 2025, nr. BZ2517990 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Tweede openstelling en wijziging beleidsregels Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het [Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051272) worden ingediend vanaf 30 maart 2026, 12:00 uur Nederlandse tijd, tot en met 1 september 2026, 15:00 Nederlandse tijd. Artikel 2 1. Voor subsidieverlening in het kader van de tweede openstelling van het [Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051272) geldt een totaal subsidieplafond van € 11,3 miljoen, onderverdeeld in de volgende subsidieplafonds: - a. € 6,2 miljoen voor Impact Cluster projecten passend binnen een combitrack; - b. € 5,1 miljoen voor reguliere Impact Cluster projecten. 2. Binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in [artikel 8, derde lid, onderdeel d, van het Subsidiebesluit Ministerie van B"},{"i":3994,"b":"Besluit van 30 oktober 1981, houdende voorschriften betreffende de samenstelling en de werkwijze van de commissie beheer landbouwgronden Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 17 augustus 1981, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, nr. J. 5559; Gelet op [artikel 31, derde en zesde lid, van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=31) (**Stb.** 1981, 248); De Raad van State gehoord (advies van 30 september 1981, nr. 810923/23); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 22 oktober 1981, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, nr. J. 6760; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: \"commissie\": commissie beheer landbouwgronden als bedoeld in [artikel 30 van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=30) (**Stb.** 1981, 248); Artikel 2 In de commissie hebben zitting; - a. de Directeur-Generaal Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, die tevens voorzitter is; - b. vier ambtelijke leden, onderscheidenlijk vertegenwoordigend: Onze Minister, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - c. twee leden te benoemen door Onze Minister op voordracht van het Interprovinciaal Overleg; - d. één lid, te benoemen door Onze Minister op voordracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; - e. één lid, te benoemen door Onze Minister op voordracht van de Unie van Waterschappen; - f. drie leden, die worden benoemd op voordracht van de Federatie van Land- en Tuinbouworganisaties Nederland; - g. één lid, te benoemen door Onze Minister op voordracht van de Stichting Natuur en Milieu; - h. één lid, te benoemen door Onze Minister op voordracht van de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten; - i. één lid, dat benoemd wordt op voordracht van de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond,"},{"i":4868,"b":"Besluit van de Directeur Ketenstrategie van de Justitiële Informatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 4 februari 2022, nr. Alg. 6261, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Ketenstrategie Justid 2022) gelet op [artikel 6 van het Mandaatbesluit Justid 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046430&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit Justid 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046430&artikel=1) aan de Directeur Ketenstrategie van de Justitiële Informatiedienst verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de manager Informatiemanagement; - b. de manager Strategie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2021. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Ketenstrategie Justid 2022. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3963,"b":"Besluit van 15 oktober 2014, houdende regels ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning als bedoeld in artikel 1, vierde en vijfde lid, aanhef, van de Algemene Ouderdomswet (Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 juli 2014, nr. 2014-0000101466; Gelet op [artikel 1, zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 augustus 2014, nr. W12.14.0259/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 oktober 2014, nr. 2014-0000144975; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **woning:** een gebouwde onroerende zaak, alsmede de onroerende aanhorigheden, die - 1°. een zelfstandige woonruimte is; - 2°. een onvrije etage is; of - 3°. een onzelfstandige woonruimte is, die deel uitmaakt van een woongebouw of woning, geheel of gedeeltelijk verhuurd ten behoeve van begeleid wonen, groepswonen door ouderen of een daarmee vergelijkbare woonvorm, en in eigendom van en aan de huurder verhuurd door een rechtspersoon zonder winstoogmerk, die mede op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam is, als de onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt van een woongebouw of woning, die op grond van [artikel 11, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=11) door de Dienst Toeslagen is aangewezen; - b. **woonruimte:** een besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden; - c. **zelfstandige woonruimte:** een woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte; -"},{"i":3860,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport, van 8 juli 2016, nr. ILT- 2016/50884, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging Wet precursoren voor explosieven (Besluit ondermandaat Wet precursoren voor explosieven) Gelet op [artikel 6, eerste en tweede lid, van het Besluit mandaat inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport en aanwijzing toezichthouders Wet precursoren voor explosieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038257&artikel=6); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **directeur:** directeuren Omgeving en dienstverlening en Toezicht en opsporing, bedoeld in de bij het [Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043289) behorende [bijlage](onbekend); - b. **afdelingshoofden:** afdelingshoofden van de Afdeling Keten gevaarlijke stoffen en de afdeling Marktvenster leefomgeving en scheepvaart, bedoeld in de bij het [Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043289) behorende [bijlage](onbekend); - c. **inspecteur ILT:** inspecteur van het team Chemische risico’s en het team Leefomgeving bedrijven en infra, bedoeld in de bij het [Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043289) behorende [bijlage](onbekend), en - d. **aan de inspecteur-generaal verleende bevoegdheden:** door de minister van Veiligheid en Justitie aan de inspecteur-generaal verleende bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038257&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038257&artikel=3) en [5 van het Besluit mandaat inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport en aanwijzing toezichthouders Wet precursoren voor explosieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038257&artikel=5). Artikel 2 1. Aan de directeur, afdelingshoofden, en inspecteurs worden de aan d"},{"i":2056,"b":"Besluit van 24 juni 2010, houdende wijziging van diverse besluiten vanwege de invoering van de Wet veiligheidsregio's (Aanpassingsbesluit veiligheidsregio's) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 maart 2010, nr. 2010-0000193021, CZW/WVOB; Gelet op [artikel 16, eerste, tweede, vierde en zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16), de [artikelen 2:1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=2:1), en [5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12), [artikel 45 van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=45), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=2) en [34 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=34), [artikel 1 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=1), de [artikelen 40, derde lid, van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=40), de [artikelen 1.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), [5.1, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=5.1), [5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=5.2), [5.3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=5.3), [8.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.2), [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.5), [8.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.7), [8.7, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.7), [8.19, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.19), [8.22, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":2057,"b":"Besluit van 13 juli 2016, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 september 2015, nr. 680716; Gelet op de [artikelen 30f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=30f) en [434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=434a), [8:36f, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:36f), [116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=116), [231](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=231) en [841 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=841), [294, tweede lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=294), [16 van de Uitvoeringswet grondkamers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021912&artikel=16), [14 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=14), [11 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=11), [37, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), en [41, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=41) en [5:80b, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:80b); De Afd"},{"i":2060,"b":"Besluit van 18 april 2018 tot wijziging van enkele besluiten in verband met de totstandkoming van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Aanpassingsbesluit Wiv 2017) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 augustus 2017, nr. 2017-0000212371; Gelet op de [artikelen 125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125), [125quinquies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125quinquies) en [134 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=134), [artikel 12e, onder a, van de Militaire Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12e), [artikel 16, zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16), [artikel 3.11, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.11), [artikel 13.5, vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.5), [artikel 6, tweede lid, van de Wet controle op rechtspersonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015049&artikel=6), de [artikelen 126m, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126m), en [126ee van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126ee); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 augustus 2017, No.W04.17.0242/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 april 2018, nr. 2017-0000532560; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Artikel II Wijzigt de Interne klokkenluidersregeling Rijk, Politie en Defensie. Artikel III Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit. Artikel IV Wijzigt het Besluit aanwijzing risicolanden defensiepersoneel. Artikel V Wijzigt het Besluit basisregistratie personen. Artikel VI Wijzigt het Besluit"},{"i":2427,"b":"Beleidsregel handhaving toezicht recirculatie munten 1. Inleiding De Nederlandsche Bank NV (DNB) heeft een handhavende bevoegdheid op grond van [artikel 11, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=11). Dit houdt onder andere in dat DNB bevoegd is tot oplegging van een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete. Hieronder wordt ingegaan op het beleid dat door DNB wordt toegepast voor de handhaving van: Hierna ook gezamenlijk aan te duiden als ‘relevante wettelijke artikelen’. De bepalingen waarop de toezichtstaak is gebaseerd komen als eerste aan de orde (paragraaf 2). Daarna wordt omschreven op welke wijze DNB toezicht houdt op de naleving van deze bepalingen (paragraaf 3) en volgen de doelstelling en uitgangspunten die de toezichthouders hanteren bij hun handhavingsbeleid (paragraaf 4). Tot slot wordt uiteengezet welke factoren een rol spelen bij de inzet van handhavingsinstrumenten (paragraaf 5). 2. Toezichttaak; norm en geadresseerden DNB houdt op grond van [artikel 10, eerste lid, Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=10) toezicht op de naleving van de relevante wettelijke artikelen. In deze artikelen is -kort gezegd- opgenomen de verplichting om de munten op echtheid- en geschiktheid te controleren alvorens deze opnieuw in omloop te brengen. De hierboven genoemde controleverplichting geldt voor kredietinstellingen, voor overige betalingsdienstverleners en andere economische operatoren die deelnemen aan de behandeling en verstrekking aan het publiek van munten. Onder andere economische operatoren vallen onder meer wisselinstellingen, geldvervoerders en muntverwerkers. DNB is op grond van [artikel 11, eerste en tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=11) bevoegd tot oplegging van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete van ten hoogste € 50.000 euro3Stb 2014, 30 – Besluit bestuurlijke boetes echtheids- en geschiktheidscontrole van euro"},{"i":6101,"b":"Vragen en antwoorden Brede herwaardering (derde tranche) De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. In dit Besluit is een aantal nog niet eerder gepubliceerde vragen en antwoorden opgenomen die nog betrekking hebben op het zogenoemde regime van de Brede herwaardering van verzekeringsproducten, zoals dat regime gold tot en met 31 december 2000. Opgemerkt zij dat het regime van de Brede herwaardering met ingang van 1 januari 2001 nog voor vele bestaande lijfrenten en kapitaalverzekeringen van toepassing zal blijven op grond van het overgangsregime van de Invoeringswet Wet IB 2001. Hierna zijn de vragen en antwoorden opgenomen met een rubricering en nummering die aansluit bij die van de eerste twee reeksen vragen en antwoorden inzake de Brede herwaardering. Die reeksen zijn opgenomen in de speciale uitgave van Infobulletin van mei 1994 en in het besluit van 30 maart 1998, nr. DB98/1230M, Infobulletin 98/319. Onderdeel C.36 betreft een herziening van het eerder in het besluit DB98/1230M gegeven antwoord. Het in dat besluit gegeven antwoord komt hierbij te vervallen. De hierna opgenomen vragen en antwoorden worden voor zover noodzakelijk ook – in aangepaste vorm – opgenomen in het Besluit van heden, nr. CPP2001/1681M, waarin de vragen en antwoorden op het gebied van lijfrenten die zijn gepubliceerd onder de toepassing van de Wet IB 1964, worden geherpubliceerd voor zover deze ook relevant zijn voor de Wet IB 2001. A. Lijfrenten; oud regime en overgangsregeling A.22. Declausulering met terugwerkende kracht na premievrijstelling als gevolg van arbeidsongeschiktheid Is het mogelijk een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule die onder de eerbiedigende werking van artikel 75, Wet IB 1964 valt, waarvoor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is verleend in verband met bestaande arbeidsongeschiktheid met terugwerkende kracht te declausuleren? Onder declausulering wordt verstaan, dat de kapitaalverzekering"},{"i":4942,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 november 2014, 2014-0000175629, houdende doorverlening van bevoegdheden betreffende de handhaving van regels m.b.t. indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels aan een onder de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid ressorterende ambtenaar (Mandaatregeling handhaving CLP SZW 2014) Gelet op [artikel 4 van de Regeling mandaatverlening inzake de bevoegdheid tot handhaving van de regels m.b.t. indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035209&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **de Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 1. Aan het hoofd van de afdeling Boete, Dwangsom en Inning van de Nederlandse Arbeidsinspectie wordt mandaat verleend om namens de Minister een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen voor overtredingen van bij of krachtens [titel 9.3a van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&titeldeel=9.3a) en het [Warenwetbesluit deponering informatie preparaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008489) gestelde voorschriften. 2. Aan het hoofd van de afdeling Boete, Dwangsom en Inning van de Nederlandse Arbeidsinspectie wordt mandaat verleend voor het namens de Minister verrichten van handelingen die verband houden met de invordering van verbeurde dwangsommen en van de gemaakte kosten voor bestuursdwang als bedoeld in [artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:25), voor zover deze verband houden met de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3 Het krachtens dit mandaat en deze machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, namens deze: (handtekening) (naam functionaris) (functie) Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na d"},{"i":1696,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 19 mei 2011 houdende de vaststelling van een aan exporteurs van bloembollen op te leggen heffing voor de export van bloembollen naar Japan, voor het oogstjaar 2011 (Verordening PT heffing export bloembollen naar Japan oogstjaar 2011) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14): gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, 10 mei 2011; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&artikel=1:1) en de procedure heffing en invordering zoals beschreven in [paragraaf 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027562&paragraaf=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | bloembollen | : bollen of knollen van bloemgewassen; | | --- | --- | --- | | b. | oogstjaar | : de periode van 1 juni 2011 tot en met 31 mei 2012. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloembollen is over de door hem van 1 juni 2011 tot en met 31 december 2011 naar Japan uitgevoerde bloembollen aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd ten behoeve van de financiering van de controles van de bloembollen, die naar Japan worden uitgev"},{"i":2064,"b":"Wet van 6 november 1997 tot aanpassing van bijzondere wetten aan de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingswet derde tranche Awb I) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de bijzondere wetten aan te passen aan de derde tranche van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK 1. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT artikel Enig Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. HOOFDSTUK 2. MINISTERIE VAN ALGEMENE ZAKEN artikel Enig Wijzigt de Wet openbaarheid van bestuur. HOOFDSTUK 3. MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN Artikel 1 Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel 2 Wijzigt de Brandweerwet 1985. Artikel 3 Wijzigt de Garantiewet Militairen K.N.I.L. Artikel 4 Wijzigt de Gemeentewet. Artikel 5 Wijzigt de Kaderwet bestuur in verandering. Artikel 6 Wijzigt de Provinciewet. Artikel 7 Wijzigt de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag. Artikel 8 Wijzigt de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP. Artikel 9 Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 10 Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel 11 Wijzigt de Wet van 21 april 1955, houdende vaststelling van een regeling, als bedoeld in artikel 89a van de Comptabiliteitswet (Stb. 1927, No. 259), ten aanzien van de «Stichting tot verzorging en afwikkeling van pensioensaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen» (Stb. 189). Artikel 12 Wijzigt de Wet Nationale ombudsman. Artikel 13 Wijzigt de Wet op de Parlementaire Enquête. Artikel 14 Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel 15 Wijzigt de Wet Stichting CAOP. Artikel 16 Wijzigt de Wet Stichting ROI. Artikel 17 Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding"},{"i":2563,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 4 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/240568, met betrekking tot de verstrekking van subsidies krachtens artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke subsidieregeling Inland AIS-apparaten binnenvaart Gelet op de [artikelen 4:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) jo. [4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) en [artikel 6, tweede en derde lid, van de Tijdelijke subsidieregeling Inland AIS-apparaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026730&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Een aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregeling Inland AIS-apparaten binnenvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026730&artikel=6), waaraan op 31 december 2012 een of meer van de in dat artikel bedoelde bescheiden ontbreken, kan worden gecompleteerd tot en met 1 mei 2013. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst en werkt terug tot en met 22 november 2012. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3590,"b":"Besluit van 26 april 2017, houdende regels in verband met de implementatie van richtlijn 2014/94/EU betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen) Op de voordracht van Onze Staatsecretaris van Infrastructuur en Milieu van 10 oktober 2016, nr. IenM/BSK-2016/192737, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [richtlijn 2014/94](32014L0094)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PbEU 2014, L 307), de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=3) en [4 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), de [artikelen 95la](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=95la) en [95lb van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=95lb), [artikel 10, eerste lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672&artikel=10) en de [artikelen 9.2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1) en [18.2b, derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.2b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 december 2016, nr. W14.16.0321/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 18 april 2017, nr. IENM/BSK-2017/53704, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **alternatieve brandstoffen:** brandstoffen of energiebronnen die, althans gedeeltelijk, dienen als vervanging van fossiele oliebronnen in de energievoorziening voor vervoer en die ertoe kunnen bijdragen dat de"},{"i":4425,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit tot vaststelling van een bestuursreglement (kenmerk 01.053.735) Gezien de goedkeuring van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 maart 2019; Gelet op [artikel 33d, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33d); Besluit: Artikel 1. Definities In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. **afdelingshoofden:** functionarissen belast met de leiding van een dienstonderdeel van de Kansspelautoriteit; - b. **bestuurslid:** lid van de raad als bedoeld in [artikel 33c, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33c); - c. **bestuurssecretaris:** de secretaris van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit; - d. **dienstonderdeel:** onderdeel van de Kansspelautoriteit als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging Kansspelautoriteit 2019](onbekend); - e. **Kansspelautoriteit:** de Kansspelautoriteit, bedoeld in [artikel 33, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - f. **Minister:** de Minister voor Rechtsbescherming; - g. **plaatsvervangend voorzitter:** degene die als plaatsvervangend voorzitter van de raad is benoemd door de Minister; - h. **raad:** de raad van bestuur, bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - i. **reglement:** het onderhavige bestuursreglement; - j. **voorzitter:** de voorzitter, bedoeld in [artikel 33c, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33c); - k. **wet:** de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2. Vervanging De voorzitter wordt bij zijn afwezigheid of ontstentenis vervangen door de plaatsvervangend voorzitter. Artikel 3. Taken 1. De raad verdeelt diens werkzaamheden in portefeuilles voor elk bestuurslid. 2. De verdeling van werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid"},{"i":2065,"b":"Wet van 6 november 2013 tot aanpassing van enige wetten op het terrein van het Ministerie van Veiligheid en Justitie teneinde een aantal zelfstandige bestuursorganen onder de werking van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen te brengen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468), de [Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779), de [Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642) en de [Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007292) aan te passen, teneinde de zelfstandige bestuursorganen die op grond van voornoemde wetten openbaar gezag uitoefenen onder de werking van de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens. Artikel II Wijzigt de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten. Artikel III Wijzigt de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Artikel IV Wijzigt de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. Artikel IVa Wijzigt de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Artikel V Op de leden van het College bescherming persoonsgegevens die zijn benoemd of herbenoemd voor het tijdstip waarop [artikel I, onderdeel C, subonderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034188&artikel=I&z=2015-07-01&g=2015-07-01), in werking treedt, blijft [artikel 53, derde lid, eerste, tweede en derde volzin, van de Wet bescherming persoonsgegevens](http"},{"i":6044,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake de export en handhaving van sociale-verzekeringsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Wensend de export van Nederlandse sociale-verzekeringsuitkeringen naar Suriname mogelijk te maken, Wensend de samenwerking tussen de beide landen te regelen teneinde de rechtmatige uitvoering van de Nederlandse sociale verzekeringen te bevorderen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „wetgeving\": de in artikel 2 bedoelde wet- en regelgeving; - b. „bevoegd gezag\": met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland; met betrekking tot de Republiek Suriname de Minister van Sociale Zaken en Volkshuisvesting; - c. „bevoegd orgaan\": voor de uitvoering van de wetgeving vermeld in artikel 2, onderdelen a, b en c: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, per adres Gak Nederland bv, en voor de uitvoering van de wetgeving vermeld in artikel 2, onderdelen d, e en f: de Sociale Verzekeringsbank, dan wel de rechtsopvolger van de genoemde organen; - d. „uitkering\": iedere uitkering in geld ingevolge de wetgeving; - e. „uitkeringsgerechtigde\": iedere aanvrager van of gerechtigde op een uitkering; - f. „gezinslid\": iedere persoon ten behoeve van wie recht op uitkering kan bestaan. 2. Elke term die niet in het Verdrag is omschreven heeft de betekenis die daaraan wordt gegeven in de wetgeving die wordt toegepast. Artikel 2. Materiële werkingssfeer Dit Verdrag is van toepassing op de Nederlandse wet- en regelgeving betreffende de volgende takken van sociale verzekering: - a. uitkeringen in geval van ziekte en moederschap; - b. arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor werknemers; - c. arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor zelfstandigen; - d. ouderdomsuitkeringen; - e. nabestaandenuitkeringen; -"},{"i":6045,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België voor de aanpassing van de grens tussen de Nederlandse gemeenten Eijsden-Margraten en Maastricht en de Belgische stad Wezet Het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en het Koninkrijk België, anderzijds, hierna te noemen „de verdragsluitende partijen”, Verwijzend naar: Het [Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006129), tot stand gekomen te Londen op 19 april 1839 (bijlage van het Tractaat tussen Oostenrijk, Frankrijk, Groot-Brittannië, Pruisen en Rusland, enerzijds, en het Koninkrijk der Nederlanden, anderzijds, betreffende de scheiding van België, tot stand gekomen te Londen op 19 april 1839), gekend als het „Verdrag der XXIV artikelen van Londen van 19 april 1839”; De [Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de grensscheiding, met Reglement voor het plaatsen van grenspalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006026), tot stand gekomen te Maastricht op 8 augustus 1843, hierna genoemd: „Grensregeling van 1843”; Het [Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot verbetering van de verbinding tussen het Albertkanaal en het Julianakanaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004442), tot stand gekomen te Brussel op 24 februari 1961. Vaststellende dat door het rechttrekken en normaliseren van de Maas en andere werkzaamheden in de Maas in de loop van de decennia 1960–1980, bij de Nederlandse gemeenten Eijsden-Margraten en Maastricht en de Belgische stad Wezet, zich door aanslibbing eilandjes hebben aangehecht aan de oevers van de Maas van zowel Nederland als België. Overwegende dat hierdoor onduidelijk is geworden wat de gevolgen zijn voor de grens bij Eijsden-Margraten, Maastricht en Wezet in het licht van de Grensregeling van 1843. Verlangende de grens tussen beide verdragsluitende pa"},{"i":1990,"b":"Wet van 15 december 1995 houdende wijziging van enkele belastingwetten (belastingplan 1996) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het kader van het belastingplan 1996 met het oog op werkgelegenheid en koopkracht in de loon- en inkomstenbelasting een aantal tariefmaatregelen te treffen, mede in verband met de invoering van een regulerende energiebelasting, het arbeidskostenforfait te verhogen en faciliteiten ten behoeve van beginnende ondernemers in te voeren alsmede enkele maatregelen in de vermogensbelasting en de vennootschapsbelasting te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III In artikel 53**a**, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 1997 in de tarieftabel het in kolom IV eerstvermelde percentage vervangen door: 6,2. Voorts wordt met ingang van dat jaar het in kolom III eerstvermelde bedrag vervangen door het bedrag dat wordt berekend door 6,2% te nemen van het in kolom II eerstvermelde bedrag en de uitkomst van die berekening naar beneden af te ronden op hele guldens. Ten slotte wordt met ingang van dat jaar het in kolom III als tweede vermelde bedrag vervangen door het bedrag dat wordt berekend door 50% te nemen van het verschil van het in kolom I eerstvermelde bedrag en het in kolom II als tweede vermelde bedrag, en de uitkomst van deze berekening naar beneden af te ronden op hele guldens en te verhogen met het op basis van de vorige volzin berekende in kolom III eerstvermelde bedrag. Artikel IV In artikel 53**a**, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 1998 in de tarieftabel het in kolom IV eerstvermelde percentage vervangen door: 4,"},{"i":2066,"b":"Wet van 6 februari 2003, houdende aanpassing van enkele wetten in verband met de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de inwerkingtreding van de [Wet dualisering gemeentebestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013462) wenselijk is enkele wetten aan te passen en in die wet enkele verbeteringen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene Bijstandswet. Artikel II Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel III Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel IV Wijzigt de Gemeentewet. Artikel V Wijzigt de Huursubsidiewet. Artikel VI Wijzigt de Kaderwet bestuur in verandering. Artikel VII Vervallen Artikel VIII Wijzigt de Wet algemene regels herindeling. Artikel IX Wijzigt de Wet dualisering gemeentebestuur. Artikel X Wijzigt de Wet inkomensvoorziening kunstenaars. Artikel XI Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel XII Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel XIII Wijzjgt de Wet inschakeling werkzoekenden. Artikel XIV Wijzigt de Wet medezeggenschap onderwijs 1992. Artikel XV Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel XVI Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel XVII Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel XVIII Wijzigt de Wet sociale werkvoorziening. Artikel XIX Op besluiten van de gemeenteraad die zijn genomen op grond van [artikel 155 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=155), zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel SSS, van het bij koninklijke boodschap van 23 mei 2001 ingediende voorstel v"},{"i":2067,"b":"Wet van 12 november 2009 tot aanpassing van LNV-wetgeving in verband met de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) over te gaan tot aanpassing van de [Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252), de [Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755), de [Plantenziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002075), de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) en de [Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040) en tot intrekking van [Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003143) en de [Reconstructiewet Midden-Delfland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003094); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005. Artikel II Wijzigt de Landbouwkwaliteitswet. Artikel III Wijzigt de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Artikel IV Wijzigt de Plantenziektenwet. Artikel V Wijzigt de Landbouwwet. Artikel VI De [Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003143) wordt ingetrokken. Artikel VII De [Reconstructiewet Midden-Delfland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003094) wordt ingetrokken. Artikel VIII 1. De bij of krachtens de [Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003143) gestelde regels blijven van toepassing op de uitvoering van het herinrichtingsplan, bedoeld in [artikel 20 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en"},{"i":1991,"b":"Wet van 22 december 1999, houdende wijziging van belastingwetten c.a. (belastingplan 2000) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het belastingplan 2000 wenselijk is maatregelen te treffen op het gebied van het werkgelegenheidsbeleid en inkomensbeleid, een bijdrage te leveren aan een verdere vergroening van het fiscale stelsel, en in samenhang daarmee maatregelen te nemen in het kader van auto en vervoer, met name ter bevordering van milieuvriendelijke vervoersmodaliteiten en voorts enige andere belastingmaatregelen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel XI, onder A, werkt terug tot en met 12 november 1999, 18.00 uur. Artikel XVIII werkt terug tot en met 1 januari 1999. Artikel I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Artikel V Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VI Wijzigt de Wet op de vermogensbelasting 1964. Artikel VII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel IX Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel X Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XI Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel XII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XIII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XIV Wijzigt de Wet van 23 februari 1983, houdende intrekking van de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wegens invaliditeit (Stb. 94). Artikel XV Artikel 10, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vindt geen toepassing met betrekking tot de kr"},{"i":2068,"b":"Wet van 25 juni 2009 tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingswet vierde tranche Awb) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de bijzondere wetten aan te passen aan de vierde tranche van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijziging van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Artikel 1 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2 Wijzigt de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk 2. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1 Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel 2 Wijzigt de Gemeentewet. Artikel 3 Wijzigt de Wet overige BZK-subsidies. Artikel 4 Wijzigt de Provinciewet. Artikel 4a Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel 4b Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel 5 Wijzigt de Wet rampen en zware ongevallen. Hoofdstuk 3. Ministerie van Buitenlandse Zaken Artikel 1 Wijzigt de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken. Artikel 2 Wijzigt de Sanctiewet 1977. Hoofdstuk 4. Ministerie van Defensie artikel Enig Wijzigt de Inkwartieringswet. Hoofdstuk 5. Ministerie van Economische Zaken Artikel 1 Wijzigt de Distributiewet. Artikel 2 Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel 3 Wijzigt de Gaswet. Artikel 4 Wijzigt de Hamsterwet. Artikel 5 Wijzigt de Kaderwet EZ-subsidies. Artikel 6 Wijzigt de Mededingingswet. Artikel 7 Wijzigt de Metrologiewet. Artikel 8 Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel 9 Wijzigt de Postwet. Artikel 10 Wijzigt de Prijzennoodwet. Artikel 11 Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel 12 Wijzigt de Vorderingswet. Artikel 13 Wijzigt de Wet aardgasprijzen. A"},{"i":6081,"b":"Besluit van 4 november 2024 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Omgevingsbesluit, het Invoeringsbesluit Omgevingswet en het Besluit bodemkwaliteit (Verzamelbesluit Omgevingswet IENW bodem en water 2025) Artikel I. (Wijziging [Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330)) Wijzigt het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel II. (Wijziging [Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278)) Wijzigt het Omgevingsbesluit. Artikel III. (Wijziging [Invoeringsbesluit Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044923)) Wijzigt het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Artikel IV. (Wijziging [Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929)) Wijzigt het Besluit bodemkwaliteit. Artikel V. (Inwerkingtreding) Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025 en werkt ten aanzien van [artikel I, onder AW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050376&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01) terug tot en met 1 januari 2024. Artikel VI. (Citeertitel) Dit besluit wordt aangehaald als: Verzamelbesluit Omgevingswet IENW bodem en water 2025. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 10 april 2024, nr. IenW/BSK-2024/124551, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [18.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.3), [20.22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.22), en [20.24, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.24), [artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=4.14) en de [artikelen 9.2.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), en [9.5.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":6054,"b":"Vergunning BankGiro Loterij 2013/2014 Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de kansspelautoriteit) aan de BankGiro Loterij N.V., gevestigd te Amsterdam met KvK-nummer 41126590 (hierna: de vergunninghouder), een vergunning voor de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 december 2014. Aan deze vergunning zijn de volgende voorschriften verbonden: A. Bestuursstructuur B. Aangeboden kansspel C. Afdracht ten behoeve van het algemeen belang D. Bescherming van consumenten E. Toezicht en controle F. Rapportage en verslaglegging G. Overig"},{"i":5880,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 mei 2020, nr. 2020-0000031778, tot vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling voor de financiering van kinderopvang in Caribisch Nederland (Tijdelijke subsidieregeling financiering kinderopvang Caribisch Nederland) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **buitenschoolse opvang:** kinderopvang verzorgd door een kinderopvangorganisatie voor kinderen in de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd evenals gedurende vrije dagen of middagen en in schoolvakanties; - **Caribisch Nederland:** eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - **dagdeel:** een blok van minimaal 4 aaneengesloten uren kinderopvang; - **dagopvang:** kinderopvang verzorgd door een kinderopvangorganisatie voor kinderen in de leeftijd van 0 tot en met de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan; - **exploitant:** een natuurlijk persoon van achttien jaar of ouder of rechtspersoon die een kinderopvangorganisatie exploiteert; - **exploitatievergunning:** de door het openbaar lichaam verleende vergunning voor het exploiteren van kinderopvang; - **gastouder:** degene van achttien jaar of ouder die gastouderopvang biedt, met uitzondering van degene: - a. van wie een of meer kinderen onderworpen zijn aan ondertoezichtstelling of voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in [artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=254), die met betrekking tot een of meer van zijn kinderen is ontheven uit het ouderlijk gezag als bedoeld in [artikel 266 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":2075,"b":"Aanvullende regels met betrekking tot het bijstellen van zaaksoorten en bijbehorende bewindvoerdersubsidies in het kader van de Wsnp Gelet op: De [Wet schuldsanering natuurlijke personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009730) (Staatsblad 1998, nrs. 445 en 447) [Art 4, lid 1 en 3 van het besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012226&artikel=4) (Staatsblad 2001, nr. 80) [Paragraaf 3.5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&paragraaf=3.5.6) en [afdeling 4.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.3) stelt aanvullende regels vast met betrekking tot het bijstellen van zaaksoorten en bijbehorende bewindvoerdersubsidies in het kader van de [Wsnp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009730): Artikel 1 De Raad voor Rechtsbijstand (hierna: de Raad) stelt bij het begin van elke nieuwe Wsnp-zaak de zaaksoort vast en de bijbehorende subsidie ([art 4 Besluit Subsidie Bewindvoerder Schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012226&artikel=4)). De Raad baseert deze uitspraak op de informatie in de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van de arrondissementsrechtbanken. De Raad informeert de bewindvoerder over zijn besluit via het rekening-courantoverzicht dat binnen twee maanden na ontvangst van het vonnis tot toepassing van de wettelijke schuldsanering aan de bewindvoerder wordt toegestuurd. Artikel 2 Indien de bewindvoerder tijdens de looptijd van de schuldsanering signaleert dat de werkelijke zaaksoort afwijkt van de aanvankelijk vastgestelde, dient hij de Raad daarover te informeren. Artikel 3 De bewindvoerder verzoekt schriftelijk om aanpassing van de zaaksoort en bijbehorende bewindvoerdersubsidie uiterlijk op de dag van de beëindigingzitting. Het verzoek gaat vergezeld van documentatie aan de hand waarvan de Raad de zaaksoort opnieuw kan vaststellen. Artikel 4 De Raad kan de bewindvoerder ook actief"},{"i":5606,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 oktober 2024 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA chemische stoffen in eet- en drinkwaren (IB03-SPEC 43, versie 06) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), de [artikelen 10, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Doel en toepassingsgebied Het Specifiek interventiebeleid NVWA chemische stoffen in eet- en drinkwaren beschrijft binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) de interventiegrenzen voor de beoordeling van specifieke overtredingen voor het werkterrein chemische stoffen en geeft per overtreding invulling aan het Algemeen interventiebeleid NVWA 2024. Overtredingen waarin dit document niet voorziet, worden voorgelegd aan de Afdeling Expertise van de Directie Handhaven teneinde een interventie te bepalen conform de beoordelingskaders uit dit interventiebeleid. 2. Definities en wettelijke basis Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). 2.1. Definities en gebruikte afkortingen Elke vorm van controle door een inspecteur van de NVWA om na te gaan of de wet- en regelgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt nageleefd. De inspecteur kan, als dit de efficiency van d"},{"i":2076,"b":"Aanvulling circulaire schadevergoedingen Circulaire aan de colleges van Burgemeester en Wethouders en de colleges van Gedeputeerde Staten Geacht college Deze circulaire heeft in aanvulling op de [circulaire schadevergoedingen van december 1997](onbekend) tot doel u te informeren over hoe om te gaan met verzoeken om schadevergoeding in situaties waarin sprake is van gehele of gedeeltelijke intrekking van de vergunning, indien dit in het belang van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen noodzakelijk is. Sinds 1 januari jl. is het ook voor het bevoegd gezag mogelijk een vergunning op grond van de [Wet milieubeheer](onbekend) in te trekken, indien dit in het belang van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen noodzakelijk is. Intrekken van een vergunning in het belang van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen Op grond van [artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer](onbekend) wordt een vergunning die betrekking heeft op een inrichting waarin afvalstoffen worden verwijderd die van buiten de inrichting afkomstig zijn, dan wel op een inrichting waarin gevaarlijke afvalstoffen die in de inrichting zijn ontstaan, op of in de bodem worden gebracht om deze daar te laten, slechts verleend voor een in de vergunning te stellen termijn van ten hoogste 10 jaar. Indien wordt voorzien dat het beleid op korte termijn een wijziging zal ondergaan wordt geadviseerd een vergunning niet te verlenen voor de maximale termijn van 10 jaar doch voor een kortere periode. Hieraan dient natuurlijk een deugdelijke motivering ten grondslag te liggen. Op deze wijze kunnen verzoeken tot schadevergoeding grotendeels worden voorkomen. Het is evenwel niet ondenkbaar dat het belang van een doelmatige verwijdering van afvalstoffen vereist dat een reeds verleende vergunning alsnog dient te worden ingetrokken. Een beslissing tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning op grond van de [Wet milieubeheer](onbekend) heeft in de regel financieel-economische gevolgen voor de v"},{"i":5637,"b":"Besluit van de Inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedselautoriteit, namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA Wet op de dierproeven (IB03-SPEC 14, versie 4) De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 20 van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=20), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](onbekend); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Dit specifieke interventiebeleid beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB), de klasseindeling van en interventies voor specifieke overtredingen van de regelgeving met betrekking tot proefdieren en dierproeven. Binnen het toepassingsgebied van dit document valt het: Overtredingen met betrekking tot dierproeven en proefdieren die niet in dit document zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de NVWA. 2. Begrippen en wettelijke basis 2.1. Begrippen In aanvulling op de definities en begrippen uit het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) gelden de volgende definities: 2.2. Wettelijke basis 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van de overtreding Overtredingen worden ingedeeld naar de klassen zoals gedefinieerd in het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215). De ernst van de overtreding wordt in de eerste plaats bepaald door de gevolgen voor de betrokken dier(en). Hierbij wordt gelet op de mate van vermijdbare pijn, lijden, angst of blijvende schade (hierna verder: ongerief) dat het dier of de dieren is aangedaan. In"},{"i":5641,"b":"Splitsing van aandelen ‘Spin off’ 1. Inleiding Regelmatig ontvang ik verzoeken om de belastingheffing ter zake van splitsing van, in hoofdzaak Amerikaanse, aandelen alsmede ter zake van zogeheten ‘spin-off’s’ (afsplitsing van een of meer dochtervennootschappen) in afwijking van de wettelijke regeling achterwege te laten dan wel te verschuiven naar een in de toekomst gelegen tijdstip. Mijn beleid ten aanzien van de splitsing van aandelen heb ik bij de aanschrijving van 12 december 1966, nr. B6/15767, gepubliceerd. Ik maak van deze gelegenheid gebruik mijn beleid ten aanzien van beide situaties in één aanschrijving kenbaar te maken. 2. Splitsing van aandelen Een splitsing van aandelen (split-up) heeft veelal tot doel de aandelen beter verhandelbaar te maken. Een dergelijke splitsing kan zowel voor de rechtstreekse aandeelhouder als voor de houder van certificaten van aandelen fiscale gevolgen met zich brengen. Een splitsing waarbij en aandeel van bij voorbeeld nominaal f 1.000 wordt gesplitst in twee aandelen van nominaal f 500 en er geen overboeking plaatsvindt van een reserve- naar een kapitaalrekening heeft geen fiscale gevolgen (echte split-up). Er vindt slechts een mutatie plaats binnen het nominale kapitaal van de vennootschap. Indien het hiervoor genoemde aandeel van nominaal f 1.000 wordt gesplitst in twee aandelen van nominaal f 750 kunnen er wel fiscale gevolgen zijn verbonden aan de splitsing (onechte split-up). Het nominaal aandelenkapitaal wordt vergroot met f 500. Indien dit bedrag afkomstig is van de agioreserve is er sprake van een agio-bonus. Een dergelijke agio-bonus is er niet belast, voor zover deze bonus ten last van de – als fiscaal gestort kapitaal erkende – agioreserve is geboekt. Indien deze f 500 afkomstig is uit de winstreserves of de lopende winst is er sprake van een winstbonus of stock-dividend en dient belastingheffing plaats te vinden op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Wanneer"},{"i":5632,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA visketen zeevisserij (IB03-SPEC 48, versie 03) De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 54a Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=54a), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA visketen zeevisserij beschrijft binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB) de klassenindeling en interventies voor specifieke overtredingen in het domein visketen zeevisserij en geeft daarmee invulling aan het AIB. Overtredingen met betrekking tot de visketen zeevisserij waarin dit document niet voorziet worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de NVWA. 2. Begrippen 2.1. Definities Voor de definities wordt verwezen naar het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215). **PV** Proces Verbaal **RvO** Rijksdienst voor Ondernemend Nederland **Behavi** Bestuurlijke rapportage handhaving **GVB** Gemeenschappelijk Visserijbeleid 2.2. Wettelijke basis Het domein zeevisserij kenmerkt zich door veel Europese wetgeving. Deze wetgeving is uitgewerkt op nationaal niveau. De wettelijke basis voor dit specifieke interventiebeleid is de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416) en onderliggende besluiten en regelingen, te weten de [Uitvoeringsregeling Zeevisserij](https://wetten.ove"},{"i":2078,"b":"Besluit van 9 december 2020 tot wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Invoeringsbesluit Omgevingswet en enkele andere besluiten met het oog op de beheersing van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet) Op de voordracht van Onze Minister voor Milieu en Wonen van 3 april 2020, nr. IENW/BSK-2020/60060, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de richtlijn omgevingslawaai, de [artikelen 2.10, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.10), [2.11a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.11a), [2.24, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [2.25, eerste lid, onder a, onder 1°, 2°, 4° en 9°, en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.25), [2.26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.26), [2.27, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.27), [2.28, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.28), [2.29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.29a), [2.43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.43), [3.10, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=3.10), [4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [5.18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.18), [5.52, tweede lid, onder b, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.52), [16.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.1), [16.24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.24a), [16.139, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.139), [18.2, zesde lid](https://wetten.overh"},{"i":3329,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 23 maart 2022 nr. BOACAT2022/013, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Velsen Gelezen het verzoek van gemeente Velsen van 21 januari 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046491&artikel=2&z=2025-04-10&g=2025-04-10). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Operationeel Leidinggevende II, Handhaver II, Handhaver III en Handhaver IV in dienst van gemeente Velsen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenom"},{"i":3315,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 24 mei 2016 nr. BOACAT2016/039, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Schiedam Gelezen het verzoek van de gemeente Schiedam en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038006&artikel=2&z=2016-07-15&g=2016-07-15). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van gemeentelijke opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Schiedam zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie ge"},{"i":3941,"b":"Besluit van 17 maart 1998, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de psychotherapeut (Besluit psychotherapeut) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 april 1997, CSZ/BO-975644; Gelet op de [artikelen 26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=26), en [27 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=27); Gezien het advies van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg van mei 1996; De Raad van State gehoord (advies van 9 september 1997, no. W13.97.0221); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 maart 1998, GVM/GGZ/981396; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. opleidingsinstelling: een rechtspersoon die een opleiding tot psychotherapeut verzorgt; - c. cursorisch onderwijs: theoretisch en praktisch onderwijs dat aan de opleidingsinstelling wordt gevolgd; - d. psychotherapiesessie: contact, strekkende tot het onderzoeken van de psychische klachten van de patiënt of het met behulp van psychotherapie behandelen van een patiënt door een aspirant-psychotherapeut onder supervisie van een door de opleidingsinstelling aangewezen psychotherapeut; - e. supervisiesessie: contact tussen een aspirant-psychotherapeut en een door de opleidingsinstelling aangewezen psychotherapeut, strekkende tot het volgens een didactische methode analyseren en evalueren van de door de aspirant-psychotherapeut verrichte onderzoeken en behandelingen; - f. leertherapiesessie: contact tussen een aspirant-psychotherapeut en een door de opleidingsinstelling aangewezen psychotherapeut die niet is betrokken bij een ander deel van de opleiding van de aspirant-psychotherapeut, ertoe strekkende bij"},{"i":2080,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 27 mei 2021 tot aanvulling en wijziging van de Omgevingsregeling en wijziging en intrekking van enige andere regelingen met het oog op het beschermen van de bodem, met inbegrip van het grondwater en het duurzaam en doelmatig gebruik van de bodem (Aanvullingsregeling bodem Omgevingswet) Gelet op de richtlijn zuiveringsslib; Gelet op de [artikelen 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.21), [5.34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.34), [16.55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.55), [16.88, derde en vierde lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.88), de [artikelen 2, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=2), [3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4) en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5), [artikel 23, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=23), [artikel 1.1, vierde lid, tweede zin, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), de [artikelen 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10), en [38, eerste en derde lid, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=38), de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=15), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=27) en [28 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=28), [artikel 8.7"},{"i":2081,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 maart 2021 tot wijziging van de Omgevingsregeling vanwege het opnemen van regels met het oog op de beheersing van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (Aanvullingsregeling geluid Omgevingswet) Gelet op de richtlijn omgevingslawaai, de [artikelen 2.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.15), [2.21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.21), [2.24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [4.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.1), [20.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.3), [20.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.6), [20.7, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.7), en [20.10, derde lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.10) en [artikel 3.2, eerste lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247&artikel=3.2); Besluiten: Hoofdstuk 1. Aanvulling en wijziging [Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528) Artikel 1.1. ([Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528)) Wijzigt de Omgevingsregeling. Hoofdstuk 2. Wijziging andere regelingen Artikel 2.1. ([Regeling geluidwerende voorzieningen 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008540)) Wijzigt de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997. Artikel 2.2. ([Regeling geluidwerende voorzieningen militaire luchthavens 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037108)) Wijzigt de Regeling geluidwerende voorzieningen militaire luchthavens 2015. Hoofdstuk 3. Intrekking regelingen Artikel 3.1. (intrekken regelingen) De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Bijdrageregeling geluidhinder"},{"i":2082,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 9 juni 2021 tot wijziging van de Omgevingsregeling in verband met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet (Aanvullingsregeling natuur Omgevingswet) Gelet op de [artikelen 2.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [2.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.25), [4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [4.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.5), [4.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.20), [4.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.31), [5.2, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.2), [8.1, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=8.1), [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=8.3), [16.55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.55), en [16.139, derde lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.139), en de [artikelen 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2), en [10.1, eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.1); BESLUITEN: Hoofdstuk 1. Aanvulling en wijziging [Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528) Artikel 1.1. ([Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528)) Wijzigt de Omgevingsregeling. Hoofdstuk 2. Wijziging andere regelingen Artikel 2.1. ([Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041140)) Wijzigt de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018. Artikel 2.2. ([Uitvoeringregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539)) Wijzigt de Uitvoeringregeling visserij. Hoofdstuk 3. Intrekking regelingen Artikel 3.1. (intrekken regelingen) De volgende regelingen worden i"},{"i":7865,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2024 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op 9,50%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049001&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op 8,20%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2024. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":2085,"b":"Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om, mede gelet op internationaalrechtelijke verplichtingen en de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=14) en [21 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=21), de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) aan te vullen met regels over regulering en ontneming van eigendom, regels voor het inrichten van gebieden en regels over kostenverhaal; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Aanvulling en wijziging van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) Artikel 1.1. ([Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885)) Wijzigt de Omgevingswet. Hoofdstuk 2. Wijziging van andere wetten Artikel 2.0. ([Aanvullingswet geluid Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247)) Wijzigt de Aanvullingswet geluid Omgevingswet. Artikel 2.0a. ([Aanvullingswet bodem Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043277)) Wijzigt de Aanvullingswet bodem Omgevingswet. Artikel 2.0b. (Aanvullingswet natuur Omgevingswet) Wijzigt de Aanvullingswet natuur Omgevingswet. Artikel 2.1. ([Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2.2. (Burgerlijk Wetboek) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6 en Boek 7. Artikel 2.3. ([Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290)) Wijzigt de Financiële-verhoudingswet. Artikel 2.4. ([Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416)) Wijzigt de Gemeentewet. Artikel 2.4a. ([Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660)) Wijzigt de Invoeringsw"},{"i":5330,"b":"Regeling incidentele projectsubsidies Koninklijke Bibliotheek 2024 gelet op [artikel 1.2, eerste lid, onder a, in samenhang met het derde lid, van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999&artikel=1.2); besluit: vast te stellen de navolgende Regeling incidentele projectsubsidies Koninklijke Bibliotheek 2024 Artikel 1. Verhouding [Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999) Voor zover in deze regeling niet iets anders is bepaald, is het bepaalde in het [Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999) van toepassing. Artikel 2. Subsidiabele activiteiten In het kader van de activiteit ‘het aansturen van het netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen’ als bedoeld in [artikel 1.2, eerste lid, onder a, van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999&artikel=1.2), kan het Algemeen bestuurscollege projectsubsidies verlenen voor incidentele activiteiten die vallen buiten de reikwijdte van de overige vastgestelde regels als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024. Artikel 3. Subsidieaanvraag Een aanvraag om subsidieverlening wordt voor afronding van het project ingediend en gaat vergezeld van de documenten die zijn vermeld in de [artikelen 2.3 tot en met 2.6 van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999&artikel=2.3). Artikel 4. Subsidiebedrag Het Algemeen bestuurscollege bepaalt per aanvraag welke kosten voor subsidie in aanmerking komen. Artikel 5. Weigeringsgronden Naast de gronden om een subsidie te weigeren als genoemd in het [Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999), wordt de subsidie tevens geweigerd wanneer de activiteiten: - a. niet passen binnen het door de KB vastgestelde beleid met betrekk"},{"i":2092,"b":"Aanwijzing ambtelijke testinstelling Overwegende dat het typekeuren van radio-elektrische inrichtingen tot januari 1989 geschiedt door het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie: dat het typekeuren van radio-elektrische inrichtingen met ingang van 1 januari 1989 door erkende testinstellingen zal plaatsvinden; dat terwille van een soepele overgang van de oude situatie naar de nieuwe situatie het wenselijk is dat na 1 januari 1989 nog typekeuringen door het Bureau Typekeuringen van de Directie Operationele Zaken van de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post van het ministerie van Verkeer en Waterstaat zullen worden verricht; dat nieuwe aanvragen voor typekeuring tot 1 september 1989 bij het Bureau Typekeuringen kunnen worden ingediend; dat ingediende aanvragen slechts zullen worden geaccepteerd voor zover er nog geen keuringsmogelijkheden zijn bij erkende testinstellingen en de afhandeling van de aanvragen mogelijk is binnen de periode gedurende welke het Bureau Typekeuringen als ambtelijke testinstelling wordt aangewezen; Gelet op de artikelen C.3.1, eerste lid en F.4.1 van het Besluit radio-elektrische inrichtingen (Stb. 1988, 552); Besluit: Artikel 1 Het Bureau Typekeuringen van de Directie Operationele Zaken van de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post van het ministerie van Verkeer en Waterstaat wordt voor de periode van 1 januari 1989 tot 1 januari 1990 aangewezen als testinstelling voor het testen van zendinrichtingen welke zijn bestemd voor landmobiele telecommunicatie en van ontvanginrichtingen als bedoeld in artikel F.4.1. van het Besluit radio-elektrische inrichtingen. Artikel 2 Deze beschikking treedt inwerking op 1 januari 1989 en kan worden aangehaald als: Aanwijzing ambtelijke testinstelling."},{"i":2093,"b":"Aanwijzing autoriteiten met betrekking tot disciplinaire straffen en beklag Gelet op [hoofdstuk V van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386&hoofdstuk=V) (Stb. 1962, 370)1)Laatstelijk gewijzigd bij Wet van 23 december 1974 (Stb. 781). Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder ‘wet’: de [Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386). Artikel 2 Ten aanzien van de erkende gewetensbezwaarden die zijn tewerkgesteld elders dan bij een overheidsdienst uitsluitend of in hoofdzaak voor tewerkstelling van erkende gewetensbezwaarden bestemd, wordt als autoriteit bevoegd tot het opleggen van disciplinaire straffen, genoemd in artikel 33 van de wet, aangewezen: het hoofd van de Afdeling tewerkstelling erkende gewetensbezwaarden militaire dienst van het ministerie van Sociale Zaken, bij diens afwezigheid of ontstentenis het plaatsvervangend hoofd van genoemde afdeling en bij hun beider afwezigheid of ontstentenis, de eerste medewerker van het Bureau Straf-, tucht-en beroepszaken van genoemde afdeling.’ Artikel 3 1. De gestrafte, die zich over de hem opgelegde disciplinaire straf, over de omschrijving van de strafreden of over beide bezwaard acht, is bevoegd schriftelijk zijn beklag te doen. Het beklag wordt door tussenkomst van de strafoplegger ingediend. 2. Als autoriteit, door wie het beklag wordt behandeld, wordt aangewezen: het hoofd van de Stafafdeling Wetgeving en Juridische Aangelegenheden van het Ministerie van Sociale Zaken, en bij diens afwezigheid of ontstentenis het plaatsvervangend hoofd van genoemde stafafdeling. Artikel 4 De beschikking van de Minister van Sociale Zaken van 30 december 1974, no. 142. 179 (Stcrt. 1974, 253), wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de Staatscourant."},{"i":4876,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 augustus 2021, houdende regels inzake mandaat voor de bevoegdheden genoemd in artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet en artikel 2.6 van de Regeling elektronische publicaties (Mandaatbesluit Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevoegdheden artikel 7, tweede lid, Bekendmakingswet en artikel 2.6 Regeling elektronische publicaties) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), Besluit: Artikel 1. Begrippen - a. **de minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **KOOP:** Kennis- en Exploitatiecentrum voor Officiële Overheidspublicaties. Artikel 2. Mandaat aan KOOP 1. Aan de manager van KOOP en bij afwezigheid van de manager aan de plaatsvervangend manager van KOOP wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de minister behorende bevoegdheid als bedoeld in [artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=7). 2. Aan de manager van KOOP en bij afwezigheid van de manager aan de plaatsvervangend manager van KOOP wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de minister behorende bevoegdheid als bedoeld in [artikel 2.6 Regeling elektronische publicaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045086&artikel=2.6). Artikel 3. Ondermandaat De manager van KOOP en bij afwezigheid van de manager aan de plaatsvervangend manager van KOOP is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen ten aanzien van de bevoegdheden genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045532&artikel=2&z=2021-08-27&g=2021-08-27), respectievelijk tot het beperken of intrekken daarvan. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 ju"},{"i":6123,"b":"Besluit van 31 maart 2016, houdende regels inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing (Warenwetbesluit bijzondere voeding 2016) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 december 2015, 874753-144568-VGP; Gelet op Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en tot intrekking van [Richtlijn 92/52/EEG](31992L0052) van de Raad, [Richtlijnen 96/8/EG](31996L0008), [1999/21/EG](31999L0021), [2006/125/EG](32006L0125) en [2006/141/EG](32006L0141) van de Commissie, [Richtlijn 2009/39/EG](32009L0039) van het Europees Parlement en de Raad en de [Verordeningen (EG) nr. 41/2009](32009R0041) en [(EG) nr. 953/2009](32009R0953) van de Commissie (PbEU 2013, L 181), alsmede op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13) en [14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 januari 2016, nr. W13.15.0432/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 maart 2016, 874747-144568-VGP; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **verordening (EU) 609/2013:** Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en tot intrekking van [Richtlijn 92/52/EEG](31992L0052) van de Raad, [Richtlijnen 96/8/EG](31996L0008), [1999/21/EG](31999L0021), [2006/125/EG](32006L0125) en [2006/141/EG](32006L0141) van de Commissie, [R"},{"i":2454,"b":"Beleidsregel kwalificatie commerciële mediadiensten op aanvraag 2025 Gelet op [artikel 3.29a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29a) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **beslisboom:** het stroomschema opgenomen in de bijlage bij deze beleidsregel; - b. **commerciële media-instelling:** commerciële media-instelling als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - c. **gebruiker:** een natuurlijk persoon of rechtspersoon die gebruikmaakt van een videoplatformdienst, hetzij door media-aanbod hiervoor te creëren en te delen, hetzij door hierop media-aanbod te bekijken. - d. **Herzieningsrichtlijn:** [Richtlijn 2018/1808](32018L1808) van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van de Richtlijn in het licht van een veranderende marktsituatie; - e. **Richtlijn:** [Richtlijn 2010/13/EU](32010L0013) van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (doorgaans aangeduid als: Richtlijn audiovisuele mediadiensten), als gewijzigd door de Herzieningsrichtlijn; - f. **videoplatformdienst:** videoplatformdienst in de zin van [artikel 3a.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3a.1); - g. **wet:** de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028). Artikel 2. Kwalificatie 1. Een mediadienst wordt aangemerkt als een commerciële mediadienst op aanvraag als deze voldoet aan de begripsomschrijving van [artikel 3.29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29a), in samenhang met de relevante bepalingen van [artikel 1.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overhe"},{"i":6481,"b":"Besluit van 16 december 2025 tot wijziging van met name het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen in verband met de uitvoering van de pensioentransitie [KetenID WGK027244] Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 oktober 2025, nr. 2025-0000228334; Gelet op [artikel 15c, achtste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020871&artikel=15c), de [artikelen 10a, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=10a), [10d, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=10d), [10e, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=10e), [51, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=51), [52a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=52a), [71, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=71), [76, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=76), [131, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=131), [150e, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=150e), [150h, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=150h), [150l, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=150l), [150n, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=150n), [151, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=151), [179, eerste en tweede lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=179), de [artikelen 28a, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=28a), [28d, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=28d), [28e, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=28e), [62, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":6930,"b":"Besluit van 25 juni 1993, houdende regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag van burgerlijke ambtenaren in dienst bij het Ministerie van Defensie Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 1 februari 1993, nr. PAV2210/93002671; Gelet op de [artikelen 125 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) 1929; De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 1993, nr. WO7.93.0066); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 16 juni 1993, nr. PAV2210/93008947; Hebben goedgevonden en verstaan: Begripsomschrijvingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen:** een ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen krachtens het pensioenreglement; - **arbeidsongeschiktheid:** arbeidsongeschiktheid in de zin van [artikel 18, eerste lid, van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=18) en als bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=4) en [5 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=5); - **betrokkene:** de gewezen ambtenaar in de zin van het [Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040), aan wie ontslag bedoeld onder b van dit artikel is verleend; - **extra opbouw ouderdomspensioen:** het verschil tussen de opbouw conform artikel 7.5 van het pensioenreglement en de opbouw conform de overgangsbepaling B bij artikel 7.5 van het pensioenreglement; - **invaliditeitspensioen:** een invaliditeitspensioen krachtens het pensioenreglement; - **ontslag:** een ontslag als bedoeld in [artikel 119 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=119) zoals dat op 31 december 2005 gold dan wel [artikel 171a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=171a); - **Onze Minister:** Onze Minister van Defensie; - **pens"},{"i":6247,"b":"Wet van 24 mei 2012 tot wijziging van de Provinciewet, de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met de revitalisering van het generiek interbestuurlijk toezicht (Wet revitalisering generiek toezicht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het toezicht op provincies en gemeenten te verminderen en daartoe de regels in de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) en de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) inzake taakverwaarlozing en schorsing en vernietiging te herzien en beter toepasbaar te maken, zodat bijzondere vormen van toezicht op provincies en gemeenten in andere wetten kunnen vervallen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1.1 Wijzigt de Provinciewet. Artikel 1.2 Wijzigt de Gemeentewet. Artikel 1.3 Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 1.4 Wijzigt de Wet dualisering gemeentebestuur. Artikel 1.5 Wijzigt de Wet dualisering provinciebestuur. Artikel 1.6 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.7 Wijzigt de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten (KST 32157). Artikel 1.8 Wijzigt de Wet algemene regels herindeling. Artikel 1.9 Wijzigt de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer. Artikel 1.10 Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel 1.11 Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel 1.12 Wijzigt de Huisvestingswet 20.. (KST 32271). Artikel 1.12a Wijzigt de Huisvestingswet. Artikel 1.13 Wijzigt de Woningwet. Hoofdstuk II. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Artikel 2.1 Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998. Artikel 2.2 Wijzigt de Boswet. Artikel 2.3 Wijzigt de Reconstructiewet concentratiegebieden. Artikel 2.4 Wijzigt de Wet agrarisch grondv"},{"i":5714,"b":"Regeling van de Staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 november 2009, nr. WJZ/172902 (2709), houdende regels voor het verstrekken van subsidie ten behoeve van het volgen van een certificeringsprocedure door gastouders kinderopvang (Subsidieregeling goed gastouderschap kinderopvang 2010) Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2), juncto [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4), en [artikel 10 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=10), alsmede [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **gastouderbureau:** gastouderbureau waarop [artikel 3.2 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=3.2) van toepassing is; - c. **gastouder:** gastouder op wie [artikel 3.2 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=3.2) van toepassing is; - d. **certificaat goed gastouderschap:** bewijs van het met goed gevolg hebben doorlopen van een certificeringsprocedure goed gastouderschap waaruit blijkt dat de houder voor een voorziening voor gastouderopvang als bedoeld in de [Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) voldoet aan de competenties, behorende bij de beroepsopleiding, bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2), specifiek gericht op gastouderopvang; - f. **certificeringsprocedure:** geheel van processtappen en gehanteerde instrumenten waarmee een aanbieder de"},{"i":5700,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 juni 2017 nr. VO/1156747, houdende regels voor subsidieverstrekking voor de ontwikkeling en uitvoering van doorstroomprogramma’s gericht op een soepele overgang van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs (Subsidieregeling doorstroomprogramma’s po-vo) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische zaken, Gelet op [artikel 70 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=70), [artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67), [artikel 74 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=74), [artikel 125 van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=125) en [artikel 2.2.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - •. **aanvrager:** bevoegd gezag dat als penvoerder optreedt bij de aanvraag van subsidie op grond van deze regeling, - •. **bevoegd gezag:** bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1 van de Wet primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1), - •. **deelnemer:** leerling die deelneemt aan het doorstroomprogramma, - •. **doorstroomprogramma:** op grond van deze regeling vormgegeven programma, - •. **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen, - •. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - •. **school:** uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":5235,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 oktober 2018, nr. 2387751 tot aanwijzing van de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringswet verordening overlegging openbare documenten Gelet op [artikel 2, eerste lid, Uitvoeringswet verordening overlegging openbare documenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041007&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoeringswet verordening overlegging openbare documenten in werking treedt. Artikel 1 De gemeente ’s-Gravenhage wordt aangewezen als centrale autoriteit, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041007&artikel=2). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [Uitvoeringswet verordening overlegging openbare documenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041007) in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5340,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 maart 2025, nr. MBO/1649552, houdende regels voor het verstrekken van een instellingssubsidie ten behoeve van het organiseren van nationale vakwedstrijden in het voortgezet (speciaal) onderwijs en beroepsonderwijs alsmede het voorbereiden op en deelname aan internationale vakwedstrijden in het beroepsonderwijs (Regeling instellingssubsidie vakwedstrijden vo en mbo 2026–2036) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2) en [4 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beroepsonderwijs:** onderwijs als bedoeld in [artikel 1.2.1, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.2.1); - **boekjaar:** tijdvak dat aanvangt op 1 april van enig jaar en eindigt op 31 maart van het daarop volgend jaar; - **havo:** hoger algemeen vormend onderwijs als bedoeld in [artikel 2.5 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.5); - **instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **LOB:** loopbaanoriëntatie en -begeleiding; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **pro:** praktijkonderwijs als bedoeld in [artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.8); - **rechtspersoon:** rechtspersoon als bedoeld in [artikel 3 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":5683,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 11 oktober 2022, nr. 4225136, houdende regels over het verstrekken van subsidies aan belangenorganisaties voor interlandelijk geadopteerden (Subsidieregeling belangenorganisaties interlandelijk geadopteerden) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3), en [4, eerste lid van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=4) en de [artikelen 2 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=2), [5 zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=5), [7 tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=7), [10 tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=10), [15 eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=15), en [18 van het Kaderbesluit overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=18); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **belangenorganisatie:** een in Nederland gevestigde rechtspersoon zonder winstoogmerk met volledige rechtsbevoegdheid, die ten minste een jaar voor de subsidieaanvraag volgens haar statuten als primaire doel heeft het behartigen van de belangen van interlandelijk geadopteerden in Nederland of het ondersteunen van interlandelijk geadopteerden in Nederland of hun biologische familie bij het vinden van elkaar; - b. **expertisecentrum:** het expertisecentrum interlandelijke adoptie dat bestuurlijk gepositioneerd is bij de Stichting Fiom, statutair gevestigd te ’s-Hertogenbosch; - c. **interlandelijk geadopteerden:** personen die uit het buitenland in Nederland zijn geadopteerd; - d. **land van herkomst:** land waaruit een interlandelijke geadopteerde is geadopteerd in Nederland; - e. **Minister:** de Minister voor Rechtsbescherming. Artikel 2. Te subsidiëren activiteiten 1. De Minister kan subsidie verst"},{"i":2117,"b":"Besluit van De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 november 2025, kenmerk 4239597-1089797-Z, houdende vaststelling van een aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2026 Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2026 € 272,027 miljoen. Artikel 2 Van het in artikel 1 genoemde bedrag is € 127,779 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), en € 144,248 miljoen voor de overige bij of krachtens die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken van de Wlz-uitvoerders. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2025, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2026. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2127,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 19 november 2012, MC-U-3140368, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake contracteerruimte AWBZ 2013 en enkele andere aangelegenheden Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 3 oktober 2012 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2012/13, 30 597, nr. 267); Gezien: mijn inbreng van 13 november 2012 (DLZ-U-3139428) voor het verslag van een schriftelijk overleg met de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Eerste Kamer der Staten-Generaal; het algemeen overleg op 15 november met de vaste commissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. werkingssfeer en uitvoering aanwijzing 1. Deze aanwijzing is van toepassing op zorg waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (hierna: AWBZ) aanspraak bestaat. 2. De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: zorgautoriteit) stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig voor 1 januari 2013 regels of beleidsregels vast. Paragraaf 2. Contracteerruimte 2013 Artikel 2. startpunt en algemene uitgangspunten 1. De zorgautoriteit stelt de totale contracteerruimte voor 2013 vast via dezelfde systematiek als voor de jaren 2005 tot en met 2012 is toegepast en gebruikt daarbij als startpunt 100 procent van de totale contracteerruimte 2012 zoals de zorgautoriteit die heeft vastgesteld. 2. Wat betreft de kapitaallasten vallen de normatieve huisvestingscomponenten (hierna: nhc's), net als in 2012, binnen de contracteerruimte met inachtneming van de door de zorgautoriteit ontworpen overgangsregeling op grond van d"},{"i":5752,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 20 december 2010, nr. WJZ / 10169116, tot vaststelling van een nationaal instrument ter uitvoering van het Besluit van de Europese Commissie van 3 november 2010 inzake NER 300 (Subsidieregeling NER 300) Gelet op [artikel 3 Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **CCS-project:** een samenhangend geheel van activiteiten dat: - a. gericht is op het milieutechnisch veilig afvangen, transporteren en geologisch opslaan van CO2, - b. valt onder één van de categorieën, bedoeld in bijlage 1, onderdeel A, onder I, van het NER-besluit en - c. voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van het NER-besluit; - –. **EERP:** [verordening (EG) nr. 663/2009](32009R0663) van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 houdende vaststelling van een programma om het economisch herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie (PbEU 2009, L 200); - –. **ETS-richtlijn:** [richtlijn nr. 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van en regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van [Richtlijn 96/61/EG](31996L0061) van de Raad (PbEU 2003, L 275); - –. **minister:** de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - –. **NER-besluit:** besluit 2010/670/EU van de Commissie van 3 november 2010 tot vaststelling van criteria en maatregelen voor de financiering van commerciële demonstratieprojecten ter bevordering van de milieutechnisch veilige afvang en geologische opslag van CO2, alsook voor demonstratieprojecten ter bevordering van innovatieve technologieën voor hernieuwbare energie in het kader van de bij [Richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde re"},{"i":2134,"b":"Examenbesluit accountants-administratieconsulenten: Aanwijzing diploma voor ‘toelating’ respectievelijk vrijstelling van examen In overeenstemming met de Minister van Onderwijs en Wetenschappen; Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002923&artikel=2), en [artikel 3, zevende lid, van het Examenbesluit accountants-administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002923&artikel=3) (Stb. 1974, 304). Besluit: Artikel 1 Tot het afleggen van het examen wordt toegelaten, degene, die in het bezit is van het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in de economische wetenschappen, te zamen met aanvullende bewijsstukken van met goed gevolg afgelegde tentamens of examens, waarmede toegang wordt verkregen tot de universitaire accountantsstudie. Artikel 2 De kandidaat, die in het bezit is van het getuigschrift met aanvullende bewijsstukken, als aangewezen in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003152&artikel=1&z=1978-01-31&g=1978-01-31) is vrijgesteld van het afleggen van het examen voor wat betreft het in [artikel 3, derde lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003152&artikel=3&z=1978-01-31&g=1978-01-31). van het [Examenbesluit accountants-administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002923) (Stb. 1974, 304) bedoelde onderdeel, alsmede van het examen voor wat betreft het in voornoemd lid, onder b. bedoelde onderdeel mits hij in dat onderdeel reeds met goed gevolg tentamen of examen heeft afgelegd. Artikel 3 1. Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekendgemaakt. 2. Zij treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"i":5672,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 11 februari 2026, nr. BZ2624947, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2), met het oog op subsidiëring van activiteiten gericht op het vergroten van het netwerk en de kansen op internationaal ondernemen voor Nederlandse ondernemingen op strategische beurzen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 worden ingediend in halfjaarlijkse openstellingen. 2. Aanvragen voor subsidie in het kader van de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 worden ingediend vanaf 23 februari 2026, 12:00 Nederlandse tijd tot en met 20 maart 2026, 17:00 uur Nederlandse tijd. 3. Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes. 4. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Strategisch beurzen programma 2026–2030 worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld aanvraagformulier en voorzien van de op het"},{"i":2139,"b":"Aanwijzing Eindhoven vergunninghouder speelcasino Gelet op [artikel 27p van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27p); Gezien de voordracht van de Raad voor de Casinospelen dd. 25 maart 1991; Overwegende dat de gemeenteraad van Eindhoven op 27 januari 1992 heeft ingestemd met de aanwijzing van die gemeente als vestigingsplaats van een casino; Besluiten: Artikel 1 De gemeente Eindhoven wordt aangewezen als gemeente waarvoor ingevolge de Beschikking Casinospelen (Stcrt. 1988, 139) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. Artikel 2 Deze beschikking wordt in de Staatscourant gepubliceerd en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"i":3877,"b":"Besluit van 27 september 2012, houdende regels ter uitvoering van de Wet op het notarisambt (Besluit op het notarisambt) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 maart 2012, nr. 5727408/12/6; Gelet op [artikelen 5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=5), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=6), [8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=8), [29, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=29), [94, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=94), en [103a, vijfde lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=103a); De Afdeling advisering van Raad van State gehoord (advies van 26 april 2012, nr. W03.12.0082/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 september 2012, nr. 304018; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388); - b. **Commissie:** de Commissie toegang notariaat, bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=8); - c. **ondernemingsplan:** een ondernemingsplan als bedoeld in [artikel 6, tweede lid, onder 4°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=6); - d. **register:** het register voor het notariaat, bedoeld in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=5); - e. **kamer voor het notariaat:** een kamer als bedoeld in [artikel 94, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=94). Hoofdstuk II. Beroepsvereisten Artikel 2 Het in [artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=6) bedoelde afsluitend exam"},{"i":2141,"b":"Besluit van de Autoriteit Financiële Markten van 16 december 2025, houdende regels met betrekking tot aanwijzing van de elektronische verzendwijze van verzenden van officiële berichten aan de Autoriteit Financiële Markten (Besluit aanwijzing elektronische verzendwijzen AFM) Gelet op de [artikelen 2:13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) en [3:42 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:42); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **AFM:** de stichting Autoriteit Financiële Markten - b. **Bijlage:** de bij dit besluit behorende bijlage inzake elektronische verzendwijze - c. **Officiële berichten:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) - d. **Toezichtwetgeving:** de Europese verordeningen opgenomen in het [Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032230) – voor zover de AFM als bevoegde autoriteit is aangewezen –, de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809), de [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296), de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282), de [Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468), [Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586), de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883), de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824) en de bij of krachtens voornoemde wetten geldende regelgeving Artikel 2. Aanwijzing elektronische v"},{"i":4931,"b":"Mandaatbesluit Zvr-regeling Gelet op [artikel 10:3 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gezien de raamovereenkomst van 11 mei 2001, kenmerk MPA2001/72465 inzake uitvoering Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel, Besluit: Artikel 1 KPMG Management Services B.V., hierna te noemen KPMG, is bevoegd om namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties al die besluiten te nemen die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij of krachtens de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel (Zvr) bevoegd is te nemen. Artikel 2 KPMG is bevoegd om verzoeken in het kader van de Wet Openbaarheid van Bestuur, dan wel in het kader van de Wet Nationale Ombudsman, voor zover die verband houden met de uitvoering van de Zvr, namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties af te handelen. Artikel 3 KPMG is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de Zvr namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. KPMG informeert de directie Personeelsmanagement Rijksdienst over bezwaarschriften waarin de rechtsgeldigheid van de toegepaste regeling of van onderdelen daarvan ter discussie wordt gesteld. Artikel 4 KPMG is bevoegd om inzake de uitvoering van de Zvr namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in rechte op te treden en om namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tegen rechterlijke uitspraken ter zake hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie. Indien het een zaak betreft met een kennelijk aanmerkelijk financieel of rechtspositioneel belang, oefent KPMG deze bevoegdheid niet uit dan na verkregen instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en"},{"i":7168,"b":"Uitvoeringsprotocol tussen de Regeringen van de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) en de Regering van de Republiek Moldavië bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Moldavië betreffende de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven De Regeringen van de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en de Regering van de Republiek Moldavië, Hierna genoemd „de Partijen”, Op grond van artikel 19 van de op 10 oktober 2007 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Moldavië betreffende de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven, Hierna genoemd „de Overeenkomst”, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Definities Voor de toepassing van het Protocol wordt verstaan onder: - 1. diplomatieke vertegenwoordiging – de bij de verzoekende Partij geaccrediteerde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Partij; - 2. begeleider(s) – de door de verzoekende Partij aangewezen persoon (of personen), belast met de begeleiding van de terug- of over te nemen of door te geleiden persoon. Artikel 2. Aanwijzing van de bevoegde autoriteiten (Artikel 19 van de Overeenkomst) 1. De bevoegde autoriteiten voor de uitvoering van de Overeenkomst zijn vermeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006120&bijlage=1&z=2021-08-01&g=2021-08-01) bij dit Protocol. 2. De Partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van iedere wijziging van deze lijst. Artikel 3. Aanwijzing van de grensdoorlaatposten (Artikel 19 van de Overeenkomst) 1. De voor de toepassing van de Overeenkomst te gebruiken grensdoorlaatposten zijn vermeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006120&bijlage=2&z=2021-08-01&g=2021-08-01) bij dit Protocol. 2. De Partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van iedere wijziging van dez"},{"i":2993,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 november 2003, GMT/MT 2425283, houdende aanwijzing douane-ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de Wet inzake bloedvoorziening Gelet op [artikel 20, tweede lid, van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Naast de ambtenaren, genoemd in [artikel 20, eerste lid, van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=20), zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079) belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a Naast de ambtenaren, genoemd in [artikel 20, eerste lid, van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=20), zijn met het toezicht op het bepaalde bij en krachtens [artikel 11a van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=11a) belast de ambtenaren van de Inspectie Militaire Gezondheidszorg. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders bloedvoorziening. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4198,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 21 december 2005, nr. DJZ/BR/1309-2005, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieplafond Medefinancieringsstelsel) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en de [artikelen 4.1 tot en met 4.16 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.1); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [Afdeling 4, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=4) (Medefinancieringsstelsel) kunnen in 2006 verplichtingen worden aangegaan tot een bedrag van € 2.110 miljoen voor uitgaven in de periode 2007 tot en met 2010. Het subsidieplafond is niet van toepassing op subsidieverlening door Nederlandse vertegenwoordigingen namens de minister en op subsidieverlening aan organisaties, bedoeld in [artikel 2.3.14, tweede lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&artikel=2.3.14). Artikel 2 De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats overeenkomstig de maatstaven, neergelegd in [Afdeling 4, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=4) en in de [Beleidsregels Medefinancieringsstelsel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019362) (www.minbuza.nl). Artikel 3 Aanvragen waarvan op grond van de gegevens, bedoeld in de [artikelen 4.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.15) en [4.16 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.16) aannemelijk is dat zij, vergeleken met de overige aanvragen, de hoogste bijdrage aan het realiseren van de doelstellingen, vermeld in [artikel 4.1 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":2144,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 april 2013, kenmerk 112320-102565-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake aanvulling van de Aanwijzing contracteerruimte AWBZ 2013 in verband met tariefmaatregel vervoer dagbesteding specifieke groepen Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 15 maart 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2012/13, 30 597, nr. 288); Gezien de motie-Bergkamp/Van Dijk (Kamerstukken II 2012/13, 25 847, nr. 113) die op 9 april 2013 door de Tweede Kamer is aangenomen; Besluit: artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: zorgautoriteit) verhoogt de op grond van de [Aanwijzing contracteerruimte AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032244) door haar berekende contracteerruimte voor 2013 met € 25 miljoen ten behoeve van de tarieven voor het in die aanwijzing bedoelde vervoer ten behoeve van de doelgroep kinderen en de doelgroep gehandicapte rolstoelgebonden cliënten. Zij onderzoekt welke eventuele knelpunten zich voordoen bij het vervoer voor deze doelgroepen en rapporteert mij hierover tijdig voor 1 september 2013. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":5506,"b":"Regeling van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 12 februari 2013, nr. MinBuZa-2013.8076, tot vaststelling van enkele subsidieplafonds Gelet op [artikel 16 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16); Besluit: Artikel I 1. Als perioden in 2013, waarin subsidieaanvragen kunnen worden ingediend krachtens de in kolom 2 genoemde besluiten en de in kolom 3 genoemde artikelen, in voorkomende gevallen verbijzonderd naar de in kolom 4 omschreven of aangeduide groepen van aanvragers, projecten of aanvragen, worden vastgesteld de daarbij behorende perioden, genoemd in kolom 5. 2. Als subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies als bedoeld in het eerste lid wordt per in kolom 5 genoemde periode vastgesteld: het daarbij behorende in kolom 6 genoemde bedrag. | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Nr | Besluit | Artikel | Groep | Openstelling 2013 | Plafond € | | 1 | [Subsidieregeling internationaal ondernemen 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031355) | [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031355&artikel=2) | | 15-02 t/m 31-12 | 1.440.000 | | 2 | [Subsidieregeling internationaal excelleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983) (basismodule 2getthere) | [2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983&artikel=2.1) | | 15-02 t/m 31-12 | 750.000 | | 3 | [Beleidsregel Partners for International Business](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031276) | | | 15-02 t/m 31-12 | 7.150.000 | Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3366,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 januari 2023 nr. BOACAT2022/083, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Gelezen het verzoek van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied van 22 november 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447) de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047773&artikel=2&z=2023-03-12&g=2023-03-12). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Handhaving in dienst van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zo"},{"i":2941,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 26 september 2019, nr. IENW/BSK-2019/207608, tot aanwijzing van exameninstellingen voor de binnenvaart 2019 Gelet op [artikel 29, eerste lid, van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=29); BESLUIT: Artikel 1 Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te Rijswijk wordt aangewezen als instelling, belast met het onderzoek naar de kennis en bekwaamheid voor de schippersdiploma's ter verkrijging van het in [artikel 14 van het Binnenvaartbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025631&artikel=14) bedoelde groot vaarbewijs, het in [artikel 15 van het Binnenvaartbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025631&artikel=15) bedoelde beperkt groot vaarbewijs, het in [artikel 16 van het Binnenvaartbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025631&artikel=16) bedoelde klein vaarbewijs, het in [artikel 7.8, derde lid, onderdeel a, van de Binnenvaartregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=7.8) bedoelde diploma CWO groot motorschip, alsmede van het in [artikel 7.9 van de Binnenvaartregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=7.9) bedoelde diploma Schipper zeilvaart, ter verkrijging van het zeilbewijs. Artikel 2 Het [Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 28 februari 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039303), nr. IENM/BSK-2017/55398, tot aanwijzing van exameninstellingen voor de binnenvaart 2017, vervalt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2020. Dit besluit wordt bekend gemaakt in de Staatscourant."},{"i":9106,"b":"Protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake de op 27 augustus 1976 te 's-Gravenhage tot stand gekomen overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en De Regering van de Republiek Suriname, Zich baserende op het Protocol van conclusies van besprekingen tussen de regeringen van beide staten inzake nauwere samenwerking, zoals op 16 november 1991 te Bonaire tot stand gekomen, en op het Raamverdrag inzake vriendschap en nauwere samenwerking, ondertekend op 18 juni 1992 te 's-Gravenhage; Overwegende dat het gewenst is bijzondere voorzieningen te treffen met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken te 's-Gravenhage van 27 augustus 1976, hierna te noemen: de Overeenkomst; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. Een verzoek tot uitlevering of rechtshulp op basis van de Overeenkomst zal uitsluitend door de Ministers van Justitie van Partijen worden verzonden en worden beantwoord. Elk verzoek wordt schriftelijk gedaan. 2. Behalve op de gronden genoemd in de Overeenkomst kan de Minister van Justitie van de aangezochte Partij de inwilliging van een verzoek tot uitlevering of rechtshulp weigeren, indien hij van oordeel is dat de uitvoering van het verzoek niet verenigbaar is met het algemeen belang en de nationale wetgeving. Bij zijn oordeel betrekt de Minister van Justitie mede de internationale verplichtingen die zijn Staat uit andere hoofde is aangegaan. Een weigering zal met redenen worden omkleed. Artikel 2 Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft zal dit Protocol alleen gelden voor het Rijk in Europa. De gelding van dit Protocol kan, al of niet met de noodzakelijk geachte wijzigingen, bij notawisseling worden uitgebreid tot de Nederlandse Antillen en Aruba. Artikel 3 1. Dit Protocol treedt in werking nadat"},{"i":2148,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 17 juli 2023, kenmerk 3613517-1050013-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het experiment voor bekostiging wijkverpleging op basis van cliëntprofielen volgens het Draagkracht Draaglast model Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 13 juni 2023 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2022–23, 23 235, nr. 222) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen om een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit over het invoeren van een experiment voor bekostiging op basis van cliëntprofielen volgens het Draagkracht Draaglast model in de wijkverpleging; Gezien de inbreng op 3 juli 2023 van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het verslag van een schriftelijk overleg (**Kamerstukken II** 2022–23, 23 235, nr. 235) en het Tweeminutendebat Voorhang doorontwikkeling van bekostiging wijkverpleging op basis van clientprofielen volgens het Draagkracht Draaglast model op 5 juli 2023 en de stemming over de moties (**Kamerstukken II** 2022–23, 23 235, nr. 236 en **Kamerstukken II** 2022–23, 23 235, nr. 237 en **Kamerstukken II** 2022–23, 23 235, nr. 238 en **Kamerstukken II** 2022–23, 23 235, nr. 239) op 6 juli 2023; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **DKDL model:** het Draagkracht Draaglast model; - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **wijkverpleging:** verpleging en verzorging zoals omschreven in [artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10); - –. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van"},{"i":5822,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 15 juni 2022, nr. 32713080, houdende regels voor subsidieverstrekking aan samenwerkingsverbanden voor het bereiken van niet-ingeschreven jongeren ten behoeve van de stimulering van hun ontwikkeling (Subsidieregeling Wel in Ontwikkeling) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **niet-ingeschreven kinderen en jongeren:** kinderen of jongeren als bedoeld in de [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628), die: - 1˚. niet staat ingeschreven op een school, leerplichtig zijn op grond van de [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628) en geen vrijstelling hebben op grond van [artikel 5, onder a, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=5); of - 2˚. een ontheffing hebben op grond van [artikel 5, onder a, Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=5); - **Minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **ouders:** ouders of wettelijke vertegenwoordigers van niet-ingeschreven kinderen of jongeren; - **samenwerkingsverband:** samenwerkingsverband als bedoeld in [artikel 18a, tweede lid, van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=18a), landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, vijftiende lid, van de WPO, samenwerkingsverband als bedoeld in [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **WPO:** [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); - **WVO 2020"},{"i":2150,"b":"Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen Samenvatting Deze aanwijzing geeft regels voor de administratiefrechtelijke handhaving van verkeersvoorschriften en de feitgecodeerde afdoening van overige feitgecodeerde misdrijven en overtredingen, uitgezonderd de feitgecodeerde zaken waarin een bestuurlijke strafbeschikking ex [art. 257ba Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257ba) wordt uitgevaardigd. Voor die feitgecodeerde zaken is de Richtlijn bestuurlijke strafbeschikking milieu- en keurfeiten van toepassing, dit gelet op de specifieke voorwaarden die gelden bij het toepassen van deze modaliteit. De [Wet OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074) is in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) (Sv) opgenomen en maakt het kort gezegd mogelijk dat de officier van justitie, in plaats van een transactie aan te bieden, op grond van [artikel 257a Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257a) een zaak zelf buitengerechtelijk kan bestraffen. Naast de strafbeschikking, uitgevaardigd door de officier van justitie, kan op grond van [artikel 257b Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257b) een strafbeschikking worden uitgevaardigd door de (buitengewoon) opsporingsambtenaar. Dit wordt ook wel de politiestrafbeschikking genoemd. Hoewel dit buiten de reikwijdte van deze Aanwijzing valt, kan voorts een strafbeschikking worden uitgevaardigd door een daartoe aangewezen lichaam of persoon, met een publieke taak belast, op grond van [artikel 257ba Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257ba). Tot slot kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd door het bestuur van ’s Rijks belastingen (fiscale delicten) op grond van [artikel 76, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=76) of door de inspecteur van Douane (douanedelicten) op grond van [ar"},{"i":4446,"b":"Bijdrageregeling Antillianengemeenten Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Indien een gemeentebestuur vóór 1 juni 2001 de minister een meerjarig plan van aanpak voorlegt ten behoeve van de integratie van Antilliaanse jongeren dat naar zijn oordeel voldoet aan de in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012482&artikel=3&z=2001-05-20&g=2001-05-20) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012482&artikel=4&z=2001-05-20&g=2001-05-20) genoemde voorwaarden, ontvangt het gemeentebestuur een bijdrage voor de uitvoering van dat plan in de periode 2001 tot en met 2004 ter hoogte van het in de bij deze regeling behorende bijlage vermelde bedrag. Artikel 3 Aan het meerjarig plan van aanpak legt het gemeentebestuur de volgende doelstelling ten grondslag: de verbetering van de positie van Antilliaanse jongeren door middel van maatregelen op het gebied van opvang, begeleiding en scholing. Artikel 4 1. Het gemeentebestuur geeft in het meerjarig plan van aanpak het aantal Antilliaanse jongeren aan waarop het gemeentelijk beleid met het oog op het bereiken van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012482&artikel=3&z=2001-05-20&g=2001-05-20) genoemde doelstelling is gericht. 2. Het gemeentebestuur geeft in het meerjarig plan van aanpak een beschrijving van de maatregelen die met het oog op de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012482&artikel=3&z=2001-05-20&g=2001-05-20) genoemde doelstelling worden genomen en een duidelijke indicatie van de bestedingen die ten laste van de bijdrage, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012482&artikel=2&z=2001-05-20&g=2001-05-20), zullen worden gedaan. 3. Het gemeentebestuur betrekt de Antilliaanse gemeenschap nauw bij de plannen en de uitvoering ervan en geeft in het meerjarig plan aan op welke wijze dat is geschied. 4. Het gemeentebestuur geeft ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde maatregelen aan welke prestaties in t"},{"i":7591,"b":"Briefwisseling houdende een overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Anguilla betreffende automatische gegevensuitwisseling inzake inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling De Regering van Anguilla en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, geleid door de wens een Overeenkomst te sluiten die het mogelijk maakt dat inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling die in een van de Overeenkomstsluitende Partijen worden verricht aan uiteindelijk gerechtigden die een natuurlijke persoon zijn en hun woonplaats in een andere Overeenkomstsluitende Partij hebben, effectief worden belast overeenkomstig het recht van laatstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij, in overeenstemming met Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Toepassingsgebied Vervallen Artikel 2. Definities Vervallen Artikel 3. Identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigden Vervallen Artikel 4. Automatische gegevensuitwisseling Vervallen Artikel 5. Omzetting Vervallen Artikel 6. Bijlage Vervallen Artikel 7. inwerkingtreding Vervallen Artikel 8. Beëindiging Vervallen"},{"i":2168,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake tarievenbeleid 1998 voor de tandartsen Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, (brief van 21 oktober 1997, kenmerk HV/tbk/A/97/111, vastgesteld in de vergadering van 20 oktober 1997); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 6 november 1997, kenmerk VPZ/P-974000); Besluiten: Artikel 1 1. Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van personen en instellingen, die in [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009060&artikel=1&z=1997-12-05&g=1997-12-05), nummer 22 (gezondheidscentra) en onder B, nummer 2 (tandartsen), respectievelijk in [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009060&artikel=1&z=1997-12-05&g=1997-12-05), nummer 32 voor zover het betreft beroepsbeoefenaren als bedoeld onder B, nummer 2, van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat voor de prestaties die worden geleverd in het kader van het cluster preventief onderhoud volwassen ziekenfondsverzekerden een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 9 miljoen bewerkstelligt. Het aanvaardbare kostenniveau voor het preventief cluster volwassen ziekenfondsverzekerden van het totaal van de in rekening te brengen tarieven is voor 1998 maximaal f 234 miljoen (exclusief effecten vanaf 1997 met betrekking tot loon- en prijsbijstellingen en toegestane volumegroei). Uitgaande van ongewijzigd beleid zou in 1998 ten opzichte van 1996 het totaal van de in rekening te brengen tarieven f 14,5 miljoen meer bedragen dan het hiervoor genoemde aanvaardbare niveau. Voor een bedrag van f 5,5 miljoen zullen tariefmaatregelen achterwege blijve"},{"i":2171,"b":"Aanwijzing inzake vaststelling totale aanvaardbare kosten AWBZ-instellingen 1998 Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, (brief van 21 oktober 1997, kenmerk TY/tbk/A/97/117), vastgesteld in de vergadering van 20 oktober 1997; Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 6 november 1997, kenmerk VPZ/P-974000); Besluiten: Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614)-instellingen, die in [artikel 1, onder A, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009062&artikel=1&z=1997-12-05&g=1997-12-05) de nummers 10 (psychiatrische ziekenhuizen), 11 (instellingen voor psychiatrische deeltijdbehandeling), 12 (verpleeghuizen), 13 (zwakzinnigeninrichtingen), 14 (instellingen voor zintuiglijk gehandicapten), 15 (’Het Dorp’), 23 (regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg), 28 (regionale instellingen voor beschermd wonen) en in [artikel 1, onder C, onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009062&artikel=1&z=1997-12-05&g=1997-12-05) de nummers 1 (dagverblijven voor gehandicapten) en 2 (gezinsvervangende tehuizen voor gehandicapten), van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat de hierna vermelde totale aanvaardbare kosten niet worden overschreden. Voor de opbouw van de aanvaardbare kosten 1998 gelden de tabellen (bijlage B10: de nummers 5.01, 5.02, 5.03, 5.05, 5.07, 5.09, 6.01, 6.02, 6.03, 6.05, 6.06,6.07 en 7.01) zoals die voor de betreffende sectoren in de bijlagen bij het Jaaroverzicht Zorg 1998, JOZ 1998, zijn vermeld. De in deze tabellen vermelde mutaties dienen te worden toegepast; daarbij dienen de intensi"},{"i":4898,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 oktober 2023, nr. 41104475, houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het Limburgs Instituut voor Ontwikkeling en Financiering N.V. (LIOF) voor de uitvoering van de R&D-Regeling technologiedomeinen Einstein Telescope (Mandaatbesluit R&D-regeling technologiedomeinen Einstein Telescope) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de Uitvoeringsovereenkomst aan het Limburgs Instituut voor Ontwikkeling en Financiering N.V, kenmerk 41104475, en de instemming van LIOF met de verlening van het mandaat, de volmacht en de machtiging; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de R&D-regeling technologiedomeinen Einstein Telescope in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - **algemeen directeur:** algemeen directeur van het Limburgs Instituut voor Ontwikkeling en Financiering N.V.; - **begeleidingsgroep** begeleidingsgroep R&D-regeling technologiedomeinen Einstein Telescope; - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **R&D-regeling:** [R&D-regeling technologiedomeinen Einstein Telescope](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048766). Artikel 2. Mandaatverlening en voorwaarden 1. Ter uitvoering van de R&D-regeling wordt aan de algemeen directeur mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het: - a. vaststellen van een aanvraagformulier, inclusief begrotingsformat; - b. verlenging van de openstellingstermijn zoals bedoeld in artikel 8 van de regeling; - c. in behandeling nemen van aanvragen; - d. beslissen op een aanvraag tot verlenen van een subsidie; - e. beslissen op een aanvraag tot het vaststellen van een subsidie; - f. beslissen op een aanvraag tot wijziging van een subsidie; - g. betalen van een subsidievoorschot en een vastgesteld subsidiebed"},{"i":4899,"b":"Besluit van de Referendumcommissie van 19 oktober 2015 tot mandaatverlening Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), en [10:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:11); Besluit: Artikel 1 De voorzitter van de Referendumcommissie is gemandateerd om besluiten van de Referendumcommissie te ondertekenen. Artikel 2 1. De voorzitter van de Referendumcommissie is gemandateerd om namens de Referendumcommissie te besluiten en stukken te ondertekenen met betrekking tot: - a. besluiten, waaronder verdagingsberichten, op grond van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252); - b. het verlenen van machtigingen om de Referendumcommissie bij de bestuursrechter te vertegenwoordigen. 2. De voorzitter van de Referendumcommissie is gemandateerd om namens de Referendumcommissie te beslissen en stukken te ondertekenen met betrekking tot: - a. de afdoening van klachten betreffende gedragingen van medewerkers van Referendumcommissie; - b. het instellen van hoger beroep tegen een uitspraak in een bestuursrechtelijke procedure waarbij de Referendumcommissie partij is, zoals het indienen van verweerschriften en andere schrifturen; - c. de beantwoording van aan de Referendumcommissie gerichte brieven. Artikel 3 Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de voorzitter worden diens bevoegdheden uitgeoefend door prof. dr. R.A. Koole, zijnde eerste plaatsvervangend voorzitter dan wel prof. mr. drs. W. den Ouden, zijnde tweede plaatsvervangend voorzitter. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 5 oktober 2015. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5033,"b":"Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Beheer van de fysieke leefomgeving Hoofdstuk 4. Algemene regels over activiteiten geregeld in het [Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330) Hoofdstuk 5. Algemene regels over activiteiten en bouwwerken geregeld in het [Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297) Hoofdstuk 6. Meet- en rekenregels decentraal gereguleerde activiteiten Hoofdstuk 7. Gegevens en bescheiden Hoofdstuk 8. Instructieregels over programma’s, omgevingsplannen, waterschapsverordeningen en omgevingsverordeningen Hoofdstuk 9. Omgevingsvergunningen Hoofdstuk 10. Projectbesluiten Hoofdstuk 11. Handhaving en uitvoering Hoofdstuk 2. Aanwijzing en geometrische begrenzing van locaties Hoofdstuk 13. Kostenverhaal Hoofdstuk 14. Financiële bepalingen Hoofdstuk 15. Bevoegdheden in bijzondere omstandigheden Hoofdstuk 16. Digitaal stelsel [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) Hoofdstuk 17. Overgangsrecht Hoofdstuk 17a. AERIUS Register Hoofdstuk 18. Slotbepalingen Bijlage I. bij [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528&hoofdstuk=1&afdeling=1.1&artikel=1.1&z=2023-01-01&g=2023-01-01) van deze regeling (begripsbepalingen) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage II. bij [artikel 1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528&hoofdstuk=1&afdeling=1.4&artikel=1.4&z=2023-01-01&g=2023-01-01) van deze regeling (uitgaven en verwijzingen) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage III. bij [hoofdstuk 2"},{"i":7584,"b":"Besluit vervanging personeelsdossiers Autoriteit Persoonsgegevens Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **selectielijst:** de [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869) die op 16 augustus 2007 namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Justitie, kenmerk C/S&A/07/1516 is vastgesteld naar [artikel 5, tweede lid onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) (Stcrt. 2007, 225); - b. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën van 11 februari 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362) (Stcrt. 2009, 43); - c. **regeling:** de [Regeling digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Justitie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775) (Stcrt. 2010, 9361, gewijzigd bij besluit Stcrt. 2011, nr 22848, art.69). Artikel 2 De archiefbescheiden van de Autoriteit Persoonsgegevens met betrekking tot de personeelsdossiers, zoals beschreven in de selectielijst, zijn en worden vervangen door reproducties met inachtneming van de regeling. Artikel 3 De selectielijst en de regeling bevat waarborgen met betrekking tot [artikel 2, eerste lid, onder c en d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 4 De digitale reproductie berust bij P-Direkt. Artikel 5 Het Handboek Substitutie voor de Autoriteit Persoonsgegevens is als bijlage bij dit besluit gevoegd en wordt met dit besluit tevens vastgesteld. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Bijlage Ligt ter inzage bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd; de bijlage ligt voor de belanghebbend"},{"i":5052,"b":"Besluit van de hoofddirecteur Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, van 20 mei 2024, nr. KNMI-2024/2457, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Ondermandaatbesluit Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut 2024) Gelet op [artikel 27, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27); BESLUIT: Artikel 1. Verlening ondermandaat Aan de directeuren en hoofden, bedoeld in [artikel 23, tweede en derde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=23), worden de door de Minister aan de hoofddirecteur KNMI verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27), voor zover die behoren bij hun taken, bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037409&artikel=2), in ondermandaat verleend. Artikel 2. Omvang ondermandaat Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049748&artikel=1&z=2024-05-30&g=2024-05-30) verleende ondermandaat omvat niet de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar. Artikel 3. Intrekking Het [Ondermandaatbesluit Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046614) wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Ondermandaatbesluit Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4978,"b":"Besluit van 16 augustus 1960, houdende vaststelling van een nieuw reglement op het geneeskundige onderzoek omtrent de geschiktheid voor de militaire dienst Op de voordracht van Onze minister van defensie van 4 juni 1960, no. 659797/657959; Overwegende: dat het - onder meer in verband met de omstandigheid, dat de Koninklijke luchtmacht een afzonderlijk deel van de krijgsmacht is geworden - noodzakelijk is enige wijzigingen aan te brengen in het Militair keuringsreglement (Koninklijk besluit van 24 augustus 1949, **Stb.** J 404), terwijl ook de lijst, welke bij dat reglement behoort, herziening behoeft; dat het wenselijk is het gehele reglement opnieuw vast te stellen; Gelet op: de Dienstplichtwet (**Stb.** 1922, 43); de [Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952) (**Stb.** 1931, 519); de Wet bevordering en ontslag beroepsofficieren (**Stb.** 1954, 575); de [Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003883) (**Stb.** 1954, 576); de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 (**Stb.** 1922, 65); de Pensioenwet voor de landmacht 1922 (**Stb.** 1922, 66) de Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marinereserve 1923 (**Stb.** 1923, 355); de Pensioenwet voor het reserve-personeel der landmacht 1923 (**Stb.** 1923, 356); de Pensioenwet voor de vrijwilligers bij de landstorm (**Stb.** 1925, 278); De Raad van State gehoord (advies van 5 juli 1960, no. 42); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde minister van defensie van 10 augustus 1960, no. 750710/657959; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. De geschiktheid of ongeschiktheid voor de militaire dienst in verband met ziekten of gebreken wordt onderzocht en beoordeeld naar de bepalingen van dit besluit. 2. Zij, die bij het geneeskundige onderzoek niet ongeschikt worden bevonden, worden geacht geschikt te zijn. 3. Zij, die de vereiste geschiktheid missen, doch te wier aanzien een heelkundige kunstbewe"},{"i":4981,"b":"Model jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording 2021 1. Algemeen 1.1. Inleiding Het CAK is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het CAK is belast met het uitvoeren van uit wetten en regelingen voortvloeiende publiekrechtelijke werkzaamheden. Het CAK dient zich over het jaar 2021 te verantwoorden over de uitvoering van de taken die worden gefinancierd vanuit verschillende domeinen. Hierbij treft u het Model Jaarverslaggeving CAK aan, ten behoeve van de door het CAK op te stellen bestuurlijke verantwoording over het jaar 2021. In dit model worden de criteria aangegeven waaraan de bestuurlijke verantwoording moet voldoen. Dit hoofdstuk beschrijft de verantwoordingsplicht van het CAK over de uitvoering van de [Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) (Wtcg)1Afgeschaft per 1 januari 2014 (Staatsblad 2014, nr. 259)., de Ouderbijdrage Jeugdwet (ObJw)2Afgeschaft per 1 januari 2016 (Staatsblad 2017 nr. 64)., de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz), de [Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) (Wmo), hierna samen benoemd als de ‘wettelijke taken’. Het CAK is belast met het uitvoeren van publiekrechtelijke werkzaamheden. De wettelijke taken bestaan uit 7 specifieke taken en regelingen. Hiervan is een aantal reeds afgeschaft en vindt enkel nog de afwikkeling plaats door het CAK. Dit betreft als volgt: **Aflopende taken en regelingen:** **Doorlopende taken en regelingen:** De voormalige [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ), die per 1 januari 2015 is ingetrokken en verbonden is aan het Algemene Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ) die per 31 december 2022 door het Zorginstituut wordt afgewikkeld, betrof voor het CAK de uitvoering van de eigenbijdrageregelingen AWBZ-Zorg met Verblijf (ZmV), AWBZ-Zorg zonder Verblij"},{"i":5080,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 juni 2022, 2022-0000004989, houdende de inrichting van de directie Informatievoorziening, alsmede de toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan de onder de directeur ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Informatievoorziening 2022) Gelet op de [artikelen 5, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039965&artikel=5), en [12 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal Nederlandse Arbeidsinspectie 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039965&artikel=12); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **afdeling A&O:** de afdeling Analyse en Onderzoek; - b. **afdeling IMV:** de afdeling Informatiemanagement- en voorziening; - c. **directeur:** de directeur Informatievoorziening; - d. **directie:** de directie Informatievoorziening. § 2. Organisatie Artikel 2. Organisatie directie 1. De directie bestaat uit de volgende afdelingen: - a. de afdeling A&O, waarbinnen de volgende teams zijn ingericht: - 1°. Team Analyse; - 2°. Teams Onderzoek, waarbinnen de volgende subteams zijn ingericht: Team Eerlijk Werk, Team Veilig en Gezond Werk en Team Bestaanszekerheid en Stelsel; - 3°. Team Data-Analyse en Bronnen; - 4°. Team Data Science Lab; - b. de afdeling IMV, waarbinnen de volgende teams zijn ingericht: - 1°. Informatie Services en Veiligheid; - 2°. Informatiemanagement; - 3°. Informatievoorziening; - c. de afdeling I-Regie. 2. De afdelingen worden als volgt geleid: - a. aan het hoofd van iedere afdeling staat een afdelingshoofd; - b. aan het hoofd van ieder team staat een teamleider. § 3. Verantwoordelijkheden Artikel 3. Verantwoordelijkheden afdelingshoofden De afdelingshoofden zijn verantwoordelijk voor de volgende algemene taken: - a. het leiding geven aan de eigen afdeling, waaronder begrepen de HRM-"},{"i":5081,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juni 2022, 2022-0000004981, houdende de inrichting van de directie Meldingen en Verzoeken, alsmede de toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan de onder de directeur ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Meldingen en Verzoeken 2022) Gelet op de [artikelen 5, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039965&artikel=5), en [12 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal Nederlandse Arbeidsinspectie 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039965&artikel=12); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **afdeling M&V AMF:** de afdeling Meldingen en Verzoeken Arbeidsmarktfraude; - b. **afdeling M&V ARBO:** de afdeling Meldingen en Verzoeken Arbeidsomstandigheden; - c. **afdeling MIC:** de afdeling Meldingen Informatie Centrum; - d. **directeur:** de directeur van de directie Meldingen en Verzoeken; - e. **directie:** de directie Meldingen en Verzoeken; - f. **vakgroep AMF:** de vakgroep Arbeidsmarktfraude; - g. **vakgroep ARBO:** de vakgroep Arbeidsomstandigheden; - h. **vakgroep P&P:** de vakgroep Programma- en Projectmanagement van de directie Toezicht. § 2. Organisatie Artikel 2. Organisatie directie 1. De directie bestaat uit de volgende afdelingen en vakgroepen: - a. de afdeling MIC, waarbinnen de volgende teams zijn ingericht: - 1°. Loket Vragen en Verzoeken; - 2°. Loket Meldingen; - 3°. Team Meldingen Eerlijk Werk; - 4°. Team Beheer en Informatie; - b. de afdeling M&V ARBO; - c. de vakgroep ARBO, waarbinnen regionale en landelijke teams zijn samengesteld; - d. de afdeling M&V AMF; - e. de vakgroep AMF, waarbinnen regionale en landelijke teams zijn samengesteld. 2. De afdelingen worden als volgt geleid: - a. aan het hoofd van iedere afdeling staat een afdelingshoofd; - b. aan het hoofd van i"},{"i":5015,"b":"Besluit van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van 1 april 2026, kenmerk 4360480-1095301-LZ, houdende vaststelling van een nadere aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2026 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2026) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2026 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 52,712 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051749&artikel=1). Artikel 2 Het bedrag, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052516&artikel=1&z=2026-04-14&g=2026-04-14), is bestemd voor de Sociale verzekeringsbank. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2026. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4180,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Toezicht Verzekeringsbedrijf vanaf 1940 (Minister van Algemene Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 februari 2008 (nr. bca-2008.04435/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Algemene Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ‘Toezicht Verzekeringsbedrijf over de periode vanaf 1940](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. **De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende** [selectielijst](onbekend) **en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.**"},{"i":4181,"b":"Besluit van 14 november 2011, nr. 11.002711 houdende vaststelling van een selectielijst van de Raad van State op het deelbeleidsterrein van bestuursrechtspraak en algemene taken en bedrijfsvoering Op de voordracht van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van (d.d. 31 oktober, kenmerk NA/11/8195) gedaan in overeenstemming met de Raad van State; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Gezien het advies van de Raad voor Cultuur van 14 september 2011 (kenmerk bca-2011.06224/3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘ Selectielijst voor de Raad van State inzake bestuursrechtspraak vanaf 1994 en algemene taken en bedrijfsvoering vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Raad van State inzake bestuursrechtspraak vanaf 1994 en algemene taken en bedrijfsvoering vanaf 1945 Een instrument voor de selectie van de administratieve neerslag van het handelen van de Raad van State in de periode 1945–heden Aart Mul (Doxis Informatiemanagers) in opdracht van Raad van State Versie: versie ter vaststelling 2011 1. Verantwoording 1.1. Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven Ingevolge [artikel 3 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=3) (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder archiefbescheiden worden niet slechts papieren documenten te verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht hun vorm – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving. Het in goede en geordende staat be"},{"i":2178,"b":"Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen Samenvatting In deze aanwijzing worden regels gegeven voor de meting van snelheidsovertredingen en de te corrigeren marges. Achtergrond Snelheidsmeters Bij de vaststelling van strafbare feiten en gedragingen zoals snelheidsovertredingen worden meetmiddelen gebruikt. Deze meetmiddelen moeten voldoen aan de voorschriften die bij of krachtens de [Regeling meetmiddelen politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008821) zijn vastgesteld en voor het toegepaste gebruik zijn goedgekeurd door een daartoe bevoegde instantie. In de regeling zijn meetmiddelen opgenomen die gebruikt worden door de politie en de eisen waaraan deze meetmiddelen moeten voldoen. In deze regeling is de standaard in politievoertuigen ingebouwde boordsnelheidsmeter niet opgenomen. Deze aanwijzing heeft tot doel een uniforme handhaving te bewerkstelligen van snelheidsoverschrijdingen. Opsporing 1. Meting van snelheidsovertredingen De snelheid van voertuigen moet zijn aangepast direct op de plaats waar een lagere maximumsnelheid gaat gelden1Hof Leeuwarden 18 april 2001, ECLI:NL:GHLEE:2001:16, WAHV 00/00267. ‘Mede gelet op de toelichting op art. 19 RVV1990 vloeit uit het bepaalde in art. 5 WVW1994 en art. 19 RVV1990, gelezen in onderling verband en samenhang, voort dat een bestuurder zijn snelheid steeds zodanig dient te regelen, dat hij in staat is borden zo tijdig waar te nemen dat hij zijn weggedrag tijdig aan de door die borden gegeven ge- of verboden, waarschuwingen of andere informatie kan aanpassen.’. Desalniettemin is staand beleid dat een minimumafstand in acht genomen wordt tussen de plaats van inwerkingtreding van de lagere maximumsnelheid tot de meetplaats. Voor het bepalen van deze minimumafstand wordt geen rekening gehouden met de voor het gebod geldende maximumsnelheid. Het uitgangspunt is immers dat de snelheid bij het passeren van het gebod moet zijn aangepast en derhalve wordt bij het bepalen van de afstand tussen gebod en meetplaats uit"},{"i":2935,"b":"Besluit van de Minister voor Natuur en Stikstof van 18 maart 2024, nr. WJZ/44740575, houdende aanwijzing van de directeur Bureau beheer landbouwgronden (Besluit aanwijzing directeur Bureau beheer landbouwgronden 2024) Gelet op [artikel 32, eerste en tweede lid, van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=32); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bureau:** Bureau beheer landbouwgronden; - b. **directeur:** directeur van het Bureau beheer landbouwgronden; - c. **wet:** [Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386). Artikel 2 1. Als de directeur, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=32) wordt aangewezen: de directeur-generaal van de Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2. De directeur kan aan de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame medewerkers en medewerkers van een notariskantoor volmacht en machtiging verlenen voor het vertegenwoordigen van het bureau in en buiten rechte. Artikel 3 Bij afwezigheid van de directeur wordt aan de directeur Netwerkfaciliteit van het directoraat-generaal Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit als zijn plaatsvervanger volmacht en machtiging verleend voor het vertegenwoordigen van het bureau in en buiten rechte. Artikel 4 1. Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt volmacht en machtiging verleend voor het afhandelen van lopende dossiers met bijbehorende procedures. 2. De directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland kan ondervolmacht en ondermachtiging verlenen aan onder zijn verantwoordelijkheid werkzame medewerkers. Hierop is het [Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019](https://wetten.o"},{"i":2183,"b":"Aanwijzing Opiumwet Samenvatting Deze aanwijzing heeft betrekking op de opsporing en de vervolging van personen die delicten uit de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) begaan. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de bestuurlijke en strafrechtelijke aspecten van het gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops en aan de vervolging van voorbereidingshandelingen met betrekking tot lijst II-middelen. Achtergrond 1. Het Nederlandse drugsbeleid Het Nederlandse drugsbeleid richt zich op het tegengaan en reduceren van drugsgebruik, zeker voor zover leidend tot gezondheids- en sociale schade, en op het voorkomen en verminderen van de maatschappelijke schade die aan het gebruik van, de productie van en de handel in drugs is verbonden. De [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) is in de loop der jaren gewijzigd, vooral met betrekking tot de verboden handel en productie. Zo is in 1999 de strafbaarstelling geïntroduceerd van het ‘beroeps- of bedrijfsmatig handelen in strijd met een van de in [artikel 3, eerste lid onder B van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=3) (OW) gegeven verboden’, en is in die verboden het bestanddeel ‘telen’ toegevoegd. In juni 2006 zijn de maximumstraffen voor enkele Opiumwetdelicten verhoogd en zijn bestanddelen als ‘opzettelijk handelen’ en ‘grote hoeveelheid’ in de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=10) en [11 OW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=11) opgenomen en is aan [artikel 2 OW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=2), analoog aan [artikel 3 OW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=3), het bestanddeel ‘telen’ toegevoegd. In november 2008 is in [lijst II van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&bijlage=II) een groot aantal paddenstoelen die een hallucinerende werking hebben, opgenomen en is het zogeheten paddoverbod in werking getreden. Op 12 mei 2012 is"},{"i":3176,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 28 september 2021 nr. BOACAT2021/041, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Groningen in het domein I, Openbare Ruimte Gelezen het verzoek van de gemeente Groningen van 11 augustus 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); artikel 36, eerste lid, en artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar; [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren; de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045691&artikel=2&z=2022-04-22&g=2022-04-22). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van, medewerker handhaving I (cm), II (cm), III en IV, Operationeel leidinggevende III en medewerker beleidsuitvoering III in dienst van de gemeente Groningen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsam"},{"i":3772,"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels ter uitvoering van de Wet op het financieel toezicht met betrekking tot de reikwijdte en toegang tot de financiële markten (Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft) Wij, Beatrix bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 juli 2006, nr. FM 2006-01703 M; Gelet op de [artikelen 1:102, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:102), [2:5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:5), [2:6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:6), [2:7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:7), [2:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:9), [2:12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:12), [2:13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:13), [2:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:17), [2:21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:21), [2:22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:22), [2:31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:31), [2:32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:32), [2:33, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:33), [2:36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:36), [2:37, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:37), [2:39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:39), [2:41, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:41), [2:42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:42), [2:43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:43), [2:45, tweede lid](h"},{"i":2186,"b":"Aanwijzing opsporing en vervolging buitenlandse corruptie Samenvatting Omkoping van een buitenlandse ambtenaar door een Nederlandse burger of onderneming (ook wel: buitenlandse ambtelijke corruptie) tast de integriteit van een overheid ernstig aan en kan tot grote schade leiden. Het onderzoeken van signalen van mogelijke buitenlandse corruptie en de opsporing en vervolging van strafbare feiten die daarmee verband houden hebben dan ook de bijzondere aandacht van het Openbaar Ministerie. In deze aanwijzing wordt aangegeven welke factoren (niet-limitatief) een rol spelen bij het bepalen van de opportuniteit van de vervolging van op zichzelf strafbare gevallen van buitenlandse ambtelijke corruptie. Deze factoren hebben uiteraard ook betekenis voor de beoordeling van de opportuniteit van de aan de vervolging voorafgaande opsporingsactiviteiten. De aanwijzing ziet op zowel de omkopende partij (burgers en bedrijven) als de omgekochte partij (ambtenaren) van buitenlandse corruptie. Gelet op het anti-corruptieverdrag van de OESO staat voorop dat overwegingen van nationaal economisch belang, het mogelijke effect op relaties met een andere Staat of de identiteit van betrokken natuurlijke of rechtspersonen geen rol mogen spelen bij beslissingen over opsporing en vervolging. 1. Achtergrond 1.1. Buitenlandse ambtelijke corruptie Vooropgesteld moet worden dat omkoping een ernstig misdrijf is, dat de integriteit van een overheid ernstig aantast en tot grote schade kan leiden. Het omkopen van een buitenlandse ambtenaar doet afbreuk aan het vertrouwen van burgers in overheden en het vertrouwen tussen Staten. Buitenlandse overheden en samenlevingen worden benadeeld en het leidt tot verstoring van internationale gelijke (markt)kansen, noodzakelijk voor een goed functionerende economie. Nieuwe toetreders maken geen kans op de markt en bonafide bedrijven worden uit de markt gedrukt. Bovendien veroorzaakt buitenlandse omkoping grote maatschappelijke verontwaardiging. De Nederlandse overhe"},{"i":3571,"b":"Besluit van 18 april 1979 tot uitvoering van de artikelen 7, eerste lid, 9, eerste lid, 10, vierde lid, 15, eerste en tweede lid, en 18, vierde lid, van de Huurprijzenwet woonruimte Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, drs. M.P.A. van Dam, van 7 september 1977, nr. 0902932, Centrale Afdeling Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 7, eerste lid, 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221&artikel=7), [10, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221&artikel=10), [15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221&artikel=15), en [18, vierde lid, van de Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221&artikel=18) (Wet van 18 januari 1979, **Stb.** 1979, 15); De Raad van State gehoord, advies van 22 november 1978, nr. 13; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 12 april 1979, nr. 0221927, Centrale Afdeling Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit wordt onder de zittingsvoorzitters verstaan: de zittingsvoorzitters, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a). 2. Onder een woonruimte welke een zelfstandige woning vormt, wordt een woonruimte verstaan als bedoeld in [artikel 7:234 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=234), welke wordt bewoond door maximaal twee personen of welke wordt bewoond door drie of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben. Onder woonruimte welke een zelfstandige woning vormt, wordt in dit besluit niet mede begrepen een woonwagen of een combinatie van een standplaats en een woonwagen. 3. Onder woonruimte welke niet een zelfstandige woning vormt, wordt in dit besluit niet mede begrepen een standplaats. 4. Wanneer een huurder van een woonruimte, zijnde één"},{"i":2187,"b":"Aanwijzing opsporingsbevoegdheden Hoofdstuk 1. Algemeen 1.1. [Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010478) Op 1 februari 2000 is de [Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010478) (hierna: Wet BOB) in werking getreden. Deze wet introduceerde in [Boek I van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste) een regeling voor nieuwe opsporingsbevoegdheden en daarmee samenhangende procedures. Deze wet was een uitvloeisel van het onderzoek dat door de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (PEC) is verricht naar de praktijk van de opsporing en de door deze commissie gedane normeringvoorstellen. Deze [Wet BOB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010478) bevat: Met deze wet kregen opsporingsmethoden die risicovol zijn voor de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing, dan wel die naar huidig inzicht een meer dan beperkte inbreuk kunnen maken op grondrechten van burgers, een specifieke basis in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903). De bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn opgenomen in de [titels IVa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&titeldeel=IVA) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&titeldeel=V). Inhoudelijk gezien komt de omschrijving van de in deze titels opgenomen opsporingsbevoegdheden nagenoeg overeen en gelden vrijwel ook dezelfde procedurele voorschriften.1Uitzonderingen hierop zijn de artt. 126l/126s Sv en artt. 126m/126t Sv. In de artt. 126l en 126m Sv geldt niet het vereiste dat verdachte aan het gesprek moet deelnemen, terwijl in de artt. 126s en 126t Sv het vereiste is opgenomen dat uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat de betrokkene bij het georganiseerd verband wel aan de gesprekken deelneemt die opgenomen zullen worden. Alleen het verdenkingscriterium op basis waarvan de in de titels IVa en V opgenomen"},{"i":5420,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 10 oktober 2018, nr. MBO/1355636, in verband met subsidieverstrekking aan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (Regeling subsidieverstrekking SBB) Gelet op de [artikelen 2.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.4.2) en [7.4.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.7), [artikel 10b5 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=10b5) en [artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **SBB:** de aangewezen rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.5.1) en [artikel 7.4.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.7). Artikel 2. Instellingssubsidie 1. SBB ontvangt instellingssubsidie voor de uitvoering van haar wettelijke taken. 2. De [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) is van toepassing. 3. De financiële verantwoording geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig [artikel 9.2, eerste lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=9.2). Artikel 3. Egalisatiereserve De minister kan SBB toestemming geven om in afwijking van [artikel 8.7, tweede lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=8.7) een grotere egalisatiereserve te vormen dan 10%. Artikel 4. Voorziening voor gewezen personeel 1. SBB vormt een voorziening voor de verplichtingen met betrekking tot gewezen personeel als gevolg van de inwerkingtreding van de [Wet van 16 april 2"},{"i":5655,"b":"Subsidieplafond Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland 2016 Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904), en gelet op [artikel 3 van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035122&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Het subsidieplafond van het [Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035122) voor het kalenderjaar 2016 is € 29.237.223,– (zegge: negenentwintig miljoen tweehonderdzevenendertig duizend tweehonderddrieëntwintig euro), waarvan tenminste 70% bestemd is voor internationale coproducties Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2016. Dit besluit wordt met toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":6014,"b":"Vaststellings- en terugvorderingsbeleid bij Subsidieregelingen beroepsopleiding sociaal advocaten gelet op [artikel 37b, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b), waarin is bepaald dat het bestuur van de Raad ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand subsidie kan verstrekken voor bijzondere doeleinden en projecten, en gelet op de [Subsidieregeling beroepsopleiding sociaal advocaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044393), besluit: het volgende terugvorderingsbeleid vast te stellen de [Subsidieregeling beroepsopleiding sociaal advocaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044393): Het terugvorderingsbeleid heeft tot doel zoveel mogelijk duidelijkheid te bieden wanneer verstrekte subsidies wel en wanneer deze niet worden teruggevorderd. Het betreft hier verstrekte subsidies in het kader van de opeenvolgende Subsidieregelingen beroepsopleiding sociaal advocaten. Uitgangspunten daarbij zijn uiteraard de subsidieregelingen zelf. In dit terugvorderingsbeleid wordt ook ingegaan op uitzonderingsgronden. Artikel 1. – Vaststelling 1. In overeenstemming met [artikel 4:44 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:44) dient de subsidieontvanger nadat de stage met gunstig gevolg is voltooid schriftelijk een aanvraag tot subsidievaststelling in. De aanvraag volgt uiterlijk twee maanden na afronding van de stage, met overlegging van de stageverklaring. 2. Drie jaar en twee maanden na het besluit tot subsidieverlening controleert de Raad of de subsidieontvanger op basis van de ontvangen informatie aan de verplichtingen heeft voldaan. Als eerder uit ontvangen informatie reeds blijkt dat de subsidieontvanger niet kan voldoen aan de verplichtingen, kan de Raad eerder overgaan tot vaststelling. 3. Bij ontbrekende informatie wordt de subsidieontvanger in de gelegenheid gesteld de ontbrekende informatie binnen vier weken alsnog aan te leveren. 4. Als de Raad op basis van de ontvangen inf"},{"i":4944,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 25 juni 2012, nr. 2012-194220, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging met betrekking tot het beheer van het politiekorps en het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Mandaatregeling korpsbeheer politie en brandweer BES 2012) Gelet op de [artikelen 38, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=38), en [47, derde lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=47), [artikel 27, vierde lid van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=27), de [Regeling politielegitimatiebewijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028800), de [Organisatieregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030837) en de [Mandaatregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030842); Besluit: Paragraaf 1. Definitiebepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **secretaris-generaal:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Veiligheid en Justitie; - c. **directeur-generaal Politie:** de directeur-generaal Politie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie; - d. **Rijkswet politie:** de [Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079); - e. **het politiekorps:** het korps politie Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - f. **het brandweerkorps:** het brandweerkorps Bonaire, Sint Eustatius en Saba; Artikel 2 Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijk gesteld de verlening van: - a. volmacht om in naam van de bewindspersoon voor de Staat privaatrechtelijke rechtshandelin"},{"i":3720,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 14 maart 2019, nr. MA/2019-059/UP, houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het bestuur van de huurcommissie ten aanzien van de administratieve ondersteuning van de huurcommissie (Besluit mandaat, volmacht en machtiging bestuur huurcommissie 2019) Gelet op de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315), Gelet op de [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 32, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32) en [artikel 4.6, eerste en tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6); Gelet op de instemming van het bestuur van de huurcommissie overeenkomstig [artikel 10:4, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ministerie:** het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **wet:** de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315); - d. **huurcommissie:** de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - e. **bestuur:** het bestuur van de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - f. **voorzitter:** de voorzitter van de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - g. **plaatsvervangend voorzitter:** de plaatsvervangend voorzitter van de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid."},{"i":7334,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 23 juli 2015, nr. 2015-00000415760, houdende wijziging van de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector en de Regeling fonds energiebesparing huursector (extra waarborgen subsidieaanvraag) Gelet op [artikel 4, eerste lid, onderdelen d en e, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en [artikel 11, derde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11); Besluit: Artikel I Wijzigt de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector. Artikel II Wijzigt de Regeling fonds energiebesparing huursector. Artikel III. Overgangsrecht [STEP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035224) 1. In dit artikel wordt verstaan onder **STEP**: de [Stimuleringsregeling energieprestatie huursector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035224). 2. Op een aanvraag tot subsidieverlening op grond van de [STEP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035224) die is ingediend voor 1 september 2015 zijn de bepalingen van de STEP van toepassing, zoals die tot die datum luidden. 3. Vervallen. 4. Bij toepassing van het derde lid bevat de aanvraag tot subsidieverlening in plaats van de verklaring, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onder e, van de STEP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035224&artikel=5), een verklaring waaruit blijkt dat: - a. voor zover ten behoeve van woningen voor de tweede maal op grond van de [STEP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035224) subsidie wordt aangevraagd, dit uitsluitend gevallen betreft als bedoeld in het derde lid, en - b. voor geen van de overige woningen ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd reeds subsidie is aangevraagd op grond van de [STEP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035224). Artikel IV. Overgangsrecht [FEH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035608) 1. In dit artikel wordt verstaan onder: - a. **FEH:** de [Regeling fonds energiebesparing h"},{"i":7335,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 25 mei 2016, nr. 2016-0000298302 houdende wijziging van de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector en de Regeling fonds energiebesparing huursector (versoepeling eisen en verhoging bedragen STEP) Gelet op [artikel 4, eerste lid, onderdelen c, d en e, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=4), [8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), en [11, tweede en derde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11); Besluit: Artikel I Wijzigt de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector. Artikel II Wijzigt de Regeling fonds energiebesparing huursector. Artikel III Wijzigt de Wijzigingsregeling Stimuleringsregeling energieprestatie huursector en Regeling fonds energiebesparing huursector (extra waarborgen subsidieaanvraag). Artikel IV. Overgangsrecht 1. Op aanvragen tot subsidieverlening op grond van de [Stimuleringsregeling energieprestatie huursector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035224) die zijn ingediend vóór 1 juli 2016, wordt beslist met inachtneming van de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector zoals die met ingang van 1 juli 2016 luidt. 2. Onverminderd het eerste lid geldt [artikel 5, tweede lid, onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035224&artikel=5), niet voor aanvragen tot subsidieverlening op grond van de [Stimuleringsregeling energieprestatie huursector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035224) die zijn ingediend vóór 1 juli 2016. 3. Beschikkingen tot subsidieverlening en beschikkingen tot subsidievaststelling op grond van de [Stimuleringsregeling energieprestatie huursector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035224) die zijn gegeven vóór 1 juli 2016, worden ambtshalve gewijzigd met inachtneming van de Stimuleringsrege"},{"i":2201,"b":"Aanwijzing speciale beschermingszone Waddenzee Besluit: Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) wordt het volgende gebied aangewezen; het op de bijlage bij deze regeling op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Waddenzee’. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een bij deze regeling behorende toelichtende nota. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking in de Staatscourant."},{"i":1987,"b":"Wet van 20 december 1996 tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de loonbelasting 1964 (beperking aftrekbare kosten ter zake van criminele activiteiten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting en de loonbelasting de aftrekbaarheid van kosten en lasten die verband houden met criminele activiteiten te beperken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. ARTIKEL III Het bepaalde in deze wet is niet van toepassing met betrekking tot kosten en lasten en aftrekbare kosten die in aanmerking zijn genomen voor het in werking treden van deze wet. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de loonbelasting 1964. ARTIKEL V Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst, doch niet voor 1 januari 1997. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1841,"b":"Wet van 25 februari 1999, houdende opheffing van het Bedrijfschap Detailhandel in Aardappelen, Groenten en Fruit Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Bedrijfschap voor de Detailhandel in Aardappelen, Groenten en Fruit op te heffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het Bedrijfschap voor de Detailhandel in Aardappelen, Groenten en Fruit, ingesteld bij Wet van 21 januari 1959 (Stb. 1959, 16), is opgeheven. De door het bedrijfschap vastgestelde verordeningen, voor zover nog van kracht bij de inwerkingtreding van deze wet, vervallen. Artikel 2 1. Vanaf de inwerkingtreding van deze wet berust het beheer van het vermogen van het bedrijfschap bij het Hoofdbedrijfschap voor de Detailhandel. 2. Rechtsvorderingen, welke tot het vermogen van het bedrijfschap behorende rechten of verplichtingen tot onderwerp hebben, worden ingesteld door of tegen het hoofdbedrijfschap. Artikel 3 1. Het hoofdbedrijfschap is belast met de vereffening van het vermogen van het bedrijfschap. Het kan daartoe de tot het vermogen van het bedrijfschap behorende roerende en onroerende zaken vervreemden. 2. Het hoofdbedrijfschap maakt met het oog op de vereffening een boedelbeschrijving op. Het stelt tevens de rekening van inkomsten en uitgaven van het bedrijfschap vast over het tijdvak, aanvangende op de eerste januari van het jaar, volgende op het kalenderjaar waarover laatstelijk een rekening van inkomsten en uitgaven door het bestuur van het bedrijfschap werd vastgesteld, en eindigende op de dag van inwerkingtreding van deze wet. 3. De boedelbeschrijving en de rekening van inkomsten en uitgaven, bedoeld in het vorige lid, behoeven de instemming van de Sociaal-Economische Raad. De instemming van de Sociaal-Economische Raad met de rekening van inkomsten en uitgaven strek"},{"i":2196,"b":"Aanwijzing Rijkshavenmeester Westerschelde Gelet op [artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005393&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Met ingang van 16 mei 1994 wordt als Rijkshavenmeester Westerschelde bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005393&artikel=2), aangewezen: de hoofdingenieur-directeur in de directie Zeeland van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat. Artikel 2 De beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 april 1993/Nr. DGSM/J 30.007/93 Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken (Stcrt. 1993, 77), houdende aanwijzing van de Rijkshavenmeester Westerschelde, wordt ingetrokken. Artikel 3 Van deze beschkking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant."},{"i":6106,"b":"Vreemdelingencirculaire 2000 (B) B1. Regulier algemeen 1. Inleiding 1.1. Machtiging tot voorlopig verblijf 2. Erkenning als referent 2.1. De erkenning als referent 1.1.3. Aanvraagprocedure 1.1.4. Verzoek om advies 1.1.4.1. Regelingen naar aanleiding van uitspraak ABRS 12 januari 2004 A. Overgangsregeling 2.2. Schorsen en intrekken van de erkenning als referent Op grond van [artikel 2f, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2f) juncto [artikel 1.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.22) schorst de IND de erkenning als referent omdat ernstige twijfels bestaan over de betrouwbaarheid van de erkend referent als één van de volgende omstandigheden zich voordoet: Op grond van [artikel 2f, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2f) juncto [artikel 1.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.22) schorst de IND de erkenning als referent omdat ernstige twijfels bestaan over de betrouwbaarheid van de erkend referent als één van de volgende omstandigheden zich voordoet: 1.1.5. Afgifte machtiging tot voorlopig verblijf 2.3. Beoordeling continuïteit en solvabiliteit van de onderneming 2.3. Beoordeling continuïteit en solvabiliteit van de onderneming 2.3. Beoordeling continuïteit en solvabiliteit van de onderneming 2.3. Beoordeling continuïteit en solvabiliteit van de onderneming 3.2. Aanvraag tot erkenning als referent 3.2. TEV-procedure 3.2.1. Begin van de TEV-procedure 3. Aanvraagprocedures 3. Aanvraagprocedures 3.1. Biometrische gegevens 3. Aanvraagprocedures 3. Aanvraagprocedures 3.1. Biometrische gegevens 3.2. Aanvraag tot erkenning als referent 3.3.1. Begin van de TEV-procedure 3.3. TEV-procedure 3.3. TEV-procedure 3.3.1. Algemeen 3.3.1.1. Begin van de TEV-procedure 3.3.3. Aanvraagprocedure mvv door de referent in Nederland 3.3.2. Aanvraagprocedure mvv door de vreemdeling 3.3.4. Afgifte mvv en inreis in Nederland 3.3.5. Ambtshalve verlening verblijfsvergunning"},{"i":2200,"b":"Beschikking waarbij een tweetal gebieden wordt aangewezen als Speciale beschermingszone in het kader van de EG-Vogelrichtlijn ('Eemmeer, Gooimeer en IJmeer' en 'Kwade Hoek') Besluit: Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) worden de volgende gebieden aangewezen: - a. het op bijlage A van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Eemmeer, Gooimeer en IJmeer’; - b. het op bijlage B van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘Kwade Hoek’. 2. De aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, gaan vergezeld van een toelichtende nota. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":2211,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 november 2016, kenmerk 1051065-157688-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake tarifering obstetrische high care Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Na op 4 oktober 2016 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) om voor obstetrische high care een maximumtarief vast te stellen (Kamerstukken II 2016/17, 29 248, nr. 293); Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - –. **prestatiebeschrijving:** prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=30); - –. **maximumtarief:** bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat ten hoogste als tarief voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - –. **prestatie:** prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - –. **integraal tarief:** tarief waarin alle vergoedingen zijn opgenomen voor kosten die een zorgverlener in rekening mag brengen in verband met het leveren van een prestatie; - –. **medisch specialistische zorg:** zorg als bedoeld in [artikel I.1 van de aanwijzing inzake invoering integrale tarifering medisch speci"},{"i":2212,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 juni 2014, kenmerk MC-373618-120989, inzake tarifering sportgeneeskunde WMG Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Gezien de erkenning van het geneeskundig specialisme sportgeneeskunde (Stcrt. 2014, 11817); Na op 8 april 2014 schriftelijk mededeling gedaan te hebben aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2013/14, 29 282, nr. 191); Gelet op de besluitenlijst van 16 april 2014 van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport waarbij de schriftelijke mededeling voor kennisgeving is aangenomen; BESLUIT: Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlands zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **Besluit Sportgeneeskunde:** Besluit van 11 september 2013 van de Commissie geneeskundige specialismen houdende opleidings- en erkenningseisen voor het specialisme sportgeneeskunde; - e. **sportgeneeskunde:** sportgeneeskunde als bedoeld in het Besluit Sportgeneeskunde; - f. **erkenningsbesluit:** [Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 april 2014, kenmerk 329185-117646-MEVA, houdende de wettelijke erkenning van de specialistentitel sportarts en de instemming met het Besluit Sportgeneeskunde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035067) (Stcrt. 2014, 11817); - g. **sportarts:** degene die gerechtigd is tot het dragen van de titel sportarts als bedoeld in het erkenningsbesluit; - h. **prestatiebeschrijving:** prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - i. **vrij tarief:** tar"},{"i":9724,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake uitlevering Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, hierna te noemen de „Partijen”, Verlangend een doeltreffendere samenwerking op het gebied van uitlevering tot stand te brengen; Verwijzend naar verdragen die bepalingen inzake uitlevering bevatten die tussen beide Partijen van kracht zijn; Verwijzend naar internationale overeenkomsten inzake de strafrechtelijke samenwerking tussen de Partijen; Geleid door de wens de bilaterale samenwerking in strafzaken te intensiveren, de doeltreffendheid van de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit te verbeteren en uitlevering te vergemakkelijken; Geleid door de wens om te zorgen voor samenwerking met eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat, de soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde en andere fundamentele belangen van elke Partij; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Verplichting tot uitlevering De twee Partijen komen overeen, met inachtneming van de in dit Verdrag opgenomen bepalingen, personen aan elkaar uit te leveren die worden aangetroffen op het grondgebied van een van beide staten en tegen wie een strafvervolging is ingesteld of die worden gezocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een door de rechter opgelegde straf of maatregel, welke vrijheidsbeneming met zich mee brengt, als gevolg van het plegen van een strafbaar feit. Artikel 2. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden 1. Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die krachtens de wetten van de verzoekende partij en van de aangezochte partij strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming meebrengt, met een maximum van ten minste een jaar of met een zwaardere straf. Als om uitlevering wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een strafvonnis, dient het deel van de straf dat nog moet worden uitgevoerd ten minste zes maanden te bedragen. 2. Indien het verzoek om uitlevering be"},{"i":2215,"b":"Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoek Samenvatting De [Wet deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025251)1De Wet deskundige in strafzaken wijzigt het Wetboek van Strafvordering ter verbetering van de regeling van de positie van de deskundige in het strafproces (**Stb**. 2009, 33). Inwerkingtreding per 01-01-2010, zie besluit van 6 augustus 2009, **Stb. 2009, 351****.** beoogt de positie van de deskundige in het strafproces te versterken. Met de inwerkingtreding van [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025251) bestaat de vaste gerechtelijke deskundige niet meer. In plaats daarvan is de geregistreerde deskundige gekomen. Dit is de deskundige die geregistreerd is in het Nederlands register gerechtelijk deskundigen2De op- en inrichting van dit register is geregeld in het Besluit houdende instelling van het Nederlands register gerechtelijk deskundigen en kwaliteitseisen aan deskundigen in strafzaken (**Stb**. 2009, 330). (hierna te noemen: NRGD). De (hulp)officier van justitie is alleen bevoegd om deskundigen te benoemen die geregistreerd zijn in dat register. Voor het benoemen van niet in dat register opgenomen deskundigen, moet een vordering worden ingediend bij de rechter-commissaris. Ook wordt in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025251) de positie van de verdediging versterkt: de verdachte c.q. diens raadsman krijgt uitdrukkelijk het recht om te vragen om tegenonderzoek. De wet bepaalt verder dat – tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet – de (raadsman van de) verdachte door de (hulp)officier van justitie geïnformeerd wordt over het verlenen van een opdracht tot deskundigenonderzoek. Dit om hem in staat te stellen om de omvang en richting van dat onderzoek te beïnvloeden. Gezien deze informatieverplichting is in deze aanwijzing nader gepreciseerd wanneer sprake is van deskundigenonderzoek in de zin van deze wet en wanneer dat niet het geval is. Als dat niet het geval"},{"i":2856,"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2003 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 2002 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 2001; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2003 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3.9. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2003."},{"i":3417,"b":"Besluit van 14 februari 1948, houdende vaststelling van het Besluit Demobilisatievoorzieningen 1948 Op de voordracht van Onze Ministers van Oorlog, van Marine, van Overzeese Gebiedsdelen, van Financiën, van Economische Zaken, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, van Sociale Zaken en van Binnenlandse Zaken van 16 December 1947, Afdeling A 2, Bureau 3, Nr. 628; Overwegende, dat het noodzakelijk is om enige voorzieningen te treffen in het belang van de militairen der Koninklijke Landmacht en der Koninklijke Marine, die na 1 Maart 1946 zijn of worden gedemobiliseerd; De Raad van State gehoord (advies van 20 Januari 1948, Nr. 34); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 10 Februari 1948, Geheim Litt. W. 26; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en in de regelingen ter uitvoering van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **\"demobilisatie\":** het verlenen van ontslag of groot verlof aan, dan wel het ontheffen van de werkelijke dienst van militairen, ongeacht of zij daarbij een vrijwillig dienstverband aangaan om doorlopend werkelijke dienst bij de krijgsmacht te verrichten; - b. **\"maand\":** de periode tussen een datum en de overeenkomstige datum van de volgende kalendermaand, met dien verstande, dat resterende gedeelten van een maand als volle maand worden berekend, voor zover deze gedeelten vijftien of meer dagen betreffen; resterende gedeelten van minder dan vijftien dagen worden niet berekend; - c. **\"zes maanden\":** een periode van 180 dagen; - d. **\"militair inkomen\":** het inkomen, dat voor de militair zou gelden bij dienstvervulling buiten de keerkringen, voor wat het personeel van de Koninklijke Marine betreft bij plaatsing aan wal in Nederland. Dit inkomen wordt berekend naar de rang of stand, laatstelijk in het Oosten bekleed - of, indien de militair daarna mocht zijn bevorderd tot een rang of stand, welke hoger is dan evenbedoelde, naar die rang of stand - waarbij, naar re"},{"i":3143,"b":"Besluit bevestiging kwalificatie Braziliaanse interest on net equity De Staatssecretaris van Financiën deelt het volgende mee. **In dit besluit wordt verder ingegaan op de kwalificatie van de betalingen van Braziliaanse ‘Interest on net equity’ voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en Brazilië.** 1. Inleiding In het [Besluit kwalificatie Braziliaanse interest on net equity](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044024) (besluit van 4 augustus 2020, nr. 2020-14853 Stcrt. 2020, 44499) is uiteengezet hoe de betalingen van Braziliaanse ‘Interest on net equity’ voor de toepassing van de op 8 maart 1990 ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen met betrekking tot het inkomen (hierna: ‘het Belastingverdrag’) dienen te worden gekwalificeerd. Om te bevestigen dat de Braziliaanse en de Nederlandse bevoegde autoriteit beide de mening zijn toegedaan overeenkomstig hetgeen is uiteengezet in het genoemde besluit van 4 augustus 2020, wordt in het onderhavige besluit de tekst gepubliceerd van de uitkomst van een onderlinge overlegprocedure op grond van artikel 25 van het Belastingverdrag. 2. De uitkomst van de onderlinge overlegprocedure The competent authorities of Brazil and the Netherlands (hereinafter: the ‘Competent Authorities’) have reached the following mutual agreement (hereinafter: ‘Competent Authority Agreement’) regarding the application of the Convention between the Kingdom of the Netherlands and the Federative Republic of Brazil for the avoidance of double taxation and the prevention of fiscal evasion with respect to taxes on income signed on 8 March 1990 (hereinafter: the ‘Convention’) in relation to payments of interest on net equity (in Portuguese: **Juros sobre o Capital Próprio**, hereinafter: ‘JCP’) by a company which is a resident of Brazil to a resident of the Netherlands. This Competent A"},{"i":5306,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 oktober 2016, nr. 2016-0000571578, houdende regels inzake bijzondere uitkeringen voor de versterking van het openbaar bestuur in Caribisch Nederland (Regeling bijzondere uitkering versterking openbaar bestuur BES) Gelet op [artikel 92, vijfde lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=92); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bijzondere uitkering versterking openbaar bestuur:** eenmalige bijzondere uitkering als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038675&artikel=2&z=2016-11-02&g=2016-11-02); - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Doel bijzondere uitkering openbaar bestuur De minister kan aan de openbare lichamen bijzondere uitkeringen versterking openbaar bestuur verstrekken voor activiteiten die de verbetering van het openbaar bestuur in het Caribische deel van Nederland ten doel hebben onder meer door: - a. de versterking van de bestuurskracht van de openbare lichamen, of - b. de verbetering van de dienstverlening van de openbare lichamen, zowel in de fysieke en sociale leefomgeving als in de verschillende wijken. Artikel 3. Totale beschikbare bedrag 1. Het totale beschikbare bedrag voor bijzondere uitkeringen versterking openbaar bestuur bedraagt voor 2016 € 620.000 en voor 2017 € 650.000. 2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Artikel 4. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een bijzondere uitkering versterking openbaar bestuur wordt ingediend door het bestuurscollege van het openbaar lichaam met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld formulier. 2. De aanvraag gaat vergezeld van een activiteitenplan, waarin in ieder geval is opgenomen: - a. een beschrijving van de activiteiten, waarvoor de bijzondere uitker"},{"i":10191,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Landbouwkwaliteit en voedselveiligheid vanaf 1945 (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 april 2006, arc-2006.02834/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Landbouwkwaliteit en voedselveiligheid en kwaliteit van het uitgangsmateriaal en biotechnologie over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":2568,"b":"Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935 over het voeren van verweer in procedures bij een bestuursrechtelijk college waarin verzocht wordt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter Gelet op de [artikelen 8:26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:26), [8:42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:42), 8:73 (oud), [8:108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:108) en [titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=8.4); Overwegende dat degene die verzoekt om immateriële schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter er belang bij heeft dat er zo snel mogelijk een beslissing volgt op dit verzoek; Overwegende dat met toepassing van artikel 8:73 (oud) en [titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=8.4) uitsluitend de Staat (Minister van Veiligheid en Justitie) tot een immateriële schadevergoeding kan worden veroordeeld wegens een aan de bestuursrechter te wijten overschrijding van de redelijke termijn; Overwegende dat de jurisprudentie over immateriële schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter vergaand is uitgekristalliseerd en gestandaardiseerd; Besluit: Artikel 1 1. Indien gedurende het beroep of het hoger beroep bij een bestuursrechtelijk college een verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn door een bestuursrechter, met uitzondering van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ziet de Minister van Veiligheid en Justitie af van het voeren van schriftelijk of mondeling verweer. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien: - a. gelet op de duur van de overschrijding van de redelijke termijn, of gelet op het aantal partijen, met"},{"i":5017,"b":"Nadere regeling van de Autoriteit Financiële Markten van 15 november 2006, houdende regels voor het gedragstoezicht op financiële ondernemingen op grond van de Wet op het financieel toezicht (Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft) Gelet op de [artikelen 1:12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:12); [2:59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:59); [2:74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:74); [2:79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:79); [2:85](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:85); [4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:7); [5:4 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:4), en de [artikelen 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=31), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=35), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=54), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=56), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=58), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=59), [66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=66), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=67), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=69), [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=70), [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=71), [84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=84), [110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=110), [112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=112), [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=118), [123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=123), [124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=124), [133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002042"},{"i":2630,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 6 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241271, houdende vaststelling beleidsregels voor de sturing van en het toezicht op het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (Beleidsregels sturing van en toezicht op het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regels wordt verstaan onder: - **de Kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - **het zbo:** het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. § 2. Directie van het zbo Artikel 2. Goedkeuring bestuursreglement Bij de goedkeuring van het bestuursreglement op grond van [artikel 11 Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11) juncto [artikel 4ad, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4ad) bekijkt de minister in ieder geval of ten aanzien van de hierna volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen: - a. een nadere omschrijving van de taken van de leden van de directie; - b. nadere bepaling van de bevoegdheden binnen de directie; - c. de schriftelijke goedkeuring van diverse besluiten door de raad van toezicht; - d. de besluitvorming in en buiten de vergadering; - e. de notulen van de vergadering; - f. het hebben en melden van nevenfuncties aan de raad van toezicht; - g. de handelwijze in geval van tegenstrijdige belangen van een lid van de directie. Artikel 3. Procedure benoeming nieuwe leden directie 1. Bij de benoeming van een nieuw lid van de directie worden de volgende processtappen gevolgd: - a. de minister verzoekt de raad van toezicht een deskundigheidsprofiel op te stellen voor het nieuwe directielid; - b. na goedkeuring van"},{"i":4805,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 februari 2006, nr. DCE/06/9341, houdende verlening van mandaat voor de uitvoering van de Subsidieregeling Digitaliseren met beleid, daaronder begrepen mandaat, volmacht en machtiging voor de uitvoering van de beroepen van de Subsidieregeling Digitaliseren met beleid Gelet op artikel 21 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging tijdelijk agentschap SenterNovem 2004; Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur van SenterNovem, d.d. 17 februari 2006, kenmerk ZJZ0658059; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Subsidieregeling 'Digitaliseren met beleid' in werking treedt. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De algemeen directeur van AgentschapNL wordt gemandateerd tot: - a. het nemen van besluiten met betrekking tot de uitvoering van de Subsidieregeling Digitaliseren met beleid. - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a. Artikel 2 Aan de algemeen directeur van AgentschapNL wordt: - a. volmacht en machtiging verleend tot het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en ter uitvoering van de besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022327&artikel=1&z=2010-03-02&g=2010-03-02); - b. machtiging verleend tot het voeren van beroepsprocedures over besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022327&artikel=1&z=2010-03-02&g=2010-03-02). Artikel 3 De algemeen directeur van AgentschapNL kan zijn bevoegdheid bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022327&artikel=1&z=2010-03-02&g=2010-03-02) en [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022327&artikel=2&z=2010-03-02&g=2010-03-02), ondermandateren aan een of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 4 Indien uitvoering wordt gegeven aan [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022327&artikel=1&z=2010-03"},{"i":2220,"b":"Aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Defensie Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.1) en [5.3 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), alsmede [titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **WNT:** de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249); - b. **Eenheid toezicht WNT:** de als zodanig aangeduide eenheid, bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c van het Besluit BZK-toezicht en handhaving WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042396&artikel=1). Artikel 2. Gebundeld toezicht op de naleving van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) 1. De ambtenaren werkzaam bij de Eenheid toezicht WNT worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) ten aanzien van rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen waarvoor de Minister van Defensie in de WNT is aangewezen als Onze Minister wie het aangaat. 2. De bevoegdheid om namens de Minister van Defensie inlichtingen te vorderen van de organisaties genoemd in [artikel 5.3 van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), wordt uitgeoefend door het Hoofd TEA die leiding geeft aan de Eenheid toezicht WNT. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juni 2019. 2. Tegelijk met inwerkingtreding van dit besluit vervalt het besluit [Aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038361) van 20 januari 2015 met nummer 2015000431. Artikel 4. Citeerti"},{"i":2221,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 20 augustus 2019 (DJZ 2019-124350), houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet normering topinkomens op het terrein van Financiën (Aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Financiën) Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.1) en [5.3 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), alsmede [titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **WNT:** de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249); - b. **Eenheid toezicht WNT:** de als zodanig aangeduide eenheid, bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c van het Besluit BZK-toezicht en handhaving WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042396&artikel=1). Artikel 2. Gebundeld toezicht op de naleving van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) 1. De ambtenaren werkzaam bij de Eenheid toezicht WNT worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) ten aanzien van rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen waarvoor de Minister van Financiën in de WNT is aangewezen als de Minister wie het aangaat. 2. De bevoegdheid om namens de Minister van Financiën inlichtingen te vorderen van de organisaties genoemd in [artikel 5.3 van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), wordt uitgeoefend door het Hoofd TEA die leidinggeeft aan de Eenheid toezicht WNT. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juni 2019. 2. Tegelijk met inwerkingtreding van dit"},{"i":6297,"b":"Wet van 14 september 2006 tot samenvoeging van de gemeenten Roermond en Swalmen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Roermond en Swalmen samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Roermond en Swalmen opgeheven. Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Roermond ingesteld. 2. De nieuwe gemeente Roermond bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Roermond en Swalmen, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Roermond wordt de op te heffen gemeente Roermond aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Roermond en Swalmen wordt de nieuwe gemeente Roermond aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektricit"},{"i":2305,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 juni 2015, nr. 2015-0000319404 tot aanwijzing van de onafhankelijke instantie, bedoeld in artikel 53a, eerste lid, van de Woningwet (Aanwijzingsbesluit Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland) Besluit: Artikel 1. Aanwijzing De Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland (SVWN) wordt aangewezen als de onafhankelijke instantie als bedoeld in [artikel 53a, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=53a). Artikel 2. Evaluatie De Minister voor Wonen en Rijksdienst evalueert 4 jaar na inwerkingtreding van dit besluit de doeltreffendheid en effecten daarvan in de praktijk. Artikel 3. Intrekken aanwijzing 1. De Minister kan de aanwijzing als onafhankelijke instantie als bedoeld in [artikel 53a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=53a) intrekken. 2. Na intrekking van aanwijzing worden de gegevens omtrent de uitgevoerde en in uitvoering zijnde visitaties aan een eventuele nieuwe onafhankelijke instantie overgedragen. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2015. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit SVWN. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden verzonden aan SVWN."},{"i":6484,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 9 mei 2016, nr. MINBUZA-2016.18378, tot wijziging van het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 3 juni 2015, nr. MINBUZA-2015.284090, tot vaststelling van beleidsregels voor subsidieverlening met het oog op de financiering van ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden (DRIVE) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Gelet op [artikel 32 van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit vaststelling beleidsregels subsidieverlening (financiering ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden (DRIVE)). Artikel II Tot en met 31 december 2016 kunnen in het kader van het [Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 3 juni 2015, nr. MINBUZA-2015.284090, tot vaststelling van beleidsregels voor subsidieverlening met het oog op de financiering van ontwikkelingsrelevante infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden (DRIVE)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036675) aanvragen worden ingediend met betrekking tot Albanië, Bosnië-Herzegovina, Macedonië, de Maldiven en Thailand. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst"},{"i":2306,"b":"Aanwijzingsbesluit Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=2) Besluit Artikel Enig Bij de verkiezingen van de leden van de gemeenteraad met als dag van stemming 18 maart 2026 wordt in de gemeenten Alphen aan den Rijn, Boekel, Leiden, Meierijstad, Midden-Delfland, Nijmegen, Noordoostpolder, ’s-Hertogenbosch, Soest en Tynaarlo een experiment gehouden met als doel de invoering van een stembiljet met een handzaam formaat, ten behoeve van het gebruik in het stemlokaal, zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=2)."},{"i":2309,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 juli 2022, nr. 2022-0000132132, houdende de aanwijzing van ambtenaren van Uitvoering Van Beleid (Toetsingskamer STAP) Gelet op [artikel 22 van de Subsidieregeling STAP-budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045419&artikel=22) en [titel 5.2. Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2); Besluit: Artikel 1 Als dienstonderdeel Toetsingskamer STAP, bedoeld in [artikel 22, eerste lid, van de Subsidieregeling STAP-budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045419&artikel=22), wordt aangewezen de directeur van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering en de ambtenaren van het onderdeel Uitvoering Van Beleid die zijn belast met de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Subsidieregeling STAP-budget. Artikel 2 Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046945&artikel=1&z=2022-07-20&g=2022-07-20) genoemde dienstonderdeel Toetsingskamer STAP voert de in [artikel 22, tweede lid, Subsidieregeling STAP-budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045419&artikel=22) genoemde taken uit. Artikel 3 Dit besluit treedt de eerste dag na de datum van plaatsing van dit besluit in de Staatscourant in werking en werkt terug tot en met 1 maart 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit Uitvoering Van Beleid (Toetsingskamer STAP). Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2312,"b":"Besluit houdende vaststelling van de Aanwijzingsregeling 2024 ex. artikelen 4, tweede lid, en 49, eerste lid, onder b, van de Wet militair tuchtrecht Gelet op de [artikelen 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788&artikel=4), en [49, eerste lid, onder b, van de Wet militair tuchtrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788&artikel=49); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing ex. [artikel 4, tweede lid, Wet militair tuchtrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788&artikel=4) 1. Als andere militairen, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, Wet militair tuchtrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788&artikel=4) worden als beklagmeerdere bij de **Bestuursstaf** aangewezen: - a. bij de Defensiestaf: - 1°. Bij het Kabinet Defensiestaf: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - 2°. Bij de Directie Aansturen Operationele Gereedstelling: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - 3°. Bij de Directie Internationale Militaire Samenwerking: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - 4°. Bij de Directie Plannen: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - 5°. Bij de Directie Operaties: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - 6°. Bij het Defensie Cyber Commando: de Commandant Defensie Cybercommando; - 7°. Bij het Special Operations Command: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - 8°. Voor overig bij de Defensiestaf geplaatst personeel: de Commandant der Strijdkrachten; - 9°. Voor de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten: de Commandant der Strijdkrachten. - b. bij het Directoraat-Generaal Beleid: de Commandant der Strijdkrachten; - c. bij de Hoofddirectie Financiën en Control: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - d. bij de Directie Juridische Zaken: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - e. bij de Directie Communicatie: de Commandant der Strijdkrachten; - f. bij het Bureau Secretaris-Generaal: de plaatsvervangend Commandant der Strijdkr"},{"i":2313,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 september 2012, KO/2012/13762, tot aanwijzing van ambtenaren belast met het toezicht op de uitvoering van de aan het college van burgemeester en wethouders opgedragen taken ten aanzien van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Aanwijzingsregeling ambtenaren interbestuurlijk toezicht Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen) Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [artikel 124e van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=124e); Besluit: Artikel 1 De inspecteur-generaal van het onderwijs en de ambtenaren van de Inspectie van het onderwijs, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=2), worden aangewezen als ambtenaren die toezicht houden op de uitvoering van de aan het college van burgemeester en wethouders bij of krachtens de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) opgedragen taken. Artikel 2 De vertrouwensinspecteurs, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=6), worden aangewezen als deskundige als bedoeld in [artikel 1.51b, eerste lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.51b). Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzingsregeling ambtenaren interbestuurlijk toezicht en deskundigen Wet kinderopvang. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2314,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 april 2014, nr. 623587, houdende aanwijzing van ambtenaren belast met het toezicht op de uitvoering van de aan het college van burgemeester en wethouders opgedragen taken ten aanzien van de Wet op het primair onderwijs (Aanwijzingsregeling ambtenaren interbestuurlijk toezicht Wet op het primair onderwijs) Gelet op [artikel 124e van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=124e); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing ambtenaren De inspecteur-generaal van het onderwijs en de ambtenaren van de Inspectie van het onderwijs, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800), worden aangewezen als ambtenaren die toezicht houden op de uitvoering van de aan het college van burgemeester en wethouders bij of krachtens de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) en de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) opgedragen taken. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2012. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzingsregeling ambtenaren interbestuurlijk toezicht en deskundigen Wet op het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs 2020. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6252,"b":"Wet van 14 september 2006 tot samenvoeging van de gemeenten Ambt Montfort en Roerdalen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Ambt Montfort en Roerdalen samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Ambt Montfort en Roerdalen opgeheven. Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Roerdalen ingesteld. 2. De nieuwe gemeente Roerdalen bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Ambt Montfort en Roerdalen, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Roerdalen wordt de op te heffen gemeente Ambt Montfort aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Ambt Montfort en Roerdalen wordt de nieuwe gemeente Roerdalen aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de rechten en verplichtingen in verband m"},{"i":2316,"b":"Regeling aanwijzing verboden drugsprecursoren Gelet op [artikel 4a, tweede lid, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007286&artikel=4a); Besluiten: Artikel 1 1. Aangewezen overeenkomstig [artikel 4a, tweede lid, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007286&artikel=4a), worden de stoffen genoemd in de bijlage bij dit besluit. 2. De zouten van aangewezen stoffen in de bijlage worden gelijkgesteld aan de aangewezen stoffen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2023. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048009&artikel=1&z=2023-04-01&g=2023-04-01) van het aanwijzingsbesluit drugsprecursoren (aangewezen verboden drugsprecursoren) | Precursor voor | Naam | Andere benaming | | --- | --- | --- | | **BMK** | | | | | | | | BMK | propyl 2-fenyl-3-oxobutanoaat | PAPA | | BMK | isopropyl 2- fenyl-3-oxobutanoaat | iPAPA | | BMK | butyl fenyl-3-oxobutanoaat | BAPA | | BMK | isobutyl fenyl-3-oxobutanoaat | iBAPA | | BMK | tert-butyl fenyl-3-oxobutanoaat | tBAPA | | | | | | BMK | azijnzuur-2-fenyl-3-oxobutaanzuuranhydride | n.n.b. | | | | | | BMK | ethyl 3-fenyloxiraan-2-methyl-2-carboxylaat | ethylester van ‘BMK-glycidezuur’ | | BMK | propyl 3-fenyloxiraan-2-methyl-2-carboxylaat | propylester van ‘BMK-glycidezuur’ | | BMK | isopropyl 3-fenyloxiraan-2-methyl-2-carboxylaat | isopropylester van ‘BMK-glycidezuur’ | | BMK | butyl 3-fenyloxiraan-2-methyl-2-carboxylaat | butylester van ‘BMK-glycidezuur’ | | BMK | isobutyl 3-fenyloxiraan-2-methyl-2-carboxylaat | isobutylester van ‘BMK-glycidezuur’ | | BMK | tert-butyl 3-fenyloxiraan-2-methyl-2-carboxylaat | tert-butylester van ‘BMK-glycidezuur’ | | BMK | 3-ethylpentaan-3-yl 3-fenyloxiraan-2-methyl-2-carboxylaat | n.n.b. | | | | | | BMK | 2-benzyl-2-methyl-1,3-dioxolaan | 4362-18-9 | | BMK | 2-benzyl-2,4-dimethyl-1,3-dioxolaan | 6282-34-4 | | BMK | 2-benzyl-2,4,5-trimethyl-1,3-dioxola"},{"i":4777,"b":"Kwalificerend aandeel in open commanditaire vennootschap De Staatssecretaris deelt het volgende mee. In het besluit van 19 december 1991, nr. DB91/6241 (Vpb’69, nr. 1.01.42; BNB 1992/55) heb ik met toepassing van artikel 63 AWR goedgekeurd, dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is indien een aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichaam voor ten minste 5% in het vennootschapsvermogen van een open commanditaire vennootschap participeert als commanditair vennoot en indien ook overigens voldaan is aan de voorwaarden genoemd in artikel 13, lid 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Op een vraag naar de betekenis die moet worden toegekend aan het in het besluit gebruikte begrip ‘vennootschapsvermogen van de open commanditaire vennootschap’ heb ik geantwoord dat ik, met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 1982, BNB 1982/268, van oordeel ben dat daaronder is te verstaan dat deel van het vermogen van de commanditaire vennootschap dat toekomt aan de commanditaire vennoten. Voor de toepassing van de aanmerkelijk-belangregeling ex artikel 39 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 neem ik een gelijkluidend standpunt in."},{"i":2798,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2009 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,0 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2009, doch niet later dan 15 november 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,383 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2009 en eindigende met 15 november 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":2696,"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 30 juni 2011, nr. 5701073/11/DSP, tot afgifte van de Beschikking instantloterij Overwegende dat de geldigheidsduur van de [Beschikking instantloterij 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030047) op 30 juni 2011 verstrijkt; Gelezen het verzoek van de Stichting de Nationale Sporttotalisator (De Lotto) van 17 mei 2011 haar opnieuw vergunning te verlenen voor het organiseren van de instantloterij; Gehoord het advies van het College van toezicht op de kansspelen van 25 mei 2011, nr. C.415/11; Gelet op de [artikelen 14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14b), [14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c) en [34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34) (Stb. 1964, 483); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. **de staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; - c. **de stichting:** Stichting de Nationale Sporttotalisator; - d. **het college:** het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - e. **instantloterij:** een loterij als bedoeld in [artikel 14a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14a); - f. **verkooppunt:** een inrichting als bedoeld in [artikel 14c, tweede lid, onder b. van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c); - g. **uitgifte van deelnamebewijzen:** het door de stichting afgeven van deelnamebewijzen aan de verkooppunten; - h. **prijzenreserve:** een reservering die is opgebouwd uit niet geïnde prijzen. Artikel 2 1. Aan de stichting wordt voor de duur van drie maanden, te rekenen van 1 juli 2011 tot en met 30 september 2011 verg"},{"i":3257,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 26 januari 2026 nr. BOACAT2026/006, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Hengelo Gelezen het verzoek van gemeente Hengelo van 21 januari 2026 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052244&artikel=2&z=2026-02-06&g=2026-02-06). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Toezichthouder openbare ruimte, Senior toezichthouder openbare ruimte in dienst van gemeente Hengelo zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zo"},{"i":5062,"b":"Besluit van 9 december 2002, houdende uitvoeringsvoorschriften krachtens de Opiumwet (Opiumwetbesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 september 2002, GMT/BMC 2316914, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op de [artikelen 3c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=3c), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=4), en [5, eerste en tweede lid, van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=5); De Raad van State gehoord (advies van 24 oktober 2002, no.W13.02.0425/III; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 december 2002, GMT/BMC 2332422, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de opiumwetswijziging (Stb. 2002/520) in werking treedt. Hoofdstuk 1. Begripbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941); - b. hoofdinspecteur: de hoofdinspecteur voor de farmacie en medische technologie; - c. regionale inspecteur: de inspecteur voor de gezondheidszorg in regionale dienst, met portefeuille farmacie; - d. opiumwetmiddel: een middel waarop [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=2) of [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=3) van toepassing is; - e. recept: een document als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder pp, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1) of artikel 4, onderdeel 33, van [Verordening (EU) 2019/6](31906R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van [Richtlijn 2001/82/EG](32001L0082) (PbEU 2019,"},{"i":4483,"b":"Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen effecten ongeval Deze circulaire is gericht aan het bevoegd gezag dat te maken heeft met de ruimtelijke ordening en de vergunningverlening voor milieu in relatie tot LPG-tankstations. Met deze circulaire wordt een handreiking gegeven ten behoeve van de beoordeling van externe veiligheid van LPG1Liquefied Petroleum Gas. In deze circulaire gaat het om LPG-autogas.-tankstations. Daarbij staat het rekening houden met effectafstanden centraal en wordt aangesloten bij hetgeen geregeld is in het [Besluit externe veiligheid inrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016767) (Bevi) en de [Regeling externe veiligheid inrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017168) (Revi). De aanpak voorziet voorts in een behoefte omdat daarmee, met de maatregelen van de sector, onnodige saneringsgevallen worden voorkomen. De circulaire beoogt de toename van de veiligheid als gevolg van maatregelen van de sector ook in de omgeving van de LPG-tankstations te verzilveren. Om die reden is de circulaire van toepassing op een nieuw bestemmingsplan op grond waarvan kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten nabij een LPG-tankstation gerealiseerd kunnen worden of op een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een LPG-tankstation. De circulaire is niet van toepassing op besluiten die geen of uitsluitend positieve veiligheidsconsequenties hebben in relatie tot bepaalde effecten van ongevalsscenario’s. Voorbeelden van besluiten waarop de circulaire niet van toepassing is, zijn het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan of het verhogen van de LPG-doorzet. Bij een conserverend bestemmingsplan blijft de veiligheidssituatie immers gelijk en het verhogen van de doorzet heeft geen invloed op het effect, alleen op het risico. De externe veiligheidsrisico’s zijn het domein van de [Revi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017168). Het in deze circulaire neergelegde beleid i"},{"i":5150,"b":"Protocol Accountantsonderzoek CAK Bestuurlijke verantwoording 2025 1. Inleiding De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) steunt bij het uitvoeren van de toezichtstaken op de controlewerkzaamheden van de accountant van het CAK. Dit Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2025 (hierna: protocol)1Op basis van artikel 31 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) kan de NZa regels stellen voor de inhoud en inrichting van de controleverklaring en van het accountantsverslag zoals bedoeld in artikel 4.3.1 van de Wlz. Artikel 6.2.6 (lid 1) van de Wlz geeft aan dat artikel 4.3.1 (lid 1 tot en met 4) van de Wlz van overeenkomstige toepassing is op het CAK. beschrijft de minimale werkzaamheden van de accountant alsook de op te leveren accountantsproducten. De NZa heeft in het [Model Jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052223) (hierna: model) voorschriften opgenomen voor de inrichting van de bestuurlijke verantwoording van het CAK. Dit protocol geeft richtlijnen voor het door de accountant uit te voeren onderzoek naar de in de bestuurlijke verantwoording opgenomen matrix van in- en uitgaande financiële stromen op kasbasis en toelichtingen daarop en de financiële overzichten van de activa en passiva van de financiële stromen en toelichtingen daarop. Het onderzoek betreft in de basis een controleopdracht conform [Standaard 800 van de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden](onbekend) (NV COS). De overige onderdelen van de bestuurlijke verantwoording worden voor dit onderzoek aangemerkt als ‘andere informatie’, waarop [Standaard 720 van de NV COS](onbekend) van toepassing is. In de bestuurlijke verantwoording legt het CAK verantwoording af met betrekking tot de uitvoering van vier wettelijke regelingen en taken. Dit betreffen: De accountant geeft de uitkomst van zijn onderzoek weer in een gecombineerde controleverklaring over de getrouwheid van de in de bestuurlijke verantwoording opgen"},{"i":2319,"b":"Aanwijzingsregeling Koninklijke Marechaussee ex artikel 92, tweede lid, Wiv 2017 Gelet op [artikel 92, tweede lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=92); Besluit: Artikel 1 Voor de feitelijke uitvoering van en het toezicht op de werkzaamheden ten behoeve van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst worden bij de Koninklijke Marechaussee aangewezen: - a. de Directeur Operaties, - b. de Commandant van het Landelijk Tactisch Commando, - c. het Hoofd Intelligence, - d. het personeel van de Bijzondere Dienst, en - e. het personeel van de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzingsregeling Koninklijke Marechaussee ex artikel 92, tweede lid, Wiv 2017. Deze regeling zal met de toelichting worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":2320,"b":"Aanwijzingsregeling regelingen ex artikel 7 en 7a WAO Gelet op de [artikelen 7, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=7), [7a, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=7a), [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=10), en [99 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=99); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Voor de toepassing van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) en de [Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt als werknemer beschouwd de persoon, die wegens werkloosheid niet werkt, en die een wachtgeld ontvangt uit hoofde van een dienstbetrekking die is geëindigd voor 1 januari 2001. 2. Voor de toepassing van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) en de [Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt eveneens als werknemer beschouwd de persoon, die wegens werkloosheid niet werkt en die een wachtgeld ontvangt uit hoofde van een dienstbetrekking die is geëindigd op of na 1 januari 2001, voorzover het recht op wachtgeld zich uitstrekt over een periode gelegen na het bereiken van de volledige uitkeringsduur van het, in verband met dezelfde werkloosheid ontstane, recht op uitkering op grond van de [WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), bedoeld in [hoofdstuk II van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II), inclusief een eventuele verlenging van die duur op grond van [artikel 76 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=76). Artikel 3 1. Voor de toepassing van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) en de [Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt als werknemer beschouwd de persoon, die wegens werkloosheid niet werkt, doch aan wie geen wachtgeld als bedoeld in [artikel 2](https://wetten."},{"i":2326,"b":"Besluit van 3 juni 2021, houdende regels ter uitvoering van de Alcoholwet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 maart 2021, kenmerk 1818247-217500-WJZ, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Gelet op de artikelen de [artikelen 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=1), [8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=8), [20a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=20a), [25e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=25e) en [44b, eerste en vierde lid, van de Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=44b), [artikel 257b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257b), [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=2), en [9, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=9), [artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18), [artikel 30c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30c), en [30d, vierde lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30d), [artikel 10, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=10) en [artikel 4.3, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3)1Stb. 2016, 156.; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 april 2021, no. W13.21.0052/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 mei 2021, kenmerk 2363368-1006301-WJZ, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In dit be"},{"i":2601,"b":"Beleidsregels financiële sanering toegelaten instellingen 2023 De directie van WSW, namens de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, en gezien de schriftelijke instemming van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Het navolgende betreft de vaststelling van beleidsregels als bedoeld in [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), inzake het nemen van besluiten ten aanzien van de financiële sanering van toegelaten instellingen in 2023 (Beleidsregels financiële sanering toegelaten instellingen 2023). Inleiding De [Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036530) is op 1 juli 2015 in werking getreden. [Artikel 57, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=57) bepaalt dat een toegelaten instelling subsidie kan ontvangen ten behoeve van de sanering van de toegelaten instelling. De regels met betrekking tot deze subsidie zijn nader uitgewerkt in het [Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702) (Btiv). De wet biedt de mogelijkheid om deze saneringstaak te mandateren aan de borgingsvoorziening ([artikel 59, lid 2, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=59)). Met het [Besluit mandatering Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw financiële sanering toegelaten instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036753) is de saneringstaak aan het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) gemandateerd. In dit mandaatbesluit is opgenomen dat WSW beleidsregels na voorafgaande instemming van de Minister kan vaststellen en op de volgende vier onderwerpen beleidsregels moet vaststellen: Dit besluit heeft betrekking op de vier onderwerpen waarover beleidsregels moeten worden vastgesteld en gaat tevens in op de beoordeling van een aanvraag tot saneringssubsidie. 1"},{"i":3574,"b":"Besluit van 8 juli 2011, houdende wijziging van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft en het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft ter implementatie van de herziene richtlijn beleggingsinstellingen alsmede de daarop berustende uitvoeringsrichtlijnen (Besluit implementatie herziene richtlijn beleggingsinstellingen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 19 april 2011, nr. FM/2011/8691 M; Gelet op de [artikelen 2:122, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:122), [2:122a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:122a), [2:123, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:123), [3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [4:11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:11), en[4:14, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), [4:16, derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:16), [4:17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:17), [4:22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:22), [4:25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:25), [4:26, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:26), [4:43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:43), [4:49, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:49), [4:57a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:57a), [4:57b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:57b), [4:57c, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:57c), [4:59a, derde lid](https://wetten.over"},{"i":2327,"b":"Besluit van 27 september 2016 tot vaststelling van het Algemeen besluit erkenning EU-beroepskwalificaties in verband met de implementatie van Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt («de IMI-verordening») en de uitvoering van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983 van de Commissie van 24 juni 2015 betreffende de procedure voor de afgifte van de Europese beroepskaart en de toepassing van het waarschuwingsmechanisme overeenkomstig Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad alsmede tot wijziging van enkele besluiten (Algemeen besluit erkenning EU-beroepskwalificaties) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 10 juni 2016, nr. WJZ/1002604 (6720), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [Richtlijn 2013/55](32013L0055)/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 november 2013 tot wijziging van [Richtlijn 2005/36/EG](32005L0036) betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt («de IMI-verordening») alsmede Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983 van de Commissie van 24 juni 2015 betreffende de procedure voor de afgifte van de Europese beroepskaart en de toepassing van het waarschuwingsmechanisme overeenkomstig [Richtlijn 2005/36/EG](32005L0036) van het Europees Parlement en de Raad, en de [artikelen 30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=30a), [30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=30b), [31a, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=31a), [31b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=31b), en [31c, vijfde lid van"},{"i":2328,"b":"Besluit van 5 juli 2008 houdende regels ter uitvoering van de Algemene douanewet (Algemeen douanebesluit) Op de voordracht van de staatssecretaris van Financiën van 8 februari 2008, nr. DV2007/103 M, gedaan mede namens Onze minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 1:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:4), [1:19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:19), [1:25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:25), [1:28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:28), [1:30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:30), [3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=3:1), [4:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=4:1), [9:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:5), [10:10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=10:10) en [12:1 van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=12:1); De Raad van State gehoord 10 april 2008, nr. W06.08.0054/III; Gezien het nader rapport van de staatssecretaris van Financiën van 2 juli 2008, nr. DV 2008-332U, uitgebracht mede namens Onze minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de staatssecretaris van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Algemene douanewet in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 1:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:4), [1:19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:19), [1:23h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:23h), [1:25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:25), [1:28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:28), [1:30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:30), [3:1](https://wetten.over"},{"i":6448,"b":"Besluit van 16 december 2022 tot wijziging van het Besluit periodieke registratie Wet BIG in verband met de periodieke registratie van de orthopedagoog-generalist en de klinisch technoloog Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 november 2022, kenmerk 3465063-1039314-WJZ; Gelet op de [artikelen 8, eerste lid en tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=8), [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=94) en [111 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=111); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 december 2022, No. W13.22.00160/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2022, kenmerk 3481969-1039314-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit periodieke registratie Wet BIG. Artikel II 1. Indien een ingeschrevene in een register als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder j of k, van het Besluit periodieke registratie Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024841&artikel=2) in het bezit is van een getuigschrift, verklaring of erkenning als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=8), welke is verkregen vóór de inwerkingtreding van dit besluit, geldt in afwijking van artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg de datum van inwerkingtreding van dit besluit als aanvangsdatum van de eerste vijfjaarlijkse registratieperiode. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op beroepsbeoefenaren die na de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingeschreven in het in dat lid bedoelde register, indien zij de aanvraag voor de inschrijving reeds vóór die datum hebben ingediend. Artikel III Dit besluit treedt in"},{"i":6109,"b":"Vreemdelingencirculaire Nederlanderschap in relatie tot verblijfsrecht 1. Inleiding Gebleken is dat er op incidentele basis in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) als Nederlander staan ingeschreven personen, ten aanzien van wie Aangezien personen van wie vaststaat dat zij de Nederlandse nationaliteit niet bezitten, niet als Nederlander kunnen worden aangemerkt, dient de inschrijving in de GBA in dergelijke gevallen in overeenstemming gebracht te worden met de daadwerkelijke situatie. Daarnaast komt het voor dat personen die de Nederlandse nationaliteit niet langer bezitten wegens verlies daarvan op grond van [15, aanhef en onder c, van de RWN](onbekend), Nederland binnen reizen in het bezit van een Nederlands reisdocument, maar niet worden ingeschreven in de GBA omdat bij het verzoek om inschrijving in de GBA wordt geconstateerd dat de persoon het Nederlanderschap verloren heeft. Gelet op de consequenties voor het verblijfsrecht, de toegang tot de arbeidsmarkt en eventuele verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen, verdient het aanbeveling dat de gemeente reeds voordat in de GBA verlies van de Nederlandse nationaliteit wordt aangetekend contact opneemt met de unit Naturalisatie en Nationaliteiten van de Regionale Directie Zuid West van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Personen van wie vaststaat dat zij de Nederlandse nationaliteit niet langer bezitten wegens verlies daarvan op grond van [artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN](onbekend), dan wel niet (langer) vaststaat dat zij de Nederlandse nationaliteit wel bezitten en een procedure ex [artikel 17 RWN](onbekend) starten, kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van de [Vreemdelingenwet](onbekend). NB In het wetsvoorstel tot wijziging van de RWN wordt, ten aanzien van de oud-Nederlanders die hun Nederlandse nationaliteit op grond van [artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN](onbekend) verlor"},{"i":6164,"b":"Besluit van 1 juni 1993, houdende Warenwetbesluit Uitvoer van waren Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 15 juni 1992, nr. VVP/L-U-921386, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikel 1, vijfde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1) (**Stb.** 1988, 360); Gezien het advies van de Adviescommissie [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) (advies van 22 maart 1990, nr. 14169/035); De Raad van State gehoord (advies van 3 maart 1993, nr. W13.92.0263); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 18 mei 1993, nr. DGVgz/VVP/L 93836, uitgebracht in overeenstemming met Onze voornoemde Minister en Staatssecretaris; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. waren: andere waren dan die waarop de in artikel II, eerste lid, van de Wijzigingswet 1988 Warenwet (**Stb.** 358) bedoelde besluiten van toepassing zijn; - b. uitvoer: het buiten Nederlands grondgebied brengen van waren; - c. samenstelling: het geheel van kenmerkende ingrediënten of kenmerkende onderdelen van waren; - d. **verordening (EG) 178/2002**: [verordening (EG) nr. 178/2002](32002R0178) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31). Artikel 2 De krachtens de [artikelen 4 tot en met 9 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4) (**Stb.** 1988, 360) gestelde voorschriften zijn niet van toepassing ten aanzien van waren die kennelijk bestemd zijn voor uitvoer: - a. voor zover die waren voldoen aan door het land van best"},{"i":6144,"b":"Besluit van 1 februari 1990, houdende regelen betreffende de veiligheid van kinderbedden en -boxen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 7 juli 1989, DGVgz/VVP/P-685271, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Overwegende, dat het wenselijk is met betrekking tot de veiligheid van kinderbedden en -boxen regelen te stellen ter voorkoming van lichamelijk letsel; Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1), 6, 8, [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12) en [14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) (**Stb.** 1988, 360); De Adviescommissie [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) gehoord (advies van 26 april 1984, nr. 13555/(11)15); De Raad van State gehoord (advies van 29 augustus 1989, no. W13.89.0378); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 19 januari 1990, VVP/P/U-686200 uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. kinderbed: een slaapmeubel, niet zijnde een wieg, dat bestemd is voor kinderen tot de leeftijd van ongeveer 4 jaar; - b. kinderbox: een meubel bestaande uit of voorzien van één of meerdere opstaande zijde(n) dat bestemd is om de actieradius van een hierin geplaatst kind te beperken; - c. bodem: het horizontale onderdeel van een kinderbed of -box dat bestemd is om als lig-, zit- of stavlak te dienen; - d. kindercentrum: kindercentrum als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.1). Artikel 2 1. Het is verboden kinderbedden en -boxen te verhandelen die niet voldoen aan de in of krachtens dit besluit gestelde eisen. 2. Het is verboden kinderbedden en -boxen te verhandelen anders dan met inachtneming"},{"i":6215,"b":"Wet van 5 september 1996 tot gemeentelijke herindeling van Schouwen-Duiveland en Walcheren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling van Schouwen-Duiveland en Walcheren te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Arnemuiden, Brouwershaven, Bruinisse, Domburg, Duiveland, Mariekerke, Middelburg, Middenschouwen, Valkenisse, Veere, Westerschouwen, Westkapelle en Zierikzee opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling worden de nieuwe gemeenten Middelburg, Schouwen-Duiveland en Veere ingesteld. Artikel 3 De nieuwe gemeente Middelburg bestaat uit het gebied van de op te heffen gemeenten Arnemuiden en Middelburg, met dien verstande dat haar grens komt te lopen als aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 4 De nieuwe gemeente Schouwen-Duiveland bestaat uit het gebied van de op te heffen gemeenten Brouwershaven, Bruinisse, Duiveland, Middenschouwen, Westerschouwen en Zierikzee. Artikel 5 De nieuwe gemeente Veere bestaat uit het gebied van de op te heffen gemeenten Domburg, Mariekerke, Valkenisse, Veere en Westkapelle, met dien verstande dat haar grens komt te lopen als aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Grenswijzigingen van niet op te heffen gemeenten Artikel 6 De grenzen van de gemeente Vlissingen worden gewijzigd als aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 3. Overige bepalingen Artikel 7 Ter uitvoering van [artikel 36, eerste en tweede lid, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36) wordt aangewezen: - a. de op te heffen gemeente Middelburg, voor de toepassing van die leden op de nieuwe"},{"i":6165,"b":"Besluit van 15 maart 2023, houdende vaststelling van regels in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2019/1020 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten (Warenwetbesluit uitvoering markttoezichtverordening) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 januari 2023, kenmerk 3472611-1040182-WJZ, mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [Verordening (EU) 2019/1020](32920R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van [Richtlijn 2004/42/EG](32004L0042) en de [Verordeningen (EG) nr. 765/2008](32008R0765) en (EU) [nr. 305/2011](32011R0305) (PbEU 2019, L 169) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 maart 2023, no. W13.23.00009/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 maart 2023, kenmerk 3545520-1040182-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 2.5 van de Wet uitvoering markttoezichtverordening in werking treedt. Artikel 1 Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften die gesteld zijn bij artikel 4, eerste, derde en vierde lid, 5, eerste en tweede lid, en 7, van [Verordening (EU) 2019/1020](32920R2019). Artikel 2 Bij ministeriële regeling worden één of meerdere autoriteiten als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van [Verordening (EU) 2019/1020](32920R2019) aangewezen. Artikel 3 Wijzigt het Warenwetbesluit algemene productveiligheid. Artikel 4 Wijzigt het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel 2.5 van de"},{"i":2331,"b":"Besluit van 25 februari 1982, houdende regelen betreffende de rechtstoestand van de militaire ambtenaren van de krijgsmacht Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, C. L. J. van Lent van 25 mei 1981, nr. PP81/091/1244; Overwegende, dat het wenselijk is de bepalingen inzake de rechtstoestand van de militaire ambtenaren van de krijgsmacht aan te passen aan de thans dienaangaande bestaande inzichten en opvattingen; Gelet op artikel 68 van de Grondwet (**Stb.** 1972, 193), [artikel 125 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) 1929 (**Stb.** 530), [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) (**Stb.** 519) en [artikel 2 van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003883&artikel=2) (**Stb.** 1954, 576); De Raad van State gehoord (advies van 5 oktober 1981, nr. 810923/16); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie, J. van Houwelingen van 18 februari 1982, nr. PP81/094/403; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Betekenis van uitdrukkingen 1. In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister** Onze Minister van Defensie; - b. **militair** de militaire ambtenaar in de zin van [artikel 1, eerste en tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1); - c. **militair in werkelijke dienst** – tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald – de militair die: - 1. is aangesteld bij het beroepspersoneel, tenzij hij op non-activiteit is gesteld of hem buitengewoon verlof van lange duur is verleend; - 2. behoort tot het reservepersoneel en als zodanig feitelijk onder de wapenen is; - d. **officiersrang** de rang van luitenant ter zee der 3e klasse of van tweede-luitenant of een hogere rang; - e. **operationeel commando:** de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht,"},{"i":2333,"b":"Algemeen/Formeel recht, ondermandaat De Minister van Economische Zaken heeft het volgende besloten: In dit besluit wordt het door de Minister van Economische Zaken aan de directeur-generaal Belastingdienst verleende mandaat tot aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren van de Belastingdienst ondergemandateerd aan de voorzitter van het managementteam Belastingdienst/Holland-Midden. 1. Ondermandaatverlening De Minister van Economische Zaken heeft in het [besluit van 14 december 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020870), Stcrt. 252, aan de directeur-generaal Belastingdienst mandaat verleend om met ingang van 1 januari 2007 namens hem ambtenaren van de Belastingdienst aan te wijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de [Wet energiebesparing toestellen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003916) en de [Wet uitvoering antiboycotverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010176). Er is voor gekozen de aanwijzing te laten plaatsvinden door de voorzitter van het managementteam Belastingdienst Holland-Midden. Gelet hierop wordt aan de voorzitter Belastingdienst/Holland-Midden ondermandaat verleend om namens de Minister van Economische Zaken ambtenaren van de Belastingdienst aan te wijzen als ambtenaren belast met het toezicht op naleving van de [Wet energiebesparing toestellen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003916) en de [Wet uitvoering antiboycotverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010176). 2. Toelichting Naar aanleiding van de [regeling van de Minister van Economische Zaken van 17 augustus 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010656) (Stcrt. 161) tot mandaatverlening aanwijzing toezichthoudende ambtenaren en de [Aanwijzingsregeling buitengewoon opsporingsambtenaren als toezichthouders voor diverse economische wetten van 1 september 1999](onbekend) (Stcrt. 172) zijn ambtenaren van de Belastingdienst/FIOD-ECD belast met het toezicht op de naleving van diverse economische wetten. Deze toezich"},{"i":6277,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot samenvoeging van de gemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn en een deel van het grondgebied van de gemeente Winsum Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn samen te voegen tot de nieuwe gemeente Westerkwartier en een deel van het grondgebied van de gemeente Winsum aan de nieuwe gemeente Westerkwartier toe te voegen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en grenswijziging van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Westerkwartier ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn en een deel van het grondgebied van de gemeente Winsum, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Westerkwartier wordt de op te heffen gemeente Leek aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn wordt de nieuwe gemeente Westerkwartier aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":6268,"b":"Wet van 4 juni 2015 tot samenvoeging van de gemeenten Bussum, Muiden en Naarden en wijziging van de grens met de gemeente Weesp Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Bussum, Muiden en Naarden samen te voegen en de grens met de gemeente Weesp te wijzigen om op korte termijn bij te dragen aan bestuurskrachtversterking in de Gooi en Vechtstreek; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Bussum, Muiden en Naarden opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Gooise Meren ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Bussum, Muiden en Naarden, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Wijziging van de grens met de gemeente Weesp Artikel 3 Met ingang van de datum van herindeling wordt de grens met de gemeente Weesp gewijzigd, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 3. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Gooise Meren wordt de op te heffen gemeente Bussum aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Bussum, Muiden en Naarden wordt de nieuwe gemeente Gooise Meren aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [art"},{"i":6286,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot samenvoeging van de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik en wijziging van de grens tussen de provincies Utrecht en Zuid-Holland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik samen te voegen tot de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden en in verband daarmee de grens tussen de provincies Zuid-Holland en Utrecht te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden ingedeeld bij de provincie Utrecht, waarbij de grens tussen de provincies Utrecht en Zuid-Holland wordt gewijzigd, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden wordt de op te heffen gemeente Leerdam aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik wordt de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&a"},{"i":2342,"b":"Besluit van 15 december 1995, houdende regelen ter uitvoering van een aantal bepalingen van de Archiefwet 1995 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, A. Nuis, van 6 september 1995, 95022683/8010, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=9), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=12), [21, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=21), [23, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=23), [25, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=25), en [41, tweede lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=41); Gezien het advies van de Raad voor het cultuurbeheer; De Raad van State gehoord (advies van 31 oktober 1995, nr. W05.95.0489); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, A. Nuis, van 12 december 1995, 95031870/8010, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376); - b. selectielijsten: selectielijsten als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) van de wet. Hoofdstuk II. Het ontwerpen van selectielijsten, alsmede de vervanging en vervreemding van archiefbescheiden Artikel 2 1. Bij het ontwerpen en vaststellen van selectielijsten, bij besluiten omtrent de vervanging van archiefbescheiden door reprodukties en bij besluiten omtrent de vervreemding van archiefbescheiden wordt rekening gehouden met: - a. de taak van het desbetreffende overheidsorgaan; - b. de verhouding van dit overheidsorgaan tot andere overheidsorganen; - c. de waarde van de archiefbescheiden als"},{"i":5572,"b":"Besluit van 21 mei 1964, houdende uitvoering van artikel 52, tweede lid, van de Visserijwet 1963 Op de voordracht van Onze Ministers van Landbouw en Visserij a.i. van 10 maart 1964, no. J. 642, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken en van Justitie van 20 mei 1964, Stafafdeling Wetgeving, Privaatrecht, nr. 163/664; Gelet op [artikel 52, tweede lid, van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=52); De Raad van State gehoord (advies van 8 april 1964, no. 68); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 6 mei 1964, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; no. J. 1050; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, de leden, de secretaris en de plaatsvervangende secretarissen van de Kamer voor de Binnenvisserij zullen, alvorens in bediening te treden, de eed (belofte) afleggen: \"Dat zij getrouw zullen zijn aan de Koning, en de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) zullen onderhouden en nakomen. Dat zij, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel, tot het verkrijgen hunner aanstelling aan iemand, wie hij ook zij, iets hebben gegeven of beloofd, noch zullen geven of beloven. Dat zij nimmer enige giften of geschenken zullen aannemen of ontvangen van enig persoon, welke zij weten of vermoeden enige zaak te hebben of te zullen krijgen, in welke hun ambtsverrichtingen zouden kunnen te pas komen. Dat zij zich noch directelijk of indirectelijk over enige door hen behandelde aangelegenheid, of die zij weten of vermoeden, dat door hen behandeld zal worden, in enig bijzonder onderhoud of gesprek zullen inlaten met partijen of derzelver advocaten of gemachtigden, noch daarover enige bijzondere onderrichting, memorie of schrifturen zullen aannemen. Dat zij voorts hun posten met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zullen waarnemen en zich in de uitoefening van hun be"},{"i":2544,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 25 juni 2024, nummer 5568376, over het nemen van verdeelbesluiten in het kader van artikel 5 van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (Beleidsregel verdeelbesluiten) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 5 van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=5) (Stb. 2024, 12); Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - **Staatssecretaris:** De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; - **Verslag:** Het verslag van de commissaris van de Koning van het overleg tussen de colleges van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en het COA over de verdeling van opvangplaatsen, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=4). Artikel 2. Invulling van het verdeelbesluit door de staatssecretaris 1. De staatssecretaris neemt steeds het verslag van de commissaris van de Koning als uitgangspunt voor het nemen van een verdeelbesluit voor de provincie. 2. Wanneer in het verslag een volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen, wordt deze verdeling uit het verslag door de staatssecretaris overgenomen in het verdeelbesluit. 3. Wanneer in het verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen, dan vult de staatssecretaris deze verdeling in. Artikel 3. In aanmerking te nemen omstandigheden bij een niet volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave Wanneer in het verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen laat de staatssecretaris zich bij het nemen van het verdeelbesluit leiden door: - a. het streven naar een zo evenwicht"},{"i":2348,"b":"Bedrijfsfusiebesluit 2025 De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit bevat het beleid voor de bedrijfsfusie in de vennootschapsbelasting** **en vervangt het besluit van 12 augustus 2022, nr. 2022-188681, (** **Stcrt. 2022, 22281** **). Met de actualisering van dit besluit is het volgende gewijzigd. Dit besluit bevat geen tekstblokken meer voor de inspecteur. De beleidsmatige onderdelen van deze tekstblokken zijn in het huidige besluit verwerkt in de hoofdtekst van het besluit, een inhoudelijke beleidswijziging is niet beoogd. Paragraaf 3.6 verduidelijkt dat met het afgeven van een beschikking op grond van artikel 14, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de inspecteur geen zekerheid verstrekt over de zogenoemde ontgaanstoets van artikel 14, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De toelichting op artikel 13ca van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vervallen, omdat de kans klein is dat deze met ingang van 2006 vervallen bepaling via het overgangsrecht nog toepassing vindt. In paragraaf 7.2. geldt geen beperking meer voor de algemene toestemming van de inspecteur voor situaties waarbij de overdrager of overnemer de rechtsvorm heeft van een coöperatie. Voor de situatie dat de overnemer valt onder artikel 9, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de overdrager niet, is in paragraaf 7.3.2. een (aanvullende) voorwaarde opgenomen. Paragraaf 8 over het meegeven van verliezen is zo geherformuleerd dat als voldaan wordt aan de voorwaarden, de goedkeurende regeling direct van toepassing is. Een voorafgaande beslissing door de inspecteur is niet meer vereist. Door deze aanpassing is het beleid voor het meegeven van verliezen bij bedrijfsfusie nu procedureel gelijk aan dit beleid bij de andere reorganisatiefaciliteiten. De inhoudelijke voorwaarden voor toepassing van de goedkeuring zijn ongewijzigd. Paragraaf 8.5 ‘Andere subjectgebonden aanspraken’ is nieuw toegevoegd."},{"i":2349,"b":"Wet van 25 juni 1997 tot vaststelling van een Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en overige verpleegden strafrechtstoepassing en daarmede verband houdende wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht en de Beginselenwet gevangeniswezen (Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen omtrent de beginselen waarop de verpleging in inrichtingen voor verpleging van ter beschikking gestelden en de rechtspositie van verpleegden, in het bijzonder van de ter beschikking gestelden die in justitiële inrichtingen als bedoeld in [artikel 90quinquies, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=90), worden verpleegd, berusten en in verband daarmee enige bepalingen van het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en de Beginselenwet gevangeniswezen te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1 In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: de Minister voor Rechtsbescherming; - b. instelling: een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1); - c. vervallen; - d. vervallen; - e. vervallen; - f. hoofd van de instelling: het hoofd van de instelling, alsmede diens plaatsvervanger als bedoeld in [artikel 3.1, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=3.1), of [artikel 3.3, vierde lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=3.3); - g. private instelling: een instelling als bedoeld in [artikel 3.2, van de Wet"},{"i":4265,"b":"Besluit vergunning BankGiro Loterij 2017–2021 **Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 23 december 2016, kenmerk 10235, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van een gelegenheid als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de kansspelen.** Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het Kansspelenbesluit verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan de BankGiro Loterij, een Naamloze Vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Amsterdam met nummer 41126590 (hierna: de vergunninghouder), vergunning voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021. Aan deze vergunning zijn de navolgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de loterijen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Vergund kansspel B. Afdracht ten behoeve van het algemeen belang C. Bescherming van kwetsbare groepen D. Bescherming van consumenten E. Betrouwbaarheid en integriteit F. Controle, rapportage en toezicht G. Overig Bijlage A Niet opgenomen."},{"i":7075,"b":"Overeenkomst tussen de Regeringen van de Beneluxstaten (het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden, het Groothertogdom Luxemburg) en de Regering van de Republiek Estland betreffende de overname van onregelmatig verblijvende personen (Overnameovereenkomst) De Regeringen van de Beneluxstaten (het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden, het Groothertogdom Luxemburg), die krachtens de bepalingen van de op 11 april 1960 gesloten [Benelux-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246) gemeenschappelijk optreden, en De Regering van de Republiek Estland hierna genoemd „de Overeenkomstsluitende Partijen”, Ernaar strevend de overname van personen die zich illegaal op het grondgebied van de Staat van een andere Overeenkomstsluitende Partij ophouden, dit wil zeggen die niet of niet meer voldoen aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst of verblijf, en de doorgeleiding van te repatriëren personen in een geest van samenwerking en op basis van wederkerigheid te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Definities en werkingssfeer 1. In deze Overeenkomst dient te worden verstaan onder grondgebied van: - a. de Benelux: het gezamenlijke grondgebied van het Koninkrijk België, van het Koninkrijk der Nederlanden en van het Groothertogdom Luxemburg; - b. de Republiek Estland: het grondgebied van de Republiek Estland. 2. In deze Overeenkomst dient te worden verstaan: - a. onder „derde Staten\": elke Staat die geen Beneluxstaat en niet de Republiek Estland is; - b. onder „onderdaan van een derde Staat\": eenieder die geen onderdaan van één der Beneluxstaten of van de Republiek Estland is; - c. onder „buitengrenzen\": - (1) de eerst overschreden grens die niet een gemeenschappelijke grens van de Overeenkomstsluitende Partijen is; - (2) iedere binnen het Beneluxgebied of op het grondgebied van de Republiek Estland gelegen lucht- of zeehaven, waar personenverkeer van of naar een derde Staat plaatsvindt. Artikel 2. Overname van onderda"},{"i":2353,"b":"Besluit van 21 januari 2009 tot uitvoering van de Bekendmakingswet (Bekendmakingsbesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 15 oktober 2008, nr. 556829/08/6, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Gelet op de [artikelen 1, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=1), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=8) en [10a, eerste en tweede lid, van de Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=10a); De Raad van State gehoord (advies van 12 november 2008, nr. W03.08.0457/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 15 december 2008, nr. 5577375/08/6, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wet elektronische bekendmaking in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid. Hoofdstuk 2. Uitgifte van het Staatsblad Artikel 2 1. Het Staatsblad wordt uitgegeven op een bij ministeriële regeling te bepalen internetadres. 2. Op het Staatsblad wordt vermeld wanneer het is uitgegeven. Artikel 3 Onze Minister draagt er zorg voor dat het Staatsblad na de uitgifte elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar blijft. Artikel 4 1. Onze Minister draagt er zorg voor dat de nodige maatregelen worden getroffen ter waarborging van de betrouwbaarheid en de beveiliging van de uitgifte en de beschikbaarstelling van het Staatsblad. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid. Artikel 5 In het Staatsblad wordt opgenomen al hetgeen waarvan een wet, algemene maatregel van bestuur of ander koninklijk besluit waarbij algemeen verbindende voorschriften worden vastgesteld bekendmaking in het Staatsblad voorschrijft, alsmede datgene wat in verband"},{"i":7911,"b":"Regels vrijwillige ziekengeldverzekering 2007 Gelet op [artikel 71 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=71) en [artikel 73, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=73); Besluit: Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Wet: de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) - b. vrijwillige verzekering: de vrijwillige verzekering op grond van [hoofdstuk IV van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&hoofdstuk=IV) - c. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Hoofdstuk II. Aanmelding Artikel 2 Een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering geschiedt met gebruikmaking van een door het UWV ter beschikking gesteld aanvraagformulier. Artikel 3 1. De persoon bedoeld in [artikel 64, eerste lid, onderdeel b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=64), legt bij de aanmelding voor de vrijwillige verzekering bij het UWV een verklaring over, waaruit ten genoegen van het UWV blijkt wie de werkgever van betrokkene in het buitenland was, naar welk loon betrokkene in het buitenland verplicht verzekerd was en wanneer de verzekering van betrokkene daar eindigde. 2. Bij de aanmelding voor de vrijwillige verzekering, bedoeld in [artikel 64, tweede lid, onderdelen b en c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=64), wordt een verklaring overgelegd, waaruit ten genoegen van het UWV blijkt, welke nationaliteit betrokkene bezit, welke werkzaamheden hij verricht en door welke organisatie hij wordt uitgezonden. Artikel 4 De termijn van vier weken, genoemd in [artikel 66, eerste en tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=66), wordt gerekend aan te vangen voor degene, die binnen de daarvoor vastgestelde termijn een aanvraag om uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl"},{"i":5271,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 2 november 2016, nr. 2016-0000574114, houdende de aanwijzing van topmanagementgroep-functies (Regeling aanwijzing TMG-functies) Gelet op [artikel 7, vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=7); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing TMG-functies Als functies behorende tot de topmanagementgroep als bedoeld in [artikel 6, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042692&artikel=6) worden aangewezen de functies van: - a. secretaris-generaal directeur-generaal inspecteur-generaal thesaurier-generaal directeur van het Centraal Planbureau directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau directeur Planbureau voor de Leefomgeving Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid ABDTOPconsultant - b. inspecteur-generaal Rijksinspectie Digitale Infrastructuur bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat plaatsvervangend secretaris-generaal bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat hoofddirecteur Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat plaatsvervangend secretaris-generaal bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat plaatsvervangend secretaris-generaal bij het Ministerie van Defensie hoofddirecteur Financiën en Control bij het Ministerie van Defensie plaatsvervangend secretaris-generaal bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid plaatsvervangend secretaris-generaal bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid inspecteur-generaal bij de Inspectie Justitie en Veiligheid bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid plaatsvervangend secretaris-generaal bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport plaatsvervangend secretaris-generaal bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken plaatsvervangend secretaris-generaal bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit inspecteur-generaal d"},{"i":6396,"b":"Besluit van 12 maart 2008 tot wijziging van onder meer het Besluit bekostiging WEC in verband met het wegnemen van enkele knelpunten bij de leerlinggebonden financiering Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sharon A.M. Dijksma, van 21 december 2007, nr. WJZ/2007/50494(2637), directie Wetgeving en Juridische Zaken; gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op de [artikelen 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=2), [8a, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=8a), [24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=24), [28b, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=28b), [28c, tweede, vierde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=28c), [70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=70), [71a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71a), [76a, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=76a), [117, zesde, achtste, elfde en dertiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117), en [131, derde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=131) en [artikel 120, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=120); De Raad van State gehoord (advies van 15 februari 2008, nr. W05.08.0011/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sharon A.M. Dijksma, van 6 maart 2008, nr. WJZ/2008/6525(2637), directie Wetgeving en Juridische Zaken; uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bekostiging WPO. Artikel II Wijzigt het Besluit bekostiging WEC. Artikel III Wijzigt het Besluit leerlinggebonden financie"},{"i":6347,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2018, kenmerk 2266413 houdende wijziging van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=4), de [artikelen 257c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257c), en [388, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=388) en [artikel 8, derde lid, van het Transactiebesluit 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006664&artikel=8); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie. Artikel II Tot 1 januari 2019 kunnen de vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling gebruikte modellen en formulieren nog worden gebruikt voor zover op de achterzijde van Blad A1 schriftelijk opgave wordt gedaan van de bij deze wijziging opgenomen aanvullende gegevens. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2357,"b":"Beleid t.a.v. buitenlandse projecten toegelaten instellingen Geacht college/bestuur, Inleiding In toenemende mate maar vooralsnog op een bescheiden schaal ondersteunen toegelaten instellingen (t.i's) projecten in het buitenland, alsmede in Aruba en in de Nederlandse Antillen. Deze ontwikkeling is voor mij aanleiding u te informeren over mijn beleid terzake en de wijze waarop ik in de periode tot aan de eventueel uit de Nota Mensen, Wensen, Wonen voortvloeiende regelgeving daarop toezicht houd. Typering bijdragen In de praktijk blijkt dat de motieven om projecten in het buitenland te ondersteunen voor het merendeel gericht zijn op het verstrekken van noodhulp en op de institutionele versterking van de sociale sector aldaar. Ten aanzien van de gedaante waarin de t.i's bijdragen verlenen aan dergelijke projecten worden twee hoofdvormen onderscheiden: • Bijdragen in natura/schenkingen Gedacht moet daarbij worden aan onder meer opleiding of kennisoverdracht ter plaatste, tijdelijke detachering van personeel, directe financiële bijdrage of een uitnodiging voor een oriëntatiebezoek in Nederland. Het gaat daarbij om betrekkelijk geringe kostenbijdragen, die in redelijkheid het karakter van een schenking hebben. • Investeringsbijdragen Hierbij is sprake van een meer langdurige relatie, waarbij de t.i. vaak in schriftelijk vastgelegde overeenkomsten voorwaarden stelt aan inzet, besteding, terugbetaling en risicobeheersing van de beschikbaar gestelde gelden en (mede)-invloed heeft op het resultaat waarvoor de financiële bijdrage wordt geleverd. Te denken is daarbij aan projectfinanciering, leningen, garanties (rente)subsidies etc. Het verschil in karakter van beide vormen van bijdragen is aanleiding om onderscheid te maken in de wijze van beoordeling en het toezicht daarop. Toezicht De [Woningwet](onbekend) en het [Besluit beheer sociale-huursector](onbekend) (BBSH) zijn niet ingericht op het ontwikkelen van buitenlandse activiteiten door t.i's; de regelgeving beperkt het werk"},{"i":2358,"b":"Beleidsbesluit aanpassing looptijd wegens (getemporiseerde) verhoging van de AOW-leeftijd **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het Besluit van 13 december 2019, nr. 2019-0000024804. Bij de eerdere actualisering van dit besluit op 13 december 2019 is per abuis de opgenomen goedkeuring ten aanzien van de uitkeringsperiode van de overbruggingslijfrente beperkt tot uiterlijk de AOW-leeftijd. Dit is hersteld in dit besluit. Verder is een in de praktijk bestaande onduidelijkheid over het uiterste moment waarop de uitkeringen uit een regeling voor overbruggings- of prepensioen in kunnen gaan verduidelijkt en zijn de goedkeuringen met betrekking tot VUT-regelingen komen te vervallen omdat deze hun belang hebben verloren.** 1. Inleiding Bij de invoering van de [Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018053) is via overgangsrecht een voorziening getroffen voor op 31 december 2004 bestaande regelingen voor overbruggingspensioenen als bedoeld in [artikel 18e van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18e) (tekst 2004) en prepensioenen als bedoeld in [artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=38a) (tekst 2004). Onder bepaalde voorwaarden zijn de wettelijke fiscale bepalingen voor deze bestaande regelingen van kracht gebleven. De bedoelde regelingen hebben als kenmerk dat ze moeten eindigen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Als de op 31 december 2004 bestaande regelingen voor overbruggingspensioenen en prepensioenen niet voldoen aan deze laatste voorwaarde kunnen zij worden aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van [artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32ba) (hierna: RVU), dan wel als een onzuivere pensioenrege"},{"i":6034,"b":"Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie tussen het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, hierna „de verdragsluitende partijen” genoemd; Zich ervan bewust dat zij als lidstaten van de Europese Unie de verplichting hebben hun economisch beleid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang te beschouwen; Verlangend de voorwaarden voor een sterkere economische groei in de Europese Unie te bevorderen en daartoe een steeds nauwere coördinatie van het economisch beleid in de eurozone te ontwikkelen; Voor ogen houdend dat het voor het behoud van de stabiliteit van de eurozone als geheel van essentieel belang is dat regeringen gezonde en houdbare overheidsfinanciën handhaven en voorkomen dat een algemeen overheidstekort buitensporig wordt, en dat daartoe specifieke voorschriften moeten worden ingesteld, onder andere een „regel inzake begrotingsevenwicht” en een automatisch mechanisme voor corri"},{"i":9729,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest betreffende de uitvoering van de ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium Het Koninkrijk der Nederlanden, en Het Vlaams Gewest, hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen’’, Overtuigd van het belang van de optimalisering van de veiligheid, de toegankelijkheid en de natuurlijkheid in het Schelde-estuarium, Handelend vanuit het vaste voornemen om daartoe voortvarend en in samenhang invulling te geven aan de door de Regeringen van de Verdragsluitende Partijen op 17 december 2004 en 11 maart 2005 vastgestelde besluiten van de Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium, Overwegende dat de uitvoering van de daarin voorziene projecten en werken zal bijdragen tot het behoud van de fysieke systeemkenmerken van het Schelde-estuarium; komen het volgende overeen: Hoofdstuk I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Doel en voorwerp van het Verdrag 1. Dit Verdrag heeft tot doel de tenuitvoerlegging te verzekeren van een aantal projecten en werken ten behoeve van de evenwichtige en duurzame ontwikkeling van het Schelde-estuarium en ter optimalisering van met name de veiligheid, de toegankelijkheid en de natuurlijkheid. 2. De Verdragsluitende Partijen zullen ervoor zorgdragen, dat bij de tenuitvoerlegging van de projecten en werken bedoeld in het eerste lid, de onderlinge samenhang behouden blijft. Vertragingen, belemmeringen of herzieningen van een bepaald project of een bepaald werk zullen de voortgang van andere projecten en werken niet verhinderen. 3. Met het oog op de optimalisering van de veiligheid, de toegankelijkheid en de natuurlijkheid dienen de fysieke systeemkenmerken van het Schelde-estuarium in hun natuurlijke dynamiek behouden te blijven. Hiertoe wordt, overeenkomstig Artikel 6, een gemeenschappelijk fysiek monitoringplan opgesteld en uitgevoerd. Artikel 2. Begripsbepalingen In dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „Nederland”: het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden; - b. „Vlaan"},{"i":6009,"b":"Vaststelling CASO-tarieven met ingang van 1 januari 2001 Bij de publicatie, in het gele katern van 4 oktober 2000, van de CASO-tarieven per 1 januari 2001 is een mogelijke extra verhoging van de CASO-tarieven met 2,6% aangekondigd, samenhangend met de definitieve besluitvorming over het toekomstig beheer van het CASO-systeem. In dit verband is inmiddels besloten dat deze verhoging daadwerkelijk zal worden geëffectueerd. Daarom zijn thans de definitieve tarieven, geldend voor het jaar 2001, vastgesteld, zoals hierna vermeld. Tarieven Basispakket Voor de levering van het basispakket gelden de volgende tarieven: Bij de vaststelling van het aantal subdienstverhoudingen worden alleen subdienstverhoudingen meegerekend waarvoor in de betreffende maand een (salaris-)berekening is uitgevoerd. Facultatieve leveringen Op de tarieven voor het basispakket wordt een opslag toegepast voor verschillende facultatieve leveringen. Hiervoor gelden de volgende tarieven. Basisinformatie (registratieformulieren) Voor de levering van de basisinformatie (registratieformulieren) wordt, afhankelijk van het gekozen medium, een meerprijs in rekening gebracht van: Boekings- en kostenoverzicht Voor de levering van het maandelijkse boekings- en kostenoverzicht wordt, afhankelijk van het gekozen medium, een meerprijs in rekening gebracht van: De levering langs elektronische weg is geïntegreerd in de **realisatiegegevens** (zie hierna). Realisatiegegevens Voor de levering van de realisatiegegevens langs elektronische weg geldt een tarief van f 0,13 per subdienstverhouding per maand, met een minimum van f 35,-- per AK per maand. Salarisspecificaties De salarisspecificatie kan: Daarnaast bestaat de mogelijkheid de gegevens van de salarisspecificatie langs elektronische weg geleverd te krijgen. Wanneer het exemplaar op papier in enkelvoud verschijnt (dit exemplaar is bestemd voor de werknemer) is dit uiteraard voor de archivering op het AK noodzakelijk; wanneer een exemplaar op papier bij het AK achter"},{"i":2361,"b":"Beleidsbesluit inkoop eigen aandelen De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit bevat beleid voor de inkoop van aandelen. Meest recent is dit beleid gewijzigd door het besluit van 3 oktober 2025, nr. 2025-23168 (** **Stcrt. 2025, 36969** **). Deze wijziging gaf verdere verduidelijking van de reikwijdte van artikel 10c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met betrekking tot derivaten (onderdeel 2).** 1. Inleiding De inkoop van eigen aandelen ter afdekking van werknemersopties is wettelijk geregeld in [artikel 10c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10c) (hierna Wet Vpb) en [artikel 3, derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=3) (hierna Wet DivBel). Bij de toepassing van dit wettelijke regime hanteer ik het volgende beleid: Ik licht dit beleid hieronder nader toe in de onderdelen 2. en 3. 2. Beleid met betrekking tot [artikel 10c van de Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10c) 2.A. Inkoop van eigen aandelen ter dekking van werknemersopties voor 21 februari 2001 2.A.1. Goedkeuring Voor de inwerkingtreding van [artikel 10c van de Wet Vpb 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10c) op 29 augustus 2002 golden er geen bijzondere wettelijke regels voor de inkoop van eigen aandelen. Over wat toen de fiscale gevolgen waren van inkoop ter afdekking van werknemersopties heb ik uitlatingen gedaan die tot de conclusie konden leiden dat het verschil tussen de inkoopprijs van de aandelen en de uitoefenprijs van de optie ook als verlies ten laste van het resultaat gebracht kon worden, voor zover dit verschil uitgaat boven het bedrag dat volgt uit het toen geldende [artikel 9, derde lid, van de Wet Vpb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=9) (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997–1998, 25 721, nr. 5, blz. 15). Uit de arresten van de Hoge Raad"},{"i":2362,"b":"Beleidskader bijdrageregeling begeleiden van ex-gedetineerden voor wonen en werken 2026, Dienst Justitiële Inrichtingen 1. Inleiding Sinds 2014 worden gemeenten gestimuleerd bij het opzetten van trajecten voor begeleiding van (ex-)gedetineerde burgers. De aanleiding hiervoor is een aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Van der Staaij, waardoor structurele middelen beschikbaar zijn gekomen voor gemeenten,1Kamerstukken II 2013/14, nr. 33750 VI. thans ter hoogte van € 4,4 mln. per jaar. Met de ‘Bijdrageregeling begeleiden van ex-gedetineerden voor wonen en werken’ kunnen gemeenten extra projecten starten om ex-gedetineerden aan een woning en werk te helpen. In de afgelopen jaren is gebleken dat deze gelden een stimulans zijn voor gemeenten om gezamenlijk of met particuliere organisaties trajecten op het terrein van wonen en werken voor (ex-)gedetineerde burgers op te zetten of te financieren. De onderhavige bijdrageregeling is in lijn met de ketenbrede samenwerking tussen DJI en netwerkpartners. Eén van die netwerkpartners is de gemeente, die een grote rol heeft bij het op orde krijgen van de vijf basisvoorwaarden voor een succesvolle re-integratie: werk & inkomen, wonen, zorg, identiteitsbewijs en schuldhulpverlening. Ook is bekend dat veel gemeenten al voorafgaand aan detentie, vormen van hulp of ondersteuning bieden en dat zij die hulp of ondersteuning tijdens en na detentie voortzetten. Deze bijdrageregeling is een stimulans voor het realiseren van de ambities uit het bestuurlijk akkoord ‘Kansen bieden voor re-integratie’ uit 2019. In dit akkoord, hebben de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), de reclasseringsorganisaties en de DJI, hun gezamenlijke maatschappelijke ambities vastgelegd.2[Bestuurlijk akkoord Kansen bieden voor re-integratie | Publicatie | dji.nl](https://www.dji.nl/documenten/publicaties/2019/12/23/bestuurlijk-akkoord-kansen-bieden-voor-re-integratie) De kern hiervan is om nauw samen te werken aan een succesvolle re-integratie van gedetineerde"},{"i":2364,"b":"Beleidskader rechtspositie stagiairs bij de sector Rijk 2025 1. Inleiding Sinds 2012 is sprake van een uniforme handelswijze binnen de sector Rijk ten aanzien van de stagiairs. Daarover wordt conform de rijksbrede strategie op het gebied van arbeidsmarktcommunicatie en werving als één organisatie naar buiten toe opgetreden. In dit beleidskader zijn de actuele afspraken over de rechtspositie van stagiairs opgenomen die voor de inwerkingtreding van de [Wet normalisering rechtspositie ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039393) per 1 januari 2020 waren opgenomen in circulaires. 2. Reikwijdte beleidskader Dit beleidskader is van toepassing voor alle organisaties binnen de sector Rijk. Dit beleidskader heeft geen betrekking op het in dienst nemen van studenten op een leerwerkplek – zoals dit bijvoorbeeld het geval is bij een mbo-beroepsbegeleidende leerweg (BBL) en hbo-duale opleidingstrajecten – waarbij de student van een onderwijsinstelling een aantal dagen per week in dienstverband werkt op een leerwerkplek en een aantal dagen per week naar school gaat. 3. Modellen stageovereenkomst Een uniforme handelswijze van de sector Rijk met betrekking tot de rechtspositie van stagiairs komt onder andere tot uiting door het hanteren van (uniforme) modellen voor de stageovereenkomst. Hiermee wordt ook de herkenbaarheid naar de onderwijsinstellingen en de stagiairs bevorderd. In de praktijk blijkt dat er twee soorten overeenkomsten worden gesloten. Bij één overeenkomst is er sprake van betrokkenheid van drie partijen, namelijk de stageverlener, de onderwijsinstelling en de stagiair. Aangezien niet bij alle onderwijsprogramma’s een stage verplicht is, is er niet altijd een rol voor de onderwijsinstelling weggelegd. In dat geval sluit de stageverlener een overeenkomst met (uitsluitend) de stagiair. Wanneer sprake is van drie partijen, wordt sinds 1 juni 2024 voor wo-studenten de [overeenkomst](https://www.universiteitenvannederland.nl/onderwerpen/onderwijs/gemeensch"},{"i":2366,"b":"Beleidslijn van de Minister van Financiën inzake de aanvraag of verlening van een verklaring van geen bezwaar voor een gekwalificeerde deelneming in een marktexploitant op grond van artikel 5:32d Wft Inleiding Deze beleidslijn vervangt de [Beleidslijn verklaringen van geen bezwaar markten in financiële instrumenten in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020842) (hierna: de oude beleidslijn). De wijzigingen zijn het gevolg van de inwerkingtreding van de [Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022731). Deze wet strekte tot wijziging van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) (Wft) ter implementatie van de richtlijn markten voor financiële instrumenten (MiFID), de uitvoeringsrichtlijn MiFID en de uitvoeringsverordening MiFID. Artikel 2, onderdeel 8, van de uitvoeringsverordening MiFID definieert een handelsplatform als een gereglementeerde markt, een multilaterale handelsfaciliteit of een beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling die in deze hoedanigheid optreedt, en, in voorkomend geval, een systeem van buiten de Europese Gemeenschap met functies die vergelijkbaar zijn met die van een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit. Gelet op deze rechtstreeks werkende definitie van het begrip handelsplatform sluit het begrip markt in financiële instrumenten niet meer aan bij de ingevolge de MiFID gehanteerde terminologie. Daarom is het laatstgenoemde begrip vervallen bij de inwerkingtreding van de [Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022731). Deze beleidslijn heeft een beperktere reikwijdte dan de [oude beleidslijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020842) en geldt alleen met betrekking tot gereglementeerde markten. Algemeen Op grond van [artikel 5:32d van de Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:32d) is he"},{"i":2368,"b":"Beleidsregel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 juli 2019, houdende beleidsregels voor de beoordeling van aanmeldingen in het kader van de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet (Beleidsregel aanmeldingen Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.2), [2.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.4), en [2.18 van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.18); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **regeling:** [Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet](onbekend); - b. **wet:** [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431). Artikel 2 Projecten en gebieden als bedoeld in de [artikelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.2), [2.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.4), en [2.18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.18) worden alleen bij regeling aangewezen als uit de aanmelding blijkt dat: - a. de betrokkenheid van de gemeenteraad of provinciale staten is geborgd; en - b. kennisgeving aan of betrokkenheid van belanghebbenden is geborgd. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel aanmeldingen Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2371,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 31 oktober 2024 nr. WJZ/52728172, houdende regels over de aanwijzing van havens en plaatsen voor het aanlanden, overladen en lossen van vis en voor onderhoudswerkzaamheden (Beleidsregel aanwijzing havens en plaatsen voor visserij) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 De begripsbepalingen van de [Uitvoeringsregeling zeevisserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030288) zijn van toepassing. Artikel 2 De Minister wijst op aanvraag een haven of plaats voor aanlanding, overlading, lossen of onderhoudswerkzaamheden enkel aan indien de aanvrager aantoont dat: - a. de haven of plaats technisch geschikt is voor de activiteiten, bedoeld in de aanhef, waar de aanwijzing op van toepassing is; - b. de aanvraag past binnen het bestemmingsplan; en - c. de weegsystemen van de haven of plaats voldoen aan het gestelde bij of krachtens de controleverordening. Artikel 3 Bij de beoordeling van een aanvraag als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050352&artikel=2&z=2024-11-02&g=2024-11-02) houdt de Minister voorts rekening met: - a. de meerwaarde van de desbetreffende haven of plaats ten opzichte van de reeds aangewezen havens en plaatsen, gelet op het verwachte aantal aanlandingen in de desbetreffende haven of plaats en de voorzieningen van de reeds aangewezen havens en plaatsen; - b. het draagvlak bij de betrokken gemeenten en de raadpleging van betrokken ondernemers; en - c. de uitvoerbaarheid voor de NVWA. Artikel 4 De Minister beslist voor het einde van het jaar op een aanvraag, indien de aanvraag voor 1 september van het desbetreffende jaar is ingediend. Artikel 5 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 6 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel"},{"i":2375,"b":"Beleidsregel van het Commissariaat voor de Media over de procedure tot aanwijzing van regionale publieke media-instellingen (Beleidsregel aanwijzingsprocedure regionale publieke media-instellingen 2024) Gelet op de [artikelen 2.61 tot en met 2.69 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.61), de [artikelen 5 tot en met 9 van de Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040&artikel=5) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: I. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - b. **regeling:** de [Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040); - c. **het Commissariaat:** het Commissariaat voor de Media; - d. **aanvraag:** de aanvraag voor een aanwijzing als bedoeld in [artikel 2.65 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.65); - e. **aanwijzingsperiode:** een periode van vijf jaar als bedoeld in [artikel 2.65 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.65); - f. **aanwijzingsprocedure:** de gehele procedure van aanwijzing van een regionale publieke media-instelling voor de verzorging van de publieke mediadiensten op regionaal niveau als bedoeld in [artikel 2.61, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.61); - g. **verzorgingsgebied:** het gebied waarin de (potentiële) regionale publieke media-instelling de publieke mediadienst wenst uit te voeren respectievelijk uitvoert, zoals bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, onder a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.1); - h. **mediaraad:** het programmabeleid bepalend orgaan (pbo) als bedoeld in [artikel 2.61, tweede lid, onder c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.61); - i. **he"},{"i":3625,"b":"Besluit van 23 november 2001 tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen Op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 juli 2001, kenmerk AV/RV/2001/44102; Gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008819&artikel=13) en [14, tweede lid, van de Wet op de medische keuringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008819&artikel=14); De Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2001, nr. W12.01.0307/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 november 2001, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/RV/2001/44102; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op de medische keuringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008819); - b. klacht: een uiting van onvrede over de toepassing van de wet of de daarop berustende bepalingen door een klager; - c. klager: degene als bedoeld in [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013030&paragraaf=3&artikel=9&z=2017-07-01&g=2017-07-01), die de klacht indient; - d. verweerder: degene tegen wie de klacht is gericht; - e. commissie: de commissie, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013030&paragraaf=2&artikel=3&z=2017-07-01&g=2017-07-01); - f. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - g. de Raad: de Sociaal-Economische Raad; en - h. bedrijfsarts: een arts die als bedrijfsarts is ingeschreven in een erkend specialistenregister als bedoeld in [artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14). Toepasselijkheid Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op een keuring als bedoeld in"},{"i":5610,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 juli 2020, nr. NVWA/2020/3794, tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid diergeneesmiddelen (IB02-SPEC 03, versie 07) De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen Interventiebeleid Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit](onbekend); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het specifiek interventiebeleid diergeneesmiddelen beschrijft, binnen de kaders van het algemeen interventiebeleid (NVWA-IB02), de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen van de regelgeving met betrekking tot diergeneesmiddelen en geeft daarmee invulling aan het algemeen interventiebeleid. Overtredingen die door de inspecteur/ toezichthouder worden waargenomen en die niet in het IB02-SPEC 03 Diergeneesmiddelen zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de Afdeling Expertise van de Divisie Regie & Expertise van de Directie handhaven, teneinde een klasseindeling en een interventie te bepalen. 2. Definities en wettelijke basis Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het algemeen interventiebeleid. 2.1. Definities en afkortingen Elke vorm van controle door een inspecteur van de NVWA om na te gaan of de wet- en regelgeving inzake diergeneesmiddelen wordt nageleefd. De inspecteur kan, als dit de efficiency van de uit te voeren inspectie ten goede komt, er voor kiezen om deze van te voren aan te kondigen. Dit laat onverlet dat de inspecteur ook zonder aankondiging een ins"},{"i":2877,"b":"Beschikking van de Minister voor Rechtsbescherming van 20 oktober 2023, nr. 4962664, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2024 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2024) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2024 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 6,2. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2024. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst"},{"i":2380,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 juni 2019, nr. 2019-0000004752, tot hernieuwde vaststelling van een Beleidsregel arbocatalogi (Beleidsregel arbocatalogi 2019) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt onder arbocatalogus verstaan: schriftelijk vastgestelde afspraken tussen vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers op landelijk niveau, in een bedrijfssector, of in een branche, waaronder begrepen de overheid, waarin maatregelen of voorzieningen ter voorkoming of beperking van arbeidsrisico’s zijn vastgelegd betreffende de wijze waarop in een werkgebied kan worden voldaan aan een of meer bij of krachtens de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) gestelde voorschriften. Artikel 2. Vormvereisten arbocatalogi Een arbocatalogus kan op gezamenlijk verzoek van vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden getoetst als aan de volgende vormvereisten is voldaan: - a. de arbocatalogus is gesteld in de Nederlandse taal, tenzij het voor een bepaald werkgebied gebruikelijk is dat de werkinstructies in het Engels gegeven worden, in welk geval de arbocatalogus in de Engelse taal mag worden gesteld; - b. de arbocatalogus vermeldt bij iedere maatregel of voorziening van welk artikel of artikellid van de bij of krachtens de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) gestelde voorschriften deze een invulling is; en - c. de arbocatalogus is een goed leesbaar en praktisch bruikbaar document voor de werkgevers en werknemers. Artikel 3. Toetsing 1. Bij de toetsing van een arbocatalogus worden de volgende criteria gehanteerd: - a. beschrijft de arbocatalogus voor welk werkgebied, landelijk, bedrijfssector of branche, de catalogus bedoeld is; - b. vertegenwo"},{"i":2381,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 juli 2019, nr. 8fe5737c-0r1-2.0, houdende vaststelling van beleidsregels met betrekking tot de uitvoering van de Wet veiligheidsonderzoeken (Beleidsregel artikel 13 Wet veiligheidsonderzoeken) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene Wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) alsmede [artikel 13 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=13); BESLUIT: Artikel 1. Definities en toepassing 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277); - b. **AIVD:** Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - c. **mededeling:** de door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties af te geven mededeling, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=13); - d. **personnel security clearance:** de door of namens de National Security Agency (NSA) af te geven verklaring, waarbij wordt bevestigd dat de betrokkene tot een bepaalde datum toegang mag hebben tot vertrouwelijke informatie tot een bepaald niveau; - e. **verzoeker:** een andere mogendheid of volkenrechtelijke organisatie; - f. **volkenrechtelijke organisatie:** een internationale organisatie die direct bindende besluiten kan nemen voor haar lidstaten of besluiten neemt die lidstaten naar eigen inzichten in nationale wetgeving kunnen vastleggen; - g. **Nederlands verblijf:** de periode dat betrokkene als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen als bedoeld in de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715); - h. **inschrijving:** inschrijving als ingezetene in de basisregistratie personen als bedoeld in de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715); - i. **personen:** de persoon of personen bedoeld in [artikel 13 van de we"},{"i":2382,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 6 juni 2025, nr. IENW/BSK-2025/124351, tot vaststelling van de kostenaandelen zwerfafval per kunststofproductsoort, de bijdragen per eenheid kunststofproduct, de wegingsfactoren per overheidsorganisatie en de kosten per gebiedskenmerk als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2 van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik (Beleidsregel artikelen 3.1 en 3.2 Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) gelezen in samenhang met de [artikelen 3.1, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046477&artikel=3.1), en [3.2, derde, vierde en zesde lid, van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046477&artikel=3.2); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **grote gemeenten:** gemeenten met 300.000 inwoners of meer; - **middelgrote gemeenten:** gemeenten met 100.000 tot 300.000 inwoners; - **middelkleine gemeenten:** gemeenten met 30.000 tot 100.000 inwoners; - **kleine gemeenten:** gemeenten tot 30.000 inwoners; - **kunststofhoudende tabaksfilters:** tabaksproducten met kunststofhoudende filters en kunststofhoudende filters die worden verkocht voor gebruik in combinatie met tabaksproducten als bedoeld in [artikel 5 van het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045257&artikel=5). Artikel 2. Kostenaandeel per productsoort Het kostenaandeel zwerfafval per kunststofproductsoort als bedoeld in [artikel 3.1, derde lid, van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046477&artikel=3.1) over 2023 onderscheidenlijk 2024 bedraagt voor: | | 2023 | 2024 | | --- | --- | --- | | a. voedselverpakkingen | € 3.563.591,03 | € 3.260.620,90 | | b. zakjes"},{"i":2383,"b":"Beleidsregel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 november 2021, nr. ILT-2021/66240, houdende vaststelling van de beleidsregel Autoriteit woningcorporaties ter invulling van haar bevoegdheden in de (gewijzigde) Woningwet en aanverwante regelgeving naar aanleiding van de evaluatie (Beleidsregel Autoriteit woningcorporaties naar aanleiding van de wijziging van de Woningwet) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 6 van het Besluit mandaat Autoriteit woningcorporaties en aanwijzing toezichthouders Woningwet en WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036749&artikel=6); Besluit: Artikel 1 1. De beleidsregel wordt vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045981&bijlage=1&z=2024-08-07&g=2024-08-07) bij deze beleidsregel. 2. De Autoriteit woningcorporaties, Inspectie Leefomgeving en Transport past op haar werkterrein de beleidsregel toe. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 3 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Autoriteit woningcorporaties naar aanleiding van de wijziging van de Woningwet. Bijlage 1 https://www.ilent.nl/onderwerpen/publicaties-cijfers-en-wetgeving-autoriteit-woningcorporaties/documenten/leefomgeving-en-wonen/autoriteit-woningcorporaties/publicaties-cijfers-en-wetgeving/publicaties/beleidsregels-autoriteit-woningcorporaties. Deze beleidsregel wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":2385,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 7 juni 2024, nr. WJZ/ 41089308, tot uitleg van de begripsomschrijving van beheerder van een bedrijfscampus als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Beleidsregel beheerder bedrijfscampus in de zin van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames) Gelet op de [artikelen 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=2), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=6) en [46 tot en met 51 van de Wet veiligheidstoets investeringen fusies en overnames](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=46); Besluit: Artikel 1 1. Bij de uitoefening van het toezicht op grond van de [Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747) wordt aangenomen dat een onderneming een ‘beheerder van een bedrijfscampus’ als bedoeld in [artikel 1 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=1) is, indien: - a. zij invloed heeft op de veiligheid van de bedrijfscampus gelet op haar verantwoordelijkheid voor het aansturen van een of meer activiteiten die potentieel gevoelig zijn voor die veiligheid; - b. op de bedrijfscampus waarvoor zij die verantwoordelijkheid draagt, ten minste één of meer ondernemingen actief zijn op het gebied van sensitieve technologie; en - c. het een bedrijfscampus is waar sprake is van publiek-private samenwerking. 2. Het begrip ‘veiligheid’ als bedoeld in het eerste lid wordt uitgelegd als de mate waarin de bedrijfscampus beschermd is tegen risico’s op ongeoorloofde toegang tot of verkrijging van aldaar aanwezige of toegankelijke technologie, gegevens, informatie of materialen, op ongeautoriseerd contact met personen die op de bedrijfsc"},{"i":4030,"b":"Besluit van 4 juli 2001, houdende nadere regels inzake de ambtshandelingen van gerechtsdeurwaarders en de tarieven (Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 23 mei 2001, nr. 5099743/01/6; Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=2), en [21 van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=21), en de [artikelen 57, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=57), [57a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=57a), en [434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=434a); De Raad van State gehoord (advies van 21 juni 2001, nr. W03.01.0251); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 2 juli 2001, nr. 5105381/01/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 2, 21 en 89 van de Gerechtsdeurwaarderswet in werking treden. § 1. Vaste schuldenaarstarieven Artikel 1 De schuldenaarstarieven, vastgesteld bij of krachtens dit besluit dienen mede tot dekking van de rechtstreeks met de ambtshandeling samenhangende voorbereidende, uitvoerende en afrondende werkzaamheden die voor een goede verrichting van die ambtshandeling noodzakelijk zijn. Artikel 2 1. Onverminderd de [artikelen 5 tot en met 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012638&paragraaf=1&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012638&paragraaf=3&artikel=14&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedragen de kosten, bedoeld in de [artikelen 240](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=240) en [434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=434a), voor het exploot van: - a. dagvaarding, oproeping, oproepingsbericht of aanzegging die het geding inleidt: €"},{"i":3098,"b":"Besluit van 8 september 2010, houdende regels ter uitvoering van artikel 7, derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten met betrekking tot de bekwaamheid en betrouwbaarheid van opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten (Besluit bekwaamheid en betrouwbaarheid opsporingsambtenaren bijzondere opsporingsdiensten 2010) Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 20 mei 2010, nummer 5651122/10/6; Gelet op [artikel 7, derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=7); De Raad van State gehoord (advies van 7 juli 2010, nr. W03.10.0193/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 30 augustus 2010, nummer 5666098/10/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **examencommissie:** de examencommissie bijzondere opsporingsdiensten; - b. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie; - c. **de wet:** de [Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919). Artikel 2 Onze betrokken Minister kan een ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst opsporingsbevoegdheden toekennen voor de uitvoering van de taak, bedoeld in [artikel 3, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=3) voor zover en zolang Onze Minister heeft vastgesteld dat hij voldoet aan de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van opsporingsbevoegheden. Hoofdstuk II. Bekwaamheid § 1. Blijk van bekwaamheid Artikel 3 1. Een persoon beschikt over de bekwaamheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden indien hij beschikt over de voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden benodigde - a. kennis van grondrechten; - b. kennis van strafvorderlijke bevoegdheden; - c. kennis van algemene strafrechtelijke begrippen; - d. kennis van algemene staatsrechtelijke en privaatrechtelijke begrippen; - e. kennis van de wettelijke eisen die"},{"i":2709,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2007 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2007, doch niet later dan 15 mei 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,436 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2007 en eindigende met 15 mei 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"i":2710,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2008 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid/, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2008, doch niet later dan 15 mei 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,825 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2008 en eindigende met 15 mei 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"i":2711,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2009 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2009, doch niet later dan 15 mei 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,718 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2009 en eindigende met 15 mei 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"i":3874,"b":"Besluit van 18 augustus 2005, houdende regels met betrekking tot het verlenen van ontheffingen door de Dienst Wegverkeer ten behoeve van een voertuig of een samenstel van voertuigen, met inbegrip van de daarmee vervoerde lading, met een exceptionele afmeting of massa (Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 22 juni 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1392, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 149a, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), en [artikel 149b, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149b); De Raad van State gehoord (advies van 14 juli 2005, nr. W09.05.0260/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 augustus 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1664, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A, B, F tot en met H, en artikel IV van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (verlenen ontheffingen door Dienst Wegverkeer) in werking treden. § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. aanhangwagen, bedrijfsauto, personenauto of voertuig: hetgeen daaronder in [artikel 1.1 van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=1.1) wordt verstaan; - b. aslasten: de som van de last onder de wielen van een as als bedoeld in [artikel 1.1 van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=1.1); - c. exceptioneel transport: een transport met een voertuig of een samenstel van voertuigen, met inbegrip van de daarmee vervoerde lading, dat niet voldoet aan in de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798) voorgeschreven eisen met betrekking tot breedte, hoogte, lengte, massa of aslasten. § 2. Ontheffingverlening door de Die"},{"i":3639,"b":"Besluit van 4 april 2022, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de invoering van een nieuw stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen (Besluit kwaliteitsborging voor het bouwen) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 november 2021, nr. 2021002337; Gelet op de [artikelen 7ab, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ab), [7ac, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ac), [7ad, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ad), [7ah, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ah), [7ai, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ai), [7aj, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7aj), [7an, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7an), [7ak, derde lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ak), [artikel 2.10, derde lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.10), [artikel 4.3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), en [artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 januari 2022, nr. W04.21.0353/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 30 maart 2022, nr. 2021-0000670524; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Bouwbesluit 2012. Artikel II Wijzigt het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel III Wijzigt het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel IV Wijzigt het Omgevingsbesluit. Artikel V Wijzigt het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015."},{"i":2984,"b":"Besluit van 22 september 1997, houdende aanwijzing risicolanden defensiepersoneel Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 15 september 1997, nr. P/97005659; Gelet op [artikel 12**e**, onder **a**, van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12e) en [artikel 91**a** van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=91a); Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking als artikel 91a van Burgerlijk ambtenarenreglement defensie in werking treedt. Artikel 1 Als landen, bedoeld in [artikel 12e, onder a, van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12e) en [artikel 91a, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=91a), worden aangewezen: - –. Afghanistan; - –. Irak; - –. Iran; - –. Noord-Korea; - –. Pakistan; - –. Turkmenistan; - –. Wit-Rusland. Artikel 2 Voor de militaire ambtenaar in werkelijke dienst die behoort tot de Militaire Inlichtingendienst, tot het verbindingsinlichtingenpersoneel of tot de categorie crypto-behandelaars die toegang heeft tot zeer geheime of geheime gegevens, dan wel ten aanzien van wie, in het belang van de veiligheid van de Staat of zijn bondgenoten, andere veiligheidsgronden daartoe noodzaken, worden in afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008924&artikel=1&z=2018-05-01&g=2018-05-01) de landen aangewezen die zijn aangewezen op grond van [artikel 14, eerste lid, onder b, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=14). Artikel 3 Het Besluit reisbeperkingen militairen wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum waarop [artikel 91**a** van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=91a) in werking treedt. Art"},{"i":2713,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2011 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2011, doch niet later dan 15 mei 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,294 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2011 en eindigende met 15 mei 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005"},{"i":3179,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 februari 2015 nr. BOACAT2015/010, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Cluster Sociaal van de gemeente Amsterdam Gelezen het verzoek van Cluster Sociaal, RVE Inkomen, gemeente Amsterdam van 18 februari 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036361&artikel=2&z=2015-02-28&g=2015-02-28). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van sociaal rechercheur in dienst van Cluster Sociaal, RVE Inkomen, gemeente Amsterdam, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, van [bijlage A-I van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029447&bijlage=A-I). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleg"},{"i":2714,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2012 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,750 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2012, doch niet later dan 15 mei 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,695 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2012 en eindigende met 15 mei 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17,"},{"i":2715,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2005 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 augustus 2005, doch niet later dan 15 september 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,637 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2005 en eindigende met 15 september 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overhei"},{"i":2708,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2006 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 april 2006, doch niet later dan 15 mei 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,463 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2006 en eindigende met 15 mei 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"i":2716,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2006 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2006, doch niet later dan 15 september 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,530 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2006 en eindigende met 15 september 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overh"},{"i":2717,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2007 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2007, doch niet later dan 15 september 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,475 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2007 en eindigende met 15 september 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overh"},{"i":2719,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2009 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2009, doch niet later dan 15 september 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,608 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2009 en eindigende met 15 september 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overh"},{"i":2720,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2010 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2010, doch niet later dan 15 september 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,361 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2010 en eindigende met 15 september 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.over"},{"i":2721,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, augustus 2011 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984. Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand augustus 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 augustus 2011, doch niet later dan 15 september 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,355 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 augustus 2011 en eindigende met 15 september 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de to"},{"i":2722,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2004 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i, van die regeling, stelt op 16 december 2004, doch niet later dan 15 januari 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,688 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2004 en eindigende met 15 januari 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid."},{"i":6292,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot samenvoeging van de gemeenten Noordwijk en Noordwijkerhout Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Noordwijk en Noordwijkerhout samen te voegen tot de nieuwe gemeente Noordwijk; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en grenswijziging van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Noordwijk en Noordwijkerhout opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Noordwijk ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Noordwijk en Noordwijkerhout, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Noordwijk wordt de op te heffen gemeente Noordwijk aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Noordwijk en Noordwijkerhout wordt de nieuwe gemeente Noordwijk aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van"},{"i":3598,"b":"Besluit van 26 juli 2008 tot uitvoering van artikel 41 van Richtlijn nr. 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen nr. 78/660/EEG en nr. 83/349/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen en houdende intrekking van Richtlijn nr. 84/253/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 april 2007, Directie Wetgeving, nr. 5479513/07/6; Gelet op [artikel 21a Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=21a) en [artikel 391 lid 5 en 6 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=391); De Raad van State gehoord (advies van 14 juni 2007, nr. W03.07.0114/II); Gezien het nader rapport van 15 juli 2008, nr. 5552473/08/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **organisatie van openbaar belang:** een organisatie van openbaar belang als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1); - b. **richtlijn:** richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PbEU 2006, L 157); - c. **EU-verordening:** Verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang (PbEU 2014, L 158). Artikel 2 1. Een auditcommissie is voor de toepassing van dit artikel samengesteld uit leden van de raad van commissarissen of uit lede"},{"i":3954,"b":"Besluit van 15 juli 2021, houdende vaststelling rechtspositie voorzitters regionale toetsingscommissies euthanasie (Besluit rechtspositie voorzitters regionale toetsingscommissies euthanasie) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 maart 2021, kenmerk 1840492-219400-WJZ, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Gelet op [artikel 7 van de Wet toetsing levensbeëindiging en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410&artikel=7); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 mei 2021, no. W13.21.0088/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juli 2021, kenmerk 3229573-1006323-WJZ, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 - **coördinerend voorzitter:** de op grond van [artikel 4, eerste lid van het Vaststellingsbesluit regels met betrekking tot commissies bedoeld in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013490&artikel=4) als zodanig aangewezen persoon; - **collectieve arbeidsovereenkomst rijksambtenaren:** laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn; - **Onze Minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **voorzitters:** op grond van [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410&artikel=4) als zodanig aangewezen personen, niet tevens zijnde de coördinerend voorzitter; - **vergoeding:** het in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045429&paragraaf=3&artikel=3&z=2021-10-01&g=2021-10-01) bedoelde bedrag; - **wet:** [wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410). § 2. Rechtspositie voorzitters Artikel 2 1. Bij besl"},{"i":3420,"b":"Besluit van 3 oktober 2002, houdende regels voor de detectie van radioactief besmet schroot (Besluit detectie radioactief besmet schroot) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 december 2001, nr. MJZ2001144238, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst; Gelet op de [artikelen 21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=21), en [32, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=32); De Raad van State gehoord (advies van 18 april 2002, nr. W08.02.0014/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 september 2002, nr. MJZ2002078061, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **detectieapparatuur**: apparatuur, die ioniserende straling meet; **milieubelastende activiteit:** milieubelastende activiteit die is aangewezen in [hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&hoofdstuk=3); **omzet:** hoeveelheid schroot die op de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht wordt gebracht; **Onze Minister**: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; **radioactief besmet schroot**: schroot voor het voorhanden hebben waarvan een vergunning vereist is ingevolge de artikelen [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) of [29 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=29), dan wel het krachtens [artikel 34 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=34) bepaalde, of waarvan het voorhanden hebben gemeld moet worden ingevolge het bepaalde"},{"i":3938,"b":"Besluit Protocol Huisbezoeken Handhaving UWV 2020 Besluit: Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het controleren van klanten met een uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen door middel van het afleggen van huisbezoeken, het protocol als weergegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Het [Besluit Protocol Huisbezoeken Handhaving UWV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035450) (besluit van 22 juli 2014, Staatscourant 13 augustus 2014, nr. 22911) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Protocol Huisbezoeken Handhaving UWV 2020. Bijlage. bij Besluit Protocol Huisbezoeken Handhaving UWV 2020 Inleiding UWV controleert regelmatig klanten met een uitkeringen en onderzoekt of de klant zich aan de bij de uitkering horende rechten en plichten houdt. UWV controleert regelmatig cliënten met een uitkering en onderzoekt of de cliënt zich aan de bij de uitkering horende rechten en plichten houdt. Zowel binnen Nederland als buiten Nederland wordt op een aantal manieren gecontroleerd, onder andere door middel van een huisbezoek. Een huisbezoek is een effectief middel om de woonsituatie en leefvorm van een cliënt te onderzoeken, maar heeft een breder doel. Het huisbezoek is een middel om persoonlijk contact te onderhouden met de cliënt. Het vergroot ook de dienstverlening aan de cliënt. De in dit protocol beschreven werkwijze is van toepassing op alle huisbezoeken in en buiten Nederland die in het kader van handhaving van de werknemersverzekeringen door toezichthouders van UWV worden afgelegd. Wie verrichten het huisbezoek De huisbezoeken internationaal zijn in lijn met de nationale wet- en regelgeving van het desbetreffende land en bilaterale of multilaterale overeenkomsten. Dit betekent dat indien bepalingen in dit protocol over internationale huisbezoeken i"},{"i":4419,"b":"Bestuursreglement Commissie eindtermen accountantsopleiding (CEA) 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: 2. De CEA Artikel 2.1. – Samenstelling 1. De CEA bestaat ingevolge [artikel 51, eerste lid, van de Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=51) uit ten hoogste acht leden waaronder de voorzitter. 2. De minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de leden van de CEA overeenkomstig het bepaalde in [artikel 51, tweede lid en derde lid, van de Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=51). 3. De leden van de CEA worden ingevolge [artikel 51, tweede lid, van de Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=51) benoemd voor een periode van vijf jaar. Een lid is eenmaal herbenoembaar. Artikel 2.2. – Taken en bevoegdheden De CEA voert de bij of krachtens de wet aan haar opgedragen taken uit. Tot de aan de CEA opgedragen taken behoren krachtens de [artikelen 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49) en [54 van de Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=54): - a. het vaststellen van de eindtermen; - b. het aanwijzen van opleidingen die geheel of gedeeltelijk voldoen aan de eindtermen, met uitzondering van de eindtermen die betrekking hebben op de praktijkopleiding, voor zover deze opleidingen niet zijn geaccrediteerd; - c. het toetsen of de praktijkopleidingen voldoen aan de eindtermen; en - d. het afgeven van een verklaring van vakbekwaamheid aan degene die voldoen aan de daarvoor geldende vereisten. Artikel 2.3. – Vergaderingen van de CEA 1. De CEA vergadert ten minste driemaal per jaar. De voorzitter stelt de agenda op en roept de vergadering bijeen. 2. Ieder lid kan één stem uitbrengen. 3. De secretaris woont de vergaderingen bij en geeft desgevraagd advies. 4. Alle besluiten worden bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen genomen. Indien bij een stemming over zaken de stemmen staken, wordt opnieuw gestemd. Staken de stemmen and"},{"i":6346,"b":"Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten in verband met versterking van het bestuur bij pensioenfondsen en enige andere wijzigingen (Wet versterking bestuur pensioenfondsen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het bestuur bij pensioenfondsen te versterken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Pensioenwet. Artikel II Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel III Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet. Artikel IV Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel IVa Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. Artikel V Wijzigt de Pensioenwet. Artikel VI Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel VIa Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel VIb Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel VII De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VIII Deze wet wordt aangehaald als: Wet versterking bestuur pensioenfondsen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":2871,"b":"Beschikking van de Minister van Veiligheid en Justitie van 24 oktober 2017, nr. 2141865, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2018 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2018) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2018 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,5. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2018. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2388,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 28 april 2026, nr. ILT-2026/19736, over de kwalificatie van verontreinigd papier- en metaalafval in verband met de bestuursrechtelijke handhaving van Verordening (EU) nr. 2024/1157 van het Europees Parlement en Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen Gelet op [artikel 1 van het Besluit aanwijzing toezichthouders fysieke leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049163&artikel=1) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **aanhangende olie:** olie die resteert nadat oliehoudend ijzer- en staal(ferro) schroot en non-ferro schroot gedurende ten minste 48 uur bij een temperatuur die hoger is dan 15 graden Celsius is uitgelekt; - **bestuursrechtelijke handhaving:** bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens de EVOA 2024 gestelde verplichtingen als opgedragen aan de minister bij [artikel 18.2b, eerste lid, onderdeel d, en vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.2b) in samenhang met [artikel 18.4 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.4) en [Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=5); - **EVOA 2006:** [Verordening (EG) nr. 1013/2006](32006R1013) van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190); - **EVOA 2024:** [Verordening (EU) nr. 2024/1157](32024R1157), van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, tot wijziging van de [Verordeningen (EU) nr. 1257/2013](32013R1257) en [(EU) 2020/1056](32020R1056) en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1013/2006](32006R1013); - **huishoudelijk afval (Y46):** a"},{"i":2390,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Medische Zorg van 9 november 2018, kenmerk 1443084-183704-GMT, in verband met de invulling van een aantal bevoegdheden en begrippen uit de Wet inzake bloedvoorziening (Beleidsregel bevoegdheden en begrippen Wibv) Gelet op de [artikelen 3a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=3a), en [3c van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=3c); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet inzakebloedvoorziening (risicobeheersing binnen de Bloedvoorzieningsorganisatie) (Stb. 2018/136) in werking treedt. 1. Inleiding Op grond van [artikel 3 van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=3) (hierna: Wibv) wijst de Minister voor Medische Zorg (hierna: de minister) één rechtspersoon (de Bloedvoorzieningsorganisatie) aan die tot taak heeft: Deze taken worden aangeduid als de wettelijke taken. Alle werkzaamheden of activiteiten van de Bloedvoorzieningsorganisatie die niet voortvloeien uit deze wettelijke taken worden aangeduid als niet-wettelijke activiteiten. De Wet van 18 april 2018 tot wijziging van de Wet inzake bloedvoorziening in verband met risicobeheersing binnen de Bloedvoorzieningsorganisatie (Stb. 2018, 136) heeft tot doel de risico's voor de bloedvoorziening door de uitvoering van niet-wettelijke activiteiten door de Bloedvoorzieningsorganisatie te beperken. Ter uitvoering daarvan is in het [Besluit niet-wettelijke activiteiten Bloedvoorzieningsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041339) een maximum gesteld aan de niet-wettelijke activiteiten die door de Bloedvoorzieningsorganisatie mogen worden uitgevoerd (Stb. 2018, 306). In de memorie van toelichting bij de totstandkoming van de wijzigingswet is aangegeven dat bij beleidsregel invulling zal worden gegeven aan: 2. Beoordelingskader 2.1. Ontheffing [Besluit niet-wettelijke activiteiten binnen de Bloedvoorziening"},{"i":2391,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Milieu en de voorzitter van de commissie van deskundigen van 14 oktober 2013, nr. ILT-2013/39422 betreffende een nadere invulling van de technische eisen die gelden in het kader van de afgifte van certificaten van onderzoek voor binnenvaartschepen op grond van de Binnenvaartwet (Beleidsregel Binnenvaart 2013) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluiten: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **ADN:** de in [bijlage 1 bij de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=1) opgenomen voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren, zijnde de Nederlandse vertaling van het ADN en de daarvan deel uitmakende bijlagen; - **richtlijn 2006/87/EG:** [richtlijn nr. 2006/87/EG](32006L0087) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006, tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van [richtlijn nr. 82/714/EEG](31982L0714) van de Raad van de Europese Unie (PbEU L 389); - **RosR 1995:** bij resolutie van 18 mei 1994 (protocol 1994-I-23) van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde [Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025973). Artikel 1.2 In afwijking van de in deze beleidsregel worden binnen de grenzen van het [ADN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115&bijlage=1), de [richtlijn 2006/87/EG](32006L0087) en het [RosR 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025973) andere voorzieningen aanvaard indien ten genoegen van de minister of de commissie van deskundigen wordt aangetoond dat deze een gelijkwaardig niveau van veiligheid garanderen. § 2. Terugstellen motorvermogen Artikel 2.1 Een aanvraag om het vermogen van de voortstuwingsinstall"},{"i":5794,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 oktober 2011, nr. WJZ/337681 (8299), houdende voorschriften betreffende de verstrekking van subsidie in 2011 en volgende jaren voor de instelling van een haalbaarheidsonderzoek voor de herbestemming van monumenten en voor het treffen van tijdelijke maatregelen ter voorkoming van het verval van monumenten (Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten) Gelet op [artikel 34, zesde en zevende lid, van de Monumentenwet 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004471&artikel=34); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **kerkgebouw:** monument of zelfstandig onderdeel dat in oorsprong uitsluitend of voor een overwegend deel is vervaardigd voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging; - c. **samenstel van monumenten:** twee of meer monumenten gekenmerkt door hun onderlinge samenhang die mede bepalend is voor hun monumentale waarde; - d. **zelfstandig onderdeel:** onderdeel van een monument dat is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid; - e. **eigenaar:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht op een monument heeft; - f. **herbestemming:** geven van een nieuwe functie aan een monument of een belangrijk deel daarvan; - g. **haalbaarheidsonderzoek:** onderzoek als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, onderdeel a, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030544&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=5&z=2024-07-31&g=2024-07-31); - h. **verduurzamingsonderzoek:** verduurzamingsonderzoek als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030544&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=5&z=2024-07-31&g=2024-07-31); - i. **interactief of procesgericht onderzoek:** onderzoek als bedoeld in [artikel 5, e"},{"i":4011,"b":"Besluit van 3 mei 2011, houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot de bekwaamheid en geschiktheid van spoorwegpersoneel met een veiligheidsfunctie (Besluit spoorwegpersoneel 2011) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 8 december 2010, nr. VENW/BSK-2010/181313, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 2007/59/EG](32007L0059) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de gemeenschap besturen (PbEU L 315) en de [artikelen 1, onderdeel j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=1), [36, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=36), [49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=49), [50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=50), [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=51), [51a, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=51a), [51b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=51b) en [52 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=52); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 januari 2011, nr. W14.10.0554/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 27 april 2011, nr. IENM/BSK-2011/51548, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Aanbeveling 2011/766/EU:** Aanbeveling 2011/766/EU van de Commissie van 22 november 2011 betreffende de procedure voor de erkenning van opleidingscentra en examinatoren voor treinbestuurders overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2011, L 314/41); - **Besluit 2011/765/EU:** Besluit 2011/765/EU van de Commissie van 22 november 2011 inzake criteria voor de erk"},{"i":2392,"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 augustus 2023, nr. WJZ/ 19230636, houdende regels over de toepassing van artikel 3.4, eerste en tweede lid, van het Besluit houders van dieren op honden (Beleidsregel brachycephale honden) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217&artikel=3.4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217); - **craniofaciale ratio:** uitkomst van de deling van de lengte van de neus van de hond, gemeten van de neuspunt tot de stop, door de lengte van de schedel van de hond, gemeten van de stop tot de achterhoofdknobbel; - **minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 2. Fokken met brachycephale honden 1. Wanneer bij het fokken van honden bij ten minste één van de ouderdieren één of meer van de volgende kenmerken aanwezig zijn, wordt dit gezien als een overtreding van [artikel 3.4, eerste en tweede lid, van het Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217&artikel=3.4): - a. het produceren van een bijgeluid bij de ademhaling in rust; - b. een matige tot ernstige vernauwing van de neusopeningen; - c. een relatieve neusverkorting met een craniofaciale ratio kleiner dan 0,3; - d. een neusplooi: - i. met haren die vanaf de neusplooi het hoornvlies of bindvlies raken of kunnen raken; - ii. die nat is; of - iii. met ontstekingsverschijnselen in een of beide ogen gerelateerd aan de aanwezigheid van de neusplooi; - e. een oog met oogwit zichtbaar in twee of meer kwadranten; of - f. een ooglid dat niet volledig gesloten kan worden bij het opwekken van de ooglidreflex. 2. Wanneer bij het fokken van honden bij ten minste één van de ouderdieren twee of"},{"i":2393,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/178048, inzake de ‘Buiteninvorderingstelling lesgeld asielzoekers en bepaalde categorieën vreemdelingen’ op grond van artikel 9b Les- en cursusgeldwet (LCW) is bestemd voor asielzoekers en bepaalde categorieën vreemdelingen, die lesgeld dienen te betalen en voor buiteninvorderingstelling hiervan in aanmerking willen komen Heeft besloten onderstaand beleid te laten uitvoeren door de Dienst Uitvoering Onderwijs: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **lesgeld:** het lesgeld, bedoeld in [artikel 3 van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=3); - **lesgeldplichtige vreemdeling:** vreemdeling die op grond van [artikel 8, onderdelen f, g, h, j of k, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) rechtmatig in Nederland verblijft, en die lesgeldplichtig is op grond van [artikel 3 van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=3); - **schooljaar:** tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daarop volgend; - **WSF 2000:** [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453); - **WTOS:** [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438). Artikel 2. Voorwaarden 1. Voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van het verschuldigde lesgeld komt een lesgeldplichtige vreemdeling in aanmerking die voldoet aan de volgende voorwaarden: - a. de lesgeldplichtige vreemdeling komt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in het lesgeld op grond van de [WTOS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438) of de [WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453); en - b. de lesgeldplichtige vreemdeling is niet in staat het verschuldigde lesgeld geheel dan wel gedeeltelijk te voldoen. 2. Van een situatie"},{"i":6707,"b":"Wet van 9 december 2004, houdende wijziging van de Mededingingswet in verband met het omvormen van het bestuursorgaan van de Nederlandse mededingingsautoriteit tot zelfstandig bestuursorgaan Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het bestuursorgaan van de Nederlandse mededingingsautoriteit om te vormen tot een zelfstandig bestuursorgaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mededingingswet. Artikel II Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel III Wijzigt de Gaswet. Artikel IV Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel V Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel VI Wijzigt de Postwet. Artikel VII Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VIII Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel IX 1. Ten aanzien van bezwaar of beroep tegen een besluit van de directeur van de dienst, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=5), zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, treedt de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, bedoeld in [artikel 2 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=2), in de plaats van de directeur, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=5), zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze wet. 2. Ten aanzien van bezwaar of beroep tegen een besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingautoriteit, bedoeld in [artikel 2 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=2), zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, op grond van de [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691), de [Ele"},{"i":7430,"b":"Wet van 7 juli 1994, tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het procesrecht in zaken van personen- en familierecht te vereenvoudigen en stroomlijnen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X. Overgangsbepaling Procedures waarin de inleidende dagvaarding is betekend dan wel het inleidend verzoekschrift is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden geheel afgedaan met toepassing van het recht dat vóór dat tijdstip gold. Artikel XI. Slotbepaling Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6280,"b":"Wet van 26 april 2012 tot samenvoeging van de gemeenten Harenkarspel, Schagen en Zijpe Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Harenkarspel, Schagen en Zijpe samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Harenkarspel, Schagen en Zijpe opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Schagen ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Harenkarspel, Schagen en Zijpe, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Schagen wordt de op te heffen gemeente Schagen aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36) in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Harenkarspel, Schagen en Zijpe wordt de nieuwe gemeente Schagen aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5"},{"i":5367,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 september 2013, 2013-0000128066, tot openstelling van een aanvraagtijdvak in het kalenderjaar 2013 en vaststelling van een subsidieplafond voor dit aanvraagtijdvak in het kader van de Regeling cofinanciering sectorplannen Gelet op [artikel 1.4 van de Regeling cofinanciering sectorplannen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033761&artikel=1.4); Besluit: Artikel 1. Opening aanvraagtijdvak Aanvragen op grond van de [Regeling cofinanciering sectorplannen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033761) kunnen worden ingediend gedurende de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013. Artikel 2. Subsidieplafond Het subsidieplafond voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033898&artikel=1&z=2014-05-15&g=2014-05-15), bedraagt 260 miljoen EUR. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6894,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 oktober 2014, nr. HO&S/674004, tot het intrekken van een drietal aanwijzingen van personen belast met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 Gelet op [artikel 9.1a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=9.1a); Besluit: Artikel 1 De personen werkzaam bij: - -. Langhenkel Beheer BV te Zwolle; - -. de afdeling Handhaving van Sagènn Professionals BV te Groningen; - -. de Intergemeentelijke Sociale Dienst Assen/Unit Handhaving te Assen; zijn met ingang van 1 oktober 2014 niet langer belast met het toezicht als bedoeld in [artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":3648,"b":"Besluit Lucratief belang in internationale situaties **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten** **Dit besluit bevat beleid over de lucratiefbelangregeling van artikel 3.92b, 3.95b en 7.2, derde lid, Wet IB 2001 in internationale situaties.** 1. Inleiding Dit besluit bevat beleid over de toepassing van de [Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en de toepassing van een belastingverdrag bij een lucratief belang in internationale situaties. Nationaalrechtelijk geldt als hoofdregel dat het ROW-regime van toepassing is op de voordelen uit lucratief belang. Voor de verdragstoepassing vindt een zelfstandige kwalificatie van de voordelen plaats, waarbij in beginsel ten aanzien van de voordelen het arbeidskarakter voorop staat zodat het inkomen genoten wordt ter zake van niet-zelfstandige arbeid dan wel de voordelen behoren tot de beloning van een bestuurder of commissaris. Het beleid in dit besluit betreft de beantwoording van vragen die op dit onderwerp zijn opgekomen en beschrijft mijn standpunt over onderstaande onderwerpen. Ten slotte geef ik in dit besluit een goedkeuring, zodat kan worden voldaan aan de doorstootverplichting bij verkoop van een Nederlands middellijk lucratief belang na emigratie. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Buitenlands belastingplichtigen met een Nederlands lucratief belang Buitenlands belastingplichtigen zijn belastingplichtig voor het Nederlandse inkomen dat zij genieten. In [artikel 7.2, tweede lid, onderdeel c, Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.2), is bepaald dat belastbaar ROW in Nederland behoort tot het Nederlandse inkomen. In het derde lid van voormeld artikel is bepaald dat onder een werkzaamheid in Nederland mede wordt verstaan het houden van aandelen, vorderingen, rechten, of het hebben van schulden als bedoeld in [artikel 3.92b Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.92b), indien de voordelen die daarmee worden b"},{"i":2420,"b":"Beleidsregel Handhaving Besluit Eindapparaten (bepaling netwerkaansluitpunt en vrije keuze eindapparaten) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038908&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038908&artikel=3) en [4 van het Besluit eindapparaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038908&artikel=4), [15.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1), en [15.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.4), in samenhang gelezen met [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel 1. Begrippen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. **Applicatieprogramma-interface;** applicatieprogramma-interface als bedoeld in [artikel 1.1. van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - c. **Besluit eindapparaten:** [Besluit van 12 december 2016, ten aanzien van regels inzake eindapparaten ter implementatie van richtlijn 2008/63/EG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038908); - d. **Eindapparaten:** eindapparaten als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit eindapparaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038908&artikel=1); - e. **Eindgebruiker:** eindgebruiker als bedoeld in [artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - f. **Netwerkaansluitpunt:** het netwerkaansluitpunt als bedoeld in [artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - g. **Openbare elektronische communicatiedienst:** openbare elektronische communicatiedienst als bedoeld in [artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.n"},{"i":2621,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 1 april 2019, nr. 2387622, tot vaststelling van beleidsregels op het gebied van particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019) **De Minister van Justitie en Veiligheid;** Besluit: Voorliggende beleidsregels hebben betrekking op de uitvoering van de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973)- en [Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010256) (hierna: de wet en de regeling), door de Minister van Justitie en Veiligheid, de korpschef van de politie en de Commandant van de Koninklijke Marechaussee. Toepasselijkheid [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973) 1. Vergunningplicht 1.1. Beveiligingsorganisatie Relevante artikelen: [artikel 1, eerste lid, onder c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=1), [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=2) en [3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=3); [artikel 11b van de Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010256&artikel=11b) Voor de vraag of sprake is van een vergunningplichtige beveiligingsorganisatie is, naast de definitie van [artikel 1 onder d van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=1), van belang of door deze organisatie beveiligingswerkzaamheden worden verricht zoals genoemd in artikel 1 onder c van de wet. Indien aan beide definities wordt voldaan dan dient een dergelijke organisatie een vergunning aan te vragen om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. Daarbij dient gekeken te worden onder welke in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=3) genoemde categorieën beveiligingsorganisaties men valt, zodat de op die categorie van toepassing zijnde vergunning wordt aangevraagd en verstrekt. Aldus kunnen er eisen worden ges"},{"i":4971,"b":"Besluit van 29 december 2008 houdende vaststelling van een nieuw Mediabesluit (Mediabesluit 2008) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 18 november 2008, nr. WJZ/75071 (8238), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 2.23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.23), [2.35, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.35), [2.70, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.70), [2.71, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.71), [2.89, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.89), [2.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.93), [2.95, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.95), [2.123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.123), [2.136, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.136), [3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.25), [5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=5.1), [5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=5.2), [6.24, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=6.24), [6.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=6.27) en [8.20 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.20); De Raad van State gehoord (advies van 10 december 2008, nr. 08.003330); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 17 december 2008, nr. WJZ/88447 (8238), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **visual radio:** televisieprogramma dat bestaat uit een radioprogramma dat is voorzien van beelden; - **wet:** [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":4738,"b":"Invoering euro en de daarmee samenhangende uitvoeringssystematiek Circulaire aan de werkgevers van de deelnemers in de Stichting Pensioenfonds ABP Algemeen Per 1 januari 2002 schakelt de overheid om naar de euro. Vanaf dat moment zullen de salarissen, onkostenvergoedingen, tegemoetkomingen enz. van het overheidspersoneel in euro’s moeten worden uitbetaald. Voor die tijd kunnen individuele werknemers wel reeds een bankrekening in euro’s hebben. In dat geval dragen de banken zorg voor de conversie van het salarisbedrag in guldens naar een bedrag luidend in euro’s. Voor de rijksoverheid en de onderwijssectoren geldt als uitgangspunt dat alle bedragen die voorkomen in wetten, contracten, rechtspositionele regelingen e.d. vanaf 1 januari 2002 uitgedrukt worden in euro’s. Omdat hierbij veelal op basis van de vastgestelde wisselkoers rekenkundig wordt omgezet, kunnen bedragen vaker dan nu het geval is, afgerond zijn op twee decimalen achter de komma. Dit zal vanaf 1 januari 2002 in ieder geval gaan gelden voor de salarisbedragen bij de rijksoverheid en de onderwijssectoren. Ditzelfde kan gelden voor franchises, grensbedragen, maxima enz. Met andere woorden: vanaf 1 januari 2002 zullen (in de genoemde sectoren) alle ingrediënten voor de salarisberekening weliswaar in euro’s luiden, maar niet altijd in mooi afgeronde bedragen. Bedragen die op 1 januari 2002 in regelgeving nog niet zijn geconverteerd, zijn vanaf die datum van rechtswege omgezet. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gelden voor rechtspositionele regelingen buiten de rijksoverheid. In dat geval moeten de salarisadministraties zelf zorgdragen voor de technische conversie. De betreffende salarisadministraties dienen tijdig met hun opdrachtgevers hierover te communiceren. Overgang Voor de diverse berekeningen die salarisadministraties moeten uitvoeren (bijvoorbeeld ten aanzien van nabetalingen, het vergoeden van overwerk enz.) zijn met betrekking tot de overgang van gulden naar euro verschillende manieren mogelijk, die als"},{"i":4972,"b":"Besluit van 24 juni 1981, houdende bepalingen voor de meting van schepen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 november 1979, Afdeling Juridische Zaken, nr. J/S 24268, Directoraat-Generaal van Scheepvaart; Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378&artikel=6), eerste lid, [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378&artikel=14), eerste lid, [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378&artikel=23) en [34 van de Meetbrievenwet 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378&artikel=34); De Raad van State gehoord (advies van 2 januari 1980, no. 8); Gezien het nader Rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 juni 1981, nr. J/S 23360, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Dit besluit verstaat onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. \"schip\": een zeeschip in de zin van [artikel 310 van het Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=310); - c. \"wet\": de [Meetbrievenwet 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378); - d. \"Internationale Meetbrief (1969)\": de meetbrief, door Onze Minister dan wel door de administratie van een andere Staat, aangesloten bij het Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969 (**Trb.** 1970, 122 en 194) afgegeven overeenkomstig de bepalingen van dat Verdrag; - e. \"bijzondere meetbrief\": de meetbrief, anders dan bedoeld onder **e**, vermeldende de bruto- en netto-tonnage van een schip, door Onze Minister afgegeven ten behoeve van een schip. Artikel 2. Aanvragen van een meetbrief 1. De aanvraag van een meetbrief geschiedt bij Onze Minister. Bij de aanvraag worden zo mogelijk tekeningen van het schip overgelegd. Indien de aanvrager voor bepaalde ruimten aanspraak erop maakt dat deze ruimten aangemerkt worden als niet in de bruto-tonnage b"},{"i":2430,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 2025, nr. 2025-0000292050, houdende vaststelling van de Beleidsregel handhaving Wet kinderopvang BES Gelet op de [artikelen 5.1 t/m 5.13 van de Wet kinderopvang BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=5.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Toepassing Deze beleidsregel is van toepassing op de handhaving naar aanleiding van een overtreding van de bij of krachtens de [Wet kinderopvang BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771) gestelde regelgeving. Artikel 2. Vormen van handhaving Bij het uitvoeren van het handhavingsbeleid heeft de Staatssecretaris de volgende mogelijkheden: - 1. op herstel gericht handhavingsmiddel zoals een herstelsanctie; - 2. bestraffende sanctie. Artikel 3. Kwaliteitseisen 1. De kwaliteitseisen, waaraan voldaan moet worden voor een verantwoorde kinderopvang, staan genoemd in de [Wet kinderopvang BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771) en alle onderliggende regelgeving. 2. De toezichthouder op de kwaliteit onderzoekt de naleving van deze kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport als bedoeld in [artikel 5.4 van de Wet kinderopvang BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&artikel=5.4). 3. In de Beleidsregel handhaving Wet kinderopvang BES wordt uitgegaan van de kwaliteitseisen betreffende de administratie, personeel en huisvesting, en veiligheid, gezondheid en pedagogisch klimaat zoals gesteld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=2) en [4 van de Wet kinderopvang BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049771&hoofdstuk=4). 4. In het afwegingskader kindercentra BES en het afwegingskader gastouderopvang BES worden per domein de kwaliteitseisen geclusterd weergegeven en wordt de hoogte van de bestuurlijke boete in geval van een overtreding weergegeven. Het afwegingskader kindercentra BES en het afwegingskader gastouderopvang BES zijn o"},{"i":2435,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 30 april 2015, nr. WJZ / 15058568, betreffende het opleggen van een herstelsanctie voor overtredingen die verband houden met de visserij op het IJsselmeer (Beleidsregel herstelsanctie IJsselmeer) Gelet op de [artikelen 12 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=12) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 1. In geval van overtreding van [artikel 8, eerste lid, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=8) wordt de vergunning, bedoeld in dat artikel, ingetrokken en niet opnieuw verleend voor de periode, die berekend wordt met de toepassing van het derde en het vierde lid. 2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op het vissen met de zegen en het staand net, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdelen j en m, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=2), en de grote fuik en de schietfuik, bedoeld in [artikel 1, onderdelen m en n, van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=1). 3. De periode, bedoeld in het eerste lid, geldend voor de grote fuik, de schietfuik en het staand net, wordt berekend volgens de volgende formule: d = (b x c)/a a = het aantal van het type net dat de vergunninghouder op grond van zijn vergunning wekelijks mag inzetten; b = het aantal van het type net dat de vergunninghouder bovenop het aantal a gebruikt of het aantal netten dat de vergunninghouder in strijd met de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416) gebruikt; c = het aantal weken tussen het moment van constatering van de overtreding en het moment waarop dit type net op basis van de [Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539) voor het eerst mocht"},{"i":2445,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 maart 2025, nr.1667475, houdende voorwaarden waaronder bekostigde HO- en MBO-instellingen met publieke middelen mogen investeren in private activiteiten (Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten 2025) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), de [artikelen 1.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.9), [2.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=2.9), en [15.1, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=15.1), de [artikelen 1.3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.3.1), [1.3.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.3.2), [1.7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.7.1), [2.5.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.9), en [11.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=11.1), en [artikel 4, lid 5a, van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023132&artikel=4); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **bevoegd gezag:** rechtspersoon die een regionaal opleidingencentrum of een beroepscollege in stand houdt als bedoeld in [artikel 2.1.3, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.3), dan wel instellingsbestuur als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel j, aanhef en eerste streepje, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - b. **integrale kostprijs:** kostprijs als bedoeld in [artikel 25"},{"i":4925,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 8 april 2024, kenmerk 3792882-1063275-VGP, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau voor inning en incasso van boetebeschikkingen opgelegd door de NVWA (Mandaatbesluit VWS ten behoeve van NVWA-werkzaamheden aan het CJIB) Gelet op het ‘Convenant inzake het Innen en Incasso arrangement dat door het CJIB in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit wordt ingezet voor de aangeleverde vorderingen’, d.d. 23 oktober 2023; Gelet op de [Beleidsregel betalingsregelingen Rijk 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048857), d.d. 1 januari 2024; Gelet op [artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gelet tevens op het akkoord van de algemeen directeur Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, A. Hazelhoff, d.d. 9 februari 2024; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **CJIB:** Centraal Justitieel Incassobureau als bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder 1° van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2); - **minister:** de Minister voor Medische Zorg; - **NVWA:** Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van het Besluit Staatstoezicht op de volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010009&artikel=1). Artikel 2 1. Aan de algemeen directeur van het CJIB wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het opleggen van dwangbevelen, het uitvoeren en afhandelen van executiegeschillen tegen dwangbevelen en het treffen van betalingsregelingen ten aanzien van namens de minister opgelegde boetebeschikkingen die tot het werkterrein van de NVWA behoren. 2. De algemeen directeur van het CJIB is bevoegd om, voor de aan hem toekomende bevoegdheden op grond van het eerste"},{"i":2450,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 24 maart 2016, nr. WJZ/15136568, houdende kanalisatie van individuele diergeneesmiddelen 2016 Handelend in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 2.21 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.21) en de [artikelen 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **besluit:** [Besluit diergeneesmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032386); - b. **dierenarts:** dierenarts, bedoeld in [artikel 1.1, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=1.1); - c. **minister:** Minister van Economische Zaken; - d. **regeling:** [Regeling diergeneesmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032626). Artikel 2 1. Het voorschrift ‘uitsluitend aflevering door toepassing door de dierenarts’, dan wel ‘U.D.D.’, bedoeld in [artikel 2.17 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032626&artikel=2.17), wordt verbonden aan een vergunning voor het in de handel brengen van een diergeneesmiddel als bedoeld in de [artikelen 2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032626&artikel=2.13) en [2.14 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032626&artikel=2.14), indien in verband met een risico voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of het milieu, toepassing door een dierenarts van dat middel noodzakelijk wordt geoordeeld. 2. Als diergeneesmiddelen, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval beschouwd: - a. antimicrobiële diergeneesmiddelen; - b. middelen die intraveneuze, intra-arteriële of intra-articulaire toediening behoeven of dienen te worden geïmplanteerd, met uitzondering van middelen voor intraveneuze toediening tegen hypocalcemie (melkziekte) en hypomagnesie (kopziekte) bij runderen"},{"i":2452,"b":"Beleidsregel koel- en vriesinstallatie aan boord van vissersvaartuigen met een koudemiddel inhoud van meer dan 3 kg Gelet op [artikel 4.15, eerste lid, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=4.15); Besluit: Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op vissersvaartuigen die zijn geregistreerd in het register, bedoeld in [artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009353&artikel=4). Artikel 2 Aan het gestelde in [artikel 4.15, lid 1, van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=4.15) wordt voldaan, indien: - a. de installatie is ontworpen en geconstrueerd in overeenstemming met de regels van een erkend klassenbureau; - b. in aanvulling op het gestelde onder a een risico analyse is uitgevoerd; - c. voor de geklasseerde vissersvaartuigen is voorzien in een klasse notatie. Artikel 3 1. De schipper draagt zorg voor het periodiek doen uitvoeren van de noodzakelijke controles en onderhoudswerkzaamheden. 2. De schipper ziet er op toe dat het verlies van koudemiddel zo veel mogelijk wordt voorkomen. 3. Een installatie waaruit door lekkage of ander defect koudemiddel is ontsnapt wordt pas bijgevuld met koudemiddel als de lekkage of het defect is verholpen. 4. Lekkage van koudemiddelen en andere defecten dienen zo spoedig mogelijk te worden verholpen. Artikel 4 Voor controle van de goede werking van de installatie gelden de volgende maatregelen: 1. Controle en lekdetectie - a. controle op correct functioneren en lekkage ten minste 1 keer per 12 maanden bij installaties met een inhoud van 3 kilogram koudemiddelinhoud of meer; - b. controle op correct functioneren en lekkage ten minste 1 keer per 3 maanden bij installaties met een inhoud van 30 kilogram koudemiddelinhoud of meer; - c. controle op correct functioneren en lekkage ten minste 1 keer per maand bij installaties met een inhoud van 300 kilogram koudemiddelinh"},{"i":2727,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2009 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,0 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2009, doch niet later dan 15 januari 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,194 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2009 en eindigende met 15 januari 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.n"},{"i":5644,"b":"Stappenplan bij het zoeken naar nieuw werk voor oalt-personeelsleden Met het oog op de beëindiging van de bekostiging voor oalt heb ik eind 2003 met de vakcentrales een akkoord bereikt over het te voeren flankerend beleid. Dat akkoord voorziet onder andere in een budget van € 5000,- per personeelslid als bijdrage in de kosten voor bijvoorbeeld scholing of outplacement, een verbeterde loonsuppletie-uitkering bij aanvaarding van lager betaald werk en mogelijkheden om bij vertrek naar het buitenland het bovenwettelijk deel van een eventuele werkloosheidsuitkering in een keer te laten uitbetalen. Afgesproken is ook om naast de subsidieregeling die is gepubliceerd in het Gele katern nr. 5, van 17 maart 2004, tevens bekendheid te geven aan een stappenplan dat wordt gehanteerd bij het zoeken naar een passende functie. Hierbij treft u dat stappenplan aan. Dit stappenplan heeft betrekking op oalt-personeel zoals gedefinieerd in de ’[Regeling bijdrage kosten personele gevolgen wegens beëindiging bekostiging onderwijs allochtone levende talen](onbekend) (oalt)’ (oalt-personeelslid: personeelslid met een vast dienstverband, dat op 1 augustus 2003 in dienst is van een bevoegd gezag en waarvan desalariskosten ten laste komen van de specifieke uitkering uit ’s Rijks kas voor onderwijs in allochtone levende talen). In overleg met de oalt-leraar en uitgaande van diens kwalificaties of te behalen kwalificaties wordt een sociaal plan opgesteld. Het bevat afspraken die tot doel hebben om het betrokken personeelslid o.a. met behulp van scholing, stage en detachering of outplacement, te plaatsen in een passende functie. Het begrip passende functie wordt gedefinieerd als een functie waarin arbeid wordt verricht die voor de krachten en bekwaamheden van het oalt-personeelslid is berekend en die tenminste op het niveau ligt van of, voor zover het arbeid betreft buiten de onderwijssector, vergelijkbaar is met schaal 4 van het Rpb-WPO/WEC, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geeste"},{"i":2463,"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2025, kenmerk 4299709-1091532-GMT, over de meldplicht tijdelijke leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen (Beleidsregel meldplicht tijdelijke leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 49, zevende lid, onderdeel a, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=49). Besluit: Artikel 1. Definities In aanvulling op [artikel 1, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1) wordt in deze beleidsregel verstaan onder: - **afnemer:** groothandelaren wanneer geneesmiddelen via diens groothandelsactiviteiten bij de apotheek komen, een apotheek wanneer geneesmiddelen door de handelsvergunninghouder direct worden afgeleverd aan de apotheek zonder tussenkomst van groothandelaren, of anderen die bevoegd zijn om geneesmiddelen ter hand te stellen; - **inspectie:** Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd; - **meldpunt:** het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten; - **registratienummer:** een door het College toegekend Register Verpakte Geneesmiddelen (RVG)-nummer of een door het Bureau toegekend registratienummer (EU-). Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is alleen van toepassing op het opschorten van de handel van geneesmiddelen door de handelsvergunninghouder aan de afnemer bedoeld in [artikel 49, zevende lid, onderdeel a van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=49). Artikel 3. Concretisering van de term opschorting van de handel 1. Met een opschorting van de handel als bedoeld in [artikel 49, zevende lid, onderdeel a, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=49) wordt bedoeld een opschorting van de handel van een geneesmiddel waarbij de handelsvergunninghouder verwacht een periode van 14 kalenderdagen of l"},{"i":2465,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 30 juni 2020, nr. WJZ/ 20169432, tot vaststelling van beleidsregels voor de beoordeling van verzoeken om een vergoeding op grond van artikel 10m van de Gaswet (Beleidsregel nadeelcompensatie verbod laagcalorisch gas grootste afnemers) Gelet op [artikel 10m van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=10m) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **aangeslotene:** aangeslotene op het transmissie- of distributiesysteem van gas op wie het verbod van toepassing is; - −. **brutowinstpercentage:** omzet minus inkoopwaarde van de afzet op jaarbasis, uitgedrukt in een percentage van de omzet; - –. **minister:** Minister van Klimaat en Groene Groei; - −. **normjaaromzet:** gemiddelde omzet op jaarbasis, berekend over de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin is omgeschakeld of afgesloten; - −. **normbrutowinstpercentage:** gemiddeld brutowinstpercentage, berekend over de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin is omgeschakeld of afgesloten; - −. **omschakelen:** omschakelen als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1); - −. **verbod:** verbod als bedoeld in [artikel 2.63, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.63); - –. **wet:** [Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714). Artikel 2. Soorten schade 1. De minister stelt vast of schade als bedoeld in [artikel 5.15 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=5.15) eenmalig of tijdelijk is, of jaarlijks terugkeert. 2. Schade als bedoeld in het eerste lid die jaarlijks terugkeert, kan voor vergoeding in aanmerking komen volgens de formule: jaarlijks nadeel als gevolg van het verbod x 5, waarbij voor: - a. het aantal eenheden waarvoor extra ko"},{"i":2468,"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 4 september 2014, nr. 4389783, betreffende de uitleg van de zinsnede ‘niet volgens de geldende regels is afgenomen’, bedoeld in artikel 11 van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB, en betreffende de uitoefening van de bevoegdheid om te besluiten dat het centraal examen geheel of gedeeltelijk voor een of meer deelnemers opnieuw wordt afgenomen, bedoeld in artikel 11 van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB (Beleidsregel niet op regelmatige wijze afnemen van het centraal examen in beroepsopleidingen) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 11 van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=11); Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **besluit:** [Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963); - **centraal examen:** het centraal examen, bedoeld in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=1); - **college:** het College voor examens, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); - **examencommissie:** de examencommissie, bedoeld in [artikel 7.4.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.5); - **examenprotocol:** het door het college vastgestelde examenprotocol, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, onderdeel j, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); - **inspectie:** de Inspectie van het onderwijs, bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=1); - **onregelmatigheid:** het niet volgens de geldende regels afnemen van het centraal ex"},{"i":2896,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2026 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2025 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2024; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 4,4%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Landscourant van Curaçao en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2026."},{"i":2471,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische zaken van 23 juni 2008, nr. WJZ 8074645, inzake het ondernemingsbegrip in het handelsregister Gelet op [artikel 54c, eerste lid, van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009276&artikel=54c); Besluit dat de kamers bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een onderneming in de zin van de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777) rekening houden met het navolgende: 1. Ondernemingen die in Nederland zijn gevestigd dienen te worden ingeschreven in het handelsregister op grond van [artikel 5 Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=5), verder genoemd ‘de wet’. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan nader worden bepaald wanneer sprake is van een onderneming in de zin van de wet op grond van [artikel 8 onder b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=8) verder genoemd ‘een onderneming’. 3. In [artikel 2 Handelsregisterbesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024067&artikel=2) is neergelegd wanneer sprake is van een onderneming. Op grond van het eerste lid is sprake van een onderneming indien een voldoende zelfstandig optredende organisatorische eenheid van één of meer personen bestaat waarin door voldoende inbreng van arbeid of middelen, ten behoeve van derden diensten of goederen worden geleverd of werken tot stand worden gebracht met het oogmerk daarmee materieel voordeel te behalen. Op grond van het tweede lid is van een onderneming geen sprake indien er, naar het oordeel van de kamer onvoldoende omvang van activiteiten of omzet is. 4. De definitie is gebaseerd op bestaande jurisprudentie, waaronder onder andere HR 13 januari 1966 NJ 1966, 189, HR 12 december 1989, NJ 1990, 433 en CBb 26-9-2000, JOR 2000, 236 (zie § 3.2.1. van de Nota van toelichting bij het [Handelsregisterbesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024067))"},{"i":2472,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 9 september 2024, nr. MBO/46959232, tot intrekking van de Beleidsregel van de Inspecteur-generaal van het onderwijs, van 25 april 2016, nr. IvHO 482652, houdende invoering van het Onderzoekskader 2016 voor het toezicht op de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (Stcrt. 2016, 36453) onder vaststelling van de beleidsregel houdende het Onderzoekskader 2023 voor het toezicht op de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (Beleidsregel onderzoekskader SBB 2024) Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=13); Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 21 december 2022, nr. 35261163; Besluit: Artikel 1. Vaststelling onderzoekskader SBB 2023 Het Onderzoekskader 2023 voor het toezicht op de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Intrekking onderzoekskader SBB 2016 De [Beleidsregel van de Inspecteur-generaal van het onderwijs, van 25 april 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038263), nr. IvHO 482652, houdende invoering van het Onderzoekskader 2016 voor het toezicht op de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (Stcrt. 2016, 36453) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2024. Artikel 4. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel onderzoekskader SBB 2024. Bijlage. Inspectie van het Onderwijs onderzoekskader 2023 voor het toezicht op de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven Utrecht, 4 april 2023 Onderzoekskader Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Naast het toezicht op de onderwijsinstellingen is de Inspectie van het Onderwijs (hierna inspectie) eveneens belast met het toezicht op de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) als bed"},{"i":2473,"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 8 november 2024, nr. WJZ/89748388 houdende vaststelling van regels voor het verlenen van een ontheffing van de stikstofgebruiksnomen voor dierlijke mest voor het onderzoek Reinventing circular dairy farming (Beleidsregel Onderzoeksontheffing Reinventing circular dairy farming) Gelet op [artikel 38, tweede lid, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=38) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **hoogwaardige urine:** meststof bestaande uit urine of dunne fractie uit een van de drie staltechnieken die voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in [artikel 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050420&artikel=6&z=2024-11-16&g=2024-11-16); - **minister:** Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - **onderzoek RCDF:** onderzoek Reinventing circular dairy farming van de Wageningen University & Research; - **staltechniek 1:** natuurlijk geventileerde ligboxenstal met een aangepaste vloer waardoor urine wegloopt naar ondergelegen opslag in combinatie met kelderluchtafzuiging; - **staltechniek 2:** stalsysteem gebaseerd op het opvangen en het afvoeren van de urine naar een aparte afgesloten opslag zonder dat deze in contact kan komen met de feces; - **staltechniek 3:** natuurlijk geventileerde vrijloopstal met zandbedding, voorzien van urine afvoerdrainage en beddingreiniger voor dagvers verwijderen van mest. Artikel 2. Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op de behandeling van aanvragen om een ontheffing van [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7) juncto [artikel 8, onderdeel a, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8) in het kader van deelname aan het Onderzoek RCDF."},{"i":2474,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 september 2016, nr. VO/876872, houdende de beoordeling van buitengewone bekwaamheden in bijzondere gevallen en bekwaamheden bij het ontbreken van een lerarenopleiding in het voortgezet onderwijs (Beleidsregel ontheffing benoembaarheidsvereisten en bekwaamheidserkenning vo) Gelet op [artikel 33, tweede en zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=33) en [artikel 80, vijfde en achttiende lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=80); Besluit: Deze beleidsregel is gebaseerd op [artikel 7.11, derde en zevende lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.11). In deze beleidsregel wordt verstaan onder: De beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel ontheffing benoembaarheidsvereisten en bekwaamheidserkenning vo. De beleidsregel heeft betrekking op de manier waarop de Minister gebruikmaakt van zijn bevoegdheid om: Het doel van deze beleidsregel is duidelijkheid te bieden over de beleidslijn van de Minister over de beoordeling van aanvragen voor ontheffing of bekwaamheidserkenning op grond van [artikel 7.11, derde of zevende lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.11). De beleidsregel heeft geen betrekking op door het bevoegd gezag vastgestelde vakken en programmaonderdelen (schooleigen vakken) als bedoeld in [artikel 7.9, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.9). Om in aanmerking te komen voor een ontheffing of bekwaamheidserkenning wordt het vak, waarvoor de aanvraag wordt ingediend, op jaarbasis ten minste gemiddeld vier uur per week gegeven door betrokkene. In [bijlage III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038570&bijlage=III&z=2022-08-01&g=2022-08-01) is schematisch weergegeven uit welke stappen het proces voor de aanvraag van de on"},{"i":2476,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 12 juli 2013, nr. WJZ / 13117209, houdende gevallen waarin ontheffing van het visverbod zal worden verleend ten behoeve van het overzetten van aal op locaties die de uittrek naar zee bemoeilijken (Beleidsregel ontheffing overzetten aal) Gelet op [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=11) en [12 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=12), [artikel 10.1, eerste en derde lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.1) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 1. Ontheffing van het verbod, bedoeld in [artikel 32a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=32a), en in voorkomend geval van [artikel 23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=23a), [23b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=23b) en [28b van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=28b), ten behoeve van het overzetten van schieraal voorbij locaties die voor die aal bij uittrek een verhoogd risico op sterfte opleveren, wordt op aanvraag verleend. 2. Ontheffing wordt verleend indien: - a. uit de aanvraag blijkt dat het overzetten en de wijze waarop dat plaatsvindt op de beoogde locatie voldoende effectief is met het oog op de uittrek naar zee van de overgezette aal; - b. het overzetten over een beperkte afstand plaatsvindt; - c. tijdens het overzetten in alle gevallen een onafhankelijke controleur aanwezig is; - d. voorzieningen zijn getroffen om te waarborgen dat niet wordt meegewerkt aan het overzetten door personen waarvan bij een controle is vastgesteld dat zij aan de ontheffing verbonden voorschriften hebben overtreden, en - e. de beheerder, bedoeld in [artikel 1.1 van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00254"},{"i":3739,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het hoofd van de afdeling Bestuurlijke & Juridische Zaken van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit inzake het opleggen van bestuurlijke boete op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), en [10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [artikel 90 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=90); Gezien de instemming van de Minister van Economische Zaken en het hoofd van de afdeling Bestuurlijke & Juridische Zaken van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; Besluit: Artikel 1 1. Aan het hoofd van de afdeling Bestuurlijke & Juridische Zaken van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van alle overige daarmee verband houdende handelingen als bedoeld in [artikel 90 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=90). 2. Bij afwezigheid of verhindering van het hoofd van de afdeling Bestuurlijke & Juridische Zaken van de Nederlandse Voedsel- en Waren autoriteit is de teamleider Bestuurlijke maatregelen bevoegd als diens plaatsvervanger op te treden. 3. Het mandaat en de machtiging, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het nemen van beslissingen op bezwaarschriften. Artikel 2 Het krachtens mandaat en volmacht ondertekenen van stukken luidt als volgt: DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU, namens deze, gevolgd door de aanduiding van de gemandateerde functionaris. Artikel 3 De gemandateerde neemt bij de uitoefening van het mandaat, de volmacht en de machtiging de instructies van de inspecteur-generaal Inspectie Leefomgevin"},{"i":2480,"b":"Beleidsregel 'Ontheffingsbeleid m.b.t. een bestaand zeegaand schip in gebruik voor bedrijfsmatige recreatie t.b.v. de sportvisserij' Gelet op: • [artikel 5, tweede lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876); • en artikel 7,derde lid, van de [Richtlijn 98/18/EG](31998L0018) van de Raad inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen Besluit: Artikel 1 1. Om een bestaand schip waarvan de lengte tussen de loodlijnen ingevolge artikel 2, eerste lid, van Bijlage I, van het Schepenbesluit, 24 meter of meer bedraagt, en welke uitsluitend bestemd wordt voor gebruik als bedrijfsmatig zeegaand recreatie vaartuig ten behoeve van de sportvisserij en welk schip op de dag van de inwerkingtreding van de '[Regeling zeegaande passagiersschepen in nationale vaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011573)' (zijnde op17 augustus 2000) beschikte over een geldig Certificaat van Deugdelijkheid dan wel waarvoor op of voor deze datum aantoonbaar een aanvraag was ingediend teneinde het schip als zodanig te certificeren, ontheffing te verlenen van: - •. het gestelde ten aanzien van de lekstabiliteit in Hoofdstuk II-2, Deel B, van de Bijlage bij de [Richtlijn 2002/25](32002L0025), onder voorwaarde dat voldaan wordt aan de eisen voor de intacte stabiliteit als bedoeld in [artikel 39 van het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=39); - •. het gestelde ten aanzien van de constructieve brandbescherming in Hoofdstuk II-2 van de Bijlage bij de [Richtlijn 2002/25](32002L0025) onder voorwaarde dat, tenminste voor het accommodatie gedeelte van de passagiers, voldaan wordt aan de eisen ten aanzien van de constructieve brandbescherming voor vrachtschepen als bedoeld in [artikel 52 van het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=52) dan wel dat de vluchtwegen vanuit deze ruimten naar het open dek voldoende breed zijn en korter zijn dan 5 meter; met dien verstande dat het schi"},{"i":6033,"b":"Verdrag betreffende de invoering van of de handhaving van methodes tot vaststelling van minimum lonen **Verdrag betreffende de invoering of de handhaving van methoden tot vaststelling van minimumloonen.** De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 30 Mei 1928, in hare elfde zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende methoden van vaststelling van minimumloonen, welk onderwerp het eerste punt van de agenda der zitting is, en besloten hebbende, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, den 16en Juni 1928, het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden “Verdrag betreffende de invoering of de handhaving van methoden tot vaststelling van minimumloonen, 1928”, ter bekrachtiging door de leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 1. Elk lid van de Internationale Organisatie van den Arbeid, dat dit verdrag bekrachtigt, verbindt zich om in te voeren of te handhaven methoden, welke het mogelijk maken om minimumloonen vast te stellen voor de arbeiders, werkzaam in industrieën of takken van industrie (en in het bijzonder in de huisindustrie), waar geen doeltreffend stelsel voor de vaststelling van loonen door collectief contract of anderszins bestaat, en waarin de loonen buitengewoon laag zijn. 2. Onder „industrieën” worden voor de toepassing van dit verdrag verstaan zoowel de industrie als de handel. Artikel 2 Elk lid, dat dit verdrag bekrachtigt, is vrij om na raadpleging van de werkgevers- en arbeidersorganisaties, indien die voor de betrokken industrie of tak van industrie bestaan, te beslissen, op welke industrieën of takken van industrie en in ’t bijzonder op welke huisindustrieën of welke takken van huisindustrie de methoden tot va"},{"i":2481,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 15 mei 2023, nr. 38329751, houdende ontheffingsgronden voor de doorstroomtoets po (Beleidsregel ontheffingsgronden doorstroomtoets po) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 45c, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=45c); Besluit: Artikel 1. Interpretatie van de ontheffingsgronden 1. Onder de (a) zeer moeilijk lerende leerlingen of (b) meervoudig gehandicapte leerlingen voor wie het zeer moeilijk lerend zijn één van de handicaps is, bedoeld in [artikel 45c, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=45c), wordt verstaan: - a. een leerling waarvan het ontwikkelingsperspectief aantoont dat de verwachte uitstroombestemming het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of het uitstroomprofiel dagbesteding in het speciaal onderwijs is. In het ontwikkelingsperspectief is dit voldoende onderbouwd met gegevens uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem en de factoren die de ontwikkeling en het leren van de leerling belemmeren en bevorderen, of - b. een leerling met een IQ dat lager is dan 75. 2. Bij een IQ- test, waarmee het IQ van de leerling wordt vastgesteld, geldt dat deze voldoet aan de criteria van de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN). Indien de IQ-test ouder is dan twee jaar bevestigen gegevens uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem dat de ontwikkeling van de leerling niet verder is dan het niveau van eind groep 5 van het basisonderwijs. Artikel 2. Intrekken [Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing po](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035550) De [Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing po](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035550) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsrege"},{"i":2486,"b":"Beleidsregel opsporing tuberculose Gelet op [artikel 92 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=92); Besluit: Artikel 1. Onderzoek naar de reactie van Mantoux 1. De militair in werkelijke dienst of de dienstplichtige die in de directe omgeving heeft verbleven van een lijder aan een besmettelijke vorm van tuberculose wordt zo spoedig mogelijk onderworpen aan een onderzoek naar de reactie van Mantoux. 2. De militair in werkelijke dienst of de dienstplichtige waarbij een tuberculose-infectie wordt vermoed wordt zo spoedig mogelijk onderworpen aan een onderzoek naar de reactie van Mantoux. 3. Het in de vorige leden bepaalde vindt geen toepassing indien het gaat om een militair of dienstplichtige, die: - a. ooit een BCG-vaccinatie heeft ondergaan, ofwel - b. ooit een tuberculose-infectie heeft doorgemaakt. Artikel 2. Specialistisch onderzoek 1. De militair in werkelijke dienst of de dienstplichtige die een positieve reactie van Mantoux vertoont wordt onderworpen aan een specialistisch onderzoek. 2. De militair in werkelijke dienst of de dienstplichtige, die ingevolge het bepaalde in het [derde lid van het vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047950&artikel=1&z=2023-03-11&g=2023-03-11) niet wordt onderworpen aan een onderzoek naar een reactie van Mantoux, wordt aan een specialistisch onderzoek onderworpen, indien: - a. hij in de directe omgeving heeft verbleven van een lijder aan een besmettelijke vorm van tuberculose, ofwel - b. bij hem een tuberculose-infectie wordt vermoed. 3. Van het in de vorige leden bedoelde specialistisch onderzoek kan onder andere deel uit maken een röntgenologisch onderzoek. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023. Artikel 4. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel opsporing tubercu"},{"i":2490,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu houdende beleidsregels omtrent personeel als bedoeld in de Spoorwegwet Gelet op [artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Gelet op de [artikelen 49 tot en met 54a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=49), [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=76) en [77 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=77) en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=3), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=13) en [21 van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=21); Besluit: Artikel 1 1. Bij de beoordeling of er voldaan is aan de verplichtingen in [artikel 13, tweede, derde en vierde lid, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=13), tot het vermelden van de spoorvoertuigen en de hoofdspoorweginfrastructuur waarop het bevoegdheidsbewijs betrekking heeft, hanteert de Inspectie Leefomgeving en Transport de voorwaarden die zijn opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036768&bijlage=1&z=2021-12-17&g=2021-12-17) bij deze beleidsregel. 2. Indien de Inspectie Leefomgeving en Transport besluit een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom op te leggen vanwege overtreding van [artikel 13, tweede, derde en vierde lid, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=13), richt het besluit tot oplegging van die last zich tot degene onder wiens gezag de machinist zijn functie uitoefent. Artikel 2 Indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van [artikel 13, vijfde lid, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=13) om de bevoegdheid van rangeerder of wagencontroleur aan te tekenen op het bevoeg"},{"i":5586,"b":"Richtlijn toepassing detacheringsverbod per 1 juli 1997 Regeling extra werkgelegenehid langdurig werklozen Inleiding De [Regeling Extra werkgelegenheid langdurig werklozen 1996](onbekend) bevat de bepaling dat in het kader van die regeling detacheringsconstructies niet zijn toegestaan. In de toelichting werd aangegeven dat dit verbod op detacheringen uiterlijk 1 juli 1997 zou worden ingevoerd. De [Regeling extra werkgelegenheid langdurig werklozen](onbekend) is bedoeld om onder meer de gemeenten in de gelegenheid te stellen structurele en reguliere arbeidsplaatsen te scheppen in een aantal onderdelen van de collectieve sector. Net als bij andere reguliere arbeidsplaatsen is het de bedoeling dat werknemers die werkzaam zijn in het kader van deze regeling hun werkzaamheden daadwerkelijk verrichten voor de werkgever met wie zij een arbeidsovereenkomst hebben. Met het detacheringsverbod onderscheidt de [Regeling extra werkgelegenheid langdurig werklozen](onbekend) zich dus nadrukkelijk van de [Rijksbijdrageregeling banenpools](onbekend) en de [Jeugdwerkgarantiewet](onbekend). Deze circulaire, die mede namens de minister van Binnenlandse Zaken wordt uitgebracht, wil duidelijkheid scheppen over hetgeen onder detachering wordt verstaan, welke organisatie-vormen en wijzen van aansturing door derden met inachtneming van het detacheringsverbod kunnen worden geaccepteerd of moeten worden afgewezen en op welke wijze de naleving van het verbod op detachering zal worden gewaarborgd. Om organisaties voldoende gelegenheid te geven situaties die per 1 juli 1997 in strijd zijn met het detacheringsverbod, in overeenstemming te brengen met de aanwijzingen in deze richtlijn, is voor die organisaties een overgangstermijn van een half jaar voor de effectuering van het verbod bepaald. Constructies van voor 1 juli a.s. bestaande organisaties die in strijd zijn met het detacheringsverbod, zullen met ingang van 1 januari 1998 aan sanctie onderhevig zijn. Organisaties opgericht na 1 juli 1997"},{"i":3262,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 mei 2022 nr. BOACAT2022/031, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Hoeksche Waard Gelezen het verzoek van de gemeente Hoeksche Waard van 1 april 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=42); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046674&artikel=2&z=2022-05-18&g=2022-05-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver Openbare Ruimte in dienst van de gemeente Hoeksche Waard, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de R"},{"i":4576,"b":"Besluit van 24 december 1993, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur met het oog op de uitvoering van de op 2 mei 1992 te Oporto tot stand gekomen Overeenkomst tussen de EEG, de EGKS en hun Lid-Staten enerzijds en de EVA-Staten met uitzondering van Zwitserland anderzijds betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-Uitvoeringsbesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 23 november 1992, nr. 265396/92/6, gedaan mede namens Onze Ministers van Onderwijs en Wetenschappen, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat, van Economische Zaken, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; Gelet op de op 2 mei 1992 te Oporto tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en hun Lid-Staten enerzijds en de staten die partij zijn bij de Europese Vrijhandelsassociatie met uitzondering van Zwitserland anderzijds betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1992, 132 en Trb. 1993, 69); Gezien de adviezen van de Onderwijsraad (advies van 27 november 1992, nr. OR 92000259/Alg); de Centrale Raad voor de Milieuhygiëne; het Produktschap Landbouwzaaizaden (advies van 3 november 1992); de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (advies van 21 oktober 1992, nr. 588/1/1); de Nederlandse Vereniging voor zaaizaad en plantgoed (advies van 23 oktober 1992); het Produktschap voor Veevoeder, het Landbouwschap Dibevo; Fagrovet; Fidin; Nefato; Nehoma; de Adviescommissie Warenwet (advies van 9 september 1992, nummer 14 611/035), de Geneesmiddelencommissie (advies van 8 oktober 1992, nr. Geco 4711 AvG), wat betreft de daarvoor in aanmerking komende onderdelen van dit besluit; De Raad van State gehoord (advies van 19 januari 1993, nr. W03.92.0585); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 23 de"},{"i":4429,"b":"Bestuursreglement Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) Vastgesteld op grond van [artikel 5, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=5) op 6 december 2011, goedgekeurd door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van [artikel 11, eerste lid, Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11), bij brief van 22 december 2011, kenmerk MC-U-3097538. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. **Wmg:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3, eerste lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. **Raad van Bestuur:** Raad van Bestuur van de NZa; - d. **minister:** minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - e. **reglement:** onderhavig bestuursreglement dat is vastgesteld door de NZa en goedgekeurd door de minister; - f. **voorzitter:** degene die door de minister als voorzitter van de Raad van Bestuur is benoemd; - g. **bestuurslid:** degene die door de minister als lid van de Raad van Bestuur van de NZa is benoemd, waaronder ook de voorzitter; - h. **directeur:** leidinggevende van een directie van de NZa; - i. **gmt:** gemeenschappelijk managementteam bestaande uit in ieder geval de bestuursleden van de Raad van Bestuur en de directeuren. Artikel 2. De Raad van Bestuur 1. De Raad van Bestuur bestuurt de organisatie van de NZa. 2. De Raad van Bestuur maakt een evenredige verdeling van werkzaamheden door de aangelegenheden waarover de Raad van Bestuur besluiten moet nemen te verdelen in portefeuilles voor elk bestuurslid, waarbij de bestuursleden elkaar bij afwezigheid kunnen vervangen. 3. Een bestuurslid is binnen de Raad van Bestuur voor de tot zijn portefeuille behorende aangelegenheden het eerste aanspreekpunt voor de medewerkers van de NZa. Een portef"},{"i":4036,"b":"Besluit van 4 maart 2021 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de uitvoering van de verordening grensoverschrijdende distributie van beleggingsinstellingen en icbe’s en enkele verordeningen met betrekking tot duurzaamheid (Besluit ter uitvoering van diverse EU-verordeningen inzake grensoverschrijdende distributie en duurzaamheid) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 16 december 2020, 2020-0000240136, directie Financiële Markten; Gelet op Verordening (EU) 2019/1156 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging en houdende wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 345/2013, (EU) nr. 346/2013 en (EU) nr. 1286/2014 (PbEU 2019, L 188), Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PbEU 2019, L 317), Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PbEU 2020, L 198) en de [artikelen 1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:79, eerste lid, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), en [1:81, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 februari 2021, nr. W06.20.0506/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 4 maart 2021, 2021-0000041985, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en"},{"i":3615,"b":"Besluit juridische afsplitsing 2025 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat het beleid voor de juridische afsplitsing in de vennootschapsbelasting en vervangt het besluit van 12 augustus 2022, nr. 2022-188692, (Stcr. 2022, 22290). Met de actualisering van dit besluit is het volgende gewijzigd. Dit besluit bevat geen tekstblokken meer voor de inspecteur. De beleidsmatige onderdelen van deze tekstblokken zijn in het huidige besluit verwerkt in de hoofdtekst van het besluit, een inhoudelijke beleidswijziging is niet beoogd. Paragraaf 3.3 verduidelijkt dat met het afgeven van een beschikking op grond van artikel 14a, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de inspecteur geen zekerheid verstrekt over de zogenoemde ontgaanstoets van artikel 14a, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De toelichting op artikel 13ca van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vervallen, omdat de kans klein is dat deze met ingang van 2006 vervallen bepaling via het overgangsrecht nog toepassing vindt. In paragraaf 7.2. geldt geen beperking meer voor de algemene toestemming van de inspecteur voor situaties waarbij de afsplitsende rechtspersoon of verkrijgende rechtspersoon de rechtsvorm heeft van een coöperatie. Voor de situatie dat de verkrijgende rechtspersoon valt onder artikel 9, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de afsplitsende rechtspersoon niet, is in paragraaf 7.3.2. een (aanvullende) voorwaarde opgenomen. Paragraaf 8 over het meegeven van verliezen is zo geherformuleerd dat als voldaan wordt aan de voorwaarden, de goedkeurende regeling direct van toepassing is. Een voorafgaande beslissing door de inspecteur is niet meer vereist. Door deze aanpassing is het beleid voor het meegeven van verliezen bij juridische afsplitsing nu procedureel gelijk aan dit beleid bij de andere reorganisatiefaciliteiten. De inhoudelijke voorwaarden voor toepassing van de goedkeuring zi"},{"i":4322,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 maart 2022, kenmerk 3292142-1021115-J, houdende de verlening van bijzondere ondervolmachten aan de directeur-bestuurder van de Jeugdautoriteit en diens plaatsvervanger Gelet op [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17) en [artikel 10, eerste lid, van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10), Besluit: Artikel 1 De directeur-bestuurder van de Jeugdautoriteit heeft de bevoegdheid om, met inachtneming van de genoemde regelingen, namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op de Jeugdautoriteit. Artikel 2 Een daartoe aangewezen lid van het managementteam van de Jeugdautoriteit heeft, bij afwezigheid of verhindering van de directeur-bestuurder, de bevoegdheid om namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, met inachtneming van de genoemde regelingen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2021. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2832,"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1979 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen vastgesteld krachtens [artikel 9, achtste lid, der Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9), per 30 september 1978 ten minste één procent afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1977; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1979 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 6. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1979."},{"i":4853,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 22 september 2022, nummer 4202695, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeur Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Mandaatbesluit Europese fondsen DGM 2022) Gezien de schriftelijke instemming van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Europese fondsen:** het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid; - b. **de minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - c. **de beheerautoriteit:** de erkende beheerautoriteit voor de Europese fondsen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021-2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046658&artikel=3). Artikel 2 1. Aan de directeur van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt mandaat verleend met betrekking tot het nemen van besluiten over en het beslissen op bezwaarschriften alsmede het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op de subsidieverlening in overeenstemming met de voorwaarden die gesteld zijn in de Europese Verordeningen aangaande de Europese fondsen. 2. De directeur van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid handelt daarbij in overeenstemming met de aanwijzingen die door de beheerautoriteit worden gegeven. 3. De directeur van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is bevoegd tot het verlenen van o"},{"i":4547,"b":"Circulaire wijzigingen Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) 2011 (burgemeester, enz.) 1. Algemeen Op 18 november 2011 is de [Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030652) gepubliceerd in Staatsblad 2011, 531. Allereerst is een uitvloeisel van genoemde wetswijziging de verplichte aansluiting van uw gemeente bij het Pensioenregister. In paragraaf 2 wordt aangegeven wat dit voor uw gemeente betekent en welke actie in dat verband door uw gemeente moet worden verricht. Tevens is in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030652) verduidelijkt dat de inkomenselementen die in de [Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) worden verrekend, worden bepaald aan de hand van de bepalingen van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353). Uit de uitvoeringspraktijk van de Appa en een gerechtelijke uitspraak was namelijk naar voren gekomen dat er onduidelijkheid bestaat over de invulling en afbakening van de verschillende inkomensbegrippen. Dit zou het ongewenste gevolg kunnen hebben dat de verrekening van (neven-) inkomsten voor de politieke ambtsdragers, tijdens en na de ambtsvervulling, niet op dezelfde wijze plaatsvindt. Het gaat dan in het bijzonder om de begrippen winst uit een of meer ondernemingen en belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid. In paragraaf 3 wordt hierop ingegaan. Voor de gemeentelijke uitvoering van de [Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) zijn er verder ook andere relevante wijzigingen als gevolg van deze wet. Hierop wordt in paragraaf 4 ingegaan. Deze wijzigingen zijn per 19 november 2011 ingegaan. Eén daarvan is de keuzemogelijkheid om de dekking van nabestaandenpensioen ook na deelnemerschap in stand te houden. Hierop wordt ingegaan in paragraaf 4.1. Van uw gemeente wordt op dit punt actie verwacht. Uw gemeente dient betrokkene namelijk te informeren. De gemeente dient degenen waarvan het recht op een Appa-uitk"},{"i":7920,"b":"Vaststelling actieplan Aansluiting Fiets op Openbaar Vervoersknooppunten 2002-2003 Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013388&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Vast te stellen het actieplan Aansluiting Fiets op Openbaar Vervoersknooppunten 2002-2003 van de [Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013388), overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlagen. Artikel 2 De regeling, houdende vaststelling van het actieplan Aansluiting Fiets op Openbaar Vervoersknooppunten 2002-2003 van de Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger van 5 maart 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-574 (Stcrt. 54) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 20 maart 2002. Deze regeling met toelichting zal, met uitzondering van de bijlagen, in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen worden bekendgemaakt door terinzagelegging ten kantore van de Minister van Verkeer en Waterstaat, Plesmanweg 1-6 te Den Haag."},{"i":7170,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 15 juli 2003, nr. MJZ2003071600, Centrale Directie Juridische Zaken Afdeling Wetgeving, houdende aanpassing en samenvoeging van ministeriële regelingen als gevolg van de invoering van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte) Gelet op de [artikelen 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10), [27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=27), [42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=42), en [47, eerste en tweede lid, onder c, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=47) en [artikel 12, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=12); Besluit: § 1. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bestuur:** bestuur van de huurcommissie als bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - b. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **openbaar register:** openbaar register als bedoeld in [artikel 3i van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3i); - d. **toetsingsinkomen:** toetsingsinkomen als bedoeld in [artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=8), waarvan bij het geven van de beschikking is uitgegaan; - e. **voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, zittingsvoorzitters en zittingsleden:** voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, zittingsvoorzitters en zittingsleden als bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - f. **vrijstelling:** vrijstelling van"},{"i":7921,"b":"Vaststelling model vrijstellingsbewijs WA-verzekering Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=17); Handelende na overleg met de Minister van Verkeer en Waterstaat; Besluit: Artikel 1 Als model voor het bewijs van vrijstelling van de verplichting tot het sluiten van een verzekering als bedoeld in [artikel 17, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=17), wordt voor aan de Staat toebehorende motorrijtuigen het bewijs vastgesteld volgens de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 2 In afwijking van het bepaalde in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009559&artikel=1&z=1998-05-01&g=1998-05-01) wordt voor de Nederlandse militaire motorrijtuigen als model voor het bewijs van vrijstelling van de verplichting tot het sluiten van een verzekering als bedoeld in de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415) het kentekenbewijs voor militaire voertuigen vastgesteld, mits op dit bewijs aan de voorzijde is vermeld: Dit bewijs geldt tevens als bewijs van vrijstelling, bedoeld in [artikel 17, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=17). Artikel 3 De regeling van 23 augustus 1974/nr. K74/2773 van de Staatssecretaris van Financiën (Stcrt. 1974, 166) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 1998 en werkt terug tot en met 1 maart 1996. Bijlage **Voorzijde** **Achterzijde** Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7512,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 18 juni 2019, nr. 2624966, houdende de aanwijzing van de SIS II-databank als databank waarmee de Passagiersinformatie-eenheid de passagiersgegevens bevoegd is te vergelijken in de zin van artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven Gelet op [artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Als databank waarmee de Passagiersinformatie-eenheid bij het beoordelen van de passagiers als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven de passagiersgegevens als bedoeld in artikel 1 van die wet bevoegd is te vergelijken, wordt aangewezen: - a. het Schengeninformatiesysteem (SIS) waarnaar wordt verwezen in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c van Verordening (EU)/2018/1862 van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging en intrekking van Besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1986/2006](32006R1986) van het Europees Parlement en de Raad en Besluit 2010/261/EU van de Commissie, PbEU 2018, L 312, en - b. het Schengeninformatiesysteem (SIS) waarnaar in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder c, van [Verordening (EU) 2018/1861](32018R1861) van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en tot wijziging en intrekking van [Verordening (EG) nr. 1987/2006](32006R1987), PbEU 2018, L 312 Artikel 2 Dit besluit treed"},{"i":6595,"b":"Besluit van 17 juli 2003, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen in verband met toevoeging van de categorie vlees aan bijlage I Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van datum 26 mei 2003, VGB/VL 2383017, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en van Economische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 2002/86/EG](32002L0086) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 november 2002 (PbEG L 305) tot wijziging van [richtlijn 2001/101/EG](32001L0101) wat betreft de ingangsdatum van het verbod op het handelsverkeer in producten die niet in overstemming zijn met [richtlijn 2000/13/EG](32000L0013) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, op [richtlijn nr. 2001/101/EG](32001L0101) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 november 2001(PbEG L 310) tot wijziging van [richtlijn 2000/13/EG](32000L0013) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, alsmede op [artikel 8, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), en [artikel 13, onder a, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13); De Raad van State gehoord (advies van 26 juni 2003, No.W13.03.0195/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juli met nummer VGB/VL 2393423, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen. Artikel II Eet- en drinkwaren die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn geëtiketteerd en voldoen aan het [Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":3714,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 6 april 2017, nr. WJZ/17046052, houdende regels inzake het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland betreffende de behandeling van Wob-verzoeken op het gebied van de uitvoering van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland betreffende de behandeling van Wob-verzoeken op het gebied van de uitvoering van de Regeling fosfaatreductieplan 2017) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 Aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van verzoeken op grond van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) op het gebied van de uitvoering van de [Regeling fosfaatreductieplan 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039205). Artikel 2 Aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt tevens mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039477&artikel=1&z=2017-04-19&g=2017-04-19), waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep. Artikel 3 1. De algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland kan ondermandaat en machtiging verlenen voor de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039477&artikel=1&z=2017-04-19&g=2017-04-19) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039477&artikel=2&z=2017-04-19&g=2017-04-19) bedoelde aangelegenheden aan de onder hem ressorterende medewerkers. 2. Het verlenen van ondermandaat en machtiging, alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk en wat de formulering betreft in overeenstemming"},{"i":7923,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht (SZVK) vanaf 1995 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst van de Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht (SZVK) vanaf 1995 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Militair Personeel over de periode vanaf 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019337), Staatscourant 6 maart 2006, nr. 46 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":4794,"b":"Besluit van 6 november 1991, houdende vaststelling van de Maatregel teboekgestelde schepen 1992 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 januari 1991, nr. MJZ24191043, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Ministers van Justitie en van Verkeer en Waterstaat; Overwegende, dat het, in verband met de inwerkingtreding van de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541) (**Stb.** 1991, 570) en de Aanpassingswet Boek 8, noodzakelijk is om de Maatregel teboekgestelde schepen 1990 (**Stb.** 500) te vervangen door een nieuwe regeling, mede strekkend tot uitvoering van de te Genève gesloten Overeenkomst van 25 januari 1965 inzake inschrijving van binnenschepen, met Protocollen (**Trb.** 1966, 228); Gelet op de artikelen 231 en 841 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek en de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=4), eerste lid, [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=10), derde lid, en [21, tweede lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=21); De Raad van State gehoord, advies van 13 augustus 1991, no. W08.91.0047; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 oktober 1991, nr. MJZ29o91013, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Ministers van Justitie en van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541); - b. verdragsregister: verdragsregister als bedoeld in [artikel 781, onder c, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=781); - c. brandmerk: het in [artikel 21, eerste lid, onder c, van de wet](ht"},{"i":4420,"b":"Besluit van het College van Toezicht Auteursrechten van 11 juni 2019 tot vaststelling van een bestuursreglement gelet op [artikel 13, derde lid, van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=13), besluit vast te stellen het navolgende: Bestuursreglement CvTA Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779); - b. **het College:** het College van Toezicht Auteursrechten; - c. **bestuurslid:** lid van het College als bedoeld in [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=7); - d. **secretaris:** secretaris van het College als bedoeld in [artikel 11 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=11); - e. **besluit:** een besluit als bedoeld in [artikel 13, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=13). Artikel 2. Vergadering 1. De vergadering is niet openbaar. 2. Tot de vergaderingen hebben naast de bestuursleden toegang de secretaris en de staf van het College, alsmede zij die daartoe zijn uitgenodigd. 3. Ter vergadering genomen besluiten worden vastgelegd in een besluitenlijst. Artikel 3. Portefeuilleverdeling 1. De bestuursleden maken een evenredige verdeling van werkzaamheden door de aangelegenheden waarover het College besluiten moet nemen, te verdelen in portefeuilles met specifieke taken en aandachtsgebieden voor elk lid, waarbij de bestuursleden elkaar kunnen vervangen. 2. De portefeuilleverdeling wordt vastgesteld in een ter vergadering vast te stellen besluit. Artikel 4. Besluitvorming buiten vergadering 1. Besluitvorming van het College kan plaatsvinden buiten vergadering. 2. Besluitvorming buiten vergadering geschiedt via elektronisch berichtenverkeer. 3. Een via ele"},{"i":2771,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2007 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2007, doch niet later dan 15 april 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,425 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2007 en eindigende met 15 april 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":3282,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 juni 2022 nr. BOACAT2022/044, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Maassluis Gelezen het verzoek van gemeente Maassluis van 5 mei 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046776&artikel=2&z=2022-08-01&g=2022-08-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar openbare ruimte in dienst van gemeente Maassluis, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Reg"},{"i":3822,"b":"Besluit van de Directeur Open Overheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 april 2025, houdende de verlening van ondermandaat en ondervolmacht personele aangelegenheden voor de directie Open Overheid Gelet op [artikel 16, derde lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16) en [artikel 10, tweede lid, van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); Gezien de schriftelijke toestemming van de Secretaris-Generaal, bedoeld in [artikel 16, vierde lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16), en [artikel 10, tweede lid, van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10), d.d. 31-03-2025, nr 080255-1080723-PDO; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **afdelingshoofd:** lid van het collegiaal managementteam van de directie Open Overheid; - b. **directie Open Overheid:** directie Open Overheid van het Miniserie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 Aan de afdelingshoofden van de directie Open Overheid wordt ondermandaat verleend: - a. tot het nemen van besluiten in het kader van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754); - b. tot het nemen van beslissingen op bezwaar in het kader van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754); - c. ten aanzien van verweerschriften en beroepschriften in het kader van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) ten behoeve van procedures bij de bestuursrechter en machtigingen om de Minister daarin te vertegenwoordigen. Artikel 3 Aan ieder afdelingshoofd wordt ondervolmacht verleend ten aanzien van te sluiten en gesloten arbeidsovereenkomsten betreffende de medewerkers van de directie Open Overheid. Ar"},{"i":2748,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2012 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984. Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2012, doch niet later dan 15 februari 2012 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,573 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2012 en eindigende met 15 februari 2012 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassin"},{"i":4413,"b":"Bestuursreglement CBS 2024 Gelet op [artikel 2b van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=2b) en [artikel 11, eerste lid van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11) Gezien de goedkeuring van de Minister van Economische Zaken op 7 oktober 2024 Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - 1. **wet:** [Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=2b); - 2. **CBS:** het Centraal bureau voor de statistiek; - 3. **directeur-generaal:** de directeur-generaal van de statistiek; - 4. **de plaatsvervangend directeur-generaal:** een door de directeur-generaal aan te wijzen plaatsvervanger, zijnde één van de hoofddirecteuren; - 5. **minister:** de Minister van Economische Zaken; - 6. **directieberaad:** de directeur-generaal, de hoofddirecteuren en de directeur Blaise®; - 7. **hoofddirecteur:** de manager van een van de hoofddirecties van het CBS; - 8. **raad van advies:** de raad van advies, bedoeld in [artikel 20 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=20); - 9. **gebruikersraden:** vaste groep van externe adviseurs afkomstig vanuit praktijk, beleid en wetenschap (zoals directeuren van departementen en planbureaus, hoogleraren, en directeuren of hoofden van brancheorganisaties of onderzoeksinstellingen), die overleggen met een hoofddirecteur van het CBS over onderwerpen op het werkterrein van de betreffende hoofddirectie. Organisatie Artikel 2. Hoofdstructuur 1. De hoofdstructuur van het CBS bestaat uit - a. de directeur-generaal; - b. de hoofddirectie Economie, bedrijven en nationale rekeningen; - c. de hoofddirectie sociaaleconomische en ruimtelijke statistieken; - d. de hoofddirectie IT en CIO; - e. de hoofddirectie Dataservices, Research en Innovatie; - f. de hoofddirectie CBS Communicatie en Nieuws; - g. de hoofddirec"},{"i":4066,"b":"Besluit van 22 december 2011, houdende wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2009/111/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 tot wijziging van de richtlijnen 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2007/64/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer (PbEU L 302) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 20 oktober 2011, FM/2011/9863 M, Generale Thesaurie, directie Financiële Markten, Afdeling Financiële Stabiliteit; Gelet op de [artikelen 3:57, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57) en [artikel 3:63, tweede lid van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:63); Gelet op [richtlijn 2009/111/EG](32009L0111) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 tot wijziging van de [richtlijn 2006/48](32006L0048), 2006/49 en 2007/64/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer (PbEU L 302); Gelet op [richtlijn 2010/76/EG](32010L0076) van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de [richtlijnen 2006/48/EG](32006L0048) en [2006/49/EG](32006L0049) wat betreft de kapitaaleisen voor de handelsportefeuille en voor hersecuritisaties, alsook het bedrijfseconomisch toezicht op het beloningsbeleid (Pb EU L 329); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 december 2011, no. W06. 11.0450/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 21 december 2011, FM/2011/10307 M; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op het financieel toezicht (implementatie richtlijn 2009/111/EG) (Stb. 2011/669) in werking tree"},{"i":4798,"b":"Besluit tot verlening van mandaat inzake procesvertegenwoordiging behandeling bezwaarprocedure ex artikel 51ca Wetboek van Strafvordering (Sv) door de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) aan de onder hem ressorterende functionarissen Overwegende dat het wenselijk en noodzakelijk is mandaat te verstrekken aan medewerkers bij het CJIB die aangesteld zijn als (senior) jurist (medewerker behandelen en ontwikkelen). Betreffende het in rechte vertegenwoordigen van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, I. Coenradie, ter zake de bezwaarprocedure ex artikel 51ca Sv. Het CJIB is conform het [Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293) belast met de afhandeling van verzoeken om vertaling tijdens de tenuitvoerlegging, inclusief de procesvertegenwoordiging in bezwaarprocedures. Gelet op: [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) ex [artikel 51ca](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51ca); het [Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid artikel 63d 1 sub c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=63d); de portefeuilleverdeling van de bewindspersonen Ministerie van Justitie en Veiligheid; het [Mandaatbesluit CJIB 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044938); de [artikelen 10.1 tot en met 10.12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:1). Besluit: Mandaat te verlenen aan de onder hem ressorterende functionarissen ([artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050373&artikel=1&z=2024-11-06&g=2024-11-06)) voor de onder [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050373&artikel=2&z=2024-11-06&g=2024-11-06) genoemde bevoegdheid. Treedt in werking met ingang van de datum van toewijzing van de taak aan het CJIB in het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid. Artikel 1. (definities) Ressorterende functionar"},{"i":7345,"b":"Wet van 5 juli 1997 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met opneming daarin van bepalingen voor het geregistreerd partnerschap Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de mogelijkheid van geregistreerd partnerschap te openen en daartoe Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL II Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL III Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL IV Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. ARTIKEL V Wanneer in uiterste wilsbeschikkingen, statuten, reglementen of overeenkomsten voor de inwerkingtreding van deze wet gemaakt of aangegaan een rechtsgevolg afhankelijk is gesteld van het al dan niet gehuwd zijn of van een rechtstreeks met het huwelijk verbonden rechtsfeit, wordt met het huwelijk gelijk gesteld een geregistreerd partnerschap, tenzij in de uiterste wilsbeschikking, de statuten, het reglement of de overeenkomst van deze gelijkstelling uitdrukkelijk is afgeweken. ARTIKEL VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6608,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 augustus 2012, RUA/A/2012/12738, tot wijziging Rechtspositieregeling lid Raad van bestuur SVB Gelet op [artikel 6, vierde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6); Besluit: Artikel I Wijzigt de Rechtspositieregeling lid Raad van bestuur SVB. Artikel II 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 oktober 2012. 2. Deze regeling is niet van toepassing voor een lid van de Raad van bestuur van de SVB, die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling benoemd is als lid van de Raad van bestuur van de SVB. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6587,"b":"Besluit van 28 mei 2021 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000, in verband met het regelen van de aanmeldfase, het vervallen van het eerste gehoor in de algemene asielprocedure en het doorvoeren van enkele technische aanpassingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 18 december 2020, nr. 3150706, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 37, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=37); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 maart 2021, nr. W16.20.0500/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 25 mei 2021, nr. 3280530, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel II 1. Op een aanvraag die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit overeenkomstig [artikel 3.108c, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.108c) is ingediend, kan de in de [artikelen 3.108d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.108d), [3.109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.109) en [3.110 tot en met 3.116 van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.110) beschreven procedure worden toegepast indien nog geen aanmeldgehoor is afgenomen dan wel een gehoor is afgenomen dat voldoet aan het in artikel 3.108d, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bepaalde maar nog geen eerste gehoor is afgenomen als bedoeld in [artikel 3.112 van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.112), zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit besluit. 2. [Artikel 3.109, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.109) is van toepassing. Voor zover nog niet is voldaan aan het bepaalde"},{"i":6341,"b":"Wet van 18 juni 1992, tot wijziging van een aantal gemeentegrenzen in het zuidelijk deel van Noord-Kennemerland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling van het zuidelijk deel van Noord-Kennemerland te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § I. Grenswijzigingen Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling vinden de volgende grenswijzigingen plaats: - A. Aan de gemeente Schermer worden toegevoegd delen van de gemeenten Alkmaar, Heerhugowaard, Graft-De Rijp en Akersloot, een en ander in dier voege dat de grens van de gemeente Schermer komt te lopen als volgt: - 1. Grens met de gemeente Heerhugowaard. Beginnende in het punt waar de percelen kadastraal bekend gemeente Oudorp sectie C nrs. 440, 441 en gemeente Heerhugowaard sectie P nr. 1637 tezamen komen, volgt de nieuwe gemeentegrens de bestaande gemeentegrens tussen de gemeenten Heerhugowaard en Alkmaar en de gemeenten Heerhugowaard en Schermer tot het punt, waar de percelen kadastraal bekend gemeente Heerhugowaard sectie P nrs. 2165, 2166 en gemeente Schermer sectie L nr. 195 tezamen komen. Vanaf dit punt volgt de nieuwe gemeentegrens de grens tussen de kadastrale percelen gemeente Heerhugowaard sectie P nr. 2165 enerzijds en gemeente Heerhugowaard sectie P nr. 2166 anderzijds tot het punt waar de percelen kadastraal bekend gemeente Heerhugowaard sectie P nrs. 2165, 2166 en gemeente Westerkoggenland sectie R nr. 462 tezamen komen. - 2. Grens met de gemeente Wester-Koggenland. Vanaf het sub 1 laatstgenoemde punt volgt de nieuwe grens de bestaande grens tussen de gemeenten Wester-Koggenland en Schermer tot het punt waar de grenzen van de gemeenten Wester-Koggenland, Beemster en Schermer tezamen komen. - 3. Grens met de gemeente Beemster. Vanaf het sub 2 laatstgenoemde"},{"i":5502,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 oktober 2005, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/ESM/2005/87523, houdende vaststelling van het subsidieplafond voor de Subsidieregeling ESF-3 Gelet op [artikel 2b, eerste lid, van de regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 juni 2001, nr. AM/ESM/01/40870, houdende ESF3-beleidskader 2001 als bedoeld in artikel 4 van de Subsidieregeling ESF-3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012597&artikel=2b); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Treedt om 09.00 uur in werking. Artikel 1 Het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met c en e tot en met g, van de Subsidieregeling ESF-3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012598) wordt met ingang van 28 oktober 2005, 09.00 uur, vastgesteld op € 0,00. Artikel 2 Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7925,"b":"Wet algemene ouderdomsverzekering BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **ingezetene:** hij die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woont; - c. **inspecteur:** de bij regeling van Onze Minister van Financiën als zodanig aangewezen functionaris; - d. **ontvanger:** de bij regeling van Onze Minister van Financiën als zodanig aangewezen functionaris; - e. **uitreiziger:** persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan Onze Minister, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in [artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). Artikel 2 1. Waar iemand woont, wordt naar de feitelijke omstandigheden beoordeeld, voor zover in de volgende leden niet anders is bepaald. 2. Degenen, die de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba als woonplaats verlaten, maar binnen een jaar zich daar opnieuw vestigen, worden geacht ook tijdens hun afwezigheid in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba te hebben gewoond, tenzij blijkt, dat zij tijdens hun afwezigheid op het grondgebied van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van een andere Mogendheid hebben gewoond. 3. Degenen, die tijdelijk binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba verblijven, maar hetzij Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten als woonplaats hebben, hetzij geacht worden daar te wonen op grond van de daar geldende wetgeving inzake de inkomstenbelasting, worden als niet binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba wonend bescho"},{"i":7926,"b":"Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **Uitvoeringsorgaan:** de Stichting Bureau Ziektekostenvoorzieningen, bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=10&z=2012-07-01&g=2012-07-01); - c. **Fonds:** het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294&hoofdstuk=V&artikel=18&z=2012-07-01&g=2012-07-01); - d. **Indicatiecommissie:** de Indicatiecommissie Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294&hoofdstuk=IV&paragraaf=2&artikel=12&z=2012-07-01&g=2012-07-01); - e. [vervallen] - f. **Inspecteur:** - i. ten aanzien van de werkgever, die hetzij zijn woonplaats, hetzij zijn vestigingsplaats, of bij gebreke daarvan zijn vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger heeft - 1. in het openbaar lichaam Bonaire: de Inspecteur der Belastingen op Bonaire; - 2. in het openbaar lichaam Curaçao: de Inspecteur der Belastingen op Curaçao; - 3. in één van de overige openbare lichamen: de Inspecteur der Belastingen op Sint Maarten; - ii. ten aanzien van de verzekerde, die bij het begin van het desbetreffende jaar of bij de aanvang van zijn premieplicht in de loop van dat jaar, zijn woonplaats heeft: - 1. in het openbaar lichaam Bonaire: de Inspecteur der Belastingen op Bonaire; - 2. in het openbaar lichaam Curaçao: de Inspecteur der Belastingen op Curaçao; - 3. in één van de overige openbare lichamen: de Inspecteur der Belastingen op Sint Maarten; - g. **toezichthouder:** de toezichthouder, bedoeld in [artikel 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294&hoofdstuk=VII&artikel=40&z=2012-07-01&g=2012-07-01); - h. **ingezetene:** degene die blijkens inschrij"},{"i":7927,"b":"Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **ingezetene:** degene die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woont; - c. **inspecteur:** de bij regeling van Onze Minister van Financiën als zodanig aangewezen functionaris; - d. **ontvanger:** de bij regeling van Onze Minister van Financiën als zodanig aangewezen functionaris; - e. **uitreiziger:** persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan Onze Minister, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in [artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). Artikel 2 1. Waar iemand woont, wordt naar de feitelijke omstandigheden beoordeeld, voor zover in de volgende leden niet anders is bepaald. 2. Degenen, die de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba als woonplaats verlaten, maar binnen een jaar zich daar opnieuw vestigen, worden geacht ook tijdens hun afwezigheid in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba te hebben gewoond, tenzij blijkt, dat zij tijdens hun afwezigheid op het grondgebied van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van een andere Mogendheid hebben gewoond. 3. Degenen, die tijdelijk binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba verblijven, maar hetzij Nederland, Aruba Curaçao of Sint Maarten als woonplaats hebben, hetzij geacht worden daar te wonen op grond van de daar geldende wetgeving inzake de inkomstenbelasting, worden als niet binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustat"},{"i":6541,"b":"Besluit van 8 juli 2011 tot wijziging van het Meetinstrumentenbesluit II en het Meetinstrumentenbesluit I in verband met de intrekking van Richtlijn 71/349/EEG van de Raad van 12 oktober 1971 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten, inzake de inhoudsbepaling van scheepstanks (PbEG L 239) en het verduidelijken van de dynamische verwijzingen Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 6 juni 2011, nr. WJZ / 11077477; Gelet op [richtlijn nr. 2011/17](32011L0017)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 houdende intrekking van de [Richtlijnen 71/317/EEG](31971L0317), [71/347/EEG](31971L0347), [71/349/EEG](31971L0349), [74/148/EEG](31974L0148)[. 75/33/EEG](31975L0033), [76/765/EEG](31976L0765), [76/766/EEG](31976L0766) en [86/217/EEG](31986L0217) van de Raad inzake metrologie (PbEU 2011, L 71) en [artikel 5 van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=5); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 juni 2011, nr. W15.11.0207/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 5 juli 2011, nr. WJZ / 11102585; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Meetinstrumentenbesluit II. Artikel II Wijzigt het Meetinstrumentenbesluit I. Artikel III Eerste EG-ijken en certificaten betreffende een EG-inhoudsbepaling die tot 30 juni 2011 zijn uitgevoerd respectievelijk afgegeven uit hoofde van [Richtlijn 71/349/EEG](31971L0349) van de Raad van 12 oktober 1971 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten, inzake de inhoudsbepaling van scheepstanks (PbEG L 239) blijven geldig voor de oorspronkelijke geldigheidsduur. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaats"},{"i":6540,"b":"Besluit van 30 september 2015 houdende wijziging van het Mediabesluit 2008 in verband met aanpassing van de evenementenlijst Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 22 juni 2015, nr. WJZ/782114 (10516), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=5.1), en [5.2 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=5.2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 juli 2015, nr. W05.15.0196/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 september 2015, nr. WJZ/814386 (10516), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Mediabesluit 2008. Artikel II Onze Minister zendt binnen acht jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de evenementenlijst in de praktijk. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6351,"b":"Wijziging Beschikking totalisator 1998 Gelet op de [artikelen 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=23), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=24), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=25) en [34, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34); Gezien het advies van het College van toezicht op de kansspelen van 5 juni 2003; Besluiten: Artikel I Wijzigt de [Beschikking totalisator 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009736). Artikel II 1. Deze beschikking wordt verleend onder het voorschrift dat Autotote Nederland B.V., gevestigd te 's-Gravenhage, in samenspraak met de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport, gevestigd te 's-Gravenhage of derde partijen, tijdig voor de afloop van de periode, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Beschikking totalisator 1998, voorstellen doet voor een hernieuwd systeem van afdrachten aan de begunstigden van de totalisator. 2. Bij het doen van de voorstellen, bedoeld in het eerste lid, wordt acht geslagen op het kabinetsstandpunt van 20 november 2000 (Kamerstukken II 2000/01, 24 036, nr. 180) alsmede de tweede voortgangsrapportage kansspelen van 31 maart 2003 (Kamerstukken II 2002/03, 24 036, nr 280). Artikel III Bij afloop van de periode, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Beschikking totalisator 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009736&artikel=2), kan een vergunning tot het organiseren van een totalisator als bedoeld in [artikel 23 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=23) op in Nederland te organiseren harddraverijen en paardenrennen slechts worden verleend indien genoegzaam is voldaan [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015295&artikel=II&z=2003-07-01&g=2003-07-01). Artikel IV Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 juli 2003, behoudens [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":7524,"b":"Besluit van 28 oktober 2003, houdende regels betreffende door aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten te treffen beveiligingsmaatregelen ten aanzien van gegevens betreffende het aftappen en opnemen van telecommunicatie (Besluit beveiliging gegevens aftappen telecommunicatie) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 15 mei 2003, nr. WJZ/03/02344 gedaan mede namens Onze Minister van Justitie, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie; Gelet op de [artikelen 13.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.2), [13.5, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.5); De Raad van State gehoord (advies van 10 juli 2003, nr. W10.03.0182/II); Gezien het nader rapport van de Minister van Economische Zaken van 22 oktober 2003, nr. WJZ 3057391, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. aanbieder: aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een openbare telecommunicatiedienst; - c. bevoegde autoriteit: - 1°. de officier van justitie of de door de korpschef voor zijn korps, dan wel door het hoofd van een andere opsporingsdienst voor zijn dienst aangewezen opsporingsambtenaar; - 2°. het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, of de door hem aangewezen ambtenaar; - 3°. het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, of de door hem aangewezen ambtenaar; - d. bijzondere last: last tot het aftappen of opnemen van telecommunicatie. Artikel 2 1. De aanbieder draagt zorg voor het treffen van alle noodzakelijke beveiligingsmaatregelen om kennisneming door onbevoegden te voorkomen v"},{"i":6337,"b":"Wet van 13 september 2000 tot samenvoeging van de gemeenten Venlo, Tegelen en Belfeld Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Venlo, Tegelen en Belfeld samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Venlo, Tegelen en Belfeld opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Venlo ingesteld. Artikel 3 De nieuwe gemeente Venlo bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Venlo, Tegelen en Belfeld met dien verstande dat de grenzen van de nieuwe gemeente komen te lopen als aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Grenswijzigingen van gemeenten die niet worden opgeheven. Artikel 4 De grenzen van de gemeenten Arcen en Velden, Maasbree en Grubbenvorst worden gewijzigd als aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 3. Overige bepalingen Artikel 5 Voor de nieuwe gemeente Venlo wordt de op te heffen gemeente Venlo aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 6 Voor de op te heffen gemeenten Venlo, Tegelen en Belfeld wordt de nieuwe gemeente Venlo aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband"},{"i":1997,"b":"Wet van 10 september 1992, houdende wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Invorderingswet 1990 (aanpassing aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende Lid-Staten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan de [Richtlijn 90/434/EEG](31990L0434) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende Lid-Staten (**PbEG** L 225); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV 1. In geval van fusie of splitsing als bedoeld in de [Richtlijn 90/434/EEG](31990L0434) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende Lid-Staten (**PbEG** L 225), kan Onze Minister van Financiën in afwijking in zoverre van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) en de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770), onder door hem te stellen voorwaarden op verzoek van de belastingplichtige, de inspecteur belast met de aanslagregeling van die belastingplichtige machtigen het voordeel uit de hiervoor b"},{"i":4366,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei, DGKE-DE / 96724574, 14 april 2025, tot voorlopige aanwijzing van de Minister van Klimaat en Groene Groei, inspecteur-generaal der mijnen, de Omgevingsdienst Groningen, DCMR Milieudienst Rijnmond, gedeputeerde staten van Limburg, en de Nederlandse Emissieautoriteit als bevoegde instanties in de zin van Verordening (EU) 2024/1787 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake de vermindering van methaanemissies in de energiesector en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/942 (Besluit voorlopige aanwijzing bevoegde instanties methaanverordening) Gelet op artikel 4 van de [Verordening (EU) 2024/1787](32024R1787) van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake de vermindering van methaanemissies in de energiesector en tot wijziging van [Verordening (EU) 2019/942](32019R0942); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **methaanverordening:** de [Verordening (EU) 2024/1787](32024R1787) van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake de vermindering van methaanemissies in de energiesector en tot wijziging van [Verordening (EU) 2019/942](32019R0942); - b. **minister:** de Minister van Klimaat en Groene Groei. Artikel 2 1. De minister wordt aangewezen als bevoegde instantie als bedoeld in de artikelen 18, 25 en 26 van de methaanverordening, voor zover het methaanemissies betreft van: - a. inactieve, tijdelijk gedichte of permanent gedichte en verlaten putten, bedoeld in artikel 18 van die verordening; en - b. gesloten en verlaten ondergrondse kolenmijnen, bedoeld in de artikelen 25 en 26, eerste lid, van die verordening. 2. De aanwijzing bedoeld in het eerste lid geldt uitsluitend voor handelingen ter uitvoering van de artikelen 5, tweede en vierde lid, 10, 18, derde, vierde, zevende, achtste en tiende lid, en 25, tweede, vijfde, zesde en achtste lid, en 26, eerste lid, van de methaanverordening. 3. De minister wordt aangewezen als bevoegde instantie als bedoel"},{"i":3910,"b":"Besluit van 10 december 2001, houdende regels voor de orde van dienst binnen de gerechten (Besluit orde van dienst gerechten) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 november 2001, nr. 5130698/01/6; Gelet op [artikel 11 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=11); De Raad van State gehoord (advies van 28 november 2001, nr. W03.01.0583/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 5 december 2001, nr. 5136853/01/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Definitiebepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder «bestuur van een gerecht»: de Hoge Raad, het bestuur van een rechtbank dan wel het bestuur van een gerechtshof. § 2. Zittingen Artikel 2 De dagen waarop de gewone zittingen worden gehouden en de tijdstippen waarop de zittingen aanvangen, worden door het bestuur van een gerecht vastgesteld bij reglement. Voor burgerlijke zaken die met een dagvaarding worden ingeleid, worden in dat reglement de dag en het uur van de rolbehandeling opgenomen. Artikel 3 1. De voorzitter van de meervoudige kamer of degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer kan bepalen dat in verband met de omstandigheden in een bepaalde zaak voor de behandeling van die zaak op andere dagen, tijdstippen of plaatsen zittingen worden gehouden dan is vastgesteld in het reglement, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013132&hoofdstuk=1&paragraaf=2&artikel=2&z=2023-10-01&g=2023-10-01). 2. Het bestuur van een gerecht kan bepalen dat voor enig ander doel een buitengewone zitting plaatsvindt. Artikel 4 1. De voorzitter van de meervoudige kamer of degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer bepaalt de duur van zittingen. 2. Het bestuur van een gerecht draagt zorg voor het op tijd aanvangen van de zittingen. Artikel 5 1. Iedere rechterlijke ambtenaar met rechtspraak belast is bevoegd aan de procespartijen, advocaten en gemachtigden die optre"},{"i":3011,"b":"Besluit houdende aanwijzing van personen belast met toezicht als bedoeld in de Spoorwegwet en de Spoorwegwet 1875 en houdende wijziging van het Besluit aanwijzing toezichthoudende en opsporingsambtenaren divisie Vervoer Inspectie Verkeer en Waterstaat 2002 (Besluit aanwijzing toezichthouders spoorwegen) Gelet op [artikel 69, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=69), [artikel 1 van het Besluit van 24 oktober 2001, houdende bepalingen met betrekking tot het toezicht als bedoeld in artikel 10 van de Spoorwegwet, alsmede overige aanpassingen van besluiten samenhangende met de instelling van de Inspectie Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012917&artikel=1), en [artikel 87, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=87); Besluit: Artikel 1 1. De ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving, bedoeld in [artikel 69, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=69), van het bepaalde bij of krachtens [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007). 2. In afwijking van het eerste lid worden: - a. voor [artikel 17 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=17), de directeur-generaal Mobiliteit en de onder hem werkzame ambtenaren aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit artikel, met uitzondering van het bepaalde krachtens de onderdelen a, b en c, van het eerste lid, van dit artikel voor zover dit het toezicht op de veiligheid van de spoorweginfrastructuur betreft; - b. voor de [artikelen 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=19), [20, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=20), en [21, eerste en tweede lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":3042,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, van 9 april 2025, nr. 6289660, houdende de aanwijzing van Vught als overige zittingsplaats Gelet op [artikel 21b, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21b); Gehoord de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal; Besluit: Artikel 1 Als overige zittingsplaats van de rechtbank Oost-Brabant wordt aangewezen: Vught. Artikel 2 Als overige zittingsplaats van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wordt aangewezen: Vught. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3079,"b":"Besluit van 27 oktober 2014, houdende regels voor verpakkingen en verpakkingsafval (Besluit beheer verpakkingen 2014) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 16 juli 2014, nr. IenM/BSK-2014/145462, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 94/62/EG](31994L0062) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PbEG 1994, L 365), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn nr. 2013/2/EU van de Europese Commissie van 13 februari 2013 (PbEU 2013, L 37) en de [artikelen 9.5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2), [10.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.41) en [15.32 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.32); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 september 2014, nr. W14.14.0269/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 21 oktober 2014, nr. IenM/BSK-2014/231884, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **verpakkingen:** alle producten, vervaardigd van materiaal van welke aard ook, die kunnen worden gebruikt voor het insluiten, beschermen, verladen, afleveren en aanbieden van andere producten, van grondstoffen tot afgewerkte producten, over het gehele traject van producent tot gebruiker of consument, wegwerpartikelen die voor dit doel worden gebruikt daaronder begrepen, waarbij verpakkingen uitsluitend omvatten verkoop- of primaire verpakkingen, verzamel- of secundaire verpakkingen en verzend- of tertiaire verpakkingen, en - 1°. waarbij producten als verpakking worden beschouwd indien zij aan het vorenstaande voldoen, ongeacht andere functies die de verpakking ook kan vervullen, tenzij het product integraa"},{"i":3546,"b":"Besluit van 13 december 1982, houdende aanwijzing van de gevallen waarin het bureau beheer landbouwgronden kan overgaan tot de uitgifte in erfpacht van landbouwgrond Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij a.i. van 5 augustus 1982, nr. J 4316, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Gehoord de commissie beheer landbouwgronden; Overwegende dat het wenselijk is ter verlichting van de financieringsproblematiek in de landbouw in bepaalde gevallen uitgifte in erfpacht van landbouwgrond door het bureau beheer landbouwgronden aan ondernemers in de landbouw mogelijk te maken; Gelet op [artikel 57, eerste lid, van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=57) (**Stb.** 1981, 248); De Raad van State gehoord (advies van 29 september 1982, nr. 2420/17/8238); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw en Visserij van 30 november 1982, nr. J. 5486, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: \"pleegkind\": degene, die duurzaam als een eigen kind is verzorgd en opgevoed; \"bedrijfsoppervlakte\": de naar kadastrale maat gemeten oppervlakte van de bij een bedrijf in gebruik zijnde percelen landbouwgrond voor zover deze onbebouwd zijn en niet het erf vormen en voor zover dit gebruik geschiedt op grond van een recht van eigendom, een zakelijk recht of een pachtovereenkomst voor tenminste de wettelijke duur. Artikel 2 Het bureau kan, voor zover zulks uit financieringsoverwegingen noodzakelijk is, onder door Onze Minister te stellen regelen op aanvrage in de navolgende gevallen overgaan tot uitgifte in erfpacht van landbouwgrond: - a. opvolging in een bedrijf door één of meer kinderen, aangetrouwde, pleeg- of kleinkinderen, die voor eigen rekening, dan wel met één of meer andere natuurlijke personen voor gezamenlijke rekening, een bedrijf uitoefent, onderscheidenlijk ui"},{"i":4866,"b":"Besluit van de algemeen directeur van de Justitiële Informatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 10 september 2020, nr. Alg. 6164, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de algemeen directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Justid 2020) gelet op het [Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de directeur van de Justitiële Informatiedienst, hierna genoemd ‘de algemeen directeur’, verleende ondermandaat, wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de directeur Strategie en Middelen, portefeuille Strategie; - b. de directeur Strategie en Middelen, portefeuille Middelen; - c. de directeur Operatie, portefeuille JD&IB en de Matchingautoriteit (MA); - d. de directeur Operatie, portefeuille Jeugd & Veiligheidshuizen, IBO en EDDA; - e. de directeur Technologie. Artikel 2 Als leidinggevende, als bedoeld in paragraaf 1.3 van de CAO Rijk, worden, ten aanzien van de onder hen ressorterende ambtenaren, aangewezen en gevolmachtigd, de ambtenaren, genoemd in kolom 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044124&bijlage=1&z=2020-09-29&g=2021-04-01) bij dit besluit, voor zover het betreft de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in kolom 2 van die bijlage. Artikel 3 Als bevoegd om te beschikken over bedragen voor het aangaan van verplichtingen en voor het verrichten van uitgaven, worden aangewezen de ambtenaren, genoemd in kolom 1 van [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044124&bijlage=2&z=2020-09-29&g=2021-04-01) bij dit besluit, voor zover het betreft de bedragen, genoemd in kolom 2 van die bijlage. Artikel 4 Aan de algeme"},{"i":3867,"b":"Besluit ondertekening en mandaat College van Toezicht Auteursrechten gelet op de [artikelen 10:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:1), [10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:11 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:11), Besluit vast te stellen het navolgende: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het College:** het College van Toezicht Auteursrechten; - b. **de voorzitter:** de voorzitter van het College van Toezicht Auteursrechten; - c. **de secretaris:** de secretaris van het College van Toezicht Auteursrechten; - d. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Artikel 2. Ondertekening besluiten van het College Besluiten van het College worden ondertekend door de voorzitter. Artikel 3. Mandaat 1. Aan de secretaris wordt mandaat verleend tot het uitoefenen van de navolgende bevoegdheden: - a. het stellen van een termijn ten behoeve van het aanvullen van een aanvraag als bedoeld in [artikel 4:15, eerste lid van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15); - b. het stellen van een termijn ten behoeve van het herstellen van een verzuim op grond van [artikel 6:6 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:6); - c. het nemen van besluit met betrekking tot de dwangsomregeling als bedoeld [artikel 4:18 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:18); - d. het nemen van een besluit tot verdaging van de beslistermijn op grond van [artikel 7:10 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10); - e. het nemen van een besluit tot verdaging van de beslistermijn op grond van [artikel 6, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=6). 2. Een krachtens mandaat genomen besluit dient te worden ondertekend als volgt: - (1). **Namens het Colleg"},{"i":2531,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 7 juli 2008, nr. WJZ 8076154, met betrekking tot de uitoefening door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 82, tweede lid, van de Gaswet Gelet op [artikel 5d van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=5d) en [artikel 82, tweede lid, van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=82); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. hoge druk transportleidingennet: het deel van het landelijk gastransportnet dat wordt gebruikt onder een druk van 40 bar of meer; - b. lage druk transportleidingennet: het deel van het landelijk gastransport net dat wordt gebruikt onder een druk van minder dan 40 bar. Artikel 2 Bij het vaststellen van de methode van regulering voor de taken van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet, bedoeld in [artikel 82, tweede lid, van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=82) wordt uitgegaan van een gestandaardiseerde activawaarde op 1 januari 2005 van € 6.376.000.000, vermeerderd met de waarde van de investeringen die in gebruik zijn genomen in de periode tussen 1 januari 2005 en de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel. Voor zowel het landelijk gastransportnet zoals dat op 1 januari 2005 bestond als voor de investeringen die in de periode tussen 1 januari 2005 en de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel in gebruik zijn genomen, wordt bij het vaststellen van de methode van regulering voor de taken van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet mede uitgegaan van: - a. een lineaire afschrijving over een termijn van 55 jaar voor leidingen, waarbij rekening wordt gehouden met reeds gedane afschrijvingen en jaarlijkse indexatie; - b. een reële kapitaalkostenvergoeding vóór belastingen van 5,5%. Artikel 3 1. Indien na de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel een investering in gebruik wordt gen"},{"i":3869,"b":"Besluit van 28 september 2018, houdende regels over de uitoefening van de bevoegdheid tot het binnendringen in een geautomatiseerd werk en het al dan niet met een technisch hulpmiddel onderzoek doen als bedoeld in de artikelen 126nba, eerste lid, 126uba, eerste lid, en 126zpa, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Besluit onderzoek in een geautomatiseerd werk) Op de voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid van 30 mei 2018, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2280615; Gelet op de [artikelen 126nba, eerste en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126nba), [126uba, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126uba), [126zpa, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zpa), en [126ee van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126ee) en [artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2018, nr. W16.18.0125/II); Gezien het nader rapport van de Minister van Justitie en Veiligheid van 24 september 2018, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2363828; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bevel:** bevel van de officier van justitie als bedoeld in de [artikelen 126nba, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126nba), [126uba, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126uba), [126zpa, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zpa); - b. **korpschef:** korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); - c. **landelijke eenheid:** een landelijke eenheid als bedoeld in [artikel 3, eerste lid"},{"i":3238,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 januari 2022 nr. BOACAT2021/071, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Etten-Leur Gelezen het verzoek van de gemeente Etten-Leur van 6 december 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland – West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046195&artikel=2&z=2022-01-18&g=2022-01-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder in dienst van de gemeente Etten-Leur, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Rege"},{"i":3545,"b":"Besluit van 13 maart 2000, houdende vaststelling van de grenzen van de exclusieve economische zone van Nederland en tot inwerkingtreding van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone (Besluit grenzen Nederlandse exclusieve economische zone) Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 25 oktober 1999, nr. DJZ/BR/1922–99, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010480&artikel=2) en [4 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010480&artikel=4); De Raad van State gehoord (advies van 21 december 1999, nr. W02.99.0535/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 2 maart 2000 nr. DJZ/BR/0278–00, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De grenzen van de exclusieve economische zone van Nederland vallen samen met: - a. de grens van de territoriale zee van Nederland, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003748&artikel=1) en - b. de grenzen van het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentaal plat. Artikel 2 1. De [Rijkswet instelling exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010480) treedt voor Nederland in werking op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit grenzen Nederlandse exclusieve economische zone. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3306,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 30 juli 2025, nr. BOACAT2025/149, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Roosendaal Gelezen het verzoek van gemeente Roosendaal van 2 juli 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Zeeland – West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051370&artikel=2&z=2025-12-31&g=2025-12-31). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving I,II en III in dienst van gemeente Roosendaal zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de bijl"},{"i":4076,"b":"Besluit van 16 december 2008, houdende bepalingen tot implementatie van richtlijn nr. 2007/14/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 maart 2007 tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (PbEU L 69) (Besluit uitvoeringsrichtlijn transparantie uitgevende instellingen Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 21 november 2008, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Marktgedrag/Effectenverkeer, nr. FM 2008-2941 M; Gelet op [richtlijn nr. 2004/109/EG](32004L0109) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van [Richtlijn 2001/34/EG](32001L0034) (PbEU L 390), [richtlijn nr. 2007/14/EG](32007L0014) van de Commissie van de Europese gemeenschappen van 8 maart 2007 tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van [richtlijn 2004/109/EG](32004L0109) betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (PbEU L 69) en de [artikelen 5:25i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:25i), [5:25w](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:25w), [5:33, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:33), [5:38, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:38), [5:44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:44), [5:45, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:45) en [5:"},{"i":3627,"b":"Besluit van 25 juni 1991, houdende regelen inzake het klachtrecht voor militairen Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 31 januari 1991, afdeling arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. D 90/096/2197; Gelet op [artikel 2, vijfde lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=2) (**Stb.** 519) en artikel 4 vijfde lid van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen (**Stb.** 1971, 231); De Raad van State gehoord (advies van 15 mei 1991, nr. W07.91.0060); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie, van 17 juni 1991, nr. D90/096/9350; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Betekenis van uitdrukkingen Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. de minister: Onze minister van Defensie; - b. militair ambtenaar: de militair ambtenaar in de zin van [artikel 1 van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1); - c. dienstplichtige: de dienstplichtige in de zin van [artikel 1, onder **b**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005120&artikel=1&z=2002-09-13&g=2002-09-13), ten 1° en 2° van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen; - d. klager: de militair ambtenaar bedoeld in [artikel 9, eerste lid van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=9) dan wel de dienstplichtige als bedoeld in artikel 4**b**, eerste lid van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen; - e. beklag: het schriftelijk beklag bedoeld in [artikel 9, eerste lid van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=9) dan wel artikel 4**b**, eerste lid van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen; - f. klaagschrift: het klaagschrift als bedoeld in [artikel 9, derde lid van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=9) dan wel artikel 4**b**, derde lid van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen; - g. beklagmeerdere: de tot straffen bevoegde militaire meerde"},{"i":4593,"b":"Inkomstenbelasting. Winstfaciliteiten; Firmaproblematiek en terugwerkende kracht **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten** **Het beleid op het terrein van de firmaproblematiek in de inkomstenbelasting is geactualiseerd en samengevoegd. Dit besluit vervangt het besluit van 31 augustus 2001, CPP2001/2374, en het besluit van 6 februari 2010, DGB2010/671M.** 1. Inleiding Dit besluit is een actualisering en samenvoeging van de [besluiten van 31 augustus 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012801), CPP2001/2374, en het [besluit van 6 februari 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027189), DGB2010/671M. De volgende onderdelen zijn vervallen of gewijzigd: De overige aanpassingen zijn redactioneel van aard. Met die aanpassingen zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. 2. Gebruikte begrippen en afkortingen 3. Terugwerkende kracht van overeenkomst tot aangaan van een personenvennootschap De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2098, bepaald dat als uitgangspunt geldt dat het tijdstip, met ingang waarvan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van een maatschaps- of vennootschapsovereenkomst tussen echtgenoten, niet ligt vóór het tijdstip van het aangaan van de overeenkomst. De Hoge Raad overwoog dat een uitzondering moet worden gemaakt voor de situatie waarin \"een overeengekomen terugwerkende kracht op zakelijke gronden berust\". Daarom keur ik om praktische redenen het volgende goed. Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat aan een schriftelijke personenvennootschapsovereenkomst waarin een terugwerkende kracht is overeengekomen, een terugwerkende kracht van maximaal negen maanden wordt toegekend. Ook voor de toepassing van de ondernemings- en ondernemersfaciliteiten wordt dan rekening gehouden met de terugwerkende kracht. Deze goedkeuring is ook van toepassing op overeenkomsten tussen anderen dan echtgenoten waarbij voor rechtspersonen geldt dat zij tijdens de gehele terugwerkendekr"},{"i":3799,"b":"Besluit van 24 juni 1998, houdende vaststelling van het Besluit omschrijving indexcijfer Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Justitie van 19 mei 1998, nr. 690377/98/6; Gelet op [artikel 35, zevende lid, onder b, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=35); De Raad van State gehoord (advies van 11 juni 1998, no. WO3.98.0213); Gezien het nader rapport van Onze Staatssecretaris van Justitie van 23 juni 1998, nr. 703980/98/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onder het indexcijfer van de lonen, bedoeld in [artikel 34, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34), wordt verstaan: het eerst gepubliceerde indexcijfer van CAO-lonen per maand, inclusief bijzondere beloningen, van volwassen en jeugdige werknemers, zoals dat door het Centraal Bureau voor de Statistiek naar de stand op de laatste werkdag van de kalendermaand wordt berekend. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit omschrijving indexcijfer. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 34, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34). Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3529,"b":"Besluit van 6 juli 2020, houdende regels voor de uitvoering van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 april 2020, nr. 2020-0000053114; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031331&artikel=3), [5, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031331&artikel=5), en [8, eerste en tweede lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031331&artikel=8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 juni 2020, No. W12.20.0124/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 juli 2020, nr. 2020-0000089689 Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **boedel:** goederen van de cliënt ten tijde van de uitspraak tot instelling van een afkoelingsperiode, alsmede goederen die hij tijdens de afkoelingsperiode verkrijgt; - **plan van aanpak:** plan van aanpak voor de schuldhulpverlening als bedoeld in [artikel 4a, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031331&artikel=4a); - **schuldhulpverlener:** degene die namens het college de cliënt ondersteunt in het kader van de gemeentelijke schuldhulpverlening; - **wet:** [Wet gemeentelijke schuldhulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031331). § 2. Gegevensverstrekking vroegsignalering Artikel 2. Gegevensverstrekking huurachterstand De verhuurder van een tot bewoning bestemde onroerende zaak verstrekt als er achterstand is in het betalen van de huur de contactgegevens van de huurder en de hoogte van de achterstand aan het college voor schuldhulpverlening, als hij: - a. inspanning heeft geleverd om in persoonlijk contact te treden met de huurder om deze te wij"},{"i":4559,"b":"Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020 Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Paragraaf 1. : Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **Bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - **Fonds voor Cultuurparticipatie:** de stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - **Nederland:** het land Nederland inclusief de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - **Amateurkunst:** het actief beoefenen van kunst, uit passie, liefhebberij of engagement, zonder daarmee primair in het levensonderhoud te willen voorzien - **Amateurkunstenaar:** persoon die bezig is met actieve kunstoefening uit passie, liefhebberij of engagement, zonder daarmee primair in het levensonderhoud te willen voorzien; - **Jong talent:** amateurkunstenaar in de leeftijd van 8 tot 24 jaar die over voldoende potentieel beschikt om voor deelname aan het kunstvakonderwijs in aanmerking te komen; - **Talentontwikkeling:** activiteiten gericht op de identificatie, selectie, begeleiding en ontwikkeling van jong talent ter voorbereiding op eventuele deelname aan het kunstvakonderwijs, of, daar waar het kunstvakonderwijs geen aanbod heeft, activiteiten als onderdeel van een alternatieve opleidingsroute; - **Productiegroep:** groep bestaande uit jonge talenten die werken aan een beperkt aantal producties zoals concerten, voorstellingen en tentoonstellingen waarbij ze begeleiding ontvangen van professionals en de focus ligt op hun ontwikkeling en niet op het maximaliseren van het aantal producties; - **Wedstrijd:** een competitie gericht op jong talent waarbij het wedstrijdelement het verbindende element tussen de activiteiten, waaronder podiumpresentatie en begeleiding, vormt; - **Erfgoedmanifestatie:** reeks van onderling samenhangende activiteiten gericht op het op landelijke sch"},{"i":3409,"b":"Besluit van 11 december 2014 tot het bepalen van het moment en de wijze van het omzetten van het dagloon van uitkeringsrechten gebaseerd op de Werkloosheidswet zoals deze gold voor inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid (Besluit conversie WW) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 juli 2014, nr. 2014-0087756; Gelet op [artikel 1b, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=1b), en [artikel 130aa, tweede lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=130aa); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 juli 2014, nr. W12.14.0189/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2014, nr. 2014-0000184465, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt onder verdisconteerde arbeidsuren verstaan: gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek in een andere dienstbetrekking of verschillende andere dienstbetrekkingen dan de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden, met uitzondering van een of meer dienstbetrekkingen waarvoor de laatstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan de kalenderweek waarin het arbeidsurenverlies als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=16) is ingetreden. Artikel 2. Wijze van omzetting 1. Indien een recht op uitkering op grond van [artikel 130aa, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=130aa) wordt omgezet, wordt het dagloon van dat recht opnieuw berekend. 2. Het dagloon, bedoeld in het eerste lid, wordt als volgt berekend: A + (B/C) x D. Hierbij staat: A voor het dagloon van het om te zetten recht op uitkering; B voor het aantal verdisconteerde arbeidsuren van het om te zetten recht op uitkering; C voor het gemiddeld aantal a"},{"i":2977,"b":"Besluit van 1 mei 2001, houdende aanwijzing van overheidsorganen waarvan de archiefbescheiden dienen te worden bewaard in de rijksarchiefbewaarplaats in de hoofdplaats van de provincie, waarin deze overheidsorganen gevestigd zijn of zijn geweest Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, dr. F. van der Ploeg, van 24 april 2001, nr. WJZ/2001/11033 (8073), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 26, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=26); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In de rijksarchiefbewaarplaats in de hoofdplaats van een provincie worden de archiefbescheiden bewaard van de in het tweede en derde lid bedoelde overheidsorganen, waarvan de functies zich over het gehele rijk uitstrekken of hebben uitgestrekt, en die in die provincie gevestigd zijn of zijn geweest. 2. Tot de in het eerste lid bedoelde overheidsorganen behoren de overheidsorganen van: - a. inrichtingen voor strafrechtstoepassing; - b. justitiële jeugdinrichtingen; - c. instellingen van wetenschappelijk onderzoek, waaronder mede begrepen instellingen van praktijkonderzoek, met uitzondering van de Koninklijke Bibliotheek, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, het Centraal Planbureau, het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Sociaal en Cultureel Planbureau, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne en het Nederlands Instituut te Rome; - d. universiteiten en hogescholen. 3. Tot de in het eerste lid bedoelde overheidsorganen behoren tevens: - a. erkende stamboekverenigingen; - b. keurings- en controle-instellingen ingevolge de [Zaaizaad- en Plantgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002541) en de [Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755); - c. personen en instellingen die op grond van [artikel 78 jo 84 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) gerechtigd zijn tot"},{"i":4731,"b":"Besluit van 24 februari 1998, houdende vaststelling van de Instructie voor het militair gezag (Instructie voor het militair gezag) Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 24 juni 1997, nr. 97M005051; Gelet op [artikel 5, eerste lid, van de Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983&artikel=5); De Raad van State gehoord (advies van 30 september 1997, nr. W01.97.0455); Gezien het nader rapport van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 17 februari 1998, nr. 98M001839; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983); - b. het militair gezag: de ingevolge [artikel 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983&artikel=4) aangewezen militaire gezagsdragers; - c. maatregel: voorschrift, beslissing, alsmede buitenwerkingstelling van een zodanige maatregel of daarin aangebrachte wijziging. Paragraaf 2. Bepalingen jegens het militair gezag Artikel 2 1. Het militair gezag oefent de in de wet aan het militair gezag toegekende bevoegdheden uit onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Defensie. 2. Het militair gezag neemt de aanwijzingen van Onze Minister van Defensie in acht. Artikel 3 1. Tenzij de omstandigheden dit niet toelaten, treft het militair gezag slechts maatregelen die verstrekkende politieke of financiële gevolgen kunnen hebben na instemming verkregen te hebben van Onze Minister van Defensie. 2. Tenzij de omstandigheden dit niet toelaten, oefent het militair gezag slechts bevoegdheden uit de wet uit die inbreuk maken op grondrechten, na instemming verkregen te hebben van Onze Minister van Defensie. Artikel 4 1. Het militair gezag draagt er zorg voor dat de maatregelen van de tot dat gezag behorende gezagsdragers niet met elkaar in strijd zijn. 2. In geval van strijd tussen maatregelen van militaire gezag"},{"i":2862,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 7 november 2008, nr. 5572475/08/6, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2009 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2009) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2009 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3,9. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2009. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4323,"b":"Besluit verlening mandaat Directeur-generaal Openbaar bestuur en democratische rechtstaat Gelet op [artikel 5.1 van het Mandaatbesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=5.1); Besluit mandaat te verlenen aan: Dhr. A. van Hout Directeur-generaal OBDR **Voor**: Onderwerpen/bevoegdheden/handelingen op het terrein van [artikel 25a van de Wet financiering politieke partijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=25a). Hieronder wordt in dit besluit tevens verstaan volmacht voor het kennisnemen en publiceren van substantiële giften, bedoeld in artikel 25a van de Wet financiering politieke partijen. Aanwijzing/voorwaarden: Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant."},{"i":4333,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën van 25 februari 2026, houdende verlening van ondermandaat ten behoeve van het beslissen op bezwaarschriften tegen in verband met de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme genomen besluiten Gelet op [artikel 4, tweede lid, van het Aanwijzings- en mandaatbesluit Wwft 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041190&artikel=4); Besluit: artikel Enig Aan de directeur van de Dienst Financieel-Economische Integriteit van het Ministerie van Financiën wordt ondermandaat verleend om te beslissen op bezwaarschriften tegen op grond van de [artikelen 2, eerste lid, van het Aanwijzings- en mandaatbesluit Wwft 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041190&artikel=2) in mandaat genomen besluiten, voor zover dit ziet op besluiten die de directeur niet in mandaat heeft genomen. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026."},{"i":7929,"b":"Wet van 15 mei 2019 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enkele andere wetten in verband met de implementatie van Verordening (EU) nr. 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PbEU 2017, L 168) (Wet implementatie prospectusverordening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van [Richtlijn 2003/71/EG](32003L0071) (PbEU 2017, L 168); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel Ia De [artikelen 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), [1:13b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:13b), [1:79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:107](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:107), [2:121c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:121c), [3:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:2), [3:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:5), [3A:23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:23), [4:37c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:37c), [5:25g](https://wetten.overh"},{"i":6609,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 3 april 2018, nr. IENW/BSK-2018/24173, tot wijziging van enkele ministeriële regelingen in verband met het niet meer opleggen van het alcoholslotprogramma in het bestuursrecht Gelet op de [artikelen 4b, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b), [22b, eerste en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22b), [23a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=23a), [25a1, eerste lid en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=25a1) juncto artikel 22b, zevende lid, [25b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=25b), [26a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=26a), [83, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=83), [85a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=85a), [86a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=86a), [111, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111), [118, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=118), [129c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=129c), [132d, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132d), [132e, eerste, derde, vierde, en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e), [132e1, eerste, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132e1), [132f, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132f), [132g, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132g), [132h, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132h), [132i, vierde en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132i), [132k, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artik"},{"i":5702,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 november 2014, houdende voorwaarden ter uitvoering van de Verordening voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (Subsidieregeling EFMB 2015–2023) Gelet op [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [artikel 5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5) en de Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen; Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanvrager:** rechtspersoon zonder winstoogmerk die in aanmerking wil komen voor een financiële bijdrage uit het EFMB en daartoe een projectvoorstel indient bij de minister; - –. **begunstigde:** aanvrager aan wie de subsidie is verleend; - –. **deelnemers:** personen uit de doelgroep die deelnemen aan de activiteiten uit het project van de aanvrager; - –. **doelgroep:** ouderen met een laag besteedbaar inkomen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, woonachtig zijn in Nederland en die te kennen geven sociaal uitgesloten te zijn of dreigen te worden; - –. **EFMB:** Europees Fonds voor Meest Behoeftigen; - –. **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. **operationeel programma:** operationeel programma, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Verordening; - –. **project:** geheel van activiteiten gericht op het tegengaan van sociale uitsluiting van de doelgroep gedurende de projectperiode, dat wordt uitgevoerd door of namens de begunstigde en dat wordt gesubsidieerd op grond van deze regeling; - –. **projectperiode:** subsidiabele periode waarbinnen de uitvoering van het projectplan zal plaatsvinden; - –. **projectplan:** door de aanvrager ingediend plan waarin, overeenkomstig de vereisten in deze regeling, een beschrijving van het project is opgenomen; - –"},{"i":2745,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2009 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2009, doch niet later dan 15 februari 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,692 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2009 en eindigende met 15 februari 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl"},{"i":2818,"b":"Beschikking totalisator 2013 Op grond van [artikel 24 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=24) verleent de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit aan Sportech Racing B.V., een besloten vennootschap naar Nederlands recht gevestigd in ’s Gravenhage, de vergunning tot het organiseren van een totalisator voor de periode van 1 juli 2013 tot en met 30 september 2013. Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. **de wet:** [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. **de raad van bestuur:** de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit; - c. **vennootschap:** besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sportech Racing B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage; - d. **NDR:** Vereniging Nederlandse Draf- en Rensport, gevestigd te Wassenaar, daaronder mede begrepen de als rechtsopvolger van de Vereniging Nederlandse Draf- en Rensport aan te merken stichting; - e. **totalisator:** een kansspel als bedoeld in [artikel 23, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=23); - f. **wedkantoor:** door of namens de vennootschap opengestelde gelegenheid waar in hoofdzaak activiteiten worden verricht die verband houden met het afsluiten van weddenschappen op de uitslag van paardenrennen en harddraverijen en waar tevens, voor zover door de raad van bestuur toegestaan, andere kansspelen kunnen worden aangeboden; - g. **wedcafé:** inrichting, verbonden met een horecalokaliteit als bedoeld in [artikel 1 van de Drank- en Horecawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=1), waar onafhankelijk van de horecalokaliteit door de vennootschap de gelegenheid wordt opengesteld tot het afsluiten van weddenschappen op de uitslag van paardenrennen en harddraverijen; - h. **verkooppunt:** inrichting, niet zijnde een wedcafé, waar in overwegende mate activiteiten worden verricht welke geen verband houden met kansspelen en waar tevens door de vennootschap"},{"i":7941,"b":"Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet financiering decentrale overheden in verband met het rentedragend aanhouden van liquide middelen in ’s Rijks schatkist (verplicht schatkistbankieren) Artikel I Wijzigt de Wet financiering decentrale overheden. Artikel II 1. Deze wet heeft geen gevolgen voor de middelen die openbare lichamen voor 4 juni 2012, 18.00 uur, hebben uitgezet met een looptijd die eindigt na de datum van inwerkingtreding van deze wet. Ten aanzien van deze middelen blijven de regels gelden die van toepassing waren op het moment dat zij werden uitgezet tot het moment waarop de looptijd eindigt of zoveel eerder als zij worden geliquideerd voordat de looptijd eindigt. 2. Openbare lichamen zetten hun liquide middelen op een zodanige wijze uit dat zij uiterlijk op 31 december 2013 beschikbaar zijn om in de schatkist van het Rijk aangehouden te kunnen worden. Artikel III Wijzigt de Wet BDU verkeer en vervoer. Artikel IV Deze wet treedt in werking op de tweede dag na de datum van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat [artikel II, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034358&artikel=II&z=2013-12-15&g=2013-12-15), terugwerkt tot 4 juni 2012, 18.00 uur. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! Doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de noodzaak de EMU-schuld en de financieringsbehoefte van het Rijk te verminderen wenselijk is dat decentrale overheden hun liquide middelen in ’s Rijks schatkist aanhouden en daartoe de [Wet financiering decentrale overheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeu"},{"i":6090,"b":"Besluit van 9 december 2022 tot wijziging van diverse algemene maatregelen van bestuur van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in verband met kleine beleidsmatige, technische en redactionele wijzigingen (Verzamelbesluit SZW 2023) Artikel I. [Besluit beslagvrije voet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041895) Wijzigt het Besluit beslagvrije voet. Artikel II. [Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015711) Wijzigt het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Artikel III. [Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030892) Wijzigt het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang. Artikel IV. [Besluit SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013267) Wijzigt het Besluit SUWI. Artikel V. [Besluit van 22 juni 2022 tot wijziging van het Besluit SUWI in verband met de tijdelijke mogelijkheid van registratie als werkloze werkzoekende, gelet op het Uitvoeringsbesluit van de Raad tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van de Richtlijn 2001/55/eg van de Raad van 20 juli 2001, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046798) Wijzigt het Wijzigingsbesluit Besluit SUWI (tijdelijke mogelijkheid van registratie als werkloze werkzoekende in verband met een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan). Artikel VI. [Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004613) Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990. Artikel VII. [Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":6060,"b":"Verlenging Regeling Diversiteitsimpuls Werving en Behoud Aan: de korpsbeheerders van de regionale politiekorpsen en het KLPD; i.a.a. de korpschefs van de regionale politiekorpsen en het KLPD; de hoofden P&O van de regionale politiekorpsen en het KLPD; de voorzitter van het college van bestuur van het LSOP. Geachte heer, mevrouw, Onder verwijzing naar de brief van mijn ambtsvoorganger betreffende de [Regeling Diversiteitimpuls Werving en Behoud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012219), d.d. 6 februari 2001, deel ik u het volgende mede. In het kader van genoemde regeling heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de jaren 2000 t/m 2002 jaarlijks € 2,36 mln. toegekend aan de (regionale) politiekorpsen ten behoeve van de diversiteitprojecten. De [Regeling Diversiteitimpuls Werving en Behoud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012219) vervalt 31 december 2003. Dit houdt verband met de financiële verantwoording van de in 2002 toegekende en bestede subsidiegelden in de (regionale) jaarrekening 2002 die in 2003 bij mij wordt ingediend. Inmiddels is gebleken dat in een aantal korpsen deze gesubsidieerde projecten, om diverse redenen, later dan was gepland zijn gestart. Dit heeft tot gevolg dat deze projecten niet binnen de gestelde termijn zullen zijn afgerond, zodat er in dat kader ook in 2003 nog bestedingen zullen plaatsvinden. Daar ik er veel belang aan hecht dat deze projecten daadwerkelijk worden gerealiseerd, heb ik, gelet op het bovenstaande, besloten de [Regeling Diversiteitimpuls Werving en Behoud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012219) met een jaar te verlengen tot 31 december 2004. Hierdoor wordt de korpsen de gelegenheid geboden de projecten die niet binnen de gestelde termijn zijn gerealiseerd alsnog in 2003 af te ronden en de eindverantwoording van de subsidiegelden op te nemen in de (regionale) jaarrekening 2003 die in 2004 bij mij worden ingediend. Overigens ben ik voornemens medio 2003 een evaluatie te lat"},{"i":4341,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 maart 2019, houdende verlening van een uitsluitend recht aan de Dienst voor het kadaster en de openbare registers voor het verlenen van diensten op het gebied van coördinatie met betrekking tot de landelijke voorziening Digitaal stelsel Omgevingswet (DSO-LV) aan de Staat der Nederlanden Gelet op de stelselverantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) en de daarin geregelde landelijke voorziening Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV); Overwegende: Dat invoering van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) wordt voorzien op 1 januari 2021; Dat een tijdige beschikbaarheid en de continuïteit en kwaliteit van DSO-LV als publieke voorziening met het oog op uitvoerbaarheid van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) moet worden gewaarborgd; Dat het daarvoor noodzakelijk is coördinatie te bewerkstelligen tussen publieke organisaties die tezamen DSO-LV ontwikkelen en onderhouden, alsook samenwerking tot stand te brengen met bestuursorganen van het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen en andere gebruikers die bij de toepassing van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) van DSO-LV afhankelijk zijn; Dat deze coördinerende werkzaamheden onder volledige verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties moeten worden uitgevoerd door een daartoe beschikbare en geschikte organisatie; Dat de Dienst voor het kadaster en de openbare registers in het kader van de basisregistraties in het fysieke domein en in het kader van DSO-LV wettelijke taken uitvoert en gaat uitvoeren die nauw samenhangen met de benodigde coördinerende werkzaamheden in het kader van het beheer van DSO-LV en het informatiepunt [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) en bij uitstek is toegeru"},{"i":7943,"b":"Wet van 10 november 2004 tot wijziging van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank in verband met de evaluatie van die wet Artikel I Wijzigt de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat: - 1°. indien zij in werking treedt na 31 december en voor 1 mei van het daaropvolgende jaar, [artikel I, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017480&artikel=I&z=2005-02-01&g=2005-02-01), voor het eerst toepassing vindt in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin deze wet in werking treedt; - 2°. wijzigt deze wet; - 3°. [artikel I, onderdeel G, onderdeel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017480&artikel=I&z=2005-02-01&g=2005-02-01), in werking treedt op het tijdstip waarop de [wet van 4 september 2003 tot wijziging van de Comptabiliteitswet houdende bepalingen inzake het beheer van liquide middelen van rechtspersonen die collectieve middelen beheren, inzake de financiering van die rechtspersonen en inzake de beheersing van het EMU-saldo voor zover dit saldo door het financieel beheer van deze rechtspersonen wordt beïnvloed (Eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001) (Stb. 2003, 372)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015551) in werking treedt; - 4°. [artikel I, onderdeel D, onderdeel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017480&artikel=I&z=2005-02-01&g=2005-02-01), terugwerkt tot en met 23 januari 2004. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006320) te wijzigen in verband met de evaluatie van [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006320); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verst"},{"i":7944,"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake tijdelijke invoer, vrij van rechten, van medisch, chirurgisch en laboratoriummateriaal in bruikleen afgestaan aan ziekenhuizen en andere medische instellingen ten behoeve van diagnose en behandeling De Lid-Staten van de Raad van Europa, die Overeenkomstsluitende Partij zijn bij de Overeenkomst van 28 april 1960 inzake tijdelijke invoer, vrij van rechten, van medisch, chirurgisch en laboratoriummateriaal in bruikleen afgestaan aan ziekenhuizen en andere medische instellingen ten behoeve van diagnose en behandeling (hierna te noemen „de Overeenkomst”), Gelet op de bepalingen van de artikelen 1 en 2 van de Overeenkomst, volgens welke op zulk materiaal onder bepaalde omstandigheden de voordelen van toepassing zijn van een stelsel van tijdelijke invoer vrij van rechten; Overwegende dat, wat de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap betreft, bij de verlening van zulk een vrijstelling met name rekening dient te worden gehouden met het bestaan van het door deze Staten ingestelde gemeenschappelijke douanetarief en dat elke afwijking van het gemeenschappelijke douanetarief tot de competentie van de Europese Economische Gemeenschap behoort, die hiertoe de nodige bevoegdheden bezit uit hoofde van het Verdrag waarbij zij is opgericht; Overwegende derhalve dat het voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 1 en 2 van de Overeenkomst noodzakelijk is dat de Europese Economische Gemeenschap Partij kan worden bij de Overeenkomst, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 De Europese Economische Gemeenschap kan Partij worden bij de Overeenkomst door deze te ondertekenen. Wat de Gemeenschap betreft, treedt de Overeenkomst in werking op de eerste dag van de maand die volgt op deze ondertekening. Artikel 2 1. Dit Aanvullend Protocol staat open voor aanvaarding door de Partijen bij de Overeenkomst. Het treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de laatste van de Overeenkomstsluitende Parti"},{"i":7945,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3073582, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake invoering beheersmodel medisch specialisten Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 26 april 2010 en 16 maart 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2009/10, 29 248, nr. 117 en II 2010/11, 29 248, nr. 170) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gelet op het algemeen overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 6 april 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 29 248, nr. 206); Gelet op korte aantekeningen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 19 april 2011 kenmerk 42026/WB en van 10 mei 2011 kenmerk 42065/WB; Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **instelling:** instelling voor medisch specialistische zorg; - e. **zorgproduct:** prestatiebeschrijving in termen van diagnose behandelcombinatie, ondersteunend product, overig product, overig traject of overige verrichting, zoals deze is vastgesteld door de zorgautoriteit en geldt vanaf 1 januari 2012; - f. **honorariumcomponent:** deel van het zorgproduct dat betrekking heeft op de werkzaamheden van medisch specialisten; - g. **vrijgevestigd medisch specialist:** medisch specialist die op toelatingsovereenkomst werkzaam is bij een instelling; - h. **maximumtarief:** bedrag als bedoeld in [artikel 50, eers"},{"i":7946,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 september 2012, MC-U-3131142, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2013 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 25 mei 2012 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2011/12, 32 393, nr. 17); Gezien: het verslag van 29 juni 2012 van een schriftelijk overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 32 393, nr. 22); het verslag van 3 juli 2012 van een schriftelijk overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken I 2011/12, 32 393, F). Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - b. **besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - c. **dienst van algemeen belang:** dienst van algemeen belang als bedoeld in Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - d. **verdeelplan:** overzicht van de verdeling van het maximale aantal opleidingsplaatsen per opleiding per opleidende zorgaanbieder; - e. **opleidingsoverzicht:** overzicht, uitgesplitst naar instroom en doorstroom, van de gerealiseerde opleidingsplaatsen per opleiding per opleidende zorgaanbieder zoals dat blijkt uit het opleidingsregister van de voor de desbetreffende opleiding relevante registratiecommissie; - f. **instroom:** aantal o"},{"i":7947,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 oktober 2013, kenmerk 132010-106827-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage medische vervolgopleidingen 2014-2016 De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 5 juli 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2012/13, 29 282, nr. 178); Besluit: 1. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op activiteiten ten behoeve van het beschikbaar hebben van zorg als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2), en onderdeel B, onder 1, sub a en b, van de [bijlage bij dat besluit](onbekend). 2. Opdracht De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: zorgautoriteit) stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2014 regels of beleidsregels vast. 3. Verstrekken beschikbaarheidbijdrage De zorgautoriteit verstrekt op basis van de verdeelplannen 2014, 2015 en 2016 en van de opleidingsoverzichten 2014, 2015 en 2016, jaarlijks beschikbaarheidbijdragen voor die jaren voor activiteiten als bedoeld in punt 1 door daartoe erkende zorgaanbieders, op vergelijkbare wijze als omschreven in de [Aanwijzing beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032024) (Stcrt. 2012, 20041). Zij berekent de beschikbaarheidbijdragen aan de hand van de vergoedingsbedragen genoemd in punt 4. 4. Hoogte vergoedingsbedragen per fte in 2014, 2015 en 2016 4.1. Vervolgopleidingen in academische ziekenhuizen en algemene ziekenhuizen 4.2. Vervolgopleidingen in revalidatiecentra, categorale instellingen en inste"},{"i":2443,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 18 december 2020, nr. WJZ/ 20293295, tot intrekking van de Beleidsregels Nederlandse emissieautoriteit handhaving handel in emissierechten 2016 Besluit: Artikel I De [Beleidsregels Nederlandse emissieautoriteit handhaving handel in emissierechten 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038504) worden ingetrokken. Artikel II De [Beleidsregels Nederlandse emissieautoriteit handhaving handel in emissierechten 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038504) blijven van toepassing op de handhaving door de Nederlandse emissieautoriteit van overtredingen aangevangen of gepleegd vóór 1 januari 2021, van de voorschriften, bedoeld in de [artikelen 18.2f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.2f), [18.6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.6a) en [18.16a van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16a). Artikel III Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7948,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 juli 2016, kenmerk 984591-152516-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2017–2018 De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 3 mei 2016 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II, 2015–2016, 29 282, nr. 250); Besluit: 1. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op activiteiten ten behoeve van het beschikbaar hebben van zorg als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971), en onderdeel B, onder 1, sub a en b, van de [bijlage](onbekend) bij dat besluit. 2. Opdracht De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna:zorgautoriteit) stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2017 regels of beleidsregels vast. 3. Verstrekken beschikbaarheidbijdrage De zorgautoriteit verstrekt op basis van de verdeelplannen 2017 en 2018 en van de opleidingsoverzichten 2017 en 2018, jaarlijks beschikbaarheidbijdragen voor die jaren voor activiteiten als bedoeld in artikel 1 door daartoe erkende zorgaanbieders, op vergelijkbare wijze als omschreven in de [Aanwijzing beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032024) (Stcrt. 2012, 20041). Zij berekent de beschikbaarheidbijdragen aan de hand van de vergoedingsbedragen genoemd onder 4. 4. Hoogte vergoedingsbedragen per fte in 2017 en 2018 4.1. Vervolgopleidingen in academische ziekenhuizen en algemene ziekenhuizen 4.2. Vervolgopleidingen in revalidatiecentra, categorale instellingen en instellingen voor geestelijke gez"},{"i":2444,"b":"Beleidsregel intrekking CV/BV- Besluit en heroverweging Besluit IFZ 1997/204M De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten: **Dit besluit is een intrekking van het besluit van 6 juli 2005, nr. IFZ 2005/546M, Stcrt. 2005, 167 , en aankondiging van heroverweging van het besluit van 19 maart 1997, IFZ 1997/204M, infobulletin 1997, 232.** 1. Inleiding In de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking1Tweede Kamer, vergaderjaar 2018-2019, 35 241, nr. 3, blz. 45. heb ik het volgende opgemerkt: **‘Parallel aan de implementatie van ATAD2 zal per 1 januari 2020 ook het beleidsbesluit over hybride entiteiten onder het belastingverdrag met de VS2Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2005, IFZ2005/546M (Stcrt. 2005, 167). worden ingetrokken. Andere beleidsbesluiten met een verband met de in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen zullen worden heroverwogen.’** Door middel van dit besluit wordt hieraan uitvoering gegeven. 2. Intrekking van het [CV/BV- Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028019) en heroverweging van het besluit IFZ 1997/204M Hierbij wordt het [besluit van 6 juli 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028019), nr. IFZ 2005/546M, Stcrt. 2005, 167 per 1 januari 2020 ingetrokken. Het besluit van 19 maart 1997, IFZ/204M, infobulletin 1997, 232, zal worden heroverwogen. 3. Lopende ingenomen standpunten Voor per 1 januari 2020 nog lopende vaststellingsovereenkomsten waarin een standpunt is ingenomen over de toepassing van artikel 24, vierde lid, van het belastingverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten geldt het volgende. In het besluit van 6 juli 2005 is goedgekeurd dat, onder de in het besluit beschreven voorwaarden, artikel 24, vierde lid, van genoemd verdrag niet zal worden toegepast op hybride entiteiten die voor Nederlandse fiscale doeleinden als transparant worden beschouwd en voor Amerikaanse fiscale doeleinden als niet-transparant. Omdat di"},{"i":2446,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 2 mei 2016, nr. WJZ/16068109, betreffende invoervergunningen voor jachttrofeeën Gelet op artikel 4 van [Verordening (EG) nr. 338/97](31997R0338) inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61); Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 Aanvragen van invoervergunningen als bedoeld in artikel 4 van [verordening (EG) nr. 338/97](31997R0338) inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61) voor na 28 april 2016 verkregen jachttrofeeën afkomstig van de soorten, genoemd in bijlage A bij [verordening (EG) nr. 338/97](31997R0338), van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61), en de soorten, genoemd in bijlage XIII bij [verordening (EG) nr. 865/2006](32006R0865), houdende uitvoeringsbepalingen van [Verordening (EG) nr. 338/97](31997R0338) van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 166), worden afgewezen. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7949,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2025, kenmerk 4315913-1091949-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de verstrekking van de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen voor de jaren 2026 en verder Gelet op [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) en [artikel 57, eerste lid, sub e, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a). **beschikbaarheidbijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - b). **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - c). **Bijlage:** [bijlage](onbekend) behorende bij de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2) en [4 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=4); - d). **instroomplaats:** subsidiabele opleidingsplaats, uitgedrukt in fte’s en aantal personen, voor (medische) beroepsbeoefenaren in opleiding die in het betreffende jaar met een vervolgopleiding als bedoeld in het [besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971) beginnen; - e). **OOR:** Onderwijs- en Opleidingsregio waarin universitair medische centra samenwerken in een regionaal opleidingsnetwerk; - f). **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - g). **opleidende zorgaanbieder:** - –. zorgaanbieder die als zodanig is erkend door de voor de desbetreffende opleiding relevante registratiecommissie, voor zolang deze erkenning niet is ingetrokken of vervallen; of - –. ten aanzien van de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut, zorgaanbieder die een samenwerkingsovereenkomst heeft met een door de min"},{"i":2447,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 december 2013, nr. HO&S/558908, inzake de aanvullende voorziening reisrecht op grond van artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000 Hierbij bericht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te hebben besloten onderstaand beleid door de Dienst Uitvoering Onderwijs te laten uitvoeren: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **WSF 2000:** [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453), - b. **thuiswonende mbo-student:** mbo-student die niet een uitwonende mbo-student is, - c. **uitwonende mbo-student:** mbo-student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5 van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5), - d. **thuiswonende ho-student:** ho-student die niet een uitwonende ho-student is, niet zijnde extraneus, - e. **uitwonende ho-student:** ho-student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5 van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5), niet zijnde extraneus, - f. **student:** thuis- en uitwonende mbo-student of thuis- en uitwonende ho-student, - g. **adres van de onderwijsinstelling:** het adres waar de student daadwerkelijk aan het onderwijs deelneemt, - h. **stageadres:** het adres waar de student daadwerkelijk zijn stage vervult, - i. **woonadres:** adres waaronder de student in de basisregistratie personen staat ingeschreven. 2. Vervallen. Artikel 2. Doelgroepen 1. Op verzoek van een thuiswonende mbo- of thuiswonende ho-student, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het adres van de onderwijsinstelling waarbij hij is ingeschreven of het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden. 2. Op verzoek van een uitwonende mbo- of uitwonende ho-student, die kan aantonen dat"},{"i":7950,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 juni 2013, MC-125996-105636, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake beschikbaarheidbijdragen voor ziekenhuisopleidingen Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 22 april 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2012/13, 32 393, nr. 27) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op activiteiten ten behoeve van het beschikbaar hebben van zorg als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971&artikel=2), juncto [onderdeel B, onder 1, sub c, van de bijlage bij dat besluit](onbekend). Artikel 2. opdracht De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2014 regels of beleidsregels vast. Artikel 3. verstrekken beschikbaarheidbijdrage 1. De zorgautoriteit verleent en stelt een beschikbaarheidbijdrage vast ter compensatie voor het verlenen van een dienst van algemeen belang als bedoeld in Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor activiteiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033814&artikel=1&z=2013-11-01&g=2013-11-01) door een daartoe erkende zorgaanbieder. 2. De zorgautoriteit stelt de beschikbaarheidbijdrage vast op basis van het aantal feitelijke opgeleide personen. Opgeleide personen zijn personen die hun opleiding met een diploma hebben afgerond, alsmede, voor zover het betreft de opleidingen tot operatieassistent, anesthesiemedewerker, radiodiagnostisch laborant, radiotherapeutisch laborant en klinisch perfusionist, personen die in de desbetr"},{"i":7951,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 31 maart 2026, kenmerk 365935-1095616-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake algemene diensten en activiteiten voor zorgondersteunende digitale patiënteninformatie Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 12 februari 2026 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II,** 2025–2026, 27 529, nr. 357) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Wmg) over het voornemen om zorgondersteunende digitale patiënteninformatie te bekostigen op grond van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a). **ADZ:** algemene diensten ten behoeve van verzekerde zorg; - b). **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c). **prestatie:** prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - d). **vrij tarief:** tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - e). **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - f). **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op algemene diensten en activiteiten voor zorgondersteunende digitale patiënteninformatie. Het gaat om het geheel van activiteiten dat leidt tot een platform met landelijk bereik en gericht op gezondheid en ziekte over de volledige breedte van zorg als bedoeld in de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":7952,"b":"Aanwijzing geneeskundigen herkeuringscommissie Gelet op [artikel 33, tweede lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=33); Besluit: Artikel 1 In de commissie die als taak heeft het beroep te behandelen dat kan worden ingesteld tegen de beslissing van de geneeskundigen en geneeskundige instanties, voor keuringen die verband houden met het verkrijgen of behouden van bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor de burgerluchtvaart met uitzondering van zweefvliegbewijzen, worden met ingang van heden tot 1 maart 1998 benoemd tot: Artikel 2 De beschikkingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 april 1986, nr. LI/2452 en van 1 maart 1990, nr. LI/1413 worden ingetrokken. Deze beschikking zal worden toegezonden aan de direct betrokkenen en in afschrift aan het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartgeneeskundig Centrum, de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij en de Algemene Rekenkamer."},{"i":7953,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 augustus 2011, nr. MC-U-3078436, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake honorariumtarieven medisch specialisten Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 26 april 2010 en 16 maart 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2009/10, 29 248, nr. 117 en II 2010/11, 29 248, nr. 170) als bedoeld in artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg; Gelet op het algemeen overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 6 april 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 29 248, nr. 206); Gelet op korte aantekeningen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 19 april 2011 kenmerk 42026/WB en van 10 mei 2011 kenmerk 42065/WB; Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **zorgproduct:** prestatiebeschrijving in termen van diagnose behandelcombinatie, ondersteunend product, overig product, overig traject of overige verrichting, zoals deze is vastgesteld door de zorgautoriteit en geldt vanaf 1 januari 2012; - e. **honorariumcomponent:** deel van het zorgproduct dat betrekking heeft op de werkzaamheden van medisch specialisten; - f. **maximumtarief:** bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) dat ten hoogste voor een prestatie in rekening mag worden gebracht. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op medis"},{"i":2448,"b":"Beleidsregel van het bestuur van Stichting Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing (FPPM) houdende bepalingen over de wijze van toedeling subsidies in het kader van de Podiumregeling en Festivalregeling van de stichting Gelet op artikelen 12 van de statuten van de stichting; Besluit: Artikel 1 Eén en hetzelfde festival kan niet zowel vanuit de Festivalregeling als de Podiumregeling tegelijkertijd subsidie ontvangen. Artikel 2 Beoordeling hiervan is aan het bestuur van het Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing. Artikel 3 Deze beleidsregel wordt aangehaald als ‘Beleidsregel inzake de Podiumregeling en Festivalregeling’. Aldus besloten in de bestuursvergadering van het Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing op 28 februari 2007."},{"i":2449,"b":"Beleidsregel van de minister voor Jeugd en Gezin inzake het niet verstrekken van financiële bijdragen ten behoeve van programma’s van omroepinstellingen Gelet op [artikel 32, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32), [artikel 2 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=2) en de [artikelen 4:23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23), en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 De Minister voor Jeugd en Gezin verstrekt zonder instemming van de ministerraad geen financiële bijdragen met het oog op de aankoop, totstandkoming dan wel uitzending van een programma als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1), indien een zodanig programma inhoudelijk de behandeling van één of meer onderwerpen op het terrein van Jeugd en Gezin tot onderwerp heeft. Artikel 2 Deze beleidsregel is niet van toepassing op het verstrekken van financiële bijdragen die voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel zijn verstrekt of toegezegd. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel JG niet verstrekken bijdragen omroepprogramma’s. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7954,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 17 augustus 2012, MC-U-3125844, op grond van artikel 7 van de Wet markordening gezondheidszorg inzake medisch specialistische geneesmiddelen 2012 en 2013 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 24 mei 2012 schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over de voornemens met betrekking tot de overheveling van dure medisch-specialistische geneesmiddelen naar ziekenhuisbekostiging met ingang van 2013 (Kamerstukken II 2010/11, 29 248, nr. 231); Gelet op het Algemeen overleg op 21 juni 2012 over geneesmiddelenbeleid; Gelet op de alom in het veld gevoelde wens om vooruitlopend op de overheveling van oncolytica naar de ziekenhuisbekostiging, zoals aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal is meegedeeld in de bovenvermelde brief van 24 mei 2012, het nieuwe geneesmiddel vemurafenib met ingang van 1 juli 2012 op te nemen in de ziekenhuisbekostiging en de budgetcompensatie van enkele middelen voor de behandeling van melanoom aan te passen in de uitwerking van het transitiemodel medisch specialistische zorg; Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **toegevoegde prestatie:** prestatie die in beginsel alleen in combinatie met een andere prestatie in rekening kan worden gebracht; - e. **add-on:** toegevoegde prestatie; - f. **maximumtarief:** bedrag als bedoeld in [artikel 50, aanhef en onder c, van de w"},{"i":7955,"b":"Aanwijzing opsporingsambtenaren volgens Noodwet Geneeskundigen Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758&artikel=46) (Stb. 1971, 396); Gezien het besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 26 september 1980 (Stcrt. 1980, 214); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het opsporen van de feiten, strafbaar gesteld bij de [Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758), worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Artikel 2 Dit besluit wordt met de daarbij behorende toelichting in de Nederlandse Staatscourant geplaatst en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Nederlandse Staatscourant, waarin het is geplaatst."},{"i":2442,"b":"Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 10 mei 2012, nr. 2012-0000041275, DGPolitie/Programma Personeel en Materieel, houdende de te volgen stappen bij de organieke matching bij de politie (beleidsregel Instructie organieke matching) Gelet op [artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Het proces van organieke matching dat voorafgaat aan de overgang naar een LFNP functie geschiedt op de wijze die is beschreven in de Instructie organieke matching die als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031608&bijlage=1&z=2013-05-17&g=2013-05-17) met de daarbij behorende 5 bijlagen bij deze beleidsregel is gevoegd. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst en werkt terug tot en met 31 januari 2012. Artikel 3 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: beleidsregel Instructie organieke matching. Bijlage 1 Instructie organieke matching Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie A. Inleiding: In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie (2008-2010) is afgesproken dat iedere medewerker per 1 januari 2010 een nieuwe gewaardeerde LFNP functie heeft. In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie (2008-2010) is afgesproken dat iedere medewerker per 1 januari 2010 een nieuwe gewaardeerde LFNP functie heeft. Deze collectieve afspraken houden in dat in alle korpsen (25 korpsen en het KLPD) en de organisaties (VtsPN, Politieacademie en Rijksrecherche) de bestaande korpsfunctiebeschrijvingen of politieorganisatie- functiebeschrijvingen worden omgezet naar LFNP functiebeschrijvingen. De oplevering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie heeft plaatsgevonden in november 2011. De invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie vindt plaats in 2012. De formele invoeringsdatum is met terugwerkende"},{"i":4212,"b":"Besluit van 12 december 2013 tot vaststelling van subsidieplafonds 2014 voor enkele deelregelingen van de Stichting Nederlands Letterenfonds (Subsidieplafonds geldend voor 2014) Gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), Gelet op [artikel 4, zesde lid, Algemeen reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735&artikel=4). Het bestuur besluit tot instelling van de volgende subsidieplafonds bij genoemde regeling: | Naam regeling | Plafond 2014 in euro’s | | --- | --- | | Regeling projectsubsidies voor publicaties | 2.337.500 | | Biografieregeling Nederlands Letterenfonds | 180.000 | | Regeling digitale literaire projecten | 40.000 | | Regeling reiskosten buitenland | 110.000 | | Regeling literaire projecten en manifestaties | 247.650 | | Regeling meerjarige subsidies Nederlands Letterenfonds 2013–20161 | 1.191.560 | | Herziene regeling projectwerkbeurzen voor literaire vertalers | 1.724.745 | 1 inclusief indexatie."},{"i":6812,"b":"Wet van 14 maart 2020 tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten vanwege opname in de Omgevingswet van regels over het vestigen van een voorkeursrecht, regels over onteigening, bijzondere regels voor het inrichten van gebieden en, met het oog op verschillende typen gebiedsontwikkelingen, een verdere aanpassing van de regels over kostenverhaal (Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om, mede gelet op internationaalrechtelijke verplichtingen en de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=14) en [21 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=21), de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) aan te vullen met regels over regulering en ontneming van eigendom, regels voor het inrichten van gebieden en regels over kostenverhaal; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Aanvulling en wijziging van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) Artikel 1.1. ([Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885)) Wijzigt de Omgevingswet. Hoofdstuk 2. Wijziging van andere wetten Artikel 2.0. ([Aanvullingswet geluid Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247)) Wijzigt de Aanvullingswet geluid Omgevingswet. Artikel 2.0a. ([Aanvullingswet bodem Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043277)) Wijzigt de Aanvullingswet bodem Omgevingswet. Artikel 2.0b. (Aanvullingswet natuur Omgevingswet) Wijzigt de Aanvullingswet natuur Omgevingswet. Artikel 2.1. ([Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2.2. (Burgerlijk Wetboek) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek"},{"i":6251,"b":"Wet van 15 mei 2013 tot samenvoeging van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Boskoop en Rijnwoude Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Alphen aan den Rijn, Boskoop en Rijnwoude samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Alphen aan den Rijn, Boskoop en Rijnwoude opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Alphen aan den Rijn ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Alphen aan den Rijn, Boskoop en Rijnwoude, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Alphen aan den Rijn wordt de op te heffen gemeente Alphen aan den Rijn aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Alphen aan den Rijn, Boskoop en Rijnwoude wordt de nieuwe gemeente Alphen aan den Rijn aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rech"},{"i":4247,"b":"Besluit van 15 december 2022 tot vaststelling wettelijke rente Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 22 november 2022, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4324752; Gelet op [artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=120); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 december 2022, No. W16.22.00176/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 13 december 2022, nr. 4367102; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De wettelijke rente als bedoeld in [artikel 119 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=119), wordt vastgesteld op vier procent per jaar. Artikel 2 Het [Koninklijk Besluit van 18 januari 1971](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002744), Stb. 27 vervalt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7835,"b":"Besluit van 27 juni 1984, houdende herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot het consumentenkrediet Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 18 juni 1984, nr. 345879**a**, gedaan mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Economische Zaken en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel Met ingang van heden: - 1. Onze Minister van Economische Zaken te belasten met de zorg voor het consumentenkrediet, voorzover thans opgedragen aan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, en de taak van beide ministeries dienovereenkomstig te wijzigen; - 2. de organisatorische afwikkeling van zaken, verband houdende met het hierboven bepaalde, op te dragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Binnenlandse Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen en de ministeries."},{"i":7958,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzaken het aanvullend tarievenbeleid 1994 voor de medisch specialisten Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14) (Stb. 1980, 646), laatstelijk gewijzigd bij wet van 20 november 1991 (Stb. 584); Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (advies van, 24 maart 1994 kenmerk, HV/tk/V/94/127 vastgesteld in de vergadering van 21 maart 1994) Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (28 juli 1994 kenmerk VMP/O-942232); Besluiten: Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) stelt voor de prestaties van personen en instellingen die in [artikel 1, onder B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006879&artikel=1&z=1994-08-27&g=1994-08-27), nummer 5, [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006879&artikel=1&z=1994-08-27&g=1994-08-27) nummer 32 en artikel 2 onder b, in het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige richtlijnen vast dat: - a. voor zover die prestaties worden geleverd in de ziekenfondspraktijk een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 35 mln. bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor de medisch specialistische hulp in de ziekenfondspraktijk van het totaal van de in rekening te brengen tarieven is over 1994 aanvullend bijgesteld tot inbeginsel maximaal f 942 mln. (exclusief loon- en prijsbijstellingen, autonome volumegroei en het sub 2 gestelde). - b. voor zover die prestaties worden geleverd in de particuliere praktijk een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst van f 53 mln. bewerkstelligt. Het aanvaardbaar kostenniveau voor de medisch specialistische hulp in de particuliere praktijk van het totaal van de in rekening te brengen tarieven is over 1994 aan"},{"i":3769,"b":"Besluit MAP-tiebreaker **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Per 1 januari 2020 treedt het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving in werking. Een van de maatregelen die hieruit voortvloeit is een onderlinge overlegprocedure tussen verdragspartners om het inwonerschap van niet-natuurlijke personen voor de toepassing van een belastingverdrag vast te stellen. In dit besluit zijn in verband hiermee enkele procedurele regels opgenomen en wordt toegelicht hoe moet worden omgegaan met reeds bestaande situaties.** 1. Inleiding Als gevolg van de inwerkingtreding van het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving ( **Trb.** 2017, 86) wordt de zogenoemde MAP-tiebreaker (artikel 4, eerste lid, van het MLI, die inhoudelijk overeenkomt met artikel 4, derde lid, van het OESO-modelverdrag) van toepassing op verschillende belastingverdragen waar Nederland partij bij is. Voor een aantal Nederlandse belastingverdragen zal dit al gelden per 1 januari 2020. De MAP-tiebreaker schrijft voor dat de bevoegde autoriteit van Nederland en de betrokken verdragspartner zich inspannen om in onderling overleg het inwonerschap voor de toepassing van het belastingverdrag te bepalen van niet-natuurlijke personen die fiscaal als inwoner worden aangemerkt van zowel Nederland als van de verdragspartner. Onderdeel 2 van dit besluit bevat enkele procedureregels voor de toepassing van de MAP-tiebreaker.1Zie ook onderdeel 8.1 van het besluit van 19 juni 2019, nr. 2019/13003.Onderdeel 3 bevat een goedkeuring voor (bestaande) situaties waarin het inwonerschap van niet-natuurlijke personen voor de toepassing van het belastingverdrag al eerder is bepaald. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Procedure De MAP-tiebreaker-procedure volgt in beginsel de procedu"},{"i":3980,"b":"Besluit Rendementen gesubsidieerde woningbouw december 2012 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984. Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2012, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 2,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2012, doch niet later dan 15 januari 2013 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,654 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2012 en eindigende met 15 januari 2013 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing"},{"i":7960,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake tarievenbeleid 1993 voor de medisch specialisten Overwegende dat de algemene financieel-economische situatie noopt tot beheerste kostenontwikkelingen in de gezondheidszorg; Overwegende dat de LSV, de NVZ, de VNZ, het KLOZ en de KPZ een Vijfpartijenakkoord zijn aangegaan voor de jaren 1990, 1991 en 1992 waarin is vastgelegd dat over deze jaren de totale kosten medisch specialistische hulp per jaar gelijk zullen zijn aan de kosten over 1989 en dat zowel in 1990 als in 1991 omvangrijke financiële overschrijdingen zijn vastgesteld; Overwegende dat voor het vaststellen van de aanvaardbare totale kosten voor medisch specialistische hulp voor 1993, het aanvaardbare kostenniveau 1992 het uitgangspunt vormt; Overwegende dat de aanvaardbaar geachte kostenontwikkelingen, zowel de trendmatige als de structurele, jaarlijks in het Financieel Overzicht Zorg (FOZ) tot uitdrukking worden gebracht; Overwegende dat voor 1993 volgens de bestendige FOZ-systematiek bij het bepalen van het aanvaardbare kostenniveau rekening is gehouden met voorlopige nominale ontwikkelingen (loon- en prijsbijstellingen) en autonome ontwikkelingen; Overwegende dat het bieden van de mogelijkheid aan zelfstandig declarerende psychiaters om hulppersoneel in dienst te hebben, in tegenstelling tot de afspraak tot forse kostenstijgingen hebben geleid; Overwegende dat, op basis van een in het kader van het opstellen van het FOZ bestendig gebruikte systematiek, is vastgesteld dat bij ongewijzigd beleid en met inachtname van de laatst bekende cijfers wat de volume-realisatie 1991 betreft, het totaal van de in rekening te brengen tarieven voor de medisch specialistische hulp in 1993 f 369 mln meer zou bedragen dan aanvaardbaar wordt geacht; Overwegende dat in de [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356), (Stb. 1980, 646) laatstelijk gewijzigd bij Wet van 20 november 1991, is vastgelegd dat richtlijnen ook kunnen zijn g"},{"i":6282,"b":"Wet van 18 juli 2009 tot samenvoeging van de gemeenten Helden, Kessel, Maasbree en Meijel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Helden, Kessel, Maasbree en Meijel samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Helden, Kessel, Maasbree en Meijel opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Peel en Maas ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Helden, Kessel, Maasbree en Meijel zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Peel en Maas wordt de op te heffen gemeente Helden aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Helden, Kessel, Maasbree en Meijel wordt de nieuwe gemeente Peel en Maas aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband m"},{"i":7961,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 oktober 2003, nr. IBE/BO-2414978, houdende de afkeuring van besluit CCMS no. 8-2002 van het Centraal College Medische Specialismen Gelet op: – [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14), – artikel 14, tweede lid, van de Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten; Besluit: Het besluit **CCMS no. 8-2002** inzake opleidingseisen psychiatrie af te keuren. Dit besluit zal worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":6389,"b":"Besluit van 13 december 2013, houdende wijziging van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in verband met de invoering van verplicht schatkistbankieren, de totstandkoming van de Wet houdbare overheidsfinanciën en enkele andere wijzigingen Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 november 2013, nr. 2013-0000695843; Gelet op [artikel 190, eerste en tweede lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=190) en [artikel 186, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=186); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 november 2013, No. W04.13.0416/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 december 2013, nr. 2013-0000749121; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Artikel II Wijzigt het Besluit accountantscontrole decentrale overheden. Artikel III Op de inrichting van de jaarrekening, het jaarverslag en de productenrealisatie van provincies, gemeenten en openbare lichamen of gemeenschappelijke organen als bedoeld in [artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8) met betrekking tot het jaar 2013 blijven de bepalingen van het [Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014606) van toepassing zoals die luidden voor inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034527&artikel=I&z=2013-12-25&g=2013-12-25) van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5568,"b":"Besluit van 30 mei 1996, houdende uitvoering van de Wegenverkeerswet 1994 (Reglement rijbewijzen) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 november 1993, nr. R 163248, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 91/439/EEG](31991L0439) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (**PbEG** L 237) en op de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622); De Raad van State gehoord (advies van 5 april 1994, nr. W09.93.0755); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 mei 1996, nr. R 219195, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **basiskwalificatie**: opleidings- en kennisniveau dat de in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aangewezen onderwerpen en praktische vaardigheden omvat; - **bestuurdersattest**: bestuurdersattest als bedoeld in [artikel 151c, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=151c); - **deelcertificaat**: certificaat aantonende dat de bestuurder een aantal uren nascholing heeft gevolgd, maar nog niet met goed gevolg heeft voltooid; - **getuigschrift van nascholing**: bewijs dat de houder de nascholing met goed gevolg heeft voltooid; - **getuigschrift van vakbekwaamheid**: bewijs dat de houder de basiskwalificatie heeft behaald; - **gezondheidsverklaring:** verklaring van de aanvrager ter zake van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de categorie of categorieën waarvoor een verklaring van geschiktheid wordt verlangd; - **IBC:** Intermediate Bulk Container, een door het CBR goedgekeurde stijve of flexibele verpakking; - **keuringsverslag:** op basis van een keuring van de aanvrager opgem"},{"i":3758,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 27 mei 2025, nr. 2025-0000340332, houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging aan het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland voor aangelegenheden met betrekking tot subsidieverstrekking op grond van Subsidieregeling isolatie en ventilatie gebouwen, woonboten en woonwagens provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo (Besluit mandaat, volmacht en machtiging SNN inzake subsidieverstrekking Subsidieregeling isolatie en ventilatie gebouwen, woonboten en woonwagens provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo) Gelet op [afdeling 10.1.1, Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland; Besluit: Artikel 1 Aan het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de subsidieverstrekking op grond van de Subsidieregeling isolatie en ventilatie gebouwen, woonboten en woonwagens provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo. Artikel 2 Aan het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland wordt tevens mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051075&artikel=1&z=2025-06-03&g=2025-06-03), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep. Artikel 3 1. Het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland kan voor de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051075&artikel=1&z=2025-06-03&g=2025-06-03) en [2](https:"},{"i":3842,"b":"Besluit van de directeur-generaal Dienst Uitvoering Onderwijs van 27 augustus 2025, nr. DUO/HD.I.025.119, houdende de vaststelling van het Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging DUO 2025 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging DUO 2025) Gelet op het [Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543); Gelet op het [Mandaatbesluit beschermde stads- en dorpsgezichten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027565); Gelet op het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging Dienst Uitvoering Onderwijs inburgering 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051423); Gelet op het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging Dienst Uitvoering Onderwijs in verband met vakbekwaamheid Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034391); Gezien de [Regeling verlening mandaat, volmacht en machtiging aan DUO in verband met register buitenlandse kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034646); Gezien de [Regeling behandeling bezwaarschriften OCW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023195); Besluit: Artikel 1. Mandaat voor de uitvoering De volgende functionarissen hebben mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die behoren tot hun werkterrein: - −. de hoofddirecteur Financiën & Services en de hoofddirecteur Uitvoering; - −. de managers van de tweede, derde en vierde managementlaag onder het niveau van directeur-generaal; - −. de medewerkers vallend onder de volgende directeuren: de directeur Onderwijsvolgers en de directeur Registers & Examens; - −. de managers van de programmadirectie Controles & Herzieningen; - −. de centrale klachtenfunctionaris/de functionaris Nationale ombudsman, de functionarissen Wet open overheid, de Klachtenfunctionarissen Onderwijsvolgers, de Klachtenfunctionarissen Controles & Herzieningen, de medewerkers klachtafhandeling Servicecentrum Inburgering, de Klachtenfunctionarissen Registers & Examens en de Klachtenfunctionarissen Onderwijsinstellingen. Artikel 2. Mandaat voor Persone"},{"i":6186,"b":"Wet van 12 mei 1999, houdende aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met een regeling over de behandeling van klachten door bestuursorganen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Algemene wet bestuursrecht aan te vullen met bepalingen inzake de behandeling van klachten door bestuursorganen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking met ingang van 1 juli 1999, met uitzondering van artikel I voorzover het betreft de beleidsterreinen die worden bestreken door: a. de Wet klachtrecht cliënten zorgsector, b. de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, c. de Wet op de jeugdhulpverlening, d. de Wet op het primair onderwijs, e. de Wet op het voortgezet onderwijs, f. de Wet op de expertisecentra, g. de Wet educatie en beroepsonderwijs, h. de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, voorzover het betreft onderwijsinstellingen, i. de Politiewet 1993, j. de Penitentiaire beginselenwet, k. de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, l. het bij koninklijke boodschap van 27 april 1998 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van een Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (26016) en m. de Reclasseringsregeling 1995. ARTIKEL I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. ARTIKEL II Wijzigt de Wet Nationale ombudsman. ARTIKEL III Wijzigt de Militaire Ambtenarenwet 1931. ARTIKEL IV Wijzigt de Kaderwet dienstplicht. ARTIKEL V 1. Klachten die bij een bestuursorgaan zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet voor het betrokken beleidsterrein en op dat tijdstip nog bij dat bestuursorgaan in behandeling zijn, worden behandeld volgens het recht dat voor dat tijdstip van toepassing was. 2. Klachten over gedragingen die hebben plaatsgevonden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze"},{"i":7966,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 31 mei 2022, nr. 4022247, houdende een specifieke uitkering voor gemeenten in verband met de bekostiging van acute opvang en verstrekkingen vanwege de oorlogssituatie in Oekraïne (Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne) Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) juncto [artikel 4:23, derde lid onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Asiel en Migratie; - b. **ontheemden:** personen op wie het Uitvoeringsbesluit van 4 maart 2022 van de [richtlijn 2001/55/EG](32001L0055) van de raad van 2001 van toepassing is, ingevolge artikel 2 van dat besluit; - c. **opvangvoorziening:** een accommodatie waarin opvang wordt geboden aan ontheemden; - d. **leefgeld:** financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven; - e. **wooncomponent:** financiële toelage ten behoeve van kosten voor het openbaar vervoer, voor activiteiten buitenshuis of een vrijwillige bijdrage in het particuliere huishouden; - f. **verstrekkingen:** de voorzieningen die een ontheemde uit Oekraïne ontvangt zoals opgenomen in de [Regeling opvang ontheemden Oekraïne](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046503); - g. **transitiekosten:** de kosten die gemeenten maken voor het geschikt maken of realiseren van gebouwen voor de opvang van ontheemden; - h. **uitvoeringskosten:** de kosten die gemeenten maken voor alle processen rond het realiseren en de uitvoering van de opvang en het doen van verstrekkingen; - i. **SiSa:** het systeem van single information, single audit, zoals bepaald in de ministeriële regeling informatieverstrekking SiSa. Artikel 2. Verstrekking van een specifieke uitkering 1. De minister verstrekt aan gemeenten een specifieke"},{"i":7969,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 november 2023, kenmerk 3721750-1056382-GMT, inzake vaststellen beleidsregels met betrekking tot het aanhouden van voorraden van geneesmiddelen 2024 Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 36, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=36), en [49, negende lid, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=49), Besluit de volgende beleidsregels vast te stellen met betrekking tot het aanhouden van voorraden van geneesmiddelen: 1. Inleiding en doel De beschikbaarheid van geneesmiddelen voor de Nederlandse markt is van groot belang voor de volksgezondheid. Tekorten aan geneesmiddelen kunnen leiden tot nadelige consequenties voor de keten in zijn geheel: hinder voor de zorgverleners en patiënten, mogelijke schade voor de patiënt, maatschappelijke onrust en financiële consequenties voor ketenpartners. Met het aanhouden van voldoende voorraad door houders van handelsvergunningen en groothandelaren in geneesmiddelen kunnen de gevolgen van een leveringsonderbreking verminderd of voorkomen worden. Deze beleidsregel strekt ertoe de verplichting voor groothandelaren om zorg te dragen dat ‘(…) geneesmiddelen in voldoende mate continu voorradig zijn (…)’ in [artikel 36, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=36) en de verplichting voor handelsvergunninghouders om zorg te dragen dat het geneesmiddel ‘(…) in voldoende mate continu voorradig is (…)’ in [artikel 49, negende lid, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=49)1[Artikel III, onderdelen A en B, van de Verzamelwet VWS 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048617&artikel=III) (Stb. 2023, 293). te concretiseren. Groothandelaren en handelsvergunninghouders zijn hiermee verplicht om – kortweg – ‘voldoe"},{"i":5226,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 7 juli 2016, nr. WJZ/16098493, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het najaar van 2016 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2016) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [27, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [43a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=43a), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=45), [47, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47)"},{"i":6069,"b":"Vervallen en afzonderlijk verzoek om teruggaaf o.g.v. art. 29, lid 1, letter b, Wet OB’68 De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Vervallen en afzonderlijk verzoek om teruggaaf o.g.v. art. 29, lid 1, letter b, wet ob’68 Ingevolge art. 29, lid 1, letter b, Wet OB’68 dient een verzoek om teruggaaf te worden gedaan in het geval dat een vermindering van de vergoeding is verleend of de goederen in ongebruikte staat zijn teruggenomen. Het belang dat kan worden gehecht aan een afzonderlijke behandeling van dergelijke gevallen is naar mijn mening dermate gering dat ik goedkeur dat ondernemers voornoemde teruggaaf verrekenen met de periodiek verschuldigde belasting. Met deze werkwijze kan worden rekening gehouden vanaf het moment van ontvangst van de aanschrijving. De inspecteurs wordt verzocht in voorkomende gevallen de ondernemers op de hoogte te stellen."},{"i":6068,"b":"Verspreiding NT2-Profieltoets, NT2-Profieltoets alfabetisering en MO-Profieltoets [Wet Inburgering Nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544) [Artikel 10 van de Wet Inburgering Nieuwkomers](onbekend) bepaalt dat ter afronding van het inburgeringstraject een toets wordt afgenomen. In de [Regeling vaststelling inhoud en niveaus inburgeringstoets nieuwkomers](onbekend) worden richtlijnen geformuleerd, waaraan deze toets moet voldoen. Om landelijk gestandaardiseerde toetsen beschikbaar te hebben, heeft het ministerie van OCenW de NT2-Profieltoets, de NT2-Profieltoets Alfabetisering en de MO-Profieltoets laten ontwikkelen. Tot op heden konden deze toetsen kosteloos worden besteld bij Citogroep te Arnhem. Naar nu blijkt worden met name van de NT2-Profieltoets aanzienlijk meer exemplaren besteld dan daadwerkelijk afgenomen. Dit brengt voor het ministerie hoge kosten met zich. Daarom heb ik besloten in 2003 de gratis verspreiding van de NT2-Profieltoets te maximeren op 15.000 exemplaren. Verdeling toetsen De verdeling van de toetsen over de roc’s heb ik in de bijlage opgenomen. De verdeling is gebaseerd op de bedragen die de roc’s op grond van een overeenkomst met de gemeente(n) ontvangen voor de uitvoering van inburgering. Deze bedragen zijn door de roc’s verantwoord in hun financieel jaarverslag en zij worden onder meer gebruikt voor de verdeling en de inhouding van het wachtgeldbudget over de roc’s. In de verdeling is uitgegaan van een minimaal aantal van 20, **gratis** te verspreiden exemplaren. Zodra een roc zijn aandeel in het totaal heeft bereikt, zoals aangegeven in kolom D, kan de toets tegen de kostprijs worden besteld bij: De kostprijs bedraagt in 2003 € 12,50 per exemplaar. Ik heb, gelet op het hierboven gestelde, besloten de NT2-Profieltoets met ingang van 1 januari 2004 alleen nog tegen de dan geldende kostprijs beschikbaar te stellen. Bedoelde toetsen zijn verkrijgbaar via de eerder genoemde adressen van Citogroep. De MO-Profieltoets en de"},{"i":7971,"b":"Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). Op grond van [artikel 56a, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a) en [artikel 59, aanhef en onder e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) geeft de NZa op aanvraag toepassing aan artikel 56a, eerste tot en met negende lid, van de Wmg. Gelet op artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg, heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051365&artikel=1&z=2026-01-03&g=2026-01-03), tweede lid van deze beleidsregel, aanwijzingen aan de NZa gegeven op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7). Deze aanwijzingen dateren van 17 september 2012 (kenmerk [MC-U-3131142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032024)), 28 juni 2013 (kenmerk [MC-125996-105636](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033814)), 17 oktober 2013 (kenmerk [132010-106827-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034146)), 30 juni 2015 (kenmerk 776201-137544-MC) 6 juli 2016 (kenmerk [984591-152516-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038287)), 26 juni 2018 (kenmerk [1355023-177350-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041116)), 6 juli 2020 (kenmerk [1713658-207569-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043858)), 23 juni 2023 (kenmerk [3611583-1049617-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048330)), 28 juni 2024 (kenmerk [3861777-1067529-PZo](https://wet"},{"i":7972,"b":"Beleidsregel budgetbekostiging acute psychiatrische hulpverlening Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b, c, d en e van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven, prestatiebeschrijvingen, een grens en een vereffeningsbedrag als bedoeld in [artikel 56b van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56b) vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder a, c en e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met brief van 26 april 2018, met kenmerk 1309558-174219-CZ, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 26 april 2018 en heeft als kenmerk 1309558-174219-CZ. Deze aanwijzing is gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 27141. 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van de acute psychiatrische hulpverlening binnen budget. 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op de acute psychiatrische hulpverlening binnen budget, zoals bedoeld in artikel 1, onder e. 4. Procedure voor vaststelling van het budget Zvw en tekort/overschot Zvw De procedure bestaat uit: Deze stappen worden hieronder verder uitgewerkt. 4.1. Het vaststellen van het voorlopig bu"},{"i":7973,"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 13 april 2019, nr. 19086190, houdende een correctiekorting op de diergezondheidsheffing voor bepaalde pluimveehouders voor 2018 (Beleidsregel correctiekorting diergezondheidsheffing pluimveehouders 2018) Gelet op [artikel 93, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=93) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit diergezondheidsheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040317); - **diergezondheidsheffing:** heffing als bedoeld in [artikel 91b van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=91b); - **eendagskuiken:** kuiken dat nog geen 72 uur oud is; - **gebruikspluimvee:** pluimvee dat bestemd is voor de productie van consumptie-eieren of direct bestemd is voor de productie van vlees; - **grootmoederdier:** vrouwelijk dier dat 17 weken of ouder is en gehouden wordt voor de productie van broedeieren ter verkrijging van andere moederdieren; - **legkip:** kip die 17 weken of ouder is en gehouden wordt voor de productie van consumptie-eieren of vaccinbroedeieren; - **legras:** pluimveeras dat bestemd is voor de productie van eieren; - **moederdier:** kip die 17 weken of ouder is en gehouden wordt voor de productie van broedeieren ter verkrijging van gebruikspluimvee; - **traaggroeiend ras:** ras waarvan de dieren minder dan 50 gram per dag groeien; - **verordening (EG) nr. 834/2007:** [Verordening (EG) nr. 834/2007](32007R0834) van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van [Verordening (EEG) nr. 2092/91](31991R2092) (PbEU 2007, L 189); - **verordening (EG) nr. 589/2008:** [Verordening (EG) nr. 589/2008](32008R058"},{"i":7976,"b":"Beleidsregel huisartsendienstenstructuur Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheden om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van spoedeisende huisartsenzorg in avond, nacht en weekend die wordt geleverd door huisartsendienstenstructuren (HDS). Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige zorg zoals huisartsen die plegen te bieden (huisartsenzorg) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), die wordt geleverd in een rechtspersoonlijkheid bezittend organisatorisch verband, opgericht ten behoeve van spoedeisende huisartsenzorg in avond, nacht en weekend en op officiële feestdagen (nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, eerste paasdag, tweede paasdag, Koningsdag, Bevrijdingsdag, Hemelvaartsdag, eerste pinksterdag, tweede pinksterdag, eerste kerstdag en tweede kerstdag), aangevuld met kerst- en oudjaarsavond. Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen 1. In het kader van deze beleidsregel worden de volgende prestatiebeschrijvingen onderscheiden: - –. consult; - –. visite; - –. triageconsult: het beoordelen van de urgentie en ernst van de zorgvraag van de patiënt, en het adviseren over de benodigde vervolgzorg. 2. Bepalingen bij de prestatiebeschrijvingen Consult Het consult is een onafgebroken tijdspanne, waarin de zorgv"},{"i":7977,"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 april 2022, kenmerk 3345756-1027149-WJZ, houdende de vaststelling van beleidsregels inzake gunstbetoon als bedoeld in artikel 6 van de Wet medische hulpmiddelen (Beleidsregels gunstbetoon Wet medische hulpmiddelen) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 6 van de Wet medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=6); Besluit de volgende beleidsregel vast te stellen met betrekking tot het begrip gunstbetoon als bedoeld in de [Wet medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=6): 1. Inleiding De beslissing tot het toepassen van een medisch hulpmiddel of een medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek moet zijn gebaseerd op gezondheidsbelangen. De kwaliteit van zo’n beslissing dient niet op onwenselijke wijze te worden beïnvloed door verkoopbevorderende activiteiten. Deze gedachte heeft geleid tot de opneming van artikel 6 over gunstbetoon in de [Wet medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755) (hierna: Wmh). In de onderhavige beleidsregels worden de inhoud en reikwijdte van het begrip gunstbetoon meer concreet gemaakt. Deze beleidsregels zullen door de Inspectie voor de Gezondheidszorg worden gehanteerd bij het toezicht op de naleving van [artikel 6 Wmh](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=6). Onder gunstbetoon wordt verstaan het ‘door een leverancier in het vooruitzicht stellen, aanbieden of toekennen van geld of op geld waardeerbare diensten of goederen aan een natuurlijke persoon die betrokken is bij de toepassing van een medisch hulpmiddel of van een medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek, of aan een instelling of zorgverzekeraar met het kennelijke doel de verkoop van een medisch hulpmiddel of medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek te bevorderen’ ([artikel 6, eerste lid"},{"i":15448,"b":"Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 Overwegende dat het gewenst is beroeps-en gedragsregels vast te stellen; Gelet op [artikel 61 lid 2 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=61); Gezien het ontwerp van het bestuur met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de ringen; Stelt de navolgende verordening vast: Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - a. **bestuur:** het bestuur van de KNB, genoemd in [artikel 64, eerste lid, Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=64); - b. **notaris:** de notaris, genoemd in [artikel 1, onder a, Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=1), alsmede de kandidaat-notaris, genoemd in artikel 1, onder b, Wet op het notarisambt, tenzij uit de aard van de bepaling anders voortvloeit. - c. **Protocol:** het protocol, genoemd in [artikel 1, eerste lid, sub e Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=1), van de notaris en zijn voorgangers; - d. **Rechtsvorm:** de al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende juridische vorm waarin de notarispraktijk is uitgeoefend; - e. **Protocolopvolger:** de notaris die een protocol heeft overgenomen in de zin van de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388); - f. **Protocolvoorganger:** de oud-notaris als voorganger van de protocolopvolger waaronder begrepen zijn waarnemer(s) in de zin van de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388) en de rechtsvorm waarin de praktijk is uitgeoefend; - g. **Werknemers:** personen die, al dan niet in loondienst, onder verantwoordelijkheid van de hiervoor onder d., e. en f genoemde personen of rechtsvormen werkzaamheden hebben verricht, of hebben doen verrichten; - h. **Protocolverzekerden:** de hiervoor onder f. en g. genoemde personen of rechtsvormen, inclusief hun rechtsvoorgangers, rechtsopvolgers, rechtsv"},{"i":7978,"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 2018, nr. 2017-0000012131, tot aanwijzing van de Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland Gelet op [artikel 1.61a Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.61a) (Wko); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing De Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland van de Vereniging Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland te Utrecht, verder te noemen, de Stichting, voor de periode van 1 januari 2019 tot 1 januari 2027 aan te wijzen als de instelling, bedoeld in [artikel 1.61a van de Wko](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.61a). Artikel 2. Taken en activiteiten 1. De Stichting heeft tot taak het bevorderen van de kwaliteit en uniformiteit van het toezicht op de kinderopvang. 2. Ter uitvoering van het eerste lid verricht de Stichting taken en activiteiten die gericht zijn op de ontwikkeling en verbetering van de kwaliteit van het toezicht op de kinderopvang, teneinde de effectiviteit, uniformiteit, continuïteit en proportionaliteit van het toezicht waar te borgen. Hieronder valt onder meer: - a. het ondersteunen en adviseren van Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdiensten (GGD-en) en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) met betrekking tot het toezicht op de kinderopvang; - b. het uitvoeren van onderzoek ter ondersteuning van de in het eerste lid, genoemde taken; - c. het ontwikkelen en onderhouden van landelijke toezichtinstrumenten; - d. het uitvoeren van aanvullende activiteiten, die samenhangen met de in het eerste lid genoemde taken. Artikel 3. Werkwijze en vergoeding 1. SZW en de Stichting leggen afspraken en verplichtingen over het samenwerken en de uitoefening van de wettelijke taken vast in Uitvoeringsafspraken. 2. Met inachtneming van de Uitvoeringsafspraken worden Jaarafspraken gemaakt waarin is vastgelegd w"},{"i":7979,"b":"Beschikking Commissie Geneeskundigen Immunisatie Militairen Overwegende, dat het ter uitvoering van [artikel 6 van de Wet immunisatie militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117&artikel=6) gewenst is over te gaan tot het instellen van een commissie tot het uitbrengen van advies omtrent verzoeken om vrijstelling van immunisatiemaatregelen wegens geneeskundige redenen, alsmede ter zake van de werkzaamheden dezer commissie enige regelen te stellen, Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: Artikel 2 Tot het uitbrengen aan de Minister van een advies, als bedoeld in [artikel 6 der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117&artikel=6), worden naar behoefte één of meer commissies ingesteld. Artikel 3 1. Een commissie bestaat uit drie leden, benevens drie plaatsvervangende leden. Als leden worden aangewezen een dermatoloog, een internist en een neuroloog. Als plaatsvervangende leden worden aangewezen onderscheidenlijk een dermatoloog, een internist en een neuroloog. 2. Een commissie wordt in haar werkzaamheden bijgestaan door een secretaris, als hoedanig een officier-arts of een officier van gezondheid optreedt. Deze wordt in onderling overleg door de chef geneeskundige dienst der zeemacht en de inspecteur van de geneeskundige dienst der Koninklijke landmacht aangewezen. 3. De leden en de plaatsvervangende leden worden als zodanig benoemd door de Ministers, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002125&artikel=1&z=1954-01-18&g=1954-01-18). Deze Ministers wijzen één der leden aan als voorzitter der commissie. Bij ontstentenis of afwezigheid van de voorzitter treedt als zodanig op het oudste lid of, indien geen lid aanwezig is, het oudste plaatsvervangend lid. Artikel 4 1. De voorzitter regelt de werkzaamheden van de commissie en roept haar bijeen zo dikwijls hij zulks in verband met de werkzaamheden nodig acht. 2. De voorzitter bepaalt de plaats, waar de commissie zitting zal houden. Artikel 5 1. De commis"},{"i":7980,"b":"Beschikking vaststelling vacatiegelden adviescommissie medische verklaringen voor de luchtvaart 2004 Gelet op het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317) en de Regeling maximumbedragen vacatiegeld 1999; Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. adviescommissie: commissie, bedoeld in [artikel 32, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=32); - b. hoorzitting: een bijeenkomst van de adviescommissie voor het in [artikel 22 van de Regeling geneeskundige instanties, geneeskundigen en medische verklaringen voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010686&artikel=22) bedoelde horen van belanghebbenden en uitbrengen van advies. - c. vergadering: een bijeenkomst van de adviescommissie, niet zijnde een hoorzitting, bijeengeroepen door of vanwege de minister; Artikel 2 1. Het vacatiegeld voor de adviescommissie bedraagt: - a. voor de leden: € 124,79 per dag, - b. voor de voorzitter en de fungerend plaatsvervangend voorzitter: tweemaal het bedrag, genoemd onder a. 2. De leden respectievelijk de voorzitter dan wel de fungerend plaatsvervangend voorzitter, genoemd in het eerste lid, ontvangen per: - a. hoorzitting: een vergoeding die gelijk is aan het bedrag, genoemd in onderdeel a respectievelijk bedoeld in onderdeel b van het eerste lid, waarbij per hoorzitting wordt uitgegaan van één dag in totaal voor de voorbereiding van de hoorzitting en het uitbrengen van advies en van één dag voor het bijwonen van de hoorzitting. - b. bijgewoonde vergadering: een vergoeding die gelijk is aan het bedrag, genoemd in onderdeel a respectievelijk bedoeld in onderdeel b van het eerste lid, met een maximum van twee vergaderingen per jaar. Artikel 3 De [Beschikking vaststelling vacatiegelden adviescommissie medische verklaringen voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011864) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze beschikking t"},{"i":7982,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 juni 2015, inzake een beschikbaarheidbijdrage voor medische vervolgopleidingen Gelet op grond van [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 4 mei 2015 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2014/15, 29 282, nr. 226); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wjzigingsbesluit Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG in verband met acuut ambulancevervoer per ambulancehelikopter voor de Friese Waddeneilanden en enige andere besluiten in verband met medische vervolgopleidingen (Stb. 2015/446) in werking treedt. Artikel 1. Beschikbaarheidbijdrage medische vervolgopleidingen De Nederlandse Zorgautoriteit kan, op vergelijkbare wijze als omschreven in de [Aanwijzing beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032024) (Stcrt. 2012, 20041) op grond van onderdeel B, sub 1, van de [bijlage behorende bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](onbekend), een beschikbaarheidbijdrage verlenen voor de medische opleidingen tot sportarts, klinisch neuropsycholoog en arts voor verstandelijk gehandicapten. Artikel 2. Hoogte vergoedingsbedragen De Nederlandse Zorgautoriteit berekent de beschikbaarheidbijdragen bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036817&artikel=1&z=2016-01-01&g=2016-01-01) op basis van de bij brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vermelde vergoedingsbedragen. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze aanwijzing treedt in werking op de dag dat het besluit houdende wijziging van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG in verband met acuut ambulancevervoer per ambulancehelikopter voor de Friese Waddeneilanden en enige andere beslui"},{"i":7983,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg, van 11 mei 2020, kenmerk 1680867-204678-GMT houdende aanwijzing van de bevoegde autoriteit in het kader van Uitvoeringsverordening 2020/568 in verband met de uitvoer van persoonlijke beschermingsmiddelen en medische hulpmiddelen Gelet op artikel 2, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/568 van de Commissie van 23 april 2020 tot onderwerping van de uitvoer van bepaalde producten aan de overlegging van een uitvoervergunning (PbEU 2020, L 129); Besluit: Artikel 1 Als de bevoegde autoriteit, belast met het nemen van een besluit over de uitgifte van een uitvoervergunning, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/568 van de Commissie van 23 april 2020 tot onderwerping van de uitvoer van bepaalde producten aan de overlegging van een uitvoervergunning (PbEU 2020, L 129) worden aangewezen: de inspecteur-generaal en de hoofdinspecteurs van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Artikel 2 Het [Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 maart 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043301), kenmerk 1664163-203347-GMT houdende aanwijzing van de bevoegde autoriteit in het kader van [Uitvoeringsverordening 2020/402](32302R2020) in verband met de uitvoer van persoonlijke beschermingsmiddelen (Stcrt. 2020, 18017) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 26 april 2020. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7984,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 13 maart 2026, nr. nvwa/2026/010018642, houdende aanwijzing en bekendmaking van de aardappelen behorende tot resistente rassen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Regeling plantgezondheid Gelet op [artikel 16, tweede lid, van de Regeling plantgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044863&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Als resistente aardappelrassen als bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van de Regeling plantgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044863&artikel=16) worden aangewezen de aardappelrassen genoemd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Het [Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 15 april 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050993), nr. nvwa/2025/010028272, houdende aanwijzing en bekendmaking van de aardappelen behorende tot resistente rassen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Regeling plantgezondheid wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052442&artikel=1&z=2026-03-25&g=2026-03-25) Lijst van de in 2026 in Nederland toegelaten aardappelrassen met resistentie tegen wratziekte. (Aardappelrassen met resistentie tegen één of meer fysio's van Synchytrium endobioticum (Schilb.) Percival) RASSEN MET RESISTENTIE TEGEN FYSIO 1 (D1) RASSEN MET RESISTENTIE TEGEN FYSIO 2 (G1) RASSEN MET RESISTENTIE TEGEN FYSIO 6 (O1) RASSEN MET RESISTENTIE TEGEN FYSIO 18 (T1) RASSEN MET RESISTENTIE TEGEN FYSIO 38 (Nevşehir) Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7992,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Reclameraad Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, (1957) 1965-1988 (1989) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 25 oktober 2022, met kenmerk 33808741. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Reclameraad van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, (1957) 1965-1988 (1989). Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 137 | 2055 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047881&artikel=1&z=2023-02-17&g=2023-02-17), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging in de inventarisnummers, volgens de procedures die gelden voor inzage in archieven met bijzonder persoonsgegevens. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047881&artikel=1&z=2023-02-17&g=2023-02-17), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt g"},{"i":7993,"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden Ministerie vanWelzijn, Volksgezondheid en Cultuur, (1930) 1982-1994 (2000) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d.17 november 2022, met kenmerk 34075404. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Centrale Directies van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, (1930) 1982-1994 (2000). Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 68 | 2065 | | 69 | 2040 | | 78 | 2063 | | 161 | 2043 | | 163 | 2046 | | 164 | 2045 | | 165 | 2046 | | 166 | 2023 | | 167 | 2038 | | 168 | 2042 | | 169 | 2052 | | 170 | 2038 | | 171 | 2046 | | 172 | 2046 | | 173 | 2049 | | 174 | 2042 | | 175 | 2045 | | 176 | 2029 | | 177 | 2055 | | 178 | 2029 | | 179 | 2055 | | 180 | 2032 | | 181 | 2037 | | 182 | 2040 | | 183 | 2048 | | 184 | 2048 | | 185 | 2043 | | 186 | 2046 | | 187 | 2044 | | 188 | 2040 | | 189 | 2040 | | 190 | 2040 | | 191 | 2048 | | 192 | 2031 | | 193 | 2046 | | 194 | 2046 | | 195 | 2065 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048109&artikel=1&z=2023-04-29&g=2023-04-29), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. De algemene rijksarchivaris"},{"i":7994,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 augustus 2016, kenmerk 1003855-153983-OBP, houdende beperking van de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van de Stichting Informatie- en Coördinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (ICODO) met taakvoorgangers over de periode (1976) 1977–2004 (2005) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gezien het advies d.d. 11 juli 2016, kenmerk 2016-16552, van het Nationaal Archief; Besluit: Artikel 1 Met het oog op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden worden de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038476&artikel=2&z=2016-11-01&g=2016-11-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038476&artikel=3&z=2016-11-01&g=2016-11-01) genoemde beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Stichting Informatie- en Coördinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (ICODO), met taakvoorgangers, over de periode (1976) 1977–2004 (2005), die zijn opgenomen in de inventaris onder het in kolom 1 van de onderstaande tabel genoemde inventarisnummer. Deze beperkingen gelden tot 1 januari van het in kolom 2 van onderstaande tabel genoemde jaartal. | inventarisnummer: | beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 246 | 2033 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038476&artikel=1&z=2016-11-01&g=2016-11-01) genoemde inventarisnummer is, tot onbeperkte openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Verzoeken tot raadpleging of gebruik van deze archiefbescheiden kunnen alleen schriftelijk worden ingediend bij de a"},{"i":7995,"b":"Besluit beperking van de openbaarheid van de archieven van ‘De Samenwerking’ Bedrijfsvereniging voor de Slagers- en Vleeswaren, de Groothandel in Vlees en Pluimveeslachterijen en Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen Gelet op [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van de archieven van - a. ‘De Samenwerking’ Bedrijfsvereniging voor de Slagers- en Vleeswaren, de Groothandel in Vlees en Pluimveeslachterijen (BV16) over de periode 1950-1991 met een omvang van 1,92 strekkende meter; - b. Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen of BVG (BV23) over de periode 1950–1996 met een omvang van 3,00 strekkende meter. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030383&artikel=1&z=2011-09-01&g=2011-09-01) genoemde archieven wordt door UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht. 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de in de eerste kolom genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom genoemde jaartal. | BV-nr./inventarisnummer: | geheel openbaar met ingang van januari: | | --- | --- | | a. BV16 | | | 25 | 2071 | | b. BV23 | | | 34 | 2048 | | 35 | 2050 | Artikel 3 Raadpleging van de onder [artikel 2, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030383&artikel=2&z=2011-09-01&g=2011-09-01) genoemde archiefbescheiden is slechts mogelijk na schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. Artikel 4 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van documenten uit de dossiers, waarop deze be"},{"i":7996,"b":"Besluit beperking openbaarheid, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 10 november 2021, met kenmerk 27744066. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Afdeling Kabinet en Protocol van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en taakopvolgers over de periode (1960) 1983–1996. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 9 | 2060 | | 10 | 2060 | | 11 | 2058 | | 12 | 2060 | | 13 | 2060 | | 14 | 2061 | | 15 | 2061 | | 16 | 2062 | | 17 | 2062 | | 18 | 2063 | | 19 | 2064 | | 20 | 2064 | | 21 | 2065 | | 22 | 2065 | | 23 | 2065 | | 24 | 2066 | | 25 | 2066 | | 26 | 2066 | | 27 | 2066 | | 28 | 2067 | | 29 | 2066 | | 30 | 2067 | | 31 | 2067 | | 32 | 2066 | | 33 | 2067 | | 34 | 2067 | | 35 | 2067 | | 36 | 2067 | | 37 | 2067 | | 38 | 2067 | | 39 | 2066 | | 40 | 2067 | | 41 | 2067 | | 42 | 2068 | | 43 | 2068 | | 44 | 2067 | | 45 | 2068 | | 46 | 2068 | | 47 | 2068 | | 48 | 2067 | | 49 | 2069 | | 50 | 2068 | | 51 | 2068 | | 52 | 2069 | | 53 | 2069 | | 54 | 2069 | | 55 | 2068 | | 56 | 2069 | | 57 | 2069 | | 58 | 2069 | | 59 | 2070 | | 60 | 2069 | | 61 | 2070 | | 62 | 2070 | | 63 | 2071 | | 64 | 2071 | | 65 | 2072 | | 66 | 2071 | | 67 | 2066 | | 68 | 2061 | | 69 | 2062 | | 70 | 2064 | | 71 | 2065 | | 72 | 2067 | | 73 | 2067 | | 74 | 2067 | | 75 | 2066 | | 76 | 2067 | | 77 | 2066 | | 78 | 2068 | | 79 | 2069 | | 80 | 2070 | | 81 | 2059 | | 82 | 2058 | | 83 | 2059 | | 84 | 2059 | | 85 |"},{"i":7998,"b":"Besluit bevoegdheid apothekers en apothekersassistenten BES § 1. De verkrijging van de bevoegdheid als apotheker Artikel 1 1. Tot de uitoefening van de artsenijbereidkunde in haar volle omvang als apotheker zijn bevoegd: - a. zij, die de hoedanigheid van apotheker hebben verkregen op de wijze zoals voorgeschreven in de terzake in Nederland geldende wettelijke bepalingen; - b. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in bijlage V, onder 5.6.2 van richtlijn nr. 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties; - c. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in de bijlage bij dit besluit, voor zover het getuigschrift is behaald als gevolg van een opleiding die is begonnen na de desbetreffende daarbij genoemde referentiedatum en indien deze is afgegeven door de daartoe bevoegde opleidingsinstelling; - d. zij, die op aanvrage van Onze Minister een verklaring hebben gekregen, inhoudende dat zij op basis van de door hen genoten opleiding vakbekwaam worden geacht om de artsenijbereidkunde uit te oefenen. 2. Dit besluit berust op [artikel 18.4.4 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.4). Artikel 2 1. Onze Minister kan zich voor het afgeven van de in artikel 1a, onderdeel d, bedoelde verklaring laten adviseren door een bij ministeriële regeling aangewezen commissie. 2. Bij de aanvrage bedoeld in [artikel 1, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028456&paragraaf=1&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), worden de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens overgelegd. Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 [vervallen] Artikel 5 [vervallen] Artikel 6 [vervallen] Artikel 7 [vervallen] Artikel 8 Zij, die de bevoegdheid tot uitoefening der artsenijbereidkunde als apotheker op een der wijzen als bedoeld in dit besluit hebben verkregen, leggen, voordat zij als zodanig worden ingeschreven, in handen van de gezaghebber van het betrokken openbaar lichaam"},{"i":8000,"b":"Besluit van 12 mei 1995, houdende uitvoering van de artikelen 41, vijfde lid, 42, tweede lid, en 45, derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 november 1994, PAO/BOG 9414146; Gelet op de [artikelen 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=41), vijfde lid, [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=42), tweede lid, en [45, derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=45); De Raad van State gehoord (advies van 1 maart 1995, no. W13.94.0726); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 mei 1995, DGVgz/PAO/BOG-953685; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. commissie: de Commissie buitenslands gediplomeerden volksgezondheid; - d. EER-overeenkomst: de overeenkomst van Oporto van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte (**Trb.** 1992, 132); - e. EER-gebied: het grondgebied van de staten die partij zijn bij de EER-overeenkomst. Artikel 2 1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, alsmede uit minimaal twee en maximaal vier leden-deskundigen per in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) genoemd, onderscheidenlijk krachtens [artikel 34 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34) aangewezen, beroep. De leden-deskundigen zijn deskundig ter zake van de opleiding tot het desbetreffende beroep of ter zake van de uitoefening van dat beroep. 2. Onze Minister benoemt en ontslaat de voorzitter en de andere leden van de commissie. 3. De leden worden voor vier jaar benoemd. Zij zijn herbenoem"},{"i":15456,"b":"Verordening interdisciplinaire samenwerking 2003 Overwegende dat het gewenst is regels vast te stellen over de wijze waarop samenwerkingsverbanden kunnen worden aangegaan ter waarborging van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het notariaat; Gelet op [artikel 18 lid 2 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=18); Gezien het door het bestuur voorgestelde ontwerp met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de kamers van toezicht; Gelet op de adviezen van de ringen; stelt de navolgende verordening vast: Definities Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - a. samenwerkingsverband: iedere samenwerking met een beoefenaar van een ander beroep dan notaris waaraan een of meer notarissen deelnemen dan wel een verband van notarissen deelneemt en waarbij de deelnemers geheel of gedeeltelijk voor gezamenlijke rekening en risico praktijk uitoefenen of zeggenschap over bedrijfsvoering met elkaar delen; - b. naar buiten optreden: het doen van mededelingen dan wel het zich op andere wijze naar buiten presenteren door of ten behoeve van de notaris of het samenwerkingsverband; - c. kantoorgenoot: de beoefenaar van een ander beroep dan notaris, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015246&artikel=2&z=2003-10-01&g=2003-10-01), die werkzaam is binnen het samenwerkingsverband; - d. praktijkuitoefening: al hetgeen de uitoefening van het notarisambt in de meest ruime zin omvat; - e. bedrijfsvoering: het geheel van activiteiten dat betrekking heeft op het beheren en het besturen van het bedrijf van het samenwerkingsverband. Algemeen Artikel 2 Het is de notaris niet geoorloofd - direct danwel indirect - een samenwerkingsverband met beoefenaren van een ander beroep te onderhouden, dan met: - a. advocaten, lid van de Nederlandse Orde van Advocaten; - b. fiscaal juristen of fiscaal economen, lid van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs; - c. in het buitenland werkzame beoefenaren van de s"},{"i":8001,"b":"Besluit van 5 maart 1999, houdende regels met betrekking tot de centrale beoordeling van medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen (Besluit centrale beoordeling medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 december 1998, DWZJ-U-981341, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op [artikel 2, tweede lid, onder b 4°, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 21 januari 1999, no. W13.98.0574); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 februari 1999, DWJZ-U-99188, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als wetenschappelijk onderzoek waarvan het onderzoekprotocol een positief oordeel moet hebben verkregen van de centrale commissie bedoeld in [artikel 14 van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=14) wordt aangewezen: - a. wetenschappelijk onderzoek waarbij in menselijke lichaamscellen opzettelijk wijzigingen worden aangebracht in het erfelijk materiaal of het functioneren van het erfelijk materiaal specifiek wordt beïnvloed; - b. wetenschappelijk onderzoek waarbij levende bestanddelen van een dier of van een foetus of embryo van een dier, dan wel een menselijk bestanddeel dat daarmee doelgericht in aanraking is gebracht, worden in- of aangebracht in of aan het lichaam van een mens; - c. wetenschappelijk onderzoek met geslachtscellen; - d. wetenschappelijk onderzoek gericht op de ontwikkeling van een vaccin; - e. wetenschappelijk onderzoek gericht op de ontwikkeling van celtherapie, waarbij gebruik wordt gemaakt van levende cellen; - f. wetenschappelijk onderzoek met een geneesmiddel dat genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in [artikel 1.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organ"},{"i":15457,"b":"Verordening interdisciplinaire samenwerking 2015 De ledenraad van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie KNB; Overwegende dat het gewenst is regels vast te stellen over de wijze waarop samenwerkingsverbanden kunnen worden aangegaan ter waarborging van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het notariaat; Gelet op [artikel 18 lid 2 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=18); Gezien het door het bestuur voorgestelde ontwerp met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de ringen; stelt de navolgende verordening vast: Algemene toelichting: [Artikel 18 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=18) (Wna) bepaalt dat een notaris een samenwerkingsverband kan aangaan met beoefenaren van een ander beroep, mits hierdoor zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet wordt of kan worden beïnvloed. Volgens het tweede lid van artikel 18 worden bij verordening ter waarborging van die onafhankelijkheid en onpartijdigheid regels vastgesteld over de wijze waarop samenwerkingsverbanden kunnen worden aangegaan. Hieraan is destijds uitvoering gegeven met het opstellen van de Verordening interdisciplinaire samenwerking 2003. De verordening regelt samenwerkingsvormen tussen notarissen en beoefenaren van andere vrije beroepen in hun meest vergaande vorm, namelijk samenwerkingsverbanden waarin de deelnemers geheel of gedeeltelijk voor gezamenlijke rekening en risico praktijk uitoefenen of zeggenschap over bedrijfsvoering met elkaar delen. De nieuwe Verordening interdisciplinaire samenwerking 2015 (IDS-Verordening 2015) betreft een modernisering van de oude IDS-verordening uit 2003. Na ruim tien jaar met deze verordening te hebben gewerkt was het tijd voor een evaluatie. Vanuit de beroepsgroep werden knelpunten gesignaleerd en sommige bepalingen bleken inmiddels achterhaald door de tijd. Bij het opstellen van de nieuwe verordening werd het van groot belang geacht dat de advocatuur"},{"i":8003,"b":"Besluit van 16 april 2014, houdende regels met betrekking tot diergeneeskundigen (Besluit diergeneeskundigen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 17 september 2012, no. 291504, directie Wetgeving en Juridische Zaken, en van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 20 december 2013, nr. WJZ / 13213190; Gelet op [Richtlijn 90/167/EG](31990L0167) van de Raad van 26 maart 1990 tot vaststelling van de voorwaarden voor de bereiding, het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders met medicinale werking (PbEG 1990, L 92), [Richtlijn 96/22/EG](31996L0022) van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van bèta-agonisten en tot intrekking van de [Richtlijnen 81/602/EEG](31981L0602), [88/146/EEG](31988L0146) en [88/299/EEG](31988L0299) (PbEG 1996, L 125), [Richtlijn 96/23/EG](31996L0023) van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in produkten daarvan en tot intrekking van de [Richtlijnen 85/358/EEG](31985L0358) en [86/469/EEG](31986L0469) en de Beschikkingen [89/187/EEG](31989L0187) en [91/664/EEG](31991L0664) (PbEG 1996, L 125), [Richtlijn 1999/74/EG](31999L0074) van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PbEG 1999, L 203), [Richtlijn 2001/82/EG](32001L0082) van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG 2001, L 82), [Richtlijn 2005/36/EG](32005L0036) van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU 2005, L 255), [Richtlijn 2007/43/EG](32007L0043) van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vl"},{"i":8005,"b":"Besluit digitale vervanging medische documenten Defensie Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Documenten:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onder c, van de archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - b. **selectielijst:** [Generieke Selectielijst voor archiefbescheiden van het Ministerie van Defensie vanaf 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034869), Vastgesteld 7 maart 2014, Stcrt. 2014, 5937; - c. **instructie:** Instructie Informatiebeheer Defensie 2015, vastgesteld 12 oktober 2015, DMO/202000963;1In de loop van 2021 wordt deze instructie vervangen door de Aanwijzing DGB Informatiebeheer Defensie - d. **handboek:** Handboek digitale vervanging medische documenten Ministerie van Defensie; Artikel 2. Vervanging De medische documenten van het Ministerie van Defensie worden vervangen met inachtneming van de instructie en het handboek. Artikel 3. Reikwijdte De vervanging wordt uitgevoerd conform het handboek voor alle papieren medische documenten die zullen worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en die moeten worden opgenomen in het medisch dossier. Dit besluit heeft terugwerkende kracht voor documenten die in het kader van het vervangingsproces door het Ministerie van Defensie zijn gescand. Artikel 4. Waarborgen cultureel erfgoed, recht- en bewijszoekende burger, historisch onderzoek Bij de vervanging worden de waarborgen, neergelegd in de selectielijst, de instructie en het handboek in acht genomen met betrekking tot [artikel 2, eerste lid onder c en d van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 5. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 6. Citeertit"},{"i":8007,"b":"Besluit van 5 mei 1981, houdende uitvoering van artikel 7 van de Noodwet Geneeskundigen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 13 februari 1981, DG Vgz/VIBO, Nr. 75083/CV; Gelet op [artikel 7 van de Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758&artikel=7) (**Stb.** 1971, 396); De Raad voor de buitengewone geneeskundige en farmaceutische voorziening gehoord (advies van 9 maart 1978, Nr. 17625/CV); De Raad van State gehoord (advies van 24 maart 1981, Nr. 810318/27); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 22 april 1981, DG Vgz/VIBO, Nr. 75242/CV; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Indien de verbinding tussen Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en enig gebied is verbroken, wordt in dat gebied de bij de [artikelen 8 en 9 van de Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758&artikel=8) aan hem toegekende bevoegdheid uitgeoefend door Onze Commissaris in de provincie, waartoe dat gebied behoort. 2. In afwijking van het eerste lid worden de daar bedoelde bevoegdheden, indien de verbinding tussen Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en het grondgebied van het openbaar lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders of van de gemeenten Dronten of Lelystad verbroken is, uitgeoefend door de Landdrost van dat openbaar lichaam, onderscheidenlijk de burgemeester van de betrokken gemeente. Artikel 2 Onze Commissaris, de Landdrost en de burgemeester oefenen deze bevoegdheden niet uit, dan nadat voor zover mogelijk de inspecteur-generaal van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de Provinciale Raad voor de Volksgezondheid zijn gehoord. Artikel 3 Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne bepaalt het tijdstip waarop de verbinding met het betrokken gebied is hersteld. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan a"},{"i":8008,"b":"Besluit van 25 april 1959, tot regeling van het financieel beheer van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 10 december 1958, no. 18361, Directie Volksgezondheid, Afdeling Medische Beroepen en Ziektenbestrijding; Gelet op [artikel 19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=19), en [artikel 62 van de Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=62) (wet van 18 januari 1956, **Stb.** 51); De Raad van State gehoord (advies van 6 januari 1959, no. 29); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid a.i. van 20 april 1959, no. 3347, Directie Volksgezondheid, Afdeling Medische Beroepen en Ziektenbestrijding; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister belast met de zaken betreffende de Volksgezondheid; - b. \"Centrale Raad\": de Centrale Raad voor de Volksgezondheid; - c. \"de Wet\": de [Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202) (wet van 18 januari 1956, **Stb.** 51). Hoofdstuk II. De begroting Artikel 2 De door de Centrale Raad vastgestelde begroting, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=19), gaat vergezeld van een toelichting, vermeldende de gronden, waarop de gegeven raming van inkomsten en uitgaven berust. Artikel 3 In de begroting mag een post voor onvoorziene uitgaven worden opgenomen tot dekking van uitgaven, welke haar omschrijving niet vinden in een der andere begrotingsposten en welke in de loop van het jaar onverwachts moet worden gedaan. Artikel 4 1. Indien het verloop der uitgaven daartoe aanleiding geeft, kan de Centrale Raad een suppletoire begroting vaststellen. [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002314&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2002-09-01&g=2002-09-01) is van overeen"},{"i":8009,"b":"Besluit van 14 juli 1959, tot uitvoering van artikel 42 van de Gezondheidswet Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid a.i. van 5 mei 1959, nr. 6772, Directie Volksgezondheid, Afdeling Medische Beroepen en Ziektenbestrijding; Gelet op de [artikelen 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=42) en [62 van de Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=62) (wet van 18 januari 1956, **Stb.** 51); De Raad van State gehoord (advies van 16 juni 1959, nr. 30); Gelet op het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 7 juli 1959, nr. 9995, Directie Volksgezondheid, Afdeling Medische Beroepen en Ziektenbestrijding; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De kennisgevingen van vestiging, vertrek, overlijden of neerlegging van de praktijk geschieden - a. voorzoveel betreft artsen, tandartsen, vroedvrouwen en tandheelkundigen - door tussenkomst van de geneeskundige hoofdinspecteur van de Volksgezondheid - aan de regionale geneeskundige inspecteur van de Volksgezondheid, - b. voorzoveel betreft apothekers - door tussenkomst van de farmaceutische hoofdinspecteur van de Volksgezondheid - aan de regionale farmaceutische inspecteur van de Volksgezondheid, binnen wiens ambtsgebied de gemeente is gelegen, waarin de vestiging, onderscheidenlijk van waaruit het vertrek, waarin het overlijden of het neerleggen van de praktijk plaatsheeft. Artikel 2 Onder vestiging wordt zowel verstaan de vestiging van een praktijk, waaronder mede wordt begrepen de aanvaarding van een assistentschap of waarneming, dan wel van een functie waarin de praktijk wordt uitgeoefend, al dan niet in de gemeente van inwoning, als het zich metterwoon vestigen in een in Nederland gelegen gemeente, komende uit een buiten Nederland gelegen plaats. Artikel 3 Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid stelt de modellen van de formulieren van kennisgeving vast, voorzover dit niet plaatsvindt overeenkomstig h"},{"i":8011,"b":"Besluit Landelijke commissie medische aspecten van het vreemdelingenbeleid Besluiten: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Er is een Landelijke commissie medische aspecten van het vreemdelingenbeleid, hierna te noemen de commissie. 2. De commissie heeft tot taak na te gaan wat de invloed is van medische aspecten op de toestroom van vreemdelingen tot Nederland en is daartoe belast met: - a. het verrichten van deelonderzoek I (probleemanalyse) voor de periode 1995 tot en met 2000 naar: - i). het aantal vreemdelingen waar medische gronden mede een rol hebben gespeeld bij het verzoek om toelating tot Nederland; - ii). het aantal vreemdelingen waar medische gronden mede een rol hebben gespeeld bij het verkrijgen van een toelating tot Nederland; - iii). het aantal vreemdelingen aan wie in Nederland uitstel van vertrek op medische gronden is verleend; - iv). de aard van de medische gronden waarop toelating tot Nederland is verzocht of verkregen dan wel waarop uitstel van vertrek is verleend; - v). het stadium in de vreemdelingenrechtelijke procedure waarin de vreemdeling een beroep doet op medische gronden voor toelating of uitstel van vertrek; - vi). de ontwikkelingen in de toestroom in de afgelopen 5 jaar; - vii). de consequenties van de toestroom tot Nederland voor de kwaliteit en toegankelijkheid van de gezondheidszorg hier te lande; - b. het opdracht geven tot het verrichten van deelonderzoek II (vergelijkende studie) naar: - i. de mate waarin Nederland op grond van nationaal en internationaal recht verplicht is tot de toelating van vreemdelingen op medische gronden en verplicht is tot het doen van onderzoek bij een verzoek van vreemdelingen om toelating op medische gronden; - ii. het toelatingsbeleid en uitstel van vertrekbeleid op medische gronden in de Europese landen Duitsland, Frankrijk, België, het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Zwitserland en Zweden; - iii. het verschil in aanbod van medische voorzieningen voor vreemdelingen in procedure in"},{"i":8012,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 september 2009, nr. DBV/PZ 2947060, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt Handelend in overeenstemming met het Kabinetsbesluit van 4 juli 2003 tot oprichting van een Shared Service Center HRM voor Personeelsregistratie en Salarisadministratie; Gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de minister Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **ministerie:** ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie. 2. Met betrekking tot de [Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940): - a. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd om in het kader van de dienstverlening aan het ministerie verwerkingen van persoonsgegevens uit te voeren als verwerker. De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig het Normenkader Informatiebeveiliging. De machtiging wordt geacht te gelden als verwerkersovereenkomst. - b. De directeur P-Direkt heeft geen machtiging tot uitvoering van de artikelen 16, 17 en 18 van de Algemene verordening gegevensbescherming dan na een besluit van of namens de Minister. 3. Met betrekking tot de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) wordt de directeur van P-Direkt gemachtigd: - a. om op basis van het daartoe strekkende be"},{"i":8016,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 februari 2022, kenmerk 3321638-1021996-OBP, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmachten aan de programmadirecteur, diens plaatsvervanger en een plaatsvervangend Directeur-Generaal ten behoeve van het programma Pandemische Paraatheid Publieke Gezondheid Gelet op de [artikelen 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a), [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17) en [artikel 10 van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Voor de duur van het programma Pandemische Paraatheid Publieke Gezondheid heeft een programmadirecteur de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma, binnen de kaders van genoemde regelingen. Artikel 2 Voor de duur van het programma Pandemische Paraatheid Publieke Gezondheid kan diens programmadirecteur een medewerker van het programma als plaatsvervanger aanwijzen die, bij diens verhindering of afwezigheid, de besluiten kan nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen kan verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma. Artikel 3 Voor specifiek de werkzaamheden ten behoeve van het programma Pandemische Paraatheid Publieke Gezondheid kan een daartoe aangewezen (programma)directeur, ressorterend onder de Directeur-Generaal Volksgezondheid, optreden als plaatsvervangend Directeur-Generaal, met inachtneming van de kaders zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923), de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710) en de [Volmachtregeling personele aangelegenhede"},{"i":8017,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 augustus 2021, kenmerk 3239331-1013756-OBP, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmachten aan de programmadirecteur en plaatsvervangend Directeur-Generaal van het programma Medische Isotopen Gelet op de [artikelen 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a), [17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17) en [10 van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Voor de duur van het programma Medische Isotopen heeft een (programma)directeur de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma. Artikel 2 Voor specifiek de werkzaamheden ten behoeve van het programma Medische Isotopen kan een (programma)directeur optreden als plaatsvervangend Directeur-Generaal, met inachtneming van de kaders zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923), de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710) en de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2021. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8020,"b":"Besluit van de Directeur-Generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu van 28 maart 2014, kenmerk 351669-118866-BPZ, houdende regeling van ondervolmacht voor het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Gelet op [artikel 16, tweede lid, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan de volgende functionarissen wordt voor hun werkterrein ondervolmacht verleend: - 1. de coördinator Inkoop tot maximaal € 100.000 inclusief btw; - 2. de centrumhoofden, de stafhoofden, de regiomanagers van de regiokantoren Dienst Vaccinvoorziening en Preventieprogramma’s, de Chief Science Officers en de inkopers tot maximaal € 50.000 inclusief btw; - 3. de afdelingshoofden en de coördinatoren die inhoudelijk leiding geven aan een opdracht/programma/thema en die expliciet ondervolmacht hebben gekregen van het centrumhoofd om de effectiviteit en efficiëntie van het dagelijks werk te waarborgen, tot een bedrag gelijk aan dat van hun afdelingshoofd: tot maximaal € 25.000 inclusief btw; - 4. de decentraal bestellers tot maximaal € 2.500 inclusief btw. Artikel 2 Het besluit van de Directeur-Generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu met kenmerk Nr. 26/05 DG MS/pj/eh van 8 februari 2005 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2013. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8022,"b":"Besluit Orgaanbeschrijving Regionale Service Organisaties 2015 Gelet op het [Algemeen Organisatiebesluit Buitenlandse Zaken 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008628); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **CdP:** het hoofd van een post; - b. **post:** een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland als bedoeld in [artikel 7 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=7); - c. **PSG:** de plaatsvervangend secretaris-generaal; - d. **het PSG-MT:** het managementteam onder leiding van PSG; - e. **DBV:** de directeur Bedrijfsvoering; - f. **directeuren:** de directeur Financieel Economische Zaken, de directeur Consulaire Zaken en Migratiebeleid en de hoofddirecteur Personeel en Organisatie; - g. **RSO:** een Regionale Service Organisatie. Artikel 2. Taken RSO 1. Ter bevordering van de doeltreffendheid, kwaliteit, continuïteit en doelmatigheid draagt PSG de uitvoering van bedrijfsvoeringstaken en consulaire taken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken die niet op het departement worden uitgevoerd zo veel mogelijk op aan de RSO’s. 2. PSG stelt een producten- en dienstencatalogus vast waarin de werkzaamheden van de RSO’s en daaraan verbonden kwaliteitseisen en voorwaarden zijn vastgelegd. Het Hoofd RSO kan door DBV en de directeuren worden belast met aanvullende werkzaamheden behorend tot hun taakgebied wanneer deze naar hun oordeel uit oogpunt van doeltreffendheid, kwaliteit, continuïteit en doelmatigheid het beste bij het RSO kunnen plaatsvinden. 3. PSG kan een RSO ook belasten met het verlenen van diensten aan andere overheidsorganen van het Koninkrijk. Artikel 3. Hoofd RSO 1. Een RSO staat onder leiding van een Hoofd RSO. Het Hoofd RSO geeft leiding aan diegenen die bij de RSO werkzaam zijn. 2. Het Hoofd RSO is voor zijn taakuitoefening en die van zijn RSO verantwoording schuldig aan DBV en aan directeuren betreffende hun specifieke taakgebi"},{"i":8024,"b":"Besluit van 2 oktober 2020, houdende bepalingen in verband met plantgezondheid (Besluit plantgezondheid) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, mede namens Onze Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, nr. WJZ / 20174665; Gelet op de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=2), [20, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=20), [21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=21) en [27, eerste lid, van de Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=27); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 augustus 2020, nr. W11.20.0232/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 september 2020, nr. WJZ / 20233960; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **ander materiaal:** ander materiaal als bedoeld in artikel 2, onder 5, van [verordening 2016/2031](32031R2016); - **bloembollen:** bloembollen als bedoeld krachtens [artikel 10, tweede lid, onder e, van het Landbouwkwaliteitsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022535&artikel=10) en de voor opplant bestemde planten hiervan; - **BKD:** Stichting Bloembollenkeuringsdienst; - **bosbouwgewassen:** bosbouwgewassen als bedoeld in [artikel 1, onder n, van het Besluit verhandeling teeltmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019210&artikel=1) en de voor opplant bestemde planten hiervan; - **KCB:** Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau; - **landbouwgewassen:** landbouwgewassen als bedoeld in [artikel 1, onder p, van het Besluit verhandeling teeltmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019210&artikel=1), de voor opplant bestemde planten hiervan alsmede andere gewassen die door hun productiewijze als zodanig aangemerkt kunnen"},{"i":8025,"b":"Besluit van 23 december 1996, houdende een procedure aangaande een geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid en een pensioenkeuring van militairen (Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 26 juli 1996, nr. P/96002773; Gelet op, [artikel 12 onder **b** en **i** van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12), artikel 12 van de Dienstplichtwet en [artikel T1 van de Algemene militaire pensioenwet](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 9 oktober 1996, nr. WO7 9600333); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 19 december 1996, nr. P/96006120; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; - b. geneeskundige autoriteit: de door Onze Minister aan te wijzen medische autoriteit, die hem adviseert omtrent blijvende dienstongeschiktheid; - c. geneeskundig onderzoek: een militair geneeskundig onderzoek naar het bestaan van blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de militaire dienst; - d. pensioenkeuring: een geneeskundig onderzoek naar het ontstaan, tot uiting komen of verergeren, de aard en de gevolgen van verwonding, ziekten of gebreken, ingevolge de bij of krachtens de [Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955) vastgestelde bepalingen inzake arbeidsongeschiktheid, alsmede inzake invaliditeit met dienstverband; - e. pensioenverzekeringsautoriteit: een door Onze Minister aan te wijzen medisch adviseur, die hem adviseert omtrent de pensioenverzekeringsaspecten; - f. commissie: de commissie genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008475&paragraaf=2&artikel=3&z=2006-08-02&g=2006-08-02). Paragraaf 2. Het geneeskundig onderzoek naar blijvende dienstongeschiktheid Artikel 2 1. In geva"},{"i":3147,"b":"Besluit van 16 september 1965, houdende vaststelling van het bewijs van verzekering voor de niet-kentekenplichtige motorrijtuigen en enkele regelen met betrekking tot het bewijs van vrijstelling Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 juli 1965, no. A-2/031133, Directoraat-Generaal van het Verkeer, mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=14), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=34) en [38 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=38); De Raad van State gehoord (advies van 18 augustus 1965, no. 34); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 september 1965, no. A-2 1031777, Directoraat-Generaal van het Verkeer, mede namens Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Definities Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415); - b. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - c. motorrijtuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=1); - d. gehandicaptenvoertuig: voertuig dat is uitgerust met een motor, dat niet breder is dan 1,10 m, waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte; - e. verzekeraar: verzekeraar als bedoeld in [artikel 2, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=2); - f. weg en deelneming met het motorrijtuig aan het verkeer: hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=1); - g. motorrijtuig, dat gewoonlijk in het buitenland is gestald; - 1°. een motorrijtuig waarvoor"},{"i":4522,"b":"Circulaire uitvoering en handhaving van het Asbest-verwijderingsbesluit Aan: – de colleges van burgemeester en wethouders – de besturen van de gemeentelijke samenwerkingsverbanden – de regionale inspecteurs voor de milieuhygiëne – de regionale inspecteurs voor de volkshuisvesting – de commandanten van de regionale corpsen van politie – de regiodirecteuren van de Arbeidsinspectie – de directeur van het stafbureau openbaar ministerie Hierbij doe ik u recente informatie over de uitvoering en handhaving van het [Asbest-verwijderingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006006) en de daarmee in overeenstemming gebrachte voorschriften van de bouwverordening toekomen. Deze informatie betreft het onderscheid tussen een bouwwerk en een object (paragraaf 1), de inwerkingtreding van de artikelen van het [Asbest-verwijderingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006006) m.b.t. asbestonderzoek (paragraaf 2), het ontwerp-besluit tot wijziging van het [Asbest-verwijderingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006006) (paragraaf 3) en overige informatie (paragraaf 4). Ik verzoek u, voor zover van toepassing, de inhoud van deze circulaire bekend te maken aan een ieder die binnen uw organisatie belast is met een taak op het gebied van de asbestregelgeving. Voor gemeenten kan dit betreffen: de afdelingen of diensten Bouw- en Woningtoezicht, Gemeentewerken, Milieuzaken, Juridische Zaken en Voorlichting. 1. Onderscheid tussen een bouwwerk en een object Het [Asbest-verwijderingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006006) bevat voorschriften voor het verwijderen van asbest uit bouwwerken en objecten, alsmede voor onderzoek naar de aanwezigheid van asbest voorafgaand daaraan. De voorschriften met betrekking tot bouwwerken zijn gebaseerd op de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181) en worden gehandhaafd door de gemeenten en de politie. De voorschriften met betrekking tot objecten zijn gebaseerd op de [Wet milieugevaarli"},{"i":8026,"b":"Besluit van 25 augustus 1979, houdende vaststelling van de procedure voor het geneeskundig onderzoek ten aanzien van verzetsmilitairen en ondergedoken militairen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, C. L. J. van Lent, van 27 februari 1979, afdeling pensioenen en wachtgelden, nr. P.130087/11-T; Overwegende dat het wenselijk is het geneeskundig onderzoek, waaraan de verzetsmilitair en de ondergedoken militair in de zin van de [Wet verbetering rechtspositie verzetsmilitairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003015) (**Stb.** 1976, 19) onderworpen dienen te worden in geval van ziekten of gebreken, te doen plaatsvinden op een wijze die nauw aansluit bij de wijze waarop het geneeskundig onderzoek bij de uitvoering van de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) (**Stb.** 1977, 493) geschiedt; Gelet op de [artikelen 3 en 8 van de Wet verbetering rechtspositie verzetsmilitairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003015&artikel=3), alsmede op artikel T 1 van de Algemene militaire pensioenwet; De Raad van State gehoord (advies van 28 maart 1979 nr. 9); Gezien het nader rapport van de voornoemde Staatssecretaris van Defensie van 20 augustus 1979, afdeling Pensioenen en Wachtgelden, nr. 456.009/4 W, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. \"de wet\": de [Wet verbetering rechtspositie verzetsmilitairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003015); - b. \"pensioenwet\": de Algemene militaire pensioenwet; - c. \"Onze Minister\": Onze Minister van Defensie; - d. \"betrokkene\": de verzetsmilitair dan wel de ondergedoken militair, zoals bedoeld in de [Wet verbetering rechtspositie verzetsmilitairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003015); - e. \"geneeskundige autoriteit\": de Directeur Militair Geneeskundige Diensten; - f. \"geneeskundig onderzoek\": een geneeskundig onderzoek naar het ontstaan, tot uiting komen of verergeren, de aard en de gevolgen van ver"},{"i":8027,"b":"Besluit van 27 oktober 2008, houdende nieuwe eisen inzake de publieke gezondheid (Besluit publieke gezondheid) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 mei 2008, kenmerk PG/ZP-2848098; Gelet op de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=2), [5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=5), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=6), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=15), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=19), [49, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=49), [62, tweede lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=62); De Raad van State gehoord (advies van 23 juni 2008, nummer W13.08.0193/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 oktober 2008, kenmerk DWJZ/SWW-2885172; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705); - b. **basistakenpakket jeugdgezondheidszorg:** de in [artikel 5, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=5) genoemde werkzaamheden; - c. **de KNMG:** de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst. Hoofdstuk II. Algemene taken publieke gezondheidszorg Artikel 2 1. De in [artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a in samenhang met onder g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=2) genoemde werkzaamheden omvatten in ieder geval het via onderzoek verwerven van inzicht in de gezondheidstoestand van degenen die door een ramp worden getroffen. 2. De in [artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=2) genoemde werkzaamheid om"},{"i":8028,"b":"Besluit van 18 april 1983, houdende regeling van de zorg voor het archief van het voormalig ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 13 april 1983, nr. 330512 en Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 13 april 1983, nr. OA83/1138/4735, Directie Overheidsorganisatie en -Automatisering; Overwegende dat onderdeel 4 van Ons besluit van 4 november 1982, nr. 102 (**Stb.** 613), houdende herindeling van een aantal departementale taken, nadere uitwerking behoeft; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel 1 1. De zorg voor de archieven van het opgeheven departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne gaat voor wat betreft: - -. het archief van het Ministerie over naar Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, - -. de archieven van instellingen, diensten, bedrijven en commissies over naar de Minister van dat departement aan wie deze instellingen, diensten, bedrijven en commissies zijn overgedragen. 2. Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur stelt ter beschikking aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer die gedeelten van het archief van het voormalige Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, die deze nodig heeft voor het behartigen van zijn taak op het terrein van het milieubeheer (de milieuhygiëne). 3. Dit besluit werkt terug tot 1 januari 1983. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan afschrift in de **Nederlandse Staatscourant** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Minister van de Nederlands"},{"i":8029,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 december 2012, kenmerk PG/JFB-3147964, ter uitvoering van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het RIVM Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op het RIVM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008289&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. De taak, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op het RIVM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008289&artikel=3), omvat in ieder geval: - a. de uitvoering, dan wel het doen uitvoeren van de programma’s, - b. de bekostiging van de programma’s, - c. de monitoring en evaluatie van de programma’s, - d. de noodzakelijke gegevensverwerking ten behoeve van de uitvoering alsmede de monitoring en evaluatie van de programma’s, - e. het uitvoeren, dan wel laten uitvoeren van onder andere de inkoop, opslag en distributie van farmaceutische producten en medische hulpmiddelen ten behoeve van de programma’s, en - f. het bevorderen van de aansluiting van de programma’s met de reguliere zorg. 2. De programma’s, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op het RIVM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008289&artikel=3), omvatten: - a. de bevolkingsonderzoeken naar borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker; - b. de prenatale screening op infectieziekten en erytrocytenimmunisatie (PSIE); - c. de prenatale screening op down-, edwards- en patausyndroom en het structureel echoscopisch onderzoek; - d. de neonatale hielprikscreening (NHS) en de gehoorscreening bij pasgeborenen; - e. het Nationaal programma grieppreventie (NPG); - f. het Nationaal programma pneumokokkenvaccinatie volwassenen (NPPV). Artikel 2 Het RIVM heeft tot taak om namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de landelijke aansturing en begeleiding van het Rijksvaccinatieprogramma uit te voeren en de regionale uitvoering te coördineren. Het RIVM heeft tot taak de inkoop, opslag en distributie van de vaccins te verzorgen, en"},{"i":8030,"b":"Besluit van 16 november 1998, houdende Besluit Staatstoezicht op de volksgezondheid Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 september 1998, DWJZ-U-981079; Gelet op de [artikelen 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=36), en [62 van de Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=62) en op [artikel 9 van de Wet op de gevaarlijke werktuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=9); De Raad van State gehoord (advies van 15 oktober 1998 (no. W13.98.0426); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 november 1998, DWJZ-U-981226; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Staatstoezicht op de volksgezondheid bestaat uit de volgende onderdelen: - a. de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; - b. de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 8 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Staatstoezicht op de volksgezondheid. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":8031,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juni 2005, nr. GMT/G 2587484, houdende Instelling van de Stuurgroep Weesgeneesmiddelen (Besluit Stuurgroep Weesgeneesmiddelen) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. de stuurgroep: de stuurgroep, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018404&artikel=2&z=2005-06-24&g=2005-06-24); - c. de weesgeneesmiddelen: de geneesmiddelen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018404&artikel=2&z=2005-06-24&g=2005-06-24). Artikel 2 1. Er is een stuurgroep Weesgeneesmiddelen, verder te noemen de Stuurgroep. 2. De stuurgroep heeft tot taak het stimuleren van de ontwikkeling van weesgeneesmiddelen en het verbeteren van de situatie van patiënten met een zeldzame ziekte, in het bijzonder het versterken van de informatievoorziening over zeldzame ziekten. De stuurgroep doet dit door: - –. de vertegenwoordigers van patiëntenorganisaties, behandelaars, onderzoekers, farmaceutische industrie, verzekeraars en anderen bij elkaar te brengen; - –. de problemen te inventariseren die de ontwikkeling van weesgeneesmiddelen in Nederland in de weg staan; - –. de problemen van patiënten te inventariseren, in het bijzonder wat betreft de informatievoorziening; - –. te functioneren als aanspreekpunt voor belanghebbenden; - –. netwerken te vormen met vergelijkbare structuren binnen de andere EU-lidstaten en zonodig ook daarbuiten; - –. aan de betrokken instellingen oplossing voor te stellen voor de herkende problemen; - –. hierbij te betrekken de Europese regelgeving ter zake, in het bijzonder [Verordening (EG) 141/2000](32000R0141) van het Europees Parlement en de raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen en toekomstige programma’s inzake weesgeneesmiddelen en zeldzame ziekten voortvloeiend uit Europese regelgeving; - –. projectvoorstellen te beoordelen en advies hierover te geven aan Zo"},{"i":8032,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 juli 2025, kenmerk 4148259-1084928-BPZ, houdende de taakverdeling met de Staatssecretarissen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951, houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3) (Stb. 24); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mevrouw N.J.F Pouw-Verweij, is, binnen de grenzen van het door mij vastgestelde beleid in het bijzonder belast met de aangelegenheden betreffende: - a. [WMO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) en mantelzorg; - b. Maatschappelijke opvang en beschermd wonen; - c. Langdurige zorg; - d. Mensen met een beperking; - e. Wijkverpleegkundige zorg; - f. Paramedische zorg; - g. Kwaliteitsbeleid care; - h. Persoonsgebonden budget; - i. Verslavingszorg; - j. Patiënten- en cliëntenorganisaties. Artikel 2 De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mevrouw J.Z.C.M. Tielen, is, binnen de grenzen van het door mij vastgestelde beleid in het bijzonder belast met de aangelegenheden betreffende: - a. Medisch-ethische vraagstukken; - b. Oorlogsgetroffenen en herdenken Tweede Wereldoorlog; - c. Caribisch Nederland (VWS-domein); - d. Jeugd; - e. Preventie (incl. vaccinaties, bevolkingsonderzoeken) en gezondheidsbevordering; - f. Drugs; - g. Sport; - h. GGZ; - i. GGD (uitvoering rijksvaccinatieprogramma, jeugdgezondheidszorg en seksuele gezondheid); - j. Suïcidepreventie; - k. Duurzaamheid in de zorg; - l. Gezondheidsbescherming: voedsel- en productveiligheid en toezicht daarop door NVWA. Artikel 3 De staatssecretarissen kunnen voorts met nader door de minister aan te wijzen onderwerpen worden belast. Artikel 4 Het [besluit van de Minister"},{"i":8033,"b":"Besluit televisiereclame voor geneesmiddelen 2000 BES Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **verpakte geneesmiddelen:** verpakte geneesmiddelen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel e van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028486&artikel=1). - b. **exploitant:** de exploitant van een televisie-inrichting als bedoeld in [artikel 1 van de Mediawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028433&artikel=1). Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 1, onderdeel e, van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028486&artikel=1), alsmede op [artikel 1, onderdeel e, van de Mediawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028433&artikel=1). Artikel 2 1. Het is een exploitant toegestaan reclameboodschappen uit te zenden die betrekking hebben op verpakte geneesmiddelen, tenzij Onze Minister bij ministeriële regeling verpakte geneesmiddelen aanwijst ten aanzien waarvan geen reclame mag worden uitgezonden. 2. Onverminderd het in het eerste lid bepaalde is het een exploitant van een betaaltelevisiesysteem verboden reclameboodschappen die betrekking hebben op verpakte geneesmiddelen toe te voegen aan door hem uitgezonden programma’s. 3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt enkel gegeven met het oog op het belang van de algemene volksgezondheid. Artikel 3 1. De exploitant draagt er zorg voor dat steeds direct na een reclameboodschap, de volgende aankondigingen wordt uitgezonden: «Raadpleeg uw huisarts of apotheker, alvorens enige medicijn te gebruiken» en «Lees voor het kopen of gebruiken eerst de aanwijzingen op de verpakking». 2. Deze aankondigingen dienen te geschieden in de landstaal en in de taal welke gebezigd werd in de daaraan voorafgegane reclameboodschap. Artikel 4 1. De reclameboodschappen dienen eerlijk, echt en controleerbaar te zijn. Voorts mogen geen aanduidingen gebezigd worden in woord of beeld die"},{"i":8034,"b":"Besluit ter uitvoering van de artikelen 16 en 19 van de Wet medisch tuchtrecht BES Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet medisch tuchtrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028542). 2. Tenzij anders bepaald, worden onder de voorzitter en de leden van het College tevens hun plaatsvervangers begrepen. Hoofdstuk I. Het Medisch Tuchtcollege Artikel 2 1. De leden en de secretaris van het College leggen, alvorens met de uitoefening van hun bediening aan te vangen, in handen van de president van het Hof van Justitie, bijgestaan door deszelfs griffier, de navolgende eed of belofte af: «Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning en gehoorzaamheid aan de wet, en dat ik mij bij mijn rechtspraak zal laten leiden door het algemeen belang en in ieder bijzonder geval mijn ambt zal vervullen zonder aanzien des persoons». 2. Tijd en plaats der beëdiging worden door de president vastgesteld in overleg met de te beëdigen personen. 3. Van het afleggen van de eed of de belofte wordt proces-verbaal opgemaakt. 4. Door het afleggen van de eed of de belofte aanvaarden de benoemde person en tevens hun bediening. Artikel 3 De [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=10) en [149 van het Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=149) zijn op de leden en de secretaris van het College, alsook op de Inspectie gezondheidszorg en jeugd van toepassing, met dien verstande, dat van wetenschap, van de persoon over wie geklaagd is of van opgeroepen getuigen of deskundigen afkomstig, voor zover deze personen beklaagde zijn in de zin van het [Wetboek van strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681) in generlei vorm mededeling mag worden gedaan, tenzij zij zelf daartoe toestemming verlenen. Artikel 4 De leden en de secretaris van het College ontvangen voor het bijwonen van bijeenkomsten van het College een door Onze Minister vast te stellen bedrag. Artikel"},{"i":8035,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Uruzgan 2006–2010» aan het Regiment Geneeskundige Troepen Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016442, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In het vaandel van het Regiment Geneeskundige Troepen wordt opgenomen het opschrift «Uruzgan 2006–2010» in verband met het leveren van geneeskundige verzorging onder gevechtsomstandigheden in Uruzgan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":8036,"b":"Besluit beperking vestiging medische beroepsbeoefenaren BES Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **openbare lichamen:** de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. **medisch beroep:** beroep van geneeskundige, tandheelkundige, apotheker of verloskundige. 2. Dit besluit berust op [artikel 18.4.4 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.4). Artikel 2 Het is verboden op een openbaar lichaam een medisch beroep uit te oefenen. Artikel 3 1. Onze Minister kan op verzoek van een beoefenaar van een medisch beroep ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028397&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2018-08-01&g=2018-08-01). Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden of kan onder beperkingen worden verleend. Bij ministeriële regeling, kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de in dit lid bedoelde voorschriften of beperkingen. 2. Een aanvraag om een ontheffing wordt door de verzoeker bij Onze Minister ingediend. 3. Onze Minister beslist binnen vier weken na ontvangst van het verzoek. Indien voorzienbaar is dat de beslissing niet binnen genoemde periode kan worden genomen, kan deze periode eenmaal met een gelijke periode worden verlengd. De verzoeker wordt van een zodanig uitstel in kennis gesteld. Artikel 4 1. Onze Minister weigert een ontheffing indien reeds voldoende is voorzien in de behoefte aan beoefenaren van het betrokken medische beroep, op grond van zwaarwegende redenen in het belang van de volksgezondheid of indien de beoefenaar van het medische beroep ten aanzien van wie de ontheffing wordt verzocht niet voldoet aan de regels, bedoeld in het [Besluit geneeskunde BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028449), het [Besluit bevoegdheid ui"},{"i":14910,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 april 2024, nr. IENW/BSK-2024/125958, houdende vaststelling van regels ter uitvoering van de Wet vrachtwagenheffing (Regeling vrachtwagenheffing) Gelet op de [artikelen 2, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=2), en [4, derde en vierde lid, van de Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=4); BESLUIT: Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2024/13728 gesteld op het tijdstip waarop artikel 2, eerste lid, van de Wet vrachtwagenheffing in werking treedt. Artikel 1. (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - **wet:** [Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082). Artikel 1a. (grondslag) Deze regeling berust mede op [artikel 5, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=5). Artikel 2. (begin en einde wegvakken) 1. Een wegvak waar de vrachtwagenheffing wordt geheven begint respectievelijk eindigt: - a. op een knooppunt of bij een aansluiting met een ander wegvak waar de vrachtwagenheffing wordt geheven indien dat knooppunt of die aansluiting twee of meer wegvakken waar de vrachtwagenheffing wordt geheven met elkaar verbindt; - b. na respectievelijk voor een rotonde of een gelijkvloerse kruising die twee of meer wegvakken, niet zijnde wegvakken waar de vrachtwagenheffing wordt geheven, met elkaar verbindt; - c. na respectievelijk voor een rotonde of gelijkvloerse kruising die is gelegen op een tussenliggend gedeelte van een wegvak waar de vrachtwagenheffing wordt geheven dat tevens twee of meer wegvakken, niet zijnde wegvakken waar de vrachtwagenheffing wordt geheven, met elkaar verbindt; - d. na respectievelijk voor een verzorgingsplaats, tankstation of parkeerplaats die direct verbonden is met een wegvak waar de vrachtwagenheffing wordt geheven, indien die verzorgingsplaats, dat tankstation of die parkeerplaats tevens de aanslui"},{"i":8051,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Flora en Fauna vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2006, arc-2006.03456/10); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Flora en Fauna over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdragers **Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport** **Minister van Financiën** **Minister van Justitie** **FLORA EN FAUNA** 1945–1993 Project Wegwerken Archiefachterstanden (PWAA) concept/versie juni 2006 Lijst van afkortingen AMvB: Algemene maatregel van bestuur BZK: (Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties BSD: Basis Selectiedocument CAS: Centrale Archief Selectiedienst CRM: (Ministerie van) Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk EZ: (Ministerie van) Economische Zaken Fin: (Ministerie van) Financiën Jus: (Ministerie van) Justitie KB: Koninklijk Besluit KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap LVV: 1946–1960 (Ministerie van) Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening LenV: 1960–1989 (Ministerie van) Landbouw en Visserij LNV: 1989–2003 (Ministerie van) Landbouw, Natuurbeheer en Visserij 2003– (Ministerie van) Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit NA: Nationaal Archief OCW: (Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap OKW: (Ministerie van) Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen OM: O"},{"i":8052,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Friese taal vanaf 1945 (Minister van Volkgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2007, arc-2007.03507/8); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de Handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Friese taal over de Periode: vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument friese taal 1945– **Voor de zorgdragers:** Drs. H.R. Jordaan PWAA/Pim Fijnheer Rotterdam 1. Lijst van afkortingen AmvB: Algemene Maatregel van Bestuur Afuk: Algemiene Fryske Underrjocht Kommisje art.: artikel Awb: [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) BSD: Basis Selectiedocument CITO: Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling COREPER: Comité des répresentants permanents des Etats Membres auprès de l'Union européenne (Comité van permanente vertegenwoordigers) CRM: Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk IO: institutioneel onderzoek ISOVSO: Interimwet speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs KB: koninklijk besluit KNAW: Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen LO: lager onderwijs NLO: nieuwe lerarenopleiding PB: Provinsjale en Buma Bibliotheek fan Friesland PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn RAD: Rijksarchiefdienst RIO: rapport institutioneel onderzoek Stb.: Staatsblad Stcrt.: Staatscourant TK: Tweede Kamer Trb.: Tractatenblad WBO: Wet op het basisonderwijs 1985 WPO: [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) 2."},{"i":8053,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gezondheid en Welzijn van dieren 1981–2008 (Stichting Registratie Gezelschapsdieren Nederland) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 december 2008 nr. bca-2008.05120/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Registratie Gezelschapsdieren Nederland op het beleidsterrein Gezondheid en Welzijn van dieren over de periode 1981–2008’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8056,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Kunsten vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007, arc-2007.03635/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8315,"b":"Aanvullend Protocol bij het Europees Sociaal Handvest betreffende een systeem voor collectieve klachten Preambule De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Protocol bij het [Europees Sociaal Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021) dat op 18 oktober 1961 te Turijn voor ondertekening werd opengesteld (hierna te noemen „het Handvest\") hebben ondertekend; Vastbesloten nieuwe maatregelen te treffen ter verbetering van de doeltreffende handhaving van de sociale rechten die worden gewaarborgd door het [Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021), Overwegende dat dit doel in het bijzonder zou kunnen worden bereikt door invoering van een collectieve klachtenprocedure, die onder andere de betrokkenheid van de sociale partners alsmede van niet-gouvernementele organisaties kan versterken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen bij dit Protocol erkennen het recht van de volgende organisaties om klachten over ontoereikende toepassing van het [Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021) in te dienen: - a. internationale organisaties van werkgevers en werknemers als bedoeld in [het tweede lid van artikel 27 van het Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021&artikel=27); - b. andere internationale niet-gouvernementele organisaties die een raadgevende status bij de Raad van Europa bezitten en zijn opgenomen op een voor dat doel door het Regeringscomité opgestelde lijst; - c. representatieve nationale organisaties van werkgevers en werknemers die onder de rechtsmacht vallen van de Overeenkomstsluitende Partij waartegen zij een klacht hebben ingediend. Artikel 2 1. Een Overeenkomstsluitende Staat kan wanneer hij het feit dat hij ermee instemt door dit Protocol te worden gebonden tot uitdrukking brengt, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 13, of te eniger tijd daarna, ook verklaren dat hij het recht erkent van andere representatieve nationale niet-gouvernementele organis"},{"i":8058,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 mei 2006 nr. arc-2006.03029/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8059,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Medische Beroepen en Opleidingen vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 22 oktober 2008 nr. bca-2008.05120/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit behorende ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Medische Beroepen en Opleidingen over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8060,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Milieubeheer vanaf 1945 (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 5 februari 2009, nr. bca-2008.05125/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Milieubeheer over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8063,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Oorlogsgetroffenen vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Oorlogsgetroffenen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15511,"b":"Vervangingsregeling CBR 2026 Gelet op de Regeling volmacht en machtiging CBR 2026, de Regeling mandaat CBR 2026 en de [Regeling volmacht personele aangelegenheden CBR 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049656); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bevoegdheid:** een mandaat, machtiging en/of volmacht zoals bedoeld in de Regeling volmacht en machtiging CBR 2026, de Regeling mandaat CBR 2026 en/of de [Regeling volmacht personele aangelegenheden CBR 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049656) dan wel opvolgende regelingen; - b. **bevoegde:** degene die een bevoegdheid bezit of conform de regelingen genoemd bij a aangewezen is om een bevoegdheid uit te oefenen; - c. **vervanger:** degene die conform deze regeling wordt aangewezen om een bevoegde te vervangen bij het uitoefenen van een bevoegdheid. § 2. Vervanging Artikel 2. Vervanging 1. Onverminderd het bepaalde in [artikel 4ad lid 3 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4ad) met betrekking tot ontstentenis van een directielid wordt bij afwezigheid of verhindering van een bevoegde, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, de bevoegdheid uitgeoefend conform tabel 1 of hetgeen bepaald in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052518&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-04-14&g=2026-04-14) in de aangegeven volgorde; 2. Van deze vervangingsregeling wordt geen gebruik gemaakt als er sprake is van een reeds verleende bevoegdheid en deze laatste gebruikt kan worden; 3. Van deze vervangingsregeling wordt geen gebruik gemaakt indien de aard van de bevoegdheid zich verzet tegen uitoefening van die bevoegdheid bij vervanging. | 1 | Bevoegde zoals beschreven in de regelingen | Vervanger ten aanzien van de Regeling mandaat en de Regeling volmacht en machtiging | Vervanger ten aanzien van de [Regeling personele aangelegenheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049656) | | --"},{"i":8086,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2014, houdende regels met met betrekking tot de bezoldiging van de voorzitter en leden van de commissie bedoeld in artikel 14 van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (Bezoldigingsregeling centrale commissie medisch-wetenschappelijk onderzoek) Gelet op [artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder de centrale commissie: de centrale commissie, bedoeld in [artikel 14 van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=14). Artikel 2 De bezoldiging van de voorzitter van de centrale commissie wordt vastgesteld volgens het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren, rekening houdend met een arbeidsduur van gemiddeld 24 uren per week. Artikel 3 De bezoldiging van de overige leden van de centrale commissie wordt vastgesteld volgens het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren, rekening houdend met een arbeidsduur van gemiddeld 4 uren per week. Artikel 4 De plaatsvervangende leden van de centrale commissie ontvangen een schadeloosstelling per vergadering van € 235. Artikel 5 De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitters, de overige leden en de plaatsvervangende leden van de centrale commissie hebben recht op een vergoeding van reis- en verblijfskosten overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2011. Artikel 7 Deze regeling wordt aangehaald als: Be"},{"i":8253,"b":"Wet van 29 oktober 1992, houdende regels betreffende bevolkingsonderzoek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de bescherming van de bevolking de uitvoering van bevolkingsonderzoek dat een gevaar kan vormen voor de gezondheid van de te onderzoeken personen aan een vergunningstelsel te onderwerpen, en dat geen behoefte meer bestaat aan een afzonderlijke regeling betreffende het röntgenologisch borstonderzoek op tuberculose, zoals neergelegd in de Wet bevolkingsonderzoek op tuberculose (**Stb.** 1951, 288); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; - b. de Gezondheidsraad: de Gezondheidsraad, bedoeld in [artikel 21 van de Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=21) (**Stb.** 1956, 51); - c. bevolkingsonderzoek: geneeskundig onderzoek van personen dat wordt verricht ter uitvoering van een aan de gehele bevolking of aan een categorie daarvan gedaan aanbod dat gericht is op het ten behoeve of mede ten behoeve van de te onderzoeken personen opsporen van ziekten van een bepaalde aard of van bepaalde risico-indicatoren. Hoofdstuk II. Vergunningsplichtig bevolkingsonderzoek Artikel 2 1. Bevolkingsonderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van ioniserende straling, bevolkingsonderzoek naar kanker en bevolkingsonderzoek naar ernstige ziekten of afwijkingen waarvoor geen behandeling of preventie mogelijk is, moeten met de waarborgen bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005699&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2021-07-01&g=2021-07-01) worden omgeven. 2. Indien vanwege de aard van de toe te passen onderzoeksmethode of vanwege d"},{"i":8091,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 12 augustus 2022, nr. PO/F&V/33528282, houdende regels voor de bekostiging personeel primair onderwijs in Caribisch Nederland voor het schooljaar 2021–2022 (Definitieve Regeling bekostiging personeel PO BES 2021–2022) Gelet op [artikel XI, vijfde lid jo. derde lid, van de Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op het voortgezet onderwijs en enkele andere wetten vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045030&artikel=XI) (Stb. 2021, 171); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit bekostiging WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029580) zoals dat luidde op 31 maart 2022; - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **wet:** [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280). Artikel 2. Bedrag per leerling Het bedrag per leerling, bedoeld in [artikel 101, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=101), zoals die luidde op 31 maart 2022, bedraagt USD 5.974,63. Artikel 3. Bedrag per school Het bedrag per school, bedoeld in [artikel 101, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=101), zoals die luidde op 31 maart 2022, bedraagt USD 197.813,74. Artikel 4. Aanvullende bekostiging voor zorg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte op Bonaire, Sint Eustatius en Saba 1. De aanvullende bekostiging, bedoeld in [artikel 22, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029580&artikel=22), zoals dat luidde op 31 maart 2022, bedraagt voor Sint Eustatius en Saba 11,50% van de bedragen, bedoeld in de [artikelen 2](ht"},{"i":8098,"b":"Gelijkstelling studenten medische opleidingen aan geneeskundigen Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758&artikel=2) (Stb. 1971, 396); De Raad voor de buitengewone geneeskundige en farmaceutische voorziening gehoord (advies van 8 november 1979, nr. 75486/CV); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens de [Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758) bepaalde staan gelijk met geneeskundigen degenen die: - a. de opleiding tot arts volgen en het doctoraal examen in de studierichting der geneeskunde met goed gevolg hebben afgelegd; - b. de opleiding tot tandarts volgen en het doctoraal examen in de studierichting der tandheelkunde met goed gevolg hebben afgelegd; - c. de opleiding tot verloskundige volgen en het examen aan het einde van het tweede leerjaar van die opleiding met goed gevolg hebben afgelegd; - d. de opleiding tot apotheker volgen en het apothekersexamen eerste gedeelte met goed gevolg hebben afgelegd. Artikel 2 De in het [eerste artikel onder a., b., c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003436&artikel=1&z=1981-09-24&g=1981-09-24). en d. bedoelde personen zijn, voor zover zulks noodzakelijk is ter nakoming van de hun krachtens de [Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758) opgelegde verplichtingen, bevoegd tot beroepsuitoefening als onderscheidenlijk arts, tandarts, verloskundige en apotheker. Artikel 3 1. Dit besluit wordt met de daarbij behorende toelichting in de Nederlandse Staatscourant geplaatst. 2. Het treedt in werking met ingang van de dag na die waarop het in de Nederlandse Staatscourant is geplaatst."},{"i":8100,"b":"Gevolgen wijzigingen taken College sanering ziekenhuisvoorzieningen (CSZ) en College bouw ziekenhuisvoorzieningen (CBZ) Circulaire aan alle besturen van inrichtingen voor gezondheidszorg als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder c en d, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen](onbekend) In vervolg op mijn circulaire Z/PB-2169855 van 22 juni 2001 (Stcrt. 2001, 121) deel ik u het volgende mede. De procedures en mijn beleid inzake de uitvoering van de [Wet ziekenhuisvoorzieningen](onbekend) (WZV) op een aantal terreinen heb ik u in het verleden onder meer kenbaar gemaakt door middel van circulaires. Vanaf 1 januari 2000 is een aantal wijzigingen van de [WZV](onbekend) in werking getreden dat gevolgen heeft voor een aantal van die circulaires. Een van de belangrijkste wijzigingen in dit verband betreft de overdracht van de vergunningverlening door mij aan het College bouw ziekenhuisvoorzieningen (College bouw). Momenteel worden de uitgebrachte WZV-circulaires doorgelicht op actualiteit en bezien of zij kunnen vervallen dan wel moeten worden aangepast. Ik ben voornemens u in de loop van dit jaar daarover te informeren. In elk geval is gebleken dat onderdelen van een aantal circulaires niet meer overeenkomen met de huidige regelgeving. Zo moeten onder meer bepaalde bescheiden en verzoeken in het kader van de vergunningverlening per 1 juli 2001 niet meer worden gericht aan en ingediend bij mij maar aan en bij het College bouw. Vooruitlopend op de resultaten van de hierboven bedoelde inhoudelijke toetsing heb ik in de bijlage bij deze circulaire aangegeven welke procedures in aldaar benoemde circulaires zijn gewijzigd per 1 januari 2000 dan wel per 1 juli 2001 en hoe zij vanaf die data moeten worden gelezen. Overigens deel ik u mede dat de verplichting tot vierjaarlijkse indiening van het LTHP, die weliswaar reeds vanaf 1 januari 1996 bestaat, inmiddels is geregeld in de algemene maatregel van bestuur van 19 december 2001 (Stb. 2002, 3). Bijlage Wijzigingen circulaires ten ge"},{"i":8104,"b":"Wet van 18 januari 1956, houdende nieuwe wettelijke voorschriften met betrekking tot de organisatie van de zorg voor de volksgezondheid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe wettelijke voorschriften vast te stellen met betrekking tot de organisatie van de zorg voor de volksgezondheid; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepaling Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister, belast met de zaken betreffende de volksgezondheid; - b. \"inspecteur-generaal\": de inspecteur-generaal, bedoeld in [artikel 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&hoofdstuk=IV&paragraaf=1&artikel=37&z=2025-07-05&g=2025-07-05); - c. \"Provinciale Raad\": de Provinciale Raad voor de Volksgezondheid; - d. \"provinciale kruisverenigingen\": de provinciale verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die uitsluitend het behartigen of doen behartigen van wijkverpleging en andere sociaal-hygiënische zorg beogen en bij een nationale vereniging met gelijke doelstelling zijn aangesloten; - e. \"persoonsgegevens\": persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4, onderdeel 1, van de Algemene verordening gegevensbescherming. Hoofdstuk II. De Nationale Raad voor de Volksgezondheid § 1. Van de zetel en de taak Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen § 2. Van de samenstelling Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen § 3. Van de Kamers en de commissies Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 13a Vervallen § 4. Van de werkwijze Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen Artikel 19 Vervallen § 5. Van de vergoedingen Artikel"},{"i":8107,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 maart 2005, nr. IBE/BO-2568941, houdende de goedkeuring van het besluit van de SGRC 2005 betreffende het tarief registratie en herregistratie Gelet op [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); Besluit: Het besluit van de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie – SGRC 2005 inzake Tarief registratie en herregistratie goed te keuren. Dit besluit zal samen met het desbetreffende besluit van de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":8110,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 augustus 2025, kenmerk 4170354-1085601-ZJCN, houdende instelling van de adviescommissie geneesmiddelenvoorziening BES (Instellingsbesluit adviescommissie geneesmiddelenvoorziening BES) Gelet op [artikel 26a van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028486&artikel=26a) en [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **commissie:** de adviescommissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051389&artikel=2&z=2025-08-19&g=2025-08-19); - c. **ministerie:** Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een adviescommissie geneesmiddelenvoorziening BES. 2. De commissie heeft tot taak het geven van advies aan de Minister tot toekenning, weigering of intrekking van een vergunning om een apotheek te vestigen, te verplaatsen, over te nemen dan wel te drijven op Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 3. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten minste twee andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie onafhankelijk en zonder beïnvloeding van derden uit. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de Minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van vier jaar. Herbenoeming kan tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden. 5. De leden kunnen op eigen verzoek, wegens ongeschiktheid of op andere zwaarwegende gronden worden geschorst en ontslagen door de Minister. Artikel 4. Instellingsduur De commissie wordt ingesteld voor onbepaalde tijd. Artikel 5. Secretariaat 1. De Minister vergoedt de externe secretaris van de commi"},{"i":8114,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 januari 2019, nr. OWB/1456772, houdende instelling van de Commissie sectorplan Bèta en Techniek en de Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities (Instellingsbesluit Commissie sectorplan Bèta en Techniek en de Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **commissies:** Commissie sectorplan Bèta en Techniek- bestaande uit een Kamer Bèta en een Kamer Techniek – en Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities, aangeduid als Commissie sectorplan SSH; - c. **concept-sectorbeeld bèta:** het door de heer prof. dr. E.W. Meijer opgestelde plan voor versterking van de Nederlandse bèta sector, te weten natuurkunde, scheikunde, wiskunde en mogelijk informatica; - d. **concept-sectorbeeld techniek:** het door de heer prof. dr. E.W. Meijer opgestelde plan voor versterking van de Nederlandse techniek sector, te weten technische wetenschappen en mogelijk informatica; - e. **concept-sectorbeeld SSH:** het door de heer prof. dr. M.A.P. Bovens opgestelde plan voor versterking van het Nederlandse SSH domein, ook wel concept-domeinbeeld SSH genoemd; - f. **sectorbeeld:** het door de minister vastgestelde concept-sectorbeeld, zoals bedoeld onder c, d en e. In geval van e ook wel domeinbeeld SSH genoemd; - g. **tweedegeldstroommiddelen:** middelen die aanvankelijk via de tweede geldstroom zouden zijn uitgekeerd, maar die per 2020 worden overgeheveld naar de eerste geldstroom en direct aan de universiteiten worden uitgekeerd, hierbij uitgezonderd de SSH call Digitale SSH die in 2019 reeds van start is gegaan. Zie ook verwijzing in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041941&artikel=2&z=2022-11-18&g"},{"i":8119,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 19 december 2018, nr.2018-0000816616, tot instelling van een Commissie kinderopvang en vaccinatie (Instellingsregeling Commissie kinderopvang en vaccinatie) Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **de commissie:** de Commissie kinderopvang en vaccinatie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041787&artikel=2&z=2019-01-01&g=2019-01-01). Artikel 2. Instelling, taak, opheffing 1. Er is een Commissie kinderopvang en vaccinatie. 2. De commissie wordt ingesteld met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant en wordt opgeheven na het uitbrengen van het eindrapport, bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041787&artikel=6&z=2019-01-01&g=2019-01-01). 3. De commissie heeft tot taak onderzoek te doen naar mogelijke oplossingsrichtingen: - a. die bijdragen aan het afnemen van de zorgen bij ouders over de veiligheid van kinderopvang in relatie tot de dalende vaccinatiegraad; en - b. die praktisch werkbaar zijn voor een kindercentrum als bedoeld in de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) en een voorziening voor gastouderopvang. Artikel 3. Samenstelling en benoeming 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zeven andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de staatssecretaris benoemd. 3. De benoeming geschiedt voor de duur van het bestaan van de commissie. 4. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de staatssecretaris een ander lid benoemen. Artikel 4. Secretariaat In het secretariaa"},{"i":8121,"b":"Niet-van-toepassingverklaring artikel 7 Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen Gelet op [artikel 7, zesde lid, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=7), Besluit: Artikel 1 [Artikel 7, eerste lid, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=7) is niet van toepassing ter zake van het verrichten van medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen door diensten, instellingen en bedrijven ressorterend onder het Ministerie van Defensie, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, genoemd in [artikel 4, tweede lid, onderdeel d, van het Organisatiebesluit Ministerie van Veiligheid en Justitie 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036820&artikel=4). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 1999. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8125,"b":"Overeenkomst inzake tijdelijke invoer, vrij van rechten, van medisch, chirurgisch en laboratoriummateriaal in bruikleen afgestaan aan ziekenhuizen en andere medische instellingen ten behoeve van diagnose en behandeling De ondertekenende regeringen, Leden van de Raad van Europa, Overwegende dat er in een staat in bijzondere omstandigheden plotseling niet voldoende voorraden medisch, chirurgisch en laboratoriummateriaal aanwezig kunnen zijn om aan de meest urgente behoeften van de bevolking te voldoen; Overwegende dat het wenselijk is te bevorderen dat medisch, chirurgisch en laboratoriummateriaal door een Lid aan een ander Lid beschikbaar gesteld de grens op eenvoudige wijze kan passeren; Vervolgens overwegende dat het streven van de Raad van Europa er op gericht is een hechtere eenheid tussen de Leden tot stand te brengen en hun economische en sociale vooruitgang op verschillende wijzen, waaronder het sluiten van Europese overeenkomsten, te bevorderen; Erkennende dat de praktische verwezenlijking van bovenbedoeld streven gediend zou zijn door het sluiten van een overeenkomst die voorziet in de invoer, vrij van rechten, van in bruikleen afgestaan medisch, chirurgisch en laboratoriummateriaal, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. Mits zij over voldoende voorraden voor hun eigen behoeften beschikken, stellen de Overeenkomstsluitende Partijen medisch, chirurgisch en laboratoriummateriaal gratis in bruikleen beschikbaar aan andere Overeenkomstsluitende Partijen die daaraan in bijzondere omstandigheden dringend behoefte mochten hebben; dit materiaal wordt de desbetreffende Partij op verzoek toegezonden en door haar later teruggezonden. 2. Iedere Overeenkomstsluitende Partij die krachtens de bepalingen van het voorgaande lid hulp ontvangt doet al het mogelijke om de tijdelijke invoer van het in bruikleen afgestane materiaal te vergemakkelijken. Artikel 2 1. De periode van tijdelijke invoer mag in eerste instantie niet langer zijn dan zes maanden, doch kan met instem"},{"i":8129,"b":"Regelen vergoeding kosten geneeskundige behandeling en verpleging zeeliedenoorlogsslachtoffers Gelet op artikel 9, eerste lid, van het Koninklijk besluit van 22 oktober 1949 (Stb. J 469) tot uitvoering van de [artikelen 3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=3), en [13 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=13) (Stb. 1947, H 420); Overwegende, dat de bij de beschikkingen van de toenmalige Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 augustus 1950, nr. 250502 Z (Stcrt. 172), en 15 januari 1951, nr. 261565 Z (Stcrt. 12), vastgestelde regelen voor het verlenen van vergoeding van kosten van geneeskundige behandeling en verpleging aan zeelieden-oorlogsslachtoffers, zoals deze regelen zijn gewijzigd bij beschikking van voornoemde minister van 26 september 1957, nr. 464.123 J 69/69/9 (Stcrt. 189), dienen te worden aangepast aan de wijziging, welke bij besluit van 7 mei 1973 (Stcrt. 262) is aangebracht in artikel 8 van het Koninklijk besluit van 22 oktober 1949 (Stb. J 469), en dat het voorts gewenst is die ministeriële regelen tekstueel in overeenstemming te brengen met de regelen, welke ter zake voor de verzetsslachtoffers bij beschikking van 3 mei 1972, nr. U 7858 (Stcrt. 90), zijn vastgesteld, Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - **‘de wet’:** de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035) (Stb. 1977, 495); - **‘de zeeman’:**de zeeman, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=1); - **‘de Raad’:** de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); - **‘de Sociale verzekeringsbank’:** de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie wer"},{"i":8135,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 30 maart 2021, nr. VO/27288781, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende bekostiging voor strategisch personeelsbeleid, de begeleiding van startende leraren en schoolleiders en het aanpakken van verzuim (Regeling aanvullende bekostiging strategisch personeelsbeleid, begeleiding en verzuim vo) Gelet op [artikel 85a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=85a), en [artikel 89, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=89) en [artikel 2.2.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **leerling:** leerling als bedoeld in [artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.7) die op 1 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de aanvullende bekostiging wordt verstrekt aan een school is ingeschreven; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **school:** Uit ’s Rijks kas bekostigde school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1). Artikel 2. [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) De [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) is van toepassing op de aanvullende bekostiging die op grond van deze regeling wordt verstrekt. Artikel 3. Doel van de aanvullende bekostiging De minister verstrekt aan het bevoegd gezag van een school in het kalenderjaar 2026 aanvullende bekostiging met als doel: - a. he"},{"i":8139,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 juli 2014, kenmerk 629167-122949-WJZ, houdende aanwijzing van bijzondere medische verrichtingen voor de uitvoering waarvan een vergunning is vereist (Regeling aanwijzing bijzondere medische verrichtingen) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=5), en [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=6), van de Wet op bijzondere medische verrichtingen; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op bijzondere medische verrichtingen (invoering startmeldingsplicht voor beperkte duur voor het uitvoeren van verrichtingen waarvoor niet langer een vergunning op grond van deze wet is vereist) (Stb. 2014, 165), in werking treedt. Artikel 1 1. Het is verboden zonder vergunning van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de navolgende verrichtingen uit te voeren of te doen uitvoeren: - a. orgaantransplantatie, inhoudende transplantatie van hart, nier, alvleesklier, long, lever of dunne darm, dan wel delen of cellen van deze organen; - b. implantatie van kunstorganen, voor zover betrekking hebbend op de organen, genoemd onder a, en bedoeld als vervanging van het oorspronkelijke orgaan of een deel daarvan; - c. autologe en allogene transplantatie van hematopoietische stamcellen uit beenmerg, perifeer bloed of navelstrengbloed; - d. celtransplantatie, inhoudende het in- of aanbrengen van menselijke cellen bij patiënten om hun gezondheidstoestand te verbeteren, anders dan: - –. het in- of aanbrengen van menselijke cellen als onderdeel van orgaantransplantatie als bedoeld onder a; - –. autologe en allogene transplantatie van hematopoietische stamcellen uit beenmerg, perifeer bloed of navelstrengbloed als bedoeld onder c; - –. het in- of aanbrengen van weefsel waarvan de voor het beoogde klinisch gebruik relevante biologische eigenschappen,"},{"i":8144,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 16 oktober 2023, nr. PO/F&V/41112635, houdende regels voor de bekostiging van het primair onderwijs in Caribisch Nederland voor het kalenderjaar 2024 Gelet op [artikel 100, vijfde lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), en de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=14), en [16, tweede en vierde lid, van het Besluit bekostiging WPO BES 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=16); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit bekostiging WPO BES 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152); - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **wet:** [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280). Artikel 2. Bedrag per leerling Het bedrag per leerling, bedoeld in [artikel 100, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), bedraagt USD 7.561,72. Artikel 3. Bedrag per school Het bedrag per school, bedoeld in [artikel 100, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), bedraagt USD 306.929,74. Artikel 4. Extra bekostiging voor zorg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 1. De extra bekostiging, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=16), bedraagt voor Bonaire USD 450.821,65. 2. De extra bekostiging, bedoeld in [artikel 16, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=16), bedraagt voor Sint Eustatius en Saba 11,50% van de bedragen, bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048797&artikel=2&z=2024-07-06&g=2024-07-06) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":8147,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 oktober 2025, nr. PO/FenV/54400275, houdende aanpassing van de bedragen voor bekostiging primair onderwijs voor het kalenderjaar 2026 en het vaststellen van de bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs kalenderjaar 2026 (Regeling bekostiging WPO en WEC 2026) Gelet op de [artikelen 116, zesde en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=116), [119, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119), [121, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=121), [122, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=122), en [124, derde en vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=124), de [artikelen 114, zesde en tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=114), [117, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117), en [119, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=119), [artikel 5.15, derde en vijfde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.15), de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=5), [13, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=13), [14, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=14), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=15), [16, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=16), [17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=17), [18, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=18), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=19), [20, derde lid](https://wetten.overhei"},{"i":8152,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 februari 2021, kenmerk 1824481-216302-PG, houdende regels ter uitwerking van artikel 12a, derde lid, van de Wet publieke gezondheid (Regeling bevolkingsonderzoek ex artikel 12a, derde lid, Wet publieke gezondheid) Gelet op [artikel 12a, derde lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=12a); Besluit: Hoofdstuk I. Neonatale hielprikscreening Artikel 1 1. De neonatale hielprikscreening omvat onderzoek bij pasgeborenen tot zes maanden naar bij beleidsregel van het RIVM vastgestelde ziekten. Deze beleidsregel wordt in de Staatscourant geplaatst en bevat de datum van ingang. 2. De hielprik wordt zo spoedig mogelijk vanaf 72 uur en uiterlijk binnen 168 uur na de geboorte thuis of in het ziekenhuis uitgevoerd. In geval van een hielprikscreening in combinatie met een gehoorscreening wordt de hielprik zo spoedig mogelijk vanaf 96 uur na de geboorte uitgevoerd. Artikel 2 1. Het RIVM geeft opdracht tot uitvoering van de neonatale hielprikscreening en bewaakt, registreert en evalueert deze. 2. Onze Minister stelt de tarieven voor de uitvoering vast. 3. De uitvoering van de neonatale hielprikscreening vindt plaats volgens het door het RIVM, na genoegzaam overleg met relevante partijen, vastgestelde draaiboek, waarin zijn opgenomen de kwaliteitseisen, methoden inzake voorlichting over het programma en informed consent. Het draaiboek wordt afgestemd met inhoudelijk deskundigen uit relevante beroepsgroepen en vastgesteld in de programmacommissie, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044919&hoofdstuk=I&artikel=4&z=2021-04-01&g=2021-04-01). Artikel 3 Het RIVM is referentielaboratorium voor de uitvoering van de neonatale hielprikscreening en stelt de onderzoeksmethoden vast. Artikel 4 Het RIVM stelt een programmacommissie in, bestaande uit vertegenwoordigers van de beroepsbeoefenaren die bij de uitvoering van de neonatale hielprikscr"},{"i":8158,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 juni 2007, nr. GMT/MVG 2780607, houdende uitvoering van bepalingen van de Geneesmiddelenwet (Regeling Geneesmiddelenwet) Gelet op de [artikelen 1, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=10), [19, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=19), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=27), [28, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=28), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=29), [36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=36), [40, derde lid, onder c en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=40), [42, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=42), [44, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=44), [51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=51), [54, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=54), [58, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=58), [61, eerste lid, onder c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=61), en [66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=66), en [103, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=103) en op [artikel 6, tweede lid, van het Besluit Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021672&artikel=6); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Geneesmiddelenwet in werking treedt. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505); - b. systeem van farmaceutische kwaliteitsgarantie: het geheel van maatregelen dat tot doel heeft"},{"i":15512,"b":"Besluit van 23 februari 2026, nr. 2026000417, houdende wijziging van de vervangingsregeling in geval van tijdelijke afwezigheid van een minister Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 23 februari 2026, nr. 9757795; Gelet op de [artikelen 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=45) en [46 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46); Overwegende dat het wenselijk is enige aanpassingen te doen in de de vervangingsregeling in geval van tijdelijke afwezigheid van een minister; HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 1. Een minister wordt bij tijdelijke afwezigheid vervangen door de staatssecretaris van hetzelfde ministerie voor zover en voor zolang de minister in de gelegenheid is om de staatssecretaris aanwijzingen dienaangaande te geven. De staatssecretaris kan in die gevallen tevens met raadgevende stem aan de vergadering van de ministerraad deelnemen. 2. Ten aanzien van de vervanging zoals aangegeven in het vorige lid geldt dat: - a. De Minister van Financiën wordt vervangen door Staatssecretaris E. Eerenberg. Indien deze ook afwezig is, wordt de minister vervangen door Staatssecretaris S.Th.P.H. Palmen-Schlangen. - b. De Minister van Economische Zaken en Klimaat wordt vervangen door Staatssecretaris W.J.M Aerdts. - c. De Minister van Klimaat en Groene Groei wordt vervangen door Staatssecretaris J. de Bat. Artikel 2 Bij gelijktijdige afwezigheid van een minister en een staatssecretaris, alsmede bij afwezigheid van een minister in het geval er geen staatssecretaris van hetzelfde ministerie is, dan wel indien een minister door ziekte of om een andere reden tijdelijk niet in de gelegenheid is zijn taak uit te oefenen en aanwijzingen aan de staatssecretaris van hetzelfde ministerie te geven, wordt deze vervangen door een andere minister met dien verstande dat: - a. De Minister-President, Minister van Algemene Z"},{"i":8167,"b":"Regeling melding bijzondere voorvallen verpleegden Gelet op [artikel 24 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008690&artikel=24); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 8 november 1999, nr. 802995/99, Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen. In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Melding bijzondere voorvallen 1. Bijzondere voorvallen die zeer spoedig door het hoofd van de inrichting telefonisch aan de Minister van Veiligheid en Justitie worden gemeld, zijn de volgende: - a). gevallen van natuurlijke dood van een verpleegde; - b). gevallen van suïcide van een verpleegde; - c). de overige gevallen van onnatuurlijke dood van een verpleegde; - d). onttrekking van een verpleegde aan het op hem uitgeoefende toezicht vanuit een gesloten gebouw of vanaf een beveiligd terrein; - e). onttrekking van een verpleegde aan het op hem uitgeoefende toezicht tijdens transport; - f). onttrekking van een verpleegde aan het op hem uitgeoefende toezicht tijdens begeleid verlof; - g). ernstige geweldsincidenten in of buiten de inrichting; - h). elk ander incident in of buiten de inrichting van ernstige, politiek gevoelige of publiciteitsgevoelige aard. In gevallen als bedoeld onder e) wordt het bijzonder voorval gemeld door het hoofd van de zendende inrichting. 2. Bijzondere voorvallen die uiterlijk de eerstvolgende werkdag telefonisch aan de Minister van Veiligheid en Justitie worden gemeld zijn de volgende: - a). onttrekking aan het op hem uitgeoefende toezicht door een verpleegde uit een niet-gesloten gebouw of vanaf een niet-beveiligd terrein; - b). niet terugkeren van onbegeleid verlof door een verpleegde. 3. Bijzondere voorvallen worden aansluitend aan de telefonische melding, per fax of elektronische post gemeld. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het Protocol melding bijzonder voorval dat als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010963&bijlage=1&z=2019-07-16&g=2019-07-"},{"i":8168,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 16 april 2019, nr. VO/7950998, houdende regels voor onvoorziene gevallen bij invoering vereenvoudiging bekostiging VO 2018 (Regeling onvoorziene gevallen bij invoering vereenvoudiging bekostiging VO 2018) Gelet op [artikel V van de Wet van 6 juli 2004 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met onder meer vereenvoudiging van de bekostigingsbepalingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016983&artikel=V) (Stb. 2005, 14); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **WVO:** [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399); en - **Wet vereenvoudiging bekostiging VO:** [Wet van 6 juli 2004 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met onder meer vereenvoudiging van de bekostigingsbepalingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016983) (Stb. 2005, 14). Artikel 2. Overgangsbepaling bekostiging scholen voor voortgezet onderwijs over periode tot 1 januari 2006 Op de bekostiging van scholen voor voortgezet onderwijs over de periode die aanvangt op het moment van inwerkingtreding van de [Wet vereenvoudiging bekostiging VO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016983) en eindigt op 1 januari 2006, blijven van toepassing de bekostigingsbepalingen van de [WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) en de daarop berustende bepalingen zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging bekostiging VO. Artikel 3. Aanpassing overgangsrecht in verband met gewijzigde inwerkingtreding wet 1. In afwijking van [artikel II van de Wet vereenvoudiging bekostiging VO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016983&artikel=II): - a. eindigt de in de eerste volzin van dat artikel bedoelde aanspraak op bekostiging met ingang van 1 januari 2006, en - b. loopt de in de tweede volzin van dat artikel bedoelde periode van 1 augustus 2005 tot en met 31 december 2005"},{"i":8319,"b":"Aanvullend Protocol bij het Protocol van 13 april 1962 nopens de oprichting van Europese scholen De Regeringen van het Koninkrijk België het Koninkrijk Denemarken de Bondsrepubliek Duitsland de Franse Republiek Ierland de Italiaanse Republiek het Groothertogdom Luxemburg het Koninkrijk der Nederlanden het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland Naar behoren vertegenwoordigd door: de heer J. Deschamps, Ambassadeur van België te Luxemburg de heer K. V. Skjødt, Directeur, Dienst Octrooien de heer Peter Hermes, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken de heer Emile Cazimajou, Gevolmachtigd Minister, plaatsvervangend Permanent Vertegenwoordiger de heer John Bruton, Parlementair Staatssecretaris, Ministerie van Industrie en Handel de heer F. Cattanei, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken de heer Marcel Mart, Minister van Economische Zaken, Middenstand en Toerisme de heer Th. M. Hazekamp, Staatssecretaris van Economische Zaken Lord Goronwy-Roberts, Onderminister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken, Vice-Voorzitter van het Hogerhuis Gelet op het Statuut van de Europese school, ondertekend te Luxemburg op 12 april 1957, en de [Toegevoegde Overeenkomst bij het Statuut van de Europese school houdende vaststelling van een regeling voor het Europese baccalaureaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004908), ondertekend te Luxemburg op 15 juli 1957, Gelet op het Protocol nopens de oprichting van Europese scholen, ondertekend te Luxemburg op 13 april 1962, Overwegende dat het wenselijk is voornoemd Protocol uit te breiden tot de Europese Octrooiorganisatie, opgericht bij het [Europees Octrooiverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003819) van 5 oktober 1973, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Niettegenstaande artikel 1, eerste lid van het Protocol van 13 april 1962 nopens de oprichting van Europese scholen, kan in München een Europese school worden opgericht voor gemeenschappelijke opvoeding en gemeenschappelijk onderwijs van kind"},{"i":8176,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 september 2016, nr. BVE/998927, houdende regels voor de verstrekking van resultaatafhankelijke bekostiging voortijdig schoolverlaten aan mbo-instellingen (Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv mbo) Gelet op [artikel 2.2.3, tweede en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **deelnemer:** deelnemer die voor bekostiging wordt meegeteld op grond van [artikel 2.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.2.2) of [artikel 2.2.3 van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.2.3); - b. **instelling:** regionaal opleidingencentrum als bedoeld in [artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.3.1), vakinstelling als bedoeld in [artikel 1.3.2a van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.3.2a) of agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in [artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.3.3), niet betreffende het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd in een agrarisch opleidingscentrum; - c. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, de Staatssecretaris van Economische Zaken; - d. **nieuwe voortijdig schoolverlater:** jongere die op 1 oktober: - 1). niet is ingeschreven bij een instelling terwijl de desbetreffende jongere op 1 oktober van het voorafgaande studiejaar wel was ingeschreven bij een instelling en op die datum jonger was dan 22 jaar; - 2). niet in het bezit is van een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs a"},{"i":8184,"b":"Regeling tot vaststelling van het Controle en verantwoordingsprotocol 2023 Centraal Orgaan opvang asielzoekers Dit protocol is bestemd voor het COA en haar accountant en betreft een instructie voor de jaarverantwoording van het COA en de door de accountant te verrichten werkzaamheden ten aanzien van de subsidieverantwoording van het COA. Inleiding Voortvloeiend uit [artikel 16 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (1994)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=16) (verder: Wet COA) verstrekt het Ministerie van Justitie en Veiligheid (verder: JenV) per boekjaar subsidie aan het COA. Het COA is een zelfstandig publiekrechtelijk bestuursorgaan dat rechtspersoonlijkheid bezit. COA valt daardoor onder de [Kaderwet zbo’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495). JenV verstrekt deze subsidie aan het COA voor de uitvoering van de activiteiten welke zijn toebedeeld aan het COA, zijnde: JenV kan het COA-taken als hierboven bedoeld opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen. Het COA dient zich over de besteding van deze middelen te verantwoorden door middel van een jaarverantwoording, bestaande uit een jaarverslag (bestuursverslag), een jaarrekening met specifiek benoemde bijlagen, de rechtmatigheidsverantwoording, overige gegevens en overige bijlagen. Het COA en JenV hebben beide belang bij een goede opzet en uitvoering van de accountantscontrole bij het COA. De uitkomst van deze controle vormt immers de basis voor de (definitieve) vaststelling van de subsidieverlening aan de instelling. Dit controle- en verantwoordingsprotocol geeft een beschrijving van de in dit kader door de accountant te verrichten werkzaamheden. Hoofdstuk 1 geeft een opgave van de uitgangspunten die ten aanzien van de werkzaamheden van toepassing zijn, waaronder de doelstelling. Hoofdstuk 2 richt zich op de vereisten aan de jaarverantwoording van het COA, inclusief de vereisten voor de rechtmatigheidsverantwoording. Hoofstuk 3 richt zich op de door de"},{"i":8190,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 december 2014, houdende de vaststelling van de vergoedingen van de leden van de Raad voor volksgezondheid en samenleving (Regeling vergoedingen Raad voor volksgezondheid en samenleving) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De voorzitter van de Raad voor volksgezondheid en samenleving ontvangt een vaste vergoeding per maand die wordt vastgesteld overeenkomstig het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren, met een arbeidsduurfactor van 18/36 per week. Artikel 2 De andere leden van de Raad voor volksgezondheid en samenleving ontvangen een vaste vergoeding per maand die wordt vastgesteld overeenkomstig het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren, met een arbeidsduurfactor van 7,2/36 per week. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2014, treedt zij in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2015. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vergoedingen Raad voor volksgezondheid en samenleving. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8196,"b":"Selectielijst beleidsterrein toezicht op de volksgezondheid Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 1 september 1997, nr. arc-97.6793/1); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen binnen het beleidsterrein toezicht op de volksgezondheid, inzake de inspectie voor de gezondheidszorg over de periode 1940-1995, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken de ’Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van de onder het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur ressorterende hoofdinspecteur en regionale inspecteurs van de geneeskundige inspectie van de volksgezondheid van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, no. MMA/Ar 1887 II, d.d. 23 april 1987 (gepubliceerd in de Staatscourant nummer 90 van 13 mei 1987)), alsmede de ’Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van de hoofdinspecteur en regionale inspecteurs van de geneeskundige inspectie van de volksgezondheid van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, no. CD/A92.829.WH/NF, d.d. 21 juli 1992 (gepubliceerd in de Staatscourant nummer 167 van 31 augustus 1992)). Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag-tekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":8202,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA diergezondheid (IB03-SPEC 16, versie 02) De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](onbekend); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA diergezondheid beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](onbekend) (AIB), de klasseindeling en de interventies voor de beoordeling van specifieke overtredingen van de wetgeving in het domein diergezondheid. Dit domein heeft betrekking op het houden van en de handel in dieren, inclusief de verplaatsingen naar andere lidstaten en derde landen. Dit specifiek interventiebeleid heeft onder andere betrekking op het primaire bedrijf, (dieren)vervoer, verzamelcentra en slachthuizen en ziet tevens op hobbymatig gehouden dieren. Op overtredingen met betrekking tot diergezondheid anders dan in dit document of een ander specifiek interventiebeleid beschreven, blijft het AIB van toepassing. De Europese wetgeving over diergezondheid is samengebracht in één kader, namelijk de [Diergezondheidsverordening (EU) 2016/429](32016R0429) en daarmee samenhangende gedelegeerde en uitvoerings- verordeningen. Daarbij ligt de focus op bevordering van diergezondheid via preventie, monitoring en bestrijding. De Verordening en de gedelegeerde- en uitvoeringsverordeningen, voorzien in uniforme, rechtstreeks werkende regels voor exploitanten, houders"},{"i":8211,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Kwaliteit van de Nederlandse wetgeving vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 december 2006, arc-2006.03247/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Kwaliteit van de Nederlandse wetgeving over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. BASIS-SELECTIEDOCUMENT van de handelingen betreffende de kwaliteit van de Nederlandse wetgeving 1945– Voor de zorgdragers: **Rotterdam** Definitie van het BSD Een Basis Selectiedocument (BSD) is de vorm waarin een of meerdere selectielijst(en), bedoeld in [artikel 5 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) (Stb. 277), worden vastgesteld. Een selectielijst biedt de grondslag voor het vernietigen dan wel het ter blijvende bewaring overbrengen van de neerslag van handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten. Een BSD is gebaseerd op een vastgesteld Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) en bestrijkt dezelfde periode als dit rapport. Eventuele afwijkingen hiervan worden in het verslag van het driehoeksoverleg verantwoord. Een BSD bevat in principe dezelfde handelingen als het RIO dat aan het BSD ten grondslag ligt. Eventuele afwijkingen hierop worden in het verslag van het gevoerde driehoeksoverleg verantwoord. Indien het RIO een begin- en eindperiode vermeldt wordt de eindperiode niet overgenomen in het BS"},{"i":8215,"b":"Selectielijst neerslag handelingen Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 19 december 2005, nr. arc-2005.02658/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Het BSD vervangt handeling 71 van de selectielijst Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel (Stcrt. 2002, 222). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel voor de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Actualisatie 2005 Verantwoording Deze selectielijst betreft een actualisatie van de selectielijst Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel die in 2002 is vastgesteld (Stcrt. 2002, 222). Deze actualisatie betreft uitsluitend handeling 71 van de actor minister. Het BSD is gebaseerd op het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) **Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelselen** PIVOT-rapport 101 en bestrijkt de periode vanaf 1945. Vervallen selectielijst Handeling 71 van de selectielijst **Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel (Stcrt. 2002, 222) voor de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport** komt te vervallen Selectiedoelstelling Het BSD is opgesteld tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van de Rijksarchiefdienst, zoals die door de Minister van WVC bij de behandeling van het ontwerp van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) in de"},{"i":8219,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militaire Operatiën periode vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2005, nr. arc-2004.01772/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Militaire Operatiën over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8227,"b":"Vaststelling van selectielijsten van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 Het bij dit besluit gevoegde **‘Basis Selectiedocument – instrument voor de selectie ter vernietiging dan wel blijvende bewaring van de administratieve neerslag van het handelen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers in de periode 1994–2012 (gewijzigd: 2014)’**en de ‘Selectielijst voor de neerslag van het handelen (de processen) van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), Periode (2011) 2013– ...’ met de daarbij behorende toelichtingen worden vastgesteld. Artikel 2 Het [‘Basis Selectiedocument – instrument voor de selectie ter vernietiging dan wel blijvende bewaring van de administratieve neerslag van het handelen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers in de periode 1994– ...](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017746), vastgesteld bij Besluit van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 december 2004, Stcrt. 2005, nr. 36, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijsten Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8233,"b":"Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee De Regeringen van het Koninkrijk België, de Franse Republiek, de Duitse Bondsrepubliek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland; Overwegende dat de Partijen bij het [Verdrag van Brussel van 17 maart 1948](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005480), zoals dit is gewijzigd op 23 oktober 1954, hebben besloten de sociale banden die hen verbinden nauwer aan te halen en er gemeenschappelijk naar te streven, zowel langs de weg van rechtstreeks overleg als in de gespecialiseerde organisaties, de levensstandaard van hun volken te verhogen en de harmonische ontwikkeling van de nationale werkzaamheden op sociaal terrein te bevorderen; Overwegende dat de in het [Verdrag van Brussel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005480) geregelde werkzaamheden op sociaal terrein die tot 1959 onder auspiciën van de Organisatie van het Verdrag van Brussel en de Westeuropese Unie werden verricht thans, overeenkomstig een op 21 oktober 1959 door de Raad van de Westeuropese Unie genomen beslissing en de op 16 november 1959 door het Comité van Ministers van de Raad van Europa aangenomen Resolutie (59) 23, worden uitgevoerd binnen het kader van de Raad van Europa; Overwegende dat de Zwitserse Bondsstaat sinds 6 mei 1964 overeenkomstig bovengenoemde Resolutie aan de werkzaamheden op het gebied van de volksgezondheid deelneemt; Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is, een grotere eenheid tussen zijn Leden tot stand te brengen, ten einde in het bijzonder de economische en sociale vooruitgang te bevorderen door het sluiten van overeenkomsten en door een gemeenschappelijke gedragslijn op economisch, sociaal, cultureel, wetenschappelijk, juridisch en administratief gebied; Overwegende dat zij naar vermogen hebben getracht de vooruitgang zowel op sociaal gebied, als op het daarmede samenh"},{"i":8234,"b":"Verdrag inzake het promotioneel kader voor de veiligheid en gezondheid op het werk De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar vijfennegentigste zitting op 31 mei 2006, Erkennend de mondiale omvang van arbeidsgebonden letsels, ziekten en sterfgevallen, evenals de noodzaak tot terugdringing ervan, en In herinnering roepend dat het beschermen van de werknemers tegen ziekten of beroepsziekten en arbeidsongevallen een doelstelling is van de Internationale Arbeidsorganisatie, zoals vermeld in het Statuut, en Erkennend dat arbeidsgebonden letsels, ziekten en sterfgevallen negatieve gevolgen hebben voor de productiviteit en de sociaaleconomische ontwikkeling, en Gelet op paragraaf III g) van de Verklaring van Philadelphia, die bepaalt dat de Internationale Arbeidsorganisatie de plechtige plicht heeft om de verschillende naties bij te staan bij de tenuitvoerlegging van programma’s voor een passende bescherming van het leven en de gezondheid van de werknemers tijdens de uitoefening van hun beroep, en Indachtig de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie inzake de fundamentele beginselen en rechten in verband met werk en haar follow-up, 1998, en Gelet op [Verdrag nr. 155 betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002487), 1981, en Aanbeveling nr. 164 betreffende arbeidsveiligheid en gezondheid, 1981, en de andere instrumenten van de Internationale Arbeidsorganisatie voor het promotioneel kader voor de veiligheid en gezondheid op het werk, en In herinnering brengend dat de bevordering van de veiligheid en gezondheid op het werk een aspect is van het IAO-programma voor waardig werk voor allen, en In herinnering brengend de besluiten betreffende de normatieve activiteiten van de IAO op het vlak van veiligheid en gezondheid op het werk – een mondiale strategie, goedgekeu"},{"i":8250,"b":"Wet van 5 juli 1997, houdende regels tot versterking van de rechtspositie van hen die een medische keuring ondergaan (Wet op de medische keuringen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rechtspositie van degenen die een medische keuring ondergaan in verband met een burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) of de [Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) als dienstbetrekking wordt aangemerkt, een burgerrechtelijke pensioen- of levensverzekering of een verzekering wegens arbeidsongeschiktheid naar burgerlijk recht, te versterken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. keuring: vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van: - 1°. een burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888), de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) of de [Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) als dienstbetrekking wordt aangemerkt, - 2°. een aanstelling voor een functie als genoemd in [artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=3), - 3°. een burgerrechtelijke pensioen- of levensverzekering, - 4°. een pensioenovereenkomst als bedoeld in [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1), dan wel een pensioenregeling ten aanzien waarvan [artikel 3 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid."},{"i":8261,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 februari 2013, kenmerk DMO/OHW-3153132, tot wijziging van de regels omtrent de bekostiging van de uitvoering van taken van de Pensioen- en Uitkeringsraad en de Sociale verzekeringsbank, genoemd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, alsmede tot het aanbrengen van wijzigingen van andere aard Gelet op [artikel 9, tweede lid, van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=9) en [artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14); Besluit: Artikel I Wijzigt de Bekostigingsregeling Wuvo. Artikel II In afwijking van het bepaalde in [artikel 8e, eerste lid, van de Bekostigingsregeling Wuvo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030188&artikel=8e) doet de minister de Sociale verzekeringsbank ten aanzien van de begroting, genoemd in [artikel 7, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030188&artikel=7), voor het jaar 2013 voor 1 april een vaststelling van de bijdragen, bedoeld in de [artikelen 8c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030188&artikel=8c) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030188&artikel=9), toekomen. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2754,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2009 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit : Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2009, doch niet later dan 15 augustus 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,704 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2009 en eindigende met 15 augustus 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":8268,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 september 2013, nr. 143378-108878, houdende wijziging Subsidieregeling publieke gezondheid voor het jaar 2014 Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling publieke gezondheid. Artikel II 1. Op de subsidies die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend of vastgesteld op basis van de [Subsidieregeling publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018743) is de Subsidieregeling publieke gezondheid van toepassing zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling. 2. Het eerste lid geldt niet voor de subsidie, bedoeld in [artikel 60 van de Subsidieregeling publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018743&artikel=60). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8269,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 september 2007, nr. PG/FBI 2.799.042, houdende wijziging van de Subsidieregeling publieke gezondheid ten behoeve van het jaar 2008 Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling publieke gezondheid. Artikel II Op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend of vastgesteld op basis van de [Subsidieregeling publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018743), is de [Subsidieregeling publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018743) van toepassing zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8270,"b":"Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Geneesmiddelenwet ter implementatie van Richtlijn 2010/84/EU ter verbetering van de publieke gezondheid door het systeem van de geneesmiddelenbewaking van humane geneesmiddelen efficiënter te maken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is dat ter implementatie van [Richtlijn 2010/84](32010L0084)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 tot wijziging, wat de geneesmiddelenbewaking betreft, van [Richtlijn 2001/83/EG](32001L0083) tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PbEU 2010, L 348) wijzigingen worden aangebracht in de [Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Geneesmiddelenwet. Artikel IA Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8271,"b":"Wet van 5 juli 2017 tot wijziging van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de Wet dieren in verband met de herziening van het heffingenstelsel ten behoeve van de kosten van de bestrijding en het weren van besmettelijke dierziekten, zoönosen en zoönoseverwekkers (herziening heffingenstelsel Diergezondheidsfonds) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het stelsel van de heffingen ten behoeve van de kosten van de bestrijding en het weren van besmettelijke dierziekten, zoönosen en zoönoseverwekkers, die gedragen worden door het Diergezondheidsfonds, te herzien; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Artikel II Wijzigt de Wet dieren. Artikel III Na de inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039803&artikel=II&z=2022-12-22&g=2022-12-22), de [artikelen 9.15, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=9.15), [9.16, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=9.16), [9.18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=9.18), [9.19, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=9.19), [9.22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=9.22), en [9.25, eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=9.25), berusten de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in onderscheidenlijk de [artikelen 91c, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=91c), [91d, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=91d), [91f, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=91f), [91g, d"},{"i":8272,"b":"Wet van 8 september 2005 tot wijziging van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in verband met de intrekking van het kortingensysteem van artikel 86, tweede lid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662) te wijzigen in verband met de intrekking van het in [artikel 86, tweede lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=86) opgenomen kortingensysteem; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Artikel II Wijzigt de Wijzigingswet Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (veterinair complex). Artikel III 1. Deze wet is slechts van toepassing op een besluit tot vaststelling van een in [artikel 86, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=86) bedoelde tegemoetkoming wegens een in [artikel 22 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=22) bedoelde maatregel die is getroffen na 20 januari 2003. 2. Op een besluit tot vaststelling van een in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming wegens een in dat lid bedoelde maatregel, die is getroffen voor 21 januari 2003, blijft [artikel 86, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=86) voor dieren zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 20 januari 2003. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambten"},{"i":8273,"b":"Wet van 30 januari 2002 tot wijziging van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (veterinair complex) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662) te wijzigen ter zake van de bepalingen betreffende de bestrijding van dierziekten, ter zake van de verruiming van de toepassing van bestuursdwang, terzake van de verruiming van de bevoegdheid tot het heffen van een vergoeding van kosten overeenkomstig een vast te stellen tarief mede in verband met de implementatie van artikel 4 van [richtlijn nr. 85/73/EEG](31985L0073) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 januari 1985 inzake de financiering van de keuringen en veterinaire controles zoals bedoeld in de [Richtlijnen 89/662/EEG](31989L0662), [90/425/EEG](31990L0425), [90/675/EEG](31990L0675) en [91/496/EEG](31991L0496) (PbEG L 162), in verband waarmee het tevens wenselijk is de [Veewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001900) en de [Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252) te wijzigen, ter zake van het opnemen van een basis op grond waarvan bij het vorderen van medewerking van een productschap of bedrijfschap tevens kan worden bepaald dat tuchtrechtelijke maatregelen kunnen worden gesteld bij overtreding van de bij verordening te stellen regelen en dat het voorts wenselijk is een wettelijke mogelijkheid in te voeren om het tarief van de varkensheffing te kunnen verminderen in verband met redenen van dierenwelzijn; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Artikel II 1. Een besluit op grond van de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=21), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662"},{"i":8320,"b":"Aanvullend Protocol bij het Tractaat van vriendschap, vestiging en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Zwitserland Ten einde allen twijfel omtrent de strekking van art. 1 van het tractaat van vriendschap, handel en vestiging tusschen Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden en den Zwitserschen Bond, gesloten en geteekend te Bern den 19den Augustus 1875, weg te nemen, zijn de ondergeteekenden, te weten: de heer J. G. SUTER VERMEULEN, consul-generaal der Nederlanden voor den Zwitserschen Bond, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, en de heer FRID. ANDERWERT, lid van den Bondsraad en hoofd van het Departement van Justitie en Politie van den Zwitserschen Bond, gevolmagtigden der twee genoemde Mogendheden, en daartoe behoorlijk door hunne Regeringen in staat gesteld, overeengekomen omtrent het volgende protokol: En foi de quoi, les plénipotentiaires respectifs ont signé le protocole sous réserve de la ratification des Hautes Parties contractantes. Ainsi fait en duplicata à Berne, le vingt-quatre Avril mil huit cent soixante-dix-sept (24 Avril 1877). **Le plénipotentiaire des Pays-Bas,** **(signé)** J. G. SUTER VERMEULEN. **(L. S.)** **Le plénipotentiaire de la Confédération Suisse,** **(signé)** F. ANDERWERT **(L. S.)**"},{"i":8275,"b":"Wet van 4 december 2019 tot wijziging van de Wet geneesmiddelenprijzen in verband met een aanpassing van de referentielanden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867) te wijzigen teneinde het referentieland Duitsland te vervangen door Noorwegen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet geneesmiddelenprijzen. Artikel II Maximumprijzen die zijn vastgesteld op grond van [artikel 2 van de Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867&artikel=2) zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van [I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042895&artikel=I&z=2025-07-05&g=2025-07-05), blijven van toepassing. Artikel IIa Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. In het verslag wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de effecten van deze wet ten aanzien van de prijzen en beschikbaarheid van geneesmiddelen in Nederland. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8277,"b":"Wet van 2 februari 2012, houdende wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen in verband met de evaluatie van deze wet en herstel van onvolledige implementatie van richtlijn nr. 2001/20/EG Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het mede naar aanleiding van de evaluatie van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen wenselijk is deze wet op een aantal punten te wijzigen, waaronder de zittingstermijn van de leden van de commissie, het elektronisch indienen van bescheiden en herstel van onvolledige implementatie van [richtlijn 2001/20/EG](32001L0020) inzake de toepassing van goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PbEG L 121); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen. Artikel II Voor leden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zitting hebben in een commissie, vangt de periode, bedoeld in [artikel 16, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=16), op dat tijdstip aan. Artikel III Na inwerkingtreding van deze wet berust het [Besluit verplichte verzekering bij medisch-wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015264) met mensen op [artikel 7, eerste en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=7). Artikel IV De bepalingen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8279,"b":"Wet van 23 juni 2006 tot wijziging van de Wet op de orgaandonatie (evaluatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066) te wijzigen teneinde de uitvoering daarvan in ziekenhuizen te vereenvoudigen, in de praktijk gerezen onduidelijkheden bij de uitvoering weg te nemen en de mogelijkheid van toezending van donorformulieren uit te breiden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de orgaandonatie. Artikel II Onze minister draagt ervoor zorg dat binnen drie jaar na het tijdstip waarop krachtens een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 10, vierde lid, van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=10), voor het eerst donorformulieren worden toegezonden aan nieuw ingeschrevenen, aan iedere ingezetene als bedoeld in de [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723) die op genoemd tijdstip reeds de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en aan wie nog geen donorformulier is toegezonden, alsnog een donorformulier wordt toegezonden. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8280,"b":"Wet van 25 april 2013 tot wijziging van de Wet op de orgaandonatie in verband met nieuwe medisch-technische ontwikkelingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met nieuwe medisch-technische mogelijkheden wenselijk is in de [Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066) de mogelijkheid tot het verrichten van voorbereidende handelingen te verruimen en dat het voorts wenselijk is de in deze wet gebruikte terminologie in een aantal gevallen aan te passen aan de in de praktijk gebruikelijke terminologie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de orgaandonatie. Artikel Ia Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8281,"b":"Wet van 27 maart 2018, houdende wijziging van de Wet op de orgaandonatie in verband met het opnemen van een actief donorregistratiesysteem Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066) aan te passen opdat daarin een actief donorregistratiesysteem wordt opgenomen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de orgaandonatie. Artikel II Onze Minister zendt aan iedere ingezetene als bedoeld in de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715) die op de datum van inwerkingtreding van deze wet meerderjarig is en geen uitvoering heeft gegeven aan [artikel 9, tweede lid, van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=9), een donorformulier toe als bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=10) van die wet. [Artikel 10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=10a) is van overeenkomstige toepassing. Artikel IIa Onze Minister draagt voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet zorg voor adequate voorlichting over de invoering van het actief donorregistratiesysteem, in het bijzonder over de gevolgen die in dit systeem voor meerderjarige ingezetenen zijn verbonden aan het niet invullen en laten registreren van een donorformulier, als bedoeld in [artikel 10 van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=10). Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand"},{"i":8282,"b":"Ynstellingsbeslút Konsultatyf Orgaan Frysk 2010 Mei it each op kêst 7, fjirde lid, fan it Europeesk Hânfest foar regionale talen of talen fan minderheden (Trb. 1993, 1 en 199; 1998, 20); Mei it each op it Ramtferdrach oangeande it beskermjen fan nasjonale minderheden (Trb. 1995, 73 en 197; 2005, 77); Mei it each op kêst 9, tsiende lid, fan de Bestjoersôfspraak Fryske taal en kultuer 2001 (Stcrt. 2001,125); Beslút: Kêst 1 Der is in konsultatyf orgaan foar de Fryske taal en kultuer, hjirnei te neamen: it KO Frysk. Kêst 2 1. It KO Frysk hat as taak om oan de Minister fan Ynlânske Saken en Keninkryksrelaasjes te rapportearjen oer it ferlet en de winsken oangeande de Fryske taal en kultuer yn gearhing mei it Europeesk Hânfest foar regionale talen of talen fan minderheden en mei it Ramtferdrach oangeande it beskermjen fan nasjonale minderheden. 2. It KO Frysk hat fierders as taak om oan de Minister fan Ynlânske Saken en Keninkryksrelaasjes advys út te bringen oer de útfiering fan de Bestjoersôfspraak Fryske taal en kultuer 2001 en fan de útfieringskonvenanten; soks yn gearhing mei it Europeesk Hânfest en it Ramtferdrach dêr’t yn it earste lid op doeld wurdt. Kêst 3 1. It KO Frysk bestiet út fiif leden, dêrûnder in foarsitter en in vice-foarsitter. 2. De foarsitter, vice-foarsitter en oare leden fan it KO Frysk wurde, op foardracht fan dit orgaan, troch de Minister fan Ynlânske Saken en Keninkryksrelaasjes beneamd foar in tiidrek fan op syn heechsten fjouwer jier. 3. By it beneamen fan de foarsitter en de vice-foarsitter en by it beneamen fan de oare leden fan it KO Frysk wurdt rekken hâlden mei itjinge dat bepaald is yn [kêst 12, tredde lid, fan de Ramtwet advyskolleezjes](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=12). 4. It KO Frysk kin waarnimmers talitte. Kêst 4 1. Foar syn wurksumheden kriget de foarsitter fan it KO Frysk in fergoeding fan € 220,- de gearkomste. 2. Foar harren wurksumheden krije de leden fan it KO Frysk dy’t dêrfoar yn ’e beneaming komme"},{"i":8283,"b":"Aanhangsel XII (herzien): Internationale Maritieme Organisatie bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties 1 De in artikel VI, paragraaf 21, van de standaardbepalingen genoemde voorrechten, immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten worden aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie, aan de plaatsvervangend Secretaris-Generaal en aan de Secretaris van de Maritieme Veiligheidscommissie toegekend, mits de bepalingen van dit lid van een Lid op welks grondgebied de Organisatie haar Hoofdkwartier heeft niet eisen dat het artikel VI, paragraaf 21, van de standaardbepalingen toepast op personen die de nationaliteit van dat Lid bezitten. 2 (a). Deskundigen (behalve de functionarissen vallend onder artikel VI) die zitting hebben in commissies van, of zendingen vervullen voor, de Organisatie worden de volgende voorrechten en immuniteiten toegekend voor zover deze noodzakelijk zijn voor een doeltreffende uitoefening van hun functies, met inbegrip van de tijd gebruikt voor reizen in verband met de uitoefening van hun functies in die commissies of het vervullen van die zendingen: - (i). immuniteit van persoonlijke arrestatie of van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage; - (ii). met betrekking tot door hen in de uitoefening van hun officiële functies gesproken of geschreven woorden of door hen verrichte handelingen, vrijstelling van elke vorm van rechtsvervolging; deze immuniteit blijft toegekend ook wanneer de betrokken personen niet langer hun functies in de commissies van de Organisatie uitoefenen of zendingen vervullen voor de Organisatie; - (iii). dezelfde faciliteiten met betrekking tot beperking nopens geld of het wisselen van geld en met betrekking tot hun persoonlijke bagage als worden toegestaan aan functionarissen van vreemde regeringen die met een tijdelijke officiële zending zijn belast; - (iv). onschendbaarheid van alle papieren en stukken betrekking hebbende op het werk waarmede zij voor de Organisatie bezig z"},{"i":8284,"b":"Aanhangsel XII (tweede herziening): Internationale Maritieme Organisatie bij het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties 1 De in artikel VI, paragraaf 21, van de standaardbepalingen genoemde voorrechten, immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten worden aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie, aan de plaatsvervangend Secretaris-Generaal, aan de Secretaris van de Maritieme Veiligheidscommissie en aan de Directeuren van de Afdeling Administratie, de Afdeling Technische Samenwerking, de Afdeling Juridische Zaken en Externe Betrekkingen, de Afdeling Conferentie en de Afdeling Mariene Milieu toegekend, mits de bepalingen van dit lid van een Lid op het grondgebied waarvan de Organisatie haar Hoofdkwartier heeft niet eisen dat het artikel VI, paragraaf 21, van de standaardbepalingen toepast op personen die de nationaliteit van dat Lid bezitten. Indien de Organisatie op enig moment de benaming van de functie van een Directeur verandert, behoudt de persoon die op dat moment de functie bekleedt de in dit lid genoemde voorrechten, immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten. 2 a). Deskundigen (behalve functionarissen vallend onder artikel VI) die zitting hebben in commissies van, of zendingen vervullen voor, de Organisatie worden de volgende voorrechten en immuniteiten toegekend voor zover deze noodzakelijk zijn voor een doeltreffende uitoefening van hun functies, met inbegrip van de tijd gebruikt voor reizen in verband met de uitoefening van hun functies in die commissies of het vervullen van die zendingen: - i. immuniteit van persoonlijke arrestatie of van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage; - ii. met betrekking tot door hen bij de uitoefening van hun officiële functies gesproken of geschreven woorden of door hen verrichte handelingen, vrijstelling van elke vorm van rechtsvervolging; deze immuniteit blijft toegekend ook wanneer de betrokken personen niet langer hun functies in de commissie van de Organisatie uitoefe"},{"i":2773,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2009 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2009, doch niet later dan 15 april 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,718 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2009 en eindigende met 15 april 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":8290,"b":"Aanvullend Protocol bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op het [Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117), ondertekend te Brussel op 31 maart 1965, Verlangende aan het Benelux-Gerechtshof bevoegdheid te verlenen opdat de gelijkheid zal worden verzekerd bij de toepassing van de [Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen](onbekend), de [Gemeenschappelijke bepalingen behorende bij deze Overeenkomst](onbekend) en het [Protocol van Ondertekening](onbekend), ondertekend te Luxemburg op 24 mei 1966, Hebben besloten hiertoe een Aanvullend Protocol bij genoemde [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004166) te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 1. Als gemeenschappelijke rechtsregels voor de toepassing van de [Hoofdstukken III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&hoofdstuk=III), [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&hoofdstuk=IV) en [V van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&hoofdstuk=V) worden aangewezen de bepalingen van de [Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen](onbekend), van de [Bijlage bij die Overeenkomst](onbekend) en van het [Protocol van Ondertekening](onbekend), voor zover, wat betreft de bepalingen van de Bijlage, de inhoud daarvan is opgenomen in de wetgeving van de Staat, waarin de vraag van uitleg is gerezen. 2. Indien een der landen heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot afwijking van een van de [Gemeenschappelijke bepalingen behorende bij de Overeenkomst](onbekend), kan het Comité v"},{"i":8291,"b":"Aanvullend Protocol bij de Europaovereenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Roemenië, anderzijds, in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, Ierland, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, De Republiek Hongarije, De Republiek Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „de lidstaten\" genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese gemeenschap, en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „de Gemeenschap\" genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie en door de Commissie, enerzijds, en Roemenië, anderzijds, Gelet op de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie, en daarmee tot de Gemeenschap, op 1 mei 2004; Gelet op de Europaovereenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten,"},{"i":8292,"b":"Aanvullend Protocol bij de Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Aanvullend Protocol bij de [Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004011) (hierna te noemen „de Kaderovereenkomst”) hebben ondertekend, Het belang bevestigend van grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten in grensgebieden; Vastbesloten verdergaande maatregelen te treffen om de samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten te waarborgen; Geleid door de wens grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten in grensgebieden te vergemakkelijken en te ontwikkelen; Zich bewust zijnde van de noodzaak de [Kaderovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004011) aan de huidige situatie in Europa aan te passen; Overwegende dat het opportuun is de [Kaderovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004011) aan te vullen met het oog op intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten; Gelet op het [Europees Handvest inzake de lokale autonomie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002625); Indachtig de Verklaring inzake grensoverschrijdende samenwerking in Europa afgelegd door het Comité van Ministers ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de Raad van Europa waarin, onder meer, werd gepleit voor voortdurende maatregelen om geleidelijk obstakels in welke vorm dan ook – bestuurlijke, juridische, politieke of psychologische – die de ontwikkeling van grensoverschrijdende projecten in de weg staan, te verwijderen, Zijn de volgende aanvullende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 1. Elke Overeenkomstsluitende Partij erkent en eerbiedigt het recht van territoriale gemeenschappen of autoriteiten bin"},{"i":8294,"b":"Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer De Lid-Staten van de Raad van Europa, welke dit Aanvullend Protocol hebben ondertekend, Gelet op de [Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004567), hierna te noemen de „Overeenkomst”, welke te Parijs op 13 december 1968 werd opengesteld voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa en welke gemeenschappelijke bepalingen bevat om dieren tijdens hun vervoer van lijden te vrijwaren; Overwegend dat met het oog op de bevoegdheden die zij bezit op het door de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004567) bestreken gebied, de Europese Economische Gemeenschap Overeenkomstsluitende Partij bij deze akte dient te kunnen worden, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Wijzigt de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer; Parijs, 13 december 1968. Artikel 2 Wijzigt de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer; Parijs, 13 december 1968. Artikel 3 Wijzigt de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer; Parijs, 13 december 1968. Artikel 4 1. Dit Aanvullend Protocol staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa die de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004567) hebben ondertekend en die overeenkomstsluitende Partij bij het Aanvullend Protocol kunnen worden door: - a. ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, of - b. ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. 2. Staten die tot de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004567) zijn toegetreden kunnen eveneens tot dit Aanvullend Protocol toetreden. 3. Akten van bekrachtiging, aanvaarding,"},{"i":8297,"b":"Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend, Gelet op de bepalingen van de [Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004561), welke Overeenkomst voor ondertekening is opengesteld te Londen op 7 juni 1968 (hierna te noemen „de Overeenkomst”); Overwegende dat het wenselijk is om het door deze Overeenkomst ingevoerde stelsel van onderlinge hulp in internationaal verband uit te breiden tot het gebied van het strafrecht en de strafvordering, en wel binnen een multilateraal kader waartoe alle Partijen bij die [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004561) kunnen toetreden; Overwegende dat, ten einde de hindernissen van economische aard die de toegang tot de rechter belemmeren, weg te nemen en de economisch zwakken in staat te stellen hun rechten in de Lid-Staten beter te doen gelden, het tevens wenselijk is om het door de Overeenkomst ingevoerde stelsel uit te breiden tot het gebied van rechtshulp en rechtsbijstand in burgerlijke zaken en in handelszaken; Overwegende dat in [artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004561&artikel=1) is bepaald dat twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen kunnen overeenkomen in hun onderlinge betrekkingen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst uit te breiden tot andere gebieden dan die welke in de Overeenkomst worden genoemd; Overwegende dat in [artikel 3, derde lid, van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004561&artikel=3) is bepaald dat twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen kunnen overeenkomen in hun onderlinge betrekkingen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst uit te breiden tot verzoeken die uitgaan van andere dan rechterlijke autoriteiten, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I Artikel 1 De Overeenkomstslui"},{"i":8299,"b":"Aanvullend protocol bij de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Unie, hierna de „Europese Unie” of de „EU” genoemd, enerzijds, en de Republiek Colombia, hierna „Colombia” genoemd, en de Republiek Peru, hierna „Peru” genoemd, hierna gezamenlijk „de overeenkomstsluitende Andeslanden” genoemd, anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, Overwegende dat de [handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005911), hierna „de Overeenkomst” genoemd, op 26 juni 2012 te Brussel is ondertekend en dat een aantal van haar bepalingen voorlopig zijn toegepast op grond van [artikel 330](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005911&artikel=330) ervan, tussen de Europese Unie en Peru sinds 1 maart 2013 en tussen de Europese Unie en Col"},{"i":8300,"b":"Aanvullend Protocol bij de Herziene Rijnvaartakte ondertekend te Mannheim op 17 oktober 1868 De Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat, Overwegende: dat bepaalde moeilijkheden zijn gerezen met betrekking tot de toepassing en de uitlegging van enkele artikelen van de [Herziene Rijnvaartakte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363) van 17 oktober 1868, zoals deze op 20 november 1963 is gewijzigd (hierna te noemen „de Akte”) dat het op 18 september 1895 te Mannheim ondertekende Aanvullend Protocol bij de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868 niet meer volledig rekening houdt met de ontwikkeling van het stelsel van sancties in de onderscheiden Verdragsluitende Staten en dat het bijgevolg dient te worden aangepast aan de nieuwe omstandigheden, met name door het daarbij mogelijk te maken om door tussenkomst van de administratieve autoriteiten sancties op te leggen terzake van overtredingen van de in gemeen overleg uitgevaardigde politievoorschriften voor de scheepvaart, zijn als volgt overeengekomen: Artikel I 1. Elke Verdragsluitende Staat draagt er zorg voor dat de sancties terzake van de in [artikel 32 van de Akte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363&artikel=32) bedoelde overtredingen worden opgelegd: - a). hetzij middels de in de [artikelen 32 tot en met 40 van de Akte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363&artikel=32) voorziene procedure; - b). hetzij middels een bijzondere gerechtelijke procedure of een passende administratieve procedure. 2. De Verdragsluitende Staat die gebruik maakt van de in het eerste lid onder b bedoelde mogelijkheden dient erin te voorzien: - a). dat bevoegd is de autoriteit binnen wier rechtsgebied de overtreding is gepleegd; - b). dat de beslissingen tot afdoening slechts boeten inhouden binnen de in [artikel 32 van de Akte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":8301,"b":"Aanvullend protocol bij de Kaderovereenkomst inzake een partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Mongolië, anderzijds om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de lidstaten” genoemd, en de Europese Unie, enerzijds, en de regering van Mongolië, hierna „Mongolië” genoemd, anderzijds, voor de toepassing van dit protocol hierna „de partijen” genoemd, Gezien de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie op 1 juli 2013, Overwegende dat de [kaderovereenkomst inzake een partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Mongolië, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006217), hierna „de overeenkomst” genoemd, op 30 april 2013 in Ulaanbaatar is ondertekend, Overwegende dat het [Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005638), hierna „het Toetredingsverdrag” genoemd, op 9 december 2011 in Brussel is ondertekend, Overwegende dat overeenkomstig [artikel 6,"},{"i":8305,"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Hongarije, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland, hierna „lidstaten van de Europese Gemeenschap\" genoemd, de Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap\" genoemd, de Verenigde Mexicaanse Staten, hierna „Mexico\" genoemd, en de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, hierna „de nieuwe lidstaten\" te noemen, Overwegende dat de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, hierna „de Overeenkomst\" te noemen, op 8 december 1997 te Brussel is ondertekend en op 1 oktober 2000 in werking is getreden; Overwegende dat het Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie (hierna het „Toetreding"},{"i":8306,"b":"Aanvullend protocol bij de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, hierna „Zuid-Afrika” genoemd, anderzijds, hierna gezamenlijk „de overeenkomstsluitende partijen” genoemd, Overwegende dat de [Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001476) (hierna de „Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking” genoemd), op 11 oktober 1999 te Pretoria is ondertekend en op 1 mei 2004 in werking is getreden, Overwegende dat het [Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005638) op 9 decemb"},{"i":8307,"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, anderzijds, in verband met de toetreding van de Helleense Republiek tot de Gemeenschap Het Koninkrijk België, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Franse Republiek, Ierland, De Italiaanse Republiek, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, en de Helleense Republiek die toetreedt tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, anderzijds, Gezien de toetreding, op 1 januari 1981, van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschappen, Gelet op de op 14 mei 1973 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Koninkrijk Noorwegen, hierna te noemen „de Overeenkomst”, Hebben besloten om in gemeenschappelijk overleg de aanpassingen en overgangsmaatregelen met betrekking tot de Overeenkomst in verband met de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vast te stellen en dit Protocol te sluiten: Artikel 1 De Helleense Republiek treedt hierbij toe tot de Overeenkomst. TITEL I. Aanpassingen Artikel 2 Van de Overeenkomst en de slotakte met de daaraan gehechte verklaringen wordt een tekst in de Griekse taal opgesteld, die evenzeer authentiek is als de oorspronkelijke teksten. Het Gemengd Comité keurt de Griekse tekst goed. TITEL II. Overgangsmaatregelen Artikel 3 Voor de onder de Overeenkomst vallende produkten schaft de Helleense Republiek ten opzichte van Noorwegen, en Noorwegen ten opzichte van de Helleense Republiek de invoerrechten geleidelijk af volgens het onderstaande tijdschema: - -. op 1 januari 1981 wordt elk recht ver"},{"i":8308,"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje en het Koninkrijk Zweden, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens Preambule Overwegende dat de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, lerland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje en het Koninkrijk Zweden (hierna „de staten\" genoemd) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna „de Gemeenschap\" genoemd) partij zijn bij een overeenkomst tussen de staten, de Gemeenschap en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (hierna „de organisatie\" genoemd) ter uitvoering van [artikel III, de leden 1 en 4, van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004367&artikel=III) (hierna de „veiligheidscontroleovereenkomst\" genoemd), die op 21 februari 1977 in werking is getreden; Zich bewust van de wens van de internationale gemeenschap om de nucleaire non-proliferatie verder uit te breiden door de doelmatigheid en efficiency van het veiligheidscontrolesysteem van de organisatie te verbeteren; Eraan herinnerende dat de organisatie bij de tenuitvoerlegging van de veiligheidscontrole rekening moet houden met de noodzaak om: te vermijden dat de economische en technologische ontwikkeling van de Gemeenschap of de internationale samenwerking op het gebied van vreedzame nucleaire activiteiten worden belemmerd; de vigerende bepalingen inz"},{"i":8309,"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (het IAEA) inzake de toepassing van waarborgen met betrekking tot de Nederlandse Antillen in verband met het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en Aanvullend Protocol I bij het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika WHEREAS the Kingdom of the Netherlands, in respect of its Caribbean parts, (hereinafter referred to as “the Kingdom of the Netherlands”) and the International Atomic Energy Agency (hereinafter referred to as the “Agency”) are parties to an Agreement for the Application of Safeguards with respect to the Netherlands Antilles in Connection with the [Treaty on the Non-Proliferation of Nuclear Weapons](onbekend) and [Additional Protocol I to the Treaty for the Prohibition of Nuclear Weapons in Latin America](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003623) (hereinafter referred to as the “Safeguards Agreement”), which entered into force on 5 June 1975; AWARE OF the desire of the international community to further enhance nuclear non-proliferation by strengthening the effectiveness and improving the efficiency of the Agency's safeguards system; RECALLING that the Agency must take into account in the implementation of safeguards the need to: avoid hampering the economic and technological development of the Kingdom of the Netherlands or international co-operation in the field of peaceful nuclear activities; respect health, safety, physical protection and other security provisions in force and the rights of individuals; and take every precaution to protect commercial, technological and industrial secrets as well as other confidential information coming to its knowledge; WHEREAS the frequency and intensity of activities described in this Protocol shall be kept to the minimum consistent with the objective of strengthening the effectiveness and improving the efficiency of Agency safeguards; NOW THEREFORE the K"},{"i":8310,"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije naar aanleiding van de uitbreiding van de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Turkije, hierna „Turkije” genoemd, anderzijds, Overwegende hetgeen volgt: De Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (hierna „overeenkomst van Ankara” genoemd)1)PB 217 van 29.12.1964, blz. 3687. is op 12 september 1963 te Ankara ondertekend en op 1 december 1964 in werking getreden; deze overeenkomst is gewijzigd bij een op 30 juni 1973 ondertekend complementair protocol1)PB L 361 van 31.12.1977, blz. 2. waarbij de overeenkomst van toepassing wordt op Denemarken, Ierland en het verenigd Koninkrijk; De overeenkomst van Ankara is, zoals gewijzigd, van toepassing geworden op de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden na de toetreding van deze landen tot de Europese Gemeenschap; De overeenkomst van Ankara is van toepassing op Turkije en alle lidstaten van de Europese Unie, zoals die is uitgebreid bij het Verdrag betre"},{"i":15502,"b":"Vervangingsbesluit BIG archief 1995–2007 CIBG Gelet op: [Artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). [Artikel 6 eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6). [Artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b). Besluit: Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op papier die behoren tot het BIG archief (beroepen in de individuele gezondheidszorg) van het CIBG. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Deze vervanging betreft alle papieren archiefbescheiden die betrekking hebben op de BIG registraties in de periode 1995–2007 zoals beschreven in de [selectielijst van het CIBG en de Stichting Donorgegevens kunstmatige bevruchting 1995–](onbekend) . Artikel 2 De digitale reproductie geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in het Handboek Digitale Vervanging BIG 1995–2007. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit BIG archief 1995–2007 CIBG. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van het Handboek Digitale Vervanging BIG archief 1995–2007. Het handboek ligt ter inzage bij het CIBG."},{"i":8311,"b":"Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, betreffende de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I) PREAMBULE De Hoge Verdragsluitende Partijen, Hun ernstig verlangen uitsprekende, vrede tussen de volkeren te zien heersen, In herinnering brengende, dat iedere Staat, overeenkomstig het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), de plicht heeft zich in zijn internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld, gericht tegen de soevereiniteit, de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van een Staat, dan wel plaatsvindend op enige andere wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties, Van oordeel, dat het niettemin noodzakelijk is, de bepalingen ter bescherming van de slachtoffers van gewapende conflicten opnieuw te bevestigen en uit te breiden, en maatregelen toe te voegen met het oog op een strengere toepassing daarvan, Hun overtuiging uitsprekende, dat geen enkele bepaling van dit Protocol of van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 kan worden uitgelegd als rechtvaardiging van of machtiging tot enige daad van agressie of van enig ander gebruik van geweld, onverenigbaar met het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), Voorts opnieuw bevestigende, dat de bepalingen van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en van dit Protocol ten volle dienen te worden toegepast in alle omstandigheden op alle personen die door deze akten worden beschermd, zonder enig nadelig onderscheid gebaseerd op de aard of de oorsprong van het gewapende conflict of op de motieven van of toegeschreven aan de partijen bij het conflict, Zijn het volgende overeengekomen: DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Algemene beginselen en toepassingsgebied 1. De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, dit Protocol onder alle omstandigheden te eerbiedigen en te"},{"i":8312,"b":"Aanvullend Protocol bij de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) , hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, en de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek Korea, hierna „Korea” genoemd, anderzijds, hierna „de partijen” genoemd, Overwegende dat de [vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005188) (hierna „de overeenkomst” genoemd), op 6 oktober 2010 te Brussel is ondertekend en sinds 1 juli 2011 voorlopig wordt toegepast. Overwegende dat het [Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië (hierna „Kroatië” genoemd) tot de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005638) (hierna het „Toetredingsverdrag” genoemd) op 9 december 2011 te Brussel is ondertekend en op 1 juli 2013 in werking is getreden, Zijn het volgende overeengekomen: AFDELING I. DE PARTIJEN Artikel 1 Kroatië wordt een partij bij de [overeenkomst](https://wetten.over"},{"i":2749,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2004, augustus 2004, september 2004 en oktober 2004 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maanden juli 2004, augustus 2004, september 2004 en oktober 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, respectievelijk 4,625, 4,50, 4,50 en 4, 375 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op: - a. 16 juli 2004, doch niet later dan 15 augustus 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,771 procent; - b. 16 augustus 2004, doch niet later dan 15 september 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,720 procent; - c. 16 september 2004, d"},{"i":8316,"b":"Aanvullend Protocol bij het Europees Sociaal Handvest De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend, Vastbesloten nieuwe maatregelen te nemen om de bescherming van de sociale en economische rechten, zoals die is gewaarborgd door het [Europees Sociaal Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021) dat op 18 oktober 1961 te Turijn voor ondertekening is opengesteld (hierna te noemen „het Handvest”), uit te breiden, Zijn als volgt overeengekomen: DEEL I DEEL II Artikel 1. Recht op gelijke kansen en gelijke behandeling ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening zonder discriminatie naar geslacht 1. Ten einde de doeltreffende uitoefening te waarborgen van het recht op gelijke kansen en gelijke behandeling ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening zonder discriminatie naar geslacht verbinden de Partijen zich ertoe dat recht te erkennen en passende maatregelen te nemen om de toepassing ervan op de volgende gebieden te waarborgen of te bevorderen: - -. toegang tot de arbeidsmarkt, bescherming tegen ontslag, beroepsmatige herintreding; - -. beroepsvoorlichting en -opleiding, herscholing en heraanpassing; - -. arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden, met inbegrip van salariëring; - -. loopbaanontwikkeling, met inbegrip van promotie. 2. De bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name wat betreft de zwangerschap, de bevalling en de postnatale periode, worden niet beschouwd als discriminatie in de zin van het eerste lid van dit artikel. 3. Het eerste lid van dit artikel vormt geen beletsel voor het nemen van specifieke maatregelen om feitelijke ongelijkheden uit de weg te ruimen. 4. Beroepsactiviteiten die vanwege hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden verricht, slechts kunnen worden toevertrouwd aan personen van een bepaald geslacht, kunnen worden uitgesloten van de werkingssfeer van dit artikel of van bepaalde bepalingen ervan. Artikel 2. Recht op informatie en overleg 1. Ten einde de doel"},{"i":8317,"b":"Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend, Verlangende de toepassing van het [Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001009), opengesteld voor ondertekening te Straatsburg op 20 april 1959 (hierna te noemen „het Verdrag”) te vergemakkelijken op het gebied van fiscale delicten; Overwegende dat het eveneens wenselijk is bedoeld [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001009) ook in bepaalde andere opzichten aan te vullen, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I Artikel 1 Het recht bedoeld in [artikel 2, letter a, van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001009&artikel=2) om rechtshulp te weigeren, wordt door de Verdragsluitende Partijen niet uitgeoefend louter omdat het verzoek betrekking heeft op een strafbaar feit dat door de aangezochte Partij als een fiscaal delict wordt beschouwd. Artikel 2 1. Indien een Verdragsluitende Partij zich het recht heeft voorbehouden de uitvoering van rogatoire commissies strekkende tot huiszoeking of inbeslagneming afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat het delict dat tot de rogatoire commissie aanleiding geeft, zowel volgens de wetgeving van de verzoekende Partij als volgens die van de aangezochte Partij een strafbaar feit is, dan is, wat de fiscale delicten betreft, aan deze voorwaarde voldaan indien het feit strafbaar is volgens de wetgeving van de verzoekende Partij en overeenkomt met een strafbaar feit van dezelfde aard volgens de wetgeving van de aangezochte Partij. 2. Het verzoek mag niet worden afgewezen op grond van het feit dat naar de wetgeving van de aangezochte Partij niet dezelfde soort retributies of belastingen worden geheven, of die wetgeving niet dezelfde soort regeling op het gebied van retributies, belastingen, douane en deviezen bevat als de wetgeving van de verzoekende Partij. HOOFDST"},{"i":8321,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) inzake de digitale vrachtbrief De Partijen bij dit Protocol, Partij zijnde bij het [Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005177) (CMR), gedaan te Genève op 19 mei 1956, Geleid door de wens het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005177) aan te vullen teneinde het facultatief opstellen van de digitale vrachtbrief met behulp van procedures gebruikt voor het digitaal vastleggen en verwerken van gegevens te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Protocol, wordt verstaan onder „[Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005177)” het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR); wordt verstaan onder „digitale communicatie”, informatie gegenereerd, verzonden, ontvangen of opgeslagen met elektronische, optische, digitale of soortgelijke middelen waardoor de doorgegeven informatie toegankelijk is voor latere inzage; wordt verstaan onder „digitale vrachtbrief” een vrachtbrief met behulp van digitale communicatie afgegeven door de vervoerder, afzender of een andere partij die betrokken is bij de uitvoering van een vervoersovereenkomst waarop het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005177) van toepassing is, met inbegrip van gegevens die logisch verband houden met digitale communicatie in de vorm van bijlagen of op andere wijze gelijktijdig met of na de afgifte aan de digitale communicatie gekoppelde gegevens die daardoor deel uitmaken van de digitale vrachtbrief; wordt verstaan onder „digitale ondertekening” gegevens in digitale vorm die gekoppeld worden aan of logisch verband houden met andere digitale gegevens en fungeren als een methode om authenticiteit vast te stellen. Artikel 2. Reikwijdte en gevolg van"},{"i":8324,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben ARTIKEL 1. : AANVULLEND PROTOCOL Het protocol met de onderstaande tekst wordt als Protocol IV gehecht aan het [Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003694) („het Verdrag”): Artikel 1 Het is verboden laserwapens te gebruiken die speciaal zodanig zijn ontworpen dat hun enige gevechtsfunctie of een van hun gevechtsfuncties is het veroorzaken van blijvende blindheid bij onverhoogd gezichtsvermogen, dat wil zeggen het blote oog of een oog met corrigerende lenzen. De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen dergelijke wapens aan geen enkele Staat of een entiteit, niet zijnde een Staat, overdragen. Artikel 2 Bij het gebruik van lasersystemen treffen de Hoge Verdragsluitende Partijen alle uitvoerbare voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van blijvende blindheid bij onverhoogd gezichtsvermogen. Tot deze voorzorgsmaatregelen behoren de instructie van hun strijdkrachten en andere praktische maatregelen. Artikel 3 Onder het in dit Protocol bedoelde verbod valt niet het blind maken als een toevallig of bijkomend effect van het legitieme militaire gebruik van lasersystemen, met inbegrip van lasersystemen die worden gebruikt tegen optische apparatuur. Artikel 4 Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder ,blijvende blindheid’: onherroepelijk en onherstelbaar gezichtsverlies dat ernstig invaliderend is zonder enig uitzicht op genezing. Ernstige invaliditeit staat gelijk aan een gezichtsscherpte van minder dan 20/200, gemeten bij beide ogen met behulp van de test van Snellen.” ARTIKEL 2. : INWERKINGTREDING Dit Protocol treedt in werking zoals voorzien in [ar"},{"i":8325,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag nopens de oprichting van de “Eurofima”, Europese Maatschappij tot financiering van spoorwegmaterieel De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, Zweden en de Federale Volksrepubliek Zuidslavië, enerzijds, en de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, die het [Verdrag nopens de oprichting van de Europese Maatschappij tot financiering van spoorwegmaterieel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005045) (hierna te noemen „het Verdrag”) hebben ondertekend, gelet op [artikel 7, lid c), van genoemd Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005045&artikel=7); vaststellende, dat de Statuten van de Europese Maatschappij tot financiering van spoorwegmaterieel (hierna te noemen „de Maatschappij”), welke gevoegd zijn bij het Verdrag, bepalen, dat de Maatschappij te Bazel (Zwitserland) zal worden gevestigd; vaststellende, dat de Regering van Zwitserland bereid is met het oog op de oprichting en de werkzaamheid van de Maatschappij bijzondere voordelen op belastinggebied toe te kennen; zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Maatschappij zal in Zwitserland, zolang zij aldaar zal zijn gevestigd, de volgende belastingvrijstellingen genieten, onverminderd de bepalingen van [artikel 7, leden a) en b), van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005045&artikel=7): - 1°. Vrijstelling van zegelrecht bij de uitgifte van aandelen van de Maatschappij. - 2°. Vrijstelling van de nationale verdedigingsbelasting op de inkomsten en op het kapitaal en de reserves, en van iedere toekomstige directe federale belasting, die daarvoor in de plaats treedt. - 3°. De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. - 4°. Niet-inning van de voorheffing op dividenden, welke de Maatschappij zal uitk"},{"i":8327,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Partijen bij het [Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004604) (CETS nr.196) die dit Protocol hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Geleid door de wens tot versterking van de inspanningen om terrorisme in al zijn vormen te voorkomen en te bestrijden, zowel in Europa als in de rest van de wereld, waarbij de mensenrechten en de rechtsstaat worden geëerbiedigd; Herinnerend aan de mensenrechten en fundamentele vrijheden die met name zijn vastgelegd in het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000) en de fundamentele vrijheden (ETS nr. 5) en de protocollen daarbij alsmede in het [Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001017); Hun ernstige bezorgdheid uitsprekend over de dreiging die uitgaat van personen die naar het buitenland reizen met het oogmerk terroristische misdrijven te plegen, hieraan bij te dragen of hieraan deel te nemen, of training voor terrorisme te geven of te krijgen op het grondgebied van een andere Staat; Gelet in dit verband op resolutie 2178 (2014) aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tijdens zijn 7272e bijeenkomst op 24 september 2014, en met name de paragrafen 4 tot en met 6 daarvan; Overwegend dat het wenselijk is het [Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004604) in bepaalde opzichten aan te vullen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. – Doelstelling Dit Protocol heeft ten doel de bepalingen van het [Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004604), voor ondertek"},{"i":8328,"b":"Aanvullend Protocol I bij het Verdrag tot verbod van kernwapens in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied De ondertekenende gevolmachtigden, door hun onderscheiden Regeringen daartoe volledig gemachtigd, Ervan overtuigd dat het Verdrag tot het verbod van kernwapens in Latijns-Amerika dat, overeenkomstig de aanbevelingen van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, vervat in Resolutie 1911 (XVIII) van 27 november 1963, is gesloten en ondertekend, een belangrijke stap betekent ter verzekering van de niet-verpreiding van kernwapens, Zich ervan bewust dat de niet-verspreiding van kernwapens geen doel op zichzelf is, doch veeleer een middel ter verwezenlijking van algemene en volledige ontwapening in een later stadium, en Verlangend, voor zover in hun vermogen ligt, ertoe bij te dragen dat een einde wordt gemaakt aan de bewapeningswedloop, in het bijzonder op het gebied van de kernwapens, en dat de vrede in de wereld, gegrondvest op wederzijdse eerbied en op de soevereine gelijkheid van de Staten, wordt versterkt, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Op zich te nemen het statuut van denuclearisatie ten aanzien van oorlogsdoeleinden zoals omschreven in de artikelen 1, 3, 5 en 13 van het Verdrag tot het verbod van kernwapens in Latijns-Amerika toe te passen op de grondgebieden waarvoor zij de jure of de facto internationale verantwoordelijkheid dragen en die liggen binnen de grenzen van het in dat Verdrag vastgestelde geografische gebied. Artikel 2 De looptijd van dit Protocol is gelijk aan die van het Verdrag tot het verbod van kernwapens in Latijns-Amerika, waarvan dit Protocol een bijlage is, en de in het Verdrag vervatte bepalingen betreffende bekrachtiging en opzegging zijn erop van toepassing. Artikel 3 Dit Protocol treedt in werking voor de Staten die het hebben bekrachtigd op de datum van nederlegging van hun onderscheiden akten van bekrachtiging. IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries, having deposited their full powers, found in good a"},{"i":8340,"b":"Aanvullende Overeenkomst bij het op 8 april 1960 voor het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland ondertekende Verdrag tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag) Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland geleid door de wens de ontginning van de bodemschatten in de ondergrond van de Eemsmonding te bevorderen en met de bedoeling daarbij samen te werken in de geest van artikel 48 van het Eems-Dollardverdrag, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 In deze Overeenkomst betekent: „grensgebied” het in de bij deze Overeenkomst gevoegde kaart gearceerd aangegeven gebied met zijn ondergrond; „lijn” de lijn die het grensgebied in de lengterichting verdeelt en die op bijgaande kaart met groen is aangegeven; „bodemschatten” alle vaste, vloeibare of gasvormige stoffen in de ondergrond voor de winning waarvan volgens het mijnrecht van een van beide Overeenkomstsluitende Partijen een ontginningsrecht is vereist; „gerechtigde” een persoon die een recht tot opsporing of winning van bodemschatten (hierna te noemen „recht”) heeft. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen zullen bij alle vraagstukken die zich in verband met de opsporing en winning van in de ondergrond van de Eemsmonding voorkomende bodemschatten mochten voordoen en waarbij wederzijdse belangen zijn betrokken in een geest van goede nabuurschap samenwerken. Artikel 3 De artikelen 4 tot en met 10 van deze Overeenkomst hebben betrekking op de in het grensgebied vóór het begin van de winning aanwezige aardolie- en aardgasvoorkomens en andere stoffen die gelijktijdig bij de winning worden verkregen. De Overeenkomstsluitende Partijen zullen in een afzonderlijke overeenkomst de overeenkomstige toepassing van deze bepalingen op andere bodemschatten in het grensgebied regelen, indien een van hen verklaart dat zulks noodzakelijk is. Artikel 4 (1). In het grensgebied vindt, onverminderd het Eems-Dollardverdrag, met betrekking tot - a). de opsporing en winni"},{"i":8344,"b":"Aanwijzing ambtenaren Uitvoeringswet verdrag biologische wapens Gelet op [artikel 1, tweede lid, Uitvoeringswet verdrag biologische wapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003385&artikel=1) (Stb. 1981, 187); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht als bedoeld in artikel 1, tweede lid van de wet, worden aangewezen: - 1. de ambtenaren van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; - 2. de ambtenaren van de Plantenziektenkundige Dienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; - 3. de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in de Staatscourant."},{"i":5792,"b":"Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger 2002 Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3) en [4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=4), Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De minister stelt een programma vast, waarin het beleidsvoornemen ten aanzien van de ondersteuning van stiller, schoner en zuiniger verkeer en vervoer in het stedelijk gebied is neergelegd voor de periode van een aantal kalenderjaren. 2. De minister stelt voor ieder kalenderjaar een actieplan vast waarin de doelstellingen van het programma, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar concreet worden uitgewerkt. 3. Het programma, bedoeld in het eerste lid, en het actieplan, bedoeld in het tweede lid, worden direct na vaststelling door terinzagelegging in de bibliotheek van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat bekend gemaakt. De minister doet daarvan mededeling in de Staatscourant. 4. De minister maakt voor aanvang van ieder kalenderjaar in de Staatscourant bekend: - a. de termijn waarbinnen in het kader van de onderscheiden programma's aanvragen kunnen worden ingediend; - b. het voor dat kalenderjaar vastgesteld subsidieplafond waarbij voor de verdeling wordt verwezen naar artikel 8, tweede lid; - c. de programmabeheerder van ieder programma. Artikel 3 Op een overeenkomstig deze regeling ingediende aanvraag wordt slechts subsidie verstrekt indien het project: - a. betrekking heeft op verkeer- of vervoertechnieken, die geheel of op enig wezenlijk onderdeel nieuw zijn voor Nederland en waarvan de toepassing tot een vermindering van de belasting van het milieu in het stedelijk gebied leidt; - b. past binnen het actieplan, dan wel in voldoende mate bijdraagt aan de doelstellingen daarvan, en - c. binnen vier jaar, te rekenen vanaf het moment van verlening van de subsidie, in Nederland wordt uitgevoerd en afgerond. Artikel 4 1. De"},{"i":7914,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 12 december 2012, kenmerk: FM/2012/1887 M, houdende de inkomenscriteria voor het verstrekken van hypothecair krediet en regels voor het vaststellen van de maximale hoogte van het hypothecair krediet in verhouding tot de waarde van de woning (Tijdelijke regeling hypothecair krediet) De Minister van Financiën, Gelet op [artikel 115, derde lid, van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=115); Besluit: § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **het besluit:** het [Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421); - b. **energiebesparende voorzieningen:** gevelisolatie, dakisolatie, vloerisolatie, leidingisolatie, hoog rendement beglazing (ten minste HR ++), energiezuinige deuren, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen indien deze voorzieningen worden getroffen in combinatie met hoog rendement beglazing (ten minste HR ++), douche-warmteterugwinningsysteem, energiezuinig ventilatiesysteem indien deze voorziening wordt getroffen in combinatie met andere energiebesparende voorzieningen, warmtepompen, zonnecellen of een combinatie van de genoemde voorzieningen; - c. **toetsinkomen:** het inkomen waarvan een aanbieder van hypothecair krediet uitgaat bij het bepalen van het maximale hypothecair krediet. § 2. Vaststelling inkomenscriteria Artikel 2 1. Een aanbieder houdt bij het vaststellen van het toetsinkomen rekening met de huidige vaste en bestendige inkomsten van de consument. 2. Indien de inkomsten van de consument geen vaste inkomsten betreffen, kan de aanbieder van hypothecair krediet rekening houden met de gemiddelde inkomsten van de consument over de laatste drie kalenderjaren of 36 maanden voorafgaand aan het moment waarop het toetsinkomen wordt vastgesteld. 3. In afwijking van het tweede lid kan een aanbieder van hypothecair krediet indi"},{"i":2451,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 november 2021 nr. ILT-2021/61062 over de erkenning van medische en psychologische keuringsinstituten en de goedkeuring van keuringsreglementen (Beleidsregel keuringsinstituten Spoorwegwet) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene Wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 10, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=10), en [19, eerste en tweede lid, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=19); Besluit: Artikel 1. (gelijktijdige behandeling) Een aanvraag om erkenning als keuringsinstituut als bedoeld in [artikel 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=19), en een verzoek tot goedkeuring van een keuringsreglement als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onder a, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=10) worden tegelijkertijd ingediend. Artikel 2. (toetsingscriteria keuringsreglement) De Inspectie toetst een keuringsreglement als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, onder a, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=10) op de volgende inhoud: - a. procedure voor aanmelding voor een keuring, met inbegrip van een legitimatieplicht voor de keurling; - b. beschrijving van de inhoud van de keuring per veiligheidsfunctie; - c. de wijze waarop het keuringsinstituut keurlingen en hun werkgevers inzage geeft in het keuringsreglement; - d. totstandkoming van de keuringsuitslag (geschiktheid, eventuele beperkingen, geldigheidsduur, hoe er gehandeld wordt bij tijdelijke ongeschiktheid, hoe er gehandeld wordt bij geringe afwijking van de medische of psychologische eisen); - e. klachtenregeling en mogelijkheid van herkeuring; - f. beleid voor inschakeling van een arts-deskundige; - g. beschrijving van de communicat"},{"i":2581,"b":"Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juni 2018, kenmerk 1373081-178634-PZo, inzake de Wlz-tarieven Gelet op [artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21); Besluit: Artikel 1 1. De Nederlandse Zorgautoriteit gebruikt een uitgevoerd kostenonderzoek slechts voor de vaststelling van tarieven voor een vorm van bij of krachtens de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) omschreven zorg indien in dat onderzoek, de extra kosten in verband met het voldoen aan de door het Zorginstituut Nederland op grond van [artikel 66b van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=66b) in een openbaar register opgenomen kwaliteitsstandaard voor die vorm van zorg zijn meegenomen. 2. De Nederlandse Zorgautoriteit kan in afwijking van het eerste lid, een uitgevoerd kostenonderzoek, waarin voor een vorm van zorg de extra kosten, bedoeld in het eerste lid niet zijn meegenomen, gebruiken voor de vaststelling van tarieven voor die vorm van zorg indien die extra kosten: - a. in een aanvulling op dat kostenonderzoek zijn meegenomen; of - b. door de Nederlandse Zorgautoriteit op andere passende wijze bij die vaststelling van tarieven in aanmerking worden genomen. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8348,"b":"Administratief Akkoord tussen de bevoegde Nederlandse en Bengalese autoriteiten inzake de uitvoering van het “Kusthia Target Group Project” The Netherlands Minister for Development Cooperation, being the Competent Netherlands Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Netherlands party”, represented in this matter by the Charge d'Affaires a.i. of the Kingdom of the Netherlands at Dacca and the Government of the People's Republic of Bangladesh, represented by the Ministry of Finance, External Resources Division, being the Competent Bangladesh Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Bangladesh Party”, Having regard to the provisions of Article I of the Agreement on Technical Cooperation between the Kingdom of the Netherlands and the People's Republic of Bangladesh signed at Dacca on 19 May, 1977, hereinafter referred to as “the Agreement”, Have entered into the following Administrative Arrangement: Article I. The Project 1. The two parties shall jointly carry out a project, to be known as “Kushtia Target Group project”, hereinafter referred to as “the project”, 2. The aim of the project is the development of the rural poor in the three thanas of the Kushtia District. 3. The aim will be achieved in a way to be indicated in the Schedule of Operations, referred to in Article VII. Article II. The contribution of the Netherlands Party 1. As its contribution to the project the Netherlands Party undertakes: - –. to supply a team of qualified advisers for an assignment in Bangladesh and to bear all expenses incurred by the advisers and their families; - –. to provide equipment and bear the cost of its transportation (including insurance) to the most suitable port or airport in Bangladesh; - –. to arrange and bear the cost of transport of the advisers within Bangladesh; - –. to provide, if necessary, technical support from the Netherlands. 2. The value of the contribution b"},{"i":8349,"b":"Administratief Akkoord tussen de Nederlandse Minister voor Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking en de Afdeling Economische Betrekkingen van het Ministerie van Financiën van de Volksrepubliek Bangladesh inzake het project \"Char Development and Settlement Project IV (CDSP IV)\" The Minister for European Affairs and International Cooperation of the Kingdom of the Netherlands, being the competent Netherlands Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Netherlands Party”, represented in this matter by the Ambassador of the Kingdom of the Netherlands in Dhaka, and The Economic Relations Division of the Ministry of Finance of the People’s Republic of Bangladesh, being the competent Bangladesh Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Bangladesh Party”, Having regard to the provisions of [Article I of the Agreement on Technical Co-operation between the Kingdom of the Netherlands and the People's Republic of Bangladesh](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005634&artikel=I) signed at Dhaka on 19 May 1977, hereinafter referred to as “the Agreement”, Have entered into the following Administrative Arrangement: Article I. (The Project) Vervallen Article II. (The contribution by the Netherlands Party) Vervallen Article III. (The contribution by the Bangladesh Party) Vervallen Article IV. (The Executive Authorities) Vervallen Article V. (Delegation) Vervallen Article VI. (The TL/DTL) Vervallen Article VII. (The Schedule of Operations) Vervallen Article VIII. (Status of the Netherlands Staff) Vervallen Article IX. (Equipment and Materials) Vervallen Article X. (Reporting) Vervallen Article XI. (Evaluation) Vervallen Article XII. (Settlement of disputes) Vervallen Article XIII. (Entry into force and duration) Vervallen DONE at Dhaka on 3rd January 2012 in two originals in the English language both texts being equally authentic. **For and on behalf of the Minister for Europ"},{"i":2918,"b":"Besluit van 1 augustus 2017 van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, nr. ANVS-2017/8563, houdende de aanwijzing van inspecteurs die zijn belast met het toezicht op de naleving van de Kernenergiewet (Besluit aanwijzing ANVS-toezichthouders Kernenergiewet) Gelet op [artikel 58, eerste lid, onder a, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=58); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Kernenergiewet zijn belast de ambtenaren van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, die overeenkomstig [artikel 10 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=10) aan de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming ter beschikking zijn gesteld, voor zover het hun werkterrein betreft. 2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn tevens belast met het toezicht op de bescherming tegen de risico’s van ioniserende straling van: - a. de eigen werknemers en externe werknemers als bedoeld in [artikel 1.2 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=1.2) juncto[bijlage 1 van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&bijlage=1), in inrichtingen waarvoor een vergunning krachtens [artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) is verleend en - b. elke andere werknemer, zelfstandige en vrijwilliger in de zin van [artikel 1, eerste, tweede en derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=1) in inrichtingen als bedoeld onder a. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2017. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing ANVS-toezichthouders Kernenergiewet. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8351,"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië inzake het project \"Aceh and Nias Sea Defense, Flood Protection, Refuges and Early Warning Systems Consultancy\" The Netherlands Minister for Development Cooperation, being the competent Netherlands Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as ‘‘the Netherlands Party’’, represented in this matter by the Ambassador Extraordinary and Plenipotentiary of Her Majesty the Queen of the Netherlands, Dr. N. van Dam, and the Rehabilitation and Reconstruction Executing Agency for Aceh and Nias represented in this matter by Dr. Kuntoro Mangkusubroto, being the competent Indonesian Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as the ‘‘Indonesian Party’’, Having decided to cooperate in the development of an Aceh and Nias Sea Defence, Flood Protection, Refuges and Early Warning Strategy, Having regard to the provisions of Article 3 of the Agreement concerning Technical Cooperation between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Indonesia signed at The Hague on April 3, 1964, hereinafter referred to as ‘‘the Agreement’’, Have agreed as follows: Article I. The Project 1. The two Parties shall jointly carry out a project, to be known as the ‘‘Aceh and Nias Sea Defense, Flood Protection, Refuges and Early Warning Systems Consultancy’’, hereinafter referred to as ‘‘the Project’’. 2. The aim of the Project is the development of an Aceh and Nias Sea Defence, Flood Protection, Refuges and Early Warning Strategy. 3. The cooperation between the two Parties is planned to last for a period of 30 months. Article II. The Netherlands Contribution 1. The Netherlands Party shall make the following contribution to the Project: the required funds for the Aceh and Nias Sea Defence, Flood Protection, Refuges and Early Warning Strategy Consultancy. 2. The value of the Netherlands contribution to the implementation of the Pr"},{"i":6089,"b":"Besluit van 13 december 2021 tot wijziging van diverse algemene maatregelen van bestuur van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in verband met kleine beleidsmatige, technische en redactionele wijzigingen (Verzamelbesluit SZW 2022) Artikel I. [Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029368) Wijzigt het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. Artikel II. [Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516) Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie. Artikel III. [Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036578) Wijzigt het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Artikel IV. [Besluit beslagvrije voet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041895) Wijzigt het Besluit beslagvrije voet. Artikel V. [Besluit garantiebedrag Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043909) Wijzigt het Besluit garantiebedrag Wajong. Artikel VI. [Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674) Wijzigt het Besluit inburgering. Artikel VII. [Besluit inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045555) Wijzigt het Besluit inburgering 2021. Artikel VIII. [Besluit inlichtingenverplichtingen werknemersverzekeringen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028535) Wijzigt het Besluit inlichtingenverplichtingen werknemersverzekeringen BES Artikel IX. [Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030892) Wijzigt het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang. Artikel X. [Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222) Wijzigt het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag. Artikel XI. [Besluit omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":4220,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 december 2025, nr. IENW/BSK-2025/286453, houdende vaststelling van de subsidieplafonds en de aanvraagperiode voor subsidies in het kader van de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2025–2029 voor het jaar 2026 Gelet op de [artikelen 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051304&artikel=8), en [9, derde lid, van de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2025–2029](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051304&artikel=9); Besluit: Artikel 1. Subsidieplafonds 2026 1. Het subsidieplafond voor onderzoeksprojecten als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijk subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2025–2029](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051304&artikel=3), bedraagt voor 2026 € 3.550.000,00. 2. Het subsidieplafond voor onderzoeksprojecten als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijk subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2025–2029](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051304&artikel=3), bedraagt voor 2026 € 1.880.000,00. Artikel 2. Aanvraagperiode 2026 Voor 2026 kan een aanvraag voor subsidie voor een onderzoeksproject als bedoeld in [artikel 3, eerste en tweede lid, van de Tijdelijk subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2025–2029](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051304&artikel=3) worden ingediend in de periode van 2 februari 2026, 09.00 uur tot en met 26 juni 2026, 17.00 uur. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2000,"b":"Wet van 23 december 1994, tot wijziging van de inkomstenbelasting (kapitaalverzekeringen en periodieke uitkeringen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de inkomstenbelasting te komen tot een aanpassing van de belastingheffing ter zake van kapitaalverzekeringen en periodieke uitkeringen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat artikel I, onderdelen C, D, E, F.2 en G, terugwerkt tot en met 1 januari 1992. 2. Kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering bij in leven zijn door de verzekeraar worden voor de toepassing van artikel 26**a**, tweede lid, tweede volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geacht niet te hebben plaatsgevonden indien: - a. de uitkeringen zijn gedaan voor de datum van inwerkingtreding van deze wet; - b. de uitkeringen zijn gedaan krachtens een op de datum van inwerkingtreding van deze wet bestaande overeenkomst nadat ter zake van de verzekering ten minste 15 jaren jaarlijks premies zijn voldaan en niet meer bedragen dan het in artikel 26**a**, tweede lid, onderdeel **b**, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 genoemde bedrag. 3. Ingeval een levensverzekering waarbij een kapitaal bij in leven zijn is verzekerd, voor een gedeelte is afgekocht in samenhang met het tot uitkering komen van een bij dezelfde overeenkomst verzekerde kapitaalsuitkering bij blijvende arbeidsongeschiktheid van 45 percent of meer, wordt deze afkoop voor de toepassing van artikel 26**a**, tweede lid, tweede volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geacht niet te hebben plaatsgevo"},{"i":6872,"b":"Besluit van 8 juli 1994, houdende vaststelling welke wethoudersfuncties voor toepassing van artikel 1638nn van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek als volledig bezoldigd worden aangemerkt Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 2 mei 1994, nr. BW94/U922, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Gelet op [artikel 1638nn van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006000&artikel=1638nn); De Raad van State gehoord (advies van 6 juni 1994, nr. W04.94.0276); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 5 juli 1994, nr. BW94/U1176, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van [artikel 1638nn van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006000&artikel=1638nn) wordt de functie van wethouders wier bezoldiging plaatsvindt volgens de normen die gelden voor de klassen van gemeenten met meer dan 18.000 inwoners, als volledig bezoldigd in de zin van dat artikel aangemerkt. Artikel 2 Indien in gemeenten waar het wethouderschap een volledige betrekking is, de raad heeft besloten dat een of meer van die betrekkingen in deeltijd kan worden uitgeoefend, is [artikel 1638nn van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006000&artikel=1638nn) van toepassing. Artikel 3 Het koninklijk besluit van 12 maart 1986, houdende vaststelling welke wethoudersfuncties voor toepassing van artikel 1638nn van het Burgerlijk Wetboek als volledig bezoldigd worden aangemerkt (**Stb.** 193) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1994. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":8353,"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Ecuador inzake het project \"SNV-programma Ecuador\" De Nederlandse Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, zijnde de bevoegde Nederlandse autoriteit voor de uitvoering van dit administratief akkoord, hierna te noemen de Nederlandse Partij, en de Ecuadoraanse Minister van Buitenlandse Betrekkingen, zijnde de bevoegde Ecuadoraanse autoriteit voor de uitvoering van dit administratief akkoord, hierna te noemen de Ecuadoraanse Partij, Gelet op de bepalingen van Artikel I van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ecuador inzake technische samenwerking, ondertekend te Quito op 22 april 1991, hierna te noemen de Overeenkomst; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Het Programma Vervallen Artikel II. De Uitvoerende Autoriteiten Vervallen Artikel III. Uitvoering van het Programma Vervallen Artikel IV. Status van het Nederlandse personeel Vervallen Artikel V. Status van de Nederlandse apparatuur en materialen Vervallen Artikel VI. Rapportage Vervallen Artikel VII. Toezicht Vervallen Artikel VIII. Beslechting van geschillen Vervallen Artikel IX. Inwerkingtreding en duur Vervallen ONDERTEKEND te Quito op zeven maart 1996, in twee originelen, in de Spaanse en in de Nederlandse taal, zijnde de beide teksten gelijkelijk authentiek. **Voor de Nederlandse Minister van Ontwikkelingssamenwerking** (w.g.) A. H. F. VAN AGGELEN A. H. F. van Aggelen, Tijdelijk Zaakgelastigde (w.g.) GALO LEORO F. Galo Leoro F. De Minister van Buitenlandse Betrekkingen van de Republiek Ecuador"},{"i":3264,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 5 juli 2023 nr. BOACAT2023/033, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Hoorn Gelezen het verzoek van de gemeente Hoorn van 7 juni 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048476&artikel=2&z=2024-12-11&g=2024-12-11). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van gemeentelijk opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Hoorn, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlij"},{"i":8354,"b":"Administratief akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Jemen inzake het project \"Support to the Shabwah government\" The Netherlands Minister for Development Co-operation, being the competent Netherlands Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as ``the Netherlands Party\", represented in this matter by the Ambassador of the Royal Netherlands Embassy in the Republic of Yemen, H.E. Mr. B.J. Ronhaar, and the Yemeni Minister of Development and Planning, H.E. Mr. Ahmed Sofan, being the competent Yemeni Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as ``the Yemeni Party\", Having decided to co-operate in the programme for support to local governments in Shabwah Governorate, Having regard to the provisions of Article I of the Agreement on technical co-operation between the Kingdom of the Netherlands and the Yemen Arab Republic, signed at the Hague on 3 October 1978, hereinafter referred to as ``the Agreement\", Have entered into the following administrative arrangement: Article I. The Programme 1. The two Parties shall jointly execute a programme to be known as ``Support to the Shabwah government\", hereinafter referred to as ``the Programme\". The aim of the Programme is to assist the Government of Shabwah to improve its service delivery and creating an enabling environment directed towards the social and economic development of the Shabwah governorate within the framework of Yemeni Law 4 of 2000 on Local Authorities. 2. The aforesaid co-operation between the two Parties is planned to last six years, retroactively starting from 01 January 2002. Article II. The Netherlands contribution 1. The Netherlands Party shall make the following contribution to the Programme: - a. ``Financial support to Shabwah governorate\", totalling to € 6,900,000 (YE019102) which is mainly to be used by seven (7) departments (agriculture, education, health, water and sanitation, planning, finance and civil ser"},{"i":2002,"b":"Wet van 4 juli 1991, houdende wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (verhoging van het huurwaardeforfait) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het huurwaardeforfait in de inkomstenbelasting in samenhang met de extra huurverhogingen in de periode 1991 tot en met 1994 stapsgewijs te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 1991. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":2003,"b":"Wet van 18 december 2003 tot wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Wet inkomstenbelasting 2001 (implementatie spaarrenterichtlijn) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Wet inkomstenbelasting 2001 dienen te worden aangepast aan [richtlijn nr. 2003/48/EG](32003L0048) van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (Pb EG L 157); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel II Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V 1. Deze wet treedt, met uitzondering van de [artikelen II tot en met IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016209&artikel=II&z=2012-01-01&g=2012-01-01), in werking op 1 januari 2004. 2. De [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016209&artikel=II&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016209&artikel=III&z=2012-01-01&g=2012-01-01) treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip doch niet eerder dan 1 januari 2005 en vindt voor het eerst toepassing op rentebetalingen op of na dit tijdstip. 3. Vervallen. 4. [Artikel IV, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016209&artikel=IV&z=2012-01-01&g=2012-01-01), treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 5. [Artikel IV, onderdelen"},{"i":3475,"b":"Besluit van 26 februari 1960, houdende uitvoering van artikel 27, lid 2, Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 17 december 1959, Stafafdeling Wetgeving, nr. 355/659; Gelet op artikel 27, lid 2, der Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie (**Stb.** 1954, 416); De Raad van State gehoord (advies van 26 januari 1960, nr. 27); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 18 februari 1960, Stafafdeling Wetgeving, nr. 048/660; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De voorzitter, de vice-voorzitters, de gewone en de plaatsvervangende leden van het College van beroep voor het bedrijfsleven, benevens de griffier en de substituut-griffiers van dit College en zij, die de griffier of de substituut-griffier vervangen, dragen hetzelfde costuum als de overeenkomstige ambtenaren van een gerechtshof. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van een door Ons te bepalen dag. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":2005,"b":"Wet van 24 juni 1998 tot wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Coördinatiewet Sociale Verzekering (aanpassing heffing ter zake van aandelenoptierechten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling in de loonbelasting en vennootschapsbelasting ter zake van aandelenoptierechten welke in het kader van de dienstbetrekking zijn verkregen, aan te passen en een aanpassing in de Coördinatiewet Sociale Verzekering aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. ARTIKEL III Wijzigt de Coördinatiewet Sociale Verzekering. ARTIKEL IV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. Met betrekking tot aandelenoptierechten die zijn overeengekomen vóór de dag waarop deze wet in werking treedt, blijven: - a. de regels met betrekking tot aandelenoptierechten van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de dag waarop deze wet in werking treedt, van kracht; - b. de regels met betrekking tot aandelenoptierechten krachtens de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de dag waarop deze wet in werking treedt, van kracht voor de duur van vijf jaren met ingang van de dag waarop deze wet in werking treedt. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5968,"b":"Besluit van 23 december 2015, houdende identificatie- en rapportagevoorschriften voor rapporterende financiële instellingen met het oog op de automatische uitwisseling van inlichtingen op basis van de Common Reporting Standard (Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 24 november 2015, nr. DB/2015/408 U; Gelet op de [artikelen 10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10a), [10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10b) en [10c van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10c) en [artikel 8.133a van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=8.133a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 december 2015, nr. W06.15.0416/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2015, nr. DB/2015/450; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Reikwijdte Dit besluit en de daarop berustende bepalingen geeft uitvoering aan de [artikelen 10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10a), [10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10b) en [10c van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10c). Artikel 2. Definities 1. Dit besluit verstaat onder: - a. **wet:** de [Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954); - b. **bestaande rekening van een natuurlijk persoon:** een bestaande rekening die door een of meer natuurlijke personen wordt gehouden; - c. **nieuwe rekening van een natuurlijk persoon:** een nieuwe rekening die door een of meer natuurlijke personen wordt gehouden; - d. **bestaande entiteitsrekening:** een"},{"i":8355,"b":"Administratieve Overeenkomst ter uitvoering van artikel 60 van de Aanvullende Overeenkomst van 3 augustus 1959, bij het Verdrag tussen de Staten die Partij zijn bij het Noordatlantisch Verdrag nopens de rechtspositie der krijgsmachten, betreffende de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten, zoals gewijzigd bij de Overeenkomsten van 21 oktober 1971, 18 mei 1981 en 18 maart 1993 Ter uitvoering van artikel 60 van de Aanvullende Overeenkomst van 3 augustus 1959, zoals gewijzigd bij de Overeenkomsten van 21 oktober 1971, 18 mei 1981 en 18 maart 1993, bij het Verdrag tussen de Staten die Partij zijn bij het Noordatlantisch Verdrag nopens de rechtspositie der krijgsmachten, betreffende de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten (hierna te noemen de „Aanvullende Overeenkomst\"), en in aanmerking nemende dat de opdracht van de krijgsmachten op een aantal gebieden van de telecommunicatie een behandeling vergt die afwijkt van de algemeen geldende voorwaarden van de Duitse telecommunicatie-instelling, zijn de Regeringen van het Koninkrijk België, Canada, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika het volgende overeengekomen: Artikel 1. Wijzigingen van voorschriften De krijgsmacht wordt zo vroeg mogelijk ingelicht indien de Duitse telecommunicatie-instelling voornemens is de in artikel 60, eerste lid, tweede volzin, van de Aanvullende Overeenkomst bedoelde voorschriften inzake het gebruik van voorzieningen voor telecommunicatie te wijzigen of nieuwe voorschriften inzake dat gebruik in te voeren, en deze een krijgsmacht aangaan. Deze inlichtingen dienen in elk geval uiterlijk twee maanden voor de inwerkingtreding van de desbetreffende voorschriften te worden verstrekt, opdat eventueel noodzakelijk overleg kan plaatsvinden. De krijgsmacht dient voldoende tijd te krijgen om op grond d"},{"i":2009,"b":"Wet van 24 december 1992, tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de afschaffing van de fiscale grenzen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de wetgeving inzake omzetbelasting dient te worden aangepast aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging, met het oog op de afschaffing van de fiscale grenzen, van [Richtlijn 77/388/EEG](31977L0388) (nr. 91/680/EEG, **PbEG** L 376); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Tot 1 januari 1994 kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere, zonodig van de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) afwijkende regels worden gesteld. 2. Het eerste lid is slechts van toepassing voor zover de in die bepaling bedoelde regels: - a. noodzakelijk zijn ter uitvoering van door de Raad van de Europese Gemeenschappen vastgestelde richtlijnen of verordeningen die strekken tot aanvulling of vereenvoudiging van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging, met het oog op de afschaffing van de fiscale grenzen, van [Richtlijn 77/388/EEG](31977L0388) (nr. 91/680/EEG, **PbEG** L 376); - b. strekken tot wijziging of aanvulling van bepalingen die zijn gebaseerd op communautaire regelgeving in verband met de afschaffing van de fiscale grenzen. 3. Na het tot stand komen van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden waarbij de in het eerste lid bedoelde regels worden opgenomen in de [We"},{"i":5462,"b":"Regeling vaststelling aanwijzingen inzake openbaarheid van bestuur Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers, Gelet op artikel 14 van de Wet openbaarheid van bestuur (Stb. 1991, 703), Besluit: Artikel 1 Vastgesteld worden de bij dit besluit gevoegde Aanwijzingen inzake openbaarheid van bestuur. Artikel 2 De Aanwijzingen inzake openbaarheid van bestuur, vastgesteld bij besluit van de Minister-President van 21 december 1979 nr. 292146, Staatscourant 1980 nr. 6, gerectificeerd bij Staatscourant 1980 nr. 11, worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt inwerking met ingang van 1 mei 1992. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5758,"b":"Subsidieregeling Onderzoek en producties 2004 Deze regeling vervangt de regeling Onderzoek en producties 2003. 1. Doel van de subsidieregeling De subsidieregeling Onderzoek en producties 2004 heeft tot doel een bijdrage te leveren aan de kwaliteitsontwikkeling van en de diversiteit in de professionele podiumkunsten in Nederland. De regeling stelt professionele podiumkunstenaars in staat zich in artistieke zin te ontwikkelen en dans-, theater- en muziekproducties te realiseren. Omdat het Fonds een landelijk fonds is, subsidieert het activiteiten die het lokale en regionale belang overstijgen. Onder podiumkunsten verstaat het Fonds kunsten op het gebied van muziek, muziektheater, dans, toneel, mime, jeugdtheater, poppen- en objecttheater, opera, operette en mengvormen van genoemde (sub)disciplines, al dan niet in combinatie met nieuwe media. 2. Aard van de aanvragen Een bijdrage kan worden verstrekt in de kosten die door in Nederland gevestigde professionele podiumkunstenaars worden gemaakt voor het uitvoeren van onderzoek en het uitbrengen van producties en die voldoen aan de bepalingen van deze subsidieregeling. Een medewerker aan een onderzoek of productie beschikt over de Nederlandse nationaliteit of heeft zich in Nederland of de Europese Unie gevestigd. Indien een medewerker van buiten de Europese Unie zich in Nederland vestigt, dient u desgevraagd een kopie van de verblijfsvergunning te overleggen. Het onderzoek of de productie wordt grotendeels in Nederland uitgevoerd door in Nederland gevestigde podiumkunstenaars of podiumkunstgezelschappen. Voorstellingen en concerten zijn openbaar toegankelijk en/of worden binnen het basis- of voortgezet onderwijs gespeeld. Het onderzoek of de productie heeft een in tijd beperkt karakter. Het Fonds subsidieert voor dans-, muziektheater- en theaterproducties in eerste instantie een speelperiode van één maand. Voor theater-, dans- en muziektheaterproducties voor jeugd/jongeren geldt maximaal een speelperiode van twee maanden."},{"i":2921,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 5 juli 2022, nr. WJZ/22232963, houdende aanwijzing van de beheerautoriteit en de auditautoriteit voor het Programma EFRO 2021–2027 Oost-Nederland Gelet op [artikel 3 van de Uitvoeringswet EFRO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034784&artikel=3); Gezien het verzoek van het College van gedeputeerde staten van Gelderland, gedaan in overeenstemming met de provincie Overijssel van 4 december 2021, zaaknummer 2019-0024791 en het verzoek van de Auditdienst Rijk van 24 mei 2022, kenmerk 2022-0000135794; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **verordening 2021/1060:** [Verordening (EU) Nr. 2021/1060](32960R2021) van het Europees parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231); - –. **Programma EFRO 2021–2027 Oost-Nederland:** programma als bedoeld in artikel 21 van [verordening 2021/1060](32960R2021) dat de provincies Overijssel en Gelderland beslaat. Artikel 2 1. Het College van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland wordt aangewezen als beheerautoriteit, bedoeld in artikel 71, eerste lid, van [verordening 2021/1060](32960R2021) voor het Programma EFRO 2021–2027 Oost-Nederland. 2. De directeur van de Auditdienst Rijk, wordt aangewezen als auditautoriteit, bedoeld in artikel 71, eerste lid, van [verordening 2021/1060](32960R2021) voor het Programma EFRO 2021–2027 Oost-Nederland. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit be"},{"i":3631,"b":"Besluit van 16 oktober 1991, houdende regels ter uitvoering van artikel 35 van de Wet op het consumentenkrediet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 6 mei 1991, nr. 91041078 WJA/W, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën; Gelet op de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=35), [50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=50), derde lid, en [64 van de Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=64) (**Stb.** 1990, 395); Gehoord de Adviescommissie consumentenkrediet; De Raad van State gehoord (advies van 26 september 1991, nr. W10.91.0236); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 7 oktober 1991, nr. 91088192 WJA/W, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. betalingstermijn: het tijdvak dat ligt tussen: - 1°. het tijdstip waarop ter uitvoering van een kredietovereenkomst door de kredietgever een geldsom ter beschikking wordt gesteld onderscheidenlijk met het verschaffen van het genot van een zaak of het verlenen van een dienst een aanvang wordt gemaakt en het tijdstip waarop de kredietnemer de eerste betaling moet hebben gedaan, dan wel - 2°. twee opeenvolgende tijdstippen waarop de kredietnemer ter uitvoering van een kredietovereenkomst een betaling moet hebben gedaan; - b. termijnbedrag: het bedrag van een betaling die de kredietnemer aan het einde van een betalingstermijn moet hebben gedaan; - c. betalingsregeling: de regeling van de hoogte van de termijnbedragen, alsmede de lengte en, bij niet-doorlopend krediet, het aantal van de betalingstermijnen, welke in het kader van een kredietovereenkomst van toepassing is; - d. kredietvergoedingspercentage per betalingstermijn: de kredietvergoeding die over een betalingstermijn in rekening wordt gebracht, uitgedruk"},{"i":3480,"b":"Besluit van 18 juni 1955, houdende uitvoering van artikel 32 van de Instellingswet Productschappen en Hoofdproductschap voor Akkerbouwproducten Op de voordracht van Onze Ministers voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie van 24 Maart 1955, no. B. 2496, Dir. W.J.A., van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 24 Maart 1955, no. J. 1085, Afd. W.J.Z. en van Economische Zaken van 24 Maart 1955, no. 23479, Dir. W.J.A.; Overwegende, dat het wenselijk is te bepalen in welke gevallen Onze Minister van Economische Zaken voor de toepassing van de [Instellingswet Productschappen en Hoofdproductschap voor Akkerbouwproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002152) (**Stb.** 1954, 451) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104) (**Stb.** 1950, K 22) ten aanzien van het Productschap voor Granen, Zaden en Peulvruchten, het Productschap voor Landbouwzaaizaden, het Productschap voor Aardappelen, het Productschap voor Veevoeder en het Hoofdproductschap voor Akkerbouwproducten mede als betrokken Minister wordt aangemerkt; Gelet op artikel 32 van eerstgenoemde wet; De Raad van State gehoord (advies van 19 April 1955, no. 49); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers onderscheidenlijk van 13 Juni 1955, no. B. 2638, Dir. W.J.A., van 13 Juni 1955, no. J. 1086, Afd. W.J.Z. en van 13 Juni 1955, no. 23480, Dir. W.J.A.; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van de [Instellingswet Productschappen en Hoofdproductschap voor Akkerbouwproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002152) (**Stb.** 1954, 451) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de We"},{"i":2013,"b":"Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een nieuwe regeling voor de plaats van dienst voor de heffing van omzetbelasting, alsmede een nieuwe regeling voor de teruggaaf van omzetbelasting aan in een andere lidstaat gevestigde ondernemers (implementatie richtlijnen BTW-pakket) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de wetgeving inzake omzetbelasting aan te passen overeenkomstig [richtlijn 2008/8/EG](32008L0008) van de Raad van 12 februari 2008 tot wijziging van [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) wat betreft de plaats van een dienst (PbEU L 44), overeenkomstig [Richtlijn 2008/9/EG](32008L0009) van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (PbEU L 44) en overeenkomstig [Richtlijn 2008/117/EG](32008L0117) van de Raad van 16 december 2008 tot wijziging van de [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) wat betreft fraudebestrijding in het intracommunautaire verkeer (PbEU L 14); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel II Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel III Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel IV Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel V Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VI [Artikel 33 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=33) zoals dat luidde tot 1 januari 2010, blijft van toepassing met betrekking tot een verzoek om teruggaaf van belasting dat tot die datum op grond van dat artikel is gedaan doo"},{"i":8356,"b":"Akkoord betreffende de produkten die onder de bevoegdheid vallen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal Zijne Majesteit de Koning der Belgen, De President van de Bondsrepubliek Duitsland, De President van de Franse Republiek, De President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Partijen bij het op 17 april 1951 te Parijs ondertekende Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en wier Staten hierna Lid-Staten worden genoemd, enerzijds, De President van de Republiek Turkije, anderzijds, Overwegende dat bovengenoemde Lid-Staten onderling het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal hebben gesloten; Overwegende dat zij eveneens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap hebben gesloten, waarvan de bepalingen ingevolge artikel 232 van dit Verdrag geen wijzigingen brengen in die van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, met name wat betreft de rechten en verplichtingen der Lid-Staten; Overwegende dat de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije niet van toepassing is op de produkten die onder de bevoegdheid van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallen; Verlangende niettemin het handelsverkeer in deze produkten tussen de Lid-Staten en Turkije te handhaven en te ontwikkelen, Hebben als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: de heer Pierre Harmel, Minister van Buitenlandse Zaken; De President van de Bondsrepubliek Duitsland: de heer Walter Scheel, Minister van Buitenlandse Zaken; De President van de Franse Republiek: de heer Maurice Schumann, Minister van Buitenlandse Zaken; De President van de Italiaanse Republiek: de heer Mario Pedini, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg: de heer Gaston"},{"i":2008,"b":"Wet van 16 oktober 2023 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met een aanpassing van de aanvullende regeling voor antiek, kunst- en verzamelvoorwerpen, en in verband met aanpassingen van de bepalingen inzake plaats van dienst voor de heffing van omzetbelasting bij bepaalde diensten die virtueel aan een afnemer worden verricht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk en wenselijk is de regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, en de bepalingen inzake plaats van dienst voor de heffing van omzetbelasting bij diensten die virtueel aan een afnemer worden verricht in de wetgeving inzake omzetbelasting aan te passen overeenkomstig [Richtlijn (EU) 2022/542](32022L0542) van de Raad van 5 april 2022 tot wijziging van [Richtlijnen 2006/112/EG](32006L0112) en [(EU) 2020/285](32020L0285) wat de btw-tarieven betreft (PbEU 2022, L 107); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel II De wederverkoper waarvan het verzoek door de inspecteur is ingewilligd, bedoeld in [artikel 28c, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=28c), en die tot en met 31 december 2024 ter zake van een levering in aanmerking zou komen voor de toepassing van artikel 28c, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, zoals dat artikel luidde op die datum, maar ter zake van die levering vanaf 1 januari 2025 niet meer in aanmerking komt voor de toepassing van artikel 28c, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, zoals dat artikel komt te luiden na inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049197&artikel=I&z=2025-01-01&g=2"},{"i":7133,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 16 december 2014, nr. WJZ / 14191493, tot vaststelling van de aan de Kamer van Koophandel door ondernemingen verschuldigde vergoedingen (Regeling vergoedingen Kamer van Koophandel 2015) Gelet op [artikel 34, eerste lid, van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=34); Besluit: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 1. De vergoedingen, bedoeld in [artikel 34, eerste lid, van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=34), bedragen voor: - a. een bijeenkomst voor starters: maximaal € 62,35 per deelnemer; - b. overige bijeenkomsten: maximaal € 62,35 per deelnemer; - c. een afgifte van een certificaat van oorsprong: € 24,75; - d. een digitale afgifte van een certificaat van oorsprong: € 17,70; - e. een afgifte van het Admission Temporaire/Temporary Admission-carnet: € 274,– per carnet, verhoogd met 0,6655 promille in verband met de verzekeringspremie niet-voldane douaneverplichtingen; - f. een afgifte van legalisatiedocumenten: € 14,50; - g. een digitale afgifte van legalisatiedocumenten: € 11,95; - h. het in depot houden van algemene voorwaarden: € 22,45 per jaar; - i. een kopie van certificaten van oorsprong en legalisatiedocumenten: € 1,20 per kopie; - j. een afgifte van de vergunning winkelweekactie: € 34,90 per vergunning; - k. een Europese Gemeenschap Verklaring op basis van [richtlijn 2005/36/EG](32005L0036): € 99,75 per EU-Verklaring; - l. inkomende en uitgaande handelsmissies: tarief per deelnemer wordt berekend per missie op basis van hoofdelijke omslag; - m. vervallen; - n. een locatiescan: € 0,– per factsheet. 2. Het uurtarief voor de uitvoering van de taken, bedoeld in de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=5), [24 tot en met 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=24), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=30) en [31 van de Wet op"},{"i":6066,"b":"Verordening op het bestuur Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5), en [19, tweede lid, onder d, van de Wet op het accountsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 1. Bij het doen van een aanbeveling als bedoeld in [artikel 5, eerste lid van de Verordening op de ledenvergadering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033784&artikel=5) streeft het bestuur naar een samenstelling van het bestuur waarin: - a. de meerderheid van de leden van het bestuur die accountant zijn, bestaat uit openbaar accountants; en - b. de belangen van verschillende categorieën leden en accountantspraktijken naar de aard van hun werkzaamheden worden meegenomen in de afwegingen van het bestuur. 2. Het bestuur draagt zorg voor een formele en transparante procedure voor het doen van aanbevelingen als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Verordening op de ledenvergadering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033784&artikel=5) voor voordrachten aan de ledenvergadering voor benoeming van leden van het bestuur. Artikel 2 1. Het lidmaatschap van het bestuur is onverenigbaar met: - a. het lidmaatschap van de accountantskamer; - b. het lidmaatschap van het College van Beroep voor het bedrijfsleven; - c. het lidmaatschap van de Klachtencommissie; - d. het lidmaatschap van de Raad voor Geschillen; - e. het lidmaatschap van de Raad voor Toezicht; en - f. een dienstverband met de NBA. 2. Het bestuur draagt zorg voor maatregelen die voorkomen dat er een belangenverstrengeling plaatsvindt tussen de beroepsorganisatie, leden van het bestuur of de directie. 3. Het bestuur ziet erop toe dat de beroepsorganisatie geen leningen verstrekt aan of garant staat voor leden van het bestuur, de directie of de hoogste leidinggevenden van het bureau. Artikel 3 1. Het bestuur stelt jaarlijks voor zijn vergaderingen een vergaderrooster vast. 2. De voorzitter roept het bestuur extra"},{"i":6087,"b":"Besluit van 15 september 2025, houdende Wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, Besluit bezoldiging politie en het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie in verband met de formalisering van de afspraak over anders roosteren uit het arbeidsvoorwaardenakkoord sector Politie 2022–2024, de afspraak over een overbruggingsregeling voor vervroegd uittreden uit het onderhandelaarsakkoord sector Politie van 9 oktober 2024, alsmede enkele andere wijzigingen van ondergeschikte aard (Verzamelbesluit rechtspositie politie 2025) [KetenID WGK028000] Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, van 11 juli 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6531979; Gelet op [artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=47); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 juli 2025, nr. W16.25.00190/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 8 september 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6652868; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie. Artikel II Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel III Wijzigt het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie. Artikel IV Wijzigt het Verzamelbesluit rechtspositie politie 2023. Artikel V 1. Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. 2. Wijzigt het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie. Artikel VI 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel I, onderdelen D en F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051529&artikel=I&z=2025-09-23&g=2025-09-23) en [artikel II, onderdelen E, G, en H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051529&artikel=II&z=2025-09-23&g=2025-09-23), die in werking treden met ingang van 1 november 2025. 2. [Artikel II, onderdelen J, K, L en M](https://wetten.overheid"},{"i":8358,"b":"Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien Preambule De hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Geleid door de wens een eenvormige en zelfstandige werking te geven aan de Europese octrooien die voor hun grondgebieden zijn verleend krachtens het Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973, Wensende een Gemeenschapsregeling voor octrooien tot stand te brengen, die bijdraagt tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en in het bijzonder tot het binnen de Gemeenschap opheffen van de concurrentievervalsingen die kunnen voortvloeien uit het territoriaal karakter van de nationale beschermende rechten, Overwegende dat een van de fundamentele doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap is de verwijdering van hinderpalen voor het vrije verkeer van goederen; Overwegende dat een van de meest geschikte middelen om deze doelstelling te verwezenlijken voor wat betreft het vrije verkeer van door octrooien beschermde goederen, is het tot stand brengen van een Gemeenschapsregeling voor octrooien; Overwegende dat het tot stand brengen van zulk een Gemeenschapsregeling voor octrooien daarom niet te scheiden is van het verwezenlijken van de doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en derhalve verbonden is met de rechtsorde van de Gemeenschap; Overwegende dat het daartoe voor de Hoge Verdragsluitende Partijen noodzakelijk is een Akkoord te sluiten, dat een bijzondere overeenkomst is in de zin van artikel 142 van het Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien, een verdrag betreffende regionale octrooien in de zin van artikel 45, eerste lid, van het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien van 19 juni 1970 en een bijzondere overeenkomst in de zin van artikel 19 van het Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom, onde"},{"i":3764,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 2022, nr. 2022-0000260375, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam en gedeputeerde staten van de Provincie Noord-Brabant voor de uitvoering van de Subsidieregeling JTF 2021–2027 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging voor de uitvoering van de Subsidieregeling JTF 2021–2027) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 1.9 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047689&artikel=1.9); Gezien de schriftelijke instemming van het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam en gedeputeerde staten van de Provincie Noord-Brabant; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van de Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **de beheerautoriteit:** de Minister; - c. **de intermediaire instanties:** het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, het college van burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam en gedeputeerde staten van de Provincie Noord-Brabant; - d. **de JTF-regio:** de in [artikel 1.7 van de Subsidieregeling JTF 2021–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047689&artikel=1.7) aangewezen regio’s. Artikel 2. Bestuursrechtelijke bevoegdheden 1. Aan de intermediaire instanties wordt mandaat en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die ver"},{"i":7535,"b":"Besluit gegevens georganiseerde reizen BES Artikel 1 In de algemeen verkrijgbare prospectus of andere publikatie, bedoeld in [artikel 501, eerste lid, van Boek 7 van het het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028751&artikel=501), vermeldt de reisorganisator de volgende gegevens: - a. zijn naam, adres en telefoonnummer; - b. het bedrag of het percentage van de reissom dat als voorschot moet worden betaald, en de termijn waarbinnen het saldo moet worden voldaan; - c. de relevante algemene informatie over de vereiste reisdocumenten en over de formaliteiten op gezondheidsgebied die voor reis en verblijf noodzakelijk zijn; - d. informatie over de mogelijkheid van een annuleringsverzekering; - e. de termijn waarbinnen de reiziger de reisorganisatie ervan in kennis moet stellen dat de reis niet aan zijn verwachtingen voldoet. Artikel 2 Voor zover van toepassing vermeldt de reisorganisator in de algemeen verkrijgbare prospectus of andere publikatie tevens: - a. ten aanzien van het vervoer: - 1°. een aanduiding van de te gebruiken vervoermiddelen, de kenmerken en eventueel de categorie daarvan; - 2°. en aanduiding van de plaatsen van vertrek en aankomst en een zo nauwkeurig mogelijke tijdsaanduiding daarvan; - b. ten aanzien van het verblijf: - 1°. een aanduiding van de plaats of plaatsen van verblijf; - 2°. een aanduiding van de accommodatie, de kenmerken en eventueel de categorie daarvan alsmede, voor zover het accommodatie betreft in een Lid-Staat van de Europese Unie die wettelijke voorschriften kent inzake de toeristische indeling van accommodatie, een aanduiding van die indeling; - 3°. de verblijfsperiode; - 4°. een vermelding van het aantal en de soort van de inbegrepen maaltijden; - c. de andere toeristische diensten die een significant deel van de reis uitmaken; - d. dat er een minimaal aantal personen voor de reis vereist is en dat het aantal daarvan in de overeenkomst zal worden opgenomen, evenals de uiterste datum waarop de reiziger"},{"i":8359,"b":"Akkoord inzake de vaststelling van een gedeelte van het gemeenschappelijk douanetarief met betrekking tot de produkten van lijst G opgenomen in het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap De Lid-Staten der Europese Economische Gemeenschap, Wensende, ter uitvoering van artikel 20, alinea 1 en 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, de rechten vast te stellen die van toepassing zijn op de produkten van lijst G, voorkomende in bijlage I van dit Verdrag, Overwegende dat het vaststellen van de rechten de aanduiding veronderstelt van de produkten waarop deze rechten betrekking behoren te hebben en het vaststellen hiertoe van de desbetreffende nomenclatuur, Kennis nemende van de verklaringen van de Commissie der Europese Economische Gemeenschap met betrekking tot het toekennen van bepaalde tariefcontingenten, Hebben omtrent de navolgende bepalingen overeenstemming bereikt: Artikel 1 Het tarief dat betrekking heeft op de produkten van lijst G welke als bijlage voorkomen in dit Akkoord, wordt vastgesteld zoals is aangegeven in deze bijlage. Deze maakt een wezenlijk bestanddeel uit van het gemeenschappelijke douanetarief zoals bedoeld in het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap. Artikel 2 De protocollen die aan dit Akkoord zijn gehecht, maken hiervan een wezenlijk bestanddeel uit. Artikel 3 Dit Akkoord zal definitief van kracht worden op de datum waarop alle Lid-Staten de Raad der Europese Economische Gemeenschap ervan in kennis zullen hebben gesteld dat de in de zin van hun onderscheiden nationale recht vereiste formaliteiten zijn vervuld. Artikel 4 Dit Akkoord, opgesteld in één exemplaar, in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de Raad die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der Lid-Staten en aan de Commissie. De Lid-Staten der Europese Eco"},{"i":8360,"b":"Akkoord tussen de lidstaten van de Europese Unie betreffende de status van de militairen en leden van het burgerpersoneel die bij de instellingen van de Europese Unie gedetacheerd zijn, van de hoofdkwartieren en de strijdkrachten die ter beschikking van de Europese Unie kunnen worden gesteld in het kader van de voorbereiding en de uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel 17, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en van de militairen en leden van het burgerpersoneel van de lidstaten die aan de Europese Unie beschikbaar zijn gesteld om in dit kader op te treden (EU-SOFA) De vertegenwoordigers van de regeringen van de Lid-Staten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name op titel V, Overwegende hetgeen volgt: De Europese Raad heeft besloten om met het oog op het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) aan de EU de middelen beschikbaar te stellen die nodig zijn om besluiten te nemen en uit te voeren met betrekking tot alle conflictpreventie-en crisisbeheersingstaken die in het VEU zijn neergelegd. Nationale besluiten om strijdkrachten van lidstaten van de Europese Unie (hierna „lidstaten\" genoemd) van en naar het grondgebied van andere lidstaten te zenden in het kader van de voorbereiding en uitvoering van opdrachten in de zin van artikel 17, lid 2, van het VEU, waaronder oefeningen, zullen worden genomen overeenkomstig titel V van het VEU, met name artikel 23, lid 1, en zullen het voorwerp vormen van afzonderlijke regelingen tussen de lidstaten. Er moeten met de betrokken derde landen specifieke overeenkomsten worden gesloten in het geval van oefeningen of opdrachten buiten het grondgebied van de lidstaten. Dit akkoord laat de rechten en plichten van de partijen uit hoofde van internationale overeenkomsten en van andere internationale rechtsinstrumenten tot instelling van internationale tribunalen, waaronder het Statuut van Rome inzake het Internatio"},{"i":3108,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Consulentschappen provincie Zeeland, Ministerie van LNV, 1902–1990 Inventaris RPZ Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is de inhoud van inventarisnummer 131 beperkt openbaar tot 1 januari 2032 en de inhoud van inventarisnummer 207 beperkt openbaar tot 1 januari 2039 Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045622&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in Zeeland heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045622&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in Zeeland. De rijksarchivaris in Zeeland kan aan haar toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045622&artikel=1&z=2021-09-17&g=2021-09-17) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in Zeeland. Deze kan aan haar toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt overeenkomstig [artikel 10"},{"i":3109,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie in de provincie Utrecht Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (1965) 1984–1994 (1995) Inventaris DLNO-UTRCH Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 2 september 2021 met kenmerk 28621827 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is inventarisnummer 19 beperkt openbaar tot 1 januari 2029 Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045693&artikel=1&z=2021-10-16&g=2021-10-16), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Utrecht heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045693&artikel=1&z=2021-10-16&g=2021-10-16), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris van de provincie Utrecht. De rijksarchivaris van de provincie Utrecht kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045693&artikel=1&z=2021-10-16&g=2021-10-16) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris van de provincie Utrecht. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt"},{"i":3110,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 30 oktober 2018, nr. O&B/1372936, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de directie Bestuursondersteuning en Advies (BOA) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode (1954) 1968 – 2008 (2010) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief van 9 oktober 2018, nr. 1385222; Besluit tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van directie Bestuursondersteuning en Advies (BOA) van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 1703 | 2056 | | 1704 | 2056 | | 2185 | 2056 | | 1706 | 2044 | | 1707 | 2045 | | 1708 | 2045 | | 1709 | 2045 | | 1710 | 2047 | | 1711 | 2047 | | 1712 | 2047 | | 1713 | 2044 | | 1714 | 2045 | | 1715 | 2047 | | 1716 | 2048 | | 1728 | 2047 | | 3036 | 2038 | | 3037 | 2038 | | 3038 | 2038 | | 3039 | 2042 | | 3040 | 2046 | | 3041 | 2038 | | 3042 | 2046 | | 3043 | 2046 | | 3044 | 2047 | | 3045 | 2041 | | 3046 | 2041 | | 3047 | 2047 | | 3048 | 2044 | | 3049 | 2044 | | 3050 | 2044 | | 3051 | 2044 | | 3052 | 2044 | | 3053 | 2046 | | 3054 | 2044 | | 3055 | 2044 | | 3056 | 2044 | | 3057 | 2044 | | 3058 | 2045 | | 3059 | 2045 | | 3060 | 2046 | | 3061 | 2048 | | 3062 | 2048 | | 3063 | 2048 | | 3064 | 2045 | | 3065 | 2046 | | 3066 | 2046 | | 3067 | 2047 | | 3068 | 2047 | | 3069 | 2047 | | 3070 | 2047 | | 3071 | 2047 | | 3072 | 2047 | | 3073 | 2048 | | 3074 | 2048 | | 3075 | 2048 | | 3076 | 2043 | | 3077 | 2050 | | 3078 | 2050 | | 3079 | 204"},{"i":8361,"b":"Akkoord tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de door de Bondsrepubliek Duitsland te verlenen ondersteuning bij het beheer van onroerend goed te Seedorf De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, Gelet op het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake het ter beschikking stellen van onroerend goed en het medegebruiken van oefenvoorzieningen van 6 oktober 1997, zijn het volgende overeengekomen: 1. Juridisch kader Vervallen 2. Doel Vervallen 3. Gebruik Vervallen 4. Infrastructuur Vervallen 5. Procedure voor de ondersteunende diensten van de StOV Seedorf Vervallen 6. Normen, marktconformiteit en belastingen Vervallen 7. Aanpassing van het jaarcontract in het realisatiejaar (jaar X) Vervallen 8. Kwartaalcontrole Vervallen 9. Planningshorizon Vervallen 10. Kostenmatiging Vervallen 11. Toeslag administratiekosten Vervallen 12. Betaling Vervallen 13. Beslechting van geschillen Vervallen 14. Evaluatie Vervallen 15. Correspondentie Vervallen 16. Slotbepalingen Vervallen GEDAAN te Bergen, op 6 oktober 1997, in twee originele exemplaren, elk in de Nederlandse en in de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek. **Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,** (w.g.) A. P. VAN WALSUM **Voor de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland,** (w.g.) P. HARTMANN"},{"i":8362,"b":"Akkoord tussen de Regeringen der Benelux-Staten en de Regering van Portugal betreffende het gebruik van het zeemansboekje als reisdocument De Regeringen der Benelux-Staten, tezamen handelende krachtens de op 11 april 1960 te Brussel ondertekende [Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246), en de Regering van Portugal, Verlangende het verkeer van zeelieden zoveel mogelijk te vereenvoudigen en aan te passen aan de situatie die is ontstaan door de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 In dit akkoord wordt verstaan: Onder „de Beneluxlanden”: het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; Onder „Beneluxgebied”: de gezamenlijke gebieden binnen Europa van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; Onder „Portugal”: het vasteland van Portugal, de Azoren, Madeira en de Kaap-Verdische eilanden. Artikel 2 1. Zeelieden van Portugese nationaliteit, die in het bezit zijn van een geldig Portugees zeemansboekje, mogen met het oog op hun aanmonstering het Beneluxgebied zonder visum binnenkomen mits zij bovendien in het bezit zijn van een verklaring van de betrokken rederij, waaruit blijkt dat zij zich naar het Beneluxgebied moeten begeven teneinde aldaar dienst te nemen aan boord van een bepaald schip dat zich in een bepaalde haven bevindt; in bedoelde verklaring dient de rederij zich bovendien garant te stellen voor betaling der repatriëringskosten indien aanmonstering om welke reden dan ook geen doorgang zou vinden. 2. De duur van het verblijf van zeelieden van Portugese nationaliteit, die houder zijn van een geldig Portugees zeemansboekje en het Beneluxgebied overeenkomstig het in artikel 2, lid 1, bepaalde zijn bi"},{"i":7864,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2023 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op 9,00%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047549&artikel=1&z=2023-01-01&g=2023-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op 7,80%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering Ziektewet 2023. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7135,"b":"Regeling vermelding nummer op akten burgerlijke stand Gelet op de [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=38) en [39, derde lid van het Besluit burgerlijke stand 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=39); Besluit: Artikel 1 In het hoofd van elke akte van geboorte, van huwelijk, van geregistreerd partnerschap of van overlijden en van elke akte van inschrijving van een buitenlandse akte of van een rechterlijke uitspraak wordt een aktenummer vermeld. Dat nummer beslaat zes posities. Artikel 2 De eerste positie van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009208&artikel=1&z=1998-05-01&g=1998-05-01) bedoelde nummer is bestemd voor de aanduiding van het register waarin de akte wordt opgenomen. De registersoort wordt als volgt aangeduid: - 1 =. register van geboorten - 2 =. register van overlijden - 3 =. register van huwelijken - 4 =. register van echtscheidingen, bedoeld in [artikel 6 van Titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&afdeling=6) - 5 =. register van geregistreerde partnerschappen - 6 =. register van beëindiging van geregistreerde partnerschappen, bedoeld in [artikel 6 van Titel 4 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&afdeling=6) Artikel 3 De tweede positie van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009208&artikel=1&z=1998-05-01&g=1998-05-01) bedoelde nummer is bestemd voor de aanduiding van het registerdeel waarin de akte wordt opgenomen. Het registerdeel wordt aangeduid door een cijfer of een letter. Een consulair register wordt aangeduid door de letter Z. Artikel 4 De derde tot en met zesde positie van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009208&artikel=1&z=1998-05-01&g=1998-05-01) bedoelde nummer zijn bestemd voor de aanduiding van de plaats van de akte in het register of het registerdeel. Deze plaats wordt aangeduid door vier cijfers, oplop"},{"i":8364,"b":"Akte van Genève bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid INLEIDENDE BEPALINGEN Artikel 1. Afgekorte uitdrukkingen In deze Akte wordt verstaan onder: - i. „Overeenkomst van 's-Gravenhage”: de Schikking van 's-Gravenhage betreffende het internationaal depot van tekeningen of modellen van nijverheid, voortaan luidend Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid; - ii. „deze Akte”: de Overeenkomst van 's-Gravenhage die bij deze Akte wordt ingesteld; - iii. „Reglement van uitvoering”: het Reglement van uitvoering van deze Akte; - iv. „voorgeschreven” en „voorschriften”: respectievelijk voorgeschreven door het Reglement van uitvoering en voorschriften van het Reglement van uitvoering; - v. „Verdrag van Parijs”: het [Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom](onbekend), ondertekend te Parijs op 20 maart 1883, zoals herzien en gewijzigd; - vi. „internationale inschrijving”: de internationale inschrijving van een tekening of model ingevolge deze Akte; - vii. „internationale aanvraag”: een aanvraag tot internationale inschrijving; - viii. „internationaal register”: de officiële, door het Internationaal Bureau bijgehouden verzameling van gegevens betreffende internationale inschrijvingen, waarvan de aantekening door deze Akte of het Reglement van uitvoering wordt verlangd of toegestaan, ongeacht de drager waarop deze gegevens worden bewaard; - ix. „persoon”: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon; - x. „aanvrager”: de persoon namens wie een internationale aanvraag wordt ingediend; - xi. „houder”: de persoon namens wie een internationale inschrijving wordt aangetekend in het internationaal register; - xii. „intergouvernementele organisatie”: een intergouvernementele organisatie die de ingevolge [artikel 27, eerste lid, onder ii](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006367&hoofdstuk=IV&artikel=27&z"},{"i":7371,"b":"Wet van 28 november 2002 tot wijziging van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot een hogere preferentie van havengelden en vorderingen inzake maatregelen met betrekking tot een schip die noodzakelijk waren ter waarborging van de veiligheid van de haven of van derden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is [artikel 211 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=211) te wijzigen met betrekking tot de preferentie van havengelden en maatregelen met betrekking tot een schip die noodzakelijk waren ter waarborging van de veiligheid van de haven of van derden om de crediteur van deze kosten meer zekerheid te bieden op verhaal; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Artikel II [Artikel 252 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=252) is van overeenkomstige toepassing. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":12008,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging Gelet op [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van het archief van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB) (BV26) over de periode (1949) 1950–1997. Artikel 2 1. Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023912&artikel=1&z=2008-06-04&g=2008-06-04) genoemde archief wordt door UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de in de eerste kolom genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom genoemde jaartal. | inventaris- nummers: | geheel openbaar met ingang van januari: | | --- | --- | | 224 en 228 | 2059 | | 225 en 229 | 2060 | | 226 en 230 | 2061 | | 227 en 2312062 | | | 479, 480 en 481 | 2063 | | 482 en 483 | 2064 | | 484, 485 en 486 | 2065 | | 487 en 488 | 2066 | | 489 tot en met 492 | 2067 | | 437, 438, 493 en 494 | 2068 | | 495 | 2069 | | 496, 497 en 498 | 2070 | | 499 | 2071 | | 500 tot en met 536 | 2072 | Artikel 3 Raadpleging van de onder [artikel 2, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023912&artikel=2&z=2008-06-04&g=2008-06-04) genoemde archiefbescheiden is slechts mogelijk na schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De verzoeker vult daartoe het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven’ in. De directeur van het Nationaal Archief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. Artikel 4 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van documenten uit de dossiers, waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn, zonder toestemming van de directeur van het Nationaal Archi"},{"i":8365,"b":"Akte van Stockholm van 14 juli 1967 ter aanvulling van de Schikking van 's-Gravenhage betreffende het internationaal depot van tekeningen en modellen van nijverheid, van 6 november 1925, herzien te Londen op 2 juni 1934 en te 's-Gravenhage op 28 november 1960 en aangevuld door de Aanvullende Akte van Monaco van 18 november 1961 Artikel 1 In deze Aanvullende Akte wordt verstaan onder: „Akte van 1934”, de op 2 juni 1934 te Londen ondertekende Akte van de Schikking van 's-Gravenhage betreffende het internationale dépôt van tekeningen en modellen van nijverheid; „Akte van 1960”, de op 28 november 1960 te 's-Gravenhage ondertekende [Akte van de Schikking van 's-Gravenhage betreffende het internationale depot van tekeningen en modellen van nijverheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002034); „Aanvullende Akte van 1961”, de op 18 november 1961 te Monaco ondertekende [Akte ter aanvulling van de Akte van 1934](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006584); „Organisatie”, de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom; „Internationaal Bureau”, het Internationale Bureau voor de intellectuele eigendom; „Directeur-Generaal”, de Directeur-Generaal van de Organisatie; „Bijzondere Unie”, de Unie van 's-Gravenhage, in het leven geroepen door de Schikking van 's-Gravenhage van 6 november 1925 betreffende het internationale depot van tekeningen en modellen van nijverheid en in stand gehouden door de Akten van 1934 [en 1960](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002034) en door de [Aanvullende Akte van 1961](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006584) alsmede door de onderhavige Aanvullende Akte. Artikel 2 1a). De bijzondere Unie kent een Algemene Vergadering, samengesteld uit de landen, die de onderhavige Akte hebben bekrachtigd of daartoe zijn toegetreden. b). De Regering van elk land is vertegenwoordigd door een afgevaardigde, die zich kan doen bijstaan door plaatsvervangers, adviseurs en deskundigen. c). De door elke delegatie gemaakte kosten worden gedrage"},{"i":2001,"b":"Wet van 16 september 1999, houdende wijzigingen van technische aard van enige belastingwetten c.a Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele wijzigingen van technische aard aan te brengen in enige belastingwetten en daarmee samenhangende wetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I, onderdeel A en IV werken terug tot en met 1 januari 1998. Artikel I, onderdeel B werkt terug tot en met 1 januari 1997. Artikel II werkt terug tot en met 1 januari 1999. ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL II Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. ARTIKEL III Wijzigt de Wijzigingswet enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1998). ARTIKEL IV Wijzigt de Wijzigingswet enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1999). ARTIKEL V Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. ARTIKEL VI Wijzigt de Wet herziening fiscale procesrecht en de Meststoffenwet. ARTIKEL VII Indien de Wet van 29 oktober 1998, houdende aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Algemene wet bestuursrecht en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten (herziening van het fiscale procesrecht) (Stb. 621) in werking treedt, gelden voor de leden en de plaatsvervangende leden van de Tariefcommissie die zijn benoemd voor de inwerkingtreding van die wet en die niet voldoen aan de in artikel 2, tweede lid, van de Tariefcommissiewet, zoals dat luidt na de inwerkingtreding van de genoemde wet van 29 oktober 1998, gestelde opleidingseisen, deze eisen niet, zo nodig met terugwerkende kracht tot en met het tijdstip waarop de genoemde wet van 29 oktober 1998 in werking is getreden. ARTIKEL VIII Wijzigt de Wet fiscale behandeling van pensioenen. ARTIKEL IX Wijzigt de Zeevaartbemanningswet. ARTIKEL X 1. Deze wet treedt i"},{"i":2498,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 augustus 2007, nr. AT-EZ/5891756.JZ, houdende vaststelling van regels met betrekking tot toezicht op en handhaving van de naleving van de vergunningsvoorwaarden door de houder van een IMT-2000 vergunning (Beleidsregel sancties frequentiegebruik UMTS) Gelet op de [artikelen 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3), [3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.5), [3.7, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.7), [15.1, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1), en [15.2, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.2), de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=17) en [21 van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=21) en de [artikelen 5:32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:32) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. Agentschap Telecom: Agentschap Telecom van het ministerie van Economische Zaken; - c. vergunning: vergunning voor gebruik van frequentieruimte als bedoeld in [artikel 3.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3), die is verdeeld op basis van de [Regeling veiling gebruiksrecht radio-frequenties voor IMT-2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011289); - d. vergunninghouder: houder van een vergunning als bedoeld onder c; - e. toezichthouders: ambtenaren als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit aanwijzing toezichthouders Telecommunicati"},{"i":8366,"b":"Algemeen arbitrageverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning van Denemarken, geleid door de beginselen van het verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen, gesloten te 's Gravenhage op 29 Juli 1899, en wenschende met name het beginsel der verplichte arbitrage in hunne onderlinge betrekkingen te bezegelen door eene algemeene overeenkomst zooals bedoeld bij artikel 19 van het genoemde verdrag, hebben besloten te dien einde een verdrag aan te gaan en hebben tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den heer JACOB DIRK CAREL baron VAN HEECKEREN VAN KELL, Hoogstderzelver buitengewoon Gezant en gevolmachtigd Minister bij Zijne Majesteit den Koning van Denemarken, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken: den heer JOHAN HENRIK DEUNTZER, voorzitter van Hoogstdeszelfs Raad van Ministers en Hoogstdeszelfs Minister van Buitenlandsche Zaken, grootkruis der Danebrogsorde en versierd met het eerekruis derzelfde orde, enz. die, na elkander hunne volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 De Hooge Contracteerende Partijen verplichten zich aan het Permanente Hof van Arbitrage te onderwerpen alle wederzijdsche geschillen en twistgedingen, die niet langs diplomatieken weg zullen kunnen worden opgelost. Artikel 2 In elk bijzonder geval zullen de Hooge Contracteerende Partijen, alvorens zich tot het Permanente Hof van Arbitrage te wenden, een afzonderlijk compromis teekenen, duidelijk omschrijvende het voorwerp van het geding, den omvang van de bevoegdheden der arbiters en de termijnen, die ten aanzien der samenstelling van de arbitrale rechtbank en van de procedure zullen zijn in acht te nemen. Artikel 3 Het is wel verstaan, dat artikel 1 niet van toepassing is op t"},{"i":8367,"b":"Algemeen Postverdrag Gelet op [artikel 22.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004459&artikel=22) van de op 10 juli 1964 te Wenen tot stand gekomen [Constitutie van de Wereldpostunie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004459), hebben de ondergetekenden, gevolmachtigden van de regeringen van de lidstaten van de Unie, in gemeenschappelijk overleg en onder voorbehoud van [artikel 25.4 van genoemde Constitutie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004459&artikel=25), in dit Verdrag de regels vastgelegd die van toepassing zijn op de internationale postale dienst. DEEL I. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS BETREFFENDE DE INTERNATIONALE POSTALE DIENST Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Ten behoeve van het Postverdrag worden de navolgende termen als volgt gedefinieerd: - 1.1. briefpostzending: zending zoals beschreven in en vervoerd overeenkomstig de voorwaarden van het Postverdrag en de Regelingen; - 1.2. pakketpostzending: zending zoals beschreven in en vervoerd overeenkomstig de voorwaarden van het Postverdrag en de Regelingen; - 1.3. EMS-zending: zending zoals beschreven in en vervoerd overeenkomstig de voorwaarden van het Postverdrag, de Regelingen en de bijbehorende EMS-instrumenten; - 1.4. stukken: een briefpost-, pakketpost- of EMS-zending bestaande uit schriftelijke, getekende, gedrukte of digitale informatie, met uitsluiting van handelswaren, waarvan de fysieke specificaties binnen de in de Regelingen vastgestelde grenzen vallen; - 1.5. goederen: een briefpost-, pakketpost- of EMS-zending bestaande uit elke roerende en lichamelijke zaak anders dan geld, met inbegrip van handelswaren, die niet onder de omschrijving in 1.4 van „stukken” valt en waarvan de fysieke specificaties binnen de in de Regelingen vastgestelde grenzen vallen; - 1.6. gesloten postzending: van een etiket en al dan niet een loodzegel voorziene verpakkingseenheid of -eenheden die poststukken bevat(ten); - 1.7. verkeerd bezorgde postzendingen: verpakkingseenheden die worden ontvangen door"},{"i":2010,"b":"Wet van 9 maart 2018 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (btw-behandeling van vouchers) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de wetgeving inzake omzetbelasting aan te passen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/1065 van de Raad van 27 juni 2016 tot wijziging van [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) wat de behandeling van vouchers betreft (PbEU 2016, L 177; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel II De [artikelen 2a, eerste lid, onderdelen t, u en v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=2a), [28zh](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=28zh), [28zi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=28zi) en [28zj van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=28zj) zijn enkel van toepassing op vouchers die na 31 december 2018 zijn uitgegeven. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8378,"b":"Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en haar lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds Preambule Het Koninkrijk België, De Republiek Bulgarije, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, Ierland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, De Republiek Kroatië, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, De Republiek Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, Roemenië, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, DE EUROPESE UNIE, hierna „de Unie” of „de EU” genoemd, en DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE, hierna „Euratom” genoemd, enerzijds, en Georgië, anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, GEZIEN de sterke banden en de gemeenschappelijke waarden van de partijen, die in het verleden in het kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en Georgië, anderzijds, zijn tot stand gekomen en, worden ontwikkeld binnen het kader van het Oostelijk Partnerschap als een specifieke dimensie van het Europees nabuurschapsbeleid en erkennende de gemeenschappelijke wens van de partijen hun betrekkingen verder te ontwikkelen, te versterken en uit te breiden op een ambitieuze en vernieuwende wijze; MET INACHTNEMING VAN de Europese ambities en de Europese keuze van Georgië; ERKENNEND dat de gemeenschappelijke waarden waarop de EU is gebouwd – democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat –"},{"i":8379,"b":"Besluit van de Raad voor Accreditatie van 3 juli 2025 tot vaststelling van Beleidsregel Accreditaties (RvA-BR001-NL) en intrekking diverse beleidsregels Het bestuur van de Raad voor Accreditatie, Gelet op [artikel 4 Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=4) en [artikel 4:81 Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Per 15 september 2025 worden de volgende beleidsregels ingetrokken: Aansluitend op de intrekking van bovengenoemde beleidsregels wordt de Beleidsregel Accreditaties (RvA-BR001-NL) vastgesteld. Deze treedt op 15 september 2025 in werking. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Bijlage Beleidsregel Accreditatie (RvA-BR001-NL) Het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie (RvA) heeft, gelet op [artikel 4 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=4) voor zijn dienstverlening, Beleidsregel Accreditaties (RvA-BR001) vastgesteld. Hoofdstuk 1. Toepassingsgebied en definities Paragraaf 1. Toepassingsgebied Artikel 1. Toepassingsgebied Deze beleidsregel geldt voor het accrediteren van instellingen die conformiteitsbeoordelingsactiviteiten uitvoeren, zoals bedoeld in [artikel 1 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=1) Paragraaf 2. Definities Artikel 2. Definities EN ISO/IEC 17000 en [Verordening (EG) 765/2008](32008R0765) De definities uit EN ISO/IEC 17000 en de definities uit [Verordening (EG) 765/2008](32008R0765) zijn van toepassing. Artikel 3. Afkortingen Artikel 4. Definities RvA Hoofdstuk 2. Algemene informatie Paragraaf 3. Nationale accreditatie-instantie Artikel 5. Nederlandse nationale accreditatie-instantie Artikel 6. Basis voor werkwijze RvA De RvA baseert haar werkwijze op: Artikel 7. Accreditatievereisten Artikel 8. Accreditatiespecificatie RvA Artikel"},{"i":8381,"b":"Benelux-overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Bezield door het verlangen naar gelijkvormigheid in de rechtsbeginselen en de overeenstemming in de juridische oplossingen voor hun landen, Van mening zijnde, dat er aanleiding bestaat om de rechten van de slachtoffers van ongevallen, welke door motorrijtuigen op hun grondgebied worden veroorzaakt, door de invoering van een stelsel van verplichte verzekering te waarborgen, Overwegende anderzijds, dat volkomen eenmaking van het recht voor dit onderwerp bezwaren blijkt op te leveren en dat voorts er mede kan worden volstaan, dat de voornaamste, onmisbaar te achten regelen gemeenschappelijk zijn voor de drie landen, met dien verstande dat ieder der landen de vrijheid behoudt voor zijn grondgebied bepalingen af te kondigen, die de waarborg ten behoeve van de benadeelden vergroten, Overwegende tenslotte, dat de aanvaarding door de drie landen van een gelijksoortig stelsel met betrekking tot de verplichte verzekering inzake de wettelijke aansprakelijkheid de mogelijkheid biedt om overeenkomstig de doelstellingen van het [Benelux-Unieverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047) bij te dragen tot de verwezenlijking van het vrije verkeer van personen en goederen in Benelux door aan de binnengrenzen der drie landen de controle op de verzekering van motorrijtuigen af te schaffen, Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 § 1. De Verdragsluitende Partijen verbinden zich uiterlijk op de dag van het in werking treden van deze Overeenkomst hun nationale wetgeving op de verplichte verzekering tegen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe motorrijtuigen aanleiding kunnen geven, aan te passen aan de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen. § 2. Ieder der Verdragsluitende Partijen behoudt de bevoegdheid,"},{"i":8383,"b":"Benelux-Overeenkomst inzake commorientes De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Bezield door het verlangen naar gelijkvormigheid in hun rechtsbeginselen en naar overeenstemming in juridische oplossingen voor hun landen, Van mening zijnde dat het van belang is hun wetgevingen inzake commorientes te unificeren, Overwegende dat een Overeenkomst met Bijlage, waaraan de Overeenkomstsluitende Partijen zich verbinden hun nationale wetgevingen aan te passen, in het onderhavige geval de meest adequate vorm is, Gelet op het advies van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad van 17 december 1971, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich uiterlijk op de dag van inwerkingtreding van deze Overeenkomst hun nationale wetgeving inzake commorientes aan te passen aan de bepalingen van de Bijlage bij deze Overeenkomst. Artikel 2 De bepalingen van deze Overeenkomst en van de Bijlage worden aangewezen als gemeenschappelijke rechtsregels voor de toepassing van de [hoofdstukken III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&hoofdstuk=III) en [IV van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&hoofdstuk=IV). Artikel 3 1. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt deze Overeenkomst alleen voor het Rijk in Europa. 2. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden kan de toepasselijkheid van deze Overeenkomst uitbreiden tot Suriname en de Nederlandse Antillen, door middel van een verklaring, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie, die daarvan onmiddellijk kennis geeft aan de beide andere Overeenkomstsluitende Partijen. Deze verklaring wordt van kracht op de eerste dag van de zesde maand volgende op de datum waarop de Secretaris-Generaal haar heeft ontvangen. Artikel 4 1. Deze Overeenkomst dient te worden bekrachtigd. De ak"},{"i":8384,"b":"Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale samenwerkingsverbanden of autoriteiten De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Zich bewust van de voordelen van grensoverschrijdende samenwerking zoals omschreven in de op 21 mei 1980 te Madrid gesloten [Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen samenwerkingsverbanden of autoriteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004011), Met voldoening vaststellende dat samenwerkingsverbanden of autoriteiten reeds veelvuldig met elkaar samenwerken op privaatrechtelijke basis, Verlangende voor deze de mogelijkheid te scheppen om ook op publiekrechtelijke basis met elkaar te kunnen samenwerken, Overwegende dat deze samenwerking beantwoordt aan de doelstelling van het op 3 februari 1958 te 's-Gravenhage ondertekende [Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047). Overwegende dat de regeringshoofden en ministers van Buitenlandse Zaken van de Beneluxlanden tijdens hun bijeenkomst te 's-Gravenhage op 10 november 1982 hebben besloten een onderzoek te doen instellen naar de mogelijkheid om op Benelux-niveau een kaderovereenkomst te sluiten inzake samenwerking tussen samenwerkingsverbanden of autoriteiten aan weerszijden van de landsgrenzen, Gelet op het advies van 7 juni 1986 van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad, Hebben besloten te dien einde een Overeenkomst te sluiten en zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend. GEDAAN te Brussel, op 12.9.1986"},{"i":2940,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 21 november 2011, nr. MC/U-3092027, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake contracteerruimte AWBZ 2012 en enkele andere aangelegenheden Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 23 september 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2010/11, 30 597, nr. 213); Gezien mijn inbreng van 15 november 2011 (DLZ-U-3088910) voor het verslag van een schriftelijk overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; Besluit: Artikel 1. werkingssfeer en uitvoering aanwijzing 1. Deze aanwijzing is van toepassing op zorg waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat en heeft betrekking op het zorgjaar 2012. 2. De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig regels en beleidsregels vast. Artikel 2. startpunt en algemene uitgangspunten 1. De zorgautoriteit stelt de totale contracteerruimte voor 2012 vast via dezelfde systematiek als voor de jaren 2005 tot en met 2011 is toegepast en gebruikt daarbij als startpunt 100 procent van de totale contracteerruimte 2011 zoals de zorgautoriteit die heeft vastgesteld. 2. In afwijking van het eerste lid, neemt de zorgautoriteit de herverdelingsmiddelen 2011, zijnde € 25 miljoen, niet mee in de vaststelling van het startpunt 2012, maar voegt deze toe aan de herverdelingsmiddelen 2012 als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030715&artikel=8&z=2012-02-01&g=2012-02-01). 3. In afwijking van wat tot nu toe gebruikelijk was wordt het j"},{"i":4453,"b":"Centrale examens beeldende vakken (Tehatex) havo en vwo met ingang van 2003 1. Beeldende vakken als eindexamenvak Scholen voor vwo en havo kunnen ervoor kiezen het definitieve profiel voor Cultuur en maatschappij nog niet in te voeren. In dat geval bieden zij het overgangsprofiel Cultuur en maatschappij aan. Op scholen die dat doen, kunnen de kunstvakken oude stijl (tekenen, handenarbeid, textiele werkvormen en muziek) als profielvak gekozen worden door de CM-leerlingen en als vak in het vrije deel door alle leerlingen. Daarbij blijft gelden dat leerlingen maar één beeldend vak als examenvak kunnen kiezen. Scholen die het definitieve profiel CM hebben ingevoerd kunnen geen kunstvak oude stijl meer als eindexamenvak aanbieden, ook niet in het vrije deel. In deze publicatie wordt informatie gegeven over de centrale examens in de beeldende vakken oude stijl in de jaren 2003 en later. 2. Centraal examen VWO beeldende vakken (tehatex) CPE Het Centraal praktisch examen blijft ongewijzigd CSE Het examen heeft betrekking op een thematisch onderwerp. Tot en met het examenjaar 2002 werden deze thema’s ontwikkeld door de Commissie aanbieding thema (CAT). Inmiddels is de CAT opgeheven en in opvolging is niet voorzien. Voor de examens vanaf 2003 zullen thema’s worden ontwikkeld vanuit de invalshoeken van domein B uit het examenprogramma CKV2 vwo. Thema Het examen wordt gemaakt op basis van een tweejaarlijks thema. Het examen voor de examenjaren 2003 en 2004 gaat uit van de invalshoek ”kunst, wetenschap en techniek”. Dit wordt uitgewerkt aan de hand van beeldende kunst en vormgeving. Er komt meer nadruk op vaardigheden zoals deze vereist zijn in de tweede fase en waar mogelijk wordt er aangesloten bij de inhoud en de benadering van CKV2. Probleemstellingen, eindtermen en literatuur In Uitleg Gele katern publiceert de CEVO aan het thema gerelateerde probleemstellingen, eindtermen en literatuurverwijzingen, met een beknopte toelichting. Deze publicatie verschijn in juni voorafgaand"},{"i":8385,"b":"Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op [artikel 6 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047&artikel=6), ondertekend te 's-Gravenhage op 3 februari 1958; Gelet op het op 18 oktober 1950 te Parijs tot stand gekomen [Internationaal Verdrag tot Bescherming van Vogels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005668), waarbij de drie Beneluxlanden partij zijn; Bezield door de wens een harmonisatie tot stand te brengen van de beginselen van hun, in het belang van de grondgebruikers, van de landbouw en van een doeltreffende natuurbescherming vastgestelde wettelijke bepalingen op het gebied van de jacht en de bescherming van in het wild levende vogels; Overwegende dat deze harmonisatie kan bijdragen tot een toenadering tussen de wetgevingen inzake het vervoer van wild en van in het wild levende vogels, alsmede tot de afschaffing van controles en formaliteiten aan de binnengrenzen van Benelux; Gelet op het advies van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad van 25 april 1970; Zijn het volgende overeengekomen: DEEL I. Jacht Artikel 1 1. Elk der Regeringen verbindt zich in haar nationale of gewestelijke wetgeving het wild volgens de volgende categorieën te rangschikken: grof wild, klein wild, waterwild, overig wild. 2. In de zin van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a). grof wild: edelherten (Cervus elaphus), reeën (Capreolus preolus), damherten (Dama dama), moeflons (Ovis musimon) en wilde zwijnen (Sus scrofa); - b). klein wild: hazen (Lepus europaeus), fazanten (Phasianus colchicus), korhoenders (Lyrurus tetrix), patrijzen (Perdix perdix), houtsnippen (Scolopax rusticola); - c). waterwild: alle soorten ganzen en eenden (Anatidae), goudplevieren (Pluvialis apricarius), watersnippen (Gallinago gallinago), poelsnippen (Gallin"},{"i":7594,"b":"Gedragscode gerechtsdeurwaarders ter bescherming persoonsgegevens Overwegende, dat de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) (Stb. 2000, 302) regels stelt inzake de bescherming van persoonsgegevens; dat [artikel 25 van voornoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=25) aan een organisatie die voornemens is een gedragscode vast te stellen de mogelijkheid biedt het College bescherming persoonsgegevens te verzoeken te verklaren dat de daarin opgenomen regels een juiste uitwerking vormen van voornoemde wet of van andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens; dat het gewenst is te komen tot een Gedragscode teneinde een zorgvuldige verwerking van persoonsgegevens te bevorderen en te waarborgen. Gehoord het advies van de Ledenraad en de Algemene Ledenvergadering van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders. Besluit: de Gedragscode gerechtsdeurwaarders ter bescherming van persoonsgegevens als volgt vast te stellen. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze gedragscode wordt verstaan onder: - a. **persoonsgegeven:** elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; - b. **verwerking van persoonsgegevens:** elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens; - c. **gerechtsdeurwaarder:** de als zodanig benoemde openbaar ambtenaar, de als zodanig benoemde waarnemend openbaar ambtenaar en de toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder als bedoeld in [artikel 1 onder e Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=1), verantwoordelijke in de"},{"i":4907,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 31 maart 2021, nr. 3268755, houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in verband met het uitvoeren van de Tijdelijke beleidsregel bedrijvenschade coronarellen (Mandaatbesluit RVO inzake de Tijdelijke beleidsregel bedrijvenschade coronarellen) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de instemming van de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; Besluit: Artikel 1 Aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna: RVO), verder te noemen de algemeen directeur, wordt mandaat en volmacht verleend tot: - a. het nemen van besluiten op grond van de [Tijdelijke beleidsregel bedrijvenschade coronarellen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044994), en - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 De algemeen directeur wordt gemachtigd en ontvangt volmacht: - a. tot het verrichten van alle feitelijke handelingen en het afdoen van alle stukken die betrekking hebben op besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045001&artikel=1&z=2021-04-01&g=2021-04-01), en - b. ten aanzien van verweer- en beroepschriften in bestuursrechtelijke procedures, het vertegenwoordigen van de minister in deze procedures en tot het afdoen van alle stukken en het verrichten van alle feitelijke handelingen die daarop betrekking hebben. Artikel 3 De algemeen directeur kan ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen tot het geheel of gedeeltelijk uitoefenen van zijn op grond van dit besluit toegekende bevoegdheden. Ar"},{"i":5276,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, 2014-0000157840, tot Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland (Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2015) Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken; Gelet op [artikel 14, tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182&artikel=14) en [artikel 7, tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004613&artikel=7); Besluiten: Artikel 1 Als volkenrechtelijke organisatie als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182&artikel=14) en [artikel 7, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004613&artikel=7), worden aangewezen: - 1. United Nations: - a. International Criminal Court for the Former Yugoslavia (ICTY); - b. International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR); - c. International Court of Justice (ICJ); - d. United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR); - e. United Nations University-Maastricht Economic and social Research and training centre on Innovation and Technology (UNU- MERIT); - f. United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization-International Institute for Infrastructural, Hydraulic and Environmental Engineering, Institute for Water Education (UNESCO-IHE); - g. Special Tribunal for Lebanon (STL); - h. Special Court for Sierra Leone (SCSL); - 2. International Criminal Court (ICC); - 3. Permanent Court of Arbitration (PCA); - 4. Hague Conference on Private International Law (HCPIL); - 5. North Atlantic Treaty Organiz"},{"i":6473,"b":"Besluit van 28 november 2024 tot wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 in verband met de jaarlijkse indexering van de vergoedingen voor Pro Justitia rapporteurs en het minimumtarief voor tolken 2025 Op de voordracht van de Staatsecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 27 september 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5777129; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=3), en [6, eerste lid, van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 oktober 2024, nr. W16.24.00271/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 22 november 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5907890 Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Artikel II De in [artikel I, onder A, B, D, E en F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050526&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01), vastgestelde tarieven gelden voor opdrachten die zijn verstrekt op of na 1 januari 2025. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6102,"b":"Vragen en antwoorden met betrekking tot besluit Dienstverleningslichamen en zekerheid vooraf (DGB 2014/3101), besluit Behandeling verzoeken zekerheid vooraf in vorm van Advance Tax Ruling (ATR) (DGB 2014/3099) De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit vervangt het besluit van 11 augustus 2004, nr. IFZ2004/127M. In dit besluit wordt het voorgaande besluit geactualiseerd.** In de praktijk is een aantal vragen gerezen over de toepassing van de [besluiten nr.DGB 2014/3101](onbekend) en nr. [DGB 2014/3099](onbekend). Hieronder wordt in vraag- en antwoordvorm meer duidelijkheid gegeven over de toepassing ervan. I. Algemeen II. Bronbelasting III (a). Substance – bestuurders III (b). Substance – hoofdbankrekening in NL III (c). Substance – boekhouding in NL III (d). Substance – dual resident III (e). Substance – passend eigen vermogen IV. Lopen van reële risico’s V. Onderbouwing beloning VI. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. VII. Intrekking oude besluiten Dit besluit vervangt het [besluit van 11 augustus 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017099), nr. IFZ2004/127M, dat hierbij wordt ingetrokken."},{"i":6103,"b":"Vragen en antwoorden over kapitaalverzekeringen afgesloten met de eigen BV De plv. Directeur-Generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Inleiding Bij Besluit van 10 augustus 1995, nr. DB95/3186M, Infobulletin 1995/722 (hierna ook: het Besluit), is een richtsnoer voor de uitvoeringspraktijk gegeven voor kapitaalverzekeringen die door directeuren/ grootaandeelhouders (hierna: digra’s) worden overeengekomen met een zogenoemde eigen besloten vennootschap (hierna: de BV). Hiermee is beoogd de onzekerheid over de fiscale behandeling van dergelijke kapitaalverzekeringen zoveel mogelijk weg te nemen. Voorts is het oogmerk daarvan geweest voor de digra's en de adviespraktijk een bruikbaar handvat te bieden voor een zodanige vormgeving van de kapitaalverzekering met de BV dat bij navolging daarvan van de zijde van de fiscus geen problemen zijn te verwachten. Met het oog op de uitvoering van het besluit en voor de behandeling van bepaalde individuele gevallen heeft de Belastingdienst de Werkgroep Kapitaalverzekering met de eigen BV (hierna: de Werkgroep) ingesteld. Sedert haar oprichting heeft de Werkgroep een aantal individuele gevallen behandeld en vele vragen over de feitelijke toepassing van het Besluit beantwoord. Deze werkzaamheden hebben inzicht gegeven in de vragen die in de praktijk nog bestaan over de wijze van toepassen van het besluit in bepaalde situaties. Ten behoeve van de uitvoeringspraktijk geef ik hierna de antwoorden weer van de Werkgroep op de meest gestelde vragen over kapitaalverzekeringen overeengekomen met de eigen BV. Ook deze antwoorden kunnen als richtsnoer voor de uitvoeringspraktijk fungeren. Opgemerkt zij dat de vragen en antwoorden zijn gerangschikt conform de indeling op hoofdthema's van het Besluit van 10 augustus 1995. Dit houdt de volgende indeling in: Van de Werkgroep heb ik vernomen dat gelet op de grote aantallen kapitaalverzekeringen die met een eigen BV zijn gesloten, het in de praktijk"},{"i":5905,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 31 januari 2022 nr. IENW/BSK-2022/12408, houdende vaststelling van regels voor subsidiëring van initiatieven die bijdragen aan het versterken van de omgevingsveiligheid ten aanzien van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen en risicovolle processen 2022–2027 (Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), en [22, tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **branche:** groep ondernemingen die soortgelijke activiteiten verrichten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen; - **brancheorganisatie:** organisatie met rechtspersoonlijkheid die de belangen van de branche behartigt; - **branchesamenwerkingsverband:** samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval twee ondernemingen uit dezelfde branche; - **cluster:** groep ondernemingen gevestigd op eenzelfde locatie; - **clustersamenwerkingsverband:** locatiegericht sam"},{"i":8389,"b":"Berner Conventie tot bescherming van letterkundige en kunstwerken van 9 september 1886, herzien te Berlijn op 13 november 1908 en te Rome op 2 juni 1928 De President van het Duitsche Rijk; **[volgen de namen der overige Staatshoofden]** gelijkelijk bezield met den wensch om op een zoo doeltreffend en eenvormig mogelijke wijze de rechten der makers op hun letterkundige en kunstwerken te beschermen; Hebben besloten de op 13 November 1908 te Berlijn onderteekende Acte te herzien en aan te vullen. Dientengevolge hebben Zij als Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: **[volgen de namen der gevolmachtigden]** die, daartoe behoorlijk gemachtigd omtrent het volgende tot overeenstemming zijn gekomen: Artikel 1 De landen waarvoor dit Verdrag geldt, vormen een verbond tot bescherming van de rechten der auteurs op hunne letterkundige en kunstwerken. Artikel 2 (1). De uitdrukking „letterkundige en kunst-werken” omvat alle voortbrengselen op het gebied der letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukken zij, zooals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preeken en andere werken van dien aard; tooneelwerken of dramatisch-muzikale werken, choregraphische werken en pantomimes, waarvan de wijze van opvoering in schrift of op andere wijze is nedergelegd; muzikale composities met of zonder woorden; werken van teeken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer- en lithographeerkunst; illustraties en aardrijkskundige kaarten; teekeningen, schetsen en plastische werken, betrekking hebbende op de aardrijkskunde, de topographie, de bouwkunde of de wetenschappen. (2). Als oorspronkelijke werken worden beschermd, zonder dat dit de rechten verkorten kan van den auteur van het oorspronkelijke werk: vertalingen, omwerkingen, zettingen van muziek en andere reproductiën in gewijzigden vorm van een letterkundig of kunstwerk, evenals de verzamelingen van verschillende werken. (3). De landen van het Verbond zijn verplicht de bescherming te verze"},{"i":2014,"b":"Wet van 2 oktober 2003 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de – in beginsel tijdelijke – invoering van een omzetbelastingregeling voor elektronische diensten (e-commerce) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de wetgeving inzake omzetbelasting dient te worden aangepast overeenkomstig [richtlijn 2002/38/EG](32002L0038) van de Raad van de Europese Unie van 7 mei 2002 tot wijziging, voor een gedeelte tijdelijk, van [Richtlijn 77/388/EEG](31977L0388) met betrekking tot de regeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde die van toepassing is op bepaalde diensten die langs elektronische weg worden verricht alsook op radio- en televisieomroepdiensten (PbEG L 128); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet. Artikel I Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel II 1. Onder toepassing van [artikel 16 van de Tijdelijke Referendumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012701&artikel=16) treedt deze wet in werking met ingang van 1 juli 2003. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst wordt uitgegeven na 30 juni 2003, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. Indien artikel 1 van de [Richtlijn 2002/38/EG](32002L0038) van de Raad van de Europese Unie van 7 mei 2002 tot wijziging, voor een gedeelte tijdelijk, van [Richtlijn 77/388/EEG](31977L0388) met betrekking tot de regeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde die van toepassing is op bepaalde diensten die langs elektronische weg worden verricht alsook op radio- en televisieomroepdiensten (PbEG L 128/41), komt te vervallen, kunnen bij algemene maatregel van bestuur wij"},{"i":6477,"b":"Besluit van 26 maart 1993, houdende wijziging van het koninklijk besluit van 8 juli 1978 (Stb. 422) ter uitvoering van het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, houdende de omschrijving van de categorieën van personen op wie deze wet van overeenkomstige toepassing zal zijn Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 2 december 1992, nr. DVVB/WUP-U-922445; Gelet op [artikel 1, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=1); Gezien de adviezen van de Pensioen- en Uitkeringsraad en de Stichting 1940-1945; De Raad van State gehoord (advies van 3 maart 1993, No. W13.92.0612); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 18 maart 1993, nr. DVVB/WUP-U-93530; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad tot gelijkstelling als bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 juli 1978, dat is genomen voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit doch waarop op die datum door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur een beslissing inzake zijn instemming nog niet is genomen, kan door de Pensioen- en Uitkeringsraad worden afgehandeld als ware die instemming verleend. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**, waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":8390,"b":"Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend de 9de September 1886, aangevuld te Parijs de 4de Mei 1896, herzien te Berlijn de 13de November 1908, aangevuld te Bern de 20ste Maart 1914, herzien te Rome de 2de Juni 1928, en herzien te Brussel de 26ste Juni 1948 Australië, Oostenrijk, België, Brazilië, Canada, Denemarken, Spanje, Finland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, Griekenland, Hongarije, India, Ierland, IJsland, Italië, de Libanon, Liechtenstein, Luxemburg, Marokko, Monaco, Noorwegen, Nieuw-Zeeland, Pakistan, Nederland, Polen, Portugal, Zweden, Zwitserland, Syrië, Tsjechoslowakije, Tunesië, de Unie van Zuid-Afrika, Vaticaanstad en Zuidslavië, Gelijkelijk bezield met de wens om op een zo doeltreffend en eenvormig mogelijke wijze de rechten der auteurs op hun werken van letterkunde en kunst te beschermen, Hebben besloten te herzien en aan te vullen de te Bern op 9 September 1886 ondertekende Akte, aangevuld te Parijs op 4 Mei 1896, herzien te Berlijn op 13 November 1908, aangevuld te Bern op 20 Maart 1914 en herzien te Rome op 2 Juni 1928. Dientengevolge zijn de ondergetekende Gevolmachtigden, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Landen waarvoor deze Conventie geldt, vormen een Verbond voor de bescherming van de rechten der auteurs op hun werken van letterkunde en kunst. Artikel 2 (1). De term „werken van letterkunde en kunst” omvat alle voortbrengselen op het gebied der letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preken en andere werken van dien aard; toneelwerken of dramatisch-muzikale werken; choreografische werken en pantomimes, waarvan de wijze van opvoering bij geschrift of anderszins is vastgelegd; muzikale composities met of zonder woorden; cinematografische werken en werken volgens een"},{"i":4417,"b":"Bestuursreglement van het College ter beoordeling van geneesmiddelen, als bedoeld in artikel 4 Geneesmiddelenwet, houdende de regeling voor de werkwijze van het College Gelet op [artikel 4 Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Definitiebepaling In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **Richtlijn:** [Richtlijn 2001/83/EG](32001L0083) van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik(Pb EG L 136); - b. **Geneesmiddelenwet:** [Wet van 8 februari 2007, Stb. 93, tot vaststelling van een nieuwe Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505); - c. **Minister:** de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - d. **College:** het College ter beoordeling van geneesmiddelen, genoemd in [artikel 2 van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=2); - e. **voorzitter:** de voorzitter van het College; - f. **secretariaat:** het secretariaat, genoemd in [artikel 8 van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=8); - g. **Agentschap:** het agentschap College ter beoordeling van geneesmiddelen dat is opgericht door de Minister van Financiën op grond van de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891) en dat optreedt als baten-lastendienst in de zin van de [Regeling baten-lastendiensten 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021362). Artikel 2. Taken en bevoegdheden College 1. Het College is de bevoegde autoriteit bedoeld in de Richtlijn, belast met de taken bedoeld in [artikel 9 van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=9). 2. Het College stelt beleid en een gedragscode vast, waarin de integriteit van zijn leden, medewerkers van het secretariaat en te raadplegen deskundigen wordt geregeld. 3. Het College onderschrijft de Code ter voorkoming van oneigen"},{"i":7115,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 december 2010, nr. 5678836/10, houdende indexering van de griffierechten van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Regeling indexering griffierechten burgerlijke zaken 2010) Gelet op [artikel 2 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel II Ten aanzien van de griffierechten die verschuldigd zijn geworden vóór de datum van inwerkingtreding van deze regeling blijft het griffierecht zoals het vóór die datum gold, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel IV Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indexering griffierechten burgerlijke zaken 2010. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7543,"b":"Besluit van 6 december 2018 tot wijziging van het Besluit politiegegevens, het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens en het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten ter implementatie van Europese regelgeving over de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (Besluit implementatie richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie, van 6 juli 2018, nr.2309389, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 4a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=4a), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=6), [6c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=6c), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=11), [15a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=15a), [17a, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=17a), [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18), [23, derde lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=23) en de [artikelen 7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=7), [7d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=7d), [16a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=16a), [16b, vierde en zevende lid](onbekend), [39ga](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=39ga), [40, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=40), [42a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=42a), [51b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=51b) en [51f van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":7393,"b":"Wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van inkomen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) en de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315) zodanig te wijzigen dat een jaarlijkse huurverhoging mede afhankelijk is van het huishoudinkomen van de huurder en de overige bewoners van een woonruimte; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel IIa Vervallen Artikel III Vervallen Artikel IV Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister van Financiën zendt binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de door deze wet gewijzigde en toegevoegde artikelen van [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) en de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315). Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5037,"b":"Verlening van ondermandaat door de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Defensie aan de Plaatsvervangend Secretaris-Generaal van het Ministerie van Defensie inzake Mandaatregeling Defensie Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 en Wet veiligheidsonderzoeken Gelet op [artikel 3 van de Mandaatregeling Defensie Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 en Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041001&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Ondermandaat aan de Plaatsvervangend Secretaris-Generaal 1. De Plaatsvervangend Secretaris-Generaal wordt ondermandaat en machtiging verleend tot het beslissen op bezwaar met betrekking tot primaire besluiten tot het weigeren of het intrekken van de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=8) en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=10) juncto [artikel 2 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=2), indien het advies van de Bezwarencommissie Veiligheidsonderzoeken Defensie wordt gevolgd. 2. De Plaatsvervangend Secretaris-Generaal wordt ondermandaat en machtiging verleend tot het beslissen op bezwaar met betrekking tot primaire besluiten tot kennisneming van door of ten behoeve van de MIVD verwerkte gegevens, bedoeld in de [artikelen 74 tot en met 85 van de Wiv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=74). 3. De ondergemandateerde is niet bevoegd tot het verlenen van ondermandaat. Artikel 2. Ondertekening In de ondertekening van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052483&artikel=1&z=2026-04-01&g=2026-04-01) genoemde besluiten brengt de Plaatsvervangend Secretaris-Generaal het ondermandaat en de machtiging tot uitdrukking met de volgende formule: DE MINISTER VAN DEFENSIE voor deze DE PLAATSVERVANGEND SECRETARIS-GENERAAL Handtekening Naam Artikel 3. Intrekking Het [Ondermandaat PSG Defensie inzake VGB’s 202"},{"i":7040,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 29 juni 2007, nr. DGW/BO2007.036878, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging ter uitvoering van artikel 37 van de Huursubsidiewet (Mandaatbesluit CJIB Incasso Huursubsidie) Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur Centraal Justitieel Incasso Bureau van 18 juni 2007; Besluit: Artikel 1 Aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incasso Bureau wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten met betrekking tot de uitvoering van [artikel 37 van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=37), voorzover [dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=37) van toepassing is op grond van [artikel I. Overgangsrecht Huursubsidiewet, zesde lid van Hoofdstuk 2. Overgangs-en slotbepalingen, Aanpassingswet Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018471&artikel=I); - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voorzover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 Aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incasso Bureau wordt: - a. volmacht verleend tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen; - b. machtiging verleend tot het verrichten van alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en ter uitvoering van de besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022177&artikel=1&z=2007-10-12&g=2007-10-12); - c. machtiging verleend tot het voeren van beroepsprocedures over besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022177&artikel=1&z=2007-10-12&g=2007-10-12). Artikel 3 De algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incasso Bureau kan met betrekking tot zijn bevoegheden, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022177&artikel=1&z=2007-10-12&g=2007-10-12) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022177&a"},{"i":3548,"b":"Besluit van 17 december 2004, houdende regels ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275) (Besluit handel in emissierechten) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juni 2004, nr. MJZ2004065798, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 16.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.1), [16.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.6), [16.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.12), [16.14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.14), [16.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.21) en [16.22 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.22); De Raad van State gehoord (advies van 15 juli 2004, nr. W08.04.0315/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 december 2004, nr. MJZ2004100407, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: accreditatie-instantie: nationale accreditatie-instantie, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en marktoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU L 218); brandstof: gasvormige, vloeibare of vaste stof, met inbegrip van alle daaraan toegevoegde stoffen, dienend"},{"i":3172,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 15 juli 2024 nr. BOACAT2024/088, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Afdeling Veiligheid & Wijken, team Toezicht Sociaal Domein (voorheen Fraudebestrijding) van de gemeente Tilburg Gelezen het verzoek van de gemeente Tilburg van 8 juli 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050054&artikel=2&z=2024-07-24&g=2024-07-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder Participatiewet (Sociaal Rechercheur) in dienst bij de afdeling Veiligheid & Wijken, team Toezicht Sociaal Domein (voorheen Fraudebestrijding) van de gemeente Tilburg, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, zoals opgenomen in de [bijlage bij"},{"i":5005,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 december 2016, kenmerk 1046896-158169-Z, houdende nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2016 Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2016 is voor de beheerskosten [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) van de Wlz-uitvoerders en de zorgkantoren, bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet langdurige](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1) ten laste van het Fonds langdurige zorg, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), € 7,730 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037633&artikel=1). Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038983&artikel=1&z=2016-12-30&g=2016-12-30) genoemde bedrag is € 7,198 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) en € 0,532 miljoen voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken. Artikel 3 Uit het bedrag, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038983&artikel=2&z=2016-12-30&g=2016-12-30), voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4 tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), wordt aan zorgkantoren incidenteel in totaal maximaal een bedrag van € 1,500 miljoen beschikbaar om zorgkantoren te compenseren in de beheerskostenbudgetten voor extra kosten die gemaakt worden in de zaken tegen frauderende zorgverleners en tegen cliënten die niet te goeder trouw zijn. Het betreft hier zaken die onder de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) zijn ontstaan,"},{"i":7031,"b":"Wet van 21 december 2022 tot intrekking van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (afschaffing verhuurderheffing) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verhuurderheffing af te schaffen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I De [Wet maatregelen woningmarkt 2014 II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034553) wordt ingetrokken. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel III Wijzigt het Belastingplan 2019. Artikel IV De [Wet maatregelen woningmarkt 2014 II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034553), het [Besluit vermindering verhuurderheffing 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034554) en de [Regeling vermindering verhuurderheffing 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034548), zoals die luidden op 31 december 2022, blijven van toepassing op heffingsjaren vóór 1 januari 2023. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2023, met uitzondering van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047712&artikel=II&z=2024-01-01&g=2024-01-01) dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2024. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7550,"b":"Besluit mandaatverlening, machtiging en tekenbevoegdheid Algemene verordening gegevensbescherming SSO Organisatie en Personeel 2018 Gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037135&artikel=13) en [14 van het Organisatie- en mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037135&artikel=14), de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038862&artikel=5) en [6 van het Organisatie- en mandaatbesluit directoraat-generaal Belastingdienst 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038862&artikel=6), alsmede artikel 12 van de Algemene verordening gegevensbescherming en [artikel 34 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=34); Besluit: Artikel 1 1. De directeur van de Shared service organisatie Organisatie en Personeel, thans nog kwartiermaker beoogd directeur, heeft mandaat voor het nemen van besluiten op verzoeken krachtens de artikelen 15 tot en met 22 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, alsmede voor het nemen van beslissingen op het bezwaar tegen voornoemde besluiten. 2. De functionaris, genoemd in het eerste lid, kan met betrekking tot het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid ondermandaat verlenen aan door hem aan te wijzen medewerkers van de Belastingdienst. 3. De functionaris, genoemd in het eerste lid, en de medewerkers, bedoeld in het tweede lid, oefenen de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, niet uit voor zover de afhandeling uitdrukkelijk is voorbehouden door een hogergeplaatste functionaris dan wel de afhandeling door een hogergeplaatste functionaris noodzakelijk of gewenst is. Artikel 2 1. De functionaris, genoemd in artikel 1, eerste lid, is gemachtigd tot de behandeling van procedures bij de rechtbanken inzake besluiten als bedoeld in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041114&artikel=1&z=2018-07-06&g=2018-07-06)."},{"i":5003,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2014, houdende nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2014 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2014 is voor de beheerskosten AWBZ van de zorgverzekeraars en de verbindingskantoren ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), € 45,012 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034697&artikel=1). Artikel 2 Uit het bedrag, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036030&artikel=1&z=2014-12-30&g=2014-12-30), wordt aan verbindingskantoren in totaal maximaal een bedrag van € 14,000 miljoen beschikbaar gesteld voor de kosten die de wettelijke opvolgers van verbindingskantoren moeten maken op grond van een sociaal plan voor medewerkers van wie als gevolg van de invoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) het vaste dienstverband per 1 januari 2015 wordt beëindigd. De kosten worden naar werkelijke kosten en na goedkeuring van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vergoed. Indien niet alle kosten uit het bedrag kunnen worden vergoed worden de kosten naar evenredigheid van de in aanmerking komende en goedgekeurde kosten per verbindingskantoor vergoed. Artikel 3 Uit het bedrag, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036030&artikel=1&z=2014-12-30&g=2014-12-30), wordt aan verbindingskantoren in totaal maximaal een bedrag van € 14,400 miljoen beschikbaar gesteld voor kosten die na 2014 worden gemaakt en toe te schrijven zijn aan de afwikk"},{"i":7041,"b":"Mandaatbesluit Defensie aanwijzen personen ten behoeve van uitvoeren confrontaties en maken van opnamen daartoe Besluit: Artikel 1 Aan de Commandant Koninklijke Marechaussee wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten op grond van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013362&artikel=4) en [6 van het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013362&artikel=6). Artikel 2 In de ondertekening van de besluiten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025826&artikel=1&z=2009-05-16&g=2009-05-16), wordt het mandaat tot uitdrukking gebracht door gebruikmaking van het volgende ondertekeningsblok: De Minister van Defensie, Voor deze, De Commandant Koninklijke Marechaussee, (handtekening van de gemandateerde) (naam van de gemandateerde) Artikel 3 De bevoegdheid tot het nemen van de besluiten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025826&artikel=1&z=2009-05-16&g=2009-05-16), wordt niet in ondermandaat doorverleend. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal worden geplaatst in de Staatscourant en in de reeks ministeriële publicaties 10-003 van het Ministerie van Defensie."},{"i":5004,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 januari 2016, kenmerk 874087-144486-Z, houdende nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2015 (nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2015) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2015 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de zorgkantoren ten laste van het Fonds langdurige zorg, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), € 9,865 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036415&artikel=1). Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037534&artikel=1&z=2016-01-19&g=2016-01-19) genoemde bedrag is € 6,476 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) en € 3,389 miljoen voor de overige bij of krachtens die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken. Artikel 3 Uit het bedrag, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037534&artikel=2&z=2016-01-19&g=2016-01-19), voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4 tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), wordt aan zorgkantoren incidenteel in totaal maximaal een bedrag van € 2,000 miljoen beschikbaar gesteld voor externe juridische kosten naar aanleiding van huisbezoeken PGB. De kosten worden naar werkelijke kosten en na goedkeuring van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vergoed. Indien niet alle kosten uit het bedrag kunnen worden vergoed, worden de kosten naar evenredigheid van de in aanmerking komende en goedgekeurde kosten per z"},{"i":8396,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingszaken van 29 oktober 2013, nr. DJZ/BR/0673-13, houdende aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Wet verdrag chemische wapens BES Gelet op [artikel 12 van de Wet verdrag chemische wapens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028248&artikel=12); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Wet Verdrag Chemische Wapens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028248) bepaalde, worden aangewezen: de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, waaronder mede begrepen de inspecteur, bedoeld in [artikel 1.1, aanhef en onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=1.1). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Wet Verdrag Chemische Wapens BES. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8400,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 24 augustus 2022, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Ghana, Ambassade Accra, Besluit Beperking Openbaarheid Accra, (1967) 1985-2012 (2013) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 27 juli 2022, referentie 33272583; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 4 | 2090 | | 20 | 2083 | | 73 | 2087 | | 121 | 2078 | | 128 | 2084 | | 181 | 2081 | | 182 | 2068 | | 184 | 2071 | | 193 | 2071 | | 194 | 2073 | | 207 | 2073 | | 211 | 2069 | | 257 | 2071 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047094&artikel=1&z=2022-09-02&g=2022-09-02), is, tot openbaring, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. (De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging in de inventarisnummers, volgens de procedures die gelden voor inzage in archieven met (bijzondere) persoonsgegevens). Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047094&artikel=1&z=2022-09-02&g=2022-09-02) is, tot openbaarwording, uitsluitend"},{"i":8402,"b":"Besluit CAK ondermandaat broninhouding bijdrage voor verdragsgerechtigden gelet op [artikel 18 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=18), heeft op 1 januari 2017 besloten: Artikel 1 1. Aan de in [artikel 69, zevende lid, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69) bedoelde inhoudingsorganen wordt ondermandaat verleend en voor zover nodig de bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat om namens het CAK bij beschikking het bedrag van de bijdrage, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet vast te stellen dat zij op door hen verschuldigd pensioen of rente inhouden. 2. Het inhoudingsorgaan, bedoeld in het eerste lid, voert het mandaat uit met inachtneming van [Hoofdstuk 6, paragraaf 3, van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&paragraaf=3). Artikel 2 Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit CAK ondermandaat broninhouding bijdrage voor verdragsgerechtigden Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017."},{"i":5149,"b":"Protocol Accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2024 1. Inleiding De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) steunt bij het uitvoeren van de toezichtstaken op de controlewerkzaamheden van de accountant van het CAK. Dit Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2024 (hierna: protocol)1Op basis van artikel 31 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) kan de NZa regels stellen voor de inhoud en inrichting van de controleverklaring en van het accountantsverslag zoals bedoeld in artikel 4.3.1 van de Wlz. Artikel 6.2.6 (lid 1) van de Wlz geeft aan dat artikel 4.3.1 (lid 1 tot en met 4) van de Wlz van overeenkomstige toepassing is op het CAK. beschrijft de minimale werkzaamheden van de accountant alsook de op te leveren accountantsproducten. De NZa heeft in het [Model Jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording 2024](onbekend) (hierna: model) voorschriften opgenomen voor de inrichting van de bestuurlijke verantwoording van het CAK. Dit protocol geeft richtlijnen voor het door de accountant uit te voeren onderzoek naar de in de bestuurlijke verantwoording opgenomen matrix van in- en uitgaande financiële stromen op kasbasis en toelichtingen daarop en de financiële overzichten van de activa en passiva van de financiële stromen en toelichtingen daarop. Het onderzoek betreft in de basis een controleopdracht conform [Standaard 800 van de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden](onbekend) (NV COS). De overige onderdelen van de bestuurlijke verantwoording worden voor dit onderzoek aangemerkt als ‘andere informatie’, waarop [Standaard 720 van de NV COS](onbekend) van toepassing is. In de bestuurlijke verantwoording legt het CAK verantwoording af met betrekking tot de uitvoering van vier wettelijke regelingen en taken. Dit betreffen: De accountant geeft de uitkomst van zijn onderzoek weer in een gecombineerde controleverklaring over de getrouwheid van de in de bestuurlijke verantwoording opgenomen financiële stromen in de matrix en"},{"i":8403,"b":"Besluit van 16 september 2020 nr. 2020001673, houdende departementale herindeling met betrekking tot de coördinatie van de uitvoeringswerkzaamheden voortkomende uit richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU, L 255) Op de voordracht van Onze Minister- President, Minister van Algemene Zaken d.d. 11 september 2020, kenmerk 3745464; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN; Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat wordt belast met de behartiging van aangelegenheden betreffende de coördinatie van de uitvoeringswerkzaamheden voortkomende uit richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU, L 255) voor zover deze voor 1 januari 2021 was opgedragen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 De taken van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044130&artikel=1&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044130&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021 Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Ko"},{"i":3334,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 oktober 2022 nr. BOACAT2022/068, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Waddinxveen Gelezen het verzoek van gemeente Waddinxveen van 28 juli 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047307&artikel=2&z=2024-11-06&g=2024-11-06). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving in dienst van gemeente Waddinxveen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijs"},{"i":8405,"b":"Besluit van 28 februari 1962, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de artikelen 2, 3 en 11 van de wet van 27 september 1961, Stb. 303, tot uitvoering van het op 20 juni 1956 te New York gesloten verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 14 december 1961, Directie Kinderbescherming, Stafbureau Algemene Beleidsvragen en Juridische Zaken, nr. 329/761; Gelet op de artikelen 2, 3 en 11 van de wet van 27 september 1961, **Stb.** 303, tot uitvoering van het op 20 juni 1956 te New York gesloten verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud; De Raad van State gehoord (advies van 24 januari 1962, nr. 33); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 20 februari 1962, Directie Kinderbescherming, Stafbureau Algemene Beleidsvragen en Juridische Zaken, nr. 34/762; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: \"het verdrag\": het op 20 juni 1956 te New York gesloten verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud (**Trb.** 1957, 121); \"de uitvoeringswet\": de wet van 27 september 1961, **Stb.** 303, tot uitvoering van het verdrag. Artikel 2 Als verzendende instelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het verdrag, treedt op het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. Artikel 3 Als ontvangende instelling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het verdrag, treedt op het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. Artikel 4 De verzendende instelling doet overeenkomstig artikel 4, derde lid, van het verdrag een aanbeveling tot kosteloze rechtsbijstand en vrijstelling van kosten, indien de verzoeker bij behandeling van de zaak hier te lande in de termen zou vallen voor toelating om kosteloos te procederen. Artikel 5 1. De verzendende instelling houdt een nauwkeurige administratie van de door haar aan de ontvangende instellingen van de andere Staten, die partij zijn bij he"},{"i":8406,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 oktober 2023, nr. Min-Buza.2023.19915-24, tot geheimverklaring van opdrachten in het kader van de organisatie van de NAVO-top in 2025 in Nederland Gelet op [artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23); Besluit: Opdrachten in het kader van de organisatie van de NAVO-top 2025 worden geheim verklaard in de zin van de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203). Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5013,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 februari 2024, kenmerk 3759989-1060734-Z, houdende vaststelling van een nadere aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2024 (Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2024) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2024 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 46,213 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048749&artikel=1). Artikel 2 Van het genoemde bedrag in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049358&artikel=1&z=2024-02-14&g=2024-02-14) is € 46,213 miljoen bestemd voor de Sociale verzekeringsbank. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8407,"b":"Besluit van 13 april 1994, houdende regels over de non-activiteitswedde van rijksambtenaren die lid zijn van de Staten-Generaal of het Europees Parlement en wijziging van enkele rechtspositieregelingen, alsmede inwerkingtreding van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 22 februari 1994, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving, nr. CW94/U217; Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612&artikel=4), vijfde lid, 5, tweede lid, en [12 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 22 maart 1994, no. W.04.94.0093); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 6 april 1994, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving, nr. CW94/363; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612); - b. bezoldiging: laatstelijk in zijn ambt genoten bezoldiging, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, tweede zin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612&artikel=4); - c. loon: het laatstelijk in zijn ambt genoten loon, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, eerste zin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612&artikel=4); - d. non-activiteitswedde: non-activiteitswedde, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006612&artikel=4). Artikel 2 Indien het loon of de bezoldiging niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt, wordt gerekend met het bedrag dat gemiddeld per maand is toegekend in de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip waarop betrokkene op non-activiteit is gesteld. Voor zover betrokkene op dat tijdstip nog geen drie kalendermaanden in dienst is geweest, wordt g"},{"i":8434,"b":"Briefwisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) inzake de “First Research Coordination Meeting on Preservation and Protection of Cultural Heritage through Synergistic Authentication and Provenance”, te Amsterdam, Nederland, van 8 tot en met 12 juni 2026"},{"i":8410,"b":"Besluit van 31 augustus 1963, houdende uitvoeringsvoorschriften met betrekking tot opties voor het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 11 van het Nederlands-Duits Grensverdrag Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 31 juli 1963, Hoofdafdeling Privaatrecht, Afdeling Nationaliteitsaangelegenheden, Nr. 444/163; Gelet op artikel 13 van de wet van 22 mei 1963, **Stb.** 238, houdende vaststelling van de [Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002412); De Raad van State gehoord (advies van 14 augustus 1963, nr. 33); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie a.i. van 22 augustus 1963, Hoofdafdeling Privaatrecht, Afdeling Nationaliteitsaangelegenheden, nr. 475/163; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Een verklaring van nationaliteitskeuze als bedoeld in artikel 11, lid 2, van het Grensverdrag kan worden gedaan aan de burgemeester van de gemeente, waar de optant bij het inwerkingtreden van het verdrag woonplaats heeft. 2. Van een verklaring van nationaliteitskeuze wordt een proces-verbaal in vier-voud opgemaakt. Daarin dienen te worden vermeld: de geslachtsnaam en de voornamen van de optant, de plaats en datum van diens geboorte, de woonplaats op 30 juni 1959, op de datum waarop het verdrag in werking is getreden en op de datum waarop de verklaring is afgelegd. 3. Indien de optant is gehuwd, dient het proces-verbaal tevens te bevatten de voorhuwelijkse geslachtsnaam van de echtgenote, haar voornamen en de plaats en datum van haar geboorte, terwijl, indien hij kinderen heeft die op het tijdstip waarop de verklaring wordt afgelegd de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, de voornamen en de plaats en datum van geboorte van deze kinderen dienen te worden vermeld. 4. Indien de optant een vrouw is, wier optieverklaring ten aanzien van haar kinderen gevolg heeft, dienen in het proces-verbaal te worden vermeld de geslachtsnaam en de voornamen en de plaats en datum van geboorte van d"},{"i":8411,"b":"Besluit van de Raad van de Europese Unie van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen De Raad van de Europese Unie, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 269, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, inzonderheid op artikel 173, Gezien het voorstel van de Commissie1)PB C 274 E van 28.9.1999, blz. 39., Gezien het advies van het Europees Parlement2)Advies uitgebracht op 17 november 1999 (PB C 189 van 7.7.2000, blz. 79)., Gezien het advies van de Rekenkamer3)PB C 310 van 28.10.1999, blz. 1., Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité4)PB C 368 van 20.12.1999, blz. 16., Overwegende hetgeen volgt: De Europese Raad van Berlijn van 24 en 25 maart 1999 heeft onder meer geconcludeerd dat het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen billijk, doorzichtig, kosteneffectief en eenvoudig moet zijn, en dat het gebaseerd moet zijn op criteria die het bijdragevermogen van iedere lidstaat het best weerspiegelen. Het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen moet de zekerheid bieden van toereikende middelen voor een geordende ontwikkeling van het beleid van de Gemeenschappen, waarbij de noodzaak van een strakke begrotingsdiscipline niet uit het oog mag worden verloren. De beste gegevens moeten worden gebruikt voor de begroting van de Europese Unie en de eigen middelen van de Gemeenschappen; de toepassing van het Europese stelsel van economische rekeningen (ESR 95) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2223/961)PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 448/98 (PB L 58 van 27.2.1998, blz. 1). zal de meting van de gegevens van de nationale rekeningen verbeteren. zal de meting van de gegevens van de nationale rekeningen verbeteren. Ten behoeve van de eigen middelen moeten de meest recente concepten inzake statistiek worden gebruikt; dienovereenkomstig moet het bruto nationaal product (B"},{"i":8414,"b":"Besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de voorrechten en immuniteiten die aan het Instituut voor veiligheidsstudies en het Satellietcentrum van de Europese Unie, alsmede aan hun organen en de leden van hun personeel worden verleend De vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, Overwegende hetgeen volgt: Met het oog op een soepele werking van het Instituut en het Satellietcentrum voor veiligheidsstudies van de Europese Unie, die door de Raad als onafhankelijke agentschappen van de Europese Unie zijn opgericht2)Gemeenschappelijke Optredens 2001/554/GBVB (PB L 200 van 25.7.2001, blz. 1) en 2001/555/GBVB (PB L 200 van 25.7.2001, blz. 5). (hierna „Agentschappen van de Europese Unie\" genoemd), dienen aan deze nieuwe entiteiten en aan hun personeel, uitsluitend inhet belang van de Europese Unie, de voor hun werking onontbeerlijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten te worden verleend, (hierna „Agentschappen van de Europese Unie\" genoemd), dienen aan deze nieuwe entiteiten en aan hun personeel, uitsluitend inhet belang van de Europese Unie, de voor hun werking onontbeerlijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten te worden verleend, Besluiten: Artikel 1. Immuniteit van rechtsvervolging en vrijstelling van huiszoeking, beslaglegging, vordering, verbeurdverklaring en iedere andere vorm van dwangmaatregel De lokalen en gebouwen, de eigendommen, fondsen en bezittingen van de Agentschappen van de Europese Unie, ongeacht waar deze zich op het grondgebied van de lidstaten bevinden en ongeacht wie deze onder zich heeft, zijn vrijgesteld van huiszoeking, beslaglegging, vordering, verbeurdverklaring en iedere andere vorm van dwangmaatregel van bestuurlijke of gerechtelijke aard. Artikel 2. Onschendbaarheid van archieven De archieven van de Agentschappen van de Europese Unie zijn onschendbaar. Artikel 3. Vrijstelling van"},{"i":8415,"b":"Besluit van de Vertegenwoordigers van de regeringen van de Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, van 25 juni 1996 betreffende de opstelling van een nood reisdocument De vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, Zich ervan bewust dat de invoering van een uniform reisdocument voor noodgevallen dat de Lid-Staten verstrekken aan burgers van de Unie op plaatsen waar hun land van herkomst geen permanente diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging heeft, of in andere omstandigheden die in de in bijlage II van dit besluit neergelegde regels zijn vastgelegd, in overeenstemming is met artikel 8 C van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Overwegende dat de invoering van dit nood-reisdocument, naar verwacht, daadwerkelijk hulp zal bieden aan in nood verkerende burgers van de Unie, Ervan overtuigd dat de invoering van zo’n document derhalve een duidelijke demonstratie zal zijn van de praktische voordelen van het burgerschap van de Unie, Besluiten: Artikel 1 Er wordt een nood-reisdocument opgesteld waarvan het uniforme model is opgenomen in bijlage I, die een integrerend deel van dit besluit vormt. De regels voor de afgifte van het nood-reisdocument, alsmede de daaraan verbonden veiligheidsmaatregelen, zijn opgenomen in de bijlagen II en III en vormen een integrerend deel van dit besluit. Deze regels kunnen met eenparigheid van stemmen door de Lid-Staten worden gewijzigd. De wijzigingen worden een maand later van kracht, tenzij een Lid-Staat om bespreking op ministerieel niveau verzoekt. Artikel 2 Dit besluit wordt van kracht wanneer alle Lid-Staten het Secretariaat-generaal van de Raad ervan in kennis hebben gesteld dat de op grond van hun interne rechtsorde vereiste procedures voor de toepassing van dit besluit zijn afgerond. Artikel 3 Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publikatieblad. GEDAAN te Luxemburg, 25 juni 1996. Voor de Raad De Voorzitter M. PINTO"},{"i":8417,"b":"Besluit van 1 februari 2007, houdende de vaststelling van de beeldenaar van de nationale zijde van de Nederlandse twee-euromunt die in 2007 wordt uitgegeven ter gelegenheid van 50 jaar Verdrag van Rome Op voordracht van Onze minister van Financiën van 29 januari 2007, FM 2007-0179 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële markten, Afdeling Algemeen en internationaal; Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2007/52. Artikel 1 1. De beeldenaar van de nationale zijde van de Nederlandse twee-euromunt die in 2007 wordt uitgegeven ter gelegenheid van 50 jaar Verdrag van Rome is, overeenkomstig onderstaande afbeelding, in de kern binnen de ring met twaalf sterren, tegen de achtergrond van het door Michelangelo ontworpen plaveisel van het Piazza del Campidoglio, het Verdrag van Rome ondertekend door de zes oprichtende lidstaten met boven het Verdrag het woord «EUROPA», onder het plaveisel «KONINKRIJK DER NEDERLANDEN» met daarboven het teken van de muntmeester « », het jaartal 2007 en het teken van de Munt « » en boven het plaveisel «VERDRAG VAN ROME» met daaronder «50 jaar». 2. Het randschrift van de twee-euromunt is «GOD * ZIJ * MET * ONS *». Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2007. Onze minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8418,"b":"Besluit van 9 februari 2022 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2022 worden uitgegeven ter gelegenheid van het dertigjarig jubileum van de ondertekening van het Verdrag van Maastricht Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 3 februari 2022, nr. 2022-0000019604, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die worden uitgegeven ter gelegenheid van het dertigjarig jubileum van de ondertekening van het Verdrag van Maastricht zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en profil, daaromheen een cirkel met de tekst «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN», met daaromheen hoeken uiteenlopend in achttien hoekpunten aan de buitenzijde, voorzien van twaalf sterren van wisselende grootte; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden een klassiek tempelfront met drie zuilen met lijnen die uiteenlopen naar twaalf vulpennen met sterren langs de buitenzijde, langs de bovenzijde de tekst «30 JAAR VERDRAG VAN MAASTRICHT», daaronder twaalf sterren en de tekst «€ 5» onderscheidenlijk «€ 10», ter linkerzijde het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt en het jaartal «1992», en ter rechterzijde het teken van de Muntmeester en het jaartal «2022»; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046"},{"i":8419,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) over periode vanaf 2002 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 8 december 2011, nr. aca-2011.06264/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie en diens taakvoorganger de Nederlandse Accreditatieorganisatie, over de periode vanaf 2002’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8420,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting Raad voor Accreditatie periode vanaf 1 januari 2010 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van de Stichting Raad voor Accreditatie (RvA) voor de periode vanaf 1 januari 2010 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt ingetrokken: - •. [Selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Raad voor Accreditatie voor de periode vanaf 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039981), Staatscourant 2017, nr. 51956 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8422,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 december 2022, nr. Min-BuZa.2022.14738-9, tot het verlenen van machtiging aan de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Financiën in het kader van de Nederlandse afdrachten aan de Europese Unie en ontvangsten vanuit het Europees herstelfonds Gelet op het convenant ‘Versterking van het controleproces van de Nederlandse afdrachten aan de Europese Unie en ontvangsten vanuit het Europees herstelfonds’ (verder: het Convenant); Besluit: Artikel 1 De Minister van Buitenlandse Zaken machtigt de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Financiën om namens de Minister van Buitenlandse Zaken feitelijke handelingen te verrichten die verband houden met de in het Convenant onder punt 2 en 3 genoemde taken. Artikel 2 De Secretaris-Generaal van het Ministerie van Financiën kan met betrekking tot de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047779&artikel=1&z=2023-01-18&g=2023-01-18), machtiging verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 3 De machtiging geldt voor de duur van het Convenant. Artikel 4 Dit besluit wordt bekendgemaakt door toezending aan betrokkene en wordt in afschrift verzonden aan de directie Juridische Zaken, afdeling Nederlands recht."},{"i":8426,"b":"Betalingsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Roemeense Volksrepubliek, anderzijds Le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas, et Le Gouvernement du Royaume de Belgique, tant en son nom qu'au nom du Gouvernement du Grand-Duché de Luxembourg, en vertu d'accords existants, Ces Gouvernements agissant en commun en vertu du Protocole relatif à la politique commerciale conclu entre eux le 9 décembre 1953, d'une part, et Le Gouvernement de la République Populaire Roumaine, d'autre part, Animés du désir de régler le trafic des paiements entre leurs territoires, Sont convenus des dispositions suivantes: Article I Le régime de paiement entre la Zone monétaire néerlandaise et la Zone monétaire belge, d'une part, et la Roumanie, d'autre part, est fixé dans le présent Accord. Article II 1. Au nom de la Banque Roumaine pour le Commerce Extérieur deux comptes seront ouverts, l'un en francs belges dans les livres de la Banque Nationale de Belgique, l'autre en florins néerlandais dans les livres de la Nederlandsche Bank. 2. Les banques agréées belges et luxembourgeoises et les banques agréées néerlandaises pourront ouvrir des comptes respectivement en francs belges ou francs luxembourgeois et en florins néerlandais à la Banque Roumaine pour le Commerce Extérieur. Article III 1. Les avoirs au crédit des comptes francs belges, francs luxembourgeois et florins néerlandais prévus à l'article II, seront librement convertibles en l'une de ces monnaies. 2. Les avoirs au crédit de ces comptes francs belges et francs luxembourgeois seront convertibles sur le marché des changes en Union Economique Belgo-Luxembourgeoise et librement transférables entre résidents de pays compris dans la Zone convertible du franc belge, en conformité avec la réglementation des changes en vigueur dans la Zone monétaire belge. 3. Les avoirs au crédit de ces comptes florins néerlandais seront convertibles sur le marché des changes aux Pays-Bas"},{"i":8427,"b":"Betalingsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Uruguay Ter regeling van het toekomstige betalingsverkeer tusschen de Nederlandsche monetaire zone en de Republiek Uruguay, zijn de Regeering van Uruguay eenerzijds en de Nederlandsche Regeering anderzijds het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van de huidige overeenkomst wordt onder Nederlandsche monetaire zone verstaan: Het Rijk in Europa, Nederlandsch Oost-Indië, Suriname en Curaçao. Artikel 2 De Nederlandsche Bank, handelende voor rekening van de Nederlandsche Regeering, zal op naam van de Banco de la República Oriental del Uruguay, handelende voor rekening van de Uruguayaansche Regeering, een rekening in Nederlandsche guldens openen, genaamd „Speciale rekening Uruguay”, op het credit van welke rekening alle bedragen zullen worden geboekt, bestemd ter regeling van de loopende betalingen, welke natuurlijke of rechtspersonen, gevestigd in de Nederlandsche monetaire zone, zullen hebben te doen in het kader van de Deviezenwetgeving, welke in de Nederlandsche monetaire zone van kracht is ten gunste van natuurlijke en rechtspersonen, gevestigd in Uruguay. Artikel 3 De Banco de la República Oriental del Uruguay zal door het debet van de in artikel 2 van dit accoord bedoelde rekening alle loopende betalingen verrichten, welke natuurlijke of rechtspersonen, gevestigd in Uruguay, zullen hebben te doen in het kader van de Deviezenwetgeving, welke in Uruguay van kracht is, ten gunste van natuurlijke en rechtspersonen, gevestigd in de Nederlandsche monetaire zone. De transacties zullen kunnen geschieden, of wel direct tusschen de beide vorengenoemde bankinstellingen, of wel door middel van banken of instellingen welke zijn gemachtigd tot het onderling openen van „speciale Uruguayaansche particuliere rekeningen”. Artikel 4 De overmaking van kapitaal zal in het kader van deze overeenkomst niet kunnen geschieden dan na gemeenschappelijke goedkeuring door de Nederlandsche Bank en de Ba"},{"i":8428,"b":"Bijkomend Verdrag aan het Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens inzake een vrijstelling voor het gecombineerd vervoer De Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden – geleid door de wens de mogelijkheid te scheppen om motorvoertuigen die voor gecombineerd vervoer worden gebruikt vrij te stellen van de verplichting tot het betalen van het gebruiksrecht ingevolge [artikel 3 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001210&artikel=3) op het grondgebied van die Verdragsluitende Partijen die zulks wensen en – gelet op de toetreding van de Regering van het Koninkrijk Zweden tot bovengenoemd [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001210) zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Onverminderd de overige bepalingen van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001210) van 9 februari 1994 kan elke Verdragsluitende Partij voor haar eigen grondgebied motorvoertuigen die worden gebruikt voor gecombineerd vervoer van goederen in de zin van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de verplichting tot het betalen van het gebruiksrecht ingevolge [artikel 3 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001210&artikel=3) van 9 februari 1994 of reeds betaalde heffingen terugbetalen. In dit verband dient iedere vorm van discriminatie op grond van nationaliteit te worden uitgesloten. 2. Indien een Verdragsluitende Partij gebruik maakt van de in het eerste lid genoemde mogelijkheid, stelt zij de andere Verdragsluitende Partijen in het kader van de Coördinatiecommissie ([artikel 14 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001210&artikel=14)) in kennis van de vorm en inhoud van de procedure die voor de vrijstelling of terugbetaling zal worden gebruikt. Ar"},{"i":8430,"b":"Bijzondere Overeenkomst tussen de Regering van de Franse Republiek, de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake veiligheidsvraagstukken met betrekking tot de treinen via de vaste kanaalverbinding De Regering van de Franse Republiek, de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland Hierna gezamenlijk te noemen „de Overeenkomstsluitende Partijen” en elk afzonderlijk „een Overeenkomstsluitende Partij”; Gelet op het Verdrag tussen de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de bouw en de exploitatie door privé-concessionarissen van een vaste kanaalverbinding, ondertekend te Canterbury op 12 februari 1986 (hierna te noemen „het Verdrag van Canterbury van 12 februari 1986”); Gelet op de Overeenkomst tussen de Regering van de Franse Republiek, de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, tot wijziging en aanvulling van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, met betrekking tot het treinverkeer tussen België en het Verenigd Koninkrijk via de vaste kanaalverbinding met Protocol, gedaan te Brussel op 15 december 1993, gedaan te Brussel op 7 juli 2020 (hierna te noemen „de Quadripartiete Overeenkomst”) en met name Artikel 3 daarvan, dat Artikel 2, tweede lid, wijzigt; Gelet op de principes van de Intentieverklaring die is aangenomen door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland op 21 februari 2017 en de Regering van de Franse Republiek op 7 maart 2017. Zijn het volgende overeengekomen: A"},{"i":8431,"b":"Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds Canada, enerzijds, en De Europese Unie, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd, vastbesloten: Verder te versterken hun nauwe economische banden en voort te bouwen op hun respectieve rechten en verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie van 15 april 1994 en andere multilaterale en bilaterale samenwerkingsinstrumenten; Tot stand te brengen een uitgebreide en betrouwbare markt voor hun goederen en diensten door de verlaging of afschaffing van handels- en investeringsbelemmeringen; Vast te stellen duidelijke, transparante, voorspelbare en tot wederzijds voordeel strekkende regels voor hun handel en investeringen; En Opnieuw bevestigende dat zij sterk gehecht zijn aan de democratie en de grondrechten die zijn vastgelegd in De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, gedaan te Parijs op 10 december 1948, en van oordeel zijnde dat de verspreiding van massavernietigingswapens een ernstige bedreiging voor de internationale veiligheid vormt; Erkennende het belang van internationale veiligheid, democratie, mensenrechten en de rechtsstaat voor de ontwikkeling van de internationale handel en de economische samenwerking; Erk"},{"i":8432,"b":"Brede en versterkte Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds PREAMBULE het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507), het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033), hierna „de lidstaten” genoemd, De Europese Unie, en De Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „Euratom” genoemd, enerzijds, en de Republiek Armenië anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd Rekening houdend met de sterke banden tussen de partijen en de waarden die zij delen, en met hun wens om de banden die in het verleden tot stand zijn gebracht door de [partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, verder te ontwikkelen tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001348), dat op 22 april 1996 te Luxemburg is ondertekend en op 1 juli 1999 in werking is getreden (PSO) en nauwe en intensieve samenwerking te bevorderen die is gebaseerd op gelijk partnerschap in he"},{"i":6925,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 20 oktober 2025, nr. IENW/BSK-2025/258343, houdende toekenning van de bevoegdheid genoemd in artikel 20, vierde lid, Wet personenvervoer 2000 aan Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel Handelende in overeenstemming met Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel; Gelet op [artikel 20, vierde lid, Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20); BESLUIT: Artikel 1 Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel zijn bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein voor de volgende vervoersdiensten, die de daarbij aangegeven stations verbinden: | Vervoersdienst: | Stations: | | --- | --- | | Zwolle – Kampen | Zwolle, Zwolle Stadshagen, Kampen. | | Zwolle – Enschede | Zwolle, Heino, Raalte, Nijverdal, Wierden, Almelo, Almelo De Riet, Borne, Hengelo, Enschede Kennispark, Enschede. | | Almelo – Hardenberg | Almelo, Vriezenveen, Daarlerveen, Vroomshoop, Mariënberg, Hardenberg. | | Oldenzaal – Lochem, als onderdeel van de treindienst Oldenzaal – Zutphen | Oldenzaal, Hengelo Oost, Hengelo, Hengelo Gezondheidspark, Delden, Goor en Lochem. | | Enschede – Glanerbrug, als onderdeel van de treindiensten Enschede – Münster en Enschede – Dortmund | Enschede, Enschede De Eschmarke, Glanerbrug. | Artikel 2 De volgende besluiten worden ingetrokken: - a. Besluit tot aanwijzing vervoersdiensten waarvoor het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein (Stcrt. 2005, 52); - b. [Besluit tot aanwijzing vervoersdiensten waarvoor het dagelijks bestuur van Regio Twente bevoegd is tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor regionaal openbaar vervoer per trein](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018308) (Stcrt. 2005, 92); - c. [Besluit tot aanwijzing vervoersdienst waarvoor het"},{"i":2759,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2005 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986; Gelet op artikel 31 onderdeel i, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988; Gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984, alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i van die regeling, stelt op 16 juni 2005, doch niet later dan 15 juli 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,723 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2005 en eindigende met 15 juli 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89)"},{"i":2830,"b":"Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1977 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen vastgesteld krachtens [artikel 9, achtste lid, der Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9), per 30 september 1976 ten minste één procent afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1975; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijke Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1977 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 7. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1977."},{"i":8436,"b":"Briefwisseling tussen de Nederlandse, de Belgische en de Luxemburgse Regeringen, enerzijds, en de Regering van de Poolse Republiek, anderzijds, houdende een overeenkomst inzake de afschaffing van de visumplicht **Voor het Koninkrijk België:** (w.g.) W. CLAES Willy Claes Minister van Buitenlandse Zaken **Voor het Groothertogdom Luxemburg:** (w.g.) P. SCHULLER Paul Schuller Ambassadeur **Voor het Koninkrijk der Nederlanden:** (w.g.) H. J. M. VAN NISPEN TOT SEVENAER Jonkheer Mr. Hubert J. M. van Nispen tot Sevenaer Ambassadeur **Aan Zijne Excellentie** **de Heer Minister van Buitenlandse Zaken** **van de Republiek Polen**"},{"i":8437,"b":"Briefwisseling tussen de Nederlandse en de Portugese Regering houdende een verdrag inzake voorrechten en immuniteiten te verlenen aan verbindingsofficieren die vanwege de Portugese Regering bij Europol te 's-Gravenhage worden tewerkgesteld 1. Définitions Au fin du présent Accord, on entend par: - a. «officier de liaison», tout agent détaché auprès d'Europol, conformément à l'article 5 de la Convention Europol; - b. «gouvernement», le gouvernement du Royaume des Pays-Bas; - c. «les autorités de l'État d'accueil», les autorités gouvernementales, municipales ou autres du Royaume des Pays-Bas en fonction du contexte et en vertu des lois et coutumes applicables au Royaume des Pays-Bas; - d. «État membre», la République Portugaise; - e. «archives de l'officier de liaison»: l'ensemble des dossiers, correspondances, documents, manuscrits, données sur supports informatiques ou autres, photographies, films, enregistrements vidéo et sonores appartenant à l'officier de liaison, ou détenus par lui, et tout autre matériel similaire qui, de l'avis unanime de l'État membre et du gouvernement, fait partie des archives de l'officier de liaison. 2. Privilèges et immunités 1. Sous réserve des dispositions du présent échange de notes, l'officier de liaison, ainsi que les membres de sa famille qui font partie de son ménage et qui ne possèdent pas la nationalité néerlandaise, jouiront au sein du Royaume des Pays-Bas et à son égard des mêmes privilèges et immunités que ceux accordés aux membres du personnel diplomatique en vertu de la Convention sur les relations diplomatiques, signée à Vienne le 18 avril 1961. 2. L'immunité accordée aux personnes visées au paragraphe 1 de cet article ne s'étend pas aux actions civiles engagées par un tiers en cas de dommages corporels ou autres, ou d'homicide, survenus lors d'un accident de la circulation causé par ces personnes, sans préjudice de l'article 32 de la Convention Europol. L'immunité de la juridiction pénale et civile ne s'appliquera pas aux"},{"i":8438,"b":"Briefwisseling tussen de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken en de Secretaris-Generaal van de Haagse Conferentie voor International Privaatrecht inzake het verlenen van voorrechten en immuniteiten aan de organen der Conferentie A 1. La personnalité juridique de la Conférence de La Haye de droit international privé est reconnue. 2. Les délégués et observateurs aux Sessions de la Conférence ou d'une de ses Commissions, nommés comme tels par leurs Gouvernements, ainsi que les observateurs qui assistent à une Session sur l'invitation de la Conférence, jouiront, pendant l'exercice de leurs fonctions et au cours de leurs voyages à destination ou en provenance du lieu de la réunion: - a. de l'immunité d'arrestation ou de détention et de saisie de leurs bagages personnels et, en ce qui concerne les actes accomplis par eux en leur qualité officielle (y compris leurs paroles et écrits), immunité de toute juridiction; - b. de l'inviolabilité de tous papiers et documents en leur possession; - c. des mêmes facilités en ce qui concerne leurs bagages personnels que celles qui sont accordées aux représentants de Gouvernements étrangers en mission officielle. B 3. Les biens et avoirs de la Conférence et les locaux où les bureaux du Bureau Permanent sont installés, sont exempts de perquisition, réquisition, confiscation ou expropriation. Les fonds de la Conférence sont inviolables et, en tant que libellés en florins, peuvent être librement transférés en la monnaie d'un des Membres. Les documents et archives appartenant au Bureau Permanent ou détenus par lui, ou détenus par des tiers dans l'intérêt ou pour l'usage du Bureau Permanent, sont inviolables en quelque endroit qu'ils se trouvent aux Pays-Bas. 4. Le Bureau Permanent a le droit d'expédier et de recevoir sa correspondance officielle avec les Membres et les organisations internationales par des courriers qui jouiront des mêmes privilèges et immunités que les courriers diplomatiques. La correspondance et les autres commun"},{"i":5574,"b":"Besluit van 25 november 1977, houdende bepalingen omtrent de uitoefening van de zee- en kustvisserij Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 28 juli 1977, No. J. 2139, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, na overleg met het Produktschap voor Vis en Visprodukten, het Visserijschap, het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven en de Nederlandse Vereniging van Sportvissersfederaties; Gelet op de [artikelen 2, 3**a**, 4 en 9 van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=2) (**Stb.** 312); De Raad van State gehoord (advies van 14 september 1977, No. 19); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 22 november 1977, No. J 3192, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: vissersvaartuig: vaartuig als bedoeld in artikel 3, onderdeel c, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEG L 358) dat: - a. overeenkomstig [artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringswet Visserijverdrag 1967](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002897&artikel=1) als Nederlands geldt en - b. overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens het [Besluit registratie vissersvaartuigen 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009353) staat geregistreerd; wet: [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416); ondernemer: degene te wiens naam het vissersvaartuig in het visserijregister, bedoeld in het [Besluit registratie vissersvaartuigen 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009353) is geregistreerd; motorvermogen: maximaal continue-vermogen zonder aftrek van door de motor aangedreven hulpmachines, uitgedrukt in kW, dat de hoofdmotor of hoofdmotoren zonder overbe"},{"i":5640,"b":"Besluit van 23 mei 2000, houdende regels ter uitvoering van titel VA van de Wet op de kansspelen (Speelautomatenbesluit 2000) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 4 november 1999, nr. WJZ/W 99062493; Gelet op de [artikelen 30c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30c), [30d, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30d), [30i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30i), [30n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30n), [30o, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30o), [30u, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30u), en [30z, vierde lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30z); De Raad van State gehoord (advies van 17 februari 2000, nr. W10.99.0557/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 19 mei 2000, nr. WJZ 00032624; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. aanwezigheidsvergunning: de in [artikel 30b, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30b) bedoelde vergunning voor het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten; - b. basisspel: de fase van het spel van een kansspelautomaat, die meteen na de start van het spel aanvangt en op zichzelf tot een spelresultaat leidt; - c. exploitatievergunning: de in [artikel 30h, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30h) bedoelde vergunning voor het exploiteren van speelautomaten; - d. gekoppelde-jackpotsysteem: een voorziening, gemeenschappelijk aan ten minste twee kansspelautomaten, die op toevalsbasis, zelfstandig of op basis van een door een aan het systeem gekoppelde kansspelautomaat gegenereerde wincombinatie, een prijs kan toekennen aan een van de aan het systeem ge"},{"i":5605,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 april 2025 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA chemische stoffen in consumentenproducten (IB03-SPEC 51, versie 01) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), [artikel 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), in samenhang met [artikel 13a, eerste en tweede lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen Interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA chemische stoffen in consumentenproducten beschrijft, de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen in het toezichtdomein chemische stoffen in consumentenproducten en geeft daarmee invulling aan het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03) (AIB). Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. Begrippen 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het AIB. 2.2. Afkortingen **AIB Algemeen interventiebeleid van de NVWA-IB03** **CLP Indeling, etikettering en verpakking (Classification, Labelling and Packaging)** **EER Europese Economische Ruimte** **EU Europese Unie** **ILenT Inspectie Leefomgeving en Transport** **NL Nederland** **NLA Nederlandse Arbeidsinspectie** *"},{"i":5634,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA voedselinformatie levensmiddelen (IB03-SPEC 42, versie 06) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), de [artikelen 10, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA voedselinformatie levensmiddelen, voorheen genaamd “etikettering levensmiddelen”, beschrijft binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03) de klasseindeling en interventies voor de beoordeling van specifieke overtredingen ten aanzien van voedselinformatie. Voorbeelden van voedselinformatie zijn etiketten, presentatie en reclamefolders (inclusief websites). Levensmiddelenfabrikanten moeten verplichte voedselinformatie bij levensmiddelen verstrekken. Daarnaast kunnen levensmiddelenfabrikanten ook vrijwillig informatie verstrekken, op voorwaarde dat deze voldoet aan de van toepassing zijnde regelgeving. Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in dit IB03-SPEC 42 zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de Afdeling Expertise van de Directie Handhaven, teneinde een interventie te bepalen. 2. Begrippen en wettelijke basis 2.1. Begrippen Voedselinformatie: informatie over een levensmiddel als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van [Verordening (EU) Nr. 1169/2011](32011R1169) en informatie op"},{"i":5558,"b":"Registratie geïndiceerde leerlingen 1. Inleiding Met ingang van 1 augustus 2003 is de [regeling leerlinggebonden financiering](onbekend) in werking getreden (Wet van 28 november 2002, staatsblad 2002 nr. 631). Om voor leerlinggebonden financiering in aanmerking te komen moet de betreffende leerling door de school worden aangemeld. Het formulier dat hiervoor gebruikt moet worden is aangepast voor het schooljaar 2004-2005 (Zie verder hoofdstuk 4). Deze publicatie geeft informatie over het gebruik van het formulier en de procedures rond de vereiste aanmelding om voor leerlinggebonden financiering in aanmerking te komen. 2. Doelgroep Deze publicatie is bedoeld voor scholen die op basis van de nieuwe [artikelen 70a (WPO)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=70a) en [77a (WVO)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=77a) aanspraak willen maken op leerlinggebonden financiering (rugzakje). Om dit te bereiken moet door de school het ’meldingsformulier voor registratie geïndiceerde leerlingen’ worden ingediend. 3. Procedure Hieronder wordt de procedure van de registratie geïndiceerde leerling geschetst met daarbij per stap enkele belangrijke aandachtspunten. 3.1. Aanvraag Het meldingsformulier dient door het bevoegd gezag te worden ingestuurd zodra de geïndiceerde leerling zich heeft ingeschreven bij de school. Indien dit formulier niet volledig of onjuist is ingevuld zal het bevoegd gezag, op grond van [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5), de gelegenheid worden geboden het meldingsformulier aan te vullen/te corrigeren. Vervolgens zal dan het meldingsformulier in behandeling kunnen worden genomen. Voor de datum van melding is de ontvangstdatum van het eerst ingezonden meldingsformulier bepalend. 3.2. Ontvangstbevestiging Na ontvangst van het meldingsformulier verstuurt Cfi binnen één week een ontvangstbevestiging aan het bevoegd gezag van de school. Hiermee kan het bevoegd gezag bewaken dat een ing"},{"i":5539,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 8 maart 2022, nr. 2021-0000677231 houdende regels met betrekking tot de verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten voor de derde ronde proeftuinen van het programma aardgasvrije wijken Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) juncto [artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraag:** de door de gemeente ingediende aanvraag met bijlagen voor een Rijksbijdrage voor de derde ronde proeftuinen van het Programma Aardgasvrije Wijken, gebruikmakend van het aanvraagformulier dat door de minister ter beschikking is gesteld; - **aardgasvrij maken:** het aardgasvrij maken van gebouwen door aansluiting op een duurzame warmtebron met goede woningisolatie; - **college:** college van burgermeester en wethouders; - **minister:** Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - **Plan van Aanpak Monitoringssystematiek PAW:** het Plan van Aanpak waarin is beschreven hoe het Programma Aardgasvrije Wijken jaarlijks wordt gemonitord en geëvalueerd, gepubliceerd op [https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/06/01/plan-van-aanpak-georganiseerd-leren-plan-van-aanpak-monitoring-en-evaluatie-programma-aardgasvrije-wijken](onbekend); - **stapsgewijze aanpak:** een gefaseerde aanpak waarbij de gebouwen als tussenstap naar aardgasvrij gereed worden gemaakt voor aansluiting op een duurzame warmtebron door het gebouw beter te isoleren. Artikel 2. Doel van de specifieke uitkering De minister verstrekt een specifieke uitkering aan de gemeenten, genoemd in [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046413&artikel=3&z=2022-09-14&g=2022-09-14), ten behoeve van het toepassen van een wijkgerichte aanpak die gerich"},{"i":5570,"b":"Besluit van 22 april 1976, tot uitvoering van artikel 73 van de Wet op de rechterlijke organisatie Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 12 maart 1976, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, Nr. 120/676; Gelet op [artikel 73 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=73); De Raad van State gehoord (advies van 24 maart 1976, nr. 5); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 9 april 1976, Stafafdeling Wetgeving Publieksrecht, nr. 187/676; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: bijzondere kamer: de bijzondere kamer bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=67); raden: de niet tot de rechterlijke macht behorende personen die als deskundige leden deel uitmaken van de bijzondere kamer; plaatsvervangende raden: de voor de raden benoemde plaatsvervangers. Artikel 3 1. De rang van benoeming der raden, onderscheidenlijk der plaatsvervangende raden van de bijzondere kamer, wordt geregeld naar de dag waarop het besluit van een eerste benoeming door Ons is getekend. 2. De rang van benoeming van verschillende op éénzelfde dag benoemde raden of plaatsvervangende raden wordt, indien hun benoeming bij hetzelfde besluit plaatsvindt, bepaald door de volgorde hunner namen, en, indien zij bij verschillende besluiten benoemd zijn, door de volgorde dezer besluiten. De griffier van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden houdt een lijst waarop de namen van de raden en de plaatsvervangende raden in de bijzondere kamer geplaatst worden met vermelding van ieders rang van benoeming. Artikel 3 1. De rang van benoeming der raden, onderscheidenlijk der plaatsvervangende raden van de bijzondere kamer, wordt geregeld naar de dag waarop het besluit van een eerste benoeming door Ons is getekend. 2. De rang van benoeming van verschillende op éénzelfde d"},{"i":5559,"b":"Besluit van 13 november 1995, houdende regelen inzake de registratie van beoefenaren van beroepen in de individuele gezondheidszorg Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 maart 1995, PAO/BOG-951921; Gelet op de artikelen 5, tweede lid, 11, 12, tweede lid, onder **d**, en derde lid, 42, vijfde lid, en 105, derde lid, van de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); De Raad van State gehoord (advies van 15 juni 1995, no. W13.95.0099); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 november 1995, PAO/BOG-9510951; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. instelling: een instelling als bedoeld in [artikel 1, onderdeel f, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=1). Artikel 2 1. Bij de indiening van een aanvrage om inschrijving in een register als bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) worden de volgende bescheiden verstrekt: - a. het desbetreffende door Onze Minister beschikbaar te stellen formulier, dat door de aanvrager is ingevuld; - b. het desbetreffende in [artikel 105, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=105) bedoelde getuigschrift, de erkenning, bedoeld in [artikel 41, eerste lid, onder a of c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=41), dan wel de verklaring van Onze Minister, bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b of [106, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=106); - c. een document niet ouder dan drie maanden, waaruit blijkt dat, voor zover van toepassing, ten aanzien van de aanvrager geen maatregel berustend op een in het buitenland gegeven rechterl"},{"i":5521,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 9 juli 2021, nr. WJZ/ 20178120, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de aanvraag en veiling van niet-landelijke commerciële FM-vergunningen met een lokaal bereik 2021 (Regeling veiling niet-landelijke FM-vergunningen met en lokaal bereik) Gelet op [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=9) en [10 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=10); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** degene die een aanvraag heeft ingediend; - **activiteitsniveau:** totaal aantal activiteitspunten waarover een deelnemer op een gegeven moment in de veiling kan beschikken en welk aantal de maximale biedbevoegdheid van die deelnemer bepaalt om actief te zijn of te blijven in de veiling; - **activiteitspunt:** aan een te veilen FM-vergunning op grond van [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045414&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2021-07-17&g=2021-07-17), toegekend punt ten behoeve van het bepalen van het activiteitsniveau van een deelnemer; - **bekendmakingsbesluit:** Besluit bekendmaking veiling kavels B39 tot en met B54; - **beschikbare demografische ruimte:** maximaal demografisch bereik minus het demografisch bereik van de vergunning of vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio, waarover degene die in aanmerking voor een FM-vergunning wil komen en een met diegene verbonden instelling ten tijde van zijn aanvraag beschikt, uitgaande van het demografisch bereik van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio zoals op de dag na inwerkingtreding van het bekendmakingsbesluit door de Minister in de Staatscourant kenbaar is gemaakt; - **bod:** bieding, uitgebracht door een deelnemer via het elektronisch veilingsysteem van de Minister en bevestigd door middel van dit e"},{"i":5608,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 20 november 2025 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA Dierenwelzijn (IB03-SPEC 02, versie 09) De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA Dierenwelzijn beschrijft, binnen de kaders van het Algemeen interventiebeleid NVWA 2024 (AIB), de klasseindeling en de interventies voor de beoordeling van specifieke overtredingen van de wetgeving in het domein dier. Dit domein heeft betrekking op dierenwelzijn van bedrijfsmatig gehouden landbouw- en gezelschapsdieren (primair bedrijf), hobbymatig gehouden dieren en wilde dieren. Dit specifiek interventiebeleid is niet van toepassing op dieren op het slachthuis, tijdens vervoer en proefdieren. Op andere overtredingen met betrekking tot dierenwelzijn anders dan in dit document of een ander specifiek interventiebeleid beschreven, blijft het Algemeen interventiebeleid NVWA 2024 van toepassing. Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in dit IB03-SPEC 02 zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de verantwoordelijke binnen de NVWA voor deze beleidsregel. 2. Definitie en wettelijke basis 2.1. Definitie Hieronder is een specifieke definitie opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het AIB. Elke vorm van controle door een inspecteur van de NVWA om na te gaa"},{"i":5536,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 juni 2017, nr. MinBuZa-2017.733616, tot verlenging van de werkingsduur van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=2) en [3 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006. Artikel II Het vervallen van de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366) op grond van [artikel 11.2 van die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=11.2), zoals luidend na totstandkoming van deze regeling, heeft geen gevolgen voor: - a. beleidsregels en subsidieplafonds voor de toepassing van de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366), vastgesteld voor 1 juli 2022. - b. subsidies, verstrekt voor 1 juli 2022. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5073,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juli 2019, nr. 2019-0000097642, houdende de inrichting van de directie Arbeidsverhoudingen alsmede doorverlening van vertegenwoordigings-bevoegdheden van de directeur Arbeidsverhoudingen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit AV 2019) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042435&artikel=3), en [15 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directeur-generaal Werk 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042435&artikel=15); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directie:** de directie Arbeidsverhoudingen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **directeur:** de directeur van de directie Arbeidsverhoudingen. § 2. Organisatie en taken Artikel 2 De directie bestaat uit de volgende afdelingen: - a. de afdeling Sociale Dialoog en Arbeidsmigratie; - b. de afdeling Arbeidsrecht en Diversiteit; - c. de afdeling Pensioenbeleid. Artikel 3 Het hoofd van de afdeling Sociale Dialoog en Arbeidsmigratie is verantwoordelijk voor: - a. het systeem van arbeidsvoorwaardenvorming; - b. de collectieve arbeidsvoorwaarden met inbegrip van het beleid betreffende het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten; - c. de institutionele vormgeving van arbeidsverhoudingen en de advies- en overlegstructuren op het terrein van arbeidsverhoudingen; - d. de bescherming van arbeidsvoorwaarden en het tegengaan van schijnconstructies en arbeidsuitbuiting; - e. arbeidsmigratie, waaronder kennismigratie en de toegang tot de arbeidsmarkt van asielzoekers; - f. het wettelijk minimumloon en de minimumvakantiebijslag, met uitzondering van de sociaaleconomische aspecten. Artikel 4 1. Het hoofd van de afdeling Arbeidsrecht en Diversiteit is verantwoordelijk voor: - a. het ontwikkelen en het in stand houden van a"},{"i":6601,"b":"Besluit van 30 augustus 2004, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Zoetstoffen in verband met richtlijn 2003/115/EG Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 juli 2004, VGB/VL 2497707, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en van Economische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 2003/115/EG](32003L0115) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 december 2003 (PbEU 2004, L 24) tot wijziging van [richtlijn 94/35/EG](31994L0035) inzake zoetstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt, alsmede op [artikel 8, eerste lid, onder c, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8); De Raad van State gehoord (advies van 29 juli 2004, no. W13.04.0362/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 augustus 2004, VGP/VL 2508213, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit Zoetstoffen. Artikel II In afwijking van [artikel 2, tweede lid, van het Warenwetbesluit Zoetstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004652&artikel=2) mogen tafelzoetstoffen die: - a. voldoen aan het [Warenwetbesluit Zoetstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004652) zoals dat onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van dit besluit luidde; en - b. vóór 29 juli 2005 in de handel zijn gebracht; nog verhandeld worden tot en met 29 januari 2006. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5549,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 14 januari 2021, nr. WJZ/ 20202483, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de aanvraag en veiling van voorwaardelijk teruggekomen vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio (Regeling voorwaardelijke veiling niet-landelijke commerciële FM-vergunningen) Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=9) en [10 Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=10); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanvrager:** degene die een aanvraag heeft ingediend; - b. **activiteitsniveau:** totaal aantal activiteitspunten waarover een deelnemer op een gegeven moment in de veiling kan beschikken en welk aantal de maximale biedbevoegdheid van die deelnemer bepaalt om actief te zijn of te blijven in de veiling; - c. **activiteitspunt:** aan een te veilen FM-vergunning op grond van [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044725&paragraaf=2&artikel=2&z=2022-01-22&g=2022-01-22), toegekend punt ten behoeve van het bepalen van het activiteitsniveau van een deelnemer; - d. **bekendmakingsbesluit:** besluit van de minister op grond van [artikel 3.10, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10), omtrent de keuze en het tijdstip van aanvang van de verdeling van de in dat besluit omschreven vergunning of vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio met toepassing van de procedure, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onder f, van de wet; - e. **beschikbare demografische ruimte:** maximaal demografisch bereik minus het demografisch bereik van de vergunning of vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio, waarover degene die in aanmerking voor een FM-vergunning wil komen tezamen met hem als één rechtspersoon aan te merken rechtspersonen ten tijde van zijn aa"},{"i":6026,"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 249,58. 2. De andere leden van de Adviescommissie innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 124,79. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van het [Besluit innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015925) ontvangen alle leden van de Adviescommissie innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van 1 uur per aanvraag. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6922,"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 993, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES Artikel 1 Het bepaalde in [artikel 993, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=993) geldt tevens, wanneer een beslissing, gegeven door een administratieve autoriteit van een vreemde Staat hier te lande uitvoerbaar is krachtens het op 15 april 1958 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen (Trb. 1959, 187). Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ter uitvoering van artikel 993, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES."},{"i":5658,"b":"Subsidieplafondbesluit Aangepast lezen 2019, Koninklijke Bibliotheek Gelet op [artikel 20 lid 1 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=20), de [artikelen 1.2, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039469&artikel=1.2), en [1.4, eerste lid, van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039469&artikel=1.4) en de [Tijdelijke regels subsidieverstrekking Aangepast Lezen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039481); overwegende dat op grond van de [Tijdelijke regels subsidieverstrekking Aangepast Lezen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039481) in 2018 subsidies – niet zijnde projectsubsidies – kunnen worden aangevraagd en verleend voor het jaar 2019; dat de [Tijdelijke regels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039481) met ingang van 1 januari 2019 vervallen en er daardoor voor activiteiten die in 2019 worden uitgevoerd nog geen subsidieplafonds zijn vastgesteld; Besluit: I Voor het jaar 2019 de volgende subsidieplafonds ter zake van de [Tijdelijke regels subsidieverstrekking Aangepast Lezen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039481) vast te stellen: Het subsidieplafond voor de in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039481&artikel=7), vermelde activiteit ‘de verzorging van de eerstelijnsvoorziening voor het publiek’ is op grond van artikel 7, derde lid, voor het jaar 2019 vastgesteld op € 1.960.250. Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Tijdelijke regels subsidieverstrekking Aangepast Lezen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039481) de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen (gezamenlijk) uitvoeren. Het subsidieplafond voor de in [artikel 8, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039481&artikel=8), vermelde activiteiten ‘productie en levering’ is op grond"},{"i":4249,"b":"Besluit van 5 december 2001 tot vaststelling van de zomertijd Op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 oktober 2001, kenmerk BW2001/U88324, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Gelet op de [richtlijn nr. 2000/84/EG](32000L0084) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 januari 2001 inzake de bepalingen op het gebied van de zomertijd (PbEG 2001, L 31/21), alsmede op [artikel 1, tweede lid, van de wet van 16 juli 1958, Stb. 352, tot nadere regeling van de wettelijke tijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002288&artikel=1); De Raad van State gehoord (advies van 8 november 2001 W04.01.0529/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 november 2001, kenmerk BW2001/95508; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder zomertijd: de periode van het jaar waarin de klok ten opzichte van de tijd gedurende de rest van het jaar zestig minuten vooruit wordt gezet. Artikel 2 De Midden-Europese zomertijd vangt met ingang van 2002 aan op de laatste zondag van de maand maart om 02.00 uur en eindigt op de laatste zondag van de maand oktober om 03.00 uur. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4961,"b":"Besluit van de Bestuurskamer van 31 oktober 2011, houdende mandatering aan de secretaris van de Bestuurskamer van de bevoegdheden van de Bestuurskamer in het kader van de heffing op grond van artikel 46a van de Wet op de ondernemingsraden (Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2012) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030817&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2012 in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. secretaris: secretaris van de Bestuurskamer; - b. verordening: [Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030817). § 2. Mandaatverlening Artikel 2 1. De secretaris kan namens de Bestuurskamer besluiten nemen op grond van [artikel 2, eerste lid, van de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030817). 2. De secretaris kan ondermandaat verlenen. § 3. Slotbepalingen Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030817) in werking treedt. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2012."},{"i":6063,"b":"Verordening commissie van toezicht Overwegende dat het gewenst is regelen te stellen die voor het functioneren van de commissie van toezicht van belang zijn; Gelet op [artikel 34 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=34); Gezien het ontwerp van het bestuur met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de kamers van toezicht; Gelet op de adviezen van de ringen; stelt de navolgende verordening vast: Benoeming en ontslag Artikel 1 1. De leden van de commissie van toezicht worden voor een periode van vier jaren benoemd. Zij kunnen éénmaal worden herbenoemd. 2. In afwijking van het eerste lid benoemen de minister en het bestuur van de KNB voor de eerste maal ieder één lid voor een periode van zes jaar. 3. Het lidmaatschap van de commissie van toezicht eindigt: - a. Door het verstrijken van de termijn waarvoor het lid is benoemd. - b. Door ontslag dat een lid, al dan niet op zijn verzoek, wordt verleend door de instantie die het lid heeft benoemd. - c. Door overlijden. - d. Per 31 december van het jaar waarin een lid de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt. 4. De voorzitter van de commissie van toezicht geeft van ontstane vacatures onverwijld kennis aan de instantie die het lid heeft benoemd. Deze voorziet binnen twee maanden in de vacature. 5. Degenen die een functie vervullen in de organisatie en/of bij de uitvoering van de opleiding voor kandidaat-notarissen kunnen geen lid zijn van de commissie van toezicht. Vergadering en besluitvorming Artikel 2 1. De commissie van toezicht vergadert ten minste tweemaal per jaar en voorts wanneer de voorzitter dit nodig oordeelt of ten minste twee leden daarom verzoeken. 2. De oproeping geschiedt door de voorzitter ten minste veertien dagen voordat de vergadering wordt gehouden. Bij de oproeping worden de te behandelen onderwerpen vermeld. 3. In de vergadering kunnen alleen besluiten worden genomen wanneer ten minste drie leden, waaronder ten minste een lid dat benoemd is door"},{"i":5957,"b":"Besluit van 10 juli 2015, houdende regels met betrekking tot de uitvoering van hoofdstuk IIB van de Bankwet 1998 (Uitvoeringsbesluit Bankwet 1998) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 15 juli 2014, FM/2014/1160 M, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 9d, eerste lid, aanhef en onderdeel b, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9d), en [9g, tweede lid, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9g); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 oktober 2014, no. W06.14.0279/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën, FM/2014/1577 U, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. (aanwijzen organisaties en gegevens) 1. De internationale organisaties, bedoeld in [artikel 9d, eerste lid, aanhef, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9d) zijn: - a. het Internationaal Monetair Fonds; - b. de Raad voor Financiële Stabiliteit; - c. de Bank voor Internationale Betalingen. 2. De rechtspersonen, bedoeld in [artikel 9d, eerste lid, onderdeel b, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9d), zijn: - a. de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - b. de Kamer van Koophandel, bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=2). 3. De categorieën, bedoeld in [artikel 9d, tweede lid, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9d) en de gegevens die de Bank bij hen kan opvragen, zijn: - a. de Stichting Bureau Kredietregistratie gevestigd te Tiel, waarbij gegevens kunnen worden opgevraagd die zijn geregistreerd in haar Centraal Krediet Informatiesysteem, zijnde een stelsel van kredietregistratie als bedoeld in [ar"},{"i":6901,"b":"Besluit mandaat toepassing bestuursdwang ex artikel 93 Wet personenvervoer 2000 en artikel 169, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 aan het regionaal politiekorps Amsterdam-Amstelland Gelet op de [artikelen 93 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=93), 169, [eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622), van de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622),10:3 en 10:4 van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); Gelezen de schriftelijke instemming van de korpschef en de korpsbeheerder van het regionaal politiekorps Amsterdam-Amstelland d.d. 15 maart 2002, kenmerk AB 2002/3312; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Aan de korpschef wordt mandaat verleend tot het toepassen van bestuursdwang als bedoeld in [artikel 93 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=93) en [artikel 169, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=169) ten aanzien van voertuigen waarmee taxivervoer wordt verricht. 2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid omvat niet - a. het opleggen van een last onder dwangsom; - b. het beslissen op bezwaarschriften, ingediend tegen beschikkingen die op grond van de in het eerste lid verleende bevoegdheid gegeven zijn. 3. De korpschef oefent de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uit met inachtneming van de door de minister vastgestelde Handhavinginstructie wet- en regelgeving taxivervoer van 10 april 2002, nr. IVW/HH/DV/PV02884. 4. De korpschef oefent de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts uit voor zover het gaat om aangelegenheden die naar aard en inhoud niet van zodanig gewicht zijn dat zij behoren te worden afgedaan door de minister. Artikel 3 1. De in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013585&artikel=2&z=2002-04-13&g=2002-04-13) bedoelde bevoegdheid wordt even"},{"i":7581,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 september 2023, nr. 2023-0000024708 tot het verlenen van volmacht en machtiging ter uitvoering van het Afsprakenstelsel Elektronische Toegangsdiensten Gezien de schriftelijke instemming van de Inspecteur-Generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) Overwegende dat de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties belast is met het toezicht op en naleving van het Afsprakenstelsel Elektronische Toegangsdiensten; de meeste van de door de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur uitgevoerde inspecties geen besluit van de toezichthouder behoeven. Volstaan kan worden met een terugkoppeling door de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van haar bevindingen en de oplostermijnen aan de deelnemer. Besluit: Artikel 1 Aan de Inspecteur-Generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur wordt volmacht en machtiging verleend tot het verzenden van: - –. Aanwijzingen op basis van een reguliere inspecties zonder hoge risico’s voor het de betrouwbaarheid en veiligheid van het afsprakenstelsel Elektronische Toegangsdiensten - –. Aanwijzingen op basis van een thematische inspecties zonder hoge risico’s voor het de betrouwbaarheid en veiligheid van het afsprakenstelsel Elektronische Toegangsdiensten - –. Aanwijzingen voor proceswijzingen binnen bestaande kaders van het afsprakenstelsel Elektronische Toegangsdiensten Artikel 2 1. De Inspecteur-Generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048660&artikel=1&z=2023-09-30&g=2023-09-30), volmacht en machtiging verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen. 2. Ondertekening van besluiten en stukken op grond van volmacht en machtiging vindt plaats op de volgende wijze: De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, namens deze, (naam) (handtekening) (functie gevolmachtigde) Ar"},{"i":7595,"b":"Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen 1. Overwegingen 2. Begripsbepaling In deze Gedragscode wordt verstaan onder: 3. De reikwijdte van de Gedragscode 3.1. De sector 3.2. Toepassing 4. Beginselen van Verwerking van Persoonsgegevens 5. Doeleinden voor de Verwerking van Persoonsgegevens 5.1. Algemeen 5.2. Verwerking van Persoonsgegevens in het kader van het beoordelen en accepteren van Cliënten, het aangaan en uitvoeren van overeenkomsten met een Cliënt en het afwikkelen van het betalingsverkeer 5.3. Verwerking van Persoonsgegevens in het kader van analyses ten behoeve van historische, statistische en wetenschappelijke doeleinden 5.4. Verwerking van Persoonsgegevens in het kader van marketingactiviteiten 5.5. Verwerking van Persoonsgegevens in het kader van de veiligheid en integriteit van de Financiële sector alsmede het gebruik van waarschuwingssystemen 5.6. Verwerking van Persoonsgegevens in verband met wettelijke voorschriften 6. Verwerking van Bijzondere Persoonsgegevens 6.1. Persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid 6.2. Persoonsgegevens van strafrechtelijke aard 6.3. Andere Bijzondere Persoonsgegevens 7. Rechten van Betrokkene 7.1. Kennisneming en correctie 7.2. Verzet en toestemming 7.3. Vergoeding van kosten 7.4. Besluit op grond van geautomatiseerde Verwerking van Persoonsgegevens 8. Speciale onderwerpen 8.1. Functionaris 8.2. Gegevensverkeer met landen buiten de Europese Economische Ruimte (EER) 8.3. Beveiliging van Persoonsgegevens 8.4. Cameratoezicht 8.5. Vastlegging telefoongesprekken 8.6. Vastlegging elektronische communicatie 9. Dringende redenen 10. Naleving van de Gedragscode 11. Geschillen Bijlage I. Informatie Ter informatie bij deze Gedragscode zijn de volgende documenten opgenomen: - A. Voorschrift Informatie Fiscus/Banken - B. Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële instellingen - C. Gedragscode Persoonlijk Onderzoek - D. Moratorium erfelijkheidsonderzoek Verbond van Verzekeraars - E. HIV-gedragscode -"},{"i":4010,"b":"Besluit van 27 augustus 2018, houdende regels met betrekking tot specifieke uitkeringen ten behoeve van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid) Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 11 juli 2018, nr. WJZ/1381192 (7895), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 168a, eerste en derde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=168a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 juli 2018, nr.W05.18.0205/l); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 22 augustus 2018, nr. WJZ/1393520 (7895), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **basisschool:** basisschool als bedoeld in [artikel 1 WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), niet zijnde een school als bedoeld in [artikel 193 WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=193); - **onderwijsscore:** verwachte score van een kind in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar of van een leerling van een basisschool die op basis van statistische gegevens door het Centraal bureau voor de statistiek wordt bepaald; - **achterstandsscore:** overeenkomstig [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041370&artikel=3&z=2022-04-01&g=2022-04-01) berekende score van een gemeente voor de toekenning van een specifieke uitkering gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041370&artikel=2&z=2022-04-01&g=2022-04-01); - **teldatum:** datum als bedoeld in [artikel 118, eerste lid, WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=118); - **WPO:** [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420). Artikel 2. Criterium in aanmerkin"},{"i":7573,"b":"Besluit van 13 december 2017, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkintreding van artikelen van de Wet basisregistratie ondergrond en het Besluit basisregistratie ondergrond en het tijdstip van levering van gegevens door de beheerder van de Registratie Data en Informatie Nederlandse Ondergrond en het Bodemkundig Informatie Systeem Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/292794, directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op de [artikelen 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=39) en [43 van de Wet basisregistratie ondergrond](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=43) en [artikel 5.1 van het Besluit basisregistratie ondergrond](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040205&artikel=5.1); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Met ingang van 1 januari 2018 treden in werking: - a. de [Wet basisregistratie ondergrond](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095), met uitzondering van de artikelen [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=7), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=20), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=22), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=27), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=28), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=29), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=31), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=32), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=36) en [37,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037095&artikel=37) - b. het [Besluit basisregistratie ondergrond](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040205), met uitzondering van de artikelen [2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040205&artikel=2.5.1) en [3"},{"i":5372,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 17 december 2010, nr. WJZ/10182918, tot vaststelling van subsidieplafonds en termijnen van openstelling van EZ-subsidieregelingen (Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2011) Gelet op [artikel 16 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796) en de [artikelen 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=3.9), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=5.5) en [5a.5 van de Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=5a.5); Besluit: Artikel 1 1. Als perioden in 2011, waarin subsidie–aanvragen kunnen worden ingediend krachtens de in kolom 2 genoemde subsidieregelingen en de in kolom 3 genoemde artikelen, in voorkomende gevallen verbijzonderd naar de in kolom 4 omschreven of aangeduide groepen van aanvragers, projecten of aanvragen, worden vastgesteld de daarbij behorende perioden, genoemd in kolom 5; aanvragen moeten zijn ontvangen op de genoemde einddatum om 17.00 uur. 2. Als subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies als bedoeld in het eerste lid wordt per in kolom 5 genoemde periode vastgesteld: het daarbij behorende in kolom 6 genoemde bedrag. 3. Met betrekking tot het verstrekken van subsidies door de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op grond van wettelijke voorschriften of onderdelen daarvan, waarvoor noch in deze regeling noch in een ander wettelijk voorschrift een subsidieplafond is vastgesteld, wordt het voor 2011 geldende subsidieplafond vastgesteld op € 0,–. Aanvragen om subsidie kunnen in 2011 slechts worden ingediend indien in deze regeling of in enig ander wettelijk voorschrift daarvoor een periode is vastgesteld. | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Nr. | Regeling | Artikel | Groep | Openstelling 2011 | Plafond € | | [Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen](https://wetten.overheid."},{"i":8443,"b":"Burgerrechtelijk Verdrag inzake Corruptie Preambule De lidstaten van de Raad van Europa, de andere Staten en de Europese Gemeenschap die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Zich bewust van het belang van het versterken van de internationale samenwerking bij het bestrijden van corruptie; Benadrukkend dat corruptie een belangrijke bedreiging vormt voor de rechtsstaat, democratie en mensenrechten, billijkheid en sociale rechtvaardigheid, de economische ontwikkeling belemmert en de goede en eerlijke werking van markteconomieën in gevaar brengt; Erkennend de nadelige financiële gevolgen van corruptie voor individuen, ondernemingen en Staten alsmede voor internationale instellingen; Overtuigd van het belang van de bijdrage van het burgerlijk recht aan de bestrijding van corruptie, met name door personen die schade hebben geleden in staat te stellen een billijke vergoeding daarvan te ontvangen; Herinnerend aan de conclusies en resoluties van de 19e (Malta, 1994), 21e (Tsjechische Republiek, 1997) en 22e (Moldavië, 1999) Conferenties van de Europese Ministers van Justitie; Rekening houdend met het Actieprogramma tegen Corruptie aangenomen door het Comité van Ministers in november 1996; Tevens rekening houdend met het haalbaarheidsonderzoek naar het opstellen van een verdrag inzake civiele rechtsmiddelen ter verkrijging van vergoeding voor schade die het gevolg is van corrupte handelingen, goedgekeurd door het Comité van Ministers in februari 1997; Gelet op Resolutie (97) 24 inzake de 20 Richtsnoeren voor de bestrijding van corruptie, door het Comité van Ministers aangenomen tijdens zijn 101ste zitting in november 1997, op Resolutie (98) 7 houdende toestemming voor de aanneming van het Gedeeltelijke en Uitgebreide Akkoord tot oprichting van de “Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO)”, aangenomen door het Comité van Ministers in mei 1998, tijdens zijn 102e zitting,"},{"i":3367,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 7 januari 2019 nr. BOACAT2018/0665, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Omgevingsdienst Twente Gelezen het verzoek van de Omgevingsdienst Twente van 19 december 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=23), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041810&artikel=2&z=2019-01-16&g=2019-01-16). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder, in dienst van de Omgevingsdienst Twente, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van"},{"i":8445,"b":"Complementair Protocol betreffende de produkten welke onder de bevoegdheid vallen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal Zijne Majesteit de Koning der Belgen, De President van de Bondsrepubliek Duitsland, De President van de Franse Republiek, De President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Voor de Staten die Verdragspartijen zijn bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, hierna „oorspronkelijke Lid-Staten” te noemen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, De President van Ierland, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Voor de Staten die toetredende partijen zijn tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, hierna „nieuwe Lid-Staten” te noemen, welke Staten allen Verdragspartijen zijn bij het op 22 januari 1972 te Brussel ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „Toetredingsverdrag” te noemen, enerzijds, en de President van de Republiek Turkije, anderzijds, hebben besloten in gemeenschappelijk overleg de aanpassingen vast te stellen van de op 23 november 1970 te Brussel ondertekende overeenkomst 2)[Red: In dit **Tractatenblad** leze men in plaats van „de op 23 november 1970 te Brussel ondertekende Overeenkomst”: „het op 23 november 1970 te Brussel ondertekende Akkoord”.]tussen de oorspronkelijke Lid-Staten en Turkije betreffende de produkten welke onder de bevoegdheid vallen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, welke aanpassingen noodzakelijk zijn in verband met de toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, en hebben daartoe als gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: de heer Renaat van Els"},{"i":7484,"b":"Aanwijzing Wet politiegegevens en de rol van de officier van justitie 1. Samenvatting Deze aanwijzing geeft richting aan de verwerking van politiegegevens. Hierin komt aan de orde in welke gevallen de officier van justitie concrete bemoeienis heeft bij de verwerking van politiegegevens die zijn of worden verwerkt ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, op welke wijze dit dient te gebeuren en welke officieren van justitie hierbij in beginsel aanspreekpunt zijn. 2. Inleiding De [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463)1De Wpg is met in achtneming van het bepaalde in paragraaf 5a van de Wpg, mede op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) van toepassing (art. 36a Wpg). Deze eilanden hebben de status van bijzonder gemeenten van Nederland. In tegenstelling tot de Wpg is de Aanwijzing niet van toepassing op deze gemeenten. De Wpg is bij Wet van 6 oktober 2011, Stbl. 2011, 490, in werking getreden op 1 april 2012 gewijzigd in verband met de implementatie van het kaderbesluit Dataprotectie (2008/977/JBZ) en het kaderbesluit Europol (2009/371/JBZ). Deze wetswijziging is voor zover deze van invloed is op de rol van het OM in deze aanwijzing verwerkt. (Wpg) is op 1 januari 2008 in werking getreden en is in de plaats gekomen van de voormalige [Wet politieregisters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004798). In de Wpg en de daarbij behorende algemene maatregelen van bestuur, het [Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086) (Bpg) en het [Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026117) (Bpgbo), is geregeld hoe de politie (waaronder de Rijksrecherche), de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst,/Economische Controledienst (FIOD-ECD), de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW)-directie opsporing, de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspect"},{"i":8447,"b":"Complementair Protocol op de Aanvullende Overeenkomst betreffende de geldigheid voor het Vorstendom Liechtenstein van de Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Zwitserse Bondsstaat in verband met de toetreding van de Helleense Republiek tot de Gemeenschap Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Helleense Republiek die toetreedt tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein, Gezien de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op 1 januari 1981, Gelet op de op 22 juli 1972 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Zwitserse Bondsstaat, hierna de „Overeenkomst” genoemd, Gelet op het op 17 juli 1980 te Brussel ondertekende Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst in verband met de toetreding van de Helleense Republiek tot de Gemeenschap, hierna „Aanvullend Protocol” genoemd, Overwegende dat het Vorstendom Liechtenstein ingevolge het Verdrag van 29 maart 1923 een douane-unie met Zwitserland vormt; dat dit Verdrag voor het Vorstendom Liechstenstein niet voor alle bepalingen van de Overeenkomst geldt; Overwegende dat daarom tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein op 22 juli 1972 een Aanvullende Overeenkomst betreffende geldigheid van de Overeenkomst voor het Vorstendom is gesloten, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen GEDAAN te Brussel, de zeventiende juli negentienhonderdtachtig."},{"i":6454,"b":"Besluit van 9 maart 2017, houdende wijzigingen van het Besluit register deskundige in strafzaken in verband met een verruiming van de mogelijkheid een deskundige voorwaardelijk in te schrijven en enkele andere wijzigingen Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 16 januari 2017, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2034632; Gelet op de [artikelen 51i, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51i), en [51k, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51k); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 maart 2017, Nr. W03.17.0009/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 6 maart 2017, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2053570; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit register deskundige in strafzaken. Artikel II De duur van een inschrijving als bedoeld in [artikel 17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=17), die dateert van voor de inwerkingtreding van dit besluit en op dat moment niet is doorgehaald overeenkomstig [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=18), wordt verlengd naar vijf jaar. Een voorwaardelijke inschrijving in het register, verleend op grond van [artikel 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=19), zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, wordt beëindigd volgens de regels die golden voor de inwerkingtreding. Een bezwaarschrift of beroepschrift tegen een beslissing tot afwijzing van een aanvraag die dateert van voor de inwerkingtreding van dit besluit, wordt afgehandeld volgens de regels die golden voor de inwerkingtreding. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":8449,"b":"Constitutie van de Postunie van de Staten van het Amerikaanse Werelddeel, Spanje en Portugal Preamble The undersigned plenipotentiary representatives of the governments of member countries or territories of the Postal Union of the Americas, Spain and Portugal, hereinafter referred to as the Union, shouldering their responsibility for guaranteeing high-quality universal domestic and international postal service; taking into account the need for member countries or territories to ensure high-quality affordable postal services through service operators designated as universal postal service providers; recognizing the pressing need for these operators to conduct business in all segments of the postal market as dynamic, efficient enterprises; aware of the fact that, in order to achieve these objectives, it is imperative to establish and strengthen regulatory, technical and commercial agreements and commitments at the government and corporate levels; adopt this Constitution, subject to ratification. CHAPTER I. GENERAL PROVISIONS Article 1. Mission of the Union The mission of the Union shall be to strengthen by means of international cooperation the regional integration of the postal sector, and to ensure high-quality postal services for all persons, and the reform and modernization of the sector, in a manner that promotes sustainable development. Article 2. Aims of the Union The Union shall have the following aims: - a). To promote the provision of a universal postal service and the development of the postal sector in the region, by reforming it in the member countries or territories, transforming and modernizing its organizations and training its human resources; - b). To coordinate and promote efficient cooperation for postal development in the member countries or territories; - c). To coordinate and promote the exchange of information and knowledge in the operational, regulatory and governmental spheres; - d). To improve the quality of service and the interconnection a"},{"i":6946,"b":"Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit van 6 november 2012 tot vaststelling van het formulier voor het melden van voorgenomen grensoverschrijdend personenvervoer per spoor als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van de Spoorwegwet Gelet op [artikel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4); Besluit: Artikel 1 Het formulier voor het melden van voorgenomen grensoverschrijdend personenvervoer per spoor als bedoeld in [artikel 57, tweede lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=57), wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 2 Dit besluit zal met de toelichting en bijlage in de Staatscourant worden geplaatst. Bijlage. formulier melding voorgenomen grensoverschrijdend personenvervoer per spoor - 1. **Gegevens betreffende de Nieuwe aanbieder (vereist bij Melding):** Vermeld: - 1.1. naam en – indien anders – handelsnaam en rechtsvorm; - 1.2. adres, telefoon- en telefaxnummer en eventueel elektronisch postadres; - 1.3. naam van de contactpersoon, het adres en het telefoonnummer waarop deze bereikbaar is. - 2. **Gegevens betreffende de aanvang van de dienst (vereist bij Melding):** Vermeld per traject voor de eerste vijf jaar van de nieuwe exploitatie: - 2.1. startdatum van de treindienst; - 2.2. data van wijzigingen in frequentie of halteringen. - 3. **Gegevens betreffende het totale traject binnen en buiten Nederland (vereist bij Melding):** Vermeld per traject voor de eerste vijf jaar van de nieuwe exploitatie: - 3.1. de frequentie van de treindienst per dag en/of per week; - 3.2. de begin- en eindlocatie (land en station) en locaties van halteringen; - 3.3. locatie van grenspassage(-s); - 3.4. frequentie van de beoogde halteringen, per rijrichting; - 3.5. eventuele afwijkingen in frequentie of in halteringen, zoals gedurende zomer- of winterperiode, vakantieperioden, of ingroeiperiode, ten opzichte van het"},{"i":2878,"b":"Beschikking van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 16 oktober 2024, nr. 5832964, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2025 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2025) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2025 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 6,5. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2025. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6154,"b":"Besluit van 22 september 1999, houdende het Warenwetbesluit Smeerbare vetproducten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 april 1999, nr GZB/VVB 991504, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op de [verordening (EG) nr. 2991/94](31994R2991) van de Raad van de Europese Unie van 5 december 1994 tot vaststelling van normen voor smeerbare vetprodukten (PbEG L 316); Gelet op [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [artikel 8, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), en [artikel 13 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13) alsmede op artikel II, eerste lid, van de Wijzigingswet 1988 Warenwet jo. [artikel 14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) (Stb. 1935. 795); Gezien het advies van de Adviescommissie Warenwet (19-9-95, 14 907/(13)5), het advies van het Regulier Overleg Warenwet (16-11-1998, GZB/ROW/985449) en de brief van de Voedingsraad van 12 oktober 1995 (951012/01); De Raad van State gehoord (advies van 5 juli 1999, no.W13.99.0208/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 september 1999, nr GZB/VVB 993379, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bak- en braadproducten:** waren die voornamelijk bestaan uit een mengsel van niet of slechts ten dele van melk afkomstige oliën en vetten, en aangeduid als geschikt of bestemd voor bakken en braden, met een vetgehalte van ten minste 90%, met uitzondering van oliën en vetten als zodanig; - **verordening (EU) 1308/2013:** Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement"},{"i":6155,"b":"Besluit van 26 augustus 1986, houdende regelen met betrekking tot spaanplaat Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 6 december 1985, DGVGZ/VVP/P, nr. 84307, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van de Staatssecretaris van Economische Zaken, P. H. van Zeil; Overwegende dat het met het oog op de volksgezondheid wenselijk is eisen te stellen met betrekking tot spaanplaat; Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1), onder 1°, en [16 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=16) (**Stb.** 1935, 793); De Adviescommissie [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) gehoord (advies van 22 november 1979 nr. 12997/(24)15); De Raad van State gehoord (advies van 18 februari 1986, nr. W13.85.0680/19.6.06); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 30 juli 1986, DGVGZ/VVP/P, nr. 213536, uitgebracht mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Economische Zaken A. J. Evenhuis; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder spaanplaat: een plaat, bestaande uit kleine deeltjes hout of andere lignocellulosehoudende materialen, die met een organisch bindmiddel zijn samengebonden. Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op spaanplaat en spaanplaat bevattende artikelen. Artikel 3 Spaanplaat, met uitzondering van spaanplaat voorkomende in meubelen en spaanplaat die kennelijk is bestemd om bedrijfsmatig in meubelen te worden verwerkt, mag niet meer dan 10 mg formaldehyde per 100 g plaatmateriaal bevatten, gemeten volgens de door het Comité Européen de Normalisation uitgegeven norm EN 120 van januari 1984. Artikel 4 Spaanplaat mag slechts schimmelwerende middelen bevatten, voor zover deze ingevolge de [Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wet"},{"i":6114,"b":"Besluit van 25 januari 2008, houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 5:81, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Vrijstellingsbesluit overnamebiedingen Wft) Op voordracht van Onze minister van Financiën van 22 november 2007, FM 2007-2905 M; Gelet op [artikel 5:81, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:81); De Raad van State gehoord (advies d.d. 5 december 2007, No. W06.07.0448/III); Gezien het nader rapport van Onze minister van Financiën van 23 januari 2008, FM 2007-3297; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 2 1. Van [artikel 5:70, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:70) zijn vrijgesteld degenen die alleen of tezamen met personen met wie in onderling overleg wordt gehandeld, rechtstreeks of middellijk, overwegende zeggenschap verkrijgen: - a. indien de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap waarin overwegende zeggenschap wordt verkregen voorafgaand aan de verkrijging, maar niet langer dan drie maanden daarvoor, daarmee heeft ingestemd met ten minste 90 procent van de door anderen dan de verkrijger en personen met wie hij in onderling overleg handelt uitgebrachte stemmen; - b. voor zover de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap waarin overwegende zeggenschap wordt verkregen op de wijze, bedoeld onder a, instemt met iedere volgende verkrijging van aandelen in die vennootschap door dezelfde verwerver of een van de personen met wie deze in onderling overleg handelt; - c. als gevolg van het in de uitoefening van beroep of bedrijf overnemen van effecten bij aanbieding ervan als bedoeld in de prospectusverordening met plaatsingsgarantie indien de verkrijger geen stemrechten op deze effecten uitoefent; of - d. als gevolg van een onvoorwaardelijke overeenkomst t"},{"i":6116,"b":"Besluit van 11 november 2019, houdende vaststelling van de massagrenzen waar beneden een platina, gouden of zilveren voorwerp niet gewaarborgd behoeft te worden (Waarborgbesluit 2019) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 9 juli 2019, nr. WJZ / 19143448; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Waarborgwet 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 juli 2019, nr. W18.19.0208/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 7 november 2019, nr. WJZ / 19187702; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De verplichting, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Waarborgwet 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284&artikel=2) geldt niet voor: - a. platina voorwerpen waarvan de totale massa aan platina minder dan 0,5 gram bedraagt; - b. gouden voorwerpen waarvan de totale massa aan goud minder dan 1 gram bedraagt; - c. zilveren voorwerpen waarvan de totale massa aan zilver minder dan 8 gram bedraagt. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Waarborgbesluit 2019. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5660,"b":"Subsidieplafondbesluit Aangepast Lezen Instellingssubsidies 2020, Koninklijke Bibliotheek Gelet op [artikel 5 van de Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2019–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041944&artikel=5); BESLUIT: I Voor het jaar 2020 de volgende subsidieplafonds ter zake [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2019–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041944) vast te stellen: Het subsidieplafond voor de in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041944&artikel=6), vermelde activiteit ‘de verzorging van de eerstelijnsvoorziening voor het publiek’ is voor het jaar 2020 vastgesteld op € 1.717.000,– Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2019-2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041944), de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen (gezamenlijk) uitvoerden. Het subsidieplafond voor de in [artikel 7, derde lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041944&artikel=7), vermelde activiteiten ‘productie en levering’ is voor het jaar 2020 vastgesteld op € 1.430.000,– Het subsidieplafond voor de in [artikel 7, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041944&artikel=7), vermelde activiteiten ‘productie en levering’ en ‘de veilige opslag en back-up van de bestanden voor de productie van aangepaste leesvormen en de uitvoer van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten’ is op grond van dat artikelonderdeel voor het jaar 2020 vastgesteld op € 7.745.000,– Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2019–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041944), de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen (gezamenlijk) uitvoerden. II Dit besluit treedt in werking op de dag na de dag van bekendmaking."},{"i":5659,"b":"Subsidieplafondbesluit Aangepast Lezen 2020 (bijdrage vrijwilligers en projecten), Koninklijke Bibliotheek Gelet op [artikel 5 van de Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2019–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041944&artikel=5); BESLUIT: I Voor het jaar 2020 de volgende subsidieplafonds ter zake [Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2019–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041944) vast te stellen: - A. Het subsidieplafond voor de in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041944&artikel=8), vermelde activiteit ‘Bijdrage vrijwilligers’ is voor het jaar 2020 vastgesteld op € 125.000,– Het beschikbare budget wordt naar evenredigheid verdeeld. - B. Het subsidieplafond voor de in [artikel 9, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041944&artikel=9), vermelde activiteiten ‘projectsubsidies met indieningsdatum’ is voor het jaar 2020 vastgesteld op € 0,– - C. Het subsidieplafond voor de in [artikel 9, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041944&artikel=9), vermelde activiteiten ‘Projectsubsidies zonder indieningsdatum vooral gericht op verankering van Aangepast Lezen in de openbare (lokale) bibliotheek of de landelijke digitale openbare bibliotheek’ is voor het jaar 2020 vastgesteld op € 100.000,– Voor deze projectsubsidies geldt als verdeelsleutel de volgorde van binnenkomst van de aanvragen. De datum waarop de aanvraag volledig is ontvangen geldt als ontvangstdatum. - D. Het subsidieplafond voor de in [artikel 9, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041944&artikel=9), vermelde activiteiten ‘Projectsubsidies zonder indieningsdatum voor incidentele activiteiten die niet vallen onder de projectsubsidies als bedoeld onder a en b, maar naar het oordeel van het Algemeen Bestuurscollege zodanig bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van het beleidskader Aangepast Lezen 2019–2022 dat daarvoor een subsidie kan worden verstrekt.’, is voor he"},{"i":2543,"b":"Beleidsregel veiligheidsonderzoeken 2021 Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) alsmede de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=8) en [10 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=10); BESLUITEN: Artikel 1. Definities en toepassing 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277); - b. **verklaring:** een verklaring als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=1); - c. **vertrouwensfunctie:** een functie die krachtens [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=3) als zodanig is aangewezen; - d. **veiligheidsonderzoek:** een onderzoek als bedoeld in de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=7) en [9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=9); - e. **betrokkene:** - (1). de persoon die belast is met een vertrouwensfunctie; - (2). de persoon, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=4), die de werkgever wil belasten met de vervulling van een vertrouwensfunctie; - (3). de persoon als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=5), die belast is met de vervulling van een functie die nadien als vertrouwensfunctie is aangewezen; - f. **gegevens:** gegevens als bedoeld in [artikel 7, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=7); - g. **partner:** - (1). de echtgenoot of geregistreerd partner van de betrokkene; of - (2). degene met wie betrokkene een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste of tweede graad; of - (3). degene ten aanzien van wie uit het veili"},{"i":2975,"b":"Besluit van 26 juni 2019 tot wijziging van het Besluit toezicht accountantsorganisaties in verband met de aanwijzing van organisaties van openbaar belang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder l, onder 5°, van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Besluit aanwijzing organisaties van openbaar belang) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 14 januari 2019, 2018-0000000737, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=2) en [21a van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=21a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 februari 2019, nr. W06.19.0018/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 21 juni 2019, 2019-0000099531, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit toezicht accountantsorganisaties en de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel II Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2020. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing organisaties van openbaar belang. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2925,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2020, nr. 2020-0000172192, tot aanwijzing van beslagleggende partijen waarop artikel XXIIIC van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet van toepassing is Gelet op [artikel XXIIIC van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039377&artikel=XXIIIc); Besluit: Artikel 1 De beslagleggende partijen, bedoeld in [artikel XXIIIC, eerste lid, van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039377&artikel=XXIIIc), zijn de in de bijlage bij dit besluit genoemde partijen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Bijlage. Beslagleggende partijen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044633&artikel=1&z=2021-05-21&g=2021-05-21) | Partij | Ten behoeve van | | --- | --- | | Sociale Dienst Oost Achterhoek Gemeente Sluis Gemeente Hellevoetsluis Gemeente Gouda Werkorganisatie CGM (Cuijk, Grave, Mill) Gemeente Almere Gemeente Kampen Gemeente Leiden Gemeente Montferland Baanbrekers Waalwijk KempenPlus Gemeente Renkum GR Uitvoeringsorganisatie BBS Gemeente Pekela Gemeente Veendam Gemeente Tholen Gemeente Oldambt Gemeente Veldhoven ISD Brabantse Wal Gemeente Leiderdorp Gemeente Almelo Gemeente Noordenveld Gemeente Krimpenerwaard Gemeente Kaag en Braassem Gemeente Nieuwkoop Gemeente Eemsdelta Gemeente Coevorden Gemeente Amsterdam Gemeente Eindhoven | Terugvordering en verhaal in het kader van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), de [Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) en de [Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) | | Partij | Ten behoeve van | | --- | --- | | Gemeente Amstelveen Gemeente Almere Gemeente Haarlem Bestuursdienst Ommen-Hardenberg"},{"i":2502,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 24 april 2009, nr. AT-EZ/6279718.JZ, houdende vaststelling van een beleidsregel met betrekking tot het voorkomen van ontoelaatbare belemmeringen door het gewenste signaal (Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten) Gelet op [artikel 3.6 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.6), de [artikelen 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=9), [13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=13), [16, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=16), en [17, onderdeel d, van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=17), [artikel 8, tweede lid, van de Regeling aanwijzing overheidsorganen, bedoeld in artikel 3.4 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010034&artikel=8) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. **minister:** Minister van Economische Zaken; - c. **vergunninghouder:** de houder van een vergunning als bedoeld in [artikel 3.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3); - d. **gebouw:** gebouw als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1); - e. **e.i.r.p.:** equivalent isotroop uitgestraald vermogen van een radiozendapparaat; - f. **piekwaarde:** de hoogste korte termijn effectieve waarde van het signaal (elektrische veldsterkte of spanning) gedurende een observatietijd van één modulatieperiode, waarbij de korte termijn effectieve waarde wordt bepaald over één draaggolfperiode; - g. *"},{"i":3320,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 september 2017 nr. BOACAT2017/054, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Smallingerland Gelezen het verzoek van de gemeente Smallingerland van 10 augustus 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040007&artikel=2&z=2017-09-29&g=2017-09-29). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver en/of parkeercontroleur publiek domein in dienst van de gemeente Smallingerland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoe"},{"i":4445,"b":"Bijdragebeschikking Professionaliseringsfonds Burgemeesters 2008–2011 Nederlands Genootschap van Burgemeesters Overwegende dat: – Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters zich ten doel stelt om faciliteiten aan te bieden aan alle burgemeesters ten behoeve van het voortdurend professioneel uitoef enen van het ambt; – Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters daartoe organisatorische voorzieningen treft, onder de naam ‘Professionaliseringsfonds Burgemeesters’; – Deze faciliteiten de kwaliteit van het openbaar bestuur, waarvoor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zorg draagt, ten goede komen; – In het Georganiseerd Overleg Burgemeesters overeenstemming is bereikt over de financiering van het Professionaliseringsfonds Burgemeesters voor de periode 2008 tot en met 2011; – Een aanvraag voor een bijdrage van middelen voor het Professionaliseringsfonds Burgemeesters, inclusief een beleidsplan, door het Nederlands Genootschap van Burgemeesters bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ingediend; – Het wenselijk is regels vast te stellen betreffende de aan het fonds toe te kennen bijdragen en het beheer van de toegekende middelen. Besluit: Artikel 1. Bijdragen 1. Op aanvraag van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB) kent de Minister, op basis van de in de meerjarenraming van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opgenomen bedragen, een bijdrage toe aan het NGB. 2. In de huidige meerjarencijfers van het Ministerie is voor de periode 2008 tot en met 2011 een bijdrage van totaal 3 miljoen euro voorzien. 3. De Minister verstrekt op basis van het beleidsplan met daarbij gevoegde begrotingen van het NGB en aanvullende informatie, in overleg met het NGB, een voorschot van maximaal 95% van deze bijdrage gespreid over de begrotingsjaren 2008–2011. 4. Na ontvangst van de beleidsverantwoording, de financiële eindverantwoording en een goedkeurende accountantsverklaring, waaruit bli"},{"i":7443,"b":"Wet van 29 september 2021 tot wijziging van de Wet griffierechten burgerlijke zaken in verband met het introduceren van meerdere griffierechtcategorieën voor lagere geldvorderingen en het toevoegen van een griffierechtcategorie voor hoge geldvorderingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is meer gedifferentieerde griffierechten in te voeren voor zaken met betrekking tot een vordering dan wel een verzoek met een beloop tot € 5.000, onderscheidenlijk met een beloop van meer dan € 1.000.000, teneinde de hoogte van het griffierecht meer in overeenstemming te brengen met de hoogte van de vordering; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel II Als deze wet na 1 januari 2021 in werking treedt, kunnen bij de inwerkingtreding de in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045756&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01) genoemde bedragen bij regeling van Onze Minister voor Rechtsbescherming worden gewijzigd, voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":4715,"b":"Instellingsbesluit Commissie heroverweging instrumentarium rechtshandhaving Overwegende, dat de druk op de strafrechtelijke rechtshandhaving en de toepassing van vrijheidsstraffen onverminderd groot blijft; dat rechtshandhaving wezenlijk meer omvat dan alleen strafrechtelijke rechtshandhaving; dat strafrechtelijke rechtshandhaving in beginsel pas aan de orde dient te komen indien andere instrumenten van rechtshandhaving niet adequaat blijken te zijn; dat het wenselijk is ideeën te ontwikkelen over andere sancties dan strafrechtelijke; dat voorts binnen het strafrechtelijk sanctiestelsel de vrijheidsstraf als ultimum remedium moet worden beschouwd; dat het daarom wenselijk is hiervoor alternatieve vormen van strafrechtelijke sancties te ontwikkelen; Besluit: Artikel 1 Er is een Commissie heroverweging instrumentarium rechtshandhaving, hierna te noemen de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak aan de Minister van Justitie praktische voorstellen te doen met betrekking tot: - a. de handhaving van regelgeving anders dan door middel van het strafrecht; - b. andere vormen van strafrechtelijke sanctionering dan de vrijheidsstraf. Artikel 3 In de commissie hebben zitting: Artikel 4 De commissie is bevoegd deskundigen uit te nodigen om aan de beraadslagingen van de commissie deel te nemen. Artikel 5 De commissie kan ten behoeve van haar taak voor specifieke vraagstellingen aan derden opdracht geven een onderzoek te verrichten binnen het daarvoor vastgestelde budget. Artikel 6 De commissie kan zich wenden tot de onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie ressorterende diensten en instellingen voor het verkrijgen van de inlichtingen die zij behoeft. Artikel 7 De commissie zal vóór 1 juli 1995 haar rapport uitbrengen. Artikel 8 Dit besluit wordt bekend gemaakt door publikatie in de Staatscourant."},{"i":3885,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 16 febuari 2025, nr. WJZ/ 89776028 tot openstelling van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2025 (Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2025) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=2), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=4), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=5), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=8), [9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=9), en [24, tweede lid, van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=24); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **netlevering:** elektriciteit die op het elektriciteitsnet wordt ingevoed; - **netto P50-waarde vollasturen:** aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van een locatie en een productie-installatie die gebruik maakt van windenergie, is bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%; - **niet-netlevering:** elektriciteit die op een installatie wordt ingevoed; - **regeling:** [Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882). Artikel 2. (subsidieplafond en aanvraagperiode) Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit op grond van [artikel 2, derde lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=2), die wordt aangevraagd in de periode van 3 maart 2025, 09:00 uur, tot 1 oktober 2025, 17:00 uur, wordt vastgesteld op € 100.000.000. Artikel 3. (aanwijzing categorieën productie-installaties) 1. Als categorieën productie-installaties waarvoor op"},{"i":8456,"b":"Cultureel Verdrag tussen Nederland en Italië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering der Italiaanse Republiek; Bezield door de gelijke wens om haar betrekkingen te bevestigen en te versterken; Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten betreffende de culturele en intellectuele betrekkingen tussen beide landen en hebben tot dit doel gevolmachtigden benoemd, die, daartoe door hun Regeringen behoorlijk gemachtigd, als volgt zijn overeengekomen: Artikel 1 Het Verdrag heeft ten doel, door bestendig contact tussen de beide Partijen de goede betrekkingen tussen beide landen op het gebied van onderwijs, wetenschap en kunst op een hechte basis te grondvesten en te ontwikkelen. Artikel 2 Met het oog op de uitvoering van dit Verdrag wordt een permanente gemengde Commissie ingesteld. Deze zal bestaan uit zes leden; ieder der Verdragsluitende Partijen wordt door drie leden vertegenwoordigd. De samenstelling en de werkzaamheden van deze Commissie worden door de volgende beginselen beheerst: - a). De leden der Commissie worden voor Nederland benoemd door de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen; voor Italië door de Minister van Buitenlandse Zaken, in overleg met de Minister van Openbaar Onderwijs. De lijst der leden van iedere Verdragsluitende Partij wordt langs de diplomatieke weg aan de Regering der andere Partij ter kennis gebracht. - b). De gemengde Commissie vergadert in pleno telkenmale als de noodzakelijkheid daartoe gevoeld wordt en tenminste eenmaal 's jaars om beurten in Nederland en in Italië. De samenkomsten worden voorgezeten door een zevende lid en wel de Minister van Onderwijs van het ontvangende land. - c). Indien vraagstukken van technische aard in behandeling moeten worden genomen, die een gespecialiseerde kennis van zaken vereisen, kan de gemengde Commissie er toe overgaan subcommissies in te stellen, samengesteld uit leden gekozen uit of buiten haar midden, waarin ieder der Partijen door een gelijk aantal leden vertege"},{"i":8460,"b":"Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Finland De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Finland, Geleid door de wens de vriendschappelijke betrekkingen tussen hun beide landen te verstevigen en hiertoe de samenwerking op het gebied van cultuur, onderwijs en wetenschap te bevorderen en tot ontwikkeling te brengen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen op basis van wederkerigheid de samenwerking tussen beide landen op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur, en wel op de volgende wijze: - a). door bezoeken te organiseren van leden van de wetenschappelijke staf van universiteiten en van andere personen die zich bezighouden met wetenschappelijk onderzoek, als gasthoogleraren en onderzoekers: - b). door de regelingen te treffen zodat voldoend opgeleide academici, onderzoekers en specialisten op het gebied van de cultuur van vergelijkbaar niveau in ieder land deelnemen aan studiebijeenkomsten, besprekingen en bezoeken aan wetenschappelijke laboratoria en instituten in het andere land, zulks met inbegrip van de verlening van faciliteiten, zoals beurzen, die nodig zijn voor studie of onderzoek: - c). door de studie van de taal en de letterkunde van elk land aan universiteiten en andere onderwijsinstellingen in het andere land te stimuleren: - d). door rechtstreekse samenwerking tussen instellingen en organisaties in de beide landen op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur aan te moedigen: - e). door, met inachtneming van de eigen wetten en voorschriften, de culturele instellingen van het andere land op alle mogelijke wijzen te steunen; - f). door delegaties uit te wisselen die vraagstukken willen bestuderen en ervaringen willen delen op het gebied van wetenschap, onderwijs en cultuur, die van gemeenschappelijk belang zijn. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen blijven beurzen beschikbaar stellen aan studenten of afgestudeerden u"},{"i":8461,"b":"Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek India De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en De Regering van de Republiek India, (hierna te noemen de „Overeenkomstsluitende Partijen”), Geleid door de wens de culturele samenwerking in de ruimste zin tussen beide landen te bevorderen en te ontwikkelen, Overtuigd dat deze samenwerking zal bijdragen tot de bevordering van wederzijds begrip en vriendschap tussen beide landen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen een nauwe samenwerking tussen de organisaties en instellingen in beide landen op het gebied van het onderwijs en de wetenschap. Tot dit doel moedigen zij, zoveel mogelijk en op basis van wederkerigheid, de uitwisseling aan van hoogleraren, leden van de wetenschappelijke staf van universiteiten, wetenschapsmensen en studenten, in het bijzonder in het kader van gemeenschappelijke projecten; hun worden, met inachtneming van de geldende nationale wetten en voorschriften, faciliteiten verleend ten aanzien van het verblijven en het zich verplaatsen in de onderscheiden landen. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen zijn bereid op basis van wederkerigheid studiebeurzen en -toelagen toe te kennen ten behoeve van studenten en jonge onderzoekers voor studie in het andere land. Artikel 3 De Overeenkomstsluitende Partijen stimuleren en vergemakkelijken de uitwisseling van informatie en documentatie betreffende ontwikkelingen op het gebied van het onderwijs, de wetenschap en het onderzoek in hun onderscheiden landen. Artikel 4 De Overeenkomstsluitende Partijen stimuleren in hun onderscheiden landen de bestudering van en het onderwijs in de taal, de letterkunde, en de culturen van het andere land aan universiteiten en andere instellingen van wetenschap en hoger onderwijs ten einde een bijdrage te leveren tot een grotere kennis van de onderscheiden landen. Artikel 5 Elke Overeenkomstsluitende Partij kan, met voorafgaande toestemming va"},{"i":8462,"b":"Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Suriname, de wens koesterend de samenwerking tussen beide landen op het gebied van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur in brede zin te bevorderen, ervan overtuigd dat deze samenwerking mede zal bijdragen tot een beter begrip tussen de volken van de beide landen, hebben besloten een culturele overeenkomst te sluiten en zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Teneinde de samenwerking tussen de beide landen op het gebied van de wetenschapsbeoefening en het onderwijs te bevorderen, verbinden de Overeenkomstsluitende Partijen zich met name ertoe op basis van wederkerigheid: - a. de uitwisseling van en contacten tussen hoogleraren, andere geleerden en studenten, alsmede de samenwerking tussen de Universiteiten en andere instellingen van wetenschapsbeoefening te bevorderen; - b. de uitwisseling te bevorderen van afvaardigingen en particuliere deskundigen van in onderling overleg nader te bepalen takken van wetenschap; - c. de samenwerking te bevorderen tussen deskundigen en instellingen op het gebied van het onderwijs in algemene zin; - d. studiebeurzen te verstrekken teneinde wederzijdse staatsburgers in de gelegenheid te stellen te studeren aan wederzijdse instellingen van wetenschapsbeoefening en onderwijs, en/of op andere wijze in hun land een studieverblijf door te brengen; - e. na te gaan onder welke voorwaarden het mogelijk zou zijn de gelijkwaardigheid te erkennen van door Universiteiten en andere instellingen van Hoger Onderwijs van het andere land verleende diploma's en de mogelijkheid te onderzoeken daartoe afzonderlijke regelingen te treffen; - f. de instelling en verdere ontwikkeling te bevorderen van leerstoelen, lectoraten en cursussen aan hun universiteiten en andere instellingen van onderwijs en onderzoek, die betrekking hebben op de taal, de cultuur en de beschaving van het andere land, alsme"},{"i":8463,"b":"Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tunesië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Tunesië, de wens koesterende de culturele banden tussen de beide landen te versterken en een nauwe samenwerking op het gebied van onderwijs, kunsten en wetenschappen te bewerkstelligen, de vriendschappelijke verstandhouding te bevestigen en een zo volledig mogelijk begrip tussen de beide volken te handhaven, hebben besloten een culturele overeenkomst te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich de samenwerking tussen de beide landen op het gebied van cultuur, kunst en wetenschappen aan te moedigen en wel door het nemen van alle daartoe noodzakelijke maatregelen. Zij verbinden zich met name ertoe: - a). de uitwisseling te bevorderen van leden van de wetenschappelijke staf van instellingen van hoger onderwijs, van hoogleraren, geleerden, wetenschappelijke onderzoekers en studenten tussen de wetenschappelijke instellingen en de universiteiten van beide landen, en hun alle faciliteiten te verlenen met betrekking tot de binnenkomst en het verblijf, zulks overeenkomstig de in elk der beide landen van kracht zijnde wetten; - b). elk in haar eigen land studiebeurzen in te stellen teneinde studenten en jonge afgestudeerden van het andere land de gelegenheid te bieden hun studie voort te zetten aan wetenschappelijke instellingen en universiteiten, dan wel hun wetenschappelijke opleiding te voltooien; - c). aan bursalen, studenten, stagiaires en wetenschappelijke onderzoekers de toegang tot monumenten, bibliotheken, archiefcollecties, musea en andere culturele en wetenschappelijke instellingen te vergemakkelijken; - d). de organisatie van tentoonstellingen, concerten en lezingen aan te moedigen die tot een betere kennis van de cultuur van het andere land bijdragen; - e). de samenwerking op het gebied van cultuur, wetenschap, sport en maatschappe"},{"i":8464,"b":"Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Turkije, De wens koesterende de vriendschapsbanden die de beide landen zo gelukkig verbinden nog te versterken door hun verschillende culturele betrekkingen te ontwikkelen, Hebben besloten te dien einde een overeenkomst te sluiten en hebben hun gevolmachtigden benoemd die, daartoe behoorlijk gemachtigd, als volgt zijn overeengekomen: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen zullen hun goede betrekkingen op het gebied van het onderwijs en op intellectueel, wetenschappelijk en kunstzinnig gebied zoveel mogelijk ontwikkelen. Artikel 2 Teneinde de in artikel 1 genoemde doelstellingen te bereiken zullen de Overeenkomstsluitende Partijen, zo mogelijk door de verstrekking van beurzen, de uitwisseling begunstigen van hoogleraren van universiteiten en van leden van onderwijsinstellingen en van wetenschappelijke en culturele instellingen. Zij zullen uitingen van kunst, zoals tentoonstellingen, concerten en lezingen, welke betrekking hebben op de cultuur van het andere land, alsmede culturele uitwisselingen op het gebied van film, radio en sport aanmoedigen. Artikel 3 Iedere Overeenkomstsluitende Partij is bevoegd wetenschappelijke en culturele instellingen op het gebied van de andere op te richten, mits met inachtneming van de wettelijke bepalingen die de oprichting van dergelijke instellingen in elk land beheersen. Artikel 4 De Overeenkomstsluitende Partijen zullen bijzondere aandacht besteden aan het vraagstuk van de herziening van geschiedkundige en aardrijkskundige leerboeken betreffende elk van beide landen. Zij zullen met name alle faciliteiten verlenen aan de organen en personen die zich aan deze taak wijden, door alle gegevens die hun van nut kunnen zijn, te hunner beschikking te stellen, mits met inachtneming van de wettelijke bepalingen die in elk land van kracht zijn. Artikel 5 De bevoegde autoriteite"},{"i":8465,"b":"Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federale Republiek Zuidslavië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Socialistische Federale Republiek Zuidslavië, de wens koesterend de samenwerking tussen beide landen op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur te bevorderen, ervan overtuigd dat deze samenwerking mede zal kunnen bijdragen tot een beter begrip tussen de volken van de beide landen, hebben besloten een culturele overeenkomst te sluiten, en zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel I Ten einde de samenwerking tussen beide landen op het gebied van de wetenschapsbeoefening en het onderwijs te bevorderen, verbinden de Overeenkomstsluitende Partijen zich met name ertoe op basis van wederkerigheid: - a. de uitwisseling van en contacten tussen hoogleraren, andere geleerden en studenten, alsmede de samenwerking tussen de universiteiten en andere instellingen van wetenschapsbeoefening te bevorderen; - b. op analoge wijze de samenwerking te bevorderen tussen deskundigen en instellingen op het gebied van het voortgezet onderwijs, daarbij inbegrepen het technisch onderwijs en het kunstonderwijs; - c. studiebeurzen in te stellen, ten einde onderdanen van het andere land in de gelegenheid te stellen aan hun instellingen van wetenschapsbeoefening en onderwijs te studeren of op andere wijze in hun land een studieverblijf door te brengen; - d. na te gaan onder welke voorwaarden het mogelijk zou zijn de gelijkwaardigheid te erkennen van door universiteiten en andere instellingen van hoger onderwijs van het andere land verleende diploma's en de mogelijkheid te onderzoeken daartoe afzonderlijke regelingen te treffen. Artikel II Ten einde in hun onderscheiden landen een betere kennis van de cultuur van het andere land te bevorderen, zullen de Overeenkomstsluitende Partijen wederkerig de uitwisseling van bezoeken en andere contacten aanmoedigen tussen vooraanstaande persoonlijkheden uit het cul"},{"i":8466,"b":"Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Israël; Verlangend de vriendschappelijke betrekkingen tussen hun beide landen te versterken en hiertoe de samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur in de ruimste zin te ontwikkelen; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen het contact en de samenwerking tussen de organen en instellingen voor onderzoek en onderwijs in hun onderscheiden landen. Zij streven ernaar op basis van wederkerigheid de uitwisseling van hoogleraren, wetenschapsbeoefenaren, onderzoekers, docenten en studenten te bevorderen en aan te moedigen. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen gezamenlijke onderzoekprojecten. Artikel 3 Elke Overeenkomstsluitende Partij verstrekt aan onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij beurzen voor studie en onderzoek op wetenschappelijk gebied en op het gebied van onderwijs en cultuur. Artikel 4 De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de uitwisseling van ervaringen in het onderwijs op alle niveaus, door deskundigen, gedegen schoolboeken en ander lesmateriaal uit te wisselen. Artikel 5 De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de uitwisseling van gegevens over universiteitsprogramma's en leerplannen en cursussen van andere onderwijsinstellingen en scholen voor algemeen en technisch onderwijs, ten einde de graden/diploma's en de cursussen te kunnen vergelijken. Artikel 6 Elke Overeenkomstsluitende Partij moedigt, zowel op de scholen als op de universiteiten, de bestudering van en het onderwijs in de taal, de letterkunde en de cultuur van de andere Overeenkomstsluitende Partij aan en vergemakkelijkt de uitwisseling van publikaties en onderzoekmateriaal voor deze studie. Artikel 7 De Overeenkomstsluitende Partijen moedigen de wederzijdse bezoeken aan van personen die zich bezighouden met de letterkunde, de muziek, de ku"},{"i":8467,"b":"Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Republiek De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Arabische Republiek, de wens koesterende de culturele banden tussen de beide Landen te versterken en een nauwe samenwerking op het gebied van het onderwijs, de wetenschappen en de kunsten te bewerkstelligen, en om de vriendschappelijke verstandhouding te bevestigen en een zo volledig mogelijk begrip tussen de beide volken te handhaven, hebben besloten een culturele overeenkomst te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich de culturele, wetenschappelijke en kunstzinnige samenwerking tussen de beide Landen aan te moedigen en wel door het nemen van alle daartoe noodzakelijke maatregelen. Zij verbinden zich met name ertoe: - a). de uitwisseling te bevorderen van leden van de wetenschappelijke staf van instellingen van hoger onderwijs, van hoogleraren, geleerden en studenten tussen de instellingen van wetenschap en de universiteiten van beide Landen, en hun alle faciliteiten te verlenen met betrekking tot de binnenkomst en het verblijf, zulks overeenkomstig de in elk der beide Landen van kracht zijnde wetten; - b). elk in Haar eigen Land studiebeurzen in te stellen teneinde studenten en afgestudeerden van het andere Land de gelegenheid te bieden aan instituten van wetenschap en instellingen van hoger onderwijs te studeren en aldaar onderzoekingen te verrichten dan wel hun technische opleiding te voltooien; - c). de organisatie van tentoonstellingen, concerten en lezingen aan te moedigen die tot een betere kennis van de cultuur van het andere Land zullen bijdragen; - d). de samenwerking op het gebied van de cultuur, de wetenschap, de sport en het maatschappelijk leven te bevorderen tussen de in beide Landen erkende onderwijsinstellingen; - e). de uitwisseling te vergemakkelijken van handschriften en afschriften daarvan, van kuns"},{"i":8468,"b":"Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Brazilië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Republiek der Verenigde Staten van Brazilië, Verlangend, de traditionele vriendschapsbanden die de twee volkeren verbinden nauwer aan te halen en de betrekkingen tussen de twee landen op het gebied van het onderwijs, de wetenschappen en dat der kunsten te versterken, Hebben besloten een overeenkomst inzake de culturele betrekkingen te sluiten en hebben te dien einde als Gevolmachtigden benoemd: De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Zijne Excellentie Mr. J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken, en De Regering van de Republiek der Verenigde Staten van Brazilië, Zijne Excellentie de Heer Jayme Sloan Chermont, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur, Die, na hun in goede vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, het volgende zijn overeengekomen: Artikel I Teneinde in hun respectieve landen een betere kennis van de cultuur van het andere land te bevorderen, zullen de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar, zoveel als mogelijk is, bijstaan bij: - a). de verspreiding van boeken, tijdschriften en andere publikaties; - b). het organiseren van conferenties, concerten en toneelvoorstellingen; - c). het organiseren van tentoonstellingen op het gebied der kunst en andere tentoonstellingen met een cultureel karakter; - d). het organiseren van radiouitzendingen, de verspreiding van grammofoonplaten en soortgelijke middelen; - e). het vertonen van films met een wetenschappelijk, opvoedkundig of cultureel karakter; - f). het uitwisselen van kopieën van in de officiële archieven en bibliotheken van elk der twee landen aanwezige documenten die van belang zijn voor het andere land, mits de wettelijke bepalingen van elk der landen zich niet tegen uitwisseling op dit gebied verzetten. Artikel II De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen tussen de onderscheiden landen de uitwisseling van professor"},{"i":8469,"b":"Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Keizerrijk Iran De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Keizerlijke Regering van Iran, De wens koesterende de vriendschapsbanden die de beide Landen zo gelukkig verbinden, nog te versterken door hun verschillende culturele betrekkingen te ontwikkelen, Hebben besloten te dien einde een overeenkomst te sluiten en hebben hun gevolmachtigden benoemd, te weten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden: Zijne Excellentie mr. Joseph Marie Antoine Hubert Luns, De Keizerlijke Regering van Iran: Zijne Excellentie Ali Asghar Hekmat, Die, daartoe behoorlijk gemachtigd, als volgt zijn overeengekomen: TEN BLIJKE WAARVAN de onderscheidene gevolmachtigden de onderhavige Overeenkomst hebben ondertekend en van hun zegels voorzien. GEDAAN te ‘s-Gravenhage, de 22e mei 1959, in tweevoud, in de Nederlandse, de Perzische en de Franse taal, zijnde, in geval van verschil, de Franse tekst doorslaggevend. **Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden:** (w.g.) J. LUNS **Voor de Keizerlijke Regering van Iran:** (w.g.) A. A. HEKMAT"},{"i":8470,"b":"Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Marokko, Geleid door de wens de vriendschapsbanden tussen hun beide landen nauwer aan te halen en de samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschappen en cultuur in de ruimste zin van het woord te versterken, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe de betrekkingen tussen de beide landen op het gebied van onderwijs, wetenschap, cultuur en sportbeoefening in de mate van het mogelijke te bevorderen en te ontwikkelen. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de samenwerking tussen hun onderscheiden instellingen en organen die belast zijn met opvoeding, onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Hiertoe streven zij naar bevordering van de uitwisseling, op basis van wederkerigheid, van docenten, wetenschapsbeoefenaren, onderzoekers en studenten, vooral in het kader van gemeenschappelijke projecten, en verlenen zij dezen alle vereiste faciliteiten inzake binnenkomst en verblijf, zulks overeenkomstig de in elk der beide landen geldende wetten. Zij bevorderen tevens de uitwisseling van documentatie en ervaringen met betrekking tot hun onderscheiden onderwijssystemen. Artikel 3 Elk der Overeenkomstsluitende Partijen streeft ernaar de onderdanen van de andere Partij op basis van wederkerigheid: - a. beurzen voor studie en onderzoek te verstrekken; - b. beurzen voor een stage op het gebied van een lerarenopleiding te verstrekken. Artikel 4 De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen het onderwijs in hun talen, letterkunde en cultuur, alsmede het onderzoek op deze gebieden, aan de universiteiten en andere onderwijsinstellingen van hun onderscheiden landen. De Partijen vergemakkelijken de uitwisseling van documentatie inzake kunstwerken, alsmede van wetenschappelijk materiaal. Artikel 5 De Nederlandse Overeenkomstsluitende Partij vergemakkel"},{"i":8499,"b":"Europees landschapsverdrag **Preambule** De lidstaten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden is, teneinde de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfgoed zijn te beschermen en dat de verwezenlijking van dit doel met name wordt nagestreefd middels overeenkomsten op economisch en sociaal gebied; Strevend naar duurzame ontwikkeling die gebaseerd is op een evenwichtige balans tussen sociale behoeften, economische bedrijvigheid en het milieu; Gelet op het feit dat het landschap van groot algemeen belang is op het gebied van cultuur, ecologie, milieu en de maatschappij en een hulpbron is die de economische bedrijvigheid bevordert, en dat de bescherming, het beheer en de inrichting van het landschap werkgelegenheid kan opleveren; Zich ervan bewust dat het landschap een bijdrage levert aan de vorming van plaatselijke culturen en dat het een wezenlijk onderdeel vormt van het natuurlijk en cultureel erfgoed van Europa, dat bijdraagt aan het welzijn van de mens en de instandhouding van de Europese identiteit; Erkennend dat het landschap een belangrijk element vormt van de kwaliteit van het leven van de bevolking: in zowel stedelijke gebieden als op het platteland, in aangetaste gebieden en in hoogwaardige gebieden, in gebieden met een grote landschappelijke waarde en in doorsnee gebieden; Zich ervan bewust dat ontwikkelingen op het gebied van productiemethoden binnen de landbouw, bosbouw, industrie en mijnbouw alsmede wat betreft ruimtelijke ordening, stadsontwikkeling, transport, infrastructuur, toerisme en recreatie en meer algemeen, veranderingen binnen de wereldeconomie in veel gevallen de transformatie van het landschap versnellen; Geleid door de wens in te spelen op de wens van het publiek om te kunnen genieten van hoogwaardige landschappen en een actieve rol te spelen bij de ontwikkeling van landschappen; In de overtuiging dat het"},{"i":8500,"b":"Europees-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lid-staten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds het Koninkrijk België, Het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „lidstaten” genoemd, en de Europese Gemeenschap hierna „Gemeenschap” genoemd, enerzijds, en de Republiek Libanon, hierna „Libanon” genoemd, anderzijds, Gelet op de nabijheid en de onderlinge afhankelijkheid van de Gemeenschap, haar lidstaten en Libanon, gebaseerd op de historische banden en hun gemeenschappelijke waarden; Overwegende dat de Gemeenschap, haar lidstaten en Libanon deze banden wensen te versterken en duurzame betrekkingen tot stand wensen te brengen, gebaseerd op wederkerigheid, solidariteit, partnerschap en gezamenlijke ontwikkeling; Gelet op het belang dat de partijen hechten aan de beginselen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), en in het bijzonder aan de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de economische vrijheden, waarop de Associatie is gegrondvest; Gelet op de recente politieke en economische ontwikkelingen, zowel op het Europese vasteland als in het Midden-Oosten, en de daaruit voortvloeiende gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de stabiliteit, veiligheid en welvaart van de Europees-mediterrane regio; Gelet op het belang voor de Gemeenschap en Libanon van vrijhandel, als bedoeld bij de [Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel](onbeken"},{"i":8502,"b":"Europees Sociaal Handvest De ondertekenende Regeringen, Leden van de Raad van Europa, Overwegende, dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn Leden tot stand te brengen ten einde de idealen en beginselen welke hun gemeenschappelijk erfdeel zijn, veilig te stellen en te verwezenlijken en hun economische en sociale vooruitgang te bevorderen, in het bijzonder door de handhaving en verdere verwezenlijking van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden: Overwegende, dat in het op 4 november 1950 te Rome ondertekende [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000), en het daarbij behorende [Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001001), dat op 20 maart 1952 te Parijs werd ondertekend, de lid-staten van de Raad van Europa overeenkwamen, dat zij hun volkeren de daarin opgesomde burgerlijke en politieke rechten en vrijheden zouden waarborgen; Overwegende, dat ieder in het genot dient te worden gesteld van sociale rechten, ongeacht ras, huidskleur; geslacht, godsdienst, politieke overtuiging, nationale afstamming of maatschappelijke afkomst; Vastbesloten, gezamenlijk alles in het werk te stellen om het levenspeil te verhogen en het welzijn van alle bevolkingsgroepen, zowel in de stad als op het platteland, te bevorderen door middel van doelmatige instellingen en maatregelen; Zijn als volgt overeengekomen: DEEL I DEEL II Artikel 1. Recht op arbeid Ten einde de onbelemmerde uitoefening van het recht op arbeid te waarborgen verbinden de Overeenkomstsluitende Partijen zich: - 1. de totstandbrenging en handhaving van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, met het oogmerk een volledige werkgelegenheid te verwezenlijken, als een hunner voornaamste doelstellingen en verantwoordelijkheden te beschouwen; - 2. het recht van de werknemer om in zijn onderhoud te voorzien door vrijelijk gekozen werkzaamheden daadwerkelijk te beschermen; - 3. ko"},{"i":8503,"b":"Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken De Regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden; Overtuigd dat het aanvaarden van gemeenschappelijke regels op het gebied van wederzijdse rechtshulp in strafzaken tot het bereiken van dit doel zal bijdragen; Overwegende dat de wederzijdse rechtshulp een onderwerp is dat verwant is aan uitlevering, waarop reeds betrekking heeft een [verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001010) onder dagtekening van 13 december 1957; Zijn als volgt overeengekomen: TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. De Partijen verbinden zich er onmiddellijk toe om, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen in procedures die betrekking hebben op strafbare feiten waarvan de bestraffing op het tijdstip van het verzoek om rechtshulp, tot de bevoegdheid behoort van rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij. 2. Dit Verdrag is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van beslissingen tot vrijheidsbeneming of van veroordelingen of delicten krachtens militair recht die geen strafbare feiten naar het gewone strafrecht zijn. 3. Wederzijdse rechtshulp kan eveneens worden verleend in procedures wegens feiten die volgens het nationale recht van de verzoekende Partij of de aangezochte Partij als vergrijpen tegen voorschriften betreffende de orde door bestuurlijke autoriteiten worden bestraft, mits van hun beslissingen beroep openstaat op een ook in strafzaken bevoegde rechter. 4. Wederzijdse rechtshulp wordt niet geweigerd op grond van het enkele feit dat deze betrekking heeft op handelingen waarvoor een rechtspersoon in de verzoekende Partij aansprakelijk kan worden gesteld. Artikel 2 Rechtshulp kan worden geweigerd: - (a). indien het verzoek betrekking heeftop strafbare feiten die door de aan"},{"i":8501,"b":"Europees Sociaal Handvest (herzien) Preambule De ondertekenende Regeringen, Leden van de Raad van Europa, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn Leden tot stand te brengen teneinde de idealen en beginselen welke hun gemeenschappelijk erfdeel zijn, veilig te stellen en te verwezenlijken en hun economische en sociale vooruitgang te bevorderen, in het bijzonder door de handhaving en verdere verwezenlijking van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Overwegende dat in het op 4 november 1950 te Rome ondertekende [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000), en de daarbij behorende Protocollen, de Lidstaten van de Raad van Europa overeenkwamen dat zij hun volkeren de daarin opgesomde burgerlijke en politieke rechten en vrijheden zouden waarborgen; Overwegende dat in het [Europees Sociaal Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021) dat in Turijn op 18 oktober 1961 werd opengesteld voor ondertekening en de Protocollen daarbij, de Lidstaten van de Raad van Europa overeenkwamen dat zij hun volkeren de daarin opgesomde sociale rechten zouden waarborgen teneinde hun levensstandaard en hun welzijn te verbeteren; In herinnering brengend dat de Ministersconferentie inzake de rechten van de mens die op 5 november 1990 plaatsvond te Rome, de noodzaak benadrukte enerzijds de ondeelbaarheid van alle rechten van de mens, zij het burgerrechten, politieke, economische, sociale of culturele rechten, te handhaven, en, anderzijds, het [Europees Sociaal Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021) een nieuwe impuls te geven; Vastbesloten, zoals is overeengekomen tijdens de Ministersconferentie die op 21 en 22 oktober 1991 plaatsvond te Turijn, de materiële inhoud van het Handvest te actualiseren en aan te passen teneinde met name rekening te houden met de fundamentele sociale veranderingen die zijn opgetreden sinds de tek"},{"i":8504,"b":"Europees Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen De Lid-Staten van de Raad van Europa, die dit Verdrag hebben ondertekend, Erkennend dat in de Lid-Staten van de Raad van Europa bij het geven van beslissingen inzake het gezag over kinderen het belang van het kind van doorslaggevende betekenis is; Overwegend dat door het treffen van maatregelen ter vergemakkelijking van de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen de belangen van de kinderen beter zullen worden beschermd; Het in verband met dat doel wenselijk achtend er met nadruk op te wijzen dat het bezoekrecht van de ouders het normale uitvloeisel is van het recht betreffende het gezag; Wijzend op het groeiende aantal gevallen waarin kinderen ongeoorloofd een internationale grens zijn overgebracht en op de moeilijkheden die zich voordoen bij het zoeken naar een passende oplossing voor de problemen, die zich bij deze gevallen voordoen; Verlangend passende bepalingen in te voeren waardoor het gezag over kinderen kan worden hersteld wanneer dit gezag eigenmachtig is onderbroken; Overtuigd van de wenselijkheid daartoe maatregelen te nemen die aansluiten bij de verschillende behoeften en de verschillende omstandigheden; Verlangend een juridische samenwerking tot stand te brengen tussen hun autoriteiten, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag, wordt verstaan onder: - a. **kind:** een persoon, ongeacht zijn nationaliteit, voor zover hij nog niet de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en niet het recht heeft zelf zijn verblijfplaats te bepalen volgens het recht van zijn gewone verblijfplaats, zijn nationale recht of het interne recht van de aangezochte Staat; - b. **autoriteit:** iedere rechterlijke of administratieve autoriteit; - c. **beslissing inzake het gezag:** iedere beslissing van een autoriteit voor zover deze betrekking"},{"i":8505,"b":"Europees Verdrag betreffende de niet-toepasselijkheid van verjaring terzake van misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend, De noodzaak overwegend om zowel in tijd van oorlog als in vredestijd de menselijke waardigheid te beschermen; Overwegend dat misdrijven tegen de menselijkheid en de ernstigste schendingen van de wetten en gebruiken van de oorlog een ernstige aantasting van de menselijke waardigheid vormen; Om die reden verlangend te verzekeren dat de bestraffing van die misdrijven niet wordt verhinderd door verjaring ten aanzien van hetzij het recht van vervolging, hetzij het recht van tenuitvoerlegging van de straf; Het wezenlijke belang overwegend dat is gelegen in het bevorderen van een gemeenschappelijk strafrechtelijk beleid op dit gebied, gegeven het feit dat het doel van de Raad van Europa is de totstandbrenging van een grotere eenheid tussen zijn leden, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Iedere Verdragsluitende Staat verbindt zich ertoe de noodzakelijke maatregelen te nemen om te verzekeren, dat het recht van vervolging van de volgende strafbare feiten of van tenuitvoerlegging van terzake opgelegde straffen niet verjaart, voor zover deze krachtens zijn nationale wetgeving strafbaar zijn: - 1. de misdrijven tegen de menselijkheid, omschreven in het [Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005551), dat op 9 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is aanvaard; - 2. indien de desbetreffende schending buitengewoon ernstig is, gelet op hetzij de feitelijke omstandigheden en de mate van opzet, hetzij de omvang van de voorzienbare gevolgen daarvan; - (a). de inbreuken, vermeld in [artikel 50 van het Verdrag van Genève van 1949 voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005565&artikel=5"},{"i":8506,"b":"Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende, dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, Verlangend de arbeid die zij reeds op het gebied van het strafrecht hebben verricht te voltooien, ten einde te komen tot een rechtvaardiger en doeltreffender strafoplegging, Van oordeel zijnde, dat het te dien einde nuttig zou zijn in een geest van wederzijds vertrouwen op internationaal niveau regelingen vast te stellen voor vervolging van strafbare feiten en daarbij met name de nadelen van bevoegdheidsconflicten te vermijden, Zijn als volgt overeengekomen: TITEL I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - (a). „strafbaar feit\": handelingen die in het strafrecht strafbaar zijn gesteld, alsmede handelingen waarop betrekking hebben de in Bijlage III van dit Verdrag genoemde wettelijke bepalingen, mits de betrokkene, indien terzake van het strafbare feit een bestuurlijke autoriteit bevoegd is, de mogelijkheid heeft de zaak aan de rechter voor te leggen; - (b). „sanctie\": elke straf of maatregel, opgelegd of uitgesproken wegens een strafbaar feit of wegens een overtreding van de in Bijlage III genoemde wettelijke bepalingen. TITEL II. Bevoegdheid Artikel 2 1. Voor de toepassing van dit Verdrag is elke Verdragsluitende Staat bevoegd elk strafbaar feit waarop de strafwet van een andere Verdragsluitende Staat van toepassing is, te vervolgen op grond van zijn eigen strafwet. 2. De aan een Verdragsluitende Staat uitsluitend op grond van bet eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend na een verzoek om strafvervolging, afkomstig van een andere Verdragsluitende Staat. Artikel 3 Elke Verdragsluitende Staat die krachtens zijn eigen wet bevoegd is tot het vervolgen van een strafbaar feit kan, voor de toepassing van dit Verdrag, afzien van strafv"},{"i":16708,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juni 2013, 119252-104109-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake verlenging van het Experiment regelarme instellingen in de langdurige zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 3 mei 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2012/13, 31 765, 75); Besluit: artikel Enig In afwijking van [artikel 5 van de Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juni 2012, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het Experiment regelarme instellingen in de langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031774&artikel=5), nr. MC-U-3117725 (Stcrt. 2012, 13948), eindigt een experiment als bedoeld in die aanwijzing uiterlijk met ingang van 1 januari 2015."},{"i":8507,"b":"Europees Verdrag betreffende uitlevering De Regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend, leden van de Raad van Europa, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Overwegende dat dit doel kan worden bereikt door het sluiten van overeenkomsten of door het volgen van een gemeenschappelijke gedragslijn op juridisch gebied; Overtuigd dat het aanvaarden van eenvormige regels op het gebied van uitlevering bevorderlijk is voor deze eenwording; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Verplichting tot uitlevering De Verdragsluitende Partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden in de volgende artikelen bepaald, elkander de personen uit te leveren, die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij vervolgd worden ter zake van een strafbaar feit of gezocht worden tot tenuitvoerlegging van een straf of maatregel. Artikel 2. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden 1. Tot uitlevering zullen kunnen leiden feiten die krachtens de wetten van de verzoekende Partij en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, met een maximum van ten minste een jaar of met een zwaardere straf. Wanneer er binnen het gebied van de verzoekende Partij een straf of een maatregel is opgelegd moet die straf of die maatregel ten minste de duur van vier maanden hebben. 2. Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op verscheidene, afzonderlijke feiten die alle krachtens de wet van de verzoekende en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, maar waarvan sommige niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, is de aangezochte Partij bevoegd de uitlevering eveneens voor deze laatste feiten toe te staan. Deze bevoegdheid geldt ook met betrekking tot feiten die slechts met geldstraffen worden be"},{"i":8508,"b":"Europees Verdrag inzake cinematografische coproduktie De Lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die partij zijn bij het [Europees Cultureel Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005098) die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, ten einde met name de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfgoed zijn te beschermen en te verwezenlijken; Overwegende dat de vrijheid van vormgeving en de vrijheid van expressie fundamentele elementen van deze beginselen vormen; Overwegende dat de verdediging van de culturele verscheidenheid van de verschillende Europese landen één van de doelstellingen van het [Europees Cultureel Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005098) is; Overwegende dat de cinematografische coproduktie, als middel tot vormgeving en expressie van de culturele verscheidenheid op Europese schaal, dient te worden versterkt; Ernaar strevend deze beginselen te ontwikkelen en herinnerend aan de aanbevelingen van het Comité van Ministers op het gebied van cinematografische en audiovisuele werken, en met name Aanbeveling n° R (86) 3 inzake de bevordering van de produktie van audiovisuele werken in Europa; Erkennend dat de oprichting van het Europees fonds voor de ondersteuning van coproduktie en distributie van oorspronkelijke cinematografische en audiovisuele werken, Eurimages, aansluit bij het streven de Europese cinematografische coproduktie aan te moedigen en dat aldus een nieuwe impuls is gegeven aan de ontwikkeling van cinematografische coproduktie van werken in Europa; Vastbesloten deze culturele doelstelling te verwezenlijken dankzij een gemeenschappelijke inspanning om de produktie te verhogen en regels op te stellen die aansluiten op alle Europese multilaterale cinematografische coprodukties; Overwegende dat de aanneming van gemeenschappelijke regels bijdraagt tot het verminderen van beperkingen en het bevor"},{"i":8512,"b":"Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (herzien) Preambule De Lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die partij zijn bij het [Europees Cultureel Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005098) en die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van.de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, ten einde met name de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfgoed zijn te beschermen en te verwezenlijken; Gelet op het [Europees Cultureel Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005098), ondertekend te Parijs op 19 december 1954, in het bijzonder de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005098&artikel=1) en [5 daarvan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005098&artikel=5); Gelet op het [Verdrag inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002624), ondertekend te Granada op 3 oktober 1985; Gelet op het Europees Verdrag inzake delicten met betrekking tot cultuurgoederen, ondertekend te Delphi op 23 juni 1985; Gelet op de aanbevelingen van de Parlementaire Vergadering met betrekking tot de archeologie, in het bijzonder Aanbevelingen 848 (1978), 921 (1981) en 1072(1988); Gelet op Aanbeveling nr. R (89) 5 inzake de bescherming en het beter tot zijn recht doen komen van het archeologische erfgoed in het kader van de stedebouw en de landinrichting; Eraan herinnerend dat het archeologische erfgoed van wezenlijk belang is voor de kennis van de geschiedenis van de mensheid; Erkennend dat het Europese archeologische erfgoed, dat getuigt van de oude geschiedenis, ernstig met aantasting wordt bedreigd door het toenemende aantal grote ruimtelijke-ordeningsprojecten, risico's van natuurlijke aard, clandestiene of onwetenschappelijke opgravingen en onvoldoende besef onder het publiek; Bevestigend dat het van belang is, daar waar deze nog niet bestaan, passende bestuurlijke en wetensch"},{"i":8515,"b":"Europees Verdrag inzake de gelijkstelling van tijdvakken van universitaire studie De Regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Gelet op het [Europees Verdrag betreffende de gelijkstelling van diploma's voor toelating tot universiteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005097), ondertekend te Parijs op 11 december 1953, Gelet op het [Europees Cultureel Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005098), ondertekend te Parijs op 19 december 1954, Overwegende, dat een belangrijke bijdrage zou worden geleverd tot een goede verstandhouding tussen de volkeren van Europa, indien een groter aantal studenten, onder andere studenten in de moderne talen, een zekere studietijd in het buitenland zou kunnen doorbrengen en indien de door die studenten tijdens die studietijd afgelegde examens en gevolgde cursussen door hun eigen universiteit zouden kunnen worden erkend, Voorts overwegende, dat de erkenning van in het buitenland doorgebrachte studietijden zou bijdragen tot de oplossing van het probleem dat is ontstaan door het tekort aan exact-wetenschappelijk geschoolden van hoog niveau, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. In dit Verdrag worden de Verdragsluitende Partijen in groepen verdeeld, al naar de autoriteit die op haar gebied bevoegd is ten aanzien van aangelegenheden welke betrekking hebben op gelijkstelling is: - (a). de Staat; - (b). de universiteit; - (c). de Staat of de universiteit, al naar het geval zich voordoet. Iedere Verdragsluitende Partij deelt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa mede, welke autoriteit op haar grondgebied bevoegd is ten aanzien van aangelegenheden welke betrekking hebben op gelijkstelling. 2. Onder „universiteiten” worden verstaan: - (a). universiteiten, en - (b). instellingen welke door de Verdragsluitende Partij binnen welker grondgebied zij zijn gelegen worden geacht van dezelfde aard te zijn als een universiteit. Artikel 2 1. De Verdragsluitende Partijen welke behoren t"},{"i":8517,"b":"Europees Verdrag inzake de schadeloosstelling van slachtoffers van geweldmisdrijven De Staten die Lid zijn van de Raad van Europa en dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen de Leden van de Raad; Overwegend dat het om redenen van billijkheid en sociale solidariteit noodzakelijk is een regeling te treffen voor de situatie van slachtoffers van opzettelijke geweldmisdrijven, die lichamelijk letsel of nadeel voor hun gezondheid hebben ondervonden, en van nabestaanden die ten laste kwamen van personen die tengevolge van dergelijke misdrijven zijn overleden; Overwegend dat het noodzakelijk is regelingen in te voeren of te ontwikkelen voor de schadeloosstelling van deze slachtoffers door de Staat op het grondgebied waarvan die misdrijven werden gepleegd, met name wanneer de dader niet bekend is of geen financiële middelen bezit; Overwegend dat het noodzakelijk is op dit gebied minimumbepalingen op te stellen; Gelet op Resolutie (77)27 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa inzake de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven, Zijn het volgende overeengekomen: DEEL I. Grondbeginselen Artikel 1 De Partijen verbinden zich de noodzakelijke maatregelen te nemen om de in Deel I van dit Verdrag opgenomen beginselen uit te voeren. Artikel 2 1. Wanneer schadeloosstelling niet volledig uit andere bron kan worden verzekerd, draagt de Staat bij aan de schadeloosstelling: - a. van hen die ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor hun gezondheid hebben ondervonden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijk geweldmisdrijf; - b. van nabestaanden die ten laste kwamen van personen die tengevolge van een dergelijk misdrijf zijn overleden. 2. In de bovenvermelde gevallen wordt schadeloosstelling toegekend zelfs indien de dader niet kan worden vervolgd of gestraft. Artikel 3 De schadeloosstelling wordt betaald door de Staat op het grondgebied waarvan het misdrijf werd gepleegd: -"},{"i":8525,"b":"Europese Akte Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland, De President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, De President van de Franse Republiek, De President van Ierland, De President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, De President van de Portugese Republiek, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Bezield door de wil de op de grondslag van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen aangevatte taak voort te zetten en het geheel van de betrekkingen tussen hun Staten om te zetten in een Europese Unie, overeenkomstig de Plechtige Verklaring van Stuttgart van 19 juni 1983, Vastbesloten deze Europese Unie ten uitvoer te leggen op basis van, enerzijds, de volgens hun eigen regels functionerende Gemeenschappen, en anderzijds de Europese Samenwerking tussen de ondertekenende Staten op het gebied van de buitenlandse politiek, alsmede deze unie van de noodzakelijke actiemiddelen te voorzien, Besloten hebbende gezamenlijk de democratie te bevorderen uitgaande van de grondrechten die worden erkend in de grondwetten en de wetten van de Lid-Staten, in het Europese [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000) en in het [Europees sociaal handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001800), met name de vrijheid, de gelijkheid en de sociale rechtvaardigheid, Ervan overtuigd dat de Europese gedachte, de bereikte resultaten op het terrein van de economische integratie en de politieke samenwerking alsook de noodzaak van nieuwe ontwikkelingen, beantwoorden aan de verlangens van de Europese democratische volkeren, voor wie het door middel van Algemene Verkiezingen gekozen Europese Parlement een onontbeerlijk middel is om zic"},{"i":8526,"b":"Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten Preambule De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden en het bevorderen van samenwerking tussen hen; Overwegende dat, zoals omschreven in [artikel 1 van het Statuut van de Raad van Europa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005506&artikel=1), dit doel inzonderheid zal worden nagestreefd door het sluiten van overeenkomsten op het bestuurlijk vlak; Overwegende dat de Raad van Europa erop dient toe te zien dat de territoriale gemeenschappen of autoriteiten in Europa deelnemen aan de verwezenlijking van zijn doel; In aanmerking nemende het belang voor het nastreven van dit doel, van samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten in grensgebieden op terreinen zoals regionale ontwikkeling en stads- en plattelandsontwikkeling, milieubescherming, verbetering van openbare voorzieningen en diensten en wederzijdse bijstand bij rampen; Gelet op de in het verleden opgedane ervaring, waaruit blijkt dat samenwerking tussen lokale en regionale autoriteiten in Europa het voor deze gemakkelijker maakt hun taken doeltreffend te verrichten en inzonderheid bijdraagt tot de ontsluiting en ontwikkeling van grensgebieden; Vastbesloten een zodanige samenwerking zoveel mogelijk te bevorderen en op deze wijze bij te dragen tot de economische en sociale vooruitgang van grensgebieden en tot de solidariteit die de volken van Europa verenigt. Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Elke Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich ertoe grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten binnen haar rechtsmacht en territoriale gemeenschappen of autoriteiten binnen de rechtsmacht van andere Overeenkomstsluitende Partijen te vergemakkelijken en te bevorderen. Zij tracht te bevorderen da"},{"i":8529,"b":"Europese Overeenkomst betreffende de uitwisseling van programma's door middel van televisiefilms De Regeringen die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Overwegende, dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen de Leden tot stand te brengen; Overwegende, dat de Europese culturele en economische eenwording in hoge mate zou zijn gediend bij een zo ruim mogelijke uitwisseling van programma's tussen de bij de Raad van Europa aangesloten landen door middel van televisiefilms; Overwegende, dat de binnenlandse wetten onderling verschillende interpretaties toelaten betreffende het juridisch karakter van televisiefilms en betreffende de rechten welke deze wetten op dit gebied toekennen; Overwegende, dat het noodzakelijk is de uit deze situatie voortkomende moeilijkheden op te lossen; Gelet op [artikel 20 van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003977&artikel=20), waarbij de Regeringen van de landen van het Verbond zich het recht voorbehouden onderling bijzondere regelingen te treffen, die geen met [bovengenoemde Conventie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003977) strijdige bepalingen bevatten; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Bij het ontbreken van een tegengestelde of bijzondere bepaling in de zin van artikel 4 van deze Overeenkomst, heeft een radiozendorganisatie die onderworpen is aan de rechtsmacht van een land dat Partij is bij deze Overeenkomst, het recht in de andere daarbij Partij zijnde landen ten behoeve van de televisie de exploitatie toe te staan van televisiefilms welke zij heeft vervaardigd. Artikel 2 1. Iedere vastlegging van beelden of van geluiden en beelden, welke voor televisieuitzending is bestemd, wordt als televisiefilm in de zin van deze Overeenkomst aangemerkt. 2. De radiozendorganisatie die het initiatief heeft genomen tot en de verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor de vervaardiging van de televisiefil"},{"i":8530,"b":"Europese Overeenkomst betreffende de uitwisseling van testsera voor bloedgroepenonderzoek De ondertekenende Regeringen, leden van de Raad van Europa, Overwegende dat testsera voor bloedgroepenonderzoek slechts in beperkte hoeveelheden beschikbaar zijn; Overwegende dat het in hoge mate wenselijk is dat de lid-staten in een geest van Europese saamhorigheid, elkaar helpen door deze testsera voor bloedgroepenonderzoek te verschaffen, indien de noodzakelijkheid zich daartoe doet gevoelen; Overwegende dat het in hoge mate wenselijk is dat de lid-staten, indien de eigenschappen en het gebruik van deze testsera voor bloedgroepenonderzoek onderworpen zijn aan door de lid-staten gemeenschappelijk vast te stellen regelen en indien voor de invoer van deze testsera de nodige faciliteiten en vrijstellingen worden verleend; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „testsera voor bloedgroepenonderzoek” verstaan sera van menselijke, dierlijke, plantaardige of andere oorsprong, bestemd voor bloedgroepenonderzoek en voor het opsporen van de onverenigbaarheid van bloedgroepen. Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan op het tijdstip van de ondertekening van deze Overeenkomst of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, van goedkeuring of van toetreding, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de toepassing van deze Overeenkomst beperken tot testsera van menselijke oorsprong voor bloedgroepenonderzoek. Deze verklaring kan te allen tijde ingetrokken worden door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich, zo zij over een voldoende voorraad voor eigen behoeften beschikken, om testsera voor bloedgroepenonderzoek ter beschikking te stellen van andere Partijen die deze dringend nodig hebben, en dat slechts tegen betaling van de kosten van het verwerven, bereiden en verzenden van bedoe"},{"i":8553,"b":"Fytosanitaire Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bulgarije De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Bulgarije, In het besef dat het wenselijk is het binnenbrengen van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen op hun grondgebied te voorkomen; Verlangende de onderlinge samenwerking op het gebied van de planteziektenbestrijding zoveel mogelijk te vergemakkelijken; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a. „planten”: levende planten en levende delen van planten, met inbegrip van zaaizaden; - b. „plantaardige produkten”: voortbrengselen van plantaardige oorsprong, voor zover zij niet zijn verwerkt of slechts een eenvoudige behandeling hebben ondergaan; - c. „schadelijke organismen”: organismen, die schadelijk zijn voor planten of plantaardige produkten en die van dierlijke of plantaardige aard zijn, met inbegrip van onkruiden en hun zaden. Artikel 2 De invoer van planten, plantaardige produkten en grond op het grondgebied van de ene Overeenkomstsluitende Partij, afkomstig van het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, is slechts toegestaan, indien deze vrij zijn van schadelijke organismen, vermeld in bijlage I deel A, respectievelijk deel B, en voldoen aan de bijzondere eisen, gesteld in deel A, respectievelijk deel B van bijlage II. Artikel 3 Elke zending bestaande uit planten, plantaardige produkten of grond, zoals aangegeven in deel A respectievelijk deel B van bijlage III, en afkomstig van het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, moet bij invoer vergezeld zijn van een door de Planteziektenkundige Dienst van die Overeenkomstsluitende Partij afgegeven gezondheidscertificaat, dat overeenkomt met het laatste model van een gezondheidscertificaat, als aangegeven in het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, dat op 6 december 1951 te Rome onder auspiciën van"},{"i":17428,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 april 2024, kenmerk 3793275-1063349-S, houdende regels voor de subsidiëring van gemeentelijke uitgaven aan sport voor de jaren 2024 tot en met 2025 (Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2025) Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **sport:** activiteiten die worden gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component; - **sportbedrijf:** een aan een gemeente verbonden lichaam als bedoeld in de Beleidsregels inhoudende de beoordeling van aanvragen van gemeenten voor de Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026; - **uitkering:** specifieke uitkering als bedoeld in [artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=15a). Artikel 2. Toepasselijkheid [Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) en [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) 1. Op deze regeling is de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) niet van toepassing, met uitzondering van [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&hoofdstuk=5). 2. Op deze regeling zijn de [artikelen 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5), [4:35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:35), [4:37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:37), [4:38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:38), [4:46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:46), [4:48 tot en met 4:50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:48), [4:56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:56) en"},{"i":8554,"b":"Gastlandverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Organisatie voor Ontwikkelingsrecht The Kingdom of the Netherlands and the International Development Law Organization (hereinafter referred to as “the Parties”), Bearing in mind the policy of the Kingdom of the Netherlands to promote the development of the international legal order; Welcoming the wish of the International Development Law Organization (IDLO) to establish an office in the Netherlands; Noting that IDLO was established as an intergovernmental organization at Rome, Italy, on February 5, 1988; Noting that the Governance Documents of IDLO, as most recently amended on December 13, 2012, were adopted by its Assembly of Parties; Desiring to lay down conditions concerning the privileges, immunities, facilities, and services of and related to IDLO in the territory of the Host Country as are necessary for the fulfillment of IDLO’s purposes; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement, - 1. **“Agreement”** means this Host Country Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the International Development Law Organization; - 2. **“Government”** means the Government of the Kingdom of the Netherlands; - 3. **“Competent authorities”** means national, provincial, municipal and other official authorities under the laws, regulations and customs of the host State; - 4. **“Organization”** or **“IDLO”** means the International Development Law Organization; - 5. **“Host Country”** means the Kingdom of the Netherlands; - 6. **“Host Country Office”** means the IDLO Office in the Netherlands; - 7. **“Director-General”** means the Director-General of the Organization and during his or her absence, any other Official specifically designated to act on his or her behalf; - 8. **“Head of Office”** means the IDLO Official who has been designated to represent the Director-General in the Host Country; - 9. **“Officials”** means persons, however denominated and at what"},{"i":8613,"b":"Wet van 15 december 2021 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Faillissementswet in verband met de implementatie van de richtlijn betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties (Implementatiewet richtlijn gedekte obligaties) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van [Richtlijn (EU) 2019/2162](32019L2162) van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van de [Richtlijnen 2009/65/EG](32009L0065) en [2014/59](32014L0059)/EU (PbEU 2019, L 328) noodzakelijk is regels te stellen met betrekking tot de uitgifte van gedekte obligaties en het toezicht op de naleving van die regels; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III 1. Op geregistreerde gedekte obligaties als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet, die zijn uitgegeven tot en met 7 juli 2022, zijn de [artikelen 3:33a, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:33a), en [3:33b, eerste en tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:33b) en [artikel 212re Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=212re) niet van toepassing. 2. Op geregistreerde gedekte obligaties als bedoeld in het eerste lid zijn van toepassing: - a. [artikel 3:33ba van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368"},{"i":8614,"b":"Wet van 22 februari 2023 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van Richtlijn (EU) 2021/338 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten, en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/78 wat betreft de toepassing daarvan op beleggingsondernemingen, om bij te dragen aan het herstel van de covid-19 crisis (PbEU 2021, L 68) (Implementatiewet richtlijn herstelpakket beleggingsondernemingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter implementatie van [Richtlijn (EU) 2021/338](32021L0338) van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot wijziging van [Richtlijn 2014/65](32014L0065)/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten, en [Richtlijnen 2013/36](32013L0036)/EU en (EU)[2019/78](32019L0078)/EU wat betreft de toepassing daarvan op beleggingsondernemingen, om bij te dragen aan het herstel van de covid-19 crisis (PbEU 2021, L 68); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet richtlijn herstelpakket beleggingsondernemingen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ambtenaren en ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8615,"b":"Wet van 23 november 2022 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de implementatie van de Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) (PbEU 2019, L 172) (Implementatiewet richtlijn herstructurering en insolventie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Richtlijn (EU) 2019/1023](32019L1023) van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van [Richtlijn (EU) 2017/1132](32017L1132) (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) (PbEU 2019, L 172/18) om te zetten in bepalingen van nationaal recht en dat het daartoe noodzakelijk is de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Faillissementswet. Artikel II Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel IIa Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. Artikel III Wijzigt de Faillissementswet. Artikel IV Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047590&artikel=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01) van deze wet is van toepassing op: -"},{"i":8608,"b":"Wet van 22 februari 2023, houdende wijziging van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie en de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2020/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU wat betreft de detachering van bestuurders in de wegvervoersector en tot wijziging van Richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PbEU 2020, L 249) en de implementatie van enige daarmee samenhangende onderdelen van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (PbEU 2021, L 149) (Implementatiewet Richtlijn 2020/1057/EU inzake detachering in de wegvervoersector) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054) en [Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987) te wijzigen in verband met de implementatie van [Richtlijn (EU) 2020/1057](32020L1057) van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot [Richtlijn 96/71/EG](31996L0071) en [Richtlijn 2014/67](32014L0067)/EU wat betreft de detachering van bestuurders in de wegvervoersector en tot wijziging van [Richtlijn 2006/22/EG](32006L0022) wat betreft de handhavingsvoorschriften en [Verordening (EU) nr. 1024/2012](32012R1024) (PbEU 2020, L 249) en de implementatie van enige daarmee samenhangende on"},{"i":8610,"b":"Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 304/64) (Implementatiewet richtlijn consumentenrechten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de [Richtlijn 2011/83](32011L0083)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van [Richtlijn 93/13/EEG](31993L0013) van de Raad en van [Richtlijn 1999/44/EG](31999L0044) van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [Richtlijn 85/577/EEG](31985L0577) en van [Richtlijn 97/7/EG](31997L0007) van het Europees Parlement en de Raad moet worden omgezet in bepalingen van nationaal recht en dat daartoe de [Boeken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289) en [7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290), de [Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586) en enige andere wetten moeten worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7A. Artikel IV Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel V Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel VI De [Colportagewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002896) wordt in"},{"i":8609,"b":"Wet van 16 december 2020 tot wijziging van de Auteurswet, de Wet op de naburige rechten, de Databankenwet en de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van de Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG (Implementatiewet richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886), de [Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921) en de [Databankenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010591) te wijzigen in verband met de omzetting van de richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Auteurswet. Artikel II Wijzigt de Wet op de naburige rechten. Artikel III Wijzigt de Databankenwet. Artikel IV Wijzigt de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten. Artikel V Ten aanzien van perspublicaties die vóór 6 juni 2019 zijn openbaar gemaakt, zijn de door deze wet te dien aanzien verleende rechten niet van toepassing. Artikel VI Deze wet laat vóór het in [artikel VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044587&artikel=VII&z=2022-06-07&g=2022-06-07) van deze wet te bepalen tijdstip verrichte exploitatiehandelingen, alsmede vóór dat tijdstip verworven rechten onverlet. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschille"},{"i":8616,"b":"Wet van 28 mei 2025 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 inzake kredietservicers en kredietkopers en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU (PbEU 2021, L 438) (Implementatiewet richtlijn kredietservicers en kredietkopers) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat noodzakelijk is regels te stellen ter implementatie van [Richtlijn (EU) 2021/2167](32021L2167) van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 inzake kredietservicers en kredietkopers en tot wijziging van de [Richtlijnen 2008/48/EG](32008L0048) en [2014/17/EU](32014L0017) (PbEU 2021, L 438); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet richtlijn kredietservicers en kredietkopers. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":13793,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 13 juni 2022, kenmerk Min-BuZa.2022.11939-7, tot heroprichting van de lnterdepartementale Raad voor de Handelspolitiek Handelend in overeenstemming met de Ministers van Buitenlandse Zaken, van Algemene Zaken, van Financiën, van Economische Zaken en Klimaat, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Welzijn en Sport en van lnfrastructuur en Waterstaat; Besluit: Artikel 1 Er is een lnterdepartementale Raad voor de Handelspolitiek, hierna te noemen: IRHP. Artikel 2 1. De IRHP heeft tot taak het voorbereiden en het coördineren van het kabinetsbeleid ten aanzien van de internationale handel in goederen en diensten, internationale grondstoffenaangelegenheden, internationale investeringen en andere onderwerpen van internationale samenwerking die tot de primaire verantwoordelijkheid van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking behoren. 2. Ter uitvoering van zijn taak stelt de IRHP instructies op voor delegaties die namens Nederland of het Koninkrijk deelnemen aan: - a. het overleg in internationale organisaties en overlegorganen op het gebied van de internationale handel in goederen en diensten, grondstoffen, internationale investeringen en internationale economische samenwerking; - b. het EU-overleg over de te voeren gemeenschappelijke handelspolitiek en de externe economische betrekkingen van de Europese Unie; en - c. het bilaterale overleg met buitenlandse overheden over economische aangelegenheden•. 3. Ter uitvoering van zijn taak kan de IRHP voorts voorstellen doen of adviezen uitbrengen. Artikel 3 1. De IRHP komt bijeen op het niveau van de leden van de IRHP en op het niveau van plaatsvervangers van de leden van de IRHP. 2. Leden van de IRHP zijn: - a. de directeur-generaal van Buitenlandse Economische Betrekkingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, tevens voorzitter; - b. de directeur-generaa"},{"i":8620,"b":"Wet van 2 november 2022 tot wijziging van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de omzetting van Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG (PbEU 2020, L 409) (Implementatiewet richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is [Richtlijn (EU) 2020/1828](32020L1828) van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van [Richtlijn 2009/22/EG](32009L0022) (PbEU 2020, L 409) om te zetten in bepalingen van nationaal recht en dat daartoe de [Boeken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291) en [6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289) en het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) moeten worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel V Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel VI [Titel 14A van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&titeldeel=14a) zoals die op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet luidt blijft van toepassing op collectieve vorderingen die zijn ingesteld voor de datum van inwerkingtreding van deze wet. Artikel IX Deze wet treedt i"},{"i":8624,"b":"Wet van 23 december 2015 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2013/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2007/14/EG van de Commissie tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG (PbEU 2013, L 294) (Implementatiewet wijziging richtlijn transparantie) Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel IV Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het financieel toezicht, enz. (transparantievereisten informatie uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten). Artikel V [Artikel 5:25e van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:25e), zoals dat artikel luidt na inwerkingtreding van deze wet, is niet van toepassing op verslagen die betrekking hebben op boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2016. Artikel Va Wijzigt deze wet. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld en werkt, in het geval deze wet na 31 december 2015 in het Staatsblad wordt geplaatst, ten aanzien van [artikel I, onderdeel Ia](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037550&artikel=I&z=2016-01-29&g=2016-01-29),"},{"i":8628,"b":"Inrichtingsakkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie voor het verbod van chemische wapens betreffende de inspectie ter plaatse van de inrichting gevestigd in het Prins Maurits Laboratorium van TNO The Kingdom of the Netherlands, hereinafter referred to as “the inspected State Party\", and the Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons, hereinafter referred to as “the OPCW\", both constituting the Parties to this Agreement, have agreed on the following arrangements in relation to the conduct of inspections pursuant to paragraph 3 of Article VI of the Convention on the Prohibition of the Development, Production, Stockpiling and Use of Chemical Weapons and on Their Destruction, hereinafter referred to as “the Convention\", at the facility for protective purposes, located at TNO Prins Maurits Laboratory, at Rijswijk, The Netherlands, the street address being: Lange Kleiweg 137, 2288 GJ Rijswijk, declared under paragraphs 7 and 8 of Article VI of the Convention, hereinafter referred to as “the facility\". Section 1. General Provisions 1. The purpose of this Agreement is to facilitate the implementation of the provisions of the Convention, as well as the relevant provisions of OPCW Policies and Regulations, in relation to inspections conducted at the facility, pursuant to paragraph 3 of Article VI and to Part VI, paragraphs 10 and 28 to 32 of the Verification Annex, of the Convention, and in accordance with the respective obligations of the inspected State Party and the OPCW under the Convention. 2. Nothing in this Agreement shall be interpreted or applied in a way that contradicts the provisions of the Convention. In case of inconsistency between this Agreement and the Convention, the Convention shall prevail. 3. The Parties have agreed to apply for planning purposes the administrative factors for the conduct of inspections contained in Attachment 1 to this Agreement and to keep Attachment 1 as up-to-date as possible. 4. The inspection team sh"},{"i":8778,"b":"Overeenkomst betreffende tarwe van doorsnee-kwaliteit DONE at Geneva this twenty-ninth day of March 1962, in the English and French languages, both authentic."},{"i":5893,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 juli 2025, nr. IENW/BSK-174790, houdende vaststelling van regels voor subsidie ter stimulering van onderzoeksprojecten die bijdragen aan de transitie naar duurzame, concurrerende en veilige logistieke ketens en goederenvervoer, en emissiereductie door middel van bouwconcepten, emissiereductie in bouwlogistieke ketens, de inzet van emissieloze mobiele werktuigen en de ontwikkeling van digitalisering en ketenregieactiviteiten (Tijdelijke subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2025–2029) [KetenID WGK027211] Gelet op de artikelen [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8, eerste en tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=9), [10, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), [24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24), en [artikel 26, eerste lid, onder b, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=26); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bouwlogistieke keten:** het geheel aan activiteiten van het inrichten van bouwplaatsen, inzet van mensen en materieel, en verplaatsing en opslag van goederen ten behoeve van bouwactiviteiten; - **consortium:** samenwerkingsverband tussen onafhankelijke partijen voor onderzoek dat minimaal bestaat uit een kennisin"},{"i":8783,"b":"Overeenkomst houdende instelling, te Parijs, van een Internationaal Wijnbureau De Regeringen van Spanje, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië, Luxemburg, Portugal en Tunesië, van mening dat het dienstig is een internationaal wijnbureau in te stellen, hebben besloten te dien einde een overeenkomst te sluiten en hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen: Buiten werking getreden per 1 januari 1959 (Trb. 1965/166). Opnieuw in werking getreden per 20 februari 1963 (Trb. 1965/166). Artikel 1 Er wordt een Internationaal Wijnbureau ingesteld, dat zijn zetel heeft te Parijs en dat tot taak zal hebben: - a. gegevens te verzamelen, te bestuderen en te publiceren, die de heilzame uitwerking van wijn kunnen aantonen; - b. een programma op te stellen, dat als aanwijzing dient voor nieuwe wetenschappelijke experimenten, die dienen te worden ondernomen om de gezondheidsbevorderende eigenschappen van wijn en het belang ervan als bestrijdingsmiddel van het alcoholisme aan te tonen; - c. de Regeringen der Partijen te wijzen op passende maatregelen ter bescherming van de belangen van de wijnbouw en de verbetering van de omstandigheden op de internationale wijnmarkt, nadat het Bureau alle vereiste gegevens heeft verzameld, zoals: aanbevelingen en adviezen uitgebracht door wetenschappelijke genootschappen en organisaties, internationale of andere congressen op het gebied van de produktie van en de handel in wijn; - d. de aandacht van de Regeringen te vestigen op internationale overeenkomsten waartoe toetreding gewenst zou zijn, bijvoorbeeld overeenkomsten die gericht zijn op: 1. een uniforme wijze van bekendmaken van de resultaten van wijnanalyses; 2. het maken van een vergelijkende studie van de analysemethoden die door de verschillende landen worden gebruikt, ten einde te komen tot de opstelling van vergelijkende tabellen; - e. aan de Regeringen alle voorstellen voor te leggen, die, zowel in het belang van de consument als van de producent, kunnen bewerkstelligen"},{"i":8784,"b":"Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Vastbesloten de vooruitgang te bevorderen van de kennis op voor de ontwikkeling van Europa bijzonder belangrijke gebieden, met name Europese cultuur, geschiedenis, recht, economie en instellingen; Verlangende een samenwerking op deze gebieden te bevorderen en te bewerken dat er gezamenlijk onderzoek wordt verricht; Besloten hebbende de voornemens te verwezenlijken die op dit gebied werden geformuleerd in de verklaringen, aangenomen door de Staatshoofden of Regeringsleiders die op 18 juli 1961 te Bonn en op 1 en 2 december 1969 te Den Haag bijeen waren; Overwegende dat een nieuwe bijdrage dient te worden geleverd tot het intellectuele leven van Europa en dat in deze geest een Europees instituut op het hoogste universitaire niveau dient te worden opgericht; Hebben besloten een Europees Universitair Instituut op te richten en de voorwaarden voor de werking ervan vast te stellen, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: De heer Léon Hurez, Minister van Nationale Opvoeding (F); De President van de Bondsrepubliek Duitsland: De heer Rolf Lahr, Ambassadeur van de Bondsrepubliek Duitsland te Rome; De President van de Franse Republiek: De heer Jacques Duhamel, Minister van Culturele Zaken; De President van de Italiaanse Republiek: De heer Aldo Moro, Minister van Buitenlandse Zaken; De heer Riccardo Misasi, Minister van Nationale Opvoeding; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg: De heer Jean Dupong, Minister van Nationale Opvoeding; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: De heer Th. E. Westerterp, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken; Die, na overlegging van hun i"},{"i":8785,"b":"Overeenkomst in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, inzake het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht Preambule De Partijen bij deze Overeenkomst, Herinnerende aan de relevante bepalingen van het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee](onbekend) van 10 december 1982, waaronder de verplichting om het mariene milieu te beschermen en te behouden, Beklemtonende dat het in het [Verdrag](onbekend) vastgelegde evenwicht tussen rechten, verplichtingen en belangen in acht moet worden genomen, De noodzaak erkennende van een coherente en coöperatieve aanpak van het verlies aan biologische diversiteit en de aantasting van ecosystemen van de oceanen, met name als gevolg van de effecten van de klimaatverandering op mariene ecosystemen, zoals opwarming en zuurstofverlies van de oceanen, alsook oceaanverzuring, vervuiling, met inbegrip van plasticvervuiling, en niet-duurzaam gebruik, Zich bewust van de noodzaak van de alomvattende mondiale regeling in het kader van het [Verdrag](onbekend) om het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht beter aan te pakken, Erkennende dat het belangrijk is bij te dragen tot de verwezenlijking van een rechtvaardige en billijke economische orde waarin rekening wordt gehouden met de belangen en behoeften van de mensheid als geheel en, in het bijzonder, met de bijzondere belangen en behoeften van ontwikkelingslanden, ongeacht of deze kuststaten of niet aan zee grenzende staten zijn, Tevens erkennende dat steun aan ontwikkelingslanden die Partij zijn door middel van capaciteitsopbouw en de ontwikkeling en overdracht van mariene technologie essentiële elementen zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen inzake het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij d"},{"i":8786,"b":"Overeenkomst inzake betrekkingen op het gebied van film en videofilm tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada De Regering van het koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada, Overwegende dat het wenselijk is een kader te scheppen ten behoeve van de betrekkingen op het gebied van film en videofilm en in het bijzonder ten behoeve van coprodukties; Zich ervan bewust dat coprodukties van hoge kwaliteit kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van de filmcultuur van de film- en videoindustrie van beide landen alsmede tot de ontwikkeling van wederzijdse uitwisselingen op cultureel en economisch vlak; Ervan overtuigd dat deze uitwisselingen zullen bijdragen tot een versterking van de betrekkingen tussen de beide landen; zijn als volgt overeengekomen: I. Coprodukties Artikel I Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden onder de woorden \"coproduktie van films en videofilms\" projecten verstaan, ongeacht hun lengte of formaat en met inbegrip van animatiefilms en documentaires, die worden geproduceerd op film, op videoband dan wel op videoplaat, voor verspreiding in bioscopen, op televisie, videocassette, of videoplaat, dan wel door middel van enige andere vorm van verspreiding. Coprodukties ondernomen op grond van deze Overeenkomst moeten worden goedgekeurd door de volgende bevoegde autoriteiten: - in Canada: de minister van Communicatie; - in Nederland: de Stichting Fonds voor de Nederlandse film en het Coproductiefonds Binnenlandse Omroep (COBO). Deze coprodukties worden in en door elk van de twee landen beschouwd als nationale produkties. Met inachtneming van de nationale wetten en regelingen van kracht in Canada en Nederland, kunnen coprodukties volledig aanspraak maken op gelden en voorzieningen die beschikbaar zijn voor de film- en videoindustrie of van de gelden en voorzieningen die in elk land zullen worden toegekend. Deze gelden en voorzieningen komen uitsluitend toe aan de coproducent van het land dat deze ter beschikk"},{"i":8787,"b":"Overeenkomst inzake culturele samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië, Verlangende, de traditionele vriendschapsbanden die de volkeren van hun landen verbinden, nauwer aan te halen, Wensend door een vriendschappelijke samenwerking in hun onderscheiden landen bij te dragen tot de verwezenlijking van een zo volledig: mogelijke kennis en een zo ruim mogelijk wederzijds begrip van hun wetenschappelijke, artistieke en andere culturele verworvenheden. Overwegende dat het hiertoe bevorderlijk is, een algemeen kader te scheppen, waarbinnen zulk een culturele samenwerking zou kunnen geschieden, Hebben te dien einde omtrent het volgende overeenstemming bereikt: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen zullen zoveel als in hun vermogen ligt, de samenwerking bevorderen tussen hun diensten en instellingen zowel op wetenschappelijk als op artistiek en ander cultureel gebied. Artikel II Met inachtneming van de ter zake geldende wettelijke bepalingen en het regeringsbeleid, zal elk van de Overeenkomstsluitende Partijen in haar land de andere Overeenkomstsluitende Partij de gelegenheid geven haar cultuurwaarden bekendheid te geven. Met name zal zij aan de diensten, instellingen en personen die zich tot taak stellen, de kennis van deze cultuurwaarden uit te dragen, alle binnen haar vermogen liggende faciliteiten, vrijdommen en gegevens ter beschikking stellen, die hun bij de vervulling van hun taak van nut kunnen zijn. Artikel III Met inachtneming van de terzake geldende wettelijke bepalingen en het regeringsbeleid, zal elk der Overeenkomstsluitende Partijen mogelijkheden scheppen tot samenwerking tussen haar eigen wetenschappelijke, artistieke en andere culturele instellingen en die van de andere Overeenkomstsluitende Partij, en de oprichting en instandhouding bevorderen van zodanige instellingen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Parti"},{"i":8788,"b":"Overeenkomst inzake de aanwezigheid van buitenlandse strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland Met het oog op de huidige internationale situatie en de noodzaak de verdediging der vrije wereld te verzekeren, welke beide factoren het nodig maken dat buitenlandse strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland aanwezig blijven, komen de Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland het volgende overeen: Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1990/165. Artikel 1 1. Van de datum der inwerkingtreding der regelingen voor de Duitse defensiebijdrage af, mogen op het grondgebied van de Bondsrepubliek strijdkrachten worden gestationneerd van dezelfde nationaliteit en daadwerkelijke sterkte als op het tijdstip der inwerkingtreding van deze regelingen. 2. De daadwerkelijke sterkte van de ingevolge lid 1 van dit artikel in de Bondsrepubliek gestationneerde strijdkrachten mag te allen tijde met goedvinden van de Regering der Bondsrepubliek Duitsland worden opgevoerd. 3. Aanvullende strijdkrachten van de Staten welke partij zijn bij deze Overeenkomst mogen met goedvinden van de Regering der Bondsrepubliek Duitsland het grondgebied van de Bondsrepubliek overeenkomstig de voor de aan de Geallieerde Opperbevelhebber in Europa toegewezen strijdkrachten geldende regelingen betreden en er blijven voor oefeningen, mits deze strijdkrachten daar telkens niet langer verblijven dan 30 opeenvolgende dagen. 4. De Bondsrepubliek verleent aan de strijdkrachten van Frankrijk, van het Verenigd Koninkrijk en van de Verenigde Staten het recht, het grondgebied van de Bondsrepubliek binnen te komen, door te trekken of te verlaten op doortocht naar en van Oostenrijk (zo lang hun strijdkrachten aldaar gestationneerd blijven) of enig ander land dat lid is van de Noord-Atlantische Verdrags Organisatie, op dezelfde grondslag als tussen Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag gebruikelijk is of als door de Noord-"},{"i":8789,"b":"Overeenkomst inzake de bescherming van de Rijn tegen verontreiniging door chloriden De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland; de Regering van de Franse Republiek; de Regering van het Groothertogdom Luxemburg; de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Zwitserse Bondsstaat; verwijzend naar de Overeenkomst van 29 april 1963 nopens de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn tegen verontreiniging, in aanmerking nemende de huidige belasting van de Rijn met chloride-ionen, zich bewust van de schade die daaruit zou kunnen voortvloeien, verwijzend naar de bevindingen tijdens, en de resultaten van de op 25 en 26 oktober 1972 te ’s-Gravenhage gehouden ministersconferentie over de verontreiniging van de Rijn, bij gelegenheid waarvan de wens is geuit de kwaliteit van het Rijnwater trapsgewijs zodanig te verbeteren dat aan de Nederlands-Duitse grens het gehalte van 200 mg/l chloride-ionen niet wordt overschreden, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. De Overeenkomstsluitende Partijen versterken hun samenwerking met het oog op de bestrijding van de verontreiniging van de Rijn door chloride-ionen in een eerste stap op grond van de bepalingen van deze Overeenkomst. 2. In Bijlage A bij de Overeenkomst wordt omschreven wat de Overeenkomstsluitende Partijen voor de toepassing van deze Overeenkomst onder „Rijn” verstaan. Artikel 2 1. De lozingen van chloride-ionen in de Rijn worden verminderd met ten minste 60 kg chloride-ionen per seconde (jaargemiddelde). Dit doel wordt op het grondgebied van de Franse Republiek in fasen verwezenlijkt. 2. Ten dienste van de nakoming van de in het voorgaande lid vervatte verplichting zal de Franse Regering volgens het gestelde in Bijlage I bij deze Overeenkomst een inrichting ten behoeve van de injectie in de diepe ondergrond van de Elzas doen oprichten, teneinde de lozing van de kalimijnen van de Elzas gedurende een periode van 10 jaar met een eerste hoeveelheid ter grootte van 20 kg chloride-ionen per"},{"i":8790,"b":"Overeenkomst inzake de bescherming van vleermuizen in Europa The Contracting Parties Recalling the [Convention on the Conservation of Migratory Species of Wild Animals](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004769) opened for signature in Bonn on 23 June 1979; Recognising the unfavourable conservation status of bats in Europe and non-European Range States and in particular the serious threat to them from habitat degradation, disturbance of roosting sites and certain pesticides; Conscious that the threats facing bats in Europe and non-European Range States are common to both migratory and non-migratory species and that roosts are often shared by migratory and non-migratory species; Recalling that the first meeting of the Conference of the Parties to the [Convention on the Conservation of Migratory Species of Wild Animals](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004769) held in Bonn in October 1985 agreed to add European species of MICROCHIROPTERA (Rhinolophidae and Vespertilionidae) to [Appendix II of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004769&bijlage=II) and instructed the Secretariat of the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004769) to take appropriate measures to develop an Agreement for these species; Convinced that the conclusion of an Agreement for these species would greatly benefit the conservation of bats in Europe and in their non-European Range States; Have agreed as follows: Article I. Scope and Interpretation For the purposes of this Agreement: - a). \"[Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004769)\" means the Convention on the Conservation of Migratory Species of Wild Animals (Bonn 1979); - b). \"Bats\" means populations of CHIROPTERA species as listed in Annex 1 to this Agreement occurring in Europe and in their non-European Range States; - c). “Range State” means any State (whether or not it is a party to the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004769)) that exercises jurisdictio"},{"i":8791,"b":"Overeenkomst inzake de bescherming van zeehonden in de Waddenzee De Partijen, Erkennende dat zeehonden een onvervangbaar onderdeel vormen van het ecosysteem van de Waddenzee en dat zij van groot belang zijn als indicatoren terzake van de toestand van het gebied; Zich ervan bewust dat zij een afzonderlijke populatie vormen, waarvan het voornaamste verspreidingsgebied en de voornaamste trekroutes zich bevinden in de Waddenzee, die dientengevolge als één geheel zou moeten worden beheerd; Ernstig bezorgd over de mate en aard van de bescherming van deze populatie, die als gevolg van massale sterfte onder de zeehonden is afgenomen tot een peil dat nog nooit tevoren zo laag is geweest; Met het oog op het verbeteren van de mate en aard van de bescherming van zeehonden door middel van gezamenlijke acties van de kant van de Staten die rechtsbevoegdheid uitoefenen over het verspreidingsgebied van deze populatie; In herinnering brengend het [Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004769) getekend te Bonn op 23 juni 1979, en inzonderheid [Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004769&bijlage=II) die in 1985 werd gewijzigd teneinde de Waddenzee populatie van de gewone zeehond (Phoca vitulina) in het Verdrag te kunnen opnemen; In herinnering brengend de Gemeenschappelijke Verklaring inzake de Bescherming van de Waddenzee, aangenomen tijdens de Derde Bijeenkomst van Regeringen inzake de Bescherming van de Waddenzee te Kopenhagen op 9 december 1982; In herinnering brengend de Verklaringen aangenomen door de Eerste Internationale Conferentie inzake de Bescherming van de Noordzee te Bremen op 1 november 1984 en de Tweede Internationale Conferentie inzake de Bescherming van de Noordzee te Londen op 25 november 1987; In herinnering brengend de trilaterale Beheersovereenkomst inzake een Gemeenschappelijk Secretariaat voor de Samenwerking met betrekking tot de Bescherming van de Waddenzee van 23 oktober 1987; Z"},{"i":8792,"b":"Overeenkomst inzake de bevordering, de beschikbaarstelling en het gebruik van het GALILEO- en het GPS-satellietnavigatiesysteem en verwante toepassingen de Verenigde Staten van Amerika, enerzijds, en het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de lidstaten” genoemd, en de Europese Gemeenschap, anderzijds, Erkennende dat de Verenigde Staten onder de naam Global Positioning System een satellietnavigatiesysteem exploiteren, een systeem voor tweeërlei gebruik dat nauwkeurige signalen voor tijdsbepaling, navigatie en plaatsbepaling voor civiele en militaire toepassingen verschaft, Erkennende dat de Verenigde Staten momenteel de standaardplaatsbepalingsdienst (SPS) van GPS voor vreedzame civiele, commerciële en wetenschappelijke doeleinden op permanente, wereldwijde basis beschikbaar stellen zonder de gebruikers daarvoor directe kosten in rekening te brengen, en opmerkende dat de Verenigde Staten voornemens zijn deze en soortgelijke toekomstige civiele diensten onder dezelfde voorwaarden beschikbaar te blijven stellen, Erkennende dat de Europese Gemeenschap een civiel wereldwijd systeem voor navigatie, tijds- en plaatsbepaling met behulp van satellieten, Galileo, ontwikkelt en voornemens is te exploiteren, dat frequentiecompatibel is met GPS en op gebruikersni"},{"i":8798,"b":"Overeenkomst inzake de internationale aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door ruimtevoorwerpen De Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst, Erkennende het gemeenschappelijk belang voor de gehele mensheid het onderzoek en het gebruik van de kosmische ruimte voor vreedzame doeleinden te bevorderen, In herinnering brengend het [Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004403), Overwegende dat, ondanks de voorzorgsmaatregelen, te nemen door de Staten en de internationale intergouvernementele organisaties die zich bezighouden met de lancering van ruimtevoorwerpen, door zodanige voorwerpen mogelijkerwijze schade kan worden veroorzaakt, Erkennend dat het noodzakelijk is doeltreffende internationale regels en procedures op te stellen betreffende de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door ruimtevoorwerpen en in het bijzonder de prompte betaling te verzekeren van een volledige en billijke schadevergoeding aan slachtoffers van zodanige schade overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, In de overtuiging dat de opstelling van zodanige regels en procedures zal bijdragen tot de versterking van de internationale samenwerking op het gebied van het onderzoek en het gebruik van de kosmische ruimte voor vreedzame doeleinden, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I In deze Overeenkomst wordt onder: - (a). „schade” verstaan: overlijden, lichamelijk letsel of andere aantastingen van de gezondheid; verlies van of schade aan eigendommen van Staten of personen - hetzij natuurlijke personen, hetzij rechtspersonen - of eigendommen van internationale intergouvernementele organisaties; - (b). „lancering”: mede begrepen de poging tot lancering; - (c). „lancerende Staat” verstaan: - (i). een Staat die een ruimtevoorwerp lanceert of doet lanceren; - (ii). een Staat vanaf welks grondgebied"},{"i":18466,"b":"Regeling WPG Defensie Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begrippen en definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Richtlijn:** Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad; - b. **wet:** [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463); - c. **minister:** Minister van Defensie; - d. **ministerie:** Ministerie van Defensie - e. **politiegegeven, persoonsgegeven, gerelateerde gegevens, bestand, verwerken van politiegegevens, verstrekken van politiegegevens, ter beschikking stellen van politiegegevens, afschermen van politiegegevens, verwerkingsverantwoordelijke, betrokkene, verwerker; bevoegde autoriteit, ontvanger, derde land, internationale organisatie, inbreuk op de beveiliging, genetische gegevens, biometrische gegevens, gegevens over gezondheid, profilering:** de definities daarvan, genoemd in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=1); - f. **bijzondere categorieën van politiegegevens:** de politiegegevens, genoemd in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=5); - g. **ambtenaar van politie:** de ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee voor zover werkzaam in de uitvoering van de politietaak; - h. **politietaak:** de politietaak, genoemd in [artikel 4 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=4), met uitzondering van de bij of krachtens de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) opgedragen taken, bedoeld in artikel 4, onderdeel f, van de Politiewet 2012 en de polit"},{"i":3735,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 10 december 2025, nr. WJZ/102570452, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging (Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2025) Handelende met instemming van de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Gezien de schriftelijke instemming van de secretaris-generaal van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en van de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeur Bestuurlijke en Politieke Zaken, en de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, allen functionarissen van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - c. **plaatsvervangend secretaris-generaal:** plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - d. **hoofden van dienst:** - 1°. de directeur-generaal Economie en Digitalisering; - 2°. de directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie; - 3°. de directeur-generaal Realisatie Groene Groei; - 4°. de directeur-generaal Klimaat en Energie; - 5°. de directeur Bestuurlijke en Politieke Zaken; - 6°. de directeur Europese en Internationale Zaken; - 7°. de directeur Financieel-Economische Zaken; - 8°. de directeur Wetgeving en Juridische Zaken; - 9°. de directeur Toezicht Economische Veiligheid en Eigenaars- en Aandeelhoudersadvisering; - 10°. de directeur Communicatie; - 11°. de directeur Informatievoorziening"},{"i":8803,"b":"Overeenkomst inzake de ontwikkeling van de economische, industriële en technische samenwerking tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Hongaarse Volksrepubliek De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Hongaarse Volksrepubliek, verwijzend naar de Overeenkomst inzake economische, industriële en technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Hongaarse Volksrepubliek van 14 februari 1968, alsmede naar de deelname van beide landen aan de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT), verlangend de Hongaars-Nederlandse economische betrekkingen uit te breiden en te versterken door ontwikkeling van de samenwerking tussen beide landen, erkennend het belang van het aannemen van langlopende regelingen die zijn gericht op een stabiele bilaterale economische samenwerking, erkennend het belang van de economische, industriële, landbouwkundige en technische samenwerking voor de ontwikkeling en de versteviging van hun wederzijdse economische betrekkingen, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Regering van de Hongaarse Volksrepubliek en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden bevorderen en vergemakkelijken in liberale zin de inspanningen die bijdragen tot de economische, industriële, landbouwkundige en technische samenwerking tussen de economische organisaties en de belanghebbende ondernemingen van beide landen. Op het gebied van de economische, industriële, landbouwkundige en technische samenwerking kennen de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar de gunstigst mogelijke behandeling toe, zulks binnen de grenzen van de in hun landen van kracht zijnde wetten en voorschriften en rekening houdend met hun internationale verplichtingen. De Overeenkomstsluitende Partijen onderzoeken de mogelijkheden om de belemmeringen uit de weg te ruimen die zich kunnen voordoen bij de verwezenlijking van de op het wederzijds belang gebaseerde projecten tot samenwerking tussen de economische orga"},{"i":8804,"b":"Overeenkomst inzake de oplossing van praktische problemen met betrekking tot diepzeemijnbouwgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van Canada, de Regering van de Republiek Italië en de Regering van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken, hierna te noemen „de Partijen”, geleid door de wens belemmeringen voor de universele deelneming aan het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172) van 1982 weg te nemen, voornemens praktische problemen op te lossen ten aanzien van de diepzeemijnbouwgebieden waarop deze Overeenkomst betrekking heeft, en hiertoe besprekingen gevoerd hebbend tussen december 1986 en augustus 1987, zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 (1). De Partijen hebben overeenstemming bereikt omtrent de lijnen waarvan de coördinaten zijn aangegeven in de Bijlagen II, III en IV1)[Red: De Bijlagen I t/m IV zijn niet afgedrukt.] bij deze Overeenkomst, met het doel de praktische problemen op te lossen met betrekking tot de diepzeemijnbouwgebieden waarvan de coördinaten op 6 december 1986 in Moskou door de Partijen werden uitgewisseld en zijn aangegeven in Bijlage I1)[Red: De Bijlagen I t/m IV zijn niet afgedrukt.]. (2). In deze Overeenkomst betekent „diepzeemijnbouwgebieden” de gebieden van de diepzeebodem bestemd voor de opsporing en ontginning van vaste minerale delfstoffen. Artikel 2 Elke Partij eerbiedigt de overeengekomen oplossing van de praktische problemen, zoals aangegeven in de Bijlagen II, III en IV bij deze Overeenkomst. Artikel 3 De Partijen handelen niet zelf, of tezamen met derden, op een wijze die registratie zou kunnen verhinderen van een aanvraag die is voorgelegd door een Partij aan de Voorbereidende Commissie van de Internationale Zeebodemautoriteit en van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, hierna te noemen „de Voorbereidende Commissie”, voor een gebied genoemd in de Bijlagen bij deze Overe"},{"i":8805,"b":"Overeenkomst inzake de oprichting van een Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst De Regeringen van het Koninkrijk België, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Staat Israël, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika; OVERWEGENDE dat een Internationale Opsporingsdienst werd opgericht te Arolsen teneinde vermiste personen op te sporen en gegevens over Duitse en niet-Duitse personen die in nationaal-socialistische concentratie- of arbeidskampen geïnterneerd zijn geweest, of over niet-Duitse personen die werden verplaatst tengevolge van de tweede wereldoorlog, te verzamelen, te classificeren, te bewaren en toegankelijk te maken voor de Regeringen en belanghebbende personen; OVERWEGENDE dat de Geallieerde Hoge Commissie voor Duitsland de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen voor de werkzaamheden van deze Internationale Opsporingsdienst, welke verantwoordelijkheid vroeger berustte bij de U.N.R.R.A. en bij de Internationale Vluchtelingenorganisatie; OVERWEGENDE dat krachtens artikel 1 (d) van Hoofdstuk VII van het Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting (zoals dit is gewijzigd bij Bijlage IV van het Protocol inzake de beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1954) de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland zich heeft verplicht om de voortzetting van de thans door de Internationale Opsporingsdienst verrichte werkzaamheden te verzekeren; MET HET OOG OP HET FEIT dat de Geallieerde Hoge Commissie heeft opgehouden te bestaan en dat de Regeringen van de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika, overeenkomstig de notawisseling inzake de voortzetting van de werkzaamheden van de In"},{"i":8806,"b":"Overeenkomst inzake de rechtspositie van de strijdkrachten voor militair personeel en troepenuitrusting tussen de Staat Qatar en het Koninkrijk der Nederlanden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Qatar komen, in het kader van vertrouwen en goodwill, en in lijn met de versterking van de militaire samenwerking, het volgende overeen: Artikel 1 De Regering van de Staat Qatar stemt in met het op tijdelijke basis bieden van onderdak aan personeelsleden van het Koninkrijk der Nederlanden in de Staat Qatar. Artikel 2 De strijdkrachten van het Koninkrijk der Nederlanden verplichten zich ertoe geen grondgebied, luchtruim of regionale wateren waarover de Regering van de Staat Qatar toezicht heeft, binnen te gaan zonder schriftelijke toestemming van de Regering van de Staat Qatar. Artikel 3 Binnen het kader en afhankelijk van de omvang van de missie krijgen de strijdkrachten van het Koninkrijk der Nederlanden toestemming voor binnenkomst in en vertrek uit de Staat Qatar met gebruikmaking van hun nationale paspoorten, en voor het bewegen in en rond de Staat Qatar met gebruikmaking van de militaire identiteitskaart van de Nederlandse troepen. De commandanten van elke betrokken eenheid moeten aan de Qatarese autoriteiten een lijst verstrekken met de volgende informatie: - 1. de aard en verwachte duur van de missie; - 2. het aantal betrokken militairen en hun namen, registratienummer en nationaliteit; - 3. de hoeveelheid en soort munitie en uitrustingsstukken; - 4. de verwachte verblijfsduur in de Staat Qatar. Bovengenoemde gegevens moeten ten minste 15 dagen voor de binnenkomst in de Staat Qatar langs diplomatieke weg bij de Regering van Qatar worden ingediend. Artikel 4 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden is verplicht tot betaling van alle bijbehorende kosten in relatie tot haar strijdkrachten, waaronder leges voor in- en uitreisvisa. Artikel 5 Het is de Nederlandse strijdkrachten toegestaan uitrusting, voertuigen en geneeskundige"},{"i":8807,"b":"Overeenkomst inzake de redding van ruimtevaarders, de terugkeer van ruimtevaarders en de teruggave van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen De Overeenkomstsluitende Partijen, Gelet op het grote belang dat moet worden gehecht aan het Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen, dat voorziet in het verlenen van alle mogelijke hulp aan ruimtevaarders bij een ongeval, bij moeilijkheden of bij een noodlanding, de onverwijlde en veilige terugkeer van ruimtevaarders en de teruggave van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen, Verlangende deze verplichtingen uit te breiden en daaraan een nadere concrete formulering te geven, Geleid door de wens de internationale samenwerking bij het vreedzame onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte te bevorderen, Daarbij geleid door overwegingen van menselijkheid, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Iedere Overeenkomstsluitende Partij die ervan in kennis wordt gesteld of die bemerkt dat de opvarenden van een ruimteschip een ongeval is overkomen, of dat zij in moeilijkheden zijn geraakt, dan wel een noodlanding of een gedwongen landing hebben gemaakt in een onder haar rechtsbevoegdheid vallend gebied, of in volle zee of op welke andere plaats ook, waar geen enkele Staat rechtsbevoegdheid bezit, dient onverwijld: - a. de autoriteit die voor de lancering verantwoordelijk is, daarvan in kennis te stellen of, indien zij de identiteit van deze autoriteit niet kan vaststellen, noch zich daarmede onmiddellijk in verbinding kan stellen, dit openbaar te maken met gebruikmaking van alle passende haar ter beschikking staande verbindingsmiddelen; - b. daarvan kennis te geven aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die het bericht terstond verspreidt met gebruikmaking van alle passende hem ter beschikking staande verbindingsmiddelen. Artikel 2 Indien, ten gevolge van een ongeval, moei"},{"i":8808,"b":"Overeenkomst inzake de regels voor het vervoer van bevroren en diepgevroren producten met vervoermiddelen met dunne zijwanden naar Italië en afkomstig uit Italië De Overeenkomstsluitende Partijen, ter uitvoering van artikel 7 van de Overeenkomst inzake het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (A.T.P.) gesloten te Genève op 1 september 1970; Verlangende de omstandigheden van het behoud van de kwaliteit van aan bederf onderhevige levensmiddelen gedurende hun vervoer te verbeteren, om de temperaturen voorzien in Bijlage 2 bij het A.T.P. te handhaven, vooral tijdens internationale uitwisselingen; Overwegende de omstandigheden van vervoer met vervoermiddelen met dunne zijwanden te verbeteren; Zijn het volgende overeengekomen ten aanzien van het vervoer van bevroren en diepgevroren levensmiddelen in vervoermiddelen met dunne zijwanden naar en afkomstig uit Italië, van 1 april tot 31 oktober. TOEPASSINGSGEBIED Artikel 1 Het vervoermiddel wordt als dunwandig beschouwd indien de totale dikte van één van zijn zijwanden minder is dan 45 mm. De volgende technische voorwaarden en voorwaarden voor het gebruik zijn van toepassing op alle vervoermiddelen met dunne zijwanden ingezet voor het vervoer van bevroren of diepgevroren levensmiddelen (vervoermiddelen klasse C of F) en geladen voor maximaal gebruik van de binnenmaatse breedte van de laadruimte. TECHNISCHE VOORWAARDEN Artikel 2 Een dergelijk vervoermiddel dient te zijn uitgerust met: een scherm of een scheidingswand, welke gemonteerd dient te zijn vóór de laadruimte, of een gelijkwaardige oplossing, welke wordt toegepast om de meest bevredigende circulatie van lucht te verzekeren ter voorkoming van elke kortsluiting tussen de uitgeblazen en de ingenomen lucht; voor vervoermiddelen waarvan de binnenmaatse lengte meer is dan 8 meter en waarvoor de luchtgeleiding is voorzien op het plafond, wordt de lucht in de volgende proporties verdeeld: -"},{"i":11948,"b":"Besluit van 13 november 2017 tot beperking openbaarheid – Afdeling Export- en Importgaranties en opvolger Gelet op [artikel 15, lid 1, onder c Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemeen rijksarchivaris d.d. 7 november 2017, met kenmerk 1219171 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van: **Archief van De Nederlandsche Bank N.V., Afdeling Export- en Importgaranties en opvolger, 1961 – 2008** Artikel 1 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 33978 | 2019 | | 33979 | 2020 | | 33980 | 2021 | | 33981 | 2022 | | 33982 | 2023 | | 33983 | 2024 | | 33984 | 2025 | | 33985 | 2026 | | 33986 | 2027 | | 33987 | 2028 | | 33988 | 2029 | | 33989 | 2030 | | 33990 | 2031 | | 33991 | 2032 | | 33992 | 2033 | | 33993 | 2034 | | 33994 | 2035 | | 34001 | 2019 | | 34002 | 2020 | | 34003 | 2020 | | 34005 | 2019 | | 34006 | 2022 | | 34007 | 2024 | | 34008 | 2025 | | 34009 | 2028 | | 34010 | 2020 | | 34011 | 2021 | | 34012 | 2030 | | 34013 | 2034 | | 34014 | 2035 | | 34015 | 2035 | | 34016 | 2024 | | 34017 | 2024 | | 34018 | 2024 | | 34058 | 2021 | | 34059 | 2025 | | 34060 | 2031 | | 34294 | 2035 | | 34295 | 2036 | | 34296 | 2039 | | 34306 | 2037 | | 34315 | 2020 | | 34316 | 2021 | | 34317 | 2022 | | 34318 | 2023 | | 34319 | 2023 | | 34321 | 2023 | | 34328 | 2021 | | 34339 | 2023 | | 34341 | 2024 | | 34342 | 2025 | | 34343 | 2025 | | 34344 | 2026 | | 34345 | 2027 | | 34346 | 2028 | | 34347 | 2028 | | 34348 | 2029 | | 34349 | 2030 | | 34350 | 2030 | | 34351 | 2031 | | 34352 | 2032 | | 34353 | 2032 | | 34354"},{"i":11940,"b":"Besluit van 18 december 2003, houdende bepalingen over het Kabinet van de Koning Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 16 december 2003, nr. 03M461900; Gelet op [artikel 42 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=42); Hebben goedgevonden en verstaan: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Het Kabinet van de Koning heeft tot taak de Koning ten behoeve van de uitoefening van diens constitutionele taken te ondersteunen inzake: - a. het verkeer tussen de Koning en de overige leden van de regering; - b. contacten met andere organen van de overheid, ontvangsten, bezoeken en overige toegang tot de Koning; - c. verzoekschriften aan de Koning; - d. de zorg voor het registeren, bewaren en overdragen van wetten, koninklijke besluiten en andere staatsstukken. Artikel 2 1. Aan het hoofd van het Kabinet van de Koning staat een directeur. 2. De directeur wordt benoemd en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 De directeur van het Kabinet van de Koning verschaft Onze Minister wie het aangaat tijdig alle inlichtingen die voor de uitvoering van de taak van Onze Minister van belang kunnen zijn. Artikel 4 Het Kabinet van de Koning verricht zijn werkzaamheden binnen het raam van de middelen die jaarlijks ingevolge de begrotingswet ter beschikking worden gesteld. Artikel 5 De besluiten van 22 december 1840, nr. 44, en 14 december 1893, nr. 17, worden ingetrokken. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Artikel 3a 1. Ten aanzien van de ambtenaren van het Kabinet van de Koning gelden de voor alle ambtenaren geld"},{"i":8823,"b":"Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten enerzijds en de Verenigde Mexicaanse Staten anderzijds Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507), hierna „lidstaten van de Europese Gemeenschap” te noemen, de Europese Gemeenschap, hierna „Gemeenschap” te noemen, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, hierna „Mexico” te noemen, anderzijds, Zich bewust van hun gezamenlijk cultureel erfgoed en hun sterke historische, politieke en economische banden, Gezien het bredere streven om het algemene kader van de internationale betrekkingen, met name tussen Europa en Latijns-Amerika, verder te ontwikkelen en te versterken, Zich bewust van de belangrijke bijdrage van de op 26 april 1991 te Luxemburg ondertekende Kaderovereenkomst inzake samenwerking tussen de Gemeenschap en Mexico tot de versterking van de genoemde banden, Zich bewust van het wederzijdse belang bij de totstandkoming van nieuwe contractuele banden, zulks met het oog op de bevordering van de bilaterale betrekkingen, door een bredere politieke dialoog, de geleidelijke en wederzijdse liberalisering van de handel, de liberalisering van de lopende betalingen, het kapitaalverkeer en de onzichtbare transacties, de bevordering van investeringen, en door de verbreding van de samenwerking, Uitdrukking gevende aan de gehechtheid van beide Partijen aan de eerbiediging van de d"},{"i":8824,"b":"Overeenkomst inzake economische en industriële samenwerking tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Federatieve Republiek Brazilië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Federatieve Republiek Brazilië, Verlangende de traditionele vriendschapsbanden tussen hun landen te verstevigen en economische en industriële samenwerking op basis van gelijkheid en tot wederzijds voordeel van beide landen te bevorderen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen zullen wederzijds de economische en industriële samenwerking tussen geïnteresseerde instellingen, organisaties, ondernemingen en andere partijen in de betrokken landen aanmoedigen en trachten te ontwikkelen. Artikel II De vormen, modaliteiten en voorwaarden voor samenwerking binnen het kader van deze Overeenkomst zullen worden onderhandeld en overeengekomen door de betrokken instellingen, organisaties, ondernemingen en andere partijen op basis van de wetten en voorschriften in de betrokken landen. Artikel III De Overeenkomstsluitende Partijen zullen, voor zover mogelijk, trachten de formaliteiten verbonden aan het voorbereiden, overeenkomen en uitvoeren van samenwerking binnen het kader van deze Overeenkomst te vergemakkelijken. Artikel IV Een Intergouvernementele Gemengde Commissie voor Economische en Industriële Samenwerking tussen Nederland en Brazilië wordt hierbij ingesteld. De Gemengde Commissie kan vertegenwoordigers van instellingen, organisaties, ondernemingen en andere partijen van de twee landen omvatten. Artikel V 1. De Gemengde Commissie beschouwt en bevordert economische en industriële betrekkingen tussen de twee landen. Zij beschouwt in het algemeen alle economische aangelegenheden met betrekking tot samenwerking in die economische sectoren van de twee landen waarin zodanige samenwerking kan worden aangegaan. 2. Ten einde bovenbedoelde betrekkingen te bevorderen tracht zij gebieden van gemeenschappelijk belang te"},{"i":7064,"b":"Overeenkomst strekkende tot het vergemakkelijken van huwelijkssluiting in het buitenland De Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat en de Turkse Republiek, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, Verlangende het sluiten van huwelijken van hun onderdanen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Staten te vergemakkelijken, met name wat betreft het opheffen van huwelijksbeletselen en de huwelijksafkondigingen, Zijn het volgende overeengekomen: TITEL I Artikel 1 Indien het huwelijk van een onderdaan van een der Overeenkomstsluitende Staten wordt gesloten op het grondgebied van een der andere Overeenkomstsluitende Staten en deze onderdaan daar zijn gewone verblijfplaats heeft, kunnen de bevoegde autoriteiten van het land van huwelijkssluiting aan deze toekomstige echtgenoot in de gevallen en onder de voorwaarden welke in zijn personele wet zijn voorzien, ontheffing verlenen van de in die wet neergelegde huwelijksverboden. Artikel 2 In het land van huwelijkssluiting zijn tot het verlenen van de in het voorgaande artikel bedoelde ontheffing bevoegd de autoriteiten, die krachtens de interne wet van dat land bevoegd zijn tot het verlenen van dezelfde ontheffing aan eigen onderdanen. Voorziet de wet van een land niet in dergelijke ontheffingen voor zijn eigen onderdanen, dan kan dit land aan een van zijn autoriteiten de bevoegdheid geven om die ontheffingen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, aan onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Landen te verlenen. Artikel 3 Deze Overeenkomst laat onverlet de bevoegdheid van de autoriteiten van de Staat waarvan de toekomstige echtgenoot onderdaan is, om hem, overeenkomstig de wetten van die Staat, ontheffing te verlenen. TITEL II Artikel 4 Op de afkondiging van huwelijken, welke met inachtnemi"},{"i":7065,"b":"Overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en de Kirgizische Republiek betreffende de terug- en overname van onregelmatig binnengekomen en/ of verblijvende personen (terug- en overnameovereenkomst) De Kirgizische Republiek en de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden), die krachtens de bepalingen van de op 11 april 1960 gesloten [Overeenkomst inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux-gebied](onbekend) gemeenschappelijk optreden, hierna genoemd „de Partijen”, Ernaar strevend de samenwerking tussen de Partijen te bevorderen en de onderlinge communicatie te verbeteren teneinde beter uitvoering te geven aan de wetgeving en regelgeving inzake personenverkeer van de Partijen, Ernaar strevend hun gezamenlijke wens strekkende tot het efficiënt bestrijden van de illegale immigratie van hun respectieve onderdanen alsmede van de onderdanen van een derde Staat en van staatloze personen te herbevestigen, Erkennend dat het noodzakelijk is de rechten en vrijheden van de mens te eerbiedigen en benadrukkend dat deze Overeenkomst geen afbreuk doet aan de rechten van de mens en aan de verplichtingen van de Partijen, in het bijzonder de verplichtingen die voortvloeien uit de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](onbekend) van 10 december 1948 en andere internationale overeenkomsten, met name het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](onbekend) van 28 juli 1951, het [Protocol betreffende de status van vluchtelingen](onbekend) van 31 januari 1967, het [Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten](onbekend) van 16 december 1966 en het [Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing](onbekend) van 10 december 1984, Ernaar strevend de internationaalrechtelijke verplichting tot terugname van eigen onderdanen ten ui"},{"i":7066,"b":"Overeenkomst tussen de Bondsregering van de Republiek Oostenrijk, enerzijds, en de Regeringen van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, anderzijds, betreffende de overname van personen aan de grens Met het doel het wederzijds overnemen van personen aan de grens in een geest van vriendschap te regelen, zijn de Bondsregering van de Republiek Oostenrijk enerzijds, en de Regeringen van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, die op grond van de op 11 april 1960 tussen hen gesloten [Overeenkomst inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux-gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246), gemeenschappelijk optreden, anderzijds, als volgt overeengekomen: Artikel 1 a). De bevoegde autoriteiten van de Republiek Oostenrijk nemen Oostenrijkse onderdanen, die de Belgische, Luxemburgse of Nederlandse autoriteiten voornemens zijn te verwijderen, over zonder formaliteiten en zonder tussenkomst van de bevoegde Oostenrijkse vertegenwoordiging in België, Luxemburg of Nederland mits hun nationaliteit kan worden aangetoond of aannemelijk kan worden gemaakt. b). De Oostenrijkse nationaliteit kan worden aangetoond door middel van een akte van nationaliteit, een nationaliteitsbewijs of een besluit krachtens hetwelk de Oostenrijkse nationaliteit is verworven of vastgesteld; zij kan aannemelijk worden gemaakt door middel van een paspoort of een identiteitsbewijs, afgegeven door de Oostenrijkse autoriteiten, ook indien deze documenten ten onrechte zijn afgegeven of niet langer dan tien jaar verlopen zijn. c). De Belgische, Luxemburgse of Nederlandse Regering neemt personen die krachtens lid a) zijn overgenomen, binnen zes maanden na de overname weer op haar grondgebied terug, indien de Oostenrijkse autoriteiten hebben geconstateerd dat zij op het tijdstip van hun verwijdering de Oostenrijkse nationaliteit niet bezaten, tenzij de Republiek Oostenrijk o"},{"i":8829,"b":"Overeenkomst inzake economische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië, Verlangende de economische samenwerking tussen hun landen tot hun wederzijds voordeel te bevorderen en uit te breiden, Voornemens gunstige voorwaarden te scheppen voor het doen van investeringen door onderdanen van een der Staten op het grondgebied van de andere Staat en zodanige investeringen te bevorderen, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I. Economische samenwerking Artikel 1 Uitgaande van de beginselen van wederkerigheid en wederzijds voordeel nemen de Overeenkomstsluitende Partijen de verplichting op zich, hun samenwerking op economisch gebied te bevorderen, ten einde hun onderscheiden landen verder te ontwikkelen. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de grootst mogelijke uitbreiding van hun betrekkingen op het gebied van de industrie, de handel, de landbouw, de zeescheepvaart, het vervoer en andere diensten tussen hun onderscheiden landen. In het kader en met inachtneming van hun nationale wetgeving bevorderen zij de samenwerking tussen maatschappijen, verenigingen en andere organisaties van welke aard ook, of dochterondernemingen daarvan, die met hun nationale economie verband houden, alsmede tussen al hun andere onderdanen die economische activiteiten verrichten, ten einde hun hulpbronnen verder tot ontwikkeling te brengen. Ten aanzien van de industrie, de handel, de landbouw, de zeescheepvaart, het vervoer en andere diensten bevorderen zij met name samenwerking met betrekking tot: - de oprichting van nieuwe ondernemingen of de uitbreiding van bestaande ondernemingen; - de verlening van bijstand bij of de deelneming aan de leiding van ondernemingen; - de invoering van nieuwe produktietechnieken en de verbetering van bestaande technieken; - het onderzoek naar en de exploitatie van natuurlijke rijkdommen; - de overdracht van kennis en de sa"},{"i":18940,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 3 december 2015 nr. BOACAT2015/068, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Landschap Overijssel, domein I Gelezen het verzoek van de Stichting Landschap Overijssel van 26 november 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037330&artikel=2&z=2016-01-07&g=2016-01-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van boswachter in dienst van de afdeling Natuurterreinen van de Stichting Landschap Overijssel, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schrifteli"},{"i":8833,"b":"Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „lidstaten” te noemen, en de Europese Gemeenschap, hierna „Gemeenschap” te noemen, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, hierna „Zuid-Afrika” te noemen, anderzijds, hierna „partijen” te noemen, Gelet op het belang van de bestaande vriendschaps- en samenwerkingsbanden tussen de Gemeenschap, de lidstaten en Zuid-Afrika en de gemeenschappelijke waarden van de partijen; Overwegende dat de Gemeenschap, de lidstaten en Zuid-Afrika deze banden wensen te versterken en nauwe en duurzame betrekkingen tot stand wensen te brengen, gebaseerd op wederkerigheid, partnerschap en gezamenlijke ontwikkeling; Gelet op de historische verrichtingen van het Zuid-Afrikaanse volk, met name de afschaffing van het apartheidsstelsel en de opbouw van een nieuwe politieke orde, gebaseerd op de rechtsstaat, de mensenrechten en de democratie; Zich bewust van de politieke en financiële steun van de Gemeenschap en de lidstaten voor dit proces van politieke verandering en overgang in Zuid-Afrika; Herinnerende aan de sterke gehechtheid van de partijen aan de beginselen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en aan de democratische beginselen en fundamentele mensenrechten, als omschreven in de [Universele Verklaring van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":8854,"b":"Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republieken Costa Rica, El Salvador, Guatemala, Honduras, Nicaragua en Panama, anderzijds Het Koninkrijk België, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, Ierland, De Italiaanse Republiek, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Portugese Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, hierna „de lidstaten\" genoemd, en De Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap” genoemd, enerzijds, en De Republiek Costa Rica, De Republiek El Salvador, De Republiek Guatemala, De Republiek Honduras, De Republiek Nicaragua, De Republiek Panama, anderzijds, Gelet op de traditionele historische en culturele banden tussen beide partijen en de wens deze betrekkingen te intensiveren door voort te bouwen op de bestaande mechanismen waardoor deze betrekkingen worden geregeld; Gelet op de positieve ontwikkelingen in beide regio's gedurende de afgelopen tien jaar, waardoor de bevordering van gemeenschappelijke doelstellingen en belangen een nieuwe fase inging en de betrekkingen intensiever, moderner en duurzaam werden, om adequaat te kunnen reageren op de huidige interne problemen en internationale gebeurtenissen; Bevestigende hun eerbied voor de democratische beginselen en de fundamentele rechten van de mens, zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens; Wijzende op hun gehechtheid aan de beginselen van de rechtsstaat en van goed bestuur; Wijzende op het beginsel van gedeelde verantwoordelijkheid en overtuigd van het belang om het gebruik van illegale drugs te voorkomen en de schadelijke effecten daarvan terug te dri"},{"i":8855,"b":"Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Cuba, anderzijds Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, en De Europese Unie, enerzijds, en De Republiek Cuba, hierna „Cuba” genoemd, anderzijds, Overwegende het verlangen van de partijen om hun banden te consolideren en te verdiepen door een versterking van de politieke dialoog, samenwerking, en economische en handelsbetrekkingen, in een geest van wederzijds respect en gelijkheid; Nadruk leggend op het belang dat zij hechten aan een versterking van de politieke dialoog over bilaterale en internationale aangelegenheden; Nadruk leggend op hun bereidheid samen te werken in internationale fora inzake kwesties van wederzijds belang; Rekening houdend met hun engagement om het strategische partnerschap tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied en de gezamenlijke strategie voor een partnerschap tussen de EU en het Caribisch gebied verder te bevorderen, met aandacht voor de wederzijdse voordelen van regionale samenwerking en integra"},{"i":8856,"b":"Overeenkomst inzake samenwerking bij de bestrijding van verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen De Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland en de Europese Economische Gemeenschap, Erkennend dat verontreiniging van de zee door olie en andere schadelijke stoffen in het Noordzeegebied een bedreiging kan vormen voor het mariene milieu en de belangen van de kuststaten, Opmerkend dat zulke verontreiniging vele oorzaken heeft en dat ongevallen en andere voorvallen op zee aanleiding tot grote bezorgdheid geven, Ervan overtuigd dat het vermogen tot bestrijding van zulke verontreiniging, alsook actieve samenwerking en onderlinge hulpverlening tussen de Staten noodzakelijk zijn voor de bescherming van hun kusten en daarmede samenhangende belangen, Verheugd over de reeds geboekte vooruitgang in het kader van de Overeenkomst betreffende samenwerking bij het bestrijden van verontreiniging van de Noordzee door olie, ondertekend te Bonn op 9 juni 1969, Geleid door de wens de onderlinge hulpverlening en de samenwerking bij de bestrijding van verontreiniging tot verdere ontwikkeling te brengen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Deze Overeenkomst is van toepassing: - a. zodra verontreiniging of dreigende verontreiniging van de zee door olie of andere schadelijke stoffen binnen het Noordzeegebied zoals omschreven in artikel 2 van deze Overeenkomst een ernstig en onmiddellijk gevaar betekent voor de kust of daarmede samenhangende belangen van een of meer Overeenkomstsluitende Partijen; en - b. op in het Noordzeegebied uitgeoefende toezichtactiviteiten als hulpmiddel bij de opsporing en bestrijding van zodanige verontreinigingen en bij het voorkomen van schendingen van de verontreinigingsvoorschriften. Artikel 2 Voor de toepassing van de"},{"i":8857,"b":"Overeenkomst inzake technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië, Verlangende, de banden tussen hun landen te versterken en in het algemeen de goede betrekkingen tussen hun landen uit te breiden, Erkennende, dat het in beider belang is wederzijds de wetenschappelijke, economische en sociale vooruitgang naar vermogen te bevorderen en dat een regeling van de technische samenwerking daartoe een belangrijke bijdrage vormt, Overwegende dat hiertoe bevorderlijk kan zijn het scheppen van een algemeen kader, waarbinnen zulke technische samenwerking kan worden tot stand gebracht, Komen het volgende overeen: Artikel 1 De beide Regeringen zullen wederzijds binnen de ten dienste staande financiële, personele en materiële mogelijkheden, de technische samenwerking tussen beider landen bevorderen. Artikel 2 1. De technische samenwerking zal bestaan uit de uitwisseling tussen beide landen van kennis en ervaring in de ruimste zin al dan niet vergezeld van materiële steun. 2. Tot daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in het vorige lid zal slechts kunnen worden overgegaan nadat hierom uitdrukkelijk is verzocht door de Regering van het land dat van de geboden mogelijkheden van samenwerking met het andere land gebruik wenst te maken en niet eerder dan nadat over de voor deze samenwerking vereiste zakelijke voorwaarden overeenstemming is bereikt. Artikel 3 Wanneer tot technische samenwerking als bedoeld in het eerste lid van artikel 2 wordt besloten en dientengevolge deskundigen worden beschikbaar gesteld, fellowships verleend of tot meer uitgebreide vormen van technische samenwerking wordt overgegaan, zullen onder verwijzing naar deze Overeenkomst, de wijze waarop en de voorwaarden waaronder zulks zal geschieden, van geval tot geval in gemeenschappelijk overleg nader worden geregeld in administratieve akkoorden. Artikel 4 Aan deskundigen die door de Reger"},{"i":8858,"b":"Overeenkomst inzake tijdelijke invoer Preambule De Partijen bij deze Overeenkomst, die tot stand is gekomen onder auspiciën van de Internationale Douaneraad, Vaststellende dat de huidige situatie wat betreft de toeneming in aantal en versnippering van de internationale douaneovereenkomsten inzake tijdelijke invoer onbevredigend is, Overwegende dat de situatie in de toekomst nog zou kunnen verslechteren wanneer nieuwe categorieën van tijdelijke invoer internationaal moeten worden geregeld, Gelet op de wensen van de vertegenwoordigers van de handel en andere belanghebbenden, die willen dat de vervulling van de formaliteiten voor tijdelijke invoer wordt vergemakkelijkt, Overwegende dat de vereenvoudiging en de harmonisering van de douaneprocedures en, in het bijzonder, het aannemen van één enkele internationale akte, waarin alle bestaande overeenkomsten inzake tijdelijke invoer worden samengevoegd, de toegang tot de internationale bepalingen inzake tijdelijke invoer kan vergemakkelijken en op doelmatige wijze kan bijdragen tot de ontwikkeling van de internationale handel en andere vormen van internationaal verkeer, Ervan overtuigd dat een internationale akte die eenvormige bepalingen ter zake van de tijdelijke invoer voorstelt aanzienlijke voordelen kan opleveren voor het internationale verkeer en kan leiden tot een hoge mate van vereenvoudiging en harmonisering van de douaneprocedures, hetgeen een van de voornaamste doelstellingen van de Internationale Douaneraad is, Vastbesloten de tijdelijke invoer te vergemakkelijken door middel van vereenvoudiging en harmonisering van de procedures, daarbij economische, humanitaire, culturele, sociale of toeristische doeleinden nastrevend, Overwegende dat het aannemen van gestandaardiseerde modellen voor documenten voor tijdelijke invoer als internationaal douanedocument met internationale zekerheid bijdraagt tot de vergemakkelijking van de tijdelijke-invoerprocedure waarbij een douanedocument en een zekerheid vereist zijn, Zijn a"},{"i":8866,"b":"Overeenkomst opgesteld op basis van Artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn De Hoge Verdragsluitende Partijen bij deze Overeenkomst, lidstaten van de Europese Unie, Verwijzend naar de akte van de Raad van de Europese Unie van 26 mei 1997, Overwegende dat de lidstaten de verbetering van de justitiële samenwerking bij de bestrijding van corruptie als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang beschouwen, die valt onder de bij [titel VI van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507&titeldeel=VI) ingestelde samenwerking; Overwegende dat de Raad bij de akte van 27 september 1996 een Protocol heeft opgesteld in het bijzonder ter bestrijding van daden van corruptie die de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen schaden of kunnen schaden en waarbij nationale ambtenaren of ambtenaren van de Europese Gemeenschappen betrokken zijn; Overwegende dat, ter verbetering van de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten, verder moet worden gegaan dan het bovengenoemd Protocol door een Overeenkomst op te stellen betreffende daden van corruptie in het algemeen waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of ambtenaren van de lidstaten betrokken zijn, Strevend naar een samenhangende en doeltreffende toepassing van de onderhavige Overeenkomst op het gehele grondgebied van de Europese Unie, Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze Overeenkomst - a. wordt onder „ambtenaar” verstaan, een ambtenaar van de Europese Gemeenschappen of een nationaal ambtenaar, met inbegrip van elke nationale ambtenaar van een andere lidstaat; - b. wordt onder „communautair ambtenaar” verstaan: De leden van organen die overeenkomstig de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen zijn ingesteld en het persone"},{"i":8868,"b":"Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden De Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst; Verwijzende naar de relevante bepalingen van het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172) van 10 december 1982; Vastberaden om de instandhouding op lange termijn en een duurzaam gebruik van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden veilig te stellen; Vastbesloten om daartoe de samenwerking tussen de Staten te verbeteren; Een beroep doende op Vlaggestaten, Havenstaten en Kuststaten om te zorgen voor een efficiëntere rechtshandhaving wat betreft de voor bedoelde bestanden vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen; Geleid door de wens met name de problemen aan te pakken die zijn aangegeven in hoofdstuk 17, programma C, van Agenda 21 zoals aangenomen door de Conferentie van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling namelijk dat in vele gebieden de visserij op de volle zee niet adequaat wordt beheerd en dat er voor een aantal bestanden overbevissing is, en constaterende dat er problemen zijn zoals niet-gereglementeerde visserij, overkapitalisatie, overcapaciteit, omvlagging om aan controle te ontsnappen, onvoldoende selectief vistuig, onbetrouwbare gegevensbestanden en onvoldoende samenwerking tussen de Staten; Zich verbindende tot een verantwoorde visserij: Zich bewust van de noodzaak om negatieve effecten op het mariene milieu te voorkomen, de biodiversiteit te beschermen, de mariene ecosystemen ongeschonden te behouden en het gevaar van effecten op lange termijn of onomkeerbare effecten als gevolg van de visserij zoveel mogelijk te beperken; Erkennende dat speciale bijstand, zowel financieel, wetenschappelijk als technisch, nodig is om"},{"i":8869,"b":"Overeenkomst over de verbetering en het onderhoud van de Ramsbeek en de Veengoot De Kreis Ahaus, hierna Kreis genoemd, vertegenwoordigd door de Oberkreisdirektor Rudolph, en Kreisdirektor Rack en het Waterschap van de Berkel, hierna waterschap genoemd, vertegenwoordigd door de watergraaf Ir. J. Baas, sluiten overeenkomstig hoofdstuk 4, artikel 59, lid 2 van het grensverdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden van 8 april 1960 de volgende overeenkomst: Artikel 1 Het waterschap verbindt zich op haar kosten het gedeelte van de Ramsbeek van profiel 2 (640 m benedenstrooms van de grens, nabij grenssteen 811/35) tot profiel 17/18 (grenssteen 810/38 + 485 m) en de Veengoot van profiel 17/18 tot profiel 21 (grenssteen 810/38 + 375 m) ten minste overeenkomstig het als bijlage bijgevoegde plan te verbeteren en te onderhouden. Het plan is bestanddeel van deze overeenkomst. Artikel 2 De Kreis verbindt zich aan het waterschap in de kosten van de verbetering en het onderhoud overeenkomstig artikel 1 een eenmalige bijdrage te betalen van vijf en zestig duizend gulden. De bijdrage wordt binnen een maand na de gezamenlijke controle van de verbeteringswerken betaalbaar gesteld. Artikel 3 Veranderingen van de overeenkomst behoeven die goedkeuring van de regeringen van die Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel 4 1. De overeenkomst wordt voor de duur van 20 jaar gesloten. Als zij niet drie jaar voor de afloop van haar duur wordt opgezegd, wordt zij stilzwijgend voor telkens 10 jaar verlengd. 2. De opzegging dient te geschieden door een aangetekende brief. Artikel 5 1. Deze overeenkomst behoeft de goedkeuring van de regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden. Zij treedt een maand na ontvangst door een der partijen van de laatst verleende goedkeuring in werking. De partijen stellen het tijdstip van inwerkingtreding door briefwisseling vast. 2. De overeenkomst vervangt van de dag van haar inwer"},{"i":8870,"b":"Overeenkomst over de verbetering en het onderhoud van een gedeelte van de Issel (Oude IJssel) in het grensgebied Het „Isselverband” in Wezel, vertegenwoordigd door de voorzitter Ltd. Kreisbaudirektor Thesing en het waterschap van de „Oude IJssel” in Terborg, hierna „Waterschap” genoemd, vertegenwoordigd door de watergraaf ir. W. Kooij, sluiten met inachtneming van hoofdstuk 4, artikel 59 van het grensverdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden van 8 april 1960 de volgende overeenkomst: Artikel 1 1. Het Isselverband zal op zijn kosten de Issel verbeteren van grenssteen 718, nabij het landgoed Landfort, tot nabij grenssteen 723, nabij het huis Hardenberg. Bij deze verbetering wordt ook de Hardenberger stuw vernieuwd en de Kleefse Graaf verlengd. 2. Het in lid 2 genoemde gedeelte van de Issel is op een overzichtskaart aangegeven, die een deel van de overeenkomst is. Artikel 2 Het Isselverband zal bij de bouw van de Hardenberger stuw het volgende in acht nemen: - a. De bovenkant van de stuwdrempel mag niet lager gelegd worden dan Normal Null (NN) + 11.90 m. - b. De dagwijdte van de stuwopening mag niet groter zijn dan 10 m. - c. De bovenkant van het beweegbare deel van de stuw mag in gesloten toestand niet hoger zijn dan NN + 14.08 m. - d. De as van de nieuwe stuw mag niet verder dan 30 m oostwaarts van de as van het bestaande kunstwerk worden gelegd. - e. Benedenstrooms van de Hardenberger stuw moet een riviergedeelte met een lengte van tenminste 40 m op deugdelijke wijze worden vastgelegd. Artikel 3 Het Isselverband zal bij de verbetering van het gedeelte van de Issel het volgende in acht nemen: - a. Het verval van het verbeterde Isselgedeelte moet gelijkmatig verlopen van grenssteen 718 tot de stuwdrempel; bij grenssteen 718 mag de bodem niet dieper liggen dan NN + 12.70 m. - b. De kruin van de Isseldijk op de rechteroever mag niet hoger liggen dan de dijkskruin op de linkeroever. - c. Tussen de grenssteen 718 en 720 moet de verbredin"},{"i":8871,"b":"Overeenkomst over het onderhoud en het materiaaltransport van de Berkel in het grensgebied De Kreis Borken, hierna „Kreis” genoemd, vertegenwoordigd door den Oberkreisdirektor herrn Pingel und Ltd. Baudirektor herrn Thesing en het Waterschap van de Berkel, hierna „waterschap” genoemd, vertegenwoordigd door de watergraaf ir. Jan Baas sluiten, gelet op hoofdstuk 4, artikel 59, lid 2 van het Grensverdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden van 8 april 1960, de volgende overeenkomst: Artikel 1 Deze overeenkomst heeft betrekking op het gedeelte van de Berkel vanaf de Hühnerbrücke te Vreden tot en met de overlaat benedenstrooms van de zandvang te Rekken, op de in artikel 2, lid 1, bedoelde overzichtskaart aangegeven met A en B, hierna „Berkel” genoemd. Artikel 2 De voor het onderhoud van de Berkel en de in en over deze watergang gelegen kunstwerken - voorzover deze de waterstand of de afvoer beïnvloeden - bepalende toestand is in een door beide partijen gewaarmerkt grondplan vastgelegd, dat - met mogelijke toekomstige veranderingen - onderdeel is van deze overeenkomst. Het grondplan bestaat uit een overzichtskaart (1 : 25.000)1)[Red: De overzichtskaart is niet opgenomen.], een lengteprofiel, kenmerkende dwarsprofielen en gegevens over de kunstwerken2)[Red: Deze bijlagen zijn niet opgenomen.]. Artikel 3 1. Partijen zijn verplicht, ieder in hun gebied, de Berkel en de door hen te onderhouden kunstwerken in overeenstemming met het grondplan te onderhouden. Het grensgedeelte van de Berkel tussen de grensstenen 824 en 825 wordt door iedere partij voor de helft onderhouden. De bodemval bij grenssteen 824 wordt door de Kreis onderhouden. 2. Partijen zijn verplicht, ieder in hun gebied te bevorderen, dat de niet door hen te onderhouden, in het grondplan opgenomen, kunstwerken door de daartoe verplicht zijnde derden worden onderhouden. Artikel 4 1. Het waterschap is verplicht, op verzoek van de Kreis de schuiven in de kunstwerken in de Nederlandse"},{"i":8872,"b":"Overeenkomst over het onderhoud van de Aastrang (Bocholter Aa) in het grensgebied Het land Nordrhein-Westfalen, vertegenwoordigd door de Minister-präsident, deze vertegenwoordigd door de Regierungspräsident te Münster en het Waterschap van de Oude IJssel in Terborg, hierna „Waterschap” genoemd, vertegenwoordigd door de watergraaf, sluiten met inachtneming van hoofdstuk 4, artikel 59 van het Grensverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland van 8 april 1960, de volgende overeenkomst. Artikel 1 1. Het land Nordrhein-Westfalen verbindt zich, het grensgedeelte van de Aastrang van ongeveer 20 m benedenstrooms van de westelijke rand van de brug in de weg van Anholt naar Dinxperlo tot aan de grens tussen de grenspalen 728 en 729 te onderhouden. Het waterschap duldt op haar gebied alle daarvoor noodzakelijke handelingen. Hiertoe behoren in het bijzonder het betreden en het berijden van de oevers, alsmede het tijdelijk deponeren en afvoeren van specie en ruimsel, die in haar gebied, (door dit onderhoud), voorkomen. Het waterschap wijst het land Nordrhein-Westfalen tijdig opslagmogelijkheden en afvoerwegen aan. 2. Het waterschap verbindt zich: - a. de dijk, de berm en het talud van de rechter oever van het in lid 1 aangegeven grensgedeelte te onderhouden en - b. benedenstrooms van het grensgedeelte de Aastrang zo te onderhouden, dat de waterafvoer niet belemmerd wordt. Artikel 2 De voor het onderhoud van de watergang bepalende toestand is in een door beide partijen gewaarmerkt grondplan vastgelegd, dat - met mogelijke toekomstige veranderingen - onderdeel is van deze overeenkomst. Het grondplan bevat een overzichtskaart (1:25000)1)[Red: De overzichtskaart is niet opgenomen.], een lengteprofiel en kenmerkende dwarsprofielen2)[Red: Deze bijlagen zijn niet opgenomen.]. Artikel 3 1. Het gedeelte van de Aastrang, opgenomen in het grondplan, wordt tenminste éénmaal in de drie jaar in het tweede kwartaal door de partijen gezamenlijk opgemeten. Bij dez"},{"i":8873,"b":"Overeenkomst over het onderhoud van de Dinkel in het grensgebied bij Gronau Het waterschap Regge en Dinkel, hierna „waterschap” genoemd, partij ter ene zijde, vertegenwoordigd door de waarnemend voorzitter, ir. H. W. Bunschoten en het Wasser- und Bodenverband „Unteres Dinkelgebiet”, hierna „Verband” genoemd, partij ter andere zijde, vertegenwoordigd door de voorzitter, Gerhard Schultewolter, sluiten, gelet op hoofdstuk 4, artikel 59, lid 2, van het op 8 april 1960 tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden gesloten Grensverdrag, de volgende overeenkomst: Artikel 1 Het waterschap verbindt zich, op zijn kosten de Dinkel op Nederlands gebied van de grens bij grenssteen 853 stroomafwaarts tot de „Zoekerbrug” te onderhouden. Artikel 2 Het Verband verbindt zich op zijn kosten de Dinkel op Duits gebied van de grens bij grenssteen 854 stroomopwaarts tot en met de gebouwde bodemval te onderhouden. Artikel 3 1. Het waterschap en het Verband verbinden zich, de Dinkel van de grens bij grenssteen 854 tot de grens bij grenssteen 853 gemeenschappelijk te onderhouden. 2. Het onderhoud wordt door het waterschap verricht. 3. Het Verband laat op zijn gebied alle daarvoor vereiste handelingen toe. Daartoe behoren in het bijzonder zowel het betreden en berijden van de bermen als het tijdelijk bergen en afvoeren van geruimde specie en ruigten, die in zijn gebied vrijkomen. 4. Partijen dragen de onderhoudskosten van het in lid 1 genoemde gedeelte ieder voor de helft. Artikel 4 De voor het onderhoud van de waterleiding maatgevende toestand is in een door beide partijen te ondertekenen grondplan vastgelegd, dat - met eventuele toekomstige, door partijen nader overeen te komen wijzigingen - onderdeel van deze overeenkomst is. Het grondplan bestaat uit een overzichtskaart (schaal 1 : 10.000), een lengteprofiel en een normaal dwarsprofiel. Artikel 5 De Dinkel wordt op verzoek van één der partijen, hoogstens echter éénmaal per drie jaar, binnen het gebied van het grond"},{"i":8874,"b":"Overeenkomst ter bescherming van producenten van fonogrammen tegen het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen De Overeenkomstsluitende Staten, bezorgd over de toenemende mate waarin fonogrammen zonder toestemming worden gekopieerd en over de schade die dit berokkent aan de belangen van auteurs, vertolkers of uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen; overtuigd dat de bescherming van producenten van fonogrammen tegen een zodanige handelwijze eveneens ten goede zal komen aan de vertolkers of uitvoerende kunstenaars wier uitvoeringen, en aan de auteurs wier werken op genoemde fonogrammen zijn opgenomen; erkennende de waarde van het werk dat op dit gebied is verricht door de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur en de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom; verlangend op geen enkele wijze inbreuk te maken op reeds in werking zijnde internationale overeenkomsten en in het bijzonder op geen enkele wijze een ruimere aanvaarding van de [Overeenkomst van Rome van 26 oktober 1961](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004329) in de weg te staan, die zowel aan vertolkers of uitvoerende kunstenaars en omroeporganisaties bescherming verleent als aan producenten van fonogrammen; zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - (a). „fonogram”: elke uitsluitende voor het gehoor bestemde vastlegging van geluiden van een uitvoering of van andere geluiden; - (b). „producent van fonogrammen”: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die als eerste de geluiden van een uitvoering of andere geluiden vastlegt; - (c). „kopie”: het materiaal dat geluiden bevat, die al dan niet rechtstreeks zijn overgenomen van een fonogram en waarop al het geluid of een wezenlijk gedeelte van de geluiden die op dat fonogram zijn vastgelegd, is opgenomen; - (d). „levering aan het publiek”: elke handeling waarbij kopieën van een fonogram al dan niet rechtstreeks aan het publiek of een"},{"i":8875,"b":"Overeenkomst ter bestrijding van doping Preambule De lidstaten van de Raad van Europa, de andere Staten die partij zijn bij het Europees Cultureel Verdrag, en andere Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden teneinde de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfdeel zijn, veilig te stellen en te verwezenlijken en hun economische en sociale vooruitgang te bevorderen; Zich ervan bewust dat sport een belangrijke rol dient te spelen bij de bescherming van de gezondheid, bij de zedelijke en lichamelijke opvoeding en bij de bevordering van internationaal begrip; Bezorgd over het toenemende gebruik van dopingmiddelen en dopingmethoden door sportmensen in alle takken van sport en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van sportmensen en de toekomst van de sport; Indachtig het feit dat dit probleem een bedreiging vormt voor de ethische beginselen en de opvoedende waarden vervat in het Olympisch Handvest, in het Internationale Handvest voor Sport en Lichamelijke Opvoeding van UNESCO en in resolutie 76(41) van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, bekend als het „Europees Handvest inzake sport voor allen”; Gelet op de regelingen, beleidslijnen en verklaringen inzake de bestrijding van doping, aangenomen door de internationale sportorganisaties; Zich bewust van het feit dat de verantwoordelijkheden van de overheden en de particuliere sportorganisaties ten aanzien van het bestrijden van doping in de sport elkaar aanvullen, met name wat betreft het waarborgen van een goed verloop van sportevenementen, gebaseerd op het beginsel van eerlijk spel, en wat betreft het beschermen van de gezondheid van allen die daaraan deelnemen; Erkennend dat deze overheden en organisaties hiertoe op alle passende niveaus moeten samenwerken; Herinnerend aan de resoluties inzake doping, aangenomen door de Conferentie van Europese Ministers verantwoordelijk voor Sp"},{"i":8876,"b":"Overeenkomst ter bevordering van de uitwisseling van octrooirechten en technische inlichtingen voor defensiedoeleinden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika - hierna te noemen de Regeringen - die in het op 27 Januari 1950 te Washington ondertekende [Verdrag tot Wederzijdse Hulpverlening inzake Verdediging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005675) overeengekomen zijn, op verzoek van elk hunner te zullen onderhandelen over passende regelingen betreffende octrooien en technische inlichtingen, die in het algemeen behulpzaam wensen te zijn bij de productie van uitrusting en materiëel voor de verdediging door de uitwisseling van octrooirechten en technische inlichtingen te vergemakkelijken en te bevorderen, en die erkennen, dat de rechten van particuliere eigenaars van octrooien en technische inlichtingen volledig erkend en beschermd moeten worden overeenkomstig de wetten welke van toepassing zijn op zodanige octrooien en technische inlichtingen, zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Beide Regeringen zullen, steeds als dit zonder al te grote beperking of belemmering van de defensieproductie uitvoerbaar is, het gebruik van octrooirechten bevorderen en het doorgeven en het gebruik van technische inlichtingen in particulier bezit, als omschreven in Artikel VIII, voor defensiedoeleinden aanmoedigen: - a). door middel van bestaande handelsrelaties tussen de eigenaar van die octrooirechten en van die technische inlichtingen en diegenen in het andere land, die het recht hebben die octrooirechten en technische inlichtingen te gebruiken, en - b). bij ontbreken van bestaande relaties, door middel van het tot stand brengen van dergelijke relaties door de eigenaar en de toekomstige gebruiker in het andere land, mits, in het geval van gerubriceerde inlichtingen, dergelijke regelingen door de wetten en veiligheidseisen van beide landen zijn toegelaten en mits de bepalingen van alle zodanige regelingen onderworpen zu"},{"i":8879,"b":"Overeenkomst ter uitvoering van artikel 15 van het tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden op 23 juli 2018 te Brussel gesloten Verdrag inzake politiesamenwerking Het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden hierna genoemd „de Partijen”, Gelet op [artikel 62, tweede lid, van het Verdrag van 23 juli 2018 tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006758&artikel=62) (hierna genoemd: „het Politieverdrag”), betreffende de te sluiten Uitvoeringsovereenkomsten op basis van en binnen het kader van dit Verdrag, Gelet op [artikel 15 van het Politieverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006758&artikel=15), betreffende de raadpleging van politiedatabanken door politieambtenaren in een gemeenschappelijke politiepost en de wens van het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden om uitvoering te geven aan dit artikel, Overwegende dat een rechtstreekse toegang tot elkaars politiedatabanken de uitvoering van de politietaken in het territoriale bevoegdheidsgebied van een gemeenschappelijke politiepost en de veiligheid in dat territoriale bevoegdheidsgebied zal bevorderen, Overwegende dat een dergelijke raadpleging omkleed dient te worden met voldoende vastgelegde operationele en technische voorwaarden, voorzieningen en modaliteiten, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel De mogelijkheden voorzien in [artikel 15 van het Politieverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006758&artikel=15) worden toegepast door het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden volgens de voorwaarden en modaliteiten voorzien in deze Uitvoeringsovereenkomst. Artikel 2. Definities 1. Voor de toepassing van deze Uitvoeringsovereenkomst wordt verstaan onder: - a. Contactpunt: verantwoordelijk leidinggevende van de ambtenaren die werken in de gemeenschappelijke politiepost; - b. Gegeven"},{"i":8880,"b":"Overeenkomst ter uitvoering van artikel 16 van het tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden op 23 juli 2018 te Brussel gesloten Verdrag inzake politiesamenwerking Het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden hierna genoemd „de Partijen”, Gelet op [artikel 62, tweede lid, van het Verdrag van 23 juli 2018 tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006758&artikel=62) (hierna genoemd: „het Politieverdrag”), betreffende de te sluiten uitvoeringsovereenkomsten op basis van en binnen het kader dit van dit Verdrag, Gelet op [artikel 16 van het Politieverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006758&artikel=16) betreffende de raadpleging van voor de politie toegankelijke databanken tijdens gemengde patrouilles en gemeenschappelijke controles en de wens van het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden om uitvoering te geven aan dit artikel, Overwegende dat raadpleging van voor de politie toegankelijke databanken door politieambtenaren van het andere land tijdens gemengde patrouilles en gemeenschappelijke controles de veiligheid zal bevorderen, Overwegende dat een dergelijke raadpleging omkleed dient te worden met voldoende vastgelegde operationele en technische voorwaarden, voorzieningen en modaliteiten, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel De mogelijkheden voorzien in [artikel 16 van het Politieverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006758&artikel=16) worden toegepast door het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden volgens de voorwaarden en modaliteiten voorzien in deze Uitvoeringsovereenkomst. Artikel 2. Definities 1. Voor de toepassing van deze Uitvoeringsovereenkomst wordt verstaan onder: - a. Contactpunt: aangewezen functionaris, zoals aangeduid in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0007060&bijlage=I&z=2025-07-15&g=2025-"},{"i":8883,"b":"Overeenkomst ter uitvoering van artikel 45, vijfde lid van de Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten Ter uitvoering van artikel 45, vijfde lid, van de Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten, ondertekend te Bonn op 3 augustus 1959 (hierna te noemen de „Aanvullende Overeenkomst”) zijn Het Koninkrijk België, Canada, De Bondsrepubliek Duitsland, De Franse Republiek, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Verenigde Staten van Amerika, en Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland overeengekomen als volgt: Artikel 1 De autoriteiten van een krijgsmacht geven de Bondsminister van Verdediging kennis van hun jaarprogramma's voor manoeuvres en andere oefeningen, waaraan onderdelen van tenminste de sterkte van een brigade, een regimentsgevechtsgroep of een daaraan gelijkwaardige formatie deelnemen. Over het tijdstip waarop de kennisgeving dient te geschieden, wordt met iedere krijgsmacht afzonderlijk een regeling getroffen. Artikel 2 Plannen voor het houden van manoeuvres en andere oefeningen (artikel 45, vijfde lid onder **b**, van de Aanvullende Overeenkomst) worden medegedeeld - (a). tegelijkertijd aan de autoriteiten van het Land en het Militaire Districtsbestuur (Wehrbereichsverwaltung), ingeval de manoeuvres of andere oefeningen uitsluitend in één Militair District zullen worden gehouden, of, indien daarbij twee of meer Districten betrokken zijn, slechts onderdelen zullen deelnemen die de sterkte van een bataljon niet te boven gaan; - (b). aan de Bondsminister van Verdediging, ingeval de manoeuvres of andere oefeningen zullen worden gehouden in t"},{"i":8881,"b":"Overeenkomst ter uitvoering van artikel 37, lid 2 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg en De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op het [Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047), ondertekend te 's-Gravenhage op 3 februari 1958, en met name op [artikel 37, leden 2 en 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047&artikel=37), Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Het toezicht op de uitvoering der begrotingen Artikel 1 Ten einde het toezicht op de uitvoering van de begroting van de instellingen van de Unie, met uitzondering van de Raadgevende Interparlementaire Raad en de Economische en Sociale Raad van Advies, mogelijk te maken, stelt de Raad van de Economische Unie het Financieel Reglement van het Secretariaat-Generaal op en legt dit ter goedkeuring voor aan het Comité van Ministers. Dit reglement bevat in het bijzonder bepalingen omtrent: - a). de kenmerken van de begroting met betrekking tot de universaliteit en de verdeling in artikelen; - b). de data waarop de ontwerp-begroting door de Secretaris-Generaal wordt ingediend en door elk der organen welke belast zijn met het onderzoek daarvan, wordt doorgezonden; - c). de regelen voor het financiële en het administratieve beheer; - d). het aanbrengen van wijzigingen in de begroting in de loop van het jaar. Artikel 2 Ten behoeve van het toezicht op de uitvoering van de begroting wijst het Comité van Ministers drie commissarissen aan, respectievelijk van Belgische, Luxemburgse en Nederlandse nationaliteit. Artikel 3 De commissarissen controleren zowel de rechtmatigheid als de doelmatigheid van de beheershandelingen. Zij oefenen hun toezicht ter plaatse uit. Hiertoe hebben zij gedurende de voorgeschreven werktijd vrije toegang tot de lokalen van het Secretariaat-Generaal. Zij kunnen zich door het Secretariaat-Generaal all"},{"i":8884,"b":"Overeenkomst ter uitvoering van artikel 5 van Protocol nr. II bij het Verdrag van Brussel zoals gewijzigd bij de op 23 oktober 1954 te Parijs ondertekende Protocollen De Regeringen van het Koninkrijk België, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, Partijen bij het op 17 maart 1948 te Brussel ondertekende Verdrag van economische, sociale en culturele samenwerking en collectieve zelfverdediging zoals gewijzigd bij de op 23 oktober 1954 te Parijs ondertekende Protocollen, Verlangende uitvoering te geven aan de bepalingen van artikel 5 van Protocol nr. II bij het Verdrag van Brussel zoals gewijzigd bij voornoemde Protocollen, Komen het volgende overeen: Opgezegd per 30 juni 2010 (Trb. 2011/181). Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen In witness whereof, the undersigned Plenipotentiaries have signed the present Agreement. Done at Paris, this fourteenth day of December, one thousand nine hundred and fifty-seven."},{"i":8886,"b":"Overeenkomst tot economische samenwerking tussen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika De Nederlandse Regering ter ene zijde en de Regering der Verenigde Staten van Amerika ter andere zijde: Erkennende, dat het herstel of het behoud in Europese landen van beginselen van persoonlijke vrijheid, vrije instellingen en waarachtige onafhankelijkheid grotendeels berust op het scheppen van gezonde economische voorwaarden, evenwichtige internationale economische verhoudingen, en het bereiken door de Europese landen van een gezonde economie, die onafhankelijk is van buitengewone hulpverlening van buitenaf; Erkennende, dat een krachtige en welvarende Europese economie essentieel is voor het bereiken van de doeleinden van de Verenigde Naties; Overwegende, dat het verwezenlijken van zodanige voorwaarden een Europees Herstelplan van eigen hulp en wederkerige samenwerking nodig maakt, dat openstaat voor alle naties, die samenwerken in een zodanig plan, hetwelk gegrond is op een krachtige productie inspanning, de expansie van de buitenlandse handel, het scheppen of het behouden van een intern financieel evenwicht en de ontwikkeling van economische samenwerking, met inbegrip van alle mogelijke maatregelen om gezonde wisselkoersen in te stellen en te behouden en om handelsbelemmeringen te verminderen; Overwegende, dat ter bevordering van deze beginselen de Nederlandse Regering zich met andere naties die van dezelfde geest zijn bezield, verbonden heeft in een Verdrag nopens Europese Economische Samenwerking, dat te Parijs werd ondertekend op 16 April 1948, waarin de ondertekenende partijen zijn overeengekomen om als haar onmiddellijke taak de uitwerking en de uitvoering van een gemeenschappelijk herstelprogramma ter hand te nemen; en dat de Nederlandse Regering lid is van de, krachtens de bepalingen van genoemd Verdrag, in het leven geroepen Organisatie voor Europese Economische Samenwerking; Overwegende voorts, dat ter bevordering van dez"},{"i":8887,"b":"Overeenkomst tot eenmaking van het Benelux-douanegebied De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Verlangende de Benelux Economische Unie te verstevigen door het tot stand brengen van een gemeenschappelijk douanegebied, Overwegende, dat daartoe de douaneformaliteiten aan de binnengrenzen van Benelux dienen te worden afgeschaft door middel van een uitbreiding tot het gehele Beneluxgebied van de werkingssfeer der nationale douanewetgevingen betreffende het goederenverkeer, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt verstaan onder: buitengrenzen: de grenzen tussen enerzijds België, Luxemburg of Nederland en anderzijds een derde land of de volle zee; binnengrenzen: de grenzen tussen België en Luxemburg en tussen Nederland en België; douanegoederen: in België, Luxemburg of Nederland uit derde landen binnengekomen goederen welke op regelmatige wijze bij de douane zijn aangebracht en aangegeven, voor zover zij niet ter beschikking van de aangever zijn gesteld na aangifte ten invoer tot verbruik, tot inslag onder krediet voor belasting of tot inslag in accijnsentrepot. Artikel 2 1. De wettelijke bepalingen van België, Luxemburg of Nederland betreffende de douane, die betrekking hebben op het goederenverkeer, zijn eveneens van toepassing op het gebied en aan de buitengrenzen van de partnerlanden; met betrekking tot het brengen van goederen over de binnengrenzen worden aan die grenzen geen douaneformaliteiten vervuld, hetgeen niet een beletsel vormt voor het handhaven van formaliteiten voorgeschreven in de nationale wetgevingen inzake accijnzen, omzetbelastingen en soortgelijke belastingen. 2. Ten aanzien van douanegoederen geldt het in het eerste lid bepaalde onder voorbehoud van het volgende: - a. de wettelijke bepalingen van het land waar een document is afgegeven of geldig gemaakt, evenals de wettelijke bepalingen van het partnerland waar goederen overeenkom"},{"i":8888,"b":"Overeenkomst tot herziening van de Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, de President van de Franse Republiek, de President van Ierland, de President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, de President van de Portugese Republiek, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Overwegende dat het, gezien de opgedane ervaring en de vooruitzichten, wenselijk is de bestuurlijke en academische structuur van het Europees Universitair Instituut aan te passen, Hebben besloten enkele bepalingen van de [Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003726) te herzien, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen, André Onkelinx, Ambassadeur van het Koninkrijk België te Rome; Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, Ellen Hansen, Vertegenwoordiger van de Regering in de Raad van Bestuur van het Europese Universitaire Instituut; De President van de Bondsrepubliek Duitsland, Konrad Seitz, Ambassadeur van de Bondsrepubliek Duitsland te Rome; De President van de Helleense Republiek, George Contogiorgis, Vertegenwoordiger van de Regering in de Raad van Bestuur van het Europese Universitaire Instituut; Zijne Majesteit de Koning van Spanje, Delfin Colomé, Directeur-Generaal voor culturele en wetenschappelijke betrekkingen; De President van de Franse Republiek, André Baeyens, Gedelegeerde bij de Directeur-Generaal voor culturele, wetenschappelijke en technische betrekkingen; De President van Ierland, Sean Nolan, Vertegenwoordiger van de Regering in de Raad van Bestuur van het Europese Universi"},{"i":7608,"b":"Instellingbesluit Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post Besluit: Artikel 1 1. Er is een directoraat-generaal Telecommunicatie en Post. 2. Het directoraat-generaal ressorteert rechtstreeks onder de secretaris-generaal. Artikel 2 1. Het directoraat-generaal Telecommunicatie en Post is belast met de ambtelijke voorbereiding en uitvoering van de aan de Minister van Verkeer en Waterstaat opgedragen taken op de gebieden telecommunicatie, telematica en post. 2. Daartoe is aan het directoraat-generaal in ieder geval opgedragen: - a. de advisering van de politieke en ambtelijke leiding van het ministerie van Verkeer en Waterstaat inzake aangelegenheden betreffende de telecommunicatie, de telematica en de post; - b. de voorbereiding en ontwikkeling van het algemene beleid inzake telecommunicatie, telematica en post, met het oog op: - 1. de versterking van de concurrentiepositie van Nederland door bevordering van de aanwezigheid en de toepassing van eersteklas voorzieningen op het gebied van de telecommunicatie, de telematica en de post; - 2. de bewaking van de maatschappelijke belangen bij de toegang tot en het gebruik van telecommunicatie, telematica , informatie- en communicatietechnologie en post; - 3. de bevordering van de internationale positie van de in en vanuit Nederland opererende bedrijven in de sectoren telecommunicatie, telematica en post; - c. voorbereiding en ontwikkeling van het beleid met betrekking tot frequenties, standaardisatie en nummers; - d. voorbereiding en ontwikkeling van het beleid inzake kennisinfrastructuur, technologische ontwikkelingen en interceptie van telecommunicatie, voor zover de Minister van Verkeer en Waterstaat terzake verantwoordelijkheid draagt; - e. de behandeling van aangelegenheden van telecommunicatie, telematica en post in internationale organisaties; - f. de uitvoering van wet- en regelgeving met betrekking tot telecommunicatie en post, in het bijzonder door het zorgdragen voor de nationale etherordening en de bijdrage v"},{"i":8890,"b":"Overeenkomst tot instelling van een gemengde Commissie voor economische en technologische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Democratische Volksrepubliek Algerije De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Democratische Volksrepubliek Algerije, Geleid door de wens de bestaande vriendschappelijke betrekkingen verder te intensiveren en te verdiepen door een vruchtbare samenwerking op velerlei gebied, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Er wordt bij deze Overeenkomst een Gemengde Commissie ingesteld ten einde, met inachtneming van het wederzijds voordeel en van de wederzijdse belangen, de samenwerking tussen de beide landen te bevorderen op die gebieden die de beide Regeringen in gemeen overleg zullen vaststellen. Artikel 2 De Gemengde Commissie ziet in het algemeen toe op de totstandkoming van deze samenwerking. Zij heeft met name tot taak: - -. de samenwerking richting te geven door de wijzen en middelen te bestuderen om deze verder uit te breiden en te intensiveren; - -. de economische en technologische betrekkingen tussen de beide landen te beoordelen, daaronder begrepen gunstige financieringsvoorwaarden voor samenwerkingsprojecten en de daadwerkelijke overdracht van technologie; - -. de technische samenwerking, in het kader van de verwezenlijking van samenwerkingsprojecten en tussen de overheidsinstanties van de beide landen, te bevorderen en tot ontwikkeling te brengen. Voorts kan zij: - -. de opstelling van eventuele sectoriële of specifieke overeenkomsten overwegen en bestuderen; - -. overgaan tot de eventuele vorming van sectoriële werkgroepen; - -. de uitwisseling van deskundigen, technici en stagiairs vergemakkelijken; - -. de uitwisseling van informatie, publikaties en documentatie van economische, technologische en commerciële aard tot ontwikkeling brengen en bevorderen ten einde een betere uitvoering van economische projecten, met inbegrip van de overdracht en de beheersing van technologie, te bereiken;"},{"i":8891,"b":"Overeenkomst tot instelling van het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen **Preambule** De Partijen, Vastbesloten de economische samenwerking en verstandhouding tussen alle Staten, in het bijzonder tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden, te bevorderen op basis van de beginselen van rechtvaardigheid en soevereine gelijkheid en aldus een bijdrage te leveren aan de totstandkoming van een nieuwe internationale economische orde; Zich bewust van de noodzaak van verbeterde vormen van internationale samenwerking op het gebied van grondstoffen, als een wezenlijke voorwaarde voor de totstandkoming van een nieuwe internationale economische orde, gericht op het bevorderen van de economische en sociale ontwikkeling, in het bijzonder van ontwikkelingslanden; Geleid door de wens mondiale maatregelen te bevorderen teneinde marktstructuren te verbeteren op het gebied van de internationale handel in grondstoffen die voor de ontwikkelingslanden van belang zijn; Herinnerend aan Resolutie 93 (IV) inzake het Geïntegreerde Grondstoffenprogramma, aangenomen tijdens de vierde zitting van de Conferentie inzake Handel en Ontwikkeling van de Verenigde Naties (hierna te noemen de UNCTAD); Zijn hierbij overeengekomen het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen in te stellen, dat zal functioneren in overeenstemming met de volgende bepalingen: HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - 1. „Kapitaal”: het kapitaal van het Fonds zoals omschreven in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003602&hoofdstuk=IV&artikel=8&z=2016-01-10&g=2016-01-10). - 2. „Financiële interventie”: elke schenking, lening of ander kredietmiddel, investering in een aandelen-, schuld- of investeringsfonds, of enige andere vorm van financiële interventie of bijdrage, met uitzondering van leninggaranties, die de Raad van Bestuur op algemene basis dient goed te keuren of die het College van Bewindvoe"},{"i":8892,"b":"Overeenkomst tot instelling van het Internationaal Fonds voor Agrarische Ontwikkeling Preambule Erkennend dat het nog altijd bestaande mondiale voedsel vraagstuk een groot deel van de bevolking der ontwikkelingslanden zwaar treft en de meest fundamentele beginselen en waarden verband houdende met het recht op leven en het recht op menselijke waardigheid aantast; Overwegend de noodzaak tot verbetering van de levensomstandigheden in de ontwikkelingslanden en tot bevordering van sociaal-economische ontwikkeling binnen het kader van de prioriteiten en doelstellingen van de ontwikkelingslanden, daarbij terdege rekening houdend met zowel economische als sociale voordelen; Indachtig het feit dat de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties binnen het stelsel van de Verenigde Naties verantwoordelijk is voor het steunen van de pogingen van de ontwikkelingslanden tot verhoging van de voedsel- en landbouwproduktie, alsmede dat die organisatie technische bekwaamheid en ervaring op dit gebied bezit; Zich bewust van de doelstellingen van de Internationale Ontwikkelingsstrategie voor het Tweede Ontwikkelingsdecennium van de Verenigde Naties en inzonderheid van de noodzaak de voordelen van hulp te doen uitstrekken tot een ieder; Indachtig Sectie I, deel 2 („Voedsel”), paragraaf (f), van Resolutie 3202 (S-VI) van de Algemene Vergadering betreffende het Actieprogramma inzake de vestiging van een Nieuwe Internationale Economische Orde; Voorts indachtig de noodzaak van overdracht van technologie voor ontwikkeling op voedsel- en landbouwgebied, en indachtig Sectie V („Voedsel en Landbouw”) van Resolutie 3362 (S-VII) van de Algemene Vergadering inzake ontwikkeling en internationale economische samenwerking, met name paragraaf 6 daarvan betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor Agrarische Ontwikkeling; Herinnerend aan paragraaf 13 van Resolutie 3348 (XXIX) van de Algemene Vergadering en aan Resoluties I en II van de Wereldvoedselconferentie betreffende doel"},{"i":8893,"b":"Overeenkomst tot oprichting van de Aziatische Ontwikkelingsbank De Overeenkomstsluitende Partijen, Overwegende het belang van nauwere economische samenwerking als middel om te komen tot het meest doelmatige gebruik van de beschikbare hulpbronnen en om de economische ontwikkeling van Azië en het Verre Oosten te versnellen; zich rekenschap gevende van de betekenis van het ter beschikking stellen van meer ontwikkelingskapitaal voor dat gebied door fondsen en andere middelen zowel binnen als buiten dat gebied vrij te maken en door te trachten voorwaarden te scheppen en te bevorderen, die zouden kunnen leiden tot vergroting van binnenlandse besparingen en een grotere toevoer van ontwikkelingsfondsen naar het gebied; de wenselijkheid erkennende van een bevordering der harmonische groei van de economieën in het gebied, alsmede van die uitbreiding van de buitenlandse handel der lid-staten; overtuigd, dat de oprichting van een monetaire instelling, die fundamenteel Aziatisch is, zou bijdragen tot verwezenlijking van deze doeleinden; zijn hierbij overeengekomen op te richten de Aziatische Ontwikkelingsbank (hierna te noemen „de Bank”), die zal handelen in overeenstemming met de navolgende OVEREENKOMST HOOFDSTUK I. Doel, taken en lidmaatschap Artikel 1. Doel Het doel van de Bank is de economische groei en samenwerking in het gebied van Azië en het Verre Oosten (hierna te noemen „het gebied”) te bevorderen en bij te dragen tot versnelling van het proces van economische ontwikkeling van de in ontwikkeling zijnde lid-staten in het gebied, zowel te zamen als afzonderlijk. Waar in deze Overeenkomst de termen „gebied van Azië en het Verre Oosten” en „gebied” worden gebruikt, omvatten zij het grondgebied van Azië en het Verre Oosten zoals bedoeld in het mandaat van de Economische Commissie voor Azië en het Verre Oosten van de Verenigde Naties. Artikel 2. Taken Om aan haar doel te beantwoorden vervult de Bank de volgende taken: - (i). het bevorderen van kapitaalinvesteringen in het ge"},{"i":8894,"b":"Overeenkomst tot oprichting van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling De Overeenkomstsluitende Partijen, Trouw aan de grondbeginselen van de democratie met een meerpartijenstelsel, de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten en de markteconomie, In herinnering brengend de Slotakte van de Conferentie van Helsinki over veiligheid en samenwerking in Europa, en in het bijzonder de verklaring betreffende de beginselen daarbij, Toejuichend het voornemen van de Midden- en Oosteuropese landen om de invoering van de democratie met een meerpartijenstelsel te bevorderen, daarmede de democratische instellingen, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten versterkend, alsmede hun bereidheid om hervormingen tot stand te brengen ten einde geleidelijk over te gaan op een markteconomie; Gelet op het belang van nauwe en gecoördineerde samenwerking gericht op de bevordering van de economische vooruitgang van de Midden- en Oosteuropese landen ten einde hun economieën te helpen meer internationaal concurrerend te worden en aan hen bijstand te verlenen bij hun herstel en ontwikkeling en aldus, in voorkomend geval, eventuele risico's te beperken die verband houden met de financiering van hun economie, Ervan overtuigd dat de oprichting van een multilaterale financiële instelling, die in wezen Europees is en zeer internationaal wat haar leden betreft, bijdraagt tot de verwezenlijking van deze doelstellingen en een nieuwe en unieke samenwerkingsstructuur in Europa vormt, Zijn overeengekomen hierbij de Europese Bank voor wederopbouw en ontwikkeling (hierna te noemen „de Bank”) op te richten, die haar werkzaamheden verricht in overeenstemming met de volgende bepalingen: HOOFDSTUK I. DOEL, TAKEN EN LIDMAATSCHAP Artikel 1. Doel De Bank heeft met haar bijdrage aan de economische vooruitgang en het herstel ten doel de overgang naar een open markteconomie te bevorderen en het particuliere initiatief en de ondernemingsgeest aan te moedigen in de Midden- en Oost-Europe"},{"i":8896,"b":"Overeenkomst tot oprichting van de Interamerikaanse Ontwikkelingsbank De landen namens welke deze Overeenkomst is ondertekend, komen overeen de Interamerikaanse Ontwikkelingsbank op te richten, die werkzaam zal zijn in overeenstemming met de volgende bepalingen: Artikel I. DOEL EN TAKEN Sectie 1. **Doel** Het doel van de Bank is bij te dragen tot versnelling van het proces van economische en sociale ontwikkeling van de in ontwikkeling zijnde regionale lid-landen, zowel afzonderlijk als te zamen. Sectie 2. **Taken** - (a). Om aan haar doel te beantwoorden, vervult de Bank de volgende taken: - (i). het bevorderen van kapitaalinvesteringen door de overheid en door particulieren voor ontwikkelingsdoeleinden; - (ii). het gebruiken van haar eigen kapitaal, van door haar op geldmarkten verkregen fondsen, en van andere beschikbare middelen voor financiering van de ontwikkeling van de lid-landen, daarbij prioriteit verlenend aan die leningen en garanties die op de meest doeltreffende wijze bijdragen aan hun economische groei; - (iii). het bevorderen van particuliere investeringen in projecten, ondernemingen en activiteiten die bijdragen aan de economische ontwikkeling en het aanvullen van particuliere investeringen wanneer particulier kapitaal niet beschikbaar is op redelijke voorwaarden; - (iv). het samenwerken met de lid-landen ten einde hun ontwikkelingsbeleid te richten op een beter gebruik van hun middelen op een wijze die in overeenstemming is met het doel hun economieën meer complementair te maken en de regelmatige groei van hun buitenlandse handel te bevorderen; en - (v). het verlenen van technische hulp bij de voorbereiding, financiering en tenuitvoerlegging van ontwikkelingsplannen en -projecten, met inbegrip van het bestuderen van prioriteiten en het opstellen van specifieke voorstellen voor projecten. - (b). Bij het uitvoeren van haar taken werkt de Bank zoveel mogelijk samen met nationale en internationale instellingen alsmede met particuliere verschaffers van i"},{"i":8897,"b":"Overeenkomst tot oprichting van de internationale EU-LAC-Stichting De partijen bij deze overeenkomst, herinnerend aan het strategische partnerschap dat in juni 1999 tussen Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (LAC) en de Europese Unie (EU) tot stand is gekomen binnen het kader van de eerste EU-LAC-topconferentie van Rio de Janeiro, rekening houdend met het initiatief dat de staatshoofden en regeringsleiders van LAC en de EU hebben genomen tijdens de vijfde EU-LAC-topconferentie in Lima, Peru, op 16 mei 2008, herinnerend aan het besluit met betrekking tot de oprichting van de EU-LAC-Stichting dat de staatshoofden en regeringsleiders van de EU en LAC, de voorzitter van de Europese Raad en de voorzitter van de Commissie, op de zesde EU-LAC-topconferentie in Madrid, Spanje, op 18 mei 2010, hebben vastgesteld, herinnerend aan de oprichting in 2011 van een voorlopige stichting in de Bondsrepubliek Duitsland, die haar activiteiten zal stopzetten en zal worden ontbonden wanneer de internationale oprichtingsovereenkomst van de EU-LAC-Stichting in werking treedt, nogmaals wijzend op de noodzaak om een internationale organisatie van intergouvernementele aard als internationaal rechtssubject op te richten op basis van een „internationale oprichtingsovereenkomst van de EU-LAC-Stichting gebaseerd op het mandaat dat tijdens een ministeriële bijeenkomst in de marge van de 6e EU-LAC-topconferentie van Madrid,” is vastgesteld en dat bijdraagt tot de versterking van de bestaande banden tussen de Latijns-Amerikaanse en Caribische Staten, de EU en de EU-lidstaten, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Voorwerp 1. De internationale EU-LAC-Stichting („de Stichting” of „de EU-LAC-Stichting”) wordt opgericht bij deze overeenkomst. 2. In deze overeenkomst worden de doelstellingen van de Stichting vastgesteld en worden de regels en richtsnoeren bepaald voor haar activiteiten, structuur en werking. Artikel 2. Aard en hoofdzetel van de Stichting 1. De EU-LAC-Stichting is een krachtens"},{"i":8898,"b":"Overeenkomst tot oprichting van de Plantenbeschermingsorganisatie voor Europa en het gebied van de Middellandse Zee Artikel I. Doelstellingen Er wordt een Plantenbeschermingsorganisatie voor Europa en het gebied van de Middellandse Zee (hierna te noemen de Organisatie) opgericht, als erkende regionale organisatie voor de bescherming van planten in het kader van het [Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003652), die is opgericht door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO)2)Artikel VIII van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten van 06-12-1951; Artikel IX van de nieuwe herziene tekst van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten zoals aangenomen bij Resolutie 12/97 door de FAO-Conferentie tijdens de negenentwintigste zitting in november 1997.. De doelstellingen van de Organisatie zijn: - a. de regeringen die lid zijn te ondersteunen in hun streven om de gezondheid van planten te waarborgen en tegelijkertijd de gezondheid van mens en dier en het milieu te beschermen; - b. het nastreven en ontwikkelen, door middel van samenwerking tussen de regeringen die lid zijn, van de bescherming van planten en plantaardige producten tegen ziekten en plagen en het voorkomen van hun internationale verspreiding en in het bijzonder hun introductie in bedreigde gebieden; - c. het ontwikkelen van internationaal geharmoniseerde fytosanitaire en andere officiële gewasbeschermingsmaatregelen en, waar nodig, het opstellen van standaarden die dat bewerkstelligen; - d. de collectieve standpunten van de regeringen die lid zijn, in voorkomend geval, voor te leggen aan de FAO, de WTO, andere regionale organisaties ter bescherming van planten en andere organen met daarmee verband houdende verantwoordelijkheden. Artikel II. Begripsomschrijvingen Ten behoeve van deze Overeenkomst worden de navolgende termen als volgt gedefinieerd: „Kwetsbaar gebied”: een gebied waarin ecologisch"},{"i":8899,"b":"Overeenkomst tot oprichting van de Square Kilometre Array Observatory De partijen bij deze Overeenkomst, Geleid door de wens om een van de meest visionaire en ambitieuze wetenschappelijke projecten van de 21ste eeuw uit te voeren, waarbij een beroep wordt gedaan op significante internationale samenwerking; Vastbesloten de grenzen van de technische en wetenschappelijke inspanningen af te tasten en fundamentele vraagstukken op het gebied van de astronomie en de fysica te onderzoeken; Vaststellend dat de Square Kilometre Array een radiotelescoopfaciliteit van de volgende generatie zal zijn die een veel groter ontdekkingspotentieel heeft dan enig ander eerder instrument; Erkennende dat de omvang en ambitie van de Square Kilometre Array een wereldwijde inspanning met langetermijninvesteringen vereisen; Ingaand op de mogelijkheden van wetenschappelijke ontdekkingen om bij te dragen aan de vooruitgang op het gebied van technologie en innovatie en om de industrie en de samenleving grotere voordelen te bieden; Vastbesloten de volledige ambitie van het Square Kilometre Array Project te verwezenlijken; Erkennende de voorbereidende werkzaamheden van de Square Kilometre Array Organisation bij de oprichting van het Square Kilometre Array Observatory; Toegewijd aan een organisatie waar diversiteit en gelijkheid worden bevorderd en gerespecteerd; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing en uitvoering van deze Overeenkomst en de Protocollen daarbij wordt verstaan onder: - a. „SKAO”, de Square Kilometre Array Observatory; - b. „SKA”, de Square Kilometre Array-radiotelelescoopfaciliteit; - c. „SKA-project”, de wereldwijde inspanning om de SKA te bouwen, te onderhouden, te exploiteren en uiteindelijk te ontmantelen; - d. „SKA-1”, de eerste fase van het SKA-project; - e. „Land van het hoofdkantoor”, de staat waarin het wereldwijde SKAO-hoofdkantoor is gevestigd; - f. „Gastland”, een staat waar het SKA-project is gevestigd; - g. „Lid”, een sta"},{"i":8900,"b":"Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie De Partijen bij deze Overeenkomst, Erkennende dat hun betrekkingen op het gebied van handel en economie dienen te zijn gericht op verhoging van de levensstandaard, werkgelegenheid voor iedereen en een ruim, gestaag toenemend reëel inkomen en een grote, gestaag toenemende effectieve vraag, en op uitbreiding van de produktie van en handel in goederen en diensten, met optimaal gebruik van de mondiale hulpbronnen in overeenstemming met het doel van duurzame ontwikkeling, waarbij ernaar wordt gestreefd zowel het milieu te beschermen en te behouden, als de middelen hiertoe uit te breiden op een wijze die tegemoetkomt aan hun onderscheiden behoeften en belangen op verschillende niveaus van economische ontwikkeling, Voorts erkennende dat daadwerkelijke inspanningen noodzakelijk zijn om te verzekeren dat ontwikkelingslanden, en vooral de minstontwikkelde landen, een aandeel verwerven in de groei van de internationale handel dat evenredig is aan de behoeften van hun economische ontwikkeling, Geleid door de wens bij te dragen aan de verwezenlijking van deze doelstellingen door het aangaan, op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel, van overeenkomsten die een aanzienlijke verlaging van douanetarieven en een aanzienlijke vermindering van andere handelsbelemmeringen, alsmede de afschaffing van discriminerende behandeling in het internationale handelsverkeer, beogen, Derhalve vastbesloten een geïntegreerd, meer levensvatbaar en duurzaam multilateraal handelsstelsel te ontwikkelen, dat de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, de resultaten van in het verleden gedane pogingen tot handelsliberalisatie en alle resultaten van de Uruguay-Ronde van multilaterale handelsbesprekingen omvat, Vastbesloten de aan dit multilaterale handelsstelsel ten grondslag liggende grondbeginselen en doelstellingen te beschermen en te bevorderen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Oprichting van de organisati"},{"i":8905,"b":"Overeenkomst tot regeling van geschillen voortvloeiende uit de toepassing van de bepalingen van artikel 15, lid a, van het Vredesverdrag met Japan De Regeringen van de Geallieerde Mogendheden welke deze Overeenkomst hebben ondertekend en de Japanse Regering, verlangende in overeenstemming met artikel 22 van het 8 September 1951 te San Francisco ondertekende Vredesverdrag met Japan werkwijzen vast te stellen tot regeling van geschillen betreffende de interpretatie en uitvoering van artikel 15, lid **a**, van het Verdrag, zijn overeengekomen als volgt: Artikel I In alle gevallen waarin een aanvrage voor teruggave van eigendom, rechten en belangen is ingediend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15, lid **a**, van het Vredesverdrag, doet de Japanse Regering binnen zes maanden na de datum van zodanige aanvrage mededeling, aan de Regering van de Geallieerde Mogendheid, van de maatregelen welke met betrekking tot zodanige aanvrage zijn genomen. In alle gevallen waarin de Regering van een Geallieerde Mogendheid bij de Regering van Japan een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15, lid **a**, van het Verdrag en in overeenstemming met de Wet op de Schadevergoeding voor Geallieerde Eigendommen (Japanse Wet No. 264, 1951), doet de Japanse Regering binnen achttien maanden na de datum van de indiening van de vordering mededeling, aan de Regering van de Geallieerde Mogendheid, van de maatregelen welke door haar met betrekking tot de vordering zijn genomen. Indien de Regering van een Geallieerde Mogendheid niet voldaan is over de maatregelen welke door de Japanse Regering zijn genomen met betrekking tot een aanvrage voor teruggave van eigendom, rechten en belangen, of met betrekking tot een vordering tot schadevergoeding, kan de Regering van de Geallieerde Mogendheid, binnen zes maanden nadat zij door de Japanse Regering van zodanige maatregelen is verwittigd, bedoelde vordering of aanvrage ter definitieve bes"},{"i":8867,"b":"Overeenkomst, opgesteld op grond van Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen De Hoge Verdragsluitende Partijen bij deze Overeenkomst, de Lid-Staten van de Europese Unie, Onder verwijzing naar de Akte van de Raad van de Europese Unie van 26 juli 1995, Wensend ervoor te zorgen dat hun strafwetgeving doeltreffend bijdraagt tot de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, Constaterend dat fraude met betrekking tot de ontvangsten en uitgaven van de Europese Gemeenschappen veelal het nationale kader overschrijdt en vaak wordt gepleegd door georganiseerde criminele groepen, Ervan overtuigd dat het voor de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen noodzakelijk is dat frauduleuze gedragingen welke die belangen schaden, strafrechtelijk worden vervolgd en dat hiertoe een gemeenschappelijke definitie wordt vastgesteld, Ervan overtuigd dat deze gedragingen strafbaar moeten worden gesteld met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties – onverminderd de mogelijkheid om in bepaalde gevallen andere sancties op te leggen – en dat, ten minste in ernstige gevallen, in vrijheidsstraffen moet worden voorzien die aanleiding kunnen geven tot uitlevering. Erkennend dat ondernemingen een belangrijke rol spelen op terreinen die door de Europese Gemeenschappen worden gefinancierd en dat personen die in een bedrijf over beslissingsbevoegdheid beschikken, in bepaalde omstandigheden niet mogen ontsnappen aan strafrechtelijke aansprakelijkheid, Vastbesloten om samen de fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad, te bestrijden, door verplichtingen op zich te nemen ten aanzien van hun rechtsmacht en op het gebied van uitlevering en wederzijdse strafrechtelijke samenwerking, Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: Artikel 1. Algemene bepalingen 1. Voor de"},{"i":8918,"b":"Overeenkomst tussen de Beneluxlanden en de Republiek Tsjaad betreffende de afschaffing van visa voor de houders van diplomatieke paspoorten De Regeringen van de Beneluxlanden, gezamenlijk optredend op grond van de op 11 april 1960 te Brussel ondertekende [Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246), en De Regering van de Republiek Tsjaad, Verlangende de formaliteiten met betrekking tot het reisverkeer van hun onderscheiden onderdanen te vereenvoudigen, zulks met inachtneming van de regelingen die voortvloeien uit de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt verstaan: onder „de Beneluxlanden”: het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; onder „het Beneluxgebied”: de gezamenlijke grondgebieden in Europa van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel 2 Onderdanen van de Beneluxlanden die in het bezit zijn van een geldig diplomatiek paspoort mogen, ongeacht de plaats van vertrek, voor een verblijf van ten hoogste drie maanden zonder visum de Republiek Tsjaad binnenkomen. Ook voor hun vertrek uit dit land is het bezit van dit paspoort voldoende. Artikel 3 Onderdanen van de Republiek Tsjaad die in het bezit zijn van een geldig diplomatiek paspoort mogen, ongeacht de plaats van vertrek, voor een verblijf van ten hoogste drie maanden zonder visum het Beneluxgebied binnenkomen. Ook voor hun vertrek uit dit gebied is het bezit van dit paspoort voldoende. Artikel 4 Met uitzondering van functionarissen van diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen, alsmede functionarissen van internationale organisaties die zijn aangewezen om hun functie uit te oefenen in een der landen van"},{"i":8906,"b":"Overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Republiek Bulgarije, de President van de Tsjechische Republiek, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Republiek Estland, de President van Ierland, de President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, de President van de Franse Republiek, de President van de Italiaanse Republiek, de President van de Republiek Cyprus, de President van de Republiek Letland, de President van de Republiek Litouwen, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, de President van de Republiek Hongarije, de President van de Republiek Malta, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, de Federale President van de Republiek Oostenrijk, de President van de Republiek Polen, de President van de Portugese Republiek, de President van Roemenië, de President van de Republiek Slovenië, de President van de Slowaakse Republiek, de President van de Republiek Finland, de Regering van het Koninkrijk Zweden, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de lidstaten” genoemd, en de Europese Unie, hierna „de Unie” of „de EU” genoemd, enerzijds, en de President van de Republiek Angola, Hare Majesteit de Koningin van Antigua en Barbuda, het Staatshoofd van het Gemenebest van de Bahama's, het Staatshoofd van Barbados, Hare Majesteit de Koningin van Belize,"},{"i":8909,"b":"Overeenkomst tot wijziging van de Herziene Rijnvaartakte, ondertekend te Mannheim de 17e oktober 1868 De Bondsrepubliek Duitsland, Het Koninkrijk België, De Franse Republiek, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Zwitserse Bondsstaat, besloten hebbende de [Herziene Akte van Mannheim van 17 oktober 1868](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363), evenals de latere wijzigingen, gedeeltelijk te wijzigen, teneinde de organisatie en het functioneren van de Centrale Commissie in het belang van de internationale samenwerking aan te passen aan de omstandigheden waaronder zij heden ten dage werkt, met dien verstande dat deze beperkte herziening geen inbreuk maakt op de grondbeginselen van het Rijnregime, zijn overeengekomen in gemeenschappelijk overleg de volgende wijzigingen en aanvullingen aan te brengen in de [Herziene Rijnvaartakte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363) van 17 oktober 1868, alsmede in de latere wijzigingen: Artikel I Wijzigt de Herziene Rijnvaartakte; Mannheim, 17 oktober 1868. Artikel II Wijzigt de Herziene Rijnvaartakte; Mannheim, 17 oktober 1868. Artikel III Wijzigt de Herziene Rijnvaartakte; Mannheim, 17 oktober 1868. Artikel IV De Regeringen van de Overeenkomstsluitende Staten plegen overleg inzake de wijze waarop een derde Staat, die tot de inwerkingtreding van deze overeenkomst aan de Centrale Commissie heeft deelgenomen, zal blijven deelnemen aan de Centrale Commissie met rechten analoog aan die welk hij voordien genoot en met verplichtingen die te vergelijken zijn met de verplichtingen die hij te voren had. Deze derde Staat zal de rechten en verplichtingen hebben van een Overeenkomstsluitende Staat, zoals deze met de Regeringen van de Overeenkomstsluitende Staten overeengekomen worden. Artikel V De bepalingen van de [Rijnvaartakte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363) alsmede de latere wijzigingen, voor zover deze tegenwoordig van kracht zijn en niet zijn v"},{"i":8910,"b":"Overeenkomst tussen bepaalde Europese Regeringen en de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek betreffende de uitvoering van het Ariane draagraketprogramma Preambule De Regeringen van de Lid Staten van de Europese Ruimteconferentie die deze Overeenkomst hebben ondertekend (hierna te noemen de „Deelnemers”) en de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek, opgericht krachtens het op 14 juni 1962 voor ondertekening opengestelde Verdrag (hierna onderscheidenlijk te noemen „de Organisatie” en „het Verdrag”), Herinnerende aan de door de Europese Ruimteconferentie (ERC) op 20 december 1972 aangenomen Resolutie, krachtens welke de ERC in beginsel haar goedkeuring hecht aan het binnen een gemeenschappelijk Europees kader doen uitvoeren en beheren van het project voor de ontwikkeling van een draagraket, voorgesteld door de Franse Regering na het laten varen van het project Europa III, en in overweging nemend de besluiten, genomen door de Europese Ruimteconferentie tijdens haar vergadering van 31 juli 1973; Overwegende dat het Europese Ruimte-Agentschap, bedoeld in genoemde Resolutie (hierna te noemen „het Agentschap”) bestemd is te voorzien in het gemeenschappelijk Europese kader voor dit tijdelijk aan de zorgen van de Organisatie toevertrouwde programma, Overwegende dat het een Europees belang is in het begin van de tachtiger jaren van deze eeuw te kunnen beschikken over een eigen economisch concurrerend vermogen voor het plaatsen van satellieten, in het bijzonder applicatiesatellieten, in een baan om de aarde, Overwegende dat het voor de Europese Staten nuttig zou zijn, de op het gebied van draagraketten verworven bekwaamheden op peil te houden en gebruik te maken van de in die Staten ter beschikking staande ruimtetechnologie, Gelet op het door de Franse Regering aan de Ministers van de Europese Ruimteconferentie overgelegde verslag van 15 april 1973, Gelet op de door de vertegenwoordigers van de bovengenoemde Regeringen in de Raad van de Organisatie afgelegde Verklaring"},{"i":8911,"b":"Overeenkomst tussen bepaalde Lid-Staten van de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek en de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek betreffende de uitvoering van het Ruimtelaboratorium-programma Preambule De Regeringen die deze Overeenkomst ondertekenen (hierna te noemen „de Deelnemers”), zijnde Regeringen van Staten die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek, dat op 14 juni 1962 voor ondertekening werd opengesteld (hierna te noemen „het Verdrag”), en de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek (hierna te noemen „de Organisatie”), Gelet op het aanbod van de autoriteiten van de Verenigde Staten aan Europa deel te nemen aan het post-Apollo-programma door de ontwikkeling van een of meer onderzoeks- en applicatiemodules en door gebruikmaking van het ruimteveerboot-transportsysteem, Herinnerend aan resolutie no. 3 van 24 juli 1970 van de Europese Ruimteconferentie inzake samenwerking in het post-Apollo-programma, en de overeenstemming, door de Europese Ruimteconferentie bereikt tijdens haar vergadering in Brussel op 20 december 1972 betreffende de uitvoering van het Ruimtelaboratorium-programma, die ter kennis werd gebracht van de autoriteiten van de Verenigde Staten en op grond waarvan dit programma in eerste aanleg wordt uitgevoerd door de Organisatie en later voortgezet door het toekomstige Europese Ruimteagentschap, Overwegende het voordeel voor de internationale samenwerking voortvloeiende uit een actieve bijdrage van Europa aan de uitvoering van het belangrijkste ruimteprogramma dat thans wordt ontwikkeld en het voordeel voor Europa van de ontwikkeling van zijn ruimtetechnologie door deelneming in dit programma, Herinnerend aan de machtiging die reeds door de Raad van de Organisatie werd verleend tijdens zijn 50ste zitting (ESRO/C/MIN/ 50), op grond waarvan de Directeur-Generaal een aanvang heeft gemaakt met de fase der project-omschrijving van het Ruimtelaboratorium-programma, Overwegend het ontwerp van M"},{"i":8912,"b":"Overeenkomst tussen de Benelux-Staten en Belize inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van geldige diplomatieke paspoorten **Preambule** Belize en de Benelux-Staten (die hierna gezamenlijk worden aangeduid als de „Partijen” en afzonderlijk als een „Partij”), In het besef dat de Benelux-Staten gezamenlijk optreden op basis van de [Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux-gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246), die op 11 april 1960 in Brussel werd ondertekend; Overwegend het belang van de Partijen om hun vriendschappelijke betrekkingen te versterken; Verlangende de onderdanen van Belize en de onderdanen van de Benelux-Staten die houder zijn van geldige diplomatieke paspoorten makkelijker toegang te geven tot hun onderscheiden landen; Bereid een Overeenkomst te sluiten inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van geldige diplomatieke paspoorten; Komen hierbij het volgende overeen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij uit de context anders blijkt, wordt in deze Overeenkomst verstaan onder: - 1. „Benelux-Staten”: het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; - 2. „Partij”: Belize of de drie Benelux-Staten die gezamenlijk handelen; - 3. „Staat”: Belize of een van de Benelux-Staten; - 4. „Grondgebied”: - –. voor Belize: het grondgebied van Belize; - –. voor de Benelux-Staten: de grondgebieden in Europa van de Benelux-Staten. Artikel 2. Bevoegde autoriteiten De bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze Overeenkomst zijn: - a. voor Belize: het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Immigratie; - b. voor het Koninkrijk België: de Belgische Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; - c. voor het Groothertogdom Luxemburg: het Ministerie"},{"i":8913,"b":"Overeenkomst tussen de Benelux-Staten en de Kirgizische Republiek inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van geldige diplomatieke paspoorten en officiële/dienstpaspoorten Preambule De Kirgizische Republiek en de Benelux-Staten (die hierna gezamenlijk worden aangeduid als de „Partijen” en afzonderlijk als een „Partij”); Erkennende dat de Benelux-Staten gezamenlijk handelen op basis van de [Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux-gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246), die op 11 april 1960 in Brussel werd ondertekend; Onder verwijzing naar de [Overeenkomst tussen de Kirgizische Republiek en de Benelux-Staten over de terug- en overname van onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende personen](onbekend); Overwegende het belang van de Partijen om hun vriendschappelijke betrekkingen te versterken; Geleid door de wens om onderdanen van de Kirgizische Republiek en onderdanen van de Benelux-Staten die houder zijn van geldige diplomatieke paspoorten en officiële/ dienstpaspoorten, makkelijker toegang te geven tot hun onderscheiden landen; Komen hierbij het volgende overeen: Artikel 1. Definities Tenzij uit de context anders blijkt, wordt in deze Overeenkomst verstaan onder: - 1. „Benelux-Staten”: het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; - 2. „Partij”: de Kirgizische Republiek of de drie Benelux-Staten die gezamenlijk optreden: het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; - 3. „Staat”: de Kirgizische Republiek of een van de Benelux-Staten; - 4. „Grondgebied”: - –. voor de Kirgizische Republiek: het grondgebied van de Kirgizische Republiek; - –. voor de Benelux-Staten: de grondgebieden in Europa van de Benelux-Staten. Artikel 2. Bevoegde autoriteiten De bevoegde autoriteiten die ervoor verantwoordelijk zijn om"},{"i":8914,"b":"Overeenkomst tussen de Benelux-Staten en de Republiek Suriname inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van een geldig diplomatiek of dienstpaspoort PREAMBULE De Republiek Suriname en de Benelux-Staten (die hierna gezamenlijk worden aangeduid als de „Partijen” en afzonderlijk als een „Partij”), Erkennende dat de Benelux-Staten gezamenlijk handelen op basis van de [Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux-gebied](onbekend), die op 11 april 1960 in Brussel werd ondertekend; Onder verwijzing naar de [Overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) en de Republiek Suriname betreffende de terug- en overname van personen die onregelmatig op het grondgebied verblijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0007093); Overwegende het belang van de Partijen om hun vriendschappelijke betrekkingen te versterken; Verlangende de onderdanen van de Republiek Suriname en de onderdanen van de Benelux-Staten die houder zijn van een geldig diplomatiek of dienstpaspoort makkelijker toegang te geven tot hun onderscheiden landen; Bereid zijnde een Overeenkomst te sluiten inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van een geldig diplomatieke of dienstpaspoort; Komen hierbij het volgende overeen: Artikel 1. Definities Tenzij uit de context anders blijkt, wordt in deze Overeenkomst verstaan onder: - 1. „Benelux-Staten”: het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; - 2. „Partij”: de Republiek Suriname of de drie Benelux-Staten die gezamenlijk handelen; - 3. „Staat”: de Republiek Suriname of een van de Benelux-Staten; - 4. „Grondgebied”: - –. Voor de Republiek Suriname: het grondgebied van de Republiek Suriname; - –. Voor de Benelux-Staten: de grondgebieden in Europa van de Benelux-Staten. Artikel 2. Bevo"},{"i":7609,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Financiën van 16 december 2021, 3611159, in verband met de instelling van het Agentschap Justitiële ICT Organisatie Gelet op [artikel 2.20 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.20); Besluiten: Artikel 1 1. Er wordt een agentschap ingesteld, waarvan de naam komt te luiden: Justitiële ICT Organisatie. 2. Aan het agentschap Justitiële ICT Organisatie wordt de status van baten-lastenagentschap als bedoeld in [artikel 2.20 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.20), verleend. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2022. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Justitiële ICT Organisatie. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8915,"b":"Overeenkomst tussen de Benelux-Staten en Mongolië inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van een diplomatiek paspoort en houders van een officieel/dienstpaspoort Preambule Mongolië en de Benelux-Staten (die hierna gezamenlijk worden aangeduid als de „Partijen” en afzonderlijk als een „Partij”); In het besef dat de Benelux-Staten gezamenlijk optreden op basis van de [Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux-gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246), die op 11 april 1960 in Brussel werd ondertekend; Onder verwijzing naar de [Overeenkomst tussen Mongolië en de Benelux-Staten betreffende de terug- en overname van personen die onregelmatig op het grondgebied verblijven](onbekend); Overwegende het belang van de Partijen om hun vriendschappelijke betrekkingen te versterken; Verlangende de onderdanen van Mongolië en de onderdanen van de Benelux-Staten die houder zijn van een geldig diplomatiek paspoort en houder zijn van een officieel/dienstpaspoort makkelijker toegang te geven tot hun onderscheiden landen; Bereid zijnde een Overeenkomst te sluiten inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van een geldig diplomatiek paspoort en houders van een officieel/dienstpaspoort; Komen hierbij het volgende overeen: Artikel 1. Begripsbepalingen Tenzij uit de context anders blijkt, wordt in deze Overeenkomst verstaan onder: - 1. „Benelux-Staten”: het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; - 2. „Grondgebied”: - –. Voor de Benelux-Staten: de gezamenlijke grondgebieden in Europa van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; - –. Voor Mongolië: het grondgebied van Mongolië. Artikel 2. Bevoegde autoriteiten De bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze Overeenkomst: - a. voor Mongoli"},{"i":8919,"b":"Overeenkomst tussen de Beneluxlanden en Malawi De Regeringen van de Beneluxlanden, gezamenlijk optredend op grond van de op 11 april 1960 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied, en de Regering van Malawi Verlangende, de formaliteiten met betrekking tot het reisverkeer van hun onderdanen te vereenvoudigen, zulks met inachtneming van de regelingen, voortvloeiende uit de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied, Zijn het volgende overeengekomen: Geschorst per 1 februari 1999 (Trb. 1999/37). Artikel 1 In deze Overeenkomst wordt verstaan: onder „de Beneluxlanden”: het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; onder „het Beneluxgebied”: de gezamenlijke grondgebieden in Europa van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel 2 Onderdanen van de Beneluxlanden, die in het bezit zijn van een geldig nationaal paspoort mogen ongeacht de plaats van vertrek voor een verblijf van ten hoogste drie maanden zonder visum Malawi binnenkomen. Er wordt geen borgstelling geëist en het geldige nationale paspoort is ook voor hun vertrek uit dat land het enige vereiste document. Artikel 3 Onderdanen van Malawi, die in het bezit zijn van een geldig nationaal paspoort mogen ongeacht de plaats van vertrek voor een verblijf van ten hoogste drie maanden zonder visum het Beneluxgebied binnenkomen. Er wordt geen borgstelling geëist en het geldige nationale paspoort is ook voor hun vertrek uit dat land het enige vereiste document. De Regering van Malawi deelt de Beneluxlanden langs diplomatieke weg mede welke documenten zij als geldig beschouwt in de zin van deze Overeenkomst. Artikel 4 Voor een verblijf van meer dan drie maanden dienen de onder de bepalingen van deze Overeenkomst vallende p"},{"i":8920,"b":"Overeenkomst tussen de drie Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende de vestiging, bouw en exploitatie van een installatie voor de verrijking van uranium in de Verenigde Staten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna te noemen „de Drie Regeringen”), en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika (hierna te noemen „de Regering van de Verenigde Staten”); Gelet op de [Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake de samenwerking bij de ontwikkeling en exploitatie van het gas-ultracentrifuge-procédé voor de produktie van verrijkt uranium](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004423), ondertekend te Almelo op 4 maart 1970 (het Verdrag van Almelo); Geleid door de wens een intergouvernementeel kader vast te stellen voor een Gezamenlijke Onderneming in de Verenigde Staten die gebruik maakt van het in de drie Europese landen ontwikkelde procédé voor de produktie van verrijkt uranium uitsluitend voor vreedzaam niet-explosief gebruik; Gelet op de [Overeenkomst tussen de Drie Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de beveiliging van gegevens die aan de Verenigde Staten van Amerika worden overgedragen in verband met de initiële fase van een project voor de vestiging in de Verenigde Staten van een Installatie voor de verrijking van uranium gebaseerd op het gas-ultracentrifuge-procédé dat in de drie Europese landen is ontwikkeld](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002722), ondertekend te Washington op 11 april"},{"i":8921,"b":"Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en België, Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, Lid-Staten van deze Gemeenschap (Lid-Staten), enerzijds en de Internationale Ontwikkelingsassociatie (Associatie) anderzijds Overwegende dat: de EEG heeft besloten bij te dragen tot het Speciale-Actieprogramma waartoe is besloten op de Conferentie over Internationale Economische Samenwerking ten einde te helpen voorzien in de onmiddellijke behoeften van individuele landen met geringe inkomsten die te kampen hebben met algemene problemen op het gebied van de overdracht van middelen waardoor hun ontwikkeling wordt belemmerd; ten einde bovengenoemd besluit ten uitvoer te leggen, de EEG de Associatie heeft verzocht voor haar een speciale rekening (Speciale-Actierekening) te beheren voor een totaal bedrag dat overeenkomt met de tegenwaarde van 385 miljoen US dollar, die afzonderlijk en gescheiden moet worden gehouden van alle andere rekeningen en activa van de Associatie en moet worden gebruikt voor kredieten (Speciale-Actiekredieten) in bedragen die, zowel wat de leningen uit hoofde van programma's als wat de leningen uit hoofde van projecten betreft, worden verstrekt in aanvulling op het bedrag van het voorgenomen programma van de Associatie voor het tijdvak waarvoor gelden zijn vastgelegd op grond van de Speciale-Actierekening, voor elk land dat daarvoor in aanmerking komt en anderszins zoals hierna wordt uiteengezet; het de doelstelling van de EEG en de Lid-Staten is - en de Associatie zal al het mogelijke doen om dat te bewerkstelligen - dat het gehele door de Lid-Staten bij te dragen bedrag binnen zes maanden na de datum waarop de Overeenkomst van kracht wordt, wordt vastgelegd en voor zover mogelijk binnen twee jaar vanaf die datum aan kredieten is besteed; de EEG en de Associatie overleg hebben gepleegd inzake de voorgestelde tenuitvoerlegging en het voorgestelde beheer van d"},{"i":8922,"b":"Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis De Europese Unie, De Europese Gemeenschap, en De Zwitserse Bondsstaat, hierna de „overeenkomstsluitende partijen’’ te noemen, Overwegende dat met de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam de Europese Unie zich ten doel stelt de Unie te handhaven en te ontwikkelen als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel, immigratie, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit, Overwegende dat het in het kader van de Europese Unie opgenomen Schengenacquis deel uitmaakt van de bepalingen ter verwezenlijking van deze ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid voorzover deze bepalingen een ruimte zonder controles aan de binnengrenzen tot stand brengen en voorzien in compenserende maatregelen om een hoog veiligheidsniveau te waarborgen, Gelet op de geografische positie van de Zwitserse Bondsstaat, Overwegende dat een deelneming van de Zwitserse Bondsstaat aan het Schengenacquis en aan de verdere ontwikkeling daarvan het mogelijk zal maken bepaalde hinderpalen voor het vrije verkeer van personen als gevolg van de geografische positie van de Zwitserse Bondsstaat weg te nemen alsmede de samenwerking tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat op de door het Schengenacquis bestreken gebieden te versterken, Overwegende dat bij de op 18 mei 1999 door de Raad van Europese Unie met de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst1)PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36., deze beide staten werden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, Overwegende dat het wenselijk is de Zwitserse Bondsstaat op voet van gelijkheid met IJsland en Noorw"},{"i":8923,"b":"Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, anderzijds Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, anderzijds, Overwegende dat de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen een overeenkomst sluiten betreffende de sectoren die onder deze Gemeenschap ressorteren, Dezelfde doeleinden nastrevende en geleid door de wens voor de sector die onder de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal ressorteert soortgelijke oplossingen te vinden, Hebben besloten, ter verwezenlijking van deze doeleinden en overwegende dat geen der bepalingen van deze overeenkomst zodanig kan worden uitgelegd dat de Partijen bij de overeenkomst daardoor worden ontslagen van de krachtens andere internationale overeenkomsten op hen rustende verplichtingen, deze overeenkomst te sluiten: Artikel 1 Deze overeenkomst is van toepassing op de in de bijlage genoemde produkten die onder de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal ressorteren en van oorsprong zijn uit deze Gemeenschap of uit het Koninkrijk Noorwegen. Artikel 2 1. In het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Noorwegen worden geen nieuwe invoerrechten ingesteld. 2. De invoerrechten worden geleidelijk afgeschaft en wel in het volgende tempo: - -. op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst wordt elk recht verlaagd tot 80% van het basisrecht; - -. de andere vier verlagingen, telkens met 20%, vinden plaats op: 1 januari 1974 1 januari 1975 1 januari 1976 1 juli 1977. Artikel 3 1. De bepalingen die betrekking hebben op de geleidelijke afschaff"},{"i":8924,"b":"Overeenkomst tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen betreffende de vereenvoudiging en de modernisering van de wijze van toezending van uitleveringsverzoeken De Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, hierna te noemen de Lid-Staten, Verlangend de strafrechtelijke samenwerking in hun onderlinge betrekkingen inzake uitlevering te verbeteren; Overwegende dat het wenselijk is de procedures voor de toezending van uitleveringsverzoeken en begeleidende documenten te versnellen, en dat daartoe gebruik dient te worden gemaakt van de moderne technieken voor de overzending van gegevens, Hebben omtrent het volgende overeenstemming bereikt: Artikel 1 1. Voor de toepassing van de uitleveringsverdragen die tussen de Lid-Staten van kracht zijn, wijst elke Staat die partij is bij de Overeenkomst, de centrale autoriteit of, indien dit volgens zijn grondwet voorgeschreven is, de centrale autoriteiten aan die zijn belast met het toezenden en in ontvangst nemen van uitleveringsverzoeken en de documenten ter staving daarvan, alsook van de officiële briefwisseling aangaande een uitleveringsverzoek. 2. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing geschiedt door elke Lid-Staat op het tijdstip van de bekrachtiging, de goedkeuring of de aanvaarding van de Overeenkomst en kan te allen tijde naderhand worden gewijzigd. De depositaris van de Overeenkomst stelt elke Staat die partij is bij de Overeenkomst in kennis van de aanwijzing en van latere wijzigingen. Artikel 2 Het uitleveringsverzoek en de documenten bedoeld in artikel 1, lid 1, kunnen via een telekopieerapparaat worden verzonden. Elke bevoegde autoriteit in de zin van artikel 1 beschikt over apparatuur waarmee genoemde documenten op die wijze kunnen worden verzonden en ontvangen, en zorgt ervoor dat die apparatuur goed functioneert. Artikel 3 1. Om de herkomst en de vertrouwelijkheid van de verzonden documenten te waarborgen, wordt gebruik gemaakt van crypto-apparatuur die afgestemd is op de telekopieerapparatuur van de bevoe"},{"i":8927,"b":"Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie De vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de raad bijeen, Overwegende hetgeen volgt: De lidstaten van de Europese Unie (hierna: „de Partijen”) erkennen dat volledig en doeltreffend overleggen en samenwerken de uitwisseling van geclassificeerde/gerubriceerde informatie tussen hen in het belang van de Europese Unie nodig kan maken, alsmede tussen hen en de door de Europese Unie ingestelde instellingen, agentschappen, organen of instanties. De Partijen hebben de gemeenschappelijke wens een samenhangend en alomvattend algemeen kader op te zetten voor de bescherming van gerubriceerde informatie in het belang van de Europese Unie, afkomstig uit de Partijen, de instellingen van de Europese Unie of door haar ingestelde agentschappen, organen of instanties, of die in dit verband van derde landen of internationale organisaties worden ontvangen. De Partijen zijn zich ervan bewust dat de toegang tot en de uitwisseling van dergelijke gerubriceerde informatie passende beveiligingsmaatregelen vereisen voor de bescherming ervan, Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: Artikel 1 Deze overeenkomst beoogt het waarborgen van de bescherming, door de Partijen, van gerubriceerde informatie die: - a. opgesteld is in de instellingen van de Europese Unie of door haar ingestelde agentschappen, organen of instanties en die worden verstrekt aan of uitgewisseld tussen de Partijen; - b. opgesteld is door de Partijen en worden verstrekt aan of uitgewisseld met instellingen van de Europese Unie of door haar ingestelde agentschappen, organen of instanties; - c. opgesteld is door de Partijen teneinde te worden verstrekt aan of uitgewisseld tussen de Partijen in het belang van de Europese Unie en gemarkeerd zijn om aan te geven dat zij"},{"i":1995,"b":"Wet van 21 december 1995, tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet belasting- en premiefaciliteit voor de zeevaart 1995 (wijziging van enige belastingwetten in het belang van de zeescheepvaart) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het belang van de Nederlandse zeescheepvaart wenselijk is de belastingheffing van de winst uit zeescheepvaart te wijzigen en de belasting- en premiefaciliteit voor de zeevaart te verruimen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III De bepalingen welke ingevolge [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007794&artikel=I&z=1996-01-01&g=1996-01-01), en [artikel II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007794&artikel=II&z=1996-01-01&g=1996-01-01), vervallen of worden gewijzigd, blijven van toepassing met betrekking tot de na 31 december 1995 gedagtekende structuurverklaringen en correctieverklaringen, bedoeld in artikel 11, vijfde lid, respectievelijk de artikelen 16, 17, 18 of 20 van de Wet stimulering zeescheepvaart. Het bepaalde in de vorige volzin vindt overeenkomstige toepassing in geval ten tijde van de dagtekening van een structuurverklaring, respectievelijk correctieverklaring de winst wordt bepaald op de voet van artikel 8**c** van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Deze wet treedt in werking met ingang van de dag waarop het bij koninklijke boodschap van 24 mei 1995 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629), de [We"},{"i":8935,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van Nederland en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende het deelnemen van de Nederlandse strijdkrachten aan de actie van de Verenigde Naties in Korea This agreement between the Government of the Netherlands and the Government of the United States of America (the executive agent of the United Nations Forces in Korea) shall govern relationships in matters specified herein for forces furnished by the Government of the Netherlands for the operations under the Commanding General of the Armed Forces of the Member States of the United Nations in Korea (hereinafter referred to as „Commander”) designated by the Government of the United States of America pursuant to resolutions of United Nations Security Council of June 25, 1950, June 27, 1950 and July 7, 1950. Article 1 The Government of the United States of America agrees to furnish the Netherlands Forces with available materials, supplies, services, and facilities which the Netherlands Forces will require for these operations, and which the Government of the Netherlands is unable to furnish. The Government of the Netherlands and the Government of the United States of America will maintain accounts of materials, supplies, services, and facilities furnished by the Government of the United States of America to the Government of the Netherlands, its forces or agencies. Reimbursement for such materials, supplies, services, and facilities will be accomplished by the Government of the Netherlands upon presentation of statements of account by the Government of the United States of America. Such payment will be effected by the Government of the Netherlands in United States dollars. Issues of materials and supplies to the Netherlands Forces will not operate to transfer title to the Government of the Netherlands in advance of reimbursement. Article 2 Pursuant to Article 1, appropriate technical and administrative arrangements will be concluded between authorized representatives of"},{"i":8934,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en Zijner Majesteits Regering van Nepal inzake de tewerkstelling van Nederlandse vrijwilligers De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen „de Nederlandse Regering\") en Zijner Majesteits Regering van Nepal (hierna te noemen „ZMR/N”), Geleid door de wens door uitwisseling van kennis en vakbekwaamheid de tussen de volken van de beide landen bestaande vriendschappelijke betrekkingen en goede verstandhouding te versterken en verder te bevorderen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto have signed the present Agreement. DONE at Kathmandu on 16th of May 1983 in two originals, in the English language. **For the Government of the** **Kingdom of the Netherlands** (sd.) H. LEOPOLD **For His Majesty's Government** **of Nepal** (sd.) A. D. ADHIKARY"},{"i":8936,"b":"Overeenkomst tussen de Regeringen van de Benelux-Staten en de Regering van Azerbeidzjan inzake de afschaffing van de visumplicht voor houders van dienstpaspoorten De Regering van de Republiek Azerbeidzjan en de Regeringen van de Benelux-Staten (die hierna gezamenlijk worden aangeduid als de „Partijen” en afzonderlijk als een „Partij”); **IN HET BESEF** dat de Regeringen van de Benelux-Staten gezamenlijk optreden op basis van de [Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux-gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246), die op 11 april 1960 in Brussel werd ondertekend; **GEZIEN** de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de versoepeling van de afgifte van visa met bijbehorende Gemeenschappelijke Verklaring over dienstpaspoorten, die op 29 november 2013 in Vilnius werd ondertekend; **VERLANGENDE** de onderdanen van de Republiek Azerbeidzjan en de onderdanen van de Benelux-Staten die houder zijn van een geldig dienstpaspoort makkelijker toegang te geven tot hun onderscheiden landen; **KOMEN HIERBIJ** het volgende **OVEREEN:** Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij uit de context anders blijkt, wordt in deze Overeenkomst verstaan onder: - –. „Grondgebied van de Republiek Azerbeidzjan”: het grondgebied van de Republiek Azerbeidzjan; - –. „Benelux-Staten”: het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; - –. „Benelux-gebied”: het gezamenlijke grondgebied in Europa van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel 2. Bevoegde autoriteiten De bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze Overeenkomst zijn: - a. voor de Regering van de Republiek Azerbeidzjan: de Nationale Grensdienst, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en andere onderscheiden staatsorganen; en - b. voor"},{"i":8937,"b":"Overeenkomst tussen de Regeringen van de Benelux-Staten en de Regering van de Republiek Kazachstan inzake de afschaffing van de visumplicht voor houders van diplomatieke paspoorten Preambule de Regeringen van de Benelux-Staten en de Regering van de Republiek Kazachstan, (die hierna gezamenlijk worden aangeduid als de „Partijen” en afzonderlijk als een „Partij”); In het besef dat de Regeringen van de Benelux-Staten gezamenlijk optreden op basis van de [Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux-gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246), die op 11 april 1960 in Brussel werd ondertekend; Verlangende de onderdanen van de Republiek Kazachstan en de onderdanen van de Benelux-Staten die houder zijn van een geldig nationaal diplomatiek paspoort makkelijker toegang te geven tot hun onderscheiden landen; Komen hierbij het volgende overeen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij anders vermeld, wordt in deze Overeenkomst verstaan onder: - –. „Benelux-Staten”: het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; - –. „Benelux-gebied”: het gezamenlijke grondgebied in Europa van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel 2. Bevoegde autoriteiten De bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze Overeenkomst zijn: - 1. voor de Regering van de Republiek Kazachstan: het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Kazachstan; en - 2. voor de Regeringen van de Benelux-Staten: voor het Koninkrijk België, de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; voor het Groothertogdom Luxemburg: het **Ministère des Affaires étrangères et de l’Immigration** en voor het Koninkrijk der Nederlanden: het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Artikel 3. Afschaffing van de visu"},{"i":13763,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 2 mei 2013, ACM/DJZ/2013/200952, tot vaststelling van nadere regels voor de behandeling van klachten (Klachtenregeling ACM) Gelet op [artikel 4:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4) en [Titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=9.1); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. **ACM-organisatie:** de organisatie van het personeel als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=5); - c. **klachtenfunctionaris:** de klachtenfunctionaris, als bedoeld in artikel 4.11 van het Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging ACM 2013. Artikel 2 De klachtenfunctionaris is belast met het behandelen van klachten en het adviseren van ACM over de te nemen beslissingen op die klachten. Artikel 3 1. ACM benoemt en ontslaat de klachtenfunctionaris. 2. De klachtenfunctionaris wordt benoemd voor een termijn van ten hoogste twee jaar. 3. De klachtenfunctionaris kan worden herbenoemd. 4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervanger van klachtenfunctionaris. Artikel 4 1. Schriftelijke klachten kunnen rechtstreeks worden ingediend bij: De klachtenfunctionaris van Autoriteit Consument en Markt Postbus 16326 2500 BH Den Haag 2. Voor de indiening van schriftelijke klachten kan gebruik worden gemaakt van het klachtenformulier als bedoeld in de bijlage bij dit besluit. 3. Indien een klacht elders wordt ingediend bij de ACM-organisatie, dan wordt de klacht ter behandeling doorgezonden aan de klachtenfunctionaris. 4. De klachtenfunctionaris bevordert zo nodig dat een mondelinge klacht op schrift wordt gesteld. Ar"},{"i":12259,"b":"Besluit gedifferentieerde premie WGA 2013 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2013 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | 30.300 | | --- | --- | | Grens grote/kleine werkgever | 757.500 | | Gemiddelde percentage | 0,52% | | Maximumpremie grote werkgevers | 2,08% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 1,56% | | Minimumpremie grote werkgevers | 0,13% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,47% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,23% | | Rekenpercentage | 0,54% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,78 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie WGA 2013. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17347,"b":"Regeling macrobeheersinstrument kortdurende zorg 2026 Gelet op de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg (BKZ):** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **macrobeheersinstrument (MBI):** instrument waarmee op grond van de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - **macro-omzetgrens:** de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Minister voor Langdurige zorg en Sport. - **zorgaanbieder:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) én de houder is van de AGB code die door de zorgverzekeraar aan de NZa is verstrekt ten behoeve van de uitvoering van het macr"},{"i":8938,"b":"Overeenkomst tussen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Indonesië en de Verenigde Staten van Amerika The Governments of the Kingdom of the Netherlands, the Republic of Indonesia, and the United States of America: Considering that the Governments of the Kingdom of the Netherlands and the United States of America concluded an Economic Cooperation Agreement on the second day of July, 1948, and that the Government of the United States of America has furnished economic assistance to the Government of the Kingdom of the Netherlands under such agreement, and amendments thereto; Considering that a portion of the aforementioned assistance was furnished for the benefit of the area now constituting the Republic of Indonesia; that under the aforementioned Economic Cooperation Agreement, the Government of the Kingdom of the Netherlands assumed certain responsibilities and obligations with respect to such assistance, and that as to such assistance furnished on a grant basis the Government of the Kingdom of the Netherlands was given rights and powers in connection with a portion of the local currency counterpart deposited therefor pursuant to Article IV of such Agreement; Considering further that with respect to a portion of the assistance furnished for the benefit of the area now constituting the Republic of Indonesia, the Government of the Kingdom of the Netherlands undertook an obligation to make repayment in the amount of $ 17,200,000 to the Government of the United States of America under promissory notes executed October 28, 1948 and December 22, 1949; Recognizing that on December 27, 1949, pursuant to the Charter of Transfer of Sovereignty as provided by the Round Table Conference Agreements, sovereignty over Indonesia was transferred to the Government of the Republic of the United States of Indonesia by the Government of the Kingdom of the Netherlands, and that the Governments of the Kingdom of the Netherlands and of the Republic of Indonesia hav"},{"i":12266,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2020 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) (Wfsv) en [artikel 2.10 lid 2 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=2.10); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2020 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 33.700 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 337.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.370.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2020 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,76% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,04% | | Minimumpremie werkgevers | 0,19% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,48% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,18 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2020 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,52% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 2,08% | | Minimumpremie werkgevers | 0,13% | | Gemiddelde werkgever"},{"i":18499,"b":"Rijkswet van 24 mei 1989, houdende instemming van het Koninkrijk der Nederlanden met wijziging van de Overeenkomst betreffende de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling, 30 juni 1987 (Trb. 171) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat het Koninkrijk der Nederlanden instemt met de op 30 juni 1987 tot stand gekomen wijziging van de Overeenkomst betreffende de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd om het nodige te verrichten opdat het Koninkrijk der Nederlanden instemt met de op 30 juni 1987 tot stand gekomen wijziging van de op 27 december 1945 te Washington tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (**Trb.** 1987, 171). Artikel 2 Deze Rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na heden. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad**, het **Publicatieblad van de Nederlandse Antillen** en het **Afkondigingsblad van Aruba** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18777,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van het Huis van Bewaring, de Bijzondere Strafgevangenis voor Jonge Mannen te Zutphen en de Graafse Kamp te Warnsveld (1888) 1937−1993 Als bedoeld in [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), aan de openbaarheid van de, naar Het Gelders Archief, overgebrachte archieven van het Huis van Bewaring, de Bijzondere Strafgevangenis voor Jonge Mannen te Zutphen en de Graafse Kamp te Warnsveld (1888) 1937–1993 de volgende beperkingen gesteld: - 1. de beperking op de openbaarheid is van toepassing op de archiefbescheiden, die in de toegang zijn opgenomen onder de inventarisnummers 1, 5, 6−29, 30−31, 37, 38, 39, 40, 46−52, 53, 54, 55, 58, 59−62. De beperking van de openbaarheid is van toepassing op de archiefbescheiden die jonger zijn dan 75 jaar, gerekend vanaf de sluitingsdatum. - 2. raadpleging van de archiefbescheiden is, gelet op [art. 15, derde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de Rijksarchivaris in de provincie Gelderland. Deze toestemming kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - •. de verzoeker doet een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot inzage van de archiefbescheiden; - •. de verzoeker vult hiertoe het Formulier Raadpleging Justitiële archieven van het Gelders archief in en ondertekent het formulier. De verzoeker verklaart daarmee tevens zich te zullen houden aan de, in het formulier opgenomen, bepalingen . - •. tevens verklaart de verzoeker de bevoegdheid van de Rijksarchivaris in de provincie Gelderland te erkennen om publicatie van bepaalde, uit"},{"i":17260,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juni 2015, 2015-0000157588, tot aanwijzing van volledige kalendermaanden en werkdagen in de Werkloosheidswet Gelet op [artikel 1b, derde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=1b); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing volledige kalendermaand 1. Als volledige kalendermaand als bedoeld in [artikel 1b, tweede lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=1b) wordt aangemerkt: - a. de kalendermaand waarover de werknemer, bedoeld in [artikel 1b, tweede lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=1b) van de eerste tot en met de laatste dag van de kalendermaand recht op uitkering op grond van [hoofdstuk II van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II) heeft; of - b. de kalendermaand waarin voor de werknemer, bedoeld in [artikel 1b, tweede lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=1b) het recht op uitkering op grond van [hoofdstuk II van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II) tot en met de laatste dag van de kalendermaand heeft bestaan en vóór de achtste dag van de kalendermaand is ontstaan, tenzij dat recht eerder in diezelfde kalendermaand niet is ontstaan omdat: - 1°. de werknemer arbeidsuren had; - 2°. de werknemer niet beschikbaar was om arbeid te verrichten; - 3°. de werknemer niet heeft voldaan aan de eis, bedoeld in [artikel 17 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=17); of - 4°. op de werknemer een uitsluitingsgrond als bedoeld in [artikel 19 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=19) van toepassing was. Artikel 2. Aanwijzing werkdag 1. Als werkdagen in een kalenderweek als bedoeld in [artikel 1b, tweede lid, onderdeel b, van de"},{"i":12940,"b":"Besluit vaststelling vergoeding voor leden Adviescommissie Garantieregeling scheepsnieuwbouwfinanciering Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: artikel Enig 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie Garantieregeling scheepsnieuwbouwfinanciering wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,0525. 2. Aan de andere leden van de Adviescommissie Garantieregeling scheepsnieuwbouwfinanciering wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,0525. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13841,"b":"Mijnbouwregeling Handelende in overeenstemming met de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Gelet op de op 13 september 1983 te Bonn tot stand gekomen Overeenkomst inzake samenwerking bij de bestrijding van verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen (Trb. 1983, 159; laatstelijk Trb. 1990, 100), de [artikelen 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=9), [11, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=11), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=14), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=32), [40, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=40), [63, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=63), [122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=122), [123, tweede lid, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=123), en de [artikelen 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=4), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=7), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=12), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=17), [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=18), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=19), [20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=20), [23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=23), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=29), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=44), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=45), [51, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=51), [52, zesde en achtste lid](https://wet"},{"i":13837,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, kenmerk ACM/DE/2016/202160, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 12b van de Gaswet (Meetcode gas RNB) Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f); Besluit: 1. Algemene bepalingen 1.1. Werkingssfeer en definities 1.1.1 Deze code bevat de voorwaarden zoals bedoeld in [artikel 12b, eerste lid, onderdeel b, van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12b). 1.1.2 Meetinrichtingen voldoen ten minste aan de daaraan in of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440) gestelde eisen. Ingeval van strijdigheid tussen een dwingende wettelijke eis en een eis uit deze code, geldt de dwingende wettelijke eis. 1.1.3 De in deze code gebruikte begrippen die ook in de [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440) worden gebruikt, hebben de betekenis die daaraan in de Gaswet is toegekend. Van de overige in deze code gebruikte begrippen is de betekenis vastgelegd in de [Begrippencode gas](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037923) behorende bij de voorwaarden bedoeld in [artikel 12b van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12b). 1.1.4 In zoverre een meetinrichting onder de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) valt, is deze code niet van toepassing ten aanzien van een onderwerp dat voor die meetinrichting in de Metrologiewet wordt geregeld. 1.2. Voorwaarden met betrekking tot meterbeheerders, meterplaatsers en meetverantwoordelijken 1.2.1. Meterbeheerder 1.2.1.1 De meterbeheerder participeert in het door de toezichthouder op de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) goedgekeurde systeem van systematische (steekproefsgewijze) periodieke controle van in gebruik zijnde meters zoals uitgevoerd in opdracht van de deelnemende meterbeheerders gezamenlijk of toont aan op andere, ter beoorde"},{"i":8972,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Filippijnen ter bevordering en bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek der Filippijnen Geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen uit te breiden en te intensiveren, en investeringen te bevorderen op basis van gelijkheid en tot wederzijds voordeel van beide landen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst: - (a). wordt onder de term „grondgebied” verstaan: - (i). met betrekking tot de Republiek der Filippijnen, het grondgebied als omschreven in artikel 1 van de grondwet; - (ii). met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, het grondgebied dat het Koninkrijk der Nederlanden vormt. Het omvat mede de zeegebieden grenzend aan de kust van de betrokken Overeenkomstsluitende Partij, voor zover die Partij overeenkomstig het internationale recht soevereine rechten of rechtsmacht in deze gebieden kan uitoefenen. - (b). omvat de term „onderdaan”, met betrekking tot een bepaalde Overeenkomstsluitende Partij: - (i). natuurlijke personen die volgens het recht van die Overeenkomsttende Partij haar nationaliteit bezitten; - (ii). onverminderd het bepaalde in (iii) hieronder, rechtspersonen die zijn opgericht overeenkomstig het recht van die Overeenkomstsluitende Partij en in feite zaken doende krachtens de in enig deel van het grondgebied van die Overeenkomstsluitende Partij, waarin een centrum van daadwerkelijk beheer is gelegen, geldende wetten; - (iii). rechtspersonen die onder, al dan niet rechtstreeks, toezicht staan van onderdanen van die Overeenkomstsluitende Partij, maar zijn opgericht overeenkomstig het recht van de andere Overeenkomstsluitende Partij. - (c). omvat de term „investering” alle vermogensbestanddelen van de htmatige handel en meer in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - (i). roerende en onroere"},{"i":8973,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ecuador inzake technische samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Ecuador, de vriendschapsbanden tussen beide staten en hun inwoners versterkend en vanuit hun wens de technische samenwerking te bevorderen en hiervoor het noodzakelijke juridische en bestuurlijke kader te scheppen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel I 1. Het doel van deze Raamovereenkomst is de technische samenwerking te bevorderen en een juridisch en bestuurlijk kader te scheppen voor onderzoek naar en/of uitvoering van projecten, die door de bevoegde autoriteiten van beide Partijen zijn overeengekomen, teneinde gevolg te geven aan deze Overeenkomst. 2. De in de vorige paragraaf genoemde bevoegde autoriteiten zullen zijn: - -. voor de Nederlandse Regering: de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking; - -. voor de Regering van de Republiek Ecuador: de Minister van Buitenlandse Zaken. 3. De wederzijdse bijdragen voor de projecten en de uitvoering ervan, zullen per geval worden vastgesteld door middel van Administratieve Akkoorden, die tussen de bevoegde autoriteiten van beide Partijen zullen worden gesloten. Artikel II Teneinde de in deze Overeenkomst beoogde doelstellingen te kunnen realiseren, verplicht de Regering van de Republiek Ecuador zich tot het volgende: - a. De Nederlandse deskundigen en hun gezinsleden op gelijke wijze te behandelen als de medewerkers van de Gespecialiseerde Organisaties, zoals vastgelegd in artikel VI, lid 19 van de Conventie over privileges en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties, goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties door middel van resolutie nr. 179 (II), van 21 november 1947 en op 8 juni 1951 geratificeerd door de Republiek Ecuador. - b. Eenmalig toe te staan dat de Nederlandse deskundigen, die naar Ecuador worden uitgezonden voor een periode van tenminste één jaar, hun persoonlijke bezittingen en huisraad"},{"i":19620,"b":"Wet van 13 december 1963, houdende uitvoering van het op 30 augustus 1962 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland ter verdere vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals geregeld bij het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 30 augustus 1962 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland ter verdere vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals geregeld bij het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (**Trb.** 1962, 108); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt onder \"het verdrag\" verstaan het op 30 augustus 1962 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland ter verdere vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals geregeld bij het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (**Trb.** 1962, 108). Artikel 2 Als Nederlandse rechterlijke autoriteiten, bedoeld in artikel 1, eerste lid onder **a** van het verdrag, treden op de officieren van justitie bij de arrondissementsparketten. Artikel 3 De kosten, waarvan ingevolge artikel 3, derde of vijfde lid, van het verdrag door de Bondsrepubliek Duitsland opgave wordt gedaan, worden in rekening gebracht aan degene te wiens verzoeke de Officier van Justitie de mededeling van stukken heeft aangevraagd. [Artikel 30 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=30) is van overeenkomstige toepassing. Artikel 4 Me"},{"i":18120,"b":"Besluit van 30 september 2010, houdende regels voor de bewapening en overige uitrusting van de politie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit bewapening en overige uitrusting politie BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2010, nr. 2010-0000461978, CZW/WSG; Gelet op de [artikelen 41, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=41), en [42, eerste en tweede lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=42); De Raad van State gehoord (advies van 11 augustus 2010, nr. W04.10.0346/I ); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 september 2010, nr. 2010-0000600906; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **rijkswet:** de [Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079); - b. **ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 3, onder a, van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3), met de hoofdrang hoger dan die van aspirant; - c. **aspirant:** degene die is toegelaten tot de basisopleiding; - d. **korpsbeheerder:** degene die op grond van [artikel 47, derde lid, van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=47) wat betreft het beheer het bevoegd gezag uitoefent over het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - e. **hoofdrang:** een hoofdrang als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=3); - f. **Onze Minister:** Onze Minister van"},{"i":8982,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oeganda inzake de tewerkstelling van ontwikkelingswerkers uitgezonden door de SNV, Organisatie voor ontwikkelingssamenwerking en bewustwording De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Oeganda, geleid door de wens door uitwisseling van kennis en vakbekwaamheid de goede verstandhouding en de vriendschappelijke betrekkingen tussen de volken van beide landen te bevorderen, zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen IN WITNESS WHEREOF the undersigned representatives, duly authorised thereto, have signed the present Agreement. DONE at Kampala, this 14 May 1990 in duplicate in the English language. **For the Government of the Kingdom of the Netherlands** (sd.) L. P. J. MAZAIRAC **For the Government of the Republic of Uganda** (sd.) Paul K. SSEMOGERERE"},{"i":17214,"b":"Protocol behorende bij het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Verenigde Staten van Amerika gezien het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika ondertekend op 8 december 1987 (hierna te noemen „het Verdrag”), en het Administratief Akkoord voor de toepassing van het Verdrag, eveneens ondertekend op 8 december 1987, (hierna te noemen „Administratief Akkoord”), en erkennende de noodzaak enkele bepalingen van het Verdrag en het Administratief Akkoord te verduidelijken, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van artikel 9, eerste lid, van het Verdrag wordt een werkgever en een met de werkgever verbonden onderneming (als omschreven in de wetten van de Verdragsluitende Staat van wiens grondgebied de persoon wordt uitgezonden) beschouwd als een en dezelfde werkgever, op voorwaarde dat de persoon die de werkzaamheden op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat verricht verplicht is verzekerd ingevolge de wetten van de Verdragsluitende Staat van wiens grondgebied hij was uitgezonden zonder toepassing van dit Verdrag. Artikel 2 Wijzigt het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, 's-Gravenhage, 08-12-1987. Artikel 3 Voor de toepassing van artikel 4, tweede lid, van het Administratief Akkoord geeft het orgaan van de Verdragsluitende Staat de verklaring af als bedoeld in genoemd lid wanneer de wetten van de Verdragsluitende Staat van toepassing zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 6 tot en met 12 en artikel 14 van het Verdrag. Artikel 4 Dit Protocol treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag en heeft dezelfde geldigheidsduur. GEDAAN te 's-Gravenhage op 7 december 1989, in tweevoud in de Nederlandse en de Engelse taal, beide teksten zijnde gelijke"},{"i":19473,"b":"Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag inzake verkeerstekens dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld De Overeenkomstsluitende Partijen, die tevens partij zijn bij het Verdrag inzake verkeerstekens dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, Geleid door de wens een grotere eenvormigheid te bereiken in de regels voor verkeerstekens, -symbolen en verkeerstekens op het wegdek in Europa, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen, die tevens partij zijn bij het [Verdrag inzake verkeerstekens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004310) dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, nemen passende maatregelen opdat het op hun grondgebieden geldende stelsel van verkeerstekens en van verkeerstekens op het wegdek overeenkomt met de bepalingen in de Bijlage bij deze Overeenkomst. Artikel 2 1. Deze Overeenkomst is tot 31 december 1972 opengesteld voor ondertekening door Staten die het [Verdrag inzake verkeerstekens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004310) dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden en die lid zijn van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties of in een adviserende hoedanigheid tot de Commissie zijn toegelaten overeenkomstig paragraaf 8 van het mandaat van de Commissie. 2. Deze Overeenkomst dient te worden bekrachtigd nadat de betrokken Staat het [Verdrag inzake verkeerstekens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004310) dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld, heeft ondertekend of daartoe is toegetreden. De akten van bekrachtiging dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. 3. Deze Overeenkomst blijft opengesteld voor toetreding door alle Staten bedoeld in het eerste lid van dit artikel die partij zijn bij het [Verdrag inzake verkeerstekens](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":8986,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Rwanda inzake de tewerkstelling van Nederlandse vrijwilligers in Rwanda De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Rwanda, Geleid door de wens de goede verstandhouding en de vriendschappelijke betrekkingen tussen de volken van beide landen te versterken door middel van de uitwisseling van kennis en vakbekwaamheid, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen EN FOI DE QUOI les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Accord. FAIT à Kigali, le 12 novembre 1980, en deux exemplaires en langue française. **Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas,** (s.) J. B. VAN LOON **Pour le Gouvernement de la République Rwandaise,** (s.) F. NGARUKIYINTWALI"},{"i":8990,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Republiek Suriname Verlangende de historische banden tussen beide landen opnieuw te bevestigen, In het besef, dat de bijzondere relatie tussen de beide landen zijn weerslag blijft vinden in de wederzijdse verhoudingen, In het streven dit besef ook tot uitdrukking te brengen ten aanzien van het verblijf van de wederzijdse onderdanen op elkaars grondgebied, Overtuigd van het belang van een regelmatige gedachtenwisseling over migratie-aangelegenheden, Zijn het volgende overeengekomen: Deel I. Algemeen Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen stellen hierbij een Commissie in, samengesteld uit door elk van hen benoemde vertegenwoordigers (hierna te noemen: „de Commissie”). Artikel 2 De Commissie bespreekt het beleid van de Overeenkomstsluitende Partijen inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen en inzake remigratie. Artikel 3 De Commissie komt op verzoek van een der Overeenkomstsluitende Partijen, doch tenminste eenmaal per half jaar, bijeen, afwisselend in Nederland en Suriname. Artikel 4 De leden van de Commissie kunnen zich doen bijstaan door deskundigen. Artikel 5 De bijeenkomsten van de Commissie zullen worden voorgezeten door een Commissielid van het land, waar de bijeenkomst wordt gehouden. Deel II. Binnenkomst en Verblijf Artikel 6 In het kader van deze Overeenkomst van belang zijnde punten van het Nederlandse beleid inzake de binnenkomst en het verblijf van Surinaamse onderdanen zijn neergelegd in Bijlage 1 bij deze Overeenkomst. Artikel 7 In het kader van deze Overeenkomst van belang zijnde punten van het Surinaamse beleid inzake de binnenkomst en het verblijf van Nederlandse onderdanen zijn neergelegd in Bijlage 2 bij deze Overeenkomst. Artikel 8 Elk der Overeenkomstsluitende Partijen blijft, met inachtneming van bestaande verdr"},{"i":8991,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname met betrekking tot de overdracht aan de Republiek Suriname van roerende en onroerende goederen van de troepenmacht in Suriname De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Suriname, Verlangende een regeling te treffen met betrekking tot de overdracht van roerende en onroerende goederen welke tot het tijdstip van het onafhankelijk worden van Suriname in gebruik waren bij de troepenmacht in Suriname, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Het Koninkrijk der Nederlanden draagt om niet aan de Republiek Suriname in eigendom over alle niet uitdrukkelijk in de aan deze Overeenkomst gehechte bijlage uitgezonderde roerende goederen, behorende tot de uitrusting en de bewapening van de troepenmacht in Suriname (hierna te noemen TRIS). Artikel 2 Het Koninkrijk der Nederlanden draagt om niet aan de Republiek Suriname over alle rechten, welke het Koninkrijk ten aanzien van de onroerende goederen, in gebruik bij de TRIS, kan doen gelden. Artikel 3 De Republiek Suriname verleent het recht van onbelemmerde uitvoer zonder heffing van uitvoerrechten van het militair materieel, dat op grond van het bepaalde in artikel 1 niet aan de Republiek Suriname is overgedragen. Artikel 4 De onderhavige Overeenkomst treedt in werking nadat de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar hebben medegedeeld dat in hun landen aan de terzake geldende constitutionele vereisten is voldaan en werkt terug tot de datum van onafhankelijkwording van Suriname. TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden, daartoe behoorlijk gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, deze Overeenkomst hebben ondertekend. GEDAAN te Paramaribo op 25 november 1975 in tweevoud, in de Nederlandse taal. Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, (w.g.) J. M. DEN UYL Voor de Regering van de Republiek Suriname, (w.g.) H. A. E. ARRON"},{"i":18809,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 24 november 2016 nr. BOACAT2016/066, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Buha B.V Gelezen het verzoek van de directeur/bestuurder van Beheer, uitvoering, handhaving, afvalstoffen en accommodaties van 21 november 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038795&artikel=2&z=2017-01-01&g=2017-01-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving (HR21) in dienst van Buha B.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4, van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste li"},{"i":17975,"b":"Wet van 15 maart 2010 tot harmonisatie van uitkeringsrechten van leden van de Tweede Kamer, wijzigingen in verband met de openbaarmaking van nevenfuncties en inkomsten uit nevenfuncties van leden van de Eerste en Tweede Kamer en leden van het Europees Parlement en enkele technische wijzigingen Artikel I Wijzigt de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer. Artikel II Wijzigt de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer. Artikel III Wijzigt de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement. Artikel IV Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VII Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel VIIa 1. Degene die in het tijdvak van 1 januari 2004 tot 1 januari 2006 lid was van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangt over een periode van zijn lidmaatschap in dat tijdvak ter vergoeding van reiskosten buiten het woon-werkverkeer een bedrag gelijk aan de op grond van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) maximale belastingvrije vergoeding voor autokosten in dat tijdvak, op basis van 17.500 kilometer per jaar, vermeerderd met € 0,10 per kilometer. 2. Degene die in het tijdvak van 1 januari 2004 tot 1 januari 2006 lid was van de Eerste Kamer der Staten-Generaal ontvangt over een periode van zijn lidmaatschap in dat tijdvak ter vergoeding van reiskosten een bedrag gelijk aan de op grond van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) maximale belastingvrije vergoeding voor autokosten in dat tijdvak, op basis van 13.000 kilometer per jaar, vermeerderd met € 0,10 per kilometer. Artikel VIIb De [wet van 20 december 2001 tot wijziging van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer en de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer alsmede een regeling voor diverse politieke ambtsdragers met betrekking tot geheven Waz-premie (aanpassing onkostenv"},{"i":18313,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 28 augustus 2006, nr. 5418018/806, houdende regels met betrekking tot de mogelijkheid van levensloopverlof voor de sector Rechterlijke Macht Gelet op [artikel 38q, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=38q); Besluit: Artikel 1 De [Levensloopregeling rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018979) is, met uitzondering van de [artikelen 2.1.5, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018979&artikel=2.1.5), [7.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018979&artikel=7.1.1) en [7.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018979&artikel=7.2.1), van overeenkomstige toepassing op de rechterlijk ambtenaar, die is aangesteld of aangewezen voor een al dan niet volledige arbeidsduur, met dien verstande dat: - a. onder ambtenaar wordt verstaan: de rechterlijk ambtenaar; - b. onder bevoegd gezag wordt verstaan: de functionele autoriteit; - c. onder bezoldiging, salaris, salaris per uur en vakantie-uitkering wordt verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in het bij en krachtens de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365) bepaalde; - d. onder vakantie wordt verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365); en - e. onder de vergoeding op grond van [artikel 23b, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=22) wordt verstaan: de vergoeding op grond van [artikel 33, derde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijk ambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=33d); - f. onder [artikel 129a, tweede lid, van het ARAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=129a), wordt verstaan: [artikel 33fa, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https:/"},{"i":12170,"b":"Besluit van 9 maart 2018 nr. 2018000387, houdende departementale herindeling taken Wet op de architectentitel en titelbescherming architect en stedenbouwkundige Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 2 maart 2018, nr. 3217340; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt belast met de zorg voor de [Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189), alsmede met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de bescherming van de titels architect en stedenbouwkundige en het bureau architectenregister, voor zover deze voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit waren opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040738&artikel=1&z=2018-03-22&g=2018-03-22) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040738&artikel=2&z=2018-03-22&g=2018-03-22) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afs"},{"i":9090,"b":"Protocol bij het Financieel Nederlands-Belgische memorandum van 12 oktober 1946 De Nederlandse en de Belgische Regering, Van oordeel dat de handhaving van het bepaalde onder letter G van het Memorandum van 12 oktober 1946 betreffende de deblokkering en aanwending van activa, welke toebehoren aan ingezetenen van het ene land en uitstaan, c.q. berusten, in het andere land, onder de tegenwoordige omstandigheden niet meer gerechtvaardigd is, Zijn overeengekomen als volgt: Ten blijke waarvan de ondergetekenden, hiertoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend. Gedaan te 's-Gravenhage op 3 juli 1956, in tweevoud, in de Nederlandse en in de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek. Voor de Nederlandse Regering: (w.g.) J. W. BEYEN Voor de Belgische Regering: (w.g.) v. d. STRATEN"},{"i":13789,"b":"Wet van 23 december 1992, houdende machtiging tot het uitgeven en belenen van schatkistpapier en het aangaan van geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden in 1993 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is Onze Minister van Financiën te machtigen in 1993 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd in 1993 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan ter voorziening in de financieringsbehoefte van de Staat alsmede uit monetaire overwegingen. Artikel 2 De looptijd van de geldleningen zal ten hoogste vijftig jaar zijn. Artikel 3 Onze Minister van Financiën stelt met inachtneming van het bepaalde in de Wet schatkistpapier (**Stb.** 1976, 110) en deze wet de voorwaarden vast, waarop schatkistpapier wordt uitgegeven en beleend en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden worden aangegaan. Artikel 4 Onze Minister van Financiën kan aan bemiddelaars in onderhandse geldleningen over het nominale bedrag van door hun tussenkomst tot stand gekomen onderhandse geldleningen een provisie toekennen van ten hoogste 1/8% (een achtste ten honderd). Artikel 5 Het recht tot opvordering van een hoofdsom van de overeenkomstig deze wet aangegane vaste schuld, welke aflosbaar is gesteld, verjaart 10 jaar na de eerste dag waarop de hoofdsom aflosbaar is. Artikel 6 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1993; zij kan worden aangehaald als: Leningwet 1993. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoe"},{"i":13790,"b":"Wet van 23 december 1993, houdende machtiging tot het uitgeven van schatkistpapier en het aangaan van geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden in 1994 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is Onze Minister van Financiën te machtigen in 1994 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd in 1994 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan ter voorziening in de financieringsbehoefte van de Staat alsmede uit monetaire overwegingen. Artikel 2 De looptijd van de geldleningen zal ten hoogste vijftig jaar zijn. Artikel 3 Onze Minister van Financiën stelt met inachtneming van het bepaalde in de Wet schatkistpapier en deze wet de voorwaarden vast, waarop schatkistpapier wordt uitgegeven en beleend en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden worden aangegaan. Artikel 4 Onze Minister van Financiën kan aan bemiddelaars in onderhandse geldleningen over het nominale bedrag van door hun tussenkomst tot stand gekomen onderhandse geldleningen een provisie toekennen van ten hoogste 1/8% (een achtste ten honderd). Artikel 5 Het recht tot opvordering van een hoofdsom van de overeenkomstig deze wet aangegane vaste schuld, welke aflosbaar is gesteld, verjaart 10 jaar na de eerste dag waarop de hoofdsom aflosbaar is. Artikel 6 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1994. Artikel 7 Deze wet kan worden aangehaald als: Leningwet 1994. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zulle"},{"i":18239,"b":"Besluit vervanging papieren documenten Defensie Gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6); [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); [artikel 4, onder 2b van de Regeling Informatiebeheer Defensie 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037039&artikel=4). Besluit: Artikel 1 1. over te gaan tot routinematige en retrospectieve vervanging door digitale reproducties van de papieren documenten die op grond van de Generieke Selectielijst Defensie vanaf 1945 tot 2021 en de Selectielijst Ministerie van Defensie vanaf (1945) 2021 voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze papieren documenten worden vernietigd; 2. vervanging betreft de documenten: - a. die vanaf de inwerkingtreding van dit besluit worden ontvangen of opgemaakt en worden opgenomen in het documentmanagementsysteem / recordmanagementapplicatie (DMS/RMA) DefDoc of het informatiesysteem XPostWeb; - b. die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn gedigitaliseerd conform het vervangingsproces, zoals beschreven in het onder 3 van dit artikel genoemde handboek routinematige vervanging en zijn opgenomen in het informatiesysteem XPostWeb; - c. die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn ontvangen of opgemaakt (retrospectieve vervanging). 3. vervanging geschiedt op de wijze zoals omschreven in de bij dit besluit horende bijlagen: ‘Handboek routinematige vervanging documenten Ministerie van Defensie’ en ‘Handboek retrospectieve vervanging documenten Ministerie van Defensie’. Artikel 2 Dit besluit is niet van toepassing op: - a. personele documenten die volgens de Index personeelsdossiers Defensie in het personeelsdossier worden opgenomen; - b. documenten met een rubricering hoger dan departementaal vertr"},{"i":9096,"b":"Protocol bij het Noord-Atlantisch Verdrag betreffende de toetreding van Montenegro De Partijen bij het op 4 april 1949 te Washington ondertekende [Noord-Atlantisch Verdrag](onbekend), Ervan overtuigd dat de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied door de toetreding van Montenegro tot dat [Verdrag](onbekend) verhoogd zal worden, Komen als volgt overeen: Artikel I Bij de inwerkingtreding van dit Protocol zal de Secretaris-Generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie uit naam van alle Partijen aan de Regering van Montenegro een uitnodiging doen toekomen tot het [Noord-Atlantisch Verdrag](onbekend) toe te treden. In overeenstemming met [artikel 10 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760&artikel=10) wordt Montenegro Partij op de dag waarop het een akte van toetreding nederlegt bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika. Artikel II Dit Protocol treedt in werking wanneer elk der Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](onbekend) aan de Regering van de Verenigde Staten van Amerika mededeling heeft gedaan dat zij het Protocol aanvaardt. De Regering van de Verenigde Staten van Amerika stelt alle Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag in kennis van de datum van ontvangst van iedere mededeling van aanvaarding en van de datum van inwerkingtreding van dit Protocol. Artikel III Dit Protocol, waarvan de Engelse en de Franse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt in het archief van de Regering van de Verenigde Staten van Amerika nedergelegd. Naar behoren gewaarmerkte afschriften worden door die Regering aan de Regeringen van alle Partijen bij het [Noord-Atlantisch Verdrag](onbekend) toegezonden. IN WITNESS WHEREOF, the undersigned plenipotentiaries have signed the present Protocol. SIGNED at Brussels on the 19th day of May 2016."},{"i":17290,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 januari 2017, kenmerk 1062712-159055-WJZ, houdende regels over declaraties voor jeugdhulp, zorg en maatschappelijke ondersteuning Gelet op de [artikelen 3.6.4, derde lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.4), [8.1.8, derde lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.1.8), en [2.6.2, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.2); Besluiten: Artikel I Wijzigt de Regeling Jeugdwet. Artikel II Wijzigt de Regeling langdurige zorg. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Artikel IV 1. De [artikelen 8b van de Regeling Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036007&artikel=8b) en [2b van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036096&artikel=2b), zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijven gedurende vijf jaren na inwerkingtreding van deze regeling van toepassing op een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 8b van de Regeling Jeugdwet en [2, tweede lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036096&artikel=2) die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling is gesloten, met uitzondering van het in [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039141&artikel=I&z=2018-11-28&g=2018-11-28), opgenomen artikel 8b, zesde lid, en het in [artikel III, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039141&artikel=III&z=2018-11-28&g=2018-11-28), opgenomen artikel 2b, zesde lid. 2. Na afloop van de vijf jaren, bedoeld in het eerste lid, zijn alle overeenkomsten als bedoeld in de [artikelen 8b van de Regeling Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036007&artikel=8b) en [2b van de Uitv"},{"i":18381,"b":"Onderlinge regeling houdende het hoofdrangenstelsel van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (regeling hoofdrangenstelsel van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Overwegende: dat op grond van [artikel 46, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=46) de landen onderling een regeling treffen houdende een limitatieve opsomming van de hoofdrangen van de politie; dat elk van de landen hetgeen in deze regeling is overeengekomen vaststellen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of algemene maatregel van bestuur, Gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) en [artikel 46, eerste lid van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=46), Komen het volgende overeen: Artikel 1 1. Voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar in tijdelijke dienst voor de duur van de basisopleiding gelden de volgende hoofdrangen: - a. hoofdcommissaris; - b. commissaris; - c. hoofdinspecteur; - d. inspecteur; - e. hoofdagent; - f. brigadier; - g. agent; - h. aspirant; 2. Een in het eerste lid eerder genoemde rang is hoger dan een later genoemde rang. Artikel 2 De regeling wordt aangehaald als: Regeling hoofdrangenstelsel van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze regeling wordt binnen 30 dagen na ondertekening geplaatst in de Staatscourant en de Curaçaosche Courant."},{"i":18382,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 6 maart 2013, nr. 2013-0000117717, houdende de intrekking van uitgewerkte regelingen en een uitgewerkte wet Handelende mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie, voor zover het betreft [artikel 1, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033152&artikel=1&z=2013-07-01&g=2013-07-01); Handelende mede namens de Minister van Financiën, voor zover het betreft [artikel 1, onderdeel n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033152&artikel=1&z=2013-07-01&g=2013-07-01); Handelende mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft [artikel 2, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033152&artikel=2&z=2013-07-01&g=2013-07-01); Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken voor zover het betreft [artikel 3, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033152&artikel=3&z=2013-07-01&g=2013-07-01); Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Defensie voor zover het betreft [artikel 5, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033152&artikel=5&z=2013-07-01&g=2013-07-01); Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Veiligheid en Justitie voor zover het betreft [artikel 5, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033152&artikel=5&z=2013-07-01&g=2013-07-01); Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke spoedwet verkiezingen Europees Parlement 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016604&artikel=2), [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), [artikel 1c van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=1c), de [artikelen 13](https://wet"},{"i":18189,"b":"Besluit van 20 maart 2015, houdende toekenning van een standaard aan de politie Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 11 maart 2015, kenmerk 622998, Directoraat-generaal Politie, Programma HRM en Onderwijs; Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2015/8848. Artikel 1 De politie voert een standaard, bestaande uit een standaarddoek en een standaardstok. Artikel 2 1. Het standaarddoek van de politie is een vierkant doek van oranje zijde, omzoomd met gouden franje. De lengte en de breedte van het standaarddoek zijn vijftig centimeter. 2. Op de voorzijde is in het midden het gestileerde monogram WA in goud geborduurd met daarboven de koningskroon in de kleuren van het Koninklijk wapen. Onder het monogram **WA** is in goud geborduurd: **POLITIE** Het geheel van de gekroonde **WA** en de naam van de politie is omgeven door een doorlopende oranje tak. 3. Op de achterzijde is in kleuren geborduurd het Koninklijk wapen zonder de daarbij behorende mantel. Het geheel is omgeven door een doorlopende oranje tak. Artikel 3 1. De standaardstok is een zwart gelakte stok, lang tweehonderd centimeter, met aan de onderzijde een geelmetalen stokeinde in de vorm van een geelmetalen bus. 2. In het midden van de stok is een geelmetalen bus aangebracht om de stok in twee delen uiteen te kunnen nemen. 3. Het gedeelte van de stok dat boven in de broeking van de standaard komt, bestaat uit een zwarte bus met inwendige schroefdraad waarop de standaardtop wordt geschroefd. De standaardtop bestaat uit een vergulde eikenkrans met geelmetalen piek. De stok loopt door de eikenkrans heen. De piek is uitgevoerd in het model van de oud-Nederlandse sponton van omstreeks 1760, bestaande uit een blad met dwarsstang en met een geelmetalen bus verbonden aan de eikenkrans. 4. Op het blad is het politielogo aangebracht. Artikel 4 Om de zwarte bus in de eikenkrans is een koord, in de kleuren donkerblauw en goud, geknoopt, de knoop in het midden; de beide"},{"i":17926,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 juni 2011, nr. R&P/RA/2011/11033, tot wijziging van de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien) in verband met de invoering van een vernieuwde Actie E sociale innovatie Gelet op [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3) en [8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=8); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien). Artikel II Op subsidies die zijn verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijft de regeling met betrekking tot Actie E die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling van toepassing. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18386,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 september 2013, nr. 2013-0000547251, houdende regels voor inhouding op de bezoldiging van politieke gezagdragers ten behoeve van hun pensioen (Regeling inhouding bezoldiging politieke gezagdragers BES) Gelet op [artikel 31 van het Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028554&artikel=31); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **politieke gezagdrager:** de gezaghebber, de eilandgedeputeerde en het lid van de eilandsraad van een openbaar lichaam, met uitzondering van het lid van de eilandsraad als bedoeld in [artikel 1a van het Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028554&artikel=1a); - b. **bezoldiging:** de vaste inkomensbestanddelen waarop de politieke gezagdrager aanspraak heeft; - c. **uitkering:** de uitkering en de voortgezette uitkering, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028554&artikel=2) onderscheidenlijk [artikel 5 van het Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028554&artikel=5); Artikel 2 1. Op de bezoldiging wordt een bedrag ingehouden ter grootte van het bedrag dat wordt ingehouden op de bezoldiging van een werknemer als bedoeld in [artikel 4 van de Pensioenwet ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714&artikel=4) uit hoofde van een overeenkomst als bedoeld in [artikel 11e van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714&artikel=11e). 2. Het in te houden bedrag wordt berekend als ware de politieke gezagdrager een werknemer als bedoeld in [artikel 4 van de Pensioenwet ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714&artikel=4) met een inkomen als zodanig, gelijk aan de bezoldiging. 3. Indien de toepassing van het eerste en tweede lid leidt tot een negatief bedrag, vindt geen inhouding als bedoeld in het eerste lid op de bezoldiging plaats. Ar"},{"i":18548,"b":"Wet van 3 februari 2011 tot tweede aanpassing van wetten in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland – B (Tweede Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba – B) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat met de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overeengekomen dat zij een staatsrechtelijke positie krijgen binnen het Nederlandse staatsbestel en het in verband hiermee wenselijk is wetten en de Nederlands-Antilliaanse regelingen, die ingevolge de [Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063) als wet van toepassing blijven in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die nog niet zijn meegenomen in de [Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028129), noch in het voorstel voor de [Tweede Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba – A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029211) (Kamerstukken II, 2009/10, 32 368, nr. 2), aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel Ia Wijzigt de Monumentenwet BES. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel Ib Wijzigt de Wet maritiem beheer BES. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel Ic Wijzigt de Experimentenwet onderwijs. Artikel Id Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel Ie Wijzigt de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat de artikelen IA en IB"},{"i":17095,"b":"Europese Overeenkomst inzake het verzenden van verzoeken om rechtsbijstand De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden; Overwegende dat het wenselijk is de economische belemmeringen waardoor de toegang tot de burgerlijke rechter wordt bemoeilijkt, weg te nemen en de economisch zwakken in staat te stellen hun rechten in de Lid-Staten beter te doen gelden; Overtuigd dat het invoeren van een doelmatig stelsel van verzending van verzoeken om rechtsbijstand zal bijdragen tot het bereiken van dit doel; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Een ieder die zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een van de Overeenkomstsluitende Partijen, en die rechtsbijstand wil vragen in burgerlijke, handels- of administratieve zaken op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij, kan een verzoek hiertoe indienen in de Staat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft. Deze Staat moet dit verzoek aan de andere Staat doorzenden. Artikel 2 1. Iedere Overeenkomstsluitende Partij wijst een of meer verzendende autoriteiten aan, belast met de directe verzending van de verzoeken om rechtsbijstand aan de hierna bedoelde buitenlandse autoriteit. 2. Iedere Overeenkomstsluitende Partij wijst eveneens een ontvangende centrale autoriteit aan, belast met de ontvangst en de behandeling van de verzoeken om rechtsbijstand afkomstig van een andere Overeenkomstsluitende Partij. Federale Staten en Staten met meer dan een rechtsstelsel kunnen meer dan een centrale autoriteit aanwijzen. Artikel 3 1. De verzendende autoriteit staat de verzoeker bij en ziet er op toe dat het verzoek vergezelt gaat van alle stukken die naar het inzicht van deze autoriteit nodig zijn voor de afdoening van het verzoek. Zij verleent de verzoeker eveneens hulp om, zo nodig, een vertaling van de stukken te verkrijgen. Zij kan de verzending van het verzoek"},{"i":17694,"b":"Verdrag betreffende de gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking tot de sociale zekerheid De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen op 6 juni 1962 in haar zesenveertigste zitting; Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking tot de sociale zekerheid, welk onderwerp het vijfde punt vormt van de agenda der zitting; Besloten hebbende, dat deze voorstellen in een internationaal verdrag zullen worden vastgelegd, Neemt heden, de 28ste juni 1962, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als „Verdrag inzake gelijkheid van behandeling (sociale zekerheid), 1962”: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a). „wettelijke regeling”: de wetten en regelingen, alsmede de statutaire bepalingen op het gebied van de sociale zekerheid; - b). „uitkeringen”: alle uitkeringen, pensioenen en renten, met inbegrip van alle eventuele toe- en bijslagen; - c). „uitkeringen toegekend ingevolge overgangsregelingen”: hetzij de uitkeringen toegekend aan personen die op het tijdstip van het in werking treden van de toepasselijke wettelijke regeling een bepaalde leeftijd hebben overschreden, hetzij de bij wijze van overgang toegekende uitkeringen wegens gebeurtenissen die hebben plaats gehad op tijdvakken die zijn vervuld buiten de huidige grenzen van het grondgebied van een Lid; - d). „uitkering bij overlijden”: elk bedrag ineens dat in geval van overlijden wordt uitgekeerd; - e). „woonplaats”: de normale verblijfplaats; - f). „voorgeschreven”: vastgesteld bij of krachtens de nationale wettelijke regeling als onder **a)** van dit artikel omschreven; - g). „vluchteling”: de vluchteling in de zin van artikel 1 van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen; -"},{"i":18957,"b":"Besluit van 6 juni 1888, tot vaststelling van den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld bij artikel 439, no. 2, van het Wetboek van Strafrecht Gezien artikel 439, n°. 2, van het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854); Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie, Onzen Minister van Oorlog en Onzen Minister van Marine, van den 28sten Februari 1888, afdeeling 2**a**, n°. 114, van den 8sten Maart 1888, 1ste afdeeling, n°. 21, van den 12den Maart 1888, lett. B, n°. 2; Den Raad van State gehoord (advies van den 1sten Mei 1888, n°. 10); Gezien het nader rapport van Onze genoemde Ministers, van den 17den Mei 1888, afdeeling 2**a**, n°. 94, van den 29sten Mei 1888, 1ste afdeeling, n°. 59, van den 1sten Juni 1888, lett. B, n°. 2; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De koopman, bedoeld in [artikel 439, n°. 2, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=439), is verplicht een register te houden, waarvan de bladen van een doorloopend nommer zijn voorzien en door de burgemeester van zijn woonplaats of de korpschef worden gewaarmerkt. 2. In dit register zal door hem, onmiddellijk nadat de goederen door hem in ontvang zijn genomen, aanteekening worden gedaan van iederen koop, iedere inruiling, aanneming als geschenk, in pand, gebruik of bewaring van goederen, behoorende tot de kleeding, uitrusting of wapening van een krijgsman beneden den rang van officier, alsmede van zoodanige goederen, welke hij voor een krijgsman beneden den rang van officier verkoopt, ruilt, ten geschenke, in pand, gebruik of bewaring geeft. 3. De inschrijving geschiedt zonder witte vakken, gapingen of tusschenruimten, met aanduiding van den dag waarop, van den persoon van wien, of van den verkoop op openbaar gezag, waarbij de goederen verkregen zijn. 4. De toestemming, door of vanwege den bevelvoerenden officier, waar zij vereischte is, verleend, wordt aan het register gehecht. 5. De bedoelde koopman zal tevens i"},{"i":18620,"b":"Wet van 29 november 1996 tot vaststelling van de gewijzigde Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (aanvulling met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede ter uitvoering van [artikel 117, vierde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=117), wenselijk is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren uit te breiden met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof, en dat het in verband daarmee gewenst is deze wet opnieuw vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister voor Rechtsbescherming; - b. rechterlijke ambtenaren: de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=1); - c. salaris: het bedrag waarop de rechterlijk ambtenaar in verband met het vervullen van een ambt, met inachtneming van het bij of krachtens de [artikelen 1ab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&hoofdstuk=1&artikel=1ab&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&hoofdstuk=3&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [9, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&hoofdstuk=3&artikel=9&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van deze wet bepaalde, aanspraak heeft; - d. bezoldiging: het salaris van de rechterlijk ambtenaar, vermeerderd met een periodieke schadeloosstelling of een andere geldelijke tegemoetkoming bij of krachtens deze wet, en met de toelagen, die in de op deze wet berustende regelgeving zijn aangewezen als tot de bezol"},{"i":17266,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg, van 27 november 2020, kenmerk 1786142-214671-WJZ, houdende eisen voor ambulancezorgvoorzieningen (Regeling ambulancezorgvoorzieningen) Gelet op de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=5), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=8), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=11), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=12), en [20 van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=20); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **A1-urgentie:** een spoedeisende urgentie naar aanleiding van een zorgvraag waarbij uit triage blijkt dat er sprake is van een direct of op korte termijn levensbedreigende situatie als gevolg van een gezondheidsprobleem of letsel dat plotseling is ontstaan of verergert of in het geval dat dit gevaar pas na beoordeling door de ambulancezorgprofessional ter plaatse kan worden uitgesloten; - –. **Kwaliteitskader Inzet van ambulancezorgprofessionals op de meldkamer ambulancezorg:** een kader voor de meldkamer ambulancezorg, waarmee de deskundigheid van de ambulancezorgprofessionals en daarmee de kwaliteit van de triage op de meldkamer ambulancezorg wordt geborgd; - –. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **MICU:** mobiele intensive care unit; - –. **mobiele zorg vanuit of naar het buitenland:** ambulancezorg door een Regionale Ambulancevoorziening of andere zorgaanbieder met vervoer in Nederland vanaf of naar een Nederlandse grens of Nederlandse luchthaven indien dit vervoer in het buitenland aanvangt of het buitenland als eindbestemming heeft; - –. **NICU:** mobiele neonatale intensive care unit; - –. **niet spoedeisende ambulancezorg:** zorg door een ambulancezorgprofessional aan een patiënt op het woon- of verblijfadres of vervoer met zorg van een p"},{"i":19398,"b":"Wet van 14 september 1995, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering (vormverzuimen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de sanctionering van vormverzuimen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) te herzien en de bevoegdheden van het openbaar ministerie om de telastelegging te wijzigen, te verruimen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit tijdstip kan voor de verschillende [onderdelen van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007559&artikel=I&z=1996-11-02&g=1996-11-02) verschillend worden vastgesteld. Artikel III [Artikel I, onder D en F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007559&artikel=I&z=1996-11-02&g=1996-11-02), heeft geen gevolgen voor strafzaken die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds ter terechtzitting in eerste aanleg aanhangig zijn gemaakt. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18203,"b":"Besluit van 14 juni 2024, nr. 2024000297, houdende vaststelling en inwerkingtreding van de Selectielijst van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 juni 2024, nr. NA/45956130, afdeling Kennis en Advies (NA); Gelet op [artikel 5, 2e lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Selectielijst van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945 wordt vastgesteld zoals deze is opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De met dit besluit vastgestelde selectielijst vervangt de volgende selectielijst met betrekking tot de Tweede Kamer der Staten-Generaal, welke derhalve komt te vervallen: - •. Selectielijst van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945 (Staatscourant 2020, 10766); Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot 5 mei 1945. Selectielijst. van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945 **Leeswijzer** Deze selectielijst bestaat uit een aantal onderdelen. In hoofdstuk 1 is de aanleiding, reikwijdte en het afsluiten of intrekken van oude selectielijsten geformuleerd. Hoofdstuk 2 documenteert de totstandkoming van de selectielijst. Het bevat een verantwoording van de waardering, waarbij de bewaartermijnen van informatie worden vastgelegd. Informatie van permanente waarde is 'blijvend te bewaren'. Hoofdstuk 3 beschrijft de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de organisatie. Hoofdstuk 4 vormt het feitelijke ‘hart’ van de selectielijst, namelijk de waarderingen van de processen. De processen zijn beschreven in procesblokken. Voor de indeling van deze procesblokken wordt verwezen naar bijlage 2. De waardering ‘SA-B’ betekent ‘blijvend bewaren’ en overbrengen naar de archiefbewaarplaats. Het bijhorende nummer verwijst naar het"},{"i":18104,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 november 2008 nr. DDI/ST/reg. 069/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van de Britse gebiedsdelen in Afrika, het Nederlands Consulaat-Generaal in Zimbabwe te Harare (1955–1980), het Consulaat-Generaal in Kenya te Nairobi (1955–1964), de Britse gebiedsdelen in Amerika, het Consulaat op de Bahama’s te Nassau (1961–1965), de Britse gebiedsdelen in Azië, het Consulaat-Generaal in Hongkong te Hongkong (1955–1964), het Consulaat in Zuid-Jemen te Aden (1952–1969), het Consulaat-Generaal in Singapore te Singapore (1955–1964), de Britse gebiedsdelen in Europa, het Consulaat, later Consulaat-Generaal op Malta te Valetta (1953–1965) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Britse gebiedsdelen in Afrika, het Nederlands Consulaat-Generaal in Zimbabwe te Harare (1955–1980), het Consulaat-Generaal in Kenya te Nairobi (1955–1964), de Britse gebiedsdelen in Amerika, het Consulaat op de Bahama’s te Nassau (1961–1965), de Britse gebiedsdelen in Azië, het Consulaat-Generaal in Hongkong te Hongkong (1955–1964), het Consulaat in Zuid-Jemen te Aden (1952–1969), het Consulaat-Generaal in Singapore te Singapore (1955–1964), de Britse gebiedsdelen in Europa, het Consulaat, later Consulaat-Generaal op Malta te Valetta (1953–1965) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum is het dossier onder dit inventarisnummer niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 410 | 2039 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste"},{"i":17840,"b":"Wet van 14 juli 1966, tot toekenning van gedeeltelijke compensatie voor de ingevolge de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1956, 281) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (Stb. 1959, 139) geheven premie over een buitengewoon pensioen krachtens de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1947, H 313) en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. 1947, H 420) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is aan degenen, die ter zake van het genot van een buitengewoon pensioen krachtens de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) (**Stb.** 1947, H 313) en de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035) (**Stb.** 1947, H 420) premie verschuldigd zijn ingevolge de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) (**Stb.** 1956, 281) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (**Stb.** 1959, 139), ook nà 31 december 1963 een vergoeding te verlenen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor zover van een persoon ter zake van het genot van een buitengewoon pensioen krachtens de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) (**Stb.** 1947, H 313) of de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035) (**Stb.** 1947, H 420) premie ingevolge de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) (**Stb.** 1956, 281) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (**Stb.** 1959, 139) wordt geheven, wordt hem ten laste van het Rijk een vergoeding verleend. 2. De in het vorige lid bedoelde vergoeding bedraagt zes en zes tiende procent van het over 1964 betaalbaar buitengewoon pensioen en acht en een tiende procent van"},{"i":19112,"b":"Wet van 13 maart 2008 tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het ministerie van Justitie (Reparatiewet III Justitie) Artikel I Wijzigt de Advocatenwet. Artikel II Wijzigt de Auteurswet 1912. Artikel III Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel V Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel VI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 4. Artikel VII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 5. Artikel VIII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IX Wijzigt de Databankenwet. Artikel X Wijzigt de Faillissementswet. Artikel XI Wijzigt de Luchtvaartwet. Artikel XII Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel XIII Wijzigt de Politiewet 1993. Artikel XIV Wijzigt de Uitleveringswet. Artikel XV Wijzigt de Uitvoeringswet verordening Europese coöperatieve vennootschap. Artikel XVI Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel XVII Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel XVIII Wijzigt de Wet beëdigde tolken en vertalers. Artikel XIX Wijzigt de Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten. Artikel XX Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens. Artikel XXI Wijzigt de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Artikel XXII Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel XXIII Wijzigt de Wet Justitie-subsidies. Artikel XXIV Wijzigt de Wet openbaarheid van bestuur. Artikel XXV Wijzigt de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. Artikel XXVI Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel XXVII Wijzigt de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten. Artikel XXVIII Wijzigt de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004. Artikel XXIX Wijzigt de Wet wapens en munitie. Artikel XXX Wijzigt de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten. Artikel XXXI Wijzigt de Wet op d"},{"i":18299,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 5 december 2018, nr. 2018-205996, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Koninkrijksrelaties (Instellingsbesluit werkgroep IBO Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041670&artikel=2&z=2018-12-15&g=2018-12-15). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Koninkrijksrelaties. 2. De werkgroep heeft tot taak interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren naar het beleid ten aanzien van de Caribische delen van het Koninkrijk, conform de taakopdracht zoals op 18 september 2018 gepubliceerd (Kamerstukken Tweede Kamer Vergaderjaar 2018/2019 35 000 nr. 2). 3. Het onderzoek zal moeten resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties worden gegeven waarover vervolgens afweging kan plaatsvinden. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en 8 leden. 2. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd dhr. mr. J. Recourt. 3. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: - –. Dhr. drs. N. Kastelein (Ministerie van Financiën) - –. Dhr. drs. D.J. Bonnet (Ministerie van BZK) - –. Dhr. mr. dr. L. van Poelgeest (Ministerie van AZ) - –. Dhr. drs. H.P. Barnard (Ministerie van VWS) - –. Mw. drs. A.A. Buiteveld (Ministerie van OCW) - –. Dhr. ir. H. Ton (Ministerie van SZW) - –. Dhr. drs. R.W. Huyser (Ministerie van I&W) - –. Dhr. ir. E.C.R.H. Eijkelberg MBA (Ministerie van EZK) - –. vacant (Ministerie van J&V) 4. De leden van de werkgroep werkzaam voor de overheid kunnen bij afwezigheid of verandering van baan vervangen worden door een collega van dezelfde werkgever. 5. De werkgroep kan beslui"},{"i":13635,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 december 2011, nr. 5719823/11 houdende instelling van de Taskforce internationale misdrijven (Instellingsbesluit Taskforce internationale misdrijven) Handelende in overeenstemming met de ministers van Buitenlandse Zaken en voor Immigratie en Asiel; Besluit: Artikel 1 Er is een Taskforce internationale misdrijven, hierna te noemen: de Taskforce. Artikel 2 De Taskforce levert een bijdrage aan het bereiken van de volgende doelstellingen: - 1. maximale inzet om migratieprocedures en beoordelingsprocessen zodanig in te richten dat de instroom van (vermoedelijke) plegers van internationale misdrijven in Nederland evenals de uitgifte van verblijfstatussen en het toekennen van Nederlanderschap aan deze vreemdelingen wordt voorkomen; - 2. inrichting en uitvoering van relevante processen binnen de Immigratie- en Naturalisatiedienst waarmee plegers van internationale misdrijven het Nederlanderschap wordt ontnomen; - 3. zorg dragen dat het terugkeerproces dusdanig wordt ingericht dat een maximale inspanning wordt geleverd om het aantal uitzettingen van (vermoedelijke) plegers van internationale misdrijven te bereiken; - 4. maximale inzet op verruiming van de mogelijkheden voor uitlevering en overdracht van strafvervolging van plegers van internationale misdrijven; - 5. intensiveren van de bijdrages aan de rechtstaatopbouw in landen van herkomst, zodat het lokale justitiële systeem versterkt wordt en aan de onder 4 genoemde processen gevolg kan worden gegeven; - 6. bevorderen van een toename van het aantal opsporingsonderzoeken en/of strafzaken – uitgevoerd door het Landelijk Parket en de Nationale Recherche – jegens plegers van internationale misdrijven; - 7. identificeren en activeren van overige (rechts)middelen die dienstbaar kunnen zijn voor het verwezenlijken van de missie dat Nederland geen veilige haven mag zijn voor verdachten van deze misdrijven. Artikel 3 De Taskforce heeft tot taak: - 1. het leiding gev"},{"i":4937,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 april 2018, 2018-0000050694, houdende het verlenen van mandaat aan Kiwa in verband met het uitvoeren van certificatiewerkzaamheden voor vuurwerkdeskundige (Mandaatregeling certificatie vuurwerkdeskundige) Gezien het verzoek van Kiwa Nederland B.V. te Rijswijk; Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1. Definitiebepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besluiten te nemen; - b. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - c. **vertegenwoordigingsbevoegdheid:** de bevoegdheid om namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, onder diens verantwoordelijkheid en met inachtneming van diens algemene en bijzondere aanwijzingen, besluiten te nemen, dan wel handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - d. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheidprivaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. **Kiwa:** Kiwa Nederland B.V. te Rijswijk. Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging Aan de directeur van Kiwa wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot: - a. het nemen van besluiten, alsmede het verrichten van de hiervoor benodigde werkzaamheden met betrekking tot de verlening, schorsing en intrekking van certificaten die rechtens toekomen aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond van [artikel 20, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=20) jo. [artikel 4.9, tweede lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https:/"},{"i":4940,"b":"Mandaatregeling Defensievastgoed handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); BESLUIT: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Defensie; - b. **defensievastgoed:** onroerende zaken die benodigd zijn voor de uitoefening van defensietaken en die niet onder het Rijkshuisvestingstelsel vallen; - c. **directeur-generaal:** de directeur-generaal van het Rijksvastgoedbedrijf; - d. **directeur:** directeur van het Rijksvastgoedbedrijf; - e. **mandaat:** de bevoegdheid om namens de staatssecretaris publiekrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - f. **volmacht:** de bevoegdheid om namens de staatsecretaris voor de Staat der Nederlanden privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - g. **machtiging:** de bevoegdheid om namens de staatssecretaris handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Gelijkstelling Voor de toepassing van deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder mandaat tevens verstaan volmacht en machtiging. Artikel 3. Mandaat 1. Aan de directeur-generaal wordt mandaat verleend met betrekking tot aangelegenheden op het terrein van defensievastgoed. 2. Mandaat wordt niet verleend met betrekking tot: - a. aangelegenheden die de uitvoeringsovereenkomst tussen het ministerie van Defensie en het Rijksvastgoedbedrijf te buiten gaan; - b. het vaststellen van een algemeen verbindend voorschrift; - c. het beslissen op een bezwaarschrift; - d. het beslissen op een beroepschrift. Artikel 4. Ondermandaat 1. De directeur-generaal is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen. 2. De directeur-generaal is bevoegd om bij het verlenen van ondermandaat aan de directeuren tevens de bevoegdheid toe te ken"},{"i":7826,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën 10 oktober 2025, nr. 2025-16407, over bemiddeling bij effectentransacties (Besluit bemiddeling bij effectentransacties) **De Staatssecretaris van Financiën,** **Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel i van de Wet op de omzetbelasting 1968.** **Besluit:** 1. Inleiding Bemiddeling bij een effectentransactie is een van de btw vrijgestelde handeling. Dit besluit geeft aanwijzingen over de reikwijdte van het begrip bemiddeling, specifiek bij een transactie met aandelen. In de praktijk worden verschillende activiteiten verricht als gevolg waarvan een transactie met aandelen tot stand komt. Hierbij zijn vaak dienstverleners betrokken die bijstand bieden aan een partij die via een aandelentransactie haar bedrijf of een belang daarin wil verkopen of een ander bedrijf wil overnemen. Bemiddeling doet zich ook voor bij een handelsfaciliteit waarmee aandelentransacties op een financiële markt (effectenbeurs) tot stand worden gebracht. 2. Gebruikte begrippen en afkortingen 3. Juridisch kader Er geldt een vrijstelling van btw voor handelingen, bemiddeling daaronder begrepen doch uitgezonderd bewaring en beheer, inzake effecten en andere waardepapieren met uitzondering van documenten welke goederen vertegenwoordigen. Deze vrijstelling is in de wet opgenomen in [artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten tweede, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11). De bepaling vindt haar basis in artikel 135, eerste lid, onderdeel f van de btw-richtlijn. 4. Bemiddeling bij effectentransacties 4.1. Algemeen Bemiddeling is volgens vaste jurisprudentie van het HvJ1Zie o.a. HvJ 5 juli 2012, nr. C-259/11 (DTZ Zadelhoff), ECLI:EU:C:2012:423. de handeling (‘het nodige te doen’) opdat partijen een overeenkomst van koop of verkoop sluiten. Bemiddeling is een dienstverrichting ten behoeve van een partij bij die overeenkomst. Door tussenkomst van de bemiddelaar wordt e"},{"i":18278,"b":"Instellingsbesluit Commissie advisering bezwaarschriften Defensie Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het bestuursorgaan:** de Minister onderscheidenlijk de Staatssecretaris van Defensie; - b. **de commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052025&artikel=2&z=2025-12-25&g=2025-12-25); - c. **de minister:** de Minister van Defensie; - d. **het ministerie:** het Ministerie van Defensie. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie advisering bezwaarschriften Defensie. 2. De commissie heeft tot taak te adviseren over het nemen van beslissingen op bezwaar die betrekking hebben op het terrein van het ministerie. 3. Van het bepaalde in het tweede lid is uitgesloten de behandeling van bezwaarschriften waarmee andere adviescommissies of instanties van het ministerie zijn belast. 4. De voorzitter van de commissie kan de behandeling van een bezwaarschrift overdragen aan een andere adviescommissie of instantie van het ministerie. Artikel 3. Samenstelling 1. De commissie bestaat uit ten minste een voorzitter en twee leden. 2. De voorzitter draagt ervoor zorg dat aan de behandeling van een bezwaarschrift in ieder geval deelnemen: - a. een lid, werkzaam bij de Directie Juridische Zaken van het ministerie; - b. een lid, werkzaam bij het Directoraat-Generaal Beleid van het ministerie. 3. Indien het bezwaarschrift betrekking heeft op een besluit waarbij de Militaire Luchtvaart Autoriteit in de voorbereiding betrokken is geweest draagt de voorzitter er voorts voor zorg dat een staflid van de Militaire Luchtvaart Autoriteit aan de behandeling deelneemt. 4. De aangewezen leden mogen niet rechtstreeks bij de totstandkoming van het bestreden besluit betrokken zijn geweest. 5. Van de samenstelling van de commissie wordt de indiener van het bezwaarschrift in kennis gesteld. Artikel 4. Benoeming, vergoeding en ontslag 1. De voorzitter van de commissie wordt door de minister benoemd. 2. Er k"},{"i":9131,"b":"Protocol Nr. 2 bij de Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten, betreffende interterritoriale samenwerking Preamble The member States of the Council of Europe signatory to this Protocol No. 2 to the [European Outline Convention on Transfrontier Co-operation between Territorial Communities or Authorities](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004011), Considering the conclusion of the [Additional Protocol to the Outline Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001289), on 9 November 1995, concerning the legal effects of acts performed within the framework of transfrontier co-operation and of the legal status of any co-operation bodies set up by transfrontier co-operation agreements; Considering that in order to perform their functions effectively, territorial communities or authorities are increasingly co-operating not only with neighbouring authorities of other States (transfrontier co-operation), but also with foreign non-neighbouring authorities having common interests (interterritorial co-operation), and are doing so not only within the framework of transfrontier co-operation bodies and associations of territorial communities or authorities but also at bilateral level; Bearing in mind the Vienna Declaration of 1993 of the Heads of State and government of the member States, which recognised the role of the Council of Europe in the creation of a tolerant and prosperous Europe through transfrontier co-operation of territorial communities or authorities; Noting that in the field of interterritorial co-operation there is no instrument comparable to the [Outline Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004011); Wishing to give interterritorial co-operation an international legal framework, Have agreed the following provisions: Article 1 For the purpose of this Protocol, “interterritorial co-operation” shall mean any concerted action designed to establish relations b"},{"i":9132,"b":"Protocol Nr. 3 bij de Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten betreffende Euroregionale samenwerkingsverbanden (ESVs) Preambule De lidstaten van de Raad van Europa die dit derde Protocol bij de Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten (ETS nr. 106) hebben ondertekend, Geleid door de wens de samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten die behoren tot verschillende staten in overeenstemming met de politieke en administratieve structuren en internationale verplichtingen van die staten te vergemakkelijken; Vastbesloten om hiertoe het juridisch kader verschaft door de [Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004011) en de [Protocollen daarbij van 9 november 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001289) (ETS nr. 159) en [5 mei 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001410) (ETS nr. 169) aan te vullen; Gelet op de verklaring van de Derde Top van staatshoofden en regeringsleiders van de Raad van Europa (Warschau, 16 en 17 mei 2005) en het tijdens de Top aangenomen Actieplan, dat voorziet in de ontwikkeling van „grensoverschrijdende samenwerking, waar nodig”; Zich bewust van de verschillen tussen staten wat betreft de politieke en bestuurlijke organisatie van territoriale gemeenschappen en autoriteiten; Geleid door de wens problemen te voorkomen die zouden kunnen voortvloeien uit de verscheidenheid aan nationale wetgeving op het gebied van grensoverschrijdende of interterritoriale samenwerking; Geleid door de wens te voldoen aan de behoeften van die lidstaten die vastbesloten zijn hun nationale wetgeving verder te harmoniseren; Zich ervan bewust dat kaderwetgeving voor een aantal lidstaten toereikend kan zijn, in het bijzonder gelet op de huidige stand van hun natio"},{"i":9136,"b":"Protocol over de bezwaren van het Ierse volk ten aanzien van het Verdrag van Lissabon het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna de “hoge verdragsluitende partijen” genoemd, Herinnerend aan het besluit van de staatshoofden en regeringsleiders van de 27 lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Europese Raad bijeen op 18-19 juni 2009, over de bezwaren van het Ierse volk ten aanzien van het Verdrag van Lissabon; Herinnerend aan de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders, in het kader van de Europese Raad bijeen op 18-19 juni 2009, dat zij, wanneer het volgende toetredingsverdrag wordt gesloten, de bepalingen van dat besluit in een protocol zouden opnemen, dat overeenkomstig de respectieve constitutionele voorschriften van hun staten aan het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) zal worden gehecht; Gezien de ondertekening door de hoge verdragsluitende partijen van het Verdrag tussen de hoge verdragsluitende partijen en de Republiek Kroatië betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie; Hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen, welke aan het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werk"},{"i":9145,"b":"Protocol tot wijziging van de internationale Regeling tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, Parijs, 18 mei 1904, en van het Verdrag tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, Parijs, 4 mei 1910 De Partijen bij dit Protocol, overwegende, dat krachtens de [Internationale Regeling tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005574), ondertekend te Parijs op 18 Mei 1904, en het [Verdrag tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005727), ondertekend te Parijs op 4 Mei 1910, de Regering van de Franse Republiek belast was met zekere functies; overwegende, dat genoemde Regering heeft aangeboden de door haar krachtens voornoemde Overeenkomsten uitgeoefende functies over te dragen aan de Verenigde Naties en overwegende, dat het dienstig is, dat de Verenigde Naties deze functies van nu af op zich nemen, komen hierbij als volgt overeen: Artikel 1 De Partijen bij dit Protocol verbinden zich om ten opzichte van elkander, ieder voorzover betreft de Akten, waarbij zij Partij is, en overeenkomstig de bepalingen van dit Protocol, volledige rechtskracht toe te kennen aan de wijzigingen van de Akten, welke in de Bijlage van dit Protocol zijn vermeld, alsmede om deze in werking te doen treden en de toepassing er van te verzekeren. Artikel 2 De Secretaris-Generaal stelt de tekst op van de [Internationale Regeling van 18 Mei 1904 tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005574) en van het [Verdrag van 4 Mei 1910 tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005727), als herzien overeenkomstig dit Protocol, en zendt afschriften hiervan ter kennisneming aan de Regeringen van elk Lid van de Verenigde Naties en van elke Staat niet-Lid, door wie dit Protocol kan worden ondertekend of aanvaard. Hij nodigt"},{"i":9137,"b":"Protocol tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Protocol, Bewust van de dringende noodzaak van het voorkomen, bestrijden en uitbannen van de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, aangezien deze activiteiten schadelijke gevolgen hebben voor de veiligheid van elke Staat, elke regio en de wereld in haar geheel, en een bedreiging vormen voor het welzijn van volkeren, voor hun sociale en economische ontwikkeling en hun recht in vrede te leven, Derhalve overtuigd van de noodzaak voor alle Staten hiertoe alle passende maatregelen te nemen, met inbegrip van internationale samenwerking en andere maatregelen op regionaal en mondiaal niveau, In herinnering roepend resolutie 53/111 van de Algemene Vergadering van 9 december 1998, waarin de Vergadering heeft besloten ad hoc een speciaal open intergouvernementeel comité in te stellen teneinde een allesomvattend internationaal verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad op te stellen en, het opstellen van, onder meer, een internationaal instrument te bespreken ter bestrijding van de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, Indachtig het beginsel van gelijke rechten en zelfbeschikking van volkeren, zoals vastgelegd in het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en de Verklaring inzake de beginselen van internationaal recht inzake vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties, Ervan overtuigd dat aanvulling van het [Verdrag van de Verenigde Naties tegen transnationale georganiseerde misdaad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001668) met een internationaal instrument tegen de illegale vervaa"},{"i":9138,"b":"Protocol ter uitvoering van artikel 1, lid 2, van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op het [Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117), ondertekend te Brussel op 31 maart 1965, Verlangende de overeenkomsten, getekend door de Verdragsluitende Partijen, aan te wijzen, welker bepalingen als gemeenschappelijke rechtsregels in de zin van [artikel 1, lid 2, van genoemd Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&artikel=1) dienen te worden beschouwd, Gelet op het advies van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad van 29 november 1968. Hebben tot dat doel besloten een Protocol te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 Ter uitvoering van [artikel 1, lid 2 van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&artikel=1) worden als gemeenschappelijke rechtsregels aangewezen: - A. voor de toepassing van [Hoofdstuk III van genoemd Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117&hoofdstuk=III) de bepalingen opgenomen in: - 1°. het [Verdrag tot unificatie van accijnzen en van het waarborgrecht tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005676) en [Protocol](onbekend), ondertekend te 's-Gravenhage op 18 februari 1950; aangevuld bij: - a). het Derde Protocol bij het Verdrag tot unificatie van accijnzen en van het waarborgrecht van 18 februari 1950, ondertekend te 's-Gravenhage op 11 december 1958, - b). het Vierde Protocol bij het Verdrag tot unificatie van accijnzen en van het waarborgrecht van 18 februari 1950, ondertekend te 's-Gravenhage op 29 maart 1962, en - c). het Vijfde Protocol bij het"},{"i":9139,"b":"Protocol tot aanpassing van de institutionele aspecten van de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Roemenië, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „de lidstaten\" te noemen, en De Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „de Gemeenschap\" te noemen, enerzijds, en Roemenië anderzijds, Gelet op de Europa-overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Roemenië, anderzijds, die op 1 februari 1993 te Brussel werd ondertekend en op 1 februari 1995 in werking is getreden, hierna „de Europa-overeenkomst\" te noemen, Overwegende dat de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden op 1 januari 1995 lid zijn geworden van de Europese Unie, Besloten hebbende om in onderling overleg de in de Europa-overeenkomst aan te brengen aanpassingen van de institutionele aspecten vast te stellen, in verband met de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: Artikel 1 De Republiek O"},{"i":9141,"b":"Protocol tot aanvulling van de Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale samenwerkingsverbanden of autoriteiten ondertekend te Brussel op 12 september 1986 De Regering van het Koninkrijk België, de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op de Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale samenwerkingsverbanden of autoriteiten, Gelet op het advies van 14 juni 1997 van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad, Overwegende dat het nodig is gebleken zekere bepalingen van genoemde Overeenkomst, aan te vullen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Wijzigt de Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen samenwerkingsverbanden of autoriteiten. Artikel 2 Wijzigt de Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen samenwerkingsverbanden of autoriteiten. Artikel 3 Wijzigt de Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen samenwerkingsverbanden of autoriteiten. Artikel 4 1. Dit Protocol is onderworpen aan bekrachtiging en de akten van bekrachtiging zullen worden neergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie. 2. Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de datum van de neerlegging van de laatste akte van bekrachtiging. TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend. GEDAAN te Brussel, op 22.9.1998 in drievoud, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek. **Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,** (w.g.) E. RÖELL **Voor de Regering van het Koninkrijk België,** (w.g.) E. DERYCKE **Voor de Regering van het Groothertogdom Luxemburg,** (w.g.) J. F. POOS"},{"i":9142,"b":"Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat De Staten-Partijen bij dit Protocol, Als partijen bij het [Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van de zeevaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002724), Erkennend dat de redenen waarom het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002724) werd opgesteld ook gelden voor vaste platforms op het continentale plat, Rekening houdend met de bepalingen van dat [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002724), Bevestigend dat aangelegenheden die niet door dit Protocol worden geregeld, beheerst blijven door de regelen en beginselen van algemeen internationaal recht, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. De bepalingen van [artikel 1, eerste lid, sub c, d, e, f, g, h, en tweede lid, sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002724&artikel=1), en van de [artikelen 2bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002724&artikel=2bis), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002724&artikel=5), [5bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002724&artikel=5bis), 5, 5**bis** en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002724&artikel=7), en van de [artikelen 10 tot en met 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002724&artikel=10), met inbegrip van de [artikelen 11bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002724&artikel=11bis), [11ter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002724&artikel=11ter) en [12bis van het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002724&artikel=12bis), zoals gewijzigd bij het Protocol van 2005 bij het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart zijn van overeenkomstige toepassing op de strafbare feiten omschreven in de artikelen 2, 2**bis** en 2**ter** van dit Protocol, indien d"},{"i":9140,"b":"Protocol tot aanpassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte De Europese Economische Gemeenschap, De Europese Gemeenschap van Kolen en Staal, Het Koninkrijk België, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Helleense Republiek, De Franse Republiek, Ierland, De Italiaanse Republiek, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Portugese Republiek, Het Koninkrijk Spanje, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en, De Republiek Finland, De Republiek IJsland, Het Vorstendom Liechtenstein, Het Koninkrijk Noorwegen, De Republiek Oostenrijk, Het Koninkrijk Zweden, hierna de „overeenkomstsluitende partijen” genoemd; Overwegende dat de [Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001070), hierna de EER-Overeenkomst genoemd, op 2 mei 1992 te Porto werd ondertekend; Overwegende dat in [artikel 129, lid 2, van de EER-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001070&artikel=129) is bepaald dat deze door de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen zal worden bekrachtigd of goedgekeurd; Overwegende dat het duidelijk is geworden dat een van de ondertekenaars van de [EER-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001070), de Zwitserse Bondsstaat, niet in staat is de EER-Overeenkomst te bekrachtigen; Overwegende dat de andere ondertekenaars van de [EER-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001070) nog steeds volledig achter de doelstellingen van de Overeenkomst staan en vastbesloten zijn deze zo spoedig mogelijk ten uitvoer te leggen; Overwegende dat een nieuwe datum voor de inwerkingtreding van de [EER-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001070) moet worden vastgesteld; Overwegende dat bijzondere bepalingen moeten worden opgesteld om de [EER-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001070) ten aanzien van het Vorstendom L"},{"i":9143,"b":"Protocol tot uitbanning van illegale handel in tabaksproducten Preambule De Partijen bij dit Protocol, Overwegend dat de zesenvijftigste Wereldgezondheidsvergadering op 21 mei 2003 bij consensus het [WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001706) heeft aangenomen dat op 27 februari 2005 in werking is getreden; Erkennend dat het [WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001706) een van de snelst bekrachtigde VN-verdragen is alsmede een fundamenteel instrument voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de Wereldgezondheidsorganisatie; Herinnerend aan de [preambule van het Statuut van de Wereldgezondheidsorganisatie](onbekend), waarin wordt verklaard dat het genot van het hoogst haalbare niveau van gezondheid een van de grondrechten van ieder mens is, zonder onderscheid naar ras, godsdienst, politieke overtuiging of economische of sociale omstandigheden; Voorts vastbesloten prioriteit te verlenen aan hun recht de volksgezondheid te beschermen; Ernstig bezorgd over het feit dat de illegale handel in tabaksproducten bijdraagt aan de verbreiding van de tabaksepidemie die een mondiaal probleem is met ernstige gevolgen voor de volksgezondheid, dat noopt tot doeltreffende, passende en allesomvattende nationale en internationale maatregelen; Voorts erkennend dat de illegale handel in tabaksproducten de prijs- en belastingmaatregelen ten behoeve van tabaksontmoediging ondermijnt en daarmee de beschikbaarheid en betaalbaarheid van tabaksproducten verhoogt; Ernstig bezorgd over de negatieve gevolgen van de toegenomen beschikbaarheid en betaalbaarheid van illegaal verhandelde tabaksproducten voor volksgezondheid en welzijn, in het bijzonder van jongeren, armen en andere kwetsbare groepen; Ernstig bezorgd over de buitenproportionele economische en sociale gevolgen van de illegale handel in tabaksproducten voor ontwikkelingslanden en landen met een overgangseconomie; Zich bewust van de"},{"i":9144,"b":"Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Franse Republiek, President van de Franse Unie, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en van Haar andere Rijken en Gebieden, Hoofd van het Gemenebest, Partijen bij het op 17 Maart 1948 te Brussel ondertekende [Verdrag van economische, sociale en culturele samenwerking en collectieve zelfverdediging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005480), hierna te noemen het Verdrag, te ener zijde, en de President van de Bondsrepubliek Duitsland en de President van de Italiaanse Republiek, te anderer zijde, Bezield met de gemeenschappelijke wil, de vrede en veiligheid te versterken; Verlangend te dien einde de Europese eenheid te bevorderen en de geleidelijke integratie van Europa aan te moedigen; Ervan overtuigd dat de toetreding van de Bondsrepubliek Duitsland en van de Italiaanse Republiek tot het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005480) een nieuwe en belangrijke stap zal betekenen op de weg naar de verwezenlijking van deze doelstellingen; In aanmerking genomen hebbende de besluiten van de Londense Conferentie zoals deze zijn vervat in de Slotakte van 3 October 1954 en de daarbij behorende Bijlagen; Hebben als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen Zijne Excellentie de Heer Paul-Henri Spaak, Minister van Buitenlandse Zaken, De President van de Franse Republiek, President van de Franse Unie Zijne Excellentie de Heer Pierre Mendès-France, Voorzitter van de Ministerraad, Minister van Buitenlandse Zaken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland Zijne Excellentie de Heer Konrad Adenauer, Bondskanselier, Bondsminister van Buitenlandse Zaken, De President van de Italiaanse Republiek Zijne Excellentie de Heer Gaetano Martino, Minister van Buitenlands"},{"i":9146,"b":"Protocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake zeevervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Regering van de Volksrepubliek China, anderzijds Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten” genoemd, en de Europese Unie enerzijds, en de Regering van de Volksrepubliek China, anderzijds, Gezien de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie per 1 juli 2013, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Republiek Kroatië treedt toe tot de [Overeenkomst inzake zeevervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de regering van de Volksrepubliek China anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001596), die is ondertekend te Brussel op 6 december 2002 en in werking is getreden op 1 maart 2008 (hierna de „overeenkomst” genoemd). Artikel 2 De tekst van de [overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001596) in de Kroatische taal, die als bijlage aan dit Protocol is gehecht, is authentiek onder dezelfde voorwaarden als de andere teksten die zijn opgesteld overeenkomstig [artikel 14 van de overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001596&artikel=14). Artikel 3 De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar via diplomatieke kanalen op de hoogte van de interne juridische procedures voor de inwerkingtreding van dit protocol. Het protocol treedt i"},{"i":9148,"b":"Protocol tot wijziging van het Europees Sociaal Handvest De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Protocol bij het Europees Sociaal Handvest, dat op 18 oktober 1961 te Turijn voor ondertekening werd opengesteld (hierna te noemen „het Handvest\") hebben ondertekend, Vastbesloten maatregelen te nemen ter verbetering van de doeltreffendheid van het Handvest, en met name de werking van de regeling van het toezicht; Overwegende daarom dat het wenselijk is, enkele bepalingen van het Handvest te wijzigen, Zijn als volgt overeengekomen: Article 1 Wijzigt het Europees Sociaal Handvest; Turijn, 18-10-1961 Article 2 Wijzigt het Europees Sociaal Handvest; Turijn, 18-10-1961 Article 3 Wijzigt het Europees Sociaal Handvest; Turijn, 18-10-1961 Article 4 Wijzigt het Europees Sociaal Handvest; Turijn, 18-10-1961 Article 5 Wijzigt het Europees Sociaal Handvest; Turijn, 18-10-1961 Article 6 Wijzigt het Europees Sociaal Handvest; Turijn, 18-10-1961 Artikel 7 1. Dit Protocol staat open voor ondertekening door de Lidstaten van de Raad van Europa die het Handvest hebben ondertekend, die hun instemming gebonden te worden tot uitdrukking kunnen brengen door: - a. ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of - b. ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. 2. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Artikel 8 Dit Protocol treedt in werking op de dertigste dag na de datum waarop alle overeenkomstsluitende Partijen bij het Handvest in overeenstemming met de bepalingen van artikel 7 hun instemming door het Protocol te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht. Artikel 9 De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de Lidstaten van de Raad in kennis van: - a. alle ondertekeningen; - b. de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; - c. de da"},{"i":9150,"b":"Protocol tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Japan inzake de regeling van het vraagstuk betreffende zekere soorten particuliere vorderingen van Nederlandse onderdanen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Japan, Verlangend het vraagstuk te regelen betreffende zekere particuliere vorderingen van Nederlandse onderdanen, welke de Regering van Japan vrijwillig zou kunnen wensen af te wikkelen, zoals te kennen werd gegeven in de tussen de Minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden, Dirk U. Stikker, en de Minister-President van Japan, Sjigeroe Josjida, gewisselde brieven van 7 en 8 september 1951, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Teneinde uitdrukking te geven aan haar deelneming met, en haar leedwezen te betuigen voor, het aan Nederlandse onderdanen gedurende de tweede wereldoorlog door instanties van de Regering van Japan toegebrachte leed, zal de Regering van Japan vrijwillig, bij wijze van smartegeld, de tegenwaarde van U.S. $ 10.000.000 in ponden sterling uitkeren aan de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden ten behoeve van die Nederlandse onderdanen. Artikel II 1. De Regering van Japan zal de in artikel I bepaalde som aan de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden betalen in vijf jaarlijkse termijnen beginnend met het Japanse belastingjaar waarin de datum van de inwerkingtreding van dit Protocol valt, elke jaarlijkse termijn zijnde de tegenwaarde van U.S. $ 2.000.000 in ponden sterling. 2. Het in lid 1 hierboven bedoelde bedrag in ponden sterling wordt berekend tegen de door het Internationale Monetaire Fonds vastgestelde pariwaarde van het pond sterling, welke op het tijdstip van zulk een betaling geldt. Artikel III De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden bevestigt, dat noch zijzelf, noch enig Nederlands onderdaan, tegen de Regering van Japan enigerlei vordering zal instellen betreffende het leed dat is toegebracht door instanties van de Regering van Jap"},{"i":5231,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 februari 2017, nr. WJZ/16156007, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het voorjaar van 2017 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2017) Gelet op [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3, eerste lid, onderdelen a en c, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel c, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25), [27, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [43a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=43a), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":18657,"b":"Wet van 3 juni 1992, tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Ambtenarenwet 1929, de Beroepswet en enkele andere wetten (integratie raden van beroep/Ambtenarengerechten en arrondissementsrechtbanken; vereenvoudiging regelingen vorming en bezetting kamers) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het kader van de herziening van de rechterlijke organisatie een personele en organisatorische integratie van de raden van beroep/Ambtenarengerechten en de arrondissementsrechtbanken tot stand te brengen, en dat het mede in verband daarmee wenselijk is de regelingen betreffende de vorming en bezetting van de kamers van de rechterlijke colleges te vereenvoudigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XXI"},{"i":9155,"b":"Protocol van 1988 bij het Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op zee, 1974 De Partijen bij dit Protocol, Partij zijnde bij het [Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264), gedaan te Londen op 1 november 1974, Erkennende de behoefte aan het opnemen in bovenvermeld Verdrag van bepalingen inzake het onderzoek en de afgifte van certificaten die zijn geharmoniseerd met de overeenkomstige bepalingen in andere internationale akten, Overwegende dat in deze behoefte het best kan worden voorzien door het sluiten van een Protocol bij het Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee, 1974, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Algemene verplichtingen 1. De Partijen bij dit Protocol verbinden zich ertoe uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Protocol en van de Bijlage daarbij, die een integrerend deel van dit Protocol vormt. Elke verwijzing naar dit Protocol houdt tegelijkertijd een verwijzing naar de Bijlage in. 2. Tussen de Partijen bij dit Protocol zijn de bepalingen van het [Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee, 1974](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264), zoals gewijzigd, (hierna te noemen „het Verdrag”), van toepassing onder voorbehoud van de wijzigingen en aanvullingen vervat in dit Protocol. 3. Ten aanzien van schepen die zijn gerechtigd de vlag te voeren van een Staat die geen Partij bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264) en dit Protocol is, passen de Partijen bij dit Protocol de bepalingen van het Verdrag en dit Protocol toe voor zover nodig om te verzekeren dat zulke schepen geen gunstiger behandeling wordt toegekend. Artikel II. Eerdere verdragen 1. Tussen de Partijen bij dit Protocol treedt dit Protocol in de plaats van het Protocol uit 1978 bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264). 2. Niettegenstaande andere bepalingen van dit Protocol, blijft"},{"i":9158,"b":"Protocol van 1996 bij het Koopvaardijverdrag (minimumnormen), 1976 De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar vierentachtigste zitting op 8 oktober 1996; en Gelet op de bepalingen van [artikel 2 van het Koopvaardijverdrag (minimumnormen)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003738&artikel=2) 1976 (hierna te noemen „het Hoofdverdrag\"), waarin met name wordt bepaald: „Ieder Lid dat dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003738) bekrachtigt neemt de verplichting op zich om: ten aanzien van schepen die teboekgesteld zijn binnen zijn grondgebied, wetgeving uit te vaardigen met betrekking tot: veiligheidsnormen, met inbegrip van normen voor de vakbekwaamheid, werktijden en de samenstelling van de bemanning van het schip, teneinde de veiligheid van mensenlevens aan boord van het schip te waarborgen; passende maatregelen op het gebied van de sociale zekerheid; werk- en leefomstandigheden aan boord, voor zover deze, naar de mening van dat Lid, niet vallen onder collectieve arbeidsovereenkomsten of zijn vastgesteld door bevoegde rechterlijke colleges op een wijze die de betrokken reders en zeevarenden gelijkelijk bindt; en zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van deze wetgeving wezenlijk gelijkwaardig zijn aan de Verdragen of artikelen van Verdragen waarnaar wordt verwezen in de [Bijlage bij dit Verdrag](onbekend), voor zover dat Lid niet anderszins gehouden is uitvoering te geven aan de betrokken Verdragen\"; en Tevens gelet op de bepalingen van [artikel 4, eerste lid, van het Hoofdverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003738&artikel=4), waarin wordt bepaald: „Indien een Lid dat dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003738) heeft bekrachtigd en in welks haven een schip binnenloopt in de gewone uitoefening van zijn dienst of om bedrijfstechnische redenen, een klacht ontvangt of bewi"},{"i":9159,"b":"Protocol van 1996 tot wijziging van het Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, 1976 De Partijen bij dit Protocol, De wenselijkheid erkennende van wijziging van het [Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003239), gedaan te Londen op 19 november 1976, teneinde te komen tot een hogere vergoeding en een vereenvoudigde procedure voor aanpassing van de beperkingsbedragen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Protocol betekent: - 1. „Verdrag” het [Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003239). - 2. „Organisatie” de Internationale Maritieme Organisatie. - 3. „Secretaris-Generaal” de Secretaris-Generaal van de Organisatie. Artikel 2 Zie de bijgevoegde geconsolideerde tekst van het Verdrag, zoals gewijzigd bij dit Protocol. Artikel 3 Zie de bijgevoegde geconsolideerde tekst van het Verdrag, zoals gewijzigd bij dit Protocol. Artikel 4 Zie de bijgevoegde geconsolideerde tekst van het Verdrag, zoals gewijzigd bij dit Protocol. Artikel 5 Zie de bijgevoegde geconsolideerde tekst van het Verdrag, zoals gewijzigd bij dit Protocol. Artikel 6 Zie de bijgevoegde geconsolideerde tekst van het Verdrag, zoals gewijzigd bij dit Protocol. Artikel 7 Zie de bijgevoegde geconsolideerde tekst van het Verdrag, zoals gewijzigd bij dit Protocol. Artikel 8. Wijziging van de grenzen 1. Op verzoek van tenminste de helft, doch in geen geval minder dan zes, van de Staten die Partij zijn bij dit Protocol, wordt elk voorstel tot wijziging van de grenzen bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003239&artikel=6), [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003239&artikel=7), en [artikel 8, tweede lid, van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003239&artikel=8), zoals gewijzigd door dit Protocol, door de Sec"},{"i":9164,"b":"Protocol van 3 juni 1999 houdende wijziging van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980 (Protocol 1999) Met toepassing van de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004155&artikel=6) en [19, § 2 van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004155&artikel=19), ondertekend te Bern op 9 mei 1980, hierna te noemen „COTIF 1980”, heeft van 26 mei tot en met 3 juni 1999 te Vilnius de vijfde Algemene Vergadering van de Intergouvernementele organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF) plaatsgevonden. Overtuigd van de noodzaak en het nut van een intergouvernementele organisatie die zich voorzover mogelijk met alle aspecten van het internationale spoorwegvervoer op het niveau van de Staten bezighoudt, overwegende dat met het oog daarop en rekening houdende met de toepassing van de [COTIF 1980](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004155) door 39 staten in Europa, Azië en Afrika, alsook door de spoorwegondernemingen in deze Staten, de OTIF hiervoor de meest aangewezen organisatie is, gelet op de noodzaak de [COTIF 1980](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004155), met name de [Uniforme Regelen CIV](onbekend) en de [Uniforme Regelen CIM](onbekend), aan te passen aan de nieuwe behoeften van het internationale spoorwegvervoer, overwegende dat de veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke goederen in het internationale spoorwegvervoer vereist het RID om te zetten in een publiekrechtelijk stelsel, waarvan de toepassing niet meer afhankelijk is van het sluiten van een vervoerovereenkomst, onderworpen aan de [Uniforme Regelen CIM](onbekend), overwegende dat sinds de ondertekening van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004155) op 9 mei 1980 de politieke, economische en juridische veranderingen die in een groot aantal Lidstaten hebben plaatsgevonden, nopen tot het opstellen en ontwikkelen van uniforme voorschriften die zich uits"},{"i":9175,"b":"Protocol vastgesteld door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie De Hoge Verdragsluitende Partijen bij dit protocol, lidstaten van de Europese Unie, Onder verwijzing naar de akte van de Raad van 16 oktober 2001 tot vaststelling van het protocol bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, Gelet op de conclusies die tijdens de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 zijn aangenomen en de noodzaak deze onverwijld ten uitvoer te brengen met het oog op de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, Rekening houdend met de aanbevelingen die door de deskundigen zijn geformuleerd in de wederzijdse evaluatieverslagen die zijn opgesteld op basis van Gemeenschappelijk Optreden 97/827/JBZ van 5 december 1997, tot instelling van een mechanisme voor evaluatie van de uitvoering en toepassing op nationaal niveau van de internationale verbintenissen inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit1)PB L344 van 15.12.1997, blz. 7., Overtuigd van de behoefte aan aanvullende maatregelen op het gebied van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken ter bestrijding van de criminaliteit, waaronder in het bijzonder de georganiseerde criminaliteit, het witwassen van geld en de financiële criminaliteit, Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die als integraal onderdeel gehecht zullen worden aan de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie van 29 mei 2000, hierna „overeenkomst tot wederzijdse bijstand van 2000\" te noemen: Artikel 1. Verzoek om gegevens over bankrekeningen 1. Iedere lidstaat treft onder de in dit artikel gestelde voorwaarden de maatregelen die nodig zijn om naar aanleiding van een door een andere lidstaat gedaan verzoek"},{"i":9178,"b":"Raamovereenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en het Wereldvoedselprogramma der Verenigde Naties/FAO betreffende hulp van het Wereldvoedselprogramma aan de Nederlandse Antillen Overwegende dat de Regering van de Nederlandse Antillen (hierna te noemen „de Regering”) zich wenst te verzekeren van de hulp van het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties/FAO (hierna te noemen „het Wereldvoedselprogramma”) en Overwegende dat het Wereldvoedselprogramma bereid is op uitdrukkelijk verzoek van de Regering zodanige hulp te verlenen, Zijn de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen „de Regering van het Koninkrijk”), handelend ten behoeve van de Regering van de Nederlandse Antillen, en het Wereldvoedselprogramma deze Overeenkomst aangegaan, waarin de voorwaarden zijn vervat waarop zodanige hulp door het Wereldvoedselprogramma overeenkomstig zijn Algemeen Reglement kan worden verleend en door de Regering kan worden aangewend: Artikel I. Aanvragen voor en overeenkomsten inzake hulpverlening 1. De Regering kan het Wereldvoedselprogramma om hulp in de vorm van voedsel verzoeken zowel ter ondersteuning van economische en sociale ontwikkelingsprojecten als ter leniging van voedselgebrek ontstaan ten gevolge van natuurrampen of andere noodtoestanden. 2. Een aanvraag om hulp wordt normaliter ingediend door de Regering in een door het Wereldvoedselprogramma vastgestelde vorm, door tussenkomst van de Regionale Vertegenwoordiger van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties voor het Caraïbische gebied. 3. De Regering verleent het Wereldvoedselprogramma alle passende faciliteiten en verstrekt het alle gegevens die nodig zijn ter beoordeling van de aanvraag. 4. Wanneer is besloten dat het Wereldvoedselprogramma hulp zal bieden ten behoeve van een ontwikkelingsproject, dienen de Regering en het Wereldvoedselprogramma het eens te worden over een Uitvoeringsplan. Ingeval hulp wordt verleend in noodsituaties, worden, in plaats dat een"},{"i":17773,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vorstendom Monaco inzake de betaling van Nederlandse sociale verzekeringsuitkeringen in Monaco Het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds en het Vorstendom Monaco anderzijds hierna genoemd de „Verdragsluitende Partijen\", Geleid door de wens de betaling van Nederlandse uitkeringen mogelijk te maken aan personen die wonen of tijdelijk verblijven in Monaco, en wensend te komen tot samenwerking tussen de twee Staten betreffende de verificatie van de rechtmatigheid van de betalingen van Nederlandse sociale verzekeringsuitkeringen, Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1. Algemene begripsbepalingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied”: met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, het grondgebied van het Koninkrijk in Europa en met betrekking tot het Vorstendom Monaco, het grondgebied daarvan; - b. „wetgeving”: de wetgeving met betrekking tot de takken van sociale verzekering bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001509&artikel=2&z=2016-07-01&g=2016-07-01); - c. „bevoegde autoriteit”: met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, de Nederlandse Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; met betrekking tot het Vorstendom Monaco, de Regeringsraad voor Sociale Zaken en Gezondheid; - d. „bevoegd orgaan”: met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, het „Landelijk instituut sociale verzekeringen” ten aanzien van de toepassing van de takken van sociale zekerheid bedoeld in [artikel 2 onder a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001509&artikel=2&z=2016-07-01&g=2016-07-01) en als vertegenwoordiger daarvan „Gak Nederland bv” of elk ander orgaan dat gemachtigd is de functies te vervullen die thans door het genoemde bevoegde orgaan worden uitgeoefend, en de „Sociale Verzekeringsbank” ten aanzien van de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2 onder d en e; met betrekking tot het Vorstendom Monaco, het Departeme"},{"i":6362,"b":"Wijziging Regeling loonsuppletie BWOO Pensioenbijdrage over loonsuppletie met ingang van 1 januari 2001 De [regeling loonsuppletie voor herintredende wachtgelders](onbekend) is opgenomen in het [Besluit werkloosheid onderwijs-en onderzoekpersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006445) ([BWOO, artikel 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006445&artikel=38)) en het met ingang van 1/1/2001 (voor nieuwe wachtgelduitkeringen) geldende [Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs](onbekend) ([BBWO, artikel 15](onbekend)). De [regeling loonsuppletie](onbekend) houdt in dat bij het aanvaarden van werk door een wachtgelder onder het oude salarisniveau, recht op loonsuppletie kan bestaan, voorzover de uitkeringsduur nog niet is verstreken. Het verschil tussen het nieuwe en het oude salarisniveau wordt gedurende de eerste helft van de bovenwettelijke uitkeringsduur bijgeplust tot 100%, gedurende de tweede helft tot 90%. Medio 2000 is in de Sectorcommissie Onderwijs en Wetenschappen (SCOW) overeenstemming bereikt overeen pakket maatregelen ter bevordering van de reïntegratie van oudere werklozen. Alle maatregelen zijn erop gericht (oudere) werklozen weer aan het werk te krijgen. In het kader van dat pakket is overeengekomen met ingang van 1 januari 2001 de loonsuppletie op te nemen in het pensioengevend inkomen. Over de loonsuppletie dient dan ook pensioenbijdrage te worden berekend. Het betreft de premies Ouderdomspensioen/nabestaandenpensioen, Invaliditeitspensioen en FPU. Bekostiging pensioenbijdrage loonsuppletie De loonsuppletie wordt berekend en uitbetaald aan de betrokkene (de heringetreden wachtgelder) door USZO. De nieuwe werkgever krijgt de informatie over de hoogte van de uitkering derhalve middels de USZO-uitkeringsgegevens van de betrokkene. De pensioenbijdrage over de loonsuppletie wordt berekend en (bij wijze van bevoorschotting) betaald door de nieuwe we"},{"i":6324,"b":"Wet van 13 september 2000 tot samenvoeging van de gemeenten Broekhuizen, Grubbenvorst en Horst Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Broekhuizen, Grubbenvorst en Horst samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Broekhuizen, Grubbenvorst en Horst opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Horst aan de Maas ingesteld. Artikel 3 De nieuwe gemeente Horst aan de Maas bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Broekhuizen, Grubbenvorst en Horst, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Horst aan de Maas wordt de op te heffen gemeente Horst aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Broekhuizen, Grubbenvorst en Horst wordt de nieuwe gemeente Horst aan de Maas aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. de [artikelen 44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=44), en [45, tweede lid](https://wetten.overheid.n"},{"i":6340,"b":"Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de provinciale indeling van de gemeente Vianen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de provinciale indeling van de gemeente Vianen te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling wordt de gemeente Vianen ingedeeld bij de provincie Utrecht, waarbij de grens tussen de provincies Utrecht en Zuid-Holland wordt gewijzigd, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Wijzigt de Politiewet 1993. Artikel 4 Advocaten en procureurs die kantoor houden in een gemeente die ingevolge deze wet is overgegaan naar een ander arrondissement, worden door de zorg van de betrokken griffiers ingeschreven bij de rechtbank van het nieuwe arrondissement. De procureurs blijven tot vijf jaren na de datum van herindeling tevens ingeschreven bij de rechtbank van het oude arrondissement. [Artikel 61, tweede lid, tweede volzin, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=61) blijft buiten toepassing. Artikel 5 Wijzigt de Kieswet. Artikel 6 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Kaart. genoemd in artikel 1 van de wet tot wijziging van de provinciale indeling van de gemeente Vianen Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6450,"b":"Besluit van 4 september 2009, houdende aanpassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de indexering van bedragen in die bijlage Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 25 juni 2009, nr. 5606743/09/6; Gelet op de [artikelen 7:15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:15), [7:28, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:28), en [8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:75); De Raad van State gehoord (advies van 15 juli 2009, nr. W03.09.0223/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 26 augustus 2009, nr. 5612423/09/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel II Ten aanzien van bezwaar of beroep dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit is ingesteld, blijft de [bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht](onbekend) van toepassing zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6349,"b":"Wijziging algemeen organisatie- en mandaatbesluit SZW Besluit: Artikel 1 In de organisatie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden de volgende wijzigingen aangebracht. - a. De directie Tewerkstelling erkende gewetensbezwaarden militaire dienst wordt opgeheven. - b. De taak van de directie Arbeidsmarkt omvat de zorg voor het beleid op het terrein van de vervangende dienst op grond van de [Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386). - c. De directie Financieel-Economische Zaken is verantwoordelijk voor de uitvoering van de [Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386) ten aanzien van degenen die op grond van die wet van de krijgsdienst zijn vrijgesteld, met inbegrip van de behandeling van alle daarmee verband houdende administratieve werkzaamheden, een en ander voorzover die uitvoering bij dit besluit niet aan anderen is opgedragen. - d. Aan de directeur Financieel-Economische Zaken wordt mandaat verleend met betrekking tot het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op de in onderdeel c. bedoelde taken. - e. De directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden is verantwoordelijk voor: - 1º. de behandeling en begeleiding van gerechtelijke procedures, voortvloeiend uit de toepassing van de [Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386) ten aanzien van degenen die op grond van die wet van de krijgsdienst zijn vrijgesteld; - 2º. het verlenen van ontslag op grond van [artikel 55a van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386&artikel=55a). - f. Aan de directeur Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden wordt mandaat verleend met betrekking tot het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op de in onderdeel e. bedoelde taken. - g. De Secretaris-G"},{"i":17054,"b":"Besluit van 16 mei 2019, houdende regels ter uitvoering van de Wet zorg en dwang voor personen met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap (Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 januari 2019, kenmerk 1470088-166828-WJZ; Gelet op de [artikelen 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=2a), [8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=8), [18c, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=18c), [21, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=21), [54, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=54), en [57, vierde lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=57); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 februari 2019, no W13.19.0015/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 mei 2019, kenmerk 1216583-166828-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **ambulante onvrijwillige zorg:** onvrijwillige zorg, anders dan die in een accommodatie aan een cliënt wordt verleend; - –. **verwerker:** verwerker als bedoeld in artikel 4 (8) van de Algemene verordening gegevensbescherming; - –. **cliëntenvertrouwenspersoon:** cliëntenvertrouwenspersoon als bedoeld in [artikel 57, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=57); - –. **klachtencommissie:** klachtencommissie als bedoeld in [artikel 53 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=53); - –. **persoonsgegevens:** persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4 (1) van de Algemene verordening gegevensbescherming; - –. **verwerk"},{"i":19424,"b":"Besluit van 13 juli 1982, houdende aanwijzing van medebetrokken ministers Wet agrarisch grondverkeer Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 22 maart 1982, No. J. 1565, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Gelet op de artikelen 29, eerste lid, 30, eerste lid, onder **b** en **d**, en tweede lid, 32, derde lid en [artikel 34, van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=34) (**Stb.** 1981, 248); De Raad van State gehoord (advies van 27 april 1982, No. 2163/21/8216); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 7 juli 1982, No. J 2446, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt onder wet de [Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386) (**Stb.** 1981, 248) verstaan. Artikel 2 Als ministers bedoeld in de [artikelen 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=29), [32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=32), en [34, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=34), worden aangewezen: - a. Onze Minister van Defensie; - b. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - c. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 3 Als ministers bedoeld in [artikel 30, eerste lid, onder b en d, en tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=30), worden aangewezen: - a. Onze Minister van Financiën; - b. Onze Minister van Defensie; - c. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - d. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezo"},{"i":18702,"b":"Beleidsregel Boete werknemer 2010 Gelet op [artikel 27a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=27a), [artikel 45a van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=45a), [artikel 29a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=29a), [artikel 48 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=48), [artikelen 2:69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:69) en [3:40 Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:40), [artikel 91 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=91), de [artikelen 3:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:16) en [3:27 van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:27), [artikel 14a van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=14a) en het [Boetebesluit socialezekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011708); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **WW:** [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); - b. **ZW:** [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); - c. **WAO:** [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - d. **WAZ:** [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656); - e. **Wet Wajong:** [Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657); - f. **Wet WIA:** [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); - g. **Wazo:** [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008); - h. **TW:** [Toeslagenwet](https"},{"i":19092,"b":"Regeling houdende vaststelling van het model huisregels voor de penitentiaire inrichtingen, met uitzondering van de Extra Beveiligde inrichting te Vught Gelet op [artikel 5, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=5) Gezien de adviezen van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 11 maart 1998 (685015/98) en 25 juni 1998 (700094/98). Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. wet: Penitentiaire beginselenwet. Artikel 2 1. De directeur van een penitentiaire inrichting stelt, in aanvulling op de bij of krachtens de wet gegeven regels, met inachtneming van het model opgenomen in de bijlage en de daarbij gegeven aanwijzingen huisregels voor zijn inrichting vast. 2. De directeur stelt de huisregels binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze regeling vast. Artikel 3 De regeling treedt in werking op 1 januari 1999. Artikel 4 Deze regeling is niet van toepassing op de Extra Beveiligde Inrichting te Vught. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen. Bijlage | **INTRODUCTIE** | **INTRODUCTIE** | **INTRODUCTIE** | | --- | --- | --- | | **1** | **Algemene bepalingen** | 2 | | **2** | **De inrichting waar u verblijft** | **3** | | 2.1 | Uw afdeling | 3 | | 2.2 | Uw verblijfsruimte | 3 | | 2.2.1 | Meerpersoonscelplaatsing | 3 | | 2.3 | Dagindeling | 3 | | 2.4 | Pasgebruik | 3 | | **3** | **Programma-onderdelen** | **3** | | 3.1 | Luchten | 3 | | 3.2 | Arbeid | 4 | | 3.3 | Lichamelijke oefening en sport | 4 | | 3.4 | Onderwijs en vorming (en MI trajecten) | 4 | | 3.5 | Recreatie | 4 | | 3.6 | Bibliotheek | 4 | | 3.7 | Winkel | 4 | | 3.8 | Bezoek | 5 | | 3.8.1 | Persoonlijk bezoek | 5 | | 3.8.2 | Geprivilegieerd bezoek | 5 | | 3.8.3 | Consulair bezoek | 6 | | 3.8.4 | Presentatie ambassade/consulaat | 6 | | 3.9 | Telefoneren | 6 | | 3.9.1 | Telefoneren met persoonlijke relaties | 6 | | 3.9.2 | Telefoneren met geprivilegieerde contact"},{"i":18355,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 1 december 2025 nummer CvTE-25.012.16, houdende vaststelling van de regeling voor de procedure om te komen tot de beoordelingsnormen van de doorstroomtoets po op Bonaire (de Regeling beoordelingsnormen doorstroomtoets PO Bonaire) Gelet op [artikel 3a, eerste lid, onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a); Gezien de goedkeuring van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 15 december 2025, nummer 1783384, Besluit: Artikel 1. Beoordelingsnormen De regeling voor de procedure om te komen tot de beoordelingsnormen van de doorstroomtoets als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, onderdeel f van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a) op Bonaire wordt vastgesteld als opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052133&bijlage=1&z=2026-01-09&g=2026-01-09) van deze regeling. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beoordelingsnormen doorstroomtoets PO Bonaire. Bijlage 1. De procedure om te komen tot de beoordelingsnormen van de doorstroomtoets PO Bonaire Bijlage behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052133&artikel=1&z=2026-01-09&g=2026-01-09) van de Regeling beoordelingsnormen doorstroomtoets po Bonaire. 1. Inleiding 1.1. Reikwijdte De Regeling beoordelingsnormen doorstroomtoets po Bonaire bevat algemeen verbindende voorschriften voor een toetsaanbieder van een tot het stelsel toegelaten doorstroomtoets po Bonaire. De [Regeling beoordelingskader doorstroomtoets po Bonaire](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050815) schrijft voor dat een toets alleen zal worden erkend als de procedure om te komen tot de beoordelingsnormen"},{"i":18905,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 16 mei 2023 nr. BOACAT2023/024, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de regionale eenheid Noord-Nederland Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Noord-Nederland van 28 april 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048181&artikel=2&z=2024-07-18&g=2024-07-18). Artikel 2 1. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Noord-Nederland. 2. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aang"},{"i":19189,"b":"Richtlijn voor strafvordering Winkeltijdenwet Beschrijving Deze richtlijn voor strafvordering ziet op overtredingen van de [artt. 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007952&artikel=2), [3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007952&artikel=3), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007952&artikel=6) en [8, tweede lid van de Winkeltijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007952&artikel=8). Dit zijn economische delicten op grond van [artikel 1 onder 4° Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1) (Wed). Deze worden in [art. 2 lid 4 Wed](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=2) als overtreding gekwalificeerd. Bij overtreding van de [Winkeltijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007952) is een financiële sanctie passend. Voor de ter onderscheiden situaties gelden de volgende uitgangspunten. Recidive Bij recidive dient de geldboete met 50% te worden verhoogd. Hoorplicht Een strafbeschikking houdende betalingsverplichtingen uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel, die afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan € 2000 (en als de verdachte een rechtspersoon is € 10.000), wordt slechts uitgevaardigd indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, **daaraan voorafgaand is gehoord** door de officier van justitie die de strafbeschikking uitvaardigt ([artikel 257c lid 2 Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257c) en [art 36, lid 2 Wed](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=36)). Eis ter zitting Indien een aangeboden transactie niet is betaald, wordt het aangeboden bedrag, verhoogd met 20% gevorderd. Bij het aanbrengen van de zaak op zitting na een eerder opgelegde strafbeschikking is het uitgangspunt voor de strafeis van de officier van justitie de bij strafbeschikking opgelegde straf. Als er redenen zijn om aan te nemen dat het verzet uitsluitend is gedaan ter uitstel"},{"i":9194,"b":"Regeling van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 23 september 2013, nr. MinBuza-2013.263133, tot vaststelling van een additioneel subsidieplafond voor de toepassing van de artikelen 3.1, 4.1 en 5.19 van de Subsidieregeling internationaal excelleren (demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies en kennisverwerving) Gelet op [artikel 16 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16); Besluit: Artikel I In aanvulling op de subsidieplafonds, vastgesteld bij Regeling van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 1 maart 2013, nr. MinBuZa-2013.17510, tot wijziging van de [Subsidieregeling internationaal excelleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983) en tot vaststelling van enkele subsidieplafonds, geldt voor de toepassing van de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983&artikel=3.1), [4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983&artikel=4.1) en [5.19 van de Subsidieregeling internationaal excelleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983&artikel=5.19) (demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies en kennisverwerving) met betrekking tot de landen Zuid-Korea, Koeweit, Bahrein, Oman, Qatar, Saoedi-Arabië, Verenigde Arabische Emiraten, Singapore, Turkije, Rusland, Brazilië, India, China, Indonesië, Zuid-Afrika, Oekraïne, Egypte, Vietnam, Colombia, Nigeria, Maleisië, Ghana, Kenia, Ethiopië en Bangladesh voor het tijdvak vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2013 een subsidieplafond van € 1 miljoen. Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin deze geplaatst wordt. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13817,"b":"Besluit van de directeur Nationale Crisisbeheersing van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 28 oktober 2024, nr. 5841768, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Nationale Crisisbeheersing NCTV 2024) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Mandaatbesluit NCTV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042181&artikel=1) aan de directeur Nationale Crisisbeheersing verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun afdeling onderscheidenlijk centrum betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van het Nationaal Crisis Centrum; - b. het hoofd van de Afdeling Communicatie. Artikel 2 De in [artikel 1, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050384&artikel=1&z=2024-11-12&g=2024-11-12), genoemde functionarissen wordt toegestaan elkaar volledig te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars bevoegdheden. Artikel 3 Het [Mandaatbesluit Nationale Crisisbeheersing en Bewaken en Beveiligen NCTV 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049341) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2024. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Nationale Crisisbeheersing NCTV 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18310,"b":"Regeling van 15 september 2006, nr. 5443243/06, houdende regels ten aanzien van de behandeling van klachten over de Rijksrecherche (Klachtenregeling Rijksrecherche) Gelet op de [artikelen 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=61) en [62 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=62); Stelt vast de volgende regels over de behandeling, het onderzoek en de afdoening van klachten over de bij de Rijksrecherche werkzame bijzondere ambtenaren van politie en de directeur Rijksrecherche: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. ambtenaar van de rijksrecherche: de ambtenaar van de rijksrecherche, bedoeld in [artikel 2, onder d, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2); - b. ambtenaar: de ambtenaar van de rijksrecherche tegen wie de klacht is ingediend; - c. College: het College van procureurs-generaal; - d. klachtencommissie: de klachtencommissie Rijksrecherche als bedoeld in [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020307&paragraaf=2&artikel=2&z=2025-09-04&g=2025-09-04) en [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020307&paragraaf=3&artikel=12&z=2025-09-04&g=2025-09-04); - e. Minister: de Minister van Veiligheid en Justitie; - f. wet: de [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788). § 2. Klachten over een ambtenaar van de rijksrecherche Artikel 2. De klachtencommissie Rijksrecherche 1. Er is een klachtencommissie Rijksrecherche, die het College gevraagd of ongevraagd adviseert over de afdoening van klachten over een gedraging van een ambtenaar van de rijksrecherche. 2. De klachtencommissie bestaat uit een oneven aantal, doch ten minste drie onafhankelijke leden. 3. De klachtencommissie bestaat uit leden die zijn benoemd in de commissie die adviseert over de afdoening van klachten over het optreden van ambtenaren als bedoeld in [artikel 2, onderdelen a tot en met c, van de wet](https://wetten.overheid."},{"i":9195,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 januari 2019, nr. 2019-0000033998, houdende vaststelling van het model proces-verbaal in verband met de mogelijke toewijzing van extra zetels voor Nederland in het Europees Parlement Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Wet van 12 december 2018, houdende regeling van de mogelijke toewijzing van extra zetels voor Nederland in het Europees Parlement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041821&artikel=3) (Stb. 2019, 7); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet houdende regeling van de mogelijke toewijzing van extra zetels voor Nederland in het Europees Parlement (Stb. 2019, 7) in werking treedt. Artikel 1 Ten behoeve van de vaststelling aan welke lijst of lijsten en aan welke kandidaten op die lijst of lijsten de extra zetels toevallen, bedoeld in [artikel 3 van de Wet van 12 december 2018, houdende regeling van de mogelijke toewijzing van extra zetels voor Nederland in het Europees Parlement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041821&artikel=3) (Stb. 2019, 7), wordt het model voor een proces-verbaal vastgesteld dat in de bijlage van deze regeling is opgenomen. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet van 12 december 2018, houdende regeling van de mogelijke toewijzing van extra zetels voor Nederland in het Europees Parlement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041821) (Stb. 2019, 7) in werking treedt en vervalt met ingang van 1 september 2024. Bijlage. bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041903&artikel=1&z=2019-02-19&g=2019-02-19) Model Met dit formulier doet het centraal stembureau verslag van de zitting welke overeenkomstig [artikel 3 van de Wet van 12 december 2018, houdende regeling van de mogelijke toewijzing van extra zetels voor Nederland in het Europees Parlement is gehouden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041821) (hierna: wet). 1. Zitting ________________________________________________"},{"i":9210,"b":"Rijkswet van 5 juli 2001, houdende goedkeuring van het op 17 juli 1998 totstandgekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 17 juli 1998 totstandgekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden en voorts dat voorzover het Statuut bepalingen bevat die afwijken van de Grondwet, in het bijzonder [artikel 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=42) en [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=71), goedkeuring overeenkomstig [artikel 91, derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) dient te geschieden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 17 juli 1998 totstandgekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, waarvan de definitieve tekst en de vertaling in het Nederlands zijn geplaatst in Tractatenblad 2000, 120, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 De goedkeuring, bedoeld in het vorige artikel, geschiedt voor zover nodig met inachtneming van het bepaalde in [artikel 91, derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91). Artikel 3 Tenzij de desbetreffende verdragswijziging afwijkt van [de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) of tot zodanig afwijken noodzaakt, is de goedkeuring door de Staten-Generaal van wijzigingen van het [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012646&artikel=1&z=2001-07-18&g=2001-07-18) g"},{"i":16764,"b":"Besluit van de Minister van Defensie van 3 augustus 2010, nr. CDC/IVENT/DCDI/SSA 2010007706, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de diensten Protestantse en Rooms-Katholieke Geestelijke Verzorging bij de krijgsmacht (1938) 1945–1982 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van **de diensten Protestantse en Rooms-Katholieke Geestelijke Verzorging bij de krijgsmacht (1938) 1945–1982**, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 38 | 2020 | | 39 | 2020 | | 41 | 2020 | | 205 | 2027 | | 206 | 2027 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028057&artikel=1&z=2010-08-20&g=2010-08-20), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening van de verzoeker van het **Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven.** De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten, danwel het publiceren van gegevens uit archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028057&artikel=1&z=2010-08-20&g=2010-08-20), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemmi"},{"i":9224,"b":"Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System) (GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds De Europese Gemeenschap (hierna de „Gemeenschap” genoemd), en Het Koninkrijk België, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, Ierland, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, De Republiek Hongarije, Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, De Republiek Slovenië, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, De partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de lidstaten”, enerzijds, en De Republiek Korea (hierna „Korea”), anderzijds, hierna gezamenlijk „de partijen”; Gezien de gemeenschappelijke belangen bij de ontwikkeling van een mondiaal navigatiesatellietsysteem (hierna „GNSS”) voor civiel gebruik, Erkennende het belang van GALILEO als een bijdrage tot de navigatie- en informatie-infrastructuur in Europa en Korea, Erkennende het geavanceerde niveau van de satellietnavigatieactiviteiten van Korea, Geziende toenemende ontwikkeling van GNSS-toepassingen in Korea, Europa en andere gebieden in de wereld, Zijn overeengekomen hetgeen volgt: Artikel 1. Doel van de overeenkomst Het doel van de overeenkomst is het stimuleren, faciliteren en versterken van samenwerking tussen de partijen op het gebied van civiele mondiale satellietnavigatie in het kader van Europese en Koreaanse bijdragen aan een civiel mondiaal navigatiesatellietsysteem (GNSS). Artikel 2. Definities In deze overeenkomst wordt verstaan onder: -"},{"i":17355,"b":"Regeling macrobeheersinstrument Zintuiglijk gehandicaptenzorg 2019 Gelet op: van de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) (hierna: Wmg), en op: heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vastgesteld. 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 2. Doel van de nadere regel Deze regeling heeft tot doel de (macro)kosten van de in artikel 1 genoemde zorg te beheersen door middel van een integraal macrobeheersmodel, respectievelijk macrobeheersinstrument (MBI). Om dit doel te bereiken is deze regeling vastgesteld. Hierin zijn voorschriften opgenomen op het gebied van: 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die zintuiglijk gehandicaptenzorg leveren als bedoeld in [artikel 2.5a van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5a). Deze regeling is voorts van toepassing op zorgverzekeraars als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van deze regeling. 4. Administratievoorschriften De zorgaanbieder richt haar administratie op een zodanige wijze in dat daaruit de gerealiseerde omzet als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, kan worden afgeleid. 5. Gegevensverstrekking 6. Accountantscontrole gegevensverstrekking De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat een accountant, als bedoeld in [artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393), de juistheid en volledigheid van de op grond van artikel 5 verstrekte gegevens en inlichtingen vaststelt, overeenkomstig de wijze die in de in artikel 5, tweede lid, genoemde formulier en het daarbij beschikbaar te stellen controleprotocol is aangegeven. 7. Wijze van gegevensverstrekking De zorgaanbieder, respectievelijk zorgverzekeraar, verzendt de opgave bedoeld in artikel 5 naar de NZa. 8. Afdracht overschrijding 9. Toepasselijkheid voorafgaande regeling, inwerkingtreding en citeerregel Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze regeling word"},{"i":19127,"b":"Richtlijn voor strafvordering doxing Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op het gebruik van persoonsgegevens voor intimiderende doeleinden (doxing), namelijk op het zich verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander of een derde met het oogmerk om die ander vrees aan te (laten) jagen, ernstige overlast aan te (laten) doen of hem in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen. Deze richtlijn kent een verzwaarde recidiveregeling. Basiscasus/delict Gebruik persoonsgegevens voor intimiderende doeleinden (doxing) jegens 1 of meer slachtoffer(s), alleen gepleegd. 1 Let op het taakstrafverbod (art 22b Sr) 2 Lid 2 van artikel 285d Sr geeft een strafverhoging indien het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van Minister, Staatssecretaris, commissaris van de Koning, gedeputeerde, burgemeester, wethouder, lid van een algemeen vertegenwoordigend orgaan, rechterlijk ambtenaar, advocaat, journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring, ambtenaar van politie of buitengewoon opsporingsambtenaar. Het OM zal de strafuitgangspunten genoemd bij lid 2 ook toepassen als sprake is van **andere gezagsfunctionarissen**. Legenda Afkortingen GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf vw = voorwaardelijk ov = onvoorwaardelijk wkn = weken mnd = maand(en) 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar **Exceptionele gevolgen** **De persoon van het slachtoffer kan resulteren in direct dagvaarden, bijvoorbeeld burgemeester of (andere) politicus. Ook de bijzondere omstandigheden van het geval of de situatie, bijvoorbeeld ontruiming van een gebouw, gedwongen verhuizing, onderduiken enz. kunnen nopen tot direct dagvaarden.** Voor een toelichting op de andere onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042068)."},{"i":17684,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Planning van de voorzieningen in de gezondheidszorg over de periode 1982–2002 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 12 mei 2004, nr. rc-2004.01072/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het College Sanering Ziekenhuisvoorzieningen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Planning van de voorzieningen in de gezondheidszorg over de periode1982–2002’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument 1. Inleiding **1.1. Verantwoording** Deze selectielijst is een selectielijst zoals bedoeld in [art. 2, eerste lid van Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). De lijst is opgezet als basisselectiedocument (BSD). Het grootste deel van het BSD bestaat uit handelingen, zoals beschreven in: W.A. Fijnheer, **College Sanering Ziekenhuisvoorzieningen, Een institutioneel onderzoek naar de taken en handelingen van het CSZ 1982–2002**. Het BSD is het wettelijk voorgeschreven instrument voor de selectie van archiefbescheiden van het College Sanering Ziekenhuisvoorzieningen (in het vervolg ‘CSZ’ te noemen). Het bevat een voorstel voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die het resultaat of de neerslag zijn van het handelen van het CSZ op zijn werkterrein. In dit BSD wordt de documentaire neerslag van de handelingen van het CSZ verdeeld in naar het Algemeen Rijksarchief over te brengen – en dus voor permanente bewaring in aanmerking komende – documentaire neerslag en op termijn te vernietigen documentaire neerslag. Voorafgaand aan de feitelijke selectielijst worden in de inl"},{"i":19088,"b":"Regeling van 9 juli 2008 van de Minister van Justitie, nr. 5552130/08, inhoudende de aanwijzing van hulpofficieren van Justitie Gelet op [artikel 154 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=154); Besluit: Artikel 1 De ambtenaar van politie is hulpofficier van Justitie indien hij: - a. benoemd is in schaal 9 of hoger, - b. in het bezit is van een geldig certificaat ‘hulpofficier van justitie’ en, - c. beschikt over ten minste drie jaar aaneengesloten ervaring in een executieve functie binnen de politie-organisatie. Artikel 2 Als hulpofficier van justitie kunnen ook optreden ambtenaren van politie die zijn toegelaten tot de tweede fase van de opleiding hulpofficier van justitie en die het eerste deel van de proeve van bekwaamheid met goed gevolg hebben afgelegd, gedurende de tweede opleidingsfase, voor de duur van maximaal zes maanden en onder verantwoordelijkheid van een gecertificeerd hulpofficier van justitie. Artikel 3 1. Het certificaat ‘hulpofficier van justitie’ wordt door of vanwege de Politieacademie afgegeven. 2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat heeft een geldigheidsduur van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van afgifte van dat certificaat. Artikel 4 1. Het College van procureurs-generaal kan ontheffing verlenen van het bepaalde in [artikel 1, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024263&artikel=1&z=2018-02-27&g=2018-02-27) ten aanzien van de ambtenaar van politie die een politieopleiding aan de Politieacademie heeft voltooid op ten minste een niveau dat op grond van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) recht geeft op het voeren van de graad Bachelor. 2. Het College van procureurs-generaal kan, in geval van dringende noodzaak de ambtenaar van politie die benoemd is in schaal 8, aanwijzen als hulpofficier van justitie. Artikel 5 1. De militair van de Koninklijke marechaussee in de uitvoering van de politietaken"},{"i":19382,"b":"Wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te bevorderen dat beslissingen die ter terechtzitting genomen zijn inzake het horen van getuigen tijdens het vervolg van de berechting effect blijven sorteren, en ook overigens enkele wijzigingen aan te brengen met het oog op een doelmatige berechting van strafzaken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel III Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel IIIa Wijzigt deze wet. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V 1. De wijzigingen, vervat in [artikel I, onderdelen A tot en met P, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017478&artikel=I&z=2005-01-01&g=2005-01-01), zijn in eerste aanleg van toepassing in zaken waarin de dagvaarding na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt uitgebracht. Deze wijzigingen zijn in hoger beroep van toepassing in zaken waarin de dagvaarding in hoger beroep na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt uitgebracht. 2. De wijzigingen, vervat in [artikel I, onderdelen Q, R en S van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017478&artikel=I&z=2005-01-01&g=2005-01-01), zijn van toepassing in zaken waarin na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in eerste aanleg uitspraak wordt gedaan. De wijziging vervat in [artikel I, onderdeel T, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017478&artikel=I&z=2005-01-01&g=2005-01-01) is onmiddellijk van toepassing in aanhangige en nog aanhangig te maken zaken. Artikel VI D"},{"i":9230,"b":"Samenwerkingsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Organisatie voor Migratie Het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) Herinnerend aan de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Organisatie voor Migratie inzake de uitvoerende werkzaamheden van de Organisatie in Nederland, gesloten op 1 mei 1990, Rekening houdende met de ontwikkelingen in de samenwerking tussen de IOM en Nederland, Verlangende een nieuw verdrag te sluiten om de IOM in staat te stellen Nederland beter te assisteren in migratie-aangelegenheden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I 1. Met wederzijdse instemming van de IOM en Nederland voert de IOM de volgende migratieprogramma's en werkzaamheden uit: - a. assisteren bij programma's voor vrijwillige terugkeer voor asielzoekers en andere vreemdelingen; - b. andere programma's en werkzaamheden. 2. De wijze van uitvoering van deze programma's en werkzaamheden wordt overeengekomen door de IOM en Nederland. Artikel II 1. Met het oog op het uitvoeren van de in artikel 1 genoemde programma's en werkzaamheden houdt de IOM een kantoor in Nederland en stelt de IOM personeel aan voor de uitvoering van haar taken. 2. Het personeel van de IOM is onderworpen aan het IOM-personeelsreglement voor functionarissen of personeelsleden, al naar gelang van het geval, en aan door de IOM uit te vaardigen regels. Artikel III Nederland draagt bij aan de kosten van de in artikel I genoemde programma's en werkzaamheden. Artikel IV De IOM legt Nederland elk jaar voor 1 mei een verslag voor met betrekking tot haar werkzaamheden in het voorafgaande jaar. Artikel V Vertegenwoordigers van Nederland en de IOM komen periodiek bijeen teneinde de goede uitvoering van dit Verdrag te waarborgen en eventuele maatregelen te overwegen die zij nodig achten ter bevordering van de doelstellingen van hun samenwerking. Artikel VI Enig geschil betreffende de uitlegging of de toepassing van dit"},{"i":18960,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media houdende het gedeeltelijk opheffen van de termijnen van de beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief Ministerie van Justitie: Bureaus Kabinet en Juridische Zaken van de afdeling Politie ressorterend onder het Ministerie van Justitie (1932–) 1945–1952 (–1968), nummer toegang 2.09.107 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de Minister van Justitie van 12 januari 2009 houdende de beperking op de openbaarheid van het archief betreffende bureaus Kabinet en Juridische Zaken van de afdeling Politie ressorterend onder het Ministerie van Justitie (1932–) 1945–1952 (–1968)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026704) (Staatscourant 2009, 17934), Gehoord hebbende de Minister van Justitie, Besluit: Artikel 1 De beperking die is gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers wordt opgeheven. | Inventarisnummers | | --- | | 32, 33, 34, 35, 36, 39, 40, 41, 42, 44, 45, 47, 48, 50, 51, 52, 53, 54, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 68, 69, 70, 72, 94, 95, 96, 99, 101, 102, 103, 104, 107, 108, 110, 111, 113, 114, 115, 116, 117, 118, 119, 121, 123, 124, 125, 126, 127, 128, 131, 132, 133, 134, 135, 137, 138, 139, 140, 141, 143, 144, 145, 146, 147, 149, 150, 151, 152, 153, 158, 159, 160, 163, 164, 165, 168, 169, 170, 171, 172, 173, 174, 175, 176, 177, 179, 181, 182, 183, 184, 185, 186, 194, 195, 196, 197, 198, 199, 200, 203, 205, 206, 207, 209, 210, 214, 217, 218, 221, 266, 284, 285, 286, 287, 288, 289, 290, 294, 295, 297, 298, 299, 302, 303, 304, 305, 306, 307, 308, 310, 312, 313, 314, 315, 316, 317, 318, 319, 320, 321, 322, 324, 325, 327, 328, 329, 330, 331, 332, 333, 335, 336, 338, 339, 340, 341, 342, 343, 347, 348, 349, 350, 353, 354, 355, 356, 357, 360, 361, 363, 364, 366, 367, 369, 370, 371, 372, 373, 374, 376, 377, 378, 380, 382, 385, 387, 388, 390, 391, 393, 3"},{"i":9239,"b":"Statuten van de Wereldorganisatie voor Toerisme (WOT) Oprichting Artikel 1 Hierbij wordt opgericht de Wereldorganisatie voor Toerisme, hierna te noemen „de Organisatie”, zijnde een internationale organisatie van intergouvernementele aard, ontstaan uit de Internationale Unie van Erkende Toeristen Organisaties (IUETO). Zetel Artikel 2 De zetel van de Organisatie wordt vastgesteld en kan te allen tijde worden gewijzigd bij besluit van de Algemene Vergadering. Doeleinden Artikel 3 1. Het fundamentele doel van de Organisatie is het toerisme te bevorderen en te ontwikkelen, ten einde bij te dragen aan de economische ontwikkeling en het onderling begrip tussen de volkeren, aan vrede en welvaart, alsmede aan de algemene eerbiediging en naleving van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zonder onderscheid naar ras, geslacht, taal of godsdienst. De Organisatie neemt alle maatregelen die nodig zijn om dit doel te bereiken. 2. Bij het nastreven van dit doel schenkt de Organisatie bijzondere aandacht aan de belangen van de ontwikkelingslanden op het gebied van het toerisme. 3. Ten einde de centrale rol die zij dient te spelen, te verzekeren, draagt de Organisatie zorg voor de totstandkoming van een doeltreffende samenwerking met de bevoegde organen van de Verenigde Naties en hun gespecialiseerde organisaties, alsmede voor de voortzetting daarvan. Te dien einde streeft de Organisatie ernaar te komen tot samenwerking met en deelneming aan het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties als een aan dit Programma deelnemende en met de uitvoering ervan belaste organisatie. Leden Artikel 4 Het lidmaatschap van de Organisatie staat open voor: - a). Gewone leden - b). Geassocieerde leden - c). Geaffilieerde leden. Artikel 5 1. Alle soevereine Staten kunnen als gewone leden tot de Organisatie toetreden. 2. De Staten waarvan de nationale toeristenorganisaties gewone leden van de IUETO (UIOOT) zijn op het tijdstip van de goedkeuring van deze Statuten door de buitengewone A"},{"i":9240,"b":"Statuut betreffende de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) Artikel 1. Doel van de GRECO Het doel van de Groep van Staten tegen Corruptie (hierna te noemen de „GRECO\") is het vermogen van zijn leden het bestrijden van corruptie te vergroten door toe te zien, via een dynamisch proces van wederzijdse evaluatie en groepsdwang op de nakoming van de verplichtingen op dit gebied. Artikel 2. Taken van de GRECO Ter verwezenlijking van het doel genoemd in artikel 1 is de GRECO belast met het houden van toezicht op: - i. de naleving van de Richtsnoeren voor de bestrijding van Corruptie, aangenomen door het Comité van Ministers van de Raad van Europa op 6 november 1997; - ii. de uitvoering van internationale juridische instrumenten, aan te nemen ingevolge het Actieprogramma tegen Corruptie in overeenstemming met de in deze instrumenten vervatte bepalingen. Artikel 3. Zetel De zetel van de GRECO is Straatsburg. Artikel 4. Procedure inzake lidmaatschap van de GRECO 1. Andere lidstaten van de Raad van Europa dan die genoemd in de Resolutie tot oprichting van de GRECO, kunnen te allen tijde tot de GRECO toetreden door middel van een daartoe strekkende kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. 2. Niet-lidstaten die aan de opstelling van dit gedeeltelijke en uitgebreide akkoord hebben deelgenomen,1)Het betreft de volgende Staten: Wit-Rusland (10), Canada (11), de Staat Vaticaanstad (10), Japan (10), Mexico (10) en de Verenigde Staten van Amerika (11). Bosnië-Herzegowina heeft tweemaal deelgenomen aan de vergaderingen van de GMC. kunnen te allen tijde tot de GRECO toetreden door middel van een daartoe strekkende kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. De kennisgeving dient vergezeld te gaan van een verklaring dat de niet-lidstaat zich ertoe verbindt de Richtsnoeren voor de bestrijding van Corruptie, aangenomen door het Comité van Ministers van de Raad van Europa op 6 november 1997, toe te passen. kunnen te allen tijde tot de GRECO toe"},{"i":9244,"b":"Statuut van de Internationale Organisatie voor Migratie Preambule De Hoge Verdragsluitende Partijen, In herinnering brengend de Resolutie die op 5 december 1951 door de Migratieconferentie te Brussel werd aangenomen, Erkennend dat het vaak noodzakelijk is op internationaal niveau migratiediensten te verlenen, ten einde het ordelijke verloop van migratiebewegingen in de wereld te verzekeren en de vestiging en integratie van migranten in het economische en sociale bestel van het ontvangende land onder zo gunstig mogelijke omstandigheden te vergemakkelijken, dat soortgelijke migratiediensten ook noodzakelijk kunnen zijn voor tijdelijke migratie, remigratie en migratie binnen de regio, dat internationale migratie tevens omvat migratie van vluchtelingen, ontheemden en andere personen die gedwongen zijn hun land te verlaten en die behoefte hebben aan internationale migratiediensten, dat het nodig is, de samenwerking van Staten en internationale organisaties te bevorderen met het oog op de vergemakkelijking van de migratie van personen die naar landen wensen te migreren waar zij door middel van eigen arbeid in hun onderhoud kunnen voorzien en in waardigheid en zelfrespect met hun gezinnen kunnen leven, dat migratie een stimulans kan zijn voor het scheppen van nieuwe economische mogelijkheden in ontvangende landen en dat er verband bestaat tussen migratie en de economische, sociale en culturele omstandigheden in ontwikkelingslanden, dat bij de samenwerking en bij andere internationale activiteiten ten behoeve van migratie rekening dient te worden gehouden met de behoeften van ontwikkelingslanden, dat het nodig is, de samenwerking van Staten en gouvernementele en niet-gouvernementele internationale organisaties te bevorderen ten behoeve van het onderzoek naar en het overleg omtrent migratiekwesties, niet alleen met betrekking tot het migratieproces, maar ook met betrekking tot de specifieke situatie en behoeften van de migrant als individueel menselijk wezen, dat het vervoer"},{"i":19145,"b":"Richtlijn voor strafvordering mishandeling Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op diverse vormen van mishandeling jegens burgerslachtoffers. Onder mishandeling valt ook opzettelijke benadeling van de gezondheid (waaronder begrepen de geestelijke gezondheid). Voor huiselijk geweld en kindermishandeling zijn aparte richtlijnen. Basiscasus/delict Mishandeling alleen gepleegd, burgerslachtoffer. Legenda GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Agressie in het verkeer Met betrekking tot een aantal delicten, zoals mishandeling, openlijke geweld, vernieling en bedreiging, dient het eventuele feit dat de gepleegde agressieve handeling samenhangt met, of terug te voeren is op een verkeerssituatie, strafverzwarend te worden beoordeeld. Reden voor die verzwaring is enerzijds het risico van escalatie van dergelijke delicten in een overgevoelige situatie, en anderzijds de verhoogde gevaarzetting die agressie in een verkeerssituatie voor andere verkeersdeelnemers doorgaans oplevert. Voor een toelichting op de andere onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042068)."},{"i":12190,"b":"Besluit van de directeur van de directie Control en Financiën van 27 augustus 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen de directie Control en Financiën wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":9248,"b":"Statuut van de Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa Artikel I. Oprichting van de Bank Er wordt een Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa opgericht (hierna te noemen „de Bank\"). De Bank valt onder de Raad van Europa en is onderworpen aan zijn hoogste gezag. Artikel II. Doel1)De tekst van dit artikel is aangenomen door het Comitié van Ministers in de 496ste vergadering van de afgevaardigden van de Ministers bij Resolutie 93 (22), welke Resolutie als Bijlage is aangehecht. a. Het voornaamste doel van de Bank is hulp te bieden bij het oplossen van de sociale problemen waarmee Europese landen worden of kunnen worden geconfronteerd als gevolg van de aanwezigheid van vluchtelingen, ontheemden of migranten ten gevolge van verplaatsingen van vluchtelingen of andere gedwongen verplaatsingen van bevolkingsgroepen, en als gevolg van de aanwezigheid van slachtoffers van natuur- of milieurampen. De investeringsprojecten waaraan de Bank bijdraagt, kunnen bedoeld zijn om deze mensen te helpen in het land waarin zij zich bevinden, of hen in staat te stellen terug te keren naar hun land van herkomst, wanneer aan de voorwaarden voor terugkeer is voldaan, of, wanneer van toepassing, zich te vestigen in een ander land van opvang. Deze projecten moeten door een lid van de Bank worden goedgekeurd. b. De Bank kan ook bijdragen aan de verwezenlijking van door een lid van de Bank goedgekeurde investeringsprojecten die het mogelijk maken werkgelegenheid te scheppen in achtergebleven gebieden, mensen in de lage-inkomensgroepen te huisvesten of een sociale infrastructuur op te bouwen. Artikel III. Lidmaatschap van de Bank a. Elke lidstaat van de Raad van Europa kan lid van de Bank worden door een verklaring te richten aan de Secretaris-Generaal. Deze verklaring dient de aanvaarding van dit Statuut door de Regering van de betrokken Staat te omvatten, alsmede de intekening door die Regering op het in overeenstemming met de Raad van Bestuur vastgestelde aantal deelnemingsbewijzen, overeenko"},{"i":18029,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 20 april 2023, kenmerk 2696573, houdende beperking van de openbaarheid van de aanvulling op het archief van Afdeling Politie, Bureaus Kabinet en Juridische Zaken, (1932) 1945–1952 (1968) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 17 maart 2023, met kenmerk 101310 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Afdeling Politie, Bureaus Kabinet en Juridische Zaken, (1932) 1945–1952 (1968) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 2351 | 2024 | | 2354 | 2030 | | 2360 | 2024 | | 2362 | 2024 | | 2365 | 2026 | | 2368 | 2025 | | 2371 | 2026 | | 2372 | 2033 | | 2374 | 2024 | | 2377 | 2027 | | 2396 | 2026 | | 2400 | 2026 | | 2410 | 2025 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048158&artikel=1&z=2023-05-17&g=2023-05-17), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048158&artikel=1&z=2023"},{"i":9250,"b":"Statuut van de Raad van Europa De Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek, de Ierse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Overtuigd, dat bevestiging van de vrede, gegrondvest op rechtvaardigheid en internationale samenwerking, van vitaal belang is voor het behoud van de samenleving en van de beschaving; Opnieuw bevestigende haar gehechtheid aan de geestelijke en zedelijke waarden, welke het gemeenschappelijke erfdeel zijn van haar volken en de ware bron van persoonlijke vrijheid, van vrijheid van politieke overtuiging en van de heerschappij van het recht, welke beginselen de grondslag vormen van elke waarachtige democratie; Gelovende, dat voor de instandhouding en verdere verwezenlijking van deze idealen en in het belang van economische en sociale vooruitgang een behoefte bestaat aan hechtere eenheid tussen alle gelijkgestemde landen van Europa; Overwegende, dat, ten einde tegemoet te komen aan deze behoefte en aan het tot uiting gekomen streven in dit opzicht van haar volken, het noodzakelijk is, onverwijld een organisatie in het leven te roepen, welke de Europese Staten in hechter verband met elkaar zal brengen; Hebben dientengevolge besloten een Raad van Europa op te richten, bestaande uit een Comité van Regeringsvertegenwoordigers en uit een Raadgevende Vergadering; en hebben te dien einde het navolgende Statuut aanvaard: HOOFDSTUK I. Doel van de Raad van Europa Artikel 1 a. Het doel van de Raad van Europa is het bevorderen van een grotere eenheid tussen zijn Leden, ten einde aldus de idealen en beginselen, welke hun gemeenschappelijk erfdeel zijn, veilig te stellen en te verwezenlijken en hun economische en sociale vooruitgang te bevorderen. b. Dit doel wordt nagestreefd door de organen van de Raad, namelijk door het bespreken van aangelegenheden"},{"i":12386,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 19 juni 2019, MINBUZA-2019.347107, tot instelling en bezoldiging van de adviescommissie SDG Partnerschapfaciliteit Gelet op [artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [artikel 10.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=10.2); Gelet op het [besluit van 11 juni 2018, nr. Minbuza-2018.1211-42, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiering op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041018)1Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 27 mei 2018, nummer Min-BuZa.2018.1211-42, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit), Stcrt. 2018, nr. 32302.; Besluit: Artikel 1 1. Er is een adviescommissie SDGP Partnerschapfaciliteit. 2. De adviescommissie adviseert de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de beoordeling van voorstellen voor samenwerkingsverbanden in het kader van de SDG Partnerschapfaciliteit (SDGP). De commissie kan gevraagd en ongevraagd advies geven aan de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over alle zaken betreffende de uitvoering van de SDG Partnerschapfaciliteit. Artikel 2 1. De adviescommissie toetst de beoordeling van voorstellen op kwaliteit en consistentie met de SDG Partnerschapfaciliteit. 2. De toetsing van de adviescommissie resulteert in instemming met of afwijking van de voorgenomen uitkomst van de beoordeling van een voorstel. In het advies van de adviescommissie worden de argumenten bij een afwijkend oordeel duidelijk aangegeven. 3. Een lid van de adviescommissie neemt"},{"i":17614,"b":"Tijdelijk Reglement Adviescommissie Innovatie Zorgberoepen & Opleidingen 2012 Gelet op artikel 7, 8, 10, 11, 12 en 13 van het Bestuursreglement College voor zorgverzekeringen 2007; Heeft in zijn vergadering van 3 mei 2012 besloten: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Dit reglement verstaat onder: - a. **commissie:** de Adviescommissie Innovatie Zorgberoepen & Opleidingen van het College voor zorgverzekeringen; - b. **bestuur:** het bestuur van het College voor zorgverzekeringen; - c. **commissielid:** lid van de commissie, bedoeld onder a; - d. **voorzitter:** de voorzitter van de commissie, bedoeld onder a; - e. **minister:** de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Hoofdstuk 2. De adviescommissie innovatie zorgberoepen & opleidingen: instelling en taak Artikel 2 1. Het College voor zorgverzekeringen heeft een Adviescommissie Innovatie Zorgberoepen & Opleidingen. 2. De commissie bestaat uit een oneven aantal van ten hoogste 9 leden. 3. De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en de commissieleden worden benoemd op grond van hun gezag, ervaring en deskundigheid op het terrein van zorgberoepen en opleidingen. 4. Commissieleden oefenen hun taken uit zonder last of ruggespraak en op persoonlijke titel. 5. De benoeming van de voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en de commissieleden vervalt op het moment dat dit reglement wordt ingetrokken of vervalt. 6. De commissie heeft tot taak: - a. het maken van adviezen voor de minster over de uitvoerbaarheid, doeltreffendheid en doelmatigheid van voorgenomen beleid in verband met vernieuwingen en verbeteringen in de structuur van beroepen en opleidingen in de gezondheidszorg; - b. het maken van gevraagde en ongevraagde signalementen voor de minister over feitelijke ontwikkelingen inzake vernieuwingen en verbeteringen in de structuur van beroepen en opleidingen in de gezondheidszorg. 7. De commissie stelt vast hoe zij de taak, bedoeld in het zesde lid, vormgeeft. Daarbij besteedt de commissie ten minste aandac"},{"i":17492,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 december 2012, Z-3146924, houdende vaststelling van kosten als bedoeld in artikel 1, onderdeel bb, van het Besluit zorgverzekering Gelet op [artikel 1, onderdeel bb, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); Besluit: Artikel 1 De kosten met betrekking tot het vereveningsjaar 2013 waarmee bij het opstellen van de Regeling risicoverevening 2013 geen rekening kon worden gehouden, bedragen € 201 miljoen, waarvan - a. € 47 miljoen wordt toegerekend aan de variabele kosten van medisch-specialistische zorg, - b. € 8 miljoen wordt toegerekend aan de vaste zorgkosten, en - c. € 146 miljoen wordt toegerekend aan de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9251,"b":"Statuut van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties **Preambule** De landen die dit Statuut aanvaarden, vastbesloten het algemeen welzijn te bevorderen door het stimuleren van afzonderlijke en collectieve maatregelen ten behoeve van: verhoging van het voedingspeil en de levensstandaard van de volken die tot hun rechtsgebied behoren; verbetering van de doeltreffendheid van de productie en distributie van alle voedings- en landbouwproducten; verbetering van de positie van de plattelandsbevolking; en daarmee bijdragend aan groei van de wereldeconomie en vrijwaring van de mensheid tegen honger; richten hierbij de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties op, hierna te noemen „de Organisatie”, door tussenkomst waarvan de Leden aan elkaar verslag uitbrengen over de genomen maatregelen en de vorderingen die zijn gemaakt op de bovengenoemde terreinen. De Engelse tekst van het Statuut is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. I 77. De vertaling is gepubliceerd in Stb. I 77. Het Statuut is gewijzigd door Trb. 1948/77, Trb. 1964/103, Trb. 1967/5, Trb. 1968/136, Trb. 1972/121, Trb. 1974/56, Trb. 1976/24, Trb. 1978/57 en Trb. 1980/55. Het Statuut is oorspronkelijk door Trb. 1964/103 in werking getreden op 16 oktober 1945. Artikel 1. Taken van de Organisatie 1. De Organisatie verzamelt, analyseert, interpreteert en verspreidt informatie die betrekking heeft op voeding, voedsel en landbouw. In dit Statuut worden onder de uitdrukking „landbouw” en de afgeleiden daarvan mede verstaan visserij, mariene producten, bosbouw en primaire bosbouwproducten. 2. De Organisatie bevordert en doet indien nodig aanbevelingen voor nationale en internationale maatregelen ten behoeve van: - a. wetenschappelijk, technologisch, sociaal en economisch onderzoek met betrekking tot voeding, voedsel en landbouw; - b. het verbeteren van onderwijs en bestuur op het gebied van voeding, voedsel en landbouw en het verspreiden van kennis onder het publiek over voedings- en landbouww"},{"i":19458,"b":"Besluit van 24 mei 2023 ter implementatie van richtlijn 2008/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur (PbEU 2008, L 319) alsmede richtlijn (EU) 2019/1936 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2019 tot wijziging van richtlijn 2008/96/EG betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur (PbEU 2019, L 305) (Besluit verkeersveiligheid weginfrastructuur) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 november 2022, nr. IENW/BSK-2022/247658, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn 2008/96/EG](32008L0096) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur (PbEU 2008, L 319) alsmede [richtlijn (EU) 2019/1936](32019L1936) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2019 tot wijziging van [richtlijn 2008/96/EG](32008L0096) betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur (PbEU 2019, L 305) en gelet op [artikel a4c van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=a4c); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 februari 2023, nr. W17.22.00168/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 23 mei 2023, nr. IENW/BSK-2023/132807, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **autosnelweg:** autosnelweg als bedoeld in [artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=1); - **autoweg:** autoweg als bedoeld in [artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000482"},{"i":17997,"b":"Ziektekostentegemoetkoming en interimuitkering Circulaire aan de ministers De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. I. Samenvatting In deze circulaire worden de ziektekostentegemoetkomingen respectievelijk de interimbedragen bekendgemaakt zoals deze per 1 januari 1995 voor betrokkene (en zijn medebetrokkenen) gaan gelden. De inkomenstoeslag wijzigt niet per die datum. II. Inleiding De tegemoetkoming die op basis van het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](onbekend) (BTZR) respectievelijk de [Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982](onbekend) (IRZK) aan de desbetreffende ambtenaar wordt toegekend, is gelijk aan de som van een basisbedrag en de halft van de MOOZ-omslagbijdrage en van de WTZ-pooling. Jaarlijks wordt deze tegemoetkoming per 1 januari aangepast. Het basisbedrag wordt gewijzigd overeenkomstig het gewogen gemiddelde van de procentuele wijziging van de premies die door 15 (voorheen 18) niet op winst gerichte ziektekostenverzekeraars worden vastgesteld voor een verzekering tegen ziektekosten. Deze door Zorgverzekeraars Nederland (voorheen door het KLOZ, dat hiervan thans onderdeel uitmaakt) berekende wijziging bestaat per 1 januari 1995 – ten opzichte van 1 januari 1994 – uit een stijging van 1,9%. De MOOZ-omslagbijdrage is verhoogd. Voor een volwassene bedraagt deze thans f 9,30 per maand. Het bedrag van de WTZ-pooling is niet gewijzigd en bedraagt voor een volwassene f 34,50 per maand. III. Ziektekostentegemoetkomingen en interimbedragen per 1 januari 1995 De tegemoetkomingen per maand, zoals die gelden vanaf 1 januari 1995, worden als volgt vastgesteld: IV. Inkomenstoeslag per 1 januari 1995 De bedragen van de inkomenstoeslag en aanvullende toeslag, als bedoeld in [artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit inkomenstoeslag rijkspersoneel](onbekend) (BIR) en van het [Besluit inkomenstoeslag betrokkenen in de zin van de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982](onbekend) (IBIZA), van f 26,50 respectievel"},{"i":9252,"b":"Statuut van het Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie (IRENA) De partijen bij dit Statuut, geleid door de wens de grootschalige en verdere invoering en het gebruik van hernieuwbare energie te bevorderen met het oog op duurzame ontwikkeling, geleid door hun vaste vertrouwen in de grote mogelijkheden die hernieuwbare energie biedt bij het aanpakken en geleidelijk verminderen van de problemen van energiezekerheid en sterk fluctuerende energieprijzen, ervan overtuigd dat hernieuwbare energie een belangrijke rol kan spelen bij het verlagen van concentraties broeikasgassen in de atmosfeer, waarmee wordt bijgedragen aan de stabilisering van het klimaatsysteem en een duurzame, zekere en soepele overgang naar een koolstofarme economie mogelijk wordt gemaakt, geleid door de wens het positieve effect dat technologieën voor hernieuwbare energie kunnen hebben op het stimuleren van duurzame economische groei en het scheppen van werkgelegenheid, te bevorderen, aangespoord door de grote mogelijkheden die hernieuwbare energie biedt bij het bewerkstelligen van gedecentraliseerde toegang tot energie, met name in ontwikkelingslanden, en toegang tot energie voor geïsoleerde en afgelegen regio's en eilanden, bezorgd over de ernstige negatieve gevolgen die het gebruik van fossiele brandstoffen en het ondoelmatige gebruik van traditionele biomassa kunnen hebben voor de gezondheid, ervan overtuigd dat hernieuwbare energie, in combinatie met verbeterde energie-efficiëntie, steeds beter zal kunnen voldoen aan de in de komende decennia naar verwachting sterk toenemende wereldwijde energiebehoefte. de wens bevestigend een internationale organisatie voor hernieuwbare energie op te richten die de samenwerking tussen haar leden vergemakkelijkt en tevens nauwe samenwerking opbouwt met bestaande organisaties die het gebruik van hernieuwbare energie bevorderen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Oprichting van het Agentschap A. De partijen bij dit Statuut richten hierbij het I"},{"i":18515,"b":"Rijkswet van 20 juli 1961, houdende de \"Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen\" Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomstig [artikel 23 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=23) een regeling te geven voor cassatie door de Hoge Raad der Nederlanden ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in de Nederlandse Antillen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepaling Artikel 1 1. De Hoge Raad der Nederlanden neemt ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover in deze Rijkswet niet anders is bepaald, in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in het Europese deel van het Koninkrijk, kennis van een beroep in cassatie, ingesteld hetzij door partijen, hetzij «in het belang der wet» door de procureur-generaal bij de Hoge Raad. 2. De rechtsstelsels van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelden niet als rechtsstelsels van vreemde staten in de zin van [artikel 79, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=79). § 2. Cassatie in burgerlijke zaken ingesteld door partijen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 De termijn voor het beroep in cassatie is drie maanden. In de gevallen, waarin de termijn voor het hoger beroep korter is dan één maand, is de termijn voor het beroep in cassatie het drievoud van de voor het hoger beroep bepaalde term"},{"i":19223,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 20 november 2017, nr. MinBuZa.2017.1204854, houdende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Mali (Sanctieregeling Mali 2017) Gelet op Verordening (EU) nr. 2017/1770 van de Raad van de Europese Unie van 28 september 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Mali (PbEU 2017, L 251); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 van [Verordening (EU) nr. 2017/1770](32017R1770) van de Raad van de Europese Unie van 28 september 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Mali (PbEU 2017, L 251). 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 2 van [Verordening (EU) nr. 2017/1770](32017R1770), geldt niet in gevallen waarin artikel 3, eerste lid, artikel 3 bis, eerste of tweede lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, of artikel 6 van [Verordening (EU) nr. 2017/1770](32017R1770) van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 3 bis, tweede en derde lid, 4, eerste lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, en 7, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 2017/1770](32017R1770) is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard, met dien verstande dat instellingen als bedoeld in [artikel 10, tweede lid, onder a, c, e tot en met j en, voor zover het een bank of elektronischgeldinstelling betreft die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10) de informatie, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 2017/1770](32017R1770) verstrekken aan De Nederlandsche Bank en instellingen als bedoeld i"},{"i":19392,"b":"Wet van 3 april 2003 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van de raadsheer-commissaris en enige andere onderwerpen (raadsheer-commissaris) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de mogelijkheid van onderzoek door een raadsheer-commissaris bij de behandeling van strafzaken in hoger beroep te scheppen, het deelnemen van raadsheer- en rechter-commissaris aan de berechting niet in alle gevallen uit te sluiten en enige aanpassingen aan te brengen in bepalingen inzake het bewijsrecht, het opnieuw aanvangen van het onderzoek ter terechtzitting alsmede het ter terechtzitting horen van getuigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II De wijziging van de termijn waarop getuigen aan de officier van justitie kunnen worden opgegeven, als vervat in [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014912&artikel=I&z=2003-07-01&g=2003-07-01), is niet van toepassing in zaken waarin de dagvaarding is betekend op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt. Artikel III Wijzigt de Wijzigingswet Wetboek van Strafvordering (openstellen van beroep in cassatie tegen vrijspraken). Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI Wijzigt het Wijzigingswet Wetboek van Strafrecht enz. (toezeggingen aan getuigen in strafzaken), kst. 26294. Artikel VII Wijzigt deze wet. Artikel VIII Wijzigt het Wijzigingswet Wetboek van Strafrecht enz. (aanpassing ontnemingswetgeving), kst. 28079. Artikel IX Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de h"},{"i":17102,"b":"Wet van 15 november 2012 tot goedkeuring van de algemene maatregel van bestuur tot aanpassing van wetten inzake verhoging AOW-leeftijd (Goedkeuringswet verhoging AOW-leeftijd) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat op grond van [artikel V, eerste lid, van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031799&artikel=V) het [Besluit aanpassing wetten inzake verhoging AOW-leeftijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031888) is vastgesteld en dat op grond van artikel V, derde lid, van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd deze algemene maatregel van bestuur bij wet dient te worden goedgekeurd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: [...opmerking...] Artikel I Het [Besluit aanpassing wetten inzake verhoging AOW-leeftijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031888) wordt goedgekeurd. Artikel II Wijzigt de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd. Artikel III 1. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032250&artikel=I&z=2013-01-02&g=2013-01-02) treedt in werking op het tijdstip waarop de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031799&artikel=I), [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031799&artikel=II) en [V, van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031799&artikel=V) in werking treden. 2. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032250&artikel=II&z=2013-01-02&g=2013-01-02) treedt in werking op de dag na het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032250&artikel=I&z=2013-01-02&g=2013-01-02). 3. Indien deze wet in het Staatsblad wordt geplaatst op een tijdstip gelegen na het tijdstip genoemd in het eerste lid, dan treedt deze wet in werking met"},{"i":4941,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 18 januari 2013, kenmerk 224555, houdende verlening van mandaat inzake benoeming van gerechtsauditeurs in tijdelijke dienst en senior-gerechtsauditeurs in tijdelijke dienst (mandaatregeling Raad voor de Rechtspraak gerechtsauditeurs in tijdelijke dienst) Gelet op [artikel 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel 1 De Raad voor de rechtspraak is bevoegd om namens de Minister van Veiligheid en Justitie de volgende hem toekomende bevoegdheden uit te oefenen: - a. de benoeming in tijdelijke dienst in het ambt van senior-gerechtsauditeur en gerechtsauditeur bij een rechtbank of gerechtshof, de Centrale Raad van Beroep of College van Beroep voor bedrijfsleven op grond van [artikel 2, zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=2), [artikel 4, tweede lid, Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170&artikel=4) onderscheidenlijk [artikel 5, tweede lid, Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002144&artikel=5); - b. het stellen van voorwaarden aan de benoeming, bedoeld onder a, op grond van [artikel 2c, tweede tot en met vijfde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=2c). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Mandaatregeling gerechtsauditeurs en senior-gerechtsauditeurs in tijdelijke dienst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9259,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 februari 2023, nr. 35628560, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan kandidaten in het kader van het Europees Universitair Instituut (Subsidieregeling kandidaten Europees Universitair Instituut) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** door het Europees Universitair Instituut geselecteerde persoon voor het volgen van een promotieonderzoek aan het Europees Universitair Instituut; - **Europees Universitair Instituut:** op grond van de op 19 oktober 1973 te Florence tot stand gekomen Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut (Trb. 1973, 23) opgericht instituut dat gevestigd is in Florence; - **kind:** minderjarige als bedoeld in [artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **Nuffic:** Stichting Nuffic; - **partner:** natuurlijk persoon met wie de subsidieontvanger is gehuwd, of met wie hij een geregistreerd partnerschap of een notarieel samenlevingscontract heeft. Artikel 2. Toepassing [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Deze regeling geldt in aanvulling op de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603). Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten De minister kan subsidie verstrekken aan een aanvrager voor het volgen van het eerste, tweede en derde studiejaar van een vierjarig promotietraject aan het Europ"},{"i":9260,"b":"Tarievenbesluit 2012 Raad voor Accreditatie Het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie (RvA) heeft gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor haar dienstverlening op 5 december 2011 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. Besluit vast te stellen het Tarievenbesluit 2012 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel: Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor haar dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks tarief wordt in januari van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek volledig gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over de resterende periode van het jaar. 2. Indien de accreditatie in de loop van het jaar eindigt of beëindigd wordt, vindt geen restitutie van het jaarlijks tarief plaats. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Tarieventabel | Onderwerp (zie ook de toelichting) | Tarief voor 2012 in € Excl. BTW | | --- | --- | | **Beoordelingen** | | | Uurtarief teamleider | 155 | | Uurtarief beoordelaar | 155 | | Uurtarief vakdeskundige | 138.75 | | Kosten voor het inzetten van externe vakdeskundigen hoger dan het gelde"},{"i":9261,"b":"Tarievenbesluit 2013 Raad voor Accreditatie Het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie (RvA) heeft, gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor haar dienstverlening, op 17 december 2012 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. Besluit vast te stellen het Tarievenbesluit 2013 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor haar dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks tarief wordt in januari van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek volledig gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over de resterende periode van het jaar. 2. Indien de accreditatie in de loop van het jaar eindigt of beëindigd wordt, vindt geen restitutie van het jaarlijks tarief plaats. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Bijlage | Onderwerp (zie ook de toelichting) | Tarief voor 2013 in € Excl. BTW | | --- | --- | | **Beoordelingen** | | | Uurtarief teamleider | 158,25 | | Uurtarief beoordelaar | 158,25 | | Uurtarief vakdeskundige | 141,75 | | Kost"},{"i":9263,"b":"Tarievenbesluit 2015 Raad voor Accreditatie gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor haar dienstverlening, op 21 november 2014 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor haar dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks tarief wordt in januari van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken en initiële onderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek door middel van voorschotfacturen, op basis van de ingeschatte tijdbesteding gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Indien na de uitvoering van het onderzoek blijkt dat de tijdinschatting niet juist is geweest, vindt nafacturering dan wel creditering plaats. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over de resterende periode van het jaar. 2. Indien de accreditatie in de loop van het jaar eindigt of beëindigd wordt, vindt geen restitutie van het jaarlijks tarief plaats. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Bijlage Tarieventabel Dit besluit zal met de hiernavolgende toelichting in de Staatscourant en op de website van de RvA worden geplaatst."},{"i":9307,"b":"Besluit van 23 september 2013, houdende regels tot uitvoering van de Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief (PbEU 2011, L 65) (Uitvoeringsbesluit verordening Europees burgerinitiatief) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 augustus 2013, nr. 2013-0000423991; Gelet op [artikel 5 van de Uitvoeringswet verordening Europees burgerinitiatief](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033716&artikel=5); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 september 2013, no. W04.13.0288/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 september 2013, nr. 2013-0000542000; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoeringswet verordening Europees burgerinitiatief in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **steekproef:** een steekproef als bedoeld in [artikel 5 van de Uitvoeringswet verordening Europees burgerinitiatief](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033716&artikel=5); - c. **Verordening:** Verordening (EU) nr. 2019/788 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 over het burgerinitiatief (PB L 130/55 van 17.5.2019); - d. **identiteitsbewijs:** een Nederlands paspoort dat geldig is op de datum van ondertekening van de steunbetuiging, een Nederlandse identiteitskaart of een identiteitskaart van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba waarop de Nederlandse nationaliteit staat vermeld en die geldig is op de datum van ondertekening van de steunbetuiging. Artikel 2 Onze Minister bepaalt de omvang van een steekproef aan de hand van de volgende formule: Hierbij is: n = het aantal steunbetuigingen dat voor een steekproef wordt geselecteerd z = 1,65 N = het totaal aantal ingediende steunbetuigingen p ="},{"i":17861,"b":"Besluit van 19 december 2006 tot wijziging van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen in verband met invoering van een verantwoordingssysteem op basis van single information en single audit voor specifieke uitkeringen Op de voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 15 september 2006, nr. WJZ/2006/32944(8197), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 8 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=8); De Raad van State gehoord (advies van 13 oktober 2006, nr. W05.06.039/III); Gezien het nader rapport van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 14 december 2006, nr. WJZ/2006/38527(8197), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen. Artikel II 1. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021057&artikel=I&z=2007-01-24&g=2007-01-24) wordt voor het eerst toegepast op het kalenderjaar 2006. 2. De verantwoording over specifieke uitkeringen voor het kalenderjaar 2006 ten behoeve van openbare bibliotheken als bedoeld in [artikel 1, onder e, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=1) of van andere voorzieningen van bibliotheekwerk geschiedt overeenkomstig de bepalingen bij of krachtens het [Bekostigingsbesluit cultuuruitingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759), zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3443,"b":"Besluit van de directeur van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid van 1 januari 2020, nr. 4092777, houdende doorverlening mandaat, volmacht en machtiging aan een medewerker binnen het bureau van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Gelet op het besluit van de secretaris-generaal van 1 januari 2020, tot verlening van ondermandaat, overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=10) en [14 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Doorverlenen ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging 1. De aan de directeur van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid krachtens ondermandaat toegekende bevoegdheden, als omschreven in de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=11) en [14 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=14), kunnen krachtens het hierbij verleende ondermandaat worden uitgeoefend door het hoofd communicatie- en ondersteuning. 2. Het hoofd communicatie- en ondersteuning maakt van de aan hem verleende bevoegdheden uitsluitend gebruik: - a. bij tijdelijke afwezigheid van de directeur van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid; - b. in andere gevallen voor zover het aangelegenheden betreft die door de directeur van de Wetenschappelijke raad aan hem zijn toevertrouwd. Artikel 2. Beperkingen ondervolmacht 1. Van de ondervolmacht zijn uitgesloten: - a. de bevoegdheid tot het opleggen van ordemaatregelen en straffen zoals genoemd in de CAO-Rijk; - b. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, anders dan op initiatief van de medewerker zelf. Artikel 3. Regels, procedures, instructies mandaat De bevoegdheden als bedoeld in de [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":9317,"b":"Wet van 2 juli 2003 tot uitvoering van de verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 12) (Uitvoeringswet EG-executieverordening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat wetgeving nodig is ter uitvoering van de [verordening (EG) Nr. 44/2001](32001R0044) van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 12); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder «het verdrag»: het op 30 oktober 2007 te Lugano tot stand gekomen verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met Protocollen, Verklaringen en Bijlagen (Pb EU L 339). 2. In deze wet wordt verstaan onder «de verordening»: de verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb EU L 351). Artikel 2 1. Ten aanzien van het verlof tot tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 38 van het verdrag, zijn de [artikelen 985 tot en met 991 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=985) niet van toepassing. 2. Het verlof tot tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 38 van het verdrag, wordt gevraagd bij verzoekschrift, dat in de Nederlandse taal is gesteld, onverminderd [artikel 15 van de Wet gebruik Friese taal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034047&artikel=15). Het wordt in"},{"i":9318,"b":"Wet van 28 oktober 1959, houdende uitvoering van het op 13 december 1955 te Parijs ondertekende Europese Vestigingsverdrag Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 13 december 1955 te Parijs ondertekende Europese Vestigingsverdrag; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Ten aanzien van de veroordelingen in de kosten van een geding, als bedoeld in artikel 9, lid 3, van het Europese Vestigingsverdrag, zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 18 en 19 van het op 17 juli 1905 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, goedgekeurd bij de wet van 15 juli 1907 (**Stb.** 197), en de artikelen 23 tot en met 32 van de wet van 12 juni 1909 (**Stb.** 141) tot uitvoering van evengenoemd verdrag. 2. De in lid 1 van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen worden, op het tijdstip van inwerkingtreding voor Nederland van het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, vervangen door de overeenkomstige artikelen van laatstgenoemd verdrag en van de wet tot uitvoering van dat verdrag. Artikel 2 Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen datum. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9319,"b":"Wet van 10 maart 1982, tot uitvoering van het op 5 oktober 1961 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen (Trb. 1980, 54) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, dat in verband met de bekrachtiging van het op 5 oktober 1961 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen (**Trb.** 1980, 54) artikel 992 van het Burgerlijk Wetboek vervalt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2 Deze wet is van toepassing op testamentaire beschikkingen die zijn gemaakt door een erflater die overlijdt na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, ook indien de beschikking voor dat tijdstip is gemaakt. Artikel 3 Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9320,"b":"Rijkswet van 20 juni 2002 tot uitvoering van het Statuut van het Internationaal Strafhof met betrekking tot de samenwerking met en bijstand aan het Internationaal Strafhof en de tenuitvoerlegging van zijn vonnissen (Uitvoeringswet Internationaal Strafhof) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is om ter uitvoering van het Statuut van het Internationaal Strafhof voorzieningen te treffen met betrekking tot de samenwerking met en bijstand aan het Internationaal Strafhof en de tenuitvoerlegging van zijn vonnissen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze rijkswet wordt verstaan onder: - a. Statuut: het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120); - b. Strafhof: het Internationale Strafhof, opgericht bij het Statuut, respectievelijk elk van zijn organen voor de daaraan toegewezen taken; - c. consultatie: overleg als bedoeld in artikel 97 van het Statuut, tussen een staat die partij is bij het Statuut, en het Strafhof; - d. samenwerking: de samenwerking, bedoeld in deel 9 van het Statuut, tussen het Strafhof en de staten die partij zijn bij het Statuut; - e. overlevering: de ter beschikkingstelling van een persoon door Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten aan het Strafhof ten behoeve van een bij het Strafhof tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek of de tenuitvoerlegging van een hem door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf; - f. tenuitvoerlegging: de tenuitvoerlegging van uitspraken van het Strafhof, bedoeld in deel 10 van het Statuut, met inbegrip van de toepassing van voorlopige maatregelen ten behoeve van die tenuitvoerleggi"},{"i":9322,"b":"Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is, in verband met het op 8 april 1960 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland gesloten Verdrag nopens het verloop van de gemeenschappelijke landgrens, de grenswateren, het grondbezit in de nabijheid van de grens, het grensoverschrijdende verkeer over land en via de binnenwateren en andere met de grens verband houdende vraagstukken, met Bijlagen en Slotprotocol (Grensverdrag), enige wettelijke voorzieningen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepaling Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. \"Algemeen Verdrag\", het op 8 april 1960 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland gesloten Algemeen Verdrag tot regeling van met de grens verband houdende vraagstukken en andere tussen beide landen bestaande problemen (**Trb.** 1960, 67); - b. \"Grensverdrag\", het krachtens artikel 2 van het Algemeen Verdrag daarvan deel uitmakende Verdrag nopens het verloop van de gemeenschappelijke landgrens, de grenswateren, het grondbezit in de nabijheid van de grens, het grensoverschrijdende verkeer over land en via de binnenwateren en andere met de grens verband houdende vraagstukken, met Bijlagen en Slotprotocol (**Trb.** 1960, 68); - c. \"grenswateren\", oppervlaktewateren, met inbegrip van de oevers, die de Nederlands-Duitse grens overschrijden of ten dele deze vormen, met uitzondering van de Rijn, de Eems en de Dollard; - d. \"openbare lichamen\", de op het gebied van het Koninkrijk der Nederlanden en van de Bondsrepubliek Duitsland voor de grenswateren plaatselijk bevoegde provinciën, gemeenten en publiekrechtelijke li"},{"i":9321,"b":"Wet van 3 maart 1965, houdende uitvoering van het op 30 augustus 1962 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke zaken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er aanleiding is om uitvoering te geven aan de artikelen 8 en 14, tweede lid, van het op 30 augustus 1962 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke zaken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Het verlof tot tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke zaken (**Trb.** 1963, no. 50), wordt verleend door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement, waar de wederpartij woonplaats heeft of waar de tenuitvoerlegging wordt verlangd. 2. De [artikelen 985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=985) tot en met [991 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=991) zijn niet van toepassing. Artikel 2 1. Het verlof tot tenuitvoerlegging wordt gevraagd bij verzoekschrift. Het verzoekschrift wordt ingediend door een advocaat en houdt tevens in de keuze van een woonplaats binnen het arrondissement van de rechtbank. 2. Bij ongenoegzaamheid van de bij het verzoekschrift overgelegde stukken wordt de verzoeker de gelegenheid tot aanvul"},{"i":9323,"b":"Wet van 12 juni 1909, tot uitvoering van het op 17 juli 1905 te 's-Gravenhage gesloten verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 17 Juli 1905 te 's-Gravenhage gesloten verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Mededeeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken Artikel 1 Als de autoriteit, die, overeenkomstig de voorschriften van het op 17 Juli 1905 te 's-Gravenhage gesloten en bij de wet van den 15den Juli 1907 (**Staatsblad** n°. 197) goedgekeurd verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, zorg draagt voor de mededeeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken, afkomstig uit een der Staten, waar het verdrag van kracht is, wordt aangewezen de officier van justitie bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de mededeeling verlangd wordt. Artikel 2 Oordeelt de officier van justitie, dat artikel 4 van het verdrag toepasselijk is, dan zendt hij de stukken onder opgaaf van redenen aan Onzen Minister van Justitie, die, zoo noodig na overleg met zijn ambtgenoot van Buitenlandsche Zaken, beslist. Artikel 3 1. De ontvangbewijzen en verklaringen, bedoeld in artikel 5 van het verdrag, af te geven ter zake van de mededeeling van stukken, als in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001875&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) dezer wet bedoeld, zijn vrij van zegel en van de formaliteit van registratie of worden, indien deze formaliteit wordt gewenscht, kosteloos geregistreerd. Is de mededeeling ingevolge artikel 3 van het verdrag geschied bij beteekening door een deurwaarder, dan is het exploit van beteekening vrij van zegel en wordt het kosteloos geregistreerd. 2. Artikel"},{"i":9324,"b":"Uitvoeringswet Rechtsvorderingsverdrag 1954 BES Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - 1. **Het verdrag:** het op 1 maart 1954 te ’s-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Trb. 1954, no. 40); - 2. **Minister:** de Minister van Justitie. Mededeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken Artikel 2 Als de autoriteit, die, overeenkomstig de voorschriften van het verdrag zorg draagt voor de mededeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken, afkomstig uit een der Staten, waar het verdrag van kracht is, wordt aangewezen de Procureur-Generaal Artikel 3 Oordeelt de Procureur-Generaal, dat artikel 4 van het verdrag toepasselijk is, dan zendt hij de stukken onder opgaaf van redenen aan de Minister, die beslist. Artikel 4 1. De ontvangbewijzen en verklaringen, bedoeld in artikel 5 van het verdrag zijn vrij van het recht van zegel en worden, indien ter registratie aangeboden, kosteloos geregistreerd. 2. Indien de mededeling ingevolge artikel 3 van het verdrag geschiedt door betekening door een deurwaarder, is het exploot vrij van het recht van zegel en van het recht van registratie in de gevallen, dat de kosten ingevolge het verdrag niet worden terugbetaald. Artikel 5 1. Om overeenkomstig de voorschriften van het verdrag een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk te doen mededelen in een der Staten waar het verdrag van kracht is, wordt het exploot gedaan en het afschrift doorgezonden op de wijze, aangegeven bij [artikel 5 sub 7 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=5). 2. Behalve de vereisten, bij het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012490) voor het exploot gesteld, zal daarbij worden vermeld het beroep of de maatschappelijke betrekking der partijen, zomede het adres van degene, aan wie de mededeling wordt verlangd. Tevens wordt daarin vermeld, dat het exploot overeenkomstig het verdrag moet"},{"i":9325,"b":"Wet van 24 december 1958, houdende uitvoering van het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 1 maart 1954 te ’s-Gravenhage ondertekende verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: A. Mededeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken Artikel 1 Als de autoriteit, die, overeenkomstig de voorschriften van het verdrag zorg draagt voor de mededeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken, afkomstig uit een der Staten, waar het verdrag van kracht is, wordt aangewezen de officier van justitie bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de mededeling verlangd wordt. Artikel 2 Oordeelt de officier van justitie, dat [artikel 4 van het verdrag](onbekend) toepasselijk is, dan zendt hij de stukken onder opgaaf van redenen aan Onze Minister van Justitie, die, zo nodig na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken, beslist. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 1. Om overeenkomstig de voorschriften van het verdrag een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk te doen mededelen in een der Staten, waar het verdrag van kracht is, wordt het exploit gedaan en het afschrift doorgezonden op de wijze, aangegeven bij [artikel 55, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=55). 2. Behalve de vereisten, bij het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) voor het exploit gesteld, zal daarbij worden vermeld het beroep of de maatschappelijke betrekking der partijen, zomede het adres van degene, aan wie de mededeling wordt verlangd. Tevens wordt daarin vermel"},{"i":9326,"b":"Wet van 30 september 2015 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU 2013, L 182) (Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op [Richtlijn 2013/34](32013L0034)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van [richtlijn 2006/43/EG](32006L0043) van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [richtlijnen 78/660/EEG](31978L0660) en [83/349/EEG](31983L0349) van de Raad (PbEU 2013, L 182) noodzakelijk is enige wijzigingen aan te brengen in [Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045); Zo is het, dat Wij de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IIa Wijzigt de Wet op het financieel toezicht en de Wet toezicht financiële verslaggeving. Artikel IIb Wijzigt de Mediawet 2008, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel IIc Wijzigt de Pensioenwet, de Wet op de ondernemingsraden en de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel IId Wijzigt"},{"i":9327,"b":"Wet van 24 mei 2007 tot uitvoering van richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en het Burgerlijk Wetboek dienen te worden gewijzigd ter uitvoering van [richtlijn nr. 2004/25/EG](32004L0025) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (Pb EU L 142) en het voorts wenselijk is dat een openbaar bod op aandelen kan leiden tot zeggenschap van de bieder over benoeming en ontslag van bestuurders en commissarissen van de doelvennootschap; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel III [Artikel 359b lid 1, onderdeel c en d, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=359b) is niet van toepassing op overeenkomsten tussen aandeelhouders die zijn gesloten voor 20 mei 2004. Artikel IV Indien een doelvennootschap zetel heeft in een andere lidstaat en de door haar uitgegeven effecten voor 20 mei 2006 gelijktijdig voor het eerst zijn toegelaten tot de handel op zowel een op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs als op een in een andere lidstaat gevestigde en van overheidswege toegelaten effectenbeurs welke niet is gelegen in de lidstaat waar de doelvennootschap haar zetel heeft, komt Onze Minister uiterlijk 17 juni 2006 met de toezichthoudende autoriteit in die lidstaat overeen of Onze Minister dan wel die toezichthoudende autoriteit bevoegd is een biedingsbericht als bedoeld in [artikel 6a, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"i":13737,"b":"Wet van 13 maart 1997, houdende bepalingen met betrekking tot de militaire dienstplicht alsmede wijziging van enige wetten en overgangsrecht (Kaderwet dienstplicht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ingevolge [artikel 98, derde lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=98), en het additionele [artikel XXX van de Grondwet](onbekend) regels te stellen met betrekking tot de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping van dienstplichtigen in werkelijke dienst en de oproeping van dienstplichtigen in buitengewone omstandigheden; dat het voorts gewenst is de afzonderlijke regelingen op het gebied van de dienstplicht samen te voegen tot een Kaderwet dienstplicht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN Paragraaf 1. Definities en toepassingsgebied Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; - b. dienstplichtige: degene die ingevolge deze wet geschikt is verklaard voor het vervullen van werkelijke dienst; - c. groot verlof: tijd gedurende welke de dienstplichtige zich niet in werkelijke dienst bevindt of moet bevinden. 2. Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gesproken van personen, die ongeschikt zijn verklaard, zijn ontheven van de verplichting tot het vervullen van werkelijke dienst, zijn uitgesloten van de dienstplicht of te wier aanzien een rechterlijke uitspraak heeft plaatsgehad, worden hieronder, voor zover het tegendeel niet blijkt, verstaan degenen omtrent wie het desbetreffende besluit of de desbetreffende uitspraak onherroepelijk is geworden. 3. Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gesproken van het oproepen van dienstplichtigen voor het vervulle"},{"i":9332,"b":"Wet van 27 september 1961, houdende uitvoering van het op 20 juni 1956 te New York gesloten Verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 20 juni 1956 te New York gesloten Verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud (**Trb.** 1957, 121); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt onder \"het Verdrag\" verstaan het op 20 juni 1956 te New York gesloten Verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud. Artikel 2 Als verzendende instellingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Verdrag, treedt op het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. Artikel 3 Als ontvangende instelling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Verdrag, treedt op het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. Artikel 4 Vervallen Artikel 5 De gemeentebesturen en ambtenaren van de burgerlijke stand verschaffen het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen kosteloos alle inlichtingen en verstrekken hun kosteloos alle afschriften en uittreksels uit hun registers, welke het Bureau van hen vraagt ter uitvoering van de hem bij of krachtens deze wet opgedragen taak. Artikel 6 De ontvangende instelling is bevoegd om ook zonder uitdrukkelijke volmacht, als bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Verdrag, namens de verzoeker op te treden. Artikel 7 Indien van een beslissing inzake onderhoud, gegeven in een land, dat partij is bij het Verdrag, het exequatur in Nederland wordt verzocht op grond van een andere internationale overeenkomst, kan dit exequatur door de ontvangende instelling, worden gevraagd. Artikel 8 1. De ontvangende instelling behoeft, in rechte optredend ter uitvoering v"},{"i":9333,"b":"Wet van 10 maart 1965, houdende uitvoering van het op 5 oktober 1961 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tot afschaffing van het vereiste van legalisatie van buitenlandse openbare akten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 5 oktober 1961 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tot afschaffing van het vereiste van legalisatie van buitenlandse openbare akten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Indien ten aanzien van een in Nederland opgemaakt stuk, waarop van toepassing is het op 5 oktober 1961 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tot afschaffing van het vereiste van legalisatie van buitenlandse openbare akten, een apostille wordt verlangd, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van dat Verdrag zijn tot afgifte van die apostille bevoegd de griffiers van de arrondissementsrechtbanken. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Deze wet treedt in werking tegelijk met de inwerkingtreding voor Nederland van het in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002482&artikel=I&z=1965-10-08&g=1965-10-08) genoemde Verdrag. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9336,"b":"Wet van 7 september 1973, houdende uitvoering van het op 1 juni 1967 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de uitoefening van de visserij op de Noordatlantische Oceaan, met Bijlagen en Aanhangsel (Trb. 1968, 54) (Verbeterblad) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen tot uitvoering van het op 1 juni 1967 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de uitoefening van de visserij op de Noordatlantische Oceaan, met Bijlagen en Aanhangsel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Deze wet verstaat onder: - a. \"het Verdrag\": het op 1 juni 1967 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de uitoefening van de visserij op de Noordatlantische Oceaan, met Bijlagen en Aanhangsel (**Trb.** 1968, 54); - b. \"vissersvaartuig\": elk vaartuig dat bedrijfsmatig wordt gebruikt voor de visserij op die delen van de Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee, en de daarmede in verbinding staande zeeën, waarop het Verdrag van toepassing is; - c. \"vaartuig\": elk vissersvaartuig en elk vaartuig dat bedrijfsmatig wordt gebruikt voor de verwerking van vis, het bevoorraden van, of het verlenen van diensten aan vissersvaartuigen; - d. \"schipper\": elke gezagvoerder van een vaartuig of degene die deze vervangt. 2. Een vaartuig geldt als Nederlands indien het in overwegende mate vanuit Nederland wordt geëxploiteerd, in de regel in Nederland havent en voor ten minste twee derde gedeelte toebehoort aan: - a. één of meer natuurlijke personen die de nationaliteit van een der lid-staten van de Europese Gemeenschappen dan wel van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte bezitten of - b. één of meer rechtspersonen die in overeenstemming met de wetgeving van een lid-staat van de Europese Gemeenschappen dan w"},{"i":9337,"b":"Universele Auteursrecht-Conventie, zoals herzien te Parijs op 24 juli 1971 De Verdragsluitende Staten, Geleid door de wens, de bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde, wetenschap en kunst in alle landen te verzekeren; Van oordeel, dat een stelsel van bescherming van de rechten der auteurs, geschikt voor alle landen en tot uitdrukking gebracht in een universele conventie, naast de reeds bestaande internationale stelsels en zonder daaraan afbreuk te doen, er toe zal bijdragen de eerbiediging van de rechten van de menselijke persoonlijkheid te verzekeren en de ontwikkeling van letteren, wetenschappen en kunsten te bevorderen; In de overtuiging, dat zulk een universeel stelsel van bescherming van de rechten der auteurs de verbreiding van de werken des geestes zal vergemakkelijken en tot een betere internationale verstandhouding zal bijdragen; Hebben besloten de [Universele Auteursrecht-Conventie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005162) ondertekend te Genève op 6 september 1952 (hierna te noemen „de Conventie van 1952”) te herzien en zijn bijgevolg Overeengekomen als volgt: Artikel I Iedere Verdragsluitende Staat verbindt zich, alle voorzieningen te treffen, welke nodig zijn om een voldoende en doeltreffende bescherming te verzekeren van de rechten van auteurs en van alle andere houders van die rechten op werken van letterkunde, wetenschap en kunst, zoals geschriften, muziekwerken, toneelwerken, cinematografische werken, schilderwerken, gravures en beeldhouwwerken. Artikel II 1. Gepubliceerde werken van onderdanen van een Verdragsluitende Staat, alsook voor het eerst in het gebied van een zodanige Staat gepubliceerde werken, genieten in elke andere Verdragsluitende Staat de bescherming, welke deze andere Staat toekent aan voor het eerst in zijn eigen gebied gepubliceerde werken van zijn onderdanen alsmede de speciaal door deze Conventie toegekende bescherming. 2. Niet gepubliceerde werken van onderdanen van een Verdragsluitende Staat genieten"},{"i":0,"b":"40.000 banen-regeling 1996 Besluiten: Artikel I Wijzigt de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995. Artikel II Wijzigt de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995. Artikel III Met betrekking tot arbeidsplaatsen die gerealiseerd zijn op basis van de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995, zoals die luidde op 31 december 1995, blijven de artikelen 10 tot en met 12 van die regeling van kracht. Artikel IV Deze regeling treedt, met uitzondering van [artikel I, onder F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007685&artikel=I&z=1996-01-01&g=1996-01-01), ten eerste, onder c, in werking met ingang van 1 januari 1996. Deze regeling zal met de toelichting en bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9338,"b":"Universele Auteursrecht-Conventie De Verdragsluitende Staten, Bezield door het verlangen, de bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde, wetenschap en kunst in alle landen te verzekeren; Van oordeel, dat een stelsel van bescherming van de rechten der auteurs, geschikt voor alle landen en tot uitdrukking gebracht in een universele conventie, naast de reeds bestaande internationale stelsels en zonder daaraan afbreuk te doen, er toe zal bijdragen de eerbiediging van de rechten van de menselijke persoonlijkheid te verzekeren en de ontwikkeling van letteren, wetenschappen en kunsten te bevorderen; In de overtuiging, dat zulk een universeel stelsel van bescherming van de rechten der auteurs de verbreiding van de werken des geestes zal vergemakkelijken en tot een betere internationale verstandhouding zal bijdragen; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Iedere Verdragsluitende Staat verbindt zich, alle voorzieningen te treffen, welke nodig zijn om een voldoende en doeltreffende bescherming te verzekeren van de rechten van auteurs en van alle andere houders van die rechten op werken van letterkunde, wetenschap en kunst, zoals geschriften, muziekwerken, toneelwerken, cinematografische werken, schilderwerken, gravures en beeldhouwwerken. Artikel II 1. Openbaar gemaakte werken van onderdanen van een Verdragsluitende Staat, alsook voor het eerst in het gebied van een zodanige Staat openbaar gemaakte werken, gemeten in elke andere Verdragsluitende Staat de bescherming, welke deze andere Staat toekent aan voor het eerst in zijn eigen gebied openbaar gemaakte werken van zijn onderdanen. 2. Niet openbaar gemaakte werken van onderdanen van een Verdragsluitende Staat genieten in iedere andere Verdragsluitende Staat de bescherming, welke deze andere Staat verleent aan niet openbaar gemaakte werken van zijn eigen onderdanen. 3. Voor de toepassing van deze Conventie mag elke Verdragsluitende Staat door bepalingen van zijn nationale wetgeving personen, die in zijn gebie"},{"i":2424,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 28 juli 2022, nr. IENM/ILT-2022/36807, houdende vaststelling van handhavingsbeleid inzake de kwaliteitseisen die gelden voor benzine en diesel voor het wegverkeer bestemd voor de export naar lage- en middeninkomenslanden buiten de EU, in het bijzonder bestemd voor ECOWAS-landen, in verband met toezicht op en de handhaving van de zorgplicht van artikel 9.2.1.2 van de Wet milieubeheer (Beleidsregel handhaving kwaliteit van benzine en diesel bestemd voor de export naar lage- en middeninkomenslanden buiten de EU, in het bijzonder ECOWAS-landen, 2022) Gelet op de [artikelen 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 9.2.1.2 Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.1.2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **benzine en diesel:** benzine en diesel voor het gebruik als brandstof ten behoeve van het wegverkeer; - b. **ppm:** parts per million; - c. **v/v:** volume/volume; - d. **produceren:** vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, bewerken of aan een ander ter beschikking stellen; - e. **ECOWAS:** Economic Community of West African States; - f. **Lage- en middeninkomenslanden:** lage- en middeninkomenslanden volgens de definitie en actuele indeling van de Wereldbank. Artikel 2. Kwaliteit van benzine en diesel 1. Bij de handhaving van de zorgplicht van [artikel 9.2.1.2 Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.1.2) hanteert de Inspectie Leefomgeving en Transport voor benzine en diesel bestemd voor export naar lage- en middeninkomenslanden buiten de EU tot 1 april 2023 in ieder geval de volgende specificaties: - a. benzine bevat maximaal 150 ppm aan zwavel, maximaal 1% (v/v) aan benzeen, en maximaal 6 mg/liter mangaan; - b. diesel bevat maximaal 350 ppm aan zwavel. 2. Bij de handhaving van de"},{"i":9348,"b":"Verdrag betreffende de accommodatie aan boord van vissersschepen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 1 juni 1966 in haar vijftigste zitting; Besloten hebbende bepaalde voorstellen aan te nemen betreffende de accommodatie aan boord van vissersschepen, welk onderwerp een onderdeel is van het zesde punt van de agenda der zitting; Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal verdrag zullen aannemen, Neemt heden, de 21ste juni 1966, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de Accommodatie van Scheepsbemanningen (Vissers), 1966”: DEEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing op alle mechanisch voortgestuwde zeeschepen van welke aard ook, hetzij openbaar, hetzij particulier eigendom, die de zeevisserij beoefenen, en die geregistreerd zijn in een grondgebied ten aanzien waarvan dit Verdrag van kracht is. 2. De nationale wetgeving bepaalt wanneer schepen en vaartuigen dienen te worden beschouwd als zeeschepen in de zin van dit Verdrag. 3. Dit Verdrag is niet van toepassing op schepen en vaartuigen van minder dan 75 ton, zij het dat het Verdrag wel wordt toegepast op schepen en vaartuigen van 25 tot 75 ton, indien de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, oordeelt dat dit redelijk en mogelijk is. 4. Voor de toepassing van dit Verdrag kan de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, de lengte in plaats van de tonnage als criterium nemen; in dit geval is het Verdrag niet van toepassing op schepen en vaartuigen met een lengte van minder dan 80 voet (24,4 meter), zij het dat het Verdrag wel wordt toegepast op schepen en vaartuigen met een lengte van 45 tot 80 voet (13,7 tot 24,4 meter), indien de bevoegde autoriteit, na overleg met de organ"},{"i":9350,"b":"Verdrag betreffende de beroepsrevalidatie en werkgelegenheid van gehandicapten De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen op 1 juni 1983, in haar negenenzestigste Zitting, Gelet op de bestaande internationale normen vervat in de Aanbeveling betreffende de beroepsrevalidatie van gehandicapten 1955, en de Aanbeveling betreffende de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen, 1975, en Gelet op de belangrijke ontwikkelingen, die zich na de aanvaarding van de Aanbeveling betreffende de beroepsrevalidatie van gehandicapten, 1955, hebben voorgedaan in de onderkenning van de behoefte aan revalidatie, het werkterrein en de organisatie van de met revalidatie belaste diensten, en in de wetgeving en de praktijk van vele Leden met betrekking tot de problemen waarmede de Aanbeveling zich bezighoudt, en Overwegende, dat het jaar 1981 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is uitgeroepen tot het Internationale Jaar van de Gehandicapten, onder het motto „Volledige deelname en gelijkheid\" en dat een uitgebreid Wereldactieprogramma met betrekking tot gehandicapten dient te voorzien in doeltreffende maatregelen op internationaal en nationaal niveau ter verwezenlijking van de doelstellingen van „volledige deelname\" van gehandicapten aan het maatschappelijke leven en aan de ontwikkeling en van „gelijkheid\", en Overwegende, dat het ten gevolge van deze ontwikkelingen past, ter zake nieuwe internationale normen aan te nemen die in het bijzonder rekening houden met de behoefte voor alle categorieën gehandicapten, op het platteland zowel als in stedelijke gebieden, gelijke kansen en gelijke behandeling te verzekeren met betrekking tot werkgelegenheid en integratie in de gemeenschap, en Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen betreffende beroepsrevalidatie, welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de Zitting voorkomt, Vastg"},{"i":9351,"b":"Verdrag betreffende de bescherming van het loon De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen in haar twee en derigste zitting op 8 Juni 1949, Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de bescherming van het loon, hetgeen het zevende punt is op de agenda der zitting, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, de eerste Juli negentienhonderd negen en veertig, het volgende verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald onder de titel „Verdrag betreffende de bescherming van het loon, 1949”: Artikel 1 In dit Verdrag wordt onder „loon” verstaan de beloning of verdiensten, hoe ook genaamd of berekend, welke in geld kunnen worden uitgedrukt en bij wederzijdse overeenkomst of bij nationale wettelijke maatregelen zijn vastgesteld, en welke verschuldigd zijn krachtens een schriftelijk of mondeling arbeidscontract door een werkgever aan een werknemer voor verrichte of te verrichten arbeid of diensten. Artikel 2 1. Dit Verdrag is van toepassing op allen aan wie loon betaald wordt of verschuldigd is. 2. De bevoegde autoriteit kan, na overleg met de daarbij direct betrokken organisaties van werkgevers en van arbeiders, waar die bestaan, van de toepassing van alle of sommige bepalingen van het Verdrag uitzonderen groepen van personen, wier omstandigheden en arbeidsvoorwaarden zodanig zijn, dat de toepassing ten aanzien van hen van alle of sommige genoemde bepalingen niet op zijn plaats zou zijn en die niet in dienst zijn tot het verrichten van handenarbeid of die huishoudelijke arbeid of gelijksoortig werk verrichten. 3. Elk Lid moet in zijn eerste jaarrapport betreffende de toepassing van dit Verdrag, ingediend krachtens [artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001986&artikel=22), aangeven de gr"},{"i":9354,"b":"Verdrag betreffende de bevordering van het collectief onderhandelen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar zevenenzestigste zitting op 3 juni 1981; Opnieuw de passage bevestigend van de Verklaring van Philadelphia, inhoudende de erkenning dat ,,de verheven plicht van de Internationale Arbeidsorganisatie is, te bevorderen dat er overal ter wereld programma's worden opgesteld die zijn gericht op .... de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve onderhandelingen” en gelet op het feit dat dit beginsel „volledig van toepassing is op alle volken der aarde”; Gelet op het zeer grote belang van de bestaande internationale normen vervat in het [Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, 1948](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005545); het [Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, 1949](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005525); de Aanbeveling betreffende collectieve arbeidsovereenkomsten, 1951; de Aanbeveling betreffende de vrijwillige verzoening en arbitrage, 1951; het [Verdrag en de Aanbeveling betreffende de arbeidsverhoudingen in de openbare dienst, 1978](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003778); alsmede het [Verdrag en de Aanbeveling betreffende de bestuurstaak op het gebied van de arbeid, 1978](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003764); Overwegende dat grotere inspanningen wenselijk zijn ten einde de doelstellingen van deze normen te verwezenlijken en in het bijzonder de algemene beginselen vervat in [artikel 4 van het Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, 1949](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005525&artikel=4), en in lid 1 van de Aanbeveling betreffende collectieve arbeidsovereenkomsten, 1951; Overwegende derhalve dat dez"},{"i":9355,"b":"Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Ten stelligste ervan overtuigd dat het belang van het kind in alle aangelegenheden betreffende het gezag over kinderen van fundamentele betekenis is, Verlangend om in internationaal verband kinderen te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren en procedures vast te stellen, die de onmiddellijke terugkeer van het kind waarborgen naar de Staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft, alsmede de bescherming van het omgangsrecht te verzekeren, Hebben besloten daartoe een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG Artikel 1 Dit Verdrag heeft tot doel: - a). de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende Staat; - b). het in een Verdragsluitende Staat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in de andere Verdragsluitende Staten daadwerkelijk te doen eerbiedigen. Artikel 2 De Verdragsluitende Staten nemen alle passende maatregelen om de doelstellingen van het Verdrag binnen hun grondgebied te verwezenlijken. Hiertoe dienen zij van de snelst mogelijke procedures gebruik te maken. Artikel 3 Het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind wordt als ongeoorloofd beschouwd, wanneer: - a). dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht, dat is toegekend aan een persoon, een instelling of enig ander lichaam, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had; en - b). dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Het onder a) bedoelde gezagsrecht kan in het b"},{"i":9356,"b":"Verdrag betreffende de continuering van werkgelegenheid voor zeevarenden De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar tweeënzestigste zitting op 13 oktober 1976, Gelet op de bepalingen van deel IV (Geregelde tewerkstelling en inkomsten) van de Aanbeveling betreffende de werkgelegenheidsproblemen voortvloeiend uit de technische ontwikkelingen aan boord van schepen, 1970; Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot de continuering van werkgelegenheid voor zeevarenden, welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de zitting voorkomt; Vastgesteld hebbende, dat deze voorstellen de vorm van een internationaal Verdrag dienen te krijgen; aanvaardt heden de achtentwintigste oktober negentienhonderd zesenzeventig het hierna volgende Verdrag, dat kan worden aangehaald als „Verdrag betreffende de continuering van werkgelegenheid voor zeevarenden, 1976”: Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die regelmatig beschikbaar zijn voor arbeid als zeevarenden en die hun jaarlijks inkomen hoofdzakelijk uit deze arbeid verkrijgen. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder de uitdrukking „zeevarenden” verstaan een ieder als zodanig aangemerkt door de nationale wetgeving, de nationale praktijk of door collectieve arbeidsovereenkomsten, die gewoonlijk als bemanningslid aan boord van een zeeschip is tewerkgesteld, behalve op - (a). een oorlogsschip; - (b). een schip dat wordt gebruikt voor de visvangst of daarmee direct verband houdende werkzaamheden of voor de walvisvangst of soortgelijke doeleinden. 3. De nationale wetgeving bepaalt welke schepen voor de toepassing van dit Verdrag als zeeschepen dienen te worden beschouwd. 4. De betrokken organisaties van werkgevers en werknemers worden geraadpleegd of nemen op andere wijze deel aan het opstellen en het herzien van de omschrijvingen krachtens"},{"i":9358,"b":"Verdrag betreffende de Europese Unie Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, de President van de Franse Republiek, de President van Ierland, de President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, de President van de Portugese Republiek, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Vastbesloten een nieuwe etappe te markeren in het proces van Europese integratie waarmee een aanvang is gemaakt met de oprichting van de Europese Gemeenschappen, Geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat, Herinnerend aan het historisch belang van de beëindiging van de deling van het Europese continent en de noodzaak solide grondslagen voor de opbouw van het toekomstige Europa te leggen, Bevestigend hun gehechtheid aan de beginselen van vrijheid, democratie en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en van de rechtsstaat, Bevestigend hun gehechtheid aan de sociale grondrechten zoals omschreven in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekende [Europees Sociaal Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021) en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, Verlangend de solidariteit tussen hun volkeren te verdiepen met inachtneming van hun geschiedenis, cultuur en tradities, Verlangend de democratische en doelmatige werking van de instellingen verder te ontwikkelen, teneinde hen in staat te stellen de hun toevertrouwde taken beter uit te voeren, in één enkel institutioneel kader, Vastbesloten de verste"},{"i":9360,"b":"Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (herzien), 1949 De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen in haar twee en dertigste zitting op 8 Juni 1949, Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen met betrekking tot de gedeeltelijke herziening van het Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen, 1946, aangenomen door de Conferentie in haar acht en twintigste zitting, welk onderwerp begrepen is in het twaalfde punt op de agenda der zitting, Overwegende, dat deze voorstellen de vorm moeten aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, de achttiende Juni negentienhonderd negen en veertig, het volgende verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald onder de titel „Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (herzien), 1949”: DEEL I. Algemeen Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen DEEL II. Ontwerpen van en toezicht op de verblijven van de bemanning Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen DEEL III. Voorschriften betreffende de verblijven van de bemanning Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen DEEL IV. Toepassing van het Verdrag op bestaande schepen. Artikel 18 Vervallen DEEL V. Slotbepalingen Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Vervallen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen Artikel 23 Vervallen Artikel 24 Vervallen Artikel 25 Vervallen Artikel 26 Vervallen Artikel 27 Vervallen DEEL I. Algemeen DEEL II. Ontwerpen van en toezicht op de verblijven van de bemanning DEEL III. Voorschriften betreffende de verblijven van de bemanning DEEL IV. Toepassing van het Verdrag op bestaande schepen. DEEL V. Slotbepalingen"},{"i":9363,"b":"Verdrag betreffende de leeftijd van toelating van kinderen tot het verrichten van niet-industriële werkzaamheden **Verdrag betreffende den leeftijd van toelating van kinderen tot het verrichten van niet-industriëele werkzaamheden.** De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 12 April 1932 in hare zestiende zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende den leeftijd van toelating van kinderen tot het verrichten van arbeid in niet-industriëele beroepen, welk onderwerp het derde punt van de agenda der zitting is en besloten hebbende, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden den 30sten April 1932, het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden het “Verdrag betreffende den leeftijd van toelating van kinderen tot het verrichten van niet-industriëele werkzaamheden, 1932”, ter bekrachtiging door de leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid, zulks in overeenstemming met de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 1. Dit verdrag is van toepassing op elken arbeid, die niet valt onder de regeling neergelegd in de volgende verdragen onderscheidenlijk door de Internationale Arbeidsconferentie aangenomen in hare eerste, tweede en derde zitting: - verdrag betreffende de vaststelling van den leeftijd, waarop kinderen mogen worden toegelaten tot het verrichten van arbeid in nijverheidsondernemingen (Washington 1919); - verdrag tot vaststelling van den minimum leeftijd van toelating van kinderen tot arbeid op zee (Genua 1920); - verdrag betreffende den leeftijd, waarop kinderen mogen worden toegelaten tot arbeid in den landbouw (Genève 1921). In elk land zal de bevoegde autoriteit, na raadpleging van de voornaamste betrokken organisaties van werkgevers en werknemers de grens vaststellen tusschen de toepasselijk"},{"i":9364,"b":"Verdrag betreffende de organisatie van de dienst voor de werkgelegenheid De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau te San-Francisco bijeengeroepen en aldaar bijeengekomen op 17 Juni 1948 in haar een en dertigste zitting en besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de organisatie van de dienst voor de werkgelegenheid, welk onderwerp begrepen is in het vierde punt van de agenda der zitting, en besloten hebbende, dat die voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden de negende Juli 1948 het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden „verdrag betreffende de dienst voor de werkgelegenheid 1948”. Artikel 1 1. Elk Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie, ten aanzien van wie dit verdrag van kracht is, moet een openbare kosteloze dienst voor de werkgelegenheid in stand houden of er voor zorgen, dat zodanige dienst in stand gehouden wordt. 2. Het is een essentiële taak van de dienst voor de werkgelegenheid om, in samenwerking, waar nodig, met andere openbare en bijzondere daarvoor in aanmerking komende lichamen, de best mogelijke organisatie van de arbeidsmarkt te verwezenlijken als een integrerend deel van het nationale welvaartsprogramma, dat de strekking heeft om „werk aan iedereen” te verzekeren en zulks te handhaven, alsmede om de productieve hulpbronnen te ontwikkelen en te gebruiken. Artikel 2 De dienst voor de werkgelegenheid moet bestaan uit een nationaal systeem van arbeidsbureaux onder toezicht van een nationale autoriteit. Artikel 3 1. Het systeem moet een netwerk van plaatselijke bureaux en, zo nodig van regionale bureaux omvatten, voldoende in aantal om elke aardrijkskundige streek van het land te bedienen, en gunstig gelegen voor de werkgevers en de arbeiders. 2. De organisatie van dat netwerk moet: - a. nader onderzocht worden: - 1e. wanneer er belangrijke veranderingen plaats vinden in de verdeling van de eco"},{"i":9365,"b":"Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) PREAMBULE De Verdragsluitende Partijen, Erkend hebbende het nut om de voorwaarden van de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, in het bijzonder voor wat betreft de voor dit vervoer te gebruiken documenten en de aansprakelijkheid van de vervoerder, op eenvormige wijze te regelen, Zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. Toepasselijkheid Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing op iedere overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen, wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering, zoals deze zijn aangegeven in de overeenkomst, gelegen zijn in twee verschillende landen, waarvan tenminste één een bij het Verdrag partij zijnd land is, ongeacht de woonplaats en de nationaliteit van partijen. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „voertuigen” verstaan: de motorrijtuigen, gelede voertuigen, aanhangwagens en opleggers, zoals deze zijn omschreven in [artikel 4 van het Verdrag nopens het wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005415&artikel=4) van 19 september 1949. 3. Dit Verdrag is eveneens van toepassing, indien het vervoer, dat binnen zijn werkingssfeer valt, wordt bewerkstelligd door Staten of door Regeringsinstellingen of -organisaties. 4. Dit Verdrag is niet van toepassing: - a). op vervoer, bewerkstelligd overeenkomstig internationale postovereenkomsten, - b). op vervoer van lijken, - c). op verhuizingen. 5. De Verdragsluitende Partijen komen overeen, dat dit Verdrag niet door bijzondere overeenkomsten, gesloten tussen twee of meer van haar, zal worden gewijzigd, tenzij om aan de werking daarvan haar grensverkeer te onttrekken of om voor vervoer, dat uitsluitend over haar grondgebied plaats heeft, het gebruik van een de goederen vertegenwoordigende vrachtbrief toe te staan. Artikel 2 1. Wanneer het voertuig, waarin"},{"i":9366,"b":"Verdrag betreffende de pensioenen van zeelieden De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Seattle en aldaar bijeengekomen op 6 Juni 1946 in haar achtentwintigste zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de pensioenen van zeelieden, welk onderwerp in het tweede punt van de agenda der zitting begrepen is; besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag; neemt heden, de 28ste Juni 1946, het volgende Verdrag aan, dat genoemd zal worden „Verdrag betreffende de pensioenen van zeelieden, 1946”. Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder de uitdrukking „zeelieden” verstaan iedere persoon, die werkzaam is aan boord of in dienst is van een schip, geen oorlogsschip zijnde, en ingeschreven in een gebied, waarvoor dit Verdrag van kracht is. Artikel 2 1. Elk Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie waarvoor dit Verdrag van kracht is, moet in overeenstemming met zijn nationale wetgeving een stelsel van pensioenen voor zeelieden, die uit de zeedienst ontslag nemen, vaststellen of doen vaststellen. 2. Het stelsel kan die uitzonderingen bevatten, welke het Lid noodzakelijk acht, voor zoveel betreft: - a. personen, werkzaam aan boord of in dienst van: - 1e. schepen, in overheidsdienst, wanneer die schepen niet voor de handel gebezigd worden; - 2e. schepen, die niet voor handelsdoeleinden gebruikt worden voor het vervoer van goederen of passagiers; - 3e. vissersvaartuigen; - 4e. schepen, gebruikt voor de robbenvangst; - 5e. schepen met een bruto tonnenmaat van minder dan 200 register ton; - 6e. houten vaartuigen van een primitieve constructie zoals „dhows” of jonken; - 7e. schepen, bestemd voor de kustvaart met een bruto tonnenmaat van niet meer dan 300 register ton, voor zoveel het schepen betreft, die ingeschreven zijn in India, en gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaren na"},{"i":9367,"b":"Verdrag betreffende de politieke rechten van de vrouw De Verdragsluitende Partijen, Verlangende uitvoering te geven aan het beginsel van gelijke rechten voor mannen en vrouwen, als neergelegd in het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), Erkennende dat een ieder het recht heeft direct of indirect door middel van vrij gekozen vertegenwoordigers deel te nemen aan het bestuur van zijn land en dat een ieder het recht heeft op voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land, en verlangende mannen en vrouwen gelijke status te verlenen wat betreft het genot en de uitoefening van politieke rechten in overeenstemming met de bepalingen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en van de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008), Besloten hebbende tot dit doel een Verdrag te sluiten, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Vrouwen zijn gerechtigd bij alle verkiezingen hun stem op gelijke voet met mannen uit te brengen, en wel zonder enig onderscheid. Artikel II Vrouwen moeten op gelijke voet met mannen kunnen worden gekozen in alle door middel van openbare verkiezingen gekozen lichamen die ingevolge de nationale wetgeving zijn ingesteld, en wel zonder enig onderscheid. Artikel III Vrouwen zijn gerechtigd op gelijke voet met mannen een overheidsambt te bekleden en alle ingevolge de nationale wetgeving ingestelde overheidsbetrekkingen te vervullen, en wel zonder enig onderscheid. Artikel IV 1. Dit Verdrag staat voor ondertekening open voor ieder lid van de Verenigde Naties, alsmede voor iedere andere Staat waaraan de Algemene Vergadering een uitnodiging heeft gericht. 2. Dit Verdrag moet worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Artikel V 1. Dit Verdrag staat voor toetreding open voor alle Staten genoemd in artikel"},{"i":9370,"b":"Verdrag betreffende de schadeloosstelling voor ongevallen in de landbouw VERDRAG BETREFFENDE DE SCHADELOOSSTELLING VOOR ONGEVALLEN IN DEN LANDBOUW. De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 25 October 1921, in hare derde zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende „de bescherming van landarbeiders tegen de gevolgen van ongevallen”, welk onderwerp een onderdeel uitmaakt van het 4de punt van de agenda der zitting en besloten hebbende, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden het “Verdrag betreffende de schadeloosstelling voor ongevallen in de landbouw, 1921”, ter bekrachtiging door de leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid, zulks in overeenstemming met de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 Ieder lid van de Internationale Organisatie van den Arbeid, dat dit verdrag bekrachtigt, verbindt zich om de bescherming der wetten en reglementen, die ten doel hebben de slachtoffers schadeloos te stellen van ongevallen, welke hun door arbeid in een bedrijf of in verband met zoodanigen arbeid zijn overkomen, uit te strekken tot alle loonarbeiders in den landbouw. Artikel 2 De officieele bekrachtigingen van dit verdrag, overeenkomstig het bepaalde in het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie, zullen worden medegedeeld aan den Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem worden ingeschreven. Artikel 3 1. Dit verdrag zal van kracht worden zoodra de bekrachtiging van 2 leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid door den Directeur-Generaal zullen zijn ingeschreven. 2. Het zal slechts verbindend zijn voor de leden, die hunne bekrachtiging door den Directeur-Generaal hebben doen inschrijven. 3. Vervolgens zal dit ver"},{"i":2421,"b":"Beleidsregel handhaving chartaal toezicht eurobankbiljetten 1. Inleiding De Nederlandsche Bank NV (DNB) heeft een handhavende bevoegdheid op grond van [artikel 9c, eerste lid Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9c), en artikel 6, eerste lid van de Verordening Valsemunterij (Vo. Valsemunterij), voor zover dat artikel betrekking heeft op eurobankbiljetten.1[Verordening (EG) 1338/2001](32001R1338) tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij, PbEG 2001, L 181, laatstelijk gewijzigd door [Verordening (EG) 44/2009](32009R0044) tot wijziging van [Verordening (EG) nr. 1338/2001](32001R1338) tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij, PbEG 2009, L 17 Dit houdt onder andere in dat DNB bevoegd is tot oplegging van een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete. Hieronder wordt ingegaan op het beleid dat door DNB wordt toegepast voor de handhaving van: De bepalingen waarop de chartaal toezichtstaak is gebaseerd komen als eerste aan de orde (paragraaf 2). Daarna wordt omschreven op welke wijze DNB toezicht houdt op de naleving van deze bepalingen (paragraaf 3) en volgen de doelstelling en uitgangspunten die de chartaal toezichthouders hanteren bij hun handhavingsbeleid (paragraaf 4). Tot slot wordt uiteengezet welke factoren een rol spelen bij de inzet van handhavingsinstrumenten (paragraaf 5). 2. Chartaal toezichttaak; norm en geadresseerden DNB houdt op grond van [artikel 9b Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9b) toezicht op de naleving van: In beide artikelen is opgenomen -kort gezegd- de verplichting om de eurobankbiljetten op echtheid- en geschiktheid te controleren alvorens deze opnieuw in omloop te brengen. De voorschriften ter zake van de controleprocedures op echtheid en geschiktheid zijn voor eurobankbiljetten nader vastgelegd in ECB-Besluit 2010/14, alsook de verplichting"},{"i":9374,"b":"Verdrag betreffende de toepassing van de wekelijkse rustdag in de industrie De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 25 oktober 1921 in haar derde zitting, Besloten hebbende, verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de wekelijkse rustdag in de industrie, welk onderwerp vervat is in het zevende punt van de agenda der zitting, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag, Neemt het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de wekelijkse rustdag (industrie), 1921”, ter bekrachtiging door de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 1. Voor de toepassing van dit Verdrag worden als „nijverheidsondernemingen” beschouwd: - a). mijnen, groeven en alle andere inrichtingen voor het winnen van minerale stoffen uit de aardbodem; - b). bedrijven waarin goederen worden vervaardigd, veranderd, gereinigd, hersteld, versierd, afgewerkt, tot verkoop geschikt gemaakt, gesloopt of vernietigd, of waarin stoffen een verandering ondergaan, hierbij inbegrepen de scheepsbouw, alsmede de voortbrenging, transformatie en overbrenging van elektriciteit en van alle andere beweegkracht; - c). het bouwen of aanleggen, het weer opbouwen of opnieuw aanleggen, het onderhouden, het herstellen, het veranderen of slopen van gebouwen, spoor- en tramwegen, havens, dokken, pieren, kanalen, binnenwateren, wegen, tunnels, bruggen, viaducten, riolen, goten, putten, telefoon- en telegraafinstallaties, elektrische installaties, gas- of waterleidingswerken of andere constructiewerken, met inbegrip van de voorbereidende en de funderingswerkzaamheden van zodanige werken; - d). het vervoer van personen of goederen langs wegen, spoorwegen of binnenwateren, met inbegrip van de"},{"i":2188,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 september 2017, kenmerk MC-1223399-167180, houdende op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake beschikbaarheidbijdrage post mortem orgaanuitname bij donoren 2018 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Na op 4 november 2016 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) inzake de inzet van het instrument beschikbaarheidbijdrage voor zelfstandige uitnameteams ten behoeve van post mortem orgaanuitname bij donoren (Kamerstukken II 2016/17, 28 140, nr. 96); Gezien de Besluitenlijst van de procedurevergadering van woensdag 16 november 2016 van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **beschikbaar:** tijdig aanwezig zijn op de locatie waar de uitname van organen door het uitnameteam plaats moet vinden zodat de organen na uitname voor transplantatiedoeleinden kunnen worden gebruikt; - –. **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - –. **Bijlage:** [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](onbekend); - –. **materiaallijst:** meest actuele lijst van materialen bedoeld in [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040059&artikel=4&z=2017-12-01&g=2017-12-01); - –. **materialen:** instrumenten en materialen die benodigd zijn voor uitname; - –. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **orgaancentrum:** instelling als bedoeld in [artikel 24 van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=24); - –."},{"i":9377,"b":"Verdrag betreffende de veiligheidsvoorschriften in het bouwbedrijf De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldus bijeengekomen op 3 Juni 1937 in haar drie en twintigste zitting; overwegende, dat het bouwbedrijf gevaar oplevert voor ernstige ongevallen en dat het tegengaan van dit gevaar noodzakelijk is, zowel op humanitaire als op economische gronden; besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende veiligheidsvoorschriften voor arbeiders in het bouwbedrijf, voor zoveel betreft steigers en hefwerktuigen, welk onderwerp het eerste punt van de agenda der zitting is; overwegende, dat met het oog op de wenselijkheid om de minimum veiligheidsvoorschriften uniform te maken, zonder evenwel verplichtingen op te leggen, welke te strak zijn om algemeen toegepast te worden, de meest geschikte vorm aan die voorstellen te geven, die is van een internationaal verdrag, vergezeld van een aanbeveling, inhoudende een model-veiligheidsreglement; neemt heden, de 23ste Juni 1937 het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden „Verdrag betreffende de veiligheidsvoorschriften (bouwbedrijf) 1937”. DEEL I. Verplichtingen van de Partijen bij het Verdrag Artikel 1 1. Elk Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie, dat dit Verdrag bekrachtigt, verbindt zich een wetgeving in stand te houden - a. welke de toepassing van de algemene bepalingen, welke het onderwerp van Deel II tot IV van dit Verdrag uitmaken, verzekert; - b. krachtens welke een bevoegde autoriteit de macht heeft om regelingen te treffen, welke in de mate, waarin het mogelijk en wenselijk is, gegeven de in het land bestaande toestanden, uitvoering geven aan bepalingen gelijk aan die van het model-reglement, gevoegd bij de aanbeveling betreffende de veiligheidsvoorschriften (bouwbedrijf) 1937, of daaraan gelijkwaardig of aan die van een herzien model-reglement, dat later door de Internationale Arb"},{"i":9378,"b":"Verdrag betreffende de vestiging van het Galileo-referentiecentrum tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Europese Commissie en het Europese GNSS-Agentschap The Kingdom of the Netherlands and The European Commission and The European GNSS Agency Hereinafter “the Parties” Having regard to the [Treaty on the European Union](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507), in particular [Protocol No 7 on the Privileges and Immunities of the European Union](onbekend) attached to the Treaty on the European Union, the [Treaty on the Functioning of the European Union](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) and the [Treaty establishing the European Atomic Energy Community](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033); Having regard to Regulation (EU) No 1285/2013 of the European Parliament and of the Council of 11 December 2013 on the implementation and exploitation of European satellite navigation systems and repealing Council Regulation (EC) No 876/2002 and Regulation (EC) No 683/2008 of the European Parliament and of the Council1)OJ L 347, 20.12.2013, p.1 (hereinafter the “GNSS Regulation”); Having regard to Regulation (EU) No 912/2010 of the European Parliament and of the Council of 22 September 2010 setting up the European GNSS Agency, repealing Council Regulation (EC) No 1321/2004 on the establishment of structures for the management of the European satellite radio navigation programmes and amending Regulation (EC) No 683/2008 of the European Parliament and of the Council2)OJ L 276, 20.10.2010; Having regard to Commission Implementing Decision (EU) 2016/413 of 18 March 2016 determining the location of the ground-based infrastructure of the system established under the Galileo programme and setting out the necessary measures to ensure that it functions smoothly, and repealing Implementing Decision 2012/117/E3)OJ L 74, 19.3.2016, p.45 (hereinafter the “Implementing Decision”). Whereas the GNSS Regulation provides that the system established under the Ga"},{"i":9383,"b":"Verdrag betreffende de werkgelegenheidspolitiek De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Te Genève bijeengeroepen door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en bijeengekomen in haar achtenveertigste zitting op 17 juni 1964, Overwegende, dat de Verklaring van Philadelphia het als de verheven plicht van de Internationale Arbeidsorganisatie beschouwt onder de verschillende volken der wereld plannen te bevorderen, waardoor arbeid voor allen en verhoging van de levensstandaard wordt bereikt, en dat in de [Inleiding van het Statuut van de Organisatie](onbekend) als doeleinde wordt gesteld de werkloosheid te bestrijden en een loon, dat redelijke bestaansvoorwaarden verzekert, te waarborgen; Overwegende voorts, dat de Verklaring van Philadelphia bevestigt, dat het tot de taak van de Internationale Arbeidsorganisatie behoort de gevolgen van de economische en financiële politiek voor het werkgelegenheidsbeleid te onderzoeken en te beoordelen, met de fundamentele doelstelling voor ogen dat „alle mensen, ongeacht hun ras, geloof of kunne, het recht hebben, zowel naar hun stoffelijk welzijn als naar hun geestelijke ontwikkeling te streven in vrijheid en waardigheid en in het genot van economische zekerheid en gelijkheid van kansen”; Overwegende, dat de [Universele Verklaring van de Rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) bevestigt, dat „een ieder recht heeft op arbeid, op vrije keuze van beroep, op rechtvaardige en gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid”; Gelet op de inhoud van de bestaande internationale arbeidsverdragen en aanbevelingen die rechtstreeks verband houden met het werkgelegenheidsbeleid en in het bijzonder op het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005533) en de Aanbeveling betreffende de dienst voor de werkgelegenheid, 1948, de Aanbeveling betreffende de beroepskeuzevoorlichting, 1949, de Aanbeveling betreffende de vakopleiding, 1962, en het [Verdrag]("},{"i":9387,"b":"Verdrag betreffende het diploma van bekwaamheid als scheepskok De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Seattle en aldaar bijeengekomen op 6 Juni 1946 in haar achtentwintigste zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende het diploma van bekwaamheid als scheepskok, welk onderwerp het vierde punt van de agenda der zitting vormt, besloten hebbende, dat die voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, de 27ste Juni 1946, het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden „Verdrag betreffende het diploma van bekwaamheid als scheepskok, 1946”. Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing op elk zeeschip, hetzij publiek, hetzij privaat eigendom, dat voor handelsdoeleinden gebezigd wordt voor het vervoer van lading of passagiers en dat ingeschreven is in een gebied, waarvoor dit Verdrag van kracht is. 2. De nationale wetgeving, of bij gebreke daarvan collectieve overeenkomsten gesloten tussen werkgevers en werknemers zullen bepalen welke schepen, of welke soorten van schepen voor de toepassing van dit Verdrag geacht zullen worden zeeschepen te zijn. Artikel 2 Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „scheepskok” de persoon rechtstreeks verantwoordelijk voor het bereiden van de maaltijden voor de bemanning. Artikel 3 1. Niemand kan als scheepskok aan boord van een schip, waarop dit Verdrag van toepassing is, in dienst genomen worden, tenzij hij houder is van een diploma, waaruit van zijn bekwaamheid blijkt om het beroep van scheepskok uit te oefenen, en dat afgegeven is volgens de bepalingen van de navolgende artikelen. 2. De bevoegde autoriteit zal echter uitzonderingen op de bovenvermelde bepaling kunnen toestaan in geval er naar haar mening onvoldoende aanbod van gediplomeerde scheepskoks bestaat. Artikel 4 1. De bevoegde autoriteit zal alle doelmatige maatregelen treffen voor het houden"},{"i":9388,"b":"Verdrag betreffende het gebruik van loodwit in verfstoffen De Algemene Conferentie van de Internationale Organisatie van de Arbeid, door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 25 October 1921, in haar derde zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende „het verbod van het gebruik van loodwit in verfstoffen”, welk onderwerp het 6de punt vormt van de agenda der zitting en besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden het “Verdrag betreffende het gebruik van loodwit in verfstoffen, 1921”, ter bekrachtiging door de leden van de Internationale Organisatie van de Arbeid, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 1. Ieder lid van de Internationale Organisatie van de Arbeid, dat dit verdrag bekrachtigt, verbindt zich, behoudens de afwijkingen voorzien in artikel 2, het gebruik van loodwit, loodsulfaat en alle andere producten, die deze stoffen bevatten, te verbieden bij het schilderen van binnenwerk van gebouwen, met uitzondering van spoorweg-stations en industrie-gebouwen, voor welke het gebruik van loodwit, loodsulfaat en alle andere producten, die deze stoffen bevatten, door de bevoegde overheid na raadpleging van de organisaties van werkgevers en arbeiders verklaard is geworden noodzakelijk te zijn. 2. Het gebruik van witte verfstoffen, welke ten hoogste 2 pct. lood bevatten, uitgedrukt in lood-metaal, blijft evenwel geoorloofd. Artikel 2 1. De bepalingen van artikel 1 zijn niet toepasselijk op decoratieschilderijen, noch op aflijnen en bijwerken. 2. Iedere regering zal de scheidingslijn tussen de verschillende soorten van schilderwerk vaststellen en het gebruik van loodwit, loodsulfaat en van andere producten, die deze stoffen bevatten, voor deze soorten schilderwerk regelen overeenkomstig de bepalingen van"},{"i":9390,"b":"Verdrag betreffende het toepasselijke recht op vertegenwoordiging De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend,. Verlangend gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen betreffende het toepasselijke recht op vertegenwoordiging, Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG Artikel 1 Dit Verdrag bepaalt welk recht van toepassing is op internationale rechtsverhoudingen die ontstaan wanneer een persoon, de vertegenwoordiger, bevoegd is te handelen, handelt of beweert te handelen op naam of voor rekening van een andere persoon, de vertegenwoordigde, met een derde. Het is mede van toepassing op gevallen waarin de taak van de vertegenwoordiger bestaat in het ontvangen en overbrengen van voorstellen of het voeren van onderhandelingen ten behoeve van andere personen. Het Verdrag is van toepassing, ongeacht of de vertegenwoordiger op eigen naam of op naam van de vertegenwoordigde handelt en ongeacht of hij regelmatig of bij gelegenheid handelt. Artikel 2 Het Verdrag is niet van toepassing op: - a). de handelingsbekwaamheid van partijen; - b). vormvereisten; - c). wettelijke vertegenwoordiging in het familierecht, het huwelijksgoederenrecht en het erfrecht; - d). vertegenwoordiging ingevolge een beslissing van een rechterlijke of administratieve autoriteit, of onder rechtstreeks toezicht van een dergelijke autoriteit; - e). vertegenwoordiging verband houdend met een rechtsgeding; - f). de vertegenwoordiging door een scheepskapitein in de uitoefening van zijn functie. Artikel 3 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a). wordt een orgaan of een functionaris van, of een deelnemer in een vennootschap, vereniging of ander lichaam, al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittend, niet beschouwd als de vertegenwoordiger van dat lichaam voorzover hij, in de uitoefening van zijn functie, handelt op grond van bevoegdheden toegekend door de wet of de statuten van dat lichaam; - b). wordt de**trustee** ni"},{"i":9391,"b":"Verdrag betreffende het voorkomen van zware industriële ongevallen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen op 2 juni 1993, in haar tachtigste zitting; Gelet op de internationale arbeidsverdragen en -aanbevelingen op dit terrein, en in het bijzonder op het [Verdrag en de Aanbeveling betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002487), 1981, en het Verdrag en de Aanbeveling betreffende veiligheid bij het gebruik van chemische stoffen bij de arbeid, 1990, en de noodzaak van een wereldwijde en samenhangende aanpak onderstrepend, en Tevens gelet op de Code van praktische richtlijnen betreffende het voorkomen van zware industriële ongevallen, gepubliceerd door de IAO in 1991, en In aanmerking nemend de noodzaak te verzekeren dat alle passende maatregelen worden genomen: om zware ongevallen te voorkomen; om de risico's van zware ongevallen tot het minimum te beperken; om de gevolgen van zware ongevallen tot het minimum te beperken, en In overweging nemende de oorzaken van deze ongevallen, waaronder organisatorische fouten, menselijke factoren, storingen in onderdelen, afwijkingen met betrekking tot de normale operationele omstandigheden, inwerkingen van buitenaf en natuurverschijnselen, en In aanmerking nemend de behoefte aan samenwerking in het kader van het Internationaal Programma inzake chemische veiligheid tussen de Internationale Arbeidsorganisatie, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties en de Wereldgezondheidsorganisatie, alsmede met andere betrokken intergouvernementele organisaties, en Besloten hebbend tot het aannemen van bepaalde voorstellen betreffende het voorkomen van zware industriële ongevallen, welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de zitting staat, en Vastgesteld hebbend dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag;"},{"i":9392,"b":"Verdrag betreffende het zegelrecht ten aanzien van cheques **(Opsomming van Staatshoofden.)** Verlangend eenige vragen van zegelrecht in verband met de chèque te regelen, hebben tot hun Gevolmachtigden aangewezen : **(Lijst van Gevolmachtigden.)** Die, na elkander hun in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen : Artikel 1 De Hooge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, in geval haar wetgevingen niet reeds daartoe strekken, haar wetten in alle gebieden, die onder haar souvereiniteit of gezag zijn geplaatst en waarop dit Verdrag van toepassing is, zoodanig te wijzigen, dat de geldigheid der ten aanzien van chèques aangegane verbintenissen en de uitoefening der daaruit voortvloeiende rechten niet afhankelijk zal worden gesteld, van de inachtneming der bepalingen nopens het zegel. Zij kunnen echter de uitoefening van die rechten schorsen, totdat de verschuldigde zegelrechten alsmede de verbeurde boeten zullen zijn betaald. Eveneens kunnen zij bepalen, dat de hoedanigheid en de kracht van onmiddellijk-uitvoerbaren-titel, welke overeenkomstig haar wetgevingen aan de chèque mochten zijn toegekend, afhankelijk zullen zijn van de voorwaarde, dat het zegelrecht, overeenkomstig de bepalingen harer wetten, aanstonds bij de uitgifte van het stuk behoorlijk gekweten is. Artikel 2 Dit Verdrag, waarvan de Fransche en Engelsche tekst beide authentiek zijn, zal de dagteekening van heden dragen. Het zal tot 15 Juli 1931 kunnen worden onderteekend namens ieder Lid van den Volkenbond en iederen Staat niet-Lid. Artikel 3 Dit Verdrag zal worden bekrachtigd. De oorkonden van bekrachtiging zullen vóór den 1sten September 1933 worden nedergelegd bij den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van de ontvangst onmiddellijk zal mededeeling doen aan alle Leden van den Volkenbond en aan alle Staten niet-Leden, in wier naam dit Verdrag is onderteekend of in wier naam daartoe is toegetreden. Artikel 4 Van 15 J"},{"i":9393,"b":"Verdrag betreffende het zegelrecht ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes (**Opsomming van Staatshoofden.**) Verlangend eenige vragen van zegelrecht in verband met den wisselbrief en het orderbriefje op te lossen, hebben tot hun Gevolmachtigden aangewezen: (**Lijst van Gevolmachtigden.**) Die, na elkander hun in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 De Hooge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, in geval haar wetgevingen niet reeds daartoe strekken, haar wetten zoodanig te wijzigen, dat de geldigheid der ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes aangegane verbintenissen en de uitoefening der daaruit voortvloeiende rechten niet afhankelijk zal worden gesteld van de inachtneming der bepalingen nopens het zegel. Zij kunnen echter de uitoefening van die rechten schorsen, totdat de verschuldigde zegelrechten alsmede de verbeurde boeten zullen zijn betaald. Eveneens kunnen zij bepalen, dat de hoedanigheid en de kracht van onmiddellijk-uitvoerbaren-titel, welke overeenkomstig haar wetgevingen aan den wisselbrief of het orderbriefje mochten zijn toegekend, afhankelijk zullen zijn van de voorwaarde, dat het zegelrecht, overeenkomstig de bepalingen harer wetten, aanstonds bij de uitgifte van het stuk behoorlijk gekweten is. Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich de bevoegdheid voor om de verplichting bij het eerste lid vermeld tot de wisselbrieven te beperken. Artikel 2 Dit Verdrag, waarvan de Fransche en Engelsche teksten beide authentiek zijn, zal de dagteekening van heden dragen. Het zal tot 6 September 1930 kunnen worden onderteekend namens ieder Lid van den Volkenbond en iederen Staat niet-Lid. Artikel 3 Dit Verdrag zal worden bekrachtigd. De oorkonden van bekrachtiging zullen vóór den 1sten September 1932 worden nedergelegd bij den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van de ontvangst onmiddellijk mededeeling zal doen aan alle Leden van"},{"i":9395,"b":"Verdrag betreffende internationale tentoonstellingen HOOFDSTUK I. Omschrijving en doel Artikel 1 1. Een tentoonstelling is een manifestatie die, onder welke benaming ook, als voornaamste doel heeft het publiek te onderwijzen, door de inventaris op te maken van de middelen die de mens ter beschikking staan om aan de behoeften van de beschaving te voldoen en door in een of meer takken van menselijke activiteit de behaalde vooruitgang of de mogelijkheden voor de toekomst te doen uitkomen. 2. Een tentoonstelling is internationaal, wanneer er meer dan één Staat aan deelneemt. 3. De deelnemers aan een internationale tentoonstelling zijn enerzijds de exponenten van officieel vertegenwoordigde Staten, gegroepeerd in nationale afdelingen, en anderzijds de internationale organisaties of de exposanten die onderdaan zijn van niet officieel vertegenwoordigde Staten en ten slotte degenen die volgens de reglementen van de tentoonstelling zijn gemachtigd een andere activiteit te bedrijven, met name de concessionarissen. Artikel 2 Dit Verdrag is van toepassing op alle internationale tentoonstellingen, met uitzondering van: - a). tentoonstellingen met een duur van minder dan drie weken; - b). tentoonstellingen van Schone Kunsten; - c). in hoofdzaak commerciële tentoonstellingen. Ongeacht de naam die door de organisatoren aan een tentoonstelling wordt gegeven, wordt in dit Verdrag onderscheid gemaakt tussen ingeschreven tentoonstellingen en erkende tentoonstellingen. HOOFDSTUK II. Algemene voorwaarden voor het organiseren van internationale tentoonstellingen Artikel 3 Voor inschrijving door het Internationaal Tentoonstellingsbureau, bedoeld in artikel 25 hieronder, komen in aanmerking de internationale tentoonstellingen die voldoen aan de volgende voorwaarden: - A). de duur ervan mag niet minder dan zes weken en niet meer dan zes maanden zijn; - B). de gebruiksvoorwaarden van de tentoonstellingsgebouwen die worden gebruikt door de deelnemende Staten, worden vastgesteld in het algemene"},{"i":9396,"b":"Verdrag betreffende jaarlijks verlof met behoud van loon van zeevarenden De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau, en aldaar bijeengekomen in haar tweeënzestigste zitting op 13 oktober 1976, Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot de herziening van het Verdrag betreffende vakantie met behoud van loon van zeelieden (herzien), 1949 (Nr. 91), gezien in het licht van, doch niet noodzakelijkerwijs beperkt tot het Verdrag betreffende vakantie met behoud van loon (herzien), 1970 (Nr. 132), welk onderwerp als tweede punt op de agenda van de Zitting voorkomt, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm van een internationaal Verdrag dienen te krijgen, aanvaardt lieden, de negenentwintigste oktober negentienhonderdzesenzeventig, het volgende Verdrag, dat kan worden aangehaald als Verdrag betreffende jaarlijks verlof met behoud van loon van zeevarenden, 1976. Artikel 1 De bepalingen van dit Verdrag moeten worden uitgevoerd krachtens nationale wetten of regelingen, voor zover hieraan niet op andere wijze uitvoering is gegeven door collectieve arbeidsovereenkomsten, scheidsrechterlijke of rechterlijke uitspraken, wettelijk voorgeschreven procedures voor de vaststelling van het loon, of op zodanige andere wijze als verenigbaar is met nationale gebruiken of dienstig is in verband met nationale omstandigheden. Artikel 2 1. Dit Verdrag is van toepassing op allen die werkzaam zijn als zeevarenden. 2. In dit Verdrag wordt met „zeevarende” bedoeld, een ieder die in enigerlei functie werkzaam is aan boord van een zeeschip dat is teboekgesteld in een gebied ten aanzien waarvan dit Verdrag van kracht is, behalve: - a). een oorlogsschip; - b). een schip dat wordt gebruikt voor de visvangst of daarmee direct verband houdende werkzaamheden of voor de walvisvangst of soortgelijke doeleinden. 3. In nationale wetten of regelingen wordt, na raa"},{"i":9397,"b":"Verdrag betreffende methoden tot vaststelling van minimum-lonen in de landbouw De Algemene Conferentie van de Internationle Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen in haar vier en dertigste zitting op 6 Juni 1951, Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende methoden tot vaststelling van minimumlonen in de landbouw, welk onderwerp het achtste punt van de agenda der zitting vormt, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag, neemt heden, de acht en twintigste Juni negentienhonderd een en vijftig, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende methoden tot vaststelling van minimumlonen (landbouw), 1951”: Artikel 1 1. Elk Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie, dat dit Verdrag bekrachtigt, verbindt zich tot het scheppen of in stand houden van doeltreffende methoden, waardoor minimum-loon normen vastgesteld kunnen worden voor werknemers in landbouwbedrijven en aanverwante beroepen. 2. Elk Lid, dat dit Verdrag bekrachtigt, zal vrij zijn om na overleg met de meest representatieve betrokken organisaties van werkgevers en werknemers, waar deze bestaan, te bepalen op welke bedrijven, beroepen en categorieën van personen de in het vorige lid genoemde methoden tot vaststelling van minimum-lonen toegepast zullen worden. 3. De bevoegde autoriteit kan categorieën van personen wier dienstbetrekking de bepalingen van dit Verdrag geheel of gedeeltelijk niet op hen van toepassing doet zijn, zoals gezinsleden van de landbouwer die bij hem in dienst zijn, uitsluiten van de toepassing van bedoelde bepalingen. Artikel 2 1. Nationale wetten of regelingen, collectieve arbeidsovereenkomsten of arbitrale vonnissen kunnen toestaan, dat minimum-lonen gedeeltelijk in natura uitgekeerd worden in gevallen waarin deze wijze van betaling gebruikelijk of wenselijk is. 2. In gevallen waarin het"},{"i":9401,"b":"Verdrag betreffende schadeloosstelling voor beroepsziekten (herzien) **Verdrag betreffende gedeeltelijke herziening van het verdrag betreffende schadeloosstelling voor beroepsziekten.** De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 4 Juni 1934 in hare achttiende zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de gedeeltelijke herziening van het verdrag betreffende schadeloosstelling voor beroepsziekten, aangenomen door de Conferentie in hare zevende zitting, welk onderwerp het vijfde punt van de agenda der zitting is, en overwegende, dat die voorstellen den vorm moeten aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden den 21sten Juni 1934, het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden „(herzien) verdrag betreffende beroepsziekten 1934”: Artikel 1 1. Ieder Lid van de Internationale Organisatie van den Arbeid, dat dit verdrag bekrachtigt, verbindt zich om aan hen, die aan beroepsziekten of aan de gevolgen daarvan lijden, of aan hun rechtverkrijgenden een schadeloosstelling toe te kennen, overeenkomstig de algemeene beginselen van de nationale wetgeving betreffende de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen. 2. Het bedrag dier schadeloosstelling zal niet lager zijn dan het bedrag, dat de nationale wetgeving vaststelt ten aanzien van de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen. Onder dit voorbehoud is ieder Lid vrij om bij de vaststelling der voorwaarden in zijn nationale wetgeving nopens de betaling van schadeloosstelling voor beroepsziekten en bij de toepassing van de wetgeving betreffende schadeloosstelling voor arbeidsongevallen op die ziekten, die wijzigingen en veranderingen aan te brengen, welke hem dienstig voorkomen. Artikel 2 Ieder Lid van de Internationale Organisatie van den Arbeid, dat dit verdrag bekrachtigt, verbindt zich om als beroepsziekten te beschouwen, de ziekten zoowel"},{"i":9402,"b":"Verdrag betreffende stagiaires De Regeringen van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk Groot-Brittannië en Noord-Ierland; Besloten hebbende om — in overeenstemming met de doelstelling van het Verdrag van Brussel, ondertekend op 17 Maart 1948 — haar samenwerking op sociaal gebied uit te breiden; Overwogen hebbende de voordelen, verbonden aan het bevorderen van de uitwisseling van stagiaires tussen haar landen onderling, alsmede de noodzaak om de beginselen vast te leggen volgens welke deze uitwisseling zal worden geregeld; Het wenselijk achtende, tot dit doel een Verdrag te sluiten; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen In witness whereof the undersigned, duly authorised by their respective Governments, have signed the present Convention and have afixed thereto their seals. Done at Brussels the 17th April 1950, in English and French, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Secretariat-General of the Brussels Treaty Permanent Commission, and of which a certified copy shall be transmitted by the Secretary-General to each of the signatory Governments."},{"i":9408,"b":"Verdrag bevattende het instrument bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie, ondertekend te Washington op 25 juni 2003, inzake de toepassing van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend te 's-Gravenhage op 24 juni 1980 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Zoals voorzien in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend te Washington D.C. op 25 juni 2003 (hierna te noemen “de VS-EU-Uitleveringsovereenkomst”), bevestigen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika dat het bilaterale uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend te 's-Gravenhage op 24 juni 1980 (hierna te noemen het Uitleveringsverdrag van 1980) met betrekking tot de VS-EU-Uitleveringsovereenkomst wordt toegepast onder de volgende voorwaarden: - a. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de VS-EU-Uitleveringsovereenkomst, wordt artikel 9, eerste lid, opgenomen in de bijlage bij dit Verdrag, toegepast in plaats van artikel 9, eerste lid, van het Uitleveringsverdrag van 1980; - b. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de VS-EU-Uitleveringsovereenkomst, wordt artikel 9, zesde lid, opgenomen in de bijlage bij dit Verdrag, toegepast in plaats van artikel 9, zesde lid, van het Uitleveringsverdrag van 1980; - c. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de VS-EU-Uitleveringsovereenkomst, wordt artikel 9, zevende lid, opgenomen in de bijlage bij dit Verdrag, toegepast ter aanvulling van de bepalingen van het Uitleveringsverdrag van 1980; - d. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de VS-EU-Uitleveringsovereenkomst, wordt artikel 10, derde lid, opgenomen in de bijlage"},{"i":2425,"b":"Beleidsregel handhaving misbruik van slots op gecoördineerde luchthavens Gelet op [artikel 7 van het Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035&artikel=7) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81). Besluit: Artikel 1 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **ILT:** Inspectie Leefomgeving en Transport; - b. **Verordening 95/93:** [Verordening (EEG) nr. 95/93](31993R0095) van de Raad van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van 'slots' op communautaire luchthavens (PbEG 1993, L14); - c. **slot:** door een coördinator, overeenkomstig [Verordening 95/93](31993R0095), gegeven toestemming om op een welbepaalde datum en tijd de gehele voor de uitvoering van een luchtdienst noodzakelijke luchthaveninfrastructuur op een gecoördineerde luchthaven te gebruiken om te landen of op te stijgen, zoals toegewezen door een coördinator overeenkomstig deze verordening; - d. **WASG:** Worldwide Airport Slot Guidelines, zijnde de wereldwijd door de luchtvaartsector opgestelde aanvullende regels en richtsnoeren; - e. **beweging:** aankomende of vertrekkende vlucht; - f. **nachtbeweging:** beweging op de luchthaven Schiphol, in de periode als bedoeld in [artikel 4.2.3a van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&artikel=4.2.3a), waarbij het tijdstip geldt dat het luchtvaartuig loskomt van of met de wielen landt op de start- of landingsbaan; - g. **nachtslot:** slot voor vertrek in de periode tussen 22:40 en 06:55 uur, waar het luchtvaartuig van de blokken gaat, dan wel slot voor aankomst in de periode tussen 23:00 en 07:15 uur, waar het luchtvaartuig aan de blokken gaat; - h. **bloktijd:** automatische registratie van de parkeerrem, het registreren van de tijd op de opstelplaats, of de handmatige registratie van het verwijderen of aanbrengen van de blokken voor de wielen, waarbij de mee"},{"i":9414,"b":"Verdrag inzake Antarctica De Regeringen van Argentinië, Australië, België, Chili, de Franse Republiek, Japan, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, de Unie van Zuid-Afrika, de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika, Erkennende dat het in het belang van de gehele mensheid is dat Antarctica ook in de toekomst uitsluitend voor vreedzame doeleinden wordt gebruikt en niet het toneel wordt van strijd, noch het voorwerp van internationale geschillen; Met voldoening kennis nemende van de belangrijke bijdragen die als gevolg van de internationale samenwerking bij het wetenschappelijk onderzoek in Antarctica aan de wetenschap zijn geleverd; Ervan overtuigd dat het leggen van een hechte grondslag voor de voortzetting en de ontwikkeling van deze samenwerking, gebaseerd op het beginsel dat ieder land vrij is wetenschappelijk onderzoek in Antarctica te verrichten, van welk beginsel ook in het Internationaal Geofysisch Jaar is uitgegaan, de wetenschap en de vooruitgang van de gehele mensheid ten goede zal komen; Er evenzeer van overtuigd dat de totstandkoming van een verdrag dat het gebruik van Antarctica uitsluitend voor vreedzame doeleinden, alsmede de bestendiging van een goede internationale verstandhouding in dit gebied beoogt, in overeenstemming is met de beginselen van het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en de daarin vervatte doelstellingen bevordert; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I 1. Antarctica wordt uitsluitend gebruikt voor vreedzame doeleinden. Verboden zijn onder andere alle maatregelen van militaire aard zoals het aanleggen van militaire bases en versterkingen, het houden van militaire oefeningen alsmede het beproeven van alle soorten wapens. 2. Dit Verdrag verbiedt niet het gebruik van militair personeel of materieel voor het wetenschappelijk onderzoek of andere vreedzame doeleinden. Artikel II De vrijheid van wetensch"},{"i":5249,"b":"Bekendmaking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2017, 2017-0000132546, in verband met de aanwijzing van geregistreerde certificaten voor de kinderopvang inzake het met goed gevolg afgesloten onderricht dat in elk geval het verlenen van eerste hulp aan kinderen omvat Gelet op de [artikelen 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=8), [9b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=9b), en [10d, eerste lid, van de Regeling Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=10d); Besluit: Artikel 1 De door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond van de [artikelen 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=8), [9b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=9b), en [10d, eerste lid, van de Regeling Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=10d) aangewezen bewijsstukken in de vorm van geregistreerde certificaten inzake het met goed gevolg afgesloten onderricht dat in elk geval het verlenen van eerste hulp aan kinderen omvat, zijn opgenomen in de bijlage bij deze bekendmaking. Artikel 2 Het [Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 maart 2015 tot aanwijzing van EHBO-certificaten gastouderopvang en opname in het Register EHBO-certificaten gastouderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036448) (Stcrt. 2015, 8353) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze bekendmaking treedt in werking met ingang van 1 januari 2018, nadat artikel I van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2017 tot wijziging van diverse regelingen in verband met de harmonisatie van de regelgeving met betrekking tot kindercentra en peuterspeelzalen (Stcrt. 2017, 49281) in werking is getreden. Bijlage. als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039949&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) van de Bekendma"},{"i":5287,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juni 2020, kenmerk 2020-0000094883, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor het jaar 2020 (Regeling bekostiging financieel toezicht 2020) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9); BESLUITEN: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder geconsolideerde jaarrekening: jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van personen die een groep of groepsdeel vormen en andere in de consolidatie meegenomen personen, als één geheel zijn opgenomen. Artikel 2 1. Voor het kalenderjaar 2020 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9), voor de personen die onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten vallen, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&bijlage=1), onderdeel B, van dat besluit, als volgt vastgesteld: | Toezichtcategorie | Maatstaf | Bandbreedtes | Tarieven | | --- | --- | --- | --- | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >0 tot en met 5.000 PC | € 2.093 vermeerderd met: € 6,33 per PC | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >5.000 tot en met 10.000 PC | in voorkomend geval vermeerderd met: € 4,43 per PC | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk al"},{"i":9418,"b":"Verdrag inzake biologische diversiteit Preambule De Verdragsluitende Partijen, Zich bewust van de intrinsieke waarde van de biologische diversiteit en van de waarde van de biologische diversiteit en de bestanddelen daarvan in ecologisch, genetisch, sociaal, economisch, wetenschappelijk, educatief, cultureel, recreatief en esthetisch opzicht, Zich tevens bewust van het belang van de biologische diversiteit voor de evolutie en het behoud van de systemen die de biosfeer in stand houden, Bevestigende dat het behoud van de biologische diversiteit een gemeenschappelijke zorg voor de mensheid vormt, Opnieuw bevestigende dat Staten soevereine rechten hebben met betrekking tot hun biologische rijkdommen, Tevens opnieuw bevestigende dat Staten verantwoordelijk zijn voor het behoud van hun biologische diversiteit en voor het duurzame gebruik van hun biologische rijkdommen, Bezorgd over het feit dat de biologische diversiteit aanmerkelijk achteruitgaat door bepaalde menselijke activiteiten, Zich bewust van de in het algemeen tekortschietende informatie en kennis aangaande de biologische diversiteit en van de dringende behoefte aan de ontwikkeling van wetenschappelijke, technische en institutionele mogelijkheden waarmee het fundamentele inzicht kan worden verworven dat nodig is om passende maatregelen te kunnen plannen en uitvoeren, Vaststellende dat het van het hoogste belang is de oorzaken van de aanmerkelijke achteruitgang of verlies van de biologische diversiteit te voorzien, te voorkomen en aan te pakken bij de bron, Tevens vaststellende dat wanneer er een aanmerkelijke achteruitgang of verlies van de biologische diversiteit dreigt, het ontbreken van volledige wetenschappelijke zekerheid niet mag dienen als grond voor uitstel van maatregelen ter voorkoming of beperking van die dreiging, Voorts vaststellende dat het voornaamste vereiste voor het behoud van de biologische diversiteit bestaat in het behoud in situ van ecosystemen en natuurlijke habitats, alsmede in de instandh"},{"i":9442,"b":"Verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen met het oog op de wederzijdse erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens volwassenen, Geleid door de wens deze bepalingen te coördineren met die van het [Verdrag van 15 april 1958 nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002908), Hebben besloten hiertoe een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG Artikel 1 Dit Verdrag is van toepassing op beslissingen over onderhoudsverplichtingen voortvloeiend uit familiebetrekkingen, uit bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen jegens een onwettig kind, gegeven door de rechterlijke of administratieve autoriteiten van een Verdragsluitende Staat tussen: - 1. een onderhoudsgerechtigde en een onderhoudsplichtige; of - 2. een onderhoudsplichtige en een openbare instelling die de terugbetaling vordert van de aan een onderhoudsgerechtigde verstrekte uitkering. Het is eveneens van toepassing op schikkingen welke ter zake zijn gemaakt tussen deze personen ten overstaan van deze autoriteiten. Artikel 2 Het Verdrag is van toepassing op beslissingen en schikkingen, hoe ook omschreven. Het is eveneens van toepassing op beslissingen of schikkingen waarbij een vroegere beslissing of schikking wordt gewijzigd, zelfs indien deze beslissing of schikking afkomstig is van een niet-Verdragsluitende Staat. Het is van toepassing, ongeacht of de onderhoudsvordering van internationale of binnenlandse aard is en ongeacht de nationaliteit of de gewone verblijfplaats van de partijen. Artikel 3 Indien de beslissing of schikking niet alleen de onderhoudsverplichting betreft, blijft de werking van"},{"i":5715,"b":"Subsidieregeling Groepsbudgetten jazz en improvisatiemuziek 2004 Deze regeling maakt onderdeel uit van de regeling Onderzoek en producties 2004 en vervangt de regeling Groepsbudgetten jazz- en improvisatiemuziek 2003. 1. Doel van het onderdeel groepsbudgetten jazz- en improvisatiemuziek 2004 Het onderdeel Groepsbudgetten jazz- en improvisatiemuziek 2004 beoogt de bevordering van nieuwe programma's van ad hoc samengestelde jazz- en geïmproviseerde muziekformaties om de ontwikkeling van dit muziekgenre een kwalitatieve impuls te geven. 2. Aard van de aanvragen Het onderdeel Groepsbudgetten jazz- en improvisatiemuziek 2004 biedt in Nederland gevestigde, professionele groepen/ ensembles op het gebied van jazz- en improvisatiemuziek een tegemoetkoming in de subsidiabele kosten. Aanvragen kunnen uitsluitend betrekking hebben op een tegemoetkoming in de kosten die gemoeid zijn met de voorbereiding van het geven van concerten. Kosten die te maken hebben met het geven van concerten zelf zijn nadrukkelijk uitgesloten; evenmin is hiervoor een beroep mogelijk op andere regelingen van het Fonds. Een medewerker beschikt over de Nederlandse nationaliteit of heeft zich in Nederland of de Europese Unie gevestigd. Indien een medewerker van buiten de Europese Unie zich in Nederland vestigt, dient u desgevraagd een kopie van de verblijfsvergunning te overleggen. Let wel: Subsidies voor presentaties worden in het kader van deze regeling niet verstrekt. 3. Beschikbaar budget Het bestuur van het Fonds stelt het beschikbare budget voor het onderdeel Groepsbudgetten jazz- en improvisatiemuziek 2004 vast. Subsidie wordt slechts verleend voorzover de middelen van het Fonds toereikend zijn. Onder meer vanwege de beperkte hoeveelheid middelen kan het Fonds niet alle aanvragen honoreren en evenmin gehonoreerde aanvragen voor het gevraagde bedrag honoreren. 4. Aanvraag- en beslistermijn, repetitie- en onderzoeksperiode U kunt uw aanvraag voor een subsidie Groepsbudgetten jazz- en improvisatiemuzi"},{"i":9445,"b":"Verdrag inzake de erkenning van geregistreerde partnerschappen Preambule De staten die dit Verdrag hebben ondertekend, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, Geleid door de wens om de erkenning te vergemakkelijken in een verdragsluitende staat van het aangaan, de beëindiging of de nietigverklaring van een partnerschap dat in een andere staat is geregistreerd, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 In de zin van dit Verdrag wordt onder „geregistreerd partnerschap” verstaan, het aangaan van een samenlevingsvorm tussen twee personen van gelijk geslacht of van verschillend geslacht, waarvan registratie plaatsvindt door een autoriteit die met openbaar gezag is bekleed, zulks met uitsluiting van het huwelijk. Artikel 2 Onder voorbehoud van [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004559&artikel=7&z=2007-09-05&g=2007-09-05) wordt een partnerschap dat in een staat is geregistreerd, in de verdragsluitende staten erkend. Artikel 3 Onder voorbehoud van [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004559&artikel=7&z=2007-09-05&g=2007-09-05) worden de rechtsgevolgen van een geregistreerd partnerschap voor de burgerlijke staat, bedoeld door de wet van de staat waarin het partnerschap is geregistreerd en vermeld in de [artikelen 4 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004559&artikel=4&z=2007-09-05&g=2007-09-05), in de verdragsluitende staten erkend. Artikel 4 Voor zover de wet van de staat waarin het partnerschap is geregistreerd hierin voorziet, vormt het partnerschap een beletsel voor het sluiten door een van beide partners van een huwelijk of voor het aangaan van een nieuw partnerschap met een derde. Artikel 5 1. Indien een partnerschap is aangegaan tussen personen waarvan er ten minste één de nationaliteit van een verdragsluitende staat heeft, wordt de verklaring die door de partners is afgelegd ten aanzien van de naam die zij zullen hebben na de registratie van het partnerschap of door een van hen ten aanzien va"},{"i":5621,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA kinderbedden en -boxen (IB03-SPEC 50, versie 02) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA kinderbedden en -boxen beschrijft de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen in het toezichtdomein kinderbedden en -boxen en geeft daarmee invulling aan het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03) voor onder andere baby- en kinderbedden en -boxen en strekt zich tot de houder, ontwerper of vervaardiger van kinderbedden en -boxen voor zowel de kinderopvang als professionele marktdeelnemers en consumenten. Dit beleid heeft als doel om een eenduidige en transparante vorm van handhaving te realiseren en om marktdeelnemers op kennis te brengen van de mogelijke interventies in geval van een overtreding. Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. Begrippen 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [Algemeen inte"},{"i":6120,"b":"Besluit van 4 februari 1994, tot beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen of preparaten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 16 augustus 1993, DGVgz/VVP/P/93991, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op [Richtlijn 76/769/EEG](31976L0769) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtlijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (**PbEG** L 262), zoals gewijzigd door [Richtlijn 89/677/EEG](31989L0677) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989, houdende de achtste wijziging van [Richtlijn 76/769](31976L0769) EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (**PbEG** L 398), alsmede op de artikelen 4, eerste lid, onder **a**, 13 en 14 van de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969); Gezien het advies van de Adviescommissie [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) van 24 mei 1993, no. 14681/(41)5; De Raad van State gehoord (advies van 23 december 1993, nr. W13.93.0583); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 31 januari 1994, DGVgz/VVP/P 94170, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **stof:** een chemisch element en de verbindingen ervan, zoals zij voorkomen in natuurlijke toestand of bij de vervaardiging ontstaan, met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit ervan en alle onzuiverheden ten"},{"i":7601,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 november 2019, nr. 2729205, houdende instelling van de Adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi (Instellingsbesluit Adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi) Gelet op [artikel 37a, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a) en [artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 7.1, onderdeel F, en artikel 7.3a van de Wet forensische zorg in werking treden. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister voor Rechtsbescherming; - b. **commissie:** de Adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi - c. **de secretaris:** de secretaris van de multidisciplinaire commissie als bedoeld in [artikel 37a, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a). - d. **de voorzitter:** de voorzitter van de multidisciplinaire commissie als bedoeld in [artikel 37a, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een multidisciplinaire commissie als bedoeld in [artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a), de Adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi. 2. De commissie heeft tot taak het geven van advies als bedoeld in [artikel 37a, vijfde lid in samenhang met het negende lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a). Artikel 3. Benoeming 1. De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door Onze Minister benoemd. 2. De benoeming geschiedt voor de duur van vier jaar. Herbenoeming is eenmaal mogelijk voor een aansluitende"},{"i":5582,"b":"Richtlijn Beschrijvende Plaatsaanduiding Systematiek (BPS) Gelet op het [Organiek Besluit Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002743) (Stb.1971, 42); Overwegende: – dat sinds 1990 de Beschrijvende Plaatsaanduiding Systematiek (BPS) geleidelijk is ingevoerd bij de dienstonderdelen van Rijkswaterstaat; – dat deze systematiek in de praktijk heeft bewezen waardevol te zijn en ook wordt gebruikt door andere wegbeheerders en hulpdiensten; – dat echter nog geen sprake is van algemeen gebruik; – dat het in verband met de samenwerking tussen wegbeheerders en hulpdiensten noodzakelijk is te beschikken over een uniform landelijk voorschrift voor de plaatsaanduiding op wegen dat algemeen wordt gebruikt; Besluit: Artikel 1. Reikwijdte Deze richtlijn geldt voor alle wegbeheerders en hulpdiensten. Artikel 2. BPS 1. Voor de plaatsaanduiding op wegen wordt de Beschrijvende Plaatsaanduiding Systematiek (BPS) gebruikt zoals beschreven in het rapport Beschrijvende Plaatsaanduiding Systematiek van Rijkswaterstaat, Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft, ISBN 90-369-0006-9, Rapport nr P-DWW-94-014, december 1994. 2. Dit rapport is ter inzage gelegd op de bibliotheek van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de bibliotheken van de regionale directies van Rijkswaterstaat en kan ook worden geraadpleegd op internet: http://www.minvenw.nl/rws/dww/home/richtlijnen/bps/index.htm Artikel 3. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Richtlijn Beschrijvende Plaatsaanduiding Systematiek. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5631,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 11 juli 2025 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA visketen kust- en binnenvisserij (IB03-SPEC 47, versie 05) De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 54a Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=54a), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA visketen kust- en binnenvisserij beschrijft binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB) de klassenindeling en interventies voor specifieke overtredingen in het domein visketen kust- en binnenvisserij en geeft daarmee invulling aan het Algemeen interventiebeleid NVWA 2024. Overtredingen met betrekking tot de visketen kust- en binnenvisserij waarin deze beleidsregel niet voorziet worden voorgelegd aan de verantwoordelijke binnen de NVWA voor deze beleidsregel. 2. Begrippen 2.1. Definities Voor de algemene definities wordt verwezen naar het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215). Voor de definities wordt verwezen naar het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215). 2.2. Wettelijke basis Voor het domein kust- en binnenvisserij gelden nationale regels. De wettelijke basis voor het specifiek interventiebeleid is: 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van de overtreding Overtredingen worden ingedeeld n"},{"i":5591,"b":"Rijkswet van 21 oktober 2023 tot wijziging van de artikelen 14 en 38 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (beperken van de mogelijkheid een algemene maatregel van rijksbestuur uit te vaardigen zonder wettelijke grondslag daartoe) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) zodanig gewijzigd wordt dat de mogelijkheid een algemene maatregel van rijksbestuur uit te vaardigen zonder wettelijke grondslag daartoe, wordt beperkt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel II Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze rijkswet bestaande algemene maatregelen van rijksbestuur als bedoeld in [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=14), of [artikel 38, tweede lid, van het Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38), die niet berusten op een rijkswet blijven voor de duur van ten hoogste vier jaren na de inwerkingtreding van deze rijkswet van kracht. In buitengewone gevallen kan bij koninklijk besluit worden bepaald dat een algemene maatregel van rijksbestuur langer van kracht blijft. Artikel III Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige ui"},{"i":6898,"b":"Besluit van 8 december 2011, houdende vaststelling Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 september 2011, nr. KO/2011/16167, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën en in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [artikel 1.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.5), [1.45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.45), [1.47a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.47a), [1.50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.50), , [2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.2), [2.4a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.4a), en [2.6, tweede lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2011, No. W12.11.0388/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 december 2011, nr, KO/2011/19253, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **aantal kindplaatsen:** maximum aantal kinderen dat gelijktijdig in een kinderopvangvoorziening, die geen gastouderbureau is, kan worden opgevangen, waarbij in het geval van een voorziening voor gastouderopvang tot de kinderen behoort een kind jonger dan 10 jaar van de gastouder of zijn partner; - –. **dagopvang:** kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen; - –. **handelsregister:** het handelsregister, bedoeld in [artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002"},{"i":5647,"b":"Besluit van 27 juli 2005, houdende nieuwe regels met betrekking tot het verstrekken van een subsidie ten behoeve van uitvoering van de wettelijke taak door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Subsidiebesluit Centraal Orgaan opvang asielzoekers 2005) Op de voordracht van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 30 mei 2005, Directie Wetgeving, nr. 5354121/05/6; Gelet op [artikel 17a van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=17a); De Raad van State gehoord (advies van 23 juni 2005, nr. W03.05.0208/l); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 5 juli 2005, Directie Wetgeving, nr. 5361651/05/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685); - b. opvangvermogen: het geheel van bij het COA beschikbare voorzieningen geschikt voor de opvang van asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=3); - c. product: door het COA leverbare, aan de opvang van asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=3) gerelateerde en in overeenstemming met Onze Minister gedefinieerde, voorziening; - d. project: eenmalig of tijdelijk door het COA te leveren opvangvoorziening, dienst of geheel van opvangvoorzieningen en diensten; - e. subsidie: subsidie als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=16). 2. Het in dit besluit bepaalde is van overeenkomstige toepassing op door Onze Minister op grond van [artikel 3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&arti"},{"i":6238,"b":"Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de hervorming van het toezicht op de financiële markten naar een functioneel ingericht toezicht, herziening van de wetgeving met betrekking tot dat toezicht noodzakelijk maakt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 1. Algemeen deel Hoofdstuk 1.1. Inleidende bepalingen Afdeling 1.1.1. Definities Artikel 1:1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voorzover niet anders is bepaald, verstaan onder: **aanbieden:** - a. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst met een consument inzake een financieel product dat geen financieel instrument, premiepensioenvordering of verzekering is of het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst; - b. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst waarbij een premiepensioenvordering ontstaat of het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst; - c. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst inzake een verzekering of het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst; of - d. het rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst inzake een"},{"i":5527,"b":"Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 12 december 2023, nr. WJZ/ 41336172, houdende regels inzake de vergunningverlening kavel Alpha in windenergiegebied IJmuiden Ver (Regeling vergunningverlening kavel Alpha in windenergiegebied IJmuiden Ver) Gelet op de [artikelen 10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=10), [12a, tweede, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=12a), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14), [14a, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14a), [15a, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=15a), [24, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=24), en [25b, derde en vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=25b); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** degene die de aanvraag heeft ingediend; - **kavel:** kavel Alpha in het windenergiegebied IJmuiden Ver zoals aangewezen in [Kavelbesluit kavel Alpha in windenergiegebied IJmuiden Ver](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049193) (Stcrt. 2023, 35269); - **minister:** Minister voor Klimaat en Energie; - **P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie:** de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, die dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%; - **verbonden rechtspersoon:** alle rechtspersonen en vennootschappen die behoren tot de groep of groepsmaatschappij waartoe de aanvrager behoort en joint ventures waarin de aanvrager deelneemt; - **wet:** [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 1. Een aanvraag voor een vergunning voor de kavel wordt ingediend in de periode van 29 f"},{"i":6049,"b":"Besluit van 26 september 1975, tot vaststelling van het Vergoedingenbesluit Kamer voor de Binnenvisserij 1975 Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 19 augustus 1975, No. J 1815, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Gelet op [artikel 53, tweede lid, van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=53); De Raad van State gehoord (advies van 3 september 1975, no. 19); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 22 september 1975, no. J 2007, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor het leiden van zittingen of andere bijeenkomsten van de Kamer voor de Binnenvisserij wordt aan de plaatsvervangende voorzitter een vergoeding toegekend van € 67,– per 1 januari 2025: € 101,– per uur. Artikel 2 Voor het bijwonen van zittingen of andere bijeenkomsten van de Kamer voor de Binnenvisserij wordt aan de leden een vergoeding toegekend van € 67,– per 1 januari 2025: € 101,– per uur. Artikel 3 Voor het houden van besprekingen, welke buiten de zittingen en andere bijeenkomsten van de Kamer voor de Binnenvisserij op voorstel van de voorzitter elders plaatsvinden, wordt aan de leden een vergoeding toegekend van € 67,– per 1 januari 2025: € 101,– per uur. Artikel 4 De in de voorgaande artikelen bedoelde vergoedingen worden niet toegekend, indien de aldaar genoemde personen bij het Rijk een bezoldigd ambt bekleden, voor zover Onze Minister van Economische Zaken niet anders bepaalt. Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Ons Besluit van 5 augustus 1964, **Stb.** 340, wordt ingetrokken. Artikel 7 1. Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit Kamer voor de Binnenvisserij 1975. 2. Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**. Lasten en bevelen dat dit besluit in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer."},{"i":9447,"b":"Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen Preambule De Partijen bij dit Verdrag, Zich ervan bewust dat het bijzonder belangrijk is, in het belang van de huidige en de komende generaties, om de mens en het milieu te beschermen tegen de gevolgen van industriële ongevallen, Erkennende dat het belangrijk en dringend geboden is ernstige nadelige gevolgen van industriële ongevallen voor de mens en het milieu te voorkomen, en alle maatregelen te bevorderen die het verstandige, economische en efficiënte gebruik van preventie-, voorbereidings- en bestrijdingsmaatregelen stimuleren, ten einde een ecologisch verantwoorde en duurzame economische ontwikkeling mogelijk te maken, Rekening houdende met het feit dat de gevolgen van industriële ongevallen zich over de grenzen kunnen doen gevoelen en samenwerking tussen Staten noodzakelijk maken, Bevestigende de noodzaak om actieve internationale samenwerking tussen de betrokken Staten vóór, tijdens en na een ongeval te bevorderen, het desbetreffende beleid aan te scherpen en het optreden op alle passende niveaus te intensiveren en te coördineren, ten einde de preventie van, het voorbereid zijn op en de bestrijding van de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen beter te kunnen bevorderen, Vaststellende het belang en het nut van bilaterale en multilaterale regelingen inzake de preventie van, het voorbereid zijn op en de bestrijding van de gevolgen van industriële ongevallen, Zich bewust van de rol die in dit opzicht is vervuld door de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (ECE) en herinnerende aan, onder meer, de Code of Conduct on Accidental Pollution of Transboundary Inland Waters van de ECE en het [Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002731), Gelet op de desbetreffende bepalingen van de Slotakte van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE), het Slotdocument van de Bi"},{"i":6641,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 15 juli 2003, nr. KvI2003070862, tot wijziging van de Subsidieregeling BANS klimaatconvenant (vereenvoudiging subsidievoorwaarden en vaststelling Prestatiekaart provincies) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel I Wijzigt de [Subsidieregeling BANS klimaatconvenant](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013383). Artikel II De [Subsidieregeling BANS klimaatconvenant](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013383), zoals die regeling luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op: - a. subsidie die is aangevraagd voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling; - b. subsidie die op of na die datum wordt aangevraagd door een gemeente, een stadsdeel van de gemeente Amsterdam of een samenwerkingsverband van gemeenten, ingeval voor de aanvraag tot subsidieverlening gebruik is gemaakt van het formulier, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van die regeling, zoals dat formulier voor die datum verkrijgbaar was bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9448,"b":"Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens De Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden op grond van Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, ter vervanging van Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, zoals laatstelijk gewijzigd bij [Richtlijn (EU) 2022/362](32022L0362) van het Europees Parlement en de Raad van 24 februari 2022, op grond van de gemeenschappelijke verklaring van de Belgische, de Deense, de Duitse, de Luxemburgse en de Nederlandse delegatie inzake een gemeenschappelijk stelsel van gebruiksrechten, afgelegd tijdens de 1.668e zitting van de Raad van de Europese Gemeenschappen op 7, 8 en 19 juni 1993 te Luxemburg, op grond van de gemeenschappelijke verklaring van de Regeringen van België, Denemarken, Duitsland, Luxemburg, Nederland en Zweden om alles in het werk te stellen om hun gemeenschappelijk stelsel van gebruiksrechten aan te passen aan de maximumbedragen genoemd in artikel 7, zevende lid, en Bijlage II bij de Richtlijn, afgelegd tijdens de 2142ste zitting van de Raad van de Europese Unie op 30 november en 1 december 1998, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doel van het Verdrag Doel van dit Verdrag is het heffen van een gemeenschappelijk gebruiksrecht door de Verdragsluitende Partijen voor motorvoertuigen die bepaalde wegen binnen hun grondgebied gebruiken, alsmede het vaststellen van de voorwaarden en procedures voor het verdelen van de inkomsten uit het gebruiksrecht. Artikel 2. Begripsbepalingen 1°. De begripsbepalingen van artikel 2, eerste lid, punten 6), 16), 29), 32), 33), 34), 35) en 38) van Richtlijn 1999/62/EG van het Europese Parlement en de Ra"},{"i":13740,"b":"Kavelbesluit I windenergiegebied Borssele I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3), de [Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641) en de [Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640), besluit de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu als volgt: Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. **’s-Gravenhage, 24 maart 2016** **De Minister van Economische Zaken,** **H.G.J. Kamp** Rechtsbescherming Belanghebbenden die een zienswijze naar voren hebben gebracht of die redelijkerwijs niet verweten kan worden tegen het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, kunnen tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA, Den Haag. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. Op grond van [artikel 8 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=8) is op dit besluit [hoofdstuk 1, afdeling 2, van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&afdeling=2) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de belanghebbende in het beroepschrift moet aangeven welke beroepsgronden hij aanvoert tegen het besluit. Indien hij dit niet doet, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Het wordt aanbevolen in het beroepschrift te vermelden dat de [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431) van toepassing is. II. Toelichting kavelbesluit I windenergiegebied Borssele Opgesteld door **Rijkswaterstaat** In opdracht van **Ministerie van Economische Zaken** 1. Inleiding 1.1. Nut e"},{"i":9346,"b":"Verdrag betreffende bewijzen van bekwaamheid als volmatroos De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Seattle en aldaar bijeengekomen op 6 Juni 1946 in haar achtentwintigste zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen, betrekking hebbende op bewijzen van bekwaamheid als volmatroos, welk onderwerp begrepen is in het vijfde punt van de agenda der zitting, besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, de 29ste Juni 1946, het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden „Verdrag betreffende bewijzen van bekwaamheid als volmatroos, 1946”. Artikel 1 Een persoon zal aan boord van een schip slechts dan als volmatroos in dienst genomen mogen worden, indien hij krachtens de nationale wetgeving bevoegd beschouwd wordt om elke taak te vervullen, waarvan de uitvoering geëist kan worden van een lid van de bemanning, gebezigd in de dekdienst (anders dan een officier, of een leidinggevende of een gespecialiseerde zeeman), en indien hij in het bezit is van een bewijs van bekwaamheid als volmatroos, afgegeven overeenkomstig de bepalingen van de volgende artikelen. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit zal de nodige regelingen treffen voor het houden van examens en de afgifte van de bewijzen van bekwaamheid. 2. Niemand mag een bewijs van bekwaamheid verkrijgen: - a. indien hij niet de minimum leeftijd, bepaald door de bevoegde autoriteit, bereikt heeft; - b. indien hij niet als lid van het dekpersoneel gedurende een minimumtijdvak, vast te stellen door de bevoegde autoriteit, op zee heeft dienst gedaan; - c. indien hij niet met goed gevolg het door de bevoegde autoriteit voorgeschreven examen heeft afgelegd. 3. De minimum leeftijd door de bevoegde autoriteit vast te stellen mag niet lager dan 18 jaar zijn. 4. Het minimum tijdvak van dienst op zee door de bevoegde autoriteit vast te stellen mag niet kor"},{"i":5529,"b":"Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 15 mei 2025, nr. WJZ/ 97895810, houdende regels inzake de vergunningverlening kavel I-A in windenergiegebied Nederwiek (Regeling vergunningverlening kavel I-A in windenergiegebied Nederwiek) Gelet op de [artikelen 10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=10), [12a, tweede, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=12a), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14), [14a, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14a), [15a, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=15a), [24, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=24), en [25b, derde en vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=25b); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** degene die de aanvraag heeft ingediend; - **groep of groepsmaatschappij:** groep of groepsmaatschappij als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b); - **kapitaaltoezegging:** bindende reservering van investeringskapitaal van een investeerder, gedaan aan een fonds waarvan de fondsbeheerder onder financieel toezicht is gesteld en vergunningplichtig is op grond van [Richtlijn 2011/61/EU](32011L0061) van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de [Richtlijnen 2003/41/EG](32003L0041) en [2009/65/EG](32009L0065) en van de [Verordeningen (EG) nr. 1060/2009](32009R1060) en [(EU) nr. 1095/2010](32010R1095) (PbEU 2011, L 174); - **kavel:** kavel I-A in het windenergiegebied Nederwiek zoals aangewezen in [Kavelbesluit kavel I-A in windenergiegebied Nederwiek](onbekend) (Stcrt. 2025, 13171); - **minister:** Minister van Klim"},{"i":9450,"b":"Verdrag inzake de Instelling van een Veiligheidscontrole op het gebied van de Kernenergie De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, Ierland, de Republiek IJsland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk Zweden, de Zwitserse Bondsstaat en de Turkse Republiek; Besloten de ontwikkeling te bevorderen van de produktie en het gebruik van kernenergie in de landen welke lid zijn van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (hierna te noemen de „Organisatie”) door middel van samenwerking tussen deze landen en het onderling in overeenstemming brengen van nationale maatregelen; Overwegende dat de tot dit doel binnen de Organisatie ondernomen gemeenschappelijke werkzaamheden bedoeld zijn om de Europese kernindustrie voor uitsluitend vreedzame doeleinden te ontwikkelen en geen enkel militair doel mogen bevorderen; Overwegende dat tijdens zijn bijeenkomst van 18 juli 1956 de Raad van de Organisatie (hierna te noemen de „Raad”) besloten heeft te dien einde een internationale veiligheidscontrole in te stellen; Overwegende dat bij een Beslissing van heden de Raad binnen de Organisatie een Europees Agentschap voor Kernenergie heeft opgericht (hierna te noemen het „Agentschap”) dat tot taak heeft de ondernomen gemeenschappelijke werkzaamheden voort te zetten; Zijn overeengekomen als volgt: DEEL I Artikel 1 (a). Het doel van de veiligheidscontrole is te verzekeren dat - (i). de functionering van gemeenschappelijke ondernemingen opgericht door twee of meer Regeringen of door onderdanen van twee of meer landen op initiatief of met de hulp van het Agentschap, en - (ii). materialen, uitrusting en diensten welke krachtens met de betrokken Regeringen gesloten overeenkomsten door h"},{"i":5928,"b":"Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW 2020 Gelet op de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), het [Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951), de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671), het [Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386), het [Besluit Personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982) en [artikel 4:83 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83); Besluit: Artikel 1 1. Het toezichtbeleid Erkenninghouders RDW wordt vastgesteld volgens [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043003&bijlage=I&z=2020-01-01&g=2020-01-01). 2. [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043003&bijlage=I&z=2020-01-01&g=2020-01-01) bestaat uit: - a. Algemeen Deel - b. Bijlage Erkenninghouder APK 2020; - c. Bijlage Erkenninghouder Tachografen 2020; - d. Bijlage Erkenninghouder Gasinstallatie 2020; - e. Bijlage Erkenninghouder Boordcomputer Taxi 2020; - f. Bijlage Erkenning Tenaamstelling (dienstverlening aan het loket) 2020; - g. Bijlage Export Dienstverlening 2020; - h. Bijlage Bedrijfsvoorraad en Handelaarskentekenbewijzen 2020; - i. Bijlage Versnelde Inschrijving 2020; - j. Bijlage Erkenning Kentekenplaatfabrikant en/of Lamineerder (GAIK) 2020; - k. Bijlage APK Keurmeester 2020; - l. Bijlage Tachograaftechnicus 2020; - m. Bijlage Erkenning Fotograaf pasfoto rijbewijs 2020. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW 2020. Bijlage I Algemeen Deel Toezichtbeleidsbrief **Erkenninghouders RDW 2020** Hoofdstuk 1 –. Toelichting op de Toezichtbeleidsbrief 1.1. Toelichting Dit is het Algemeen Deel van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. Als erkenninghouder bent u gerechtigd een aantal taken uit te voeren namens de RDW. Het uitvoeren van deze taken kent een grote verantwoordelijkheid. De RD"},{"i":9452,"b":"Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 De Partijen bij dit Verdrag, Geleid door de wens een grote mate van veiligheid op zee te waarborgen, Zich bewust van de noodzaak de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, gehecht aan de Slotakte van de Internationale Conferentie voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1960, te herzien en aan te passen aan de huidige omstandigheden, Na overweging van deze Bepalingen in het licht van de ontwikkelingen, die sedert hun goedkeuring hebben plaatsgevonden, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Algemene verplichtingen De Partijen bij dit Verdrag verbinden zich uitvoering te geven aan de hieraan gehechte Voorschriften en andere Bijlagen die te zamen de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972, vormen (hierna te noemen „de Bepalingen\"). Artikel II. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding 1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening tot 1 juni 1973 en staat daarna open voor toetreding. 2. De Lid-Staten van de Verenigde Naties of van een van de Gespecialiseerde Organisaties of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie of Partijen bij het [Statuut van het Internationaal Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005509) kunnen Partij bij dit Verdrag worden door: - (a). ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; - (b). ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of - (c). toetreding. 3. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door nederlegging van een daartoe strekkende akte bij de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (hierna te noemen „de Organisatie”) die de Regeringen van de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden kennis geeft van de nederlegging van elke akte en van de datum van de"},{"i":5876,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 14 september 2017, nr. IENM/BSK-2017/719071, houdende regels voor het verstrekken van een tijdelijke subsidie aan de Stichting Delta Alliance International Foundation (Tijdelijke subsidieregeling Delta Alliance 2016–2020) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), en [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f, g, h, en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, tweede, onderdeel b en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=16), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), en [23, vijfde lid van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23); BESLUIT: Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381); - **deltalanden:** prioriteitslanden die in de Internationale Waterambitie zijn opgenomen, te weten Bangladesh, Colombia, Egypte, Indonesië, Mozambique en Vietnam; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **subsidieontvanger:** Stichting Delta Alliance International Foundation, gevestigd te Wageningen. Artikel 2. (doel van de subsidie) De minister kan gedurende de periode van 1 april 2017 tot en met 31 december 2020 op aanvraag subsidies verstrekken aan de subsidieontvanger voor het verrichten van n"},{"i":9349,"b":"Verdrag betreffende de Aziatische Infrastructuurinvesteringsbank De landen namens welke dit Verdrag wordt ondertekend, komen het volgende overeen: Gelet op het belang van regionale samenwerking om groei te bestendigen, de economische en sociale ontwikkeling van de economieën in Azië te bevorderen en daarbij bij te dragen aan de weerbaarheid van de regio tegen mogelijke financiële crises en andere externe schokken in het kader van de globalisering; Erkennende het belang van de ontwikkeling van infrastructuur bij de uitbreiding van de regionale verbindingen en verbetering van de regionale integratie, waarbij de economische groei wordt bevorderd en sociale ontwikkeling van de bevolking in Azië wordt bestendigd en waarbij wordt bijgedragen aan de mondiale economische dynamiek; Zich ervan bewust dat adequater kan worden voorzien in de aanmerkelijke behoefte op de lange termijn aan financiering voor de ontwikkeling van infrastructuur in Azië door een partnerschap tussen bestaande multilaterale ontwikkelingsbanken en de Aziatische Infrastructuurinvesteringsbank (hierna te noemen de „Bank”); Ervan overtuigd dat de oprichting van de Bank als een multilaterale financiële instelling gericht op de ontwikkeling van infrastructuur zal helpen de noodzakelijke additionele middelen vanuit Azië zelf en daarbuiten te mobiliseren en de financiële knelpunten weg te nemen waarmee individuele economieën in Azië geconfronteerd worden en de bestaande multilaterale ontwikkelingsbanken zal complementeren om duurzame en stabiele groei in Azië te bevorderen; Zijn overeengekomen de Bank op te richten die in overeenstemming met het volgende zal opereren: HOOFDSTUK I. DOEL, TAKEN EN LIDMAATSCHAP Artikel 1. Doel 1. Het doel van de Bank is: i. het bevorderen van duurzame economische groei, het creëren van welvaart en het verbeteren van de aansluiting van de infrastructuur in Azië door te investeren in infrastructuur en andere productieve sectoren; en ii. het bevorderen van regionale samenwerking en"},{"i":9453,"b":"Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Gelet op de noodzaak te voorzien in de bescherming in internationale situaties van volwassenen die vanwege een stoornis in of ontoereikendheid van hun persoonlijke vermogens niet in staat zijn hun belangen te behartigen, Geleid door de wens conflicten te vermijden tussen hun rechtsstelsels ten aanzien van de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bescherming van volwassenen, Herinnerend aan het belang van internationale samenwerking voor de bescherming van volwassenen, Verklarend dat de belangen van de volwassene en de eerbiediging van zijn of haar waardigheid en onafhankelijkheid voorop dienen te staan, Hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen: HOOFDSTUK I –. TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG Artikel 1 1. Dit Verdrag is in internationale situaties van toepassing op de bescherming van volwassenen die vanwege een stoornis in of ontoereikendheid van hun persoonlijke vermogens niet in staat zijn hun belangen te behartigen. 2. Het heeft tot doel - a. de Staat aan te wijzen waarvan de autoriteiten bevoegd zijn maatregelen te nemen ter bescherming van de persoon of het vermogen van de volwassene; - b. het recht aan te wijzen dat door die autoriteiten in de uitoefening van hun bevoegdheid dient te worden toegepast; - c. het recht aan te wijzen dat op de vertegenwoordiging van de volwassene dient te worden toegepast; - d. te voorzien in de erkenning en de tenuitvoerlegging van de bedoelde beschermende maatregelen in alle Verdragsluitende Staten; - e. tussen de autoriteiten van de Verdragsluitende Staten een zodanige samenwerking tot stand te brengen als noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de doelstellingen van dit Verdrag. Artikel 2 1. Voor de toepassing van dit Verdrag is een volwassene een persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. 2. Het Verdrag is eveneens van toepassing op ma"},{"i":5370,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 8 december 2008, nr. WJZ/8184558, houdende vaststelling van subsidieplafonds en termijnen van openstelling van EZ-subsidieregelingen (Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2009) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3), [artikel 16 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [artikel 3.9 van de Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&artikel=3.9), [artikel 17, tweede lid, onderdeel g, van het Besluit subsidies civiele vliegtuigontwikkeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011247&artikel=17) en de bepalingen in de EZ-subsidieregelingen die betrekking hebben op de openstelling van de subsidie en de vaststelling van subsidieplafonds; Besluit: Artikel 1 1. Als perioden in 2009, waarin subsidie-aanvragen kunnen worden ingediend krachtens de in kolom 2 genoemde subsidieregelingen en de in kolom 3 genoemde artikelen, in voorkomende gevallen verbijzonderd naar de in kolom 4 omschreven of aangeduide groepen van aanvragers, projecten of aanvragen, worden vastgesteld de daarbij behorende perioden, genoemd in kolom 5; deze perioden eindigen op de genoemde datum om 17.00 uur. 2. Als subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies als bedoeld in het eerste lid wordt per in kolom 5 genoemde periode vastgesteld: het daarbij in kolom 6 genoemde bedrag. 3. Met betrekking tot het verstrekken van subsidies door de Minister van Economische Zaken op grond van wettelijke voorschriften of onderdelen daarvan, waarvoor noch in dit artikel noch in een ander wettelijk voorschrift een subsidieplafond is vastgesteld, wordt het voor 2009 geldende subsidieplafond vastgesteld op € 0,–. Aanvragen om subsidie kunnen in 2009 slechts worden ingediend indien in dit artikel of in een ander wettelijk voorschrift daarvoor een periode is vastgesteld. | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | | --- | -"},{"i":5565,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 oktober 2016, nr. 2016-0000218858, tot goedkeuring bestuursreglement SVB Gelet op [artikel 6, zesde lid, van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6) en [artikel 11 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11); Besluit: Artikel 1 In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060); - b. **SVB:** de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=3); - c. **Raad van bestuur:** de Raad van bestuur van de SVB als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6); - d. **voorzitter:** het ingevolge [artikel 6, tweede en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6) als zodanig benoemde lid van de Raad van bestuur; - e. **lid:** het ingevolge [artikel 6, tweede en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6) als zodanig maar niet als voorzitter benoemde lid van de Raad van bestuur. Artikel 2 - 1. De Raad van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) of enige andere wet of regeling aan de SVB zijn opgedragen of die behoren tot de al dan niet aan voorafgaande goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderworpen andere werkzaamheden als bedoeld in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=5). - 2. De Raad van bestuur regelt de onderlinge verhouding tussen de voorzitter en het andere lid dan wel de andere leden alsmede de onderlinge verdeling van de aandachtsgebieden. - 3. De leden van de Raad van best"},{"i":6067,"b":"Verplaatsingskostenbesluit defensie Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **achtergebleven kind:** het buiten het land van plaatsing verblijf houdende ongehuwde kind van de defensieambtenaar, dat minderjarig is of voor wie aanspraak bestaat op kinderbijslag dan wel op studiefinanciering in de zin van de [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453). Voor de toepassing van dit besluit duurt de minderjarigheid voort tot en met 31 december van het kalenderjaar waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt. - **afstand:** - a. bij gebruik van openbaar vervoer: de gebruikelijke reisroute; - b. bij gebruik van ander vervoer dan openbaar vervoer: het aantal kilometers gemeten langs de gebruikelijke openbare weg te bepalen aan de hand van een bij ministeriële regeling vastgestelde routeplanner, met dien verstande dat bij meer dan één plaats van tewerkstelling die zich niet binnen één complex of terrein bevinden de grootste afstand geldt; - **ambtenaar:** degene die bij het Ministerie van Defensie in burgerlijke openbare dienst is aangesteld. - **ambts- of dienstwoning:** de door het bevoegde gezag aan de defensieambtenaar in verband met de uitoefening van zijn functie toegewezen woning. - **bevoegd gezag:** de bij ministeriële regeling als zodanig aangewezen autoriteiten. - **defensieambtenaar:** de ambtenaar of de militair. - **eigen huishouding voeren:** het anders dan bij de eigen, stief- of pleegouders van de defensieambtenaar of van zijn partner, bewonen van zelfstandige woonruimte, aangetoond door middel van inschrijving in de basisregistratie personen en een rechtsgeldig huurcontract of notariële leveringsakte van de koopwoning op naam van de defensieambtenaar of diens partner. - **Europa:** Europa inclusief Turkije. - **gezinsleden:** de partner van de defensieambtenaar en de eigen, stief- of pleegkinderen van de defensieambtenaar zelf of van zijn partner, voor zover zij met hem samenwonen en in gev"},{"i":6229,"b":"Wet van 29 oktober 2009 tot herindeling van de gemeenten Rotterdam en Rozenburg Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeente Rozenburg door een grenswijziging toe te voegen aan de gemeente Rotterdam; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en grenswijziging van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling wordt de gemeente Rozenburg opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de op te heffen gemeente Rozenburg toegevoegd aan de gemeente Rotterdam door een grenswijziging van de gemeente Rotterdam, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 In afwijking van [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=1) is voor deze herindeling de datum van herindeling 18 maart 2010. § 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de op te heffen gemeente Rozenburg wordt de gemeente Rotterdam aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5 1. Voor de gemeente Rotterdam worden tussentijdse raadsverkiezingen als bedoeld in [artikel 52, tweede lid, van de Wet algemene regels herindeling](ht"},{"i":6911,"b":"Besluit van 5 februari 2000, houdende regels inzake avarij-grosse ter uitvoering van artikel 1022 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 10 december 1999, gedaan mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [artikel 1022 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1022); De Raad van State gehoord (advies van 21 januari 2000, no. W03.99.0620/I.); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 2 februari 2000, nr. 5007606/00/6, uitgebracht mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Onder «de Avarij-Grosse Regels IVR», bedoeld in [artikel 1022 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1022), worden verstaan de Avarij-Grosse Regels IVR 2006 zoals vastgesteld door de IVR op 1 juni 2006 en zulks in de Nederlandstalige tekst daarvan, welke is opgenomen als bijlage bij dit besluit. ARTIKEL II Het koninklijk besluit van de Minister van Justitie van 22 maart 1991, ter uitvoering van artikel 1022 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 146), wordt ingetrokken. ARTIKEL III Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Bijlage Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Avarij-Grosse Regels IVR 2006 Vastgesteld door de Raad van Beheer op 1 juni 2006 te Gent Avarij-grosse zijn de opofferingen en uitgaven, redelijkerwijs verricht en/of gedaan bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden met het doel een schip en zijn lading uit een gemeenschappelijk gevaar te redden. Extra kosten, veroorzaakt door een maatregel tengevolge waarvan als avarij-grosse toe te latenuitgaven zijn vermeden, zullen als avarij-grosse worden toegelaten tot het beloop van de aldus ver"},{"i":7100,"b":"Protocol tussen de Regeringen van de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en de Regering van de Republiek Servië ter uitvoering van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Servië betreffende de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven De Regeringen van de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en de Regering van de Republiek Servië, Hierna genoemd: „de Partijen”, Op grond van artikel 19 van de te Brussel op 18 september 2007 ondertekende Overeenkomst tussen de Republiek Servië en de Europese Gemeenschap betreffende de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven, Hierna genoemd: „de Overeenkomst”, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Bevoegde autoriteiten 1. De voor de uitvoering van de Overeenkomst bevoegde autoriteiten staan in [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006121&bijlage=1&z=2019-02-01&g=2019-02-01) bij dit Protocol vermeld. 2. De bevoegde autoriteiten communiceren per e-mail, per fax of via andere technische middelen. 3. De Partijen stellen elkaar rechtstreeks onverwijld en langs diplomatieke weg in kennis van iedere wijziging in de lijst van de in [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006121&bijlage=1&z=2019-02-01&g=2019-02-01) bij dit Protocol vermelde bevoegde autoriteiten. Artikel 2. Grensovergangen 1. De voor de toepassing van de Overeenkomst te gebruiken grensovergangen staan in [Bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006121&bijlage=2&z=2019-02-01&g=2019-02-01) bij dit Protocol vermeld. 2. De bevoegde autoriteiten kunnen van geval tot geval overeenkomen gebruik te maken van andere grensovergangen voor de overname. 3. De Partijen stellen elkaar rechtstreeks onverwijld en langs diplomatieke weg in kennis van iedere wijziging in de lijst van de in [Bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":11900,"b":"Besluit van de algemeen directeur Mens en Organisatie van 10 november 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de bureaudirecteur en teamleider van het Bureau Veiligheid en Integriteit wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":9456,"b":"Verdrag inzake de Internationale Organisatie voor Maritieme Navigatie Ondersteunende Dienstverlening Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, In herinnering roepend dat de Internationale Associatie van Vuurtorenautoriteiten op 1 juli 1957 werd opgericht en in 1998 werd hernoemd tot de Internationale Associatie voor Maritieme Navigatie Ondersteunende Dienstverlening en Vuurtorenautoriteiten; Erkennend de rol van de Internationale Associatie van Maritieme Navigatie Ondersteunende Dienstverlening en Vuurtorenautoriteiten bij de verbetering en voortdurende harmonisatie van maritieme navigatie ondersteunende dienstverlening voor de veilige, economische en doeltreffende verplaatsing van schepen ten behoeve van de maritieme gemeenschap en de bescherming van het milieu; Overwegend de bepalingen van het [Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982](onbekend), en het [Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974](onbekend), zoals gewijzigd; en Voorts overwegend dat het ontwikkelen, verbeteren en harmoniseren van maritieme navigatie ondersteunende dienstverlening ten behoeve van de maritieme gemeenschap en de bescherming van het milieu het beste gecoördineerd kan worden door internationale organisaties; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Oprichting 1. De Internationale Organisatie voor Maritieme Navigatie Ondersteunende Dienstverlening (hierna de „Organisatie”) wordt hierbij opgericht als intergouvernementele organisatie naar internationaal recht. 2. De Organisatie heeft een raadgevend en technisch karakter. 3. De Organisatie heeft haar zetel in Frankrijk, tenzij de Algemene Vergadering anders heeft besloten. 4. Het functioneren van de Organisatie wordt nader vastgelegd in het Algemeen Reglement, waarop de bepalingen van dit Verdrag van toepassing zijn maar dat er geen integrerend deel van uitmaakt. In geval van verschillen tussen dit Verdrag en het Algemeen Reglement of andere basisdocumenten inzake het b"},{"i":6928,"b":"Besluit van den 31sten Mei 1929, tot regeling van de overbrenging naar de Rijksarchief-bewaarplaatsen van de kerkelijke doop-, trouw- en begraafboeken, enz. dagteekenend van vóór de invoering van den burgerlijken stand en van de gedeelten der zoogenaamde gaardersarchieven, die aanteekeningen omtrent geboorten, trouwen, sterven en begraven bevatten, welke thans in de gemeentelijke archiefbewaarplaatsen berusten Op de gemeenschappelijke voordracht van Onzen Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en van Onzen Minister van Justitie van 18 Maart 1929, n°. 1298/4, afdeeling Kunsten en Wetenschappen, en van 22 Maart 1929, lste Afdeeling C, no. 914; Overwegende, dat het wenschelijk is, de kerkelijke doop-, trouw- en begraafboeken en de schepentrouwboeken, dagteekenend van vóór de invoering van den burgerlijken stand, en de gedeelten der zoogenaamde gaardersarchieven, die aanteekeningen omtrent geboorten, trouwen, sterven en begraven bevatten, welke thans in de gemeentelijke archiefbewaarplaatsen berusten, naar de Algemeene Rijksarchiefbewaarplaats te 's-Gravenhage en naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen in de provinciën over te brengen; Gelet op artikel 19, tweede lid, van de Archiefwet 1918 (Staatsblad n°. 378), gelijk zij gewijzigd is bij de wet van 14 Mei 1928 (Staatsblad n°. 177); Den Raad van State gehoord (advies van 7 Mei 1929, n°. 33): Gelet op het nader gemeenschappelijk rapport van Onzen Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van 17 Mei 1929, n°. 2385, afdeeling Kunsten en Wetenschappen, en van Onzen Minister van Justitie van 27 Mei 1929, lste Afdeeling C, n°. 898; Hebben goedgevonden en verstaan: met intrekking van Ons besluit van 20 Juni 1919 (Staatsblad n°. 389), te bepalen als volgt: Artikel 1 De kerkelijke doop-, trouw- en begraafboeken, de schepentrouwboeken en de tot die boeken behoorende bijlagen, benevens registers van ontvangsten voor trouwen en begraven, registers van aangifte voor die beide belastingen, wekelijksche doodenlijsten, sta"},{"i":12403,"b":"Besluit van de Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 juni 2023, kenmerk EZK_MO /27705165, tot instelling Personeelsraadgever LNV (Besluit instelling personeelsraadgever LNV) Gehoord het Decentraal Georganiseerd Overleg; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - 1. **Medewerker:** degene die werkzaam is bij een van de dienstonderdelen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. - 2. **Personeelsraadgever LNV:** de persoon bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048469&artikel=2&z=2023-09-01&g=2023-09-01). Artikel 2 1. Er is een personeelsraadgever LNV. 2. De personeelsraadgever LNV ressorteert rechtstreeks onder de secretaris-generaal. 3. De personeelsraadgever LNV wordt benoemd door de secretaris-generaal. 4. De personeelsraadgever LNV wordt benoemd voor een periode van maximaal vier jaar en kan éénmaal voor de duur van maximaal vier jaar herbenoemd worden. 5. Voordat de personeelsraadgever LNV wordt benoemd, vindt tussen de kandidaat en één vertegenwoordiger van de DOR LNV en één vertegenwoordiger van het DGO LNV een draagvlakgesprek plaats. Artikel 3 1. De personeelsraadgever LNV fungeert als adviseur voor alle medewerkers van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en is laagdrempelig en toegankelijk voor alle medewerkers. 2. De personeelsraadgever LNV is belast met de behandeling van vragen van medewerkers betreffende hun rechtspositie. Mochten vragen tot het takenpakket van andere voorzieningen, zoals bijvoorbeeld het Infopunt Personeel of Integriteitscoördinator, behoren dan zal de personeelsraadgever LNV de medewerker doorverwijzen naar deze voorzieningen. 3. De personeelsraadgever LNV fungeert tevens als bijzonder adviseur voor klokkenluiders bij het departement. 4. De personeelsraadgever LNV is belast met de behandeling van bemiddelingsverzoeken van medewerkers bij (dreigende) arbeidsconflicten. 5. De personeelsraadgever LNV luistert naar het verhaal van de medewer"},{"i":9457,"b":"Verdrag inzake de Internationale Organisatie voor Mobiele Satellieten De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Gelet op het in Resolutie 1721 (XVI) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties neergelegde beginsel, volgens hetwelk de berichtgeving door middel van telecommunicatiesatellieten beschikbaar dient te zijn voor alle landen ter wereld, zonder onderscheid, zodra zulks uitvoerbaar is, Tevens gelet op de relevante bepalingen van het op 27 januari 1967 gesloten [Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004403), en met name [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004403&artikel=I) daarvan waarin staat vermeld dat het gebruik van de kosmische ruimte plaatsvindt ten voordele en in het belang van alle landen, Vastbesloten daartoe ten voordele van de telecommunicatiegebruikers van alle landen, met gebruikmaking van de nieuwste vindingen op het gebied van de ruimtetechniek, zo doeltreffend en economisch mogelijke voorzieningen in het leven te blijven roepen, verenigbaar zijnde met het doeltreffend en rechtvaardig gebruik van het radiofrequentiespectrum en van de satellietbanen, Indachtig het feit dat de Internationale Organisatie voor Maritieme Satellieten (INMARSAT), overeenkomstig haar oorspronkelijke doelstelling, een wereldwijd mobiele-satellietcommunicatiesysteem voor maritieme communicatie heeft opgericht, met inbegrip van mogelijkheden voor de communicatie voor noodgevallen en veiligheid die worden gespecificeerd in het [Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264), zoals van tijd tot tijd gewijzigd, en het Radioreglement als beschreven in het Statuut van en het Verdrag van de Internationale Telecommunicatie Unie, zoals van tijd tot tijd gewijzigd, en welke voldoen aan bepaalde ra"},{"i":12566,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 augustus 2017, nr. 1232501, houdende routinematige digitale vervanging van financiële archiefbescheiden (Besluit routinematige digitale vervanging financiële archiefbescheiden OCW 2017) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Artikel 1 Over te gaan tot routinematige digitale vervanging van financiële archiefbescheiden: - a. die vanaf 14 augustus 2017 namens OCW zullen worden ontvangen of opgemaakt door het interdepartementaal samenwerkingsverband dat onderdeel is van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, i.c. het Financieel Dienstencentrum (FDC); - b. volgens de specificaties, vastgelegd in het ‘handboek digitale vervanging financiële archiefbescheiden SZW systeem SAP’; Artikel 2 De minister van OCW blijft zorgdrager van de financiële administratie en onderhavige informatie. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit routinematige digitale vervanging financiële archiefbescheiden OCW 2017. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van het handboek digitale vervanging financiële archiefbescheiden SZW systeem SAP, dat ter inzage ligt bij de Centrale Eenheid Informatiehuishouding van de directie Organisatie & Bedrijfsvoering (DOB/CEI) van het ministerie van OCW."},{"i":9458,"b":"Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens De Staten die dit Verdrag sluiten, hierna te noemen de partijen bij het Verdrag, Overwegend de rampspoed, die over de gehele mensheid zou komen als gevolg van een nucleaire oorlog en de daaruit voortvloeiende noodzaak alles te doen om het gevaar van een zodanige oorlog af te wenden en maatregelen te treffen ter waarborging van de veiligheid der volkeren; Van mening, dat de verspreiding van kernwapens de kans op een nucleaire oorlog ernstig zou vergroten; In overeenstemming met resoluties van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties, waarin wordt aangedrongen op het sluiten van een overeenkomst inzake het voorkomen van een verdere verspreiding van kernwapens; Zich ertoe verbindend samen te werken bij het bevorderen van de toepassing van de waarborgen der Internationale Organisatie voor Atoomenergie voor vreedzame kernenergie-activiteiten; Uitdrukking gevend aan hun steun aan het onderzoek, de ontwikkeling en andere activiteiten gericht op het bevorderen van de toepassing binnen het stelsel van waarborgen van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, van het beginsel van doeltreffende controle op de circulatie van basismaterialen en bijzondere splijtbare materialen door gebruikmaking van instrumenten en andere technieken op bepaalde strategische punten; Bevestigend het beginsel, dat de voordelen van de vreedzame toepassingen van de nucleaire technologie, met inbegrip van alle technologische nevenprodukten verkregen door kernwapenstaten uit de ontwikkeling van nucleaire explosiemiddelen, voor vreedzame doeleinden ter beschikking dienen te staan aan alle partijen, zowel kernwapenstaten als niet-kernwapenstaten; Overtuigd, dat ter bevordering van dit beginsel alle partijen bij dit Verdrag het recht hebben om deel te nemen aan een zo uitgebreid mogelijke uitwisseling van wetenschappelijke gegevens ten behoeve van, en om afzonderlijk dan wel in samenwerking met andere staten bij te dragen tot, de verdere ontwikk"},{"i":9459,"b":"Verdrag inzake de oprichting van de Caraïbische Postunie, met Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Caraïbische Postunie PREAMBULE De ondergetekenden, gevolmachtigden van de Regeringen van de Verdragsluitende Partijen: overwegende het belang van binnenlandse en internationale postale diensten voor de ontwikkeling van de menselijke betrekkingen en handelsbetrekkingen; zich bewust van de gemeenschappelijke problemen waarvoor de postdiensten in de regio zich gesteld zien; geleid door de wens de verbetering en ontwikkeling van hun postale diensten te bevorderen door middel van uitgebreide samenwerking en breed overleg; en gelet op artikel 8 van de Constitutie van de Wereldpostunie (UPU); Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. **Archieven van de Unie**, de archiefstukken, correspondentie, documenten, manuscripten, foto's, dia's, films, diskettes en geluidsopnamen die aan de Unie toebehoren. - b. **Bevoegde autoriteiten**, de nationale of plaatselijke autoriteiten van de lidstaten al naar gelang van de context en in overeenstemming met de wetten van de lidstaten. - c. **Conferentie**, het lichaam van postexploitanten dat is ingesteld als bedoeld in artikel 8 van dit Verdrag. - d. **Caraïbische Raad van ministers voor Postzaken**, de ministers belast met de postzaken van de lidstaten, als bedoeld in artikel 7 van dit Verdrag. - e. **Raad van Beheer**, de ingestelde groep van zeven vertegenwoordigers van de lidstaten als bedoeld in artikel 11 van dit Verdrag. - f. **Verdrag**, het Verdrag tot oprichting van de Caraïbische Postunie als gewijzigd. - g. **Secretaris-Generaal**, de ingevolge artikel 13 van dit Verdrag verkozen functionaris. - h. **Regering**, de regering van een lidstaat. - i. **Zetel**, de in artikel 16 van dit Verdrag bedoelde terreinen of locatie die door de Unie worden gebruikt. - j. **Functionaris van de Unie**, de Secretaris-Generaal en het personeel van de Unie. - k. **Eigend"},{"i":13771,"b":"Klachtenregeling TNO 2005 Gelet op [hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) vastgesteld door de Raad van Bestuur op 24 mei 2005. Artikel 1. Definities 1. TNO: Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO, gevestigd te Delft. 2. Raad van Bestuur: de Raad van Bestuur van TNO. 3. Raad van Toezicht: de Raad van Toezicht TNO. 4. Raad voor het defensie-onderzoek: de raad voor het defensie-onderzoek TNO. 5. Kerngebied: de organisatorische eenheden binnen TNO. 6. Klager: indiener van de klacht. 7. Betrokkene: degene op wiens gedrag de klacht betrekking heeft. 8. Klachtenbehandelaar: behandelaar als bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039483&artikel=7&z=2006-03-23&g=2006-03-23). 9. Klacht: schriftelijk ingediende klacht over de wijze waarop TNO of een (bestuurs)orgaan van TNO, dan wel een medewerker werkzaam onder verantwoordelijkheid van TNO, zich in een bepaalde gelegenheid heeft gedragen tegenover derden. Onder gedraging wordt mede begrepen een nalaten. 10. Staforgaan: organisatorische eenheden ter ondersteuning van de Raad van Bestuur. Artikel 2. Doel Het doel van de klachtenregeling is het geven van een interne procedure voor de behandeling van klachten ter uitwerking van de klachtenregeling zoals opgenomen in [hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) (Awb). Artikel 3. Toepassingsgebied Behoudens het bepaalde in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039483&artikel=8&z=2006-03-23&g=2006-03-23) is deze klachtenregeling van toepassing op de behandeling van de klachten als bedoeld in [hoofdstuk 9 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9). Artikel 4. Indienen van een klacht 1. De klacht is ondertekend en bevat tenminste: - a. De naam, handtekening en het adres van de indiener; - b. De datum; - c. Een omschrijving van de gedraging waartegen de kla"},{"i":5837,"b":"Tarieventabel Handhaving Centraal Bureau voor de Statistiek 2024 De wetgever heeft het tot stand komen van betrouwbare en actuele statistieken zo belangrijk geacht, dat het verstrekken van gegevens door ondernemingen, vrije beroepsbeoefenaren, instellingen en rechtspersonen – onder nader bepaalde voorwaarden – wettelijk verplicht is gesteld. Tevens heeft de wetgever daarbij een wettelijke bevoegdheid aan de Directeur-generaal van de Statistiek verleend om in geval van het niet naleven van de responsverplichting een last onder dwangsom en/of bestuurlijke boete op te leggen aan de overtreder ([artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=43) en [51 van de CBS-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=51)). In deze Tarieventabel Handhaving Centraal Bureau voor de Statistiek (verder: tarieventabel) wordt uitgewerkt hoe deze bevoegdheid wordt uitgeoefend. Het doel van de bestuursrechtelijke handhaving van de responsverplichting (verder: handhaving) is om de volledigheid van de respons binnen de wettelijke inzendtermijn van verplichte statistieken te verhogen. Dit bevordert de tijdigheid en kwaliteit van de CBS statistieken. De uitvoering van handhaving gebeurt door de afdeling handhaving van het CBS (verder: de afdeling). Zowel voor de bestuurlijke boete als de last onder dwangsom geldt dat de hoogte van de boete, respectievelijk de te verbeuren dwangsom, wordt bepaald door een afweging van de aard, ernst en omvang van de overtreding met inachtneming van het wettelijke maximum van de bestuurlijke boete. De tarieventabel geeft voor deze afweging richtlijnen. Door rekening te houden met de omvang van een onderneming, recidive, gebruik te maken van een escalatieladder en rekening te houden met eventuele andere feiten en omstandigheden wordt ervoor gezorgd dat het handhavingsbeleid voldoet aan het evenredigheidsbeginsel. De bestuurlijke sancties die het CBS gebruikt zijn over het algemeen geschikt en noodzakelijk om te bewerkstellige"},{"i":6132,"b":"Besluit van 23 januari 1998, houdende het Warenwetbesluit Eiwitproducten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 1997, GZB/VVB/973728, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4); De Raad van State gehoord (advies van 9 september 1997, no. W13.97.0412); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 januari 1998 met nummer GZB/VVB/982, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. soja-eiwitproducten: de uit ontvliesde sojabonen verkregen eiwitproducten, waaraan het vet is onttrokken, met uitzondering van de eiwithydrolysaten; - b. tarwe-eiwitproducten: de uit tarwe of tarwemaalderijproducten verkregen eiwitproducten, met uitzondering van de eiwithydrolysaten; - c. schimmeleiwitproducten: de producten die worden verkregen uit de hyphae van schimmel; - d. P.E.R.: de voedingswaarde van het eiwit ten opzichte van caseïne («Protein Efficiency Ratio»). Artikel 2 Het is verboden soja-, tarwe- of schimmeleiwitproducten te bereiden of te verhandelen, die niet voldoen aan de eisen, bij dit besluit gesteld, met betrekking tot hun samenstelling of eigenschappen. Artikel 3 Soja-eiwitproducten voldoen aan de volgende eisen: - a. de P.E.R. bedraagt ten minste 1,8; - b. het gehalte aan gebonden lysino-alanine bedraagt ten hoogste 500 mg/kg eiwit; - c. het gehalte aan vrij lysino-alanine bedraagt ten hoogste 10 mg/kg eiwit. Artikel 4 Tarwe-eiwitproducten voldoen aan de volgende eisen: - a. de P.E.R. bedraagt ten minste 0,8; - b. het gehalte aan gebonden lysino-alanine bedraagt ten hoogste 500 mg/kg eiwit; - c. het gehalte aan vrij lysino-alanine bedraagt ten hoog"},{"i":9462,"b":"Verdrag inzake de privileges en immuniteiten van het Internationale Hof voor het recht van de zee The States Parties to the present Agreement, Considering that the [United Nations Convention on the Law of the Sea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172) establishes the International Tribunal for the Law of the Sea, Recognizing that the Tribunal should enjoy such legal capacity, privileges and immunities as are necessary for the exercise of its functions, Recalling that the Statute of the Tribunal provides, in article 10, that the Members of the Tribunal, when engaged on the business of the Tribunal, shall enjoy diplomatic privileges and immunities, Recognizing that persons participating in proceedings and officials of the Tribunal should enjoy such privileges and immunities as are necessary for the independent exercise of their functions in connection with the Tribunal, Have agreed as follows: Article 1. Use of terms For the purposes of this Agreement: - a). “Convention” means the [United Nations Convention on the Law of the Sea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172) of 10 December 1982; - b). “Statute” means the [Statute of the International Tribunal for the Law of the Sea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&bijlage=VI) in annex VI to the Convention; - c). “States Parties” means States Parties to this Agreement; - d). “Tribunal” means the International Tribunal for the Law of the Sea; - e). “Member of the Tribunal” means an elected member of the Tribunal or a person chosen under [article 17 of the Statute](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&artikel=17) for the purpose of a particular case; - f). “Registrar” means the Registrar of the Tribunal and includes any official of the Tribunal acting as Registrar; - g). “officials of the Tribunal” means the Registrar and other members of the staff of the Registry; - h). “Vienna Convention” means the [Vienna Convention on Diplomatic Relations](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":9463,"b":"Verdrag inzake de rechten van het kind De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Overwegende dat, in overeenstemming met de in het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) verkondigde beginselen, erkenning van de waardigheid inherent aan, alsmede van de gelijke en onvervreemdbare rechten van, alle leden van de mensengemeenschap de grondslag is voor vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld, Indachtig dat de volkeren van de Verenigde Naties in het [Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) hun vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens en in de waardigheid en de waarde van de mens opnieuw hebben bevestigd en hebben besloten sociale vooruitgang en een hogere levensstandaard in groter vrijheid te bevorderen, Erkennende dat de Verenigde Naties in de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) en in de Internationale Verdragen inzake de Rechten van de Mens hebben verkondigd en zijn overeengekomen dat een ieder recht heeft op alle rechten en vrijheden die daarin worden beschreven, zonder onderscheid van welke aard ook, zoals naar ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of sociale afkomst, eigendom, geboorte of andere status, Eraan herinnerende dat de Verenigde Naties in de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) hebben verkondigd dat kinderen recht hebben op bijzondere zorg en bijstand, Ervan overtuigd dat aan het gezin, als de kern van de samenleving en de natuurlijke omgeving voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van kinderen in het bijzonder, de nodige bescherming en bijstand dient te worden verleend opdat het zijn verantwoordelijkheden binnen de gemeenschap volledig kan dragen, Erkennende dat het kind, voor de volledige en harmonische ontplooiing van zijn of haar persoonlijkheid, dient op te groeien in een gezinsomgevi"},{"i":5268,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 22 augustus 2007, nr. HDJZ/SCH/2007-1072, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende aanwijzing van de richtlijn bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Havenbeveiligingswet Gelet op [artikel 1, onderdeel b, van de Havenbeveiligingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016991&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Als richtlijn bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Havenbeveiligingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016991&artikel=1), wordt aangewezen [richtlijn nr. 2005/65/EG](32005L0065) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende het verhogen van de veiligheid van havens (PbEU L 310). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5756,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 maart 2022, 2021-0000604446, houdende regels voor de subsidiëring van het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Waterschapshuis ten behoeve van de ondersteuning bij het implementeren van de Wet open overheid (Subsidieregeling ondersteuning implementatie Wet open overheid) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdelen b, c, e en f van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=3), [6, vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [11, tweede lid en derde lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=20) en [24, vijfde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=24); Besluit: 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **IPO:** Interprovinciaal Overleg; - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **VNG:** Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Artikel 2 1. De minister verstrekt aan het IPO, de VNG en het Waterschapshuis subsidie voor het bieden van ondersteuning aan respectievelijk provincies, gemeenten en waterschappen bij de implementatie van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). 2. De subsidie wordt voor vijf boekjaren verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 3 De subsidie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046466&paragraaf=1&artikel=2&z=2022-03-26&g=2022-03-26), bedraagt ten hoogste het bedrag dat uit de begroting van de minister blijkt. 2. De subsidieverlening Artikel 4 1. Het IPO, de VNG en het Waterschapshuis dienen de"},{"i":6367,"b":"Regeling tot wijziging van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken met betrekking tot subsidiëring van thematische organisaties voor ontwikkelingssamenwerking (Thematische medefinanciering) Gelet op [artikel 3, eerste en tweede lid, van de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010178&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173). Artikel II [Hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&hoofdstuk=II), [afdeling 3, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&afdeling=3) zoals deze bij inwerkingtreding van deze regeling komt te luiden, vindt voor de eerste maal toepassing met het oog op subsidieverlening voor het subsidietijdvak dat aanvangt met ingang van 1 januari 2003. In afwijking van artikel 2.3.10 kunnen aanvragen voor dat tijdvak tot uiterlijk 1 augustus 2002 worden ingediend en beslist de minister voor 1 december 2002. Artikel III 1. Op subsidies die voor inwerkingtreding van deze regeling zijn aangevraagd, blijft [hoofdstuk II van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&hoofdstuk=II) zoals deze luidde tot inwerkingtreding van deze regeling van toepassing. 2. Ten aanzien van subsidies, anders dan op voet van [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&hoofdstuk=II), [afdeling 3, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&afdeling=3) zoals deze bij inwerkingtreding van deze regeling komt te luiden, voor activiteiten als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 1, paragraaf 1, afdeling 2, afdeling 3, afdeling 4, paragrafen 1, 4, 6 en 7, afdeling 7, paragrafen 1 en 3 en [afdeling 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&afdeling=8), paragraaf 2, van de Subsidieregeling Mini"},{"i":9464,"b":"Verdrag inzake de rechtspositie van de Internationale Opsporingsdienst te Arolsen De Verdragsluitende Regeringen, Uitdrukking gevend aan hun wens de voortzetting van de werkzaamheden van de Internationale Opsporingsdienst te Arolsen op basis van de notawisseling van 6 juni 1955 tussen de Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, van de Franse Republiek, van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en van de Verenigde Staten en in het kader van de Overeenkomst inzake de oprichting van een Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst, gesloten op 6 juni 1955 te Bonn, te waarborgen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen IN WITNESS WHEREOF the undersigned plenipotentiaries have appended their signatures to this Agreement. DONE at Bonn on 15 July 1993 in the English, German and French languages, all three texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Government of the Federal Republic of Germany, which shall transmit a certified copy to each other signatory Government and to other Governments on their acceptance of membership on the International Commisssion and also to the Secretary-General of the United Nations for registration in accordance with Article 102 of the Charter of the United Nations."},{"i":6646,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 augustus 2019, nr. 2019-0000390399, tot wijziging van de Subsidieregeling energiebesparing eigen huis in verband met het opnieuw openstellen van de subsidie voor eigenaar-bewoners Gelet op [artikel 4, eerste lid, onderdelen c, d en f, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [11, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=17) en [20 van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038472&artikel=20); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling energiebesparing eigen huis. Artikel II Deze regeling is niet van toepassing op subsidies op grond van [hoofdstuk III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038472&hoofdstuk=III) en [hoofdstuk IV van de Subsidieregeling energiebesparing eigen huis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038472&hoofdstuk=IV) waarvoor de aanvraag is ingediend vóór de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 2 september 2019. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6184,"b":"Wet van 4 oktober 2012 tot wijziging van de wetgeving op het beleidsterrein van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kader van de harmonisatie en aanscherping van de sanctiemogelijkheden ter versterking van de naleving en handhaving en bestrijding van misbruik en fraude (Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is in het kader van de harmonisatie en aanscherping van de sanctiemogelijkheden ter versterking van de naleving en handhaving en de bestrijding van misbruik en fraude de wetgeving op het beleidsterrein van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te wijzigen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Werknemersverzekeringen Artikel I Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel II Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel III Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen. Artikel V Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel VI Wijzigt de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Artikel VII Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel VIII Wijzigt de Ziektewet. Hoofdstuk II. Volksverzekeringen Artikel IX Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel X Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel XI Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Hoofdstuk III. Sociale voorzieningen Artikel XII Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel XIII Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel XIV Wijzigt de Wet werk en bijstand. Hoofdstuk IV. Arbeidswetten Artikel XV Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel XVI Wi"},{"i":6097,"b":"Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op [artikel 107, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=107) wenselijk is de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) aan te vullen met bepalingen inzake bestuursrechtelijke geldschulden, inzake bestuurlijke handhaving, in het bijzonder de bestuurlijke boete, en inzake attributie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III 1. Op een verplichting tot betaling van een geldsom aan of door een bestuursorgaan die is vastgesteld of ontstaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. 2. Op een verplichting tot betaling aan of door een bestuursorgaan in verband met een subsidie die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is verleend, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. Artikel IV 1. Indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. 2. [Artikel 5:44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:44), is van overeenkomstige toepassing indien het recht tot strafvervolging is vervallen doordat is voldaan aan de voorwaarden die krachtens een wettelijk voorschrift zijn gesteld ter voorkoming van strafvervolging. Artikel V Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister van Justitie de nummering van de artikelen in de [titels"},{"i":9465,"b":"Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting Artikel 1 1. Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag zal de Bondsrepubliek een administratief bureau instellen, uitrusten en van personeel voorzien, welk bureau uit hoofde van de bepalingen van dit Hoofdstuk en de daarbij behorende Bijlage juwelen, zilverwerk en antieke meubelen (indien elk afzonderlijk voorwerp een grote waarde vertegenwoordigt) en culturele goederen opspoort, terugvordert en restitueert indien dergelijke voorwerpen en culturele goederen tijdens de bezetting van enig gebied daaruit werden weggevoerd door de strijdkrachten of autoriteiten van Duitsland of zijn bondgenoten of de individuele leden daarvan (al dan niet op bevel), nadat zij door middel van dwang werden verkregen (met of zonder geweld), door diefstal, door vordering of door andere vormen van gedwongen onteigening. 2. In het geval van culturele goederen welke in het betrokken land vóór de datum welke van toepassing is op dat land zoals in artikel 5 van dit Hoofdstuk is gespecificeerd aanwezig waren, vindt restitutie ook plaats - (a). indien zij werden verkregen als een onder directe of indirecte dwang gedane gift of om redenen van de officiële positie van de ontvanger; - (b). indien zij werden verkregen door middel van aankoop, tenzij de goederen het land waren binnengebracht met het doel ze te verkopen. 3. Waar het betreft juwelen, zilverwerk of antieke meubelen, kan restitutie geweigerd worden indien is komen vast te staan dat de betrokken goederen werden weggevoerd nadat zij van de oorspronkelijke eigenaar verkregen waren als tegenwaarde in het kader van een gewone handelstransactie, zelfs indien de betaling geschiedde in bezettingsbetaalmiddelen. 4. De uitdrukking „culturele goederen” omvat roerende goederen van godsdienstige, kunstzinnige, documentaire, wetenschappelijke of historische waarde, of van overeenkomstige betekenis, waaronder begrepen voorwerpen welke gewoonlijk in musea, openbare"},{"i":6173,"b":"Besluit van 15 maart 2003, houdende regels met betrekking tot voedingssupplementen (Warenwetbesluit voedingssupplementen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 november 2002, VGB/VL 2335168 gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Economische Zaken, en van Justitie; Gelet op: – [richtlijn nr. 2002/46/EG](32002L0046) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PbEG L 183), alsmede – [artikel 4, eerste lid, onder a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [artikel 6, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=6), [artikel 8, eerste lid, onder a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [artikel 13, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14), en [artikel 32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 6 februari 2003, No. W13.02.0549/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 maart 2003 met nummer VGB/VL 2361770, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Economische Zaken, en van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1:. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **microvoedingsstoffen**: vitaminen en mineralen; - b. **voedingssupplementen**: eet- of drinkwaren die: - 1°. bedoeld zijn als aanvulling op de normale voeding; - 2°. een geconcentreerde bron vormen van één of meer microvoedingsstoffen of van andere stoffen met een voedingskundig of fysiologisch effect; en - 3°. verhandeld worden in voor inname bestemde a"},{"i":5639,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 februari 2024 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid vlees (IB01-SPEC 25, versie 01) en tot intrekking van het Specifiek interventiebeleid NVWA vleesketen (IB03-SPEC 81, versie 01) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het[Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit: Artikel 1 Het Specifiek interventiebeleid vlees (IB01-SPEC 25, versie 01), als bedoeld in de bijlage van deze beleidsregel, wordt vastgesteld. Artikel 2 Het [Specifiek interventiebeleid NVWA vleesketen (IB03-SPEC 81, versie 01)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049258) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze beleidsregel wordt aangehaald als ‘Specifiek interventiebeleid vlees (IB01-SPEC 25, versie 01)’. Artikel 4 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 13 januari 2024. Bijlage. als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049435&artikel=1&z=2024-03-02&g=2024-03-02) 1. Onderwerp Het specifieke interventiebeleid vlees beschrijft binnen de kaders van het algemeen interventiebeleid de interventiegrenzen voor specifieke overtredingen m.b.t. voedselveiligheid, hygiëne, bouwkundige zaken, identificatie- en registratieverplichtingen op die onderdelen van de wetgeving die gelden voor dit werkterrein. Dit interventiebeleid is voor een aantal zaken gekoppeld aan het gemeenschappelijk interventiebeleid IB01-SPEC19; het uitgangspunt is één en dezelfd"},{"i":5620,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 20 februari 2024 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA gewasbeschermingsmiddelen en biociden (IB03-SPEC 05, versie 06) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 82 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=82), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen Interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het specifiek interventiebeleid gewasbeschermingsmiddelen en biociden beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB), de klasseindeling en de interventies voor de specifieke overtredingen van de regelgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen (GBM) en biociden. Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de Directie Handhaven, teneinde een klasseindeling en een interventie te bepalen. 2. Definities en wettelijke basis Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215). 2.1. Definities 2.2. Wettelijke basis In het domein gewasbeschermingsmiddelen en biociden gelden zowel Europese als nationale regels. De wettelijke basis voor dit specifieke interventiebeleid is: 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van de overtreding Overtredingen worden ingedeeld naar de klassen zoals gedefinieerd in het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":7611,"b":"Internationaal telecommunicatie reglement Preamble While the sovereign right of each country to regulate its telecommunications is fully recognized, the provisions of the present Regulations supplement the International Telecommunication Convention, with a view to attaining the purpose of the International Telecommunication Union in promoting the development of telecommunication services and their most efficient operation while harmonizing the development of facilities for world-wide telecommunications. Article 1. Purpose and Scope of the Regulations - 2. 1.1 a) These Regulations establish general principles which relate to the provision and operation of international telecommunication services offered to the public as well as to the underlying international telecommuncation transport means used to provide such services. They also set rules applicable to administrations*or recognized private operating agency(ies). - 3. b) These Regulations recognize in Article 9 the right of Members to allow special arrangements. - 4. 1.2 In these Regulations, \"the public\" is used in the sense of the population, including governmental and legal bodies. - 5. 1.3 These Regulations are established with a view to facilitating global interconnection and interoperability of telecommunication facilities and to promoting the harmonious development and efficient operation of technical facilities, as well as the efficiency, usefulness and availability to the public of international telecommunication services. - 6. 1.4 References to CCITT Recommendations and Instructions in these Regulations are not to be taken as giving to those Recommendations and Instructions the same legal status as the Regulations. - 7. 1.5 Within the framework of the present Regulations, the provision and operation of international telecommunication services in each relation is pursuant to mutual agreement between administrations*or recognized private operating agency(ies). - 8. 1.6 In implementing the principles of thes"},{"i":9468,"b":"Verdrag inzake de Status van Zendingen en Vertegenwoordigers van derde Staten bij de Noordatlantische Verdragsorganisatie Gelet op de Verklaring inzake vrede en samenwerking, afgelegd door de staatshoofden en regeringsleiders die hebben deelgenomen aan de vergadering van de Noordatlantische Raad in Rome op 7 en 8 november 1991, waarin wordt aangedrongen op de oprichting van een Noordatlantische Samenwerkingsraad, en gelet op de Verklaring van de Noordatlantische Samenwerkingsraad inzake dialoog, partnerschap en samenwerking van 20 december 1991; Wijzend op de uitnodiging tot het Partnerschap voor de vrede, uitgegaan van en ondertekend door de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Noordatlantische Verdragsorganisatie tijdens de vergadering van de Noordatlantische Raad in Brussel op 10 januari 1994; Beseffend de noodzaak de status van de zendingen en vertegenwoordigers van derde Staten bij de Organisatie nader te bepalen; Overwegend dat het doel van de voorrechten en immuniteiten vervat in dit Verdrag niet is personen te bevoorrechten, doch te verzekeren dat zij doelmatig functioneren in verband met de Organisatie; Zijn de Partijen bij dit Verdrag het onderstaande overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: „Organisatie”: de Noordatlantische Verdragsorganisatie; „lidstaat”: een Staat die Partij is bij het Noordatlantisch Verdrag, ondertekend te Washington op 4 april 1949; „derde Staat”: een Staat die geen Partij is bij het Noordatlantische Verdrag, ondertekend te Washington op 4 april 1949, die de uitnodiging tot het Partnerschap voor de vrede heeft aanvaard en het Raamwerkdocument voor het Partnerschap voor de vrede heeft onderschreven, lidstaat is van de Noordatlantische Samenwerkingsraad dan wel een andere Staat is die door de Noordatlantische Raad is uitgenodigd een zending bij de Organisatie te vestigen. Artikel 2 a. De lidstaat op wiens grondgebied de Organisatie haar zetel heeft, verleent de zendingen v"},{"i":6434,"b":"Besluit van 25 september 2012, tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige Op de voordracht van Onze Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 22 juni 2012, nr. 2012.0000367715, directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op de [artikelen 5, eerste lid, onderdeel c, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), [7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7), [16, eerste, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=16), [47, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=47), [artikel 4 van de Wet wettelijke grondslag bdu siv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026724&artikel=4), [artikel 2, vierde en vijfde lid, van de Wet participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039&artikel=2), en de [artikelen 16a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16a), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), en [34, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=34); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 juli 2012, nr. W04.12.0223/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 21 september 2012, nr. 2012-0000527453, directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit inburgering. Artikel II Wijzigt het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid. Artikel III Wijzigt het Besluit participatiebudget. Artikel IV Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Art"},{"i":9470,"b":"Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Verlangend de toegang tot de rechter in internationale gevallen te vergemakkelijken, Hebben besloten daartoe een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. RECHTSBIJSTAND Artikel 1 Onderdanen van een Verdragsluitende Staat, alsmede personen die hun gewone verblijfplaats hebben in een Verdragsluitende Staat, hebben in iedere Verdragsluitende Staat recht op rechtsbijstand in burgerlijke en in handelszaken op dezelfde voorwaarden als onderdanen van deze Staat of die daar hun gewone verblijfplaats hebben. Personen op wie het eerste lid niet van toepassing is, maar die hun gewone verblijfplaats hebben gehad in een Verdragsluitende Staat waar een geding is of wordt aanhangig gemaakt, hebben niettemin recht op rechtsbijstand in de zin van het eerste lid, indien de oorzaak van de vordering voortvloeit uit deze vroegere gewone verblijfplaats. In Staten waar rechtsbijstand wordt verleend in administratieve, sociale of belastingzaken, is het bepaalde in dit artikel ook van toepassing op zaken gebracht voor de rechter die ter zake bevoegd is. Artikel 2 Artikel 1 is van toepassing op het inwinnen van juridisch advies, mits de verzoeker zich bevindt in de Staat waar het advies wordt verzocht. Artikel 3 Iedere Verdragsluitende Staat wijst een centrale autoriteit aan, belast met de ontvangst en de behandeling van de ingevolge dit Verdrag ingediende verzoeken om rechtsbijstand. Federale Staten en Staten met meer dan een rechtsstelsel kunnen meer dan een centrale autoriteit aanwijzen. Indien de centrale autoriteit waarbij een verzoek is ingediend, niet bevoegd is het te behandelen, dient zij het verzoek door te zenden naar de bevoegde centrale autoriteit in dezelfde Verdragsluitende Staat. Artikel 4 Iedere Verdragsluitende Staat wijst een of meer autoriteiten aan, belast met de verzending van verzoeken om rechtsbijstand naar de bevoegde centrale aut"},{"i":5906,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 28 oktober 2024, nr. IENW/BSK-2024/294197, houdende vaststelling van tijdelijke regels voor het verlenen van subsidie voor de realisering van walstroomvoorzieningen voor zeeschepen 2024–2027 (Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen 2024–2027) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onder b en e, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=5), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8, eerste en tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=9), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), en [23, vijfde lid van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** een in Nederland gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die voornemens is een project uit te voeren als bedoeld in deze regeling; - **Kaderbesluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381); - **Minister:** de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **project:** een voor deze regeling subsidiabele activiteit, zijnde de aanschaf en installatie van een walstroomvoorziening voor zeeschepen; - **RVO:** de Rijksdienst voor Ondernemend Neder"},{"i":6148,"b":"Besluit van 11 april 2011, houdende regels met betrekking tot productvoorschriften voor Lucky Bamboo (Warenwetbesluit Lucky Bamboo) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 december 2010, kenmerk DWJZ/SWW-3039313, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op de [artikelen 5, eerste lid, onderdeel a, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [9, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=9), en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 januari 2011, nummer W.13.10.0555/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 april 2011, kenmerk DWJZ/G&E-3058832, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Lucky Bamboo:** een sierplant met de wetenschappelijke naam Dracaena sanderiana die bedrijfsmatig in Nederland wordt ingevoerd, met inbegrip van het materiaal waarin de plant zich bevindt, en met uitzondering van de plant die: - 1°. zich niet in vloeistof bevindt, alsmede - 2°. bestemd is om ontwikkeld te worden tot potplant; - b. **tijgermug:** een insect met de wetenschappelijke naam Aedes albopictus, alsmede de eitjes, de larven en de poppen daarvan; - c. **afgescheiden ruimte:** een ruimte die door dichte afscheidingen van de omgeving gescheiden is. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt een partij Lucky Bamboo gelijkgesteld met een plant. Artikel 2 Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften gesteld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029929&artikel=3&z=2016-02-19&g=2016-02-19) en [4](https://wetten.overheid.n"},{"i":6503,"b":"Besluit van 21 januari 2014, houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 betreffende de brandveiligheid van het bedrijfsmatig houden van dieren, alsmede correcties en verdere vereenvoudigingen van het Bouwbesluit 2012 Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 28 oktober 2013, nr. 2013-0000644994, CZW; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=3), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=6) en [120 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120) en [richtlijn nr. 2004/54/EG](32004L0054) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEG L 101/56); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 november 2013, nr. W04.13.0399/1); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 15 januari 2014, nr. 2014-0000026034, CZW; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Bouwbesluit 2012. Artikel II Wijzigt het Bouwbesluit 2012. Artikel III Op aankleding die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is aangebracht in een besloten ruimte van een lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren als bedoeld in [artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030461&artikel=1.1), maar niet direct op de vloer, trap of hellingbaan, is [artikel 7.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030461&artikel=7.4) van toepassing, zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2014. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5669,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 16 februari 2026, nr. BZ2624775, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma DHI 2026–2030) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) met het oog op subsidiëring van activiteiten op het gebied van demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies, investeringsvoorbereidingsprojecten en marktvalidaties van startups, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 worden ingediend in jaarlijkse openstellingen. 2. Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 worden ingediend vanaf 2 maart 2026 tot en met 31 december 2026. 3. Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes. 4. Aanvragen voor subsidies in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1[www.rvo.nl/dhi](http://www.rvo.nl/dhi) Artikel 3 1. Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 geldt voor aanvragen bedoeld in [artikel 2, twe"},{"i":7348,"b":"Wet van 26 april 1995, tot herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen (artikelen 254 en volgende van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de maatregel van ondertoezichtstelling van kinderen, in het bijzonder ten aanzien van de bevoegdheden van de kinderrechter, de gezinsvoogd en de gezinsvoogdij-instelling, herziening behoeft; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Vervallen Artikel IV Vervallen Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet door de kinderrechter uitgesproken ondertoezichtstelling geldt met ingang van dat tijdstip als een ondertoezichtstelling als bedoeld in deze wet. Artikel X Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet benoemde gezinsvoogd die in dienst is van een gezinsvoogdij-instelling wordt met ingang van dat tijdstip aangemerkt als een bij of krachtens de [Wet op de jeugdhulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004608) door deze gezinsvoogdij-instelling aangewezen gezinsvoogd. Artikel XI Een door de kinderrechter benoemde gezinsvoogd, niet zijnde een gezinsvoogdij-instelling of in dienst daarvan, wordt door de kinderrechter binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit artikel vervangen door een gezinsvoogdij-instelling. Van de beslissing van de kinderrechter staat generlei voorziening open. Artikel XII 1. De inwerkingtreding van de wet heeft geen gevolg voor de bevoegdheid van de rechter voor wie voordien een geding"},{"i":9474,"b":"Verdrag inzake de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Ernstig bezorgd over het groeiend aantal doden en gewonden ten gevolge van bewuste aanslagen gericht tegen VN-personeel en geassocieerd personeel, Indachtig het feit dat aanslagen gericht tegen, of andere vormen van mishandeling van, personeel dat namens de Verenigde Naties handelt, ongerechtvaardigd en onaanvaardbaar zijn, ongeacht wie de daders zijn, Erkennende dat VN-operaties worden uitgevoerd in het gemeenschappelijk belang van de internationale gemeenschap en in overeenstemming met de beginselen en doelstellingen van het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), Erkentelijk voor de belangrijke bijdrage die VN-personeel en geassocieerd personeel leveren aan de inspanningen van de Verenigde Naties op het gebied van de preventieve diplomatie, vredestichting, vredeshandhaving, vredesopbouw en humanitaire en andere operaties, Zich bewust van de bestaande regelingen ter verzekering van de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel, met name de door de voornaamste organen van de Verenigde Naties genomen maatregelen ter zake, Erkennende evenwel dat de huidige maatregelen ter bescherming van VN-personeel en geassocieerd personeel ontoereikend zijn, Beseffende dat de doeltreffendheid en de veiligheid van VN-operaties blijken toe te nemen wanneer deze operaties worden uitgevoerd met instemming en medewerking van de ontvangende Staat, Een beroep doende op alle Staten waarin VN-personeel en geassocieerd personeel zijn ingezet en op alle anderen op wie dat personeel moet kunnen rekenen, om ruimhartig steun te verlenen ter vergemakkelijking van de uitvoering van VN-operaties en de vervulling van het mandaat daarvan, Overtuigd van de dringende noodzaak om passende en doeltreffende maatregelen te nemen ter voorkoming van aanvallen gericht tegen VN-personeel en geassocieerd personeel en ter bestraffing van de dader"},{"i":5609,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA dierenwelzijn tijdens transport (IB03-SPEC 17, versie 05) De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA dierenwelzijn tijdens transport beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB) en de [Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250), de interventiegrenzen voor specifieke overtredingen binnen het toezichtdomein dierenwelzijn tijdens transport, zoals beschreven in [Verordening (EG) nr. 1/2005](32005R0001)1[Verordening (EG) nr. 1/2005](32005R0001) van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de [Richtlijnen 64/432/EEG](31964L0432) en [93/119/EG](31993L0119) en van [Verordening (EG) nr. 1255/97](31997R1255). (hierna: de Verordening). Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in dit IB03-SPEC17 zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de divisie Regie & Expertise van de directie Handhaven, eventueel in overleg met de divisie Ontwerp & Dienstverlening van de directie Keuren teneinde een interventie te bepalen. 2. Wettelijke basis De basis voor het specifiek interventieb"},{"i":7394,"b":"Wet van 19 mei 2011 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PbEU L 133/66) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [richtlijn nr. 2008/48/EG](32008L0048) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van [Richtlijn 87/102/EEG](31987L0102) van de Raad (PbEU L 133/66) welke voorziet in de harmonisatie van bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten, in Nederland dient te worden geïmplementeerd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7 en Burgerlijk Wetboek Boek 7A. Artikel II Wijzigt de Wet op het consumentenkrediet. Artikel III Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel IV Wijzigt de Colportagewet. Artikel V Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel VI De [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030000&artikel=II&z=2011-05-25&g=2011-05-25) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030000&artikel=III&z=2011-05-25&g=2011-05-25) zijn niet van toepassing op kredietovereenkomsten die vóór het inwerkingtreden van die artikelen zijn gesloten. Artikel VII Deze wet treedt in werking met ingang van 11 juni 2010. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven op of na 11 juni 2010, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten"},{"i":7172,"b":"Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting in verband met verruiming van het begrip personenauto Gelet op artikel VII, vierde en vijfde lid, van de Wet van 16 december 1993 tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met verruiming van het begrip personenauto (Stb. 673); Besluit: Artikel I 1. Een wagenpark als bedoeld in artikel VII, vierde lid, van de Wet van 16 december 1993 tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met verruiming van het begrip personenauto (Stb. 1993, 673), wordt aangemerkt als omvangrijk indien daarvan op 1 januari 1994 ten minste 100 motorrijtuigen deel uitmaken: - a. die als gevolg van de genoemde wet een personenauto zijn geworden; en - b. die op 1 januari 1994 feitelijk in gebruik zijn bij dezelfde organisatie of hetzelfde bedrijf; en - c. waarvan de dagtekening van deel II van het kentekenbewijs een vroegere datum is dan 1 november 1993. 2. In het verzoek, bedoeld in artikel VII, vierde lid, van de in het eerste lid genoemde wet, worden voor elk motorrijtuig waarop het verzoek betrekking heeft, de volgende gegevens vermeld: het kenteken, de datum van het kentekenbewijs deel II, de naam waarop het kentekenbewijs deel II is gesteld en een omschrijving van het model, het type en de inrichting van het motorrijtuig. 3. Het verzoek wordt vóór 1 januari 1995 gedaan voor alle motorrijtuigen te zamen die behoren tot een omvangrijk wagenpark en voldoen aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden. 4. De inspecteur neemt de beslissing op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel II 1. In het verzoek, bedoeld in artikel VII, vijfde lid, van de Wet van 16 december 1993 tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met verruiming van het begrip personenauto, worden de volgende gegevens vermeld: het kenteken van het motorrijtuig waarvoor de invalidenparkeerkaart is verstrekt, het nummer va"},{"i":5949,"b":"Besluit van 8 juli 2002 tot wijziging van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen (uitvoering Euratom-richtlijn basisnormen) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 14 november 2001, nr. MJZ2001120 764, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst; Gelet op [richtlijn nr. 96/29](31996L0029)/Euratom van de Raad van de Europese Unie van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PbEG L 159) en de [artikelen 1, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=1), [14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=14), [15c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15c), [16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=16), [21, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=21), [67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=67), en [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=73) van de Kernenergiewet; De Raad van State gehoord (advies van 31 januari 2002, nr. W08.01.0621/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 4 juli 2002, nr. MJZ2002057207, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen. Artikel II A. Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het voorhanden hebben of het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen,"},{"i":5670,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 november 2025, nr. BZ2521269 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 8.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.4); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van het [artikel 8.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.4) met het oog op subsidiëring van maatschappelijke initiatieven die in het kader van het trans-Atlantisch slavernijverleden in Suriname ondersteuning verdienen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030 worden ingediend vanaf 1 juli 2026, 12:00 Nederlandse tijd tot en met 28 september 2026, 15:00 uur Nederlandse tijd. 2. Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes. 3. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030 worden ingediend aan de hand van een door de Minister nog beschikbaar te stellen aanvraagformulier en voorzien"},{"i":9477,"b":"Verdrag inzake de visserij en de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee De staten die partij zijn bij dit Verdrag, Overwegende, dat de ontwikkeling van de moderne techniek tot exploitatie van de levende rijkdommen der zee, welke techniek de mogelijkheid vergroot om tegemoet te komen aan de toenemende behoefte aan voedsel van een groeiende wereldbevolking, sommige van deze rijkdommen blootstelt aan het gevaar van een overmatige exploitatie, Eveneens overwegende, dat de problemen verbonden aan het behoud van de levende rijkdommen van de volle zee van zodanige aard zijn, dat het noodzakelijk is deze, waar mogelijk, op de grondslag van internationale samenwerking door gezamenlijk handelen van alle betrokken staten op te lossen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Alle staten hebben ten behoeve van hun onderdanen het recht om de visserij op de volle zee uit te oefenen, onder inachtneming van **a** hun verdragsrechtelijke verplichtingen, **b** de belangen en rechten van kuststaten zoals neergelegd in dit Verdrag en **c** de bepalingen vervat in de volgende artikelen betreffende de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee. 2. Op alle staten rust de plicht om, zelf of in samenwerking met andere staten, die maatregelen jegens hun onderdanen te treffen, welke nodig zijn voor de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee. Artikel 2 Met de uitdrukking „instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee\" worden in dit Verdrag bedoeld de gezamenlijke maatregelen welke een gedurig optimale opbrengst van deze rijkdommen mogelijk maken, ten einde een maximale toevoer van voedingsmiddelen en andere voortbrengselen van de zee te verzekeren. Programma's voor een dergelijke instandhouding dienen zodanig te worden opgesteld, dat zij er in de eerste plaats op gericht zijn de aanvoer van voedingsmiddelen voor menselijke consumptie te verzekeren. Artikel 3 Een staat wiens onderdanen de visserij uitoefenen op een of meer vi"},{"i":5244,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2007, nr. MEVA/NBO-2817611, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake budgetopschoning in verband met de 2e tranche opleidingsfonds AWBZ en ‘cure’ Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 18 oktober 2007 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, vergaderjaar 2007/08, 29 282, nr. 45); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op: - 1. zorg of dienst waarop ingevolge de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) aanspraak bestaat en voor zover die wordt geleverd door instellingen die zijn toegelaten voor de functie verblijf, in combinatie met de functies persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als omschreven in het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149) met uitzondering van regionale instellingen voor beschermd wonen en instellingen die extramurale prestaties leveren waarbij geen behandeling plaatsvindt (‘dagbesteding’); - 2. zorg voor zover die wordt geleverd door een deel van de instellingen voor medisch specialistische zorg waarop in 2007 de budgetsystematiek van toepassing is, te weten: algemene ziekenhuizen en academische ziekenhuizen, verder te noemen ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen en instellingen voor revalidatie. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 De zorgautoriteit schoont de budgetten van de instellingen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023120&artikel=1&z=2007-12-21&g=2007-12-21) structureel in verband met de tweede tranche van de gefaseerde invoering van een nieuw bekostigingssysteem voor zorgopleidinge"},{"i":9405,"b":"Verdrag betreffende vereenvoudiging aan te brengen in de inspectie van emigranten aan boord van schepen VERDRAG BETREFFENDE VEREENVOUDIGING AAN TE BRENGEN IN DE INSPECTIE VAN EMIGRANTEN AAN BOORD VAN SCHEPEN. De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 26 Mei 1926 in hare achtste zitting, besloten hebbende, verschillende voorstellen aan te nemen betreffende vereenvoudigingen, aan te brengen in de inspectie van emigranten aan boord van schepen, welk onderwerp op de agenda der zitting geplaatst is en besloten hebbende, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, den 5den Juni 1926, het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden “Verdrag betreffende de inspectie van emigranten aan boord van schepen, 1926”, ter bekrachtiging door de leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 Voor de toepassing van dit verdrag worden de uitdrukkingen: „schip met emigranten” en „emigrant” voor elk land nader omschreven door de bevoegde autoriteit van dat land. Artikel 2 Ieder lid, dat dit verdrag bekrachtigt, verplicht zich tot aanvaarding van het beginsel, dat, behoudens het hierna bepaalde, de officieele inspectie, belast met het waken voor de bescherming van emigranten aan boord van een schip met emigranten, niet door meer dan één Regeering wordt ondernomen. Deze bepaling verhindert niet, dat de Regeering van een ander land nu en dan en voor eigen rekening haar onderdanen, die emigreeren, doet vergezellen door een vertegenwoordiger met den titel van toeschouwer, op voorwaarde, dat deze geen inbreuk zal maken op de bevoegdheden van den officieelen inspecteur. Artikel 3 Indien een officieele inspecteur aan boord van een schip met emigranten geplaatst is, wordt hij, als regel, benoemd"},{"i":5607,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA cosmetische producten (IB03-SPEC 52, versie 02) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [artikel 13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA cosmetica beschrijft de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen in het toezichtdomein cosmetische producten en geeft daarmee invulling aan het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. Begrippen 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). 2.2. Gebruikte afkortingen 2.3. Wettelijke basis Op het werkterrein cosmetische producten gelden zowel Europese als nationale regels. De wettelijke basis voor het specifiek interventiebeleid is: 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van de overtreding Overtredingen worden ingedeeld naar de klassen zoals gedefinieerd in"},{"i":9479,"b":"Verdrag inzake de volle zee De staten die partij zijn bij dit Verdrag, Verlangend de regelen van het volkenrecht met betrekking tot de volle zee te codificeren, Erkennend, dat de van 24 februari tot 27 april 1958 te Genève gehouden Zeerechtconferentie van de Verenigde Naties de volgende bepalingen heeft aangenomen als algemene verklaring van vaststaande beginselen van het volkenrecht, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Onder de uitdrukking „volle zee” wordt verstaan alle delen van de zee die niet behoren tot de territoriale zee of de binnenwateren van een staat. Artikel 2 Daar de volle zee voor alle naties open is, kan geen enkele staat op wettige wijze enig deel van de volle zee aan zijn soevereiniteit onderwerpen. De vrijheid van de volle zee wordt uitgeoefend met inachtneming van de in deze artikelen en in de andere regelen van het volkenrecht neergelegde voorwaarden. Deze vrijheid houdt, voor kuststaten zowel als voor niet-kuststaten, onder andere het volgende in: - (1). vrijheid van scheepvaart; - (2). vrijheid van visserij; - (3). vrijheid onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen; - (4). vrijheid over de volle zee te vliegen. Deze vrijheden, alsmede andere door de algemene beginselen van het volkenrecht erkende vrijheden, worden door alle staten uitgeoefend met behoorlijke inachtneming van de belangen die andere staten bij de uitoefening van de vrijheid van de volle zee hebben. Artikel 3 1. Ten einde de vrijheid van de zee te kunnen genieten op gelijke voet met kuststaten dienen staten die geen zeekust hebben, vrije toegang tot de zee te hebben. Te dien einde dienen staten die gelegen zijn tussen de zee en een staat die geen zeekust heeft, in gemeenschappelijk overleg met laatstbedoelde staat en in overeenstemming met bestaande internationale verdragen: - (a). aan de staat die geen zeekust heeft, op basis van wederkerigheid, vrije doortocht en doorvoer over hun gebied te verlenen en - (b). aan schepen die de vlag van die staat voeren, een behandel"},{"i":9372,"b":"Verdrag betreffende de status van staatlozen PRÉAMBULE **De Hoge Verdragsluitende Partijen,** **Overwegende,** dat het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en de op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering goedgekeurde [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) het beginsel hebben bevestigd, dat de menselijke wezens, zonder onderscheid, de fundamentele rechten van de mens en vrijheden dienen te genieten, **Overwegende,** dat de Verenigde Naties bij verschillende gelegenheden blijk hebben gegeven van haar grote bezorgdheid voor de staatlozen en er naar gestreefd hebben de uitoefening van deze fundamentele rechten en vrijheden door de staatlozen in de grootst mogelijke mate te verzekeren, **Overwegende,** dat alleen op die staatlozen die tevens vluchtelingen zijn van toepassing is het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002) van 28 juli 1951, en dat er vele staatlozen zijn op wie dat Verdrag niet toepasselijk is, **Overwegende,** dat het wenselijk is, de status van staatlozen door middel van een internationale overeenkomst te regelen en te verbeteren, **Zijn** het volgende **overeengekomen:** HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definitie van de term „staatloze” 1. Voor de toepassing van dit Verdrag geldt als „staatloze” een persoon die door geen enkele Staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. 2. Dit Verdrag is niet van toepassing: - (I). op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, zolang zij die bescherming of bijstand genieten; - (II). op personen die door de bevoegde autoriteiten van het land waarin zij zich hebben gevestigd, beschouwd worden de rechten en verplichtingen te hebben, aan het bezit van de nationaliteit van dat land"},{"i":9481,"b":"Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen betreffende de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen jegens volwassenen, Geleid door de wens deze bepalingen te coördineren met die van het [Verdrag van 24 oktober 1956 nopens de wet welke op alimentatieverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001998), Hebben besloten hiertoe een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG Artikel 1 Dit Verdrag is van toepassing op onderhoudsverplichtingen voortvloeiend uit familiebetrekkingen, uit bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen jegens een onwettig kind. Artikel 2 Het Verdrag regelt slechts de wetsconflicten ter zake van onderhoudsverplichtingen. De krachtens toepassing van het Verdrag gegeven beslissingen raken niet het bestaan van een der in het eerste artikel genoemde betrekkingen. Artikel 3 De bij het Verdrag aangewezen wet is van toepassing, onafhankelijk van enig vereiste van wederkerigheid, zelfs indien het de wet van een niet-Verdragsluitende Staat betreft. HOOFDSTUK II. TOEPASSELIJKE WET Artikel 4 De interne wet van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde beheerst de in artikel 1 bedoelde onderhoudsverplichtingen. In geval van verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde wordt de interne wet van de nieuwe gewone verblijfplaats van toepassing vanaf het tijdstip waarop de verandering is ingetreden. Artikel 5 Wanneer de onderhoudsgerechtigde niet op grond van de wet bedoeld in artikel 4 onderhoud van de onderhoudsplichtige kan verkrijgen, is hun gemeenschappelijke nationale wet van toepassing. Artikel 6 De interne wet van de autoriteit bij wie de zaak is aanhangig gemaakt, is van toepassing wanneer de onderhoudsgerechtigde niet op g"},{"i":5247,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 15 februari 2013, nr. WJZ/13003615, tot aanwijzing van frequentieruimte als bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, van de Telecommunicatiewet (Regeling aanwijzing frequentieruimte medegebruik antenne-opstelpunten) Gelet op [artikel 27 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=27); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Telecommunicatiewet, enz. (Nota frequentiebeleid 2005) in werking treedt. Artikel 1 Als frequentieruimte, bedoeld in [artikel 5a.3, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=5a.3), wordt aangewezen de frequentieruimte die is vergund voor openbare elektronische communicatiediensten en -netwerken. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 9 april 2008 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de Nota frequentiebeleid 2005 (Kamerstukken 31412) in werking treedt. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing frequentieruimte medegebruik antenne-opstelpunten. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6923,"b":"Besluit van 8 juli 1978, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, houdende de omschrijving van de categorieën van personen op wie deze wet van overeenkomstige toepassing zal zijn Op de voordracht van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 15 juni 1978, Hoofdafdeling Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. 62243, mede namens Onze Minister van Financiën; Gelet op [artikel 1, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=1) (**Stb.** 1977, 493); Gezien de adviezen van de Buitengewone Pensioenraad en de Stichting 1940-1945; De Raad van State gehoord (advies van 28 juni 1978 nr. 14); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 6 juli 1978, Hoofdafdeling Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. 63969; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: \"vrijheidsberoving\": opsluiting door de vijand in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen met permanente bewaking; \"anti-nationaal-socialistische activiteiten\": activiteiten, waaraan een het nationaal-socialisme afwijzende gezindheid ten grondslag lag en welke hebben bestaan uit spionage of contra-spionage, sabotage, medewerken aan het ongeoorloofd verlaten van het toenmalige Duitse grondgebied door tegenstanders van het nationaal-socialisme dan wel het schrijven, drukken of verspreiden van tegen het nationaal-socialisme gerichte geschriften. Artikel 2 Tot de in [artikel 1, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=1) (**Stb.** 1985, 575), bedoelde categorieën van personen behoren zij, gedurende de oorlogsjaren 1940-1945 Nederlander zijnde: - 1. die in de gebieden binnen Europa, met uitzondering van Nederland, welke waren bezet door of onder controle stonden van de vijand, handelingen hebben verricht, w"},{"i":6294,"b":"Wet van 5 juli 2006 tot samenvoeging van de gemeenten Obdam en Wester-Koggenland Allen, deze deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Obdam en Wester-Koggenland samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Obdam en Wester-Koggenland opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Koggenland ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Obdam en Wester-Koggenland, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Koggenland wordt de op te heffen gemeente Wester-Koggenland aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Obdam en Wester-Koggenland wordt de nieuwe gemeente Koggenland aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de rechten en verplichtingen die verband houden met de overgang van de voorziening van d"},{"i":6237,"b":"Wet van 12 december 1996, houdende instelling van een vast college van advies van het Rijk op het terrein van het openbaar bestuur alsmede toekenning van een uitvoeringstechnische adviestaak aan de Kiesraad (Wet op de Raad voor het openbaar bestuur) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een vast college van advies in te stellen op het terrein van het openbaar bestuur en aan de Kiesraad een uitvoeringstechnische adviestaak op het terrein van het kiesrecht en de verkiezingen toe te kennen en dat het in verband met [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79) noodzakelijk is daartoe wettelijke bepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een Raad voor het openbaar bestuur. 2. De Raad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste elf andere leden. Artikel 2 De Raad voor het openbaar bestuur heeft tot taak de regering en beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over: - a. de inrichting en het functioneren van de overheid met het oog op het vergroten van haar doeltreffendheid en doelmatigheid en met bijzondere aandacht voor de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat; - b. de beleidsmatige aspecten van de financiële verhoudingen, in het bijzonder die van het Rijk met de gemeenten en de provincies, in relatie tot de bestuurlijke verhoudingen. Artikel 3 Wijzigt de Kieswet Artikel 4 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. Artikel 5 Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Raad voor het openbaar bestuur. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5564,"b":"Besluit van 5 juni 1985, houdende Reglement minimummaten en gesloten tijden 1985 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw en Visserij van 15 april 1985, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, no. J. 2430; Overwegende dat het wenselijk is mede ter uitvoering van verordening (EEG) no. 3626/82 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1982 (**Pb EG** L384), een herzien Reglement minimummaten en gesloten tijden vast te stellen; Gelet op de [artikelen 2**a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=2a), 4, 9 en [16 van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=16) (**Stb.** 312); Gehoord het Produktschap voor Vis en Visprodukten, het Visserijschap, het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven, de Nederlandse Vereniging voor Sportvissersfederaties, het Centraal Nederlands Hengelaarsverbond en de Voorlopige Adviesraad voor de Binnenvisserij; De Raad van State gehoord (advies van 30 mei 1985, no. W.11.85.0214/06.05.22); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw en Visserij van 31 mei 1985 no. J3589, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Bij ministeriële regeling wordt de afmeting, bedoeld in [artikel 2a, eerste lid, van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=2a), bepaald. 2. Vis van de soorten waarvoor ingevolge het eerste lid een afmeting is bepaald wordt onmiddellijk nadat deze is opgehaald weer in hetzelfde water teruggezet, indien de vis, gemeten vanaf de punt van de snuit tot het uiteinde van de staartvin, niet tenminste de daarvoor bepaalde afmeting heeft. 3. Indien bij of krachtens het [Reglement zee- en kustvisserij 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003144) voorschriften zijn gesteld inzake afmetingen of daarnaar wordt verwezen, zijn deze ook van toepassing op vissen die worden gevangen in de wateren, bedoeld in [art"},{"i":5630,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA textiel (IB03-SPEC 60, versie 02) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA textiel beschrijft de klasseindeling en interventies voor specifieke overtredingen in het subdomein textiel en geeft daarmee invulling aan het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Expertise van de directie Handhaven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. Begrippen 2.1. Definities Hieronder is een aantal specifieke definities opgenomen in aanvulling op de definities en begrippen uit het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03). 2.2. Wettelijke basis In het subdomein textiel gelden nationale en Europese regels. De wettelijke basis voor het specifiek interventiebeleid is: Daarnaast zijn voor de handhaving van deze regels van belang: 3. Werkwijze 3.1. Het bepalen van de ernst van de overtreding Overtredingen worden ingedeeld naar de klassen zoals gedefinieerd in het [Algemeen interventiebeleid"},{"i":9482,"b":"Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op de aansprakelijkheid wegens produkten De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen betreffende de wet welke in internationale betrekkingen van toepassing is op de aansprakelijkheid wegens produkten, Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Dit Verdrag bepaalt welke wet van toepassing is op de aansprakelijkheid van de in artikel 3 bedoelde fabrikanten en andere personen voor schade veroorzaakt door een produkt, daaronder begrepen de schade die voortvloeit uit een onjuiste beschrijving van het produkt of het ontbreken van voldoende aanwijzingen betreffende zijn hoedanigheden, zijn kenmerkende eigenschappen of zijn gebruikswijze. Wanneer de eigendom of het recht op gebruik van het produkt door de persoon wiens aansprakelijkheid in het geding is, is overgedragen aan de persoon die schade heeft geleden, is dit Verdrag niet van toepassing op hun onderlinge verhouding. Dit Verdrag is van toepassing, welke ook de rechter of de autoriteit is die kennis dient te nemen van het geschil. Artikel 2 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. omvat de term „produkt\" natuurlijke en industriële produkten, in onbewerkte of bewerkte vorm, roerend of onroerend; - b. omvat de term „schade\" alle schade toegebracht aan personen of goederen, alsmede economische verliezen; schade aan het produkt zelf en het daaruit voortvloeiende economische verlies zijn hiervan evenwel uitgesloten, tenzij zij verband houden met andere schade; - c. heeft de term „persoon\" zowel betrekking op een rechtspersoon als op een natuurlijk persoon. Artikel 3 Dit Verdrag is van toepassing op de aansprakelijkheid van de volgende personen: - 1. de fabrikanten van eindprodukten of van onderdelen daarvan; - 2. de producenten van natuurlijke produkten; - 3. de leveranciers van produkten; - 4. andere personen, waaronder begrepen herstellers en personen die"},{"i":5946,"b":"Koninklijk besluit van 21 september 1926 tot vaststelling van het Curacaosch Uitleveringsbesluit Gelet op: [Artikel 3, eerste lid, onder h, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=3) Artikel 48, derde lid, Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Gouverneur:** Gouverneur van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen. Voor de toepassing van [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027429&artikel=21&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van het besluit wordt daaronder verstaan de Gouverneur van het land waar de vreemdeling zich bevindt; - b. **het Hof van Justitie:** het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. **de procureur-generaal:** de procureur-generaal van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen. Voor de toepassing van [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027429&artikel=13&z=2024-05-01&g=2024-05-01) van het besluit wordt daaronder verstaan de procureur-generaal met de behandeling van de zaak belast; - d. **openbaar ministerie:** het openbaar ministerie van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen. Artikel 2 1. Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van: - a. een door de autoriteiten van de verzoekende Staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek terzake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende Staat als naar dat van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten, een vrijheidsstraf van een jaar, of van langere duur, kan worden opgelegd; - b. de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de verzoekende Staat te ondergaan wegens een feit als onder a bedoeld. 2. Voor de toepassing van het voorgaande l"},{"i":9484,"b":"Verdrag inzake de zetel van het Permanente Hof van Arbitrage between the Kingdom of the Netherlands, and the Permanent Court of Arbitration Whereas the Conventions for the Pacific Settlement of International Disputes, establishing the Permanent Court of Arbitration were concluded on [29 July, 1899](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005494) and [18 October, 1907](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005617), and the Kingdom of the Netherlands is a Contracting Power to both Conventions, Whereas the seat of the International Bureau of the Permanent Court of Arbitration is The Hague, Kingdom of the Netherlands, pursuant to [Article 22, paragraph 1, of the Convention of 1899](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005494&artikel=22) and [Article 43 of the Convention of 1907](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005617&artikel=43), Having regard to the provisions set forth in [Article 24 of the 1899 Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005494&artikel=24) and [Article 46, paragraph 4, of the 1907 Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005617&artikel=46), establishing, respectively, the diplomatic privileges and immunities of the Members of the Court and members of Tribunals, Having regard to exchanges of letters in 1930, 1937 and 1972–1974 between the International Bureau of the Permanent Court of Arbitration and the Ministry of Finance of the Netherlands in which provisions were made for exemption from direct tax in respect of salaries for the Secretary-General and the personnel of the Permanent Court of Arbitration, including Netherlands citizens, Whereas the Parties first named above desire to conclude a more comprehensive agreement, They have therefore agreed as follows: Article 1. Definitions 1. “1899 Convention” shall mean the [Convention for the Pacific Settlement of International Disputes](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005494), concluded at The Hague on 29 July, 1899, and “1907 Convention” shall mean the [Co"},{"i":6361,"b":"Wijziging Regeling gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens Aan: Het college van Burgemeester en Wethouders i.a.a.: Hoofd Burgerzaken Bijgaand zend ik u een afschrift van de ministeriële regeling van 24 augustus 2001 (BPR2001/U82577) tot wijziging van de [Regeling GBA](onbekend). De aanpassing van deze regeling heeft betrekking op een drietal onderwerpen. De wijziging van de Regeling GBA treedt met ingang van 1 september a.s. in werking en zal worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":6198,"b":"Wet van 13 oktober 2022, houdende wijziging van de Gemeentewet, Provinciewet, Waterschapswet, Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en enige andere wetten in verband met het bevorderen van de bestuurlijke integriteit en de aanpak van aanhoudende bestuurlijke problemen in het decentraal bestuur (Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat integriteitskwesties en aanhoudende bestuurlijke problemen het gezag en functioneren van het decentraal bestuur aantasten en het daarom wenselijk is een regeling te treffen die de integriteit en bestuurbaarheid van het decentraal bestuur waarborgt; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II Wijzigt de Provinciewet. Artikel III Wijzigt de Waterschapswet. Artikel IV Wijzigt de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel V Wijzigt de Kieswet. Artikel Vb Wijzigt de Wet open Overheid. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VII Deze wet wordt aangehaald als: Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5705,"b":"Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen Van 22 april 2022, nr. 2022-0000100140, houdende regels over de besteding van financiële middelen uit het Europees Sociaal Fonds Subsidieregeling ESF+ 2021–2027) Gelet op [Verordening (EU) 2021/1057](32957R2021) van het Europees parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van [Verordening (EU) nr. 1296/2013](32013R1296) (PbEU 2021, L 231) en de [artikelen 3, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), [vijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5) en [acht, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=8); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen deel Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **arbeidsbelemmerde:** Persoon die jegens het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aanspraak heeft op een uitkering op grond van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) en naar het oordeel van dat college een lichamelijke, verstandelijke, psychische of psychosociale beperking heeft; - **arbeidsmigrant:** vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van [artikel 8, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), als werknemer, zelfstandige, werkzoekende of echtgenoot dan wel partner als bedoeld in [artikel 8.7, tweede lid, onderdeel b, of vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7); - **arbeidsorganisatie:** onderneming als bedoeld in [artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=5) of een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 6 van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=6), waarin door werknemers arbeid wordt verricht; - **basisvaardigheden"},{"i":6399,"b":"Besluit van 13 november 1999, houdende wijziging van het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 22 maart 1999, nr. P/99001231; Gelet op [artikel 12 van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); Gelet op [artikel 31 van de Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791&artikel=31); De Raad van State gehoord (advies van 21 mei 1999, nr. W07.99.0142); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 9 november 1999, nr. P/99003609; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I werkt terug tot en met 1 januari 1998. Artikel II en artikel III, tweede en vierde lid, werken terug tot en met 1 juli 1999. Artikel III eerste lid werkt terug tot en met 1 januari 1998. Artikel III derde lid werkt terug tot en met 1 januari 1999. Artikel I Wijzigt het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaanden-pensioen. Artikel II Voor diegenen die aanspraak hebben op een toeslag ingevolge artikel 21 van het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen en reeds op de dag vóór de inwerking treding van dit artikel aanspraak hadden op een toeslag ingevolge dat artikel 21, zoals dat op die dag luidde, wordt die toeslag berekend naar ten minste het laatstelijk voor 1 juli 1999 vastgestelde niveau. Artikel III 1. Voor diegenen die op 1 januari 1998 aanspraak hadden op een toeslag ingevolge artikel 21a van het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen, zoals dat oorspronkelijk op die dag luidde en aanspraak hebben op een toeslag ingevolge dat artikel, zoals dat thans luidt, blijft eerstgenoemde toeslag van kracht, zolang deze hoger is dan de daarna genoemde toeslag. 2. Behoudens het eerste lid blijft artikel 21a, eerste lid, van het Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen zoals dat op 31 december 1998 luidde, tot 1 juli 1999 van toepassing, met uitzondering van"},{"i":7101,"b":"Protocol tussen de Republiek Armenië en de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) ter uitvoering van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Armenië inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven De Republiek Armenië en de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden), Hierna „de Partijen” genoemd, Op grond van artikel 20 van de op 19 april 2013 te Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Armenië inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven, Hierna „de Overeenkomst” genoemd, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Aanwijzing bevoegde autoriteiten 1. De Partijen wisselen binnen dertig (30) dagen na de sluiting van dit Protocol lijsten van de voor de uitvoering van de Overeenkomst bevoegde autoriteiten en van hun bij de andere Partijen geaccrediteerde diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen uit**.** 2. De Partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van iedere wijziging in de in lid 1 van dit artikel bedoelde lijsten. Artikel 2. Aanwijzing plaatsen grensoverschrijding 1. De voor de toepassing van de Overeenkomst gebruikte grensovergangen staan in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006769&bijlage=1&z=2023-09-01&g=2023-09-01) bij dit Protocol vermeld. 2. De Partijen informeren elkaar onmiddellijk over iedere wijziging in de in lid 1 van dit artikel bedoelde lijst. 3. De bevoegde autoriteiten kunnen op ad-hocbasis overeenkomen gebruik te maken van andere grensovergangen voor de toepassing van de Overeenkomst. Artikel 3. Indiening van het verzoek om terug- of overname 1. Een verzoek om terug- of overname wordt schriftelijk via e-mail, per telefax of andere telecommunicatiemiddelen rechtstreeks ingediend bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat. Indien in het verzoek om terug- of overname tev"},{"i":5896,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de pers van 20 februari 2013, nr. 22928, tot vaststelling van een Tijdelijke subsidieregeling Persinnovatie 2013 Handelende na overleg met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [artikel 8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Te subsidiëren activiteiten en kosten 1. Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve van de versterking en vernieuwing van de journalistieke infrastructuur in Nederland subsidie verstrekken voor activiteiten die voldoen aan één van de volgende eisen: - a. Zij hebben betrekking op nieuwe of nieuwe combinaties van of met bestaande journalistieke producten, diensten, platforms of modellen om journalistieke informatie te produceren, te filteren, te distribueren, te verkopen of te presenteren; - b. Zij hebben betrekking op onderzoek naar de activiteiten genoemd onder a. 2. Voor subsidieverstrekking komen slechts kosten van de subsidieontvanger in aanmerking die rechtstreeks verband houden met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend en die gemaakt zijn na de subsidieverlening. 3. Het Stimuleringsfonds kan nadere richtlijnen omtrent de aard van de kosten vaststellen. Deze richtlijnen worden gepubliceerd op de website van het Stimuleringsfonds www.persinnovatie.nl. Artikel 2. Subsidieaanvrager 1. Subsidie kan worden aangevraagd door de voor de desbetreffende activiteiten verantwoordelijke rechtspersoon of rechtspersonen dan wel rechtspersoon of rechtspersonen in oprichting, die in Nederland actief is of zijn. 2. In afwijking van het gestelde onder het eerste lid kan voor projecten tot maximaal € 50.000 subsidie worden aangevraagd door natuurlijke personen. 3. De in de voorgaande leden bedoelde personen dienen voorafgaand aan de subsidieaanvraag een projectidee te hebben ingediend volgens de richtlijnen gepubliceerd op de website van het Stimuleringsfonds www.persinnovatie.nl dat"},{"i":5838,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de Nederlandse Organisatie van Wetenschappelijk Onderzoek van 13 februari 2019, nr. 2019 RvB 038, houdende een tegemoetkomingsregeling bij de aanvraag van persoonsgebonden subsidies ter bevordering van de gelijke behandeling van aanvragers met kindverlof Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) Artikel 1 Deze tegemoetkomingsregeling treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 2019. Artikel 2 Deze tegemoetkomingsregeling wordt aangehaald als **‘Tegemoetkomingsregeling kindverlof tijdens aanvraagprocedure persoonsgebonden subsidie’** Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek Tegemoetkomingsregeling ‘Kindverlof tijdens aanvraagprocedure persoonsgebonden subsidie’ Inleiding NWO ontvangt in haar financieringsprogramma’s voor persoonsgebonden subsidies vele aanvragen van talentvolle wetenschappelijk onderzoekers. Het doel van deze persoonsgebonden subsidies is de persoonsgerichte stimulering van onderzoekers in de verschillende fasen van hun carrière. Dit creëert voor excellente onderzoekers de creatieve ruimte voor het uitvoeren van uitdagend en vernieuwend onderzoek, en behoudt deze onderzoekers voor de wetenschap. In de regel beoordeelt NWO aanvragen voor onderzoekssubsidies via een tenderprocedure. Hierbij worden de subsidieaanvragen die binnen één financieringsronde zijn ingediend gerangschikt aan de hand van objectieve criteria. De kwalitatief beste aanvragen eindigen daarbij het hoogst en komen zodoende als eerste in aanmerking voor subsidie. De subsidies worden op volgorde van deze kwalitatieve rangschikking verstrekt totdat het subsidieplafond is bereikt. NWO moet waarborgen dat alle aanvragers gelijke kans maken op subsidie. Dit betekent in beginsel dat alle aanvragers gelijk dienen te worden behandeld. Binnen elke subsidieronde hanteert NWO daarom"},{"i":6623,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken 28 januari 2016, nr. WJZ / 15148098, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-subsidies en de Regeling openstelling EZ-subsidies 2016 in verband met wijziging van de subsidiemodule Topsector energieprojecten, verschuiving van subsidieplafonds en enkele technische aanpassingen Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19) en [25 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling nationale EZ-subsidies. Artikel II Wijzigt de Regeling openstelling EZ-subsidies 2016. Artikel III Op aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend, op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn vastgesteld blijft de [Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474) van toepassing zoals die luidde onmiddellijk vóór dat tijdstip. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2016. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6489,"b":"Besluit van 23 juli 2005, houdende wijziging van het besluit van 16 september 1965, houdende vaststelling van het bewijs van verzekering voor de niet-kentekenplichtige motorrijtuigen en enkele regelen met betrekking tot het bewijs van vrijstelling (Stb. 414) in verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 april 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1074, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=14) en [38 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=38); De Raad van State gehoord (advies van 1 juli 2005, nr. W09.05.0171/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 juli 2005, nr. HDJZ/AWW/1571, Hoofddirectie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994, enz. (invoering kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen) in werking treedt. Artikel I Wijzigt het besluit Vaststelling bewijs van verzekering voor niet-kentekenplichtige motorrijtuigen en regelen met betrekking tot bewijs van vrijstelling. Artikel II 1. Een fabrikanten- of handelaarsbewijs W.A.M. (bromfietsen), afgegeven voor de inwerkingtreding van dit besluit, behoudt voor wat betreft gehandicaptenvoertuigen en fietsen met trapondersteuning zijn geldigheid tot vijf jaar na datum van afgifte. 2. Een fabrikanten- of handelaarsbewijs W.A.M. (andere niet-kentekenplichtige motorrijtuigen dan bromfietsen), afgegeven voor de inwerkingtreding van dit besluit, behoudt voor wat betreft andere niet-kentekenplichtige motorrijtuigen dan gehandicaptenvoertuigen en fietsen met trapondersteuning zijn geldigheid tot vijf jaar na datum van afgifte. Artikel III De [artikelen 1 tot en met 5a]("},{"i":6670,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 juli 2023, nr. 2023-0000425610, tot wijziging van de Subsidieregeling STAP-budget in verband met het beperken van de subsidiabele scholing tot OCW-erkende scholing, de openstelling van twee nieuwe aanvraagtijdvakken en enige andere wijzigingen Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling STAP-budget. Artikel II 1. Scholingen die op de dag van inwerkingtreding van deze regeling geen scholing zijn als bedoeld in [artikel 1 van de Subsidieregeling STAP-budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045419&artikel=1), worden met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze regeling uitgesloten in het scholingsregister, genoemd in [artikel 21 van de Subsidieregeling STAP-budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045419&artikel=21). 2. Keurmerken en erkenningen die zijn toegelaten tot het scholingsregister op grond van [artikel 23a van de Subsidieregeling STAP-budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045419&artikel=23a), zoals dit artikel luidde voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze regeling, worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling deze toelating ontzegd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 4 september 2023. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5969,"b":"Besluit van 30 mei 1990, houdende het uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 maart 1989, nr. WDB89/106, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Gelet op de [artikelen 25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25), [28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=28), en [36, tweede lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=36) (**Stb.** 221); De Raad van State gehoord (advies van 19 juli 1989, nr. W06.89 0153); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 mei 1990, nr. WDB 90/273, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Algemeen Artikel 1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=15), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=28), [33a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=33a), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=36) en [36b van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=36b). 2. Dit besluit verstaat hierna onder wet: de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770). Hoofdstuk I. Versnelde tenuitvoerlegging dwangbevel Artikel 2 [Artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=15) vindt toepassing: - a. met betrekking tot een naheffingsaanslag als bedoeld in [artikel 9, achtste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=9), ingeval een dwangbevel terstond na het opleggen van die aanslag wordt uitgevaardigd; - b. in situaties als bedoeld in [artikel 10 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=10) indien in het kader van een actie gericht op de toepassing e"},{"i":6267,"b":"Wet van 7 juli 2010 tot samenvoeging van de gemeenten Breukelen, Loenen en Maarssen, en van de gemeenten Abcoude en De Ronde Venen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Breukelen, Loenen en Maarssen, en de gemeenten Abcoude en De Ronde Venen samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Abcoude, Breukelen, De Ronde Venen, Loenen en Maarssen opgeheven. Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Stichtse Vecht ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Breukelen, Loenen en Maarssen, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. 2. Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente De Ronde Venen ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Abcoude en De Ronde Venen, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Stichtse Vecht wordt de op te heffen gemeente Maarssen en voor de nieuwe gemeente De Ronde Venen wordt de op te heffen gemeente De Ronde Venen aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Breukelen, Loenen en Maarssen wordt de nieuwe gemeente Stichtse Vecht en voor de op te heffen gemeenten Abcoude en De Ronde Venen wordt de nieuwe gemeente De Ronde Venen aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718); - a. [artikel 39"},{"i":5642,"b":"Besluit van 14 oktober 1993, houdende vaststelling van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 25 mei 1993, nr. 93030035/3245, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 60, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=60); Gezien het advies van de Onderwijsraad (advies van 11 januari 1993, nr. OR 92000270/S); De Raad van State gehoord (advies van 31 augustus 1993, nr. W05.93.0327); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 7 oktober 1993, nr. 9307 1358/3245, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: \"Onze Minister\": Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, \"inspectie\": de inspectie, bedoeld in de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800), \"examen\": het staatsexamen Nederlands als tweede taal, \"examenjaar\": het tijdvak dat aanvangt op 1 januari van een jaar en eindigt op 31 december van dat jaar, \"examenonderdeel\": een onderdeel van het examen als bedoeld in [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&hoofdstuk=I&artikel=4&z=2022-08-01&g=2022-08-01), \"examenprogramma\": het examenprogramma, bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2022-08-01&g=2022-08-01), \"examenreglement\": het examenreglement, bedoeld in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&hoofdstuk=III&artikel=10&z=2022-08-01&g=2022-08-01), \"College voor toetsen en examens\": College voor toetsen en examens, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2), \"examenleider\": degene die door het College voor toetsen en examens is belast met de lei"},{"i":9488,"b":"Verdrag inzake een gedragscode voor lijnvaartconferences DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN De Partijen bij dit Verdrag, Geleid door de wens het conferencestelsel in de lijnvaart te verbeteren, De behoefte erkennend aan een algemeen aanvaardbare gedragscode voor lijnvaartconferences, Rekening houdend met de bijzondere behoeften en problemen van de ontwikkelingslanden met betrekking tot de activiteiten van lijnvaartconferences die hun buitenlandse vervoer verzorgen, Overeenkomend in de Code de onderstaande fundamentele doelstellingen en basisbeginselen neer te leggen: het doel de ordelijke uitbreiding van het mondiale vervoer over zee te vergemakkelijken: het doel de ontwikkeling te bevorderen van geregelde en doelmatige lijndiensten die beantwoorden aan de eisen van het betrokken vervoer; het doel een evenwicht te verzekeren tussen de belangen van de aanbieders en de gebruikers van lijnvaartdiensten; het beginsel dat conferencepraktijken geen discriminatie mogen inhouden tegen de reders, verladers of de buitenlandse handel van een land; het beginsel dat conferences zinvol overleg plegen met verladersorganisaties, vertegenwoordigers van verladers en verladers inzake aangelegenheden van gemeenschappelijk belang, met desgevraagd, de deelneming van de bevoegde autoriteiten; het beginsel dat conferences aan belanghebbende partijen relevante informatie dienen te verstrekken over hun activiteiten die voor die partijen van belang zijn en zinvolle informatie over hun activiteiten openbaar dienen te maken, zijn overeengekomen als volgt: DEEL EEN HOOFDSTUK I. : BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN HOOFDSTUK II. : BETREKKINGEN TUSSEN LEDEN-LIJNEN Artikel 1. Lidmaatschap 1. Een nationale lijn heeft het recht volledig lid te zijn van een conference die het buitenlandse vervoer van haar land verzorgt, zulks in overeenstemming met de normen neergelegd in artikel 1, tweede lid. Lijnen die niet als nationale lijnen worden aangemerkt, hebben het recht volledig lid van die conference te worden, afhankelijk"},{"i":9489,"b":"Verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, hierna de „verdragsluitende partijen” genoemd, Herinnerend aan hun Europese en internationale verbintenissen op het gebied van controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie en uitvoervergunningen, met name het Wapenhandelsverdrag van 2 april 2013 en, voor de lidstaten van de Europese Unie, het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008, in de versie van 16 september 2019, tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, Erkennend hun respectieve bevoegdheid om toestemming te verlenen voor de overdracht of uitvoer vanaf hun grondgebied van defensiegerelateerde producten die voortvloeien uit intergouvernementele programma's of die door hun industrieën zijn ontwikkeld, Erkennend dat elke verdragsluitende partij nationale controles op haar uitvoer van defensiegerelateerde producten uitvoert op basis van haar nationale wet- en regelgeving, met inbegrip van de nationale beginselen van het exportcontrolebeleid, Erkennend het belang van betrouwbare overdracht- en uitvoermogelijkheden voor het economische en politieke succes van hun industriële en intergouvernementele samenwerking, Bevestigend dat zij bereid zijn de administratieve lasten voor de exportcontrole voor defensiegerelateerde producten te verminderen, teneinde het welslagen van hun gezamenlijke programma’s te waarborgen en industriële partnerschappen tussen de verdragsluitende partijen te vergemakkelijken, Verwijzend naar de verschillende samenwerkingsverdragen en bilaterale veiligheidsverdragen tussen de verdragsluitende partijen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Intergouvernementele programma’s en hun subsystemen 1. Indien twee of meer verdragsluitende partijen aan dezelfde intergouvernementele programma’s deelnemen, dan zijn de in dit artikel beschreven beginselen voor de betreffende ver"},{"i":5501,"b":"Bekendmaking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 december 2016, nr. MBO-1105785 inzake de vaststelling van het subsidieplafond van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo voor het kalenderjaar 2017 Gelet op [artikel 4, derde en vierde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035054&artikel=4); Besluit: artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035054&artikel=4) voor het kalenderjaar 2017 wordt: - a. voor de aanvraagperiode van 1 januari tot 1 februari vastgesteld op € 19,3 miljoen, en - b. voor de aanvraagperiode van 1 juni tot 1 juli vastgesteld op € 9,4 miljoen. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9491,"b":"Verdrag inzake handel met voorkennis De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn leden tot stand te brengen, Overwegend dat bepaalde financiële transacties in effecten die worden verhandeld op effectenbeurzen worden verricht door personen die trachten verliezen te vermijden of winsten te behalen door gebruik te maken van vertrouwelijke gegevens waarover zij beschikken, waardoor zij de gelijkheid van kansen tussen investeerders en de geloofwaardigheid van de markt ondermijnen, Overwegend dat een zodanig gedrag eveneens bedreigend blijkt te zijn voor de economieën van de betrokken Lidstaten en in het bijzonder voor het goede functioneren van de effectenmarkten, Overwegend dat, gezien de internationalisering van de markten en het gemak van moderne communicatiemiddelen, handelingen van deze aard soms op de markt van een Staat worden uitgevoerd door personen die geen ingezetene van die Staat zijn of die handelen door tussenkomst van personen die geen ingezetene van die Staat zijn, Overwegend dat de strijd tegen dergelijke praktijken, die in vele Lidstaten reeds in gang is gezet, het noodzakelijk maakt specifieke regelingen vast te stellen die op deze situaties van toepassing zijn en die de coördinatie van inspanningen op internationaal niveau mogelijk maakt, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 1. In dit Verdrag wordt onder een ongeoorloofde handeling met voorkennis verstaan een ongeoorloofde handeling verricht door een persoon: - a. die president of voorzitter dan wel lid van een raad van bestuur of een ander bestuurlijk of toezichthoudend lichaam is, of die een gemachtigde dan wel werknemer is van een effecten uitgevende instelling, en die op een gereglementeerde effectenbeurs een handeling heeft bewerkstelligd of heeft doen bewerkstelligen onder welbewuste gebruikmaking van gegevens die nog niet openbaar zijn gemaakt,"},{"i":9492,"b":"Verdrag inzake het beheer van het Multilateraal Investeringsfonds II Overwegend dat het Multilateraal Investeringsfonds (het „MIF I’’) is opgericht bij het Verdrag tot oprichting van het Multilateraal Investeringsfonds van 11 februari 1992 (het „MIF I-verdrag’’) en wordt beheerd door de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (de „Bank’’) ingevolge het Verdrag inzake het beheer van het Multilateraal Investeringsfonds van dezelfde datum (het „MIF I-beheerverdrag’’); Overwegend dat het MIF I-verdrag overeenkomstig artikel V, afdeling 2, daarvan werd verlengd tot 31 december 2007; Overwegend dat het MIF I-beheerverdrag tegelijkertijd werd verlengd en van kracht blijft zolang het MIF I-verdrag van kracht blijft, zoals bepaald in artikel VI, afdeling 2, daarvan; Overwegend dat met ingang van deze datum, het Verdrag tot oprichting van het Multilateraal Investeringsfonds II (het „MIF II-verdrag’’) aangegaan is door de toekomstige donoren vermeld in Schema A daarbij (alle „toekomstig donoren’’ en na toetreding ertoe als bepaald in artikel II, afdeling 1, onderdeel a, daarvan, een „donor’’) teneinde de voortzetting van de werkzaamheden van MIF I na 31 december 2007 te waarborgen en te voorzien in een verbeterd MIF I (het „MIF II’’ of het „Fonds’’) bij de Bank; Overwegend dat de toekomstige donoren dit Verdrag inzake het beheer van het Multilateraal Investeringsfonds II (het „MIF II-beheerverdrag’’) wensen te aanvaarden, dat, na de inwerkingtreding van het MIF II-verdrag, het MIF I-beheerverdrag zal vervangen; Overwegend dat het Fonds de werkzaamheden van de Bank, de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij (de „IIC’’) en andere multilaterale ontwikkelingsbanken overeenkomstig de voorwaarden van het MIF II-verdrag kan blijven aanvullen; en Overwegend dat de Bank ter verwezenlijking van haar doelstellingen en hetgeen zij ermee beoogt ermee heeft ingestemd het Fonds te beheren in overeenstemming met het MIF II-verdrag. Komen de Bank en de toekomstige donoren derhalve thans het vo"},{"i":5424,"b":"Regeling subsidievoorwaarden rechts- en wetswinkels 2018 Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, wil gelet op [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c) subsidie verlenen aan rechts- en wetswinkels en heeft daartoe de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1). **De Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - 2). **Een rechts- of wetswinkel:** een rechtspersoon die zonder winstoogmerk, in hoofdzaak met vrijwilligers rechtsbijstand verleent aan minderdraagkrachtige personen of groepen van personen; - 3). **Rechtsbijstand:** sociaaljuridische hulpverlening. Daartoe rekent de Raad ook activiteiten zoals: voorlichting, preventie en andere activiteiten, gericht op het signaleren, voorkomen en tegengaan van tekortkomingen en leemten in de door het recht te verlenen bescherming van belangen van minderdraagkrachtige rechtzoekenden; - 4). **Een subsidie:** subsidie als bedoeld in [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c); - 5). **Een activiteitenverslag:** een verslag van de activiteiten in 2017, waaruit blijkt dat de rechts- of wetswinkel gedurende de daarin beschreven periode heeft voorzien in een behoefte aan rechtsbijstand als hiervoor bedoeld. Uit het verslag dient ook te blijken dat de rechts- of wetswinkel voldoende aandacht heeft besteed aan de kwaliteitsborging van de dienstverlening; - 6). **Een financieel verslag:** een verslag van de rechts- of wetswinkel over het financieel beheer in 2017, waaruit blijkt dat de verstrekte subsidie doelmatig is besteed aan rechtsbijstand; Artikel 2 De Raad kan onder de volgende voorwaarden subsidie verlenen; - 1). De rechts- of wetswinkel heeft in 2016 en/of 2017 subsidie ontvangen van de Raad; - 2). De rechts- of wetswinkel die in 2016 en/of 2017 subsidie heeft ontvangen van de Raad, komt niet in aanmerking voor (extra) subsidie voor door deze rechts- of wetswi"},{"i":9493,"b":"Verdrag inzake het beheer van het Multilateraal Investeringsfonds Aangezien vele leiders in Latijns-Amerika en de Caraïben zijn overgegaan tot marktgerichte economische hervormingen, zij de noodzaak hebben onderkend de externe schuldenlast tot een beheersbaar niveau terug te brengen en de noodzaak hebben onderkend van geliberaliseerde investeringsregimes; Aangezien de noodzaak particulier kapitaal aan te trekken van cruciaal belang is voor de economische ontwikkeling van de landen van Latijns-Amerika en de Caraïben en investeringshervormingen nodig zijn om buitenlandse en binnenlandse investeringen in deze landen te stimuleren; Aangezien een groep leden van de Interamerikaanse Ontwikkelingsbank (hierna genoemd de „Bank”) is overeengekomen binnen de Bank een multilateraal fonds (hierna genoemd het „Fonds”) op te richten als een overgangsmaatregel ter ondersteuning van investeringshervormingen uit hoofde van het Verdrag tot oprichting van het Multilateraal Investeringsfonds (hierna genoemd het „Oprichtingsverdrag”); Aangezien deze leden, als toekomstige Donoren vermeld in Schema A van het Oprichtingsverdrag (ieder bij toetreding tot het Oprichtingsverdrag als „Donor” beschouwd en hierna als zodanig aangeduid) op 11 februari 1992 het Oprichtingsverdrag hebben aangenomen; Aangezien het Fonds middelen van cruciaal belang kan verschaffen ter aanvulling en vervollediging van de activiteiten van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, van de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij en van andere multilaterale ontwikkelingsbanken ter ondersteuning van hun beleid en hun initiatieven om investeringshervormingen te bevorderen en in het bijzonder de activiteiten van micro-ondernemingen te stimuleren; Aangezien de Bank ter verwezenlijking van haar doelstellingen en hetgeen zij beoogt ermee heeft ingestemd het Fonds te beheren uit hoofde van en in overeenstemming met het Oprichtingsverdrag; Zijn de Bank en de Donoren derhalve als volgt overeengekomen: Artikel I. Algemeen Vervall"},{"i":9494,"b":"Verdrag inzake het continentale plateau De staten die partij zijn bij dit Verdrag, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 In deze artikelen wordt de uitdrukking „continentaal plateau” gebruikt ter aanduiding van: **a.** de zeebedding en de ondergrond van de onder water gelegen gebieden die aan de kust aansluiten doch buiten de territoriale wateren zijn gelegen, tot een diepte van 200 meter of, daar voorbij, tot waar de diepte van de bovengelegen wateren de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van die gebieden nog mogelijk maakt; **b.** de zeebedding en de ondergrond van soortgelijke onder water gelegen gebieden die aansluiten aan de kusten van eilanden. Artikel 2 1. De kuststaat oefent over het continentale plateau soevereine rechten uit ter exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het plateau. 2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde rechten zijn exclusief in die zin, dat, indien de kuststaat het continentale plateau niet exploreert of de natuurlijke rijkdommen ervan niet exploiteert, niemand deze werkzaamheden mag gaan verrichten of aanspraken op het continentale plateau mag maken dan met de uitdrukkelijke toestemming van de kuststaat. 3. De rechten van de kuststaat op het continentale plateau zijn niet afhankelijk van een daadwerkelijke of fictieve bezetting of van enige uitdrukkelijke proclamatie. 4. De in deze artikelen bedoelde natuurlijke rijkdommen bestaan uit de minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebedding en de ondergrond, alsmede levende organismen die tot de sedentaire soort behoren, dat wil zeggen organismen die ten tijde dat ze geoogst kunnen worden, hetzij zich onbeweeglijk op of onder de zeebedding bevinden, hetzij zich niet kunnen verplaatsen dan in voortdurend fysiek contact met de zeebedding of de ondergrond. Artikel 3 De rechten van de kuststaat op het continentale plateau doen geen afbreuk aan de rechtstoestand van de bovengelegen wateren als volle zee of van het luchtruim boven die wateren. Artikel 4"},{"i":9496,"b":"Verdrag inzake het Internationaal Koude-Instituut, ter vervanging van het Verdrag van 21 juni 1920, gewijzigd op 31 mei 1937 De Regeringen van de bij het Internationale Koude-Instituut aangesloten landen, Overwegende, dat de wetenschap van de lage temperaturen zich voortdurend ontwikkelt, waardoor nieuwe perspectieven voor vooruitgang en welvaart worden geopend; Overwegende, dat de toepassing van de kunstmatige koude zich tot nieuwe gebieden uitbreidt; Overwegende, dat de uitwisseling van aan bederf onderhevige levensmiddelen tussen de verschillende naties ter wereld gestadig in omvang toeneemt, waardoor een steeds doeltreffender internationale samenwerking op het gebied van de voeding mogelijk wordt, doch waardoor voor de bewerking en verduurzaming van deze levensmiddelen het op grotere schaal aanwenden van koeltechnische hulpmiddelen noodzakelijk wordt; Overwegende, dat het Verdrag van 21 juni 1920, gewijzigd op 31 mei 1937, waarbij het Internationale Koude-Instituut in het leven geroepen werd, niet voldoende beantwoordt aan de uit deze nieuwe omstandigheden voortvloeiende wetenschappelijke en technische eisen, noch aan de huidige economische toestanden; Zijn overeengekomen als volgt: TITEL I. Doel, titel, zetel, taak Artikel I. Doel, titel, zetel 1. De Verdragsluitende Partijen zullen nauw samenwerken bij de bestudering van de wetenschappelijke en technische op de koude betrekking hebbende problemen, alsmede bij de ontwikkeling van de toepassingen van de koude, welke de levensomstandigheden van de mens verbeteren. 2. Te dien einde verbinden zij zich, het Internationale Koude-Instituut, hierna te noemen „het Instituut”, met zetel te Parijs, in stand te houden en te onderhouden. Artikel II. Taak De doelstellingen van het Instituut, voor al datgene wat verband houdt met de studie, de opwekking en het gebruik van de kunstmatige koude op internationaal gebied, zijn de volgende: - a). het stimuleren van de wetenschappelijke onderzoekingen, alsmede de bevordering van de"},{"i":9497,"b":"Verdrag inzake het Internationale COSPAS-SARSAT-Programma The States Parties to this Agreement: Noting the successful implementation of the COSPAS-SARSAT Search and Rescue Satellite System established under a Memorandum of Understanding among the Ministry of Merchant Marine of the Union of Soviet Socialist Republics, the National Oceanic and Atmospheric Administration to the United States of America, the Department of National Defence of Canada and the Centre National d'Etudes Spatiales of France which was signed on 5 October 1984 and came into effect on 8 July 1985; Desiring to strengthen the close international cooperation in this humanitarian endeavour; Aware of the efforts in the International Maritime Organization to establish a Global Maritime Distress and Safety System, building on the [International Convention for the Safety of Life at Sea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003264), done at London on 1 November 1974, on the [Convention and Operating Agreement of the International Maritime Satellite Organization (INMARSAT)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003238), done at London on 3 September 1976, and the [International Convention on Maritime Search and Rescue](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003096), done at Hamburg on 27 April 1979, as well as the responsibilities of the international Civil Aviation Organization and the International Telecommunication Union in their respective fields; Convinced that a worldwide satellite system to provide alert and location services for maritime, eviation and terrestrial distress and safety is important for the efficient operation of search and rescue; Recalling the provisions of the [Treaty on Principles Governing the Activities of States in the Exploration and Use of Outer Space, including the Moon and Other Celestial Bodies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004403), of 27 January 1967, and other multilateral agreements regarding the use of outer space to which they are Party; Recognizin"},{"i":5584,"b":"Richtlijn inzake de toepassing van artikel 552i WvSv door het OM en de informatieverstrekking door de politie in het kader van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken 1. Inleiding 1.1. Internationalisering van de misdaad en de noodzaak tot intensieve samenwerking De verdergaande internationalisering van de misdaad noopt tot intensivering van de internationale samenwerking tussen politie en justitie in zowel de opsporings- als de vervolgingsfase. Onmisbaar bij de opsporing en vervolging is dat in het kader van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken onder meer informatie over personen, van wie wordt vermoed dat zij betrokken zijn bij grensoverschrijdende criminele activiteiten, kan worden verstrekt aan buitenlandse opsporings- en vervolgingsinstanties. Daarbij is het van wezenlijk belang dat een adequate informatieverstrekking en -uitwisseling is verzekerd. 1.2. Juridisch kader Instrumenten in de internationale samenwerking zijn de wederzijdse rechtshulp in strafzaken alsmede de politiële samenwerking waaronder de informatie-uitwisseling. In de praktijk blijkt bij die laatste vorm van samenwerking echter van een wezenlijk gebrek aan normering. Zo blijkt onduidelijk te zijn hoever de politiebevoegdheden zich uitstrekken. Gesteld kan worden dat met de intensivering van de samenwerking de noodzaak tot afbakening van bevoegdheden toeneemt. Daarnaast heeft de aanstaande feitelijke inwerkingstelling van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst, hierna te noemen SUO, reeds nu gevolgen voor de praktijk. Immers, vooruitlopend hierop is de nationale wetgeving gewijzigd. Deze wetgeving is op 1 december 1993 van kracht geworden. In dit verband is [artikel 552i, in het bijzonder het tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=552i) van belang. Het doel van deze richtlijn is daarom aan te geven in welke gevallen de politie zelfstandig uitvoering kan geven aan rechtshulpverzoeken en dus ook informatie kan verstrekken, in welke"},{"i":6129,"b":"Besluit van 15 juni 2016, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 en wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit, het Warenwetbesluit liften 2016 en het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten (Warenwetbesluit drukapparatuur 2016) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 maart 2016, nr. 2016-0000081054; Gelet op [richtlijn nr. 2014/68](32014L0068)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur (herschikking) (PbEU 2014, L 189; rectificatie PbEU 2015, L 157), alsmede op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7), [7a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7a), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b), [artikel 49 van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=49), [artikel 8.40 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), en [artikel 16, eerste, tweede en derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 april 2016, nr. W12.16.0061/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juni 2016, nr. 2016-0000120386; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling 1. In dit besluit en de daarop be"},{"i":6884,"b":"Besluit van 29 juni 1971, houdende regelen betreffende de wijze van kennisgeving en oproeping in zaken van echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 22 april 1971, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 253/671; Gelet op de [artikelen 818](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=818), eerste lid, en [820, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=820); De Raad van State gehoord (advies van 28 april 1971, nr. 9); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 23 juni 1971, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 383/671; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De in [artikel 818, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=818) bedoelde kennisgeving en oproeping vinden plaats: - a. ten aanzien van de echtgenoot, die de vordering heeft ingesteld, bij brief; - b. ten aanzien van de echtgenoot, tegen wie de vordering is ingesteld, bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt. 2. Indien de rechter heeft bepaald dat de in het geding verschenen partijen bij de in het [eerste lid van artikel 818](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=818) bedoelde persoonlijke verschijning vergezeld dienen te zijn van hun advocaten, wordt dit in de kennisgeving vermeld. Artikel 2 De in [artikel 820, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=820) bedoelde kennisgeving geschiedt bij brief, tenzij de rechter anders bepaalt. Artikel 3 De in dit besluit bedoelde kennisgevingen en oproepingen vermelden zo nauwkeurig mogelijk de plaats waar de terechtzitting wordt gehouden. Zij worden onverwijld verzonden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking tegelijk met de Wet herziening echtscheidingsrecht. Onze M"},{"i":7522,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 23 december 2021, kenmerk 2670125, houdende beperking van de openbaarheid van het naar het Drents Archief over te brengen archief van de Rijkspolitie Drenthe, district Assen, 1975–1992 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. **24 november 2021**, met kenmerk **1164520**. besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Rijkspolitie Drenthe, district Assen, 1975–1992 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 3 | 2052 | | 4 | 2052 | | 7 | 2051 | | 8 | 2052 | | 9 | 2052 | | 10 | 2053 | | 11 | 2053 | | 12 | 2053 | | 13 | 2053 | | 14 | 2053 | | 15 | 2054 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046331&artikel=1&z=2022-02-24&g=2022-02-24), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de Provincie Drenthe, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046331&artikel=1&z=2022-02-24&g=2022-02-24), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van, de rijksarchivaris in de Provincie Drenthe die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt gep"},{"i":7030,"b":"Intrekking rijkshypotheekgarantieregeling Besluit: Artikel I De ministeriële regeling van 23 augustus 1974, nr. AB74/U1271, zoals die is gewijzigd bij regelingen van 4 december 1990, nr. AB90/307/U1 en van 14 juli 1992, nr. AB92/U740, wordt ingetrokken. Artikel II Ten aanzien van personen aan wie voor de datum van de inwerkingtreding van deze regeling op grond van de in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006373&artikel=I&z=1994-01-01&g=1994-01-01) genoemde regeling van 23 augustus 1974 een hypotheekgarantie is verleend, blijven de bepalingen van die regeling van kracht, zoals die onderscheidenlijk luidden voor: - a. de datum van inwerkingtreding van dit besluit indien het betreft een militair aangesteld bij het beroepspersoneel; - b. 8 december 1990 in overige gevallen. Artikel III Deze regeling, die zal worden gepubliceerd in de Staatscourant, treedt in werking op 1 januari 1994."},{"i":5841,"b":"Besluit van 7 oktober 2011, houdende tijdelijke regels ten behoeve van een experiment met begeleid rijden, en een enkele wijziging van technische aard (Tijdelijk besluit begeleid rijden) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, gedaan mede namens Onze Minister van Veiligheid en Justitie, van 30 juni 2011, nr. IenM/BSK-2011/91960, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 108, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=108), [110b, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=110b), [111, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111), en [186, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=186); De Raad van State gehoord (advies van 7 september 2011, nr. 14.11.0247/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 4 oktober 2011, nr. IenM/BSK-2011/125947, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel II Wijzigt het Wijzigingsbesluit Reglement rijbewijzen (invoering experiment verlaging leeftijdseisen voor buschauffeurs). Artikel III [Hoofdstuk VIIIb van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&hoofdstuk=VIIIb) zoals dat luidt tot 1 november 2017, blijft, tot het tijdstip waarop het bij Koninklijke boodschap van 14 maart 2017 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend) in verband met de definitieve invoering van begeleid rijden tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt, van toepassing op: - a. personen, die op 31 oktober 2017 de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt en ten aanzien van wie uiterlijk op die datum het besluit tot afgifte van het rijbewijs voor de rijbewijscategorie B is genomen, en - b. in aanvulling op onderde"},{"i":5936,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 november 2011, nr. Z/F-3091666, houdende tweede nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2011 (Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2011) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2011 zijn voor de beheerskosten[AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) van de zorgverzekeraars, de verbindingskantoren en het CAK tezamen, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89), extra middelen besteedbaar ter grootte van € 2,049 miljoen. Artikel 2 De verbindingskantoren en het CAK leggen in hun jaarrekening over het jaar 2011 vast welk budget beheerskosten voor de uitvoering van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) is ontvangen en hoeveel in dat jaar is besteed voor de uitvoering van de AWBZ. De verschillen worden als overschotten dan wel tekorten in de jaarrekening opgeteld bij de primo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2011 en in de jaarrekening vastgelegd als de ultimo stand wettelijke reserve uitvoering AWBZ 2011. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, indien de dagtekening van de Staatscourant waarin de aanwijzing is geplaatst, is gelegen na 4 december 2011, terug tot en met 5 december 2011. Artikel 4 Deze aanwijzing wordt aangehaald als: Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2011. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9500,"b":"Verdrag inzake het onderzoek en de stempeling van edelmetalen werken Preambule De Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland, het Koninkrijk Noorwegen, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Zweden, de Zwitserse Bondsstaat en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland; Geleid door de wens de internationale handel in voorwerpen van edelmetaal te vergemakkelijken en tegelijkertijd de door de bijzondere aard van deze voorwerpen gewettigde bescherming van de consument te handhaven; Overwegend dat de internationale harmonisatie van normen en technische voorschriften en richtlijnen voor methoden en procedures voor het onderzoek en het afslaan van voorwerpen van edelmetaal een waardevolle bijdrage levert aan het vrij verkeer van dergelijke producten; Overwegend dat deze harmonisatie aangevuld dient te worden door de wederzijdse erkenning van onderzoek en afslaan en derhalve verlangend de samenwerking tussen hun waarborginstellingen en de betrokken autoriteiten te bevorderen en in stand te houden; Gelet op het feit dat verplichte stempeling niet vereist wordt van de Verdragsluitende Staten die Partij zijn bij het Verdrag en dat het afslaan van voorwerpen van edelmetaal met in het Verdrag omschreven merken op vrijwillige basis geschiedt; Zijn als volgt overeengekomen: De Engelse tekst van het Verdrag is oorspronkelijk gepubliceerd in Trb. 1991/16. De vertaling is gepubliceerd in Trb. 1991/16. Het Verdrag is in werking getreden op 16 juli 1999, zie Trb. 1999/168. Het Verdrag is gewijzigd volgens Trb. 1995/238, Trb. 2000/14 en Trb. 2001/42. I. WERKINGSSFEER EN WERKING Artikel 1 1. Voorwerpen die door een bevoegde waarborginstelling zijn onderzocht en afgeslagen in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag worden in een invoerende Verdragsluitende Staat niet opnieuw voorgelegd voor verplicht onderzoek of verplichte afslag. Dit belet een invoerende Verdragsluitende Staat niet controleproeven te nemen in overeenstemming met artikel 6. 2. Geen enkele bep"},{"i":5911,"b":"Wet van 10 februari 2017, houdende tijdelijke regels inzake het opleggen van vrijheidsbeperkende maatregelen aan personen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of die voornemens zijn zich aan te sluiten bij terroristische strijdgroepen en inzake het weigeren en intrekken van beschikkingen bij ernstig gevaar voor gebruik ervan voor terroristische activiteiten (Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen aan personen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of die voornemens zijn zich aan te sluiten bij terroristische strijdgroepen en beschikkingen te weigeren en in te trekken bij ernstig gevaar voor gebruik ervan voor terroristische activiteiten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **Schengengebied:** het grondgebied van de staten waarop de Schengengrenscode van toepassing is; - c. **Schengengrenscode:** [Verordening (EU) 2016/399](32299R2016) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PbEU 2016, L77). § 2. Individuele maatregelen Artikel 2 1. Onze Minister kan, indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid, aan een persoon die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan, een maatregel opleggen, strekkende tot beperking van de vrijheid van beweging. 2. Een maatregel kan bestaan uit: - a. een verplichting om zich op door Onze Minister vast te"},{"i":7204,"b":"Verdrag inzake de huwelijkstoestemming, de minimum-leeftijd waarop een huwelijk mag worden aangegaan en de registratie van huwelijken **Preambule** De Verdragsluitende Staten, Verlangende, overeenkomstig het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), overal de eerbied voor en de inachtneming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voor allen, zonder onderscheid naar ras, geslacht, taal of godsdienst, te bevorderen, In herinnering brengende, dat in [artikel 16 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008&artikel=16) het navolgende wordt bepaald: Zonder enige beperking op grond van ras, nationaliteit of godsdienst, hebben mannen en vrouwen van huwbare leeftijd het recht om te huwen en een gezin te stichten. Zij hebben gelijke rechten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan. Een huwelijk kan slechts worden gesloten met de vrije en volledige toestemming van de aanstaande echtgenoten.”, Tevens in herinnering brengende, dat de Algemene Vergadering der Verenigde Naties in haar besluit 843 (ix) van 17 december 1954 heeft verklaard, dat bepaalde gewoonten, oude wetten en gebruiken, het huwelijk en het gezin betreffende, onverenigbaar zijn met de beginselen die in het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) tot uitdrukking zijn gebracht, Er nogmaals op wijzende, dat alle Staten, met inbegrip van die welke verantwoordelijk zijn of de verantwoordelijkheid aanvaarden voor het bestuur van met-zelfbesturende gebieden of trustgebieden tot op het ogenblik waarop deze hun onafhankelijkheid verkrijgen, alle maatregelen dienen te nemen die kunnen strekken tot de afschaffing van deze gewoonten, oude wetten en gebruiken, met name door volledige vrijheid te verzekeren bij de keus van een echtgenoot"},{"i":7118,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 21 november 2025, nr. 2025-0000649828, houdende vaststelling van percentages, bedragen en inkomensklassen ingevolge de Wet bevordering eigenwoningbezit en wijziging van enkele bedragen in die wet (Regeling koopsubsidiegrenzen en koopsubsidieplafond 2026) Gelet op de [artikelen 6, zesde lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=6), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=15), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=23), [26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=26), [29, eerste, tweede, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=29), en [41, eerste en tweede lid, van de Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=41); Besluit: § 1. Vaststelling van percentages, bedragen en inkomensklassen ingevolge de [Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919) Artikel 1 De rentevaste periode, bedoeld in [artikel 23 van de Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=23), is: 10 jaar. Artikel 2 Het percentage van de toetsrente, bedoeld in [artikel 26, eerste lid, van de Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=26), bedraagt: 3,6. Artikel 3 De financieringslastnorm, bedoeld in [artikel 29, eerste lid, van de Wet bevordering eigenwoningbezit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011919&artikel=29), bedraagt: - a. voor een- en meerpersoonshuishoudens: , en | | Financieringslastnorm | | --- | --- | | 1 | 20,10% | | 2 | 20,10% | | 3 | 20,10% | | 4 | 21,20% | | 5 | 21,20% | | 6 | 22,10% | | 7 | 22,10% | | 8 | 22,60% | | 9 | 22,60% | | 10 | 22,60% | | 11 | 22,60% | | 12 | 22,60% | | 13 | 22,60% | | 14 | 22,60% | | 15 | 22,60% | | 16 | 22,60% | | 17 | 22,60% | | 18 | 22,60% | |"},{"i":6030,"b":"Regeling van 29 augustus 2003, nr. FO2003/74822, tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 2001 Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9) en [artikel 6 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=6); Besluiten: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2001 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015530&bijlage=1&z=2004-12-24&g=2004-12-24) bij deze regeling. Artikel 2 Voor het uitkeringsjaar 2001 worden de bedragen, bedoeld in [artikel 6 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=6), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015530&bijlage=2&z=2004-12-24&g=2004-12-24) bij deze regeling. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage 1. De bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), over het uitkeringsjaar 2001 (bijlage bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015530&artikel=1&z=2004-12-24&g=2004-12-24)) | Nr. | Maatstaven | Bedragen (euro’s) | | --- | --- | --- | | 1 | OZB (per eenheid van € 2268) | -5,08 | | 2 | Inwoners | 147,21 | | 3 | Inwoners *bodemfactor buitengebied | 0,80 | | 4 | Jongeren | 157,50 | | 5 | Ouderen | 45,23 | | 6-a | Inwoners Waddengemeenten, eerste schijf | 191,19 | | 6-b | Inwoners Waddengemeenten, tweede schijf | 160,54 | | 6-c | Inwoners Waddengemeenten, derde schijf | 21,00 | | 7 | Lage inkomens | 365,66 | | 8 | Bijstandsontvangers | 488,06 | | 9 | Uitvoeringskosten"},{"i":9504,"b":"Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben De Hoge Verdragsluitende Partijen, In herinnering brengend, dat iedere Staat, overeenkomstig het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), de plicht heeft zich in zijn internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld, gericht tegen de soevereiniteit, de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van een Staat, dan wel plaatsvindend op enige andere wijze, die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties, Voorts herinnerend aan het algemene beginsel dat de burgerbevolking tegen de gevolgen van vijandelijkheden dient te worden beschermd, Zich baserend op het volkenrechtelijke beginsel dat het recht van de partijen bij een gewapend conflict ten aanzien van de keuze der methoden of middelen van oorlogvoering niet onbegrensd is, en op het beginsel dat het verboden is in gewapende conflicten wapens, projectielen en stoffen alsmede methoden van oorlogvoering te gebruiken, die naar hun aard overbodig letsel of onnodig leed veroorzaken, Voorts eraan herinnerend dat het verboden is methoden of middelen van oorlogvoering te gebruiken, bestemd om omvangrijke, langdurige en ernstige schade aan het natuurlijke milieu toe te brengen, of die dergelijke schade naar kan worden verwacht, zullen toebrengen, Hun vastbeslotenheid bevestigend dat in gevallen waarin niet wordt voorzien door dit Verdrag en de daaraan gehechte Protocollen, of door andere internationale overeenkomsten, de burgerbevolking en de combattanten te allen tijde beschermd blijven door en onderworpen blijven aan de beginselen van het volkenrecht, die voortvloeien uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het algemene rechtsbewustzijn, Verlangend bij te dragen tot de internationale ont"},{"i":9505,"b":"Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van anti-personeelsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Vastbesloten een einde te maken aan het lijden en de slachtoffers veroorzaakt door anti-personeelmijnen, die wekelijks honderden mensen, meestal onschuldige en weerloze burgers en in het bijzonder kinderen, doden of verminken, de economische ontwikkeling en wederopbouw in de weg staan, de repatriëring van vluchtelingen en ontheemden hinderen en, nog jaren nadat zij zijn gelegd, andere ernstige gevolgen hebben; Ervan overtuigd dat het noodzakelijk is hun uiterste best te doen op een doeltreffende en gecoördineerde wijze een bijdrage te leveren aan de verwijdering van anti-personeelmijnen die overal ter wereld zijn gelegd, en zorg te dragen voor de vernietiging ervan; Verlangend hun uiterste best te doen met betrekking tot het verschaffen van bijstand voor de zorg en rehabilitatie, met inbegrip van sociale en economische reïntegratie, van de slachtoffers van mijnen; Erkennend dat de volledige uitbanning van anti-personeelmijnen eveneens een belangrijke vertrouwenbevorderende maatregel zou zijn; Verwelkomend de aanneming van het [Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen, zoals gewijzigd op 3 mei 1996, gehecht aan het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004938), en oproepend tot de spoedige bekrachtiging van dit Protocol door alle Staten die dit nog niet hebben gedaan; Eveneens verwelkomend Resolutie 51/45 S van 10 december 1996 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarin alle Staten dringend wordt verzocht daadkrachtig te streven naar een doeltreffende en juridisch bindende"},{"i":6622,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 16 maart 2015, nr. 621450, houdende wijziging van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=4), de [artikelen 27c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=27c), [257c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257c), en [388, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=388) en [artikel 8, derde lid, van het Transactiebesluit 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006664&artikel=8); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie. Artikel II Tot 31 december 2015 kunnen de vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling gebruikte modellen en formulieren nog worden gebruikt voor zover op de achterzijde van Blad A1 schriftelijk opgave wordt gedaan van de bij deze wijziging opgenomen aanvullende gegevens. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting en de [bijlage](onbekend) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6183,"b":"Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het bestuursprocesrecht op enige onderdelen te verbeteren en te vereenvoudigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Deel A. **Wijziging van de** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) **en aanverwante wetten** Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel III Wijzigt de Beroepswet. Artikel IV Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel V Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VI Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de rechterlijke organisatie, enz. (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie). Deel B. **Wijziging van andere wetten** **Ministerie van Algemene Zaken** Artikel I Wijzigt de Crisis- en herstelwet. Artikel II Wijzigt de Noodwet voedselvoorziening. **Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties** Artikel III Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel IV Wijzigt de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië. Artikel V Wijzigt de Gemeentewet. Artikel VI Wijzigt de Kieswet. Artikel VII Wijzigt de Provinciewet. Artikel VIII Wijzigt de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP. Artikel IX Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel IXa Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel X Wijzigt de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002. Artikel XI Wijzigt de Wet opheffing particuliere banken van leening. Artikel XII Wijzigt de Wet rechtspositionele voorziening"},{"i":5679,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister voor Rechtsbescherming, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 mei 2022, nummer 3952250, tot besteding van de gelden uit het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021–2027) Gelet op de [Verordening (EU) Nr. 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231); Gelet op de [Verordening (EU) 2021/1147](33047R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (PbEU 2021, L 251); Gelet op de [Verordening (EU) 2021/1149](33049R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 ter oprichting van het Fonds voor interne veiligheid (PbEU 2021, L 251); Gelet op de [Verordening (EU) 2021/1148](33048R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 ter oprichting, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 251); Gelet op de [artikelen 48a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48a), [48s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48s) en [48t van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48t); Gelet op de"},{"i":5701,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 22 mei 2025, nr. 2025-0000305917, houdende regels met betrekking tot de stimulering van verduurzaming van maatschappelijk vastgoed Gelet op de [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, vierde lid, vijfde lid, onderdeel b, en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=18) en [24, vijfde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=24); BESLUIT Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **adres:** adres als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=1); - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 zoals laatst gewijzigd bij [Verordening (EU) 2023/1315](32023R1315), waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2023, L 167); - **bovenlokale onderneming:** iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent, waarvan de activiteit invloed kan hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie; - **economische eigendom:** het krachtens een rechtsverhou"},{"i":9508,"b":"Verdrag inzake internationale zakelijke rechten op mobiel materieel De Partijen bij dit Verdrag, Zich bewust van de behoefte mobiel materieel met een hoge waarde of van bijzonder economisch belang te verwerven en te gebruiken en de financiering van de verwerving en het gebruik van dit materieel op doelmatige wijze te bevorderen, Erkennend de voordelen van financiering en leasing tegen onderpand van activa voor dit doel en verlangend dit soort transacties te bevorderen door duidelijke regels vast te stellen waardoor deze transacties worden beheerst, Indachtig de behoefte te waarborgen dat de zakelijke rechten op dit materieel wereldwijd worden erkend en beschermd, Verlangend brede wederzijdse economische voordelen voor alle betrokken partijen te verschaffen, Van mening dat dergelijke regels een weerspiegeling moeten zijn van de grondbeginselen van financiering en leasing tegen onderpand van activa en de voor dit soort transacties benodigde autonomie van partijen moeten bevorderen, Zich bewust van de behoefte een juridisch kader te scheppen voor internationale zakelijke rechten op dit materieel en te dien einde een internationaal inschrijvingsstelsel in het leven te roepen voor de bescherming van deze zakelijke rechten, In aanmerking nemend de doeleinden en beginselen vervat in bestaande verdragen met betrekking tot dit materieel, Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: HOOFDSTUK I. TOEPASSINGSBEREIK EN ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit Verdrag worden, behoudens wanneer de context anders vereist, de volgende termen gebruikt met de hieronder omschreven betekenis: - a. „overeenkomst”: een overeenkomst tot vestiging van een zakelijk recht, een overeenkomst tot voorbehoud van eigendom of een lease-overeenkomst; - b. „cessie”: een contract waarbij, al dan niet tot zekerheid, de cessionaris geassocieerde rechten verwerft met of zonder een overdracht van het daaraan gerelateerde internationale zakelijk recht; - c. „geassocieerde rechten”: alle r"},{"i":6262,"b":"Wet 11 juli 2018 tot samenvoeging van de gemeenten Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Oud-Beijerland en Strijen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Oud-Beijerland en Strijen samen te voegen tot de nieuwe gemeente Hoeksche Waard; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en grenswijziging van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Oud-Beijerland en Strijen opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Hoeksche Waard ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Oud-Beijerland en Strijen, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Hoeksche Waard wordt de op te heffen gemeente Binnenmaas aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Oud-Beijerland en Strijen wordt de nieuwe gemeente Hoeksche Waard aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen;"},{"i":5577,"b":"Besluit van 1 maart 2014 houdende voorschriften ter uitvoering van de Remigratiewet en tot wijziging van enige andere algemene maatregelen van bestuur (Remigratiebesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 augustus 2013, nr. 2013-0000117426 en van 2 november 2012, nr. KO/B/2012/16341; Gelet op de [artikelen 6aa, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=6aa), [6b, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=6b), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=7), en [8, tweede lid, van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8), [14a, tiende lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=14a), [27a, tiende lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=27a), [48, tiende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=48), [21, tiende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=21), [29a, tiende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=29a), [2:69, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:69), en [3:40, tiende lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:40), [91, tiende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=91), [45a, tiende lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=45a), [17a, negende lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=17a), [39, negende lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=39), [17c, tiende lid, van de Algemen"},{"i":7822,"b":"Beleidsregels Toepassing Wet Bibob door De Nederlandsche Bank Paragraaf 1. Inleidende bepalingen **DNB is bij algemene maatregel van bestuur aangewezen als rechtspersoon met een overheidstaak als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 2 van de Wet Bibob en is daarmee bevoegd tot het doen van een Bibob onderzoek. De Wet Bibob stelt DNB in staat zich – voor zover mogelijk – te beschermen tegen het risico dat criminele activiteiten worden gefaciliteerd bij het gunnen van opdrachten en het aangaan van vastgoedtransacties. Bij toepassing van de Wet Bibob wordt de integriteit van de contractspartij en de bij de transactie betrokken (rechts)personen beoordeeld.** Artikel 1. Begripsbepalingen In deze Beleidsregels wordt verstaan onder: Artikel 2. Toepassingsbereik binnen DNB Paragraaf 2. Eigen onderzoek **Indien DNB besluit tot een Bibob onderzoek, zal zij eerst een Eigen onderzoek uitvoeren. Dit Eigen onderzoek zal worden ingeleid met een vragenlijst, waarna DNB naar eigen inzicht de in deze Beleidsregels genoemde onderzoeksmiddelen kan inzetten. De betrokkene is uit hoofde van de Wet Bibob verplicht om aan DNB de gegevens en documenten te verschaffen om haar in staat te stellen een Eigen onderzoek te verrichten.** Artikel 3. Eigen onderzoek Artikel 4. Beslissing DNB na Eigen onderzoek Paragraaf 3. Advies Bureau Bibob **Het Eigen onderzoek kan aanleiding geven een advies te vragen bij Bureau Bibob. De betrokkene wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. DNB zal vervolgens naar aanleiding van het advies zelfstandig een Bibob besluit nemen.** Artikel 5. Adviesverzoek Bureau Bibob Artikel 6. Beslissing DNB na advies Bureau Bibob Paragraaf 4. Slotbepalingen Artikel 8. Geheimhouding Artikel 9. Bewaartermijn Artikel 10. Klachtenregeling Op de uitvoering van deze Beleidsregels Toepassing Wet Bibob door De Nederlandsche Bank is de Klachtenregeling DNB van toepassing. Artikel 11. Inwerkingtreding Deze Beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uit"},{"i":6430,"b":"Besluit van 9 april 2002 tot wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte, het Besluit beheer sociale-huursector en enkele andere besluiten (aanpassingen als gevolg van het huurbeleid vanaf 1 juli 2002) Artikel I Wijzigt het Besluit huurprijzen woonruimte. Artikel II Wijzigt het Besluit huurprijzen woonruimte. Artikel III Wijzigt het Besluit huurprijzen woonruimte. Artikel IV Wijzigt het Besluit beheer sociale-huursector. Artikel V Wijzigt het Besluit beheer sociale-huursector. Artikel VI De instellingen, toegelaten krachtens [artikel 70 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=70), die op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt bestaan, brengen hun statuten voor 1 juli 2003 in overeenstemming met dit besluit. Zij leggen de daarvoor noodzakelijke wijzigingen van de statuten ter goedkeuring voor aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686&artikel=9) en [10 van het Besluit beheer sociale-huursector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686&artikel=10) zijn van toepassing. Artikel VII Wijzigt een algemene maatregel van bestuur op voet van de artikelen 43, eerste lid, onderdeel c, en 44, tweede lid, van de Woningwet, houdende voorschriften omtrent het bouwen waarvoor het vereiste van een bouwvergunning in de zin van die wet niet geldt, en omtrent het bouwen waarvoor een lichte bouwvergunning in de zin van die wet vereist is. Artikel VIII Wijzigt het Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing. Artikel IX Wijzigt het Besluit woninggebonden subsidies 1995. Artikel X Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2002, met dien verstande dat de artikelen V en IX, onderdeel B, terugwerken tot en met respectievelijk 5 november 2001 en 1 januari 2001. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 februari 2002, nr. MJZ2002016018, Centrale Directie Juridische Zaken"},{"i":13101,"b":"Besluitvorming Aanvulling taallijst 3 **Overwegende dat:** de Adviescommissie Talen Wbtv zijn grondslag vindt in de [Regeling van de Raad voor Rechtsbijstand van 6 augustus 2015, houdende de instelling van de Adviescommissie Talen Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036939) (Stcrt 2015, nr. 25102); de Adviescommissie Talen Wbtv advies uitbrengt over de wettelijke competentie Taalvaardigheid; de Raad voor Rechtsbijstand aanleiding heeft gezien om advies in te winnen bij de Adviescommissie Talen Wbtv omtrent het aanvullen van de taallijst; De Adviescommissie Talen Wbtv op 23 juli 2021 en 13 oktober 2022 advies heeft uitgebracht; **Stelt vast dat:** Het Ambons Maleis een niet-voorkeursnaam is voor het Moluks Maleis; Het Bamileke-Dschang een niet-voorkeursnaam is voor het Yemba; Het Bamileke-Mengaka een niet-voorkeursnaam is voor het Mengaka; Het Bamileke-Ngiemboom een niet-voorkeursnaam is voor het Ngiemboon; Het Bamileke-Ngomba een niet-voorkeursnaam is voor het Ngomba; Het Bamileke-Ngombale een niet-voorkeursnaam is voor het Ngombale; Het Bilen niet ruim schriftelijk wordt gebruikt; Het Chaldeeuws een niet-voorkeursnaam is voor het Aramees (Suret); Het Chaldeeuws berust op religieuze motieven, en niet op taalkundige motieven; Het Dagbanli een niet-voorkeursnaam is voor het Dagbani; Het Damut een niet-voorkeursnaam is voor het Tama; Het Diola een niet-voorkeursnaam is voor het Jola; Het Dyola een niet-voorkeursnaam is voor het Jola; Het Faili geen niet-voorkeursnaam is van het Feyli; Het Faili geen niet-voorkeursnaam is van het Afar; Het Jola niet een niet-voorkeursnaam is voor het Jola-Fonyi; Het Jola naar een groep talen refereert; Het Lamnso een niet-voorkeursnaam is voor het Nso; Het Lusoga een niet-voorkeursnaam is voor het Soga; Het Masalit niet ruim schriftelijk gebruikt wordt; Het Masarak een niet-voorkeursnaam is voor het Masalit; Het Massalit een niet-voorkeursnaam is voor het Masalit; Het Moluks een niet-voorkeursnaam is voor het Moluks Maleis; H"},{"i":9509,"b":"Verdrag inzake luchtdiensten tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Benin Preambule De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Republiek Benin (hierna te noemen de „verdragsluitende partijen”), Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart; Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging in het internationale luchtvervoer te waarborgen; Geleid door de wens een verdrag te sluiten ten behoeve van het instellen van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden. Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist: - a. wordt onder „het Verdrag van Chicago” verstaan het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944, met inbegrip van alle overeenkomstig [artikel 90 van dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=90) aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of van het Verdrag van Chicago ingevolge de artikelen 90 en [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=94) daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide verdragsluitende partijen; - b. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Infrastructuur en Waterstaat van Nederland en elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die thans door de genoemde autoriteit worden vervuld of soortgelijke functies; en, wat de Republiek Benin betreft, de minister verantwoordelijk voor de burgerluchtvaart en elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die thans door"},{"i":7074,"b":"Overeenkomst tussen de Regeringen van de Benelux-staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) en de Macedoonse Regering betreffende de overname van onregelmatig verblijvende personen (Overnameovereenkomst) De Regeringen van de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden), die krachtens de bepalingen van de op 11 april 1960 gesloten Benelux-Overeenkomst gemeenschappelijk optreden, en de Macedoonse Regering, Hierna genoemd „de Overeenkomstsluitende Partijen”, Ernaar strevend de overname van personen die zich illegaal op het grondgebied van de Staat van een andere Overeenkomstsluitende Partij ophouden, dat wil zeggen die niet of niet meer voldoen aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst of verblijf, en de doorgeleiding van te repatriëren personen in een geest van samenwerking en op basis van wederkerigheid te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Definities en werkingssfeer 1. In deze Overeenkomst dient te worden verstaan onder grondgebied: - (1). voor de Benelux-Staten: het gezamenlijke grondgebied in Europa van het Koninkrijk België, van het Groothertogdom Luxemburg en van het Koninkrijk der Nederlanden; - (2). voor de Macedoonse Regering: het Macedoonse grondgebied. 2. In deze Overeenkomst dient te worden verstaan: - (1). onder „derde Staat”: elke Staat die geen Staat van de Overeenkomstsluitende Partijen is; - (2). onder „onderdaan van een derde Staat”: eenieder die geen onderdaan van één der Staten van de Overeenkomstsluitende Partijen is; - (3). onder „buitengrenzen”: - a). de eerst overschreden grens die niet een gemeenschappelijke grens van de Overeenkomstsluitende Partijen is; - b). iedere binnen het Benelux-gebied of op het Macedoonse grondgebied gelegen lucht- of zeehaven, waar personenverkeer van of naar een derde Staat plaatsvindt. Artikel 2. Overname van eigen onderdanen 1. Iedere Overeenkomstsluitende Partij neemt op verzoe"},{"i":9512,"b":"Verdrag inzake Octrooirecht Artikel 1. Definities Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, wordt verstaan onder: - i. „bureau”: de instantie van een Verdragsluitende Partij die belast is met de verlening van octrooien of met andere aangelegenheden die vallen onder dit Verdrag; - ii. „aanvraag”: een aanvraag tot verlening van een octrooi, als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004818&artikel=3&z=2010-12-27&g=2010-12-27); - iii. „octrooi”: een octrooi als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004818&artikel=3&z=2010-12-27&g=2010-12-27); - iv. „persoon”: een natuurlijke persoon alsmede een rechtspersoon; - v. „mededeling”: elke aanvraag of elk verzoekschrift, elke verklaring, elk document, elke correspondentie of andere informatie met betrekking tot een aanvraag of octrooi, ongeacht of deze verband houdt met een procedure ingevolge dit Verdrag of niet, die wordt ingediend bij het bureau; - vi. „administratie van het bureau”: de door het bureau bewaarde verzameling van informatie die betrekking heeft op en mede omvat de aanvragen ingediend bij en de octrooien verleend door dat bureau of een andere instantie, met rechtsgevolgen voor de betrokken Verdragsluitende Partij, ongeacht het medium waarop dergelijke informatie wordt bewaard; - vii. „inschrijving”: het opnemen van informatie in de administratie van het bureau; - viii. „aanvrager”: de persoon waarvan uit de administratie van het bureau, overeenkomstig het toepasselijk recht, blijkt dat deze persoon het octrooi aanvraagt of een andere persoon die de aanvraag indient of zich hiertegen verzet; - ix. „eigenaar”: de persoon waarvan uit de administratie van het bureau blijkt dat deze de eigenaar van het octrooi is; - x. „gemachtigde”: een gemachtigde krachtens het toepasselijk recht; - xi. „handtekening”: elke wijze van auto-identificatie; - xii. „een door het bureau aanvaarde taal”: elke taal die wordt aanvaard door het bureau voor"},{"i":6483,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 14 juli 2020, nr. Min-BuZa.2020.5169-22, tot wijziging van het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 26 februari 2019, Min-BuZa. 2019.2328-18, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Wijziging Subsidieprogramma Fonds Verantwoord Ondernemen 2019–2022) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1); Besluit: Artikel I Wijzigt de bijlage bij het Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring ex Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fonds Verantwoord Ondernemen 2019–2022). Artikel II De [bijlage bij het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 26 februari 2019, Min-BuZa. 2019.2328-18, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fonds Verantwoord Ondernemen 2019–2022)](onbekend) blijft van toepassing op de aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze wijziging zijn ingediend en op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze wijziging zijn verstrekt. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3768,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 16 oktober 2024, nr. 2024/10271, houdende regels inzake het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport inzake de handhaving van de verordening bouwproducten, verordening markttoezicht en de richtlijn energieprestatie van gebouwen en aanwijzing van ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport als toezichthouders op de naleving van de verordening bouwproducten en verordening (EU) 2019/1020 (Besluit mandatering aan ILT van handhavingsbevoegdheden inzake verordening bouwproducten, verordening markttoezicht en richtlijn energieprestatie gebouwen en aanwijzing toezichthouders Woningwet) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), [artikel 22, lid 1 en 7, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=22), de [artikelen 4.3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [18.2, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.2), [18.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.4) en [18.12 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.12) en [artikel 93, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=93), [93a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=93a), en [93c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=93c) en [120b van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120b); Gezien de schriftelijke instemming van de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport d.d. 3 september 2024; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - b. **ministerie:** Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordeni"},{"i":5505,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de journalistiek van 23 december 2014, nr. 24654 tot vaststelling van subsidieplafonds voor het jaar 2015 Gelet op [artikel 8.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10) en [artikel 22 van de Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040&artikel=22), Besluit: Artikel 1. Subsidieverlening op grond van [artikelen 8.10 tot en met 8.15 van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10) 2008 1. Voor subsidieverstrekking voor de activiteiten ten behoeve van persorganen en onderzoek bedoeld in deze artikelen is in 2015 een bedrag van ten hoogste € 1.417.500 beschikbaar; 2. Subsidie voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036103&artikel=1&z=2015-01-01&g=2015-01-01) genoemde activiteiten is alleen beschikbaar indien: - a. de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de start of voortzetting van de activiteiten de versterking of vernieuwing van de Nederlandse journalistieke infrastructuur zeer ten goede komt; of - b. de start of voortzetting van de activiteiten de pluriformiteit van de pers zeer ten goede komt; - c. de aanvrager tenminste de helft van de totale kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd voor zijn rekening neemt dan wel door derden laat meefinancieren. 3. Subsidie voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036103&artikel=1&z=2015-01-01&g=2015-01-01) genoemde activiteiten ten behoeve van persorganen is alleen beschikbaar indien: - a. de start of voortzetting van de bij de aanvraag betrokken persorganen zonder subsidie niet mogelijk is en gestaakt moet worden; - b. de aanvrager aannemelijk maakt alles in het werk te hebben gesteld om de activiteiten te starten of voort te zetten. Artikel 2. Subsidieverlening op grond van [artikel 8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a) 1. Voor subsidieverstrekking op grond van [titel 8.15a van de M"},{"i":5614,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA doden van gehouden dieren (IB03-SPEC 72, versie 06) De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 8.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1), [artikel 6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Dit specifieke interventiebeleid beschrijft, binnen de kaders van het Algemeen interventiebeleid NVWA 2024 (NVWA-IB03), de klasseindeling van en interventies voor specifieke overtredingen van de regelgeving met betrekking tot het doden van gehouden dieren en daarmee verband houdende activiteiten als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van [Verordening (EG) nr. 1099/2009](32009R1099). Binnen het toepassingsgebied van dit document valt het: Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in dit IB03-SPEC 72 zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de afdeling Ontwikkeling & Ondersteuning van de directie Keuren, eventueel in overleg met de divisie Regie & Expertise van de directie Handhaven teneinde een interventie te bepalen. 2. Begrippen en wettelijke basis 2.1. Begrippen In aanvulling op de definities en begrippen uit het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) gelden de volgende definities: 2.2. Wettelijke basis Op het werkterrein doden van gehouden dieren en daarmee samenhangende activiteiten gelden zowel Europese als nationale regels. De belangrijkste wetteli"},{"i":2902,"b":"Besluit aanpassing mandaatbesluiten AZ in verband met invoering euro gelet op artikel 4 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging secretaris-generaal Algemene Zaken en de invoering van de euro op 1 januari 2002; Besluit: Artikel 1 1. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging diensthoofden Algemene Zaken staat `f 5.000', dient te worden gelezen `€ 2.500'. Artikel 2 1. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Centrale Afdeling Facilitaire Zaken staat `tienduizend gulden', dient te worden gelezen `vijfduizend euro'; 2. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Centrale Afdeling Facilitaire Zaken staat `vijftigduizend gulden', dient te worden gelezen `vijfentwintigduizend euro'; 3. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Centrale Afdeling Facilitaire Zaken staat `vijfduizend gulden', dient te worden gelezen `vijfentwintighonderd euro'. Artikel 3 1. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Centrale Afdeling Informatie en Communicatie Technologie staat `tienduizend gulden', dient te worden gelezen `vijfduizend euro'. Artikel 4 1. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging P&O Algemene Zaken staat `vijfentwintigduizend gulden', dient te worden gelezen `twaalf-en-een-half-duizend euro'. Artikel 5 1. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging RVD Algemene Zaken staat `vijftigduizend gulden', dient te worden gelezen `vijfentwintigduizend euro'; 2. Waar in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging RVD Algemene Zaken staat `drieduizend gulden', dient te worden gelezen `vijftienhonderd euro'. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Artikel 7 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit aanpassing mandaatbesluiten AZ in verband met invoering euro. Artikel 8 Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer, de accountantsdienst van het Ministerie van Economische Zaken en de diensthoofden."},{"i":4241,"b":"Besluit van 20 juni 2013, nr. AEP/13110576, houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Commissie Maatschappelijk verantwoord bestuur en toezicht in semipublieke sectoren Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: artikel Enig 1. Aan de voorzitter van de Commissie Maatschappelijk verantwoord bestuur en toezicht in semipublieke sectoren wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,2. 2. Aan het lid dr. mr. drs. M. Drenth van de Commissie Maatschappelijk verantwoord bestuur en toezicht in semipublieke sectoren wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,25. 3. Aan het lid D. Terpstra van de Commissie Maatschappelijk verantwoord bestuur en toezicht in semipublieke sectoren wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,1. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4242,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 oktober 2010, nr. R&P/RA/2010/19348 tot vaststelling van de vergoedingen van de voorzitter en de leden van het Comité van Experts subsidieregeling ESF 2007-2013/Actie A Gelet op [artikel 5 van de regeling tot instelling van het Comité van Experts subsidieregeling ESF 2007-2013, Actie A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026712&artikel=5); Besluit: artikel Enig 1. Aan de voorzitter en aan de leden van het Comité van experts [Subsidieregeling ESF 2007-2013/ Actie A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313) wordt, voor zover zij daarvan niet zijn uitgesloten, een vaste vergoeding toegekend ter hoogte van het bedrag, dat met toepassing van het bepaalde in [artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4) wordt bepaald. 2. De vergoeding wordt jaarlijks toegekend voor een periode van 1,5 maand. 3. Voor de vaststelling van de vergoeding is een arbeidsduurfactor van 0,17 van toepassing. 4. De toepasselijke salarisschaal is schaal 15 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6323,"b":"Wet van 14 juli 2022, houdende samenvoeging van de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne samen te voegen tot de nieuwe gemeente Voorne aan Zee; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en rechtsopvolging Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Voorne aan Zee ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Voorne aan Zee wordt de op te heffen gemeente Hellevoetsluis aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne wordt de nieuwe gemeente Voorne aan Zee aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplicht"},{"i":13739,"b":"Kapiteinsverplichtingen bij loodsen op afstand Gelet op artikel 23 van het Loodsplichtbesluit (Stb. 1988, 397); Besluit: Artikel 1 1. Gedurende loodsen op afstand gebruikt de kapitein de Engelse taal, danwel op aangeven van de loods de voorgeschreven of gebruikelijke voertaal van het betreffende gebied. 2. De kapitein maakt bij loodsen op afstand vanaf de wal gebruik van het marifoonkanaal, dat door de bevoegde autoriteit is bekendgemaakt. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 De kapitein die gebruik maakt van loodsen op afstand, bevestigt direct de ontvangst van elk advies, en herhaalt daarbij de koers- en vaartadviezen, en op verzoek de overige adviezen. Artikel 4 De kapitein die gebruik maakt van loodsen op afstand meldt de loods direct wanneer en op welke wijze hij afwijkt van een door de loods gegeven advies. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 1988. Deze regeling zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant."},{"i":7203,"b":"Verdrag inzake de erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband De Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat en de Republiek Turkije, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, Geleid door de wens op het grondgebied van elk der Verdragsluitende Staten de erkenning der in een van die Staten gegeven beslissingen betreffende de huwelijksband, te vergemakkelijken, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Elke beslissing inzake het ontbinden, het slaken, het bestaan of het niet-bestaan, de geldigheid of de nietigheid van de huwelijksband, gegeven in een der Verdragsluitende Staten, wordt onder voorbehoud van inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2, 3 en 4, erkend in de andere Verdragsluitende Staten en heeft daar hetzelfde gezag als in de Staat waarin deze beslissing is gegeven, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: - 1). de beslissing is, in de Staat waar zij wordt ingeroepen, niet onverenigbaar met een in kracht van gewijsde gegane beslissing, die in die Staat is gegeven of erkend; - 2). de partijen zijn in de gelegenheid geweest hun middelen voor te dragen; - 3). de beslissing is niet klaarblijkelijk in strijd met de openbare orde van de Staat waar zij is ingeroepen. Artikel 2 De erkenning van een buitenlandse beslissing mag niet worden geweigerd op de enkele grond dat de autoriteit die heeft beslist, niet bevoegd was volgens het internationaal privaatrecht van de Staat waar deze beslissing wordt ingeroepen, behalve wanneer beide echtgenoten onderdanen van die Staat zijn. Artikel 3 De erkenning van een buitenlandse beslissing, waarbij een andere wet is toegepast dan die, welke het internationaal privaatrecht van de Staat waar deze beslissing wordt ingeroepen aanwijst, mag op die enkele grond niet worden geweigerd, tenzij aan elk v"},{"i":7202,"b":"Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Verlangend maatregelen te nemen die er toe kunnen leiden dat gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken waarvan in het buitenland betekening of kennisgeving moet worden gedaan, tijdig ter kennis komen van degenen voor wie zij bestemd zijn, Ernaar strevend tot dat doel de onderlinge rechtshulp te verbeteren door de daarbij te volgen procedure te vereenvoudigen en te versnellen; Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Dit Verdrag is van toepassing in alle gevallen waarin in burgerlijke zaken of in handelszaken een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk ter betekening of kennisgeving naar het buitenland moet worden gezonden. Het Verdrag is niet van toepassing, indien het adres van degene voor wie het stuk is bestemd, onbekend is. HOOFDSTUK I. GERECHTELIJKE STUKKEN Artikel 2 Iedere Verdragsluitende Staat wijst een centrale autoriteit aan, die tot taak heeft de uit een andere Verdragsluitende Staat afkomstige aanvragen om betekening of kennisgeving overeenkomstig de artikelen 3-6 in ontvangst te nemen en af te doen. De aangezochte Staat wijst de centrale autoriteit aan en regelt tevens haar werkwijze. Artikel 3 De daartoe volgens wet van de Staat van herkomst van het stuk bevoegde autoriteit of deurwaarder richt tot de centrale autoriteit van de aangezochte Staat een aanvrage, die moet overeenstemmen met het als bijlage aan dit Verdrag toegevoegde modelformulier. Ten aanzien van de aanvrage is geen legalisatie van stukken of een daarmede gelijk te stellen formaliteit vereist. De aanvrage moet vergezeld gaan van twee exemplaren van het gerechtelijke stuk of van twee afschriften daarvan. Artikel 4 Indien de centrale autoriteit oordeelt dat de bepalingen van het Verdrag niet in acht zijn genomen, stelt zij de aanvrager hier"},{"i":3711,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 augustus 2006, nr. 2006GMT/FBI 2661573, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de algemeen directeur van SenterNovem tot het nemen van besluiten op grond van de subsidieregeling TTI Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. Agentschap NL: baten-lastendienst van het Ministerie van Economische Zaken, bedoeld in [artikel 1 van het Instellingsbesluit baten-lastendienst Agentschap NL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026918&artikel=1); - c. algemeen directeur: de algemeen directeur van Agentschap NL. Artikel 2 Aan de algemeen directeur wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten op grond van de [Subsidieregeling TTI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019655); - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 3 1. De algemeen directeur is gemachtigd tot het afdoen van alle stukken die betrekking hebben op besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020215&artikel=2&z=2010-03-24&g=2010-03-24). 2. De algemeen directeur is gemachtigd ten aanzien van verweerschriften en beroepschriften in administratiefrechtelijke procedures, gericht tot een administratieve rechter, ten behoeve van het vertegenwoordigen van de Minister in administratiefrechtelijke procedures bij de administratieve rechter en tot het afdoen van alle stukken die daarop betrekking hebben. Artikel 4 1. De directeur van de directie Geneesmiddelen en Medische Technologie kan per geval, of in het algemeen, schriftelijke instructies geven. 2. De directeur van de directie Geneesmiddelen en Medische Technologie geeft de algemeen directeur in ieder geval instructies met betrekking tot de beoordeling van de strategisch-inhoudelijke positionering van het Top"},{"i":6269,"b":"Wet van 8 juni 1995, houdende samenvoeging van de gemeenten Cothen, Langbroek en Wijk bij Duurstede Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Cothen, Langbroek en Wijk bij Duurstede samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Cothen, Langbroek en Wijk bij Duurstede opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt een nieuwe gemeente Wijk bij Duurstede ingesteld. Artikel 3 De nieuwe gemeente Wijk bij Duurstede bestaat uit het gebied van de op te heffen gemeenten Cothen, Langbroek en Wijk bij Duurstede. Artikel 4 Ter uitvoering van [artikel 36, eerste en tweede lid, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36) wordt aangewezen de op te heffen gemeente Wijk bij Duurstede. Artikel 5 Ter uitvoering van [artikel 39, tweede lid, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39) wordt aangewezen de nieuwe gemeente Wijk bij Duurstede. Artikel 6 Ter uitvoering van [artikel 41, derde lid, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41) wordt aangewezen de nieuwe gemeente Wijk bij Duurstede. Artikel 7 Ter uitvoering van [artikel 45, tweede lid, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45) wordt aangewezen de nieuwe gemeente Wijk bij Duurstede. Artikel 8 Ingevolge [artikel 52 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=52) wordt een tussentijdse raadsverkiezing gehouden voor de nieuwe gemeente Wijk bij Duurstede, met de voorbereiding waarvan de op te heffen gemeente Wijk bij Duurstede is belast. Arti"},{"i":9516,"b":"Verdrag inzake psychotrope stoffen Preambule De Partijen, Bezorgd voor de gezondheid en het welzijn van de mensheid, Kennisnemende, met bezorgdheid, van de problemen voor de volksgezondheid en de sociale problemen die voortvloeien uit het misbruik van bepaalde psychotrope stoffen, Vast besloten het misbruik van deze stoffen en de sluikhandel die daarvan het gevolg is, te voorkomen en te bestrijden, Overwegende dat strenge maatregelen noodzakelijk zijn om het gebruik van deze stoffen tot wettige doeleinden te beperken, Erkennende dat het gebruik van psychotrope stoffen voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden onmisbaar is en dat de beschikbaarheid van die stoffen voor zulke doeleinden niet onredelijk mag worden beperkt, Van oordeel zijnde dat doeltreffende maatregelen tegen het misbruik van zulke stoffen een gecoördineerd en wereldomspannend optreden vereisen, Erkennende dat de Verenigde Naties bevoegd zijn op het gebied van het toezicht op psychotrope stoffen en verlangende dat de desbetreffende internationale organen binnen het kader van die organisatie worden geplaatst, Erkennende dat een internationaal verdrag noodzakelijk is om deze doelstellingen te bereiken, Komen overeen als volgt: Artikel 1. Gebruik der termen Behalve voor zover uitdrukkelijk anders is bepaald of waar het zinsverband een andere uitleg vereist, hebben onderstaande termen in dit Verdrag de volgende betekenis: - a). „Raad” betekent de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties. - b). „Commissie” betekent de Commissie voor Verdovende Middelen van de Raad. - c). „Comité” betekent het Internationale Comité van Toezicht op Verdovende Middelen, bedoeld in het [Enkelvoudig Verdrag inzake Verdovende Middelen, 1961](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001004). - d). „Secretaris-Generaal” betekent de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. - e). „Psychotrope stof” betekent iedere stof, van natuurlijke of synthetische aard, of ieder natuurlijk produkt genoemd op de lijsten I,"},{"i":6201,"b":"Wet van 7 december 2016, houdende wijziging van de Advocatenwet, de Gerechtsdeurwaarderswet en de Wet op het notarisambt in verband met het doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrechtspraak aan de beroepsgroepen (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093), de [Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197) en de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388) te wijzigen in verband met het doorberekenen van de kosten van toezicht en tuchtrechtspraak aan de beroepsgroepen: Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goed gevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Advocatenwet. Artikel II Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet. Artikel III Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel IV Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI Wijzigt de Wijzigingswet Gerechtsdeurwaarderswet (evaluatie functioneren Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, alsmede regeling enkele andere onderwerpen). Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VIII Deze wet wordt aangehaald als: Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5696,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 oktober 2019, nr. 17644318, houdende wijziging van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid en de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen in verband met het vaststellen van de criteria voor vierjaarlijkse subsidiëring in de periode 2021–2024 alsmede met enkele aanpassingen van technische aard (Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2021–2024) Gelet op [artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4a), de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&artikel=3) en [4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&artikel=4) en de [artikelen 7.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.5) en [7.7 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.7); Besluit: Artikel I. Wijziging [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597) Wijzigt de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. Artikel II. Wijziging [Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037533) Wijzigt de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen. Artikel III. Overgangsbepalingen 1. De navolgende bepalingen van de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597) zoals deze luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling blijven van toepassing op de subsidies verstrekt op grond van [artikel 4b van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4b) voor de jaren 2017 tot en met 2020: - a. [artikel 2.15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597&artikel=2.15a); en - b. [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597&hoofdstuk=3). 2. Op de verstrekking van subs"},{"i":6880,"b":"Besluit van 11 maart 1991, ter uitvoering van artikel 85, vijfde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van onze Minister van Justitie van 18 juli 1990, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek nr. 24355/690; Gelet op [artikel 85, vijfde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=85); De Raad van State gehoord (advies van 27 augustus 1990, nr. W03.90.0338); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 februari 1991, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 46958/91/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De schadevergoeding die de vervoerder mogelijkerwijs is verschuldigd uit hoofde van [artikel 81 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=81) is beperkt tot een bedrag van 400.000 rekeneenheden per reiziger. 2. In het geval dat de schadeloosstelling wordt bepaald in de vorm van een rente mag het gekapitaliseerde bedrag een bedrag van 400.000 rekeneenheden per reiziger niet te boven gaan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek in werking treedt. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State. Artikel 1a De rekeneenheid, genoemd in dit besluit, is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. De bedragen die in dit besluit zijn uitgedrukt in rekeneenheden, worden omgerekend in euro’s naar de koers van de dag van betaling, danwel, in geval van een gerechtelijke procedure, naar de koers van de dag van de uitspraak. De waarde in euro’s, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens de waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties. Las"},{"i":9517,"b":"Verdrag inzake samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en de Franse Gemeenschap van België, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, anderzijds Het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en de Franse Gemeenschap van België, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, anderzijds, Hierna te noemen de „Verdragsluitende Partijen\", Zich baserend op de vriendschaps- en samenwerkingsbanden tussen hun volkeren, het wederzijds vertrouwen en het belang dat zij hechten aan de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, democratie, rechtvaardigheid en solidariteit; Gedreven door de wens de banden die hun volkeren verenigen te versterken; Rekening houdend met de waarden van sociale vooruitgang en duurzame ontwikkeling; Overwegend dat bilaterale samenwerking en de ontwikkeling van synergieën met betrekking tot multilaterale samenwerking belangrijk zijn; Zijn het volgende overeengekomen: Sectie 1 1. De Verdragsluitende Partijen besluiten aan hun bilaterale relaties een nieuwe dimensie van verstandhouding en partnerschap toe te voegen. Zij ontwikkelen hun vriendschapsrelaties op basis van gelijkheid in rechte, eerbiediging van soevereiniteit en politieke onafhankelijkheid, het hechten aan de beginselen van vrijheid, democratie, het primaat der wet, en de mensenrechten. 2. De samenwerking heeft betrekking op het geheel van bevoegdheden van respectievelijk de Franse Gemeenschap van België, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Deze bevoegdheden worden vermeld in een Bijlage bij het Verdrag. 3. De samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen zal gericht zijn op het beter waarderen van de menselijke ontwikkelingsmogelijkheden, duurzame ontwikkeling en partnerschap tussen overheden, instellingen, verenigingen en personen. 4. De Verdragsluitende Partijen zullen samenwerking aangaan danwel verdiepen op het gebie"},{"i":9518,"b":"Verdrag inzake stabiliteitsvereisten voor passagiersschepen die geregelde internationale lijndiensten van en naar havens in Noord-West-Europa en de Baltische Zee onderhouden The Contracting Governments, Being parties to the International Convention for the Safety of Life at Sea (SOLAS) 1974 as amended; Recalling Article VII of the SOLAS Convention; Mindful that the principal responsibility for establishing global safety standards rests with the International Maritime Organization (hereinafter referred to as “the Organization\"); Noting the Organization's efforts in this area; Noting in particular the adoption by the Conference of Contracting Governments to the International Convention for the Safety of Life at Sea 1974 held in London on 20, 27, 28 and 29 November 1995 of Conference Resolution 14 “Regional Agreements on Specific Stability Requirements for Ro-Ro Passenger Ships\"; Recognising that the prevailing, often adverse, sea and weather conditions with low visibility, the low water temperatures, the need to maintain intensive all year round ro-ro passenger ferry services, the public dependence on such services, recent accidents and the density of ro-ro passenger ship movements and potentially conflicting shipping movements at particular locations require the application of specific stability requirements to all ro-ro passenger ships operating regular scheduled voyages between or to or from designated ports in North West Europe and the Baltic Sea; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purposes of the present Agreement: - a). International voyage means a voyage from a country to which the present Agreement applies to a port outside that country, or conversely; - b). Ro-ro passenger ship means a passenger ship with ro-ro cargo spaces or special category spaces as defined in regulation II–2/3 of the International Convention for the Safety of Life at Sea 1974 as amended; - c). Specific stability requirements means the specific stability requirements s"},{"i":5512,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de journalistiek van 11 februari 2016, nr. 25729 tot vaststelling van subsidieplafonds voor het jaar 2016 Gelet op [artikel 8.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10) en [artikel 22 van de Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040&artikel=22), Besluit: Artikel 1. Subsidieverlening op grond van artikelen [8.10 tot en met 8.15 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10) 1. Voor subsidieverstrekking voor de activiteiten ten behoeve van persorganen en onderzoek bedoeld in deze artikelen is in 2016 een bedrag van ten hoogste € 2.000.000 beschikbaar; 2. Subsidie voor de in artikel 1 genoemde activiteiten is alleen beschikbaar indien: - a. de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de start of voortzetting van de activiteiten de versterking of vernieuwing van de Nederlandse journalistieke infrastructuur zeer ten goede komt; of - b. de start of voortzetting van de activiteiten de pluriformiteit van de pers zeer ten goede komt; - c. de aanvrager tenminste de helft van de totale kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd voor zijn rekening neemt dan wel door derden laat meefinancieren. 3. Subsidie voor de in artikel 1 genoemde activiteiten ten behoeve van persorganen is alleen beschikbaar indien: - a. de start of voortzetting van de bij de aanvraag betrokken persorganen zonder subsidie niet mogelijk is en gestaakt moet worden; - b. de aanvrager aannemelijk maakt alles in het werk te hebben gesteld om de activiteiten te starten of voort te zetten. Artikel 2. Subsidieverlening op grond van [artikel 8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a) 1. Voor subsidieverstrekking op grond van [titel 8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a) voor door het Stimuleringsfonds vast te stellen regelingen voor andere activiteiten dan die bedoe"},{"i":6909,"b":"Besluit van 2 maart 1953, houdende vaststelling van een premieregeling voor sergeanten en korporaals die een verbintenis van een jaar bij het reserve-personeel der Koninklijke Landmacht hebben gesloten Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog van 24 December 1952, Directoraat Personeel, Afdeling Rechtstoestand, nummer 351340; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) en de artikelen 5 en 9 van de Wet voor het reserve-personeel der landmacht 1905; De Raad van State gehoord (advies van 3 Februari 1953, nr 35); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Oorlog van 23 Februari 1953, Directoraat Personeel, Afdeling Rechtstoestand, nr 363557; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder maand: de periode, gerekend van een datum tot de overeenkomstige datum van de volgende kalendermaand. Artikel 2 Een militair met de rang van sergeant, korporaal der eerste klasse, korporaal of een met een van die rangen gelijkgestelde rang, die een voor ten minste de tijd van zes maanden gesloten verbintenis als omschreven in artikel 2 van het Besluit verbintenissen reserve-personeel beneden de rang van tweede-luitenant Landmacht, **Stb.** 1952, nr 496, ten volle heeft volbracht, dan wel door een niet aan hemzelf te wijten oorzaak niet ten volle heeft kunnen volbrengen, en deswege van die verbintenis is ontheven, of wiens verbintenis door een niet aan hemzelf te wijten oorzaak van rechtswege is geëindigd binnen het tijdvak waarvoor zij is aangegaan, heeft voor elke maand, welke hij krachtens de bedoelde verbintenis in werkelijke dienst heeft doorgebracht, zulks tot ten hoogste achtenveertig maanden, aanspraak op een geldelijke uitkering ten bedrage van: - a. f 170,-, indien hij behoort tot een van nader door Onze Minister van Oorlog aan te wijzen categorieën van technisch geschoolde militairen; - b. f 90,- indien hij niet behoort tot een der onder **a** bedoelde categorieë"},{"i":9519,"b":"Verdrag inzake technische en financiële samenwerking tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Bulgarije De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Bulgarije Opnieuw de vriendschappelijke betrekkingen tussen de beide Staten en hun volken bevestigend; Indachtig het feit dat respect voor de democratische grondbeginselen, de algemene grondbeginselen van het volkenrecht en de mensenrechten de basis vormen voor de betrekkingen tussen de twee landen; Geleid door de wens samen te werken met het doel de sociale en economische omstandigheden in de Republiek Bulgarije te helpen verbeteren teneinde de ontwikkeling van een vrijemarkteconomie te bevorderen door middel van projecten en programma's en met dat oogmerk, in aanvulling op de inspanningen van de Republiek Bulgarije, een juridisch en administratief kader te scheppen voor de tewerkstelling van personeelsleden en de invoer van middelen vanuit het Koninkrijk der Nederlanden in de Republiek Bulgarije; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. ONDERWERP VAN HET VERDRAG Artikel 1. Werkingssfeer 1. Dit Verdrag is van toepassing op projecten en programma's op het gebied van technische en financiële samenwerking die zijn overeengekomen tussen de Regering van de Republiek Bulgarije en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden. 2. De in het eerste lid bedoelde projecten en programma's zijn overeengekomen tussen de Verdragsluitende Partijen en/of tussen de Verdragsluitende Partijen en een derde partij of derde partijen. In dat geval dienen de betrokken partijen overeenstemming te bereiken over de toepassing van dit Verdrag. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „middelen\": onder andere verkregen door of ten behoeve van de Nederlandse Partij in het kader van de projecten en programma's. - a. financiële middelen; - b. goederen, waaronder begrepen machines en uitrusting; - c. diensten; - d."},{"i":7500,"b":"Beleidsregel tot vaststelling niveau DigiD voor inzage in GBA persoonsgegevens via MijnOverheid.nl Gelet op [artikel 2:15 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:15); Besluit: Artikel 1 Voor inzage van de eigen gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie van persoonsgegevens door middel van de Persoonlijke internetpagina MijnOverheid.nl is het niveau van de overheidstoegangsvoorziening DigiD, DigiD zekerheidsniveau Basis. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 februari 2008. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel vaststelling niveau DigiD voor inzage in GBA persoonsgegevens via MijnOverheid.nl. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5626,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2023 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA samenstelling levensmiddelen (IB03-SPEC 32, versie 04) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA samenstelling levensmiddelen beschrijft binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (NVWA-IB03), de klasseindeling en interventies voor de beoordeling van specifieke overtredingen van wetgeving die vastlegt aan welke samenstellingseisen bepaalde categorieën levensmiddelen moeten voldoen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om voedingssupplementen, kruidenpreparaten, levensmiddelen met toegevoegde vitaminen en mineralen, en de vier categorieën levensmiddelen voor specifieke groepen, namelijk volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding, bewerkte levensmiddelen op basis van granen en babyvoeding, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing. Dit specifiek interventiebeleid beschrijft ook de klasseindeling voor het gebruik van nieuwe voedingsmiddelen. Het kan voorkomen dat bij een inspectie van een product blijkt dat er geen sprake is van een levensmiddel maar dat het product onder de strekking van de [Geneesmiddelenwe"},{"i":7256,"b":"Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet worden verstaan onder: - **motorrijtuigen:** alle rij- of voertuigen, bestemd om over de grond te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht; als een deel daarvan wordt aangemerkt al hetgeen aan het rij- of voertuig is gekoppeld of na koppeling daarvan is losgemaakt of losgeraakt, zolang het nog niet buiten het verkeer tot stilstand is gekomen; - **verzekerden:** zij wier aansprakelijkheid overeenkomstig de bepalingen van deze wet is gedekt; - **benadeelden:** zij die schade hebben geleden welke grond oplevert voor toepassing van deze wet, alsmede hun rechtverkrijgenden; - **vergunning:** vergunning die ingevolge de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883) is vereist voor de branche motorrijtuigverzekering; - **verzekeraar:** onderneming die ingevolge de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883) het bedrijf van schadeverzekeraar in de branche motorrijtuigverzekering mag uitoefenen; - **weg:** voor het openbaar verkeer openstaand pad, verharde of onverharde rijbaan met inbegrip van de middenberm of middengeleiding, de parkeerstroken en parkeerhavens en vluchtstroken alsmede de in de weg gelegen bruggen en de naast de rijbaan gelegen paden, bermen en zijkanten; - **Waarborgfonds Motorverkeer en fonds:** de krachtens [artikel 23, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=23) aangewezen rechtspersoon. Artikel 2 1. De wettelijke aansprakelijkheid waartoe een motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven, moet zijn gedekt door een verzekeringsovereenkomst welke aan de bij en krachtens deze wet gestelde bepalingen beantwoordt, indien dat motorrijtuig zich op de weg bevindt, of indien het daarbuiten deelneemt aan het verkeer op een terrein dat toegankelijk is voor het publiek of v"},{"i":5517,"b":"Besluit van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 28-5-2025, nr. WB2529, tot vaststelling van een subsidieregeling voor vergroting van weerbaarheid van journalisten 2025–2029 Handelend in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3) en [8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **Stimuleringsfonds:** het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek, bedoeld in [artikel 8.2 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.2). Artikel 1.2. Doel van de subsidie en subsidiabele activiteiten 1. Subsidieverstrekking op grond van deze regeling heeft tot doel het vergroten van de weerbaarheid van journalisten tegen bedreigingen. 2. Het Stimuleringsfonds kan subsidie verstrekken voor de kosten van activiteiten ten behoeve van het in lid 1 genoemde doel die worden uitgevoerd in de periode 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029. Artikel 1.3. Subsidieperiode Een subsidie kan worden verstrekt voor een periode van maximaal 5 jaar voor de kosten van subsidiabele activiteiten in de periode 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029. Artikel 1.4. Subsidieplafond 1. Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is in totaal 507.228 euro beschikbaar. 2. Als op grond van de beoordeling de in aanmerking komende aanvragen leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, weigert het Stimuleringsfonds een subsidie voor zover door de verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden. Artikel 1.5. Kosten die voor subsidie in aanmerking komen 1. Op grond van deze regeling kan uitsluitend subsidie worden verstrekt voor de volgende kosten: - a). de kosten voor het bieden van ondersteuning bij juridische dreiging. - b). de kosten voor het organiseren van oplei"},{"i":5898,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de pers van 23 december 2009, nr. 19063, tot vaststelling van een Tijdelijke subsidieregeling persinnovatie Handelende na overleg met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 8.3, tweede lid, onder a, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Te subsidiëren activiteiten en kosten 1. Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve van innovatie van de persbedrijfstak in Nederland subsidie verstrekken voor: - a. onderzoek naar of ontwikkeling van exploitatie(modellen) en distributie van nieuws; - b. onderzoek naar of ontwikkeling van de Nederlandse journalistiek; of - c. projecten op het terrein van vernieuwing en versteviging van de band tussen journalistiek en samenleving. 2. Activiteiten als bedoeld in het eerste lid komen in aanmerking voor subsidie als zij voldoen aan ten minste één van de volgende eisen: - a. zij hebben als doel burgers als gebruikers van persfuncties te bereiken of te behouden; - b. zij hebben betrekking op nieuwe of nieuwe combinaties van bestaande journalistieke producten, diensten, markten en organisatieprocessen; - c. zij hebben betrekking op nieuwe journalistieke modellen, werkwijzen en presentaties; - d. zij hebben betrekking op nieuwe vormen van betalings-, distributie- en verdienmodellen; - e. zij hebben betrekking op lokale of regionale journalistieke activiteiten. 3. Voor subsidieverstrekking komen slechts kosten van de subsidieontvanger in aanmerking die rechtstreeks verband houden met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend en die gemaakt zijn na de subsidieverlening. 4. Het Stimuleringsfonds kan nadere richtlijnen omtrent de aard van de kosten vaststellen. Artikel 2. Subsidieaanvrager 1. Subsidie kan worden aangevraagd door de voor de desbetreffende activiteiten verantwoordelijke rechtspersoon of rechtspersonen dan wel rechtspersoon of rechtspersonen in oprichting, die in Ne"},{"i":5951,"b":"Uitvoering Subsidieregeling indemniteit bruiklenen in de aanloop naar 2005 Op 25 oktober jl. werd de [Subsidieregeling indemniteit bruiklenen 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017308) (hierna: nieuwe regeling) gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2004, nr. 205). De nieuwe regeling vervangt de [Subsidieregeling indemniteit bruiklenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007839) (hierna: oude regeling) uit 1996 (Stcrt. 1996, nr. 11). Met deze brief wil ik u informeren over de wijze waarop ik, in overeenstemming met de Minister van Financiën, de oude regeling zal uitvoeren in de aanloop naar de inwerkingtreding van de [nieuwe regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017308) in 2005. Aangezien de indemniteitsregeling een belangrijk instrument is in mijn mobiliteitsbeleid omdat het musea helpt om belangrijke presentaties te realiseren, zal ik ten aanzien van de per 19 mei 2004 openstaande en toekomstige indemniteitsaanvragen op hierna te noemen onderdelen reeds handelen in de geest van de [nieuwe regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017308). Per die datum is immers overeenstemming bereikt over enige belangrijke voorstellen leidend tot de nieuwe regeling. De belangrijkste wijzigingen van de [nieuwe regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017308) ten opzichte van de oude regeling zijn als volgt samen te vatten: Ten aanzien van de hiervoor genoemde punten 3 en 4 zal ik bij (de voorbereiding van) besluiten die ik nog moet nemen op grond van de [oude regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007839) reeds handelen in de geest van de [nieuwe regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017308), ten gunste van de aanvragers. Toelichting bij punt 3 verdubbeling van de indemniteitspercentages - verdubbeling percentages indemniteit Een belangrijk element van de kosten waardoor Nederlandse musea buiten het internationale circuit geraken zijn de - vaak spectaculaire - waardestijgingen van kunstvoorwerpen geduren"},{"i":5835,"b":"Tariefbeschikking Tandheelkundige zorg AWBZ De Nederlandse Zorgautoriteit, heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg) **op basis van de beleidsregel Tandheelkundige zorg AWBZ** **en gelet op:** [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50 lid 1, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) jo. [artikel 51 tot en met 53 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=51) **besloten:** dat rechtsgeldig **door:** zorgaanbieders die tandheelkundige zorg als omschreven bij of krachtens de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ) leveren aan patiënten die verblijven en behandeld worden in instellingen die zijn toegelaten voor de functies behandeling en verblijf als omschreven in het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149) en zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 1 onder c sub2 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) (factormaatschappijen) **aan:** alle ziektekostenverzekeraars en alle (niet-)verzekerden **prestatiebeschrijving en bijbehorend maximumtarief (in euro’s):** maximaal de tarieven voor de prestaties zoals omschreven in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032378&bijlage=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032378&bijlage=2&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bij de onderhavige tariefbeschikking gevoegde tarievenlijst in rekening kunnen worden gebracht.1De materiaal- en/ of techniekkosten dienen afzonderlijk in rekening te worden gebracht. De materiaal- en/of techniekkosten mogen niet hoger zijn dan de door de zorgaanbieder betaalde en/of verschuldigde kosten voor inkoop (zie bijlage 2 bij deze tariefbeschikking). Deze v"},{"i":5789,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 januari 2019, 2019-0000037591, houdende regels voor de verstrekking van subsidie aan de Stichting Professor mr. J.R. Thorbecke Leerstoel (Subsidieregeling Stichting Professor mr. J.R. Thorbecke Leerstoel) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=2), en [3, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3) en de [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=20) en [24, vijfde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=24); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **Stichting:** de Stichting Professor mr. J.R. Thorbecke Leerstoel. Artikel 2 1. De minister kan subsidie verstrekken aan de Stichting ten behoeve van het geven van onderwijs en het doen van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van het decentraal bestuur als bestuurlijk, politiek en juridisch systeem. 2. De beschikking tot subsidieverlening bevat het bedrag van de subsidie. Het subsidiebedrag kan in gedeelten worden bevoorschot. Artikel 3 De subsidie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041868&artikel=2&z=2019-02-01&g=2019-02-01), bedraagt ten hoogste het bedrag dat uit de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties blijkt. Artikel 4 1. De Stichting dient de aanvraag tot subsidieverlening tijdig in voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop de subsidie betrekking heeft. 2. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een activiteitenverslag. De aanvraag hoeft niet vergezeld te gaan van een controleverklaring. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2019 en ver"},{"i":9521,"b":"Verdrag inzake technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Gambia De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Gambia; Opnieuw de vriendschappelijke betrekkingen bevestigend die tussen beide Staten en hun volken bestaan; Geleid door de wens de technische samenwerking te bevorderen en hiertoe het noodzakelijke juridische en administratieve kader te scheppen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I 1. Het doel van dit Verdrag is de technische samenwerking te bevorderen en hiertoe het juridische en administratieve kader te scheppen voor projecten inzake technische samenwerking waartoe de bevoegde bestuurlijke autoriteiten van beide Partijen ter uitvoering van dit Verdrag besluiten. 2. Een besluit tot samenwerking als bedoeld in het eerste lid hierboven, de bijdragen aan een project en de wijze waarop dat project wordt uitgevoerd, worden per geval vastgelegd in een administratief akkoord, te sluiten door de twee bevoegde bestuurlijke autoriteiten. Artikel II 1. In verband met een project verbindt de Regering van Gambia zich ertoe: - a. het Nederlandse personeel vrij te stellen van alle belastingen en andere fiscale heffingen ten aanzien van alle door de Nederlandse Regering aan hen betaalde vergoedingen; - b. het Nederlandse personeel vrij te stellen van de betaling van invoer- en douanerechten en andere fiscale heffingen, met inbegrip van BTW, op nieuwe of gebruikte huishoudelijke artikelen en persoonlijke bezittingen die in Gambia worden ingevoerd binnen zes maanden na de aankomst van de deskundigen – behalve in bijzondere omstandigheden waarin deze termijn kan worden verlengd – op voorwaarde dat deze goederen weer uit Gambia worden uitgevoerd op het tijdstip van vertrek of binnen een termijn waarmee de Regering van Gambia instemt; deze wederuitvoer wordt eveneens vrijgesteld van rechten en andere fiscale heffingen; - c. de Nederlandse personeelsleden gedurende de gehele periode van hun aanstelling vrij te ste"},{"i":9522,"b":"Verdrag inzake toestemming voor de doorreis van Joegoslavische staatsburgers zonder verblijfsrecht De Regering van de Republiek Albanië, de Ministerraad van Bosnië-Herzegovina, de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van de Italiaanse Republiek, de Regering van de Republiek Kroatië de Regering van de Republiek Oostenrijk, de Zwitserse Bondsraad, de Regering van de Republiek Slovenië, de Regering van de Republiek Hongarije Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doorreis ten behoeve van terugkeer 1. De Partijen bij dit Verdrag staan de vrijwillige, eenmalige doorreis via hun grondgebied ten behoeve van terugkeer toe van Joegoslavische staatsburgers die zich op het grondgebied van een Partij bij dit Verdrag bevinden en niet voldoen aan de aldaar geldende voorwaarden voor verder verblijf. Dit geldt niet voor gevallen waarin een transitstaat de desbetreffende persoon een inreisverbod heeft opgelegd. 2. Voorwaarde voor de doorreis is het bezit van een overeenkomstig het geldende Joegoslavische paspoortrecht geldig paspoort of vervangend reisdocument van de Federale Republiek Joegoslavië. Voor de terugkeer uit een Staat van vertrek via het grondgebied van een Partij bij dit Verdrag naar Kosovo, kan voor de terugreis voor zover nodig, een nationaal vervangend reisdocument van de Partijen bij dit Verdrag of een internationaal vervangend reisdocument (EU-Laissez-Passer) worden verstrekt. Voorbeelden van de genoemde nationale respectievelijk internationale vervangende reisdocumenten zijn bij dit Verdrag opgenomen als [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001433&bijlage=1&z=2001-08-11&g=2001-08-11). In de Staat van vertrek wordt gecontroleerd of de desbetreffende reisdocumenten geldig zijn voor terugkeer. In het reisdocument is een kenmerk (vignet) opgenomen inzake de hoedanigheid van naar Joegoslavië terugkerende persoon welk kenmerk gedurende drie maanden geldig is. Voorbeelden van de kenmerken (vignetten) zijn bij dit Verdrag opgenomen a"},{"i":2017,"b":"Wet van 8 juni 2005 tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedingsovereenkomsten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is met spoed in de [Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375) te voorzien in een bevoegdheid voor het betrokken bestuursorgaan overeenkomsten met betrekking tot de vergoeding van planschade te sluiten, verjaringstermijnen voor schadevergoedingsaanspraken op te nemen en te voorzien in de heffing van een recht voor de behandeling van een aanvraag om vergoeding van schade; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet. Artikel I Wijzigt de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Artikel II 1. [Artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=49), zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op aanvragen om vergoeding van schade die voor dat tijdstip zijn ingediend. 2. Een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in [artikel 49, eerste lid, onder a, b, c of f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=49), moet voorzover de desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan onderscheidenlijk het desbetreffende besluit voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onherroepelijk is geworden, binnen vijf jaar na dat tijdstip worden ingediend. 3. Een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in [artikel 49, eerste lid, onder d of e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=49), moet voorzover de bestemmingsplanbepaling ten behoeve waarvan de aanhouding heeft plaats"},{"i":5907,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/160167, houdende vaststelling van de Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit Gelet op [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=9), [10, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), [23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23), [24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24), en [26 van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=26); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanschaf:** verkrijging van de eigendom, bedoeld in [artikel 84, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=84), krachtens koop of financial leasing als bedoeld in [paragraaf 3.2 van het Besluit heffing omzetbelasting bij leasing](onbekend); - **categorie:** voertuigcategorie als bedoeld in artikel 4 van [verordening (EU) 2018/858](32018R0858); - **groep:** groep als bedoeld in [artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b); - **grote onderneming:** onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **Kaderbesluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":7523,"b":"Besluit van 30 januari 2025, houdende regels ter bescherming van slachtoffergegevens in processtukken (Besluit bescherming slachtoffergegevens in processtukken) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 8 oktober 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5816403; Gelet op [artikel 149a, derde en zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=149a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 november 2024, nr. W16.24.00283/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 23 januari 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6081961; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als gegevens die in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer onvermeld blijven in de zin van [artikel 149a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=149a), worden aangewezen diens: - a. adres; - b. woonplaats; - c. telefoonnummer; - d. e-mailadres; - e. verblijfplaats; - f. geboorteland; - g. geboorteplaats; - h. Burgerservicenummer. Artikel 2 Opsporingsambtenaren vermelden de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050747&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde gegevens niet in een proces-verbaal, tenzij deze gegevens naar hun oordeel redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor enige door de rechter te nemen beslissing. Artikel 3 Het openbaar ministerie vermeldt de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050747&artikel=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01) bedoelde gegevens niet in vorderingen, bevelen, tenlasteleggingen en andere stukken die het opmaakt, tenzij deze gegevens naar zijn oordeel redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor enige door de rechter te nemen beslissing. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Art"},{"i":5589,"b":"Besluit van 23 augustus 2010, houdende regels ter uitvoering van de Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving (Rijksbesluit rechtspositie leden Raad voor de rechtshandhaving) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 december 2009, nr. 5630760/09/6; Gelet op [artikel 13 van de Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028075&artikel=13); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 23 december 2009, nr. W03.09.0521/II/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie, Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 augustus 2010, nr. 5636982/10/6, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; De bepalingen van het [Statuut van het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 44 van de Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving in werking treedt. Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **landen:** Curaçao, Sint Maarten of Nederland, voor zover het betreft Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie van Curaçao, Onze Minister van Justitie van Sint Maarten of Onze Minister van Justitie van Nederland, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - –. **Onze Ministers:** Onze Minister van Justitie van Curaçao, Onze Minister van Justitie van Sint Maarten en Onze Minister van Justitie van Nederland, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gezamenlijk; - –. **Raad:** Raad voor de rechtshandhaving, bedoe"},{"i":3709,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 januari 2022, nr. 2022-0000012978, tot tijdelijk verlenen van mandaat, volmacht en machtiging op het terrein van de aanpak van regionale knelpunten en het sluiten van regio deals Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1 Mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die op 9 januari 2022 van kracht waren ten behoeve van functionarissen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat ten aanzien van de aangelegenheden die verband houden met het voeren van de regie over de aanpak van regionale knelpunten en het sluiten van regio deals en de in het kader daarvan aan te wenden financiële middelen, worden, voor zover het de bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreft, aangemerkt als mandaten, volmachten en machtigingen die zijn verleend door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan: - a. de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. de directeur-generaal Bestuur, Ruimte en Wonen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken; - c. de directeur van de directie Bestuur, Financiën en Regio’s van het Ministerie van Binnenlandse Zaken; - d. de functionarissen aan wie door of namens de in de voorgaande onderdelen genoemde functionarissen ondermandaat, volmacht of machtiging is verleend; ten aanzien van de aangelegenheden op hun werkterrein. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 januari 2022. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9523,"b":"Verdrag inzake transparantie bij op een verdrag gebaseerde arbitrage tussen investeerders en staten Preambule **De partijen bij dit Verdrag,** **De waarde erkennend** van arbitrage als een methode voor de regeling van geschillen die kunnen ontstaan in de context van internationale betrekkingen en de wijdverbreide en sterk variërende inzet van arbitrage voor het regelen van geschillen tussen investeerders en staten, **Voorts de behoefte erkennend** aan bepalingen inzake transparantie bij de regeling van op een verdrag gebaseerde geschillen tussen investeerders en staten waarbij rekening wordt gehouden met het algemeen belang dat gemoeid is met dergelijke arbitrages, **Ervan overtuigd**dat de regels inzake transparantie bij op een verdrag gebaseerde arbitrage tussen investeerders en staten op 11 juli 2013 aangenomen door de Commissie van de Verenigde Naties voor internationaal handelsrecht („UNCITRAL-regels inzake transparantie”) die met ingang van 1 april 2014 van kracht zijn, wezenlijk zouden bijdragen aan de instelling van een geharmoniseerd wettelijk kader ten behoeve van eerlijke en efficiënte regeling van internationale investeringsgeschillen, **Gelet op** het grote aantal reeds van kracht zijnde verdragen die voorzien in de bescherming van investeringen of investeerders en het praktische belang van bevordering van de toepassing van de UNCITRAL-regels inzake transparantie op arbitrage uit hoofde van die reeds gesloten investeringsverdragen, **Voorts gelet op** artikel 1, tweede en negende lid, van de UNCITRAL-regels inzake transparantie, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Reikwijdte 1. Dit Verdrag is van toepassing op arbitrage tussen een investeerder en een staat of een regionale organisatie voor economische integratie, gebaseerd op een investeringsverdrag gesloten vóór 1 april 2014 („arbitrage tussen investeerders en staten”). 2. Onder de uitdrukking „investeringsverdrag” wordt verstaan een bilateraal of multilateraal verdrag, met inbegrip van verdra"},{"i":9524,"b":"Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië Het Koninkrijk der Nederlanden en Australië, geleid door de wens de samenwerking tussen de beide landen bij de bestrijding van de misdaad doeltreffender te doen zijn door een verdrag te sluiten inzake de uitlevering van personen die worden verdacht van of zijn veroordeeld wegens strafbare feiten, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Verplichting tot uitlevering Elke Verdragsluitende Partij komt overeen aan de andere uit te leveren, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, personen die worden gezocht met het oog op een strafvervolging, of de oplegging of tenuitvoerlegging van een sanctie in de verzoekende Staat voor een strafbaar feit dat tot uitlevering kan leiden. Artikel 2. Feiten die tot de uitlevering kunnen leiden 1. Voor de toepassing van dit Verdrag zijn feiten die tot uitlevering kunnen leiden feiten, hoe ook omschreven, die strafbaar zijn gesteld krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen met gevangenisstraf of een andere vorm van vrijheidsbeneming voor een maximumtijdvak van tenminste één jaar of met een zwaardere straf. Wanneer het verzoek om uitlevering een persoon betreft die is veroordeeld wegens zulk een feit en die wordt gezocht voor de tenuitvoerlegging van een sanctie, wordt de uitlevering alleen toegestaan, indien een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel is opgelegd en er nog een tijdvak van tenminste zes maanden van zodanige vrijheidsbeneming moet worden ondergaan. 2. Voor de toepassing van dit artikel is het niet van belang of de wetten van de Verdragsluitende Partijen het handelen of nalaten dat het strafbare feit vormt, onder dezelfde categorie strafbare feiten rangschikken, dan wel het strafbare feit met dezelfde of soortgelijke termen aanduiden. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt, bij de bepaling of een feit een strafbaar feit is ingevolge het recht van beide Verdragsluitende Partijen, het geheel van het hande"},{"i":9525,"b":"Verdrag inzake vroegtijdige kennisgeving van een nucleair ongeval De Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, Zich ervan bewust dat in een aantal Staten werkzaamheden op nucleair gebied worden verricht, Gelet op het feit dat uitgebreide maatregelen zijn en worden getroffen ter verzekering van een grote mate van veiligheid bij de werkzaamheden op nucleair gebied en gericht op het voorkomen van nucleaire ongevallen en op het zoveel mogelijk beperken van de gevolgen van een zodanig ongeval, indien dit zich voordoet, Geleid door de wens de internationale samenwerking bij het op veilige wijze ontwikkelen en gebruiken van kernenergie verder uit te breiden, Overtuigd van de noodzaak dat de Staten zo tijdig mogelijk de relevante informatie verschaffen over nucleaire ongevallen, ten einde de grensoverschrijdende gevolgen van ongevallen met radioactieve stoffen zoveel mogelijk te kunnen beperken. Gezien het nut van bilaterale en multilaterale overeenkomsten inzake de uitwisseling van informatie op dit gebied, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Reikwijdte van de toepassing 1. Dit Verdrag is van toepassing op ieder ongeval waarbij installaties of werkzaamheden van een Staat die Partij bij dit Verdrag is, of van personen of rechtspersonen die onderzijn rechtsmacht of toezicht vallen, zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel, zijn betrokken en waarbij radioactieve stof vrijkomt of waarschijnlijk vrijkomt, hetgeen heeft geleid of kan leiden tot een internationale grensoverschrijdende uitstoot die voor een andere Staat belangrijk kan zijn met betrekking tot de beveiliging tegen vrijgekomen radioactieve stoffen. 2. De in het eerste lid bedoelde installaties en werkzaamheden zijn de volgende: - a). iedere kernreactor, ongeacht de plaats waar deze is gelegen; - b). iedere installatie ten behoeve van de splijtstofcyclus; - c). iedere installatie voor de behandeling van radioactief afval; - d). het vervoer en de opslag van splijtstoffen of radioactief afval; - e). de vervaa"},{"i":9526,"b":"Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, Spanje, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, de Republiek IJsland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk Zweden, de Zwitserse Bondsstaat en de Republiek Turkije, Overwegende dat het binnen het kader van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna te noemen de „Organisatie\") opgerichte OESO-Agentschap voor Kernenergie belast is met het bevorderen van de uitwerking en het onderling in overeenstemming brengen van wettelijke bepalingen op het gebied van de kernenergie in de deelnemende landen, in het bijzonder wat betreft de aansprakelijkheid jegens derden en de verzekering tegen atoomrisico's; Verlangende zekerheid te geven dat personen die schade hebben geleden ten gevolge van kernongevallen, een passende en billijke schadevergoeding zullen ontvangen, zulks onder het treffen van de nodige maatregelen om te verzekeren dat de ontwikkeling van de produktie en van het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden daardoor niet wordt gehinderd; Overtuigd van de noodzaak om te komen tot gelijkluidende grondregelen welke in de verschillende landen van toepassing zullen zijn op de aansprakelijkheid voor die schade, waarbij het die landen zal blijven vrijstaan nationaal de aanvullende maatregelen te treffen, welke zij nodig achten; Zijn overeengekomen als volgt: Betreft de Nederlandse tekst van het Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, zoals laatstelijk gewijzigd door het Protocol houdende wijziging van het Verdrag van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, Trb. 1983, 80. Artikel 1 a."},{"i":6598,"b":"Besluit van 24 mei 2007, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Vlees, gehakt en vleesproducten inzake het vetgehalte van gehakt en mager gehakt Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 februari 2007, VGP/VV 2745019, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en van Economische Zaken; Gelet op [artikel 8, eerste lid, onder b, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8); De Raad van State gehoord (advies van 8 februari 2007, no. W13.07.0025/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 mei 2007, VGP/VV2769263, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit Vlees, gehakt en vleesproducten. Artikel II Als gehakt of mager gehakt aangeduide eetwaren die voldoen aan het [Warenwetbesluit Vlees, gehakt en vleesproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009675) zoals dat tot de inwerkingtreding van dit besluit luidde, mogen nog verhandeld worden tot drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4238,"b":"Besluit van 24 februari 2025 tot vaststelling van het tijdstip of tot bepaling van de termijn genoemd in enkele artikelen van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en het Invoeringsbesluit Omgevingswet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 17 februari 2025, nr. IenW/BSK-2024/363407, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Handelende in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Gelet op de [artikelen 3.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247&artikel=3.5), [3.6, tweede en derde lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247&artikel=3.6), [artikel 15.4, tweede en derde lid, van het Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=15.4) en [artikel 8.2.15a van het Invoeringsbesluit Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044923&artikel=8.2.15a). Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. ([Aanvullingswet geluid Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247)) 1. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247&artikel=3.5), wordt bepaald op 1 januari 2027. 2. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 3.6, tweede lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247&artikel=3.6), wordt bepaald op 1 januari 2032. 3. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 3.6, derde lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247&artikel=3.6), wordt bepaald op 1 januari 2029. Artikel 2. ([Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278)) 1. De termijn, bedoeld in [artikel 15.4, tweede lid, van het Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=15.4), loopt tot 1 januari 2026. 2. De termijn, bedoeld in [artikel 15.4, derde lid, van het Omgevingsbes"},{"i":7025,"b":"Instellingsbesluit Dienst van de Huurcommissie Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad, Gelet op [artikel 10, eerste lid van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Aan de Huurcommissie wordt de status van baten-lastendienst als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10), verleend. 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: Dienst van de Huurcommissie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Dienst van de Huurcommissie. Deze regeling zal in de **Staatscourant** worden geplaatst."},{"i":5914,"b":"Besluit van 5 september 2005, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter en leden van de onafhankelijke adviescommissie Benoeming raad van toezicht NOS Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. C. van der Laan, van 30 augustus 2005, nr. MLB/JZ/2005/36.734; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de voorzitter en leden van de onafhankelijke adviescommissie Benoeming raad van toezicht NOS, ingesteld bij besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. C. van der Laan, van 25 augustus 2005, kenmerk MLB/JZ/2005/36.582, wordt in plaats van een vacatiegeld een eenmalige vaste beloning toegekend van € 3950,–. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5915,"b":"Toepassing artikel 19e, achtste lid, Boek 1 BW Aan: de ambtenaren van de burgerlijke stand Bij de herziening van de regelgeving inzake de burgerlijke stand, in werking getreden op 1 januari 1995, is [artikel 19e, achtste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=19e) ingevoerd. Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid voor de ambtenaar van de burgerlijke stand om bij de aangifte van de geboorte van een kind de aangever te verzoeken een verklaring over te leggen van de arts of verloskundige die bij de bevalling aanwezig was. Deze verklaring houdt in dat het kind uit de opgegeven moeder is geboren. In het geval dat het kind geboren is, zonder dat er een arts of verloskundige aanwezig was, kan de verklaring door een zodanige hulpverlener nadien worden opgemaakt. Bij voormelde brief van de Staatssecretaris van Justitie is deze regeling onder uw aandacht gebracht. Recent heeft zich een geval voorgedaan waarin aangifte van geboorte werd gedaan van een niet bestaand kind. Gelet op de ernst van de zaak, heb ik naar aanleiding van bedoeld geval de Tweede Kamer toegezegd deze regeling ter voorkoming van fraude in andere gevallen wederom onder uw aandacht te brengen. Ik verzoek u derhalve bij deze om bij aangiften van geboorte alert te zijn op eventuele onduidelijkheden of onjuistheden met betrekking tot de gegevens die de aangever u verstrekt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan onduidelijkheden omtrent de identiteit van de aangever, de plaats en het tijdstip van de geboorte van het kind alsmede aan de situatie waarin de gegevens die de aangever verstrekt met betrekking tot de moeder niet overeenstemmen met gegevens die over haar in de gba zijn opgenomen. Indien bedoelde onduidelijkheden of onjuistheden bij u tot twijfel leiden omtrent de geboorte in kwestie, wordt u met klem aangeraden de aangever te verzoeken om overlegging van een verklaring als bedoeld in [artikel 19e, achtste lid, van Boek 1 van het Burgerlij"},{"i":5916,"b":"Toepassing besluit 3 april 1998 (uitsluiting bepaalde categorieën asielzoekers van verstrekking Rva 1997) Circulaire aan het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers te Rijswijk Geacht Bestuur, Naar aanleiding van uw daartoe strekkende verzoek van 25 november 1998 en gelet op het voortduren van de capacitaire noodsituatie in de centrale opvang, verleen ik u hierbij mijn toestemming om – indien dat naar uw oordeel noodzakelijk is – het [besluit van 3 april 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009535) (Stcrt. 67) toe te passen tot 1 juli 1999. Ingevolge de afspraken die ik daarover gemaakt heb met de VNG en het IPO tijdens het bestuurlijke overleg op 12 november 1998 zult u dit besluit, waar nodig na een redelijke overgangstermijn, vooralsnog toepassen onder de volgende condities. De vervangende verstrekkingen als bedoeld in [artikel 2 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009535&artikel=2) kunt u aanbieden aan asielzoekers die ten minste 6 maanden in Nederland zijn, in het bezit zijn van een beschikking in eerste aanleg en geen aanzegging tot vertrek uit Nederland hebben gekregen. Betreffende asielzoekers zullen er door u op gewezen worden dat zij zich in dienen te schrijven in het GBA in de gemeente waarin zij woonachtig zullen zijn en de gemeente wordt door u geïnformeerd over de komst van de asielzoekers. Tevens zult u met de betreffende gemeente nadere afspraken maken over een activiteitenaanbod aan deze asielzoekers."},{"i":6182,"b":"Besluit van 10 september 2013, houdende regels ter uitvoering van de Warmtewet (Warmtebesluit) Op de voordracht van onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 31 januari 2011, nr. WJZ / 11014240; Gelet op de [artikelen 5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=5), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=6), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=10), [12a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=12a), en [20 van de Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=20); De Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 april 2011, nr. W 15.11.0025/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 5 september 2013, nr. WJZ / 13132674; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aanvrager:** degene die een vergunning voor de levering van warmte aanvraagt; - –. **vergunning:** de vergunning, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=10); - –. **warmte koude systemen:** systemen als bedoeld in [artikel 1a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033940&paragraaf=2&artikel=1a&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - –. **wet:** de [Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729). 2. De in dit besluit en de daarop berustende bepalingen bedoelde tarieven en bedragen zijn inclusief BTW. § 2. Tariefregulering Artikel 2 De maximumprijs voor de levering van warmte bestaat uit een gebruiksafhankelijk en gebruiksonafhankelijk deel en wordt vastgesteld met inachtneming van de formule: Pmaxw = VKw + Pw * Ww waarbij: Pmaxw = de maximumprijs voor de levering van warmte in het jaar t; VKw = de vaste kosten in het jaar t, uitgedrukt in euro; Pw = de variabele kosten in het jaar t, uitgedrukt in euro per gigajoul"},{"i":9528,"b":"Verdrag nopens de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van vreemde vennootschappen, verenigingen en stichtingen De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend; Verlangend gemeenschappelijke regelen vast te stellen nopens de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van vreemde vennootschappen, verenigingen en stichtingen; Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De rechtspersoonlijkheid, die door een vennootschap, een vereniging of een stichting is verkregen krachtens de wet van de verdragsluitende Staat, alwaar aan de formaliteiten van inschrijving of openbaarmaking is voldaan en waar zich de statutaire zetel bevindt, wordt van rechtswege in de andere verdragsluitende Staten erkend, mits zij, behalve de bevoegdheid in rechte op te treden, tenminste inhoudt de bevoegdheid goederen te bezitten, overeenkomsten te sluiten en andere rechtshandelingen te verrichten. De rechtspersoonlijkheid, verkregen zonder formaliteit van inschrijving of publikatie, wordt onder dezelfde voorwaarde van rechtswege erkend, indien de vennootschap, de vereniging of de stichting is opgericht in overeenstemming met de wet die haar beheerst. Artikel 2 Nochtans behoeft de rechtspersoonlijkheid, verkregen overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, niet erkend te worden in een andere verdragsluitende Staat, wiens wet de werkelijke zetel in aanmerking neemt, indien aldaar aangenomen wordt dat die zetel zich op het grondgebied van die Staat bevindt. De rechtspersoonlijkheid behoeft niet erkend te worden in een andere verdragsluitende Staat, wiens wet de werkelijke zetel in aanmerking neemt, indien aldaar aangenomen wordt dat die zetel zich bevindt in een Staat, wiens wet die zetel eveneens in aanmerking neemt. De vennootschap, de vereniging of de stichting wordt geacht haar werkelijke zetel te hebben ter plaatse waar haar hoofdadministratie is gevestigd. De bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel zijn niet van toepassing indien d"},{"i":5899,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 21 augustus 2025, nr. IENW/BSK-2025/217504, houdende vaststelling van de Tijdelijke subsidieregeling Samenwerking in de logistieke keten [KetenID WGK027847] Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), [23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23), en [26, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=26); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Inhoudelijke bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Kaderbesluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381); - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **RVO:** Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. - **verklaring de-minimissteun:** verklaring dat subsidieverstrekking niet zal leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond; - **verordening 2018/858:** [verordening (EU) 2018/858](32018R0858) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van [Verordeningen (EG) nr. 715/2007](32007R0715) en [(EG) nr. 595/2009](32009R0595) en tot intrekking van [Richtlijn 2007/46/EG](32007L0046) (PbEU 2018, L151). Artikel 1.2. Do"},{"i":6642,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 8 april 2022, nr. IENW/BSK-2022/69195, tot wijziging van de Subsidieregeling circulaire economie Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5), en de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), en [22, tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling Circulaire Economie. Artikel II De [Subsidieregeling circulaire economie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043251) zoals die regeling luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, blijft van toepassing op besluiten die betrekking hebben op een subsidie die in het kalenderjaar 2020 of het kalenderjaar 2021 is aangevraagd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7357,"b":"Wet van 18 april 2002 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek alsmede enige andere wetten in verband met de openbaarmaking van de bezoldiging en het aandelenbezit van bestuurders en commissarissen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat bepaalde naamloze vennootschappen informatie verschaffen omtrent de bezoldiging en het aandelenbezit van bestuurders en commissarissen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt Boek 2 Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL II Wijzigt de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996. ARTIKEL III Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet op de economische delicten. ARTIKEL V Iedere bestuurder en commissaris van een vennootschap die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beschikt over aandelen in het kapitaal van de vennootschap of in het kapitaal van met de vennootschap gelieerde vennootschappen, dan wel over stemmen die op het geplaatste kapitaal van de vennootschap en op het geplaatste kapitaal van met de vennootschap gelieerde vennootschappen kunnen worden uitgebracht, doet hiervan binnen vier weken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet melding aan de vennootschap en aan Onze Minister. ARTIKEL VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6643,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 10 mei 2010, nr. WJZ/10041241, houdende wijziging van de Subsidieregeling energie en innovatie in verband met enkele aanpassingen en het vaststellen van twee tenders Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), [34, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=34), [50, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=50) en [artikel 2 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling energie en innovatie. Artikel II Wijzigt de Subsidieregeling energie en innovatie. Artikel III Wijzigt de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2010. Artikel IV 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. De [Subsidieregeling energie en innovatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026952) zoals die luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van deze regeling blijft van toepassing op aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling verstrekt. 3. Het tweede lid is niet van toepassing op [artikel I, onderdelen A en B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027645&artikel=I&z=2010-05-19&g=2010-05-19). Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9529,"b":"Verdrag nopens de oprichting van de “Eurofima”, Europese Maatschappij tot financiering van spoorwegmaterieel De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, Zweden, de Zwitserse Bondsstaat en de Federale Volksrepubliek Zuidslavië, overwegende, dat de spoorwegen hun taak in de algemene economie slechts dan kunnen vervullen, indien zij in staat zijn de met een normale vernieuwing en een noodzakelijke modernisering van rollend materieel verband houdende investeringen uit te voeren; dat de in de standaardisering van het materieel en in de gemeenschappelijke exploitatie bereikte vooruitgang hun logische aanvulling vinden in de invoering van een systeem van internationale financiering van de inkopen; overwegende, dat een dergelijke financiering wezenlijk kan bijdragen tot de consolidatie van de prestaties op technisch gebied verricht om een voortschrijdende Europese integratie van de spoorwegen te verzekeren; dat deze financiering zich in het bijzonder leent voor rollend materieel, samengesteld uit gestandaardiseerde eenheden, waarvan de eigendom gemakkelijk van het ene aan het andere land kan worden overgedragen; overwegende, dat de Duitse Bondsspoorwegen, de Nationale Maatschappij der Franse spoorwegen, de Italiaanse Staatsspoorwegen, de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, de Zwitserse Bondsspoorwegen, de N.V. Nederlandsche Spoorwegen, de Zweedse Staatsspoorwegen, het Nationale Net van Spaanse Spoorwegen, de Nationale Maatschappij der Luxemburgse Spoorwegen, de Zuid-slavische Spoorwegen, de Maatschappij der Portugese Spoorwegen, de Oostenrijkse Bondsspoorwegen, de Deense Staatsspoorwegen, de Noorse Staatsspoorwegen, zijn overeengekomen de „Eurofima”, Europese Maatschappij tot financiering van spoorwegmaterieel (hierna te"},{"i":4957,"b":"Besluit van de Bestuurskamer van 8 februari 2008, houdende mandatering aan de secretaris van de Bestuurskamer van de bevoegdheden van de Bestuurskamer in het kader van de heffing op grond van artikel 46a van de Wet op de ondernemingsraden (Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2008) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Verordening heffing scholing en vorming van ondernemingsraadsleden 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023763&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2008 in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. secretaris: secretaris van de Bestuurskamer; - b. verordening: [Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023763). § 2. Mandaatverlening Artikel 2 1. De secretaris kan namens de Bestuurskamer besluiten nemen op grond van [artikel 2, eerste lid, van de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023763&artikel=2). 2. De secretaris kan ondermandaat verlenen. § 3. Slotbepalingen Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023763) in werking treedt. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2008."},{"i":6427,"b":"Besluit van 15 september 1988, houdende wijziging van a het Besluit herziening bezoldiging militairen zeemacht 1954 (Stb. 50) b de Regeling inkomsten militairen land- en luchtmacht 1969 (Stb. 1968, 523) c de Regeling betreffende de aanspraken van militairen der zeemacht op een jaarlijkse vakantie-uitkering (Stb. 1954, 607), in verband met de verhoging van de leeftijdsgrens van het volwassenensalaris en verscherping van de staffeling in de jeugdsalarissen Op de voordracht van Onze Minister van Defensie a.i. van 26 juli 1988, Afdeling arbeidsvoorwaarden militair personeel, nr. D88/091/23352; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) (**Stb.** 519); De Raad van State gehoord (advies van 26 augustus 1988, nr. W07.88.0433); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 8 september 1988, nr. D 88/091/26523; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV. Overgangsbepalingen 1. Voor de militair die op 30 september 1988 de leeftijd van 22 jaar nog niet had bereikt en voor wie op die dag een bezoldiging gold als vermeld in de bezoldigingsschaal bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit herziening bezoldiging militairen zeemacht 1954, dan wel als vermeld in de bijlage A of B behorende bij artikel 28, tweede lid, van de Regeling inkomsten militairen land- en luchtmacht 1969, zoals deze luidden op 30 september 1988, geldt, zo lang die militair de leeftijd van 22 jaar nog niet heeft bereikt, de hieronder vermelde bezoldiging dan wel wedde: | Diensttijd | MATR3 | MATR2 | MATR1 | KPL | SGT | LTZ3 | LTZ2 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | J16 | 1317 | 1391 | 1707 | - | - | - | - | | J17 | 1475 | 1558 | 1912 | - | - | - | - | | J18 | 1633 | 1725 | 2117 | 2190 | 2265 | 2817 | - | | J19 | 1791 | 1892 | 2321 | 2402"},{"i":7333,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 oktober 2013, nr. Minbuza-2013.295689, tot wijziging van de Sanctieregeling Iran 2012 in verband met een uitbreiding van de groep personen die over een ontheffing dient te beschikken Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op Resolutie 1737 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 23 december 2006; Gelet op Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van de Europese Unie van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 961/2010 (Pb L 88); Gelet op Besluit 2010/413/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB (Pb L 195); Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Sanctieregeling Iran 2012. Artikel II Het verbod, bedoeld in [artikel 5 van de Sanctieregeling Iran 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031496&artikel=5), zoals gewijzigd bij deze regeling, geldt niet voor het aanbieden van kennis als bedoeld in dat artikel aan de student die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling reeds bij de desbetreffende instelling voor hoger onderwijs was ingeschreven met het oog op het volgen van onderwijs of het verrichten van onderzoek op een kennisgebied waarop de bijlage bij die regeling, zoals luidend op het tijdstip van inschrijving, betrekking had en aan wie ontheffing was verleend op grond van artikel 5 van de Sanctieregeling Iran 2012, zoals luidend voorafgaand aan inwerkingtreding van deze regeling, dan wel die op grond van laatstbedoeld artikel geen ontheffing nodig had. Artikel III Deze regeling treedt in werk"},{"i":7548,"b":"Besluit limitering aansprakelijkheid telecommunicatie BES Artikel 1 De aansprakelijkheid van het openbaar lichaam of de houder van de concessie, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=10) strekt zich niet verder uit dan tot: - a. een bedrag van USD 1.117.320,– per gebeurtenis bij schade als gevolg van dood of lichamelijk letsel; - b. een bedrag van USD 1.117.320,– per gebeurtenis bij schade als gevolg van een handelen in strijd met de [artikelen 390](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=390), [390 bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=390bis) en [391 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=391); - c. een bedrag van USD 2800 per benadeelde bij schade als bedoeld in [artikel 10, eerste lid aanhef en onderdeel c, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=10), met een maximum van USD 1.117.320,– per gebeurtenis. Artikel 2 Indien ten gevolge van een gebeurtenis als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028336&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) meer dan een vordering ontstaat en de gezamenlijke vorderingen de daarbij per gebeurtenis gestelde maxima te boven gaan worden de vorderingen naar evenredigheid van de omvang daarvan voldaan. Artikel 3 Dit besluit berust op [artikel 10, tweede lid, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=10). Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit limitering aansprakelijkheid telecommunicatie BES."},{"i":7565,"b":"Besluit van 19 december 2012, houdende regels inzake taken op het terrein van telecommunicatie en post en inzake vergoedingen op het terrein van post met betrekking tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit taken telecommunicatie en post en vergoedingen post BES) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, van 30 oktober 2012, nr. WJZ / 12331692; Gelet op de [artikelen 44b, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=44b), en [44e, vijfde lid, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=44e) en de [artikelen 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=14), en [27, tweede lid, van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=27); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 november 2012, nr. W 15.12.0467/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 13 december 2012, nr. WJZ / 12379616; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Autoriteit Consument en Markt: Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2). Artikel 2 De Autoriteit Consument en Markt heeft tot taak: - a. het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263) betreffende het vervoer van postzendingen, uitgezonderd het bepaalde in [artikel 19 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=19); - b. het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469), voor zover het betreft: - i. het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":5163,"b":"Rechten bij invoer, economische douaneregeling behandeling onder douanetoezicht; douanewaarde invoergoederen vermeerderd met behandelingskosten De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Aan mij is de vraag voorgelegd over de douanewaarde bij de economische douaneregeling behandeling onder douanetoezicht. De vraag en het antwoord zijn hierna opgenomen. Vraag Bij de economische douaneregeling behandeling onder douanetoezicht kan de douanewaarde van de behandelde producten worden gebaseerd op de douanewaarde van de invoergoederen vermeerderd met de behandelingskosten. Hoe moet de douanewaarde van de behandelde producten worden vastgesteld als gebruik wordt gemaakt van de douanewaarde van invoergoederen vermeerderd met de behandelingskosten ingevolge artikel 551, lid 3 van [Verordening (EEG) nr. 2454/93](31993R2454)? Antwoord Bij de economische douaneregeling behandeling onder douanetoezicht kan de douanewaarde van de behandelde producten worden vastgesteld aan de hand van de douanewaarde van de invoergoederen vermeerderd met de behandelingskosten op verzoek van de aangever (artikel 551, lid 3 van [Verordening (EEG) nr. 2454/93](31993R2454)). De douanewaarde van de invoergoederen wordt berekend met behulp van de algemene methoden die voor het vaststellen van de douanewaarde bij de artikelen 29, 30 en 31 van [Verordening (EEG) nr. 2913/92](31992R2913) zijn vastgesteld. Onder behandelingskosten wordt verstaan alle kosten die noodzakelijk zijn voor het vervaardigen van de behandelde producten met inbegrip van de algemene kosten (overheads) en met inbegrip van de waarde van de communautaire goederen voor zover die voor het vervaardigen van de behandelde producten zijn gebruikt (artikel 551, lid 3 van [Verordening (EEG) nr. 2454/93](31993R2454)). Winst die in het douanegebied van de Gemeenschap is gemaakt behoeft niet in de douanewaarde van de behandelde producten te worden inbegrepen. De douanewaarde van de b"},{"i":7510,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 5 november 2025, nr. 2025-0000034685, houdende de aanwijzing van de Functionaris voor gegevensbescherming voor de AVG en van de plaatsvervangend Functionaris voor gegevensbescherming voor de AVG bij het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Gelet op artikel 37 van [Verordening (EU) 2016/679](32016R0679) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (Algemene Verordening Gegevensbescherming) (PbEU 2016, L119/1); en [titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2); Besluit: Artikel 1 1. Als Functionaris voor gegevensbescherming (FG) voor de Algemene Verordening Gegevensbescherming is aangewezen de heer J. Chou. 2. Als plaatsvervangend Functionaris (pFG) voor gegevensbescherming voor de Algemene Verordening Gegevensbescherming is aangewezen mevrouw mr. N. Kesar. Artikel 2 1. De FG is belast met de taken zoals omschreven in artikel 39 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en voert deze taken uit in volledige onafhankelijkheid. 2. De FG vervult zijn taken voor alle situaties waarin de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening geldt als (al dan niet gezamenlijk) verwerkingsverantwoordelijke of als verwerker. 3. De pFG treedt in de plaats van de FG bij verhindering of (tijdelijke) afwezigheid met dezelfde bevoegdheden en verantwoordelijkheden als genoemd in het eerste lid. Artikel 3 Dit besluit geldt voor het gehele Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Artikel 4 1. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Dit besluit werkt voor de FG terug tot en met 1 november 2021. 3. Dit besluit we"},{"i":9530,"b":"Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, Canada, het Koninkrijk Denemarken, Spanje, de Verenigde Staten van Amerika, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, Ierland, de Republiek IJsland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk Zweden, de Zwitserse Bondsstaat en de Turkse Republiek; Overwegende, dat economische kracht en welvaart van wezenlijk belang zijn voor het bereiken van de doeleinden van de Verenigde Naties, het behoud van de persoonlijke vrijheid en de toename van het algemeen welzijn; Van oordeel, dat zij deze doelstellingen op zeer doeltreffende wijze kunnen bevorderen door de traditie van samenwerking die tussen hen is ontstaan te versterken; Erkennende, dat het economische herstel en de economische vooruitgang van Europa, waaraan zij door hun deelneming aan de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking een belangrijke bijdrage hebben geleverd, nieuwe vooruitzichten hebben geopend voor een versterking van die traditie en voor de toepassing daarvan ten aanzien van nieuwe taken en meer omvattende doelstellingen; Overtuigd, dat een samenwerking op bredere basis een wezenlijke bijdrage zal vormen tot vreedzame en harmonische betrekkingen tussen de volkeren; Erkennende, dat hun volkshuishoudingen in toenemende mate van elkaar afhankelijk zijn; Vastbesloten om door middel van overleg en samenwerking hun huidige en toekomstige mogelijkheden op meer doeltreffende wijze te gebruiken teneinde een optimale groei van hun volkshuishoudingen te bevorderen en het economische en sociale welzijn van hun volkeren te verbeteren; Van oordeel, dat de economisch meer ontwikkelde landen dienen samen te werken teneinde de landen die een economisch ontwikkelingspr"},{"i":6189,"b":"Wet van 14 november 2002 tot wijziging van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 met het oog op het opheffen van enige verschillen tussen deze wetten en het in die wetten expliciteren van integriteit als onderwerp van toezicht, alsmede in verband met enige noodzakelijke technische aanpassingen (Wet actualisering en harmonisatie financiële toezichtswetten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet toezicht beleggingsinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004809), de [Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657), de [Wet toezicht kredietwezen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792), de [Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007477) en de [Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509) te wijzigen met het oog op het opheffen van enige verschillen tussen deze wetten en het in die wetten expliciteren van integriteit als onderwerp van toezicht, alsmede in verband met enige noodzakelijke technische aanpassingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht beleggingsinstellingen. Artikel II Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Artikel III Wijzigt de Wet toezicht kredietwezen 1992. Artikel IV Wijzigt de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf. Artikel V Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Artikel VI Wijzigt de Wet melding zeggenschap 1996. Artikel VII Wijzigt de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IX"},{"i":9531,"b":"Verdrag nopens de rechtspositie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, van de nationale vertegenwoordigers bij haar organen en van haar internationale staf De Staten die dit Verdrag ondertekenen, Overwegende dat het voor de uitoefening van hun functies en de vervulling van hun zending noodzakelijk is dat de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, haar internationale staf en de vertegenwoordigers van Staten-Leden, die vergaderingen bijwonen van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, de status hebben welke hieronder vermeld is, Zijn overeengekomen als volgt: TITEL I. Algemeen Artikel 1 In dit Verdrag - (a). betekent „de Organisatie”, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie bestaande uit de Raad en de hulporganen; - (b). betekent „de Raad”, de Raad ingesteld krachtens [artikel 9 van het Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760&artikel=9), en de Plaatsvervangende Leden van de Raad; - (c). betekent „hulporganen”, ieder orgaan, comité of dienst ingesteld door de Raad of geplaatst onder zijn gezag, behalve die waarop in overeenstemming met artikel 2 dit Verdrag niet van toepassing is; - (d). omvat „Voorzitter van de Plaatsvervangende Leden van de Raad”, tijdens zijn afwezigheid, eveneens de Vice-Voorzitter die voor hem optreedt. Artikel 2 Dit Verdrag is niet van toepassing op enig militair hoofdkwartier ingesteld ingevolge het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), noch, tenzij de Raad anders beslist, op enig ander militair lichaam. Artikel 3 De Organisatie en de Staten-Leden zullen te allen tijde samenwerken teneinde de juiste rechtsbedeling te vergemakkelijken, de inachtneming van politiemaatregelen te verzekeren en elk misbruik in verband met de immuniteiten en voorrechten, vermeld in dit Verdrag, te voorkomen. Indien een Staat, welke lid van de Organisatie, van mening is dat er misbruik is gemaakt van enige immuniteit of enig voorrecht verleend door dit Verdrag, zal er tussen die Staat en"},{"i":6193,"b":"Wet van 17 oktober 2018, houdende regels met betrekking tot de begroting en verantwoording van de kosten van het toezicht van de Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank en de financiering van de toezichtkosten (Wet bekostiging financieel toezicht 2019) Hoofdstuk 1. Algemeen Hoofdstuk 1. Algemeen Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording toezichthouders Hoofdstuk 3. Vergoeding van de kosten Artikel 16a. Evaluatiebepaling Onze Minister van Financiën zendt in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel 17. Intrekking [Wet bekostiging financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031659) De [Wet bekostiging financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031659) wordt ingetrokken. Artikel 18. Overgangsrecht 1. De [Wet bekostiging financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031659), zoals die wet luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op: - a. de vergoeding van kosten van de toezichthouders voor het behandelen van aanvragen en meldingen die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en de vergoeding van de overige kosten in de jaren voorafgaand aan het jaar waarop deze wet in werking treedt alsmede op bestuursrechtelijke procedures die volgen uit het in rekening brengen van een vergoeding voor de inwerkingtreding van deze wet; en - b. het afleggen van verantwoording door de toezichthouders over het jaar voorafgaand aan het jaar waarop deze wet in werking treedt. 2. [Artikel 1:104, eerste lid, onderdeel m, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:104) is van overeenkomstige toepassing op heffingen die verschuldigd zijn op grond van de [Wet bekostiging financieel toezicht](https://wetten.overheid."},{"i":9532,"b":"Verdrag nopens de rechtspositie van de Westeuropese Unie, van de nationale vertegenwoordigers bij haar organen en van haar internationale staf De Staten die dit Verdrag ondertekenen, Overwegende dat het voor de Westeuropese Unie, haar internationale staf en de vertegenwoordigers van Staten-Leden, die vergaderingen bijwonen van de Westeuropese Unie, noodzakelijk is een status te hebben welke de uitoefening van hun functies en de vervulling van hun zending vergemakkelijkt, Zijn overeengekomen als volgt: TITEL I. — ALGEMEEN Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen TITEL II. — DE ORGANISATIE Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen TITEL III. — PERMANENTE VERTEGENWOORDIGERS BIJ DE ORGANISATIE Artikel 11 Vervallen TITEL IV. — VERTEGENWOORDIGERS BIJ DE RAAD EN BIJ ZIJN HULPORGANEN Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen TITEL V. — VERTEGENWOORDIGERS BIJ DE VERGADERING Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen TITEL VI. — INTERNATIONALE STAF EN DESKUNDIGEN UITGEZONDEN VOOR DE ORGANISATIE Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Vervallen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen Artikel 23 Vervallen Artikel 24 Vervallen Artikel 25 Vervallen TITEL VII. — BESLECHTING VAN GESCHILLEN Artikel 26 Vervallen TITEL VIII. — AANVULLENDE VERDRAGEN Artikel 27 Vervallen TITEL IX. — SLOTBEPALINGEN Artikel 28 Vervallen Artikel 29 Vervallen In witness whereof the undersigned plenipotentiaries have signed the present Agreement. Done in Paris this 11th day of May, 1955, in French and in English, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall be deposited in the Archives of the Government of Belgium which will transmit a certified copy to each of the signatory States. TITEL I. — ALGEMEEN TITEL II. — DE ORGANISATIE TITEL III. — PERMANENTE VERTEGENWOORDIGERS BIJ DE ORGANISATIE TITEL IV. — VERTEGENWOOR"},{"i":6136,"b":"Besluit van 22 mei 2018, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit gastoestellen 2018 en wijziging van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten (Warenwetbesluit gastoestellen 2018) Op de voordracht van voor Medische Zorg van 29 maart 2018, kenmerk 1313167-174480-VGP, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op Verordening (EU) 2016/426 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende gasverbrandingstoestellen en tot intrekking van [Richtlijn 2009/142/EG](32009L0142) van het Europees Parlement en de Raad (PbEU. 2016, L 81/99), alsmede op de [artikelen 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7), [11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), [13a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13a), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b) en [artikel 16, eerste en tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 april 2018, no. W13.18.0079/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 17 mei 2018, kenmerk 1335991-175040-VGP; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **verordening (EU) 2016/426:** verordening (EU) 2016/426 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende"},{"i":9533,"b":"Verdrag nopens de tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechterlijke uitspraken [**Zie de Engelse tekst voor een opsomming van Staatshoofden**] Die het Protocol betreffende arbitrage-clausules, nedergelegd te Genève op 24 September 1923, hebben geteekend; Besloten hebbende een verdrag te sluiten teneinde dit Protocol aan te vullen, Hebben aangewezen als hun gevolmachtigden: [**Zie de Engelse tekst voor de lijst van gevolmachtigden**] welke na hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel 1 In de gebieden van elk der Hooge Verdragsluitende Partijen, waarop dit Verdrag van toepassing is, zal een scheidsrechterlijke uitspraak, gewezen ten gevolge van een compromis of van een compromissoire clausule als bedoeld in het Protocol betreffende arbitrage-clausules, ter onderteekening nedergelegd te Genève op 24 September 1923, als bindend worden erkend en de tenuitvoerlegging van deze uitspraak zal worden toegestaan, overeenkomstig de regelen van rechtsvordering, geldende in het gebied waar een beroep op de uitspraak wordt gedaan, mits deze uitspraak zal zijn gewezen in het gebied van een der Hooge Verdragsluitende Partijen, waarop dit Verdrag van toepassing is, en tusschen personen, die onderworpen zijn aan de rechtspraak van een der Hooge Verdragsluitende Partijen. Teneinde deze erkenning of deze tenuitvoerlegging te verkrijgen, zal het bovendien noodig zijn, dat: - a). de uitspraak is gewezen ingevolge een compromis of een compromissoire clausule, welke geldig zijn volgens de wetgeving, die er op van toepassing is; - b). het onderwerp van de uitspraak volgens de wetgeving van het land, waar daarop een beroep wordt gedaan, vatbaar is geregeld te worden langs scheidsrechterlijken weg; - c). de uitspraak gewezen is door het scheidsgerecht aangewezen in het compromis of in de compromissoire clausule, of dat samengesteld was overeenkomstig de tusschen partijen getroffen"},{"i":2055,"b":"Besluit van 27 oktober 1997, houdende aanpassing van de minimumcontributie voor omroepverenigingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, A. Nuis, van 3 oktober 1997, nr. MLB/JZ/1997/24 842; Gelet op [artikel 64, tweede lid, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=64); De Raad van State gehoord (advies van 13 oktober 1997, no. W05.97.0633); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, A. Nuis van 21 oktober 1997, nr. MLB/JZ/1997/28.196; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het in [artikel 64, eerste lid, onderdeel a, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=64) bedoelde minimumbedrag van € 4,54 per jaar wordt verhoogd tot € 5,72 per jaar. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen voordat dertig dagen zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is voorgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal, en evenmin indien binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in dit besluit geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3958,"b":"Besluit van 2 juni 1969, houdende regelen inzake ontheffing uit de functie en huiswaarts zenden van militaire ambtenaren der Koninklijke landmacht Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 16 april 1969, nr. P.133.373/C; Overwegende, dat het gewenst is de exploitatieuitgaven van de Koninklijke landmacht te verlagen onder meer door voor militairen van oudere leeftijd een regeling te treffen die kan leiden tot een vermindering van de feitelijk aanwezige sterkte aan militair personeel; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) (**Stb.** 519); De Raad van State gehoord (advies van 14 mei 1969, nr. 47); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 30 mei 1969, nr. P. 133.373/F; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister**: Onze Minister van Defensie; - b. **Militair**: - 1. de officier, op wie het gestelde in artikel 81 A van de Wet bevordering en ontslag beroepsofficieren (**Stb.** 1954, 575) van toepassing is; - 2. de tot het reserve-personeel behorende officier van de landmacht, wiens vrijwillig dienstverband hem tot doorlopende werkelijke dienst verplicht; - 3. de beroepsmilitair beneden de rang van tweede-luitenant behorende tot de Koninklijke landmacht, op wie het gestelde in artikel 116 B van het Reglement voor de militaire ambtenaren der Koninklijke Landmacht en der Koninklijke Luchtmacht (**Stb.** 1931, 378) van toepassing is; - c. laatstelijk genoten bezoldiging: - 1e. van de datum van ontheffing van de uitoefening van de functie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002657&artikel=2&z=1969-06-07&g=1969-06-07), af tot aan het tijdstip, bedoeld onder 2e: de som van de bij het vaststellen van de pensioengrondslag in beschouwing te nemen inkomsten en baten - in geld uitgedrukt -, waarop de militair op de dag voorafgaande aan de hie"},{"i":3083,"b":"Besluit van 14 maart 2017, houdende regels ter uitvoering van richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen (PbEU 2014, L 330) (Besluit bekendmaking niet-financiële informatie) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 15 november 2016, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2054502; Gelet op [artikel 391 lid 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=391); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 maart 2017, nr. W03.17.0016/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 7 maart 2017, nr 2054502; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Dit besluit is van toepassing op een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 398 lid 7 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=398) indien: - a. het gemiddeld aantal werknemers van de rechtspersoon over het boekjaar meer dan 500 bedraagt; en - b. de rechtspersoon op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, niet heeft voldaan aan ten minste een van de vereisten, bedoeld in [artikel 397 lid 1, onderdelen a en b, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=397). 2. Een rechtspersoon als bedoeld in lid 1 is vrijgesteld van de vereisten van dit besluit indien zijn financiële gegevens en de financiële gegevens die hij zou moeten consolideren zijn opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening van een andere rechtspersoon die in zijn bestuursverslag de mededelingen, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039355&artikel=3&z=2017-03-24&g=2017-03-24), heeft gedaan. Artikel 2 1. De rechtspersoon maakt als onder"},{"i":3825,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juni 2022, kenmerk 3379981-1030686-OBP, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmachten aan de programmadirecteur en diens plaatsvervanger van het programma Covid-19 Informatie en Coördinatie Gelet op de [artikelen 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a), [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17) en [artikel 10 van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Voor de duur van het programma Covid-19 Informatie en Coördinatie heeft een programmadirecteur de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma en met inachtneming van de kaders zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923), de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710) en de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768). Artikel 2 Voor de duur van het programma Covid-19 Informatie en Coördinatie kan diens programmadirecteur een van de leden van het managementteam als plaatsvervanger aanwijzen die bij diens verhindering of afwezigheid de besluiten kan nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen kan verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma en met inachtneming van de kaders zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923), de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710) en de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768). Artikel 3 Dit"},{"i":4157,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 21 april 2025, nr. WJZ/ 97454315 tot vaststelling van de definitieve correctiebedragen Subsidieregeling tot coöperatieve energieopwekking voor 2024 (Besluit vaststelling definitieve correctiebedragen voor 2024 bij de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking) [KetenID WGK 27592] Gelet op [artikel 6, tweede lid, van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **netlevering:** elektriciteit die op het elektriciteitsnet wordt ingevoed; - **niet-netlevering:** elektriciteit die op een installatie wordt ingevoed; - **openstellingsbesluit 2021:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883); - **openstellingsbesluit 2022:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046275); - **openstellingsbesluit 2023:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047507); - **openstellingsbesluit 2024:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049501); - **regeling:** [Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882). Artikel 2. Vaststelling definitief correctiebedrag Voor een categorie productie-installaties als bedoeld in de eerste en tweede kolom van onderstaande tabel wordt het definitieve correctiebedrag, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=6), voor 2024 vastgesteld op het bedrag dat is opgenomen in de derde kolom van onderstaande tabel. | 1 | 2 | 3 | | --- | --- | --- | | Artikel [openstellingsbesluit 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883) | Omschrij"},{"i":4302,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van 20 november 2023, kenmerk TRCNVWA/2023/5345, houdende het verlenen van ondertekeningsmandaat voor artikel 66 van Verordening (EU) nr. 2017/625 aan functionarissen van de keuringsdiensten (Besluit verlenen ondertekeningsmandaat voor artikel 66 van verordening 2017/625 aan de keuringsdiensten 2023) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), de [Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194) en [artikel 10, eerste en vierde lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=10); Gezien de schriftelijke instemming van de technisch directeur Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau, de directeur Stichting Bloembollenkeuringsdienst, de directeur Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw en de directeur Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed voor landbouwgewassen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het KCB:** de Stichting Kwaliteits-Controle-Bureau; - b. **de BKD:** de Stichting Bloembollenkeuringsdienst; - c. **de Naktuinbouw:** de Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw; - d. **de NAK:** de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen; - e. **verordening 2017/625:** [Verordening (EU) 2017/625](32017R0625) van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), [(EU)"},{"i":9536,"b":"Verdrag nopens de vrijheid van de doorvoer met Statuut 1) Hieronder volgt de lijst van de Staten, die ter Conferentie van Barcelona vertegenwoordigd waren; de lijst van de Staten, die het verdrag onderteekend hebben, volgt op den tekst van het verdrag [Red: niet opgenomen].Albanië, Oostenrijk, België, Bolivia, Brazilië, Bulgarije, Chili, China, Columbia, Costa Rica, Cuba, Denemarken, het Britsche Rijk (met Nieuw-Zeeland en Britsch-Indië), Spanje, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Guatemala, Haïti, Honduras, Italië, Japan, Letland, Lithauen, Luxemburg, Noorwegen, Panama, Paraguay, Nederland, Perzië, Polen, Portugal, Roemenië, de Servisch-Croatisch-Sloveensche Staat, Zweden, Zwitserland, Tsjecho-Slowakije, Uruguay en Venezuela, wenschende de vrijheid van verkeer en van doorvoer te waarborgen en te handhaven, overwegende dat zij op dit terrein de bedoeling van Artikel 23**e** van het Volkenbondverdrag het best zullen kunnen verwezenlijken door middel van algemeene verdragen, tot welke andere mogendheden later kunnen toetreden, erkennende dat het van belang is het recht van vrijen doorvoer te proclameeren en te regelen als een der beste middelen om de samenwerking der Staten te ontwikkelen, zonder schade aan hunne rechten en souvereiniteit of autoriteit over de wegen, waarlangs de doorvoer geschiedt, de uitnoodiging aangenomen hebbende van den Volkenbond om aan een te Barcelona den 10den Maart bijeengeroepen Conferentie deel te nemen en kennis genomen hebbende van de slotakte van deze conferentie, verlangend om van nu af aan in werking te doen treden de bepalingen van het Statuut, betreffende den doorvoer per spoor en te water, waartoe besloten is, willende tot dat doel een verdrag sluiten, hebben de Hooge Verdragsluitende Partijen te dien einde tot hare Gevolmachtigden benoemd: De Voorzitter van den Hoogen Raad van Albanië: Monseigneur Fan S. NOLI, Parlementslid; De President van de Oostenrijksche Republiek: den heer Henri REINHARDT, Ministerialrat; Zijne Majes"},{"i":5302,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juni 2018, kenmerk 1358163-177565-BPZ, houdende regels voor de bezoldiging en beheerskosten van bestuursorganen volksgezondheid (Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS 2018) Gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14) en [32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=32), [artikel 14 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=14), de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=20) en [26 van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=26), de [artikelen 59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=59a) en [75 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=75) en de [artikelen 6.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.2.5) en [7.2.3 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=7.2.3); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **het College sanering:** het College sanering zorginstellingen, genoemd in [artikel 19, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=19); - c. **het Zorginstituut:** het Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - d. **de zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - e. **het CAK:** het CAK, genoemd in [artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.o"},{"i":9538,"b":"Verdrag nopens de wetten en gebruiken van de oorlog te land Zijne Majesteit de Duitsche Keizer, Koning van Pruisen; . . . . . . . . . . [**zie de namen van de overige Staatshoofden in de Franse tekst**]; Overwegende dat, hoezeer ook naar de middelen gezocht wordt om den vrede te waarborgen en strijd met de wapenen tusschen de volken te voorkomen, toch ook het geval behoort te worden voorzien, dat gebeurtenissen, die hunne zorg niet mocht hebben kunnen afwenden, het beroep op de wapenen zouden te weeg brengen; Bezield met het verlangen, ook in dit uiterste geval, de belangen der menschheid en de steeds voortschrijdende eischen der beschaving te dienen; Oordeelende, dat het te dien einde noodig is de algemeene wetten en gebruiken van den oorlog te herzien, hetzij met het doel deze nauwkeuriger te omschrijven, hetzij om daarin zekere grenzen te stellen, bestemd om de hardheid er van zooveel mogelijk te beperken; Hebben het noodig geoordeeld op zekere punten aan te vullen en nader te bepalen het werk van de Eerste Vredesconferentie, die, ten gevolge der Conferentie van Brussel van 1874, bezield door deze, door eene wijze en edelmoedige voorzorg aanbevolen overwegingen, voorschriften heeft aangenomen die ten doel hebben de gebruiken van den oorlog te land te omschrijven en te regelen. Volgens de opvatting der Hooge Verdragsluitende Partijen zijn deze voorschriften, bij welker vaststelling de wensch heeft voorgezeten de rampen van den oorlog te verminderen, voor zoover de militaire noodzakelijkheid zulks toelaat, bestemd om tot algemeenen gedragsregel te strekken voor de oorlogvoerenden in hunne betrekkingen tot elkander en tot de bevolkingen. Het is evenwel niet mogelijk geweest reeds thans voorschriften te beramen, toepasselijk op alle omstandigheden, welke zich in de werkelijkheid voordoen. Intusschen kon het niet in de bedoeling der Hooge Verdragsluitende Partijen liggen, dat de niet voorziene gevallen, bij gebreke van eene geschreven bepaling, zouden zijn overgelaten"},{"i":7287,"b":"Wet van 1 oktober 2025, houdende invoering van regels met betrekking tot de integriteit en het loopbaanvervolg van bewindspersonen, alsmede een tweetal wijzigingen van de Wet adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers (Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is een wettelijke grondslag te creëren voor het vaststellen van een gedragscode voor bewindspersonen en regels te stellen die tot doel hebben duidelijkheid over het mogelijke loopbaanvervolg van bewindspersonen te bevorderen, alsmede een tweetal wijzigingen in de [Wet adviescolleges rechtspositie politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045946) door te voeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: - –. **adviescollege:** adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers als bedoeld in [artikel 1 van Wet adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045946&artikel=1); - –. **dienstverband:** aanstelling, arbeidsovereenkomst of andere titel op grond waarvan tegen betaling opgedragen taken worden verricht; - –. **bewindspersoon:** minister of staatssecretaris; - –. **gewezen bewindspersoon:** bewindspersoon aan wie door Ons ontslag is verleend; - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - –. **voormalig ministerie:** het ministerie of de ministeries waarvoor de gewezen bewindspersoon binnen de periode van twee jaar voor zijn ontslag werkzaamheden heeft verricht. Artikel 1a De Minister-President stelt, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, een gedragscode voor bewindspersonen vast. Artikel 2 1. Een bewindspersoon of een ge"},{"i":9539,"b":"Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen De Regeringen van België, Denemarken, Finland, Frankrijk, IJsland, Nederland, Noorwegen en Zweden; Overwegende, dat verschillen in de voorschriften voor de meting van zeeschepen en in de toepassing van zodanige voorschriften tot ernstig ongerief kunnen leiden, bestaande in een ongelijke behandeling van de schepen en belemmerende formaliteiten en onnodige kosten veroorzaken; Verlangende derhalve praktische uitwerking te geven aan het voorbereidende werk gedurende een aantal jaren ondernomen met betrekking tot het opheffen van dergelijke verschillen door het vaststellen van eenvormige voorschriften voor de meting van zeeschepen, gebaseerd op het stelsel, toegepast door de meeste zeevarende landen; Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben als hun Gevolmachtigden de volgende personen aangewezen: **De Regering van België:** G. de Winne, Hoofd-Ingenieur, Directeur bij de Marine-Administratie; **De Regering van Denemarken:** P. Fischer, Scheepvaartkundig Hoofd-Ingenieur bij de Scheepvaartafdeling van het Ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart; J. Christiansen, Afdelingshoofd bij het Ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart; **De Regering van Finland:** W. K. Åström, Hoofd-Inspecteur voor de Scheepsmeting; **De Regering van Frankrijk:** Z.E. J. F. Blondel, Ambassadeur in Noorwegen; **De Regering van IJsland:** O. T. Sveinsson, Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart; **De Regering van Nederland:** A. van Driel, Hoofd-Ingenieur en Hoofd-Inspecteur voor de Scheepsmeting (afgetreden); H. E. Scheffer, Administrateur bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (Directoraat-Generaal van Scheepvaart); E. Smit Fzn., Hoofd-Ingenieur en Hoofd-Inspecteur voor de Scheepsmeting; **De Regering van Noorwegen:** K. Aall, Hoofd van de Afdeling Scheepsmeting van het Koninklijk Ministerie van Financiën en Douane; V. Dunér, Afdelingshoofd bij het Koninklijk Ministerie van Financiën en Do"},{"i":5839,"b":"Telling referentieraming 2002 - 2003 1. Inleiding In oktober 2002 zal de telling referentieraming BVE 2002 -2003 worden gehouden. Deze publicatie verstrekt informatie over de procedure en op te vragen gegevens over de studiejaren 2001 - 2002 en 2002 - 2003. De volgende gegevens worden opgevraagd: De telformulieren en toelichtingsbrochure worden vóór 8 oktober 2002 verzonden. De telling en de telformulieren alsmede de procedure hierbij zijn ongewijzigd ten opzichte van de voorgaande telling. 2. Doel van de telling Over de studiejaren 2001 - 2002 en 2002 - 2003 worden gegevens verzameld voor het door de minister te voeren beleid ten aanzien van het beroepsonderwijs en volwassenen educatie. Het gaat daarbij om: 3. De telformulieren De formulierenset waarop de instelling de gegevens kan vermelden, bestaat uit: Indien invulling niet is toegestaan is deze ruimte dichtgekruist. Ieder telformulier zal van een barcode worden voorzien, waardoor de telformulieren van een instelling, tijdens de voortgang van het telproces, uniek zijn te identificeren. U wordt verzocht gebruik te maken van de door het ministerie voorbedrukte formulieren. Het gebruik van afwijkende modellen kan problemen opleveren bij de verwerking en controle van de gegevens. 4. Procedure Iedere instelling ontvangt vóór 8 oktober 2002 een formulierenset en een brochure ”Referentieraming BVE 2002/2003’. Indien de instelling op 8 oktober 2002 de formulierenset nog niet heeft ontvangen, moet direct contact worden opgenomen met het Informatie Centrum Onderwijs BVH (079-3232666). In de brochure worden nadere instructies gegevens voor de invulling van de formulieren. De gele formulierenset dient, ondertekend door het bevoegd gezag van de instelling of een gemachtigde, **uiterlijk 3 november 2002** geretourneerd te zijn aan: Na verwerking van de door de instelling verstrekte gegevens zullen deze aan de instellingen worden teruggemeld op blauwe overzichtsformulieren. 5. Betrouwbaarheid van de telling Voor de referentier"},{"i":7377,"b":"Wet van 24 oktober 2008 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met verkorting van de adoptie-procedure en wijziging van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie in verband met adoptie door echtgenoten van gelijk geslacht tezamen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om[Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) te wijzigen teneinde verkorting van de procedure in geval van adoptie door één adoptant of door de partner van een ouder mogelijk te maken en voorts de [Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) te wijzigen teneinde het voor echtgenoten van gelijk geslacht mogelijk te maken dat dezen tezamen een buitenlands kind ter adoptie kunnen opnemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Wijzigt de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Artikel III Wijzigt de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. Artikel IIIa [Artikel 3 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=3), zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op beginseltoestemmingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds zijn verleend, maar geldt niet voor verzoeken tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan die op of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn of worden ingediend. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren"},{"i":7503,"b":"Beleidsregels gevoelige gegevens kentekenregister 2014 De directie van de Dienst Wegverkeer (DW), Gelet op [artikel 42a, vierde lid van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=42a) en [artikel 7, tweede lid, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=7) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 Als gevoelige gegevens, als bedoeld in [artikel 42a, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=42a) en [artikel 7, tweede lid van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=7), worden de in de bijlage bij dit besluit genoemde gegevens uit het kentekenregister aangewezen. Artikel 2 Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst. Artikel 3 Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels gevoelige gegevens kentekenregister 2014 Deze beleidsregels zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 4 De [Beleidsregels gevoelige gegevens kentekenregister](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025247) (Staatscourant 2009, nr. 21) worden ingetrokken. Bijlage. Gevoelige gegevens kentekenregister Als gevoelige gegevens conform het bepaalde in de [Wegenverkeerswet 1994, artikel 42a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=42a), en het [Kentekenreglement (KR), artikel 7, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=7), zijn aangewezen: Persoonsgegevens als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=1); ([Wbp, art.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=1), a: Elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurli"},{"i":5947,"b":"Uitsluiting bepaalde categorieën asielzoekers van verstrekking Rva 1997 Circulaire aan het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers Naar aanleiding van uw brief van 27 maart 1998, met kenmerk COA/CS/jme/98d.80, waarin u aangeeft dat er naar uw oordeel een capacitaire noodsituatie is ontstaan als bedoeld in [artikel 4 van de Rva 1997](onbekend), heb ik besloten u vooralsnog tot 1 juni 1998 de bevoegdheid toe te kennen bepaalde categorieën asielzoekers uit te sluiten van verstrekkingen als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Rva 1997](onbekend), waaronder onderdak in een opvangcentrum. Hierbij verleen ik u toestemming om van de in [artikel 1, eerste lid, van het besluit](onbekend) van 3 april 1998 bedoelde bevoegdheid geclausuleerd gebruik te maken, in die zin dat genoemde verstrekkingen uitsluitend worden onthouden indien de asielzoeker de vervangende verstrekkingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van het besluit vrijwillig verkiest boven de in [artikel 5, eerste lid van de Rva 1997](onbekend) bedoelde verstrekkingen. Voor de toekenning van de bevoegdheid aan u om [artikel 1, eerste lid, van het besluit](onbekend) ongeclausuleerd toe te passen is een apart besluit van mijn kant vereist. Het ministerieel besluit en de toelichting daarop, dat gepubliceerd zal worden in de Staatscourant, treft u bijgaand aan. Gelet op de geclausuleerde toepassing van uw bevoegdheid verleen ik u hierbij toestemming het besluit, vooruitlopend op de plaatsing in de Staatscourant en de daaraan gekoppelde inwerkingtreding, met onmiddellijke ingang toe te passen."},{"i":9540,"b":"Verdrag nopens het vaststellen van een maaswijdte van visnetten en van minimum-maten op sommige vissoorten **Preamble** The Governments of Belgium, Denmark, Eire, France, Iceland, the Netherlands, Norway, Poland, Portugal, Spain, Sweden and the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, desiring to conclude a Convention for the Regulation of the Meshes of Fishing Nets and the Size Limits of Fish, have agreed as follows: De Engelse tekst van het Verdrag is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. 1947/192. De vertaling is gepubliceerd in Trb. 1953/105. Het Verdrag is in werking getreden op 5 april 1953. Het Verdrag is gewijzigd door Trb. 1954/37, Trb. 1955/50, Trb. 1957/12 en Trb. 1957/236. Part I. Extent of the Convention. Article 1 The area to which this Convention applies shall be all waters which are situated within those parts of the Atlantic and Arctic Oceans and their dependent seas which lie north of 48 degrees north latitude and between 42 degrees west longitude and 32 degrees east longitude, but excluding the Baltic Sea and Belts lying to the south and east of lines drawn from Hasenore Head to Gniben Point, from Korshage to Spodsbierg and from Gilbierg Head to the Kullen. Article 2 Nothing in the present Convention shall be deemed to diminish the exclusive rights of vessels registered or owned in the territory of each Contracting Government to fish in waters where that Contracting Government has exclusive jurisdiction over fisheries. Article 3 Nothing in this Convention shall be deemed to prejudice the claims of any Contracting Government in regard to the limits of territorial waters. Part II. Regulation of the Meshes of Fishing Nets and the Size Limits of Fish Article 4 Subject to the provisions of Articles 8, 10 and 16 (2), the provisions of this Convention shall apply to all vessels of any Contracting Government either when they are operating in the waters where that Contracting Government has exclusive jurisdiction over fisheries, or when they are"},{"i":7517,"b":"Besluit van 19 november 2019, houdende vaststelling van het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 16 oktober 2019, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2727151; Gelet op [artikel 37a, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a) en [artikel 42, vijfde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=42); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 30 oktober 2019, nr. W16.19.0326/II; Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 14 november 2019, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2731901; Hebben goed gevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de behandelaar:** de arts, gedragsdeskundige of rechtspersoon bij wie de voorzitter het dossier met betrekking tot de behandeling van een weigerende observandus opvraagt. - b. **de commissie:** de multidisciplinaire commissie als bedoeld in [artikel 37a, negende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a). - c. **het dossier met betrekking tot de behandeling:** het dossier als bedoeld in [artikel 7:454 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=454). - d. **de leden:** de leden en plaatsvervangende leden van de commissie, met inbegrip van de voorzitter. - e. **Onze Minister:** Onze Minister voor Rechtsbescherming. - f. **de rapporteurs:** de gedragsdeskundigen als bedoeld in [artikel 37a, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a). - g. **de secretaris:** de secretaris van de commissie. - h. **de voorzitter:** de voorzitter van de commissie. - i. **de weigerende observandus:** een verdachte van een misdrijf, dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid"},{"i":7515,"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders Telecommunicatiewet Gelet op [artikel 15.1, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Met het toezicht op de naleving van de bepalingen, bedoeld in [artikel 15.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1), zijn, voor zover het de bevoegdheden betreft van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, belast de ambtenaren met de functiebenamingen inspecteur, senior inspecteur, coördinerend/specialistisch inspecteur en inspecteur/medewerker toezicht van de directies Apparatuur, Infrastructuur en Digitale Weerbaarheid van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. 2. Met het toezicht op de naleving van [artikel 15.1, eerste lid, onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1), voor zover het betreft [artikel 18.7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=18.7), zijn tevens belast de senior beleidsmedewerkers van de directie Digitale Economie van het directoraat-generaal Economie en Digitalisering. 3. Met het toezicht op de bepalingen, bedoeld in [artikel 15.1, eerste lid, onder a en onder g van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1), voor zover dit bepalingen betreft die betrekking hebben op het gebruik van frequentieruimte met de bestemming ‘maritiemmobiele communicatie’, zijn voorts belast de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die zijn tewerkgesteld bij: - a. de dienst Infrastructuur van de Landelijke eenheid, en - b. de dienst Zeehavenpolitie van de regionale eenheid Rotterdam. 4. In afwijking van het eerste lid, zijn met het toezicht op de naleving van de bepalingen over de bescherming van het publiek belang bij infrastructu"},{"i":6263,"b":"Wet van 29 mei 2006 tot samenvoeging van de gemeenten Binnenmaas en 's-Gravendeel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Binnenmaas en ’s-Gravendeel samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Binnenmaas en ’s-Gravendeel opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Binnenmaas ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Binnenmaas en ’s-Gravendeel, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Binnenmaas wordt de op te heffen gemeente Binnenmaas aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Binnenmaas en ’s-Gravendeel wordt de nieuwe gemeente Binnenmaas aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5 1. Voor de nieuwe gemeente Binnenmaas wordt een tussentijdse raadsverkiezi"},{"i":9543,"b":"Verdrag over de Benelux Interparlementaire Assemblee Het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door: de Federale Regering, de Vlaamse Regering, de Regering van de Franse Gemeenschap, de Waalse Regering, de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, Hierna genoemd „de Partijen”; Overwegende dat op 17 juni 2008 het [Verdrag tot herziening van het op 3 februari 1958 gesloten Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003087) is gesloten (het Benelux Unie Verdrag); Vaststellend dat de totstandbrenging van het [Benelux Unie Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003087) was ingegeven door het gezamenlijke streven van de Hoge Verdragsluitende Partijen om de samenwerking in de Benelux Economische Unie voort te zetten in de Benelux Unie en deze te verdiepen en uit te bouwen; Verwijzend naar de op 5 november 1955 te Brussel tot stand gekomen [Overeenkomst nopens de instelling van een Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004827) en het [Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002018), gedaan te ’s-Gravenhage op 3 februari 1958, tot aanvulling van deze Overeenkomst; Vaststellend dat de instelling van een Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad aan de instelling van de Benelux Economische Unie is voorafgegaan; Verwijzend naar [artikel 15 van het Benelux Unie Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003087&artikel=15), dat bevestigt dat de samenstelling, de bevoegdheid en de werkwijze van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad in de Overeenkomst nopens de instelling van een Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad is geregeld; Voorts verwijzend naar [artikel 16 van het Benelux Unie Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003087&artikel=16), dat stelt dat de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad betrekkingen onderh"},{"i":6141,"b":"Besluit van 3 oktober 2005, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 juni 2005, VGP/VL 2593195, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en van Economische Zaken; Gelet op: – [richtlijn nr. 96/3](31996L0003)/Euratom, EGKS, EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 januari 1996 (PbEG L 21) inzake een afwijking van enkele bepalingen van [richtlijn 93/43/EEG](31993L0043) van de Raad inzake levensmiddelenhygiëne voor het bulkvervoer van vloeibare oliën en vetten over zee; – [richtlijn nr. 98/28/EG](31998L0028) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 1998 (PbEG L 140) inzake een afwijking van enkele bepalingen van [richtlijn 93/43/EEG](31993L0043) van de Raad inzake levensmiddelenhygiëne voor het bulkvervoer over zee van ruwe suiker; – [richtlijn nr. 2004/41/EG](32004L0041) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 (PbEU L 157 en L 195) houdende intrekking van bepaalde richtlijnen inzake levensmiddelenhygiëne en tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong, en tot wijziging van de [richtlijnen 89/662/EEG](31989L0662) en [92/118/EEG](31992L0118) van de Raad en van beschikking [95/408/EG](31995L0408) van de Raad; – [verordening (EG) nr. 852/2004](32004R0852) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PbEU L 139 en L 226); – [verordening (EG) nr. 853/2004](32004R0853) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU L 139 en L 226); – [verordening (EG) nr. 854/2004](32004R0854) van het Europees Parlement en de Raad van de Eu"},{"i":6156,"b":"Besluit van 7 april 1998, houdende het Warenwetbesluit Specerijen en kruiden Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 september 1997, nr. GZB/VVB/975145, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), eerste lid, onder b, [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), onder b, en [artikel 12 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), alsmede op artikel II, eerste lid, van de Wijzigingswet 1988 [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969); De Raad van State gehoord (advies van 18 november 1997, no. W13.97.0623); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 maart 1998 met nummer GZB/VVB/981404, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder **specerijen** en **kruiden**: eetwaren, zijnde delen van planten die aromatisch smaken of ruiken dan wel een scherpe smaak bezitten, en die bestemd zijn om aan eet- en drinkwaren te worden toegevoegd. Artikel 2 Het is verboden met gebruikmaking van de bij dit besluit aangegeven aanduidingen andere specerijen en kruiden te verhandelen dan die waaraan die aanduidingen bij dit besluit zijn voorbehouden. Artikel 3 Specerijen en kruiden mogen worden aangeduid met een in onderstaande tabel bedoelde aanduiding, voor zover de desbetreffende waar voldoet aan de daarbij opgenomen eisen inzake achtereenvolgens de ten hoogste toegelaten gehaltes aan as en zand, uitgedrukt in gewichtsprocenten (%w/w), en het ten minste vereiste gehalte aan vluchtige olie, uitgedrukt in volumeprocenten (%v/w), steeds berekend op de droge stof. | aanduiding | botanische naam | as | zand | vluchtige olie | | ---"},{"i":6325,"b":"Wet van 18 juni 1998 tot samenvoeging van de gemeenten Buren, Lienden en Maurik Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Buren, Lienden en Maurik samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Buren, Lienden en Maurik opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Buren ingesteld zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 De nieuwe gemeente Buren bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Buren, Lienden en Maurik. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Buren wordt de op te heffen gemeente Buren aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Buren, Lienden en Maurik wordt de nieuwe gemeente Buren aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 6 1. Voor de nieuwe gemeente Buren wordt een tussentijdse raad"},{"i":6042,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Litouwen inzake de export en handhaving van socialezekerheidsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Litouwen, Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens betrekkingen tot stand te brengen op het gebied van sociale zekerheid; Geleid door de wens de samenwerking tussen de twee Staten te regelen om de toepassing van de wetgeving van het ene land in het andere te waarborgen; Zijn het volgende overeengekomen: Opgeschort per 1 mei 2010 (Trb. 2016/121). Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt verstaan onder „grondgebied\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; met betrekking tot de Republiek Litouwen: het grondgebied van de Republiek Litouwen; - b. wordt verstaan onder „bevoegde autoriteit\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland; met betrekking tot de Republiek Litouwen: de Minister van Sociale Zekerheid en Arbeid; - c. wordt verstaan onder „bevoegd orgaan\": wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, met betrekking tot de in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c bedoelde takken van sociale zekerheid: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen; met betrekking tot de in artikel 2, eerste lid, onder d, e en f bedoelde takken van sociale zekerheid: de Sociale Verzekeringsbank; wat de Republiek Litouwen betreft: de Directie Internationale Uitkeringen van de Raad van het staatsfonds sociale verzekeringen; of een lichaam dat bevoegd is tot uitvoering van taken die thans worden uitgevoerd door voornoemde autoriteiten; - d. wordt verstaan onder „instantie\": een lichaam dat betrokken is bij de uitvoering van dit Verdrag, en omvat onder andere de bevolkingsregisters, de geboorte-, overlijdens- en huwelijksregisters, belastingautoriteiten, arbeidsbureaus, scholen en andere opleidingsinstituten, hande"},{"i":9547,"b":"Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Overwegend dat, overeenkomstig de in het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) verkondigde beginselen, de erkenning van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld, Erkennend dat deze rechten voortvloeien uit de inherente waardigheid van de mens, Overwegend dat krachtens het [Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), inzonderheid [artikel 55 daarvan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143&artikel=55), de Staten verplicht zijn de universele eerbied voor en de inachtneming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te bevorderen, Gelet op [artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=5) en op [artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001017&artikel=7), welke beide artikelen bepalen dat niemand mag worden onderworpen aan foltering, noch aan wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, Voorts gelet op de Verklaring inzake de bescherming van alle mensen tegen onderwerping aan foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, door de Algemene Vergadering aanvaard op 9 december 1975, Geleid door de wens de bestrijding van foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing in de gehele wereld doeltreffender te doen zijn, Zijn overeengekomen als volgt: DEEL I Artikel 1 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „foltering\" verstaan iedere handeling waardoor opzettelijk hevige pijn of hevig leed, lichamelijk dan wel geestelijk, wordt toegebracht aan een persoon met zulke oogmerken als om van hem of van een derde inlic"},{"i":5721,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 juni 2025, nr. 2025-0000135813, houdende regels voor subsidieverstrekking aan werkgevers in het midden- en kleinbedrijf ter ondersteuning bij de aanschaf van inclusiviteitstechnologie (Subsidieregeling inclusiviteitstechnologie voor het mkb) [KetenID WGK026974] Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **activiteitenplan:** activiteitenplan als bedoeld in [artikel 3.4 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=3.4); - –. **arbeidsbeperking:** een langdurige lichamelijke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperking die voor een persoon drempels opwerpt voor het participeren op de arbeidsmarkt; - –. **de-minimisverordening:** [Verordening (EU) 2023/2831](32023R2831) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun; - –. **inclusiviteitstechnologie:** fysieke of digitale technologie die zich richt op het ondersteunen van personen met een arbeidsbeperking tijdens het werk en bijdraagt aan het compenseren van een functionele beperking op lichamelijk, sociaal of persoonlijk vlak; - –. **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - –. **mkb-verklaring:** verklaring waarmee een werkgever verklaart een werkgever te zijn als bedoeld in deze regeling; - –. **staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. **werkgever:** een onderneming waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt. Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling Op het aanvragen en verstrekken van sub"},{"i":9548,"b":"Verdrag ter bestrijding van de valse munterij [**Zie de Engelse tekst voor de lijst van Staatshoofden**] Verlangend de voorkoming en de bestraffing van de valsche munterij meer en meer doeltreffend te maken, hebben als hun Gevolmachtigden aangewezen: [**Zie de Engelse tekst voor de lijst van Gevolmachtigden**] Die, na hun volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm bevonden zijn, te hebben overgelegd, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Deel I Artikel 1 De Hooge Verdragsluitende Partijen erkennen de in Deel I van dit Verdrag vervatte regels als het in de tegenwoordige omstandigheden meest doeltreffende middel om delicten van valsche munterij te voorkomen en te bestraffen. Artikel 2 In dit Verdrag wordt onder het woord „munt” verstaan papiergeld, waaronder begrepen bankbiljetten, en metalen geld, welke wettig betaalmiddel zijn. Artikel 3 Als gemeenrechtelijke delicten moeten worden bestraft: - 1°. Iedere bedriegelijke vervaardiging of verandering van munt, welk middel ook gebezigd moge zijn om het resultaat te verkrijgen; - 2°. Het bedriegelijk in omloop brengen van valsche munt; - 3°. Het binnen het land invoeren of het ontvangen of zich verschaffen van valsche munt, waarvan men weet, dat zij valsch is, ten einde deze in omloop te brengen; - 4°. Poging tot en opzettelijke deelneming aan de voormelde handelingen; - 5°. Het bedriegelijk vervaardigen, ontvangen of zich verschaffen van werktuigen of andere voorwerpen, welke naar hun aard bestemd zijn voor de vervaardiging van valsche munt of voor de verandering van munt. Artikel 4 Ieder der in artikel 3 genoemde handelingen moet, indien zij in verschillende landen begaan zijn, als een afzonderlijk strafbaar feit worden beschouwd. Artikel 5 Ten opzichte van de straffen mag geen onderscheid worden gemaakt ter zake van de in artikel 3 bedoelde delicten naarmate het betreft nationale munt of vreemde munt; dit voorschrift kan niet aan eenigerlei voorwaarde van wederkeerigheid krachtens wet of verdrag wor"},{"i":5726,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 1 februari 2018, nr. WJZ/17203973, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de instituten voor toegepast onderzoek (Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en [artikel 3, derde lid, van de Wet van 31 mei 1937, houdende de omzetting van de Rijksstudiedienst voor de luchtvaart in een stichting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001989&artikel=3) (Stb. 1937, 523); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **bedrijfsgeheim:** informatie die: - a. in haar geheel of vanwege de specifieke samenstelling en ordening van haar bestanddelen niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie, - b. handelswaarde bezit omdat zij geheim is, en - c. door de persoon die rechtmatig beschikt over deze informatie, onderworpen is aan maatregelen om deze informatie geheim te houden; - **daadwerkelijke samenwerking:** daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder h, van de O&O&I-kaderregeling; - **experimentele ontwikkeling:** experimentele ontwikkeling als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder k, van de O&O&I-kaderregeling; - **financiële onderneming:** financiële onderneming als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); - **fundamenteel onderzoek:** fundamenteel onderzoek als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder n, van de O&O&I-kaderregeling; - **industrieel onderzoek:** industrieel onderzoek als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16"},{"i":5723,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 augustus 2024, kenmerk 3960009-1070155-MEVA, houdende regels voor de verstrekking van subsidie ter ondersteuning van samenwerkingsverbanden bij het inrichten van een vernieuwde opleidingsstructuur (Subsidieregeling Inrichten Opleidingsstructuur Wijkverpleging) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **AGB-code:** Algemene Gegevens Beheer-code van een zorgaanbieder zoals geregistreerd in het AGB-register dat wordt beheerd door Vektis; - **de-minimisverordening:** [Verordening (EU) 2023/2831](32023R2831) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de­minimissteun; - **erkend leerbedrijf:** bedrijf of organisatie die bevoegd is om beroepspraktijkvorming te verzorgen, als bedoeld in [artikel 7.2.8, eerste lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.8) en een erkenning heeft als bedoeld in [artikel 1.5.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.5.3); - **Kamer van Koophandel:** Kamer van Koophandel als bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=2); - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **onderwijsinstelling:** - a. instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1) of [artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1); of - b. instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet op het hoger onde"},{"i":5729,"b":"Subsidieregeling Internationalisering 2004 Deze regeling vervangt per 1 september 2003 de regeling Internationalisering 2003 van het Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten. 1. Doel van de subsidieregeling Het internationale beleid van het Fonds is erop gericht, in het verlengde van het landelijk beleid, de internationale kwaliteit en verscheidenheid van de Nederlandse podiumkunsten en amateurkunst en de aanwezigheid daarvan in het buitenland te bevorderen. Onder podiumkunsten verstaat het Fonds kunsten op het gebied van muziek, muziektheater, dans, toneel, mime, jeugdtheater, poppen- en objecttheater, en mengvormen van genoemde (sub)disciplines, al dan niet in combinatie met nieuwe media. Onder een amateurkunstbeoefenaar wordt verstaan iemand die uit liefhebberij, dat wil zeggen niet beroepsmatig, actief is op het terrein van de kunsten, met in begrip van de sector volkscultuur. Activiteiten die plaatsvinden binnen of gericht zijn op het primair, voortgezet en hoger onderwijs, alsmede reguliere activiteiten van kunsteducatie-instellingen komen niet voor subsidiëring in aanmerking. De subsidieregeling Internationalisering maakt onderscheid tussen reguliere buitenland activiteiten die worden gefinancierd vanuit de Cultuurnota en activiteiten die zijn gericht op de intensivering van het internationaal cultuurbeleid. De laatste categorie wordt gefinancierd vanuit HGIS Cultuurmiddelen. Deze middelen worden telkens voor een periode van twee jaar aan het Fonds ter beschikking gesteld. Aanvragen voor Gebundelde presentaties, Internationale samenwerkingsprojecten, Internationale festivals en Nederland Vrijhaven worden door het Fonds gefinancierd uit door de ministeries van Buitenlandse Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor dit doel beschikbaar gestelde HGIS Cultuurmiddelen. Voor aanvragen in het kader van de regeling Internationalisering 2004, de onderdelen Gebundelde presentaties, Internationale samenwerkingsprojecten, Internationale festivals en Nederland Vri"},{"i":5740,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 27 november 2019, kenmerk 1596133-197192-CZ, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor het verrichten van kunstmatige inseminatie met donorsemen indien dit niet ten laste van de zorgverzekering kan worden gebracht (Subsidieregeling kunstmatige inseminatie met donorsemen) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1. Definitiebepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **minister:** Minister voor Medische Zorg; - –. **instelling:** - 1. een rechtspersoon die in het bezit is van een erkenning als weefselinstelling of orgaanbank specifiek voor donorsemen als bedoeld in [artikel 9 van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014682&artikel=9); of - 2. een door de minister aangewezen zorginstelling; - –. **basis oriënterend fertiliteitsonderzoek:** een of twee consulten inclusief een echo om de mogelijkheden om te komen tot een zwangerschap te onderzoeken; - –. **KID-behandeling:** behandeling door middel van kunstmatige inseminatie met donorsemen waarbij de zaadcellen in de baarmoederholte worden ingebracht (intra-uteriene inseminatie). Artikel 2. Toepasselijkheid [Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Op deze regeling is de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) van toepassing, met uitzondering van [artikel 10.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=10.1). Artikel 3. Subsidiabele activiteiten 1. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een instelling voor het uitvoeren van een basis oriënterend fertiliteitsonderzoek of het verrichten van een KID-behandeling bij: - a. verzekerden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel f, van de Zorgverzekeri"},{"i":5738,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 oktober 2025, nr. 2025-0000572637, houdende regels voor de verstrekking van subsidies voor activiteiten in Aruba, Curaçao of Sint Maarten die een positieve bijdrage leveren aan de lokale gemeenschap (Subsidieregeling Klein Projecten Fonds) [KetenID WGK027362] gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8) en [11, tweede en derde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **De Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - –. **Maatschappelijke organisatie:** een niet op winst gerichte, niet aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie met een maatschappelijk oogmerk, beschikkend over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht, die niet door een overheidsinstantie is opgericht, dan wel die na oprichting door een overheidsinstantie geheel verzelfstandigd is. Artikel 2. Subsidieverstrekking 1. De Minister verstrekt subsidie aan een maatschappelijke organisatie, die is gevestigd in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, voor een project dat naar het oordeel van de Minister bedoeld is om een positieve bijdrage te leveren aan de lokale gemeenschap in het land waar de maatschappelijke organisatie is gevestigd. 2. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. 3. De subsidie bedraagt ten hoogste XCG/AWG 7.500,–. 4. In afwijking van het derde lid kan de Minister besluiten dat de subsidie ten hoogste XCG/AWG 15.000,– bedraagt in een geval dat naar het oordeel van de Minister uitzonderlijk is. 5. Per aanvrager wordt ten hoogste één subsidie als bedoeld in het eerste lid, per boekjaar verstrekt. Artikel 3. Subs"},{"i":5730,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 mei 2017, nr. IB/1159407 houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor internationalisering in het primair en voortgezet onderwijs (Subsidieregeling Internationalisering po en vo) Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 70 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=70), [71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71), [74 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=74), [2.2.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3), [67 van de Wet primair onderwijs BES](onbekend), [125 van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=125) en [1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - –. **instelling:** - 1. bekostigde school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=1); - 2. instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), waaraan een lerarenopl"},{"i":5728,"b":"Regeling van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 7 juli 2023, kenmerk 3633224-1050445-DMO, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor woonruimte waar jongeren betaalbaar kunnen samenleven met ouderen en de begeleiding daarbij (Subsidieregeling intergenerationeel wonen) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **begeleider:** persoon die in dienst van of in opdracht van een verhuurder een jongere ondersteuning biedt bij diens bijdrage aan de cohesie en sociale interactie in de geclusterde woonvorm bestemd voor ouderen; - **DAEB:** dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - **DAEB de-minimisverklaring:** verklaring als bedoeld in artikel 3 van de [Verordening (EU) nr. 360/2012](32012R0360) van de Commissie van 25 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PbEU 2012, L 114/8); - **geclusterde woonvorm:** vijf of meer woningen als bedoeld in [artikel 1, derde lid, onderdeel 3, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1), gelegen in Nederland, die fysiek verbonden zijn, dan wel daarmee vergelijkbaar; - **handelsregister:** handelsregister als bedoeld in [artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=2); - **huurcommissie:** huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - **huurprijscheck:** berekeningswijze waarmee de maximale kale huurprijs van een woonruimte kan worden berekend, opge"},{"i":7432,"b":"Wet van 23 december 2009 tot wijziging van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (instelling van een landelijke huurcommissie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315) zodanig te wijzigen dat een landelijke huurcommissie wordt ingesteld; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III Wijzigt de Huisvestingswet. Artikel IV Wijzigt de Wet op de huurtoeslag. Artikel V De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij een huurcommissie onderscheidenlijk de voorzitter van de huurcommissie aanhangige verzoeken worden, zo nodig in afwijking van [artikel 49 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=49), zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, met toepassing van het vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende recht behandeld door de huurcommissie onderscheidenlijk de voorzitter, bedoeld in [artikel 3a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a), zoals die luidt na de inwerkingtreding van deze wet. Artikel VI 1. De voorzitter van de huurcommissies, bedoeld in [artikel 22, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=22), zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, is na de inwerkingtreding van deze wet werkzaam in de kwaliteit van zittingsvoorzitter als bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a), zoals die luidt na de inwerking"},{"i":5734,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 2022, nr. 2022-0000261694, houdende regels met betrekking tot de besteding van gelden uit het Fonds voor een rechtvaardige transitie, opgericht bij Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad (Subsidieregeling JTF 2021–2027) Gelet op [verordening (EU) nr. 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231), [verordening (EU) nr. 2021/1056](32956R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (PbEU 2021, L 231); Gelet op de [artikelen 4:89, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:89), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en [3, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5) en [8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=8); Besluiten: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **Algemene groepsvrijstellingsverordening:** [verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond"},{"i":7128,"b":"Regeling uniformering bepaling jaarlijkse ontwikkeling exploitatiekosten huurwoningen Overwegende, dat de aanpassing van de jaarlijkse bijdragen voor huurwoningen aan de ontwikkeling van de genormeerde exploitatielasten dient te worden geüniformeerd; Besluit: Artikel 1 Deze regeling is van toepassing op woningen en bijzondere woongebouwen waarvoor nog geldende jaarlijkse bijdragen op grond van de Beschikking bijdragen woningwetbouw 1948 (Stcrt. 1948, 126), de Beschikking verminderde bijdragen woningwetbouw 1950 (Stcrt. 35), de Beschikking bijdragen woningwetbouw 1950, (Stcrt. 135), de Beschikking verminderde bijdragen woningwetbouw 1950-I (Stcrt. 135), de Beschikking geldelijke steun toegelaten instellingen (Stcrt. 1965, 253), de Beschikking geldelijke steun particuliere huurwoningen 1968 (Stcrt. 1967, 253), de Beschikking geldelijke steun toegelaten instellingen 1968 (Stcrt. 1967, 253), de circulaire MG 74–40 van 20 december 1974 (Stcrt. 253) inzake geldelijke steun uit 's rijks kas op voet van de Woningwet voor het verbeteren van complexen woningen van toegelaten instellingen en gemeenten, in samenhang met de circulaire MG 73–24 van 28 december 1973 (Stcrt. 1974, nr. 2) inzake hetzelfde onderwerp, de circulaire MG 81–13 van 1 april 1981 inzake geldelijke steun uit 's rijks kas op voet van de Woningwet voor het verbeteren van complex- en woningen van toegelaten instellingen en gemeenten (Stcrt. 65), of de Regeling geldelijke steun overgedragen studentenwoningen (Stcrt. 1990, 195) zijn verstrekt. Artikel 2 Ten aanzien van de aanpassing van de jaarlijkse bijdragen voor woningen en bijzondere woongebouwen die tot stand zijn gekomen met geldelijke steun op voet van de Beschikking geldelijke steun toegelaten instellingen 1968 geldt, dat van de exploitatiekosten het bedrag voor het lidmaatschap van een landelijke federatie van woningbouwcorporaties wordt opgenomen in het bedrag voor algemeen beheer en administratie. Artikel 3 Bij de aanpassing van de op voet van de Besch"},{"i":9550,"b":"Verdrag ter vaststelling van enige eenvormige regelen betreffende het cognossement De President van de Duitse Republiek, de President van de Argentijnse Republiek, Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Republiek Chili, de President van de Republiek Cuba, Zijne Majesteit de Koning van Denemarken en IJsland, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, het Staatshoofd van Estland, de President der Verenigde Staten van Amerika, de President van de Republiek Finland, de President van de Franse Republiek, Zijne Majesteit de Koning van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland en van de Britse Bezittingen over Zee, Keizer van Indië, Zijne Doorluchtige Hoogheid de Bestuurder van het Koninkrijk Hongarije, Zijne Majesteit de Koning van Italië, Zijne Majesteit de Keizer van Japan, de President van de Republiek Letland, de President van de Republiek Mexico, Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, de President van de Republiek Peru, de President van de Republiek Polen, de President van de Portugese Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Roemenië, Zijne Majesteit de Koning der Serven, Kroaten en Slovenen, Zijne Majesteit de Koning van Zweden en de President van de Republiek Uruguay, Erkend hebbend het nut om in gemeen overleg enige eenvormige regelen vast te stellen betreffende het cognossement, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben als hun gevolmachtigden aangewezen, te weten: (volgt een opsomming der Staatshoofden met de namen hunner gevolmachtigden) Die, hiertoe behoorlijk gemachtigd, het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 In dit verdrag worden de navolgende woorden gebruikt in de hieronder aangegeven zin: - a. „Vervoerder” omvat de eigenaar van het schip of de bevrachter, die partij is bij een vervoerovereenkomst met een afzender; - b. „Vervoerovereenkomst” slaat slechts op een vervoerovereenkomst, waarvan blijkt uit een cognossement of enig dergelijk stuk recht gevend op"},{"i":12564,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 augustus 2017, nr. 920680, houdende routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden (Besluit routinematige digitale vervanging archiefbescheiden OCW 2017) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) Besluit: Artikel 1 Over te gaan tot routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden: - a. die zullen worden ontvangen of opgemaakt vanaf de vervaldatum van het [besluit routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden OCW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031381), geplaatst in de Staatscourant van 23 maart 2012, nr. 5702; - b. volgens de specificaties, vastgelegd in de bij dit besluit horende bijlage ‘handboek routinematige digitale vervanging E-Doc 2017’; Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit routinematige digitale vervanging archiefbescheiden OCW 2017. Handboek routinematige digitale vervanging E-Doc Versie 1. Per 31 maart 2008 is het Document Management System / Record Management Applicatie (DMS/RMA) E-Doc in gebruik genomen bij het bestuursdepartement van OCW. Voor de routering van de digitale documenten wordt gebruik gemaakt van Digis@m. Met de invoering van E-Doc en Digis@m is een volledig digitale informatiehuishouding bij het ministerie van OCW gerealiseerd. De in analoge vorm bij OCW aanwezige documenten worden gedigitaliseerd (gescand) en gearchiveerd in de ordeningsstructuur van E-Doc. De behandeling van deze documenten vindt plaats aan de hand van het digitale document. De originele analoge documenten die zijn gedigitaliseerd worden tijdelijk in dagdozen bewaard op de scanunit. [Artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) biedt de zorgdrager de mogelijkheid om over te gaan tot routinematige digitale vervangin"},{"i":9551,"b":"Verdrag ter vereenvoudiging grensformaliteiten goederenvervoer per spoorweg De ondergetekenden, behoorlijk gemachtigd, Bijeengekomen te Genève, onder de auspiciën van de Economische Commissie voor Europa, Teneinde de grensoverschrijding van goederen, welke per spoor worden vervoerd, te vergemakkelijken, Hebben omtrent de volgende bepalingen overeenstemming bereikt: HOOFDSTUK I. Instelling en régime van grensstations waar de nationale contrôles door twee aangrenzende landen worden uitgevoerd Artikel 1 1. Voor elke spoorlijn, waarlangs een aanzienlijke hoeveelheid goederen wordt vervoerd en welke de grens tussen twee aangrenzende landen kruist, onderzoeken de bevoegde autoriteiten van die landen gezamenlijk de mogelijkheid om in onderling overleg een in de nabijheid van genoemde grens gelegen station aan te wijzen, waar voor het gehele binnenkomende en uitgaande goederenverkeer of voor een gedeelte daarvan, de in de wetgeving van beide landen voorziene contrôles op doeltreffende wijze zouden kunnen plaats vinden. 2. Indien twee aangrenzende landen verscheidene stations van deze aard langs hun gemeenschappelijke grens aanwijzen, zullen deze stations zoveel mogelijk in gelijk aantal aan elke zijde van genoemde grens zijn gelegen. 3. Daar waar het niet mogelijk geacht wordt zodanige stations voor de contrôles van het verkeer in beide richtingen aan te wijzen, onderzoeken de Verdragsluitende Partijen gezamenlijk de mogelijkheid om de uitvoering van de contrôles op doeltreffende wijze samen te voegen in elk van de twee tegenover elkaar liggende grensstations, in het ene station voor het verkeer gaande in één richting en in het andere station voor het verkeer gaande in de tegenovergestelde richting, met dien verstande, dat deze aanwijzing zo nodig beperkt wordt tot goederen, welke met bepaalde internationale snel rijdende treinen worden vervoerd. Artikel 2 1. Telkens als een station overeenkomstig artikel 1 is aangewezen, wordt een zone vastgesteld, waarbinnen de ambtenaren"},{"i":12665,"b":"Besluit uitvoering aangelegenheden door de directeur Financieel- economische zaken op grond van de Comptabiliteitswet Besluit: Artikel 1 Aan de directeur Financieel-economische zaken wordt, voor zover dat niet bij wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen geregeld is, de zorg opgedragen ten aanzien van aangelegenheden die op grond van de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075) dienen te worden verricht door de Centrale directie Financieel-economische zaken. Artikel 2 Onder deze aangelegenheden dient in ieder geval te worden begrepen de zorg, als bedoeld in [artikel 21, eerste lid van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=21), voor de begrotingszaken en de daarmee samenhangende administraties met betrekking tot de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat alsmede de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Infrastructuurfonds. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 1997. Artikel 4 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit uitvoering aangelegenheden door de directeur Financieel-economische zaken op grond van de Comptabiliteitswet. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift gezonden aan de Algemene Rekenkamer, de Minister van Financiën, de Secretaris-Generaal en diens plaatsvervanger en de diensthoofden."},{"i":13833,"b":"Wet van 12 februari 1981, houdende bepalingen betreffende de meting van schepen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de uitvoering van het Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen 1969, **Trb.** 1970, 122 en 194, wenselijk is de bepalingen betreffende de meting van zeeschepen opnieuw vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Deze wet verstaat onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. \"Verdrag\": het Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969, **Trb.** 1970, 122 en 194; - c. \"Verdrag van Oslo 1947\": Het Internationaal Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen, laatstelijk **Trb.** 1970, 55; - d. \"de datum van inwerkingtreding van het Verdrag\": het tijdstip bedoeld in artikel 17, lid (1), van het Verdrag; - e. \"schip\": een zeeschip in de zin van [artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=2) of een binnenschip in de zin van [artikel 3, eerste lid, van Boek 8 van dat Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=3); - f. \"Nederlands schip\": - 1°. een zeeschip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren, dan wel - 2°. een binnenschip dat voldoet aan tenminste een der in het [eerste lid van artikel 784 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=784) gestelde voorwaarden; - g. inspecteur-generaal: inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat; - h. de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat: de door Onze Minister aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat. - i. \"het"},{"i":13082,"b":"Besluit van 14 december 2006, nr. 06.004621, houdende wijziging van de beleidsterreinen met de aangelegenheden waarvan Minister zonder portefeuille drs. M.C.F. Verdonk is belast Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 14 december 2006, nr. 3026390; Gelet op de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=43) en [44, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Onze Minister zonder portefeuille mevrouw drs. M.C.F. Verdonk met ingang van 14 december 2006 niet langer te belasten met de aangelegenheden betreffende Vreemdelingenzaken en haar mede te belasten met de aangelegenheden betreffende Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemde, de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":13774,"b":"Klachtenreglement NWO 2025 gehoord de Centrale Ondernemingsraad van NWO, gelet op [hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) (Awb); besluit het volgende: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Awb:** de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. **klacht:** iedere uiting van ongenoegen over een gedraging, handeling of nalaten door een persoon, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van NWO, als gedefinieerd onder artikel 1, sub e; - c. **Klachtenmeldpunt:** **(de medewerkers van)** het meldpunt dat is ingericht ter administratie, doorzending en registratie van klachten als bedoeld sub b; - d. **Nationale ombudsman:** de Nationale ombudsman, zoals bedoeld in [art 9:17 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:17), die belast is met de behandeling en -beoordeling van klachten over gedragingen van bestuursorganen in tweede aanleg. - e. **NWO:** de domeinen en regieorganen, alsmede de afdelingen bedrijfsvoering en het Bureau raad van bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, de stichting NWO-I en haar onderzoekinstituten. - f. **raad van bestuur:** de raad van bestuur NWO, zoals bedoeld in [artikel 6 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=6). Artikel 2. Klachtrecht 1. Ieder natuurlijk persoon, niet zijnde een werknemer van NWO, heeft het recht om een klacht in te dienen bij NWO, over de wijze waarop NWO zich in een bepaalde aangelegenheid jegens een ander heeft gedragen. Het staat een klager vrij zich door een derde te laten bijstaan. 2. Een gedraging van een persoon, werkzaam onder verantwoordelijkheid van NWO, wordt aangemerkt als een gedraging van NWO. 3. Deze regeling is niet van toepassing indien voor de behandeling van de betreffende klachten is voorzi"},{"i":9552,"b":"Verdrag ter vereenvoudiging van grensformaliteiten vervoer van reizigers en bagage per spoorweg De ondergetekenden, behoorlijk gemachtigd, Bijeengekomen te Genève, onder de auspiciën van de Economische Commissie voor Europa, Teneinde de grensoverschrijding van reizigers en bagage, welke per spoor worden vervoerd, te vergemakkelijken, Hebben omtrent de volgende bepalingen overeenstemming bereikt: HOOFDSTUK I. Instelling en régime van grensstations waar de nationale contrôles door twee aangrenzende landen worden uitgevoerd Artikel 1 1. Voor elke spoorlijn, waarlangs een aanzienlijk aantal internationale reizigers wordt vervoerd en welke de grens tussen twee aangrenzende landen kruist, onderzoeken de bevoegde autoriteiten van die landen, in alle gevallen waarin de contrôles niet op bevredigende wijze in de rijdende treinen kunnen worden uitgevoerd, gezamenlijk de mogelijkheid om in onderling overleg een in de nabijheid van genoemde grens gelegen station aan te wijzen, waar de in de wetgeving van beide landen voorziene contrôles met betrekking tot het binnenkomen en het uitgaan van reizigers en van bagage zullen plaats vinden. 2. Indien twee aangrenzende landen verscheidene stations van deze aard langs hun gemeenschappelijke grens aanwijzen, zullen deze stations zoveel mogelijk in gelijk aantal aan elke zijde van genoemde grens zijn gelegen. Artikel 2 1. Telkens als een station overeenkomstig artikel 1 is aangewezen, wordt een zone vastgesteld, waarbinnen de ambtenaren en beambten van de bevoegde administraties van het land, grenzende aan het grondgebied waarop dat station is gelegen (hierna genoemd: „aangrenzend land”), het recht hebben reizigers, die de grens in de ene of in de andere richting overschrijden, en hun bagage, alsmede met internationale personentreinen vervoerde colli te controleren. 2. Deze zone omvat in het algemeen: - a). een bepaald gedeelte van het station; - b). de personentreinen en het baanvak, waar deze treinen blijven staan tijdens de gehele duu"},{"i":13362,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2016 **Inleiding** Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De Raad stelt dan ook als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van Wrb dat een verzoek om inschrijving bij de Raad eerst volledig is behandeld en is ingewilligd. Het bestuur van de Raad kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden. Deze inschrijvingsvoorwaarden van de Raad zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar advocaten die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. Er bestaan algemene voorwaarden die voor alle ingeschreven advocaten gelden en bijzondere voorschriften voor rechtsbijstand op specifieke rechtsgebieden. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) houdt toezicht op advocaten en heeft Gedragsregels1Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten. en verordeningen vastgesteld waarnaar advocaten zich behoren te richten. Volgens geldende regelgeving is uitvoering van het toezicht op advocaten primair de taak van de Dekens in de verschillende arrondissementen. Daar waar het controle van de naleving van de eigen inschrijvingsvoorwaarden betreft, heeft de Raad een eigenstandige bevoegdheid. De Raad heeft hiervoor maatregelbeleid vastgesteld.2Dit maatregelbeleid is gepubliceerd op www.rvr.org"},{"i":13075,"b":"Besluit van 2 februari 1998, houdende regels met betrekking tot de toekenning van een medaille aan vrijwilligers die in repressieve dienst taken op het terrein van de openbare orde en veiligheid verrichten (Besluit vrijwilligersmedaille openbare orde en veiligheid) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van 8 oktober 1997, nr. EB97/1956, gedaan mede namens Onze Ministers van Defensie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, alsmede Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken; Gelet op artikel 38, eerste en tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk; De Raad van State van het Koninkrijkgehoord (advies van 10 december 1997, nr. W04.97.0661/K.); De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van 26 januari 1998, nr. EB97/2505, uitgebracht mede namens Onze Ministers van Defensie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, alsmede Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de medaille: de vrijwilligersmedaille openbare orde en veiligheid en de daarbij behorende oorkonde zoals omschreven in de bij dit besluit behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009362&bijlage=1&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - b. het jaarteken: het jaarteken en de daarbij behorende oorkonde zoals omschreven in de bij dit besluit behorende [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009362&bijlage=2&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - c. de vrijwilliger: de vrijwilliger, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009362&artikel=2&z=2026-04-01&g=2026-04-01); - d. het bevoegd gezag: het bevoegd gezag van de vrijwilliger. Artikel 2 Het bevoegd gezag kent een medaille toe aan degene die aaneensluitend of met een onderbre"},{"i":12335,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 februari 2024, nr. 1478552, houdende instelling van de Adviescommissie SEA Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en de [onderlinge regeling inzake het ‘Strategic Education Alliance-programma’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048989) van 6 november 2023; Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **adviescommissie:** adviescommissie SEA, bedoeld in de [onderlinge regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048989) en nader beschreven in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049401&artikel=2&z=2024-02-24&g=2024-02-24); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **onderlinge regeling:** [onderlinge regeling inzake het ‘Strategic Education Alliance-programma’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048989) van 6 november 2023; - **SEA-programma:** Strategic Education Alliance, een gezamenlijk programma van de vier Koninkrijkslanden. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een adviescommissie SEA. 2. De adviescommissie heeft tot taak het Ministerieel Vierlandenoverleg OCW gevraagd en ongevraagd te adviseren over of een voorstel te doen voor de ontwikkeling, uitvoering en voortgang van het SEA-programma. 3. De voorzitter en plaatsvervangend voorzitter vervullen een ambassadeursrol waarin zij het SEA-programma onder de aandacht brengen van bestaande en nieuwe stakeholders. 4. In de periode van 1 september 2023 tot 31 december 2023 bereidt de voorzitter de werkzaamheden van de adviescommissie voor. Artikel 3. Instellingsduur 1. De adviescommissie wordt ingesteld met ingang van 1 januari 2024 en wordt opgeheven met ingang van 31 december 2026. 2. De instellingsduur kan, na instemming van het Ministerieel Vierlandenoverleg OCW, steeds voo"},{"i":9553,"b":"Verdrag ter verzekering van de internationale eenheid en de volmaking van het metrieke stelsel Zijne Excellentie de President van de Fransche Republiek, Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk-Hongarije, Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Zijne Excellentie de President der Argentijnsche Confederatie, Zijne Majesteit de Koning van Denemarken, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, Zijne Excellentie de President der Vereenigde Staten van Amerika, Zijne Majesteit de Koning van Italië, Zijne Excellentie de President van de Republiek Peru, Zijne Majesteit de Koning van Portugal en der Algarven, Zijne Majesteit de Keizer aller Ruslanden, Zijne Majesteit de Koning van Zweden en Noorwegen, Zijne Excellentie de President van de Zwitsersche Confederatie, Zijne Majesteit de Keizer der Ottomanen en Zijne Excellentie de President van de Republiek Venezuela, Wenschende de internationale eenheid en de volmaking van het metrieke stelsel te verzekeren, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Zijne Excellentie de President van de Fransche Republiek, Hertog Decazes, afgevaardigde ter Nationale Vergadering, Commandeur in de Orde van het Legioen van Eer, enz., enz., enz., Minister van Buitenlandsche Zaken, Burggraaf de Meaux, afgevaardigde ter Nationale Vergadering, Minister van Landbouw en Handel, en den Heer Dumas, bestendig Secretaris van de Academie van wetenschappen, Grootkruis in de Orde van het Legioen van Eer, enz., enz., enz.; Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Zijne Hoogheid den Vorst van Hohenlohe-Schillingsfürst, Grootkruis in de Orde van den Rooden Adelaar van Pruisen en in de Orde van St. Hubertus van Beieren, enz., enz., HoogstDeszelfs Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te Parijs; Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk-Hongarije, Zijne Excellentie Graaf Apponyi, HoogstDeszelfs werkelijk Kamerheer en Geheimraad, Ridder van het Gulden Vlies, Gro"},{"i":14087,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 mei 2021, kenmerk 2021-0000097511, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor het jaar 2021 (Regeling bekostiging financieel toezicht 2021) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder geconsolideerde jaarrekening: jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van personen die een groep of groepsdeel vormen en andere in de consolidatie meegenomen personen, als één geheel zijn opgenomen. Artikel 2 1. Voor het kalenderjaar 2021 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9), voor de personen die onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten vallen, bedoeld in [bijlage 1, onderdeel B, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&bijlage=1), als volgt vastgesteld: | Toezichtcategorie | Maatstaf | Bandbreedtes | Tarieven | | --- | --- | --- | --- | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >0 tot en met 5.000 PC | € 2.060 vermeerderd met: € 6,23 per PC | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >5.000 tot en met 10.000 PC | in voorkomend geval vermeerderd met: € 4,36 per PC | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk al"},{"i":9554,"b":"Verdrag tot aanvulling van het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat, Partijen bij het Verdrag van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, gesloten in het kader van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking en Ontwikkeling, thans de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en zoals gewijzigd bij het op 28 januari 1964 te Parijs gesloten Aanvullend Protocol, bij het op 16 november 1982 te Parijs gesloten Protocol en bij het op 12 februari 2004 te Parijs gesloten Protocol (hierna te noemen „Verdrag van Parijs”); Geleid door de wens de maatregelen waarin dat Verdrag voorziet aan te vullen, ten einde het bedrag der vergoeding voor schade, veroorzaakt door het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden, te verhogen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De regeling waarin dit Verdrag voorziet ter aanvulling van die van het Verdrag van Parijs is onderworpen aan de bepalingen van het Verdrag van Parijs en aan de hierna vastgestelde bepalingen. Artikel 2 a). De regeling in dit Verdrag is van toepassing op kernschade waarvoor krachtens het Verdrag van Parijs de aansprakelijkheid berust bij de exploitant van een kerninstallatie voor vreedzaam gebruik, gelegen op het grondgebied van een Partij bij het onderhavige Verdrag (hierna genoemd „Partij\") en die geleden is: - (i). op het grondgebied van een Partij; of - (ii). in of boven maritieme gebieden buiten de territoriale zee van een Partij - 1. aan boord van of door een schip varend onder de vlag van een Partij,"},{"i":13443,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 maart 2018, nr. Min-BuZa.2018.1096-10, houdende instelling van het Audit Committee van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Instellingsbesluit Audit Committee BZ 2018) Gelet op de [Regeling audit committees van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040281); Besluit: Artikel 1 1. Er is een Audit Committee BZ 2018. 2. Het Audit Committee BZ 2018 adviseert het departementale management in elk geval op de volgende terreinen: - a. het borgen van de kwaliteit van de bedrijfsvoering en de financiële verslaggeving; - b. de regie op het auditbeleid; - c. het evaluatiebeleid, het risicomanagementbeleid alsmede de uitkomsten daarvan. Artikel 2 In het Audit Committee BZ 2018 hebben zitting: - a. als voorzitter, tevens lid, de Secretaris-Generaal; - b. als interne leden: de plaatsvervangend Secretaris-Generaal, de plaatsvervangend Directeur-Generaal Politieke Zaken, de plaatsvervangend Directeur-Generaal Internationale Samenwerking en de hoofddirecteur Personeel en Organisatie; - c. als externe leden: tenminste twee door de Minister van Buitenlandse Zaken te benoemen personen die niet werkzaam zijn onder zijn gezag; - d. de directeur Financieel Economische Zaken en de accountdirecteur van de Auditdienst Rijk ondersteunen het Audit Committee als deskundigen en nemen uit dien hoofde deel aan de vergaderingen van het Audit Committee; - e. als agendaleden: de Directeur-Generaal Politieke Zaken, de Directeur-Generaal Europese Samenwerking, de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking, de Directeur-Generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen, de Directeur Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie en een vertegenwoordiger van de Algemene Rekenkamer. Artikel 3 Het Audit Committee BZ 2018 komt in beginsel vier keer per jaar bijeen in de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040748&artikel=2&z=2018-03-27&g=2018-03-27) genoemde samenstelling. Daarnaast worden bijeenkomsten gepland met vertegen"},{"i":9555,"b":"Verdrag tot afschaffing van het vereiste van legalisatie voor buitenlandse openbare akten De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Verlangende om het vereiste van diplomatieke of consulaire legalisatie van buitenlandse openbare akten af te schaffen, Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Dit Verdrag is van toepassing op openbare akten die zijn opgemaakt op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat en moeten worden overgelegd op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat. In dit Verdrag wordt onder openbare akten verstaan: - a). stukken, afgegeven door een autoriteit of functionaris behorende tot enig rechterlijk orgaan van de staat, hieronder begrepen stukken, afgegeven door het openbaar ministerie, een griffier of een gerechtsdeurwaarder; - b). administratieve stukken; - c). notariële akten; - d). op onderhandse stukken geplaatste officiële verklaringen zoals verklaringen omtrent registratie, het bestaan van een stuk op een bepaalde datum en de echtheid van een handtekening. Nochtans is dit Verdrag niet van toepassing: - a). op stukken opgemaakt door diplomatieke of consulaire ambtenaren; - b). op administratieve stukken die rechtstreeks betrekking hebben op handelstransacties of douaneformaliteiten. Artikel 2 Iedere Verdragsluitende Staat stelt de stukken waarop dit Verdrag van toepassing is en die op zijn grondgebied moeten worden overgelegd, vrij van legalisatie. In dit Verdrag wordt onder legalisatie uitsluitend verstaan de formaliteit waarbij de diplomatieke of consulaire ambtenaren van het land op welks grondgebied de akte moet worden overgelegd, een bevestigende verklaring afgeven omtrent de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van het stuk heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de identiteit van het zegel of het stempel op het stuk. Artikel 3 Ter bevestiging van de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van het stu"},{"i":13981,"b":"Procuratieregeling Stichting Autoriteit Financiële Markten per 1 november 2013 De procuratieregeling van de AFM houdt in dat aangewezen personen volmacht hebben tot het aangaan van een verplichting namens de AFM (daaronder wordt ook begrepen het voldoen aan een verplichting en het verlengen van een verplichting). Dit met inachtneming van in deze regeling genoemde voorwaarden. De bijlage bij deze regeling (hierna: de Bijlage) bevat een overzicht van personen, afdeling en type procuratie. Uitsluitend personen vermeld in de Bijlage hebben volmacht om een verplichting aan te gaan. De procuratieregeling inclusief de Bijlage staat op haar website: www.afm.nl. De genoemde bedragen zijn inclusief btw. Het Bestuur van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (‘AFM’) verleent per 1 november 2013 procuratie uitsluitend aan de in de Bijlage opgenomen personen, op de hierna beschreven wijze. De procuratie is onderverdeeld in twee categorieën. Categorie 1 betreft uitgaven waarop alleen de AFM **budgethoudersregeling** van toepassing is. Categorie 2 betreft uitgaven waarop naast de AFM budgethoudersregeling ook de **AFM inkoopprocedures** van toepassing zijn. Welke uitgaven onder welke categorie vallen, is nader toegelicht in de Bijlage. De systematiek is daarbij als volgt: personen van alle afdelingen van de AFM kunnen bevoegd worden gemaakt ten aanzien van uitgaven vallend onder categorie 1. Daarentegen kunnen ten aanzien van uitgaven vallend onder categorie 2 slechts personen van inkopende afdelingen van de AFM bevoegd worden gemaakt. Er zijn zes inkopende afdelingen binnen de AFM: De procuratie van de AFM is ingedeeld als volgt. **Procuratiehouder A:** **Procuratiehouder B:** **Procuratiehouder C:** **Procuratiehouder D:** De omvang van de bevoegdheden categorie 1 en 2 ziet er schematisch weergegeven als volgt uit: **Bijzondere bepalingen:** Bijlage Gepubliceerd op www.afm.nl."},{"i":13835,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, ACM/DE/2016/202171, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 12b van de Gaswet (Meetcode gas LNB meting door aangeslotene) Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f); Besluit: 1. Algemene bepalingen 1.1. Werkingssfeer 1.1.1 De Meetcode gas LNB meting door aangeslotene bevat de voorwaarden inzake de gashoeveelheidsmetingen (volume- en capaciteit) door aangeslotenen op de aansluitingen op het landelijk gastransportnet waar gas wordt afgenomen voor eigen gebruik, waarbij uitsluitend het aansluitpunt in beheer is bij de netbeheerder van het landelijk gastransportnet. 1.2. Definities 1.2.1 Begrippen, die in de [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440) of de [Begrippencode gas](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037923) zijn gedefinieerd, hebben de in de Gaswet of Begrippencode gas gedefinieerde betekenis. 1.2.2 [Vervallen] 1.2.3 [Vervallen] 1.2.4 [Vervallen] 1.2.5 Onder het lokaal data acquisitiesysteem wordt verstaan het systeem dat op de plaats van de meting drie tellerstanden, te weten de tellerstand van de gasmeter, de niet-herleide gashoeveelheid en de herleide gashoeveelheid van het Elektronisch Volume Herleidings Instrument (EVHI), verzamelt en aan het einde van elk uur registreert. Dit lokaal data acquisitiesysteem is in eigendom en beheer van de netbeheerder van het landelijk gastransportnet. 1.3. Algemene functionele eisen 1.3.1 Aangeslotene dient er voor zorg te dragen dat de meetinrichting voor de bepaling van gashoeveelheid en gashoeveelheid per uur bestaat uit een gasmeter, een temperatuuropnemer, een drukopnemer en een Elektronisch Volume Herleidings Instrument (EVHI). 1.3.2 De meetinrichting voldoet aan de volgende specificaties | – meetonzekerheid in gashoeveelheid op maandbasis | ≤ 0,7% | | --- | --- | | – meetonzekerheid in gashoeveelheid per uur | ≤ 1,0% | | – beschikbaarheid"},{"i":13083,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 november 2025, kenmerk 54884646, houdende wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Het Utrechts Archief Gelet op [artikel 94 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de [Gemeenschappelijke regeling Het Utrechts Archief](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039480). Artikel 2 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stemt in met het wijzigingsbesluit van de Gemeenschappelijke regeling Het Utrechts Archief zoals voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal per 11 september 2025 (**Kamerstukken II** 2024/25, 36 723, nr. 3) en **Kamerstukken I** 2024/25, 36 723, B). Artikel 3 Het [besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 23 maart 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039471), nr. 1141978 (Stcrt. 2017, 21118) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":9557,"b":"Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden De Regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Gelet op de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) die op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is afgekondigd; Overwegende, dat deze [Verklaring](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) ten doel heeft de universele en daadwerkelijke erkenning en toepassing van de rechten die daarin zijn nedergelegd te verzekeren; Overwegende, dat het doel van de Raad van Europa is het bereiken van een grotere eenheid tussen zijn Leden en dat een van de middelen om dit doel te bereiken is de handhaving en de verdere verwezenlijking van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Opnieuw haar diep geloof bevestigende in deze fundamentele vrijheden die de grondslag vormen voor gerechtigheid en vrede in de wereld en welker handhaving vooral steunt, enerzijds op een waarlijk democratische regeringsvorm, anderzijds op het gemeenschappelijk begrip en de gemeenschappelijke eerbiediging van de rechten van de mens waarvan die vrijheden afhankelijk zijn; Vastbesloten om, als Regeringen van gelijkgestemde Europese staten, die een gemeenschappelijk erfdeel bezitten van politieke tradities, idealen, vrijheid en heerschappij van het recht, de eerste stappen te doen voor de collectieve handhaving van sommige der in de [Universele Verklaring](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) vermelde rechten; Bevestigend dat de Hoge Verdragsluitende Partijen, in overeenstemming met het beginsel van subsidiariteit, de primaire verantwoordelijkheid hebben de rechten en vrijheden die in dit Verdrag en de Protocollen daarbij zijn omschreven te waarborgen en dat zij daarbij over een beoordelingsmarge beschikken, die onderworpen is aan het toezicht door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zoals opgericht in dit Verdrag, Zijn het v"},{"i":12014,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief van de Deli Maatschappij, aanvulling 2015, nummer toegang 2.20.46 Gelet op [artikel 15, lid 1 onder a, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Besluit tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar in de tweede kolom | Inventarisnummer | Jaar | | --- | --- | | 524 | 2037 | | 538 | 2040 | | 615 | 2041 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040217&artikel=1&z=2017-11-23&g=2017-11-23) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040217&artikel=1&z=2017-11-23&g=2017-11-23), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":16742,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137236, houdende aanwijzing van Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost voor de regio Brabant-Zuidoost de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 GGD Brabant-Zuidoost is voor regio Brabant-Zuidoost de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":17871,"b":"Besluit van 15 maart 2021, houdende wijziging van het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 11 december 2020, kenmerk 1479602-186942-WJZ, gedaan in overeenstemming met Onze Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=38), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=44), [44a, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=44a) en [44d van de Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=44d) en de [artikelen 9.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=9.7), [9.8 zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=9.8), en [9.9 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=9.9); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 januari 2021, no. W13.20.0475/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 11 maart 2021, kenmerk 1479594-186942-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet. Artikel II Het [Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041861) is niet van toepassing op de uitkomsten van controle en onderzoek die zijn vastgesteld naar een melding als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, onder a, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=11), of naar aanleiding van een melding als bedoeld in [artikel 4.1.8, eerste lid, onderdeel a, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.1.8) voor zover het uitkomsten van controle en onderzoek betref"},{"i":18790,"b":"Besluit van 15 december 2008 tot aanwijzing van voorschriften en vaststelling van boetetarieven als bedoeld in artikel 154b, eerste lid, onderdelen a en b, en zevende lid, van de Gemeentewet (Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 november 2008, nr. 2008-0000547516; Gelet op [artikel 154b, eerste en zevende lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=154b), [artikel 74c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74c) en [artikel 257b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257b); De Raad van State gehoord (advies van 26 november 2008, nr. W04.08.0491/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2008, nr. 2008-0000597650; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit en de daarbij behorende bijlage wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416); - b. **college:** het college van burgemeester en wethouders; - c. **bestuurlijke boete:** een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 154b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=154b). Artikel 2 Geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van voorschriften als bedoeld in [artikel 154b, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=154b), voor zover die voorschriften betrekking hebben op: - a. samenscholingen en ongeregeldheden; - b. betogingen op openbare plaatsen; - c. vechten op straat; - d. het meevoeren van inbrekerswerktuigen of van voorwerpen die er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstallen te vergemakkelijken"},{"i":18543,"b":"Tijdelijk protocol letselongevallen Defensie Besluit: Artikel 1. Definities In dit protocol wordt verstaan onder: - a. ongeval: elk voorval waarbij dodelijk of ernstig lichamelijk of geestelijk letsel is veroorzaakt; - b. ernstig lichamelijk of geestelijk letsel: lichamelijk of geestelijk letsel dat naar verwachting ernstige invaliditeit tot gevolg heeft. Artikel 2. Reikwijdte Dit protocol is van toepassing op de binnen het Ministerie van Defensie te volgen procedure na het plaatsvinden van een ongeval waarbij het Ministerie van Defensie betrokken is. Artikel 3. Hulpverlening Hulpverlening en maatregelen ter beperking van schade worden terstond na het ongeval ter hand genomen. Behoudens voor zover noodzakelijk om uitvoering te geven aan het in de eerste volzin bepaalde, alsmede behoudens urgent operationeel optreden door de krijgsmacht, wordt in afwachting van onderzoek van het ongeval de situatie ter plaatse van het voorval niet gewijzigd. Artikel 4. Melding 1. Elk ongeval wordt zo spoedig mogelijk gemeld aan de commandant dan wel het diensthoofd binnen wiens verantwoordelijkheidsgebied het ongeval heeft plaatsgevonden, alsmede aan de Chef Defensiestaf. Op de melding zijn de Aanwijzingen van de Secretaris-Generaal inzake de melding van bijzondere gebeurtenissen, inzake de Tijdelijke Commissie Ongevallenonderzoek Defensie en inzake de melding van stralingsongevallen van toepassing. Met inachtneming van die aanwijzingen wordt de politieke, ambtelijke en militaire leiding onverwijld omtrent het ongeval geïnformeerd. Elk ongeval wordt door de betrokken commandant dan wel het betrokken diensthoofd zo spoedig mogelijk gemeld aan de Koninklijke marechaussee. 2. Het verantwoordelijke beleidsterrein draagt zorg voor het in samenspraak met de Maatschappelijke Dienst Defensie onverwijld en adequaat informeren van de nabestaanden dan wel de directe verwanten van degenen wie een ongeval is overkomen. Artikel 5. Commissie van onderzoek 1. Terstond na de melding van het ongeval w"},{"i":19050,"b":"Besluit van de directeur Rechtsbestel van het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 29 mei 2024, nr. 5435827 houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de hoofden van de onder de directie ressorterende afdelingen (Mandaatbesluit DRB Justitie en Veiligheid 2024) Gelet op [artikel 1, eerste lid, van het Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=1) en [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel b, van het Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=1) aan de directeur Rechtsbestel verleende mandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun afdeling betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van de afdeling Strafrechtelijk Bestel en Arbeidsvoorwaarden (SBA); - b. het hoofd van de afdeling Rechtspraak en Geschiloplossing (RG); - c. het hoofd van de afdeling Toegang Rechtsbestel (TR); - d. Het hoofd van het Beleidsteam Privacy (BtP). Artikel 2 De in [artikel 1, onder a tot en met d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050078&artikel=1&z=2024-08-01&g=2024-08-01), genoemde functionarissen wordt toegestaan elkaar volledig te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars bevoegdheden. Artikel 3 De [Mandaatregeling DRB Veiligheid en Justitie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034016) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 9 mei 2024. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit DRB Justitie en Veiligheid 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19051,"b":"Besluit van de directeur Rechtshandhaving en Criminaliteitsbestrijding van het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 29 mei 2024, nr. 5435808 houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de hoofden van de onder de directie ressorterende afdelingen (Mandaatbesluit DRC Justitie en Veiligheid 2024) Gelet op [artikel 1, eerste lid, van het Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=1) en [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=1) aan de directeur Rechtshandhaving en Criminaliteitsbestrijding verleende mandaat wordt de bevoegdheid om beslissingen te nemen ten aanzien de aangelegenheden die hun afdeling betreffen, ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van de afdeling Strafrechtelijke Handhaving (SH); - b. het hoofd van de afdeling Fraude en Bijzonder Strafrecht (FBS); - c. het hoofd van de afdeling Cybercrime en Zeden (CZ); Artikel 2 De in [artikel 1, onder a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050079&artikel=1&z=2024-08-01&g=2024-08-01), genoemde functionarissen wordt toegestaan elkaar volledig te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars, in artikel 1 genoemde, bevoegdheden. Artikel 3 De [Mandaatregeling DRC Veiligheid en Justitie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034015) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 9 mei 2024. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit DRC Justitie en Veiligheid 2024. Dit"},{"i":19052,"b":"Besluit van de directeur Sanctie- en Slachtofferbeleid van het directoraat-generaal Straffen en Beschermen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 11 april 2023, nr. 4502824, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur ressorterende functionarissen (Mandaatbesluit DSenS/DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, onder a, van het Mandaatbesluit DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048084&artikel=1) aan de directeur Sanctie- en Slachtofferbeleid verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun team of secretariaat betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het MT-lid Sancties Intramuraal; - b. het MT-lid Sancties Extramuraal; - c. het MT-lid Forensische Zorg; - d. het MT-lid Slachtofferbeleid; - e. het MT-lid Integriteit en Kansspelen; - f. de secretaris van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. Artikel 2 Onverminderd [artikel 4 van het Mandaatbesluit DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048084&artikel=4) blijft aan de directeur Sanctie- en Slachtofferbeleid voorbehouden de bevoegdheid om beslissingen te nemen ten aanzien van functionarissen werkzaam bij de directie, voor zover de bevoegdheid ingevolge het [Mandaatbesluit DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048084) niet rechtstreeks aan de functionarissen, bedoeld in [artikel 1, onder a tot en met f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048083&artikel=1&z=2023-04-21&g=2023-04-21), zijn ondergemandateerd. Artikel 3 1. De directeur Sanctie- en Slachtofferbeleid verleent ondermandaat aan de plaatsvervangend directeur Sanctie"},{"i":19053,"b":"Besluit van de directeur Strafrechtketen van het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 24 juli mei 2024, nr. 5435793 houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het hoofd van de onder de directie ressorterende afdeling (Mandaatbesluit DSK Justitie en Veiligheid 2024) Gelet op [artikel 1, eerste lid, van het Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=1) en [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel f, van het Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=1) aan de directeur Strafrechtketen verleende mandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die diens afdeling betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd van de afdeling Keteninformatievoorziening (KIV); - b. het hoofd van de afdeling Duurzame Digitale Samenwerking (DDS). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 9 mei 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit DSK Justitie en Veiligheid 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18530,"b":"Samenwerkingsregeling politie-Koninklijke marechaussee handelend in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op [artikel 48, tweede en derde lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=48); Besluiten: Artikel 1 1. De korpschef kan met de Commandant van de Koninklijke marechaussee afspraken maken over samenwerking als bedoeld in [artikel 5 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=5). De samenwerking heeft betrekking op de uitvoering van of de voorbereiding op de politietaken, die aan de Koninklijke marechaussee zijn opgedragen in [artikel 4 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=4). 2. De in het eerste lid bedoelde afspraken worden op schrift gesteld en bevatten in ieder geval de volgende onderwerpen: - het doel van de samenwerking; - de duur van de samenwerking; - de met de samenwerking gemoeide inzet van personeel; - de met de samenwerking gemoeide additionele kosten, alsmede de toedeling van die kosten, - de wijze waarop de samenwerking kan of zal worden beëindigd. 3. De afspraken worden schriftelijk ter kennis gebracht van het bevoegd gezag en de Ministers van Veiligheid en Justitie en van Defensie. De afspraken worden niet geëffectueerd dan nadat het bevoegd gezag, de betrokken hoofdofficieren van justitie en de Ministers van Veiligheid en Justitie en van Defensie daarmee hebben ingestemd. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Samenwerkingsregeling politie-Koninklijke marechaussee. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a 1. De [artikelen 5 tot en met 12 van het Besluit verplichte politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032083&artikel=5) zijn van overeenkomstige toepassing op de eenheid bij de Koninklijke marechaussee, belast met het"},{"i":18001,"b":"Besluit van 6 mei 2025, houdende aanpassing van diverse algemene maatregelen van bestuur en de intrekking van het Besluit nationaliteitstoets zeeschepen in verband met de Rijkswet nationaliteit zeeschepen (Aanpassingsbesluit Rijkswet nationaliteit zeeschepen) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 7 maart 2023, nr. IENW/BSK-2022/309803, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 16, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16), [artikel 5:12, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12), [artikel 231 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=231), [artikel 21, tweede lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=21), de [artikelen 21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=21), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=29), en [32 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=32), [artikel 4.3, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=5), [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=77) en [78 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=78), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4) en [20 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=20), de [artikelen 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=15), en [17, eerste lid, onderdeel g, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17), de [artikele"},{"i":19054,"b":"Besluit van de algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 1 februari 2026, nr. DJ7062637, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de algemeen directeur ressorterende functionarissen (Mandaatbesluit DTenV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2026 gelet op [artikel 3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en gelet op [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1); BESLUIT: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek verleende ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun directie of afdeling betreffen ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging verleend aan: - a. de directeur van de Directie Internationale aangelegenheden; - b. de directeur van de Directie Terugkeeruitvoering; - c. de directeur van de Directie Strategisch Advies en Juridische Zaken; - d. de directeur van de Directie Bedrijfsvoering. Artikel 2 Als leidinggevende in de zin van paragraaf 1.3 van de CAO Rijk ten aanzien van de onder hun directie of afdeling ressorterende ambtenaren, worden aangewezen de functionarissen, genoemd in kolom 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052238&bijlage=1&z=2026-01-31&g=2026-01-31) bij dit besluit, voor zover het betreft de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in kolom 2 van die bijlage. Artikel 3 Als bevoegd om te beschikken over bedragen voor het aangaan van verplichtingen en voor het verrichten van uitgaven, worden aangewezen de functionarissen, genoemd in kolom 1 van [bijla"},{"i":19003,"b":"Boetebeleidsregels gokzuilzaken 2024 1. Inleiding De boetebeleidsregels gokzuilen uit 2014, zijn per 18 juni 2024 geactualiseerd. Deze geactualiseerde boetebeleidsregels gelden voor zaken die in nader onderzoek worden genomen op of na 1 juli 2024. De doelstellingen van het kansspelbeleid zijn het beschermen van de speler, het voorkomen van kansspelverslaving en de bestrijding van illegaliteit en criminaliteit. Illegaal gokaanbod is in strijd met deze doelstellingen. Dit illegale aanbod staat immers niet onder toezicht van de Kansspelautoriteit en voldoet niet aan de regels die de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) (hierna: Wok) stelt. Dit wordt uitgewerkt in hoofdstuk 3 van deze boetebeleidsregels. Deze beleidsregels gaan over gokzuilen. Gokzuilen is de verzamelnaam voor alle apparaten waarmee op een locatie kansspelen kunnen worden gespeeld, niet zijnde speelautomaten waarvoor een exploitatievergunning en/of een aanwezigheidsvergunning als bedoeld in [Titel VA van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&titeldeel=VA) is verleend. 2. De overtredingen Er zijn verschillende vormen van gokken op of met behulp van een gokzuil. Deze worden hieronder uiteengezet. Afhankelijk van de vorm is er sprake van een overtreding van [artikel 30t, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30t), of van [artikel 1, aanhef en eerste lid, onder a of b van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1). Het is de Kansspelautoriteit bekend dat sinds 2014 steeds nieuwe vormen van gokzuilen op de illegale markt zijn gekomen. De gokzuil als omschreven onder a, komt minder voor en steeds vaker is er sprake van mobiele apparaten zoals laptops en mobiele telefoons, zoals omschreven onder b. In de jurisprudentie worden overtredingen m.b.t. gokzuilen afhankelijk van het geval geschaard onder [artikel 30t van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30t)2Vgl. ECLI:NL:R"},{"i":3270,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 januari 2016 nr. BOACAT2016/007, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Kerkrade Gelezen het verzoek van het Hoofd van de Afdeling Openbare Orde & Veiligheid van de gemeente Kerkrade van 5 januari 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b) [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037594&artikel=2&z=2016-03-03&g=2016-03-03). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Handhaving, allround medewerker Handhaving en clusterleider Handhaving in dienst van de gemeente Kerkrade, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerst"},{"i":2951,"b":"Besluit van 20 december 2004, houdende aanwijzing van hoofdspoorwegen, alsmede houdende intrekking van enkele op grond van de Locaalspoor- en Tramwegwet genomen besluiten (Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 december 2004, nr. HDJZ/S&W/2004-3064, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=2), en [124 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=124) en de [artikelen 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866&artikel=1), en [2, eerste lid, van de wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866&artikel=2) (Stb. 118); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Als hoofdspoorweg worden aangewezen de spoorwegen, genoemd in de bij dit besluit behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017794&bijlage=1&z=2020-10-15&g=2020-10-15). 2. Als hoofdspoorwegen worden tevens aangewezen de in onderdeel a van [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017794&bijlage=2&z=2020-10-15&g=2020-10-15) bij dit besluit genoemde spoorwegen en de berijdbare delen van de spoorwegen gelegen op de in onderdeel b van [die bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017794&bijlage=2&z=2020-10-15&g=2020-10-15) genoemde locaties. Deze spoorwegen vallen onder het toepassingsbereik van [artikel 20, vierde lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=20). Artikel 2 De volgende beschikkingen tot aanwijzing als locaalspoorweg als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866) (Stb. 118), worden inge"},{"i":9624,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake betaald werk van gezinsleden van diplomatiek en consulair personeel Het Koninkrijk der Nederlanden en Australië Geleid door de wens een verdrag te sluiten inzake de tewerkstelling van gezinsleden van diplomaten en andere personeelsleden van de Ambassade, Consulaten-Generaal, Consulaten en permanente vertegenwoordigingen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Toestemming om betaalde werkzaamheden te verrichten a. Gezinsleden die deel uitmaken van het officiële huishouden van een lid van de diplomatieke vertegenwoordiging of een consulaire post van de zendstaat wordt toegestaan betaalde werkzaamheden te verrichten in de ontvangende staat in overeenstemming met de bepalingen van de wet van de ontvangende staat en onder voorbehoud van de bepalingen van dit Verdrag. b. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - i. „een lid van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post\": elk personeelslid van de zendstaat (die geen onderdaan is van noch zijn vaste verblijfplaats heeft in de ontvangende staat) werkzaam bij een diplomatieke vertegenwoordiging, een consulaire post of een vertegenwoordiging bij een internationale organisatie; - ii. „een gezinslid\": een persoon die als zodanig door de ontvangende staat is erkend en die deel uitmaakt van het officiële huishouden van een lid van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post; en - iii. „Verdrag inzake diplomatiek verkeer\": het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961. c. Als regel wordt geen toestemming verleend, indien de aanvrager door de aanvaarding van de voorgestelde dienstbetrekking niet langer deel uitmaakt van het huishouden van het lid van de diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post. d. Een gezinslid wordt toegestaan om betaald werk te verrichten vanaf het tijdstip van aankomst van het lid van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post in de ontvangende staat tot het t"},{"i":9632,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada, Geleid door de wens de samenwerking tussen de twee landen bij de opsporing, vervolging en bestrijding van misdaden doeltreffender te maken door voorzieningen te treffen voor wederzijdse rechtshulp in strafzaken, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder „centrale autoriteit\": - a. voor Canada: de Minister van Justitie; - b. voor het Koninkrijk der Nederlanden: de Minister van Justitie van Nederland, de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, of de Minister van Justitie van Aruba, al naar het geval; wordt verstaan onder „strafbaar feit\": - a. wat Canada betreft, elk strafbaar feit als zodanig aangemerkt in een wet aangenomen door het Parlement of elk strafbaar feit als zodanig aangemerkt door de wetgever van een provincie; - b. wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, elk strafbaar feit als zodanig aangemerkt door de wetgever van Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba. Artikel 2. Werkingssfeer 1. De Partijen verlenen elkaar, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, wederzijdse rechtshulp in alle aangelegenheden verband houdend met de opsporing, vervolging en bestrijding van strafbare feiten. 2. De rechtshulp omvat, onder meer: - a. het verstrekken van gegevens en voorwerpen; - b. het opsporen van de verblijfplaats en het identificeren van personen en voorwerpen; - c. het onderzoeken van plaatsen; - d. het betekenen van stukken; - e. het horen van getuigen onder ede of belofte en het verkrijgen van ander bewijs; - f. het uitvoeren van verzoeken om huiszoeking en inbeslagneming ter verkrijging van bewijs; - g. het verstrekken van processtukken en andere bescheiden; - h. het ter beschikking stellen van gedetineerden en andere personen om een getuigenverklaring af te leggen of medewerking te verlenen"},{"i":9635,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Associatie van Caraïbische Staten tot vaststelling van de voorwaarden van deelneming door de Nederlandse Antillen als geassocieerd lid Het Koninkrijk der Nederlanden namens de Nederlandse Antillen en de Associatie van Caraïbische Staten, Overwegende dat in [artikel IV, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Associatie van Caraïbische Staten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001944&artikel=IV), hierna te noemen het „Verdrag\"1)Redactie: In deze vertaling wordt het Verdrag tot oprichting van de Associatie van Caraïbische Staten, het Verdrag (van 1994) genoemd ter onderscheiding van het onderhavige Verdrag., wordt bepaald dat de Raad van ministers van de Associatie van Caraïbische Staten verdragen sluit met geassocieerde leden; Overwegende dat de Nederlandse Antillen voorkomen op de lijst van Staten, Landen en Grondgebieden genoemd in [Bijlage II bij het Verdrag (van 1994)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001944&bijlage=II); Rekening houdende met de desbetreffende bepalingen van de Grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden, die toelaten dat de Nederlandse Antillen de hoedanigheid van geassocieerd lid van de Associatie van Caraïbische Staten verwerven; Geleid door de wens de regionale samenwerking tussen de Lidstaten en de geassocieerde leden van de Associatie te bevorderen teneinde het collectieve vermogen van het Caraïbisch Gebied te exploiteren, te gebruiken en te ontwikkelen om te komen tot duurzame vooruitgang op economisch, sociaal, cultureel, wetenschappelijk en technologisch gebied; Geleid door de wens regionaal overleg, samenwerking en gezamenlijk optreden te bevorderen op het gebied van onder andere toerisme, economische integratie en van andere aan handel gerelateerde commerciële gebieden, en van vervoer; Overwegende dat het Koninkrijk der Nederlanden, voor de Nederlandse Antillen op 27 november 1997 het [Verdrag (van 1994)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001944) heeft"},{"i":9630,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Burkina Faso inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en Burkina Faso, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens hun van oudsher bestaande vriendschapsbanden te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie zal stimuleren, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Vervallen Artikel 2. Investeringsbevordering en -bescherming Vervallen Artikel 3. Nationale behandeling en meestbegunstigde-natie-clausule Vervallen Artikel 4. Belastingen Vervallen Artikel 5. Vrije overmaking Vervallen Artikel 6. Onteigening en vergelijkbare maatregelen Vervallen Artikel 7. Bescherming van eigendom Vervallen Artikel 8. Subrogatie Vervallen Artikel 9. Beslechting van geschillen tussen een Verdragsluitende Partij en een investeerder Vervallen Artikel 10. Toepassing Vervallen Artikel 11. Overleg Vervallen Artikel 12. Beslechting van geschillen tussen de Verdragsluitende Partijen Vervallen Artikel 13. Territoriale toepassing Vervallen Artikel 14. Inwerkingtreding, duur en beëindiging Vervallen TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend. GEDAAN in tweevoud te Ouagadougou op 10 november 2000 in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, met dien verstande dat in geval van verschil in interpretatie de Franse tekst doorslaggevend is. **Voor het Koninkrijk der Nede"},{"i":9636,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de winning van steenkolen in het Nederlands-Duitse grensgebied ten westen van Wegberg - Brüggen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Bondsrepubliek Duitsland, geleid door de wens, de in bijlage C van het verdrag tussen de Nederlandse en Duitse regering van 11 mei 1920 nopens crediet en steenkolen bedoelde bijzondere regeling tot stand te doen komen en een rationele ontwikkeling der steenkolenproductie in het Nederlands-Duitse grensgebied mogelijk te maken, zijn overeengekomen tot dit doel een verdrag te sluiten en hebben daartoe tot hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden De Heer Arnold Theodor Lamping, Harer Majesteits Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te Bonn, De President van de Bondsrepubliek Duitsland De Heer Dr. Heinrich von Brentano, Bondsminister van Buitenlandse Zaken, die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 (1). Het verdrag is van toepassing op het verdragsgebied. (2). Het verdragsgebied omvat - a). het steenkolenveld, dat op bijgaande kaart grijs gearceerd en door de verbindingslijnen der punten 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 1 omsloten is (veld Sophia-Jacoba B); - b). de steenkolenvelden, die op bijgaande kaart blauw gearceerd en door de verbindingslijnen der punten 3, 30, 31, 32, 6, 5, 4, 3 omsloten zijn (velden Brüggen 1, 2 en 3); - c). het concessievrije gebied, dat op bijgaande kaart groen gearceerd en door de Nederlands-Duitse rijksgrens alsmede de verbindingslijnen der punten 33, 34, 8, 7, 6, 32, 31, 30, 3, 2, 1, 29, 28, 27, 26, 25, 24, 23, 22, 21, 20, 19, 18, 17, 16, 15, 35 omsloten is. (3). De in lid (2) vermelde kaart vormt een bestanddeel van dit verdrag. Artikel 2 Voor de in artikel 1, lid (2), onder **b**) genoemde steenkolenvel"},{"i":2429,"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport, van 20 november 2014, nr. A-0-14-0072.001, over het volgen van vertrekprocedures bij de luchthaven Eelde, de luchthaven Maastricht en de luchthaven Rotterdam (Beleidsregel handhaving vertrekprocedures luchthavens Eelde, Maastricht en Rotterdam) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) in samenhang met de [artikelen 5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.9) en [11.15 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.15) alsmede [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=10), 2e lid, van het [Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Inspectie:** Inspectie Leefomgeving en Transport; - **Tolerantiegebied** :tweedimensionaal gebied gerelateerd aan de vertrekprocedures bij de luchthavens Eelde, Maastricht en Rotterdam, als weergegeven op de kaarten in de bijlagen bij deze beleidsregel; - **Vertrekprocedure:** door LVNL opgedragen luchtverkeersprocedure voor vertrekkende vliegtuigen. Artikel 2 De Inspectie houdt toezicht op het door gezagvoerders van vliegtuigen volgen van de aan hen opgedragen vertrekprocedures bij de luchthavens Eelde, Maastricht of Rotterdam en treedt handhavend op indien de gezagvoerder van een vliegtuig de buitengrens van het bij de betreffende vertrekprocedure behorende tolerantiegebied overschreden heeft. De inspectie treedt niet handhavend op als een overschrijding het gevolg is van een instructie van de LVNL of als de afwijking noodzakelijk was in verband met de vliegveiligheid. Artikel 3 De vlieghoogtes tot waarop de vertrekprocedures door de Inspectie worden gehandhaafd zijn: - a. Flight Level 60 bij luchthaven Eelde; - b. Flight Level 60 voor straalverkeer en 3500 voet voor propellerverkeer bij luchthaven Maastricht; - c. 3"},{"i":13237,"b":"Wet van 28 april 1916, tot nadere voorziening betreffende het eedsvraagstuk Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het eedsvraagstuk nadere voorziening behoeft; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In elk geval waarin een wettelijk voorschrift het afleggen van een eed vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, kan ter keuze van de betrokkene in de plaats van de eed de belofte worden afgelegd of, in voorkomend geval, de bevestiging worden gegeven. Artikel 2 In wettelijke voorschriften wordt onder eed begrepen de belofte of bevestiging, welke krachtens deze wet voor een eed in de plaats treedt. Artikel 3 Deze wet kan worden aangehaald als Eedswet 1971. Overgangsbepaling De eeden, vóór het in werking treden dezer wet afgelegd door personen, die op het tijdstip der eedsaflegging niet tot eene godsdienstige gezindheid behoorden, worden geacht te zijn afgelegd op wettige wijze. Slotbepaling Deze wet treedt in werking met ingang van den dag na dien harer afkondiging. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9637,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland houdende vaststelling van een ontginningsgrens voor oostelijk van de Nederlands-Duitse landsgrens gelegen steenkolenvelden Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en De President van de Bondsrepubliek Duitsland; Geleid door de wens, de winning van steenkolen in enkele, oostelijk van de Nederlands-Duitse landsgrens gelegen steenkolenvelden van Nederland uit mogelijk te maken; Hebben, ten einde een daartoe strekkend verdrag te sluiten, tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Z.E. Prof. dr. J. R. M. van den Brink, Minister van Economische Zaken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland: Z.E. Prof. Dr. Ludwig Erhard, Bondsminister van Economische Zaken, De Heer Oberbergrat Dr. von Schlütter, die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt: Artikel I 1. Het Verdrag is van toepassing - a). op die veldgedeelten, welke volgens de aan dit Verdrag gehechte kaart blauw gearceerd en door de punten 3a, 4, 5, 6, 6a, 12 en 3 a omsloten zijn, en - b). op die steenkolenvelden, welke op de kaart groen gearceerd zijn en tussen de Nederlands-Duitse landsgrens en de op bijgaande kaart aangegeven verbindingslijn tussen de grenspunten 213 en 227**a** liggen. Deze kaart vormt een onderdeel van het Verdrag. 2. De in lid 1, onder **a**), genoemde veldgedeelten worden naar de diepte begrensd door het niveau -800 m Nieuw-Amsterdams Peil. 3. Voor de ontginning van deze steenkolenvelden, resp. gedeelten daarvan, wordt onafhankelijk van de landsgrens en de bij het Nederlands-Duits Verdrag van 17-5-1939 vastgestelde ontginningsgrens voor het ondergronds bedrijf een nieuwe ontginningsgrens overeengekomen. Deze wordt gevormd door de op aangehechte kaart oostelijk van de landsgrens, resp. oude ontginningsgrens van 1939 lopende nieuwe grenslijn. Als ontginningsgrens naar de diepte wordt voor de in"},{"i":14304,"b":"Regeling van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 9 september 2013, nr. DJZ/BR/0648-2013, met betrekking tot een vergunningplicht voor uitvoer van en het verlenen van tussenhandeldiensten voor goederen voor tweeërlei gebruik (Regeling goederen voor tweeërlei gebruik) Gelet op de [artikelen 4 tot en met 6 van de Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=4) en [4 van het Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **besluit:** het [Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139); - –. **inspecteur:** de directeur-generaal Douane; - –. **wet:** de [Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545). Artikel 2 Het is verboden om zonder vergunning van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking uit Nederland uit te voeren goederen voor tweeërlei gebruik als bedoeld in: - a. [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033865&bijlage=I&z=2021-09-09&g=2021-09-09) of [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033865&bijlage=II&z=2021-09-09&g=2021-09-09), indien deze als bestemming, met inbegrip van de eindbestemming, Syrië hebben; - b. [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033865&bijlage=II&z=2021-09-09&g=2021-09-09), indien deze als bestemming, met inbegrip van de eindbestemming, Egypte of Oekraïne hebben. Artikel 3 Het is verboden zonder vergunning van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking een tussenhandeldienst als bedoeld in de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=4), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=5), of[6, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=6) te verlenen voor goederen voor tweeërlei gebruik als bedoeld in [bijlage I](https://we"},{"i":13295,"b":"Gemeenschappelijke regeling RHC Drents Archief Gelet op [hoofdstuk I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=I) en [IX van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=IX); Besluiten: tot het treffen van de navolgende gemeenschappelijke regeling tot de instelling van een openbaar lichaam dat de archiefbescheiden en collecties beheert die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Drenthe en de archiefbewaarplaats van de gemeente Assen. Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **de gemeente:** de gemeente Assen; - c. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - d. **collecties:** de verzameling historische voorwerpen, boeken en overige schriftelijke en elektronische bescheiden in de meest ruime zin des woords, niet zijnde archiefbescheiden, in eigendom van of beheer bij de Minister en de gemeente voor zover het betreft voorwerpen of bescheiden bij de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaats van de gemeente; - e. **college:** het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, en - f. **provincie:** de provincie Drenthe. Artikel 2 1. De regeling wordt getroffen met het doel de belangen van de Minister en het college bij alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden, collecties, individuele documenten en dergelijke die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaats van de gemeente, in gezamenlijkheid te behartigen. 2. Het RHC Drents Archief voert bij de behartiging van de belangen, bedoeld in het eerste lid, het archiefbeleid en het cultuurbeleid van de Minister en de gemeente mede uit. 3. De Minister en het college kunnen gezamenlijk algemene aanwijzingen geven omtrent de wijze waarop het"},{"i":17241,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake experiment epilepsie-DBCs Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 9 oktober 2007 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2007–2008, 29248, nr. 44); Besluit: Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder een epilepsie-instelling: een instelling voor medisch specialistische zorg die ultimo 2005 in bezit was van een WZV-vergunning als epilepsiecentrum. Artikel 2 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg gerelateerd aan de prestatiebeschrijvingen in de vorm van Diagnose Behandeling Combinaties (DBCs) zoals die zijn opgenomen in de bijlage bij deze aanwijzing. Artikel 3 1. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, op grond van de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57)en [58 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58) een experimentbeleidsregel vast. 2. Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2008 en eindigt op 1 januari 2009. Artikel 4 Voor de duur van het experiment zijn de prestatiebeschrijvingen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023137&artikel=2&z=2007-12-21&g=2007-12-21) alleen van toepassing voor epilepsie-instellingen. Artikel 5 De zorgautoriteit ontwikkelt een experiment met als doel het verkrijgen van aan de DBC onderliggende informatie over zorg als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023137&artikel=2&z=2007-12-21&g=2007-12-21) zodat effectieve onderhandelingen tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars en daarmee DBC-bekostiging voor die zorg per 1 januari 2009 mogelijk wordt. Artikel 6 De informatie als bedoeld in [artikel 5](https:/"},{"i":19394,"b":"Wet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging (stroomlijnen hoger beroep) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging wijziging behoeft; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel III Wijzigt de Wet overdracht en tenuitvoerlegging strafvonnissen. Artikel IV [Artikel I, onderdelen C tot en met DD, met uitzondering van onderdeel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020395&artikel=I&z=2007-07-01&g=2007-07-01), is niet van toepassing in zaken waarin in eerste aanleg vonnis is gewezen vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. [Artikel I, onderdeel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020395&artikel=I&z=2007-07-01&g=2007-07-01), is niet van toepassing in zaken waarin in hoger beroep arrest is gewezen vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel V De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18045,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 februari 2009, nr. DDI/ST/reg. 018/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1955–1964 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1955–1964, pas openbaar met ingang van 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 1900 | 2039 | | 2594 | 2039 | | 2658 | 2040 | 2. Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1955–1964, pas openbaar met ingang van 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers niet openbaar en zijn, op grond van [artikel 15, zevende lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), de regelingen van toepassing inzake het recht op informatie die zouden gelden indien de archiefbescheiden onder vorenbedoelde archiefnummers niet naar het Nationaal Archief waren overgebracht. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 7298 | 2040 | | 13589 | 2036 | | 13590 | 2039 | | 13591 | 2040 | | 15658 | 2032 | | 16567 | 2040 | | 16569 | 2034 | | 16570 | 2040 | | 16572 | 2032 | | 16573 | 2035 | | 16577 | 2033 | | 16578 | 2035 | | 16579 | 2033 | | 16580 | 2034 | | 16581 | 2034 | | 16582 | 2034 | | 16583 | 2035 | | 16584 | 2035 | | 16585 | 2036 | | 16586 | 2036 | | 16587 | 2036 | | 16588 | 2040 | | 19152 | 2034 | | 19157 | 2037 | | 27120 | 2040 | | 27148 | 2036 | | 27185"},{"i":17985,"b":"Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ter uitvoering van het Begrotingsakkoord 2013 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de overheidsfinanciën structureel te verbeteren, het vertrouwen van de financiële markten te verstevigen en de Nederlandse economie toekomstbestendig te maken, dat in verband daarmee in de zorg op korte termijn het eigen risico wordt verhoogd en maatregelen worden genomen om de eigen bijdrage voor behandeling in de geestelijke gezondheidszorg te verzachten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel II Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel III Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel IV 1. [Artikel 11a van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11a) blijft buiten toepassing voor de voor rekening van een verzekerde gekomen kosten voor zorg waarvan de bijbehorende diagnose behandeling combinatie voor 1 januari 2013 is geopend. 2. [Artikel 19, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=19) blijft buiten toepassing voor het jaar 2013. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17151,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 maart 2014, 2014-0000007640, houdende regels voor de documentaire informatievoorziening van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kaderregeling DIV SZW 2014) Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Begrippenkader Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **afdeling FDW:** afdeling Fysieke en Digitale Werkomgeving van de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel die de departementale documentaire informatievoorziening coördineert, waaronder het archiefbeheer; - b. **afgesloten archief:** een niet meer actueel archief dat betrekking heeft op een voltooid werkproces en dat in principe onveranderlijk is; - c. **archief:** geheel van archiefbescheiden, ontvangen of opgemaakt door het ministerie of een onderdeel hiervan; - d. **archiefbescheiden:** bescheiden, ongeacht hun vorm, die het ministerie heeft ontvangen of opgemaakt uit hoofde van zijn activiteiten of de vervulling van zijn taken, en die naar hun aard bestemd zijn om te berusten onder het ministerie; - e. **archiefvormend orgaan:** een al dan niet tijdelijk onderdeel van het ministerie, dan wel van een ander overheidsorgaan, dat werkzaamheden verricht onder de verantwoordelijkheid van de minister en waarvoor afzonderlijk wordt gearchiveerd; - f. **beheerder:** directeur die belast is met de dagelijkse beheerswerkzaamheden met betrekking tot een archief en die tevens in samenwerking met de afdeling FDW van de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel het reguliere toezicht op een archief uitoefent; - g. **bestand:** groep gegevens of documenten die in onderlinge samenhang is te raadplegen en met een bepaald doel bijeengebracht is; - h. **bewaartermijn:** de termijn waarin archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat moeten blijven en waarna vernietig"},{"i":19310,"b":"Besluit van 24 juli 2010 tot wijziging van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden wegens een technische aanvulling en tot wijziging van de Penitentiaire maatregel in verband met de schrapping van de bepaling dat de plaatsing van een veroordeelde die tevens de maatregel van tbs met dwangverpleging is opgelegd, in beginsel geschiedt nadat eenderde van de opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer is gelegd en enige technische verbeteringen Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 31 maart 2010, nr. 5648097/10/6; Gelet op [artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=13) en [artikel 51 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=51); De Raad van State gehoord (advies van 21 juni 2010, nr. W03.10.0109/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 19 juli 2010, nr. 5661531/10/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement verpleging ter beschikking gestelden. Artikel II Wijzigt de Penitentiaire maatregel. Artikel III Dit besluit heeft geen gevolgen voor veroordeelden die op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, reeds zijn geplaatst nadat eenderde van de opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer is gelegd. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":9639,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland nopens de regeling van de spoorweggrensovergangen Het Koningrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland Geleid door de wens de tussen de beide Staten bestaande overeenkomsten en afspraken nopens de grensoverschrijdende baanvakken aan de huidige omstandigheden aan te passen, Mede gelet op de artikelen 83 en 84 van het Grensverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland van 8 april 1960, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De Verdragsluitende Partijen houden de op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag bestaande spoorweggrensovergangen in stand, onder voorbehoud van het in artikel 2 bepaalde. Deze overgangen zijn vermeld in Bijlage 1 bij dit Verdrag. 2. De Verdragsluitende Partijen streven er met inachtneming van hun wettelijke bepalingen naar, dat de spoorwegadministraties in beide Staten - a. de installaties van de spoorweggrensovergangen onderhouden en vernieuwen, en eventueel veranderen en uitbreiden, op een wijze die in overeenstemming is met de eisen van het grensoverschrijdende spoorwegverkeer; - b. de spoorweggrensovergangen naar aard en omvang zodanig gebruiken, dat zij op economische wijze voldoen aan de behoeften van het grensoverschrijdende spoorwegverkeer. 3. Elk der Verdragsluitende Partijen is gehouden, op verzoek van de andere Partij met haar in overleg te treden over de toepassing van dit artikel. Artikel 2 1. Er worden geen nieuwe spoorweggrensovergangen tot stand gebracht en bestaande spoorweggrensovergangen worden niet opgeheven of verplaatst, voordat de ten aanzien van het spoorwegverkeer bevoegde ministers der Verdragsluitende Partijen elkaar bij brief van hun instemming hebben doen blijken. Hetzelfde geldt voor de opheffing van het gehele personen- of het gehele goederenvervoer via een der hierboven genoemde spoorweggrensovergangen. 2. In geval van de totstandbrenging van nieuwe spoorweggrensovergangen en de op"},{"i":9640,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag) Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen: HOOFDSTUK 1. Algemeen Artikel 1 De Verdragsluitende Partijen zullen in de Eemsmonding in het besef van hun gemeenschappelijke belangen en met inachtneming van de bijzondere belangen van de andere Verdragsluitende Partij overeenkomstig de hiernavolgende artikelen in een geest van goede nabuurschap samenwerken, teneinde een verbinding van hun havens met de zee te waarborgen die aan de zich wijzigende eisen voldoet. Dit doel behoort - onder handhaving van de wederzijdse rechtsstandpunten ten aanzien van het verloop van de staatsgrens - door middel van een praktische regeling van de vraagstukken die beide staten betreffen, te worden bereikt. Artikel 2 De Verdragsluitende Partijen nemen het bestaande hoofdvaarwater alsmede het Emder Vaarwater en de zuidelijke toegang van het hoofdvaarwater tot de Bocht van Watum tot uitgangspunt en verplichten zich - overeenkomstig hoofdstuk 2 - alle maatregelen te nemen die nodig zijn om deze vaarwateren open te houden en eventueel te verbeteren, alsmede zodanige maatregelen die door de andere Verdragsluitende Partij worden genomen, te steunen. Zij verplichten zich, alles na te laten wat aan het hierboven vermelde doel afbreuk doet. Aan deze verplichting wordt eventueel ook geacht te zijn voldaan, indien een Verdragsluitende Partij bij de uitvoering van werkzaamheden voorzieningen treft, waardoor nadelige gevolgen voor de vaarwateren naar de havens van de andere Partij worden voorkomen. Artikel 3 Ter bevordering van hun samenwerking stellen de Verdragsluitende Partijen een „Gemeenschappelijk Plan” op. In het Gemeenschappelijke Plan dient het resultaat van het overleg en de onderzoekingen betreffende verbetering op grote schaal van de bestaande en eventuele nieuwe vaarwa"},{"i":4949,"b":"Mandaatregeling TNO 2019 Inleiding A. Begripsomschrijvingen TNO kent aan begrippen in de Mandaatregeling geschreven met een beginhoofdletter, de betekenis toe als bepaald in dit artikel: **'Achtergrond'**: alle kennis, ervaring en andere informatie waartoe TNO reeds gerechtigd is voor het aangaan van een desbetreffende overeenkomst, alsmede hierdoor verkregen of hierop gevestigde I.E.-rechten; **'Bevoegdheidsverklaring'**: een formele brief van het Hoofd Corporate Legal & Compliance ter bevestiging dat de daarin genoemde functionaris op basis van deze Mandaatregeling daadwerkelijk bevoegd is om een bepaalde rechtshandeling te verrichten; **'Contractsom'**: het totale bedrag dat **'IE-rechten'**: alle intellectuele en industriële eigendomsrechten zoals, ofschoon niet beperkt tot, auteurs-, handelsnaam-, kwekers-, model-, merk- en octrooirechten en rechten ten aanzien van topografieën van halfgeleiders en domeinnamen; **'Voorgrond'**: alle kennis, ervaring en andere informatie ontwikkeld of ontstaan na het aangaan en binnen het kader van een desbetreffende overeenkomst, alsmede hierdoor verkregen of hierop gevestigde I.E.-rechten. 0. Algemeen 2 [artikel 9 lid 1 TNO-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=9) van 19 december 1985 3 [artikel 9 lid 2 TNO-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=9) van 19 december 1985 4 gelet op [artikel 9 lid 3 van de TNO-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003906&artikel=9) van 19 december 1985 5 in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming B. Onderzoeksactiviteiten (primair proces) 1. Bevoegdheden algemeen **1.1 Contractsom.**De in dit artikel 1.1 genoemde functionarissen zijn bevoegd om TNO te binden door overeenkomsten te ondertekenen onder Nederlands recht tot maximaal de hieronder genoemde Contractsom, **tenzij artikel 1.3 of artikel 1.4 anders bepaalt**. **1.2 Overige functionarissen.** De Mandaatregeling kent verder bevoegdheden toe aan de volgende functionarissen: *"},{"i":18722,"b":"Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken, van 5 oktober 2007, nr. WJZ 7105478, houdende vaststelling van de beleidsregels bestuurlijke boeten S&O-afdrachtvermindering Gelet op [artikel 26 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=26); Besluit: Artikel 1. (Definities) In deze beleidsregels wordt verstaan onder wet: de [Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746). Artikel 2. (Toepassing vierde tranche Awb) Vervallen Artikel 3. (Verwijtbaarheid) Bij het vaststellen van een bestuurlijke boete op grond van [artikel 26, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=26), wordt betrokken in hoeverre de overtreding licht verwijtbaar, verwijtbaar of ernstig verwijtbaar is. Artikel 4. (Boeten) Bestuurlijke boeten worden afgerond op hele bedragen van € 100, met een minimumbedrag van € 100. Artikel 5. (Boeten nihil) Vervallen Artikel 6. (Mededeling [art. 24, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=24)) 1. Na het verlopen van de termijn, bedoeld in [artikel 24, derde en vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=24), volgt een rappel waarin wordt aangegeven dat indien de mededeling niet wordt gedaan binnen de gestelde termijn, aannemelijk wordt bevonden dat het aantal bestede S&O-uren 0 is en, ingeval aan de S&O-inhoudingsplichtige een S&O-verklaring is afgegeven die ook een bedrag aan kosten en uitgaven bevat, tevens aannemelijk wordt bevonden dat het bedrag aan kosten en uitgaven 0 is. 2. De hoogte van de op grond van [artikel 26, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=26) op te leggen bestuurlijke boete bedraagt voor de volgende categorieën: - a. geen mededeling: € 300; - b. niet tijdige mededeling, waarbij de realisatie van het bedr"},{"i":12414,"b":"Besluit van 26 februari 2011 tot instelling van de voortgangscommissie Sint Maarten Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 februari 2011, 2011-2000011174, CZW/WSG; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=3) en [4 van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Er is een voortgangscommissie Sint Maarten. 2. De commissie heeft zetel in Sint Maarten. Artikel 2 Tot lid van deze commissie worden benoemd: - –. de heer R.F. Gibson, benoemd in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van Sint Maarten op aanbeveling van Onze Minister-President van het land Sint Maarten, - –. de heer N. Schoof, benoemd in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van Nederland op aanbeveling van Onze Minister-President van Nederland, en - –. de heer R. Bandell, benoemd in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van Sint Maarten en met het gevoelen van de raad van ministers van Nederland, tevens voorzitter. Artikel 3 1. De leden worden benoemd voor de periode van de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 10 oktober 2012. 2. Indien de plannen van aanpak voor Sint Maarten op 10 oktober 2012 nog niet zijn uitgevoerd, wordt de benoemingstermijn, bedoeld in het eerste lid, van rechtswege met twee jaar verlengd. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst."},{"i":12668,"b":"Besluit van 23 november 1994, houdende de nadere uitwerking herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot de opvang van asielzoekers Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 11 november 1994, nr. 94M007308, gedaan mede namens Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op het bepaalde in Ons Besluit van 5 september 1994; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel 1 De verplichtingen voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voortvloeiende uit het dienstverband met: - 1. het personeel van het voormalige Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur voorzover behorende tot het Directoraat-Generaal Welzijn, hoofdafdeling Opvang Asielzoekers, en - 2. het personeel van de centrale, decentrale en stafafdelingen van het voormalige Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, voorzover dat personeel door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op basis van de vastgestelde formatie wordt overgeplaatst bij de Minister van Justitie, rusten te rekenen vanaf 1 november 1994 op het Ministerie van Justitie. Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":17116,"b":"Instellingsbeschikking begeleidingscommissie verkenningsfase onderzoek naar zorgbehoeften Dutchbat III militairen Gezien: Het advies van de Raad voor civiel-militaire Zorg en Onderzoek (RZO advies nr. 21) ten aanzien van de opzet en uitvoering van een onderzoek naar de zorgbehoeften van Dutchbat III militairen (brief RZO van 23 december 2016 met kenmerk 2017001982); Het antwoord van het Ministerie van Defensie op RZO advies nr. 21 (brief HDP van 20 februari 2017 met kenmerk BS2017005258); Het belang om voorafgaand aan de uitvoering van het onderzoek de verwachtingen ten aanzien van het onderzoek van de betrokken partijen/actoren te inventariseren en op elkaar af te stemmen. Besluit: Een begeleidingscommissie in te stellen die wordt belast met de taken uit de verkenningsfase zoals geformuleerd onder [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040598&artikel=3&z=2018-01-30&g=2018-01-30) van deze beschikking. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Opdrachtgever en commissieleden 1. Als opdrachtgever in de zin van dit besluit, fungeert de Hoofddirecteur Personeel. 2. De verkenning in aanloop naar het onderzoek zal worden uitgevoerd door dhr. drs. H. Borstlap in zijn rol als onafhankelijk voorzitter van de na de verkenning te complementeren begeleidingscommissie. 3. De commissie wordt secretarieel ondersteund vanuit Defensie door de afdeling veteranen en post-actieven, onderdeel van het Dienstencentrum Personele Zorg van het Defensie Ondersteuningscommando. Artikel 2. Toepasselijkheid [Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775) Op dit besluit is de [Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775) van toepassing. De vergoedingen van de commissieleden worden in een separaat besluit vastgelegd. Artikel 3. Taken commissie Een deel van de Dutchbat III veteranen ervaart ruim twintig jaar na dato nog steeds problemen in het dagelijks l"},{"i":17977,"b":"Wet van 20 oktober 2006 tot wijziging van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 in verband met de vereenvoudiging van de systematiek toeslag premie ziektekostenverzekering, alsmede tot het aanbrengen van wijzigingen van andere en ondergeschikte aard Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664) en de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844) te wijzigen in verband met de vereenvoudiging van de systematiek toeslag premie ziektekostenverzekering, alsmede tot het aanbrengen van wijzigingen van andere en ondergeschikte aard; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945. Artikel II Wijzigt de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945. Artikel III De [Wet Stichting I.C.O.D.O.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003621) wordt ingetrokken. Artikel IV Indien de uitkeringsgerechtigde op het moment van inwerkingtreding van deze wet reeds de toeslag, genoemd in de [artikelen 20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=20) (oud) en [21 (oud) van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=21) en de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=14) (oud), en [15, eerste en tweede lid (oud) van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=15), ontvangt, wordt voor de eenmalige vaststelling als bedoeld in de [artikelen 20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":17759,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël inzake sociale zekerheid, met Protocol, betreffende herziening van het op 25 april 1984 te Jeruzalem ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Israël, Geleid door de wens de bestaande vriendschappelijke betrekkingen tussen hun beide landen te versterken, en Vastbesloten de samenwerking op het gebied van sociale zekerheid voort te zetten, Geleid door de wens sommige bepalingen van het op 25 april 1984 te Jeruzalem ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid tussen beide landen te herzien, Zijn het volgende overeengekomen: Article I Wijzigt het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël, Jeruzalem, 25 april 1984. Article II Wijzigt het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël, Jeruzalem, 25 april 1984. Article III Beide Verdragsluitende Partijen stellen elkaar schriftelijk in kennis van de voltooiing van hun onderscheiden nationale of constitutionele procedures vereist voor de inwerkingtreding van dit Verdrag. Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na de datum van de laatste van deze kennisgevingen. De bevoegde autoriteit van Nederland, te weten de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en de bevoegde autoriteit van Israël, te weten de Minister van Arbeid en Sociale Zaken, Geleid door de wens het Administratief Akkoord van 25 april 1984 volledig ten uitvoer te leggen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Wijzigt het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël, Jeruzalem, 25 april 1984. Artikel II Dit Akkoord treedt gelijktijdig met het Verdrag in werking. IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorised by their respective Governments, have signed this Convention. DONE in duplicate at Jerusalem on July 17, 200"},{"i":18547,"b":"Wet van 16 december 2010 tot tweede aanpassing van wetten in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland – A (Tweede Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba – A) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat met de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overeengekomen dat zij een staatsrechtelijke positie krijgen binnen het Nederlandse staatsbestel en het in verband hiermee wenselijk is wetten en de Nederlands-Antilliaanse regelingen, die ingevolge de [Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063) als wet van toepassing blijven in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die nog niet zijn meegenomen in de [Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028129), aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 1. Artikel II Wijzigt de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel III 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel II, onderdeel A0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029211&artikel=II&z=2011-01-01&g=2011-01-01), in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 oktober 2010 om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Tweede Aanpassingswet openbare lichamen"},{"i":19029,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 december 2007, nr. DGB 2007-5948, houdende regels ten aanzien van de behandeling van klachten over gedragingen van opsporingsambtenaren, werkzaam bij de bijzondere opsporingsdiensten en tot instelling van een onafhankelijke klachtencommissie (Klachtenregeling bijzondere opsporingsdiensten) Gelet op [artikel 14 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=14); Besluiten: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: wet: [Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919); klachtencommissie: commissie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023007&paragraaf=2&artikel=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01); Minister: Minister onder wie de bijzondere opsporingsdienst ressorteert waarbij de opsporingsambtenaar is aangesteld over wiens gedraging een schriftelijke klacht is ingediend. § 2. De klachtencommissie Artikel 2 1. Er is een Klachtencommissie bijzondere opsporingsdiensten, die is belast met de behandeling van klachten en met de advisering over de afhandeling daarvan, over gedragingen van opsporingsambtenaren, werkzaam bij: - a. de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, ressorterend onder de Minister van Financiën, bedoeld in [artikel 2, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2); - b. de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, ressorterend onder de Minister van Infrastructuur en Water, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2); - c. de divisie Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, ressorterend onder de Minister van Lan"},{"i":19260,"b":"Vaststelling modelakte van beëdiging, model-proces-verbaal van beëdiging en modelverklaring voor buitengewoon opsporingsambtenaren Gelet op de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=19) en [20 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=20) en op artikel 3a, derde lid, van de Wet wapens en munitie en artikel 4 van de Regeling wapens en munitie; Besluit: Artikel 1 Ten behoeve van de beëdiging van een buitengewoon opsporingsambtenaar wordt gebruik gemaakt van één van de in de bijlage bij deze regeling gevoegde modellen A tot en met E. Artikel 2 Voor het opmaken van het proces-verbaal van de aflegging van de eed, dit kan zijn de eed of de belofte, dient gebruik te worden gemaakt van het in de bijlage bij deze regeling gevoegde model. Artikel 3 De buitengewoon opsporingsambtenaar dient, indien hem een voorschrift tot het gedurende de uitoefening van zijn ambt voorhanden hebben van een geweldmiddel is gegeven, een verklaring over de aanschaf en de afvoer van het geweldmiddel te ondertekenen. De in de bijlage bij deze regeling gevoegde modelverklaring dient hiervoor te worden gebruikt. Artikel 4 De besluiten van de Minister van Justitie van 9 december 1994, nr. [471418/594/NE](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007069) en van 12 september 1995, nr. 514937/595/NE, worden ingetrokken. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 1997. Dit besluit zal worden geplaatst in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad met uitzondering van de bijlagen die ter inzage liggen op het Ministerie van Justitie, Directie Strafrechtelijke Handhaving."},{"i":17395,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 november 2020, nr. MBO/25458774, houdende de verstrekking van een specifieke uitkering voor extra financiële middelen voor de RMC-functie (Regeling specifieke uitkering extra financiële middelen RMC-functie) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **effectrapportage:** rapportage als bedoeld in [artikel 8.25 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=8.25), [artikel 147, zevende lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=147) en [artikel 8.3.2, zevende lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.3.2), die jaarlijks wordt ingediend en ingericht conform [artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043356&artikel=5.1) en [bijlage 5 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2020-2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043356&bijlage=5); - **Onze Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **RMC-contactgemeente:** contactgemeente van een RMC-regio als bedoeld in de [artikelen 8.23, eerste en tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=8.23), [147, derde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=147) en [8.3.2, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.3.2) en zoals opgenomen in [bijlage 2 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2020–2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043356&bijlage=2); - **RMC-regio:** regio als bedoeld in de artikelen [artikel 8.22, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overh"},{"i":17868,"b":"Besluit van 4 oktober 2019, houdende een wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 voor de verdere doorvoering van het abonnementstarief voor maatschappelijke ondersteuning, de aanpassing van de bijdragesystematiek voor persoonsgebonden budgetten voor beschermd wonen en het regelen van een bevoegdheid voor het inkorten van de termijn waarover de bijdrage wordt geïnd of kwijtschelden van een bijdrage in het geval een verzuim in het opleggen daarvan niet aan de verzekerde of cliënt te wijten is Artikel I Wijzigt het Besluit langdurige zorg. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel III 1. Het in [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042653&artikel=I&z=2020-01-01&g=2020-01-01) opgenomen [artikel 3.3.1.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.5), en het in onderdeel C opgenomen [artikel 3.3.1.6, vijfde en zesde lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.6) en het in [artikel II, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042653&artikel=II&z=2020-01-01&g=2020-01-01) opgenomen [artikel 3.5, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.5), en het in onderdeel D opgenomen [artikel 3.6, vierde en vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.6) zijn van toepassing op besluiten met betrekking tot de vaststellingen en herzieningen van bijdragen die worden genomen na 31 december 2019. 2. In geval van een vaststelling of herziening die ziet op de periode voor 1 januari 2020 aangaande een bijdrage als bedoeld in [artikel 3.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.1), wordt voor «maand» of «maanden» respectievelijk gelezen «bijdrageperiode als bedoeld in [artikel 3.8, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.8), zoals d"},{"i":18435,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 20 juli 2005 inzake het toelaten van deelnemers aan de vanwege de Staat uit te schrijven veiling van benzinestations langs rijkswegen (Regeling toelating veiling benzinestations langs rijkswegen) Gelet op [artikel 5, derde lid, van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Wet: [Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447); - b. Domeinen: de dienst Domeinen van het Ministerie van Financiën; - c. de directeur Domeinen: de directeur van de regionale directie Domeinen West te Leiden; - d. aanvraag: verzoek om te mogen deelnemen aan de veiling; - e. aanvrager: een partij die een aanvraag doet; - f. deelnemer: een partij die is toegelaten tot de veiling; - g. veilingbrochure: algemene informatiebrochure over de veiling; - h. biedboek: informatie over een locatie waarop het te veilen huurrecht betrekking heeft; - i. locatie: locatie als bedoeld in [artikel 1, onder c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447&artikel=1); - j. huurrecht: het recht als bedoeld in [artikel 5, eerste lid van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447&artikel=5) om met de Staat een huurovereenkomst als bedoeld in [artikel 3 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447&artikel=3) te sluiten; - k. entreegeld: bijdrage in de kosten voor de veiling. Artikel 2. Beschikbare locaties De huurrechten die zijn vermeld in de veilingbrochure en het desbetreffende biedboek worden geveild. Artikel 3. Aanvragen toelatingsformulier 1. De aanvrager verzoekt de directeur Domeinen per aanvraagformulier om toezending van een biedboek dan wel biedboeken en een toelatingsformulier. 2. Het verzoek wordt gericht aan de directeur Domeinen op het in de veilingbrochure vermelde postadres, dan wel elektron"},{"i":18321,"b":"Onderlinge regeling in de zin van artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, houdende instelling van het Ambtelijk Wetgevingsoverleg Koninkrijksrelaties (Onderlinge regeling Ambtelijk Wetgevingsoverleg Koninkrijksrelaties) Overwegende, dat de landen vorm wensen te geven aan een ambtelijk overleg tussen de landen over wetgevingsaangelegenheden; Gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); Komen het volgende overeen: Artikel 1 Er is een Ambtelijk Wetgevingsoverleg Koninkrijksrelaties (AWOK), waarin Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten periodiek beraadslagen over de aanpak en inhoud van wetgevingsaangelegenheden. Artikel 2 Tot de onderwerpen waarover ingevolge [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032847&artikel=1&z=2013-02-01&g=2013-02-01) wordt overlegd, behoren in ieder geval: - a. vraagstukken betreffende concordantie van wetgeving als bedoeld in [artikel 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=39); - b. aangelegenheden die samenhangen met de uitvoering van de Samenwerkingsregeling eenvormig procesrecht Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - c. de aansluiting tussen het procesrecht in Aruba, Curaçao en Sint Maarten enerzijds en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba anderzijds; - d. procedures voor de totstandkoming van rijkswetgeving; - e. het opstellen en onderhouden van instrumenten op het gebied van wetgevingskwaliteit, zoals de Aanwijzingen voor de regelgeving van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en het zorg dragen voor de afstemming tussen die Aanwijzingen onderling en tussen die Aanwijzingen en de Aanwijzingen voor de regelgeving van Nederland; - f. de samenwerking bij het opstellen van implementatieplannen als bedoeld in de [onderlinge regeling in de zin van artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkri"},{"i":18663,"b":"Wet van 2 december 2015 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met een herziening van de opleiding van rechters en officieren van justitie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de opleiding van rechters en officieren van justitie te herzien en in dat verband de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365) en enige andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel II Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel III Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel VI Op rechterlijke ambtenaren in opleiding die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als zodanig zijn benoemd, blijven de artikelen van de ingevolge deze wet gewijzigde wetten en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag vóór de dag van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing. Artikel VII Wijzigt deze wet. Artikel VIII Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en deze wet. Artikel IX Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9647,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Financieringsmaatchappij (IFC) inzake het African Training and Management Services (ATMS) Project van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties The Government of the Kingdom of the Netherlands and the International Finance Corporation; Considering that the United Nations Development Programme has decided to operate a technical assistance project under project number RAF/86/002/D/01/142, known as the African Training and Management Services Company (ATMS) Project; that the International Finance Corporation, by virtue of the Project Document dated ..., 19881)Redactie: De datum van het document is 13 april 1989., agreed between the United Nations Development Programme and the International Finance Corporation, is the Executing Agency for the United Nations Development Programme for this project; that the project is to be carried out by a special purpose corporation with domicile in the Netherlands established under Netherlands' law, called \"African Management Services Company BV (AMSCO)\", for which purpose the International Finance Corporation has concluded a Shareholders Agreement with other institutions and corporations financing development cooperation activities; that it is anticipated that the African Management Services Company BV will not distribute its profits, made during the period this Treaty is in force to its shareholders, but will retain these profits as reserves and/or apply them to this project; And that it is desirable to grant certain privileges for this United Nations Development Programme Project; Have agreed as follows: Article 1 Vervallen Article 2 Vervallen Article 3 Vervallen Article 4 Vervallen Article 5 Vervallen Article 6 Vervallen Article 7 Vervallen Article 8 Vervallen Article 9 Vervallen Article 10 Vervallen Article 11 Vervallen Article 12 Vervallen Article 13 Vervallen Article 14 Vervallen Article 15 Vervallen Article 16 Vervallen Article 17 Vervallen IN WITNESS W"},{"i":19030,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 3 april 2020, 2842595/20/DP&O, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging met betrekking tot de bevoegdheid tot het aanwijzen vertrouwensfuncties namens de Minister van Justitie en Veiligheid (Mandaatbesluit melding vertrouwensfuncties Ministerie van Justitie en Veiligheid) Gelet op [artikel 3, eerste lid, onder a, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 2 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=2) aan de secretaris-generaal verleende mandaat wordt ondermandaat verleend aan de plaatsvervangend secretaris-generaal ten aanzien van aanwijzen van vertrouwensfuncties als bedoeld in [artikel 3, lid 1, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=3). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit aanwijzen vertrouwensfuncties Ministerie van Justitie en Veiligheid. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9657,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Chili inzake bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Chili, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de vriendschappelijke betrekkingen tussen beide landen verder te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, wat betreft investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, met name wat betreft de overmaking van kapitaal, In het besef dat overeenstemming over de aan dergelijke buitenlandse investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen” mede verstaan, alle soorten vermogensbestanddelen of daaraan gerelateerde rechten en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. intellectuele en industriële eigendomsrechten, met inbegrip van auteursrechten, industriële eigendomsrechten, technische werkwijzen, goodwill en know-how; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. wordt onder de term „onderdanen” met betrekking tot elk van de Verdragsluitende Partijen mede verstaan de volgende o"},{"i":19391,"b":"Wet van 31 oktober 2002 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot het openstellen van beroep in cassatie tegen vrijspraken alsmede het doen van uitspraak door de enkelvoudige kamer bij het niet naleven van de schriftuurverplichting Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat beroep in cassatie kan worden ingesteld tegen vrijspraken en dat bij het niet naleven van de verplichting om tijdig een schriftuur in te dienen de niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie kan worden uitgesproken door de enkelvoudige kamer; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Beroep in cassatie is niet toegelaten tegen een vrijspraak die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is gewezen. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18985,"b":"Besluit van 16 juli 2020, houdende vaststelling van regels voor de tenuitvoerlegging van het jeugdstrafrecht op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht BES) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 13 maart 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2859101; Gelet op de [artikelen 79e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=79e), en [79v, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=79v); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 juni 2020, nr. No.W16.20.0074/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 13 juli 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2948367. Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - −. **bevel voorlopige hechtenis:** bevel als bedoeld in [artikel 484 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=484); - −. **jeugddetentie:** jeugddetentie als bedoeld in [artikel 79h, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=79h); - −. **jeugdige:** persoon ten aanzien van wie de [artikelen 79a tot en met 79w van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=79a) toepassing hebben gevonden; - −. **onveroordeelde:** persoon ten aanzien van wie een bevel voorlopige hechtenis is gegeven als bedoeld in [artikel 484, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=484); - −. **Onze Minister:** Onze Minister voor Rechtsbescherming; - −. **openbaar ministerie:** het openbaar ministerie bij het gerecht dat de straf van jeugddetentie of van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen heeft opgelegd; - −. **pij-maatregel:** maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen als bedoeld in [artikel 79h, derde lid, onder"},{"i":9659,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus inzake het wederzijds aanhouden van voorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus (hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen”), Gelet op [Richtlijn 2006/67/EG](32006L0067) van de Raad van 24 juli houdende de verplichting voor de lidstaten van de Europese Unie om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden, (hierna te noemen „de Richtlijn”); Gelet op artikel 7 van de Richtlijn dat voorziet in het aanleggen van voorraden op het grondgebied van een lidstaat voor rekening van in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen, uit hoofde van overeenkomsten tussen regeringen; Gelet op nationale wetgeving inzake de verplichting tot het aanhouden van voorraden aardolieproducten; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „bevoegde autoriteit” het overheidsorgaan van elke Verdragsluitende Partij dat verantwoordelijk is voor het toezicht op het voldoen door ondernemingen aan de voorraadverplichting; - b. „voorraden” voorraden ruwe aardolie of aardolieproducten (met inbegrip van halffabricaten en eindproducten) waarop de Richtlijn van toepassing is; - c. „voorraadverplichting” de totale hoeveelheid voorraad die uit hoofde van de nationale wetgeving dient te worden aangehouden; - d. „crisis in de voorziening” hetzelfde als in artikel 7, tweede lid, onderdeel e, van de Richtlijn wordt verstaan; - e. „grondgebied” het binnen de Europese Unie gelegen grondgebied waarover elke Verdragsluitende Partij rechtsmacht uitoefent; - f. „onderneming” een onderneming, instantie of entiteit gevestigd op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij die voorraden aanhoudt ten behoeve van het vergemakkelijken van de nakoming, door die onderneming of een derde, van de wetgeving inzake de verplichting tot het aanhouden van voorraden aardolieproducten van die of de andere Verdr"},{"i":4851,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 december 2010, nr. GMT/IB 3037221, houdende verlening van mandaat en machtiging aan de algemeen directeur en de manager donorwerving van de Nederlandse Transplantatie Stichting ter uitvoering van de Subsidieregeling donatie bij leven Gelezen de Overeenkomst inzake uitvoering Subsidieregeling donatie bij leven van de Staat der Nederlanden met de Nederlandse Transplantatie Stichting, statutair gevestigd te Leiden, in welke bescheiden de instemming, bedoeld in [artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), is vervat; Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **mandaat:** bevoegdheid om in naam van de Minister besluiten te nemen; - b. **gemandateerde:** degene aan wie mandaat is verleend; - c. **machtiging:** bevoegdheid om in naam van de Minister handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 De algemeen directeur, of bij diens afwezigheid de manager donorwerving, van de Nederlandse Transplantatie Stichting, statutair gevestigd te Leiden, heeft mandaat en machtiging met betrekking tot het verstrekken van de subsidies bedoeld in [artikel 2 van de Subsidieregeling donatie bij leven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025870&artikel=2). Artikel 3 [Artikel 1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=1b), alsmede de [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&hoofdstuk=2) en [4 van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&hoofdstuk=4) zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 4 1. De gemandateerde ondertekent een in mandaat genomen besluit en overige stukken met: ‘De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, namens deze, de algemeen directeur van de Nederlandse Tra"},{"i":7156,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 september 2005, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/R&S/2005/73174, houdende regels met betrekking tot de financiering van scholing van jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen (Subsidieregeling scholing jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen) Gelet op [artikel 50a van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=50a); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. persoon met ernstige scholingsbelemmeringen: persoon als bedoeld in de [artikelen 2:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:3) of [3:2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:2) of de [artikelen 7, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7), of [7a, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7a), die nog geen diploma van een opleiding als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2) heeft verworven, die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en kenmerken heeft zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018795&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) die: - 1°. na scholing of opleiding, die strekt tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, in staat is om algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten als bedoeld in de [artikelen 2:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:5) en [3:1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel"},{"i":9671,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Moldavië inzake de privileges en immuniteiten van verbindingsofficieren die door de Republiek Moldavië bij Europol gedetacheerd worden Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Moldavië, hierna te noemen de „verdragsluitende partijen”, onder verwijzing naar de bepalingen van artikel 51, derde lid, van het Besluit van de Raad van 6 april 2009 (2009/371/JBZ) tot oprichting van de Europese politiedienst (Europol) waarin de voorrechten en immuniteiten staan vermeld die nodig zijn voor een goede taakvervulling van de verbindingsofficieren bij Europol, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „verbindingsofficier”, elke functionaris die in overeenstemming met artikel 9 van het Besluit van de Raad van 6 april 2009 bij Europol wordt geplaatst; - b. „Regering”, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden; - c. „autoriteiten van de gastheerstaat”, autoriteiten van de centrale of gemeentelijke overheid of andere autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden, naargelang het geval is, in het kader van en in overeenstemming met de wetten en gebruiken die in het Koninkrijk der Nederlanden van toepassing zijn; - d. „zendstaat”, de Republiek Moldavië; - e. „archief van de verbindingsofficier”, alle dossiers, correspondentie, documenten, manuscripten, computer- en mediagegevens, foto's, films, video- en geluidsopnamen die toebehoren aan of in het bezit zijn van de verbindingsofficier, alsmede enig ander soortgelijk materiaal dat naar het unanieme oordeel van de zendstaat en de Regering deel uitmaakt van het archief van de verbindingsofficier. Artikel 2. Voorrechten en immuniteiten 1. Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag genieten de verbindingsofficier en de gezinsleden die deel uitmaken van zijn huishouding en niet de Nederlandse nationaliteit bezitten noch duurzaam in het Koninkrijk der Nederlanden verblijven, in en ten"},{"i":18965,"b":"Besluit van 19 november 1990, houdende machtiging van de Minister van Justitie tot vaststelling van een dienstreglement voor het personeel bij het dienstvak der gerechten Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 1 november 1990, Hoofddirectie Organisatie Rechtspleging en Rechtshulp nr. 29480/890; Gelet op [artikel 132 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=132) en artikel 65 van het Arbeidsovereenkomstenbesluit; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Justitie is gemachtigd voor ambtenaren en werknemers bij het dienstvak der gerechten nadere algemene voorschriften ter uitwerking of aanvulling van de bepalingen van het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950) en het Arbeidsovereenkomstenbesluit vast te stellen. Artikel 2 Het Besluit van 10 mei 1960, nr. 41 en het Besluit van 13 juni 1988, no. 27 worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1991. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan een afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":17400,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 augustus 2020, nr. WJZ/ 20215117, houdende regels voor het verstrekken van eenmalige specifieke uitkeringen in verband met de uitvoering van het interbestuurlijk programma ‘Naar een Vitaal Platteland’ (Regeling specifieke uitkering IBP-Vitaal Platteland) Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **IBP-VP gebiedsplan:** plan waarin staat aangegeven op welke wijze invulling gegeven wordt aan een samenhangende, gebiedsgerichte aanpak in een van de gebieden, waar het interbestuurlijk programma ‘Naar een Vitaal Platteland’ zich op richt; - **interbestuurlijk programma ‘Naar een Vitaal Platteland’:** samenwerkingsafspraken ‘Naar een Vitaal Platteland’ die in juli 2018 getekend zijn door de minister, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen (Kamerstukken II 2018/19, 33 576, nr. 137) en de activiteiten op grond van die afspraken; - **minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - **kassier:** provincie die de taak van kassier op grond van een IBP-VP gebiedsplan vervult; - **uitvoeringsactiviteiten:** activiteiten in het kader van de ambitie, het doel, de aanpak of de beoogde resultaten als bedoeld in een IBP-VP gebiedsplan, alsmede werkzaamheden ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht op die activiteiten. Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De minister kan een eenmalige specifieke uitkering voor uitvoeringsactiviteiten verstrekken aan een kassier. 2. Er wordt per IBP-VP gebiedsplan één specifieke uitkering verstrekt. Artikel 3. Hoogte van de uitkering De specifieke uitkering bedraagt ten hoogste het bedrag, inclusief de BTW, opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 4. Aanvraag tot verlening 1. Een specifieke uitkering wordt op aanvraag"},{"i":19075,"b":"Ondermandaatbesluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen CJIB oktober 2022 In aanmerking nemende het geldende [Organisatiebesluit van de Minister van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293) en het daarbij behorende [Takenbesluit CJIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045971); In aanmerking nemende het geldende [Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties van de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699); Overwegende dat het CJIB als ketenregisseur namens de Minister voor Rechtsbescherming verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen; Overwegende dat het CJIB verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen inhoudende geldelijke sancties; Overwegende dat het CJIB namens de Minister van Justitie en Veiligheid administratieve sancties en administratiekosten int op grond van de [Wahv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581), waaronder de incasso van de administratieve sancties, de daarop gevallen verhogingen en de administratiekosten; Overwegende de behoefte een ondermandaatregeling vast te stellen voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en inning van administratieve sancties [Wahv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581); De tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen vindt plaats overeenkomstig: De [Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039301) (wet USB)1Wetboek Strafvordering hoofdstuk 6 afgekort Sv; [Invoeringswet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043045); [Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042962); [Invoeringsbesluit herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":9678,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Rwanda betreffende de status van militair en civiel personeel van hun Ministerie van Defensie, aanwezig op elkaars grondgebied voor activiteiten in het kader van bilaterale militaire samenwerking Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Rwanda (hierna gezamenlijk te noemen „de partijen” en afzonderlijk „partij”); Overwegend dat de Minister van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden en de Minister van Defensie van de Republiek Rwanda op 14 juni 2005 een Memorandum van Overeenstemming inzake bilaterale militaire samenwerking hebben gesloten, Overwegend dat militair en burgerpersoneel van het ministerie van Defensie van de partijen op elkaars grondgebied aanwezig zullen zijn voor activiteiten die verband houden met deze militaire samenwerking, De wens uitsprekend de status van het militaire en burgerpersoneel te omschrijven, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij uit het zinsverband anders volgt, wordt in dit Verdrag verstaan onder: „Personeel” het militaire en burgerpersoneel van het ministerie van Defensie van de partijen; „Militair personeel” het militair personeel van het ministerie van Defensie van de zendstaat, met inbegrip van buitenlands militair personeel dat een integrerend onderdeel uitmaakt van militaire eenheden van de zendstaat op basis van een uitwisselingsprogramma; „Gezinsleden” de echtgenoot/echtgenote van een lid van het personeel van de zendstaat of een kind van een dergelijk lid dat van hem/haar afhankelijk is voor zijn onderhoud; „Echtgenoot/echtgenote” mede, ten behoeve van dit Verdrag, een persoon die een relatie met een lid van het personeel van de zendstaat heeft die gelijkgesteld wordt met het huwelijk zoals erkend in de op het grondgebied van de zendstaat van kracht zijnde nationale wetgeving. Artikel 2. Vereisten in verband met binnenkomst en vertrek De autoriteiten van de ontvangende staat staan het personeel van de zendsta"},{"i":9679,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Slovenië inzake het wederzijds aanhouden van voorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Slovenië, (hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen), Gelet op [Richtlijn 68/414/EEG](31968L0414) van de Raad van 20 december 1968 houdende de verplichting voor de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden, zoals gewijzigd bij [Richtlijn 98/93/EG](31998L0093) van de Raad van 14 december 1998 (hierna samen te noemen „de Richtlijn’’); Gelet op artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn dat voorziet in het aanleggen van voorraden op het grondgebied van een lidstaat voor rekening van in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen, uit hoofde van overeenkomsten tussen regeringen; Gelet op nationale wetgeving inzake de verplichting tot het aanhouden van voorraden aardolieproducten; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „bevoegde autoriteit’’, het overheidsorgaan van elke Verdragsluitende Partij dat verantwoordelijk is voor het toezicht op het voldoen door ondernemingen aan de voorraadverplichting; - b. „voorraden’’, voorraden ruwe aardolie of aardolieproducten (met inbegrip van halffabrikaten en eindproducten) waarop de Richtlijn van toepassing is; - c. „voorraadverplichting’’ de totale hoeveelheid voorraad die uit hoofde van de nationale wetgeving dient te worden aangehouden; - d. „crisis in de voorziening’’, hetzelfde als in artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn wordt verstaan; - e. „grondgebied’’, het binnen de Europese Unie gelegen grondgebied waarover elke Verdragsluitende Partij rechtsmacht uitoefent; - f. „onderneming’’, een onderneming, instantie of entiteit gevestigd op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij die voorraden aanhoudt ten behoeve van het vergemakkelijken van de nakoming, door die onderne"},{"i":9680,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Slovenië inzake internationaal vervoer over de weg De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Slovenië, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, de ontwikkeling te bevorderen van het vervoer van goederen en personen over de weg in, naar en vanuit hun landen en in doorvoer over hun grondgebied, Zijn het volgende overeengekomen Artikel 1. Toepassingsgebied 1. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op het internationaal vervoer van goederen en personen over de weg tegen betaling (beroepsvervoer) of voor eigen rekening tussen de Verdragsluitende Partijen, in doorvoer over hun grondgebied, naar of van derde landen, en op het vervoer van goederen en personen binnen het grondgebied van een van beide Verdragsluitende Partijen, hierna te noemen cabotage, verricht door vervoerders met voertuigen zoals omschreven in artikel 2. 2. De Verdragsluitende Partijen waarborgen de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit eventueel tussen de Europese Gemeenschappen en de Republiek Slovenië te sluiten overeenkomsten. De Verdragsluitende Partij die lidstaat is van de Europese Gemeenschappen zal dit Verdrag toepassen in overeenstemming met haar verplichtingen ingevolge de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen zoals gewijzigd of aangevuld. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „vervoerder\": een persoon (met inbegrip van een rechtspersoon) die in een der Verdragsluitende Partijen gevestigd is en die overeenkomstig de desbetreffende nationale wetten en voorschriften in het land van vestiging wettig is toegelaten tot de markt voor het vervoer van goederen of personen over de weg tegen betaling (beroepsvervoer) of voor eigen rekening; - 2. „voertuig\": een motorvoertuig of combinatie van voertuigen waarvan ten minste het motorvoertuig is"},{"i":9681,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake de status van militair en burgerpersoneel van het Ministerie van Defensie van Nederland dat in verband met opleidingen en trainingen aanwezig zal zijn in de Republiek Suriname Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname Overwegende dat militair en burgerpersoneel van het Ministerie van Defensie van Nederland aanwezig zal zijn in de Republiek Suriname in verband met opleidingen en trainingen; Gelet op de wens om de status te regelen van dit militair en burgerpersoneel wanneer het zich op het grondgebied van de Republiek Suriname bevindt. zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Voorrechten en immuniteiten 1. Het militair en burgerpersoneel van het Ministerie van Defensie van Nederland dat in de Republiek Suriname aanwezig zal zijn in verband met opleiding en training (hierna te noemen het „Nederlandse personeel”) zal de geldende wetten en gewoonten van de Republiek Suriname respecteren. 2. Het Nederlandse personeel geniet dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke worden verleend aan het technische en administratieve personeel van diplomatieke posten, zoals beschreven in het [verdrag inzake diplomatiek verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004345), ondertekend te Wenen op 18 april 1961. Artikel II. Nadere regelingen De voorwaarden voor het verloop van de opleiding en training zullen in een regeling tussen beide Ministers van Defensie worden beschreven. Artikel III. Voorwaarden inzake binnenkomst en vertrek 1. Het Nederlandse personeel krijgt in het kader van de opleiding en training toestemming om het grondgebied van de Republiek Suriname te betreden op enkel vertoon van een militair identiteitsbewijs, dan wel een identiteitsbewijs van het Ministerie van Defensie van Nederland. 2. Goederen die door het Koninkrijk der Nederlanden in verband met dit verdrag in de Republiek Suriname worden ingevoerd zijn vrijgesteld van douane-inspectie en douaneformaliteite"},{"i":9682,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Trinidad en Tobago inzake uitlevering De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Trinidad en Tobago; Elkanders rechtsinstellingen eerbiedigend en geleid door de wens de samenwerking tussen beide landen bij de bestrijding van de misdaad doeltreffender te maken door regelingen te treffen voor de uitlevering van delinquenten; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Verplichting tot uitlevering De Verdragsluitende Staten komen overeen aan elkander in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, personen uit te leveren die zich op hun grondgebied bevinden en die worden verdacht van een strafbaar feit of worden gezocht met het oog op de oplegging van een straf of de tenuitvoerlegging van een vonnis door de autoriteiten van de andere Staat. Artikel 2. Uitleveringsdelicten 1. Uitlevering wordt toegestaan voor gedrag dat krachtens het recht van beide Staten een strafbaar feit oplevert dat met een gevangenisstraf van ten minste twaalf maanden of met een zwaardere straf is bedreigd. Bovendien dient, ingeval een gevangenisstraf of een andere vorm van vrijheidsbeneming is opgelegd door een rechter in de verzoekende Staat, het gedeelte van de straf of maatregel dat nog moet worden ondergaan ten minste zes maanden te bedragen. 2. Ook de poging tot of het samenspannen tot het plegen van, het behulpzaam zijn bij, het aanzetten tot het geven van raad met het oog op het plegen van of het doen plegen van of door aansporing tot of steun achteraf medeplichtig zijn aan een in het eerste lid omschreven strafbaar feit is een uitleveringsdelict. 3. Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op zowel een gevangenisstraf of een andere vorm van vrijheidsbeneming zoals bedoeld in het eerste lid, als een vermogenssanctie, kan de aangezochte Staat ook uitlevering toestaan voor de tenuitvoerlegging van de vermogenssanctie. 4. Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op een"},{"i":9683,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tunesië inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tunesië, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens hun van oudsher bestaande vriendschapsbanden te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen\" verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen, in eigendom of onder al dan niet rechtstreeks toezicht, en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en know-how; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. omvat de term „onderdanen\" met betrekking tot elk van beide Verdragsluitende Partijen: - i. natuurlijke personen die de nationaliteit van die Verdragsluitende Partij hebben; - ii. rechtspersonen die zijn opgericht kr"},{"i":9684,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake internationaal vervoer over de weg Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, de ontwikkeling te bevorderen van het vervoer van goederen en personen over de weg in, naar en vanuit hun landen en in doorvoer over hun grondgebied, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Toepassingsgebied 1. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op het internationaal vervoer van goederen en personen over de weg tussen de grondgebieden van de Verdragsluitende Partijen, in doorvoer over hun grondgebied, naar of vanuit derde landen, verricht door vervoerders met voertuigen zoals omschreven in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001498&artikel=2&z=2003-07-01&g=2003-07-01) van dit Verdrag. 2. Dit Verdrag laat de rechten en verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen voortvloeiend uit andere verdragen onverlet. 3. De toepassing van dit Verdrag doet geen afbreuk aan de toepassing door het Koninkrijk der Nederlanden, als lidstaat van de Europese Unie, van het recht van de Europese Unie. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „vervoerder”: een persoon (met inbegrip van een rechtspersoon) die op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen gevestigd is en die overeenkomstig de desbetreffende nationale wetten en voorschriften in het land van vestiging wettig is toegelaten tot de markt voor het vervoer van goederen of personen over de weg; - 2. „voertuig”: een motorvoertuig of combinatie van voertuigen waarvan ten minste het motorvoertuig is geregistreerd op het grondgebied- van een der Verdragsluitende Partijen en dat uitsluitend wordt gebruikt en is uitgerust voor het vervoer van goederen of het vervoer van personen per bus; - 3. „cabotage”: het exploiteren van vervoersdiensten binnen het gron"},{"i":9685,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zimbabwe inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en De Republiek Zimbabwe hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de van oudsher bestaande vrienschapsbanden tussen hun landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen” mede verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - iii. aanspraken op geld en andere vermogensbestanddelen en op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. copyrights, rechten op het gebied van de industriële eigendom, technische werkwijzen, handelsmerken, handelsnamen, know-how en goodwill; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. omvat de term „onderdanen” met betrekking tot elk van de Verdragsluitende Partijen: - i. natuurlijke personen die ingevolge het recht van de Verdragsluitende Partij de nationaliteit van die Verdragsluitende Partij hebben; - ii. onverminderd het bepaa"},{"i":9686,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zuid-Afrika inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zuid-Afrika, hierna aangeduid als de „Verdragsluitende Partijen”, Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun beide landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de investeerders van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Bij de ondertekening van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zuid-Afrika inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen zijn de ondertekenende vertegenwoordigers de volgende bepalingen overeengekomen, die een integrerend deel van het Verdrag vormen: TEN BLIJKE WAARVAN de ondertekenende vertegenwoordigers, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend. GEDAAN in tweevoud te Kaapstad op 9 mei 1995, in de Engelse en de Nederlandse taal, zijnde de teksten gelijkelijk authentiek. In geval van verschil in uitlegging is de Engelse tekst doorslaggevend. **Voor het Koninkrijk der Nederlanden** (w.g.) A. VAN DOK-VAN WEELE **Voor de Republiek Zuid-Afrika** (w.g.) TREVOR MANUAL"},{"i":9687,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Slowaakse Republiek inzake de privileges en immuniteiten van verbindingsofficieren die door de Slowaakse Republiek bij Europol gedetacheerd worden The Kingdom of the Netherlands and the Slovak Republic, hereinafter referred to as the Contracting Parties, with reference to [Article 41, paragraph 2 of the Convention based on Article K.3 of the Treaty on European Union](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001323&artikel=41), on the establishment of a European Police Office (Europol Convention, 26 July 1995) stating that the privileges and immunities necessary for the proper performance of the tasks of the liaison officers at Europol be agreed upon, have agreed as follows: Article 1. Definitions In this Agreement: - a). “Liaison officer” means any official stationed at Europol in accordance with [Article 5 of the Europol Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001323&artikel=5); - b). “Government” means the Government of the Kingdom of the Netherlands; - c). “Host State authorities” means such State, municipal or other authorities of the Kingdom of the Netherlands as may be appropriate in the context of and in accordance with the laws and customs applicable in the Kingdom of the Netherlands; - d). “Member State” means the Slovak Republic; - e). “Archives of the liaison officer” means all records, correspondence, documents, manuscripts, computer and media data, photographs, films, video and sound recordings belonging to or held by the liaison officer, and any other similar material which in the unanimous opinion of the Member State and the Government forms part of the archives of the liaison officer. Article 2. Privileges and immunities 1. Subject to the provisions of this Agreement, the liaison officer and members of his family who form part of his household and do not possess Dutch nationality, shall enjoy in and vis-à-vis the Kingdom of the Netherlands the same privileges and immunities as are confe"},{"i":9688,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Republiek Vietnam inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Socialistische Republiek Vietnam, hierna aangeduid als de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. omvat de term „investeringen\": alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - iii. recht op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en know-how; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. omvat de term „onderdanen\" met betrekking tot elk van beide Verdragsluitende Partijen: - i. natuurlijke personen die de nationaliteit van die Verdragsluitende Partij hebben; - ii. rechtspersonen die zijn opgericht krachtens het rech"},{"i":9689,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Speciale Administratieve Regio Macau van de Volksrepubliek China inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Speciale Administratieve Regio Macau van de Volksrepubliek China, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de investeerders van de ene Verdragsluitende Partij op het gebied van de andere Verdragsluitende Partij, In het besef dat overeenstemming over de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen” verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en knowhow; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen. - b. omvat de term „investeerder”: Terwille van de duidelijkheid over de vraag of een rechtspersoon, die niet is opgericht krachtens het recht van een Verdragsluitende Partij, al dan niet on"},{"i":9690,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Guernsey inzake de toegang tot onderlinge overlegprocedures in verband met winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen en de toepassing van de Nederlandse deelnemingsvrijstelling Het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Guernsey („de Partijen”), Geleid door de wens hun economische betrekkingen te versterken en de internationale handel aan te moedigen; Zijn overeengekomen het volgende Verdrag te sluiten dat uitsluitend de verplichtingen van de Partijen bevat: HOOFDSTUK I. BELASTINGEN WAAROP HET VERDRAG VAN TOEPASSING IS EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en op winstbelastingen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is bepaald: - a. wordt verstaan onder „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten de territoriale zee waarbinnen Nederland, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent; - b. wordt verstaan onder „Guernsey” de eilanden Guernsey, Alderney en Herm, met inbegrip van de hen omringende territoriale zee, in overeenstemming met het internationale recht; - c. wordt verstaan onder „bevoegde autoriteit”, - i. in het geval van Nederland, de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger; - ii. in het geval van Guernsey, de Administrator of Income Tax of zijn afgevaardigde; - d. heeft de uitdrukking „onderneming” betrekking op het uitoefenen van een bedrijf. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag door een Partij op enig moment, heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking op dat moment heeft volgens de wetgeving van die Partij, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van die Partij pr"},{"i":9691,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de toegang tot onderlinge overlegprocedures in verband met de aanpassing van winsten van verbonden ondernemingen en de toepassing van de Nederlandse deelnemingsvrijstelling De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Staten van Jersey Geleid door de wens hun economische betrekkingen te versterken en de internationale handel aan te moedigen, zijn overeengekomen het volgende Verdrag te sluiten dat uitsluitend verplichtingen van de Partijen bevat: HOOFDSTUK I. BELASTINGEN WAAROP HET VERDRAG VAN TOEPASSING IS EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en op winstbelastingen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is bepaald: - a. wordt verstaan onder de uitdrukking „Partij” Nederland of Jersey, al naargelang van hetgeen de context vereist; - b. wordt verstaan onder „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten de territoriale zee waarbinnen Nederland, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsbevoegdheid heeft of soevereine rechten uitoefent; - c. wordt verstaan onder „Jersey” het baljuwschap Jersey, met inbegrip van zijn territoriale zee; - d. wordt verstaan onder „bevoegde autoriteit”, - i. in het geval van Nederland, de minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger; - ii. in het geval van Jersey, de **Treasury** and **Resources Minister** of zijn bevoegde vertegenwoordiger; 2. Voor de toepassing van dit Verdrag door een Partij op enig moment heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Partij, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van die Partij prevaleert boven een betekenis die vo"},{"i":9692,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken Het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten hierna te noemen „de Partijen”, Verwijzend naar de internationale instrumenten met bepalingen over wederzijdse rechtshulp in strafzaken die tussen de Partijen van kracht zijn; Geleid door de wens de doeltreffendheid van de samenwerking tussen de justitiële autoriteiten van de Partijen op het gebied van strafrechtelijke onderzoeken, vervolgingen en procedures verder te verbeteren; Erkennend het bijzondere belang van de financiële dimensie van grensoverschrijdende criminaliteit en het belang van het opsporen en confisqueren van opbrengsten van deze misdrijven; Met zorgvuldige inachtneming van hun verplichtingen om de mensenrechten en de rechtsstaat te eerbiedigen; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Reikwijdte van de rechtshulp 1. De Partijen verbinden zich ertoe elkaar, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, in zo ruim mogelijke mate wederzijdse rechtshulp te verlenen bij strafrechtelijke onderzoeken, vervolgingen of procedures in strafzaken. 2. Wederzijdse rechtshulp is elke bijstand die de aangezochte Partij aan de verzoekende Partij verleent bij elke strafrechtelijke procedure, ongeacht of de bijstand dient te worden verleend door een rechter of andere gerechtelijke autoriteit die bevoegd is tot onderzoek of vervolging in strafzaken. 3. Wederzijdse rechtshulp omvat onder meer: - a. het afnemen van getuigenissen of verklaringen van personen; - b. het betekenen van gerechtelijke documenten; - c. het vergemakkelijken van de vrijwillige verschijning van personen, al dan niet in hechtenis of anderszins, om te getuigen of mee te werken aan een onderzoek, vervolging of gerechtelijke procedure in de verzoekende Partij; - d. het verschaffen van informatie, bewijsstukken en beoordelingen door deskundigen; - e. het onderzoeken van"},{"i":9693,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Mexicaanse Staten inzake de bevordering, de aanmoediging en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Mexicaanse Staten, hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen”, Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: 1. Wordt onder de term „investeringen” verstaan alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - a. roerende en onroerende zaken die zijn verworven in het vooruitzicht van of worden aangewend met het oog op economische voordelen of zakelijke doeleinden, alsmede andere zakelijke rechten met betrekking tot die roerende en onroerende zaken; - b. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; - c. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft, met uitzondering van: van een onderdaan op het grondgebied van de ene Verdragsluitende Partij op een onderdaan op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij. De uitzondering betreffende kredieten met een looptijd van minder dan drie jaar is echter niet van toepassing op kredieten die zijn verstrekt door een onderdaan van de ene Verdragsluitende Partij aan een rech"},{"i":9694,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende het kantoor van het Joint Investigative Mechanism van de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens (OPCW) - Verenigde Naties Whereas the Security Council of the United Nations acting under [Chapter VII of the Charter of the United Nations](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143&hoofdstuk=VII) decided by its resolution 2235 (2015) adopted on 7 August 2015 to establish the OPCW-United Nations Joint Investigative Mechanism (JIM) “to identify to the greatest extent feasible individuals, entities, groups, or governments who were perpetrators, organisers, sponsors or otherwise involved in the use of chemicals as weapons, including chlorine or any other toxic chemical, in the Syrian Arab Republic where the OPCW Fact-Finding Mission determines or has determined that a specific incident in the Syrian Arab Republic involved or likely involved the use of chemicals as weapons, including chlorine or any other toxic chemical”; Whereas the JIM wishes to establish an office in The Hague, the Kingdom of the Netherlands to facilitate the implementation of its mandate and in particular liaison with the OPCW and its Fact Finding Mission; Whereas the Kingdom of the Netherlands wishes to facilitate the work of the JIM in this regard; Whereas the United Nations and the Kingdom of the Netherlands wish to conclude an agreement for the establishment of the office of the JIM in the Kingdom of the Netherlands (the “Office”); The Kingdom of the Netherlands and the United Nations have agreed as follows: PART I. GENERAL PROVISIONS Article 1. Use of terms Vervallen Article 2. Establishment of the Office Vervallen Article 3. Purpose and scope of this Agreement Vervallen PART II. STATUS OF THE OFFICE Article 4. Juridical personality Vervallen Article 5. Privileges, immunities and facilities Vervallen Article 6. Inviolability of the premises Vervallen Article 7. Protection of the premises and their vicini"},{"i":9695,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Republiek Tanzania inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Republiek Tanzania, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens hun van oudsher bestaande vriendschapsbanden te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de investeerders van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, In het besef dat overeenstemming over de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van, de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Vervallen Artikel 2. Bevordering en bescherming van investeringen Vervallen Artikel 3. Behandeling van investeringen Vervallen Artikel 4. Belastingen en fiscale aangelegenheden Vervallen Artikel 5. Overmakingen Vervallen Artikel 6. Onteigening en schadeloosstelling Vervallen Artikel 7. Schadeloosstelling voor verliezen Vervallen Artikel 8. Subrogatie Vervallen Artikel 9. Beslechting van geschillen tussen een Verdragsluitende Partij en een investeerder Vervallen Artikel 10. Toepasselijkheid van dit Verdrag Vervallen Artikel 11. Overleg Vervallen Artikel 12. Geschillen tussen de Verdragsluitende Partijen Vervallen Artikel 13. Territoriale toepassing Vervallen Artikel 14. Inwerkingtreding, duur en beëindiging Vervallen Artikel 15. Vervanging Vervallen IN WITNESS WHEREOF, the undersigned representatives, duly authorised thereto, have signed the present Agreement. DONE in two originals, at Dodoma, on 31 July 2001 in the English language. **For the Kingdom of the Netherlands** (sd) B. S. M. BERENDSEN **For the United Republic of"},{"i":9701,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vrije Hanzestad Bremen inzake de samenwerking van de hogescholen van het Koninkrijk der Nederlanden met de Fachhochschulen van de Vrije Hanzestad Bremen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Vrije Hanzestad Bremen, – hierna te noemen „Partijen” – zijn, geleid door de wens de samenwerking tussen de hogescholen van het Koninkrijk der Nederlanden en de Fachhochschulen van de Vrije Hanzestad Bremen te bevorderen en voor de studenten uit beide staten de studie in het respectieve andere land te vergemakkelijken, het volgende overeengekomen: 1 Voor het gehele hoger beroepsonderwijs wordt gestreefd naar samenwerking respectievelijk vergemakkelijking van de uitwisseling van studenten, voor zover aan de Fachhochschulen en hogescholen overeenkomstige opleidingen worden aangeboden. Opleidingen die tot dusverre niet aan de Fachhochschulen en hogescholen worden aangeboden, zullen onder dit Verdrag vallen zodra zij door beide Partijen in het leven zijn geroepen. Er worden lijsten uitgewisseld van de opleidingen die op het tijdstip waarop het verdrag wordt gesloten, aan de Fachhochschulen en hogescholen worden aangeboden. 2 Het verdrag heeft, overeenkomstig de hieronder genoemde nadere bepalingen, betrekking op: - 2.1. studenten die een studie in een door een Fachhochschule en een hogeschool gemeenschappelijk in het leven geroepen opleiding willen opnemen en voltooien, - 2.2. studenten die in het kader van uitwisselingsprogramma's tussen hogescholen gedeelten van de studie aan de partnerhogeschool willen volgen, - 2.3. individuele studenten (“free movers”) die buiten uitwisselingsprogramma's of gemeenschappelijke opleidingen om een studie aan een Fachhochschule of een hogeschool willen opnemen of daar gedeelten van de studie willen volgen. - 3.1. De Vrije Hanzestad Bremen erkent in overeenstemming met de »Bewertungsvorschläge Niederlande« van de »Zentralstelle für ausländisches Bildungswesen« (secretariaat van de »Kultusministerkon"},{"i":9702,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Duitsland betreffende de toelating, vestiging en uitzetting van wederzijdse onderdanen op wederzijds staatsgebied Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Duitsche Keizer, Koning van Pruisen, in naam van het Duitsche Rijk, bezield door den wensch om de tusschen Nederland en het Duitsche Rijk bestaande vriendschappelijke betrekkingen in stand te houden en te bevestigen, en met het doel om de voorwaarden te regelen voor de vestiging der Nederlandsche onderdanen in het Duitsche Rijk en der Duitsche onderdanen in Nederland, voor de wederzijdsche ondersteuning van hulpbehoevenden, alsmede voor de overbrenging met den sterken arm over de grenzen der beide Rijken van uit te leiden personen, zijn overeengekomen te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot Hoogstderzelver gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche Zaken, den heer R. MELVIL baron VAN LYNDEN, Zijne Majesteit de Duitsche Keizer, Koning van Pruisen: Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, den heer KARL VON SCHLÖZER, die na elkander hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, zijn overeengekomen nopens de volgende artikelen: Wordt vanaf 30 april 2006 niet langer toegepast in de verhouding tussen het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en Duitsland, anderzijds (Trb. 2017/126). Artikel 1 De onderdanen van elke der beide contracteerende Partijen hebben het recht zich binnen het gebied der andere Partij te vestigen of bij voortduring of tijdelijk aldaar te verblijven, indien en zoolang zij de daar geldende wetten en verordeningen naleven. Om op dit recht aanspraak te kunnen maken, moeten zij voorzien zijn van geldige paspoorten of andere bewijsstukken, voldoende om hunne identiteit en nationaliteit te staven; de beide Partijen zullen bij uitwisseling van nota's ove"},{"i":9703,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Eurojust The Kingdom of the Netherlands and Eurojust (hereafter, the Parties) Having regard to the Council Decision of 28 February 2002 setting up Eurojust with a view to reinforcing the fight against serious crime; Whereas Article 1c) of the Decision taken by common agreement between the Representatives of the Member States, meeting at Head of State or Government level, of 13 December 2003 on the location of seats of certain offices and agencies of the European Union, provides having regard to [Article 289 of the Treaty establishing the European Community](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506&artikel=289), that Eurojust shall have its seat in The Hague; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purposes of this Agreement: - a). ‘‘Eurojust Decision’’ means the Council Decision of 28 February 2002 setting up Eurojust with a view to reinforcing the fight against serious crime; - b). ‘‘Eurojust’’ means the unit set up by the Eurojust Decision; - c). ‘‘Government’’ means the Government of the Kingdom of the Netherlands; - d). ‘‘Host State authorities’’ means such State, municipal or other authorities of the Kingdom of the Netherlands as may be appropriate in the context of and in accordance with the laws and customs applicable in the Kingdom of the Netherlands; - e). ‘‘Headquarters’’ means the area, any building, land or facilities ancillary thereto, irrespective of ownership, used on a permanent basis, temporarily or from time to time by Eurojust following mutual agreement between Eurojust and the Government, to carry out its official functions; - f). ‘‘national member’’ means a person referred to in Article 2, paragraph 1, of the Eurojust Decision; - g). ‘‘College’’ means the College referred to in Article 10 of the Eurojust Decision; - h). ‘‘President of the College’’ means the national member elected as President by the College, as referred to in Article 28, paragraph 2, of the Eurojust Decisio"},{"i":9704,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Georgië inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen het Koninkrijk der Nederlanden en Georgië, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens hun van oudsher bestaande vriendschapsbanden te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de investeerders van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen\" verstaan: alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - iii. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en know-how; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. omvat de term „investeerder\": - i. met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: natuurlijke personen die de Nederlandse nationaliteit hebben; met betrekking tot Georgië: natuurlijke personen die staatsburger van Georgië zijn; - ii. met betrekking tot elk van beide Verdragsluitende Partijen"},{"i":12039,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 oktober 2024, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Duitsland, ambassade Berlijn, Besluit Beperking Openbaarheid Duitsland (1918) 1975–2013 (2014) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 21 oktober 2024, referentie: Proza ID 47657001; Besluit Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | | | | 4 | 2082 | | 6 | 2081 | | 7 | 2084 | | 9 | 2056 | | 10 | 2060 | | 14 | 2083 | | 15 | 2044 | | 16 | 2084 | | 17 | 2043 | | 18 | 2030 | | 19 | 2104 | | 20 | 2082 | | 21 | 2105 | | 22 | 2083 | | 23 | 2045 | | 24 | 2045 | | 25 | 2080 | | 26 | 2107 | | 27 | 2039 | | 28 | 2034 | | 32 | 2067 | | 36 | 2052 | | 37 | 2070 | | 56 | 2078 | | 57 | 2088 | | 58 | 2085 | | 59 | 2107 | | 60 | 2095 | | 61 | 2076 | | 63 | 2083 | | 64 | 2082 | | 65 | 2084 | | 66 | 2084 | | 67 | 2084 | | 68 | 2085 | | 73 | 2083 | | 74 | 2082 | | 97 | 2085 | | 98 | 2084 | | 105 | 2071 | | 106 | 2056 | | 107 | 2063 | | 108 | 2063 | | 109 | 2061 | | 110 | 2068 | | 111 | 2053 | | 112 | 2064 | | 113 | 2027 | | 114 | 2027 | | 115 | 2049 | | 117 | 2074 | | 118 | 2056 | | 119 | 2070 | | 120 | 2080 | | 121 | 2073 | | 122 | 2071 | | 123 | 2048 | | 124 | 2081 | | 125 | 2065 | | 126 | 2080 | | 127 | 2041 | | 128 | 2052 | | 129 | 2071 | | 130 | 2071 | | 132 | 2054 | | 133 | 2081 | |"},{"i":18831,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 6 april 2016 nr. BOACAT2016/022, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Functioneel Parket Gelezen het verzoek van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket van 30 maart 2016; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037810&artikel=2&z=2017-10-06&g=2017-10-06). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van (junior) vermogenstraceerder in dienst van het Functioneel Parket, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel 4 Op grond van dit besluit kunnen maximaal 60 personen als buitengewoon opsporingsambtenaar worden beëdigd. Artikel 5 Als toezichthouder als bedoeld in [artikel 36 van het Besluit buitengewoon opsporing"},{"i":4934,"b":"Regeling van de minister van Veiligheid en Justitie van 6 maart 2014, nr 476900 houdende verlening van mandaat en het geven van volmacht en machtiging ten aanzien van de beheersaangelegenheden van het College voor de rechten van de mens (Mandaatregeling beheer College voor de rechten van de mens 2014) Gelet op [artikel 44, tweede lid, van de Organisatieregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030837&artikel=44), [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 32, vierde lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **College:** College voor de rechten van de mens als bedoeld in [artikel 1 van de Wet College voor de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=1); - b. **beheersaangelegenheid:** taak die in het kader van het beheer wordt verricht binnen het bureau als bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de Wet College voor de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&artikel=18); - c. **mandaat:** bevoegdheid om namens de Minister van Veiligheid en Justitie besluiten te nemen; - d. **volmacht:** bevoegdheid om namens de Minister van Veiligheid en Justitie privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - e. **machtiging:** bevoegdheid om namens de Minister van Veiligheid en Justitie handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. Aan de voorzitter van het College wordt mandaat verleend ten aanzien van de beheersaangelegenhede"},{"i":9708,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Eiland Man inzake de toegang tot onderlinge overlegprocedures in verband met winstcorrecties van verbonden ondernemingen en de toepassing van de Nederlandse deelnemingsvrijstelling De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Eiland Man, Geleid door de wens hun economische betrekkingen te versterken en de internationale handel aan te moedigen, zijn overeengekomen het volgende Verdrag te sluiten dat uitsluitend verplichtingen van de Partijen bevat: Hoofdstuk I. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is en Begripsomschrijvingen Artikel 1. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en op winstbelastingen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is bepaald: - a. wordt verstaan onder de uitdrukking “Partij” het Koninkrijk der Nederlanden of het Eiland Man, al naar gelang van hetgeen de context vereist; - b. wordt verstaan onder „Nederland’’ het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten de territoriale zee waarbinnen Nederland, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent; - c. wordt verstaan onder het „Eiland Man’’, het eiland van het Eiland Man; - d. wordt verstaan onder „bevoegde autoriteit’’, - i. in het geval van Nederland, de minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger; - ii. in het geval van het Eiland Man, de Chief Financial Officer of the Treasury of zijn afgevaardigde. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag door een Partij op enig moment heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Partij, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van die Partij prevaleert boven een betekenis die volgens an"},{"i":9709,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Europees Geneesmiddelenbureau betreffende de vestiging van het Europees Geneesmiddelenbureau The Kingdom of the Netherlands and the European Medicines Agency, Having regard to the [Treaty on the European Union](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507), in particular [Protocol No 7 on the Privileges and Immunities of the European Union](onbekend) annexed to the Treaty on the European Union (hereinafter “the Protocol”), the [Treaty on the Functioning of the European Union](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) and the [Treaty establishing the European Atomic Energy Community](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033); Having regard to Regulation (EC) No 726/2004 of the European Parliament and of the Council of 31 March 2004 laying down Community procedures for the authorization and supervision of medicinal products for human and veterinary use and establishing a European Medicines Agency; Having regard to the decision of the Member States in the margins of the General Affairs Council meeting of 20 November 2017 to relocate the seat of the European Medicines Agency in Amsterdam, the Netherlands; Whereas Article 74 of Regulation (EC) No. 726/2004 provides that the [Protocol](onbekend) shall apply to the Agency and to its staff; Whereas Article 75 of Regulation (EC) No 726/2004 provides that the Staff Regulations of officials of the European Union, the Conditions of Employment of Other Servants of the European Union and the rules adopted jointly by the institutions of the European Union for the purposes of the application of those Staff Regulations and Conditions of Employment shall apply to the staff of the Agency; Whereas further administrative provisions must be agreed for the implementation of the [Protocol](onbekend), in particular to lay down conditions concerning the privileges, immunities, facilities, and services of and related to the Agency and its staff in the territory of the Kingd"},{"i":9711,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg betreffende samenwerking op het gebied der diplomatieke vertegenwoordiging Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Overwegende dat op grond van een gevestigde traditie de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen zorg dragen voor de vertegenwoordiging van het Groothertogdom Luxemburg en de behartiging van zijn belangen in de Staten waar het Groothertogdom Luxemburg geen diplomatieke vertegenwoordigingen onderhoudt; Gelet op de overeenkomst welke te dezer zake werd gesloten door nota's gewisseld te 's-Gravenhage op 6 en 7 januari 1880; Verlangende een nieuwe grondslag te leggen voor Hun samenwerking op dit gebied, daarbij rekening houdende met het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961; Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben daartoe tot Hun gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg: Zijne Excellentie de Heer Eugène Schaus, Vice-President van de Regering en Minister van Buitenlandse Zaken; Zijne Excellentie de Heer P. Schulté, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van Luxemburg te 's-Gravenhage; die, na elkaar hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. De Hoge Verdragsluitende Partijen werken overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelen samen teneinde in Staten waarbij het Groothertogdom Luxemburg geen diplomatieke vertegenwoordiger heeft geaccrediteerd, dan wel waar tijdelijk geen bevoegde Luxemburgse diplomatieke vertegenwoordiger aanwezig is, de vertegenwoordiging van het Groothertogdom Luxemburg of de behartiging van de Luxemburgse belangen te doen verzekeren door de bij die Staten geaccrediteerde Nederlandse diplomatieke vertege"},{"i":9714,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Internationaal Strafhof betreffende afspraken voor de voortzetting van de 13e zitting van de Vergadering van Staten die Partij zijn te 's-Gravenhage op 24 - 25 juni 2015 Whereas the Assembly of States Parties to the Rome Statute of the International Criminal Court has accepted the invitation of the Kingdom of The Netherlands to hold the resumed thirteenth session of the Assembly of States Parties (“ASP”) at the Ministry of Foreign Affairs of The Netherlands with the host State assuming the cost for the conference facilities and services incurred at the Ministry (Decision of the Bureau of the ASP ICC-ASP-2015-01-23Jan2015); Whereas the Kingdom of The Netherlands and the International Criminal Court are parties to the [Headquarters Agreement between the International Criminal Court and the host State](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002899) (“the Headquarters Agreement”); Now, therefore the International Criminal Court and the Kingdom of The Netherlands (“the host State”) agree as follows: Article 1. Scope and Purpose Vervallen Article 2. Facilities and Services Vervallen Article 3. Participation in the Resumed Thirteenth Session of the ASP Vervallen Article 4. Security and Access Vervallen Article 5. Costs Vervallen Article 6. Visas Vervallen Article 7. Channel of communication Vervallen Article 8. Final Provisions Vervallen DONE at The Hague on 12 June 2015 in duplicate, in the English language. **For the Kingdom of The Netherlands,** E.P. STEHOUWER **For the International Criminal Court,** H. VON HEBEL"},{"i":9715,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, het nut erkennende om in gemeen overleg eenige eenvormige regelen vast te stellen betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten, en hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten: HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN: Mr. B. C. J. LODER, Rechter in het Permanente Hof van Internationale Justitie; Mr. J. Ph. SUYLING, Hoogleeraar aan de Universiteit te Utrecht; en Mr. J. KOSTERS, Raadsheer in den Hoogen Raad der Nederlanden; ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN: den Heer A. GODDYN, Voorzitter eener Kamer bij het Verbrekingshof; den Heer PAUL LECLERCQ, Eerste Advocaat-Generaal bij het Verbrekingshof; den Heer V. KINON, Directeur-Generaal aan het Departement van Justitie; en den Heer M. COSTERMANS, Directeur-Generaal aan het Departement van Buitenlandsche Zaken, die, na wederzijdsche mededeeling van hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: TITEL I. Van de territoriale bevoegdheid. Artikel 1 1. In burgerlijke zaken en in handelszaken zijn de Belgen in Nederland en de Nederlanders in België onderworpen aan dezelfde competentieregels als de eigen onderdanen. 2. Artikel 127 van het Nederlandsche wetboek van burgerlijke rechtsvordering is niet toepasselijk op Belgische gedaagden en artikel 53 van de Belgische wet van 20 Maart 1876 is niet toepasselijk op Nederlandsche gedaagden. Artikel 2 Onder voor"},{"i":12276,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 23 mei 2013, nr. MLB/508316, tot geheimhouding aanbestedingen met betrekking tot beveiligingsinstallaties museale instellingen 2013 Overwegende: dat bij de museale instellingen die worden genoemd in dit besluit beveiligingsinstallaties nodig zijn ter beveiliging van de gebouwen en daarin verblijvende personen en roerende zaken; dat de bijzondere beveiligingsaspecten van deze installaties gelet op de te beveiligen museale voorwerpen die eigendom zijn van de Staat of aan de zorg van de Staat zijn toevertrouwd het noodzakelijk maken geheimhouding te betrachten met betrekking tot de functionele en technische specificaties, ten einde het risico van inbreuk door derden op de beveiligingssystemen te minimaliseren; dat het derhalve uitgesloten is in deze de nationale en Europese aanbestedingsprocedures te volgen; Gelet op [artikel 2.23, eerste lid, onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23); Besluit: Tot geheimverklaring van de aanbesteding voor het installeren en onderhouden van en het verhelpen van storingen aan beveiligingsinstallaties van de volgende museale instellingen: - •. Stichting Het Rijksmuseum Amsterdam, - •. Stichting Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam, - •. Stichting Rijksmuseum Het Zuiderzeemuseum, - •. Stichting Rijksmuseum Twenthe, - •. Stichting Museum van het Boek/Museum Meermanno-Westreenianum, - •. Stichting Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, - •. Stichting Rijksmuseum voor Volkenkunde, - •. Stichting Museum Het Catharijneconvent, - •. Stichting Van Gogh Museum/Mesdag Museum, - •. Stichting Paleis Het Loo Nationaal Museum, - •. Stichting het Geld- en Bankmuseum, - •. Stichting Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis, - •. Stichting tot beheer van Museum Boerhaave, - •. Stichting Kröller Müller Museum, - •. Stichting Rijksmuseum Muiderslot, - •. Stichting Museum De Gevangenpoort, - •. Stichting Nederlands Openl"},{"i":9718,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België nopens de ontginning van steenkolen in evenwijdig aan de grens liggende stroken van de langs de Maas gelegen steenkolenmijnen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, enerzijds, en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, anderzijds, Geleid door de wens de ontginning van steenkolen in de steenkolenmijnen, gelegen aan beide zijden van de ontginningsgrens vastgesteld bij het op 23 oktober 1950 te Brussel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België gesloten verdrag, van de tegenoverliggende steenkolenmijn uit tot op 500 meter van die grens mogelijk te maken; Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Mr. J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken; Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Zijne Excellentie F. X. Baron van der Straten-Waillet, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur te 's-Gravenhage, die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Dit verdrag is van toepassing op: - a. het deel van Staatsmijn Maurits, gelegen aan de oostzijde van de ontginningsgrens, vastgesteld bij het op 23 oktober 1950 te Brussel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België gesloten verdrag, welk deel op de aan dit verdrag gehechte kaart in blauw is aangegeven en dat is begrensd: **ten zuiden** door een ten opzichte van het tussen de punten 64a en 66 gelegen gedeelte van de ontginningsgrens door eerstgenoemd punt getrokken loodlijn; **ten oosten** door een lijn evenwijdig aan de ontginningsgrens op een afstand van 500 m van die grens tot waar deze lijn de noordelijke grens van het mijnveld snijdt; **ten noorden** door de noordelijke grens van het mijnveld; **ten westen** door de ontginningsgrens; - b. het deel van de mijn van de „Société Anonyme des Charbonnages de"},{"i":9719,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België nopens samenvoeging van douanebehandeling aan de Nederlands-Belgische grens De Nederlandse en Belgische Regeringen, verlangend de formaliteiten, welke gepaard gaan met overschrijding van de gemeenschappelijke grens tussen beide landen, zoveel doenlijk te vereenvoudigen en te bespoedigen; van mening, dat de bevoegdheid om de gevallen aan te wijzen, waarin daartoe strekkende maatregelen genomen moeten worden, in beide landen behoort te worden toegekend aan de bevoegde Ministers; hebben, om dit doel te bereiken, behoorlijk gevolmachtigde vertegenwoordigers aangewezen, dewelke het hieronder volgende zijn overeengekomen: Artikel I Ter bespoediging van het internationaal personen- en goederenverkeer tussen Nederland en België kunnen de bevoegde Ministers van elk van beide landen in onderling overleg op Nederlands of op Belgisch grondgebied gelegen spoorwegstations en posten aan water- of landwegen, hierna genoemd „internationale douanekantoren”, alsmede naar deze kantoren leidende gedeelten van spoor-, water-, of landwegen, hierna genoemd „internationale douanewegen”, aanwijzen, alwaar vanwege het land van uitgang en vanwege het land van binnenkomst met betrekking tot het overschrijden van de grens door personen of goederen, daaronder begrepen deviezen en andere waarden, douanebehandeling kan geschieden. Onder douanebehandeling is passencontrôle begrepen. Artikel II Op de internationale douanekantoren en de internationale douanewegen zijn met betrekking tot de in artikel I bedoelde douanebehandeling vanwege elk van beide landen van kracht de wettelijke bepalingen en voorschriften van het desbetreffende land, zulks zowel wat de verplichtingen van de aan die behandeling onderworpen personen als wat de bevoegdheden en rechten van de ambtenaren en beambten betreft. Voor de toepassing van de in het voorgaande lid bedoelde wettelijke bepalingen en voorschriften van het ene land op het grondgebied van het and"},{"i":9720,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, regelende de verlichting en bebakening van de Westerschelde en haar mondingen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de noodzakelijkheid hebbende erkend nieuwe schikkingen te treffen aangaande de verlichting en de bebakening van de Westerschelde en haar mondingen, hebben te dien einde tot Hun gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken, Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Zijne Excellentie F. X. J. M. G. Baron van der Straten-Waillet, Ambassadeur te 's-Gravenhage, Die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Voor de verlichting en de bebakening van de Westerschelde en haar mondingen zijn of worden: - A. uitgelegd de volgende lichtboeien: Onder lichtboei wordt verstaan een lichtboei compleet uitgerust met lantaarn, tonketting en tonsteen. | **Wielingen** | **Wielingen** | | | --- | --- | --- | | 1. | Een rood-wit verticaal gestreepte stompe lichtboei, gemerkt A 3, op: (lichtboei voorzien van radarreflector) | 51-24,9 N | | 1. | Een rood-wit verticaal gestreepte stompe lichtboei, gemerkt A 3, op: (lichtboei voorzien van radarreflector) | ———— | | 1. | Een rood-wit verticaal gestreepte stompe lichtboei, gemerkt A 3, op: (lichtboei voorzien van radarreflector) | 03-24,5 E | | 2. | Een rood-wit verticaal gestreepte spitse lichtboei, gemerkt A 4, op: | 51-25 N | | 2. | Een rood-wit verticaal gestreepte spitse lichtboei, gemerkt A 4, op: | ———— | | 2. | Een rood-wit verticaal gestreepte spitse lichtboei, gemerkt A 4, op: | 03-28 E | | 3. | Een witte lichtboei met vier verticale blauwe strepen, gemerkt in rode letters G G, op: | 51-25 N | | 3. | Een witte lichtboei met vier verticale blauwe strepen, gemerkt in rode letters G G, op: | ———— | | 3. | Een witte lich"},{"i":6979,"b":"Burgerlijk Wetboek Boek 1, Personen- en familierecht Boek 1. Personen- en familierecht Titel 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Allen die zich in Nederland bevinden, zijn vrij en bevoegd tot het genot van de burgerlijke rechten. 2. Persoonlijke dienstbaarheden, van welke aard of onder welke benaming ook, worden niet geduld. Artikel 2 Het kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan. Artikel 3 1. De graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het getal der geboorten, die de bloedverwantschap hebben veroorzaakt. Hierbij telt een erkenning, een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap of een adoptie als een geboorte. 2. Door huwelijk of door geregistreerd partnerschap ontstaat tussen de ene echtgenoot dan wel de ene geregistreerde partner en een bloedverwant van de andere echtgenoot dan wel de andere geregistreerde partner aanverwantschap in dezelfde graad als er bloedverwantschap bestaat tussen de andere echtgenoot dan wel de andere geregistreerde partner en diens bloedverwant. 3. Door het eindigen van het huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt de aanverwantschap niet opgeheven. Titel 2. Het recht op de naam Artikel 4 1. Een ieder heeft de voornamen die hem in zijn geboorteakte zijn gegeven. 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert in de geboorteakte voornamen op te nemen die ongepast zijn, of overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn. 3. Geeft de aangever geen voornamen op, of worden deze alle geweigerd zonder dat de aangever ze door een of meer andere vervangt, dan geeft de ambtenaar ambtshalve het kind een of meer voornamen, en vermeldt hij uitdrukkelijk in de akte dat die voornamen ambtshalve zijn gegeven. 4. Wijziging van de voornamen kan op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gelast door de rechtbank. De wijziging gesch"},{"i":9722,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken inzake het wederzijds aanhouden van voorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken (hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen’’), Gelet op Richtlijn 68/414/EEG van de Raad van 20 december 1968 houdende de verplichting voor de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/93/EG van de Raad van 14 december 1998 (hierna samen te noemen „de Richtlijn’’); Gelet op artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn dat voorziet in het aanleggen van voorraden op het grondgebied van een lidstaat voor rekening van in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen, uit hoofde van overeenkomsten tussen regeringen; Gelet op nationale wetgeving inzake de verplichting tot het aanhouden van voorraden aardolieproducten; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „bevoegde autoriteit’’ het overheidsorgaan van elke Verdragsluitende Partij dat verantwoordelijk is voor het toezicht op het voldoen door ondernemingen aan voorraadverplichtingen; - b. „voorraad’’ elke voorraad ruwe aardolie of aardolieproducten (met inbegrip van halffabrikaten en eindproducten) waarop de Richtlijn van toepassing is; - c. „voorraadverplichtingnoot vertaler: later wordt in de Engelse tekst „stockholding’’ obligation gebruikt’’ de totale hoeveelheid voorraad die uit hoofde van de nationale wetgeving dient te worden aangehouden; - d. „crisis in de voorziening’’ hetzelfde als in artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn wordt verstaan; - e. „grondgebied’’ het binnen de Europese Unie gelegen grondgebied waarop elke Verdragsluitende Partij rechtsmacht uitoefent en wat betreft het Koninkrijk Denemarken met uitzondering van de Faeröer en Groenland; - f. „onderneming’’ een onderneming of instantie gevestigd op het gr"},{"i":5293,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 december 2018, kenmerk 2018-0000208130, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de tarieven voor het verrichten van eenmalige handelingen door de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank (Regeling bekostiging financieel toezicht eenmalige handelingen) Gelet op [artikel 14, tweede lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041548&artikel=14); BESLUITEN: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Bpr:** [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - **Wft:** [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - **Wta:** [Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468). Artikel 2. Mkb-onderneming 1. Voor de toepassing van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041647&paragraaf=2&artikel=4&z=2025-10-01&g=2025-10-01) wordt verstaan onder mkb-onderneming: een onderneming die op grond van de laatst vastgestelde jaarrekening op het moment van een aanvraag of melding van de eenmalige handeling, aan ten minste twee van de volgende drie criteria voldoet: - 1°. een gemiddeld aantal werknemers gedurende het boekjaar van minder dan 250; - 2°. een balanstotaal van ten hoogste € 43.000.000; - 3°. een jaarlijkse netto-omzet van ten hoogste € 50.000.000. 2. In afwijking van het eerste lid wordt voor de toepassing van onderdeel A8 emissies in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041647&paragraaf=2&artikel=4&z=2025-10-01&g=2025-10-01), onder een mkb-onderneming verstaan: een uitgevende instelling waarvan op het moment van de aanvraag van de eenmalige toezichthandeling nog geen vastgestelde jaarrekening beschikbaar is, indien de totale tegenwaarde van de onder het prospectus aan te bieden effecten ten hoogste € 25.00"},{"i":7572,"b":"Besluit van 13 december 2010, nr. BPR2010/U57175, tot vaststelling formulier basisadministraties persoonsgegevens BES Gelet op [artikel 30, tweede lid van het Besluit basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028622&artikel=30) en [artikel 12 van de Regeling basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028605&artikel=12); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De formulieren, opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029481&bijlage=I&z=2010-12-15&g=2010-12-15) en [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029481&bijlage=II&z=2010-12-15&g=2010-12-15) bij dit besluit, zijn formulieren als bedoeld in [artikel 30, tweede lid van het Besluit basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028622&artikel=30) en [artikel 12 van de Regeling basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028605&artikel=12). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 december 2010. Bijlage I Niet opgenomen. Bijlage II Niet opgenomen."},{"i":4388,"b":"Besluit van 9 september 2024 tot wijziging van een aantal bepalingen in het Besluit doorberekening kosten College van Toezicht in verband met enkele aanpassingen in de systematiek op basis waarvan de kosten van het College van Toezicht Auteursrechten over de collectieve beheersorganisaties en onafhankelijke beheersorganisaties worden verdeeld (Besluit wijziging doorberekening kosten College van Toezicht) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 3 juni 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5506936; Gelet op [artikel 12, derde lid, van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 juni 2024, No. W16.24.00124/II); Gezien het nader rapport van Onze Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 27 augustus 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5693866; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit doorberekening kosten College van Toezicht. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit wijziging doorberekening kosten College van Toezicht. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":9731,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake de verruiming van de vaarweg in de Westerschelde Het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest, hierna te noemen de Partijen, Onverminderd de verdragen die tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België werden gesloten over de Schelde; Overtuigd van het belang van het behoud en de ontwikkeling van de vaarwegfunctie van de Westerschelde en de toegang tot de havens; Rekening houdend met de veiligheid van de scheepvaart en van de waterkeringen; Beklemtonend dat de zorg voor de vaarwegfunctie in harmonie moet geschieden met die voor de overige functies van de Westerschelde, waaronder de natuurfunctie; Wensend een regeling te treffen voor de verruiming van de vaarweg in de Westerschelde en enige daarmee verband houdende aangelegenheden; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „Vaargeul\": de doorgaande vaargeul op Nederlands grondgebied van zee over de Westerschelde naar de Nederlands-Belgische grens; - b. „bevoegde overheden\": wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister die bevoegd is voor de Waterstaat en, wat het Vlaams Gewest betreft, de minister die bevoegd is voor de Openbare Werken; - c. „Technische Scheldecommissie\": de Technische Scheldecommissie bedoeld in het Protocol van de besprekingen van Nederlandse, Luxemburgse en Belgische ministers, gehouden te Luxemburg op 29, 30 en 31 januari 1948. HOOFDSTUK II. BEPALINGEN INZAKE DE WERKEN Artikel 2. Omschrijving van de werken 1. De vaargeul wordt verruimd met het doel de in bijlage A opgenomen vaarmogelijkheden te verkrijgen. 2. Ter verwezenlijking van deze verruiming worden de volgende werken voorbereid, uitgevoerd en onderhouden: - a. opruimen van wrakken en andere obstakels in de vaargeul en in anker- en noodankergebieden; - b. plaatselijk verdedigen van oevers; - c. herstelwerken in verband met het verlies a"},{"i":12689,"b":"Besluit van 23 juli 1997 tot vaststelling van het bedrag waarboven de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit goedkeuring van de Minister van Verkeer en Waterstaat behoeft voor het aangaan van overeenkomsten en het doen van investeringen Gelet op [artikel 22, eerste lid, onder a en c, van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008807&artikel=22); Besluit: Artikel 1 Het bedrag waarboven het sluiten van overeenkomsten of het aangaan van investeringen door het college genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008807&artikel=2), goedkeuring behoeft van de Minister van Verkeer en Waterstaat, wordt vastgesteld op € 250.000. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 1997. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling bedrag goedkeuring overeenkomsten en investeringen OPTA. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19386,"b":"Wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet OM-afdoening en enige andere wetten in verband met het wegnemen van enkele technische onvolkomenheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), de [Wet OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074) en enige andere wetten enkele technische onvolkomenheden weg te nemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel III Wijzigt de Wet op de jeugdzorg. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Wijzigt de Wet OM-afdoening. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI Wijzigt de Reparatiewet II Justitie. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VII Wijzigt de Wet OM-afdoening. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIIA Wijzigt de Wet OM-afdoening. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IX Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel X Wijzigt de Uitleveringswet. Artikel XI Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel XII 1. De [artikelen I, onderdelen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021810&artikel=I&z=2007-05-09&g=2007-05-09), [II, onderdelen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021810&artikel=II&z=2007-05-09&g=2007-05-09), en [III tot en met VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021810&artikel=III&z=2007-05-09&g=2007-05-09) van deze wet treden in werking op het tijdstip waarop de [Wet OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":18660,"b":"Wet van 27 mei 1999 tot wijziging van de Wet politieregisters, houdende nadere regels voor bijzondere politieregisters ten behoeve van de politie, Koninklijke marechaussee en daartoe aangewezen diensten van publiekrechtelijke lichamen die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast (bijzondere politieregisters) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere regels te treffen voor bijzondere politieregisters ten behoeve van de politie, Koninklijke marechaussee en daartoe aangewezen diensten van publiekrechtelijke lichamen die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast; Gezien het advies van de Registratiekamer van 22 november 1996, kenmerk 96.a.0511; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet politieregisters. Artikel II 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. Ten aanzien van bij of krachtens de [Wet politieregisters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004798) aangelegde registers, bestaande op het in het eerste lid bedoelde tijdstip, blijven de [artikelen 5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004798&artikel=5a) en [13d, derde lid, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004798&artikel=13d) buiten toepassing gedurende ten hoogste een jaar na dat tijdstip, voor zover het betreft de vastlegging van de reeds in die registers opgeslagen gegevens. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":12731,"b":"Besluit van 21 maart 2005, houdende de vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren munt van tien euro en de gouden munten van twintig en vijftig euro die in 2005 worden uitgegeven ter gelegenheid van het vijfentwintigjarige regeringsjubileum van Koningin Beatrix Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 16 maart 2005, FM 2005-00525 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen en Internationaal; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2005/72 en herplaatst in Stcrt. 2005/77. Artikel 1 1. De beeldenaar van zilveren munt van tien euro en de gouden munten van twintig en vijftig euro die in 2005 worden uitgegeven ter gelegenheid van het vijfentwintigjarige regeringsjubileum van Koningin Beatrix, is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: Onze beeltenis met daarboven het omschrift «BEATRIX» en daaronder het omschrift «KONINGIN DER NEDERLANDEN», ter linkerzijde van Onze beeltenis het woord «WIJ» en ter rechterzijde het woord «ZIJN»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: Onze beeltenis met daarboven het jaartal 2005 en daaronder de waardeaanduiding «10 EURO», «20 EURO» onderscheidenlijk «50 EURO» en rechts van de waardeaanduiding en , ter linkerzijde van Onze beeltenis het woord «SAMEN» en ter rechterzijde het woord «ÉÉN». 2. De tien-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De twintig-euromunt en de vijftig-euromunt hebben een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18228,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Waardebepaling onroerende zaken vanaf 1991 (Waarderingskamer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007, nr. arc-2007.03635/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Waarderingskamer en de daaronder ressorterende actoren op het beleidsterrein (toezicht op uniforme) Waardebepaling onroerende zaken d.m.v. belastingheffing door Rijk, gemeenten en waterschappen over de periode vanaf 1991’ wordt met de daarbij behorende toelichting vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Instrument voor de selectie van de administratieve neerslag van de voorgangers van de Waarderingskamer (1991–1994), de Waarderingskamer (1995–), en de hieronder ressorterende commissies (1994–) Vastgesteld: mei 2007 Lijst van afkortingen ADW: Algemene Databank Wet- en regelgeving AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur BOK: (Commissie) beoordeling omvang kosten BSD: Basis Selectiedocument BZK: (ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties CAS: Centrale Archief Selectiedienst CB: Commissie benchmarking CEK: Commissie evaluatie kostenverrekening CEWW: Commissie evaluatie Wet WOZ CFPO: Commissie financiën, personeel en organisatie CGU: Commissie gegevensuitwisseling CKB: Commissie Klankbord CRC: Commissie regelgeving en controle GC: Geschillencommissie IPO: InterProvinciaal Overleg KB: Koninklijk Besluit KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap NA: Nationaal Archief OCW: (ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn RAD: Rijksarchiefdienst RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek **Stb.**: Staatsblad van h"},{"i":17796,"b":"Wet van 22 december 1982, tot afschaffing van het bedrag per kind in de vakantie-uitkering voor het overheidspersoneel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op de noodzaak van beperking van de collectieve uitgaven wenselijk is de aanspraak van het overheidspersoneel op het bedrag per kind in de vakantie-uitkering te doen vervallen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Belanghebbenden in de zin van deze wet zijn: - a. personen voor wie de vaststelling der arbeidsvoorwaarden geschiedt bij wet of krachtens wet door Ons, dan wel onder Onze goedkeuring, en overige personen in overheidsdienst; - b. personen in dienst van een onderwijsinstelling, als bedoeld in artikel B 2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (**Stb.** 1979, 679). Artikel 2 Voor de toepassing van deze wet wordt onder bedrag per kind in de vakantie-uitkering verstaan het bedrag van de vermeerdering van de vakantie-uitkering voor elk kind waarvoor de ambtenaar kinderbijslag geniet, bedoeld in [artikel 31**a** van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](onbekend) (**Stb.** 1931, 248), dan wel hetgeen hiermede overeenkomt in de op een belanghebbende van toepassing zijnde rechtspositie- of bezoldigingsregeling. Artikel 3 Bepalingen krachtens welke een belanghebbende aanspraak heeft op het bedrag per kind in de vakantie-uitkering vervallen. Artikel 4 De berekening van een aan een belanghebbende toe te kennen financiële vergoeding, gratificatie of andere uitkering, waarbij ingevolge de ter zake van toepassing zijnde bepalingen het bedrag per kind in de vakantie-uitkering mede in aanmerking dient te worden genomen, geschiedt met inachtneming van het bepaalde in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003554&artikel=3&z=1983-01-01&g=1983-01-01). Artikel 5 Deze wet treedt in werking"},{"i":17038,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 9 juni 2022, kenmerk 3379983-1030685-OBP, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmachten aan de programmadirecteur, diens plaatsvervanger en de plaatsvervangend Directeur-Generaal van het programma Covid-19 Zorg Gelet op de [artikelen 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a), [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17) en [artikel 10 van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Voor de duur van het programma Covid-19 Zorg heeft een programmadirecteur de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma met inachtneming van de kaders zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923), de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710) en de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768). Artikel 2 Voor de duur van het programma Covid-19 Zorg kan diens programmadirecteur een medewerker van het programma als plaatsvervanger aanwijzen die bij diens verhindering of afwezigheid de besluiten kan nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma. Artikel 3 Voor specifiek de werkzaamheden ten behoeve van het programma Covid-19 Zorg kan de programmadirecteur, namens de Directeur-Generaal Curatieve Zorg, dan wel de Directeur-Generaal Langdurige Zorg, optreden als plaatsvervangend Directeur-Generaal, met inachtneming van de kaders zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":17365,"b":"Regeling meldplicht continuïteit van cruciale zorg Ingevolge [artikel 62 van de Wet markordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) (Wmg) kan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) regels stellen voor het verplicht melden door verzekeraars inzake het niet kunnen voldoen aan de zorgplicht voor cruciale zorg, terwijl de verzekeraar al het mogelijke heeft gedaan om de continuïteit van cruciale zorg te borgen. 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgverzekeraars en Wlz-uitvoerders in de zin van [artikel 1 sub d respectievelijk sub e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) en voor zover het gaat om de zorgplicht inzake aanspraak in natura. 2. Doel van de regeling Deze regeling heeft tot doel om zorgverzekeraars en Wlz-uitvoerders te verplichten om bij de NZa een melding te doen indien zij hun zorgplicht ten aanzien van het leveren van cruciale zorg niet meer kunnen nakomen, terwijl de verzekeraar al het mogelijke heeft gedaan om de continuïteit van cruciale zorg te borgen. 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 4. Meldplicht verzekeraar continuïteit van cruciale zorg Een zorgverzekeraar en een Wlz-uitvoerder zijn verplicht terstond bij de NZa een melding te doen op het moment dat voorzienbaar is dat op afzienbare termijn niet aan de zorgplicht ten aanzien van cruciale zorg kan worden voldaan, terwijl de verzekeraar al het mogelijk heeft gedaan om de cruciale zorg te borgen. 5. Wijze van melden 6. Inwerkingtreding en citeerregel Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling ingevolge [artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=20) wordt geplaatst. Deze regeling kan worden aangehaald als: ‘Regeling meldplicht continuïteit van cruciale zorg’. Bijlage"},{"i":17905,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 november 2015, 2015-0000289457, tot wijziging van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ in verband met wijzigingen in het verdeelmodel en het vangnet Gelet op de [artikelen 74, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=74), en [75 van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=75) en de [artikelen 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020183&artikel=6), en [7, tweede lid, van het Besluit Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020183&artikel=7); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Artikel II Wijzigt de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Artikel III. Overgangsrecht [Artikel 15 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015738&artikel=15), zoals dat artikel luidde op 31 december 2015, blijft van toepassing op aanvragen voor incidentele aanvullende uitkeringen die voor 1 september 2015 door de toetsingscommissie aanvullende uitkeringen [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) zijn ontvangen. Artikel IV. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17910,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2010, nr. IVV/FB/2010/23821, tot wijziging van de Regeling Wfsv in verband met de inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving en enige andere wijzigingen Artikel I Wijzigt de Regeling Wfsv. Artikel II. Premievrijstelling arbeid in kleine banen De maximumloon bedragen, bedoeld in [artikel 52a, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=52a), worden met toepassing van het vierde lid van dat artikel voor het kalenderjaar 2011 ongewijzigd vastgesteld. Artikel III 1. Indien het bij koninklijke boodschap van 17 juni 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van verschillende wetten in verband met harmonisatie en vereenvoudiging van deze wetten ten behoeve van de uitvoering van die wetten door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Wet harmonisatie en vereenvoudiging sociale zekerheidswetten) (32 421) tot wet is verheven en artikel IV van die wet in werking treedt, treedt artikel I van deze regeling op hetzelfde tijdstip in werking, met uitzondering van: - a. [artikel I, onderdelen A en H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029215&artikel=I&z=2011-01-01&g=2011-01-01), die in werking treden met ingang van 1 januari 2011; - b. [artikel I, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029215&artikel=I&z=2011-01-01&g=2011-01-01), dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 januari 2010. 2. Indien het bij koninklijke boodschap van 24 september 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2011) (32 520) tot wet is verheven en artikel VIII, onderdeel D, van die wet in werking treedt, treedt [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029215&artikel=II&"},{"i":18356,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 februari 2006, nr. KICK 2655472, houdende beperking van de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van de Medisch Adviseur van het Ministerie van Maatschappelijk Werk over de periode 1945–1969 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019553&artikel=2&z=2006-02-25&g=2006-02-25) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019553&artikel=3&z=2006-02-25&g=2006-02-25) genoemde beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Medisch Adviseur van het Ministerie van Maatschappelijk Werk over de periode 1945–1969, die zijn opgenomen in de institutionele toegang onder de in kolom 1 van onderstaande tabel genoemde inventarisnummers. Deze beperkingen gelden tot 1januari van het in kolom 2 van onderstaande tabel genoemde jaartal. | Inventarisnummer: | Niet openbaar vóór 1 januari: | | --- | --- | | 144, 150, 165–167, 179, 183, 191, 195, 198, 214, 217, 223, 231, 235, 238, 242–243, 247, 250, 260, 263, 268, 295, 297, 303, 308, 316, 330–331, 333–334, 337, 339, 344–345, 349, 357, 360, 376–377, 381–383, 385, 393, 395–396, 407, 410–411, 427, 429, 432, 450, 454, 463, 465, 467–468, 470, 481, 507–508, 517, 526, 537–539, 541, 543, 555, 559, 562, 566, 568, 574–575, 577, 581–582, 587, 599–600, 602, 611, 614–615, 624–625, 631–632, 634, 638, 642, 644, 650, 657, 659, 665–666, 677, 679–680, 690, 694, 708, 711, 715, 725–726, 737, 749–750, 761, 763, 765–766, 768, 771, 777, 783, 797, 807, 819, 821, 829, 831–832, 834–835, 838, 842, 851, 857, 863, 873, 875, 878, 883, 890, 894, 903, 905, 914–915, 930, 942, 947, 955, 965, 974–975, 979, 984, 1001, 1010, 1018, 1027, 1038–1040, 1048, 1054, | 2011 | | 1058, 1074,"},{"i":18358,"b":"Regeling beperking openbaarheid archiefbescheiden Centraal Bureau Spreiding Rijksdiensten 1957–1984 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van het Centraal Bureau Spreiding Rijksdiensten 1957–1984, de volgende beperking gesteld: 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in het inventarisnummer 47 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen rijksarchief gehanteerde Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. Het formulier is tevens via het Internet te benaderen op de site van het Nationaal Archief. 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft tot inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, in overeenstemming met het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met"},{"i":19326,"b":"Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (aanpassing ontnemingswetgeving) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat een aantal bepalingen in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wijziging en aanvulling behoeven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. Artikel IV Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel V De artikelen I onder A en II onder T zijn niet van toepassing op veroordelingen die voor de inwerkingtreding van deze wet onherroepelijk zijn geworden doch nog niet geheel ten uitvoer zijn gelegd. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18002,"b":"Besluit van 13 juli 2016, houdende aanpassing van het Besluit termijnen Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Aanpassingsrijksbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 februari 2016, nr. 730677; Gelet op [artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002356&artikel=5); De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 2 maart 2016, nr. W03.16.0023/II/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 12 juli 2016, nr. 780605; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel IV, onderdeel D, van de Invoeringsrijkswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen in werking treedt. Artikel I Wijzigt het Besluit termijnen Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel II Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel IV, onderdeel D, van de Invoeringsrijkswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038345&artikel=IV) in werking treedt. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Aanpassingsrijksbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht. Lasten en bevelen da"},{"i":9751,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek tot oprichting van het Europees Gendarmeriekorps EUROGENDFOR Het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek, Hierna te noemen de Partijen, Gelet op de intentieverklaring inzake EUROGENDFOR, op 17 september 2004 ondertekend te Noordwijk; Gelet op het [Noord-Atlantisch Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005760), op 4 april 1949 ondertekend te Washington; Gelet op het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143), op 26 juni 19462)Noot redactie: hier wordt bedoeld „1945” in plaats van „1946”. ondertekend te San Francisco; Gelet op het [Verdrag tussen de partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004785), op 19 juni 1951 ondertekend te Londen; Gelet op het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) zoals gewijzigd bij het Verdrag van Nice, ondertekend op 26 februari 2001; Gelet op de Slotakte van de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, op 1 augustus 1975 ondertekend te Helsinki; Gelet op het [Akkoord tussen de lidstaten van de Europese Unie betreffende de status van de militairen en leden van het burgerpersoneel die bij de instellingen van de Europese Unie gedetacheerd zijn, van de hoofdkwartieren en de strijdkrachten die ter beschikking van de Europese Unie kunnen worden gesteld in het kader van de voorbereiding en de uitvoering van de opdrachten, met inbegrip van oefeningen, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en van de militairen en leden van het burgerpersoneel van de lidstaten die aan de Europese Unie beschikbaar zijn gesteld om in dit kader op te treden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003024), o"},{"i":9752,"b":"Verdrag tussen Ierland, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Spanje, de Italiaanse Republiek, de Portugese Republiek, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot oprichting van een Maritiem Analyse- en Operatiecentrum op het gebied van verdovende middelen De Partijen bij dit Verdrag, Overwegend dat uit onderzoek naar ingevoerde verdovende middelen, in het bijzonder vanuit Zuid-Amerika in West-Europa ingevoerde cocaïne, is gebleken dat steeds meer verdovende middelen over zee en door de lucht over de Atlantische Oceaan worden gesmokkeld naar Europa en de westkust van Afrika; Bezorgd over de moeilijkheden die men ondervindt bij het tijdig verkrijgen van informatie voor actie op zowel internationaal als Europees niveau op dit gebied, waardoor nog meer problemen ontstaan bij de bestrijding van de smokkel van verdovende middelen over zee in de internationale wateren en via het internationale luchtruim; Gelet op het uitgesproken internationale karakter van de smokkel van verdovende middelen waarbij criminele organisaties betrokken zijn die actief zijn in verschillende landen en schepen inzetten met uiteenlopende registraties en bemanningen van verschillende nationaliteiten; Overwegend dat veel landen niet beschikken over voldoende middelen voor surveillance en wetshandhaving op zee en in de lucht om de smokkel van verdovende middelen over zee zelfstandig te beletten en dat er technische en juridische problemen zijn met op wetshandhaving gerichte interventies op zee; Gelet op het initiatief inzake cocaïne van de Comprehensive Operational Strategic Planning for the Police (PCTF COSPOL); Voorts gelet op de inventarisatie van Europol van de dreiging die uitgaat van de georganiseerde misdaad (European Organised Crime Threat Assessment - OCTA), waarin de bestrijding van de cocaïnesmokkel als prioriteit voor de wetshandhaving wordt aangemerkt en een regionale aanpak voor de bestrijding van de internationale georganiseerde mi"},{"i":9753,"b":"Verdrag tussen Nederland en het Koninkrijk Zuidslavië tot beslechting van geschillen door rechtspraak, arbitrage en verzoening Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning van Zuidslavië, bezield met het verlangen de vriendschapsbanden, die Nederland en het Koninkrijk Zuidslavië vereenigen, nauwer aan te halen en in alle gevallen de vreedzame beslechting te bevorderen van de geschillen en conflicten, van welken aard ook, die de twee landen mochten verdeelen. hebben besloten daartoe een verdrag te sluiten en hebben tot Hare wederzijdsche Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer FRANS BEELAERTS VAN BLOKLAND, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; Zijne Majesteit de Koning van Zuidslavië: den Heer BOCHKO CHRISTITCH, Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; die, na elkaar mededeeling te hebben gedaan van hun wederzijdsche volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen. Artikel 1 De Hooge verdragsluitende Partijen verbinden zich wederzijds om in geen enkel geval anders dan langs vreedzamen weg en op de wijzen, in dit Verdrag voorzien, de oplossing te zoeken van geschillen of conflicten van welken aard ook, die tusschen Nederland en het Koninkrijk Zuidslavië mochten ontstaan en die niet binnen redelijken tijd mochten kunnen worden opgelost langs de gewone diplomatieke wegen. Artikel 2 Alle geschillen, van welken aard ook, die tot voorwerp hebben een recht, waarop een der Hooge verdragsluitende Partijen zich beroept en dat door de andere betwist wordt, en die niet op vriendschappelijke wijze langs de gewone diplomatieke wegen mochten kunnen worden geregeld, zullen ter berechting worden voorgelegd, hetzij aan het Permanente Hof van Internationale Justitie, hetzij aan een scheidsgerecht, zooals hierna is voorzien. Men is het er over eens, dat de hierboven b"},{"i":19327,"b":"Wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Gemeentewet, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht ter regeling van de bevoegdheid van de burgemeester en de bevoegdheid van de officier van justitie tot het treffen van maatregelen ter bestrijding van voetbalvandalisme, ernstige overlast of ernstig belastend gedrag jegens personen of goederen (maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij wet te regelen dat de burgemeester ter handhaving van de openbare orde bevoegd is tot het treffen van gebiedsgerichte maatregelen jegens personen ter bestrijding van voetbalvandalisme en andere vormen van groepsgebonden overlast, bij wet te regelen dat de officier van justitie ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde bevoegd is tot het geven van een gedragsaanwijzing aan de verdachte ter beëindiging van ernstig overlastgevend gedrag of ernstig belastend gedrag jegens personen, alsmede het gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van geweld tegen personen of goederen strafbaar te stellen, en daartoe de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel IIIA [Artikel 122 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=122) is niet van toepassing op de bepalingen van gemeentelijke verordeningen die voorzien in de bevoegdheid van de burgemeester om bevelen te geven ter handhavin"},{"i":12560,"b":"Besluit van 22 december 1988, houdende vaststelling van een algemene maatregel van rijksbestuur tot regeling van de vrijwillige hulpverlening aan gewonden, zieken, krijgsgevangenen, geïnterneerden en anderszins hulpbehoevenden door erkende en toegelaten verenigingen Op de voordracht van Onze Minister van Defensie, Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving en Publiekrecht, van 15 juni 1988, nr. C 88/046 gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken; Overwegende dat de reorganisatie van de rampenbestrijding, de totstandkoming van de Aanvullende Protocollen bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 alsmede de herziening van de statuten van de Vereniging \"het Nederlandse Rode Kruis\" een nieuw Besluit Rode Kruis wenselijk maken; Gelet op het op 12 augustus 1949 te Genève tot stand gekomen Verdrag voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde (tekst in **Stb.** 1954, 246, vertaling in het Nederlands in **Trb.** 1951, 72), het op 12 augustus 1949 tot stand gekomen Verdrag voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee (tekst in **Stb.** 1954, 247; vertaling in het Nederlands **Trb.** 1951, 73), het op 12 augustus 1949 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de behandeling van krijgsgevangenen (tekst in **Stb.** 1954, 248; vertaling in het Nederlands **Trb.** 1951, 74), het op 12 augustus 1949 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd (tekst in **Stb.** 1954, 249; vertaling in het Nederlands in **Trb.** 1951, 75), het op 12 december 1977 te Bern tot stand gekomen Aanvullende Protocol bij de voornoemde verdragen, betreffende de bescherming van slachtoffers van internationale gewapende conflicten (tekst in **Trb.** 1978, nr. 41; vertaling in het Nederlands in **Trb"},{"i":9766,"b":"Verdrag van de Raad van Europa inzake cinematografische coproductie (herzien) Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die partij zijn bij het [Europees Cultureel Verdrag](onbekend) (ETS nr. 18) die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden teneinde met name de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfgoed vormen te beschermen en te bevorderen; Overwegende dat de vrijheid van vormgeving en de vrijheid van meningsuiting fundamentele elementen van deze beginselen vormen; Overwegende dat het bevorderen van de culturele diversiteit van de verschillende Europese landen één van de doelstellingen van het [Europees Cultureel Verdrag](onbekend) is; Gelet op de [UNESCO-Overeenkomst](onbekend) betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen (Parijs, 20 oktober 2005) waarin erkend wordt dat culturele diversiteit inherent is aan de mensheid en gestreefd wordt het scheppen, produceren, verspreiden, distribueren en genieten van cultuuruitingen te versterken; Overwegende dat de cinematografische coproductie, als middel voor vormgeving en expressie van de culturele diversiteit op mondiale schaal, dient te worden versterkt; Zich ervan bewust dat film een belangrijk middel is voor culturele en artistieke expressie met een essentiële rol bij het ondersteunen van de vrijheid van meningsuiting, diversiteit en creativiteit, alsmede het democratisch burgerschap; Vastbesloten deze beginselen te ontwikkelen en in herinnering roepend de aanbevelingen van het Comité van Ministers aan lidstaten inzake cinema en het audiovisuele gebied, en met name Aanbeveling Rec(86)3 inzake het bevorderen van de audiovisuele producties in Europa en Aanbeveling CM/Rec(2009)7 inzake nationaal filmbeleid en de diversiteit van culturele expressie; Erkennend dat Resolutie Res(88)15 tot oprichting van een Europees fonds voor de ondersteuning v"},{"i":9809,"b":"Versterkte Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds (met Bijlagen en Protocol) het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, Verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, en de Europese Unie, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds, hierna gezamenlijk de „Partijen” genoemd, Gezien hun sterke banden en hun gemeenschappelijke waarden, Gezien hun wens om de tot wederzijds voordeel strekkende samenwerking te versterken die eerder is aangegaan met de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds, ondertekend in Brussel op 9 februari 1995, Gezien hun wens om hun betrekkingen naar een hoger niveau te tillen om rekening te houden met de nieuwe politieke en economische realiteit en de voortgang van hun partnerschap, Uiting gevend aan hun gemeenschappelijke voornemen om hun samenwerking inzake bilaterale, regionale en internationale kwesties van wederzijds belang op alle niveaus te consolideren, te verdiepen en te diversifiëren, Opnieuw bevestigend dat zij vastbesloten zijn de bevordering, bescherming en uitvoering van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de democratische b"},{"i":9811,"b":"Verzoeningsverdrag tussen Nederland en Zweden HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN en ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN ZWEDEN, bezield met het verlangen de vriendschapsbanden, die Nederland en Zweden vereenigen, nauwer aan te halen en de vreedzame beslechting te bevorderen door verzoening in geschillen, die tusschen de beide landen mochten ontstaan en die op geen andere wijze mochten worden opgelost, hebben besloten daartoe een verdrag te sluiten en tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Jhr. F . BEELAERTS VAN BLOKLAND, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche Zaken; Zijne Majesteit de Koning van Zweden: Zijne Excellentie den Heer A. J. P. ADLERCREUTZ, Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te 's-Gravenhage. die, na elkander mededeeling te hebben gedaan van hun wederzijdsche volmachten, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen. Artikel 1 Elk geschil, van welken aard het ook zij, dat tusschen de Hooge verdragsluitende Partijen mocht rijzen en dat niet binnen redelijken tijd langs diplomatieken weg mocht kunnen worden opgelost en dat niet vatbaar zou zijn voor beslechting door rechtspraak of arbitrage overeenkomstig artikel 36, alinea 2, van het Statuut van het Permanente Hof van Internationale Justitie, of overeenkomstig eenige andere internationale overeenkomst, die tusschen de Hooge verdragsluitende Partijen van kracht mocht zijn, zal — op verzoek van één of van beide Partijen — worden onderworpen aan een permanente verzoeningscommissie ter fine van onderzoek en verslag. De Hooge verdragsluitende Partijen kunnen overeenkomen, dat een geschil, dat vatbaar zou zijn voor een beslechting door rechtspraak of arbitrage, te voren onderworpen worde aan de verzoeningsprocedure. Wanneer bij een dergelijk geschil één der Partijen binnen redelijken tijd de voorstellen van de commissie niet aanvaardt, zal elk harer het ges"},{"i":9812,"b":"Veterinaire Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek, verlangende de samenwerking op veeartsenijkundig gebied te ontwikkelen ten einde de gevaren die dierziekten zowel voor de gezondheid van de mens als voor de ontwikkeling van de veeteelt vormen, zoveel mogelijk te beperken en het handelsverkeer in dieren en produkten van dierlijke oorsprong te vergemakkelijken, zijn het volgende overeengekomen: Opgezegd per 11 april 2011 (Trb. 2011/119). Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 1 De voorwaarden bedoeld in artikel 2 van de hierbovengenoemde Veterinaire Overeenkomst hebben betrekking op de volgende levende dieren en produkten van dierlijke oorsprong: - -. eenhoevige dieren die als huisdier worden gehouden, - -. rundvee en varkens, - -. schapen en geiten, - -. levend pluimvee (hanen, kippen, eenden, ganzen, kalkoenen, kalkoense hanen, parelhoenders), - -. eendagskuikens en broedeieren, - -. vlees en eetbare afvallen van runderen, paarden, varkens, schapen en geiten, vers, gekoeld, bevroren of diepgevroren, - -. produkten op basis van vlees, afvallen en andere eetbare delen van runderen, paarden, varkens, schapen en geiten, - -. geslacht gevogelte, delen van gevogelte, eetbare afvallen van gevogelte en daaruit verkregen produkten, vers, gekoeld, bevroren, diepgevroren of op andere toegestane wijze geconserveerd. Levende dieren en produkten van dierlijke oorsprong, niet begrepen in dit Protocol, zullen worden beoordeeld overeenkomstig de door elk der Overeenkomstsluitende Partijen vastgestelde regelingen. Artikel 2 De grensovergangen die zijn goedgekeurd ten behoeve van de veeartsenijkundige controle op de"},{"i":9813,"b":"Veterinaire Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Italiaanse Republiek, Met het oogmerk de onderlinge handel van dieren en dierlijke produkten tussen de beide landen zoveel mogelijk te bevorderen – met volledige veiligstelling van de behartiging van hun levensbelangen, in het bijzonder van de volksgezondheid, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De handel in dieren, in ruwe produkten van dierlijke oorsprong en in het algemeen van alle produkten welke dragers kunnen zijn van een agens dat een ziekte van een epizoötisch karakter kan veroorzaken, in vlees en in alle vleesprodukten welke voor de voeding bestemd zijn, evenals in vis, tussen het grondgebied van beide Overeenkomstsluitende Partijen, kan worden beperkt tot de met name aangewezen grensposten, havens en luchthavens, ten einde te worden onderworpen aan veterinaire controle door de Staat op wiens grondgebied de invoer moet plaats hebben. 2. De voor de veterinaire controle aangewezen grensposten, havens en luchthavens, evenals de dagen en uren van openstelling, worden door de bevoegde instantie van ieder der beide Partijen vastgesteld en ter kennis gebracht van de andere Overeenkomstsluitende Partij. Artikel 2 1. Certificaten van oorsprong en van gezondheid voor dieren moeten de verklaring inhouden, dat de dieren van het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen afkomstig zijn. Genoemde certificaten en de gezondheidscertificaten voor vlees en andere produkten van dierlijke oorsprong moeten door een staatsdierenarts van een der Overeenkomstsluitende Partijen worden afgegeven. 2. Genoemde certificaten worden in de Italiaanse en de Nederlandse taal gesteld. Artikel 3 1. Eenhoevige dieren, herkauwers, varkens en pluimvee moeten, om voor invoer te worden toegelaten, vergezeld zijn van een certificaat van oorsprong en van gezondheid, inhoudende de verklaring: - a. dat de dieren op het geb"},{"i":2765,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2011 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2011, doch niet later dan 15 juli 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,304 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2011 en eindigende met 15 juli 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassing van artikel 17, tw"},{"i":7413,"b":"Wet van 7 juli 2021 tot wijziging van de Huisvestingswet 2014, de Woningwet, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van de evaluatie van de herziene Woningwet en om de mogelijkheden voor tijdelijke huurovereenkomsten te verruimen Artikel 0I Wijzigt de Huisvestingswet 2014. Artikel I Wijzigt de Woningwet. Artikel Ia Wijzigt de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet. Artikel Ib Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II Wijzigt de Invoeringswet Omgevingswet. Artikel IIa Wijzigt de Kadasterwet BES. Artikel IIb Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel IIc Wijzigt de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. Artikel III Wijzigt de Wet op het overleg huurders verhuurder. Artikel IV Wijzigt deze wet, de Woningwet en het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IVa Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IVb De gemeenteraden stellen binnen een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een woonvisie vast als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=42). Artikel V De volgende wetten worden ingetrokken: - a. [Wet van 28 september 1992, houdende wijziging van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005667) (Stb. 1992, 509); - b. [Wet van 30 mei 1997, houdende wijziging van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing en van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008710) (Stb. 1997, 226); - c. [Wet van 14 februari 1998 tot wijziging van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009387) (Stb. 1998, 132); - d. [Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de Woningwet naar aanleiding van enerzijds de evaluatie van die wet en anderzijds het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012902) (Stb. 2001, 518); - e. [Wet Victor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013719); - f"},{"i":5973,"b":"Besluit van 11 december 2024 tot wijziging van het Besluit EU-verordeningen Wft en enkele andere besluiten in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2023/1114 betreffende cryptoactivamarkten en Verordening (EU) 2023/1113 betreffende informatie bij geldovermakingen en overdrachten van bepaalde cryptoactiva (Uitvoeringsbesluit MiCA en TFR) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 21 mei 2024, 2024-0000258323, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2023/1114](32023R1114) van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van [Verordeningen (EU) nr. 1093/2010](32010R1093) en [(EU) nr. 1095/2010](32010R1095) en [Richtlijnen 2013/36/EU](32013L0036) en [(EU) 2019/1937](32019L1937) (PbEU 2023, L 150), [Verordening (EU) 2023/1113](32023R1113) van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende bij geldovermakingen en overdrachten van bepaalde cryptoactiva te voegen informatie en tot wijziging van [Richtlijn (EU) 2015/849](32015L0849) (PbEU 2023, L 150), de [artikelen 1:3a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:3a), [1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), en [1:82, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:82) en de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=15), [23c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=23c), [23h, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=23h), [23j, derde lid, van de Wet ter voorkoming van w"},{"i":13033,"b":"Besluit vervanging documenten V&O 2024 gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) [Regeling Informatiebeheer SVB 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048117) Verklaring van vervreemding archieven PUR d.d. 22 december 2011 besluit Artikel 1 1. De digitale vervanging van archiefbescheiden heeft, met terugwerkende kracht, betrekking op: de vanaf 1 april 2021 bij de Directie Zorg en Welzijn / Verzetsdeelnemers en Oorlogsgetroffenen binnenkomende poststukken voor cliëntendossiers die archiefbescheiden vormen die op grond van de selectielijst voor de neerslag van handelingen van de SVB Periode (1956–) 2004 – (Staatscourant 2020, 5153) voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen. de tussen 1 januari 2009 en 30 november 2010 door de Pensioen- en Uitkeringsraad (op basis van de Verklaring van vervreemding) en de vanaf 1 december 2010 tot en met 31 maart 2021 door de SVB gedigitaliseerde binnenkomende poststukken voor cliëntendossiers die door Directie Zorg en Welzijn / Verzetsdeelnemers en Oorlogsgetroffenen (en voorgangers) werden ontvangen en die archiefbescheiden vormen die op grond van de selectielijst voor de neerslag van handelingen van de SVB Periode (1956–) 2004 – (Staatscourant 2020, 5153) voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen. 2. De vervanging geschiedt op de wijze omschreven in het Handboek Vervanging analoge documenten Directie Zorg en Welzijn / Verzetsdeelnemers en Oorlogsgetroffenen, SVB. Alle documenten vanaf 1 april 2021 zijn volledig conform het Handboek Vervanging vervangen. De met terugwerkende kracht te vervangen documenten uit de periode 2009-2021 zijn achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd op basis van d"},{"i":18412,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 20 mei 2020, nr. 2898424, houdende regels over de inrichting van een politiecellencomplex en de registratie van gegevens van ingeslotenen Gelet op [artikel 26, vijfde en zesde lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=26) en [artikel 51 van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=51); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **cel:** een afsluitbare ruimte geschikt voor het dag- en nachtverblijf van een persoon; - **ingeslotene:** de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, alsmede de persoon die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op een politiebureau is ondergebracht; - **ophoudkamer:** een afsluitbare ruimte geschikt voor het dagverblijf van een persoon; - **politiecellencomplex:** een in een gebouw te onderscheiden ruimte waarin één of meer gangen met daaraan grenzend één of meer ruimten liggen die door de politie worden gebruikt voor het insluiten van personen; - **raam:** een voorziening waardoor de cyclus van dag en nacht kan worden waargenomen. § 2. Algemene eisen politiecellencomplex Artikel 2 1. Het politiecellencomplex is zodanig ingericht dat ingeslotenen geen gelegenheid wordt gegeven tot ontvluchting, vernieling, brandstichting of zelfdoding. 2. Er zijn voldoende maatregelen genomen om: - a. de bedrijfshulpverleningstaken, bedoeld in [artikel 15, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=15) op adequate wijze te vervullen; en - b. de veiligheid van de ingeslotene te waarborgen. Artikel 3 Het politiecellencomplex heeft een afgesloten buitenruimte van minimaal 30 m2 waar ingeslotenen kunnen luchten. Een deel van de luchtruimte is voorzien van een overkapping. Artikel 4 Het politiecellencomplex bevat een doucheruimte, waarin"},{"i":17479,"b":"Regeling uitbetaling pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs Nederlandse Antillen en Aruba Gelet op [artikel 33, tweede lid, van de Rijkswet van 20 december 1989, houdende regeling van pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004670&artikel=33) (Stb. 1990, 15); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De betaling van een door de Minister vastgesteld pensioen of vastgestelde uitkering ingevolge de rijkswet met inbegrip van de vakantie-uitkering geschiedt door het Kabinet in twaalf maandelijkse termijnen door bijschrijving, hetzij op de bankrekening van de belanghebbende, hetzij op de bankrekening van een door hem aangewezen kredietinstelling, overheidsinstelling of stichting, hetzij op de bankrekening van een particulier gemachtigde. 2. Het verzoek tot overmaking op de bankrekening van een particulier gemachtigde wordt eigenhandig door de belanghebbende ondertekend. De handtekening wordt ten genoegen van de directeur van het Kabinet gewaarmerkt. Het verzoek wordt mede ondertekend door de gemachtigde. Artikel 3 1. De belanghebbende die buiten de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk buiten Aruba, woonachtig is, doet, telkens wanneer hij betaling van het pensioen of van de uitkering wenst, een door hem persoonlijk ondertekend verzoek om betaling, voorzien van de datum waarop hij het verzoek toezendt, aan de directeur van het Kabinet toekomen. Na ontvangst van het verzoek wordt het pensioen of de uitkering betaalbaar gesteld tot en met de maand waarin het verzoek gedateerd en verzonden is. 2. De betaling geschiedt door het Kabinet door overmaking op de bankrekening van een in de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk in Aruba, gevestigde gemachtigde. Artikel 4 1. Ten minste éénmaal per jaar zendt belanghebbende aan de Minister een bewijs van in leven zijn, afgegeven door een daartoe bevoegde instantie. 2. De belanghebbende doet van iedere wijziging van"},{"i":18144,"b":"Besluit informatievoorziening in de rijksdienst 1990 (Besluit IVR 1990) Overwegende, dat het wenselijk is de regels voor de informatievoorziening in de rijksdienst te actualiseren alsmede, dat de behoefte bestaat tot betere inhoudelijke sturing te komen van de informatievoorziening; Gezien de notitie Informatievoorziening Openbare Sector (Tweede Kamer, 1987–1988, 20 644, nrs. 1–2); Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Beginselen van het informatievoorzieningsbeleid Artikel 1 De rijksdienst draagt, voor zover mogelijk, zorg voor de inrichting van de informatievoorziening in de openbare sector op grond van de beginselen, die in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004976&artikel=2&z=1990-12-01&g=1990-12-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004976&artikel=3&z=1990-12-01&g=1990-12-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004976&artikel=4&z=1990-12-01&g=1990-12-01) van dit besluit zijn vastgelegd. Artikel 2 Het waarnemen, vastleggen, verzamelen, verwerken, verstrekken en gebruiken van informatie geschiedt uitsluitend voor zover een goede vervulling van de taak daartoe noodzaakt. Artikel 3 1. Informatie over individuele objecten berust zo veel mogelijk op rechtstreeks waarnemen en op inlichtingen van betrokkenen. 2. Het verkrijgen van informatie over individuele objecten uit een informatie-systeem geschiedt zo veel mogelijk in rechtstreeks contact tussen de verkrijger en de verstrekker, volgens eenvoudige en doorzichtige procedures. 3. Waar mogelijk wordt informatie over individuele objecten verkregen uit een basisregistratie. 4. Het waarnemen, vastleggen, verzamelen, verwerken, verstrekken en gebruiken van informatie over individuele objecten geschiedt op locaal niveau of anderszins op een zo laag mogelijk niveau. 5. Het leggen van verbanden tussen informatie over individuele objecten in verschillende informatiesystemen vindt plaats voor het vervullen van specifieke, formeel toegewezen ta"},{"i":19329,"b":"Wet van 3 april 2003 tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet in verband met het penitentiair programma en het elektronisch toezicht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen ten aanzien van het penitentiair programma te herzien teneinde deelname aan het programma mogelijk te maken bij vrijheidsstraffen korter dan een jaar, en dat het voorts wenselijk is het elektronisch toezicht bij een penitentiair programma wettelijk te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel II Deze wet heeft geen gevolgen voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als bedoeld in [artikel 1, onder s, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=1), die op het moment van inwerkingtreding van deze wet reeds is aangevangen. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9827,"b":"Vredesverdrag tussen de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en Italië De Verenigde Staten van Amerika, China, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken, Australië, België, de Wit-Russische Socialistische Sowjet-Republiek, Brazilië, Canada, Ethiopië, Griekenland, India, Nieuw-Zeeland, Nederland, Polen, Tsjechoslowakije, de Socialistische Sowjet Republiek Oekraïne, de Unie van Zuid-Afrika, de Federatieve Volksrepubliek Zuidslavië, hieronder aangeduid als „de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden”, enerzijds en Italië anderzijds; Overwegende, dat Italië, onder het fascistische regime, partij is geworden bij het driemogendhedenverdrag met Duitsland en Japan, dat het een aanvalsoorlog heeft ontketend en dientengevolge de oorlogstoestand in het leven heeft geroepen met alle Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en met andere Verenigde Naties, en dat het zijn deel draagt in de verantwoordelijkheid voor de oorlog; Overwegende, dat tengevolge van de overwinningen der Geallieerde strijdkrachten en met bijstand van de democratische elementen uit het Italiaanse volk, het fascistische regime in Italië op 25 Juli 1943 omvergeworpen is, en dat Italië, nadat het onvoorwaardelijk gecapituleerd had, op 3 en 29 September van hetzelfde jaar wapenstilstandsvoorwaarden heeft ondertekend; Overwegende, dat na voornoemde wapenstilstand Italiaanse strijdkrachten, zowel van de Regering als van het verzet, een werkzaam aandeel hebben genomen in de oorlog tegen Duitsland, en Italië op 13 October 1943 aan Duitsland de oorlog heeft verklaard en aldus mede-oorlogvoerende is geworden in de oorlog tegen Duitsland; Overwegende, dat de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en Italië een vredesverdrag wensen te sluiten, dat in overeenstemming met de beginselen van het recht kwesties zal regelen, die nog hangende zijn tengevolge van de hierboven vermelde feiten en de basis zal vormen van onderlinge vriendschappeli"},{"i":9832,"b":"Wet van 15 juni 2018 tot wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek met het oog op het optimaliseren van het accreditatiestelsel (Wet accreditatie op maat) Artikel I. Wijziging van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II. Wijziging van de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel III. Wijziging van de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel IV. Wijziging van de [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438) Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel V. Wijziging van de [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel VI. Wijziging van de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393) Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/76. Wijzigt de Wet studiefinanciering BES. Artikel VII. Wijziging van de [Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573) Wijzigt de Wet op het accountantsberoep. Artikel VIII. Wijziging van de [Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468) Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel VIIIa. Wijziging van de [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788) Wijzigt de Politiewet 2012. Artikel IX. Samenloopbepalingen Wijzigt deze wet. Artikel X. Inwerkingtreding 1. Deze wet treedt, met uitzondering van de [artikelen IV, onderdelen 0A en A2 tot en met A5 en V, onderdelen C1 tot en met C3](https://wetten."},{"i":9836,"b":"Wet van 1 november 1980, houdende aanwijzing van een rechter op grond van artikel 54 van het Verdrag van Washington van 18 maart 1965 inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten (Trb. 1966, 152) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat op grond van artikel 54 van het Verdrag van Washington van 18 maart 1965 inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten (**Trb.** 1966, 152) een gerecht of andere gezagsdrager moet worden aangewezen tot wie elke partij bij een krachtens dat verdrag gedane uitspraak zich kan wenden voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland van die uitspraak; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: artikel Enig 1. Erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland van een uitspraak uit kracht van het Verdrag van Washington van 18 maart 1965 inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten (**Trb.** 1966, 152), kan bij advocaat worden verzocht aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. 2. Indien bij het verzoek een overeenkomstig artikel 54 van dat verdrag gewaarmerkt afschrift wordt overgelegd, stelt de voorzieningenrechter daarop de woorden “In naam van de Koning” en “Uitgegeven voor eerste grosse”, met de dagtekening, de vermelding van zijn ambt en zijn handtekening. 3. Op de uitgifte van tweede of verdere grossen van een uitspraak uit kracht van het verdrag is [artikel 231, tweede en derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=231) van overeenkomstige toepassing. 4. Geschillen over de tenuitvoerlegging worden gebracht voor de rechter van de plaats van tenuitvoerlegging of"},{"i":9838,"b":"Wet van 7 juli 2021, houdende regels voor de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/520 van het Europese Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer en ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over niet-betaling van wegentol in de Unie (Wet implementatie EETS-richtlijn) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat een wet ter uitvoering van [Richtlijn (EU) 2019/520](32019L0520) van het Europese Parlement en de Raad van de Europese unie van 19 maart 2019 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer en ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over niet-betaling van wegentol in de Unie (PbEU 2019, L 91) nodig is en dat de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend) wijziging behoeft; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **accreditatie:** door de tolheffer opgezette en beheerde procedure die een EETS-aanbieder doorloopt alvorens in een EETS-gebied EETS te mogen aanbieden; - **bemiddelende instantie:** instantie die bemiddelt tussen tolheffers met een EETS-gebied in Nederland en EETS-aanbieders die met deze tolheffers overeenkomsten hebben gesloten, die daarover onderhandelen of die geen overeenstemming bereiken; - **boordapparatuur:** alle aan boord van een voertuig geïnstalleerde of meegenomen hardware- en softwarecomponenten die worden gebruikt als onderdeel van de toldienst, teneinde gegevens te verzamelen, op te slaan, te verwerken en van op afstand te ontvangen of te verzenden, als een afzonderlijk toestel of geï"},{"i":9839,"b":"Wet van 1 juni 2022, houdende Regels omtrent garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare bronnen (Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels te stellen over garanties van oorsprong ter uitvoering van [Richtlijn (EU) 2018/2001](32018L2001) van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (PbEU 2018, L 328); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **ander gas uit hernieuwbare bronnen:** stof, niet zijnde een gas als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=1), die bij een temperatuur van 15° Celsius en bij een druk van 1,0325 bar in gasvormige toestand verkeert en die: - a. is opgewekt in een productie-installatie die uitsluitend gebruik maakt van hernieuwbare bronnen of energie uit hernieuwbare bronnen, of - b. is opgewekt met gebruik van hernieuwbare bronnen of energie uit hernieuwbare bronnen in een hybride productie-installatie die ook gebruik maakt van energie uit fossiele bronnen; - **conversie:** omzetting van energie uit hernieuwbare bronnen in een andere vorm van energie uit hernieuwbare bronnen; - **eindafnemer:** natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie uitsluitend voor eigen verbruik ander gas uit hernieuwbare bronnen wordt geleverd; - **energie uit hernieuwbare bronnen:** energie die is opgewekt uit hernieuwbare bronnen en energie die is opgewekt met gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen; - **garantie van oorsprong:** een garantie van oorsprong voor duu"},{"i":9846,"b":"Wet van 5 april 2023 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie Richtlijn betalingsdienstaanbieders) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de wetgeving inzake omzetbelasting aan te passen overeenkomstig [Richtlijn (EU) 2020/284](32020L0284) van de Raad van 18 februari 2020 tot wijziging van [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) wat betreft de invoering van bepaalde voorschriften voor betalingsdienstaanbieders (PbEU 2020, L 62); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie Richtlijn betalingsdienstaanbieders. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9848,"b":"Wet van 13 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1160 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU met betrekking tot de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging (PbEU 2019, L 188) (Wet implementatie richtlijn grensoverschrijdende distributie van beleggingsinstellingen en icbe’s) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van [Richtlijn (EU) 2019/1160](32019L1160) van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van [Richtlijnen 2009/65/EG](32009L0065) en [2011/61](32011L0061)/EU met betrekking tot de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging (PbEU 2019, L 188), die voorziet in verdere coördinatie van de voorwaarden die gelden voor fondsbeheerders die op de interne markt actief zijn en tot doel heeft de grensoverschrijdende distributie van beleggingsinstellingen en icbe’s te bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie richtlijn grensoverschrijdende distributie van beleggingsinstellingen en icbe’s. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":9849,"b":"Wet van 28 juni 2023 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet op het notarisambt in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/2121 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen (PbEU 2019, L 321/1) (Wet implementatie richtlijn grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen) Allen, die zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [Richtlijn (EU) 2019/2121](32019L2121) van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van [Richtlijn (EU) 2017/1132](32017L1132) met betrekking tot grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen (PbEU 2019, L 321/1) implementatie behoeft. Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel IIa 1. [Afdeling 3A van Titel 7 van Boek 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&afdeling=3A) zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet implementatie richtlijn grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen blijft van toepassing indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een voorstel als bedoeld in [artikel 333d van Boek 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=333d) ten kantore van het handelsregister is neergelegd of langs elektronische weg bij het handelsregister openbaar is gemaakt. 2. Het vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende recht blijft van toepassing op splitsingen als bedoeld in [artikel 334jj lid 1 van Boek 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=334jj) in [Onderdeel V van Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048462&artikel"},{"i":9859,"b":"Wet van 11 juli 2018, houdende wijziging van de Auteurswet, de Wet op de naburige rechten en de Databankenwet ter implementatie van Richtlijn (EU) 2017/1564 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2017 inzake bepaalde toegestane vormen van gebruik van bepaalde werken en ander materiaal die door het auteursrecht en naburige rechten beschermd zijn ten behoeve van personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben, en tot wijziging van Richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PbEU L242/6), alsmede ter uitvoering van Verordening (EU) 2017/1563 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2017 inzake de grensoverschrijdende uitwisseling tussen de Unie en derde landen van exemplaren in toegankelijke vorm van bepaalde werken en ander materiaal die door het auteursrecht en naburige rechten beschermd zijn ten behoeve van personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben (PbEU L242/1) (Wet ter implementatie leesgehandicaptenrichtlijn en ter uitvoering leesgehandicaptenverordening) Allen, die zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886), de [Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921) en de [Databankenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010591) aan te passen om Richtlijn (EU) 2017/1564 te implementeren, alsmede Verordening (EU) 2017/1563 uit te voeren teneinde de toegang tot werken van letterkunde, wetenschap of kunst en andere beschermde prestaties te verbeteren voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben teneinde ratificatie van en toetreding tot het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel geh"},{"i":9860,"b":"Wet van 4 april 1979, houdende uitvoering van de op 18 november 1974 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst inzake een Internationaal Energieprogramma Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen ten einde te kunnen voldoen aan de verplichtingen, welke voor Nederland voortvloeien uit de op 18 november 1974 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst inzake een Internationaal Energieprogramma (**Trb.** 1975, 47), en enige verdere voorzieningen te treffen met name inzake het verwerven van gegevens betreffende de oliemarkt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **Overeenkomst:** de op 18 november 1974 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst inzake een Internationaal Energieprogramma (**Trb.** 1975, 47); **aardolieprodukten:** de produkten bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Overeenkomst; **invoeren:** het brengen in het vrije verkeer; **uitvoeren:** het brengen buiten het vrije verkeer; **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. § 2. Distributie Artikel 2 1. Ingeval overeenkomstig hoofdstuk IV van de Overeenkomst maatregelen in werking worden gesteld, kan door Ons met toepassing van het bepaalde in [artikel 24, tweede, zesde en zevende lid, van de Distributiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001997&artikel=24) worden bepaald, dat de in het tweede lid van dat artikel bedoelde artikelen van die wet in werking treden ten aanzien van aardolieprodukten. 2. [Artikel 24, derde lid, van de Distributiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001997&artikel=24) is niet van toepassing ten aanzien van een besluit, genomen overeenkomstig het eerste lid. 3. Indien overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid de"},{"i":9861,"b":"Wet van 6 april 1933, houdende voorzieningen tot uitvoering van het op 31 mei 1932 te Londen tusschen Nederland en Groot-Brittannië gesloten verdrag, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodig is voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 31 Mei 1932 te **Londen** tusschen **Nederland** en **Groot-Britannië** gesloten verdrag, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Algemeene bepaling Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **het verdrag:** het op 31 Mei 1932 te **Londen** tusschen **Nederland** en **Groot-Britannië** gesloten verdrag, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken; - b. **de bevoegde Nederlandsche consulaire ambtenaar:** indien mededeeling van stukken of uitvoering van rogatoire commissies in Engeland moet geschieden, de Nederlandsche consul-generaal te **Londen** of degeen die hem vervangt; moet mededeeling of uitvoering buiten Engeland geschieden, de door Onzen Minister van Buitenlandsche Zaken aangewezen consulaire ambtenaar. Mededeeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in Nederland Artikel 2 Oordeelt de officier van justitie, wien eene aanvrage om mededeeling van eenig stuk overeenkomstig artikel 3 van het verdrag is toegezonden of doorgezonden, dat het geval, bedoeld bij letter **f** van dat artikel, aanwezig is, dan zendt hij de bescheiden onder opgaaf van redenen aan Onzen Minister van Justitie, die, zoo noodig na overleg met zijn ambtgenoot van Buitenlandsche Zaken, beslist. Artikel 3 1. De mededeeling van eenig stuk door den officier van justitie ingevolg"},{"i":9890,"b":"Wet van 10 juni 2020 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet (implementatie wijziging Gasrichtlijn en een aantal verordeningen op het gebied van elektriciteit en gas) Artikel I Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel II Wijzigt de Gaswet. Artikel III Op ontheffingen die zijn verleend op basis van [artikel 18h van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=18h) zoals dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel II, onder K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043813&artikel=II&z=2020-07-10&g=2020-07-10), blijven de bepalingen van toepassing zoals die golden ingevolge de [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440) zoals dat luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onder K. Artikel IV 1. [Artikel I, onderdelen A, onder 1, subonderdeel a, B, E, onder 1, subonderdeel a, en onder 2, subonderdeel b, en onder 3, F, onder 1, G, H, I, onder 1 en onder 2, subonderdelen b, c en d, J, K tot en met N, O, onder 1, Q, onder 1, subonderdeel b, onder 2, subonderdeel b, en R](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043813&artikel=I&z=2020-07-10&g=2020-07-10), treedt in werking met ingang van 1 januari 2020 of, indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2019, met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst. 2. De [artikelen I, onderdelen A, onder 1, subonderdelen b tot en met d, onder 2 en 3, C, D, E, onder 1, subonderdelen b en c, en onder 2, subonderdeel a, F, onder 2, I, onder 2, subonderdeel a, Ja, O, onder 2, P, Q, onder 1, subonderdeel a, onder 2, subonderdeel a en onder 3, en S](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043813&artikel=I&z=2020-07-10&g=2020-07-10), en [II, onderdelen A, onder 1, subonderdelen b en c, B, C, L, en Q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043813&artikel=II&z=2020-07-10&g=2020-07-10), treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte"},{"i":9897,"b":"Wet van 26 april 2012 tot wijziging van de Wet bescherming Antarctica (implementatie van een viertal Maatregelen als bedoeld in artikel IX van het Verdrag inzake Antarctica, waarbij de bescherming van het Antarctisch gebied wordt uitgebreid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op Maatregel 1(2005), Maatregel 4(2004), Maatregel 15(2009) en Maatregel 16(2009) noodzakelijk is regels te stellen om de aansprakelijkheid voortvloeiende uit milieubedreigende noodsituaties te borgen, regels te stellen met betrekking tot verzekering en rampenplannen voor toerisme en non-gouvernementele activiteiten in het Antarctisch gebied, regels te stellen voor het aan land gaan van personen van passagiersschepen in het Antarctisch gebied en regels te stellen betreffende bescherming van de Antarctische flora en fauna; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bescherming Antarctica. Artikel II 1. Ten aanzien van vergunningen, bedoeld in [artikel 8 van de Wet bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009449&artikel=8), die van kracht zijn onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van: - a. de [artikelen I, onderdeel A, onder 3, onderdeel D, onder 2, onderdeel I en onderdeel H, onder 1, 2, 3 en 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035082&artikel=I&z=2015-01-29&g=2015-01-29) van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen van toepassing. - b. de [artikelen I, onderdeel C, onderdeel E, onderdeel F, onder 1, onderdeel G, onder 1 en onderdeel H, onder 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035082&artikel=I&z=2015-01-29&g=2015-01-29) en [III, onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035082&artikel=III&z=2015-01-29&g=2015-01-29) van deze wet, blijft het recht"},{"i":9901,"b":"Wet van 26 november 2014 tot wijziging van de Wet op de dierproeven in verband met implementatie van richtlijn 2010/63/EU Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de implementatie van [richtlijn 2010/63](32010L0063)/EU betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt noodzakelijk is de [Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de dierproeven. Artikel Ia Wijzigt de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990. Artikel Ib Wijzigt de Wet dieren. Artikel II 1. Een dierproef waarover voor de inwerkingtreding van deze wet op grond van [artikel 10a van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10a) een positief advies is uitgebracht door een dierexperimentencommissie of een positief oordeel is gegeven door de centrale commissie dierproeven, kan worden verricht tot 1 januari 2018. 2. Een dierproef waarover voor de inwerkingtreding van deze wet op grond van [artikel 10a van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=10a) een positief advies is uitgebracht door een dierexperimentencommissie of een positief oordeel is gegeven door de centrale commissie dierproeven en die eerst na 1 januari 2018 wordt afgerond, wordt na de laatst genoemde datum slechts voortgezet indien de centrale commissie dierproeven voor 1 januari 2018 een projectvergunning heeft verleend voor het project waar deze dierproef onderdeel van uitmaakt. Artikel III De erkenning van een dierexperimentencommissie die op grond van [artikel 18a van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=18a) erkend is"},{"i":9899,"b":"Wet van 30 september 2020 tot wijziging van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie teneinde een grondslag op te nemen voor de energie-audit Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672) te wijzigen in verband met de implementatie van richtlijn nr. [richtlijn 2012/27](32012L0027)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van [Richtlijnen 2009/125/EG](32009L0125) en [2010/30](32010L0030)/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen [2004/8/EG](32004L0008) en [2006/32/EG](32006L0032) (PbEU 2012, L 315); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Als voor de inwerkingtreding van deze wet door een grote onderneming een energie-audit is ondergaan en een verslag daarvan is toegestuurd aan Onze Minister, geldt het moment van insturen van het verslag, als het moment van aanvang van de termijn genoemd in [artikel 18, eerste lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672&artikel=18). Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18319,"b":"Besluit van de Voorzitter, het College van Voorzitter en Ondervoorzitters en de Griffier van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 31 oktober 2023, kenmerk 17389U, houdende Mandaat, Volmacht en Machtiging ambtelijke organisatie Eerste Kamer der Staten-Generaal 2023 (M&V-Besluit Eerste Kamer 2023) overwegende dat het gewenst is nadere regels te stellen ten aanzien van de beslis- en ondertekeningsbevoegdheden bij rechtshandelingen en rechtspositionele beslissingen, gelet op [hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=10), de [Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429) en de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=13), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=22) en [34 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=34), BESLUITEN Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Het College van Voorzitter en Ondervoorzitters:** college als bedoeld in [artikel 12 van het Reglement van Orde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=12); - b. **Voorzitter:** de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal; - c. **Griffier:** de Griffier van de Eerste Kamer der Staten-Generaal; - d. **Ambtelijke organisatie (griffie):** het geheel van ambtenaren dat werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de Griffier; - e. **Directie:** de directie Inhoud of de directie Organisatie; - f. **Directeur:** degene die is belast met de leiding van een directie; - g. **Integraal management:** management van een directie met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied; - h. **Mandaat:** de bevoegdheid om namens de mandaatverlener besluiten te nemen; - i. **Volmacht:** de bevoegdheid om namens d"},{"i":4267,"b":"Besluit vergunning Beter Lot 2017 – 2021 **Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 23 december 2016, kenmerk 10132, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van een gelegenheid als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de kansspelen.** Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan Beter Lot B.V., een besloten vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Amsterdam met KvK-nummer 60088982 (hierna: de vergunninghouder), vergunning voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021. Aan deze vergunning zijn de navolgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de loterijen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Vergund kansspel B. Afdracht ten behoeve van het algemeen belang C. Bescherming van kwetsbare groepen D. Bescherming van consumenten E. Betrouwbaarheid en integriteit F. Controle, rapportage en toezicht G. Overig Bijlage A Niet opgenomen."},{"i":12790,"b":"Besluit vaststelling selectielijst administratieve neerslag Autoriteit Financiële Markten over de periode vanaf 2002 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de Autoriteit Financiële Markten over de periode vanaf 2002 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [Selectielijst neerslag handelingen Autoriteit Financiële Markten beleidsterrein Regulering & Toezicht bank- en kredietwezen vanaf 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027512), Stcrt. 2010, 5877 wordt ingetrokken vanaf inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12817,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Dopingautoriteit voor de periode vanaf 2019 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de Dopingautoriteit over de periode vanaf 2019 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten afgesloten en/of ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18856,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 22 februari 2017 nr. BOACAT2017/014, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Landschap Noord-Holland Gelezen het verzoek van Landschap Noord-Holland van 13 februari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039278&artikel=2&z=2017-03-08&g=2017-03-08). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van boswachter of senior boswachter in dienst van Landschap Noord-Holland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een g"},{"i":9904,"b":"Zesde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, inzake de afschaffing van de doodstraf De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Protocol bij het op 4 november 1950 te Rome ondertekende [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000) (hierna te noemen „het Verdrag”) hebben ondertekend, Overwegende dat de ontwikkeling die in verscheidene Lid-Staten van de Raad van Europa heeft plaatsgevonden een algemene tendens in de richting van afschaffing van de doodstraf tot uitdrukking brengt, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Afschaffing van de doodstraf De doodstraf is afgeschaft. Niemand wordt tot een dergelijke straf veroordeeld of terechtgesteld. Artikel 2. Doodstraf in tijd van oorlog Een Staat kan bepalingen in zijn wetgeving opnemen waarin is voorzien in de doodstraf voor feiten, begaan in tijd van oorlog of onmiddellijke oorlogsdreiging; een dergelijke straf wordt alleen ten uitvoer gelegd in de gevallen die zijn neergelegd in de wet, en in overeenstemming met de bepalingen daarvan. Deze Staat deelt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa de desbetreffende bepalingen van die wet mede. Artikel 3. Verbod van afwijkingen Afwijking van de bepalingen van dit Protocol krachtens [artikel 15 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=15) is niet toegestaan. Artikel 4. Verbod van voorbehouden Het maken van enig voorbehoud met betrekking tot de bepalingen van dit Protocol krachtens [artikel 57 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=57) is niet toegestaan. Artikel 5. Territoriale werkingssfeer 1. Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring het grondgebied of de grondgebieden aanwijzen waarop dit Protocol van toepassing is. 2. Iedere Staat kan, op elk later tijdstip, door midd"},{"i":12021,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 1 februari 2022, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Qatar, Ambassade Doha, Besluit Beperking Openbaarheid Ambassade Doha (Qatar) (1991) 2005–2013 (2014) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 05-03-2020, referentie 20161207; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 22 | 2086 | | 39 | 2089 | | 41 | 2089 | | 51 | 2090 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 40 | 2085 | | 52 | 2081 | | 72 | 2059 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046287&artikel=1&z=2022-02-10&g=2022-02-10), is tot openbaring uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. (De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging in de inventarisnummers volgens de procedures die gelden voor inzage in archieven met (bijzondere) persoonsgegevens). 2. Raadpleging of gebruik van"},{"i":17300,"b":"Regeling eenmalige uitkering Wvg 1998 Handelende na overleg met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A.G.M. van de Vondervoort, en de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [9 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=9); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Voor het kalenderjaar 1998 wordt f 78 miljoen beschikbaar gesteld als additionele middelen voor de uitvoering van de Wvg. 2. De minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, over de in de bijlage bij deze regeling genoemde gemeenten, waarbij de uitkering wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage staat vermeld. 3. De uitkering wordt binnen een periode van 5 weken, te rekenen vanaf de dag van inwerkingtreding van deze regeling, aan de gemeenten betaald. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eenmalige uitkering Wvg 1998. Bijlage,. behorende bij [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009785&artikel=2&z=1998-07-19&g=1998-07-19) Eenmalige uitkering [Wvg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006169) gemeenten in 1998 Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4936,"b":"Regeling van de directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van 3 augustus 2012, nr 287000, houdende verlening van ondermandaat en het doorgegeven van volmacht en machtiging ten aanzien van beheeraangelegenheden op het terrein van het openbaar ministerie aan het College van procureurs-generaal (Mandaatbesluit beheer openbaar ministerie 2012) Gelet op [artikel 42, eerste lid van de Organisatieregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030837&artikel=42), [artikel 3, tweede en derde lid van de Mandaatregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030842&artikel=3) en [artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge artikel 1 van de Mandaatregeling hoofden clusters Ministerie van Veiligheid en Justitie 2012 aan de directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die het beheer van het openbaar ministerie betreffen ondermandaat verleend aan het College van procureurs-generaal. Artikel 2 Het College van procureurs-generaal wordt aangewezen als hoofd van dienst in de zin van [artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=4) ten aanzien van bij het openbaar ministerie werkzame ambtenaren, niet zijnde rechterlijke ambtenaren. Artikel 3 Het College van procureurs-generaal wordt aangewezen als bevoegd om het ondermandaat inzake het nemen van besluiten inzake financieel beheer en het nemen van rechtspositionele besluiten verder dan één hiërarchisch niveau door te geven. Artikel 4 De [Mandaatregeling beheer openbaar ministerie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026644) wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang v"},{"i":4935,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 16 mei 2013, nr. 382511, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de korpschef van het landelijk politiekorps inzake het beheer van de FIU-Nederland Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 32, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=32); Besluit: Artikel 1. (begripsomschrijvingen) 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **korpschef:** korpschef als bedoeld in [artikel 27 Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); - c. **Wwft:** Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824); - d. **FIU-Nederland:** Financial Intelligence Unit – Nederland, zijnde de Financiële Inlichtingen eenheid als bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=12) en tevens het meldpunt ongebruikelijke transactie als bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=3.1); - e. **politie:** landelijk politiekorps als bedoeld in [artikel 25, eerste lid Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25). 2. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat mede bedoeld het verlenen van: - a. **volmacht:** bevoegdheid om namens de staat, voor zover het betreft de FIU-Nederland, privaatrecht"},{"i":4939,"b":"Mandaatregeling Defensie Wet vervoer gevaarlijke stoffen 2010 Besluit: Artikel 1 1. Mandaat en machtiging worden verleend aan: - a. de commandant der strijdkrachten ten aanzien van: - 1°. het verlenen van ontheffing of vrijstelling als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=8); - 2°. het indienen van verzoeken als bedoeld in [artikel 27, derde en vijfde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=27), en [artikel 29, tweede lid, onderdeel a, en derde lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=29); - 3°. het doen van een voordracht en het geven van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in [artikel 11, vierde lid, van de Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025770&artikel=11); - b. de commandant van de explosieven opruimingsdienst defensie ten aanzien van het indienen van verzoeken als bedoeld in [artikel 27, vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=27), en [artikel 29, tweede lid, onderdeel b, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=29); - c. de senior adviseur militaire commissie gevaarlijke stoffen van de defensie materieel organisatie ten aanzien van: - 1°. het namens de Minister van Defensie optreden als erkende instantie als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 2 van [bijlage 3 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054) en de [Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010053); - 2°. het namens de Minister van Defensie optreden als bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 2 juncto artikel 3 van [bijlage 4 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":4938,"b":"Mandaatregeling Defensie Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 en Wet veiligheidsonderzoeken Gelet op het bepaalde in de [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896) en de [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Wiv:** [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896); - b. **Wvo:** [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277); - c. **Minister:** Minister van Defensie; - d. **MIVD:** Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - e. **directeur van de MIVD:** Hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - f. **mandaat:** bevoegdheid om namens de Minister besluiten te nemen en stukken vast te stellen en uitgaande stukken te ondertekenen; - g. **machtiging:** de bevoegdheid om namens de Minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke handeling zijn. Paragraaf 2. Mandaat secretaris-generaal Artikel 2. Mandaat secretaris-generaal 1. Aan de secretaris-generaal wordt mandaat en machtiging verleend ten aanzien van: - a. het beslissen op bezwaar met betrekking tot primaire besluiten de kennisneming van door of ten behoeve van de MIVD verwerkte gegevens, bedoeld in de [artikelen 74 tot en met 85 van de Wiv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=74); - b. het beslissen op bezwaar met betrekking tot primaire besluiten tot het weigeren of het intrekken van de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=8) en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=10) juncto [artikel 2 van de Wvo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=2) indien het advies van de Bezwarencommissie Veiligheidsonderzoeken Defensie w"},{"i":9926,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 10 december 2025, nr. WJZ/ 102860286, tot aanwijzing van elektronische kanalen voor het verzenden van berichten (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Besluit: Treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer. Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzing elektronische kanalen per proces Als kanalen voor ieder afzonderlijk proces worden aangewezen de kanalen zoals vermeld in de bijlage bij dit besluit. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit aanwijzingsbesluit treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van de [Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048252). Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Bijlage. – Kanalen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052062&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) | Bericht | Specifiek kanaal | | --- | --- | | Woo-verzoek | WooContactWJZ@minlnv.nl | | Bezwaar als bedoeld in [Afdeling 7.1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=7.1) (alleen Woo-zaken) | WJZ-bb@minezk.nl | | Klacht ([hoofdstuk 9 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9)) | [https://www.ri"},{"i":18007,"b":"Addendum Vaststellingsbesluit Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000 (Minister van Defensie) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 november 2004, nr. arc-2004.1462/5); Besluiten: Artikel 1 Dit besluit is een addendum bij het [besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Defensie ter vaststelling van de ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Defensie en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017947)’ en de daarbij behorende toelichting d.d. 25 januari 2005 (kenmerk C/S/05/139 (gepubliceerd in de Staatscourant 2005, nr. 62 d.d. 31 maart 2005)). Artikel 2 De ‘selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Minister van Defensie, als vakminister en als vakminister in Londen, binnen het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting (periode 1940–1993)’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Defensie, nr. 98.27.RWS/JW d.d. 8 januari 1998 (gepubliceerd in de Staatscourant 1998, nr. 142 d.d. 30 juli 1998)) wordt ingetrokken, voor wat betreft de handeling 303.1 van de Minister van Defensie. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":9929,"b":"Aanwijzingsregeling ambtenaar kwijtschelding betalingsverplichting geluidsheffing burgerluchtvaart Gelet op [artikel 77b, derde lid, onderdeel b, laatste volzin van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=77b), Besluit: Artikel 1 Als ambtenaar die de bevoegdheid heeft tot het geheel of gedeeltelijk verlenen van kwijtschelding van de geluidsheffing burgerluchtvaart wordt aangewezen: De inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze beschikking zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9930,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 27 januari 2022, nr. IENW/BSK-2021/330670, houdende de aanwijzing van Bonaire International Airport Gelet op de [artikelen 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=30), [31, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=31), [33, eerste en tweede lid, van de Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=33); BESLUIT: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Aangewezen wordt het luchtvaartterrein Flamingo Airport, gelegen te Kralendijk in het openbare lichaam Bonaire, ten behoeve van Bonaire International Airport N.V., hierna te noemen: de exploitant. 2. Het luchtvaartterrein is aangegeven op de kaart in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046241&bijlage=1&z=2022-04-01&g=2022-04-01) bij deze regeling. 3. Het gebruiksjaar van het luchtvaartterrein omvat de periode van 1 november van enig jaar tot en met 31 oktober van het daaropvolgende jaar. Artikel 2 1. Het luchtvaartterrein is bestemd voor burgerluchtverkeer. 2. In afwijking van het eerste lid, is incidenteel militair gebruik van het luchtvaartterrein toegestaan. Paragraaf 2. Situatie op en rond het luchtvaartterrein en voorschriften omtrent het gebruik van het luchtvaartterrein Artikel 3 Op het luchtvaartterrein is gelegen een verharde baan, gelegen in de geografische richting 10-28, met een lengte van 3.057 meter en een breedte van 45 meter. Artikel 4 1. Rond het luchtvaartterrein geldt een geluidszone voor luchtvaartuigen als bedoeld in [artikel 33, eerste lid, Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549&artikel=33) behorende bij de grenswaarde van 56 dB(A) Lden. 2. De geluidszone is aangegeven op de kaart in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046241&bijlage=2&z=2022-04-01&g=2022-04-01) bij deze regeling. Artikel 5 1. De exploitant laat op het luchtvaartterrein slechts luchtverkeer toe voor zover d"},{"i":9931,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 18 juni 2018, houdende de aanwijzing van risicovluchten en van luchtvaartterreinen, bestemd voor de landing van risicovluchten (Aanwijzingsregeling risicovluchten) Handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [artikel 37x, tweede en derde lid, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37x); Besluit: Artikel 1 1. Als risicovlucht zijn aangewezen de verkeersvluchten naar Nederland of met Nederland als tussenstation, rechtstreeks afkomstig van enig punt in: - a. Suriname; - b. Venezuela; - c. Curaçao; - d. Aruba; - e. Bonaire; - f. Sint Maarten. 2. Van het eerste lid zijn uitgezonderd de verkeersvluchten die in opdracht van Onze Minister van Defensie worden uitgevoerd. Artikel 2 De luchthaven, genoemd in [artikel 8.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.1) is aangewezen als luchtvaartterrein, bestemd voor de landing van risicovluchten. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzingsregeling risicovluchten. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2018. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19529,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 27 maart 2012, nr. IENM/BSK-2012/21444, houdende vaststelling van de eisen voor de praktijkexamens voor de rijbewijscategorieën D1, E bij D1, D en E bij D (Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën D1, E bij D1, D en E bij D) Gelet op [richtlijn nr. 2006/126/EG](32006L0126) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PbEU L 403) en [artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A tot en met L, van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994, enz. (implementatie derde rijbewijsrichtlijn) in werking treedt. § 1. Eisen voor de praktijkexamens voor rijbewijscategorie D1 en E bij D1 Artikel 1 De eisen waaraan de aanvrager van het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie D1 en E bij D1 voldoet, zijn nader uitgewerkt in de bij deze regeling behorende bijlage, Toetsmatrijs praktijkexamen D1, E bij D1, D en E bij D. § 2. Eisen voor de praktijkexamens voor rijbewijscategorie D en E bij D Artikel 2 De eisen waaraan de aanvrager van het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie D en E bij D voldoet, zijn nader uitgewerkt in de bij deze regeling behorende bijlage Toetsmatrijs praktijkexamen D1, E bij D1, D en E bij D. § 3. Overige bepalingen Artikel 3 Het CBR draagt er zorg voor dat het resultaat van het examen aan de aanvrager bekend wordt gemaakt. Bij een onvoldoende examen wordt tevens aangegeven aan welke exameneisen de aanvrager niet heeft voldaan. Artikel 4 De [Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën D en E bij D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015605) wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel I, onderdelen A tot en met L, van de wet van 26 januari 2012 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1"},{"i":9932,"b":"Aanwijzingsregeling Technische Voorschriften vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht met militaire luchtvaartuigen Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013514&artikel=3) en [artikel 6.59 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.59); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. STANAG 2999: ingevolge een in de Staatscourant gepubliceerde mededeling van Onze Minister van Defensie van kracht zijnde versie van de NATO Standardization Agreement nr. 2999 USE OF HELICOPTERS IN LAND OPERATIONS DOCTRINE, zoals ter inzage gelegd op de bij die mededeling aangegeven locatie; - b. STANAG 4441: ingevolge een in de Staatscourant gepubliceerde mededeling van Onze Minister van Defensie van kracht zijnde versie van de NATO Standardization Agreement nr. 4441 met de daarbij behorende AMovP-6, Allied Multi-Modal Transportation of Dangerous Goods Directive en de Standards-related documents zoals ter inzage gelegd op de bij die mededeling aangegeven locatie; - c. STANAG 7213: ingevolge een in de Staatscourant gepubliceerde mededeling van Onze Minister van Defensie van kracht zijnde versie van de NATO Standardization Agreement nr. 7213 TACTICS, TECHNIQUES AND PROCEDURES FOR NATO AIR MOVEMENTS zoals ter inzage gelegd op de bij die mededeling aangegeven locatie; - d. Technische Voorschriften: Technische Voorschriften als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013514&artikel=1); - e. militair luchtvaartuig: een luchtvaartuig gehouden door de krijgsmacht of de krijgsmacht van een buitenlandse mogendheid. Artikel 2 1. In afwijking van [artikel 3, eerste lid, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013514&artikel=3) behoeven bij het onder laatstgenoemd besluit vallende vervoer van gevaarl"},{"i":9937,"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Egypte inzake het project \"Fayoum Drinking Water and Sanitation - Phase V\" The Minister for Development Cooperation of the Kingdom of the Netherlands, being the competent Netherlands Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as “the Netherlands Party”, represented in this matter by the Ambassador Extraordinary and Plenipotentiary of Her Majesty the Queen of the Netherlands in Cairo, and the Governor of Fayoum of the Arab Republic of Egypt being the competent Egyptian Authority for the purpose of this Administrative Arrangement, hereinafter referred to as the “the Egyptian party”; Having decided to cooperate in the field of “Rural Water Supply and Sanitation” Having regard to the provision of Article I of the Agreement on Technical Cooperation between the Kingdom of the Netherlands and the Arab Republic of Egypt, signed in Cairo on 30 October 1976, hereinafter referred to as the Agreement”, Have entered into the following administrative arrangement: Article I. The Project Vervallen Article II. The Netherlands Contribution Vervallen Article III. The Egyptian Contribution Vervallen Article IV. The Executive Authorities Vervallen Article V. Delegation Vervallen Article VI. The Team leader Vervallen Article VII. The Schedule of Operations Vervallen Article VIII. Reporting Vervallen Article IX. Status of the Netherlands Staff Vervallen Article X. Status of Netherlands Equipment and Materials Vervallen Article XI. Evaluation Vervallen Article XII. Settlement of Disputes Vervallen Article XIII. Entry into Force and Duration Vervallen DONE in Cairo on the 1st day of April 2007, in two originals in the English language. **For the Minister for Development Cooperation of the Kingdom of the Netherlands,** T.F. DE ZWAAN Ambassador **The Governor of Fayoum,** MAGDY QUBASSY"},{"i":3180,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 11 september 2024 nr. BOACAT2024/104, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag Gelezen het verzoek van de gemeente Den Haag van 6 september 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050205&artikel=2&z=2024-11-07&g=2024-11-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van vakspecialist A, B of C-Toezicht en Handhaving in dienst van de gemeente Den Haag, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openba"},{"i":9945,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 5 juni 2024, nr. 5462324, houdende bekendmaking van een beleidsregel voor het verstrekken van een eenmalige financiële bijdrage aan gedupeerden in financiële nood (Beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast in juli 2021) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045602); Besluit: Artikel 1. Definities Voor deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **aanvrager:** de particulier die blijkens de basisregistratie personen gedurende de schadeperiode was ingeschreven als bewoner en eigenaar van een binnen het schadegebied gelegen woning en daarin ook woonachtig was gedurende de schadeperiode en die op grond van [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049967&artikel=4&z=2024-09-01&g=2024-09-01), een aanvraag heeft gedaan; - c. **schadegebied:** de gebieden, die zijn ingekleurd op de kaart die is opgenomen als [bijlage bij de Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021](onbekend); - d. **schadeperiode:** de periode van 13 juli 2021 tot en met 20 juli 2021; - e. **woning:** hieronder wordt mede verstaan woonwagen, woonark of woonschip; - f. **peildatum:** 31 december 2023; - g. **financiële middelen:** uitkomst van de berekening op de peildatum waarbij de banksaldi (A) worden verminderd met het op de bankrekening(en) aanwezige saldo voor zover dat minder bedraagt dan of gelijk is aan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in [artikel 34, derde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=34) (B) en met schulden (C); - h. **banksaldi:** het op de peildatum bepa"},{"i":9960,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Klimaat en Energie van 28 juni 2022, nr. WJZ/ 21315315, tot vaststelling van regels over de toets passende stimulering en de cumulatietoets in het kader van het Besluit duurzame energieproductie en klimaattransitie (Beleidsregel toets passende stimulering en cumulatietoets onder het Besluit duurzame energieproductie en klimaattransitie) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 7 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=7) en [artikel 4, eerste lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=4); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **algemene uitvoeringsregeling:** [Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023563); - **categorie:** bij ministeriële regeling aangewezen categorie productie-installaties op grond van [artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2) en klimaattransitie of artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie; - **cumulatietoets:** toets als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046885&paragraaf=2&artikel=3&z=2022-07-12&g=2022-07-12); - **eindadvies:** jaarlijks eindadvies basisbedragen SDE+ of SDE++ van het Planbureau voor de Leefomgeving of Energieonderzoek Centrum Nederland over de te hanteren subsidieparameters en de basisbedragen; - **exploitatiebaten:** baten van de exploitatie van een productie-installatie; - **exploitatiekosten:** kosten voor de exploitatie van een productie-installatie; - **exploitatiesteun:** steunmaatregelen om de exploitatiekosten van een productie-installatie geheel of gedeeltelijk te compense"},{"i":11918,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 9 juli 2021, nr. DGBI-DE/210 25 388, handelend in overeenstemming met de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, inzake de keuze voor het instrument veiling van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep kavels B39 tot en met B54, en de vaststelling van die vergunningen, (Besluit bekendmaking veiling kavels B39 tot en met B54) Gelet op [artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10), en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio in de FM-band met de daaraan, voor zover nu reeds mogelijk, te verbinden voorschriften en beperkingen, genoemd in tabel 1, worden verleend met toepassing van een veiling als bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). | Kavel | Bijlage | Zendernaam | Frequentie in MHz | Demografisch bereik | | --- | --- | --- | --- | --- | | B39 | 1 | Gouda | 87,7 | 0,012% | | B40 | 2 | Winschoten | 89,8 | 0,117% | | B41 | 3 | Wageningen | 90,0 | 0,094% | | B42 | 4 | Apeldoorn | 93,4 | 0,066% | | B43 | 5 | Zevenaar | 91,9 | 0,082% | | B44 | 6 | Emmen | 93,5 | 0,045% | | B45 | 7 | Hoogvliet | 87,8 | 0,0079% | | B46 | 8 | Rotterdam | 104,2 | 0,20% | | B47 | 9 | Etten-Leur | 94,5 | 0,079% | | B48 | 10 | Breda | 94,8 | 0,37% | | B49 | 11 | Amersfoort | 95,4 | 0,059% | | B50 | 12 | Coevorden | 97,3 | 0,072% | | B51 | 13 | Emmeloord | 97,5 | 0,148% | | B52 | 14 | Deventer | 94,4 | 0,35% | | B53 | 15 | Zeeland | 105,51 | 0,0049% | | B54 | 16 | Eindhoven | 103,3 | 0,049% | 1 Aan de uitgifte van deze frequentie kunnen geen rechten worden ontleend op uitgiftes van andere frequenties uit deze omroepband. Artikel 2 De procedure van de veiling vangt aan op 4 januari"},{"i":9964,"b":"Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatswerken Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=2) en [3 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=3) en [artikel 4.81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is niet van toepassing op de exclusieve economische zone. Artikel 3. Wegen 1. Langs rijkswegen wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 30m uit de rand van de verharding of bij een rotordiameter groter dan 60m, ten minste de halve diameter. 2. Binnen 30m uit de rand van de verharding en op parkeerplaatsen en tankstations gelegen langs autowegen of autosnelwegen als bedoeld in het [Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 artikel 1c,d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=1) met een directe aansluiting op de autoweg of autosnelweg, die primair bestemd zijn voor een kort oponthoud van de weggebruiker, wordt plaatsing van windturbines slechts toegestaan indien uit een aanvullend onderzoek blijkt dat er geen onaanvaardbaar verhoogd veiligheidsrisico bestaat. 3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt nabij een knooppunt of aansluiting of op locaties waarbij de rotorbladen zich boven de verharding zullen bevinden plaatsing van windturbines slechts toegestaan indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen onaanvaardbaar verhoogd risico is voor de verkeersveiligheid. Artikel 4. Kanalen, rivieren en havens 1. Langs kanalen, rivieren en havens wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 50m uit de rand van de vaarweg. 2. Binnen 50m uit de rand van de vaarweg wordt plaatsing slechts toegestaan indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen hinder voor w"},{"i":18911,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 februari 2017 nr. BOACAT2017/010, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de regionale eenheid Oost-Brabant, Team Buitengerechtelijke Afdoeningen Gelezen het verzoek van Regionale Eenheid Oost-Brabant van 1 februari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039243&artikel=2&z=2017-02-28&g=2017-02-28). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), werkzaam in de functie van Assistent Intake en Service, Medewerker Intake en Service, Senior Intake en Service en Generalist Intake en Service, die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Oost-Brabant. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid"},{"i":9973,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 15 juni 2005 , nr. BWL/2005051330, houdende beleidsregels en enige andere bepalingen met betrekking tot de afgifte van verklaringen als bedoeld in artikel 2 onder f van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen Gelet op [artikel 2 onder f van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=2), alsmede op de [artikelen 3:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:2), [4:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2), [4:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4), [4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5), [4:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:13), [4:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [10:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. aanvraag: een aanvraag van een verklaring verontreinigde grond; - b. verklaring verontreinigde grond: een verklaring als bedoeld in [artikel 2 onder f van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=2); - c. VKB-protocol 1001: VKB-protocol 1001 ‘Monsterneming grond voor het procescertificaat partijkeuringen Bouwstoffenbesluit’, versie 1, vastgesteld op 9 december 2004; - d. VKB-protocol 1018: VKB-protocol 1018 ‘Monsterneming ten behoeve van partijkeuringen’, versie 4, vastgesteld op 26 september 2002; - e. Minister: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - f. [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018442&bijlage=1&z=2006-07-01&g=2006-07-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018442&bijlage=2&z=2006-07-01&g=2006-07-01) en 3: de bij deze regeling behorende [bijlage 1](https://"},{"i":9974,"b":"Benelux-Overeenkomst op het gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Overwegende dat tijdens de Derde Benelux-Regeringsconferentie, gehouden te Brussel, op 20 en 21 oktober 1975, besloten is dat, in het raam van een actief Benelux-beleid op het gebied van het leefmilieu, het natuurbehoud, het behoud van natuurgebieden en de bescherming van waardevolle landschappen als een concrete doelstelling worden gezien, Gelet op het door de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad op 13 december 1980 uitgebrachte advies, Hebben besloten te dien einde een Overeenkomst te sluiten en zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De onderhavige Overeenkomst heeft tot doel het overleg en de samenwerking tussen de drie Regeringen te regelen op het gebied van het behoud, het beheer en het herstel van het natuurlijk milieu en van het landschap. 2. In deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - -. natuurlijk milieu: de stoffelijke omgeving van de mens, bestaande uit a-biotische (niet levende) componenten (gesteenten, water en atmosfeer) en biotische (levende) componenten, die bestaan uit natuurlijke en half-natuurlijke levensgemeenschappen met inbegrip van wilde flora en fauna; - -. natuurgebied: een gebied waarin de aanwezige levensgemeenschappen niet, niet meer of slechts in geringe mate worden beïnvloed door menselijk ingrijpen, voor zover dit ingrijpen niet de instandhouding of ontwikkeling van deze levensgemeenschappen ten doel heeft; - -. landschap: het waarneembare deel van de aarde dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de factoren bodem, reliëf, water, klimaat, flora, fauna en de mens. Binnen een bepaalde landschappelijke eenheid leidt dit samenspel tot een bepaald patroon opgebouwd uit een combinatie van natuurlijke, cultuurhistorische, functionele en visuele aspecten. Het landschap kan beschouwd worden als ee"},{"i":2956,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 mei 2016, kenmerk 954065-149176-MC, inzake vrije tarieven logopedie Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 16 december 2015 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2015/16, 29 689, nr. 680); Besluit: artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2017 voor logopedie vrije tarieven als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel a van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) vast. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":13713,"b":"Wet van 27 januari 2021 tot wijziging van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en diverse andere wetten in verband met het opnemen van invoeringsrecht in en het overbrengen van overgangsrecht naar de Wet voortgezet onderwijs 2020 en wegens aanpassing van verwijzingen in andere wetten (Invoerings- en aanpassingswet WVO 2020) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat diverse overgangsbepalingen in wetten tot wijziging van de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) en de [Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284) materieel zijn uitgewerkt en dus kunnen komen te vervallen en dat overgangsbepalingen die nog niet zijn uitgewerkt een plaats dienen te krijgen in de Wet voortgezet onderwijs 2020; dat de invoering van de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) bovendien noodzaakt tot het treffen van invoerings- en overgangsvoorzieningen, op te nemen in die wet; dat voorts als gevolg van het tot stand brengen van die [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) verwijzingen naar de Wet op het voortgezet onderwijs en de [Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284) in andere wetten vervangen moeten worden door verwijzingen naar de overeenkomstige bepalingen in de Wet voortgezet onderwijs 2020; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Onderbrengen bestaand overgangsrecht in [WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) en opnemen invoerings- en overgangsrecht in verband met invoering WVO 2020 Artikel I. Wijziging van de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) Wijzigt de Wet voortgezet onderwijs 2020. Hoofdstuk I"},{"i":9985,"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders en autoriteiten Caribisch Nederland Infrastructuur en Milieu Gelet op [artikel 14, tweede lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=14), [artikel 14, derde lid, van de Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028453&artikel=14), [artikel 15a, eerste lid, van de Vaartuigenwet 1930 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028292&artikel=15a) en de [artikelen 37, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028550&artikel=37), en [51, eerste lid, van de Wet maritiem beheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028550&artikel=51); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Rijksdienst Caribisch Nederland:het organisatieonderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bedoeld in het [Organisatie- en mandaatbesluit BZK-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028832). Artikel 2 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de [Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642), voor zover van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en de [Vaartuigenwet 1930 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028292) worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport en de scheepvaartinspecteurs, werkzaam bij de Rijksdienst Caribisch Nederland in voornoemde openbare lichamen. Artikel 3 Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de [Wet maritiem beheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028550) en de [Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028453) worden aangewezen de scheepvaartinspecteurs, werkzaam bij de Rijksdienst Caribisch Nederland in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport en de ambtenaren van he"},{"i":9987,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 5 februari 2026, nr. IENW/BSK-2026/15584, tot aanwijzing van verschillende entiteiten als luchtvaartbrandstofleverancier op de Unieluchthaven Schiphol Gelet op [artikel 1.1, zeventiende lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Unieluchthaven:** Unieluchthaven als bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van [Verordening (EU) 2023/2405](32023R2405) van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 inzake het waarborgen van een gelijk speelveld voor duurzaam luchtvervoer (ReFuelEU Luchtvaart) (PbEU 2023, L 2023/2405). Artikel 2 Voor het jaar 2025 worden de volgende entiteiten aangewezen als luchtvaartbrandstofleverancier op de Unieluchthaven Schiphol: - a. BP Europa SE – BP Netherlands, in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 mei 2025; - b. BP Netherlands B.V., vanaf 1 juni 2025; - c. China Aviation Fuel (Europe) Limited; - d. Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.; - e. Kuwait Petroleum Aviation (Netherlands) B.V.; - f. Neste Components B.V.; - g. Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V.; - h. TotalEnergies Marketing Nederland N.V.; Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2027. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9991,"b":"Besluit van 21 mei 1981, houdende vaststelling van enige regels ter beperking van de geluidhinder door luchtvaartuigen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 20 januari 1981, nr. LV/L 20166, Rijksluchtvaartdienst; gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie, dr. W. F. van Eekelen, en de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne; Overwegende, dat het wenselijk is de operationele en enige nauw daarbij betrokken technische voorschriften ter beperking van de geluidhinder door luchtvaartuigen tezamen in een regeling vast te stellen; Gelet op artikel 76, eerste lid, onder **e**, jo. [artikel 62, derde lid, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=62) en op [artikel 174, eerste lid van de Wet Geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=174); De Raad van State gehoord (advies van 3 maart 1981, nr. 810225/19; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 27 maart 1981, nr. LV/L 21457 uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie, dr. W. F. van Eekelen en de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Toepassing De uitoefening van de bevoegdheden van dit besluit geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Artikel 2. Uitvoeren van vluchten Met betrekking tot het uitvoeren van vluchten worden door Onze Minister voorschriften gegeven ter beperking van de geluidhinder door luchtvaartuigen. Artikel 3. Supersoon vliegen 1. Het is verboden een vlucht uit te voeren met een snelheid groter dan de voortplantingssnelheid van het geluid indien daardoor schokgolven ontstaan. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt: - a. ten aanzien van een burgerluchtvaartuig niet indien en voor zover door Onze Minister ontheffing is verleend; - b. ten aanzien van een militair luchtvaartuig niet indien en voo"},{"i":9988,"b":"Besluit van 21 april 1970, houdende uitvoering van artikel 1, vierde lid, onder b en c, van de Visserijwet 1963 Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 20 maart 1970, No. J 654, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Gehoord het Produktschap voor Vis en Visprodukten, het Visserijschap, het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven en de Algemeene Hengelaarsbond; Gelet op artikel 1, vierde lid, onder **b** en **c**, van de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416); De Raad van State gehoord (advies van 8 april 1970, nr. 23); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 15 april 1970, nr. J 907, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als zeegebied, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel **b**, van de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416) worden aangewezen: - 1. de havens van IJmuiden en de toeleidingskanalen naar het Noordzeekanaal tot de meest zeewaarts gelegen waterkeringen; - 2. het Uitwateringskanaal te Katwijk tot de meest zeewaarts gelegen waterkering; - 3. de havens van Scheveningen tot de meest zeewaarts gelegen waterkeringen. Artikel 2 Als kustwater, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder **c,** van de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416), worden aangewezen: - 1. de Waddenzee en het Nederlands gedeelte van de Dollard en de Eems binnen de volgende grenzen: - a. voor de Westereems: de lijn gaande van de lichttoren van Borkum naar de Emder- of Grote Kaap op Rottumeroog, voor zover die lijn over Nederlands gebied loopt; - b. voor het Schild, de Lauwers, het Friesche Gat, het Pinkegat, het Amelandergat, het Vlie, het Eierlandsche Gat en het Texelsche Gat: de basislijn van de territoriale zee van Nederland. - 2. - a. de Maasmond; - b. de Nieuwe Waterweg tot de lijn gaande van het oostelijk havenhoofd van Maassluis naar het punt met het coörd"},{"i":9992,"b":"Besluit beperking openbaarheid aantal inventarisnummers die nucleaire informatie bevatten Gelet op [artikel 15, tweede, derde, vierde en zesde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en het besluit van de ministerraad van 18 november; Besluit: Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten wordt de openbaarheid van de volgende archiefbescheiden beperkt: - −. inventarisnummer 3245 van de inventaris (nummer toegang 2.05.149) van de Nederlandse Ambassade en de Consulaten in de Bondsrepubliek Duitsland van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1938) 1955–1974, tot 2119; - −. inventarisnummer 3763 van de inventaris (nummer toegang 2.05.149) van de Nederlandse Ambassade en de Consulaten in de Bondsrepubliek Duitsland van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1938) 1955–1974, tot 2116; - −. inventarisnummer 455 van de inventaris (nummer toegang 2.05.248) van de Nederlandse ambassade in de Sovjet-Unie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, tot 2111; - −. inventarisnummer 237 van de inventaris (nummer toegang 2.13.180) van het archief Comité Chefs Staven, tot 2126; - −. inventarisnummer 544 van de inventaris (nummer toegang 2.13.185) van het archief Commando tactische Luchtstrijdkrachten, tot 2113; - −. inventarisnummer 88 van de inventaris (nummer toegang 2.13.5375) van het archief Algemene Secretarie van het Ministerie van Defensie, tot 2129; - −. inventarisnummers 109 en 1256 van de inventaris (nummer toegang 2.08.5298) van het archief Directoraat-Generaal Rijksbegroting van het Ministerie van Financiën, tot 2123. Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten wordt de beperkingstermijn van de archiefbescheiden van inventarisnummer 10640 van de inventaris (nummer toegang 2.03.01) van het Kabinet Minister President van het Ministerie van Algemene Zaken verlengd tot 2121.1Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 10 februari 2003, nr. 03M4"},{"i":9993,"b":"Besluit van 15 november 2019, nr. DB/19216000, houdende beperking openbaarheid archief afdeling Personeelszaken Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geboortejaren 1835–1976 en 1877–2005 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van het Nationaal Archief van 29 juni 2019 met kenmerk 8303452; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar per 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 108 | 1-1-2020 | | 126 | 1-1-2020 | | 273 | 1-1-2020 | | 343 | 1-1-2020 | | 432 | 1-1-2020 | | 537 | 1-1-2020 | | 569 | 1-1-2020 | | 600 | 1-1-2020 | | 735 | 1-1-2020 | | 949 | 1-1-2020 | | 1026 | 1-1-2020 | | 1093 | 1-1-2020 | | 1101 | 1-1-2020 | | 1181 | 1-1-2020 | | 1210 | 1-1-2020 | | 1310 | 1-1-2020 | | 1351 | 1-1-2020 | | 1392 | 1-1-2020 | | 1400 | 1-1-2020 | | 1515 | 1-1-2020 | | 1569 | 1-1-2020 | | 1606 | 1-1-2020 | | 1614 | 1-1-2020 | | 1649 | 1-1-2020 | | 1685 | 1-1-2020 | | 1800 | 1-1-2020 | | 2809 | 1-1-2020 | | 1836 | 1-1-2020 | | 1876 | 1-1-2020 | | 1877 | 1-1-2020 | | 1995 | 1-1-2020 | | 2089 | 1-1-2020 | | 2126 | 1-1-2020 | | 2215 | 1-1-2020 | | 2263 | 1-1-2020 | | 2364 | 1-1-2020 | | 2478 | 1-1-2020 | | 2584 | 1-1-2020 | | 59 | 1-1-2021 | | 112 | 1-1-2021 | | 119 | 1-1-2021 | | 150 | 1-1-2021 | | 184 | 1-1-2021 | | 199 | 1-1-2021 | | 337 | 1-1-2021 | | 2760 | 1-1-2021 | | 628 | 1-1-2021 | | 680 | 1-1-2021 | | 1011 | 1-1-2021 | | 1117 | 1-1-2021 | | 1152 | 1-1-2021 | | 1188 | 1-1-2021 | | 1235 | 1-1-2021 | | 1289 | 1-1-2021 | | 2794 | 1-1-2021 | | 1467 | 1-1-2021 | | 1490 | 1-1-2021 | | 1989 | 1-1-2021 | | 2030 | 1-1-2021 | | 2095 | 1-1-2021 | | 2159 | 1-1-2021 | | 2212 | 1-1-2021 | | 2217"},{"i":9995,"b":"Besluit beperking openbaarheid Archief Chef van de Luchtmachtstaf (CLS) Ministerie van Defensie (1945) 1951 – 1986 (1996) Overwegende dat een aantal dossiers in het archief van de Chef van de Luchtmachtstaf (1945) 1951 – 1986 (1996) beperkingen aan de openbaarheid behoeven: Gelet op [artikel 15, lid 1, onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 24-06-2016, met kenmerk 16548. Besluit: Artikel 1 Het [besluit beperking openbaarheid van het archief van de Chef van de Luchtmachtstaf (CLS) van het Ministerie van Defensie (1945) 1951 – 1986 (1996)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031101) van 30 december 2011, zoals gepubliceerd op 17 januari 2012 in nr. 844 van de Staatscourant wordt ingetrokken vanwege onjuiste verwijzingen naar de inventaris. Artikel 2 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 4530 | 2054 | | 4881 | 2054 | Artikel 3 Met het oog op het belang van de Staat en zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 117 | 2038 | | 182 | 2042 | | 570 | 2040 | | 571 | 2040 | | 2016 | 2037 | | 2246 | 2064 | | 2273 | 2042 | | 2606 | 2064 | | 2607 | 2064 | | 2725 | 2036 | | 2747 | 2065 | | 2748 | 2065 | | 2871 | 2049 | | 3010 | 2042 | | 3068 | 2042 | | 3196 | 2020 | | 3204 | 2040 | | 3420 | 2031 | | 4223 | 2035 | | 4294 | 2062 | | 5425 | 2042 | | 5426 | 2042 | | 5427 | 2042 | | 5582 | 2038 | | 5598 | 2037 | Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de"},{"i":9994,"b":"Besluit van de Minister van Defensie van 17 september 2009, nr. CDC/IVENT/DCDI/SSA 2009007646, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Chef Technische Zaken en Materieel van de Luchtmachtstaf en taakvoorgangers en de Chef Verbindingen en Elektronica van de Luchtmachtstaf en taakvoorganger van het Ministerie van Defensie 1946–1957 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de **Chef Technische Zaken en Materieel van de Luchtmachtstaf en taakvoorgangers en de Chef Verbindingen en Elektronica van de Luchtmachtstaf en taakvoorganger van het Ministerie van Defensie 1946–1957**, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 4 | 2031 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026454&artikel=1&z=2009-10-02&g=2009-10-02), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening van de verzoeker van het **Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven**. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten, danwel het publiceren van gegevens uit archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026454&artikel=1&z=2009-10-02&g=2009-10-02), is slechts mogelijk na voorafgaand schriftelijke toestemming van de d"},{"i":9996,"b":"Besluit van de Minister van Defensie van 17 september 2009, nr. CDC/IVENT/DCDI/SSA 2009007645, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Commando Tactische Luchtstrijdkrachten van het Ministerie van Defensie 1952–1979 (1997) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het **Commando Tactische Luchtstrijdkrachten van het Ministerie van Defensie 1952–1979 (1997),** niet openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Niet openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 21 | 2050 | | 762 | 2038 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het **Commando Tactische Luchtstrijdkrachten van het Ministerie van Defensie 1952–1979 (1997),** beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 40 | 2034 | | 684 | 2038 | | 685 | 2044 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026455&artikel=2&z=2009-10-02&g=2009-10-02), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening van de verzoeker van het **Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven.** De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van documenten, danwel het publiceren van g"},{"i":9989,"b":"Besluit van 8 september 2000, houdende regels voor wegen waarin asbestbevattend materiaal is verwerkt (Besluit asbestwegen Wms) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 mei 2000, nr. MJZ 2000059247, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=24); De Raad van State gehoord (advies van 3 augustus 2000, nr. W08.0220/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 5 september 2000, nr. MJZ2000106793, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. asbest: vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536–66–4), amosiet (Cas-nummer 12172–73–5), anthofylliet (Cas-nummer 77536–67–5), crocidoliet (Cas-nummer 12001–28–4), tremoliet (Cas-nummer 77536–68–6) en chrysotiel (Cas-nummer 12001–29–5) en materiaal dat een of meer van deze silicaten bevat; - b. serpentijnasbest: chrysotiel en materiaal dat chrysotiel bevat; - c. amfiboolasbest: vezelachtige silicaten actinoliet, amosiet, anthofylliet, crocidoliet en tremoliet en materiaal dat een of meer van deze silicaten bevat; - d. weg: weg, pad, erfverharding of gedeelte daarvan, alsmede andere grond die bestemd is om door rij- of ander verkeer te worden gebruikt; - e. voorhanden hebben: in eigendom hebben; - f. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. Onder weg wordt tevens verstaan stroken van een halve meter aan beide zijden van en direct aansluitend op een weg. § 2. Voorhanden hebben van een asbestbevattende weg Artikel 2 1. Het is verboden een weg die asbest bevat, voorhanden te hebben. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een weg, waarvan de eigenaar heeft aangetoond da"},{"i":9997,"b":"Besluit beperking openbaarheid met betrekking het archief van de Hoofdingenieur-directeur voor de Landinrichting, Grond- en Bosbeheer in Noord-Brabant van het Ministerie Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (1947) 1972–1983 (1992) Inventaris 1716 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van het algemene rijksarchivaris van 20 februari 2020 met kenmerk 21666002 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 28 | 1-1-2021 | | 29 | 1-1-2040 | | 30 | 1-1-2034 | | 31 | 1-1-2048 | | 32 | 1-1-2027 | | 35 | 1-1-2027 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045295&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Noord-Brabant heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045295&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris provincie Noord Brabant. De rijksarchivaris van de provincie Noord-Brabant kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045295&artikel=1&z=2021-06-29&g=2021-06-29) is tot openbaarwording slechts m"},{"i":18443,"b":"Regeling vacatiegelden accountantskamer Gelet op [artikel 19, derde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024238&artikel=19); Besluit: Artikel 1 1. Het vacatiegeld, bedoeld in [artikel 19, derde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024238&artikel=19) bedraagt per zitting een bedrag dat gelijk is aan de vergoeding die ingevolge [artikel 9, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=9) geldt voor raadsheren-plaatsvervangers. 2. Voor de toepassing van het eerste lid worden zittingen die op één dag worden gehouden, samen als één zitting beschouwd. 3. De voorzitter van de accountantskamer kan besluiten dat een vergoeding overeenkomstig het eerste lid aan een lid of plaatsvervangend lid als bedoeld in [artikel 19, derde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024238&artikel=19) wordt toegekend voor het concipiëren van een uitspraak in een zaak waarin geen zitting heeft plaatsgevonden. 4. De voorzitter van de accountantskamer kan besluiten dat een vergoeding overeenkomstig [artikel 19, vierde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024238&artikel=19) wordt toegekend aan een lid of plaatsvervangend lid als bedoeld in [artikel 19, derde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024238&artikel=19) voor het verrichten van deskundigenonderzoek. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17286,"b":"Regeling Cultuureducatie met Kwaliteit 2025–2028 gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gelet op [artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); gelet op het [Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516); met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 november 2023; besluit: vast te stellen de: Regeling Cultuureducatie met Kwaliteit 2025–2028 Fonds voor Cultuurparticipatie Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen Artikel 1.1. Gebruikte begrippen - a. **Achterstandsscore:** de achterstandsscores geven de verwachte onderwijsachterstanden op scholen aan. Aan de hand van deze scores verdeelt het Ministerie van OCW het onderwijsachterstandenbudget over de scholen; - b. **Activiteitenkosten:** de kosten die gemaakt worden voor de uitvoering van het project. Deze kosten staan in directe relatie tot het werk van en in samenwerking met het onderwijs en culturele partners. De kosten voor coördinatie, kennisdeling, monitoring, evaluatie en accountantskosten vallen niet onder de activiteitenkosten; - c. **Adhesieverklaring:** schriftelijke steunbetuiging van een gemeente of provincie aan de penvoerder, het inhoudelijke plan en begroting die passen binnen het programma Cultuureducatie met Kwaliteit 2025–2028; - d. **Adviescommissie:** een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het [Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](onbekend); - e. **Activiteit:** Een specifieke handeling of bezigheid die door de aanvrager wordt geiniteerd en door, of met, de doelgroep (een individu, groep of organisatie) wordt uitgevoerd om een specifieke outcome te bereiken. Denk hierbij aan het brainstorms, repetities, coachingsessies, bijeenkomsten, presentaties etc. - f. **Algemeen Subsidieregleme"},{"i":10020,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 november 2016 nr. BOACAT2016/062, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Directie Vastgoedbeheer van het Rijksvastgoedbedrijf in het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur Gelezen het verzoek van de Directie Vastgoedbeheer van het Rijksvastgoedbedrijf van 18 oktober 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038715&artikel=2&z=2016-11-18&g=2016-11-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van (sr) medewerker vastgoed en infrastructuur in dienst van de Directie Vastgoedbeheer van het Rijksvastgoedbedrijf, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opspori"},{"i":7830,"b":"Besluit van 4 december 2008 houdende toestemming als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder c, van de Bankwet 1998 met het oog op de eenmalige uitvoering van het IJslandse depositogarantiestelsel door De Nederlandsche Bank N.V Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 3 december 2008, nr. FM/2008/3097 M; Gelet op [artikel 9, aanhef en onder c, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Wij verlenen toestemming aan De Nederlandsche Bank N.V. om die werkzaamheden te verrichten die noodzakelijk zijn in het kader van de afwikkeling van het IJslandse depositogarantiestelsel. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10054,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 februari 2019, nr. IENW/BSK-2019/16637, tot instelling van het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing Infrastructuur en Waterstaat Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3) en op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), [10:11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:11) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **DCC-IenW:** Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing Infrastructuur en Waterstaat; - **ministerie:** Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - **OCM-IenW:** Overleg Crisismanagement Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 2 1. De directeur-generaal Rijkswaterstaat wordt aangewezen als portefeuillehouder crisisbeheersing van het ministerie binnen de bestuursraad van het ministerie. 2. Aan de portefeuillehouder crisisbeheersing van het ministerie wordt het tot stand brengen van een samenhangend crisisbeheersingsbeleid van het ministerie opgedragen. 3. De portefeuillehouder crisisbeheersing van het ministerie legt aan de bestuursraad van het ministerie verantwoording af over het functioneren van het DCC-IenW. Artikel 3 1. Er is een DCC-IenW. 2. Het DCC-IenW staat onder leiding van het hoofd DCC-IenW. 3. Het hoofd DCC-IenW legt over het gevoerde crisisbeheersingsbeleid verantwoording af aan de portefeuillehouder crisisbeheersing van het ministerie. 4. De werkwijze van het DCC-IenW staat beschreven in het Handboek Crisisbeheersing van het DCC-IenW. Artikel 4 Het DCC-IenW heeft tot taak het fungeren als het departementaal coördinatiecentrum voor crisisbeheersing en het zijn van knooppunt"},{"i":10058,"b":"Besluit van 2 juli 2024, nr. 2024001707, houdende instelling van een Ministerie van Klimaat en Groene Groei Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 2 juli 2024, kenmerk 4404110; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er is een Ministerie van Klimaat en Groene Groei. Artikel 2 Onze Minister van Klimaat en Groene Groei wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van Klimaat en Groene Groei voor zover deze voor 2 juli 2024 waren opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 3 De taken van het Ministerie van Economische Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 4 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049934&artikel=2&z=2024-07-06&g=2024-07-06) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049934&artikel=3&z=2024-07-06&g=2024-07-06) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Klimaat en Groene Groei, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 2 juli 2024. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":10055,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 24 september 2012, nr. DME/480/2012, tot instelling en bezoldiging van de Adviescommissie Fonds Duurzaam Water Gelet op [artikel 4.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.8); Gelet op [het besluit van 21 maart 2012, nr. DJZ/BR/0311-2012, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006, Fonds Duurzaam Water (FDW)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031396)1Staatscourant 2012, 6036. Besluit: Artikel 1 1. Er is een Adviescommissie Fonds Duurzaam Water (AFDW). 2. De adviescommissie adviseert de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over de beoordeling van aanvragen voor subsidie in het kader van het Fonds Duurzaam Water (FDW). Artikel 2 1. De adviescommissie toetst de beoordeling van aanvragen op kwaliteit en consistentie met de beleidsregels voor het Fonds Duurzaam Water. 2. De toetsing van de adviescommissie resulteert in instemming met of afwijking met de voorgenomen uitkomst van de beoordeling van een aanvraag. In het advies van de commissie worden de argumenten bij een afwijkend oordeel duidelijk aangegeven. 3. Een lid van de adviescommissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij het ingediend projectvoorstel. Artikel 3 1. De adviescommissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en tenminste twee en ten hoogste zes andere leden. 2. De voorzitter en de overige leden van de adviescommissie worden benoemd en ontslagen door de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken voor een door de Staatsecretaris te bepalen tijdvak. 3. De leden van de adviescommissie zijn te allen tijde herbenoembaar. 4. Het vereiste quorum voor een besluitvormende vergadering van de adviescommissie is bereikt bij aanwezigheid van een meerderheid van de benoemde leden. De commiss"},{"i":10056,"b":"Besluit instelling Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen Infrastructuur en Milieu van 1 november 2016 Gelet op [artikel 9:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14), [artikel 3, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=3) en [artikel 6, eerste lid, van de Klachtenregeling seksuele intimidatie burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006835&artikel=6); Gehoord de Departementale Ondernemingsraad van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - b. **ministerie:** Ministerie van Infrastructuur en Milieu; - c. **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het ministerie; - d. **hoofddirecteur FMC:** hoofddirecteur Financiën, Management en Control van het ministerie; - e. **EC O&P:** Expertisecentrum Organisatie en Personeel, onderdeel van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - f. **medewerker:** degene die werkzaamheden verricht of heeft verricht bij het ministerie; - g. **ongewenste omgangsvormen:** factoren van direct of indirect onderscheid in de arbeidssituatie die stress teweegbrengen, met inbegrip van intimidatie, seksuele intimidatie, agressie, geweld en pesten; - h. **vertrouwenspersoon:** als zodanig aangewezen persoon; - i. **klacht:** schriftelijke klacht over ongewenste omgangsvormen; - j. **commissie:** klachtencommissie, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038720&paragraaf=3&artikel=3&z=2016-11-18&g=2016-11-18); - k. **klager:** medewerker die een klacht heeft ingediend bij de commissie; - l. **aangeklaagde:** degene op wie de klacht betrekking heeft. § 2. Werkingsgebied Artikel 2 1. De medewerker die wordt of is geconfronteerd met ongewenste omgangsvor"},{"i":10059,"b":"Besluit van 26 oktober 2017 nr. 2017001804, houdende instelling van een ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 25 oktober 2017, nr. 3213925; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 Er is een ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 2 Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wordt, behoudens het groen onderwijs, belast met de behartiging van de aangelegenheden op de terreinen van landbouw, visserij, natuur, voedselkwaliteit en regionale economische ontwikkeling voor zover deze voor 26 oktober 2017 waren opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken. Artikel 3 De taken van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 4 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040169&artikel=2&z=2017-11-05&g=2017-11-05) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040169&artikel=3&z=2017-11-05&g=2017-11-05) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug toten met 26 oktober 2017. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worde"},{"i":10057,"b":"Besluit van 11 maart 1953, houdende de instelling Koninklijke Luchtmacht Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog van 5 Maart 1953, DG La U 106; Gelet op artikel 61 en 188 van de Grondwet; Overwegende dat bij de landmacht de luchtstrijdkrachten zich hebben ontwikkeld van het Wapen der militaire Luchtvaart tot een zelfstandig militair orgaan; Overwegende voorts de uitnemende diensten door de luchtstrijdkrachten in tijden van oorlog en gevaar aan Ons en den lande bewezen; Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel De luchtstrijdkrachten, behoudens die behorende tot de zeemacht, vormen Onze luchtmacht en zullen als zodanig genaamd zijn de Koninklijke Luchtmacht. Onze Minister van Oorlog is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":10060,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, nr. RWS/SDG/HRM-2011/2364, houdende instelling van Rijkswaterstaat Verkeer- en Watermanagement Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Instelling 1. Er is een landelijke dienst Rijkswaterstaat Verkeer- en Watermanagement. 2. Rijkswaterstaat Verkeer- en Watermanagement maakt deel uit van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat. Artikel 2. Taken Rijkswaterstaat Verkeer- en Watermanagement heeft tot taak: - a. het zorg dragen voor het (landelijke) operationele verkeer- en watermanagement; - b. het zorg dragen voor verkeersgeleiding, op basis van het opstellen van scenario’s, onder alle (weers)omstandigheden en voor alle netwerken; - c. het ondersteunen van de processen binnen Rijkswaterstaat. Artikel 3. Organisatie Rijkswaterstaat Verkeer- en Watermanagement staat onder leiding van een hoofdingenieur-directeur. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10061,"b":"Besluit intrekking aanwijzing militair luchtvaartterrein Soesterberg Handelende na overleg met de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Overwegende dat het militaire luchtvaartterrein Soesterberg door de staatssecretaris van Defensie is aangewezen op grond van de Luchtvaartwet; Overwegende dat rond het militaire luchtvaartterrein Soesterberg door de staatssecretaris van Defensie in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op grond van de Luchtvaartwet een geluidszone is vastgesteld; Overwegende dat in de brief van de minister van Defensie aan de Tweede Kamer d.d. 16 september 2003 (kamerstuk 29200 X 4), in het Structuurschema Militaire Terreinen 2 (kamerstuk 28114 16) en in de Nota Ruimte (kamerstuk 29435 154) de beëindiging van de militaire functies van het militaire luchtvaartterrein Soesterberg is aangekondigd; Overwegende dat de militaire functies van het militaire luchtvaartterrein Soesterberg zijn beëindigd; Gelet op [artikel 29, eerste lid van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=29); Besluit: Artikel 1 1. Het besluit van de staatssecretaris van Defensie tot het aanwijzen van het militaire luchtvaartterrein Soesterberg nr. 260.023/F van 8 juni 1961 (Stcrt. nr. 118), zoals gewijzigd en aangevuld bij Koninklijk Besluit nr. 42 van 3 juli 1962 (Stcrt. nr. 185), wordt ingetrokken. 2. Het besluit van de staatssecretaris van Defensie tot het vaststellen van de geluidszone rond het militaire luchtvaartterrein Soesterberg nr. MG93019049/MG93019055 van 22 maart 1993 (Stcrt. nr. 61), nadien gewijzigd door een voorlopige voorziening van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 november 2004 nr. 200403892/1, wordt ingetrokken. Artikel 2 Aan degene die door dit besluit schade lijdt of zal lijden, wordt op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, voor zover die schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te bli"},{"i":10063,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu , tot intrekking van het besluit van de minister van infrastructuur en milieu d.d. 15 december 2010, nr. Iv2010033582, Staatscourant 2010, tot beperking van de openbaarheid van inventarisnummers van het naar het nationaal archief over te brengen archief van het directoraat-generaal van de volkshuisvesting van het voormalig ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu, (1947) 1982–1993 (1996) Gelet op het [Besluit houdende opheffing van de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat en instelling van een ministerie van Infrastructuur en Milieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028857) d.d. 14 oktober 2010, Nr. 10.002841, Staatscourant 2010. Gezien het Overdrachtsprotocol voormalig VROM/WWI - BZK, ELI en IenM d.d. 26 januari 2011; Besluit: Artikel 1 Het [besluit van 15 december 2010, nr. IV2010033582, tot beperking van de openbaarheid van inventarisnummers van het naar het Nationaal Archief over te brengen archief van het Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting van het voormalig ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, (1947) 1982–1993 (1996)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029206) in te trekken. Het zorgdragerschap van in het [besluit van 15 december 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029206) genoemde archief ligt bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatcourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":10064,"b":"Besluit van 29 september 2009 tot intrekking van het Besluit financiële zekerheid milieubeheer en herstel van enkele gebreken in enkele besluiten op de beleidsterreinen van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 juli 2009, nr. BJZ2009045516; Gelet op de [richtlijn nr. 98/81/EG](31998L0081) van de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 1998 tot wijziging van [richtlijn nr. 90/219/EEG](31990L0219) inzake het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PbEG L 330), [artikel 32, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=32), de [artikelen 1.1, derde lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1)[8.15, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.15), [8.20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.20), [8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [9.2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), [9.2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.3), [9.2.3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.3.2) en [21.8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.8); De Raad van State gehoord (advies van 29 juli 2009, nr. W08.09.0241/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 23 september 2009, nr. BJZ2009053718; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Het [Besluit financiële zekerheid milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014686) wordt ingetrokken. Artikel II Wijzigt het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer. Artikel III Wijzigt het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. Artikel IV Wijzigt het Besluit stralingsbescherming. Artikel V Op het"},{"i":12882,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Zee- en Kustvisserij vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 juni 2007, arc-2007.03942/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Zee- en Kustvisserij over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12759,"b":"Besluit vaststelling factoren L en r boekjaar 2019 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2019 vastgesteld op 0,133901 %. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2019 vastgesteld op 0,071386 %. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit is geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":10168,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 27 oktober 2021, nr. IENW/BSK-2021/275727, houdende vaststelling van het maximaal toegestane aandeel van het eigen vermogen in het totale vermogen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Drinkwaterwet, en van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet, bedoeld in het derde lid van dat artikel, voor de kalenderjaren 2022 tot met 2024 Gelet op [artikel 10, tweede en derde lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10), de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=6) en [7 van het Drinkwaterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=7) en [artikel 5 van de Drinkwaterregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030152&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 Het maximaal toegestane aandeel van het eigen vermogen in het totale vermogen van een drinkwaterbedrijf, bedoeld in [artikel 10, tweede lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10), wordt voor de kalenderjaren 2022 tot met 2024 vastgesteld op 70%. Artikel 2 De gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet, bedoeld in [artikel 10, derde lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10), wordt voor de kalenderjaren 2022 tot met 2024 vastgesteld op 2,95%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13996,"b":"Protocol inzake advisering toetsing benoembaarheid ministers in Aruba overwegende: dat het gewenst is door een commissie van deskundigen te doen onderzoeken welke criteria een rol dienen te spelen bij de toetsing van benoembaarheid tot Arubaans minister; handelende in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van het Koninkrijk; gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); Besluiten: Artikel 1. Instelling Er is een Commissie van deskundigen inzake de toetsing van benoembaarheid van Arubaanse ministers, in dit besluit aangeduid als de commissie. Artikel 2. Samenstelling en ondersteuning 1. De commissie bestaat uit drie personen. De voorzitter wordt aangewezen door de minister-president van Aruba en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezamenlijk. Één lid wordt aangewezen door de minister-president van Aruba, één lid wordt aangewezen door de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. De commissie beschikt over een secretaris. De secretaris wordt aangewezen door de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met de minister-president van Aruba. 3. De regering van de Nederlandse Antillen kan desgewenst een waarnemer bij de commissie benoemen. Artikel 3. Opdracht 1. De commissie adviseert over de criteria die bij de toetsing van de benoembaarheid tot Arubaans minister een rol dienen te spelen. 2. De commissie besteedt bijzondere aandacht aan de rol van de Gouverneur ten aanzien van de benoeming van ministers, zowel wat betreft de inhoudelijke toetsing van de benoembaarheid, als wat betreft procedurele aspecten. Artikel 4. Werkwijze 1. De commissie neemt bij het opstellen van haar advies de bestaande wettelijke kaders van Statuut en andere rijksregelgeving in acht. 2. Bestaande bevoegdheden van bij de benoeming van ministers betrokken organen dienen te worden ger"},{"i":10103,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van 6 december 2021, nr. NVWA/2022/457, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Nederlandse Voedsel-en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2022) § 1. Algemene bepalingen § 1. Algemene bepalingen Artikel 2 1. Aan de inspecteur-generaal is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden: - a. aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voor zover niet vallend onder het werkterrein van een directeur, divisiehoofd, afdelingshoofd of teamleider; - b. aangelegenheden op het werkterrein van een directeur of divisiehoofd: - 1°. ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of - 2°. die door een directeur of divisiehoofd aan de inspecteur-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de inspecteur-generaal door een andere directeur of divisiehoofd moeten worden behandeld. 2. Tot de in het eerste lid, onder a bedoelde aangelegenheden op het gebied van personeel behoren in elk geval: - a. het verlenen van langdurig verlof als bedoeld in paragraaf 4.6 van de CAO Rijk; - b. het opdragen van een andere functie; - c. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden; - d. het toekennen van een hogere salarisschaal; - e. het toekennen van beloningen, anders dan genoemd in artikel 3, eerste tot en met het vijfde lid; - f. het toekennen van verplichte en onverplichte schadeloosstellingen, vergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen; - g. het tre"},{"i":10109,"b":"Besluit van de directeur Mens en Organisatie van 16 oktober 2023, nr. 36304847, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Mens en Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Mens en Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2023) Gelet op [artikel 19 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=19); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur:** de directeur Mens en Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - b. **de afdelingshoofden:** de hoofden van de afdelingen van de directie Mens en Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - c. **het DT:** het directieteam van de directie Mens en Organisatie bestaande uit het collectief van de onder a en b genoemde functionarissen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - d. **de MT-leden:** de leden van de managementteams van een afdeling van de directie Mens en Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - e. **het MT:** het managementteam van een afdeling van de directie Mens en Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - f. **het afdelingshoofd P&O:** het hoofd van de afdeling P&O van de directie Mens en Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - g. **de teamleiders:** de teamleiders van de directie Mens en Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - h. **de P&O-adviseurs:** de P&O-adviseurs van de directie Mens en Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - i. **de medewerkers Mens en Organisatie:** de medewerkers van de directie Mens en Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - j. **het bedrag:** het bedrag inclusief verschuldigde omzetbelasting (BTW); - k. **de ma"},{"i":10116,"b":"Besluit van de directeur-generaal Economie en Digitalisering van het Ministerie van Economische Zaken van 8 september 2022, nr. 22102386, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Economie en Digitalisering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Economie en Digitalisering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2022) Gelet op [artikel 19 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=19); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **het bedrag:** het bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW). - –. **de directeur-generaal:** de directeur-generaal Economie en Digitalisering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - –. **de directeuren:** de directeuren van het directoraat-generaal Economie en Digitalisering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - –. **het hoofd stafbureau DG:** het hoofd van het stafbureau van het directoraat-generaal Economie en Digitalisering; - –. **de MT-leden van een directie:** de leden van het managementteam van een directie van het directoraat-generaal Economie en Digitalisering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat met uitzondering van de directeur. § 2. Taakverdeling tussen de directeur-generaal en de directeuren Artikel 2 Aan de directeur-generaal is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden: - a. onderwerpen die twee of meer directies van diens dienstonderdeel raken, tenzij daarover tussen de betrokken directeuren overeenstemming bestaat; - b. aangelegenheden op het werkterrein van een directeur: - 1°. ten aanzien waarvan de directeur-generaal"},{"i":10117,"b":"Besluit van de directeur-generaal Klimaat en Energie van het Ministerie van Economische Zaken van 21 december 2018, nr. 18320844, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Klimaat en Energie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Klimaat en Energie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019) Gelet op [artikel 19 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=19); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur-generaal:** de directeur-generaal Klimaat en Energie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - b. **de directeuren:** de directeuren en de kwartiermaker projectorganisatie NEO NL van het directoraat-generaal Klimaat en Energie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - c. **het MT-KE:** het collectief van de onder a en b bedoelde functionarissen; - d. **de MT-leden van een directie:** de leden van het managementteam van een directie van het directoraat-generaal Klimaat en Energie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat met uitzondering van de directeur en de plaatsvervangend directeur; - e. **het hoofd cluster Algemene Zaken:** het hoofd van het cluster Algemene Zaken van het directoraat-generaal Klimaat en Energie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - f. **het bedrag:** het bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW). § 2. Taakverdeling tussen de directeur-generaal en de directeuren Artikel 2 Aan de directeur-generaal is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden: - a. onderwerpen die twee of meer directies van zijn dienstonderdeel raken"},{"i":10101,"b":"Besluit van de concerndirecteur Mens en Organisatie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, van 5 augustus 2024, nr. IENW/BSK-2024/185405, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan de directeur Integriteit (Besluit ondermandaat directeur Integriteit Infrastructuur en Waterstaat) Gelet op [artikel 27, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27); BESLUIT: Artikel 1. Verlening ondermandaat Aan de directeur Integriteit worden de door de Minister aan de concerndirecteur Mens en Organisatie verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27), voor zover die behoren bij zijn taken op het terrein van integriteit in ondermandaat verleend. Tot dit mandaat behoren geen handelingen die zien op personele aangelegenheden. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondermandaat directeur Integriteit Infrastructuur en Waterstaat. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10133,"b":"Besluit slotallocatie burgermedegebruik militair luchtvaartterrein Eindhoven Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie; Gelezen het verzoek van Eindhoven Airport N.V. d.d. 2 december 2003; Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel b, en artikel 2, tweede lid, Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Het militair luchtvaartterrein Eindhoven wordt ten aanzien van het medegebruik door burgerluchtvaartuigen aangewezen tot volledig gecoördineerd luchtvaartterrein. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10134,"b":"Besluit van 16 oktober 2007, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies ten behoeve van de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling (Besluit stimulering duurzame energieproductie) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 17 juli 2007, nr. WJZ 7085218; Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 23 augustus 2007, nr. W10.07.0257/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 10 oktober 2007, nr. WJZ 7112075; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. hernieuwbare energiebronnen: wind, zonne-energie, aardwarmte, omgevingswarmte, osmose, golfenergie, getijdenenergie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas; - b. biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw – met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen –, de bosbouw, de visserij- en aquacultuursector en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval; - c. hernieuwbare elektriciteit: elektriciteit, opgewekt in een productie-installatie die uitsluitend gebruik maakt van hernieuwbare energiebronnen, alsmede elektriciteit die is opgewekt met hernieuwbare energiebronnen in een hybride productie-installatie die ook met conventionele energiebronnen werkt, met inbegrip van elektriciteit die is opgewekt met hernieuwbare energiebronnen en die wordt gebruikt voor accumulatiesystemen, en met uitzondering van elektriciteit die afkomstig is van accumulatiesystemen; - d. gas: gas als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1); - e. hernieuwbaar gas: gas, opgewekt in een productie-instal"},{"i":4906,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 5 april 2024, nr. 2024-0000155850, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in het kader van bijdrageverstrekking aan zelfstandige bestuursorganen en rechtspersonen met een wettelijke taak, en de subsidiëring van publiekrechtelijke instellingen voor activiteiten van data en onderzoek met betrekking tot de publieke behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de gebouwde omgeving voortvloeiend uit het Beleidsprogramma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving en hoofdstuk C1 van het Klimaatakkoord (Mandaatbesluit RVO bijdrage- en subsidieverstrekking data en onderzoek gebouwde omgeving) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van 4 maart 2024, kenmerk MD202418INSTAC; BESLUIT: Artikel 1 1. Aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op grond van [artikel 2, eerste lid, onder e, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=2), besluiten te nemen in het kader van de subsidiëring van publiekrechtelijke instellingen en bijdrage te verstrekken aan zelfstandige bestuursorganen en rechtspersonen met een wettelijke taak voor activiteiten van data en onderzoek met betrekking tot de publieke behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de gebouwde omgeving"},{"i":7033,"b":"Inwerkingtreding EG-Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken 1. Inleiding Op 1 maart 2002 treedt de [Verordening (EG) Nr. 44/2001](32001R0044) van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 12) in werking (hierna: de verordening). Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en geldt rechtstreeks in Nederland ingevolge het Verdrag tot oprichting van de EG. De in de artikelen 38 tot en met 58 van de verordening opgenomen regeling voor het verlof tot tenuitvoerlegging van de door de verordening bestreken executoriale titels behoeft aanvulling in ons nationale recht. Een daartoe strekkend wetsvoorstel is inmiddels aan de Raad van State voor advies voorgelegd ([Uitvoeringswet EG-executieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015325)). Nu dit wetsvoorstel niet gelijk met de verordening op 1 maart 2002 in werking zal treden, kunnen er vragen rijzen over de betekenis en de gevolgen van de verordening tot het tijdstip van inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Deze circulaire beoogt hieromtrent duidelijkheid te scheppen. 2. Werkingssfeer EG-executieverordening De verordening is in al haar onderdelen verbindend en rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten van de Europese Unie met uitzondering van Denemarken. Voor Denemarken geldt de verordening niet en blijft het op 27 september 1968 te Brussel tussen de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap tot stand gekomen Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Trb. 1969, 101), ook wel Verdrag van Brussel of EEX-Verdrag genoemd, van kracht. De verordening treedt derhalve in de betrekkingen tussen lidstaten in de plaats van het EEX-verdrag met uitzondering van de grondgebieden van de lidstaten die onder de ter"},{"i":10140,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 5 november 2025, nr. IENW/BSK-2025/259278 houdende de tijdelijke aanwijzing van entiteiten voor de onbemande luchtvaart ter uitvoering van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947 van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 2019, L 152) Gelet op de [artikelen 13, vierde lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=13) en [3, zevende lid en achtste lid, van de Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012923&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Als aangewezen examenentiteit voor de onbemande luchtvaart, als bedoeld in [artikel 13, vierde lid, onder a, b, d en e, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=13) worden de volgende instellingen aangewezen: - a. EuroUSC-Benelux B.V., KvK nummer 61906085; - b. Drone Flight Academy B.V., KvK nummer 65131231; - c. Omni-Drones B.V., KvK nummer 58417435; - d. Drone Class, KvK nummer 82792593; - e. Stichting Regionaal opleidingscentrum van Amsterdam, KvK nummer 41216421; - f. Drone Education Centre B.V., KvK nummer 62297058; - g. Stichting Aeres Groep, KvK nummer 41246832; - h. CHIC BVBA (Noordzee Drones). 2. Als aangewezen examenentiteit voor de onbemande luchtvaart, als bedoeld in [artikel 13, vierde lid, onder a en b, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=13) wordt de volgende instelling aangewezen: - a. The-box.systems B.V., KvK nummer 9761220. Artikel 2 De aanwijzing kan worden ingetrokken wanneer een entiteit, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051714&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), niet voldoet aan de voorwaarden opgenomen in [bijlage 6 bij de Regeling opleidingsinstellingen"},{"i":10141,"b":"Besluit tijdelijke voorzieningen voor de periode dat Minister B. van ’t Wout zijn taken als Minister van Economische Zaken en Klimaat niet kan uitoefenen Op voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 25 mei 2021, nr. 3752771; Gelet op de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=43) en [44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel I 1. Minister B. van ’t Wout voor de periode dat hij niet in staat is zijn taken als Minister van Economische Zaken en Klimaat uit te oefenen, te ontheffen van de leiding van het ministerie Economische Zaken en Klimaat. 2. Minister drs. S.A. Blok voor de in artikel 1 genoemde periode te ontheffen van de leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en te belasten met de leiding van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. 3. Minister S.A.M. Kaag voor de in artikel 1 genoemde periode te belasten met de leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 24 mei 2021. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemde ministers, de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":10143,"b":"Besluit toegestane marktactiviteiten Rijkswaterstaat wegens onlosmakelijke verbondenheid met publieke taak dan wel ter benutting van noodzakelijke restcapaciteit Gelet op de aanwijzingen 5 en 6 van de Aanwijzingen van de Minister-President inzake het verrichten van marktactiviteiten door organisaties binnen de rijksdienst van 8 mei 1998 (Stcrt. 1998, 95); Besluit: Artikel 1 Door het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat mogen producten en diensten worden aangeboden aan organisaties en personen buiten de rechtspersoon Staat, mits - a. het activiteiten betreft die onlosmakelijk verbonden zijn met de uitvoering van de publieke taak van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat en die betrekking hebben op het beschikbaar stellen van overtollige oppervlaktedelfstoffen, materiaal of materieel dan wel op detachering van personeel voor loopbaanontwikkeling, of - b. dit geschiedt ter benutting van noodzakelijke restcapaciteit en betrekking heeft op het - met gebruikmaking van materieel en apparatuur en dergelijke verzamelen, analyseren en beschikbaar stellen van met weg- en waterbeheer verband houdende gegevens; - beschikbaar stellen van gegevens(bestanden), kaarten, leidraden, foto's en dergelijke of programmatuur; - beschikbaar stellen van grond, kunstwerken of andere objecten voor het aanbrengen van kabels, leidingen en apparatuur voor telecommunicatievoorzieningen; - beschikbaar stellen van ruimte in gebouwen of van capaciteit van werktuigen of materieel, of - verzorgen van berichtgeving inzake wegverkeer, scheepvaartverkeer of waterstanden. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2000. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit toegestane marktactiviteiten Rijkswaterstaat wegens onlosmakelijke verbondenheid met publieke taak dan wel ter benutting van noodzakelijke restcapaciteit. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscou"},{"i":18786,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden BZK Zuivering Ambtenaren (2.04.67), Militair Gezag (2.13.25), BRIOP (2.13.208), Defensie Collectie Zuiveringen (2.13.99), Financiën Bureau Zuivering (2.08.79), BZK Bureau Invordering (2.04.77), Justitie Afdeling Politie (2.09.107), Justitie RVD (2.09.45) en NEFIS (2.10.62) Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het besluit van: de Minister van Binnenlandse Zaken van 10 november 1998, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 4 december 2013 (Staatscourant 2013, nr. 34781), [de Minister van Defensie van 21 september 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030488) (Staatscourant 2011 nr. 17609), de Minister van Defensie van 10 december 2001, [de Minister van Financiën van 7 maart 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023695) (Staatscourant 2008 nr. 61), [de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 november 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011783) (Staatscourant 2000, nr. 233), [de Minister van Justitie van 12 januari 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026704) (Staatscourant 2009, 17934), [de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 11 augustus 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036942) (Staatscourant 2015, nr. 25476), [de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 juni 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022102) (Staatscourant 2007, nr. 115), houdende de beperking op de openbaarheid. Besluit: Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken: Zuivering Ambtenaren en Nederlandse Orden, (1940) 1945-1959 (1984), nummer archiefinventaris 2.04.67, die in de bijlage worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden g"},{"i":18938,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 26 januari 2022 nr. BOACAT2022/004, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Stichting Het Drentse Landschap Gelezen het verzoek van de directeur van de Stichting het Drentse Landschap van 1 november 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046267&artikel=2&z=2024-04-04&g=2024-04-04). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van rayonbeheerder, medewerker BOA en onbezoldigde toezichthouders in dienst van de Stichting het Drentse Landschap, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend t"},{"i":10149,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 4 december 2017, IENM/BSK-2017/299981, inzake de routinematige digitale vervanging archiefbescheiden personeelsdossiers, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Besluit routinematige digitale vervanging archiefbescheiden personeelsdossiers Infrastructuur en Waterstaat) Gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6); [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); het [Besluit van de minister van Verkeer en Waterstaat van 9 december 2009, nr. CEND/FMC-2009/1994, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026851), gepubliceerd in de Staatscourant op 17 december 2009, nr. 19430. Besluit: Artikel 1 1. Over te gaan tot routinematige vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van het **BSD ‘Mens en Werk’** voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. Reproductie geschiedt op de wijze zoals beschreven in het vastgestelde **Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers**, onderhouden en beheerd door ministerie BZK/P-Direkt. 3. De [Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 8 november 2013, nr. IENM/BSK-2013/263406 Digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Infrastructuur en Milieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034201) wordt ingetrokken. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit tot routinematige digitale vervanging archiefbescheiden personeelsdossiers Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Bijlage D"},{"i":10147,"b":"Besluit tot opheffing Commissie Watersnood Maas Gezien het besluit van 28 januari 1994, nr. ZA 168139, Hoofddirectie van de Waterstaat, waarbij is ingesteld de Commissie Watersnood Maas; Overwegende dat de voorzitter van de Commissie Watersnood Maas mij op 12 december 1994 het eindrapport heeft aangeboden en de commissie hiermee haar taak als beëindigd beschouwt; Besluit: Artikel 1 De Commissie Watersnood Maas wordt opgeheven. Artikel 2 Het archief van de commissie is overeenkomstig [artikel 1 sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007203&artikel=1&z=1995-01-23&g=1995-01-23). van het besluit van 13 mei 1983, nr. A 23146, aanwezig bij de Onderafdeling Algemene Secretarie van de Hoofddirectie van de Waterstaat. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van heden. Afschrift van dit besluit wordt gezonden aan: a. de voorzitter, vice-voorzitter, secretaris en leden van de commissie; b. de Algemene Rekenkamer; c. Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg; d. Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland; e. Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant; f. het Dagelijks Bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei; g. het Dagelijks Bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas; h. de voorzitter van de Unie van Waterschappen; i. de Vereniging van Limburgse Gemeenten; j. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Dit besluit zal worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":10148,"b":"Besluit van 9 september 1959, tot regeling van de toelating van vreemde militaire luchtvaartuigen binnen Nederlands rechtsgebied Op de voordracht van Onze Ministers voor Defensie, van Verkeer en Waterstaat en van Buitenlandse Zaken van 20 april 1959, nr. 202.620/3 G; Overwegende, dat het noodzakelijk is een nieuwe regeling vast te stellen voor de toelating van vreemde militaire luchtvaartuigen binnen Nederlands rechtsgebied; Gelet op artikel 76, eerste lid, onder **d** van de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) (Wet van 15 januari 1958, **Stb.** 47); De Raad van State gehoord (advies van 16 juni 1959, nr. 25); Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Defensie a.i., van Verkeer en Waterstaat a.i. en van Buitenlandse Zaken a.i. van 14 augustus 1959, Directoraat Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving en Publiekrecht (Oorlog), nr. 202.620/4 D, nr. Def. Marine 538.693/245.682; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. \"vreemde militaire luchtvaartuigen\": alle luchtvaartuigen van vreemde nationaliteit, waarin het bevel wordt gevoerd door een militair van vreemde nationaliteit; - b. \"Nederlands rechtsgebied\": het grondgebied van Nederland, daaronder begrepen de territoriale wateren, zomede de luchtruimte boven dit gebied; - c. \"Onze minister\": Onze minister van defensie. Artikel 2 1. Vreemde militaire luchtvaartuigen mogen zich slechts na bekomen vergunning binnen Nederlands rechtsgebied begeven, dan wel daarin de luchtvaart uitoefenen. 2. Onze minister kan de in het eerste lid bedoelde vergunning verlenen op verzoek. 3. Onze minister is mede bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor door hem aan te wijzen soorten van vluchten met vreemde militaire luchtvaartuigen van door hem aan te wijzen nationaliteit. 4. Aan de vergunning, respectievelijk ontheffing, kunnen voorwaarden worden verbonden. Artikel 3 Het verzoek tot het verkrijgen van de in het vorige artikel bedoelde"},{"i":12685,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 8 januari 2018, houdende het vaststellen van de gelijkwaardige inspanning van decentrale overheden Handelende in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 3 van de Wet houdbare overheidsfinanciën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034360&artikel=3), Besluit: Artikel 1 Het collectieve aandeel van de decentrale overheden voor het EMU-saldo, zoals bedoeld in [artikel 3, tweede lid van de Wet houdbare overheidsfinanciën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034360&artikel=3), wordt voor het jaar 2018 vastgesteld op – 0,3 procent van het bruto binnenlands product. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2017, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte en de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 2018. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":10161,"b":"Besluit van 25 mei 2005, nr. KVI2005042221, houdende vaststelling van de formulieren voor het verzoek om toewijzing van broeikasgasemissierechten aan nieuwkomers in het systeem van handel in emissierechten Gelet op [artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4); Besluiten: Artikel 1 De formulieren voor een verzoek om toewijzing van broeikasgasemissierechten, bedoeld in [artikel 16.32, tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.32), wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlagen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlagen Formulier 1. Adresgegevens en status van de inrichting Formulier 2. CO2-verbrandingsemissies Formulier 3. CO2-procesemissies Formulier 4. Niet-eenduidig klassificeerbare emissies Formulier 5. Verklaring van degene die de inrichting drijft Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10160,"b":"Besluit van 6 oktober 2010 nr. 10.002770, houdende vaststelling van de bestanddelen van de vijf- en de tien-euromunt die in 2010 wordt uitgegeven met het thema ‘Nederland en Water(werken)’ Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 29 september 2010, FM/2010/17253 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen en Internationaal; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stb. 2010/725. Artikel 1 1. De beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2010 worden uitgegeven met het thema ‘Nederland en Water(werken)’ is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in de bovenste helft Onze beeltenis met als randschrift onderlijnd door een parelrand de tekst «BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN» en in de onderste helft spiegelbeeldig Onze beeltenis met als randschrift onderlijnd door een parelrand in spiegelbeeld de tekst «BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden omringd door een parelrand een afbeelding van Nederland met in de onderste helft de waardeaanduiding «5 euro» respectievelijk «10 euro», onder het woord «euro» het jaartal «2010», geheel onderin van links naar rechts kopstandig het teken van de Munt , in een cirkel in spiegelschrift de initialen van de ontwerpster «et», een ster en het teken van de Muntmeester . 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10169,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 25 oktober 2024, nr. IENW/BSK-2024/300854, houdende vaststelling van het maximaal toegestane aandeel van het eigen vermogen in het totale vermogen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Drinkwaterwet, en van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet, bedoeld in het derde lid van dat artikel, voor de kalenderjaren 2025 tot met 2027 Gelet op [artikel 10, tweede en derde lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10), de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=6) en [7 van het Drinkwaterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030111&artikel=7) en [artikel 5 van de Drinkwaterregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030152&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 Het maximaal toegestane aandeel van het eigen vermogen in het totale vermogen van een drinkwaterbedrijf, bedoeld in [artikel 10, tweede lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10), wordt voor de kalenderjaren 2025 tot met 2027 vastgesteld op 70%. Artikel 2 De gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet, bedoeld in [artikel 10, derde lid, van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=10), wordt voor de kalenderjaren 2025 tot met 2027 vastgesteld op 4,32%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10170,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 18 oktober 2019, nr. WJZ/ 19240234, tot vaststelling van het percentage duurzame elektriciteit van de totale hoeveelheid elektriciteit die wordt opgewekt door middel van niet-zuivere biomassa in een afvalverbrandingsinstallatie 2020 Gelet op [artikel 19, eerste lid, van de Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035971&artikel=19); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van de Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035971&artikel=19), bedraagt in kalenderjaar 2020 52 procent. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10173,"b":"Besluit vaststelling selectielijst beleidsterrein Milieubeheer vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 5 februari 2009, nr. bca-2008.05125/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Milieubeheer over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10174,"b":"Besluit vaststelling selectielijst van de Commissie voor de milieueffectrapportage, over de periode vanaf 1 december 1981 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst van de Commissie voor de milieueffectrapportage over de periode vanaf 1 december 1981 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst: BSD Personenvervoer, periode 1945-1996 (Staatscourant 2001, nr. 181) wordt voor de (actor) Commissie voor de milieueffectrapportage ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10176,"b":"Vaststelling selectielijst voor het Ministerie van Infrastructuur en Milieu over de periode vanaf 2010 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu over de periode vanaf 2010 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Met de vaststelling van deze selectielijst worden de volgende selectielijsten per 14 oktober 2010 voor de zorgdrager Minister van Infrastructuur en Milieu en daartoe behorende dienstonderdelen voor zover genoemd in hoofdstuk 2 van de selectielijst afgesloten, behoudens de in paragraaf 1.3 van de selectielijst benoemde uitzonderingssituaties: - •. 001. Coördinatie op hoog niveau (Stcrt. 53, 2009) - •. 009. Ouderenbeleid (Stcrt. 24, 2008); - •. 012. Kwaliteit van de wetgeving (Stcrt. 32, 2007); - •. 015. (Beheer van de) rijksbegroting (Stcrt. 62, 2005); - •. 016. Burgerluchtvaart (Stcrt. 302, 2008); - •. 020. Militair materieel (Stcrt. 79 van 24-4-2007); - •. 024. Arbeidsomstandigheden, vastgesteld 21- 4-2008 (Stcrt. 105 van 4-6-2008); - •. 033. Monumentenzorg (Stcrt. 145, 2005); - •. 040. Regulering en toezicht bank- en kredietwezen (Stcrt. 229, 2007); - •. 042. Studiefinanciering (Stcrt. 127, 2006); - •. 045. Rijkshuisvesting (Stcrt. 142, 2007); - •. 046. Voorlichting van de Rijksoverheid (Stcrt. 112, 2007); - •. 047. Inkomens- en arbeidsvoorwaardenbeleid (Stcrt. 34, 2007); - •. 049. Brandweer, rampenbestrijding en crisisbeheersing, ( Stcrt. 134, 2008); - •. 050. Militaire operatieën (Stcrt. 113, 2005); - •. 053. Algemene wetenschappelijke beleidsvoorbereiding (Stcrt. 149, 2006) - •. 054. Gewasbescherming (Stcrt. 241, 2006) - •. 056. Nationale ombudsman (Stcrt. 204, 2007); - •. 059. Landinrichting (Stcrt. 7, 2006) - •. 065. Heffing van Rijksbelastingen (Stcrt. 167, 2005); - •. 066. Sociale verzekeringen (Stcr"},{"i":10179,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 oktober 2007, aca-2007.04045/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument adelsbeleid, adelsrecht en het decoratiestelsel 1945– **Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdrager** Minister van Verkeer en Waterstaat Minister van Algemene Zaken Minister van Buitenlandse Zaken Minister van Justitie **Project Wegwerken Archief Achterstanden (PWAA)** **Vastgestelde versie november 2007** Lijst van afkortingen AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur art.: artikel AZ: Ministerie van Algemene Zaken BSD: Basis Selectie Document BZK: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties BZ: Ministerie van Buitenlandse Zaken BW: Burgerlijk Wetboek Def: Ministerie van Defensie EZ: Ministerie van Economische Zaken Fin: Ministerie van Financiën GW: [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) Jus: Ministerie van Justitie KB: Koninklijk Besluit LNV: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit MvT: Memorie van Toelichting NA: Nationaal Archief NBW: Nieuw Burgerlijk Wetboek OCW: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn RIO: Rapport"},{"i":10180,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bescherming van Persoonsgegevens 1968- (Minister van Verkeer & Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2007, nr. arc-2007.03507/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer & Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bescherming van Persoonsgegevens over de periode 1968–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10181,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Burgerluchtvaart vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 24 juni 2008 , nr. bca-2008.04926/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Burgerluchtvaart over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10182,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein ‘Coördinatie algemeen regeringsbeleid vanaf 1945’ (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 januari 2009 bca-2009.05163/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ‘Coördinatie algemeen regeringsbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":5237,"b":"Regeling aanwijzing certificaat Overgangsopleiding HBO-optometrie Gelet op [artikel 107a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=107a); Besluit: Artikel 1 Als getuigschrift als bedoeld in [artikel 107a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=107a) op basis waarvan de titel optometrist mag worden gevoerd, wordt aangewezen het certificaat Overgangsopleiding HBO-optometrie, afgegeven door de Hogeschool van Utrecht te Utrecht. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing certificaat Overgangsopleiding HBO-optometrie. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10183,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Geldzuivering, over de periode 1942–1986 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 augustus 2007, nr. aca-2007.03943/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Geldzuivering, over de periode 1942–1986](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":5347,"b":"Regeling van de minister van Veiligheid en Justitie van 2 februari 2015, nr. 595516, houdende intrekking van de Vergoedingsregeling gemeenten voor handhaving parkeren en overlast 2010 Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Intrekking De [Vergoedingsregeling gemeenten voor handhaving parkeren en overlast 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023836) wordt ingetrokken. Artikel 2. Overgangsbepaling Bestaande aanspraken van de gemeenten die voor 1 januari 2015 op grond van de regeling genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036262&artikel=1&z=2015-02-12&g=2015-02-12) tot stand zijn gekomen, worden overeenkomstig de regeling genoemd in artikel 1 afgedaan. Artikel 3. Slotbepaling Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10184,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gewasbescherming vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2006, nr. arc-2006.02763/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Gewasbescherming over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende vernietigingslijsten worden ingetrokken: ‘Lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in de archieven van het ministerie van Landbouw en Visserij en in de archieven van de onder dat ministerie ressorterende commissies en ambtenaren’ vastgesteld bij beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, resp. d.d. 29 december 1966, No. PAZ 400, afdeling Post- en Archiefzaken, en d.d. 3 februari 1967, No. 133349, afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming, voor wat betreft de categorie 81; ‘Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van de onder het ministerie van Landbouw en Visserij ressorterende Plantenziektenkundige dienst en van de onder deze dienst ressorterende districtskantoren, commissies en ambtenaren’ vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en de Minister van Landbouw en Visserij d.d. 5 april 1982, Dir. MMA/Ar. 219.228 en MZ 82/1705, voor wat betreft de categorieën 34 t/m 42 (Taak); ‘Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van de commissie toelating bestrijdingsmiddelen (tot 1 januari 1981 commissie voor fytopharmacie) en het bureau bes"},{"i":10185,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Goederenvervoer vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007, arc-2007.03635/7); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Goederenvervoer over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10186,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gratie vanaf 1945 (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 april 2006, nr. arc-2006.02861/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Gratie over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10187,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Grondprijsbeleid 1945–1993 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Grondprijsbeleid over de periode 1945–1993’ wordt met de daarbij behorende toelichting vastgesteld. Artikel 2 De ‘lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van de Grondkamers en de Centrale Grondkamer’ uit 1977 (Staatscourant 1977/58) wordt ingetrokken, voor zover deze handelingen bevat die zijn opgenomen in de voorliggende selectielijst. . Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument voor de neerslag van handelingen van de rijksoverheid op het gebied van grondprijsbeleid 1945–1993 **bestemd voor de zorgdragers:** Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, actoren Centrale Grondkamer en Regionale Grondkamers Ministerie van Financiën **Vastgesteld maart 2007** 1. Inleiding Dit BSD behandelt het overheidsbeleid betreffende het grondprijsbeleid in de jaren 1945–1993. Na de Tweede Wereldoorlog zag de overheid zich genoodzaakt enkele keren de vervreemding – het in andere handen doen overgaan, d.w.z. in eigendom overdragen – van landbouwgronden te reguleren omdat de prijzen van landbouwgronden door verschillende omstandigheden onevenredig stegen. De volgende wet- en regelgeving werd uitgevaardigd: Wet op vervreemding van landbouwgronden (WVL), Stb. 1953, 446 met uitvoeringsregelingen, 1953-1963. Kaderbesluit Grondbank, Stcrt. 1976, 101 me"},{"i":10188,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Herverzekering van export- en importkredieten en investeringsgaranties vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 mei 2007, nr. arc-2007.03707/13); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Herverzekering van export- en importkredieten en investeringsgaranties over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10189,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Internationale Monetaire en Financiële Zaken 1945- (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2007, nr. arc-2007.03507/9;) Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Internationale Monetaire en Financiële Zaken 1945–’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument **Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdragers** Minister van Financiën Minister van Buitenlandse Zaken Minister van Economische Zaken Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Minister van Algemene Zaken Op het beleidsterrein Internationale Monetaire en Financiële Zaken 1945– Vastgesteld/ Versie maart 2007 Lijst van afkortingen AmvB: Algemene maatregel van bestuur BZK: (Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties BSD: Basis Selectiedocument CAS: Centrale Archief Selectiedienst Coreper: Comite Représentants Permanents DNB: De Nederlandsche Bank EBU: Europese Betalingsunie ECB: Europese Centrale Bank EEG: Europese Economische Gemeenschap EG: Europese Gemeenschap EMI: Europees Monetair Instituut EMU: Europese Monetaire Unie EMS: Europese Monetair Stelsel ESCB: Europees stelsel van centrale banken Fin: (Ministerie van) Financiën GATT: General Agreement on Tariffs and Trade IGC: Intergouvernementele Conferenties IBRD: International Bank for"},{"i":17457,"b":"Regeling tegemoetkoming bijzondere kosten onderwijs en pedagogische activiteiten jeugdigen Gelet op [artikel 52, vierde lid, van de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=52); Gezien het advies van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming van 3 mei 2001, kenmerk 5095686/TH/rb; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: DJI: de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Artikel 2 1. De directeur kan de Minister van Veiligheid en Justitie verzoeken om een tegemoetkoming in de kosten die zijn verbonden aan het laten deelnemen van een jeugdige, aan een cursus of activiteit ten behoeve van zijn pedagogische vorming, voor zover die cursus of activiteit niet behoort tot het door de inrichting of de daaraan verbonden school geboden onderwijsprogramma. 2. De aanvraag gebeurt schriftelijk bij de DJI, onder opgave van aard en motivering en specificatie van de kosten. Artikel 3 Uit de aanvraag blijkt dat de cursus of activiteit, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012737&artikel=2&z=2011-07-17&g=2011-07-17), zich verdraagt met het perspectiefplan van de jeugdige en dat deelname daaraan geen gevaar oplevert voor de orde en veiligheid in de inrichting. Artikel 4 De beslissing van de Minister van Veiligheid en Justitie wordt schriftelijk en, ingeval van afwijzing, met redenen omkleed, aan de directeur meegedeeld. Redenen voor afwijzing kunnen onder meer gebaseerd zijn op de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012737&artikel=3&z=2011-07-17&g=2011-07-17) genoemde voorwaarden, alsmede op de omvang van de gevraagde tegemoetkoming. Artikel 5 Deze regeling treedt op 1 september 2001 in werking. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming bijzondere kosten onderwijs en pedagogische activiteiten jeugdigen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst"},{"i":6912,"b":"Besluit van 5 februari 2000, houdende regels inzake avarij-grosse ter uitvoering van artikel 613 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 10 december 1999, gedaan mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [artikel 613 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=613); De Raad van State gehoord (advies van 21 januari 2000, nr. W03.99.0619/I.); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 2 februari 2000, nr. 5007605/00/6, uitgebracht mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Onder de «York-Antwerp Rules», bedoeld in [artikel 613 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=613), worden verstaan de York-Antwerp Rules, 1994, zoals vastgesteld door het Comité Maritime International en zulks in de Engelstalige tekst daarvan, welke is opgenomen als bijlage bij dit besluit. ARTIKEL II Het koninklijk besluit van de Minister van Justitie van 22 maart 1991, ter uitvoering van artikel 613 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 144), wordt ingetrokken. ARTIKEL III Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Bijlage In the adjustment of general average the following Rules shall apply to the exclusion of any Law and Practice inconsistent therewith. Except as provided by the Rule Paramount and the numbered Rules, general average shall be adjusted according to the lettered Rules. In no case shall there be any allowance for sacrifice or expenditure unless reasonably made or incurred. There is a general average act when, and only when, any extraordinary sacrifice or expenditure is intentionally and reasonably made or incurred for the common safety for the purpose of preserving from peril the property involved in a common maritime ad"},{"i":10193,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 mei 2006 nr. arc-2006.03029/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18196,"b":"Besluit van 23 oktober 1985, houdende uitvoering van artikel 1 van de Rijkswet uitbreiding van de territoriale zee van het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 11 september 1985, Directie Verdragen, DVE/PA-236968; Gelet op artikel 1 van de Rijkswet uitbreiding van de territoriale zee van het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen (**Stb.** 1985, 130); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 3 oktober 1985, nr. W02.85.0490/19.5.41); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 10 oktober 1985, Directie Verdragen, DVE/PA-256200; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De territoriale zee van het Koninkrijk in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba strekt zich uit tot de lijn, waarvan elk punt is gelegen op de afstand van twaalf internationale zeemijlen, dat is tweeëntwintig kilometer en tweehonderd vierentwintig meter, gemeten zeewaarts van het dichtstbijzijnde punt van de laagwaterlijn langs de kust of van de basislijnen dan wel van de afsluitingslijnen genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003869&artikel=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003869&artikel=4&z=2014-01-01&g=2014-01-01), met dien verstande dat, indien binnen deze afstand natuurlijk gevormde, bij eb droogvallende bodemverheffingen zijn gelegen, die bij hoogtij door water zijn omgeven, gemeten wordt van het dichtstbij gelegen punt van de laagwaterlijn van die bodemverheffing. 2. De laagwaterlijn is de dieptelijn van nul meter of, waar deze ontbreekt, de kustlijn dan wel de randen van droogvallende riffen, zoals aangegeven op de grootschalige Nederlandse zeekaarten. Artikel 2 De laagwaterlijn langs de kust vormt, met de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003869&artikel=3&z=2014-01-01&g=2014-"},{"i":10194,"b":"Besluit Vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Meteorologie (Minister van Verkeer en Waterstaat) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 november 2007, aca-2007.04114/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Meteorologie’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De lijst ‘Taken van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut over de periode 1951 tot heden’ vastgesteld bij [beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009453), nr. RAD.B&T.98.7.RWS/AG d.d. 9 maart 1998 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 61 d.d. 1998) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst beleidsterrein meteorologie vanaf 1945 **Selectielijst, ingevolge** [hoofdstuk II van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&hoofdstuk=II) **, ten bewaring dan wel betreffende vernietiging de KNMI archiefbescheiden.** Dit BSD geldt voor de Zorgdrager: Minister van V&W Agentschap KNMI Versie december 2007 Den Haag **1. Inleiding over het KNMI en haar taken** Het KNMI heeft zich van meet af aan tot doel gesteld de natuurkundige verschijnselen in de dampkring, aan het aardoppervlak en in de zee te onderzoeken. In 1974 is daar ook het onderzoek in de aarde bijgekomen. De takken van wetenschap op basis waarvan deze verschijnselen in de loop der tijd zijn onderzocht zijn meteorologie, klimatologie, oceanografie, geofysica – waarbij deze laatste bestaat uit seismologie, aardmagne"},{"i":4362,"b":"Besluit van 2 november 2020, houdende regels voor verzekeringskeuringen van ex-kankerpatiënten ten behoeve van het afsluiten van overlijdensrisicoverzekeringen en uitvaartverzekeringen (Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 13 juli 2020, 2020-118913, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 14, derde lid, van de Wet op de medische keuringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008819&artikel=14); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 augustus 2020, nr. W06.20.0265/III; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 28 oktober 2020, 2020-0000153498, directie Financiële Markten, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Dit besluit is van toepassing op keuringen in verband met het aangaan of wijzigen van: - a. overlijdensrisicoverzekeringen met een verzekerde som van ten hoogste de vragengrens voor levensverzekeringen, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Wet op de medische keuringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008819&artikel=5), en een looptijd die eindigt voordat de persoon op wiens leven de verzekering betrekking heeft, de leeftijd van 71 jaar bereikt; en - b. uitvaartverzekeringen die worden aangegaan of afgesloten voordat de persoon op wiens leven de verzekering betrekking heeft de leeftijd van 61 jaar bereikt. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder overlijdensrisicoverzekering verstaan: een levensverzekering die alleen recht geeft op een uitkering indien de persoon op wiens leven de verzekering betrekking heeft, voor een in de polis genoemde datum komt te overlijden. Artikel 2 1. De vraag of er bij een keurling in het verleden kanker is gediagnosticeerd is een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de keurling in de zin van [artikel 3, eerste lid,"},{"i":10329,"b":"Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen, 2004 De partijen bij dit Verdrag, In herinnering roepend artikel 196, eerste lid, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS), dat bepaalt „Staten nemen alle nodige maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit het gebruik van onder hun rechtsmacht of toezicht staande technologieën, of de opzettelijke of onbedoelde introductie van uitheemse of nieuwe soorten in een bepaald deel van het mariene milieu, die daarin aanmerkelijke en schadelijke veranderingen kan teweegbrengen”, Gelet op de doelstellingen van het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD) van 1992 en het feit dat de verplaatsing en binnenkomst van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen via het ballastwater van schepen het behoud en duurzaam gebruik van de biodiversiteit bedreigt alsmede besluit IV/5 in 1998 van de Conferentie van de Partijen (COP 4) bij het CBD inzake het behoud en duurzaam gebruik van mariene en kustgebonden ecosystemen, alsmede besluit VI/23 in 2002 van de Conferentie van de Partijen (COP 6) bij het CBD inzake uitheemse soorten die bedreigend zijn voor ecosystemen, habitats of soorten, met inbegrip van een leidraad met betrekking tot invasieve soorten, Voorts gelet op het feit dat de Conferentie van de Verenigde Naties inzake Milieu en Ontwikkeling (UNCED) de Internationale Maritieme Organisatie (de Organisatie) in 1992 heeft verzocht de aanneming te overwegen van passende regels voor het lozen van ballastwater, Indachtig de voorzorgsbenadering vervat in beginsel 15 van de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling en waarnaar verwezen wordt in resolutie MEPC.67(37), op 15 september 1995 aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie, Voorts indachtig de oproep in paragraaf 34, onderdeel b, van het plan van aanpak van de Wer"},{"i":12336,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 20 december 2013, nr. WJZ / 13182859, houdende taken, werkwijze, benoeming en vergoeding Visserijcommissie BES (Besluit houdende taken, werkwijze, benoeming en vergoeding Visserijcommissie BES) Gelet op [artikel 3a van het Visserijbesluit BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028413&artikel=3a); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **commissie:** de visserijcommissie als bedoeld in [artikel 13 van de Visserijwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=13). Artikel 2 De commissie heeft tot taak de minister te adviseren over: - a. het verlenen van vergunningen als bedoeld in [artikel 2, vijfde lid, van de Visserijwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=2); - b. het verlenen van ontheffingen ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Visserijwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=2); - c. het instellen van visverboden voor een bepaald tijdvak als bedoeld in [artikel 5 van de Visserijwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=5); - d. het stellen van algemene regelen betreffende de gegevens die bij het verzoek voor een vergunning dienen te worden verstrekt alsmede de wijze waarop het verzoek dient te worden ingediend als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Visserijwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=7); - e. het intrekken van een vergunning als bedoeld in [artikel 7, zesde lid, van de Visserijwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=7); - f. het verlengen van een vergunning als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Visserijwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028168&artikel=8). Artikel 3 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. 2. De commissie wijst uit haar leden een plaa"},{"i":3389,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 31 juli 2015, nr. BOACAT2015/034, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Gemeente Harderwijk Gelezen het verzoek van de gemeente Harderwijk van 29 juli 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036936&artikel=2&z=2015-08-19&g=2015-08-19). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver bij de dienst Stadstoezicht van de gemeente Harderwijk, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte van bijlage A-I van de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel"},{"i":10728,"b":"Regeling houdende vasstelling van bepaalde soorten van vervoer welke zijn uitgezonderd van de in artikel 16 Luchtvaartwet vervatte verplichting Gelet op [artikel 16c van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=16c); Besluit: Artikel 1 Niet beroepsmatig vervoer met een zweefvliegtuig, een motorzweefvliegtuig of een vliegtuig met een maximale startmassa van 2000 kg wordt uitgezonderd van de in [artikel 16 Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=16) vervatte verplichting. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 De regeling van 25 februari 1994, nr. DGRLD/JBZ/L94.00996, wordt ingetrokken."},{"i":10732,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Algemeen Wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 2 oktober 2003, nr. arc- 2003.6459/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Algemeen Wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10736,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Exportbevordering, internationaal ondernemen en samenwerking over de periode vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 juli 2006, nr. arc-2006.03029/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Exportbevordering, internationaal ondernemen en samenwerking over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18179,"b":"Besluit rechtspositie korps politie BES Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **[Vervallen]** - c. **ambtenaar van politie:** de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de aspirant, de vrijwillige ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de vrijwillige ambtenaar in opleiding en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie; - d. **aspirant:** degene die toegelaten is tot de basisopleiding; - e. **ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 3, onder a, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3), met uitzondering van de aspirant; - f. **ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 3, onder b, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3); - f1. **vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 3, onder c, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3); - f2. **vrijwillige ambtenaar in opleiding:** degene die door Onze Minister is benoemd tot vrijwillige ambtenaar in opleiding en die is toegelaten tot de opleiding tot vrijwillige ambtenaar van politie; - f3. **vrijwillige ambtenaar van politie:** de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de vrijwillige ambtenaar in opleiding; - g. **volledige betrekking:** een betrekking met een arbeidstijd van gemiddeld 36 uur"},{"i":17679,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Wapens en Munitie periode 1945-1997 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005, nr. arc-2005.02444/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Wapens en Munitie over de periode 1945–1997](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18076,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 februari 2006, nr. DDI/ST/reg 004/2005, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Verenigd Koninkrijk/Britse gebieden in Afrika/het consulaat-generaal Nairobi 1948–1954, het consulaat-generaal Dar Es Salaam 1927–1950 en van de consulaten te Rhodesië (Bulawayo en Salisbury) (1909) 1910–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van de archieven van het Verenigd Koninkrijk/Britse gebieden in Afrika, het consulaat-generaal Nairobi 1948–1954, het consulaat-generaal Dar Es Salaam 1927–1950 en van de consulaten te Rhodesië (Bulawayo en Salisbury) (1909) 1910–1954, de in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom van deze tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | consulaat-generaal Dar Es Salaam | consulaat-generaal Dar Es Salaam | | 25 | 2021 | | consulaat-generaal Nairobi | consulaat-generaal Nairobi | | 107 | 2029 | | consulaten te Rhodesië (Bulawayo en Salisbury) (1909) 1910–1954 | consulaten te Rhodesië (Bulawayo en Salisbury) (1909) 1910–1954 | | 32 | 2030 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019547&artikel=1&z=2006-02-15&g=2006-02-15) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De Directeur van het Nationaal"},{"i":17818,"b":"Wet van 19 november 2025 tot wijziging van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg in verband met het regelen van regie op kwaliteitsregistraties in de zorg en grondslagen om ten behoeve van die kwaliteitsregistraties bijzondere persoonsgegevens te kunnen verwerken (Wet kwaliteitsregistraties zorg) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om wettelijke grondslagen te creëren voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van kwaliteitsregistraties in de zorg, het verder de verwachting is dat het aantal kwaliteitsregistraties in de toekomst zal toenemen en het wenselijk is daartoe een bestendig wettelijk kader te bieden waarin betrokken partijen, met het oog op het meten en verbeteren van de kwaliteit van zorg, gezamenlijk voor de beheersing van deze kwaliteitsregistraties kunnen zorgen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Artikel Ia Wijzigt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Artikel II **[Vervallen]** Artikel III 1. In afwijking van [artikel 11l, vierde lid](onbekend), neemt het Zorginstituut de kwaliteitsregistratie van acute zorg, als bedoeld in [artikel 30b van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=30b), zoals dat artikel luidde voor de dag waarop [Artikel I, onderdeel F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051873&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01), in werking trad, op aanvraag van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onderzoek op in het register voor kwaliteitsregistraties. 2. Als de kwaliteitsregistratie van acute zorg op grond van het eerste lid is opgenomen in het register voor kwaliteitsregistraties vermeldt het Zorginstituut, in afwijking van [artikel 11n"},{"i":18383,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid, van 19 november 2024, nr. 5922154, inzake de uitvoering van het individueel keuzebudget voor Politiepersoneel (Regeling IKB Politie) Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** ambtenaar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1), met uitzondering van de vakantiewerker; - b. **Barp:** [Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516); - c. **Bbp:** [Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517); - d. **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Barp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - e. **IKB:** individueel keuzebudget, bestaande uit een IKB-bruto en IKB-netto; - f. **IKB-bruto:** individueel keuzebudget als bedoeld in [26b, eerste lid, van het Bbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=26b); - g. **IKB-netto:** individueel keuzebudget als bedoeld in [26b, tweede lid, van het Bbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=26b); - h. **keuzesysteem:** door het bevoegd gezag beschikbaar gesteld online systeem waarmee de ambtenaar een keuze kan maken; - i. **duurzaamheidsdoelen:** initiatieven en producten die bijdragen aan duurzaamheid; - j. **vitaliteitsdoelen:** activiteiten, diensten en producten die bijdragen aan fitheid en vitaliteit. Artikel 2. Keuze 1. De ambtenaar kan elke maand, in een keuzesysteem, een aanvraag doen op welke wijze hij zijn IKB wil aanwenden. 2. Het bevoegd gezag wijst voor elke maand een uiterste datum aan waarop de ambtenaar zijn keuze kenbaar moet maken, waarbij tevens de verwerkingsmaand aangegeven wordt. 3. Voor de te maken keuze heeft de ambtenaar geen toestemming nodig van het bevoegd gezag. 4. Op een eenmaal gemaakte keuze kan na administratieve verwerking, bedoeld in het tweede lid, niet meer"},{"i":18387,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 18 juni 2013, nr.394209, houdende nadere regels betreffende de inhouding van de vaste vergoeding bij buitengewoon verlof verleend op grond van artikel 45, eerste of tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Regeling inhouding vaste vergoeding bij buitengewoon verlof op grond van artikel 45 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren) Gelet op [artikel 38b van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=38b); Besluit: Artikel 1 1. Op de rechterlijk ambtenaar die is benoemd of verkozen in een publiekrechtelijke college is [artikel 2 van de regeling Taakduren lidmaatschap publiekrechtelijke colleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006593&artikel=2) zoals dat gold tot en met 31 december 2019 van toepassing, met dien verstande dat: - a. onder betrokkene wordt verstaan: de rechterlijk ambtenaar bedoeld in [artikel 45, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=45); - b. onder [artikel 33a, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=33a) of [artikel 57, eerste lid, van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003229&artikel=57) wordt verstaan: [artikel 38b van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=38b). 2. De inhouding bedraagt niet meer dan wat de betrokkene wordt geacht te ontvangen als vaste vergoeding voor de in [artikel 2, van de regeling Taakduren lidmaatschap publiekrechtelijke colleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006593&artikel=2) zoals dat gold tot en met 31 december 2019 genoemde functies. Artikel 2 Indien de rechterlijk ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit hoofde van de activiteiten waarvoor hem op grond van [artikel 45, tweede lid, van de Wet recht"},{"i":18279,"b":"Instellingsbesluit Commissie Archiefonderzoek handelen Openbaar Ministerie bij seksueel misbruik Rooms-Katholieke Kerk 17 oktober 2012, nr. 311892 Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Commissie:** de Commissie Archiefonderzoek handelen Openbaar Ministerie bij seksueel misbruik Rooms-Katholieke Kerk; - b. **de Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie. Artikel 2. Instelling Er is een Commissie Archiefonderzoek handelen Openbaar Ministerie bij seksueel misbruik Rooms-Katholieke Kerk. Artikel 3. Taak De commissie heeft tot taak onderzoek te doen naar: - a. de nog beschikbare archieven waarin mogelijk informatie te vinden zou zijn die inzicht kan geven in hoe het OM in de periode 1945-2010 omging met van seksueel misbruik verdachte geestelijken van de Rooms-Katholieke Kerk; - b. de manier waarop het OM in de periode 1945-2010 is omgegaan met van seksueel misbruik verdachte geestelijken van de Rooms-Katholieke Kerk in vergelijking met andere verdachten van vergelijkbare delicten. Artikel 4. Samenstelling 1. De leden van de Commissie zijn: - −. dr. M.W. van Boven - −. mr. F.H. Koster 2. De leden van de Commissie kunnen op eigen aanvraag door de Minister tussentijds ontslagen worden. Artikel 5 1. De Commissie heeft een secretaris. 2. De secretaris is voor zijn werkzaamheden verantwoording schuldig aan de Commissie. 3. Aan de secretaris kunnen andere medewerkers worden toegevoegd. 4. De secretaris en andere medewerkers zijn geen lid van de Commissie. 5. De Minister draagt, na overleg met de Commissie, zorg voor de nodige voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden van de Commissie. Artikel 6. Externe bijstand De Commissie kan zich op onderdelen van haar taak laten bijstaan door personen van zowel binnen als buiten de overheid, van wie de deskundige inbreng van belang kan zijn voor het onderzoek. Artikel 7. Rapport 1. De Commissie brengt uiterlijk op 30 april 2013 haar rapport uit aan de Minister. 2. Indien onvoorzi"},{"i":18083,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 26 september 2005, nr. BenC 2005-1010M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de afdeling Kabinet van het Ministerie van Financiën, 1940–1960 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en gelezen het advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats d.d. 21 september 2005 met het kenmerk C/SA/05/1404.3; Besluit: 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden, mede gelet op het bepaalde in [artikel 15, vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de afdeling kabinet van het Ministerie van Financiën, 1940–1960 met de inventarisnummers 1 tot en met 39, 56, 57, 60, 61 en 62 de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld tot 1 januari 2015. 2. Raadpleging van de in het vorige lid genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruikgemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. 3. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt gepubliceerd."},{"i":17823,"b":"Wet van 22 mei 2019, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot de medezeggenschap van cliënten in zorginstellingen (Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de medezeggenschap van cliënten in zorginstellingen te versterken en daartoe een nieuwe Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepaling Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **cliënt:** een natuurlijke persoon ten behoeve van wie een instelling werkzaam is; - b. **commissie van vertrouwenslieden:** een commissie als bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042294&hoofdstuk=IV&artikel=14&z=2025-07-05&g=2025-07-05); - c. **instelling:** een instelling als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=1); - d. **medezeggenschapsregeling:** een regeling als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042294&hoofdstuk=III&artikel=3&z=2025-07-05&g=2025-07-05); - e. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - f. **zorg:** zorg als bedoeld bij of krachtens de [Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173). 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald op welke vormen van zorg of categorieën van instellingen, gezien de wijze waarop de zorg wordt verleend, het doel van de zorg of de relatie tussen de cliënt en de instelling, deze wet niet van toepassing is. Hoofdstuk II. Inspraak Artikel 2 1. De instelling die erop is ingericht cliënten langdurig te laten verblijven, stelt haar c"},{"i":18397,"b":"Regeling meetmiddelen Korps landelijke politiediensten Besluit: Artikel 1 De [Regeling meetmiddelen politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008821) is van toepassing op het Korps landelijke politiediensten met dien verstande dat [artikel 1, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008821&artikel=1), luidt: andere door de Minister van Justitie aan te wijzen meetmiddelen. Artikel 2 De Regeling van 25 maart 1994 tot vaststelling van regels met betrekking tot de ijking van meetmiddelen van het Korps landelijke politiediensten (Stcrt. 64) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling meetmiddelen Korps landelijke politiediensten. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18190,"b":"Besluit van 21 augustus 2009, houdende toekenning van een standaard aan het Korps landelijke politiediensten Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 augustus 2009, 2009-0000441775, Directoraat-generaal Veiligheid, bureau Korpsbeheer en Relatiebeheer Agentschappen; Hebben goedgevonden en verstaan; Artikel 1 Het Korps landelijke politiediensten voert een standaard, bestaande uit een standaarddoek en een standaardstok. Artikel 2 1. Het standaarddoek is een vierkant doek van oranje zijde, omzoomd met gouden franje. De lengte en de breedte van het standaarddoek zijn vijftig centimeter. 2. Op de voorzijde is in goud geborduurd een gestileerde gekroonde **B**, de kroon in de kleuren van het Koninklijk wapen. Onder de **B** is in goud geborduurd: **KORPS LANDELIJKE** **POLITIEDIENSTEN** Het geheel van de gekroonde **B** en de naam van het korps is omgeven door een doorlopende oranjetak. 3. Op de achterzijde is in kleuren geborduurd het Koninklijk wapen zonder de daarbij behorende mantel. Het geheel is omgeven door een doorlopende oranjetak. Artikel 3 1. De stok behorende bij de standaard is een zwarte stok, lang tweehonderd centimeter. 2. Het gedeelte van de stok dat boven in de broeking van de standaard komt, bestaat uit een zwarte bus met inwendige schroefdraad waarop de standaardtop wordt geschroefd. 3. De standaardtop bestaat uit een eikenkrans met top, de piek bestaat uit het blad van een sponton met een kleine dwarsstang. 4. De standaardtop en piek zijn uitgevoerd in goudkleurig metaal. Artikel 4 Om de zwarte bus is door de eikenkrans heen een koord, in de kleuren donkerblauw en goud, geknoopt, de knoop in het midden; de beide einden worden bijeengehouden door een horizontale goudkleurige schuifpassant. Aan de uiteinden is het koord voorzien van een standaardkwast, gevlochten van gouddraad, met losse bouillons in goud. De kern van de bouillons is in donkerblauw uitgevoerd. Artikel 5 Het standaarddoek is met een broeking"},{"i":18092,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 063/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van het Nederlands Consulaat-Generaal, later de Ambassade in Congo-Kinshasa (1950–1974) en de Vice-Consulaten in Congo-Kinshasa te Lubumbashi en Matadi (1955–1974) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van het Nederlands Consulaat-Generaal, later de Ambassade in Congo-Kinshasa (1950–1974) en de Vice-Consulaten in Congo-Kinshasa te Lubumbashi en Matadi (1955–1974) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 157 | 2037 | | 158 | 2040 | | 251 | 2040 | | 267 | 2036 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024803&artikel=1&z=2008-12-11&g=2008-12-11), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024803&artikel=1&z=2008-12-11&g=2008-12-11), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van d"},{"i":17927,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 december 2011, nr. R&P/RA/2011/21600, tot wijziging van de Subsidieregeling ESF 2007−2013 (herzien) in verband met het ophogen van het subsidieplafond van Actie E sociale innovatie en het openstellen van het subsidietijdvak voor Actie C Gelet op [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien). Artikel II De [onderdelen E en F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026313&bijlage=1) zijn van toepassing op subsidies die zijn aangevraagd in het aanvraagtijdvak oktober 2011 van Actie E. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":17832,"b":"Wet van 17 mei 2023 tot wijziging van de Jeugdwet in verband met het versterken van de rechtspositie van jeugdigen die worden opgenomen in een gesloten accommodatie (Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de rechtspositie van jeugdigen die worden opgenomen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp te verbeteren en te versterken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Jeugdwet. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19474,"b":"Facultatief Protocol betreffende de verkrijging van nationaliteit bij het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer De Staten die Partij zijn bij dit Protocol en bij het Verdrag van [Wenen inzake diplomatiek verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004345), hierna te noemen „het Verdrag”, aanvaard tijdens de Conferentie van de Verenigde Naties, gehouden te Wenen van 2 maart tot 14 april 1961, De wens te kennen gevend, onderling regels vast te stellen betreffende de verkrijging van nationaliteit door de leden van hun diplomatieke zending en door de bij hen inwonende gezinsleden, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I Voor de toepassing van dit Protocol heeft de uitdrukking „leden van de zending” de daaraan in [artikel 1, letter (b) , van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004345&artikel=1) toegekende betekenis, namelijk „het hoofd van de zending en de personeelsleden van de zending”. Artikel II Leden van de zending die geen onderdaan zijn van de ontvangende staat, alsmede hun inwonende gezinsleden, kunnen niet uitsluitend krachtens de wet van de ontvangende staat de nationaliteit van die staat verkrijgen. Artikel III Dit Protocol staat open ter ondertekening door alle staten die partij kunnen worden bij het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004345). Tot 31 oktober 1961 staat dit Protocol ter ondertekening open bij het Bondsministerie van Buitenlandse Zaken van Oostenrijk en na die datum, tot 31 maart 1962, bij de Verenigde Naties te New York. Artikel IV Dit Protocol dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Artikel V Dit Protocol blijft open voor toetreding door elke staat die partij kan worden bij dit [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004345). De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Artikel VI 1. Dit Protocol treedt in werking op diezelfde dag als het [Verdrag](h"},{"i":18287,"b":"Instellingsbesluit Due Dilligence Commissie Landelijke Meldkamerorganisatie Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Gehoord de minister van Defensie, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de voorzitters van de veiligheidsregio’s; Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **de minister:** de minister van Veiligheid en Justitie; - **ministerie:** het ministerie van Veiligheid en Justitie; - **commissie:** de due dilligence commissie. Paragraaf 2. Taken en werkwijze Artikel 2 1. Er is een due dilligence commissie landelijke meldkamerorganisatie. 2. De commissie heeft tot taak toe te zien op de financiële transitie naar tien meldkamerlocaties. 3. De commissie brengt hiertoe adviezen uit over het verrekenen en vergoeden van transitiekosten en de financiële overdracht die hoort bij de overdracht van taken. 4. De commissie wordt tijdelijk ingesteld en opgeheven, nadat voor iedere samengevoegde meldkamer een finale overeenkomst is gesloten. Artikel 3 1. Ten behoeve van haar werkzaamheden stelt de commissie een werkplan en een begroting op. 2. Alvorens de commissie het werkplan vaststelt worden de minister, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de minister van Defensie, de besturen van de veiligheidsregio’s, de besturen van de Regionale Ambulancevoorzieningen en de korpschef gehoord. Artikel 4 1. De commissie komt bijeen zo vaak als nodig is voor de uitvoering van haar werkzaamheden. 2. Binnen de door de minister gestelde kaders stelt de commissie haar eigen werkwijze vast. Paragraaf 3. Samenstelling en ondersteuning van de commissie Artikel 5 1. De commissie bestaat uit drie onafhankelijke leden waarvan een lid de voorzitter is. 2. De voorzitter en de leden worden benoemd en ontslagen door de minister. 3. De leden worden benoemd voor de periode dat de commissie actief is. 4. In verband met de taken, bedoeld in [art"},{"i":18105,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 maart 2009, nr. DDI/ST/reg. 012/2009, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van de Nederlandse Ambassade en de Consulaten in de Bondsrepubliek Duitsland van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1938) 1955–1974 (1979) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Ambassade en de Consulaten in de Bondsrepubliek Duitsland van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1938) 1955–1974 (1979), openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 3008 | 2039 | | 3010 | 2044 | 2. Met het oog op het belang van de Staat en zijn bondgenoten, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Ambassade en de Consulaten in de Bondsrepubliek Duitsland van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1938) 1955–1974 (1979), openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 1200 | 2046 | | 1201 | 2050 | | 2118 | 2049 | | 2620 | 2050 | | 2621 | 2050 | | 2622 | 2050 | | 3072 | 2033 | | 3359 | 2031 | | 3360 | 2032 | | 3361 | 2033 | | 3362 | 2035 | | 3363 | 2040 | | 3365 | 2035 | | 3369 | 2033 | | 3370 | 2037 | | 3374 | 2036 | | 3487 | 2036 | | 3757 | 2048 | | 3771 | 2050 | | 3825 | 2037 | 3. Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, zijn de i"},{"i":17841,"b":"Wet van 20 oktober 2005 tot vereenvoudiging van het stelsel van overheidsbemoeienis met het aanbod van zorginstellingen (Wet toelating zorginstellingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het ter bevordering van de overgang van een centraal aanbod gestuurd naar een decentraal vraaggericht zorgstelsel wenselijk is de regels inzake de toelating van zorginstellingen en die inzake de bouwprocedure te vereenvoudigen en samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. vervallen; - c. College sanering: het College sanering zorginstellingen, genoemd in [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&hoofdstuk=VI&artikel=19&z=2022-01-01&g=2022-01-01); - d. Zorginstituut: het Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - e. Fonds langdurige zorg: het Fonds langdurige zorg, genoemd in [artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=89); - f. instelling: een organisatorisch verband dat zorg of een andere dienst verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1). 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan met betrekking tot daarbij aan te wijzen categorieën van instellingen worden bepaald dat delen van deze wet op die instellingen of een deel daarv"},{"i":17735,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië inzake de betaling van Nederlandse socialeverzekeringsuitkeringen in Indonesië De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië, hierna te noemen „Partijen\", Wensende de betaling van Nederlandse socialeverzekeringsuitkeringen aan personen wonende in Indonesië mogelijk te maken, en de samenwerking tussen beide landen te regelen teneinde de rechtmatige uitvoering van de Nederlandse socialeverzekeringen te bevorderen, Onderkennende de wederzijdse voordelen voortkomend uit de samenwerking, voor de onderdanen van beide landen, Ingevolge de huidige wet- en regelgeving van beide Partijen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De betaling van Nederlandse wettelijke socialeverzekeringsuitkeringen omvat: - a. de ziekte-uitkeringen; - b. de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen; - c. de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van zelfstandigen; - d. de algemene ouderdomspensioenen; - e. de algemene nabestaandenuitkeringen; - f. de algemene kinderbijslagen. Artikel 2 Dit Verdrag is van toepassing op uitkeringsgerechtigden en hun gezinsleden voor zover zij wonen of verblijven in Indonesië. Artikel 3 Onder uitkeringsgerechtigde wordt verstaan iedere persoon die recht heeft op een uitkering of pensioen ingevolge de Nederlandse wetgeving aangaande de in artikel 1 van dit Verdrag genoemde socialeverzekeringsuitkeringen. Artikel 4 Elke bepaling van de Nederlandse wetgeving die de betaling van een uitkering beperkt uitsluitend op grond van het feit dat de uitkeringsgerechtigde of zijn gezinslid woont buiten of zich niet bevindt op het grondgebied van Nederland, is niet van toepassing op uitkeringsgerechtigden of hun gezinsleden die leven of wonen in Indonesië. Artikel 5 1. De bevoegde autoriteit in Indonesië is de Coördinerend Minister van Welzijn en Verlichting van Armoede die de andere bevoegde instituties coördineert waaronder de belastingautoriteiten, bevolkingsregisters, hu"},{"i":18845,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 maart 2017 nr. BOACAT2017/017, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Kansspelautoriteit Gelezen het verzoek van de Kansspelautoriteit van 14 februari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039343&artikel=2&z=2017-05-05&g=2017-05-05). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker die door de Raad van Bestuur van de Kansspelautoriteit zijn aangewezen als toezichthouder (zijnde belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Wet op de Kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) bepaalde), in dienst van de Kansspelautoriteit, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, als genoemd in [onderdeel"},{"i":10748,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Minister van Verkeer en Waterstaat beleidsterrein Binnenvisserij 1945–1999 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 oktober 2005, nr. arc-2005.02633/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Binnenvisserij over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10749,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, beleidsterrein Volkshuisvesting 1945–1996 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 april 2005, nr. arc-2005.02131/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Volkshuisvesting over de periode 1945–1996](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘lijst van te vernietigen archiefbescheiden van huurcommissies, vastgesteld 11 mei 1982, beschikking nr. CD/A92.481 JK/NF’ wordt ingetrokken. Artikel 3 De ‘lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Hoofdstuk Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting, vastgesteld 12 september 1989, beschikking nr. MAZ 298007’ wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":3003,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 24 november 2015, nr. IENM/ILT-2014/63918 houdende aanwijzing van inspecteurs ILT in het kader van de artikelen 121c en 121e van de Provinciewet en artikel 124e Gemeentewet en daarmee samenhangende wijziging van het Instellingsbesluit ILT (Besluit aanwijzing ILT inspecteurs interbestuurlijk toezicht) Gelet op de [artikelen 121c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=121c) en [121e, tweede lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=121e), [artikel 124e van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=124e) en op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); BESLUIT: Artikel 1 De inspecteurs ILT, bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036115&artikel=1) worden aangewezen als: - a. ambtenaren als bedoeld in [artikel 121c, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=121c), voor zover het toezicht het werkterrein van de Minister van Infrastructuur en Milieu betreft; - b. ambtenaren als bedoeld in [artikel 121e, tweede lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=121e), en - c. ambtenaren als bedoeld in [artikel 124e van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=124e). Artikel 2 Wijzigt het Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport. Artikel 3 Wijzigt het Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders ILT interbestuurlijk toezicht. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscoura"},{"i":13498,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 augustus 2022, nr. 2022-0000173239, houdende de instelling van de Commissie Maatschappelijk Impact Team (Instellingsbesluit Commissie Maatschappelijk Impact Team) handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **Commissie:** Commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047087&artikel=2&z=2022-09-01&g=2022-09-01); - c. **Ministerie:** Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie Maatschappelijk Impact Team. 2. De Commissie heeft tot taak de secretaris-generaal van het ministerie te adviseren over de sociaalmaatschappelijke en economische gevolgen van de voorstellen van het kabinet in het kader van het beleid ter bestrijding van het coronavirus en eventuele andere infectieziekten met pandemisch potentieel die kunnen nopen tot het nemen van collectief verplichtende maatregelen. De Commissie adviseert op basis van actuele kennis, informatie en inzichten uit wetenschap en praktijk. De Commissie zal in ieder geval ter voorbereiding van besluitvorming over invoering van maatregelen en adviezen ter bestrijding van het coronavirus gevraagd worden te adviseren over de sociaalmaatschappelijke en economische gevolgen van deze maatregelen en adviezen. De Commissie bepaalt over welke sociaalmaatschappelijke en economische aspecten en gevolgen van het coronabeleid het adviseert. 3. De Commissie is bevoegd aanvullende adviezen te geven, indien zij dat dienstig acht aan haar opdracht. 4. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies is de Commissie bevoegd aanbevelingen te doen. Artikel 3. Samenstelling, benoeming,"},{"i":13499,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 5 juni 2020, nr. WJZ/ 20110425, tot instelling van de Commissie Mijnbouwschade (Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: I. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **aanvrager:** een persoon die een aanvraag indient als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit tegemoetkoming particuliere woningeigenaren mijnbouwschade steenkoolwinning Limburg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051623&artikel=2); - –. **advies:** advies van de Commissie Mijnbouwschade aan een schademelder, aanvrager, mijnbouwonderneming of de Minister; - –. **behandeling van een schademelding:** buitengerechtelijke behandeling van een schademelding van een schademelder; - **Besluit tegemoetkoming particuliere woningeigenaren mijnbouwschade steenkoolwinning Limburg:** Besluit over de verstrekking van een tegemoetkoming voor schade aan particuliere woningeigenaren door bodembeweging als gevolg van de voormalige steenkoolwinning in Limburg; - –. **bodembeweging:** bodemtrilling als gevolg van een geïnduceerde beving, bodemdaling en bodemstijging; - –. **Commissie:** de Commissie Mijnbouwschade, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043624&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2025-10-17&g=2025-10-17); - –. **geïnduceerde beving:** door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut geregistreerde bodemtrilling die – vanwege de plaats en overige eigenschappen van de trilling – wordt toegerekend aan de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk; - –. **mijnbouwonderneming:** exploitant van een mijnbouwwerk; - –. **gebouw:** gebouw als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1), met een geheel of gedeeltelijke woonbestemming of dat eigendom is van een micro-o"},{"i":13496,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 27 juni 2024, kenmerk 4388414 houdende instelling van de Commissie Informatiehuishouding bij het Ministerie van Algemene Zaken (Instellingsbesluit Commissie Informatiehuishouding Algemene Zaken 2024) Gelet op: De brief van de Staatssecretaris van Cultuur en Wetenschap en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer, (Kamerstukken II 2010–2011, 29 362, nr. 186) waarin de instelling van een ketengericht strategisch informatieoverleg tussen de departementale CIO, de Algemene Rijksarchivaris en een door de Staatssecretaris van Cultuur aan te wijzen deskundige aangekondigd wordt. Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Algemene Zaken:** Ministerie van Algemene Zaken; - b. **Commissie Informatiehuishouding:** Commissie Informatiehuishouding Algemene Zaken; - c. **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van Algemene Zaken; - d. **Hotspot:** documenten van een gebeurtenis of kwestie in de samenleving die grote invloed heeft op de activiteiten van Algemene Zaken; - e. **Informatiehuishouding:** het geheel aan regels, structuren, processen en voorzieningen gericht op het gebruik en het beheer van informatie bij Algemene Zaken. Hieronder valt o.a. het creëren, opslaan, ordenen, bewaren, ontsluiten, verstrekken en vernietigen van informatie. Artikel 2. Instelling Commissie Informatiehuishouding Algemene Zaken 1. Er is een Commissie Informatiehuishouding Algemene Zaken. 2. De Commissie Informatiehuishouding rapporteert twee maal per jaar aan de Secretaris-Generaal. 3. De Commissie Informatiehuishouding adviseert gevraagd en ongevraagd de Secretaris-Generaal: - a. over de informatiehuishouding bij Algemene Zaken; - b. over het aanwijzen van hotspots. Artikel 3. Samenstelling Commissie Informatiehuishouding 1. In de Commissie Informatiehuishouding hebben zitting: - a. als voorzitter, tevens lid: plaatsvervangend secretaris-generaal; - b."},{"i":13497,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 29 februari 2016 kenmerk nr. 722437, houdende instelling van de Toetsingscommissie Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen (Instellingsbesluit commissie LIJ) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **de Commissie:** de Toetsingscommissie Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen. Artikel 2. Instelling Er is een Toetsingscommissie Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen. Artikel 3. Taak De Commissie heeft tot taak: - a. de instrumenten (of tussenproducten) van het LIJ te beoordelen. De beoordelingen vinden plaats aan de hand van de uitgangspunten en eisen van het Landelijk Kader instrumentarium Jeugdstrafrechtketen; - b. hierover advies uit te brengen aan de Minister. Artikel 4. Samenstelling 1. De Commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste drie andere leden. 2. De leden van de Commissie worden door de Minister benoemd op grond van de deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037703&artikel=3&z=2016-03-14&g=2016-03-14) genoemde taken. 3. De Minister benoemt de voorzitter en overige leden voor een periode van drie jaar. Herbenoeming is eenmaal mogelijk voor een gelijke periode. 4. De leden van de Commissie worden op eigen verzoek door de Minister tussentijds ontslagen. 5. De leden kunnen voorts door de Minister worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. 6. Bij tussentijds ontslag van een lid kan de Minister, op aanbeveling van de voorzitter, een nieuw lid benoemen. Artikel 5. Secretariaat 1. De Commissie heeft een secretaris. 2. De Minister benoemt de secretaris voor een periode van drie jaar. Herbenoeming is eenmaal mogelijk voor een gelijke periode. 3. De secretaris wordt op eigen verzoek door de Minister tussentijds ontslagen. 4. De secretaris kan voorts door de Min"},{"i":18697,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister voor Medische Zorg en de Minister van Justitie en Veiligheid van 15 juni 2021, houdende de vaststelling van een beleidsregel inzake het opleggen van bestuurlijke boeten door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit voor het overtreden van het bepaalde bij of krachtens het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen waarop de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit kan handhaven (Beleidsregel bestuurlijke boeten NVWA-experiment gesloten coffeeshopketen) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 9a van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=9a) en [artikel 8, eerste lid, onder b van het Besluit aanwijzing toezichthouders naleving Wet experiment gesloten coffeeshopketen en verlenen mandaat en machtiging voor uitvoering en handhaving van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043743&artikel=8); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: Artikel 1 Overtredingen van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 22, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=22), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=28) en [29 van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=29) worden bestraft met een bestuurlijke boete van € 450. Dit bedrag wordt verhoogd tot: - –. € 1.350 indien de natuurlijke persoon aan wie of de rechtspersoon waaraan de overtreding kan worden toegerekend voor een soortgelijke overtreding eerder is beboet en er nog geen twee jaar zijn verlopen sinds die eerdere bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden; - –. € 2.250 indien binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de bestuurlijke boete voor de eerste overtreding, een soortgelijke overtreding voor de derde maal wordt"},{"i":10764,"b":"Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden De Partijen bij dit Verdrag, Herinnerend aan beginsel 1 van de Verklaring van Stockholm inzake het Menselijk Leefmilieu, Tevens herinnerend aan beginsel 10 van de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling, Voorts herinnerend aan de resoluties van de Algemene Vergadering 37/7 van 28 oktober 1982 inzake het Wereldnatuurhandvest en 45/94 van 14 december 1990 inzake de noodzaak een gezond milieu te waarborgen voor het welzijn van individuen, Herinnerend aan het Europees Handvest inzake Milieu en Gezondheid aangenomen op de Eerste Europese Conferentie inzake Milieu en Gezondheid van de Wereldgezondheidsorganisatie in Frankfurt-am-Main, Duitsland, op 8 december 1989, Bevestigend de noodzaak de toestand van het milieu te beschermen, in stand te houden en te verbeteren en een duurzame en milieuhygiënisch verantwoorde ontwikkeling te waarborgen, Erkennend dat adequate bescherming van het milieu van wezenlijk belang is voor het welzijn van de mens en het genot van de fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op leven zelf, Tevens erkennend dat een ieder het recht heeft te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn en de plicht heeft, zowel individueel als tezamen met anderen, het milieu te beschermen en te verbeteren in het belang van de huidige en toekomstige generaties, Overwegend dat, om dit recht te kunnen doen gelden en deze plicht te kunnen vervullen, burgers toegang tot informatie, recht op inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden moeten hebben, en in dit verband erkennend dat burgers bijstand nodig kunnen hebben om hun rechten uit te oefenen, Erkennend dat, op milieugebied, een verbeterde toegang tot informatie alsmede inspraak in besluitvorming de kwaliteit en de uitvoering van besluiten verbeteren, bijdragen tot de bewustheid bij het publiek van milieuvra"},{"i":10766,"b":"Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch gebied De Verdragsluitende Partijen, Zich ten volle bewust van de economische en sociale waarde van het mariene milieu, met inbegrip van de kustgebieden, van het Caraïbisch gebied, In het besef van hun verantwoordelijkheid tot bescherming van het mariene milieu van het Caraïbisch gebied ten bate van en ten gebruike door de huidige en de komende generaties, Erkennend de bijzondere hydrografische en ecologische kenmerken van het gebied en zijn kwetsbaarheid voor verontreiniging, Voorts erkennend de bedreiging van het mariene milieu, van zijn ecologisch evenwicht, van zijn rijkdommen en van de rechtmatige vormen van gebruik, door verontreiniging en door het ontbreken van voldoende integratie van milieu-aspecten in het ontwikkelingsproces, Overwegend dat de bescherming van de ecosystemen van het mariene milieu van het Caraïbisch gebied een van hun hoofddoelstellingen is, Ten volle de noodzaak beseffend tot samenwerking, zowel onderling als met bevoegde internationale organisaties, ten einde een gecoördineerde en alomvattende ontwikkeling, zonder schade voor het milieu, te waarborgen, Erkennend de wenselijkheid van een ruimere aanvaarding van reeds bestaande internationale overeenkomsten inzake verontreiniging van het mariene milieu, Gelet echter op het feit dat deze overeenkomsten, ondanks de reeds bereikte vooruitgang, niet alle aspecten van de aantasting van het milieu bestrijken en niet geheel voorzien in de bijzondere behoeften van het Caraïbisch gebied, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Verdragsgebied 1. Dit Verdrag is van toepassing op het Caraïbisch gebied, hierna te noemen „het Verdragsgebied\", zoals omschreven in artikel 2, eerste lid. 2. Behalve zoals anders bepaald in een protocol bij dit Verdrag, omvat het Verdragsgebied niet de binnenwateren van de Verdragsluitende Partijen. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. Betekent „het Ve"},{"i":10767,"b":"Verdrag inzake de bescherming van het cultureel erfgoed onder water De Algemene Conferentie van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, bijeengekomen te Parijs van 15 oktober tot en met 3 november 2001 tijdens haar eenendertigste zitting, Erkennend het belang van cultureel erfgoed onder water als integraal onderdeel van het cultureel erfgoed van de mensheid en als een bijzonder belangrijk onderdeel van de geschiedenis van volkeren, naties en hun onderlinge betrekkingen inzake hun gemeenschappelijk erfgoed, Zich bewust van het belang van het beschermen en behouden van het cultureel erfgoed onder water en van het feit dat de verantwoordelijkheid hiervoor bij alle staten berust, Vaststellend de toenemende belangstelling en waardering van het publiek voor cultureel erfgoed onder water, Overtuigd van het belang van onderzoek, informatie en educatie voor de bescherming en het behoud van cultureel erfgoed onder water, Overtuigd van het recht dat het publiek heeft de educatieve en recreatieve voordelen te genieten die voortvloeien uit verantwoorde en niet-verstorende toegang tot in situ cultureel erfgoed onder water, en dat publieksvoorlichting een waardevolle bijdrage kan leveren aan de kennis, waardering en bescherming van dat erfgoed, Zich bewust van het feit dat ongeoorloofde activiteiten gericht op cultureel erfgoed onder water een bedreiging vormen voor dat erfgoed en dat strengere maatregelen dienen te worden genomen om deze activiteiten te voorkomen, Zich bewust van de behoefte aan een passend antwoord op de eventuele bijkomstige negatieve impact van legale activiteiten op het cultureel erfgoed onder water, Zeer bezorgd over de toenemende commerciële exploitatie van cultureel erfgoed onder water, en met name over bepaalde activiteiten gericht op het verkopen, verkrijgen of ruilen van cultureel erfgoed onder water, Zich bewust van de beschikbaarheid van geavanceerde technologie die ontdekking van en de toegang tot cultureel erfgo"},{"i":13273,"b":"Wet van 8 december 2021 tot wijziging van enkele belastingwetten (Fiscale verzamelwet 2022) Artikel I Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel II Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel III Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel IV Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel V Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VI Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel VII 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046026&artikel=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) terugwerkt tot en met 16 mei 2014. 2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046026&artikel=IV&z=2024-01-01&g=2024-01-01) in werking op het tijdstip waarop [artikel 2.45, onderdeel B, onder 2, van de Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=2.45) in werking treedt. Artikel VIII Deze wet wordt aangehaald als: Fiscale verzamelwet 2022. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2021 en volgende jaren wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":13316,"b":"Wet van 31 oktober 1996, houdende goedkeuring van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving voor zover daarin beperkingen van de mogelijkheid tot willekeurige afschrijving zijn opgenomen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge artikel 10, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving bij wet dient te worden goedgekeurd voor zover daarin beperkingen van de mogelijkheid tot willekeurige afschrijving zijn opgenomen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I De artikelen 6, 8, 13 en 14 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving worden goedgekeurd. ARTIKEL II Voor de toepassing van artikel 10, derde lid, onderdeel **b**, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, wordt tot en met 31 december 1998 onder de gemeenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving, tevens de gemeente Landgraaf begrepen. ARTIKEL III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":10770,"b":"Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren De Verdragsluitende Partijen, Zich bewust van het belang van het behoud van het milieu en van de handhaving van de ongerepte staat van het ecosysteem van de zeeën rond Antarctica; Gezien de concentratie van levende rijkdommen in de Antarctische wateren en de toegenomen belangstelling voor de mogelijkheden die deze rijkdommen bieden als bron voor de eiwitvoorziening; Beseffend dat er dringend maatregelen moeten worden genomen om de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren te waarborgen; Overwegende dat het van essentieel belang is de kennis van het Antarctische mariene ecosysteem en de onderdelen daarvan te verruimen, zodat bij de besluitvorming over de exploitatie kan worden uitgegaan van betrouwbare wetenschappelijke gegevens; Van oordeel zijnde dat voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren internationale samenwerking vereist is, met inachtneming van de bepalingen van het [Verdrag inzake Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005237) en met de actieve deelneming van alle Staten die betrokken zijn bij wetenschappelijk onderzoek of exploitatie in de Antarctische wateren; Zich bewust van de hoofdverantwoordelijkheid van de Consultatieve Partijen bij het [Verdrag inzake Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005237) voor de bescherming en instandhouding van het Antarctische milieu en inzonderheid van de verantwoordelijkheid die krachtens [artikel IX, eerste lid, onder f), van het Verdrag inzake Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005237&artikel=IX) op hen rust ten aanzien van de bescherming en instandhouding van de fauna en flora in Antarctica; Verwijzende naar de maatregelen die de Consultatieve Partijen bij het [Verdrag inzake Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005237) reeds hebben genomen, inzonderheid naar de overeengekomen maatregelen voor de instandhouding"},{"i":13191,"b":"Deelregeling Erfgoed Innovatie Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Met de regeling Erfgoed Innovatie stimuleert het Mondriaan Fonds innovatie binnen de erfgoedsector. Daarvoor kan het fonds bijdragen verstrekken voor onderzoekstrajecten of projecten die leiden tot inhoudelijke vernieuwing voor de instelling zelf of de regionale, landelijke en/of internationale erfgoedsector. Hierbij zijn publieksbereik en/of kennisdeling aandachtspunten. Artikel 2. Doelgroep 1. De bijdrage kan worden aangevraagd door: - a. musea en andere collectiebeherende erfgoedinstellingen zonder winstoogmerk of verkoopdoel, inclusief archieven met een publieksfunctie, in Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk die gericht zijn op het presenteren van cultureel erfgoed; - b. een culturele organisatie zonder winstoogmerk en/of verkoopdoel gericht op de erfgoedsector in Nederland en/of het Caribisch deel van het Koninkrijk, wanneer binnen het ingediende plan wordt samengewerkt met een of meerdere collectiebeherende erfgoedinstellingen in Nederland of het Caribisch deel van het Koninkrijk gericht op het presenteren van cultureel erfgoed. 2. Instellingen voor kunstvakonderwijs, sectorinstituten en postacademische instellingen kunnen niet aanvragen. Artikel 3. Reikwijdte Een aanvraag kan worden ingediend voor: - 1. Een **project** dat bijdraagt aan inhoudelijke vernieuwing of ontwikkeling van de regionale of (inter)nationale erfgoedsector, of van de instelling zelf, eventueel in samenwerking met andere organisaties; - 2. Een **onderzoekstraject** dat in potentie bijdraagt aan inhoudelijke vernieuwing of ontwikkeling van de erfgoedsector of instelling zelf zonder vooraf vastgesteld eindresultaat. Artikel 4. Hoogte en vorm bijdrage 1. De hoogte van de bijdrage wordt per aanvraag vastgesteld. 2. De bijdrage voor een **project** is maximaal 40% van de variabele projectgerelat"},{"i":13298,"b":"Generiek toestemmingsbesluit nevenactiviteiten – cluster 4 (verkopen producten of diensten van derden) A. Aard en strekking besluit B. Juridisch kader C. Status van de activiteit D. Motivering en randvoorwaarden E. Openbaarmaking F. Besluit G. Register Bijlage 1. Juridisch kader - 1. **De NPO en de publieke media-instellingen mogen alleen na voorafgaande toestemming van het Commissariaat nevenactiviteiten verrichten** - 2. **Nevenactiviteiten zijn activiteiten, directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitvoering van de publieke media-opdracht, met uitzondering van verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136.** - 3. **Toestemming kan alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke omroep, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is.** - 4. **In afwijking van het eerste lid is geen voorafgaande toestemming van het Commissariaat nodig voor het bij wijze van experiment van beperkte omvang en duur verrichten van nevenactiviteiten die bestaan uit het leveren van goederen of diensten, met inbegrip van rechten en verplichtingen aan:** - a. **mediabedrijven ten behoeve van de versterking en verbetering van de nieuws- en informatievoorziening; of** - b. **culturele instellingen.** - 5. **De NPO en de publieke media-instellingen melden nevenactiviteiten als bedoeld in het vierde lid bij het Commissariaat.** - 6. **Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:** - a. **de wijze van melden;** - b. **de omvang en duur van het experiment;** - c. **de aard en inhoud van de nevenactiviteiten; en** - d. **de samenwerking met de in het vierde lid, onderdelen a en b, bedoelde instellingen.** - ‘1. **Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:*"},{"i":13705,"b":"Wet van 8 december 1988, houdende intrekking van de Beleggingswet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de Beleggingswet wordt ingetrokken, en dat de gevolgen daarvan voor de beleggingen van het Invaliditeits- en Ouderdomsfonds en het Ouderdomsfonds B worden geregeld; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De Beleggingswet (**Stb.** 1939, 400) wordt ingetrokken. 2. De Centrale Beleggingsraad wordt opgeheven. Artikel 2 De Sociale verzekeringsbank is belast met de belegging van de gelden en het te gelde maken van de beleggingen van het Invaliditeits- en Ouderdomsfonds, bedoeld in de Invaliditeitswet (**Stb.** 1913, 205), en het Ouderdomsfonds B, bedoeld in de Ouderdomswet 1919 (**Stb.** 1919, 628). Artikel 3 1. De belegging van de gelden en het te gelde maken van de beleggingen van het Invaliditeits- en Ouderdomsfonds, onderscheidenlijk het Ouderdomsfonds B geschieden uitsluitend in het belang van het fonds, en met inachtneming van algemeen aanvaarde bedrijfseconomische eisen op beleggingsgebied als rentabiliteit, liquiditeit, solvabiliteit, risicospreiding en de afstemming op de opbouw van de verplichtingen van het fonds. 2. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, nadere regels ten aanzien van de belegging van de gelden en het te gelde maken van de beleggingen van de in het eerste lid genoemde fondsen, voor zover dat nodig is in verband met de in het eerste lid genoemde eisen, alsmede ten aanzien van het toezicht op de beleggingen. Artikel 4 De onder de Centrale Beleggingsraad berustende archiefbescheiden worden overgebracht naar de algemene rijksarchiefbewaarplaats, onder de beperking dat de archiefbescheiden welke jonger zijn dan dertig jaar niet openbaar zijn. Artik"},{"i":10772,"b":"Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart De Bondsrepubliek Duitsland Het Koninkrijk België De Franse Republiek Het Groothertogdom Luxemburg Het Koninkrijk der Nederlanden De Zwitserse Bondsstaat overwegende dat het voorkomen van afval alsmede de verzameling, afgifte en inname van afval ter verwerking en verwijdering vanwege de bescherming van het milieu, alsmede vanwege de veiligheid en gezondheid van scheepspersoneel en verkeersdeelnemers, voor de binnenvaart en de daarmee samenhangende bedrijfstakken een vereiste is en dat zij daartoe een versterkte bijdrage willen leveren, in de overtuiging dat daartoe internationaal afgestemde, uniforme regelingen getroffen moeten worden, om concurrentievervalsing te voorkomen, voorts ervan overtuigd dat de verzameling, afgifte, inname en verwijdering van scheepsafval op basis van het beginsel „de vervuiler betaalt” geﬁnancierd moet worden, constaterende dat in het bijzonder de hefﬁng van een internationaal uniform vastgestelde bijdrage, gebaseerd op de aan de binnenvaart verkochte hoeveelheid gasolie voor de inname en verwijdering van olie- en vethoudende scheepsbedrijfsafvalstoffen, het beginsel van douane- en belastingvrijdom in de Rijnoeverstaten en in België, zoals neergelegd in de Overeenkomst van 16 mei 1952 betreffende het douane- en belastingregime voor gasolie, die in de Rijnvaart als boordvoorraad wordt verbruikt, niet schendt, wensende dat andere staten waarvan de voor de binnenvaart openstaande vaarwegen in verbinding staan met die van de Verdragsluitende Staten, toetreden tot dit Verdrag, zijn het volgende overeengekomen: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsbepalingen In dit Verdrag wordt verstaan onder: - a). „scheepsafval”: de in de onderdelen b tot en met f nader bepaalde stoffen of voorwerpen, waarvan de bezitter zich ontdoet, wil ontdoen dan wel moet ontdoen; - b). „scheepsbedrijfsafval”: afval en afvalwater, dat bij het in bedrijf zijn en het onderhoud van het va"},{"i":13810,"b":"Wet van 7 juli 1993, houdende machtiging tot deelneming door Nederland in de Vijfde Middelenaanvulling van het Aziatische Ontwikkelingsfonds Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat Nederland deelneemt in de Vijfde Middelenaanvulling van het Aziatische Ontwikkelingsfonds; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd om het nodige te verrichten, opdat Nederland deelneemt in de Vijfde Middelenaanvulling van het Aziatische Ontwikkelingsfonds (AsDF-VI) voor een totaalbedrag van € 82 672 483,22. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18602,"b":"Wet van 20 mei 2020, houdende regels inzake een defensiematerieelbegrotingsfonds (Wet defensiematerieelbegrotingsfonds) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter bevordering van een meerjarig integraal beheer van de defensiematerieelbegroting een begrotingsfonds in te stellen voor investeringen in en instandhouding van het materieel, de ICT-middelen en de infrastructuur van Defensie; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Definities In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **fonds:** defensiematerieelbegrotingsfonds, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043666&artikel=2&z=2020-07-01&g=2020-07-01); - b. **infrastructuur:** alle onroerende voorzieningen ten behoeve van het Ministerie van Defensie; - c. **instandhouding:** het beheer en het onderhoud, gericht op het gebruiksgereed houden van materieel, ICT-middelen en infrastructuur; - d. **meerjarenoverzicht:** het meerjarig defensieprojectenoverzicht over verwervingsprojecten, bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043666&artikel=6&z=2020-07-01&g=2020-07-01). Artikel 2. Instelling en doel defensiematerieelbegrotingsfonds 1. Er is een defensiematerieelbegrotingsfonds. 2. Het fonds heeft ten doel te voorzien in een meerjarig integraal beheer van de financiering en bekostiging van de ontwikkeling, de verwerving, de instandhouding en de afstoting van het materieel, de ICT-middelen en de infrastructuur van het Ministerie van Defensie. Artikel 3. Beheer en begroting 1. Het fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in [artikel 2.11, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.11). 2. Onze Minister van Defensie beheert het fonds. 3. De"},{"i":18816,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 januari 2024 nr. BOACAT2023/067, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Coöperatie ParkeerService UA Gelezen het verzoek van de Coöperatie ParkeerService UA van 5 oktober 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049292&artikel=2&z=2024-04-30&g=2024-04-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van parkeercontroleur handhaving met BOA bevoegdheid in dienst van de Coöperatie ParkeerService UA, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zov"},{"i":10783,"b":"Verdrag inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië, hierna te noemen de verdragsluitende partijen; Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](onbekend), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens een bijdrage te leveren aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart; Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging in het internationale luchtvervoer te waarborgen; Geleid door de wens een verdrag te sluiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië ten behoeve van het instellen en exploiteren van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. INLEIDING Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is bepaald: - a. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; wat de Federatieve Republiek Brazilië betreft, de burgerluchtvaartautoriteit vertegenwoordigd door de Agência Nacional de Aviação Civil (ANAC); of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die thans door de genoemde autoriteiten worden vervuld; - b. wordt onder „overeengekomen dienst” en „omschreven route” verstaan respectievelijk de internationale luchtdienst overeenkomstig dit Verdrag en de route omschreven in de Bijlage bij dit Verdrag; - c. wordt onder „Verdrag” verstaan dit Verdrag en de Bijlage erbij, alsmede elke wijziging van het Verdrag of de Bijlage; - d. hebben „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij” en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden” de betekenis die daaraan in [artikel 96 van het Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96) respec"},{"i":18520,"b":"Rijkswet van 17 juni 2010, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot meervoudige nationaliteit en andere nationaliteitsrechtelijke kwesties Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige bepalingen van de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) te wijzigen ter beperking van de meervoudige nationaliteit, tot invoering van de verplichting tot de kennis van de Nederlandse taal bij naturalisatie op de Nederlandse Antillen en Aruba, ter regeling van het verlies van het Nederlanderschap wegens een onherroepelijke veroordeling van een misdrijf dat ernstige schade toebrengt aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer van zijn landen, ter bepaling van een optierecht voor kinderen van Nederlandse moeders, ten behoeve van wie geen gebruik is gemaakt van de tijdelijke overgangsregeling voor kinderen geboren voor 1 januari 1985, en tot het aanbrengen van enkele juridisch technische wijzigingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Rijkswet op het Nederlanderschap. Artikel II 1. De in [artikel I, onderdelen C en H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=I&z=2011-01-01&g=2011-01-01), genoemde wijzigingen zijn niet van toepassing op verklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap ingediend voor de inwerkingtreding van dit onderdeel van deze Rijkswet. 2. De in [artikel I, onderdelen D en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=I&z=2011-01-01&g=2011-01-01), genoemde wijzigingen zijn niet van toepassing op verzoeken om verlening van het Nederlanderschap ingediend voor de datum van inwerkingtreding van dit onderdeel van d"},{"i":10796,"b":"Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen betreffende de burgerluchtvaart De staten die partij zijn bij dit Verdrag, Ernstig bezorgd dat wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de burgerluchtvaart de veiligheid en beveiliging van mensen en goederen in gevaar brengen, de exploitatie van luchtdiensten, luchthavens en luchtverkeer ernstig aantasten en het vertrouwen van de volken van de wereld in het veilige en ordelijke verloop van de burgerluchtvaart voor alle staten ondermijnen; Erkennend dat nieuwe vormen van bedreigingen gericht tegen de burgerluchtvaart nieuwe gezamenlijke inspanningen en nieuw beleid inzake samenwerking van de staten vereisen; en Ervan overtuigd dat, teneinde deze bedreigingen beter het hoofd te kunnen bieden, er een urgente behoefte is het juridisch kader voor internationale samenwerking ter voorkoming en bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de burgerluchtvaart te versterken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Aan een strafbaar feit maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk: - a. een daad van geweld begaat tegen een persoon aan boord van een luchtvaartuig tijdens de vlucht, indien deze daad de veiligheid van dat luchtvaartuig in gevaar kan brengen; of - b. een luchtvaartuig in bedrijf vernielt of daaraan schade toebrengt die het ongeschikt maakt voor een vlucht of zijn veiligheid tijdens de vlucht in gevaar kan brengen; of - c. in een luchtvaartuig in bedrijf, op welke wijze dan ook, een voorwerp of stof plaatst of doet plaatsen, dat of die het luchtvaartuig kan vernielen of er schade aan kan toebrengen die het ongeschikt maakt voor een vlucht of waardoor zijn veiligheid tijdens de vlucht in gevaar kan worden gebracht; of - d. luchtverkeersvoorzieningen vernielt of beschadigt, dan wel hun werking verhindert, indien door deze gedragingen de veiligheid van luchtvaartuigen tijdens de vlucht in gevaar kan worden gebracht; of - e. informatie doorgeeft waarvan hij weet dat deze onju"},{"i":3001,"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders Havenbeveiligingswet Gelet op [artikel 17, eerste lid, van de Havenbeveiligingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016991&artikel=17); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van [Verordening (EG) nr. 725/2004](32004R0725) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129), alsmede van het bepaalde bij of krachtens de Havenbeveiligingswet zijn belast de inspecteurs van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van heden. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Havenbeveiligingswet. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12023,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 oktober 2022, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Marokko, Ambassade Rabat, Besluit Beperking Openbaarheid Rabat, 1990–2013 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 3 oktober 2022, referentie 34029829; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 20 | 2069 | | 25 | 2071 | | 43 | 2072 | | 50 | 2053 | | 56 | 2076 | | 57 | 2067 | | 58 | 2092 | | 59 | 2084 | | 60 | 2088 | | 70 | 2077 | | 99 | 2079 | | 100 | 2080 | | 101 | 2078 | | 105 | 2075 | | 111 | 2079 | | 171 | 2094 | | 179 | 2089 | | 211 | 2086 | | 212 | 2086 | | 233 | 2080 | | 236 | 2077 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 26 | 2042 | | 39 | 2046 | | 47 | 2057 | | 86 | 2055 | | 87 | 2054 | | 104 | 2050 | | 114 | 2056 | | 139 | 2050 | | 149 | 2060 | | 154 | 2060 | | 159 | 2061 | | 163 | 2062 | | 166 | 2062 | | 189 | 2064 | | 334 | 2033 | | 340 | 2035 | | 347 | 2024 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overhei"},{"i":10807,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Regering van de Verenigde Arabische Emiraten inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten (hierna te noemen de „verdragsluitende partijen”); en De Regering van de Verenigde Arabische Emiraten, Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944 (hierna te noemen te noemen „het Verdrag van Chicago”); Geleid door de wens een verdrag te sluiten, in overeenstemming met en ter aanvulling van het voornoemde [Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), ten behoeve van het instellen en exploiteren van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden; Erkennend het belang van luchtvervoer als middel om vriendschap, begrip en samenwerking tussen de volkeren van beide landen tot stand te brengen en te bevorderen; Geleid door de wens de uitbreiding van de mogelijkheden voor het internationaal luchtvervoer te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist: - a. wordt onder „luchtvaartautoriteit” verstaan, wat het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, betreft, de minister van Toerisme, Economische Zaken, Vervoer en Telecommunicatie, verantwoordelijk voor burgerluchtvaart; wat de Verenigde Arabische Emiraten betreft, de Algemene Burgerluchtvaartautoriteit; of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen waar dit Verdrag betrekking op heeft; - b. wordt onder „overeengekomen diensten” verstaan geregelde internationale luchtdiensten tussen en via de onderscheiden grondgebieden van Sint Maarten en de Verenigde Arabische Emiraten voor het vervoer van passa"},{"i":10806,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake luchtdiensten tussen en via het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, enerzijds, en de Nederlandse Antillen, anderzijds The Government of the Kingdom of the Netherlands in respect of the Netherlands Antilles and the Government of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, hereinafter referred to as the ‘‘Contracting Parties’’; Being parties to the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Desiring to conclude an Agreement supplementary to the said Convention for the purpose of establishing air services between and beyond the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland on the one hand, and the Netherlands Antilles on the other; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement, unless the context otherwise requires: - a). the term ‘‘the Chicago Convention’’ means the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on 7 December 1944 and includes: - (i). any amendment thereof which has been ratified by both Contracting Parties; and - (ii). any Annex or any amendment thereto adopted under Article 90 of that Convention, insofar as such amendment or annex is at any given time effective for both Contracting Parties; - b). the term ‘‘aeronautical authority’’ means in the case of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, the Secretary of State for Transport, and for the purpose of Article 7 of this Agreement, the Civil Aviation Authority and in the case of the Kingdom of the Netherlands, the Minister of Transport and Transport of the Netherlands Antilles, or, in both cases, any person or body who may be authorised to perform any functions at present exercisable by the above-mentioned authority or similar functions;"},{"i":14294,"b":"Regeling gemoedsbezwaarden Bpf 2000 Gelet op [artikel 14, tweede lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=14); Besluit: Artikel 1. De aanvraag De aanvraag tot vrijstelling van de verplichtstelling van een persoon die gemoedsbezwaren heeft tegen iedere vorm van verzekering alsmede van een rechtspersoon waarbij natuurlijke personen betrokken zijn, die zodanige bezwaren hebben, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=14), geschiedt door indiening van een door de aanvrager ondertekende verklaring. Deze verklaring houdt ten minste in dat de aanvrager overwegende gemoedsbezwaren heeft tegen elke vorm van verzekering en mitsdien noch zichzelf, noch iemand anders, noch zijn eigendommen heeft verzekerd. Uit een door een werkgever ingediende verklaring moet voorts blijken of deze ook gemoedsbezwaren heeft tegen de nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen. Artikel 2. Aanvraag betreffende een rechtspersoon 1. Indien de aanvraag een rechtspersoon betreft, wordt de aanvraag ingediend door het op grond van de wet of op grond van de statuten van de rechtspersoon daartoe bevoegde orgaan. 2. Onverminderd [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012078&artikel=1&z=2001-01-01&g=2001-01-01) bevat de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, tevens een verklaring dat de natuurlijke personen die behoren tot het orgaan dat bevoegd is de aanvraag in te dienen, in meerderheid overwegende gemoedsbezwaren hebben. 3. Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt gevoegd: - a. een gewaarmerkt afschrift van de statuten van de rechtspersoon, en - b. een gewaarmerkt afschrift van de notulen van de vergadering waarin het besluit tot het aanvragen van de vrijstelling is opgenomen. Artikel 3. Indienen van de aanvraag 1. De in de [artikelen 1](https://wetten.overh"},{"i":10809,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake de aanwezigheid van Australisch overheidspersoneel in Nederland ten behoeve van de reactie op het neerhalen van vlucht MH17 van Malaysia Airlines Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2014/177 gesteld op 1 augustus 2015. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2015/119 gesteld op 1 augustus 2016. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2016/104 gesteld op 31 december 2016. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2016/206 gesteld op 30 juni 2017. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2017/99 gesteld op 30 juni 2018. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2018/88 gesteld op 30 juni 2019. 1 Vervallen 2 Vervallen 3 Vervallen 4 Vervallen 5 Vervallen 6 Vervallen 7 Vervallen 8 Vervallen 9 Vervallen 10 Vervallen 11 Vervallen 12 Vervallen 13 Vervallen 14 Vervallen 15 Vervallen 16 Vervallen 17 Vervallen 18 Vervallen 19 Vervallen 20 Vervallen 21 Vervallen 22 Vervallen DONE at The Hague on the 1st day of August, two thousand and fourteen."},{"i":7912,"b":"Regionale buitenwerkingstelling van het Besluit regeling vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering Gelet op [artikel 2, tweede en derde lid, van het Besluit regeling vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002777&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Als gebied, waarin [artikel 2, eerste lid, van het Besluit regeling vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002777&artikel=2) niet langer van toepassing is ten aanzien van verzekerden voor wie een indicatie bestaat voor opneming en verder verblijf in een verpleeginrichting als bedoeld in de Regeling nadere regels zorgaanspraken AWBZ, wordt aangewezen: - het rayon Zeeland. Artikel 2 Deze beschikking wordt met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant geplaatst en treedt in werking met ingang van 1 maart 1997."},{"i":10810,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake de voortdurende aanwezigheid van Australisch overheidspersoneel in Nederland ten behoeve van de reactie op het neerhalen van vlucht MH17 van Malaysia Airlines Het Koninkrijk der Nederlanden en Australië (hierna te noemen: „de partijen”) Gelet op het [Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake de internationale missie tot bescherming van onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006375), ondertekend op 28 juli 2014; Gelet op het feit dat het Joint Investigation Team (JIT), dat overeenkomstig de JIT-overeenkomst het strafrechtelijk onderzoek uitvoert naar het neerhalen van MH17, bestaat uit de onderzoeksautoriteiten van Australië, België, Maleisië, Nederland en Oekraïne; Gelet op de beslissing van de Staten die deelnemen aan het JIT om de vervolging en de berechting in Nederland van degenen die verantwoordelijk zijn voor het neerhalen van MH17 te steunen; Gelet op het Memorandum van Overeenstemming tussen de Regering van Australië, de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van Maleisië, de Regering van Nederland en de Regering van Oekraïne inzake politieke steun voor de vervolging van de daders van het neerhalen van vlucht MH17 op 17 juli 2014, ondertekend op 21 september 2017; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „de Activiteit”: de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006787&artikel=2&z=2019-06-28&g=2019-06-28) bedoelde activiteiten; - b. „AFP”: de Australische Federale Politie; - c. „Australisch overheidspersoneel”: Australische overheidsfunctionarissen, waaronder functionarissen van de Australische Federale Politie en het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Handel en andere burgerlijke ambtenaren; - d. „WVDV”: het [Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004345), gedaan te Wenen op 18 april 1961. Artike"},{"i":10811,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Azerbajdzjaanse Republiek inzake luchtdiensten Het Koninkrijk der Nederlanden en de Azerbajdzjaanse Republiek, hierna te noemen Verdragsluitende Partijen, Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een verdrag te sluiten met het doel luchtdiensten tussen en via hun respectieve grondgebieden in te stellen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in dit Verdrag en de Bijlage daarbij de volgende begrippen de hierbij daaraan toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag van Chicago\" wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van dat Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of dat Verdrag overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Verdragsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat; wat de Azerbajdzjaanse Republiek betreft, de Directeur-Generaal van het Staatsbedrijf voor Burgerluchtvaart, of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie te vervullen die thans door genoemde autoriteiten wordt uitgeoefend; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij\" wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001245&artikel=3&z=1997-06-01&g=1997-06-01) van dit Verdrag; - d. het begrip „grondgebied\" heeft met betrekking tot een Staat de betekenis die daaraan in artikel 2"},{"i":10813,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland nopens het verloop van de gemeenschappelijke landgrens, de grenswateren, het grondbezit in de nabijheid van de grens, het grensoverschrijdende verkeer over land en via de binnenwateren en andere met de grens verband houdende vraagstukken, met Bijlagen en Slotprotocol (Grensverdrag) Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen: HOOFDSTUK 1. Verloop van de grens Artikel 1 Het verloop van de grens tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland wordt bepaald door de op 26 juni 1816 te Aken en op 7 oktober 1816 te Kleef ondertekende grensverdragen tussen het Koninkrijk Pruisen en het Koninkrijk der Nederlanden, het op 2 juli 1824 te Meppen ondertekende grensverdrag tussen het Koninkrijk Hannover en het Koninkrijk der Nederlanden en de tot uitvoering, wijziging en aanvulling van deze grensverdragen gesloten overeenkomsten, voorzover deze verdragen en overeenkomsten op 31 december 1937 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitse Rijk van kracht waren, en door de hiervan afwijkende regelingen van Bijlage A bij dit Verdrag. Artikel 2 Nadat de grensbeken - a). Anselderbeek - Bleyerheiderbeek - b). Molenbeek (Jonge Worm) - c). Roode Beek (bij Vlodrop) - d). Rammelbeek zullen zijn genormaliseerd overeenkomstig de bepalingen van de §§ 2 tot en met 5 van Bijlage B bij dit Verdrag, zal de grens tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden verlopen, zoals in die bepalingen is vastgesteld. Elk van deze grenswijzigingen wordt van kracht op het tijdstip dat na de beëindiging der werkzaamheden wordt bepaald door een notawisseling tussen de Regeringen der Verdragsluitende Partijen. Artikel 3 1. Voor zover de in de artikelen 1 en 2 aangegeven grens afwijkt van de op 31 december 1937 bestaande Nederlands-Duitse grens, wordt haar nauwkeurig verloop ter plaatse vastgesteld door een Grens"},{"i":13905,"b":"Oprichting Europol Drugs Unit Gelet op de Ministeriële Overeenkomst van 2 juni 1993 inzake de oprichting van de Europol Drugs Unit; Gelet op het besluit van de Europese Regeringsleiders van 29 oktober 1993, waarbij Den Haag als vestigingsplaats van Europol is aangewezen; Besluit: 1. Op te richten de Nederlandse Beheersorganisatie Europol Drugs Unit, die tot taak krijgt de daadwerkelijke vestiging van de Europol organisatie te 's-Gravenhage voor te bereiden; 2. Aan te wijzen tot Hoofd van de Nederlandse Beheersorganisatie Europol Drugs Unit de heer A. van den Bos, dirigerend Officier der Rijkspolitie le klasse, tevens Nederlandse projectleider Europol Durgs Unit; 3. De Nederlandse Beheersorganisatie Europol Drugs Unit te laten ressorteren onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie; Dit besluit zal worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant en het Algemeen Politieblad."},{"i":11692,"b":"Wet van 25 juli 1964, houdende berekening van termijnen in verband met de zaterdag, de zondag en algemeen erkende feestdagen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen inzake berekening van termijnen in verband met de zaterdag, de zondag en algemeen erkende feestdagen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. 2. Het vorige lid geldt niet voor termijnen, bepaald door terugrekening vanaf een tijdstip of een gebeurtenis. Artikel 2 Een in een wet gestelde termijn van ten minste drie dagen wordt, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste twee dagen voorkomen die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag zijn. Artikel 3 1. Algemeen erkende feestdagen in de zin van deze wet zijn: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt de Goede Vrijdag met de in het vorige lid genoemde dagen gelijkgesteld. 3. Wij kunnen bepaalde dagen voor de toepassing van deze wet met de in het eerste lid genoemde gelijkstellen. Ons besluit wordt in de **Nederlandse Staatscourant** openbaar gemaakt. Artikel 4 Deze wet geldt niet voor termijnen: - a. omschreven in uren, in meer dan 90 dagen, in meer dan twaalf weken, in meer dan drie maanden, of in een of meer jaren; - b. betreffende de bekendmaking, inwerkingtreding of buitenwerkingtreding van wettelijke voorschriften; - c. van vrijheidsbeneming. Artikel 5 Op in een algemene maatregel van bestuur gestelde termijnen zij"},{"i":10820,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Gambia inzake luchtdiensten tussen en via hun respectieve grondgebieden Preamble The Kingdom of the Netherlands and the Republic of Gambia, hereinafter referred to as the Contracting Parties; Being parties to the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507) opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Desiring to contribute to the progress of international aviation; Desiring to guarantee the highest level of safety and security in international air transport; Desiring to conclude an Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of Gambia for Air Services between and beyond their respective territories; Have agreed as follows: Wijzigingen van de Bijlage, door de luchtvaartautoriteiten onderling overeengekomen, zijn niet opgenomen. CHAPTER I. INTRODUCTION Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement: - a). the term “Aeronautical Authorities” means: for the Kingdom of the Netherlands, the Minister of Infrastructure and the Environment; for the Republic of Gambia, the Ministry of Presidential Affairs (The Gambia Civil Aviation Authority), or in either case any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said Authorities; - b). the terms “Agreed Service” and “Specified Route” mean: International Air Service pursuant to this Agreement and the route specified in the Annex to this Agreement respectively; - c). the term “Agreement” means: this Agreement, its Annex drawn up in application thereof, as well as any amendment to the Agreement or the Annex; - d). the terms “Air Service”, “International Air Service”, “Airline” shall have the meaning respectively assigned to them in [Article 96 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=96); - e). the term “Change of Aircraft” means: the operation of one of the Agreed Services by a Designated Airline in such a way that"},{"i":10821,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Georgië inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden The Kingdom of the Netherlands and the Republic of Georgia being parties to the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago on 7 December 1944; desiring to contribute to the progress of international civil aviation; desiring to conclude an Agreement for the purpose of establishing air services between and beyond their respective territories; have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement and its Annex, unless the context otherwise requires: - a). the term “the Convention\" means the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on 7 December 1944, and includes any Annex adopted under Article 90 of that Convention and any amendment of the Annexes or the Convention under Articles 90 and 94 thereof, insofar as those Annexes and amendments have become effective for, or been ratified by both Contracting Parties; - b). the term “aeronautical authorities\" means: for the Kingdom of the Netherlands: the Minister of Transport, Public Works and Watermanagement; for the Republic of Georgia: the Head of the Air Transport Department of the Republic of Georgia; or in either case any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said authorities; - c). the term “designated airline\" means an airline which has been designated and authorized in accordance with Article 4 of this Agreement; - d). the term “territory\" in relation to a State has the meaning assigned to it in Article 2 of the Convention; - e). the terms “air service\", “international air service\", “airline\" and “stop for non-traffic purposes\" have the meaning respectively assigned to them in Article 96 of the Convention; - f). the terms “agreed service\" and “specified route\" mean international air service pursuant to Article 2 of this Agreement and the route specif"},{"i":10822,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kroatië inzake luchtdiensten The Kingdom of the Netherlands and the Republic of Croatia, hereinafter referred to as the Contracting Parties, being parties to the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago on 7 December 1944; desiring to contribute to the progress of international civil aviation; desiring to conclude an Agreement for the purpose of establishing air services between and beyond their respective territories; have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement and its Annex, unless the context otherwise requires: - a). the term “the Convention\" means the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on 7 December 1944, and includes any Annex adopted under Article 90 of that Convention and any amendment of the Annexes or the Convention under Articles 90 and 94 thereof, insofar as those Annexes and amendments have become effective for both Contracting Parties; - b). the term “aeronautical authorities\" means: for the Kingdom of the Netherlands the Minister of Transport, Public Works and Watermanagement; for the Republic of Croatia the Minister of Maritime Affairs, Transport and Communications; or in either case any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said authorities; - c). the term “designated airline\" means an airline which has been designated and authorized in accordance with Article 3 of this Agreement; - d). the term “territory\" in relation to a State has the meaning assigned to it in Article 2 of the Convention; - e). the terms “air service\", “international air service\", “airline\" and “stop for non-traffic purposes\" have the meaning respectively assigned to them in Article 96 of the Convention; - f). the terms “agreed service\" and “specified route\" mean international air service pursuant to Article 2 of this Agreement and the route specified in the Annex to t"},{"i":10824,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oezbekistan inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oezbekistan, Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een verdrag te sluiten met het doel luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in dit Verdrag en de Bijlage daarbij de volgende begrippen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „het Verdrag van Chicago\" wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag van Chicago aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of van het Verdrag van Chicago overeenkomstig de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide Verdragsluitende Partijen; - b. onder „luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat; wat de Republiek Oezbekistan betreft, de Directeur-Generaal Burgerluchtvaart; of in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie te vervullen die thans wordt vervuld door de genoemde autoriteiten; - c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij\" wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 4 van dit Verdrag; - d. het begrip „grondgebied\" heeft met betrekking tot een Staat de betekenis die daaraan in artikel 2 van het Verdrag van Chicago wordt toegekend; - e. de begrippen „luchtdienst\", „internationale lu"},{"i":10836,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Milieuprogramma van de Verenigde Naties betreffende de zetel van het coördinatiekantoor van het Wereldomvattend Programma van actie tot bescherming van het mariene milieu tegen activiteiten die op het land plaatsvinden The Kingdom of the Netherlands, and the United Nations Environment Programme; Whereas an intergovernmental conference convened in Washington D.C. from 23 October to 3 November 1995 adopted the Global Programme of Action for the Protection of the Marine Environment from Land-based Activities and endorsed the Washington Declaration on Protection of the Marine Environment from Land-based Activities; Noting the undertaking of the Government of the Kingdom of the Netherlands to ensure the availability of all the necessary facilities and conditions to enable the Coordination Office to perform its functions, including its scheduled programme of work and related activities; Having regard to the institutional arrangements for implementation of the Global Programme of Action, for which the United Nations Environment Programme is the Secretariat, regarding the legal status, privileges and immunities of the Coordination Office of the Global Programme of Action for the Protection of the Marine Environment from Land-based Activities, its Coordinator and its Officials; Noting the General Convention on the Privileges and Immunities of the United Nations adopted on 13 February 1946 by the United Nations General Assembly, to which the Kingdom of the Netherlands is a party, applies to United Nations officials servicing the Coordination Office, and that individual or specific privileges not covered by this Convention make further provisions necessary; Desiring, therefore, to conclude an Agreement for the purpose of determining such individual or specific privileges to be granted by the Government of the Kingdom of the Netherlands with respect to the Coordination Office of the Global Programme of Action for the Protecti"},{"i":10917,"b":"Besluit van 26 september 2012 tot wijziging van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 29 juni 2012, nr. IenM/BSK-2012/123200, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40) en [8.42a van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42a) juncto [artikel 2.22, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.22); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 augustus 2012, nr. W14.12.0227/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 19 september 2012, nr. IenM/BSK-2012/179011, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. Artikel II 1. Een voorschrift dat is verbonden aan een omgevingsvergunning voor een inrichting, en dat toepassing geeft aan [artikel 4, eerste lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=4), zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt en daarmee in strijd is, blijft van kracht tot drie maanden na dat tijdstip. 2. Indien in de periode, bedoeld in het eerste lid, een aanvraag is gedaan tot wijziging van het voorschrift overeenkomstig [artikel 8 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=8), blijft dit voorschrift, in afwijking van het eerste lid, van kracht tot de beschikking op die aanvraag van kracht is geworden. Artikel III Wijzigt het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen. Artikel IV De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat v"},{"i":5790,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juni 2013, nr. 2013-0000329635, houdende regels voor de subsidiëring van de Stichting Verbond Sectorwerkgevers Overheid (Subsidieregeling Stichting VSO 2013) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdelen d en f, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), en [18, eerste lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=18); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **stichting:** Stichting Verbond Sectorwerkgevers Overheid. Artikel 2 1. De minister verstrekt aan de stichting een subsidie voor kosten die direct samenhangen met de volgende activiteiten: - a. het faciliteren van een platform voor onderlinge uitwisseling van ideeën, kennis en ervaring; - b. het leveren van kennis en expertise of het ontsluiten van kennis en expertise ten behoeve van de sectorwerkgevers; - c. het coördineren van de gezamenlijke belangen van de sectorwerkgevers en deze eenduidig formuleren en communiceren; - d. het verlenen van aanvullende diensten aan de sectorwerkgevers als verbond, of in het belang van het verbond of de individuele leden. 2. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 3 De subsidie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033562&paragraaf=1&artikel=2&z=2018-12-19&g=2018-12-19), bedraagt ten hoogste het bedrag dat uit de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties blijkt, maar nooit meer dan het totaalbedrag dat de overheidssectoren in het desbetreffende boekjaar als bijdrage aan de stic"},{"i":10957,"b":"Wet van 14 november 1991, houdende enige wijzigingen van de Grondwaterwet en van de Wet bodembescherming met betrekking tot infiltraties Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de uitvoering van de EEG-[richtlijn 80/68](31980L0068) EEG van 17 december 1979 (**Pb EG** L20) betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen, noodzakelijk is de regels aan te vullen die met betrekking tot het infiltreren van water zijn opgenomen in de [Grondwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003406), en in verband daarmee ook een invulling op te nemen in de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Een vergunning voor het infiltreren van water, als bedoeld in [artikel 14, van de Grondwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003406&artikel=14), dan wel een vergunning voor het onttrekken van grondwater waaraan een voorschrift tot het infiltreren van water is verbonden, als bedoeld in artikel 15, derde lid, die is verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een vergunning die is verleend met toepassing van artikel 14**a,** eerste lid, onderscheidenlijk [artikel 15, vierde lid, van de Grondwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003406&artikel=15). 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een vergunning als daar bedoeld, welke is aangevraagd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet doch waarover op dat tijdstip nog niet onherroepelijk is beslist. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datu"},{"i":10958,"b":"Wet van 26 april 2016 tot wijziging van de Kernenergiewet in verband met de instelling van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden, kennis en deskundigheid van de rijksoverheid op het terrein van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming, de daarmee samenhangende crisisvoorbereiding, alsmede beveiliging en waarborgen zoveel mogelijk te bundelen in een onafhankelijke autoriteit ter bevordering van de nucleaire veiligheid en stralingsbescherming, de daarmee samenhangende crisisvoorbereiding, alsmede beveiliging en waarborgen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kernenergiewet. Artikel II Wijzigt de Wet aansprakelijkheid kernongevallen. Artikel III Wijzigt de Wet economische delicten. Artikel IV 1. Besluiten genomen op grond van bevoegdheden die na inwerkingtreding van deze wet aan de Autoriteit zijn toegekend, worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als besluiten van de Autoriteit. 2. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige aanvragen van en bezwaren tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege aanhangig bij de Autoriteit. 3. In bestuursrechtelijke rechtsgedingen inzake besluiten als bedoeld in het eerste lid treedt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de Autoriteit in de plaats van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 4. Voor zover aan een beschikking genomen op grond van bevoegdheden die na inwerkingtreding van deze wet aan de Autoriteit zijn toegekend, voorschriften zijn verbonden en in deze voorschriften het bevoegd gezag wordt vermeld, wordt de Autoriteit vanaf het tijdsti"},{"i":10959,"b":"Wet van 19 november 2009 tot wijziging van de Kernenergiewet in verband met vereenvoudiging van het bevoegd gezag, invoering van een verplichting tot financiële zekerheidstelling en enkele andere wijzigingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is vergunninghouders van kerncentrales te verplichten financiële zekerheid te stellen voor de kosten die zijn verbonden aan de buitengebruikstelling en ontmanteling van een kerncentrale en dat het in verband daarmee noodzakelijk is de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) te wijzigen; dat het daarnaast wenselijk is het aantal bij het bevoegd gezag betrokken ministers als bedoeld in de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) en [29 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=29) te beperken en enkele andere wijzigingen in die wet aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kernenergiewet. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IIa [Artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1a) is voor wat betreft de zinsnede met betrekking tot [artikel 15f, eerste en zesde lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15f) niet van toepassing op de houder van een vergunning als bedoeld in [artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) voor het buiten gebruik stellen van een inrichting waarin kernenergie kon worden vrijgemaakt, indien de inrichting op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds buiten gebruik is gesteld. Artikel III 1. Deze wet, met uitzondering van de [artikelen I, onder G](https://wetten."},{"i":11024,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 27 februari 2024 houdende voorwaarden en beperkingen bij de beoordeling of personen die in het bezit zijn van een buiten de Europese Economische Ruimte behaald bewijsstuk bevoegd kunnen zijn om onderwijs te geven op een school voor voortgezet onderwijs (Beleidsregel beoordeling van niet in de Europese Economische Ruimte behaalde bewijsstukken in het voortgezet onderwijs) Gelet op [artikel 7.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.11); Besluit: De datum inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **algemeen gebruikelijke vakken:** vakken of programmaonderdelen als bedoeld in [artikel 7.11, tweede lid, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.11), waaronder inbegrepen de vakken zoals vastgesteld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049438&bijlage=1&z=2024-02-27&g=2024-02-27) bij deze beleidsregel; - **bewijsstuk:** de in [artikel 7.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.11), genoemde getuigschriften, erkenningen en bewijzen van bekwaamheid; - **Caribisch Nederland:** Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - **DUO:** Dienst Uitvoering Onderwijs; - **EER:** Europese Economische Ruimte en Zwitserland; - **getuigschrift:** getuigschrift als bedoeld in [artikel 7.11, eerste lid, onder a van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.11); - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **school:** school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) en instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.86 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.86); - **voortgezet onderwijs:** onderwijs als bedoeld in [artikel 1.4"},{"i":11034,"b":"Beleidsregel kaders medewerking defensie aan (defensie-) schietverenigingen, studentenweerbaarheidsverenigingen en defensieschietteams Besluit: Artikel 1. algemene begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **defensieschietvereniging:** schietvereniging waarvan het bestuur en leden militaire ambtenaren als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1, van de Wet ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1)zijn; - b. **studentenweerbaarheidsvereniging:** studenten schiet- of weerbaarheidsvereniging welke door de Minister van Defensie is erkend ingevolge [artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de weerkorpsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001992&artikel=9); - c. **KNSA-schietvereniging:** schietvereniging welke is aangesloten bij de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie (KNSA), niet zijnde een defensieschietvereniging of studentenweerbaarheidsvereniging; - d. **defensieonderdeel:** de Bestuursstaf, het Commando Zeestrijdkrachten, het Commando Landstrijdkrachten, het Commando Luchtstrijdkrachten, de Koninklijke Marechaussee, het Defensie Ondersteuningscommando onderscheidenlijk de Defensie Materieel Organisatie; - e. **hoofd defensieonderdeel:** de plaatsvervangend Secretaris-Generaal, de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, de Commandant Defensie Ondersteuningscommando, onderscheidenlijk de Directeur van de Defensie Materieel Organisatie; - f. **defensieschietteam:** een door een hoofd defensieonderdeel aangewezen team van militaire sportschutters die zich hebben bekwaamd op een of meer wapens en in dit kader deelnemen aan schietsportwedstrijden. Artikel 2. medewerking aan een defensieschietvereniging 1. Door het Ministerie van Defensie kan medewerking worden verleend aan een defensieschietvereniging om bij het Ministerie van Defensie in gebruik zijnde schietbanen dan wel schie"},{"i":11035,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 december 2015, nr. 765423 houdende de wijze waarop de bevoegdheid tot het ontnemen van rechten ten aanzien van een beroepsopleiding wordt uitgeoefend indien niet of niet meer wordt voldaan aan de zorgenplichten, omschreven in artikel 6.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs Gelet op [artikel 6.1.4a van de Wet beroepsonderwijs en volwasseneneducatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.4a); Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **wet:** de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625); - c. **adviescommissie macrodoelmatigheid mbo:** de onafhankelijke adviescommissie bedoeld in [artikel 6.1.4a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.4a); - d. **beroepsopleiding:** beroepsopleiding als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b tot en met e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2) - e. **instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - f. **zorgplicht arbeidsmarktperspectief:** de zorgplicht bedoeld in [artikel 6.1.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.3); - g. **zorgplicht doelmatigheid:** de zorgplicht bedoeld in [artikel 6.1.3, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.3). Artikel 2 Deze beleidsregel heeft betrekking op de wijze waarop de minister de bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 6.1.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.1), en [6.1.4, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.4) uitoefent. Artikel 3. Signalen niet-naleving zorgplichten 1. De minister kan een onderzoek n"},{"i":11047,"b":"Beschikking tot instelling van het Strategisch Regieoverleg primair onderwijs en Strategisch Regieoverleg voortgezet onderwijs Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beschikking wordt verstaan onder: - bewindspersoon: de minister of staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen; - primair onderwijs: de onderwijssoorten als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra; - voortgezet onderwijs: de onderwijssoorten als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel 2. Instelling Strategisch Regieoverleg primair onderwijs en voortgezet onderwijs Er is een Strategisch Regieoverleg voor het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs voor het bespreken van hoofdlijnen van beleid. Het overleg heeft als doel deze hoofdlijnen vanuit een integrale visie op het onderwijs en in samenhang met het onderwijsbestel aan de orde te stellen. Het overleg leidt tot kaderstellende afspraken voor de uitwerking van die hoofdlijnen. Artikel 3. Samenstelling van het Strategisch Regieoverleg primair onderwijs 1. Het overleg wordt in ieder geval gevoerd met de hierna te noemen organisaties voor bestuur en management: - de Vereniging Besturenraad Protestants Christelijk Onderwijs (Besturenraad); - de Vereniging Verenigde Bijzondere Scholen voor onderwijs op algemene grondslag (VBS); - de Vereniging Besturenorganisaties Katholiek Onderwijs (VBKO); - de Vereniging van Openbare en Algemeen Toegankelijke Scholen (VOS/ABB). 2. Aan het overleg wordt deelgenomen door - a. de hierna te noemen personeelsvakorganisaties: - Algemene Onderwijsbond (AOb); - Onderwijsbond CNV; - Federatie van Onderwijsbonden CMHF/MHP. - b. de Algemene Vereniging Schoolleiders in het Primair Onderwijs (AVS). Artikel 4. Samenstelling van het Strategisch Regieoverleg voortgezet onderwijs 1. Het overleg wordt in ieder geval gevoerd met de hierna te noemen organisaties voor bestuur en management: - de Vereniging Besturenraad Protestants Christelijk Onderwijs (Besturenraad);"},{"i":11048,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens 26 september 2022 nummer CvTE-22.00944, houdende vaststelling van de aanmeldprocedure voor het Staatsexamen Nt2 2024 (Besluit Aanmeldprocedure Staatsexamen Nt2 2024) Gelet op [artikel 10, eerste lid, van Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Aanmeldprocedure De aanmeldprocedure voor het Staatsexamen Nederlands als tweede taal Programma I en Programma II in 2024 wordt vastgesteld als opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2023 ten behoeve van de aanmelding voor het Staatsexamen Nederlands als tweede taal Programma I en Programma II in 2024. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Aanmeldprocedure Staatsexamen Nt2 2024. Bijlage. Aanmelding Staatsexamen Nederlands als tweede taal 2024 als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047244&artikel=1&z=2023-10-01&g=2023-10-01) Wie wil deelnemen aan het Staatsexamen Nederlands als tweede taal in het examenjaar 2024 kan zich vanaf november 2023 digitaal aanmelden via de internetsite van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO): [**www.duo.nl**](onbekend). Er zijn twee Programma’s waarin examen afgelegd kan worden. Programma I is onder meer bedoeld voor degene die op mbo-niveau een vakgerichte functie op de arbeidsmarkt wil vervullen of daarvoor een beroepsopleiding wil gaan volgen. Het voorbeeld daarvan is een mbo-vakopleiding bij een regionaal opleidingencentrum (ROC), vakinstelling of agrarisch opleidingscentrum (AOC). Programma II is bedoeld voor onder meer degene die een midden- of hogere kaderfunctie wil gaan vervullen of daarvoor een opleiding wil gaan volgen, zoals een studie in het hoger onderwijs (hoger beroepsonderwijs of universiteit). Aanmeldprocedure voor het Staatsexamen Nt2 Programma I en Programma II 2024 Bijzondere omstandigheden Na het aanmelden"},{"i":11042,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 26 augustus 2020, nr. VO/25236992, tot nadere regels voor de verstrekking van een licentie Topsporttalentschool voor scholen in het voortgezet onderwijs (Beleidsregel verstrekking licentie Topsporttalentschool VO 2020) Gelet op de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=25) en [29, zevende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=29) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **Expertisecentrum:** Expertisecentrum Voortgezet Onderwijs & Topsport; - **KNVB:** Koninklijke Nederlandse Voetbalbond; - **licentie Topsporttalentschool:** beschikking van de minister aan het bevoegd gezag van een school waarin een aanvraag als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044028&artikel=3&z=2023-08-01&g=2023-08-01) wordt ingewilligd; - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **NOC*NSF:** Nederlands Olympisch Comité*Nederlandse Sport Federatie; - **reisafstand:** reisafstand op basis van de snelste route met de auto van het woonadres van de topsporttalentleerlingen naar het vestigingsadres van de Topsporttalentschool, bepaald door gebruikmaking van de ANWB-autorouteplanner; - **school:** hoofdvestiging of nevenvestiging van een school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs waar uit de openbare kas bekostigd onderwijs wordt verzorgd als bedoeld in de [artikelen 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.4), [2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.5), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.6) en [2.7 van de w"},{"i":11043,"b":"Beleidstelling beroepsonderwijs en volwasseneneducatie 2003 - 2004 1. Inleiding Vanaf 1 april 2004 zal de beleidstelling beroepsonderwijs en volwasseneneducatie 2003 - 2004 worden gehouden. In deze publicatie wordt informatie verstrekt over de procedure en de op te vragen gegevens. Bij deze telling worden gegevens verzameld over het studiejaar 2003 - 2004. Deze gegevensopvraag vindt plaats op basis van het [Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646) (UWEB) (gelijk aan de [Regeling Informatievoorziening Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie, bijlage 4, overzicht nummer 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009777&bijlage=4)). De telformulieren met de toelichtingsbrochure zullen vóór 1 april 2004 worden verzonden. Wijzigingen ten opzicht van de vorige telling 2002 - 2003, zijn opgenomen onder punt 6. 2. Doel van de telling Het doel van deze beleidstelling is om gegevens over het schooljaar 2003 -2004 te verzamelen ten behoeve van het door de minister te voeren beleid ten aanzien van het beroepsonderwijs. Het gaat daarbij om: 3. De telformulieren Teneinde een overzichtelijke invulling van de formulieren mogelijk te maken, is de telformulierset gesplitst in vijf delen met 21 formulieren. De formulierenset bestaat uit de volgende vijf delen: een voorblad (CFI 54089-1), voorbedrukt met: Herkomstgegevens van de deelnemers die zijn ingestroomd. (CFI 54089-2 t/m CFI 54089-10). De herkomstgegevens worden gevraagd per onderwijssoort en bevatten: Ingeval er geen (laatste) vooropleiding in deze periode is gevolgd, door de nieuw ingestroomde deelnemer, dan wordt de deelnemer opgenomen in de rubriek ”geen onderwijs”. Leeftijdsopbouw van alle deelnemers (CFI 54089-11 t/m CFI 54089-19). De leeftijdsopbouw wordt per onderwijssoort gevraagd voor alle deelnemers die op 1 oktober 2003 zijn ingeschreven bij uw instelling. Op de telformulieren zijn de definities van de doelgroepen opgenomen. Ieder telformulier zal worden voorzien van een barcode, waar"},{"i":11044,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 september 2008, nr. FEZ/ART/40729, houdende de benoeming van drie leden van de klachtadviescommissie van de Inspectie van het onderwijs (Benoemingsbesluit klachtadviescommissie Inspectie van het onderwijs) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 23 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=23); Besluit: Artikel 1. Benoeming Tot lid van de klachtadviescommissie, bedoeld in [artikel 23, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=23) worden benoemd: - a. de heer mr. P.H. Holthuis, voor de periode van 1 december 2011 tot en met 30 november 2015; - b. mevrouw mr. I.M. Pieters, voor de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 juli 2015; - c. de heer E.W. de Jong, voor de periode van 1 februari 2009 tot en met 31 januari 2013; - d. de heer M. Sini, voor de periode van 1 september 2008 tot en met 31 augustus 2012; - e. mevrouw drs. G.W.M. Houben-van IJzendoorn, voor de periode van 1 september 2008 tot en met 31 augustus 2012; - f. de heer W.C. Elsendoorn, voor de periode van 1 september 2008 tot en met 31 augustus 2012. Artikel 2. Secretariaat Vervallen Artikel 3. Beheer archiefbescheiden Vervallen Artikel 4. Vergoeding Vervallen Artikel 5. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2008. Artikel 6. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Benoemingsbesluit klachtadviescommissie Inspectie van het Onderwijs. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden toegezonden aan betrokkenen."},{"i":11049,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 30 september 2024, CvTE-24.01169, houdende vaststelling van de aanmeldprocedure voor het Staatsexamen Nt2 2026 (Besluit Aanmeldprocedure Staatsexamen Nt2 2026) Gelet op [artikel 10, eerste lid, van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Aanmeldprocedure De aanmeldprocedure voor het Staatsexamen Nederlands als tweede taal Programma I en Programma II in 2026 wordt vastgesteld als opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit. Artikel 2. Intrekking Het [Besluit Aanmeldprocedure Staatsexamens Nt2 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045676) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2025 ten behoeve van de aanmelding voor het Staatsexamen Nederlands als tweede taal Programma I en Programma II in 2026 en vervalt op 31 december 2026. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Aanmeldprocedure Staatsexamen Nt2 2026. Bijlage. Aanmelding Staatsexamen Nederlands als tweede taal 2026 als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050269&artikel=1&z=2025-10-01&g=2025-10-01) Wie wil deelnemen aan het Staatsexamen Nederlands als tweede taal in het examenjaar 2026 kan zich vanaf november 2025 digitaal aanmelden via de internetsite van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO): [**www.duo.nl**](http://www.duo.nl/). Er zijn twee Programma’s waarin examen afgelegd kan worden. Programma I is onder meer bedoeld voor degene die op mbo-niveau een vakgerichte functie op de arbeidsmarkt wil vervullen of daarvoor een beroepsopleiding wil gaan volgen. Programma II is bedoeld voor onder meer degene die een midden- of hogere kaderfunctie wil gaan vervullen of daarvoor een opleiding wil gaan volgen, zoals een studie in het hoger onderwijs (hoger beroepsonderwijs of universiteit). Aanmeldprocedure voor het Staatsexamen Nt2 Programma I en Programma II 20"},{"i":11050,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 23 juni 2025, nr. CvTE-25.00954, houdende vaststelling van de aanmeldprocedure voor het Staatsexamen Nt2 2027 (Besluit Aanmeldprocedure Staatsexamen Nt2 2027) Gelet op [artikel 10, eerste lid, van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Aanmeldprocedure Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 2. Intrekking Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 3. Wijziging [Besluit Aanmeldprocedure Staatsexamen Nt2 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048767) Wijzigt het Besluit Aanmeldprocedure Staatsexamen Nt2 2025. Artikel 4. Wijziging [Besluit Aanmeldprocedure Staatsexamen Nt2 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050269) Wijzigt het Besluit Aanmeldprocedure Staatsexamen Nt2 2026. Artikel 5. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt, met uitzondering van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051172&artikel=3&z=2025-07-03&g=2025-07-03) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051172&artikel=4&z=2025-07-03&g=2025-07-03), in werking met ingang van 1 oktober 2026 en vervalt op 31 december 2027. 2. De [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051172&artikel=3&z=2025-07-03&g=2025-07-03) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051172&artikel=4&z=2025-07-03&g=2025-07-03) van dit besluit treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin wordt geplaatst. Artikel 6. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Aanmeldprocedure Staatsexamen Nt2 2027. Bijlage.. Aanmelding Staatsexamen Nederlands als tweede taal 2027 als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051172&artikel=1&z=2025-07-03&g=2025-07-03) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11051,"b":"Besluit van 7 juli 2010, houdende vaststelling van basisvoorwaarden voor de kwaliteit van voorschoolse educatie (Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 9 februari 2010, nr. WJZ/185264 (2697), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 1.50b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.50b) en [2.8 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=2.8) en [artikel XI van de Wet tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027956&artikel=XI) (Stb. 2010, 296); De Raad van State gehoord (advies van 7 april 2010 nr. W05.10.005/I); Gezien het nader rapport van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 6 juli 2010, nr. WJZ/203636 (2697), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet kinderopvang, enz. (wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid) in werking treedt. Artikel 1. Basisvoorwaarden Voor voorschoolse educatie gelden ten minste de in dit besluit opgenomen basisvoorwaarden voor kwaliteit. Artikel 2. Omvang voorschoolse educatie 1. Het aanbod voorschoolse educatie is zodanig ingericht dat een kind vanaf de dag dat het tweeëneenhalf jaar oud wordt in anderhalf jaar ten minste 960 uur voorschoolse educatie kan ontvangen. 2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt het door de houder gerealiseerde aanbod voorschoolse educatie buiten beschouwing gelaten, voor zover dit meer dan zes uur per dag omvat. Artikel 3. Basisvoorwaarden voor aantal beroepskrachten voorschoolse educatie en groepsgrootte 1. De verhouding tussen het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie en het feitelijk"},{"i":11041,"b":"Beleidsregel van de raad van bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek van 21 februari 2024 betreffende het aanwijzen van organisaties in het Koninkrijk der Nederlanden ten behoeve van de uitvoering van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de NWO Subsidieregeling (Beleidsregel Universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden), Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Artikel 1 Ten behoeve van de uitvoering van [artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de NWO Subsidieregeling](onbekend) worden de volgende organisaties aangewezen als universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden waarvan onderzoekers in aanvulling op de in het hiervoor vermelde artikellid genoemde onderzoeksorganisaties een subsidie kunnen aanvragen: - a. The University of the Dutch Caribbean; - b. Universiteit van Curaçao; - c. Universiteit van Aruba; - d. Universiteit van Sint Maarten. Artikel 2. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum waarin zij in de Staatscourant wordt geplaatst."},{"i":11045,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 november 2024, nr. MBO/nr. 48864321, houdende benoeming van de voorzitter en een plaatsvervangend lid van de Landelijke Commissie voor Geschillen medezeggenschap studenten en ouders MBO 2024–2027 (Benoemingsbesluit Landelijke Commissie voor Geschillen medezeggenschap studenten en ouders MBO 2024–2027) Gelet op [artikel 8a.4.1, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8a.4.1) en [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Leden 1. Tot lid van de Landelijke Commissie voor Geschillen medezeggenschap studenten en ouders MBO, bedoeld in [artikel 8a.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8a.4.1), wordt mevrouw prof. mr. dr. Roozendaal, tevens vicevoorzitter, herbenoemd. 2. Tot plaatsvervangend lid van de Landelijke Commissie voor Geschillen medezeggenschap studenten en ouders MBO, bedoeld in [artikel 8a.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8a.4.1), wordt de heer M. Adelaar, op voordracht van de vereniging Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs, benoemd. 3. De benoemingen gelden voor het tijdvak van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2027. 4. Bij tussentijds vertrek van een lid of plaatsvervangend lid kan de Minister een ander lid respectievelijk plaatsvervangend lid benoemen. Artikel 2. Vergoeding 1. De voorzitter en de andere leden van de commissie ontvangen per vergadering een vergoeding, voor zover zij niet vallen onder de uitzondering van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en hiermee niet het in [artikel 6, eerste lid, van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://"},{"i":11052,"b":"Besluit van 3 februari 2011, houdende vaststelling van voorschriften inzake de bekwaamheidseisen voor het onderwijspersoneel BES (Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel BES) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 september 2010, nr. WJZ/236442 (4874), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 35, eerste en vierde lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=35), de [artikelen 85](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=85) en [86 van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=86) en [artikel 4.2.3, eerste en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=4.2.3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2010, no. W05.10.0461/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 januari 2011, nr. WJZ 260337 (4874), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **school:** school als bedoeld in de [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280) of in de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - b. **instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=1.1.1). Artikel 1.2. Reikwijdte Vervallen Hoofdstuk 2. Bekwaamheidseisen l"},{"i":11053,"b":"Besluit van 23 augustus 2005, houdende vaststelling van bekwaamheidseisen voor leraren in het basisonderwijs, het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en voor docenten educatie en beroepsonderwijs, alsmede houdende aanwijzing van vakken voor bekwaamheid als vakleerkracht in het primair onderwijs (Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 10 februari 2005, nr. WJZ/2005/2292 (3753), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onder b.1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=3), [32, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=32), en [32a, eerste en vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=32a), de [artikelen 3, eerste lid, onder b.1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=3), [32, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=32), en [32a, eerste en vierde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=32a), de [artikelen 35a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=35a) en [36, eerste, vierde en vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=36), en [artikel 4.2.3, eerste en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=4.2.3); De Raad van State gehoord (advies van 4 april 2005, nr. W05.05.0034/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 18 augustus 2005, nr. WJZ/2005/36434 (3753), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen V"},{"i":11054,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 januari 2017, 2016-0000274500, tot benoeming van de leden van de Taskforce Samenwerking Onderwijs en Kinderopvang Gelet op [artikel 6, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6), [artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4) ; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Instellingsbesluit taskforce samenwerking onderwijs en kinderopvang in werking treedt. Artikel 1. Samenstelling taskforce Tot lid van de Taskforce Samenwerking Onderwijs en Kinderopvang, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit taskforce samenwerking onderwijs en kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039157&artikel=2), worden benoemd: - a. mevrouw Diana Monissen (tevens voorzitter); - b. de heer Ewald van Vliet; - c. de heer Niko Persoon; - d. mevrouw Esther Zijl; - e. mevrouw Pauline Schellart; - f. de heer Ernst Radius; - g. de heer Mark Pol; - h. de heer Peter Hulsen; - i. de heer Gjalt Jellesma; - j. mevrouw Angèle van der Star; - k. mevrouw Jessica van Ruitenburg. Artikel 2. Vergoeding Aan de voorzitter wordt een vaste vergoeding toegekend, waarbij de toepasselijke salarisschaal wordt bepaald op het maximum van salarisschaal 18 van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) bij een arbeidsduurfactor van 4/36. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop het [Instellingsbesluit taskforce samenwerking onderwijs en kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039157) in werking treedt. Indien de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit besluit wordt gep"},{"i":11046,"b":"Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) is het accreditatieorgaan voor het Nederlands hoger onderwijs. De NVAO accrediteert associate degree, bachelor- en masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs en beoordeelt instellingen voor hoger onderwijs in een instellingstoets. Voor deze beoordelingen stelt de NVAO een accreditatiekader op. Het accreditatiekader bevat de standaarden en beslisregels voor de erkenning ITK, de accreditatie nieuwe opleiding, de accreditatie bestaande opleiding en het bijzonder kenmerk Kleinschalig en intensief onderwijs (BKKI). Daarnaast bevat het kader de vereisten waaraan panels voor de genoemde beoordelingen moeten voldoen en beschrijft het de indeling van opleidingen in het visitatierooster. Het kader is een uitwerking van de in de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) (WHW) opgenomen kwaliteitsaspecten. Het volgt tevens de Europese afspraken over inrichting van kwaliteitszorg in het hoger onderwijs zoals vastgelegd in de European Standards and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher Education Area (ESG) van 2015. Het accreditatiekader volgt de lijn van de kaders die de NVAO in 2016 en 2018 heeft opgesteld. Het is gebaseerd op het vertrouwen in de bewezen, hoge kwaliteit van het Nederlands hoger onderwijs. Het eigenaarschap van docenten, studenten en bestuurders voor de kwaliteit van het onderwijs staat daarom centraal in dit kader. De criteria voor accreditatie zijn niet veranderd. Er zijn wel twee belangrijke wijzigingen aangebracht ten opzichte van eerdere kaders. Het kader is gebaseerd op respect voor de autonomie van de instellingen, die primair verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit. De visie en doelstellingen van de instelling of de opleiding zijn het startpunt van de beoordeling en worden niet inhoudelijk beoordeeld. Het kader biedt"},{"i":11055,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 maart 2018, houdende de beperking van de openbaarheid van een aantal inventarisnummers van het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Slowakije Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 22 februari 2018, kenmerk 1242175; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Beperkt openbaarheid tot 1 januari: | | --- | --- | | 64 | 2085 | | 83 | 2079 | | 84 | 2084 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 10 | 2038 | | 11 | 2038 | | 12 | 2038 | | 319 | 2058 | | 320 | 2058 | | 321 | 2058 | | 322 | 2058 | | 323 | 2058 | | 324 | 2058 | | 325 | 2058 | | 326 | 2058 | | 328 | 2058 | | 331 | 2058 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040745&artikel=1&z=2018-03-24&g=2018-03-24), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. 2. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040745&artikel=2&z=2018-03-24&g=2018-03-24), is tot openbaarwording ui"},{"i":5232,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 5 december 2017, nr. WJZ/17183841, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het voorjaar van 2018 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2018) Gelet op [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=1), [2, tweede, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [3, eerste lid, onderdelen a en c, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel c, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=10), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=12), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [15, derde, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=15), [25,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=25)[27, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=27), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=29), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=32), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=42), [43a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=43a), [44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":11058,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 mei 2012, nr. FM/ICT/404686, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Bureau Secretaris-generaal, inclusief taakvoorgangers en taakopvolgers van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode (1922–) 1945–1998 Gelet op [artikel 10 van het archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: artikel Enig Met het oog op; - a. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen en - b. het belang van de Staat of zijn bondgenoten; worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), aan de openbaarheid van de over te brengen archiefbescheiden van het Bureau Secretaris-generaal, inclusief taakvoorgangers en taakopvolgers van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de volgende beperkingen gesteld: - 1. De archiefbescheiden van bovengenoemd archief, alsmede de inventaris en de nadere toegangen op dit archief zijn niet openbaar vóór het in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031604&bijlage=1&z=2012-08-01&g=2012-08-01) opgenomen schema. - 2. Raadpleging van de archiefbescheiden, is, gelet op [artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - −. De verzoeker doet een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot inzage van de archiefbescheiden, waarin wordt aangegeven: de omschrijving van het onderzoeksdoel, de onderzoeksopzet en de wijze waarop de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens zal worden gewaarborgd. - −. De verzoeker vult hiertoe het Formulier voor toestemming tot raadpleging van het archief van het Bureau Secretaris-generaal, inclusief taakvoorgangers en t"},{"i":12760,"b":"Besluit vaststelling factoren L en r boekjaar 2020 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2020 vastgesteld op 0,169764%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2020 vastgesteld op 0,008663%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2020. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":11067,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 februari 2006, nr. DDI/ST/reg 007/2004, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het consulaat-generaal – gezantschap Tanger 1907–1944 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het consulaat-generaal – gezantschap Tanger 1907–1944, de in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom van deze tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 68 | 2018 | | 69 | 2020 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019541&artikel=1&z=2006-02-15&g=2006-02-15) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De Directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019541&artikel=1&z=2006-02-15&g=2006-02-15) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Directeur van het Nationaal Archief. De Directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag"},{"i":11068,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 februari 2006, nr. DDI/ST/reg 015/2004, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van het consulaat Bloemfontein 1940–1947 (1952), consulaat Durban 1916–1950, consulaat-generaal Johannesburg 1938–1954, en het gezantschap/ambassade Pretoria (1910) 1930–1954 (1955) – consulaat Pretoria (1941–1946) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het consulaat Bloemfontein 1940–1947 (1952), consulaat Durban 1916–1950, consulaat-generaal Johannesburg 1938–1954, en het gezantschap/ambassade Pretoria (1910) 1930–1954 (1955) – consulaat Pretoria 1941–1946, de in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom van deze tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | consulaat Bloemfontein | consulaat Bloemfontein | | 1 | 2017 | | 2 t/m 6 | 2018 | | 7 | 2019 | | 8 | 2020 | | 9 | 2021 | | 10 t/m 11 | 2022 | | 12 t/m 13 | 2018 | | 14 | 2019 | | 15 | 2021 | | 16 | 2022 | | 17 | 2023 | | 19 | 2018 | | consulaat Durban | | | 3 | 2020 | | 5 | 2015 | | 6 | 2026 | | 7 | 2019 | | 8 | 2019 | | 9 | 2020 | | 10 | 2025 | | 25 t/m 27 | 2018 | | 28 t/m 29 | 2019 | | 30 | 2020 | | 31 | 2021 | | 32 t/m 33 | 2022 | | 34 | 2023 | | 35 t/m 37 | 2018 | | 38 t/m 39 | 2019 | | 40 | 2020 | | 41 | 2021 | | 42 | 2022 | | 43 | 2023 | | 44–46 | 2017 | | consulaat-generaal Johannesburg | consulaat-generaal Johannesburg | | 14 | 2026 | | 33 t/m 77 | 2021 | | gezantschap/ambassade/consulaat Pretoria | gezantschap/ambassade/consulaat Pretoria | | 40 | 2026 | | 154 | 2030 | | 155 | 2030 | | 156 | 2030 | | 157 | 2030 | | 165 | 2030 | | 171 | 2029 | | 176 | 2030 | | 433 t/m 471 | 2030 | | 507 t/m 512 | 2027 | | 513 |"},{"i":11070,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de directie Financieel Economische Zaken van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode 1968–2008 handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 18 mei 2015, met kenmerk 15.429; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de directie Financieel-Economische Zaken; Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnr. | Beperkt openbaar tot | Motivatie beperkingen openbaarheid | | --- | --- | --- | | 74 | 2042 | Het inventarisnummer handelt over het maken van afspraken tussen OCW en Financiën over de aankoop van een collectie. De gegevens zijn te herleiden naar de eigenaar van deze collectie. | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036685&artikel=1&z=2015-06-20&g=2015-06-20), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036685&artikel=1&z=2015-06-20&g=2015-06-20), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit beslui"},{"i":11075,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 april 2009, nr. DDI/ST/reg. 013/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Examencommissie voor de Buitenlandse Dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945–1985 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Examencommissie voor de Buitenlandse Dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945–1985, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 3 | 2041 | | 4 | 2056 | | 5 | 2060 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief van de Examencommissie voor de Buitenlandse Dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945–1985’."},{"i":11079,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 25 juni 2018, over de termijn van beperking van de openbaarheid van de naar de Rijksarchiefbewaarplaats over te brengen dossiers in het archief van de diplomatieke vertegenwoordiging in India, (1908) 1975–2013 Gelet op [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het [besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, d.d. 12 juni 2018, kenmerk nr 32016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041008); Besluit Artikel 1 De termijn van beperking van de openbaarheid van de volgende naar de rijksarchiefbewaarplaats over te brengen inventarisnummers in het archief van de diplomatieke vertegenwoordiging in India, (1908) 1975–2013, wordt vastgesteld voor 100(+1) jaar na afsluiting van betreffende dossier: | Inventarisnummer: | Opheffing openbaarheid beperking per 1 januari van het jaar | | --- | --- | | 178 | 2108 | | 201 | 2112 | | 202 | 2112 | | 821 | 2113 | | 822 | 2112 | | 823 | 2114 | | 824 | 2114 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041180&artikel=1&z=2018-07-21&g=2018-07-21), is tot openbaring uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging in de inventarisnummers, volgens de procedures die gelden voor inzage in archieven met (bijzondere) persoonsgegevens. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041180&artikel=1&z=2018-07-21&g=2018-07-21), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemen"},{"i":14539,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende regels inzake de periodieke controle van taxameters (Regeling periodieke controle taxameters) Gelet op [artikel 127, eerste lid, onderdeel f, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=127); Besluit: Artikel 1 1. Een ingebouwde taxameter wordt ten minste eenmaal per jaar gecontroleerd. 2. De controle bedoeld in het eerste lid houdt in een onderzoek als bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van de Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020566&artikel=16). Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling periodieke controle taxameters. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12416,"b":"Besluit instemming overbrenging veroordeelde BES Artikel 1 1. De veroordeelde te wiens aanzien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat hij in aanmerking komt om naar een vreemde staat te worden overgebracht teneinde aldaar een hem door de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgelegde, tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie te ondergaan of verder te ondergaan, wordt, alvorens een beslissing tot overdracht van de tenuitvoerlegging van die sanctie wordt genomen, in de gelegenheid gesteld te verklaren daarmee in te stemmen. 2. Dit besluit berust op [artikel 599 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=599). Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028354&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde verklaring wordt, op schriftelijke vordering van de procureur-generaal, afgelegd ten overstaan van een rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken. 2. De veroordeelde kan zich bij het afleggen van de verklaring doen bijstaan door een advocaat. Zo nodig, wordt de veroordeelde hierop gewezen door de rechter-commissaris. Artikel 3 1. Een consulaire vertegenwoordiger van de vreemde staat, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028354&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), wordt door de rechter-commissaris in de gelegenheid gesteld bij het afleggen van de verklaring door de veroordeelde tegenwoordig te zijn. 2. De rechter-commissaris kan toestaan dat ook andere vertegenwoordigers van de in het eerste lid bedoelde staat bij het afleggen van de verklaring tegenwoordig zijn. Artikel 4 De veroordeelde wordt, alvorens hij de verklaring aflegt, door de rechter-commissaris op de mogelijke gevolgen daarvan opmerkzaam gemaakt. Artikel 5 1. De veroordeelde kan de verklaring niet intrekken. 2. Indien de overbrenging van de veroordeelde binnen vier maanden na het tijdstip waarop de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":11866,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 3 april 2014, kenmerk: FM/2014/473 M, tot benoeming van en toekenning van vergoedingen aan de Commissie verzekeraars (Benoemingsbesluit Commissie verzekeraars) Gelet op [artikel 6, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6) en [artikel 2, eerste en derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit artikel wordt verstaan onder commissie: de Commissie verzekeraars, ingesteld bij de regeling instelling Commissie verzekeraars. Artikel 2. Benoeming Als leden worden voor de duur van de commissie benoemd: Prof. dr. C. G. (Casper) de Vries, tevens voorzitter; Prof. dr. D. (Dirk) Schoenmaker; Drs. J.B.M. (Jos) Streppel; en Mr. H.B.A. (Ben) Verhoeven. Artikel 3. Secretariaat Aan de commissie worden als secretaris onderscheidenlijk adjunct-secretaris toegevoegd: drs. V. Lieffering en mr. B.H.S. Smits, beiden werkzaam bij het ministerie van Financiën. Artikel 4. Vergoeding 1. De voorzitter en de andere leden ontvangen per vergadering een vergoeding, voor zover zij niet vallen onder de uitzondering van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en hiermee niet het in [artikel 6, eerste lid, van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=6) bedoelde maximumbedrag overschrijden. 2. De vergoeding per vergadering van de leden bedraagt 3% van het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). 3. De vergoeding per vergadering van de voorzitter van de commissie bedraagt 130% van de hoogte van de vergoeding per vergadering die aan de andere leden van de commissie is toegekend. Artikel 5. Inwerki"},{"i":11083,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 april 2018, houdende de beperking van de openbaarheid van een aantal inventarissen van het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Griekenland Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de nationale rijksarchivaris van het Nationaal Archief d.d. 26 maart 2018, kenmerk 1253076; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 5 | 2054 | | 114 | 2081 | | 138 | 2078 | | 142 | 2078 | | 159 | 2076 | | 160 | 2084 | | 380 | 2067 | | 161 | 2082 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 2 | 2037 | | 3 | 2030 | | 4 | 2030 | | 6 | 2058 | | 48 | 2051 | | 51 | 2051 | | 53 | 2051 | | 63 | 2034 | | 97 | 2045 | | 115 | 2057 | | 116 | 2059 | | 117 | 2061 | | 118 | 2062 | | 119 | 2063 | | 481 | 2048 | | 482 | 2052 | | 486 | 2048 | | 487 | 2059 | | 568 | 2055 | | 598 | 2050 | | 599 | 2076 | | 600 | 2084 | | 601 | 2075 | | 602 | 2071 | | 610 | 2036 | | 611 | 2040 | | 660 | 2063 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040868&artikel=1&z=2018-05-02&g=2018-05-02), is tot openbaring uitsluitend mogelijk na voorafgaande sc"},{"i":14242,"b":"Regeling etikettering energiegebruik was-droogcombinaties Gelet op [richtlijn nr. 96/60/EG](31996L0060) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 september 1996 houdende uitvoeringsbepalingen van [Richtlijn 92/75/EEG](31992L0075) van de Raad wat de etikettering van het energieverbruik van huishoudelijke was-droogcombinaties betreft (PbEG L 266) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007551&artikel=2), [3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007551&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007551&artikel=5), [6, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007551&artikel=6), en [7 van het Kaderbesluit etikettering energiegebruik huishoudelijke apparatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007551&artikel=7); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **uitvoeringsrichtlijn was-droogcombinaties:** [richtlijn nr. 96/60/EG](31996L0060) van de Commissie van de Europese Gemeen-schappen van 19 september 1996 houdende uitvoeringsbepalingen van [Richtlijn 92/75/EEG](31992L0075) van de Raad wat de etikettering van het energieverbruik van huishoudelijke was-droogcombinaties betreft (PbEG L 266); - b. **besluit:** [Besluit etikettering energieverbruik energiegerelateerde producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031352); - c. **was-droogcombinaties:** huishoudelijke was-droogcombinaties, die uitsluitend op het elektrische net kunnen worden aangesloten. Artikel 2 Als categorie van energiegerelateerde producten als bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031352&artikel=12) wordt aangewezen: was-droogcombinaties. Artikel 3 1. De gegevens op het etiket, bedoeld in [artikel 6 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031352&artikel=16), voor was-droogcombinaties, en de opmaak, afmetingen en kleurstelling van dat etiket voldoen aan de daaraan in bijlage I van de uitvoering"},{"i":14211,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 november 2007, nr. WJZ 7130350, houdende de Rijkscofinanciering voor EFRO-programma's 2007–2013 voor doelstelling 2 Gelet op artikel 56, derde lid, van de Kaderverordening 1083/2006, [artikelen 3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3), en [8, eerste lid, van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=8) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022685&artikel=2) en [3 van het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022685&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Als Europees Programma, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022685&artikel=3) en [artikel 4 van het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022685&artikel=4), wordt aangewezen: - a. het Operationeel Programma voor Oost-Nederland (beschikkingsnummer C(2007)3724), op 27 juli 2007 goedgekeurd door de Europese Commissie; - b. het Operationeel Programma voor Zuid-Nederland (beschikkingsnummer C(2007)2604), op 13 juni 2007 goedgekeurd door de Europese Commissie; - c. het Operationeel Programma voor West-Nederland (beschikkingsnummer C(2007)3949), op 13 augustus 2007 goedgekeurd door de Europese Commissie; - d. het Operationeel Programma voor Noord-Nederland (beschikkingsnummer C(2007)3725), op 27 juli 2007 goedgekeurd door de Europese Commissie. Artikel 2 1. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van deze regeling wordt gedelegeerd aan de managementautoriteit van het desbetreffende programma, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022831&artikel=1&z=2012-02-18&g=2012-02-18). 2. De managementautoriteit van het programma, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022831&artikel=1&z=2012-02-18&g=2012-02-18), kan op aanvraag subsidie verlenen aan degene die een project tot stand brengt dat past in dat pro"},{"i":14257,"b":"Regeling film HGIS-cultuurmiddelen mei 2006 Deze regeling geldt, voor zover van toepassing, onverminderd en in aanvulling op het bepaalde in het bijdragenreglement van het Nederlands Fonds voor de Film (hierna: het fonds). 1. Doel Doel van alle activiteiten in het kader van deze regeling is het stimuleren van de profilering, kennisontwikkeling, kennisverspreiding en promotie van de Nederlandse film in het buitenland en de ontwikkeling van projecten, van bijvoorbeeld Nederlandse filmfestivals, die hieraan een bijdrage leveren. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken stelt het fonds voor 2006 € 400.000,– beschikbaar uit de HGIS-cultuurmiddelen. De HGIS-cultuurmiddelen zijn bedoeld voor projecten die bij voorkeur plaatsvinden in de prioriteitslanden waarop het Internationaal Cultuurbeleid zich richt, dan wel in samenwerking met daaruit afkomstige professionals worden uitgevoerd. Dit zijn de lidstaten van de Europese Unie en verder: Kroatië, Roemenië, Bulgarije, Turkije, Canada, Verenigde Staten, Japan, Suriname, Zuid-Afrika, Indonesië, Rusland, Egypte, Marokko en China. 2. Algemene bepalingen 3. Categorieën projecten Manifestaties Promotionele en marktgerichte activiteiten Publicaties – buitenlandse publicaties over films en filmmakers uit Nederland die als doel hebben het stimuleren van de profilering, kennisontwikkeling, kennisverspreiding en promotie van de Nederlandse film in het buitenland en de ontwikkeling van projecten die hieraan een bijdrage leveren. 4. Formele en materiële eisen Voor aanvragen van subsidie in het kader van deze voorlopige regeling gelden de criteria HGIS-cultuurmiddelen zoals vastgesteld door de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover van toepassing, de eisen zoals neergelegd in de artikelen 7 tot en met 13 van het bijdragenreglement van het fonds. Een aanvraag voor een subsidie dient voor de volgende tijdstippen te worden ingediend: 5. Beoordeling Voor de beoordeling van een aanvraag kan het bestu"},{"i":14263,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 mei 2024, nr. WJZ/44448983 (26116), houdende de vaststelling van een nieuw financieel handboek voor de regionale publieke media-instellingen en de RPO (Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en de RPO 2024) Gelet op de [artikelen 2.172, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.172), en [2.173a, derde lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.173a); Besluit: Artikel 1. Vaststelling Handboek verantwoording Op de jaarrekeningen van de regionale publieke media-instellingen en de RPO is de bij deze regeling gevoegde bijlage van toepassing. Artikel 2. Intrekking oude verantwoordingsregeling De [Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en RPO 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044841) wordt ingetrokken, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de verantwoording over het jaar 2022. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en de RPO 2024. Bijlage. bij de Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en de RPO 2024 1. Inleiding 1.1. Ministeriële regeling Dit Handboek financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en de RPO 2024, bijlage bij de Regeling financiële verantwoording regionale publieke media-instellingen en de RPO 2024 (hierna: Handboek), is een ministeriële regeling op grond van de [artikelen 2.172, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.172), en [2.173a, derde lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.173a). Deze wettelijke grondsla"},{"i":9943,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, houdende regels over commerciële vluchtuitvoeringen met verhoogd risico (Beleidsregel commerciële vluchtuitvoeringen met verhoogd risico) Gelet op de artikelen ARO.OPS.150 en ORO.SPO.110 van Verordening (EU) Nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig [Verordening (EG) nr. 216/2008](32008R0216) van het Europees Parlement en de Raad en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **verordening (EG) nr. 216/2008:** [verordening nr. 216/2008](32008R0216) van de Commissie van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van [Richtlijn 91/670/EEG](31991L0670), [Verordening (EG) nr. 1592/2002](32002R1592) en [Richtlijn 2004/36/EG](32004L0036); - **verordening (EU) nr. 965/2012:** verordening (EU) Nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig [verordening (EG) nr. 216/2008](32008R0216) van het Europees Parlement en de Raad, zoals laatstelijk gewijzigd door verordening (EU) nr. 2015/2338; - **verordening (EU) nr. 923/2012:** verordening (EU) nr.923/2012 van de Commissie van 29 september 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 en [verordeningen (EG) nr. 1265/2007](32007R1265), [(EG) nr. 1794/2006](32006R1794), [(EG) nr. 730/2006](32006R0730), [(EG) nr. 1033/2006](3"},{"i":11090,"b":"Besluit van 5 juli 2022, houdende voorschriften voor een experiment met betrekking tot de bijzondere nadere vooropleidingseisen voor de opleiding tot leraar basisonderwijs, met het oog op verbetering van de toegankelijkheid (Besluit experiment bijzondere nadere vooropleidingseisen opleiding tot leraar basisonderwijs) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 4 april 2022, nr. WJZ/32259834 (13530), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 1.7a, eerste en tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.7a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 juni 2022, nr. W05.22.00040/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 30 juni 2022, nr. WJZ/32940850 (13530), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **bijzondere nadere vooropleidingseisen:** eisen als bedoeld in [artikel 7.25a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.25a); - **deelnemende instelling:** een aan het experiment deelnemende instelling voor hoger onderwijs; - **experiment:** experiment bijzondere nadere vooropleidingseisen opleiding tot leraar basisonderwijs; - **instellingsbestuur:** instellingsbestuur als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - **instelling voor hoger onderwijs:** een bekostigde instelling, opgenomen in de bijlage van de wet onder g of een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel aa, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **studiejaar:** het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het"},{"i":11092,"b":"Besluit van 23 december 2015, houdende bepalingen voor een experiment met het oog op verbetering van de toegankelijkheid en de doelmatigheid van het hoger onderwijs door invoering van promotieonderwijs (Besluit experiment promotieonderwijs) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 1 juli 2015, nr. WJZ/ 777029 (10335), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op [artikel 1.7a, eerste en tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.7a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 oktober 2015, nr. W05.15.0211/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 december 2015, nr. WJZ/ 842867(10335), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - b. **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. **promotieonderwijs:** onderwijs, in het kader van dit experiment, dat niet in de vorm van een opleiding wordt verzorgd en dat is gericht op onderzoeksvaardigheden en generieke vaardigheden van een promovendus ten behoeve van zijn promotie en zijn positie op de arbeidsmarkt; - d. **universiteit:** universiteit, levensbeschouwelijke universiteit of de Open Universiteit, als bedoeld in [artikel 1.2, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.2); - e. **instellingsbestuur:** college van bestuur van een universiteit; - f. **decaan:** decaan, bedoeld in [artikel 9.12, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=9.12); - g. **promo"},{"i":13853,"b":"Naamswijziging permanente krijgsraad Nederlandse Antillen voor de zeemacht Overwegende, dat bij rijkswet van 22 juli 1985 (Stb. 452) het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) is gewijzigd ter losmaking van Aruba uit het Staatsverband van de Nederlandse Antillen; dat bij koninklijk besluit van 30 augustus 1985 (Stb. 476) is bepaald dat genoemde rijkswet van 22 juli 1985 in werking treedt met ingang van 1 januari 1986; dat het in verband met het vorenstaande gewenst is de benaming ‘permanente krijgsraad Nederlandse Antillen voor de zeemacht’ te wijzigen; Besluit: Artikel 1 De benaming ‘permanente krijgsraad Nederlandse Antillen voor de zeemacht’ wordt gewijzigd in: permanente krijgsraad Nederlandse Antillen en Aruba voor de zeemacht. Artikel 2 De voorschriften, waarin de benaming van voornoemde permanente krijgsraad voorkomt, worden aangepast. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de datum van ondertekening en zal in de Nederlandse Staatscourant worden geplaatst. Afschrift van deze beschikking zal worden gezonden volgens de als bijlage bij deze beschikking gevoegde verzendlijst."},{"i":11093,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2022, nr. O&B/1407525, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Centrale Directie Internationale Betrekkingen en taakvoorgangers van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode 1945-1988 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 3 oktober 2022, met kenmerk 1408084; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Centrale Directie Internationale Betrekkingen en taakvoorgangers van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode 1945-1988. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 827 | 2033 | | 828 | 2033 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 798 | 2044 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047774&artikel=1&z=2023-01-20&g=2023-01-20), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047774&artikel=2&z=2023-01-20&g=2023-01-20),"},{"i":12429,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2022, nr. 22566628, houdende inwilliging AVV-verzoek Glastuinbouwsector (Sierteeltproducten) Gelet op de artikelen 164 en 165 van [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347) en [paragraaf 5 van de Regeling producenten- en brancheorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035634&paragraaf=5); Gelet op de inhoud van de aanvraag van de vereniging Brancheorganisatie Sierteeltproducten wordt het verzoek ingewilligd onder het stellen van de hierna genoemde voorschriften en beperkingen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Verordening 1308/2013:** [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. **BO Sierteelt:** de vereniging Brancheorganisatie Sierteeltproducten; - c. **Programma KijK:** het Programma Onderzoek en Innovatie Kennis in je Kas zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047731&bijlage=A&z=2023-01-01&g=2023-01-01) van dit besluit; - d. **Registratieregeling BO Sierteelt:** Regeling verplichte registratie en gegevensverstrekking Brancheorganisatie Sierteeltproducten 2023–2025, zoals opgenomen in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047731&bijlage=B&z=2023-01-01&g=2023-01-01) van dit besluit; - e. **Bijdrag"},{"i":11114,"b":"Besluit projectsubsidies voor ‘Verbreden en borgen methodiek Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem in het kader van de Bibliotheek op school’ 2022 gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=3) en [8, eerste lid, van de Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2020–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043832&artikel=8); overwegende dat; met het beschikbaar stellen van projectsubsidies wordt beoogd te stimuleren dat de methodiek ‘Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem in het kader van Bibliotheek **op school’** op effectieve wijze breed wordt geïmplementeerd op basisscholen in het werkgebied van bibliotheken. Dit door middel van de inzet van leesconsulenten van bibliotheken die de opleiding ‘Bibliotheek **op school’**hebben gevolgd. besluit: Artikel 1. Subsidiabele activiteiten Het Algemeen bestuurscollege kan in het kader van ‘Verbreden en borgen methodiek Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem in het kader van Bibliotheek **op school’** voor de volgende activiteit subsidie verstrekken: Het inzetten van leesconsulenten van bibliotheken die de opleiding Bibliotheek **op school** hebben gevolgd op basisscholen, met als doel: - i. de kennis uit deze opleiding in de praktijk op een aantal basisscholen binnen het werkgebied van de bibliotheek te implementeren; en - ii. de implementatie te borgen binnen de betreffende basisscholen en het verder uitrollen hiervan op andere basisscholen binnen het werkgebied van de bibliotheek. Artikel 2. De aanvraag, indieningstijdvak en beslissing op de aanvraag 1. Een hoofdvestiging van een bibliotheek kan een aanvraag doen voor een projectsubsidie ten behoeve van de hierboven genoemde activiteiten. 2. De aanvraag wordt gedaan door middel van een door de Koninklijke Bibliotheek beschikbaar gesteld aanvraagformulier en stramien voor implementatieplan. Het stramien voor het implementatieplan wordt ingevuld door de leesconsulent. 3. De volledige a"},{"i":13122,"b":"Bezoldigingsbesluit dienstplichtigen BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Defensie: - b. **dienstplichtige:** de dienstplichtige als bedoeld in [artikel 37, eerste lid onder d, van de Dienstplichtwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028468&artikel=37), die in werkelijke dienst is, tenzij uit enige bepaling in dit besluit anders blijkt; - c. **vrijwillig nadienende dienstplichtige:** de dienstplichtige als bedoeld in [artikel 37, eerste lid onder e, van de Dienstplichtwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028468&artikel=37), die in werkelijke dienst is, tenzij uit enige bepaling in dit besluit anders blijkt. Hoofdstuk 2. Bezoldiging Artikel 2 Bij regeling van Onze Minister worden de bezoldigingsschalen en de pensioengrondslagen van de ongehuwde en de gehuwde dienstplichtigen vastgesteld, die behoren bij de onderscheiden leeftijden, klassen in de stand van matroos en rangen, die zij kunnen hebben. Artikel 3 1. De jaarlijkse en maandelijkse bezoldigingen van de dienstplichtigen, die voor eerste oefening of herhalingsoefening in werkelijke dienst zijn, worden naar hun leeftijd vastgesteld aan de hand van bij regeling van Onze Minister vast te stellen bezoldigingschalen. 2. De jaarlijkse en maandelijkse bezoldigingen alsmede de pensioengrondslagen van de vrijwillig nadienende dienstplichtigen worden naar de klasse in de stand van matroos, waarin zij zijn ingedeeld, dan wel naar de rang, die zij bekleden, vastgesteld aan de hand van bij regeling van Onze Minister vast te stellen bezoldigingschalen. 3. Als gehuwd worden beschouwd de dienstplichtigen, die gehuwd of gehuwd geweest zijn. 4. Verhoging van bezoldiging als gevolg van wijziging van de burgerlijke staat van de dienstplichtige gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin de wijziging heeft plaats gehad, tenzij de wijziging zich voordoet op de eerste dag van de maand, in welk geval de wi"},{"i":12011,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Staatscommissie Euthanasie, 1982-1985 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 18 juli 2023, met kenmerk 39009717. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Staatscommissie Euthanasie, 1982-1985. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 60 | 2059 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048701&artikel=1&z=2023-09-28&g=2023-09-28), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging in de inventarisnummers, volgens de procedures die gelden voor inzage in archieven met bijzondere persoonsgegevens en de procedures voor andere beperkt openbare archieven. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048701&artikel=1&z=2023-09-28&g=2023-09-28), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij"},{"i":11125,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 24 december 2019, nr. IENW/BSK-2019/269660, tot vaststelling van het Besluit tot goedkeuring examenreglementen en examenprogramma's voor de binnenvaart 2020 Gelet op de [artikelen 1.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=1.12), [1.18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=1.18), [2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=2.3), [2.10, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=2.10), [7.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=7.6), [7.8, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=7.8), [7.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=7.9), [7.19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=7.19a), en [7.21, eerste en tweede lid, van de Binnenvaartregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025958&artikel=7.21) en de [artikelen 4.01](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030215&artikel=4.01) en [4a.05 van het Reglement betreffende scheepvaartpersoneel op de Rijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030215&artikel=4a.05); BESLUIT: Artikel 1 Het algemeen examenreglement CCV, alsmede de examenprogramma’s voor de volgende diploma’s van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te Rijswijk, opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043031&bijlage=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01), worden goedgekeurd: - a. Schipper alle binnenwateren; - b. Schipper rivieren, kanalen en meren; - c. Schipper zeilvaart; - d. Radar; - e. Ondernemer in de Binnenvaart; - f. Vervoer gevaarlijke stoffen (ADN); - g. Praktijkexamen schipper binnenvaart; - h. Praktijkexamen matroos; - i. Praktijkexamen schipper rondvaartboot beperkt vaargebied; - j. Klein vaarbewijs alle binnenwateren; - k. Klein vaarbewijs alle rivieren, kanalen en meren; - l. CWO groot motorschip. Artikel 2 De Examenregeling cursus Zoute Veren Nautisc"},{"i":11126,"b":"Besluit van 4 december 2025 tot vaststelling van regels over de berekening en betaling van de specifieke uitkering voor de Doorstroompuntregio’s en de invulling van de loopbaanbegeleiding door onderwijsinstellingen alsmede tot wijziging van diverse besluiten in verband met onder andere de Wet van school naar duurzaam werk (Besluit van school naar duurzaam werk) [KetenID WGK026136] Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 19 september 2025, nr. WJZ/53281609 (ID26136), gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 9.2.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=9.2.9), en [9.2.12, zesde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=9.2.12), [artikel 8.3.1, zesde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=8.3.1), [artikel 44, zesde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=44), [artikel 2.31a, vijfde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.31a), de [artikelen 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=8), [12, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=12), en [21, vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=21), [artikel 7.1.1.2, eerste lid, onderdeel a, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.1.1.2), de [artikelen 7a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7a), en [67, vijfde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=67), [artikel 73, zevende lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=73), de [artikelen 4, vierde"},{"i":14162,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 oktober 2017, nr. HO&S/1180908, houdende instelling van de Commissie beoordeling uitingen maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef (Regeling Commissie beoordeling uitingen maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef) Gelet op [artikel 6.11 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.11); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de onderdelen D, M, subonderdeel 2, en N, subonderdeel 1, van artikel I van de Wet invoering associate degree-opleiding in werking treden. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - b. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het uitingen van bekostigde instellingen voor hoger onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving betreft, de Minister van Economische Zaken; - c. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040133&artikel=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - d. **uiting:** gedragingen en uitlatingen; - e. **instelling:** instelling voor hoger onderwijs in de zin van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682). Artikel 2. Commissie beoordeling uitingen maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef 1. Er is een Commissie beoordeling uitingen maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. 2. In geval de minister overweegt een besluit te nemen als bedoeld in [artikel 6.11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.11) verzoekt hij de commissie hem te voorzien van een advies houdende de beoordeling of een uiting discriminatoir is in de zin van bestaande wet en regelgeving volgens eerdere uitspraken van de (straf)rechter en het College voor de Rechten van de Mens of anderszins flagrant in strijd is met"},{"i":11128,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 14 december 2017, nr. 1280915, tot vaststelling van de beleidsregel Onderzoekskader College voor toetsen en examens Gelet op [artikel 15f, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=15f) jo. [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 13 november 2017; Besluit: Artikel 1 De beleidsregel Onderzoekskader College voor toetsen en examens wordt vastgesteld ([Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040432&bijlage=I&z=2022-08-01&g=2022-08-01)). Artikel 2 De beleidsregel Toezichtkader College voor Examens wordt ingetrokken (bijlage bij Kamerstukken II 2009/10, 31 411, nr. 15). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Bijlage I. Onderzoekskader College voor Toetsen en Examens Met een wetswijziging die op 1 augustus 2014 in werking is getreden is de Wet College voor examens gewijzigd in de [Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364). Het College voor Examens heet vanaf dat moment College voor Toetsen en Examens (CvTE). Op basis van de Wet College voor toetsen en examens is het CvTE officieel (ook) verantwoordelijk voor de Centrale Eindtoets in het primair onderwijs. In 2014 heeft het CvTE ook een start gemaakt met de eerste ontwikkeling van de diagnostische tussentijdse toets en eerder waren de rekentoets Vo en de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo aan het takenpakket toegevoegd. De [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) (WOT) vormt de grondslag voor het toezicht door de Inspectie van het Onderwijs (Inspectie). Krachtens deze wet is het toezicht op het CvTE opgedragen aan de Inspectie ([artikel 15f WOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800"},{"i":11913,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 4 april 2022 nr. DGBI-DE/22097037, handelend in overeenstemming met de Staatssecretaris Cultuur en Media, inzake de keuze voor het instrument veiling van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep kavels B01, B03, B04, B06 tot en met B26, B35 en B37, de vaststelling van die vergunningen, en de vaststelling van de daaraan te koppelen vergunningen voor digitale radio-omroep (Besluit bekendmaking veiling kavels B01, B03, B04, B06 tot en met B26, B35 en B37) Gelet op [artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10), en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep in de FM-band, genoemd in tabel 1, met de daaraan te verbinden voorschriften en beperkingen, worden verleend met toepassing van een veiling als bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). | Kavel | Bijlagen FM-vergunning | Demografisch bereik | Gekoppelde DAB-vergunning | Bijlagen DAB-vergunning | | --- | --- | --- | --- | --- | | B01 | 1, 5, 6, 7 | 14,63% | 8B | 33, 34, 35, 36 | | B03 | 1, 5, 6, 8 | 4,36% | 8B | 33, 34, 35, 36 | | B04 | 1, 5, 6, 9 | 4,50% | 8B | 33, 34, 35, 36 | | B06 | 1, 5, 6, 10 | 15,95% | 5B | 33, 34, 35, 37 | | B07 | 1, 5, 6, 11 | 3,27% | 5B | 33, 34, 35, 37 | | B08 | 2, 5, 6, 12 | 6,02% | 5B | 33, 34, 35, 37 | | B09 | 1, 5, 6, 13 | 1,18% | 12B | 33, 34, 35, 38 | | B10 | 1, 5, 6, 14 | 2,32% | 5A | 33, 34, 35, 39 | | B11 | 1, 5, 6, 15 | 1,10% | 5A | 33, 34, 35, 39 | | B12 | 1, 5, 6, 16 | 2,44% | 5A | 33, 34, 35, 39 | | B13 | 1, 5, 6, 17 | 2,63% | 7C-N | 33, 34, 35, 40 | | B14 | 1, 5, 6, 18 | 2,18% | 7C-N | 33, 34, 35, 40 | | B15 | 1, 5, 6, 19 | 2,57% | 7C-N | 33, 34, 35, 40 | | B16 | 1, 5, 6, 20 | 6,64%"},{"i":14173,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 december 2016, nr. 2016-0000772257, houdende vaststelling van het Controleprotocol WNT 2016 (Regeling Controleprotocol WNT 2016) Gelet op [artikel 1.9, aanhef en onderdeel d, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.9); Besluit: Artikel 1 Het protocol voor controle door de accountant over het jaar 2016 op de naleving van de [Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) (WNT) en de daarop rustende bepalingen wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling controleprotocol WNT 2016. Bijlage. bij de Regeling Controleprotocol WNT 2016 A. De [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en accountantscontrole: algemeen De [Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) (WNT) en de daarop gebaseerde regelgeving stellen maxima aan de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector. Daarnaast verplicht deze wet tot de openbaarmaking in deze sectoren van de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van alle topfunctionarissen en gewezen topfunctionarissen en daarnaast van niet-topfunctionarissen, indien deze bezoldigingen of uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband het wettelijke bezoldigingsmaximum te boven gaan. De [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) geeft voorschriften over het opnemen van verantwoordingsinformatie in het financieel verslaggevingsdocument. Dit protocol geeft nadere aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang va"},{"i":12117,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 september 2018, kenmerk 1397934-179718-PEMA, houdende de regeling van de vervanging van de projectdirecteur Project relocatie EMA bij afwezigheid Gelet op [artikel 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a) en [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17); Besluit: Artikel 1 Voor de duur van het Project relocatie EMA is de senior projectleider bevoegd bij afwezigheid of verhindering van de projectdirecteur, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, om in naam van de Minister besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het project, tot een maximum van € 50.000,–. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2018. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11129,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 12 februari 2019, nr. 5252180, tot intrekking van waarderingskaders onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2019 Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 13 december 2018, Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De volgende beleidsregels worden vastgesteld: - 1. Onderzoekskader 2019 voor het toezicht op de Nederlandse scholen in het buitenland primair onderwijs (bijlage I); en - 2. Onderzoekskader 2019 voor het toezicht op de Nederlandse scholen in het buitenland voortgezet onderwijs (bijlage II). Artikel 2 De volgende beleidsregels worden ingetrokken: - 1. Waarderingskader NTC Primair Onderwijs 20121https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwijssectoren/nederlands-onderwijs-in-het-buitenland/documenten/publicaties/2012/01/01/waarderingskader-ntc-primair-onderwijs-2012; en - 2. Waarderingskader NTC Voortgezet Onderwijs 20122https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwijssectoren/nederlands-onderwijs-in-het-buitenland/documenten/publicaties/2012/01/01/waarderingskader-ntc-voortgezet-onderwijs-2012: Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Onderzoekskader 2024 **voor het toezicht op de Nederlandse scholen in het buitenland primair onderwijs** 1. Inleiding 1. Inleiding Diversiteit van het onderwijsveld Noch de [Wet op het Primair Onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) (WPO), noch de [Wet op het Voortgezet Onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) (WVO), noch de [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628) zijn formeel van toepassing. Deze laatste wet is alleen van kracht wanneer leerlingen zijn ingeschreven in de basisadministratie van een gemeente in Nederland. De Nederlandse schole"},{"i":13151,"b":"Compensatieregeling Coronacrisis Musea met een private collectie Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Definities In de regeling wordt verstaan onder: - 1. **het fonds:** het Mondriaan Fonds, - 2. **het bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds, - 3. **eigen inkomsten:** de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de goedgekeurde jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening: - a. publieksinkomsten; en - b. overige inkomsten, zijnde: Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten: - 1. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten; - 2. indirecte opbrengsten; en - 3. overige bijdragen. - a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; - b. overige bijdragen uit publieke middelen; - c. rentebaten; - d. bijdragen in natura; - e. kapitalisatie van vrijwilligers; - f. waardering vrijkaarten; en - g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap. - 4. **museum met een private collectie:** een publiekstoegankelijke instelling met een overwegend private collectie. Artikel 2. Doel Het fonds kan subsidie verstrekken in de vorm van een bijdrage aan musea met een private collectie die van vitaal belang zijn voor de lokale culturele infrastructuur en die liquiditeitsproblemen hebben of verwachten te krijgen, om deze musea zo veel mogelijk in stand te houden. Artikel 3. Doelgroep De bijdrage kan worden aangevraagd door een in Nederland gevestigd museum dat: - a. als kernactiviteit het beheer en behoud van een private collectie van cultureel erfgoed van regionaal en/of nationaal belang heeft; en - b. in de jaren 2018 en 2019 gemiddeld 20.000 of meer betalende bezoekers trok; en - c. bij het afstoten het bepaalde in de [Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521) en de Leidraad voor het Afstoten van Museale Objecten (LAMO) volgt en waar mogelijk h"},{"i":13729,"b":"Kadasterregeling 1994 **14 april 1994/Nr. KAZ15494004** **Dienst voor het Kadaster en de Openbare registers** Gelet op de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=4), [7, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=7), [8, tweede lid, tweede zin, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=8), [11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=11), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=12), [14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=14), [15, derde, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=17), [44, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=44), [48, tweede lid, onder h, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=48), [49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=49), [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=51), [52, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=52), [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=71), [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=72), [75, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=75), [76, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=76), [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=79), [80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=80), [81, eerste lid, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=81), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=82), [83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=83), [99, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=99), [102, tweede en"},{"i":13181,"b":"Deelregeling Beschermd Cultuurgoed of Beschermde Verzameling Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het stimuleren dat goed gezorgd wordt voor objecten die een belangrijk onderdeel zijn van het Nederlands cultureel erfgoed en die grotendeels in privaat bezit zijn en dat dit erfgoed voor zover mogelijk publiekstoegankelijk wordt gemaakt en gehouden. Deze regeling biedt de grondslag voor het verlenen van bijdragen voor behoudsprojecten voor objecten en collecties die op grond van [artikel 3.7 van de erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=3.7) zijn aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling en zijn opgenomen in het Register als bedoeld in [artikel 3.11 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=3.11), ter compensatie voor de restricties die opname in dit register heeft voor de vrijheid van de eigenaren in de omgang met hun bezit. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een bijdrage kan worden toegekend aan de eigenaar of de beheerder van een object of collectie die in het Register als bedoeld in [artikel 3.11 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=3.11) is opgenomen. 2. De financiële bijdrage die de aanvrager levert, dient in een aanvaardbare verhouding te staan tot de bijdrage van het fonds. 3. In de toelichting bij het aanvraagformulier is het minimale bedrag van de bijdrage en de hoogte van de financiële bijdrage van de aanvrager genoemd. 4. De aanvrager dient aannemelijk te maken dat het behoud van het object op lange termijn gegarandeerd is. 5. Voor een bijdrage komen in aanmerking: - •. kosten voor actieve conservering, - •. voor passieve conservering in de vorm van preventie van verval, - •. kosten voor restauratie van het object, - •. indien het oorspronkelijke materiaal aan verval onderhevig is, waardoor het behoud bedreigd wordt, tevens"},{"i":11130,"b":"Besluit vaststelling Raamwerk praktijkexamens Maritieme radiocommunicatie (Marcom-B & Marcom-A) CBR Artikel 1 De beleidsregel “[Raamwerk praktijkexamens Maritieme radiocommunicatie (Marcom-B & Marcom-A)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048254&bijlage=1&z=2023-07-01&g=2023-07-01)” wordt vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2023. Bijlage Als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048254&bijlage=1&z=2023-07-01&g=2023-07-01) is gevoegd het Raamwerk praktijkexamens Maritieme radiocommunicatie (Marcom-B & Marcom-A). Bijlage 1. Raamwerk praktijkexamens Maritieme radiocommunicatie (Marcom-B & Marcom-A) Versie 1.0 Datum: 1 juli 2023 Inhoudsopgave **Hoofdstuk 1: Het raamwerk praktijkexamens Maritieme radiocommunicatie (Marcom-B & Marcom-A)** **Hoofdstuk 2: Aanvraagprocedure** **Hoofdstuk 3: Erkenningseisen** **Hoofdstuk 4: Toezicht en sancties** **Hoofdstuk 5: Bezwaar en beroep** Hoofdstuk 1. Het raamwerk praktijkexamens Maritieme radiocommunicatie (Marcom-B & Marcom-A) Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde praktijkexamens voor Maritieme radiocommunicatie mogen de praktijkopleidingen voor het ‘Beperkt Certificaat Maritieme Radiocommunicatie’ (Marcom-B) en/of het ‘Algemeen Certificaat Maritieme Radiocommunicatie’ (Marcom-A) verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificeringen af te geven. Daarnaast houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de praktijkexamens. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR, in samenwerking met **de werkgroep Praktijk** (waarvan de leden een afvaardiging zijn van de huidig erkende opleiders) het Raamwerk praktijkexamens Maritieme radiocommunicatie opgesteld. In het Raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de praktijkexam"},{"i":13734,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 december 2025, nr. 2025-27599 over de motorrijtuigenbelasting (Kaderbesluit mrb) **De Staatssecretaris van Financiën,** **Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.** **Besluit:** 1. Inleiding In dit besluit zijn beleidsregels opgenomen voor de motorrijtuigenbelasting. Dit besluit vervangt het [besluit van 18 oktober 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050576), nr. 2024-563809 (Stcrt. 2024, 34330), dat hiermee wordt ingetrokken. De wijzigingen betreffen: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Bijzondere tarieven 2.1. Maten en firmanten Een maatschap kan ondernemer zijn. Omdat een maatschap geen rechtspersoon is, kan het kenteken van een (bestel)auto niet op naam van de maatschap staan. Volgens de ondernemersregeling wordt het lage bestelautotarief toegekend aan de kentekenhouder. Het is niet de bedoeling van de wetgever om maatschappen die ondernemer zijn uit te sluiten van de ondernemersregeling. Dit geldt eveneens voor de firmanten van een vennootschap onder firma. In verband hiermee keur ik met toepassing van [artikel 63 van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63) (de hardheidsclausule) het volgende goed. Een maat of firmant kan op verzoek als ondernemer worden aangemerkt als een bestelauto die op naam van de maat of de firmant staat meer dan bijkomstig wordt gebruikt ten behoeve van de onderneming van de maatschap of firma waaraan hij deelneemt. Voor toepassing van de ondernemersregeling is de maat of firmant op wiens naam het kenteken is gesteld degene die de verplichtingen moet nakomen. Als niet langer aan de voorwaarden en beperkingen van de ondernemersregeling wordt voldaan, is de kentekenhouder het voor de auto van toepassing zijnde tarief verschuldigd. 2.2. Kermis- en circuswoonwagens Een woonwagen is een personenauto waarvan de binnenruimte vaste"},{"i":11131,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Bloembollenkeuringsdienst vanaf 1979 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de documentaire neerslag van de Bloembollenkeuringsdienst (BKD) over de periode vanaf het jaar 1979’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11134,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bosbouw 1945–1983 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 oktober 2006, nr. arc-2006.03203/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bosbouw over de periode 1945–1983](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12374,"b":"Besluit instelling commissie opperbevelhebberschap Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges; Besluiten: Artikel 1 Er is een commissie opperbevelhebberschap. Artikel 2 1. De commissie heeft tot taak de Minister van Defensie te adviseren over de vraag of het wenselijk dan wel noodzakelijk is een opperbevelhebber aan het hoofd van de bevelstructuur te plaatsen, alsmede de Minister van Defensie te adviseren omtrent de mogelijke vormgeving van het opperbevelhebberschap. 2. Het advies zal in ieder geval bevatten: - a). een verkenning van de ontwikkeling in taken en bevoegdheden van de chef defensiestaf, in het bijzonder met betrekking tot de verschillende soorten te onderkennen militaire operaties; - b). een verkenning van de situatie ten aanzien van de bevelstructuur, respectievelijk het opperbevelhebberschap in het buitenland alsmede een verkenning omtrent de vraag hoe een opperbevelhebberschap zich verhoudt tot verdere militaire integratie binnen Europa; - c). een verslag van de opgedane ervaring met het opperbevelhebberschap in Nederland; - d). een analyse van de verhouding tussen het opperbevelhebberschap enerzijds en de Grondwet en de ministeriële verantwoordelijkheid anderzijds; - e). de consequenties van de verschillende vormen van het opperbevelhebberschap voor de rol en positie van de bevelhebbers, van de ambtenaren van het kerndepartement en voor processen als planning, begroting en verwerving. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en drie andere leden. 2. De leden van de commissie worden door de Minister van Defensie benoemd en ontslagen. Artikel 4 De leden van de adviescommissie en haar secretariaat zijn gehouden omtrent alle geclassificeerde gegevens, die door hun werkzaamheden voor de adviescommissie bekend worden, geheimhouding te betrachten. Artikel 5 1. De commissie streeft er naar haar advies voor 1 maart 2002 uit te brengen aan de Minister van Defen"},{"i":12137,"b":"Besluit van de plaatsvervangend hoofddirecteur van de Concerndirectie Fiscale en Juridische Zaken van 5 september 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de (waarnemend) afdelingshoofden binnen de Concerndirectie Fiscale en Juridische Zaken wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder dat afdelingshoofd ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":11135,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Burgerluchtvaart vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 24 juni 2008 , nr. bca-2008.04926/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Burgerluchtvaart over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13128,"b":"Binnenvaartregeling Gelet op de Herziene Rijnvaartakte met bijbehorende protocollen, alsmede op [verordening (EEG) nr. 1017/68](31968R1017) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 juli 1968 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PbEG L 175); [richtlijn nr. 76/135/EEG](31976L0135) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 januari 1976 inzake wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (PbEG L 021); verordening (EEG ) nr. 2919/85/ van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1985 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren (PbEG L 280); [richtlijn nr. 87/540/EEG](31987L0540) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma’s, certificaten en andere titels (PbEG L 322); [verordening (EEG) nr. 3921/91](31991R3921) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de binnenwateren in een Lid-Staat waar zij niet gevestigd zijn (PbEG L 373); [richtlijn nr. 91/672/EEG](31991L0672) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake wederzijdse erkenning van de nationale vaarbewijzen voor het besturen van schepen in het goederen- en personenvervoer over de binnenwateren (PbEG L 373); [verordening (EEG) nr. 3912/92](31992R3912) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake in de Gemeenschap in het wegvervoer en de binnenvaart uitgevoerde controles van in een derde land ingeschreven of tot"},{"i":11139,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Friese taal vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2006, arc-2007.03507/8); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Friese taal over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":6723,"b":"Wet van 2 juli 1992, tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (vergunningen en algemene regels voor inrichtingen; procedures voor vergunningen en ontheffingen; handhaving) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne verder uit te bouwen tot een [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) en daarvan in de naam van de wet en in de systematiek ervan blijk te geven; dat het voorts wenselijk is de stelsels voor vergunningen en algemene regels met betrekking tot inrichtingen te verbeteren en zoveel mogelijk te integreren in die wet, de procedures voor de totstandkoming van beschikkingen inzake vergunningen en ontheffingen te verbeteren en de bepalingen inzake de handhaving van het milieurecht te verbeteren en ook in die wet te integreren; dat het wenselijk is daarbij tevens verdere uitvoering te geven aan de met die onderwerpen verband houdende Richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1982, 82/501/EEG (**PbEG** L 230) en van 28 juni 1984, 84/360/EEG (**PbEG** L 188); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijz"},{"i":5473,"b":"Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 21 juni 2012, nr. 3113629, houdende vaststelling van de eerste wijziging van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling vaststelling Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. Artikel II 1. Deze regeling is niet van toepassing op subsidieregelingen die vóór 1 oktober 2012 in werking zijn getreden en eindigen vóór 1 juli 2014, tenzij een verlenging van de geldingsduur van een dergelijke regeling wordt gewenst. 2. Regelingen die eindigen op of na 1 juli 2014 en regelingen die geen einddatum kennen bij inwerkingtreding van deze regeling worden vóór 1 juli 2014 voorzien van een vervaldatum die niet later ligt dan 1 juli 2017, tenzij het ontwerp van een regeling daartoe met overeenkomstige toepassing van [Aanwijzing 6A, vijfde lid](onbekend), met een langere geldingsduur aan de Tweede Kamer is overlegd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7613,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 juni 2018, nr. BOA/1371414, tot het verlenen van mandaat voor het behandelen van en het besluiten op aanvragen op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (Mandaatbesluit AVG OCW) Gelet op [artikel 10:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit Artikel 1 De directeur Bestuursondersteuning en Advies is gemandateerd om aanvragen als bedoeld in hoofdstuk III van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) in behandeling te nemen en daarop een besluit te nemen. Hij kan met betrekking tot dit mandaat ondermandaat verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 2 Dit besluit kan worden aangehaald als: Mandaatbesluit AVG OCW. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11141,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gratie vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 april 2006, nr. arc-2006.02861/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Gratie over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11142,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Landbouwkwaliteit en voedselveiligheid vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 april 2006, arc-2006.02834/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Landbouwkwaliteit en voedselveiligheid en kwaliteit van het uitgangsmateriaal en biotechnologie over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11144,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 mei 2006 nr. arc-2006.03029/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11145,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Milieubeheer vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 5 februari 2009, nr. bca-2008.05125/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Milieubeheer over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12396,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 februari 2014, 194065-116731-OBP, houdende instelling van de monitoringscommissie Van Werk Naar Werk VWS Besluit: Artikel 1 Er is een monitoringscommissie Van Werk Naar Werk VWS, hierna te noemen monitoringscommissie VWNW VWS. Artikel 2 In het Van Werk Naar Werk beleid (VWNW) is opgenomen dat de monitoring van dit beleid departementaal plaatsvindt en wordt uitgevoerd door een paritair samengestelde commissie (met leden namens het bevoegd gezag en leden namens de centrales van overheidspersoneel). De monitoringscommissie VWNW VWS heeft tot taak het volgende te monitoren: - –. het aantal VWNW-kandidaten en hun periode van VWNW-begeleiding; - –. de plaatsing (waar, hoe snel) van VWNW-kandidaten in een nieuwe functie; - –. de mate waarin VWNW-kandidaten kiezen voor verzilvering van hun algemene voorzieningen; - –. de inzet van specifieke voorzieningen. Tevens worden bij deze commissie gemelde knelpunten gemonitord. De departementale commissies rapporteren twee maal per jaar aan het Sectoroverleg Rijk en desgewenst tussentijds. Artikel 3 1. De monitoringscommissie VWNW VWS bestaat uit: Op voordracht van werkgeverszijde: - a. de directeur OBP, voorzitter tevens lid; - b. roulerend Hoofd HRM, plv. voorzitter tevens lid; Op voordracht van werknemerszijde: - c. M.C. Bleijerveld Abvakabo, lid - d. drs. L.P. Schueler CNV, plv. lid 2. De benoeming van de leden geschiedt voor de duur van de overeenkomst Sociaal Beleid Rijk: Van Werk Naar Werk beleid. Artikel 4 1. De leden van de monitoringscommissie VWNW VWS worden benoemd, geschorst en ontslagen door de Secretaris-Generaal. De Secretaris-Generaal kan tevens plaatsvervangende leden benoemen, schorsen en ontslaan. 2. De Secretaris-Generaal voegt aan de monitoringscommissie VWNW VWS een ambtelijk secretaris toe. De secretaris is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de monitoringscommissie VWNV VWS. De se"},{"i":13493,"b":"Instelling Commissie toetredingsvereisten juridische beroepen (Commissie Hoekstra) Mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Overwegende – dat ingevolge de [Aanpassingswet invoering bachelor-masterstructuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017830) is komen te gelden dat voor toetreding tot de juridische beroepen (rechterlijke macht, advocatuur en notariaat) de titel meester in de rechten moet zijn verkregen of in het wetenschappelijk onderwijs een combinatie van zowel de graad van bachelor (wo-bachelor), als die van master (wo-master) in het recht moet zijn behaald; – dat het, mede gelet op de bachelor-masterstructuur, wenselijk is om te bezien of in de toekomst deze regeling van de toetredingsvereisten nadere aanpassing behoeft; – dat in dit verband zal moeten worden beoordeeld of ook andere (combinaties van) graden dan de bovengenoemde toegang zouden moeten kunnen verschaffen tot een juridisch beroep; – dat het daarnaast wenselijk is om te bezien of de voor de toetreding tot de juridische beroepen in (nadere) regelgeving gestelde aanvullende eisen, ten aanzien van de kennis van specifieke vakken of rechtsgebieden, in het licht van de bachelor-masterstructuur aanpassing behoeven; – dat bij bovenstaande beoordeling aspecten als het waarborgen van de kwaliteit van de juridische beroepsuitoefening en de doorstroom vanuit het hoger beroepsonderwijs naar het wetenschappelijk onderwijs moeten worden betrokken; Besluit: Artikel 1 Een commissie in te stellen met als taak om – met name met het oog op de invoering van de bachelor-masterstructuur – te bezien of de regeling van de voor toetreding tot de juridische beroepen (advocatuur, notariaat, rechterlijke macht) vereiste graden in de toekomst aanpassing behoeft en hierover advies uit te brengen. Meer in het bijzonder zal moeten worden nagegaan of ook andere graden dan de in het wetenschappelijk onderwijs verkregen graad bachelor op het gebied van het recht, tezamen met de in het wetensc"},{"i":13902,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 13 maart 2009, nr. TRCJZ/2009/731, houdende openstelling spieringvisserij IJsselmeer 2009 (Openstellingsbesluit spieringvisserij 2009) Gelet op [artikelen 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=64) en [65 van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=65); Besluit: Artikel 1 Als periode als bedoeld in [artikel 65 van de Uitvoeringsregeling visserij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024539&artikel=65) wordt voor het kalenderjaar 2009 vastgesteld de periode van 14 maart vanaf 14.00 uur tot en met 5 april. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 maart 2009. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit spieringvisserij 2009. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11941,"b":"Besluit van 27 september 2006, nr. 2006-0000304114, Directie Communicatie en Informatie, tot het stellen van beperkende bepalingen op de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van het archief Bestuurs- en Kabinetszaken van de Directie Binnenlands Bestuur (1915-) 1949-1982 , de volgende beperking gesteld: - 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 2371, 2612–2613, 2668, 3916–3956, 3998–5373, 5378–5430, 5445, 5462–5470, 5612, 5615, 5618–5626, 5649–5654, 5658, 6475–6557, 6560, 6575, 6593, 6609–6611, 6621 en 10708 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen rijksarchief gehanteerde **Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven**; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. Het formulier is tevens via het Internet te benaderen op de site op de site van het Nationaal Archief. - 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft tot inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting v"},{"i":13889,"b":"Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, regelende de samenwerking tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten op het gebied van de onderlinge vergelijking van DNA-profielen ten behoeve van de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten (Onderlinge regeling vergelijking DNA-profielen tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten) Overwegende dat de vier Ministers van Justitie van het Koninkrijk der Nederlanden in het Justitieel Vierpartijenoverleg (JVO) van 5 januari 2016 hebben uitgesproken dat de onderlinge vergelijking van DNA-profielen ten behoeve van de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten mogelijk moet worden gemaakt; Overwegende dat het de gerechtvaardigde verwachting is dat het onderling vergelijken van DNA-profielen van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten daaraan kan bijdragen; Overwegende dat de onderlinge vergelijking van de DNA-profielen van de diverse DNA-databanken mogelijk is onder nationale regelingen in de respectievelijke landen; Gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); Komen het volgende overeen: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **landen:** Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - b. **persoonsgegeven:** elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; - c. **verwerking van DNA-profielen:** elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot DNA-profielen waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, vergelijken, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van DNA-"},{"i":11149,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Oorlogsgetroffenen vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/6); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Oorlogsgetroffenen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11150,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Ouderenbeleid vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 september 2007, aca-2007.03991/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Ouderenbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12789,"b":"Besluit vaststelling samenstelling Wetenschappelijke Kwaliteitsraad Gelet op: [Artikel 8 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8); Het besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand tot instelling van een Wetenschappelijke Kwaliteitsraad voor het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand; Besluit: Artikel 1 De Wetenschappelijke Kwaliteitsraad voor het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand evalueert periodiek de wetenschappelijk kwaliteit van het programmatisch onderzoek van het Kenniscentrum en rapporteert daarover via een visitatie. Artikel 2 De Wetenschappelijke Kwaliteitsraad bestaat uit hoogleraren die werkzaam zijn bij een Nederlandse universiteit of lectoren die werkzaam zijn bij een Nederlandse hogeschool en bestaat uit minimaal drie en maximaal vijf leden. De voorzitter en de leden van de Wetenschappelijke Kwaliteitsraad worden benoemd voor een periode van vier jaar. Artikel 3 De Wetenschappelijke Kwaliteitsraad bestaat uit de volgende leden: - •. Prof. Dr. M.J. ter Voert (voorzitter) **Hoogleraar Empirical Legal Studies aan de Radboud Universiteit** Artikel 4. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt in werking de dag na de publicatie in de Staatscourant. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling samenstelling Wetenschappelijke Kwaliteitsraad."},{"i":11151,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Politie 1945–1993 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 september 2007, aca-2007.03991/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Politie over de periode 1945–1993](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14307,"b":"Regeling grenswaarden experiment concentreren uitvliegroute Spijkerboor De Minister van Verkeer en Waterstaat, handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Gelet op [artikel 8.23a, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.23a); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. LVB: het [Luchthavenverkeerbesluit Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330); - b. het experiment: het experiment concentreren uitvliegroute Spijkerboor; - c. gebruiksjaar 2008: de periode van 1 november 2007 tot en met 31 oktober 2008; - d. CROS: Commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in [artikel 8.34 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.34); - e. KLM: Koninklijke Luchtvaart Maatschappij; - f. LVNL: Luchtverkeersleiding Nederland; - g. Schiphol: N.V. Luchthaven Schiphol; - h. gebruiksjaar 2009: de periode van 1 november 2008 tot en met 31 oktober 2009; - i. gebruiksjaar 2010: de periode van 1 november 2009 tot en met 31 oktober 2010. Artikel 2. Doel Het experiment beoogt gedurende de gebruiksjaren 2008, 2009 en 2010 te onderzoeken of door het verkleinen van de horizontale spreiding van de uitvliegroute Spijkerboor vanaf de Kaagbaan (baan 24) per saldo de geluidhinder voor bewoners van Hoofddorp en Nieuw-Vennep afneemt. Artikel 3. Grenswaarden 1. In plaats van de grenswaarden, genoemd in [bijlage 2 van het LVB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&bijlage=2), gelden voor het gebruiksjaar 2008 voor de in de onderstaande tabel genoemde handhavingspunten de volgende grenswaarden: | Puntnummer | X-coördinaat | Y-coördinaat | Grenswaarde | Maximum grenswaarde in geval van buitengewone weersomstandigheden | | --- | --- | --- | --- | --- | | 3 | 104.150 | 474.925 | 58,64 | ( 59,64 ) | | 4 | 106.325 | 477.125 | 58,10 | ( 59,10 ) | | 5 | 108.875 | 478.725 | 57,91 | ( 58,91 ) | |"},{"i":13441,"b":"Instelling Ambtelijke adviescommissie proeven met langere of langere en zwaardere vrachtautocombinaties (Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder commissie: de commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098&artikel=2&z=2015-10-01&g=2015-10-01). Artikel 2 1. Ingesteld wordt een Ambtelijke adviescommissie proeven met langere of langere en zwaardere vrachtautocombinaties. 2. De commissie heeft tot taak de Dienst Wegverkeer te adviseren met betrekking tot het verlenen van ontheffingen op grond van [artikel 149, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149), ten behoeve van proeven met vrachtautocombinaties die langer of langer en zwaarder zijn dan ingevolge de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798) toegestaan. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit drie leden: - a. een medewerker van het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, tevens voorzitter; - b. een medewerker van de Hoofddirectie Juridische Zaken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat; - c. een medewerker van de Dienst Wegverkeer. 2. Het secretariaat van de commissie berust bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Artikel 4 1. De commissie adviseert de Dienst Wegverkeer positief met betrekking tot het verlenen van een ontheffing, indien de aanvrager aantoont te voldoen aan de toetsingscriteria voor deelname aan de proef, zoals opgenomen in de bijlage. 2. De commissie trekt haar positieve advies in, indien blijkt dat de aanvrager niet of niet langer voldoet na toetsing aan de in de bijlage opgenomen toetsingscriteria. Artikel 5 De commissie doet van haar adviezen of de intrekking daarvan onverwijld mededeling aan de Dienst Wegverkeer en de deelnemer aan de proef. Artikel 6 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesl"},{"i":11152,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Prijsbeleid, vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 september 2007, nr. aca-2007.03991/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Prijsbeleid, over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13896,"b":"Onteigeningswet BES Algemene bepalingen Artikel 1 Onteigening ten algemene nutte kan in het publiek belang van de openbare lichamen plaats hebben. Artikel 2 In het publiek belang als in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028729&artikel=1&z=2021-07-01&g=2021-07-01) omschreven kan ook ten name van bijzondere personen of verenigingen, aan wie de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, is toegestaan, worden onteigend. Artikel 3 1. Als eigenaar van een onroerende zaak, en als rechthebbende op een recht als in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028729&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01), omschreven, worden zij beschouwd, die als zodanig in de openbare registers, bedoeld in [artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028745&artikel=16) staan vermeld. 2. Desniettemin kan een ieder die beweert eigenaar te zijn, of rechthebbende op een recht als in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028729&artikel=4&z=2021-07-01&g=2021-07-01), omschreven, en niet is opgeroepen, aan de rechter verzoeken in het geding van onteigening te mogen tussenkomen, zolang de eindconclusies door partijen niet genomen zijn. Hetzelfde recht hebben derde belanghebbenden, waaronder zijn te verstaan beperkt gerechtigden, huurders, onderhuurders, bezitters, eigenaren in geval van mandeligheid volgens [artikel 60, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028748&artikel=60), schuldeisers als bedoeld in [artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028749&artikel=252), en zij die op het te onteigenen goed of op een recht waaraan dat is onderworpen, beslag hebben gelegd. Deze laatsten kunnen in hun verzoek alleen worden ontvangen, indien zij daarbij een notaris of deurwaarder aanwijzen aan wie kan worden betaald. 3. Bij tegenspraak der hoedanigheid van eigenaar, rechthebbe"},{"i":12208,"b":"Besluit van de directeur van de directie Shared Service Organisatie Financieel & Managementinformatie (hierna SSO F&MI) van 2 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen de directie SSO F&MI wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":11154,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Telecommunicatie en Post vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 5 februari 2009 nr. bca-2008.05120/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit behorende ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Telecommunicatie en Post over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11155,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Toelating Vreemdelingen vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 oktober 2009, nr. bca-2009.05465/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op het beleidsterrein Toelating Vreemdelingen over de periodevanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11157,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voorlichting van de rijksoverheid, 1945- (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 april 2007, nr. arc-2007.03707/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Voorlichting van de rijksoverheid, over de periode 1945–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst neerslag handelingen Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid over de periode 1945–1999’ (vastgesteld bij beschikking van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. [C/S&A/05/1357](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018554) d.d. 5 juli 2005 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 245 d.d. 16 december 2005)) wordt ingetrokken, uitsluitend voor handeling 312 Het behandelen van aangelegenheden met beroep op grond van de [Wet Openbaarheid van Bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) (WOB). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11158,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Waterstaat vanaf 2009 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 juni 2009, bca-2009.05320/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Waterstaat over de periode vanaf 2009’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De handelingen in de ‘lijst ingediend door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor de neerslag van handelingen op het beleidsterrein waterstaat’ (vastgesteld bij [beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016556), nr. c/s/04/701 d.d. 29-3-2004 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 155 d.d. 16-8-2004) worden bij publicatie van dit besluit afgesloten in 2009. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11159,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Wetenschappelijk onderwijs vanaf 1985 (Vrije Universiteit) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 14 april 2009, nr. bca-2009.05178/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Vrije Universiteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Wetenschappelijk onderwijs over de periode 1985–’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11160,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Onderwijsraad beleidsterrein Speciaal onderwijs 1950–1996 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 24 augustus 2006, nr. arc-2006.03077/10); Besluit: Artikel 1 De ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de onder de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ressorterende actor de Onderwijsraad op het beleidsterrein Speciaal onderwijs over de periode 1950–1996’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Deze [selectielijst](onbekend) is reeds gepubliceerd in de Staatscourant nr. 204 d.d. 19 oktober 2006. Artikel 2 De ‘[Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Onderwijsraad op het deelbeleidsterrein speciaal onderwijs over de periode 1950–1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010326)’, vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. 99.116.RD d.d. 9-3-1999 (gepubliceerd in de Staatscourant 1999, nr. 66) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit vervangt het [besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap nr. C/S&A/06/2361 d.d. 26 september 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020340) (Staatscourant nr. 204 d.d. 19-10-2006) en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12862,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Letteren vanaf 1965 (Stichting fonds voor de Letteren) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 januari 2008, bca-2008.04316/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Stichting fonds voor de Letteren en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Letteren over de periode vanaf 1965’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument **Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdrager** **Het bestuur van Stichting Fonds voor de Letteren**op het beleidsterrein **Letteren** 1965– **In opdracht van het Fonds voor de Letteren** **Amsterdam 2007** 1. Lijst van afkortingen 2. Verantwoording **2.1 Doel en werking van het Basis Selectiedocument** Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. De selectielijst richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheidsorganen, die vallen onder de werking van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376). De selectielijst komt tot stand op grond van een wettelijk voorgeschreven procedure. Een BSD wordt opgesteld op basis van een institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) worden de taken en bevoegdheden van overheidsorganen beschreven en in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen uit het RIO overgenomen en geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden. **2.2 Definitie v"},{"i":14184,"b":"Regeling Nederlands-Antilliaanse tarieven Schepenwet 2009 Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen en de Minister van Toerisme en Transport van Aruba; Gelet op [artikel 72, eerste lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=72); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Tarieven certificaten geklasseerde schepen volgens het geharmoniseerde systeem van onderzoek en certificering Artikel 1 Voor het onderzoek van geklasseerde passagiersschepen en de verdere werkzaamheden nodig voor de eerste afgifte van certificaten, volgens het geharmoniseerde systeem van onderzoek en certificering, is het tarief verschuldigd, genoemd in onderstaande tabel: | | Tonnage | Tonnage | Tonnage | Tonnage | Tonnage | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Scheepstype | tot 500 GT | 500 tot 2000 GT | 2000 tot 6000 GT | 6000 tot 9000 GT | vanaf 9000 GT | | Passagiersschip | f 63430,– | f 86086,– | f 132178,– | f 186071,– | f 299219,– | Artikel 2 Voor het onderzoek van geklasseerde passagiersschepen en de verdere werkzaamheden nodig voor de hernieuwde afgifte van certificaten, volgens het geharmoniseerde systeem van onderzoek en certificering, is het tarief verschuldigd, genoemd in onderstaande tabel: | | Tonnage | Tonnage | Tonnage | Tonnage | Tonnage | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Scheepstype | tot 500 GT | 500 tot 2000 GT | 2000 tot 6000 GT | 6000 tot 9000 GT | vanaf 9000 GT | | Passagiersschip | f 8229,– | f 8681,– | f 13492,– | f 17069,– | f 35510,– | Artikel 3 Voor het onderzoek van geklasseerde vracht- en tankschepen en de verdere werkzaamheden nodig voor de eerste afgifte van certificaten, volgens het geharmoniseerde systeem van onderzoek en certificering, is het tarief verschuldigd, genoemd in onderstaande tabel: | | Tonnage | Tonnage | Tonnage | Tonnage | | --- | --- | --- | --- | --- | | Scheepstype | tot 2000 GT | 2000 tot 6000 GT | 6000"},{"i":12534,"b":"Besluit van de directeur Internationale Fiscale Zaken van 16 december 2013, nr. IFZ/2013/229, Overdracht competentie behandeling vangnetverzoeken Op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018723&artikel=14) en [15 van het Organisatie- en mandaatbesluit ministerie van Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018723&artikel=15), alsmede van artikel 4 van het Organisatie- en mandaatbesluit directoraat-generaal voor Fiscale Zaken juncto onderdeel IV van bijlage 1 bij dat besluit gemandateerd tot het uitvoeren van de taak van de bevoegde autoriteit in het kader van tot stand gekomen bilaterale regelingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing, met de bevoegdheid om ondermandaat te verlenen. Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1). Besluit: Artikel 1 Aan de landelijk directeur Belastingdienst/ Grote ondernemingen wordt ondermandaat verleend tot: Het uitvoeren van de taak van de bevoegde autoriteit in het kader van tot stand gekomen bilaterale regelingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing, voor zover die taak betrekking heeft op het nemen van beslissingen ten aanzien van bepalingen waarin aan de bevoegde autoriteiten een discretionaire bevoegdheid is verleend voordelen uit hoofde van eerdergenoemde regeling toe te kennen aan personen aan wie de voordelen uit hoofde van verdragsvoordeelbeperkende maatregelen (zogenoemde ‘limitations of benefits’) niet toekomen (zogenoemde ‘vangnetbepalingen’). Op basis van dergelijke bepalingen kan de bevoegde autoriteit personen die niet gerechtigd zijn tot enkele of alle voordelen van een regelingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing, alsnog enkele of alle voordelen van deze regeling toe kennen. Artikel 2 De landelijk directeur Belastingdienst/ Grote ondernemingen kan ter zake van de gemandateerde bevoegdheid aan onder hem ressorterende functionarissen ondermandaat verlenen. Artikel 3 De ond"},{"i":11991,"b":"Besluit van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van het archief van de Hoofdvlootaalmoezenier (1914) 1921-1997 (2009) bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Overwegende dat een aantal dossiers in het archief van de Hoofdvlootaalmoezenier (1914) 1921–1997 beperkingen aan de openbaarheid behoeft: Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 29-09-2017, met kenmerk 1223881. Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 80 | 2022 | | 81 | 2078 | | 82 | 2054 | | 83 | 2085 | | 84 | 2035 | | 85 | 2067 | | 86 | 2071 | | 87 | 2052 | | 88 | 2051 | | 89 | 2051 | | 90 | 2079 | | 91 | 2066 | | 92 | 2048 | | 93 | 2061 | | 94 | 2048 | | 95 | 2025 | | 96 | 2050 | | 97 | 2066 | | 98 | 2059 | | 99 | 2060 | | 101 | 2045 | | 102 | 2043 | | 105 | 2052 | | 106 | 2060 | | 107 | 2022 | | 108 | 2078 | | 109 | 2068 | | 110 | 2044 | | 111 | 2027 | | 112 | 2073 | | 113 | 2047 | | 114 | 2058 | | 115 | 2051 | | 116 | 2031 | | 117 | 2045 | | 119 | 2076 | | 123 | 2064 | | 124 | 2042 | | 125 | 2070 | | 126 | 2063 | | 127 | 2051 | | 128 | 2055 | | 129 | 2070 | | 130 | 2083 | | 131 | 2069 | | 132 | 2048 | | 133 | 2056 | | 134 | 2037 | | 135 | 2060 | | 136 | 2058 | | 140 | 2068 | | 141 | 2064 | | 142 | 2066 | | 143 | 2083 | | 145 | 2072 | | 146 | 2072 | | 147 | 2059 | | 151 | 2062 | | 152 | 2047 | | 153 | 2050 | | 154 | 2031 | | 155 | 2047 | | 156 | 2066 | | 157 | 2043 | | 158 | 2066 | | 159 | 2068 | | 160 | 2046 | | 161 | 2029 | | 162 | 2072 | | 164 | 2056 | | 166 | 2081 | | 167 | 2053 | | 168 | 2070 | | 1"},{"i":13712,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666148 op grond van artikel 3.121 van de Energiewet, en artikel 12f van de Gaswet juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet over de invoeding bij de TSB gas (Invoedcode gas TSB) De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f) en [artikel 3.121 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); Besluit: 1. Algemene bepalingen 2. Invoedingsinstallatie 3. Aansluiten 4. Invoeden, meten en regelen 5. Samenwerking 6. Slotbepalingen Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13044,"b":"Besluit visserij producten 1999 BES § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Warenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028619); - b. **bestuurscollege:** bestuurscollege van een openbaar lichaam; - c. **bevoegde instantie:** de Inspectie voor de Volksgezondheid BES; - d. **inspectie:** het voortdurend toezicht op de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de wet, voor zover die uitvoering aan organen en diensten van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is opgedragen; deze taak is opgedragen aan de bevoegde instantie; - e. **toezicht:** het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de wet bepaalde, bedoeld in [artikel 19 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028619&artikel=19); - f. **Commissie:** de Commissie van de Europese Gemeenschappen; - g. **Raad:** de Raad van de Europese Gemeenschappen of, in voorkomende gevallen, de Raad van de Europese Unie; - h. **Richtlijn laboratoriumpraktijken:** richtlijn nr. 88/320/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 juni 1988 inzake de inspectie en de verificatie van goede laboratoriumpraktijken (PbEG L 145); - i. **Richtlijn veterinaire controles:** richtlijn nr. 90/675/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 december 1990 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG L 373); - j. **Richtlijn visserijproducten:** richtlijn nr. 91/493/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1991 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van visserijproducten (PbEG L 268); - k. **ondernemer:** de persoon die verantwoordelijk is voor hetgeen in een inrichting fabrieksvaartuig of vissersvaartuig, of uit hoofde van het bedrijf dat in die inrichting, onderscheidenlijk in dat vaartuig wordt uitgeoefend pl"},{"i":13166,"b":"Controletarieven Skal 2004 Tarievenblad 2004 als bedoeld in [artikel 4, eerste lid van het Skal-Bijdragereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015355&artikel=4) Dit Tarievenblad is door het Bestuur van Stichting Skal goedgekeurd op 27 november 2003. Tarieven geldend voor in Nederland gevestigde aangeslotenen De tarieven, alle genoemd in EUR en exclusief BTW, zijn te onderscheiden in: 1A. Eenmalige bijdragen; 1B. Jaarlijkse bijdragen: 1B1. Basisbijdrage; 1B2. Variabele bijdrage (te betalen na certificatie) op basis van bedrijfsomvang. 2A. Eenmalige bijdragen; 2B. Jaarlijkse bijdragen: 2B1. Basisbijdrage; 2B2. Variabele bijdrage (te betalen na certificatie) op basis van de verkoopwaarde van de onder certificaat bereide producten. Bijzondere bepalingen 1. Tarieven voor landbouwers 1A. Eénmalige bijdragen: 1B. Jaarlijkse bijdragen: (per aansluiting per kalenderjaar) P.S.: Kosten voor toezicht zijn inbegrepen in de onderstaande tarieven. 1B1. Basisbijdrage (jaarlijks): vermeerderd met: 1B2. Variabele bijdrage: Dierlijk: Plantaardig: Veehouderijbedrijven zijn vrijgesteld van onderstaande variabele bijdragen voor de producten die op het eigen bedrijf voor eigen ruwvoervoorziening (t.b.v. dieren aangemeld voor certificatie en toezicht in kader van biologische productiemethode) geproduceerd worden. Overige sectoren c.q. productgroepen zullen op het moment van aanvraag door Skal vastgesteld worden. De bovengenoemde variabele bijdrage geldt slechts voorzover het onder certificatie vallende producten betreft. Zie verder [Artikel 3, derde lid sub a van het Skal-Bijdragereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015355&artikel=3). 2. Tarieven voor bereiders/importeurs 2A. Eenmalige bijdragen: 1. Aanvraag certificaat voor bereiding of import (per voortbrengingsproces): 2. Aanvraag voor certificaat voor verwerkt product (inclusief diervoeders, mengvoeders of voedermiddelen) (per product): 2B. Jaarlijkse bijdragen: (per kalenderjaar) P.S.: Kosten voor toezicht"},{"i":14289,"b":"Regeling geluidemissie buitenmaterieel Gelet op [richtlijn 2000/14/EG](32000L0014) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2000 betreffende de geluidsemissie in het milieu door materieel voor gebruik buitenshuis (PbEG L 162) en op [artikel 2, eerste lid, tweede lid, onder d, en derde lid, van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=2) en [artikel 15.31, onder b, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.31); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: a. **aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij:** aanbieder van een dienst zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van [Richtlijn (EU) 2015/1535](32015L1535) van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241); b. **CE-markering:** op het materieel voor gebruik buitenshuis op zichtbare, leesbare en onuitwisbare wijze overeenkomstig het in bijlage IV van [richtlijn 2000/14](32000L0014) gegeven model aangebrachte CE-markering als omschreven in Besluit 93/465, vergezeld van de vermelding van het gewaarborgde geluidsvermogensniveau overeenkomstig het in bijlage IV van [richtlijn 2000/14](32000L0014) gegeven model; c. **certificaat van overeenstemming:** certificaat volgens het model van bijlage X van [richtlijn 2000/14](32000L0014), dat een keuringsinstantie verstrekt indien het materieel voor gebruik buitenshuis voldoet aan de overeenstemmingsbeoordelingsprocedure van bijlage VII van [richtlijn 2000/14](32000L0014); d. **EG-verklaring van overeenstemming:** verklaring van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde dat het materieel voor gebruik buitenshuis in overeenstemming is met de voorschriften van [richtlijn 2000/14](32000L0014), welke verklaring in ieder geval bevat de in bijlage"},{"i":13079,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 april 2014, kenmerk 329185-117646-MEVA, houdende de wettelijke erkenning van de specialistentitel sportarts en de instemming met het Besluit Sportgeneeskunde Gelezen de aanvraag met kenmerk CGS/VS/nh/13-47977, van het College Geneeskundig Specialismen als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14) (Wet BIG) Gelet op [artikel 14, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14), Overwegende dat is voldaan aan de in [artikel 14, tweede lid, onder a t/m e genoemde voorwaarden van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14) en dat wettelijke erkenning van de specialistentitel sportarts wenselijk is ter bevordering van de goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg, Besluit: - a. de titel sportarts aan te merken als wettelijk erkende specialistentitel; - b. in te stemmen met het Besluit van 11 september 2013 houdende opleidings- en erkenningseisen voor het specialisme sportgeneeskunde (Besluit Sportgeneeskunde). Dit besluit en het Besluit Sportgeneeskunde zullen in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14360,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 17 februari 2009, nr. BJZ2009008145, houdende vaststelling van nadere regels voor de inrichting van het verslag, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid, en in artikel 9.6, tiende lid, van het Besluit inburgering (Regeling inhoudelijk verslag nieuwkomers 2007 (niet G31)en 2008 (G31 en niet-G31)) Gelet op [artikel 15, vierde lid, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238&artikel=15), en [artikel 9.6, tiende lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=9.6); Besluit: Artikel 1 Het verslag, bedoeld in [artikel 15, vierde lid, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238&artikel=15), wordt ingericht overeenkomstig de vragenlijst in de bij deze regeling behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025345&bijlage=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01). Artikel 2 Vervallen Artikel 3 De [Regeling inhoudelijk verslag nieuwkomers G31 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023326) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inhoudelijk verslag nieuwkomers 2007 (niet-G31) en 2008 (G31 en niet-G31). Bijlage 1 Inhoudelijk verslag nieuwkomers 2008 (G31 gemeenten) Het inhoudelijk verslag nieuwkomers bestaat uit 2 delen: 1. Afronding en uitval 1a. Afgeronde trajecten Aantal afgeronde trajecten in 2008, verdeeld naar startjaar (= jaar van de overeenkomst). 1b. Blijft in traject Aantal nieuwkomers dat na 31 december 2008 nog in het traject blijft, verdeeld naar startjaar (= jaar van de overeenkomst). 1c. Uitval Aantal nieuwkomers dat in 2008 is uitgevallen, verdeeld naar startjaar (= jaa"},{"i":14361,"b":"Regeling innovatie voor kleinschalige experimenten Gelet op [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [38, derde en zevende lid van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van administratie- en declaratievoorschriften. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - a). **Zorgaanbieder:** een zorgaanbieder zoals beschreven in [art. 1, lid 1, sub c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - b). **Ziektekostenverzekeraar:** een ziektekostenverzekeraar zoals beschreven in [art. 1, lid 1, sub f van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - c). **Innovatievezorgprestatie:** de zorgprestatie waarmee geëxperimenteerd wordt. Deze zorgprestatie is nog niet eerder vastgesteld door de NZa als reguliere zorgprestatie op basis van [artikel 50, eerste lid aanhef en onderdeel d, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - d). **Kortdurend kleinschaligexperiment:** Het leveren van een innovatieve zorgprestatie in de praktijk binnen een experimentopzet. Het kortdurend kleinschalig experiment bestrijkt een periode van maximaal drie jaar respectievelijk (in totaal) maximaal vijf jaar bij afgifte van een verlengingsbeschikking. De innovatieve zorgprestatie is naar gelang zijn doelstelling beperkt tot een specifieke patiëntengroep, prestatie, één of meerdere zorgaanbieders, één of meerdere ziektekostenverzekeraars of een beperkte regio; - e). **Experimentopzet:** de opzet van het kortdurend kleinschalig experiment waarin staat beschreven hoe het experiment wordt uitgevoerd, met welke indicatoren de doelstelling(en) van het experiment worden gemeten en bij welke uitkomst op voorgenoemde indicatoren de do"},{"i":11166,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van het onderwijs van 2 april 2024, nr. 44240684, houdende de verlening van ondermandaat aan de directeur toezicht middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs van de inspectie van het onderwijs voor waarschuwingsbesluiten educatieopleidingen Gelet op [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en het [besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 29 februari 2024, nr. MBO/44154614, houdende de verlening van mandaat aan de Inspectie van het Onderwijs voor waarschuwingsbesluiten educatieopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049667); Besluit: Artikel 1. Verlening ondermandaat Aan de directeur toezicht middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs wordt ondermandaat verleend om besluiten te nemen als bedoeld in: - a. [artikel 6a.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6a.1.3); - b. [artikel 6a.2.1, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6a.2.1); - c. [artikel 6.2.2, vierde en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=6.2.2); en - d. [artikel 6.2.2a, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=6.2.2a). Artikel 2. Schakelbepaling De [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047242&artikel=12), [17 tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047242&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047242&artikel=18) en [19 van het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047242&artikel=19) zijn op het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049676&artikel=1&z=2024-05-04&g=2024-05-04) bed"},{"i":12951,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 14 juni 2012, nr. IENM/BSK-2012/59239, houdende vaststelling van de vergoeding van de voorzitter en de andere leden van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De voorzitter en de andere leden van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur ontvangen een vaste vergoeding per maand. Artikel 2 De vergoeding van de voorzitter wordt vastgesteld volgens het maximale salarisnummer behorend bij schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), met een arbeidsduurfactor van 16/36 uur per week. Artikel 3 De vergoeding van de andere leden wordt vastgesteld volgens het maximale salarisnummer behorend bij schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), met een arbeidsduurfactor van 8/36 uur per week. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11167,"b":"Besluit van 2 augustus 1985, houdende vrijstelling van leerplicht ten aanzien van kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst, van 8 mei 1985, nr. 6232/2314, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 5**a** van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=5a) (**Stb.** 1971, 406); Gehoord de Onderwijsraad (advies van 23 januari 1985, nr. O.R. III/100371LO); De Raad van State gehoord (advies van 19 juni 1985, nr. W05.85.0251/11.5.24); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen a.i., van 25 juli 1985, nr. 6574/2314, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Vrijstelling De in [artikel 2 van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=2) bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen dat een minderjarige als leerling van een school is ingeschreven indien en zolang zij gedurende de maanden maart tot en met oktober als kermisexploitant of als circusmedewerker een trekkend bestaan leiden en de minderjarige met hen meereist. Artikel 2. Opschorting van de vrijstelling De vrijstelling, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003830&artikel=1&z=2002-10-02&g=2002-10-02), geldt niet indien de afstand tussen de standplaats waar de minderjarige verblijft en de standplaats van een rijdende school voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers, bedoeld in het [Besluit trekkende bevolking WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833), die voor de minderjarige toegankelijk is, minder bedraagt dan 5 kilometer, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg. Artikel 3. Inwerkingtreding, citeertitel 1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. Dit besluit kan worden aan"},{"i":11168,"b":"Besluit van 5 juli 2008 houdende regels over de zij-instroom van leraren in het primair en voortgezet onderwijs (Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 29 april 2008, nr. WJZ/11507 (2646), directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op de [artikelen 38a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=38a), en [176i van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=176i), [38a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=38a), en [162l van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=162l) en [38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=38), [118l, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=118l), en [118r van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=118r); De Raad van State gehoord (advies van 5 juni 2008, nr. W05.08.0164/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 2 juli 2008, nr. WJZ/27997 (2646), directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - ****assessment:**** onderdeel van het geschiktheidsonderzoek, bedoeld in [artikel 172, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=172), [artikel 152, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=152) of [artikel 7.27, vierde lid, onderdeel b, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.27); - *"},{"i":11171,"b":"Buitenreguliere telling c.q. eerste schooldagtelling 1. Inleiding Met ingang van het schooljaar 1999 – 2000 zal er een nieuw formulier voor het indienen van een buitenreguliere telling beschikbaar zijn. Naast de buitenreguliere telgegevens kan nu ook worden aangegeven dat het de bedoeling is dat de formatie-uitbreiding in verband met ’groei op de eerste schooldag’ (na de zomervakantie) reeds met ingang van 1 augustus gewenst is. De huidige (omslachtige) aanvraagprocedure om de formatie-uitbreiding reeds 1 augustus te laten ingaan – via een apart verzoek met daarbij een kopie van het buitenreguliere telformulier – is hiermee komen te vervallen. Omdat niet tijdig ingediende buitenreguliere tellingen ook niet in behandeling genomen worden, is het voor het schoolbestuur van belang zo tijdig mogelijk van Cƒi te vernemen of een ingediende buitenreguliere telling daadwerkelijk bij Cƒi is aangekomen. Daarom zal voortaan door Cƒi direct na ontvangst van een buitenreguliere telling een schriftelijke ontvangstbevestiging aan het schoolbestuur worden verzonden. In deze publicatie zal nader worden ingegaan op het gewijzigde telformulier en zullen nog enkele, in de praktijk van belang gebleken, aandachtspunten aan de orde komen. 2. Doelgroep Deze publicatie is bedoeld voor basisscholen die op basis van [artikel 12 van het Formatiebesluit WPO](onbekend), zoals dat is gepubliceerd in het Staatsblad 1998 nr. 569, aanspraak willen maken op verhoging van de formatie. Om dit te bereiken moet voor de school een zogeheten buitenreguliere telling worden ingediend. In het geval dat de aanspraak, in verband met ’groei op de eerste schooldag’ op verhoging van de formatie reeds per 1 augustus, in moet gaan, kan dat op hetzelfde (buitenreguliere) telformulier worden aangegeven. 3. Procedure Hieronder wordt de procedure van de buitenreguliere telling geschetst met daarbij per stap enkele belangrijke aandachtspunten. 3.1. Het schoolbestuur dient een buitenregulier telformulier in Een buitenregul"},{"i":11172,"b":"Call for proposals Take-off fase 2 Vroegefasetrajecten WO, HBO & TO2 Ronde 7 – Najaar 2017 Utrecht, juni 2017 STW – NWO – ZonMw 1. Inleiding 1.1. Achtergrond en doelstelling Het programma Take-off richt zich op het faciliteren en stimuleren van bedrijvigheid en ondernemerschap vanuit de Nederlandse kennisinstellingen. Het gaat daarbij om het creëren van innovatieve bedrijvigheid die volgt op kennisontwikkeling en -benutting door onderzoekers aan deze kennisinstellingen. Take-off is een wetenschaps-breed programma dat open staat voor aanvragen uit alle wetenschapsgebieden (bèta/techniek, life sciences en alfa/gamma). Medewerkers van NWO-Domein TTW (TTW), NWO-domein SGW en ZonMw zijn betrokken bij de uitvoering. Take-off is een doorlopend programma die jaarlijks een voorjaarsronde en en najaarsronde doorloopt. Na iedere ronde wordt het verloop ervan geëvalueerd en worden, indien nodig, onderdelen van het programma aangepast. Het Take-off programma bestaat uit twee onderdelen: haalbaarheidsstudies (fase1) en vroegefasetrajecten (fase2). In dit document wordt de call for proposals voor vroegefasetrajecten (fase2) toegelicht. De vroegefasetrajecten worden via NWO gefinancierd door de Minister van Economische Zaken1Voor deze call betreft het EZ financiering voor fase 2: vroegefasetrajecten. Zie voor meer informatie de publicaties in de Staatscourant. 2014, 20679 en Stcrt. 2017, 20743. en wordt door STW in mandaat uitgevoerd in 2017. Honorering vindt plaats door de directeur van TTW en de Uitvoeringsovereenkomsten worden op naam van STW gesteld. 1.2. Doelstelling Take-off fase 2 – vroegefasetrajecten Take-off vroegefasetrajecten verstrekt subsidies in de vorm van een geldlening met een minimale omvang van € 50.000,- en een maximale omvang van € 250.000,- aan pas gestarte ondernemingen (start-ups) voor de uitvoering van vroegefasetrajecten op basis van kennisinnovaties uit Nederlandse universiteiten, door NWO erkende onderzoeksinstituten (WO), erkende TO2 instellingen, en N"},{"i":13328,"b":"Wet van 4 juli 1990, tot gemeentelijke herindeling noordoostelijk en midden Zuid-Holland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling van noordoostelijk en midden Zuid-Holland te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Grenswijzigingen Artikel 1 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Benthuizen, Hazerswoude, Koudekerk aan den Rijn, Leimuiden, Moerkapelle, Nieuwveen, Rijnsaterwoude, Woubrugge, Zevenhoven en Zevenhuizen opgeheven. 2. Met ingang van de datum van herindeling worden de volgende nieuwe gemeenten gevormd: - a. **Rijneveld**, bestaande uit het gebied van de op te heffen gemeenten Benthuizen, Hazerswoude, behoudens gedeelten van het gebied van die gemeente die overgaan naar de gemeente Boskoop, en Koudekerk aan den Rijn, alsmede uit gedeelten van het gebied van de gemeente Zoeterwoude en de gemeenten Zoetermeer en Alphen aan den Rijn, een en ander met dien verstande, dat de grens van de nieuwe gemeente Rijneveld komt te lopen als volgt: - 1°. Grens met de gemeente Zoeterwoude. Vanaf het snijpunt van de grenzen van de gemeenten Leiderdorp en Zoeterwoude en de op te heffen gemeente Hazerswoude volgt de nieuwe grens de grenzen tussen enerzijds de op te heffen gemeenten Hazerswoude en Benthuizen en anderzijds de gemeente Zoeterwoude tot aan de Eerste Tocht, dat wil zeggen tot aan het snijpunt met het in oostelijke richting verlengde van de grens tussen de percelen, kadastraal bekend gemeente Zoeterwoude, sectie D, nrs. 1 864 en 1 885, van waar genoemd verlengde en de grenzen gevolgd worden tussen enerzijds perceel kadastraal bekend, gemeente Zoeterwoude, sectie D, nr. 1 885 en anderzijds de percelen, kadastraal bekend gemeente Zoeterwoude, sectie D, nrs. 1 864, 1 865, 1 866, 2 027 en 1 883 en h"},{"i":5377,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Minister van Klimaat en Groene Groei, van 13 december 2025, nr. WJZ/102735469, tot vaststelling van de subsidieplafonds en termijnen van openstelling van EZ-subsidie-instrumenten, LVVN-subsidie-instrumenten en KGG-subsidie-instrumenten (Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026) [KetenID WGK 28368] Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3), de [artikelen 5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [17, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), en [50, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=50) en [artikel 2.3 van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045685&artikel=2.3); Besluiten: Artikel 1. Openstelling [Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474) 1. Als perioden waarin subsidieaanvragen kunnen worden ingediend krachtens de in kolom 1 genoemde titels van de [Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474) en de in kolom 2 genoemde artikelen van die regeling, in voorkomende gevallen verbijzonderd naar de in kolom 3 omschreven of aangeduide groepen van aanvragers, programma’s, projecten of aanvragen, en de in kolom 4 omschreven thema’s of programmalijnen, worden vastgesteld de daarbij behorende perioden, genoemd in kolom 5. Aanvragen zijn tijdig ingediend indien zij op de genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen. 2. Als subsidieplafond wordt per in kolom 5 genoemde periode het daarbij behorende in kolom 6 genoemde bedrag vastgesteld. | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | | --- | --- | ---"},{"i":5382,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 augustus 2015, 2015-0000236848, tot Regeling procesgang vangnetters gemeentelijke doelgroep Participatiewet Gelet op [artikel 26, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=26); Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **werknemer:** een persoon, die door het college is ondersteund op grond van [artikel 7, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7), of [7a, eerste lid, onderdeel a, of derde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7a), naar arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=4) of [5 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=5), waarbij het college aan de werkgever loonkostensubsidie als bedoeld in [artikel 10d van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=10d) heeft verleend en na beëindiging van de loonkostensubsidie de werknemer in dienstbetrekking nog niet gedurende twee aangesloten jaren het minimumloon heeft verdiend; - b. **college:** het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in [artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=40), waarbij de werknemer de belanghebbende is; - c. **vangnetter:** de werknemer die op grond van [artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b, c, of d, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=29) recht heeft op ziekengeld en bij de arbeidsinschakeling in de dienstbetrekking wordt ondersteund door het college op grond van [artikel 7, derde lid, onderdeel c, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7); - d. **plan van aanpak:** het"},{"i":5665,"b":"Subsidieplafondbesluit Aangepast Lezen Instellingssubsidies 2025, Koninklijke Bibliotheek Gelet op [artikel 5 van de Gewijzigde Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=5); BESLUIT: I Voor het jaar 2025 de volgende subsidieplafonds ter zake de [Gewijzigde Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915) vast te stellen: A. Het subsidieplafond voor de in [artikel 3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=3), vermelde activiteit ‘de verzorging van de eerstelijnsvoorziening voor het publiek’ is voor het jaar 2025 vastgesteld op € 3.260.000,– Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Gewijzigde Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915) de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen uitvoerden. B. Het subsidieplafond voor de in [artikel 3, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=3), vermelde activiteiten ‘productie en levering’ is voor het jaar 2025 vastgesteld op € en onderverdeeld in twee deelplafonds: - 1. € 2.180.000,– voor de ‘productie en levering’ als bedoeld in [artikel 7, derde lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=7); - 2. € 8.820.000,– voor de ‘productie en levering’ inclusief de veilige opslag en back-up van de bestanden voor de productie van aangepaste leesvormen als bedoeld in [artikel 7, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=7). Bij de verdeling van het beschikbare budget wordt voorrang gegeven aan instellingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de [Gewijzigde Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915), de bibliotheekvoorziening Aangepast Lezen uitvoerden. II Dit besluit treedt in werki"},{"i":13336,"b":"Huishoudelijk reglement van het Nederlands Fonds voor de Film Ter uitwerking van de statuten d.d. 22 september 2022 van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film (hierna te noemen: ‘het Fonds’) geldt het volgende. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **Beleidskader:** het beleidskader voor de Stichting Nederlands Fonds voor de Film, vastgesteld door de Minister of Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **Bestuur:** het bestuur als bedoeld in [artikel 1 sub a van de statuten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037025&artikel=1); - c. **Bezwaarcommissie:** een commissie als bedoeld in [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13); - d. **Fonds:** Stichting Nederlands Fonds voor de Film; - e. **Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - f. **Personeelsvertegenwoordiging:** medezeggenschapsorgaan dat werknemers vertegenwoordigt in het overleg met het Bestuur; - g. **Raad van toezicht:** de raad van toezicht als bedoeld in [artikel 1 sub c van de statuten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037025&artikel=1); - h. **Reglement:** het Huishoudelijk reglement van het Fonds; - i. **Statuten:** de [statuten van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037025) zoals die luiden per 14 september 2015; - j. **Wet:** De [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904) van 11 maart 1993, Stb, 1993, 193 in werking getreden 16 april 1993. Artikel 2. Inrichting van de organisatie Het Fonds kent: - a. een Bestuur; - b. een Raad van toezicht; - c. een fondsbureau; - d. filmconsulenten; - e. (ad hoc) adviseurs; - f. een bezwaarcommissie Artikel 3. Het Bestuur 1. Het Fonds wordt bestuurd door het Bestuur, bestaande uit een door de raad van toezicht vast te stellen aantal van tenminste één en ten hoogste twee natuurlijke personen. 2. Indien het Bestuur uit"},{"i":5376,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur en de Minister van Klimaat en Groene Groei van 18 december 2024, nr. WJZ/ 95850148 tot vaststelling van de subsidieplafonds en termijnen van openstelling van subsidie-instrumenten op hun respectievelijke beleidsterreinen (Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2025) Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3), de [artikelen 5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [17, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), en [50, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=50) en [artikel 2.3 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045685&artikel=2.3); Besluiten: Artikel 1. Openstelling [Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474) 1. Als perioden waarin subsidieaanvragen kunnen worden ingediend krachtens de in kolom 1 genoemde titels van de [Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474) en de in kolom 2 genoemde artikelen van die regeling, in voorkomende gevallen verbijzonderd naar de in kolom 3 omschreven of aangeduide groepen van aanvragers, programma’s, projecten of aanvragen, en de in kolom 4 omschreven thema’s of programmalijnen, worden vastgesteld de daarbij behorende perioden, genoemd in kolom 5. Aanvragen zijn tijdig ingediend indien zij op de genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen. 2. Als subsidieplafond wordt per in kolom 5 genoemde periode het daarbij behorende in kolom 6 genoemde bedrag vastgesteld. | 1 | 2 | 3 | 4 | 4 | 5 | 6 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Instrument | Artikel | Gro"},{"i":5381,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 19 april 2023, nr. PO/37613133, houdende regels voor de periodieke verstrekking van systematische toezichtinformatie door gemeenten ten behoeve van het interbestuurlijk toezicht op de wettelijke taken in het kader van voorschoolse educatie en de lokale educatieve agenda Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031812&artikel=2) en [5 van het Besluit verstrekking systematische toezichtinformatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031812&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **doelgroepdefinitie:** een nauwkeurige omschrijving van de te bereiken doelgroep, te weten welke kinderen, die vanwege kenmerken in hun sociaaleconomische omgeving een risico lopen op een mogelijke achterstand in de Nederlandse taal, in aanmerking komen voor voorschoolse educatie; - **inspectie:** Inspectie van het Onderwijs; - **integratie:** het socialisatieproces waarbij individuen of groepen worden opgenomen in een groter geheel, zoals de Nederlandse samenleving, zonder de eigen identiteit op te geven; - **kinderopvang:** kinderopvang als bedoeld in de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017); - **lokale educatieve agenda:** een jaarlijks overleg tussen het college, de bevoegde gezagsorganen van alle scholen in de gemeente en de houders van de kinderopvang over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie, het bestrijden van onderwijsachterstanden en het afstemmen van inschrijvings- en toelatingsprocedures; - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **onderwijsachterstanden:** wanneer de leerlingen op school slechter presteren door minder gunstige economische, sociale of culturele omgevingskenmerken, waarbij de beheersing van de Nederlandse taal een rol speelt; - **onderwijsachterstandenbeleid:** het beleid met als doel om de"},{"i":5378,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 25 november 2022, nr. WJZ/ 22545471, houdende vaststelling van de subsidieplafonds en de aanvraagperiode voor subsidies als bedoeld in de Subsidieregeling Nationaal Groeifonds, geldend voor het kalenderjaar 2023 (Regeling openstelling Subsidieregeling Nationaal Groeifonds 2023) Gelet op [artikel 8, tweede en derde lid, van de Tijdelijke wet Nationaal Groeifonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046840&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **subsidieregeling:** [Subsidieregeling Nationaal Groeifonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046995). Artikel 2. Subsidieplafonds Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2023 bedraagt voor subsidieaanvragen die betrekking hebben op - a. kennisontwikkeling als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046995&artikel=3): € 1 miljard; - b. onderzoek, ontwikkeling en innovatie als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046995&artikel=3): € 1 miljard. Artikel 3. Aanvraagperiode Subsidieaanvragen voor het kalenderjaar 2023 kunnen worden ingediend met ingang van 2 januari 2023 tot en met 3 februari 2023 17:00 uur. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling openstelling Subsidieregeling Nationaal Groeifonds 2023. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5379,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 6 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/267441, houdende vaststelling van de vereiste kennis, bedrevenheid en ervaring van bedieners van luchtvaartstations en vluchtinformatieverstrekkers, de goedkeuring van de desbetreffende opleidingenplannen, alsmede de certificering van opleidingsinstellingen voor vluchtinformatieverstrekkers (Regeling opleiding en handhaving vakbekwaamheid bedieners van luchtvaartstations en vluchtinformatieverstrekkers) Gelet op de [artikelen 20, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=20), [21, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=21), [22c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=22c), [22d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=22d), [24a, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=24a), en [24d van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=24d); BESLUIT: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aantekening OJTI:** op het bewijs van bevoegdheid aangebrachte en van dat bewijs deel uitmakende aantekening, als bedoeld in [artikel 18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=18), of [artikel 18a, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=18a) die aangeeft dat de houder bevoegd is om opleiding op de werkplek en opleiding met synthetische opleidingstoestellen te geven; - **aantekening STDI:** op het bewijs van bevoegdheid aangebrachte en van dat bewijs deel uitmakende aantekening, als bedoeld in [artikel 18a, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=18a) die aangeeft dat de houder bevoegd is om opleiding met synthetische opleidingstoestellen te geven; - **assessment:** beoordeling overeenkomstig artikel 4, onderdeel"},{"i":13203,"b":"Deelregeling Kunstenaar Project Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het stimuleren van talentontwikkeling door beeldend kunstenaars de mogelijkheid te geven een artistiek plan te realiseren dat van belang is voor de kwaliteit en de zichtbaarheid van de hedendaagse beeldende kunst in Nederland. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een kunstenaar die een aanvraag doet voor een projectinvestering dient minimaal één jaar als professioneel beeldend kunstenaar werkzaam te zijn. Daarbij geldt: - •. Indien de kunstenaar een hbo-bacheloropleiding met een beeldende kunstcurriculum heeft afgerond wordt de diplomadatum beschouwd als start van de professionele beroepspraktijk. Wanneer er een periode tussen de diplomadatum van de hbo-bacheloropleiding met beeldende kunstcurriculum en de start van de masteropleiding zit, wordt deze periode meegerekend als onderdeel van de professionele beroepspraktijk. - •. Indien de kunstenaar geen hbo-bacheloropleiding met een beeldende kunstcurriculum heeft afgerond wordt het moment waarop de kunstenaar voor het eerst werk presenteert binnen het circuit van de professionele beeldende kunst beschouwd als de start van de professionele beroepspraktijk. 2. Indien een aanvraag wordt ingediend voor deelname aan een postacademische opleiding die niet krachtens de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904) in de Basis Infrastructuur is opgenomen, kan de aanvraag direct na het verlaten van de hbo-opleiding worden ingediend. 3. De bijdrage is bedoeld voor artistieke plannen die hetzij in de tijd begrensd zijn, hetzij leiden tot een concreet resultaat of beide, zoals onderzoek, werkperiodes en/of de productie van nieuw werk als tegemoetkoming in de projectkosten en/of tijdsinvestering en kan worden verstrekt in de vorm van: - •. een flexibele bijdrage voor een periode van maximaal twaalf maanden, - •"},{"i":11180,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 mei 2020, nr. MBO/ 17219057 houdende regels over de nadere vooropleidingseisen voor toelating tot het middelbaar beroepsonderwijs (Doorstroomregeling vmbo – mbo 2020) Gelet op [artikel 8.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.2.2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beroepsopleiding:** beroepsopleiding van het derde en vierde niveau als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c en d, en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2); - **gemengde leerweg:** gemengde leerweg als bedoeld in [artikel 2.22, eerste lid, onderdeel d, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.22); - **kaderberoepsgerichte leerweg:** kaderberoepsgerichte leerweg als bedoeld in [artikel 10b van de WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=10b); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **theoretische leerweg** theoretische leerweg als bedoeld in [artikel 2.22, eerste lid, onderdeel a, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.22); - **WVO 2020:** [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212). Artikel 2. Kaderberoepsgerichte leerweg Ten aanzien van een student die in het bezit is van een diploma van de kaderberoepsgerichte leerweg in de profielen, bedoeld in [artikel 2.26, tweede lid, onderdelen f tot en met h en j, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.26), wordt als aanvullende voorwaarde gesteld dat het vak wiskunde of natuur- en scheikunde I deel heeft uitgemaakt van het eindexamen om te kunnen worden toegelaten tot een beroepsopleiding als bedoeld in de bijlage behorende bij deze regeling. Artikel 3. Gemengde leerweg Ten aanzien van een student die in het bez"},{"i":11182,"b":"Elementcodetabel schooljaar 2004 - 2005 voor de leerlingentelling voortgezet onderwijs (vo) per 1 oktober 2004 In deze publicatie treft u de voor het schooljaar 2004-2005 geldende elementcodetabel aan voor de scholen voor voortgezet onderwijs (vo). In de toelichting bij de elementcodes worden de wijzigingen ten opzichte van 1 oktober 2003 expliciet vermeld. De elementcodes worden onder andere gebruikt voor de telling van de leerlingen in het voortgezet onderwijs per 1 oktober 2004 (telling Onderwijsnummer, IB-groep) en de databestanden voor de bekostigingsprocessen bij Cfi (zoals de Basisregistratie Instellingen (BRIN)). Toelichting bij de Elementcode tabel De tabel is ten opzichte van vorig jaar als volgt gewijzigd en opgeschoond. Voor de toekenning van een aanvullende bekostiging voor personeelskosten in verband met de bestrijding van onderwijsachterstanden van leerlingen behorende tot culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen (cumi) dient te worden vastgesteld of en tot welke minderheidsgroep een leerling behoort. De voor 2004-2005 toegestane cumi-codes en leerljaren zijn: toegestane inschrijvingsjaren voor praktijkonderwijs:"},{"i":11184,"b":"Europese Overeenkomst inzake de doorbetaling van studietoelagen aan in het buitenland studerende studenten De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Gelet op het [Europees Cultureel Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005098), ondertekend te Parijs op 19 december 1954; Gelet op Resolutie No. 4 van de Europese Ministers van Onderwijs, aangenomen op hun 4de Conferentie in Londen van 14-16 april 1964, waarin zij verklaarden zich ervan bewust te zijn dat het noodzakelijk is de uitwisseling tussen Europese landen te bevorderen van studenten en in het bijzonder van hen die reeds een academisch examen met goed gevolg hebben afgelegd en waarin zij uiting gaven aan de hoop dat de vereiste stappen zouden worden genomen opdat de nationale stelsels van financiële steun aan studenten ook gelden wanneer dezen gedurende een bepaalde periode in andere Europese landen studeren; Overwegende dat studie in een ander dan het eigen land van de student kan bijdragen tot zijn culturele en academische verrijking; Overwegende dat de fundamentele culturele gemeenschap die bestaat tussen de Lid-Staten van de Raad van Europa die het [Europees Cultureel Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005098) hebben ondertekend en de andere Staten die tot dit Verdrag zijn toegetreden, een zodanige uitwisseling mogelijk maakt; Overwegende dat het van belang is dat er binnen de Europese gemeenschap op het gebied van cultuur en onderwijs, waaraan zij een nog hechtere grondslag willen geven, de grootst mogelijke vrijheid van beweging bestaat voor personen die een universitaire studie volgen of wetenschappelijk onderzoek verrichten, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst: - (a). wordt onder „instellingen voor wetenschappelijk onderwijs” verstaan: - (i). universiteiten; - (ii). andere instellingen voor wetenschappelijk onderwijs die voor de toepassing van deze Overeenkomst zijn erkend door de bevoegde autori"},{"i":11187,"b":"Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 14 februari 2006, nr. 5403488/06, tot vaststelling van het examenreglement voor het basisexamen inburgering (Examenreglement basisexamen inburgering) Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken; Gelet op [artikel 3.98b, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98b); Besluit: Artikel 1. Algemeen 1. In dit reglement wordt verstaan onder: - a. basisexamen: het basisexamen inburgering, bedoeld in [artikel 3.98a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98a); - b. deelnemer: de vreemdeling die zich voor het basisexamen heeft aangemeld; - c. hoofd: het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging waar het basisexamen wordt afgenomen of het hoofd consulaire zaken van deze vertegenwoordiging; - d. toezichthouder: de door het hoofd aangewezen ambtenaar, medewerker, autoriteit of instelling, onder wiens toezicht het basisexamen wordt afgelegd; - e. DUO: de Dienst Uitvoering Onderwijs. 2. Voor zover uit een wettelijk voorschrift niet anders voortvloeit, worden de bevoegdheden genoemd in deze regeling uitgeoefend namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden worden de algemene en bijzondere aanwijzingen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in acht genomen. Artikel 2. Aanmelden en betalen 1. De vreemdeling die aan het basisexamen wenst deel te nemen, meldt zich daartoe aan door het indienen van het ingevulde aanmeldformulier bij DUO en ontvangt van DUO een bevestiging van de aanmelding. 2. De deelnemer dient bij aanmelding te vermelden welke toetsen hij wenst af te leggen en op welke examenlocatie hij dit wenst te doen. 3. Het basisexamen bestaat uit de toetsen leesvaardigheid, spreekvaardigheid en kennis van de Nederlandse samenleving. 4. Het examengeld, bedoeld in [art"},{"i":13172,"b":"Crematiewet BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder openbaar lichaam: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 1a 1. Lijkbezorging kan, onverminderd het daaromtrent in de [Begrafeniswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028363) bepaalde, eveneens geschieden door crematie. 2. Crematie van het lijk van een overleden persoon of doodgeboren kind geschiedt in een crematorium. Artikel 2 1. De houder van een crematorium houdt een register van alle daar verbrande lijken, met een nauwkeurige aanduiding van de bestemming, welke aan de as is gegeven en van degene op wiens aanwijzing zulks is geschied. 2. Het in het eerste lid bedoelde register is openbaar en wordt bij opheffing van het crematorium overgebracht naar de archieven van het openbaar lichaam waarin het was gelegen. 3. Het model van het register wordt bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen vastgesteld. Hoofdstuk II. Crematoria Artikel 3 Het is verboden een crematorium, dat niet op de voet van het bepaalde bij of krachtens deze wet is gevestigd of in werking is, alszodanig in werking te brengen of te houden. Artikel 4 1. Een crematorium kan slechts worden gevestigd en in werking gehouden door een kerkgenootschap dan wel door een privaatrechtelijke rechtspersoon of een natuurlijk persoon. 2. Onder kerkgenootschap wordt mede verstaan een onderdeel daarvan of een rechtspersoon, in het leven geroepen door een of meer kerkgenootschappen of onderdelen daarvan. Artikel 5 1. Het vestigen, uitbreiden of wijzigen van een crematorium behoeft vergunning van het bestuurscollege. 2. Onverminderd het bepaalde in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028203&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2011-10-04&g=2011-10-04) kan het bestuurscollege aan de vergunning voorschiften verbinden of deze onder beperkingen verlenen. 3. Bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen kan voor het betrokken openbaar lichaam een maximum aantal te verlenen vergunninge"},{"i":11188,"b":"Wet van 9 juli 1970, houdende vaststelling van de Experimentenwet onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor de ontwikkeling van het onderwijs wenselijk is een regeling te treffen op grond waarvan onderwijskundige experimenten kunnen worden gehouden die vallen buiten de kaders van de afzonderlijke onderwijswetten en in de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) (**Stb.** 1967, 387) de mogelijkheden te verruimen tot afwijking wegens de bijzondere inrichting van het onderwijs; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet verstaat onder: \"Onze Minister\": Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; \"onderwijswetten\": de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549), de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) of de [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280); \"school\": een school of instelling in de zin van een onderwijswet; \"het bevoegd gezag\": voor wat betreft - a. een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen; - b. een bijzondere school: het schoolbestuur; - c. een openbare school in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: het bestuurscollege van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; \"leerling\": een leerling of student in de zin van een onderwijswet. Artikel 2 1. Indien het bevoegd gezag bij wijze van experiment onderwijs wenst te geven dat valt buiten de kaders van de afzonderlijke onderwijswetten, kan Onze Minister beslissen"},{"i":11193,"b":"Instelling Commissie ondernemersonderwijs Besluiten: Artikel 1 Er is een Commissie ondernemersonderwijs. Artikel 2 1. De Commissie heeft tot taak het bestuderen van de ontwikkeling en de coördinatie van onderwijs aan en opleiding van zelfstandige ondernemers alsmede het uitbrengen van een advies te dier zake. 2. In het door de Commissie uit te brengen advies zal met name aandacht dienen te worden geschonken aan de volgende onderwerpen: - a. de gevolgen voor het middenstandsonderwijs van onderwijskundige en maatschappelijke ontwikkelingen en van het feit, dat steeds meer leerlingen in de leeftijd van 12 tot 16 jaar voortgezet onderwijs volgen; - b. de eventuele behoefte aan dagonderwijs voor de voorbereiding op een zelfstandige uitoefening van het ambacht; - c. de gevolgen van het in werking treden van de Vestigingswet detailhandel voor het middenstandsonderwijs, in het bijzonder voor de lagere detailhandelsscholen; - d. de aanpassing van het cursorische detailhandelsonderwijs aan de eisen van de Vestigingswet detailhandel; - e. de eisen te stellen aan het onderwijzend personeel bij het geïntegreerde cursorische onderwijs; - f. de behoefte aan applicatie-onderwijs voor gevestigde ondernemers. Artikel 3 1. In de Commissie hebben zitting: - **als lid en voorzitter:** drs. A. G. van der Veen, te Nieuwerkerk aan de IJssel; - **als lid:** A. J. van Haasteren, te Voorschoten: J. C. Deering, te Rotterdam; K. de Jong, te Leeuwarden; E. F. J. Manse, te 's-Gravenhage; B. Panja, te 's-Gravenhage; E. G. H. Haighton, te 's-Gravenhage; W. Baars, te Steenwijkerwold; drs. W. C. Brummelman, te Amstelveen; J. van Hemert, te Leiden; J. Berends, te 's-Gravenhage; P. A. Koenis, te Wassenaar, J. J. Steenhouwer, te Kapelle a/d IJssel; C. Schout, te Dordrecht; H. Bertelsman, te Soest; H. J. M. Groen, te Amstelveen; drs. J. J. G. Jonker, te Utrecht; mr. R. A. E. Indemans, te 's-Gravenhage; Th. J. A. Sturkenboom, te Utrecht; A. Fransen, te Amsterdam; P. Renkema, te Bilthoven; mr. W. Faber, te"},{"i":13992,"b":"Protocol Accountantsonderzoek 2014 Concessiehouders Oktober 2014 Vooraf Verbindingskantoren (concessiehouders, zorgkantoren) zijn verplicht om een financieel verslag en een uitvoeringsverslag op te stellen. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft de voorschriften hiervoor nader uitgewerkt in het [Model Uitvoeringsverslag en financiële verantwoording 2014 Verantwoordingsplicht concessiehouders over de uitvoering AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035734) (Model Uitvoeringsverslag en financiële verantwoording 2014 Concessiehouders). In dit Protocol Accountantsonderzoek 2014 Concessiehouders stelt de NZa regels voor het accountantsonderzoek en voor de inhoud en inrichting van het accountantsverslag. In het Protocol Prestatiemeting AWBZ 2014 Normenkader onderzoek uitvoering AWBZ (Protocol Prestatiemeting AWBZ 2014) is een beperkte wijziging doorgevoerd in de systematiek. De NZa gaat zorgkantoren in 2014 meer beoordelen op behaalde resultaten en minder op de processen. Doel hiervan is beter inzicht te verkrijgen in hoe de zorgkantoren scoren in relatie tot de doelen die bij de maatschappelijke taken in het kader van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ) horen. Voor 2014 zijn hiertoe de eerste stappen gezet. Enkele op bedrijfsvoering gerichte prestatie-indicatoren zijn vervangen door outcome-gerichte prestatie-indicatoren. Deze wijziging vertaalt zich door naar op welke wijze het zorgkantoor zich over deze prestatie-indicatoren moet verantwoorden en ook in beperkte mate naar de voor deze prestatie-indicatoren uit te voeren werkzaamheden door de accountant. Aan de accountant wordt gevraagd om in het kader van zijn opdracht tot het verrichten van specifieke werkzaamheden te onderzoeken of de genoemde criteria ter bepaling van de outcome-indicatoren in het [Model Uitvoeringsverslag en financiële verantwoording 2014 Concessiehouders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035734) zijn nageleefd. Op ve"},{"i":11195,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 november 2020, nr. 25919607, tot het instellen van de adviescommissie diversiteit en inclusie in onderwijs en onderzoek (Instellingsbesluit adviescommissie diversiteit en inclusie in onderwijs en onderzoek) Gelet op [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044380&artikel=2&z=2025-10-17&g=2025-10-17). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een commissie diversiteit en inclusie in onderwijs en onderzoek 2. De commissie heeft tot doel om te bijdragen aan een inclusievere werk- en leeromgeving in het hoger onderwijs en onderzoek, wat bijdraagt aan het vergroten van diversiteit in personen en in onderzoeks- en onderwijsinhoud, en daarmee ook de kwaliteit. 3. De commissie heeft tot taak om de minister, alsmede partijen in het onderwijs- en onderzoeksveld, te adviseren over de uitvoering en monitoring van diversiteitsbeleid en bijbehorende instrumenten, met het oog op het bereiken van de doelstellingen genoemd in het ‘Nationaal Actieplan Diversiteit en Inclusie in het Hoger Onderwijs en Onderzoek’, Kamerstuk 29338-220. 4. Een commissielid onthoud zich van advies in het geval dit commissielid buiten het kader van deze commissie de partij eerder heeft geadviseerd over de uitvoering en monitoring van diversiteitsbeleid en bijbehorende instrumenten. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste 11 andere leden, waarvan 2 studentleden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last en ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 4."},{"i":12537,"b":"Besluit permanente educatie Wbtv Gelet op: [artikel 8 van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=8) (Stb. 2007, 375); de [artikelen 11, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=11), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=13) en [14 van het Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=14) (Stb. 2008, 555); de [artikelen II onderdeel F en IV van het Besluit van 24 juni 2020 tot wijzing van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, het Besluit beëdigde tolken en vertalers en het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met het instellen van minimumtarieven en het borgen van de kwaliteit en integriteit van beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043737&artikel=II) (Stb. 2020,220) [artikel 14 van het Besluit Uitwijklijst Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033582&artikel=14) (Stcrt. 2013, nr. 17541); [artikel 2.2 van de Gedragscode voor tolken en vertalers in het kader van de Wbtv](onbekend) (Stcrt. 2009, nr. 15358); de [Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 januari 2011 tot wijziging van de Regeling houdende aanwijzing tot bewerker en verlening van mandaat en machtiging van de Minister van Justitie aan de Raad voor de Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch betreffende het Register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993), (Stcrt. 19 januari 2011, nr. 1030); het advies van het Kwaliteitsinstituut beëdigde tolken en vertalers van 31 juli 2019; stelt de Raad voor Rechtsbijstand het volgende Besluit permanente educatie Wbtv vast: Begrippen en definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Besluit btv:** [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896) (Stb 2008,555); - b. **deskundige:** een docent met praktijkervaring; - c. **overige activiteit:** releva"},{"i":13960,"b":"Regeling van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid van 7 september 2001, houdende regels in verband met de verstrekking van noodpaspoorten en het aanbrengen van noodverlengingen door de Koninklijke Marechaussee Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onder g, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=2), [3, eerste, derde, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=3), [16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=16), [26, eerste lid, onder d en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=26), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=27), [30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=30), [31, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=31), [40, eerste lid, onder d en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=40), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=43), [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=57) en [59 van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=59); Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen § 1. Definities en reikwijdte Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212); - b. **aanvraag, weigering, verstrekking, uitreiking, houder, wijziging, inhouding, vervallen of vervallenverklaring en vermissing:** hetgeen ingevolge [artikel 1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=1) daaronder wordt verstaan; - c. **aanvrager:** degene die een aanvraag als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=1) indient of op wie een dergelijke aanvraag betrekking heeft; - d. **register paspoortsignaleringen:** het register, bedoeld in [artikel 25, derde lid, van de wet](https://wetten.overhei"},{"i":11197,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 mei 2026, nr. KenS/63357573, houdende instelling van een adviescommissie voor de benoeming van leden van de Onderwijsraad (Instellingsbesluit BAC Onderwijsraad 2026) Gelet op [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **commissie:** Adviescommissie benoeming leden Onderwijsraad. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een commissie die tot taak heeft de minister te adviseren over de benoeming van leden van de Onderwijsraad. 2. De commissie doet uiterlijk op 31 december 2026 aan de minister een benoemingsvoorstel, uitgaande van de gewenste samenstelling van de Onderwijsraad en op basis van de profielschets. De commissie neemt daarbij het relevante wettelijke kader in acht. Artikel 3. Leden 1. Tot de leden van de commissie worden met ingang van 1 mei 2026 benoemd: - a. Mevrouw prof. dr. S. Çelik - b. mevrouw prof. dr. M.L.L. Volman - c. de heer dr. A.J. Niemeijer 2. Mevrouw Çelik zal optreden als voorzitter met betrekking tot het adviseren over de benoeming van leden van de Onderwijsraad. 3. Bij de beoordeling van en advisering over de verschillende kandidaten en vacatures zijn telkens alle drie de leden betrokken. 4. Bij het ontstaan van tussentijdse vacatures in de commissie benoemt de minister nieuwe leden. Artikel 4. Werkwijze en vergoeding 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. 2. De leden en de voorzitter van de commissie ontvangen voor het bijwonen van vergaderingen en overige bijeenkomsten in het kader van hun werkzaamheden vacatiegelden overeenkomstig [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2). De hoogte van de vergoeding wordt daarbij vastgesteld op 3% van het maximum v"},{"i":11198,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Financiën van 2 november 2010, nr. 249000, houdende instelling van de baten-lastendienst Dienst Uitvoering Onderwijs (Instellingsbesluit baten-lastendienst Dienst Uitvoering Onderwijs) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1. Instelling 1. Aan de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt de status van baten-lastendienst, als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10), verleend. 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: Dienst Uitvoering Onderwijs. Artikel 2. Intrekking Het [Instellingsbesluit tijdelijke baten-lastendienst Dienst Uitvoering Onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027615) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt daarbij terug tot en met 1 januari 2010. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastendienst Dienst Uitvoering Onderwijs. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12773,"b":"Besluit vaststelling hoogte financiële bijdrage 2026 gelet op [artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=32); gezien de door de algemene raad aan het college van afgevaardigden voorgelegde begroting van inkomsten en uitgaven voor het jaar 2026; BESLUIT: Artikel 1. Hoogte financiële bijdrage 1. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2026 voor categorie 1 bedraagt: € 291. 2. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2026 voor categorie 2 bedraagt: € 291. 3. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2026 voor categorie 3 bedraagt: € 581. 4. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2026 voor categorie 4 bedraagt: € 1.162. 5. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2026 voor categorie 5 bedraagt: € 1.744. Artikel 2. Slotbepalingen Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling hoogte financiële bijdrage 2026."},{"i":13140,"b":"Centraal Kantmeldingenregister Besluit: - I. De met ingang van 1 januari 1970 ingevolge Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Besluit Burgerlijke Stand van 21 juli 1969 (Stb. 326) voorgeschreven kantmeldingen, welke moeten worden geplaatst in een dubbel van een register van de burgerlijke stand, dat ingevolge het besluit van de Minister van Justitie van 2 november 1956 naar een door hem aangewezen en beheerde bewaarplaats is overgebracht, worden opgenomen in het bij voormeld besluit ingestelde Centraal Kantmeldingenregister, ressorterende onder het Ministerie van Justitie. - II. De ambtenaren van de burgerlijke stand zenden de tekst van de kantmeldingen in tweevoud op formulieren, ingericht overeenkomstig het aangehecht model (Formaat A 4 (297 × 210 mm)), aan de griffiers van de arrondissementsrechtbanken, die deze maandelijks aan het Centraal Kantmeldingenregister zenden. Deze beschikking, waarvan afschrift zal worden gezonden aan: - 1e. de ambtenaren van de burgerlijke stand; - 2e. de griffiers van de arrondissementsrechtbanken; - 3e. de officieren van justitie bij de arrondissementsrechtbanken, treedt in werking 1 januari 1970. Bijlage | Behoort bij beschikking dd. 23-12-1969, Hoofdafdeling Privaatrecht, Stafbureau, nr. 443/169 | Behoort bij beschikking dd. 23-12-1969, Hoofdafdeling Privaatrecht, Stafbureau, nr. 443/169 | Behoort bij beschikking dd. 23-12-1969, Hoofdafdeling Privaatrecht, Stafbureau, nr. 443/169 | | --- | --- | --- | | | | Nr.: | | | | (In te vullen door het Centraal Kantmeldingenregister) | | | | ___________________ | | Gemeente: | Arrondissement: | | | .............................................................................................................................................................................. | .............................................................................................................................................................................. | .........................................."},{"i":13105,"b":"Besluitvorming Farsi (Iran) en Dari De Raad voor Rechtsbijstand, **Overwegende dat:** **Stelt vast dat:** **Besluit dat:** Ten aanzien van het Farsi (Iran): Ten aanzien van het Dari: Slotbepalingen Dit besluit wordt aangehaald als Besluitvorming Farsi (Iran) en Dari. Bekendmaking vindt plaats door publicatie in de Staatscourant. Dit besluit treedt in werking één dag na publicatie in de Staatscourant."},{"i":11201,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 juni 2009, nr. HO&S/BS/2009/119774, tot het instellen van een Commissie doelmatigheid hoger onderwijs (Instellingsbesluit Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - b. **minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026019&artikel=2&z=2024-03-20&g=2024-03-20); - d. **NVAO:** de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie; - e. **RIO:** de Registratie instellingen en opleidingen als bedoeld in [artikel 6.13, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13). Artikel 2. Instelling Er is een Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs. Artikel 3. Taak De commissie heeft tot taak: - 1. Het op grond van de [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.2) en [7.17, tweede en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.17) beoordelen van aanvragen macrodoelmatigheid hoger onderwijs over te verzorgen nieuwe opleidingen, het samenvoegen van bestaande opleidingen, het gezamenlijk verzorgen van een opleiding als bedoeld in [artikel 7.3c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3c), de nevenvestiging of de verplaatsing van een opleiding of een gedeelte van een opleiding naar een andere gemeente dan die waar de opleiding blijkens de RIO is gevestigd. - 2. Het uitbrengen van een advies over de onder a bedoelde beoordelingen aan de Minister. - 3. Het desgevraagd uitbrengen van advies aan de Minister in het kader van besluitvorming over het ontnemen van de rechten aan een opleiding op grond van [art"},{"i":13489,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties houdende instelling van een commissie voor de begeleiding van het evaluatieonderzoek inzake de pilots met publieke en private authenticatiemiddelen (Instellingsbesluit commissie evaluatie pilots publieke en private authenticatiemiddelen) Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken; Besluit: Artikel 1. Instelling en taak De commissie ziet toe op de uitvoering van zorgvuldig evaluatieonderzoek van de pilots met publieke en private authenticatiemiddelen en heeft tot taak de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te adviseren over: - •. de opzet van het evaluatieonderzoek inzake pilots met publieke en private authenticatiemiddelen waarmee publieke diensten worden afgenomen. Hierbij worden in ieder geval de volgende elementen betrokken: gebruikers, dienstaanbieders, authenticatiediensten, technische werking, privacy en beveiliging; - •. de na de evaluatie te nemen vervolgstappen, in het bijzonder het wel/niet/onder welke randvoorwaarden verder uitrollen van publieke en/of private authenticatiemiddelen waarmee publieke diensten worden afgenomen. Artikel 2. Doel Het evaluatieonderzoek heeft tot doel: - •. inzicht te verkrijgen in het gebruik van zowel publieke als private authenticatiemiddelen waarmee publieke diensten worden afgenomen. Hiertoe wordt onderzoek gedaan naar feiten en cijfers alsmede naar ervaringen van betrokkenen; - •. dit inzicht op een zodanige wijze te formuleren, dat onderlinge vergelijkbaarheid bewerkstelligd wordt. Artikel 3. Samenstelling De commissie bestaat uit vier onafhankelijke en onpartijdige leden, met een staat van dienst in de betrokken disciplines: een voorzitter, tevens lid, en drie leden. Artikel 4. Instellingsduur De commissie wordt ingesteld met ingang van 16 december 2015 en wordt opgeheven na afronding van de werkzaamheden (naar verwachting: medio 2016). Artikel 5. Leden Tot leden van de commissie worden benoemd: - a. drs. R.I"},{"i":11203,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 januari 2015, nr. 4484468, houdende instelling van de jury excellente scholen in het primair, speciaal en voortgezet onderwijs (Instellingsbesluit jury excellente scholen in het primair, speciaal en voortgezet onderwijs) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **jury:** jury excellente scholen in het primair, speciaal en voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036187&artikel=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - c. **inspectie:** Inspectie van het onderwijs; - d. **inspecteur-generaal:** inspecteur-generaal van het onderwijs. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een jury excellente scholen in het primair, speciaal en voortgezet onderwijs. 2. De jury ressorteert onder de inspectie. 3. De jury heeft tot taak: - a. Het bepalen van de criteria voor de beoordeling van excellente scholen en het (beperkt) afbakenen van excellentiegebieden waarop een school kan excelleren. - b. Het doen van een oproep aan alle scholen om zichzelf aan te melden bij de jury. De oproep hiertoe en de wijze waarop scholen zich kunnen aanmelden worden nader uitgewerkt door de jury. - c. De jury adviseert jaarlijks de inspecteur-generaal over welk beperkt aantal scholen in het primair onderwijs het predicaat ‘excellent’ verdient. - d. De jury adviseert jaarlijks de inspecteur-generaal over welk beperkt aantal schoolsoorten in het voortgezet onderwijs het predicaat ‘excellent’ verdient. - e. De jury adviseert jaarlijks de inspecteur-generaal over welk beperkt aantal scholen in het speciaal onderwijs het predicaat ‘excellent’ verdient. Artikel 3. Instellingsduur 1. De jury wordt ingesteld met ingang van 27 januari 2015. 2. Per 1 januari 202"},{"i":11205,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 27 januari 2017, 2016-0000247132, tot instelling van een Taskforce Samenwerking Onderwijs en Kinderopvang (Instellingsbesluit taskforce samenwerking onderwijs en kinderopvang) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **taskforce:** de Taskforce Samenwerking Onderwijs en Kinderopvang, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039157&artikel=2&z=2017-02-08&g=2017-02-08). Artikel 2. Instelling, taak, opheffing 1. Er is een Taskforce Samenwerking Onderwijs en Kinderopvang. 2. De taskforce wordt ingesteld met ingang van 1 oktober 2016 en wordt opgeheven na het uitbrengen van het eindrapport, bedoeld in het derde lid, maar uiterlijk met ingang van 1 april 2017. 3. De taskforce heeft tot taak: - a. het uitwerken van voorstellen over wat er nodig is, met inbegrip van mogelijke voorstellen over aanpassing van regelgeving, om de samenwerking tussen onderwijs en kinderopvang te vergemakkelijken, zodat er meerwaarde ontstaat voor de ontwikkeling van kinderen, de arbeidsparticipatie van ouders en de gezamenlijke inzet van personeel; - b. met betrekking tot deze taak een eindrapportage aan de minister en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan te bieden. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De taskforce bestaat uit een voorzitter en tien andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden, in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, door de minister benoemd. 3. De benoeming geschiedt voor de duur van het bestaan van de taskforce. 4. Bij tussentij"},{"i":12570,"b":"Besluit slacht- en vleeskeuring BES Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **slachtvee:** voor onmiddellijke slachting bestemd vee; - b. **vee:** herkauwende dieren, eenhoevige dieren en varkens; - c. **vlees:** gedood of geslacht vee of delen daarvan, al dan niet gekoeld of bevroren, ongeboren vruchten daaronder begrepen, met uitzondering van hoornen, hoeven, klauwen, borstels, haar, wol en huiden, voor zover niet afkomstig van varkens of van de onderpoten van herkauwers; - d. **vleesprodukten:** vlees, dat een behandeling, niet zijnde een koel- of vriesbehandeling, heeft ondergaan, ter bevordering van de houdbaarheid, alsmede toebereid vlees al of niet vermengd met andere stoffen; - e. **slachthuis:** het gebouw c.q. de gebouwen door het openbaar lichaam als openbare slachtplaats ingericht, alsmede het terrein behorend bij dit gebouw of deze gebouwen; - f. **inrichtingen:** slachterijen, winkels, bewaarplaatsen van vlees, uitsnijderijen, vleesproduktenfabrieken, vetsmelterijen, inrichtingen voor het bewaren van bloed en bloedplasma en tot verwerking van bloed tot bloedplasma of bloedplasmapoeder, diervoerderfabrieken en andere inrichtingen bestemd tot of gebruikt voor het bewerken, voorverpakken of verduurzamen van vlees of het bereiden, bewerken of voorverpakken van vleesprodukten; - g. **noodslachting:** het doden van vee dat: - a. door een ernstig ongeval is getroffen; - b. door ziekte in onmiddellijk levensgevaar verkeert; - c. onmiddellijk gevaar oplevert voor de volksgezondheid, voor de veiligheid van personen of goederen, dan wel voor besmetting van mensen of dieren; - h. **dierenarts:** de door Onze Minister met de keuring van vee en vlees, het toezicht op de be- en verwerking van vlees en op de opslag, het vervoer en de verkoop van vlees en vleesprodukten belaste dierenarts; - i. **keurmeester:** de persoon niet zijnde keuringsdierenarts, die onder toezicht en verantwoordelijkheid van e"},{"i":11206,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 januari 2019, nr. MBO/1420991, houdende instelling van de Tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo (Instellingsbesluit Tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022) Gezien [artikel 20 Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041553&artikel=20); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **commissie:** Tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041860&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Artikel 2. Instelling commissie 1. Er is een Tijdelijke adviescommissie regionaal investeringsfonds mbo. 2. De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 januari 2019 en wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2028. 3. Leden van de commissie zijn ook na 1 januari 2028 te consulteren door de Minister in verband met de rechten en plichten die voortvloeien uit de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041860&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde taken van de commissie. Artikel 3. Taken commissie Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 1. De commissie is belast met: - a. het beoordelen van de subsidieaanvragen, bedoeld in [artikel 21 van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041553&artikel=21), en het adviseren van de Minister hierover; - b. het beoordelen van de voortgangsrapportages, bedoeld in [artikel 22 van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041553&artikel=22), en het adviseren van de Minister hierover; en - c. de overige taken die haar zijn opgedragen op grond van de [paragrafen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041553&paragraaf=3) en [4 van de Regeling regionaal investeri"},{"i":11207,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 5 december 2018 nr. 2018-2059995, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Internationalisering van het onderwijs (Instellingsbesluit werkgroep IBO Internationalisering van het onderwijs) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041674&artikel=2&z=2018-12-15&g=2018-12-15). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Internationalisering van het onderwijs. 2. De werkgroep heeft tot taak interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren naar het beleid voor internationale studenten, conform de taakopdracht zoals op 18 september 2018 gepubliceerd (Kamerstukken Tweede Kamer Vergaderjaar 2018/2019 35 000 nr. 2). 3. Het onderzoek zal moeten resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties worden gegeven waarover vervolgens afweging kan plaatsvinden. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en 7 leden. 2. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd mw. drs. M. Sint. 3. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: - –. dhr. drs. G.E. Beekhuis (Ministerie van Financiën) - –. mw. drs. I.M. Jansen (Ministerie van Algemene Zaken) - –. dhr. drs. J.P. Ederveen (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) - –. mw. drs. J. van den Bout (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) - –. dhr. drs. F.A. Hofman (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) - –. dhr. drs. L.J. Herweijer (Sociaal Cultureel Planbureau) - –. mw. dr. J.A. Bolhaar (Centraal Planbureau) 4. De leden van de werkgroep werkzaam voor de overheid kunnen bij afwezigheid of verandering van baan vervangen worden door een collega van d"},{"i":13373,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden mediators 2015 **Inleiding** Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die in aanmerking willen komen voor verwijzingen vanuit de gerechten of vanuit het Juridisch Loket zich inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en volgende van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: de vakbekwaamheidseisen die aan de mediator worden gesteld; de mate van gebondenheid aan door de beroepsgroep algemeen aanvaarde normen betreffende de beroepsethiek en beroepsuitoefening; de wijze waarop schendingen van de algemene norm betreffende de beroepsethiek en beroepsuitoefening worden afgehandeld; de medewerking door de mediator aan onderzoek naar de werking van mediation en aan evaluatie; de verslaglegging door de mediator van de door hem verrichte werkzaamheden; de beroepsaansprakelijkheidsverzekering; de organisatie van het kantoor waar de mediator werkzaam is. In het onderstaande zijn deze voorwaarden uitgewerkt. De voorwaarden zijn op te vatten als algemeen verbindende voorschriften. Inschrijvingsvoorwaarden Artikel 1. Registratie / opleidingsvereisten / evaluatie 1. De deelnemende mediator dient MfN1MfN is de afkorting van: Mediatorsfederatie Nederland. MfN-registermediators staan ingeschreven bij de Stichting Kwaliteit Mediators (SKM). De SKM is voor wat betreft registerbeheer en kwaliteitssysteem de rechtsopvolger van het NMI.-registermediator te zijn. Deze MfN- registermediator heeft ofwel - –. het assessment (vaardighedentoets) van de Stichting Kwaliteit Mediators (via Intop) met goed gevolg afgelegd ofwel - –. een door de Stichting Kwaliteit Mediators afgenomen peer review met goed gevolg ondergaan én in de drie jaar voor de datum van"},{"i":12679,"b":"Besluit van 22 juni 1998, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter en de leden van de landelijke geschillencommissie samenwerkingsverbanden WSNS, bedoeld in artikel 13 d van de Wet op het primair onderwijs (Staatsblad 1998, 228) Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 16 juni 1998, nr. PO/PJ 98 25249, directie Primair Onderwijs; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 15 mei 1998. Artikel 1. Vaste Beloning Voorzitter Aan de voorzitter van de Landelijke geschillencommissie samenwerkingsverbanden WSNS, bedoeld in [artikel 13 d, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=13d), wordt in plaats van vacatiegeld een vaste beloning toegekend per zittingsdag, met dien verstande, dat de hoogte van de vaste beloning varieert al naar gelang het aantal geschillen per zittingsdag. De vaste beloning bedraagt per zitting bij vier of minder geschillen € 329. Bij meer dan vier geschillen per zittingsdag bedraagt de vaste beloning € 658. Artikel 2. Vaste Beloning Leden Aan de leden van de Landelijke geschillencommissie samenwerkingsverbanden WSNS, bedoeld in [artikel 13 d, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=13d), wordt in plaats van vacatiegeld een vaste beloning toegekend per zittingsdag, met dien verstande, dat de hoogte van de vaste beloning varieert al naar gelang het aantal geschillen per zittingsdag. De vaste beloning bedraagt per zittingsdag bij vier of minder geschillen € 272. Bij meer dan vier geschillen per zittingsdag bedraagt de vaste beloning € 545. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 15 mei"},{"i":11212,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 13 december 2004, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/URP/2004/84086, houdende intrekking van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders in verband met de inwerkingtreding van de Wet kinderopvang Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3); Besluit: Artikel I 1. De [Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013299) wordt ingetrokken. 2. De [regeling, genoemd in het eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013299), zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op de afwikkeling van de subsidie, verleend op grond van die regeling. Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11213,"b":"Wet van 22 december 1999, houdende intrekking van de wet van 26 mei 1870 tot regeling van het onderwijs van Rijkswege in de beeldende kunsten (Stb. 78) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wet van 26 mei 1870 tot regeling van het onderwijs van Rijkswege in de beeldende kunsten (Stb.78) in te trekken in verband met de privatisering van de Rijksakademie van beeldende kunsten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. de wet van 26 mei 1870: de wet van 26 mei 1870 tot regeling van het onderwijs van Rijkswege in de beeldende kunsten (Stb. 78); - b. de Rijksakademie: de Rijksakademie van beeldende kunsten, genoemd in artikel 1 van de wet van 26 mei 1870. Artikel 2 De wet van 26 mei 1870 wordt ingetrokken. Artikel 3 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met het privaatrechtelijk beheer van de museale verzamelingen of museale voorwerpen die eigendom zijn van de Staat dan wel aan de zorg van de Staat zijn toevertrouwd en die tot het tijdstip van intrekking van de wet van 26 mei 1870 in beheer waren bij de Rijksakademie. Artikel 4 De docenten en de directeur van de Rijksakademie, die ingevolge artikel 5 van de wet van 26 mei 1870 de titel hoogleraar voeren, blijven daartoe gerechtigd voor de periode dat zij in dezelfde functie hun dienstverband voortzetten bij de rechtspersoon die is opgericht ter voortzetting van de activiteiten van de Rijksakademie. Artikel 5 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":13168,"b":"Besluit van de Sociale verzekeringsbank van 13 november 2023 houdende controlevoorschriften als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet (Controlevoorschriften Anw) Gelet op [artikel 36, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=36); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Anw:** de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795); - b. **SVB:** de Sociale verzekeringsbank; - c. **uitkering:** een nabestaandenuitkering of wezenuitkering als bedoeld in [Hoofdstuk 3, Afdeling I, van de Anw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&afdeling=I); - d. **de uitkeringsgerechtigde:** degene aan wie een uitkering is toegekend; - e. **nabestaande:** degene die een nabestaandenuitkering ontvangt dan wel voor een zodanige uitkering in aanmerking wenst te komen; - f. **kind:** het kind van de nabestaande in de zin van [artikel 5 Anw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=5), voorzover dit kind ongehuwd is, jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander dan de nabestaande behoort; - g. **wees:** degene aan wie een wezenuitkering is toegekend, die een zodanige uitkering heeft aangevraagd dan wel voor wie een zodanige uitkering is aangevraagd. Artikel 2 Dit besluit is van toepassing op: - a. de nabestaande; - b. de wees; - c. de wettelijke vertegenwoordiger van de nabestaande of de wees; - d. de instelling waaraan ingevolge [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=49) of [artikel 57 Anw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=57) de uitkering wordt uitbetaald. Hoofdstuk 2. Algemene verplichtingen Artikel 3 1. De in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048935&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2023-11-24&g=2023-11-24) bedoelde persoon of instelling stelt de SVB tijdig in kennis van een wijziging in het adres van de uitkerings"},{"i":12618,"b":"Besluit van 11 september 2019 tot toekenning van het vaandelopschrift «Sangin 2007» aan het Garderegiment Grenadiers en Jagers Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016391, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Garderegiment Grenadiers en Jagers wordt toegevoegd het opschrift «Sangin 2007» in verband met zijn bijdrage als reservecompagnie van het zuidelijke regionale commando van ISAF bij de inname van Sangin. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12180,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 5 november 2010, nr. WJZ/10145713, houdende aansluiting van alle ministeries op een centraal aanleverpunt voor elektronische facturen (Besluit Digipoort voor e-Facturen) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **elektronische factuur:** een factuur die volgens een door de Staat bepaalde specificatie elektronisch kan worden ontvangen en verwerkt; - b. **Digipoort:** centraal aanleverpunt van de Staat voor ontvangst van elektronische berichten. Artikel 2 1. De ministers dragen er zorg voor dat hun ministerie uiterlijk 1 januari 2011 is aangesloten op Digipoort teneinde vanaf dat moment facturen elektronisch te kunnen ontvangen. 2. Een vanaf 1 januari 2011 via Digipoort ontvangen elektronische factuur wordt in behandeling genomen door het ministerie dat het aangaat. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Digipoort voor e-Facturen. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11214,"b":"Invoering nieuwe examensystematiek in het beroepsonderwijs per 1 augustus 2004 Met ingang van 1 augustus 2004 treedt de nieuwe examensystematiek in werking voor het middelbaar beroepsonderwijs. In deze voorlichtingspublicatie wordt nader ingegaan op de vraag wat de invoering voor de instellingen betekent en wat de rol van het Kwaliteitscentrum Examinering beroepsopleidingen (KCE) daarbij is. Aandacht wordt achtereenvolgens besteed aan de redenen voor de beëindiging van de bestaande examensystematiek, de standaarden waaraan examens moeten voldoen, de interne bewaking en de verantwoording van de examenkwaliteit, samenwerking/inkoop en uitbesteding, de sanctie van ontnemen van het recht op examinering en de rol van de inspectie. Aanleiding Per 1 augustus beëindigt de huidige examensystematiek, waarin onder meer sprake is van externe kwaliteitsbewaking van examens door exameninstellingen. De huidige examensystematiek levert echter onvoldoende waarborg voor de examenkwaliteit, levert ook geen transparant beeld van de examenkwaliteit, is gecompliceerd en ondoelmatig. Belangrijke manco’s zijn het ontbreken van een eenduidige landelijke standaard voor examenkwaliteit, het huidige marktmechanisme van externe kwaliteitsbewaking door meerdere exameninstellingen met ondoorzichtige rollen en het ontbreken van een gerichte sanctiemogelijkheid. Standaarden voor examenkwaliteit Net als bij de bestaande examensystematiek blijft de instelling verantwoordelijk voor de examinering van de aangeboden beroepsopleidingen (tenzij er sprake is van uitbesteding). De kwaliteitseisen waaraan de examens moeten voldoen, zijn vastgelegd in standaarden die op voorstel van het KCE door de minister zijn vastgesteld. De standaarden geven dus aan wat er op orde moet zijn bij de examinering. Ze hebben betrekking op het totale examen (alle deelkwalificaties van de opleiding) en de totale examenketen (alle examentaken, van de inrichting van de werkorganisatie voor de examens tot het bepalen van de einduit"},{"i":14733,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 16 december 2022, nr. WJZ/22193750, tot aanwijzing van producten die uitgezonderd zijn van de aankondiging van de laagste prijs in dertig dagen bij prijsverminderingen (Regeling uitzondering aankondiging laagste prijs bij prijsverminderingen) Gelet op [Richtlijn (EU) 2019/2161](32019L2161) van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van [Richtlijn 93/13/EEG](31993L0013) van de Raad en [Richtlijnen 98/6/EG](31998L0006), [2005/29/EG](32005L0029) en [2011/83](32011L0083)/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de Unie (PBEU 2019, L 328) en [artikel 5a, tweede lid, van het Besluit prijsaanduiding producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015104&artikel=5a); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing categorieën producten die snel bederven of een beperkte houdbaarheid hebben Als categorieën producten als bedoeld in [artikel 5a, tweede lid, van het Besluit prijsaanduiding producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015104&artikel=5a) worden aangewezen: - a. verse, al dan niet voorgesneden, groenten en fruit; - b. verse vruchtensappen; - c. koelverse maaltijden en pakketten met daarin verse maaltijdcomponenten; - d. broodbakkerij- of banketbakkerijproducten die naar hun aard bestemd zijn om binnen 24 uur na de bereiding te worden geconsumeerd; - e. verse zuivel- en eierproducten; - f. vers vlees en verse vleeswaren; - g. verse vis; - h. verse vlees-, vis- of zuivelvervangers; - i. verse bloemen. Artikel 2. Citeertitel De regeling wordt aangehaald als: Regeling uitzondering aankondiging laagste prijs bij prijsverminderingen. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12048,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 19 september 2005, nr. BenC 2005-976M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Inspecteur van de Waarborg, 1804–1984 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gezien het advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats d.d. 14 september 2005; Besluit: 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Inspecteur van de Waarborg, 1804–1984 met de inventarisnummers 79, 80 en 81 de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld tot 1 januari 2020. 2. Raadpleging van de in het vorige lid genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruikt gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. 3. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt gepubliceerd."},{"i":11218,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 februari 2011, nr. WJZ/275527 (3853), houdende regels ter uitvoering van de Leerplichtwet voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Leerplichtregeling BES) Gelet op de [artikelen 28, tweede lid](onbekend), en [41, eerste lid, van de Leerplichtwet BES](onbekend); Besluit: Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 1. Begripsbepalingen Deze regeling verstaat onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **wet:** [Leerplichtwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030281); - c. **leerling:** leerplichtige of kwalificatieplichtige jongere in de zin van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030281); - d. **hoofd:** hoofd als bedoeld in [artikel 1, onder d van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030281&artikel=1); - e. **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 2. Verantwoordelijkheid hoofd Het hoofd draagt zorg voor een administratie van de ingeschreven leerlingen. Artikel 3. Verantwoordelijkheid bestuurscollege Het bestuurscollege van een openbaar lichaam draagt zorg voor een administratie van de leerlingen die als ingezetenen in de basisadministratie persoonsgegevens zijn ingeschreven. Artikel 4. Kennisgevingen 1. De kennisgevingen, bedoeld in de [artikelen 31, eerste lid](onbekend), en [33 van de wet](onbekend), geschieden ten aanzien van de leerlingen. 2. De kennisgevingen, bedoeld in [artikel 31 van de wet](onbekend), worden gezonden aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de leerling als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven. 3. Bij de kennisgeving van de inschrijving, bedoeld in [artikel 31 van de wet](onbekend), vermeldt het hoofd hoeveel dagen per week en op welke dagen van de week de kwalificatieplichtige leerling het onderwijs zal volgen. Artikel 5. Jaarlijkse opgave bestuurscollege De opgave, bedoeld in [artike"},{"i":13848,"b":"Model Uitvoeringsverslag en financiële verantwoording 2014 Verantwoordingsplicht concessiehouders over de uitvoering [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) Oktober 2014 Vooraf Concessiehouders zijn als AWBZ-verzekeraars verplicht om een financieel verslag en een uitvoeringsverslag op te stellen. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft de voorschriften hiervoor nader uitgewerkt in het Model Uitvoeringsverslag en financiële verantwoording 2014 verantwoordingsplicht concessiehouders over de uitvoering [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (aan gehaald als Model Uitvoeringsverslag en financiële verantwoording 2014 concessiehouders of kortweg als Model). De belangrijkste wijziging die in het Model heeft plaatsgevonden sluit aan op het Protocol Prestatiemeting AWBZ 2014, het normenkader voor het onderzoek naar de uitvoering van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614). Volgens dit normenkader gaat de NZa concessiehouders meer beoordelen op behaalde resultaten en minder op de processen. Doel hiervan is beter inzicht te krijgen in hoe de zorgkantoren hun maatschappelijke AWBZ-taken uitvoeren en in hoeverre zij de gestelde doelen bereiken. Voor 2014 zijn hiertoe de eerste stappen gezet. Enkele op bedrijfsvoering gerichte prestatie-indicatoren zijn vervangen door outcome-gerichte prestatie-indicatoren. De outcome-indicatoren zijn door de concessiehouders in eigen kring ontwikkeld en in samenspraak met de NZa verder uitgewerkt. Deze aanpassing vertaalt zich door naar de wijze waarop de concessiehouder zich over deze prestatie-indicatoren moet verantwoorden en in het voorliggend Model. De NZa maakt een voorbehoud voor wijzigingen die mogelijk in een addendum op dit protocol bekend moeten worden gemaakt. 1. Verantwoordingsstructuur [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) 1.1. Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de jaarlijkse verantwoordingsplicht van de concessiehouders (de zorgkantoren) over de uitvoering van"},{"i":13218,"b":"Deelregeling tweejarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie **Introductie** Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie is het Rijkscultuurfonds voor architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Het fonds wil een wezenlijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van de professionele ontwerppraktijk binnen en vooral ook tussen de disciplines architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Onderdeel van dit streven is de interdisciplinaire wisselwerking tussen het culturele, maat-schappelijke en economische domein. Het Stimuleringsfonds ondersteunt bijzondere en vernieuwende projecten, onderzoek en activiteiten van ontwerpers, makers en culturele instellingen in binnen- en buitenland. gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), tot vaststelling van een deelregeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor meerjarige activiteitenprogramma’s ter bevordering van de kwaliteit van creatieve industrie. Artikel 1. Doelstelling deelregeling tweejarige activiteitenprogramma’s creatieve industrie 1. Deze deelregeling is van toepassing op meerjarige activiteitenprogramma’s die bijdragen aan het bevorderen van hoogwaardige kwaliteit, ontwikkeling en professionalisering van de hedendaagse Nederlandse architectuur, vormgeving en digitale cultuur en die de belangstelling voor deze disciplines stimuleren. 2. Deze deelregeling geldt in aanvulling op het [Subsidiereglement Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040298). Het in dat reglement bepaalde is van toepassing op subsidieverlening op grond van deze deelregeling, voor zover daar in deze deelregeling niet van wordt afgeweken. Artikel 2. Voorwaarden voor ondersteuningsmogelijkheden Subsidie wordt slechts verleend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: - a. het programma is samenhangend en excellent; - b. de culturele instelling die het programma uitvoert is voorbeeldstelle"},{"i":13966,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 april 2008, nr. CZ/TSZ-2830051, houdende vaststelling van het Planningsbesluit bijzondere interventies aan het hart 2008 Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=5) en [6, tweede lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=6); Besluit: Artikel 1 De omvang van de behoefte aan bijzondere interventies aan het hart, de wijze waarop in deze behoefte kan worden voorzien en de voorschriften waaraan uitvoerende centra moeten voldoen, zijn neergelegd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023804&bijlage=1&z=2024-06-05&g=2024-06-05). Artikel 2 De gegevens die een instelling bij de aanvraag van een vergunning dient te verstrekken, in aanvulling op de [Regeling vergunningprocedure bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009846), zijn omschreven in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023804&bijlage=2&z=2024-06-05&g=2024-06-05). Artikel 3 Het [Planningsbesluit bijzondere interventies aan het hart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008447) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Planningsbesluit bijzondere interventies aan het hart 2008. Bijlage 1 **1. Begripsbepaling** Ingevolge [artikel 1, onderdeel e, van de Regeling aanwijzing bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035311&artikel=1) is het verboden om zonder vergunning van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bijzondere interventies aan het hart uit te voeren. Bijzondere interventies aan het hart omvatten alle chirurgische ingrepen aan het hart, de coronaire vaten en de aortaboog (inclusief percutane behandelingen van hartklepafwijkingen), percutane coronaire intervent"},{"i":11223,"b":"Maatregelen in verband met deregulering en autonomievergroting op korte termijn (schoolbudget met ingang van 1 augustus 2002) Inleiding Met het doel op korte termijn te komen tot verdergaande verruiming van de bestedingsmogelijkheden en vereenvoudiging van regelgeving binnen het formatiebudgetsysteem zijn met organisaties van werkgevers en werknemers afspraken gemaakt in verband met onder andere het schoolbudget. Die afspraken houden het volgende in. Het schoolprofielbudget zal met ingang van 1 augustus 2002 aan het schoolbudget worden toegevoegd. De middelen voor bedrijfsgezondheidszorg (BGZ), die tot nu toe als afzonderlijke subsidie worden toegekend, worden met ingang van 1 januari 2003 toegevoegd aan het budget voor materiele instandhouding en het reguliere hoge en lage verzilveringstarief worden geharmoniseerd. In deze publicatie wordt u geïnformeerd over de wijze waarop bovenstaande afspraken worden uitgevoerd en over de bedragen per leerling op grond waarvan de hoogte van het schoolbudget kan worden berekend. Wijzigingen schoolbudget per 1 Schoolprofielbudget Met ingang van 1 augustus 2002 worden de middelen van het schoolprofielbudget toegevoegd aan het schoolbudget. De omrekening van de formatierekeneenheden uit het schoolprofielbudget naar geld vindt plaats op basis van het GPL-tarief van € 234,36. In de formatieoverzichten voor het schooljaar 2002 - 2003 is met die omrekening al rekening gehouden. Op het maartoverzicht voor basisscholen en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs bedraagt de omvang van het schoolprofielbudget 0. Voor speciale scholen voor basisonderwijs maakt het schoolprofielbudget onderdeel uit van de basisformatie en de formatie voor speciale doeleinden. Om die reden is voor deze scholen een vermindering van de basisformatie en van de formatie voor speciale doeleinden met 0,29 fre per leerling, respectievelijk cumi-leerling aangebracht. Bij scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bij de bedragen onderscheid aangebracht t"},{"i":11224,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 oktober 2021, 2021-0000162685, tot verlening van mandaat aan de Inspectie van het Onderwijs tot uitoefening van een bevoegdheid op grond van de wet- en regelgeving op het terrein van de Wet kinderopvang Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel 1 Aan de Inspecteur-generaal van het Onderwijs wordt mandaat verleend voor het vaststellen van het formulier, bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de Regeling Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017252&artikel=12). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs Wet- en regelgeving Wet Kinderopvang. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11225,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 23 april 2019, nr. PO/7456625, houdende de mandatering van de directeur van de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (Mandaatbesluit Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=2) en [11 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=11); Gezien de instemming van het bestuur en de directeur-bestuurder van de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip dat de Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023 in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **stichting:** Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland; - c. **Europese school:** school gesticht en in stand gehouden op grond van het Verdrag houdende het statuut van de Europese scholen; - d. **Raad van Bestuur:** Raad van Bestuur van de Europese scholen (Board of Governors). Artikel 2. Mandaat en volmacht Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van volmacht om in naam van de minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. Artikel 3. Werkgeverschap 1. Aan de directeur van de stichting wordt mandaat verleend voor het werkgeverschap van het aan de Europese scholen gedetacheerd personeel. 2. Dit werkgeverschap omvat in ieder geval het aangaan en beëindigen van arbeidsovereenkomsten met het personeel, het voeren van Decentraal Georganiseerd Overleg over de rech"},{"i":11226,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 juni 2021, nr. HO&S/28475203, tot het verlenen van mandaat ten aanzien van procedurele besluiten bij accreditaties in het hoger onderwijs aan DG DUO (Mandaatbesluit verlengingsbesluiten accreditatie hoger onderwijs) Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit Artikel 1 De directeur-generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs is gemandateerd om besluiten te nemen als bedoeld in [artikel 5.31, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=5.31). Hij kan met betrekking tot dit mandaat ondermandaat verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen. [Artikel 16 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=16) is van toepassing. Artikel 2 De behandeling van bezwaarschriften die zijn gericht tegen op basis van dit besluit genomen besluiten geschiedt, met inachtneming van [artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), conform het bepaalde in de [Regeling behandeling bezwaarschriften OCW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023195) en [artikel 13, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=13). Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Mandaatbesluit verlengingsbesluiten accreditatie hoger onderwijs. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13032,"b":"Besluit vervanging documenten BFT 2024 Gelet op: [artikel 7 Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) [hoofdstuk 3a Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&hoofdstuk=3a) **besluit:** Artikel 1 1. over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van de Selectielijst van Bureau Financieel Toezicht en de Commissies van Deskundigen (2024). voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd; 2. reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde Handboek vervanging documenten Bureau Financieel Toezicht. Dit ligt ter inzage bij Bureau Financieel Toezicht. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant met titel Besluit tot vervanging van documenten Bureau Financieel Toezicht; Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vervanging documenten BFT 2024."},{"i":12918,"b":"Besluit van 12 februari 2021, kenmerk 2021000255, houdende vaststelling van een selectielijst Verenigde Vergadering der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945 Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 februari 2021, kenmerk NA/26551393, agentschap Nationaal Archief; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De ‘Selectielijst Verenigde Vergadering der Staten-Generaal vanaf 5 mei 1945’ met de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst van de Verenigde Vergadering der Staten-Generaal op het beleidsterrein Handelen van de Staten-Generaal 1945–2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019670) (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 77, d.d. 16 maart 2006) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11227,"b":"Mandaatverlening uitvoering Beurzenprogramma Internationaal Onderwijsinstituten (BIO) 2001 Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 Aan de vice-voorzitter van FION wordt mandaat verleend om namens de Minister: - A. besluiten te nemen op subsidieaanvragen die worden ingediend in het kader van het BIO en - B. te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld onder A. Artikel 3 In de door gemandateerde te nemen besluiten in het kader van het BIO wordt dit mandaatbesluit aangehaald en wordt in de ondertekening vermeld: `DE MINISTER VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING namens deze De Vice-Voorzitter van de FION (naam)' Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt. Dit besluit zal in de Staatscourant geplaatst worden."},{"i":12802,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Bureau Veritas Inspection and Certification The Netherlands B.V Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Bureau Veritas Inspection and Certification The Netherlands B.V. en rechtsvoorgangers vanaf 28 januari 1985 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt ingetrokken: - •. [Selectielijst van Bureau Veritas Inspection and Certification The Netherlands B.V. en rechtsvoorgangers vanaf 28 januari 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046233), Stcrt. 2022, nr 1594 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11228,"b":"Memorandum van Overeenstemming tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Universiteit van de Verenigde Naties De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen „de Regering”) en de Universiteit van de Verenigde Naties (hierna te noemen „de Universiteit”) Gezien het Handvest van de Universiteit; Vaststellende dat de Raad van de Universiteit tijdens zijn 31e zitting, gehouden te Brasilia van 26 tot en met 30 juli 1988, heeft besloten het Instituut voor Nieuwe Technologieën van de Universiteit van de Verenigde Naties (ook bekend als INTECH en hierna te noemen „het Instituut”) op te richten als onderzoeks- en opleidingscentrum van de Universiteit en het aanbod van de Regering om genoemd Instituut in Maastricht te vestigen te aanvaarden; Gezien het Statuut van het Instituut, krachtens welk het Instituut volledige academische vrijheid geniet; Geleid door de wens over te gaan tot de oprichting en de vestiging van het Instituut te Maastricht; Hebben hierbij overeenstemming bereikt betreffende de vrijwillige bijdrage van de Regering met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen en werkzaamheden van het Instituut en de toepassing van bepaalde regelingen in de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Universiteit van de Verenigde Naties inzake het Instituut (hierna te noemen „de zetelovereenkomst”), gesloten te 's-Gravenhage op 11 mei 1989. DONE at The Hague, in duplicate, in the English language, on this 11th day of May 1989. **For the Government of the Kingdom of the Netherlands** (sd.) P. BUKMAN **For the United Nations University** (sd.) HEITOR G. DE SOUZA"},{"i":13772,"b":"Klachtenregeling voor het Centraal bureau voor de statistiek 2023 Gelet op [hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) en [artikel 10 van de Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 19 april, nr. WJZ/19207028, met betrekking tot de taakuitoefening van het Centraal bureau voor de statistiek (Beleidsregel taakuitoefening CBS)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043439&artikel=10) en de Handreiking Klachtafhandeling bij aanbesteden van 17 februari 2022; Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities en verwijzingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **CBS:** het Centraal bureau voor de statistiek, zoals genoemd in de [Wet op het Centraal bureau](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926) - b. **Directeur-Generaal:** de directeur-generaal van de statistiek; - c. **Klager:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die zich met een klacht tot het bestuursorgaan wendt over de wijze waarop het bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens deze persoon heeft gedragen of marktpartijen en andere betrokkenen die een klacht hebben ingediend over gedragingen van het CBS met betrekking tot de toepassing van de [Beleidsregel taakuitoefening CBS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043439) of de [Regeling werkzaamheden derden CBS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043438) of de ondernemer die een klacht heeft over een aanbestedingsprocedure, een brancheorganisatie of een branche gerelateerd aanbestedingsadviescentrum namens haar leden; - d. **Beklaagde:** degene op wiens gedragingen de klacht betrekking heeft; - e. **Klachtencommissie BR en MR:** de klachtencommissie voor toepassing van de [Beleidsregel taakuitoefening CBS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043439) en [Regeling werkzaamheden derden CBS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043438), een onafhank"},{"i":11229,"b":"Mondiale Overeenkomst inzake de erkenning van kwalificaties in het hoger onderwijs PREAMBULE De Algemene Conferentie van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, bijeengekomen te Parijs van 12 tot en met 27 november 2019 tijdens haar veertigste zitting; Geïnspireerd door een gemeenschappelijke wil om de educatieve, geografische, humanitaire, culturele, wetenschappelijke en sociaal-economische banden tussen staten die partij zijn te versterken en de dialoog tussen regio’s en het delen van hun instrumenten en praktijken inzake erkenning te verbeteren; In herinnering brengend het [Statuut van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003155) (UNESCO), waarin wordt bepaald dat „de Organisatie ten doel heeft bij te dragen aan de vrede en veiligheid door de samenwerking van de volken door middel van onderwijs, wetenschap en cultuur te bevorderen”; Indachtig de bepalingen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) uit 1945, de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) uit 1948, het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002) uit 1951 en het [Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006107) daarbij uit 1967, het [Verdrag betreffende de status van staatlozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001003) uit 1954, het UNESCO-[verdrag nopens de bestrijding van discriminatie in het onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005155) uit 1960 en met name [artikel 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005155&artikel=4) ervan, het [Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001016) uit 1966 en het Verdrag inzake technisch en beroepsonderwijs uit 1989; Indachtig de Aanbeveling van UNESCO inzake de erkenning van s"},{"i":12966,"b":"Besluit van 17 augustus 1935, tot vaststelling van een wachtgeldregeling voor het militaire personeel der zeemacht Op de voordracht van Onze Ministers van Defensie en van Binnenlandsche Zaken van 4 April 1935, VIIIe Afdeeling, n°. 129, en van 12 April 1935, n°. 489II, Afdeeling Pensioenen en Wachtgelden; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); Overwegende, dat het wenschelijk is Ons Besluit van den 30 Maart 1927 (**Staatsblad** n°. 64) tot vaststelling van een wachtgeldregeling voor het militair personeel der zeemacht, zooals dat Besluit is gewijzigd en aangevuld bij Ons Besluit van 4 Februari 1931 (**Staatsblad** n°. 46), in te trekken en opnieuw vast te stellen; Den Raad van State gehoord (advies van 14 Mei 1935, n°. 30); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie en van Binnenlandsche Zaken van 30 Juli 1935, VIIIe Afdeeling, n°.1, en van 7 Augustus 1935, n°. 489III, Afdeeling Pensioenen en Wachtgelden; Hebben goedgevonden en verstaan: A. in te trekken Ons Besluit van 30 Maart 1927 (**Staatsblad** n°. 64), tot vaststelling van een wachtgeldregeling voor het militaire personeel der zeemacht, zooals dat Besluit is gewijzigd en aangevuld bij Besluit van 4 Februari 1931 (**Staatsblad** n°. 46); B. te bepalen: Artikel 1 1. Dit Besluit verstaat onder \"militairen\" vrijwillig dienende militairen der zeemacht, niet behoorende tot de Koninklijke Marine-Reserve. 2. Aan den militair wien ontslag wordt verleend ter zake van de opheffing van zijne betrekking of wegens verandering in de organisatie van den tak van dienst, waartoe hij behoort, wordt met inachtneming van het bepaalde in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001968&artikel=6&z=1957-01-01&g=1957-01-01), - tenzij hij op het tijdstip van dienstverlating 40 voor pensioen geldige dienstjaren heeft in den zin van de Pensioenwet voor de Zeemacht (**Staatsblad** 1922, n°. 65), dan wel ter zake van ziekten"},{"i":13928,"b":"Besluit van 30 mei 2005, houdende de overdracht van de coördinatie van de reductie van administratieve lasten voor het bedrijfsleven Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 20 mei 2005, nr. 05M474370; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De zorg voor de coördinatie van de reductie van administratieve lasten voor het bedrijfsleven gaat over van Onze Minister van Economische Zaken naar Onze Minister van Financiën. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 7 februari 2004. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Economische Zaken en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":11232,"b":"Onderwijsbevoegdheid culturele en kunstzinnige vorming 1 (CKV1) Toelichting bij de [regeling van de onderwijsbevoegdheid voor CKV1](onbekend)"},{"i":11234,"b":"Besluit van 18 september 1985, houdende voorschriften van onderwijskundige aard voor het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst, van 18 juli 1985, nr. 6400/2271B, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=9), [16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=16), [19a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=19a), [33 , tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=33), en [111, derde, vierde en zesde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs ( Stb. 1984, 654)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=111); Gehoord de Onderwijsraad (advies van 6 februari 1985, nr. O.R. III/100189LO); De Raad van State gehoord (advies van 23 augustus 1985, nr. W05.85.0412/12.5.34); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst, van 16 september 1985, nr. 6713/2271B, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Titel I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **afdeling:** afdeling als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=8), tenzij het tegendeel blijkt; - **bevoegd gezag** voor wat betreft: - a. een openbare school: - 1°. het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit besluit, met inachtneming van door hem te stellen regelen; - 2°. het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan; - 3°. de openbare rechtspersoon, bedoeld in [artikel 50 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=50); dan wel - 4°. de stichting, bedoeld i"},{"i":11237,"b":"Opleiding Nederlands als tweede taal in het primair onderwijs Inleiding Taal is een van de belangrijkste factoren bij het behalen van schoolsucces. Kinderen met een andere moedertaal dan het Nederlands moeten zich tijdens hun schoolloopbaan het Nederlands eigen maken en tegelijkertijd de reguliere schoolvakken leren. Het vergroten van hun onderwijskansen hangt daarom vooral samen met de vraag in hoeverre het onderwijs erin slaagt deze leerlingen het Nederlands als tweede taal aan te leren. Om het rendement van het onderwijs aan leerlingen met een andere moedertaal dan het Nederlands te verbeteren moet de school beschikken over deskundig opgeleide leraren die het Nederlands als tweede taal(NT2) kunnen verzorgen. Met het oog daarop is met ingang van het studiejaar 1995-1996 op initiatief van enige hogescholen een éénjarige post-hbo-opleiding tot leraar NT2 gestart. Gedurende de eerste drie cursusjaren heeft het departement voor deze opleiding subsidie verleend. Het is gebleken dat de belangstelling voor deze opleiding de laatste jaren sterk is teruggelopen. Deze terugloop vindt zijn oorzaak in de geringe bekendheid bij de basisscholen met deze opleiding; ook is het wegvallen van de financiële bijdrage door het departement van invloed geweest op de terugloop in de belangstelling. Voor de kwaliteit van het onderwijs aan tweetalige leerlingen is het van het grootste belang dat deze post-hbo-opleiding behouden blijft. In het kader van het onderwijskansenbeleid waarbinnen taalbeleid een hoge prioriteit heeft, mag ook worden verwacht dat de behoefte aan deze opleiding zal toenemen. Om de deelname aan de opleiding te stimuleren is besloten opnieuw een subsidie te verlenen en is door middel van de [publicatie van 21 september 2000](onbekend), kenmerk PO/PJ-00/35216, gepubliceerd in Uitleg Gele katern, nummer 23 van 4 oktober 2000, opnieuw de aandacht gevestigd op de opleiding Nederlands als tweede taal. Hierin werd onder meer meegedeeld dat deze opleiding met ingang van 1 dec"},{"i":14411,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 mei 2012, nr. KO/2012/7794 , tot uitvoering van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen) Gelet op de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=2), [3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=3), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=4), [5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=5), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=6), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=12), [13, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=13), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=14), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=15), [17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=17), [18, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=18), [19, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=19), [20, vierde lid van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621&artikel=20); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen in werking treedt. Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt onder ‘besluit’ verstaan: [Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031621). Paragraaf 2. Kwaliteitseisen kindercentra Artikel 2. Inventarisatie van risico’s met betrekking tot veiligheid en gezondheid Vervallen Artikel 3. Meldcode kindermishandeling Vervallen Artikel 4. Beroepskwalificatie personeel Vervallen Artikel 5. Aantal beroepskrachten en groepsgrootte in de dagopvang Vervallen Artikel 6. Aantal b"},{"i":12893,"b":"Besluit vaststelling selectielijst P-Direkt voor de periode vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor P-Direkt (het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier), voor de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst voor P-Direkt (het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier), voor de periode vanaf 1945 (gepubliceerd in de Staatscourant 2007, 225) wordt voor de ministers van [Algemene Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022864), [Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022860), [Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022865), [Economische Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022867), [Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022868), [Onderwijs, Cultuur en Wetenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022872), [Veiligheid en Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869), [Sociale Zaken en Werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022873), [Volksgezondheid, Welzijn en Sport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022859) en [Infrastructuur en Milieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022855) en hun taakvoorgangers ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12042,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 18 januari 2010, nr. 3087434, inzake beperkingen aan de openbaarheid van in de verklaring van overbrenging van de notulen en bescheiden van de ministerraad en onderraden (1 januari 1989 – 1 januari 1990) genoemde archiefbescheiden Gelet op [artikel 15, eerste lid en tweede lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **notulen en bescheiden:** notulen en bescheiden van de rijksministerraad, de ministerraad, de onderraden en de ministeriële commissies als bedoeld in de verklaring van overbrenging van de notulen en bescheiden van de ministerraad en onderraden (1 januari 1989 – 1 januari 1990); - b. **raadpleging:** inzage en gebruik ten behoeve van (wetenschappelijk) onderzoek; - c. **publicatie:** verspreiding van de geraadpleegde gegevens op enigerlei wijze, waaronder mondelinge, schriftelijke, elektronische en audiovisuele verspreiding, alsmede verlening van inzage aan derden; - d. **verklaring inzake raadpleging:** de inhoud van de verklaring inzake raadpleging die als bijlage bij dit besluit is gevoegd. Artikel 2 1. De notulen en bescheiden kunnen, zolang zij ouder zijn dan 20 jaar en jonger dan 25 jaar, alleen worden geraadpleegd na: - a. ondertekening door de onderzoeker van de verklaring inzake raadpleging en - b. voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. 2. Publicatie van de gegevens uit de geraadpleegde notulen en bescheiden als bedoeld in het vorige lid, kan alleen plaatsvinden na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris na overleg met de secretaris van de ministerraad. Artikel 3 Er worden geen kopieën of andere reproducties verstrekt van de notulen en bescheiden als bedoeld in de verklaring van overbrenging van de notulen en"},{"i":11977,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 12 januari 2023, kenmerk 2981935, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Coördinatiecommissie Wetenschappelijk Onderzoek Kinderbescherming (CWOK) (1953) 1955–1988 (1989) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 30 november 2022, met kenmerk 100605 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Coördinatiecommissie Wetenschappelijk Onderzoek Kinderbescherming (CWOK) (1953) 1955–1988 (1989) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 197 | 2048 | | 198 | 2048 | | 199 | 2048 | | 200 | 2058 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047816&artikel=1&z=2023-01-28&g=2023-01-28), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047816&artikel=1&z=2023-01-28&g=2023-01-28), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de"},{"i":12037,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 23 juni 2025 houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in de Duitse Democratische Republiek (DDR), Oost-Berlijn (1948) 1975–1990 (1999) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 8 mei 2025/22 juni 2025, kenmerk Proza-ID 52406576; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van archiefbestand, nummer 2.05.492 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 255 | 2076 | | 258 | 2066 | | 184 | 2051 | Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 185 | 2037 | | 186 | 2060 | | 188 | 2065 | | 198 | 2055 | | 259 | 2044 | | 260 | 2046 | | 274 | 2068 | | 275 | 2059 | | 276 | 2045 | | 290 | 2064 | | 291 | 2066 | | 343 | 2060 | | 358 | 2061 | en Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot [datum] van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventari"},{"i":12050,"b":"Besluit Beperking openbaarheid archiefbestand Bureau Secretaris-Generaal / Kabinet 1946–1999 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief per e-mail d.d. 16 april 2020 om 11:41. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het bestand Bureau Secretaris-Generaal / Kabinet 1946–1999. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 2086 | 2071 | | 2087 | 2070 | | 2088 | 2070 | | 2089 | 2071 | | 2090 | 2071 | | 2091 | 2070 | | 2092 | 2072 | | 2093 | 2072 | | 2094 | 2071 | | 2095 | 2069 | | 2096 | 2072 | | 2097 | 2071 | | 2098 | 2072 | | 2099 | 2072 | | 2100 | 2070 | | 2101 | 2069 | | 2102 | 2071 | | 2103 | 2072 | | 2104 | 2070 | | 2105 | 2072 | | 2106 | 2072 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044180&artikel=1&z=2020-10-07&g=2020-10-07), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044180&artikel=1&z=2020-10-07&g=2020-10-07), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt gepla"},{"i":11937,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 26 januari 2026, kenmerk DG BI-I / 103661683, houdende benoeming van Voorzitter Sleuteltechnologieën Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Te rekenen vanaf 1 januari 2026 wordt de heer Peter Stolk, te Malden, voor een periode van twee jaar benoemd tot Voorzitter van het themateam van de Kennis- en Innovatieagenda Sleuteltechnologieën (KIA ST), ofwel Voorzitter Sleuteltechnologieën. Artikel 2 1. De Voorzitter Sleuteltechnologieën heeft als taak het bijeenbrengen van de ‘quadruple helix’ met als focus de tien prioriteiten uit de Nationale Technologiestrategie. 2. De Voorzitter Sleuteltechnologieën voert, binnen de kaders van de KIA ST code of conduct, de volgende werkzaamheden uit: - a. Voorzitten en voorbereiden vergaderingen Themateam KIA ST - b. Afstemming met andere organisatielagen behorende bij de KIA ST, zoals het Kernteam en de innovatiecoalities, en eventueel belanghebbenden uit de tweede ring conform de governance van de KIA ST - c. Als onderdeel van het Themateam KIA ST: het nemen van strategische besluiten en adviseren over prioriteren en programmeren, alsook het verbinden en versterken van netwerken; - d. Op verzoek van de overheid adviseren over inzet in de strategische programma's voortkomend uit de industriebrief en inzet op sleuteltechnologieën binnen die programma's; - e. Zitting nemen in overlegorganen met landelijke en regionale overheden en sleuteltechnologie-overstijgende gremia, zoals de Semicon Board NL; - f. Ondersteunen en actief bijdragen aan internationaliseringsinitiatieven op verzoek van de overheid op het gebied van sleuteltechnologieën, zoals deelname aan (innovatie-)missies, beurzen en ontvangst van buitenlandse delegaties. Artikel 3 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkz"},{"i":11938,"b":"Besluit van 13 augustus 2010, houdende nadere regels inzake de bij benoeming en herbenoeming van de gezaghebber te volgen procedure (Besluit benoemingsprocedure gezaghebber BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 juli 2010, 2010-0000428573, CZW/WSG; Gelet op [artikel 73 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=73); De Raad van State gehoord (advies van 28 juli 2010, nr. W04.10.0295/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 augustus 2010, nr. 2010-0000525170, CZW/WSG; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt. Artikel 1 1. Wanneer het ambt van gezaghebber van een openbaar lichaam open valt, zendt de Rijksvertegenwoordiger binnen vier maanden nadat de gelegenheid tot sollicitatie voor deze functie is opengesteld, een met redenen omklede aanbeveling van ten minste twee personen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken. 2. De Rijksvertegenwoordiger verschaft zich de informatie over de sollicitant welke hij nodig acht. De door hem gevraagde en ontvangen inlichtingen alsmede andere ambtsberichten komen niet ter beschikking van de vertrouwenscommissie uit de eilandsraad van het desbetreffende openbaar lichaam. 3. De Rijksvertegenwoordiger verstrekt de vertrouwenscommissie een selectie van kandidaten die hij in beginsel voor benoeming geschikt acht. Hij stelt de vertrouwenscommissie de naar zijn oordeel wenselijke persoonlijke gegevens uit de sollicitatie van de geselecteerde ter beschikking, tenzij de geselecteerde hem heeft laten weten dat verstrekking van die gegevens op bezwaar stuit. 4. Bij het opstellen van de aanbeveling betrekt de Rijksvertegenwoordiger de opvattingen van de vertrouwenscommissie. Het op schrift gestelde oordeel van de vertrouwenscommissie en het vers"},{"i":11998,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 februari 2008, nr. DDI/ST/reg. 007/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Nederlands gezantschap, later de ambassade in Denemarken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Nederlands gezantschap, later de ambassade in Denemarken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 228 | 2024 | | 229 | 2037 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023508&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023508&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de"},{"i":13758,"b":"Keuringsreglement COKZ boter Het centraal bestuur van de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (bij afkorting COKZ), gelet op [artikel 10, eerste lid, onder e, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=10) (Stb. 1971, 371), alsmede artikel 36, tweede lid, van de statuten van genoemde stichting (Stcrt. 1992, 63) heeft in zijn vergadering van 24 juni 1998 vastgesteld het navolgende Reglement Hoofdstuk 1. Terminologie Artikel 1 Dit reglement wordt, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, de terminologie van de [Landbouwkwaliteitsregeling boter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009799) overgenomen en wordt voorts verstaan onder regeling: [Landbouwkwaliteitsregeling boter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009799) (Stcrt. 1998, nr. 140); boter: boter die is voorzien van of is bestemd om te worden voorzien van een rijksbotermerk; rijksbotermerk: het rijksmerk, als bedoel in [artikel 4 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009799&artikel=4); handelsdocument: document dat door het COKZ wordt verstrekt, als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009717&bijlage=1&z=2006-01-01&g=2006-01-01) bij dit keuringsreglement; grootverpakking: de verkoopeenheid die niet bestemd is als zodanig aan de eindverbruiker of aan instellingen te worden afgeleverd, anders dan een verzendverpakking; verzendverpakking:de verkoopeenheid die bestemd is voor het samenvoegen van verpakte eenheden boter; directeur: directeur van het COKZ; bestuur: centraal bestuur van het COKZ. Hoofdstuk 2. Voorschriften inzake rijksbotermerken Artikel 2 1. Rijksbotermerken worden aangebracht: - a. rechtstreeks gedrukt op de buitenzijde van het verpakkingsmateriaal voor boter op zodanige wijze dat, bij gebruik van dit materiaal overeenkomstig zijn bestemming, het rijksbotermerk in zijn geheel zichtbaar is op één zijde van de verpakking of; - b. op zelfklevende voorgedrukte etiketten wel"},{"i":11983,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse zaken van 23 april 2005, nr. DDI/ST/reg 009/2004, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het gezantschap in Argentinië (Buenos Aires), (1941) 1946–1954 (1958) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het gezantschap in Argentinië (Buenos Aires), (1941) 1946–1954 (1958), de inventarisnummers 388 en 405 pas geheel openbaar met ingang van 1 januari 2025 respectievelijk 2030. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder inventarisnummers 388 en 405, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder inventarisnummers 388 en 405, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationale archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit wordt bekendgemaakt door kennisgeving daarvan in de Staatscourant. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief het gezantschap in Argentinië (Buenos Aires), (1941) 1946–1954 (1958)’."},{"i":14033,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juni 2009, nr. OHW-U-2936758, houdende aanpassing van de factoren, grondslagen en bedragen wetten voor oorlogsgetroffenen per 1 juli 2009 Gelet op de [artikelen 31a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31a), [28a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28a), [35, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=35), [18, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=18) en [25, tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=25); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De pensioenbedragen, bedoeld in [artikel 31b van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31b) en in [artikel 28b van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28b), zoals zij golden op 1 januari 2009, worden per 1 juli 2009 verhoogd met 1,26%. Artikel 2 De factoren waarmee het peil der buitengewone pensioenen ingevolge de [Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) en de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035) wordt aangepast, worden per 1 juli 2009 vastgesteld als volgt: | A | A | B | | --- | --- | --- | | pensioengrondslagen 1947 per jaar in euro | pensioengrondslagen 1947 per jaar in euro | welvaartstoeslag vanaf 1 juli 2009 | | van | tot en met | | | 1.225,21 | 1.356,79 | 23.108,00 minus pensioengrondslag | | van | tot en met | pensioengrondslag maal fac"},{"i":11241,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de erkenning van equivalenties op het gebied van het hoger onderwijs De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland zijn in de geest van de vriendschappelijke betrekkingen tussen beide Staten, op basis van de Culturele Overeenkomst van 27 april 1961, in het bijzonder van de artikelen 1, 3, 8 en 15, geleid door de wens de toelating tot of de voortzetting van de studie voor studenten uit beide Staten in elk der Overeenkomstsluitende Staten te vereenvoudigen, het volgende overeengekomen inzake de erkenning van studietijden en studieresultaten ten behoeve van de voortzetting van de studie aan instellingen van hoger onderwijs alsmede inzake het voeren van academische graden: Artikel 1 In deze Overeenkomst betekent: - a. de uitdrukking „instellingen van hoger onderwijs”: alle universiteiten, hogescholen en andere instellingen van hoger onderwijs, die in het Koninkrijk der Nederlanden en in de „Landen” van de Bondsrepubliek Duitsland wettelijk worden beschouwd het karakter van hoger onderwijs te hebben en die gerechtigd zijn de doctorsgraad te verlenen, of waar studies met een academische graad of met een „staatsexamen” kunnen worden afgesloten; - b. de uitdrukking „academische graad”: elk diploma of elke graad, die door een instelling van hoger onderwijs als bewijs van de voltooiing van een studie wordt verleend; - c. de uitdrukking „staatsexamen”: de onder overheidstoezicht af te leggen tussentijdse en afsluitende examens met betrekking tot een studie aan een instelling van hoger onderwijs. Artikel 2 1. Aan overeenkomstige studies, met inbegrip van de examens en tussentijdse examens, in de Bondsrepubliek Duitsland wordt op verzoek in het Koninkrijk der Nederlanden eenzelfde waarde toegekend als daaraan in de Bondsrepubliek Duitsland werd toegekend. 2. Aan overeenkomstige studies, met inbegrip van de examen"},{"i":11582,"b":"Wet van 29 mei 1997 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en vervallen van het economisch claimrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de bevoegde gezagsorganen van de regionale opleidingencentra, de regionale opleidingencentra in een samenwerkingsverband en de agrarische opleidingscentra, de besturen van de landelijke organen voor het beroepsonderwijs, alsmede de besturen van de innovatieve praktijkcentra grotere beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de huisvestingsvoorzieningen te verschaffen; dat ten gevolge van de overdracht van de beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de huisvesting geen opbrengst voor het Rijk wordt verkregen; dat in verband met de ongelijke huisvestingssituatie waarin de instellingen verkeren een verevening dient plaats te vinden, waardoor deze in een normatief gelijkwaardige uitgangspositie komen; dat in verband daarmee wijziging van de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) wenselijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt Wet educatie en beroepsonderwijs. ARTIKEL II 1. Het bevoegd gezag van de instelling als bedoeld in [artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.3.1), betaalt of ontvangt ter zake van de gebouwen en terreinen waarvoor bij de aankoop, de stichting of de ingebruikneming een bijdrage uit 's Rijks kas is verleend, een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen of, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij vast te stellen bedrag aan het Rijk onderscheidenlij"},{"i":11583,"b":"Wet van 14 februari 2018 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs BES vanwege met name de wettelijke verankering van het samenwerkingscollege en de instandhouding van unieke beroepsopleidingen (samenwerkingscollege en unieke beroepsopleidingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de samenwerking tussen instellingen in de vorm van een samenwerkingscollege regels te stellen, alsmede ter bescherming van unieke kleinschalige beroepsopleidingen en ter verduidelijking van de mogelijkheid de ontneming van rechten inzake een beroepsopleiding te beperken tot een leerweg in plaats van de gehele opleiding; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III. Samenloop Wijzigt deze wet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IIIa Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt binnen vier en een half jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11584,"b":"Wet van 11 maart 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het onderwijstoezicht met het oog op verbetering van de kwaliteit van examens van beroepsopleidingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) nadere kwaliteitsregels vast te leggen voor examens van beroepsopleidingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel III. Overgangsbepalingen Een exameninstelling die op grond van [artikel 1.6.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.6.1), zoals luidend voor de inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016482&artikel=I&z=2004-08-01&g=2004-08-01), het recht had op het verzorgen van externe legitimering met betrekking tot een beroepsopleiding, heeft het recht op examinering van die beroepsopleiding in opdracht van een instelling. Artikel IV. Evaluatiebepaling Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11246,"b":"Overgangsregeling in verband met het toevoegen van de formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en innovatie (schoolprofielbudget) aan het schoolbudget Inleiding Elders in deze uitgave van het Gele Katern treft u de publicatie aan over het schoolbudget per 1 augustus 2002. In die publicatie wordt aangegeven dat met ingang van 1 augustus 2002 de formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en innovatie (schoolprofielbudget) wordt omgerekend in geld en een onderdeel gaat uitmaken van het schoolbudget. Daarbij is tevens een overgangsregeling in het vooruitzicht gesteld voor bevoegde gezagsorganen die vanwege de specifieke samenstelling van hun personeelsbestand negatieve rechtspositionele gevolgen ondervinden van die omzetting. In deze publicatie treft u nadere voorwaarden aan waaraan moet zijn voldaan om voor die overgangsregeling in aanmerking te komen. Ook treft u in deze publicatie informatie aan over de wijze waarop u een beroep kunt doen op deze overgangsregeling. Negatieve rechtspositionele gevolgen Bevoegde gezagsorganen kunnen in aanmerking komen voor toekenning van extra formatie, als zich door de toevoeging van het schoolprofielbudget aan het schoolbudget per 1 augustus 2002 op bestuursniveau negatieve rechtspositionele gevolgen voordoen. Van negatieve rechtspositionele gevolgen is sprake bij dreigend ontslag, dan wel van een negatief effect op het totale pakket aan arbeidsvoorwaarden dat in schooljaar 2001-2002 wel, en na toevoeging van het schoolprofielbudget aan het schoolbudget per 1 augustus 2002 niet meer betaald kan worden. Uitsluitend wanneer die negatieve rechtspositionele gevolgen worden veroorzaakt door de omzetting van het schoolprofielbudget (formatierekeneenheden) in geld ontstaat recht op extra middelen. Uitdrukkelijk maak ik u er op deze plaats op attent dat bij de beoordeling van de vraag of zich negatieve rechtspositionele gevolgen voordoen de effecten op de totale formatie op bestuursniveau worden betrokken (zie hieron"},{"i":14284,"b":"Regeling gehandicaptenparkeerkaart Gelet op artikel 13, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, de artikelen 49 en 55 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en de artikelen 85 en 86 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; Besluit: Paragraaf 1. Criteria voor de afgifte van gehandicaptenparkeerkaarten Artikel 1 1. Voor een gehandicaptenparkeerkaart kunnen in aanmerking komen: - a. bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen; - b. passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder; - c. bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek permanent rolstoelgebonden zijn; - d. bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben; - e. het bestuur van instellingen ten behoeve van het personeel belast met het vervoer van bewoners die voldoen aan de criteria onder b, c of d. 2. Op de gehandicaptenparkeerkaart wordt met een hoofdletter B aangegeven of het een gehandicapte bestuurder betreft en een hoofdletter P of het een gehandicapte passagier betreft. Een combinatie van be"},{"i":11357,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 maart 2019, nr. MBO-105280, houdende nadere specificaties over de vorm en inhoud van de informatie die nodig is voor deelnemers voor het vergelijken van opleidingen en het kiezen van een passende opleiding (Regeling studiebijsluiter mbo) Gelet op [artikel 6.1.3a, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.3a); Besluit: Artikel 1. Informatie instellingen 1. Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1) levert voor iedere beroepsopleiding de informatie, bedoeld in [artikel 6.1.3a, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.3a), ten aanzien van de volgende indicatoren: - a. de kans op werk; - b. de arbeidsmarktpositie van gediplomeerden uitgedrukt in het percentage werkenden; - c. de kans op stage of leerbaan, en - d. het startsalaris. 2. Het bevoegd gezag levert voor iedere beroepsopleiding de informatie, bedoeld in [artikel 6.1.3a, eerste lid, onder g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.3a), ten aanzien van de volgende indicatoren: - a. de studenttevredenheid; - b. het jaarresultaat, betreffende het percentage geslaagde studenten; - c. de doorstroom naar het hbo; en - d. de doorstroom binnen het mbo. 3. De vorm en inhoud van de informatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, is opgenomen in de bijlage behorende bij deze regeling. 4. Het bevoegd gezag gebruikt bij de informatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, in ieder geval het advies dat de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in [artikel 1.5.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.5.1) voor elk van de indicatoren voor de betreffende instelling opstelt op grond van de bijlage van deze regeling. 5. De instel"},{"i":12484,"b":"Besluit noodmaatregelen coronacrisis **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisatie van het besluit van 26 januari 2022, nr. 2022-20850 (** **Stcrt. 2022, 3142** **).** **Het onderdeel ‘Betalingsregeling voor opgebouwde belastingschuld (onderdeel 3.5)’ is gewijzigd. Het is aangevuld met de mogelijkheid voor een langere betalingsregeling. Daarnaast is er de mogelijkheid om op verzoek in kwartaaltermijnen te betalen en een betaalpauze aan te vragen. De mogelijkheid om later aan te vangen met aflossen is vervallen.** **Het besluit van 26 januari 2022, nr. 2022-20850 (** **Stcrt. 2022, 3142** **) is ingetrokken.** 1. Inleiding De bijzondere omstandigheden als gevolg van de coronacrisis zijn voor het kabinet aanleiding voor het treffen van economische en fiscale maatregelen. In dit beleidsbesluit geef ik uitvoering aan fiscale maatregelen in de vorm van concrete goedkeuringen. Dit besluit ziet op de volgende onderwerpen: De goedkeuringen zijn gebaseerd op een redelijke wetstoepassing gegeven de bijzondere omstandigheden veroorzaakt door de coronacrisis en waar nodig op de [artikelen 62 tot en met 64 Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=62). De beleidsmaatregelen hebben een tijdelijk karakter en zullen daarom worden ingetrokken zodra de omstandigheden dit mogelijk maken. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. EB en ODE 3. Invordering 3.1. Uitstel van betaling van belastingschulden Het toepassen van de goedkeuringen in onderdelen 2.1 en 2.2 kan tot een onbedoeld effect leiden bij verzoeken om teruggaaf van EB en ODE. Om dit onbedoelde effect op te heffen is in onderdeel 2.5 een goedkeuring opgenomen. Deze goedkeuring is met ingang van 1 oktober 2021 vervallen. Op grond van [artikel 56, eerste lid, onderdeel a, Wbm](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=56) zijn voor leveringen van aardgas en elektriciteit in gevallen waarin een voorschotnota"},{"i":14174,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 oktober 2018, nr. 2018-0000814097, houdende vaststelling van het Controleprotocol Wet normering topinkomens 2018 (Regeling Controleprotocol WNT 2018) Gelet op [artikel 1.9, onderdeel d, van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.9); Besluit: Artikel 1 Het protocol voor controle van het financieel verslaggevingsdocument door de accountant over het jaar 2018 op de naleving van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop rustende bepalingen wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Controleprotocol WNT 2018. Bijlage. bij de Regeling Controleprotocol WNT 2018 Controleprotocol WNT 2018 1. Uitgangspunten 1.1. Doelstelling en inkadering protocol De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) (WNT) en de daarop gebaseerde regelgeving normeert de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector. De wet verplicht tevens tot openbaarmaking van de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van alle topfunctionarissen en daarnaast van de bezoldiging van niet-topfunctionarissen, indien de bezoldiging het algemeen bezoldigingsmaximum te boven gaat. De WNT schrijft voor welke gegevens WNT-instellingen moeten opnemen in het financieel verslaggevingsdocument. Het is de verantwoordelijkheid van de opsteller van het financieel verslaggevingsdocument om de juiste en volledige gegevens op te nemen. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de accountant om te toetsen dat die gegevens voldoen aan de WNT ([artikel 1.7 WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.7)) met uitzondering van de gegevens di"},{"i":11256,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 2 maart 2026, nr. CvTE-26.00033, houdende aanwijzing van vakken waarin in het tweede tijdvak het centraal examen vo 2026 wordt afgenomen door het College voor toetsen en examens (Regeling aangewezen vakken tweede tijdvak centrale examens vo 2026) Gelet op [artikel 2, zesde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2) en [artikel 3.28 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=3.28); Besluit: Artikel 1 Het College voor toetsen en examens neemt in het tweede tijdvak het centraal examen af in de vakken vermeld in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2027. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aangewezen vakken tweede tijdvak centrale examens vo 2026. Bijlage. aangewezen vakken tweede tijdvak die onder geheimhouding worden afgenomen (bijlage als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052422&artikel=1&z=2026-03-14&g=2026-03-14)) - –. Arabisch - –. Frans - –. Spaans - –. Turks - –. Arabisch - –. Frans - –. Spaans - –. Turks - –. Arabisch - –. dans - –. drama - –. Fries - –. muziek - –. Spaans - –. Turks - –. Arabisch - –. Fries - –. muziek - –. Russisch - –. Spaans - –. Turks - –. Arabisch - –. Fries - –. muziek - –. Russisch - –. tekenen/handvaardigheid/textiele vormgeving - –. Turks Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11257,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 april 2014, nr. 540459 inzake de toelating tot het hoger onderwijs Gelet op de artikelen [artikel 7.25, eerste, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.25), [7,26 eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.26), [7.26a eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.26a), [7.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.28), [7.31a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.31a), [7.31b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.31b), [7. 57a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.57a), [7.57b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.57b), [7.57c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.57c), 7.57c, vierde lid, [7.57e, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.57e)[7.57f, tweede lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.57f); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - **aanvullende eisen:** eisen als bedoeld in [artikel 7.26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.26), en [7.26a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.26a); - **accreditatieorgaan:** Nederlands-Vlaamse accreditatieorganisatie, bedoeld in [artikel 5.a.2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=5a.2); - **bewijs van toelating:** op naam gesteld document, afgegeven door de instelling, dat aantoont dat een kandidaat de selectie heeft doorlopen en geplaatst is binnen de door het instellingsbestuur vastgestelde onderwijscapaciteit. - **bijzondere nadere vooropleidingseisen opleiding tot leraar basisonderwijs:** eisen als bedoeld in [art"},{"i":11258,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, van 16 oktober 2022, nr. POR/202206/000049, houdende aanpassing van de stichtings- en opheffingsnormen voor het basisonderwijs in 2023 (Regeling aanpassing van de stichtings- en opheffingsnormen voor het basisonderwijs in 2023) Gelet op de [artikelen 76, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=76), [139, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=139), en [141, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=141); Besluit: Artikel 1. Vaststelling nieuwe stichtings- en opheffingsnormen Voor de basisscholen worden voor elke gemeente de stichtings- en opheffingsnormen vastgesteld, zoals aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047394&bijlage=1&z=2023-08-01&g=2023-08-01) bij deze regeling. Artikel 2. Vaststelling afzonderlijke opheffingsnormen Voor de basisscholen in delen van gemeenten, zoals omschreven in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047394&bijlage=2&z=2023-08-01&g=2023-08-01) bij deze regeling, worden de opheffingsnormen vastgesteld zoals in die bijlage aangegeven. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2023 en vervalt met ingang van 1 augustus 2028. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanpassing van de stichtings- en opheffingsnormen voor het basisonderwijs 2023. Bijlage 1. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047394&artikel=1&z=2023-08-01&g=2023-08-01) van de Regeling aanpassing van de stichtings- en opheffingsnormen voor het basisonderwijs in 2023 | Naam gemeente | gemeentecode | instandhoudingsnorm | stichtingsnorm | | --- | --- | --- | --- | | Aa en Hunze | 1680 | 24 | 200 | | Aalsmeer | 358 | 162 | 270 | | Aalten | 197 | 65 | 200 | | Achtkarspelen | 59 | 69 | 200 | | Alblasserdam | 482 | 175 | 292 | | Albrandswaard | 613 | 151 | 252 | |"},{"i":12700,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 september 2016, nr. 884572, houdende vaststelling van beleidsregels inzake subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (Besluit vaststelling beleidskader SLOA) Gelet op [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1), [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=2), [artikel 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=3), en [artikel 7 van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=7) en [artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.5.1); Besluit: Artikel 1. Vaststellen beleidskader De beleidsregels inzake subsidieverlening voor de instellingen, bedoeld in de [Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162) worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Subsidieplafond Jaarlijks wordt in een startbrief het bedrag vastgesteld dat ten hoogste beschikbaar is voor de verlening van subsidies ten behoeve van de taken, genoemd in [artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=2), [artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=3), [artikel 3a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=3a), en [artikel 3b, eerste lid, van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=3b). Artikel 3. Wijziging [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Wijzigt"},{"i":11259,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 mei 2011, nr. WJZ/303087 (2769), houdende regels voor het vaststellen van aanvullend getuigschrift zintuiglijke en lichamelijke oefening primair onderwijs voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling aanvullend getuigschrift zintuiglijke en lichamelijke oefening primair onderwijs BES) Gelet op [artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=3); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 3 van de Wet primair onderwijs BES in werking treedt. Artikel 1. Aanwijzing getuigschrift Het getuigschrift, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=3) is het getuigschrift van de Leergang bewegingsonderwijs PO. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt inwerking met ingang van het tijdstip waarop [artikel 3 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=3) in werking treedt. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvullend getuigschrift zintuiglijke en lichamelijke oefening primair onderwijs BES. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11260,"b":"Regeling aanvullende bekostiging Kennisnet voortgezet onderwijs 2002 - 2003 Gelet op: [artikel 85a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=85a), en [artikel 89, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=89) en [artikel 4, eerste lid, van de Wet overige OCenW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4); Besluit Artikel 1. Begripsbepaling Vervallen Artikel 2. Aanvullende bekostiging Kennisnet 1 augustus 2002 tot en met 31 juli 2003 Vervallen Artikel 3. Toekenning en betaling van de aanvullende bekosti ging Vervallen Artikel 4. Geen aanvraagprocedure Vervallen Artikel 5. Verantwoording Vervallen Artikel 6. Bekendmaking Vervallen Artikel 7. Inwerkingtreding en duur Vervallen Artikel 8. Citeertitel Vervallen"},{"i":12989,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 augustus 2025, nr. 2025-0000177483, tot het verlenen van mandaat en machtiging met betrekking tot het basisexamen inburgering aan de directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Besluit verlenen mandaat en machtiging basisexamen inburgering aan directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst) Handelend met instemming van de Minister van Asiel en Migratie en de directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; Gelet op [titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=10.1); Besluit: Artikel 1. Verlening mandaat en machtiging 1. De Minister van Werk en Participatie verleent mandaat en machtiging aan de directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid om de bevoegdheid uit te oefenen, zoals neergelegd in [artikel 3.71a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71a), zowel bij besluiten in eerste aanleg als in bezwaar, beroep en hoger beroep. 2. De Minister van Werk en Participatie verleent mandaat en machtiging aan de directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid om de werkzaamheden te verrichten die verband houden met de uitoefening van de bevoegdheid, genoemd in het eerste lid. 3. De directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid kan het mandaat en de machtiging, genoemd in het eerste en tweede lid, doorverlenen aan onder hem ressorterende functionarissen, een en ander voor zover dat in overeenstemming is met de taak en functie van de desbetreffende functionarissen. Artikel 2. Slotbepaling 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de"},{"i":12398,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 oktober 2021, nr. 2021-0000494844, houdende instelling van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Nationaal Programma:** meerjarig programma van doelen en maatregelen om discriminatie en racisme effectief te bestrijden alsmede een jaarlijks actieprogramma. - **Minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. Er is een Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme. 2. De Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme is onder verantwoordelijkheid van de Minister belast met het bevorderen van de totstandkoming en van de uitvoering van het Nationaal Programma. Artikel 3 De Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme heeft de volgende taken: - a. het bevorderen en voeren van overleg met en het onderhouden van relaties met maatschappelijke initiatieven, bewegingen en belangengroepen op het terrein van discriminatie, alsmede met betrokken bestuursorganen en bedrijven; - b. het doen van een voorstel aan de Minister voor het meerjarig programma alsmede de jaarlijkse actieprogramma’s; - c. het bevorderen dat alle betrokken partijen, zowel binnen de overheid als in de samenleving, vanuit hun eigen verantwoordelijkheid, hun rol vervullen om de aanpak van discriminatie te versterken en de doelen van het Nationaal Programma te halen; - d. het bewaken van de voortgang van de uitvoering van het Nationaal Programma en daarover rechtstreeks adviseren aan de Minister; - e. het op verzoek bijstaan van de Minister bij de behandeling van het Nationaal Programma in het parlement, waarbij de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme desgewenst het woord kan voeren over feiten en omstandigheden betreffende het Nationaal Programma"},{"i":12991,"b":"Besluit van de Algemeen directeur van het CIBG van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 januari 2026, kenmerk CIBG 25-07742, betreffende het verlenen van ondervolmacht aan directeuren en afdelingshoofden van het CIBG (Besluit verlenen ondervolmacht personele aangelegenheden CIBG) Gelet op [artikel 10, derde lid van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10), BESLUIT: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Algemeen directeur:** de Algemeen directeur van het CIBG; - b. **Directeur:** de Directeur Operationele Zaken, de Directeur Informatiemanagement of de Directeur Bedrijfsvoering; - c. **Afdelingshoofd:** hoofd van een afdeling, direct ressorterend onder een directeur. Artikel 2. Ondervolmachtverlening De plaatsvervangend Algemeen directeur, een Directeur en een afdelingshoofd hebben ondervolmacht ten aanzien van te sluiten en gesloten arbeidsovereenkomsten betreffende de onder hen ressorterende medewerkers, behoudens de beperkingen genoemd in dit besluit en de [Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768). Artikel 3. Beperkingen ondervolmacht Aan de Algemeen directeur is volmacht voorbehouden tot: - a. het aangaan van een arbeidsovereenkomst en wijziging salarisschaal van een medewerker met een functie in salarisschaal 14 en hoger van de CAO Rijk; - b. functiewaardering van functies tot en met salarisschaal 14 van de CAO Rijk; - c. het betalen van een toelage of eenmalige uitkering op grond van paragraaf 7.5 van de CAO Rijk en het toekennen van een extra salarisverhoging naar een bedrag in de hogere salarisschaal op grond van paragraaf 6.2 van de CAO Rijk aan een medewerker met een functie in salarisschaal 14 en hoger van de CAO Rijk; - d. het stopzetten van loon op grond van [artikel 7:629, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=629);"},{"i":11262,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 november 2017, nr. MBO/1163583, houdende regels over aanvullende eisen voor toelating tot opleidingen in het middelbaar beroepsonderwijs (Regeling aanvullende eisen toelating middelbaar beroepsonderwijs) Gelet op [artikel 8.2.2a, eerste en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.2.2a); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvullende eisen:** eisen als bedoeld in [artikel 8.2.2a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.2.2a); - **voortgezet onderwijs:** onderwijs bedoeld in de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) of de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - **wet:** [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625). Artikel 2. Aanvullende eisen in verband met de toekomstige beroepsuitoefening of de organisatie en de inrichting van het onderwijs 1. De beroepsopleidingen waarvoor aanvullende eisen mogen worden gesteld zijn opgenomen in de bijlage. 2. De aanvullende eisen houden verband met: - a. de uitoefening van een beroep of de beroepen waarop de betreffende beroepsopleiding voorbereidt; of - b. de organisatie en de inrichting van het onderwijs. 3. De gronden op basis waarvan het bevoegd gezag aanvullende eisen, bedoeld in het eerste lid, kan stellen, worden in de bijlage bij de betreffende beroepsopleiding vermeld. Artikel 3. Toevoeging van een beroepsopleiding of grond aan de bijlage 1. De Minister kan al dan niet op aanvraag, een grond toevoegen bij een beroepsopleiding genoemd in de bijlage of een andere beroepsopleiding met een of meer gronden toevoegen aan de bijlage indien: - a. objectieve redenen in verband met de toekomstige beroepsuitoefening of de organisatie en de inrichting van het onderwijs het stellen van een aan"},{"i":13727,"b":"Invordering, Leidraad Invordering BES Artikel 8.38. Taken en bevoegdheden van de ontvanger 8.38.1. Inleiding Niet op alle artikelen van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244) zijn beleidsregels gemaakt. In deze leidraad zijn alleen de artikelen opgenomen waarop wel beleidsregels zijn gemaakt. 8.38.2. Definities Deze Leidraad verstaat onder: 8.38.3. Reikwijdte beleidsvoorschriften Voor zover de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244) hierop van toepassing is – en uit het zinsverband niet anders volgt – strekken de in deze Leidraad opgenomen beleidsvoorschriften zich ook uit tot premies en vorderingen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen tenzij uit aanwijzingen van derden voor wie de Belastingdienst invordert anders volgt. 8.38.4. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de Belastingdienst de voorkeur. 8.38.5. Aansprakelijkgestelden en andere derden De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Voor zover dat het geval is wordt onder belastingschuldigen ook begrepen aansprakelijkgestelden en andere derden. 8.38.6. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf of geheel van bij elkaar horende bedrijven met meer dan vijftig werknemers, vraagt hij daarvoor toestemming aan de landelijk directeur Particulieren, dienstverlening en bezwaar te Nederland. 8.38.7. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de ontvanger een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen. Ook verklaart de ont"},{"i":11263,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 december 2024, nr. MBO 49374503, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende middelen voor studentendaling in het beroepsonderwijs (Regeling aanvullende middelen studentendaling MBO 2025 – 2027) Gelet op [artikel 2.2.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **arbeidsmarktregio:** arbeidsmarktregio als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050571&bijlage=1&z=2024-12-20&g=2024-12-20) van deze regeling; - **beroepsonderwijs:** beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag van een bijzondere instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **centrumgemeente:** centrumgemeente genoemd in [artikel 1.8 van de Regeling SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013280&artikel=1.8); - **commissie:** commissie als bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit Commissie macrodoelmatigheid mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036973&artikel=2); - **instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling Deze regeling geldt in aanvulling op de [Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603). Artikel 3. Bijzondere omstandigheden en bekostigingsplafond 1. De minister kan aan een bevoegd gezag dat is gevestigd in een arbeidsmarktregio aanvullende middelen"},{"i":6335,"b":"Wet van 13 september 2000 tot samenvoeging van de gemeenten Sittard, Geleen en Born Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Sittard, Geleen en Born samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Sittard, Geleen en Born opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Sittard-Geleen ingesteld, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 De nieuwe gemeente Sittard-Geleen bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Sittard, Geleen en Born. Paragraaf 2. Grenswijzigingen van gemeenten die niet worden opgeheven. Artikel 4 De grens van de gemeente Susteren wordt gewijzigd als aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 3. Overige bepalingen Artikel 5 Voor de nieuwe gemeente Sittard-Geleen wordt de op te heffen gemeente Sittard aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 6 Voor de op te heffen gemeenten Sittard, Geleen en Born wordt de nieuwe gemeente Sittard-Geleen aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. de [artikelen 44, e"},{"i":11264,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 juli 2011, nr. 305227 (4904) houdende aanwijzing van diploma’s van de voormalige Nederlandse Antillen die de bezitter van die diploma’s toelaatbaar maken tot beroepsopleidingen (Regeling aanwijzing diploma’s BES) Gelet op [artikel 8.2.1, eerste lid, onder e, en derde lid, onder e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=8.2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Besluit:** het [Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045020) - **Landsverordening VO:** de Landsverordening voortgezet onderwijs of de [Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028424), zoals deze is komen te luiden op 10 oktober 2010 - **WEB:** de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) - **WEB BES:** de [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) - **WVO BES:** de [Wet op het voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284) Artikel 2. Aanwijzing diploma’s betreffende de [Landsverordening VO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028424) 1. Als diploma, als bedoeld in [artikel 8.2.1, eerste lid, onder e van de WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=8.2.1) worden aangewezen: - a. een diploma beroepsvoorbereidend onderwijs, niveau D, - b. een diploma voorbereidend secundair beroepsonderwijs voor zover het betreft de praktisch kadergerichte leerweg, en - c. een diploma voorbereidend secundair beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretisch kadergerichte leerweg. 2. Als diploma als bedoeld in [artikel 8.2.1, derde lid, onder e van de WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=8.2.1), worden aangewezen: - a. een diploma beroepsvoorbereidend onderwijs, niveau B en D, - b"},{"i":11265,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 augustus 2018, nr. MBO/1335781, houdende regels tot aanwijzing van een getuigschrift waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de vastgestelde bekwaamheidseisen voor onderwijsondersteunend personeel (Regeling aanwijzing getuigschrift voor onderwijsondersteunende werkzaamheden van instructeurs beroepsonderwijs) Gelet op [artikel 4.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=4.2.2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018692); - **WEB:** [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625); - **WHW:** [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682). Artikel 2. Aanwijzing getuigschrift Als getuigschrift, bedoeld in [artikel 4.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=4.2.2) wordt aangewezen: - a. een getuigschrift als bedoeld in [artikel 7.11, tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.11) van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een aan een instelling voor hoger onderwijs verbonden opleiding gericht op het verwerven van de bekwaamheidseisen, die in [artikel 3.3 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018692&artikel=3.3) zijn vastgesteld; - b. een getuigschrift als bedoeld in [artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b, van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=4.2.1); - c. een getuigschrift als [bedoeld in artikel 7a.4 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7a.4); - d. een getuigschrift als bedoeld in [artikel 7.11, tweede lid, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.11) van een met goed g"},{"i":11267,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 8 februari 2016, nummer CvTE-16.00020, houdende vaststelling van het addendum rekenen 2A bij de syllabus rekenen 2F en 3F voor de rekentoets vo en centrale examinering in het mbo (Regeling addendum 2A bij de syllabus Rekenen vo en mbo referentieniveaus 2F en 3F) Gelet op [artikel 2, lid 2a van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2) en artikel 2 tweede lid, onderdeel f; [artikel 3 van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3), en het [Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB artikel 6, eerste lid onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); Gezien de goedkeuring van de Minister en Staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 22 april 2016, kenmerk 919915. Besluit: Artikel 1. addendum 2A bij de syllabus rekenen 2F en 3F De syllabus, als bedoeld in [artikel 2a van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2) en [artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6), wordt vastgesteld voor het centraal examen rekenen 2A voor mbo en voor de rekentoets 2A in het vo als addendum 2A bij de syllabus Rekenen vo en mbo referentieniveaus 2F en 3F. Artikel 2. bekendmaking en inwerkingtreding 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. Het onder [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037967&artikel=1&z=2016-08-01&g=2016-08-01) genoemde addendum 2A bij de syllabus wordt gepubliceerd op Examenblad.nl en Examenbladmbo.nl. Deze regeling treedt in werking op 1 augustus 2016. Artikel 3. citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling addendum 2A bij de syllabus Rekenen vo en mbo referentieniveaus 2F en 3F."},{"i":12352,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden mediators 2014 (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 27 november 2013 krachtens artikel 33 b van de Wet op de Rechtsbijstand) Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die in aanmerking willen komen voor verwijzingen vanuit de gerechten of vanuit het Juridisch Loket zich inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en volgende van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: In het onderstaande zijn deze voorwaarden uitgewerkt. De voorwaarden zijn op te vatten als algemeen verbindende voorschriften. Inschrijvingsvoorwaarden Artikel 1. Registratie/ opleidingsvereisten / evaluatie 1. De deelnemende mediator dient NMI of MFN1Mediators Federatie Nederland registermediator te zijn. Deze NMI of MFN registermediator heeft ofwel - –. het assessment van het NMI (Intop) of de Stichting Kwaliteit Mediators met goed gevolg afgelegd ofwel - –. een door het NMI of de Stichting Kwaliteit Mediators afgenomen peer review met goed gevolg ondergaan én in de drie jaar voor de datum van inschrijving bij de Raad voor Rechtsbijstand negen mediations op basis van de NMI dan wel MFN Mediationovereenkomst verricht2Met betrekking tot de bedoelde negen mediations gelden de volgende eisen:–het moet gaan om mediations in overeenstemming met de MFN/NMI-reglementen, aangevangen met een schriftelijke mediation overeenkomst. Andere vormen van bemiddeling, zoals buurtbemiddelingen tellen niet mee;–van de negen mediations moeten er minimaal drie met een vaststellingsovereenkomst zijn afgesloten;–co-mediations in een gelijkwaardige positie tellen mee tot een maximum van drie van de negen; van de overige zes dienen tenminste twee mediat"},{"i":11268,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 27 juni 2016, nummer CvTE-16.01269, houdende vaststelling van het addendum rekenen 2ER en 3ER bij de syllabus rekenen 2F en 3F voor de rekentoets vo en centrale examinering in het mbo (Regeling addendum ER bij de syllabus Rekenen vo en mbo referentieniveaus 2F en 3F) Gelet op [artikel 2, tweede lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2), [artikel 2, lid 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2) en [artikel 3 van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3), en [artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); Gezien de goedkeuring van de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 14 oktober 2016, kenmerk 1058184. Besluit: Artikel 1. Addendum ER bij de syllabus rekenen 2F en 3F Het addendum rekenen 2ER en 3ER bij de syllabus rekenen 2F en 3F voor de rekentoets vo en centrale examinering in het mbo wordt vastgesteld zoals opgenomen in de bijlage. Artikel 2. Bekendmaking en inwerkingtreding 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038635&artikel=1&z=2016-10-25&g=2016-10-25) genoemde addendum rekenen 2ER en 3ER bij de syllabus rekenen 2F en 3F wordt gepubliceerd op www.examenblad.nl en www.examenbladmbo.nl. 3. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling addendum ER bij de syllabus Rekenen vo en mbo referentieniveaus 2F en 3F. Bijlage Gepubliceerd op www.examenblad.nl en www.examenbladmbo.nl."},{"i":11272,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 10 maart 2025, nummer CvTE-25.00532, houdende vaststelling van het beoordelingskader voor de toetsen behorende tot leerling- en onderwijsvolgsystemen in het primair onderwijs voor Caribisch Nederland (Regeling beoordelingskader voor de toetsen behorende tot leerling- en onderwijsvolgsystemen PO BES) Gelet op [artikel 3a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a); Gezien de goedkeuring van de Staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 28 maart 2025, nummer 51401875, Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel V, onderdeel G, van de Wet van 9 februari 2022 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (Stb. 2022, 135) in werking treedt. Artikel 1. Beoordelingskader Het beoordelingskader voor de toetsen behorende tot leerling- en onderwijsvolgsystemen als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a) wordt vastgesteld als opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050938&bijlage=1&z=2025-08-01&g=2025-08-01) van deze regeling. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel V, onderdeel G, van de Wet van 9 februari 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046751&artikel=V)tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (S"},{"i":12191,"b":"Besluit van de directeur Corporate Dienst Communicatie (CDC) van de directie CDC van 12 augustus 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden/teamleiders binnen de directie CDC wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":11273,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 5 oktober 2015, nummer CvTE-15.02050, houdende vaststelling van de beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores bij centrale examinering mbo (Regeling beoordelingsnormen en bijbehorende scores bij centrale examinering mbo (2015)) Gelet op [artikel 3 van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3); het [Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB artikel 6, eerste lid onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); Besluit: Artikel 1. begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - •. **’voorzitter’:** de voorzitter van het College voor Toetsen en Examens; - •. **’vaststellingscommissie’:** een vaststellingscommissie van het College voor Toetsen en Examens; - •. **’opgave’:** een vraag of opdracht in een examen inclusief bijbehorend materiaal (figuur, illustratie of anderszins) dat een onderdeel van de vraagstelling vormt; - •. **’antwoordsleutel’:** het correcte antwoord op een opgave. Artikel 2. beoordelingsnormen De vaststellingscommissie van het desbetreffende examen stelt bij het vaststellen naast de examenopgave tevens vast: de beoordelingsnorm, zijnde het correcte antwoord; bij een open vraag het correcte antwoord of reeks van correcte antwoorden; bij een meerkeuzevraag de antwoordsleutel. Artikel 3. scores Toekenning van scorepunten vindt plaats middels geautomatiseerde verwerking van het gemaakte digitale werk door de toekenning van score 1 bij een correct antwoord en de toekenning van score 0 bij een fout antwoord. Artikel 4. neutraliseren opgave De voorzitter van het College voor Toetsen en Examens, kan, de voorzitter van de betreffende vaststellingscommissie gehoord, beslissen dat een of meer opgaven worden geneutraliseerd. Artikel 5. bekendmaking De regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 6. inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met terugwerkende kra"},{"i":14015,"b":"Raamwerk Nascholingscursussen Code 95 en ADR (2018) Versie: 4.0 Versiedatum: 1 januari 2018 Hoofdstuk 1. Het Raamwerk Nascholingscursussen code 95 en ADR Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde cursussen mogen nascholing voor de code 95 verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificering af te geven. Ook registreert het CBR verklaringen van nascholing voor chauffeurs die aan de nascholingsplicht hebben voldaan. Tot slot houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de nascholingscursussen. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR een Raamwerk nascholingscursussen en ADR opgesteld. Dit Raamwerk is een document zoals wordt bedoeld in [artikel 156s van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het Raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de nascholing daadwerkelijk aan deze eisen houdt. Is dit niet het geval? Dan legt het CBR een sanctie op. De verschillende sancties en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep vindt u in dit Raamwerk terug. Het is toegestaan om bij de nascholing gebruik te maken van e-learning en simulatoren. De eisen die hierbij gelden zijn opgenomen in dit Raamwerk. Tot slot is in dit Raamwerk een overzicht met minimumeisen per nascholingscursus opgenomen. Het CBR wijzigt het Raamwerk maximaal twee keer per jaar: op 1 januari en op 1 juli. Wijzigingen worden afgestemd met de opleidingsbranche en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en actief naar alle erkende opleiders gecommuniceerd. Worden de minimumeisen in het Raamwerk aangepast en zijn de wijzigingen van invloed op de certificering van een nascholingscursus? Dan wordt dit expliciet vermeld en moeten opleidingsinst"},{"i":12764,"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2024 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2024 vastgesteld op 0,414585%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2024 vastgesteld op 0,251411%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":12445,"b":"Besluit van 19 november 1994, houdende nadere regels inzake de samenstelling, de inrichting en de werkwijze van het Kapittel voor de civiele orden, alsmede inwerkingtreding van enkele artikelen van de rijkswet van 15 april 1994, houdende wijziging van de wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau, en van de wet van 29 september 1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw, alsmede instelling van het Kapittel voor de civiele orden (Stb. 1994, 350) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juni 1994, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving, nr. CW94/U627; Gelet op de artikelen III en VII van de rijkswet van 15 april 1994 houdende wijziging van de wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau, en van de wet van 29 september 1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw, alsmede instelling van het Kapittel voor de civiele orden (**Stb.** 1994, 350); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 4 augustus 1994, No. W04.94.0410/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 16 november 1994, Directoraat-Generaal Openbaar Bestuur, nr. KP94/71; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. Het Kapittel: het Kapittel voor de civiele orden. Artikel 2 1. De voorzitter en de overige leden van het Kapittel worden op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit benoemd, zulks met uitzondering van de Kanselier van de Orde van de Nederlandse Leeuw. De leden wordt op hun aanvraag ontslag verleend. In bijzondere gevallen kunnen zij bij koninklijk besluit in hun functie worden geschorst en uit hun functie worden ontslagen. 2. De voorzitter en de overige te benoemen leden worden benoemd op grond van hun goede inzicht in de maatscha"},{"i":11275,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 29 november 2021, nummer CvTE-21.01023, houdende vaststelling van de beoordelingsnormen voor het Staatsexamen Nederlands als tweede taal (Regeling beoordelingsnormen Staatsexamen Nt2) Gelet op [artikel 2, vijfde lid, onderdeel c Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **sleutel:** verzameling goede antwoorden bij meerkeuzevragen. - **voorzitter:** de voorzitter van het College voor toetsen en examens; Artikel 2. Beoordelingsnormen 1. De beoordelingsnormen voor het examen Nederlands als tweede taal worden weergegeven in een voorschrift voor de beoordeling bij ieder examenonderdeel. Dit voorschrift bestaat uit algemene aanwijzingen, op grond van deze regeling en een beoordelingsmodel bij ieder examenonderdeel. 2. Het voorschrift voor de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt ingericht met inachtneming van de [bijlagen 1 tot en met 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046169&bijlage=1&z=2022-12-29&g=2022-12-29). 3. Het College voor toetsen en examens stelt na de afname van een examen in de onderdelen Schrijven en Spreken het voorschrift voor de beoordeling aan de beoordelaar ter beschikking. 4. Voor de onderdelen Lezen en Luisteren wordt het examen beoordeeld aan de hand van het beoordelingsmodel dat als sleutel opgenomen is in het digitale systeem dat automatisch het examen beoordeelt. Artikel 3. Algemene aanwijzingen 1. De algemene aanwijzingen voor de beoordelaar betreffende de beoordeling van het onderdeel Schrijven zijn voor de Programma’s I en II opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046169&bijlage=1&z=2022-12-29&g=2022-12-29). 2. De algemene aanwijzingen voor de beoordelaar betreffende de beoordeling van het onderdeel Spreken zijn voor de Programma’s I en II opgenomen in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046169&bijla"},{"i":11276,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00619 houdende vaststelling van de beoordelingsnormen voor de staatsexamens VO en staatsexamens VO BES (Regeling beoordelingsnormen staatsexamens VO en staatsexamens VO BES 2015) Gelet op [artikel 2, vierde lid, onderdeel c Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - •. voorzitter: de voorzitter van het College voor Toetsen en Examens; - •. schriftelijke toets: schriftelijk onderdeel van het college-examen; - •. mondeling examen: mondeling onderdeel van het college-examen; - •. praktisch examen: praktisch onderdeel van het college-examen; - •. opdracht: een vraag of een opdracht in een schriftelijke toets, mondeling of praktisch examen; - •. examinator: door het College voor Toetsen en Examens aangewezen beoordelaar van een mondeling of een praktisch examen; - •. eerste corrector: door het College voor Toetsen en Examens aangewezen beoordelaar van een schriftelijke toets; - •. tweede corrector: door het College voor Toetsen en Examens aangewezen medebeoordelaar van een schriftelijke toets. Artikel 2. Beoordeling schriftelijke toetsen 1. De beoordelingsnormen voor de schriftelijke toetsen worden weergegeven in een voorschrift voor de beoordeling bij ieder examen. Dit bestaat uit: - a. regels voor de beoordeling; - b. algemene aanwijzing, op grond van deze regeling; - c. beoordelingsmodel bij iedere schriftelijke toets. 2. Het beoordelingsmodel wordt door het College voor Toetsen en Examens vastgesteld voor elke schriftelijke toets zoals vermeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036344&bijlage=1&z=2026-03-01&g=2026-03-01). Artikel 3. Algemene aanwijzing bij beoordeling schriftelijke toetsen Voor de uitvoering van een opdracht worden door de eerste en door de tweede corrector scorepunten toegekend, in overeenstemming met het bij de sc"},{"i":12580,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 juli 2022 kenmerk 2022-0000352542 (Besluit Sturing Digitale Overheid 2022), tot wijziging van het Instellingsbesluit Sturing Digitale Overheid in het kader van de introductie van een meerjarenprogrammering op de generieke digitale infrastructuur Overwegende dat; het verbeteren van de uitvoering en de publieke dienstverlening vanuit de behoeften van burgers, bedrijven en instellingen een prioriteit is en van belang voor het vertrouwen in de publieke sector; het functioneren van de publieke sector in belangrijke mate bepaald wordt door digitalisering; een goede, betrouwbare en veilige digitale infrastructuur een randvoorwaarde is om de dienstverlening te verbeteren en toekomstige vragen vanuit politiek en samenleving te kunnen verwezenlijken; de Generieke Digitale Infrastructuur het fundament vormt voor publieke dienstverlening naar burgers en bedrijven en voor de samenwerking tussen overheidsorganisaties onderling; onderdelen van de generieke digitale infrastructuur als vitaal zijn bestempeld; de regieverantwoordelijkheid voor de digitale overheid van de staatssecretaris de volgende aspecten omvat: te zorgen voor wettelijke en beleidsmatige kaders voor het functioneren van de digitale overheid; de zorg voor het op peil houden en ontwikkelen van de generieke digitale infrastructuur; de zorg voor de realisatie van afspraken, standaarden en voorzieningen van de generieke digitale infrastructuur; de zorg voor het realiseren van de noodzakelijke architectuurproducten om die bouwstenen te kunnen ontwikkelen en beheren; de zorg voor het opdrachtgeverschap van beheer, exploitatie en vernieuwing van de generieke digitale infrastructuur richting opdrachtnemers; de zorg voor de in dit kader centraal beschikbaar gestelde middelen. naast deze generieke verantwoordelijkheid ook sectorale en organisatiespecifieke verantwoordelijkheden bestaan voor de digitalisering, die binnen het Rijk bij de desbe"},{"i":11278,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 juni 2016, nr. VO/BZO/869644, houdende voorschriften voor de beroepsgerichte keuzevakken in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (Regeling beroepsgerichte keuzevakken vmbo) Gelet op de [artikelen 26j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005946&artikel=26j), [26k, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005946&artikel=26k), en [26l, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005946&artikel=26l) en [artikel 27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029589&artikel=27), [artikel 28, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029589&artikel=28), en [artikel 28a, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit WVO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029589&artikel=28a); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **beroepsgericht keuzevak:** vak als bedoeld in [artikel 2.24, derde lid, onderdeel b van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.24); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **DUO:** de Dienst Uitvoering Onderwijs; - **medezeggenschapsraad:** medezeggenschapsraad als bedoeld in [artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685&artikel=3); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **profielvak:** profielvak als bedoeld in [artikel 2.21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=2.21), of [2.25, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=2.25); - **profielmodule:** elk van één van de vier modules waaruit een profielvak is samengesteld; - **school:** school voor vbo of scholengemeenschap waarvan ten"},{"i":11388,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 23 juni 2025, nr. CvTE-25.00949, houdende vaststelling van toegestane hulpmiddelen voor de centrale examens van de eindexamens en de staatsexamens vo in 2027 (Regeling toegestane hulpmiddelen voor de centrale examens vo 2027) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); besluit: Artikel 1. Hulpmiddelen vmbo Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 2. Hulpmiddelen havo en vwo Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2026, en vervalt op 31 december 2027, met uitzondering van artikel 3, dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toegestane hulpmiddelen voor de centrale examens vo 2027. Bijlage 1. Hulpmiddelen vmbo 2027 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2. Hulpmiddelen havo en vwo 2027 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12194,"b":"Besluit van de directeur Kanaal- en Ketenregie van de directie KI&S van 1 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen de directie wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":13794,"b":"Loodsenregisterverordening De ledenvergadering van de Nederlandse loodsencorporatie: Gelet op de [artikelen 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=16), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=21), [24, eerste lid, onderdelen e en f, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=24); Besluit: De Loodsenregisterverordening wordt als volgt vastgesteld: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - a. **aanvrager:** degene die in het register ingeschreven wil worden; - b. **loodsreis:** de functie-uitoefening, als bedoeld in [artikel 2, eerste lid van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=2), door een registerloods; - c. **peilreis:** het varen van een registerloods op een schip, anders dan voor een loodsreis, met het doel de specifiek benodigde kennis voor een registerloods van een scheepvaartweg bij deze op peil te brengen of te houden; Hoofdstuk II. De inschrijving in het register Artikel 2 1. Binnen 13 weken na beëindiging van het bewijs tot deelname, bedoeld in [artikel 4 van de Deelnemings- en Inschrijvingsverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024643&artikel=4), als gevolg van het met goed gevolg afgelegd hebben van de examens, bedoeld in [artikel 9, eerste onder a, sub 1 van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=9), dient de aanvrager de aanvraag om ingeschreven te worden in het register in bij de algemene raad. 2. Bij het verzoek bedoeld in het eerste lid, worden overlegd: - a. de bewijsstukken waaruit blijkt dat de aanvrager met goed gevolg de examens, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onder sub 1 van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=9) heeft afgelegd en waaruit blijkt bij welke regionale loodsencorporatie de aanvrager gaat behoren; - b. de toe"},{"i":13948,"b":"Wet van 18 december 2019 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2020) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel V Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VI Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel VII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel IX Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel X Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel XI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XIII Wijzigt de Douane- en Accijnswet BES. Artikel XIV Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel XV Wijzigt de Kadasterwet. Artikel XVI Wijzigt de Wet uitwerking Autobrief II. Artikel XVII Met betrekking tot de periode die loopt tot en met het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2029 blijft [artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel d, en zesde lid, onderdelen a en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.22) zoals dat artikel luidde op 31 december 2019 van toepassing met betrekking tot schepen waarvoor de belastingplichtige op dat tijdstip reeds de winst uit zeescheepvaart bepaalt aan de hand van de tonnage, bedoeld in artikel 3.22 van die wet. Artikel XVIIa 1. Vanaf de datum waarop [artikel II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042938&artikel=II&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [artikel XI, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042938&artikel=XI&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [artikel XII, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042938&artikel=XII&z=2026-01-01&g=2026-01-01), in werking tre"},{"i":14039,"b":"Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019516&artikel=3), [5, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019516&artikel=5), [6, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019516&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019516&artikel=7), [8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019516&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019516&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019516&artikel=10) en [12 van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019516&artikel=12), de [artikelen 2, zesde lid, van het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019857&artikel=2), de [artikelen 120](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120) en [120a van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120a) en [artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=14); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder tunnelveiligheidsdossier: het dossier, bedoeld in [artikel 10 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019516&artikel=10). 2. Het begrip voorval omvat mede ongeluk of incident. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 De risicoanalyse, bedoeld in [artikel 6, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019516&artikel=6), wordt uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen model QRA-tunnels. Artikel 5 1. Het tunnelveiligheidsplan, bedoeld in [artikel 6c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019516&artikel=6c), wordt opgesteld en uitgevoerd overeenkomstig [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019806&bijlage=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01), onderdeel B1, bij deze regeling. 2. Het tunnelveiligheidsplan bevat ten"},{"i":13182,"b":"Deelregeling Bewustwording Slavernijverleden Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1.1. Doel Het doel van de regeling is om zowel instellingen als individuele kunstenaars en curatoren/beschouwers de mogelijkheid te geven een plan te realiseren dat bijdraagt aan de bewustwording van het slavernijverleden in het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel 1.2. Doelgroepen Subsidie kan worden aangevraagd door: - 1. Culturele instellingen die gevestigd zijn in Nederland of het Caribisch deel van het Koninkrijk, met rechtspersoonlijkheid, zonder winstoogmerk en/of verkoopdoel die gericht zijn op het presenteren van cultureel erfgoed en/of beeldende kunst. - 2. Individuen die aantoonbaar professioneel werkzaam zijn in de beeldende kunst en/of cultureel erfgoed, als: - I. beeldend kunstenaar, of; - II. onafhankelijke curator of beschouwer. Artikel 1.3. Subsidieplafond 1. Voor de Deelregeling Bewustwording Slavernijverleden geldt in 2026 een subsidieplafond van € 711.443,– dat wordt verdeeld over twee deelplafonds. 2. Voor instellingen, bedoeld in [artikel 1.2, lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051800&paragraaf=1&artikel=1.2&z=2025-11-22&g=2025-11-22), geldt een deelplafond van € 400.000,– 3. Voor individuen, bedoeld in [artikel 1.2, lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051800&paragraaf=1&artikel=1.2&z=2025-11-22&g=2025-11-22), geldt een deelplafond van € 311.443,– 4. Indien een deelplafond niet volledig wordt benut, kan het bestuur besluiten het resterende bedrag toe te voegen aan het andere deelplafond binnen het in het eerste lid bedoelde subsidieplafond. Artikel 1.4. Indieningsperiode Aanvraag kunnen worden ingediend vanaf 18 december 2025 tot en met 16 juli 2026 om 16.00 uur (CEST) / 10.00 (AST). Paragraaf 2. Instellingen Artikel 2.1. Aanvrager 1. De aanvrager is een culturele instelling in Nederland of het Caribisch deel"},{"i":12189,"b":"Besluit van de directeur Centrale Functies van de directie KI&S van 1 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen de directie wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":11553,"b":"Wijziging regelingen kinderopvang en buitenschoolse opvang 1. Aanleiding Aanleiding voor wijziging van de regelingen [Kinderopvang](onbekend) (Gele katern 2000, nr. 15, kenmerk AB/A&A-2000/4616) en Buitenschoolse opvang (Gele katern 2000, nr. 18a, kenmerk AB/A&A-2000/26167) zijn de in de tripartiete commissie Kinderopvang gemaakte afspraak tot invoering van verplichte kostendeling per publicatiedatum in het Gele Katern en diverse andere wijzigingen in de regelingen kinderopvang en buitenschoolse opvang. 2. Aanvulling op paragraaf 2.6. van de [regelingen KO](onbekend) en BSO Aan [paragraaf 2.6 van de regelingen KO](onbekend) en BSO wordt na [BWOO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006445) toegevoegd: of het [Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en beroeps- en volwasseneneducatie](onbekend) (BBWO). Deze wijziging geldt met ingang van 1 januari 2001. 3. Gewijzigd maximum inkoopbedrag volledige kindplaats [regeling KO](onbekend) in paragraaf 2.7 Het maximale inkoopbedrag voor een volledige plaats in een kinderdagverblijf bedraagt met ingang van 1 januari 2002 € 11.570 (f. 25.497,-, was f. 24.000,-). Inkoop door Kintent van een kindplaats boven dit bedrag blijft uitsluitend mogelijk als de ouders of verzorgers zich schriftelijk bereid hebben verklaard - naast de ouderbijdrage - de meerkosten voor hun rekening te nemen. 4. Gewijzigde kostprijs bemiddeling via gastouderbureau van de [regeling KO](onbekend) en BSO in paragraaf 2.7 De maximale vergoeding voor bemiddeling voor opvang via een gastouderbureau bedraagt met ingang van 1 januari 2002 € 1.596 (f. 3.517,-). 5. Verplichte kostendeling Achterliggende gedachte van de verplichte kostendeling is dat ook de werkgever van de partner gebaat is bij kinderopvang, en daar zodoende financieel aan zou moeten bijdragen. Als gevolg van deze regeling zal er per kinderopvangplaats een verminderd beroep worden gedaan op het budget voor kinderopvang in het onderwi"},{"i":12028,"b":"Besluit van de minister van Financiën van 31 mei 2005, nr. BenC 2005-630 M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het NV/BV Belegging- en Garantie Maatschappij voor Duplicaten van Buitenlandse Effecten (BELGA) 1956–1977 (1986) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de NV/BV Belegging- en Garantie Maatschappij voor Duplicaten van Buitenlandse Effecten (BELGA) 1956–1977 (1986) met de inventarisnummers 20, 24 t/m 44, 56 t/m 118, 125 in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld tot 1 januari 2036, zijnde een termijn van vijftig jaren gerekend vanaf 1 januari 1986. 2. Raadpleging van de in het vorige lid genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruikt gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. 3. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt gepubliceerd."},{"i":14017,"b":"Raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Hoofdstuk 1. Het raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde cursussen mogen nascholing voor de code 95 verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificering af te geven. Ook registreert het CBR verklaringen van nascholing voor chauffeurs die aan de nascholingsplicht hebben voldaan. Tot slot houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de nascholingscursussen. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR een raamwerk nascholingscursussen en ADR opgesteld. Dit raamwerk is een document zoals wordt bedoeld in [artikel 156s van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de nascholing daadwerkelijk aan deze eisen houdt. Is dit niet het geval? Dan legt het CBR een sanctie op. De verschillende sancties en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep vindt u in dit raamwerk terug. Het is toegestaan om bij de nascholing gebruik te maken van e-learning en simulatoren. De eisen die hierbij gelden zijn opgenomen in dit raamwerk. Tot slot is in dit raamwerk een overzicht met minimumeisen per nascholingscursus opgenomen. Het CBR wijzigt het raamwerk maximaal twee keer per jaar: op 1 januari en op 1 juli. Wijzigingen worden afgestemd met de opleidingsbranche en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en actief naar alle erkende opleiders gecommuniceerd. Worden de minimumeisen in het raamwerk aangepast en zijn de wijzigingen van invloed op de certificering van een nascholingscursus? Dan wordt dit expliciet vermeld en moeten opleidingsinstituten hun opleidingsplannen binnen zes maanden"},{"i":14020,"b":"Rapportagevoorschriften betalingsbalansrapportages 2022 (RV 2022) Gelet op [artikel 7 van de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547&artikel=7) (Stb. 1994, 258); Besluit: Definities Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a). **Bank:** De Nederlandsche Bank N.V.; - b). **beheerder:** een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); - c). **beleggingsfonds:** een instelling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van [Verordening (EU) 2024/1988](32024R1988) van de Europese Centrale Bank van 27 juni 2024 betreffende statistieken inzake beleggingsfondsen en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/32; - d). **Bijzondere Financiële Instellingen:** ondernemingen of instellingen, ongeacht de rechtsvorm, die ingezetenen zijn en waarin niet-ingezetenen, direct of indirect, via aandelenkapitaal of anderszins deelnemen of invloed uitoefenen en die tot doel hebben en/of zich in belangrijke mate bezighouden met het, al dan niet in combinatie met andere binnenlandse groepsmaatschappijen: - 1. hoofdzakelijk in het buitenland aanhouden van activa en passiva en/of - 2. doorgeven van omzet bestaande uit in het buitenland verkregen royalty- en licentieopbrengsten aan buitenlandse groepsmaatschappijen en/of - 3. het genereren van omzet en kosten die hoofdzakelijk afkomstig zijn uit herfacturering van en naar buitenlandse groepsmaatschappijen; - e). **Captive financial institutions and money lenders (CFI):** Financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband. De Bijzondere Financiële Instellingen vallen onder deze categorie van instellingen; - f). **CFI-benchmark:** benchmark van rapporteurs uit de categorie CFI voor wie een jaarrapportage voor de informatieverzameling van balansgegevens en overige gegevens volstaat in plaats"},{"i":12761,"b":"Besluit vaststelling factoren L en r boekjaar 2021 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2021 vastgesteld op 0,185077 %. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2021 vastgesteld op (negatief) - 0,018018 %. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2021. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":12372,"b":"Besluit instelling Commissie evaluatie Wet op het Notarisambt Overwegende, – dat zich ten aanzien van het notarisambt, zowel nationaal als internationaal diverse ontwikkelingen voordoen; – dat door de Commissie monitoring notariaat in 2003 diverse aanbevelingen zijn gedaan omtrent marktwerking in het notariaat; – dat het wenselijk is te komen tot een daadwerkelijke evaluatie van de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388), waarbij de vragen centraal staan of de geïntroduceerde marktwerking de beoogde effecten heeft gehad, en of de ten aanzien van de verschillende aspecten van de beroepsuitoefening in de wet verankerde mix tussen publiek en privaat voldoende evenwichtig is; Besluit: Artikel 1 1. In te stellen een commissie evaluatie [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388). 2. De commissie heeft tot taak te onderzoeken of en in hoeverre: - –. de benoemingsvereisten tot notaris adequaat zijn; - –. de geïntroduceerde marktwerking in het notariaat de beoogde effecten heeft gehad; - –. ten aanzien van de verschillende aspecten van de beroepsuitoefening de in de wet verankerde mix tussen het publieke domein en het private domein voldoende evenwichtig is met het oog op een efficiënte borging van het publieke belang van rechtszekerheid; - –. de mogelijkheid moet bestaan dat een notaris in loondienst werkzaam is van een niet–notaris; - –. de wijze waarop de ministerieplicht is vormgegeven voldoet; - –. betaling van goodwill bij overname van een notarispraktijk toelaatbaar moet worden geacht; - –. invoering van een intercollegiale toetsing in het kader van het borgen van de kwaliteit van de notariële beroepsuitoefening mogelijk is; - –. het bestaan van inkoopmacht bij de gebruikers van notariële diensten in overeenstemming is met de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de notaris; - –. de leeftijdgrens van 65 jaar voor het uitoefenen van het notarisambt voldoet; - –. het mogelijk is om via pro-competitieve"},{"i":14014,"b":"Raamwerk nascholingscursussen Code 95 en ADR (2017) Hoofdstuk 1. Toelichting op het raamwerk Het onderhavige raamwerk is een document als bedoeld in [artikel 156s Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het raamwerk staan de eisen die worden gesteld aan de certificering van nascholingscursussen en de erkenning van opleidingsinstituten ([artikel 156x Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156x) en [Hoofdstuk III Regeling vakbekwaamheid bestuurders 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031458&hoofdstuk=III)). Dit raamwerk is van overeenkomstige toepassing op de erkenning als ADR opleidingsinstituut in het kader van de [wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606), gelet op de [Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen, Bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3). Dit raamwerk beschrijft hoe de divisie CCV van het CBR (hierna: CCV) toezicht houdt op de naleving van de nascholingseisen en erkenning van opleidingsinstituten en welke bezwaar- en beroepsmogelijkheden er zijn tegen opgelegde maatregelen. Wijzigingen in het raamwerk worden door CCV vastgesteld en actief gecommuniceerd. Het raamwerk wordt jaarlijks op twee vaste momenten gepubliceerd, namelijk begin januari en begin juli. Uiterlijk zes maanden na iedere publicatie dienen de voor het opleidingsinstituut relevante wijzigingen doorgevoerd te zijn. In dit raamwerk wordt ingegaan op de positie van CCV, de aanvraagprocedure voor erkenning en certificering, de erkennings- en certificeringseisen, de geldigheidsduur, de wijze waarop het toezicht uitgeoefend wordt en hoe beroep en bezwaar geregeld is en de minimumeisen die gelden voor de verschillende nascholingscursussen. Hoofdstuk 2. Positie van de divisie ccv CCV is aangewezen als exameninstituut dat besluit tot erkenning van opleidingsinstituten voor het uitvoeren van nascholingscursussen en tot ce"},{"i":12861,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid vanaf 1945 (Minister van Economische Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 06-12-2007, nr. aca-2007.04114/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11371,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 21 juni 2021, nummer CvTE21.00902, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo ten behoeve van het examenjaar 2023, nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi ten behoeve van het examenjaar 2022, tevens preliminaire vaststelling van een syllabus ten behoeve van het examenjaar 2024 (Regeling syllabi centrale examens vo 2023) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bedoeld in [artikel 2, achtste lid, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2), gegeven op 6 juli 2021, kenmerk 28464842, Besluit: Artikel 1. Vaststelling syllabi ten behoeve van het examenjaar 2023 Vervallen Artikel 2. Nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi Vervallen Artikel 3. Preliminaire vaststelling van een syllabus ten behoeve van het examenjaar 2024 Vervallen Artikel 4. Bekendmaking syllabi De syllabi, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045410&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045410&artikel=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045410&artikel=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01), worden bekendgemaakt op www.examenblad.nl. Artikel 5. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045410&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en de daarbij behorende [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045410&bijlage=1a&z=2025-01-01&g=2025-01-01) vervallen met ingang van 1 januari 2024. 3. [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045410&ar"},{"i":11282,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 september 2016, kenmerk MBO-930125 houdende vaststelling van een aantal keuzedelen waaraan mbo-certificaten verbonden kunnen worden (Regeling certificaten aantal keuzedelen beroepsonderwijs) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op [artikel 17c van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=17c); Besluit: Artikel 1. Certificaten keuzedelen Er is een certificaat verbonden aan de keuzedelen, genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038543&bijlage=1&z=2026-05-01&g=2026-05-01) bij deze regeling. Artikel 2. Certificaat voor beroepsgerichte onderdelen Er is een certificaat verbonden aan de beroepsgerichte onderdelen van kwalificaties, genoemd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038543&bijlage=2&z=2026-05-01&g=2026-05-01). Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2016. Bijlage 1. Certificaten vanaf 1 oktober 2016 Er is een certificaat verbonden aan de volgende keuzedelen: - 1. Art&Design (K0354) - 2. Car- en interiorwrapping (K0266) - 3. Digitaal produceren 3D object (K0355) - 4. Digitale vaardigheden basis (K0022) - 5. Digitale vaardigheden gevorderd (K0023) - 6. DJ-ing (K0302) - 7. Inleiding geo-informatie (K0356) - 8. Interieurvormgeving (K0054) - 9. Lichtplan voor woon/werkruimte (K0357) - 10. Live beeld (K0358) - 11. Livetechniek (K0359) - 12. Oriëntatie op digitaal forensisch onderzoek (K0360) - 13. Oriëntatie op interieurbouw (K0079) - 14. Productvormgeving (K0296) - 15. Security in systemen en netwerken 1 (K0400) - 16. Security in systemen en netwerken 2 (K0444) - 17. Specialisatie media- en entertainmentsector (K0402) - 18. Verdieping colormanagement (K0113) - 19. Verdieping Mediaproductie (K0361) - 20. Verdieping Visual Merchandising (K0117) - 21. Mensen met niet-aangeboren hersenletsel (K0067)"},{"i":11283,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 1 juli 2020, kenmerk MBO-24861840 houdende vaststelling van certificaten wettelijke beroepsvereisten groen middelbaar beroepsonderwijs voor beroepsgerichte onderdelen van kwalificaties en keuzedelen die betrekking hebben op de sector Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Regeling certificaten wettelijke beroepsvereisten groen middelbaar beroepsonderwijs) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [artikel 7.2.3, eerste lid, van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.3) en [artikel 17c van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=17c); Besluit: Artikel 1. Certificaat groen middelbaar beroepsonderwijs beroepsgerichte onderdelen Er is een certificaat groen middelbaar beroepsonderwijs verbonden aan beroepsgerichte onderdelen van kwalificaties, genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043847&bijlage=1&z=2025-08-01&g=2025-08-01). Artikel 2. Certificaat groen middelbaar beroepsonderwijs keuzedelen Er is een certificaat groen middelbaar beroepsonderwijs verbonden aan keuzedelen, genoemd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043847&bijlage=2&z=2025-08-01&g=2025-08-01). Artikel 3. Vervallen regeling De [Regeling certificaten groen beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032494) vervalt. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2020. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: ‘Regeling certificaten wettelijke beroepsvereisten groen middelbaar beroepsonderwijs’. Bijlage 1. behorend bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043847&artikel=1&z=2025-08-01&g=2025-08-01) Certificaten voor beroepsgerichte onderdelen vanaf 1 augustus 2020: Toelichting bij bijlage 1 Certificaten"},{"i":11285,"b":"Regeling Cultuureducatie in het mbo 2025–2028 gelet op [artikel 10, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), van de **Wet op het specifiek cultuurbeleid**; gelet op [artikel 4:23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23) van de **Algemene wet bestuursrecht**; gelet op het [**Algemeen Subsidiereglement**](https://cultuurparticipatie.nl/over-ons/codes-reglementen/algemeen-subsidie-reglement) van het Fonds voor Cultuurparticipatie; met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 januari 2022; en voor de gewijzigde versie op 27 maart 2023; besluit: Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen Artikel 1.1. Gebruikte begrippen 1. In deze regeling worden onderstaande begrippen gebruikt. - a. **Activiteit:** Een specifieke handeling of bezigheid die door de aanvrager wordt gestart. Bijvoorbeeld brainstorms, repetities, coachingsessies, bijeenkomsten en presentaties. Deze activiteit wordt door, of met, de doelgroep (een persoon, groep of organisatie) uitgevoerd om een specifiek effect te bereiken. - b. **Adviescommissie:** Een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het [Huishoudelijk Reglement van het Fonds 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042690). - c. **Algemeen Subsidiereglement:** [Algemeen Subsidiereglement Fonds voor Cultuurparticipatie 2021](https://fvcp.fra1.cdn.digitaloceanspaces.com/uploads/asr27mrt23-64380.pdf). - d. **Caribisch deel van het Koninkrijk:** de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - e. **Caribisch Nederland:** de drie openbare lichamen van het land Nederland, zijnde de eilanden: Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - f. **Culturele codes:** De Code Diversiteit en Inclusie, de Fair Practice Code en de Governance Code Cultuur. - g. **Culturele instelling:** Een instelling die zich inzet binnen de cultuursector en zich als zodanig heeft kenbaar gemaakt bij de inschrijving bij de Kamer va"},{"i":12552,"b":"Besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 13 oktober 1988, nr. CW88/198/U1, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Bij elk ministerie is een secretaris-generaal die, met inachtneming van de aanwijzingen van Onze Minister, belast met de leiding van het ministerie, belast is met de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft. Artikel 2 Het koninklijk besluit van 14 december 1966, nr. 5 (**Stcrt.** 252) wordt ingetrokken. Onze ministers zijn, ieder voor zoveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit dat zal worden geplaatst in het **Staatsblad** en waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en Aruba en de ministeries."},{"i":12681,"b":"Besluit van 13 juni 2007, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter van het Kennisplatform Elektromagnetische Velden en Gezondheid (Besluit vaste beloning voorzitter Kennisplatform EVM&G) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 juni 2007, nr.DGM/SAS2007044577; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De vergoeding van de voorzitter van het Kennisplatform Elektromagnetische Velden en Gezondheid, bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit Kennisplatform EMV&G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022111&artikel=2) wordt vastgesteld op 21,01 % van het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) per maand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaste beloning voorzitter Kennisplatform EVM&G. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":11286,"b":"Regeling Cultuureducatie in het vmbo, vso en pro 2025–2028 gelet op [artikel 10, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), van de **Wet op het specifiek cultuurbeleid**; gelet op [artikel 4:23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23) van de **Algemene wet bestuursrecht**; gelet op het **Algemeen Subsidiereglement** van het Fonds voor Cultuurparticipatie; met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 januari 2022; en voor de gewijzigde versie op 27 maart 2023; besluit: Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen Artikel 1.1. Gebruikte begrippen 1. In deze regeling worden onderstaande begrippen gebruikt. - a. Activiteit: Een specifieke handeling of bezigheid die door de aanvrager wordt gestart. Bijvoorbeeld brainstorms, repetities, coachingsessies, bijeenkomsten en presentaties. Deze activiteit wordt door, of met, de doelgroep (een persoon, groep of organisatie) uitgevoerd om een specifiek effect te bereiken. - b. Adviescommissie: Een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het [Huishoudelijk Reglement van het Fonds 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042690). - c. Algemeen Subsidiereglement: [Algemeen Subsidiereglement Fonds voor Cultuurparticipatie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516). - d. Caribisch deel van het Koninkrijk: de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - e. Caribisch Nederland: de drie openbare lichamen van het land Nederland, zijnde de eilanden: Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - f. Creatief vermogen: een herhalend proces waarin leerlingen creatieve maak- en denkstrategieën leren toepassen. Het creatief vermogen is wat leerlingen opbouwen en waarvoor creatieve ontplooiing voorwaardelijk is. - g. Culturele codes: De Code Diversiteit en Inclusie, de Fair Practice Code en de Governance Code Cultuur. - h. Culturele instelling: Een rechtspersoon die zich inzet binnen de c"},{"i":11287,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 15 juni 2015, nummer CvTE-15.01454, houdende vaststelling van regels voor digitale centrale examinering in het mbo (Regeling digitale centrale examinering mbo (2015)) Gelet op [artikel 3 van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3); het [Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB artikel 6, eerste lid onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Digitale examinering De regels voor digitale examinering mbo, bedoeld in [artikel 6, eerste lid onderdeel e van het Examenbesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6), worden vastgesteld als aangegeven in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Bekendmaking De regeling zal met de bijlage en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De uitwerking van de regels voor digitale examinering mbo kunnen worden geraadpleegd op Examenbladmbo.nl. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op 1 augustus 2015. Artikel 4. Intrekking De [Regeling digitale centrale examinering mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035537) van 27 augustus 2014 wordt ingetrokken. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling digitale centrale examinering mbo (2015). Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036772&artikel=1&z=2015-08-01&g=2015-08-01) van de Regeling digitale centrale examinering mbo, van 15 juni 2015, nummer CvTE-15.01454 Regels voor digitale examinering mbo Aan het begin van elk studiejaar publiceert het College voor Toetsen en Examens op de website Examenbladmbo.nl de regels die gelden voor digitale examinering van de centrale examens in het mbo. Gedurende het studiejaar kunnen aanvullende regels worden gepubliceerd. De regels betreffen de logistieke en technische handelingen en instructies (via handleidingen, checklists en dergelijke) die"},{"i":11289,"b":"Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 28 september 2023, nr. 2023-0000527818, houdende regels betreffende de eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten studenten Gelet op [artikel 78ee, tweede en derde lid van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78ee); Besluit: Artikel 1 De eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten, bedoeld in [artikel 78ee, tweede lid en derde lid van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78ee), bedraagt € 400,–. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11292,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 januari 2008, nr. WJZ/2008/2010 (1602), houdende regels in verband met de erkenning van EG-beroepskwalificaties van onderwijspersoneel (Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties onderwijspersoneel) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33) en [36 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=36); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: [Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066); - b. Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. aanvrager: migrerende beroepsbeoefenaar die erkenning van beroepskwalificaties aanvraagt; - d. dienstverrichter: dienstverrichter als bedoeld in [artikel 21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=21). Artikel 2. Gereglementeerde beroepen en werkzaamheden in het onderwijs Deze regeling is van toepassing op: - a. de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verlenen van erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot of uitoefening van de volgende gereglementeerde beroepen of werkzaamheden: - 1°. directeur, adjunct-directeur en leraar als bedoeld in de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); - 2°. directeur, adjunct-directeur en leraar als bedoeld in de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - 3°. rector, directeur, conrector, adjunct-directeur en leraar als bedoeld in de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - 4°. docent als bedoeld in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625); - 5°. onderwijsondersteunende werkzaamheden van een instructeur als bedoeld in he"},{"i":12828,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Keurmerkinstituut vanaf [1997] 1998 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Keurmerkinstituut over de periode vanaf [1997] 1998 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten ingetrokken of afgesloten. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12800,"b":"Besluit vaststelling Selectielijst Bedrijfsvoering en Beleid van ‘de Rechtspraak’ voor waardering alle niet-rechtszaak-gebonden stukken, ontvangen of opgemaakt vanaf 1 januari 2002 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst van Bedrijfsvoering en Beleid van ‘de Rechtspraak’ voor de waardering van alle niet-rechtszaak-gebonden stukken, ontvangen of opgemaakt vanaf 1 januari 2002 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst Selectielijst voor de neerslag van taken met betrekking tot de bedrijfsvoering, ondersteunende taken en overlegorganen van de rechtspraak (zittende magistratuur) over de periode vanaf 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023239) (Stcrt. 8 januari 2008, 5) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis-, Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13526,"b":"Instellingsbesluit Commissie van Wijzen inzake het herindelingsadvies Gooi- en Vechtstreek Gehoord de burgemeesters van Bussum, Naarden, Muiden en Weesp; Overwegende dat zij op basis van de [Wet Arhi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718) en het herindelingsadvies Gooi- en Vechtstreek een besluit dient te nemen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het herindelingsadvies:** het herindelingsadvies dat op 30 juni 2008 is uitgebracht door de provincie Noord-Holland onder de naam Herindelingsadvies Gooi en Vechtstreek; - b. **de geadviseerde herindelingvariant:** de in het herindelingsadvies geadviseerde samenvoeging van de gemeenten Bussum, Muiden, Naarden en Weesp met een grenscorrectie tussen Naarden en Huizen; - c. **commissie:** Commissie van Wijzen inzake het herindelingsadvies Gooi- en Vechtstreek; - d. **staatssecretaris:** de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - e. **de Wet Arhi:** de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718) van 24 oktober 1984. Artikel 2 Er is een Commissie van Wijzen inzake het herindelingsadvies Gooi- en Vechtstreek. Artikel 3 1. De commissie heeft tot taak om advies uit te brengen over het besluit dat de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dient te nemen naar aanleiding van het herindelingsadvies. De commissie wordt gevraagd daarbij de volgende uitgangspunten te hanteren: - –. dat het advies wordt opgesteld vanuit een integrale visie op de Gooi- en Vechtstreek waarbij allereerst de opgaven van de regio Gooi- en Vechtstreek en die van de gemeenten op de langere termijn de basis vormen voor een nadere analyse van diverse oplossingsrichtingen en in het bijzonder van de geadviseerde herindelingvariant; - –. dat het de commissie nadrukkelijk in overweging wordt gegeven om het gesprek aan te gaan met alle gemeenten in de Gooi en Vechtstreek, de provincie Noord-Holland en het Gewest Gooi; - –. dat wordt uitgegaan v"},{"i":11296,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 28 november 2022, CvTE-23.00009, houdende vaststelling van het examenprogramma Staatsexamen Nederlands als tweede taal voor de examenjaren vanaf examenjaar 2024 (Regeling examenprogramma Staatsexamen Nt2 2024) Gelet op [artikel 2, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2) en [artikel 10, eerste lid, van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&artikel=10); Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 januari 2023, kenmerk 35187584, Besluit: Artikel 1. Examenprogramma Staatsexamen Nederlands als tweede taal Het examenprogramma Staatsexamen Nederlands als tweede taal wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Intrekking De [Regeling examenprogramma Staatsexamens Nt2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043065) wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2024. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 4. Citeertitel en bekendmaking Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling examenprogramma Staatsexamen Nt2 2024. Bijlage. Examenprogramma Staatsexamen Nederlands als tweede taal **(bijlage als bedoeld in artikel 1)** 1. Toepassingsbereik Dit examenprogramma is van toepassing met ingang van examenjaar 2024. 2. Examens Het Staatsexamen Nederlands als tweede taal toetst of de kandidaat voldoende kennis, inzicht en vaardigheden verworven heeft om het Nederlands op adequate wijze te kunnen gebruiken in het kader van werk, opleiding en maatschappelijk functioneren. Het Staatsexamen Nederlands als tweede taal bestaat uit vier onderdelen: Het examenprogramma is ontleend aan de examenstof zoals is omschreven in het Eindrapport van de Adviescommissie Invoering Certificaten Nederlands als Tweede Taal1Adviescommissie Invoering Certificaten Nederlands"},{"i":11298,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 juni 2007 nr. VO/OK/2007/13731, houdende vaststelling van de examenprogramma’s v.w.o., h.a.v.o. en v.m.b.o. (Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs) Mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 7 van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004593&artikel=7); Besluit: Artikel 1. Vaststelling examenprogramma’s v.w.o en h.a.v.o. De examenprogramma’s v.w.o. en h.a.v.o. worden vastgesteld zoals aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022061&bijlage=1&z=2025-02-12&g=2025-02-12) bij deze regeling. Artikel 2. Vaststelling examenprogramma’s vmbo De examenprogramma’s v.m.b.o. worden vastgesteld zoals aangegeven in bijlage 2 bij deze regeling. Artikel 3. Intrekking regelingen examenprogramma’s v.w.o. en h.a.v.o. De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Regeling examenprogramma’s profielen v.w.o./h.a.v.o. Nederlands en moderne vreemde talen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009587) - b. Regeling examenprogramma’s profielen v.w.o./h.a.v.o. Fries - c. [Regeling examenprogramma’s profielen v.w.o. klassieke talen en cultuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009588) - d. [Regeling examenprogramma’s profielen v.w.o./h.a.v.o. wiskunde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009593) - e. [Regeling examenprogramma’s profielen v.w.o./h.a.v.o. natuurwetenschappelijke vakken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009589) - f. [Regeling examenprogramma’s profielen v.w.o./h.a.v.o. maatschappelijke vakken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009596) - g. [Regeling examenprogramma’s profielen v.w.o./h.a.v.o. economische vakken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009590) - h. [Regeling examenprogramma’s profielen v.w.o./h.a.vo. CKV 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009595) - i. Regeling examenprogramma’s profielen v.w.o./h.a.v.o. CKV 2,3 - j."},{"i":11299,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 27 juni 2022, nummer CvTE-22.00899, houdende vaststelling van het examenprotocol centrale examinering mbo 2022 (Regeling examenprotocol centrale examinering mbo 2022) Gelet op [artikel 3 van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3), en [artikel 6, eerste lid, onderdeel j, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 14 juli 2022, kenmerk 33398565, Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **college:** het College voor toetsen en examens - **contactpersoon examencommissie:** door het bevoegd gezag aangewezen medewerker die het aanspreekpunt is voor het college namens de examencommissie; - **examencommissie:** examencommissie als bedoeld in [art. 7.4.5 van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.5), ingesteld door het bevoegd gezag; - **medewerker:** persoon die onder de verantwoordelijkheid van de examencommissie betrokken is bij de centrale examens, zoals afnameplanners, afnameleiders, surveillanten, medewerkers examenbureau, roostermakers; - **student:** student in de zin van de [WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) die een centraal examen aflegt. Hoofdstuk 2. Regels ten behoeve van geheimhouding Artikel 2. Richtlijnen De examencommissie draagt de medewerkers op de werkzaamheden met inachtneming van dit protocol te verrichten en draagt er zorg voor dat de geheimhouding van de examenopgaven niet geschonden wordt. Hierbij gelden de volgende regels: - 1. Elk centraal examen wordt uitsluitend gebruikt voor het doel waarvoor het bestemd is; - 2. De opgaven zijn slechts toegankelijk voor de student tijdens de examenzitting en de inzagesessie waaraan hij deelneemt; - 3. De afnameleider zo"},{"i":11300,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 23 juni 2025, nr. CvTE-25.00953, houdende vaststelling van het examenreglement Staatsexamen Nederlands als tweede taal 2026 (Regeling examenreglement Staatsexamen Nt2 2026) Gelet op [artikel 2, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2) en [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&artikel=10), en [artikel 16, vierde lid, van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&artikel=16); Besluit: Artikel 1. Examenreglement Staatsexamen Nederlands als tweede taal 2026 Het examenreglement Staatsexamen Nederlands als tweede taal, als bedoeld in [artikel 10, tweede lid, van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192&artikel=10), is vastgesteld voor het jaar 2026 in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling ten behoeve van het Staatsexamen Nt2 treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 en vervalt per 31 december 2026. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling examenreglement Staatsexamen Nt2 2026. Bijlage.. Examenreglement Staatsexamen Nederlands als tweede taal 2026 als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051202&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) Artikel 1 De in dit reglement genoemde verzendingen van documenten geschieden op de door het College voor toetsen en examens te bepalen wijze. Artikel 2 Het examen wordt afgenomen volgens de bij de [Regeling examenprogramma Staatsexamen Nt2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047815), vastgestelde programma’s: Programma I en Programma II. Artikel 3 Het examen, volgens beide Programma’s, omvat de volgende onderdelen: De examenonderdelen worden in vier afzonderlijke zittingen geëxamineerd. Artikel 4 Artikel 5 Het College voor toetsen en examens stelt uiter"},{"i":11301,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 23 juni 2025, nr. CvTE-25.00951, houdende vaststelling van het examenreglement staatsexamens vo (Regeling examenreglement staatsexamens vo) Gelet op [artikel 2, derde lid onderdeel a, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2) en [artikel 2.81, eerste lid van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.81); Besluit: Artikel 1. Examenreglement staatsexamens voortgezet onderwijs Het examenreglement staatsexamens voortgezet onderwijs, bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel a, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2) en [artikel 2.81, eerste lid van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.81), wordt vastgesteld als opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2025. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling examenreglement staatsexamens vo. Bijlage. Examenreglement staatsexamens voortgezet onderwijs, voor staatsexamen vwo, staatsexamen havo en staatsexamen vmbo als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051170&artikel=1&z=2025-10-01&g=2025-10-01) Volgens [artikel 2, derde lid, onderdeel a, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2) en [artikel 2.81, eerste lid van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.81) stelt het College bij regeling het examenreglement voor de staatsexamens vo vast. Het examenreglement omvat procedurele en organisatorische regelingen voor de uitvoering van het centraal examen en het college-examen, en inhoudelijke bepalingen. Artikel 1. Begripsbepaling Voor de toepassing van dit Reglement wordt verstaan onder: Artikel 2. Aanmelden Artikel 3. Indeling exa"},{"i":11077,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 juni 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen in Vietnam, Ambassade Hanoi en CG Ho Chi Minhstad (1963) 1975–2013, Doc-Direkt (1963) 1975–2013, Besluit Beperking Openbaarheid, Ambassade Hanoi en CG Ho Chi Minhstad (1963) 1975–2013 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris 26 juni 2023, referentie 37892752; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 17 | 2026 | | 18 | 2044 | | 20 | 2043 | | 21 | 2040 | | 22 | 2047 | | 23 | 2032 | | 24 | 2043 | | 25 | 2039 | | 26 | 2041 | | 34 | 2053 | | 35 | 2054 | | 36 | 2055 | | 37 | 2056 | | 38 | 2057 | | 39 | 2057 | | 40 | 2058 | | 41 | 2058 | | 42 | 2058 | | 43 | 2058 | | 44 | 2059 | | 45 | 2059 | | 46 | 2059 | | 47 | 2059 | | 48 | 2060 | | 49 | 2060 | | 50 | 2060 | | 51 | 2060 | | 54 | 2061 | | 55 | 2059 | | 56 | 2052 | | 57 | 2043 | | 58 | 2049 | | 59 | 2056 | | 60 | 2074 | | 61 | 2030 | | 62 | 2032 | | 63 | 2046 | | 64 | 2049 | | 66 | 2061 | | 67 | 2051 | | 68 | 2042 | | 69 | 2050 | | 70 | 2056 | | 71 | 2051 | | 72 | 2073 | | 73 | 2041 | | 74 | 2037 | | 75 | 2075 | | 76 | 2055 | | 77 | 2038 | | 78 | 2060 | | 79 | 2050 | | 80 | 2058 | | 81 | 2056 | | 82 | 2059 | | 83 | 2074 | | 84 | 2051 | | 85 | 2056 | | 86 | 2054 | | 87 | 2070 | | 88 | 2061 | | 89 | 2050 | | 90 | 2056 | | 91 | 205"},{"i":11303,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, van 4 juli 2022, nr. VO/28164592, houdende regels omtrent informatievoorziening in het primair en voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs in Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling informatievoorziening PO/VO/MBO BES) Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Besluit bekostiging WPO BES 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046152&artikel=2), [artikel 4 van het Besluit informatievoorziening WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029578&artikel=4), [artikel 2.68, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=2.68) en [artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029696&artikel=3); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) of [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=1.1.1); - **CAPE:** de Caribbean Advanced Proficiency Examination als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045020&artikel=1); - **CSEC:** het Caribbean Secondary Education Certificate als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045020&artikel=1); - **CVQ:** de Caribbean Vocational Qualification, niveau 1 of 2 als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045020&artikel=1); - **minister:** Minister van O"},{"i":11304,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 juli 2018 nr. WJZ/1221455(8450), houdende actualisering van de Regeling Inspectie van het onderwijs 2006 (Regeling Inspectie van het onderwijs 2018) Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bedrijfsvoering:** geheel van activiteiten dat noodzakelijk is voor het inrichten en functioneren van de inspectie; - **inspecteur-generaal:** inspecteur-generaal van het onderwijs als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de WOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=1); - **inspectie:** Inspectie van het onderwijs als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de WOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=1); - **inspectierapport:** rapport als bedoeld in de [artikelen 12a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=12a), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=15) en [20 van de WOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=20); - **instelling:** - a. school als bedoeld in [artikel 1 van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) en [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - b. exameninstelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); en - c. instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1) en [artikel 1.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - **Minister:** Minis"},{"i":13161,"b":"Contributieverordening 2016 Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5) en [19, tweede lid, onderdeel g, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 De contributie voor de contributiegroepen, bedoeld in [artikel 2 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=2), bedraagt: - H. openbaar accountant € 1.275,– - M. intern accountant en overheidsaccountant € 850,– - L. accountant in business € 425,– - Z. lid zonder arbeidsinkomen € 160,– Artikel 2 Het bedrag van de vermindering, bedoeld in [artikel 6 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=6), bedraagt: - H. openbaar accountant € 0,– - M. intern accountant en overheidsaccountant € 0,– - L. accountant in business € 0,– - Z. lid zonder arbeidsinkomen € 0,– Artikel 3 De korting, bedoeld in [artikel 7 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=7), wordt vastgesteld op: 0. Artikel 4 Het percentage, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=8), wordt vastgesteld op: 4. Artikel 5 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Contributieverordening 2016."},{"i":11305,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 januari 2014, nr. WJZ/483084 (10323), houdende intrekking van diverse regelingen op het terrein van het onderwijs in verband met het feit dat deze hun betekenis hebben verloren, alsmede wijziging van diverse andere regelingen op genoemd terrein in verband met het opnemen van een vervaldatum daarin (Regeling intrekking OCW-regelingen op het gebied van onderwijs 2014) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën, de Minister van Economische Zaken en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikelen 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=15), en [171, vierde lid, tweede volzin van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=171), de [artikelen artikel 26, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=26), en [157, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=157), de [artikelen 85](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=85), [85a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=85a), [89, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=89), en [118i, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=118i), de [artikelen 2.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.1), [2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3), [7.2.4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4),[7.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.4), en[8.3.3, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.3.3), de [artikelen 2 tot en met 4 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2), [artikel 17, vijfde"},{"i":11306,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juli 2012, nr. WJZ/390448(10167), houdende nadere voorschriften voor de inrichting van de jaarverslaggeving van de bekostigde onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland (Regeling jaarverslaggeving onderwijs BES) Gelet op [artikel 2, eerste en vierde lid van het Besluit informatievoorziening WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029578&artikel=2), [artikel 17, vijfde lid, van het Bekostigingsbesluit WVO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029598&artikel=17) en de [artikelen 2.3.1, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.3.1) en [2.3.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.3.2); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), of in [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1), of [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=1.1.1); - **onderwijsinstelling:** een bekostigde school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1) of [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1), gelegen in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=1.1.1), dan wel het expertisecentrum onderwijszorg, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=28), [artikel 11.18, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020]"},{"i":14236,"b":"Regeling erkenning leerbedrijven SBB Vastgesteld door het Algemeen Bestuur van SBB op 26 juni 2025 en conform [lid 6 van artikel 1.5.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.5.3) (WEB) goedgekeurd door de Minister van OCW op 12 november 2025. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **SBB:** het bestuur van de samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven zoals bedoeld in [artikel 1.5.1 van de Wet Educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.5.1) (WEB). - 2. **Leerbedrijf:** het bedrijf dat of de organisatie die op grond van deze regeling bevoegd is om de beroepspraktijkvorming (bpv) te verzorgen. - 3. **Praktijkopleider:** een door het leerbedrijf aangewezen persoon, die belast is met de begeleiding van de student binnen het leerbedrijf. - 4. **Regeling:** regeling erkenning leerbedrijven opgesteld ingevolge [artikel 1.5.3 lid 1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.5.3) (WEB) en [artikel 2.64 van het Uitvoeringsbesluit van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=2.64) (WVO 2020). - 5. **Student:** mbo-student in de zin van onderwijsdeelnemer als bedoeld in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) (WEB), vmbo-, vso- en pro-leerling in de zin van leerling als bedoeld in de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) (WVO 2020). - 6. **Onderwijsinstelling:** school voor mbo, vmbo, pro of vso. Artikel 2. Doel Uitsluitend bedrijven en organisaties in binnen- en buitenland die voldoen aan de bepalingen in deze regeling en die door SBB als zodanig zijn erkend, zijn bevoegd om op te treden als leerbedrijf1SBB kan de toetsing van buitenlandse bedrijven op de geschiktheid als leerbedrijf overlaten aan buitenlandse partnerorganisaties. De"},{"i":11366,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 27 juni 2016, nummer CvTE-16.01268, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo 2018, initiële vaststelling syllabi vmbo profielvakken beroepsgericht 2017, nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi, tevens preliminaire vaststelling van enkele syllabi 2019, 2020 en 2021 (Regeling syllabi centrale examens VO 2018) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 8 juli 2016, kenmerk 1041200; Besluit: Artikel 1. Vaststelling syllabi 2018 Vervallen Artikel 2. Initiële vaststelling syllabi vmbo profielvakken beroepsgericht 2017 Vervallen Artikel 3. Nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi Vervallen Artikel 4. Preliminaire vaststelling van enkele syllabi 2019, 2020 en 2021 Vervallen Artikel 5. Bekendmaking 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De syllabi als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038351&artikel=1&z=2022-01-01&g=2022-01-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038351&artikel=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038351&artikel=3&z=2022-01-01&g=2022-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038351&artikel=4&z=2022-01-01&g=2022-01-01) worden bekendgemaakt op www.examenblad.nl. Artikel 6. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt: - 1.1. betreffende [artikel 1 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038351&artikel=1&z=2022-01-01&g=2022-01-01): per 1 januari 2019; - 1.2. betreffende [artikel 1 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038351&artikel=1&z=2022-01-01&g=2022-01-01): p"},{"i":14027,"b":"Regeling, houdende de aandachtspunten voor de accountantscontrole voor de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (Regeling aandachtspunten accountantscontrole OPTA) Gelet op [artikel 21 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008807&artikel=21); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008807); - b. het college: het college genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008807&artikel=2). Artikel 2 1. Aandachtspunten voor de accountantscontrole zijn: - a. de wijze van toepassing van het in [artikel 14 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008807&artikel=14) genoemde [Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006836); - b. beoordeling van de uitgangspunten van het door het college gehanteerde kostprijscalculatiemodel; - c. beoordeling van de door het college gehanteerde kostprijscalculatie in relatie tot de gehanteerde waarderingsgrondslagen; - d. beoordeling van de toepassing van het bepaalde in de als bijlage bij deze regeling opgenomen Nota Tarieven bij Verkeer en Waterstaat; en - e. de wijze van toepassing van bindende besluiten van de Europese Unie met betrekking tot aanbestedingen. 2. Het college draagt er zorg voor dat naast de accountantscontrole een onafhankelijke deskundige een oordeel zal uitspreken over het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde element. Artikel 3 Het college stelt jaarlijks, tezamen met de toezending van de jaarstukken, de in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008851&artikel=2&z=1997-08-01&g=1997-08-01), bedoelde bevindingen ten aanzien van de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008851&artikel=2&z=1997-08-01&g=1997-08-01), genoemde elementen ter beschikking a"},{"i":14045,"b":"Regeling administratie grootboekschuld Gelet op [artikel 21 van de Wet administratie grootboekschuld](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007597&artikel=21); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Het aanmelden, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007597&artikel=5) vindt plaats bij het Agentschap. 2. Het Agentschap kan nadere regels voor de aanmelding stellen. Artikel 3 1. Bij de inschrijving, bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007597&artikel=8) wordt aangetekend dat deze in beslag is genomen. 2. Bij de inschrijving, bedoeld in [artikel 8, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007597&artikel=8) wordt aangetekend dat deze in beslag is genomen. Artikel 4 1. Bij de inschrijving, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007597&artikel=9) wordt aangetekend dat deze is bezwaard met een recht van een derde. 2. Bij de inschrijving, bedoeld in [artikel 9, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007597&artikel=9) wordt aangetekend dat deze is bezwaard met een recht van een derde. Artikel 5 1. Bij de inschrijving, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007597&artikel=10) wordt aangetekend dat deze in beslag is genomen indien zowel de rechthebbende als de beslaglegger zich binnen de in [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007597&artikel=5) genoemde periode melden. 2. Bij de inschrijving bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007597&artikel=10) wordt aangetekend dat deze is bezwaard met een recht van een derde indien zowel de rechthebbende als de beslaglegger zich binnen de in [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007597&artikel=5) genoemde periode melden. 3. Bij de in"},{"i":14056,"b":"Regeling van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 18 maart 2014, kenmerk 00.023.059, voor de afgifte van merktekens voor toegelaten modellen speelautomaten Gelet op [artikel 30r, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30r), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) - b. **raad van bestuur:** raad van bestuur, bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a). Artikel 2 Op verzoek van een houder van een toelating van een model speelautomaat verstrekt de raad van bestuur merktekens voor het betreffende model, tegen een vergoeding per merkteken van € 131 voor een kansspelautomaat en € 11 voor een behendigheidsautomaat. Artikel 3 Op verzoek van de houder van een toelating van een model speelautomaat ruilt de raad van bestuur een beschadigd merkteken kosteloos om voor een nieuw merkteken met hetzelfde nummer, mits minimaal de helft van het beschadigde merkteken wordt ingeleverd en het nummer van het beschadigde merkteken nog kan worden vastgesteld. Artikel 4 Op verzoek van de houder van een toelating van een model speelautomaat wordt de betaalde vergoeding voor verstrekte maar niet gebruikte merktekens door de raad van bestuur gerestitueerd, verminderd met € 11 administratiekosten, mits deze merktekens niet langer dan drie maanden tevoren zijn uitgegeven, het merktekens betreft met de laatst uitgegeven nummers en de merktekens aaneengesloten op de originele papierstrook worden ingeleverd. Artikel 5 Op verzoek van de houder van de modeltoelating verstrekt de raad van bestuur afschriften van de verklaring van toelating van het betreffende model, tegen een vergoeding van € 11 per afschrift. Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt terug tot 1 april 201"},{"i":14078,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 december 2007, nr. WJZ/2007/46896 (8228), houdende de behandeling van bezwaarschriften op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en wijziging van het Organisatie- en mandaatbesluit van OCW in dat verband (Regeling behandeling bezwaarschriften OCW) Gelet op de [artikelen 7:2 tot en met 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. ministerie: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. vervallen; - d. bezwaar: bezwaar als bedoeld in [artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1); - e. bezwaarde: degene die bezwaar maakt als bedoeld in [artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1); - f. bezwaarschrift: bezwaarschrift als bedoeld in [artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5); - g. DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs; - h. DG-DUO: directeur-generaal van de DUO; - i. WSF2000: [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453); en - j. WTOS: [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438). Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op te nemen beslissingen op bezwaarschriften op het gehele terrein van het ministerie, met uitzondering van bezwaren tegen handelingen en besluiten waarbij een ambtenaar als bedoeld in [artikel 1 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=1) als zodanig belanghebbende is. Artikel 3 1. De organisatie van de behandeling van de bezwaarschriften berust bij DUO. 2. Het bepaalde in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023195&artikel=4&z=2011-06-"},{"i":13378,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden mediators 2026 (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 5 november 2025 krachtens [artikel 33b van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33b), goedgekeurd bij besluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 17 november 2025). Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die mediation in de zin van de wet willen verrichten zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De gerechten en het Juridisch Loket verwijzen alleen door naar mediators die staan ingeschreven bij de Raad voor Rechtsbijstand en die aan de gestelde eisen in de inschrijvingsvoorwaarden voldoen. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en volgende van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: In het onderstaande zijn deze inschrijvingsvoorwaarden uitgewerkt. Deze inschrijvingsvoorwaarden zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar mediators die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. De Raad en het MfN-register hebben in 2018 een informatieprotocol afgesloten waarin afspraken zijn gemaakt omtrent het uitwisselen van informatie die van belang kan zijn voor de inschrijving bij de Raad dan wel de registratie bij het MfN-register en die als doel heeft de kwaliteit van mediators binnen het stelsel te borgen. Deze afspraken worden jaarlijks geëvalueerd en zo nodig aangepast. Door zich bij de Raad in te schrijven stemt de mediator met deze afgesproken informatie uitwisseling in en geeft hij daarvoor toestemming aan de Raad. De Raad heeft voorts een privacyverklaring opgesteld waarin is aangegeven op welke wijze zij persoonsgegevens verwerkt.1[https://www.rvr."},{"i":13431,"b":"Instellingsbesluit Adviescommissie Organisatie en Financiering Pallas Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Pallas:** project ter realisatie van een nieuwe onderzoeksreactor te Petten, die dient ter vervanging van de Hoge Flux Reactor; - b. **de minister:** de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - c. **de commissie:** de Adviescommissie Organisatie en Financiering Pallas; - d. **de kwartiermaker:** tijdelijke functionaris die geen lid van de commissie is die in opdracht van de minister belast is met het: - 1°. uitvoeren van een kritische toets op het tot nu toe verrichte werk van het Energieonderzoek Centrum Nederland/de Nuclear Research and consultancy Group (ECN/NRG), met het oog op het aantrekken van private financiering voor de bouw en exploitatie van Pallas; - 2°. opzetten van een professionele organisatie voor de realisatie van Pallas, inclusief het samenstellen van een projectteam; - 3°. opstellen van een business plan dat zich richt op ontwerp, aanbesteding en vergunningverlening van de reactor (periode 2012-2017) en het aantrekken van private financiering voor de bouw en exploitatie. Artikel 2 1. Er is een Adviescommissie Organisatie en Financiering Pallas. 2. De commissie heeft tot taak: - a. te fungeren als klankbord voor de kwartiermaker en diens voorstellen van commentaar te voorzien; - b. de minister te adviseren over de inrichting van de nieuwe entiteit die tot taak krijgt een nieuwe onderzoeksreactor in Petten te realiseren, onder meer door het aantrekken van private financiering voor de bouw en exploitatie van Pallas, en over de wijze waarop de middelen van het Rijk en de provincie Noord-Holland ten gunste van Pallas ingezet kunnen worden. Artikel 3 1. De commissie voorziet de voorstellen van de kwartiermaker aan de minister van een waardering middels een begele"},{"i":11191,"b":"Informatie- en communicatietechnologie (ict) in de centrale examens voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) 2004 Algemeen In deze mededeling deelt de CEVO mee bij welke centrale examens in het examenjaar 2004 naar verwachting ict-toepassingen gebruikt worden. 1. Bij welke vakken is de computer nodig De computer is nodig bij: Een gedeelte van de eindtermen die in het cpe BB en de cie KB worden getoetst heeft betrekking op ict. De CEVO streeft er naar bij de praktische examens voor de beroepsgerichte programma’s (cpe BB en cie KB) waar dat zinvol en functioneel is, één of meer opdrachten met de computer te laten uitvoeren. Het aantal benodigde computers wordt bepaald door het aantal kandidaten dat de school gelijktijdig wil examineren. Bij de meeste beroepsgerichte programma’s werd de computer in 2003 reeds gebruikt bij één of meer onderdelen van het cpe BB en/of de cie KB. Voor 2004 wordt deze lijn voortgezet. De verwachting is dat de computer bij alle beroepsgerichte programma’s gebruikt wordt in het cpe BB 2004 en/of de cie KB 2004. Alleen verzorging, zorg-en-welzijnbreed en de vakrichtingen in de sector landbouw kenden in 2003 nog geen ict-opdrachten. Daar komt in 2004 verandering in. Als de er voor de ict-opdrachten in de praktische examens van de laatstgenoemde vakken geen alternatief (zonder ict) is, komen voorbeeldopgaven beschikbaar via **www.vmboexamengids.nl.** In de meeste gevallen gaat het daarbij om standaardprogrammatuur, zoals een tekstverwerker en/of een spreadsheet. Andere toepassingsmogelijkheden zijn een beheersautomatiseringssysteem, een CAD-programma, presentatieprogrammatuur en bestaande CD-rom’s waarop informatie kan worden gezocht. De te gebruiken computerprogramma’s zijn principe ook in gebruik tijdens de reguliere lessen in het desbetreffende beroepsgerichte programma. 2. Mogelijk computergebruik Computergebruik is mogelijk bij:"},{"i":13802,"b":"Machtigingen tot vervanging archiefbescheiden Arrondissement Zutphen besluit: Het arrondissement Zutphen te machtigen tot vervanging van onderstaande archiefbescheiden uit het arrondissementsarchief over de periode 1940-1969. De archiefbescheiden zijn in het kader van het proefproject verfilming in 1992 op microfilm gezet: - strafvonnissen; - strafkamervonnissen; - strafvonnissen meervoudige kamer; - fiscaalvonnissen; - economische vonnissen; - politierechtervonnissen; - appèlvonnissen; - appèlvonnissen volledige meervoudige kamer; - kinderzittingen en kinderzaken; - kinderrechter meervoudige kamer; - appèlzaken II vonnissen; - vonnisboeken; - klapperkaarten straf 2, 3 en 4 zaken; - klapperkaarten economische politierechter; - parketregisters; - placettenregisters; - arresten gerechtshof; - rolkaarten civiele zaken; - civiele vonnissen; - civiele vonnissen kort geding; - registers van kort geding; - kort geding klappers; - audiëntiebladen kort geding; - audiëntiebladen civiele zaken; - klapperkaarten civiele zaken; - zittingslijsten. De machtiging wordt verleend onder de vaststelling, dat de bovengenoemde archiefbescheiden niet als te vernietigen zijn aangemerkt in de `lijst van te vernietigen archiefbescheiden, dagtekenende van na 1946 en berustende onder het beheer van de griffiers van de arrondissementsrechtbanken', zoals vastgesteld bij de gezamenlijke beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Justitie van 11 maart 1991 (gepubliceerd in de Staatscourant, nummer 64, van 3 april 1991)."},{"i":11982,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Euroteam, directie Binnenlands Geldwezen en directie Financiële Markten, (1995) 1996 – 2002 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, b en c Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 7 februari 2017, met kenmerk 1140844. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief **van het Euroteam, directie Binnenlands Geldwezen en directie Financiële Markten, (1995) 1996 – 2002** van het ministerie van Financiën. Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot | Motivatie | | --- | --- | --- | | 131 | 2027 | De inventarisnummers bevatten informatie over de wijze waarop gelddistributie en de beveiliging daarvan heeft plaats gevonden. | | 132 | 2027 | De inventarisnummers bevatten informatie over de wijze waarop gelddistributie en de beveiliging daarvan heeft plaats gevonden. | | 137 | 2027 | De inventarisnummers bevatten informatie over de wijze waarop gelddistributie en de beveiliging daarvan heeft plaats gevonden. | | 139 | 2027 | De inventarisnummers bevatten informatie over de wijze waarop gelddistributie en de beveiliging daarvan heeft plaats gevonden. | | 140 | 2027 | De inventarisnummers bevatten informatie over de wijze waarop gelddistributie en de beveiliging daarvan heeft plaats gevonden. | | 141 | 2027 | De inventarisnummers bevatten informatie over de wijze waarop gelddistributie en de beveiliging daarvan heeft plaats gevonden. | | 142 | 2027 | De inventarisnummers bevatten informatie over de wijze waarop gelddistributie en de beveiliging daarvan heeft plaats gevonden. | | 144 | 2027 | De inventarisnummers bevatten informatie over de wijze"},{"i":13843,"b":"Wet van den 21sten April 1933, tot verzekering van mijnarbeiders tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit en ouderdom Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is, dat nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de verzekering van mijnarbeiders tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit en ouderdom; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 1. De mijnarbeider, bedoeld in [artikel 3, letters a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001960&artikel=3&z=2002-01-01&g=2002-01-01), die niet ook uit anderen hoofde dan wegens het lidmaatschap van de pensioenkas van het Fonds niet-verzekeringsplichtig is krachtens de Invaliditeitswet, en bij diens overlijden zijn nagelaten betrekkingen, hebben tegenover het Fonds ten minste dezelfde aanspraken, welke zij krachtens de bepalingen der Invaliditeitswet in verbindig met die der Liquidatiewet invaliditeitswetten, ingeval van invaliditeit, ouderdom en overlijden tegenover de Bank zouden kunnen doen gelden, indien [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001960&artikel=3&z=2002-01-01&g=2002-01-01) met betrekking tot dien arbeider niet zou hebben gegolden. 2. De in het voorgaand lid bedoelde mijnarbeider wordt voor de toepassing van dat lid geacht voor zijn verzekering in rekening te kunnen doen brengen zooveel maal rentezegels ter waarde van 60 centen als het aantal kalenderweken - een deel van een kalenderweek voor een volle week gerekend - bedraagt van den duur van zijn lidmaatschap van de pensioenkas van het Fonds voor 1 januari 1965. Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 1. Het Rijk verleent aan het Fonds gedurende 75 jaren een uitkeering van € 181 512 per jaar als bijdrage i"},{"i":11312,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 april 2023, nr. HO&S/35600834, houdende nadere regels inzake de macrodoelmatigheid van het opleidingsaanbod in het hoger onderwijs (Regeling macrodoelmatig opleidingsaanbod hoger onderwijs 2023) Gelet op de [artikelen 2:15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:15), en [4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikel 6.2 vierde en tiende lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.2); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - a. **wet:** [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - b. **bestaand opleidingsaanbod:** het reeds bestaande opleidingsaanbod van alle bekostigde opleidingen tezamen, tenzij anders aangegeven; - c. **CDHO:** Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs; - d. **clusteraanvraag:** het tegelijkertijd aanvragen van een macrodoelmatigheidstoets voor meerdere, met elkaar samenhangende, opleidingen door één of meer instellingen; - e. **instelling:** een bekostigde instelling, opgenomen in de [bijlage van de wet onder a tot en met i](onbekend); - f. **instellingsplan:** een instellingsplan, als bedoeld in [artikel 2.2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=2.2); - g. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - h. **nevenvestiging:** een nevenvestiging als bedoeld in [artikel 7.17, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.17); - i. **NVAO:** Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie; - j. **onbekostigde instelling:** rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - k. **onbekostigde opleiding:** een associate degree-opleiding, een bacheloropleiding o"},{"i":12675,"b":"Besluit van 18 september 2003, houdende de van toepassingverklaring van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en ongevallen op de schade en kosten tengevolge van de dijkdoorbraak op 26 augustus 2003 in Wilnis Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 september 2003, nr. EB2003/77905; Gelet op [artikel 3 van de wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De [Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637) is van toepassing op de schade en kosten die zijn ontstaan ten gevolge van de dijkdoorbraak op 26 augustus 2003 te Wilnis (gemeente De Ronde Venen). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12291,"b":"Besluit van 8 maart 2022, nr. 2022000289, houdende gelijkstelling van 28 april 2023, 19 mei 2023, 10 mei 2024, 27 december 2024 en 30 mei 2025 met een algemeen erkende feestdag Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 10 februari 2002, directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving, directie Juridische en Operationele Aangelegenheden, nr. 3716027; Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3) worden gelijkgesteld 28 april 2023, 19 mei 2023, 10 mei 2024, 27 december 2024 en 30 mei 2025. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van verschijning van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Justitie en Veiligheid is belast met de uitvoering van dit besluit."},{"i":11313,"b":"Regeling maritieme radiocommunicatie examens BES Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **commissie:** de examencommissie belast met het afnemen van examens ter verkrijging van een certificaat voor het bedienen van een zendinrichting, bedoeld in [artikel 30 van het Besluit telecommunicatie scheepvaart BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028399&artikel=30); - b. **voorzitter:** de voorzitter van de commissie of bij ontstentenis van deze de plaatsvervangend voorzitter; - c. **kandidaat:** degene die zich voor deelneming aan een examen heeft aangemeld; - d. **examen:** een examen, als bedoeld in de [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028399&artikel=30) en [31 van het Besluit telecommunicatie scheepvaart BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028399&artikel=31); - e. **certificaat:** het bewijsstuk van een met goed gevolg afgelegd examen. Toelating tot de examens Artikel 2 Voor deelname aan een examen moet de kandidaat de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Aanmelding Artikel 3 1. De voorzitter stelt de plaats, de datum en het tijdstip van de examens vast. Van de wijze van aanmelding wordt mededeling gedaan in de plaatselijke media. 2. Na voldoening van de verschuldigde vergoeding, bedoeld in [artikel 31, zesde lid, van het Besluit telecommunicatie scheepvaart BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028399&artikel=31), binnen de door de voorzitter te stellen termijn, ontvangt de kandidaat ten minste acht dagen voor het examen een schriftelijke uitnodiging tot deelneming. 3. De vergoedingen bedoeld in het tweede lid worden niet terugbetaald indien een kandidaat zich terugtrekt dan wel niet op het examen verschijnt. Categorieën examens Artikel 4 1. De volgende examens worden afgenomen: - a. het examen algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie; - b. het examen beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie; - c. het examen VHF marifonie certificaat. 2. De in het eerste lid genoemde examens zijn in overeenst"},{"i":13491,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 20 juli 2010, nr. WJZ/10108334, houdende instelling van de Commissie FES Bedrijventerreinen 2010–2020 (Instellingsbesluit Commissie FES Bedrijventerreinen 2010–2020) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commissie:** de Commissie FES Bedrijventerreinen 2010–2020; - b. **minister:** de Minister van Economische Zaken; - c. **convenant :** het Convenant Bedrijventerreinen 2010–2020, Stcrt. 2010, 3961; - d. **projectvoorstel:** een voorstel voor herstructurering van een bedrijventerrein als bedoeld in artikel 6, onderdeel f, van het convenant; - e. **FES:** Fonds Economische Structuurversterking; - f. **beoordelingscriteria:** de criteria gesteld aan te herstructureren bedrijventerreinen om in aanmerking te komen voor een bijdrage uit FES als bedoeld in de brief van de minister en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Tweede Kamer der Staten Generaal van 3 december 2009, Kamerstukken II 2009/10, 31 253, nr. 22. Artikel 2 1. Er is een Commissie FES Bedrijventerreinen 2010–2020. 2. De commissie heeft tot taak de projectvoorstellen te beoordelen aan de hand van de beoordelingscriteria. 3. De commissie zal in elk geval beoordelen of een projectvoorstel: - a. een bedrijventerrein betreft waar internationaal georiënteerde economische activiteiten worden uitgevoerd zoals: - 1°. grootschalige en hoogwaardige logistieke dienstverlening en direct daaraan gerelateerde industriële activiteiten in de Zuidvleugel van de Randstad; - 2°. hoogwaardige ontwikkelactiviteiten op het gebied van medische life sciences in de Noordvleugel van de Randstad; - 3°. hoogwaardige logistieke dienstverlening en direct daaraan gerelateerde industriële activiteiten in Zeeland en Noord-Limburg; - 4°. internationaal hoogwaardig technologisch onderh"},{"i":11314,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 23 augustus 2011, nr. WJZ/316031 (4905) houdende modellen diploma’s, cijferlijsten, certificaten, getuigschrift, bewijs van ontheffing met verklaring vwo, havo, vmbo en getuigschrift praktijkonderwijs voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling modellen diploma’s VO BES) Gelet op de [artikelen 72, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=72), en [73 van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=73), de [artikelen 9, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029990&artikel=9), [39, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029990&artikel=39), [40, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029990&artikel=40), en [41, vierde lid, van het Eindexamenbesluit VO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029990&artikel=41) en de [artikelen 10, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029981&artikel=10), [28, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029981&artikel=28), en [29, derde lid, van het Staatsexamenbesluit VO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029981); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **wet:** [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - **instelling voor educatie en beroepsonderwijs:** een instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1, onderdeel b van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=1.1.1) voor zover het betreft door die instelling verzorgde opleidingen vavo; - **vavo:** voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in [artikel 7.3.1., eerste lid, onderdeel a van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.3.1); - **waardepapier:** beveiligde papiersoort die wordt gebruikt voor de in deze regeling genoemde waardedocumenten; - **waard"},{"i":12242,"b":"Besluit van het college van afgevaardigden van 7 december 2016 tot vaststelling van de hoogte van de financiële bijdrage (Besluit financiële bijdrage 2017) gelet op [artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=32); gezien de door de algemene raad aan het college van afgevaardigden voorgelegde begroting van inkomsten en uitgaven voor het jaar 2017; Besluit: Artikel 1. Hoogte financiële bijdrage 1. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2017 voor categorie 1 bedraagt: € 790. 2. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2017 voor categorie 2 bedraagt: € 259. Artikel 2. Slotbepalingen 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële bijdrage 2017."},{"i":11315,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 juni 2008, nr. VO/OK/2008/51284, houdende modellen diploma’s, cijferlijsten, certificaten, getuigschrift, bewijs van ontheffing met verklaring v.w.o.-h.a.v.o.-v.m.b.o. en getuigschrift praktijkonderwijs (Regeling modellen diploma’s v.w.o.-h.a.v.o.-v.m.b.o.) Mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op: – [artikel 29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=29), – [artikel 29a, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=29a), – [artikel 10, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004593&artikel=10), – [artikel 52, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004593&artikel=52), – [artikel 52a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004593&artikel=52a), en – [artikel 53, vierde lid, van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004593&artikel=53), – [artikel 11, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011538&artikel=11), – [artikel 30, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011538&artikel=30), en – [artikel 31, derde lid, van het Besluit staatsexamens vwo-havo-mavo 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011538&artikel=31). Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. WVO 2020: [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - b. vmbo: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 2.93 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.93); - c. vwo: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in [artikel 2.4 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.4); - d. havo: hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.5 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.5); - e. p"},{"i":11914,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 17 juli 2019, nr. WJZ/19094095, handelende in overeenstemming met de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, inzake de keuze voor het instrument veiling van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep kavels B05, B28, B29 en B34, de vaststelling van die vergunningen, en de vaststelling van de daaraan te koppelen vergunningen voor digitale radio-omroep (Besluit bekendmaking veiling kavels B05, B28, B29 en B34) Gelet op [artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10), en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio in de FM-band met de daaraan, voor zover nu reeds mogelijk, te verbinden voorschriften en beperkingen, genoemd in tabel 1, worden verleend met toepassing van een veiling als bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). | Kavel | Bijlage | Demografisch bereik | | --- | --- | --- | | **B05** | 1 | 16,77% | | **B28** | 2 | 0,19% | | **B29** | 3 | 0,23% | | **B34** | 4 | 0,13% | Artikel 2 De procedure van de veiling vangt aan op 3 september 2019. Artikel 3 De vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042430&artikel=1&z=2019-07-20&g=2019-07-20), zijn nader bestemd voor niet-landelijke commerciële radio-omroep. Artikel 4 De voorschriften en beperkingen behorende bij de aan de vergunningen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042430&artikel=1&z=2019-07-20&g=2019-07-20), te koppelen vergunningen voor digitale radio-omroep worden, voor zover dat reeds mogelijk is, vastgesteld in [bijlagen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042430&bijlage=5&z=2019-07-20&g=2019-07-20) en [6](https://wetten.overhe"},{"i":12692,"b":"Besluit van 31 maart 2009 houdende de vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2009 worden uitgegeven ter gelegenheid van 400 jaar Nederland-Manhattan/New York Op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 00 maart 2009, nr. FM/2009/596 M, Generale Thesaurie, directie Financiële Markten, afdeling Algemeen en Internationaal; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stb. 2009/179. Artikel 1 1. De beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2009 worden uitgegeven ter gelegenheid van 400 jaar Nederland-Manhattan/New York is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: rechtsboven Onze beeltenis met het omschrift ‘BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN’, afgebeeld als een munt in de munt, tegen de achtergrond van de plattegrond van het huidige Manhattan met linksboven onder elkaar het teken van de Muntmeester en het teken van de Munt linksboven beginnend tegen de klok in de tekst ‘400 JAAR-NEDERLAND-MANHATTAN-NEW YORK’; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: rechtsboven, afgebeeld als een munt in de munt, het getal 5 met daaromheen ‘20’ en ‘09’ en er onder de waardeaanduiding ‘VIJF EURO’ respectievelijk ‘TIEN EURO’, tegen de achtergrond van de plattegrond van Manhattan in 1609; linksboven beginnend tegen de klok de tekst ‘IT IS ON THAT SIDE OF THE RIVER THAT IS CALLED MANNA-HATA’, daarboven de tekst ‘DE HALVE MAEN, 2 OKTOBER 1609’ en rechts daarvan onder elkaar het teken van de VOC-kamer Amsterdam, de drie kruizen van de stad Amsterdam, horizontaal afgebeeld, en de Nederlandse leeuw van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift ‘GOD * ZIJ * MET * ONS’. 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de da"},{"i":12255,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2010 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2010 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | 29.200 | | --- | --- | | Grens grote/kleine werkgever | 730.000 | | Gemiddelde percentage | 0,53% | | Maximumpremie grote werkgevers | 2,12% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 1,59% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,59% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,36% | | Rekenpercentage | 0,59% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,47 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar **bekend** 2 jaar **bekend** 3 jaar **bekend** 4 jaar **bekend** | 5,00 2,50 1,66 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2010. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11316,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 augustus 2019, nr. MBO-1456697, houdende vaststellen van modellen en toetsingskaders op grond van het Besluit experiment geregionaliseerde beroepsopleidingen en kwalificaties mbo (Regeling modellen en toetsingskader geregionaliseerde beroepsopleidingen en kwalificaties mbo) Gelet op [artikel 10 van het Besluit experiment geregionaliseerde beroepsopleidingen en kwalificaties mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041819&artikel=10); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepaling Artikel 1. Begripsbepalingen - **besluit:** [Besluit experiment geregionaliseerde beroepsopleidingen en kwalificaties mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041819); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Paragraaf 2. Modellen en toetsingskader Artikel 2. Melding ontwikkeling landelijk deel Het bevoegd gezag van een instelling die voornemens is samen met een of meer andere instellingen een landelijk deel te ontwikkelen, maakt bij de melding, bedoeld in[artikel 9, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041819&artikel=9) gebruik van het model, opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042524&bijlage=1&z=2020-11-25&g=2020-11-25) bij deze regeling. Artikel 3. Aanvraag vaststellen landelijk deel Het bevoegd gezag maakt bij het indienen van de aanvraag, op grond van [artikel 12 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041819&artikel=12), voor het vaststellen van het landelijk deel van een geregionaliseerde kwalificatie, gebruik van het formulier, bedoeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042524&bijlage=2&z=2020-11-25&g=2020-11-25) bij deze regeling. Artikel 4. Aanvraag goedkeuren regionaal deel, regionale keuzedelen en koppeling keuzedelen Het bevoegd gezag maakt bij de aanvragen, bedoeld in [artikel 16, eerste, tweede en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041819&artikel=16"},{"i":13900,"b":"Openbaarheid archiefbescheiden Bureau Nationale Veiligheid Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen worden aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief over te brengen archiefbescheiden van het Bureau Nationale Veiligheid, tot 1 januari 2025, de volgende beperkingen gesteld: - 1. De bijlagen bij de inventaris van bovengenoemd archief zijn niet openbaar. - 2. Raadpleging van de archiefbescheiden is slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Algemeen Rijksarchief. Deze toestemming kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - a. De verzoeker vult hiertoe het Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven in en ondertekent het formulier. De verzoeker verklaart daarmee tevens zich te zullen houden aan de in het formulier opgenomen bepalingen. Een exemplaar van het formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. - b. De verzoeker krijgt voor de inzage van persoons- en personeelsdossiers, welke omschreven zijn in de niet-openbare bijlagen, slechts toestemming indien hij aan kan tonen dat: hijzelf betrokkene is, of; betrokkene overleden is, of; betrokkene langer dan 100 jaar geleden geboren is, of; betrokkene schriftelijk toestemming tot inzage van diens dossier door de verzoeker geeft. - 3. Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van documenten uit de dossiers, waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn, zonder toestemming van de directeur van het Algemeen Rijksarchief. De directeur van het Algemeen Rijksarchief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. - 4. Publicatie van gegevens uit de ter inzage gegeven archiefbescheiden is slecht"},{"i":11322,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 24 januari 2022, nr. 29713506, houdende vaststelling van het onderwijsaccountantsprotocol voor de sectoren PO, VO, MBO en HO (Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2021) Gelet op [artikel 157, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=157), [artikel 171, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=171), de [artikelen 18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045100&artikel=18), en [24, zevende lid, van het Besluit bekostiging WVO 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045100&artikel=24), [artikel 5.2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=5.2.5) en [artikel 4.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.4); Besluit: Artikel 1. Vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW Het protocol voor de controle en onderzoek door de accountant over het jaar 2021 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Intrekking [Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037538) De [Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037538) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2021. 2. Deze regeling heeft betrekking op het jaar 2021 en vervalt met ingang van 1 januari 2028. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2021. Bijlage. bij de Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2021 Versie 6 december 2021 Inleiding 1 december 2021 Dit is het onderwijsaccountantsprotocol OCW"},{"i":11324,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 17 januari 2024, nr. 37459664, houdende vaststelling van het onderwijsaccountantsprotocol voor de sectoren PO, VO, MBO en HO (Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2023) Gelet op [artikel 141, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=141), [artikel 165, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=165), de [artikelen 6.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.12), en [6.19, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.19), [artikel 5.2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=5.2.5) en [artikel 4.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.4); Besluit: Artikel 1. Vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW Het protocol voor de controle en onderzoek door de accountant over het jaar 2023 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Intrekking [Regeling wijziging en nieuwe vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040582) De [Regeling wijziging en nieuwe vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040582) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023. 2. Deze regeling heeft betrekking op het jaar 2023 en vervalt met ingang van 1 januari 2030. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2023. Bijlage. bij de Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2023 Versie 12 december 2"},{"i":11325,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 februari 2025, nr. 47871911, houdende vaststelling van het onderwijsaccountantsprotocol voor de sectoren PO, VO, MBO en HO (Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2024) Gelet op [artikel 141, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=141), [artikel 165, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=165), de [artikelen 6.12, derdelid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.12), en [6.19, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.19), [artikel 5.2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=5.2.5) en [artikel 4.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.4); Besluit: Artikel 1. Vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2024 Het protocol voor de controle en het onderzoek door de accountant over het jaar 2024 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Intrekking [Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041869) De [Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041869) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. 2. Deze regeling heeft betrekking op het jaar 2024 en vervalt met ingang van 1 januari 2031. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2024. Bijlage. bij de Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2024 Versie 20 december 2024 Inleiding 1 december 2024 Dit is het onderwijsaccountantspro"},{"i":11326,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 februari 2026, nr. 54236746, houdende vaststelling van het onderwijsaccountantsprotocol voor de sectoren PO, VO, MBO en HO (Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2025) Gelet op [artikel 141, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=141), [artikel 165, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=165), de [artikelen 6.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.12), en [6.19, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.19), [artikel 5.2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=5.2.5) en [artikel 4.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=4.4); Besluit: Artikel 1. Vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2025 Het protocol voor de controle en het onderzoek door de accountant over het jaar 2025 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. 2. Deze regeling heeft betrekking op het jaar 2025 en vervalt met ingang van 1 januari 2032. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2025. Bijlage. bij de Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2025 Versie 9 december 2025 Inleiding 1 juli 2025 Dit is het onderwijsaccountantsprotocol OCW 2025, hierna te noemen accountantsprotocol. Instellingen worden gevraagd om vrijwillig een controle te laten uitvoeren op de tijdige aanwezigheid van de VOG. Deze afzonderlijke opdracht is als bijlage IV bij het OAP gevoegd. De control"},{"i":13388,"b":"Instelling Commissie brede heroverweging loodswezen Besluit: Artikel 1 Voor de periode van 1 juni 1995 tot en met 1 juni 1997 wordt ingesteld de Commissie brede heroverweging loodswezen, verder te noemen de commissie. Artikel 2 1. De commissie heeft tot taak op basis van verkenningen in de scheepvaartsector en een evaluatie van het tot nu toe gevoerde beleid te komen tot aanbevelingen aan de Minister van Verkeer en Waterstaat ter verbetering van de totale structuur van het loodsen van zeeschepen in Nederland, tegen de achtergrond van: - a. het gewenste niveau van veiligheid en vlotheid van het scheepvaartverkeer; - b. de concurrentiepositie van de Nederlandse zeehavens; - c. de Europese en nationale mededingingsregels. 2. Uiterlijk op 1 juni 1997 brengt de commissie haar eindrapport uit aan de Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 3 1. In de commissie hebben zitting: - a. prof. dr. P. H. A. Frissen, te Breda, voorzitter, tevens lid; - b. drs. J. Achterstraat, te Badhoevedorp, lid; - c. de heer J. W. Boekhoven, te Schiermonnikoog, lid; - d. de heer J. C. T. van der Doef, te Vlissingen, lid; - e. prof. ir. H. Molenaar, te Rotterdam, lid. 2. De secretaris van deze commissie is: drs. W. J. N. Ligthart, te Deventer. 3. De commissie kan zich na verkregen toestemming door of namens de Minister van Verkeer en Waterstaat laten bijstaan door deskundigen. Artikel 4 1. De voorzitter ondertekent namens de commissie de rapporten en andere schriftelijke stukken van de commissie. 2. Het eindrapport moet bij voorkeur door de gehele commissie worden gedragen. 3. Indien blijkt dat het eindrapport niet door alle leden van de commissie wordt gedragen, wordt vooraf door de gehele commissie overleg gevoerd met de Minister van Verkeer en Waterstaat. Van deze beschikking wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant en door toezending van een afschrift aan de leden van de commissie."},{"i":11328,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 24 januari 2022, nr. 25679618, houdende vaststelling van het onderwijsaccountantsprotocol voor de sectoren PO, VO en MBO in Caribisch Nederland (Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2021) Gelet op [artikel 131, vierde lid, tweede volzin, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=131), de [artikelen 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029598&artikel=14), en [17, zesde lid, van het Bekostigingsbesluit WVO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029598&artikel=17) en [artikel 5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029696&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES Het protocol voor de controle en onderzoek door de accountant over het jaar 2021 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Intrekking [Regeling onderwijsaccountantsprotocol BES 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037564) De [Regeling onderwijsaccountantsprotocol BES 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037564) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2021. 2. Deze regeling heeft betrekking op het jaar 2021 en vervalt met ingang van 1 januari 2028. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2021. Bijlage. bij de Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2021 Versie 6 december 2021 Inleiding Dit is het onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2021. Dit protocol is afgeleid van het onderwijsaccountantsprotocol OCW 2021 en waar nodig aangepast aan de wet- en regelgeving zoals die op de BES-eilanden van toepassing is. Met ingang van het verslagjaar 2015 is het onderwijsaccountantsprotocol OCW BES"},{"i":11329,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 22 december 2022, nr. 34119112, houdende vaststelling van het onderwijsaccountantsprotocol voor de sectoren PO, VO en MBO in Caribisch Nederland (Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2022) Gelet op [artikel 125, vierde lid, tweede volzin, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=125), de [artikelen 6.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.12), en [6.19, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.19) en [artikel 5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029696&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES Het protocol voor de controle en onderzoek door de accountant over het jaar 2022 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Intrekking [Regeling onderwijsaccountantsprotocol BES 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039402) De [Regeling onderwijsaccountantsprotocol BES 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039402) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2022. 2. Deze regeling heeft betrekking op het jaar 2022 en vervalt met ingang van 1 januari 2029. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2022. Bijlage. bij de Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2021 Versie 8 december 2022 Inleiding 1 juli 2019 Dit is het onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2022. Dit protocol is afgeleid van het onderwijsaccountantsprotocol OCW 2022 en waar nodig aangepast aan de wet- en regelgeving zoals die op de BES-eilanden van toepassing is. Met ingang van het verslagjaar 2015 is het onderwijsacco"},{"i":11330,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 17 januari 2024, nr. 37495418, houdende vaststelling van het onderwijsaccountantsprotocol voor de sectoren PO, VO en MBO in Caribisch Nederland (Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2023) Gelet op [artikel 125, vierde lid, tweede volzin, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=125), de [artikelen 6.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.12), en [6.19, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.19) en [artikel 5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029696&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES Het protocol voor de controle en onderzoek door de accountant over het jaar 2023 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Intrekking [Regeling onderwijsaccountantsprotocol BES 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040579) De [Regeling onderwijsaccountantsprotocol BES 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040579) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023. 2. Deze regeling heeft betrekking op het jaar 2023 en vervalt met ingang van 1 januari 2030. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2023. Bijlage. bij de Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW 2023 Inleiding 1 juli 2019 Dit is het onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2023. Dit protocol is afgeleid van het [onderwijsaccountantsprotocol OCW 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049404) en waar nodig aangepast aan de wet- en regelgeving zoals die op de BES-eilanden van toepassing is. Met ingang van het verslagjaar 20"},{"i":13157,"b":"Contributieverordening 2003 gelet op de [Algemene Contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006188), stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 De contributie voor de contributiegroepen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Algemene Contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006188&artikel=1) bedraagt: - –. Groep A € 1150,– - –. Groep B € 575,– - –. Groep C € 235,– - –. Groep D € 105,–. Artikel 2 Het bedrag, bedoeld in [artikel 2 van de Algemene Contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006188&artikel=2), wordt vastgesteld op € 12.020,–. Artikel 3 De korting voor automatische incasso als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Algemene Contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006188&artikel=8) bedraagt 2%. Artikel 4 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2003. 2. Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam ‘Contributieverordening 2003’."},{"i":12559,"b":"Besluit van 10 juni 2020, houdende regels over de onderzoeken die kunnen worden ingezet op Bonaire, Sint Eustatius en Saba ter vaststelling van het gebruik van alcohol of andere stoffen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden (Besluit rijden onder invloed BES) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2803524; Gelet op [artikel 5a, derde lid, van de Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028317&artikel=5a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 maart 2020, nr. W16.20.0013/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 4 juni 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2921250; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **blaastest:** een blaastest als bedoeld in [artikel 5a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028317&artikel=5a); - b. **bloedonderzoek:** een onderzoek van bloed als bedoeld in [artikel 5a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028317&artikel=5a); - c. **eilandsverordening:** de verordening van Bonaire, Sint Eustatius of Saba op grond waarvan het een persoon niet is toegestaan een motorrijtuig te besturen of onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen boven de voor alcohol vastgestelde grenswaarde; - d. **opsporingsambtenaar:** een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184); - e. **wet:** de [Wet aansprakelijkheid bestuurders, rijbevoegdheid en rijvaardigheid BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028317). § 2. Blaastest Artikel 2 1. Een blaastest bestaat uit: - a. een voorlopig ademonderzoek met een ademtester; en - b. een nader ademonderzoek met een ademanalyseap"},{"i":11331,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 februari 2025, nr. 47871215, houdende vaststelling van het onderwijsaccountantsprotocol voor de sectoren PO, VO en MBO in Caribisch Nederland (Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2024) Gelet op [artikel 125, vierde lid, tweede volzin, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=125), de [artikelen 6.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.12), en [6.19, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.19) en [artikel 5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029696&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2024 Het protocol voor de controle en het onderzoek door de accountant over het jaar 2024 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Intrekking [Regeling onderwijsaccountantsprotocol BES 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041857) De [Regeling onderwijsaccountantsprotocol BES 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041857) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. 2. Deze regeling heeft betrekking op het jaar 2024 en vervalt met ingang van 1 januari 2031. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2024. Bijlage. bij de Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2024 Versie 20 december 2024 Inleiding 1 december 2024 Dit is het onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2024. Dit protocol is afgeleid van het [onderwijsaccountantsprotocol OCW 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050870) en waar nodig aangepast aan de wet- en regelgeving zoals die op de BES-eilanden van toepass"},{"i":11333,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 18 januari 2024 nr. 43197358, houdende de vaststelling van een nieuwe Regeling onderwijskansen voortgezet onderwijs ter vervanging van de Regeling leerplusarrangement vo (Regeling onderwijskansen voortgezet onderwijs) Gelet op [artikel 5.9, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **onderwijskansenscore:** overeenkomstig [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049325&artikel=5&z=2026-01-30&g=2026-01-30) berekende score van een vestiging die een indicatie geeft van de zwaarte van de problematiek op die vestiging op basis van de aggregatie van de onderwijsscores van de leerlingen van de vestiging; - **onderwijsscore:** cijfermatige indicatie van het verwachte risico op onbenut leerpotentieel van een individuele leerling, die op basis van statistische gegevens door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt bepaald; - **school:** school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **schoolplan:** schoolplan als bedoeld in [artikel 2.88 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.88); - **teldatum:** 1 oktober van het tweede voorafgaande jaar waarop de bekostiging betrekking heeft; - **vestiging:** op de teldatum bestaande vestiging van een school als bedoeld in de [artikelen 4.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.13), [4.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.14) of [4.16 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.16"},{"i":13245,"b":"Wet van 20 juni 2002, houdende regels inzake handelingen met geslachtscellen en embryo's (Embryowet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het uit een oogpunt van respect voor menselijk leven wenselijk is bepaalde handelingen met menselijke geslachtscellen en embryo's te verbieden, te regelen onder welke voorwaarden andere handelingen met menselijke geslachtscellen en embryo's ter verbetering van de medische zorg toelaatbaar zijn en regelen te stellen met betrekking tot de zeggenschap over geslachtscellen en embryo's; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. geslachtscellen: menselijke zaad- en eicellen; - c. embryo: cel of samenhangend geheel van cellen met het vermogen uit te groeien tot een mens; - d. foetus: embryo in het menselijk lichaam; - e. centrale commissie: de commissie, bedoeld in [artikel 14 van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=14); - f. degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht: degene die de opdracht heeft gegeven voor de organisatie of uitvoering van een wetenschappelijk onderzoek; - g. degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert: degene die belast is met de feitelijke uitvoering van het onderzoek. Indien de feitelijke uitvoering geschiedt door een werknemer of een andere hulppersoon, wordt degene die van deze persoon gebruik maakt aangemerkt als degene die het onderzoek uitvoert. Artikel 2 1. Het bestuur van een instelling waar buiten het menselijk lichaam embryo's tot stand worden gebracht of anderszins handelingen met embryo's worden verricht, stelt na advies van de commissie die ingevolge de [Wet medisch-wet"},{"i":13265,"b":"Wet van 19 december 2018 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is fiscale vergroeningsmaatregelen te treffen om de prikkel te vergroten om CO2-uitstoot te beperken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel V Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel VI Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel VII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VIII [Artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=90) vindt bij het begin van het kalenderjaar 2019 geen toepassing op de bedragen genoemd in [artikel 28 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=28). Artikel IX Wijzigt het Belastingplan 2018. Artikel X Wijzigt de Wet uitwerking Autobrief II. Artikel XI Wijzigt de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. Artikel XII 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2019, met dien verstande dat: - a. [artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041769&artikel=V&z=2020-01-01&g=2020-01-01) in werking treedt op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip en, indien dit tijdstip is gelegen op of na 1 januari 2020, toepassing vindt alvorens [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041769&artikel=VI&z=2020-01-01&g=2020-01-01) toepassing vindt; - b. [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041769&artikel=VI&z=2020-01-01&g=2020-01-01) in wer"},{"i":13230,"b":"Dienst- en werktijdenbesluit brandweerkorps BES Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **feestdagen:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 37, onderdeel j, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=37) wordt verstaan; - b. **diensturen:** het totaal van de werk-, wacht- en beschikbaarheidsuren; - c. **werkuren:** uren waarop de brandweerman gehouden is werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de dienst; deze uren hebben een waarderingsfactor van 100%; - d. **wachturen:** uren waarop de brandweerman op de werkplaats beschikbaar blijft ten behoeve van de dienst: deze uren hebben een waarderingsfactor van 50%; - e. **beschikbaarheidsuren:** uren waarop de brandweerman niet op de werkplaats hoeft te verblijven maar oproepbaar is ten behoeve van de dienst; deze uren hebben een waarderingsfactor van 25%; - f. **arbeidsuren:** het totaal van de gewogen werk-, wacht- en beschikbaarheidsuren; - g. **ambtenaar in wachtdienst:** ambtenaar wiens dienst bestaat uit een combinatie van werk-, wacht- en beschikbaarheiduren; - h. **overwerk:** arbeid door een ambtenaar verricht buiten de voor hem bij dienstrooster voorgeschreven diensturen; - i. **werkzaamheden:** activiteiten die voortvloeien uit de door de ambtenaar vervulde functie, alsmede andere opgedragen activiteiten die om redenen van de dienst dan wel in het algemeen belang noodzakelijk zijn; - j. **dienstrooster:** de staat waarop voor de werknemers geldende werktijden zijn aangegeven; - k. **Onze Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. Dit besluit is alleen van toepassing op ambtenaren, bedoeld in [artikel 33, tweede lid, onder a, van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=33). Dienstrooster Artikel 2 1. Onze Minister stelt de door de ambtenaren te verrichten diensten vast middels een dienstrooster. 2. De ambt"},{"i":13239,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juli 2009, nr R&P/RA/2009/16207 tot openstelling van de mogelijkheid projectvoorstellen in te dienen in het kader van het Europees Globaliseringsfonds (EGF) Gelet op artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006, zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees parlement en de Raad van 18 juni 2009; Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **De Minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. **De verordening:** Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006, zoals gewijzigd door Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees parlement en de Raad van 18 juni 2009; - –. **EGF:** Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering; - –. **aanvrager:** rechtspersoon die in aanmerking wil komen voor een financiële bijdrage uit het EGF en daartoe een projectvoorstel indient bij de Minister. Artikel 2. Projectvoorstel 1. Een rechtspersoon die in aanmerking wil komen voor een financiële bijdrage uit het EGF, kan een projectvoorstel indienen bij de Minister, binnen maximaal vier weken na afloop van de referentieperiode. De Minister kan besluiten dat van deze termijn wordt afgeweken. 2. De Minister kan ondersteuning bieden bij de uitwerking van het projectvoorstel. 3. Wanneer het projectvoorstel past binnen de doelstelling van het EGF en voldoet aan de daaraan in de verordening gestelde voorwaarden, kan de Minister besluiten het voorstel conform de daaraan gestelde voorwaarden in te dienen bij de Europese Commissie. Artikel 3. Convenant De Minister dient slechts een projectvoorstel in bij de Europese Commissie nadat hij een convenant heeft afgesloten met de aanvrager, waarin afspraken over de samenwerking en de wijze van uitvoering van de beheers- en controle activiteiten worden vastgelegd. Artikel 4. Verlening en voorschot 1. Wanneer de"},{"i":11338,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 29 februari 2024, nr. 5202197, houdende de vaststelling van de kwalificatiestructuur en de aanwijzing van politieopleidingen en overige opleidingen (Regeling politieonderwijs) Gelet op [artikel 86, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=86), en [artikel 87, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=87); Besluit: Artikel 1. Kwalificatiestructuur politieonderwijs Het stelsel van kwalificatiedossiers is vastgesteld en de kwalificatiedossiers zijn in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049610&bijlage=I&z=2025-04-19&g=2025-04-19) bij deze regeling opgenomen. Artikel 2. Politieopleidingen met een diploma 1. De politieopleidingen, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel s, subonderdeel 1°, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=1), worden als volgt aangewezen: - a. De opleiding ter verkrijging van het diploma Politieagent GGP (niveau 4); - b. De opleiding ter verkrijging van het diploma Rechercheur (niveau 6); - c. De opleiding ter verkrijging van het diploma Politieagent (niveau 6); - d. De opleiding ter verkrijging van het diploma Wijkagent (niveau 6); - e. De opleiding ter verkrijging van het diploma Politieleider (niveau 6); - f. De combinatie van de opleiding pre-master recherchekunde en de opleiding ter verkrijging van het diploma Master of Criminal Investigation (niveau 7). 2. De vereisten waaraan voldaan moet worden om het diploma te behalen voor een opleiding als bedoeld in het eerste lid, zijn neergelegd in het bijbehorende kwalificatiedossier in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049610&bijlage=I&z=2025-04-19&g=2025-04-19) bij deze regeling. Artikel 3. Politieopleiding die leidt tot een deeldiploma 1. De politieopleiding, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel s, subonderdeel 2°, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid."},{"i":12526,"b":"Koninklijk besluit van 16 julij 1859, No 50, betreffende het opnieuw jaarlijks uitgeven van een Staatsalmanak Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken van den 15 Julij 1859. Hebben goedgevonden en verstaan. te bepalen Artikel 1 Er zal op nieuw jaarlijks een Staatsalmanak worden uitgegeven, behelzende hoofdzakelijk eene opgave der personen in de verschillende takken van het staatsbestuur werkzaam. Artikel 2 Onze Minister van Binnenlandsche Zaken wordt gemagtigd tot regeling van al hetgeen betreft de wijze van zamenstelling, redactie, toezigt en uitgave van dien almanak. Onze voornoemde Minister is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk aan al de Ministeriële Departementen, aan den Raad van State en aan de Algemeene Rekenkamer in afschrift zal worden meegedeeld."},{"i":12705,"b":"Besluit vaststelling beleidsregel 'Slot Enforcement Code' Gelet op: [Verordening (EEG) nr. 95/93](31993R0095) van de Raad van 18 januari 1993 inzake gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van slots op communautaire luchthavens; De Worldwide Airport Slot Guidelines (WASG); De [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555); Het [Besluit slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555); De noodzaak tot transparantie ten aanzien van de monitoring- en handhavingsprocedure bij afwijkingen van toegewezen slots; Overwegende dat: Het noodzakelijk is om de monitoringprocedures en handhavingscriteria vast te leggen; De beleidsregel ‘Slot Enforcement Code’ (versie 2.0 d.d. 13 november 2025) deze criteria beschrijft en toepasbaar is op Amsterdam Airport Schiphol (AMS), Eindhoven Airport (EIN) en Rotterdam The Hague Airport (RTM); Besluit: Artikel 1 De beleidsregel ‘Slot Enforcement Code’, versie 2.0, d.d. 13 november 2025, wordt vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met terugwerkende kracht tot en met 13 november 2025. Artikel 3 Dit besluit en de daarbij behorende [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052360&bijlage=1&z=2026-02-25&g=2026-02-25) worden gepubliceerd op de website van Airport Coordination Netherlands ([www.slotcoordination.nl](http://www.slotcoordination.nl)) en in de Staatscourant. Bijlage 1. Slot Enforcement Code v2.0 (Nederlands) **Slot Enforcement Code** Misbruik van slots in Nederland **Datum: november 2025** **Versie: 2.0** Hoofdstuk 1. – Inleiding 1.1. Visie De toegang van luchtvaartmaatschappijen tot drukke luchthavens wordt gecoördineerd door middel van slots om een stabiele exploitatie en een efficiënt gebruik van de luchthavencapaciteit te waarborgen. Een luchthaven geeft haar maximale capaciteit aan in termen van milieu-, technische en operationele parameters. Op basis van de specifieke details van een voorgenomen vlucht dient een luchtvaartmaatschappij of andere vliegtuigexploitant ee"},{"i":13486,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 9 december 2019, nr 2756384, houdende instelling van de Commissie Dossier J.A. Poch In overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042901&artikel=2&z=2019-12-18&g=2019-12-18). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een onafhankelijke Commissie Dossier J.A. Poch. 2. De commissie heeft tot taak de onderzoeksopdracht uit te voeren zoals opgenomen in de in de voetnoot opgenomen Kamerstukken1Kamerstukken II 2018–2019, 35 000, nrs. 88 en 1706 (aanhangsel). en haar bevindingen aan de minister te doen toekomen in de vorm van een daartoe strekkend rapport. 3. De commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan haar opdracht. 4. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen te doen. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en één ander lid. 2. De voorzitter en het andere lid hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en het andere lid worden door de minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van het bestaan van de commissie. 5. De voorzitter en het andere lid kunnen op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden worden geschorst en ontslagen door de minister. Artikel 4. Leden Voor de duur van het bestaan van de commissie worden tot lid van de commissie benoemd: - a. de heer prof. mr. A.J. Machielse, tevens voorzitter, met ingang van 1 maa"},{"i":13495,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 juli 2016, nr. 2016-0000377599, houdende instelling van de commissie incompatibiliteiten Huis voor klokkenluiders (Instellingsbesluit commissie incompatibiliteiten Huis voor klokkenluiders) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Gehoord het Huis voor klokkenluiders; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **commissie:** de commissie incompatibiliteiten Huis voor klokkenluiders; - **Het Huis:** Het Huis voor klokkenluiders, bedoeld in [artikel 3 van de Wet Huis voor klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3); - **de minister:** de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Instelling en taken 1. Er is een commissie incompatibiliteiten Huis voor klokkenluiders. 2. De commissie heeft tot taak: - a. de minister een advies te geven over het aanvaarden of vervullen door een kandidaat-voorzitter of een kandidaat-lid van het Huis van nevenfuncties met het oog op een goede vervulling van hun voorziene functie in het bestuur van het Huis of de handhaving van hun onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin; - b. zittende leden van het Huis een bindend advies te geven over het aanvaarden van nevenfuncties met het oog op een goede vervulling van hun functie in het bestuur van het Huis of de handhaving van hun onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin – een afschrift van dit advies wordt onverwijld aan de minister ter beschikking gesteld. 3. De commissie komt bijeen zo vaak als nodig is voor de uitvoering van haar werkzaamheden. Artikel 3. Samenstelling 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste drie andere leden. 2. De leden van de commissie worden benoemd, geschorst en ontslagen door de minister, gehoord het Huis. 3. De voorzitter en leden van de commissie worden op eigen aanvraag doo"},{"i":12656,"b":"Besluit tot verlenen van volmacht t.b.v. Plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **PCDS:** Plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten; - b. **volmacht:** bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. Artikel 2 Aan de PCDS wordt volmacht verleend om een Protocol van Overdracht tussen Stichting Koninklijk MilitairHistorisch Museum **in liquidatie**, Koninklijke Stichting Defensiemusea en de Staat der Nederlanden, overeenkomstig het ontwerp van het Protocol, gedateerd 7 september 2015, en alle overige documenten, welke naar zijn mening benodigd of wenselijk zijn voor het functioneren van Koninklijke Stichting Defensiemusea (waaronder begrepen, maar niet beperkt tot: de verzelfstandigingsovereenkomst, de beheerovereenkomst en bijbehorende bruikleenovereenkomsten) te ondertekenen, en voorts alle andere rechtshandelingen te verrichten (daaronder begrepen het aanbrengen van tekstuele wijzigingen van ondergeschikte betekenis), die hij in verband met de hiervoor bedoelde rechtshandeling(en) nuttig en/of nodig acht. Artikel 3 De PCDS kan de aan hem verleende bevoegdheden niet doorverlenen aan een onder hem ressorterende functionaris. Artikel 4 Een document dat krachtens volmacht wordt ondertekend bevat aan het slot de volgende formule: DE MINISTER VAN DEFENSIE Voor deze, De Plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten ... handtekening ... naam van de ondertekenaar Artikel 5 Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":13199,"b":"Deelregeling Kunst Erfgoed Presentatie Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het doel van deze regeling is het stimuleren van bijzondere presentaties van instellingen op het gebied van beeldende kunst en/of cultureel erfgoed. Daarvoor kan het fonds bijdragen verstrekken voor tentoonstellingen en andere presentatievormen die het gangbare overstijgen, op aansprekende wijze publiek betrekken, en die binnen de eigen context relevant zijn voor de hedendaagse beeldende kunst en/of cultureel erfgoed in Nederland en/of het Caribisch deel van het Koninkrijk. Artikel 2. Doelgroep De bijdrage kan worden aangevraagd door culturele instellingen of een collectief van instellingen met rechtspersoonlijkheid in Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk die gericht zijn op het presenteren van cultureel erfgoed en/of beeldende kunst, zonder winstoogmerk en/of verkoopdoel. Artikel 3. Reikwijdte Er kan worden aangevraagd voor presentaties die het gangbare overstijgen, op aansprekende wijze publiek betrekken, die binnen de eigen context relevant zijn voor de hedendaagse beeldende kunst en/of cultureel erfgoed in Nederland en/of het Caribisch deel van het Koninkrijk, in Nederland en/of het Caribisch deel van het Koninkrijk plaatsvinden en voor publiek toegankelijk zijn. Artikel 4. Hoogte en vorm bijdrage 1. De hoogte van de bijdrage wordt per aanvraag vastgesteld. 2. Het percentage dat het Mondriaan Fonds kan bijdragen is maximaal 40% van de subsidiabeleprojectgerelateerde kosten. 3. De minimale begroting van het project moet hoger zijn dan € 25.000 en mag alleen projectgerelateerde kosten bevatten. Artikel 5. Weigeringsgronden 1. Geen bijdrage kan worden aangevraagd voor activiteiten die erop gericht zijn winst te maken en/of een verkoopdoel hebben. 2. Geen bijdrage kan worden aangevraagd voor festivals, biënnales/triënnales en vergelijkbare activiteiten, die ma"},{"i":11341,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 17 mei 2018, nr. 1319281, houdende voorwaarden waaronder pseudoniemen voor onderwijsdeelnemers gegenereerd en gebruikt kunnen worden (Regeling pseudonimisering onderwijsdeelnemers) Gelet op de [artikelen 178a, veertiende lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=178a), [147, elfde lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=147), [164a, vijftiende lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=164a), [103b, vijftiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=103b), [179, twaalfde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=179), [2.3.6a, twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.3.6a), en [2.5.5a, vijftiende lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.5a), [2.3.4, twaalfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.3.4) en [7.52, twaalfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.52); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **ketenID:** andere pseudoniem als bedoeld in [artikel 182, twaalfde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=182), [artikel 142, negende lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=142), [artikel 161, dertiende lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=161), [artikel 8.17, tiende lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020]"},{"i":13929,"b":"Overeenkomst inzake het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (ATP) De Overeenkomstsluitende Partijen, Verlangend te komen tot een betere kwaliteitshandhaving van bederfelijke levensmiddelen tijdens het vervoer, met name in het internationale handelsverkeer, Overwegende, dat verbetering van die kwaliteitshandhaving uitbreiding van de handel in bederfelijke levensmiddelen zal brengen, Zijn overeengekomen als volgt: Hoofdstuk I. Speciale vervoermiddelen Artikel 1 In het internationaal vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen mogen vervoermiddelen niet worden aangeduid als „geïsoleerde”, „niet-mechanisch gekoelde”, „mechanisch gekoelde”, „verwarmde” of „mechanisch gekoelde en verwarmde ” vervoermiddelen, tenzij zij beantwoorden aan de definities en normen vervat in [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004371&bijlage=1&z=2024-06-22&g=2024-06-22) bij deze Overeenkomst. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen nemende nodige maatregelen opdat de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004371&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2024-06-22&g=2024-06-22) genoemde vervoermiddelen, overeenkomstig het bepaalde in de aanhangsels 1, 2, 3 en 4 van Bijlage 1 bij deze Overeenkomst, worden gecontroleerd en wordt nagegaan of deze aan bedoelde normen beantwoorden. Elke Overeenkomstsluitende Partij erkent de geldigheid van certificaten van goedkeuring die, overeenkomstig het bepaalde in [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004371&bijlage=1&z=2024-06-22&g=2024-06-22) bij deze Overeenkomst, aanhangsel 1, derde lid, zijn afgegeven door de bevoegde instantie van een andere Overeenkomstsluitende Partij. Elke Overeenkomstsluitende Partij kan de geldigheid erkennen van certificaten van goedkeuring die, overeenkomstig het bepaalde in Bijlage 1 bij deze Overeenkomst, aanhangsel 1 en 2, zijn afgegeven door de bevoegde instantie van een Staat niet zijnde een Overee"},{"i":11342,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 10 maart 2025, nummer CvTE- 25.00542, houdende vaststelling van het Programma van Toetsing en Afsluiting staatsexamens vo 2026 (Regeling PTA staatsexamens vo 2026) Gelet op [artikel 2, vierde lid, onderdeel a, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2) en [artikel 2.81, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.81); Besluit: Artikel 1. Programma van toetsing en afsluiting staatsexamens vo 2026 Het programma van toetsing en afsluiting voor de college-examens van de staatsexamens voortgezet onderwijs 2026 als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, onderdeel a, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2), wordt vastgesteld voor de vakken en onderdelen van het eindexamen als vermeld in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2025 en vervalt per 31 december 2026. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling PTA staatsexamens vo 2026. Bijlage. Programma van toetsing en afsluiting staatsexamens vo 2026 als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050852&artikel=1&z=2025-10-01&g=2025-10-01) Voor de vakken opgenomen in de tabellen 1 tot en met 4, en voor de onderdelen van het staatsexamen als vermeld in tabel 5, zijn deelprogramma’s van toetsing en afsluiting (pta’s) vastgesteld voor de staatsexamens vo 2026. In tabel 6 is een (deel-)pta opgenomen voor het staatsexamen in algemene zin. De (deel-)pta’s voor de vakken en onderdelen van het staatsexamens vwo-havo-vmbo 2026, zoals vermeld in deze bijlage bij de regeling, worden geplaatst op de website [www.duo.nl/particulier/vakinformatie-voor-het-staatsexamen/](http://www.duo.nl/particulier/vakinformatie-voor-het-staatsexamen/). Voor het staatsexamen vwo 2026 worden (deel-)pta’s"},{"i":11343,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 november 2012, nr. WJZ/450366 (10285), houdende vaststelling gebieden samenwerkingsverbanden (Regeling regio-indeling samenwerkingsverbanden passend onderwijs PO en VO) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op [artikel 18a, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=18a) en [artikel 17a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=17a); Besluit: Artikel 1. Regio-indeling samenwerkingsverbanden PO De gebieden, bedoeld in [18a, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=18a) worden vastgesteld als aangegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Regio-indeling samenwerkingsverbanden VO De gebieden, bedoeld in [artikel 2.47, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.47) worden vastgesteld als aangegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 3. Gemeentelijke herindeling en wijziging gemeentenaam 1. Bij wijziging van een of meer gemeentenamen als gevolg van een herindeling op grond van [artikel 3, eerste lid, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=3) die de indeling in gebieden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032324&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032324&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), niet wijzigt, treedt de naam van de nieuwe gemeente dan wel treden de namen van de nieuwe gemeenten op de datum van de herindeling in de plaats van de betreffende, in de bijlage van deze regeling opgenomen naam dan wel namen. 2. Indien op grond van [artikel 158, eerste lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=158) de naam van"},{"i":13620,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 april 2021, nr. WJZ/27740278, houdende instelling van de Adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog en de vaststelling van het door deze commissie te hanteren beoordelingskader (Instellingsbesluit Restitutiecommissie) Gelet op [artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, onder 1°, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - **Expertisecentrum:** Expertisecentrum Restitutie Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies; - **bindend advies:** beslissing als bedoeld in [artikel 900, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=900); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **ministerie:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **restitutie:** teruggave aan de oorspronkelijke eigenaar of aan diens rechtsopvolgers krachtens erfrecht van cultuurgoederen, waarvan de oorspronkelijke eigenaar het bezit onvrijwillig, door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime, heeft verloren; - **Restitutiecommissie:** Adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045060&artikel=2&z=2025-11-29&g=2025-11-29); - **Staat:** Staat der Nederlanden; - **verzoeker:** degene die verzoekt om restitutie. Artikel 2. Instelling en taak Restitutiecommissie 1. Er is een Adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, die tot taak heeft: - a. de minister op diens verzoek te adviseren over door hem te nemen beslissingen op verzoeken tot restitutie, voor"},{"i":13217,"b":"Besluit van het bestuur van de Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie tot vaststelling van een deelregeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor meerjarige activiteitenprogramma’s ter bevordering van de kwaliteit van creatieve industrie (Deelregeling twee- en vierjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie) gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gezien de op 1 december 2015 door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verleende goedkeuring; besluit: Artikel 1. Doelstelling deelregeling twee- en vierjarige activiteitenprogramma’s creatieve industrie 1. Deze deelregeling is van toepassing op meerjarige activiteitenprogramma’s die bijdragen aan het bevorderen van hoogwaardige kwaliteit, ontwikkeling en professionalisering van de hedendaagse Nederlandse architectuur, vormgeving en digitale cultuur en die de belangstelling voor deze disciplines stimuleren. 2. Deze deelregeling geldt in aanvulling op het Subsidiereglement Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Het in dat reglement bepaalde is van toepassing op subsidieverlening op grond van deze deelregeling, voor zover daar in deze deelregeling niet van wordt afgeweken. Artikel 2. Voorwaarden voor ondersteuningsmogelijkheden Subsidie wordt slechts verleend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: - a. het programma is samenhangend en excellent; - b. de culturele instelling die het programma uitvoert is voorbeeldstellend op het gebied van architectuur, vormgeving of digitale cultuur in Nederland en mogelijk ook daarbuiten; - c. het programma is van nationale of internationale betekenis. Artikel 3. Reikwijdte 1. Het Bestuur kan met toepassing van deze deelregeling subsidies verstrekken voor meerjarige programma’s, waarvan de uitvoering plaatsvindt in de periode 2017–2018, 2019–2020, danwel 2017–2020. Een programma bestaat uit meerdere projecten welke verschillend kunnen zijn qu"},{"i":12475,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 12 december 2025, met kenmerk ACM/UIT/664047 houdende de vaststelling van de modelcontracten als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, van de Energiewet Gelet op [artikel 2.23, tweede lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.23) Besluit: Artikel 1 De ACM stelt twee modelcontracten vast: - 1). een modelcontract voor bepaalde tijd met vaste tarieven, en - 2). een modelcontract voor onbepaalde tijd met variabele tarieven, en komen te luiden zoals opgenomen in [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052036&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) respectievelijk [Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052036&bijlage=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Artikel 2 Het [besluit van 14 november 2016 tot vaststellen van het modelcontract voor de levering van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038851) met kenmerk ACM/DC/2016/206825 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit modelcontracten 2026. Artikel 5 Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Bijlage 1. Modelcontract voor bepaalde tijd met vaste tarieven Modelcontract voor bepaalde tijd met vaste tarieven bestaande uit: Geachte [klant], Modelcontractvoorwaarden voor bepaalde tijd met vaste tarieven (Bijlage 1.A) 1. Energielevering **Productomschrijving, in te vullen door leverancier.** 2. Tarieven en betaling Het overeengekomen tarief, kosten en eventuele vergoeding zijn opgenomen in de Bevestigingsbrief. **Persoonlijke pagina is optioneel** 2.1. Wijzigingen belastingen, heffingen en kosten distributiesysteembeheerder U sluit met [Energieleverancier] een modelcontract voor bepaalde tijd met vaste tarieven. De tarieven die wij met u overeenkomen staan daarom vast tijdens de looptijd van dit modelcontract en kunnen niet tussentijds worden gewijz"},{"i":9227,"b":"Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Syrische Arabische Republiek Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland, De President van de Franse Republiek, De President van Ierland, De President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en De Raad van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en De President van de Syrische Arabische Republiek, anderzijds, **Preambule** Wensende uitdrukking te geven aan hun wederzijdse wil om hun vriendschappelijke betrekkingen in stand te houden en te verstevigen, met eerbiediging van de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties, Vastbesloten een ruime samenwerking in te stellen die bijdraagt tot de economische en sociale ontwikkeling van Syrië en de versteviging van de betrekkingen tussen de Gemeenschap en Syrië in de hand werkt, Besloten hebbende de economische en commerciële samenwerking tussen de Gemeenschap en Syrië, met inachtneming van hun onderscheiden ontwikkelingsniveaus, te bevorderen en daarvoor een vaste basis te garanderen overeenkomstig hun internationale verplichtingen, Vastbesloten een nieuw model van betrekkingen tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden tot stand te brengen, dat verenigbaar is met het in de internationale gemeenschap bestaande verlangen naar een meer rechtvaardige en meer evenwichtige economische orde, Hebben besloten de volgende overeenkomst aan te gaan en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Renaat van Elslande, Minister van Buitenlandse Zaken; Hare Majesteit de Koningin van Denemarken: Jens Christensen, Ambassadeur, Secretaris-Generaal; De President van de Bondsrepubliek Duitsland: Hans-Dietrich Genscher, Bondsminister van Buitenlandse"},{"i":13050,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 30 juni 2017 inzake volginnovatie 2017 I Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 3.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.2), 3.2.2, onderdeel a, 3.2.2, onderdeel b, [3.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.9), [3.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.3.4), [3.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.3.6), [3.6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.6.2), [3.7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.7.2), [3.8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.8.2), [3.9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [3.10.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.2), [4.2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.16), [4.2.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.65), [4.2.72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.72), [4.2.79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.79), [4.2.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.86) en [4.2.121](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.121). Gelet op [artikel 1, tweede lid, van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038863&artikel=1): Gelet op [artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=8); Besluit: Artikel 1 1. Op grond van het vorenstaande worden van alle verleende in"},{"i":13279,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 maart 2023, nr. 3533353, houdende regels voor de beoordeling van de gegrondheid van verzoeken van curatoren tot verstrekking van een voorschot en de grenzen waarbinnen zodanige verzoeken kunnen worden toegewezen (Garantstellingsregeling curatoren 2023) Gelet op [artikel 138, tiende lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=138); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister voor Rechtsbescherming; - b. **de Recofa:** het landelijk overleg van rechters-commissarissen insolventies; - c. **de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling:** de periodiek door de Recofa vastgestelde richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling; - d. **de Staat:** de Staat der Nederlanden. Artikel 2. Garantstelling 1. Een curator kan de Minister verzoeken tot het verstrekken van een voorschot als bedoeld in [artikel 138, tiende lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=138) voor het instellen van een rechtsvordering op grond van de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=9), [138](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=138), [149](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=149), [248](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=248) en [259 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=259), de [artikelen 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=42), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=43) en [47 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=47) en voor het instellen van een verhaalsonderzoek of vooronderzoek naar de mogelijkheden daartoe. 2. Een curator die een verzoek doet als bedoeld in het eerste lid, kan de Minister tevens om"},{"i":15428,"b":"Vergoedingenregeling leden Adviesraad internationale vraagstukken Gelet op [artikel 14 van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=14), de[artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=3) en [5 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=5) en mede gelet op de [Wet op de Adviesraad internationale vraagstukken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009474), Besluit: Artikel 1 Aan de voorzitter van de Adviesraad internationale vraagstukken, aan de voorzitters en aan de vicevoorzitters van de permanente commissies wordt een vaste vergoeding per maand toegekend ter hoogte van 24,41% van het maximumbedrag van salarisschaal 18 van [bijlage I-B van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2018–2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041311&bijlage=I-B). Artikel 2 Vervallen Artikel 3 De voorzitters van de werkgroepen uit de permanente commissies ontvangen een vergoeding van € 310 per vergadering. Artikel 4 De leden van de permanente commissies ontvangen een vergoeding van € 235 per vergadering. Artikel 5 Na het verstrijken van de looptijd van de [Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2018–2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041311) wordt de vergoeding, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012270&artikel=1&z=2023-02-11&g=2023-02-11), voortgezet alsof de looptijd niet verstreken is, met dien verstande dat bij het tot stand komen van een nieuwe Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk gedurende de werkingssfeer van dit besluit de vergoedingen overeenkomstig worden aangepast. Artikel 6 In afwijking van de [artikelen 1 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012270&artikel=1&z=2023-02-11&g=2023-02-11), bedraagt de hoogte van de vergoedingen, bedoeld in deze artikelen, voor het jaar 1998 € 20.420,11, € 9075,60, € 181,51 onderscheidenlijk € 90,76. De vergoedingen voor de jaren 1999 en 2"},{"i":14253,"b":"Regeling 'Extra investeringsimpuls infrastructuur in het stads- en streekvervoer' Na overleg met de Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën; Gezien het rapport van bevindingen van het Overlegorgaan Personenvervoer van 26 februari 1996, alsmede de adviezen en schriftelijke reacties van Provincies en regionaal openbare lichamen en gemeenten met lokaal openbaar vervoer; Besluit: I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **Regionaal openbaar lichaam:** krachtens de [Kaderwet bestuur in verandering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006620) ingesteld regionaal openbaar lichaam. - 2. **Dagelijks bestuur:** dagelijks bestuur van een regionaal openbaar lichaam dan wel van een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 24 of 25, eerste lid, van de Wet personenvervoer. - 3. Gemeente: een gemeente die is aangewezen op grond van artikel 39 van de Wet personenvervoer. - 4. **Project:** Een op zichzelf staande investering gericht op dan wel samenhangend met snelheidsbevorderende maatregelen in o.v.-infrastructuur. - 5. **O.v-infrastructuur:** Infrastructurele voorzieningen voor het lokaal en interlokaal openbaar vervoer per auto, (trolley)bus, (snel)tram en metro. - 6. **Reizigerskilometer:** vervoerprestatie die wordt volbracht wanneer één passagier met een geldig vervoerbewijs over één voertuigkilometer wordt vervoerd. - 7. **Voertuigkilometer:** Kilometer afgelegd door een auto, (trolley)bus, (snel)tram of metro. - 8. **Nationaal Tariefsysteem (NTS):** Het tariefsysteem, bedoeld in de Regeling vaststelling tarieven en modellen van vervoerbewijzen, met uitzondering van de vervoerbewijzen voor openbaar vervoer per buurtbus, alsmede met inbegrip van vervoerbewijzen en de eventueel daarmee samenhangende opbrengstderving welke conform artikel 45 van het besluit personenvervoer zijn goedgekeurd. - 9. **IMOC:** Index materiële overheidsconsumptie voor een bepaald jaar volgens de Macro Economische"},{"i":11368,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 25 juni 2018, nummer CvTE-18.00866, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo 2020, nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi, tevens preliminaire vaststelling van enkele syllabi 2021 en 2022 (Regeling syllabi centrale examens vo 2020) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, gegeven op 11 juli 2018, kenmerk 1265456; Besluit: Artikel 1. Vaststelling syllabi 2020 Vervallen Artikel 2. Nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi Vervallen Artikel 3. Preliminaire vaststelling van enkele syllabi 2021 en 2022 Vervallen Artikel 4. Bekendmaking Vervallen Artikel 5. Inwerkingtreding Vervallen Artikel 6. Citeertitel Vervallen Bijlage 1a Vervallen Syllabi vwo 2020 Voor de centrale examens vwo 2020 worden syllabi voor de volgende vakken vastgesteld: Bijlage 2 Vervallen Syllabi havo 2020 Voor de centrale examens havo 2020 worden syllabi voor de volgende vakken vastgesteld: Bijlage 3b Preliminaire vaststelling syllabi 2022 Voor de centrale examens vmbo 2020 worden syllabi voor de volgende vakken vastgesteld: Bijlage 2 Vervallen Nadere vaststelling syllabi 2019 Preliminaire vaststelling syllabi 2021 De syllabi voor de centrale examens vwo 2019 die bij een eerdere [Regeling syllabi centrale examens vo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039851) zijn vastgesteld, worden nader vastgesteld voor de volgende vakken: economie geschiedenis Latijn maatschappijwetenschappen moderne vreemde talen havo De syllabi voor de centrale examens havo 2019 die bij een eerdere [Regeling syllabi centrale examens vo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039851) zijn vastgesteld, worden nader vastgesteld voor de volgende vakken: aardrijkskunde filosofie maatschappijwet"},{"i":13648,"b":"Instellingsbesluit Werkgroep en stuurgroep bevordering diversiteit in het burgemeestersambt Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. Werkgroep: de werkgroep tot bevordering van diversiteit in het burgemeestersambt, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024527&artikel=2&z=2008-09-28&g=2008-09-28). - c. Stuurgroep: de stuurgroep tot bevordering van diversiteit in het burgemeestersambt, bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024527&artikel=6&z=2008-09-28&g=2008-09-28). Artikel 2 Er is een werkgroep tot bevordering van diversiteit in het burgemeestersambt. Artikel 3 De werkgroep heeft tot taak te bevorderen dat het aantal vrouwelijke en allochtone kandidaten voor het burgemeestersambt toeneemt. Artikel 4 1. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties benoemt en ontslaat de leden van de werkgroep. 2. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: mevrouw W.J.G. Delissen, mevrouw A. Van Vliet-Kuiper, de heer mr. K.R. Ho Ten Soeng, de heer Ch. Leeuwe, de heer mr. G.D. Dales en de heer drs. H. Apotheker. 3. De werkgroep en de leden van de werkgroep regelen, met inachtneming van de bepalingen van dit besluit, hun eigen werkwijze. 4. Ten behoeve van de werkgroep wordt een secretariaat gevoerd. Artikel 5 De leden van de werkgroep hebben overeenkomstig het Reisbesluit binnenland recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten. Artikel 6 Er is een stuurgroep tot bevordering van diversiteit in het burgemeestersambt. De stuurgroep heeft tot taak de werkgroep te begeleiden. Artikel 7 1. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties benoemt en ontslaat de leden van de stuurgroep. 2. Tot leden van de stuurgroep worden benoemd: mevrouw drs. A.C. van Es (voorzitter), de heer drs. C.G.A. Cornielje, mevrouw A.F.T. Streumer. 3. De stuurgroep en de leden van de stuurgroep regelen, met inachtneming van de bepalingen van"},{"i":11399,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 mei 2011, nr. WJZ/303099 (2771), houdende de vaststelling van de tijdstippen waarbinnen een bevoegd gezag van een school voor de organisatie van opvang van leerlingen gedurende de voor- en naschoolse opvang zorg draagt op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling vaststelling tijdstippen voor- en naschoolse opvang BES) Gelet op [artikel 50, derde lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=50); Besluit: Artikel 1. Vaststelling tijdstippen voor- en naschoolse opvang De tijdstippen waarbinnen het bevoegd gezag van een school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1) zorg draagt voor de organisatie van opvang van leerlingen gedurende de voor- en naschoolse periode, bedoeld in [artikel 50, derde lid, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=50), zijn gelegen tussen 07:00 uur en 18:00 uur. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2011. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling tijdstippen voor- en naschoolse opvang BES. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11401,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 mei 2014, 2014-0000022827, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de IvhO in verband met openbaarmaking van informatie over tweedelijns toezicht kinderopvang en peuterspeelzalen Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [Afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: 1 Aan de Inspecteur-generaal van het Onderwijs wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten op grond van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) over informatie die verband houdt met het toezicht op de uitvoering van de aan het college van burgemeester en wethouders bij of krachtens de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) opgedragen taken, en het verrichten van alle benodigde handelingen die daarmee verband houden met uitzondering van de bevoegdheid om nadere regels te stellen. 2 Aan de Inspecteur-generaal van het Onderwijs wordt mandaat en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van alle benodigde handelingen die betrekking hebben op bezwaar-, en (hoger) beroepsprocedures, voor zover deze verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035118&artikel=1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), met dien verstande dat hij geen besluit neemt op een bezwaarschrift tegen een besluit dat hij in mandaat heeft genomen. 3 De Inspecteur-generaal van het Onderwijs kan zijn bevoegdheden, genoemd in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035118&artikel=1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035118&artikel=2&z=2018-01-01&g=2018-01-01), in een door hem te bepalen omvang mandateren of doorverlenen aan onder hem ressorterende functionarissen, met dien verstande dat hij"},{"i":11402,"b":"Regeling voorwaarden deelname examen LPG technicus Gelet op [artikel 109 van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=109); Besluit: § 1. Algemene Bepalingen Artikel 1 1. De in [artikel 3 onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052088&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), genoemde verklaring moet volgens een door de directie van de Dienst Wegverkeer vastgesteld aanvraagformulier worden ingediend bij de Dienst Wegverkeer. 2. De in [artikel 3 onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052088&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), genoemde verklaring wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door de Dienst Wegverkeer vastgestelde tarief verleend aan de aanvrager die aan de in deze regeling genoemde eisen voldoet. Artikel 2 Degene die in het bezit is van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052088&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde documenten kan zich voor deelname aan het examen LPG-technicus rechtstreeks wenden tot de Stichting VAM (IBKI). § 2. Voorwaarden examen LPG-technicus Artikel 3 Voorwaarde voor deelname aan het examen LPG-technicus is het bezit van: - a. het diploma Leerlingenwezen voortgezette opleiding (Eerste monteur) personenautomobielen dan wel eerste autotechnicus, afgegeven door de Stichting Beroepsopleiding VAM, of - b. het diploma eerste monteur automobielen, afgegeven door de Stichting VAM vóór 1971, of het diploma eerste autotechnicus afgegeven door het ROC, ingevolge de [Wet Educatie Beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) (WEB), of - c. een EVC-rapport, afgegeven door een erkende EVC-aanbieder en gebaseerd op een proeve van bekwaamheid, dan wel een werkplekobservatie, waarin is vermeld dat de deelnemer een werk- en denkniveau heeft op niveau 3 personenautomobielen - d. een door de directie van de Dienst Wegverkeer (RDW) afgegeven ver"},{"i":14354,"b":"Regeling informatieverstrekking vaststelling budget regionale ambulancevoorzieningen 2026 **Grondslag** Gelet op [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van informatieverstrekking voor de vaststelling van het budget. Gelet op [artikel 62 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van informatieverstrekking voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van [artikel 16, onderdeel n van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16). Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **budget:** betreft een jaarlijks door de NZa vastgesteld bedrag voor de ambulancezorg. Dit bedrag wordt per regionale ambulancevoorziening vastgesteld. - b). **gebudgetteerde instelling:** zorgaanbieder die rechtspersoonlijkheid bezit en op wie de budgetsystematiek van toepassing is. - c). **jaar (t):** het kalenderjaar. - d). **meldkamer:** de meldkamer, bedoeld in [artikel 25a eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25a). - e). **regionale ambulancevoorziening:** de rechtspersoon, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=4). - f). **zorgaanbieder:** een zorgaanbieder zoals beschreven in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). Artikel 2. Doel van de regeling Deze regeling heeft tot doel het stellen van regels over de informatie die regionale ambulancevoorzieningen moeten aanleveren ten behoeve van de vaststelling van het budget. Deze regels hebben betrekk"},{"i":13428,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 november 2022, 2022-0000230810, tot instelling van een Adviescommissie beroepsziekten als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen (Instellingsbesluit Adviescommissie Lijst beroepsziekten) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **adviescommissie:** de adviescommissie Lijst beroepsziekten, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047526&artikel=2&z=2022-11-30&g=2022-11-30); - c. **RIVM:** Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, te Bilthoven; - d. **Lexces:** het samenwerkingsverband, genoemd in de samenwerkingsovereenkomst Landelijk Expertisecentrum Stoffengerelateerde beroepsziekten (Lexces) van 27 juni 2022, gepubliceerd in Staatscourant 2022, nr. 29239. Artikel 2. Adviescommissie beroepsziekten 1. Er is een Adviescommissie Lijst beroepsziekten. 2. De adviescommissie heeft tot taak: - a. de minister te adviseren over aanpassing van de Lijst beroepsziekten veroorzaakt door gevaarlijke stoffen; en - b. ten behoeve van de minister een afwegingskader causaliteit en bijbehorende protocollen beroepsziekten op te stellen en te onderhouden. 3. De Lijst beroepsziekten wordt als bijlage opgenomen bij de in Kamerstukken II 2021/22, 25 883, nr. 442 aangekondigde Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten. Het afwegingskader causaliteit en de bijbehorende protocollen beroepsziekten worden door de minister gepubliceerd in de Staatscourant. 4. De adviescommissie kan bij de taakuitoefening deskundigen raadplegen. Artikel 3. Leden adviescommissie 1. De adviescommissie bestaat uit een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter, maximaal vijf leden en maximaal vijf plaatsvervangend leden. 2. De voorzitter,"},{"i":11404,"b":"Regionale Overeenkomst inzake de erkenning van studies en diploma's op het gebied van het hoger onderwijs in Latijns-Amerika en in het Caraïbische gebied De Staten van Latijns-Amerika en het Caraïbische gebied, die Partij zijn bij deze Overeenkomst, Overwegend de nauwe banden van saamhorigheid die hen verbinden en die op cultureel gebied tot uitdrukking komen in de vele bilaterale, sub-regionale of regionale overeenkomsten die zij met elkaar hebben gesloten; Verlangend hun samenwerking op het gebied van het onderwijs en op dat van het gebruik van de menselijke hulpbronnen te verstevigen en uit te breiden en, met het doel de optimale integratie van het gebied te bevorderen, de toeneming van kennis te stimuleren en de culturele identiteit van hun volken te beschermen, alsmede voortdurend en geleidelijk de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren en deel te nemen aan de vastberaden pogingen die worden ondernomen om de economische, sociale en culturele ontwikkeling en de volledige werkgelegenheid in elk land van de regio afzonderlijk en in de regio in haar geheel te bevorderen; Overtuigd dat, als onderdeel van deze samenwerking, de internationale erkenning van studies en diploma's, waardoor een grotere mobiliteit zal worden bereikt van studenten en van personen die een hoger beroep binnen de regio uitoefenen, niet alleen nuttig doch ook hoogst belangrijk is voor het bespoedigen van de ontwikkeling van de regio, daar dit inhoudt dat een toenemend aantal wetenschapsmensen, technici en deskundigen wordt opgeleid en dat van hun diensten ten volle gebruik wordt gemaakt; Opnieuw bevestigend de beginselen die zijn nedergelegd in overeenkomsten voor culturele samenwerking welke reeds tussen hen zijn gesloten, en vastbesloten deze doelmatiger toe te passen op regionaal niveau en rekening te houden met de invoering van de nieuwe beginselen die tot uitdrukking zijn gebracht in de aanbevelingen en besluiten welke te dien aanzien door de bevoegde organen van de Organisatie van de V"},{"i":11405,"b":"Reglement erkenning leerbedrijven van het Kenniscentrum Beroepsonderwijs Bedrijfsleven van SVO Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - 1. **Kenniscentrum SVO:** het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven zoals bedoeld in [artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.5.1) (WEB). - 2. **Leerbedrijf:** het bedrijf dat of de organisatie die op grond van dit reglement bevoegd is om de beroepspraktijkvorming te verzorgen voor een mbo-opleiding of een groep van mbo-opleidingen zoals bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs. - 3. **Reglement:** reglement erkenning SVO leerbedrijven. - 4. **Onderwijsdeelnemer:** vmbo- of mbo-leerling. - 5. **Onderwijsinstelling:** school voor vmbo of mbo. - 6. **Uitzend- of detacheringorganisatie:** de organisatie die fungeert als werkgever waar de mbo- deelnemer in het kader van opleiden geplaatst wordt bij een door SVO erkend leerbedrijf. - 7. **Beroepspraktijkvorming (BPV):** het onder bedrijfsomstandigheden leren van praktische vaardigheden in de beroepscontext. - 8. **Adviseur praktijkopleiding:** de adviseur praktijkopleiding ondersteunt het leerbedrijf om structureel te werken aan een goede kwaliteit van leren. - 9. **Praktijkopleider:** een natuurlijk persoon binnen het leerbedrijf die verantwoordelijk is voor het praktijkleren en het begeleiden van deelnemers in de beroepspraktijk van het leerbedrijf. Artikel 2. Doel Uitsluitend bedrijven en organisaties die voldoen aan de bepalingen in dit reglement en die door het kenniscentrum als zodanig zijn erkend, zijn bevoegd om op te treden als leerbedrijf. Artikel 3. Verzoek tot erkenning 1. Met inachtneming van de bepalingen in dit reglement wordt een erkenning afgegeven op verzoek van het bedrijf of de organisatie die de beroepspraktijkvorming wil verzorgen, of op verzoek van de uitzend- of detacheringorganisatie worden, met voorafgaande instemming, bedrijven of o"},{"i":13751,"b":"Kavelbesluit kavel Gamma-B windenergiegebied IJmuiden Ver I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3) en gelet op de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), besluit de Minister van Klimaat en Groene Groei in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur als volgt: II. Toelichting kavelbesluit Gamma-B windenergiegebied IJmuiden Ver Leeswijzer Het voorliggende kavelbesluit bestaat uit vier delen: I: besluit II: toelichting III: [voorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051391&bijlage=III&z=2025-10-01&g=2025-10-01) IV: [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051391&bijlage=IV&z=2025-10-01&g=2025-10-01) Deel II, de toelichting op het kavelbesluit, begint in hoofdstuk 1 met een uiteenzetting van het nut en de noodzaak van maatregelen tegen klimaatverandering, in lijn met nationale en internationale doelen, waaronder het Klimaatakkoord van Parijs. Daarnaast wordt het uitgiftestelsel van kavels voor windparken besproken. Hoofdstuk 2 behandelt de [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752) en de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), die essentieel zijn voor de regulering van windparken op zee. Ook komen de beleidskaders aan bod. Hoofdstuk 3 biedt een inzicht in de procedures en afwegingen die ten grondslag liggen aan het besluitvormingsproces rondom windenergie op zee. Het behandelt de rol van de procedure voor de milieueffectrapportage (mer) en de afstemming met belanghebbenden. Hoofdstuk 4 schetst de kenmerken van kavel Gamma-B binnen het bredere windenergiegebied IJmuiden Ver. Hieronder vallen o.a. de ligging, bodemsamenstelling en natuurwaarden. Daarnaast worden de verkaveling en de onderdelen van het windpark beschreven."},{"i":11406,"b":"Besluit van 9 augustus 1958 tot vaststelling van een nieuw Reglement voor de Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen te Rotterdam Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, d.d. 17 juni 1958, no. 7631, Directie Volksgezondheid, afd. Medische Beroepen en Ziektenbestrijding; De Raad van State gehoord (advies van 15 juli 1958, no. 28); Gelet op het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, d.d. 23 juli 1958, no. 11047, Directie Volksgezondheid, afd. Medische Beroepen en Ziektenbestrijding; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid; - b. \"de Commissie\": de Commissie, belast met het toezicht op en het beheer over de Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen te Rotterdam; - c. \"de Rijkskweekschool\": de Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen te Rotterdam. Artikel 2 1. Er is een Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen te Rotterdam, aan welke inrichting een opleiding kan worden gevolgd voor het examen als vroedvrouw, bedoeld in artikel 12 van het Koninklijk besluit van 12 februari 1879 (**Stb.** 36). 2. Ten behoeve van het praktisch onderwijs is aan de Rijkskweekschool een kraamafdeling verbonden, waarin opname van patiënten plaats vindt overeenkomstig de voorschriften van het door Onze Minister vast te stellen Huishoudelijk Reglement. Artikel 3 1. De opleiding, bedoeld in het eerste lid van het vorige artikel, duurt drie jaren en omvat: - a. de beginselen der natuur- en scheikunde; - b. de bouw en de verrichtingen van het menselijk lichaam en de beginselen der bacteriologie en hygiëne; - c. de theoretische en praktische verloskunde; - d. de zuigelingenverzorging en de kraamvrouwenverpleging; - e. de prenatale zorg en enkele in het bijzonder voor de vroedvrouwen van belang zijnde onderdelen der sociale geneeskunde. 2. De jaarlijkse cursus vangt aan op de eerste werkdag in september, geen zaterdag zijnde, en eindigt op de laatste"},{"i":11407,"b":"Reglement Participatiefonds voor de Expertisecentra voor het schooljaar 2010–2011 Het bestuur van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs besluit, gelet op de [Wet budgettering wachtgelden en instelling Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007312) (Stb. 1995, 155), het [Besluit Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008102) (Stb. 1996, 384) en de statuten van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs, het volgende reglement voor de Expertisecentra vast te stellen: Deel 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - 1. **Afvloeiingsvolgorde:** de volgorde waarin personeel voor afvloeiing in aanmerking komt. Hierin is tevens het eindigen van dienstverbanden van rechtswege betrokken. Hoofdregel is dat eerst al het tijdelijk aangestelde personeel dient te zijn afgevloeid voordat vast personeel kan worden ontslagen. - 2. **Andere gronden:** gronden welke niet genoemd zijn in enig ander lid van artikel 9 van het reglement en welke in ieder geval buiten de risicosfeer van het bevoegd gezag vallen. - 3. **Andere ontslagen:** de omvang in netto-loonkosten op jaarbasis van beëindigde of geëindigde dienstverbanden uitgezonderd het natuurlijk verloop, einde vervangingsbetrekking en het ontslag of de ontslagen waar de ontslagmelding betrekking op heeft. - 4. **Benoeming in reguliere betrekking:** een (her)benoeming in een betrekking niet zijnde een vervangingsbetrekking. - 5. **Bestuursvoorschriften:** de bestuursvoorschriften en bijlagen zoals die door het bestuur zijn vastgesteld ter bevordering van een correcte toepassing van het reglement Participatiefonds. - 6. **Bevoegd gezag:** het bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), respectievelijk het bevoegd gezag van de rechtspersoon als bedoeld in [artikel 69 WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=69), tenzij het bevoegd gezag door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetensc"},{"i":11409,"b":"Reglement Participatiefonds voor de Expertisecentra voor het schooljaar 2012–2013 Deel 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling Het bestuur van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs besluit, gelet op de [Wet budgettering wachtgelden en instelling Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007312) (Stb. 1995, 155), het [Besluit Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008102) (Stb. 1996, 384) en de statuten van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs, het volgende reglement voor het Primair Onderwijs vast te stellen Toelichting op artikel 12 **Andere gronden** **In de uitspraak van 26 augustus 1999, onder nummer E04.98.0149, heeft de Raad van State aangegeven dat een ontslag dat valt binnen de risicosfeer van het bevoegd gezag, reeds daarom niet onvermijdbaar kan worden geacht op grond van artikel 9, lid h van het reglement. Andere gronden welke bedoeld zijn in artikel 9, lid h van het reglement, zijn derhalve gronden welke vallen buiten de risicosfeer van het bevoegd gezag.** Deel 2. Premie Artikel 2. Verplichting tot betaling van premie Toelichting op artikel 2 **Er zijn geen toelichtingen.** Het bevoegd gezag is verplicht, op de wijze zoals bepaald in de bestuursvoorschriften, een door het Participatiefonds te bepalen bijdrage te voldoen in verband met de kosten voor werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888). Deel 3. Instroomtoets Artikel 3. Het vergoedingsverzoek Toelichting op artikel 3 Artikel 4. Toetsing Toelichting op artikel 4 **Wat de inspanningsverplichting betreft, heeft het Participatiefonds aansluiting gezocht bij de instrumenten die het bevoegd gezag conform de CAO-PO ter beschikking staan. Het Participatiefonds heeft de inspanningsverplichting in de categorieën I, II, III en IV ondergebracht.** *"},{"i":11410,"b":"Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs en de Expertisecentra 2020–2021 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Het bestuur van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs besluit, gelet op de [Wet budgettering wachtgelden en instelling Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007312) (Stb. 1995, 155), het [Besluit Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008102) (Stb. 1996, 384) en de statuten van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs, het volgende reglement voor het Primair Onderwijs vast te stellen Paragraaf 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - 1. **Afvloeiingsvolgorde:** de volgorde waarin werknemers conform hoofdstuk 10 van de CAO PO 2018–2019 voor afvloeiing in aanmerking komen. Hierin is tevens het niet voortzetten van een tijdelijk dienstverband betrokken. Hoofdregel is dat eerst alle werknemers met een tijdelijk dienstverband dienen te zijn afgevloeid voordat het dienstverband van werknemers met een vast dienstverband kan worden beëindigd. - 2. **Beëindiging dienstverband:** beëindiging van een dienstverband voor onbepaalde tijd door middel van een uitspraak van de kantonrechter, een beëindigingsovereenkomst met wederzijds goedvinden of ontslag. - 3. **Reguliere betrekking:** een dienstverband niet zijnde een dienstverband ten behoeve van vervanging. - 4. **Bestuursvoorschriften:** de bestuursvoorschriften en bijlagen zoals die door het bestuur van het Participatiefonds zijn vastgesteld ter bevordering van een correcte toepassing van het reglement Participatiefonds, en integraal onderdeel uitmaken van het reglement Participatiefonds. - 5. **Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid:** het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid dat werkgevers ontvangen op basis van [Titel IV, Afdeling 6 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&afdeling=6) dan wel op basis van [Titel V, Afdeling 6 van de WEC](https://wetten.over"},{"i":11408,"b":"Reglement Participatiefonds voor de Expertisecentra voor het schooljaar 2011–2012 Het bestuur van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs besluit, gelet op de [Wet budgettering wachtgelden en instelling Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007312) (Stb. 1995, 155), het [Besluit Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008102) (Stb. 1996, 384) en de statuten van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs, het volgende reglement voor de Expertisecentra vast te stellen: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Deel 1. Algemene bepalingen Artikel 1. : Begripsbepalingen - 1. **Afvloeiingsvolgorde:** de volgorde waarin personeel voor afvloeiing in aanmerking komt. Hierin is tevens het eindigen van dienstverbanden van rechtswege betrokken. Hoofdregel is dat eerst al het tijdelijk aangestelde personeel dient te zijn afgevloeid voordat vast personeel kan worden ontslagen. - 2. **Andere gronden:** gronden welke niet genoemd zijn in enig ander lid van [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030145&deel=3&artikel=9&z=2012-02-01&g=2012-02-01) van het reglement en welke in ieder geval buiten de risicosfeer van het bevoegd gezag vallen. - 3. **Andere ontslagen:** de omvang in nettoloonkosten op jaarbasis van beëindigde of geëindigde dienstverbanden uitgezonderd het natuurlijk verloop, einde vervangingsbetrekking en het ontslag of de ontslagen waar de ontslagmelding betrekking op heeft. - 4. **Benoeming in reguliere betrekking:** een (her)benoeming in een betrekking niet zijnde een vervangingsbetrekking. - 5. **Bestuursvoorschriften:** de bestuursvoorschriften en bijlagen zoals die door het bestuur zijn vastgesteld ter bevordering van een correcte toepassing van het reglement Participatiefonds. - 6. **Bevoegd gezag:** het bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), respectievelijk het bevoegd gezag van de rechtspersoon als bedoel"},{"i":11412,"b":"Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs en de Expertisecentra voor het schooljaar 2019-2020 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Het bestuur van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs besluit, gelet op de [Wet budgettering wachtgelden en instelling Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007312) (Stb. 1995, 155), het [Besluit Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008102) (Stb. 1996, 384) en de statuten van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs, het volgende reglement voor het Primair Onderwijs vast te stellen Paragraaf 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - 1. **Afvloeiingsvolgorde:** de volgorde waarin werknemers conform hoofdstuk 10 van de CAO PO voor afvloeiing in aanmerking komen. Hierin is tevens het niet voortzetten van een tijdelijk dienstverband betrokken. Hoofdregel is dat eerst alle werknemers met een tijdelijk dienstverband dienen te zijn afgevloeid voordat het dienstverband van werknemers met een vast dienstverband kan worden beëindigd. - 2. **Beëindiging dienstverband:** beëindiging van een dienstverband voor onbepaalde tijd door middel van een uitspraak van de kantonrechter, een beëindigingsovereenkomst met wederzijds goedvinden of ontslag. - 3. **Benoeming of aanstelling in reguliere betrekking:** een (her)benoeming of (her)aanstelling niet zijnde een vervangingsaanstelling. - 4. **Bestuursvoorschriften:** de bestuursvoorschriften en bijlagen zoals die door het bestuur van het Participatiefonds zijn vastgesteld ter bevordering van een correcte toepassing van het reglement Participatiefonds, en integraal onderdeel uitmaken van het reglement Participatiefonds. - 5. **Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid:** het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid dat werkgevers ontvangen op basis van [Titel IV, Afdeling 6 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&afdeling=6) dan wel op basis van [Titel V, A"},{"i":11411,"b":"Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs en de Expertisecentra versie 1 januari 2025 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: Artikel 2. Premie Artikel 3. Premiepercentages Artikel 4. Zelfstandig wachtgeldbeleid Artikel 5. Verlagingsverzoek eigen bijdrage Artikel 6. Onvolledig verlagingsverzoek eigen bijdrage Artikel 7. Gronden voor afwijzing verlagingsverzoek eigen bijdrage Artikel 8. Niet kunnen voldoen aan voorwaarden verlagingsverzoek eigen bijdrage De werkgever die door omstandigheden buiten zijn invloedssfeer of risicosfeer niet of niet volledig aan de voorwaarden van een verlagingsverzoek eigen bijdrage kan voldoen, deelt dit aan het Participatiefonds mee onder opgaaf van een deugdelijke motivering en door toezending van ter zake overtuigende documenten. Het Participatiefonds beoordeelt of dit voldoende is om de werkgever te vrijwaren voor de betreffende voorwaarden. Artikel 9. Gebruik van Mijn Pf De werkgever maakt bij het indienen en aanvullen van een verlagingsverzoek eigen bijdrage gebruik van de hiervoor bestemde modules in Mijn Pf. Artikel 10. Beslistermijn Artikel 11. Gronden voor intrekking en wijziging Het Participatiefonds is bevoegd een besluit tot verlaging van de eigen bijdrage te wijzigen of in te trekken ten nadele van de werkgever, wanneer: Artikel 12. Rechtmatigheidscontroles Hoofdstuk 2. Voorwaarden voor verlaging van de eigen bijdrage Artikel 13. Beëindiging arbeidsovereenkomst via UWV wegens bedrijfseconomische omstandigheden Een werkgever komt in aanmerking voor een verlaging van de eigen bijdrage in de werkloosheidsuitkeringskosten van 50 procent naar 10 procent, wanneer is voldaan aan de voorwaarden van dit artikel. Artikel 14. Beëindiging arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden wegens bedrijfseconomische omstandigheden Een werkgever komt in aanmerking voor een verlaging van de eigen bijdrage in de werkloosheidsuitkeringskosten van 50 procent naar 10 procent"},{"i":11413,"b":"Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2010–2011 gelet op de [Wet budgettering wachtgelden en instelling Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007312) (Stb. 1995, 155), het [Besluit Participatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008102) (Stb. 1996, 384) en de statuten van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs, het volgende reglement voor het Primair Onderwijs vast te stellen: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Deel 1. Algemene bepalingen Artikel 1. : Begripsbepalingen - 1. **Afvloeiingsvolgorde:** de volgorde waarin personeel voor afvloeiing in aanmerking komt. Hierin is tevens het eindigen van dienstverbanden van rechtswege betrokken. Hoofdregel is dat eerst al het tijdelijk aangestelde personeel dient te zijn afgevloeid voordat vast personeel kan worden ontslagen. - 2. **Andere gronden:** gronden welke niet genoemd zijn in enig ander lid van [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027681&deel=3&artikel=9&z=2011-02-01&g=2011-02-01) van het reglement en welke in ieder geval buiten de risicosfeer van het bevoegd gezag vallen. - 3. **Andere ontslagen:** de omvang in netto-loonkosten op jaarbasis van beëindigde of geëindigde dienstverbanden uitgezonderd het natuurlijk verloop, einde vervangingsbetrekking en het ontslag of de ontslagen waar de ontslagmelding betrekking op heeft. - 4. **Benoeming in reguliere betrekking:** een (her)benoeming in een betrekking niet zijnde een vervangingsbetrekking. - 5. **Bestuursvoorschriften:** de bestuursvoorschriften en bijlagen zoals die door het bestuur zijn vastgesteld ter bevordering van een correcte toepassing van het reglement Participatiefonds. - 6. **Bevoegd gezag:** het bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), respectievelijk het bevoegd gezag van de rechtspersoon als bedoeld in [artikel 68 WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000342"},{"i":11416,"b":"Besluit van het College voor toetsen en examens van 27 juni 2022, met nummer CvTE-22.2200845, houdende het vaststellen van het tijdstip van de toetsen van de centrale examens voor 2024 (Rooster voor de centrale examens van de eindexamens en de staatsexamens voortgezet onderwijs in 2024) Het College voor toetsen en examens, Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Tijdvakken en examenrooster centrale examens 2024 1. Het eerste tijdvak voor de schriftelijke centrale examens begint op dinsdag 14 mei en eindigt op woensdag 29 mei. De dagen en uren waarop de toetsen van worden afgenomen, zijn vastgesteld zoals vermeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046997&bijlage=1&z=2024-02-15&g=2024-02-15). 2. Het tweede tijdvak voor de schriftelijke centrale examens begint op dinsdag 18 juni en eindigt op dinsdag 25 juni. De dagen waarop de toetsen worden afgenomen, zijn vastgesteld zoals vermeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046997&bijlage=2&z=2024-02-15&g=2024-02-15). In maart wordt een nadere indeling van de vakken bekendgemaakt. 3. De afnameperiode voor de centraal schriftelijke en praktische examens in de beroepsgerichte profielvakken begint op maandag 1 april en eindigt op vrijdag 19 juli. 4. De afnameperiode voor de flexibele digitale centrale examens in de algemene vakken van de basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg begint op maandag 1 april en eindigt op vrijdag 19 juli. 5. Het derde tijdvak vindt plaats in augustus. De dagen en uren waarop de toetsen van het centraal examen in het derde tijdvak worden afgenomen, worden na aanmelding aan de kandidaat door het College voor toetsen en examens meegedeeld. Artikel 2. Onderdelen met een vroege start In afwijking van [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046997&artikel=1&z=2024-02-15&g=2024-02"},{"i":12948,"b":"Besluit vaststelling vergoeding voorzitter en leden Commissie maatschappelijke dialoog nanotechnologie Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel Enig 1. Aan de voorzitter van de Commissie maatschappelijke dialoog nanotechnologie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18.10 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,146. 2. Aan de andere leden van de Commissie maatschappelijke dialoog nanotechnologie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16.10 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,103. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12937,"b":"Besluit van 29 mei 2008, nr. ET/ED/8064465, houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw energieonderzoek, de voorzitter en leden van de deelcommissie lange termijn energieonderzoek, de voorzitter en leden van de deelcommissie nieuwe energieonderzoek en de voorzitter en leden van de deelcommissie korte termijn energieonderzoek Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw energieonderzoek ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw energieonderzoek ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van het [Besluit EOS: lange termijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017234) ontvangen alle leden van de Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw energieonderzoek jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van 2 uur per aanvraag. Artikel 3 1. De voorzitter van de deelcommissie lange termijn energieonderzoek ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de deelcommissie lange termijn energieonderzoek ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 4 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van het Besluit EOS: lange termijn ontvangen alle leden van de deelcommissie lange termijn en"},{"i":12654,"b":"Besluit van de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten van 8 april 2024 tot vaststelling van de prijs van de basistest voor de beroepsopleiding advocaten (Besluit tot vaststelling van de prijs van de basistest BA 2024) gelet op [artikel 9c, tweede lid, onderdeel e, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9c) en [artikel 2.28, tweede lid, van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.28); besluit: Artikel 1. Prijs van de basistest De prijs van de basistest voor de beroepsopleiding advocaten bedraagt: € 151,63. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tot vaststelling van de prijs van de basistest BA 2024."},{"i":12176,"b":"Besluit van 23 februari 2026, nr. 2026000406, houdende departementale herindelingen met betrekking tot digitale zaken en circulaire economie Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 23 februari 2026, nr. 9778397; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44): HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van digitale zaken voor zover deze voor 23 februari 2026 waren opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052357&artikel=1&z=2026-02-26&g=2026-02-26) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052357&artikel=2&z=2026-02-26&g=2026-02-26) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Onze Minister van Klimaat en Groene Groei wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van het beleid ten aanzien van circulaire economie voor zover deze voor 23 februari 2026 waren opgedragen aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 5 De taken van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 6 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052357&artikel=4&z=2026-02-26&g=2026-02-26) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052357&artikel=5&z=2026-02-26&g=2026-02-26) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister va"},{"i":11417,"b":"Besluit van het College voor toetsen en examens van 26 juni 2023, met nummer CvTE-23 23.00859, houdende het vaststellen van het tijdstip van de toetsen van de centrale examens voor 2025 (Rooster voor de centrale examens voortgezet onderwijs in 2025) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Tijdvakken en examenrooster centrale examens 2025 1. Het eerste tijdvak voor de schriftelijke centrale examens begint op vrijdag 9 mei en eindigt op maandag 26 mei. De dagen en uren waarop de toetsen worden afgenomen, zijn vastgesteld zoals vermeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048485&bijlage=1&z=2025-02-13&g=2025-02-13). 2. Het tweede tijdvak voor de schriftelijke centrale examens begint op maandag 16 juni en eindigt op donderdag 19 juni en wordt vastgesteld zoals vermeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048485&bijlage=2&z=2025-02-13&g=2025-02-13). 3. De afnameperiode voor de centraal schriftelijke en praktische examens in de beroepsgerichte profielvakken begint op dinsdag 1 april en eindigt op vrijdag 18 juli. 4. De afnameperiode voor de flexibele digitale centrale examens in de algemene vakken van de basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg begint op dinsdag 1 april en eindigt op vrijdag 18 juli. 5. Het derde tijdvak vindt plaats in augustus. De dagen en uren waarop de toetsen van het centraal examen in het derde tijdvak worden afgenomen, worden na aanmelding aan de kandidaat door het College voor toetsen en examens meegedeeld. Artikel 2. Onderdelen met een vroege start In afwijking van [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048485&artikel=1&z=2025-02-13&g=2025-02-13), vangt de afname van het centraal praktische examen van tekenen, handvaardigheid, textiele vormgeving vwo aan op woensdag 1 januari en het centraal praktisch examen van de beeldend"},{"i":13786,"b":"Wet van 13 december 1989, tot het uitgeven en belenen van schatkistpapier en het aangaan van geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden in 1990 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is Onze Minister van Financiën te machtigen in 1990 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd in 1990 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan ter voorziening in de financieringsbehoefte van de Staat alsmede uit monetaire overwegingen. Artikel 2 De looptijd van de geldleningen zal ten hoogste vijftig jaar zijn. Artikel 3 Onze Minister van Financiën stelt met inachtneming van het bepaalde in de Wet schatkistpapier (**Stb.** 1976, 110) en deze wet de voorwaarden vast, waarop schatkistpapier wordt uitgegeven en beleend en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden worden aangegaan. Artikel 4 1. Onze Minister van Financiën kan ter zake van geldleningen welke door middel van openbare inschrijvingen worden aangegaan, aan bankiers, makelaars in effecten en commissionairs in effecten over het nominale bedrag, toegewezen op de door hun tussenkomst gedane inschrijvingen, waarvoor het verschuldigde is gestort, een provisie toekennen van ten hoogste ½% (een half ten honderd). 2. Onze Minister van Financiën kan aan bemiddelaars in onderhandse geldleningen over het nominale bedrag van door hun tussenkomst tot stand gekomen onderhandse geldleningen een provisie toekennen van ten hoogste 1/8% (een achtste ten honderd). Artikel 5 Het recht tot opvordering van een hoofdsom van de overeenkomstig deze wet aangegeven vaste schuld, welke aflosbaar is"},{"i":11418,"b":"Besluit van het College voor toetsen en examens van 24 juni 2024, met nummer CvTE-24.00932 houdende het vaststellen van het tijdstip van de toetsen van de centrale examens voor 2026 (Rooster voor de centrale examens voortgezet onderwijs in 2026) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Tijdvakken en examenrooster centrale examens 2026 1. Het eerste tijdvak voor de schriftelijke centrale examens begint op vrijdag 8 mei 2026 en eindigt op woensdag 27 mei 2026. De dagen en uren waarop de toetsen worden afgenomen, zijn vastgesteld zoals vermeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049954&bijlage=1&z=2026-03-14&g=2026-03-14). 2. Het tweede tijdvak voor de schriftelijke centrale examens begint op dinsdag 16 juni 2026 en eindigt op dinsdag 23 juni 2026 en wordt vastgesteld zoals vermeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049954&bijlage=2&z=2026-03-14&g=2026-03-14). 3. De afnameperiode voor de centraal schriftelijke en praktische examens in de beroepsgerichte profielvakken begint op woensdag 1 april 2026 en eindigt op vrijdag 17 juli 2026. 4. De afnameperiode voor de flexibele digitale centrale examens in de algemene vakken van de basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg begint op woensdag 1 april 2026 en eindigt op vrijdag 17 juli 2026. 5. Het derde tijdvak vindt plaats in augustus. De dagen en uren waarop de toetsen van het centraal examen in het derde tijdvak worden afgenomen, worden na aanmelding aan de kandidaat door het College voor toetsen en examens meegedeeld. Artikel 2. Onderdelen met een vroege start In afwijking van [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049954&artikel=1&z=2026-03-14&g=2026-03-14), vangt de afname van het centraal praktische examen van tekenen, handvaardigheid, textiele vormgeving vwo aan op donderdag 1 januari 2026 en he"},{"i":5590,"b":"Rijkswet van 7 juli 2010 tot regeling van de instelling, taken en bevoegdheden van de Raad voor de rechtshandhaving van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten binnen het Koninkrijk willen samenwerken door instelling van een orgaan dat is belast met de inspectie van diensten en instellingen die deel uitmaken van de justitiële keten in Curaçao, in Sint Maarten en op Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dat zij deze samenwerking onderling willen regelen in een rijkswet op grond van [artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) en dat de regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten instemmen met de inhoud van deze regeling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze rijkswet wordt verstaan onder: - a. **bestuursorgaan:** - –. een orgaan van een rechtspersoon in de landen die krachtens publiekrecht is ingesteld of - –. een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed in de landen; - b. **landen:** Curaçao, Sint Maarten of Nederland, voor zover het betreft Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. **Gemeenschappelijk Hof van Justitie:** Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; -"},{"i":6012,"b":"Vaststelling subsidieplafond 2005 in het kader van de ’Subsidieregeling beurzenprogramma Delta’ Gelet op: [artikel 5, tweede lid, van de Subsidieregeling beurzenprogramma Delta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012195&artikel=5) (kenmerk IB/2002/1166, Uitleg OCenW-Regelingen, nr. 4, 7 februari 2001), Besluit Artikel 1. Vaststelling subsidieplafond Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie op grond van de [Subsidieregeling beurzenprogramma DELTA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012195) ten behoeve van het kalenderjaar 2005 bedraagt€ 3.724.000,- Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van het Gele Katern waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in het Gele Katern worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant."},{"i":6085,"b":"Besluit van 1 september 2022 tot wijziging van onder meer het Besluit algemene rechtspositie politie en Besluit bezoldiging politie in verband met de formalisering van afspraken uit de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Politie 2021 en ontwikkelingen in de uitvoeringspraktijk alsmede enkele technische wijzigingen (Verzamelbesluit rechtspositie politie 2022) Artikel I Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie. Artikel II Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel III Wijzigt het Besluit medaille trouwe en langdurige dienst Nederlandse politie. Artikel IV 1. In 2021 wordt een eenmalige uitkering uitbetaald aan de ambtenaren, bedoeld in [artikel 1, eerste lid onder b, c, d, e en f van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1), die op 1 januari 2021 of op 1 juli 2021 als zodanig zijn aangesteld. 2. De in het eerste lid bedoelde uitkering is pensioengevend en bedraagt de som van bruto € 700 en netto € 50 voor de ambtenaar met een aanstelling op 1 januari 2021 en 1 juli 2021 van 36 uur of meer per week en een evenredig deel daarvan ingeval van een aanstelling van minder dan 36 uur per week. 3. De in het eerste lid bedoelde uitkering is pensioengevend en bedraagt de som van bruto € 350 en netto € 25 in geval van een aanstelling op slechts een van de data, bedoeld in het tweede lid, van 36 uur of meer per week en een evenredig deel daarvan ingeval van een aanstelling van minder dan 36 uur per week. 4. Indien de ambtenaar slechts een gedeelte van zijn bezoldiging geniet, heeft dit geen invloed op de hoogte van de eenmalige uitkering. 5. Geen eenmalige uitkering ontvangen de ambtenaren bedoeld in het eerste lid, die op 1 januari 2021 en op 1 juli 2021 geen bezoldiging ontvingen in verband met buitengewoon onbezoldigd verlof. Indien dit verlof niet volledig genoten wordt, wordt de uitkering naar rato van de daadwerkelijke dienstverrichting berekend. 6. De ambtenaar kan op eigen verzoek afzien van he"},{"i":12792,"b":"Besluit vaststelling selectielijst archiefbescheiden Ondersteunende taken Commissariaat voor de Media periode vanaf 1988 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 14 augustus 2006, nr. arc-2006.03077/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor archiefbescheiden van de Ondersteunende taken van het Commissariaat voor de Media over de periode vanaf 1988’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Ondersteunende taken Commissariaat voor de Media vanaf 1988– Lijst van gebruikte afkortingen AMvB: Algemene maatregel van bestuur ARAR: [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950) BBRA: [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) BC: Bijzondere Commissie BSD-MLB: Basisselectiedocument van de rijksoverheid en andere actoren op het beleidsterrein Media, letteren en bibliotheken EPRA: European Platform of Regulatory Authorities IKAP: Individueel keuze arbeidsvoorwaarden pakket MC: Medezeggenschapscommissie NICAM: Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media NMa: Nederlandse Mededingingsautoriteit OCW: Onderwijs cultuur en wetenschappen OLON: Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland OR: Ondernemingsraad OPTA: Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit P&O: Personeel en organisatie PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn PV: Personeelsvertegenwoordiging ROOS: Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking VECAI: Vereniging van <Nederlandse> kabelbedrijven Wet AROB: Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen WVC: Welzijn Volksgezondheid en Cultuur ZBO: Zelfstandig bestuursorgaan 1."},{"i":12355,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden mediators 2019 (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 10 oktober 2018 krachtens artikel 33 b van de Wet op de Rechtsbijstand) Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die in aanmerking willen komen voor verwijzingen vanuit de gerechten of vanuit het Juridisch Loket zich inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en volgende van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: In het onderstaande zijn deze voorwaarden uitgewerkt. De voorwaarden zijn op te vatten als algemeen verbindende voorschriften. Naar verwachting zal de Raad vanaf juli 2019 specifieke deskundigheidseisen hanteren voor mediators die als bijzondere curator door de rechtbank benoemd worden in zaken op grond van [artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=250). Mediators dienen vanaf dat moment te voldoen aan die voorwaarden om te kunnen worden benoemd als bijzonder curator en een vergoeding van de Raad te ontvangen. Er is voorzien in een overgangsregeling. De Raad zal mediators hierover in 2019 tijdig informeren in de e-nieuwsbrief. Artikel 1. Registratie/ opleidingsvereisten / evaluatie 1. De deelnemende mediator dient MfN1MfN is de afkorting van: Mediatorsfederatie Nederland. MfN-registermediators staan ingeschreven bij de Stichting Kwaliteit Mediators (SKM). De SKM is voor wat betreft het registerbeheer en de kwaliteitssystemen de rechtsopvolger van het NMI.-registermediator te zijn. Deze MfN- registermediator heeft een door de Stichting Kwaliteit Mediators afgenomen peer review met goed gevolg ondergaan én in de drie jaar voor de datum van inschrijving bij de Raad voor Rechtsbijstand"},{"i":13676,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 12 juli 2021 houdende instelling van een Oudercommissie kinderopvangtoeslag (Instellingsregeling Oudercommissie kinderopvangtoeslag) Gelet op [artikel 49f van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=49f); Besluit: Artikel 1. Grondslag Deze regeling berust op [artikel 5.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=5.1). Artikel 2. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **commissie:** commissie, genoemd in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045396&artikel=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - **minister:** Minister van Financiën; - **ministerie:** Ministerie van Financiën; - **wet:** [Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436). Artikel 3. Instelling en overleg met de minister 1. Er is een Oudercommissie kinderopvangtoeslag. 2. Ten behoeve van het uitvoeren van de taak van de commissie, bedoeld in [artikel 5.1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=5.1), heeft zij overleg met de minister, hetzij op initiatief van de commissie, hetzij op initiatief van de minister. Artikel 4. Instellingsduur De commissie wordt met terugwerkende kracht ingesteld tot en met 7 juli 2020 en wordt opgeheven bij het vervallen dan wel intrekken van deze regeling. Artikel 5. Samenstelling, benoeming, ontheffing, ontslag en werkwijze 1. De commissie bestaat uit gedupeerde aanvragers van een kinderopvangtoeslag of hun partners en heeft een voorzitter. De commissie bestaat uit ten minste acht en ten hoogste vijftien leden. 2. De voorzitter en de leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de leden worden door de minister benoemd. De benoeming geschiedt voor de duur van ten hoogste twee jaren, welke termijn eenmaal verlengd kan worden met te"},{"i":11959,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse zaken van 23 april 2005, nr. DDI/ST/reg 011 /2004, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de ambassade in de Sovjetunie (Moskou) 1943–1955 (1957) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van de ambassade in de Sovjetunie (Moskou) 1943–1955 (1957), de in de eerste tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 55 | 2033 | | 57 | 2020 | | 66 | 2022 | | 73 | 2024 | | 108a | 2021 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018233&artikel=1&z=2005-05-01&g=2005-05-01) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018233&artikel=1&z=2005-05-01&g=2005-05-01) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationale archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tw"},{"i":11424,"b":"Schoolbudget voor ontwikkeling en ondersteuning voor svo/lom en svo/mlk en scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging per 1 augustus 2001 1. Inleiding In het kader van het streven naar deregulering is het de bedoeling te komen tot vereenvoudiging van de bekostiging van scholen en afdelingen voor speciaal voortgezet onderwijs voor lom en mlk en scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging. Deze vereenvoudiging van de bekostiging betreft het samenvoegen van het MOA-budget, middelen voor nascholing van het personeel, middelen voor (de voorbereiding van het management op) integraal personeelsbeleid, middelen die in het regeerakkoord beschikbaar zijn gesteld voor bestuur en management en middelen ter bestrijding van arbeidsmarktknelpunten. Daarvoor in de plaats komt één budget, het schoolbudget voor ontwikkeling en ondersteuning. Het gaat in de nu voorliggende publicatie om dezelfde vereenvoudiging als voor het primair onderwijs is aangekondigd in de op [11 april 2001 verschenen publicatie](onbekend) PO/PJ/01142447 (Gele Katern 2001, 11). De daarin opgenomen maatregelen met betrekking tot verhoging van het normale (lage) verzilveringstarief, en introductie van een derde verzilveringsdatum gelden eveneens voor scholen en afdelingen voor speciaal voortgezet onderwijs voor lom en mlk en scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging. Een uitgebreide toelichting op herkomst van budgetten, bestedingsdoelen, betaalritme, verantwoording en overgangsregeling kunt u in deze publicatie vinden. In de nu voorliggende publicatie worden de bedragen voor de hierboven genoemde schoolsoorten bekend gemaakt. 2. Omvang van het budget per school De omvang van het budget wordt per school vastgesteld op basis van: Het schoolbudget voor ontwikkeling en ondersteuning van scholen en afdelingen voor speciaal voortgezet onderwijs voor lom en mlk en scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging wordt gevormd door de som van: Formalisering van het boven"},{"i":11425,"b":"Schoolbudget voor svo/lom en svo/lmk en scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging per 1 augustus 2001 1. Inleiding In juli is een akkoord bereikt tussen centrales voor overheids- en onderwijspersoneel en de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen in verband met de uitwerking van de maatregelen naar aanleiding van het rapport van de werkgroep Van Rijn en verlenging van de CAO sector onderwijs (PO, VO, BVE) 2000-2002 . U wordt in deze publicatie geïnformeerd over de gevolgen van dat akkoord voor de omvang van het schoolbudget zoals dat per 1 augustus 2001 wordt verstrekt aan svo/lom en svo/mlk en scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging. Deze publicatie vervangt de eerdere publicatie over het schoolbudget per 1 augustus 2001 met kenmerk VO/FB/2001/17273, die is opgenomen in Uitleg Gele katern nr. 14 van 23 mei 2001. De nu voorliggende publicatie hangt samen met de publicatie ’[Schoolbudget voor het primair onderwijs per 1 augustus 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012720)’ met kenmerk PO/PJ/0132554, die is opgenomen in Uitleg Gele katern nr. 18b van 15 augustus 2001. De in die publicatie opgenomen toelichting is voor een belangrijk deel gelijk aan die in de nu voorliggende publicatie. Toch is die toelichting ook hier opgenomen, zodat de publicatie zelfstandig leesbaar is. Doelstellingen schoolbudget Het schoolbudget is, zoals in eerdere publicaties al is aan-gegeven, een vrij besteedbaar budget voor personele doel-einden dat wordt uitgekeerd in de vorm van geld. Scholen beschikken daarmee structureel over financiële ruimte om zelfstandig afwegingen te maken en daarbij voldoende rekening te houden met de specifieke situatie waarin zij zich bevinden. In het algemeen kan bij de besteding van het budget zoals dat er nu per 1 augustus 2001 uit ziet, gedacht worden aan dekking van de volgende kosten: en Meer specifiek dan hierboven is aangegeven, worden met de verhoging onderstaande doelstellingen nagestreefd: 2. Uitgangs"},{"i":11426,"b":"Selectielijst neerslag handelingen met betrekking tot Emancipatie en gelijke behandeling vanaf 1965-heden, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 maart 2003, nr. arc-2002.4707/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Emancipatie en gelijke behandeling over de periode vanaf 1965](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11427,"b":"Selectielijst neerslag handelingen minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het beleidsterrein Beheer Rijksbegroting Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 10 september 1997, nr. arc-97.1473/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, als vakminister en als vakminister in Londen, binnen het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting (periode 1940-1993), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":13478,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 november 2009, nr. HO&S/BL/165742, houdende instelling van de Commissie Associate degree (Instellingsbesluit Commissie Associate degree) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **staatssecretaris:** Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. **commissie:** commissie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026738&artikel=2&z=2009-12-02&g=2009-12-02). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie Associate degree. 2. De commissie heeft tot taak het beoordelen van en het uitbrengen van advies over aanvragen voor pilots met Associate-degreeprogramma’s . 3. De adviezen worden uitgebracht aan de minister, de staatssecretaris en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 3. Samenstelling en benoeming 1. Tot leden van de commissie worden benoemd: - a. dhr. dr. J.W.A. van Dijk, tevens voorzitter; - b. dhr. drs. G.M. van Wijk; - c. dhr. drs. W.A. Houtkoop. 2. Bij tussentijds vertrek van één van de leden kan de minister een ander lid benoemen. 3. Het secretariaat van de commissie wordt gevoerd door de directie Hoger Onderwijs & Studiefinanciering van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 4. Vergoeding 1. De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de minister. De commissie biedt zo spoedig mogelijk na haar instelling een begroting aan de minister aan. 2. Onder de in het eerste lid bedoelde kosten worden in ieder geval verstaan de kosten voor vergaderen en materiële ondersteuning en een vergoeding voor door de leden van de commissie te maken reiskosten. 3. De voorzitter en de andere leden van de commissie ontvangen per vergadering een ver"},{"i":13456,"b":"Instellingsbesluit baten-lastendienst P-Direkt Handelend in overeenstemming met het oordeel van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. Aan P-Direkt te Den Haag wordt de status van baten-lastendienst verleend als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10). 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: P-Direkt. 3. De baten-lastendienst ressorteert onder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastendienst P-Direkt. Artikel 3 Het [Instellingsbesluit tijdelijke baten-lastendienst P-Direkt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020271) van 11 september 2006 wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11428,"b":"Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het beleidsterrein voortgezet onderwijs over de periode 1968-1998 Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995; De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 december 1999, nr. arc-99.1299/2), Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde 'selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het beleidsterrein voortgezet onderwijs over de periode 1968-1998' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De 'Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen' (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en de Minister van Onderwijs en Wetenschappen nr. O/MA 152.259 en nr. AIZ/RA 47.469 d.d. 4 mei 1970, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen nr. 99.110.RD d.d. 9 maart 1999 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 66 d.d. 7 april 1999)) wordt ingetrokken voor wat betreft de periode vanaf 1968 en voor zover de lijst betrekking heeft op het voortgezet onderwijs. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basis Selectie Document Vaststelling BSD Op 29 juni 1999 is het concept-BSD door het Hoofd van de afdeling Informatiediensten van het Ministerie van OCenW aan de Staatssecretaris van OCenW aangeboden, waarna deze het, voor zover het betreft het handelen van de hoofdactor de minister van Onderwijs, ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waardering van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het ontwerp-BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 14 juli 1999 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke in"},{"i":11429,"b":"Voorlichtingspublicatie over een sociaal plan voor oalt-leraren in verband met het aanscherpen van de kwalificatievereisten per 1 augustus 2002 voor oaltleraren die taalondersteuning geven 1. Inleiding Sinds 1 augustus 2002 zijn de kwalificatievereisten voor oalt-leraren die taalondersteuning geven aangescherpt. Zij moeten vanaf het schooljaar 2002 - 2003 voldoen aan de eis van het voldoende beheersen van het Nederlands om taalondersteuning te kunnen (blijven) geven. Oalt-leraren die niet kunnen voldoen aan deze eis, lopen het risico ontslagen te worden. Daarom zijn door OCenW met de betrokken partijen, namelijk de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de werkgeversorganisaties en de vakbonden, afspraken gemaakt over een sociaal plan voor oalt-leraren. Voor alle duidelijkheid wijs ik erop dat dit sociaal plan geen betrekking heeft op het voorgenomen besluit van het (demissionaire) kabinet om met ingang van 1 augustus 2004 de bekostiging van oalt te beëindigen. Delen van dit sociaal plan zijn al eerder gepubliceerd in: In deze publicatie wordt u geïnformeerd over de andere onderdelen van het sociaal plan, te weten het convenant dat is gesloten met de VNG, de werkgeversorganisaties en de vakbonden (opgenomen in een bijlage bij deze voorlichtingspublicatie) en de daaruit voortvloeiende regelingen voor loonsuppletie en afkoop van het bovenwettelijke deel van de uitkering. 2. Convenant sociaal plan oalt In deze paragraaf worden de hoofdlijnen van het convenant weergegeven; voor de details wordt verwezen naar de tekst in de bijlage. Dit convenant is 31 maart 2003 ondertekend en daarmee in werking getreden. Het convenant heeft betrekking op de oalt-leraren die als gevolg van de aanscherping van de kwalificatievereisten voor het geven van taalondersteuning dreigen hun werk te verliezen. Dat neemt niet weg dat ook de andere, wel bevoegde oalt-leraren betrokken kunnen worden in het vinden van een oplossing voor deze groep oalt-leraren. Zo kunnen bepaalde scholingsactivi"},{"i":13686,"b":"Wet van 30 september 1954, houdende instelling van een productschap voor margarine, vetten en oliën Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad uit eigen beweging daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot instelling van een productschap als bedoeld in de [Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058) (**Stb.** 1950, K 22, sedert gewijzigd) voor ondernemingen op het gebied van de bereiding van, de be- en verwerking van en de handel in vetten en oliën; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een Productschap voor Margarine, Vetten en Oliën. 2. Het productschap heeft zijn zetel te 's-Gravenhage. Artikel 2 1. Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin: margarine, vetten of oliën worden bereid of bewerkt; margarine, vetten of oliën worden verwerkt tot producten, welke - al dan niet na verdere be- of verwerking - kunnen dienen tot menselijk voedsel; de handel - met uitzondering van de aanvoer-, transito- en driehoekshandel - wordt uitgeoefend in: copra of in het buitenland geteelde oliehoudende zaden, pitten, bonen of noten, met uitzondering van consumptiegrondnoten en cacaobonen, margarine, vetten of oliën - met uitzondering van ongesmolten slachtvet - of daaruit verkregen producten, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, kunnen dienen tot menselijk voedsel. 2. In deze wet worden onder **vetten** en **oliën** verstaan plantaardige of dierlijke vetten en oliën, met uitzondering van melkvet en daaruit verkregen producten en cacaoboter, doch met inbegrip van vetzuren. 3. In deze wet, met uitzondering van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002150&artikel=3&z=1976-01-01&g=1976-01-01), wordt onder **handel** mede verstaa"},{"i":11431,"b":"Besluit van 28 april 2011, houdende vaststelling van voorschriften inzake het staatsexamen Nederlands als vreemde taal BES (Staatsexamenbesluit Nederlands als vreemde taal BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 24 september 2010, nr. WJZ/236427 (4875), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 116, tweede en vijfde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES](onbekend); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2010, no. W05.10.0465/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 april 2011, nr. WJZ/256390 (4875), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **certificaat:** een certificaat als bedoeld in [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029980&hoofdstuk=V&artikel=15&z=2022-08-01&g=2022-08-01); - **College voor toetsen en examens:** College voor toetsen en examens, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2), - **diploma:** het diploma Nederlands als vreemde taal; - **examen:** het staatsexamen Nederlands als vreemde taal; - **examenjaar:** het tijdvak dat aanvangt op 1 januari van een jaar en eindigt op 31 december van dat jaar; - **examenleider:** degene die door het College voor toetsen en examens is belast met de leiding bij het afnemen van het examen; - **examenonderdeel:** een onderdeel van het examen als bedoeld in [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029980&hoofdstuk=I&artikel=3&z=2022-08-01&g=2022-08-01); - **examenprogram"},{"i":13945,"b":"Wet van 21 december 2016 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2017) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IA Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Indien vóór 1 januari 2017 een eigen woning als bedoeld in [artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.111) is vervreemd waarbij het bedrag van de eigenwoningschuld onmiddellijk na vervreemding van die eigen woning lager was dan het bedrag van de eigenwoningschuld van die woning onmiddellijk voorafgaande aan die vervreemding, is [artikel 10bis.6, vierde lid, tweede volzin, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.6) van overeenkomstige toepassing indien de uitkering vóór 1 juli 2017 plaatsvindt. Artikel IIA Wijzigt deze wet. Artikel III Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IIIBIS Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IIIA Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel V Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VI Voor de toepassing van de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) worden mede aangemerkt als binnenlandse belastingplichtige die is onderworpen aan de vennootschapsbelasting: - a. voor de periode van 30 september 2015 tot en met 31 december 2015: - 1°. SNS Holding B.V.; - 2°. SNS Bank N.V.; - b. voor de periode van 1 oktober 2015 tot en met 31 december 2015: SRH N.V.; alsmede lichamen waarin deze rechtspersonen een belang hebben en de lichamen waarvan deze rechtspersonen een bestuurder kunnen benoemen of ontslaan. Artikel VII Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VIII Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel IX Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel X Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s"},{"i":12605,"b":"Besluit toebedeling vermogensbestanddelen Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën, Gelet op artikel 130, eerste en tweede lid, van de Wet op het notarisambt; Besluit: Artikel 1 Aan het Bureau Financieel Toezicht worden als vermogensbestanddelen in de zin van artikel 130 Wet op het notarisambt toebedeeld: - a. alle rechten die de Staat wat betreft de kosten over de periode van 1 januari 1999 tot en met 1 oktober 1999 kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 73a Wet op het Notarisambt van 1842 en die worden toegerekend aan het Centraal Bureau van Bijstand, voor een bedrag van f 1.357.067,-; - b. de materiële vaste activa voor een bedrag van f 71.027,-. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 1999. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13669,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2018, 2018-0000224375, directie Financiële Markten, houdende de instelling van een commissie in verband met de advisering over een duurzame verbetering van wettelijke controles door accountants (Instellingsregeling Commissie toekomst accountancysector) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **commissie:** commissie, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041797&artikel=2&z=2019-01-03&g=2019-01-03); - **Minister:** Minister van Financiën. Artikel 2 Er is een Commissie toekomst accountancysector. Artikel 3 1. De commissie krijgt tot taak onderzoek te doen naar en te adviseren over de vraag hoe de kwaliteit van wettelijke controles duurzaam verbeterd kan worden, welke beleids- of wetswijzigingen daarvoor wenselijk zijn en of die wijzigingen juridisch haalbaar zijn. 2. De beleids- of wetswijzigingen waarover de commissie adviseert, omvatten: - a. de mogelijkheden tot optimalisatie van de huidige structuur van de accountancysector; - b. wijzigingen van de structuur van de accountancysector die in het maatschappelijk debat reeds zijn geagendeerd, waaronder afzondering van de wettelijke controlepraktijk, controle van publieke instellingen van overheidswege en het beleggen van de benoeming van de externe accountant bij een onafhankelijke derde partij. 3. De commissie betrekt bij haar advisering ten minste: - a. de bevindingen van de Autoriteit Financiële Markten, opgenomen in het rapport ‘Kwetsbaarheden in de structuur van de accountancysector’; - b. de internationale context van de accountancysector, waaronder de marktstructuur en het Europese juridische kader en de vraag of eventuele beleids- of wetswijzigingen bi"},{"i":12334,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24-5-2016, kenmerk 926950, houdende deelneming in de Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum ‘Zeeuws archief’ Gelet op [artikel 94, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de [Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum ‘Zeeuws archief’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042016). Artikel 2 Het [Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011304) van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 april 2000, nr. DCE/OO/4459 (Stcrt. 2000, 87) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op een bij besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te bepalen tijdstip."},{"i":13813,"b":"Besluit van het hoofd van de Afdeling Contraterrorisme 1 van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 januari 2024, nr. 5164835, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het plaatsvervangend hoofd van Afdeling Contraterrorisme 2 (Mandaatbesluit Contraterrorisme 2 NCTV 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel b, van het Mandaatbesluit Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart NCTV 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049335&artikel=1) aan het hoofd van de Afdeling Contraterrorisme 2 verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die die afdeling betreffen ondermandaat verleend aan het plaatsvervangend hoofd van de Afdeling Contraterrorisme 2. Artikel 2 Het [Mandaatbesluit Versterken CT keten nationaal en internationaal NCTV 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047461) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Contraterrorisme 2 NCTV 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13563,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 8 juli 2013, nr. IENM/BSK-2013/94936, houdende instelling van de Klankbordgroep Lange Termijn Spooragenda (LTSa) Besluit: Artikel 1 Er is een Klankbordgroep Lange Termijn Spooragenda, hierna te noemen: de Klankbordgroep. Artikel 2 De Klankbordgroep heeft tot taak om advies te geven over de wijze waarop en de mate waarin de belangen van de betrokken stakeholders worden betrokken bij en hun beslag krijgen in de inhoudelijke uitwerking van de Lange Termijn Spooragenda, zoals gemeld in de brief aan de Tweede Kamer inzake de Lange Termijn Spooragenda, d.d. 13 februari 2013 (Kamerstukken II, 29 984, nr. 384), met name met betrekking tot de volgende onderdelen van die uitwerking: - a). de herijking van programma’s en projecten, inclusief het op te stellen afwegingskader; - b). het uitwerken van sturingsmechanismen; - c). een oordeel over de ordening; - d). het operationeel spoorconcept en verbeteraanpak van NS en Prorail; - e). het verbinden van deze producten met de concessietrajecten, het PHS en ERTMS. Artikel 3 1. Tot de leden van de Klankbordgroep worden benoemd: - a). De heer drs. W.J. Kuijken (ABDTOPConsult), tevens voorzitter; - b). De heer J.G.M. Alders (voorzitter Overlegorgaan Infrastructuur & Milieu); - c). Mevrouw drs. J.N. Baljeu (wethouder Rotterdam); - d). De heer mr.drs. B.J. Bruins (directievoorzitter UWV); - e). De heer drs. A. Kraaijeveld (voorzitter NL Maritiem Land); - f). Mevrouw drs. A. Jongerius (commissaris PostNL); - g). De heer T. Kaper (directeur van adviesbureau De Oude Mol); - h). Mevrouw P.C. Krikke (voorzitter Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer). 2. De leden worden benoemd tot het moment van opheffing van de Klankbordgroep, bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033658&artikel=5&z=2013-07-13&g=2013-07-13). 3. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu kan in overleg met de voorzitter meer leden benoemen. 4. De Klan"},{"i":11434,"b":"Subsidieplafondbesluit Projectsubsidies doorontwikkeling Aangepast Lezen ter zake ‘Verbreden en borgen methodiek Leesplezier voor kinderen met een leesprobleem, in het kader van de Bibliotheek op school’, Koninklijke Bibliotheek 2026 Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=5) en [8, vierde lid, van de Gewijzigde tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049915&artikel=8); BESLUIT: I Voor het jaar 2026 het volgende subsidieplafond ter zake de [artikelen 3, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877&artikel=3), en [8, eerste lid, van de Tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046877&artikel=8) vast te stellen: - Het subsidieplafond voor de in het [besluit van 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051368) vermelde activiteiten bedraagt € 100.000,– voor het jaar 2026. Een subsidie bedraagt € 4.500,– per ingezette leesconsulent. Er kan persubsidie-ontvanger voor de inzet van maximaal twee leesconsulenten subsidie worden aangevraagd. - Voor deze projectsubsidies geldt als verdeelsleutel de volgorde van binnenkomst van de aanvragen. De datum waarop de aanvraag volledig is ontvangen geldt als ontvangstdatum. II Dit besluit treedt in werking op de dag na de dag van de bekendmaking."},{"i":11435,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 februari 2025, nr. OPO/50466631, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor de aansluiting bij of de vorming van onderwijsregio’s en de stimulering van regionale samenwerking bij strategisch personeelsbeleid en de begeleiding van starters (Subsidieregeling aansluiting onderwijsregio’s en personeelsbeleid po en vo) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) van de Wet overige OCW-subsidies en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Algemene verordening gegevensbescherming:** [Verordening (EU) 2016/679](32016R0679) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119)); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), of [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **leerling:** leerling als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=1), [artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":11896,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit van 23 april 2024, kenmerk 01.314.617, tot instelling van een (interne) adviescommissie voor de behandeling van bezwaarschriften (Besluit Adviescommissie bezwaarschriften Kansspelautoriteit 2024) Gelet op [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13), Besluit vast te stellen het navolgende besluit Adviescommissie bezwaarschriften Kansspelautoriteit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **belanghebbende:** belanghebbende als bedoeld in [artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:2); - b. **commissie:** interne Adviescommissie bezwaarschriften Kansspelautoriteit als bedoeld in [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13); - c. **onafhankelijke voorzitter:** persoon, die geen deel uit maakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de Kansspelautoriteit; - d. **leden:** leden van de commissie, niet zijnde de onafhankelijke voorzitter, werkzaam bij de Kansspelautoriteit; - e. **raad:** raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, bedoeld in [artikel 33a van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a). Artikel 2 1. Er is een interne Adviescommissie bezwaarschriften Kansspelautoriteit. 2. De commissie heeft tot taak belanghebbenden te horen en de raad te adviseren over te nemen beslissingen op bezwaarschriften die zijn gericht tegen besluiten op grond van de [artikelen 35a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=35a) of [35b van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=35b) en op grond van [artikel 30 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=30). 3. Bezwaarschriften die door de Kansspelautoriteit kennelij"},{"i":11436,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 5 juni 2024, nr. 46087565 houdende regels voor het verstrekken van subsidie aan initiatieven in het kader van digitaal afstandsonderwijs 2024 (Subsidieregeling digitale school 2024) Gelet op [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71), [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71) en [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **coalitie:** coalitie als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049795&artikel=4&z=2024-06-13&g=2024-06-13); - **digitaal afstandsonderwijs:** vorm van onderwijs waarbij de leerling niet fysiek naar school gaat, maar het onderwijs via digitale wijze op afstand volgt; - **digitale schoolvoorziening:** voorziening binnen een school die erop is gericht thuiszittende jeugdigen een passend onderwijstraject met digitaal afstandsonderwijs te bieden; - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **penvoerder:** bevoegd gezag van een school in een coalitie, dat voor de coalitie als penvoerder optreedt bij de aanvraag en verantwoording van subsidie op grond van deze regeling; - **leerlingen in het primair onderwijs:** leerlingen op vestigingen van de scholen binnen het samenwerkingsverband, bedoeld in [artikel 18a, tweede of vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl"},{"i":14182,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 juni 2012, nr. DL/405352, houdende vaststelling van het overzicht van getuigschriften waarmee wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen die gelden voor het geven van voortgezet onderwijs in de algemeen gebruikelijke vakken of programmaonderdelen waarvan niet rechtstreeks op grond van het getuigschrift kan worden vastgesteld dat aan deze bekwaamheidseisen is voldaan (Regeling conversietabel getuigschriften en vakken VO) Gelet op [artikel 33, lid 1c, onderdeel b, van de Wet op het Voorgezet Onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=33), alsmede [artikel 80, lid 4, van de wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=80); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beroepsgericht keuzevak:** vak als bedoeld in [artikel 2.24, derde lid, onderdeel b van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.24); - **beroepsgericht profielvak:** profielvak als bedoeld in [artikel 2.21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=2.21), en [artikel 2.25, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=2.25); - **leraar:** leraar als bedoeld in de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - **praktijkgericht vak in de gemengde leerweg:** vak als bedoeld in [artikel 2.25a van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=2.25a); - **praktijkgericht vak in de theoretische leerweg:** vak als bedoeld in de [artikelen 2.17a van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=2.17a); - **praktijkgericht vak in het vmbo:** het praktijkgerichte vak in de theoretische leerweg en het praktijkgerichte vak in de gemengde leerweg; - **vho:** voorbereidend hoger onderwijs als b"},{"i":11437,"b":"Regeling van de Minister Primair en Voortgezet Onderwijs van 31 augustus 2022, nr. PO/33528646, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor expertisedeling ten behoeve van onderwijs aan nieuwkomersleerlingen (Subsidieregeling expertisedeling onderwijs nieuwkomersleerlingen) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) of [artikel 1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=1); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **nieuwkomersleerling:** - a. asielzoeker of overige vreemdeling als bedoeld in [artikel 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045350&artikel=32), [artikel 33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045350&artikel=33), [artikel 34, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045350&artikel=34) of artikel 34, tweede lid, onder a, b of c, van de Tweede Regeling bekostiging personeel PO 2021–2022 en vaststelling bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2021–2022; of - b. leerling die vreemdeling is als bedoeld in [artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1), als werkelijk schoolgaand staat ingeschreven bij een school als bedoeld in [artikel 1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=1), geen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs of Euro"},{"i":13816,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 18 december 2019, tot vaststelling van het mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020 Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6). Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **het Ministerie van Financiën:** het kernministerie, de directoraten-generaal Belastingdienst (DGBD), Toeslagen (DGTSL) en Douane (DGD) en de inspectie belastingen, toeslagen en douane (IBTD); - b. **het kernministerie:** de Generale Thesaurie, het directoraat-generaal Rijksbegroting, het directoraat-generaal Fiscale Zaken en het cluster secretaris-generaal; - c. **de minister:** de Minister van Financiën; - d. **de staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Financiën; - e. **bewindspersoon:** de Minister of de Staatssecretaris van Financiën; - f. **algemene leiding:** de secretaris-generaal (SG), de plaatsvervangend secretaris-generaal (pSG), de directeuren-generaal (DG), en de thesaurier- generaal (TG); - g. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon besluiten te nemen; - h. **volmacht:** volmacht als bedoeld in [artikel 3:60, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=60), om namens de Staat der Nederlanden rechtshandelingen te verrichten; - i. **medewerker:** de ambtenaar in de zin van de [Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947) die werkzaam is bij het ministerie; - j. **(hoofd)budgethouder:** hoofd van een organisatie-eenheid verantwoordelijk voor het financieel beheer van één of meer budgetten; - k. **Bed"},{"i":13704,"b":"Wet van 11 juni 1986, houdende regels inzake de opheffing van de organisatie bescherming bevolking en het treffen van enige daarmee verband houdende voorzieningen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de organisatie bescherming bevolking op te heffen en met het oog daarop de [Wet bescherming bevolking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002096) (**Stb.** 1952, 404) en enige andere wetten of onderdelen daarvan in te trekken alsmede enige daarmee verband houdende voorzieningen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepaling Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; - b. liquidatie: het geheel van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen en overige handelingen, dat is gericht op de opheffing van de organisatie bescherming bevolking en op de vereffening van het vermogen van die organisatie, daaronder begrepen de vaststelling van de voorlopige liquidatierekening en de vereffening van het liquidatiesaldo; - c. kringraad: de kringraad, bedoeld in [artikel 14, tweede lid, onder **b.** van de Wet bescherming bevolking](onbekend) (**Stb.** 1952, 404); - d. bevoegd gezag van de noodwacht: het gezag van de gemeentelijke, kring-, provinciale en rijksnoodwacht (burgemeester, respectievelijk kringraad, Commissaris van de Koningin, Minister van Binnenlandse Zaken); - e. noodwachter: degene, die is benoemd dan wel in dienst genomen op grond van artikel 9 van de Wet op de noodwachten (**Stb.** 1971, 61); - f. onroerende zaken: de grond, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, in eigendom van de kringen bescherming bevolking, de commandoposten daaronder niet begrepen. Hoofdstuk II. De intrekki"},{"i":12425,"b":"Besluit van 22 februari 1896, tot invoering van signalement-kaarten Overwegende dat het wenschelijk is, ter vaststelling van de identiteit van sommige veroordeelden en verdachten, signalement-kaarten in te voeren; Op de voordracht van den Minister van Justitie dd. 14 Februari 1896, 2de afdeeling A, n°. 165; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Van het opmaken, verzenden, verzamelen en beheeren der signalement-kaarten Artikel 1 1. Er worden signalement-kaarten opgemaakt: - A. van alle onherroepelijk veroordeelden tot eene gevangenisstraf van zes maanden of langer wegens eenig gemeen of militair misdrijf, die den leeftijd van 23 jaren bereikt hebben; - B. van de tot plaatsing in eene Rijkswerkinrichting krachtens [artikel 434](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=434) of het [vierde lid van artikel 453 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=453) veroordeelden, die den leeftijd van 23 jaren bereikt hebben, voor zoover de door den Minister van Justitie te stellen regelen het voorschrijven; - C. van alle aangehouden of gevangen genomen verdachten van eenig misdrijf of eene der in de [artikelen 432](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=432) en [433 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=433) omschreven overtredingen, ter vaststelling van wier identiteit het opmaken van een signalement-kaart in het belang der Justitie wenschelijk is te achten. 2. Signalement-kaarten van [de onder C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001862&paragraaf=1&artikel=1&z=1999-01-01&g=1999-01-01). bedoelde personen worden niet opgemaakt dan op last van de procureurs-generaal bij de gerechtshoven, den advocaat-fiscaal voor de zee- en landmacht, de officieren van Justitie, de auditeurs-militair of de fiscalen bij de zeekrijgsraden binnengaats. Artikel 2 Overeenkomstig de voorschriften daartoe door den Minister van Justitie te geven, worden de signalement-kaar"},{"i":13433,"b":"Instellingsbesluit Adviescommissie Pôle de Compétitivité Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de commissie: de Adviescommissie Pôle de Compétitivité; - b. de minister: de Minister van Economische Zaken. Artikel 2 1. Er is een Adviescommissie Pôle de Compétitivité. 2. De commissie heeft tot taak de minister een beoordeling te geven over het innovatieprogramma ‘Pôle de Compétitivité’ op het terrein van nanotechnologie en embedded systemen, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op: - a. de strategische betekenis voor de Nederlandse economie op basis van de verwachte duurzame en economische impact; - b. de gerichtheid op innovatieve ontwikkelingen en de hoogte van het risico dat gepaard gaat met de uitvoering; - c. de mate en wijze van ambitie, organisatie en betrokkenheid van grote, middelgrote en kleine bedrijven, kennisinstellingen en overheid; - d. de ambitie in internationaal perspectief en de kansen voor Nederland op een versterking van de internationale kennis- en concurrentiepositie; - e. de noodzaak van betrokkenheid van de overheid voor de realisatie van de ambities. 3. De commissie beoordeelt voorts de kwaliteit en de uitvoerbaarheid van het voorgestelde programma, in samenhang met de geschetste visie, ambitie en de daaraan ten grondslag liggende strategische agenda. 4. Het advies van de commissie gaat vergezeld van een deugdelijke motivering. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en maximaal vijf leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd en kunnen door de minister worden geschorst en ontslagen. 3. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep. 4. Te rekenen vanaf 1 maart 2006 worden tot lid van de commissie benoemd: - a. prof. dr. L. Soete, te Maastricht, tevens voorzitter; - b. drs. L.J. Halvers, te Oosterbeek; - c. dr. M. Hinoul, te Genk (België); - d. prof. dr. M. Rem, te Eindhoven; - e. ir. R."},{"i":12735,"b":"Besluit van 7 maart 2012, houdende vaststelling van de bestanddelen van de munten van vijf en tien euro die in 2012 worden uitgegeven ter gelegenheid van 400 jaar betrekkingen Nederland-Turkije Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 1 maart 2012, FM/2012/286 M, Generale Thesaurie, directie Financiële Markten, afdeling Institutioneel Beleid en Integriteit; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2012/5283. Artikel 1 1. De beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2012 worden uitgegeven ter gelegenheid van 400 jaar betrekkingen Nederland-Turkije is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: rondom een naar links gekantelde munt het randschrift «BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN», op de gekantelde munt Onze beeltenis en de afbeelding van een bloeiende tulp met in de rand van de gekantelde munt onderin de naam van de ontwerpster «D.S.TUNCA» en in het midden het teken van de Muntmeester ; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: rondom een naar rechts gekantelde munt de tekst «2012 NEDERLAND TURKIJE 400 JAAR», op de gekantelde munt een gesloten tulp met daaronder de waardeaanduiding «5 €» respectievelijk «10 €» en links van de tulp een maansikkel en vijfpuntige ster met in de rand van de gekantelde munt onderin de naam van de ontwerpster «D.S.TUNCA» en in het midden het teken van de Munt ; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13770,"b":"Klachtenregeling TloKB De Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (hierna te noemen: TloKB), overwegende dat het wenselijk is dat er een regeling is die een behoorlijke behandeling van klachten waarborgt, gelet op [hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) (Awb), heeft besloten de volgende klachtenregeling vast te stellen: Algemene bepalingen Artikel 1. Klachtrecht 1. Eenieder heeft het recht om over de wijze waarop de TloKB zich in de uitoefening van haar bevoegdheden jegens hem/haar of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij de TloKB. 2. Een gedraging van een persoon die werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de TloKB wordt aangemerkt als een gedraging van de TloKB. Artikel 2. Behoorlijke behandeling De TloKB draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten. Artikel 3. Schriftelijke klachten 1. Deze regeling is van toepassing op de behandeling van schriftelijke klachten die betrekking hebben op een gedraging jegens de klager en die voldoen aan de eisen genoemd in [artikel 6, eerste lid, en onder a tot en met d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047794&artikel=6&z=2023-01-21&g=2023-01-21). 2. Een klacht die per e-mail wordt ingediend wordt als een schriftelijk ingediende klacht afgehandeld. Artikel 4. Mondelinge klachten 1. Bij de behandeling van mondeling ingediende klachten dan wel klachten die betrekking hebben op een gedraging jegens een ander dan de klager, neemt de TloKB in ieder geval de vereiste zorgvuldigheid in acht. 2. De TloKB wijst de klager die een mondelinge klacht heeft ingediend op de mogelijkheid een schriftelijke klacht in te dienen. Artikel 5. Geen beroep/bezwaar Tegen een beslissing van de TloKB inzake de behandeling van een klacht over een gedraging als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047794&artikel=1&z=2023-01-21&g=2023-01-21) kan geen beroep of bezwaar worden ingesteld. De behand"},{"i":11928,"b":"Besluit benoeming en vaststelling vergoeding leden Adviescommissie Wind op Zee Gelet op [artikel 3.7.8 van de Subsidieregeling energie en innovatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026952&artikel=3.7.8) en [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Te rekenen vanaf 1 oktober 2012 worden voor een periode van vier jaar tot lid van de Adviescommissie Wind op Zee benoemd: - a. de heer dr. L. Folkerts, te Amersfoort, tevens voorzitter; - b. de heer dr. H.J.M. Beurskens, te Schagen; - c. de heer dr. T. Buhl, te Roskilde, Denemarken; - d. de heer ir. F.J.L. Van Hulle, te Leuven, België; - e. de heer prof. dr. M. Kühn, te Oldenburg, Duitsland; - f. de heer dr. J.C. Matthiesen, te Londen, Verenigd Koninkrijk; - g. de heer drs. H.P.G.M. den Rooijen, te Londen, Verenigd Koninkrijk. Artikel 2 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie Wind op Zee wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 56/1829. 2. Aan de andere leden van de Adviescommissie Wind op Zee wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 48/1829. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen en aan de Adviescommissie Wind op Zee."},{"i":11439,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 16 juli 2021, nr. PO/ 28571561, houdende regels voor subsidieverstrekking ten behoeve van impuls en innovatie in het bewegingsonderwijs (Subsidieregeling impuls en innovatie bewegingsonderwijs) Gelet op [artikel 70 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=70) en [artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **lesuur:** les bewegingsonderwijs van ten minste 45 minuten; - **Minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **procesbegeleider:** procesbegeleider als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045445&artikel=3&z=2022-11-05&g=2022-11-05); - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), of [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), niet zijnde een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **schooljaar:** periode van 1 augustus van een jaar tot en met 31 juli van het daaropvolgende jaar. Artikel 2. Toepassing [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Deze regeling geldt in aan"},{"i":11440,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 december 2024, nr. OVO/49358107, houdende regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van het uitvoeren van het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting (Subsidieregeling Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1), Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **achterstandsscore:** - a. voor het voortgezet onderwijs: achterstandsscore zoals gepubliceerd op 7 maart 2024 door het Centraal Bureau voor de Statistiek op peildatum 1 oktober 2022, met dien verstande dat voor een vestiging voor praktijkonderwijs, de achterstandsscore zonder drempel voor praktijkonderwijs wordt gehanteerd en dat voor overige vestigingen voor voortgezet onderwijs de achterstandsscores met drempel voor het vmbo, havo en/of vwo worden gehanteerd; - b. voor het primair onderwijs: achterstandsscore met drempel, als bedoeld in [artikel 18 van het Besluit bekostiging WPO 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=18), zoals gepubliceerd op 7 oktober 2024 door het Centraal Bureau voor de Statistiek, op basis van de onderwijsscores van de leerlingen die op 1 februari 2024 zijn ingeschreven op een basisschool; - **adaptief schoolgebouw:** schoolgebouw dat flexibel is ingedeeld, waardoor het gebouw aanpasbaar is aan toekomstige nieuwe onderwijsconcepten en een toekomstige nieuwe indeling van installaties; - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":15541,"b":"Wet van 15 december 2021 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2022) Artikel I. [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203) Wijzigt de Aanbestedingswet 2012. Artikel Ia. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IV. [Arbeidswet 2000 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028202) Wijzigt de Arbeidswet 2000 BES. Artikel V. [Besluit gelijkstelling niet-Nederlanders met Nederlanders (Algemene Ouderdomswet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003880) Het [Besluit gelijkstelling niet-Nederlanders met Nederlanders (Algemene Ouderdomswet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003880) wordt ingetrokken. Artikel VI. [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel VII. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VIII. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel IX. [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel X. [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Artikel Xa. [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel XI. [Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054) Wijzigt de Wet arbeidsvoorwaar"},{"i":11445,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 8 oktober 2022, nr. VO/34073685, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor het gericht werken aan een onderzoeks- en verbetercultuur in het funderend onderwijs (Subsidieregeling onderzoeks- en verbetercultuur funderend onderwijs 2023–2027) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **onderzoeks- en verbetercultuur:** cultuur die stimuleert dat alle betrokkenen, zowel intern als extern, zich richten op het definiëren en behalen van de gewenste kwaliteit door middel van een constructief-kritische houding en continu streven naar de daarvoor zo nodig vereiste kwaliteitsverbeteringen; - **onderzoeksfase:** schooljaren 2024/2025, 2025/2026 en 2026/2027; - **O&O-scholen:** onderzoek- en ontwikkelscholen in het programma Ontwikkelkracht; - **organisatie:** organisatie, niet zijnde school, onderwijsinstelling of gemeente, met aantoonbare ervaring op het gebied van het begeleiden van scholen om gericht te werken aan een onderzoeks- en verbetercultuur; - **pilotjaar:** schooljaar 2023/2024; - **programma Ontwikkelkracht:** programma dat is gericht op het versterken van de kennisinfrastructuur in het Nederlands onderwijs; - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":19562,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 14 december 2022, nr. IENW/BSK-2022/293161, houdende vaststelling van de tarieven transportsectoren (Regeling tarieven transportsectoren) Gelet op de [artikelen 1.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.7), [5.5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.5), [6.55, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.55), [6.58, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.58), [8.12, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.12), [8a.1, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.1), [8a.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.4), [10.11, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=10.11), en [11.2a, derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.2a), [artikel 34 van de Wet bestrijding maritieme ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037162&artikel=34), [artikel 72, eerste lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=72), [artikel 51, tweede lid, van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=51), [artikel 529j van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=529j), de [artikelen 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378&artikel=4), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378&artikel=17), en [21, eerste lid, van de Meetbrievenwet 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378&artikel=21), [artikel 311a, derde lid, van het Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=311a), [artikel 14, derde lid, van de Wet havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=14), [artikel 23, tweede lid, van de Wet laden"},{"i":14199,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 5 juli 2016, nr. 6322 betreffende de digitale vervanging van personele archiefbescheiden van het ministerie van Financiën in het systeem cRMA van P-Direkt Gelet op [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b), Besluit: Artikel 1 De originele papieren personele archiefbescheiden die volgens het op 16 augustus 2007 vastgestelde Basis Selectie Document 168 (BSD 168) ‘Overheidspersoneel P-Direkt’, voor vernietiging dan wel voor permanente bewaring in aanmerking komen van het ministerie van Financiën in het systeem cRMA van P-Direkt, worden overeenkomstig de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038485&artikel=2&z=2016-09-07&g=2016-09-07), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038485&artikel=3&z=2016-09-07&g=2016-09-07) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038485&artikel=4&z=2016-09-07&g=2016-09-07) van deze regeling digitaal vervangen. Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt overeenkomstig de eisen die [artikel 26b Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) daaraan stelt en met inachtneming van [artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). De digitale vervanging behelst tevens de daadwerkelijke vernietiging van de oorspronkelijke papieren documenten anders is er geen sprake van vervanging. Artikel 3 De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties vastgesteld in het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers en het Handboek Organiek en specifiek. Artikel 4 De digitale vervanging betreft personele archiefbescheiden van alle medewerkers van het ministerie van Financiën en is vanaf 1 januari 2015 toepasbaar voor die documenten die op de in het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossier"},{"i":11462,"b":"Wet van 4 oktober 2023 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en Wet voortgezet onderwijs 2020 in verband met de tijdelijke inrichting van tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen voor leerplichtige nieuwkomers en het versterken van de regierol van gemeentebesturen bij het aanbod van nieuwkomersonderwijs (Tijdelijke wet tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen in het onderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de toestroom nieuwkomers scholen en gemeenten voor de grote uitdaging plaatst om alle leerplichtige nieuwkomers tijdig van onderwijs te voorzien en dat scholen en gemeenten daarin ondersteund moeten worden door tijdelijk en onder voorwaarden tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen mogelijk te maken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II. [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) Wijzigt de Wet voortgezet onderwijs 2020. Artikel III. Evaluatiebepaling Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel V. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke wet tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen in het onderwijs. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11463,"b":"Toegevoegde Overeenkomst bij het Statuut van de Europese School houdende vaststelling van een regeling voor het Europese Baccalaureaat De Partijen bij het Statuut van de Europese School, ondertekend te Luxemburg op 12 april 1957, Verlangend de regelen voor het Europese Baccalaureaat vast te stellen, Zijn overeengekomen nopens de volgende bepalingen, welke de in artikel 5, 2e lid, van het Statuut bedoelde bijlage vormen: Artikel 1 Het Europese Baccalaureaatsdiploma wordt aan het einde van het 7e leerjaar van de middelbare afdeling van de Europese School in naam van de Raad van Bestuur uitgereikt aan de leerlingen, die met goed gevolg het hierna omschreven examen hebben afgelegd. Het diploma bevestigt, dat de studie aan de middelbare afdeling van de Europese School voltooid is overeenkomstig de voorwaarden, gesteld door de Raad van Bestuur. Artikel 2 De in de onderscheiden taalafdelingen van de School ingeschreven leerlingen maken dezelfde of gelijkwaardige examenopgaven voor een Examencommissie, waarvan de samenstelling en de werkwijze hierna zijn vastgesteld. Artikel 3. Het examen Ieder jaar wordt een examen gehouden op door de Raad van Bestuur te bepalen dagen: het gewone examen. Daarnaast kan de Examencommissie volgens de door de Raad van Bestuur vastgestelde regelingen besluiten tot het houden van een buitengewoon examen, ingeval één of meer leerlingen door overmacht niet aan het gewone examen hebben kunnen deelnemen. Artikel 4. Inschrijving voor het examen Voor het Europese Baccalaureaatsexamen kunnen zich laten inschrijven de leerlingen die ten minste de laatste twee leerjaren van het onderwijs aan de middelbare afdeling van de Europese School geregeld hebben gevolgd. De wijze van inschrijving en de inschrijvingsgelden worden vastgesteld door de Raad van Bestuur. Artikel 5. Inhoud van het examen 1). Het Europese Baccalaureaatsexamen omvat de vakken die in het 6e en 7e leerjaar worden onderwezen, en heeft met name betrekking op: - -. de basistaal; - -. de eerste"},{"i":13632,"b":"Instellingsbesluit Task Force Next Generation Networks Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Economische Zaken; - b. **Task Force:** de Task Force Next Generation Networks. Artikel 2 1. Er is een Task Force Next Generation Networks. 2. De Task Force heeft tot taak advies uit te brengen hoe de verdere snelle uitrol van breedbandige netwerken door decentrale overheden in samenwerking met (commerciële) ondernemingen en andere partijen kan worden gestimuleerd. 3. Voor de uitvoering van de taak zal de Task Force: - a). in het advies aandacht besteden aan de verschillende bedrijfseconomische, financiële, juridische en organisatorische modellen die relevant zijn voor gemeenten om hun participatie vorm te geven. - b). het advies doen uitmonden in een ‘menukaart’ die gemeenten kunnen gebruiken voor het vormgeven van hun eigen rol, en hun relatie met ondernemingen, institutionele investeerders, private investeerders en banken, woningcorporaties en andere spelers. - c). in het advies expliciet aandacht besteden aan de do’s en dont’s zodanig dat de menukaart op eenvoudige wijze kan worden gebruikt als input of inspiratie voor de decentrale besturen. - d). in het advies inzicht geven in de voorziene behoefte aan (diensten) en groeipotentie van Next Generation Networks tussen 2015 en 2020. - e). in het advies ingaan op de mogelijkheden voor decentrale overheden om diensteninnovatie te stimuleren en aan te geven welke randvoorwaarden hiervoor gewenst zijn. Artikel 3 1. De Task Force zal het advies uiterlijk vóór 1 maart 2010 uitbrengen aan de staatssecretaris. 2. De Task Force zal vóór 1 februari 2010 een tussenrapportage uit brengen aan de staatssecretaris. Artikel 4 1. De Task Force bestaat uit een voorzitter en 5 andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden"},{"i":11464,"b":"Toelating ander diploma tot examens accountants- en administratieconsulenten Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Examenbesluit accountants-administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002923&artikel=2) (Stb. 1974, 304); Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs en Wetenschappen; Besluit: Artikel 1 Tot het afleggen van het examen, bedoeld in [artikel 60 van de Wet op de Accountants-administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002856&artikel=60) wordt toegelaten degene die in het bezit is van het diploma ‘Registered Industrial Accountant’ (R.I.A.) afgegeven door ‘The Society of Industrial Accountants of Ontario’, dan wel ‘The Society of Management Accountants of Ontario’. Artikel 2 1. Deze beschikking wordt in de Staatscourant bekendgemaakt. 2. Zij treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"i":13565,"b":"Besluit van 23 Juli 1951, houdende instelling \"Kruis voor Recht en Vrijheid\" Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Ministers van Oorlog en van Marine, d.d. 4 Juli 1951, DG La X 161; en dd. 9 Juli 1951, nr. 28174; en dd. 17 Juli 1951, nr. 251 512/251436; Overwegende dat het gewenst is om aan Nederlanders en Nederlandse onderdanen die, in het belang der oorlogvoering door de Verenigde Naties in enig deel van de wereld, met de strijdkrachten dier Verenigde Naties aan de strijd hebben deelgenomen of deelnemen, een herinneringsteken toe te kennen en dit herinneringsteken tevens dienstbaar te stellen voor krijgsverrichtingen ter handhaving van het Nederlands gezag; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er wordt ingesteld het \"Kruis voor Recht en Vrijheid\" waaraan gespen kunnen worden verbonden. Artikel 2 Het Kruis voor Recht en Vrijheid wordt door of namens Onze Minister van Defensie toegekend aan militairen van de krijgsmacht die deelgenomen hebben aan krijgsbedrijven ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk of ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, voorzover deze krijgsbedrijven bij koninklijk besluit zijn aangewezen. Artikel 3 Het versiersel van het Kruis voor Recht en Vrijheid, waarvan het standaardmodel nader zal worden vastgesteld, bestaat uit een vierarmigkruis van verzilverd metaal, hoog en breed 40 mm. In het hart van het kruis bevindt zich een ovaal schild van 14 mm hoog en 8 mm breed. Tussen de armen van het kruis zijn aangebracht twee zwaarden eveneens van verzilverd metaal, schuin gekruist achter het ovale schild. Op het schild is in relief aangebracht de letter \"J\". Het schild wordt gedekt door een Koninklijke Kroon. Op de achterzijde van het schild de Leeuw, zoals hij in het wapen van het Rijk voorkomt. Het geheel gedragen door een ring. Het kruis is bevestigd op een lint van 27 mm. breedte met in het mid"},{"i":11466,"b":"Toelatingseisen accountantsexamens Handelende in overeenstemming met de minister van Onderwijs en Wetenschappen; Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Examenbesluit accountantsadministratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002923&artikel=2) (Stb. 1974, 304); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Tot het afleggen van het examen, bedoeld in [artikel 60 van de Wet op de Accountants-administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002856&artikel=60) (Stb. 1972, 748), wordt toegelaten degene die in het bezit is van: - a. een getuigschrift of een ander bewijsstuk, afgegeven door het examenbureau, waaruit blijkt dat de tentamens in de vakken genoemd in artikel 4, onder 1 tot en met 5, van het Examenbesluit Registeraccountants (Stb. 1974, 58) zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het Besluit van 5 mei 1986, houdende wijziging van het Examenbesluit registeraccountants (Stb. 277) met goed gevolg zijn afgelegd; - b. een getuigschrift of een ander bewijsstuk, afgegeven door het examenbureau, waaruit blijkt dat de tentamens in alle vakken van de in artikel 3 van het Examenbesluit Registeraccountants bedoelde eerste fase van het accountantsexamen met goed gevolg zijn afgelegd, alsmede van een in [artikel 27, eerste lid, van het Staatsexamenbesluit SPD bedrijfsadministratie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003473&artikel=27) (Stb. 1982, 10) bedoeld certificaat voor het in [artikel 10, onder e, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003473&artikel=10) genoemde deelexamen; - c. een diploma, afgegeven op grond van het met gunstig gevolg afgelegd hebben van het Licentiaatsexamen in de Economische Wetenschappen, afgegeven door de Faculteit der Maatschappijwetenschappen van de Anton de Kom Universiteit van Suriname. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":14009,"b":"Raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR (1 januari 2026) Hoofdstuk 1. Het raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde cursussen mogen nascholing voor de code 95 verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificering af te geven. Ook registreert het CBR verklaringen van nascholing voor chauffeurs die aan de nascholingsplicht hebben voldaan. Tot slot houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de nascholingscursussen. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR een raamwerk nascholingscursussen en ADR opgesteld. Dit raamwerk is een document zoals wordt bedoeld in [artikel 156s van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de nascholing daadwerkelijk aan deze eisen houdt. Is dit niet het geval? Dan legt het CBR een sanctie op. De verschillende sancties en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep vindt u in dit raamwerk terug. Het is toegestaan om bij de nascholing gebruik te maken van e-learning en simulatoren. De eisen die hierbij gelden zijn opgenomen in dit raamwerk. Tot slot is in dit raamwerk een overzicht met minimumeisen per nascholingscursus opgenomen. Het CBR wijzigt het raamwerk maximaal twee keer per jaar: op 1 januari en op 1 juli. Wijzigingen worden afgestemd met de opleidingsbranche en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en actief naar alle erkende opleiders gecommuniceerd. Worden de minimumeisen in het raamwerk aangepast en zijn de wijzigingen van invloed op de certificering van een nascholingscursus? Dan wordt dit expliciet vermeld en moeten opleidingsinstituten hun opleidingsplannen b"},{"i":11468,"b":"Besluit van 4 december 2008, houdende regels met betrekking tot onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap en de uitvoering daarvan door UWV (Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sharon A.M. Dijksma, van 6 oktober 2008, nr. WJZ/57270 (2658), directie Wetgeving en Juridische Zaken; gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 19a, zevende lid, van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a); De Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 2008, nr. W05.08.0425/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sharon A.M. Dijksma, van 25 november 2008, nr. WJZ/72435 (2658), directie Wetgeving en Juridische Zaken; uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies in werking treedt. Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Algemene bepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458); - b. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. **intermediaire activiteit:** persoonlijke dienstverlening die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende lichaamsfunctie; - d. **cluster 1, 2, 3 onderscheidenlijk 4:** de clusters, bedoeld in [artikel 2, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl"},{"i":13015,"b":"Besluit verlening van ondermandaat, machtiging en ondervolmacht ten behoeve van de handhaving Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041190&artikel=2), [3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041190&artikel=3), en [5 van het Aanwijzings- en mandaatbesluit Wwft 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041190&artikel=5); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Afdeling Toezicht Wwft:** de Afdeling Toezicht Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme van de Dienst Financieel-Economische Integriteit van het Ministerie van Financiën; - b. **minister:** de Minister van Financiën; - c. **Wwft:** de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282). Artikel 2 Aan de medewerkers van Team 2 van de Afdeling Toezicht Wwft, wordt ondermandaat verleend voor: - a. de uitoefening van de bevoegdheden van de minister, bedoeld in de [paragrafen 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&paragraaf=4.2) en [4.3 van de Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&paragraaf=4.3); - b. het nemen van besluiten in het kader van de invordering van verbeurde dwangsommen of opgelegde boetes die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden van de minister, bedoeld in [hoofdstuk 4 van de Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&hoofdstuk=4), met uitzondering van het in rekening brengen van een vergoeding voor een aanmaning. Artikel 3 Aan de medewerkers van Team 2 van de Afdeling Toezicht Wwft, wordt ondervolmacht verleend voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen die verband houden met de invordering van verbeurde dwangsommen of opgelegde boetes die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden van de minister, bedoeld in [hoofdstuk 4 van de Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&hoofdstuk=4)"},{"i":12412,"b":"Besluit van 26 Mei 1944, houdende vervanging van het Koninklijk besluit van 28 Augustus 1941 (Staatsblad, No. B 77), tot instelling van een Vliegerkruis Op de voordracht van Onze Ministers van Algemeene Zaken a.i., van Oorlog, van Marine en van Koloniën, d.d. 6 April 1944, Kans/A.Z. No. 79; Hebben goedgevonden en verstaan: Ons besluit van 28 Augustus 1941 {Staatsblad, No. B 77) te lezen als volgt: Artikel 1 Er wordt ingesteld een Vliegerkruis. Artikel 2 Het Vliegerkruis wordt door Ons toegekend aan militairen, in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden, die zich door daden van initiatief, moed en volharding tegenover den vijand dan wel in verband met vijandelijke actie, hebben onderscheiden en deze daden hebben bedreven gedurende een of meer vluchten in een luchtvaartuig. Artikel 3 Het Vliegerkruis kan, om redenen vermeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036404&artikel=2&z=2015-07-01&g=2015-07-01), mede worden toegekend aan: - 1). niet-militairen, Nederlander of Nederlandsch onderdaan zijnde; - 2). vreemdelingen, indien hun optreden heeft gestrekt ten behoeve van den Nederlandschen Staat. Artikel 4 Het Vliegerkruis, waarvan het model door Ons zal worden vastgesteld, bestaat uit een vierarmig zilveren Kruis. Het Kruis is bevestigd aan een diagonaal gestreept oranje-wit zijden lint, ter breedte van 27 millimeter, elke streep ter breedte van 2,7 millimeter; de strepen loopende onder een hoek van 45° van links naar rechts, beginnende met een oranje streep. Artikel 5 Zij, aan wie het Vliegerkruis reeds eenmaal is toegekend, en die daarna wederom door gelijkwaardige daden de onderscheiding deelachtig worden, dragen het Arabische cijfer \"2\" in goud op het lint van het Vliegerkruis. Bij een volgende gelijkwaardige daad wordt het cijfer \"2\" verhoogd tot \"3\" en verder. Artikel 5a Het Vliegerkruis kan, indien dit in bijzondere gevallen door het Hoofd van het betrokken Departement van Algemeen Bestuur wenschelijk wordt geacht, ook posthuum worden toegek"},{"i":11997,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 januari 2014, nr. MINBUZA-2014.33343, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Nederlands consulaat te Zwitserland (Basel), 1946–1973 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief met kenmerk 11294; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. De documenten opgenomen in vorenbedoeld inventarisnummer bevatten naast de gegevens zoals naam, adres, woonplaats ook nog andere persoonsgegevens. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 19 | 2050 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034744&artikel=1&z=2014-02-01&g=2014-02-01), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034744&artikel=1&z=2014-02-01&g=2014-02-01), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het arc"},{"i":11470,"b":"Vaststelling model jaaropgave kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders Besluit: Het model voor de jaaropgave bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Regeling kinderopvang een buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1997, alsmede het model voor de verklaring bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de voormelde regeling worden vastgesteld overeenkomstig de bijgevoegde modellen. Model I Toelichting Algemeen Subsidie wordt verstrekt voor kinderopvangplaatsen die nieuw zijn gecreëerd, dat wil zeggen plaatsen die bovenop de bestaande capaciteit van kinderopvang van de gemeente zijn gekomen. Als uitgangspunt dient te worden genomen de bestaande kinderopvang per 31 december 1995 conform de VWS-regeling zoals door u onder A weergegeven in het formulier Financiele verantwoording Stimuleringsregeling kinderopvang 1994-1995. Let op: Op het voorliggende formulier dient u alleen opgave te doen van de per 31 december 1995 beschikbare opvangplaatsen conform het toenmalige artikel 2 van de VWS-regeling. De verhuurde bedrijfsplaatsen dient u **niet** op te geven. Indien u per 31 december 1995 plaatsen beschikbaar had maar deze waren niet bezet en voor 1996 waren ook geen gelden gereserveerd op uw begroting om deze plaatsen alsnog te bezetten dan is toegestaan deze plaatsen in te vullen door middel van de subsidieregeling van SZW. Om te voorkomen dat deze niet-bezette plaatsen meetellen bij het bepalen van het aantal extra nieuwe plaatsen, als gevolg van de doelstelling dat geen verdringing mag plaatsvinden, dient u de niet-bezette plaatsen af te trekken van de meergenoemde opgave per 31 december 1995 van beschikbare VWS-plaatsen. Dit berekende aantal plaatsen per 31 december 1995 wordt vergeleken met dat van ultimo 1997 voorzover dat gesubsidieerd wordt door de gemeente. I. Voorschot 1997 U vult hier in het aan u toegekende maximum voorschotbedrag, hetgeen tevens het maximale subsidie-bedrag is. II. Specificatie aantal plaatsen ad 1. Op deze regel vult u in het"},{"i":12453,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 december 2003, nr. DFAP4312, tot bekendmaking van zijn beleid inzake legalisatie en verificatie van documenten Per 1 december jl. is het Ministerie van Buitenlandse Zaken in afwachting van de uitkomsten van nader onderzoek gestopt met legalisatie van consulaire verklaringen van de Afghaanse Consul-generaal te Amsterdam omtrent huwelijken tussen Afghanen in Pakistan en Iran. Meer informatie over de legalisatie van Afghaanse documenten kunt u vinden onder de landeninformatie Afghanistan op www.minbuza.nl. Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Per 1 december jl. is het Ministerie van Buitenlandse Zaken in afwachting van de uitkomsten van nader onderzoek gestopt met legalisatie van consulaire verklaringen van de Afghaanse Consul-generaal te Amsterdam omtrent huwelijken tussen Afghanen in Pakistan en Iran. Meer informatie over de legalisatie van Afghaanse documenten kunt u vinden onder de landeninformatie Afghanistan op www.minbuza.nl."},{"i":14146,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid, van 7 maart 2018, nr. 2213478, houdende nadere regels over de toepassing van in het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen genoemde normen, en over de in dat besluit voorgeschreven indiening van een gebruiksmelding (Regeling brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen 2018) Gelet op de [artikelen 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040068&artikel=1.5) en [2.2, tweede en vijfde lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040068&artikel=2.2); Besluit: Artikel 1 Waar in het [Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040068) wordt verwezen naar NEN, NEN-EN, NEN-EN-ISO, NEN-NPR 2577 of PGS, is daarvan de versie van toepassing die is vermeld in de bij deze regeling behorende [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040761&bijlage=I&z=2018-04-01&g=2018-04-01). Artikel 2 1. Het model van het formulier, bedoeld in [artikel 2.2, tweede lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040068&artikel=2.2), is opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040761&bijlage=II&z=2018-04-01&g=2018-04-01). 2. De gemeente is bevoegd de inhoud van de onderdelen A en D op een andere wijze schriftelijk kenbaar te laten maken dan met toepassing van het model van het formulier, bedoeld in het eerste lid, mits het verband tussen deze kenbaarstelling en de betreffende gebruiksmelding op het formulier onmiskenbaar vast staat. Artikel 3 Indien voor het eenmalig gebruik van een plaats een gebruiksmelding als bedoeld in [artikel 2.1 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040068&artikel=2.1) is ingediend, en tussen indiening en gebruik [bij"},{"i":14094,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 oktober 2012, 2012-0000564686, houdende een procedure voor geschillen in het Sectoroverleg BES (Regeling bemiddeling geschillen Sectoroverleg BES) Gelet op [artikel 4.1 van het Besluit overlegstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028779&artikel=4.1); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **SOBES:** de Sectorale Overlegcommissie Bonaire, Sint Eustatius en Saba, genoemd in [artikel 2.1 van het Besluit overlegstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028779&artikel=2.1); - c. **vakorganisaties:** de tot de SOBES toegelaten vakorganisaties; - d. **overleg:** overleg over aangelegenheden als bedoeld in [artikel 2.2 van het Besluit overlegstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028779&artikel=2.2); - e. **voorzitter:** de voorzitter van het overleg, bedoeld in [artikel 2.3 van het Besluit overlegstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028779&artikel=2.3); - f. **deelnemers aan het overleg:** de voorzitter en de vertegenwoordigers van de vakorganisaties in het overleg. Artikel 2 De voorzitter en de SOBES stellen gezamenlijk een lijst van drie bemiddelaars vast die in een voorkomend geschil om bemiddeling kunnen worden gevraagd. Artikel 3 Indien de voorzitter dan wel een of meer van de vakorganisaties, in het overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van de meerderheid van de deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen één week nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het overleg. Artikel 4 1. Binnen vier weken na de kennisgeving, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032157&artikel=3&z=2023-02-07&g=2023-02-07), schrijft de voorzitter een overlegvergadering uit. De verga"},{"i":11471,"b":"Vaststelling selectielijst Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (beleidsterrein Agrarisch Onderwijs) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 1 september 1997, nr. arc-97.6796/1); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij binnen het beleidsterrein Agrarisch Onderwijs over de periode 1945-1992, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken de categorie Onderwijs (1.851) nummer 108 en 109 van de ’Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van de onder dat ministerie ressorterende commissies en ambtenaren’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, no. PAZ 400, Afdeling Post- en Archiefzaken d.d. 29 december 1966 en beschikking no. 133349, Afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming d.d. 3 februari 1967, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, no. A93.527.WH/NF d.d. 28 juni 1993 (gepubliceerd in de Staatscourant nummer 148 van 6 augustus 1993)). Voorts in te trekken: de categorie Onderwijs (.02) voor de inspecties van het Landbouwonderwijs van de ’Lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in de archieven van de onder het ministerie van Landbouw en Visserij ressorterende inspecties van het Landbouwonderwijs en de Rijks Hogere en Middelbare Land- en Tuinbouwscholen’ (behorende bij de beschikking van de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk en de Minister van Landbouw en Visserij van 13 september 1974, no. MMA/Ar 166.371 resp. PAZ 280 (gepubliceerd in de Staatscourant 189 van 30 september 197"},{"i":13735,"b":"Kaderregeling subsidiëring bilaterale wetenschappelijke en technologische onderzoeksamenwerking Gelet op [artikel 4 van de Wet overige OCenW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4); Besluit: Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Begripsbepalingen 1. De minister verstrekt subsidie voor het doen uitvoeren van programma's voor bilaterale wetenschappelijke of technologische onderzoeksamenwerking. 2. De subsidie wordt verleend op grond van de volgende overwegingen: - a. in bilateraal verband onderhoudt Nederland met een aantal landen contacten op het gebied van wetenschappelijke en technologische onderzoeksamenwerking; - b. aan de samenwerking ligt een verdrag of een MoU ten grondslag waarbij afspraken worden gemaakt over het programma en de uitvoering daarvan; - c. voor de uitvoering wordt een uitvoerder aangewezen waarmee een subsidierelatie wordt aangegaan. Artikel 3. Subsidieverlening aan de uitvoerder 1. De minister verleent slechts subsidie aan een uitvoerder die in het kader van een verdrag of een MoU in aanmerking komt voor de uitvoering van een programma voor bilaterale wetenschappelijke of technologische onderzoeksamenwerking. 2. De subsidie wordt verleend voor de looptijd van een programma. Indien een programma is opgebouwd uit fases of onderdelen, dan kan de subsidie per fase of onderdeel worden verleend. Artikel 4. Subsidiebedrag en subsidieplafond 1. De minister stelt een subsidieplafond vast per programma waarvoor subsidie wordt verleend. Indien een programma bestaat uit elkaar opvolgende fases of aparte onderdelen kan de minister een subsidieplafond per desbetreffende fase of onderdeel vaststellen. 2. De minister maakt het subsidieplafond vóór de subsidieverlening aan de uitvoerder bekend. Artikel 5. Delegatie 1. De minister kan de bevoegdheid tot het nemen van besluiten met betrekking tot subsidiëring van in het kader van een programma op te starten"},{"i":12809,"b":"Besluit vaststelling selectielijst COGEM voor de periode vanaf 1995 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van COGEM over de periode vanaf 1995 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Met dit besluit worden geen selectielijsten afgesloten of ingetrokken Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11474,"b":"Vaststelling selectielijsten archiefbescheiden deelbeleidsterrein speciaal onderwijs Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 februari 1998, nr. arc-98.1648/2); Besluit: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het deelbeleidsterrein speciaal onderwijs over de periode 1950-1996, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken de ’Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het onder het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen ressorterende Directoraat-Generaal voor het Basis- en Speciaal Onderwijs’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Onderwijs en Wetenschappen d.d. 7 mei 1987, no. MMA/Ar U 2087 II), voor zover deze lijst betrekking heeft op het speciaal onderwijs. Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":11926,"b":"Besluit bemiddelaar Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 Gelet op [artikel 2 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=2); Gezien het verzoek van 3 februari 1999 van de Stichting van de Arbeid; Gehoord de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen en het Verbond van Verzekeraars; Besluit: Artikel 1. Definities 1. In dit besluit worden overgenomen de begripsbepalingen van het vrijstellingsbesluit als bedoeld in [artikel 13, derde lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=13). 2. In dit besluit wordt voorts verstaan onder: | a. | wet | : | [Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092); | | --- | --- | --- | --- | | b. | vrijstellingsbesluit | : | vrijstellingsbesluit als bedoeld in [artikel 13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=13), van de wet; | | c. | Vereniging | : | Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen; | | d. | Verbond | : | Verbond van Verzekeraars | | e. | raad | : | Sociaal-Economische Raad. | Artikel 2. Bemiddelaar Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 1. Er is een bemiddelingsinstantie inzake het [vrijstellingsbesluit van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=13). 2. De bemiddelingsinstantie is genaamd bemiddelaar Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000. 3. De bemiddelingsinstantie wordt hierna aangeduid als bemiddelaar. Artikel 3. Taak 1. De bemiddelaar heeft tot taak te bemiddelen in geschillen in het kader van verzoeken van ondernemingen aan bedrijfstakpensioenfondsen om toepassing van het vrijstellingsbesluit, welke geschillen betrekking kunnen hebben op: - a. toepassing van regels voor de meting van de beleggingsperformance; - b. toepassing van de rekenregels inzake verzekeringstechnische aangelegenheden. 2. Bij de uitvoering van deze taak wordt de bemiddelaar voor elk van de in het"},{"i":12658,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 6 februari 2026 nr. WJZ/103520718, tot verlening van machtiging aan de directeur van het Nationaal Cyber Security Centrum van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de Wet bevordering digitale weerbaarheid bedrijven Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050130&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050130&artikel=3) en [4, eerste tot en met het derde lid, van de Wet bevordering digitale weerbaarheid bedrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050130&artikel=4) (hierna: Wbdwb), en [artikel 10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), en [artikel 10:12, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van het Nationaal Cyber Security Centrum (hierna: NCSC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt machtiging verleend voor het namens de Minister van Economische Zaken verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de uitoefening van de taken en bevoegdheden van de Minister van Economische Zaken, bedoeld in de [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050130&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050130&artikel=3) en [4, eerste tot en met derde lid, van de Wbdwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050130&artikel=4). Artikel 2 De directeur van het NCSC kan machtiging verlenen aan andere functionarissen van het NCSC voor het verrichten van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052294&artikel=1&z=2026-02-18&g=2026-02-18) bedoelde feitelijke handelingen. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tot verlening van machtiging aan directeur NCSC voor het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de uitoefening van taken en"},{"i":12635,"b":"Besluit toerekeningssysteem postvervoer 1. Inleiding 1. Met de inwerkingtreding van de nieuwe postregelgeving per 1 juni 2000, is TNT Postgroep N.V. (hierna: TPG), als houder van de postconcessie, verplicht om een financiële verantwoording voor de activiteiten ter uitvoering van het postvervoer op te stellen, die is uitgesplitst over: (a) haar activiteiten in het voorbehouden postvervoer bedoeld in [artikel 2a van de Postwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004423&artikel=2a), en (b) overige activiteiten van postvervoer, en die is gescheiden van haar andere activiteiten. Deze verplichting is opgenomen in [onderdeel 6.2 van paragraaf 6 van het Besluit algemene richtlijnen post](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004452&artikel=6) (hierna: Barp). Ten behoeve van deze gescheiden financiële verantwoording dient TPG een toerekeningssysteem voor kosten en opbrengsten (hierna: toerekeningssysteem) vast te stellen dat voldoet aan artikel 14, derde lid van de Postrichtlijn1Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst. en dat, in overeenstemming daarmee, voldoet aan de beginselen van marktconformiteit, proportionaliteit en integraliteit (onderdeel 6.3 van het Barp). Het door TPG vastgestelde toerekeningssysteem voor kosten behoeft de goedkeuring van het college dat daaraan voorschriften kan verbinden. TPG heeft op 17 november 2000 het toerekeningssysteem vastgesteld en ter goedkeuring aan het college aangeboden. Het onderhavige besluit strekt tot goedkeuring van het toerekeningssysteem. 2. Het college heeft op 26 juli 2000 beleidsregels2Richtsnoeren over voorschriften te verbinden aan de goedkeuring van het toerekeningssysteem voor kosten en opbrengsten van TPG; Stcrt. 180, 18 september 2000.vastgesteld ten behoeve van de beoordeling van het door TPG vast te stellen"},{"i":9075,"b":"Protocol bij de Kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek der Filipijnen, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, verdragsluitende partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de lidstaten” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Unie, hierna „de Europese Unie” genoemd, enerzijds, en de Republiek der Filippijnen, hierna „de Filipijnen” genoemd, anderzijds, voor de toepassing van dit protocol hierna gezamenlijk „de overeenkomstsluitende partijen” genoemd, Gezien de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie op 1 juli 2013; Overwegende dat de [kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek der Filipijnen, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005873), hierna „de overeenkomst” genoemd, op 11 juli 2012 in Phnom Penh is ondertekend; Overwegende dat het [Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl"},{"i":13965,"b":"Plaatselijke regelingen Eemsmonding Gelet op artikel 5, eerste lid, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake een scheepvaartreglement voor de Eemsmonding, met bijlagen ( **Trb. 1987, 15**) en [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=1), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=18), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=20), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=21), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=22), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=23), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=26), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=28), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=29) en [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=38) van het Scheepvaartreglement Eemsmonding ( **Stb.1989, 237**); Besluit de volgende plaatselijke regelingen bekend te maken: A. Bekendmakingen aan de scheepvaart Artikel 1. Reden voor schepen die geen gevaarlijke goederen vervoeren of gelost hebben De reden als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, sub c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=1), en [artikel 23, derde lid, van het Scheepvaartreglement Eemsmonding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004552&artikel=23) worden door de bevoegde autoriteit als hieronder vastgesteld voor schepen die geen gevaarlijke goederen vervoeren of gelost hebben. Het is alleen toegestaan een rede te gebruiken onder de voorwaarden genoemd bij de rede. Zo spoedig mogelijk na het ankeren wordt de ankerpositie aan de Verkeerscentrale Eems (**Ems Traffic**), op VHF-kanaal 74, gemeld. - 1.1. Incidentele ligplaats (Noodankerplaat"},{"i":13040,"b":"Besluit Vervanging SVB 2024 gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) [Regeling Informatiebeheer SVB 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048117) besluit Artikel 1 1. De digitale vervanging van archiefbescheiden heeft, met terugwerkende kracht, betrekking op: de vanaf 1 april 2021 bij de Sociale Verzekeringsbank binnenkomende poststukken die archiefbescheiden vormen die op grond van de selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Sociale verzekeringsbank (SVB) Periode (1956–) 2004 – (Staatscourant 2020, 5153) voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen. de met terugwerkende kracht te digitaliseren dossiers die archiefbescheiden vormen die op grond van de selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Sociale verzekeringsbank (SVB) Periode (1956–) 2004 – (Staatscourant 2020, 5153) voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen. de met terugwerkende kracht vervangen te verklaren binnenkomende poststukken uit de periode 2009–2021. 2. De vervanging geschiedt op de wijze omschreven in het Handboek Vervanging analoge documenten Sociale verzekeringsbank. Alle documenten vanaf 1 april 2021 zijn volledig conform het Handboek Vervanging vervangen. De met terugwerkende kracht te vervangen documenten uit de periode 2009–2021 zijn in die periode steekproefsgewijs gecontroleerd op basis van de eisen zoals opgenomen in het Handboek Vervanging analoge documenten Sociale verzekeringsbank. 3. Onder dit besluit vallen niet: - a. bescheiden die digitaal zijn opgesteld en waarvan is vastgesteld dat het archiefbescheiden betreft; - b. bescheiden die krachtens verdragen of op grond van wettelijke bepalingen in hun oorspronkelijk"},{"i":13639,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2007, nr. OHW-U-2815429, houdende de instelling van de Toetsingscommissie Getuigen Verhalen Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. de Toetsingscommissie: de Toetsingscommissie Getuigen Verhalen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023039&artikel=2&z=2008-04-11&g=2008-04-11). Artikel 2 Er is een Toetsingscommissie Getuigen Verhalen. Artikel 3 De Toetsingscommissie heeft tot taak de Minister desgevraagd te adviseren over subsidieverzoeken, die worden ingediend in het kader van het project Getuigen Verhalen van het programma Erfgoed van de Oorlog. De Toetsingscommissie toetst daartoe de aanvragen aan de uitgangspunten en voorwaarden die zijn opgenomen in het subsidiekader voor nieuw oral history-materiaal. De Minister betrekt het advies bij zijn beoordeling van subsidieverzoeken die het via gefilmde interviews vastleggen van de verhalen van ooggetuigen betreffen. Artikel 4 Het advies wordt zo mogelijk unaniem vastgesteld. Het is toegestaan dat één lid een minderheidsstandpunt inneemt, dat alsdan in het advies wordt opgenomen. Artikel 5 1. De Toetsingscommissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste drie leden. 2. De Minister benoemt en ontslaat de voorzitter en de leden van de Toetsingscommissie. 3. De Minister benoemt de voorzitter en de leden van de Toetsingscommissie voor een periode van drie jaar, met dien verstande dat zij tussentijds kunnen worden vervangen. 4. De Minister voegt een medewerker van de Eenheid Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog aan de Toetsingscommissie toe als secretaris. 5. De Minister kan een medewerker van de Eenheid Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog aan de Toetsingscommissie toevoegen als adviseur. Artikel 6 Tot voorzitter van de Toetsingscommissie wordt benoemd mevrouw dr. B. Henkes, te Amsterdam. Ar"},{"i":11475,"b":"Vaststelling selectielijsten archiefbescheiden Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Onderwijsraad (BVE) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 februari 1998, nr. arc-98.1649/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Onderwijsraad op het beleidsterrein beroepsonderwijs en volwasseneneducatie over de periode vanaf 1945, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":14541,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie, van 21 juni 2016, nr. 772234, houdende regels dan wel nadere regels over de functies en de daarbij behorende taken, competenties, competentieniveaus, alsmede het geneeskundig onderzoek, de dienstkleding en de gelijkstelling van diploma’s voor het personeel van het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling personeel brandweer BES) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028581&artikel=2), [6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028581&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028581&artikel=8) en [13 van het Besluit brandweer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028581&artikel=13); Besluit: Artikel 1. Functies, taken, competenties en competentieniveau 1. Met betrekking tot de functies genoemd in [bijlage 1 bij het Besluit brandweer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028581&bijlage=1), voor zover daarbij de aanduiding ‘CN’ is vermeld, zijn de taken die behoren tot deze functies, de competenties die vereist zijn om deze taken te vervullen en het daarvoor vereiste competentieniveau opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038150&bijlage=I&z=2016-07-01&g=2016-07-01). 2. Met betrekking tot de functies genoemd in [bijlage 1 bij het Besluit brandweer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028581&bijlage=1), voor zover daarbij alleen de aanduiding ‘EN’ is vermeld, zijn de taken die behoren tot deze functies, de competenties die vereist zijn om deze taken te vervullen en het daarvoor vereiste competentieniveau opgenomen in de [bijlage A, behorende bij artikel 1, eerste lid, van de Regeling personeel Veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027840&bijlage=A). Artikel 2. Geneeskundig onderzoek 1. Voor het geneeskundig onderzoek bij aanstelling of bevordering, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit brandweer BES](https://wet"},{"i":12719,"b":"Besluit van 21 november 2019, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2019 worden uitgegeven ter herdenking van Jaap Eden in de serie Nederlandse Sporticonen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 18 november 2019, nr. 2019-0000186737, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2019/66535. Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die worden uitgegeven ter herdenking van Jaap Eden in de serie Nederlandse Sporticonen zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en profil, afgebeeld als portret, tegen een achtergrond van krassen in ijs, met daaromheen de tekst «WILLEM-ALEXANDER» omgekeerd langs de bovenzijde en «KONING DER NEDERLANDEN» langs de onderzijde en aan de rechterzijde het jaartaal «2019»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden een afbeelding van Jaap Eden schaatsend op natuurijs, tegen een achtergrond van krassen in ijs, aan de weerszijden van afbeelding de tekst «JAAP» en «EDEN», en aan de bovenzijde respectievelijk «€10» en «€5». 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042857&artikel=1&z=2019-12-29&g=2019-12-29). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 29 december 2019. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven n"},{"i":13963,"b":"Personele regeling herverdeling wegenbeheer Gelet op [artikel 21, eerste lid, van de Wet herverdeling wegenbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005697&artikel=21) (Stb. 1992, 563); Besluit: De volgende regels betreffende het overgaan van personeel vast te stellen: Artikel 1 Onderhavige regeling heeft het karakter van een basisregeling volgens welke tenminste moet worden gehandeld: indien wegbeheerders regelingen overeenkomen die qua voorzieningen en garanties uitgaan boven de personele regeling herverdeling wegenbeheer, zijn laatst genoemde regelingen van toepassing. Artikel 2. Begripsbepaling 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **herverdeling:** de herverdeling van wegen over het Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen als bedoeld in de [Wet herverdeling wegenbeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005697) (Stb. 1992, 563); - b. **beheerder/dienst:** het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap, voorzover bij de overheid een weg of een brug in beheer is; - c. **beheersovergang:** de overgang van een weg of een brug in beheer van de oude naar de nieuwe beheerder op de overgangsdatum; - d. **oude beheerder/dienst:** een beheerder bij wie een weg of een brug tot aan de beheersovergang in beheer is of was; - e. **nieuwe beheerder/dienst:** een beheerder bij wie een weg of een brug door de beheersovergang in beheer zal komen of is gekomen; - f. **passende werkzaamheden:** werkzaamheden die het personeelslid in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kunnen worden opgedragen; - g. **functie:** het samenstel van de werkzaamheden waarmee het personeelslid is belast; - h. **opheffing van de functie:** het geval dat bij de oude beheerder de werkzaamheden, waaruit de functie bestaat, zich althans voor een belangrijk deel niet meer voordoen, of het geval dat het samenstel als zodanig uiteenvalt; - i. **plaatsing:** plaatsing op een van de functies die betrokken zijn bij de herverdeling bij de ou"},{"i":11478,"b":"Vaststelling vacatiegeld examencommissies zeevaart- en zeevisvaartdiploma's Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1), artikel 6 van het Examenreglement zeevaartdiploma's en [artikel 3 van het Examenreglement zeevisvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003996&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Het vacatiegeld dat de leden en de plaatsvervangende leden van de commissie voor de stuurliedenexamens, van de commissie voor de examens van scheepswerktuigkundigen en van de commissie voor de zeevisvaartexamens ontvangen, voor zover de oorzaak van hun benoeming niet is gelegen in het ambt dat zij bekleden, wordt vastgesteld op € 86 per dag. Artikel 2 De beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 juli 1988, Directie personeelszaken, nr. 88/P 21128, wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 1994. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14379,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 20 november 2025, nr. BZ2520952, houdende intrekking van de Regeling aanvullende controlemaatregelen op de Verordening producten voor tweeërlei gebruik en de wijziging van de Regeling geavanceerde productieapparatuur voor halfgeleiders Gelet op artikel 9 van [Verordening (EU) 2021/821](32021R0821) van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik, [artikel 2, vijfde lid, van de Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=2) en [artikel 4 van het Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=4); Besluit: Artikel I De [Regeling aanvullende controlemaatregelen op de Verordening producten voor tweeërlei gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050313) wordt ingetrokken. Artikel II Wijzigt de Regeling geavanceerde productieapparatuur voor halfgeleiders. Artikel III. Overgangsrecht 1. Vergunningen die voor 15 november 2025 zijn verleend op grond van [artikel 2 van de Regeling aanvullende controlemaatregelen op de Verordening producten voor tweeërlei gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050313&artikel=2), berusten gedurende de resterende looptijd van de vergunning na de inwerkingtreding van deze regeling op artikel 12 van de [Verordening (EU) 2021/821](32021R0821) van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik. 2. Vergunningen die voor 15 november 2025 zijn verleend op grond van [artikel 2 van de Regeling geavanceerde productieapparatuur voor halfgeleiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048439&artikel=2), en die betrekking hebben op geavanceerde produ"},{"i":13454,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en de Minister van Financiën van 21 juli 2004, nr. DDS 5298881, tot instelling van de baten-lastendienst Dienst JUSTIS Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Aan de Dienst JUSTIS te Den Haag wordt de status van baten-lastendienst als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=10), verleend. 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: baten-lastendienst Dienst JUSTIS Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastendienst JUSTIS Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14032,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 juli 2014, kenmerk 614538-122744-DMO, houdende aanpassing van de factoren, grondslagen en bedragen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen per 1 juli 2014 Gelet op de [artikelen 31a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31a), [28a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28a), [35, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=35), [18, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=18) en [25, tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=25); Besluit: Artikel 1 De pensioenbedragen, bedoeld in [artikel 31b, eerste lid, onder a, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31b) en in [artikel 28b, eerste lid, onder a, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28b), zoals zij golden op 1 januari 2014, worden met ingang van 1 juli 2014 verhoogd met 0,65%. Artikel 2 De factoren waarmee het peil der buitengewone pensioenen ingevolge de [Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) en de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035) wordt aangepast, worden met ingang van 1 juli 2014 vastgesteld als volgt: | A pensioengrondslagen 1947 per jaar in euro | A pensioengrondslagen 1947 per jaar in euro | B welvaartstoeslag vanaf 1 juli 2014 | B welvaartstoeslag vanaf 1 juli 2014 | | --- | --- | --- | --- | | van | tot en met | | | | 1.225,21 | 1.356,79 | 24.702,96 minus pen"},{"i":11479,"b":"Besluit van 8 oktober 2005, houdende de vaststelling van vernieuwde kerndoelen voor het basisonderwijs (Besluit vernieuwde kerndoelen WPO) en houdende wijziging van het Besluit trekkende bevolking WPO in verband met de vaststelling van vernieuwde kerndoelen voor het basisonderwijs Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 juli 2005, nr. WJZ/2005/29152 (2623), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=9), en [185, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=185); De Raad van State gehoord (advies van 10 augustus 2005, nr. W05.05.0301/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 oktober 2005, nr. WJZ/2005/42840 (2623), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I [Besluit vernieuwde kerndoelen WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018844) Artikel II Wijzigt het Besluit trekkende bevolking WPO. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":14155,"b":"Regeling Co-creatie Instellingen gelet op [artikel 10, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), van de **Wet op het specifiek cultuurbeleid**; gelet op [artikel 4:23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23) van de **Algemene wet bestuursrecht**; gelet op het **Algemeen Subsidiereglement** van het Fonds voor Cultuurparticipatie; met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 augustus 2021; en voor de gewijzigde versie op 27 maart 2023 besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Gebruikte begrippen In deze regeling worden onderstaande begrippen gebruikt. - a. **Fonds:** Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie. - b. **Website van het Fonds:** [www.cultuurparticipatie.nl](http://www.cultuurparticipatie.nl). - c. **Ministerie van OCW:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. - d. **Algemeen Subsidiereglement:** [Algemeen Subsidiereglement Fonds voor Cultuurparticipatie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516). - e. **Culturele Codes:** Code Diversiteit & Inclusie, Fair Practice Code, Governance Code Cultuur. - f. **Koninkrijk der Nederlanden:** Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland, inclusief de drie openbare lichamen: Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - g. **Europees deel van Nederland:** Nederland, zonder het Caribisch deel van het Koninkrijk. - h. **Caribisch deel van het Koninkrijk:** Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - i. **Co-creatie:** (de sector die zich kenmerkt door) de methoden en benaderingen waarbij individuen, groepen of gemeenschappen actief en gelijkwaardig betrokken zijn bij besluitvorming, beleidsvorming of projectuitvoering, met als resultaat de vorming en evolutie van de cultuur van een samenleving, inclusief de taal, tradities, kunst, debat en andere culturele aspecten. Het betreft hier per definitie geen amateurkunst. - j. **Cultuurbeoefening:** het actief beo"},{"i":11480,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 19 december 2005, nr. arc-2005.02658/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Het BSD vervangt handeling 71 van de selectielijst Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel (Stcrt. 2002, 222). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Selectielijst Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel voor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Economische Zaken, van Defensie, van Financiën, van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer **Vastgesteld februari 2006** **Verantwoording** Deze selectielijst betreft een actualisatie van de selectielijst Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel die in 2002 is vastgesteld (Stcrt. 2002, 222). Deze actualisatie betreft uitsluitend handeling 71 van de actor minister. Het BSD is gebaseerd op het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) **Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelselen** PIVOT-rapport 101 en bestrijkt de periode vanaf 1945. Handeling 71 van de selectielijst **Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel (Stcrt. 2002, 222) voor de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Economische Za"},{"i":11482,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Algemeen Wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 2 oktober 2003, nr. arc- 2003.6459/1); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Algemeen Wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14380,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie van 30 april 2018, nr. 2018-0000200047 tot intrekking van de Tijdelijke regeling onafhankelijke toetsing bijzondere bevoegdheden Wiv 2002 jegens advocaten en journalisten BESLUITEN: Artikel I De [Tijdelijke regeling onafhankelijke toetsing bijzondere bevoegdheden Wiv 2002 jegens advocaten en journalisten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037406) wordt ingetrokken. Artikel II De [Tijdelijke regeling onafhankelijke toetsing bijzondere bevoegdheden Wiv 2002 jegens advocaten en journalisten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037406) blijft van toepassing op toestemmingen die zijn verleend voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 30 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=30). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag nadat deze in de Staatscourant bekend is gemaakt en werkt terug tot en met 1 mei 2018. Deze regeling zal met de nota van toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11483,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Auteursrecht periode (1912) 1945-2000 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005, nr. arc-20005.02444/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Auteursrecht over de periode (1912) 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11484,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Beroepenkwaliteit vanaf 1940 (1945) (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 augustus 2007, aca-2007.03943/6); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Beroepenkwaliteit over de periode 1940 (1945)–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11485,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie vanaf 1996 (BVE-instellingen) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 juli 2006, arc-2006.03029/6); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de BVE-instellingen op het beleidsterrein Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie over de periode vanaf 1996’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument-onderwijsinstelllingen bve-sector Selectielijst voor het handelen van de onderwijsinstellingen in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie Vanaf 1996 **Doxis Informatiemanagers** versie september 2006 Lijst van afkortingen AMvB: Algemene maatregel van bestuur AOC: Agrarisch opleidingscentrum BPV: Beroepspraktijkvorming BSD: Basis selectiedocument BVE: Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie CREBO: Centraal Register Beroepsopleidingen CvB: College van Bestuur IBG: Informatie Beheer Groep IPC: Innovatie- en praktijkcentrum JO: Jaarlijks onderzoek KBB: Kenniscentra beroeponderwijs bedrijfsleven MBO: Middelbaar Beroepsonderwijs NO: Nader onderzoek OER: Onderwijs- en examenregeling OKV: Onderwijs kwaliteitsverbetering PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn PKO: Periodiek kwaliteitsonderzoek RAD: Rijksarchiefdienst RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek ROC: Regionaal opleidingscentrum RvT: Raad van Toezicht SGO: Stichting Geschillencommissies Onderwijs WEB: [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) WvSv: [Wetboek van strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) Verantwoording Wettelijk kader voor de selectie va"},{"i":11486,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Buitenlandse Economische Betrekkingen vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 juli 2006 nr. arc-2006.02898/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Buitenlandse Economische Betrekkingen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13898,"b":"Wet van 3 april 1996, houdende hernieuwde vaststelling van de Oorlogswet voor Nederland ter aanpassing aan de Grondwet en aan de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden (Oorlogswet voor Nederland) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de totstandkoming van de [Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981) en met de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=11), [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=81) en [89 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89) wenselijk is de Oorlogswet voor Nederland opnieuw vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, [de artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983&hoofdstuk=II&artikel=9&z=1999-02-17&g=1999-02-17) tot en met [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983&hoofdstuk=II&artikel=14&z=1999-02-17&g=1999-02-17) gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld. 2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij het in het eerste lid bedoelde besluit in werking gestelde bepalingen. 3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld,"},{"i":14386,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, houdende bepalingen met betrekking tot het jaarlijks verschuldigd zijn van een bedrag door de houder van de vergunning voor het gebruik van frequentieruimte voor DVB-T Gelet op [artikel 3.3a, eerste en derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De vergunninghouder is met ingang van het zevende jaar na het jaar van vergunningverlening jaarlijks een bedrag verschuldigd als bedoeld in [artikel 3.3a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3a). 2. De hoogte van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan vijftien procent van de aan de exploitatie van de vergunning toe te rekenen netto-omzet in het desbetreffende boekjaar waarop een afdrachtvrij bedrag als bedoeld in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012704&bijlage=I&z=2009-07-01&g=2009-07-01) bij deze regeling in mindering is gebracht. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. 3. De netto-omzet, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan de opbrengsten uit levering van goederen en diensten die valt toe te rekenen aan de exploitatie van de vergunning, onder aftrek van kortingen en van over de omzet geheven belastingen. Artikel 3 1. De vergunninghouder verstrekt de minister met ingang van het zesde jaar na het jaar waarin de vergunning is verleend jaarlijks voor 1 juli een financieel overzicht volgens het in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012704&bijlage=II&z=2009-07-01&g=2009-07-01) bij deze regeling opgenomen model. 2. In het financieel overzicht legt de vergunninghouder in elk geval verantwoording af over de exploitatie van de vergunning in het voorafgaande boekjaar. Het financieel overzicht bevat de gegevens die van belang zijn voor het berekenen van de nettoomzet, bedoeld in [artikel 2, tweede lid en derde lid](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":14383,"b":"Vaststelling van regels betreffende de buitenomloopstelling en inwisseling van de op grond van de Muntwet 1948 en de Muntwet 1987 uitgegeven munten met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel Gelet op [artikel 9, derde lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=9), Besluit: Artikel 1 Met ingang van de dag waarop de Muntwet 1987 wordt ingetrokken, worden de munten met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel die zijn uitgegeven op grond van de Muntwet 1948 en de Muntwet 1987, voorzover de bedoelde munten op 27 januari 2002 de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hadden, buiten omloop gesteld. Artikel 2 1. Particulieren kunnen de op grond van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013071&artikel=1&z=2002-01-28&g=2002-01-28) buiten omloop gestelde munten inwisselen bij kredietinstellingen die op grond van [artikel 52, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792&artikel=52) zijn geregistreerd en opgenomen in Afdeling I, onderafdelingen 1, 2, 3 en 5 van het register. 2. Vanaf 28 januari 2002 tot 1 april 2002 kunnen de in het eerste lid bedoelde munten kosteloos bij de eigen financiële instelling worden ingewisseld. 3. Vanaf 1 april 2002 tot 1 januari 2003 kunnen de in het eerste lid bedoelde munten, tegen betaling van eventuele verwisselkosten, bij de eigen financiële instelling worden ingewisseld. Artikel 3 1. Vanaf 1 januari 2003 tot 1 januari 2007 kunnen particulieren en andere naar het oordeel van De Nederlandsche Bank NV hiermee gelijk te stellen personen of bedrijven de op grond van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013071&artikel=1&z=2002-01-28&g=2002-01-28) buiten omloop gestelde munten uitsluitend ter inwisseling aanbieden bij de kantoren van De Nederlandsche Bank N.V. op de tijden dat die kantoren voor het publiek zijn opengesteld. 2. De inwisseling zal plaatsvinden nadat bij onderzoek is gebleken dat aan de aanvraag tot inwisseling rede"},{"i":11492,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Volwasseneneducatie en beroepsonderwijs over de periode 1945-2004 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005, nr. arc-2005.02405/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven op het beleidsterrein Volwasseneneducatie en beroepsonderwijs over de periode 1945–2004’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Selectielijst voor de handelingen van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven op het beleidsterrein van (volwassenen)educatie en beroepsonderwijs 1945–2004 Opgesteld in opdracht van COLO door: mw. K. Ravenschlag-de Graaff en drs. R. Groeneweg Digital display BV 1. Inleiding Het PIVOT-rapport: ‘De draden van de WEB, een institutioneel onderzoek naar het handelen van de rijksoverheid op het beleidsterrein beroepsonderwijs en volwasseneneducatie in de periode 1945–1995/1996–’, vormt de basis voor dit Basisselectiedocument (hiermee te noemen: BSD). In dit BSD wordende handelingen gewaardeerd, zodat de selectie van archiefbescheiden uitgevoerd kan worden. Onder archiefbescheiden worden zowel de papieren als digitale bescheiden verstaan. Tevens kan dit BSD dienen als leidraad bij de inrichting of herinrichting van de documentaire informatievoorziening. Het BSD is als volgt samengesteld: Voor dit BSD is beperkt aanvullende onderzoek gepleegd. Het PIVOT-rapport ‘De Draden van de WEB’ beslaat de periode tot 1996. Voor de periode 1996–2004 is aanvullende onderzoek verricht. De hiervoor gehanteerde bronnen en wetgeving, zijn als bijlage I toegevoegd aan deze selectielijs"},{"i":12733,"b":"Besluit van 2 november 2012, houdende vaststelling van de bestanddelen van de munten van vijf en de tien euro «Amsterdamse Grachtengordel», die in 2012 worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 29 oktober 2012, FM/2012/1558 M, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2012/23721. Artikel 1 1. De beeldenaar van de munten van vijf en tien euro «Amsterdamse Grachtengordel», die in 2012 worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: onderaan in het midden Onze beeltenis, rondom het omschrift «BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN», geheel zichtbaar de continenten Zuid-Amerika en Afrika en deels de continenten Noord-Amerika en Europa, voorts bovenaan in het midden de letters «**tm**», zijnde de initialen van de ontwerpster Tine Melzer: - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden een plattegrond van de binnenstad van de stad Amsterdam met daaronder de tekst «**Grachtengordel Amsterdam**» en het jaartal «2012», daarboven de waardeaanduiding «**vijf euro**» respectievelijk «**tien euro**», met links van de waardeaanduidingen het teken van de Munt en rechts het teken van de Muntmeester , rondom het omschrift «NEDERLANDS WERELDERFGOED» en het continent Australië en deels de continenten Azië, Noord- en Zuid-Amerika, met rechts van Azië het logo van de UNESCO : 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staa"},{"i":12732,"b":"Besluit van 5 juli 2005, houdende de vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren munt van vijf euro en de gouden munt van tien euro die in 2005 worden uitgegeven ter gelegenheid van het feit dat 60 jaar geleden de Tweede Wereldoorlog tot een einde kwam Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 1 juli 2005, FM 2005-1618 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen en Internationaal; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2005/143. Artikel 1 1. De beeldenaar van de zilveren munt van vijf euro en de gouden munt van tien euro die in 2005 worden uitgegeven ter gelegenheid van het feit dat 60 jaar geleden de Tweede Wereldoorlog tot een einde kwam, is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: op een veld van ballen en stippen Onze beeltenis met ter rechterzijde daarvan in twee regels het omschrift «KONINGIN DER NEDERLANDEN» en «BEATRIX», en het Europees muntteken ; - b. b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in een veld met ballen in het midden de waardeaanduiding 5, respectievelijk 10, ter linkerzijde van de waardeaanduidingen het €-teken en ter rechterzijde het teken van de Muntmeester en het teken van de Munt en linksboven de waardeaanduidingen in twee regels het omschrift «VREDE» en «60 JAAR» en het jaartal «2005». 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11494,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Koninklijk Onderwijsfonds voor de Scheepvaart, beleidsterrein Volwasseneneducatie en beroepsonderwijs over de periode vanaf 1996 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005, nr. arc-2005.02444/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van handelingen van het Koninklijk Onderwijsfonds voor de Scheepvaart op het beleidsterrein Volwasseneneducatie en beroepsonderwijs over de periode vanaf 1996’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst KOFS Betreft periode vanaf 1996 Methode Institutioneel Onderzoek Bij het uitvoering geven aan de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376), gaat het Nationaal Archief ervan uit dat de selectie moet worden uitgevoerd vanuit het gezichtspunt van het overheidsorgaan of de organen die deze documenten in het kader van hun taak en het daaruit voortvloeiende handelen hebben ontvangen of geproduceerd: niet de informatiewaarde van documenten, maar de waardebepaling van handelingen van overheidsorganen staat centraal. Met de gegevensbestanden die naar de Rijksarchiefdienst worden overgebracht moet het handelen van de overheid in relatie tot haar omgeving op hoofdlijnen te reconstrueren zijn. Daarbij wil het Nationaal Archief met het resultaat van de selectie op basis van deze doelstelling bronnen voor de kennis van en het inzicht in de Nederlandse samenleving (en cultuur) veiligstellen voor blijvende bewaring. In het kader van het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT) is ten behoeve van de selectie van overheidsarchieven de methode institutioneel onderzoek ontwikkeld. Deze methode is in de"},{"i":12720,"b":"Besluit van 9 maart 2018, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die worden uitgegeven ter viering van Leeuwarden-Fryslân als culturele hoofdstad van Europa Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 6 maart 2018, 2018-0000030780, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Ook gepubliceerd in Stcrt. 2018/19923. Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die worden uitgegeven ter viering van Leeuwarden-Fryslân als culturele hoofdstad van Europa zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en profil, omgeven door Fries houtsnijwerk en langs de rand de tekst «2018 WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN» met linksonder in de tekst de leeuw zoals afgebeeld op het wapen van Friesland; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden verschillende Friese symbolen en uitingen van eeuwenoude Friese handwerktechnieken, boven in het midden de waardeaanduiding «5 EURO» respectievelijk «10 EURO», met rechtsboven het teken van de Muntmeester en het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt en rechtsonder de initialen van de kunstenaar, en langs de rand de tekst «LEEUWARDEN-FRYSLÂN EUROPEAN CAPITAL OF CULTURE». 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040763&artikel=1&z=2018-03-29&g=2018-03-29). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met"},{"i":11495,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000: Technische Universiteit Delft Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](onbekend); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/2 en arc-2003.6517/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Technische Universiteit Delft en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12721,"b":"Besluit van 25 augustus 2015, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro «Van Nelle Fabriek» die in 2015 worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 21 augustus 2015, FM/2015/955 M, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt «Van Nelle Fabriek» die worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: op de achtergrond links Onze beeltenis en face en op de voorgrond aan de linkerkant Onze beeltenis en profil, rechtsonder het koninklijk wapen en langs de rand de tekst «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN»: - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: boven het midden een afbeelding van de Van Nelle Fabriek met daaronder de teksten «**DE VAN NELLE FABRIEK**», «**NEDERLANDS WERELDERFGOED**», «**2015**» en het teken van UNESCO , midden onderin de waardeaanduiding «5 **EURO**» respectievelijk «**10 EURO**», met linksboven, links- en rechtsonder tabaksbladeren, waartussen zich rechtsonder het teken van de Muntmeester en het teken van het Munthuis bevinden: 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036994&artikel=1&z=2015-09-12&g=2015-09-12). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 12 septem"},{"i":11496,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Deviezenbeleid over de periode 1945-1981 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Deviezenbeleid over de periode 1945–1981’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Ontwerp-basisselectiedocument deviezenbeleid 1945–1981 Inleiding Archiefbescheiden kunnen verschillende functies vervullen. Overheidsorganen kunnen archiefbescheiden opmaken of gebruiken voor de bedrijfsvoering, om zichzelf te verantwoorden of een ander ter verantwoording te roepen en als bewijsmiddel. Voor burgers is het belang van archiefbescheiden gelegen in het streven naar democratische controle (de burger moet de overheid ter verantwoording kunnen roepen), in de mogelijke functie van archiefbescheiden als bewijsmiddel en in het feit dat archiefbescheiden deel uitmaken van het cultureel erfgoed en voor historisch onderzoek van belang zijn. Vanuit het bedrijfsvoerings- en verantwoordingsbelang van archiefbescheiden geredeneerd, kan elk archiefstuk vernietigd worden op het moment dat het voor het archiefvormend orgaan niet meer nuttig is. Het historisch belang van bepaalde bescheiden kan echter van blijvende aard zijn. Om dat belang te beschermen schrijft de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) aan de Nederlandse overheidsorganen voor dat zij archiefbescheiden slechts mogen vernietigen op grond van een off"},{"i":12724,"b":"Besluit van 18 juni 2019, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro met als thema Droogmakerij de Beemster die in 2019 worden uitgegeven in de serie Nederlands Werelderfgoed Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 13 juni 2019, nr. 2019-0000092594, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt met als thema Droogmakerij de Beemster die worden uitgegeven in de serie Nederlands Werelderfgoed zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en profil in een vrije lijntekening, met links het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt en het teken van de Muntmeester en langs de rand de tekst «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden droogmakerij de Beemster, ingevuld door het patroon van de Nederlandse polder, met links in het midden de waardeaanduiding «5 EURO» respectievelijk «10 EURO», bovenaan in het midden langs de rand het jaartal en langs de rand de tekst «DROOGMAKERIJ DE BEEMSTER NEDERLANDS WERELDERFGOED», met hiertussen icoontjes die de culturele waarden en historie van de Beemster representeren. 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042498&artikel=1&z=2019-08-24&g=2019-08-24). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de"},{"i":12723,"b":"Besluit van 25 augustus 2023 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2023 worden uitgegeven ter gelegenheid van de vijftigjarige erkenning van het COC Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 22 augustus 2023, nr. 2023-0000175697, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2023 worden uitgegeven ter gelegenheid van de vijftigjarige erkenning van het COC, zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis, met langs de rand de tekst «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN» en onderaan het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt en het teken van de muntmeester; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden de teksten «50 jaar COC» en «10 EURO» onderscheidenlijk «5 EURO» en langs de rand achtereenvolgens een driehoek, de tekst «248bis», een kroon, de tekst «s5», een lint, het isgelijkteken, twee verbonden ringen, een boek, het jaartal 2023, de tekst «art. 1» en de tekst «lhbtqi+…». 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in artikel 1. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 27 september 2023. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12725,"b":"Besluit van 21 november 2017, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro met als thema de Stelling van Amsterdam die in 2017 worden uitgegeven in de serie Nederlands Werelderfgoed Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 16 november 2017, nr. 2017-0000208609, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2017/70644. Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt met als thema de Stelling van Amsterdam die worden uitgegeven in de serie Nederlands Werelderfgoed zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: aan de linkerzijde op de achtergrond Onze beeltenis en face en op de voorgrond Onze beeltenis en profil, rechtsonder het koninklijk wapen en langs de rand de tekst «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: onder het midden het torenfort aan de Ossenmarkt in Weesp met linksboven de in cirkelvorm weergegeven tekst «De Stelling van Amsterdam Nederlands werelderfgoed 2017» met daarbinnen een golfpatroon, en rechtsboven de waardeaanduiding «5 EURO» respectievelijk «10 EURO» alsmede het teken van de Muntmeester en het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt en langs de rand de namen van de 45 forten die deel uitmaken van de Stelling van Amsterdam. 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040271&art"},{"i":12454,"b":"Besluit loon- en inkomenssuppletie Gelet op de [artikelen 65c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65c) en [65d van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65d), [67a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67a) en [67b van de Wet arbeidsongeschiktheidverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67b), [59f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59f) en [59g van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59g) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=16) en [17 van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Recente schattingsgegevens Bij de berekening van de hoogte van de loon- of inkomenssuppletie aan de hand van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=16) of [17 van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=17) wordt uitgegaan van de resterende verdiencapaciteit zoals die bij de meest recente arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is vastgesteld. Artikel 2. Jonggehandicapten jonger dan 18 De resterende verdiencapaciteit van een jonggehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en ten aanzien van wie nog geen arbeidsongeschiktheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden, wordt vastgesteld op het wettelijk minimumloon dat hoort bij de leeftijd van de jonggehandicapte. Artikel 3. Dienstbetrekkingen van korte duur Geen loonsuppletie wordt toegekend indien een dienstbetrekking wordt aangegaan voor een kortere duur dan zes maanden. Artikel 4. Kennelijk onbedoeld gebruik Geen loon- of inkomenssuppletie wordt toegekend indien naar het oordeel van het UWV sprake is van kennelijk onbedoeld gebruik. Artikel 5. Intrekking Lisv-mededeling De [Regeling loon- en inkomenssuppletie arbeidsgehandicapt"},{"i":13744,"b":"Kavelbesluit III windenergiegebied Borssele I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3), de [Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641) en de [Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640), besluit de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu als volgt: Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. **’s-Gravenhage, 24 maart 2016** **De Minister van Economische Zaken,** **H.G.J. Kamp** Rechtsbescherming Belanghebbenden die een zienswijze naar voren hebben gebracht of die redelijkerwijs niet verweten kan worden tegen het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, kunnen tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA, Den Haag. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. Op grond van [artikel 8 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=8) is op dit besluit [hoofdstuk 1, afdeling 2, van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&afdeling=2) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de belanghebbende in het beroepschrift moet aangeven welke beroepsgronden hij aanvoert tegen het besluit. Indien hij dit niet doet, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Het wordt aanbevolen in het beroepschrift te vermelden dat de [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431) van toepassing is. II. Toelichting kavelbesluit III windenergiegebied Borssele Opgesteld door Rijkswaterstaat In opdracht van Ministerie van Economische Zaken 1. Inleiding 1.1. Nut en no"},{"i":9818,"b":"Vierde Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering De lidstaten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Geleid door de wens hun individuele en gezamenlijke vermogen om op te treden tegen criminaliteit te versterken; Gelet op de bepalingen van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (ETS nr. 24), opengesteld voor ondertekening te Parijs op 13 december 1957 (hierna te noemen „het Verdrag”), alsmede de drie Aanvullende Protocollen daarbij (ETS nr. 86 en nr. 98, CETS nr. 209), onderscheidenlijk gedaan te Straatsburg op 15 oktober 1975, 17 maart 1978 en 10 november 2010; Overwegend dat het wenselijk is een aantal bepalingen van het Verdrag te moderniseren en het in bepaalde opzichten aan te vullen, rekening houdend met de ontwikkeling van de internationale samenwerking bij strafzaken sinds de inwerkingtreding van het Verdrag en de Aanvullende Protocollen daarbij; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Verjaring Wijzigt het Europees Verdrag betreffende uitlevering; Parijs, 13-12-1957. Artikel 2. Verzoek en stukken ter ondersteuning daarvan 1. Wijzigt het Europees Verdrag betreffende uitlevering; Parijs, 13-12-1957. 2. Artikel 5 van het Tweede Aanvullend Protocol bij het Verdrag is niet van toepassing tussen de partijen bij dit Protocol. Artikel 3. Specialiteitsbeginsel Wijzigt het Europees Verdrag betreffende uitlevering; Parijs, 13-12-1957. Artikel 4. Verderlevering aan een derde staat Wijzigt het Europees Verdrag betreffende uitlevering; Parijs, 13-12-1957. Artikel 5. Doortocht Wijzigt het Europees Verdrag betreffende uitlevering; Parijs, 13-12-1957. Artikel 6. Communicatiekanalen en -middelen Het Verdrag wordt aangevuld met de volgende bepalingen: **„Communicatiekanalen en -middelen** - 1. Voor de toepassing van het Verdrag kunnen mededelingen langs elektronische weg of met andere middelen worden ver"},{"i":11519,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, van 21 augustus 2014, nr. HO&S/645182, tot vaststelling van de vergoedingen voor de leden, met inbegrip van de voorzitter, van de Landelijke geschillencommissie medezeggenschap hoger onderwijs (Vergoedingenbesluit Landelijke geschillencommissie medezeggenschap hoger onderwijs 2014) Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken; Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, de overige leden en overige plaatsvervangende leden van de Landelijke geschillencommissie medezeggenschap hoger onderwijs, bedoeld in [artikel 9.39 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=9.39), ontvangen, onverminderd [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), per vergadering een vergoeding. 2. De vergoeding per vergadering bedraagt voor de leden en de plaatsvervangende leden van de commissie 3% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de vergoeding per vergadering voor de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de commissie 130% van het bedrag, bedoeld in het tweede lid. 4. De leden en de plaatsvervangende leden van de commissie, met inbegrip van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter, ontvangen onverminderd [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgeslote"},{"i":11522,"b":"Verordening examengelden Nederlands recht en gedrags- en beroepsregels Gelet op [artikel 5, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5) en [artikel 5, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van het Besluit accountantsopleiding 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032724&artikel=5); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 1. Degene die zich heeft aangemeld voor het examen Nederlands recht of het examen gedrags- en beroepsregels, bedoeld in [artikel 54, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=54), is per examenonderdeel een bedrag van € 580,– verschuldigd. 2. Degene die zich heeft aangemeld voor een gesprek als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Verordening examen Nederlands recht en examen gedrags- en beroepsregels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033788&artikel=6), is een bedrag van € 375,– verschuldigd. Artikel 2 Het bestuur kan in bijzondere gevallen besluiten om het examengeld geheel of gedeeltelijk te restitueren. Artikel 3 Degene die een verzoek om vrijstelling, bedoeld in [artikel 4 van de Verordening examen Nederlands recht en examen gedrags- en beroepsregels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033788&artikel=4), indient is een bedrag van € 235,– verschuldigd. Artikel 4 De [Verordening examengelden Nederlands recht en gedrags- en beroepsregels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025097) en de [Verordening op het examengeld](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022559) worden ingetrokken. Artikel 5 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2014. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening examengelden Nederlands recht en gedrags- en beroepsregels. Artikel 3a 1. De bedragen, genoemd in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033791&artikel=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033791&artikel=3&z=2020-01-01&g=2020-01-"},{"i":13806,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 november 2016, 2016-0000258332, tot doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van het hoofd van de RCN-unit SZW (Machtigingsbesluit RCN-unit SZW 2017) Gelet op de [artikelen 6, aanhef en onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037446&artikel=6), en [9, derde lid, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Werknemersregelingen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037446&artikel=9); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder RCN-unit SZW: de RCN-unit SZW, gevestigd te Bonaire, Sint Eustatius en Saba. § 2. Bevoegdheden Artikel 2 Aan de bij de RCN-unit SZW werkzame medewerkers onderstand en de met de onderstand belaste coördinerend medewerker met standplaats Bonaire, alsmede aan de teamleider bovenwinden en aan de algemeen medewerkers met standplaats Sint Eustatius en Saba, wordt machtiging verleend tot het afdoen van correspondentie en schriftelijk oproepen van cliënten in het kader van een aanvraag of lopende uitkering onderstand, het oproepen ten behoeve van een keuring daarbij inbegrepen. Artikel 3 Aan de bij de RCN-unit SZW werkzame medewerkers sociale verzekeringen en de met de sociale verzekeringen belaste coördinerend medewerker met standplaats Bonaire, alsmede aan de teamleider bovenwinden en aan de algemeen medewerkers met standplaats Sint Eustatius en Saba, wordt machtiging verleend tot het afdoen van correspondentie met belanghebbenden in verband met de uitvoering van de [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459), de [Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387), de [Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728), de [Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497) en de [Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304). Artikel 4 Aan de bij d"},{"i":13805,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 2 juli 2004, nr. 5295070/04/DJC, houdende verlening van machtiging aan de directeur van de Stichting Adoptievoorzieningen tot het verrichten van administratieve handelingen met betrekking tot het in behandeling nemen van verzoeken tot het verlenen van een beginseltoestemming als bedoeld in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Machtigingsbesluit directeur SAV) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van de Stichting Adoptievoorzieningen te Utrecht wordt machtiging verleend tot het verrichten van administratieve handelingen met betrekking tot het in behandeling nemen van verzoeken tot het verlenen van een beginseltoestemming als bedoeld in de [Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit is geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Machtigingsbesluit directeur SAV. Dit besluit zal met toelichting in het Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11541,"b":"Wet van 20 februari 2019 inzake bundeling en aanpassing van regels over de registers met betrekking tot onderwijsdeelnemers (Wet register onderwijsdeelnemers) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving over de registers met betrekking tot onderwijsdeelnemers doorzichtiger en toegankelijker te maken en ook overigens te moderniseren, en deze daartoe te bundelen in een nieuwe Wet register onderwijsdeelnemers, onder wijziging van diverse onderwijswetten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: - **basisgegevens:** gegevens over onderwijsdeelnemers die noodzakelijk zijn voor de doelen, bedoeld in [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **basisregistratie personen:** de basisregistratie personen, bedoeld in [artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.2); - **bestuur:** instellingsbestuur als bedoeld in de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) of bevoegd gezag als bedoeld in de overige onderwijswetten van een onderwijsinstelling, met dien verstande dat daaronder wordt verstaan: - a. voor zover het betreft basisgegevens: - 1°. bevoegd gezag of instellingsbestuur van een door het Rijk bekostigde school of instelling als bedoeld in de [WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), [WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549), [WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212), [WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625), [WHW](https://wetten.overheid."},{"i":14018,"b":"Raamwerk Nascholingscursussen Code 95 en ADR/ADN, Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen Hoofdstuk 1. : Toelichting op het raamwerk Het onderhavige raamwerk is een document als bedoeld in [artikel 156s Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het raamwerk staan de eisen die worden gesteld aan de certificering van nascholingscursussen en de erkenning van opleidingsinstituten ([artikel 156x Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156x) en [Hoofdstuk III Regeling vakbekwaamheid bestuurders 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031458&hoofdstuk=III)). Dit raamwerk is van overeenkomstige toepassing op de erkenning als ADR opleidingsinstituut in het kader van de [wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606), gelet op de [Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen, Bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054&bijlage=3). Het raamwerk is ook van overeenkomstige toepassing op het toezicht op de ADN herhalingstoetsen. Dit raamwerk beschrijft hoe de divisie CCV van het CBR (hierna: CCV) toezicht houdt op de naleving van de nascholingseisen en erkenning van opleidingsinstituten en welke bezwaar- en beroepsmogelijkheden er zijn tegen opgelegde maatregelen. Wijzigingen in het raamwerk worden door CCV vastgesteld en actief gecommuniceerd. Het raamwerk wordt jaarlijks op twee vaste momenten gepubliceerd, namelijk begin januari en begin juli. Uiterlijk zes maanden na iedere publicatie dienen de voor het opleidingsinstituut relevante wijzigingen doorgevoerd te zijn. In dit raamwerk wordt ingegaan op de positie van CCV, de aanvraagprocedure voor erkenning en certificering, de erkennings- en certificeringseisen, de geldigheidsduur, de wijze waarop het toezicht uitgeoefend wordt en hoe beroep en bezwaar geregeld is en de minimumeisen die gelden voor de verschillende nascholingscursussen. Hoofdstuk 2. : Positie van de divisi"},{"i":12849,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein ‘Coördinatie algemeen regeringsbeleid vanaf 1945’ (Minister van Algemene Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 januari 2009 bca-2009.05163/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Algemene Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ‘Coördinatie algemeen regeringsbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13440,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Financiën van 1 december 2021 (kenmerk 3513924), houdende de instelling van het Agentschap Justitiële Informatiedienst Gelet op [artikel 2.20 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.20); Besluiten: Artikel 1 1. Er wordt een agentschap ingesteld, waarvan de naam komt te luiden: Justitiële Informatiedienst (Justid). 2. Aan het Agentschap Justid wordt de status van baten-lastenagentschap als bedoeld in [artikel 2.20 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.20), verleend. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Agentschap Justid. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Een afschrift van dit besluit wordt aan de Algemene Rekenkamer gestuurd."},{"i":11551,"b":"Wet van 30 september 2020, houdende regels over het voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 2020) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op [artikel 23 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=23), met het oog op de rechtszekerheid en de consistentie en toegankelijkheid van de wetgeving voor het voortgezet onderwijs in zowel Europees Nederland als Caribisch Nederland, wenselijk is om de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) en de [Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284) te vervangen door een nieuwe wet voor het voortgezet onderwijs met een heldere ordening en duidelijk geformuleerde regels; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: - **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - **basisberoepsopleiding:** basisberoepsopleiding als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2) of [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.2.2); - **basisondersteuningsvoorzieningen:** voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot het samenwerkingsverband aanwezig zijn; - **basisonderwijs:** onderwijs als bedoeld in [artikel 2 WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=2) of [artikel 2 WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=2); - **begeleide onderwijsuren:** begeleide onderwijsuren als bedoeld in [a"},{"i":13324,"b":"Handleiding Impuls 2020, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek 1. Inleiding 1.1. Achtergrond Het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA (hierna te noemen Regieorgaan SIA), onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), heeft als taak de ontwikkeling van het praktijkgericht onderzoek van hogescholen te stimuleren en voert daartoe onder andere de Impuls 2020 uit. Door de COVID-19-crisis wordt de continuïteit van het praktijkgericht onderzoek bij hogescholen sterk onder druk gezet. Onderzoeksprojecten lopen vertraging op of worden stopgezet, praktijkpartners hebben minder mogelijkheden en nieuwe projecten zijn lastiger op te starten. Regieorgaan SIA wil de hogescholen ondersteunen bij het behouden van hun infrastructuur voor praktijkgericht onderzoek. 1.2. Beschikbaar budget Het maximaal beschikbare budget is € 10 miljoen. In de bijlage is per hogeschool het maximale subsidiebedrag aangegeven dat aangevraagd kan worden. 1.3. Geldigheidsduur regeling Deze regeling is geldig voor de Impuls 2020 met de sluitingsdatum en -tijd 15 oktober 2020, 14:00:00 uur CEST. 2. Doel Deze Impuls 2020 is bedoeld voor het behoud en de versterking van de infrastructuur van het praktijkgericht onderzoek van de hogeschool omdat deze onder druk staat door de COVID-19 crisis. Regieorgaan SIA wil de hogescholen ondersteunen bij het behouden van hun infrastructuur voor praktijkgericht onderzoek. Zo kunnen hogescholen ook in deze periode hun rol als kennisinstelling in de regio innemen. Tegelijkertijd wordt hiermee geïnvesteerd in de versterking van deze rol in de toekomst. Met deze impuls beoogt Regieorgaan SIA de hogescholen te ondersteunen bij de doorontwikkeling en professionalisering van het onderzoek, ten behoeve van de verbetering van de kwaliteit van het praktijkgericht onderzoek. Met de financiële middelen van de Impuls 2020 kan een hogeschool investeren in de onderzoeksinfrastructuur. Hierbij kan worden gedacht aan het aant"},{"i":11556,"b":"Wijziging van het privacyreglement voor de registratie gegevensdepot onderwijspersoneel Gelet op: ● het privacyreglement voor de registratie gegevensdepot onderwijspersoneel (algemeen verbindend voorschrift van 4 mei 2001, kenmerk AB/F&I/2001/15938, gepubliceerd in Uitleg OCenW-Regelingen nr. 13 d.d. 16 mei 2001); De Commissie van Toezicht Registratieregelingen Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gehoord; Besluit Artikel 1 In deze regeling wordt onder privacyreglement verstaan: het privacyreglement voor de registratie Gegevensdepot Onderwijspersoneel. Artikel 2 1. In artikel 1, lid 2 van het privacyreglement wordt in het elfde onderdeel ’in de sectoren PO en VO’ vervangen door ’in de sectoren po, vo en bve’ en wordt de ’punt’ aan het slot van dit onderdeel vervangen door: puntkomma. 2. In artikel 2, lid 1 van het privacyreglement wordt ’de onderwijssectoren primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo)’ vervangen door: de onderwijssectoren primair onderwijs (po), voortgezet onderwijs (vo) en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve). 3. Aan artikel 2, lid 1 wordt de volgende volzin toegevoegd: Voor de onderwijssector bve is dit reglement eveneens van toepassing op de registratie van gegevens van personeel in dienst bij bekostigde instellingen die gesubsidieerd worden door de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 4. In artikel 10, lid 3 wordt de punt aan het slot van onderdeel d vervangen door een puntkomma en wordt een nieuw onderdeel e toegevoegd, luidend: - e. de Bve Raad voor de gegevens van de instellingen in de bve-sector. Artikel 3 Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van de uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen waarin deze regeling is geplaatst. Bijlage 1 In onderstaande tabel zijn de geactualiseerde gegevens opgesomd die in het depot worden opgenomen. Persoonsgegevens Versleuteld CASO-stamnummer Geboortedatum Gesl"},{"i":12244,"b":"Besluit van het college van afgevaardigden van 13 december 2018 tot vaststelling van de hoogte van de financiële bijdrage (Besluit financiële bijdrage 2019) gelet op [artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=32); gezien de door de algemene raad aan het college van afgevaardigden voorgelegde begroting van inkomsten en uitgaven voor het jaar 2019; BESLUIT: Artikel 1. Hoogte financiële bijdrage 1. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2019 voor categorie 1 bedraagt: € 869. 2. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2019 voor categorie 2 bedraagt: € 285. Artikel 2. Slotbepalingen 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële bijdrage 2019."},{"i":13198,"b":"Deelregeling Kunst Erfgoed Festival Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het doel van deze regeling is het stimuleren van de presentatie van beeldende kunst en/of erfgoed in de fysieke ruimte op festivals en vergelijkbare evenementen die maximaal één keer per jaar plaatsvinden en een bovenregionale of (inter)nationale uitstraling hebben. Het gaat hierbij om activiteiten gericht op beeldende kunst en/of erfgoed in Nederland of het Caribisch deel van het koninkrijk, waarbij het publieksbereik een aandachtspunt is binnen de regeling. Artikel 2. Doelgroep De bijdrage kan worden aangevraagd door culturele instellingen of een collectief van instellingen met rechtspersoonlijkheid in Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk zonder winstoogmerk en/of verkoopdoel. Artikel 3. Reikwijdte Er kan worden aangevraagd voor festivals, biënnales/triënnales en vergelijkbare evenementen, die maximaal één keer per jaar plaatsvinden in Nederland of het Caribisch deel van het Koninkrijk en (mede) gericht zijn op de presentatie van beeldende kunst en/of erfgoed of het organiseren van publieksactiviteiten die gericht zijn op het vergroten van de zichtbaarheid daarvan en voor publiek toegankelijk zijn. Artikel 4. Hoogte en vorm bijdrage 1. De hoogte van de bijdrage wordt per aanvraag vastgesteld. 2. Het percentage dat het Mondriaan Fonds kan bijdragen is maximaal 40% van de subsidiabele projectgerelateerde kosten. 3. De minimale begroting van het project moet hoger zijn dan € 25.000 en mag alleen projectgerelateerde kosten bevatten. Artikel 5. Weigeringsgronden 1. Geen bijdrage kan worden aangevraagd voor activiteiten die erop gericht zijn winst te maken en/of een verkoopdoel hebben. 2. Geen bijdrage kan worden aangevraagd voor tijdschriften, publicaties, documentaires, symposia, conferenties of online festivals en/of evenementen. 3. Geen bijdrage kan worden aangev"},{"i":13111,"b":"Bevoegdhedenregeling COA 2020 Inleiding In het strategiedocument ‘Veranderend Speelveld’ (januari 2017) heeft het COA vastgelegd op welk wijze aan de uitdagingen van de toekomst het hoofd wordt geboden. Op basis daarvan werkt het COA aan een slagvaardige, robuuste en flexibele organisatie. Dit gebeurt door aanpassing van werkwijzen, door het ontwikkelen van een professionele houding en competenties en door verbetering van de organisatiestructuur. De nieuwe organisatiestructuur is vastgelegd in een hoofdinrichtingsplan dat vervolgens is doorvertaald naar deelinrichtingsplannen voor de topstructuur en voor de zes nieuwe organisatie-eenheden. Met dit document zijn de bestuursrechtelijke en civielrechtelijke bevoegdheden uit de al bestaande bevoegdhedenregeling in lijn gebracht met de nieuwe inrichting van de organisatie. De topstructuur van de nieuwe organisatie is gevisualiseerd in onderstaand organogram. De nieuwe organisatie kent vier managementniveau’s met de bijbehorende bevoegdheidsniveau’s: Er bestaan twee integrerende besluitvormingsgremia: het bestuur op strategisch niveau en het directieteam op tactisch niveau. Het bestuur is belast met de dagelijkse leiding van het COA en draagt zorg voor een goede uitvoering van de wettelijke taken, zoals genoemd in de [wet COA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685). Het bestuur bepaalt de missie en visie van het COA en is eindverantwoordelijk voor de (meerjaren)strategie, begroting, als ook voor de toewijzing van de (financiële) middelen en faciliteiten en de voortgang hierop. In samenwerking met de migratieketen en andere bestuurlijke stakeholders worden de gezamenlijke doelstellingen bepaald en gerealiseerd. Het directieteam bestaat uit drie directeuren die worden benoemd door het bestuur: een directeur Opvang & Begeleiding, een directeur Vakontwikkeling & -ondersteuning en een directeur Bedrijfsvoering. Het directieteam is verantwoordelijk voor het opstellen en realiseren van het COA jaarplan als vertaling va"},{"i":11557,"b":"Besluit van 26 juli 1996 tot wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur op grond van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en enkele andere wetten in verband met onder meer het onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 22 februari 1996, nr. 96004960/2524, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de artikelen 9, derde en vierde lid, 19a, eerste en derde lid, 59, tweede en vierde lid, 85, derde lid, 88n, 93a, eerste lid, 93d, tweede lid, 107a , achtste en elfde lid, en 110 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, de artikelen 51, tweede en vierde lid, 111a, vierde, achtste en elfde lid, 115 en 116b, vierde en vijfde lid, van de Wet op het basisonderwijs, de [artikelen 22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=22), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=27), [84a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=84a), [102b, achtste en tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=102b), en [123a, vierde en vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=123a), [artikel 30, tweede lid, van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746&artikel=30) en de artikelen 7, eerste lid, en 17, onder b en c, van de Wet persoonsregistraties; De Raad van State gehoord (advies van 6 mei 1996, nr. W05.96.0083); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 18 juli 1996, nr. 96012896/2524, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 augustus 1995. ARTIKEL I Wijzigt het Onderwijskundig besluit ISOVSO. ARTIKEL II Wijzigt het Formatiebesluit ISOVSO 1992. ARTIKEL III Wijzigt het Be"},{"i":11558,"b":"Besluit van 5 oktober 2005, houdende wijziging van onder meer het Bekostigingsbesluit WPO, het Bekostigingsbesluit WEC, het Formatiebesluit WPO en het Formatiebesluit WEC in verband met de invoering van lumpsumbekostiging in het primair onderwijs Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 27 mei 2005, nr. WJZ/2005/21275 (2625), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=69), [70a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=70a), [120](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=120), [124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=124), [125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=125), [132](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=132), [137](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=137), [149](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=149), [163a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=163a), [185 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=185) en de [artikelen 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=70), [71a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71a), [76a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=76a), [117](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117), [131](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=131), [144](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=144), [150a van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=150a); De Raad van State gehoord (advies van 27 juni 2005, nr. W05.05.0201/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 29 september 2005, nr. WJZ/2005/42235 (2625), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Bekostigingsbesluit WPO. Artikel I"},{"i":13687,"b":"Wet van 30 september 1954, houdende instelling van een productschap voor siergewassen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad uit eigen beweging daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot instelling van een productschap als bedoeld in de [Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058) (**Stb.** 1950, K 22, sedert gewijzigd) voor ondernemingen op het gebied van de teelt van en de handel in siergewassen en van het hoveniersbedrijf; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een Productschap voor Siergewassen. 2. Het productschap heeft zijn zetel te 's-Gravenhage. Artikel 2 1. Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin: siergewassen worden geteeld; de handel - met uitzondering van de aanvoer-, transito- en driehoekshandel - in siergewassen of delen daarvan wordt uitgeoefend; hovenierswerkzaamheden worden verricht. 2. Als ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede aangemerkt veilingen van de in dat lid bedoelde producten. 3. In deze wet wordt verstaan onder siergewassen: - 1e. bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; - 2e. bloemkwekerijproducten, daaronder begrepen voortkwekingsmateriaal met uitzondering van zaden; - 3e. boomkwekerijproducten, daaronder begrepen voortkwekingsmateriaal met uitzondering van zaden. 4. In deze wet wordt mede verstaan onder: **siergewassen:** vruchtbomen - met inbegrip van kleinfruitteeltgewassen -, vruchtboomonderstammen, plantgoed van aardbeien, bos- en haagplantsoen, rozenonderstammen, kerstbomen en in het wild gegroeide producten, welke met het oog op de sierwaarde in het economisch verkeer worden gebracht; **handel:** de werkzaamheid van tussenpersonen. Artikel 3 Het bestuur van het prod"},{"i":11364,"b":"Regeling van het College voor examens van 15 april 2014, nummer CvE-14.01070, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het v.w.o., h.a.v.o. en v.m.b.o. 2016, nadere vaststelling van enkele syllabi 2015, tevens initiële vaststelling toetswijzer rekentoets VO 2015 (Regeling syllabi centrale examens VO 2016) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 13 mei 2014, kenmerk 629550; Besluit: Artikel 1. Syllabi 2016 Vervallen Artikel 2. Nadere vaststelling enkele syllabi 2015 Vervallen Artikel 3. Initiële vaststelling toetswijzers rekenen 2015 Vervallen Artikel 4. Bekendmaking 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De syllabi als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035141&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035141&artikel=2&z=2017-01-01&g=2017-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035141&artikel=3&z=2017-01-01&g=2017-01-01) worden bekend gemaakt op www.examenblad.nl. Artikel 5. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt: - 1. betreffende [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035141&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01): per 1 januari 2017; - 2. betreffende [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035141&artikel=2&z=2017-01-01&g=2017-01-01): per 1 januari 2016; - 3. betreffende [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035141&artikel=3&z=2017-01-01&g=2017-01-01): per 1 januari 2016. Artikel 6. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling syllabi centrale examens VO 2016. Bijlage 1a. bij de Regeling syllabi centrale examens VO 2016, van 15 april 2014, nummer cve-14.0"},{"i":13998,"b":"Protocol onderzoek dossiers verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen Gelet op [artikel 5, lid 3 van het besluit Beleidsregel Toegang tot niet-openbare informatie in dossiers betreffende de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen ten behoeve van onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048145&artikel=5) Besluit: Gezien het historisch belang van onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog en de gevolgen daarvan is toegang mogelijk tot de hier bedoelde archiefbescheiden bij de Sociale Verzekeringsbank. Teneinde deze toegang goed en op zorgvuldige wijze te kunnen bieden, is voorzien in een adviserende rol voor de Commissie van Advies voor de Sociale Verzekeringsbank inzake wetenschappelijk, statistisch en historisch onderzoek en onderzoeksjournalistiek betreffende uitvoering wetten verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (‘Commissie’)1Ingesteld bij Instellingsbesluit van 15 december 2021, **Staatscourant** 2022, 361. aan de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank. Met dit protocol wordt duidelijk gemaakt op welke wijze de Commissie te werk gaat en dat met de gegevens van betrokkenen in de dossiers zorgvuldig wordt omgegaan. Op grond van [artikel 5 van de Beleidsregel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048145&artikel=5) adviseert de Commissie over een verzoek om toegang tot informatie uit een dossier betreffende uitvoering wetten verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen op grond van [artikel 5.7 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=5.7) (‘Woo’). De Commissie baseert het advies op dit protocol en betrekt hierbij de navolgende eisen."},{"i":11561,"b":"Besluit van 27 augustus 2018 tot wijziging van het Besluit bekostiging WPO in verband met het aanpassen van de groeiregeling en van het onderwijsachterstandenbeleid in het primair onderwijs Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 11 juli 2018, nr. WJZ/1381171 (7140), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 69, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=69), [120, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=120), en [134, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=134); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 juli 2018, nr. W05.18.0204/l); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 22 augustus 2018, nr. WJZ/1393408 (7140), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. Wijziging Besluit bekostiging WPO Wijzigt het Besluit bekostiging WPO. Artikel II 1. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041418&artikel=I&z=2019-03-15&g=2019-03-15), met uitzondering van onderdeel E, is voor het eerst van toepassing op de bekostiging voor het schooljaar 2019–2020. 2. [Artikel I, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041418&artikel=I&z=2019-03-15&g=2019-03-15), is voor het eerst van toepassing op de bekostiging voor het kalenderjaar 2020. Artikel III. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":9944,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 11 maart 2022, nr. 3849015, houdende de bekendmaking van een beleidsregel voor coulance bij de toepassing van de Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021 (Beleidsregel coulance wateroverlast in juli 2021) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045602); Besluit: Artikel 1 Voor deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **gedupeerde:** degene die een melding als bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van de Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045602&artikel=17), heeft gedaan om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de schade; - b. **Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - c. **Regeling:** [Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045602) (Staatscourant 2021, 40211); - d. **schade:** schade en kosten als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046421&artikel=3&z=2022-03-15&g=2022-03-15) die in het schadegebied zijn ontstaan als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg van extreem zware regenval, overstroming of afstromend water in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in de periode van 13 juli tot en met 20 juli 2021; - e. **schadegebied:** de gebieden, die zijn ingekleurd op de kaart die is opgenomen als [bijlage bij de Regeling](onbekend); - f. **wet:** [Wet tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637). Artikel 2 De Minister kan, met inachtneming van het bepaalde in de [artikelen 3 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046421&artikel=3&z=2022-03-"},{"i":11562,"b":"Besluit van 11 oktober 2012 tot wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur inzake het participatiebudget, contacturen, referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, examengeld staatsexamen Nederlands als tweede taal en technische wijzigingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 11 april 2012, nr. WJZ/394752 (04901), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 2, vierde lid, van de Wet participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039&artikel=2), de [artikelen 2.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.1), en [2.3.4, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.3.4), [artikel 2, tweede lid, onder e, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027679&artikel=2) en [artikel 60, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=60); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 mei 2012, nr. W05.12.0116/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 8 oktober 2012, nr. WJZ 433332 (04901), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. Wijziging [Besluit participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025044) Wijzigt het Besluit participatiebudget. Artikel II. Wijziging [Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646) Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WEB. Artikel III. Wijziging [Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027879) Wijzigt het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Artikel IV. Wijziging [Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006192) Wijzigt het Staatsexamenbesluit Nederland"},{"i":11563,"b":"Besluit van 27 september 2004, houdende wijziging van het Besluit trekkende bevolking WPO in verband met vernieuwing van het bekostigingssysteem voor de school voor varende kinderen Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 29 juni 2004, nr. WJZ/2004/30636 (2613), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 185 van de Wet op het primair onderwijs](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 2 september 2004, nr. W05.04.0346/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 21 september 2004, nr. WJZ/2004/43171 (2613), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit trekkende bevolking WPO. Artikel II. Overgangsrecht overdracht gebouwen, terreinen en roerende zaken scholen gehuisvest in een gebouw 1. Met betrekking tot de huisvestingsvoorzieningen die voor 1 januari 1997 zijn gerealiseerd, blijft ten aanzien van de school die is gehuisvest in een gebouw als bedoeld in [artikel C 21 van het Besluit trekkende bevolking WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833&artikel=C_12), genoemd artikel zoals dat luidde voor die datum, van toepassing. Daarbij wordt in voorkomende gevallen in overleg tussen de gemeente en het bevoegd gezag rekening gehouden met de na 1 januari 1997 gerealiseerde huisvestingsvoorzieningen. 2. Op huisvestingsvoorzieningen die op of na 1 januari 1997 zijn gerealiseerd met betrekking tot een gebouw of terrein als bedoeld in het eerste lid, doch vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, is [artikel C 21 van het Besluit trekkende bevolking WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833&artikel=C_12) zoals dat artikel luidde met ingang van 1 januari 1997, tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing. Daarbij wordt in voorkomende gevallen in het overleg tussen het Rijk en het bevoegd gezag rekening gehouden met de voor 1 januari 1997 gerealiseerde huisvestingsvoor"},{"i":11564,"b":"Besluit van 19 december 2001, houdende wijziging van onder meer het Besluit trekkende bevolking WPO onder meer in verband met fusie van de scholen voor ligplaatsonderwijs Artikel I Wijzigt het Besluit trekkende bevolking WPO. Artikel II. Overgangsbepaling bekostiging kosten voor de huisvesting en voor de materiële instandhouding 1. In afwijking van de [artikelen C15 tot en met C15a.1 van het Besluit trekkende bevolking WPO](onbekend) wordt de bekostiging van de school voor ligplaatsonderwijs, bedoeld in [titel C van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003833&titeldeel=C), zoals die met ingang van 1 augustus 2001 is ontstaan door fusie, voor wat betreft de huisvesting en de materiële instandhouding, voor een kalenderjaar of een deel van een kalenderjaar na 1 augustus 2001 vastgesteld op het bedrag van de bekostiging voor de huisvesting en de materiële instandhouding, bedoeld in bovengenoemde bepalingen, dat werd verstrekt aan de afzonderlijke scholen tezamen die met ingang van 1 augustus 2001 door fusie zijn opgegaan in één school voor ligplaatsonderwijs, bij naar rato-berekening over het kalenderjaar 2001. 2. De in het eerste lid bedoelde bekostiging wordt jaarlijks aangepast overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het kalenderjaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld en het prijsniveau in het daaraan voorafgaande jaar. 3. Indien ten behoeve van het reguliere basisonderwijs de bekostiging voor de materiële instandhouding ten opzichte van het kalenderjaar 2001 wordt verhoogd, kan in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, op gelijke voet extra bekostiging worden toegekend aan de school voor ligplaatsonderwijs. 4. Wijzigt het Besluit van 24 mei 2000, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur op grond van onder meer de Wet op het primair onderwijs in verband met de dece"},{"i":13081,"b":"Besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad van 14 januari 2026, houdende de bekendmaking van de beleidsregels voorzieningen 2026 (Besluit wijziging Beleidsregels voorzieningen PUR 2026) Gelet op [artikel 4 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Bij de uitvoering van de in [artikel 1, onder e, van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen genoemde wetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=1) en de in artikel 1, onder f genoemde regeling, passen de Raad, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen en de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6) het beleid toe dat is neergelegd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Het [Besluit Beleidsregels PUR 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049375) (Stcrt. 16 februari 2024, 4732) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit wijziging Beleidsregels voorzieningen PUR 2026. Bijlage Gepubliceerd op www.svb.nl/wvo Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlage wordt ter inzage gelegd bij het vestigingskantoor van de Sociale verzekeringsbank in Leiden en kan worden ingezien via het internet op [www.svb.nl/wvo](http://www.svb.nl/wvo)."},{"i":12234,"b":"Besluit van 25 juni 1999, houdende uitvoering van artikel 47, tweede en derde lid, van de Visserijwet 1963 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 18 juni 1999, No. TRCJZ/1999/5502, Directie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 47, tweede en derde lid, van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=47); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De navolgende organisaties worden aangewezen tot het voordragen van het achter hun naam vermelde aantal leden van de Kamer voor de Binnenvisserij: - a. de Combinatie van Beroepsvissers: 3 leden; - b. Sportvisserij Nederland: 3 leden; - c. de Unie van Waterschappen: 1 lid; - d. de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland: 1 lid; - e. de Federatie Particulier Grondbezit: 1 lid. Artikel 2 Het besluit van 19 augustus 1994, houdende uitvoering van [artikel 47, tweede en derde lid, van de Visserijwet 1963](onbekend), wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 1999. Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":11566,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 november 2014, nr. KENNIS/686517, tot wijziging van het Instellingsbesluit begeleidingscommissie Onderwijs Bewijs in verband met een wijziging in de samenstelling van de begeleidingscommissie Onderwijs Bewijs Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzigt het Instellingsbesluit Begeleidingscommissie Onderwijs Bewijs. Artikel II [Het eerste lid van artikel 11 van het Instellingsbesluit begeleidingscommissie Onderwijs Bewijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026081&artikel=11) zoals dat luidde op het moment van inwerkintreding van dit besluit blijft van toepassing bij de afhandeling van de op grond van deze bepaling en voor het inwerkingtreden van dit besluit ontstane verplichtingen. Artikel III Deze wijziging treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2014. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11567,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 januari 2025, nr. 1649733, houdende wijziging van de Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs en de Regeling beroepsgerichte keuzevakken vmbo in verband met de invoering van de praktijkgerichte vakken in de gemengde en theoretische leerwegen van het vmbo en de actualisering van verschillende beroepsgerichte examenprogramma’s (Wijzigingsregeling beroepsgerichte en praktijkgerichte examenprogramma’s vmbo) Artikel I Wijzigt de Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs. Artikel II Wijzigt de Regeling beroepsgerichte keuzevakken vmbo. Artikel III. Overgangsbepaling regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs 1. De wijziging die [artikel I, onderdelen A en B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050770&artikel=I&z=2025-02-12&g=2025-02-12), van deze regeling aanbrengt in [paragraaf 2 van bijlage 2 behorend bij artikel 2 van de Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs is in het schooljaar 2024–2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022061&bijlage=2) niet van toepassing op leerlingen die op 1 augustus 2024 zijn toegelaten tot het vierde leerjaar van het profiel Economie en Ondernemen van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, behoudens de leerlingen die dit profiel volgen aan een school die deelneemt aan de Pilot Economie en Ondernemen (nieuwe stijl). 2. In schooljaar 2025–2026 wordt voor de laatste maal de gelegenheid geboden tot het afleggen van een examen Economie en Ondernemen op basis van het examenprogramma zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze regeling. 3. Dit artikel vervalt met ingang van 1 augustus 2026. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, en werkt ten aanzien van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050770&artikel=I&z=2025-02-12&g=2025-02-12) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050770&artikel=II&"},{"i":11568,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 juni 2009, nr. 2009/VO/BVB/128542, tot wijziging van de Regeling aanvullende bekostiging maatschappelijke stage in het voortgezet onderwijs voor de schooljaren 2008–2009 tot en met 2010–2011 Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 85a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=85a), en [artikel 89, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=89), [artikel 2.2.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3) en [artikel 4, derde lid, van de Regeling aanvullende bekostiging maatschappelijke stage in het voortgezet onderwijs voor de schooljaren 2008–2009 tot en met 2010–2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023969&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling aanvullende bekostiging maatschappelijke stage in het voortgezet onderwijs voor de schooljaren 2008/2009 tot en met 2010/2011. Artikel II. Hoogte aanvullende bekostiging 2009/2010 De aanvullende bekostiging, bedoeld in [artikel 2 van de Regeling aanvullende bekostiging maatschappelijke stage in het voortgezet onderwijs voor de schooljaren 2008–2009 tot en met 2010–2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023969&artikel=2), bedraagt voor het schooljaar 2009/2010 per leerling € 48 met een minimum van € 18.000 per school. Hiertoe is voor schooljaar 2009–2010 een totaal budget beschikbaar van € 43.511.000. Artikel III. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13185,"b":"Deelregeling composities en libretto's Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2); Besluit: Paragraaf 1. : algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **Nederland:** Het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Artikel 1.2. Subsidievormen Het bestuur kan subsidie verstrekken in de vorm van een werkbijdrage muziekauteur, een subsidie voor het verlenen van een opdracht compositie en libretto en een subsidie voor het verlenen van een reeks opdrachten compositie en libretto. Artikel 1.3. De aanvraag 1. Een aanvraag wordt ingediend met behulp van een door het bestuur opgesteld aanvraagformulier. 2. Een aanvraag wordt alleen in behandeling genomen als het volledig ingevulde aanvraagformulier tijdig is ontvangen door het Fonds Podiumkunsten en vergezeld gaat van de op het formulier vermelde bijlagen. 3. Een aanvraag die niet voldoet aan het bepaalde in deze regeling wordt afgewezen. 4. Het bestuur kan digitale indiening mogelijk maken. Het bepaalde in lid een tot en met drie is van overeenkomstige toepassing. Artikel 1.4. Beoordeling 1. Het bestuur kan een of meer aanvraagrondes per jaar per subsidievorm vaststellen. De bijbehorende indiendata worden bekendgemaakt via de website van het Fonds Podiumkunsten. 2. Het bestuur kan advies vragen over ingediende aanvragen. Adviseurs beoordelen de aan hen voorgelegde aanvragen met inachtneming van het bepaalde in deze regeling. 3. Het bestuur informeert de aanvrager binnen 13 weken na de uiterlijke indiendatum schri"},{"i":14197,"b":"Regeling Digitale literatuur gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen Reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Letterenfonds:** Stichting Nederlands Letterenfonds; - b. **bestuur:** de directeur-bestuurder van het Letterenfonds; - c. **talentontwikkeling interdisciplinair:** alle werkzaamheden waarbij meer dan één discipline betrokken is en die onder begeleiding verbonden zijn aan: - i. onderzoek naar artistieke verdieping op multimediaal vlak of de ontwikkeling van multimediale vaardigheden voor de eigen professionele beroepspraktijk van schrijven en vertalen in het kader van een persoonlijk ontwikkelingsplan, of, - ii. een voorstudie voor een uit te voeren Nederlands- of Friestalig project, die resulteert in een reëel projectplan; - d. **project:** een multimediale literaire productie met ten minste een in het Nederlands of Fries gestelde literaire inhoud, waarbij de digitale omgeving van wezenlijke invloed is op de inhoud; - e. vervallen; - f. **contract:** een overeenkomst tussen auteur of vertaler en uitgeverij betreffende de exploitatierechten op de publicatie waarin minimaal de bepalingen over het royalty-percentage en de licentie zijn overeengekomen, zoals geregeld in het Modelcontract GAU/VvL voor Uitgave Literair Werk, Uitgave Kinderboek, Digitale Publicaties en Literaire Vertaling; - g. **uitgeverij:** een rechtspersoon die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit ten behoeve van de uitgave van literaire werken; - h. **Nederland:** het land Nederland, inclusief de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Artikel 2. Toepasselijkheid Deze regeling is van toepassing op projectsubsidies die het bestuur verstrekt in"},{"i":12256,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2011 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2011 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | | | | --- | --- | | Gemiddelde premieplichtig loon | 29.900 | | Grens grote/kleine werkgever | 747.500 | | Gemiddelde percentage | 0,55% | | Maximumpremie grote werkgevers | 2,20% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 1,65% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,56% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,28% | | Rekenpercentage Correctiefactor werkgeversrisico | 0,62% 1,96 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2011. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12950,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 februari 2010, nr. DVL-0093, houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Programmaraad Dutch Visitors Programme Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Programmaraad Dutch Visitors Programme ontvangt voor het verrichten van zijn werkzaamheden een vergoeding van € 326,57 per vergadering 2. De andere leden van de de Programmaraad Dutch Visitors Programme ontvangen een vergoeding van € 251,21 per vergadering. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2010. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11574,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, nr. 17731306, tot wijziging van de Subsidieregeling cultuurbegeleider primair en speciaal onderwijs in verband met indexatie van de subsidiebedragen voor vervangingskosten van leraren Gelet op [artikel 4 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling cultuurbegeleider primair en speciaal onderwijs. Artikel II De bedragen die golden op grond van [artikel 4, derde lid, van de Subsidieregeling cultuurbegeleider primair en speciaal onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040011&artikel=4), zoals dat luidde voor 1 januari 2019, blijven van toepassing met betrekking tot subsidies die voor die datum zijn verstrekt. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2019. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13323,"b":"Handelsregisterwet 2009 BES Definities Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. **Kamer:** kamer van koophandel en nijverheid als bedoeld in de [Wet op de Kamers van Koophandel en Nijverheid BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028238); - b. **Secretaris:** de secretaris van de betreffende kamer van koophandel en nijverheid; - c. **eigen vermogen:** het op het ogenblik van aangifte volgens de balans van het laatste boekjaar aanwezige, eventueel volgens de balans van het lopende boekjaar werkelijk aanwezige, eigen vermogen van de onderneming, rechtspersoon of nevenvestiging; - d. **hoofdvestiging:** het door een onderneming als zodanig aangemerkte onderdeel van de onderneming; - e. **nevenvestiging:** een ondernemingsonderdeel, niet zijnde de hoofdvestiging, dat geheel of ten dele elders is ondergebracht in een gebouw of complex van gebouwen, waar duurzaam activiteiten van de onderneming plaatsvinden; - f. **hoofdnederzetting:** de in het openbaar lichaam gelegen nevenvestiging van een buiten het openbaar lichaam gevestigde onderneming of, indien er meer nevenvestigingen zijn, de door de onderneming als hoofdnederzetting aangemerkte nevenvestiging; - g. **openbaar lichaam:** het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Handelsregister Artikel 2 1. Er is een handelsregister, waarin ondernemingen en rechtspersonen worden ingeschreven overeenkomstig het bepaalde in deze wet. 2. Het handelsregister wordt gehouden door de Kamers. De Secretaris is belast met het beheer van het handelsregister en de in verband daarmee ontvangen gelden. Artikel 3 1. In het handelsregister worden de ondernemingen ingeschreven die in het openbaar lichaam zijn gevestigd, of in het openbaar lichaam een nevenvestiging hebben. 2. Behoort de onderneming toe aan een natuurlijke persoon, of is een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap aangegaan, dan worden tevens de gegevens daarvan ingeschreven. 3. Aan d"},{"i":13697,"b":"Intrekking Besluit instelling overlegplatform tolk- en vertaaldiensten Besluit: Artikel I Het overlegplatform tolk- en vertaaldiensten wordt opgeheven. Artikel II Het [besluit van 28 oktober 1998 (Stcrt. nr. 213) tot instelling overlegplatform tolk- en vertaaldiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009967) wordt ingetrokken. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt geplaatst in de Staatscourant."},{"i":12202,"b":"Besluit van de directeur Telefonie, Ondersteuning en Innovatie van de directie KI&S van 1 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen de directie wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":11888,"b":"Besluit aanwijzen specialisaties Gelet op: [artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2) (Stb. 2007, 375, hierna: de Wbtv); [artikel 10, tweede lid, van het Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=10) (Stb. 2008, 555: hierna: het Besluit btv); de[Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 januari 2011 tot wijziging van de Regeling houdende aanwijzing tot bewerker en verlening van mandaat en machtiging van de Minister van Justitie aan de Raad voor Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch betreffende het register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993), (Stcrt. 19 januari 2011, 1030); het [Besluit specialisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031662) (Stcrt. 23 augustus 2018, nr. 12134-n1 2); de adviezen van het Kwaliteitsinstituut beëdigde tolken en vertalers van 12 oktober 2020, 18 december 2020, 13 april 2021; Stelt het volgende Besluit aanwijzen specialisaties vast: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Aanwijzen specialisaties Artikel 1 De specialisaties die op verzoek in het Register beëdigde tolken en vertalers (hierna: het Rbtv) bij een inschrijving op C1-niveau van het ERK kunnen worden vermeld, worden aangewezen en neergelegd in de [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045982&bijlage=1&z=2022-10-01&g=2022-10-01) bij dit besluit. Artikel 2 Een specialisatie wordt aangewezen indien daar naar het oordeel van de Raad aanleiding toe bestaat. Inwerkingtreding Artikel 3 Het [Besluit aanwijzen specialisatie van 18 juni 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031663) (Staatscourant 2012, 12136) met de daarbij behorende bijlagen wordt hierbij ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit met de daarbij behorende bijlagen treedt in werking op 1 september 2021 en wordt aangehaald als het ‘Besluit aanwijz"},{"i":11576,"b":"Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 7 augustus 2006, nr. INDuit06-4175 (AUB), houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (achtenveertigste wijziging) Gelet op [artikel 14 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) en [artikel 3.41 Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41); Besluit: Artikel I Wijzigt het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Artikel II Vervallen Artikel III 1. Deze regeling treedt inwerking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 mei 2006. 2. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020136&artikel=II&z=2007-05-01&g=2007-05-01) vervalt met ingang van 1 mei 2007. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11965,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 7 februari 2023, kenmerk 3955715, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Centrale Adoptieraad (centrale adoptiedocumentatie) 1957–1999 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 30 november 2022, met kenmerk 100604. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Centrale Adoptieraad (centrale adoptiedocumentatie) 1957–1999. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnr. | Openbaar 1 januari | Inventarisnr. | Openbaar 1 januari | Inventarisnr. | Openbaar 1 januari | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | 2035 | 45 | 2054 | 88 | 2051 | | 2 | 2036 | 46 | 2052 | 89 | 2051 | | 3 | 2028 | 47 | 2051 | 90 | 2051 | | 4 | 2038 | 48 | 2032 | 91 | 2048 | | 6 | 2035 | 49 | 2051 | 92 | 2048 | | 7 | 2036 | 50 | 2047 | 93 | 2051 | | 8 | 2046 | 51 | 2045 | 94 | 2050 | | 9 | 2047 | 52 | 2054 | 95 | 2049 | | 10 | 2042 | 53 | 2040 | 96 | 2034 | | 11 | 2036 | 54 | 2052 | 97 | 2046 | | 12 | 2043 | 55 | 2048 | 98 | 2054 | | 13 | 2040 | 56 | 2045 | 99 | 2039 | | 14 | 2047 | 57 | 2050 | 100 | 2047 | | 15 | 2053 | 58 | 2045 | 101 | 2053 | | 16 | 2043 | 59 | 2051 | 102 | 2048 | | 17 | 2053 | 60 | 2051 | 103 | 2036 | | 18 | 2051 | 61 | 2048 | 104 | 2051 | | 19 | 2039 | 62 | 2047 | 105 | 2041 | | 20 | 2039 | 63 | 2052 | 106 | 2048 | | 21 | 2034 | 64 | 2057 | 107 | 2052 | | 22 | 2052 | 65 | 2052 | 108 | 2045 | | 23 | 2032 | 66 | 2050 | 109 | 2045 | | 24 | 2033 | 67 | 2042 | 110 | 2051 | | 25 | 2048 | 68 | 2053 | 111 | 2048 | | 26 | 2039 | 69 | 2043 | 112 | 2053 | | 27 | 2034 | 70 | 2048 | 113 |"},{"i":11966,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 13 juni 2017, nr. IENM/BSK-2017/489, houdende beperking aan de openbaarheid van het archief van de Centrale Sector VROM 1940–1981, aanvulling 2017 (Besluit beperking openbaarheid archief Centrale Sector VROM, 1940–1981) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10), en het advies van de algemene rijksarchivaris van 2 mei 2017, met kenmerk EDOC-#1172696-V2. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Centrale Sector VROM 1940–1981 (aanvullingen 2017) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de dossiers geborgen onder de inventarisnummers 6263 tot en met 6283 genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 75 jaar na sluiting van de betreffende dossiers. De beperkingen aan de openbaarheid vervallen op 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 6263 | 2020 | | 6264 | 2021 | | 6265 | 2021 | | 6266 | 2021 | | 6267 | 2021 | | 6268 | 2021 | | 6269 | 2021 | | 6270 | 2021 | | 6271 | 2021 | | 6272 | 2022 | | 6273 | 2022 | | 6274 | 2022 | | 6275 | 2022 | | 6276 | 2023 | | 6277 | 2023 | | 6278 | 2023 | | 6279 | 2026 | | 6280 | 2026 | | 6281 | 2026 | | 6282 | 2026 | | 6283 | 2035 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039676&artikel=1&z=2017-09-08&g=2017-09-08), is tot het moment van openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De verlening van toestemming tot inzage en de inzage zelf geschieden volgens de daarvoor bij het Nationaal Archief geldende procedures. De di"},{"i":13503,"b":"Instellingsbesluit Commissie onderzoek aan het lichaam Overwegende dat het wenselijk is dat het onderzoek aan het lichaam, zoals o.a. vervat in de [artikelen 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=56) en [195 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=195), wordt herzien. Besluit: Artikel 1 Er is een Commissie onderzoek aan het lichaam, verder te noemen de commissie. Artikel 2 De Commissie heeft tot taak de minister van Justitie van advies te dienen over de volgende vragen: - a. dienen de bevoegdheden van de justitiële autoriteiten te worden uitgebreid ten behoeve van nieuwe onderzoeksmethoden in of aan het lichaam, zoals röntgenfotografie, echoscopie, endoscopie etc.? - b. is het wenselijk het onderzoek aan het lichaam, zoals vervat in de [artikelen 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=56) en [195 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=195), te herzien? - c. is er aanleiding de maatregelen in het belang van het onderzoek, zoals die zijn opgenomen in het Koninklijk besluit van 4 december 1925, Stb. 460 te herzien en op te nemen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903)? De commissie dient, indien zij van oordeel is [dat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903)[het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) op een of meer van genoemde onderdelen moet worden gewijzigd of aangevuld, voorstellen tot een dergelijke wijziging of aanvulling te formuleren. Artikel 3 In de commissie hebben zitting: - a. **als voorzitter:** prof. mr. L.C.M. Meijers, advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en bijzonder hoogleraar (em.) op het gebied van de internationaalrechtelijke, in het bijzonder mensenrechtelijke aspecten van het strafrecht, aan de Rijksuniversiteit Groningen; - b. **als leden:** mw. mr. A.G. Korvinus, advocaat-generaal bij het Gerech"},{"i":11967,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Centrale Veiligheidsdienst (CVD) + Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) over de periode 9 april 1946–1952 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en gehoord de algemene rijksarchivaris als beheerder van het Nationaal Archief d.d. 16 september 2014, met kenmerk NA/14/14666; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de open dossiers van het archief van de Centrale Veiligheidsdienst (CVD) + Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) over de periode 9 april 1946–1952 van de zorgdrager de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot de datum van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 7 | 2028 | | 22 | 2027 | | 24 | 2027 | | 25 | 2027 | | 27 | 2025 | | 30 | 2026 | | 37 | 2029 | | 38 | 2032 | | 39 | 2031 | | 40 | 2028 | | 41 | 2029 | | 42 | 2030 | | 43 | 2028 | | 44 | 2028 | | 67 | 2025 | | 86 | 2023 | | 87 | 2024 | | 88 | 2024 | | 89 | 2025 | | 90 | 2025 | | 91 | 2026 | | 92 | 2030 | | 119 | 2021 | | 141 | 2025 | | 203 | 2025 | | 208 | 2024 | | 209 | 2024 | | 210 | 2025 | | 211 | 2026 | | 212 | 2028 | | 259 | 2028 | | 301 | 2027 | | 317 | 2023 | | 331 | 2028 | | 334 | 2028 | | 341 | 2023 | | 361 | 2023 | | 363 | 2024 | | 365 | 2024 | | 369 | 2027 | | 374 | 2026 | | 387 | 2028 | | 388 | 2028 | | 398 | 2026 | | 410 | 2028 | | 420 | 2026 | | 421 | 2028 | | 423 | 2028 | | 426 | 2028 | | 428 | 2028 | | 452 | 2023 | | 454 | 2028 | | 455 | 2024 | | 456 | 2024 | | 467 | 2028 | | 554 | 2027 | | 578 | 2028 | | 580 | 2028 | | 592 | 2026 | | 596 | 2028 | | 603 | 2028 | | 604 | 2028 | | 605 | 2028 | | 606 | 2028 | | 607 | 2028 | | 608 |"},{"i":11586,"b":"Wet van 13 april 2004 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de aanscherping van een aantal voorschriften betreffende de bekostiging van het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs Artikel I Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel III Wijzigt de Les- en cursusgeldwet. Artikel IV Tot het tijdstip waarop [artikel 8.1.1a van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.1.1a) in werking treedt, geldt voor de toepassing van [artikel 2.2.2, eerste lid, onder a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.2), dat bij de vaststelling van de instroom van deelnemers en het bepalen van het aantal deelnemers en examendeelnemers dat een diploma heeft behaald, die deelnemers meetellen waarvan naam, adres en woonplaats bij het bevoegd gezag bekend zijn. Het bevoegd gezag is gehouden ter verificatie van die gegevens van de deelnemer te verlangen dat hij een niet langer dan 6 maanden voor het verzoek om verificatie afgegeven gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens als bedoeld in de [Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723) van zijn woonplaats overlegt. Verificatie kan achterwege blijven in die gevallen waarin aan de deelnemer een onderwijskaart is verstrekt als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet. Deelnemers die niet zijn opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens tellen alleen mee als zij onderwijs in Nederland volgen en als de instelling de gegevens betreffende naam, adres en woonplaats van de betrokken deelnemer heeft vastgesteld op een wijze vergelijkbaar met hetgeen in de tweede volzin is bepaald. Artikel V Deze wet treedt in werking op een"},{"i":14042,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 27 november 2012, nr. 307297, houdende voorschriften ten aanzien van de accountantscontrole van de jaarrekening van het Instituut Fysieke Veiligheid (Regeling accountantscontrole IFV) Gelet op [artikel 6, tweede lid, van het Besluit rijksbijdragen IFV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032156&artikel=6); Besluit: Artikel 1 In deze regeling en de daarbij behorende bijlage wordt verstaan onder: - a. **accountant:** de door het bestuur van het Instituut Fysieke Veiligheid aangewezen accountant - b. **Instituut:** het Instituut Fysieke Veiligheid Artikel 2 De accountant verricht zijn werkzaamheden met inachtneming van hetgeen is bepaald in het Controleprotocol dat als bijlage bij deze regeling is gevoegd. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling accountantscontrole IFV. Bijlage. als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032372&artikel=2&z=2019-04-17&g=2019-04-17) van de Regeling accountantscontrole IFV Accountantsprotocol IFV Inleiding Op grond van [artikel 74, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=74) verstrekt het Ministerie van Justitie en Veiligheid (hierna: JenV) per boekjaar een bijdrage aan het Instituut Fysieke Veiligheid (hierna: IFV). JenV verstrekt deze bijdrage aan het IFV voor de uitvoering van de wettelijke activiteiten die ingevolge [artikel 68 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=68) zijn toebedeeld aan het IFV. Het IFV dient zich over de besteding van deze middelen te verantwoorden, door middel van een jaarverslag, bestaande uit een bestuursverslag, een jaarrekening, overige gegevens en bijlagen. Het IFV en JenV hebben beide belang bij een goede opzet en uitvoering van de accountantscontrole bij het IFV. Dit accountantsprotocol geeft een beschrijving van de in di"},{"i":11575,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 8 juli 2021, nr. 28465274, houdende wijziging van de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma aanvullend op voorschoolse educatie 2020–2021 in verband met een uitbreiding van de aanvraagmogelijkheden voor het tweede subsidietijdvak Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma aanvullend op voorschoolse educatie 2020–2021. Artikel II Op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze regeling op grond van de [Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma aanvullend op voorschoolse educatie 2020–2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043598) zijn verstrekt, blijft de regeling, zoals zij luidde op de dag vóór de inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14011,"b":"Raamwerk Nascholingscursussen Code 95 en ADR (1 juli 2019) Hoofdstuk 1. Het Raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde cursussen mogen nascholing voor de code 95 verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificering af te geven. Ook registreert het CBR verklaringen van nascholing voor chauffeurs die aan de nascholingsplicht hebben voldaan. Tot slot houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de nascholingscursussen. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR een Raamwerk nascholingscursussen en ADR opgesteld. Dit Raamwerk is een document zoals wordt bedoeld in [artikel 156s van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het Raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de nascholing daadwerkelijk aan deze eisen houdt. Is dit niet het geval? Dan legt het CBR een sanctie op. De verschillende sancties en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep vindt u in dit Raamwerk terug. Het is toegestaan om bij de nascholing gebruik te maken van e-learning en simulatoren. De eisen die hierbij gelden zijn opgenomen in dit Raamwerk. Tot slot is in dit Raamwerk een overzicht met minimumeisen per nascholingscursus opgenomen. Het CBR wijzigt het Raamwerk maximaal twee keer per jaar: op 1 januari en op 1 juli. Wijzigingen worden afgestemd met de opleidingsbranche en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en actief naar alle erkende opleiders gecommuniceerd. Worden de minimumeisen in het Raamwerk aangepast en zijn de wijzigingen van invloed op de certificering van een nascholingscursus? Dan wordt dit expliciet vermeld en moeten opleidingsinstituten hun opleidingsplannen binn"},{"i":14012,"b":"Raamwerk Nascholings- cursussen code 95 en ADR Hoofdstuk 1. Het Raamwerk nascholings- cursussen code 95 en ADR Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde cursussen mogen nascholing voor de code 95 verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificering af te geven. Ook registreert het CBR verklaringen van nascholing voor chauffeurs die aan de nascholingsplicht hebben voldaan. Tot slot houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de nascholingscursussen. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR een Raamwerk nascholingscursussen en ADR opgesteld. Dit Raamwerk is een document zoals wordt bedoeld in [artikel 156s van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het Raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de nascholing daadwerkelijk aan deze eisen houdt. Is dit niet het geval? Dan legt het CBR een sanctie op. De verschillende sancties en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep vindt u in dit Raamwerk terug. Het is toegestaan om bij de nascholing gebruik te maken van e-learning en simulatoren. De eisen die hierbij gelden zijn opgenomen in dit Raamwerk. Tot slot is in dit Raamwerk een overzicht met minimumeisen per nascholingscursus opgenomen. Het CBR wijzigt het Raamwerk maximaal twee keer per jaar: op 1 januari en op 1 juli. Wijzigingen worden afgestemd met de opleidingsbranche en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en actief naar alle erkende opleiders gecommuniceerd. Worden de minimumeisen in het Raamwerk aangepast en zijn de wijzigingen van invloed op de certificering van een nascholingscursus? Dan wordt dit expliciet vermeld en moeten opleidingsinstituten hun opleidingsplannen binnen zes maa"},{"i":14013,"b":"Raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Hoofdstuk 1. Het raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde cursussen mogen nascholing voor de code 95 verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificering af te geven. Ook registreert het CBR verklaringen van nascholing voor chauffeurs die aan de nascholingsplicht hebben voldaan. Tot slot houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de nascholingscursussen. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR een raamwerk nascholingscursussen en ADR opgesteld. Dit raamwerk is een document zoals wordt bedoeld in [artikel 156s van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de nascholing daadwerkelijk aan deze eisen houdt. Is dit niet het geval? Dan legt het CBR een sanctie op. De verschillende sancties en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep vindt u in dit raamwerk terug. Het is toegestaan om bij de nascholing gebruik te maken van e-learning en simulatoren. De eisen die hierbij gelden zijn opgenomen in dit raamwerk. Tot slot is in dit raamwerk een overzicht met minimumeisen per nascholingscursus opgenomen. Het CBR wijzigt het raamwerk maximaal twee keer per jaar: op 1 januari en op 1 juli. Wijzigingen worden afgestemd met de opleidingsbranche en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en actief naar alle erkende opleiders gecommuniceerd. Worden de minimumeisen in het raamwerk aangepast en zijn de wijzigingen van invloed op de certificering van een nascholingscursus? Dan wordt dit expliciet vermeld en moeten opleidingsinstituten hun opleidingsplannen binnen zes maanden"},{"i":12875,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Relatienotabeleid vanaf 1974 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 oktober 2006, arc-2006.003203/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Relatienotabeleid over de periode vanaf 1974](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12870,"b":"Besluit vaststelling selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Ontwikkelingssamenwerking over de periode 1965–1990 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Ontwikkelingssamenwerking over de periode 1965–1990’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken op het beleidsterrein het beleidsterrein Ontwikkelingssamenwerking over de periode 1965–1990’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Buitenlandse Zaken, nr. C/S/2002/2850 d.d. 9 september 2002 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 220 d.d. 14 november 2002)) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13683,"b":"Wet van 24 november 1954, houdende instelling van een productschap voor bier Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad uit eigen beweging daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot instelling van een productschap als bedoeld in de [Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058) (**Stb.** 1950, K 22, sedert gewijzigd) voor ondernemingen op het gebied van de bereiding van en de binnenlandse handel in bier; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een Productschap voor Bier. 2. Het productschap heeft zijn zetel te Amsterdam. Artikel 2 1. Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin: bier wordt bereid; de binnenlandse handel in bier wordt uitgeoefend; bier voor verbruik ter plaatse wordt verstrekt. 2. In deze wet wordt mede verstaan onder: **bier:** dranken, die in uiterlijk en samenstelling grote overeenkomst met bier vertonen; **handel:** de werkzaamheid van tussenpersonen. Artikel 3 Het bestuur van het productschap bestaat uit 22 leden. Daarvan worden benoemd: | voor de ondernemingen op het gebied van | door organisaties van ondernemers | door organisaties van werknemers | | --- | --- | --- | | de brouwindustrie | 4 leden | 4 leden | | de binnenlandse groothandel in bier | 3 leden | 3 leden | | de detailhandel in bier en het hotel-, café- en restaurantbedrijf | 4 leden | 4 leden | Artikel 4 1. Aan het productschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de navolgende onderwerpen: - a. aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet; - b. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het productschap is ingesteld; - c. het verstrekken van de voor de vervulling van d"},{"i":11588,"b":"Wet van 26 juni 2013 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is onder meer de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) te wijzigen ten behoeve van het bevorderen van doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs, waaronder het verkorten en intensiveren van beroepsopleidingen, het invoeren van de entreeopleiding en het stellen van vooropleidingseisen voor niveau 2, alsmede het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs teneinde een betere verdeling van de middelen mogelijk te maken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel IIa. Wijziging [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel III. Wijziging [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel IV. Wijziging [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel V. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Artikel VI. Wijziging [Wet voortge"},{"i":13807,"b":"Wet van 23 juni 1960, houdende voorzieningen op het terrein van de invoerrechten en accijnzen ter uitvoering van het Benelux-Unieverdrag en andere internationale overeenkomsten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 3 februari 1958 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie (**Trb.** 1958, 18), bij het inwerkingtreden waarvan de op 5 september 1944 te Londen ondertekende Nederlands-Belgisch-Luxemburgse douaneovereenkomst buiten werking treedt, en andere internationale overeenkomsten, welke de wetgeving inzake invoerrechten en accijnzen raken, het wenselijk maken voorzieningen te treffen om de nationale wetgeving met de vereiste spoed in overeenstemming te kunnen brengen met aangegane internationale verplichtingen en dat het daarom wenselijk is enkele bepalingen, vastgesteld bij de wet van 1 augustus 1947, **Stb.** H 282, houdende goedkeuring en uitvoering van de voornoemde douaneovereenkomst, te herzien en opnieuw vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I Artikel 1 Vervallen Artikel 2 1. Wij behouden Ons voor, bij algemene maatregel van bestuur, de wetgeving inzake invoerrechten en accijnzen met het Koninkrijk verbindende internationale overeenkomsten en besluiten van volkenrechtelijke organisaties in overeenstemming te brengen. 2. Indien bij het Koninkrijk verbindende internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties het uitoefenen van bevoegdheden inzake de douane en de accijnzen is opgedragen aan de bevoegde autoriteiten van de Staten, worden die bevoegdheden voor zoveel het Koninkrijk betreft, uitgeoefend door de door Onze Minister aangewezen ambtenaren. Artikel 2a De in artikel 81, eerste en tweede lid, van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie"},{"i":11589,"b":"Wet van 3 juli 1996, houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met decentralisatie van regelgeving op arbeidsvoorwaardelijk terrein, alsmede wijziging van enkele andere wetten (decentralisatie rechtspositieregeling educatie en beroepsonderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is dat de rechtspositie van het personeel van de instellingen voor educatie en beroepsonderwijs, van de agrarische innovatie- en praktijkcentra en van de landelijke organen, behoudens een aantal op centraal niveau vast te stellen onderwerpen, voortaan zal worden bepaald door de instellingsbesturen en de bevoegde gezagsorganen in overeenstemming met de personeelsorganisaties; dat in verband hiermee wijziging van de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) wenselijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikelen I, onderdelen A, B, H-U, III, onderdeel A.10, IV onderdeel J, V, onderdelen B en C, VII en IX werken terug tot en met 01-01-1996. ARTIKEL I. WIJZIGING WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. ARTIKEL II. INVOERINGS- EN OVERGANGSRECHT - 1. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door het bevoegd gezag van een openbare instelling of van een agrarisch innovatie- en praktijkcentrum geen bepalingen omtrent aanstelling, schorsing, disciplinaire maatregelen en ontslag als bedoeld in [artikel 4.1.2, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=4.1.2) zijn vastgesteld, worden deze bepalingen vastgesteld door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voor zover het betreft landbouwonderwijs, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. - 2. De overeenkomstig het eerste"},{"i":12631,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 maart 2014, kenmerk 335072-117952-PG, houdende de toekenning van vergoedingen aan de (plaatsvervangend) voorzitters en (plaatsvervangend) leden van de regionale toetsingscommissies euthanasie voor werkzaamheden die zij verrichten in de periode januari tot en met juni 2014 Gelet op [artikel 7 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410&artikel=7) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Aan de voorzitters en de plaatsvervangend voorzitters en de leden en de plaatsvervangend leden van de regionale toetsingscommissies euthanasie worden de hierna genoemde vergoedingen toegekend voor hun werkzaamheden in de periode januari 2014 tot en met juni 2014: - a. de voorzitter, de leden en hun plaatsvervangers van de regionale toetsingscommissie euthanasie te Groningen - –. de voorzitter van de regionale toetsingscommissie euthanasie te Groningen, dhr. mr. A.R.O. Mooy MBA, een vaste beloning conform 2,05 uur per week in schaal 018 [Bezoldigingsbesluit Burgelijke Rijksambtenaren (BRRA) 1984, bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), anciënniteit 10; - –. de plaatsvervangend voorzitter van de regionale toetsingscommissie euthanasie te Groningen, dhr. mr. W. van Nierop, een vaste beloning conform 4,16 uur per week in schaal 018 BBRA 1984, bijlage B, anciënniteit 10; - –. het arts-lid van de regionale toetsingscommissie euthanasie te Groningen, dhr. dr. E.F.M. Veldhuis, een vaste beloning conform 3,91 uur per week in schaal 017 BBRA 1984, bijlage B, anciënniteit 10; - –. het plaatsvervangend arts-lid van de regionale toetsingscommissie euthanasie te Groningen, dhr. drs. W.G.P. Mulder, een vaste beloning conform 2,63 uur per week in schaal 017 BBRA 1984, bijlage B, anciënniteit 10; - –. het ethic"},{"i":11591,"b":"Wet van 17 december 2009, tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de ondernemingsraden in verband met de medezeggenschap van personeel en deelnemers in de educatie en het beroepsonderwijs (medezeggenschap educatie en beroepsonderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de medezeggenschapsstructuur in de educatie en het beroepsonderwijs in overeenstemming te brengen met de kenmerken en omstandigheden van deze onderwijssector en in dat verband de medezeggenschap van personeel en deelnemers in deze onderwijssector te versterken door middel van invoering van een gedeelde medezeggenschapsstructuur; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. Artikel III De [Wet medezeggenschap onderwijs 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746) wordt ingetrokken. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V 1. De aan een instelling als bedoeld in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) bestaande medezeggenschapsraad houdt op te bestaan op de datum waarop het bevoegd gezag voor de instelling waaraan de medezeggenschapsraad is verbonden, of mede voor die instelling, een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging als bedoeld in de [Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747) heeft ingesteld, doch uiterlijk één jaar na inwerkingtreding van deze wet. Tot de datum waarop de bestaande medezeggenschapsraad voor een instelling ophoudt te bestaan, blijft op die instelling van toepassing de [Wet medezeggenschap onderwijs 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746), zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet. 2. Met i"},{"i":14365,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 3 april 2014, kenmerk: FM 2014/470 M, tot instelling van de Commissie verzekeraars (Regeling instelling Commissie verzekeraars) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste en derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Financiën; - b. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035038&artikel=2&z=2014-04-12&g=2014-04-12). Artikel 2. Instelling Er is een Commissie verzekeraars. Artikel 3. Taak 1. De commissie krijgt tot taak te onderzoeken of er belemmeringen zijn in het overheidsbeleid en de regelgeving die de verzekeringssector hinderen in het vervullen van zijn maatschappelijke rol van het spreiden en beheersbaar maken van risico’s en het verzorgen van langetermijninvesteringen in de economie. 2. De commissie zal in ieder geval aandacht schenken aan: - a. de invloed van nieuwe regelgeving (waaronder Solvency II en de zorgplicht); en - b. de veranderende vraag van consumenten naar flexibelere producten door veranderende voorkeuren, leefomstandigheden en gezinssituaties. Artikel 4. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste drie andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 3. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een nieuw lid benoemen. 4. De voorzitter en overige leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de minister. Artikel 5. Secretariaat 1. De commissie wordt ondersteund door een secretariaat. 2. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie. 3. In het secretariaat wordt voorzien door de minister. Artikel 6. Werkwijz"},{"i":11592,"b":"Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de uitvoeringsorganisaties voor het onderwijs, Centrale Financiën Instellingen en de Informatie Beheer Groep, samen te voegen tot een nieuwe uitvoeringsorganisatie voor het onderwijs, de Dienst Uitvoering Onderwijs, en dat het daartoe nodig is de [Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006320) in te trekken en diverse wetten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel III Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel IIIa Wijzigt de Leerplichtwet 1969. Artikel IV Wijzigt de Les- en cursusgeldwet. Artikel V Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel VI Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel VII Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel VIII Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel IX De [Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006320) wordt ingetrokken. Artikel X Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel Xa 1. Na de inwerkingtreding van deze wet berust [hoofdstuk 4B, paragraaf 3, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&paragraaf=3) op [artikel 2.5.5c, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.5c). 2. Na de inwerkingtreding van deze wet berust [paragraaf 3 van het Besluit gebruik persoonsgebonden nummers WVO](https://we"},{"i":11593,"b":"Wet van 22 mei 2008, houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de overgang van het toezicht op de kwaliteit van de examinering van de beroepsopleidingen naar de Inspectie van het onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het toezicht op de kwaliteit van de examinering van beroepsopleidingen onder te brengen bij de Inspectie van het onderwijs; dat daartoe de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) en de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) dienen te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel III Het bevoegd gezag dat op het moment van inwerkingtreding van deze wet het Kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen nog een vergoeding voor onderzoek verschuldigd is als bedoeld in [artikel 7.4.9g, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.9g) zoals dat luidde voor de inwerkintreding van deze wet blijft daartoe gehouden totdat de vergoeding is voldaan. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":14136,"b":"Regeling bezwaarschriftencommissie 1993 Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Er is een Commissie voor de bezwaarschriften. 2. De Commissie heeft tot taak desgevraagd het ministerie te adviseren over te nemen beslissingen op bezwaar- en beroepschriften. 3. De Commissie kan desgevraagd andere bestuursorganen, werkzaam op het terrein van de landbouw, het natuurbeheer of de visserij, adviseren over te nemen beslissingen op bezwaar- en beroepschriften. Artikel 3 Alvorens advies uit te brengen kan de Commissie: - a. belanghebbenden in de gelegenheid stellen te worden gehoord; - b. degene die de bestreden beslissing heeft genomen of voorbereid in de gelegenheid stellen schriftelijk of mondeling zijn zienswijze op de zaak te geven; - c. getuigen en deskundigen horen. Artikel 4 1. De minister benoemt de leden van de Commissie. 2. De minister benoemt een lid tot voorzitter. 3. Het lidmaatschap eindigt bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaren. 4. De minister voegt aan de commissie een secretaris toe en één of meer plaatsvervangend secretarissen. Artikel 5 1. De Commissie is verdeeld in enkelvoudige en meervoudige afdelingen, die ieder de taak van de Commissie vervullen. 2. Een enkelvoudige afdeling bestaat uit één lid, dat niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het ministerie. 3. Een meervoudige afdeling bestaat uit ten minste drie leden. 4. De voorzitter van een meervoudige afdeling is niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het ministerie. 5. Een meervoudige afdeling bestaat in meerderheid uit personen die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken zijn geweest. Artikel 6 1. De voorzitter van de Commissie stelt de afdelingen van de Commissie samen en bepaalt voor welk gedeelte zij de taak van de Commissie vervullen. 2. Een enkelvoudige afdeling kan een zaak verwijzen naar een meervoudige afdeling. Artikel 7 De Commissie kan de archieven van het ministerie raadplegen en de stukken, indien zij dit in"},{"i":11596,"b":"Wet van 10 april 2008 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Les- en cursusgeldwet in verband met regeling in de Wet educatie en beroepsonderwijs van een minimumomvang van het in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma (850 urennorm) Artikel I Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel III Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel IV Wijzigt de Les- en cursusgeldwet. Artikel V. Evaluatie Onze Minister zendt binnen 2 jaar na de inwerkingtreding van deze wetswijziging, dat wil zeggen in 2010, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VI Wijzigt deze wet. Artikel VII. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 2007. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 juli 2007, treedt deze wet in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij is geplaatst en werkt zij voor wat betreft [artikel II, onderdelen C, D, E, punt 2, en F tot en met I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023796&artikel=II&z=2008-04-30&g=2008-04-30), en [artikel III, onderdelen C tot en met E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023796&artikel=III&z=2008-04-30&g=2008-04-30), terug tot en met 1 augustus 2007. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) voor beroepsopleidingen wordt voorzien in een minimumomvang van het in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma; dat het mede in verband daarmee gewenst is de [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453), de [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.ov"},{"i":11597,"b":"Wet van 13 september 2012 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en overige educatie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met een voldoende aanbod van voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en een adequaat aanbod van de overige educatie wenselijk is om het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs rechtstreeks uit ’s Rijks kas te bekostigen en de overige educatie te richten op Nederlandse taal en rekenen; dat daartoe onder meer de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027679) Wijzigt de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Artikel III. Wijziging [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel IV. Wijziging [Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188) Wijzigt de Les- en cursusgeldwet. Artikel V. Wijziging [Wet participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039) Wijzigt de Wet participatiebudget. Artikel VI. Overgangsbekostiging vavo 1. In afwijking van het bepaalde bij en krachtens de [artikelen 2.2a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2a.1) en [2.2a.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2a.2) wordt de rijksbijdrage voor het voortgezet algemeen volwassenenonderw"},{"i":11601,"b":"Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (technische herziening WEB) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) verbeteringen van veelal uitvoeringstechnische aard aan te brengen, alsmede wijzigingen onder meer in verband met de vaststelling van eindtermen en de totstandkoming van het Centraal register beroepsopleidingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet van 25 Mei 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009638), Stb. 1998, 337 Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het voortgezet onderwijs, enz. (regeling leerwegen mavo en vbo; invoering leerwegondersteunend en praktijkonderwijs). Artikel III. Overgangsbepalingen vakinstellingen, richtingsunieke instellingen en instellingen met een breedtegebrek 1. Instellingen die op grond van artikel 12.3.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, zijn met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze wet vakinstellingen als bedoeld in [artikel 1.3.2a van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.3.2a) die voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht. 2. Instellingen die op grond van artikel 12.3.6 of artikel 12.3.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, zijn met ingang van de dag van inwerkingtr"},{"i":11602,"b":"Wet van 12 juni 1997 tot wijziging van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel in verband met de invoering van de regeling van flexibel pensioen en uittreden voor het personeel bij de overheid en het onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet kaderregeling vut overheidspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007792) te wijzigen zo dat de overheidswerknemers in de zin van de [Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791) die niet behoren tot het personeel bij de overheid en het onderwijs, uitzicht behouden op de basisuitkering ingevolge de regeling van flexibel pensioen en uittreden, welke regeling geldt voor het personeel bij de overheid en het onderwijs; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel. ARTIKEL II De regels, bedoeld in [artikel 5, derde lid, van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007792&artikel=5), zoals die regels luidden op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven na dat tijdstip van toepassing op een instelling en haar personeel waarvan het gezag of bestuur vóór dat tijdstip een besluit heeft genomen als bedoeld in het eerste lid van het genoemde artikel 5. ARTIKEL III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 april 1997 dan wel indien zij wordt geplaatst in het **Staatsblad** waarvan de datum van uitgifte is gelegen na 30 maart 1997, met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":12973,"b":"Besluit Vergoeding voorzitter en leden van de Garantiewetcommissie (Vacatiegeldenbesluit) Gelet op [artikel 20, eerste en derde lid, van het Besluit van 26 mei 1953 (Stb. 239) houdende vaststelling van een nieuwe algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8 van de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002110&artikel=20); Gelet op het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317); Besluit: 1. Met betrekking tot de vergoeding voor de voorzitter, de leden en de secretaris van de Garantiewetcommissie is het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317) van toepassing. 2. De Garantiewetcommissie valt onder de categorie ‘zware commissie’. Als vergoeding voor de voorzitter respectievelijk de leden en de secretaris geldt het maximumbedrag dat op grond van het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317) kan worden toegekend. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Van dit besluit zal afschrift worden gezonden aan: de Garantiewetcommissie; de Directeur Financieel Economische Zaken en Control; de Directeur Financiële Bedrijfsvoering."},{"i":4912,"b":"Besluit van de Directeur-Generaal van de statistiek tot het verlenen van mandaat aan De Nederlandsche Bank N.V. voor de verwerving van gegevens bij financiële instellingen ten behoeve van het opstellen van o.a. de sectorrekeningen en tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen bij overtreding van de rapportageverplichtingen op grond van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek (Mandaatbesluit samenwerking DNB-CBS 2016) Gelet op de [artikelen 33, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=33), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=37), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=43) en [51 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=51) en de [artikelen 2, onderdeel j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016060&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016060&artikel=3), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016060&artikel=10) en [12 van het Besluit gegevensverwerving CBS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016060&artikel=12); Gelet op [artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en de schriftelijke instemming van De Nederlandsche Bank N.V. van 16 februari 2016, kenmerk 2016/86330; Gelet op de [artikelen 10:1 tot en met 10:10 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:1); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **CBS-wet:** de [Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926); - b. **Besluit:** het [Besluit gegevensverwerving CBS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016060) (Stb. 2003, 552); - c. **CBS:** het Centraal bureau voor de statistiek; - d. **Directeur-Generaal:** de Directeur-Generaal van de statistiek, bedoeld in [artikel 8 van de CBS-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=8);"},{"i":12066,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 mei 2018, houdende beperking van de openbaarheid van een aantal inventarissen van het Codearchief 1975–1984 (Besluit Beperking Openbaarheid Codearchief 1975–1984) Overwegende dat een aantal dossiers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeft; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris van het Nationaal Archief d.d. 18 juli 2017, nr. EDOC-1172722; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 4621 | 2021 | | 1794 | 2051 | | 1796 | 2051 | | 1799 | 2051 | | 1818 | 2051 | | 1829 | 2051 | | 1833 | 2051 | | 1839 | 2051 | | 1842 | 2051 | | 1845 | 2051 | | 1847 | 2051 | | 1876 | 2051 | | 1879 | 2051 | | 1887 | 2052 | | 1899 | 2052 | | 1915 | 2052 | | 1921 | 2052 | | 1922 | 2052 | | 1924 | 2052 | | 1925 | 2052 | | 1932 | 2052 | | 1936 | 2052 | | 1945 | 2052 | | 1983 | 2052 | | 1989 | 2032 | | 1991 | 2049 | | 1996 | 2052 | | 2009 | 2053 | | 2013 | 2053 | | 2016 | 2053 | | 2019 | 2053 | | 2023 | 2053 | | 2038 | 2053 | | 2039 | 2053 | | 2059 | 2053 | | 2068 | 2053 | | 2096 | 2053 | | 2102 | 2053 | | 2116 | 2053 | | 2136 | 2054 | | 2138 | 2054 | | 2141 | 2054 | | 2162 | 2054 | | 2179 | 2054 | | 2182 | 2054 | | 2243 | 2054 | | 2259 | 2055 | | 2264 | 2055 | | 2265 | 2055 | | 2290 | 2048 | | 2310 – 2312 | 2055 | | 2336 | 2055 | | 2346 | 2055 | | 2355 | 2055 | | 2357 | 2055 | | 2371 | 2055 | | 2398 | 2056 | | 2400 | 2056 | | 2456 | 2056 | | 2472 | 2056 | | 2493 | 2056 | | 2494 | 2056 | | 2525 | 2056 | | 2532 | 2057 | | 2534 | 2057 | | 3348 | 2052 | | 4859 | 206"},{"i":13093,"b":"Besluit van 19 mei 1959, houdende wijziging in de taakverdeling, samenvoeging en naamswijziging van departementen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 19 mei 1959, nr. 128104; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: 1. De aangelegenheden betreffende de bezitsvorming en de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie onder te brengen bij het Departement van Algemene Zaken. 2. De naam van het Departement van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie te wijzigen in: Departement van Binnenlandse Zaken. 3. De Departementen van Oorlog en van Marine samen te voegen tot het Departement van Defensie. 4. De naam van het Departement van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening te wijzigen in: Departement van Landbouw en Visserij. Afschrift van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant**, zal worden gezonden aan de Raad van Ministers, de Hoge Colleges van Staat, de Gevolmachtigde Ministers van Suriname en van de Nederlandse Antillen en de Departementen van Algemeen Bestuur."},{"i":14040,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 18 december 2015, nr. IENM/BSK-2015/246341, houdende regels voor het kunnen aanwijzen en aanmelden van keuringsinstanties voor pleziervaartuigen (Regeling aanwijzen en aanmelden keuringsinstanties Wet pleziervaartuigen) Gelet op [artikel 8, tweede lid, van de Wet pleziervaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008366&artikel=8); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **accreditatie:** accreditatie zoals bedoeld in artikel 2, tiende lid, van de verordening; - **conformiteitsbeoordelingsmodule:** modules als bedoeld in de artikelen 19 tot en met 24 van de richtlijn en bijlage II bij Besluit nr. 768/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008, betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad; - **fabrikant:** natuurlijke of rechtspersoon die een product vervaardigt of een product laat ontwerpen of vervaardigen en het onder zijn naam of merknaam verhandelt; - **geharmoniseerde norm:** geharmoniseerde norm als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, onder c, van Verordening (EU) nr. 1025/2012, betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de [Richtlijnen 89/686/EEG](31989L0686) en [93/15/EEG](31993L0015) van de Raad alsmede de Richtlijnen [94/9/EG](31994L0009), [94/25/EG](31994L0025), [95/16/EG](31995L0016), [97/23/EG](31997L0023), [98/34/EG](31998L0034), [2004/22/EG](32004L0022), [2007/23/EG](32007L0023), [2009/23/EG](32009L0023) en [2009/105/EG](32009L0105) van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking [87/95/EEG](31987L0095) van de Raad en Besluit [nr. 1673/2006/EG](33573L2006) van het Europees Parlement en de Raad; - **keuring:** onderzoek waarmee wordt aangetoond of een product aan de eisen van de richtlijn voldoet; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - **particuliere importeur:** in de Europese Unie gevestigde nat"},{"i":11603,"b":"Wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat ontwikkelingskansen voor kinderen worden vergroot door het verhogen van de kwaliteit van kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en dat de regierol van de gemeenten wordt versterkt onder andere met het oog op de voorschoolse educatie en dat er een goed stelsel van handhaving en toezicht hierop is; dat daartoe de [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017), de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800), de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), en enkele andere wetten dienen te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel II. Wijziging [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel III. Wijziging [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel IV. Wijziging [Wet klachtrecht cliënten zorgsector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007414) Wijzigt de Wet klachtrecht cliënten zorgsector. Artikel V. Wijziging [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel VI. Wijziging [Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002144) Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisa"},{"i":13803,"b":"Besluit van 12 maart 2009 van de Commissie Arbeid, Onderneming en Medezeggenschap van de Sociaal-Economische Raad, houdende machtiging aan de Subcommissie Ontheffingen Structuurwet (Machtigingsbesluit Commissie AOM) Gelet op [artikel 5, derde lid, van het Algemeen machtigingsbesluit SER](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025518&artikel=5); Besluit: § 1. Machtiging Artikel 1 De Subcommissie Ontheffingen Structuurwet is gemachtigd namens de Commissie Arbeid, Onderneming en Medezeggenschap advies uit te brengen over verzoeken om ontheffing als bedoeld in de [artikelen 63d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=63d), [156](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=156) en [266 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=266). Artikel 2 De machtiging, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025676&paragraaf=1&artikel=1&z=2009-03-22&g=2009-03-22), is niet van toepassing indien de Commissie Arbeid, Onderneming en Medezeggenschap besluit dat het advies door de commissie zelf zal worden uitgebracht. § 2. Slotbepalingen Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Machtigingsbesluit Commissie AOM"},{"i":13272,"b":"Wet van 11 november 2020 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2021) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IV Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VI De in [artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=1a) gestelde voorwaarde geldt voor het kalenderjaar 2015 niet voor een bloedverwant in de eerste graad die een uitkering als bedoeld in [artikel 19a van de Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031&artikel=19a) zoals dat artikel op 31 december 2014 luidde heeft genoten in verband met in het kalenderjaar 2014 aan de in het kalenderjaar 2015 overleden bloedverwant verleende zorg. Artikel VII Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel VIII De naleving en de controle daarop van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 3:4](onbekend) en [3:5 van de Algemene douanewet](onbekend) zullen uiterlijk in 2026 worden geëvalueerd en daarna om de vijf jaar. Hierbij wordt aangesloten bij de evaluatie, bedoeld in artikel 19 van Verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1889/2005](32005R1889) (PbEU 2018, L 284). Artikel IX Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel X Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XI Wijzigt de Wet terugvordering staatssteun. Artikel XII [vervallen] Artikel XIII 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat: - a. [artikel V, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044364&artikel=V&z=2021-06-03&g=2021-06-03), terugwerkt tot en met 1 januari 2010;"},{"i":11606,"b":"Wet van 2 juli 1993, houdende wijziging van de Wet op de studiefinanciering en van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, in verband met het meten van de studievoortgang in het hoger onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wijziging aan te brengen in de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) en in de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) teneinde voor de studie in het hoger onderwijs de vorm van de studiefinanciering afhankelijk te stellen van het maken van voldoende studievoortgang; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III In afwijking van het bepaalde in [artikel 17**b**, eerste lid, van de Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955&artikel=17b) kan Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen tot uiterlijk 1 september 1996 aan een onderwijsinstelling naar aanleiding van een jaarlijks door het bestuur van die instelling schriftelijk in te dienen verzoek, toestaan dat uitsluitend ten behoeve van de beoordeling van de studievoortgang in dat studiejaar, in plaats van studiepunten een andere norm wordt gehanteerd. Deze norm dient gelijkwaardig te zijn aan de norm uitgedrukt in studiepunten. Artikel IV 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. 2. In afwijking van het bepaalde in [artikel I, onderdeel A onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006059&artikel=I&z=1993-08-01&g=1993-08-01), wordt voor instellingen voor hoger beroepsonderwijs"},{"i":11607,"b":"Wet van 21 mei 1992, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Overgangswet WBO, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Overgangswet ISOVSO inzake beperking van de rentevergoeding voor schoolterreinen en houdende wijziging van de vergoedingen voor schoolterreinen en gebouwen in het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wijzigingen aan te brengen in de vergoeding voor schoolterreinen in gebruik bij scholen voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs en voor de kosten van stichting en eerste inrichting van gebouwen ten behoeve van dit onderwijs; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Vervallen Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIII 1. De [artikelen I, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005525&artikel=I&z=2013-07-04&g=2013-07-04), [III, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005525&artikel=III&z=2013-07-04&g=2013-07-04), en [VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005525&artikel=VII&z=2013-07-04&g=2013-07-04) van deze wet treden in werking met ingang van de eerste dag volgend op de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin deze wet wordt geplaatst, en werken terug tot en met 1 januari 1992. 2. De [artikelen I, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005525&artikel=I&z=2013-07-04&g=2013-07-04), [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005525&artikel=II&z=2013-07-04&g=2013-07-04), [III, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":11609,"b":"Wet van 18 juni 1992, tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs in verband met aanpassingen in de bekostigingsstelsels Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bekostigingsstelsels in de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan te passen met betrekking tot onder meer de vaststelling van de vergoedingsbedragen en de geldigheidsduur van huisvestingsbeschikkingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: In opdracht van artikel LV-3 van Stb. 1998/228 zijn de in considerans en in de artikelen III, IV en V voorkomende verwijzingen naar artikelen van de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs omgezet naar de daarmee overeenkomende verwijzingen van artikelen van de Wet op het primair onderwijs en Wet op de expertisecentra. Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Vervallen Artikel IV Vervallen Artikel V 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat artikel I, onderdeel N, en [artikel II, onderdeel N](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005554&artikel=II&z=2013-07-04&g=2013-07-04), voor het eerst van toepassing zijn op voorzieningen die zijn toegekend voor het jaar 1993 en dat artikel II, onderdeel O, terugwerkt tot en met 1 januari 1992. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":12467,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 16 november 2024 (2024-515548) houdende verlening van mandaat op het terrein van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel betreffende de uitvoering van de Wet open overheid (Besluit mandaat tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel uitvoering Wet open overheid) Gelet op de [artikelen 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=2.1) en [4.1 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=4.1); Gelet op [artikel 4, eerste lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=4); Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. **tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel:** het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel, bedoeld in [artikel 1 van het besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën van 11 januari 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050102&artikel=1) (2021-261153) houdende de instelling van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel en het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeuren-generaal van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel; - c. **Woo-verzoek:** een verzoek om informatie op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). Artikel 2. Volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van volmacht en machti"},{"i":15537,"b":"Wet van 29 november 2017 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2018) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enige wijzigingen aan te brengen in de wetgeving van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IIA. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel IV. [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) Wijzigt de Arbeidstijdenwet. Artikel IV0. [Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel IVA. [Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel V. [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel VI. [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424) Wijzigt de Remigratiewet. Artikel VIA. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VII. [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel VIII. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel IX. [Wet allocatie arbeidskr"},{"i":11351,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 7 juli 2025, nr. WJZ/ 99303433, houdende vaststelling van de Regeling schoolzuivel 2025 Gelet op: [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EEG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347); [Uitvoeringsverordening (EU) 2017/39](32017R0039) van de Commissie van 3 november 2016 tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft Uniesteun voor de verstrekking van groenten, fruit, bananen en melk in onderwijsinstellingen (PbEU 2017, L 5); Gedelegeerde [Verordening (EU) 2017/40](32017R0040) van de Commissie van 3 november 2016 tot aanvulling van [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad, met betrekking tot Uniesteun voor de verstrekking van groenten en fruit, bananen en melk in onderwijsinstellingen en tot wijziging van Gedelegeerde [Verordening (EU) nr. 907/2014](32014R0907) van de Commissie (PbEU 2017, L 5), en [artikel 19, eerste lid, van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **begeleidende maatregelen:** begeleidende educatieve maatregelen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder b, en tiende lid van [verordening 1308/2013](32013R1308); - **biologische producten:** zuivel die is voortgebracht overeenkomstig de bij of krachtens [verordening (EU) 2018/848](32018R0848) gestelde voorschriften; - **eenheid:** 200 ml melk, yoghurt of karnemelk; - **karnemelk:** karnemelk zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, vruchten of cacao v"},{"i":11612,"b":"Wet van 9 maart 1995, houdende wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de budgettering van ten laste van het Rijk komende werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden in het onderwijs, alsmede de instelling van een participatiefonds ten behoeve van de beheersing van de werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden (budgettering wachtgelden en instelling participatiefonds) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, in verband met het terugdringen van de ten laste van het Rijk komende kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden in het onderwijs, gewenst is de werkloosheidsuitkeringen en herplaatsingswachtgelden in beginsel ten laste te doen komen van het bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs, voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor voortgezet onderwijs en voor beroepsonderwijs of volwasseneneducatie, alsmede van het bestuur van een landelijk orgaan en van een onderwijsverzorgingsinstelling; dat het daartoe tevens gewenst is het bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs, voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor voortgezet onderwijs en voor beroepsonderwijs of volwasseneneducatie, alsmede het bestuur van een landelijk orgaan en van een onderwijsverzorgingsinstelling te doen deelnemen aan een participatiefonds; dat het in verband met die verantwoordelijkheid voor de kosten van de werkloosheidsuitkeringen en herplaatsingswachtgelden en de instelling van dat participatiefonds wenselijk is de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399), de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 en de Wet op de onderwijsverzorging"},{"i":12572,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 10 december 2013, nr. 457494, houdende toepassing van artikel 21b, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (Besluit sluiting overige zittingsplaatsen Noord-Nederland) Gelet op [artikel 21b, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21b); Gehoord de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder overige zittingsplaatsen: de zittingsplaatsen die op grond van [artikel CVI van de Wet herziening gerechtelijke kaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031789&artikel=CVI) zijn aangemerkt als zittingsplaatsen die krachtens [artikel 21b, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21b) door de minister zijn aangewezen. Artikel 2 De aanwijzing van de volgende overige zittingsplaatsen van de rechtbank Noord-Nederland wordt met ingang van 1 januari 2014 beëindigd: Heerenveen Sneek Winschoten Artikel 3 De aanwijzing van de volgende overige zittingsplaats van de rechtbank Noord-Nederland wordt met ingang van 1 april 2014 beëindigd: Emmen Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12473,"b":"Besluit van 25 januari 1951, houdende bepalingen voor toekenning van onderscheidingen voor langdurige trouwe dienst aan beroepsmilitairen beneden de rang van tweede-luitenant, behorende tot de Koninklijke landmacht Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog van 20 Januari 1951, Directoraat Personeel, Afdeling A 1, bureau 2, Nr. 180417; **Overwegende**, dat het wenselijk is het Koninklijk besluit van 18 Februari 1904, nr. 30, te herzien; **Overwegende voorts**, dat wij bij voortduring blijk willen geven van Onze waardering voor langdurige trouwe militaire dienst van beroepsmilitairen; **Hebben goedgevonden en verstaan:** Artikel 1 1. Na het volbrengen van een eerlijke en trouwe dienst wordt een onderscheiding uitgereikt aan: - a. de militair beneden de rang van tweede-luitenant, die behoort tot het beroepspersoneel van de Koninklijke Landmacht, van de Koninklijke Luchtmacht of van de Koninklijke Marechaussee; - b. de reservist van de onder a. genoemde krijgsmachtdelen beneden de rang van tweede-luitenant, die krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot het verrichten van werkelijke dienst. 2. De onderscheiding bestaat uit: - a. een bronzen medaille na 12 jaar dienst; - b. een zilveren medaille na 24 jaar dienst; - c. een gouden medaille na 36 jaar dienst. 3. De medaille is 27 millimeter in doorsnee, op de voorzijde staat de Koninklijke mantel met een gekroonde W gestempeld, op de achterzijde staat ‘s Rijks wapen, rustende op militaire zinnebeelden, met het omschrift «Voor trouwe dienst» gestempeld. 4. De medaille wordt gedragen op een lint van oranje moiré zijde van 27 millimeter breed, dat in opgemaakte vorm 40 millimeter breed is. Artikel 2 1. Voor de toekenning van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002070&artikel=1&z=2018-07-18&g=2018-07-18) bedoelde medailles worden voorts vereist, zodanig goed gedrag en zodanig goede plichtsbetrachting gedurende de diensttijd of de aanstelling, als onder eerlijke en trouwe dienst behoort te"},{"i":13884,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 25 februari 2022, nummer 3848377, houdende vaststelling van de Regeling onderwijshuisvestingsbudgetten asielzoekers 2022 (OHBA-regeling 2022) Gelet op [artikel 5a, tweede lid, van het Faciliteitenbesluit opvangcentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006849&artikel=5a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **het besluit:** het [Faciliteitenbesluit opvangcentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006849); - –. **het orgaan:** het Centraal Orgaan opvang asielzoekers; - –. **de gemeente:** een gemeente waarmee het orgaan een bestuursovereenkomst heeft afgesloten ten behoeve van de vestiging van een opvangcentrum voor asielzoekers; - –. **de bestuursovereenkomst:** een tussen het orgaan en de gemeente gesloten overeenkomst ten behoeve van de vestiging van een opvangcentrum voor asielzoekers; - –. **de beschikking:** de beschikking van het orgaan op de aanvraag van de gemeente ten behoeve van de voorzieningen voor basisonderwijs aan asielzoekers; - –. **de uitkering:** de uitkering bestaande uit de in [artikel 5a, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006849&artikel=5a) bedoelde bijdragen aan een gemeente ten behoeve van de voorzieningen voor basisonderwijs aan asielzoekers; - –. **de bijdrage:** de afzonderlijke bijdragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, van [artikel 5a van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006849&artikel=5a) die tezamen de uitkering vormen; - –. **de normbedragen:** de normbedragen voor de bijdragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, van [artikel 5a van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006849&artikel=5a); - –. **eerste aanvraag:** de eerste aanvraag van de gemeente voor de uitkering; - –. **uitbreiding:** een aanvraag van de gemeente voor een extra uitkering ten behoeve van basisonderwijs in verband met een toename van het aantal te onde"},{"i":11613,"b":"Wet van 27 februari 1992, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met het fomatiebudgetsysteem Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) een formatiebudgetsysteem op te nemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: In opdracht van artikel LV-3 van Stb. 1998/228 zijn de in considerans en in de artikelen III, IV en V voorkomende verwijzingen naar artikelen van de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs omgezet naar de daarmee overeenkomende verwijzingen van artikelen van de Wet op het primair onderwijs en Wet op de expertisecentra. Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V. Overgangsbepaling m.b.t. bovenschoolse benoeming [WPO](onbekend) Vervallen Artikel VI. Overgangsbepaling m.b.t. bovenschoolse benoeming [WEC](onbekend) Vervallen Artikel VII. Overgangsregeling verrekening voorschotten Vervallen Artikel VIII. Overgangsregeling vergoedingen Vervallen Artikel IX. Invoeringsregeling voorlopige vaststelling ontvangsten en uitgaven t.b.v. overschrijding Vervallen Artikel X. Afhandeling geschillen Vervallen Artikel XI. Inwerkingtreding 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1992 met uitzondering van - a. [artikel I onderdelen E en I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00054"},{"i":13179,"b":"Deelregeling Architectuur **Introductie** Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie is het Rijkscultuurfonds voor architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Het fonds wil een wezenlijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van de professionele ontwerppraktijk binnen en vooral ook tussen de disciplines architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Onderdeel van dit streven is de interdisciplinaire wisselwerking tussen het culturele, maatschappelijke en economische domein. Het Stimuleringsfonds ondersteunt bijzondere en vernieuwende projecten, onderzoek en activiteiten van ontwerpers, makers en culturele instellingen in binnen- en buitenland. gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), tot vaststelling van een deelregeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ter bevordering van de kwaliteit van architectuur. Artikel 1. Doelstelling deelregeling architectuur 1. Deze deelregeling is van toepassing op projecten die bijdragen aan het bevorderen van hoogwaardige kwaliteit, ontwikkeling en professionalisering van de hedendaagse Nederlandse architectuurpraktijk. 2. Deze deelregeling geldt in aanvulling op het [Subsidiereglement Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 2018](onbekend). Het in dat reglement bepaalde is van toepassing op subsidieverlening op grond van deze deelregeling, voor zover daar in deze deelregeling niet van wordt afgeweken. Artikel 2. Reikwijdte Het bestuur kan met toepassing van deze deelregeling projectsubsidies verstrekken. Subsidies kunnen verleend worden aan projecten, die voldoende bijdragen aan de doelstelling van deze deelregeling en gericht zijn op minstens een van de volgende doelstellingen: - a. bevorderen van experimenten en crossovers; - b. stimuleren van onderzoek, analyse en reflectie; - c. bevorderen van talentontwikkeling en artistieke kwaliteit; - d. bevorderen van maatschappelijk engagement en publieksactiviteiten; - e. versterken"},{"i":13177,"b":"Cusumsysteem tachograaftechnicus 2022 Gelet op de [artikelen 5:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137&artikel=5:1) en [5:3 van de Regeling tachografen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137&artikel=5:3); Besluit: Artikel 1. Definities 1. Voor de toepassing van deze regeling worden de begripsbepalingen van de [Regeling tachografen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137) overgenomen. 2. Voorts wordt verstaan onder: - a. **controle:** steekproef als bedoeld in [artikel 5:1, eerste lid, van de Regeling tachografen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137&artikel=5:1) en de second opinion als bedoeld in het Toezichtbeleid Erkenninghouders, Keurmeesters en Technici RDW alsmede onderzoeken door de politie, IL&T of RDW; - b. **cusumsysteem tachograaftechnicus:** het systeem van bonus- en strafpunten voor de beoordeling van de kwaliteit van de werkzaamheden; - c. **cusumbijdrage:** de bijdrage aan straf- en bonuspunten van een controle; - d. **cusumstand:** startwaarde vermeerderd met de som van bonus- en strafpunten van de werkzaamheden waarbij de cusumstand niet kleiner wordt dan 0; - e. **misser:** bij een onderzoek geconstateerd onjuist of vergeten aspect bij de werkzaamheden aan een tachograaf als bedoeld in [hoofdstuk 3 van de regeling tachografen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042137&hoofdstuk=3); - f. **gradatie:** kwalificatie van een misser uitgedrukt in strafpunten bij werkzaamheden. Artikel 2. Toepassing Het cusumsysteem tachograaftechnicus wordt toegepast ten behoeve van het meten van de door de tachograaftechnicus geleverde kwaliteit van de werkzaamheden aan een tachograaf. Artikel 3. Gradaties 1. Gradaties worden ingedeeld in: - a. gradatie 1: een misser die de juiste werking van de tachograaf niet direct beïnvloedt, die 0,4 strafpunt oplevert; - b. gradatie 2: een lichte misser die 1,0 strafpunten oplevert; - c. gradatie 3: een geringe misser die 1,6 strafpunten oplevert; - d. gradatie 4: een ernstige misser"},{"i":13145,"b":"Compensatieregeling Coronacrisis Meerjarige Kunstpodia Tweede Steunmaatregel Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en op de [Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043634). Besluit: Artikel 1. Definities In de regeling wordt verstaan onder: - 1. **het fonds:** het Mondriaan Fonds, - 2. **het bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds, - 3. **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de bijzondere gemeentes Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. - 4. **eigen inkomsten:** de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening: Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten: - a. publieksinkomsten; en - b. overige inkomsten, zijnde: - 1. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten; - 2. indirecte opbrengsten; en - 3. overige bijdragen. - a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; - b. overige bijdragen uit publieke middelen; - c. rentebaten; - d. bijdragen in natura; - e. kapitalisatie van vrijwilligers; - f. waardering vrijkaarten; en - g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap. - 5. **reserves:** - vrij besteedbaar vermogen, behorende tot: - a. de algemene reserve; en - b. het stichtingskapitaal. Artikel 2. Doel Het fonds kan subsidie verstrekken in de vorm van een bijdrage aan instellingen die tot primair doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren en die als gevolg van COVID-19-maatregelen worden geconfronteerd met inkomstenderving als een gedeeltelijke tegemoetkoming in deze gederfde inkomsten. Artikel 3. Doelgroepen 1. Subsidie voor instellingen waaraan in de jaren 2021–2024, waaronder in elk geval in 2021, voor tenminste twee aaneengesloten jaren op basis van een positief ad"},{"i":13412,"b":"Besluit tot instelling van een Werkgroep van advies aan Aruba en Nederland over de inwerkingtreding van een fonds voor de uitvoering van overheidsproject en en de sanering van de Arubaanse overheidsschulden bij Nederland overwegende, dat er op 11 maart 1999 een politiek beleidsoverleg tussen Nederland en Aruba heeft plaatsgevonden; dat er tijdens het politieke beleidsoverleg afspraken zijn gemaakt die zijn vastgelegd in een Slotverklaring; dat deze afspraken zijn gemaakt als uitwerking van de aanbevelingen van de Adviescommissie Samenwerking Aruba - Nederland (Commissie Biesheuvel) en onder meer betrekking hebben op de financiële verhouding tussen Nederland en Aruba in de periode 2000-2010 en de inwerkingtreding van een (samenwerkings)fonds; gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); Besluiten: een werkgroep van deskundigen in te stellen, waarop de volgende regels van toepassing zijn: Artikel 1 Er is een Werkgroep Uitvoering samenwerking Aruba - Nederland, die tot taak heeft de inwerkingtreding van een fonds voor overheidsprojecten en de sanering van de Arubaanse overheidsschulden bij Nederland voor te bereiden, hierna te noemen de Werkgroep. Artikel 2 De Werkgroep heeft tot taak om vóór 1 oktober 1999 de invoering van de nieuwe systematiek van steunverlening zover te hebben voorbereid dat daarover politieke besluitvorming kan plaatsvinden. Deze voorbereiding heeft onder meer betrekking op: - a). De noodzakelijke formele regelingen voor de inrichting van het fonds en van het beheer daarvan door de Aruban Investment Bank N.V. (AIB); - b). De richtlijnen, criteria en procedures voor het projectenbeheer van het fonds door de AIB; - c). Een sluitende regeling voor controle en toezicht op, verantwoording over en monitoring en evaluatie van samenwerkingsprojecten die worden bekostigd met middelen uit het fonds; - d). De organisatorische en personele vereisten voor het"},{"i":11616,"b":"Wet van 25 april 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs inzake onder meer de overboeking van niet bestede vergoedingen, wijziging van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs inzake onder meer de overboeking van niet bestede vergoedingen en het vervallen van de verplichte pauze en wijziging van een aantal andere wetten in verband met het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in geval van samenvoeging van scholen en gelijksoortige situaties een voorziening te treffen ten aanzien van de uit ’s Rijks kas ontvangen niet bestede vergoedingen en dat de verplichte pauze van een uur voor leerlingen in het speciaal onderwijs komt te vervallen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze; Werkt terug tot en met 1 augustus 1996. ARTIKEL I Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de expertisecentra. ARTIKEL III Wijzigt de Overgangswet ISOVSO. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet algemene regels herindeling. ARTIKEL V Vervallen ARTIKEL VI Vervallen ARTIKEL VII Vervallen ARTIKEL VIII Wijzigt de wet van 15 december 1993, houdende wijziging van het stelsel van stichtingsnormen en opheffingsnormen in de Wet op het basisonderwijs en van het huisvestingsstelsel in de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (Stb. 1993, 716). ARTIKEL IX 1. Indien deze wet vóór 1 augustus 1996 in het **Staatsblad** wordt geplaatst, treedt deze wet, met uitzondering van [artikel I, onderdeel F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008016&artikel=I&z=2013-07-04&g=2013-07-04), in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst, m"},{"i":12006,"b":"Besluit van de algemene raad tot beperking van de openbaarheid van het naar het Nationaal Archief over te brengen archief van de Nederlandse orde van advocaten, 1971–1993(1994) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 19 december 2013, met kenmerk NA/2013/13090. Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Nederlandse orde van advocaten 1971–1993(1994) Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 1138 | 2064 | | 1151 | 2068 | | 1152 | 2068 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034792&artikel=1&z=2014-02-12&g=2014-02-12) is, tot na verloop van de in artikel 1 gestelde termijn, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Toestemming kan alleen worden verkregen na een schriftelijk verzoek, voorzien van een onderzoeksopzet met vermelding van de reden waarom raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden noodzakelijk is alsmede informatie van de onderzoeker op welke wijze de privacy van de in de archiefbescheiden genoemde personen wordt beschermd. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034792&artikel=1&z=2014-02-12&g=2014-02-12), is, tot na verloop van de in artikel 1 gestelde termijn, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de alg"},{"i":11620,"b":"Wet van 28 oktober 1991, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs in verband met wijziging van de teldatum Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gebleken enige wijzigingen aan te brengen in de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) (**Stb.** 1986, 256) en de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) (**Stb.** 1987, 614) op het punt van de teldatum in verband met betere beheersing van de rijksbegroting; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs omgezet naar de daarmee overeenkomende verwijzingen naar artikelen van de Wet op het primair onderwijs en Wet op de expertisecentra. Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Vervallen Artikel IV Vervallen Artikel V Vervallen Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIII Vervallen Artikel IX 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":12349,"b":"Besluit van 3 februari 2011, houdende vaststelling van voorschriften inzake de informatievoorziening WPO BES (Besluit informatievoorziening WPO BES) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 september 2010, nr. WJZ/236422 (2711), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 131, tweede en derde lid](onbekend), [artikel 132, tweede lid](onbekend), en [artikel 133, tweede lid, van de Wet primair onderwijs BES](onbekend); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2010, no. W05.10.0450/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 januari 2011, nr. WJZ 256011 (2711), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **wet:** de [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280); - **school:** een school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **bevoegd gezag:** een bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1). Artikel 2. Nadere invulling van de onderdelen van het jaarverslag 1. Het jaarverslag, bedoeld in [artikel 131 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=131), wordt ingericht overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels. 2. In het bestuursverslag, bedoeld in [artikel 131, eerste lid onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=131), geeft het bevoegd gezag informatie over de school of scholen. Onder informat"},{"i":13162,"b":"Contributieverordening 2017 Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5) en [19, tweede lid, onderdeel g, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 De contributie voor de contributiegroepen, bedoeld in [artikel 2 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=2), bedraagt: | H. | openbaar accountant | € 1.290,– | | --- | --- | --- | | M. | intern accountant en overheidsaccountant | € 860,– | | L. | accountant in business | € 430,– | | Z. | lid zonder arbeidsinkomen | € 160,– | Artikel 2 Het bedrag van de vermindering, bedoeld in [artikel 6 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=6), bedraagt: | H. | openbaar accountant | € 0,– | | --- | --- | --- | | M. | intern accountant en overheidsaccountant | € 0,– | | L. | accountant in business | € 0,– | | Z. | lid zonder arbeidsinkomen | € 0,– | Artikel 3 De korting, bedoeld in [artikel 7 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=7), wordt vastgesteld op: 0%. Artikel 4 Het percentage, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=8), wordt vastgesteld op: 4. Artikel 5 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Contributieverordening 2017."},{"i":13247,"b":"Wet van 11 december 2024, houdende regels over energiemarkten en energiesystemen (Energiewet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, mede ter implementatie van [richtlijn (EU) 2019/944](32019L0944) van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor elektriciteit en tot wijziging van [Richtlijn 2012/27/EU](32012L0027), [verordening (EU) 2019/943](32019R0943) van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit en [verordening (EU) 2019/942](32019R0942) van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators, en met inachtneming van het belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de elektriciteits- en gasvoorziening te komen tot een hernieuwd regelgevend kader met betrekking tot de productie, het transport en de levering van elektriciteit en gas; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Energiemarkten Hoofdstuk 3. Beheer van elektriciteits- en gassystemen Hoofdstuk 4. Beheren en uitwisselen van gegevens Hoofdstuk 5. Uitvoering, toezicht en handhaving Hoofdstuk 6. Overige bepalingen Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen Afdeling 7.1. Wijziging andere wetten Artikel 7.1. wijziging [Algemene Douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746) Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel 7.2. wijziging [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 7.3. wijziging [Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755) Wijzigt de Elektriciteitswet"},{"i":13152,"b":"Compensatieregeling Coronacrisis Musea Vijfde Steunmaatregel Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en op de [Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043634). Besluit: Artikel 1. Definities In de regeling wordt verstaan onder: - 1. **het fonds:** het Mondriaan Fonds, - 2. **het bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds. Artikel 2. Doel Het fonds kan subsidie verstrekken in de vorm van een bijdrage aan musea die van vitaal belang zijn voor de lokale culturele infrastructuur en die liquiditeitsproblemen hebben of verwachten te krijgen, om deze musea zo veel mogelijk in stand te houden. Artikel 3. Doelgroep Musea waaraan subsidie is vertrekt op grond van de volgende door het bestuur van de Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed vastgestelde regelingen: - 1. [Compensatieregeling Coronacrisis Musea meer dan 100.000 bezoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043678); - 2. [Compensatieregeling Coronacrisis Musea 40.000–100.000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043760); - 3. [Compensatieregeling Coronacrisis Musea 7.500 en meer bezoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044136). Artikel 4. Weigeringsgrond Geen subsidie wordt verstrekt aan instellingen waaraan reeds door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap subsidie is verleend op basis van de vijfde steunmaatregel voor cultuur. Artikel 5. Hoogte subsidiebedrag Bij de bepaling van de hoogte van de bijdrage wordt een staffel gehanteerd, gebaseerd op de totaal ontvangen bijdrage die op grond van een of meerdere van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046451&artikel=3&z=2022-03-23&g=2022-03-23) genoemde regelingen is ontvangen: - –. Indien een bedrag van meer dan 500.000 euro is ontvangen bedraagt de subsidie 35% van de eerder ontvangen bijdrage(n"},{"i":11622,"b":"Wet van 19 december 1996 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs met betrekking tot de financiële gelijkstelling en enige technische aanpassingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling van de financiële gelijkstelling te herzien en daartoe de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) te wijzigen, alsmede dat het wenselijk is enige technische aanpassingen aan te brengen in die wetten en enige andere wetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: daarmee overeenkomende verwijzingen naar de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra. ARTIKEL I Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de expertisecentra. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. ARTIKEL IV. WIJZIGING OISOVSO Wijzigt de Overgangswet ISOVSO. ARTIKEL V Vervallen ARTIKEL VI Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. ARTIKEL VII Wijzigt de Wet op de expertisecentra. ARTIKEL VIII Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. ARTIKEL IX Wijzigt de Wet van 4 juli 1996 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Tijdelijke wet bekostiging nieuwe basisscholen inzake vereenvoudiging van het bekostigingsstelsel voor het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs (vereenvoudiging Londo) (Stb. 1996, 403) . ARTIKEL X Wijzigt de Wet van 14 november 1996 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwij"},{"i":12571,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 16 juni 2014, nr. 493871, houdende sluiting van overige zittingsplaatsen van gerechtshoven in de zin van artikel 21b, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (Besluit sluiting overige zittingsplaatsen gerechtshoven) Gelet op [artikel 21b, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21b); Gehoord de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder overige zittingsplaatsen: de zittingsplaatsen die op grond van [artikel CVI van de Wet herziening gerechtelijke kaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031789&artikel=CVI) zijn aangemerkt als zittingsplaatsen die krachtens [artikel 21b, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21b) door de Minister van Veiligheid en Justitie zijn aangewezen. Artikel 2 De aanwijzing van de volgende overige zittingsplaatsen wordt met ingang van 1 juli 2014 beëindigd: Gerechtshof Amsterdam: Den Helder, Hilversum, Hoorn Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Deventer, Harderwijk, Tiel Gerechtshof 's-Hertogenbosch: Heerlen, Venlo Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2014. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14223,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 18 juni 2018, nr. IenW/BSK-2018/123399, houdende vaststelling van regels ter uitvoering van de titels 9.7 en 9.8 van de Wet milieubeheer en het Besluit energie vervoer en tot intrekking van de Regeling hernieuwbare energie vervoer 2015 en wijziging van de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging (Regeling energie vervoer) Gelet op de [artikelen 9.7.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.1.1), [9.7.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.1.4), [9.7.2.3, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.2.3), [9.7.4.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.4.5), [9.7.4.6, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.4.6), [9.7.4.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.4.7), [9.7.5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.5.2), [9.7.5.3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.5.3), [9.7.5.5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.7.5.5), [9.8.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.8.1.4), [9.8.2.3, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.8.2.3), [9.8.4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.8.4.2), [9.8.4.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.8.4.3), [9.8.4.5, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.8.4.5) en de [artikelen 7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040922&artikel=7), [9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040922&artikel=9), [11, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040922&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00409"},{"i":12687,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Justitie en Veiligheid van 20 maart 2025, kenmerk 4055271-1078641-WJZ, houdende vaststelling van het aanvangstijdstip van de experimenteerfase van het experiment gesloten coffeeshopketen Gelet op [artikel 4 van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=4); Besluiten: artikel Enig De fase van uitvoering van het experiment, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=4), vangt aan op 7 april 2025. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11630,"b":"Wet van 6 juni 2002 tot wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de invoering van accreditatie in het hoger onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is onder meer de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) te wijzigen in verband met de invoering van accreditatie in het hoger onderwijs; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijzigingen in de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel II. Wijzigingen in de Wet op het onderwijstoezicht Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel III. Wijzigingen in de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) als gevolg van de Wet op het onderwijstoezicht Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel IIIa Vervallen Artikel IIIb. Wijzigingen in de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) als gevolg van de invoering van het onderwijsnummer Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wijzigingswet van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs. Artikel IV. Wijziging [WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel IVa. Wijziging WTOS Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel V. Herplaatsing Wet op het onderwijstoezicht De tekst van de Wet op het onderwijstoezicht wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de nummering van de ar"},{"i":12269,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2023 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) (Wfsv) en [artikel 2.10 lid 3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=2.10); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond[artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2023 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 36.200 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 905.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.620.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2023 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,87% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,48% | | Minimumpremie werkgevers | 0,21% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,59% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,11 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever 1 jaar bekend 2 jaar bekend 3 jaar bekend 4 jaar bekend | 5,00 2,50 1,66 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2023 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,66% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 2,64% | | Minimumpremie werkgevers | 0,16% | | Gemiddelde werkgeversrisi"},{"i":11631,"b":"Wet van 18 mei 1995, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering inzake verlenging cursusduur technische opleidingen en opleidingen op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving in het wetenschappelijk onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de cursusduur van een aantal opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van de techniek en op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving te verlengen; dat in verband daarmee wijziging van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) alsmede van de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955) noodzakelijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Dit artikel bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Dit artikel bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Vervallen Artikel IV Vervallen Artikel V Vervallen Artikel VI 1. Deze wet treedt met uitzondering van [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007404&artikel=IV&z=2005-08-03&g=2005-08-03) in werking met ingang van 1 september 1995. 2. [Artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007404&artikel=IV&z=2005-08-03&g=2005-08-03) treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11632,"b":"Wet van 2 november 1994, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enkele andere wetten, houdende verbeteringen en aanvullingen van overwegend technische aard Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aantal wijzigingen van overwegend technische aard aan te brengen in de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) en in enige andere wetten, waarbij in een aantal wetten krachtens welke voor de uitoefening van bepaalde functies het bezit van de titel meester is vereist, de mogelijkheid wordt geopend bij algemene maatregel van bestuur nadere eisen te stellen aan de kwalificaties van dragers van die titel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Vervallen Artikel V Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIII Vervallen. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel X 1. Zij die voldoen aan de vereisten van de bepalingen, gewijzigd in de [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007003&artikel=III&z=2005-03-01&g=2005-03-01), IV, [V, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007003&artikel=V&z=2005-03-01&g=2005-03-01), en VI tot en met [IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007003&artikel=IX&z=2005-03-01&g=2005-03-01), zoals deze bepalingen luidden voor de inwerkingtreding van die artikelen, blijven benoembaar in de functies waarop deze bepalingen van toepassing of van overeenkomstige toepassing waren. 2. He"},{"i":12182,"b":"Besluit digitale vervanging archiefbescheiden EZ 2025 Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), en [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van papieren archiefbescheiden door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2 De digitale vervanging heeft betrekking op de archiefbescheiden van de dienstonderdelen van de hoofden van dienst, bedoeld in [artikel 1, onder d, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=1). Artikel 3 De wijze waarop de digitale vervanging geschiedt, is vastgelegd in de bijlage Handboek digitale vervanging van archiefstukken bij de Ministeries van: Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij dit besluit. Artikel 4 De digitale vervanging geldt voor het kerndepartement en niet voor personeelsdocumenten en de documentcategorieën die zijn uitgesloten van digitale vervanging zoals beschreven in de bijlage Handboek digitale vervanging van archiefstukken bij de Ministeries van: Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij dit besluit. Artikel 5 De volgende besluiten worden ingetrokken: - a. het Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 21 november 2011, nr. [DBV/1110417](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030852), tot digitale vervanging van archiefbescheiden; - b. het Besluit van de Minister van Economische Zaken van 2 januari 2014, [nr. 2013 DB/13133673](https://wetten.overh"},{"i":11633,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de introductie van een grondslag voor de verlaging van het wettelijk collegegeld voor groepen van studenten (verlaagd wettelijk collegegeld) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) een grondslag te introduceren op basis waarvan voor bepaalde groepen studenten in het hoger onderwijs het wettelijk collegegeld verlaagd kan worden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel II. Wijziging [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel IIa. Evaluatie Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Bij koninklijk besluit kan bepaald worden dat de artikelen of onderdelen daarvan terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11639,"b":"Wet van 11 december 2013 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet College voor examens in verband met de invoering van een centrale eindtoets, de invoering van een leerling- en onderwijsvolgsysteem en invoering van bekostigingsvoorschriften voor minimumleerresultaten voor speciale scholen voor basisonderwijs en scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (centrale eindtoets en leerling- en onderwijsvolgsysteem primair onderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een verplichte centrale eindtoets in het basisonderwijs en in het speciaal onderwijs en de voortgang van alle leerlingen en het onderwijs aan basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs en scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs te volgen door middel van een verplicht gebruik van een leerling- en onderwijsvolgsysteem en dat het wenselijk is een minimum opbrengsteis inzake de kwaliteit van het onderwijs ook in te voeren voor speciale scholen voor basisonderwijs en scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel IIA Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel III Wijzigt de Wet College voor examens. Artikel IV Wijzigt de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten. Artikel V Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel VI Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel VII Wijzigt de Leerplichtwet 1969. Artikel VIII Voor de toepassing van [artikel 10a"},{"i":12726,"b":"Besluit van 19 juni 2013, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro «Rietveld Schröderhuis» die in 2013 worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 13 juni 2013, FM/2013/1110 M, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2013/18728. Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro «Rietveld Schröderhuis» die in 2013 worden uitgegeven in de thematische serie Nederlands Werelderfgoed, zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: onderaan in het midden Onze beeltenis, rondom het omschrift «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN», geheel zichtbaar de continenten Zuid-Amerika en Afrika en deels zichtbaar de continenten Noord-Amerika en Europa, voorts bovenaan in het midden de letters «**tm**», zijnde de initialen van de ontwerpster Tine Melzer: ; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden een handgetekende afbeelding van het Rietveld Schröderhuis met daaronder de tekst «**Rietveld Schröderhuis**» en het jaartal «2013», daarboven de waardeaanduiding «**vijf euro**» respectievelijk «**tien euro**», met links van de waardeaanduiding het teken van de Munt en rechts het teken van de Muntmeester , rondom het omschrift «NEDERLANDS WERELDERFGOED» en het continent Australië en deels de continenten Azië, Noord- en Zuid-Amerika, met rechts van Azië het logo van de UNESCO met daaronder het Europees muntteken : . 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werk"},{"i":13576,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 7 november 2016, nr. 2008899, tot instelling van een Monitorcomité AMIF en ISF (Instellingsbesluit Monitorcomité AMIF en ISF) Gelet op artikel 12, vierde lid, van Verordening (EU) 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie en inzake het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit en crisisbeheersing (PbEU L 150/112); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de gedelegeerde instantie:** het Agentschap van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **de minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - c. **de verantwoordelijke instantie:** de directie Regie Vreemdelingenketen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie; - d. **de Verordening:** Verordening (EU) 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie en inzake het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit en crisisbeheersing (PbEU L 150/112); - e. **het comité:** het Monitorcomité AMIF en ISF als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038755&artikel=2&z=2016-11-26&g=2016-11-26). Artikel 2. Instelling Er is een Monitorcomité AMIF en ISF. Artikel 3. Samenstelling 1. Het comité bestaat uit de volgende leden: - a. de directeur van de directie Migratiebeleid van het Ministerie van Veiligheid en Justitie; - b. de directeur van de directie Europese en Internationale aangelegenheden van het Ministerie van Veiligheid en Justitie namens de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, de directie Politie en de directie Rechtshandhaving en Rechtspleging. - c. de directeur van de directie Samenleving en Integra"},{"i":12728,"b":"Besluit van 22 mei 2018, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2018 worden uitgegeven ter herdenking van Fanny Blankers-Koen in de serie Nederlandse Sporticonen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 16 mei 2018, 2018-0000055014, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die ter herdenking van Fanny Blankers-Koen worden uitgegeven in de serie Nederlandse Sporticonen, zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: Onze beeltenis weergegeven in een draaiend lijnsilhouet met langs de rand de tekst «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN»; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: Fanny Blankers-Koen in een actieve, rennende beweging, waarbij haar benen als figuurlijke wijzers van de klok zijn weergegeven, met in het midden de waardeaanduiding 5 euro, respectievelijk 10 euro, langs de rand de tekst «FANNY BLANKERS-KOEN 2018» en rondom het jaartal het teken van de Muntmeester en het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt. 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040961&artikel=1&z=2018-06-03&g=2018-06-03). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 3 juni 2018. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13571,"b":"Instellingsbesluit Landmachtmedaille Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder - **de militair:** de militair, ingedeeld bij de Koninklijke Landmacht; - **werkelijke dienst:** de tijd gedurende welke de militair is aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht, voor zover hij niet op non-activiteit is gesteld en hem geen buitengewoon verlof van lange duur is verleend als bedoeld in [artikel 87 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=87), dan wel de tijd gedurende welke de militair is aangesteld bij het reservepersoneel van de krijgsmacht en hij als zodanig feitelijk onder de wapenen is. Artikel 2 1. Ingesteld wordt de Landmachtmedaille. 2. De medaille is cirkelvormig met een middellijn van 35 millimeter en vervaardigd van bronskleurig metaal. De voorzijde van de medaille vertoont het westelijk halfrond met het KL-embleem oprijzend uit de Atlantische Oceaan; de achterzijde vertoont het Rijkswapen. 3. De medaille is door middel van een ring verbonden aan een moiré lint. Dit lint is 27 millimeter breed. Het lint heeft 5 banen in de kleuren Nassau-blauw, wit, groen, wit, en Nassau-blauw in breedtes van respectievelijk 4, 4, 11, 4 en 4 millimeter. Artikel 3 1. De Landmachtmedaille wordt toegekend aan de militair die op of na 1 september 2002 in werkelijke dienst is of was en die op of na 1 januari 2004 in totaal over tenminste 500 dagen een of meer van de volgende toelagen heeft genoten: - a. de toelage, als bedoeld in [artikel 6 van de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039900&artikel=6) in verband met deelname aan een oefening van langere duur dan een etmaal (oefentoelage); - b. de toelage als bedoeld in de [Regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties (VVHO)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039789). 2. Voor de berekening van de 500 dagen als bedoeld in het eerste lid,"},{"i":11640,"b":"Wet van 8 april 2016 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de kwaliteit van het onderwijs te bevorderen door de vrijheid van professionals beter te waarborgen en door de taakuitoefening van de Inspectie van het onderwijs doeltreffender te regelen, en dat het in verband hiermee noodzakelijk is de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280), de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549), de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399), de [Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284) en de [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) te wijzigen, Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II Wijzigt de Wet primair onderwijs BES. Artikel III Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel IV Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel V Wijzigt de Wet voortgezet onderwijs BES. Artikel VI Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel VII Wijzigt deze wet. Artikel VIII Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs, enz. (centrale eindtoets en leerling- en onderwijsvolgsysteem primair onderwijs). Artikel IX Wijzigt de Wet primair onderwijs BES. Artikel X Wijzigt de de Wet primair onderwijs BES. Artikel XI Wijzigt de Wet voortgezet"},{"i":13696,"b":"Intrekkingsbesluit Deelreglement Suppletie van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film Gelet op [artikel 10, lid 4, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Het volgende reglement wordt ingetrokken: [Deelreglement Suppletie van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034456), (stcrt. 2013, 35631), zoals laatstelijk gewijzigd per 1 januari 2017 (stcrt. 2016, 63473). Artikel 2 Ten aanzien van de beschikkingen die nog niet rechtens onaantastbaar zijn geworden en waar ter motivering wordt verwezen naar het [besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034456) genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040544&artikel=1&z=2018-01-01&g=2018-01-01), blijft dat besluit van toepassing. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":12494,"b":"Besluit van de waarnemend Directeur Centrum voor Facilitaire Dienstverlening (CFD) van de directie CFD van 30 juni 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de Afdelingshoofden en Teamleiders binnen de directie CFD wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":11642,"b":"Wet van 22 februari 2017 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met de invoering van het lerarenregister en het registervoorportaal Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de positie van leraren en docenten in de school of instelling te verstevigen en hun beroepskwaliteit te verbeteren; dat het daarvoor noodzakelijk is een omschrijving van het beroep van leraar of docent, diens professionele ruimte en het onderhoud van zijn bekwaamheid door middel van een lerarenregister en een registervoorportaal wettelijk te verankeren; dat het daarvoor noodzakelijk is de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549), de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) en de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II. Wijziging van de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel III. Wijziging van de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel IV. Wijziging van de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel V. Evaluatiebepaling Vervallen Artikel VI. Samenloop met he"},{"i":11643,"b":"Wet van 10 februari 2017 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van het vaststellen van het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief na overeenstemming met de ouders Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat met ouders overeenstemming bereikt moet worden bij het vaststellen van het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II. Wijziging van de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel III. Wijziging van de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel IIIa. Wijziging van de [Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685) Wijzigt de Wet medezeggenschap op scholen. Artikel IV. Evaluatiebepaling Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":12195,"b":"Besluit van de directeur van de drie ketens (IH, BBK en S&E) van de directie Particulieren van 24 september 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en h[oofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden/ketenmanagers, teamleiders binnen de ketens IH, BBK en S&E van de directie Particulieren wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":12613,"b":"Besluit van 15 maart 2011, houdende de toekenning van een vaandel aan het Korps Militaire Administratie Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 9 maart 2011, nr. BS2011004777, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Korps Militaire Administratie voert een vaandel, bestaande uit een vaandeldoek en een vaandelstang. Artikel 2 1. Het vaandeldoek is een vierkant doek van oranje zijde, omzoomd met gouden franje. De lengte en de breedte van het vaandeldoek zijn zevenentachtig centimeter. 2. Op de voorzijde is in goud geborduurd een gestileerde gekroonde B, de kroon in de kleuren van het Koninklijk wapen. Onder de B is in goud geborduurd: **KORPS MILITAIRE ADMINISTRATIE** Het geheel van de gekroonde B en de naam is omgeven door een doorlopende oranjetak. 3. Op de achterzijde is in kleuren geborduurd het Koninklijk wapen zonder de daarbij behorende mantel. Het Koninklijk wapen is omgeven door twee met een lint samengebonden takken van sinopel, ter linkerzijde een eikentak, ter rechterzijde een lauwertak. Het lint is uitgevoerd in de kleuren behorende bij het lint van de Militaire Willemsorde. Het geheel is omgeven door een doorlopende oranjetak. Artikel 3 1. De vaandelstang is een zwarte stok, lang tweehonderdenvijftig centimeter, waarvan het gedeelte dat boven in de broeking van het vaandel komt, bestaat uit een bus met inwendige schroefdraad waarop de vaandeltop wordt geschroefd. 2. De vaandeltop bestaat uit een doosvormig voetstuk, met een daarop rustende leeuw en daaronder een eikenkrans. 3. De rustende leeuw, liggende op het doosvormige voetstuk, draagt in de rechterklauw een opgeheven zwaard en rust met de linkerklauw op een bundel van zeven pijlen. 4. Op de lange zijden van het voetstuk zijn in een verzonken middenstuk de woorden KONINGIN EN VADERLAND in hoog reliëf aangebracht, omgeven door een gesloten slang. 5. Op de korte zijkanten is in een verzonken middenstuk een gekroonde gestileerde"},{"i":11644,"b":"Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op het principe dat de provincie Fryslân, waarin het Fries als officiële taal naast het Nederlands fungeert, zeggenschap krijgt over het beleid aangaande die taal, wenselijk is dat de kerndoelen voor het onderwijs in de Friese taal in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het speciaal onderwijs worden vastgesteld door provinciale staten van Fryslân, en dat op basis van die kerndoelen onderwijs wordt verzorgd na goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; dat daartoe onder meer de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) en de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) gewijzigd dienen te worden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel III. Wijziging [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel IV. Wijziging [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel V. Wijziging in verband met de [Wet tot wijziging van onder meer de Wet op de expertisecentra in verband me"},{"i":14170,"b":"Regeling controle Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding Gelet op [artikel 10, derde lid, van het Besluit Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007897&artikel=10); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder de accountant: de accountant die het bestuur van het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding krachtens [artikel 5, tweede lid, van het Besluit Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007897&artikel=5) heeft aangewezen. Artikel 2 1. De accountant verricht zijn controle van de rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007897&artikel=9), met inachtneming van de aandachtspunten, genoemd in het controleprotocol dat als bijlage bij deze regeling is opgenomen. 2. De accountant geeft in zijn verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van het Besluit Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007897&artikel=10), aan dat hij zijn controle op de wijze, bedoeld in het eerste lid, heeft verricht. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1996. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling controle Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding. Bijlage. behorende bij [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007968&artikel=2&z=1996-04-13&g=1996-04-13) van de Regeling controle Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding 1. Accountantscontrole 1.1. Reikwijdte van de controle 1.1.1. Getrouwheid De rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven is getrouw indien deze is"},{"i":11646,"b":"Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op het voortgezet onderwijs en enkele andere wetten vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de grondslagen van bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden eenvoudiger en transparanter te maken, daarbij rekening houdend met belangrijke kostenbepalende factoren; dat in verband daarmee onder meer de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549), de [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280), de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) en enkele andere wetten moeten worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II. Wijziging van de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel III. Wijziging van de [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280) Wijzigt de Wet primair onderwijs BES. Artikel IV. Wijziging [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel V. Wijziging [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":13475,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 juli 2025, kenmerk 4148573-1084300-MEVA houdende instelling van de Chief Nursing Officer (Instellingsbesluit Chief Nursing Officer) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **CNO:** de Chief Nursing Officer, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051219&artikel=2&z=2025-08-01&g=2025-08-01); - b. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Chief Nursing Officer. 2. De CNO heeft tot taak: - a. de minister te adviseren over complexe en actuele maatschappelijke vraagstukken die relateren aan de verpleegkundige en verzorgende beroepsgroepen; - b. in een onafhankelijke rol op te treden als vertegenwoordiger van verpleegkundige en verzorgende beroepsgroepen in Nederland en relevante onderwerpen te agenderen bij de minister; - c. vergaderingen voor te zitten en bijeenkomsten bij te wonen waar vertegenwoordiging van de CNO gewenst is, zowel op nationaal als op internationaal niveau; - d. ten minste één keer per twee maanden een overleg te voeren met de minister om de werkzaamheden te evalueren. Artikel 3. Onafhankelijkheid De CNO vervult de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051219&artikel=2&z=2025-08-01&g=2025-08-01) genoemde taken op persoonlijke titel en oefent de functie onafhankelijk en zonder beïnvloeding van derden uit. Artikel 4. Benoeming en ontslag 1. De CNO wordt door de minister benoemd. 2. De CNO wordt benoemd voor de duur van drie jaar. 3. Herbenoeming is eenmaal mogelijk voor een periode van ten hoogste drie jaar. 4. De CNO kan op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden door de minister worden geschorst en ontslagen. Artikel 5. Secretariaat De minister voorziet in het secretariaat van de CNO. Artikel 6. Vergoeding 1. Aan de CNO wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wor"},{"i":13090,"b":"Besluit van 15 juni 1965, houdende wijziging van de taak van de departementen van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, mede namens Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, van 14 juni 1965, nr. 162934; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig De zorg voor de bevordering van de doelmatige verdeling van de woongelegenheid over de bevolking gaat met ingang van 15 juni 1965 over naar het departement van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Onze Ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Ministers, aan de Raad van State, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Kamers der Staten-Generaal."},{"i":11649,"b":"Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Leerplichtwet 1969 in verband met de versterking van het beroepsonderwijs, door het wettelijk mogelijk maken van doorlopende leerroutes vmbo-mbo (sterk beroepsonderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de aansluiting van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs op het middelbaar beroepsonderwijs te verbeteren en daartoe meer samenwerking tussen scholen voor voortgezet onderwijs en instellingen voor beroepsonderwijs mogelijk te maken in de vorm van doorlopende leerroutes vmbo-mbo waarbij voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs in een geïntegreerd onderwijsprogramma worden verzorgd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel II. Wijziging van de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel III. Wijziging van de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel IV. Wijziging van de [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628) Wijzigt de Leerplichtwet 1969. Artikel V. Wijziging van de [Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284) Wijzigt de Wet voortgezet onderwijs BES. Artikel VI. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Artikel VII. Wijziging [Leerplichtwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":12796,"b":"Besluit vaststelling selectielijst archieven Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en voorgangers Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de nog niet overgedragen archiefbescheiden van zijn voorgangers de Centrale Veiligheidsdienst (CVD) en de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) vanaf 1946’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘lijst van categorieën te bewaren en te vernietigen archiefbescheiden van de BVD en zijn voorgangers’ over de periode 1945 – heden (vastgesteld bij besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de minister van Binnenlandse Zaken, nr. 97.553.BdV/EIB d.d. Oktober 1997 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 217 d.d. 11 november 1997)) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11653,"b":"Wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in verband met de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor kalenderjaren vanaf 2006 enige wetten aan te passen alsmede het overgangsrecht te regelen voor de uitvoering van enkele op 31 december 2005 bestaande inkomensafhankelijke regelingen; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijziging van andere wetten Hoofdstuk 2. Overgangs- en slotbepalingen Artikel I. [Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659) Wijzigt de Huursubsidiewet. Artikel II. De [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315) Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel III. De [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel IV. De [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438) Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel V. De [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438) Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Afdeling A. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Afdeling B. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Artikel I. De [Wet kinderopvang](https://wetten.o"},{"i":13559,"b":"Besluit van 29 september 2010 tot instelling van het Kabinet van de Gouverneur van Curaçao Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 september 2010, nr. 2010-0000620878, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op [artikel 2 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=2); [Artikel 10 van het Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=10) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, eerste lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Er is een Kabinet van de Gouverneur van Curaçao. Artikel 3 Het Kabinet van de Gouverneur van Curaçao heeft tot taak: - a. het ondersteunen van de Gouverneur van Curaçao in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de Koning als hoofd van de regering van Curaçao respectievelijk in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de regering van het Koninkrijk; - b. het behandelen van consulaire aangelegenheden, voor zover niet opgedragen aan de Nederlandse vertegenwoordiging in Curaçao, alsmede het verzorgen van het berichtenverkeer met het ministerie van Buitenlandse Zaken; - c. het onderhouden van contacten met andere organen van de overheid, zowel binnen als buiten het Koninkrijk, alsmede de ondersteuning van de Gouverneur met betrekking tot ontvangsten, bezoeken en overige toegang tot de Gouverneur; - d. het behandelen van aan de Gouverneur gerichte brieven en verzoekschriften. Artikel 4 1. Het namens de Staat aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de directeur van het Kabinet geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met de Gouverneur. 2. Onze Minister verleent volmacht aan de directeur van het Kabinet van de Gouvern"},{"i":11655,"b":"Wet van 10 april 1997 tot aanpassing van een aantal wetten in verband met de privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Aanpassingswet privatisering ABP) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een aantal wetten te wijzigen in verband met de privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 januari 1996. HOOFDSTUK I. HET MINISTERIE VAN ALGEMENE ZAKEN ARTIKEL I Wijzigt de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis. ARTIKEL II Wijzigt de Noodwet geneeskundigen. ARTIKEL III Wijzigt de Noodwet Arbeidsvoorziening. HOOFDSTUK II. HET MINISTERIE VAN JUSTITIE ARTIKEL IV Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. ARTIKEL V Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. ARTIKEL VI Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. ARTIKEL VII Wijzigt de Beroepswet. ARTIKEL VIII Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. ARTIKEL IX Wijzigt Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL X Wijzigt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. HOOFDSTUK III. HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN ARTIKEL XI Wijzigt de Wet Nationale ombudsman. ARTIKEL XII Wijzigt de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP. ARTIKEL XIII Wijzigt de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956. ARTIKEL XIV Wijzigt de Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960. ARTIKEL XV Wijzigt de Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps. ARTIKEL XVI Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. ARTIKEL XVII Wijzigt de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel (Stb. 657). ARTIKEL XVIII Wijzigt de Wet van"},{"i":11656,"b":"Wet van 11 maart 2010 tot aanpassing van een aantal wetten aan de Wet veiligheidsregio’s en enkele wijzigingen in de Wet veiligheidsregio’s (Aanpassingswet veiligheidsregio’s) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de invoering van de [Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466) een aantal wetten aan te passen en enkele bepalingen van de Wet veiligheidsregio’s te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Ministerie van Justitie Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 4. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Hoofdstuk II. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel IV Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Artikel V Wijzigt de Gemeentewet. Artikel VI Wijzigt de Politiewet 1993. Artikel VIa Wijzigt de Wet op het LSOP en het politieonderwijs. Artikel VII Wijzigt de Provinciewet. Artikel VIII Wijzigt de Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders. Artikel IX Wijzigt de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen. Artikel X De [Wet van 11 november 1993, houdende wijziging van de Brandweerwet 1985 in verband met de oprichting van het Nederlands bureau brandweerexamens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006237) ( Stb. 1994, 15), de [Wet van 10 juli 1995, houdende wijziging van de Brandweerwet 1985, de Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen en enige andere wetten in verband met wijziging van de opzet van de inspectie voor het brandweerwezen en regeling van enige andere onderwerpen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007479) ( Stb.1995, 431), de [Wet van 6 december 1995, houdende wijziging van de Brandweerwet 1985 in verband met de oprichting van het Nederlands"},{"i":12529,"b":"Besluit van 2 september 1974, houdende oprichting van het Korps veldartillerie Op de voordracht van Onze Minister van defensie, van 26 augustus 1974, nr. 398.830; Overwegende dat het wenselijk is gebleken de organisatie van de veldartillerie in overeenstemming te brengen met die van de luchtdoelartillerie en de rijdende artillerie; Gelet op Onze besluiten van 1 juli 1950 nr. 26 en 27, 5 november 1956 nr. 100, 27 oktober 1958 nr. 25 en 3 september 1973 nr. 27; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Regimenten veldartillerie \"Van Essen\", \"Prins Frederik\" en \"Prins Maurits\" worden samengevoegd tot het Korps veldartillerie. Artikel 2 Het Korps veldartillerie zal als oprichtingsdatum herdenken 11 januari 1677, zijnde de datum waarop de artillerie als een blijvend korps in het Nederlandse leger werd georganiseerd. Onze Minister van defensie is belast met uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Adjudant-Generaal, tevens Chef van Ons Militaire Huis."},{"i":11987,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 mei 2007, nr. DDI/ST/reg. 008/2007, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het gezantschap, later de ambassade van Afghanistan, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het gezantschap, later de ambassade van Afghanistan, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 12 | 2048 | | 14 | 2049 | | 30 | 2019 | | 91 | 2024 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021975&artikel=1&z=2007-06-02&g=2007-06-02), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021975&artikel=1&z=2007-06-02&g=2007-06-02), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit"},{"i":11659,"b":"Wet van 19 juni 2014 tot aanpassing van de reikwijdte en enige technische wijzigingen van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Aanpassingswet WNT) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de reikwijdte van de [Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) te wijzigen op het terrein van algemeen nut beogende instellingen en van gesubsidieerde instellingen en in deze wet enige technische wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. Artikel II Wijzigt de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies. Artikel III Wijzigt de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten. Artikel IV Voor het kalenderjaar 2013 wordt voor de toepassing van de [artikelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.2) en [3.2 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=3.2) voor het begrip «bezoldiging» uitgegaan van de tekst van die wet zoals deze luidde op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet. Artikel V 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013. 2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel I, onderdeel Ra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035245&artikel=I&z=2014-06-28&g=2014-06-28), in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en"},{"i":11660,"b":"Wet van 13 september 2012 tot wijziging van een aantal wetten, houdende regels betreffende zelfstandige bestuursorganen die onder de Minister van Infrastructuur en Milieu ressorteren en enige wijzigingen ter actualisatie, vereenvoudiging en verduidelijking (Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen betreffende zelfstandige bestuursorganen die onder de Minister van Infrastructuur en Milieu ressorteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Wijzigt de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (regeling verzelfstandiging Rijksdienst voor het Wegverkeer). Artikel III Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel IV Wijzigt de Organisatiewet Kadaster. Artikel V Wijzigt de Wet wegvervoer goederen. Artikel VI Wijzigt de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Artikel VII Wijzigt de Binnenvaartwet. Artikel VIII Wijzigt de Scheepvaartverkeerswet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IX Wijzigt de Loodsenwet. Artikel X Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen R tot en met W](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032046&artikel=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), gaan de vermogensbestanddelen van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen onder algemene titel over op het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Artikel XI Archiefbescheiden van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen betreffende zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen R tot en met W](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032046&artikel=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), nog niet zijn afgedaan, worden overgedragen aan het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen voor zover zij niet overeenkomsti"},{"i":14178,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 juni 2022, 2022-00028050, houdende vaststelling van het Controleprotocol Wet normering topinkomens 2022 (Regeling Controleprotocol WNT 2022) Gelet op [artikel 1.9, onderdeel d, van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.9); Besluit: Artikel 1 Het protocol voor controle van het financieel verslaggevingsdocument door de accountant over het jaar 2022 op de naleving van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop rustende bepalingen wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2022. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Controleprotocol WNT 2022. Bijlage. bij de Regeling Controleprotocol WNT 2022 Controleprotocol WNT 2022 Inhoudsopgave 1. Uitgangspunten 1.1. Doelstelling en inkadering protocol De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) (hierna: WNT) en de daarop gebaseerde regelgeving normeert de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector. De wet verplicht tevens tot openbaarmaking van de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van alle topfunctionarissen en daarnaast van de bezoldiging van niet-topfunctionarissen, indien de bezoldiging het algemeen bezoldigingsmaximum (naar rato van de omvang van het dienstverband) te boven gaat. De [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) schrijft voor welke gegevens WNT-instellingen moeten opnemen in het financieel verslaggevingsdocument. Het is de verantwoordelijkheid van de opsteller van het financieel verslaggevingsdocument om de juiste en volledige gegevens op te nemen. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de accountant om te toetsen dat die gegevens voldoen aan de [WNT](https://wetten.over"},{"i":14010,"b":"Raamwerk Nascholingscursussen Code 95 en ADR (1 juli 2018) Hoofdstuk 1. Het Raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde cursussen mogen nascholing voor de code 95 verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificering af te geven. Ook registreert het CBR verklaringen van nascholing voor chauffeurs die aan de nascholingsplicht hebben voldaan. Tot slot houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de nascholingscursussen. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR een Raamwerk nascholingscursussen en ADR opgesteld. Dit Raamwerk is een document zoals wordt bedoeld in [artikel 156s van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het Raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de nascholing daadwerkelijk aan deze eisen houdt. Is dit niet het geval? Dan legt het CBR een sanctie op. De verschillende sancties en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep vindt u in dit Raamwerk terug. Het is toegestaan om bij de nascholing gebruik te maken van e-learning en simulatoren. De eisen die hierbij gelden zijn opgenomen in dit Raamwerk. Tot slot is in dit Raamwerk een overzicht met minimumeisen per nascholingscursus opgenomen. Het CBR wijzigt het Raamwerk maximaal twee keer per jaar: op 1 januari en op 1 juli. Wijzigingen worden afgestemd met de opleidingsbranche en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en actief naar alle erkende opleiders gecommuniceerd. Worden de minimumeisen in het Raamwerk aangepast en zijn de wijzigingen van invloed op de certificering van een nascholingscursus? Dan wordt dit expliciet vermeld en moeten opleidingsinstituten hun opleidingsplannen binn"},{"i":14180,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 mei 2024, nr. 2024-0000281496, houdende vaststelling van het Controleprotocol Wet normering topinkomens 2024 (Regeling Controleprotocol WNT 2024) Gelet op [artikel 1.9, onderdeel d, van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.9); Besluit: Artikel 1 Het protocol voor controle van het financieel verslaggevingsdocument door de accountant over het jaar 2024 op de naleving van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop berustende bepalingen wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Controleprotocol WNT 2024. Bijlage. bij de Regeling Controleprotocol WNT 2024 Controleprotocol WNT 2024 Inhoudsopgave **Inhoudsopgave** 1. Uitgangspunten 1.1. Doelstelling en inkadering protocol De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) (hierna: WNT) en de daarop gebaseerde regelgeving normeert de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector. De wet verplicht tevens tot openbaarmaking van de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van alle topfunctionarissen en daarnaast van de bezoldiging van niet-topfunctionarissen, indien de bezoldiging het algemeen bezoldigingsmaximum (naar rato van de omvang van het dienstverband) te boven gaat. De WNT schrijft voor welke gegevens WNT-instellingen moeten opnemen in het financieel verslaggevingsdocument. Het is de verantwoordelijkheid van de opsteller van het financieel verslaggevingsdocument om de juiste en volledige gegevens op te nemen. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de accountant om te toetsen dat die gegevens voldoen aan de WNT ([artikel 1.7 WNT](https://wetten.over"},{"i":11663,"b":"Aanwijzing advisering door de Centrale toetsingscommissie Omschrijving Deze aanwijzing bevat regels over de advisering door de Centrale toetsingscommissie (CTC). Deze aanwijzing geeft aan in welke gevallen de advisering van de CTC en de toestemming van het College van procureurs-generaal (hierna College) is vereist en welke procedure daartoe moet worden gevolgd. Ook wordt het toetsingskader voor de CTC beschreven. Daarnaast bevat deze aanwijzing informatie over de samenstelling van de CTC. Voorts wordt de mogelijkheid van collegiale toetsing door de CTC beschreven. In een beperkt aantal gevallen is een collegiale toetsing verplicht. Ten slotte wordt ingegaan op de vertrouwelijkheid van CTC-stukken. 1. Inleiding Het openbaar ministerie heeft op grond van [artikel 148 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=148) (Sv) het gezag over de opsporing. Dit betekent dat de wettelijk geregelde opsporingsbevoegdheden in de meeste gevallen uitsluitend kunnen worden toegepast op bevel of vordering van de officier van justitie. Bij een aantal opsporingsbevoegdheden is bovendien een machtiging van de rechter-commissaris vereist alvorens een bevel kan worden gegeven of een vordering kan worden gedaan. Voor de toepassing van een aantal ingrijpende opsporingsbevoegdheden is de voorafgaande toestemming van het College van procureurs-generaal vereist. Het College wordt hierover geadviseerd door de CTC. Deze procedure dient ook in een aantal andere specifieke gevallen gevolgd te worden (zie paragraaf 3). In deze aanwijzing wordt de (verplichte) procedure bij de CTC en de toestemming van het College van procureurs-generaal beschreven. 2. Samenstelling CTC De CTC is een intern adviesorgaan van het openbaar ministerie. De CTC is samengesteld uit leden van het openbaar ministerie en de politie. Voor de advisering over het onderwerp toezeggingen aan getuigen en getuigenbescherming kan de CTC worden aangevuld met leden die niet aan het openba"},{"i":9938,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 28 februari 2008, nr. WJZ 8024263, tot vaststelling van algemene uitvoeringsregels voor de subsidieverstrekking op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie) Gelet op [artikel 31, negende lid, onderdeel d, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=31) en de [artikelen 3, derde lid, onder d, en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=3), [56, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=56), [62, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=62), [63, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=63), [66, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=66), [68, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=68), en [70, tweede lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=70); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit stimulering duurzame energieproductie in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **basisinfrastructuur voor koolstofdioxide:** infrastructuur voor het transport en de permanente opslag van koolstofdioxide of voor het transport en het gebruik van koolstofdioxide die wordt gebruikt door meerdere gebruikers met een productie-installatie voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide of met een subsidie-ontvanger die koolstofdioxide afvangt en gebruikt; - –. **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - –. **biomassalevering:** hoeveelheid biomassa die is ingezet voor energieproductie en waarvoor de fysieke en duurzaamheidseigenschappen voor de gehele levering gelijk zijn; - –. **bioraffinag"},{"i":11666,"b":"Accountantsprotocol verantwoording kosten gemaakt in Nederland t.b.v. ingeschreven tlv buitenland **Geldig voor oplevering vanaf 2020 door het orgaan van de woonplaats** 1. Uitgangspunten 1.1. Inleiding De minister van VWS heeft OWM Centrale Zorgverzekeraars Groep Zorgverzekeraar U.A. (verder: CZ) aangewezen als ‘orgaan van de woonplaats’ voor de toepassing van [Verordening (EG) Nr. 883/2004](32004R0883) en de bilaterale verdragen betreffende de sociale zekerheid. Op basis van artikel 4 van de overeenkomst legt CZ financiële verantwoording van de gemaakte kosten van medische zorg af aan het Centraal Administratiekantoor door middel van de kostenstaat ‘kosten gemaakt in Nederland t.b.v. ingeschreven tlv het buitenland’. Dit protocol heeft betrekking op de accountantscontrole van de verantwoording ‘kosten gemaakt in Nederland t.b.v. ingeschreven tlv het buitenland’ die het orgaan van de woonplaats jaarlijks moet opstellen en met accountantsproduct wordt uitgevraagd. Dit protocol is voor onbepaalde tijd opgesteld. De raad van bestuur van de NZa heeft op 21 april 2020 dit protocol vastgesteld. Dit protocol treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit protocol wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2020. U kunt dit protocol en alle andere in dit protocol genoemde documenten raadplegen op www.nza.nl. 1.2. Kader Op grond van [artikel 16 k. van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) houdt de NZa toezicht op de rechtmatige uitvoering door het orgaan de woonplaats van hetgeen is geregeld bij of krachtens [artikel 123 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=123) alsmede, voor zover het zorg betreft, de socialezekerheidsverordening, de toepassingsverordening en de verdragen inzake sociale zekerheid waarbij Nederland partij is. Het onderzoek naar de juistheid van de door de orgaan van de woonplaats aangeleverde verantwoording is daar onderdeel"},{"i":13721,"b":"Wet van 6 juni 1991, tot wijziging van de Kadasterwet en van enige andere wetten en regeling van het overgangsrecht in verband met de inwerkingtreding van de Kadasterwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de inwerkingtreding van de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541) (**Stb.** 1989, 186) daarin enkele wijzigingen aan te brengen, regels van overgangsrecht vast te stellen en enkele wettelijke voorschriften te wijzigen of in te trekken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Wijziging van de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541) Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk II. Overgangsbepalingen in verband met de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541) Artikel I In dit hoofdstuk wordt onder \"Onze Minister\" en onder \"de Dienst\" verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1, eerste lid, onder **a**, onderscheidenlijk **b**, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=1). Artikel II De [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541) is van het tijdstip van haar in werking treden af van toepassing, ook voor wat betreft inschrijving en bijwerking ter zake van vóórdien ontstane feiten van de aard als in die wet bedoeld, tenzij uit de volgende artikelen van dit hoofdstuk iets anders voortvloeit. Artikel III [Artikel 74 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=74) is van overeenkomstige toepassing. Artikel IV Een met toepassing van het tevoren geldende recht uitgesproken veroordeling die verplicht tot een handeling waarop de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541) na haar in werking treden van toepassing"},{"i":13220,"b":"Deelregeling Vormgeving **Introductie** Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie is het Rijkscultuurfonds voor architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Het fonds wil een wezenlijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van de professionele ontwerppraktijk binnen en vooral ook tussen de disciplines architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Onderdeel van dit streven is de interdisciplinaire wisselwerking tussen het culturele, maat-schappelijke en economische domein. Het Stimuleringsfonds ondersteunt bijzondere en vernieuwende projecten, onderzoek en activiteiten van ontwerpers, makers en culturele instellingen in binnen- en buitenland. gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), tot vaststelling van een deelregeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ter bevordering van de kwaliteit van vormgeving. Artikel 1. Doelstelling deelregeling vormgeving 1. Deze deelregeling is van toepassing op projecten die bijdragen aan het bevorderen van hoogwaardige kwaliteit, ontwikkeling en professionalisering van de hedendaagse Nederlandse vormgeving. 2. Deze deelregeling geldt in aanvulling op het [Subsidiereglement Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040298). Het in dat reglement bepaalde is van toepassing op subsidieverlening op grond van deze deelregeling, voor zover daar in deze deelregeling niet van wordt afgeweken. Artikel 2. Reikwijdte Het bestuur kan met toepassing van deze deelregeling projectsubsidies verstrekken. Subsidies kunnen verleend worden aan projecten, die voldoende bijdragen aan de doelstelling van deze deelregeling en gericht zijn op minstens een van de volgende doelstellingen: - a. bevorderen van experimenten en crossovers; - b. stimuleren van onderzoek, analyse en reflectie; - c. bevorderen van talentontwikkeling en artistieke kwaliteit; - d. bevorderen van maatschappelijk engagement en publieksactivi"},{"i":13386,"b":"Instelling Buitengewone Bijzondere Commissie USZO Gezien het besluit van de Stuurgroep Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs (Stuurgroep USZO) van 21 december 1993; de brief van de CMHF van 2 februari 1994, nr. 94115 MO/su; de brief van de ACOP van 4 februari 1994, nr. 35; de brief van de CCOOP van 10 februari 1994, nr. 470/CS; de brief van het Ambtenarencentrum van 15 februari 1994, nr. 47; Besluit: Artikel 1 Er is een Buitengewone Bijzondere Commissie USZO die, met inachtneming van de ter zake neergelegde bepalingen in het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040), het [Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040), het Algemeen Rechtspositiereglement Informatie Beheer Groep en het Arbeidsvoorwaardenreglement-Abp en de hieruit voortvloeiende uitvoeringsbepalingen, tot taak heeft te adviseren inzake de voorgenomen samenvoeging en verzelfstandiging van: - a. de Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringsregelingen van het ministerie van Binnenlandse Zaken; - b. de Dienst Sociale Zekerheid Militairen van het ministerie van Defensie; - c. de produktgroep Uitkeringen Onderwijspersoneel van de Informatie Beheer Groep; - d. de bedrijfseenheid Sociale Zekerheid van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds. Artikel 2 Overleg wordt gevoerd namens de onder [artikel 1, onder a, tot en met d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006899&artikel=1&z=1994-10-16&g=1994-10-16), genoemde diensteenheden met name Buitengewone Bijzondere Commissie door de voorzitter van de Stuurgroep USZO. Artikel 3 De voorzitter van de Stuurgroep USZO is tevens voorzitter van het overleg met de Buitengewone Bijzondere Commissie. Hij wordt bijgestaan door: - de secretaris van de Stuurgroep USZO; - de hoofddirecteur van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs; - andere personen, waarvan de voorzitter van de stuurgroep het wenselijk acht dat zij aan het overleg deelne"},{"i":13391,"b":"Instelling Commissie Getuigenbescherming Gezien het rapport ’Getuigenbescherming in Nederland’ van april 1995 van de werkgroep Craemer, Besluit: Artikel 1 Er is een commissie getuigenbescherming, hierna te noemen de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak het opstellen van een plan van aanpak voor het opzetten van een getuigenbeschermingsprogramma in Nederland. Artikel 3 De commissie bestaat uit de volgende leden: - mr R. W. M. Craemer, tevens voorzitter - mr D. C. J. Frijlink, tevens secretaris - mr E. L. Grosheide - T. Koopman - R. Karstens. Artikel 4 De commissie kan ter ondersteuning van haar taak nader onderzoek verrichten of doen verrichten binnen het daarvoor gereserveerde budget. Artikel 5 De commissie brengt de Overlegvergadering van de Minister van Justitie en het College van procureurs-generaal desgevraagd tussentijds verslag uit van haar bevindingen. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden geplaatst."},{"i":13387,"b":"Instelling Commissie Betuweroute Overwegende dat zij: in overeenstemming met het gestelde in het regeerakkoord 1994–1998 behoefte heeft aan een nader onderzoek naar financierbare alternatieven voor de Betuweroute; binnen een half jaar aan het parlement duidelijkheid wil verschaffen over de vraag of er aanvaardbare betere alternatieven zijn voor de Betuweroute, dan wel, indien een dergelijk alternatief niet voorhanden is, of een andere wijze van uitvoering langs het voorgenomen tracé wenselijk is; bij de definitieve beslissing inzake de Betuweroute eventuele meerkosten zal afwegen tegen andere prioriteiten in het kader van majeure investeringen in de infrastructuur; Besluit: 1. In te stellen de Commissie Betuweroute. 2. De commissie als volgt samen te stellen: - a. drs. L. M. L. H. A. Hermans, voorzitter; mw. mr. A. H. Brouwer-Korf; prof. dr. J. J. van Duijn; mr. J. A. M. Hendrikx; prof. dr. L. Koopmans; prof. jhr. drs. M. J. Ploos van Amstel; prof. ir. J. Witteveen; mw. prof. dr. J. M. Cramer. - b. Het secretariaat zal worden verzorgd door het adviesbureau Twijnstra Gudde, in de persoon van mr. R. Bekker, secretaris; 3. Deze Commissie als taak op te dragen: - a. Een oordeel te geven, vanuit het door Vinex, NMP II en SVV II bepaalde beleidskader, over de noodzaak van aanleg van de Betuweroute vanuit een strategische visie op het Nederlandse vervoerbeleid in brede zin, gebaseerd op de ontwikkelingen van de internationale economie en de daarmee samenhangende ontwikkeling van wereldhandelsstromen, met inachtneming van de positie van de Nederlandse industrie, de distributie- en logistieke sector en het mainport-concept, rekeninghoudend met de internationale beleidsontwikkelingen en regelgeving op dit terrein, met name binnen de Europese Unie; - b. te adviseren over mogelijk betere en financierbare alternatieven voor de Betuweroute, en daarbij andere vervoersmodaliteiten te betrekken; - c. indien de advisering ad b. zou leiden tot aanleg van de Betuweroute, een oordeel te"},{"i":13299,"b":"Besluit van de ledenraad van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders van 8 juli 2022 houdende de vaststelling van de Gerechtsdeurwaardersverordening (Gerechtsdeurwaardersverordening) Gelet op de [artikelen 17, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=17), [25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=25), [57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=57), [57a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=57a), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=73) en [78, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=78); Gezien het ontwerp van het bestuur en de bijbehorende toelichting van 14 april 2022; Gehoord de algemene ledenvergadering van 17 juni 2022; Besluit de volgende verordening vast te stellen: **Gerechtsdeurwaardersverordening** Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. (begripsbepalingen) In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **beroepsstage:** stage als bedoeld in [artikel 25, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=25); - **beslagregister:** beslagregister als bedoeld in [artikel 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047777&hoofdstuk=6&paragraaf=6.1&artikel=6.2&z=2023-02-01&g=2023-02-01); - **beslagvrije voet:** beslagvrije voet als bedoeld in [artikel 475b, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475b); - **bestuur:** bestuur van de KBvG; - **justitiabele:** degene tot wie een ambtshandeling zich richt; - **nevenwerkzaamheden:** andere werkzaamheden dan die bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=2); - **stageverklaring:** verklaring dat de beroepsstage is doorlopen; - **wet:** [Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197). Artikel"},{"i":13291,"b":"Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum ‘Gelders Archief’ Gelet op [hoofdstuk VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=VIII) en [I van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=I); Besluiten: tot het treffen van de navolgende gemeenschappelijke regeling tot de instelling van een openbaar lichaam dat de archiefbescheiden en collecties beheert die berusten in de gemeentelijke archiefbewaarplaatsen van de gemeenten Arnhem, Renkum, Rheden en Rozendaal en in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Gelderland; Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **de gemeenten:** de gemeenten Arnhem, Renkum, Rheden en Rozendaal; - c. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - d. **collecties:** de verzameling historische voorwerpen, boeken en overige schriftelijke en elektronische bescheiden in de meest ruime zin des woords, niet zijnde archiefbescheiden, in eigendom van of beheer bij de Minister en de gemeenten voor zover het betreft voorwerpen of bescheiden bij de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaats van de gemeenten; - e. **colleges:** de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, en - f. **provincie:** de provincie Gelderland. Artikel 2 1. De regeling wordt getroffen met het doel de belangen van de Minister en de colleges bij alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden, collecties, individuele documenten en dergelijke die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten, in gezamenlijkheid te behartigen. 2. Het Gelders Archief voert bij de behartiging van de belangen, bedoeld in het eerste lid, het archiefbeleid van de Minister en de gemeenten mede uit. 3"},{"i":13330,"b":"Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en enige andere wetten in verband met het herstel van gebreken en omissies bij de implementatie van Europese regelgeving op het terrein van de financiële markten (Herstelwet financiële markten 2017) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) en in enige andere wetten op het terrein van de financiële markten enige omissies en gebreken te herstellen in verband met de implementatie van Europese regelgeving; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V Wijzigt de Implementatiewet wijziging richtlijn icbe’s. Artikel VI Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving. Artikel VII Wijzigt de Wet bijzondere maatregelen financiële ondernemingen. Artikel VIII Wijzigt de Wet op het accountantsberoep. Artikel IX Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel X Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel XI Deze wet wordt aangehaald als: Herstelwet financiële markten 2017. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":13548,"b":"Besluit van het bestuur van ZonMw tot instelling van Bijzondere Programmacommissie FAST (Centre for Future Affordable SustainableTherapy development) gelet op [artikel 9, tweede lid, van de Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009385&artikel=9) (Wet ZON), [artikel 4, eerste en zesde lid, van het Bestuursreglement ZonMw 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042194&artikel=4.1) Besluit: Een Bijzondere Programmacommissie FAST (Centre for Future Affordable and Sustainable Therapy development) in te stellen alsmede de samenstelling en werkwijze van deze commissie conform het [Bestuursreglement ZonMw 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042194) vast te stellen **Het bestuur van ZonMw, overwegende:** dat veilige, werkzame en toegankelijke nieuwe geneesmiddelen van grote waarde zijn voor individuele patiënten en de samenleving als geheel. Ondanks enorme wetenschappelijke vooruitgang in de afgelopen decennia stagneert het aantal nieuwe geneesmiddelen dat jaarlijks wordt goedgekeurd. Het volledige traject van ontdekking tot een veilige, werkzame en toegankelijke nieuwe therapie is kostbaar, vol hindernissen en vergt een lange adem. dat deze uitdagingen breed worden gedeeld door de veldpartijen in de sector; zowel het recente KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) rapport als de bevindingen van het Actieprogramma LSH onderstrepen dit en roepen op tot meer en betere verbinding tussen veldpartijen om gezamenlijk knelpunten te adresseren en deze op te lossen. dat de Ministers van VWS en van EZK op 7 maart 2023 een brief naar de Tweede Kamer hebben gestuurd waarin wordt aangegeven dat het initiatief FAST wordt ingericht als expertisecentrum (Centre for Future Affordable and Sustainable Therapy development) van en voor veldpartijen dat het expertisecentrum FAST zich gaat richten op het sneller, slimmer, beter en goedkoper ontwikkelen, produceren en beschikbaar stellen van nieuwe therapieën voor"},{"i":13558,"b":"Besluit van 14 juni 2011 tot instelling van het Kabinet van de Gouverneur van Aruba (Instellingsbesluit Kabinet van de Gouverneur van Aruba) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 juni 2011, 2011-2000218186, [Artikel 10 van het Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=10) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Er is een Kabinet van de Gouverneur van Aruba. Artikel 3 Het Kabinet van de Gouverneur van Aruba heeft tot taak: - a. het ondersteunen van de Gouverneur van Aruba in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de Koning als hoofd van de regering van Aruba respectievelijk in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de regering van het Koninkrijk; - b. het behandelen van consulaire aangelegenheden, voor zover niet opgedragen aan de Nederlandse vertegenwoordiging in Aruba, alsmede het verzorgen van het berichtenverkeer met het Ministerie van Buitenlandse Zaken; - c. het onderhouden van contacten met andere organen van de overheid, zowel binnen als buiten het Koninkrijk, alsmede de ondersteuning van de Gouverneur met betrekking tot ontvangsten, bezoeken en overige toegang tot de Gouverneur; - d. het behandelen van aan de Gouverneur gerichte brieven en verzoekschriften. Artikel 4 1. Het namens de Staat aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de directeur van het Kabinet geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met de Gouverneur. 2. Onze Minister verleent volmacht aan de directeur van het Kabinet van de Gouverneur om namens de Staat een arbeidsovereenkomst aan te gaan, te wijzigen en te beëindigen met de medewerkers van het Kabinet. 3. De uitoefening van de volmacht, bedoeld in het derde lid, geschiedt met inachtneming van de door Onze Minister vastgelegde kaders en richtlijnen. 4. De directeur en de medewerkers van"},{"i":13282,"b":"Besluit van het CAK van 13 januari 2015, tot vaststelling van een gedragscode (Gedragscode CAK) Het CAK, Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze gedragscode wordt verstaan onder: - a. **CAK:** Het CAK, bedoeld in [artikel 6.1.1 lid 1 Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1); - b. **leden:** de leden van het CAK, bedoeld in [artikel 6.1.1 lid 3 Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1); - c. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2. Algemene bepalingen 1. De leden ontvangen een exemplaar van deze gedragscode. 2. De leden zijn aanspreekbaar op de naleving van deze gedragscode door de minister. Artikel 3. Belangenverstrengeling 1. De leden vervullen geen nevenfuncties, die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van hun functie of de handhaving van hun onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.1Artikel 13 lid 1 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. 2. De leden melden het voornemen tot het aanvaarden van een nevenfunctie anders dan uit hoofde van hun functie aan de minister.2Artikel 13 lid 2 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. 3. Nevenfuncties van de leden anders dan uit hoofde van hun functie, worden openbaar gemaakt. Openbaarmaking geschiedt ten aanzien van de leden door vermelding in het jaarverslag en ter inzagelegging van een opgave van deze nevenfuncties bij de minister.3Artikel 13 lid 3 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. 4. De leden doen opgave van hun financiële belangen in ondernemingen en organisaties, indien deze de belangen van het CAK, voor zover deze in verband staan met hun functievervulling, kunnen raken. 5. De leden zullen integer handelen, niet in concurrentie treden met het CAK, geen schenkingen van het CAK vorderen of aannemen, zichzelf ten laste van het CAK geen ongerechtvaardigde voordelen verschaffen en geen zakelijke kansen benutten die aan het CAK toekomen. 6. De leden nemen niet deel aan de behande"},{"i":13249,"b":"Erkenning ECN als instelling bevoegd tot verstrekken persoonlijke controlemiddelen Gelezen het verzoek van de Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland te Petten van 29 augustus 1986, ref. ASB/lw, om krachtens de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) erkend te worden als instelling bevoegd tot het verstrekken van persoonlijke controlemiddelen (thermoluminescentie-dosismeters); Overwegende, dat het thermoluminescentiedosimetrie-systeem als beschreven in de bij het verzoek overgelegde bijlage voldoet aan de daaraan te stellen eisen; Gelet op artikel 32b, eerste lid, van het Radioactieve-stoffenbesluit Kernenergiewet (Stb. 1981, 501), artikel 23c, eerste lid, van het Toestellenbesluit Kernenergiewet (Stb. 1981, 502) en artikel 25, eerste lid, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet (Stb. 1986, 465); Besluit: Artikel 1 Als instelling, bevoegd tot het verstrekken van persoonlijke controlemiddelen, bedoeld in artikel 32b, eerste lid, van het Radioactieve-stoffenbesluit Kernenergiewet, artikel 23c, eerste lid, van het Toestellenbesluit Kernenergiewet, onderscheidenlijk artikel 25, eerste lid, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, wordt erkend de Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland te Petten. Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004115&artikel=1&z=1987-02-25&g=1987-02-25) bedoelde erkenning wordt verleend voor zover betreft het verstrekken van persoonlijke controlemiddelen, bestaande in thermoluminescentie-dosismeters voor het bepalen van doses: - a. bêta-straling met een energie groter dan 0,2 MeV; - b. neutronenstraling vanaf thermische energie; - c. fotonenstraling vanaf 0,01 MeV. 2. Ten aanzien van het bepalen van doses fotonenstraling geldt de erkenning alleen indien de controlemiddelen zijn bestemd om te worden gedragen door personen die tevens, hetzij tegelijkertijd, hetzij op een ander tijdstip, aan de onder a en/of b genoemde straling zijn blootgesteld of kunnen zijn b"},{"i":13365,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2019, versie 1.1 (per 1 juli 2019) (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 13 februari 2019 krachtens [artikel 15 van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15), goedgekeurd bij besluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 23 mei 2019). Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De Raad stelt dan ook als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de Wrb dat een verzoek om inschrijving bij de Raad eerst volledig is behandeld en is ingewilligd. Het bestuur van de Raad kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden. Deze inschrijvingsvoorwaarden van de Raad zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar advocaten die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. Er bestaan algemene voorwaarden die voor alle ingeschreven advocaten gelden en bijzondere voorschriften voor rechtsbijstand op specifieke rechtsgebieden. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft Gedragsregels1Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten. en verordeningen vastgesteld waarnaar advocaten zich behoren te richten. De deken in een arrondissement is belast met het toezicht op advocaten die kantoor houden in d"},{"i":13366,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2019 (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 10 oktober 2018 krachtens artikel 15 van de Wet op de Rechtsbijstand, goedgekeurd bij besluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 2 november 2018) Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De Raad stelt dan ook als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de [Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) dat een verzoek om inschrijving bij de Raad eerst volledig is behandeld en is ingewilligd. Het bestuur van de Raad kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden. Deze inschrijvingsvoorwaarden van de Raad zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar advocaten die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. Er bestaan algemene voorwaarden die voor alle ingeschreven advocaten gelden en bijzondere voorschriften voor rechtsbijstand op specifieke rechtsgebieden. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft Gedragsregels1Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten. en verordeningen vastgesteld waarnaar advocaten zich behoren te richten. De deken in een arrondissement is belast met het toezicht op advocaten die kantoor houden in dat arrondissement. Daar waar het contro"},{"i":12452,"b":"Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden (Besluit kwaliteit leefomgeving) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2017, nr. IenM/BSK-2017/167239, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op het biodiversiteitsverdrag, het Europees landschapsverdrag, de grondwaterrichtlijn, de habitatrichtlijn, de kaderrichtlijn afvalstoffen, de kaderrichtlijn mariene strategie, de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning, de kaderrichtlijn water, het Londen-protocol, de monitoringsmechanisme-verordening, de nec-richtlijn, het Ospar-verdrag, het PRTR-Protocol, de PRTR-verordening, de richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht, de richtlijn industriële emissies, de richtlijn luchtkwaliteit, de richtlijn omgevingslawaai, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn prioritaire stoffen, de richtlijn stedelijk afvalwater, de richtlijn storten afvalstoffen, de richtlijn toegang tot milieu-informatie, de richtlijn winningsafval, de Seveso-richtlijn, het verdrag van Aarhus, het verdrag van Granada, het verdrag van Valletta, het VN-gehandicaptenverdrag, het VN-Zeerechtverdrag, de vogelrichtlijn, het werelderfgoedverdrag, de zwemwaterrichtlijn, en de [artikelen 1.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=1.5), [2.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.11), [2.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.12), [2.15, eerste lid, aanhef en onder a, b, en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.15), [2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [2.26, eerste lid en derde lid, aanhef en onder a tot en met h](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":7910,"b":"Regeling ziektekostenverzekering militairen Gelet op: de [artikel 90, tweede, derde en vierde lid van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=90); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de militair** de militair in werkelijke dienst als bedoeld in [artikel 90, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=90). - b. **heffingsgrondslag** de bezoldiging bedoel in artikel 1, vermeerderd met de eindejaarsuitkering alsmede de daarover berekende vakantie-uitkering, met inachtneming van het minimumbedrag van de vakantie-uitkering, tot een maximum van € 4.088,– of; indien sprake is van een afwijkende bezoldiging, de afwijkende bezoldiging, vermeerderd met de eindejaarsuitkering alsmede de daarover berekende vakantie-uitkering, met inachtneming van het minimumbedrag van de vakantie-uitkering, tot een maximum van € 4.088,–. - c. **afwijkende bezoldiging de bezoldiging in geval van:** - 1°. ongeoorloofdeafwezigheid; - 2°. vermissing; - 3°. verlof; - 4°. ziekte; - 5°. schorsing, vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis. Artikel 2. Algemene bepalingen Bij het vaststellen van de premie voor de militair is [artikel 3, eerste en tweede lid van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=3) van overeenkomstige toepassing. Artikel 3. Omvang pakket geneeskundige zorg De omvang van de geneeskundige zorg van de militair alsmede de procedures met betrekking tot realisering van de aanspraak daar op zijn neergelegd in Verzekeringsvoorwaarden Ziektekostenverzekering Krijgsmacht 2026. Artikel 4. Verschuldigde premie Met ingang van 1 januari 2026 bedraagt de door de militair verschuldigde premie 6,40% van de heffingsgrondslag. Artikel 5. Werkgeversbijdrage in de premie 1. De Minister draagt voor 61,72% bij in de door de"},{"i":7913,"b":"Tijdelijke beleidsregeling bijdragen vaarwegaansluitingen Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 De Minister kan bijdragen verstrekken in de investeringskosten ten behoeve van vaarwegaansluitingen, waaronder mede begrepen de uitbreiding of verbetering van bestaande vaarwegaansluitingen of het reactiveren van in onbruik geraakte vaarwegaansluitingen in het kader van de stimulering van intermodaal en multimodaal vervoer. De bijdrage kan worden verstrekt voor zowel investeringen ten behoeve van de infrastructuur als ten behoeve van de vast geïnstalleerde en mobiele uitrusting die nodig is voor de overslag van en naar de vaarweg. Artikel 3 1. Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 1996 f 5.000.000,‐. 2. De Minister stelt in het meerjarenprogramma, bedoeld in [artikel 1 van de Wet Infrastructuurfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006001&artikel=1), het subsidieplafond vast voor het eerstvolgende kalenderjaar, beginnend met het jaar 1997. § 2. Aanvraag om een bijdrage Artikel 4 1. De aanvraag om een bijdrage wordt ingediend door tussenkomst van de Hoofdingenieur-Directeur van Rijkswaterstaat in de betrokken regio. 2. Bij een aanvraag verstrekt de aanvrager, onverminderd [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006264&artikel=4), van het Besluit: - a. een onderbouwing van het project; - b. een overzicht van de financiering van het project; - c. een overzicht van alle maatregelen die voor de totstandkoming van de vaarwegaansluiting moeten worden getroffen; - d. een opgave van het jaar waarin het project wordt voltooid; en - e. de voorgenomen garantie, bedoeld in [artikel 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007716&paragraaf=3&artikel=7&z=1996-01-01&g=1996-01-01). 3. Indien een aanvraag niet volledig is, stelt de Minister de aanvrager in de gelegenheid binnen vier weken de aanvraag aan te vullen. Indien na ommekomst van deze termijn de aanvraag niet volledig is, besluit de Mi"},{"i":12115,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 6 mei 2026, nr. DGA / 105293347 ter bevestiging van het tekort biologische eiwithoudende diervoeders voor pluimvee en varkens in 2026 Gelet op: Bijlage II, deel II, punten 1.9.3.1, onderdeel c, en 1.9.4.2, onderdeel c, van [Verordening (EU) nr. 2018/848](32018R0848) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 834/2007](32007R0834) van de Raad (PbEU 2018, L150); en [Artikel 5 Regeling diervoeders 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028123&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De minister bevestigt overeenkomstig bijlage II, deel II, punten 1.9.3.1, onderdeel c, en 1.9.4.2, onderdeel c, van [Verordening (EU) nr. 2018/848](32018R0848) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 834/2007](32007R0834) van de Raad (PbEU 2018, L150) dat biologische eiwithoudende diervoeders voor pluimvee en varkens in 2026 niet in voldoende hoeveelheid beschikbaar waren en zijn in Nederland. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11667,"b":"Accountantsprotocol vervoerders 2017 **Beleidsregel met betrekking tot de verklaring, bedoeld in artikel 63c, negende lid, van de Wet personenvervoer 2000, van de accountant van vervoerders, bedoeld in artikel 63c, eerste en tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000, die op grond van artikel 63a van de Wet Personenvervoer 2000 een concessie is verleend voor het verrichten van openbaar vervoer.** De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=16), [63a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=63a), [63c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=63c), [87, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=87), en [124d van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=124d), Besluit: Hoofdstuk 1. Inleiding Paragraaf 1.1. Achtergrond Paragraaf 1.2. Grondslag, doelstelling en toepassingsbereik Paragraaf 1.3. Belangrijke definities en begrippen Paragraaf 1.4. Procedures en termijnen Hoofdstuk 2. Protocol; onderzoeksaanpak Paragraaf 2.1. Relevante wet- en regelgeving Paragraaf 2.2. Reikwijdte van het onderzoek Paragraaf 2.3. Betrouwbaarheid en materialiteit Paragraaf 2.4. Minimale werkzaamheden Subparagraaf 2.4.1. Algemeen Subparagraaf 2.4.2. Gescheiden boekhouding ([art 63c, vierde lid, onder a, van de Wp2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=63c)) Subparagraaf 2.4.3. Kostprijsadministratie ([art 63c, lid 4 onder b en c, van de Wp2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=63c)) Subparagraaf 2.4.4. Voorwaarden gescheiden boekhouden (onderdeel 5 van de bijlage bij [Verordening (EG)1370/2007](32007R1370)) Hoofdstuk 3. Protocol; Accountantsproducten Paragraaf 3.1. Rapportage accountant Subparagraaf 3.1.1. Inleiding Subparagraaf 3.1.2. Opname oordeel in controleverklaring bij de jaarrekening Subparagraaf 3.1.3. Opname oordeel in assurance-rapport Paragraaf 3.2. Aanvullende rapp"},{"i":11668,"b":"Addendum bij het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland (‘Reglement’) voor High End Series & Single Episodes 2022 **Annex to the Netherlands Film Production Incentive Scheme (‘Scheme’) for High End Series & Single Episodes** Artikel a Ten behoeve van aanvragen voor series worden aan [artikel 1 van het Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044642&artikel=1) de volgende definities toegevoegd: Op aanvragen voor series zijn de volgende definities uit [artikel 1 van het Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044642&artikel=1) niet van toepassing: ‘animatiefilm’, ‘bioscoopuitbreng’, ‘DAC-landenlijst’, ‘DCP’, ‘documentairefilm’, en ‘speelfilm’. Bij aanvragen voor series worden de volgende definities uit [artikel 1 van het Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044642&artikel=1) in aangepaste vorm gelezen, luidende als volgt: Voor aanvragen voor series worden overal in de [artikelen 2 tot en met 22 van het Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044642&artikel=2) de woorden ‘animatiefilm’, ‘bioscoopuitbreng’, ‘documentairefilm’, ‘filmproductie’ en ‘speelfilm’ gelezen als: ‘animatieserie’, ‘televisie-/VOD-uitzending’, ‘documentaireserie’ en ’dramaserie’, tenzij hierna in [Artikel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046859&artikel=b&z=2022-07-07&g=2022-07-07) anders is aangegeven. Artikel b Met in achtneming van [artikel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046859&artikel=a&z=2022-07-07&g=2022-07-07), zijn de [artikelen 1 tot en met 22 van het Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044642&artikel=1) van overeenkomstige toepassing op aanvragen voor series, met in achtneming van de hierna genoemde aanpassingen: Het vierde lid is niet van toepassing op aanvragen voor series. In [artikel 5 van het Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044642&artikel=5) worden voor series de woorden ‘referentiefilm(s)’ en ‘een bioscoopuitbreng gehad te hebben’ gelezen als: ‘referenties"},{"i":11898,"b":"Besluit van 11 maart 2010, nr. 2010007597 houdende de instelling van de adviescommissie excellente gebieden innovatieve energiebesparing in de nieuwbouw Gelet op de brief en bijlage van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie aan de Colleges van B&W van 22 december 2009, nr. SB2009066621 over onder andere de wijze van toekenning van de decentralisatie-uitkering voor maximaal 13 excellente gebieden innovatie energiebesparing in de nieuwbouw; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commissie:** commissie bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027428&artikel=2&z=2010-03-28&g=2010-03-28), - b. **minister:** Minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Artikel 2 Er is een adviescommissie excellente gebieden innovatieve energiebesparing in de nieuwbouw. Artikel 3 De commissie heeft tot taak aan de minister te adviseren over de rangorde binnen de aanvragen en hoogte van de uitkeringen, indien het aantal excellente gebieden of het uitkeringsplafond, zou worden overschreden bij het in overeenstemming met de aanvragen aanwijzen van de excellente gebieden. Artikel 4 De commissie wordt ingesteld voor de duur van uiterlijk één maand, zijnde de periode van 1 maart 2010, zijnde de uiterste datum voor het indienen van voorstellen, tot en met 31 maart 2010, zijnde de uiterste datum voor het doen toekomen van het advies aan de minister. Indien een lid van de adviescommissie is verhinderd tijdens de vergaderingen, zal hij of zij zorgdragen voor een vervanger. Artikel 5 1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en zes leden - a. de heer C.A.J. Duijvestein (voorzitter) - b. de heer M. Scheweer (vanuit VNG) - c. de heer J.H. Goosens (vanuit NVB) - d. de heer W.J. Bodewes (vanuit Neprom) - e. mevrouw D. Wickenhagen (vanuit Bouwend Nederland) - f. de heer J. Prins (vanuit Aedes) - g. mevrouw T. Klip-Martin (vanuit IPO) 2. De voorzitter en leden van de commissie worden voor de duur van de commissie benoemd door de minister. 3."},{"i":13628,"b":"Instellingsbesluit Stuurgroep Nationale Agenda Laadinfrastructuur Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); BESLUIT: Artikel 1. Instelling en taak 1. Er is een Stuurgroep Nationale Agenda Laadinfrastructuur, hierna te noemen de Stuurgroep. 2. De Stuurgroep heeft tot taak: - •. De minister te adviseren over de uitvoering van het beleid inzake de Nationale Agenda Laadinfrastructuur; - •. Het bewaken van de voortgang van de uitvoering van de Nationale Agenda Laadinfrastructuur en indien nodig daarop bij te sturen; - •. Het bewaken van de integrale samenhang tussen de activiteiten die worden ontplooid door de diverse organisaties in het kader van de uitvoering van de Nationale Agenda Laadinfrastructuur; - •. Het zorgen voor verbinding tussen regeringsbeleid en uitvoering. Artikel 2. Samenstelling 1. De Stuurgroep is als volgt samengesteld: - •. vertegenwoordiger van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - •. vertegenwoordiger van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - •. vertegenwoordiger van het Interprovinciaal Overleg (IPO); - •. vertegenwoordiger van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG); - •. vertegenwoordiger van de Samenwerkingsregio; er zijn zes Samenwerkingsregio’s; - •. vertegenwoordiger van de Netbeheerders; - •. vertegenwoordiger van het Nationaal Kennisplatform Laadinfrastructuur; - •. vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; - •. voorzitter van het Formule E-Team. 2. Vanuit hun organisatie en daarmee gepaard gaande kennis handelen de Stuurgroep leden in het algemeen belang. 3. De vertegenwoordiger kan zich laten vervangen of seconderen door een andere deskundige afgevaardigde uit dezelfde organisatie, voor wie de bepalingen in dit besluit gelijkelijk gelden. Artikel 3. Voorzitter en secretariaat 1. De Stuurgroep wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter en ondersteund door een secretariaa"},{"i":5129,"b":"Besluit van 29 juni 1970, houdende nadere bepalingen voor de toepassing van de Premiespaarregeling Rijksambtenaren 1968 ten aanzien van belanghebbenden, die werkzaam zijn gesteld bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 27 mei 1970, nr. U 1411 Kabinet Afdeling Personeelszaken/Kabinet; Overwegende, dat het wenselijk is gebleken nadere bepalingen vast te stellen voor de toepassing van de Premiespaarregeling Rijksambtenaren 1968 ten aanzien van belanghebbenden, die werkzaam zijn gesteld bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst; De Raad van State gehoord (advies van 10 juni 1970, nr. 11); Gezien het nader rapport van Onze Minister voornoemd van 23 juni 1970, nr. 1617, Afdeling Personeelszaken/Kabinet; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I In dit besluit wordt verstaan onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Binnenlandse Zaken; - b. \"dienst\": de Binnenlandse Veiligheidsdienst; - c. \"spaarregeling 1968\": de Premiespaarregeling Rijksambtenaren 1968; - d. \"belanghebbende\": de belanghebbende in de zin van de spaarregeling 1968, die werkzaam is gesteld bij de dienst; - e. \"bijzondere spaarrekening\": een bijzondere spaarrekening in de zin van de spaarregeling 1968; - f. \"dienstspaarrekening\": de spaarrekening als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de spaarregeling 1968, zoals dat ingevolge het bepaalde in [artikel II onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002717&artikel=II&z=1968-07-01&g=1968-07-01) van dit besluit wordt gelezen; - g. \"afzonderlijke rekening\": de rekening als bedoeld in artikel 4, tweede lid van de spaarregeling 1968, zoals dat ingevolge het bepaalde in [artikel II onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002717&artikel=II&z=1968-07-01&g=1968-07-01) van dit besluit wordt gelezen. Artikel II Voor de toepassing van de spaarregeling 1968 ten aanzien van belanghebbende wordt: - A. artikel 4 als volgt gelezen: - 1. De belanghebbende kan op zijn bezoldiging een op hele guldens"},{"i":13926,"b":"Wet van 21 december 2022 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen in overeenstemming te brengen met het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (Overbruggingswet box 3) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 inzake box 3 de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen in overeenstemming te brengen met dit arrest; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel Ia Onze Minister van Financiën zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van [artikel 5.24 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.24). Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Overbruggingswet box 3. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":12433,"b":"Besluit houdende inwilliging AVV-verzoek onderzoeks- en innovatieagenda BO Akkerbouw 20 april 2021 nr. 21101093 Gelet op de artikelen 164 en 165 van [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347) en [paragraaf 5 van de Regeling producenten- en brancheorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035634&paragraaf=5); Gelet op de inhoud van de aanvraag van de vereniging Brancheorganisatie Akkerbouw wordt het verzoek ingewilligd onder het stellen van de hierna genoemde voorschriften en beperkingen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Verordening 1308/2013:** [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. **BO Akkerbouw:** de vereniging Brancheorganisatie Akkerbouw; - c. **Programma Onderzoek en Innovatie:** het gewijzigde Programma Onderzoek en Innovatie 2021-2030, zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050827&bijlage=A&z=2025-03-06&g=2025-03-06) van dit besluit; - d. **Registratieregeling BO Akkerbouw:** Regeling verplichte registratie en gegevensverstrekking programma Onderzoek en Innovatie Brancheorganisatie Akkerbouw 2021-2030, zoals gewijzigd overeenkomstig [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050827&bijlage=B&z=2025-03-06&g=2025-03-06) van dit besluit; - e. **Bijdrageregeling BO Akkerbou"},{"i":11670,"b":"Addendum Model Jaarverslaggeving 2016 CAK 1. Addendum Model Jaarverslaggeving 1.1. Algemeen Dit document is een addendum op het op 20 september 2016 door de raad van bestuur van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het op 19 januari 2017 door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), vastgestelde [Model Jaarverslaggeving 2016 CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038725). Dit model is gepubliceerd in de Staatscourant en te raadplegen op de website van de NZa (www.nza.nl). 1.2. Waarderingsgrondslagen De hierna opgenomen waarderingsgrondslagen voor de jaarrekening 2016 en de bestuurlijke verantwoording 2016 vervangen de betreffende waarderingsgrondslagen voor de jaarrekening 2016 en de bestuurlijke verantwoording 2016 in het [Model Jaarverslaggeving 2016 CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038725). 1.2.1. Jaarrekening De jaarrekening 2016 wordt zoveel mogelijk ingericht conform [Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&titeldeel=9) en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, die uitgegeven zijn door de Raad voor de Jaarverslaggeving. Indien het CAK ervoor kiest om af te wijken van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (met andere woorden kiest voor eigen grondslagen) wordt dit door het CAK expliciet toegelicht in zijn jaarrekening. 1.2.2. Bestuurlijke verantwoording Het in de bestuurlijke verantwoording 2016 opgenomen overzicht van activa en passiva van de geldstromen van de door het CAK uitgevoerde wettelijke taken, de matrix bestuurlijke verantwoording VWS en de matrix bestuurlijke verantwoording NZa worden opgesteld op kasbasis. Indien het CAK ervoor kiest om hiervan af te wijken wordt dit door het CAK expliciet toegelicht in de bestuurlijke verantwoording."},{"i":12184,"b":"Besluit digitale vervanging archiefbescheiden KGG 2025 Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), en [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder digitale vervanging: vervanging van papieren archiefbescheiden door reproducties als bedoeld in [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) door de reproducties op digitale wijze te vervaardigen en op te slaan. Artikel 2 De digitale vervanging heeft betrekking op de archiefbescheiden van de dienstonderdelen van de hoofden van dienst, bedoeld in [artikel 1, onder d, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=1). Artikel 3 De wijze waarop de digitale vervanging geschiedt, is vastgelegd in de bijlage Handboek digitale vervanging van archiefstukken bij de Ministeries van: Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij dit besluit. Artikel 4 De digitale vervanging geldt voor het kerndepartement en niet voor personeelsdocumenten en de documentcategorieën die zijn uitgesloten van digitale vervanging zoals beschreven in de bijlage Handboek digitale vervanging van archiefstukken bij de Ministeries van: Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij dit besluit. Artikel 5 De volgende besluiten worden ingetrokken: - a. het Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 21 november 2011, nr. [DBV/1110417](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030852), tot digitale vervanging van archiefbescheiden; - b. het Besluit van de Minister van Economische Zaken van 2 januari 2014, nr. [2013 DB/13133673](https://wetten.over"},{"i":12357,"b":"Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 18 maart 2026, nummer 7273172 tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Iran Gelet op [artikel 43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=43), en [artikel 45, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=45); Overwegende dat naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de algemene veiligheidssituatie in Iran, en op grond daarvan redelijkerwijs niet kan worden beslist of de aanvraag, zoals bedoeld in [artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), op een van de gronden genoemd in [artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) kan worden ingewilligd; Dat als gevolg hiervan een besluitmoratorium wordt ingesteld met ingang van de dag van inwerkingtreding van onderhavig besluit en voor de duur van zes maanden, voor asielaanvragen van vreemdelingen afkomstig uit Iran; Dat in deze situatie voor vreemdelingen afkomstig uit Iran tevens een vertrekmoratorium wordt ingesteld, eveneens voor de duur van zes maanden. Besluit: Artikel 1 Het besluitmoratorium alsmede het vertrekmoratorium worden ingesteld met ingang van de dag van inwerkingtreding van onderhavig besluit en voor de duur van zes maanden. Artikel 2 De beslistermijn, bedoeld in [artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=42), wordt op grond van [artikel 43, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=43), verlengd met een jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden voor vreemdelingen afkomstig uit Iran die een aanvraag indienen of hebben ingediend tot verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel, zoals bedoeld in [artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":11672,"b":"Administratiebesluit wet vervoer over zee Gelet op [artikel 31 van de Wet vervoer over zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003528&artikel=31) (Stb. 1982, 629); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder Artikel 2 Een leder die lijnvervoerdiensten aanbiedt voor het vervoer van goederen per zeeschip van of naar Nederland dient voor dat vervoer de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003637&artikel=3&z=1983-12-08&g=1983-12-08) en 4 van dit besluit omschreven administratie te voeren. Artikel 3 Met betrekking tot het lijnvervoer, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003637&artikel=2&z=1983-12-08&g=1983-12-08), dient een administratie te worden gevoerd die ten minste inhoudt: - a. naam van de scheepvaartonderneming en van de lijn; - b. datum van instelling, wijziging of beëindiging van de lijndienst; - c. namen van de in de lijndienst gebruikte schepen en, voor zover gecharterde schepen worden gebruikt, de naam en de nationaliteit van de eigenaar; - d. de staat waarvan de in de lijndienst gebruikte schepen de vlag voeren; - e. omschrijving van het vaargebied; - f. voor zover van toepassing, lidmaatschap van een lijnvaartconference of deelconference, en de naam van deze conference; - g. scheepstypen (vrachtschip, containerschip of dergelijke); - h. de tonnages zoals die vermeld zijn in de bij het schip behorende meetbrief; - i. ladingcapaciteit en, voor zover van toepassing, de containercapaciteit; - j. data waarop de betreffende schepen uit een Nederlandse haven zijn vertrokken; - k. data van aankomst van de betreffende schepen in een Nederlandse haven. Artikel 4 Met betrekking tot de in het [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003637&artikel=2&z=1983-12-08&g=1983-12-08) bedoelde lijnvervoer vervoerde goederen dienen te worden geadministreerd; - a. de vervoerde hoeveelheid per goederensoort; - b. de aard van de goederen; - c. de per hoeveelheid goederen berekende vracht"},{"i":11674,"b":"Adviesprotocol Huis voor Klokkenluiders **Adviesprotocol Huis voor klokkenluiders** Het bestuur van het Huis voor Klokkenluiders heeft op 15 maart 2021 dit adviesprotocol vastgesteld, met de Wet Huis voor klokkenluiders van 14 april 2016 als basis en in navolging van wat in artikel 3h van die wet is bepaald. Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de [Wet bescherming klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852) (hierna: wet) is dit protocol aangepast op 19 december 2023. De aanpassingen zien vooral op de personele en materiële reikwijdte van de wet. Het Huis voor Klokkenluiders (hierna: het Huis) is opgericht voor personen in Nederland1De Wet bescherming klokkenluiders geldt niet in Caribisch Nederland (Bonaire Sint Eustatius, Saba); in de Wet bescherming klokkenluiders is geen expliciete bepaling opgenomen waardoor de wet van toepassing zou zijn in Caribisch Nederland. die melding willen doen van (een redelijk vermoeden van) een werkgerelateerde misstand. Het Huis draagt bij aan een betere bescherming van melders, degene die een melder bijstaat en de betrokken derde. Dit doet het Huis door het geven van advies, het doen van onderzoek en door organisaties te stimuleren hun integriteit te bewaken. De afdeling advies van het Huis adviseert (potentiële) melders, degene die een melder bijstaat en de betrokken derde vertrouwelijk over de mogelijkheden, de risico’s en hun rechten en plichten bij het doen van een melding. Het doel is het melden mogelijk te maken zonder dat dit leidt tot benadeling van de meldende werknemer of verslechtering van de relatie tussen de melder en de werkgever. De adviestaak van de afdeling Advies van het Huis wordt in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3a) als volgt beschreven: Indien er een schijn van belangenverstrengeling kan ontstaan bij de behandeling van een advies, zal de medewerker van het Huis dit onverwijld aan de voorzitter van het Huis moeten melden. D"},{"i":13899,"b":"Openbaarheid archiefbescheiden ‹Archiefwet 1962› Overwegende dat bij de overbrenging naar de algemene rijksarchiefbewaarplaats de openbaarheid van de hierna te noemen archiefbescheiden is beperkt voor een termijn aflopende op 1 januari 1995; dat de openbaarheid van deze archiefbescheiden evenwel onevenredige schade zou kunnen toebrengen aan de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen; Gelet op artikel 7a, tweede lid, van de Archiefwet 1962; Besluit: Artikel 1 De in de algemene rijksarchiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden van: - 1. NSB, kring Utrecht, 1940-1945, - 2. voormalig Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging, zijn onderdelen en rechtverkrijgenden, 1946-1949, - 3. organen, geressorteerd hebbende onder het voormalig Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging (accountantsrapporten), 1944-1952, - 4. Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging (circulaires), 1944-1948, - 5. voormalig Bureau Bijzondere Jeugdzorg, 1945-1949, - 6. Duitse verplaatsings- en grensoverschrijdingspassenadministratie, 1940-1945, - 7. voormalig Bureau Opsporing Oorlogsmisdadigers (B.O.O.M.), 1945-1950, - 8. Netherlands War Crimes Commission (N.W.C.C.), - 9. Bureau coördinatie van het voormalige Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging, - 10. Bureau coördinatie inzake de zgn. economische collaboratie van het voormalige Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging, - 11. ministerie van Justitie te Londen, 1940-1945, mogen tot 1 januari 2020 alleen worden geraadpleegd na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Algemeen Rijksarchief. Voor publikatie van gegevens uit deze bescheiden is vooraf schriftelijke toestemming van de minister van Justitie vereist. Artikel 2 Een beslissing, houdende weigering tot het verlenen van toestemming, wordt met redenen omkleed. Artikel 3 Deze beschikking, welke zal worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant, werkt terug tot 1 januari 1995."},{"i":12238,"b":"Besluit van 16 oktober 1964, houdende vaststelling van een lijst van wetten en algemene maatregelen van bestuur, waarin termijnen zijn gesteld, voor welke de Algemene termijnenwet vervroegd in werking treedt Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 8 oktober 1964, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 372/664; Gelet op [artikel 7 van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=7); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit behorende lijst is die, omschreven in het tweede lid van [artikel 7 van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=7). Artikel 2 Voor zover door Ons niet anders wordt bepaald is het tijdstip van inwerkingtreding bedoeld in het tweede lid van [artikel 7 van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=7) 1 december 1964. Lijst. behorende bij het Koninklijk besluit tot vaststelling van een lijst van wetten en algemene maatregelen van bestuur, waarin termijnen zijn gesteld, voor welke de [Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) vervroegd in werking treedt Departement van Justitie a. Wetten: Burgerlijk Wetboek; [Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838); [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860); [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854); [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827); [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); Wet op het Notarisambt (**Stb**. 1842, 20); [Wet tarieven in burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001852) (**Stb**. 1960, 541); [Onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842) (**Stb**. 1851, 125); Wet van 22 april 1855, (**Stb**. 32), tot regeling en beperking der uitoefening van het recht van vereniging en vergadering; [Wet van 22 april 1855, (*"},{"i":11676,"b":"Wet van 23 juni 1952, houdende instelling van de Nederlandse orde van advocaten alsmede regelen betreffende orde en discipline voor de advocaten en procureurs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Nederlandse orde van advocaten in te stellen, alsmede de regelen betreffende de orde en discipline voor de advocaten en procureurs te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Van de inschrijving en de beëdiging van de advocaten; van het tableau Artikel 1 1. De advocaten worden ingeschreven op het tableau van de Nederlandse orde van advocaten. 2. De inschrijving als advocaat geschiedt onvoorwaardelijk. 3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid geschiedt de inschrijving voorwaardelijk indien de verzoeker niet in het bezit is van een verklaring als bedoeld in [artikel 9b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&afdeling=1a&artikel=9b&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of niet beschikt over een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in [artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5) of over een document als bedoeld in [artikel 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&afdeling=1&artikel=2a&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Wordt een verklaring of erkenning als bedoeld in de eerste volzin nadien alsnog overlegd, dan wordt van rechtswege het voorwaardelijk karakter aan de inschrijving ontnomen. Artikel 2 1. Bevoegd om te verzoeken om inschrijving als advocaat is een ieder: - a. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht door een universiteit dan wel de Open Universiteit"},{"i":11677,"b":"Afgifte bewijzen van betrouwbaarheid Gelet op het bepaalde in artikel 3 van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging op het gebied van het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (nr. 73/240/EEG, Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1973, nr. L228/20, van 16 augustus 1973), Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder ‘Richtlijn’ verstaan: de Richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 24 juli 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging op het gebied van het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (nr. 73/248/EEG. Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1973, nr. L228/20, van 16 augustus 1973). Artikel 2 De burgemeester wordt aangewezen als de instantie die bevoegd is tot afgifte van een bewijs van betrouwbaarheid als bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van de Richtlijn. Als bewijs van betrouwbaarheid dient de verklaring omtrent het gedrag, die kan worden afgegeven overeenkomstig de bepalingen van de [Wet justitiële gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194). Artikel 3 Ter vervanging van het in het [eerste lid van artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003028&artikel=3&z=2004-04-01&g=2004-04-01) bedoelde document dat dient tot bewijs van het feit dat geen faillissement heeft plaatsgehad, wordt aangewezen een door een notaris afgegeven afschrift van een authentieke akte, waarin het afleggen van een verklaring, als bedoeld in voornoemd artikel, tweede lid, is geconstateerd. Artikel 4 Dit besluit zal in de Nederlandse Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11678,"b":"Wet van 16 Mei 1829, omtrent de afschaffing der nog in werking zijnde wetboeken, op het tijdstip der invoering van de nationale wetboeken Allen die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het van belang is om, op het tijdstip der invoering van de nationale wetboeken en van de wet op de regterlijke organisatie, de nog in werking zijnde wetboeken, en wel over dezelfde stoffen handelende, uitdrukkelijk afteschaffen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, Artikel 1 1. Te rekenen van den dag der invoering van het burgerlijk wetboek der Nederlanden, wordt afgeschaft en zal ophouden kracht van wet te hebben, het wetboek van Napoleon, met al de daartoe behoorende besluiten en verordeningen. 2. Insgelijks zijn op hetzelfde tijdstip afgeschaft de algemeene en plaatselijke gebruiken in de stoffen welke bij het nieuwe wetboek worden behandeld. Het wettelijk gezag van het romeinsche regt is en blijft afgeschaft. Artikel 2 Het tegenwoordige wetboek op de manier van procederen in burgerlijke zaken, mitsgaders de besluiten en verordeningen daartoe betrekkelijk, zijn afgeschaft op den dag der invoering van het nieuwe wetboek van burgerlijke regtsvordering. Artikel 3 Het tegenwoordige [wetboek van koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838), mitsgaders de besluiten en verordeningen daartoe betrekkelijk, zijn afgeschaft op den dag der invoering van het nieuwe [wetboek van koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838). Artikel 4 Het tegenwoordige wetboek op het strafregt, mitsgaders de besluiten en verordeningen daartoe betrekkelijk, zijn afgeschaft op den dag der invoering van het nieuwe wetboek op het strafregt. Artikel 5 Het tegenwoordige wetboek van criminele instructie, mitsgaders de besluiten en verordeningen daartoe betrekkelijk, zijn afgeschaft op den dag der invoering van het nieuwe [wetboek van strafvordering](https://wetten.overheid."},{"i":11679,"b":"Afwijkend besluit ten aanzien van de diensttijdeis voor deelname aan operatie Forensische opsporing ICC Gelet op [artikel 5, derde lid, Besluit Herinneringsmedaille Internationale Missies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012356&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Voor deelname aan de operatie ‘FORENSISCHE OPSPORING ICC’, voor zover deze deelname heeft plaatsgevonden op het grondgebied van Oekraïne, alsmede in Rzeszow, Polen, vanaf 14 mei 2022, wordt afgeweken van de diensttijdeis, genoemd in [artikel 5, eerste lid, Besluit Herinneringsmedaille Internationale Missies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012356&artikel=5), dat deelnemers gedurende ten minste dertig dagen aaneengesloten moeten hebben deelgenomen aan een internationale missie, waarbij geen minimaal aantal dagen diensttijd wordt vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 mei 2022. Dit besluit zal met de Toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13726,"b":"Wet van 26 juni 1986, houdende vaststelling van het invoerings- en overgangsrecht voor de Wet op het wetenschappelijk onderwijs en van het tijdstip van inwerkingtreding van die wet alsmede wijziging van die wet en van enige andere wetten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het invoerings- en overgangsrecht voor de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (**Stb.** 1985, 562), en het tijdstip van inwerkingtreding van die wet bij wet dienen te worden vastgesteld; dat voorts wijziging van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, in het bijzonder ten aanzien van de planning en bekostiging met betrekking tot de universiteiten, wenselijk is gebleken; dat in verband met de inwerkingtreding van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs wijzigingen in enige andere wetten dienen te worden aangebracht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel A. Algemene bepalingen Artikel A.1 Vervallen Artikel A.2 Vervallen Artikel A.3 Vervallen Titel B. Wijzigingen in de W.W.O. Artikel B Vervallen Titel C. Inwerkingtreding van de W.W.O. Artikel C.1 Vervallen Artikel C.2. Intrekking enige wetten en overgangsbepalingen Voor zover bij deze wet niet anders is bepaald, worden op het tijdstip van inwerkingtreding van de W.W.O. ingetrokken: - a. de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (**Stb.** 1975, 729), uitgezonderd de artikelen XIII, XIV, zoals gewijzigd bij deze wet, en XXIII; - b. de ingevolge het bepaalde in artikel I van de onder **a** genoemde wet gehandhaafde bepalingen van de hoger-onderwijswet 1876 (**Stb.** 102) en van wetten tot wijziging van de laatstgenoemde wet, voor zover die bepalingen niet reeds zijn vervallen, uitgezonderd de artikelen 2 en 4 van de Wet van 5 november 1948 (**Stb.** I 489), artikel II, leden XIII, XIV en XVI, van de Wet van 7 juni 1956 (**Stb.** 310), artikel V"},{"i":13728,"b":"Wet van 30 mei 1990, inzake invordering van rijksbelastingen, andere dan invoerrechten en accijnzen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wet van 22 mei 1845 (**Stb.** 1926, 334) op de invordering van ’s Rijks directe belastingen te vervangen door een meer overzichtelijke en op verschillende punten herziene wet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Deze wet geldt bij de invordering van rijksbelastingen. 2. Op deze wet zijn [artikel 3:40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:40), [titels 4.1 tot en met 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.1), [artikel 4:125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:125), [titel 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2), de [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=7) en [afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.2.1) niet van toepassing. Artikel 2 1. Deze wet verstaat onder: - a. **rijksbelastingen:** belastingen als bedoeld in [artikel 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=1), alsmede rechten bij invoer en rechten bij uitvoer als bedoeld in [artikel 7:3 van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=7:3), die in Nederland worden geheven; - aa. - 1°. **Koninkrijk:** Koninkrijk der Nederlanden; - 2°. **Rijk:** het land Nederland, zijnde Nederland en de BES eilanden; - 3°. **Nederland:** het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk, met dien verstande dat voor de heffing van de inkomstenbelasting, de loonbelasting,"},{"i":13624,"b":"Besluit van 16 mei 2024, houdende de instelling van de staatscommissie demografische ontwikkelingen ten behoeve van de advisering over de demografische ontwikkelingen op Caribisch Nederland 2050 (Instellingsbesluit staatscommissie demografische ontwikkelingen Caribisch Nederland 2050) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 mei 2024, nr. 2024-0000116653, gedaan mede namens Onze Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitalisering; Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste en derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1. Begripsbepaling Er is een staatscommissie voor demografische ontwikkelingen Caribisch Nederland 2050, hierna te noemen: de staatscommissie. Artikel 2. Instelling en taak 1. De staatscommissie heeft tot taak aan de regering te adviseren over scenario’s, beleidsopties en handelingsperspectieven van de regering in relatie tot de maatschappelijke gevolgen van de demografische ontwikkelingen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in het bijzonder van vergrijzing en migratie, tot ten minste 2050 en tegen de achtergrond van de brede welvaartsbenadering. Dit in navolging van het Instellingsbesluit staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050. 2. De staatscommissie betrekt bij haar werkzaamheden actuele en relevante inzichten en publicaties, waaronder de data van het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut over demografische scenario’s en de gevolgen hiervan voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 3. Instellingsduur en rapportages 1. De staatscommissie brengt haar eindadvies uit voor 1 juli 2024 aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2. Twee weken na het uitbrengen van het eindverslag, bedoeld in het vierde lid, is de staatscommissie opgeheven. 3. De staatscommissi"},{"i":14063,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 8 mei 2026, kenmerk 4384032-1098404-IZB, ex artikel 20 van de Wet publieke gezondheid (Regeling andesvirus) [Keten-ID WGK029069] In overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Gelet op [artikel 20, tweede, derde en zesde lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het andesvirus wordt aangemerkt als behorende tot groep A2, bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=1). Artikel 2 Alle bepalingen van de [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) die gelden voor infectieziekten behorende tot groep A2 zijn van toepassing op het andesvirus. Artikel 3 Deze regeling wordt bekendgemaakt op [www.Rijksoverheid.nl](http://www.rijksoverheid.nl) en treedt onmiddellijk na haar bekendmaking op het internet in werking. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling andesvirus. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14377,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 september 2003, nr. MJZ2003096265, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende intrekking van de Tijdelijke regeling energiepremies 2003 en vaststelling van de daarmee verbonden overgangsbepalingen (Regeling intrekking en overgangsbepalingen Tijdelijke regeling energiepremies 2003) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel I In deze regeling wordt verstaan onder aanvraag, aanvrager, apparaat, energiepremie, minister respectievelijk voorziening, hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Tijdelijke regeling energiepremies 2003, zoals deze luidde op 15 oktober 2003. Artikel II 1. De [Tijdelijke regeling energiepremies 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014481) wordt ingetrokken met ingang van 16 oktober 2003, met dien verstande dat de [artikelen 1 tot en met 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014481&artikel=1) en [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014481&artikel=12) en de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014481&bijlage=1) en[2 van die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014481&bijlage=2) van toepassing blijven ten aanzien van: - a. een vóór 16 oktober 2003 ingediende aanvraag ten aanzien van een apparaat of voorziening, terzake waarvan de koopovereenkomst eveneens vóór 16 oktober 2003 is gesloten, indien eerst op of na die datum een beslissing op die aanvraag onherroepelijk wordt; - b. een op of na 16 oktober 2003 ingediende aanvraag ten aanzien van een apparaat of voorziening, terzake waarvan de koopovereenkomst vóór genoemde datum is gesloten, met dien verstande dat zowel de betreffende levering als het indienen van die aanvraag in zoverre in afwijking van [artikel 8, eerste lid, van de Tijdelijke regeling energiepremies 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":11691,"b":"Wet van 31 mei 1956, inzake een algemene ouderdomsverzekering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte verzekering tegen geldelijke gevolgen van ouderdom; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens; - c. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823); - d. bruto-minimumloon: het in [artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8) bedoelde bedrag; - e. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de [Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635) en in de [Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632); - f. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting of een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden; - g. continentaal plat: de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in [artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010480&artikel=1), voor zover deze grenst aan de ter"},{"i":12558,"b":"Besluit rente geconsigneerde gelden 2009 Gelet op [artikel 9 van de Wet op de consignatie van gelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=9), Wet van 27 augustus 1980 (Stbl. 473). Besluit: - I. de rente, bedoeld in [artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=9) en [artikel 13 van genoemde Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=13) voor het jaar 2009 vast te stellen op 1,06% per jaar. - II. Het hierna volgende te doen opnemen in een van de Nederlandse Staatscouranten, verschijnende in de maand januari 2009. Rente van geconsigneerde gelden. De Minister van Financiën brengt ter algemene kennis dat hij de rente, welke als gevolg van [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=9) en [artikel 13 van de Wet van 27 augustus 1980](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=13) (Stbl. 473), betaald wordt bij uitkering van de in [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003338&artikel=9) bedoelde geconsigneerde geldsommen voor het jaar 2009 heeft vastgesteld op 1,06% per jaar."},{"i":11693,"b":"Wet van 20 december 1956, houdende verhoging van militaire pensioenen met een algemene toeslag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de beperking van overheidspensioenen bij gelijktijdige aanspraak op een pensioenwet krachtens de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) (**Stb.** 1956, 281) het wenselijk maakt de militaire pensioenen verder aan te passen aan het geldend bezoldigingspeil; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Deze wet verstaat onder **pensioen:** het nominale bedrag, zoals dit laatstelijk is of wordt vastgesteld, van een pensioen ten laste van het Rijk of van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, toegekend krachtens of op de voet van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 (**Stb.** 65), de Pensioenwet voor de landmacht 1922 (**Stb.** 66), de Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marine-reserve 1923 (**Stb** 355), de Pensioenwet voor het reserve-personeel der landmacht 1923 (**Stb.** 356) - met uitzondering van een pensioen toegekend krachtens de artikelen 20 van genoemde wetten -, de Pensioenwet voor de vrijwilligers bij de landstorm 1925 (**Stb.** 278), onderscheidenlijk krachtens of op de voet van de Militaire Weduwenwet 1922 (**Stb.** 337), dan wel een der aan genoemde wetten voorafgaande regelingen of wetten betreffende pensioenaanspraken, welke daarna in eerstbedoelde wetten zijn geregeld of geacht worden te zijn geregeld. 2. Deze wet begrijpt mede onder **pensioen:** de wettelijke verhogingen en aanvullingen, met uitzondering van: - a. de toeslagen en de extra bijslag verleend krachtens: - 1. de wet van 1 november 1948 (**Stb.** I 479), - 2. de wet van 5 november 1948 (**Stb.** I 498), - 3. de wet van 9 november 1950 (**Stb.** K 502); - 4. de Toeslagwet-1954 voor gepensioneerden (**Stb.** 1954,"},{"i":13804,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 november 2010, nr. DSS5670823, houdende verlening van machtiging aan de directeur van de Stichting Ambulante FIOM tot het verlenen van inzage als bedoeld in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie van de bij Koninklijke Saan Archiefbeheer B.V. ondergebrachte adoptiedossiers welke hebben toebehoord aan de voormalige Stichting Flash alsmede het verrichten van administratieve handelingen die daarmee verband houden (Machtigingsbesluit directeur FIOM) Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van de Stichting Ambulante FIOM te ’s-Hertogenbosch wordt machtiging verleend tot het verlenen van inzage en het verschaffen van afschrift van bescheiden als bedoeld in de [Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) van in de bij Koninklijke Saan Archiefbeheer B.V. ondergebrachte adoptiedossiers. De directeur van de Stichting Ambulante FIOM wordt tevens gemachtigd tot het verrichten van met de inzage verband houdende administratieve handelingen. Artikel 2 De directeur van de Stichting Ambulante FIOM wordt toegestaan de machtiging door te verlenen aan rechtstreeks onder hem ressorterende medewerkers. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Machtigingsbesluit directeur FIOM. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11695,"b":"Algemene wet gelijke behandeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, mede in verband met [artikel 1 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=1), ter bevordering van de deelneming op gelijke voet aan het maatschappelijk leven bescherming te bieden tegen discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat, dat het daarom wenselijk is behoudens wettelijke uitzonderingen onderscheid op deze gronden te verbieden en dat het in verband met de handhaving van dit verbod wenselijk is een Commissie gelijke behandeling in te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Gelijke behandeling van personen ongeacht hun godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de opdracht daartoe; - b. direct onderscheid: indien een persoon op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld, op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat; - c. indirect onderscheid: indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat in vergelijking met andere personen bijzonder treft. 2. Onder onderscheid op grond van geslacht wordt mede verstaan onderscheid"},{"i":11699,"b":"Ambtsgebied voedselcommissaris Noord-Brabant Gelet op [artikel 2 van de Noodwet voedselvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002392&artikel=2) Besluit: Artikel 1 De beschikking van 21 juli 1965, Stcrt. 139, inzake het ambtsgebied van de voedselcommissaris in Noord-Brabant, wordt ingetrokken. Artikel 2 Het ambtsgebied van de voedselcommissaris in Noord-Brabant en dat van de voedselcommissaris in Gelderland omvatten onderscheidenlijk de provinciën Noord-Brabant en Gelderland."},{"i":11700,"b":"Ambulancehulpverlening Het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, Besluit: Ten aanzien van sanering van een negatief vermogen: Ten aanzien van sanering in zijn algemeenheid:"},{"i":14050,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Financiën van 8 juli 2022, nr. WJZ/ 22273638, houdende regels over de Adviescommissie Nationaal Groeifonds (Regeling adviescommissie Nationaal Groeifonds) Gelet op [artikel 9, vijfde lid, van de Tijdelijke wet Nationaal Groeifonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046840&artikel=9); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **commissie:** Adviescommissie Nationaal Groeifonds als bedoeld in [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046840&artikel=9); - **ministers:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Financiën; - **wet:** [Tijdelijke wet Nationaal Groeifonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046840). Artikel 2. Taak 1. De taak van de commissie, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046840&artikel=9) houdt in: - a. de Minister van Economische Zaken en Klimaat op zijn verzoek te adviseren omtrent een aanvraag om subsidie als bedoeld in [artikel 6, aanhef en onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046840&artikel=6); - b. de ministers op hun verzoek te adviseren over een verzoek om een bijdrage als bedoeld in [artikel 6, aanhef en onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046840&artikel=6); - c. de ministers op hun verzoek te adviseren over de voortgang, met inbegrip van de wijziging of stopzetting, van de uitvoering van investeringsvoorstellen waarvoor financiële middelen beschikbaar zijn gesteld. 2. De commissie brengt een advies uit binnen een door de ministers bij het verzoek opgegeven redelijke termijn en kan slechts in overeenstemming met de ministers van die termijn afwijken. 3. De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering. 4. De commissie verstrekt de ministers jaarlijks een rapportage waaruit blijkt hoe de kwaliteit is en de voortgang verloopt van de uit"},{"i":12153,"b":"Besluit houdende departementale herindeling met betrekking tot de coördinatie van de vermindering van administratieve lasten voor het bedrijfsleven Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 14 oktober 2010, kenmerk 3096356; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de coördinatie van de vermindering van administratieve lasten voor het bedrijfsleven, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Financiën. Artikel 2 De taken van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van het ministerie van Financiën worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028854&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028854&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministe"},{"i":12677,"b":"Besluit van 31 mei 2007, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de leden van de commissie, bedoeld in artikel 2.26 van de Wet milieubeheer (Besluit vaste beloning COGEM) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 mei 2007, nr. DGM/SAS2007036011; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De leden van het dagelijks bestuur van de Commissie Genetische Modificatie, bedoeld in [artikel 2.26 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=2.26), ontvangen voor hun werkzaamheden per maand een vergoeding ter grootte van 13,2% van het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). Artikel 2 De overige leden van de Commissie Genetische Modificatie, bedoeld in [artikel 2.26 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=2.26), ontvangen voor hun werkzaamheden per maand een vergoeding ter grootte van 4% van het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). Artikel 3 Het besluit van 5 maart 2007, nr. 07.000767, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de leden van de commissie, bedoeld in [artikel 2.26 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=2.26) (Besluit vaste beloning COGEM), wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaste beloning COGEM. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota"},{"i":14489,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2010, nr. 5678825/10, tot vaststelling van de Regeling naturalisatietoets Sint Maarten 2011 Gelet op [artikel 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23) en [artikel 6 van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=6); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de naturalisatietoets:** de toets, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2); - b. **verzoeker:** degene die op grond van de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) verzoekt om verlening van het Nederlanderschap; - c. **de Gouverneur:** de Gouverneur van Sint Maarten; - d. **Dienst Examens Sint Maarten:** een organisatorische eenheid van de Directie Onderwijs in Sint Maarten; - e. **onderdeel van de naturalisatietoets:** een van de drie in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029232&paragraaf=2&artikel=2&z=2023-09-28&g=2023-09-28) genoemde onderdelen van de naturalisatietoets. Paragraaf 2. Naturalisatietoets en afname Artikel 2 1. De naturalisatietoets bestaat uit een onderdeel dat kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst, een onderdeel dat de mate van kennis van de Engelse taal toetst en een onderdeel dat de mate van kennis van de Nederlandse taal toetst. Ieder taalexamen examineert vier taalvaardigheden. Gebruik van een woordenboek is bij de naturalisatietoets niet toegestaan. 2. Het onderdeel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst, wordt afgenomen en beantwoord in de Engelse taal. 3. Het onderdeel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst, bevat vragen met betrekking tot de in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029232&bijlage=1&z=2023-09"},{"i":1085,"b":"Inkomstenbelasting, Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, doorschuifregeling na overlijden De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. In dit besluit wordt goedgekeurd dat het vrij te stellen buitenlands inkomen uit werk en woning van een overleden belastingplichtige dat op grond van de doorschuifregeling is overgebracht naar een volgend jaar, wordt toegerekend aan de overlevende partner. 1. Inleiding Aan mij is een situatie voorgelegd van een binnenlandse belastingplichtige met buitenlands inkomen uit werk en woning dat op grond van [artikel 10, derde lid, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012095&artikel=10) (hierna: BVDB 2001) niet volledig in aanmerking kan worden genomen. Het buitenlands inkomen dat niet tot vermindering leidt, wordt vervolgens op grond van [artikel 11 BVDB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012095&artikel=11) overgebracht naar het volgende jaar (de doorschuifregeling). Bij overlijden van de belastingplichtige is er geen mogelijkheid om het doorgeschoven inkomen toe te rekenen aan de overlevende partner. 2. Goedkeuring Omdat ik het onbillijk acht dat in dergelijke gevallen een doorgeschoven aanspraak op vermindering van belasting verloren gaat, keur ik goed dat het op grond van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012095&artikel=11) doorgeschoven inkomen van de overleden belastingplichtige wordt toegerekend aan de overlevende partner van de belastingplichtige, mits zij beiden op het moment van overlijden binnenlands belastingplichtig waren. 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het is geplaatst en werkt terug tot en met dagtekening van dit besluit. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11703,"b":"Archiefbeheersregeling voor het college voor de toelating van bestrijdingsmiddelen 2006 Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk I. Begrippenkader Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Archief: Het totaal van de in systematisch verband opgeslagen archiefbescheiden binnen de organisatie. Archiefbescheiden: - a. bescheiden, ongeacht hun vorm, door het CTB ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - b. bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op het CTB zijn overgegaan; - c. reproducties, ongeacht hun vorm, die bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) in de plaats zijn gesteld van de onder a) en b) bedoelde archiefbescheiden. Archiefbestanddeel: Deel van het archief dat vanwege het logische verband fysiek een eenheid vormt. Archiefbewaarplaats (Rijksarchiefbewaarplaats): Ruimte waarheen archiefbescheiden (van Rijksoverheidsorganen) ter blijvende bewaring zijn overgebracht en die voldoet aan de eisen als gesteld in de [Regeling bouw en inrichting van archiefruimten en archiefbewaarplaatsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012803). Archiefruimte: Ruimte binnen de organisatie waarin blijvend te bewaren archiefbescheiden worden opgeslagen tot het moment van overbrenging naar een archiefbewaarplaats en die voldoet aan de eisen als gesteld in de [Regeling bouw en inrichting van archiefruimten en archiefbewaarplaatsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012803). Authenticiteit: Het behoud van de inhoud, vorm en structuur van archiefbescheiden in hun oorspronkelijke gedaante, dat wil zeggen de gedaante die ze bij hun ontstaan hadden. Basisselectiedocument (BSD): Selectielijst (zie onder ‘Selectielijst’) als bedoeld in [artikel 5 van de Archief"},{"i":14548,"b":"Regeling procedures waarborgkapitaal Besluit: Artikel 1 De voorzitters van de managementteams van de in [artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=3) genoemde organisatieonderdelen zijn gemachtigd om namens de directeur, bedoeld in [artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=7), tot het toelaten van instellingen als borg in verband met het stellen van zekerheid in het kader van de douane wetgeving zoals bedoeld in het Voorschrift zekerheid (Beslissing van 29 september 1992, nr. DA92/719). Daartoe is hij gemachtigd tot de behandeling en ondertekening van alle benodigde akten. Artikel 2 De voorzitters van de managementteams van de in [artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=3) genoemde organisatieonderdelen zijn gemachtigd om namens de directeur, bedoeld in [artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=7), borgen aan te spreken indien dit noodzakelijk is. Artikel 3 De voorzitters van de managementteams van de in [artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=3) genoemde organisatieonderdelen is gemachtigd om namens de directeur, bedoeld in [artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=7), de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005900&artikel=1&z=2003-02-01&g=2003-02-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005900&artikel=2&z=2003-02-01&g=2003-02-01) gegeven bevoegdheden, al dan niet geclausuleerd, te doen uitoefenen door onder hem werkzaam zijnde functionarissen. Artikel 4 1. De ondertekening van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl"},{"i":14988,"b":"Besluit van 2 december 2005 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur houdende regels met betrekking tot reïntegratie (Reïntegratiebesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 juli 2005, Directie Sociale verzekeringen, nr. SV/R&S/05/51579; Gelet op [artikel 2.17, achtste lid, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019058&artikel=2.17), de [artikelen 52d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=52d) en [87 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=87), de [artikelen 34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=34), [35, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=35), en [36, eerste lid, onderdeel a, en vierde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=36), de [artikelen 65c, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65c), [65d, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65d), en [65e van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65e), de [artikelen 59b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59b), [59f, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59f), en [59g, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59g) en de [artikelen 67a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67a), [67b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67b), en [67c van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=67c); De Raad van State gehoord (advies van 10 augustus 2005, No. W12.05.0322/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van"},{"i":11717,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666112 op grond van artikel 3.121 van de Energiewet en artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet tot goedkeuring en vaststelling van de methoden en voorwaarden over de elektriciteitsbegrippen in de codes (Begrippencode elektriciteit 2026) Gelet op [artikel 3.121 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); Besluit: Artikel 1 In deze code wordt onder balanceringsverantwoordelijke, congestie, distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder telkens verstaan balanceringsverantwoordelijke, congestie, distributiesysteembeheerder, of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit, tenzij anders vermeld. Artikel 2 In de methoden of voorwaarden, bedoeld in [artikel 3.119 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.119), voor zover deze betrekking hebben op elektriciteit, wordt verstaan onder: - **aanraakspanning:** spanning tussen gelijktijdig bereikbare geleidende delen, wanneer deze geleidende delen niet in aanraking zijn met een persoon of dier; - **aansluit- en transportovereenkomst:** overeenkomst tussen een aangeslotene en een systeembeheerder dan wel tussen twee systeembeheerders onderling die zowel de aansluitovereenkomst als de transportovereenkomst omvat; - **aansluitcapaciteit:** door een aangeslotene of systeembeheerder gevraagde en door de systeembeheerder ter beschikking gestelde capaciteit op een aansluiting of systeemkoppeling, bij een grote aansluiting of systeemkoppeling aangeduid met het schijnbaar vermogen (VA) en bij een kleine aansluiting met de doorlaatwaarde; - **aansluitdienst:** het verzorgen en instandhouden van een aansluiting, een met koppeling te realiseren aansluiting als bedoeld in [artikel 3.38 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.38), of een systeemkoppeling, zoals nader omschreven in [artike"},{"i":12400,"b":"Besluit van de directeur-generaal van de statistiek van 29 juni 2023 kenmerk CSB-2023-099, houdende instelling Personeelsraadgever CBS Met instemming van het Georganiseerd Overleg, Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - 1. **Medewerker:** degene die werkzaam is bij het Centraal Bureau voor de Statistiek; - 2. **Personeelsraadgever CBS1Daar waar personeelsraadgever staat kan ook raadsman of raadsvrouw worden gelezen.:** de persoon bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048628&artikel=2&z=2023-09-20&g=2023-09-20). Artikel 2 1. Er is een personeelsraadgever CBS. 2. De personeelsraadgever is belast met de behandeling van vragen van medewerkers betreffende hun rechtspositie, waarop het CBS Intranet en/of Casper geen eenduidig antwoord geven. 3. De personeelsraadgever is voorts belast met de behandeling van bemiddelingsverzoeken van medewerkers bij (potentiële) arbeidsconflicten. De personeelsraadgever biedt de medewerker de mogelijkheid in gesprek te gaan over (potentiële) arbeidsconflicten. De personeelsraadgever luistert naar het verhaal van een medewerker, kan doorverwijzen naar een andere dienstverlener en kan op verzoek adviseren of bemiddelen in het zoeken naar een oplossing. 4. De personeelsraadgever kan het bevoegd gezag adviseren over externe bemiddeling of het verrichten van extern onderzoek naar een rechtspositionele vraag of een (potentieel) arbeidsconflict. 5. De personeelsraadgever is actief in alle vestigingen van het CBS. Artikel 3 1. De personeelsraadgever wordt door de directeur-generaal benoemd. 2. Een lid van de Ondernemingsraad maakt deel uit de selectiecommissie. 3. De benoeming geschiedt voor een periode van maximaal vier jaar. De personeelsraadgever is éénmaal herbenoembaar voor een periode van maximaal vier jaar. Artikel 4 1. De personeelsraadgever oefent zijn functie zonder last of ruggespraak uit. Bemiddelingsverzoeken wor"},{"i":12385,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 6 februari 2014, nr. Min.Buza-2015.48432, tot instelling en bezoldiging van de Adviescommissie Faciliteit Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid (FDOV) Gelet op het [besluit van 13 juni 2014, nr. Minbuza-2014.1313047, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiering op grond van Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Tweede call Fonds Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035228) Besluit: Artikel 1 1. Er is een Adviescommissie Fonds Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid (FDOV). 2. De commissie adviseert de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de beoordeling van voorstellen voor samenwerkingsverbanden in het kader van de Fonds Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid (FDOV). Artikel 2 1. De commissie toetst de beoordeling van voorstellen op kwaliteit en consistentie met de beleidsregels voor de Fonds Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid. 2. De toetsing van de commissie resulteert in instemming met of afwijking met de voorgenomen uitkomst van de beoordeling van een voorstel. In het advies van de commissie worden de argumenten bij een afwijkend oordeel duidelijk aangegeven. 3. Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij het ingediend projectvoorstel. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en maximaal vijf andere leden. 2. De voorzitter en de overige leden van de commissie worden benoemd en ontslagen door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor een tijdvak van twaalf maanden. 3. De leden van de commissie zijn te allen tijde herbenoembaar. 4. Het vereiste quorum voor een besluitvormende vergadering van de commissie is bereikt bij aanwezigheid van een meerderheid van de benoemde leden. De commissie streeft naar consens"},{"i":11718,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666154 op grond van artikel 3.121 van de Energiewet, en artikel 12f van de Gaswet juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet over de begrippen in de codes voor de TSB en DSB gas (Begrippencode gas TSB en DSB) De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f) en [artikel 3.121 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); Besluit: 1. Definities 2. Slotbepalingen Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11372,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 27 juni 2022, nummer CvTE-22.00853, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo ten behoeve van het examenjaar 2024, nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi ten behoeve van het examenjaar 2023 (Regeling syllabi centrale examens vo 2024) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Minister voor Primair en Voortgezet onderwijs, bedoeld in [artikel 2, achtste lid, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2), gegeven op 3 juli 2022, kenmerk 32625649, Besluit: Artikel 1. Vaststelling syllabi ten behoeve van het examenjaar 2024 Vervallen Artikel 2. Nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi Vervallen Artikel 3. Bekendmaking syllabi De syllabi, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046968&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046968&artikel=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01) worden bekendgemaakt op [www.examenblad.nl](http://www.examenblad.nl). Artikel 4. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046968&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en de daarbij behorende [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046968&bijlage=1a&z=2025-01-01&g=2025-01-01) vervallen met ingang van 1 januari 2025. 3. [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046968&artikel=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en de daarbij behorende [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046968&bijlage=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01) vervallen met ingang van 1 januari 2024. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Reg"},{"i":11719,"b":"Regeling van het bestuur van de Dopingautoriteit van 1 januari 2019, houdende de beheersregels voor documentaire informatie (Beheerregeling DI Dopingautoriteit 2019) Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14), Besluit vast te stellen de navolgende beheerregeling: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - **Afdelingshoofd:** het hoofd van een afdeling binnen de Dopingautoriteit; - **Antidopingorganisatie:** organisatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van het op 19 oktober 2005 tot stand gekomen Internationaal verdrag tegen doping in de sport (Trb. 2006, 194); - **Bestuur:** degene die door de Minister als voorzitter van de Dopingautoriteit is benoemd zoals bedoeld in [artikel 7 van de Wet uitvoering antidopingbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041439&artikel=7); - **Conversie:** de omzetting of overzetting van digitale documenten in een ander bestandsformaat; - **Documentaire informatie (DI):** - a. alle documenten, ongeacht hun vorm, door de Dopingautoriteit ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - b. alle documenten, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op de Dopingautoriteit zijn overgegaan; - c. alle documenten, ongeacht hun vorm, welke als gevolg van overeenkomsten met of beschikkingen van de Dopingautoriteit in een archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten; - d. reproducties, ongeacht vorm, welke bij of krachtens de wet in de plaats zijn gesteld van de onder het eerste, tweede of derde lid bedoelde documenten of welke op grond van [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) zijn vervaardigd; - **Dossier:** verzameling van documenten, ongeacht hun vorm, die bijeen zijn gebracht op grond van een logisch-inhoudelijk verband en in onderlinge samenhang zijn te raadplegen; -"},{"i":12466,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 14 oktober 2009, nr. BJZ2009/600, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt handelend in overeenstemming met het Kabinetsbesluit van 4 juli 2003 tot oprichting van een Shared Service Center HRM voor Personeelsregistratie en Salarisadministratie; gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de minister van Financiën; - b. **ministerie:** ministerie van Financiën; - c. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie. 2. Met betrekking tot de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468): - a. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd om in het kader van de dienstverlening aan het ministerie verwerkingen van persoonsgegevens uit te voeren als bewerker in de zin van [artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=1). De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig het Normenkader Informatiebeveiliging. De machtiging wordt geacht te gelden als bewerkersovereenkomst in de zin van [artikel 14, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=14). - b. De directeur P-Direkt heeft geen machtiging tot uitvoering van [artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36)"},{"i":11721,"b":"Beheerregeling documentaire informatie Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 2025 gelet op: [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14) en [artikel 41, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=41), besluit tot vaststelling van de Beheersregeling documentaire informatievoorziening Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze Beheersregeling documentaire informatievoorziening Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie wordt verstaan onder: - 1. **Afdelingshoofd:** het hoofd van een afdeling; Het Stimuleringsfonds heeft de volgende afdelingshoofden: - –. Hoofd bedrijfsvoering is verantwoordelijk voor financiën en personeelszaken, IT en informatiebeheer, secretariaat en de juridische zaken rondom HR en AVG; - –. Hoofd beleid & communicatie is verantwoordelijk voor strategische processen die ten dienste staan van het hele bedrijf, communicatie en beleid, en coördineert het flankerende beleid; - –. Hoofd subsidies is verantwoordelijk voor de uitvoering van het subsidie proces en de juridische zaken rondom subsidies; - 2. **Bestuur:** degene die door de Minister directeur-bestuurder van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie is benoemd zoals bedoeld in [artikel 12 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=12). De directeur-bestuurder is eindverantwoordelijk voor alle subsidiebesluiten van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie; - 3. **Conversie:** de omzetting of overzetting van digitale documenten in een ander bestandsformaat; - 4. **Documentaire informatie:** - a. Alle documenten, ongeacht hun vorm, door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - b. Alle documenten, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of p"},{"i":13148,"b":"Compensatieregeling Coronacrisis Musea 40.000–100.000 Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Definities In de regeling wordt verstaan onder: - 1. **het fonds:** het Mondriaan Fonds, - 2. **het bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds, - 3. **eigen inkomsten:** de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de goedgekeurde jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening: Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten: - a. publieksinkomsten; en - b. overige inkomsten, zijnde: - 1. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten; - 2. indirecte opbrengsten; en - 3. overige bijdragen. - a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; - b. overige bijdragen uit publieke middelen; - c. rentebaten; - d. bijdragen in natura; - e. kapitalisatie van vrijwilligers; - f. waardering vrijkaarten; en - g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap. Artikel 2. Doel Het fonds kan subsidie verstrekken in de vorm van een bijdrage aan musea die van vitaal belang zijn voor de lokale culturele infrastructuur en die liquiditeitsproblemen hebben of verwachten te krijgen, om deze musea zo veel mogelijk in stand te houden. Artikel 3. Doelgroep De bijdrage kan worden aangevraagd door een instelling die: - 1. als kernactiviteit het beheer en behoud van een publieke collectie van cultureel erfgoed van regionaal en/of nationaal belang heeft; - 2. beschikt over een registratie in het museumregister van Stichting Museumregister Nederland; en - 3. in de jaren 2017 en 2018 gemiddeld meer dan 40.000 maar minder dan 100.000 betalende bezoekers trok. Artikel 4. Voorwaarden 1. Voor subsidie komen uitsluitend musea in aanmerking die - a. liquiditeitsproblemen hebben of verwachten te krijgen als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19; - b. voor zover mogelijk, gebruik hebben"},{"i":11723,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 juni 2023, nr. MINBUZA-2023.798181, tot vaststelling van beheersregels voor het informatiemanagement van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Beheersregeling informatiemanagement BZ 2023) Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **CIO:** de Chief Information Officer van het Ministerie van Buitenlandse Zaken; - b. **dienstonderdeel:** een al dan niet tijdelijk zelfstandig onderdeel van het ministerie, alsook raden en commissies ingesteld door de minister; - c. **duurzame toegankelijkheid:** zodanige toegankelijkheid (dat wil zeggen: vindbaarheid, beschikbaarheid, leesbaarheid, interpreteerbaarheid en betrouwbaarheid) van informatie dat deze voor degenen die er recht op hebben, vanaf het moment van ontstaan en voor zolang als nodig is, bestand is tegen veranderingen van elke aard; - d. **externe deskundige:** onafhankelijke externe deskundige op het gebied van informatiehuishouding - e. **hoofd Informatiemanagement:** het hoofd van het cluster Informatiemanagement van de Directie Informatievoorziening en Digitale Innovatie van het ministerie; - f. **informatiehuishouding:** het geheel aan regels en voorzieningen gericht op het beheer van informatie ter ondersteuning van de primaire en secundaire processen; - g. **informatiemanagement:** de werkzaamheden om overheidsinformatie in staat van duurzame toegankelijkheid te brengen, te houden en te bewaren; - h. **medewerker:** elke vaste of tijdelijke medewerker van het ministerie; - i. **minister:** de Minister van Buitenlandse Zaken; - j. **ministerie:** het Ministerie van Buitenlandse Zaken; - k. **overbrenging:** het overbrengen van blijvend te bewaren overheidsinformatie naar een archiefbewaarplaats; - l. **overdracht:** het overdragen van het beheer en mogelijk ook het eigendom van overheidsinformatie aan een ander"},{"i":11722,"b":"Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 14 juli 2020, #4100673-v8, houdende regels op het gebied van de informatiehuishouding voor het Ministerie van Algemene Zaken (kortweg: Beheersregeling Archiefbeheer AZ 2020) Gelet op [artikel 14 van het **Archiefbesluit 1995**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Begrippenkader Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **afgesloten archief:** een niet meer actueel archief dat betrekking heeft op een voltooid werkproces en dat in principe onveranderlijk is; - b. **archief:** geheel van archiefbescheiden, ontvangen of opgemaakt door het ministerie of een onderdeel hiervan; - c. **archiefbeheer:** de feitelijke of uitvoerende werkzaamheden om archiefbescheiden (fysiek of digitaal) in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen te bewaren of over te brengen, als ook om archiefbescheiden die daarvoor in aanmerking komen te vernietigen; - d. **archiefbeheerder:** degene die namens de secretaris-generaal verantwoordelijk is voor het laten uitvoeren van een effectief en efficiënt archiefbeheer voor de onder hem vallende archiefvormende onderdelen i.c. de directeur Bedrijfsvoering; - e. **archiefbeherend onderdeel:** het organisatieonderdeel dat tot taak heeft de feitelijke uitvoerende werkzaamheden met betrekking tot het archiefbeheer uit te voeren; - f. **archiefbescheiden:** - 1°. bescheiden, ongeacht hun vorm, door het ministerie ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - 2°. bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op het ministerie zijn overgegaan; - 3°. bescheiden, ongeacht hun vorm, welke ingevolge overeenkomsten met of beschikkingen van instellingen of personen dan wel uit anderen hoofde in een archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten; - 4°. repro"},{"i":11726,"b":"Bekendmaking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 december 2016, 2016-0000255883, inzake de gewijzigde bedragen in de artikelen 7a en 12 van de Algemene Kinderbijslagwet per 1 januari 2017 De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Maakt op grond van [artikel 13, tweede, derde en achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13) bekend dat met ingang van 1 januari 2017 de bedragen in de [artikelen 7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=7a) en [12 van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=12) als volgt zijn gewijzigd: A Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. B [Artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=12) wordt als volgt gewijzigd: Deze bekendmaking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11727,"b":"Mededeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juni 2016, 2016-0000149676, tot bekendmaking van de gewijzigde bedragen in artikel 12 van de Algemene Kinderbijslagwet per 1 juli 2016 De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, maakt op grond van [artikel 13, derde en achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13) bekend dat met ingang van 1 juli 2016 in de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368): Deze bekendmaking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11728,"b":"Bekendmaking van de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) van 15 mei 1996, (Stcrt. 1996, nr. 93), houdende bekendmaking beleid NIWO, in werking getreden op 1 juni 1996, zoals laatstelijk gewijzigd bij bekendmaking van 10 juli 2006 (Stcrt. 2006, nr. 131) De NIWO bepaalt, gelet op de [Wet goederenvervoer over de weg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005443), het [Besluit goederenvervoer over de weg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005496) en de ministeriële regelingen ter uitvoering van wet en besluit, het navolgende: A. Aanvragen om vergunning Bij een aanvraag om vergunning voor binnenlands beroepsvervoer stelt de NIWO ingevolge [artikel 8 van de Wet goederenvervoer over de weg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005443&artikel=8) vast of door de aanvrager wordt voldaan aan de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid. Bij een aanvraag om vergunning voor grensoverschrijdend beroepsvervoer (de communautaire vergunning of Eurovergunning) stelt de NIWO ingevolge [artikel 9 van de Wet goederenvervoer over de weg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005443&artikel=9) vast of de aanvrager in bezit is van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer en door aanvrager wordt voldaan aan de aanvullende eis van vakbekwaamheid voor grensoverschrijdend beroepsvervoer. Voorts stelt de NIWO de eis dat de onderneming een reële vestiging in Nederland heeft. B. Betrouwbaarheid Door iedere bestuurder, die als zodanig in het Handelsregister is vermeld, moet een verklaring omtrent het gedrag ten dienste van het verkrijgen van een vergunning voor beroepsvervoer worden overgelegd. Deze verklaring moeten worden aangevraagd bij de gemeente waarin de betreffende bestuurder van de onderneming woonachtig is. Op het moment van indiening van de aanvraag om een vergunning mag de verklaring omtrent het gedrag niet ouder zijn dan drie maanden. Een verklaring omtrent het gedrag dient elke vijf jaar opnieuw overgelegd te"},{"i":11729,"b":"Bekendmaking constanten regressieformules en waarden voor de gemiddelde CO2-uitstoot voor benzine- en dieselauto's De algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer, Gelet op [artikel 8 van het Besluit etikettering energieverbruik personenauto's](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&artikel=8) van 3-11-2000 (Stb. 2000, nr. 475); Besluit: De constanten voor de in [bijlage 4 bij het Besluit etikettering energieverbruik personenauto's opgenomen regressieformules](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&bijlage=4), en de daarbij behorende waarden van de gemiddelde CO2-uitstoot voor personenauto's met benzine als brandstof, en voor personenauto's met diesel als brandstof, voor het kalenderjaar 2004, als volgt vast te stellen: 1. Constanten voertuiglengte: C1, lengte: -3,968 C2, lengte: 5,185 C3, lengte: -0,246 2. Constanten benzineauto's: C1, benzine: 222,293 C2, benzine: -43,833 C3, benzine: 5,102 3. Constanten dieselauto's: C1, diesel: 228,828 C2, diesel: -49,943 C3, diesel: 5,187 4. Waarden gemiddelde CO2-uitstoot: Gemiddelde CO2-uitstoot benzine: 173,298 Gemiddelde CO2-uitstoot diesel: 164, 101 Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11730,"b":"Bekendmaking en besluit tot inwerkingtreding van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 17 november 2023 nr. IENW/BSK-2023/338267, van internationale besluiten met betrekking tot de veiligheid van zeeschepen Gelet op [artikel 71, eerste en vierde lid, van het Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=71), [artikel 61 van de Regeling veiligheid zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017728&artikel=61), en [artikel 38 van de Regeling veiligheid Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017726&artikel=38); MAAKT BEKEND: Op 8 juni 2023 heeft de Maritieme veiligheidscommissie (MSC) van de Internationale Maritieme Organisatie de volgende resoluties aangenomen: MSC.542(107), houdende wijzigingen van de Code voor de veiligheid van schepen voor bijzondere doeleinden, 1983 (Special Purpose Ships Code; SPS-Code 1983); MSC.543(107), houdende wijzigingen van de Code voor de veiligheid van schepen voor bijzondere doeleinden, 2008 (Special Purpose Ships Code; SPS-Code 2008); MSC.545(107), houdende wijzigingen van de Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden, 1979 (Code for the Construction and Equipment of Mobile Offshore Drilling Units, 1979; MODU-Code 1979); MSC.546(107), houdende wijzigingen van de Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden, 1989 (Code for the Construction and Equipment of Mobile Offshore Drilling Units, 1989; MODU-Code 1989); MSC.547(107), houdende wijzigingen van de Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden, 2009 (Code for the Construction and Equipment of Mobile Offshore Drilling Units, 2009; MODU-Code 2009). De bij resoluties MSC.542(107) en MSC.543(107) vastgestelde wijzigingen van de SPS-Codes en de bij resoluties MSC.545(107), MSC.546(107) en MSC.547(107) vastgestelde wijzigingen van de MODU-Codes, liggen ter inzage bij de Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridi"},{"i":11731,"b":"Mededeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 juni 2017, 2017-0000102271, tot bekendmaking van de per 1 juli 2017 gewijzigde bedragen in de Algemene Kinderbijslagwet, de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Ouderdomswet en de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW **De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,** Gelet op [artikel 13, derde en achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13), [artikel 2, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=2), [artikel 9, zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9) en de [artikelen 3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033498&artikel=3), en [8, vierde lid, van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033498&artikel=8); **Deelt mee:** A. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) B. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) C. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Met ingang van 1 juli 2017 bedraagt het bruto-ouderdomspensioen: D. [Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033498) Wijzigt de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW. Deze bekendmaking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11732,"b":"Bekendmaking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juni 2018, 2018-0000108955, over per 1 juli 2018 gewijzigde bedragen in de Algemene Kinderbijslagwet De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Gelet op [artikel 13, derde en achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13); **Deelt mede:** dat met ingang van 1 juli 2018 in de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) de bedragen zijn gewijzigd en als volgt luiden: Deze bekendmaking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12464,"b":"Besluit van de Minister van Algemene Zaken van 17 september 2009, nr. 3457336, tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt Handelend in overeenstemming met het Kabinetsbesluit van 4 juli 2003 tot oprichting van een Shared Service Center HRM voor Personeelsregistratie en Salarisadministratie; Gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** De Minister-President, Minister van Algemene Zaken; - b. **ministerie:** Ministerie van Algemene Zaken; - c. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie. 2. Met betrekking tot de Wet bescherming persoonsgegevens: - a. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd om in het kader van de dienstverlening aan het ministerie verwerkingen van persoonsgegevens uit te voeren als bewerker in de zin van [artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=1). De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig het Normenkader Informatiebeveiliging. De machtiging wordt geacht te gelden als bewerkersovereenkomst in de zin van [artikel 14, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=14). - b. De directeur P-Direkt heeft geen machtiging tot uitvoering van [artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36) dan na een besluit"},{"i":11733,"b":"Bekendmaking statuten NAK **STATUTEN 2007** van de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (NAK) zoals deze zijn goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 27 november 2007 Inleidende bepalingen Artikel 1 1. De stichting draagt de naam: ‘Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen’, bij afkorting ‘NAK’. 2. Zij is statutair gevestigd te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder. Artikel 2 1. De statuten en de reglementen van de stichting nemen de terminologie van de [Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040) en de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften over, tenzij hierna of in een reglement anders wordt bepaald. 2. In deze statuten wordt begrepen onder ‘Minister’: de met zaken van landbouw belaste Minister. Doel Artikel 3 1). De NAK heeft ten doel het verrichten van specifieke taken van openbaar belang, waaronder de wettelijke taken en de taken op basis van een ministerieel mandaat met betrekking tot controle- en inspectiewerkzaamheden op planten en plantaardige producten. 2). Onder de in lid 1 bedoelde werkzaamheden worden in het bijzonder begrepen: - a). het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de [Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040) en [Plantenziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002075) gestelde voorschriften en de uitvoering van fytosanitaire inspecties en het waarmerken van fytosanitaire en kwaliteitscertificaten - b). door middel van keuringen te bevorderen dat betrouwbaar teeltmateriaal in het verkeer gebracht en verder verhandeld wordt; - c). de bevordering van de voortbrenging en het gebruik van betrouwbaar materiaal, alsmede van de verbetering van teeltmateriaal; - d). de uitvoering van de bij of krachtens wettelijke regelingen vastgestelde voorschriften, voorzover deze aan haar worden opgedragen. 3). De NAK is voor de uitvoer"},{"i":11734,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 januari 2009, nr. 5576604/08/6, houdende nadere regels in verband met de elektronische bekendmaking van wetten, algemene maatregelen van bestuur en anders dan bij wet of algemene maatregel van bestuur vastgestelde algemeen verbindende voorschriften (Bekendmakingsregeling) Gelet op de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=9) en [10, tweede lid, van de Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=10) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025257&artikel=2), [4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025257&artikel=4), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025257&artikel=8), en [10, tweede lid, van het Bekendmakingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025257&artikel=10); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wet elektronische bekendmaking in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder **minister**: Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 2 1. De minister draagt er zorg voor dat de betrouwbaarheid en de beveiliging van de elektronische uitgifte en beschikbaarstelling van het Staatsblad voldoen aan de volgende eisen: - a. De publicaties worden uitgegeven en beschikbaar gehouden in het bestandsformaat PDF/A, conformiteitsniveau a. - b. Het systeem voor gegevensverwerking waarmee de publicaties worden uitgegeven en beschikbaar gehouden, voldoet aan hoge continuïteitseisen. - c. Het systeem voor gegevensverwerking waarmee de publicaties worden uitgegeven en beschikbaar gehouden, is volgens algemeen aanvaarde nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging ingericht. - d. Alle mutaties in het systeem voor gegevensverwerking waarmee de publicaties worden uitgegeven en beschikbaar gehouden, worden geregistreerd en deze registratie wordt buiten dit s"},{"i":11735,"b":"Wet van 4 februari 1988, houdende regeling van de uitgifte van het Staatsblad en de Staatscourant en van de bekendmaking en de inwerkingtreding van wetten, algemene maatregelen van bestuur en vanwege het Rijk anders dan bij wet of algemene maatregel van bestuur vastgestelde algemeen verbindende voorschriften Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge de [artikelen 88](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=88) en [89 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89) de wet de bekendmaking en de inwerkingtreding van wetten, algemene maatregelen van bestuur en vanwege het Rijk anders dan bij wet of algemene maatregel van bestuur vastgestelde algemeen verbindende voorschriften dient te regelen, en dat het in verband daarmee tevens gewenst is enkele andere voorzieningen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De regering geeft het Staatsblad en de Staatscourant uit. 2. De uitgifte van het Staatsblad en de Staatscourant geschiedt elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze. 3. De zorg voor de uitgifte van het Staatsblad berust bij Onze Minister van Justitie en Veiligheid. 4. De zorg voor de uitgifte van de Staatscourant berust bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. Gedeputeerde staten van de provincie geven een provinciaal blad uit. 2. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente geeft een gemeenteblad uit. 3. Het dagelijks bestuur van het waterschap geeft een waterschapsblad uit. 4. Het bestuurscollege van het openbaar lichaam, bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=1), geeft een afkondigingsblad uit. 5. Het dagelijks bestuur van he"},{"i":11736,"b":"Beleid tijdelijke importprocedure De directie van de Dienst Wegverkeer, Gelet op de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), het [Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951) en de [Regeling erkenning bedrijfsvoorraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007089); Besluit: Hoofdstuk 1. Eisen voor deelname Uw bedrijf heeft de Erkenning Bedrijfsvoorraad van de RDW. Daarmee bent u toegelaten tot de tijdelijke importprocedure. De tijdelijke importprocedure houdt in dat u onder voorwaarden online een kenteken kunt aanvragen. Dit beleid is bedoeld voor u als aanvrager van een individuele inschrijving. De [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), het [Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951), de [Regeling erkenning bedrijfsvoorraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007089) en het Beleid tijdelijke importprocedure vormen de basis voor de tijdelijke importprocedure. De RDW houdt toezicht op de tijdelijke importprocedure. Deze bevoegdheid is gebaseerd op [artikel 6, eerste lid, onder a, van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007089&artikel=6). Hoofdstuk 2. Voorschriften voor gebruik U kunt online een aanvraag voor een inschrijving doen met de online dienst ‘EU/EVA-voertuig registreren’ (EVR). Deze dienst heeft specifieke eisen en voorwaarden. Daarnaast gelden ook algemene voorwaarden. Voldoet u niet aan de eisen en/of voorwaarden dan mag u niet online een inschrijving aanvragen en moet u een afspraak op een van de keuringslocaties van de RDW maken. Hoofdstuk 3. Eisen en Voorwaarden 3.1. Voertuig 3.2. Kentekenbewijs 3.3. Foto’s en bestanden 3.4. Inschrijven voor een ander Hoofdstuk 4. Toezicht 4.1. Basis van het toezicht De RDW houdt toezicht op de tijdelijke importprocedure. Deze bevoegdheid is gebaseerd op [artikel 6, eerste lid, onder a van de Regeling erkenning Bedrijfsvoorraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007089&artikel=6). De basis van het toezicht is vastgelegd in"},{"i":12683,"b":"Besluit van 5 januari 2009, nr. 08.003762, houdende de toekenning van een vaste vergoeding aan de niet-ambtelijke leden van de Programmaraad, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit Programmaraad (Besluit vaste vergoeding Programmaraad) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 december 2008, kenmerk MC-2898019; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Programmaraad:** de Programmaraad, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit Programmaraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024898&artikel=2); - b. **voorzitter:** het lid van de Programmaraad dat de desbetreffende vergadering voorzit. Artikel 2 1. Aan de leden, niet zijnde de voorzitter, van de Programmaraad wordt voor het uitvoeren van de taak, bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit Programmaraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024898&artikel=2), in plaats van vacatiegeld een vaste vergoeding van acht maal het bruto uurloon van schaal 18, periodiek 10, voor een vergadering die maximaal 4 uur duurt en zestien maal het bruto uurloon van schaal 18, periodiek 10, voor een vergadering die meer dan 4 uur duurt toegekend. 2. Aan de voorzitter wordt voor het uitvoeren van de in het eerste lid bedoelde taak voor een vergadering die maximaal 4 uur duurt acht maal het bruto uurloon van schaal 19 en voor een vergadering die meer dan 4 uur duurt zestien maal het bruto uurloon van schaal 19 toegekend. Artikel 3 Onverminderd [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025187&artikel=2&z=2009-01-18&g=2009-01-18) bedraagt de vaste vergoeding van een lid, waaronder de voorzitter, per kalenderjaar maximaal 50% van de jaarwedde volgens het eerste niveau na schaal 18 per jaar. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening v"},{"i":13390,"b":"Instelling Commissie Evaluatie Militair Straf- en Tuchtrecht Gelet op de Rijkswet van 14 juni 1990. Stb. 1990, 368 tot wijziging van het Wetboek van Militair Strafrecht in verband met de herziening van het militair tuchtrecht en ter afschaffing van de doodstraf, de [Rijkswet van 14 juni 1990, Stb. 1990, 367 tot herziening van het militair tuchtrecht (Wet militair tuchtrecht)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004788) en de [Rijkswet van 14 juni 1990, Stb. 1990, 370 houdende nieuwe regels inzake de militaire strafrechtspraak (Wet militaire strafrechtspraak)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789), alle in werking getreden op 1 januari 1991, waarin het militair straf-, strafproces- en tuchtrecht op ingrijpende wijze is herzien: Overwegende dat tijdens de behandeling in de Eerste Kamer der Staten-Generaal van de aan bovengenoemde wetten ten grondslag liggende wetsontwerpen 16 813 (R1165) en 17 804 (R1228) betreffende de herziening van het militair straf-, strafproces- en tuchtrecht het voornemen door de bewindslieden is uitgesproken de nieuwe wetgeving te laten evalueren en dat het met het oog daarop wenselijk is een commissie in het leven te roepen; Besluiten: Artikel 1 Er is een Commissie Evaluatie Militair Straf- en Tuchtrecht, hierna te noemen de commissie. Artikel 2 De commissie is als volgt samengesteld: Artikel 3 De commissie heeft tot taak aan de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Defensie rapport uit te brengen met betrekking tot de praktijk, zoals die zich voordoet bij de toepassing van het herziene militaire straf-, strafproces- en tuchtrecht, in welk rapport de commissie conclusies uit het in onze opdracht te verrichten en door de commissie te begeleiden evaluatieonderzoek kan neerleggen en, indien de commissie daartoe aanleiding aanwezig acht, aanbevelingen op grond van deze conclusies kan doen. Artikel 4 a. Aan de commissie is een secretariaat toegevoegd. Dit secretariaat staat onder leiding van de secretaris. b. Het secreta"},{"i":11739,"b":"Beleidsregel van de Stichting Autoriteit Financiële Markten aangaande de definitie en de berekening van een shortpositie in de zin van de Wft De Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) besluit na openbare consultatie gelet op [artikel 5:38, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:38), en [artikel 5:39, tweede lid, Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:39) en [artikel 5, Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020416&artikel=5) tot het navolgende: Wettelijk kader De Wet op het financieel toezicht (Wft) stelt in [artikel 5:38, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:38), dat; **een ieder die de beschikking krijgt of verliest over financiële instrumenten die een shortpositie met betrekking tot de aandelen vertegenwoordigen waardoor, naar hij weet of behoort te weten, de shortpositie waarover hij beschikt, uitgedrukt in het percentage van het kapitaal, een drempelwaarde bereikt, overschrijdt dan wel onderschrijdt, meldt dat onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.** **Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de bepaling van een shortpositie als bedoeld in dit lid.** Aan [artikel 5:39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:39) zal een lid worden toegevoegd dat ziet op de plicht tot het melden van een shortpositie bij het bereiken, over- of onderschrijden van een drempelwaarde bij een passieve wijziging door het wijzigen van het kapitaal. Dit is een beleidsregel als bedoeld in [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) (Awb). De bevoegdheid van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) tot het vaststellen van deze beleidsregel is gebaseerd op [artikel 4:81, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":12055,"b":"Besluit van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van de archieven van het Directoraat-Generaal Personeel en zijn directies en afdelingen, (1972) 1976–1991 (1992), bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats (Besluit beperking openbaarheid) Overwegende dat een aantal dossiers in de archieven van het Directoraat-Generaal Personeel en zijn directies en afdelingen, (1972) 1976–1991 (1992), beperkingen aan de openbaarheid behoeft: Gelet op [artikel 15, lid 1, onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 21-07-2016, met kenmerk EDOC-#1041646-v1. Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. De beperking vervalt indien ten overstaan van de beheerder van het Nationaal Archief, de algemene rijksarchivaris, is aangetoond dat de persoon (of personen) op wie het dossier betrekking heeft, is (zijn) overleden. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 500 | 2065 | | 1006 | 2055 | | 1007 | 2060 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039536&artikel=1&z=2017-05-12&g=2017-05-12), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijk verkregen toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Behandeling van verzoeken tot inzage en het verlenen van inzage zelf geschieden volgens de daarvoor bij het Nationaal Archief geldende procedures. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [arti"},{"i":11740,"b":"Beleidsregel van de Stichting Autoriteit Financiële Markten inzake het actief zijn door beheerders van beleggingsinstellingen dan wel icbe’s of beleggingsinstellingen dan wel icbe’s in Nederland (Beleidsregel Actief zijn in Nederland 2013) Wettelijk kader [Artikel 2:65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:65) en [artikel 2:69b, eerste en tweede lid Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:69b) (Wft) behelzen onder andere het verbod om in Nederland een recht van deelneming in een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) aan te bieden, zonder dat de beheerder van de beleggingsinstelling of de icbe een door de AFM verleende vergunning heeft; of, indien het een beleggingsmaatschappij of een beleggingsmaatschappij voor collectieve belegging in effecten betreft die geen aparte beheerder heeft, zonder dat de beleggingsmaatschappij of de beleggingsmaatschappij voor collectieve belegging in effecten een door de AFM verleende vergunning heeft. Ten aanzien van het actief zijn door beleggingsinstellingen en icbe’s in Nederland is het beleid van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) reeds in een eerder stadium bekend gemaakt1Beleidsregel Wet op het financieel toezicht 06-14 van de Stichting Autoriteit Financiële Markten van 12 december 2006 inzake het actief zijn door beleggingsinstellingen in Nederland (Beleidsregel Actief zijn in Nederland), Staatscourant 2006, 251.. Deze beleidsregel kan worden aangemerkt als een technische en beleidsneutrale omzetting in het kader van de implementatie van de [Richtlijn nr. 2011/61](32011L0061)/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen in Nederland (AIFM-richtlijn). Dit is een beleidsregel als bedoeld in [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3)"},{"i":13253,"b":"Wet van 19 oktober 2022 tot wijziging van de Wet financiering politieke partijen in verband met de evaluatie van deze wet (Evaluatiewet Wfpp) Artikel I Wijzigt de Wet financiering politieke partijen. Artikel II [Artikel I, onderdelen L, O, P, Q, R en T](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047385&artikel=I&z=2025-02-12&g=2025-02-12), van deze wet zijn voor het eerst van toepassing op het subsidiejaar dat volgt op het kalenderjaar waarin deze wet in werking treedt. Artikel III 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met uitzondering van [artikel I, onderdeel E, onder 1, onderdeel a, onderdeel aEa en onderdeel Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047385&artikel=I&z=2025-02-12&g=2025-02-12). 2. [Artikel I, onderdeel E, onder 1, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047385&artikel=I&z=2025-02-12&g=2025-02-12), treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2020. 3. [Artikel I, onderdeel aEa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047385&artikel=I&z=2025-02-12&g=2025-02-12), treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. 4. [Artikel I, onderdeel Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047385&artikel=I&z=2025-02-12&g=2025-02-12), treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Evaluatiewet Wfpp. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de financiële transparantie van politieke partijen te vergroten en buitenlandse financiering van Nederlandse politieke partijen te verbieden om buitenlandse beïnvloeding van de politieke besluitvorming en het democratische proces in Nederland tegen te gaan; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verst"},{"i":15536,"b":"Wet van 14 november 2016 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2017) Artikel I. [Algemene kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Algemene ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene ouderdomswet. Artikel IV. [Burgerlijk Wetboek Boek 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel V. [Burgerlijk Wetboek BES Boek 7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 7a. Artikel VI. [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) Wijzigt de Gemeentewet. Artikel VII. [Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008658) Wijzigt de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen. Artikel VIII. [Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063) Wijzigt de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel IX. [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel X. [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424) Wijzigt de Remigratiewet. Artikel XI. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel XII. [Verzamelwet SZW 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036013) Wijzigt de Verzamelwet SZW 2015. Artikel XIII. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel XIIIa. [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) Wijzigt de Wet algemene ouderdomsverzekering BES. Artikel XIIIb. [Wet"},{"i":11742,"b":"Beleidsregel van de Nederlandsche Bank N.V. van 27 maart 2023 houdende regels met betrekking tot de beoordeling van de afwikkelbaarheid van verzekeraars als bedoeld in artikel 3a:82 van de Wet op het financieel toezicht (Beleidsregel afwikkelbaarheid verzekeraars 2023) Gelet op de [artikelen 3a:77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:77), [3a:78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:78), [3a:81 eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:81), [3a:82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:82), [3a:83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:83), [3a:85 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:85), [3a:86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:86), [3a:89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:89), [3a:90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:90) en [3a:91 eerste en tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:91) (‘**Wft**’) Gelet op [artikel 6 van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&artikel=6) (‘**Bbpm**’) Na consultatie van de verzekeraars en groepen waarvoor DNB afwikkelingsplannen opstelt, betrokken representatieve organisaties en het bredere publiek. Besluit: § 1. Definities Artikel 1. Definities De begrippen in deze beleidsregel hebben dezelfde betekenis als in [hoofdstuk 3a.2. Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&hoofdstuk=3a.2) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving. Daarnaast wordt in deze beleidsregel verstaan onder: - a. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V. - b. **governancesysteem:** governancesysteem als bedoeld in Hoofdstuk IX van de (Solvency II) Gedelegeerde [verordening (EU) 2015/35](31935R2015) van de Commissie van 10 oktober 2014. - c. **kritieke die"},{"i":13904,"b":"Opiumwet Allen, die deze zullen zien, of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, de bepalingen betreffende het opium en andere verdoovende middelen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het op 19 Februari 1925 te Genève tusschen Nederland en andere Staten gesloten internationale opiumverdrag; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. substantie: stof van menselijke, dierlijke, plantaardige of chemische oorsprong, daaronder begrepen dieren, planten, delen van dieren of planten, alsmede micro-organismen; - c. preparaat: een vast of vloeibaar mengsel van substanties; - d. middel: substantie of preparaat; - e. Enkelvoudig Verdrag: het op 30 maart 1961 te New York tot stand gekomen Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen (**Trb.** 1963, 81), zoals gewijzigd bij het op 25 maart 1972 te Genève tot stand gekomen Protocol tot wijziging van dat verdrag (**Trb.** 1987, 90); - f. Psychotrope Stoffen Verdrag: het op 21 februari 1971 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake psychotrope stoffen (**Trb.** 1989, 129); - g. Kaderbesluit 2004/757/JBZ: Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PbEU 2004, nr. L 335), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2017/2103 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 tot wijziging van het Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad teneinde psychoactieve stoffen in de definitie van «drug» op te nemen en tot intrekking van Besluit 2005/387/JBZ van de Raad; - h. Besluit 20"},{"i":12575,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, houdende specifieke verdeling van taken en stemrechten in verband met Verordening (EU) 2017/2195 van de Commissie tot vaststelling van richtsnoeren voor elektriciteitsbalancering Artikel 1 De volgende bepalingen uit de Verordening (EU) 2017/2195 van de Commissie tot vaststelling van richtsnoeren voor elektriciteitsbalancering zijn ook op BritNed Development Limited van toepassing: - a. Artikel 37, berekening van zone-overschrijdende capaciteit; - b. Artikel 38, algemene eisen; - c. Artikel 39, berekening van de marktwaarde van zone-overschrijdende capaciteit; - d. Artikel 40, gecoöptimaliseerd toewijzingsproces; - e. Artikel 41, marktgebaseerd toewijzingsproces; - f. Artikel 42, toewijzingsproces op basis van een analyse van de economische efficiëntie; - g. Artikel 43, gebruik van zone-overschrijdende capaciteit door BSP’s; - h. Artikel 50, eerste lid en vierde lid, beoogde energie-uitwisselingen; - i. Artikel 51, tweede lid, niet-beoogde energie-uitwisselingen. Artikel 2 De verdeling van de stembevoegdheden in Nederland tussen TenneT TSO B.V. en BritNed Development Limited wordt vastgesteld in een verhouding van 11:1, respectievelijk 11 voor TenneT TSO B.V. en 1 voor Britned Development Limited. Artikel 3 Het Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, houdende specifieke verdeling van taken en stemrechten in verband met Verordening (EU) 2017/2195 van de Commissie tot vaststelling van richtsnoeren voor elektriciteitsbalancering (Stcrt 2019, 66161) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit wordt bekend gemaakt door publicatie in de Staatscourant."},{"i":13867,"b":"Wet van 23 september 1964, houdende voorzieningen ter waarborging van de voortzetting van de rechtspleging in geval van oorlog, oorlogsgevaar of daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in geval van oorlog, oorlogsgevaar of daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden voorzieningen ter waarborging van de voortzetting van de rechtspleging en enkele daarmede samenhangende voorzieningen te kunnen treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002457&artikel=2&z=2013-01-01&g=2013-01-01) tot en met [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002457&artikel=14&z=2013-01-01&g=2013-01-01) in werking worden gesteld. 2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen. 3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld. 4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten. 5"},{"i":12175,"b":"Besluit departementale herindeling vreemdelingenzaken Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 5 november 2012, kenmerk 3117028; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van vreemdelingenzaken, met inbegrip van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, de Dienst Terugkeer en Vertrek, de grensbewaking inzake vreemdelingenzaken en de Rijkswet op het Nederlanderschap, voor zover deze voor 5 november 2012 was opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De taken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van het ministerie van Veiligheid en Justitie worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032188&artikel=1&z=2012-11-09&g=2012-11-09) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032188&artikel=2&z=2012-11-09&g=2012-11-09) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 november 2012. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonde"},{"i":14176,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 juni 2020, nr 2020-0000351254, houdende vaststelling van het Controleprotocol Wet normering topinkomens 2020 (Regeling Controleprotocol WNT 2020) Gelet op [artikel 1.9, onderdeel d, van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.9); Besluit: Artikel 1 Het protocol voor controle van het financieel verslaggevingsdocument door de accountant over het jaar 2020 op de naleving van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop rustende bepalingen wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2020. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Controleprotocol WNT 2020. Bijlage. bij de Regeling Controleprotocol WNT 2020 Controleprotocol WNT 2020 Inhoudsopgave 1. Uitgangspunten 1.1. Doelstelling en inkadering protocol De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) (WNT) en de daarop gebaseerde regelgeving normeert de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector. De wet verplicht tevens tot openbaarmaking van de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van alle topfunctionarissen en daarnaast van de bezoldiging van niet-topfunctionarissen, indien de bezoldiging het algemeen bezoldigingsmaximum (naar rato van de omvang van het dienstverband) te boven gaat. De [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) schrijft voor welke gegevens WNT-instellingen moeten opnemen in het financieel verslaggevingsdocument. Het is de verantwoordelijkheid van de opsteller van het financieel verslaggevingsdocument om de juiste en volledige gegevens op te nemen. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de accountant om te toetsen dat die gegevens voldoen aan de WNT ([artikel 1.7 WNT](https"},{"i":12994,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 17 juni 2022, nr. WJZ/32667555, houdende de verlenging van het experiment educatieve module Gelet op de [artikelen 1.7a, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.7a) en [118t van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=118t); Besluiten: Artikel 1 1. Het experiment educatieve module, bedoeld in [hoofdstuk 4 van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037837&hoofdstuk=4), wordt verlengd tot het tijdstip waarop artikel I, onderdeel A van het bij koninklijke boodschap van 10 juni 2022 bij de Tweede Kamer ingediende voorstel van wet, houdende de wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet voortgezet onderwijs 2020 houdende de verankering van het experiment educatieve module en enkele andere aangelegen wijzigingen op het gebied van de lerarenopleiding (36132), in werking treedt. 2. In afwijking van het eerste lid geldt dat indien het bij koninklijke boodschap van 10 juni 2022 bij de Tweede Kamer ingediende voorstel van wet, houdende de wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet voortgezet onderwijs 2020 houdende de verankering van het experiment educatieve module en enkele andere aangelegen wijzigingen op het gebied van de lerarenopleiding (36132), wordt ingetrokken of wordt verworpen door een van de Kamers der Staten-Generaal, het experiment eindigt met ingang van het daaropvolgende studiejaar, bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel k, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1), met dien verstande dat vanaf het moment van verwerpen of intre"},{"i":12043,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 7 november 2006, nr. 06M487724, inzake beperkingen aan de openbaarheid van in de verklaring van overbrenging van de notulen en bescheiden van de ministerraad en onderraden (1 januari 1978–1 januari 1985) genoemde archiefbescheiden Gelet op [artikel 15, eerste lid en tweede lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. notulen en bescheiden: notulen en bescheiden van de rijksministerraad, de ministerraad, de onderraden en de ministeriële commissies als bedoeld in de verklaring van overbrenging van de notulen en bescheiden van de ministerraad en onderraden (1 januari 1978–1 januari 1985); - b. raadpleging: inzage en gebruik ten behoeve van (wetenschappelijk) onderzoek; - c. publicatie: verspreiding van de geraadpleegde gegevens op enigerlei wijze, waaronder mondelinge, schriftelijke, elektronische en audiovisuele verspreiding, alsmede verlening van inzage aan derden; - d. verklaring inzake raadpleging: de inhoud van de verklaring inzake raadpleging die als bijlage bij dit besluit is gevoegd. Artikel 2 1. De notulen en bescheiden kunnen, zolang zij ouder zijn dan 20 jaar en jonger dan 25 jaar, alleen worden geraadpleegd na: - a. ondertekening door de onderzoeker van de verklaring inzake raadpleging, en - b. voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. 2. Publicatie van de gegevens uit de geraadpleegde notulen en bescheiden als bedoeld in het vorige lid, kan alleen plaatsvinden na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris na overleg met de secretaris van de ministerraad. Artikel 3 Er worden geen kopieën of andere reproducties verstrekt van de notulen en bescheiden als bedoeld in de verklaring van overbrenging van de notulen en bescheiden van de"},{"i":11745,"b":"Beleidsregel bijzondere tandheelkunde instellingen Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met de brief van 12 juli 2012 ([kenmerk MC-U-3122855](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031816)) ten behoeve van voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Instelling voor bijzondere tandheelkunde:** Een instelling voor bijzondere tandheelkunde is een instelling die zich kenmerkt door een samenwerkingsverband van gedifferentieerde mondzorgverleners met specifieke deskundigheden, vaardigheden, kennis en faciliteiten respectievelijk ondersteuning dat consultatie, diagnostiek en behandeling verleent aan patiënten met bijzondere tandheelkundige problematiek. De te behandelen patiënten kennen een zodanige problematiek dat de hulp redelijkerwijs niet (volledig) kan worden geboden in de huis- of eerstelijns verwijspraktijk (horizontale verwijzing waarbij de huistandarts de hoofdbehandelaar blijft). De aard van de specifieke problematiek vereist veelal een multidisciplinaire aanpak en kan zijn gelegen in de tandheelkundig-technische moeilijkheidsgraad en/of in de problemen van lichamelijke en/o"},{"i":13425,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 16 december 2013, nr. WJZ/13206623, tot instelling van een Adviescommissie geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en gegarandeerde traditionele specialiteiten (Instellingsbesluit Adviescommissie geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en gegarandeerde traditionele specialiteiten) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **commissie:** de Adviescommissie geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en gegarandeerde traditionele specialiteiten; - c. **verordening:** Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU L343). Artikel 2 1. Er is een Adviescommissie geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen en gegarandeerde traditionele specialiteiten. 2. De commissie heeft tot taak om op verzoek aan de minister advies uit te brengen over: - a. een aanvraag tot registratie van een geografische aanduiding, een oorsprongsbenaming of een naam als gegarandeerde traditionele specialiteit als bedoeld in artikel 49 van de verordening; - b. een verzoek tot wijziging van een productdossier als bedoeld in artikel 53 van de verordening; - c. een verzoek tot annulering van een registratie als bedoeld in artikel 54 van de verordening; - d. een ingediend bezwaar als bedoeld in artikel 51 van de verordening tegen de registratie van een geografische aanduiding, een oorsprongsbenaming of een naam als gegarandeerde traditionele specialiteit. Artikel 3 De commissie brengt op verzoek van de minister binnen 6 weken schriftelijk advies uit. Artikel 4 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste 10 andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd voor een termijn van vier jaar. De voorzitter en de andere leden kunnen door de minister worden geschorst en ontslagen. 3. De voorzitter en de a"},{"i":11748,"b":"Beleidsregel van de Raad voor Rechtsbijstand tot verstrekking van subsidie aan advocaten die rechtsbijstand geven aan de ontboden verdachte in zaken die het OM met een strafbeschikking ex artikel 257c Wetboek van Strafvordering wil afdoen (Beleidsregel consult ontboden verdachte artikel 257c Sv) gelet op de [artikelen 7, eerste en derde van de lid Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7) en de [artikelen 4:23, derde lid onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81). besluit: de volgende beleidsregel vast te stellen. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **advocaat:** advocaat die door de Raad voor Rechtsbijstand is ingeschreven voor het strafrecht en het strafpiket; - b. **Bvr:** [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018); - c. **consult:** het verlenen van rechtsbijstand aan een rechtzoekende zoals bedoeld onder f; - d. **ontboden verdachte:** de verdachte die is opgeroepen voor een verhoor bij de officier van justitie zoals bedoeld onder i; - e. **punt:** punt zoals bedoeld in het derde lid van [artikel 2 van het Bvr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=2); - f. **rechtsbijstand:** rechtsbijstand in de vorm van een consult aan de rechtzoekende voorafgaand aan het verhoor bij de officier van justitie zoals bedoeld onder i; - g. **rechtzoekende:** de ontboden verdachte zoals bedoeld onder d van dit artikel; - h. **strafbeschikking:** de strafbeschikking zoals bedoeld in [titel IVa van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&titeldeel=IVa); - i. **verhoor bij de officier van justitie:** het verhoor van de verdachte zoals bedoeld in het [eerste en tweede lid van artikel 257c van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":11749,"b":"Beleidsregel criteria verduurzamingsloket gewasbeschermingsmiddelen Ctgb Beleidsregel van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden van 1 januari 2024, inzake de inrichting van een verduurzamingsloket Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, Gelet op de [beleidsregel toelatingsprocedure gewasbeschermingsmiddelen en biociden Ctgb 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049176), in samenhang gelezen met de [artikelen 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel 1. Begrippen Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Ctgb:** College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - b. **Feromoon:** een type semiochemical zoals bedoeld in EU-richtsnoer SANTE/12815/2014. - c. **Gebruik:** gebruiksdoeleinden overeenkomstig artikel 33, tweede lid, aanhef en onder a van [Verordening (EG) Nr. 1107/2009](32009R1107); - d. **Gewasbeschermingsmiddel:** gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van [Verordening (EG) Nr. 1107/2009](32009R1107); - e. **Laagrisicostof:** werkzame stof met een laag risico zoals bedoeld in artikel 22 en Bijlage II, punt 5 van [Verordening (EG) Nr. 1107/2009](32009R1107) en [Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 540/2011](32011R0540), Deel D (Werkzame stoffen met een laag risico); - f. **Micro-organisme:** micro-organisme zoals bedoeld in artikel 3 lid 15 van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107); - g. **Semiochemical:** stof of mengsel van stoffen dat door planten, dieren en andere organismen wordt afgegeven om te communiceren, zoals bedoeld in EU-richtsnoer SANTE/12815/2014; - h. **Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 540/2011:** [Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 540/2011](32011R0540) van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goed"},{"i":11750,"b":"Besluit van de algemene raad van 3 november 2014 tot vaststelling van de beleidsregel inzake ontheffing kantoorhouden in één arrondissement op één locatie vanwege detachering (Beleidsregel detachering) gelet op [artikel 12, vierde lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=12); gelet op [titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.3); stelt het navolgende besluit vast: Artikel 1. Reikwijdte van de beleidsregel detachering Deze beleidsregel is van toepassing op de advocaat die werkzaam is op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in [artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610) bij een werkgever als bedoeld in [artikel 5.9 van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=5.9) en op basis van detachering werkzaamheden gaat verrichten bij een inlener. Artikel 2. Uitleg wettelijke voorschriften In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **detachering:** het uitlenen van een werknemer aan een inlener; - **inlener:** een derde partij anders dan de werkgever; - **kantoor:** de plaats waar de advocaat zijn wezenlijke beroepsactiviteiten verricht en waar het centrum van zijn beroepswerkzaamheden is gelegen; - **tijdelijk:** een periode korter dan één jaar; - **werkgever:** de andere partij, bedoeld in [artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610), waarvoor tegen loon gedurende zekere tijd arbeid wordt verricht; - **werknemer:** de advocaat die wordt gedetacheerd. Artikel 3. Verzoek ontheffing 1. De advocaat verzoekt om ontheffing als bedoeld in [artikel 12, vierde lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=12), uiterlijk één week voor aanvang van de detachering. 2. De advocaat verstrekt bij het verzoek een door de advocaat en de inlener ondertekende verkl"},{"i":13023,"b":"Besluit van de Directeur Informatiehuishouding van de Justitiële Informatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 13 maart 2024, met DigiJust-kenmerk 5281792 inzake de digitale vervanging van papieren archiefbescheiden zoals aangeduid in bijlage 1 bij dit besluit (Besluit Vervanging Archiefbescheiden Justid 2024) Gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 2 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [artikel 6 lid 1 en lid 2 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b), [artikel 3 lid 5 van de Archiefbeheersregels Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035264&artikel=3), [artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Archiefbeheer Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036548&artikel=9), [artikel 1 (g) van het Mandaatbesluit Justid 2022 met ondermandaat van de portefeuille informatiehuishouding aan de Directeur Informatiehuishouding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046430&artikel=1). Artikel 1. Begripsbepaling Besluit om over te gaan tot routinematige of retrospectieve digitale vervanging van archiefbescheiden van de Justitiële Informatiedienst, die: - 1. deel uitmaken van de werkprocessen van de Justitiële Informatiedienst; - 2. volgens de geldende selectielijst voor vernietiging of bewaring in aanmerking komen. Artikel 2. Reikwijdte De digitale vervanging heeft betrekking op papieren archiefbescheiden die zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit en die worden ontvangen of opgemaakt na inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 3. Waarde archiefbescheiden Besluit dat bij de overweging om tot vervanging over te gaan, rekening is gehouden met de waarde van de archiefbescheiden, zoals aangegeven in [artikel 2, li"},{"i":13052,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 2 januari 2019 inzake volginnovatie 2018 Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 3.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.2), [3.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.3.4), [3.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.3.6), [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.4), [3.4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.8), [3.4.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.20), [3.7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.7.2), [3.8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.8.2), 3.8.2, onderdeel b, [3.9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [3.10.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.2), 3.10.2, derde lid, [3.10.12b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.12b), [4.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.9), [4.2.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.16), [4.2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.23), [4.2.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.30), [4.2.37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.37), [4.2.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.51), [4.2.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.58), [4.2.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.65), [4.2.72](https://wetten.overheid.n"},{"i":13733,"b":"Besluit van 9 februari 2004 houdende de algemene eisen voor de opleiding, registratie en herregistratie van medisch specialisten en voor de erkenning van opleiders, plaatsvervangend opleiders, stageopleiders en opleidingsinrichtingen Gelet op [artikel 14, tweede lid, onder c van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14) en artikel 12, eerste lid, van de Regeling specialisten geneeskunst van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst; Gezien de adviezen van het Federatiebestuur van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, de Orde van Medisch Specialisten, de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband en de Medisch Specialisten Registratie Commissie; Besluit: Hoofdstuk A. Algemene bepalingen Artikel A.1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. afdeling: onderdeel van een inrichting; - b. aios: arts(en) in opleiding tot (medisch) specialist; - c. algemene competentie: competentie die voor ieder specialisme van toepassing is, zoals neergelegd in [artikel B.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033520&hoofdstuk=B&titeldeel=I&paragraaf=I-A&artikel=B.2&z=2007-10-20&g=2007-10-20); - d. AVGIO-commissie: vertegenwoordiging van artsen voor verstandelijk gehandicapten in opleiding; - e. Beoordelingsstage: een stage in een opleidingsinrichting voor een arts die buiten Nederland een specialisatie met goed gevolg heeft afgerond waarbij de kennis en beroepsuitoefening getoetst wordt op gelijkwaardigheid aan het eindniveau van de Nederlandse opleiding voor het betreffende medisch specialisme; - f. bestuurlijke eenheid: eenheid die wordt gevormd doordat de instelling wordt geleid door één Raad van Bestuur, centrale directie, bestuursraad of bestuur; - g. centrale opleidingscommissie: een in iedere opleidingsinrichting aanwezig overlegorgaan ter handhaving en bevordering van een optimaal opleidingskl"},{"i":11467,"b":"Toetsingskader nieuwe opleidingen hoger onderwijs 1. Opbouw toetsingskader Het toetsingskader voor nieuwe opleidingen in het hoger onderwijs bestaat uit: De beslissing over accreditatie van een nieuwe opleiding wordt gebaseerd op een toets aan de hand van zes **onderwerpen.**1In de [WHW art. 5.8,lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) wordt hiervoor het begrip 'aspect van kwaliteit' gehanteerd. Deze onderwerpen zijn: De genoemde onderwerpen worden beoordeeld aan de hand van **facetten** en daarbij behorende **criteria** (zie hoofdstuk 2). Voor de toetsing van nieuwe opleidingen zijn **beslisregels** vastgesteld (zie hoofdstuk 3). Voor de toetsing van nieuwe opleidingen is een werkwijze op hoofdlijnen vastgesteld. Hoewel de criteria voor alle nieuwe opleidingen dezelfde zijn, zal de breedte van de toetsing kunnen variëren. Voor opleidingen die nog niet bestaan in het Nederlandse hoger onderwijs of die inhoudelijk substantieel afwijken van bestaande opleidingen zal een meer intensieve toets worden uitgevoerd dan voor opleidingen die al bestaan in het Nederlandse hoger onderwijs. De NAO baseert haar oordeel over de nieuwe opleiding op een toets, die in haar opdracht wordt uitgevoerd. Deze toets resulteert in een toetsingsrapport. Er zijn criteria opgesteld voor de beoordeling daarvan (zie hoofdstuk 4 over **de werkwijze toetsing nieuwe opleidingen).** 2. Beoordelingskader 2Als de opleiding in verschillende varianten wordt aangeboden (voltijd, deeltijd en/of duaal) dient waar relevant in de beoordeling duidelijk te worden dat voor elke variant de basiskwaliteit volgens de criteria uit dit beoordelingskader is gewaarborgd. 2.1. Doelstellingen opleiding 2.2. Programma 2.3. Inzet van personeel 2.4. Voorzieningen 2.5. Interne kwaliteitszorg 2.6. Condities voor continuïteit 3. Beslisregels toetsing Het voorstel voor de nieuwe opleiding wordt getoetst in opdracht van de NAO. Daarbij wordt voor elk van de facetten vastgesteld of de beoordeling voldoende of onvo"},{"i":11751,"b":"Besluit van het Instituut Mijnbouwschade Groningen van 20 november 2025 houdende de vaststelling van een beleidsregel met betrekking tot het toekennen van een tegemoetkoming in de vorm van een subsidie in natura voor een maatregel die nodig is om te bewerkstelligen dat de schade waarvoor door het Instituut Mijnbouwschade Groningen in het kader van zijn wettelijke taakuitoefening op grond van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding wordt toegekend, duurzaam kan worden hersteld (Beleidsregel Duurzaam herstel 2026) Gelet op [artikel 2, tiende lid, van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=2) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **Instituut:** het Instituut Mijnbouwschade Groningen; - –. **gebouw:** bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; - –. **gebrek aan de constructie:** een bestaand gebrek aan de constructie van een gebouw voor zover het geen schade betreft; - –. **herstelmaatregel:** een aan de hand van het op de website van het Instituut geplaatste technisch kader vastgestelde herstelmaatregel die passend en redelijk is gelet op het geconstateerde gebrek aan de constructie, niet zijnde een herstelmaatregel als bedoeld in de laatstelijk vastgestelde Werkinstructie Herstel & Calculatie, zoals geplaatst op de website van het Instituut; - –. **samenloop:** samenloop als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=1); - –. **schade:** schade zoals gedefinieerd in [artikel 1 van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=1), daaronder begrepen de kosten van iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade als bedoeld in [artikel 184 van Boek 6 van het Burgerlijk Wet"},{"i":11752,"b":"Beleidsregel eerstelijnsverblijf Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven en prestatiebeschrijvingen die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Met de brief van 31 mei 2016 (kenmerk 962317-149857-CZ) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de NZa het verzoek gedaan om de bekostiging voor eerstelijnsverblijf vast te stellen. Gelet op [artikel 59 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister voor Medische Zorg ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven (coördinatiefunctie verblijf). Deze aanwijzing dateert van 19 november 2019 en heeft als kenmerk [1613272-198762-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042809). Deze aanwijzing is gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 2019, 64844. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **zorgaanbieder:** als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent; - 2°. natuurlijk persoon of rechtspersoon voor zover deze tarieven in rekening brengt namens, ten behoeve van of in verband met het verlenen van zorg door een zorgaanbieder als bedoeld onder 1°, - **eerstelijnsverblijf:** Zorg als b"},{"i":11754,"b":"Beleidsregel experiment COPD Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Onder verwijzing naar [artikel 58 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58), is in de voorliggende beleidsregel een experiment opgenomen. De daartoe vereiste aanwijzing van 10 oktober 2024 met kenmerk 3973517-1072562-PZO, bedoeld in [artikel 59, aanhef en onder f, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), is door de Staatssecretaris van VWS met brief van 10 oktober 2024, met kenmerk 3973517-1072562-PZO, aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing is gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 2024, 34159. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **COPD-zorg:** Fysiotherapie of oefentherapie omvat voor verzekerden van achttien jaar of ouder tevens gesuperviseerde oefentherapie bij **chronic obstructive pulmonary disease**, indien sprake is van stadium II of hoger van de GOLD Classificatie voor spirometrie als bedoeld in [artikel 2.6 lid 6 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.6) (Bzv) - **Kwartaal:** een periode van drie maanden welke kan ingaan op iedere willekeurige datum in het jaar. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is zorgaanbieders en zorgverzekeraars de mogelijkheid te bieden een experiment aan te gaan waarbij kan worden afgeweken van de reguliere bekostiging van de fysiotherapeutische- en oefentherapeutische zorg voor patiënten met COPD. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op COPD-zorg zoals omschreven in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050598&artikel=1&z=2025-01-01&g="},{"i":11755,"b":"Beleidsregel experiment zinnig en simpel verantwoorden **Grondslag** Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Onder verwijzing naar [artikel 58 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=58), is in de voorliggende beleidsregel een experiment opgenomen. De daartoe vereiste aanwijzing van 3 november 2023 met kenmerk 3712418-1055833-PZo, bedoeld in [artikel 59, aanhef en onder f, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), is door de Minister van VWS met de brief van 3 november 2023 met kenmerk 3712419-1055833-PZO aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing heeft kenmerk 3712418-1055833-PZo en is gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer Staatscourant 2023, 30843. Artikel 1. Begripsbepalingen - **Experiment:** Een op grond van deze beleidsregel goedgekeurde werkwijze, vastgelegd in een beschikking van de NZa, van een zorgaanbieder en één (of meerdere) Wlz-uitvoerder(s). - **Deelnemer:** Een zorgaanbieder of Wlz-uitvoerder die een beschikking van de NZa heeft ontvangen voor deelname aan het experiment. Voor overige begrippen die in deze beleidsregel gebruikt worden, maar niet hierboven vermeld staan, wordt verwezen naar de Beleidsregel definities [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) en de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). Artikel 2. Doel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om het experiment zinnig en simpel verantwoorden vorm te geven. Doel van het experiment is om de administratieve belasting die ontstaat door het verantwoordingsproces te verlagen. E"},{"i":13513,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 11 juni 2019, nr. 2575852, houdende instelling van de Commissie Telefonie Justitiabelen [Instellingsbesluit Commissie Telefonie voor Justitiabelen] Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister voor Rechtsbescherming; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042310&artikel=2&z=2019-06-22&g=2019-06-22); - c. **Ministerie:** Ministerie van Justitie en Veiligheid. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een onafhankelijke onderzoekscommissie Commissie Telefonie voor Justitiabelen. 2. De commissie heeft tot taak onderzoek te verrichten naar de duur en de omvang van het onterecht opnemen en mogelijk mee- en uitluisteren van gesprekken tussen gedetineerden en hun advocaat en naar de consequenties hiervan. 3. De commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan haar opdracht. 4. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen te doen. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de Minister benoemd. 4. Tot voorzitter en tevens lid van de commissie wordt benoemd: mr. F.W.H. (Erik) van den Emster. 5. Tot leden van de commissie worden benoemd: - a. mr. dr. P.P.J. (Patrick) van der Meij; - b. ir. J.R. (Ronald) Prins. 6. De benoeming geschiedt voor de duur van de werkzaamheden van de commissie. 7. Bij tussentijds vertrek van de voorzitter of een ander lid kan de Minister op voordracht van de overige le"},{"i":11756,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juni 2024, nr. 2024-0000074656, tot vaststelling van de Beleidsregel financiële correcties JTF 2021–2027 Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Doel categoriseringstabel Bij de uitvoering van de [Subsidieregeling JTF 2021–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047689) is de beheerautoriteit verantwoordelijk voor het voorkomen en onderzoeken van onregelmatigheden, het toepassen van financiële correcties en het doen van terugvorderingen. De subsidie kan na verlening of vaststelling worden gewijzigd of lager vastgesteld bij niet-naleving van subsidievoorschriften. Om zoveel als mogelijk bij de toepassing van financiële correcties uit te gaan van uniforme regels is een categoriseringstabel opgesteld. Deze categoriseringstabel is opgenomen als bijlage bij dit besluit. Deze tabel is gebaseerd op de [verordening (EU) 2021/1060](32021R1060) gemeenschappelijke bepalingen, [verordening (EU) 2021/1056](32021R1056) tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie, de [subsidieregeling JTF 2021–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047689) en jurisprudentie. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel financiële correcties JTF 2021–2027. Bijlage. bij de Beleidsregels financiële correcties JTF 2021–2027 | Rubr. | Code | Omschrijvingen | Correctie-percentage of bedrag | Bron | | --- | --- | --- | --- | --- | | **A** | | **Het project / de financiering is niet conform Europese regels** | **Het project / de financiering is niet conform Europese regels** | **Het project / de financiering is niet conform Europese regels** | | | A1 | Er is sprake is van ongeoorloofde staatssteun. | 100% va"},{"i":11358,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 juni 2022, nr. MBO/30739616, houdende uitwerking maatstaven voor studiesucces in het mbo Gelet op [artikel 4a.3. van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=4a.3); Besluit: Artikel 1. Berekening jaarresultaat 1. Het jaarresultaat, bedoeld in [artikel 4a.2, eerste lid, onder a, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=4a.2), wordt voor een beroepsopleiding op niveau 2, 3 of 4 als volgt berekend: (aantal gediplomeerden in het jaartijdvak / (aantal gediplomeerden in het jaartijdvak + aantal ongediplomeerde instellingsverlaters)) x 100%. 2. Een ongediplomeerde instellingsverlater is een instellingsverlater die geen diploma van een beroepsopleiding op niveau 2, 3 of 4 heeft behaald in het jaartijdvak bij de instelling. 3. Iedere student wordt maximaal eenmaal per instelling per jaartijdvak meegeteld voor de berekening van het jaarresultaat. Artikel 2. Berekening diplomaresultaat 1. Het diplomaresultaat, bedoeld in [artikel 4a.2, eerste lid, onder b, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=4a.2), wordt voor een beroepsopleiding op niveau 2, 3 of 4 als volgt berekend: (aantal gediplomeerde instellingsverlaters / aantal instellingsverlaters) x 100%. 2. Het diploma voor een beroepsopleiding op niveau 2, 3 of 4 moet in het jaartijdvak of in de vijf jaar daaraan voorafgaand behaald zijn bij de instelling. 3. Iedere student wordt maximaal eenmaal per instelling meegeteld voor de berekening van het diplomaresultaat. Artikel 3. Berekening startersresultaat 1. Het startersresultaat, bedoeld in [artikel 4a.2, eerste lid, onder c, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=4a.2), wordt voor een beroepsopleiding op niveau 2, 3 of 4 als volgt berekend: ((aantal gediplomeerde instellingsverlaters van de nieuw ingeschreven studenten + aan"},{"i":11391,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 8 juli 2019, nr. MBO/5897553, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ten behoeve van het organiseren van nationale vakwedstrijden in het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs alsmede het voorbereiden op en deelname aan internationale vakwedstrijden in het beroepsonderwijs (Regeling vakwedstrijden vmbo en mbo) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2) en [4 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beroepsonderwijs:** onderwijs als bedoeld in [artikel 1.2.1, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.2.1); - **boekjaar:** tijdvak dat aanvangt op 1 april van enig jaar en eindigt op 31 maart van het daarop volgend jaar; - **instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **school:** school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs:** voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 2.22 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.22). Artikel 2. Toepassing [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Deze regeling geldt in aanvulling op de [Kaderregelin"},{"i":12621,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Uruzgan 2006–2010» aan het Regiment Technische Troepen Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016444, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In het vaandel van het Regiment Technische Troepen wordt opgenomen het opschrift «Uruzgan 2006–2010» in verband met de bijdragen van explosievenopruimingsploegen, alsmede onderhouds-, diagnose- en bergingsgroepen te velde in Uruzgan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":11768,"b":"Beleidsregel last onder dwangsom van de NIWO De NIWO bepaalt, gelet op de [artikelen 4:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [5:32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:32), [5:32a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:32a) en [5:32b van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:32b) (Awb) en [artikel 5.2, derde lid, van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=5.2) het navolgende: Artikel 1. Definitiebepaling In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **vervoersdocumenten:** de vervallen of ingetrokken communautaire vergunning, vergunning als bedoeld in [artikel 7.1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=7.1) of bestuurdersattest, alsmede de bijbehorende gewaarmerkte kopieën, CEMT-vergunning, ritmachtiging en overbruggingsbewijzen; - **overtredende vervoerder:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in overtreding van [artikel 3.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=3.6) is of in geval van faillissement, de curator in hoedanigheid van zijn taakuitoefening; - **wet:** [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800). Artikel 2. Toepassingsbereik Deze beleidsregel heeft betrekking op: - a. de procedure waarbij wordt onderzocht of zich feiten en omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat er sprake is van een overtreding als bedoeld in [artikel 3.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=3.6); - b. de last onder dwangsomprocedure bij constatering van een overtreding als bedoeld in [artikel 3.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=3.6); - c. de omstandigheden waaronder de last onder dwangsomprocedure beëindigd kan worden. Artikel 3. Voornemen tot oplegging last onder dwangsom 1. De NIWO zal voorafgaand aan de opleggin"},{"i":11770,"b":"Beleidsregel Meerzorg pgb Salland Zorgkantoor gelet op [artikel 2.2 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen in hoeverre er sprake is van een zorgprofiel overstijgende zorgbehoefte, en gelet op [artikel 5.1e Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.1e) en de daarin besloten bevoegdheid om af te wijken van de bedragen genoemd in [bijlage H Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&bijlage=H); besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Salland Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 tot en met 4 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel Meerzorg pgb Salland Zorgkantoor Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregel in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het kan gebeuren dat een Wlz-geïndiceerde meer zorg nodig heeft dan op grond van zijn indicatie mogelijk is. In bepaalde gevallen is het budget van het zorgprofiel onvoldoende om passende zorg thuis te bieden. Zorgkantoren kijken dan naar de aard van zorg zoals verwoord in de beschrijving van het zorgprofiel1Bijlage A. bij artikel 2.1 van de Regeling langdurige zorg of van daaruit sprake is van een bijzondere zorgbehoefte die niet passend is in die beschrijving. Het uitgangspunt van zorgkantoren is dat er recht is op een budget dat toereikend is om op passende wijze te voorzien in de zorgbehoefte. De zorgbehoefte is daarmee leidend. De zorgbehoefte van de verzekerde is de behoefte aan zorg die medisch en zorginhoudelijk noodzakelijk is. Tegelijkertijd draagt het zorgkantoor de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met gemeenschapsgelden en onnodige uitgaven te voorkomen. In de"},{"i":13791,"b":"Wet van 7 juli 1987, tot uitbreiding van de lesgeldregeling tot de groep 16- tot 18-jarigen, vervanging van en intrekking van de Lesgeldwet voor boven 17-jarigen alsmede intrekking van de School- en cursusgeldwet 1972 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de toestand van ’s Rijks financiën alsmede in verband met ontwikkelingen op het gebied van de studiefinanciering wenselijk is over te gaan tot uitbreiding van de lesgeldregeling tot de groep van 16- tot 18-jarigen en voorts de Lesgeldwet voor boven 17-jarigen (**Stb.** 1986, 250) te vervangen en genoemde wet alsmede de School- en cursusgeldwet 1972 (**Stb.** 1983, 360) in te trekken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders bepaald, verstaan onder: - **bevoegd gezag:** orgaan dat als zodanig wordt aangeduid in de wettelijke regeling op grond waarvan de desbetreffende instelling of cursus wordt bekostigd; - **cursus:** - 1°. cursus in de zin van de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - 2°. onderwijs aan een instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.86 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.86), voor zover het geen volledig onderwijs betreft; - 3°. op grond van de [Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718) uit de openbare kas bekostigde cursus, voor zover het voortgezet onderwijs betreft; - 4°. beroepsopleiding of opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625), die aan een regionaal opleidingencentrum of bero"},{"i":12608,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het standaardopschrift «Uruzgan 2006-2007» aan het Korps Veldartillerie Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016438, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de opschriften van de standaard van het Korps Veldartillerie wordt toegevoegd het opschrift «Uruzgan 2006-2007» in verband met de inzet van de **Forward Observers** en **Forward Air Controllers** als essentieel onderdeel van de vuursteunketen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":14205,"b":"Regeling doodsoorzaakverklaring Gelet op [artikel 12a, derde lid, van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=12a); Besluit: Artikel 1 1. De opgave, bedoeld bij [artikel 12a, derde lid, van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=12a), geschiedt overeenkomstig het model, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009096&bijlage=1&z=1997-12-13&g=1997-12-13) bij deze regeling. 2. Het formulier, bedoeld in het [derde lid van artikel 12a van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=12a), wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand, na afloop van de maand waarin het werd ontvangen, doch voor de achtste van de daarop volgende maand, rechtstreeks gezonden aan de medisch ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek. 3. Op verzoek van de geneeskundig hoofdinspecteur voor de gezondheidszorg wordt, om redenen van volksgezondheidsbelang, het in het tweede lid bedoelde formulier na afloop van de week, waarin het werd ontvangen, doch voor het einde van de daarop volgende week, gezonden aan de medisch ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 1997. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling doodsoorzaakverklaring. Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Deze regeling zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13681,"b":"Wet van 18 juni 2025, houdende regels omtrent de instelling van het Adviescollege toetsing regeldruk (Instellingswet Adviescollege toetsing regeldruk) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een onafhankelijk adviescollege in te stellen dat voorgenomen regelgeving toetst op de regeldrukeffecten en daarover adviseert en dat het in verband met [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79) noodzakelijk is daartoe wettelijke bepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **adviescollege:** Adviescollege toetsing regeldruk, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051401&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **ervaren regeldruk:** niet-kwantificeerbare regeldruk die voortvloeit uit de werkbaarheid van wet- en regelgeving in de praktijk, de samenhang of opeenstapeling van toepasselijke wet- en regelgeving, alsmede de mate waarin die wet- en regelgeving naar verwachting van degenen voor wie de wet- of regelgeving gaat gelden het beoogde doel zal bereiken in relatie tot de verplichtingen en de baten of toegevoegde waarde, waaronder het ervaren nut, van die wet- of regelgeving; - **ontwerp van een EU-wetgevingshandeling:** ontwerp van een wetgevingshandeling als bedoeld in artikel 2 van Protocol 1 bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **regeldrukeffecten:** investeringen en inspanningen die bedrijven, instellingen zonder winstoogmerk, burgers, vrijwilligers, en beroepsbeoe"},{"i":14376,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 14 juni 2012, nr. IENM/BSK-2012/59245, houdende intrekking van diverse vergoedingenregelingen van verschillende raden op het gebied van de leefomgeving en infrastructuur in verband met het feit dat deze raden zijn opgeheven Gelet op [artikel 3, tweede lid van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. de [Vergoedingenregeling VROM-raad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024459); - b. de [Vergoedingenregeling raad landelijk gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008620); - c. de [Vergoedingenregeling Adviesraad gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024460); en - d. de [Vergoedingenregeling leden Raad voor verkeer en waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008970). Artikel 2 1. Voor zover er ter zake nog sprake is van enige bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze overeenkomstig de regelingen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031696&artikel=1&z=2012-06-23&g=2012-06-23) plaats. 2. Bestaande aanspraken en verplichtingen bij, op grond of in het kader van de regelingen, bedoeld in de [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031696&artikel=1&z=2012-06-23&g=2012-06-23) blijven in stand. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12874,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid 1945- (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007, nr. arc-2007.03635/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid 1945–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12856,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Grondprijsbeleid 1945–1993 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Grondprijsbeleid over de periode 1945–1993](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van de Grondkamers en de Centrale Grondkamer’ uit 1977 (Staatscourant 1977/58) wordt ingetrokken, voor zover deze handelingen bevat die zijn opgenomen in de voorliggende selectielijst. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11773,"b":"Beleidsregel mobiele aankiesbaarheid 112 Geeft met deze beleidsregel duidelijkheid over haar beleid omtrent de verplichting om alarmnummer 112 zonder toegangsbelemmeringen aan gebruikers ter beschikking te stellen en de gegevens die hierbij dienen te worden verstrekt, Gelet op de [artikelen 4.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.1), [7.7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=7.7), [11.10, eerste en tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.10) en [artikel 3 onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&artikel=3) en [Bijlage 1 bij het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&bijlage=1), gelezen in samenhang met [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel 1. – Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Abonnee:** abonnee, als bedoeld in [artikel 1.1 van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1); - **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - **Gebruiker:** gebruiker, als bedoeld in [artikel 11.1, onderdeel a, van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.1); - **Locatiegegevens:** locatiegegevens, als bedoeld in [artikel 11.1, onderdeel d, van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.1); - **Nummerplan:** Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten; - **Nummer- en identiteitsgegevens:** het nummer van het oproepende netwerkaansluitpunt, de naam, en de beschikbare adres-, postcode- en woonplaatsgegevens van de abonnee, als bedoeld in [artikel 11.10, eerste lid, van de Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=11.10); - **Openbaar el"},{"i":11774,"b":"Beleidsregel van de directie van de Dienst Wegverkeer van 1 januari 2025 betreffende de verlening van nationale typegoedkeuring en individuele goedkeuring van mobiele machines (Beleidsregel nationale goedkeuring mobiele machines) Gelet op [artikel 4b, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b) en [hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&hoofdstuk=III) en de [artikelen 3.6.0.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.0), [3.6.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.1) en [3.6.3, tweede lid van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.3); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen in besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie In deze beleidsregel zijn de begripsbepalingen van [Verordening (EU) nr. 167/2013](32013R0167) van overeenkomstige toepassing. Dit geldt ook voor daarop gebaseerde gedelegeerde verordeningen en van de VN/ECE Reglementen zoals vermeld in de [artikelen 3.6.0](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.0), [3.6.1, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.1) en [3.6.3 van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.6.3), en de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend). Artikel 2. Definities In aanvulling op [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050646&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) wordt in deze beleidsregel verstaan onder: - **alternatief voorschrift:** het voorschrift waaraan het voertuig minimaal moet voldoen. Indien is vermeld dat er geen alternatief voorschrift is vastgesteld, moet het voertuig volledig voldoen aan het gestelde onder ‘Basis’ van het betreffende onderwerp. - **audit:** systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces, dat ter plaatse van d"},{"i":12652,"b":"Besluit tot uitgifte frequenties voor gebruik niet-landelijke commerciële radio-omroep en middengolf De Staatssecretaris van Economische Zaken, Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Financiën; Besluit op grond van [artikel 3.3, vijfde en zevende lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3) en [artikel 3, eerste en derde lid, van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=3) het volgende: § 1. Inleiding In 2003 zijn op basis van de procedure van vergelijkende toets met een financieel bod door de Minister van Economische Zaken, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, vergunningen voor het gebruik van FM-frequentieruimte voor landelijke en niet-landelijke commerciële radio-omroep en voor het gebruik van AM-frequentieruimte verleend. Daarbij is aangekondigd dat voor niet-landelijke commerciële radio-omroep op termijn extra FM-frequentieruimte beschikbaar zou kunnen komen Nadat eerst verzorgingsproblemen van bestaande vergunninghouders zoveel als mogelijk zijn opgelost resteerde een lijst van 12 FM-frequenties die voor uitgifte voor niet- landelijke commerciële radio omroep beschikbaar is. Daarnaast is een vijftal AM-kavels vrijgevallen, wegens niet naleving van de vergunningvoorschriften door de vergunninghouder. Deze vergunningen zijn door de Minister van Economische Zaken ingetrokken. In paragraaf 3 is aangegeven welke kavels beschikbaar zijn gesteld. § 2. Uitgangspunten verdeling radiofrequenties De verdeling van de radiofrequenties voor de niet-landelijke commerciële omroep en de middengolf zal geschieden door middel van een vergelijkende toets met een financieel bod. Bij de eerdere verdeling in 2003 is ook voor een vergelijkende toets met een financieel bod gekozen. De [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) schrijft voor dat zolang er in die bestemming"},{"i":15158,"b":"Wet van 19 juni 2024 tot tijdelijke regels over de opvang van ontheemden uit Oekraïne (Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om te voorzien in een reguliere en tijdelijke wettelijke grondslag voor de opvang van ontheemden uit Oekraïne, zodat de [artikelen 2c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=2c) en [4 van de Wet verplaatsing bevolking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=4) buiten werking kunnen worden gesteld; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt volgens Stb. 2024/158 in werking op het tijdstip waarop de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking buiten werking worden gesteld. Artikel 1. Definities In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **ontheemde:** de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet als bedoeld in [artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1), omdat hij onder de reikwijdte valt van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van [Richtlijn 2001/55/EG](32001L0055), en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan, of een verlenging daarvan; - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 2. Taak 1. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de materiële en immateriële opvang van ontheemden. 2. In afwijking van het eerste lid draagt Onze Minister zorg voor de dekking van de kosten van medische zorg aan ontheemden middels een daartoe door hem te treffen ziektekostenregeling, en voor de beschikbaarheid van medische zorg voor ontheemden. 3"},{"i":15165,"b":"Toelatingscriteria EURES lid en partner EURES (EURopean Employment Services) is in 1993 opgericht door de Europese Commissie en de landen van de EER plus Zwitserland. Het netwerk heeft als doel het bevorderen van het recht op vrij verkeer van werknemers. Op 13 mei 2016 is EURES [Verordening 589/2016](32016R0589) in werking getreden. De verordening stelt een open en transparant toelatingssysteem in ieder EURES-land verplicht. Partijen kunnen na toelating (een deel van) de EURES-taken uitvoeren. Doel is versterking en uitbreiding van het EURES-netwerk en de Europese dienstverlening. In Nederland zijn taken wat betreft toelating en beheer gedelegeerd aan het Nationaal Coördinatie Bureau (NCO). Het Ministerie van SZW heeft UWV aangewezen als NCO. Het UWV is daarnaast bij verordening aangewezen als EURES lid, verantwoordelijk voor het voeren van een actief arbeidsmarktbeleid en het verlenen van diensten voor arbeidsvoorzieningen. Elke organisatie uit de (semi-)publieke en de private sector die voldoet aan de nationale criteria om toegang te verkrijgen tot het EURES-netwerk moet EURES-lid kunnen worden. De statutaire zetel van de organisatie die een aanvraag indient, moet gevestigd zijn in Nederland. Een EURES-lid moet de volgende diensten leveren: Als een organisatie niet in staat is om alle genoemde diensten te leveren, kan in uitzonderlijke gevallen aan die organisatie de mogelijkheid worden geboden EURES-partner te worden. De organisatie moet in dat geval ten minste één van de genoemde diensten kunnen leveren. De uitzondering wordt alleen verleend als deze gerechtvaardigd is. Dit is onder meer het geval wanneer de organisatie bij aanvraag gemotiveerd aangeeft van waarde te zijn voor het netwerk, maar niet alle vereiste taken te kunnen uitvoeren, of een organisatie te zijn zonder winstoogmerk, of niet over voldoende financiële middelen te beschikken of onvoldoende omvang te hebben om alle diensten uit te voeren. Om te beoordelen of een organisatie als EURES-lid of -par"},{"i":14353,"b":"Regeling informatieverstrekking vaststelling budget en bepalingen acute psychiatrische hulpverlening Gelet op [artikel 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=61) en [62 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van informatieverstrekking voor de vaststelling van het budget/een grens. 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 2. Doel van de regeling Deze regeling geeft aan welke informatie gebudgetteerde zorgaanbieders moeten aanleveren ten behoeve van de vaststelling van het budget Zvw voor de acute psychiatrische hulpverlening. Deze regels hebben betrekking op de inhoud van de informatie zelf, de manier waarop deze moet worden aangeleverd en de termijnen waarbinnen dat moet gebeuren. 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op gebudgetteerde zorgaanbieders die de acute psychiatrische hulpverlening binnen budget, zoals bedoeld in artikel 1, onder c, leveren. 4. Te verstrekken informatie voor de aanvraag en vaststelling van het voorlopig budget Zvw 5. Te verstrekken informatie voor de aanvraag en vaststelling van het definitief budget Zvw Eventuele extra vermeldingen op het ondertekende formulier zijn niet geldig en worden niet meegenomen in de besluitvorming. 6. Wijze van verstrekking De in artikel 4 en 5 genoemde formulieren zijn beschikbaar gesteld op het digitale aanvragenportaal van de NZa ([https://aanvragen.nza.nl](onbekend)). Zorgaanbieders moeten het in dit artikel bedoelde formulier indienen via dit portaal. 7. Slotbepalingen 7.1. Intrekken oude regeling(en) Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze Regeling informatieverstrekking vaststelling budget en bepalingen acute psychiatrische hulpverlening wordt de [Regeling informatieverstrekking vaststelling budget en bepalingen acute psychiatrische hulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045976),"},{"i":11780,"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen voor oefentherapie Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59 aanhef en onder b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dan wel de Minister voor Medische zorg met brieven van 12 november 2007, met [kenmerk MC-U 2807537](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022893), 9 januari 2008, met kenmerk CZ/EKZ-2822885, 29 augustus 2008, met [kenmerk CZ/TSZ-2873530](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024503), en van 29 juni 2020, met [kenmerk 1708250‑207156‑PZO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043857), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel aanwijzingen op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van oefentherapeutische zorg. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op oefentherapeutische zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. op het terrein van de oefentherapeutische zorg"},{"i":13027,"b":"Besluit Vervanging Archiefbescheiden Raad voor de Kinderbescherming 2018 Gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) de [Archiefbeheerregels Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035264) de [Uitvoeringsregeling Archiefbeheer Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036548) besluit: Artikel 1 1. Fysieke poststukken die na 1 juli 2018 binnenkomen en voor archivering in aanmerking komen conform het basisselectiecdocument. De digitale vervanging van archiefbescheiden heeft betrekking op: de vanaf 1 juli 2018 binnenkomende poststukken die door de RvdK worden ontvangen en die archiefbescheiden vormen die op grond van het geldende basisselectiedocument (Staatscourant datum 24-1-2021 nr 135) voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen. 2. De vervanging geschiedt zoals omschreven in het Handboek Vervanging Archiefbescheiden Raad voor de Kinderbescherming. 3. Onder dit besluit vallen niet: - a. Ontvangen bescheiden die digitaal zijn opgesteld en waarvan is vastgesteld dat het archiefbescheiden betreft; - b. niet-scanbare objecten zoals usb-sticks; - c. bescheiden die krachtens verdragen of op grond van wettelijke bepalingen in hun oorspronkelijke vorm moeten worden bewaard, zoals aktes van geboorte en overlijden; - d. Overige documenten die de RvdK ontvangt, produceert, niet zijnde inkomende post t.b.v. het kinddossier, zoals poststukken aan de directie. Artikel 2 De archiefbescheiden worden, na vervanging, opgenomen in het primair proces ondersteunende systeem, op de wijze omschreven in het Handboek Vervanging Archiefbescheiden Raad voor de Kinderbescherming. Artikel 3 De vervangen archiefb"},{"i":11787,"b":"Beleidsregel van het Commissariaat voor de Media over de toelaatbaarheid, herkenbaarheid en afbakening van reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod van publieke media- instellingen (Beleidsregel reclame publieke media-instellingen 2025) Gelet op de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1), [2.88b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.88b), [2.94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.94), [2.95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.95), [2.96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.96), [2.97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.97), [2.98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.98), [7.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.11) en [7.12 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.12), de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036&artikel=5) en [5a van het Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036&artikel=5a), en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - b. **besluit:** [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); - c. **Commissariaat:** Commissariaat voor de Media; - d. **reclameboodschap, telewinkelboodschap, publieke media-instelling, publieke mediadienst, media-aanbod, teletekst:** wat daaronder wordt verstaan in [artikel 1.1, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - e. **mediaproduct:** elektronisch product met beeld- of geluidsinhoud dat duidelijk is afgebakend en als zodanig herkenbaar onder een afzonderlijke titel, al dan niet gedeeld in afleveringen, en bestemd voor afname door het algemen"},{"i":11788,"b":"Beleidsregel regionale ambulancevoorzieningen 2023 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57), stelt de NZa beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het vaststellen van een vereffeningbedrag als bedoeld in [artikel 56b van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56b). Gelet op [artikel 59, aanhef en onder c en e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) met [brieven van 15 juli 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033703) en [13 november 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044360), met respectievelijk kenmerk 130899-106615-MC en 1776599-213723-PZo, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een tweetal aanwijzingen op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Deze aanwijzingen zijn gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 20624 en 60466. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1 In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - a. **Aanwezigheidsdienst:** een aaneengesloten tijdsruimte van ten hoogste 24 uur, waarin het personeel ’s nachts in de bedrijfsruimte op oproep beschikbaar is voor het verlenen van ambulancezorg. - b. **Afhijsen brandweer:** een in opdracht van de RAV door de brandweer uitgevoerde afhijsing van een patiënt naar een ambulance in situaties waarbij de afhijsing niet tot het wettelijk takenpakket van de brandweer behoort. Hiervan is sprake als de RAV aannemelijk kan ma"},{"i":12519,"b":"Besluit houdende het opheffen van de beperkingen, gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Kabinet der Koningin 1898–1945 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op de Verklaring van Overbrenging van 9 januari 1992 waarbij het archief van het Kabinet der Koningin over de periode 1940–1944 is overgebracht naar het Algemeen Rijksarchief; Gehoord de directeur van het Kabinet van de Koning, Besluit: De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden in de inventarisnummers 8601 t/m 8603, 8632, 8648 t/m 8650, 8661, 8662, 8668B, 8686, 9025, 9035 t/m 9050 en 9079 t/m 9121 van het archief van het Kabinet der Koningin 1898-1945, nummer archiefinventaris 2.02.14 worden opgeheven. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2016."},{"i":13174,"b":"Cusumsysteem Erkenninghouder Gasinstallaties Gelet op [artikel 104 van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=104); Besluit: Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze regeling worden de begripsbepalingen van de [Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669) overgenomen. Voorts wordt verstaan onder: - a. **herkeuring:** steekproef als bedoeld in [artikel 103, eerste lid, van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=103) alsmede de second opinion als bedoeld in het Toezichtbeleid Erkenninghouders, Keurmeesters en Technici RDW; - b. **cusumsysteem erkenninghouder:** het systeem van bonus- en strafpunten voor de erkenninghouder per keuringsplaats als bedoeld in [artikel 104 van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=104); - c. **cusumbijdrage:** de bijdrage aan straf- of bonuspunten van een herkeuring; - d. **cusumstand:** startwaarde vermeerderd met de som van bonus- en strafpunten van herkeuringen waarbij de cusumstand niet kleiner wordt dan 0; - e. **gradatie:** kwalificatie van een gebrek uitgedrukt in strafpunten bij toepassing van de eisen als bedoeld in [artikel 69 van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=69). Artikel 2. Toepassing Het cusumsysteem wordt toegepast bij herkeuringen ten behoeve van het meten van de kwaliteit bij de keuring van gasinstallaties. Artikel 3. Gradaties 1. Gradaties worden ingedeeld in: - a. gradatie 1: een gering gebrek dat 1 strafpunt oplevert; - b. gradatie 2: een ernstig gebrek dat 3 strafpunten oplevert; - c. gradatie 3: een kritiek gebrek waarbij door de onjuiste keuring van de gasinstallaties sprake is van een apert onveilig voertuig dat 3 strafpunten oplevert en waarbij terstond een intrekking van de erkenning wordt overwogen; 2. De cusumbijdrage wordt berekend aan de hand van:"},{"i":11823,"b":"Beleidsregel VOBK Gelet op [artikel 15b, eerste en tweede lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15b), de [artikelen 6 tot en met 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=6), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=18) en [22 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=22) en de [artikelen 6 tot en met 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039625&artikel=6) en [11 van de Regeling nucleaire veiligheid kerninstallaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039625&artikel=11), in samenhang met [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81): Besluit: Artikel 1. Begrippen - **Nucleaire installatie:** een inrichting als bedoeld in [artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15). - **Handreiking VOBK:** De ANVS-Handreiking Veilig ontwerp en bedrijfsvoering van kerninstallaties, Guideline for the safe design and operation of nuclear installations, 2025 (ANVS-2025/7894), zoals gepubliceerd op de website van de ANVS ([www.autoriteitnvs.nl/documenten/2025/12/18/handreiking-vobk](http://www.autoriteitnvs.nl/documenten/2025/12/18/handreiking-vobk)). Artikel 2. Doel van de beleidsregel Deze beleidsregel beschrijft hoe de ANVS gebruik maakt van de Handreiking VOBK bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nucleaire installaties en bij het beoordelen van tienjaarlijkse veiligheidsevaluaties van nucleaire installaties. Artikel 3. Vergunningverlening 1. Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor de oprichting of voor het in werking brengen en houden van een nieuwe nucleaire installatie past de ANVS de Handreiking VOBK toe bij de toetsing aan de daaraan gestelde vereisten. 2. Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een wijziging van een nucleaire installatie kan de"},{"i":12591,"b":"Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken AIVD 2024 Gelet op [artikel 4, aanhef en onder 1 en 2, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043906&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder tekenbevoegdheid verstaan de bevoegdheid om namens de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst besluiten te nemen, stukken af te doen en uitgaande brieven te ondertekenen op grond van de [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277). Artikel 2 De directeur Inlichtingen bezit tekenbevoegdheid ten aanzien van de in [artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en f, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043906&artikel=2) bedoelde bevoegdheid. Artikel 3 1. Het unithoofd van het Veiligheidsonderzoekenhuis bezit tekenbevoegdheid ten aanzien van: - a. de in [artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043906&artikel=2) bedoelde bevoegdheid betreffende het afgeven van een verklaring van geen bezwaar; - b. de in [artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043906&artikel=2) bedoelde bevoegdheid betreffende het weigeren van een verklaring van geen bezwaar; - c. de in [artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043906&artikel=2) bedoelde bevoegdheid betreffende het doen instellen van een hernieuwd veiligheidsonderzoek; - d. de in [artikel 2, eerste lid, onder f, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020](https://wetten."},{"i":12401,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 22 juni 2023, kenmerk EZK_MO/27702569, tot instelling Personeelsraadgever EZK (Besluit instelling personeelsraadgever EZK) Gehoord het Decentraal Georganiseerd Overleg; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - 1. **Medewerker:** degene die werkzaam is bij een van de dienstonderdelen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. - 2. **Personeelsraadgever EZK:** de persoon bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048470&artikel=2&z=2023-09-01&g=2023-09-01). Artikel 2 1. Er is een personeelsraadgever EZK. 2. De personeelsraadgever EZK ressorteert rechtstreeks onder de secretaris-generaal. 3. De personeelsraadgever EZK wordt benoemd door de secretaris-generaal. 4. De personeelsraadgever EZK wordt benoemd voor een periode van maximaal vier jaar en kan éénmaal voor de duur van maximaal vier jaar herbenoemd worden. 5. Voordat de personeelsraadgever EZK wordt benoemd, vindt tussen de kandidaat en één vertegenwoordiger van de DOR EZK en één vertegenwoordiger van het DGO EZK een draagvlakgesprek plaats. Artikel 3 1. De personeelsraadgever EZK fungeert als adviseur voor alle medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en is laagdrempelig en toegankelijk voor alle medewerkers. 2. De personeelsraadgever EZK is belast met de behandeling van vragen van medewerkers betreffende hun rechtspositie. Mochten vragen tot het takenpakket van andere voorzieningen, zoals bijvoorbeeld het Infopunt Personeel of Integriteitscoördinator, behoren dan zal de personeelsraadgever EZK de medewerker doorverwijzen naar deze voorzieningen. 3. De personeelsraadgever EZK fungeert tevens als bijzonder adviseur voor klokkenluiders bij het departement. 4. De personeelsraadgever EZK is belast met de behandeling van bemiddelingsverzoeken van medewerkers bij (dreigende) arbeidsconflicten. 5. De personeelsraadgever EZK luistert naar het verhaal van de medewerker, onderneemt zelf actie"},{"i":14156,"b":"Regeling co-financiering Interreg IIIA Gelet op [artikel 3 van het Besluit co-financiering EFRO-programma's 2000/06](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012390&artikel=3), Besluit: Artikel 1 Als Europees programma als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Besluit co-financiering EFRO-programma's 2000/06](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012390&artikel=3) worden aangewezen: - a. het programma communautair initiatief Interreg IIIA NL-NRW/Nds-EU en de daaraan gekoppelde sub-programma's van de EUREGIO, Euregio Rijn-Waal en de euregio rijn-maas-noord, goedgekeurd bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1 oktober 2001 (C(2001) 2726); - b. het programma communautair initiatief Interreg IIIA voor de Euregio Maas-Rijn, goedgekeurd bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 november 2001 (C(2001) 2807); - c. het programma communautair initiatief Interreg IIIA Grensregio Vlaanderen-Nederland en de daaraan gekoppelde sub-programma's van de Euregio Benelux-Middengebied en de Euregio Scheldemond, goedgekeurd bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 december 2001 (C(2001) 2893). Artikel 2 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de provincies Gelderland, Limburg, Noord-Brabant, Overijssel en Zeeland. Artikel 3 Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op grond van het [Besluit co-financiering EFRO-programma's 2000/06](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012390) wordt voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013182&artikel=1&z=2002-11-16&g=2002-11-16) bedoelde programma's vastgesteld op € 42.428.450 en wordt verdeeld als volgt: - a. voor de provincie Overijssel voor de uitvoering van het sub-programma van de EUREGIO, bedoeld in [artikel 1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013182&artikel=1&z=2002-11-16&g=2002-11-16), € 10.436.945; - b. voor de provincie Gelderland voor de uitvoering van het sub-programma van de Euregio R"},{"i":13946,"b":"Wet van 20 december 2017 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2018) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel VII Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IX Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel X Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting. Artikel XI Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel XII Wijzigt de Registratiewet 1970. Artikel XIII Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel XV Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XVI Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XVII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XVIII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIX Wijzigt de Provinciewet. Artikel XX Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XXI Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XXII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XXIIa Het ontwerp van het koninklijke besluit, bedoeld in [artikel XXII, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040467&artikel=XXII&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt ten minste vier weken voordat het besluit wordt vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal. Artikel XXIII Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel XXIV Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel XXV Wijzigt de Belastingplan 2015. Artikel XXVI Wijzigt de Wet uitwerking Autobrief II. Artikel XXVII Wijzigt de Fiscale vereenvoudigingswet 2017. Artikel XXVIII [Artikel 3.13, eerste l"},{"i":13973,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 22 maart 2009, nr. WJZ/9055290, houdende regels betreffende de universele postdienst (Postregeling 2009) Gelet op de [artikelen 20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=20), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=22), [23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=23), [25, eerste, tweede, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=25), en [27, tweede lid, van de Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=27), en [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025577&artikel=4), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025577&artikel=7), [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025577&artikel=10), en [15, derde lid, van het Postbesluit 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025577&artikel=15); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Postwet 2009 in werking treedt. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **besluit:** het [Postbesluit 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025577); - c. **dienstverleningspunt:** een dienstverleningspunt als bedoeld in [artikel 16, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=16); - d. **jaarlijkse rapportage:** de jaarlijkse rapportage, bedoeld in [artikel 23, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=23); - e. **verordening (EU) nr. 2018/644:** Verordening (EU) nr. 2018/644 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 april 2018 betreffende grensoverschrijdende pakketbezorgdiensten (PbEU 2018, L 112/19). Hoofdstuk 2. Universele postdienst algemeen Artikel 2 1. Voor de afmeting van de poststukken die voor postvervoer binnen Nederland onder de universele postdie"},{"i":11835,"b":"Beleidsregels machtigingsvereiste 1. Inleiding De Autoriteit Persoonsgegevens heeft in 2016 verschillende signalen ontvangen over de (bijzondere) persoonsgegevens die door zorgverzekeraars worden gevraagd in het kader van het machtigingsvereiste. Uit deze signalen bleek dat het niet altijd duidelijk is of zorgverzekeraars persoonsgegevens mogen verwerken ten behoeve van het machtigingsvereiste en zo ja welke (bijzondere) persoonsgegevens voor dat doel mogen worden verwerkt. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft daarom de onderhavige beleidsregels opgesteld. Deze beleidsregels zijn afgestemd met de Nederlandse Zorgautoriteit en in verband met de overlegverplichting van [artikel 67 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=67) (Wbp) voorgelegd aan de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De Autoriteit Persoonsgegevens stelt in deze beleidsregels vast dat zorgverzekeraars in beginsel (bijzondere) persoonsgegevens mogen verwerken ten behoeve van het machtigingsvereiste. Daarbij wordt nader ingegaan op de wijze waarop het noodzakelijkheidsbeginsel als bedoeld in de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=8) en [21 van de Wbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=21) bij de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van het machtigingsvereiste moet worden ingevuld. Onder machtigingsvereiste (ook wel voorafgaande toestemming of akkoordverklaring genoemd) wordt begrepen dat verzekerde vóóraf toestemming van de zorgverzekeraar dient te hebben voor de vergoeding van bepaalde behandelingen, geneesmiddelen of hulpmiddelen dan wel voor bepaalde (typen van) zorgaanbieders. Het machtigingsvereiste kan worden gesteld voor zowel vergoedingen die vallen onder de basisverzekering als vergoedingen op grond van een aanvullende ziektekostenverzekering.1Hiermee wordt bedoeld de vrijwillige ziektekostenverzekering ex artikel 1,"},{"i":12348,"b":"Besluit van 8 maart 2016, houdende regels inzake de informatieverschaffing bij en ten behoeve van rampenbestrijding en crisisbeheersing, inzake de bedrijfsbrandweerplicht van inrichtingen, alsmede inzake rampbestrijdingsplannen voor inrichtingen en luchtvaartterreinen in de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 9 november 2015, nr. 699459; Gelet op de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=40), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=45), [49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=49), [50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=50) en [57 van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=57); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 januari 2016, nr. W03.15.0386/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 maart 2016, nr. 737377; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop gebaseerde regelgeving wordt verstaan onder: - –. **wet:** de [Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586); - –. **het bestuurscollege:** het bestuurscollege van het openbaar lichaam; - –. **inrichting:** een inrichting als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=1.2); - –. **de gezaghebber:** de gezaghebber van het openbaar lichaam; - –. **rampbestrijdingsplan:** het plan, bedoeld in [artikel 45 van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=45). Artikel 2 1. Voor een aanwijzing als bedoeld in [artikel 40, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=40) komen in aanmerking inrichtingen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit grote inrichtingen milieubeheer BES](https://wetten.overhe"},{"i":12698,"b":"Besluit van 27 juni 2006, houdende de vaststelling van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en van de gouden tien-euromunt die worden uitgegeven ter gelegenheid van het Rembrandtjaar Op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 22 juni 2006, FM 2006-1517 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen en internationaal; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2006/129. Artikel 1 1. De beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2006 worden uitgegeven ter gelegenheid van de viering van Rembrandtjaar is: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: tegen de achtergrond van de tekst «BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN» Onze Beeltenis; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: tegen de achtergrond van de tekst «REMBRANDT VAN RIJN 1606–2006» een zelfportret van Rembrandt van Rijn, ter rechterzijde daarvan de waardeaanduiding «5 EURO» onderscheidenlijk «10 EURO» en links onderin het teken van de Muntmeester « » het teken van de Munt « » de initialen van de ontwerper Berend Strik «BS» en het Europees munt-teken « »; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12694,"b":"Besluit van 19 december 2011 houdende de vaststelling van de beeldenaar van de Nederlandse nationale zijde van de herdenkingsmunt van twee euro ter gelegenheid van 10 jaar chartale euro Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 13 december 2011, FM/2011/10195 M, Generale Thesaurie, directie Financiële Markten, afdeling Institutioneel Beleid en Integriteit; Gelet op [artikel 3 van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stb. 2012/10. Artikel 1 1. De beeldenaar van de nationale zijde van de Nederlandse twee-euromunt die in 2012 wordt uitgegeven ter gelegenheid van 10 jaar chartale is, overeenkomstig onderstaande afbeelding, in de kern binnen de ring met twaalf sterren: in het midden het euroteken tegen de achtergrond van de aardbol die is omringd met van onderin met de wijzers van de klok mee: een schip, het gebouw van de Europese Centrale Bank, windmolens, huizen en mensen; bovenin ‘NEDERLAND’ en onderin de jaartallen ‘2002’ en ‘2012’; rechts boven het midden het teken van de muntmeester ‘ ’ en daaronder het teken van de Munt ‘ ’; 2. Het randschrift van de twee-euromunt is: GOD * ZIJ * MET * ONS *. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13818,"b":"Besluit van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 april 2019, nr. 2516833, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit NCTV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019) Gelet op [artikel 3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid aan de National Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid](onbekend) verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden, die hun portefeuille, diens afdeling onderscheidenlijk het secretariaat van de Cyber Security Raad betreffen, ondermandaat verleend aan: - a. de directeur Contraterrorisme, Beveiliging Burgerluchtvaart en Bedrijfsvoering; - b. de directeur Cybersecurity, Weerbaarheid Statelijke Dreigingen en Analyse Nationale Veiligheid; - c. de directeur Nationale Crisisbeheersing; - d. de directeur Bewaken en Beveiligen; - e. het hoofd van de Afdeling Strategie, Staf en Juridische Zaken; - f. de secretaris van de Cyber Security Raad. 2. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=5), ondermandaat verleend aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken. Artikel 2 Als leidinggevende in de zin van paragraaf 1.3 van de CAO Rijk, ten aanzien van de onder hun dienstonderdeel ressortere"},{"i":13798,"b":"Loterijwet BES Artikel 1 Deze wet verstaat onder loterij, elke gelegenheid, door iemand opengesteld om, tegen voldoening aan zekere voorwaarde, mede te dingen naar prijzen of premiën in geld of goed, uitgeloofd ten behoeve van de deelnemers, die als winners worden aangewezen door het lot of enige andere kansbepaling, waarop zij geen overwegende invloed kunnen oefenen. Onder loterij in de zin dezer wet worden niet verstaan: - 1°. de kansovereenkomst van levensverzekering, mits zij is aangegaan met inachtneming van de wettelijke bepalingen, op het ogenblik van het sluiten der overeenkomst op het stuk van levensverzekering bestaande; - 2°. de tegen een niet hogere dan de parikoers door een publiekrechtelijk lichaam voor het publiek opengestelde werkelijke geldlening, die een jaarlijkse en jaarlijks ter beschikking te stellen rente geeft van ten minste drie ten honderd, terwijl aan de schuldbewijzen van die lening bijkomstig een kans op het winnen van premiën is verbonden. Artikel 1a Deze wet is niet van toepassing op loterijen welke door en ten behoeve van handelszaken of bedrijven ter stimulering van de verkoop of verhoging van de omzet worden aangelegd of gehouden, mits als voorwaarde tot deelneming niet gevraagd wordt voldoening van een geldsbedrag en mits daarbij de bij eilandsverordening te stellen voorwaarden en regelen in acht worden genomen. Artikel 2 Het is verboden: - 1°. een andere loterij aan te leggen of te houden dan de zodanige tot het aanleggen en houden waarvan de bij deze wet vereiste toestemming is verleend; - 2°. aandelen in een andere loterij dan de zodanige tot het aanleggen en houden waarvan de bij deze wet vereiste toestemming is verleend, en aandelen in een loterij, die buiten het eilandgebied is aangelegd of wordt gehouden, te verkopen, te koop aan te bieden, af te leveren, uit de delen of ten verkoop of ter uitdeling in voorraad te hebben of op enige andere wijze de deelneming in zodanige loterij open te stellen of openlijk te bevorderen; - 3"},{"i":25,"b":"Afspraken over de harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie, tweede tranche Algemeen Huishoudelijke regelingen Parkeerfaciliteiten Geconstateerd is dat de verschillen tussen de regionale regelingen groot zijn. Ook de parkeergelegenheid is per korps verschillend. Omdat een ambtenaar geen afdwingbare aanspraak kan maken op een parkeervoorziening is er geen sprake van een te harmoniseren arbeidsvoorwaarde. De huidige regionale regelingen, en de wijzigingen daarvan zijn onderworpen aan het instemmingsrecht van de regionale ondernemingsraden. Vergoeding ziektekosten bij dienstongevallen Dit onderwerp wordt meegenomen in de derde tranche van de harmonisatie. Kinderopvang Dit onderwerp wordt niet geharmoniseerd. De korpsen bieden geen andere faciliteiten aan dan de verplichte werkgeversbijdrage via de fiscus. Lease- en dienstvoertuigen Dit onderwerp wordt meegenomen in de derde tranche van de harmonisatie. Bijzondere gebeurtenissen Geconstateerd is dat de verschillen in de regionale regelingen groot zijn. Het betreft regelingen voor ceremonies en gebruiken binnen de korpsen voor bij installatie, beëdiging, promotie, afscheid, pensionering, huwelijk, geboorte, diplomering, etc. De regelingen worden niet geharmoniseerd. De regionale regelingen blijven bestaan. Wijziging of afschaffing van een dergelijke regeling dient plaats te vinden door middel van het landelijk georganiseerd overleg. Reiniging kleding/kledingreglement Ambtenarendie conform [artikel 56 van het Barp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=56) voorzien zijn van uniform- of dienstkleding kunnen hun kleding (pantalon, tuniek enz.) naar behoefte laten reinigen. De bedrijfsvoering binnen de korpsen kiest daarbij voor het aanwijzen van een stomerij of voor inzamelingspunten binnen het korps. Vergoedingen voor het reinigen van kleding komen te vervallen. Deze afspraak dient door de korpsen te worden uitgevoerd vanaf 1 januari 2011. Hiertoe wordt de regelgeving aangepast, zie [bijlage](https://wetten"},{"i":11837,"b":"Beleidsregels Meerzorg pgb Zorgkantoor DSW gelet op [artikel 2.2 lid 1 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen in hoeverre er sprake is van een zorgprofiel overstijgende zorgbehoefte, en gelet op [artikel 5.1e Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.1e) en de daarin besloten bevoegdheid om af te wijken van de bedragen genoemd in [bijlage H Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&bijlage=H), besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 DSW Zorgkantoor hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 tot en met 4 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Meerzorg pgb Zorgkantoor DSW Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregels in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het kan gebeuren dat een Wlz-geïndiceerde meer zorg nodig heeft dan op grond van zijn indicatie mogelijk is. In bepaalde gevallen is het budget van het zorgprofiel onvoldoende om passende zorg thuis te bieden. Zorgkantoren kijken dan naar de aard van zorg zoals verwoord in de beschrijving van het zorgprofiel1Bijlage A. bij artikel 2.1 van de Regeling langdurige zorg of van daaruit sprake is van een bijzondere zorgbehoefte die niet passend is in die beschrijving. Het uitgangspunt van zorgkantoren is dat er recht is op een budget dat toereikend is om op passende wijze te voorzien in de zorgbehoefte. De zorgbehoefte is daarmee leidend. De zorgbehoefte van de verzekerde is de behoefte aan zorg die medisch en zorginhoudelijk noodzakelijk is. Tegelijkertijd draagt het zorgkantoor de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met gemeenschapsgelden en onnodige uitgaven te voorkomen. In de beoordeling van Mee"},{"i":11839,"b":"Beleidsregels van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit als bedoeld in artikel 33da, vierde lid, van de Wet op de kansspelen (Beleidsregels onvrijwillige inschrijving register) gelet op [artikel 33da, vierde lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33da) en op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), besluit de volgende beleidsregels vast te stellen: Paragraaf 1. Definities en toepassing Artikel 1.1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - 1. **speler:** persoon van wie de inschrijving wordt aangevraagd of op wie een kennisgeving betrekking heeft; - 2. **vergunninghouder:** de houder van een vergunning tot het organiseren van speelcasino’s als bedoeld in [artikel 27g, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27g), tot het aanwezig hebben van speelautomaten in inrichtingen als bedoeld in [artikel 30c, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30c) of tot het organiseren van kansspelen op afstand als bedoeld in [artikel 31, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31); - 3. **derde:** de persoon die de inschrijving van een speler aanvraagt; - 4. **kennisgeving:** de procedure bedoeld in [artikel 27ja, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27ja), [artikel 30v, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30v), en [artikel 31m, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31m); - 5. **deskundige:** een door de raad van bestuur ingeschakelde expert op het gebied van kansspelverslaving; - 6. **inschrijving:** de inschrijving bedoeld in [artikel 33da, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33da); - 7. **raad van bestuur:** de raad van bestuur, bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten"},{"i":12132,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 mei 2024, nr. WJZ/52423575, tot aanwijzing van circusdieren (Besluit circusdierenlijst) Gelet op [artikel 4.14, eerste lid, van het Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217&artikel=4.14); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing circusdieren Als soorten van zoogdieren als bedoeld in [artikel 4.14 van het Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217&artikel=4.14) worden aangewezen: | Soort (Nederlands) | Soort (Latijn) | | --- | --- | | Ezel | Equus asinus | | Paard | Equus caballus | | Hond | Canis lupus familiaris | | Huiskat | Felis Silvestris catus | | Rund | Bos taurus | | Schaap | Ovis aries | | Geit | Capra aegagrus hircus | | Varken | Sus scrofa domesticus | | Lama | Lama glama | | Alpaca | Vicugna pacos | | Kameel | Camelus bactrianus | | Konijn | Oryctolagus cuniculus domesticus | | Bruine rat | Rattus norvegicus (forma domestica) | | Huismuis | Mus musculus (forma domestica) | | Cavia | Cavia porcellus | | Goudhamster | Mesocricetus auratus (forma domestica) | | Mongoolse Gerbil | Meriones unguiculatus (forma domestica) | | Fret | Mustela putorius furo | Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit circusdierenlijst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13004,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 september 2015, nummer 677862, houdende verlening aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van de bevoegdheid om bepaalde categorieën vreemdelingen uit te sluiten van verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 Gelet op [artikel 4 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959&artikel=4); Overwegende: dat de beschikbare huisvestingscapaciteit voor de opvang van asielzoekers en daarmee gelijkgestelde vreemdelingen, als bedoeld in [artikel 3 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959&artikel=3) (Rva 2005), onder druk staat; dat het om die reden nodig is om aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) de bevoegdheid te verlenen om bepaalde categorieën vreemdelingen uit te sluiten van onderdak in een opvangvoorziening van het COA; dat aan de vreemdelingen die worden uitgesloten van onderdak in een opvangvoorziening van het COA een vervangende verstrekking ten behoeve van onderdak buiten een zodanige opvangvoorziening wordt verleend; Besluit: Artikel 1 Het COA is voor de duur van een jaar bevoegd om vreemdelingen als bedoeld in [artikel 3, tweede tot en met vierde lid, van de Rva 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959&artikel=3), aan wie de verblijfsvergunning bedoeld in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) of [28 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) is verleend, uit te sluiten van de verstrekking, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onder a, van de Rva 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959&artikel=9). Artikel 2 1. De vreemdeling, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037006&artikel=1&z=2015-09-16&g=2015-09-16), wordt"},{"i":11840,"b":"Besluit van het College van Toezicht Auteursrechten van 25 juni 2024 tot vaststelling van beleidsregels inzake openbaarmaking door het CvTA Beleidsregels openbaarmaking CvTA Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. **het College:** het College van Toezicht Auteursrechten (CvTA); - b. **de wet:** de [Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779); - c. **Woo:** [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754) Artikel 2. Algemene uitgangspunten 1. Het College betracht bij de uitvoering van zijn wettelijke taken zo veel mogelijk openheid, met inachtneming van geldende rechtswaarborgen. 2. Het College kan daartoe via zijn website ([www.cvta.nl)](http://www.cvta.nl/) documenten openbaar maken. 3. Documenten als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, sub a t/m h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051486&artikel=3&z=2025-09-11&g=2025-09-11), worden pas openbaar gemaakt na bekendmaking daarvan aan de geadresseerde. 4. Het College verschaft uit eigen beweging en op passende wijze informatie over zijn organisatie en werkwijze en het door hem gevoerd beleid 5. Het verschaffen van informatie uit eigen beweging blijft achterwege voor zover [artikel 5.1 van de Woo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=5.1) zich tegen openbaarmaking verzet. 6. Namen van rechtspersonen worden, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aangemerkt als (bedrijfs)vertrouwelijke informatie. Artikel 3. Actieve openbaarmaking documenten 1. Het College maakt tenminste de volgende documenten openbaar op zijn website: - a. Een besluit op grond van [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=3), alsmede een eventueel daaraan voorafgaand advies op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet; - b. Een advies op grond van [artikel 6, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":12179,"b":"Besluit van 8 juli 2016, houdende verlenging van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 juli 2016, Secretaris-Generaal Cluster, Directie Koninkrijksrelaties, nr. 2016-0000331669; Gelet op [artikel 42, derde lid, van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I De termijn van twee jaar, bedoeld in het tweede lid van [artikel 42 van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42), zoals verlengd bij koninklijk besluit van 31 juli 2012 en 14 juli 2014, wordt met twee jaar verlengd. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 oktober 2016. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad, het Publicatieblad van Curaçao en het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst."},{"i":12647,"b":"Besluit van 10 oktober 1985, tot instelling van de Joke Smit-prijs Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw mr. A. Kappeyne van de Coppello van 10 oktober 1985, Directie Coördinatie Emancipatiebeleid, nr. 85/2554, gedaan in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelezen de brief van 29 april 1982 van de toenmalige vrouwelijke leden van de Staten-Generaal, waarin deze leden hebben voorgesteld een regeringsprijs op het gebied van de emancipatie in te stellen, te noemen naar de feministe Joke Smit (27 augustus 1933-19 september 1981), die een zeer vooraanstaande rol heeft vervuld in de hedendaagse vrouwenemancipatiebeweging; Overwegende dat een regeringsprijs op het gebied van de emancipatie een gepast middel is om van regeringswege de betekenis te onderstrepen die het emancipatiestreven voor de Nederlandse samenleving heeft; Overwegende dat een dergelijke prijs ook het belang kan accentueren van het emancipatiebeleid als bestanddeel van het algemene regeringsbeleid; Overwegende dat het wenselijk is aan het voorstel uitvoering te geven; Gezien de adviezen van de Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid dd. 3 juli 1984 en van de Emancipatieraad dd. 30 augustus 1985; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Er is een regeringsprijs op het gebied van gendergelijkheid, genaamd Joke Smitprijs. 2. De Joke Smitprijs bestaat uit de Joke Smit oeuvreprijs en de Joke Smit aanmoedigingsprijs. Artikel 2 1. De Joke Smit oeuvreprijs kan eenmaal per twee jaar worden toegekend aan een persoon, een groep of een instelling van onbesproken gedrag die een fundamentele en langdurige bijdrage levert of heeft geleverd aan de verbetering van de positie van vrouwen en meisjes in de Nederlandse samenleving. 2. De Joke Smit oeuvreprijs bestaat uit een geldbedrag van € 10 000 en een kunstvoorwerp. 3. De Joke Smit aanmoedigingsprijs kan eenmaal per twee jaar worden toegekend aan een persoon, een groep of een instell"},{"i":11880,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 28 september 2004 houdende de vaststelling van het tarief van de heffing voor zaadkwekers (Besluit 2004/3 PT bloemkwekerijproducten: zaadkwekers 2004) gelet op [artikel 5 van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015305&artikel=5); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 13 september 2004; BESLUIT: Artikel 1 Voor kwekers van bloemzaden wordt bij de heffing als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, sub c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015305&artikel=4), bij de berekening en oplegging van de heffing uitgegaan van een veronderstelde omzet van € 3.400 per hectare, welke omzet wordt toegepast naar rato van het areaal van de kweker van bloemzaden. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2004/3 PT bloemkwekerijproducten: zaadkwekers 2004. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":11847,"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 8 oktober 2024, kenmerk 2024021132, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2025 (Beleidsregels Risicoverevening 2025) gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), en [34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34); Besluit: 1 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities Deze Beleidsregels verstaan onder: - **aanpassingsklasse:** een klasse waarvan het gewicht in verband met de toepassing van criteriumneutraliteit wordt aangepast; - **AVI:** AVI als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - **belastingdienstbestand:** het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand met inkomensgegevens en gepseudonimiseerde adresgegevens per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar; - **Bzv:** [Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492); - **correctiefactor:** een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor bijzondere situaties. De toelichtingen op de bijzondere situatie en de correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2025 die gepubliceerd wordt op de website [www.zorginstituutnederland.nl](http://www.zorginstituutnederland.nl); - **criterium:** een vereveningscriterium; - **criteriumneutraliteit:** criteriumneutraliteit corrigeert ongewenste effecten van hogere of lagere (ex post) landelijke verzekerdenaantallen dan ex ante verwacht per vereveningskenmerk. Bij toepassing van criteriumneutraliteit worden een of meer gewichten van het betreffende vereveningscriterium bij de vaststelling aangepast zodat het effect van een (landelijk) verschil tussen raming en realisatie van de verzekerdenaantallen"},{"i":11850,"b":"Besluit van het Commissariaat voor de Media van 24 januari 2012 houdende beleidsregels omtrent de verlening van toestemming aan natuurlijke of rechtspersonen om door middel van een omroepzender een omroepdienst voor een bijzonder doel te verzorgen dat een beperkt bereik heeft of van beperkte duur is (Beleidsregels toestemming omroepdienst voor bijzonder doel 2012) Gelet op de [artikelen 6.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=6.9), [7.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.11) en [7.12 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.12); Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Strekking van de regeling De beleidsregels vastgesteld in deze regeling hebben betrekking op het wettelijke voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Evenementenzender Een toestemming om via een omroepzender een omroepdienst voor een bijzonder doel te verzorgen die een beperkt bereik en een beperkte duur heeft kan worden verleend onder de volgende voorwaarden: - a. het bijzondere doel heeft betrekking op het ter plekke verslag doen van, of anderszins ondersteunend zijn aan, een evenement dat een relatie heeft met het beperkte uitzendgebied; - b. onder evenement wordt in dit geval verstaan een niet met het oog op het verkrijgen van de toestemming incidenteel georganiseerde openbare of besloten culturele manifestatie, muziekuitvoering, podiumvoorstelling, filmvoorstelling, sportwedstrijd, sportevenement, beurs, festiviteit, georganiseerde bijeenkomst, of soortgelijke gebeurtenis waarbij publiek aanwezig is dat al dan niet voor toegang heeft betaald; - c. het bereik van de omroepdienst dient zoveel mogelijk beperkt te zijn tot de locatie waar het evenement plaatsvindt en - d. de duur van de omroepdienst dient zoveel mogelijk beper"},{"i":13153,"b":"Compensatieregeling Coronacrisis Presentatie-instellingen Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en op [paragraaf 2 van de Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 juni 2020 nr. 24686911, houdende voorschriften over aanvullende ondersteuning van de uitbraak van culturele en creatieve sector in verband met gederfde inkomsten in die sectoren als gevolg van COVID-19 en de maatregelen ter bestrijding ervan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043634&paragraaf=2), (Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19) Besluit: Artikel 1. Definities In de regeling wordt verstaan onder: - 1. **het fonds:** het Mondriaan Fonds, - 2. **het bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds, - 3. **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de bijzondere gemeentes Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. - 4. **eigen inkomsten:** de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening: - a. publieksinkomsten; en - b. overige inkomsten, zijnde: Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten: - 1. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten; - 2. indirecte opbrengsten; - 3. overige bijdragen. - a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; - b. overige bijdragen uit publieke middelen; - c. rentebaten; - d. bijdragen in natura; - e. kapitalisatie van vrijwilligers; - f. waardering vrijkaarten; en - g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap. - 5. **reserves:** vrij besteedbaar vermogen, behorende tot: - a. de algemene reserve; - b. het stichtingskapitaal; en - c. het bestemmingsfonds OCW. Artikel 2. Doel Het fonds kan subsidie verstrekken in de vorm van een bijdrage aan instellingen die tot primair doel hebben hedendaagse beeldende kunst te p"},{"i":11853,"b":"Beleidsregels uitgifte bedrijfsnummers De Autoriteit Consument en Markt maakt hierbij op grond van haar bevoegdheden uit [hoofdstuk 4 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&hoofdstuk=4) beleidsregels bekend over de uitgifte van nummers voor toegang tot ondernemingen en instellingen (088-nummers). Deze beleidsregels treden per 24 maart 2008 in werking. Deze beleidsregels vervangen de [in de bekendmaking van 6 september 2004 onder B genoemde beleidsregels](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033297) (OPTA/NER/2004/203044). Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt in werking treedt. In het kader van een snelle behandeling van aanvragen, efficiënt nummerbeheer en het tegengaan van nummerhandel hanteert Autoriteit Consument en Markt de volgende regels bij de uitgifte van nummers voor toegang tot ondernemingen en instellingen (kortweg: bedrijfsnummers): - 1. voor aanvragen van nummers voor toegang tot ondernemingen en instellingen moeten aanvragers gebruik maken van het aanvraagformulier voor nummers voor toegang tot ondernemingen en instellingen; - 2. aanvragers kunnen in hun aanvraag eenmalig hun voorkeur voor bepaalde nummers kenbaar maken. Wijzigingen en/of aanvullingen van voorkeuren worden door Autoriteit Consument en Markt niet gehonoreerd; - 3. uitgifte van nummers voor toegang tot ondernemingen en instellingen vindt plaats in blokken van tenminste honderd aaneengesloten nummers waarvan het eerste nummer eindigt met de cijfers 00. Dit houdt in dat ook aanvragers voor een kleinere hoeveelheid dan honderd nummers een aaneengesloten blok van honderd nummers krijgen toegewezen; - 4. de hoofdregel bij de uitgifte van aanvragen voor meer dan honderd nummers voor toegang tot ondernemingen en instellingen is dat dit zoveel mogelijk plaatsvindt in aaneengesloten reeksen. Aanvragers met een voorkeur voor een niet aaneengesloten reeks moeten bij hun aanvraag d"},{"i":11867,"b":"Besluit van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 22 november 2023, nr. MDT/38992918, houdende benoeming van de leden van de beoordelingscommissie MDT (Benoemingsbesluit leden beoordelingscommissie MDT) Gelet op [artikel 4, vierde lid, van het Instellingsbesluit beoordelingscommissie MDT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048996&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **commissie:** beoordelingscommissie als bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit beoordelingscommissie MDT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048996&artikel=2). Artikel 2. Vaste voorzitter en leden 1. De vaste voorzitter van de commissie is mevrouw K. (Karen) Klijnhout. 2. De overige leden van de commissie zijn: - –. A. (Akram) Achahboun - –. B. (Bilal) el Allouchi - –. E.G. (Elijah) Alvares - –. C.T. (Chinyere) Aronu - –. Y. (Youssef) Boutkabout - –. Z. (Zaid) Bakdounes - –. A. (Anass) Boukakar - –. G.G.A. (Gilbert) Vanblarcum - –. V.E.M. (Valeski) Boor - –. J. (Joost) Dijkstra - –. K. (Kaya) van den Dikkenberg - –. N. (Noa) Dunnewind - –. J. (Jan) Faber, vanaf 1 juni 2024 - –. P.A.J. (Pieter) Folkeringa - –. G.E. (Rochelle) Heerema-Richardson - –. S.H. (Selim) Helmi - –. I. (Isra) Khogali - –. M.J. (Marcel) van Kleij - –. D.C. (Dwight) Krolis - –. E.S. (Emily) de Laat - –. J.Y. (Jessy Yasmeen) Lugo - –. A.E.M. (Djela) Breinburg-Maduro - –. H.A.M (Hans) Migchielsen, vanaf 1 juni 2024 - –. S. (Salwa) Ringim Mohammed - –. M. (Mourad) El Moussati - –. B.L. (Boris) Odinot, vanaf 1 juni 2024 - –. K. (Kirsten) Ottens - –. K.J. (Karen) Retera - –. R.B.M.S. (Rhobynn) van Rossen - –. M. (Marit) Scheers - –. S.A.H (Ali) Shah, vanaf 1 juni 2024 - –. F.A. (Femke) Soethout - –. M.J.M. (Maud) Stamsnijder - –. S. (Sue) van Soest - –. P. (Parnav) Sira - –. N.F. (Noraly) van Tinteren - –. J.J.B. (Jacqueline) van der Velden, tot 17 juni 2024 - –. C.A.G.M. (Corinne) Vellek"},{"i":11897,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2013, nr. DPO/576040, houdende regels met betrekking tot de adviescommissie ten behoeve van de beslissing op bezwaarschriften van personeel van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Besluit Adviescommissie Bezwaarschriftprocedure Personeel OCW 2013) Gelet op [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13) en [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **het ministerie:** het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. **de Wet:** de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - d. **besluit:** een besluit, als bedoeld in de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), van of namens de minister waarbij een ambtenaar als zodanig belanghebbende is; - e. **commissie:** de adviescommissie, als bedoeld in [artikel 7:13 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13), die is ingesteld op grond van [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034415&paragraaf=2&artikel=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01); - f. **EC O&P:** het Expertisecentrum Organisatie en Personeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - g. **secretaris:** de secretaris van de commissie bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034415&paragraaf=2&artikel=4&z=2014-01-01&g=2014-01-01); - h. **medewerker:** het personeelslid en gewezen personeelslid van het ministerie, aangesteld krachtens het Algemeen Rijksambtenarenreglement; - i. **bezwaarde:** de ambtenaar daaronder begrepen zijn nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden die als zodanig een bezwaarschrift tegen een be"},{"i":14381,"b":"Regeling investeringsverzekeringen Gelet op [artikel 3, tweede en vijfde lid, van de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007886&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Definities 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Kaderwet:** de [Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007886); - b. **investeringsland:** een land buiten Nederland; - c. **investering:** de inbreng door een ondernemer van middelen in geld of in natura in een onderneming in een investeringsland, teneinde met die onderneming duurzaam verbonden te zijn ten dienste van de eigen werkzaamheid, voor een duur van tenminste drie jaren of indien het een geldlening betreft voor de duur van tenminste vier jaren; onder investering wordt mede begrepen de garantie die een ondernemer in aanvulling op de inbreng geeft, onder welke naam dan ook, tot betaling van hetgeen uit hoofde van een lening is verschuldigd in het geval dat de met de ondernemer duurzaam verbonden onderneming in een investeringsland in gebreke blijft; - d. **lening:** een door een geldgever, niet zijnde de onder c bedoelde ondernemer, in samenhang met een investering aan een onderneming in een investeringsland verstrekte lening, voor een duur van tenminste vier jaren en die, indien die geldgever in hoofdzaak op de financiële markten werkzaam is, tot doel heeft aan de onderneming duurzaam vermogen te verschaffen; - e. **geldgever:** - i. een bank als bedoeld in [artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); - ii. een onderneming als bedoeld in [artikel 3:2 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:2) die volgens haar statuten in Nederland haar zetel heeft en die deel uitmaakt van de groep waartoe die onderneming behoort; - iii. een ondernemer die haar bedrijf maakt van het ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van professi"},{"i":12881,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voedselvoorziening en agrarisch markt- en prijsbeleid (1934) 1945-2000 (Minister van Economische Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 16 maart, arc-2007.03686/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Voedselvoorziening en agrarisch markt- en prijsbeleid (1934) 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14132,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 7 december 2015, nummer 606393, houdende vaststelling van de bewapeningsregeling van de buitengewone agenten van politie BES (Regeling bewapening BavPol BES) Gelet op [artikel 2, onder 1°, Wapenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028756&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder BavPol de buitengewoon agent van politie BES, bedoeld in het [Besluit buitengewone agenten van de politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175). Artikel 2 Een ambtenaar die is aangesteld als BavPol mag tijdens de uitoefening van zijn dienst de wapens en munitie, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037343&artikel=3&z=2015-12-16&g=2015-12-16), bij zich hebben voor zover: - a. hij beschikt over een akte van opsporingsbevoegdheid als bedoeld in [artikel 6 van het Besluit buitengewone agenten van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175&artikel=6), dan wel aan hem een aanwijzing als bedoeld in [artikel 184, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184) is gedaan; - b. hij de toetsen, bedoeld in [artikel 31, tweede en derde lid, van het Besluit buitengewone agenten van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175&artikel=31), met voldoende resultaat heeft afgelegd; en - c. hij beschikt over daartoe aangewezen politiebevoegdheden en geweldmiddelen als bedoeld in [artikel 14 Besluit buitengewone agenten van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175&artikel=14) of is aangewezen om geweld te gebruiken als bedoeld in [artikel 37k Wet beginselen gevangeniswezen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=37k). Artikel 3 1. Een ambtenaar als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037343&artikel=2&z=2015-12-16&g=2015-12-16) kan worden uitgerust met: - a. een korte en lange wapenstok; - b. pepperspr"},{"i":12767,"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2007 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2007 vastgesteld op 0,087570%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2007 vastgesteld op 0,313179%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2007. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13123,"b":"Bijdrage gemoedsbezwaarden Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20) (Stb. 1984, 269); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering beloopt voor het jaar 1993; Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1993. Artikel 3 Deze regeling wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":12217,"b":"Besluit van De Nederlandsche Bank N.V. van 12 januari 2023 tot erkenning van de op 30 maart 2022 door de Duitse financiële toezichthouder BaFin gepubliceerde systeemrisicobufferpercentage (Besluit erkenning 2% systeemrisicobuffer Duitsland 2022) Na openbare consultatie; Gelet op de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), in het bijzonder [artikel 3:62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:62a); Gelet op het [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420), in het bijzonder [artikel 105, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=105) en [artikel 105e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=105e); Gelet op de [Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042578), in het bijzonder [artikel 2:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042578&artikel=2:3); Gelet op [Richtlijn nr. 2013/36](32013L0036)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van [Richtlijn 2002/87/EG](32002L0087) en tot intrekking van de [Richtlijnen 2006/48/EG](32006L0048) en [2006/49/EG](32006L0049); in het bijzonder artikel 134; Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a). **Bpr:** [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - b). **CRR:** [Verordening (EU) nr. 575/2013](32013R0575) van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van [Verordening (EU) nr. 648/2012](32012R0648), oftewel verordening kapitaalvereisten of de Capital Requirements Regulation; - c). **CRD:** [Richtlijn nr. 2013/36](32013L0036)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 201"},{"i":14217,"b":"Regeling eisen goedkeuring kentekenplaten 2000 Gelet op de [artikelen 36, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36), en [40, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=40) en [artikel 5 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsomschrijvingen - a. **kentekenplaat:** een plaat die het kenteken toont van een voertuig; - b. **retroreflecterende kentekenplaat:** een kentekenplaat waarvan de achtergrond van retroreflecterend materiaal is voorzien; - c. **monster:** een gelakte kentekenplaat dan wel een retroreflecterende kentekenplaat die voor beoordeling of beproeving wordt overgelegd, - 1°. een gelakte kentekenplaat dan wel een retroreflecterende kentekenplaat die voor beoordeling of beproeving wordt overgelegd, - 2°. een halffabrikaat dat voor beoordeling of beproeving wordt overgelegd; - d. **proefstuk:** uitsnijding van het monster; - e. **halffabrikaat:** voorbewerkt materiaal dat voor de vervaardiging van kentekenplaten wordt gebezigd en dat van het waarmerk is voorzien, en wel: - 1°. gelakte aluminium plaat van de voorgeschreven afmetingen, - 2°. retroreflecterend materiaal, voorzien van een zelfhechtende lijmlaag aan de achterzijde, of - 3°. aluminium plaat van de voorgeschreven afmetingen, voorzien van retroreflecterend materiaal als bedoeld onder 2°; - f. **goedgekeurd type:** een type kentekenplaat of halffabrikaat dat geheel voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen en voor welk type erkenning voor het aanbrengen van het rijkskeurmerk, het keurmerk dan wel het waarmerk is verleend. Hoofdstuk 2. Algemene eisen voor kentekenplaten Artikel 2. Materiaal 1. Het materiaal van de plaat dient een aluminium legering te zijn. 2. Het materiaal moet voldoen aan onderstaande kenmerken: - a. materiaaldikte ≥ 1 mm - b. treksterkte (σ): ≥ 138N/mm2 - c. rekgrens (σ 0,2): ≥ 69N/mm2 - d. rek (mee"},{"i":14404,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 23 april 2019 nr. 1394232, houdende de instelling van een klachtencommissie ongewenste omgangsvormen bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Regeling Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen OCW 2019) Gelet op [artikel 9:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14), [artikel 3, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=3) en [artikel 6, eerste lid, van de Klachtenregeling seksuele intimidatie burgerlijk rijkspersoneel;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006835&artikel=6) Met instemming van de Departementale Ondernemingsraad en gehoord het Departementaal Georganiseerd Overleg van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **beklaagde:** degene op wie de klacht betrekking heeft; - **commissie:** klachtencommissie, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042227&paragraaf=3&artikel=3&z=2019-05-24&g=2019-05-24); - **hoofd P&O:** hoofd van het domein P&O bij het ministerie, als bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042227&paragraaf=3&artikel=10&z=2019-05-24&g=2019-05-24); - **klager:** medewerker die een klacht heeft ingediend bij de commissie; - **medewerker:** degene die werkzaamheden verricht of heeft verricht bij het ministerie of onder haar ressorterende diensten; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **ministerie:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **ongewenste omgangsvormen:** iedere vorm van sociale interactie waarbij sprake is van factoren van direct of indirect onderscheid in de arbeidssituatie die stress teweegbrengen, met inbegrip van intimidatie, seksuele intimidatie, agressie, geweld en pesten; - **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministe"},{"i":13277,"b":"Wet van 4 december 2025 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2026) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2026 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VII Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel VIII Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel VIIIa Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IX Wijzigt de Provinciewet. Artikel X Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XI Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XII Wijzigt de Overige fiscale maatregelen 2018. Artikel XIII Wijzigt de Overige fiscale maatregelen 2020. Artikel XIV Wijzigt de Wet compensatie wegens selectie aan de poort. Artikel XV Wijzigt het Belastingplan 2025. Artikel XVI Wijzigt de Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit. Artikel XVIa Wijzigt de Pensioenwet. Artikel XVIb Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel XVII Aan een op basis van [artikel III, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052046&artikel=III&z=2026-03-21&g=2026-03-21), ingevolge [artikel 18g, tweede lid, aanhef en onderdelen d en e, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18g) vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan terugwerkende kracht worden verleend tot e"},{"i":12366,"b":"Besluit van de Referendumcommissie van 5 februari 2016, houdende instelling van een bezwaaradviescommissie (Besluit instelling bezwaaradviescommissie Referendumcommissie) Gelet op [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commissie:** de bezwaaradviescommissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037663&paragraaf=2&artikel=2&z=2016-02-12&g=2016-02-12); - b. **Referendumcommissie:** de Referendumcommissie, bedoeld in [artikel 87 van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=87); - c. **secretaris:** de secretaris en plaatsvervangend secretaris van de commissie, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037663&paragraaf=2&artikel=3&z=2016-02-12&g=2016-02-12); - d. **wet:** de [Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443); - e. **bezwaarschrift:** een bezwaarschrift als bedoeld in [artikel 6:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:4); - f. **bezwaarde:** de natuurlijke of rechtspersoon die een bezwaarschrift heeft ingediend; - g. **subsidieregeling:** de subsidieregeling van de Referendumcommissie, bedoeld in [artikel 90, derde lid, van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=90). Paragraaf 2. De bezwaaradviescommissie Artikel 2 1. Er is een bezwaaradviescommissie. 2. De commissie heeft tot taak de Referendumcommissie te adviseren over de te nemen besluiten op haar door de Referendumcommissie voorgelegde bezwaren tegen beslissingen van de Referendumcommissie. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit ten minste drie leden, met inbegrip van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter. 2. Indien meer dan drie leden zijn benoemd, wordt een aan de commissie voorgelegde zaak behand"},{"i":12393,"b":"Besluit van 2 december 2008 tot instelling van de Jos Brink homo-emancipatieprijs (Besluit instelling Jos Brink homo-emancipatieprijs) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 november 2008, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. WJZ/82760; Gedaan in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Er is een regeringsprijs op het gebied van gelijke behandeling, gelijke rechten en gelijke kansen van en voor lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgenders en intersekse personen in de samenleving (LHBTI-gelijkheid), genaamd de Jos Brinkprijs. 2. De Jos Brinkprijs kan worden toegekend in de vorm van een oeuvreprijs en in de vorm van een innovatieprijs. Artikel 2 1. De Jos Brink oeuvreprijs kan eenmaal per twee jaar worden toegekend aan een persoon, een groep of een instelling van onbesproken gedrag die een fundamentele en langdurige bijdrage levert of heeft geleverd aan het proces van LHBTI-gelijkheid. 2. De Jos Brink oeuvreprijs bestaat uit een geldbedrag van € 10.000 en een kunstobject. 3. De Jos Brink innovatieprijs kan eenmaal per twee jaar worden toegekend aan een persoon, een groep of een instelling van onbesproken gedrag die zich recent op innovatieve of inspirerende wijze inzet of heeft ingezet voor het proces van LHBTI-gelijkheid. 4. De Jos Brink innovatieprijs bestaat uit een geldbedrag van € 1.000. Artikel 3 1. De toekenning van de Jos Brinkprijs geschiedt door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nadat hij daarover het advies heeft ingewonnen van een door hem benoemde onafhankelijke jury. 2. Hij kan daaromtrent nadere regels stellen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit instelling Jos Brinkprijs. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit bes"},{"i":12395,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 7 december 2010, nr. 2010-0000845869, tot instelling van een Landelijke Operationele Staf Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Besluit: Artikel 1 1. Er is een Landelijke Operationele Staf. 2. De voorzitter van de ministeriële commissie Crisisbeheersing kan, zonodig op verzoek van een andere minister, de Landelijke Operationele Staf activeren. 3. Van de Landelijke Operationele Staf maken in ieder geval deel uit: vertegenwoordigers van politie, brandweer, Defensie en GHOR. 4. Op verzoek van een andere minister kunnen ook vertegenwoordigers van andere operationele diensten voor zover deze diensten uitvoeringgeven aan het werkterrein waarvoor deze minister verantwoordelijk is, in het kader van een ramp of een crisis aan de Landelijke Operationele Staf deelnemen onder verantwoordelijkheid van desbetreffende minister. De ministers blijven onverminderd verantwoordelijk voor de daadwerkelijke inzet van hun operationele diensten. Artikel 2 De Landelijke Operationele Staf heeft tot taak het leveren van operationeel advies ter zake van de beschikbaarheid van mensen en middelen ten behoeve van nationale rampenbestrijding en crisisbeheersing in het kader van openbare orde. Dit advies is mede gebaseerd op operationele uitvoerbaarheid en consequenties, en verloopt alleen via de nationale crisisbesluitvormingsstructuur. Artikel 3 De Landelijke Operationele Staf draagt zorg voor de communicatie over en de afstemming van de in de nationale crisisbesluitvormingsstructuur, genomen besluiten richting de operationele diensten. Artikel 4 De Landelijke Operationele Staf is een opgeschaald Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum. Artikel 5 De Minister van Veiligheid en Justitie stelt het organisatiemodel vast voor de Landelijke Operationele Staf. Artikel 6 Dit besluit treedt op 1 maart 2011 in werking. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12382,"b":"Regeling van 9 december 2008, nr. BJZ2008117292, houdende de instelling van een criminele-inlichtingeneenheid VROM-IOD Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie; Gelet op [artikel 12, tweede lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=12); Besluit: Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **nationale criminele-inlichtingeneenheid:** eenheid, genoemd in [artikel 1, onderdeel d, van het Besluit verplichte politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032083&artikel=1); - b. **informantgegevens:** gegevens omtrent een persoon, bedoeld in [artikel 12, zevende lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=12); - c. **criminele-inlichtingen:** gegevens, die in aanmerking komen voor verwerking op grond van [artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=10); - d. **CIE-officier van justitie:** de als zodanig aangewezen officier van justitie, verantwoordelijk voor de taakuitoefening van de criminele-inlichtingeneenheid ILT-IOD; - e. **ILT-IOD:** Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu; - f. **verantwoordelijke:** Minister van Infrastructuur en Milieu. 2. Namens de verantwoordelijke kunnen de in deze regeling voorgeschreven handelingen worden verricht door het hoofd van de criminele-inlichtingeneenheid ILT-IOD, in het bijzonder die genoemd in de [artikelen 5, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024867&artikel=5&z=2013-01-15&g=2013-01-15), [7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024867&artikel=7&z=2013-01-15&g=2013-01-15), [8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024867&artikel=8&z=2013-01-15&g=2013-01-15), en [9](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":12391,"b":"Besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 11 maart 2005, nr. DDS 5337215 tot instelling van het interventieteam relationele druk en geweld Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de minister: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie; - b. het interventieteam: het interventieteam relationele druk en geweld, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018098&artikel=2&z=2005-03-18&g=2005-03-18); - c. de drie andere interventieteams: het interventieteam veiligheid en jeugd; het interventieteam toegankelijkheid en het interventieteam interetnische spanningen; - d. FORUM: het Instituut voor multiculturele ontwikkeling te Utrecht. Artikel 2 1. Er is een interventieteam relationele druk en geweld. 2. Het interventieteam wordt ingesteld voor de duur van twee jaar. Artikel 3 Het interventieteam heeft tot taak: - a. het signaleren van ontwikkelingen aangaande het thema relationele druk en geweld en het jaarlijks schriftelijk rapporteren over deze ontwikkelingen aan de minister; - b. het brengen van bezoeken aan en het voeren van overleg met gemeenten, instellingen of gemeenschappen waar zich problemen rondom dit thema voordoen, waarbij het interventieteam – in het geval één van de bij de problemen betrokken partijen daarom vraagt – bemiddelt tussen bedoelde partijen en deze partijen voorstellen doet om de problemen niet verder te laten escaleren, te voorkomen, dan wel op te lossen; - c. het gevraagd en ongevraagd doen van voorstellen aan gemeenten, instellingen of gemeenschappen voor de aanpak en oplossing van problemen rondom dit thema; - d. het stimuleren van contacten tussen en binnen de verschillende etnische groepen en van contacten tussen bedoelde groepen en gemeenten en relevante instellingen. Artikel 4 1. Het interventieteam bestaat uit een voorzitter en ten minste zes en ten hoogste acht andere leden. 2. Tot lid van het interventieteam zijn met ingang van 20 december 2004 benoemd: -"},{"i":12390,"b":"Besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 11 maart 2005, nr. DDS 5337212 tot instelling van het interventieteam interetnische spanningen Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de minister: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie; - b. het interventieteam: het interventieteam interetnische spanningen, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018096&artikel=2&z=2005-03-18&g=2005-03-18); - c. de drie andere interventieteams: het interventieteam veiligheid en jeugd; het interventieteam toegankelijkheid en het interventieteam relationele druk en geweld; - d. FORUM: het Instituut voor multiculturele ontwikkeling te Utrecht. Artikel 2 1. Er is een interventieteam interetnische spanningen. 2. Het interventieteam wordt ingesteld voor de duur van twee jaar. Artikel 3 Het interventieteam heeft tot taak: - a. het signaleren van ontwikkelingen aangaande het thema interetnische spanningen in het algemeen en de lokale interetnische verhoudingen in het bijzonder en het jaarlijks schriftelijk rapporteren over deze ontwikkelingen aan de minister; - b. het brengen van bezoeken aan en het voeren van overleg met gemeenten, instellingen of gemeenschappen waar zich problemen rondom dit thema voordoen, waarbij het interventieteam – in het geval één van de bij de problemen betrokken partijen daarom vraagt – bemiddelt tussen bedoelde partijen en deze partijen voorstellen doet om de problemen niet verder te laten escaleren, te voorkomen, dan wel op te lossen; - c. het gevraagd en ongevraagd doen van voorstellen aan gemeenten, instellingen of gemeenschappen voor de aanpak en oplossing van problemen rondom dit thema; - d. het stimuleren van contacten tussen en binnen de verschillende etnische groepen en van contacten tussen bedoelde groepen en gemeenten en relevante instellingen. Artikel 4 1. Het interventieteam bestaat uit een voorzitter en ten minste zes en ten hoogste acht andere leden. 2. Tot lid van"},{"i":12367,"b":"Besluit instelling bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden BZK Gelet op [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13); Gehoord het Departementaal Georganiseerd Overleg, als bedoeld in [artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=113), ingesteld voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **het ministerie:** het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **medewerker:** degene die op basis van een ambtelijke aanstelling werkzaamheden verricht of heeft verricht bij een ministerie. § 2. De Commissie Artikel 2 1. Er is een Bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. De commissie heeft tot taak: - a. de minister te adviseren over de te nemen beslissing op een haar voorgelegd bezwaar van een medewerker van het ministerie tegen een besluit; - b. in geval een ander ministerie gebruik maakt van de commissie de betrokken andere minister te adviseren over het bezwaar van een medewerker van dat ministerie. 3. Het tweede lid is niet van toepassing als ingevolge enig wettelijk voorschrift een andere commissie over het betrokken bezwaar adviseert. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit: - a. een voorzitter, tevens lid, niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de minister; - b. ten minste tien overige leden. 2. Voor ieder lid van de commissie benoemt de minister ten minste één plaatsvervanger. 3. Van de op grond van het eerste lid, onder b, te benoemen leden worden ten minste twee leden en ten minste twee plaatsvervangende leden benoemd op voordracht van het Departementaal Georganiseerd Overleg, ingesteld voor het ministerie. 4. De leden en de plaatsvervangend leden worden benoemd en"},{"i":12354,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden mediators 2018 (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 19 december 2017 krachtens artikel 33 b van de Wet op de Rechtsbijstand) Raad voor Rechtsbijstand, Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die in aanmerking willen komen voor verwijzingen vanuit de gerechten of vanuit het Juridisch Loket zich inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en volgende van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: In het onderstaande zijn deze voorwaarden uitgewerkt. De voorwaarden zijn op te vatten als algemeen verbindende voorschriften. Inschrijvingsvoorwaarden Artikel 1. Registratie/opleidingsvereisten/evaluatie 1. De deelnemende mediator dient MfN1MfN is de afkorting van: Mediatorsfederatie Nederland. MfN-registermediators staan ingeschreven bij de Stichting Kwaliteit Mediators (SKM). De SKM is voor wat betreft het registerbeheer en de kwaliteitssystemen de rechtsopvolger van het NMI.-registermediator te zijn. Deze MfN- registermediator heeft een door de Stichting Kwaliteit Mediators afgenomen peer review met goed gevolg ondergaan én in de drie jaar voor de datum van inschrijving bij de Raad voor Rechtsbijstand negen mediations op basis van de Mediationovereenkomst voor de MfN-registermediator verricht.2Met betrekking tot de bedoelde negen mediations gelden de volgende eisen:–het moet gaan om mediations conform de condities van de MfN-registermediator (MfN-gedragsregels en MfN-reglement), aangevangen met een schriftelijke Mediationovereenkomst. Bemiddelingen, in welke vorm dan ook, tellen niet mee voor een inschrijving bij de Raad;–van de negen mediations moeten er minimaal drie met een vaststellingsovereenk"},{"i":12399,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 25 november 2014 met kenmerk 2014-0000627803, houdende instelling van het Overlegplatform Bouwregelgeving en de Juridisch-technische commissie Besluit: Artikel 1. Overlegplatform Bouwregelgeving 1. Er is een Overlegplatform Bouwregelgeving, hierna te noemen: overlegplatform, dat ten doel heeft: - a. het uitwisselen van informatie over nationale en internationale ontwikkelingen op het terrein van bouwvoorschriften; - b. het doen van aanbevelingen op het terrein van bouwen bij of krachtens de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181), de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) en andere aanverwante regelgeving; - c. het doen van aanbevelingen met betrekking tot de resultaten van onderzoekingen die zijn uitgevoerd in het kader van aan het parlement toegezegde evaluaties van de bij of krachtens de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181) gegeven voorschriften of de bij of krachtens de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) gestelde regels; - d. het doen van aanbevelingen met betrekking tot de resultaten van overige onderzoekingen die zijn uitgevoerd op het terrein van de kwaliteit van bouwwerken. 2. Het overlegplatform komt drie- of viermaal per jaar bijeen. Een overleg mondt uit in een advies aan de Minister voor Wonen en Rijksdienst en zo nodig van de voor aanverwante regelgeving verantwoordelijke bewindspersoon, over vraagstukken op het terrein van de bouwregelgeving en de overige kwaliteitsaspecten van bouwwerken in het algemeen en alle wijzigingen van de regelgeving op dit terrein in het bijzonder. Artikel 2. Samenstelling overlegplatform 1. Het overlegplatform bestaat uit een onafhankelijke technisch voorzitter en vertegenwoordigers op bestuurlijk niveau van belangenorganisaties van ontwerpende, uitvoerende en toeleverende bouw alsmede belangenorganisaties van beheerders en gebruikers van bouwwerken en organisaties van toezi"},{"i":12356,"b":"Besluit van de Minister van Defensie houdende instelling van het Insigne voor Optreden onder Gevechtsomstandigheden (Besluit Insigne voor Optreden onder Gevechtsomstandigheden) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder ‘gevechtshandelingen’ verstaan: iedere vorm van actief en professioneel handelen binnen de taakopdracht van de desbetreffende militair waarbij tevens sprake is van vijandelijk optreden met indirect vuur, direct vuur of hiermee vergelijkbaar gevechtscontact, dan wel van enige andere vorm van excessieve geweldsuitoefening jegens de militair. Artikel 2 Het Gevechtsinsigne is ovaalvormig en is vervaardigd van bronskleurig metaal. Het insigne vertoont een liggende ovalen krans, waarvan de linkerzijde gevormd wordt door laurierbladeren en de rechterzijde gevormd wordt door eikenbladeren. Op de krans rust een schuin opgericht zwaard. Artikel 3 Het Gevechtsinsigne wordt toegekend aan de militair die: - a. op of na 1 juni 2001 bij het uitvoeren van de in het belang van de taakuitoefening van de krijgsmacht opgedragen werkzaamheden en diensten heeft deelgenomen aan gevechtshandelingen; en - b. bij deelname aan die gevechtshandelingen in alle opzichten een goede plichtsbetrachting en een goed gedrag heeft betoond. Artikel 4 Degene die in aanmerking komt voor een Gevechtsinsigne ontvangt naast het metalen insigne tevens: - a. een op naam gestelde oorkonde; en - b. een stoffen embleem waarmee het bezit van het Gevechtsinsigne op het gevechtstenue kan worden aangeduid. Artikel 5 Uitreiking van het Gevechtsinsigne geschiedt zo mogelijk voor het front van de eenheid waartoe de militair behoort. Artikel 6 Het Gevechtsinsigne wordt eenmalig toegekend. Artikel 7 De toekenning van het gevechtsinsigne geschiedt namens de Minister van Defensie: - a. door de Commandant der Strijdkrachten; - b. door de Commandant van het Operationeel Commando waartoe de militair behoort; - c. gedurende uitzendingen door de Commandant van het Contingentscommando, dan wel de Senior Nationa"},{"i":12373,"b":"Besluit instelling Commissie integriteit publieke functionarissen en functioneren overheidsinstituties in Curaçao Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 juni 2011, 2011-2000271383, CZW/CZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er is een Commissie die tot taak heeft zich op de hoogte te stellen van de oorzaken en ontwikkelingen die hebben geleid tot een situatie waarin de integriteit van publieke functionarissen en het functioneren van belangrijke overheidsinstituties in Curaçao over en weer in opspraak wordt gebracht, en om aanbevelingen te doen omtrent de wijze waarop het aanzien en het gezag van deze instituties kan worden hersteld. Artikel 2 De leden worden benoemd door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, na overleg met de Minister-President van Curaçao. Artikel 3 1. De Commissie brengt haar rapport uit aan de Minister-President van Curaçao en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. Indien Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, na overleg met de Minister-President van Curaçao daarom verzoekt, of indien de Commissie dit zelf wenselijk acht, brengt de Commissie een tussenrapport uit. 3. Na het uitbrengen van het rapport is de Commissie opgeheven. Artikel 4 De archiefbescheiden van de Commissie worden na haar opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt drie maanden na de opheffing van de Commissie. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12394,"b":"Besluit van 1 Juni 1944, houdende vervanging van het Koninklijk besluit van 20 Februari 1941, No. 1 (Nederlandsche Staatscourant 1941, No. 3), zooals dit besluit sedert is gewijzigd, tot instelling van het Kruis van Verdienste Op de voordracht van Onze Ministers van Algemeene Zaken a.i., van Oorlog, van Marine, van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Koloniën, d.d. 6 April 1944, Kans. A.Z. No. 78; Hebben goedgevonden en verstaan: Ons besluit van 20 Februari 1941, No. 1 (Nederlandsche Staatscourant, 1941, No. 3), zooals dit sedertdien is gewijzigd, te lezen als volgt: Artikel 1 Er wordt ingesteld een Kruis van Verdienste. Artikel 2 Het Kruis van Verdienste wordt door Ons toegekend aan Nederlanders, Nederlandsche onderdanen of vreemdelingen, die zich in verband met vijandelijke actie door moedig en beleidvol optreden hebben onderscheiden en daarmede het belang van het Koninkrijk hebben gediend. Artikel 3 Het Kruis van Verdienste, waarvan het model door Ons zal worden vastgesteld, bestaat uit een vierarmig bronzen kruis. Het kruis is bevestigd aan een zijden lint van Nassausch blauw ter breedte van 37 millimeter, in het midden voorzien van een 6 millimeter breede verticale oranje streep. Artikel 4 Zij, aan wie het Kruis van Verdienste reeds eenmaal is toegekend, en die daarna wederom door gelijkwaardige daden deze onderscheiding deelachtig worden, dragen het Arabische cijfer \"2\" in goud op het lint van het Kruis van Verdienste. Bij een volgende gelijkwaardige daad wordt het cijfer \"2\" verhoogd tot \"3\" en verder. Artikel 4a Het Kruis van Verdienste kan, indien dit in bijzondere gevallen door het Hoofd van het betrokken Departement van Algemeen Bestuur wenschelijk wordt geacht, ook posthuum worden toegekend. Artikel 5 In bijzondere gevallen, te Onzer beoordeeling, kan het Kruis van Verdienste tijdelijk of blijvend worden ontnomen aan hen, die zich dit eereteeken niet langer waardig toonen. Artikel 6 Voorstellen tot het ontnemen van een verleend Kruis van Verdienste"},{"i":12387,"b":"Besluit van 2 augustus 1946, houdende nieuwe regelen betreffende de instelling van een Eerepenning voor menschlievend hulpbetoon Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken van 23 Juli 1946, no. U 19203, Afdeeling Wetgeving; Overwegende, dat de bij het Koninklijk besluit van 19 Juni 1822, no 92, ingestelde **Eerepenning voor Menschlievend Hulpbetoon** bijzonder geschikt is gebleken tot belooning van menschlievende daden, die het kenmerk dragen van moed, beleid en zelfopoffering, doch dat het noodzakelijk is gebleken dit besluit, met handhaving van zijn beginselen, te herzien; Hebben goedgevonden en verstaan: Onder intrekking van het Koninklijk besluit van 19 Juni 1822, no. 92, zooals dit laatstelijk is gewijzigd bij Ons besluit van 11 Februari 1918, no. 37, te bepalen: Artikel 1 1. Aan hen, die een menschlievende daad hebben verricht, welke kenmerken draagt van moed, beleid en zelfopoffering, kan door Ons een belooning worden toegekend, bestaande in een penning. 2. Deze penning heeft den naam van: Eerepenning voor menschlievend hulpbetoon. Artikel 2 1. Deze eerepenning bestaat uit een Koninklijke kroon, waaraan bevestigd een ovale draagpenning, metende een totale hoogte van 6 centimeter, op welks voorzijde voorkomt het beeld der Naastenliefde en de woorden: \"Voor Menschlievend Hulpbetoon\" en aan de keerzijde de woorden: \"De Koning aan\", waaronder telkens de naam van den begiftigde zal worden gesteld, een en ander overeenkomstig de bij Ons besluit van 11 April 1912, no. 4, gevoegde teekening. 2. De eerepenning wordt op de linkerborst gedragen, aan een oranje-moiré lint van 3 centimeter breedte, hebbende in het midden een roode bies ter breedte van 0,7 centimeter. 3. De eerepenning wordt door officieren gedragen op het lint, in welk geval dit een breedte zal hebben van 2,5 centimeter. Artikel 3 1. De erepenning wordt verleend in brons, zilver of goud. 2. Aan de begiftigde wordt een oorkonde uitgereikt, waarin melding wordt gemaakt van de verrichte men"},{"i":13627,"b":"Besluit van 3 mei 2022, houdende instelling van een staatscommissie tegen discriminatie en racisme (Instellingsbesluit staatscommissie tegen discriminatie en racisme) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 april 2022, nr. 2022-0000225441; Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6) en [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er is een staatscommissie tegen discriminatie en racisme, hierna te noemen: de staatscommissie. Artikel 2 1. De staatscommissie heeft tot taak de regering: - a. te informeren over de stand van discriminatie en racisme in Nederland door inzicht te verschaffen in de aard, omvang en oorzaken van discriminatie en racisme in Nederland op basis van wetenschappelijk onderzoek; - b. door effecten van beleid en regelgeving op dit gebied te monitoren; en - c. een advies uit te brengen over betere waarborgen en verbetering van beleid en regelgeving om discriminatie en racisme te voorkomen en tegen te gaan. 2. De staatscommissie besteedt bij haar werkzaamheden aandacht aan de volgende onderwerpen: - a. discriminatie en racisme in sectoren van de samenleving, zoals in ieder geval de woningmarkt, de arbeidsmarkt, het onderwijs, de zorg; en - b. discriminatie en racisme door de overheid, waarbij de staatscommissie in ieder geval een brede doorlichting op discriminatie en etnisch profileren uitvoert van de werkwijze en organisatiecultuur van alle (semi)overheidsinstanties en uitvoeringsinstanties, en in ieder geval reflecteert op de mogelijkheid en wenselijkheid van een verbod voor overheidsinstanties om etniciteit te gebruiken om fraude te bestrijden en verkent wat de mogelijkheden zijn om onderscheid op grond van ras en nationaliteit in risi"},{"i":14405,"b":"Regeling kledingaanspraken adjudanten van Z.M. de Koning Gelet op: [Artikel 134, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=134) (Stb. 1982, 279); [Artikel 12 van de Regeling uitrusting defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039887&artikel=12). Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. De officier die is benoemd tot adjudant-generaal tevens chef van het militaire huis van Z.M. de Koning dan wel tot adjudant van Z.M. de Koning- hierna te noemen adjudant van Z.M. de Koning- dient, voor de tijd dat hij die functie vervult, naast de voor hem vastgestelde persoonlijke standaarduitrusting te beschikken over de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039950&bijlage=I&z=2025-04-12&g=2025-04-12) onder a genoemde aanvulling. 2. De in het vorige lid bedoelde officier dient, met toepassing van het gestelde in [artikel 12 van de Regeling uitrusting defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039887&artikel=12), te beschikken over de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039950&bijlage=I&z=2025-04-12&g=2025-04-12) onder b genoemde kleding- en uitrustingsstukken. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde artikelen worden -tenzij in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039950&bijlage=I&z=2025-04-12&g=2025-04-12) anders is aangegeven- éénmalig voor rekening van het rijk van in eigendom verstrekt. Het onderhoud en de vervanging van deze artikelen geschieden door en voor rekening van de officier. 4. Indien verstrekking van rijkswege van de in het vorige lid bedoelde artikelen niet mogelijk is, dienen deze zelfstandig te worden aangeschaft. Voor de daaraan verbonden kosten van aanschaffing bestaat aanspraak op een tegemoetkoming tot ten hoogste een bedrag van: - a. voor officieren van de Koninklijke Marine voor wat betreft de grote tenue, en de sabelkoppel voor de grote tenue, de blauwe grote avondtenue en de mantel"},{"i":14115,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 december 2003, nr. DDI/ST/reg 4/2003, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het consulaat te Osaka-Hiogo/Kobe, later consulaat-generaal te Kobe (Japan), 1868–1941 (1953) en van het gedeponeerde archief van het archief van het consulaat te Harbin (Japan) 1923–1933 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het consulaat te Osaka-Hiogo/Kobe, later consulaat generaal te Kobe (Japan), 1868–1941 (1953) en van het gedeponeerde archief van het archief van het consulaat te Harbin (Japan) 1923–1933, de in kolom 1 van de onderstaande tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in kolom 2 van deze tabel genoemde jaartal: | 1. Inventaris- nummer | 2. Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 32 | 2017 | | 90 | 2016 | | 97 | 2005 | | 98 | 2016 | | 103 | 2011 | | 104 | 2011 | | 105 | 2011 | | 106 | 2012 | | 107 | 2015 | | 108 | 2012 | | 117 | 2007 | | 118 | 2011 | | 119 | 2011 | | 120 | 2011 | | 121 | 2012 | | 122 | 2017 | | 124 | 2012 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016156&artikel=1&z=2004-01-18&g=2004-01-18) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het **‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’**; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van document"},{"i":12230,"b":"Besluit van 17 december 1932, tot uitvoering van artikel 22, artikel 23, 8ste en 9de lid en van artikel 43, der Schepenwet Overwegende, dat het ter uitvoering van de [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=22), [23, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=23), en [43, vijfde lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=43), mede gelet op artikel 26**bis** dier wet, nodig is: nadere regelen vast te stellen, in acht te nemen bij de behandeling van bij de voorzitter van de Raad voor de Scheepvaart of de Commissie van Onderzoek in de Nederlandse Antillen ingestelde beroepen, alsmede betreffende de aan de deurwaarders toe te kennen vergoedingen voor hun verrichtingen ten behoeve van de Raad of voornoemde Commissie van Onderzoek; de werkkring en de bevoegdheden te regelen van de voorzitter, de leden en de secretaris van de Raad voor de Scheepvaart en van de Commissie van Onderzoek in de Nederlandse Antillen, zomede van hun plaatsvervangers; de werkkring en de bevoegdheden te regelen van het hoofd en van andere ambtenaren van de scheepvaartinspectie in verband met hun arbeid bij de Raad voor de Scheepvaart en de Commissie van Onderzoek in de Nederlandse Antillen; Op de voordracht van Onzen Minister van Waterstaat van 7 December 1932, La. E.E., afdeeling Vervoer- en Mijnwezen; Den Raad van State gehoord (advies van 13 December 1932, n°. 35); Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Waterstaat van 15 December 1932, La. H.H., afdeeling Vervoer- en Mijnwezen; Hebben goedgevonden en verstaan: met ingang van den dag, waarop de Wet van 31 December 1931 (**Staatsblad** n°. 587) tot wijziging van de [Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876), in werking treedt, in te trekken Ons besluit van den 5den October 1909 (**Staatsblad** n°. 333), gewijzigd bij Ons besluit van den 28sten September 1914 (**Staatsblad** n°. 465); vast te stellen de navolgende rege"},{"i":12257,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2012 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2012 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | 30.200 | | --- | --- | | Grens grote/kleine werkgever | 755.000 | | Gemiddelde percentage | 0,53% | | Maximumpremie grote werkgevers | 2,12% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 1,59% | | Minimumpremie grote werkgevers | 0,13% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,48% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,22% | | Rekenpercentage Correctiefactor werkgeversrisico | 0,55% 1,90 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2012. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12225,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 november 2023, kenmerk 3716540-1056129-GMT, houdende erkenning van de universitaire opleiding psychologie in combinatie met enkele specifieke opleidingen als gelijkwaardig aan de universitaire opleiding geneeskunde of biologie, in verband met de benoeming van een persoon als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling voorschriften bloedvoorziening Gelet op het [artikel 3, tweede lid, onder a, van de Regeling voorschriften bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017977&artikel=3): Besluit: Artikel 1 Als gelijkwaardig aan een universitaire opleiding op het gebied van geneeskunde of biologie wordt erkend: een universitaire opleiding op het gebied van psychologie in combinatie met opleidingen en trainingen in het kader van bloedbankkunde, immunologie en hematologie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12308,"b":"Besluit van 6 juli 1999, houdende herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot de Economische Controledienst Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 30 juni 1999, nr. 99M005822, gedaan mede namens Onze Ministers van Economische Zaken en van Financiën; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Onze Minister van Financiën wordt belast met de zorg voor de Economische Controledienst, voor zover deze zorg voor 1 september 1999 was opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken. 2. De taak van beide ministeries wordt dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 1999. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Ministers van Economische Zaken en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de Staatscourant en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge College van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":12320,"b":"Besluit van 23 maart 2001, houdende instelling van de Herinneringsmedaille Vredesoperaties alsmede intrekking van het Besluit Herinneringsmedaille VN-Vredesoperaties en het Besluit Herinneringsmedaille Multinationale Vredesoperaties Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 21 maart 2001, nr. C2001/222 gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Buitenlandse Zaken, van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; - b. internationale missie: inzet of ter beschikking stellen van de krijgsmacht als bedoeld in [artikel 100, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=100), ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde; - c. herinneringsmedaille: medaille, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012356&artikel=2&z=2019-07-01&g=2019-07-01); - d. gesp: gesp, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012356&artikel=2&z=2019-07-01&g=2019-07-01); - e. versierselen: herinneringsmedaille dan wel gesp. 2. Met een internationale missie als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt gelijkgesteld de uitzending van politie, in overeenstemming met Onze Minister, ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. 3. Onze Minister kan missies, niet zijnde een internationale missie als bedoeld in het eerste lid, onder b, waarbij niet tot de krijgsmacht behorende personen ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde vanwege de Staat zijn uitgezonden, gelijkstellen met een internationale missie. 4. Onze Minister kan operaties waarbij inzet of ter beschikking stellen van de krijgsmacht ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk heeft plaatsgevonden, gelijkstellen met een internationale missie. Artikel 2 Er wordt ingesteld een Herinnerin"},{"i":12236,"b":"Besluit van 1 december 1958 houdende uitvoering van artikel 6, eerste lid, onder a, van de Instellingswet Productschap voor Siergewassen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie en van Onze Ministers van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken van 25 november 1958, no. U 2077, afdeling Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie; Overwegende, dat het wenselijk is op een daartoe strekkend verzoek aan het Productschap voor Siergewassen de bevoegdheid tot enige prijsregeling te verlenen; Gelet op artikel 6, eerste lid, onder **a**, van de [Instellingswet Productschap voor Siergewassen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002149) (**Stb.** 1954, 447); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onder aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder **a**, van de [Instellingswet Productschap voor Siergewassen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002149) (**Stb.** 1954, 447), zijn begrepen: - a. de prijzen van bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; - b. de prijzen van bloemkwekerijprodukten en boomkwekerijprodukten, welke voor afzet aan buitenlandse afnemers zijn bestemd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1959. Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":12226,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 mei 2015, kenmerk 770094-136774-GMT, houdende erkenning van de universitaire opleiding scheikunde in combinatie met enkele specifieke opleidingen als gelijkwaardig aan de universitaire opleiding geneeskunde of biologie, in verband met de benoeming van een persoon als bedoeld in artikel 3, tweede lid van de Regeling voorschriften bloedvoorziening Gelet op het [artikel 3, tweede lid, onder a, van de Regeling voorschriften bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017977&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Als gelijkwaardig aan een universitaire opleiding op het gebied van geneeskunde of biologie wordt erkend: een universitaire opleiding op het gebied van scheikunde in combinatie met opleidingen en trainingen in het kader van bloedbankkunde, immunologie, hematologie, epidemiologie en toxicologie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 2015. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12247,"b":"Besluit van 22 mei 2012 houdende nadere regels met betrekking tot de financiële markten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de financiële ondernemingen die op die markten werkzaam zijn (Besluit financiële markten BES) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 2 november 2011, nr. FM/2011/9925 M; Gelet op de [artikelen 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=1:1), [1:3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=1:3), [1:10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=1:10), [1:27, eerste lid, onderdeel b en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=1:27), [2:6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=2:6), [2:18, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=2:18), [2:19, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=2:19), [2:20, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=2:20), [2:23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=2:23), [3:2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:2), [3:4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:4), [3:5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:5), [3:6, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:6), [3:8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:8), [3:9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:9), [3:11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:11), [3:12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:12), [3:13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:13), [3:16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:16), [3:17, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artik"},{"i":14406,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie van 20 april 2018, nr. 2018-0000241494, houdende vaststelling van regels inzake de vaststelling en vergoeding van kosten, bedoeld in artikel 53, achtste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Regeling kosten aftappen Wiv 2017) Gelet op [artikel 53, achtste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=53); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896); - b. **aanbieder:** aanbieder van een communicatiedienst; - c. **hoofd van de dienst:** het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst dan wel het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en veiligheidsdienst. Artikel 2 1. De aanbieder doet aan het hoofd van de dienst een opgave van de door hem gemaakte investerings-, exploitatie- en onderhoudskosten, zoals nader aangeduid in de bij deze regeling behorende bijlage, voor de technische voorzieningen die door hem zijn getroffen teneinde te kunnen voldoen aan een opdracht als bedoeld in [53, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=53). Het bepaalde in de eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de gemaakte kosten in verband met het in stand houden van de door een aanbieder getroffen technische voorzieningen als bedoeld in artikel 53, zesde lid, van de wet. 2. De kostenopgave bevat een omschrijving van de getroffen technische voorzieningen alsmede een nauwkeurige specificatie van de direct daaraan gerelateerde kosten, uitgesplitst naar investerings-, exploitatie- en onderhoudskosten. De kostenopgave wordt opgesteld overeenkomstig de in de bijlage gegeven aanwijzingen. 3. De kostenopgave wordt ingediend nadat de opdracht is voltooid. 4. In afwijking van het derde lid kan een aanbieder een k"},{"i":12216,"b":"Besluit ter uitvoering van de artikelen 6, tweede lid, van de Schepenwet en 6 van het Schepenbesluit 1965, alsmede de artikelen 23, eerste lid, 36, 48, tweede lid en 59, eerste lid, van het Schepenbesluit 2004 (Besluit erkende organisaties Schepenwet) Artikel 1. Erkende organisaties 1. Als rechtspersonen waarvan de regels kunnen gelden als eisen als bedoeld in [artikel 3a van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=3a), worden aangewezen: - a. American Bureau of Shipping (ABS) Europe Ltd te Londen, Verenigd Koninkrijk; - b. Bureau Veritas (BV) te Parijs, Frankrijk; - c. DNV GL AS te Høvik, Noorwegen; - d. Lloyd's Register Group LTD (LR) te Londen, Verenigd Koninkrijk; - e. Nippon Kaiji Kyokai General Incorporated Foundation (ClassNK) te Tokio, Japan; - f. Registro Italiano Navale Services S.p.A. te Genua, Italië; - g. Indian Register of Shipping te Mumbai, India; - h. Korean Register (KR) te Busan, Republiek Korea. 2. De in het eerste lid genoemde rechtspersonen zijn tevens bevoegd tot het verrichten van de bij of krachtens de [artikelen 8 van het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=8) en [13 tot en met 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=13) en [19a van het Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=19a) voorgeschreven onderzoeken. Artikel 2. Bijzondere onderzoeken 1. Onverminderd [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019673&artikel=1&z=2026-01-17&g=2026-01-17), is tot het verrichten van onderzoeken van elektronisch aangedreven liften, personenliften, niet zijnde elektrisch aangedreven liften, en roltrappen tevens bevoegd de Stichting Nederlands Instituut voor Lifttechniek (Liftinstituut) te Amsterdam. 2. Als keuringsinstantie voor opblaasbare reddingsmiddelen als bedoeld in voorschrift III/20.8 van het SOLAS-verdrag, worden aangewezen: - a. Peerbolte Lifesaving V.O.F. te Warffum; - b. Survitec Safety Solutions"},{"i":12139,"b":"Besluit van de directeur van de concerndirectie Innovatie & Strategie van 3 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan het afdelingshoofd van de afdeling Strategie en Innovatie wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":12146,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 juni 2016, nr. 960025, houdende deelneming in de Gemeenschappelijke Regeling Brabants Historisch Informatie centrum Gelet op [artikel 94, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de [Gemeenschappelijke Regeling Brabants Historisch Informatie Centrum](onbekend). Artikel 2 Het [Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 maart 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016477), nr. DCE/04/6431 (Stcrt. 2005, 21) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op een bij besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te bepalen tijdstip."},{"i":12155,"b":"Besluit van 22 februari 2007, nr. 07.000672, houdende departementale herindeling met betrekking tot het grotestedenbeleid Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 22 februari 2007, nr. 3031108; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van het grotestedenbeleid voor zover deze tot 22 februari 2007 was opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De taken van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 22 februari 2007. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":12309,"b":"Besluit van 3 april 1996, houdende de herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot tolkencentra Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 28 maart 1996, nr. 96M002370; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 1996. Enig artikel 1. Onze Minister van Justitie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de tolkencentra, voor zover deze zorg voor 1 januari 1996 was opgedragen aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met dien verstande dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verantwoordelijk blijft voor de afhandeling van de voor het jaar 1995 en voorgaande jaren aan de tolkencentra verstrekte subsidies. 2. De taakomschrijving van beide ministeries wordt dienovereenkomstig gewijzigd. 3. Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1996. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de bijbehorende nota van toelichting zal worden geplaatst in het **Staatsblad**, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":12318,"b":"Besluit van 20 december 2000, houdende instelling van de Herinneringsmedaille Buitenlandse Bezoeken (Besluit Herinneringsmedaille Buitenlandse Bezoeken) Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 12 december 2000, nr. DKP/DE/16/00, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; overwegende dat het gewenst is een medaille vast te stellen als een blijvende herinnering aan Buitenlandse Bezoeken van het Staatshoofd en bij Inkomende Bezoeken aan het Staatshoofd; overwegende dat deze medaille uitsluitend wordt toegekend bij deze Buitenlandse Bezoeken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken; - b. Buitenlands Bezoek: Buitenlands Bezoek van het Staatshoofd en Inkomend Bezoek aan het Staatshoofd; - c. de medaille: de Herinneringsmedaille Buitenlandse Bezoeken zoals omschreven in de bij dit besluit behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012067&bijlage=1&z=2014-10-29&g=2014-10-29); - d. de oorkonde: de oorkonde zoals omschreven in de bij dit besluit behorende [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012067&bijlage=2&z=2014-10-29&g=2014-10-29). Artikel 2 Er wordt ingesteld de Herinneringsmedaille Buitenlandse Bezoeken. Artikel 3 1. De medaille wordt vanwege Ons toegekend door Onze Minister. 2. De medaille kan ter gelegenheid van een Buitenlands Bezoek worden toegekend aan degene die op enigerlei wijze betrokken is bij de voorbereiding en uitvoering van het Bezoek. 3. De medaille kan aan een persoon één maal worden toegekend. Artikel 4 De medaille en de oorkonde worden door of namens Onze Minister uitgereikt. Artikel 5 1. De Kanselarij der Nederlandse Orden draagt zorg voor de vervaardiging en de verstrekking van de medaille en de oorkonde. 2. De verstrekking geschiedt kosteloos. Artikel 6 1. Degene aan wie de medaille is toegekend, is bevoegd deze te dragen aan het"},{"i":14249,"b":"Regeling experiment parallel starten Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 8.23a, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.23a); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. LVB: het [Luchthavenverkeerbesluit Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330); - b. het experiment: parallel starten; - c. gebruiksjaar 2008: de periode van 1 november 2007 tot en met 31 oktober 2008; - d. CROS: Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in [artikel 8.34 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.34); - e. KLM: Koninklijke Luchtvaart Maatschappij; - f. LVNL: Luchtverkeersleiding Nederland; - g. Schiphol: N.V. Luchthaven Schiphol; - h. SID: Standard Instrument Departure, vertrekprocedure die de piloot middels een code in de boordcomputer invoert waardoor het vliegtuig die procedure volgt vanaf de startbaan, ook wel: uitvliegroute. Artikel 2. Doel Het experiment beoogt gedurende het gebruiksjaar 2008, te onderzoeken of de nieuwe SID’s vanaf de Zwanenburgbaan, zoals deze zijn opgenomen in het ontwerp-LVB, onder alle condities (baan- en weersonafhankelijk) veilig kunnen worden gevlogen teneinde gelijktijdig starten vanaf de Polderbaan en de Zwanenburgbaan op basis van SID’s mogelijk te maken. Hiervan wordt een gunstig effect op de hinderbeleving verwacht. Artikel 3. Luchtverkeerwegen Voor de duur van het experiment wordt vrijstelling verleend van de [artikelen 3.1.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&artikel=3.1.1), en [3.1.3, eerste lid, van het LVB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&artikel=3.1.3), met betrekking tot de luchtverkeerwegen die zijn aangewezen op [kaart 1/21 van bijlage 1 van het LVB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014330&bijlage=1). Artikel 4. Grenswaarden In plaats van de grenswaarden"},{"i":14114,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 december 2003, nr. DDI/ST/reg 7/2003, houdende beperking van de openbaarheid van de commissariaten te Medan (1950–1957), Bandung (1950–1957), Semarang (1950–1957), Bandjarmasin (1951–1957), Makassar (1950–1957) en Palembang (1950–1957) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van de archieven van de commissariaten te Medan (1950–1957), Bandung (1950–1957), Semarang (1950–1957), Bandjarmasin (1951–1957), Makassar (1950–1957) en Palembang (1950–1957), de in kolom 1 van de onderstaande tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in kolom 2 van deze tabel genoemde jaartal: | 1. Inventaris- nummer | 2. Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | **Medan** | **Medan** | | 25 | 2033 | | 26 | 2033 | | 38 | 2032 | | 49 | 2028 | | 50 | 2033 | | 54 | 2033 | | 59 | 2058 | | 127 | 2032 | | 128 | 2033 | | 129 | 2033 | | 133 | 2033 | | 139 | 2033 | | | | | **Bandung** | **Bandung** | | 116 | 2033 | | 117 | 2033 | | 118 | 2033 | | 119 | 2033 | | 120 | 2033 | | 121 | 2033 | | 122 | 2033 | | 123 | 2033 | | 124 | 2033 | | 125 | 2033 | | 126 | 2033 | | 127 | 2033 | | 128 | 2033 | | 129 | 2033 | | 130 | 2033 | | 131 | 2033 | | 132 | 2033 | | 140 | 2033 | | 361 | 2033 | | 362 | 2033 | | 363 | 2033 | | 364 | 2033 | | 365 | 2033 | | 366 | 2033 | | | | | **Semerang** | **Semerang** | | 12 | 2032 | | 53 | 2027 | | 54 | 2033 | | 56 | 2032 | | 57 | 2032 | | | | | **Bandjarmasin** | **Bandjarmasin** | | 2 | 2032 | | 3 | 2032 | | 4 | 2032 | | 5 | 2032 | | 6 | 2032 | | 7 | 2032 | | 8 | 2032 | | 9 | 2032 | | 10 | 2032 | | 11 | 2032 | | 12 | 2032 | | 13 | 2032 | | 14 | 2032 | | 15 | 2032 | | 16 | 2032 | | 17 | 2032 | | 18 | 2032 | | 19 | 2032 | | 20 | 2032 | | 21 | 2032 | | 22 | 2032 | | 53 | 2028 | | 54 | 2032 | | |"},{"i":14408,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 22 juli 2004, nr. 5297947/04/DTR, houdende de voor advisering over het ondernemingsplan van de notaris in rekening te brengen kosten (Regeling kosten ondernemingsplan notaris) Gelet op [artikel 7, derde lid en vierde lid, onderdeel c, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=7) en [artikel 11a, tweede lid, van het Besluit ondernemingsplan notaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010398&artikel=11a); Besluit: Artikel 1 Het tarief voor de advisering over het ondernemingsplan door de Commissie van deskundigen wordt bepaald op € 1600. Dit tarief is exclusief omzetbelasting. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op verzoeken aan de Commissie van deskundigen om advies over het ondernemingsplan die zijn ingediend op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2004. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kosten ondernemingsplan notaris. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13859,"b":"Nadere voorschriften inzake de werkwijze van de ledengroep accountants in business (Nadere voorschriften ledengroep accountants in business) Gelet op [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=17) en [20 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=20) en het bepaalde in de [Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813); Stelt de volgende nadere voorschriften vast: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze nadere voorschriften wordt verstaan onder: - –. **leden:** leden van een ledengroep als bedoeld in [artikel 16 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=16); - –. **ledengroep:** ledengroep als bedoeld in [artikel 2, derde lid, van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=2); - –. **ledengroepbestuur:** bestuur van een ledengroep als bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=17); - –. **ledengroepvergadering:** ledengroepvergadering als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - –. **verordening:** de [Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813); - –. **(plaatsvervangend) voorzitter:** de (plaatsvervangend) voorzitter van het ledengroepbestuur. Hoofdstuk 2. Bijeenroepen van de vergadering en agenda Artikel 2 1. Het ledengroepbestuur draagt er zorg voor dat de volgende punten ieder jaar ten minste één maal geagendeerd worden voor een ledengroepvergadering: - a. vaststelling van de notulen van de vorige ledengroepvergadering; - b. het plan van voorgenomen activiteiten; - c. benoeming van de leden van het ledengroepbestuur; - d. benoeming van een voorzitter, alsmede van een plaatsvervangende voorzitter; - e. rooster van aftreden. 2. Indien omtrent enig"},{"i":13832,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2023, nr. 2023-0000542827, houdende regels voor het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering aan gemeenten of provincies ter stimulering van het realiseren van flex- en transformatiewoningen (Meerjarige stimuleringsregeling flex- en transformatiewoningen 2023) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, onderdelen f en g, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2), en [3 van het Besluit inzake het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Besluit:** [Besluit van 29 oktober, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481) (Stb. 2022, 452); - b. **college:** college van burgemeester en wethouders; - c. **flexwoning:** bouwwerk ten behoeve van de huisvesting van personen, geschikt voor verplaatsing en gebruik op een volgende locatie; - d. **minister:** Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - e. **ontheemden:** personen die voldoen aan de vereisten van artikel 2 van het uitvoeringsbesluit; - f. **onzelfstandige woonruimte:** de woonruimte welke geen eigen toegang heeft of welke de bewoner niet kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning; - g. **sociaal beheer:** het verrichten van activiteiten gericht op het creëren en behouden van een leefbare, veilige en prettige woonomgeving en op het bevorderen van de relatie tussen bewoners onderling; - h. **sociale woonruimte:** huu"},{"i":13264,"b":"Wet van 21 december 2016 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vereenvoudigingswet 2017) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om fiscale vereenvoudigingen door te voeren ter vermindering van de administratieve lasten van burgers en bedrijven en de uitvoeringskosten van de Belastingdienst alsmede ter vermindering van de regeldruk; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VI Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VII Met betrekking tot vergoedingen die opeisbaar zijn geworden vóór 1 januari 2017 maar die op dat tijdstip niet of gedeeltelijk niet zijn ontvangen en ter zake waarvan vóór die datum nog geen recht op teruggaaf vanwege oninbaarheid van de vordering bestond ingevolge de vóór 1 januari 2017 geldende wetgeving, wordt de termijn van één jaar, bedoeld in [artikel 29, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=29), geacht te zijn aangevangen met ingang van 1 januari 2017. Voorts wordt voor vergoedingen die opeisbaar zijn geworden in het jaar 2015 voor de toepassing van artikel 29, zevende lid, tweede volzin, van laatstgenoemde wet het tijdstip van opeisbaarheid geacht gelegen te zijn op 1 januari 2016. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel IX Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel X Met betrekking tot bedragen die opeisbaar zijn geworden vóór 1 januari 2017 maar die op"},{"i":13301,"b":"Geweldsinstructie BES Gelet op [artikel 37k van de Wet beginselen gevangeniswezen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=37k); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet beginselen gevangeniswezen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596); - b. **gesticht:** een gesticht als bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=2); - c. **directeur:** het hoofd van een gesticht of diens vervanger, bedoeld in [artikel 14 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=14) - d. **meerdere:** de ambtenaar die uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel geeft over de taakuitvoering; - e. - 1°. vuurwapen; - 2°. korte en lange wapenstok; - 3°. pepperspray. - f. - 1°. broekstok; - 2°. handboeien; - 3°. enkelbanden met tussenstuk; - 4°. polsbanden aan riem om middel; - 5°. valhelm of schuimhelm; - 6°. gecapitonneerde handschoenen; - 7°. mondafscherming; - 8°. dwangjack; - 9°. veiligheidsbed. - g. **geweld:** elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken; - h. **het gebruik van een vuurwapen:** het trekken, het uit voorzorg ter hand nemen, het richten, het gericht houden en het daadwerkelijk gebruik van een vuurwapen; - i. **onrust:** een ernstige en onmiddellijke ordeverstoring door meer dan één gedetineerde. Artikel 2 1. Het gebruik van een geweldsmiddel of vrijheidsbeperkend middel is uitsluitend toegestaan aan een daartoe door de directeur aangewezen ambtenaar: - a. aan wie dat geweldsmiddel of vrijheidsbeperkend middel rechtens is toegekend, - b. voor zover hij optreedt ter uitvoering van de taak met het oog waarop het geweldsmiddel of vrijheidsbeperkend middel hem is toegekend, en - c. die in het gebruik van dat geweldsmiddel of vrijheidsbeperkend middel is geoefend. 2. Geweldsmiddelen of vrijheidsbeperkende"},{"i":13555,"b":"Besluit van 24 april 2013, houdende de instelling van een herinneringsmedaille ter gelegenheid van de inhuldiging van Onze zoon Willem-Alexander Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 april 2013, BZK-2013-0000182885, Directoraat-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties, Directie Arbeidszaken Publieke Sector, Afdeling Politieke Ambtsdragers/Kabinet, gedaan in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Ter gelegenheid van de inhuldiging van Onze zoon Willem-Alexander, Prins van Oranje, wordt een herinneringsmedaille ingesteld, die de naam zal dragen van «Inhuldigingsmedaille 2013» en die op voordracht van Onze Minister die het aangaat bij koninklijk besluit wordt toegekend. Artikel 2 1. De herinneringsmedaille, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033336&artikel=1&z=2013-04-27&g=2013-04-27), is met zilver vervaardigd en cirkelrond met een middellijn van 30 millimeter. Zij vertoont aan de voorzijde de naar links gewende beeldenaar van Onze zoon Willem-Alexander en aan de keerzijde een gekroond monogram houdende de letters «W» en «A», de tekst «30 april 2013», alsmede als omschrift de woorden «Willem-Alexander Koning der Nederlanden». 2. De herinneringsmedaille wordt op de linkerborst gedragen aan een 27 millimeter breed oranje moiré lint, met in het midden vier verticale Nassaublauwe banen, elk van 2 millimeter breed en 2 millimeter uiteen. Artikel 3 1. Het is aan hen, die met de herinneringsmedaille, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033336&artikel=1&z=2013-04-27&g=2013-04-27), begiftigd zijn, vergund, deze in verkleinde vorm aan het lint, dan wel alleen het lint te dragen. 2. Het is tevens aan vrouwen, die met de herinneringsmedaille begiftigd zijn, vergund, deze aan een strik van het in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033336&artikel=2&z=2013-04-27&g=2013-04-27), omschreven lint"},{"i":13532,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid 11 januari 2024, kenmerk 5124894, houdende instelling van de Commissie Monitoring Waarborgen Heimelijk Werk (Instellingsbesluit Commissie Monitoring Waarborgen Heimelijk Werk) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **commissie:** commissie, bedoeld als in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049437&artikel=2&z=2024-03-06&g=2024-03-06). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een commissie Monitoring Waarborgen Heimelijk Werk. 2. De commissie heeft tot taak: - a). Monitoring van de professionalisering van het heimelijk werken door de politie en het gezag daarover bij het openbaar ministerie. - b). Monitoring van het borgen van organisatorische waarborgen en waarborgen voor het personeelswelzijn binnen het heimelijk domein bij de politie; - c). Monitoring van de afbouw, periode van herbezinning, opbouw en het functioneren van het tijdelijk team Heimelijk Werken bij de Landelijke eenheid van de politie. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en één ander lid. 2. De voorzitter en het andere lid hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en op voordracht van de voorzitter het andere lid, worden door de Minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. 5. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de Minister een ander lid benoemen. 6. De voorzitter en het andere lid kunnen worden geschorst en ontslagen door de Minister. Artikel 4. Leden 1. Voor de duur van de commissie worden tot lid van de commissie benoemd: - a. mevr. mr. W. Sorgdrager, tevens voorzitter; - b. dhr. mr J.A. van den Bos. Artikel 5. Instellingsduur 1. De"},{"i":13556,"b":"Besluit van de Minister van Defensie houdende de instelling van een interdepartementale Beheer- en Gezagsstructuur Koninklijke Marechaussee (Instellingsbesluit Interdepartementale Beheer- en Gezagsstructuur Koninklijke Marechaussee 2015) Handelende in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie; Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - 1. **Gezagsverantwoordelijke:** degene, bij wie de bevoegdheid berust aanwijzingen te geven over de uitvoering van taken en realisering van doelstellingen van de Koninklijke Marechaussee; - 2. **Beleidsverantwoordelijke:** de minister die verantwoordelijk is voor het vaststellen van het beleid in het kader waarvan de Koninklijke Marechaussee de taken uitvoert; - 3. **Beheerder:** de minister van Defensie, die daartoe de Secretaris-Generaal heeft gemandateerd; - 4. **Uitvoerder:** de Commandant der Koninklijke Marechaussee die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de aan de Koninklijke Marechaussee opgedragen taken. Artikel 2. Beheer- en Gezagsstructuur Er is een Beheer- en Gezagsstructuur Koninklijke Marechaussee, bestaande uit: - a. een Bestuursraad Koninklijke Marechaussee, hierna te noemen de Bestuursraad; - b. een Nationaal Taakveldenberaad Koninklijke Marechaussee, hierna te noemen het Nationaal Taakveldenberaad; - c. een Ondersteuningseenheid Externe Sturing Koninklijke Marechaussee, hierna te noemen Ondersteuningseenheid Externe Sturing. Artikel 3. Taken en bevoegdheden Bestuursraad 1. De Bestuursraad is verantwoordelijk voor het proces van aansturing en bekostiging van de Koninklijke Marechaussee. 2. De Bestuursraad is het interdepartementaal afstemmingsorgaan dat de beleidsverantwoordelijke bewindspersonen en de beheerder adviseert met betrekking tot het geheel van de opgedragen taken en doelstellingen aan de Koninklijke Marechaussee, in relatie tot de omvang van het personeelsbestand en de kwaliteit van de beschikbare mensen en middelen. 3. De Bestuursraad bewaakt de afspraken"},{"i":13530,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 november 2021, kenmerk 3276389-1019021-DMO, houdende de instelling van de Commissie Versterking kennis geschiedenis voormalig Nederlands-Indië (Instellingsbesluit Commissie Versterking kennis geschiedenis voormalig Nederlands-Indië) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **staatssecretaris:** Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045867&artikel=2&z=2021-11-20&g=2021-11-20). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie Versterking kennis geschiedenis voormalig Nederlands-Indië. 2. De commissie heeft tot taak een advies uit te brengen over hoe de kennis over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië duurzaam kan worden verankerd in de Nederlandse samenleving. Daartoe gelden de volgende deelopdrachten: - 2.1. Als startpunt voor het werk van de commissie is een inventarisatie uitgevoerd naar het huidige aanbod op het gebied van educatie over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië (zowel binnen het reguliere onderwijssysteem als daarbuiten). Op basis van deze inventarisatie identificeert de commissie de leemtes in het aanbod en betrekt daarbij de vraag / behoeften in het veld. Vervolgens adviseert de commissie over de te nemen maatregelen om het gebruik van het huidige educatieve aanbod binnen en buiten het reguliere onderwijs te verbeteren. Daarbij richt de commissie zich ook op de vraag hoe dit aanbod op een aantrekkelijke en slimme manier toegankelijk kan worden gemaakt voor docenten en instellingen die zich bezighouden met onderwijs, culturele en museale activiteiten. - 2.2. De commissie adviseert over eventueel aanvullende maatregelen die de kennis over, het inzi"},{"i":14409,"b":"Experimenteerreglement kunstenaarshonorarium Artikel 1. Definities - a. **Kunstenaarshonorarium:** de vergoeding voor werk in het kader van een tentoonstelling, los van een (on-)kostenvergoeding. Daarbij worden vergoedingen voor vijf deelprestaties onderscheiden: - •. het vervaardigen van nieuw werk; - •. aanpassing van bestaand werk;, - •. werkzaamheden in het verlengde van het vervaardigen van werk voor een tentoonstelling; - •. werkzaamheden voor een evenement of tentoonstelling;, - •. het leveren van werk in eigendom van de kunstenaar voor een tentoonstelling). - b. **Bestuur:** het bestuur van het Mondriaan Fonds. - c. **Beeldend kunstenaar:** degene die op professionele wijze werk maakt binnen het kader van de beeldende kunsten. - d. **Beeldende kunst:** hedendaagse en actuele vormen van verbeelding die door beeldend kunstenaars worden vervaardigd binnen één of meer van de volgende terreinen: - •. teken-, schilder- en grafische kunsten, - •. beeldhouwkunst, (sociale) sculptuur en installatiekunst, - •. conceptuele kunst, performancekunst, artistiek onderzoek, - •. niet-traditionele vormen van beeldende kunst, - •. fotografie, - •. audiovisuele, digitale, geluids- en (nieuwe) mediakunst, - •. beeldende kunsttoepassingen, - •. kunst in de openbare ruimte. - e. **Beeldende kunstinstelling:** een in Nederland gevestigde publiekstoegankelijke organisatie die hedendaagse beeldende kunst tentoonstelt en het presenteren van beeldende kunst en/of erfgoed zonder verkoopdoel als kernactiviteit heeft. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een bijdrage kunstenaarshonorarium kan worden verstrekt aan een beeldende kunstinstelling die de kunstenaar voor de in [artikel 1 onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039125&artikel=1&z=2024-06-28&g=2024-06-28) genoemde deelprestaties minimaal overeenkomstig de honoreringsrichtlijn honoreert. 2. Voor activiteiten die plaatsvinden in 2025–2028 kan geen bijdrage worden verstrekt aan: - a. instellingen die meerjarig worden ondersteund"},{"i":14410,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 29 maart 2022, nr. IENW/BSK-2022/50452, houdende regels inzake aangewezen kunststofproducten voor eenmalig gebruik (Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik) Gelet op [artikel 9.5.2, zevende lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. (begripsbepalingen) 1. Voor de toepassing van de Regeling wordt verstaan onder: - **exploitant:** natuurlijk persoon of rechtspersoon die zeggenschap heeft over: de exploitatie van de voedseluitgiftelocatie aangaande de bedrijfsmatige verstrekking van voedsel of dranken, waaronder tevens verstaan degene die de uitvoering van [artikel 2.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046477&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), op grond van een overeenkomst, namens exploitanten uitvoert; - **hoogwaardige recycling:** nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot materialen of voorwerpen die in de handel mogen worden gebracht op grond van de bij artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 4, tweede tot en met zesde lid, artikel 15, eerste, derde, vierde, zevende, achtste en negende lid, artikel 17 en de krachtens artikel 5, eerste lid, van [verordening (EG) 1935/2004](32004R1935) gestelde voorschriften; - **kunststof drinkbekers voor eenmalig gebruik:** kunststofproducten voor eenmalig gebruik, genoemd in bijlage, deel A, onder 1, van de EU-richtlijn kunststofproducten voor eenmalig gebruik; - **kunststof voedselverpakkingen voor eenmalig gebruik:** verpakking voor eenmalig gebruik, genoemd in bijlage, deel A, onder 2, van de EU-richtlijn kunststofproducten voor eenmalig gebruik; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat. - **peiljaar:** kalenderjaar waarover de producent de kosten verschuldigd is als bedoeld in de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045257&artikel=4),"},{"i":14412,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 23 maart, nr. 5207106 houdende nadere regels ter zake van enkele kwaliteitseisen voor incassodienstverleners (Regeling kwaliteit incassodienstverlening) Gelet op de [artikelen 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049422&artikel=2.5), [4.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049422&artikel=4.1), en [5.1, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049422&artikel=5.1); Besluit: Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049422); - **niveau B1:** niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen; - **schuldhulpverlening:** het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg. Artikel 2. Vakbekwaamheid 1. Voor incassomedewerkers bestaat de kennis over relevante wetgeving bedoeld in [artikel 2.1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049422&artikel=2.1) uit kennis van: - a. de kwaliteitseisen die in [artikel 13 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=13) aan incassodienstverleners worden gesteld en de verdere invulling daarvan in het [besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049422) en de onderhavige regeling; - b. wat persoonsgegevens en bijzondere categorieën van persoonsgegevens zijn, en hoe bij het verrichten of aanbieden van buitengerechtelijke incassodiensten met dergelijke gegevens dient te worden omgegaan; - c. de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten die van de schuldenaar mag worden gevraagd en de wijze waarop die vergoeding wordt berekend; - d. de wet"},{"i":14413,"b":"Regeling kwaliteitscriteria en opleidings- en trainingsvereisten van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba Overwegende: dat op grond van [artikel 41, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=41) de landen onderling een regeling treffen die kwaliteitscriteria en opleidings- en trainingsvereisten voor ambtenaren van politie bevat; dat deze regeling in elk van de landen wordt vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, respectievelijk algemene maatregel van bestuur, Gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) en [artikel 41, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=41); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 3 van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3), en de aspirant; - b. **ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 3, onder a, van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3), met uitzondering van de aspirant; - c. **ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie:**de ambtenaar, bedoeld in [artikel 3, onder b, van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3); - d. **aspirant:** degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als aspirant en die is toegelaten tot de basisopleiding; - e. **betrouwbaarheidsonderzoek:** een onderzoek ter bepaling of bedenkingen bestaan tegen vervulling van de functie door een bepaalde persoon; - f. **bevoeg"},{"i":12774,"b":"Besluit van 24 april 2013, houdende vaststelling van het Koninklijk Distinctief Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 19 april 2013, nr. BS/2013012057; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig 1. De Koning kan bij daarvoor in aanmerking komende gelegenheden gekleed zijn in een uniform als vastgesteld voor een vlag- of opperofficier der Krijgsmacht als beschreven en afgebeeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033442&bijlage=1&z=2013-07-01&g=2013-07-01). 2. De Koning draagt op zijn uniform geen rangonderscheidingsteken. Bij uitsluiting van eenieder draag hij in plaats daarvan een distinctief als vastgesteld en afgebeeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033442&bijlage=2&z=2013-07-01&g=2013-07-01). Bijlage 1. bij Koninklijk Besluit d.d. 24 april 2013 Indien de Koning het Ceremonieel Tenue (CT) draagt, zijn hiervoor de volgende varianten vastgesteld: Koninklijke Marine Het traditionele Grote Tenue (Tenue 1) met toevoeging van het Koninklijk distinctief Koninklijke Landmacht Het CT voor de Koninklijke Landmacht is gebaseerd op het opperofficiertenue zoals met onderbrekingen en verschillende detaillering in gebruik van 1814-1910. De geborduurde uitmonstering is geplaatst op een ponceaurode ondergrond, voorzien van een handgeborduurde kartelrand die langs de naad van de mouw aan beide zijden naar beneden loopt. Het Koninklijk distinctief wordt gedragen op de epaulet. Koninklijke Luchtmacht Het CT van de Koninklijke Luchtmacht is voorzien van een dubbele brede galon en het Koninklijk distinctief op de ondermouw. Bijlage 2. bij Koninklijk Besluit d.d. 24 april 2013 Het Koninklijk distinctief Het Koninklijk distinctief is een combinatie van drie van de regalia, te weten de Rijksappel, het Rijkszwaard en de Scepter. Het geeft met het Rijkszwaard de beveiliging en verdediging van ons grondgebied en de vrije wereld (de Rijksappel) weer; de Scepter duidt op de waardigheid van de Koning. De Kroon is hierbij nadrukkelij"},{"i":14084,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 15 februari 2013, nr. WJZ/13014703, houdende regels inzake de aanwijzing van publieke taken en de inrichting van het behoefte-onderbouwingsplan (Regeling behoefte-onderbouwingsplan) Gelet op de [artikelen 3.1, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.1), en [3.2, tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Telecommunicatiewet, enz. (Nota frequentiebeleid 2005) in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **behoefte-onderbouwingsplan:** behoefte-onderbouwingsplan als bedoeld in [artikel 3.2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.2); - b. **de minister:** de Minister van Economische Zaken; - c. **de wet:** [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950). § 2. Aanwijzing publieke taken Artikel 2 Als publieke taken als bedoeld in [artikel 3.1, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.1) worden aangewezen: - a. defensie: - 1°. de bescherming van de integriteit van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied; - 2°. de bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit; - 3°. de ondersteuning van civiele autoriteiten bij rechtshandhaving, rampenbestrijding en humanitaire hulp, zowel nationaal als internationaal; - b. veiligheid van de staat: de zorg voor de interne veiligheid van de staat, waaronder begrepen de territoriale veiligheid, fysieke veiligheid, economische veiligheid, ecologische veiligheid, en de sociale en politieke stabiliteit; - c. handhaving van de rechtsorde: - 1°. de taak, bedoeld in [artikel 3 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=3), opgedragen aan de politie; - 2°. de taken opgedragen aan de Koninklijke marechaussee"},{"i":14414,"b":"Regeling, houdende regels ten aanzien van het veilig laden en lossen van bulkschepen (Regeling laden en lossen bulkschepen) Gelet op [richtlijn nr. 2001/96/EG](32001L0096) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2001 tot vaststelling van geharmoniseerde voorschriften en procedures voor veilig laden en lossen van bulkschepen (PbEG 2002, L 13) en de [artikelen 3, tweede lid](onbekend), [4, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid](onbekend), [5](onbekend), [7](onbekend), [8, eerste lid, onderdelen b en c, en tweede lid](onbekend), [9, eerste en vierde lid](onbekend), en [11, tweede lid, van de Wet laden en lossen zeeschepen](onbekend); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip dat de Wet laden en lossen zeeschepen in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. richtlijn: [richtlijn nr. 2001/96/EG](32001L0096) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2001 tot vaststelling van geharmoniseerde voorschriften en procedures voor veilig laden en lossen van bulkschepen (PbEG 2002, L 13); - b. wet: [Wet laden en lossen zeeschepen](onbekend); - c. BLU-Code: de bij resolutie A.862(20) van de Algemene vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie aangenomen Gedragscode voor veilig laden en lossen van bulkschepen (**Code of practice for safe loading and unloading of bulk carriers**); - d. ladingverklaringsformulier: het formulier, opgenomen in aanhangsel 5 van de BLU-Code. § 2. Nadere invulling verplichtingen terminalexploitant Artikel 2 De door de terminalexploitant ter voldoening aan [artikel 3, eerste lid, van de wet](onbekend) te controleren aspecten van een bulkschip zijn de aspecten, genoemd in bijlage I van de richtlijn. Artikel 3 De factoren waarmee de terminalexploitant op grond van [artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de wet](onbekend) bij de toelating van bulkschepen in de terminal rekening moet houden, zijn: - a. de waterdiepte van de afmeerp"},{"i":14415,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 11 februari 2026, nr. WJZ/101289183, tot instelling van een Landbouwtelling en tot het aanbieden van een Gecombineerde opgave (Regeling Landbouwtelling en Gecombineerde opgave 2026) [KetenID WGK 28313] Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op artikel 8 van [Verordening (EU) 2022/2379](32022R2379) van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 betreffende statistieken over de landbouwinput en -output (PbEU 2022, L 315); de artikelen 21, 22, 29, 30, 31, tweede lid, 70 en 76 van [Verordening (EU) 2021/2115](32021R2115) van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van [Verordeningen (EU) nr. 1305/2013](32013R1305) en [Verordening (EU) nr. 1307/2013](32013R1307) (PbEU 2021, L 435); de artikelen 65 en 68 tot en met 71 van [Verordening (EU) 2021/2116](32021R2116) van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) (PbEU 2021, L 435); artikel 5 van [Verordening (EU) 2018/1091](32018R1091) van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 betreffende geïntegreerde landbouwstatistieken en tot intrekking van de [Verordening (EG) nr. 166/2008](32008R0166) en (EU) nr. 1337/2011 (PbEU 2018, L 200); artikel 45, tweede lid, onderdeel a, van Gedelegeerde [Verordening (EU) 2022/126](32022R0126) van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling va"},{"i":14416,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 28 november 2018, nr. IENW/BSK-2018/240871, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de eigenschappen van de landelijk werkende OV-chipkaart (Regeling landelijk werkende OV-chipkaart) Gelet op [artikel 35a, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=35a); BESLUIT: Artikel 1 Onverminderd het bepaalde in [artikel 47, tweede lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=47), is een OV-chipkaart, als bedoeld in [artikel 35a, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=35a), een geldig elektronisch vervoerbewijs als de OV-chipkaart is voorzien van een chip die contactloos kan communiceren met apparatuur die gecertificeerd is door Trans Link Systems B.V., gevestigd te Amersfoort, KVK 30177126, dan wel de rechtsgeldige opvolger daarvan, en uitgegeven wordt door Trans Link Systems B.V., dan wel de rechtsgeldige opvolger daarvan. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2018, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling landelijk werkende OV-chipkaart. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12783,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 oktober 2025 nr. 54606746, houdende vaststelling van de peildatum voor de telling van het aantal leden van de omroeporganisaties voor de erkenningperiode 2029–2033 Gelet op [artikel 2.27, eerste lid, Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.27); Besluit: Artikel 1. Vaststelling peildatum De peildatum, bedoeld in [artikel 2.27, eerste lid, Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.27), voor de erkenningperiode die aanvangt met ingang van 1 januari 2029, is 31 december 2027. Artikel 2. Intrekking Besluit peildatum erkenningperiode 2027–2031 Het [besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2024, nr. 1616055, houdende vaststelling van de peildatum voor de telling van het aantal leden van de omroeporganisaties voor de erkenningperiode 2027–2031](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050492) (Stcrt. 2024, 39407) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14417,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, houdende regels inzake de Wet langdurige zorg (Regeling langdurige zorg) Gelet op de [artikelen 3.1.1, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.1.1), [3.1.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.1.2), [3.2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.2.2), [3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.2.5), [3.3.2.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.2.3), [3.5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.5.2), [3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.5.3), [3.6.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.2), [3.6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.3), [3.6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.4), [3.6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.5), [3.6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.6), [3.6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.7), [3.7.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.7.2), [4.2.1, tweede lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=4.2.1), [artikel 21, derde lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182&artikel=21), de [artikelen 9.1.2, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=9.1.2), [9.1.3, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=9.1.3), [11.1.5, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.1.5), [11.1.8, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.1.8), en [artikel 49e, eerste lid, van"},{"i":12645,"b":"Besluit van 23 april 1980, tot het voeren van het Koninklijk wapen Hebben besloten en besluiten: Met intrekking van Onze Besluiten van 10 juli 1907 (**Stb.** 181) en van 13 juli 1909 (**Stb.** 271) te bepalen als volgt: Artikel 1 Het wapen, dat door het Koninkrijk der Nederlanden, zowel als door Ons en Onze opvolgers, Koningen der Nederlanden, zal worden gevoerd, is: in azuur, bezaaid met blokjes van goud, een leeuw van goud, gekroond met een kroon van drie bladeren en twee parelpunten van hetzelfde, getongd en genageld van keel, in de rechtervoorklauw opgeheven houdende in schuinlinkse stand een zwaard van zilver met gevest van goud en in de linker- een bundel van zeven pijlen van zilver met punten van goud, de pijlen te zamen gebonden met een lint mede van goud. Artikel 2 Aan het in het vorige artikel omschreven wapen kunnen de navolgende uitwendige versierselen worden toegevoegd: a. tot dekking van het schild de Koninklijke kroon gelijk aan die welke tot dusverre door de Koningen der Nederlanden is gevoerd; b. als schildhouders twee leeuwen van goud, getongd en genageld van keel; c. het devies \"Je maintiendrai\" in Latijnse letters van goud op een lint van azuur. Artikel 3 Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003312&artikel=1&z=1980-05-19&g=1980-05-19) omschreven wapen, voorzien van zijn uitwendige versierselen kan worden geplaatst op een mantel van purper, geboord van goud, gevoerd met hermelijn, opgebonden met koorden eindigende in kwasten, beide van goud, en gedekt door een baldakijn van purper geboord van goud, en dragende de Koninklijke kroon. Artikel 4 Onze mannelijke opvolgers, Koningen der Nederlanden, zullen in plaats van met de Koninklijke kroon, hun wapenschild mogen dekken met een helm, getralied en gesierd van goud, gevoerd van keel, met dekkleden van goud en azuur en gekroond met een gouden helmkroon van drie bladeren en twee parelpunten: helmteken een vlucht van sabel beladen met een gewelfde schuinbalk van zilver waarop drie"},{"i":14419,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 11 december 2019 nr. PO/17846272, houdende voorschriften in het kader van de meting en beoordeling van leerresultaten als bedoeld in artikel 10a van de Wet op het primair onderwijs (Regeling leerresultaten PO 2020) Gelet op de [artikelen 34.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=34.4) en [artikel 34.6 van het Besluit bekostiging WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=34.6); Gelet op het voorstel als bedoeld in [artikel 34.5, tweede lid, van het Besluit bekostiging WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=34.5) van de Inspecteur-generaal van het onderwijs; Besluit: Artikel 1. Uitwerking beoordeling leerresultaten; kleine scholen; correctie voor schoolkenmerken en individuele kenmerken van leerlingen; normering In bijlage A bij deze regeling wordt geregeld: - a. De wijze waarop de beoordeling van de leerresultaten, bedoeld in [artikel 10a, derde lid, van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=10a) tot stand komt, bedoeld in [artikel 2.2, onderdeel a, van het Inrichtingsbesluit WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046350&artikel=2.2), in deel 1 van [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043066&bijlage=A&z=2024-09-27&g=2024-09-27). - b. De wijze waarop en omstandigheden waarin bij kleine scholen de leerresultaten worden gewogen, bedoeld in [artikel 2.2, onderdeel b, van het Inrichtingsbesluit WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046350&artikel=2.2), in deel 2 van [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043066&bijlage=A&z=2024-09-27&g=2024-09-27). - c. De wijze van correctie van de meting voor schoolkenmerken en individuele kenmerken van leerlingen, bedoeld in [artikel 2.2, onderdeel c, van het Inrichtingsbesluit WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046350&artikel=2.2), in deel 3 van [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043066&bijlage=A&z=2024-"},{"i":14420,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 juli 2016, nr. 812176, houdende vernieuwde voorschriften in het kader van de meting en beoordeling van leerresultaten als bedoeld in artikel 23a1, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (Regeling leerresultaten VO 2016) Gelet op de [artikelen 37a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005946&artikel=37a) en [37b van het Inrichtingsbesluit WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005946&artikel=37b); Gelet op het voorstel bedoeld in [artikel 37b, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005946&artikel=37b) van de inspecteur-generaal van het onderwijs van 23 oktober 2014; Besluit: Artikel 1. Berekening en correctie indicatoren; normering resultaten De berekening van de in [artikel 2.52, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=2.52) bedoelde indicatoren, daaronder mede begrepen de correcties, bedoeld in het derde lid van dat artikel, alsmede de normering waarop de inspectie het oordeel voldoende dan wel onvoldoende resultaat baseert als bedoeld in [artikel 2.94, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.94), geschieden volgens het bepaalde in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038374&bijlage=A&z=2025-08-01&g=2025-08-01). Artikel 2. Wijze totstandkoming oordeel leerresultaten Het oordeel over de leerresultaten van de schoolsoort of leerweg komt tot stand op de wijze als vastgesteld in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038374&bijlage=B&z=2025-08-01&g=2025-08-01). Artikel 3. Benodigde gegevens; meting onmogelijk of gegevens incompleet De aard en de aantallen benodigde gegevens, bedoeld in [artikel 2.53, tweede lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=2.53), volgen uit het bepaalde in [bijlage B](http"},{"i":13326,"b":"HERDRUK Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2024, versie 1.00 (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 9 november 2023 krachtens [artikel 15 van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15), goedgekeurd bij besluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 16 november 2023). Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De Raad stelt dan ook als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de Wrb dat een verzoek om inschrijving bij de Raad eerst volledig is behandeld en is ingewilligd. Het bestuur van de Raad kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden. Deze inschrijvingsvoorwaarden van de Raad zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar advocaten die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. Er bestaan algemene voorwaarden die voor alle ingeschreven advocaten gelden en bijzondere voorschriften voor rechtsbijstand op specifieke rechtsgebieden. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft Gedragsregels1Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten. en verordeningen vastgesteld waarnaar advocaten zich behoren te richten. De deken in een arrondissement is belast met het toezicht op advocaten die kantoor houden in dat arrondisseme"},{"i":14105,"b":"Regeling beperkende bepalingen op de openbaarheid van het archief van de Afdeling Financiële en Administratieve Zaken (FAZ), Financieel-economische Zaken (FEZ) en Facilitaire Zaken (1933) 1946-2005 Gehoord de Algemene Rijksarchivaris, gelet op [Archiefwet 1995, artikel 12, lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=12) en [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), alsmede [artikel 10 van Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en [artikel 35 van Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=35); Besluit: Artikel 1 Het archief van de Afdeling Financiële en Administratieve Zaken (FAZ), Financieel-economische Zaken (FEZ) en Facilitaire Zaken (1933) 1946-2005 zal worden overgebracht naar het Nationaal Archief. Artikel 2 Op delen van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032238&artikel=1&z=2012-11-21&g=2012-11-21) genoemd archiefbestand zullen beperkingen van de openbaarheid gelden. Artikel 3 1). Ten aanzien van de dossiers met de inventarisnummers 639, 640 en 641 is, met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, raadpleging door anderen dan in de dossiers genoemde personen, hierna genoemd betrokkenen, slechts mogelijk na toestemming van de Algemene Rijksarchivaris. 2). Toestemming, als bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a). de onderzoeker kan aantonen dat betrokkene is overleden; - b). de onderzoeker een verklaring van betrokkene kan overleggen waaruit blijkt dat deze toestemming geeft tot inzage; - c). er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. 3). Toestemming, als bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 4 Ten aanzien van de dossiers met de inventarisnummers 120, 392, 395 en 840 is, met het oog op de bescherming van de belangen van de Staat of"},{"i":13906,"b":"Oproep nominaties Athenaprijs 2017 – ENW Den Haag, juni 2017 Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek 1. Inleiding en doel 1.1. Doel **De Athena-prijs is gericht op het voor het voetlicht brengen van excellente vrouwelijke wetenschappers in de chemie.** In het stimuleren van de wetenschappelijke carrière van vrouwelijke onderzoekers is een belangrijke rol weggelegd voor vrouwelijke wetenschappers die als rolmodel dienen voor beginnende vrouwelijke onderzoekers. Om deze rolmodellen in de chemie beter voor het voetlicht te brengen heeft NWO met ingang van 2015 de Athena-premie omgevormd tot de jaarlijkse Athena-prijs. Met deze jaarlijkse prijs wil NWO de aandacht vestigen op excellente vrouwelijke chemici, die hoogstaand wetenschappelijk onderzoek verrichten. Daarnaast is het belangrijk dat ze ook bijdragen aan bijvoorbeeld onderwijs-, bestuurs-, voorlichtings- en/of andere maatschappelijk relevante activiteiten. De laureaat is een voorbeeld voor andere vrouwen die een carrière in de wetenschap ambiëren. 1.2. Doelgroep De Athena-prijs is gericht op: De genoemde maximumtermijn kan worden verlengd als er sprake is van langdurig verlof in verband met zwangerschap of ouderschap. De in totaal toe te kennen verlenging aan een kandidaat bedraagt maximaal 5 jaar. Vrouwelijke onderzoekers die kinderen hebben gekregen, krijgen per kind standaard 18 maanden extensie. 1.3. De prijs De Athena-prijs bestaat uit de volgende onderdelen: Per jaar reikt NWO één prijs uit. De prijsuitreiking zal plaatsvinden tijdens CHAINS, de chemieconferentie georganiseerd door het NWO-domein Exacte en Natuurwetenschappen. CHAINS 2017 vindt plaats van 5 t/m 7 december 2017 in het NH te Veldhoven. Voor meer informatie over de CHAINS conferentie, zie www.nwochains.nl. 1.4. Achtergrond In Nederland is het percentage vrouwen werkzaam in de chemische wetenschappen kleiner naarmate de positie hoger is. Zo zijn vrouwen ondervertegenwoordigd in de UD-, UHD- en hoogleraarrangen. Het percentage v"},{"i":12253,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2008 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2008 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | 27.300 | | --- | --- | | Grens grote/kleine werkgever | 682.500 | | Gemiddelde percentage | 0,58% | | Maximumpremie grote werkgevers | 2,32% | | Maximumpremie kleine werkgevers | 1,74% | | Minimumpremie kleine werkgevers | 0,30% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,85% | | Rekenpercentage | 0,57% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 0,68 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2008. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13209,"b":"Deelregeling van het bestuur van het Fonds Podiumkunsten van 20 juni 2025, inhoudende regels voor het programmeren van divers en toegankelijk podiumkunstenaanbod in Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **festival:** reeks van onderling samenhangende activiteiten die gedurende een in de tijd beperkte periode onder een gemeenschappelijke noemer worden georganiseerd op een of meerdere locaties; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **G4:** De gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht; - **landsdelen:** Noord (provincies Friesland, Groningen en Drenthe); Oost (provincies Overijssel en Gelderland); Midden (provincies Flevoland en Utrecht); Zuid (provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg); West (provincies Noord-Holland en Zuid-Holland); Caribisch deel van het Koninkrijk (drie bijzondere gemeenten Bonaire, Sint Eustatius en Saba en landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten); - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden inclusief het Caribisch deel van het Koninkrijk; - **programmerende organisatie:** een zelfstandige of organisatie, waaronder een festival, die op regelmatige basis podiumkunstenaars en publiek samenbrengt bij podiumkunstactiviteiten; - **podium:** een organisatie die de hoofdgebruiker is van een gebouw met een of meer theater- en/of concertzalen, waarin zij op regelmatige basis professionele podiumkunstenaars en publiek samenbrengt bij voorstellingen en/of concerten. - **podiumkunstenaar:** een persoon, geen kunst(vak)student, d"},{"i":13231,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 oktober 2010, nr. 2010-0000641889, houdende nadere regels met betrekking tot de dienst- en werktijden van de ambtenaren van het brandweerkorps BES en daarmee samenhangende toelagen (Dienst- en werktijdenregeling brandweerkorps BES) Gelet op [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028723&artikel=4), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028723&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028723&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028723&artikel=10) en [12 van het Dienst- en werktijdenbesluit brandweerkorps BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028723&artikel=12) en [artikel 13 van het Besluit rechtspositie vrijwillige brandweerambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028587&artikel=13); Besluit: **Algemene bepalingen** Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **inkomen:** de jaarlijkse bezoldiging, vermeerderd met eventuele kindertoelage. Persoonlijke toelage en andere aan de betrekking van de ambtenaar verbonden toelagen, welke op grond van een organieke regeling der bezoldiging en/of ingevolge de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215&artikel=25) en [26 van de Wet materieel ambtenarenrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215&artikel=26) worden genoten, continudiensttoelage en vergoeding van onkosten daaronder niet begrepen; - b. **besluit:** het [Dienst- en werktijdenbesluit brandweerkorps BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028723). **Dienstrooster** Artikel 2 Wijziging van een voor de ambtenaar geldend dienstrooster kan, behoudens het bepaalde in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028824&artikel=6&z=2010-10-14&g=2010-10-14) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028824&artikel=7&z=2010-10-14&g=2010-10-14) van deze regeling en de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028723&artikel=5) en [6 van he"},{"i":13211,"b":"Deelregeling Publicaties 2017 Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het bevorderen van de kennis over en verspreiding van Nederlandse hedendaagse beeldende kunst onder een (inter)nationaal publiek, waardoor de talentontwikkeling van kunstenaars wordt gestimuleerd. Dit gebeurt in de vorm van bijdragen voor het realiseren van publicaties van werk van levende beeldend kunstenaars uit Nederland, die door inhoud en/of vorm bijdragen aan de discussie over of aan het inzicht in de hedendaagse beeldende kunsten. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een bijdrage publicatiesubsidie kan worden verstrekt aan: - •. beeldend kunstenaars en uitgevers gezamenlijk, - •. beeldend kunstenaars voor een publicatie in eigen beheer, - •. beeldend kunstenaars voor een door een uitgever te produceren publicatie; de aanvraag dient dan voorzien te zijn van een toezegging van de uitgever, - •. uitgevers; de aanvraag dient dan voorzien te zijn van een toestemmingsverklaring van de kunstenaar. 2. De publicatie dient betrekking te hebben op een of meerdere levende kunstenaars die artistiek inhoudelijk actief is (zijn) in de beeldende kunsten en in die hoedanigheid geïntegreerd in de professionele beeldende kunstpraktijk in Nederland. 3. De kunstenaar op wie de publicatie betrekking heeft, dient ten minste drie jaar professioneel werkzaam te zijn geweest als kunstenaar dan wel ten minste drie jaar een hbo-opleiding aan een opleidingsinstituut voor beeldende kunsten te hebben gevolgd en minimaal één jaar professioneel werkzaam te zijn geweest als beeldend kunstenaar. 4. De bijdrage is bedoeld voor publicaties waaronder begrepen: - •. publicaties, waarbij de publicatie de drager van het werk zelf is, - •. oeuvre publicaties, als reflectie van een kunstenaar op zijn werk, - •. een eerste publicatie voor startend talent, waardoor de zichtbaarheid van die kunstenaar (inter)nationaal wordt ve"},{"i":13368,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2020, versie 1.1 (versie per 1-7-2020) (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 3 juni 2020 krachtens [artikel 15 van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15), goedgekeurd bij besluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 2 juli 2020). Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De Raad stelt dan ook als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de Wrb dat een verzoek om inschrijving bij de Raad eerst volledig is behandeld en is ingewilligd. Het bestuur van de Raad kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden. Deze inschrijvingsvoorwaarden van de Raad zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar advocaten die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. Er bestaan algemene voorwaarden die voor alle ingeschreven advocaten gelden en bijzondere voorschriften voor rechtsbijstand op specifieke rechtsgebieden. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft Gedragsregels1Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten. en verordeningen vastgesteld waarnaar advocaten zich behoren te richten. De deken in een arrondissement is belast met het toezicht op advocaten die kantoor houden in da"},{"i":13192,"b":"Deelregeling Festivals Creatieve Industrie **Introductie** Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie is het Rijkscultuurfonds voor architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Het fonds wil een wezenlijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van de professionele ontwerppraktijk binnen en vooral ook tussen de disciplines architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Onderdeel van dit streven is de interdisciplinaire wisselwerking tussen het culturele, maat-schappelijke en economische domein. Het Stimuleringsfonds ondersteunt bijzondere en vernieuwende projecten, onderzoek en activiteiten van ontwerpers, makers en culturele instellingen in binnen- en buitenland. gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), tot vaststelling van een deelregeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor festivals ter bevordering van de kwaliteit van creatieve industrie. Artikel 1. Doelstelling deelregeling festivals creatieve industrie 1. Deze deelregeling is van toepassing op festivals die bijdragen aan het bevorderen van hoogwaardige kwaliteit, ontwikkeling en professionalisering van de hedendaagse Nederlandse architectuur, vormgeving en digitale cultuur en die de belangstelling voor deze disciplines stimuleren. 2. Deze deelregeling geldt in aanvulling op het [Subsidiereglement Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040298). Het in dat reglement bepaalde is van toepassing op subsidieverlening op grond van deze deelregeling, voor zover daar in deze deelregeling niet van wordt afgeweken. Artikel 2. Reikwijdte 1. Het bestuur kan met toepassing van deze deelregeling subsidies verstrekken voor de opzet en uitvoering van festivals die in Nederland plaatsvinden en gericht zijn op minstens een van de volgende doelstellingen: - a. bevorderen van experimenten en crossovers; - b. stimuleren van onderzoek, analyse en reflectie; - c. bevorderen van t"},{"i":13384,"b":"Instelling begeleidingscommissie werkdrukonderzoek RCID Overwegende: dat ten behoeve van een onderzoek naar de feitelijke werkdruk van de RCID'en een meetinstrument moet worden ontwikkeld, dat geschikt is om de verschillen in werkdruk aan te geven; dat daartoe een vooronderzoek zal worden verricht; dat een landelijk gecoördineerde begeleiding van dit onderzoek wenselijk is; Besluiten: Artikel 1 Ingesteld wordt de begeleidingscommissie werkdrukonderzoek RCID, hierna te noemen de begeleidingscommissie. Artikel 2 De begeleidingscommissie heeft tot taak: - a. zorg te dragen voor de begeleiding van het ontwikkelen van een kwalitatief verantwoord en bruikbaar meetinstrument, waarmee verschillen in aard en omvang van de werkzaamheden van de regionale CID'en zichtbaar kunnen worden gemaakt; - b. een zo breed mogelijk draagvlak voor de acceptatie van het te ontwikkelen meetinstrument binnen de groep van direct belanghebbenden te realiseren. - c. ons te adviseren over de bruikbaarheid na toepassing van het meetinstrument op alle regionale CID'en ten behoeve van een herverdeling van het thans centraal toegekende RCID budget over de RCID'en, die recht doet aan de verschillen in werkdruk. Artikel 3 1. De begeleidingscommissie is als volgt samengesteld: - mr. J. Th. de Wit, hoofdofficier van justitie te Dordrecht, tevens lid van de Begeleidingscommissie CID, voorzitter; - mr. C. Jansen, Dirigerend Officier der Rijkspolitie 2e klasse namens de Centrale Politie Recherche Commissie: - J. J. Kleppers, Dirigerend Officier der Rijkspolitie 2e klasse namens de Algemene inspectie van het korps Rijkspolitie; - A. Lith, Hoofdinspecteur, ambtenaar le klasse te Utrecht, namens het Landelijk Contact Observatieteams; - drs. C. C. Schreuder, beleidsmedewerker bij de directie politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken; - mr. A. Teerds, beleidsmedewerker bij de directie politie van het Ministerie van Justitie; - W. J. M. Velings, commissaris-korpschef van gemeentepolitie te Tiel, tevens pl"},{"i":13392,"b":"Instelling Commissie interdepartementaal Overleg inzake Zeegaande Vaartuigen Gelet op [artikel 3 van het besluit van 11 oktober 1988 (Stb. 1988, 476), houdende een regeling betreffende coördinatie met betrekking tot civiele zeegaande vaartuigen van de rijksoverheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004413&artikel=3) danwel door deze gesubsidieerde stichtingen; In overeenstemming met de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie, Financiën, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Commissie:** de Commissie Interdepartementaal Overleg inzake Zeegaande Vaartuigen; - **Loket Vlootzaken:** het Loket Vlootzaken van Rijkswaterstaat Noordzee; - **Beheerder:** degene die is belast met het beheer over een civiel zeegaand rijksvaartuig. Artikel 2 1. Er is een Commissie Interdepartementaal Overleg inzake Zeegaande Vaartuigen. 2. De Commissie wordt bijgestaan door een secretariaat en het Loket Vlootzaken. Artikel 3 1. De Commissie adviseert de ministers van Verkeer en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie, Financiën, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen jaarlijks omtrent: - a. het interdepartementaal gebruik van de bij de in de aanhef genoemde ministeries in beheer zijnde civiele zeegaande rijksvaartuigen; - b. de verwerving van civiele zeegaande vaartuigen voor de rijksoverheid; en - c. de verwerving van civiele zeegaande vaartuigen ten behoeve van stichtingen of andere instellingen die geheel of overwegend door de rijksoverheid worden gesubsidieerd. 2. De Commissie doet van een door haar uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid, een afschrift toekomen aan het Interdepartementaal Directeuren Overleg Noordzee. Artikel 4 1. De Commissie ontwerpt met betrekking tot de civiele zeegaande vaartuigen voor de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015054&artikel=3&"},{"i":13394,"b":"Besluit tot instelling commissie van deskundigen Kosten Baten Analyse Ruimte voor de Rivier Besluit: Artikel 1 Er is een commissie van deskundigen Kosten Baten Analyse Ruimte voor de Rivier. Artikel 2 1. De commissie van deskundigen heeft tot taak het toetsen van de in het tweede lid genoemde documenten van het Centraal Planbureau (CPB) in het kader van de uitvoering van de Kosten Baten Analyse (KBA) Ruimte voor de Rivier. 2. De commissie van deskundigen toetst: - a. het werkplan voor de KBA; - b. het veiligheidsonderzoek; - c. eventuele tussenrapporten; - d. het eindrapport. Artikel 3 Tot lid van de commissie worden benoemd: - prof. dr. H. Verbruggen, voorzitter; - prof. dr. J.C.J.M. van den Bergh; - prof. dr. M.A. Hajer; - prof. dr. P. Rietveld; - dr. E.C.M. Ruijgrok, secretaris. Artikel 4 1. De commissie van deskundigen bepaalt de wijze waarop zij haar taak zal uitvoeren. 2. De commissie van deskundigen rapporteert haar bevindingen aan de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Artikel 5 1. De kosten voor het functioneren van de commissie van deskundigen komen ten laste van de begroting van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. 2. De vergoeding voor de leden van de commissie van deskundigen bedraagt per vergadering € 550,- per lid, tot een totaal maximum van € 22.000,- voor de commissie. Per vergadering wordt een vergoeding voor reis- en verblijfskosten van € 25,- per lid van de commissie verstrekt. Meerdere vergaderingen op één dag worden aangemerkt als één vergadering. 3. Voor de extra werkzaamheden van de voorzitter van de commissie wordt een vaste vergoeding verstrekt van € 4500,-. De vergoeding wordt ver-strekt in drie gelijke delen, te weten na oplevering van het schriftelijk advies van de commissie over de in [artikel 2, tweede lid, onder (a), (b) en (d)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014727&artikel=2&z=2004-10-27"},{"i":13349,"b":"Wet van 24 juni 2020 tot wijziging van de Handelsregisterwet 2007, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en enkele andere wetten in verband met de registratie van uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten ter implementatie van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn (Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen over de kenbaarheid en registratie in het handelsregister van uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (PbEU 2015, L 141), zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/843 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (PbEU 2018, L 156/43); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel II Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 2. Artikel V Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VII Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en a"},{"i":13393,"b":"Instelling Commissie schorsing en vrijhedenbeleid Overwegende, dat het gelet op de noodzaak de belangen van de strafrechtelijke rechtshandhaving te waarborgen, wenselijk is onderzoek te doen instellen naar mogelijke verbeteringen in de wetgeving inzake schorsing van de voorlopige hechtenis en in de praktijk dienaangaande alsmede ten aanzien van de strafonderbreking en het verlof bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen, opgelegd aan meerderjarigen. Besluit: Artikel 1 Er is een Commissie schorsing en vrijhedenbeleid, verder te noemen de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak het vorenbedoelde onderzoek in te stellen en de analyse uit te voeren en de minister van Justitie voor 1 juni 1992 te adviseren over de wenselijkheid van: - a. wijziging van [artikel 80 Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=80) met het oog op de mogelijkheid van beperkende maatregelen; - b. precisering van het beleid ten aanzien van strafonderbreking en verbeteringen in de rol van de verschillende adviserende instanties hierbij; - c. betere criteria voor het verlenen van verlof en effectievere benutting van de in aanmerking komende adviserende instanties hierbij. Artikel 3 De commissie kan andere dan de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005404&artikel=2&z=1992-01-31&g=1992-01-31) genoemde vragen onderzoeken die haars inziens hiervoor in aanmerking komen en aan de minister van Justitie terzake advies uitbrengen. Artikel 4 In de commissie hebben zitting: - a. als **voorzitter**: - prof. mr. Th. W. van Veen, emeritus-hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht aan de Rijksuniversiteit te Groningen; - b. als **leden**: - mr. J. P. Balkema, raadsheer bij het Gerechtshof te Arnhem: - mr. M. F. L. M. van der Grinten, vice-president van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam; - mr. R. P. J. A. Vermeulen, hoofd van de afdeling Selectie en Bejegening van het Minister van Justitie; - mr. W. J. B. Zeyl, hoofdofficier van just"},{"i":13320,"b":"Handelsregisterbesluit 2009 BES § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **«openbaar lichaam»:** het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - b. **«persoonlijke gegevens»:** de naam en voornamen, de geslachtsaanduiding, het woonadres, de datum, de plaats en, indien deze plaats is gelegen buiten het openbaar lichaam, het land van geboorte, de nationaliteit, alsmede de handtekening en paraaf van een natuurlijk persoon. § 2. De opgave ter inschrijving Artikel 2 1. Voor het doen van de voorgeschreven opgaven ter inschrijving in het handelsregister wordt gebruik gemaakt van door de Kamer vastgestelde formulieren die kosteloos verkrijgbaar zijn. 2. De Secretaris kan bepalen dat een opgave op andere door hem te bepalen wijze geschiedt dan in het eerste lid bepaald. 3. De Secretaris verstrekt de belanghebbende op verzoek een bevestiging van de opgave, met vermelding van de dag waarop deze is gedaan. Artikel 3 1. Indien de Secretaris er niet van overtuigd is dat de opgave afkomstig is van hem of haar die tot het doen van de opgave verplicht is, kan hij weigeren de opgave in behandeling te nemen. Hij kan om nadere bewijsstukken van de bevoegdheid vragen. 2. Een machtiging tot het doen van de opgave moet authentiek zijn of gelegaliseerd door een functionaris ter plaatse bevoegd. 3. Indien naar zijn oordeel de verstrekte bewijsstukken onvoldoende zijn voor de beoordeling van de verplichting tot het doen van opgave door hem of haar van wie de opgave afkomstig is, is de Secretaris bevoegd de opgave te weigeren. Artikel 4 1. Nadat de opgave in behandeling is genomen, onderzoekt de Secretaris summierlijk of deze juist is. De Secretaris kan daarbij om nadere bewijsstukken van de vermelde gegevens vragen. 2. Indien de Secretaris van oordeel is dat de opgave niet juist is, geeft hij de belanghebbende in overweging de opgave te wijzigen of in te trekken. Daartoe stelt hij de opgave onverwijld weer ter beschikking van de belanghebbende en geeft hij"},{"i":14423,"b":"Regeling legitimatievoorschriften kentekenbewijzen en kentekenplaten Gelet op [artikel 50, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=50) en de [artikelen 25, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=25), [26, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=26), [28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=29), [30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=30), [31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=31), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=32), [33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=33), [36, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=36), [50 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=50), en [51 van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=51); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671) - **erkenning inschrijven met onderzoek:** erkenning als bedoeld in [artikel 6 van het Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=6) - **erkenning inschrijven zonder onderzoek:** erkenning als bedoeld in [artikel 5 van het Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=5); - **erkenning tenaamstellen voertuigen bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad:** erkenning als bedoeld in [artikel 4 van het Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=4); - **erkenning tenaamstellen voertuigen voor derden:** erkenning als bedoeld in [artikel 3 van het Besluit erkenningen wegverk"},{"i":11979,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 november 2014, nr. MINBUZA-2014.669618, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Directie Culturele Samenwerking en Voorlichting Buitenland, (1974) 1985–1996 (2001) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); en gelet op het advies van de algemene rijksarchivaris van 15 juli 2014, kenmerk 13.475; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 246 | 2064 | | 247 | 2066 | | 248 | 2072 | | 257 | 2066 | | 258 | 2065 | | 259 | 2072 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035867&artikel=1&z=2014-12-06&g=2014-12-06), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035867&artikel=1&z=2014-12-06&g=2014-12-06), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd"},{"i":14426,"b":"Regeling literaire programma’s gelet op het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735). Besluit: De volgende Regeling literaire programma's vast te stellen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** het bestuur van de Stichting Nederlands Letterenfonds; - **Cariben:** het Caribisch deel van het Koninkrijk, te weten de zelfstandige landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba; - **eigen inkomsten:** de baten in de jaarrekening, te weten: - a. publieksinkomsten; - b. overige inkomsten, te weten: - –. directe opbrengsten: sponsorinkomsten en overige inkomsten; - –. subsidies die zijn verstrekt door publieke of private partijen; - –. indirecte opbrengsten en - –. overige bijdragen (niet zijnde rentebaten, bijdragen in natura, kapitalisatie van vrijwilligers, waardering vrijkaarten en baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap). - **Engels:** de Engelse taal zoals door moedertaalsprekers wordt gehanteerd in het Caribisch deel van het Koninkrijk. - **Koninkrijk:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk; - **leesbevordering:** het stimuleren van het lezen en/of leesplezier in brede zin; - **Letterenfonds:** de Stichting Nederlands Letterenfonds; - **literatuur:** literatuur in het Nederlands, Engels, Fries, Papiaments en de Nederlandse Gebarentaal (NGT); - **literair:** literatuur in het Nederlands, Engels, Fries, Papiaments en de Nederlandse Gebarentaal (NGT) betreffende; - **makers:** literaire makers die zich beroepsmatig bezighouden met de creatie van literatuur, waaronder schrijvers, spoken word-artiesten, illustratoren"},{"i":12249,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 19 november 2025, nr. BZ2522260, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Besluit Focus on Freedom) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 4.2, eerste lid, sub g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.2), en [artikel 4.3, eerste lid, sub g, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 4.2, eerste lid, sub g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.2), en [artikel 4.3, eerste lid, sub g, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.3) voor activiteiten ten behoeve van capaciteitsversterking van, dienstverlening door en het voeren van dialoog door maatschappelijke organisaties in of voor lage- en middeninkomenslanden, op het thema beschermen en promoten van mensenrechten en fundamentele vrijheden van religieuze minderheden en lhbtiq+ personen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051956&artikel=1&z=2025-12-13&g=2025-12-13) genoemde tijdvak geldt een subsidieplafond van € 84.745.000, welke middelen als volgt zijn verdeeld over de volgende thema’s: - a). € 34.895.000 voor aanvragen gericht op het thema beschermen en promoten van mensenrechten en fundamentele vrijheden van religieuze minderheden; en - b). € 49.850.000 voor aanvragen gericht op het thema het thema beschermen en promote"},{"i":12251,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media houdende het gedeeltelijk opheffen van de beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van de Hoge Raad der Nederlanden, (1939) 1940–1979 (1981), nummer toegang 2.09.65 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het besluit van de Directeur Bedrijfsvoering van de Hoge Raad der Nederlanden, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Hoge Raad der Nederlanden over de periode (1939) 1940–1979 (1981), Gehoord hebbende de president van de Hoge Raad, Besluit: Artikel 1 De beperking die is gesteld aan de openbaarheid van de inventarisnummers 2511, 2513 t/m 2560 wordt opgeheven. Artikel 2 De beperking aan de openbaarheid van inventarisnummer 2512 vervalt per 1 januari 2025. Artikel 3 Inzage in de [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045637&artikel=2&z=2021-09-24&g=2021-09-24) genoemde archiefbescheiden is mogelijk na toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":12157,"b":"Besluit departementale herindeling integratie en inburgering Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 5 november 2012, kenmerk 3117028; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van integratie en inburgering, voor zover deze voor 5 november 2012 was opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De taken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032187&artikel=1&z=2012-11-09&g=2012-11-09) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032187&artikel=2&z=2012-11-09&g=2012-11-09) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 november 2012. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":12135,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 januari 2004, nr. GVM/2429121, houdende instelling van de commissie risicobeoordeling nieuwe drugs ter ondersteuning van het functioneren van het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (Besluit commissie risicobeoordeling nieuwe drugs 2003) Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. de commissie: de commissie genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016260&artikel=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - c. risicobeoordelingsprocedure: het onderwerpen van nieuwe drugs aan een risicobeoordeling volgens vastgelegde criteria en werkwijze. Artikel 2 Er is een commissie risicobeoordeling nieuwe drugs. Artikel 3 De commissie heeft tot taak: - a. het ondersteunen van het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM); - b. zo breed mogelijk informatie uit te wisselen betreffende trends in drugs en drugsgebruik; - c. het op onafhankelijke, slagvaardige en multidisciplinaire wijze uitvoeren van risicobeoordelingen betreffende nieuwe drugs; - d. toetsing en evaluatie van de risicobeoordelingsprocedure. Artikel 4 1. De commissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en ten hoogste twintig leden. 2. De leden van de commissie bestaan uit vertegenwoordigers van organisaties die deskundig zijn op het gebied van drugs, drugsgebruik en drugsverslaving, alsmede uit vertegenwoordigers van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Justitie. 3. De leden van de commissie worden benoemd en ontslagen door de minister. 4. Op de leden van de commissie is de [Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775) van toepassing. Artikel 5 De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. Artikel 6 1. De commissie informeert de minister zo spoedig mogelijk na afronding van elke risicobeoordeling over de uitkomsten. 2. De minister legt zijn"},{"i":14234,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 juni 2010, nr. WJZ/211998 (2719), houdende regels in verband met de erkenning van EG-beroepskwalificaties voor personeel in de kinderopvang (Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties kinderopvangpersoneel) Gelet op [artikel 33 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanvrager:** migrerende beroepsbeoefenaar die erkenning van beroepskwalificaties aanvraagt; - b. **dienstverrichter:** dienstverrichter als bedoeld in [artikel 21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=21); - c. minister: - 1°. Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - 2°. Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor zover de aanvraag en de verklaring vooraf als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027765&artikel=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01), de gereglementeerde beroepen, genoemd in [artikel 2, onderdeel a, subonderdelen 4° en 5°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027765&artikel=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01), betreffen; - d. **wet:** [Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066); - e. **kindercentrum:** voorziening als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.1); - f. **gastouderbureau:** organisatie als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.1). Artikel 2. Gereglementeerde beroepen in de kinderopvang Deze regeling is van toepassing op: - a. de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verlenen van erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot of de uitoefening van de volgende gereglementeerde beroepen: -"},{"i":14244,"b":"Regeling ex-patriates 1998 BES Besluit: Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05.00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 - 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ex-patriate:** de werknemer die direct voorafgaand aan zijn tewerkstelling in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba gedurende een aaneengesloten periode van tenminste vijf jaar in geen van de drie bedoelde openbare lichamen heeft gewoond; - b. **werkgever:** de inhoudingsplichtige, bedoeld in [artikel 4 van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=4). - 2. Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 58 van de Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=58) en [artikel 22 van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=22). Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de ex-patriate: - a. die over een specifieke deskundigheid beschikt op wetenschappelijk of hoger beroepsopleidingsniveau en ten minste vijf jaar relevante werkervaring heeft; alsmede - b. een beloning van zijn werkgever geniet van ten minste USD 83.500 per jaar; en - c. wiens deskundigheid op de lokale arbeidsmarkt niet of in beperkte mate beschikbaar is. Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 In afwijking van [artikel 6, eerste lid, van de Wet loonbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029283&artikel=6) wordt niet tot het loon van de ex-patriate gerekend de in verband met zijn dienstbetrekking genoten: - a. beloningen in natura voor zover die gezamenlijk per kalenderjaar niet meer dan USD 8.380 bedragen; - b. vergoedingen ter dekking van kosten gemaakt ten behoeve van het bezoeken van scholen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, alsmede gelijkwaardige onderwijsinstellingen buiten deze drie openbare lichamen, met dien verstande dat er per kind maximaal USD 13.967 per kalenderjaar buiten de belastingheffing wordt gehouden; - c."},{"i":14428,"b":"Regeling Literatuur Caribe gelet op het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735). besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** het bestuur van het Letterenfonds; - **het Letterenfonds:** Stichting Nederlands Letterenfonds; - **Caribisch deel van het Koninkrijk:** de landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius; - **literaire maker:** natuurlijk persoon gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk die zich beroepsmatig bezighoudt of de ambitie heeft zich beroepsmatig bezig te houden met het creëren of vertalen van literatuur; - **literatuur:** literaire creaties in het Nederlands, Engels, Fries, Papiaments of de Nederlandse Gebarentaal, of de vertaling daarvan; - **literaire creatie:** een oorspronkelijk, literair werk; - **organisatie:** in het Caribisch deel van het Koninkrijk gevestigde rechtspersoon zonder winstoogmerk met een inschrijving bij één van de Kamers van Koophandel van het Caribisch deel van het Koninkrijk, zijnde een gesubsidieerde of niet-gesubsidieerde culturele organisatie of andere rechtspersoon die actief is in de culturele sectoren; - **project:** alle werkzaamheden voor een op zichzelf staande, concreet omschreven literaire activiteit of talentontwikkelingstraject, afgebakend in tijd en doel; - **Engels:** de Engelse taal zoals door moedertaalsprekers wordt gehanteerd in het Caribisch deel van het Koninkrijk; - **Papiaments:** Papiamento en Papiamentu. Artikel 2. Doel Met deze regeling wil het Letterenfonds het literaire aanbod in het Caribisch deel van het Koninkrijk vergroten, in het bijzonder het aanbod Papiamentstalige werken. Daarnaast wil het Letterenfond"},{"i":14429,"b":"Regeling logboeken Gelet op [artikel 2.10, eerste lid, van de Wet Luchtverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.10); Besluit: Artikel 1 1. De houder van een RPL, respectievelijk een PPL, CPL of ATPL houdt de gegevens van door hem uitgevoerde vluchten bij in een logboek waarvan het model respectievelijk het model zoals in de aanvaardbare en alternatieve wijzen van naleving behorend bij verordening (EU) nr. 1178/2011, FCL.050, door EASA is vastgesteld gelijk is aan het in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010751&bijlage=1&z=2014-03-15&g=2014-03-15) bij deze regeling opgenomen model. 2. In afwijking van het eerste lid, houdt de houder van een bewijs van bevoegdheid die vluchten uitvoert met een luchtvaartuig van de categorie zweeftoestellen (G) de gegevens van door hem uitgevoerde vluchten bij in een logboek waarvan het model gelijk is aan het in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010751&bijlage=2&z=2014-03-15&g=2014-03-15) bij deze regeling opgenomen model. 3. De houder van een CFEL houdt de gegevens van door hem uitgevoerde vluchten bij in een logboek waarvan het model gelijk is aan het in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010751&bijlage=3&z=2014-03-15&g=2014-03-15) bij deze regeling opgenomen model. 4. De houder kan de gegevens in een geautomatiseerd logboek doen bijhouden, mits de houder met de luchtvaartmaatschappij overeenkomt dat het logboek telkens op verzoek van de houder beschikbaar wordt gesteld. Artikel 2 Een logboek als bedoeld in [artikel 1, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010751&artikel=1&z=2014-03-15&g=2014-03-15) wordt ingevuld overeenkomstig de instructies zoals in de aanvaardbare en alternatieve wijzen van naleving behorend bij verordening (EU) nr. 1178/2011, FCL.050, door EASA zijn vastgesteld. Artikel 2a De bijlage bij deze regeling ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking me"},{"i":12612,"b":"Besluit van 22 september 1994, houdende toekenning vaandel aan het Garderegiment Grenadiers en Jagers Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 13 september 1994, Bevelhebber der Landstrijdkrachten nummer KAB/8659; Overwegende dat het is gewenst, in verband met de herstructurering van de Koninklijke Landmacht, wijziging te brengen in de vredessamenstelling van het Garderegiment Grenadiers en van het Garderegiment Jagers, de plaatsing van officieren, de traditiehandhaving en de vaandels alsmede de opschriften. Gelet op het gestelde in het Koninklijk Besluit van 7 juli 1829, nummer 104 sindsdien herhaaldelijk gewijzigd en het Koninklijk Besluit van 12 maart 1977, nummer 101 laatstelijk gewijzigd bij Ons besluit van 26 januari 1983, nummer 72. Hebben goedgevonden en verstaan; Artikel 1 - a. Het Garderegiment Grenadiers en het Garderegiment Jagers worden samengevoegd tot het Garderegiment Grenadiers en Jagers. Onze Minister van Defensie is belast met de vaststelling van de organisatie, die minimaal uit een, niet mobilisabel, bataljon bestaat, dat Garde Grenadier- en Garde Jager-compagnieën omvat. - b. De Regimentscommandant van het Garderegiment Grenadiers en Jagers wordt, op voordracht van Onze Minister van Defensie, bij Ons Besluit benoemd en behoort, bij toerbeurt voor de duur van de functievervulling, tot de Garde Grenadiers of Garde Jagers. - c. De reeds bij Koninklijk Besluit bij het Garderegiment Grenadiers of bij het Garderegiment Jagers geplaatste officieren in werkelijke dienst en reserve-officieren met groot verlof worden geacht te zijn geplaatst bij het Garderegiment Grenadiers en Jagers, in beginsel onder handhaving van hun indeling bij de Garde Grenadiers of Garde Jagers, uitzonderingen ter beoordeling van de Regimentscommandant. - d. De bij het Garderegiment Grenadiers en Jagers te plaatsen officieren worden, op voordracht van de Regimentscommandant, bij Ons Besluit geplaatst. De officieren en onderofficieren zullen zoveel mogelijk, zulks ter be"},{"i":14430,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 18 mei 2015, nr. IENM/BSK2015/74417, houdende vaststelling van regels over de aanleg, het beheer, het gebruik en de veiligheid van lokale spoorwegen (Regeling lokaal spoor) Gelet op de [artikelen 6, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=6), [9, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=9), [19, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=19), [28, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=28), [32, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=32), [33, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=33), [37, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=37), [38, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=38), en [42, negende lid, van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=42). Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de hoofdstukken 2 tot en met 10 van de Wet lokaal spoor in werking treden. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035198); - **kinematisch omgrenzingsprofiel:** profiel waarbinnen de spoorvoertuigen met alle daaraan bevestigde losse delen, bij een gelijkmatig verdeelde, volle belasting, in bogen met een straal gelijk aan of groter dan een vastgestelde referentieboog blijven; - **profiel van vrije ruimte:** de vrij te houden ruimte boven en naast een spoor waarbinnen zich geen vaste voorwerpen mogen bevinden, om een ongehinderde doorgang van de spoorvoertuigen te waarborgen; - **referentieboog:** boog met een vastgestelde straal aan de hand waarvan het kinematisch omgrenzingsprofiel en het profiel van vrije ruimte worden vastgesteld; - **werkmaterieel:** spoorvoertuigen, niet bestemd voor het vervoer van personen, die gebrui"},{"i":12118,"b":"Besluit bevoegdheid uitoefening van de tandheelkunst BES Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 2. Dit besluit berust op [artikel 18.4.4 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.4). Artikel 1a Tot de uitoefening van de tandheelkunst zijn, behalve de toegelaten geneeskundigen, uitsluitend bevoegd: - a. zij, die de hoedanigheid van tandarts hebben verkregen op de wijze zoals voorgeschreven in de terzake in Nederland geldende wettelijke bepalingen; - b. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in bijlage V, onder 5.3.2 van de [richtlijn nr. 2005/36/EG](32005L0036) betreffende de erkenning van beroepskwalificaties; - c. zij, die beschikken over een getuigschrift genoemd in de bijlage bij dit besluit, voor zover dit getuigschrift is behaald als gevolg van een opleiding die is begonnen na de desbetreffende daarbij genoemde referentiedatum en indien deze is afgegeven door een daartoe bevoegde opleidingsinstelling; - d. zij, die op aanvrage van Onze Minister een verklaring hebben gekregen, inhoudende dat zij op basis van de door hen genoten opleiding vakbekwaam worden geacht om de tandheelkunst uit te oefenen. Artikel 2 1. Onze Minister kan zich voor het afgeven van de in [artikel 1a, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028359&artikel=1a&z=2010-10-10&g=2010-10-10), bedoelde verklaring laten adviseren door een bij ministeriële regeling aangewezen commissie. 2. Bij de aanvrage bedoeld in [artikel 1a, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028359&artikel=1a&z=2010-10-10&g=2010-10-10), worden de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens overgelegd. Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 [vervallen] Artikel 5 [vervallen] Artikel 6 Het is aan een tandarts, als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028359&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10),"},{"i":12171,"b":"Besluit houdende departementale herindeling met betrekking tot veiligheid Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 14 oktober 2010, kenmerk 3096356; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van veiligheid behoudens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De taken van het ministerie van Veiligheid en Justitie en van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028855&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028855&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":14431,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 15 mei 2024, nr. LO2425, tot vaststelling van een subsidieregeling professionalisering Lokale Publieke Media-instellingen 2024–2025 Handelend in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3) en [8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **lokale publieke media-instelling:** instelling die op grond van [titel 2.3 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&titeldeel=2.3) is aangewezen voor de verzorging van een lokale publieke mediadienst voor een of meer gemeenten; - b). **agendabericht:** informatie in de vorm van geschreven tekst, audio of video met als doel burgers op de hoogte te stellen van aankomende uiteenlopende activiteiten en evenementen. - c). **eigen nieuwsgaring:** het zelfstandig en op eigen initiatief verzamelen en publiceren van nieuwsberichten, tot stand gekomen door journalistiek handelen; - d). **journalistiek handelen:** het vergaren, verwerken en verspreiden van informatie en nieuws, waarbij: - 1. het gaat om onafhankelijk tot stand gekomen openbare berichtgeving die bestemd is voor een breed publiek en die bestaat uit originele eigen content die niet machine-gegenereerd is; - 2. gestreefd wordt naar zo accuraat en evenwichtig mogelijke berichtgeving; en - 3. verantwoording wordt afgelegd en transparant wordt gehandeld en waarbij de afzender van de content duidelijk wordt gemaakt; - e). **Keurmerk Nederlandse Streekomroepen:** keurmerk van de NLPO met als doelstelling het bevorderen van kwaliteit/professionaliteit, de efficiency en het productaanbod bij lokale publieke media-instellingen. Het Keurmerk omvat 20 objectief toetsbare criteria, die onafhankelijk worden getoetst door het Keurme"},{"i":14432,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 1 juni 2025, nr. LO2527, tot vaststelling van een subsidieregeling professionalisering Lokale Publieke Media-instellingen 2025–2027 Handelend in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3) en [8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **lokale publieke media-instelling:** instelling die op grond van [titel 2.3 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&titeldeel=2.3) is aangewezen voor de verzorging van een lokale publieke mediadienst voor een of meer gemeenten; - b). **agendabericht:** informatie in de vorm van geschreven tekst, audio of video met als doel burgers op de hoogte te stellen van aankomende uiteenlopende activiteiten en evenementen; - c). **eigen nieuwsgaring:** het zelfstandig en op eigen initiatief verzamelen en publiceren van nieuwsberichten, tot stand gekomen door journalistiek handelen; - d). **DAEB:** dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - e). **DAEB-vrijstellingsbesluit:** Besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang laste ondernemingen (PB L 7 van 11/01/2012, blz. 3–10); - f). **journalistiek handelen:** het vergaren, verwerken en verspreiden van informatie en nieuws, waarbij: - 1. het gaat om onafhankelijk tot stand gekomen openbare berichtgeving die bestemd is voor een breed publiek en die bestaat uit originele eigen cont"},{"i":14433,"b":"Regeling maaltijdvergoeding bij overwerk politie Gelet op [artikel 28 van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=28); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bevoegd gezag:** het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - b. **ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - c. **overwerk:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 27, derde lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=27). Artikel 2 1. Indien de dagelijkse diensttijd van de ambtenaar op de dag waarop overwerk wordt verricht met ten minste twee uren overwerk wordt verlengd, verstrekt het bevoegd gezag hem een lunch of diner met inachtneming van het tweede en derde lid. 2. De lunch wordt verstrekt als de ambtenaar tussen 12:00 uur en 14:00 uur overwerk verricht. 3. Het diner wordt verstrekt als de ambtenaar tussen 17:00 uur en 20:00 uur vanwege overwerk niet thuis kan eten. 4. Indien verstrekking van een lunch of diner door het bevoegd gezag niet mogelijk is, heeft de ambtenaar, onverminderd het tweede en derde lid, aanspraak op een vergoeding op basis van de werkelijk gemaakte kosten van ten hoogste € 22,47 voor de lunch en ten hoogste € 33,99 voor het diner. De ambtenaar legt van de gemaakte kosten bewijsstukken over. 5. De tarieven genoemd in het vierde lid worden per 1 januari van elk kalenderjaar gewijzigd, overeenkomstig de geschoonde consumentenprijsindex voor restaurants en accommodaties, vastgesteld door het Centraal bureau voor statistiek. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april"},{"i":12207,"b":"Besluit van de directeur van de directie Informatievoorziening & Databeheersing van 3 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen de directie Informatievoorziening & Databeheersing wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":7916,"b":"Besluit van 23 november 2009, houdende toestemming aan De Nederlandsche Bank N.V. tot het verrichten van voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de invoering van de US dollar als munteenheid van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Toestemmingsbesluit De Nederlandsche Bank N.V. 2009) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, van 16 november 2009, nr. FM 2009/2744 M, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Overwegende dat het met het oog op de voorgenomen invoering van de US dollar als munteenheid van de toekomstige openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wenselijk is voorbereidingen te treffen ten behoeve van de omwisseling van de chartale geldmiddelen en de omzetting van girale tegoeden; Dat het, gelet op het voornemen De Nederlandsche Bank N.V. te belasten met de zorg voor de goede werking van het betalingsverkeer in de openbare lichamen, aangewezen is de voorbereidingen ten behoeve van de invoering van de US dollar aan De Nederlandsche Bank N.V. op te dragen; Gelet op [artikel 9, aanhef en onderdeel c, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan De Nederlandsche Bank N.V. wordt toestemming verleend om voorbereidende werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de invoering van de US dollar als munteenheid van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, daaronder begrepen voorbereidingen voor de omwisseling van de in Bonaire, Sint Eustatius en Saba in omloop zijnde wettige betaalmiddelen en de omzetting van de bij kredietinstellingen op die eilanden aangehouden girale tegoeden. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Toestemmingsbesluit De Nederlandsche Bank N.V. 2009. Lasten en bevelen dat dit besluit in"},{"i":13643,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 november 2025, nr. EenK/54978531, tot instelling van een commissie voor de visitaties van instellingen met een wettelijke taak op grond van artikel 2.8 van de Erfgoedwet (Instellingsbesluit visitatiecommissie Erfgoedwetmusea 2025–2028) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - •. **visitatiecommissie:** commissie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051869&artikel=2&z=2025-11-28&g=2025-11-28); - •. **instelling met een wettelijke taak:** instelling die op grond van [artikel 2.8 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=2.8) belast is met het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen; - •. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een visitatiecommissie Erfgoedwetmusea 2025–2028. 2. De visitatiecommissie heeft tot taak eenmaal per vier jaar een visitatie uit te voeren bij een instelling met een wettelijke taak, resulterend in een visitatierapport per instelling met wettelijke taak, uiterlijk aan de minister uit te brengen op 31 december 2028. 3. De visitatiecommissie hanteert bij de uitvoering van de visitatie van een instelling met een wettelijke taak het ‘Visitatiekader Rijksgesubsidieerde musea’ vastgesteld op 19 november 2025. Artikel 3. Samenstelling commissie, benoeming leden en instellingsduur 1. De visitatiecommissie bestaat uit zeven leden die ieder als voorzitter de opdracht krijgen om vier visitaties uit te voeren. 2. Tot leden en tevens voorzitters van de visitatiecommissie worden benoemd: - –. Naima Azough - –. Inge Brakman - –. Iljan van Hardevelt - –. Andrée van Es - –. Ila Kasem - –. Chequite Nahar - –. Angelique Penners-Wouters 3. De benoeming geschiedt voor de duur"},{"i":14434,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, van 14 november 2025 nr. WJZ/102463397, houdende specifieke maatregelen in de beschermings- en de bewakingszone in verband met de bestrijding van hoogpathogene aviaire influenza in Assendelft (Regeling maatregelen beschermings- en bewakingszone hoogpathogene vogelgriep Assendelft 2025) Gelet op de artikelen 64, eerste lid, 65, eerste lid, en 71, eerste lid, van [verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidwetgeving’) (PbEU 2016, L 84), de artikelen 21, eerste lid, 25, eerste lid, 27, eerste en tweede lid, en 42 van gedelegeerde [verordening (EU) 2020/687](32020R0687) van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PbEU 2020, L 174) en de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.2), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.5), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.6), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.7) en [6.3, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3); Besluit: Treedt in werking om 14:43 uur. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **beschermingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051772&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-11-14&g=2025-11-14); - **bewakingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051772&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-11-14&g=2025-11-14);"},{"i":3507,"b":"Besluit van 28 maart 2013, houdende regels met betrekking tot de werkwijze van de Commissie toezicht financien politieke partijen (Besluit financiering politieke partijen) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 november 2012, 2012-000626627, CZW/S&B; Gelet op [artikel 35, zesde lid, van de Wet financiering politieke partijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=35); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 november 2012, No. W04.12.0451/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 maart 2013, nr. 2013-0000159315; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet financiering politieke partijen in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet financiering politieke partijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004); - b. **commissie:** Commissie toezicht financiën politieke partijen, bedoeld in [artikel 35, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=35). Artikel 2 1. De leden van de commissie kiezen uit hun midden een voorzitter. 2. De commissie heeft een secretaris. 3. De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de commissie. 4. Aan de secretaris kunnen andere medewerkers worden toegevoegd. 5. De secretaris en de andere medewerkers zijn geen lid van de commissie. 6. Onze Minister wijst, na overleg met de voorzitter van de commissie, de secretaris en de andere medewerkers aan uit de ambtenaren die werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze ambtenaren zijn niet betrokken bij de voorbereiding van de besluitvorming door Onze Minister ten aanzien van de toepassing van de [artikelen 5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033004&artikel=5), [25, vijfde lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":11952,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 oktober 2022, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen in Chili, Ambassade Santiago de Chile, (1944) 1985 – 2013, (Besluit Beperking Openbaarheid Ambassade Santiago de Chile (1944)1985 – 2013, (1944) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c, van Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 19 september 2022, referentienr. 33272131; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 9 | 2066 | | 10 | 2073 | | 11 | 2075 | | 26 | 2064 | | 64 | 2089 | | 66 | 2084 | | 72 | 2089 | | 131 | 2076 | | 159 | 2065 | | 247 | 2102 | | 263 | 2089 | | 296 | 2039 | | 299 | 2085 | | 314 | 2065 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 3 | 2049 | | 60 | 2056 | | 185 | 2027 | | 220 | 2057 | | 229 | 2059 | | 248 | 2049 | | 275 | 2063 | | 282 | 2057 | | 287 | 2061 | | 288 | 2057 | | 289 | 2047 | | 290 | 2047 | | 292 | 2060 | Artikel 3 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beper"},{"i":14177,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 juni 2021, 2021-0000290770, houdende vaststelling van het Controleprotocol Wet normering topinkomens 2021 (Regeling Controleprotocol WNT 2021) Gelet op [artikel 1.9, onderdeel d, van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.9); Besluit: Artikel 1 Het protocol voor controle van het financieel verslaggevingsdocument door de accountant over het jaar 2021 op de naleving van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop rustende bepalingen wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2021. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Controleprotocol WNT 2021. Bijlage. Bij de Regeling Controleprotocol WNT 2021 **Controleprotocol WNT 2021** 1. Uitgangspunten 1.1. Doelstelling en inkadering protocol De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) (hierna: WNT) en de daarop gebaseerde regelgeving normeert de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector. De wet verplicht tevens tot openbaarmaking van de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van alle topfunctionarissen en daarnaast van de bezoldiging van niet-topfunctionarissen, indien de bezoldiging het algemeen bezoldigingsmaximum (naar rato van de omvang van het dienstverband) te boven gaat. De [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) schrijft voor welke gegevens WNT-instellingen moeten opnemen in het financieel verslaggevingsdocument. Het is de verantwoordelijkheid van de opsteller van het financieel verslaggevingsdocument om de juiste en volledige gegevens op te nemen. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de accountant om te toetsen dat die gegevens voldoen aan de WNT ([artikel 1.7 WNT](https://we"},{"i":14436,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 14 mei 2026, nr. WJZ/106398384, houdende specifieke maatregelen in de beschermings- en de bewakingszone in verband met de bestrijding van hoogpathogene aviaire influenza in Biddinghuizen (Regeling maatregelen beschermings- en bewakingszone hoogpathogene vogelgriep Biddinghuizen 2026) Gelet op de artikelen 64, eerste lid, 65, eerste lid, en 71, eerste lid, van [verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidwetgeving’) (PbEU 2016, L 84), de artikelen 21, eerste lid, 25, eerste lid, 27, eerste en tweede lid, en 42 van gedelegeerde [verordening (EU) 2020/687](32020R0687) van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PbEU 2020, L 174) en de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.2), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.5), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.6), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.7) en [6.3, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3); Besluit: Treedt in werking om 22:02 uur. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **beschermingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052636&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2026-05-14&g=2026-05-14); - **bewakingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052636&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2026-05-14&g=2026"},{"i":14437,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 14 november 2025, nr. WJZ/102459732, houdende specifieke maatregelen in de beschermings- en de bewakingszone in verband met de bestrijding van hoogpathogene aviaire influenza in Drogeham (Regeling maatregelen beschermings- en bewakingszone hoogpathogene vogelgriep Drogeham II 2025) Gelet op de artikelen 64, eerste lid, 65, eerste lid, en 71, eerste lid, van [verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidwetgeving’) (PbEU 2016, L 84), de artikelen 21, eerste lid, 25, eerste lid, 27, eerste en tweede lid, en 42 van gedelegeerde [verordening (EU) 2020/687](32020R0687) van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PbEU 2020, L 174) en de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.2), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.5), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.6), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.7) en [6.3, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3); Besluit: Treedt in werking om 22:56 uur. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **beschermingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051776&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-11-14&g=2025-11-14); - **bewakingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051776&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-11-14&g=2025-11-14); -"},{"i":14439,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 17 november 2025, nr. WJZ/102488946, houdende specifieke maatregelen in de beschermings- en de bewakingszone in verband met de bestrijding van hoogpathogene aviaire influenza in Opende (Regeling maatregelen beschermings- en bewakingszone hoogpathogene vogelgriep Opende 2025) Gelet op de artikelen 64, eerste lid, 65, eerste lid, en 71, eerste lid, van [verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidwetgeving’) (PbEU 2016, L 84), de artikelen 21, eerste lid, 25, eerste lid, 27, eerste en tweede lid, en 42 van gedelegeerde [verordening (EU) 2020/687](32020R0687) van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PbEU 2020, L 174) en de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.2), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.5), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.6), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.7) en [6.3, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3); Besluit: Treedt in werking om 07:45 uur. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **beschermingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051781&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-11-17&g=2025-11-17); - **bewakingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051781&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-11-17&g=2025-11-17); - **comm"},{"i":12690,"b":"Besluit vaststelling bedragen ex artikel 2, eerste lid, Wet vergoedingen adviescolleges en commissies (Adviescommissie Innovatie voor Maatschappelijke Veiligheid) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: artikel Enig 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie Innovatie voor Maatschappelijke Veiligheid wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,088. 2. Aan de leden van de Adviescommissie Innovatie voor Maatschappelijke Veiligheid wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,066. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11194,"b":"Instelling van examencommissies Gelet op [artikel 45, eerste lid van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=45); Besluit: Artikel 1 De examens ter verkrijging van de in de Regeling Toezicht Luchtvaart genoemde bewijzen van bevoegdheid en de daarin aangeduide bevoegdverklaringen worden afgelegd voor één van de volgende examencommissies: | Examencommissie voor: | Examens voor: | | | --- | --- | --- | | bewijzen van bevoegdheid: | bevoegdverklaringen: | | | a. privé-vliegbewijzen | privé-vlieger ballonvoerder | voor een categorie, klasse en type van vliegtuigen in privé-vliegbewijzen; sleepvliegen; radiotelefonie in de bvb's als genoemd in artikel 12, eerste lid van de RTL | | b. beroepsvliegbewijzen | beroepsvlieger verkeersvlieger boordwerktuigkundige | voor een categorie, klasse en type van vliegtuigen in beroepsvliegbewijzen; blindvliegen; spuitvliegen; vliegonderricht. | | c. zweefvliegen | zweefvlieger | lieren sleepvliegen wolkenvliegen vliegonderricht motorzweefvliegen | | d. vliegtuigonderhoudstechnicus | grondwerktuigkundige zweefvliegtechnicus | voor een categorie en type van luchtvaartuigen. | Artikel 2 De regeling van de minister van Verkeer en Waterstaat van 4 maart 1988, nr. LI/1523 wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met terugwerkende kracht per 1 januari 1992 en wordt gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":13670,"b":"Instellingsregeling Commissie van Beroep Kwaliteitstoets Tolken en Vertalers Overwegende, dat de Staatssecretaris van Justitie opdracht heeft gegeven aan het Kernteam Kwaliteitsnormering Tolken en Vertalers om kennistoetsen en praktijktoetsen te verzorgen, waarmee tolken en vertalers kunnen aantonen dat ze voldoen aan de uniforme kwaliteitseisen die het Ministerie van Justitie aan hen stelt in het kader van het kwaliteitstraject tolken en vertalers, zoals omschreven in de brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 14 juni 2000 met kenmerk 5033563/DBZ/00; dat het Kernteam Kwaliteitsnormering Tolken en Vertalers een toetscommissie kwaliteitstoets tolk en een toetscommissie kwaliteitstoets vertaler in het leven geroepen heeft om de uitslagen van de toetsen vast te stellen, een en ander beschreven in het Reglement Kwaliteitstoets Tolk, het Reglement Kwaliteitstoets Vertaler, de Richtlijnen Kwaliteitstoets Tolk en de Richtlijnen Kwaliteitstoets Vertaler; dat bij deze toetscommissies tegen de uitslag van de toets en de gang van zaken rondom de toetsing bezwaar kan worden aangetekend; dat het wenselijk is tegen de beslissingen op bezwaar beroep open te stellen en daartoe een Commissie van Beroep in te stellen; Besluit: Artikel 1 Er is een Commissie van Beroep Kwaliteitstoets Tolken en Vertalers, hierna te noemen: de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak in hoogste instantie uitspraak te doen in beroep overeenkomstig het Reglement Kwaliteitstoets Tolk en het Reglement Kwaliteitstoets Vertaler dat is aangetekend door een belanghebbende tegen een beslissing op een bezwaarschrift van de voorzitter van de toetscommissie kwaliteitstoets tolk of van de voorzitter van de toetscommissie kwaliteitstoets vertaler. Artikel 3 1. De commissie stelt een Reglement van Beroep Kwaliteitstoets Tolken en Vertalers vast waarin de procedure en werkwijze van de commissie zijn vastgelegd. 2. Het in het ee"},{"i":12218,"b":"Besluit van De Nederlandsche Bank N.V. van 23 april 2026 tot erkenning van de sinds 30 juni 2025 van toepassing zijnde macroprudentiële maatregel van Banca d’Italia inhoudende een systeemrisicobufferpercentage van 1,0% Na openbare consultatie; Gelet op de [Wet op het financieel toezicht, in het bijzonder artikel 3:62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:62a); Gelet op het [Besluit prudentiële regels Wft, in het bijzonder artikel 105, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=105) en [artikel 105e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=105e); Gelet op de [Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR, in het bijzonder artikel 2:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042578&artikel=2:3); Gelet op [Richtlijn nr. 2013/36/EU](32013L0036) van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van [Richtlijn 2002/87/EG](32002L0087) en tot intrekking van de [Richtlijnen 2006/48/EG](32006L0048) en [2006/49/EG](32006L0049); in het bijzonder artikel 134; Besluit: Artikel I. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a). **Bpr:** [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - b). **CRD:** [Richtlijn nr. 2013/36/EU](32013L0036) van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van [Richtlijn 2002/87/EG](32002L0087) en tot intrekking van de [Richtlijnen 2006/48/EG](32006L0048) en [2006/49/EG](32006L0049), oftewel de richtlijn kapitaalvereisten of de Capital Requirements Directive; - c). **CRR:** [Verordening (EU) nr. 575/2013](32013R0575) van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredieti"},{"i":12907,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting Nederlands Letterenfonds vanaf 2010 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van Stichting Nederlands Letterenfonds (NLF) voor de periode vanaf 1 januari 2010 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijsten worden per 31 december 2009 afgesloten: - •. [Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Stichting fonds voor de Letteren en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Letteren over de periode vanaf 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023600), Staatscourant 2008, nr. 51 - •. [Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de actor Stichting Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds op het beleidsterrein Media Letteren en Bibliotheken over de periode vanaf 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025941), Staatscourant 2009, nr. 106. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14187,"b":"Regeling cursusfaciliteiten en studietoelage 28 augustus 1987, Nr. DPAM/AMP PP87/010/4278 Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003538&artikel=6) en [7 van de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht 1982](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003538&artikel=7) (Stb. 1982, 648); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Cursusfaciliteiten Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. **hoofd dienstonderdeel** - 1°. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf; - 2°. de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando; - 3°. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf; - 4°. de commandant van het Commando DienstenCentra, voor zover het betreft het Commando DienstenCentra; - b. **de commandant** de commandant van het onderdeel waar de militair is geplaatst. - c. **militair** de militair, bedoeld in [artikel 154a, eerste lid, van het AMAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=154a). Artikel 2 1. Aan de militair kan met het oog op het volgen van een studie of opleiding in het belang van het uitoefenen van een beroep in de burgermaatschappij op zijn verzoek door het hoofd defensieonderdeel een tegemoetkoming in de daartoe noodzakelijk gemaakte kosten worden verleend. 2. De tegemoetkoming zoals bedoeld in het voorgaande lid kan op verzoek van de militair na de datum van ingang van zijn ontslag tot ten hoogste een jaar worden voortgezet. Permanente link Artikel 3 1. De kosten voor les, college-, inschrijvings-, practicum-, tentamen-, examen- en diplomagelden komen voor volledige vergoeding in aanmerking. 2. In de kosten voor de aanschaf van studiema"},{"i":13983,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 februari 2005, nr. MJZ2005 019083, houdende regels met betrekking tot het bepalen van de concentratie asbest in producten (Productenregeling asbest) Gelet op [artikel 2, onderdeel b, van het Productenbesluit asbest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017778&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven norm; - b. NTA: Nederlandse Technische Afspraak. Artikel 2 1. De concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, in puin en puingranulaat wordt bepaald volgens de in NEN 5897, Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopaval en recyclinggranulaat, augustus 2015, met correctieblad van augustus 2016 en correctieblad C2:2017, daarvoor aangegeven methode. 2. De concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, in grond wordt bepaald volgens de in NEN 5707, Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, augustus 2015, met correctieblad van augustus 2016 en correctieblad C2:2017, daarvoor aangegeven methoden. 3. De concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, in bagger en slib wordt bepaald volgens de NEN 5720: 2017, Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek. 4. De concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, in andere producten dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid wordt bepaald volgens de in NEN 5896 – Kwalitatieve analyse van asbest in materialen met polarisatiemicroscopie, mei 2003, daarvoor aangegeven methode. Artikel 3 1. Indien het asbest in een product homogeen is verdeeld of het asbest in een product nagenoeg homogeen is vermengd met andere stoffen of materialen, worden de concentratie serpentijnasbest en de concentra"},{"i":14448,"b":"Regeling marifooninstallaties Gelet op de [artikelen 6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=6), en [19, zesde lid, onderdeel d, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=19); Besluit: Artikel 1 Een marifooninstallatie als bedoeld in de [artikelen 6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=6), en [19, zesde lid, onderdeel d, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=19) wordt overeenkomstig genoemde artikelen goedgekeurd, indien deze in overeenstemming is met de op 6 april 2000 te Basel, overeenkomstig artikel S6 van het Internationale Radioreglement, behorend bij het Internationale Telecommunicatieverdrag, als bedoeld in [artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=1.1), tot stand gekomen Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012231&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01), mag een zeeschip, met uitzondering van een klein schip, zijn uitgerust met een marifooninstallatie van een type dat voor gebruik in de frequentieband van 156-174 MHz is toegelaten. Artikel 3 De Regeling marifooninstallaties 1995 wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling marifooninstallaties. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14450,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 2 december 2013, nr. WJZ/13199378, houdende de uitvoering van de Europese marktordening voor zuivel (Regeling marktordening zuivel) Gelet op de artikelen 122, eerste lid, onderdeel a, onder iii bis, 126 bis tot en met 126 sexies en 185 septies van Verordening (EU) nr. 1234/2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (‘integrale-GMO-verordening’) (PbEU 2007, L 299); [Verordening (EG) nr. 657/2008](32008R0657) van de Commissie van 10 juli 2008 houdende bepalingen voor de uitvoering van [Verordening (EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad ten aanzien van de toekenning van communautaire steun voor de verstrekking van melk en bepaalde zuivelproducten aan leerlingen in onderwijsinstellingen; Uitvoeringsverordening (EU) nr. 511/2012 van de Commissie van 15 juni 2012 inzake kennisgevingen met betrekking tot producenten- en brancheorganisaties en contractuele onderhandelingen en betrekkingen als bedoeld in [Verordening (EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad in de sector melk en zuivelproducten (PbEU 2012, L 156); De [artikelen 13, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=13), en [19 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en verwijzingen Artikel 1:1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister**: Minister van Economische Zaken; - **NVWA:** Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken; - **Uitvoeringsverordening 511/2012:** Uitvoeringsverordening (EU) nr. 511/2012 van de Commissie van 15 juni 2012 inzake kennisgevingen met betrekking tot producenten- en brancheorganisaties en contractuele onderhandelingen en betrekkingen als bedoeld in [Verordening (EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad in de sector melk en zuivelproducten (PbEU 2012, L 156); - **Verordening 1234/2007"},{"i":14451,"b":"Regeling maximumprijzen geneesmiddelen Gelet op [artikel 2 van de Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867&artikel=2), Besluit: Artikel 1 Voor de in de bijlage bij deze regeling opgenomen geregistreerde geneesmiddelen worden de daarbij per hoeveelheid en farmaceutische vorm aangegeven maximumprijzen vastgesteld. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 1996. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximumprijzen geneesmiddelen. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008023&artikel=1&z=2026-05-12&g=2026-05-12) van de Regeling maximumprijzen geneesmiddelen | **Productgroep** | | **Maximumprijs** | | --- | --- | --- | | ABACAVIR-20-MG/ML-OPLOSSING/SUSPENSIE, ORAAL * | | 0,332976 per ml | | **Registratienummer** | **Artikelnaam** | | | EU/1/99/112/002 | Ziagen drank 20mg/ml | | | | | | | **Productgroep** | | **Maximumprijs** | | ABACAVIR-300-MG-TABLET * | | 3,492466 per stuk | | **Registratienummer** | **Artikelnaam** | | | 117120 | Abacavir accord tablet filmomhuld 300mg | | | 117142 | Abacavir sandoz tablet filmomhuld 300mg | | | EU/1/99/112/001 | Ziagen tablet 300mg | | | | | | | **Productgroep** | | **Maximumprijs** | | ABACAVIR-60-MG-BRUISTABLET-DOLUTEGRAVIR-5-MG-BRUISTABLET-LAMIVUDINE-30-MG-BRUISTABLET | | 2,940426 per stuk | | **Registratienummer** | **Artikelnaam** | | | EU/1/14/940/003 | Triumeq dispergeerbare tablet 5/60/30mg+toebehoren | | | | | | | **Productgroep** | | **Maximumprijs** | | ABATACEPT-125-MG/ML-INJ.VLOEISTOF, WWSP | | 234,700218 per ml | | **Registratienummer** | **Artikelnaam** | | | EU/1/07/389/011 | Orencia injvlst 125mg/ml pen 1ml | | | EU/1/07/389/013 | Orencia injvlst 125mg/ml wwsp 0,4ml | | | EU/1/07/389/014 | Orencia injvlst 125mg/ml wwsp 0,7ml | | | EU/1/07/389/008 | Orencia injvlst 125mg/ml wwsp 1ml | | | | | | | **Productgroep** | | **Maximumprijs** | | ABATACEPT-250-MG-POED. V. INFUSIE,FLACON | | 316,527779 per stuk | | **Re"},{"i":14456,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 juni 2013, kenmerk 128362-106084-PG, ex artikel 20 van de Wet publieke gezondheid, alsmede houdende wijziging van de Regeling publieke gezondheid (Regeling MERS-CoV) In overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 20, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=20), en [artikel 22, vierde lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=22); Besluit: Artikel 1 Het Middle East respiratory syndrome coronavirus (MERS-CoV) wordt aangemerkt als behorende tot groep A, bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=1). Artikel 2 Alle bepalingen van de [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) die gelden voor infectieziekten behorende tot groep A zijn van toepassing op het Middle East respiratory syndrome coronavirus (MERS-CoV). Artikel 3 Wijzigt de Regeling publieke gezondheid. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling MERS-CoV. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13957,"b":"Besluit van 15 oktober 2020, houdende regels betreffende het verstrekken van reisdocumenten (Paspoortbesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 juli 2020, nr. 2020001558; Gelet op de [artikelen 2, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=2), [3, eerste, derde, vierde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=3), [3a, eerste, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=3a), [4c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=4c), [4d, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=4d), [4e, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=4e), [7, eerste, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=7), [16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=16), [26, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=26), [28, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=28), [40, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=40), [41, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=41), [42, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=42), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=43), [46b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=46b), [47, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=47), [50a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=50a), [54, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=54), [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=57) en [59, eerste lid, van de Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=59); De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 2"},{"i":12872,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Personeelsinformatievoorziening en -administratie vanaf 1945 (Minister van Buitenlandse Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30-8-2007 , aca-2007.03943/5; Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Personeelsinformatievoorziening en -administratie over de periode 1945–’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument overheidspersoneel Deelbeleidsterrein Personeelsinformatievoorziening en -administratie 1945– Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdrager Minister van Buitenlandse Zaken **Project Wegwerken Archief Achterstanden (PWAA)** **Vastgestelde versie oktober 2007** Lijst van afkortingen ABP: Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds ADOR: Adviescommissie voor de Doelmatige Organisatie in de Rijksdienst ADR: Adviescommissie voor de Doelmatigheidsbevordering in de Rijksdienst amvb: algemene maatregel van bestuur AOA: Adviescommissie Overheidsorganisatie en Automatisering AOP: Adviescommissie Overheidspersoneelsbeleid ARA: Algemeen Rijksarchief BiZa: ministerie van Binnenlandse Zaken BOCO: Bestuurlijk Overlegcommissie Overheidsautomatisering BSD: basisselectiedocument BZK: minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties CAR: Commissie voor bestudering van het vraagstuk van de automatisering van de Rijksadministratie, later Commissie Automatisering Rijksdienst CAS: Centrale Archief Selectiedienst CCOI Centrale Commissie Overheidsinformatievo"},{"i":14457,"b":"Regeling metingsvoorschriften Overwegende dat het noodzakelijk is ter juiste uitvoering van het [Meetbrievenbesluit 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003417) nadere regelen vast te stellen overeenkomstig de bepalingen inzake de vaststelling van de bruto-tonnage en netto-tonnage van een schip, zoals vermeld in Bijlage I van het op 23 juni 1969 tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, met bijlagen (Trb. 1970, 122); Gelet op [artikel 10, eerste lid, van het Meetbrievenbesluit 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003417&artikel=10); Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: Artikel 2 1. De tonnage van een schip wordt onderscheiden naar bruto-tonnage en netto-tonnage. 2. De bruto- en de netto-tonnage worden berekend volgens de bepalingen van deze regeling. 3. De bruto- en de netto-tonnage van nieuwe typen schepen waarvan de bouwkenmerken zodanig zijn, dat zij de toepassing van de bepalingen van deze voorschriften onredelijk of onuitvoerbaar maken, worden vastgesteld door de Minister van Infrastructuur en Milieu. Hoofdstuk II Artikel 3 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle schepen, met uitzondering van: - a. pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 24 meter; - b. vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 15 meter. Artikel 4 De bruto-tonnage (GT) van een schip wordt vastgesteld door middel van de volgende formule: GT = K1 V Waarbij: - V = het totale volume van alle ingesloten ruimten van het schip in kubieke meters, - K1 = 0.2 + 0.02log V (of volgens de tabel in bijlage II). Artikel 5 1. De netto-tonnage (NT) van een schip wordt vastgesteld door middel van de volgende formule: NT = K2 Vc (4d/3D)² + K3 (N1 + N2/10), waarbij: - a). de faktor (4d/3D)² niet groter mag zijn dan 1; - b). de term K2 Vc (4d/3D)² niet minder mag zijn dan 0,25 GT; en - c). NT niet minder mag zijn dan 0,30 GT, en waarbij: -"},{"i":14458,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 23 november 2006, nr. WJZ 6098785, tot vaststelling van het model van het merkteken, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het Meetinstrumentenbesluit I en artikel 19, eerste lid, van het Meetinstrumentenbesluit II, van de Nederlandse metrologische markering, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van het Meetinstrumentenbesluit II en van het afkeurmerkteken, bedoeld in artikel 34 van de Metrologiewet (Regeling metrologische merktekens) Gelet op [artikel 34 van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=34), [artikel 20, eerste lid, van het Meetinstrumentenbesluit I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019897&artikel=20) en de [artikelen 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020554&artikel=18) en [19, eerste lid, van het Meetinstrumentenbesluit II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020554&artikel=19); Besluit: Artikel 1 Het model van het merkteken, bedoeld in [artikel 22, eerste lid, van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=22), bestaat uit: - a. het merk van goedkeuring, bestaande uit de laatste twee cijfers van het jaartal van het lopende jaar, gevat in een kader van de vorm die is weergegeven in bijlage I van deze regeling; - b. het kenmerk van een aangewezen instantie of persoon die beschikt over een erkenning als bedoeld in [artikel 11 van de Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=11), bestaande uit een in een kader gevat vierkant, onderverdeeld in 16 gelijke vierkanten, zoals weergegeven in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020565&bijlage=II&z=2016-04-20&g=2016-04-20) van deze regeling, met daarin aangebracht de markering die de desbetreffende instantie of erkende persoon identificeert. Artikel 2 Het model van de Nederlandse metrologische markering, bedoeld in [artikel 21, eerste lid, van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemer"},{"i":14459,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 mei 2009, nr. PG/CI-2929603, ex artikel 20 van de Wet publieke gezondheid (Regeling Mexicaanse Griep) in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 20, eerste lid, derde en vijfde lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=20); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Het Mexicaanse influenzavirus (H1N1) wordt aangemerkt als behorende tot groep A, bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=1). Artikel 2 Alle bepalingen van de [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) die gelden voor infectieziekten behorende tot groep A zijn van toepassing op het Mexicaanse influenzavirus. Artikel 3 1. Deze regeling wordt bekend gemaakt door plaatsing op de internetsite van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 2. Deze regeling treedt onmiddellijk in werking na de bekendmaking als bedoeld in het eerste lid. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Mexicaanse griep. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13129,"b":"Wet van 13 september 2007, houdende bepalingen met betrekking tot de veilige vaart op de binnenwateren (Binnenvaartwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van de binnenvaart wenselijk is de wetgeving te harmoniseren door de bepalingen die betrekking hebben op de toegang tot de markt, de technische staat van het schip, de scheepsmeting, de bemanning, het vaarbewijs, de scheepsnummering en de gegevensverstrekking in een wet bijeen te brengen, waarbij mede uitvoering wordt gegeven aan de Herziene Rijnvaartakte met bijbehorende protocollen, alsmede aan [Verordening 1017/68/EEG](31968R1017) van de Raad van 19 juli 1968 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (L 175), [Richtlijn 76/135/EEG](31976L0135) van de Raad van 20 januari 1976 inzake wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (L 021), [Richtlijn 80/1119/EEG](31980L1119) van de Raad van 17 november 1980 betreffende de statistische registratie van het goederenvervoer over de binnenwateren (L 339), [Richtlijn 82/714/EEG](31982L0714) van de Raad van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (L 301), [Verordening nr. 2919/85/EEG](31985R2919) van de Raad van 17 oktober 1985 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren (L 280), [Richtlijn 87/540/EEG](31987L0540) van de Raad van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma's, certificaten en andere titels (L 322), [Verordening 3921/91/EEG](31991R3921) van de Raad van 16 december 1991 tot vaststelling van de voorwaa"},{"i":14461,"b":"Regeling militair valschermspringen Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 5.10, tweede lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.10) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=2), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=12) en [18, tweede lid, van het Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=18); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **afspringpunt:** punt waarop het vliegtuig wordt verlaten; - **doelgebied:** gebied waar de valschermspringer beoogt neer te komen; - **HAHO-valschermsprong:** valschermsprong vanaf grote hoogte waarbij het valscherm op grote hoogte wordt geopend (High Altitude High Opening); - **HALO-valschermsprong:** valschermsprong vanaf grote hoogte waarbij het valscherm op lage hoogte wordt geopend (High Altitude Low Opening); - **incidenteel valschermspringgebied:** valschermspringgebied dat niet als zodanig is aangewezen; - **krijgsmacht:** Nederlandse of bondgenootschappelijke krijgsmacht; - **NOTAM:** bericht als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling burgerluchtvaartinlichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010154&artikel=1) (**Notice to Airmen**); - **valscherm:** scherm dat dient om de daalsnelheid van een persoon zodanig te beperken, dat deze veilig het aardoppervlak kan bereiken; - **valschermspringen:** uit een zich in de lucht bevindend luchtvaartuig springen met een valscherm; - **valschermspringgebied:** kolom luchtruimte met een straal van 3,7 km (2 nautische mijlen) rond het middelpunt van het doelgebied, of zoveel groter als noodzakelijk teneinde zeker te stellen dat de rand van het gebied ten minste 3,7 km (2 nautische mijlen) van het afspringpunt, het doelgebied en de hartlijn tussen deze twee punten ligt, en een hoogte die ten minste gelijk is aan de voorgenomen springhoogte; - **va"},{"i":14462,"b":"Regeling militaire steunverlening in het openbaar belang Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op aanwijzing 24 van de Aanwijzingen voor het verrichten van marktactiviteiten door de Rijksoverheid; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. militaire steunverlening in het openbaar belang: Steunverlening door de krijgsmacht aan een bestuursorgaan in het kader van het openbaar belang, niet zijnde militaire bijstand in de zin van [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=57), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=58) of [59 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=59) of [artikel 20 van de Wet Veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=20); - b. openbaar belang: Belang van een bestuursorgaan, dat samenhangt met de wettelijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden van dat orgaan; - c. bestuursorgaan: Minister, commissaris van de Koning, burgemeester of dijkgraaf; - d. operationeel bevel: De bevoegdheid om aan militairen die deel uitmaken van de steunverlenende eenheid ter zake opdrachten te geven; - e. de Minister: De Minister van Defensie; - f. LOCC; Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - g. DOC: Defensie Operatie Centrum van het Ministerie van Defensie; - h. CDS: Commandant der Strijdkrachten; - i. additionele uitgaven: Alle noodzakelijke extra uitgaven die een directe relatie hebben met een project of activiteit en derhalve niet zouden zijn gemaakt als de steunverlening niet zou hebben plaatsgevonden. Artikel 2 Deze regeling is uitsluitend van toepassing op steunverlening in Nederland door onderdelen van Defensie. Deze regeling is derhalve niet van toepassing op steunverlening in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba of buiten het Koninkrijk door onderdelen van Defensie. Artikel 3 1. Aanvragen om ste"},{"i":14463,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 19 februari 2010, nr. BJZ2010004657, tot vaststelling van de minimumbijdrage, bedoeld in de artikelen 220 lid 6 en 275 lid 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Regeling minimum-bijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie) Gelet op de [artikelen 220 lid 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=220) en [275 lid 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=275); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek (opneming verhuiskostenvergoeding bij renovatie)(Stb. 2010, 90) in werking treedt. Artikel 1 De minimumbijdrage, bedoeld in de [artikelen 220 lid 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=220) en [275 lid 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=275), is € 7.926. Artikel 2 Wijzigt deze regeling. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de [wet van 4 februari 2010 (Stb. 90) tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek (opneming verhuiskostenvergoeding bij renovatie)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027305) in werking treedt. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12744,"b":"Besluit vaststelling constanten regressieformules en waarden voor de gemiddelde CO2-uitstoot voor benzine- en dieselauto’s 2006 Gelet op [artikel 8 van het Besluit etikettering energieverbruik personenauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&artikel=8) van 3-11-2000 (Stb. 2000, nr. 475); Besluit: De constanten voor de in [bijlage 4 bij het Besluit etikettering energieverbruik personenauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&bijlage=4) opgenomen regressieformules, en de daarbij behorende waarden van de gemiddelde CO2-uitstoot voor personenauto’s met benzine als brandstof, en voor personenauto’s met diesel als brandstof, voor het kalenderjaar 2006, als volgt vast te stellen: Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12246,"b":"Besluit van het college van afgevaardigden van 20 december 2023 tot vaststelling van de hoogte van de financiële bijdrage (Besluit financiële bijdrage 2024) gelet op [artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=32); gezien de door de algemene raad aan het college van afgevaardigden voorgelegde begroting van inkomsten en uitgaven voor het jaar 2024; BESLUIT: Artikel 1. Hoogte financiële bijdrage 1. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2024 voor categorie 1 bedraagt: € 1.038. 2. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2024 voor categorie 2 bedraagt: € 339. Artikel 2. Slotbepalingen 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële bijdrage 2024."},{"i":13170,"b":"Controlevoorschriften Ziektewet 2020 Gelet op [artikel 39, tweede lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=39); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **verzekerde:** degene die op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) verzekerd is en ten aanzien van wie het UWV een aangifte of melding heeft ontvangen dat hij ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als gevolg van ziekte als bedoeld in [artikel 19 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=19); - b. **verzekeringsarts of arts:** een arts, werkzaam voor het UWV, die staat ingeschreven in het BIG-register; - c. **woonadres:** adres als bedoeld in [artikel 1.1, aanhef en onder o, van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.1); - d. **correspondentieadres:** een door betrokkene gekozen adres voor het ontvangen van post die afwijkt van het woonadres. - e. **verblijfsadres:** een door betrokkene gekozen adres waar hij of zij daadwerkelijk verblijft als het adres afwijkt van het woonadres. Artikel 2. Adreswijziging doorgeven 1. De verzekerde meldt een wijziging in het correspondentieadres uiterlijk op de tweede dag na de wijziging aan het UWV. 2. De verzekerde meldt een wijziging van het woon- of verblijfsadres naar of in het buitenland uiterlijk twee weken tevoren aan het UWV. Artikel 3. Controle en bereikbaarheid 1. De verzekerde vult op verzoek van het UWV een vragenlijst in omtrent de reden van ziekmelding en zorgt dat deze vragenlijst binnen een kalenderweek in bezit van het UWV is. 2. De verzekerde geeft gevolg aan de aanwijzing van het UWV om gedurende een bepaalde periode telefonisch bereikbaar te zijn, of op bepaalde tijdstippen telefonisch contact met het UWV op te nemen. 3. De verzekerde meldt een wijziging van zijn telefoonnummer uiterlijk op de tweede dag na de wijziging aan het UWV. 4. De verzekerde die in"},{"i":12998,"b":"Besluit houdende verlenging van de instellingsduur van de Commissie Uitvoering civielrechtelijke regeling Srebrenica Gelet op [artikel 5 van het Instellingsbesluit Commissie Uitvoering civielrechtelijke regeling Srebrenica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043776&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De instellingsduur van de Commissie Uitvoering civielrechtelijke regeling Srebrenica wordt verlengd tot en met 31 juli 2024. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van deze publicatie. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan de leden van de commissie."},{"i":14466,"b":"Regeling model huisregels EBI Gelet op [artikel 5, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=5); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 28 mei 1998 (nummer 698535/98). Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. De directeur van de Extra Beveiligde Inrichting stelt, in aanvulling op de bij of krachtens de wet gegeven regels, met inachtneming van het model opgenomen in de bijlage en de daarbij gegeven aanwijzingen huisregels voor de Extra Beveiligde Inrichting vast. 2. De directeur stelt zijn huisregels binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze regeling vast. 3. De directeur zendt zijn huisregels alsmede daarop volgende wijzigingen (telkenmale) binnen een maand ter goedkeuring aan de Minister. Artikel 3 De regeling treedt in werking op 1 januari 1999. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling model huisregels EBI. Bijlage Ligt ter inzage. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bij deze regeling behorende bijlage wordt ter inzage gelegd."},{"i":14468,"b":"Regeling Model Jaarverslaggeving 2015 CAK februari 2016 1. Verantwoordingsstructuur 1.1. Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de jaarlijkse verantwoordingsplicht van het CAK over de uitvoering van de Ouderbijdrage [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) (ObJw), Afgifte Schengen en Engelstalige verklaringen, de [Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) (Wtcg), de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz), de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ), de Compensatieregeling eigen risico (CER) als onderdeel van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) en de [Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031) (Wmo). Het CAK is in het kader van bovengenoemde wetten belast met het uitvoeren van publiekrechtelijke werkzaamheden. Ook beschrijft dit hoofdstuk welke verantwoordingsdocumenten het CAK jaarlijks moet aanleveren bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De NZa en VWS hebben een samenwerkingsprotocol1Zie hiervoor www.nza.nl opgesteld over het toezicht op het CAK. Onderdeel van dit samenwerkingsprotocol zijn de afspraken tussen beide partijen over samenwerking, coördinatie en informatie-uitwisseling. Het CAK is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het CAK heeft in dit kader te maken met wet- en regelgeving en volgt zover van toepassing de Code Goed Bestuur Publieke Dienstverleners van de Handvestgroep Publiek Verantwoorden van september 2011.2Zie hiervoor www.publiekverantwoorden.nl De [Regeling bezoldiging en beheerskosten bestuursorganen volksgezondheid 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036399) en de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) maken hi"},{"i":14471,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 september 2012, nr. 294504, tot vaststelling van de modelformulieren voor het doen van mededeling en het uitbrengen van verslag bij gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding op de BES (Regeling modelformulieren levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding BES) Gelet op [artikel 2, vierde lid, van de Wet verklaringen van overlijden BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028199&artikel=2); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder de wet: de [Wet verklaringen van overlijden BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028199). Artikel 2 1. Bij het doen van de mededeling, bedoeld in [artikel 1, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028199&artikel=1), door de behandelende geneeskundige, aan de op grond van [artikel 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028199&artikel=4) door het bestuurscollege aangewezen geneeskundige, betreffende overlijden als gevolg van de toepassing van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, wordt één van de modelformulieren uit [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032047&bijlage=1&z=2016-07-01&g=2016-07-01) gebruikt. 2. De behandelende geneeskundige, bedoeld in het eerste lid, gebruikt naar keuze het modelformulier in het Engels, Nederlands of Papiamentu. Artikel 3 1. Voor een beredeneerd verslag inzake de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in [artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410&artikel=2), wordt één van de modellen uit [Bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032047&bijlage=2&z=2016-07-01&g=2016-07-01) gebruikt. 2. Degene die het verslag, bedoeld in het eerste lid, uitbrengt, gebruikt naar keuze het model in het Engels, Nederlands of Papiamentu. Artikel 4 1. Bij het uitbrengen van het versl"},{"i":14400,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 december 2015, 2015-0000304113, tot vaststelling van de specifieke gevallen waarin voor een kind met een ziekte of handicap kan worden afgeweken van de termijn, genoemd in artikel 5, tweede lid, van de Wet kinderbijslagvoorziening BES alsmede tot vaststelling van controlevoorschriften (Regeling kinderbijslagvoorziening BES) Gelet op de [artikelen 5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347&artikel=5), en [15, eerste lid, van de Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347&artikel=15); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1. Algemene begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **wet:** [Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347). Hoofdstuk 2. Termijn ingezetenschap Artikel 2. Afwijken termijn ingezetenschap De minister kan van de termijn van vijf jaar, genoemd in [artikel 5, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347&artikel=5) afwijken, indien het kind: - a. in verband met een ziekte of handicap geen ingezetene is; en - b. de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt. Hoofdstuk 3. Controlevoorschriften Artikel 3. Aanvraag 1. Degene die in aanmerking wenst te komen voor kinderbijslag BES dient het aanvraagformulier, bedoeld in [artikel 11, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347&artikel=11) ondertekend en gedateerd in. 2. Het aanvraagformulier wordt ingediend bij het kantoor van de minister op het openbaar lichaam waar degene die in aanmerking wenst te komen voor kinderbijslag BES woonachtig is. Artikel 4. Adreswijziging De persoon, bedoeld in [artikel 15, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347&artikel=15) stelt de minister onverwijld in kennis van een wijziging in zijn adres of het adres van het kind. Artikel 5. Vers"},{"i":11753,"b":"Beleidsregel van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) inzake de toepassing van regels van Verordening 1071/2009/EG en Verordening (EU) 2016/403, Wet wegvervoer goederen en het Besluit wegvervoer goederen houdende bepalingen in verband met de uitvoering van de evenredigheidstoets en het sanctioneren van de vervoerder en de vervoersmanager bij verlies van betrouwbaarheid in het goederenvervoer over de weg (Beleidsregel evenredigheidstoets en sanctionering bij verlies betrouwbaarheid in het goederenvervoer over de weg) Gelet op artikel 6 van [Verordening 1071/2009/EG](32009R1071), artikel 1 van [Verordening (EU) 2016/403](32016R0403) en van [Verordening (EU) 2022/694](32022R0694), de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.8), [2.8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.8a) en [7.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=7.1), de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033600&artikel=1) en [2 van het Besluit wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033600&artikel=2) en [artikel 4:81 en volgende van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en inleidende bepalingen Artikel 1. Definitiebepaling In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **meest ernstige overtredingen:** meest ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage I van [Verordening (EU) 2016/403](32016R0403); - b. **heel ernstige overtredingen:** heel ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage I van [Verordening (EU) 2016/403](32016R0403); - c. **ernstige overtredingen:** ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage I van [Verordening (EU) 2016/403](32016R0403); - d. **strafpunten:** punten die aan de vervoerder of vervoersmanager worden toegerekend als gevolg van het plegen van ee"},{"i":14472,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 21 maart 2013, nr. WJZ/13041522, tot vaststelling van modellen voor een eigen verklaring als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 (Regeling modellen eigen verklaring) Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Aanbestedingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032919&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Als model voor de eigen verklaring, bedoeld in [artikel 2.84 van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.84), wordt aangewezen het standaardformulier, bedoeld in bijlage 2, van de Uitvoeringsverordening (EU), nr. 2016/7 van de Commissie van 5 januari 2016 houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (PbEU 2016, L3), met uitzondering van deel IV, onderdelen A tot en met D, van dat formulier. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2013. Bijlage 1. , behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033051&artikel=1&z=2016-07-01&g=2016-07-01) van de Regeling modellen eigen verklaring Vervallen Eigen verklaring voor aanbestedingsprocedures van aanbestedende diensten Toelichting Eigen verklaring voor aanbestedingsprocedures van aanbestedende diensten Algemeen In de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203) (hierna: de wet) is bepaald dat aanbestedende diensten in eerste instantie aan ondernemers alleen de Eigen verklaring mogen vragen in plaats van alle bewijsstukken. Dit geldt ook voor opdrachten onder de Europese drempelwaarden indien er uitsluitingsgronden en/of geschiktheidseisen worden gesteld. Om dit tot uitdrukking te brengen wordt in de Eigen verklaring de term aanbestedingsprocedure gebruikt. Onder aanbestedingsprocedure valt iedere wijze waarop een aanbestedende dienst een opdracht in de markt zet. Het doel van de maatregel, dat alleen de Eigen verklaring mag worden gevraagd, is uitdrukkelijk niet dat in procedures waar voorheen geen bewijsstukken werden gevr"},{"i":14036,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2016, nr. VO/1102619, houdende regels voor de aanvullende bekostiging van scholen in het voortgezet onderwijs voor de eerste opvang van nieuwkomers (Regeling aanvullende bekostiging eerste opvang nieuwkomers vo 2017) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken, Gelet op de [artikelen 85a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=85a), en [89 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=89) en [artikel 2.2.3, eerste, tweede en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) of [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **BRP:** basisregistratie personen, bedoeld in [artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.2); - **DUO:** Dienst Uitvoering Onderwijs; - **eerste inschrijfdatum:** eerste inschrijfdatum van een nieuwkomer bij een school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1.1 van de Wet voorgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1), of [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **eerste opvang:** het verzorgen van voortgezet onderwijs voor en het bieden van onderwijsvoorzieningen aan nieuwkomers; - **indicatie nieuwkomersbekostiging:** de indicatie waarmee de instelling aangeeft of de inschrijving voor nieuwkomersbekostiging in aanmerking ma"},{"i":14473,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 1 november 2021, nr. 3565428, houdende vaststelling van modellen van akte ten behoeve van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen 2021 Gelet op de [artikelen 36h, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36h), en [36i, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36i) en [artikel 3 van het Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018895&artikel=3), Besluit: Artikel 1 1. De modellen van akte, bedoeld in [artikel 36h, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36h), en [artikel 36i, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36i), worden vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045807&bijlage=1&z=2023-10-01&g=2023-10-01) van deze regeling. 2. Indien de gerechtelijke mededeling op grond van de [artikelen 36e, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36e), of [36l, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36l), wordt uitgereikt aan het openbaar ministerie, kan in alle gevallen worden volstaan met toezending van de mededeling of een afschrift van de mededeling aan het desbetreffende arrondissementsparket. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 De [Regeling modellen van akte gerechtelijke mededelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043627) wordt ingetrokken met ingang van 15 februari 2022. Artikel 4 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 november 2021. 2. [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045807&artikel=2&z=2023-10-01&g=2023-10-01) en [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045807&bijlage=2&z=2023-10-01&g=2023-10-01) treden in werking met ingang van 15 november 2021 en vervallen op een door Onze Minister te"},{"i":14474,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 13 maart 2026 nr. 6849024, houdende vaststelling van modellen van akte ten behoeve van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen 2026 (Regeling modellen van akte gerechtelijke mededelingen 2026) Gelet op de [artikelen 36h, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36h), en [36i, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36i) en [artikel 3 van het Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018895&artikel=3), Besluit: Hoofdstuk I. Digitale akten Artikel 1. Bepalingen 1. De modellen van akten, bedoeld in [artikel 36h, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36h), kunnen digitaal worden opgemaakt op basis van de bestanddelen als bedoeld in de [artikelen 2 tot en met 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052474&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2026-05-01&g=2026-05-01). 2. Bij het opstellen van de akte biedt het systeem de uitreiker de mogelijkheid om stapsgewijs keuzes te maken die bepalend zijn voor de structuur en inhoud van de akte. Artikel 2. Primaire bestanddelen 1. Op de akte worden de volgende bestanddelen opgenomen: - a. ‘uitsturende autoriteit’; en - b. ‘nr. gerechtelijke mededeling’; en - c. ‘nr. betekeningsopdracht’; en - d. ‘betreft’; en - e. ‘kenmerk’; en - f. ‘plaats en tijdstip van de handeling’; en - g. ‘Deze akte is geautomatiseerd aangemaakt op basis van de informatie die op deze betekening van toepassing is.’; en - h. ‘Ik heb de bevindingen vermeld bij de gegevens omtrent de uitreiking en handelingen naar waarheid opgemaakt.’: en - i. ‘naam en voorletters uitreikende ambtenaar’; en - j. ‘handtekening uitreikende ambtenaar’. 2. Indien wordt uitgereikt aan de geadresseerde, zijnde een natuurlijk persoon, dan wel een poging daartoe geschiedt, worden tevens opgenomen: - a. ‘naam’; en - b. ‘voornamen’; en"},{"i":11362,"b":"Regeling van het College voor examens van 17 april 2012, nr. Cve-12.00736, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het v.w.o., h.a.v.o. en v.m.b.o. 2014, tevens initiële en nadere vaststelling van enkele syllabi 2013 (Regeling syllabi centrale examens VO 2014) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 14 juni 2012, kenmerk 416456; Besluit: Artikel 1. Syllabi 2014 Vervallen Artikel 2. Initiële vaststelling enkele syllabi 2013 Vervallen Artikel 3. Nadere vaststelling enkele syllabi 2013 Vervallen Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt: - 1. betreffende [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031702&artikel=1&z=2015-01-01&g=2015-01-01): per 1 januari 2015; - 2. betreffende [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031702&artikel=2&z=2015-01-01&g=2015-01-01): per 1 januari 2014; - 3. betreffende [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031702&artikel=3&z=2015-01-01&g=2015-01-01): per 1 januari 2014. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling syllabi centrale examens VO 2014. Artikel 6. Bekendmaking 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De syllabi als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031702&artikel=1&z=2015-01-01&g=2015-01-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031702&artikel=2&z=2015-01-01&g=2015-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031702&artikel=3&z=2015-01-01&g=2015-01-01) worden bekend gemaakt op www.examenblad.nl. Bijlage 1a. bij de Regeling syllabi centrale examens VO 2014, van 17 april 2012, nummer Cve-12.0736 Vervallen Syllabi v.w.o. 2014 Voor de centrale examen"},{"i":14476,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende vrijstelling van het verbod om modelraketten als toestellen die geen luchtvaartuig zijn, in het luchtruim te gebruiken (Regeling modelraketten) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op [artikel 1.2a van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder een: - grote modelraket: een toestel met een startmassa van meer dan 1500 gram, maar niet meer dan 35000 gram, dat is gemaakt van papier, hout, (licht)metaal of kunststof en geen brandbare of explosieve lading bevat, behalve de brandstof die nodig is voor de voortstuwing, en dat wordt voortgestuwd door de reactiekracht van een uitgestoten massa aan de achterzijde. - kleine modelraket: een toestel met een startmassa van maximaal 1500 gram, dat is gemaakt van papier, hout of kunststof en geen metalen hoofdonderdelen bevat, uitgezonderd een (licht)metalen motor, dat geen brandbare of explosieve lading bevat, behalve maximaal 125 gram brandstof die nodig is voor de voortstuwing, en dat wordt voortgestuwd door de reactiekracht van een uitgestoten massa aan de achterzijde; - modelraket: kleine of grote modelraket, niet zijnde vuurwerk als bedoeld in [artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=1.1.1), en niet zijnde militair raket of militair projectiel; - plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied: gecontroleerd luchtruim dat zich vanaf het aardoppervlak verticaal uitstrekt tot aan een vastgestelde bovengrens. Artikel 2 1. Voor het gebruik van een kleine of grote modelraket in het luchtruim door een lid van een vereniging die zich bezig houdt met het ontwikkelen en het gebruik van een kleine of grote modelraket wordt vrijstelling verleend van het verbod in [artikel 1.2a van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.2a). 2. Aan de vrijstelling zij"},{"i":14481,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 juli 2014, kenmerk 642455-123513-MEVA, houdende aanwijzing van apparatuur, geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en middelen, behorende tot het deskundigheidsgebied van de verloskundige (Regeling nadere uitwerking deskundigheidsgebied verloskundige 2008) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, onderdelen b, c, en o, van het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied verloskundige 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024254&artikel=5); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder ‘besluit’: het [Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied verloskundige 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024254). Artikel 2 Als apparatuur als bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024254&artikel=5) worden aangewezen het speculum en de vaginale transducer. Artikel 3 1. Als geneesmiddelen als bedoeld in [artikel 5, derde lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024254&artikel=5) worden aangewezen: ijzerpreparaten, oxytocine, moederkoornalkaloïden en hiervan afgeleide verbindingen, anti-D-rhesus immunoglobuline, hepatitis B immunoglobuline, hepatitis B vaccin, vitamine K, medicinale zuurstof, een inhalatie analgeticum dat een mengsel van 50% distikstofoxide en 50% zuurstof bevat en hormonale anticonceptiva. 2. Als medisch hulpmiddel als bedoeld in [artikel 5, derde lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024254&artikel=5) wordt aangewezen niet-hormonale IUD’s. Artikel 4 Als middelen als bedoeld in [artikel 5, derde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024254&artikel=5) worden aangewezen: door middel van een injectie met lokale anesthetica, voor zover zij geen epinefrine bevatten. Artikel 5 Als geneesmiddelen als bedoeld in [artikel 5, derde lid, onderdeel o, van het besluit](https://w"},{"i":14482,"b":"Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie van 20 april 2018, nr. 2018-0000241495, houdende vaststelling van regels omtrent het aanwijzen van personen of instanties die een verzoek om mededeling kunnen doen omtrent door de diensten verwerkte gegevens omtrent personen of instanties (Regeling naslag Wiv 2017) Gelet op [artikel 8, tweede lid, onder f,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=8)[artikel 10, tweede lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=10) en [artikel 63 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=63); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896); - b. **naslag:** het op verzoek van een externe partij raadplegen van door of ten behoeve van de diensten verwerkte gegevens om na te gaan of er ten aanzien van een bepaalde persoon of instantie relevante gegevens beschikbaar zijn; - c. **mededeling:** het verstrekken van de bevindingen van een naslag aan een externe partij die daarom heeft verzocht als bedoeld in [artikel 63 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=63). Artikel 2 In de navolgende gevallen kunnen de daarbij aangewezen personen en instanties een schriftelijk verzoek richten aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het doen van naslag: - a. met betrekking tot kandidaat-Ministers en kandidaat-staatssecretarissen: de formateur, of namens deze de secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken, of wanneer sprake is van tussentijds aantreden, de Minister-President, of namens deze de secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken; - b. met betrekking tot (kandidaat) leden van de Eerste en Tweede Kamer, (kandidaat) leden va"},{"i":14483,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 14 oktober 2016, nr. WJZ / 14161241, houdende regels omtrent de eisen waaraan statische vloeistofhoeveelheidmeters, massameters, vloeistofhoogtemeters, discontinue brandstofmeters, CG-dispensers en dynamische weegbruggen moeten voldoen (Regeling nationaal autonoom geregelde meetinstrumenten) Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=11), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=14) en [21 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=21); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **CG-dispenser:** meetinstrument voor het bepalen van een hoeveelheid gecomprimeerd gas bij het tanken van motorvoertuigen en kleine vaartuigen; - **dipplaat:** in een meetreservoir gefixeerde horizontale plaat, op de verticale as onder het bovenste referentiepunt, waar vanuit handmatig vloeistofniveaumetingen worden gedaan; - **discontinue brandstofmeter:** meetinstrument voor de discontinue bepaling van het volume van in tweetaktmotoren gebruikte brandstoffen, bestaande uit meetkamers en voorzien van bijzondere inrichtingen voor het vullen en legen van de meetkamers; - **dynamische weegbrug:** meetinstrument voor het bepalen van de massa van een bewegend motorvoertuig, op grond van de werking van de zwaartekracht op dat voertuig, zonder tussenkomst van een bedienaar en volgens een vooraf bepaald programma van automatische processen; - **eerste conformiteitsbeoordeling:** conformiteitsbeoordeling als bedoeld in [artikel 6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=6); - **kritische veranderingswaarde:** waarde waarbij de verandering in het meetresultaat ongewenst wordt geacht; - **massameter:** meetinstrument voor het statisch bepalen van de massa van de vloeistof of de massa van de"},{"i":14484,"b":"Regeling van 24 maart 2025 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie, houdende regels met betrekking tot een Nationaal Bureau Industrieveiligheid (Regeling Nationaal Bureau Industrieveiligheid) Gelet op [artikel 86, vierde lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=86), Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **AIVD:** Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - **gezamenlijk managementteam:** gezamenlijk managementteam als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050897&artikel=4&z=2025-03-28&g=2025-03-28); - **MIVD:** Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - **NBIV:** Nationaal Bureau Industrieveiligheid als genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050897&artikel=2&z=2025-03-28&g=2025-03-28). Artikel 2. Taakomschrijving 1. Er is een Nationaal Bureau Industrieveiligheid. 2. Het NBIV heeft tot taak het in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie bevorderen van maatregelen ten aanzien van de beveiliging van gegevens en materiaal waarvan de bescherming door de nationale veiligheid wordt geboden. Artikel 3. Dagelijkse leiding 1. De dagelijkse leiding bestaat uit het hoofd van het NBIV en het plaatsvervangend hoofd van het NBIV. Het hoofd van het NBIV is een ambtenaar van het Ministerie van Defensie en het plaatsvervangend hoofd is een ambtenaar van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of andersom. 2. Het hoofd van het NBIV is verantwoordelijk voor de dagelijkse aansturing en organisatie van het NBIV. Het plaatsvervangend hoofd kan het hoofd op zijn verzoek vervangen. 3. Onder dagelijkse aansturing en organisatie wordt in ieder geval verstaan: - a. de aansturing van het NBIV op bedrijfsvoering aspecten en daarbij zorgdragen voor"},{"i":11809,"b":"Beleidsregel uitgifte nummers 2025 Gelet op de [artikelen 4:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2), [4:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4), [4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 6b van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=6b), en de [artikelen 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.1), [4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.2), [4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.3), [4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.6), [4.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.7) en [4.9 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.9); Besluit: Artikel 1. – Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **aanvraag:** de aanvraag voor toekenning of overdracht van een toekenning van een nummer dat in een nummerplan of in een op grond van [artikel 4.2, zesde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.2) is opgenomen1Met uitzondering van een nummer dat uitsluitend binnen een bepaald elektronisch communicatienetwerk wordt gebruikt voor toegang tot of identificatie van op dat netwerk aangeslotenen, de netwerkbeheerder, via dat netwerk aangeboden diensten, dat netwerk, netwerkaansluitpunten van dat netwerk of andere elementen van dat netwerk, tenzij in het nummerplan anders is bepaald.; - –. **aanvrager:** degene die een aanvraag bij de ACM indient; - –. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2). Artikel 2. – Aanvraag 1. De aanvrager gebruikt het daartoe bestemde aanvraagf"},{"i":14486,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2010, nr. 5677863/10, tot vaststelling van de Regeling naturalisatietoets Aruba 2011 Gelet op [artikel 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23) en [artikel 6 van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=6); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de naturalisatietoets:** de toets, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2); - b. **verzoeker:** degene die op grond van de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) verzoekt om verlening van het Nederlanderschap; - c. **de Gouverneur:** de Gouverneur van Aruba; - d. **het Examenbureau Aruba:** een organisatorische eenheid van de Directie Onderwijs in Aruba; - e. **onderdeel van de naturalisatietoets:** een van de drie in [artikel 2, eerste lid genoemde onderdelen van de naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Paragraaf 2. Naturalisatietoets en afname Artikel 2 1. De naturalisatietoets bestaat uit een onderdeel dat kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst, een onderdeel dat de mate van kennis van de Papiamentse taal toetst en een onderdeel dat de mate van kennis van de Nederlandse taal toetst. Ieder taalexamen examineert vier taalvaardigheden. Gebruik van een woordenboek is bij de naturalisatietoets niet toegestaan. 2. Het onderdeel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst, wordt afgenomen en beantwoord in de Papiamentse taal. 3. Het onderdeel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst, bevat vragen met betrekking tot de in de [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029225&bijlage=1&z=2023-09-28&g=2023-09-28) bij deze regeling genoemde thema’s v"},{"i":14487,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2010, nr. 5678824/10, tot vaststelling van de Regeling naturalisatietoets Curaçao 2011 Gelet op [artikel 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23) en [artikel 6 van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=6); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de naturalisatietoets:** de toets, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2); - b. **verzoeker:** degene die op grond van de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) verzoekt om verlening van het Nederlanderschap; - c. **de Gouverneur:** de Gouverneur van Curaçao; - d. **Expertisecentrum voor Toetsen en Examens:** een organisatorische eenheid van het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport in Curaçao; - e. **onderdeel van de naturalisatietoets:** een van de drie in [artikel 2, eerste lid genoemde onderdelen van de naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Paragraaf 2. Naturalisatietoets en afname Artikel 2 1. De naturalisatietoets bestaat uit een onderdeel dat kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst, een onderdeel dat de mate van kennis van de Papiamentse taal toetst en een onderdeel dat de mate van kennis van de Nederlandse taal toetst. Ieder taalexamen examineert vier taalvaardigheden. Gebruik van een woordenboek is bij de naturalisatietoets niet toegestaan. 2. Het onderdeel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst, wordt afgenomen en beantwoord in de Papiamentse taal. 3. Het onderdeel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst, bevat vragen met betrekking tot de in de bijlage bij deze regeling genoemde thema’s van bevraging. De vragen rich"},{"i":15540,"b":"Wet van 25 november 2020 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2021) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enige wijzigingen aan te brengen in de wetgeving van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en enkele andere ministeries; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Algemene kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Algemene ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene ouderdomswet. Artikel IIIa. [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel IV. [Arbeidswet 2000 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028202) Wijzigt de Arbeidswet 2000 BES. Artikel IVa. [Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel V. [Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304) Wijzigt de Cessantiawet BES. Artikel Va. [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) Wijzigt de Gemeentewet. Artikel Vb. [Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008658) Wijzigt de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen. Artikel VI. [Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063) Wijzigt de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel VII"},{"i":14488,"b":"Regeling van de Minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering van 16 januari 2007, nr. 5459170 ter uitvoering van het Besluit naturalisatietoets voor Nederland (Regeling naturalisatietoets Nederland) Gelet op [artikel 6 van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=6); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de naturalisatietoets: de toets, genoemd in [artikel 2, tweede lid van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2); - b. verzoeker: de meerderjarige vreemdeling die, woonachtig in het Europese deel van Nederland of buiten het Koninkrijk, op grond van de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) verzoekt om verlening van het Nederlanderschap; - c. de burgemeester: de burgemeester door wie het verzoek om naturalisatie in ontvangst wordt genomen; - d. het besluit: het [Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604); - e. cursus Nederlands als tweede taal: door een cursusinstelling aangeboden cursus die de verzoeker in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven, teneinde het staatsexamen Nederlands als tweede taal te behalen; - f. [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611): de Wet inburgering, zoals die wet luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de [Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770) in werking treedt; - g. [Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674): het Besluit inburgering, zoals dat besluit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het [Besluit inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045555) in werking treedt; - h. [Regeling inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020657): de Regeling inburgering, zoals die regeling luidde onmiddellijk voo"},{"i":11858,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 december 2021, nr. 2021-0000525378 houdende vaststelling van beleidsregels inzake de toepassing van de Wet normering topinkomens met ingang van 1 januari 2022 (Beleidsregels WNT 2022) Gelet op [artikel 1.10 van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.10); Besluit: Artikel I De als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels zijn voor het jaar 2022 van toepassing op de uitvoering van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop berustende bepalingen, daaronder begrepen de uitvoering en handhaving door of namens de ministers van die wet en de daartoe door hen aangewezen ambtenaren. Artikel II Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels WNT 2022. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Bijlage. bij [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046103&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01) van de Beleidsregels WNT 2022 Beleidsregels WNT 2022 § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) wordt in deze beleidsregels aangehaald met de afkorting ‘WNT’. Artikel 2. Toepassingsgebied Deze beleidsregels zijn met ingang van 1 januari 2022 van toepassing op de uitvoering van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop berustende bepalingen, daaronder begrepen de uitvoering en handhaving door of namens de ministers en bij de uitoefening van toezicht op de naleving van de WNT en de daarop berustende bepalingen door de daartoe door hen aangewezen ambtenaren. § 2. Reikwijdte van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) Artikel 3. Overheidsverenigingen of -stichtingen Van een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1.3, eerste lid, onderdeel b, van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.3) is onder meer sprake, indien een of me"},{"i":12237,"b":"Besluit van 1 december 1958, houdende uitvoering van artikel 7, eerste lid, onder a, van de Instellingswet Productschap voor Groenten en Fruit Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie en van Onze Ministers van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken van 25 november 1958, no. U 2077, afdeling Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie; Overwegende, dat het wenselijk is op een daartoe strekkend verzoek aan het Productschap voor Groenten en Fruit de bevoegdheid tot enige prijsregeling te verlenen; Gelet op artikel 7, eerste lid, onder **a**, van de [Instellingswet Productschap voor Groenten en Fruit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002148) (**Stb.** 1954, 446); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Onder aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder **a**, van de [Instellingswet Productschap voor Groenten en Fruit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002148) (**Stb.** 1954, 446), zijn begrepen: - a. de prijzen, waarboven het veilen van groenten en fruit niet mag worden gestaakt; - b. de prijzen, welke een veiling ten hoogste in rekening mag brengen voor het veilen en het verlenen van andere diensten; - c. de prijzen, waartegen groenten en fruit aan buitenlandse afnemers ten minste moeten worden afgezet; - d. de huurprijzen van fust. 2. Een verordening tot regeling of nadere regeling van het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, onder **a**, wordt slechts vastgesteld, indien de belangen van afnemers door het ontbreken daarvan gevaar zouden lopen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1959. Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en van Economische Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het"},{"i":13338,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 mei 2016, nr. WJZ/14115350, tot vaststelling van eisen voor meetinstrumenten op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (IJkregeling BES) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035310&artikel=3), [5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035310&artikel=5), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035310&artikel=7), en [8, tweede lid, van de IJkwet BES 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035310&artikel=8); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aangewezen meetinstrument:** meetinstrument als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037983&paragraaf=2&artikel=2&z=2017-01-01&g=2017-01-01); - **automatisch weeginstrument:** instrument dat de massa van een product bepaalt zonder tussenkomst van een bedienaar en een vooraf bepaald programma van automatische processen volgt die kenmerkend zijn voor het instrument; - **kilowattuurmeter:** instrument dat de binnen een stroomkring verbruikte actieve elektrische energie meet; - **niet-automatisch weegwerktuig:** meetwerktuig voor het bepalen van de massa van een lichaam met gebruikmaking van de werking van de zwaartekracht op dat lichaam, waarbij voor het wegen tussenkomst van een operateur noodzakelijk is, alsmede zodanige werktuigen die bovendien worden gebruikt voor het bepalen van andere met de massa verband houdende grootheden, hoeveelheden, parameters of kenmerken; - **richtlijn meetinstrumenten:** [richtlijn nr. 2014/32](32014L0032)/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 februari 2014, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten (PbEU 2014, L 96); - **richtlijn niet-automatische weegwerktuigen:** [richtlijn nr. 2014/31](32014L0031)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevinge"},{"i":13031,"b":"Besluit vervanging archiefbescheiden ZonMw 2023 Gelet op: De regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161 (10 265), tot wijziging van de Archiefregeling in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; [Artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). Besluit(en): Artikel 1 1. Over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen en vanaf 10 oktober 2023 worden ontvangen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. Reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde Handboek vervanging ZonMw; Artikel 2 Dit besluit (na bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant) treedt in werking op 10 oktober 2023 Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vervanging archiefbescheiden ZonMw 2023. Bijlage. Handboek vervanging ZonMw 2023 Handboek vervanging archiefbescheiden ZonMw 2023 30 Augustus 2023 concept Inleiding en leeswijzer ZonMw wil digitaal werken en het archiveren van de documentaire neerslag (documenten en dossiers) van haar processen optimaal faciliteren. ZonMw doet dat door digitale ondersteuning in te richten voor de documentaire informatiehuishouding, deze beschikbaar te stellen en een duidelijke rol- en taakverdeling vast te stellen. Op het moment van het schrijven van dit document heeft ZonMw voor het opslaan en archiveren de volgende applicaties/locaties beschikbaar: De werkwijze zoals beschreven in dit “Handboek vervanging archiefbescheiden ZonMw” blijft van toepassing als deze systemen worden vervangen. De wijziging van systeem wordt opgenomen in het logboek. Om volledig digitaal te kunnen werken, worden de documenten die ZonMw op papier bereiken, gedigitaliseerd (gescand) voordat ze in behandeling worden genomen. Vanaf dat moment geldt het digitale exemplaar als het origineel: het vervangt het papieren exemplaar da"},{"i":14497,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 december 2012, nr. WJZ/353186 (10126), houdende verlaagde bezoldigingmaxima voor topfunctionarissen in het onderwijs en ter invoering van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector (Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren) Gehoord de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mede namens de Minister van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 2.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.6), [4.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=4.1), [4.2, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=4.2), [5.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.1), en [5.2, eerste en tweede lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.2); de [artikelen 5:14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:14) en [10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); [artikel 3, tweede lid, onder g, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=3); de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718&artikel=2) en [4 van de Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718&artikel=4) en [artikel 6.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&artikel=6.4); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Uitvoeringsbesluit WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032421); - **bezoldiging:** de bezoldiging in de zin van [artikel 1.1, onderdeel e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.1); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuu"},{"i":14499,"b":"Regeling NVC 2001 Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Besluit: Artikel 1 1. Er is een Nationaal Voorlichtingscentrum, hierna te noemen NVC, dat kan worden geactiveerd met het oog op de ontwikkeling, de coördinatie en de uitvoering van de voorlichting door de rijksoverheid bij een crisis. 2. Het NVC is ingeval van een crisis belast met de volgende taken: - a. het adviseren over de te volgen voorlichtingsstrategie; - b. het ontwikkelen, coördineren en uitvoeren van de voorlichting van de rijksoverheid; - c. het voorbereiden en geven van voorlichting aan de nationale en internationale pers en media; - d. het informeren van andere overheden over de voorlichtingsactiviteiten van de rijksoverheid en het coördineren van de voorlichting van de rijksoverheid en de andere overheden; - e. het vervaardigen van concrete voorlichtingsproducten en het uitgeven van deze producten aan media, publiek, organisaties en medeoverheden. 3. Activering van het NVC geschiedt op last van de voorzitter van het Interdepartementaal Beleidsteam (IBT) dan wel op last van de minister die, gelet op aard en omvang van de crisis als eerstverantwoordelijke minister moet worden aangemerkt. In het IBT danwel het Beleidsteam of het Ministerieel Beleidsteam (MBT) hebben vanuit het NVC zitting de meest verantwoordelijke directeur Voorlichting en de coördinator NVC. 4. Activering van het NVC geschiedt op last van de voorzitter van het Interdepartementaal Beleidsteam (IBT) dan wel op last van de minister die, gelet op aard en omvang van de crisis als eerstverantwoordelijke minister moet worden aangemerkt. In het IBT danwel het Beleidsteam of het Ministerieel Beleidsteam (MBT) hebben vanuit het NVC zitting de meest verantwoordelijke directeur Voorlichting en de coördinator NVC. 5. Het NVC bestaat uit twee eenheden, te weten de Eenheid Persvoorlichting en de Eenheid Publieksvoorlichting. Beide eenheden worden aangestuurd door en werken onder verantwoordelijkheid van het Coördinat"},{"i":13766,"b":"Klachtenregeling Ctgb Gelet op [artikel 9:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:13), Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Controller:** de persoon die de financiële positie van het Ctgb bewaakt; - b. **Ctgb:** het in [artikel 3 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=3) bedoelde College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - c. **Extern lid:** de persoon die niet in dienst is bij Ctgb en de onafhankelijk en onpartijdigheid borgt. - d. **Kwaliteitscoördinator:** de persoon die zorgdraagt voor de ontwikkeling, uitvoering en bewaking van een kwalitatief hoogstaand kwaliteitsmanagementsysteem bij het Ctgb. Artikel 2. Klacht 1. Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop het Ctgb zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij het Ctgb. 2. Een gedraging van een persoon die werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het Ctgb wordt aangemerkt als een gedraging van het Ctgb. Artikel 3. Bevoegdheid 1. Een oordeel over de klacht wordt namens het Ctgb gegeven door de Secretaris/Directeur, met inachtneming van het rapport van de Klachtencommissie Ctgb. 2. Als de klacht een gedraging door de Secretaris/Directeur betreft, dan wordt een oordeel over de klacht namens het Ctgb door de voorzitter van het college gegeven, met inachtneming van het rapport van de Klachtencommissie Ctgb. Artikel 4. Klachtencommissie Ctgb 1. De klacht wordt behandeld door de Klachtencommissie Ctgb. De Klachtencommissie Ctgb adviseert de Secretaris/Directeur over de klacht. 2. De Klachtencommissie Ctgb bestaat uit een voorzitter en drie leden: een medewerker van de Servicedesk, een jurist, de Kwaliteitscoördinator en de Controller. Indien nodig schakelt de Klachtencommissie Ctgb een extern lid in. 3. De Klachtencommissie Ctgb zendt het rapport van bevindingen, ve"},{"i":13466,"b":"Besluit van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 9 oktober 2023, nr. 40808959, houdende instelling van de beoordelingscommissie voor het Impuls open leermateriaal programma voor de periode 2023 tot en met 2027 (Instellingsbesluit beoordelingscommissie Impuls open leermateriaal 2023–2027) Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=1) en [2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2) en [artikel 10, eerste lid, van de Subsidieregeling Impuls open leermateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048594&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **commissie:** beoordelingscommissie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048761&artikel=2&z=2024-10-23&g=2024-10-23); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **subsidieaanvraag:** aanvraag voor een projectsubsidie op grond van de regeling; - **regeling:** [Subsidieregeling Impuls open leermateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048594). Artikel 2. Instelling en taak van de commissie 1. Er is een beoordelingscommissie Impuls open leermateriaal. 2. De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 oktober 2023 en wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2028. 3. De commissie heeft tot taak de minister te adviseren over: - a. de subsidieaanvragen, bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048594&artikel=3) en [14a van de regeling](onbekend) op basis van de beoordelingskaders die zijn opgenomen in de bijlagen van de [regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048594); - b. de rangschikking van de subsidieaanvragen die voldoen aan de criteria in het beoordelingskader, bedoeld"},{"i":13465,"b":"Instellingsbesluit begeleidingscommissies AIVD Overwegende, Dat het, gelet op de werkwijze van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, van belang is dat op wetenschappelijk verantwoorde wijze wordt vastgelegd hoe de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in het verleden - met name in de tijd van de Koude Oorlog - heeft gefunctioneerd; Dat het, gelet op het bijzondere karakter van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, gewenst is dat deze taak wordt uitgevoerd door een wetenschappelijk gekwalificeerd medewerker van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst zelf, Besluit: Artikel 1 Dr. D. Engelen wordt belast met het op wetenschappelijk verantwoorde wijze vastleggen van de wijze waarop de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in het verleden - met name in de tijd van de Koude Oorlog - heeft gefunctioneerd. Artikel 2 Ter waarborging van het wetenschappelijk gehalte van de beoogde studie wordt de heer Engelen begeleid door een Wetenschappelijke Commissie, bestaande uit prof. dr. J.C.M. Blom, prof. dr. D. Bosscher, dr. G.Meershoek, dr. G. Voerman, dr. C. Wiebes en dr. P.H.A.M. Abels. Artikel 3 Ter bescherming van noodzakelijk geheim te houden gegevens, wordt de heer Engelen begeleid door een Ambtelijke Commissie, bestaande uit dr. mr. J.A. van Schagen en het plaatsvervangend hoofd van het Kabinet Juridische Aangelegenheden van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de heer mr. H. Soonius. Artikel 4 Met betrekking tot de uitvoering van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015546&artikel=1&z=2003-09-09&g=2003-09-09) bedoelde taak en de werkwijze van de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015546&artikel=2&z=2003-09-09&g=2003-09-09) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015546&artikel=3&z=2003-09-09&g=2003-09-09) genoemde commissies, gelden de in de bijlage bij dit besluit neergelegde afspraken tussen het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Wetenschap"},{"i":13467,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 juni 2023, nr. 1409103, houdende instelling van de beoordelingscommissie voor het Leven Lang Ontwikkelen-Katalysator programma voor Bouwsteen 2 voor de periode 2023 tot en met 2026 (Instellingsbesluit beoordelingscommissie LLO-oplossingen energie- en grondstoffentransitie 2023-2026) Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=1) en [2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **commissie:** beoordelingscommissie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048368&artikel=2&z=2024-06-28&g=2024-06-28); - **DUS-I (Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen):** uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport die verantwoordelijk is voor het secretariaat; - **groot project:** project als bedoeld in het derde lid van [artikel 3 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048365&artikel=3); - klein project:project als bedoeld in het tweede lid van [artikel 3 van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048365&artikel=3); - **kalibreersessie:** gezamenlijke bijeenkomst van de leden van de beoordelingscommissie waarin onderlinge afstemming van de beoordelingscriteria worden besproken en afgestemd met als doel de betrouwbaarheid van de beoordeling te verhogen en de toepasselijke criteria te verduidelijken; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **regeling:** [Subsidieregeling LLO-oplossingen energie- en grondstoffentransitie 2023-2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048365), ter beoordeling waarvan de beoordelingscommissie is ingesteld. Artikel 2. Instelling van de commissie 1."},{"i":13468,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 27 juni 2023, nr. 1409103, houdende instelling van de beoordelingscommissie voor het Leven Lang Ontwikkelen-Katalysator programma voor Bouwsteen 3 voor de periode 2023 tot en met 2026 Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=1) en [2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **commissie:** beoordelingscommissie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048373&artikel=2&z=2024-06-28&g=2024-06-28); - **DUS-I (Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen):** uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport die verantwoordelijk is voor het secretariaat; - **groot project:** project als bedoeld in het derde lid van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048373&artikel=3&z=2024-06-28&g=2024-06-28) van de regeling; - **klein project:** project als bedoeld in het tweede lid van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048373&artikel=3&z=2024-06-28&g=2024-06-28) van de regeling; - **kalibreersessie:** gezamenlijke bijeenkomst van de leden van de beoordelingscommissie waarin onderlinge afstemming van de beoordelingscriteria worden besproken en afgestemd met als doel de betrouwbaarheid van de beoordeling te verhogen en de toepasselijke criteria te verduidelijken; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **regeling:** [Subsidieregeling LLO-professionalisering opleiders 2023-2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048369), ter beoordeling waarvan de beoordelingscommissie is ingesteld. Artikel 2. Instelling van de commissie 1. Er is een beoordelingscommissie LLO-oplossingen. 2. De commissie w"},{"i":14501,"b":"Regeling olie-afgifteboekje Rijnvaart 1995 Gelet op [artikel 15.05, eerste lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=15.05); Besluit: Artikel 1 1. Het eerste olie-afgifte boekje dient te worden aangevraagd: - a. voor schepen die zijn voorzien van een certificaat van onderzoek, bij de autoriteit die het Certificaat van Onderzoek heeft afgegeven. Indien dit de Commissie van Deskundigen te Rotterdam is, treedt de Stichting Scheepsafvalstoffen Binnenvaart namens deze op; - b. voor schepen die behoren tot het Rijnkruisend of binnenlands verkeer, bij de Stichting Scheepsafvalstoffen Binnenvaart, tegen overlegging van het bewijs van inschrijving in het register waar het schip is teboekgesteld dan wel de meetbrief; - c. voor schepen waarvoor de aanvraag niet verplicht is en die behoren tot overheidsdiensten, bij de Stichting Scheepsafvalstoffen Binnenvaart, tegen overlegging van een der bewijsstukken als genoemd onder a of b dan wel een ander bewijsstuk waaruit de herkomst van het schip blijkt. 2. Ieder volgend olie-afgifteboekje kan, na overlegging van het vorige boekje, worden aangevraagd bij de Stichting Scheepsafvalstoffen Binnenvaart dan wel, voorzover het betreft de in het eerste lid, onder a, bedoelde schepen, bij een andere, in het kader van de uitvoering van [artikel 15.05, eerste lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=15.05) aangewezen bevoegde autoriteit. Het vorige boekje wordt, nadat het op onuitwisbare wijze als ongeldig is aangemerkt, aan de schipper teruggegeven. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 1. Voor een olie-afgifteboekje dat geheel of ten dele onleesbaar is dan wel verloren is geraakt of teniet gegaan wordt tegen betaling van het tarief voor een aanvraag tot afgifte van een olie-afgifteboekje zoals vastgesteld in de [Regeling tarieven transportsectoren](onbekend) een vervangend exemplaar afgegeven. 2. Het vervangend exemplaar treedt in p"},{"i":14502,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 16 januari 2008, nr. 5525695/08, tot wijziging van enkele ministeriële regelingen in verband met de invoering van de Wet OM-afdoening (Regeling OM-afdoening) Handelende in overeenstemming met de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=4), de [artikelen 388, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=388), en [257c, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257c), de [artikelen 130, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130), [131, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131), en [134, negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=134), [artikel 10, eerste lid, onder a, van de Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=10), en de [artikelen 19, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803&artikel=19), en [32 van de Wet explosieven voor civiel gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803&artikel=32); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet OM-afdoening in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van verkeershandhaving Justitie. Artikel II Wijzigt de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid. Artikel III Wijzigt de Regeling wapens en munitie. Artikel IV Wijzigt de Regeling aanvraag erkenning en onkostenvergoeding goedkeuring Wet explosieven voor civiel gebruik. Artikel V 1. In strafzaken waarin voor het in werking treden van [artikel II, onderdelen O tot en met R](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=II), [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":14503,"b":"Regeling omwisseling niet-Nederlandse rijbewijzen Gelet op [artikel 46, derde lid, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=46); Besluit: Artikel 1 Voor omwisseling tegen een Nederlands rijbewijs komen in aanmerking de door de hierna genoemde landen afgegeven rijbewijzen, voor de daarbij aangegeven categorie of categorieën: - Alberta (provincie): class 5 (personenauto) - Andorra B (personenauto) - Chinees Taipei: B (personenauto) - Gibraltar en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland: alle rijbewijscategorieën, indien de houder: - a. op of na 1 januari 2021 in Nederland is komen te wonen, mits het om te wisselen rijbewijs geen voorlopig rijbewijs (‘provisional driving licence’) of een learners permit betreft - b. in de periode tussen 1 februari 2020 en 1 januari 2021 in Nederland is komen te wonen, maar niet voor 1 januari 2021 een omwisselingsaanvraag heeft gedaan, mits het om te wisselen rijbewijs geen voorlopig rijbewijs (‘provisional driving licence’) of een learners permit betreft - c. voor 1 februari 2020 in Nederland is komen te wonen, maar niet voor 1 mei 2021 een omwisselingsaanvraag heeft gedaan, mits het om te wisselen rijbewijs geen voorlopig rijbewijs (‘provisional driving licence’) of een learners permit betreft - Guernsey: alle rijbewijscategorieën, mits het om te wisselen rijbewijs geen voorlopig rijbewijs (‘provisional driving licence’) of een learners permit betreft - Israël: B (personenauto) - Japan: IB (non-professional-carrying drivers: private car & motorcycle) - Jersey (Staten van: alle categoriëen - Man (Eiland): alle categoriëen - Monaco: alle categorieën - Québec (provincie): classe 5 (véhicule de promenade) - Republiek Korea : 1st class en 2nd class ordinary - Singapore: Class 2 (motorfiets met meer dan 400 cc) Class 3 (personenauto) Artikel 2 1. Om redenen van algemeen belang komen voor omwisseling tegen een Nederlands rijbewijs in aanmerking door het daartoe bevoegde gez"},{"i":14505,"b":"Regeling onderhoud lieren 2001 Gelet op de [artikel 45 van het Besluit luchtwaardigheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012651&artikel=45); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder liertechnicus: een persoon die bevoegd is een lier te onderhouden. Artikel 2 De eigenaar of houder van een lier is verplicht ervoor te zorgen dat het onderhoud, de revisie en de herstelling van de lier zodanig wordt uitgevoerd dat de deugdelijkheid van de lier is gewaarborgd, met inachtneming van het gestelde in deze regeling. Artikel 3 De eigenaar of houder is verplicht: - a. een onderhoudsprogramma op te stellen en ervoor te zorgen dat het onderhoud wordt uitgevoerd volgens het onderhoudsprogramma. In dit onderhoudsprogramma zijn ten minste opgenomen: - 1. de uit te voeren onderhoudswerkzaamheden, waaronder de dagelijkse inspectie; - 2. de tijds- of bedrijfsurenintervallen waarop deze werkzaamheden worden uitgevoerd; - 3. aanwijzingen betreffende revisie en herstelling van aanzienlijke schade. Het onderhoudsprogramma is opgesteld volgens de aanwijzingen van de fabrikant van de lier, voor zover deze beschikbaar zijn; - b. het onderhoudsprogramma te laten uitvoeren door of onder toezicht van een liertechnicus; de dagelijkse inspectie kan worden uitgevoerd door een houder van een geldig RPL(G) met de bevoegdverklaring RFI(G) of een door de liertechnicus schriftelijk daartoe gemachtigde houder van een geldig RPL(G); - c. ervoor te zorgen dat de verrichte werkzaamheden aan de lier en de bevindingen daarbij, schriftelijk worden vastgelegd en ondertekend door een liertechnicus; voor de dagelijkse inspectie kan dit de houder van een geldig RPL(G) met de bevoegdverklaring RFI(G) zijn, of een door de liertechnicus schriftelijk daartoe gemachtigde houder van een geldig RPL(G). Artikel 4 De liertechnicus wordt aangewezen door de eigenaar of houder van de lier. Artikel 5 De Minister van Verkeer en Waterstaat kan nadere aanwijzingen geven betreffende het onderhoud van lieren"},{"i":13352,"b":"Wet van 1 oktober 2025 tot wijziging van de Faillissementswet en de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van Verordening 2024/886 betreffende instantovermakingen in euro’s (Implementatiewet verordening instantovermakingen in euro’s) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter implementatie van [Verordening (EU) 2024/886](32024R0886) van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 tot wijziging van [Verordeningen (EU) nr. 260/2012](32012R0260) en [(EU) 2021/1230](32021R1230) en [Richtlijnen 98/26/EG](31998L0026) en [(EU) 2015/2366](32015L2366) wat betreft instantovermakingen in euro's noodzakelijk is enkele wetten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Faillissementswet. Artikel II Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel III Op faillissementen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn uitgesproken en surseances van betalingen die voor dat tijdstip voorlopig of definitief zijn verleend blijven [afdeling 11A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&afdeling=11A) en [artikel 281g van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=281g) zoals die luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet verordening instantovermakingen in euro’s. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":13630,"b":"Instellingsbesluit Stuurgroep ‘Uitvoering motie geluidsmeetnetten’ Besluit: Artikel 1. Instelling en taak 1. Er is een Stuurgroep Uitvoering motie geluidsmeetnetten, hierna te noemen de stuurgroep. 2. De stuurgroep heeft tot taak: - a. het uitwerken van de aanbevelingen naar aanleiding van de motie Eijsink c.s. (Kamerstuk 33 763, nr. 22) met betrekking tot een geluidsmeetnet en geluiddemping in aanbevelingen aan de Minister van Defensie. - b. het begeleiden van de invoering van permanente geluidsmeetnetten rondom de vliegbases Leeuwarden en Volkel. Deze begeleiding heeft in ieder geval betrekking op de keuze van de meetlocaties, de middelen waarmee de metingen worden uitgevoerd, de wijze waarop de meetresultaten openbaar worden gemaakt, de beoordeling van de meetresultaten en de keuze van de meetmethode en van de marktpartij die de metingen gaat uitvoeren. Daarbij streeft de stuurgroep naar operationele permanente geluidsmeetnetten 1 jaar voordat wordt gestart met de stationering van de F-35 op de vliegbases Leeuwarden en Volkel. - c. het voor 1 maart 2017 opstellen van een Programma van Eisen voor de permanente geluidsmeetnetten, dat de basis moet vormen voor het Europees aanbestedingstraject. - d. het na oplevering van beide permanente geluidsmeetnetten evalueren hoe verdere begeleiding/beheer het best gerealiseerd kan worden en hierover aan de Minister van Defensie een voorstel uitbrengen. - e. het naast het begeleiden van de realisatie van de geluidsmeetnetten ingaan op de vraag of de vereiste geluiddemping wel gehaald wordt bij de hogere geluidsniveaus van de JSF. Hiertoe zal Defensie in het najaar van 2016 een rapport aan de stuurgroep voorleggen, waarin een eerste theoretische uitspraak wordt gedaan over de effectiviteit van de huidige isolatie tegen F-35 geluid. Vervolgens zal de stuurgroep bezien hoe hier verder mee om te gaan. Artikel 2. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De stuurgroep bestaat uit vertegenwoordigers van omwonenden van de vliegbases Leeuw"},{"i":14506,"b":"Regeling onderhoudsovereenkomsten landschapselementen Overwegende, dat het gewenst is, dat landschapselementen, die uit een oogpunt van natuur- en landschapsbescherming van groot belang worden geacht, in stand blijven en dat ten behoeve daarvan onderhoudsovereenkomsten tot stand komen; dat het gewenst is in afwachting van ter zake tot stand te brengen wettelijke regelen voorlopig de totstandkoming van onderhoudsovereenkomsten te bevorderen door middel van de bij deze beschikking gestelde regelen, Besluit: Titel 1. – Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Deze regeling is slechts van toepassing op de vóór 1 januari 1992 met gebruiksgerechtigden gesloten onderhoudsovereenkomsten die, bij gebreke van de daarvoor vereiste medewerking van de gebruiksgerechtigden, niet zijn overgegaan naar de provincie waarin het landschapselement is gelegen. 2. Met ingang van 1 januari 1992 worden door de Minister geen onderhoudsovereenkomsten meer afgesloten. Artikel 3 In de onderhoudsovereenkomst worden de verplichtingen opgenomen waartoe de gebruiksgerechtigde zich verbindt, met vermelding van de omstandigheden waaronder, de vorm waarin en het tijdstip waarop. Deze verplichtingen betreffen het jaarlijks onderhoud en kunnen voorts, indien de onderhoudstoestand van het landschapselement daartoe naar het oordeel van de Minister aanleiding geeft, betreffen het eenmalig wegwerken van achterstallig onderhoud voor zover dit betreft: - het aanbrengen van vrijstaande rasters op voldoende afstand uit de voet van het landschapselement; - het herstel van wallichamen; - grondverzet of baggerwerkzaamheden. - het afzetten, verwijderen of aanvullen van beplanting; - het verwijderen van puin of afval; - andere, naar het oordeel van de Minister, noodzakelijke werkzaamheden. Titel 2. – Vergoedingen Artikel 4 1. Aan de gebruiksgerechtigde die een onderhoudsovereenkomst is aangegaan wordt door de Minister een vergoeding toegeken"},{"i":14508,"b":"Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid Gelet op [Richtlijn nr. 1999/35/EG](31999L0035) van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1999 betreffende een stelsel van verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde diensten met ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen (PbEG L 138) alsmede op de [artikelen 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=22), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=27), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=29), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=44), [45, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=45), [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=46), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=53), en [55, vijfde lid, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=55), [artikel 4, derde en vierde lid, van het Rijksbesluit Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017680&artikel=4) en de [artikelen 1, eerste lid, onderdeel o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017681&artikel=1), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017681&artikel=11) en [13 van het Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017681&artikel=13); Besluit: Treedt in werking op het krachtens artikel 97, eerste lid, eerste volzin, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid vastgestelde tijdstip. § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. rijkswet: [Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613); - b. scheepvaartongeval: een gebeurtenis die heeft geresulteerd in: - 1°. dodelijk of ernstig letsel aan een persoon overkomen, dat is veroorzaakt door of samenhangt met het functioneren van een schip, - 2°. de vermissing van een persoon vanaf een schip, die is veroorzaakt door of sa"},{"i":14512,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2019, 2019-0000157117, tot vaststelling van omstandigheden en daarbij geldende voorwaarden waarbij de verplichting tot loondoorbetaling niet geldt (Regeling onwerkbaar weer) Gelet op [artikel 628, negende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=628); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **loondoorbetalingsplicht:** de in [artikel 628, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=628) neergelegde verplichting van de werkgever om het naar tijdruimte vastgestelde loon van de werknemer te voldoen, indien het niet verrichten van arbeid niet in redelijkheid voor rekening van de werknemer dient te komen; - b. **buitengewone natuurlijke omstandigheden:** buitengewone natuurlijke omstandigheden, als bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=18), met dien verstande dat alleen sprake is van buitengewone natuurlijke omstandigheden in verband met: - 1°. vorst, ijzel of sneeuwval, indien deze omstandigheden zich voordoen in de periode van 1 november tot en met 31 maart; - 2°. overvloedige regenval, indien het in het postcodegebied waarin de werknemer werkzaam is op een werkdag tussen 07:00 uur en 19:00 uur tenminste 300 minuten regent; - c. **wachtdagen:** werkdagen waarin niet kan worden gewerkt ten gevolge van een omstandigheid, genoemd in artikel 3, dat in acht moet worden genomen ingevolge [artikel 2, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043008&artikel=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01), en waarvoor een melding is gedaan overeenkomstig [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043008&artikel=4&z=2020-01-01&g=2020-01-01), niet zijnde werkdagen waarop niet wordt gewerkt ten gevolge van feestdagen of bedrijfssluitingsdagen wegens vak"},{"i":12243,"b":"Besluit van het college van afgevaardigden van 13 december 2017 tot vaststelling van de hoogte van de financiële bijdrage (Besluit financiële bijdrage 2018) gelet op [artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=32); gezien de door de algemene raad aan het college van afgevaardigden voorgelegde begroting van inkomsten en uitgaven voor het jaar 2018; BESLUIT: Artikel 1. Hoogte financiële bijdrage 1. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2018 voor categorie 1 bedraagt: € 790. 2. De hoogte van de financiële bijdrage voor het jaar 2018 voor categorie 2 bedraagt: € 259. Artikel 2. Korting op de financiële bijdrage Op het tarief van de financiële bijdrage voor het jaar 2018 wordt een korting van € 70 verleend. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële bijdrage 2018."},{"i":13445,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 31 januari 2019, nr. FEZ/18274465, tot instelling van het Audit Committee LNV (Instellingsbesluit Audit Committee LNV) Gelet op de [Regeling audit committees van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040281); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **het Audit Committee LNV:** het Audit Committee van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. **de secretaris-generaal:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - d. **de plaatsvervangend secretaris-generaal;** de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - e. **de directie Financieel-Economische Zaken:** de directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 2 1. Er is een Audit Committee LNV. 2. Het Audit Committee LNV heeft tot taak het adviseren van de ambtelijke leiding als bedoeld in [artikel 8, eerste en tweede lid, van de Regeling audit committees van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040281&artikel=8). Artikel 3 1. Het Audit Committee LNV bestaat uit de volgende leden: - a. de secretaris-generaal, tevens voorzitter; - b. de plaatsvervangend secretaris-generaal; - c. de directeur-generaal Agro; - d. de directeur-generaal Natuur en Visserij; - e. de directeur-generaal Landelijk Gebied en Stikstof; - f. de directeur-generaal Regieorganisatie Realisatie Transitie Landelijk Gebied; - g. ten minste drie door de minister benoemde onafhankelijke, externe leden. 2. De inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, is agendalid. Het Audit Committee LNV stelt de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en in de gelegenheid om de vergaderingen of delen van de vergaderingen van het Audit Committee LNV bij te wonen"},{"i":13674,"b":"Instellingsregeling Nationaal Analysecentrum voor Munten Gelet op artikel 5, eerste lid, van de [Verordening (EG) Nr. 1338/2001](32001R1338) van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PbEG L 181); Gelet op [artikel 8, tweede en vierde lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=8); Besluit: Artikel 1 1. Er is een Nationaal Analysecentrum voor Munten. 2. Het Nationaal Analysecentrum voor Munten heeft tot taak de werkzaamheden te verrichten die [Verordening (EG) Nr. 1338/2001](32001R1338) van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij, opdraagt aan het in artikel 5, eerste lid, van die Verordening genoemde nationaal analysecentrum voor munten. Artikel 2 De Nederlandsche Bank N.V. wordt aangewezen als Nationaal Analysecentrum voor Munten, en tevens als de instantie, bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=8). Artikel 3 Gegevens die De Nederlandsche Bank N.V. tot zijn beschikking heeft omtrent valse of vervalste munten die ingevolge dit besluit ter beoordeling zijn voorgelegd, worden uitsluitend verstrekt aan het organisatieonderdeel van De Nederlandsche Bank N.V. dat is aangewezen als Nationaal Analysecentrum, het Europees Technisch en Wetenschappelijk Centrum en de Minister van Financiën. Artikel 4 1. Het Nationaal Analysecentrum voor Munten neemt uitsluitend in ontvangst het voor de beoordeling representatieve deel van het totaal aan aangeboden vermoedelijk valse of vervalste munten. 2. De beoordeling van de in het eerste lid genoemde munt(en) vindt in elk geval plaats volgens de minimum beoordelingsprocedure zoals vastgesteld door de Europese Commissie. 3. Het Nationaal Analysecentrum voor Munten beoordeelt de in het eerste lid genoemde"},{"i":12905,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek vanaf 1999 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 mei 2011, nr. bca-2011.06146/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek over de periode vanaf 1999’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Handelingen 53, 227 en 236 voor de Stichting DLO vanaf juni 1999 en de handelingen voor Praktijkonderzoek vanaf 2001 in ‘lijst Mestbeleid’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Landbouw en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. [R&B/OSA/2001/921] d.d. 9 september 2001 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 12 d.d. 17 januari 2002)) worden afgesloten. Handelingen 794, 795, 85, 34, 291, 485, 486, 853 voor de Stichting DLO vanaf juni 1999 en de handelingen voor Praktijkonderzoek vanaf 2001 in ‘lijst Landbouwkwaliteit en voeding’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. [[C/S&A/06/2210](onbekend)] d.d. 18 oktober 2006 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 95 d.d. 21 mei 2007 )) worden afgesloten. Handelingen 121, 123, 125, 126, 127, 128, 130, 132, 133, 134, 135, 138, 139, 174 voor de Stichting DLO vanaf juni 1999 en de handelingen voor Praktijkonderzoek vanaf 2001 in ‘lijst Landbouwstructuurbeleid’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. [[C/S&A/08/411](onbekend)] d.d. 15 februari 2008 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 60 d.d. 27 maart 2008 )) worden afgesloten. Handelingen 11, 12 en 47 voor de Stichting DLO vanaf juni 1999 en de handelingen voor Praktijkonderzoek vanaf 2001 in ‘lijst Coördinatie handhaving en crisisbeheersing’ (vastgesteld bij besch"},{"i":12993,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 21 november 2024, nr. 2024-0000848275, tot verlenging van artikel 7af van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet tot en met 31 december 2029 Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [artikel 23.3, achtste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=23.3) en [artikel 4.30 van de Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=4.30); Besluit: artikel Enig De tijdsduur van [artikel 7af van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027929&artikel=7af) wordt met vijf jaar verlengd tot en met 31 december 2029. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12009,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 december 2020, kenmerk 2618966, houdende beperking van de openbaarheid van het Archief van de processen tegen P.N. Menten 1976–1980 [Gelet op artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 18 september 2019, met kenmerk Proza 16600551. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de processen tegen P.N. Menten, 1976–1980 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot de datum van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 1 | 2030 | | 2 | 2030 | | 3 | 2030 | | 4 | 2030 | | 5 | 2030 | | 6 | 2030 | | 7 | 2030 | | 8 | 2030 | | 9 | 2030 | | 10 | 2030 | | 11 | 2030 | | 12 | 2030 | | 13 | 2030 | | 14 | 2030 | | 15 | 2030 | | 16 | 2030 | | 17 | 2030 | | 18 | 2030 | | 19 | 2030 | | 20 | 2030 | | 21 | 2030 | | 22 | 2030 | | 23 | 2030 | | 24 | 2030 | | 25 | 2030 | | 26 | 2030 | | 27 | 2030 | | 28 | 2030 | | 29 | 2030 | | 30 | 2030 | | 31 | 2030 | | 32 | 2030 | | 33 | 2030 | | 34 | 2030 | | 35 | 2030 | | 36 | 2030 | | 37 | 2030 | | 38 | 2030 | | 39 | 2030 | | 40 | 2030 | | 41 | 2030 | | 42 | 2030 | | 43 | 2030 | | 44 | 2030 | | 45 | 2030 | | 46 | 2030 | | 47 | 2030 | | 48 | 2030 | | 49 | 2030 | | 50 | 2030 | | 51 | 2030 | | 52 | 2030 | | 53 | 2030 | | 54 | 2030 | | 55 | 2030 | | 56 | 2030 | | 57 | 2030 | | 58 | 2030 | | 59 | 2030 | | 60 | 2030 | | 61 | 2030 | | 62 | 2030 | | 64 | 2030 | | 65 | 2030 | | 66 | 2030 | | 67 | 2030 | | 68 | 2030 | | 69 | 2030 | | 70 | 2030 | | 71 | 2030 | | 72 | 2030 | | 73 | 2030 | | 74 | 2030 | | 75 | 2030 | | 76 | 2030 | | 77 | 2030 | | 78 | 2030 | | 79 | 2030 | | 80 | 2030 | | 81"},{"i":11379,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 8 mei 2015, nummer CvTE-15.01137, houdende vaststelling van de syllabus rekenen 2F en 3F voor de rekentoets VO en centrale examinering in het mbo (Regeling syllabus Rekenen VO en mbo referentieniveaus 2F en 3F) Gelet op [artikel 2a van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); [artikel 3 van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3); het [Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB artikel 6, eerste lid onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 21 mei 2015, kenmerk 766290; Besluit: Artikel 1. syllabus De syllabus, bedoeld in [artikel 2a van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2) en [artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6), wordt vastgesteld voor de rekentoets VO en het centraal examen Rekenen mbo voor de referentieniveaus 2F en 3F. Artikel 2. bekendmaking 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De onder [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036727&artikel=1&z=2015-10-01&g=2015-10-01) genoemde syllabus wordt gepubliceerd op Examenblad.nl en Examenbladmbo.nl. Artikel 3. inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op 1 oktober 2015. Artikel 4. citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling syllabus rekenen VO en mbo referentieniveaus 2F en 3F."},{"i":14514,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 december 2003, nr. DJZ/BR-1003/2003 tot vaststelling van de tarieven voor consulaire dienstverlening (Regeling op de consulaire tarieven) Gelet op [artikel 1, tweede en derde lid, en](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015918&artikel=1)[artikel 4, tweede lid, van het Rijksbesluit op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015918&artikel=4), alsmede op [artikel 3 van de Rijkswet op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013618&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De vergoeding die ingevolge [artikel 2, eerste lid, van de Rijkswet op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013618&artikel=2) is verschuldigd, bedraagt voor: - a. het afgeven van een grosse van, een afschrift van of een uittreksel uit een akte van de burgerlijke stand: € 30,--; - b. het voltrekken van een huwelijk: € 433,–; - c. het opmaken van een notariële akte: € 265,–; - d. het afgeven van een grosse van, een afschrift van, of een uittreksel uit een notariële akte: € 30,–; - e. handelingen van vrijwillige rechtspraak: € 145,– per uur; - f. het horen of ondervragen van een getuige of deskundige in een burgerlijke zaak op last van de rechter in het Koninkrijk, daaronder begrepen het opmaken van een proces-verbaal: € 145,– per uur; - g. het opmaken van een laissez-passer voor een stoffelijk overschot of een certificaat ter begeleiding van een urn: € 60,–; - h. het opmaken van een consulaire verklaring omtrent een persoon betreffende gegevens die tot bewijs strekken: € 30,–; - i. het bemiddelen bij het oplossen van financiële en andere de belanghebbende betreffende problemen die verband houden met het verblijf in het buitenland: € 50,–; - j. het verstrekken van een meertalig modelformulier € 23; - k. het bemiddelen bij een onderzoek naar het welzijn van een persoon, daaronder begrepen een onderzoek in geval van vermissing: € 120,– per uur; - l. het bemiddelen bij het achterhal"},{"i":14516,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 april 2010, nr. WJZ/204802 (8258), houdende regels voor de subsidiëring van cultuuruitingen (Regeling op het specifiek cultuurbeleid) Gelet op [artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4a), [artikel 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&artikel=4) en [artikel 5 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen voor verstrekking van jaarlijkse instellingssubsidies en vierjaarlijkse instellingssubsidies Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen voor verstrekking van subsidies aan instellingen en fondsen op grond van de [artikelen 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4a) en [4c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4c) Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen voor verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidies aan aangewezen instellingen en fondsen op grond van [artikel 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4b) en [4c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4c) Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen voor verstrekking van projectsubsidies Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen § 6.1. Algemeen § 6.2. Overgangsbepalingen § 6.3. Wijziging van andere regelingen Artikel 6.3. [Subsidieregeling ‘Digitaliseren met beleid’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019643) Vervallen Artikel 6.4. [Subsidieregeling indemniteit bruiklenen 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024244) Vervallen Artikel 6.5. [Tijdelijke regeling aanvulling eigen inkomsten cultuurinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025390) Vervallen Artikel 6.6. [Subsidieregeling innovatie cultuuruitingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025967) Vervallen Artikel 6."},{"i":14515,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 11 december 2012, nr. 32952, houdende regels over het notarisambt (Regeling op het notarisambt) Gelet op de [artikelen 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=8), [24, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=24), [25, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=25), [25a van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=25a), [artikel 26 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=26), de [artikelen 4, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032084&artikel=4) en [12, zesde lid, van het Besluit op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032084&artikel=12) en [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **notarisorganisatie:** alle wijzen waarop een notaris zijn werkzaamheden heeft georganiseerd. - b. **klein kantoor:** een notarisorganisatie waar gedurende de twee voorgaande boekjaren voldaan is aan (in elk geval) twee van de volgende criteria: - 1. door maximaal vier (kandidaat-) notarissen wordt het ondernemersrisico gelopen. In geval van interdisciplinaire samenwerking geldt hierop een uitzondering namelijk dat door maximaal twee (kandidaat-) notarissen met maximaal drie andere zelfstandige beroepsbeoefenaren ondernemersrisico wordt gelopen; - 2. de netto omzet van het notarisorganisatie is maximaal € 2.500.000,– per jaar; - 3. het aantal werknemers, dat bij het notarisorganisatie in dienst is, dan wel op grond van een overeenkomst werkzaamheden verricht, bedraagt maximaal 20 fulltime-equivalents (fte’s). - c. **melding:** een melding als bedoeld in [artikel 25a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=25a); Inhoud verslag en verk"},{"i":11791,"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. inzake de reikwijdte en uitvoering van het depositogarantiestelsel als bedoeld in artikel 3:259, lid 2 van de Wft (Beleidsregel Reikwijdte en Uitvoering Depositogarantiestelsel) Na overleg met representatieve organisaties; Gelet op de [artikelen 29.02](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&artikel=29.02) en [29.06 Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantiestelsel Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&artikel=29.06) en [artikel 26a Besluit prudentiële maatregelen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=26a); Besluit tot het vaststellen van de volgende Beleidsregel reikwijdte en uitvoering depositogarantiestelsel: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - 1. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - 2. **Besluit:** [Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414); - 3. **De Wet:** [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) (Wft); - 4. **Professionele administratie:** de administratie van: - a. een financiële onderneming als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); - b. degene die is vrijgesteld van het verbod als bedoeld in [artikel 3:5, eerste lid van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:5); - c. degene die een ontheffing is verleend als bedoeld in [artikel 3:5, vierde lid van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:5); of - d. een curator als bedoeld in [artikel 68 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=68). - 5. **Datum van het oordeel of uitspraak welke heeft geleid tot toepassing van het depositogarantiestelsel (DGS):** datum van het oordeel van De Nederlandsche Bank of van de gerechtelijke uitspraak ten aanzi"},{"i":14519,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 september 2021, kenmerk 3255145-1015194-PZo, houdende nadere regels over de jaarverantwoording op grond van artikel 40b van de Wet marktordening gezondheidszorg (Regeling openbare jaarverantwoording WMG) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 40b van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40b), [artikel 8.3.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.3.1) en [artikel 4.2.13 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.2.13); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **boekjaar:** kalenderjaar waarop de jaarverantwoording betrekking heeft; - –. **dochtermaatschappij:** rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in [artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24a); - –. **collectief verzekerde zorg:** zorg en overige diensten die behoren tot het op grond van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) verzekerde pakket, bedoeld in [artikel 3.1.1 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) of onderdeel uitmaken van de zorgplicht van de zorgverzekeraar, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11), of waarvoor de Minister subsidie verleent; - –. **eenmanszaak:** natuurlijke persoon die zorg doet verlenen, anders dan in het kader van een maatschap of vennootschap waarvan hij vennoot is; - –. **financiële verantwoording:** in [artikel 40b, tweede lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40b) voorgeschreven document dat per boekjaar openbaar wordt g"},{"i":14520,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur en de Minister van Klimaat en Groene Groei van 18 december 2024, nr. WJZ/ 95850148 tot vaststelling van de subsidieplafonds en termijnen van openstelling van subsidie-instrumenten op hun respectievelijke beleidsterreinen (Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2025) Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3), de [artikelen 5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [17, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), en [50, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=50) en [artikel 2.3 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045685&artikel=2.3); Besluiten: Artikel 1. Openstelling [Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474) 1. Als perioden waarin subsidieaanvragen kunnen worden ingediend krachtens de in kolom 1 genoemde titels van de [Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474) en de in kolom 2 genoemde artikelen van die regeling, in voorkomende gevallen verbijzonderd naar de in kolom 3 omschreven of aangeduide groepen van aanvragers, programma’s, projecten of aanvragen, en de in kolom 4 omschreven thema’s of programmalijnen, worden vastgesteld de daarbij behorende perioden, genoemd in kolom 5. Aanvragen zijn tijdig ingediend indien zij op de genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen. 2. Als subsidieplafond wordt per in kolom 5 genoemde periode het daarbij behorende in kolom 6 genoemde bedrag vastgesteld. | 1 | 2 | 3 | 4 | 4 | 5 | 6 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Instrument | Artikel | Gro"},{"i":13001,"b":"Besluit van 31 juli 2012, houdende verlenging van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 juli 2012, nr. 2012-0000402549, Directoraat Generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties, Directie Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 42, derde lid, van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I De termijn van twee jaar, bedoeld in het tweede lid van [artikel 42 van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42) wordt met twee jaar verlengd. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 oktober 2012. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad en in het Publicatieblad van Curaçao zal worden geplaatst."},{"i":12136,"b":"Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat tot instelling van de Commissie visitatie zelfevaluatie spoorwetgeving Gezien het plan van aanpak voor de evaluatie van de [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007) en de [Concessiewet personenvervoer per trein](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015008) (Kamerstukken II 2006–2007, 29984, nr. 53, bijlage); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. evaluatie: evaluatie van de [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007) en de [Concessiewet personenvervoer per trein](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015008); - c. commissie: de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022002&artikel=2&z=2007-06-07&g=2007-06-07). Artikel 2 Er is een commissie voor de visitatie van de zelfevaluaties in het kader van de evaluatie, bedoeld in paragraaf 4.2.3 van het plan van aanpak voor de evaluatie. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit de volgende leden: - a. mr. W. Sorgdrager, tevens voorzitter; - b. prof. dr. M.S. de Vries; - c. drs. T. H. van Hoek. 2. De commissie is een onafhankelijke commissie. De leden zijn niet inhoudelijk betrokken bij de partijen in de spoorsector. 3. De commissie wordt ondersteund door een secretariaat. Het secretariaat heeft tot taak de commissie met raad en daad bij te staan bij de uitvoering van de werkzaamheden en de communicatie tussen de zelfevaluerende partijen en de commissie, en tussen de commissie en het Ministerie van Verkeer en Waterstaat te verzorgen. 4. Het secretariaat wordt aangesteld en bezoldigd door de Minister. Artikel 4 De commissie heeft tot taak: - a. toe te zien op de kwaliteit van de zelfevaluaties en daarover een onafhankelijk oordeel te formuleren; - b. het geven van een oordeel over de bijdragen aan de nulmeting, betreffende de situatie voor 1 januari 2005, vanuit het perspectief van de zelfevaluaties, opgesteld door het Ministeri"},{"i":14522,"b":"Regeling ophoging depositorente van de Europese Centrale Bank voor de toepassing van een aantal fiscale wetten c.a Gelet op de [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010136&artikel=17) en [18 van de Wet overgang belastingheffing in euro’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010136&artikel=18); Besluit: Artikel 1 1. In afwijking in zoverre van [artikel 17, tweede lid, van de Wet overgang belastingheffing in euro’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010136&artikel=17) wordt voor de toepassing van [artikel 30f, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=30f) en [artikel 29 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=29) de depositorente van de Europese Centrale Bank die geldt op de eerste werkdag van de tweede kalendermaand voorafgaande aan een kalenderkwartaal in de periode van 1 april 1999 tot en met 31 december 2001 vermeerderd met 1,25 procentpunt. 2. In afwijking in zoverre van [artikel 17, derde en vierde lid, van de Wet overgang belastingheffing in euro’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010136&artikel=17) wordt voor de toepassing van [artikel 60, tweede lid, van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=60) en [artikel 17, zevende lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=17) de depositorente van de Europese Centrale Bank die geldt in de periode van 1 februari 1999 tot en met 31 december 2001 vermeerderd met 0,75 procentpunt. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling ophoging depositorente. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12691,"b":"Besluit van 8 juni 2021 tot vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro ter ere van Anton Geesink die in 2021 worden uitgegeven in de serie Nederlandse sporticonen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 3 juni 2021, nr. 2021-0000106352, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt ter ere van Anton Geesink die worden uitgegeven in de serie Nederlandse sporticonen zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en profil binnen een zestienpuntige omkadering, en met de tekst «WILLEM-ALEXANDER» langs de bovenzijde en «KONING DER NEDERLANDEN» langs de onderzijde; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden een afbeelding van Anton Geesink op de Olympische Spelen van 1964, met rondom een twintigtal cirkels met de klok mee toenemend in grootte, verticaal door het midden de tekst «ANTON GEESINK», aan de rechterzijde het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt en aan de linkerzijde het teken van de Muntmeester, en links van de afbeelding respectievelijk de tekst «10 EURO» en «5 EURO». 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045225&artikel=1&z=2021-06-23&g=2021-06-23). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 23 juni 2021. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt"},{"i":14172,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 8 mei 2013, nr. IvhO/H3487415, houdende vaststelling van het controleprotocol voor de expertisecentra onderwijszorg in de sectoren PO, VO en BVE in Caribisch Nederland (Regeling controleprotocol EOZ BES 2012-2013) Gelet op artikel 10, derde lid, van de subsidiebeschikking EOZ van 3 augustus 2012; Besluit: Artikel 1. Vaststelling controleprotocol EOZ BES Het protocol voor de controle door de accountant bij de jaarlijkse verantwoording door de expertisecentra onderwijszorg in Caribisch Nederland over de periode 2012–2013 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2012. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling controleprotocol EOZ BES 2012–2013. Bijlage Controleprotocol EOZ BES 2012–2013 **Versie 31 januari 2013** Inleiding 1 augustus 2012 Vanaf 10 oktober 2010 horen Bonaire, Saba en St. Eustatius bij Nederland. Het ministerie van OCW heeft daarom haar Nederlandse wetten aangepast voor Caribische situatie van de BES eilanden. Deze brochure controleprotocol EOZ BES 2012–2013 is de bijlage bij de gelijknamige regeling, die na vaststelling door de minister van OCW wordt gepubliceerd in de Staatscourant. De brochure is bedoeld voor de instellingsaccountant, die de controle op de jaarstukken uitvoert. Bij de opdrachtverstrekking overhandigt de subsidieontvanger dit controleprotocol aan de instellingsaccountant, zodat hij op de hoogte is wat van hem wordt verwacht. Het controleprotocol EOZ BES 2012–2013 is afgeleid van het onderwijscontroleprotocol OCW/EZ 2012 en waarnodig aangepast aan de wet- en regelgeving, zoals die op de BES-eilanden van toepassing is. In het controleprotocol wordt aangesloten op de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Bij elk onderwerp is boven d"},{"i":13035,"b":"Besluit vervanging personeelsdossiers Dienst Justitiële Inrichtingen Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **selectielijst:** de [selectielijst die op 16 augustus 2007 namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Justitie, kenmerk C/S&A/07/1516](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869) is vastgesteld naar [artikel 5, tweede lid onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) (Stcr. 2007, 225); - b. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009 (Stcrt. 2009, 43); - c. **regeling:** de [Regeling digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Justitie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775) (Stcrt. 2010, 9361, gewijzigd bij besluit Stcrt. 2011, nr. 22848, art.69). Artikel 2 De archiefbescheiden van de Dienst Justitiële Inrichtingen met betrekking tot de personeelsdossiers, zoals beschreven in de [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869), zijn en worden vervangen door reproducties met inachtneming van de [regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775). Artikel 3 De [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869) en de [regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775) bevat waarborgen met betrekking tot [artikel 2, eerste lid onder c en d van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 4 De digitale reproductie berust bij P-Direkt. Artikel 5 Het Handboek Substitutie voor de Dienst Justitiële Inrichtingen is als bijlage bij dit besluit gevoegd en wordt met dit besluit tevens vastgesteld. Bijlage Ligt ter inzage bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd; de bijlage l"},{"i":12568,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 december 2017, nr. 92/001-2017-12/0001, houdende routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden (Besluit routinematige digitale vervanging archiefbescheiden DUO/OI 2018) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) en [hoofdstuk 3A van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&hoofdstuk=3a); Besluit: Artikel 1 1. Bij de directie Onderwijs Instellingen van Dienst Uitvoering Onderwijs over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van de selectielijs OCW, onderdeel 4.2, categorie 10, nr. 10.1, onderdeel “het bekostigen van onderwijsinstellingen”, voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. De reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde handboek Routinematige digitale vervanging eDocs componenten van de directie Onderwijs Instellingen van DUO, dat als bijlage onderdeel uitmaakt van dit besluít. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit routinematige vervanging archiefbescheiden DUO/OI 2018. Bijlage Gepubliceerd op www.duo.nl. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlage wordt op de internetsite van DUO (www.duo.nl) geplaatst en is daar te raadplegen."},{"i":12892,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Normec Certification BV vanaf 1 maart 2006 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van Normec Certification BV over de periode vanaf 1 maart 2006 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten afgesloten en/of ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12897,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Productschap Vee en Vlees over de periode vanaf 1956 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Productschap Vee en Vlees (PVV) over de periode vanaf het jaar 1956’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijsten voor de neerslag van de handelingen van het Productschap Vee en Vlees (PVV) - –. op het beleidsterrein Mestbeleid over de periode vanaf 1945 (vastgesteld bij beschikking nr. **R&B/OSA/2001/924 d.d. 12-9-2001** (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 12 d.d. 17-1-2002) - –. [op het beleidsterrein Landbouwkwaliteit en voedselveiligheid over de periode vanaf 1945](onbekend) (vastgesteld bij beschikking nr. **Nr. C/S&A/06/2221 d.d. 18-10-2006** (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 95 d.d. 21-5-2007) - –. [op het beleidsterrein Voedselvoorziening en Agrarisch Markt- en prijsbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend) (vastgesteld bij beschikking nr. **C/S&A/07/2282 d.d. 18-9-2007** (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 198 d.d. 12-10-2007) - –. [op het beleidsterrein Voeding- en productveiligheid over de periode vanaf 1945](onbekend) (vastgesteld bij beschikking nr. **C/S&A/07/238 d.d. 29-1-2007** (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 47 d.d. 7-3-2007) - –. [op het beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend) (vastgesteld bij beschikking nr. **C/S&A/08/409 d.d. 15-2-2008** (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 60 d.d. 27-3-2008) worden vanaf het jaar 1956 ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscour"},{"i":14527,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 1 april 2022, nummer 3936963, houdende regels voor de huisvesting en verzorging van ontheemden als gevolg van het oorlogsgeweld in Oekraïne (Regeling opvang ontheemden Oekraïne) Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Wet verplaatsing bevolking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=4); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop het koninklijk besluit van 31 maart 2022, houdende inwerkingstelling van de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking in werking treedt. Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. **college van burgemeester en wethouders:** het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de opvangvoorziening gelegen is; - b. **opvangvoorziening:** een accommodatie waarin onderdak wordt geboden aan ontheemden; - c. **ontheemde:** de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet als bedoeld in [artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1), omdat hij onder de reikwijdte valt van het Uitvoeringsbesluit van 4 maart 2022 van de [richtlijn 2001/55/EG](32001L0055) of een verlenging daarvan; - d. **richtlijn:** [richtlijn 2001/55/EG](32001L0055) van de raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PbEU L 212/12); - e. **uitvoeringsbesluit:** uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van [Richtlijn 2001/55/EG](32001L0055), en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan (PbEU 2022, L 71);"},{"i":14098,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 juli 2006, nr. BWL/2006282070, houdende Regeling beoordeling reinigbaarheid van grond Gelet op [artikel 28a van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=28a) en [artikel 2 onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=2) juncto [artikel 1 onderdeel 24 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen § 1. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. aanvraag: een aanvraag van een verklaring; - b. bijlage 1, 2, 3, en 4: de bij deze regeling behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020104&bijlage=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020104&bijlage=2A&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020104&bijlage=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) onderscheidenlijk [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020104&bijlage=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01); - c. BRL SIKB 7500: certificatierichtlijn die is aangewezen bij [categorie 5 in bijlage C behorende bij de Regeling bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023085&bijlage=C); - d. immobilisatie: het zodanig wijzigen van de fysische of chemische eigenschappen van een afvalstof, dat de kans op verspreiding van milieuverontreinigende stoffen door uitloging, erosie of verstuiving wordt verminderd zonder gebruik te maken van hitte; - e. Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu; - f. SIKB-protocol 7510: onderdeel SIKB-protocol 7510 dat is aangewezen bij [categorie 5 in bijlage C behorende bij de Regeling bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023085&bijlage=C); - g. verklaring: een verklaring als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdelen 17a, 17b, 30 en 31, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https:/"},{"i":14095,"b":"Regeling van de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Veiligheid en Justitie van 15 juli 2014, nr. 629324-122361-PG, houdende samenstelling en vergoeding van de Commissie van wijzen inzake hulp bij zelfdoding aan personen die hun leven voltooid achten (Regeling benoeming en bezoldiging Commissie van wijzen inzake hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten) Gelet op de [artikelen 6, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ministers:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **commissie:** Commissie van wijzen inzake hulp bij zelfdoding aan personen die hun leven voltooid achten, bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsregeling Commissie van wijzen inzake hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035528&artikel=2). Artikel 2 De commissie bestaat uit de volgende leden. - –. De heer P. Schnabel, te Utrecht, tevens voorzitter. - –. Mevrouw B. Meyboom - de Jong, te Groningen; - –. De heer W.J. Schudel, te Den Haag; - –. Mevrouw C.P.M. Cleiren, te Leiden; - –. De heer P.A.M. Mevis, te Rotterdam; - –. De heer M.J. Verkerk, te Hoensbroek; - –. Mevrouw A. van der Heide, te Schiedam; - –. Mevrouw G. Hesselmann, te Schalkwijk. Artikel 3 1. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. Bij tussentijds vertrek van een lid kunnen de ministers een ander lid benoemen. 2. De commissie wordt opgeheven met ingang van 1 april 2016 of zodra het advies is uitgebracht. Artikel 4 1. De leden van de commissie ontvangen per vergadering een vergoeding van 3% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsoveree"},{"i":12662,"b":"Besluit van 14 juli 2014, houdende verlenging van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 juli 2014, nr. 2014-0000345103, Directoraat Generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties, Directie Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 42, derde lid, van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42), Hebben goedgevonden en verstaan; Artikel I De termijn van twee jaar, bedoeld in het tweede lid van [artikel 42 van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42), zoals verlengd bij [koninklijk besluit van 31 juli 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031894), wordt met twee jaar verlengd. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 oktober 2014. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad, het Publicatieblad van Curaçao en het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst."},{"i":12629,"b":"Besluit van 25 september 2008, nr. 08.002714, houdende toekenning van een vaste beloning aan de leden van de werkgroep bevordering diversiteit in het burgemeestersambt Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 september 2008, 2008-0000406621, DGBK/BFO/Afdeling Bestuurlijke Organisatie; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de leden van de werkgroep bevordering diversiteit in het burgemeestersambt als bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit Werkgroep bevordering diversiteit in het burgemeestersambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024527&artikel=2) wordt een vaste beloning toegekend. Artikel 2 De vaste beloning, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024578&artikel=1&z=2008-10-09&g=2008-10-09) wordt vastgesteld volgens het maximum van schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,06. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2008. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13722,"b":"Wet van 13 juli 2016, houdende aanpassing van wetten in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht wenselijk is de invoering te regelen van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie en in verband daarmee een aantal wetten aan te passen. Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Veiligheid en Justitie Hoofdstuk 2. Ministerie van Algemene Zaken Hoofdstuk 3. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties Hoofdstuk 4. Ministerie van Defensie Hoofdstuk 5. Ministerie van Economische Zaken Hoofdstuk 6. Ministerie van Financiën Hoofdstuk 7. Ministerie van Infrastructuur en Milieu Hoofdstuk 8. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Hoofdstuk 9. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Hoofdstuk 10. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Hoofdstuk 11. Slotbepalingen Artikel XCIV Wijzigt de Wijzigingswet Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en Algemene wet bestuursrecht (vereenvoudiging en digitaliser"},{"i":13732,"b":"Kaderbesluit bpm **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 12 december 2022, nr. 2022-264440. Diverse onderdelen zijn ingekort ten behoeve van de leesbaarheid. Daarnaast zijn enkele onderdelen komen te vervallen omdat het belang hiervan is komen te vervallen, o.a. vanwege codificatie en wetswijzigingen. In onderdeel 3 (nieuw) zijn diverse standpunten van de kennisgroep Auto verwerkt die zien op het bepalen van de handelsinkoopwaarde in de aangifte bpm. Tot slot is de goedkeuring in onderdeel 7.2 in lijn gebracht met de wijziging van de uitvoeringsregeling per 1 januari 2024.** 1. Inleiding In dit besluit zijn standpunten aangepast, verduidelijkt of toegevoegd over de volgende onderwerpen: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Maatstaf van heffing Voor een bijzondere personenauto en een motorrijwiel wordt de bpm berekend over de netto catalogusprijs. Hoofdregel is dat de bpm (per 1 januari 2025) berekend wordt over de CO2-uitstoot. Er zijn echter situaties waarin de catalogusprijs voor personenauto’s en bestelauto’s alsnog van belang kan zijn voor de berekening van de bpm. Is er geen catalogusprijs bekend, dan moet deze door vergelijking worden bepaald. Tot de catalogusprijs behoort de waarde van de voorzieningen die zijn aangebracht door of namens de fabrikant of importeur ([artikel 9, negende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=9)). Voor een aantal van deze situaties geef ik hierna aan hoe de catalogusprijs door vergelijking kan worden vastgesteld. 2.1. Kampeerauto Als een gesloten bestelauto wordt gebruikt als basis voor een qua wielbasis van die bestelauto afwijkende kampeerauto en voldoet aan de voorwaarden in artikel 5aa van het uitvoeringsbesluit, wordt de bpm berekend over de catalogusprijs van een zoveel mogelijk met de verkregen kampeerauto vergelijkbare gesloten bestelauto. Dit geldt ook als een kampeerauto is afgeleid van een ander soo"},{"i":13903,"b":"Opiumwet 1960 BES Artikel 1 1. Deze wet verstaat onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **ruw opium:** het sap, vanzelf gestremd, verkregen uit de plant van de soort Papaver somniferum L. en dat slechts de bewerkingen heeft ondergaan die nodig zijn voor de verpakking en het vervoer, ongeacht het morfinegehalte; - c. **medicinaal opium:** ruw opium dat de nodige bereidingen heeft ondergaan teneinde het geschikt te maken voor geneeskundig gebruik, hetzij in poedervorm of in korrelachtige toestand, hetzij vermengd met neutrale stoffen, overeenkomstig de eisen van de farmacopee; - d. **cocablad:** het blad van de plant van een van de soorten van het geslacht Erythroxylon met uitzondering van een blad waaruit alle ecgonine, cocaïne en alle andere ecgonine alkaloïden zijn verwijderd; - e. **ruwe cocaïne:** alle producten, getrokken uit het cocablad, die rechtstreeks of middellijk kunnen dienen voor de vervaardiging van cocaïne; - f. **ecgonine:** de linksdraaiende ecgonine ([a] = 45.6 bepaald in een oplossing van 5% in water) met de formule C9H15NO3H2O, en alle derivaten van deze ecgonine, die in de industrie gebruikt zouden kunnen worden om opnieuw ecgonine te maken; - g. **morfine:** het voornaamste alcaloïde van opium, met de scheikundige formule C17H19NO3; - h. **diacetylmorfine:** diacetylmorfine (diamorfine, heroïne) dat de formule heeft C21H23NO5; - i. **cocaïne:** de methylester van de linksdraaiende benzoyl-ecgonine ([a] = –16.4 bepaald in een oplossing van 20% in chloroform) met de formule C17H21NO4; - j. **hennep:** de bloeiende of vruchtdragende toppen, of delen daarvan, van iedere plant van het geslacht cannabis (met uitzondering van de zaden en bladeren indien deze niet vergezeld gaan van de toppen) waaruit de hars niet is geëxtraheerd, met welke naam ook aangeduid; - k. **bereid opium:** het product, verkregen van ruw opium door een reeks van bijzondere bewerkingen, en in het bijzonder door oplossing, opbrui"},{"i":14167,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 20 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/180307, houdende regels voor de conformiteitsbeoordeling van vaste biomassa voor energietoepassingen (Regeling conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen) Gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040209&artikel=13), [16, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040209&artikel=16), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040209&artikel=19) en [20, eerste lid, van het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040209&artikel=20); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen (Stb. 2017/427) in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt onder ‘besluit’ verstaan: [Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040209). 2. [Bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040431&bijlage=A&z=2022-01-01&g=2022-01-01) bevat begripsomschrijvingen van begrippen in de [bijlagen B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040431&bijlage=B&z=2022-01-01&g=2022-01-01), [C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040431&bijlage=C&z=2022-01-01&g=2022-01-01) en [D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040431&bijlage=D&z=2022-01-01&g=2022-01-01). Artikel 2. Duurzaamheidseisen De duurzaamheidseisen voor de categorieën vaste biomassa, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040209&artikel=16) zijn opgenomen in [bijlage D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040431&bijlage=D&z=2022-01-01&g=2022-01-01) in samenhang met [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040431&bijlage=B&z=2022-01-01&g=2022-01-01). Artikel 3. Beheerseisen De beheersei"},{"i":12222,"b":"Besluit erkenning geschillencommissie Schadeherstelbedrijven Gezien het verzoek om erkenning betreffende de Geschillencommissie Schadeherstelbedrijven van 17 maart 2017, schriftelijk ingediend door de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken; Overwegende dat verzoekster heeft voldaan aan de in [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&artikel=3) en [4 van de Erkenningsregeling geschillencommissies consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&artikel=4) (Stcrt. 1996, 248) vermelde erkenningseisen; Overwegende dat genoemde commissie in voldoende mate zal bijdragen aan het oplossen van geschillen die hun oorsprong vinden in consumentenklachten; Gelet op [artikel 2 van de Erkenningsregeling geschillencommissies consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De Geschillencommissie Schadeherstelbedrijven, die in stand wordt gehouden door de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken, wordt erkend als geschillencommissie zoals bedoeld in de [Erkenningsregeling geschillencommissie consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448); Artikel 2 De Geschillencommissie Schadeherstelbedrijven dient wijzigingen in de gegevens als bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Erkenningsregeling geschillencommissie consumentenklachten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008448&artikel=5), zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de Minister van Veiligheid en Justitie door te geven. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":12270,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2024 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) (Wfsv) en [artikel 2.10 lid 3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=2.10); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2024 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 37.700 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 942.500 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.770.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2024 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,77% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,08% | | Minimumpremie werkgevers | 0,19% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,59% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 0,98 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2024 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,45% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 1,80% | | Minimumpremie werkgevers | 0,11% | |"},{"i":12169,"b":"Besluit van 31 oktober 2019, nr. 2019002267, houdende departementale herindeling met betrekking tot schuldbemiddeling Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 28 oktober 2019, nr. 3710686; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van schuldbemiddeling, met inbegrip van de [Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815) voor zover deze voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit waren opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042760&artikel=1&z=2019-11-13&g=2019-11-13) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042760&artikel=2&z=2019-11-13&g=2019-11-13) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij horende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de"},{"i":11971,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 2 februari 2007, nr. DDI/ST/reg.005/2007, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Commissies Verzetster Oost-Azië 1942–1945, 1949–1957 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van de Commissies Verzetster Oost-Azië 1942–1945,1949–1957, de in de eerste tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer: | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 117 | 2028 | | 156 | 2028 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021198&artikel=1&z=2007-02-11&g=2007-02-11) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021198&artikel=1&z=2007-02-11&g=2007-02-11) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationale archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatsc"},{"i":13875,"b":"Nummerplan voor transitnetwerk signaleringspuntcodes Gelet op artikel 40d, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen; Besluit: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 1. Een nummer als bedoeld in dit besluit bestaat uitsluitend uit cijfers. 2. De lengte van een nummer bedraagt vijf cijfers. 3. De in dit besluit bedoelde nummers die beschikbaar zijn voor toekenning bevinden zich uitsluitend in de nummerblokken die zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 3 Een nummer dat is toegekend, kan niet nogmaals worden toegekend. Artikel 4 Aan de toekenning van een nummer worden de volgende voorschriften verbonden: - a. de nummerhouder neemt het bij dit besluit bepaalde alsmede de geldende aanbevelingen van de International Telecommunication Union (ITU-T) in acht; - b. de nummerhouder is verplicht in het kader van een door hem aangeboden of afgenomen openbare elektronische communicatiedienst het nummer te gebruiken voor een netwerkpunt in het transitdomein van het nationale elektronische communicatieverkeer, ten behoeve van een signaleringskoppeling voor een openbare elektronische communicatiedienst, tussen het netwerkpunt waarvoor het nummer is aangevraagd, en één of meer andere netwerkpunten in het transitdomein van het nationale elektronische communicatieverkeer; - c. de nummerhouder die een nummer heeft toegekend gekregen waarmee hij de in onder b bedoelde koppeling kan realiseren en daarmee in zijn behoefte kan voorzien, kan niet nog een ander nummer aanvragen voor deze koppeling. - d. de nummerhouder kan het nummer alleen in Nederland gebruiken. Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 8 Dit besluit wordt aangehaald als: Nummerplan transitnetwerk signaleringspuntcodes. Bijlage. als bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009521&artikel=2&z=2015-05-02&g=2015-05-02),"},{"i":14535,"b":"Regeling overlegprocedure bij reorganisaties Gelet op het [Besluit georganiseerd overleg sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006042) en het [Besluit medezeggenschap defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010617), Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Deze regeling verstaat onder: Artikel 2. Voornemens of studies tot reorganisatie 1. Als voornemens of studies met betrekking tot reorganisatie bestaan, wordt de medezeggenschapscommissie van de diensteenheid of diensteenheden waarop de reorganisatie betrekking zal hebben, vertrouwelijk op de hoogte gesteld. 2. Het eerste lid geldt ook ten aanzien van de sectorcommissie Defensie als aan de reorganisatie algemene personele aspecten zijn verbonden die betrekking hebben op militaire ambtenaren of ambtenaren van het ministerie van Defensie. Artikel 3. Voorlopig reorganisatieplan 1. Een voorlopig reorganisatieplan waarin voornemens of studies tot een reorganisatie zijn uitgewerkt en vastgesteld wordt aangeboden aan de medezeggenschapscommissie van de diensteenheid of diensteenheden waarop de reorganisatie betrekking zal hebben en aan de sectorcommissie Defensie, genoemd in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011097&artikel=2&z=2010-11-12&g=2010-11-12). 2. Het voorlopig reorganisatie plan bevat in ieder geval informatie over: - a. de motieven voor de reorganisatie; - b. het doel van de reorganisatie; - c. de randvoorwaarden van de reorganisatie; - d. de opzet en het tijdschema van de reorganisatie; - e. de personele gevolgen van de reorganisatie; - f. de eventuele algemene personele aspecten van de reorganisatie. Artikel 4. Het overleg Over het voorlopig reorganisatieplan wordt op de volgende wijze overleg gevoerd: - a. Het overleg met de sectorcommissie Defensie richt zich op het bij de reorganisatie gehanteerde bijzondere arbeidsvoorwaardelijke instrumentarium en op de personele effecten van de reorganisatie voor zover deze raken aan het algemene personeelsbe"},{"i":14545,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 juli 2021, nr. WJZ / 20185759, houdende bepalingen ten behoeve van prijs-, productie en marktinformatie in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (Regeling prijs-, productie- en marktinformatie GLB) Gelet op Gedelegeerde [Verordening (EU) 2017/1183](33083R2017) van de Commissie van 20 april 2017 tot aanvulling van de Verordeningen (EU) nr. 1307/2013 en (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de aan de Commissie te melden informatie en documenten (PbEU 2017, L 171), artikelen 11 en 12 van Uitvoerings[verordening (EU) 2017/1185](33085R2017) van de Commissie van 20 april 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van de Verordeningen (EU) nr. 1307/2013 en (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de aan de Commissie te melden informatie en documenten en tot wijziging en intrekking van diverse verordeningen van de Commissie (PbEU 2017, L 171), artikel 55 van Gedelegeerde [verordening (EU) 2017/891](32791R2017) van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie (PbEU 2017, L 138) en de [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=17), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=27), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=28) en [29 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=29), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **marktdeelnemers:** marktdeelnemers, zijnde producenten"},{"i":14544,"b":"Regeling van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 februari 2009, nr. CZ-TSZ-2912089, houdende houdende regels ten aanzien van preïmplantatie genetische diagnostiek (PGD) (Regeling preïmplantatie genetische diagnostiek) Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=5) en [6, tweede lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=6); Besluit: Artikel 1 1. Er is voor het uitvoeren van preïmplantatie genetische diagnostiek als bedoeld in [artikel 1, onder h, vijfde streepje, van het Besluit aanwijzing bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022191&artikel=1) behoefte aan één centrum. 2. In [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025355&bijlage=1&z=2013-04-06&g=2013-04-06) is neergelegd hoe in de behoefte kan worden voorzien. Artikel 2 Voor het uitvoeren of gaan uitvoeren van preïmplantatie genetische diagnostiek gelden de voorschriften, opgenomen in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025355&bijlage=2&z=2013-04-06&g=2013-04-06). Artikel 3 Wijzigt het Planningsbesluit klinisch genetisch onderzoek en erfelijkheidsadvisering. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling preïmplantatie genetische diagnostiek. Bijlage 1 In deze bijlage is aangegeven waar preïmplantatie genetische diagnostiek (PGD) mag plaatsvinden. Aangewezen PGD-kliniek Preïmplantatie genetische diagnostiek vindt plaats in een klinisch-genetisch centrum. In [punt 2.3 van de bijlage bij artikel 3 van het Planningsbesluit klinisch genetisch onderzoek en erfelijkheidsadvisering](onbekend) uit 2003 was PGD voorbehouden aan het Academisch Ziekenhuis Maastricht. Volgens een advies van de Gezondheidsraad uit 2006 en volgens een peiling door het Ministerie van VWS bij de beroepsgro"},{"i":14547,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 oktober 2025, nr. WJZ/26315620, houdende procedures Adviescollege toetsing regeldruk Gelet op de [artikelen 3, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051401&artikel=3), en [9, van de Instellingswet Adviescollege toetsing regeldruk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051401&artikel=9); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **werkdag:** kalenderdag, niet zijnde een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag als bedoeld in [artikel 3 van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3); - **wet:** [Instellingswet Adviescollege toetsing regeldruk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051401). Artikel 2. Uitgezonderde ministeriële regelingen Als ministeriële regelingen als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051401&artikel=3), worden aangewezen ministeriële regelingen die uitsluitend bestaan uit: - a. technische verbeteringen van fouten; - b. de vaststelling of wijziging van bedragen, tarieven of percentages; - c. de vaststelling of wijziging van openstellingsperiodes en subsidieplafonds voor subsidieregelingen; - d. de verlenging van tijdelijke regelingen; - e. regels over de verhoudingen tussen overheden; of - f. de vastlegging van een afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die niet werken in de sectoren zorg, onderwijs, veiligheid en sociale zekerheid. Artikel 3. Adviestermijnen ontwerpen van EU-wetgevingshandelingen 1. De Minister van Buitenlandse Zaken zendt een ontwerp van een EU-wetgevingshandeling zo spoedig mogelijk, maar binnen een termijn van één werkdag na ontvangst van dat ontwerp, aan het adviescollege. 2. De minister die het aangaat maakt een conceptbeoordeling van de regeldrukeffecten van een ontwerp van een EU-wetgevingshandeling binnen een termijn van tien werkdagen na publicatie van het ontwerp en legt"},{"i":14549,"b":"Regeling procesgang eerste ziektejaar Gelet op [artikel 71a, tweede lid en zevende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=71a), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Arbodienst:** een dienst als bedoeld in de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346); - b. **bedrijfsarts:** de persoon, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=14) die belast is met de advisering, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=14); - c. **plan van aanpak:** het plan van aanpak, bedoeld in [artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=71a)[artikel 25, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=25); - d. **werkgever:** een werkgever als bedoeld in [artikel 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=71a)[artikel 25, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=25); - e. **werknemer:** een werknemer als bedoeld in [artikel 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=71a) en de verzekerde, bedoeld in [artikel 25, eerste lid, van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=25); - f. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Artikel 2. Gegevensverstrekking aan de bedrijfsarts of de arbodienst 1. De werkgever verstrekt aan de bedrijfsarts of de arbodienst tijdig alle noodzakelijke gegevens met betrekking tot het ziekteverzuim van zijn werknemers, tenein"},{"i":18464,"b":"Regeling vredesmissies politie Gelet op [artikel 3 van het Besluit beschikbaarstelling politieambtenaren ten behoeve van vredesmissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014439&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Besluit:** het [Besluit beschikbaarstelling politieambtenaren ten behoeve van vredesmissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014439); - b. **operationeel gezag:** de head of mission, aangewezen door een volkenrechtelijke organisatie of aangewezen in het kader van een internationale overeenkomst waarbij Nederland partij is; - c. **missie:** het verblijf in het missiegebied ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden in het kader van de uitzending, bedoeld in het [Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014439); - d. **inzet:** het daadwerkelijk verrichten van werkzaamheden in het kader van de uitzending, bedoeld in het [Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014439); - e. **onkosten:** de tijdens de missie door de betrokkene gedane uitgaven wegens bewassing, (tele)communicatie, ontspanning, recuperatie en overige incidentele kosten; - f. **recuperatie:** een periode, niet zijnde verlof, waarin aan de betrokkene geen feitelijke werkzaamheden worden opgedragen, opdat door afwisseling van inzet en rust de gewenste operationele inzetbaarheid wordt gehandhaafd; - g. **inschepingsverlof:** het verlof dat betrokkene wordt toegekend om zich voor te bereiden op de missie; - h. **ontschepingsverlof:** het verlof dat betrokkene wordt toegekend na afloop van de uitzending. Artikel 2 1. Nadat de betrokkene buitengewoon verlof is verleend met behoud van bezoldiging besluit de Minister van Justitie en Veiligheid tot beschikbaarstelling. De bezoldiging tijdens het buitengewoon verlof wordt berekend naar een arbeidstijd van gemiddeld 38 uur per week, tenzij in het desbetreffende kalenderjaar een langere gemiddelde arbeidstijd geldt voor de betrokkene. In dat geval blijft de bezoldiging ongewij"},{"i":14569,"b":"Regeling Regionaal Historisch Centrum 'Gelders Archief' Gelet op de [artikelen 96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=96) en [97 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=97); Besluiten: De raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Arnhem, Renkum, Rheden en Rozendaal, tot het treffen van de navolgende gemeenschappelijke regeling tot de instelling van een openbaar lichaam dat de archiefbescheiden en collecties, die berusten in de gemeentelijke archiefbewaarplaatsen van de gemeenten Arnhem, Renkum, Rheden en Rozendaal en in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Gelderland, beheert. Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: Hoofdstuk II. Instelling, doel en beleid van het openbaar lichaam Gelders Archief Artikel 2 1. Er is een openbaar lichaam, Gelders Archief dat gevestigd is in Arnhem. 2. Het Gelders Archief is ingesteld met het doel de belangen van de minister en de gemeenten bij alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden, collecties, individuele documenten en dergelijke die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Gelderland en in de gemeentelijke archiefbewaarplaatsen van Arnhem, Renkum, Rheden en Rozendaal in gezamenlijkheid te behartigen. 3. Aan het Gelders Archief zijn daartoe de navolgende werkzaamheden, taken en bevoegdheden van de minister en de gemeenten opgedragen: - a. de beheerstaken, te onderscheiden in het behouden, bewerken en benutten van de archiefbescheiden die berusten in de in het tweede lid genoemde archiefbewaarplaatsen; - b. de taken en bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=18)"},{"i":7606,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie (kenmerk 5727629/12) van 9 juli 2012, houdende instelling van een Cyber Security Raad Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder - a. **de Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **cyber security:** het vrij zijn van gevaar of van schade veroorzaakt door verstoring of uitval van ICT of door misbruik van ICT; - c. **gevaar of schade:** beperking van de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van de ICT, schending van de vertrouwelijkheid van in ICT opgeslagen informatie of schade aan de integriteit van die informatie; - c. **de Raad:** de Cyber Security Raad, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031950&artikel=2&z=2025-10-10&g=2025-10-10); - d. **Nationale Cyber Security Strategie:** een integraal plan van aanpak voor het versterken van de veiligheid van de digitale samenleving om het vertrouwen in het gebruik van ICT door burger, bedrijfsleven en overheid te verhogen. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Cyber Security Raad. 2. De Raad heeft als taak het kabinet te adviseren over de uitvoering en uitwerking van de Nationale Cyber Security Strategie. Artikel 2. Samenstelling 1. De Raad wordt gevormd door: - a. de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, medevoorzitter; - b. de heer E. Blok, namens het bedrijfsleven, medevoorzitter; - c. de heer H.J. van Dorenmalen, namens ICT-leveranciers, lid; - d. de heer R.A. Steenvoorden, namens de grote ICT-eindgebruikers, lid; - e. de heer F. Heemskerk, namens de eindgebruikers, lid; - f. de heer B.G.M. Voorhorst, namens de vitale sectoren, lid; - g. de heer prof. dr. B.P.F. Jacobs, lid; - h. mevrouw prof. mr. J.E.J. Prins, lid; - i. de heer prof. dr. M.J.G. van Eeten, lid. - j. de directeur-generaal Energie, Telecom en Mededinging, lid; - k. een lid van het College van procureurs-generaal, lid; - l. de korpschef van de landelijke eenheid Politiediensten; - m. een lid van d"},{"i":7607,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 mei 2015, nr. 2015-0000254538, tot instelling van een Deskundigengroep Elektronisch stemmen en tellen in het stemlokaal Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **Deskundigengroep:** Deskundigengroep Elektronisch stemmen en tellen in het stemlokaal, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036616&artikel=2&z=2016-04-09&g=2016-04-09). Artikel 2 1. Er is een Deskundigengroep Elektronisch stemmen en tellen in het stemlokaal. 2. De Deskundigengroep heeft tot taak om de specificaties op te stellen voor het elektronisch stemmen en tellen in het stemlokaal en om te onderzoeken of voor die specificaties breed draagvlak bestaat. Artikel 3 1. De Deskundigengroep bestaat uit een voorzitter en 6 andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de Minister benoemd. 3. De benoeming geschiedt voor de duur van 1 jaar. 4. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de Minister een ander lid benoemen. 5. De voorzitter en de overige leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de Minister. Artikel 4 1. Tot voorzitter, tevens lid van de Deskundigengroep wordt benoemd: Dhr. Ir. R. Prins 2. Tot lid van de Deskundigengoep worden benoemd: - a. Dhr. Prof. Ir. D.J. van Eijk; - b. Dhr. Mr. A.B.L. de Jonge; - c. Dhr. Dr. M.G. Kuhn; - d. Dhr. Prof. Dr. Ir. J.M.W. Visser; - e. Mevr. Prof. Dr. rer. nat. M. Volkamer; - f. Dhr. Ir. M.F. Witteman. 3. Na het uitbrengen van het rapport met de specificaties en het resultaat van het onderzoek naar het draagvlak voor de specificaties is de Deskundigengroep opgeheven. Artikel 5 1. De Deskundigengroep wordt ondersteund door een secretariaat. 2. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de Deskundigengroep. 3. In het secretariaat wordt voorzien door de Minister."},{"i":14571,"b":"Regeling registratie en declaratie protonentherapie Op grond van de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38), alsmede de Beleidsregel prestaties en tarieven protonentherapie, stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vast. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **beleidsregel:** de Beleidsregel prestaties en tarieven protonentherapie. - b. **dbc-zorgproduct en overig zorgproduct voor protonentherapie:** een declarabele prestatie in het kader van protonentherapie. - c. **protonentherapie:** een vorm van radiotherapie, waarbij protonen uit waterstofkernen worden toegepast. Artikel 2. Doel van de regeling In deze regeling legt de NZa regels vast die zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051516&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) in acht moeten nemen bij het aanbieden en leveren van protonentherapie. Artikel 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die op grond van een vergunning ex [artikel 2 Wbmv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=2), afgegeven door de Minister van VWS, gerechtigd zijn om protonentherapie aan te bieden en te leveren. Artikel 4. Algemeen De [Regeling medisch-specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048689) is van overeenkomstige toepassing op de aanbieders van protonentherapie, tenzij in de onderhavige regeling anders is bepaald. Artikel 5. Declaratiebepalingen 1. Een zorgaanbieder als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051516&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is slechts gerechtigd tot declaratie van een zorgproduct voor protonentherapie, indien aantoonbaar is voldaan aan voorschr"},{"i":7384,"b":"Wet van 7 juli 2010 tot wijziging van onder meer Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet documentatie vennootschappen in verband met het vervallen van de verklaring van geen bezwaar en het verbeteren en uitbreiden van de controle op rechtspersonen met het oog op de voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verklaring van geen bezwaar te laten vervallen en de controle op rechtspersonen met het oog op de voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen te verbeteren en uit te breiden, onder meer door middel van het doen van een risicomelding; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II Wijzigt de Wet documentatie vennootschappen. Artikel III Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel IV Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel V Wijzigt de Wet vrijwillige zetelverplaatsing derde landen. Artikel VI 1. Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. 2. Ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een besluit als bedoeld in de [artikelen 174a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=174a) en [284a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=284a) dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, blijft het recht zoals dat voor dat tijdstip gold van toepassing. Artikel VIa Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VIb Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel VII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel VIII Wijzigt deze wet. Artikel IX Wijzigt de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht. Artikel X Wijzigt deze wet. Artikel XI Deze wet"},{"i":14572,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 7 augustus 2018, kenmerk 1373080-178630-WJZ, houdende voorschriften over de wijze van en termijn voor de verstrekking van gegevens in het kader van het implantatenregister ter bescherming van de gezondheid van cliënten (Regeling registratie implantaten) Gelet op [artikel 7b, vierde lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=7b); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (totstandkoming implantatenregister ter bescherming gezondheid cliënten) in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **verordening:** Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van [Richtlijn 2001/83/EG](32001L0083), Verordening (EG) nr. 178/2002 en [Verordening (EG) nr. 1223/2009](32009R1223), en tot intrekking van [Richtlijnen 90/385/EEG](31990L0385) en [93/42/EEG](31993L0042) van de Raad (PbEU 2017, L 117); - **wet:** [Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173). Artikel 2 De schriftelijke verstrekking van de gegevens over een bij een cliënt ingebracht implantaat door de zorgverlener aan die cliënt, bedoeld in [artikel 7b, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=7b), vindt plaats uiterlijk een maand na de datum van de implantatie of de explantatie. Artikel 3 1. Bij de verstrekking van de gegevens over een bij een cliënt ingebracht implantaat door de zorgaanbieder aan het register, bedoeld in [artikel 7b, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=7b): - a. wordt de naam van de zorgaanbieder verstrekt door middel van het nummer, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=11); - b."},{"i":14578,"b":"Regeling rekenmethode inhoudingen Gelet op de [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=30), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=31) en [32 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=32); Besluiten: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Het is de werkgever toegestaan een eigen rekenmethode te hanteren bij periodieke vaststelling van de inhoudingen op het loon van de werknemer ter zake van arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en ziekte, mits: - a. de som van de bedragen van de berekende inhoudingen in een jaar gelijk zijn aan het bedrag van de inhoudingen berekend op jaarbasis; en - b. de door de werkgever gehanteerde franchise in evenredigheid is met de betalingstermijn. Artikel 3 1. Gedurende de tijd waarin de werknemer volledig is ontheven van de uitoefening van zijn betrekking en in verband daarmee geen loon geniet wordt bij de vaststelling van de heffingsgrondslag rekening gehouden met een aangepaste franchise en een aangepaste maximumpremiegrens. 2. De in het eerste lid bedoelde aanpassing is een evenredige vermindering van de franchise en de maximumpremiegrens met een bedrag dat zich in dezelfde mate tot respectievelijk de franchise en de maximumpremiegrens verhoudt, als een deel van het kalenderjaar waarin de in het eerste lid bedoelde omstandigheid zich voordoet, tot het kalenderjaar. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling rekenmethode inhoudingen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9130,"b":"Protocol nr. 16 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Hoge Verdragsluitende Partijen bij het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](onbekend), ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen „het Verdrag”), die dit Protocol hebben ondertekend, Gelet op de bepalingen van het [Verdrag](onbekend) en, in het bijzonder, [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=19) daarvan waarbij het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna te noemen „het Hof”) wordt opgericht; Overwegende dat de uitbreiding van de bevoegdheid van het Hof adviezen uit te brengen de interactie tussen het Hof en nationale autoriteiten verder verbetert en daarmee de uitvoering van het [Verdrag](onbekend) versterkt, in overeenstemming met het beginsel van subsidiariteit; Gelet op opinie nr. 285 (2013) aangenomen door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa op 28 juni 2013; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Hoogste rechterlijke instanties van een Hoge Verdragsluitende Partij, zoals aangewezen in overeenstemming met [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006299&artikel=10&z=2019-06-01&g=2019-06-01), kunnen het Hof verzoeken advies uit te brengen over principiële vragen inzake de uitlegging of toepassing van de rechten en vrijheden die zijn omschreven in het [Verdrag](onbekend) of de protocollen daarbij. 2. De verzoekende rechterlijke instantie mag uitsluitend om advies verzoeken binnen de context van een bij haar aanhangige zaak. 3. De verzoekende rechterlijke instantie omkleedt haar verzoek met redenen en verstrekt de relevante juridische en feitelijke achtergrond van de aanhangige zaak. Artikel 2 1. Een college van vijf rechters van de Grote Kamer beslist of het verzoek om advies al dan niet in behandeling wordt genomen, rekening houdend met [artikel 1](https://wetten.overhei"},{"i":14580,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie houdende voorschriften betreffende de berekening en uitkering van de rente, toegevoegd aan de bijzondere rekeningen van gerechtsdeurwaarders Gelet op [artikel 19, zevende lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=19), Besluit: Artikel 1 Tenzij de gerechtsdeurwaarder en de rechthebbende schriftelijk anders zijn overeengekomen, wordt de aan het aandeel van de rechthebbende op de bijzondere rekening of rekeningen toegevoegde rente zo snel mogelijk, doch uiterlijk gelijk met het aandeel aan de rechthebbende uitgekeerd. Artikel 2 De rente wordt berekend aan de hand van het rentepercentage dat in het normale economische verkeer, mede gelet op het gemiddelde bedrag op de bijzondere rekening of rekeningen, gebruikelijk is. Artikel 3 1. Indien het aandeel van de rechthebbende op de bijzondere rekening of rekeningen bij aanvang van iedere eerste dag van twee opeenvolgende maanden hoger is dan € 500, wordt de rente per maand berekend over de helft van de som van het aandeel bij aanvang van genoemde dagen. 2. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt bij de vaststelling van de hoogte van het aandeel niet betrokken het aandeel van de rechthebbende in ontvangen bedragen, voor zover dat aandeel aan de rechthebbende is uitgekeerd binnen vijf dagen nadat het bedrag op de bijzondere rekening of rekeningen is ontvangen. 3. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt de rente die gedurende enige maand over het aandeel van de rechthebbende is gekweekt, geacht aan dat aandeel te zijn toegevoegd op de tweede dag van de dag van de daarop volgende maand. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het aandeel van de rechthebbende in ontvangen bedragen groter dan € 10.000, dat niet aan de rechthebbende is uitgekeerd binnen vijf dagen nadat het bedrag op de bijzondere rekening of rekeningen is ontvangen. In dat geval wordt de rente berekend over de periode waarin het aandeel van de rechthebben"},{"i":14581,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 29 april 2015, nr. 636346, houdende regels over de wijze van berekening en uitkering van de rente van de op een bijzondere rekening gestorte gelden voor het notarisambt in Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling rente bijzondere rekeningen notarissen BES) Gelet op [artikel 76a, zevende lid, van de Wet op het notarisambt BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028457&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 1. De rente wordt berekend aan de hand van het rentepercentage dat in het normale economische verkeer gebruikelijk is, mede gelet op de omvang van het bedrag en de tijdsduur dat het bedrag op de bijzondere rekening(en) staat. 2. De rente wordt berekend naar evenredigheid van hetgeen ten gunste van de rechthebbende op de bijzondere rekening(en) is gestort. Artikel 2 1. Tenzij schriftelijk anders overeengekomen, wordt de aan het aandeel van de rechthebbende op de bijzondere rekening(en) toegevoegde rente zo snel mogelijk, doch uiterlijk gelijk met het aandeel aan de rechthebbende, uitgekeerd. 2. De rente over het aandeel van de rechthebbende op de bijzondere rekening(en) wordt volledig uitgekeerd aan de rechthebbende. Artikel 3 De eventuele kosten in verband met de renteberekening dan wel het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening(en) mogen niet met de rente over het aandeel van de rechthebbende op de bijzondere rekening(en) worden verrekend. Artikel 4 In afwijking van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036605&artikel=1&z=2015-05-12&g=2015-05-12) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036605&artikel=2&z=2015-05-12&g=2015-05-12) behoeft geen rente te worden vergoed in de volgende gevallen: - a. bij kortlopende transacties in geval van rente op tegoeden die maximaal vijf werkdagen onder het beheer van de notaris hebben gestaan; - b. over de overdrachtsbelasting gedurende de termijn als bedoeld in de [Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":14582,"b":"Regeling residuen van genees- en bestrijdingsmiddelen in visserijproducten BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Artikel 1 Van de navolgende diergeneesmiddelen mag het residu in de erbij vermelde visserijproducten het aangegeven maximale gehalte niet overschrijden: | substantie | indicator-residu | diersoort | maximaal gehalte per kg | weefsel | | --- | --- | --- | --- | --- | | azamethifos | azamethifos | zalm | 100 g/kg | spier en huid | | sarafloxacine | sarafloxacine | salmoniden | 30 g/kg | spier en huid | Artikel 2 Van de navolgende bestrijdingsmiddelen mag het residu in de erbij vermelde visserijproducten het aangegeven maximale gehalte niet overschrijden: | Bestrijdingsmiddel: bestanddeel daarvan of omzettingsproduct | Omzettingsproducten, inbegrepen in de toegelaten maximale gehaltes | wijze waarop de maximale gehaltes aan residuen zijn uitgedrukt | toegelaten maximale gehaltes aan residuen (in milligram per kilogram) | | --- | --- | --- | --- | | aldrin | dieldrin | afzonderlijk of gezamenlijk uitgedrukt in dieldrin (HEOD) | aal vislever overige producten 0,05 | | chloordaan | oxychloordaan | som van de cis- en transisomeren en oxychloordaan, uitgedrukt in chloordaan | aal vislever overige producten 0,02 | | DDT | p.p.-DDE en p.p.-TDE | som van p.p.-DDT, o.p.-DTT, p.p.-DDE en p.p.-TDE, uitgedrukt in DDT | aal vislever overige producten | | endrin | geen | endrin | aal vislever overige producten | | alfa-HCH | geen | alfa-HCH | aal vislever overige producten | | beta-HCH | geen | beta-HCH | aal vislever overige producten | | heptachloor | heptachloor epoxyde | som van heptachloor en heptachloor epoxyde, uitgedrukt in heptachloor | aal vislever overige producten | | hexachloorbenzeen | geen | hexachloorbenzeen | aal vislever overige producten | | lindaan | geen | lindaan | aal vislever overige producten | | daminozide | 1,1-dimethyl-hydrazine | daminozide | overige produ"},{"i":14584,"b":"Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009 Gelet op de [artikelen 2, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=2), [3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=3), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=7), [9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=9), [12a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=12a), [12b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=12b), en [12c, tweede lid, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=12c) en [artikel 33, eerste en tweede lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Hoofdstuk 2. Aanwijzing van het instituut Hoofdstuk 2. Aanwijzing van het instituut Hoofdstuk 4. Examen Hoofdstuk 3. Geschiktheidstest Hoofdstuk 6. Bijscholing Hoofdstuk 4. Examen Hoofdstuk 8. Toezicht door rijksgecommitteerden Hoofdstuk 5. Stage Hoofdstuk 5. Stage Hoofdstuk 6. Bijscholing Hoofdstuk 12. Migrerende beroepsbeoefenaars Hoofdstuk 6. Bijscholing Artikel 25 1. In afwijking van [artikel 5, derde lid, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025890&hoofdstuk=5&artikel=5&z=2023-04-01&g=2023-04-01), en [artikel 5a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025890&hoofdstuk=5&artikel=5a&z=2023-04-01&g=2023-04-01), blijven degenen die stagebegeleiders waren voor de inwerkingtreding van de [Wet van 19 december 2018 tot wijziging van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 (wijzigingen naar aanleiding van evaluatie, nascholing beroepschauffeurs, bestuursrechtelijke handhaving en enkele verbeteringen)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041825) (Stb. 2019, 6) aangewezen als stagebegeleider. 2. Met ingang van 1 oktober 2022 wordt in [artikel 5a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":14588,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 20 september 2013, kenmerk Z-151938-110091, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2014 (Regeling risicoverevening 2014) Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Regels ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) ten behoeve van een zorgverzekeraar Hoofdstuk 4. Aanvullingen op de vereveningsbijdrage aan een zorgverzekeraar Hoofdstuk 5. Betaling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraar door het college zorgverzekeringen Hoofdstuk 6. Wijziging van de [Regeling risicoverevening 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032525) Artikel 22 Wijzigt de Regeling risicoverevening 2013. Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Bijlage 1. behorende bij [artikelen 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033959&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2013-10-18&g=2013-01-01) en [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033959&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2013-10-18&g=2013-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2. behorende bij [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033959&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2013-10-18&g=2013-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 3. behorende bij [artikel 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033959&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2013-10-18&g=2013-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 4. behorende bij [artikelen 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033959&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2013-10-18&g=2013-01-01), en [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033959&hoofdstuk=4&artikel=20&z=2013-10-18&g=2013-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Gelet op [artikel 32, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en de [artikelen 1, onderdel"},{"i":7596,"b":"Gegevensbesluit rechten van gebruik in deeltijd van onroerende zaken BES Artikel 1 De akte, bedoeld in [artikel 48b, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028751&artikel=48b) bevat ten minste de volgende gegevens: - a. de naam en de woonplaats van de partijen, met nauwkeurige vermelding van de rechtsvorm waarin de verkoper zijn beroep of bedrijf uitoefent alsmede, indien de verkoper niet zelf de eigenaar is van de in de koop bedoelde onroerende zaak, de naam en de woonplaats van de eigenaar van die onroerende zaak; - b. een nauwkeurige omschrijving van de aard van het in de koop bedoelde recht alsmede, indien een in de koop bedoelde onroerende zaak hier te lande is gelegen, de vereisten voor de uitoefening van dat recht, de vermelding dat aan die vereisten is voldaan, dan wel, indien zulks niet het geval is, aan welke van die vereisten nog moet worden voldaan; - c. indien de koop een bepaalde onroerende zaak betreft: een nauwkeurige omschrijving van die onroerende zaak en van de ligging daarvan alsmede, indien bedoelde onroerende zaak hier te lande is gelegen, vermelding van de gegevens, bedoeld in [artikel 20, eerste lid, van de Wet openbare registers BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028516&artikel=20); - d. indien de koop een te bouwen onroerende zaak betreft: - 1°. de mate van voltooiing van die onroerende zaak; - 2°. een verantwoorde schatting van de voor de voltooiing van die onroerende zaak benodigde termijn; - 3°. indien het gaat om een bepaalde onroerende zaak: het nummer van de bouwvergunning en de naam en het adres van het bevoegde bestuursorgaan of de bevoegde bestuursorganen; - 4°. de mate van voltooiing van de gemeenschappelijke diensten die die onroerende zaak gereed maken voor gebruik, zoals aansluiting op gas, elektriciteit, water en telefoon; - 5°. voor zover van toepassing: waarborgen voor de deugdelijke voltooiing van die onroerende zaak en, voor het geval dat bedoelde voltooii"},{"i":14589,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 15 januari 2015, kenmerk 700539-130993-Z, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2015 (Regeling risicoverevening 2015) Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Regels ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) ten behoeve van een zorgverzekeraar Hoofdstuk 4. Aanvullingen op de vereveningsbijdrage aan een zorgverzekeraar Hoofdstuk 5. Betaling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraar door het Zorginstituut Hoofdstuk 6. Wijziging van de [Regeling risicoverevening 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032525) en [2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033959) Artikel 20 Wijzigt de Regeling risicoverevening 2013. Artikel 21 Wijzigt de Regeling risicoverevening 2014. Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Bijlage 1. behorende bij [artikelen 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036251&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2015-02-10&g=2013-09-30) en [11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036251&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2015-02-10&g=2013-09-30) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2. , behorende bij [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036251&hoofdstuk=2&artikel=6&z=2015-02-10&g=2013-09-30) en [artikel 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036251&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2015-02-10&g=2013-09-30) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 3. , behorende bij [artikelen 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036251&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2015-02-10&g=2013-09-30) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Gelet op [artikel 32, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en de [artikelen 1, onderdelen i, j, k en aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1), [3.1,"},{"i":14591,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 september 2016, kenmerk 839984-141498-Z, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2017 (Regeling risicoverevening 2017) Gelet op [artikel 32, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en de [artikelen 1, onderdelen i, j, k en aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1), [3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.1), [3.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.2), [3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.4), [3.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.6), [3.7a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.7a), [3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.8), [3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.10), [3.11, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.11), [3.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.12), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.13), [3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.14), [3.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.15), [3.19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.19), en [3.22, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.22); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **dure intramurale geneesmiddelen:** geneesmiddelen die de zorg, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4) krachtens het tweede lid van dat artikel, niet omvat; - b. **ZVZ:** zorgvraagzwaarte, ee"},{"i":14595,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 juni 2022, kenmerk 3383966-1031067-Z, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2021 (Regeling risicoverevening 2021) Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Regels ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) ten behoeve van een zorgverzekeraar Hoofdstuk 4. Aanvullingen op de vereveningsbijdrage aan een zorgverzekeraar Hoofdstuk 5. Betaling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraar door het zorginstituut Hoofdstuk 2. Regels ten behoeve van de toekenning van de vereveningsbijdrage (ex ante) aan een zorgverzekeraar Artikel 21 1. Wijzigt de Regeling risicoverevening 2019. 2. Wijzigt de Regeling risicoverevening 2020. Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Bijlage 1. Normbedragen vereveningsmodel variabele zorgkosten (behorende bij [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046846&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2022-07-02&g=2019-09-30) en [artikel 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046846&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2022-07-02&g=2019-09-30), van de Regeling risicoverevening 2021) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2. Normbedragen vereveningsmodel geneeskundige GGZ(behorende bij [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046846&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2022-07-02&g=2019-09-30) van de Regeling risicoverevening 2021) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 3. Normbedragen vereveningsmodel geneeskundige GGZ bij toepassing van hogekostencompensatie (behorende bij [artikel 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046846&hoofdstuk=3&artikel=11&z=2022-07-02&g=2019-09-30), van de Regeling risicoverevening 2021) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 4. Normbedragen vereveningsmodel voor de eigen betalingen ten gevolge van het verplicht eigen risico alleen volwassenen zonder FKG/"},{"i":14598,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 april 2025, kenmerk 4083501-1081010-Z, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2024 (Regeling risicoverevening 2024) Gelet op [artikel 32, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en de [artikelen 1, onderdelen i, j, aa en ii](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1), [3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.1), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.2), [3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.4), [3.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.6), [3.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.8), [3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.10), [3.11, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.11), [3.12a, eerste, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.12a), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.13), [3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.14), [3.15, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.15), [3.19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.19), en [3.22, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.22); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **verstrekking van een duur intramuraal geneesmiddel:** verstrekking van een intramuraal geneesmiddel die krachtens [artikel 2.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), of [artikel 2.4a, eerste lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00184"},{"i":4347,"b":"Besluit van 11 april 2024, houdende regels met betrekking tot het verplicht elektronisch doen van verzoeken en mededelingen en de indiening en de verzending van processtukken in civiele prejudiciële procedures bij de Hoge Raad (Besluit verplicht elektronisch procederen in civiele prejudiciële procedures Hoge Raad) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 1 februari 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5204820; Gelet op [artikel 33, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=33); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 maart 2024, nr. W16.24.00038/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 5 april 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5339576; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het doen van verzoeken en mededelingen en de indiening en verzending van processtukken door advocaten bij de Hoge Raad en de uitwisseling van overige berichten en stukken tussen de Hoge Raad en advocaten bij de Hoge Raad in procedures als bedoeld in de [Tiende titel A van het eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&titeldeel=Tiende_A), worden langs elektronische weg gedaan, tenzij de Hoge Raad anders bepaalt. Artikel 2 Op een civiele prejudiciële procedure bij de Hoge Raad waarbij vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit door de rechter een beslissing is genomen als bedoeld in [artikel 392, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=392), blijft het recht van toepassing zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verplicht elektronisch procederen in civiele prejudiciële procedures Hoge Raad. Lasten en bevelen dat dit besluit met de"},{"i":2606,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 27 maart 2008, nr. DMV/HH-0058/08, tot vaststelling van beleidsregels voor subsidiëring van humanitaire hulp op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Beleidsregels Humanitaire Hulp 2008) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [artikel 3.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=3.1); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 3.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=3.1) in het kader van humanitaire hulp gelden voor de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 de beleidsregels zoals neergelegd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt. Bijlage Beleidsregels Humanitaire Hulp 2008 en annexen **Inleiding** Op grond van [art. 3.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=3.1) heeft de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking de bevoegdheid subsidie te verlenen ten behoeve van noodhulp of conflictbeheersing. In deze beleidsregels voor humanitaire hulp wordt het beleid van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking met betrekking tot subsidieverlening aan NGO’s ten behoeve van humanitaire hulp nader ingevuld. De beleidsregels kunnen tevens dienen als hulpmiddel bij het indienen van subsidieaanvragen. De indeling van dit beleidskader is als volgt: Hoofdstuk 1 geeft aan wat de algemene doelstellingen zijn van humanitaire hulp en welke strategie Nederland daarbij hanteert. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen chronische crises waaraan Nederland specifiek aandacht besteedt, overige crisissituatie"},{"i":14600,"b":"Besluit van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 1 augustus 2024, nr. OJ2425RO, tot vaststelling van een subsidieregeling Ruimte voor Onderzoeksjournalistiek 2024–2025 Handelend in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3) en [8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **Journalistiek handelen:** het vergaren, verwerken en verspreiden van informatie en nieuws, waarbij: - i. het gaat om onafhankelijk tot stand gekomen berichtgeving die bestemd is voor een breed publiek en die bestaat uit originele, eigen content die niet machine-gegenereerd is; - ii. gestreefd wordt naar zo accuraat en evenwichtig mogelijke berichtgeving; en - iii. verantwoording wordt afgelegd en transparant wordt gehandeld en waarbij de afzender van de content duidelijk wordt gemaakt. - b). **Journalistieke bedrijfstak:** het geheel van private en publieke nieuwsorganisaties gevestigd in Nederland, waarvan de activiteiten zijn gericht op de Nederlandse markt. - c). **Nieuwsorganisatie:** een organisatie binnen de journalistieke bedrijfstak waar minimaal 3 fte aan journalisten, in vaste dienst of op freelancebasis, werkzaam zijn en met als hoofdactiviteit het maken en leveren van een dienst of product waarbij: - i. minimaal 25% van het product of de dienst tot stand is gekomen op basis van journalistiek handelen; en - ii. die staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. - d). **Onderzoeksjournalistiek:** kritisch en diepgravend journalistiek onderzoek: - i. dat wordt uitgevoerd op basis van een onafhankelijk geformuleerde onderzoeksvraag (waarmee vooral bedoeld wordt dat de opzet is om langs journalistieke weg iets te onderzoeken, anders dan aan te tonen) en met toepassing van specifiek onderzoek"},{"i":14614,"b":"Regeling slepen BES Artikel 1 Ontheffing van het verbod in [artikel 84, eerste lid, van het Besluit luchtverkeer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028639&artikel=84) kan worden verleend aan gezagvoerders van sleepvliegtuigen voor het uitvoeren van een VFR-vlucht met inachtneming van de volgende regels: - a. Een ontheffing kan verleend worden voor een periode van zes maanden; - b. de gezagvoerder beschikt over de bevoegdverklaring ‘sleepvliegen’; - c. het luchtvaartuig, waarmede de sleepvlucht wordt uitgevoerd moet voldoen aan de luchtwaardigheidseisen zoals die door de Minister worden vastgesteld; - d. boven het grondgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot 200 m buiten de kustlijn wordt de sleepvlucht, behalve wanneer dat nodig is om op te stijgen of te landen, uitgevoerd op tenminste 400 m boven de hoogste hindernis, die zich binnen een afstand van 600 m van het sleepvliegtuig bevindt; - e. indien het sleepvliegen zal plaatsvinden in een plaatselijk verkeersleidingsgebied wordt dit in het vliegplan vermeld onder aanduiding van de verwachte tijd van de sleepvlucht. De terzake gegeven aanwijzingen van de betrokken verkeersleidingsdienst moeten worden opgevolgd; - f. het afwerpen van sleepkabel en sleep moet zodanig plaatsvinden dat deze neerkomen zonder schade toe te brengen aan personen of zaken; - g. het doen neerkomen op een luchtvaartterein mag alleen met schriftelijke toestemming en met inachtneming van de voorschriften van de luchthavenmeester van het desbetreffende luchtvaartterrein. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling slepen BES. Artikel 3 Deze regeling berust op [artikel 84, tweede lid, van het Besluit luchtverkeer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028639&artikel=84)."},{"i":14616,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 22 oktober 2015, nr. WJZ/15116106, houdende voorschriften betreffende de S&O-afdrachtvermindering (Regeling S&O-afdrachtvermindering) Gelet op de [artikelen 1, derde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=1), [22, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=22), [23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=23),[24, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=24); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **S&O-aanvraag:** aanvraag als bedoeld in [artikel 22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=22), of [artikel 27, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=27); - **S&O-mededeling:** mededeling als bedoeld in [artikel 24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=24), of [artikel 27, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=27); - **S&O-opgave:** opgave als bedoeld in [artikel 22, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=22); - **werk:** werk dat in de S&O-verklaring is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk; - **wet:** [Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746). Artikel 2 Tot speur- en ontwikkelingswerk wordt niet gerekend: - a. het bouwen of inrichten van apparatuur bestemd voor toepassing in de praktijk; - b. werkzaamheden met betrekking tot het invoeren en aanpassen van aangeschafte of aan te schaffen technologie, producten, processen of programmatuur, dan wel onderdelen daarvan onverminderd het bepaalde in onderdeel s, onder 5°; - c. onderzoek naar de aanwezigheid van delfstoffen; - d. he"},{"i":14617,"b":"Regeling specialisten geneeskunst Gelet op [artikel 14, eerste en zesde lid, onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); Besluit: Artikel 1 1. De Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten, vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst van 30 juni 1998, wordt goedgekeurd. 2. De titels, verbonden aan de specialismen die krachtens de in het eerste lid van bedoelde regeling in het leven zijn geroepen, zijn wettelijk erkende specialistentitels. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 oktober 1998. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specialisten geneeskunst. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14618,"b":"Regeling specialisten Pharmacie Gelet op [artikel 14, eerste en zesde lid, onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); Besluit: Artikel 1 1. De Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten, vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie van 7 oktober 1998, wordt goedgekeurd. 2. De titels, verbonden aan de specialismen die krachtens de in het eerste lid van bedoelde regeling in het leven zijn geroepen, zijn wettelijk erkende specialistentitels. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de goedkeuring van de Minister. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specialisten Pharmacie Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14619,"b":"Regeling specialisten tandheelkunde Gelet op [artikel 14, eerste en zesde lid, onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); Besluit: Artikel 1 1. De Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten, vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde van 28 november 1997, wordt goedgekeurd. 2. De titels, verbonden aan de specialismen die krachtens de in het eerste lid bedoelde regeling in het leven zijn geroepen, zijn wettelijk erkende specialistentitels. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specialisten tandheelkunde. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3399,"b":"Besluit capaciteitsraming, provinciale opvangopgave en indicatieve verdeling per gemeente 2026 Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=2) en [3 van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=3) en [artikelen 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049310&artikel=2.1) en [2.2 van het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049310&artikel=2.2); Besluit Maakt bekend: Regeling ook gepubliceerd in Stcrt. 2026/9053. Het aantal opvangplaatsen voor asielzoekers waaraan in de volgende twee jaren naar verwachting behoefte zal zijn, als bedoeld in [artikel 2, eerste lid van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=2), bedraagt in totaal 88.000 opvangplaatsen. De verdeling van het benodigd aantal opvangplaatsen over alle provincies, zoals bedoeld in [artikel 3, tweede lid van de Wet gemeentelijke mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=3) jo. [artikel 2.1, tweede lid van het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049310&artikel=2.1), bedraagt het aantal opvangplaatsen per provincie zoals opgenomen in tabel 1. 1 Betreft het aantal asielopvangplaatsen die op basis van een afgesloten bestuursovereenkomst op 31 december 2028 beschikbaar zijn. Hierbij zijn verwachte openingen meegenomen als deze in de realisatiefase of planvormingsfase zijn, waarbij voor deze laatste groep een onzekerheidsmarge wordt gehanteerd. De peildatum is 1-2-2026. Bron: COA De indicatieve verdeling van het benodigd aantal opvangplaatsen per gemeente, zoals bedoeld in [artikel 3, tweede lid van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&arti"},{"i":14634,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 3 juli 2019, nr. WJZ/ 19151179, houdende maatregelen aanpak stuwmeer schademeldingen Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (Regeling Stuwmeer TCMG) Gelet op [artikel 4:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **Besluit:** [Besluit mijnbouwschade Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040584); - –. **fysieke schade:** fysieke schade aan gebouwen en werken die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg; - –. **Commissie:** Tijdelijke commissie mijnbouwschade Groningen, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040584&artikel=3); - –. **gebouwen en werken:** gebouwen en werken met uitzondering van: - a. industriegebouwen zoals gebouwen voor de vervaardiging van chemische producten; - b. infrastructurele werken zoals openbare wegen, openbare bruggen, openbare riolering, dijken en netten als bedoeld in [artikel 1 van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=1) en [artikel 1 van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=1); - –. **overige schade:** - a. materiële schade die het gevolg is van fysieke schade, waaronder de bijkomende kosten genoemd in [bijlage 2 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040584&bijlage=2); - b. overlastvergoeding als bedoeld in [bijlage 2 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040584&bijlage=2); - c. wettelijke rente. Artikel 2 1. De Commissie heeft tot taak te besluiten op verzoeken om vergoeding als bedoeld in [artikel 3, eerste en tweede lid](https://we"},{"i":6938,"b":"Regeling houdende vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden als bedoeld in artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2006: | Categorie 1 | € 82,80 | voor vierwielige personenauto’s en bestelauto’s; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | € 27,60 | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | € 82,80 | voor autobussen en vrachtauto’s; | | Categorie 4 | € 82,80 | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 5 | € 165,60 | voor trekkers met opleggers; | | Categorie 6 | € 27,60 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 27,60 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 27,60 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14642,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 7 februari 2025 (2025-0000001587), houdende regels inzake de taakuitoefening en bevoegdheden van de belangenbehartiger voor belastingplichtigen, belastingschuldigen als bedoeld in de Invorderingswet 1990 en belanghebbenden als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Regeling taakuitoefening en bevoegdheden BBT) Gelet op [artikel 41f van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=41f); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **belangenbehartiger:** de belangenbehartiger, bedoeld in [artikel 41d, eerste lid, van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=41d); - b. **belanghebbende:** de belastingplichtige, de belastingschuldige, bedoeld in de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770), of de belanghebbende op grond van de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472); - c. **Dienst Toeslagen:** de Dienst Toeslagen zoals bedoeld in [artikel 11, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=11); - d. **inspecteur:** de inspecteur, bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2); - e. **minister:** de Minister van Financiën; - f. **ministerie:** het Ministerie van Financiën; - g. **ontvanger:** de ontvanger, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=2). Paragraaf 2. Taakuitoefening en bevoegdheden Artikel 2. In behandeling nemen van een casus 1. Uitsluitend een (maatschappelijk) intermediair of een bestuursorgaan kan een casus aandragen bij de belangenbehartiger"},{"i":14643,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 24 juni 2022 (2022-163738), houdende regels inzake de taakuitoefening en bevoegdheden van de inspectie belastingen, toeslagen en douane (Regeling taakuitoefening en bevoegdheden IBTD) Gelet op [artikel 41c van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=41c); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **inspecteur-generaal:** inspecteur-generaal belastingen, toeslagen en douane; - b. **inspectie:** de inspectie belastingen, toeslagen en douane, genoemd in [hoofdstuk 8a van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=8A); - c. **minister:** Minister van Financiën; - d. **ministerie:** Ministerie van Financiën. Paragraaf 2. Taakuitoefening en bevoegdheden Artikel 2. Werkprogramma 1. De inspectie richt haar werkzaamheden in op basis van een werkprogramma, waarin de risicoanalyse, aandachtsvelden en, voor zover mogelijk, de geplande onderzoeken, alsmede het voor het volgende kalenderjaar in de rijksbegroting vastgestelde budget voor de inspectie zijn opgenomen. 2. De inspecteur-generaal stelt het werkprogramma vast en biedt het door hem vastgestelde werkprogramma jaarlijks vóór 1 november ter goedkeuring aan de minister aan. 3. De minister biedt het door hem nog goed te keuren werkprogramma onverkort en terstond na ontvangst aan beide Kamers der Staten-Generaal aan. 4. De minister verleent zijn goedkeuring aan het werkprogramma niet eerder dan vier weken nadat het door hem aan beide Kamers der Staten-Generaal is aangeboden, maar uiterlijk op 31 december. De minister doet onverwijld mededeling van de goedkeuring aan beide Kamers der Staten-Generaal. 5. De minister onthoudt zijn goedkeuring aan het werkprogramma van de inspectie slechts indien het werkprogramma op ondeugdelijke wijze tot stand is gekomen. Indien de minister zij"},{"i":12929,"b":"Besluit van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 16 juli 2025, nr. THO002, tot vaststelling van een Thematische oproep Leiderschap en journalistieke innovatie Handelende in overeenstemming met de demissionair Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Gelet op de [artikelen 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3) en [8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **Innovatie:** het ontwikkelen van nieuwe journalistieke producten of diensten voor de eigen organisatie of journalistieke sector en/of het aanboren van een nieuwe markt en/of voor het implementeren van nieuwe werkprocessen binnen de organisatie. - b). **journalistieke informatiebron (journalistieke organisatie):** een organisatie binnen de journalistieke bedrijfstak met als (hoofd)activiteit het maken en leveren van een dienst of product waarbij: - i. het product of de dienst gericht is op het Nederlandse publiek; en - ii. minimaal 25% van het product of de dienst tot stand is gekomen op basis van journalistiek handelen; en - iii. de publicatiefrequentie minimaal een keer per twee weken is en daarmee sprake is van een informatiebron waartoe burgers zich met een vaste regelmaat kunnen wenden; en - iv. die staat ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel. - c). **journalistieke bedrijfstak:** het geheel van private en publieke journalistieke informatiebronnen (journalistieke organisaties) gevestigd in Nederland, waarvan de activiteiten zijn gericht op de Nederlandse markt. - d). **journalistiek handelen:** het vergaren, verwerken en verspreiden van informatie en nieuws, waarbij: - i. het gaat om onafhankelijk tot stand gekomen berichtgeving die bestemd is voor alle geledingen binnen de samenleving en die bestaat uit originele, eigen content die niet machine-gegenereerd is; - ii. gestreefd wordt naar zo accuraat en evenwichtig mogelijke b"},{"i":18242,"b":"Besluit van de Minister voor Natuur en Stikstof van 20 december 2022, nr. WJZ/ 22564959, houdende volmacht en machtiging voor het Rijksvastgoedbedrijf (Besluit volmacht en machtiging LNV voor het Rijksvastgoedbedrijf) Gelet op [artikel 60 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=60); gezien de schriftelijke instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en handelende in overeenstemming met de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; Besluit: Artikel 1 1. Aan de directeur-generaal Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt volmacht en machtiging verleend voor: - a. het aankopen van onroerende zaken ten behoeve van de nationale grondbank, en - b. het uitvoeren van het materieel beheer van de hiervoor bedoelde onroerende zaken. 2. Op de volmacht en machtiging als hier bedoeld is het [mandaatbesluit van BZK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046217) van overeenkomstige toepassing. 3. De directeur-generaal van het Rijksvastgoedbedrijf is bevoegd tot het verlenen van ondervolmacht en ondermachtiging aan onder hem ressorterende functionarissen. Hierop is het [mandaatbesluit van het Rijksvastgoedbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043265) van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 De directeur-generaal Rijksvastgoedbedrijf wordt geacht te hebben ingestemd met de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047674&artikel=1&z=2022-12-23&g=2022-12-23) genoemde verlening van volmacht en machtiging, zodra hij van deze volmacht en machtiging gebruik heeft gemaakt of ter zake ondervolmacht en -machtiging heeft verleend aan een of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 3 Ondertekening van documenten waarmee een bevoegdheid op grond van dit besluit wordt uitgeoefend, vindt plaats op de volgende wijze: Namens de Staat der Nederlanden, de Minister voor Natuur en Stikstof, namens deze, (handtekenin"},{"i":17378,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 maart 2021, houdende nadere regels inzake participatieraden (Regeling participatieraden BES) Gelet op [artikel 72q van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=72q); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **college van advies en geschillen:** college van advies en geschillen, bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045334&artikel=22&z=2021-07-06&g=2021-07-06); - c. **diensthoofd:** diensthoofd van de betrokken organisatie-eenheid; - d. **instellingsbesluit:** besluit op grond van [artikel 72k, eerste of derde lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=72k) tot instelling van een participatieraad onderscheidenlijk een centrale participatieraad; - e. **overleg:** open en reëel overleg als bedoeld in [artikel 72j, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=72j); - f. **overlegvergadering:** overlegvergadering als bedoeld in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045334&artikel=16&z=2021-07-06&g=2021-07-06); - g. **reglement:** reglement als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045334&artikel=10&z=2021-07-06&g=2021-07-06), of [artikel 21, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045334&artikel=21&z=2021-07-06&g=2021-07-06); - h. **Sectorale Overlegcommissie BES:** Sectorale Overlegcommissie BES, bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit overlegstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028779&artikel=2.1); - i. **werkzame personen:** - –. ambtenaren in dienst van de Staat; - –. zij met wie een arbeidsovereenkomst is gesloten naar burgerlijk recht; - –. zij die door het diens"},{"i":17967,"b":"Wet van 7 juli 1993, houdende wijziging van enkele onderwijswetten in verband met nascholing Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele onderwijswetten te wijzigen in verband met de bekostiging van nascholing ten behoeve van het primair en het voortgezet onderwijs; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIV Vervallen Artikel XV Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1993 met uitzondering van: - a. de [artikelen VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006070&artikel=VI&z=2013-07-04&g=2013-07-04), [VIII onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006070&artikel=VIII&z=2013-07-04&g=2013-07-04) en [X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006070&artikel=X&z=2013-07-04&g=2013-07-04) die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin deze wet wordt geplaatst, - b. [artikel IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006070&artikel=IX&z=2013-07-04&g=2013-07-04) dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin deze wet wordt geplaatst, en terugwerkt tot en"},{"i":18813,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 juni 2018 nr. BOACAT2018/034, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Centraal Justitieel Incassobureau Gelezen het verzoek van de directeur Uitvoering van het Centraal Justitieel Incassobureau van 24 april 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041084&artikel=2&z=2018-09-01&g=2018-09-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker verwerken en behandelen en in de functie van medewerker behandelen en ontwikkelen in dienst van het Centraal Justitieel Incassobureau, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar verme"},{"i":18573,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Beheer Rijksbegroting vanaf 1945 (Minister van Economische Zaken ) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 juni 2006, nr. arc-2006.03077/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken, als vakminister en als vakminister in Londen, binnen het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting (periode 1940–1993)’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. 98.28.RWS/JW d.d. 8 januari 1998 (gepubliceerd in de Staatscourant 1998, nr. 142)) wordt ingetrokken voor wat betreft de actor vakminister, handelingen 10, 80, 281, 288, 295, 296, 302, 305, 337, 340, 343, 351, 353, 357, 365, 368 en 369. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18792,"b":"Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst Dit besluit betreft een wijziging van het [besluit van 23 december 2015, nr. BLKB2015/1429M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037437), Stcrt. 2015, nr. 46501 (Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst) in verband met het verhogen van de boete bij inkeer van verzwegen vermogen van 60% naar 120% per 1 juli 2016. Deze wijziging is opgenomen in [paragraaf 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&hoofdstuk=1&paragraaf=7&z=2025-01-01&g=2025-01-01). Daarnaast is een verouderde verwijzing in [paragraaf 24a, derde lid, letter a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037437&paragraaf=24a) aangepast. Het voorgaande besluit wordt ingetrokken (zie [paragraaf 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&hoofdstuk=5&paragraaf=40&z=2025-01-01&g=2025-01-01)). Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Reikwijdte § 2. Begrip belanghebbende § 3. Ambtshalve vermindering § 4. Pleitbaar standpunt of avas § 5. Vrijwillige verbetering § 6. Straftoemeting § 7. Strafverminderende omstandigheden § 8. Strafverzwarende omstandigheden § 9. Dag van betaling § 10. Eenvoudige en uitvoerige procedure ([artikel 67pa van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67pa)) § 11. Mededelingsplicht § 12. Kennisgeving en hoorplicht bij vergrijpboete § 13. Recht op inzage § 14. Verhoor § 15. Keuze tussen verzuimboete, vergrijpboete of strafvervolging § 16. Vergrijpboete na verzuimboete bij nieuwe bezwaren ([artikel 67q van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67q)) Hoofdstuk 2. Verzuimboeten § 21. Aangifteverzuimboete aanslagbelasting [artikel 67a van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67a) § 22. Aangifteverzuimboete aangiftebelasting [artikel 67b, eerste lid, van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67b) § 22a. Aangifteverzuimboete loonbelasting [artikel 67b, tweede lid, van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel"},{"i":17794,"b":"Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de uitkeringen van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel te verlagen, waardoor een evenredige aanpassing plaatsvindt aan de verlaging van de uitkeringspercentages van overeenkomstige regelingen in de sociale verzekeringswetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepaling Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Ontslaguitkeringsregelingen: - -. het [Rijkswachtgeldbesluit 1959](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002326) - -. de [Uitkeringsregeling 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002537) - -. hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit WVO - -. hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit WLW - -. hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit KO/LO - -. de Militaire wachtgeldregeling 1961 - -. de [Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003538) 1982 - -. het [Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002931) - -. het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen - -. het Koninklijk besluit van 23 november 1972 (**Stb.** 671, wachtgeld herindeling gemeenten) - -. het Koninklijk besluit van 23 november 1972 (**Stb.** 672, uitkering herindeling gemeenten) - -. een regeling, overeenkomende met de hiervoor genoemde regelingen, getroffen door een publiekrechtelijk lichaam anders dan het Rijk, ten behoeve van het personeel"},{"i":17107,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2012 krachtens de Wet op de Rechtsbijstand Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad) kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsterreinen. Deze inschrijvingsvoorwaarden zijn algemeen verbindende voorschriften. De Raad stelt als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de [Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) dat het verzoek om inschrijving door de Raad volledig is behandeld en is ingewilligd. De Raad kan op grond van [art. 16 Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=16) uitsluitend in bijzondere gevallen een niet-ingeschreven advocaat toevoegen. Dit is het geval indien een rechtzoekende uitdrukkelijk en gemotiveerd om toevoeging van de niet-ingeschreven advocaat verzoekt of indien voor de verlening van rechtsbijstand op een bepaald rechtsterrein onvoldoende advocaten met de desbetreffende specialistische deskundigheid zijn ingeschreven. Het verstrekken van een toevoeging aan een niet-ingeschreven advocaat dient een uitzondering te blijven. Een advocaat die op grond van art. 16 Wrb vaker dan sporadisch een verzoek om toevoeging indient dient zich op grond van de Wrb te laten inschrijven. In ieder geval zal aan een niet-ingeschreven adv"},{"i":17381,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juni 2020, kenmerk 1671339-203979-WJZ, houdende nadere regels voor de uitvoering van pleegzorg op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling pleegzorg BES) Gelet op [artikel 4, tweede lid, van het Besluit pleegzorg BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043716&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **Besluit:** [Besluit pleegzorg BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043716) Artikel 2 1. Het in [artikel 4, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043716&artikel=4) bedoelde basisbedrag van de vergoeding voor de verzorging en opvoeding van een pleegkind bedraagt: - a. indien het pleeggezin woonachtig is op het openbaar lichaam Bonaire: | Leeftijd pleegkind | Bedrag per maand in USD | | --- | --- | | 0–8 jaar | 773 | | 9–11 jaar | 781 | | 12–15 jaar | 852 | | 16–17 jaar | 940 | | 18+ jaar | 950 | - b. indien het pleeggezin woonachtig is op het openbaar lichaam Sint Eustatius: | Leeftijd pleegkind | Bedrag per maand in USD | | --- | --- | | 0–8 jaar | 771 | | 9–11 jaar | 779 | | 12–15 jaar | 843 | | 16–17 jaar | 983 | | 18+ jaar | 935 | - c. indien het pleeggezin woonachtig is op het openbaar lichaam Saba: | Leeftijd pleegkind | Bedrag per maand in USD | | --- | --- | | 0–8 jaar | 814 | | 9–11 jaar | 822 | | 12–15 jaar | 891 | | 16–17 jaar | 1038 | | 18+ jaar | 987 | 2. Het basisbedrag bedoeld in het eerste lid, kan worden verminderd voor de periode gedurende welke een pleegkind als gevolg van bijzondere omstandigheden tijdelijk niet bij de pleegouder verblijft. Alsdan worden de door de pleegouder werkelijk gemaakte noodzakelijke kosten vergoed tot ten hoogste het basisbedrag. Artikel 3 1. Het basisbedrag, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043751&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt vermeerderd met een toeslag ter hoogte van USD 5,24 per dag: - a. zolang sprake is van een crisisp"},{"i":19037,"b":"Besluit van de directeur Advies, Regie en Centrale autoriteit van het directoraat-generaal Straffen en Beschermen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 11 april 2023, nr. 4502827, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur ressorterende functionarissen (Mandaatbesluit DARC/DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, onder c, van Mandaatbesluit DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048084&artikel=1) aan de directeur Advies, Regie en Centrale autoriteit verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun team betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het MT-lid Financieel Advies en Bedrijfsvoering; - b. het MT-lid Juridische en Internationale Zaken; - c. het MT-lid Ketenregie; - d. het MT-lid Subsidieportaal; - e. het MT-lid Managementondersteuning en Staf. Artikel 2 Onverminderd [artikel 4 van het Mandaatbesluit DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048084&artikel=4) blijft aan de directeur Advies, Regie en Centrale autoriteit voorbehouden de bevoegdheid om beslissingen te nemen ten aanzien van functionarissen werkzaam bij de directie, voor zover de bevoegdheid ingevolge het Mandaatbesluit DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023 niet rechtstreeks aan de functionarissen, bedoeld in [artikel 1, onder a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048087&artikel=1&z=2023-04-21&g=2023-04-21), is ondergemandateerd. Artikel 3 1. De directeur Advies, Regie en Centrale autoriteit verleent ondermandaat aan de plaatsvervangend directeur Advies, Regie en Centrale autoriteit om bij afwezigheid of verhindering diens bevoegdheden uit te oefene"},{"i":19142,"b":"Richtlijn voor strafvordering mensensmokkel Deze richtlijn heeft betrekking op mensensmokkel, strafbaar gesteld in [artikel 197a Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197a). Bij mensensmokkel gaat het om hulp bij illegale toegang, doorreis en verblijf. Mensensmokkel is nauw verbonden met de migratiestromen en speelt zich af in de context van de irreguliere migratie die plaatsvindt vanaf het land van herkomst tot aan een (Europees) bestemmingsland. De instroom van migranten in de Europese Unie gaat gepaard met mensonterende mensensmokkelpraktijken. Mensensmokkelaars opereren vaak in internationaal werkende criminele samenwerkingsverbanden en zetten met hun activiteiten levens op het spel. Bij de risicovolle overtochten over zee en de doorreis binnen de Europese Unie vallen regelmatig slachtoffers te betreuren. Aan de illegale binnenkomst en doorreis van migranten in de Europese Unie wordt veel geld verdiend. De praktijken van mensensmokkelaars leiden (in toenemende mate) tot politieke en maatschappelijke verontwaardiging. Het profijt trekken uit illegale migratie door criminelen dient met kracht bestreden te worden1Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 34 345, nr 3, Memorie van Toelichting bij de Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de verhoging van de strafmaxima voor mensensmokkel.. De urgente situatie en de verbinding tussen de fenomenen mensensmokkel en mensenhandel en andere gerelateerde criminaliteit, zoals documentfraude, noodzaakt tot voortvarend optreden. Met ingang van 1 juli 2016 zijn de strafmaxima voor mensensmokkel verhoogd. Het strafmaximum voor het gronddelict mensensmokkel was 4 jaar en is thans 6 jaar gevangenisstraf (of een geldboete van de vijfde categorie). In deze richtlijn worden eerst de basiseisen van mensensmokkel uitgewerkt en daarna volgen de strafmaat beïnvloedende factoren. De gedifferentieerde strafbaarstelling maakt het mogelijk dat de professionele mensensmokkelaar zwaarder"},{"i":18143,"b":"Besluit van 18 november 1970, houdende wijziging in de taakverdeling door overgang van de Buitenlandse Inlichtingendienst van het departement van Algemene Zaken naar dat van Defensie Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Defensie dd. 17 november 1970, AC nr. 193122; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel 1. De Buitenlandse Inlichtingendienst gaat van het departement van Algemene Zaken over naar het departement van Defensie, waardoor de taakverdeling van beide departementen wordt gewijzigd; 2. De personeelsleden van de Buitenlandse Inlichtingendienst gaan over in dienst van het departement van Defensie; de roerende en onroerende zaken van die dienst gaan in materieel beheer over naar dat departement. 3. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1971. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Defensie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van Ministers, de Hoge Colleges van Staat, de Gevolmachtigde Ministers van Suriname en van de Nederlandse Antillen en de departementen van Algemeen Bestuur."},{"i":17349,"b":"Regeling macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2024 Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van multidisciplinairezorg, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2024 verkregen uit declaratie van de prestaties multidisciplinaire zorg. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2023 ontvangt van de minister, met daarin voor 2024 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - **macro-omzetgrens:** de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - **minister:** de Minister van Volksgezond"},{"i":17055,"b":"Besluit van 22 december 2010, houdende regels voor een zorgverzekering voor de bevolking van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit zorgverzekering BES) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 november 2010, kenmerk Z/VV-3020244; Gelet op de [artikelen 18.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.1) en [18.4.3. van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 december 2010, nummer W13.10.0526/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 16 december 2010, kenmerk Z/VV- 3040126; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **RCN:** de Rijksdienst Caribisch Nederland, genoemd in [artikel 2 van het Organisatie- en mandaatbesluit BZK-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028832&artikel=2); - c. **Zorgverzekeringskantoor BES:** het onderdeel van het RCN dat ten behoeve van Onze Minister ten dienste staat aan de uitvoering van dit besluit; - d. **lichaam:** rechtspersoon, maat- en vennootschap, samenwerkingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kan worden gesteld, of onderneming van publiekrechtelijke rechtspersoon en doelvermogens; - e. **instelling:** - 1. een organisatorisch verband dat zich jegens het Zorgverzekeringskantoor BES heeft verbonden om behandeling, verpleging of verzorging te verlenen; - 2. een buiten het grondgebied van de BES-eilanden gevestigde rechtspersoon die in het land van vestiging zorg verleent in het kader van het in dat land bestaande sociale zekerheidsstelsel, dan wel bij gebreke daarvan overeenkomstig de wetgeving van dat land rechtmatig zorg verleent"},{"i":14838,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Justitie en Veiligheid van 17 mei 2023, nr. WJZ/ 22390627, houdende voorschriften met betrekking tot de melding van een verwervingsactiviteit (Regeling veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames) Gelet op de [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=22) en [34, dertiende lid, van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046747&artikel=34), en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048204&artikel=2), en [3, tweede lid, van het Besluit veiligheidstoets, investeringen, fusies en overnames](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048204&artikel=3); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt onder **besluit** verstaan: [Besluit veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048204). Artikel 2 1. Als formulier, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048204&artikel=2), wordt vastgesteld het in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048210&bijlage=1&z=2023-06-01&g=2023-06-01) opgenomen meldingsformulier. 2. Een melding gaat vergezeld van de gegevens en bescheiden, bedoeld in paragraaf 5 van het meldingsformulier. 3. Een melding wordt gedaan: - a. per post op het volgende adres: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat t.a.v. Bureau Toetsing Investeringen Postbus 20401 2500 EK Den Haag, of - b. door persoonlijke overhandiging op werkdagen tussen 8.00 uur en 17.00 uur op het volgende adres: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat t.a.v. Bureau Toetsing Investeringen Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag. Artikel 3 De gegevens en bescheiden waarnaar de meldingsplichtige op grond van [artikel 3, eerste lid, van het besluit](https://"},{"i":14847,"b":"Besluit van 21 december 2016, no. 2016-0000797477, houdende regeling vergoeding voor de Kanselier der Nederlandse Orden Gelet op [artikel 14 tweede lid van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De bezoldiging van de Kanselier der Nederlandse Orden wordt vastgesteld volgens het maximum salarisnummer, behorend bij schaal 18, zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn, rekening houdend met een tijdsbesteding van gemiddeld 8 uur per week. Artikel 2 De Kanselier der Nederlandse Orden ontvangt een vergoeding voor reis- en verblijfkosten in verband met dienstreizen binnen Nederland overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11871,"b":"Beperkende bepalingen openbaarheid archiefbescheiden Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van de archieven van de Centrale Dienst voor Sibbekunde van het Departement van Binnenlandse Zaken 1941-1944, de volgende beperking gesteld: - 1. De openbaarheid van de inventaris van het archief is beperkt tot en met 31 december 2019; in de studiezaal van het Algemeen Rijksarchief wordt van deze inventaris een versie zonder bijlagen geplaatst; op specifieke personen gerichte vragen moeten door de onderzoeker worden voorgelegd aan de studiezaalbeambten; - 2. De directeur van het Algemeen Rijksarchief bereidt de beschikbaarstelling van de dossiers voor; indien blijkt dat een dossier dat ter inzage is gevraagd gegevens van derden bevat is het vierde lid, onderdeel c van toepassing; - 3. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 11-92, is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen Rijksarchief gehanteerde Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd; - 4. Het formulier, bedoeld in het derde lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op hemzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen, waaruit blijkt dat de persoon op wie een dossier betrekking heeft, toestemming geeft voor inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende perso"},{"i":3805,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken van 1 januari 2020, nr. 4091305, houdende ondermandaat diensthoofden van het ministerie van Algemene Zaken Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=5), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=8), [9 tot en met 13 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=9); Besluit: Artikel 1. Ondermandaat diensthoofden Aan de diensthoofden wordt ondermandaat verleend op wijze zoals beschreven in [paragraaf 4.1. van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&paragraaf=4.1). De in [artikel 5, vierde lid, van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=5) genoemde bevoegdheden zijn van de verlening van dit ondermandaat uitgezonderd. Artikel 2. Volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van ondermandaat gelijk gesteld de verlening van: - a. volmacht als bedoeld in [artikel 3:60, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=60) om namens de Staat privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - b. machtiging om namens de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 3. Regels, procedures, instructies mandaat Bij uitoefening van het ondermandaat, handelen de diensthoofden zoveel mogelijk in overeenstemming met het bepaalde in [artikel 14 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043000&artikel=14). Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2020. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondermandaat d"},{"i":13413,"b":"Instelling werkgroep Vergroening van het fiscale stelsel II Overwegende dat het wenselijk is een nieuwe werkgroep vergroening van het fiscale stelsel in te stellen; Besluiten: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een werkgroep Vergroening van het fiscale stelsel II. Artikel 2 1. De werkgroep heeft als taak te bezien welke mogelijkheden in vervolg op de in deze kabinetsperiode gerealiseerde fiscale maatregelen op gebied van milieu, natuur daaronder begrepen, kunnen worden ingezet binnen het fiscale stelsel die het belang van de bescherming van het milieu dienen en een duurzame ontwikkeling van de economie bevorderen. Dit gebeurt mede op basis van evaluatie van al bestaande groene belastingmaatregelen. 2. De werkgroep zal vanuit de in lid 1 genoemde invalshoek onderzoek doen naar milieuschadelijke subsidies in de vorm van belastinguitgaven. 3. De werkgroep rapporteert in één rapportage, zoveel mogelijk in de vorm van concrete voorstellen die nationaal realiseerbaar zijn. Indien de werkgroep dat wenst kan zij tussenrapporten uitbrengen. 4. De verwachte effecten van de voorstellen dienen zo concreet mogelijk zichtbaar te worden gemaakt. 5. De werkgroep fungeert als klankbord voor de implementatie van de voorstellen uit de rapportages van de werkgroep Vergroening van het fiscale stelsel. Artikel 3 Bij het doen van voorstellen neemt de werkgroep de volgende voorwaarden in acht: - de te ontwikkelen voorstellen dienen inpasbaar te zijn binnen het fiscale stelsel. Dit betekent onder meer dat de voorstellen zorgvuldig moeten worden afgewogen op hun uitvoeringsaspecten en hun handhaafbaarheid, en op hun inpasbaarheid in de internationale context, waarbij tevens voorstellen kunnen worden gedaan om eventuele knelpunten weg te nemen; - de te ontwikkelen voorstellen dienen te passen in het Europese beleid inzake de staatssteun; - de voorstellen moeten naar het mogelijke bijdragen aan de aanvaardbaarheid van de belastingwetgeving. § 2. Samenstelling en werkwijze Artikel 4 1. Tot"},{"i":14301,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 september 2023, nr. IENW/BSK-276554, houdende vaststelling van regels inzake geluidwerende voorzieningen aan woningen binnen de geluidcontour voor de luchthaven Schiphol (Regeling gevelisolatie Schiphol 2023) Gelet op [artikel 8.32 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.32); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1. (Begripsomschrijvingen) 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **geluidbelasting in dB:** geluidbelasting Lden als bedoeld in [artikel 8a.45, derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.45); - b. **geluidcontour in dB:** lijn die geluidbelastingen met dezelfde waarde met elkaar verbindt; - c. **geluidgevoelige ruimten van woningen:** ruimten binnen woningen voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer dan wel als keuken, de laatste met een vloeroppervlakte van tenminste 11 m2, worden gebruikt of voor een zodanig gebruik zijn bestemd; - d. **geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie:** grootheid die de volgens NEN 5077 bepaalde geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie weergeeft; - e. **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - f. **NEN 5077:** Bepalingsmethoden om de geluidseisen van gebouwen te toetsen. De versie waarvan voor deze regeling wordt uitgegaan is NEN 5077:2019 met uitsluiting van bijlage B; - g. **NPR 5272:** Praktijkrichtlijn met aanwijzingen voor de toepassing van het rekenvoorschrift voor de geluidwering van gevels. De versie waarvan voor deze regeling wordt uitgegaan is NPR 5272:2003 inclusief correctieblad NPR 5272:2002/C1:2005; - h. **onderzoek:** akoestisch en bouwtechnisch onderzoek van een of meerdere woningen; - i. **Schiphol:** de luchthaven Schiphol, bedoeld in [artikel 8.1, eerste lid, onder a, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.1); - j. **vergunning voor het b"},{"i":11356,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 maart 2017, nr. MBO/1116804, houdende de verstrekking van subsidie voor de verbetering van de doorstroom van het middelbaar beroepsonderwijs naar de pabo door samenwerking mbo-hbo (Regeling stimulering doorstroom niet verwant mbo-pabo) Gelet op [artikel 2.2.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3) en [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2) en [4 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **samenwerkingsverband:** samenwerkingsverband als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039416&artikel=4&z=2017-04-04&g=2017-04-04); - c. **instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - d. **hogeschool:** instelling als bedoeld in de [bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](onbekend) onder c en g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; - e. **pabo:** opleiding tot leraar basisonderwijs; - f. **wet:** [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625). Artikel 2. Subsidieverstrekking 1. De minister kan aan het bevoegd gezag van een instelling die onderwijs verzorgt in Amsterdam, Den Haag of Rotterdam subsidie verstrekken voor het binnen een samenwerkingsverband inrichten van een pilot, gericht op de verbetering van de doorstroom van deelnemers uit opleidingen als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel d en e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2) naar een pabo in de desbetreffende stad en die deel uitmaakt van het samenwerkingsverband. 2. Subsidie wordt"},{"i":4532,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 30 maart 2009, nummer WBN 2009/1, houdende wijziging van de tekst van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op buiten het Koninkrijk afgelegde optieverklaringen en ingediende naturalisatieverzoeken **Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap, toegespitst op buiten het Koninkrijk afgelegde optieverklaringen en ingediende naturalisatieverzoeken** 1. Voorwoord **Algemeen** Deze aanvulling op de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 is bestemd voor medewerkers van de diplomatieke en consulaire posten, medewerkers van de Regionale Service Organisaties (RSO’s) in het buitenland en voor IND-medewerkers. Dit onderdeel dient als handreiking voor de behandeling van optieverklaringen en verzoeken om naturalisatie in het buitenland. Enige nadruk wordt hier gelegd op het woord ‘handreiking’. Omdat de optie- en naturalisatieprocedure in het buitenland overeenkomt met de wijze waarop dat in Nederland gebeurt, is hier geen sprake van een zelfstandig onderdeel van de Handleiding voor Nederland. In de toelichting bij de artikelen die in dit onderdeel worden behandeld, wordt daarom in de eerste plaats verwezen naar de Handleiding voor Nederland. Voor artikelen die niet in dit onderdeel zijn opgenomen – maar waarop wel een beroep in het buitenland kan worden gedaan – wordt verwezen naar de toelichting in de Handleiding voor Nederland. De procedurebeschrijvingen voor optie en naturalisatie onder artikel 6, derde lid respectievelijk artikel 7 RWN zijn hieronder in hun geheel opgenomen en afgestemd op de situatie in het buitenland. Deze gedeelten kunnen dan ook onafhankelijk gelezen worden van de toelichting in de Handleiding voor Nederland. Toch wordt de gebruiker ook hier gewezen op het belang van de procedures in Nederland, dat immers als uitgangspunt voor de procedures in het buitenland gelden. Opties in het buitenland zijn alleen"},{"i":14866,"b":"Regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst 2025 gelet op [artikel 10, vierde lid, van de **Wet op het specifiek cultuurbeleid**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gelet op [artikel 4:23, eerste lid van de **Algemene wet bestuursrecht**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); gelet op het [Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045516); met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 januari 2022; en voor de gewijzigde versie op 27 maart 2023; besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Gebruikte begrippen In deze regeling worden onderstaande begrippen gebruikt. - a. **Adviescommissie:** een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in het [Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026366). - b. **Amateurkunst:** het maken van kunst door individuele personen of groepen op een niet-professioneel niveau. Het betreft hier per definitie geen cultuureducatie of co-creatie. - c. **Amateur:** een niet-professional. Een amateur is een persoon die kunst maakt in de vrije tijd of zonder noemenswaardige directe inkomsten. - d. **Amateurkunstgroepen:** groepen amateurs in de vorm van formele verenigingen en stichtingen óf groepen en verbanden die zich op een informele manier, bijvoorbeeld op projectbasis, hebben verenigd. - e. **Amateurkunstkoepel:** in deze regeling worden de volgende negen instellingen als amateurkunstkoepel aangemerkt: Circuspunt, Danslink, Federatie van Folkloristische Groepen in Nederland, Fotobond, Koninklijke Nederlandse Muziek Organisatie, Koornetwerk Nederland, Landelijke Organisatie Studenten Theaterverenigingen + Stichting Visie Amateurtheater, Nederlandse Organisatie van Audiovisuele Amateurs, Stichting Textiel Informatie en Documentatie Centrum. - f. **Culturele Codes:** Code Diversiteit & Inclusie, Fa"},{"i":13019,"b":"Besluit Vervanging Archiefbescheiden CJIB 2021 Gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6); [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); de [Archiefbeheerregels Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035264); de [Uitvoeringsregeling Archiefbeheer Veiligheid en Justitie 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036548). Besluit: Artikel 1 1. De digitale vervanging van archiefbescheiden heeft betrekking op: de vanaf 1 januari 2017 binnenkomende poststukken die door de afdeling Documentaire Informatie Voorziening worden ontvangen en die archiefbescheiden vormen die op grond van de selectielijst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en rechtsvoorgangers over de periode vanaf 5 mei 1945 (Staatscourant 12 april 2021 nr. 17848) voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen. 2. De vervanging geschiedt op de wijze omschreven in het Handboek Vervanging Archiefbescheiden CJIB. 3. Onder dit besluit vallen niet: - a. bescheiden die digitaal zijn opgesteld en waarvan is vastgesteld dat het archiefbescheiden betreft; - b. niet-scanbare objecten zoals usb-sticks; - c. bescheiden die krachtens verdragen of op grond van wettelijke bepalingen in hun oorspronkelijke vorm moeten worden bewaard. Artikel 2 De archiefbescheiden worden, na vervanging, opgenomen in een documentmanagementsysteem/recordmanagementsysteem, op de wijze omschreven in het Handboek Vervanging Archiefbescheiden CJIB. Artikel 3 De vervangen archiefbescheiden worden vernietigd, vier maanden na digitale vervanging. Artikel 4 Het [besluit Handboek Vervanging Archiefbescheiden CJIB 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039862) wordt ingetrokken. Artikel 5 Dit besluit zal worden aangehaald"},{"i":14876,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 april 2009, nr. FZ/BO/2009/8540, tot vervanging van archiefbescheiden Gelet op de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) en [9, eerste lid, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=9), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [8 Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=8), artikel 3 van de [Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023395) en de machtiging afgegeven door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, d.d. 9 december 2008, kenmerk C/S&A/08/3031; Besluit: Artikel 1 De papieren dossiers verplichte aanmelding en afhandeling van een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) in het kader van het [Besluit aanmelding van collectieve arbeidsovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010051) en het aanvragen van algemeen verbindend verklaren worden overeenkomstig de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025808&artikel=2&z=2009-05-09&g=2009-05-09), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025808&artikel=3&z=2009-05-09&g=2009-05-09) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025808&artikel=4&z=2009-05-09&g=2009-05-09) digitaal vervangen. Artikel 2 De gegevens uit de papieren dossiers, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025808&artikel=1&z=2009-05-09&g=2009-05-09), worden op een juiste en volledige wijze opgenomen in het elektronisch systeem CAO Aanmelding Online. Artikel 3 De oorspronkelijke papieren archiefbescheiden worden om redenen van efficiënt beheer vernietigd. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14883,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 augustus 2010, nr. DL/B/220470, houdende vaststelling van de verwantschapstabel educatieve minor alsmede wijziging van de Regeling subsidiëring stagebegeleiding educatieve minoren in het voortgezet onderwijs 2009–2012 (Regeling verwantschapstabel educatieve minor) Gelet op [artikel 33, lid 1b, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=33); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen - a. Verwantschappen: getuigschriften van bacheloropleidingen als bedoeld in [artikel 7.12, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.12), certificaten en verklaringen als bedoeld in artikel 7.12, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, op grond waarvan onderwijs verzorgd kan worden in daarbij aangewezen vakken; - b. Verwantschapstabel: tabel waarin verwantschappen zijn opgenomen. Artikel 2. Vaststelling verwantschappen 1. Deze regeling strekt ertoe de verwantschapstabel vast te stellen. 2. De verwantschapstabel is opgenomen als bijlagebij deze regeling. Artikel 3. Rechtsgrondslag Deze regeling berust op [artikel 7.12, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.12). Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2010. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verwantschapstabel educatieve minor en educatieve module. Bijlage | wo bachelor1 in combinatie met educatieve minor | CROHO code | Universiteit indien beperkt tot daarbij genoemde universiteit(en) | Bevoegdheid | | --- | --- | --- | --- | | Aarde en economie | 50668 | Vrije Universiteit Amsterdam | Leraar Aardrijkskunde | | Aardwetenschappen | 56986 | Universiteit Utrecht en Vrije Universiteit Amsterdam | ” | |"},{"i":14884,"b":"Regeling verwijden van voorwerpen of stoffen BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Artikel 1 - 1. Ontheffing van het verbod in [artikel 83, eerste lid, van het Besluit luchtverkeer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028639&artikel=83) kan worden verleend aan gezagvoerders van burgerluchtvaartuigen onder de voorwaarde dat de regels opgenomen in het tweede lid van dit artikel, in acht worden genomen. - 2. Een ontheffing geldt voor het tijdens de vlucht verwijderen van: - a. los fijn zand; - b. water; - c. stoffen ter bevordering of ter bescherming van het milieu dan wel de landtuin- of bosbouw; - d. voorwerpen waarvan de massa niet meer is dan 200 gram per voorwerp; - e. voorwerpen en stoffen voor militaire doeleinden of uit militaire luchtvaartuigen; - f. voorwerpen verband houdende met opsporings- en reddingsacties; - g. voorwerpen en stoffen voor politiedoeleinden. Artikel 2 Voor het verwijderen tijdens de vlucht van voorwerpen waarvan de massa niet meer is dan 200 gram per voorwerp gelden de volgende regels: - a. de vlieghoogte is maximaal 600 m (2000 ft) boven grond of water; - b. het vliegzicht is 3 km of meer; - c. er is zicht op grond of water; - d. er is geen ander luchtverkeer in de nabijheid; - e. het voornemen om voorwerpen te verwijderen binnen een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied wordt in het vliegplan vermeld, onder aanduiding van plaats en verwachte tijd; - f. ieder voorwerp met een massa tot 100 gram is voorzien van een valscherm met een middellijn van 25 cm of meer, tenzij het oppervlak van het voorwerp een massadichtheid in een bepaald punt heeft dat kleiner is dan 5 gram per cm en een massa heeft van minder dan 30 gram; - g. ieder voorwerp met een massa van 100 tot 200 gram is voorzien van een valscherm met een middellijn van 50 cm of meer; - h. strooibiljetten worden zodanig verwijderd dat deze niet in pakken of bundels kunnen neerkomen; - i."},{"i":14888,"b":"Regeling visserijproducten 1998 BES § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze ministeriële regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Warenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028619); - b. **bevoegde instantie:** door het bestuurscollege aangewezen personen; - c. **Commissie:** de Commissie van de Europese Unie; - d. **Richtlijn laboratoriumpraktijken:** [richtlijn nr. 88/320/EEG](31988L0320) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 juni 1988 inzake de inspectie en de verificatie van goede laboratoriumpraktijken (PbEG L 145); - e. **Richtlijn veterinaire controles:** richtlijn nr. 90/675/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 december 1990 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG L 373); - f. **Richtlijn visserijproducten:** [richtlijn nr. 91/493/EEG](31991L0493) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1991 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van visserijproducten (PbEG L 268); - g. **ondernemer:** de persoon die verantwoordelijk is voor hetgeen in een inrichting of fabrieksvaartuig, of uit hoofde van het bedrijf dat in die inrichting, onderscheidenlijk in dat vaartuig wordt uitgeoefend plaatsvindt; - h. **inrichting:** iedere ruimte waar visserijproducten worden gekoeld, ingevroren, bewerkt, verwerkt, verpakt of opgeslagen; - i. **fabrieksvaartuig:** vaartuig aan boord waarvan visserijproducten worden gefileerd, in moten verdeeld, gestroopt, gehakt, ingevroren of verwerkt, of meer dan een van deze handelingen ondergaan, en daarna al dan niet worden verpakt; vissersvaartuigen aan boord waarvan slechts wordt ingevroren worden niet als fabrieksvaartuigen beschouwd; - j. **visserijproducten:** alle zee- of zoetwaterdieren of delen daarvan, kuit en hom daaronder begrepen, met uitzondering van levende tweekleppige weekdieren en van in het"},{"i":14892,"b":"Regeling tot vaststelling van nieuwe regelen inzake vliegplannen Gelet op [artikel 31, eerste en vierde lid, van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=31); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - Air Operations Control Station Nieuw Milligen (AOCS Nieuw Milligen): dienstonderdeel van het Ministerie van Defensie belast met het verlenen van luchtverkeersdiensten; - Air Traffic Flow Management (ATFM): luchtverkeersstroomregeling; een dienstverlening aan het luchtverkeer met het doel een optimale luchtverkeersstroom te verzekeren naar of via gebieden waarin het luchtverkeersaanbod de beschikbare capaciteit van het luchtverkeersleidingssysteem overtreft; - Amsterdam Flight Service Centre (FSC): afdeling van LVNL aangeduid als verantwoordelijke luchtverkeersmeldingspost; - Area Control Centre Amsterdam (ACC Amsterdam): een verlener van luchtverkeersdiensten, belast met het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten, vluchtinlichtingendiensten, alarmeringsdiensten en adviesdiensten voor het luchtverkeer; - ECAC-Staten: lid-staten van de European Civil Aviation Conference; - endurance: de berekende maximale vliegduur van het luchtvaartuig in relatie tot de beschikbare hoeveelheid brandstof; - General Air Traffic (GAT) IFR-vlucht: een IFR-vlucht, die wordt uitgevoerd overeenkomstig de ICAO-regelgeving en procedures; - havenmeester: een persoon, in dienst van de exploitant van een luchthaven, belast met de dagelijkse uitvoering van het toezicht op de luchthaven en in het bijzonder met het toezicht op de veiligheid en de goede orde daarop; - Integrated Initial Flight Plan Processing System (IFPS): een gecentraliseerde vliegplanverwerkings- en -distributieservice onder de autoriteit van de Eurocontrol-organisatie, die de vliegplannen verwerkt voor en distribueert binnen de ICAO EUR-regio, waaronder vliegplannen van en naar Nederlandse luchthavens; - luchtvaartgids, hoofdstuk En Route (ENR): h"},{"i":14898,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 22 maart 2013, nr. WJZ / 13048486, tot uitvoering van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012 (Regeling voorraadvorming aardolieproducten 2013) Gelet op de [artikelen 4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032775&artikel=4), en [16, tweede en vierde lid, van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032775&artikel=16); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **minister:** Minister van Economische Zaken; - –. **beheerder:** degene die, zelf niet voorraadplichtig, ten behoeve van een vooraadplichtige een voorraad aardolieproducten beheert; - –. **wet:** [Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032775). Artikel 2 1. De marktdeelnemer verstrekt ten behoeve van de berekening van de voorraadplicht, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032775&artikel=4), de informatie als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033098&bijlage=1&z=2013-04-01&g=2013-04-01) aan de minister. 2. De marktdeelnemer verstrekt de in het eerste lid bedoelde informatie voor 1 maart van het jaar dat volgt op het referentiejaar. Artikel 3 1. De ondernemer die voornemens is om ten behoeve van een voorraadplichtige op te treden als beheerder verstrekt de in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033098&bijlage=2&z=2013-04-01&g=2013-04-01) bedoelde informatie aan de minister. 2. De in het eerste lid bedoelde ondernemer verstrekt de in dat lid bedoelde informatie uiterlijk vier weken voor datum waarop de voorgenomen opslag plaatsvindt. Artikel 4 1. De voorraadplichtige en de beheerder verstrekken de in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033098&bijlage=2&z=2013-04-01&g=2013-04-01) bedoelde informatie aan de minister. 2. De voorraadplichtige en de beheerder verstrekken de in het eerste lid bedoelde informatie uiterlijk"},{"i":14902,"b":"Regeling voorzieningen sleepvliegen Gelet op [artikel 45 van het Besluit luchtwaardigheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012651&artikel=45); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Kunstvluchten en vervoer van personen en goederen 1. Tijdens vluchten, waarbij een sleep wordt gesleept, mogen geen kunstvluchten worden uitgevoerd en mogen geen andere personen of goederen worden vervoerd, dan voor het uitvoeren van de vlucht noodzakelijk is. 2. In afwijking van hetgeen in het vorige lid en in het vlieghandboek van het sleepvliegtuig is bepaald, mag tijdens vluchten waarbij een éénpersoons zweefvliegtuig wordt gesleept, een persoon die houder is van een vliegbewijs worden vervoerd, aan wie onderricht in het sleepvliegen wordt gegeven, mits de gezagvoerder van het sleepvliegtuig als examinator voor de bevoegdverklaring 'sleepvliegen' in een vliegbewijs is benoemd. Indien het slepen geschiedt met een sleepvliegtuig waarmede tweepersoons zweefvliegtuigen bij een beperkte startmassa mogen worden gesleept, is de beperking van maximaal toegelaten startmassa bij het slepen van éénpersoons zweefvliegtuigen niet van toepassing. Artikel 3. Sleepnetten en doelen voor schietoefeningen 1. Het sleepnet moet van een door de minister toegelaten type zijn. 2. De constructie en de sterkte van sleepnetten en doelen voor schietoefeningen moeten zodanig zijn, dat beschadigingen, die bij normaal gebruik kunnen ontstaan, niet kunnen leiden tot het optreden van gevaarlijke toestanden tijdens het slepen. 3. De sleep mag noch zodanig geconcentreerde massa's bevatten, noch bij vrije val een zodanige valsnelheid bereiken, dat bij losraken van de sleep dan wel een gedeelte daarvan ernstig gevaar kan ontstaan voor de personen op de grond. Geconcentreerde massa's moeten zodanig zijn bevestigd, dat afzonderlijk losraken onmogelijk kan worden geacht. Een valsnelheid van ten hoogste 5 m/sec wordt toelaatbaar geacht. 4. Het sleepnet of het doel vo"},{"i":14907,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 28 augustus 2020, nr. VO/5375953, houdende regels voor de voorzieningenplanning bij scholen in het voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland (Regeling voorzieningenplanning vo CN 2020) Gelet op de [artikelen 123, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=123), [124, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=124), [124a, eerste, derde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=124a), [126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=126), [127g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=127g), [157, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=157), [188, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=188), [189, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=189); Besluit: Hoofstuk 1. Voorzieningenplanning Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** bevoegd gezag dat bij de Minister een aanvraag indient voor bekostiging van een openbare of een bijzondere school; - **belangstellingsmeting:** belangstellingsmeting als bedoeld in [artikel 11.45b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=11.45b); - **CAPE:** Caribbean Advanced Proficiency Examination als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045020&artikel=1); - **CSEC:** Caribbean Secondary Education Certificate als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045020&artikel=1); - **CVQ:** Caribbean Vocational Qualification als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045020&artike"},{"i":14908,"b":"Regeling Vormgeving 2025–2028 Het bestuur van de stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit vast te stellen de navolgende regeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidies aan makers en partijen voor de uitvoering van projecten ter bevordering van de kwaliteit van de creatieve industrie. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen De in deze regeling gebruikte begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597). Specifiek binnen deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **aanvrager:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon die op grond van deze regeling een subsidieaanvraag doet bij het Stimuleringsfonds; - 2. **adviescommissie:** een onafhankelijke, door het bestuur aangestelde commissie van externe deskundigen; - 3. **beschikking:** de brief waarmee het bestuur formeel besluit over het al dan niet toekennen van de subsidie; - 4. **beschikkingsdatum:** de datum zoals vermeld op de beschikking; - 5. **beschouwer:** een schrijver, programmamaker of curator wiens werkzaamheden zich verhouden tot het vakgebied vormgeving; - 6. **bestuur:** de directeur-bestuurder van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, als bedoeld in artikel 5 van de statuten; - 7. **cofinanciering:** aanvullende financiering in de vorm van een andere subsidie, sponsoring, investering, eigen inkomsten uit bijvoorbeeld kaartverkoop of een bijdrage van een externe partij, naast de voor het project gevraagde subsidie van het Stimuleringsfonds. Eigen bijdragen in de vorm van investeringen of doorberekende kortingen worden niet gerekend tot cofinanciering; - 8. **creatieve industrie:** het werkterrein van de disciplines vormgeving, architectuur en digitale cultuur inclusief mogelijke cross-overs tussen deze disciplines; - 9. **culturele instelling o"},{"i":14909,"b":"Regeling Voucherprocedure gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Taakopvatting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 1. De taak van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie is om, vanuit het culturele perspectief, de rijke ontwerptraditie die Nederland heeft te continueren en te vernieuwen door het proces van experimenteren, onderzoeken en maken te stimuleren en goed opdrachtgeverschap te bevorderen. 2. Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie verstrekt, in overeenstemming met zijn statuten en volgens bepalingen vastgesteld in de wet en subsidieregelingen, subsidies aan natuurlijke personen en rechtspersonen die bijdragen aan het bevorderen van hoogwaardige kwaliteit, ontwikkeling en professionalisering van de hedendaagse Nederlandse creatieve industrie. Artikel 2. Begrippen De in deze regeling gebruikte begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597). Specifiek binnen deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **bestuur:** de directeur-bestuurder van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047587&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2022-12-01&g=2022-12-01) van de statuten; - 2. **creatieve industrie:** het werkterrein van de disciplines vormgeving, architectuur en digitale cultuur inclusief mogelijke cross-overs tussen deze disciplines; - 3. **voucherprocedure:** de procedure waarmee het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie binnen een bepaald tijdvak subsidies kan verstrekken binnen zijn taakstelling, gericht op een specifieke doelstelling of binnen een bepaalde thematiek, welke kenbaar worden gemaakt op de website [www.stimuleringsfonds.nl]("},{"i":3263,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 3 oktober 2018 nr. BOACAT2018/056, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Hoorn Gelezen het verzoek van de gemeente Hoorn van 22 mei 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041434&artikel=2&z=2019-03-20&g=2019-03-20). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van gemeentelijk opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Hoorn, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie"},{"i":7059,"b":"Overeenkomst inzake het personenvervoer door middel van autobusdiensten tussen Nederland en Oostenrijk Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk, geleid door de wens het vervoer door middel van autobusdiensten tussen Nederland en Oostenrijk te bevorderen, zijn het volgende overeengekomen: I. Grensoverschrijdend vervoer door middel van autobusdiensten Artikel 1 a. Het vervoer door middel van autobusdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk mag alleen worden verricht op grond van vergunningen, verleend door de eigen Staat en door de andere Staat alsmede, waar nodig, door de Staten waardoorheen het vervoer zal worden verricht. Bij de verlening van de vergunningen wordt het beginsel van wederkerigheid gevolgd. b. De vergunningen worden eerst dan verleend, wanneer er tussen de Overeenkomstsluitende Partijen overeenstemming heerst over de behoefte aan een autobusdienst en, waar nodig, de toestemming is verkregen van de Staten waardoorheen het vervoer zal worden verricht. c. Aanvragen voor verlening van een dergelijke vergunning moeten worden ingediend bij de bevoegde autoriteiten van de eigen Staat. Wanneer deze autoriteiten, na voorafgaand onderzoek, van mening zijn dat de aanvraag kan worden ingewilligd, zenden zij een gelijkluidend afschrift van de aanvraag, voorzien van hun oordeel, aan de bevoegde autoriteiten van de andere Staat. Nadat het bevestigend oordeel van de andere Staat is verkregen, vragen de autoriteiten van de eigen Staat de toestemming van de Staten waardoorheen het vervoer zal worden verricht. d. De vergunningen staan op naam van een bepaalde onderneming (ondernemer) en kunnen niet worden overgedragen. Zij verplichten de vergunninghouder de autobusdienst uit te oefenen overeenkomstig de bepalingen van de vergunning. II. Transito-autobusdiensten Artikel 2 a. Als transito-autobusdiensten worden beschouwd die autobusdiensten welke op het grondgebied van de ene Staat aanvangen, over het grondgebied van de and"},{"i":14915,"b":"Regeling vrijstelling officieel kenteken op kleine schepen Gelet op [artikel 2.02, tweede lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=2.02); Besluit: Artikel 1 Onverminderd de bij algemene regeling vastgestelde andere voorschriften met betrekking tot een officiëel kenteken zijn kleine schepen, als bedoeld in [artikel 1.01, onder m, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=1.01), vrijgesteld van de verplichting tot het voeren van een officiëel kenteken bedoeld in [artikel 2.02, eerste lid, van dat reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=2.02). Wel dienen de naam of een kenspreuk, op de wijze als bedoeld in [artikel 2.02, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006923&artikel=2.02), te worden aangebracht. Artikel 2 De Bekendmaking aan de scheepvaart van 5 oktober 1984, nr. 6/1984 (Stcrt. 1984, 199), wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Deze regeling wordt geplaatst in de Staatscourant."},{"i":14916,"b":"Regeling vrijstelling vervoer gevaarlijke stoffen militaire vaartuigen Gelet op [artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=9); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Ten aanzien van de gevaarlijke stoffen waarmee handelingen in de uitvoering van de operationele taak, met inbegrip van in dat kader te houden oefeningen, worden verricht met of ten aanzien van militaire vaartuigen, wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=5), onderscheidenlijk van de regels, gesteld bij of krachtens [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=3), voor zover wordt voldaan aan het tweede lid. 2. Voor het verrichten van de handelingen, bedoeld in het eerste lid, worden de op militaire vaartuigen betrekking hebbende veiligheidsinstructies van de Minister van Defensie in acht genomen met betrekking tot: - a. de aard van het gevaar dat de vervoerde gevaarlijke stoffen opleveren en de maatregelen die genomen moeten worden om dit gevaar het hoofd te bieden; - b. de te nemen maatregelen en de te verlenen hulp in het geval personen met de vervoerde stoffen of met vrijkomende stoffen in aanraking komen; - c. de in geval van brand te nemen maatregelen en de middelen of groepen van middelen die bij de brandbestrijding wel of niet gebruikt mogen worden; - d. de in geval van breuk of beschadi-ging van de verpakking of van de vervoerde gevaarlijke stoffen te nemen maatregelen, in het bijzonder indien de gevaarlijke stoffen zich hebben verspreid. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1997. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vrijstelling vervoer gevaarlijke stoffen militaire vaartuigen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14919,"b":"Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 6 december 2006, nr. DDS 5456934, houdende regels tot bevordering van vrijwillige inburgering in de niet-G31 gemeenten Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) en de [artikelen 48r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48r) en [48s van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48s); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen en strekking van de regeling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. wet: de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611), zoals deze luidde op 31 december 2012; - c. besluit: het [Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674), zoals dit luidde op 31 december 2012; - d. college: het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, niet zijnde een gemeente welke behoort tot de G31, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238&artikel=1); - e. samenwerkingsverband: een centrumgemeente of een openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8) waaraan de deelnemende gemeenten de hen ingevolge deze regeling toekomende rechten en de ingevolge deze regeling op hen rustende verplichtingen hebben overgedragen; - f. bestuur: het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8); - g. Nederlander: ieder die de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld; - h. inburgeraar: de Nederlander, of de rechtmatig in Nederland verblijvende v"},{"i":14920,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2014, 2014-0000185641, tot vaststelling van de Regeling vrijwilligerswerk in de Werkloosheidswet (Regeling vrijwilligerswerk in de WW) Gelet op [artikel 8, zesde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **algemeen nut beogende instelling:** instelling die op grond van [artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5b) en de daarop berustende bepalingen, door de inspecteur als zodanig is aangemerkt; - **algemeen nuttige activiteiten:** activiteiten, die niet tegen commerciële tarieven worden verricht en die erop zijn gericht de doelstelling van een algemeen belang beogende organisatie of instelling te verwezenlijken of te bevorderen; - **onbetaalde arbeid:** werkzaamheden waar geen vergoedingen of verstrekkingen tegenover staan waarvan de gezamenlijke waarde hoger is dan de bedragen, genoemd in [artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=2); - **organisatie of instelling zonder winstoogmerk:** organisatie of instelling die niet aan een winstbelasting is onderworpen dan wel daarvan is vrijgesteld en die, daadwerkelijk blijkend uit zowel eigen regelgeving als uit de feitelijke werkzaamheden van overwegend algemeen nuttige activiteiten, nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient; - **sociaal belang behartigende instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 5c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5c); - **steunstichting SBBI:** instelling als bedoeld in artikel 5d van de Algemene wet inzake rijksbelasting en de daarop berustende bepalingen, die door de inspecteur als zodanig bekend is gemaakt; - **werklocatie:** een vestiging van de instelling indien de desbetreffende in"},{"i":14921,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 juni 2012, nr. AV/SDA/2012/8970 tot aanwijzing van de bewerker in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens en tot vaststelling van de inhoud van het verslag overtreding Waadi (Regeling Waadi) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op de [artikelen 14b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=14b), en [15, derde lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - **wet:** de [Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616). Artikel 2 De Stichting Normering Arbeid wordt aangewezen als bewerker in de zin van [artikel 14b, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=14b). Artikel 3 1. Het verslag, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=15), bevat in ieder geval de volgende elementen: - a. de dagtekening van het verslag; - b. de periode waar het onderzoek betrekking op heeft; - c. de onderneming waar het onderzoek betrekking op heeft; - d. de wettelijke bepaling of bepalingen waar het onderzoek betrekking op heeft; - e. de aanleiding van het onderzoek; - f. de onderzoekshandelingen; - g. de bevindingen van het onderzoek; - h. de conclusie; - i. de bijlagen. 2. Indien niet-naleving is geconstateerd zendt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het conceptverslag naar de onderzochte onderneming en stelt de onderzochte onderneming in de gelegenheid om binnen vier weken te reageren op eventuele kennelijke feitelijke onjuistheden in het conceptverslag. 3. Het conceptverslag wordt gelijktijdig ter informatie verstrekt aan de betrokken arbeidskracht of werkzoekende, aan de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging of aan de daarvoor in"},{"i":18439,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 3 februari 2025, Cvte-25.00469, houdende vaststelling van de toetswijzer voor de doorstroomtoets in het primair onderwijs op Bonaire (Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO Bonaire) Gelet op [artikel 3a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel V, onderdeel G, van de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs, enz. (aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs) in werking treedt. Artikel 1. Toetswijzer De toetswijzer, bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a) wordt vastgesteld als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050775&bijlage=1&z=2025-08-01&g=2025-08-01) bij deze regeling. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel V, onderdeel G, van de Wet van 9 februari 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046751&artikel=V) tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (Stb. 2022, 135) in werking treedt. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO Bonaire. Bijlage 1. Toetswijzer doorstroomtoets PO Bonaire Bijlage behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050775&artikel=1&z=2025-08-01&g=2025-08-01). 1. Inleiding: Context van de toetswijzer 1.1. Achtergrond De [Wet doorstroomtoet"},{"i":11389,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 25 september 2023, CvTE- 23.00980, houdende regels inzake toepassing van de hardheidsclausule ten behoeve van deelname aan het staatsexamen voor specifieke groepen leerlingen (Regeling toelating specifieke groepen leerlingen tot de staatsexamens vo) Gelet op [artikelen 2.72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.72) en [2.85 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.85) en [4.1 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=4.1), Besluit: Artikel 1 Het College voor toetsen en examens laat onverlet [artikel 2.51 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.51) een leerling die staat ingeschreven op een school voor voortgezet onderwijs toe tot het staatsexamen als bedoeld in [artikel 2.72 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.72), indien: - a. De leerling wegens ziekte of een andere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid niet deelneemt aan het reguliere onderwijsprogramma van de school; - b. Het bevoegd gezag om deze reden niet in staat is de leerling de gelegenheid te geven om het onderwijs af te sluiten met een eindexamen op de school, en - c. Het bevoegd gezag een verklaring verstrekt waaruit blijkt dat het bevoegd gezag het eindexamen niet zelf kan verzorgen. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2023. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toelating specifieke groepen leerlingen tot de staatsexamens vo. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14927,"b":"Regeling tot uitvoering van de Wet wegvervoer goederen (Regeling wegvervoer goederen) Gelet op de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=1.1), [2.1, derde lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.1), [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.2), [2.3, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.3), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.6), [2.8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.8), [2.11, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.11), [2.13, tweede lid, onderdeel b, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.13), [4.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.1), en [4.3, tweede lid, van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.3); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet wegvervoer goederen, met uitzondering van artikel 8.4, onderdelen A tot en met D, in werking treedt. Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** Besluit wegvervoer goederen; - **wet:** Wet wegvervoer goederen. Artikel 2 1. Als beroepsverordening voor het wegvervoer wordt aangewezen verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PbEU L 300). 2. Als marktverordening voor het wegvervoer wordt aangewezen verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PbEU L 300). Hoofdstuk 2. Toegang tot de markt Artike"},{"i":14929,"b":"Regeling werkrooster en werklijst zeevarenden Gelet op de artikelen 6.4:1, tweede lid, en 6.4:2, [vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386), van het [Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386); Besluit: Artikel 1 Als model voor het werkrooster, bedoeld in artikel 6.4:1, [eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386), van het [Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386), wordt vastgesteld het model dat als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd. Artikel 2 Als model voor de werklijst, bedoeld in artikel 6.4:2, [eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386), van het [arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386), wordt vastgesteld het model dat als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd. Artikel 3 Het werkrooster en de werklijst worden volledig en duidelijk leesbaar ingevuld. Op de werklijst wordt melding gemaakt van het verrichten van bergingswerkzaamheden en van de gevallen waarin een jeugdige zeevarende heeft wachtgelopen dan wel arbeid heeft verricht tussen 00.00 en 05.00 uur. Artikel 4 De toezichthoudende ambtenaren kunnen de kapitein aanwijzingen geven met betrekking tot het invullen van de werklijst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling werkrooster en werklijst zeevarenden. Bijlage 1 Bijlage 2 Deze regeling zal met de bijlagen en de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14930,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 2009, IVV/I/09/27239, houdende regels inzake werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen Ziektewet (Regeling werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen ZW) Gelet op [artikel 63a, zevende lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=63a); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ZW:** [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); - b. **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Artikel 2. Toetsing voorstellen voor beslissingen 1. De eigenrisicodrager legt een voorstel voor een beslissing aan het UWV voor. 2. De eigenrisicodrager bereidt de beslissing op zorgvuldige wijze voor, waarbij het voorstel wordt gedragen door de onderliggende feiten. 3. De eigenrisicodrager doet zijn voorstel voor een beslissing op een door het UWV daartoe beschikbaar gesteld formulier en stuurt zo spoedig mogelijk nadat hij redelijkerwijze had kunnen weten dat het UWV een beslissing moet nemen en via een beschikking bekend moet maken, dit formulier aan het UWV. 4. Met het in het eerste lid bedoelde voorstel voor een beslissing worden alle op de zaak betrekking hebbende stukken meegezonden. 5. Het UWV verzekert zich ervan dat de voorbereiding van de beslissing door de eigenrisicodrager op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat het voorstel wordt gedragen door de onderliggende feiten. 6. Indien de eigenrisicodrager het voorstel naar het oordeel van het UWV niet of niet voldoende zorgvuldig heeft voorbereid, wordt de eigenrisicodrager in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen een hem door het UWV gestelde termijn. 7. Indien de eigenrisicodrager binnen de gestelde termijn het verzuim niet of niet voldoende heeft hersteld, verricht het UWV de werkzaamheden als bedoeld in [artikel 63a, eerste lid, van de ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":14932,"b":"Regeling werkzaamheden functionaris dienst Bewaking, Beveiliging en Vervoer in Arrondissement Amsterdam Overwegende dat wenselijk is dat in de politieregio Amsterdam-Amstelland de dienst bij de gerechten, de betekening van gerechtelijke stukken en executietaken binnen de gerechtsgebouwen te Amsterdam en het transport van personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd ook door anderen, dan ambtenaren van politie, kan worden verricht; Besluit: Artikel 1 De functionaris, werkzaam bij de dienst Bewaking, Beveiliging en Vervoer in het Arrondissement Amsterdam, is bevoegd tot het verrichten van de navolgende werkzaamheden: - a. de dienst bij de gerechten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder ten derde, van de Politiewet 1993; - b. het transport van personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd; - c. de werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 373, 387, eerste lid, 391, 541, tweede lid, 556, eerste lid, en 587, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot personen die zich in de gerechtsgebouwen in het Arrondissement Amsterdam bevinden. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op de tweede dag na publikatie van de Staatscourant waarin zij is geplaatst. Deze regeling wordt met toelichting gepubliceerd in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad."},{"i":17610,"b":"Besluit van 13 februari 2015, houdende regels omtrent de verstrekking van tijdelijke bijzondere uitkeringen aan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor het verbeteren van de leefbaarheid, de re-integratie naar duurzaam betaald werk en het bevorderen van de maatschappelijke participatie (Tijdelijk Besluit bijzondere uitkeringen integrale projecten BES) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst en Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 2 oktober 2014, nr. 2014-0000526780; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 november 2014, No.W04.14.0357/1); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 februari 2015, 2015-0000074703; Gelet op [artikel 92, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=92), en [artikel 95, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=95); Hebben goed gevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **bijzondere uitkering:** een uitkering voor het realiseren van integrale projecten; - –. **integrale projecten:** projecten die ten minste twee van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036411&artikel=2&z=2017-12-09&g=2017-12-09) genoemde beleidsterreinen omvatten; - –. **wet:** [Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151). Artikel 2. Verstrekking en doel bijzondere uitkering integrale projecten Onze Minister kan over de kalenderjaren 2014 tot en met 2019 bijzondere uitkeringen verstrekken aan een openbaar lichaam voor integrale projecten die uitsluitend"},{"i":14934,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 24 juni 2013, kenmerk 399920, tot uitvoering van de Wet op de kansspelen (Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen) Gelet op de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=4), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=5), [6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=6), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=7) en [8 van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=8); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen in werking treedt. Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanmelding:** aanmelding als bedoeld in [artikel 1.1 van het Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=1.1); - **aanvullende cursus:** cursus als bedoeld in [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033613&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=9&z=2024-10-01&g=2024-10-01); - **afmelding:** beëindiging van de aanmelding; - **basiscursus:** cursus als bedoeld in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033613&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=8&z=2024-10-01&g=2024-10-01); - **besluit:** het [Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412); - **jongvolwassenen:** jongvolwassenen als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=2); - **sponsoring:** verstrekken van financiële of andere bijdragen als tegenprestatie voor het neutraal vermelden of vertonen van de naam, merk, beeldmerk of enig ander onderscheidend teken van de vergunninghouder; - **stortingslimiet:** grenzen van het speelgedrag van d"},{"i":14938,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 2 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/F&W/05/96420, ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Regeling Wfsv) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=13), [17, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=17), [34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=34), [40, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=40), [41, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=41), [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=55), [63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=63), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=67), [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=81), [95, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=95), [96, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=96), [102, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=102), [110, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=110), [119, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=119), [120, tweede, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=120), [121](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=121) en [122 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=122), en de [artikelen 2.2, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=2.2), en [2.3, eerste en derde lid, van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=2.3); Besluiten: Hoofdstuk 1. Algemene be"},{"i":14939,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 5 juni 2014, nr. WJZ/14070246, houdende regels inzake de verhandeling van wijn en olijfolie (Regeling wijn en olijfolie) [Verordening (EEG) nr. 1601/91](31991R1601) van de Raad van 10 juni 1991 tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de definitie, de aanduiding en de aanbiedingsvorm van gearomatiseerde wijnen, gearomatiseerde dranken op basis van wijn en gearomatiseerde cocktails van wijnbouwprodukten (Pb EG 1991, L 149); [Verordening (EG) nr. 555/2008](32008R0555) van de Commissie van 27 juni 2008 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, wat betreft de steunprogramma’s, de handel met derde landen, het productiepotentieel en de controles in de wijnsector (PbEU 2008, L 170); [Verordening (EG) nr. 436/2009](32009R0436) van de Commissie van 26 mei 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad met betrekking tot het wijnbouwkadaster, de verplichte opgaven en de samenstelling van gegevens voor het volgen van de markt, de begeleidende documenten voor het vervoer van producten en de bij te houden registers in de wijnsector (PbEU 2009, L 128); [Verordening (EG) nr. 606/2009](32009R0606) van de Commissie van 10 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad, wat betreft de wijncategorieën, oenologische procédés en de daarvoor geldende beperkingen (PbEU 2009, L 193); [Verordening (EG) nr. 607/2009](32009R0607) van de Commissie van 14 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad wat betreft beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, traditionele aanduidingen, etikettering en presentatie van bepaalde wijnbouwproducten (PbEU 2009, L 193); Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de finan"},{"i":14940,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juni 2020, 2020-0000072113, tot wijziging van de einddatum van de subsidiabele periode voor projecten gebaseerd op de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 juni 2014, 2014-0000087456, ter stimulering van activiteiten die een duurzame bijdrage leveren aan het tegengaan van armoede- en schuldenproblematiek, in verband met de coronacrisis Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Wijzigen einddatum beschikking tot subsidieverlening 1. De subsidiabele periode voor een project, gebaseerd op [artikel 9, tweede lid, van de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 juni 2014, 2014-0000087456, ter stimulering van activiteiten die een duurzame bijdrage leveren aan het tegengaan van armoede- en schuldenproblematiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035291&artikel=9), bedraagt maximaal 30 maanden, indien de einddatum van dat project 1 maart 2020 of later is. 2. Indien subsidie is verleend voor een project waarvan de einddatum 1 maart 2020 of later is, verlengt de minister de periode waarbinnen de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd op verzoek van de subsidieontvanger met maximaal zes maanden, door middel van een wijziging van de beschikking. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 29 februari 2020. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14941,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 november 2025, nr. 2025-0000251465, tot wijziging van bedragen en vaststelling van percentages en bedragen ten gevolge van de consumentenprijsindexcijfers voor 2026 voor Caribisch Nederland en tot vaststelling van de premiepercentages voor de werknemersverzekeringen en volksverzekeringen BES Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 7, vierde lid, van de Arbeidsvrederegeling BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028762&artikel=7), [artikel 21, eerste lid, van het Besluit onderstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=21), [artikel 7, vierde lid, van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=7), [artikel 7b, derde lid, van de Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=7b), de [artikelen 7b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7b), [8a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=8a), [14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=14), en [27 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=27), de [artikelen 12a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=12a), [17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=17), en [30 van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=30), [artikel 10, eerste lid, van de Wet kinderbijslagvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037347&artikel=10), [artikel 13, eerste lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=13), de [artikelen 5, zeventiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=5), [5a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.n"},{"i":14942,"b":"Regeling van de Minister van Justitie, Directie Toegang Rechtsbestel, van 13 december 2004, nr. 5323517/04/DTR, houdende wijziging van de inkomensgrenzen en eigen bijdragen (regeling wijziging inkomensgrenzen en eigen bijdrage de Wet op de rechtsbijstand 2005) Artikel 1 Wijzigt de Wet op de Rechtsbijstand. Artikel 2 Wijzigt de Wet op de Rechtsbijstand. Artikel 3 Wijzigt de Wet op de Rechtsbijstand. Artikel 4 Deze regeling is van toepassing op verzoeken om rechtsbijstand ten aanzien waarvan een beslissing wordt genomen op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 5 Deze regeling treedt inwerking op 1 januari 2005. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling wijziging inkomensgrenzen en eigen bijdragen WRB 2005. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14943,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 15 december 2005, Directie Toegang Rechtsbestel, nr. 5389276/05/DTR, houdende wijziging van de inkomensgrenzen en eigen bijdragen (Regeling wijziging inkomensgrenzen en eigen bijdrage Wet op de rechtsbijstand 2006 Besluit: Artikel I Wijzigt de Wet op de Rechtsbijstand. Artikel II Wijzigt de Wet op de Rechtsbijstand. Artikel III Wijzigt de Wet op de Rechtsbijstand. Artikel IV Deze regeling is van toepassing op verzoeken om rechtsbijstand ten aanzien waarvan een beslissing wordt genomen op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel V Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2006. Artikel VI Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling wijziging inkomensgrenzen en eigen bijdragen WRB 2006. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14944,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 18 november 2019 houdende wijziging van de Rapportagevoorschriften betalingsbalansrapportages 2003 Gelet op [artikel 7 van de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547&artikel=7) (Stb. 1994, 258); Besluit: Artikel I Wijzigt de Rapportagevoorschriften betalingsbalansrapportages 2003 (RV 2003). Artikel II Rapportages die na 1 juli 2020 bij of krachtens de [Wet financiële betrekkingen buitenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547) bij De Nederlandsche Bank zijn of worden ingediend en die betrekking hebben op een periode vóór inwerkingtreding van deze regeling, dienen conform de voor die periode geldende rapportagevoorschriften te worden ingediend. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2020. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14945,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank van 18 november 2025 houdende wijziging van de Rapportagevoorschriften betalingsbalansrapportages 2022 Gelet op [artikel 7 van de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547&artikel=7) (Stb. 1994, 258); Gelet op [Verordening (EU) 2024/1988](32024R1988) van de Europese Centrale Bank van 27 juni 2024 betreffende statistieken inzake beleggingsfondsen en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/32; Besluit: Artikel I Wijzigt de Rapportagevoorschriften betalingsbalansrapportages 2022. Artikel II Rapportages die na 1 januari 2026 bij of krachtens de [Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547) bij De Nederlandsche Bank zijn of worden ingediend en die betrekking hebben op een periode vóór inwerkingtreding van deze regeling, dienen conform de voor die periode geldende rapportagevoorschriften te worden ingediend. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14946,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 20 augustus 2013, nr. IENM/BSK-2013/53576, tot wijziging van de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006 Gelet op [artikel 28a van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=28a) en [artikel 1, eerste lid, onderdelen 17, onder a en b, 30 en 31, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009094&artikel=1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006. Artikel II Ten aanzien van een aanvraag die is ingediend bij de Minister vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling en waarop op dat tijdstip nog niet onherroepelijk is beslist, blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing totdat op de aanvraag onherroepelijk is beslist. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14947,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 mei 2015, nummer 626889, houdende wijziging van de Verklaring omtrent de goederen van minderjarigen Gelet op [artikel 339, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=339); Besluit: Artikel I De in [artikel 339, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=339) bedoelde verklaring wordt vastgesteld overeenkomstig het bij dit besluit behorende model. Artikel II Het [besluit van 12 december 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002693) (Stcrt. 1969, 246) wordt ingetrokken. Artikel III Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2015. Verklaring omtrent de goederen van minderjarigen ([artikel 339, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=339)) De ondergetekende: Naam: ... Wonende te: ... Zijnde de voogd over de minderjarige(n): | Naam | Voornamen | Geboortedatum | Geboorteplaats | | --- | --- | --- | --- | | 1... | ... | ... | ... | | 2... | ... | ... | ... | | 3... | ... | ... | ... | | 4... | ... | ... | ... | | 5... | ... | ... | ... | | 6... | ... | ... | ... | Verklaart, dat de goederen van – ieder van – die minderjarige(n) een waarde van € 11.250 niet te boven gaan. Verklaart voorts dat de goederen van de twee of meer minderjarigen van dezelfde ouders tezamen een waarde van € 22.500 niet te boven gaan. Opgemaakt te: ... Datum: ... Handtekening: ... Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14948,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 18 november 2009, nr. WJZ/9203919, tot aanwijzing van productie-installaties voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op zee als een subsidiabele categorie in het kader van de stimulering van duurzame energieproductie (Regeling windenergie op zee 2009) Handelende na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Financiën; Gelet op de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=18), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=19), [20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=20), [22, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=23), [56, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=56), [57, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=57), [60, tweede lid en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=60), [61, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=61), en [63, tweede lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=63); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **besluit:** het [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - c. **Wbr-vergunning:** de vergunning op grond van [artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=2) voor de bouw en exploitatie van een productie-installatie voor de"},{"i":14950,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 1 juli 2016, nr. WJZ/16097774, tot aanwijzing van productie-installaties voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op zee als een subsidiabele categorie voor 2016 in het kader van de stimulering van duurzame energieproductie (Regeling windenergie op zee 2016) Gelet op [artikel 3, eerste en tweede lid, van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en de [artikelen 2, tweede tot en met vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=2), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=7), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=8), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=19), [20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=20), [22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [23, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=23), [56, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=56), [60, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=60) en [61, eerste en derde lid van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=61); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - **kavel:** kavel als bedoeld in [artikel 1 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=1); - **kavel III:** kavel III van het windenergiegebied Borssele zoals aangewezen in [Kavelbesluit III windenergiegebied Borssele](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037811) (Stcrt. 2016, 14523); - **kavel IV:** kavel I"},{"i":14951,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 mei 2020, nr. 2020-0000027462, houdende nadere regels met betrekking tot verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van het versnellen van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving (Regeling Woningbouwimpuls 2020) Gelet op de [artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=2), [3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=3), [4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4), [5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=5), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=6), [7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=7), en [artikel 10, derde lid, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=10); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit woningbouwimpuls 2020 in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aantoonbare financiële tekort:** aantoonbare financiële tekort als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=2); - **afgebakend projectgebied:** gebied dat zich kenmerkt door ten minste twee van de volgende kenmerken: - a. financiële samenhang; - b. geografische samenhang; en - c. organisatorische samenhang; - **besluit:** [Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540); - **commissie:** Toetsingscommissie Woningbouwimpuls als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=7); - **functioneel woningmarktgebied:** een gebied dat zich van andere functionele woningmarktgebieden onderscheid in de mate waarin sprake is van een daadwerkelijk regionaal woningtekort, gelet op feitelijke verhuisstromen, zoals ingedeel"},{"i":14953,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2005, nr. Z/VV-2611957, houdende regels ter zake van de uitvoering van de Zorgverzekeringswet (Regeling zorgverzekering) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Gelet op de [artikelen 32, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), [35, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=35), [38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=38), [39, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=39), [40, vijfde, tiende en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=40), [43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=43), [45, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=45), [46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=46), [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=47), [50, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=50), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=52), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=53), [59, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=59), [68, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=68), [69, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69), [70, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=70), [75, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=75), [87, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=87), [88, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=88), [89, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=89), [106, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artik"},{"i":14952,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 25 februari 2013, nr. IENM/BSK-2013/25450, houdende regels inzake onder andere de certificering en het onderhoud van Yakovlev-52 vliegtuigen en tot wijziging van de Regeling onderhoud luchtvaartuigen (Regeling Yakovlev-52 vliegtuigen) Gelet op de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=9), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=12), en [13, van het Besluit luchtvaartuigen 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=13), [artikel 7, eerste lid, van het Besluit vluchtuitvoering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020111&artikel=7) en de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=5), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=9), en [10, tweede lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=10); BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **AMP:** onderhoudsprogramma van een luchtvaartuig (Aircraft Maintenance Programme); - **AFM:** vlieghandboek betreffende een luchtvaartuig (Aircraft Flight Manual); - **bevoegd onderhoudstechnicus:** houder van een geldig bewijs van bevoegdheid krachtens bijlage III (Part 66) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PbEU 2014 L 362); - **vaardigheidstoets:** demonstratie van vaardigheid ten behoeve van de afgifte van de Yak-52 typebevoegdverklaring; - **vlieginstructeur Yak-52:** houder van een Yak-52 typebevoegdverklaring in combinatie met een bevoegdverklaring Flight Instructor als bedoeld in Bijlage I, subdeel"},{"i":14954,"b":"Regelingen voorbehoud auteursrecht (Europese zijde euromunten) Gelet op [artikel 15b Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b), Besluit: Artikel 1 Met betrekking tot de ontwerpen van de gemeenschappelijke Europese zijde van de euromunten, als opgenomen in de bijlage bij deze regeling, maakt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage die ter inzage wordt gelegd op de afdeling Bibliotheek en Documentatie van het Ministerie van Financiën."},{"i":14956,"b":"Regels inzake de financiering van vut-lasten Het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel, gezien de goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken en de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken d.d. 13 december 1995, gelet op [artikel 9, zesde lid van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007792&artikel=9) (Stb. 1995, 640), Bepaalt: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt, tenzij uit de bepaling het tegendeel blijkt, verstaan onder: - a. **pensioenreglement**: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; - b. **inkomen**: het inkomen bedoeld in artikel 3.1, eerste tot en met vijfde lid van het pensioenreglement; - c. **werkgever**: de werkgever bedoeld in artikel 2.2 van het pensioenreglement; - d. **werknemer**: de werknemer bedoeld in artikel 2.3 van het pensioenreglement; - e. **deeltijdfactor**: de deeltijdfactor bedoeld in artikel 1.4 van het pensioenreglement; - f. **belanghebbende**: de werknemer die door vrijwillig vervroegd uittreden recht op uitkering heeft verkregen; - g. **vut-fonds**: de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel, gevestigd te Heerlen; - h. **kaderwet**: de [Wet kaderregeling vut overheidspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007792) (Stb. 1995, 640); - i. **vut-overeenkomst**: de centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel, zoals door de gezamenlijke sectorwerkgevers en de centrales van overheids- en onderwijspersoneel aangegaan op 30 oktober 1995 en nader vastgesteld op 20 december 1995; - j. **vut-wet**: de [Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden](onbekend) (Stb. 1984, 273). Dekking van de Vut-lasten Artikel 2 1. De lasten die voor het Vut-fonds ontstaan uit het bepaalde in [artikel 8 van de kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007792&artikel=8) en uit de"},{"i":14958,"b":"Wet van 24 december 1970, houdende regeling van de formaliteit van registratie van akten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de algemene herziening van de registratie- en de zegelbelasting wenselijk is de formaliteit van registratie van akten bij een afzonderlijke wet te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **KNB:** Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie als genoemd in [artikel 60 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=60); - b. **Onze Minister:** Onze Minister van Financiën. 2. Onder registratie van akten wordt verstaan: - a. de opname van elektronische afschriften van notariële akten of van elektronische kopieën als bedoeld in [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=4&z=2023-01-01&g=2023-01-01), in een register dat wordt gehouden door de KNB; - b. het vermelden van de gehele of gedeeltelijke inhoud van akten waarvan de registratie wettelijk is vereist voor de geldigheid van een rechtshandeling, andere dan notariële akten, in registers die worden gehouden door daartoe door Onze Minister aangewezen inspecteurs van de rijksbelastingdienst. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 1. Notariële akten, welke niet zijn genoemd in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002739&artikel=4&z=2023-01-01&g=2023-01-01), moeten binnen tien dagen na de dag waarop de akten zijn opgemaakt, door die ambtenaren ter registratie worden aangeboden. 2. Notariële akten worden ter registratie aangeboden door een elektronisch afschrift daarvan langs elektronische weg te zenden aan de KNB. 3. Bij regeling van Onze Minister wordt, na overleg met Onze Minister"},{"i":14957,"b":"Regels spreiding en behoefte Regionale Instellingen voor Beschermende Woonvormen Gelet op [artikel 8b, onder b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=8b) en op [artikel 1, tweede lid, onder b, van het Besluit aanwijzing inrichtingen Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003257&artikel=1), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. regionale instelling voor beschermd wonen: een instelling die zorg verleent als bedoeld in [artikel 20c van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005283&artikel=20c); - b. beschermd wonen: zorg als bedoeld in [artikel 20c van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005283&artikel=20c); - c. WZV-regio: een gezondheidsregio als bedoeld in de beleidsregels op grond van [artikel 3, eerste lid, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=3). Artikel 2 Voor de toelating van regionale instellingen voor beschermd wonen geldt als voorschrift inzake spreiding en behoefte dat het maximum aantal plaatsen beschermd wonen, exclusief de thans als zodanig toegelaten landelijke functies, per [WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753)-regio 0,46 per 1000 inwoners bedraagt, behoudens voor zover de behoefte aantoonbaar groter is. Artikel 3 De regeling van 16 december 1985, Stcrt. 1985, 249 tot aanwijzing van de Regionale Instellingen voor Beschermende Woonvormen als inrichting als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=1), wordt ingetrokken. Artikel 4 Het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012034&artikel=2&z=2001-01-01&g=2001-01-01) genoemde voorschrift geldt niet ten aanzien van de aanvraag om een toelating door een regionale instelling voor beschermd"},{"i":14959,"b":"Reglement Adviescommissie bezwaarschriften Ctgb 2021 Gelet op [artikel 7:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13) en [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) en [7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=7) (hierna: Awb); Overwegende dat het College een commissie kan instellen ter advisering over de afhandeling van bezwaarschriften; Besluit het Reglement Adviescommissie bezwaarschriften Ctgb 2021 vast te stellen waarin de volgende bepalingen zijn opgenomen; Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **College:** het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb); - b. **Adviescommissie:** de externe adviescommissie die uitgenodigd is door het College om een advies uit te brengen over bezwaren op basis van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - c. **bezwaar:** een bezwaar als bedoeld in [artikel 1:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:5); - d. **bezwaarschrift:** een bezwaarschrift als bedoeld in [artikel 6:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5); - e. **belanghebbende:** een belanghebbende als bedoeld in [artikel 1:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:2); - f. **voorzitter:** Voorzitter van de Adviescommissie bezwaarschriften. Artikel 2. Bevoegdheid Adviescommissie 1. De Adviescommissie heeft tot taak, nadat zij hiertoe door het College is uitgenodigd, het College te adviseren over de te nemen besluiten op bezwaarschriften. 2. Bezwaarschriften die door het College kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk gegrond of kennelijk ongegrond worden geacht, worden niet ter advisering aan de Adviescommissie voorgelegd. Artikel 3. Samenstelling Adviescommissie 1. De Adviescommissie bestaat uit een lid dat voorzitter is en ten minste twee andere leden. 2. De leden worden door het College benoemd, geschorst en"},{"i":14960,"b":"Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand tot vaststelling van het reglement van de Adviescommissie extra uren in strafzaken gelet op [artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:5) jo. [artikel 8, eerste lid, van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8) en [artikel 2 van het Instellingsbesluit Adviescommissie extra uren in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048645&artikel=2) **Stelt vast** het Reglement voor de Adviescommissie extra uren in strafzaken: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de Raad:** het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand; - b. **de commissie:** de Adviescommissie extra uren in strafzaken zoals bedoeld in [artikel 1 van het Instellingsbesluit Adviescommissie extra uren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048645&artikel=1); - c. **aanvraag:** aanvraag tot toekenning van extra uren en aanvraag tot vaststelling van de vergoeding als bedoeld in de [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=22) en [31 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=31) (Bvr); - d. **aanvrager:** de indiener van de aanvraag zoals bedoeld in [artikel 1 onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048659&artikel=1&z=2023-09-29&g=2023-09-29) van dit Reglement. Artikel 2. Taken en werkzaamheden 1. De commissie is belast met de advisering over aanvragen zoals bedoeld in [artikel 1 sub c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048659&artikel=1&z=2023-09-29&g=2023-09-29) van dit reglement, voor zover de Raad advies van de commissie gewenst acht; 2. De Raad beoordeelt of een aanvraag wordt voorgelegd aan de commissie. Artikel 3. Samenstelling commissie en benoeming leden 1. De fungerende commissie houdt zitting en beraadslaagt met drie externe leden, waarvan één voorzitter. 2. De voorzitter is een (gewezen)"},{"i":14963,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 juli 2013, nr. 407207 tot vaststelling van een reglement inzake de organisatie en het beheer van het archief van de commissie Samson (Reglement archief commissie Samson) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **archief:** het archief dat door de commissie Samson is overgedragen aan Onze Minister; - c. **melder:** degene die bij de commissie Samson een melding heeft gedaan van seksueel misbruik en waarvan de melding in het archief is opgenomen; - d. **melding:** de gegevens in het archief die betrekking hebben op hetgeen een melder aan de commissie Samson heeft verklaard; - e. **feitelijk beheerder van het archief:** het Dienstencentrum afdeling Productie binnen het ministerie van Veiligheid en Justitie; - f. **beoordelaar archiefverzoeken:** het hoofd van de portefeuille Juridische en Internationale Zaken van het directoraat-generaal Straffen en Beschermen binnen het ministerie van Veiligheid en Justitie; - g. **anonimiseren:** het verwijderen van gegevens die het, afzonderlijk of in onderlinge samenhang, mogelijk maken om een individuele melder te identificeren. Artikel 2 1. Het archief bestaat uit een openbaar deel en een niet-openbaar deel. 2. Alle meldingen, alsmede de stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen die tot een individuele melder zijn te herleiden, behoren tot het niet-openbare deel. Artikel 3 De [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) en de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) zijn onverkort op dit reglement van toepassing. Artikel 4 1. Stukken die behoren tot het niet-openbare deel van het archief, worden met de grootst mogelijke vertrouwelijkheid behandeld. 2. Onze Minister anonimiseert onverwijld alle meldingen met ingang van 1 maart 2017. 3. In afwijking van het tweede lid, besluit Onze Minister tot eerdere anonimiser"},{"i":14085,"b":"Regeling bekendmaking constanten regressieformules en waarden voor de gemiddelde CO2-uitstoot voor benzine- en dieselauto’s 2016 en 2017 Gelet op [artikel 8 van het Besluit etikettering energiegebruik personenauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&artikel=8) van 3 november 2000 en de [Regeling relatieve zuinigheid personenauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032215) van 31 oktober 2012; Besluit: De constanten voor de in de [Regeling relatieve zuinigheid personenauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032215) opgenomen regressieformules en de daarbij behorende waarden van de gemiddelde CO2-uitstoot voor personenauto’s met benzine als brandstof alsmede voor personenauto’s met diesel als brandstof voor de kalenderjaren 2016 en 2017 als volgt vast te stellen: Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17306,"b":"Regeling experiment cosmetische mondzorg Gelet op [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), jo. [artikel 37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), jo. [artikel 38, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38), jo. [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van cosmetische mondzorg. besluit Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **cosmetische mondzorg:** niet tandheelkundig-medisch noodzakelijke behandelingen, die het uiterlijk, de kleur, de vorm of de positie van de normale kenmerken van de weefsels in en of rondom de mond herzien of veranderen. - **materiaal- en/of techniekkosten:** De kosten van tandtechniek die noodzakelijk zijn voor de behandeling en extra zijn ingekocht door de zorgaanbieder en de kosten van de materialen die specifiek toe te rekenen zijn aan de betreffende prestatie. Hier worden expliciet niet de verbruiksmaterialen bedoeld. Hieronder worden verstaan: alle materialen die bij een behandeling van een patiënt in de praktijk worden gebruikt en die niet speciaal voor de patiënt gemaakt zijn en die niet met of voor de patiënt de praktijk verlaten. - **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit. - **reguliere mondzorg:** de mondzorg die wordt gedeclareerd via de NZa-prestatiebeschrijvingen zoals omschreven in de: - –. [Beleidsregel tandheelkundige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047300); - –. Beleidsregel tandtechniek in eigen beheer. - **zorgaanbieder:** - 1°. natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) verleent als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderde"},{"i":13658,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 22 april 2015, nr. WJZ/14173439 tot instelling van de Wetenschappelijke Adviescommissie Convenant Onbedwelmd Ritueel Slachten (Instellingsbesluit Wetenschappelijke Adviescommissie Convenant Onbedwelmd Ritueel Slachten) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en artikel 4, derde lid, van het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **commissie:** de Wetenschappelijke Adviescommissie Convenant Onbedwelmd Ritueel Slachten; - c. **convenant:** het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten van 5 juni 2012 (Stcrt. 2012, 13162). Artikel 2 1. Er is een Wetenschappelijke Adviescommissie Convenant Onbedwelmd Ritueel Slachten. 2. De commissie heeft tot taak de minister en de convenantspartijen te adviseren op basis van de onderzoeksresultaten van wetenschappers en instituten, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van het convenant. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste vijf andere leden. 2. De leden worden door de minister benoemd en kunnen door de minister worden geschorst en ontslagen. Een van de leden wordt op voordracht van de convenantspartijen als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van het convenant benoemd. 3. De leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep. 4. Het voorgedragen lid, bedoeld in het tweede lid, wordt benoemd voor de periode benodigd voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag waarvoor hij is voorgedragen. 5. De minister kan gastdeskundigen benoemen. Artikel 4 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. 2. De minister voorziet in het secretariaat van de commissie. 3. De minister kan een waarnemer aanwi"},{"i":14989,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/R&S/2005/102050, houdende regels met betrekking tot reïntegratie (Reïntegratieregeling) Gelet op de [artikelen 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019152&artikel=5), en [15, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=15), [artikel 65h van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=65h), [artikel 65 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=65), [artikel 59i van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=59i), en [artikel 2.8 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019058&artikel=2.8); Besluit: § 1. Diversen Artikel 1. Begrippen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen; - b. WAO: [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - c. Wajong: [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657); - d. WAZ: [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656); - e. Wet WIA: [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057). 2. Voor de toepassing van deze regeling wordt gelijkgesteld met: - a. echtgenoot: de geregistreerde partner alsmede de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in [artikel 1, vierde en vijfde lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&"},{"i":14990,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 maart 2014, 2014-0000033986, tot vaststelling van nadere regels omtrent de uitvoering van de Remigratiewet en het Remigratiebesluit (Remigratieregeling) Gelet op de [artikelen 2a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=2a), [2b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=2b), [8a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8a), en [8h, tweede lid van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8h) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034905&artikel=2), en [5, eerste lid, van het Remigratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034905&artikel=5); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Remigratiewet (heroverweging Remigratiewet) (Stb. 2013, 331) in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder besluit: [Remigratiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034905). Artikel 2 De verklaring, bedoeld in [artikel 2, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=2), wordt gedaan door indiening van een volledig ingevuld en ondertekend formulier dat daartoe door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar wordt gesteld. Artikel 3 De jaarlijkse informatie over de voortgang van de behandeling van het verzoek van de remigrant tot verkrijging van de nationaliteit van het bestemmingsland als bedoeld in [artikel 2a, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=2a), wordt schriftelijk en ondertekend ingediend bij de Sociale verzekeringsbank. Artikel 4 1. Tot de categorie van vreemdelingen, bedoeld in [artikel 2b, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=2b), behoort: - 1°. de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend als bedoeld in [artikel 14 van"},{"i":11786,"b":"Beleidsregel reclame commerciële media-instellingen 2022 Gelet op de [artikelen 3.5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.5b), [3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.7), [3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.8), [3.29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29a), [3.29d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29d), [7.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.11) en [7.12 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.12) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op het media-aanbod van commerciële media-instellingen in de zin van de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028), daaronder begrepen commerciële mediadiensten op aanvraag (zoals VOD-diensten en video-uploaders). Artikel 2. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - –. **media-aanbod:** programma-aanbod (televisie en radio) en audiovisueel media-aanbod op aanvraag (VOD-diensten en video); - –. **video:** audiovisueel media-aanbod op aanvraag dat door een gebruiker is gecreëerd en door die gebruiker of een andere gebruiker naar een videoplatform is geüpload; - –. **omlijsting:** kader waarbinnen reclame- en telewinkelboodschappen worden geplaatst, bestaande uit een aankondiging en afkondiging; - –. **splitscreen:** het gelijktijdig en parallel plaatsen in één beeld van redactionele inhoud en van reclame- of telewinkelboodschappen. Artikel 3. Reclame voor medische behandelingen 1. Het media-aanbod bevat geen reclame- en telewinkelboodschappen voor medische behandelingen ([artikel 3.7, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel="},{"i":14992,"b":"Wet van 13 december 2010 tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Reparatiewet BZK 2010) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een aantal wettelijke bepalingen op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en op enige aanverwante terreinen enkele wetstechnische gebreken te herstellen alsmede daarin andere wijzigingen van ondergeschikte aard aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Ambtenarenwet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Wijzigt de Financiële-verhoudingswet. Artikel IV Wijzigt de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië. Artikel V Wijzigt de Garantiewet Militairen K.N.I.L. Artikel VI Wijzigt de Gemeentewet. Artikel VII De [Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291) wordt ingetrokken. Artikel VIII Wijzigt de Kieswet. Artikel VIIIa 1. Wijzigt deze wet. 2. Wijzigt de Wijzigingswet Kieswet (aanpassing bepalingen verkiezing leden Eerste Kamer). Artikel IX Wijzigt de Politiewet 1993. Artikel X Wijzigt de Provinciewet. Artikel XI Wijzigt de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP. Artikel XII Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel XIII Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de lijkbezorging. Artikel XV Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel XVI Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de Raad van State (herstructurering Raad van State). Artikel XVII Wijzigt de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaa"},{"i":14993,"b":"Wet van 19 november 2014 tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Reparatiewet BZK 2014) Artikel I. [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II. [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502) Wijzigt de Algemene wet gelijke behandeling. Artikel III. [Boek 7 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IIIa. [Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033159) Wijzigt de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob. Artikel IV. [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IVa. [Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303) Wijzigt de Huisvestingswet 2014. Artikel V. [Invoeringswet ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023913) Wijzigt de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening. Artikel VI. [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) Wijzigt de Kieswet. Artikel VII. [Leegstandwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403) Wijzigt de Leegstandwet. Artikel VIII. [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315) Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel IX. Nieuwe grondslag Regeling inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2014 1. Na de inwerkingtreding van deze wet berust de Regeling inkomensgrenzen inkomensafhankelijke huurverhoging 2014 op [artikel 10, tweede lid, derde volzin, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10). 2. Wijzigt het Besluit vermindering verhuurderheffing 2014. Artikel X. [Tijdelijke experimentenwet stembiljetten"},{"i":14994,"b":"Wet van 28 maart 2018 tot herstel van een aantal gebreken van ondergeschikte aard in diverse wetten op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Reparatiewet BZK 2018) Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IV Wijzigt de Kieswet. Artikel V Wijzigt de Leegstandwet. Artikel VI Wijzigt de Provinciewet. Artikel VIa Wijzigt de Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius. Artikel VII Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel VIII Wijzigt de Veegwet wonen. Artikel IX Wijzigt de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer. Artikel X Wijzigt de Wet algemene regels herindeling. Artikel XI Wijzigt de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek. Artikel XII Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel XIIa Wijzigt de Wet Huis voor klokkenluiders. Artikel XIII Wijzigt de Wet maatregelen huurwoningmarkt Caribisch Nederland. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XIV Wijzigt de Wet normering topinkomens. Artikel XV Wijzigt de Wet op de lijkbezorging. Artikel XVI Wijzigt de Wijzigingswet Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, enz. (verlaging leeftijd volwassenminimumloon, i.v.m. stukloon en meerwerk, enz.). Artikel XVII Wijzigt de Wijzigingswet Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, enz. (enkele rechtspositionele aanpassingen van meer technische aard). Artikel XVIII Wijzigt de Woningwet. Artikel XIX Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. [Artikel II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040831&artikel=II&z=2018-06-13&g=2018-06-13), [artikel IV, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040831&artikel=IV&z=2018-06-13&g=2018-06-13), en [artikel VIa, onderdelen A en B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040831&artikel=V"},{"i":14997,"b":"Wet van 18 april 2024 tot wijziging van wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschap in verband met het repareren van wetstechnische en redactionele vergissingen en verschrijvingen (Reparatiewet OCW 2024) Artikel I. [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II. [Ambtenarenwet 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947) Wijzigt de Ambtenarenwet 2017. Artikel III. [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788) Wijzigt de Politiewet 2012. Artikel IV. [Wet college voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364) Wijzigt de Wet College voor toetsen en examens. Artikel V. [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel VI. [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Artikel VII. [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel VIII. [Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685) Wijzigt de Wet medezeggenschap op scholen. Artikel IX. [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) Wijzigt de Wet normering topinkomens. Artikel X. [Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740) Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel XI. [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel XII. [Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191) Wijzigt de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek. Artikel XIII. [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzig"},{"i":14998,"b":"Wet van 1 oktober 2025, houdende Wijziging van wetten op het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschap in verband met het repareren van wetstechnische en redactionele vergissingen en verschrijvingen (Reparatiewet OCW 2025) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om op gebundelde wijze diverse wetstechnische en redactionele verbeteringen aan te brengen in wetten die onder de verantwoordelijkheid vallen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188) Wijzigt de Les- en cursusgeldwet. Artikel II. [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel III. [Reparatiewet OCW 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049670) Wijigt de Reparatiewet OCW 2024. Artikel IV. [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel VI. [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel VII. [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel VIII. [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280) Wijzigt de Wet primair onderwijs BES. Artikel IX. [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel X. [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438) Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel XI"},{"i":15016,"b":"Selectielijst handelingen Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein invoerrechten en accijnzen 1945-1962 Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995; De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 24 oktober 2000, nr. arc-2000.1594/2), Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde `selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein invoerrechten en accijnzen over de periode 1945-1962' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende lijsten worden ingetrokken, voor zover ze betrekking hebben op het beleidsterrein invoerrechten en accijnzen: - `Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het Ministerie van Financiën en de daaronder ressorterende colleges, commissies en ambtenaren', vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Financiën, nr. MMA/Ar-6301 II, d.d. 20 september 1983, gewijzigd bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Financiën, nr. 96.338.RWS/EIB d.d. 3 mei 1996 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 96 d.d. 22 mei 1996); - `Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van de onder het Ministerie van Financiën ressorterende Directie Organisatie van de Belastingdienst' (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Financiën, nr. MMA/Ar-2063 I d.d. 22 juni 1987 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 147 van 4 augustus 1987)); - `Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van de onder het Ministerie van Financiën ressorterende Directie Personeel van de Belastingdienst' (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Financiën, nr. MMA/Ar-2063 I d.d. 22 juni 1987). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na"},{"i":15017,"b":"Selectielijst minister LNV binnen beleidsterrein relatienotabeleid Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 1 september 1997, nr. arc-97.6796/1); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij binnen het beleidsterrein relatienotabeleid over de periode 1945-1995, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken de categorie Taak van de ’Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van de onder het Ministerie van Landbouw en Visserij ressorterende Directie beheer landbouwgronden en van de onder deze Directie ressorterende organen, commissies en ambtenaren’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij en de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, no. PAZ 273 en no. Dir.MMA/Ar 194.557 d.d. 7 september 1978, gewijzigd 28 juni 1993 bij beschikking van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, no. A93.527.WH/NF (gepubliceerd in de Staatscourant nummer 148 van 6 augustus 1993)). Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":15018,"b":"Selectielijst neerslag handelingen Koninklijke Beroepsorganisatie voor Gerechtsdeurwaarders beleidsterrein Gerechtsdeurwaarders vanaf 2001 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 14 december 2009, nr. bca-2009.05587/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Koninklijke Beroepsorganisatie voor Gerechtsdeurwaarders op het beleidsterrein Gerechtsdeurwaarders over de periode vanaf 2001’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15020,"b":"Selectielijst neerslag handelingen Minister van EZ m.b.t. de SER 1970 - heden Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 24 oktober 2000, nr. arc-2000.1596/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde 'selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren met betrekking tot de Sociaal-Economische Raad over de periode 1970-heden' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken welke behoren tot het archief van het ministerie van Economische Zaken en de daaronder ressorterende diensten, vastgesteld bij beschikking van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, nr. OKN 117.173 van 7 september 1965/MH 465/878 van 14 juni 1965; laatstelijk gewijzigd 15 september 1987 (Staatscourant 1987, nr. 214), wordt ingetrokken voorzover het archiefbescheiden betreft die de neerslag vormen van de in deze selectielijst beschreven handelingen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Sociaal-Economische Raad Vaststelling BSD In de periode januari 1999 tot januari 2000 is het ontwerp-BSD door de Ministeries van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Staatssecretaris van OCenW aangeboden. Hierna heeft de Staatssecretaris het ontwerp-BSD ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het ontwerp-BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 15 maart 2000 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de informatiebalie in de studiezaal van het Algemeen Rijksarchief evenals in d"},{"i":15024,"b":"Selectielijst neerslag handelingen Ziekenfondsraad Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); en de voorzitter van de Ziekenfondsraad, De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 10 oktober 1994, nr. 433); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Ziekenfondsraad (vanaf 1941), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":15026,"b":"Besluit van de Sociaal-Economische Raad van 18 september 2015, houdende fusiegedragsregels ter bescherming van de belangen van in de onderneming werkzame personen (SER-Fusiegedragsregels 2015) Gelet op [artikel 2 van de Wet op de Sociaal-Economische Raad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=2); Besluit op te stellen en af te kondigen de volgende fusiegedragsregels ter bescherming van de belangen van in de onderneming werkzame personen, in acht te nemen bij het voorbereiden en tot stand brengen van fusies van ondernemingen: Paragraaf 1. Definities Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **onderneming:** elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband, waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht. - b. **ondernemer:** de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een onderneming in stand houdt. - c. **in de onderneming werkzame personen:** - i. degenen die in de onderneming werkzaam zijn krachtens een publiekrechtelijke aanstelling bij dan wel krachtens een arbeidsovereenkomst met de ondernemer die de onderneming in stand houdt. Personen die in meer dan één onderneming van dezelfde ondernemer werkzaam zijn, worden geacht uitsluitend werkzaam te zijn in die onderneming van waaruit hun werkzaamheden worden geleid. - ii. onder in de onderneming werkzame personen worden mede verstaan: - a. degenen die in het kader van werkzaamheden van de onderneming daarin ten minste 15 maanden werkzaam zijn krachtens een uitzendovereenkomst als bedoeld in [artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=690), en - b. degenen die krachtens een publiekrechtelijke aanstelling bij dan wel krachtens arbeidsovereenkomst met de ondernemer werkzaam zijn in een door een andere ondernemer in stand gehouden onderneming. - d. **samenstel van ondernemingen:** twee of meer ondernemingen die in stand worden gehouden:"},{"i":15027,"b":"Skal-Bijdragereglement Dit reglement is door het Bestuur van Stichting Skal vastgesteld op 11 oktober 2005 en is geldig met ingang van 1 januari 2006. Het gebruik van dit reglement door derden, voor welk doel dan ook, is uitsluitend toegestaan nadat een schriftelijke overeenkomst met Stichting Skal is gesloten waarin het gebruiksrecht is geregeld. Artikel 1. Algemeen Artikel 2. Aansluitingsbijdrage Een natuurlijke of rechtspersoon die zich als aangeslotene bij de Stichting wenst te melden, dient alvorens als zodanig door de Stichting te worden aanvaard, ter zake van de desbetreffende aansluiting een éénmalige aansluitingsbijdrage aan de Stichting te voldoen, zoals bedoeld in artikel 5, lid 3 van de statuten. Artikel 3. Basisbijdrage en variabele bijdrage Artikel 4. Bevoegdheden bestuur Artikel 5. Bevoegdheden directeur Artikel 6. Vaststelling variabele bijdragen bereiders en importeurs De directeur verstrekt elke bijdrageplichtige bereider c.q. importeur een opgave-formulier, waarop de aangeslotene de gevraagde gegevens ten behoeve van de vaststelling van de variabele bijdrage invult. De aangeslotene dient het origineel binnen 30 dagen na dagtekening en naar waarheid ingevuld, aan Skal te zenden. Als de verkoopwaarde (omzet) hoger is dan € 1.000.000 dient er een verklaring ondertekend door een accountant of door een door de directeur van Skal geaccepteerde deskundige meegezonden te worden. De variabele bijdrage wordt vervolgens op grond van de ontvangen gegevens vastgesteld door de directeur. Daartoe stuurt de directeur de aangeslotene een nota, waarin de berekening van de bijdrage staat vermeld. Artikel 7. Inning Artikel 8. Nadere specificatie verschuldigde bijdragen Artikel 9. Uitstel van betaling Artikel 10. Bijdragen additionele werkzaamheden Artikel 11. Slotbepalingen"},{"i":15028,"b":"Skal-Reglement Bezwaar Gelet op [artikel 10 lid 1 sub e van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=10) (Stb. 1971, 371), alsmede [artikel 14 lid 1 van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=14), artikel 28 van de Statuten van Stichting Skal en de [Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); Heeft 9 juli 2003 vastgesteld het navolgende reglement, zoals goedgekeurd door de minister, hierna te noemen: Skal-Reglement Bezwaar Artikel 1. Algemene bepalingen 1.1. Dit reglement neemt de begrippen en omschrijvingen over van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), de [Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755) en al hetgeen bij of krachtens het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische produktiemethode en [Landbouwkwaliteits-regeling biologische productiemethode 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008176) is vastgesteld, alsmede de statuten van de stichting Skal te Zwolle, bij afkorting 'Skal'. 1.2. In dit reglement wordt verstaan onder 'appellant': de aangeslotene als bedoeld in artikel 5 van de statuten van Skal en eventueel andere belanghebbenden, door wie een bezwaarschrift is ingediend bij de commissie Bezwaarschriften, nader te noemen: 'commissie'. 1.3. Het kantoor van de commissie is dat van Skal. 1.4. De werkzaamheden van de commissie worden verricht door de secretaris van de commissie, nader te noemen: 'secretaris'. De secretaris, alsmede diens plaatsvervanger, wordt door de directeur aangewezen. 1.5. Waar in dit reglement wordt gesproken over personen of functies, worden daarmee tevens hun functioneel-plaatsvervangers bedoeld. Artikel 2. Bevoegdheid 2.1. Bezwaar kan door een belanghebbende worden aangetekend tegen door Skal genomen besluiten, alsmede besluiten tot verlening, weigering of intrekking van een vergunning of ontheffing, waaronder tevens wordt verstaan de weige"},{"i":15029,"b":"Skal-Tarievenblad 2007 Dit reglement is door het Bestuur van Stichting Skal vastgesteld op 14 november 2006 en treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Het gebruik van dit reglement door derden, voor welk doel dan ook, is uitsluitend toegestaan nadat een schriftelijke overeenkomst met Stichting Skal is gesloten waarin het gebruiksrecht is geregeld. Skal-Tarievenblad Skal is de organisatie voor het toezicht op de biologische productie in Nederland. Ze doet dat door middel van inspectie en certificatie. Skal financiert het toezicht op de biologische productie uit de bijdragen van de aangesloten bedrijven. Deze bijdragen zijn gebaseerd op de tarieven die jaarlijks door het Bestuur van Skal worden vastgesteld en vereisen goedkeuring van de Minister van LNV. De tarieven voor 2007 treft u in dit tarievenblad aan. Alle regelingen uit voorgaande tarievenbladen komen met dit tarievenblad te vervallen. Voor de algemene bepalingen over de financiële verplichtingen verwijzen we u naar het [Skal-Bijdragereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018852). De tarieven bestaan uit éénmalige bijdragen voor de aansluiting bij Skal, een jaarlijkse bijdrage (basisbijdrage en variabele bijdrage) en overige tarieven. De tarieven worden berekend per Skalnummer. Alle bedragen staan vermeld in Euro’s en zijn exclusief BTW. 1. **Eénmalige bijdrage** 2. **Jaarlijkse bijdragen** De bijdragen zijn per kalenderjaar. Alle aangeslotenen betalen de basisbijdrage en eventueel een toeslag. Daarnaast betalen de ambachtelijke en industriële bereiders en de importeurs die in het bezit zijn van één of meerdere productspecificaties een variabele bijdrage. Landbouwers betalen alleen de basisbijdrage en geen variabele bijdrage. 2.1. **Basisbijdrage** De basisbijdrage wordt berekend naar rato van de kwartalen dat men aangesloten is. De bij Skal aangesloten bedrijven zijn onderverdeeld in de volgende categorieën: Landbouw, Bereiding, Import, Handel en Opslag. Vallen de activiteiten van een be"},{"i":15030,"b":"Skal-Tarievenblad 2026 Inleidende bepalingen 1. Aanmeldbijdrage en het toelatingsonderzoek Bij aanmelding betaalt een exploitant éénmalig: 1.1. Aanmeldbijdrage/registratiebijdrage Het betreft een betaling inzake de beoordeling van de aanmelding/registratie en het aanmaken van een digitaal dossier. 1.2. Toelatingsonderzoek De kosten voor het toelatingsonderzoek bestaan uit de inspectietijd. De inspectietijd wordt berekend op basis van de bestede tijd. 1.3. Toeslagen op de aanmeldbijdrage en het toelatingsonderzoek 2. Jaarbijdrage De jaarbijdrage geldt per kalenderjaar. Exploitanten die een deel van het jaar aangemeld dan wel geregistreerd zijn, betalen naar rato van de periode van de aanmelding. Skal onderscheidt verschillende tarieven voor de verschillende doelgroepen. De genoemde definities zijn vastgelegd in artikel 3 van het Skal reglement voor Certificatie en Toezicht (R11). Deze bijdrage geldt voor de exploitanten die niet in de categorie ‘klein bio-bedrijf’ en ‘mestintermediair’ vallen. Kleine biologische bedrijven zijn exploitanten die voldoen aan de volgende voorwaarden: Kleine biologische bedrijven dienen zelf jaarlijks de verklaring daarvoor binnen de gestelde termijn in te sturen. Aan kleine biologische bedrijven (met uitzondering van verkoop aan consument) wordt geen jaarbijdrage in rekening gebracht. Exploitanten die voldoen aan de categorie ‘mestintermediair’ (opslag en evt. verwerking van biologische mest). Bij deze exploitanten wordt geen toelatingsonderzoek uitgevoerd, enkel een periodieke inspectie. Deze exploitanten kunnen geen spoedprocedure aanvragen. Voor deze exploitanten geldt de volgende jaarbijdrage per kalenderjaar: 3. Certificatiebijdrage De certificatiebijdrage geldt per jaar. De certificatiebijdrage dekt de indirecte kosten van certificering tijdens de geldigheidsduur van het certificaat. Exploitanten die gedurende het jaar zich aanmelden, betalen de gehele certificatiebijdrage. Bij uittreding vindt geen restitutie plaats van de restere"},{"i":15031,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2019, nr. 2019-0000139944, tot het verstrekken van subsidies in het kader van leren en ontwikkelen in het mkb en in het grootbedrijf in de sectoren landbouw, horeca en recreatie (Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector) Gelet op [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraagtijdvak:** een tijdvak waarin aanvragen voor subsidie op grond van deze regeling kunnen worden ingediend; - **brancheorganisatie:** een organisatie opgericht voor 1 januari 2020, die het doel van de regeling blijkens de statuten onderschrijft en de belangen behartigt van leden die tot eenzelfde bedrijfstak behoren; - **brutoloon:** bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werkenden als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende collectieve arbeidsovereenkomst of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief overige vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten; - **de-minimisverklaring:** verklaring als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van [Verordening (EU) 2023/2831](32023R2831) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L 2023/2831) waarvan het model is vastgesteld door de minister; - **initiatief:** een activiteit of reeks van activiteiten die leidt tot het stimuleren van leren en ontwikkelen in een mkb-on"},{"i":15033,"b":"Regeling houdende vaststelling van een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor ministers en staatssecretarissen handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Besluit: Artikel 1 De Spaarloonregeling rijkspersoneel is van overeenkomstige toepassing op ministers en staatssecretarissen, met dien verstande dat daarbij onder ’personeelslid’ wordt verstaan: de minister of staatssecretaris. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Spaarloonregeling voor ministers en staatssecretarissen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15038,"b":"Wet van 15 september 2005, houdende regels over de verplichting om bij de overheidsorganen, bij de uit de openbare kas bekostigde onderwijsinstellingen, alsmede bij de examens waarvoor wettelijke voorschriften zijn vastgesteld, de schrijfwijze van de Nederlandse taal te volgen, waartoe de Nederlandse Taalunie beslist (Spellingwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [wet van 14 februari 1947](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002027) (Stb. H52) over de spelling van de Nederlandse taal te vervangen door een eenvoudiger wet, die geen spellingregels meer bevat, maar waarin het voorschrift om bij de overheidsorganen, bij de uit de openbare kas bekostigde onderwijsinstellingen en bij de examens waarvoor wettelijke voorschriften zijn vastgesteld, de spellingregels te volgen van de Nederlandse Taalunie direct gekoppeld is aan die spellingregels; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Comité van Ministers: het orgaan, bedoeld in artikel 6, onder a, van het op 9 september 1980 tot stand gekomen Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie (Trb. 1980, 147); - b. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 1. De schrijfwijze van de Nederlandse taal waartoe het Comité van Ministers beslist, wordt gevolgd bij de overheidsorganen, bij de uit de openbare kas bekostigde onderwijsinstellingen, alsook bij de examens waarvoor wettelijke voorschriften zijn vastgesteld. 2. Onder een overheidsorgaan als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: - a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of - b. een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed. Artikel 3 1. Iedere beslissing van het Comité van Ministers betreffende de schrijfwijze van de N"},{"i":15040,"b":"Stageverordening Overwegende dat het gewenst is regelen te stellen met betrekking tot de verplichtingen van de notaris en de kandidaat-notaris gedurende de stage; Gelet op [artikel 31 lid 2 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=31); Gezien het ontwerp van het bestuur met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de kamers van toezicht; Gelet op de adviezen van de ringen; stelt de navolgende verordening vast: De verplichtingen van de notaris en de kandidaat-notaris Artikel 1 1. De notaris op wiens kantoor de kandidaat-notaris tijdens zijn stage werkzaam is draagt zorg voor een voldoende begeleiding van diens werkzaamheden tijdens de stage. Is de kandidaat-notaris werkzaam bij een maatschap waarbij meer notarissen werkzaam zijn dan rust deze verplichting op iedere notaris. 2. De notaris geeft de kandidaat-notaris leiding, voorlichting en raad bij zijn functioneren als kandidaat-notaris. 3. De notaris geeft de kandidaat-notaris tijdens de stage de mogelijkheid om zich in alle gebruikelijke notariële werkzaamheden te bekwamen. 4. De notaris geeft de kandidaat-notaris voldoende gelegenheid om vanaf de aanvaarding van het dienstverband de beroepsopleiding te volgen, de daarbij behorende examens af te leggen en om aan de in [artikel 3 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011434&artikel=3&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bedoelde cursussen deel te nemen die behoren bij zijn opleiding tijdens de stage. 5. Wanneer de kandidaat-notaris tot waarnemer benoembaar is en zich daartoe bereid heeft verklaard dient de notaris, behoudens bijzondere omstandigheden, een verzoek in om hem tot waarnemer te benoemen als bedoeld in [artikel 29 lid 2 eerste zin van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=29). 6. Wanneer de kandidaat-notaris op grond van het verzoek als bedoeld in lid 5 tot waarnemer is benoemd dan stelt de notaris hem, behoudens bijzondere omstandigheden, in staat om"},{"i":15052,"b":"Startregeling creatieve industrie Het bestuur van de stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), besluit vast te stellen de navolgende regeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidies aan makers en partijen voor de uitvoering van projecten ter bevordering van de kwaliteit van de creatieve industrie. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen De in deze regeling gebruikte begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597). Specifiek binnen deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **aanvrager:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon die op grond van deze regeling een subsidieaanvraag doet bij het Stimuleringsfonds; - 2. **adviescommissie:** een onafhankelijke, door het bestuur aangestelde commissie van externe deskundigen; - 3. **beschikking:** de brief waarmee het bestuur formeel besluit over het al dan niet toekennen van de subsidie; en - 4. **beschikkingsdatum:** de datum zoals vermeld op de beschikking. - 5. **beschouwer:** een schrijver, programmamaker of curator wiens werkzaamheden zich verhouden tot de creatieve industrie; - 6. **bestuur:** de directeur-bestuurder van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, als bedoeld in [artikel 5 van de statuten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047849&artikel=5); - 7. **cofinanciering:** aanvullende financiering voor het project in de vorm van een andere subsidie, sponsoring, investering, eigen inkomsten uit bijvoorbeeld kaartverkoop of bijdrage van een externe partij, naast de gevraagde subsidie van het Stimuleringsfonds. Eigen bijdragen in de vorm van investeringen of doorberekende kortingen worden niet gerekend tot cofinanciering; - 8. **creatieve industrie:** het werkterrein van de vakgebieden vormgeving, architectuur en digitale cultuur inclusief mogelijke cros"},{"i":15057,"b":"Statuten Stichting Nederlands Fonds voor de Film 2022 Statuten Begripsbepalingen Artikel 1 ln de statuten wordt verstaan onder: - a. bestuur: het bestuur van de stichting; - b. Minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. raad van toezicht: de raad van toezicht van de stichting; - d. schriftelijk: bij brief, telefax of e-mail, of bij boodschap die via een ander gangbaar communicatiemiddel wordt overgebracht en op schrift kan worden ontvangen. Naam en zetel Artikel 2 1. De stichting draagt de naam: ****Stichting Nederlands Fonds voor de Film****. 2. Zij heeft haar zetel in de gemeente Amsterdam. Doel en middelen Artikel 3 1. De stichting heeft ten doel: - a. het stimuleren van de diversiteit, kwaliteit en verspreiding van filmproducties en de ontplooiing van filmtalent in Nederland; - b. het bevorderen van een voor de filmproductie gezond en voor de filmkunst ontvankelijk klimaat in Nederland en het versterken van de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse filmindustrie; - c. de uitvoering en nakoming van het bepaalde in de overeenkomsten die de stichting is aangegaan met de Staat der Nederlanden en de te Amsterdam gevestigde Nederlandse Vereniging van Bioscoopexploitanten en anderen de dato negentien januari tweeduizend tien alsmede van vervolgovereenkomsten hierop, en voorts al hetgeen daarmee verband houdt of daaraan bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord. 2. De stichting tracht deze doelen onder meer te bereiken door: - a. het stimuleren van de totstandkoming en de verspreiding van filmproducties en filmactiviteiten die van belang zijn voor de Nederlandse filmcultuur, door middel van financiële ondersteuning van en advisering aan filmmakers; - b. het stimuleren van de productieactiviteit van filmprofessionals en filmbedrijven in Nederland door de besteding van (internationaal productiekapitaal in Nederland te bevorderen en door service te bieden via de Netherlands Film Commission; - c. alle andere wettige ac"},{"i":15076,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister voor Rechtsbescherming, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 mei 2022, nummer 3952250, tot besteding van de gelden uit het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021–2027) Gelet op de [Verordening (EU) Nr. 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231); Gelet op de [Verordening (EU) 2021/1147](33047R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (PbEU 2021, L 251); Gelet op de [Verordening (EU) 2021/1149](33049R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 ter oprichting van het Fonds voor interne veiligheid (PbEU 2021, L 251); Gelet op de [Verordening (EU) 2021/1148](33048R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 ter oprichting, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 251); Gelet op de [artikelen 48a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48a), [48s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48s) en [48t van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48t); Gelet op de"},{"i":15077,"b":"Regeling van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 20 november 2023, kenmerk 3721349-1056574-S, houdende regels voor de subsidiëring van de bouw, de verbouwing en het onderhoud van sportaccommodaties, de aanschaf of het onderhoud van sportmaterialen en activiteiten die bijdragen aan verduurzaming en het verbeteren van de toegankelijkheid van sportaccommodaties (Subsidieregeling BOSA) Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [artikel 5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **amateursport:** sport die voldoet aan de voorwaarden van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048993&artikel=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **amateursportorganisatie:** organisatie die voldoet aan de voorwaarden van [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048993&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **energieprestatie:** berekende of gemeten hoeveelheid energie die nodig is om aan de vraag naar energie te voldoen die verband houdt met een normaal gebruik van een gebouw, waaronder energie die wordt gebruikt voor verwarming, koeling, ventilatie, warmwatervoorziening en verlichting; - **gezamenlijke aanvraag:** aanvraag ingediend door één amateursportorganisatie waarin de kosten van de subsidiabele activiteiten van meerdere amateursportorganisaties zijn samengevoegd; - **ledenlijst NOC*NSF:** lijst van landelijke sportorganisaties die lid zijn van NOC*NSF, niet zijnde geassocieerde leden; - **Minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **POS:** Platform Ondernemende Sportaanbieders; - **sportaccommodatie:** accommodatie die voldoet aan de voorwaarden van [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048993&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **sportbeoefenaar:** persoon die amateursport beoefent; - **sportmaterialen:** stoffelijke materialen di"},{"i":15079,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 april 2026, nr. HO&S/63327145, houdende regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van het inrichten van co-creatielabs in het kader van de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (Subsidieregeling co-creatielabs NAPL) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanbodanalyse:** beeld van reeds bestaand professionaliseringsaanbod dat aansluit op de vraagarticulatie; - **co-creatielab:** interdisciplinaire werkplaats waarin op gelijkwaardige basis wordt samengewerkt aan de systematische ontwikkeling van leerarrangementen gericht op de professionele ontwikkeling van leraren. - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **educatieve alliantie:** samenwerkingsverband, genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052599&bijlage=1&z=2026-05-05&g=2026-05-05) bij deze regeling; - **educatief consortium:** samenwerkingsverband als bedoeld in [artikel 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052599&artikel=11&z=2026-05-05&g=2026-05-05); - **instellingsbestuur:** instellingsbestuur als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel j, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - **hogeronderwijsinstelling:** bekostigde instelling als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel g, van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **leerarrangement:** samenhangend geheel van formele en informele"},{"i":15080,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 december 2019, kenmerk 1617702-199192-J, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor continuïteit van cruciale jeugdzorg (Subsidieregeling continuïteit cruciale jeugdzorg) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Rechtsbescherming, Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **betrokken gemeenten:** opdrachtgevers van een organisatie waar sprake is van risico's op discontinuïteit van de jeugdhulp, jeugdreclassering of kinderbeschermingsmaatregelen; - **jaaromzet:** jaaromzet zoals die valt af te leiden uit de meest recente door een accountant gecontroleerde jaarrekening van de aanvragende organisatie, dan wel uit de meest recente concept jaarrekening indien het jaar is afgerond en nog geen accountantsverklaring is afgegeven; - **jeugdhulp:** jeugdhulp als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **jeugdreclassering:** jeugdreclassering als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **kinderbeschermingsmaatregelen:** kinderbeschermingsmaatregelen als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **organisatie:** aanbieder van jeugdhulp of een gecertificeerde instelling als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2 De [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":4955,"b":"Besluit van de Bestuurskamer van 16 december 2005, houdende mandatering aan de secretaris van de Bestuurskamer van de bevoegdheden van de Bestuurskamer in het kader van de heffing op grond van artikel 46a van de Wet op de ondernemingsraden (Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2006) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Verordening heffing scholing en vorming van ondernemingsraadsleden 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018907&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Verordening heffing scholing en vorming van ondernemingsraadsleden 2006 in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. secretaris: secretaris van de Bestuurskamer; - b. verordening: [Verordening heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018907). § 2. Mandaatverlening Artikel 2 1. De secretaris kan namens de Bestuurskamer besluiten nemen op grond van [artikel 2, eerste lid, van de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018907&artikel=2). 2. De secretaris kan ondermandaat verlenen. § 3. Slotbepalingen Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de verordening in werking treedt. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatverleningsbesluit secretaris Bestuurskamer artikel 46a WOR 2006."},{"i":12899,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Productschap Zuivel, over de periode 2000– Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Productschap Zuivel over de periode vanaf het jaar 2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12898,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Productschap Vis periode vanaf 1956 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 oktober 2011, nr. arc-2011.06241/4; Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Productschap Vis over de periode vanaf 1956’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":6210,"b":"Wet van 15 september 2005 tot gemeentelijke herindeling in een deel van de Utrechtse Heuvelrug Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling in een deel van de Utrechtse Heuvelrug te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de onderstaande gemeenten opgeheven: Amerongen Doorn Driebergen-Rijsenburg Leersum Maarn Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Utrechtse Heuvelrug ingesteld. 2. De nieuwe gemeente Utrechtse Heuvelrug bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Amerongen, Doorn, Driebergen-Rijsenburg, Leersum en Maarn, met dien verstande dat de grens van de nieuwe gemeente komt te lopen zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Grenswijzigingen van een gemeente die niet wordt opgeheven Artikel 3 De grenzen van de gemeente Rhenen worden gewijzigd, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 3. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Utrechtse Heuvelrug wordt de op te heffen gemeente Driebergen-Rijsenburg aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Amerongen, Doorn, Driebergen-Rijsenburg, Leersum en Maarn wordt de nieuwe gemeente Utrechtse Heuvelrug aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](h"},{"i":14212,"b":"Regeling EFRO doelstelling 3 programmaperiode 2007–2013 Gelet op artikel 56, derde lid, van Kaderverordening 1083/2006, [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en [8, eerste lid, van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=8) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022685&artikel=2) en [3 van het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022685&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen; - b. projectsubsidie: een subsidie die wordt verstrekt aan degene die een project uitvoert dat past in een Europees programma; - c. programmasubsidie: een subsidie die wordt verstrekt aan de managementautoriteit van een Europees programma. Artikel 2 Als Europees Programma, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022685&artikel=3) en [artikel 4 van het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022685&artikel=4) wordt aangewezen: - a. het Operationeel Programma voor Vlaanderen-Nederland, goedgekeurd bij beschikking van de Europese Commissie van 16 november 2007, nr. C (2007)5463; - b. het Operationeel Programma voor Duitsland-Nederland, goedgekeurd bij beschikking van de Europese Commissie van 3 december 2007, nr. C (2007) 5809; - c. het Operationeel Programma voor Euregio Maas–Rijn, goedgekeurd bij beschikking van de Europese Commissie van 18 september 2007, nr. C (2007)4250; - d. het Operationeel Programma Twee Zeeën, goedgekeurd bij beschikking van de Europese Commissie van 19 september 2008, nr. C (2008)5113. Artikel 3 1. De Minister kan op aanvraag projectsubsidie verlenen indien eveneens projectsubsidie ten laste van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling verkregen i"},{"i":17163,"b":"Besluit van het lid dienstleiding Dienst Justitiële Inrichtingen verantwoordelijk voor Forensische zorg, Jeugd en Zorg van 24 december 2025, nr. 7034854, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan de onder het lid dienstleiding ressorterende directeuren (Mandaatbesluit DJI lid dienstleiding verantwoordelijk voor Forensische zorg, Jeugd en Zorg) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en [artikel 1 van het Mandaatbesluit directeur-generaal DJI 2026](onbekend); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit directeur-generaal DJI 2026](onbekend) aan het lid dienstleiding verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a). de directeur van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie; - b). de directeur Forensische Zorg en Justitiële Jeugdinrichtingen. Artikel 2 Het lid dienstleiding verantwoordelijk voor Forensische zorg, Jeugd en Zorg wordt bij afwezigheid vervangen door een ander lid dienstleiding voorzover het andere aangelegenheden betreft dan de directie Forensische Zorg en Justitiële Jeugdinrichtingen betreffende. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit DJI lid dienstleiding verantwoordelijk voor Forensische zorg, Jeugd en Zorg. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7007,"b":"Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap De staten die partij zijn bij dit Protocol zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Een staat die partij is bij dit Protocol („staat die partij is”) erkent de bevoegdheid van het Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap („het Comité”) tot het ontvangen en bestuderen van kennisgevingen van of namens personen of groepen van personen die onder zijn bevoegdheid vallen en stellen het slachtoffer te zijn van een schending van de bepalingen van het Verdrag door die staat die partij is. 2. Het Comité neemt geen kennisgevingen in ontvangst die een staat betreffen die partij is bij het Verdrag maar geen partij is bij dit Protocol. Artikel 2 Het Comité verklaart een kennisgeving niet-ontvankelijk, wanneer: - a. de kennisgeving anoniem is; - b. de kennisgeving een misbruik vormt van het recht een kennisgeving te doen of in strijd is met de bepalingen van het Verdrag; - c. dezelfde aangelegenheid reeds is onderzocht door het Comité of is of wordt onderzocht uit hoofde van een andere internationale onderzoeksprocedure of regeling; - d. niet alle beschikbare nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput. Deze regel geldt niet indien de toepassing van de rechtsmiddelen onredelijk wordt gerekt of het onwaarschijnlijk is dat zij zullen leiden tot effectief herstel; - e. deze kennelijk ongegrond of onvoldoende gestaafd is; of indien - f. de feiten die onderwerp zijn van de kennisgeving zich hebben voorgedaan voordat dit Protocol van kracht werd voor de betrokken staat die partij is, tenzij deze feiten zich na die datum zijn blijven voordoen. Artikel 3 Onverminderd de bepalingen van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003559&artikel=2&z=2006-12-13&g=2006-12-13) van dit Protocol brengt het Comité alle kennisgevingen die hem zijn gedaan vertrouwelijk onder de aandacht van de staat die partij is. Binnen zes maanden dient de ontvangende staat bij het Comité schriftelijke toelich"},{"i":4945,"b":"Mandaatregeling onroerende zaken Ministerie van Buitenlandse Zaken buiten Nederland handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken, gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); gelet op de [artikelen 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=3.4), [4.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6) en [4.20, vijfde lid, van de Comptabiliteitwet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20); gelet op [artikel 10, tweede lid, onderdelen a tot en met d, van het Organisatiebesluit BZK 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041314&artikel=10); gelet op [artikel 4, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040475&artikel=4) en [artikel 6, van het Besluit taak Rijksvastgoedbedrijf 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040475&artikel=6); gelet op [artikel 6, zevende lid, van de Regeling beheer onroerende zaken Rijk 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040452&artikel=6); BESLUIT Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Nederland:** grondgebied van het Nederlandse en het Caribische deel van Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba); - b. **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken; - c. **volmacht:** bevoegdheid om namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de Staat der Nederlanden privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - d. **machtiging:** bevoegdheid om namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties handelingen te verrichten die noch een publiekrechtelijke, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - e. **mandaat:** bevoegdheid om namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten te nemen; - f. **materieelbeheer:** zorg voor het onderhoud en de instandhouding van onroerende zaken van"},{"i":15101,"b":"Tarieven voor diensten door het K.N.M.I. aan derden verleend Overwegende, dat een wijziging gewenst is van de tarieven voor diensten door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut aan derden verleend. Besluit: - 1. De beschikkingen nr. 741.I Rijksluchtvaartdienst van 1 december 1947 en nr. 741.II Rijksluchtvaartdienst eveneens van 1 december 1947 worden ingetrokken. - 2. De kosten voortvloeiende uit dienstverlening of gegevensverstrekking door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut aan derden zullen aan betrokkenen in rekening worden gebracht volgens nader vast te stellen regelen. - 3. De hoofddirecteur van het K.N.M.I. is belast met de uitvoering van dit besluit met inachtneming van de hierbij behorende richtlijnen. - 4. De vaststelling c.q. wijziging van tarieven behoeven mijn voorafgaande goedkeuring. - 5. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van publikatie in de Nederlandse Staatscourant. Regelen met betrekking tot de doorberekening aan derden van de kosten voortvloeiende uit dienstverlening of gegevensverstrekking door het K.N.M.I. 1 In rekening worden gebracht de kosten specifiek gemaakt voor de verstrekking van informatie c.q. het verlenen van diensten die het normale algemene verstrekkingenpakket van het K.N.M.I. te boven gaan. Onder het normale verstrekkingenpakket wordt in deze verstaan het verstrekken van weerkundige informatie door middel van pers, radio en televisie. 2 Tot de kosten genoemd sub 1 behoren: - a. de salariskosten plus sociale lasten van degenen die aan de opdracht hebben gewerkt naar rato van aan de opdracht bestede tijd; - b. de kosten van voor de uitvoering van de opdracht aangeschaft en/of verstrekt materiaal; - c. de kosten van voor uitvoering van de opdracht bestede computertijd en eventuele andere machine-uren; hieronder ook te begrijpen de kosten van ten behoeve van de uitvoering van de opdracht gebruikte telecommunicatiemiddelen; - d. personele overheadkosten; - e. materiële overheadkosten; - f."},{"i":15102,"b":"Tarieven wettelijke diensten Edelmetaal Waarborg Nederland **Goedgekeurd door de Minister van Economische Zaken** 1. Waarborgtarieven Nederlands gehalteteken **Nieuwe voorwerpen** **gehaltebepaling & afslaan keurteken kleine voorwerpen d.m.v. stempelen** 1partijen kunnen uit meerdere deelzendingen bestaan 1partijen kunnen uit meerdere deelzendingen bestaan 1 partijen kunnen uit meerdere deelzendingen bestaan 2. Waarborgtarieven Nederlands gehalteteken **Gebruikte voorwerpen** **gehaltebepaling & afslaan keurteken kleine voorwerpen d.m.v. stempelen** 1partijen kunnen uit meerdere deelzendingen bestaan 3. Waarborgtarieven Conventie (CCM) **CCM keurtekens** **gehaltebepaling & afslaan CCM keurtekens d.m.v. stempelen** 4. Extra afslagen **bijv.: jaarletter, kantoorteken, VT, etc.** **Kosten voor een groot keur (drieling) worden als volgt berekend:** **waarborgtarief uit punt 1 + twee extra afslagen (kantoorteken & jaarletter), indien ook het VT apart moet worden aangeslagen komt er nog een extra afslag bij.** 5. Lasergravures **Prijzen aanbrengen keurtekens m.b.v. lasergravure zijn excl. waarborgtarieven uit punt 1, 2, of 3.** 1partijen kunnen uit meerdere deelzendingen bestaan **Prijzen zijn gebaseerd op het uitvoeren van een lasergravure in 1 handeling, bij meerdere handelingen wordt het tarief dienovereenkomstig in rekening gebracht.** 6. Overige tarieven Tarieven per 1 januari 2026 **alle genoemde prijzen zijn exclusief de verschuldigde omzetbelasting**"},{"i":7850,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2018 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op 6,27%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2018. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7851,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2019 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op 6,46%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2019. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":4947,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 28 oktober 2021, nr. 3606427, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, houdende het mandaat voor het verstrekken van een tegemoetkoming in verband met het leed dat transgender en intersekse personen hebben ondervonden als gevolg van de tussen 1985 en 2014 geldende wetgeving voor de wijziging van het geregistreerde geslacht (mandaatregeling tegemoetkoming Wet wijziging geregistreerd geslacht 1985–2014) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), met instemming van de directeur-generaal DUO, en de directeur DUS-I Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **DUS-I:** de Dienst Uitvoering Subsidies voor Instellingen. - b. **DUO:** de Dienst Uitvoering Onderwijs. - c. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Minister voor rechtsbescherming besluiten te nemen en om de Minister te vertegenwoordigen in bezwaar en beroep; Artikel 2 Aan de directeur van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (DUS-I) wordt mandaat verleend om besluiten te nemen op grond van de [beleidsregel tegemoetkoming Wet wijziging geregistreerd geslacht 1985–2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045577). Artikel 3 Aan de directeur-generaal Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) wordt mandaat verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045809&artikel=2&z=2021-11-11&g=2021-11-11) en voor het instellen van enig rechtsmiddel tegen rechterlijke uitspraken. Artikel 4 Aan de directeur van DUS-I en aan de directeur-generaal DUO wordt toegestaan om met betrekking tot het mandaat in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045809&artikel=2&z=2021-11-11&g=2021-11-11) en [3](https://wetten"},{"i":15118,"b":"Tijdelijke beleidsregel van de raden voor rechtsbijstand houdende herzieningsprocedure vaststelling aangegeven verzamelinkomen minder draagkrachtige rechtzoekenden in verband met voor de aanspraak relevante wijzigingen (Tijdelijke beleidsregel herzieningsprocedure vaststelling aangegeven verzamelinkomen rechtzoekende) Besluiten: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. **de raad:** de raad, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1); - c. **rechtzoekende:** de rechtzoekende, bedoeld in [artikel 1, onderdeel f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1); - d. **verzamelinkomen:** het inkomen, bedoeld in [artikel 1, onderdeel m, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1); - e. **inspecteur:** de inspecteur, bedoeld in [artikel 1, lid 1, onderdeel q, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op aanvragen voor gesubsidieerde rechtsbijstand vanaf 1 januari 2009 waarbij het verzamelinkomen van de rechtzoekende in het jaar van de aanvraag nog niet definitief is vastgesteld door de inspecteur. Artikel 3 1. Ingeval een rechtzoekende een beroep wil doen op de herzieningsprocedure van [artikel 34a, eerste lid van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34a), dient hij hiertoe een verzoek in te dienen bij de raad. 2. Bij de indiening van dit verzoek dient te worden overlegd de definitieve aanslag van de inspecteur."},{"i":14311,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 oktober 2022, nr. 4219202, houdende regels inzake de subsidiëring van Halt (Regeling Halt 2022) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en [4, eerste lid, van de Kaderwet overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044954&artikel=3) en de [artikelen 5, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=5), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=6), [10, tweede lid, van het Kaderbesluit overige JenV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046660&artikel=10) en de [artikelen 4:41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:41), [4:71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:71), [4:72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:72) en [4:79 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:79); Besluit: Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister voor Rechtsbescherming; - b. **Halt:** Stichting Halt; - c. **Halt-afdoening:** een afdoening als bedoeld in [artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77e); - d. **Halt-verwijzing:** een voorstel van een opsporingsambtenaar tot Halt-afdoening; - e. **jeugdige:** een verdachte in de leeftijd vanaf twaalf tot en met zeventien jaar; - f. **Besluit:** het [Besluit aanwijzing Halt-feiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007217); - g. **Richtlijn:** [Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044737), inclusief strafmaten Halt; - h. **ZSM:** een werkwijze van het Openbaar Ministerie samen met andere organisaties die staat voor een afdoeningstraject dat zorgvuldig, snel en op maat is; - i. **ketenpartners:** het Openbaar Ministerie, de politie, de reclassering, de Raad voor de"},{"i":7597,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2004, nr. 5324255/04/6, houdende goedkeuring van het reglement van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=6); Besluiten: Het in de bijlage bij dit besluit vervatte reglement van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting betreffende het verzamelen, bewaren, beheren en het op verzoek verstrekken van de gegevens, het verschaffen van voorlichting en het zorgdragen voor de begeleiding bij de verstrekking van de gegevens, als bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=4) en [7 van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=7), goed te keuren. Bijlage Niet opgenomen."},{"i":17809,"b":"Wet van 24 mei 1996, houdende bijzondere bepalingen voor de toepassing van de sociale zekerheidswetten in verband met de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen (Wet gevolgen brutering uitkeringsregelingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op de uit de [Wet brutering overhevelingstoeslag lonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006353) voortvloeiende brutering van lonen en uitkeringen per 1 januari 1998, wenselijk is om de gevolgen van de brutering voor de uitkeringen op grond van een aantal sociale zekerheidswetten nader te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking m.i.v. 1 januari van een krachtens art. 9, tweede lid, van de Wet Bol bepaalde jaar. HOOFDSTUK 1. DEFINITIES Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. de WOTOP: de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies zoals die luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet; - c. de Wet BOL: de [Wet brutering overhevelingstoeslag lonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006353); - d. de WML: de [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638); - e. de WW: de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); - f. de ZW: de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); - g. de WAO: de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - h. de AAW: de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet; - i. de IWS: de [Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004046); - j. de TW: de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043); - k. de WAMil: de [Wet Arbeidsongeschi"},{"i":12709,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 2 december 2022, nr. MinBuza.2022.146666-9, tot vaststelling van beleidsregels voor het doen van schenkingen met het oog op de ontwikkeling en aanbesteding van ontwikkelingsrelevante infrastructurele projecten (Develop2Build 2023) Gelet op de [artikelen 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.1) jo. [2.14 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.14); Besluit: Artikel 1 Voor het doen van schenkingen aan overheidsorganen in ontwikkelingslanden met het oog op het ontwikkelen en aanbesteden van infrastructurele projecten gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 Voor de toepassing van dit besluit is vanaf het tijdstip van inwerkingtreding tot en met 31 december 2023 een budget van EUR 10 miljoen beschikbaar. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat het van toepassing blijft op schenkingen op grond van de in de bijlage opgenomen beleidsregels van voor die datum. Beleidsregels D2B 2023 Paragraaf 1. – Definities Paragraaf 2. – Uitvoerder van Develop to Build Paragraaf 3. – Doel Paragraaf 4. – Identificatie en formulering Project Paragraaf 5. – Programmatische aanpak & samenwerking met andere donoren Paragraaf 6. – Vergroening & Klimaat Paragraaf 7. – Publiek Private Partnerschappen Paragraaf 8. – Ontwikkelingsimpact en vereisten Infrastructureel Project Paragraaf 9. – Schenkingsarrangement, Schenking en Projectkosten Paragraaf 10. – Budget Paragraaf 11. – Aanbesteding en financiering Paragraaf 12. – Geschillen Annex 1. – Landenlijst Algerije Angola Bangladesh Benin Burkina Faso Burundi Colombia Democratische Republiek Congo Egypte Ethiopië Ghana India Indonesië Irak Ivoorkust Jordanië Kenia Libanon Libië Mali Marokko Moldavië Mozambique Niger"},{"i":15124,"b":"Tijdelijke regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 29 februari 2008, nr. 5532992/08/DJI, houdende de instelling van de adviescommissie individuele trajectafdelingen (Tijdelijke regeling adviescommissie individuele trajectafdelingen) Gelet op [artikel 16, zevende lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=16); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. individuele trajectafdeling: een afdeling, aangewezen in overeenstemming met [artikel 15, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=15), uitgezonderd voor jeugdigen bij wie sprake is van een psychiatrische stoornis in engere zin; - b. Minister: de Minister van Justitie. Artikel 2 1. Er is een adviescommissie individuele trajectafdelingen, hierna aangeduid als: de adviescommissie. 2. De adviescommissie heeft tot taak: - a. te adviseren omtrent de verzoeken tot plaatsing van jeugdigen op een individuele trajectafdeling; - b. aan de selectiefunctionaris advies en inlichtingen te geven omtrent het onder a gestelde; - c. advisering ten aanzien van voortgang, verlenging, door- en uitstroom van de jeugdigen die op de afdeling verblijven. 3. De leden van de adviescommissie worden door de Minister benoemd voor de tijd van twee jaar. Zij kunnen voor herbenoeming in aanmerking komen. 4. De adviescommissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeven leden. 5. De adviescommissie is zo breed mogelijk samengesteld. Van de adviescommissie maken deel uit: - a. twee gezondheidszorgpsychologen dan wel andere deskundigen op het gebied van pedagogische hulpverlening werkzaam in een justitiële jeugdinrichting, die niet de bestemming heeft van individuele trajectafdeling en - b. een onafhankelijke kinder- en jeugdpsychiater verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie. Artikel 3 1. De leden van de adviescommissie worden door de"},{"i":11192,"b":"Instandhoudingsbeleid basisonderwijs Inleiding In deze voorlichtingspublicatie komen de volgende drie onderwerpen aan de orde: Verruiming wettelijke termijn van twee naar drie jaar In het Gele Katern nummer 19 van 4 september 2002 heb ik informatie verstrekt over de voorgenomen indiening van een wetsvoorstel waarin de termijn voor de instandhouding van basisscholen die niet meer aan de geldende opheffingsnorm voldoen, wordt verruimd van twee jaar naar drie jaar. Inmiddels kan ik berichten dat het ingediende wetsvoorstel door de Tweede en de Eerste Kamer der Staten-Generaal is aangenomen en de wet in het Staatsblad is gepubliceerd (Stb. 2003, 226). Dit betekent dat onder meer [artikel 153, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=153) als volgt wordt gewijzigd: In het [eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=153), wordt ”gedurende 2 achtereenvolgende schooljaren of in het eerste en derde schooljaar van 3 achtereenvolgende schooljaren” vervangen door ”gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren”. Ook [artikel 158, eerste lid, eerste volzin van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=158) wordt in die zin gewijzigd dat er alleen nog maar sprake is van de beëindiging van de bekostiging dan wel de opheffing van een nevenvestiging als de nevenvestiging gedurende drie achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober niet heeft voldaan of geacht wordt niet te hebben voldaan aan een van de voorwaarden genoemd onder [a tot en met e van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=158). Anders dan in de bovengenoemde publicatie is vermeld is ook de regeling dat de aanspraak op bekostiging wordt beëindigd, respectievelijk een school moet worden opgeheven, als de school in het eerste en derde schooljaar van drie achtereenvolgende schooljaren niet aan de opheffingsnorm heeft voldaan, bij de voorliggende wetswijziging komen te vervallen"},{"i":7915,"b":"Besluit van 22 maart 2001, houdende toestemming als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder c, van de Bankwet 1998, voor het verrichten van werkzaamheden in verband met het verspreiden van publiekssets euromunten Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, Centrale Directie Wetgeving, Juridische en Bestuurlijke Zaken van 16 maart 2001, nr. WJB 2001/0238 M; Overwegende dat het in het algemeen belang wenselijk is dat De Nederlandsche Bank N.V., in aanvulling op haar werkzaamheden ten behoeve van de verwisseling van guldenmunten door euromunten, werkzaamheden verricht in het kader van het ter gewenning aan het publiek om niet ter beschikking stellen van euromunten, voorafgaand aan de invoering van de chartale euro; Gelet op [artikel 9, aanhef en onder c, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Wij verlenen goedkeuring aan De Nederlandsche Bank N.V. om werkzaamheden te verrichten ten behoeve van het ter gewenning aan het publiek ter beschikking stellen van euromunten, voorafgaand aan de invoering van de chartale euro. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":15130,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 november 2021,nr. 2021-0000168742, houdende regels ter aanwijzing van signalen van een schuldeiser over betalingsachterstanden (Tijdelijke regeling signaal betalingsachterstanden) Gelet op [artikelen 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031331&artikel=8), en [10 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031331&artikel=10); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **CAK:** CAK, genoemd in [artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1); - **signaal:** signaal als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031331&artikel=10); - **wet:** [Wet gemeentelijke schuldhulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031331). Artikel 1.2. Verstrekken van een signaal Een signaal kan worden verstrekt nadat de verstrekker: - a. inspanning heeft geleverd om in persoonlijk contact te treden met de inwoner om deze te wijzen op mogelijkheden om betalingsachterstanden te voorkomen en te beëindigen; - b. de inwoner gewezen heeft op de mogelijkheden voor schuldhulpverlening; - c. de inwoner ten minste eenmaal een schriftelijke herinnering heeft gestuurd over de betalingsachterstand; en - d. bij die schriftelijke herinnering heeft aangeboden om met schriftelijke instemming van de inwoner zijn contactgegevens aan het college te verstrekken en de inwoner daarop niet of niet afwijzend heeft gereageerd. Artikel 1.3. Monitoring en evaluatie 1. De colleges van burgemeester en wethouders en de schuldeisers, genoemd in de [artikelen 2.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045801&hoofdstuk=2&artikel=2.2&z=2025-06-01&g=2025-06-01), [2.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045801&hoofdstuk=2&artikel=2.3&z=2025-06-01&g=2025-06-01),"},{"i":15132,"b":"Tijdelijke regeling van het Fonds Podiumkunsten voor live-uitvoeringen tijdens de Covid-19crisis (Balkonscènes) Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **podiumkunstenaar:** iemand die artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd is in de professionele podiumkunstpraktijk in Nederland. Artikel 2. Doel Het bestuur kent in het kader van deze regeling financiële bijdrages toe aan podiumkunstenaars om hen in staat te stellen initiatieven te ontwikkelen die passen bij de beperkingen als gevolg van de Covid-19crisis. Artikel 3. Doelgroep 1. De regeling is gericht op podiumkunstenaars die kleinschalige live-uitvoeringen willen ontwikkelen, waarbij rekening is gehouden met de beperkingen van de Covid-19crisis. 2. Een aanvraag kan worden ingediend door een individuele podiumkunstenaar of door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die artistiek en financieel verantwoordelijk is voor het werk van een of meer podiumkunstenaar(s). 3. Subsidie wordt niet verstrekt aan aanvragers die reeds een instellingssubsidie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of een meerjarige activiteitensubsidie van het Fonds Podiumkunsten ontvangen. 4. Het bestuur weigert het subsidie als de aanvraag wordt ingediend door een instelling die zich primair richt op het presenteren van podiumkunstenaanbod, zoals podia en festivals. Artikel 4. Instapeis Subsidie kan alleen worden aangevraagd indien de betrokken uitvoerenden professioneel actief zijn in de podiumkunsten en in die hoedanigheid in de afgelopen periode regelmatig zelfstandig of met anderen hebben deel"},{"i":15182,"b":"Tweede tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden inzake desinfectiemiddelen aangaande WHO-formuleringen in verband met de uitbraak COVID-19 (Tweede tijdelijke vrijstelling handdesinfectie WHO-formuleringen COVID-19 2020) In aanmerking genomen de toegenomen vraag naar desinfectiemiddelen, als gevolg van de uitbraak van COVID-19, in overleg met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het landelijk consortium hulpmiddelen en de Nederlandse Vereniging van Zeepfabrikanten; Gelet op [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van handdesinfectiemiddelen die de werkzaamheden in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en het gebruik van handdesinfectiemiddelen zoals geformuleerd door de World Health Organization1Guide to local production: WHO-recommended handrub formulations. Revision April 2010.https://www.who.int/gpsc/information_centre/handrub-formulations/en/; - b). artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012 toegestaan dat de in onderdeel a bedoelde middelen onder de daarin bedoelde voorwaarden op de markt worden aangeboden en gebruikt"},{"i":15134,"b":"Tijdelijke regeling vergoeding quarantaine (TRVQ) Gelet op [artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=115) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **militair:** de militaire ambtenaar in werkelijke dienst; - **quarantaineplicht:** preventieve afzondering om een mogelijke verspreiding van een ziekte of virus te beperken, gedurende een door het Hoofd Defensieonderdeel vooraf vastgestelde periode op een door de commandant te bepalen locatie. Artikel 2. Aanspraak vergoeding Een militair heeft aanspraak op een vergoeding op grond van deze regeling gedurende de periode waarin aan hem een quarantaineplicht is opgelegd door het Hoofd Defensieonderdeel. Artikel 3. Thuisquarantaine 1. Bij een quarantaineplicht die thuis wordt doorgebracht, heeft de militair aanspraak op: - a. een vergoeding ter hoogte van € 20– voor elke werkdag en € 30,– voor elke zaterdag, zondag en feestdag; en - b. voor elke zaterdag, zondag en feestdag vier uren quarantaineverlof. 2. De militair heeft de keuze om binnen een periode van 12 maanden de in het eerste lid onder b bedoelde verlofuren op te nemen in vrije tijd, dan wel in geld vergoed te krijgen. De vergoeding in geld per uur bedraagt 1/165 deel van het voor de militair geldende maandsalaris, bedoeld in de [bijlage A van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&bijlage=A). Artikel 4. Quarantaine op overige locaties 1. Bij een quarantaineplicht die op overige locaties wordt doorgebracht, heeft de militair aanspraak op: - a. een vergoeding ter hoogte van € 60,– voor elke werkdag en € 90,– voor elke zaterdag, zondag en feestdag; en - b. voor elke zaterdag, zondag en feestdag acht uren quarantaineverlof. 2. De militair heeft de keuze om binnen een periode van 12 maanden de in het eerste lid onder b bedoelde verlofuren op te nemen in vrije tijd, dan wel in geld vergoed te krijgen. De vergoeding in ge"},{"i":15140,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/160167, houdende vaststelling van de Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit Gelet op [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=9), [10, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), [23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23), [24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24), en [26 van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=26); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanschaf:** verkrijging van de eigendom, bedoeld in [artikel 84, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=84), krachtens koop of financial leasing als bedoeld in [paragraaf 3.2 van het Besluit heffing omzetbelasting bij leasing](onbekend); - **categorie:** voertuigcategorie als bedoeld in artikel 4 van [verordening (EU) 2018/858](32018R0858); - **groep:** groep als bedoeld in [artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b); - **grote onderneming:** onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **Kaderbesluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":15141,"b":"Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie Handelende in overeenstemming met de Pensioen- en Uitkeringsraad; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de Minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - c. een hulpverlener: een psychotherapeut, een psychiater of een klinisch psycholoog; - d. een behandeling: een psychotherapeutische behandeling door een hulpverlener. Artikel 2 De Sociale verzekeringsbank verstrekt een vergoeding in de kosten van een behandeling, indien: - a. de aanvrager is verzekerd als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=2); - b. de behandeling niet volledig wordt vergoed door de zorgverzekeraar; - c. de kosten van de behandeling op basis van een Diagnose Behandeling Combinatie bij de zorgverzekeraar in rekening zijn gebracht; - d. de aanvrager woonachtig is in Nederland; - e. de oorlogservaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog van (een van) de ouders dan wel andere opvoeders van een zodanige invloed op de opvoeding van de aanvrager zijn geweest, dat de klachten van de aanvrager met een grote mate van waarschijnlijkheid met die oorlogservaringen van (een van) de ouders dan wel andere opvoeders in verband staan; - f. de behandeling geïndiceerd is vanwege de onder e genoemde klachten, en - g. de behandeling plaatsvindt door een hulpverlener die is ingeschreven in het krachtens [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) ingestelde register van psychotherapeuten, artsen of gezondheidszorgpsychologen en het vereiste specialisme bezit om een behandeling te verrichten. Artikel 2a Aan deze regeling kan geen aanspraak worde"},{"i":15143,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden inzake desinfectiemiddelen in verband met de uitbraak COVID-19 (Tijdelijke vrijstelling handdesinfectie COVID-19 2020) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gezien het verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 maart 2020 (kenmerk 1663054-203234-PG) tot vrijstelling van het verbod op de distributie en het gebruik van in Nederland toegelaten handdesinfectiemiddelen op basis van de werkzame stoffen alcoholen, waterstofperoxide en natriumhypochloriet, door professionals in de zorg ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van handdesinfectiemiddelen die de werkzaamheden in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en het gebruiken van middelen die als Product Type 11Producten in deze groep zijn biociden voor menselijke hygiëne, aangebracht op of in contact gebracht met de huid met als hoofddoel deze te desinfecteren (PT"},{"i":11999,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 februari 2008, nr. DDI/ST/reg. 002/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Nederlands gezantschap, later de ambassade in Guatemala van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Nederlands gezantschap, later de ambassade in Guatemala van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 30 | 2031 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023505&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023505&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de"},{"i":17081,"b":"Controleprotocol voor Wlz-uitvoerders die als zorgkantoor zijn aangewezen opgave van pgb-beschikkingen over 2015 Inleiding 1.1. Het pgb-proces De Wlz-uitvoerder1Een Wlz-uitvoerder kan meerdere zorgkantoorregio’s hebben. die als zorgkantoor is aangewezen (verder: het zorgkantoor) verantwoordt in de opgave van pgb-beschikkingen over 2015 het totale bedrag aan pgb-beschikkingen over 2015. Op grond van [artikel 31 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=31) (Wmg) kan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) regels stellen voor de controle door de Wlz-uitvoerders, de inhoud en inrichting van de verklaring en het accountantsverslag. De regels voor het accountantsonderzoek inzake de opgave van pgb-beschikkingen over 2015 heeft de NZa vastgelegd in dit controleprotocol. Paragraaf 3.3 van dit protocol geeft de voor de vaststelling van dit protocol relevante wet- en regelgeving weer. Het controleprotocol opgave van pgb-beschikkingen over 2015 geeft richtlijnen voor het door de accountant uit te voeren onderzoek naar de juistheid en volledigheid van de opgave van pgb-beschikkingen over 2015. Het doel van het protocol is niet om de aanpak van het onderzoek voor te schrijven, maar om kaders te geven waarbinnen het onderzoek moet plaatsvinden. De accountant geeft de uitkomst van zijn onderzoek weer in een controleverklaring. De door het zorgkantoor ingevulde pgb-opgave bestaat uit het totale bedrag aan afgegeven pgb-beschikkingen over 2015. De opgave van pgb-beschikkingen over 2015 vindt plaats per zorgkantoorregio.2Vanaf het verantwoordingsjaar 2017 bestaat de pgb-opgave per zorgkantoor uit twee onderdelen: het totale bedrag uit de afgegeven pgb-beschikkingen en de werkelijke uitgaven van het pgb. Door de opgave van pgb-beschikkingen over 2015 te voorzien van een handtekening verklaart het bestuur van het zorgkantoor dat deze de opgave van pgb-beschikkingen over 2015 naar waarheid en in overeenstemming met de voor het betreffe"},{"i":18519,"b":"Rijkswet van 27 juni 2008 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter invoering van een verklaring van verbondenheid, en tot aanpassing van de regeling van de verkrijging van het Nederlanderschap na erkenning Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) te wijzigen teneinde een verklaring van verbondenheid onderdeel te laten zijn van de verkrijging van het Nederlanderschap anders dan van rechtswege en tot aanpassing van de regeling van de verkrijging van het Nederlanderschap na erkenning; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Rijkswet op het Nederlanderschap. Artikel II 1. Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt het Nederlanderschap door een bevestiging als bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) - a. de vreemdeling die vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet maar op of na 1 april 2003, vóór de leeftijd van zeven jaar is erkend door een Nederlander, - b. de vreemdeling die als minderjarige vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet maar op of na 1 april 2003, op de leeftijd van zeven jaar of ouder door een Nederlander is erkend, indien hij bij het afleggen van de verklaring aantoont dat de erkenner zijn biologische vader is, - c. de vreemdeling die als minderjarige vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet maar op of na 1 april 2003 door wettiging het kind is geworden van een Nederlander. 2. [Artikel 6, derde tot en met negende lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) is van overeenkomstige toepassing op de in het ee"},{"i":15163,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 november 2005, nr. OHW-U-2636141, houdende de toekenning van vacatiegeld aan de (plaatsvervangend) voorzitter, leden en deskundigen van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië Gelet op [artikel 1, tweede lid, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Te rekenen van 1 januari 2006 wordt aan de daarvoor in aanmerking komende leden, plaatsvervangende leden en deskundigen van de Commissie Algemene oorlogsongevallenregeling Indonesië, een vacatiegeld toegekend van € 200 voor iedere dag, waarop zij één of meer vergaderingen van de commissie hebben bijgewoond. Artikel 2 Te rekenen van 1 januari 2006 wordt aan de voorzitter van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, een vacatiegeld toegekend van € 260 voor iedere dag, waarop deze één of meer vergaderingen van de commissie heeft bijgewoond. Indien de plaatsvervangend voorzitter als voorzitter optreedt, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Artikel 3 De besluiten van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 november 2001, kenmerk DVVB/MB-U-2236059 en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 maart 2003, kenmerk DVVB/MB-U-2366152, worden ingetrokken. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13064,"b":"Besluit van 3 april 2012 betreffende de samenstelling en werkwijze van de voogdijraad BES (Besluit voogdijraad BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 januari 2012, nr. 5722490/12/6, Directie Wetgeving; Gelet op [artikel 238, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=238); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 februari 2012, nr. W03.12.0019/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 maart 2012, nr. 244920; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **voogdijraad:** de voogdijraad, bedoeld in [artikel 238, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=238); - c. **openbaar lichaam:** Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 2 De voogdijraad heeft een vertegenwoordiging in elk der openbare lichamen. Artikel 3 1. De voogdijraad bestaat uit drie leden, de voorzitter inbegrepen, die elk afkomstig zijn uit een ander openbaar lichaam. 2. De voogdijraad heeft drie plaatsvervangende leden, elk afkomstig uit een ander openbaar lichaam, die zodanig invallen bij afwezigheid van een lid dat steeds verzekerd is dat alle openbare lichamen in de voogdijraad vertegenwoordigd zijn. 3. Het voorzitterschap van de voogdijraad wordt, tenzij de voogdijraad anders besluit, in alfabetische volgorde door elk van de leden afwisselend voor een periode van twee jaar vervuld. De voogdijraad wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan. 4. De voogdijraad besluit met meerderheid van stemmen. Elk lid heeft één stem. Als de stemmen staken beslist de voorzitter. Artikel 4 1. De leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd, geschorst en ontslagen door Onze Minister. 2. De leden en plaatsvervangende leden van de voogdijraad worden ben"},{"i":15156,"b":"Wet van 22 juni 2022, houdende tijdelijke regels inzake instelling van een Nationaal Groeifonds (Tijdelijke wet Nationaal Groeifonds) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om het duurzaam verdienvermogen van Nederland op de lange termijn te versterken door financiële middelen uit het Nationaal Groeifonds beschikbaar te stellen voor investeringen en daartoe tijdelijk een begrotingsfonds in te stellen als bedoeld in [artikel 2.11 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.11); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **duurzaam verdienvermogen:** het bruto binnenlands product dat Nederland op de lange termijn op structurele basis kan genereren, met oog voor een economische, sociale en milieuvriendelijke duurzame toekomst voor de aarde en voor huidige en toekomstige generaties; - **fonds:** Nationaal Groeifonds, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046840&artikel=2&z=2022-08-01&g=2022-08-01); - **Onze Ministers:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat en Onze Minister van Financiën. Artikel 2. Instelling, doel en bereik van het fonds 1. Er is een Nationaal Groeifonds. 2. Het fonds heeft als doel het beschikbaar stellen van financiële middelen om het duurzaam verdienvermogen te vergroten door het doen van investeringen, op het gebied van: - a. kennisontwikkeling; - b. onderzoek, ontwikkeling en innovatie. 3. Uit het fonds kunnen financiële middelen ter beschikking worden gesteld voor activiteiten die ten minste: - a. het duurzaam verdienvermogen vergroten; - b. betrekking hebben op investeringen die niet structureel zijn; - c. betrekking hebben op invest"},{"i":13012,"b":"Besluit van de directeur Eenheid Secretariaten Tuchtcolleges en Toetsingscommissies van 21 september 2017, kenmerk 1129616-163472-ESTT, houdende de verlening van ondervolmacht aan de adviseurs bedrijfsvoering van het bedrijfsbureau Gelet op [artikel 16, tweede lid, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16); Besluit: Artikel 1 De adviseurs bedrijfsvoering van het bedrijfsbureau hebben ondervolmacht ten aanzien van stukken die tot hun werkterrein behoren tot een bedrag van € 2.500 inclusief BTW. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13776,"b":"Besluit van de Verzekeringskamer van 19 december 2000, nr. 3.241/2000-5767, tot uitvoering van artikel 6d, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, houdende regels voor het indienen van een klacht door de deelnemersraad als bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 6a van de Pensioen- en spaarfondsenwet, of door een gedeelte van ten minste 10% van de leden van die deelnemersraad (Klachtregeling deelnemersraden) Artikel 1 De klacht wordt schriftelijk ingediend bij de Verzekeringskamer, Postbus 929, 7301 BD Apeldoorn. Boven de klacht wordt vermeld 'klacht van de deelnemersraad (ingevolge [artikel 6d, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=6d))' dan wel 'klacht van een gedeelte van de deelnemersraad (ingevolge [artikel 6d, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=6d))'. Artikel 2 De klacht behelst de volgende gegevens: - a). het woon- en kantooradres van de vertegenwoordigers die de deelnemersraad respectievelijk een gedeelte van de deelnemersraad, ter zake van de klacht heeft aangewezen; - b). de datum waarop het bevoegde orgaan van het pensioenfonds heeft meegedeeld dat het advies van de deelnemersraad niet of niet geheel wordt gevolgd; - c). de datum waarop de klacht wordt ingediend; - d). de naam en het adres van het bevoegde orgaan van het pensioenfonds dat de klacht aangaat; - e). de mededeling dat binnen de in [artikel 6c, derde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=6c) bedoelde termijn geen beroep bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam is ingesteld. Artikel 3 Bij de klacht worden de volgende stukken meegezonden: - a). stukken, waaruit blijkt dat de klacht door ten minste 10% van de leden van de deelnemersraad wordt ingediend; - b). stukken, waaruit blijkt op welke besluiten dan wel voorgenomen besluiten van het daartoe bevoegde orgaan van het"},{"i":13405,"b":"Instelling Ministeriële Commissie Staatkundige Vernieuwing Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op artikel 25, eerste lid, van het Reglement van Orde van de Ministerraad; Besluit: Artikel 1 Er is een ministeriële commissie staatkundige vernieuwing, verder te noemen: commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak de ministerraad binnen één jaar voorstellen te doen over: - a. hoe, onder handhaving van het beginsel van evenredigheid, wijzigingen kunnen worden aangebracht in het kiesstelsel, die een meer rechtstreekse relatie tussen kiezer en gekozene mogelijk maken; - b. welke mogelijkheden er overigens zijn om de directe invloed van de burgers op de politieke machtsvorming en politieke besluitvorming op belangrijke punten te vergroten; - c. op welke wijze de mogelijkheid zal worden geopend voor benoeming van wethouders door de gemeenteraad die niet uit zijn midden afkomstig zijn. Artikel 3 In de commissie hebben zitting: Artikel 5 De Ministerie van Binnenlandse Zaken treft nadere voorzieningen ten behoeve van het secretariaat. Dit besluit zal met de daarbij behorende toelichting worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":14090,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 30 augustus 2021, nr. VO/29097500, houdende regels voor de bekostiging van vo-scholen en samenwerkingsverbanden VO in Europees en scholen in Caribisch Nederland (Regeling bekostiging vo-scholen en samenwerkingsverbanden vo) Gelet op de [artikelen 80, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=80), [85, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=85), en [90 vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=90), [artikel 153 van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=153), [artikel 2.2.2, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.2.2), [artikel 17, derde lid, van het Besluit bekostiging WVO 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045100&artikel=17) en [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029598&artikel=9) en [artikel 11, derde lid, van het Bekostigingsbesluit WVO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029598&artikel=11); Besluit: § 1. Bekostiging vo-scholen Europees Nederland Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **gemengde leerweg:** gemengde leerweg als bedoeld in [artikel 2.22, eerste lid, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.22); - **havo:** hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.5); - **hoofdvestiging:** hoofdvestiging als bedoeld in [artikel 4.13 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=4.13); - **leerling:** leerling als bedoeld in [artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.7); - **lwoo:** leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in [artikel 2.42 van de wet](htt"},{"i":15153,"b":"Wet van 25 november 2020 tot wijziging van enkele wetten op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de introductie van bepalingen ter invoering van de tijdelijke mogelijkheid voor de rechter om de behandeling van faillissementsverzoeken aan te houden en andere verhaalsacties te schorsen en een schuldenaar een tijdelijk betalingsuitstel te verlenen in verband met de uitbraak van COVID-19 (Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV) Hoofdstuk 1. Wijziging van enkele wetten Artikel 1.1. Wijziging van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel 1.2. Wijziging van de [Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043413) Wijzigt de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid. Hoofdstuk 2. Tijdelijke voorziening betalingsuitstel covid-19 Hoofdstuk 2. Tijdelijke voorziening betalingsuitstel covid-19 Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de uitbraak van COVID-19 wenselijk is enkele spoedeisende wijzigingen aan te brengen in enkele wetten op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de rechter de mogelijkheid te geven om de behandeling van faillissementsverzoeken aan te houden en andere verhaalsacties te schorsen en een tijdelijke betalingsuitstel te verlenen op verzoek van een schuldenaar die een onderneming drijft en als gevolg van de uitbraak van COVID-19 in een situatie is gekomen waarin sprake is van een gebrek aan liquide middelen waardoor hij zijn betalingsverplichtingen tijdelijk niet kan voldoen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijziging van enkele wetten Artik"},{"i":15166,"b":"Toelatingskader instrument voor kwaliteitsborging bouw van 22 april 2022 Inleiding en uitgangspunten Voor de toelating van instrumenten binnen het stelsel van kwaliteitsborging maakt de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) gebruik van het Toelatingskader instrument voor kwaliteitsborging bouw (Toelatingskader Wkb-instrument). Dit toelatingskader stelt regels op grond van [artikel 7ac, derde lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ac) (Staatsblad 2019-382), bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ([Besluit kwaliteitsborging voor het bouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046570), Staatsblad 2022-145 en de Regeling kwaliteitsborging voor het bouwen, Staatscourant 2022-10958), waaraan de toetsing en de beschrijving van een instrument voor kwaliteitsborging, bedoeld in het eerste lid van artikel 7ac van de Woningwet, minimaal dient te voldoen. Uitgangspunt hierbij is de wet- en regelgeving zoals die geldt bij inwerkingtreding van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885). Voetnoten verwijzen naar wet- en regelgeving zoals deze geldt tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het toelatingskader bestaat uit vijf hoofdstukken: Het toelatingskader vormt het uitgangspunt van de toetsing en toelating van een instrument voor kwaliteitsborging. Dit toelatingskader is uitgewerkt in criteria, toetsvragen en vormgegeven als een gestructureerde checklist. De checklist bestaat voor een deel uit volledigheidstoetsen en voor een deel uit inhoudelijke toetsen met in beide gevallen als uitkomst in welke mate het instrument voldoet aan het betreffende criterium. Het oordeel kan de volgende uitkomsten hebben: Uit de toetsing volgt een eindoordeel dat bepaalt of de TloKB het instrument voor kwaliteitsborging toelaat tot het stelsel van kwaliteitsborging en opneemt in het [Register instrumenten kwaliteitsborging](onbekend), conform [artikel 7ac, derde lid, aanhef en onder c van de Wonin"},{"i":11927,"b":"Besluit van 12 oktober 1932, tot vaststelling van den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld bij artikel 30a, vijfde lid, der Auteurswet 1912, gelijk deze luidt ingevolge de Wet van 11 februari 1932, Stb. 45 Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van den 28 Juli 1932, 1e Afdeeling C, n°. 946; Overwegende, dat het noodig is vast te stellen den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld bij [artikel 30**a**, vijfde lid, der Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=30a), gelijk deze luidt ingevolge de wet van 11 Februari 1932, **Staatsblad** n°. 45; Den Raad van State gehoord (advies van den 9 Augustus 1932, n°. 17); Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van den 6 October 1932, 1e Afdeeling C, n°. 991; Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: \"Onze Minister\": Onze Minister van Justitie; \"de ministerieele toestemming\": de toestemming van Onzen Minister, ingevolge [artikel 30a der Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=30a) vereischt voor het als bedrijf verleenen van bemiddeling in zake muziekauteursrecht. Artikel 2 1. De ministerieele toestemming kan worden verleend voor bepaalden tijd of voor onbepaalden tijd. 2. De voor bepaalden tijd verleende toestemming verliest hare kracht van rechtswege na afloop van den bepaalden tijd, behoudens de mogelijkheid van eerdere intrekking, indien Onze Minister oordeelt, dat degeen, wien de toestemming is verleend, niet meer voldoenden waarborg biedt voor de nakoming van de bepalingen van dit besluit en voor eene behoorlijke uitoefening van zijn bedrijf. 3. De voor onbepaalden tijd verleende toestemming behoudt hare kracht, totdat zij wordt ingetrokken op den in het vorige lid vermelden grond. 4. Bij de intrekking der toestemming wordt het tijdstip bepaald, waarop zij ingaat. Artikel 3 1. Degeen, wien de ministerieele toestemming voor bepaalden tijd is verleend, kan geen overeenkomsten betreffen"},{"i":15167,"b":"Toepassing artikel 7e Wet op de kansspelen Gelet op [artikel 7e, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=7e); Overwegende dat het consumentenprijsindexcijfer (reeks werknemers laag) per 30 september 1999 meer dan tien procent afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1994; Gelet op [artikel 7e, derde lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=7e); Besluit: Artikel 1 Het percentage waarmee het bedrag, genoemd in [artikel 7b, vierde lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=7b), zoals dat laatstelijk werd gewijzigd bij beschikking van 31 oktober 1994, nr. 464796/294, wordt verhoogd, wordt vastgesteld op 10,25%. De hoogte van het desbetreffende bedrag wordt daarmee vastgesteld op € 10 700 (drie en twintig duizend zeshonderd gulden), een verhoging afgerond op een veelvoud van eenhonderd gulden. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2000 en zal worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant."},{"i":13021,"b":"Besluit Vervanging Archiefbescheiden DNB 2024 Gelet op: De hiertoe gemachtigde op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041823&artikel=3) en [12 van de Beheersregels documentaire informatievoorziening De Nederlandsche Bank N.V. 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041823&artikel=12). en gelet op: De regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161(102265), tot wijziging van de Archiefregeling in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; [Artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). besluit: Artikel 1 1. Over te gaan tot routinematige of retrospectieve digitale vervanging van analoge archiefbescheiden van DNB die volgens de geldende selectielijst voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna de analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. Reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde Handboek Vervanging Archiefbescheiden DNB. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit zal worden aangehaald als: Besluit Vervanging Archiefbescheiden DNB 2024. Bijlage Handboek Vervanging Archiefbescheiden DNB (beschikbaar via [www.dnb.nl](http://www.dnb.nl))"},{"i":13054,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 5 december 2022 inzake volginnovatie 2021, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 2.2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.2.2), [2.10.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.10.2), [3.2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.2), [3.2.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.9), [3.4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.2), [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.4), [3.4.15b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.15b), [3.4.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.20), [3.7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.7.2), [3.8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.8.2), [3.9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [3.10.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.2), 3.10.2, tweede lid, [3.10.12b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.12b), [3.17.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.17.2), [3.19.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.19.2), [3.22.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.22.2), [3.24.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.24.2), [4.2.9, eerste lid](https:/"},{"i":15168,"b":"Besluit van 13 december 2004 houdende toetsingskader op grond waarvan deelgebieden der geneeskunde als specialismen kunnen worden aangewezen of opgeheven gelet op [artikel 14, tweede lid, onder c, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14) en artikel 12, eerste lid, onder a, van de Regeling specialisten geneeskunst van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst; gezien het advies van het Federatiebestuur van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, de Orde van Medisch Specialisten, de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband en de Medisch Specialisten Registratie Commissie; Besluit: Hoofdstuk A. Algemeen Hoofdstuk B. Criteria voor specialismen in het algemeen Hoofdstuk C. Specifieke criteria voor het Centraal College Medische Specialismen Hoofdstuk D. Slotbepalingen"},{"i":15169,"b":"Tournee- en promotieregeling Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - **podiumkunstenaar:** iemand die artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd is in de professionele podiumkunstpraktijk in Nederland. Artikel 2. Doel Het bestuur kent in het kader van deze regeling subsidies toe aan podiumkunstenaars aan het begin van hun carrière om hen in staat te stellen zich te presenteren en te werken aan hun zichtbaarheid voor een publiek en programmeurs. Artikel 3. Budget 1. Het bestuur kan een of meer subsidieplafonds vaststellen. 2. Het bestuur kan eerder vastgestelde subsidieplafonds verhogen of verlagen. 3. Besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid worden bekendgemaakt via de website van het Fonds Podiumkunsten. Artikel 4. Aanvraagprocedure 1. De aanvraag wordt digitaal ingediend. 2. Een aanvraag wordt ingediend met behulp van een door het bestuur opgesteld formulier. 3. Het bestuur kan als onderdeel van de beoordelingsprocedure nadere informatie opvragen die noodzakelijk is voor het beoordelen van de aanvraag. 4. Een aanvraag kan niet eerder dan vier maanden en niet later dan een maand voor het eerste concert of de eerste voorstelling worden ingediend. 5. Aanvragen worden afgehandeld op volgorde van indiening. Als moment van indiening geldt de datum waarop de aanvraag compleet is. Artikel 5. Aanvrager 1. Een aanvraag kan worden ingediend door (een) podiumkunstenaar(s) die niet langer dan 5 jaar"},{"i":12509,"b":"Besluit van 22 december 1943, houdende vaststelling van het Besluit op de Bijzondere Gerechtshoven Op de voordracht van Onze Ministers voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk, van Algemeene Zaken, van Buitenlandsche Zaken, van Justitie, van Binnenlandsche Zaken, van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, van Financiën, van Oorlog, van Marine, van Waterstaat, van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, van Landbouw en Visscherij, van Sociale Zaken, van Koloniën en van Onze Ministers zonder Portefeuille van 10 December 1943, No. 2723/G 92 **(a)**; Overwegende, dat de veiligheid van den Staat het dringend noodzakelijk maakt, dat in het Rijk in Europa terstond met de bevrijding van de vijandelijke bezetting bijzondere gerechten worden ingesteld, ten einde een snelle en doeltreffende berechting van zekere gedurende den tijd van den huidigen oorlog begane misdrijven te verzekeren; Den Buitengewonen Raad van Advies gehoord; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In het Rijk in Europa worden, naarmate hetzelve van de vijandelijke bezetting wordt bevrijd, door Ons zoo spoedig mogelijk Bijzondere Gerechtshoven ingesteld, welker rechtsgebied en plaats van vestiging door Ons wordt bepaald. Artikel 2 1. Ieder Bijzonder Gerechtshof wordt samengesteld uit een rechtsgeleerden president en zooveel rechtsgeleerde vice-presidenten en rechtsgeleerde en militaire raadsheeren en raadsheeren-plaatsvervangers als voor een goede en snelle berechting der aan zijn kennisneming onderworpen zaken noodig zullen blijken te zijn. 2. Bij ieder Bijzonder Gerechtshof zijn voorts een procureur-fiscaal en een griffier, alsmede zooveel advocaten-fiscaal en substituut-griffiers als noodig zullen blijken te zijn. Artikel 3 1. De presidenten en vice-presidenten der Bijzondere Gerechtshoven, alsmede de rechtsgeleerde raadsheeren en raadsheeren-plaatsvervangers worden door Ons op gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Justitie, van Marine en van Oorlog aangesteld voor den duur der instandh"},{"i":15173,"b":"Besluit van 17 september 1944, houdende vaststelling van het Tribunaalbesluit Op de voordracht van Onze Ministers voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk, van Algemeene Zaken, van Buitenlandsche Zaken, van Justitie, van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, van Financiën, van Oorlog, van Marine, van Waterstaat, van Handel, Nijverheid en Landbouw, van Scheepvaart en Visscherij, van Sociale Zaken, van Koloniën en van Onzen Minister zonder Portefeuille van 15 September 1944, No. 1640/ G 92 (D); Overwegende, dat de veiligheid van den Staat het dringend noodzakelijk maakt de mogelijkheid te scheppen om Nederlanders en Nederlandsche onderdanen uit anderen hoofde, die zich gedurende de vijandelijkheden in, of tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa hebben gedragen in strijd met de belangen van het Nederlandsche volk of afbreuk hebben gedaan aan het verzet tegen den vijand en diens handlangers, ten aanzien van hun persoon en hun vermogen aan bijzondere maatregelen te onderwerpen en tevens regelen te stellen omtrent de behandeling van verzoeken om invrijheidstelling van personen, die ingevolge het bepaalde in het Besluit op den bijzonderen staat van beleg of in het Buitengewoon Politiebesluit in bewaring worden gehouden; Overwegende, dat zich hier dringende omstandigheden voordoen, waarin de Buitengewone Raad van Advies niet kan worden gehoord; Hebben goedgevonden en verstaan: Titel I. Van de oplegging van bijzondere maatregelen Artikel 1 1. Aan Nederlanders, die op het tijdstip van het in werking treden van dit besluit den leeftijd van achttien jaren hebben bereikt en gedurende de vijandelijkheden in, of tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa, hetzij op eenige wijze hulp of steun hebben verleend of getracht hebben te verleenen aan den vijand of diens handlangers of medewerkers, dan wel openlijk hebben doen blijken van ingenomenheid met den vijand, hetzij als leden, begunstigers of anderszins zich aangesloten hebben of aangesloten zi"},{"i":15179,"b":"Tweede tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden inzake handdesinfectiemiddelen met 70% alcoholen in verband met de uitbraak COVID-19 (Tweede tijdelijke vrijstelling handdesinfectiedesinfectie 70% alcoholen professioneel gebruik COVID-19 2020) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; In aanmerking genomen de toegenomen vraag naar desinfectiemiddelen, als gevolg van de uitbraak van COVID-19, in overleg met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het landelijk consortium hulpmiddelen en de Nederlandse Vereniging van Zeepfabrikanten; Gelet op [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van handdesinfectiemiddelen die werkzaamheden in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden voor professioneel gebruik op de markt aanbieden en het gebruik van handdesinfectiemiddelen in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving op basis van minimaal 70% v/v alcoholen; - b). artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012 toegestaan dat de in onderdeel a bedoelde middelen onder de daarin bedoelde voorwaarden op de markt worden aangeboden"},{"i":15185,"b":"Uitgiftebeleid geografische nummers Gelet op [artikel 4.2, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.2) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. **geografisch nummer:** een geografisch nummer als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010198&artikel=1). Artikel 2 1. ACM kent geografische nummers toe in blokken van tenminste of een veelvoud van 1.000 nummers, ongeacht welke aanbieder de naastgelegen nummerblokken toegekend heeft gekregen. Dit geldt voor zowel de drie- als de viercijferige netnummergebieden. 2. Bij aanvragen van minder dan 10.000 nummers kent ACM bij voorkeur en indien mogelijk nummers toe uit de reeds aangebroken blokken van 10.000 nummers. 3. ACM behoudt zich het recht voor om bij dreigende schaarste aan vrije onaangebroken blokken van 10.000 nummers, specifieke nummerblokken aan te wijzen voor uitgifte in blokken van 10.000 nummers. Artikel 3 Het [besluit van het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033766) dat op 9 mei 2000 in de Staatscourant (nr. 89) is gepubliceerd wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Uitgiftebeleid geografische nummers. Dit besluit met de toelichting zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15184,"b":"Vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden inzake de biocide Maxforce Quantum (Tweede vrijstelling Maxforce Quantum Mediterraan draaigatje 2022) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46); BESLUIT: Artikel 1 Vrijstelling als bedoeld in [artikel 46 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) wordt verleend voor het professioneel gebruik van de biocide Maxforce Quantum voor de beheersing van kolonies van het Mediterraan draaigatje (**Tapinoma nigerrimum**). Artikel 2 Aan de vrijstelling zijn de in de bijlage bij dit besluit opgenomen beperkingen en voorschriften verbonden. Artikel 3 De vrijstelling wordt verleend van 17 september tot en met 30 november 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Tweede vrijstelling Maxforce Quantum Mediterraan draaigatje 2022. Bijlage. bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047152&artikel=2&z=2022-09-14&g=2022-09-14) Het insecticide Maxforce Quantum, op basis van de werkzame stof imidacloprid, en toegelaten (toelatingsnummer NL-0011349-0000) voor gebruik tegen een beperkt aantal mierensoorten, kan in het kader van een vrijstelling voor professioneel gebruik tegen het Mediterraan draaigatje gebruikt worden met inachtneming van de volgende voorschriften en beperkingen: - •. Het insecticide mag alleen toegepast worden door professionele plaagdierbeheersers die in het bezit zijn van een geldig bewijs van vakbekwaamheid, zoals bedoeld in [artikel 71 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=71) (Wgb) en [artikel 17a van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022530&artikel=17a) (Bgb). - •."},{"i":15183,"b":"Wet van 8 juli 2020, houdende tijdelijke voorzieningen op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Justitie en Veiligheid, en tot wijziging van enkele wetten op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Tweede Verzamelspoedwet COVID-19) Hoofdstuk 1. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Hoofdstuk 1. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Hoofdstuk 3. Ministerie van Justitie en Veiligheid Artikel 3.1. Tijdelijke wijziging [Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515) Wijzigt de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen. Artikel 3.2. Verval tijdelijke wijziging [Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515) Wijzigt de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen. Artikel 3.3. Tijdelijke inzet van raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers tot drieënzeventig jaar Vervallen Artikel 3.4. Tijdelijke voorziening ten behoeve van de mondelinge behandeling in tuchtrechtelijke procedures 1. Indien in verband met de uitbraak van COVID-19 in tuchtrechtelijke procedures het houden van een fysieke zitting door de accountantskamer als bedoeld in de [Wet tuchtrechtspraak accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024238), een raad van discipline of het hof van discipline als bedoeld in de [Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093), een regionaal tuchtcollege of het centrale tuchtcollege als bedoeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, het veterinair tuchtcollege of het veterinair beroepscollege als bedoeld in de [Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250), de kamer voor gerechtsdeurwaarders als bedoeld in de [Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.ov"},{"i":15181,"b":"Tweede tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van de biociden in verband met de uitbraak COVID-19 (Tweede tijdelijke vrijstelling handdesinfectie COVID-19 2020) In aanmerking genomen de toegenomen vraag naar desinfectiemiddelen, als gevolg van de uitbraak van COVID-19, in overleg met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het landelijk consortium hulpmiddelen en de Nederlandse Vereniging van Zeepfabrikanten; Gelet op [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van handdesinfectiemiddelen die de werkzaamheden in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en gebruik van middelen, die als Product Type 11Producten in deze groep zijn biociden voor menselijke hygiëne, aangebracht op of in contact gebracht met de huid met als hoofddoel deze te desinfecteren (PT 1). in Nederland zijn toegelaten met een virusclaim of op basis van de werkzame stoffen ethanol, 1-propanol, 2-propanol, waterstofperoxide en natriumhypochloriet; - b). artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012 toegestaan dat de in het tweede lid bedoelde middele"},{"i":7143,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 23 april 2019, nr. 1396110, houdende de vaststelling van regelingen inzake vertrouwenspersonen integriteit en ongewenste omgangsvormen (Regeling vertrouwenspersonen integriteit en ongewenste omgangsvormen OCW 2019) Gelet op [artikel 9:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14), [artikel 3, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=3), [artikel 6, eerste lid, van de Klachtenregeling seksuele intimidatie burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006835&artikel=6) en[artikel 3, van de Interne Klokkenluidersregeling Rijk, Politie en Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038940&artikel=3); Met instemming van de Departementale Ondernemingsraad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 - −. **adviseur integriteit:** adviseur medezeggenschap en integriteit van de directie Organisatie en Bedrijfsvoering, afdeling Personeel en Organisatie van het ministerie; - −. **hoofd van dienst:** hoofd van het dienstonderdeel waar de medewerker werkzaam is; - −. **commissie:** Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen OCW; - −. **coördinator:** in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042226&paragraaf=3&artikel=6&z=2019-05-24&g=2019-05-24), bedoelde, als coördinator vertrouwenspersonen OCW aangewezen persoon; - −. **integriteitsschending:** incidenteel of structureel, in strijd handelen met de Gedragscode Integriteit Rijk, de voorschriften van het ministerie of het op andere wijze niet naleven van de binnen het ministerie geldende normen en waarden, die zien op integer handelen; - −. **klaagschrift:** door klager ondertekend en gedagtekend geschrift waarin een omschrijving van de klacht is opgenomen en dat dient als uitgangspunt voor het onderzoek van de commissie; - −. **klager:** medewerker, die"},{"i":15196,"b":"Besluit van 3 februari 2011, houdende vaststelling van voorschriften inzake voorzieningen in de huisvesting PO/VO BES (Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO BES) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 september 2010, nr. WJZ/236432 (3837), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 78, tweede lid, van de Wet primair onderwijs BES](onbekend) en [artikel 129, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES](onbekend); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2010, no. W05.10.0448/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 januari 2011, nr. WJZ 256918 (3837), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 78, tweede lid, van de Wet primair onderwijs BES in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen - a. **wet:** [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - b. **vwo:** voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in [artikel 2.4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.4); - c. **mavo:** middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.6 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.6); - d. **avo:** hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.5) of mavo; - e. **vbo:** voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 2.7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.7); - f. **praktijkonderwijs:** praktijkonderwijs als bedoeld in [artikel 2.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.8); - g. **een scholengemeen"},{"i":15197,"b":"Besluit van 3 februari 2011, houdende vaststelling van de algemene berekeningswijze van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs, alsmede vaststelling van voorschriften over het informatieverkeer, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES (Uitvoeringsbesluit WEB BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 september 2010, nr. WJZ/236434 (4876), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikelen 2.2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.2.1), [2.2.5, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.2.5), en [artikel 2.3.10 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.3.10); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2010, no. W05.10.0457/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 januari 2011, nr. WJZ 256079 (4876), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba Artikel 1. Begripsbepalingen Vervallen Artikel 2. Vaststelling omvang beschikbare budgetten beroepsonderwijs Onze Minister stelt jaarlijks binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, de omvang vast van het beschikbare budget voor het beroepsonderwijs. Artikel 3. Berekening rijksbijdrage beroepsonderwijs 1. Onze Minister berekent het bedrag van de te verstrekken rijksbijdrage voor de beroepsopleidingen per instelling volgens de formule (p1 x q1) + (p2 x q2). In deze formule wordt verstaan onder: - **p1:** een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per student in de beroepsopleidende leerweg; - **q1:** het aantal stu"},{"i":6091,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane en van de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door de directeur-generaal Toeslagen van 17 oktober 2024, nr. 2024-492904, over regels met betrekking tot de kinderopvangtoeslag, de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget (Verzamelbesluit Toeslagen) De Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door de directeur-generaal Toeslagen, 1. Inleiding 2. Gemeenschappelijk beleid voor toeslagen 1. Inleiding 2.1. Matiging van de terugvordering van toeslagen Als sprake is van een terug te vorderen bedrag aan onverschuldigd betaalde toeslagen, ontstaat een betalingsverplichting voor de belanghebbende ter grootte van dit bedrag aan Dienst Toeslagen. Het uitgangspunt in [artikel 26 Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=26) is dat het volledige bedrag aan toeslag dat te veel is betaald of verrekend, wordt teruggevorderd. In dit artikel is echter niet dwingend voorgeschreven dat Dienst Toeslagen altijd het volledige bedrag dat te veel is betaald, van de belanghebbende moet terugvorderen. [Artikel 26, tweede lid, Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=26) bepaalt dat voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, Dienst Toeslagen een lager bedrag kan terugvorderen. 4.1. Overschrijding vermogensgrens door toerekening gezamenlijke grondslag sparen en beleggen 1.2. Wijzigingen besluit Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 16 juli 2024, nr. 2024-375539](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049996) (Stcrt. 2024, 23154). Het besluit is op de volgende punten aangepast: Van een onev"},{"i":7122,"b":"Regeling onkostenvergoedingen vrijwilligers personenvervoer per auto Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Het bedrag, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=3) bedraagt over een periode van een jaar: - a. een niet gemaximeerd bedrag per vrijwilligersorganisatie, en - b. € 1.500,– per vrijwilliger. Artikel 2 Wijzigt deze regeling. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onkostenvergoedingen vrijwilligers personenvervoer per auto. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18025,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 november 2017, nr. 2017-0000574876, houdende bekendmaking van de taak waarmee de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het bijzonder zal zijn belast Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951, houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3) (Stb. 1951, 24); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de heer drs. R.W. Knops, is binnen de grenzen van het door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde beleid in het bijzonder belast met de aangelegenheden betreffende: - a. koninkrijksrelaties; - b. informatiesamenleving en overheid, waaronder bureau ICT-toetsing; - c. identiteit; - d. vastgoed en bedrijfsvoering rijksdienst; - e. verzelfstandigingen; - f. regeldruk voor burgers; - g. grensoverschrijdende samenwerking; - h. adeldom, met inbegrip van de bijbehorende wetgeving, de daarmee samenhangende publiek- en privaatrechtelijke aangelegenheden en de uitvoeringsorganisaties op deze terreinen. Artikel 2 De Staatssecretaris kan voorts met nader door de Minister aan te wijzen onderwerpen worden belast. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 26 oktober 2017."},{"i":18684,"b":"Aanwijzingsregeling boeteopleggers arbeidstijden vervoer Gelet op [artikel 10:5, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:5); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel II van het koninklijk besluit van 10 september 2004 tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit en het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met de invoering van de bestuurlijke boete in werking treedt. Artikel 1 Het hoofd van het Bureau Bestuurlijke Boete van de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt aangewezen als de ambtenaar, bedoeld in [artikel 10:5, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:5) voorzover het de in [artikel 5:12, tweede lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12) onderscheiden categorieën van arbeid betreft. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel II van het koninklijk besluit van 10 september 2004 tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit en het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met de invoering van de bestuurlijke boete (Stb. 487) in werking treedt. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Aanwijzingsregeling boeteopleggers arbeidstijden vervoer. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18623,"b":"Wet van 14 mei 1992, houdende vaststelling van rijksbijdragen aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten voor de jaren 1981 tot en met 1989 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rijksbijdragen die voor de jaren 1981 tot en met 1989 zijn verstrekt aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De rijksbijdrage, bedoeld in [artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=17) (**Stb.** 1967, 655), zoals dat luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies (**Stb.** 1989, 127), bedraagt: | a. | voor het jaar 1981: | f 1 698 300 000; | | --- | --- | --- | | b. | voor het jaar 1982: | f 1 597 200 000; | | c. | voor het jaar 1983: | f 457 000 000; | | d. | voor het jaar 1984: | f 248 000 000; | | e. | voor het jaar 1985: | f 187 368 000; | | f. | voor het jaar 1986: | f 17 358 000; | | g. | voor de jaren 1987 en 1988: | f 0; | | h. | voor het jaar 1989: | f 1 466 600 000. | Artikel 2 1. Naast de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005511&artikel=1&z=1992-06-27&g=1992-06-27) bedoelde rijksbijdrage wordt voor de jaren 1985 tot en met 1989 een rijksbijdrage aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten verstrekt, die verband houdt met het besluit van de Ziekenfondsraad van 22 augustus 1985 (**Stcrt.** 207). 2. De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage is gelijk aan de met de uitvoering van het in dat lid bedoelde besluit gemoeide kosten, voor zover door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aanvaard. De Ziekenfondsraad verstrekt over ieder kalenderjaar een opgave van deze kosten aan Onze Minister voornoemd. Artikel 3 Deze wet"},{"i":19188,"b":"Richtlijn voor strafvordering (winkel)diefstal/verduistering al dan niet met geweld Deze richtlijn is van toepassing op winkeldiefstal met evt strafverzwaring bij gebruik van geprepareerde tas of kleding en bij strooptocht. Ook is de richtlijn toepasbaar op verduistering sec en op ‘eenvoudige’ diefstal (zonder braak/verbreking), tenzij er sprake is van verduistering in dienstbetrekking, insluiping, zakkenrollerij, diefstal van voertuigen of mobiel banditisme (daar zijn aparte richtlijnen voor). Het tweede basisdelict ziet op winkeldiefstal met na betrapping (bedreiging met) geweld. (Winkel)diefstal of verduistering, alleen gepleegd. Indien bij diefstal gebruik wordt gemaakt van een geprepareerde tas of kleding of andere middelen om detectieapparatuur in winkels te frustreren of om de diefstal te maskeren (dubbele bodem) zal in beginsel een taakstraf worden opgelegd of gevorderd. De kolom met het uitgangspunt kan ook worden toegepast indien er sprake is van andere voorbereidingshandelingen, zoals bijvoorbeeld bij diefstal van apparatuur die zijn eigen positie kan verzenden (mobiele telefoons, laptops etc.), waarbij voorbereiding kan zijn gedaan om dat te verhinderen. Redenen hiervoor zijn dat het duidt op voorbedachten rade, het streven naar een grote buit en op vaker gebruik. We spreken van een stroop- of rooftocht wanneer meerdere winkeldiefstallen (vanaf 3 winkels) op dezelfde dag gepleegd als 1 feit worden vervolgd. Bij het uitgangspunt is gedacht aan 3-4 winkels, daarboven geldt als strafverzwarend. Winkeldiefstal met na betrapping (bedreiging met) geweld, alleen gepleegd. * het wapenbezit apart ten laste leggen! GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = Gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Voor een toelichting op de andere onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042068)."},{"i":18830,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 27 september 2018 nr. BOACAT2018/055, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Erfgoedinspectie Gelezen het verzoek van Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, afdeling Erfgoedinspectie van 7 september 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Landelijk Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041432&artikel=2&z=2018-12-20&g=2018-12-20). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van inspecteur van de Erfgoedinspectie in dienst bij de afdeling Erfgoedinspectie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied (inclusief de territoriale zee) van Nederland en de aansluitende zone, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon op"},{"i":18306,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 december 2025, tot vaststelling van een kader houdende de instelling en toepassing van de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO 2026) (Kaderbesluit ABRO Rijksdienst) Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad en gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=2) en [6, eerste lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=6) en Handelend na overleg met de korpschef; besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **ABRO-voorschrift:** het voorschrift Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten, als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051910&paragraaf=2&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), ook omschreven als ‘ABRO 2026’; - **Bijzondere opdracht:** een overheidsopdracht die raakt aan de nationale veiligheid, verstrekt aan een civiele partij als Opdrachtnemer, waarbij een Te Beschermen Belang betrokken is. - **NBIV:** Het Nationaal Bureau Industrieveiligheid als genoemd in [artikel 2 van de Regeling Nationaal Bureau Industrieveiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050897&artikel=2); - **Te beschermen belang:** Personen, informatie, Systemen, materieel, goederen, imago en objecten, waarbij in geval van Compromittatie, of de mogelijkheid van Compromittatie, nadelige gevolgen, of een risico daarop, kan ontstaan voor de Vertrouwelijkheid, Beschikbaarheid en Integriteit van de primaire processen van de Rijksoverheid, delen daarvan of voor andere belangen van de Staat, van zijn bondgenoten of van één of meer ministeries. Te Beschermen Belangen zijn ingedeeld in een viertal categorieën (TBB 1 tot en met TBB 4, waarbij TBB 1 de zwaarst te beveiligen categorie is). In dit besluit wordt een aantal begrippen met een hoof"},{"i":19305,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 1 april 2004, kenmerk 5278036/DBZ/04, strekkende tot wijziging van het besluit buitengewoon opsporingsambtenaren reinigingsagenten Dienst Stadstoezicht Amsterdam 2000 Handelende in overeenstemming met de betrokken ministers; Gelezen het verzoek van de directeur van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam; Gelet op: – [artikel 142, eerste lid, onder b en c, en het derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); – het [Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013); – [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder ten tweede, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); – [artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=8). Besluit: Artikel 1 Wijzigt het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Reinigingsagenten Dienst Stadstoezicht Amsterdam 2000. Artikel 2 1. De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging en de overige benoemingsbescheiden van de buitengewoon opsporingsambtenaren die in dienst van de dienst Stadstoezicht Amsterdam de functie van reinigingsagent vervullen, worden voor de duur van hun geldigheid of tot daarover nader zal zijn beslist, geacht te zijn akten en overige benoemingsbescheiden afgegeven mede op basis van onderhavige besluit. 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden geplaatst."},{"i":17954,"b":"Wet van 6 juni 2018 tot wijziging van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg in verband met de totstandkoming van het implantatenregister ter bescherming van de gezondheid van cliënten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is adequaat te kunnen optreden bij gesignaleerde problemen met implantaten, dat daartoe in het belang van de gezondheid van cliënten een implantatenregister tot stand moet worden gebracht en dat daarvoor de [Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173) moet worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Artikel Ia Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel Ib Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2019/180. Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17582,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 26 november 2018, kenmerk 1451474-184520-MEVA, houdende regels voor subsidiëring van opleidingsactiviteiten in de ziekenhuiszorg (Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg 2019) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **activiteitenverslag:** een verslag waar een werknemersvertegenwoordiging mee heeft ingestemd en waarvan de opbouw overeenkomt met de opbouw van het jaarplan, behorend bij het strategisch opleidingsplan en dat: - a. een overzicht bevat van het gerealiseerde jaarplan waarvoor subsidie is verstrekt; - b. de aard, omvang, duur en wijze van uitvoering beschrijft van het gerealiseerde jaarplan waarvoor subsidie is verstrekt; - c. de met het jaarplan gerealiseerde doelstellingen, resultaten of producten beschrijft; - d. voor zover van toepassing, beschrijft in hoeverre is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, en - e. voor zover van toepassing, een vergelijking bevat van het gerealiseerde jaarplan met het voorgenomen jaarplan en een toelichting op de verschillen geeft. - **financieel verslag:** een verslag dat opgesteld door een accountant overeenkomstig een door de minister vastgesteld model met inachtneming van een door de minister vastgesteld accountantsprotocol, bekend gemaakt op de website www.rijksoverheid.nl. - a. volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht geeft dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de kosten en opbrengsten van het gerealiseerde jaarplan waarvoor de subsidie is verleend; - b. aansluit bij de begroting en de nodige informatie geeft om de subsidie vast te stellen; - c. per post is voorzien van een toelichting, en - d. vergezeld gaat van: - 1°. een controleverklaring,"},{"i":17902,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juni 2017, kenmerk LZ-1140775-164265, houdende wijziging van de Regeling langdurige zorg vanwege het aanpassen van de mobiliteitshulpmiddelen en de toevoeging van de echtgenoot aan het informeel tarief Gelet op de [artikelen 3.1.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.1.2), en [3.6.5, eerste lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.5); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling langdurige zorg. Artikel II [Artikel 5.22, derde lid, van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.22) zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op een zorgovereenkomst als bedoeld in [artikel 1.1 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=1.1) die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling is gesloten. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6079,"b":"Besluit van 26 april 2022, houdende wijzigingen van ondergeschikte betekenis in de algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het wettelijke stelsel van de Omgevingswet (Verzamelbesluit Omgevingswet 2022) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 oktober 2021, nr. 2021-0000545799; Gelet op de kaderrichtlijn water, richtlijn industriële emissies en de richtlijn prioritaire stoffen, [artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660&artikel=4.14), de [artikelen 2.15, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.15), [2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [2.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.28), [4.3, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [4.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.4), [4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.5), [5.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.18), [5.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.2), [5.18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.18), [5.23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.23), [5.24, eerste lid, aanhef en onder a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.24), [5.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.29), [5.34, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.34), [8.1, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=8.1), [12.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=12.1), [13.3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=13.3a), [13.3d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=13.3d), [16.15](https://wetten.overheid.n"},{"i":7131,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 20 juli 2005 inzake het vaststellen van het netto winstaandeel van een exploitant van een verkooppunt van motorbrandstoffen langs een rijksweg dat vanwege de Staat wordt geveild. (Regeling vaststelling netto winstaandeel exploitant verkooppunt van motorbrandstoffen) Gelet op [artikel 9, tweede lid, van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. accountant: een accountant of een accountant-administratiefconsulent in de zin van [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393); - b. netto winstaandeel: het gemiddelde netto winstaandeel als bedoeld in [artikel 9, lid 3, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447&artikel=9); - c. Wet: [Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018447). Artikel 2 1. De vaststelling door de accountant van het netto winstaandeel geschiedt op basis van de grondslagen als genoemd in bij deze regeling behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018619&bijlage=1&z=2005-07-31&g=2005-07-31). 2. In [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018619&bijlage=2&z=2005-07-31&g=2005-07-31) van deze regeling is een rekenvoorbeeld aangegeven. Aan dit rekenvoorbeeld kunnen geen rechten worden ontleend. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 31 juli 2005. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als Regeling vaststelling netto winstaandeel exploitant verkooppunt van motorbrandstoffen. Bijlage 1 Grondslagen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018619&artikel=2&z=2005-07-31&g=2005-07-31) van Regeling vaststelling netto winstaandeel exploitant verkooppunt van motorbrandstoffen: 1. Definities Voor de toepassing van de gr"},{"i":7552,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 7 december 2025, 2025-0000521988, houdende de verlening van mandaat op grond van de Wet politiegegevens aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), [artikel 46 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=46), [artikel 4:3 van het Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=4:3) en de [artikelen 1, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041971&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041971&artikel=2) en [3 van het Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041971&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen; - b. **de minister:** de Minister van Financiën; - c. **de secretaris-generaal:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën; - d. **de directeur:** de directeur van de Dienst Financieel-Economische Integriteit; - e. **de wet:** de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463); - f. **verwerken van politiegegevens:** het verwerken van politiegegevens als bedoeld in [artikel 1, onder a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=1), en [artikel 2, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=2). Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van: - a. volmacht om in naam van de minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; en - b. machtiging om in naa"},{"i":1535,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Seychellen inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Seychellen, (hierna te noemen „de verdragsluitende partijen”), Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingen te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004618&artikel=8&z=2012-09-01&g=2012-09-01). De uit hoofde van de wetgeving of de bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen belastingen van elke soort en benaming die door de verdragsluitende partijen op de datum van ondertekening van di"},{"i":15203,"b":"Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Handelende wat [artikel 6, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=6), betreft, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en wat [artikel 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=47) betreft, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op de [artikelen 6, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=6), [8, zevende lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=8)[17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=17), [25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=25),[31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=31), en [47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=47); Besluit: Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 6, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=6), [17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=17), [21a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=21a), [25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=25), [26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=26), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=31), [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=47) en [47a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=47a) en [artikel 2a van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018707&artikel=2a). Artikel 2. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **huurtoeslag:** een tegemoetkoming op grond van de [Wet op de huurtoeslag](https://w"},{"i":15205,"b":"Uitvoeringsregeling beleggingen IOF en OFB Gelet op artikel 3, tweede lid, van de Wet van 8 december 1988, Stb. 1988, 582;\"582\" moet zijn \"562\" De Sociale Verzekeringsraad gehoord (advies van 5 mei 1988); Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder Artikel 2 De Sociale Verzekeringsraad wordt in zijn toezichthoudende taak op de beleggingen van de fondsen geadviseerd en bijgestaan door de beleggingscommissie als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van het Besluit beleggingsvoorschriften sociale verzekeringsfondsen (Stcrt. 1982, 150). Paragraaf 2. Beleggingen Artikel 3 1. Belegging in schuldbrieven is toegestaan, mits die schuldbrieven luiden in Nederlands courant en hetzij zijn uitgegeven ten laste van hetzij rechtstreeks, volledig en onvoorwaardelijk voor rente en aflossing zijn gewaarborgs door: - a. de Nederlandse Staat; - b. een Nederlands openbaar lichaam met verordenende bevoegdheid anders dan de Staat; - c. een internationaal lichaam, waarin de Nederlandse Staat, te zamen met andere Staten deelneemt. 2. Belegging in schuldbrieven is voorts toegestaan in schuldbrieven die luiden in Nederlands courant en zijn uitgegeven ten laste van een in Nederland gevestigde maatschappij naar Nederlands recht. Artikel 4 1. Voor belegging in onderhandse geldleningen is [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004476&paragraaf=2&artikel=3&z=1989-01-01&g=1989-01-01) van overeenkomstige toepassing. 2. Belegging is bovendien toegestaan in onderhandse geldleningen die zijn uitgegeven ten laste van een natuurlijke persoon, mits deze leningen op het moment van verstrekking volledig gewaarborgd zijn door het recht van hypotheek op onroerende goederen in Nederland gelegen, en luiden in Nederlands courant. Artikel 5 Belegging is toegestaan in aandelen en certificaten van aandelen, genoteerd aan een officiële beurs, luidend in Nederlands courant en uitgegeven door een in Nederland gevestigde maatschappij naar Nederlands recht. Artikel 6 Beleggi"},{"i":15207,"b":"Uitvoeringsregeling Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht 2011 Gelet op de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009142&artikel=4), [5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009142&artikel=5), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009142&artikel=7), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009142&artikel=8), [9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009142&artikel=9), [10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009142&artikel=10), en [11 van het Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009142&artikel=11); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ADR:** Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route; - b. **besluit:** [Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009142); - c. **STANAG 4441:** ingevolge een in de Staatscourant gepubliceerde mededeling van Onze Minister van Defensie van kracht zijnde versie van de NATO Standardization Agreement nr. 4441 met de daarbij behorende AMovP-6, Allied Multi-Modal Transportation of Dangerous Goods Directive en Standards-related documents zoals ter inzage gelegd op de bij die mededeling aangegeven locatie; - d. **munitie:** ontplofbare stoffen en voorwerpen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van het Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009142&artikel=1); - e. **meevoeren:** het meenemen van munitie bestemd voor gebruik door de eigen bemanning in het bij het voertuig behorende wapensysteem, inbegrepen munitie behorende tot de uitrusting van de bemanning. Artikel 2. Stanag 4441 1. Indien door de krijgsmacht munitie wordt vervoerd over de weg, het spoor of het binnenwater dienen de daarop betrekking hebbende gedeelten van de Standards-related documents van de AMovP-6, behorende tot de"},{"i":2805,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2009 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2009, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2009, doch niet later dan 15 oktober 2009 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,525 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2009 en eindigende met 15 oktober 2009 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.over"},{"i":15238,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 november 2008, nr. BVE/Stelsel/73928, houdende uitvoeringsregels voor het bekostigen van het middelbaar beroepsonderwijs en de educatie (Uitvoeringsregeling WEB 2007) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op de [artikelen 12.3.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=12.3.8) en [12.3.9, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=12.3.9), en de [artikelen 2.3.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.3.2), [2.4.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.4.1), en [6.1.1 van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=6.1.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - b. **wet:** [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625), - c. **besluit:** [Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646). Hoofdstuk 2. Voorschriften beroepsopleidingen instituten voor doven en hogeschool Haarlem § 1. Voorschriften beroepsopleidingen Instituten voor doven Artikel 2.1.1. Voorschriften bekostiging beroepsopleidingen Instituten voor doven 1. In overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de rijksbegroting die is vastgesteld voor het desbetreffende begrotingsjaar, stelt de minister jaarlijks de omvang van het beschikbare budget voor de exploitatiekosten respectievelijk voor de huisvestingskosten voor het Christelijk Instituut voor Doven ‘Effatha’ en het Instituut voor Doven ‘Sint-Michielsgestel’ vast, ten behoeve van het verzorgen van beroepsopleidingen als bedoeld in [artikel 12.3.8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=12.3.8). D"},{"i":3394,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 14 oktober 2015 nr. BOACAT2015/053, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Zwolle, eenheid Sociale Zaken en Welzijn Gelezen het verzoek van de gemeente Zwolle van 13 oktober 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037106&artikel=2&z=2015-10-24&g=2015-10-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Zwolle, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, als genoemd in [onderdeel 10.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Arti"},{"i":15246,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 augustus 2021, kenmerk 3242398-1014062-PZO, houdende nadere regels op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders (Uitvoeringsregeling Wtza) Gelet op de [artikelen 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=1), [2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=2), [3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=3), [4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=4), en [6, tweede lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=6) en [artikel 4.0.1, tweede lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.0.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder ‘wet’: [Wet toetreding zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797). Hoofdstuk 2. Meldplicht Artikel 2 1. De melding, bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=2), geschiedt door het volledig invullen van het daartoe via de website [www.toetredingzorgaanbieders.nl](http://www.toetredingzorgaanbieders.nl) beschikbaar gestelde formulier. 2. De zorgaanbieder doet de melding niet eerder dan drie maanden voor de aanvang van de zorgverlening. Hoofdstuk 3. Toelatingsvergunning Paragraaf 1. Medisch specialistische zorg Artikel 3 1. Als medisch specialistische zorg als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=1) wordt de volgende zorg aangewezen, voor zover die zorg wordt verleend door een arts, anders dan een huisarts, specialist ouderengeneeskunde of arts verstandelijk gehandicapten: - a. anesthesiologie; - b. cardiologie; - c. cardio-thoracale chirurgie; - d. dermatologie en venerologie; - e. heelkunde; - f. interne geneeskunde; - g. kaakchirurgie; - h. keel- neus- oorheelkunde; - i. kindergeneeskunde;"},{"i":15248,"b":"Uitvoeringsreglement Distributie Buitenlandse Arthousefilm 23 januari 2006 Het Nederlands Fonds voor de Film publiceert: Uitvoeringsreglement Distributie Buitenlandse Arthousefilm die het Fonds in opdracht van het ministerie van OCW ontworpen heeft. Ter uitvoering van een verzoek in november 2004 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan het Nederlands Fonds voor de Film geldt het volgende: 1. Films waarop dit reglement van toepassing is, dienen bij te dragen aan een substantiële kwalitatieve toevoeging van het filmklimaat in Nederland. 2.1. Voor distributie in Nederland van de **buitenlandse arthousefilm** met een vertoningsduur van tenminste 70 minuten kan een financiële bijdrage worden aangevraagd. 2.2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend worden ingediend door een distributeur die op het moment van indiening minimaal twee jaar als zodanig in Nederland werkzaam is. 2.3. Met betrekking tot een film die is uitgebracht vóór 1 juli wordt een aanvraag uitsluitend in behandeling genomen indien deze vóór 1 oktober daaropvolgend is ingediend en is voldaan aan de voorwaarden van dit reglement. 2.4. Met betrekking tot een film die is uitgebracht vóór 1 januari wordt een aanvraag uitsluitend in behandeling genomen indien deze vóór 1april daaropvolgend is ingediend en is voldaan aan de voorwaarden van dit reglement. 3. Ten aanzien van de film waarop de aanvraag betrekking heeft, geldt het navolgende: 4.1. Onverminderd het bepaalde in artikel drie, wordt een bijdrage eerst verleend indien is voldaan aan de criteria zoals neergelegd in het tweede lid en aan het automatische puntensysteem waarvan de uitwerkingen zijn opgenomen in een bij dit reglement behorende bijlage. 4.2. Criteria voor toewijzing zijn: het land van herkomst, de staat van dienst van regisseur, de hoogte van de productiekosten en het aantal publieke vertoningen. 5.1. De financiële bijdrage wordt verstrekt aan de aanvrager. 5.2. De rangorde die het gevolg is van het autom"},{"i":3177,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 januari 2022 nr. BOACAT2021/042, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Meppel Gelezen het verzoek van de gemeente Meppel van 14 april 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046238&artikel=2&z=2022-01-27&g=2022-01-27). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Toezicht en Handhaving in dienst van de gemeente Meppel, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinli"},{"i":15249,"b":"Uitvoeringsreglement inzake aanvragen voor een financiële bijdrage voor de distributie van een film Het bestuur van Stichting Nederlands Fonds voor de Film heeft besloten tot wijziging van de navolgende uitvoeringsreglementen. Deze reglementen luiden thans als volgt. Ter uitvoering van artikel 2 lid 3 en artikel 6 lid 7 van het Bijdrage-Reglement van het Nederlands Fonds voor de Film geldt het volgende: 1. Voor de distributie in Nederland van (low budget) lange speelfilms, documentairefilms en overige fictiefilms met een vertoningsduur van tenminste 60 minuten, alsmede van animatiefilms, overige fictiefilms en documentairefilms met een kortere vertoningsduur dan 60 minuten die als voorprogramma worden ingezet bij theatervertoning kan een financiële bijdrage worden aangevraagd, indien de film tot stand is gekomen met een financiële bijdrage van het Bestuur van het Fonds. 2.1 Een distributiebijdrage kan uitsluitend worden verleend ter tegemoetkoming in de kosten die betrekking hebben op: 2.2 Een bijdrage in verband met een distributiegarantie of een andersoortige bijdrage van de distributeur in de productiekosten van de film wordt niet door het Bestuur vergoed. 3. Voor de distributie van een film die reeds in de oorspronkelijke vorm, dan wel als televisieserie via de Nederlandse of op Nederland gerichte televisie is uitgezonden, wordt geen financiële bijdrage verstrekt. In afwijking hiervan kan het Bestuur een financiële bijdrage verstrekken ten behoeve van de distributie van een jeugdfilm. 4.1 Een aanvraag voor een financiële bijdrage ten behoeve van de distributie van een film dient te worden ingediend door de distributeur. 4.2 Ingeval de aanvraag wordt ingediend door een rechtspersoon, dient de natuurlijke persoon die deze rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt en namens deze leiding geeft aan de distributie van de film, aantoonbare ervaring te hebben als distributeur. 5. Aanvragen, ingediend later dan 14 dagen voor de eerste openbare vertoning van de film in"},{"i":17099,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 december 2004, nr. IBE/BO-2543400 houdende de goedkeuring van het besluit van het College Specialismen Gezondheidszorgpsycholoog (CSG) betreffende het specialisme klinische psychologie Gelet op: – [artikel 14, eerste lid, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); – [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); – artikel 8, van de Specialismenregeling gezondheidszorgpsycholoog; Besluit: Het besluit – aanwijzing van de klinische psychologie als specialistisch deelgebied van de gezondheidszorgpsychologie en de opleidingseisen voor inschrijving in het register van klinisch psychologen goed te keuren, en bepaalt dat, in afwijking van het besluit tot goedkeuring van de Specialismenregeling gezondheidszorgpsycholoog, de wettelijke erkenning van de aan het specialisme klinische psychologie verbonden titel klinisch psycholoog, ingaat per 1 januari 2006. Dit besluit zal samen met het desbetreffende besluit van het College Specialismen Gezondheidszorgpsycholoog worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":17046,"b":"Besluit vervanging door zorgdrager Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Gelet op de [Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023395) en gelet op de machtiging van de algemene rijksarchivaris van 16 april 2010, kenmerk NA/10/4390; Besluit: Het Commissariaat voor de Media besluit over te gaan tot vervanging van archiefbescheiden, die niet voor vernietiging in aanmerking komen, en deze na vervanging te vernietigen volgens de specificaties zoals vastgelegd in de bijlage **Handboek digitale vervanging archiefbescheiden, versie 1.5** (februari 2010)."},{"i":15276,"b":"Wet van 11 december 2024 tot wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en enige andere wetten in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2023/1113 betreffende bij geldovermakingen en overdrachten van bepaalde cryptoactiva te voegen informatie en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 (Uitvoeringswet verordening bij geldovermakingen en overdrachten van cryptoactiva te voegen informatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter uitvoering van [Verordening (EU) 2023/1113](32023R1113) van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende bij geldovermakingen en overdrachten van bepaalde cryptoactiva te voegen informatie en tot wijziging van [Richtlijn (EU) 2015/849](32015L0849) (PbEU 2023, L 150); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Wijzigt de Sanctiewet 1977. Artikel IV 1. Aanbieders van diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta en van bewaarportemonnees die op het moment van inwerkingtreding van deze wet geregistreerd stonden in het register, bedoeld in [artikel 23f van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=23f), zoals dat luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, mogen, tenzij die registratie wordt doorgehaald, hun diensten blijven aanbieden tot en met 30 juni 2025 of totdat hun overeenkomstig artikel 63 van [Verordening (EU) 2023/1114](32023R1114) van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van [Verorden"},{"i":15273,"b":"Wet van 29 december 2008, houdende bepalingen verband houdende met de instelling van het Speciaal Tribunaal voor Libanon, mede ter uitvoering van Resolutie 1757 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 30 mei 2007 (Uitvoeringswet Speciaal Tribunaal voor Libanon) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is enige wettelijke voorzieningen te treffen voor de vervolging van personen door het Speciaal Tribunaal voor Libanon die verantwoordelijk zijn voor de aanslag van 14 februari 2005 die heeft geresulteerd in de dood van voormalig minister-president Rafiq Hariri en anderen, mede ter uitvoering van Resolutie 1757 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 30 mei 2007, handelende krachtens Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties, alsmede de bij de Resolutie aangegeven inwerkingtreding van de bepalingen van de bijlage bij de Resolutie 1757, inclusief het Statuut van het Speciaal Tribunaal voor Libanon op 10 juni 2007; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: - a. Speciaal Tribunaal: het Speciaal Tribunaal voor Libanon, inwerking gesteld bij Resolutie 1757 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 30 mei 2007; - b. Statuut: het Statuut van het Speciaal Tribunaal voor Libanon, opgenomen in de bijlage bij resolutie 1757 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 30 mei 2007; - c. overlevering: de terbeschikkingstelling van een persoon door Nederland aan het Speciaal Tribunaal ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek bij het Speciaal Tribunaal; - d. doorvoer: het begeleid vervoer over Nederlands grondgebied van een persoon ten behoeve van zijn terbeschikkingstelling door een vreemde staat aan het Speciaal Tribunaal, dan wel door he"},{"i":15272,"b":"Wet van 18 november 2020, houdende regels omtrent de uitvoering van Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (Uitvoeringswet screeningsverordening buitenlandse directe investeringen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PbEU 2019, L 79); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - **buitenlandse directe investering:** buitenlandse directe investering als bedoeld in artikel 2, onder 1, van [verordening 2019/452](32352R2019); - **verordening 2019/452:** Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PbEU 2019, L 79); - **screeningsmechanisme:** screeningsmechanisme als bedoeld in artikel 2, onder 4, van [verordening 2019/452](32352R2019); - **Onze verantwoordelijke Minister:** de op grond van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044449&artikel=3&z=2023-06-01&g=2023-06-01) eerstverantwoordelijke minister. Artikel 2 Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat is het contactpunt, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van [verordening 2019/452](32352R2019) en is verantwoordelijk voor het verslag, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van [verordening 2019/452](32352R2019). Artikel 3 1. Verantwoordelijk voor het nemen van beslissingen in het kader van de samenwerking, bedo"},{"i":15271,"b":"Wet van 2 december 2015, houdende bepalingen verband houdende met de instelling van de rechtsopvolgers van in Nederland gevestigde internationale of geïnternationaliseerde straftribunalen (Uitvoeringswet restmechanismen straftribunalen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is enige wettelijke voorzieningen te treffen in verband met de oprichting van rechtsopvolgers van in Nederland gevestigde internationale of geïnternationaliseerde straftribunalen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Restmechanisme:** de rechtsopvolger van een in Nederland gevestigd straftribunaal met een tijdelijk karakter, met inbegrip van de aanklager bij die rechtsopvolger; - b. **Statuut:** het Statuut van het Restmechanisme; - c. **overlevering:** de terbeschikkingstelling van een persoon door Nederland aan het Restmechanisme ten behoeve van een bij het Restmechanisme tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek of de tenuitvoerlegging van een hem door het Restmechanisme opgelegde gevangenisstraf; - d. **doorvoer:** het begeleid vervoer over Nederlands grondgebied van een persoon afkomstig van een vreemde staat en met als bestemming het Restmechanisme, dan wel afkomstig van het Restmechanisme en met als bestemming een vreemde staat; - e. **Onze Minister:** Onze Minister van Veiligheid en Justitie. 2. In deze wet wordt mede verstaan onder: - a. **in Nederland:** in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. **Nederlandse ambtenaren:** ambtenaren van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. **Nederlands grondgebied:** het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - d. **N"},{"i":15275,"b":"Uitvoeringswet van de Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht BES Artikel 1 Als ontvangend orgaan on verzendend orgaan als bedoeld in artikel 2 van de op 7 juni 1968 tot stand gekomen Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht (Trb. 1968, 142), wordt aangewezen de Procureur-Generaal bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 Als rechterlijke autoriteiten in de zin van artikel 3 van de in het [voorgaande artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028241&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemde overeenkomst gelden de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie alsmede alle overige personen of colleges welke in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bij wet met rechtspraak zijn belast. Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet van de Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht BES."},{"i":15270,"b":"Wet van 2 mei 1990, tot uitvoering van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, uitvoering van het op 25 oktober 1980 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen alsmede algemene bepalingen met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van ontvoerde kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om wettelijke voorzieningen te treffen ter uitvoering van het op 20 mei 1980 tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (**Trb.** 1981, 10) en het op 25 oktober 1980 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (**Trb.** 1987, 139) en tevens, in verband daarmee, algemene bepalingen vast te stellen met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van ontvoerde kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder - a. het Europese verdrag: het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (**Trb.** 1981, 10); - b. het Haagse verdrag: het op 25 oktober 1980 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoe"},{"i":19418,"b":"Besluit directie van het CBR houdende vaststelling van een beleidsregel betreffende rijbewijskeuringen door keurend artsen Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011362&artikel=2) en [artikel 100, leden 2, 3, 4 en 5 van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=100); Besluit: Artikel I Vastgesteld wordt de volgende beleidsregel: **CBR Beleidsregel rijbewijskeuringen door keurend artsen** 1. Reikwijdte beleidsregel rijbewijskeuringen door keurend artsen In deze beleidsregel is vastgelegd welke eisen worden gesteld aan keurend artsen en de door hen ingevulde vragenlijst, vragenlijsten en of keuringsverslagen in de procedure tot beoordeling van de rijgeschiktheid. Alle verslaglegging in het kader van deze procedure door een keurend arts valt onder de reikwijdte van de beleidsregel, ongeacht of de keurend arts geregistreerd staat bij het CBR. De beleidsregel bevat regels over o.a. de aanmeldingsprocedure als keurend arts, de toepasselijke vereisten en de wijze waarop kwaliteit van de verslaglegging bewaakt wordt. Voor de aanvraag van een verklaring van geschiktheid vraagt het CBR in bepaalde gevallen één of meer vragenlijsten en/of een keuringsverslag, in te laten vullen door een keurend arts (conform [artikel 100 Reglement Rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=100)). Met deze beleidsregel wordt invulling gegeven aan de wijze waarop het CBR zijn bevoegdheden/verantwoordelijkheden uitoefent binnen het proces dat nodig is voor een beoordeling van de rijgeschiktheid. Voor het opstellen van deze beleidsregel zijn de volgende informatiebronnen als uitgangspunten meegenomen: **Voorts zijn de volgende uitgangspunten aan de orde:** 2. Toelichting De divisie Rijgeschiktheid van het CBR beoordeelt de rijgeschiktheid. Het CBR toetst de ge"},{"i":16898,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2019 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op 7,23%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2019. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":15282,"b":"Wet van 28 september 2005 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (Pb EU L 143) (Uitvoeringswet verordening Europese executoriale titel) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om wettelijke voorzieningen te treffen ter uitvoering van de [verordening (EG) nr. 805/2004](32004R0805) van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (Pb EU L 143); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder «verordening»: [verordening (EG) nr. 805/2004](32004R0805) van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (Pb EU L 143). Artikel 2 1. Een verzoek om waarmerking van een door een Nederlands gerecht gegeven beslissing of een of meer gedeelten daarvan als Europese executoriale titel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de verordening wordt ingediend bij de voorzieningenrechter van dat gerecht. Betreft het een beslissing van een kantonrechter, dan wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter. Betreft het een beslissing van een gerechtshof, dan wordt het verzoek gedaan aan het gerechtshof. De rechter beslist onverwijld op het verzoek. De schuldenaar wordt niet opgeroepen. 2. Bij het verzoekschrift, bedoeld in het eerste lid, worden een authentiek afschrift van de beslissing waarvan de waarmerking wordt gevraagd, en het procesinleidend stuk dat tot de beslissing heeft geleid, overgelegd. Het verzoekschrift bevat daarnaast voor zover mogelijk de gegevens die de rechter nodig heeft om de beslissing vol"},{"i":1270,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Zweden De wens koesterende de bestaande op 12 maart 1968 te 's-Gravenhage ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden tot het vermijden van dubbele belasting en tot het vaststellen van regelen voor wederzijdse administratieve hulp met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen te vervangen door een nieuwe Overeenkomst, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Overeenkomstsluitende Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Overeenkomstsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a. in Zweden: (hierna te noemen: „Zweedse belasting”) - -. den statliga inkomstskatten (de nationale inkomstenbelasting), met inbegrip van de sjömansskatten (de belasting van zeelieden) en de kupongskatten (de couponbelasting), - -. bevillningsavgiften för vissa offentl"},{"i":19499,"b":"Overeenkomst inzake de terbeschikkingstelling en exploitatie van installaties en diensten voor het luchtverkeer door EUROCONTROL in het Luchtverkeersleidingscentrum Maastricht De Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, hierna genoemd „de Nationale Overeenkomstsluitende Partijen”, enerzijds, en de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart (EUROCONTROL), hierna genoemd „de Organisatie”, anderzijds, Overwegende dat de Permanente Commissie voor de veiligheid van de luchtvaart van de Organisatie (hierna genoemd „de Commissie”) op voorstel van de Nationale Overeenkomstsluitende Partijen overeenkomstig Bijlage 3 van het op 12 februari 1981 te Brussel ondertekende Protocol tot wijziging van het Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart „EUROCONTROL” van 13 december 1960 (hierna genoemd „het Protocol”) een regeling inzake de toekomst van het Luchtverkeersleidingscentrum Maastricht (hierna genoemd „het Centrum Maastricht”) heeft aanvaard, en tot toepassing ervan zal besluiten, Overwegende dat het Centrum Maastricht gehandhaafd zal worden als EUROCONTROL-instelling ten einde voor de Organisatie de essentiële schakel te vormen tussen de verplichte taken die voorzien zijn in [artikel 2, lid 1, van het in 1981 te Brussel gewijzigde Verdrag EUROCONTROL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004802&artikel=2) (hierna genoemd „het gewijzigd Verdrag”) en de feitelijke verlening van luchtverkeersdiensten waardoor de Organisatie haar technische en operationele vaardigheid op het stuk van de luchtverkeersdiensten kan behouden en ontwikkelen, Overwegende dat deze regeling beantwoordt aan de wens van de Nationale Overeenkomstsluitende Partijen, de Organisatie namens de Nationale Overeenkomstsluitende Partijen en overeenkomstig de bepalingen van het gewijzigd [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004802), inzonderheid de [artikelen 2.2(b)](h"},{"i":15292,"b":"Wet van 23 juni 1972, houdende regelen omtrent de vaarplicht in buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen betreffende de vaarplicht in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verbandhoudende buitengewone omstandigheden alsmede enkele met dat onderwerp samenhangende bijzondere straf- en tuchtbepalingen vast te stellen, een en ander mede met het oog op bij Rijkswet gestelde algemene regelen betreffende de vaarplicht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet verstaat onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. \"schip\": - 1. een geen oorlogsschip zijnd zeeschip in de zin van artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek alsmede een zodanig zeeschip in aanbouw, dan wel - 2. een vissersvaartuig als omschreven onder **c**, sub 2, van dit artikel; - c. \"Nederlands schip\": - 1. een zeeschip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren, hetzij - 2. een Nederlands vissersvaartuig, dat bedrijfsmatig wordt gebruikt voor de zeevisserij, de kustvisserij of de visserij op het IJsselmeer, een en ander in de zin van de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416); - d. \"zeeman\": de kapitein van een schip en ieder die krachtens overeenkomst gehouden is tot werk als schepeling aan boord van een schip; - e. \"vaarplicht\": de verplichting tot het verrichten van werkzaamheden aan boord of ten behoeve van Nederlandse schepen, zeeschepen die op grond van voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren of in Aruba, Curaçao of Sint Maarten thuisbehorende zee- of kustvissersvaartuigen; - f. \"vaarplichtige\": hi"},{"i":15294,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 juli 2007, nr. OHW-U-2780032, houdende de toekenning van vacatiegeld aan de voorzitter en leden van de Raad van advies programma erfgoed van de oorlog Gelet op [artikel 1, tweede lid, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Te rekenen vanaf 19 maart 2007 wordt aan de voorzitter van de Raad van advies programma Erfgoed van de Oorlog, een vacatiegeld toegekend van € 175 voor iedere dag, waarop deze één of meer vergaderingen van de Raad heeft bijgewoond. Artikel 2 Te rekenen vanaf 19 maart 2007 wordt aan de niet-ambtelijke leden van de Raad van advies programma Erfgoed van de Oorlog, een vacatiegeld toegekend van € 135 voor iedere dag, waarop zij één of meer vergaderingen van de Raad hebben bijgewoond. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Vacatiegeldenbesluit Raad van advies programma Erfgoed van de Oorlog. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2627,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241275, houdende vaststelling beleidsregels voor de sturing van en het toezicht op de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster (Beleidsregels sturing van en toezicht op de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regels wordt verstaan onder: - **de Dienst:** de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - **de Kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - **de wet:** de [Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463). § 2. Bestuur van de Dienst Artikel 2. Goedkeuring bestuursreglement Bij de goedkeuring van het bestuursreglement op grond van [artikel 11 Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11) juncto [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=9) bekijkt de minister in ieder geval of ten aanzien van de hierna volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen: - a. een nadere omschrijving van de taken van de leden van het bestuur; - b. nadere bepaling van de bevoegdheden binnen het bestuur; - c. de schriftelijke goedkeuring van diverse besluiten door de raad van toezicht; - d. de besluitvorming in en buiten de vergadering; - e. de notulen van de vergadering; - f. het hebben en melden van nevenfuncties aan de raad van toezicht; - g. de handelwijze in geval van tegenstrijdige b"},{"i":3267,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 3 juni 2024 nr. BOACAT2024/055, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente IJsselstein Gelezen het verzoek van de gemeente IJsselstein van 17 mei 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049787&artikel=2&z=2025-07-22&g=2025-07-22). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving II of III in dienst van de gemeente IJsselstein, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van d"},{"i":2675,"b":"Aanwijzing gemeente Utrecht als vestigingsplaats speelcasino Gelet op [artikel 27p van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27p); Gezien de voordracht van de Raad voor de Casinospelen dd. 22 januari 1993; Overwegende dat blijkens mededeling van Burgemeester en Wethouders van Utrecht dd. 12 november 1993, de gemeenteraad van Utrecht heeft ingestemd met de aanwijzing van die gemeente als vestigingsplaats van een casino; Besluiten: Artikel 1 De gemeente Utrecht wordt aangewezen als gemeente waarvoor ingevolge de Beschikking Casinospelen (Stcrt. 1988, 139) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. Artikel 2 Deze beschikking wordt in de Staatscourant gepubliceerd en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"i":3396,"b":"Besluit van 30 oktober 2007, houdende regels ter uitvoering van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Besluit burgerservicenummer) Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Hoofdstuk 2. De beheervoorziening Hoofdstuk 2. De beheervoorziening Hoofdstuk 4. Transparantie en controle Artikel 18 Wijzigt het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel 19 Wijzigt het Wijzigingsbesluit Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (invoering verstrekkingsvoorziening). Hoofdstuk 6. Slotbepalingen Bijlage 1. Bijlage behorende bij [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022829&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2007-11-16&g=2007-11-02) van het Besluit burgerservicenummer (Bijlage 1) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 1. Bijlage behorende bij [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022829&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=6&z=2007-11-16&g=2007-11-16) van het Besluit burgerservicenummer (Bijlage 1) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2. Bijlage behorende bij [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022829&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=11&z=2007-11-16&g=2007-11-16) van het Besluit burgerservicenummer (Bijlage 2) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Op de voordracht van Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 17 oktober 2006, nr. 2006-0000339264, CS/CZW; Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=6), [8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=8), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=16), [18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=18), en [21, vierde lid, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00224"},{"i":3125,"b":"Besluit van 19 mei 1989, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur inzake beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 mei 1986, gedaan mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie, Defensie en Onderwijs en Wetenschappen; Gelet op het bepaalde in [artikel 5, derde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299&artikel=5), zoals gewijzigd bij de Wet van 27 april 1989, **Staatsblad** 1989, 168; Gezien de adviezen die ter zake zijn uitgebracht door de Sociaal-Economische Raad, de Emancipatieraad, de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid en de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst; De Raad van State gehoord (advies van 8 december 1986, nr. W.12.86.0248/**b)**; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 mei 1989, uitgebracht mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie, Defensie en Onderwijs en Wetenschappen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als beroepsactiviteiten en hiervoor noodzakelijke opleidingen waarvoor in voorkomend geval vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan het geslacht bepalend kan zijn, worden slechts beschouwd die welke behoren tot respectievelijk opleiden voor een of meer van de volgende categorieën: - a. de beroepsactiviteiten die om lichamelijke redenen uitsluitend door personen van een bepaald geslacht kunnen worden vervuld; - b. de beroepsactiviteiten van de mannelijke of de vrouwelijke mannequin, die bepaalde kledingstukken moet tonen door ze te dragen; - c. de beroepsactiviteiten van modellen voor beeldend kunstenaars, fotografen, cineasten, kappers, grimeurs en schoonheidsspecialisten; - d. de beroepsactiviteiten van acteur, zanger, danser of kunstenaar, voor zover deze activiteite"},{"i":15313,"b":"Vaststelling meerjarenprogramma Piek 1999 tot en met 2002 en het actieplan Piek 1999 Na overleg met de Minister van Economische Zaken en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Subsidieregeling stiller, schoner en zuiniger](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008783&artikel=2) (Stcrt. 1997, 133); Besluit: vast te stellen het meerjarenprogramma Piek 1999 tot en met 2002 en het actieplan Piek 1999 van de Subsidie-regeling stiller, schoner en zuiniger verkeer en vervoer, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlagen."},{"i":4271,"b":"Besluit vergunning Lotto 2017–2021 **Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 23 december 2016, kenmerk 10509, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van lotto’s.** Op grond van de [artikelen 27b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27b), en [27c, eerste lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27c) (hierna: de wet) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan Lotto B.V., een besloten vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Rijswijk met KvK-nummer 41151075 (hierna: de vergunninghouder), vergunning tot het organiseren van lotto’s voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021. Aan deze vergunning zijn de navolgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de vergunde kansspelen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Vergunde kansspelen B. Afdracht C. Bescherming van kwetsbare groepen D. Bescherming van consumenten E. Betrouwbaarheid en integriteit F. Controle, rapportage en toezicht G. Overig Bijlage A Niet opgenomen."},{"i":4266,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 25 november 2014, kenmerk 8788, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van de bankgiroloterij Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan de BankGiro Loterij N.V., gevestigd te Amsterdam met KvK-nummer 41126590 (hierna: de vergunninghouder), een vergunning voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016. Aan deze vergunning zijn de volgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de kansspelen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Bestuursstructuur B. Aangeboden kansspel C. Afdracht ten behoeve van het algemeen belang D. Bescherming van consumenten E. Toezicht en controle F. Rapportage en verslaglegging G. Overig"},{"i":3372,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 22 december 2010, nr. 5679799/Justis/10, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de afdeling Veiligheid, Kabinet en Handhaving van de gemeente Amstelveen in het domein Openbare Ruimte Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2010/21320 gesteld op 30 december 2015. Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3198,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 oktober 2021 nr. BOACAT2021/048, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Amsterdam, afdeling Amsterdamse Bos Gelezen het verzoek van de gemeente Amsterdam, afdeling Amsterdamse Bos van 13 mei 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid, en artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045762&artikel=2&z=2021-11-02&g=2021-11-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van boswachter/handhaver E in dienst van de gemeente Amsterdam, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijst"},{"i":2596,"b":"Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken van 31 maart 2013, nr. WJZ / 12354959, met betrekking tot de toepassing door de Autoriteit Consument en Markt van artikel 6 van de Mededingingswet ten aanzien van combinatieovereenkomsten (Beleidsregels Combinatieovereenkomsten 2013) De Minister van Economische Zaken, Gelet op de [artikelen 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21) en [5d van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=5d); Besluit: 1). Inleiding 2). Aanleiding voor de beleidsregels 2.1. Behoefte aan duidelijkheid met betrekking tot combinatieovereenkomsten 2.2. Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken aan de ACM 2.3. Algemene benadering 3). Het wettelijke kader 3.1. Mededingingswet 3.2. Verhouding van [artikel 6 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=6) tot de Europese mededingingsregels 3.3. [Artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=6) (kartelverbod) 3.4. [Artikel 7 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=7) (bagatelvrijstelling) 3.5. [Artikel 6, derde lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=6) (algemene vrijstellingsmogelijkheid) 3.6. Eigen verantwoordelijkheid 4). [Artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=6) en combinatieovereenkomsten 4.1. Combinatieovereenkomsten 4.2. Beginselen voor de beoordeling van combinatieovereenkomsten 4.3. Beoordeling van combinatieovereenkomsten (1). Combinatieovereenkomsten die niet onder [artikel 6, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=6) vallen (2). Combinatieovereenkomsten die onder [artikel 6, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=6) vallen vanwege hun strekking (3). Combina"},{"i":15315,"b":"Vaststelling model-formulieren verlof tot begraving/verbranding en ontleding van een lijk Gelet op de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=11) en [68 van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=68) (Stb. 1991, 133); Besluit: Artikel 1 1. Het model van het schriftelijk verlof, bedoeld in [artikel 11 van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=11) (Stb. 1991, 133), luidt als in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005070&bijlage=I&z=1991-07-01&g=1991-07-01) van dit besluit is aangegeven. 2. Het model van het schriftelijk verlof, bedoeld in [artikel 68 van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=68), luidt als in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005070&bijlage=II&z=1991-07-01&g=1991-07-01) van dit besluit is aangegeven. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1991. Bijlage I. Model-formulier van het schriftelijk verlof van de ambtenaar van de burgerlijke stand tot begraving/verbranding*Doorhalen hetgeen niet van toepassing is. van een lijk, als bedoeld in [artikel 11 van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=11), Stb. 1991, 133 De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente - verleent verlof tot begraving/verbranding*Doorhalen hetgeen niet van toepassing is. van het lijk van: | naam | | , | | --- | --- | --- | | voornamen (voluit) | | , | | geboren op | , te | , | | gewoond hebbende te | | , | | overleden op | | . | - verleent verlof tot begraving/verbranding*Doorhalen hetgeen niet van toepassing is. van het lijk van de uit: | naam | | , | | --- | --- | --- | | voornamen (voluit) | | , | | geboren op | , te | , | | wonende te | | , | | op | , te | , | | doodgeboren zoon/dochter*Doorhalen hetgeen niet van toepassing is.. | doodgeboren zoon/dochter*Doorhalen hetgeen niet van toepassing is.. | doo"},{"i":15323,"b":"Vaststelling selectielijst bosbouw Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 12 november 1997, nr. arc-97.6855/1); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij binnen het beleidsterrein bosbouw over de periode 1945-1995, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken de categorie ’Bossen en bosbouw vanuit nationaal gezichtspunt’ van de ’Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van het onder het Ministerie van Landbouw en Visserij ressorterende Staatsbosbeheer en van de onder deze dienst ressorterende consulentschappen, houtvesterijen, commissies en ambtenaren, alsmede van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer en het Rijksinstituut voor Onderzoek in de Bos- en Landschapsbouw ’De Dorschkamp’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, no. PAZ 240 d.d. 9 november 1976 en no. Dir.MMA/Ar 186.335 d.d. 17 november 1976 (gepubliceerd in de Staatscourant nummer 248 van 21 december 1976)). Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd. Bijlage Ligt ter inzage bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij."},{"i":15324,"b":"Vaststelling selectielijst Bureau Architectenregister voor de periode vanaf 1 oktober 1988 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Bureau Architectenregister vanaf 1 oktober 1988 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten afgesloten en/of ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15326,"b":"Vaststelling selectielijst DG Management en Personeelsbeleid Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 november 1995); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het onder de Minister van Binnenlandse Zaken ressorterende Directoraal-Generaal Management en Personeelsbeleid, inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsmanagement, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken voor bescheiden gevormd vanaf 1 januari 1993 hoofdstuk XI, met uitzondering van categorie 8 de ’Vernietigingslijst voor de archieven van het ministerie van Binnenlandse Zaken en onder dat ministerie ressorterende commissies en ambtenaren’ (vastgesteld bij beschikking FAZ/PAZ C61/U138, d.d. 25 januari 1961 en beschikking ON 80163, d.d. 24 maart 1961, laatstelijk gewijzigd 19 mei 1994 bij beschikking 94.443.RWS/EIB, d.d. 22 juni 1994 (gepubliceerd in Staatscourant nummer 115 van 21 juni 1994)). Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":15333,"b":"Vaststelling selectielijst van het Nederlands Instituut voor Lastechniek voor de periode vanaf 21 februari 2002 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Nederlands Instituut voor Lastechniek over de periode 21 februari 2002 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15334,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Kwaliteit van de Nederlandse wetgeving vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 december 2006, arc-2006.03247/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Kwaliteit van de Nederlandse wetgeving over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15335,"b":"Vaststelling selectielijst OCW en BZK Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, nr. arc-2002.4316/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De categorieën 2, 8, 16–18 van hoofdstuk III van de ‘lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in de archieven van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en in de archieven van de onder dat Ministerie ressorterende commissies en ambtenaren’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, nr. ON 80163 d.d. 24-03-1961 en FAZ/PAZ C61/U138 d.d. 25-01-1961) worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de [daarbij behorende selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15337,"b":"Vaststelling selectielijst OCW en Financiën Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, nr. arc-2002.4316/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De hoofdstukken algemeen en organisme (.07) van de ‘lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het Ministerie van Financiën en de daaronder ressorterende colleges, commissies en ambtenaren’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Financiën en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, nr. MMA/AR-6301 II d.d. 20 september 1983 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 1984-48)), laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, nr. R&B/OSA/2001/866 d.d. 30 juli 2001 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 200/201 d.d. 16/17-10-2001)) worden ingetrokken voorzover deze betrekking hebben op het beleidsterrein overheids-informatievoorziening. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met [de daarbij behorende selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13564,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 8 december 2015, nr. IENM/BSK-2015/229436, tot het instellen van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (Instellingsbesluit Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet taken meteorologie en seismologie in werking treedt. Artikel 1 1. Er is een Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut. 2. Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut staat onder leiding van de hoofddirecteur Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut. 3. Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut ressorteert rechtstreeks onder de secretaris-generaal van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Artikel 2 1. Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut adviseert en waarschuwt de samenleving over risico’s van weer, klimaat, seismologie en andere geofysische verschijnselen en doet onderzoek naar die risico’s. 2. Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut is voorts belast met de taken, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=3), en alle daarmee samenhangende activiteiten met betrekking tot meteorologie, seismologie en andere geofysische terreinen. Artikel 3 De hoofddirecteur van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut stelt jaarlijks het strategisch onderzoeksprogramma, bedoeld in [artikel 13, tweede lid, van de Regeling taken meteorologie en seismologie](onbekend), vast, gehoord het advies van de raad van toezicht, genoemd in [artikel 6, tweede lid, van de Wet taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=6). Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet taken meteorologie en seismologie"},{"i":15339,"b":"Vaststelling selectielijst OCW en SZW Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, nr. arc-2002.4316/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken behorende tot de archieven van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, nrs. ON 134762 d.d. 07-03-1967 en KAZ 185111 d.d. 16-01-1967), laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, nr. R&B/OSA/2002/574 d.d. 18-02-02 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 70 d.d. 12-04-2002)) wordt ingetrokken voorzover deze betrekking heeft op het beleidsterrein overheidsinformatievoorziening. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de [daarbij behorende selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15341,"b":"Vaststelling selectielijst OCW en VWS Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, nr. arc-2002.4316/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de [daarbij behorende selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15342,"b":"Vaststelling selectielijst OCW Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, nr. arc-2002.4316/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de [daarbij behorende selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15343,"b":"Vaststelling Selectielijst Stichting Nederlands Fonds voor de Film vanaf 1 januari 2013 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Nederlands Filmfonds over de periode vanaf 1 januari 2013 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst: [Neerslag handelingen Stichting Nederlands Fonds voor de Film op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1956](onbekend), Staatscourant nr. 2004/119, d.d. 25-06-2004, wordt afgesloten vanaf 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Niet opgenomen. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15345,"b":"Vaststelling selectielijsten Centraal Planbureau Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 februari 1998, nr. arc-98.1741/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Centraal Planbureau op het beleidsterrein algemene wetenschappelijke beleidsvoorbereiding vanaf 1945, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlage*. Artikel 2 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":15347,"b":"Vaststelling selectielijsten van de handelingen van de Minister van Economische Zaken (beleidsterrein staatsdeelnemingen en financiering bedrijfsleven) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 oktober 1998, nr. arc-98.2040/2), Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde 'selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein staatsdeelnemingen en financiering van het bedrijfsleven over de periode 1945-1995' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage **Rijksarchiefdienst** **September 2000** Inhoudsopgave 1. Inleiding Het PIVOT-rapport Staatsdeelnemingen vormt de basis voor het voorliggende Basis Selectie Document (BSD). Het BSD bevat de resultaten van het selectieproces. De handelingen die in dit BSD zijn opgenomen werden door de verschillende actoren verricht in de periode 1945-1995. 1.1. Taken van de rijksoverheid betreffende het beleidsinstrument Een nadere uitwerking van de taken is opgenomen in de inleiding van Staatsdeelneming en financiering van het bedrijfsleven. Een institutioneel onderzoek naar de handelingen en taken van de Rijksoverheid op het beleidsinstrument staatsdeelnemingen en financiering van het bedrijfsleven, 1940 - 1995 [samenstelling drs. G. Beks en drs. A.G. de Vries] (Den Haag 1996) PIVOT-rapport nr. 57. De taken van het ministerie van Financiën betreffende het beleidsinstrument financiering van bedrijven en staatsdeelnemingen zijn: - 1. Het leveren van een bijdrage aan de doelstellingen van de Generale Thesaurie; - 2. Het zorgdragen voor de voorbereiding, de bepaling en de (mede) uitvoering van het beleid m.b.t. de financiering van het bed"},{"i":15348,"b":"Vaststelling selectielijsten van de handelingen van de Minister van Financiën (beleidsterrein staatsdeelnemingen en financiering bedrijfsleven) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 oktober 1998, nr. arc-98.2040/2), Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde 'selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein staatsdeelnemingen en financiering van het bedrijfsleven over de periode 1945-1995' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De 'Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het Ministerie van Financiën, onderdeel regeling Bijzondere Financieringen 1971' (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Financiën, nr. CD/A91.402 d.d. 24 juni 1991) en de 'Lijst van de te vernietigen archiefbescheiden van de, onder het Ministerie van Financiën ressorterende, Directie Financieringen, onderdeel (Wet- en regelgeving ten aanzien van) de Nederlandsche Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V.' (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Financiën, nr. CD/A92.830.WH-JK/NF d.d. 21 juli 1992 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 42 d.d. 2 maart 1993)) worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. Basis Selectie Document Staatsdeelnemingen en Financiering van het Bedrijfsleven 1945-1995 **Rijksarchiefdienst** **September 2000** Inhoudsopgave 1. Inleiding 1.1 Taken van de rijksoverheid betreffende het beleidsinstrument 1.2 Uitgangspunten bij de selectie 1.3 Selectiecriteria 2. Vaststelling BSD 3. Overzicht van actoren 4. Selectielijst Inleiding 1 Het PIVOT-"},{"i":15349,"b":"Vaststelling selectielijsten Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 februari 1998, nr. arc-98.1741/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid op het beleidsterrein algemene wetenschappelijke beleidsvoorbereiding vanaf 1972, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":12003,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 april 2008, nr. DDI/ST/reg. 009/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Ambassade in China van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1899) 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade in China van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1899) 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 36 | 2050 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023774&artikel=1&z=2008-04-23&g=2008-04-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023774&artikel=1&z=2008-04-23&g=2008-04-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekeninga van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit zal m"},{"i":13633,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Justitie van 26 januari 2010, nr. (5638955), strekkende tot instelling van de Task Force Vreemdeling in de strafrechtsketen (Instellingsbesluit Task Force VRIS) Besluiten: Artikel 1 Er is een Task Force Vreemdelingen in de strafrechtsketen (VRIS). Artikel 2 De Task Force heeft als doelstelling: Het realiseren van een doeltreffende, integrale aanpak van criminele vreemdelingen en criminele illegalen door een optimale verbinding tussen strafrechtsketen en vreemdelingenketen om specifieke voor vreemdelingen in de strafrechtsketen geldende maatregelen te kunnen toepassen, dan wel in voorkomende gevallen de uitzetting van vreemdelingen te waarborgen; - –. hetzij door middel van een consequente en gegarandeerde toepassing van het VRIS-protocol door alle bij VRIS betrokken instanties; - –. hetzij door middel van een alternatief voor of aanvullingen van het VRIS-protocol. Artikel 3 De Task Force heeft als taken: - –. het signaleren en het oplossen van knelpunten in het VRIS- protocol1Bij de aanpak zal de Task Force gebruik maken van de uitkomsten van het programma Uitzetten/Vastzetten van criminele vreemdelingen/illegalen (april 2009–juli 2011). ; - –. het realiseren van de noodzakelijke verbinding tussen de strafrechtsketen en vreemdelingenketen om een optimaal ketenproces te waarborgen; - –. het voortzetten van de programmatische aanpak om het uitzetten dan wel vastzetten van criminele vreemdelingen te waarborgen; - –. het opstellen van een plan van aanpak waarin, knelpunten, te bereiken doelstellingen, te behalen resultaten, te ondernemen activiteiten en de rol van deelnemende partijen beschreven wordt; - –. het informeren van de Minister en de Staatssecretaris van Justitie over de voortgang van de werkzaamheden van de Task Force. Artikel 4 De Task Force kan, ter verwezenlijking van zijn doel- en taakstellingen, werkgroepen2Werkgroepen, die reeds functioneel zijn in het Programma Uitzetten/Vastzetten van cri"},{"i":11380,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 oktober 2017, nr. PO/1237137, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor tegemoetkoming in de kosten voor de ondersteuning en begeleiding van herintreders in het primair onderwijs (Regeling tegemoetkoming herintreders primair onderwijs) Gelet op [artikel 70 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=70), [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71) en [artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - –. **herintreder:** leraar die zijn loopbaan in het primair onderwijs heeft onderbroken of niet heeft aangevangen; - –. **leraar:** persoon die voldoet aan de bevoegdheidseisen en de bekwaamheidseisen als bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=3) en [32a van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=32a), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=3) en [32a van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=32a) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=3) en [35 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=35), dan wel in het bezit is van een bestaand bewijs van bekwaamheid of bestaand bewijs van bevoegdheden als bedoeld in [artikel XI van Wet op de beroepen in het on"},{"i":12294,"b":"Besluit van 7 juni 2010, nr. 10.001566, houdende gelijkstelling van 6 mei en 3 juni 2011, 18 mei, 24 december en 31 december 2012 en 29 april, 10 mei en 27 december 2013 met een algemeen erkende feestdag Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 27 mei 2010, directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving, directie Juridische en Operationele Aangelegenheden, nr. 5655392/10; Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=3) worden gelijkgesteld 6 mei en 3 juni 2011, 18 mei, 24 december en 31 december 2012 en 29 april, 10 mei en 27 december 2013. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van verschijning van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12711,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 augustus 2025, kenmerk 4153667-1085452-PG, houdende vaststelling van de beleidsregels voor het subsidiëren van de Coöperatie Landelijk Bureau Prenatale Screening en de Regionale Centra voor Prenatale Screening (Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Regionale Centra voor Prenatale Screening 2026–2027) [KetenID WGK027914] Gelet op [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1 De beleidsregels voor het subsidiëren van Regionale Centra voor Prenatale Screening worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 en vervalt met ingang van 1 januari 2028. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Regionale Centra voor Prenatale Screening 2026–2027. Bijlage. bij het Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Regionale Centra voor Prenatale Screening 2026–2027 Voorwoord Deze beleidsregels beschrijven de mogelijkheden voor het verstrekken van subsidies aan de Coöporatie Landelijk Bureau Prenatale Screening (hierna: CLBPS) en de zeven Regionale Centra voor Prenatale Screening (hierna: Regionale Centra). De Regionale Centra: De CLBPS is per 1 januari 2018 opgericht met het doel om de Regionale Centra te ondersteunen bij de uitvoering van hun taken en een uniforme werkwijze door de Regionale Centra te bevorderen. Zo voert de CLBPS bijvoorbeeld het landelijk beheer van Peridos (zie 1.2 onder kwaliteitsborging en screening) en bereidt de audits van de Regionale Centra voor. De CLPBS is een aparte juridische entiteit die een eigen subsidiestroom kent. In aanvulling op de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) (hierna: de Kaderregeling) bevatten deze beleidsregels de criteria waaraan voldaan moet worden om in aanmerking"},{"i":12154,"b":"Besluit van 16 december 2021, no. 2021002486, houdende departementale herindeling met betrekking tot de doorvaart en medegebruik van windparken op de Noordzee Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 13 december 2021, kenmerk 3757484; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt belast met de behartiging van aangelegenheden met betrekking tot de doorvaart en medegebruik van windparken op de Noordzee voor zover deze voor 1 januari 2022 waren opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046138&artikel=1&z=2022-01-01&g=2022-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046138&artikel=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de ministeries."},{"i":15355,"b":"Vaststelling vergoedingen voorzitter en leden Staatscommissie Dualisme en lokale democratie Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=3) en [5 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De leden van het presidium van de Staatscommissie Dualisme en lokale democratie, met uitzondering van de voorzitter en het lid dat tevens lid van de Raad van State is, ontvangen een vaste vergoeding. De salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,2. Artikel 2 De overige leden van de Staatscommissie Dualisme en lokale democratie, met uitzondering van de voorzitter en met inbegrip van het lid dat tevens lid van de Raad van State is, ontvangen een vergoeding per vergadering van f 420,-. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 1998."},{"i":15356,"b":"Vaststelling werkzaamheden bureau beheer landbouwgronden Gelet op [artikel 29, eerste lid, van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=29) (Stb. 1981, 248); Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt onder [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386) de [Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386) (Stb. 1981, 248) verstaan. Artikel 2 Het bureau verricht de volgende werkzaamheden alsmede werkzaamheden die daarmee verband houden: - a. het verkrijgen, tijdelijk beheren en vervreemden van onroerende zaken gelegen binnen de grenzen van het in te richten gebied, zoals deze zijn vastgesteld in het landinrichtingsplan of het aanpassingsplan, bedoeld in respectievelijk [artikel 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003793&artikel=73) en [artikel 107 van de Landinrichtingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003793&artikel=107), dan wel het inrichtingsplan, bedoeld in [artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020748&artikel=17); - b. het verkrijgen, tijdelijk beheren en vervreemden van onroerende zaken gelegen in een gebied waarin een ruilverkaveling bij overeenkomst als bedoeld in [artikel 17 van de Landinrichtingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=17) dan wel [artikel 85 van de Wet inrichting landelijk gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020748&artikel=85) in voorbereiding of in uitvoering is, voor zover dat gebied door de commissie beheer landbouwgronden als aankoopgebied van het bureau is aangewezen; - c. het verkrijgen, tijdelijk beheren en vervreemden van onroerende zaken gelegen in het gebied Midden-Delfland, bedoeld in [artikel 1 van de Reconstructiewet Midden-Delfland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003094&artikel=1); - d. het verkrijgen, tijdelijk beheren en vervreemden van onroerende zaken gelegen in de gebieden Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën,"},{"i":12231,"b":"Besluit van 23 juni 1959, houdende uitvoering van artikel 4, eerste lid, onder a, van de Instellingswet Productschap voor Gedistilleerde Dranken Op de voordracht van de Staatssecretaris van Algemene Zaken en van Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw en Visserij van 16 juni 1959, no. 2475, afdeling Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie; Overwegende, dat het wenselijk is op een daartoe strekkend verzoek aan het produktschap voor gedistilleerde dranken de bevoegdheid tot enige prijsregeling te verlenen; Gelet op artikel 4, eerste lid, onder **a**, van de [Instellingswet Productschap voor Gedistilleerde Dranken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002151) (**Stb.** 1954, 450); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onder aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder **a**, van de [Instellingswet Productschap voor Gedistilleerde Dranken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002151) (**Stb.** 1954, 450), zijn begrepen de prijzen, waartegen gedistilleerde dranken aan buitenlandse afnemers tenminste moeten worden afgezet. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1959. Onze Ministers van Algemene Zaken, van Economische Zaken en van Landbouw en Visserij zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":15357,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 21 december 2005, nr. DJZ/BR/1308-2005, tot vaststelling van beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Beleidsregels Medefinancieringsstelsel) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en de [artikelen 4.1 tot en met 4.16 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=4.1); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [Afdeling 4, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=4)(Medefinancieringsstelsel) voor de periode 2007 tot en met 2010 gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Bijlage Ligt ter inzage bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlage bij dit besluit zal worden bekendgemaakt door terinzagelegging bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en door plaatsing op internet (www.minbuza.nl)."},{"i":15358,"b":"Besluit van 8 juni 2004, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaars van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2004 worden uitgegeven naar aanleiding van het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 2 juni 2004, FM 2004-00661 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen en Internationaal; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2004/118. Artikel 1 1. De beeldenaars van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2004 worden uitgegeven naar aanleiding van het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie, zijn op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: Onze beeltenis en onder elkaar de woorden «**Beatrix**» en «**Koningin der Nederlanden**». Vijf-euromunt: Tien-euromunt: 2. De beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt is op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden de waardeaanduiding «5 euro» met het jaartal 2004 onder de letters «eu» en in drie concentrische cirkels van buiten naar binnen de randschriften, midden bovenin beginnend, «**Zweden Finland Estland Letland Cyprus Griekenland Malta Portugal Ierland**, het Europees muntteken, het teken van de Munt en het teken van de muntmeester», «**Denemarken Litouwen Hongarije Slovenië Italië Spanje Verenigd Koninkrijk****Nederland**» en «**Duitsland Polen Tsjechië Slowakije Oostenrijk Frankrijk Luxemburg België».** 3. De beeldenaar van de gouden tien-euromunt is op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: als randschrift midden bovenin beginnend «**D DK S FIN EST LV LT PL CZ SK H SLO CY GR A I M P E F IRL GB L B Nederland**» en in het midden onder elkaar: «het Europees muntteken, het teken van de Munt en het teken van de muntmeester», «het jaartal 2004», «het getal 10» en «het woor"},{"i":15359,"b":"Besluit van 25 november 2013 houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaars van de nationale zijde van Nederlandse euromunten met de beeltenis van Koning Willem-Alexander Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 18 november 2013, FM/2013/2013 M, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2013/34333. Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de nationale zijde van de Nederlandse muntstukken van twee-euro en één-euro zijn, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen, in de kern binnen de ring met twaalf sterren, Onze beeltenis met aan de rechterkant drie verticale lijnen met van rechts naar links gelezen tussen de eerste en tweede lijn het teken van de Muntmeester, het jaartal van aanmaak en het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt, tussen de tweede en de derde lijn de tekst «Willem-Alexander» en na de derde lijn de tekst «Koning der Nederlanden»: muntstuk van twee-euro: ; muntstuk van één-euro: . 2. De bestanddelen van de beeldenaar van de nationale zijde van de Nederlandse muntstukken van vijftig-eurocent, twintig-eurocent, tien-eurocent, vijf-eurocent, twee-eurocent en één-eurocent zijn, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen, omringd door twaalf sterren, Onze beeltenis met daar overheen van links naar rechts gescheiden door een verticale lijn van onder naar boven gelezen het teken van de Muntmeester, de tekst «Willem-Alexander», het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt en van boven naar onder gelezen de tekst «Koning der Nederlanden», met links onder Onze beeltenis het jaartal van aanmaak: muntstukken van vijftig-eurocent en tien-eurocent: ; muntstuk van twintig-eurocent: ; muntstukken van vijf-eurocent, twee-eurocent en één-eurocent: . 3. De twee-euromunt draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met i"},{"i":15360,"b":"Besluit van 6 december 2001, houdende de vaststelling van de bestanddelen van de nationale zijde van de Nederlandse euromunten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 3 december 2001, FM 2001-01947 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen beleid en Integriteit; Gelet op [artikel 3 van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het moment dat de Muntwet 2002 in werking treedt. Artikel 1 De beeldenaar van de muntstukken van twee euro en één euro is op de Nederlandse nationale zijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: aan de linkerkant in de kern Onze beeltenis en in de ring twaalf sterren; aan de rechterkant in drie verticale regels «BEATRIX» «KONINGIN DER» «NEDERLANDEN» iedere regel onderstreept, tussen de drie onderstrepingen aan de onderzijde in de ring het teken van de Muntmeester en het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt en onder Onze naam horizontaal het jaartal van aanmaak. Artikel 2 Het randschrift van het muntstuk van twee euro is GOD * ZIJ * MET * ONS *. Artikel 3 De beeldenaar van de muntstukken van 50 eurocent, 20 eurocent, 10 eurocent, 5 eurocent, 2 eurocent en 1 eurocent is op de Nederlandse nationale zijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden in een bespikkeld veld omsloten door 12 sterren Onze beeltenis, aan de rand beginnend links van het midden «BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN», het teken van de Koninklijke Nederlandse Munt, het jaartal van aanmaak en het teken van de Muntmeester. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de [Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064) in werking treedt. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13831,"b":"Mediawet BES § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **Commissariaat**: Commissariaat voor de Media, genoemd in [artikel 7.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.1); **omroepdienst**: dienst die betrekking heeft op het verzorgen van programma-aanbod dat op basis van een chronologisch schema dat is vastgesteld door de verzorger die redactioneel verantwoordelijk is voor het programma-aanbod door middel van uitzending langs radio-elektronische weg wordt verspreid voor gelijktijdige ontvangst door het algemene publiek of een deel daarvan; **omroepinstelling**: privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid of natuurlijke persoon die een omroepdienst verzorgt; **Onze Minister**: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; **politieke partij:**vereniging waarvan de aanduiding op grond van [artikel G 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=G_1), [G 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=G_3), [Q 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Q_6), [Y 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Y_10) of [Ya 48 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ya_48) is geregistreerd in het register van aanduidingen voor de verkiezing van leden van de Tweede Kamer, de Eerste Kamer, het Europees Parlement of de eilandsraad; **programma**: elektronisch product met beeld- of geluidsinhoud dat duidelijk afgebakend is en als zodanig herkenbaar onder een afzonderlijke titel via een omroepdienst wordt verspreid; **programma-aanbod**: geheel van programma’s inclusief elektronische producten met beeld- of geluidsinhoud tussen de programma’s, dat wordt verspreid via een omroepdienst; **radio-omroep**: omroepdienst die betrekking heeft op radioprogramma-aanbod; **radioprogramma**: programma met uitsluitend geluidsinhoud; **reclameboodschap**: uiting in w"},{"i":13822,"b":"Mandateringsregeling zelfbeheer Volkel Overwegende dat de vliegbasis Volkel als experimenteel project is aangewezen in het kader van zelfbeheer en dat in verband daarmee bevoegdheden op o.a. het gebied van personeelsbeheer moeten worden gemandateerd; Besluit: Artikel 1 P. M. Artikel 2 De commandant is namens de minister bevoegd te bepalen dat een geschorste militair dan wel een dienstplichtige aan wie een dienstverbod is opgelegd geen aanspraak heeft op zijn volledige bezoldiging. Artikel 3 De commandant is namens de minister bevoegd aan beroeps- en dienstplichtige militairen die uit hoofde van hun functie dienst moeten verrichten in burgerkleding, een tegemoetkoming daarvoor te verlenen. Artikel 4 De commandant is namens de minister bevoegd aan beroeps- en dienstplichtige militairen die een dienstreis moeten ondernemen naar een gebied, waar tijdens het verblijf polaire koude of tropische hitte heerst, een tegemoetkoming te verlenen in de aanschaffingskosten van noodzakelijke burgerkleding. Artikel 5 De commandant is namens de minister bevoegd tot het toekennen van schadevergoeding aan beroeps- en dienstplichtige militairen, aan wie verlof was verleend, hetwelk zij al al dan niet reeds genieten, en die geldelijke schade lijden als gevolg van het geheel dan wel gedeeltelijk intrekken van dat verlof, voor zover zij die redelijkerwijs niet hebben kunnen voorkomen. Artikel 6 De commandant is namens de minister bevoegd om de tijd waarvoor een aanstelling bij het beroepspersoneel voor bepaalde tijd is geschied, te bekorten met ten hoogste zes maanden indien een militair een zwaarwegend persoonlijk belang kan aantonen. Artikel 7 De commandant kan bepalen dat een beoordeling wordt opgemaakt indien het functioneren van een beroepsmilitair daartoe aanleiding geeft dan wel indien een militair op grond van een bijzonder belang om een beoordeling verzoekt. Artikel 8 De commandant is namens de minister bevoegd om de aanstelling BBT van militairen uit nader door de minister aan te"},{"i":13797,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 8 oktober 2020 , nr. IENW/BSK-2020/186487, houdende regels in verband met verdere flexibilisering van de loodsplicht (Loodsplichtregeling 2021) Gelet op [artikel 14a Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=14a) en de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=1), [2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=3), [4, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=4), [5, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=5), [8, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=8), [14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=14), [18, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=18), [19, vierde en vijfde lid, van het Loodsplichtbesluit 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044209&artikel=19); BESLUIT: Treedt voor de zeehavengebieden Delfzijl-Eemshaven, Den Helder-Harlingen-Terschelling, Amsterdam-IJmond, Rotterdam-Rijnmond-Zuid-Holland-achterland en Scheveningen in werking met ingang van 1 januari 2021. Treedt voor het zeehavengebied Scheldemonden, voor zover hoofdstuk III van het Scheldereglement daarop niet van toepassing is, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop de wijziging van de Scheepvaartverkeerswet en enige andere wetten in verband met verdere flexibilisering van de loodsplicht en het Loodsplichtbesluit 2021 in werking treedt voor het zeehavengebied Scheldemonden, voor zover hoofdstuk III van het Scheldereglement daarop niet van toepassing is. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Definities Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **algemene PEC:** PEC A, -B, -C of –D; - –. **besluit:** [Loodsplichtbesluit 2021](https://wetten.overhei"},{"i":15364,"b":"Besluit van 26 april 1985, houdende de vaststelling van een onderscheidingsvlag voor Zijne Koninklijke Hoogheid Willem-Alexander en zijn broeders Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Defensie van 24 april 1985, nr. 355322; Overwegende dat het wenselijk is een onderscheidingsvlag vast te stellen voor Onze geliefde zoon, Zijne Koninklijke Hoogheid Willem-Alexander, Prins van Oranje, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Jonkheer van Amsberg, en voor zijn broeders, zodra deze de leeftijd van achttien jaren bereikt hebben; De Hoge Raad van Adel gehoord; Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel De door Zijne Koninklijke Hoogheid Willem-Alexander, Prins van Oranje, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Jonkheer van Amsberg, en zijn broeders te voeren vlag, waarvan hoogte en lengte zich verhouden als 5 : 6, is van oranje kleur; op het midden een (Nassaus) blauw kruis ter breedte van 1/5 van de hoogte van de vlag; op het midden van het kruis een oranje medaillon met een middellijn van 3/14 van de lengte van de vlag, waarop Ons wapen, zoals vastgesteld bij Koninklijk besluit van 23 april 1980, no. 3 (**Stb.** 206), zijnde het schild gedekt met de Koninklijke kroon, het goud vervangen door geel en het zilver door wit; op het eerste en derde kwartier een blauwe jachthoorn met rode opening, monding en snoer en wit beslag (Oranje); op het tweede en vierde kwartier een gekanteelde witte burcht (Amsberg). Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Defensie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad**, in de **Nederlandse Staatscourant** en in het **Publikatieblad van de Nederlandse Antillen** zal worden geplaatst."},{"i":15367,"b":"Besluit van 16 maart 2006, nr. 06.000755, houdende vaststelling van een selectielijst van de Nationale Ombudsman op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 16 februari 2006, nr. C/S&A/05/2142, gedaan in overeenstemming met de Nationale Ombudsman; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Gezien het advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/2 en arc-2003.6517/2; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de handelingen van de Nationale Ombudsman op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst voor de handelingen van de Nationale Ombudsman op het beleidsterrein Cultuurbeheer in de periode 1945–2000 I. Toelichting behorend bij de selectielijst voor de handelingen van de Nationale Ombudsman op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000 **1. Lijst van gebruikte afkortingen** Amvb: Algemene maatregel van bestuur Art: artikel EU: Europese Unie EEG: Europese Economische Gemeenschap EG: Europese Gemeenschap ICN: Instituut Collectie Nederland ICOM: International Council of Museums Kb: Koninklijk besluit NMV: Nederlandse Museumvereniging Nr: nummer Pb: Publicatieblad RAD: Rijksarchiefdienst RBK: Rijksdienst Beeldende Kunst Stb: Staatsblad Stcrt: Staatscourant WO-II: Tweede Wereldoorlog **2. Beschrijving beleidsterrein cultuurbeheer** Het beleidsterrein cultuurbeheer beslaat het beleid ten aanzien van de roerende zaken die deel uitmaken van het culturele erfgoed in Nederland. Hierbij gaat het om de museale collecties en de archieven. Het culturele erfgoed valt te onderscheiden"},{"i":12699,"b":"Besluit van 8 maart 2006, houdende de vaststelling van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die worden uitgegeven ter gelegenheid van de viering van 400 jaar Nederland-Australië Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 2 maart 2006, FM 2006-0490 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen en internationaal; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2006/59. Artikel 1 1. De beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2006 worden uitgegeven ter gelegenheid van de viering van 400 jaar Nederland–Australië is: a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: tegen een matte achtergrond van globelijnen in het midden Onze beeltenis met daarbinnen de tekst «BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN»; b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: tegen een matte achtergrond van globelijnen iets onder het midden het werelddeel Australië met daarbinnen de tekst «AUSTRALIË», direct boven Australië het teken van de Muntmeester « », in de bovenste helft in het midden de waardeaanduiding «5 €» onderscheidenlijk «10 €» en in het midden van het eerste kwartier het teken van de Munt « »; 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12113,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 8 april 2020, nr. 19886682, tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van de collectie Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden 1940–1945, collectienummer 88 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, en lid 4, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gezien het advies van de algemene rijksarchivaris van 1 april 2020, nr. 21938228; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de collectie Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden, (1900) 1940 – 1945, collectienummer 88: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de archiefbescheiden van de collectie Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden geborgen in de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 185 | 2025 | | 252 | 2044 | | 254 | 2045 | | 257 | 2045 | | 260 | 2024 | | 415 | 2025 | | 418–436 | 2025 | | 459–460 | 2025 | | 467 | 2044 | | 492 | 2025 | | 521 | 2025 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers 185, 260, 415, 418–436, 459–460, 492, 521 genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043428&artikel=1&z=2020-04-29&g=2020-04-29), tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers 252, 254, 257, 467 genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043428&artikel=1&z=2020-04-29&g=2020-04-29), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchi"},{"i":14082,"b":"Regeling beheer en vervreemding in landinrichtingsgebieden in uitvoering Gelet op [artikel 29, derde lid, van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=29) (Stb. 1981, 248); Gehoord de Centrale Landinrichtingscommissie en de Commissie Beheer Landbouwgronden; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Het materieel beheer dient zodanig te worden gevoerd dat: - a. het land niet met persoonlijke of zakelijke rechten wordt belast die een zo spoedig mogelijke vervreemding ten behoeve van de gewenste bestemming kunnen bemoeilijken of vertragen; - b. wordt zorggedragen voor een regelmatige wisseling van degenen aan wie het land in gebruik wordt gegeven. 2. Voor ingebruikneming van land dat in materieel beheer bij het bureau is, kunnen gegadigden zich door middel van een inschrijving bij het bureau melden. 3. Bij het in gebruik geven van het land wordt een vergoeding gevraagd ter grootte van de hoogst toelaatbare pachtprijs. Artikel 3 1. Voor landinrichtingsgebieden in uitvoering voert het bureau het materieel beheer gedurende het tijdvak dat begint op de datum van verwerving van het land en eindigt met ingang van het kalenderjaar volgende op het jaar waarin het plan van toedeling van het betreffende blok ter visie is gelegd. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid voert: - a. het bureau het materieel beheer tot aan de datum waarop de akte van toedeling in de openbare registers wordt overgeschreven ten aanzien van land en de daarop aanwezige opstallen: - welke worden aangewend voor niet agrarisch gebruik, voor zover niet opgenomen in het landinrichtingsplan dan wel het aanpassingsplan; - welke gelegen zijn binnen als zodanig aangewezen reservaatsgebieden; - welke worden aangewend voor uitgifte in erfpacht; - b. de landinrichtingscommissie gedurende het tijdvak dat begint met het kalenderjaar volgende op het jaar waarin het landinrichtingsplan of een gedeelte daarvan dan wel het aanpassingspl"},{"i":12324,"b":"Besluit van 13 september 2006 tot heroprichting van het Regiment Infanterie Oranje Gelderland Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 5 september 2006, nr. C/2006029146, directie juridische zaken, sector wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Regiment Infanterie Oranje Gelderland wordt heropgericht en maakt wederom deel uit van de Koninklijke landmacht. Artikel 2 Het vaandel van het Regiment Infanterie Oranje Gelderland, dat ingevolge het [koninklijk besluit van 29 juli 1994 tot opheffing van 4 regimenten infanterie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006848) (Stb. 618) werd ingenomen, wordt wederom ter beschikking gesteld aan het Regiment Infanterie Oranje Gelderland. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 14 september 2006. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst wordt uitgegeven na 13 september 2006, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 14 september 2006. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":11811,"b":"Beleidsregel Uitstel jaarverantwoording Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (Awb), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot een haar toekomende of onder haar verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheid. De NZa houdt op grond van [artikel 16, sub e, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) (hierna: Wmg) toezicht op de naleving van [artikel 40b van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40b). Artikel 40b van de Wmg voorziet in de verplichting voor een zorgaanbieder om zich jaarlijks te verantwoorden door het openbaar maken van een jaarverantwoording. De NZa heeft een wettelijke bevoegdheid om uitstel te verlenen voor het tijdstip van openbaren van de jaarverantwoording op grond van [artikel 12a, derde lid, van de Regeling openbare jaarverantwoording WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045649&artikel=12a). Deze bevoegdheid is op grond van [artikel 13b van de Regeling openbare jaarverantwoording WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045649&artikel=13b) mede van toepassing verklaard voor het tijdstip van overleggen van het niet openbaar gemaakte deel van de jaarverantwoording aan het CIBG. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **boekjaar:** het kalenderjaar waarop de jaarverantwoording betrekking heeft, als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling openbare jaarverantwoording WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045649&artikel=1); - **CIBG:** uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van VWS; - **combinatie-instelling:** zorgaanbieder die tevens - 1). jeugdhulpaanbieder als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel 1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1) of gecertificeerde instelling is; of - 2). Veilig Thuis-organisatie als bedoeld in d"},{"i":15369,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst handelingen Minister van Buitenlandse Zaken beleidsterrein Staatsschuld over de periode 1945–2003 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 februari 2005, nr. arc-2004.01843/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Staatsschuld over de periode 1945–2003](onbekend)’. en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12271,"b":"Besluit gedifferentieerde premie Whk 2025 Gelet op [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) (Wfsv) en [artikel 2.10 lid 3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=2.10); Besluit: Artikel 1 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie op grond [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2025 worden voor alle takken van bedrijf en beroep de navolgende algemeen geldende parameters vastgesteld: | Gemiddelde premieplichtig loon | € 39.600 | | --- | --- | | Grens kleine/middelgrote werkgever | € 990.000 | | Grens middelgrote/grote werkgever | € 3.960.000 | Artikel 2 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2025 worden voor de premiecomponent WGA voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,83% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 3,32% | | Minimumpremie werkgevers | 0,20% | | Gemiddelde werkgeversrisicopercentage | 0,62% | | Correctiefactor werkgeversrisico | 1,01 | | Correctiefactoren bij onvolledige periode werkgever | | | 1 jaar bekend | 5,00 | | 2 jaar bekend | 2,50 | | 3 jaar bekend | 1,66 | | 4 jaar bekend | 1,25 | | Sectorale premies | Bijlage | Artikel 3 Voor de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas op grond van [artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=38) over het jaar 2025 worden voor de premiecomponent ZW voor alle takken van bedrijf en beroep de volgende premies en parameters vastgesteld: | Gemiddelde percentage | 0,50% | | --- | --- | | Maximumpremie werkgevers | 2,00% | | Minimumpremie werkgevers | 0,12% | |"},{"i":13369,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2021, versie 1.0 (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 28 oktober 2020 krachtens [artikel 15 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15), goedgekeurd bij besluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 20 november 2020). Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De Raad stelt dan ook als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de Wrb dat een verzoek om inschrijving bij de Raad eerst volledig is behandeld en is ingewilligd. Het bestuur van de Raad kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden. Deze inschrijvingsvoorwaarden van de Raad zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar advocaten die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. Er bestaan algemene voorwaarden die voor alle ingeschreven advocaten gelden en bijzondere voorschriften voor rechtsbijstand op specifieke rechtsgebieden. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft Gedragsregels1Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten. en verordeningen vastgesteld waarnaar advocaten zich behoren te richten. De deken in een arrondissement is belast met het toezicht op advocaten die kantoor houden in dat arrondissem"},{"i":11950,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 oktober 2022, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Cuba, Ambassade Havanna (1966) 1990-2010 (2013), Besluit Beperking Openbaarheid, Havanna 1990-2010 (2013) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 3 oktober 2022, referentie 34051431; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 4 | 2041 | | 34 | 2081 | | 128 | 2072 | | 131 | 2083 | | 133 | 2089 | | 135 | 2086 | | 137 | 2085 | | 147 | 2071 | | 149 | 2066 | | 150 | 2077 | | 151 | 2057 | | 153 | 2045 | | 154 | 2074 | | 155 | 2049 | | 157 | 2092 | | 158 | 2075 | | 165 | 2072 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 122 | 2059 | | 123 | 2060 | | 124 | 2061 | | 126 | 2060 | | 164 | 2054 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047312&artikel=1&z=2022-10-19&g=2022-10-19), is, tot openbaring, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toe"},{"i":15371,"b":"Besluit van 12 november 1999 tot vaststelling van de selectielijst Nationale ombudsman 1982-1997 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, dr. F. van der Ploeg, van 8 november 1999, nr. WJZ/1999/43073(8095), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Gezien het advies van de Raad voor cultuur van 24 juni 1998, nr. arc-98.1648/3; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het bij dit besluit gevoegde \"Basisselectiedocument Nationale ombudsman 1982 - 1997\" en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Inhoudsopgave **I. Toelichting behorend bij basisselectiedocument Nationale ombudsman 1982 - 1997** **II. Basisselectiedocument Nationale ombudsman 1982 - 1997** I. Toelichting behorend bij basisselectiedocument Nationale ombudsman 1982 ‐ 1997 1. Inleiding 2. Het terrein van de Nationale ombudsman 3. De actoren Een uitgebreid overzicht van de (categorieën) actoren die een rol spelen op het terrein van de Nationale ombudsman, voorzien van de nodige toelichting, is te vinden in hoofdstuk 1 van het RIO. Hieronder passeren de meest belangrijke (categorieën) overheidsactoren de revue, waarbij wordt aangegeven of en in hoeverre van deze actoren handelingen zijn opgenomen in RIO en BSD. 4. De selectie 5. Gebruiksaanwijzingen voor de lijst II. Basisselectiedocument Nationale ombudsman 1982-1997 A. overzicht toepassing selectiecriteria B. Lijst van gewaardeerde handelingen (actor Nationale ombudsman) C. Lijst van voorlopig gewaardeerde handelingen Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":14235,"b":"Regeling houdende regels met betrekking tot de erkenning van EG-beroepskwalificaties voor de zeevisserij (Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties zeevisserij) Gelet op richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255) en [artikel 33, eerste en tweede lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: derde land: een andere staat dan Zwitserland, een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die behoort tot de Europese Economische Ruimte; Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu; wet: [Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066). Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op een aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot de uitoefening van de gereglementeerde beroepen, genoemd in [artikel 23, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=23). Artikel 3 1. Een aanvraag tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5) wordt ingediend bij de Minister. 2. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager: - a. de documenten, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=13), en - b. een geldige geneeskundige verklaring als bedoeld in [artikel 31, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050681&artikel=31). Artikel 4 1. De aanvrager maakt zijn keuze voor een proeve van bekwaamheid of een aanpassingsstage binnen een daartoe door de Minister gestelde termijn kenbaar. 2. Indien de aanvrager een opleidingstitel afkoms"},{"i":15372,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 22 februari 1999, nr. arc-98.2214/2); Besluit: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding op het beleidsterrein ’brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing’ over de periode vanaf 1995, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":15373,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en rechtsvoorganger vanaf 1 april 1950 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en rechtsvoorganger vanaf 1 april 1950 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst: - −. Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek op het beleidsterrein Wetenschap, periode 1945–1999 gepubliceerd in de Staatscourant nr. 103 d.d. 4 juni 2002 wordt ingetrokken voor de Nederlandse organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO) en voor de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15374,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Akkerbouwproductschappen beleidsterrein Publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties periode 1956–2002 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 november 2004, nr. arc-2004.01692/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Akkerbouwproductschappen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties over de periode vanaf 1956–2002’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. Wie zaait, die oogst 1. Afkortingen en begrippen AA: Productschap voor Aardappelen AB95: [Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748) Actor: overheidsorgaan dat een rol speelt op het beleidsterrein AID: Algemene Inspectiedienst (LNV) Akk: Akkerbouwproductschappen AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur art.: artikel AW95: [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) Awb: [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) B: de selectiebeslissing ‘(blijvend) te bewaren’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van de gewaardeerde handeling. BSD: Basisselectiedocument CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek CW: Commissie voor Wijn GZP: Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten Handeling: complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. HPA: Hoofdproductschap Akkerbouw LNV: (Ministerie van) Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Lzz: Productschap voor Landbouwzaaizaden MARS: Mineralen-Aanvoer-Registratie-Systeem MiAR: Mineralen-Aanvoer-Regi"},{"i":17375,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 november 2007, nr. DLZ-KZ-2802433, houdende subsidiëring van palliatieve terminale zorg (Regeling palliatieve terminale zorg) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **betaalde coördinatie:** het tegen betaling coördineren van de inzet van vrijwilligers die palliatieve terminale zorg in de thuissituatie verlenen; - –. **bijna-thuis-huis:** organisatorisch verband dat strekt tot de verlening van palliatieve terminale zorg door vrijwilligers; - –. **cliënt:** persoon die palliatieve terminale zorg door vrijwilligers ontvangt; - –. **dienst van algemeen economisch belang:** een dienst als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - –. **geestelijke verzorging thuis:** professionele begeleiding, hulpverlening en advisering bij zingeving en levensbeschouwing in de thuissituatie; - –. **high care hospice:** organisatorisch verband dat strekt tot de verlening van palliatieve terminale zorg door vrijwilligers en waar minimaal één verpleegkundige in vaste dienst is; - –. **instelling:** een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld; - –. **instellingssubsidie:** een op grond van deze regeling per boekjaar verstrekte subsidie in de kosten van structurele activiteiten van een instelling; - –. **kind:** persoon die: - 1°. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, - 2°. de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie de inzet van geestelijk verzorgers en verlies- en rouwbegeleiders was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar; - –. **minister:** de minister voor Langdurige Zorg en Sport; - –. **netwerk inte"},{"i":18681,"b":"Aanwijzingsbesluit Wet Markt en Overheid, Ministerie van Veiligheid en Justitie Gelet op [artikel 25h, zesde lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25h), [artikel 1, onder a, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=1)en de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=1), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=3) en [9 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=9); BESLUIT: Artikel 1 De volgende economische activiteiten aan te wijzen als economische activiteiten die plaatsvinden in het algemeen belang als bedoeld in [artikel 25h, vijfde lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25h): - a. het tijdelijk ter beschikking stellen van vastgoed c.q. opvangplaatsen in de Bijlmerbajes door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers ten behoeve van het (doen) realiseren en exploiteren van een pop-up-hotel; - b. economische activiteiten welke direct verband houden met de activiteit als bedoel onder sub a; Artikel 2 Dit besluit treedt in werking de dag na bekendmaking in de Staatscourant. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant gepubliceerd."},{"i":18442,"b":"Regeling uniformkleding en onderscheidingstekenen rijksbrandweerpersoneel Gelet op [artikel 65, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=65) Besluit: Artikel 1 In deze ministeriële regeling wordt verstaan onder de ambtenaar: degene, die is aangesteld in één van de rangen, bedoeld in [artikel 2, eerste en derde lid, van het Besluit brandweerpersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005073&artikel=2) en werkzaam is bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Artikel 2 De ambtenaar is verplicht in voorkomende gevallen: - a. de uniformkleding, bedoeld in de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage 1, te dragen: - b. het bij zijn rang behorende onderscheidingsteken, bedoeld in de bij deze ministeriële regeling behorende bijlage 2, te dragen. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uniformkleding en onderscheidingstekenen rijksbrandweerpersoneel. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant."},{"i":18925,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 november 2024 nr. BOACAT2024/115, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Schiphol Group Gelezen het verzoek van Schiphol Group van 13 november 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050429&artikel=2&z=2024-11-23&g=2024-11-23). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van authority officer landside in dienst van Schiphol Group zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de f"},{"i":17653,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 oktober 2024, kenmerk 3988554-1073643-PZo, houdende nadere regels ter uitvoering van de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg en het besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg met betrekking tot de uitvoering van artikel 2.1 van de wet en artikel 2.3 van het besluit (Uitvoeringsregeling Waarschuwingsregister zorgfraude) Gelet op [artikel 2.1 van de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048601&artikel=2.1) en [artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049565&artikel=2.3); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg in werking treedt. Artikel 1 Het protocol, bedoeld in [artikel 2.1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048601&artikel=2.1) wordt vastgesteld als opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 De beveiliging van de gegevens, die de colleges en de ziektekostenverzekeraars op grond van [artikel 2.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048601&artikel=2.1) verwerken, voldoet aan de laatst gepubliceerde versie van de Baseline Informatiebeveiliging overheid, standaard basisveiligheidsniveau 2 of daaraan gelijkwaardige normen. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048601) in werking treedt. Bijlage. bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050337&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) van de Uitvoeringsregeling Waarschuwingsregister zorgfraude Protocol Waarschuwingsregister zorgfraude 1. Definities 2. Algemeen 3. Gerechtvaardigde overtuiging van fraude in de zorg 3.1. Het vaststellen van een gerechtvaardigde overtuiging van fraude in de zorg 3.2. Toetsing opname in Waarschuwingsregister 3.3. Het voorleggen aan de toezichthouder 4. Registratie in"},{"i":18865,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 16 maart 2022 nr. BOACAT2022/014, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit Gelezen het verzoek van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van 8 februari 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046465&artikel=2&z=2022-04-01&g=2022-04-01). Artikel 2 De personen, die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast en in dienst zijn van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt: - a. voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken; - b. voor de vis"},{"i":17569,"b":"Statutenwijziging 2022 Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie Statuten. Begripsbepalingen. Artikel 1 In de statuten wordt verstaan onder: Naam en zetel. Artikel 2 2.1. De stichting draagt de naam: Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie. 2.2. Zij heeft haar zetel in de gemeente Utrecht. Doel en middelen. Artikel 3 3.1. De stichting heeft ten doel het stimuleren van cultuurparticipatie, opdat iedereen in Nederland, te beginnen bij jongeren, actief in aanraking komt met ten minste een cultuurdiscipline. 3.2. De stichting richt zich op het ontwikkelen, stimuleren, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden of bevorderen van uitingen op het gebied van cultuureducatie en cultuurparticipatie. 3.3. De stichting tracht dit doel te bereiken door het verstrekken van bijdragen ten behoeve van onderzoek, studie, presentaties, uitvoering of anderszins aan individuen, instellingen, gemeenten en/of provincies op het gebied van cultuureducatie en/of cultuurparticipatie. 3.4. De stichting beoogt niet het maken van winst met het totaal van haar activiteiten die erop gericht zijn om haar doelstelling te verwezenlijken of te bevorderen. 3.5. De stichting zal alle op de stichting van toepassing zijnde governance codes en gedragscodes toepassen. Vermogen. Artikel 4 4.1. Het vermogen van de stichting wordt gevormd door: 4.2. De stichting houdt niet meer vermogen aan dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van haar doelstelling. 4.3. Onder vermogen dat nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.2 wordt begrepen: 4.4. De stichting mag ter financiering van haar doelstelling werkzaamheden verrichten of diensten verlenen tegen commerciële tarieven met het oogmerk hiermee, ter financiering van de activiteiten die erop gericht zijn om haar doelstelling te verwezenlijken of te bevorderen, een positief resultaat te behalen. Bestuur: samenstelling, benoeming en defungeren. Artikel 5 5.1."},{"i":18296,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën van 27 december 2022, 2022-0000639218, in verband met de instelling van het Agentschap Rijksorganisatie Beveiliging en Logistiek Gelet op [artikel 2.20 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.20); Besluiten: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. Er wordt een agentschap ingesteld, waarvan de naam komt te luiden: Rijksorganisatie Beveiliging en Logistiek. 2. Aan het agentschap Rijksorganisatie Beveiliging en Logistiek wordt de status van baten-lastenagentschap als bedoeld in [artikel 2.20 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=2.20), verleend. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2023. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Rijksorganisatie Beveiliging en Logistiek. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18456,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 31 maart 2009, nr. TRCJZ/2009/921, houdende vaststelling van de vergoeding voor de leden van de kamers voor het kwekersrecht Gelet op [artikel 81 van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040&artikel=81); Besluit: Artikel 1 1. Aan een deskundig lid van een kamer voor het kwekersrecht, als bedoeld in [artikel 55a, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=55a) en diens plaatsvervanger wordt een vergoeding toegekend overeenkomstig de regels die gelden voor de rechters-plaatsvervangers. 2. Onverminderd het eerste lid genieten een deskundig lid en diens plaatsvervanger zowel voor het bijwonen van zittingen van een kamer voor het kwekersrecht als voor het volbrengen van andere verrichtingen welke hen wegens lidmaatschap van die kamer worden opgedragen, de vergoeding bedoeld in het eerste lid. Artikel 2 1. Aan de deskundige leden van de kamer voor het kwekersrecht van het gerechtshof, bedoeld in [artikel 70, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=70) en hun plaatsvervangers wordt een vergoeding toegekend overeenkomstig de regels die gelden voor de raadsheren-plaatsvervangers. 2. Onverminderd het eerste lid genieten de deskundig leden en hun plaatsvervangers zowel voor het bijwonen van bijeenkomsten van de kamer voor het kwekersrecht als voor het volbrengen van verrichtingen welke hen wegens lidmaatschap van die kamer worden opgedragen de vergoeding bedoeld in het eerste lid. Artikel 3 1. Voor een plaatselijke bezichtiging, waaraan wordt deelgenomen krachtens opdracht van de kamer voor het kwekersrecht, wordt aan de deskundige leden van de kamer voor het kwekersrecht van de rechtbank, bedoeld in [artikel 55a, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=55a), e"},{"i":19159,"b":"Richtlijn voor strafvordering poging zware mishandeling Deze richtlijn heeft betrekking op poging zware mishandeling. Onder mishandeling valt ook opzettelijke benadeling van de gezondheid. Indien tenlastegelegd als poging zware mishandeling is deze richtlijn tevens toepasbaar op het met een voertuig opzettelijk inrijden op een slachtoffer. Voor huiselijk geweld en kindermishandeling zijn afzonderlijke richtlijnen. Poging zware mishandeling, alleen gepleegd, burgerslachtoffer. * let op taakstrafverbod ([art. 22b Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22b)) en of er sprake is van een **(zeer actieve) veelpleger of stelselmatige dader** ** Uitgangspunten gelden voor recidive van een geweldsdelict. Betreft de recidive hetzelfde feit (inrijden) dan zal een langere OBM worden gevorderd (maximum 5 jaar). Legenda TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf OBM = ontzegging van de rijbevoegdheid ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Met betrekking tot een aantal delicten, zoals mishandeling, openlijke geweld, vernieling en bedreiging, dient het eventuele feit dat de gepleegde agressieve handeling samenhangt met, of terug te voeren is op een verkeerssituatie, strafverzwarend te worden beoordeeld. Reden voor die verzwaring is enerzijds het risico van escalatie van dergelijke delicten in een overgevoelige situatie, en anderzijds de verhoogde gevaarzetting die agressie in een verkeerssituatie voor andere verkeersdeelnemers doorgaans oplevert. Voor een toelichting op de andere onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042068)."},{"i":18557,"b":"Wet van 12 oktober 2016, houdende bepalingen verband houdende met de vestiging in Nederland van de Kosovaarse Speciale Kamers en Speciale Aanklager met het oog op de berechting van ernstige misdrijven gepleegd in Kosovo tussen 1 januari 1998 en 31 december 2000 (Uitvoeringswet Speciale Kamers Kosovo) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is enige wettelijke voorzieningen te treffen teneinde uitvoering te geven aan het op 15 februari 2016 te Pristina gesloten Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kosovo betreffende de vestiging van de Kosovo Relocated Specialist Judicial Institution in Nederland; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: - a. **Instellingswet:** de wet van 3 augustus 2015, No. 05/L-053, van de Republiek Kosovo, waarmee de Speciale Kamers en de Speciale Aanklager zijn ingesteld; - b. **Speciale Kamers:** de Speciale Kamers, met inbegrip van de griffie, bedoeld in de Instellingswet; - c. **Onze Minister:** Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - d. **doorvoer:** het begeleid vervoer over Nederlands grondgebied van een persoon afkomstig van een vreemde staat en met als bestemming de Speciale Kamers, dan wel afkomstig van de Speciale Kamers en met als bestemming een vreemde staat; - e. **overlevering:** de terbeschikkingstelling van een persoon door Nederland aan de Speciale Kamers op grond van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038718&artikel=3&z=2020-01-01&g=2020-01-01). 2. In deze wet wordt mede verstaan onder: - a. **in Nederland:** in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. **Nederlandse ambtenaren:** ambtenaren van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. **Nederla"},{"i":18676,"b":"Aanwijzing strafvorderingsbeleid overtreding Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding Met ingang van 1 augustus 2019 is het verboden om in het openbaar vervoer en in gebouwen en op bijbehorende erven van onderwijs-, overheids- en zorginstellingen bepaalde gezichtsbedekkende kleding te dragen, behoudens in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041161) uitgezonderde situaties (Stbl. 2018, 222). De verantwoordelijkheid voor de effectuering van dit verbod ligt in eerste instantie bij vervoerders en betrokken instellingen. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat van hen wordt verwacht dat zij overtreders aanspreken, betrokkenen wijzen op het bestaan van het verbod en hen verzoeken de gezichtsbedekking te verwijderen of het vervoermiddel/pand te verlaten. Pas als iemand geen gevolg geeft aan een dergelijk verzoek is het inschakelen van de politie door een vervoerder/instelling aan de orde. Ook de politie zal in de regel eerst aan de overtreder vragen om de overtreding te beëindigen. Als een betrokkene weigert de gezichtsbedekking te verwijderen of de ruimte te verlaten, kan de politie proces-verbaal opmaken. Als sprake is van meerdere strafbare feiten wordt één proces-verbaal opgemaakt. Zo nodig kan de betrokkene worden aangehouden en meegenomen naar het politiebureau."},{"i":17686,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Waterstaat over de periode (1911–) 1945–2001 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 12 november 2003, nr. arc-2003.6257/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Waterstaat over de periode (1911–) 1945–2001](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18691,"b":"Beleidskader Penitentiair Programma, Overgangsrecht van het Gevangeniswezen Inleiding Door de [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) (wet senb) veranderen de regels voor verlof, het penitentiair programma (PP) en de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI). Gelet op het in de wet opgenomen overgangsrecht is een aantal onderdelen van de [wet senb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) niet direct van toepassing op alle gedetineerden. Er komt een overgangsperiode met een maximale duur van 3 jaar. Het overgangsrecht PP geldt voor gedetineerden die op 1-12-2021 een strafrestant (met aftrek van v.i.) van maximaal 3 jaar hebben en een einddatum detentie vóór 01-12-2024 [(art IV PBW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=4)1Artikel IV1.Artikel I, onderdeel B, van deze wet heeft geen gevolgen ten aanzien van beslissingen tot deelname aan een penitentiair programma die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze wet. Artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft in deze gevallen van toepassing.2.Artikel I, onderdeel B, van deze wet is niet van toepassing op vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen waarvan de tenuitvoerlegging is aangevangen voor de inwerkingtreding van deze wet, indien de tenuitvoerlegging ten hoogste drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet nog gaande is. Artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft in deze gevallen van toepassing.). De doelgroep bestaat uit: Voor de doelgroep, die onder het overgangsrecht valt geldt: Vanuit het D&R-plan wordt bepaald welke modaliteit (deelname aan het PP of de plaatsing op een BBA), het meest passend is voor het re-integratietraject van de gedetineerde. De Sf beslist over deelname aan PP. 1. Criteria en voorwaarden PP overgangsrecht De basis voor het bepalen van deelname aan het PP overgangsrecht is de [penitent"},{"i":17387,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 november 2013, kenmerk MEVA-172387-113549, houdende vaststelling van de sectorale bezoldigingsnorm voor en de indeling in klassen van de in bijlage 3 bij de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector opgenomen categorie zorgverzekeraars (Regeling sectorale bezoldigingsnorm topfunctionarissen zorgverzekeraars) Gehoord de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikelen 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=3.3) en [3.4 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=3.4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **sectorale bezoldigingsnorm:** de maximale bezoldiging, bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=3.1); - **wet:** [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249); - **zorgverzekeraars:** de zorgverzekeraars en Wlz-uitvoerders, bedoeld in de [bijlage 3 bij de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&bijlage=3). Artikel 2. Sectorale bezoldigingsnorm 1. Voor het kalenderjaar 2026 bedraagt de sectorale bezoldigingsnorm voor zorgverzekeraars: - a. € 366.000, indien zij op 1 januari 2025 meer dan 1.000.000 verzekerden hadden; - b. € 317.000, indien zij op 1 januari 2025 minimaal 300.000 en maximaal 1.000.000 verzekerden hadden; - c. € 269.000, indien zij op 1 januari 2025 minder dan 300.000 verzekerden hadden. 2. Indien een zorgverzekeraar deel uitmaakt van een groep als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b) waarbinnen zich ook andere zorgverzekeraars bevinden, mogen voor de toepassing van het eerste lid de verzekerden van alle zorgverzekeraars binnen die groep worden meegeteld. Artikel 3."},{"i":18884,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 5 januari 2016 nr. BOACAT2017/001, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Regionale Eenheid Amsterdam Gelezen het verzoek van de Korpschef van de Nationale Politie van 2 januari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b) [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039108&artikel=2&z=2017-05-23&g=2017-05-23). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Amsterdam. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoeg"},{"i":19004,"b":"Boetebeleidsregels voor het aanbieden van kansspelen op afstand zonder vergunning, Kansspelautoriteit Kansspelautoriteit 1 oktober 2021 1. Inleiding De boetebeleidsregels, laatstelijk herzien op 1 maart 2019, worden per 1 oktober 2021 geactualiseerd. Deze actualisering heeft te maken met de [wet Kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042051) (wet Koa), die per 1 april 2021 in werking is getreden. Deze geactualiseerde boetebeleidsregels gelden voor zaken die in nader onderzoek worden genomen op of na 1 oktober 2021. De doelstellingen van het kansspelbeleid zijn het beschermen van de speler, het voorkomen van kansspelverslaving en de bestrijding van illegaliteit en criminaliteit. De inwerkingtreding van de [wet Koa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042051) op 1 april 2021 heeft vergunningverlening voor het aanbieden van kansspelen online mogelijk gemaakt. Bedrijven kunnen een vergunning aanvragen voor het aanbieden van online kansspelen. De Kansspelautoriteit zal handhavend optreden tegen het resterende illegale aanbod. Onduidelijk is immers of de aanbieders van dergelijke kansspelen voldoende betrouwbaar zijn en of zij de speler voldoende beschermen. Deze situatie is bijzonder onwenselijk. 2. Reikwijdte van deze boetebeleidsregels Deze boetebeleidsregels zijn van toepassing op commerciële en/of professionele aanbieders van online kansspelen zonder dat zij hiervoor een vergunning van de Kansspelautoriteit hebben. Het aanbieden van kansspelen zonder vergunning is een overtreding van [artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1) (hierna: Wok). In deze boetebeleidsregels is opgenomen hoe de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit de hoogte van een bestuurlijke boete ex [artikel 35a en volgende van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=35a) vaststelt. 3. Opbouw van de boete De boete bestaat uit een basisboete. De basisboete wordt verhoog"},{"i":18304,"b":"Wet van 17 mei 2010 tot invoering van de regelgeving met betrekking tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat met de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba overeengekomen is dat zij als openbare lichamen een staatsrechtelijke positie krijgen binnen het Nederlandse staatsbestel en het in verband hiermee wenselijk is wettelijke regels te stellen over het in deze openbare lichamen toepasselijke recht, alsmede enkele andere voorzieningen te treffen van overgangsrechtelijke aard; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder - a. **tijdstip van transitie:** het tijdstip waarop [artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028249&artikel=I) in werking treedt; - b. **eilandgebieden:** de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba, genoemd in artikel 1, onderdeel a, d en c, van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen, zoals die tot het tijdstip van transitie gold; - c. **openbare lichamen:** de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Hoofdstuk 2. Het toepasselijke recht Artikel 2 1. In de openbare lichamen zijn de doorlopende teksten van de in de bijlage bij deze wet genoemde Nederlands-Antilliaanse regelingen, zoals deze bij besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 oktober 2010 zijn vastgesteld en ter inzage zijn gelegd bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Konin"},{"i":18930,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 januari 2016 nr. BOACAT2016/009, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Sportvisserij Zuidwest Nederland Gelezen het verzoek van Sportvisserij Zuidwest Nederland van 14 januari 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037597&artikel=2&z=2016-04-13&g=2016-04-13). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van flora en faunabeheerder in dienst van Sportvisserij Zuidwest Nederland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodza"},{"i":17651,"b":"Uitvoeringsregeling Rijkswet administratieve bijstand douane Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën van de Nederlandse Antillen en de Minister van Financiën van Aruba; Gelet op [artikel 17 van de Rijkswet administratieve bijstand douane](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010576&artikel=17); Besluit: Artikel 1 Deze regeling: - a. neemt voorzover nodig de definities over van de [Rijkswet administratieve bijstand douane](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010576); - b. verstaat hierna onder rijkswet: de [Rijkswet administratieve bijstand douane](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010576). Artikel 2 1. In Aruba wordt met betrekking tot de invordering van douanevorderingen als douane-administratie in de zin van [artikel 1, onder f, van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010576&artikel=1) aangemerkt: het Hoofd van de Dienst Belastingen. 2. In Curaçao wordt met betrekking tot de invordering van douanevorderingen als douane-administratie in de zin van [artikel 1, onder f, van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010576&artikel=1) aangemerkt: de Douane Curaçao en de Landsontvanger. 3. In Sint Maarten wordt met betrekking tot de invordering van douanevorderingen als douane-administratie in de zin van [artikel 1, onder f, van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010576&artikel=1) aangemerkt: de Belastingdienst. Artikel 3 1. In Nederland worden met betrekking tot de omzetbelasting anders dan bij invoer als andere douane-autoriteit in de zin van [artikel 3, eerste lid, van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010576&artikel=3) mede aangemerkt: de eenheden van de Belastingdienst, bevoegd inzake de heffing, onderscheidenlijk invordering, van deze belasting. 2. In Aruba worden met betrekking tot de belasting op bedrijfsomzetten, anders dan bij invoer, als andere douaneautoriteit in de zin van [artikel 3, eerste lid, van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":18034,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Centrale Directies Ministerie van Financiën Gelet op [artikel 15, lid 1, onder **a, b en c** Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 9 december 2020, met kenmerk 19531820, Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van **het archief van de Centrale Directies van het Ministerie van Financiën, (1817) 1945-2005**. Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045007&bijlage=1&z=2021-04-01&g=2021-04-01) beperkt openbaar tot **1 januari** van het jaar, genoemd in de tweede kolom. en Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot **1 januari** van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 1314 | 2054 | en Artikel 3 Met het oog op de onevenredige bevoordeling of benadeling van personen of instanties zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom van [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045007&bijlage=2&z=2021-04-01&g=2021-04-01) beperkt openbaar tot **1 januari** van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Artikel 4 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in **artikel 1 en 3**, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarch"},{"i":17994,"b":"Besluit ingevolge artikel 18, tweede lid, Wet politiegegevens van de Minister van Justitie en Veiligheid, kenmerk 3575871 van 22 november 2021 houdende toestemming aan de korpschef tot het verstrekken van politiegegevens aan de burgemeester en aan het college van burgemeester en wethouders voor hun taak als bedoeld in artikel 2.1.1 van de Wmo 2015 (Wpg-machtigingsbesluit meldpunten niet-acute zorg) Overwegende als volgt: Op 9 juli 2014 is de [Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) (Wmo 2015) in werking getreden. Volgens [artikel 2.1.1, eerste lid, Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.1.1) draagt het gemeentebestuur zorg voor de maatschappelijke ondersteuning. Onder maatschappelijke ondersteuning wordt verstaan het bevorderen van de sociale samenhang en de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking alsmede het bestrijden van huiselijk geweld, het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, en het bieden van beschermd wonen en opvang.1Begripsbepaling in artikel 1.1.1 lid 1 van de Wmo 2015 [Artikel 2.1.2 Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.1.2) geeft opdracht aan de gemeenten om periodiek een plan op te stellen voor deze maatschappelijke ondersteuning.2Wmo 2015, artikel 2.1.2. De memorie van toelichting3Zie memorie van toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 841, nr. 3 p. 131 vermeldt hierover dat het daarbij van belang is dat de gemeente alle burgers bereikt, met name ook burgers die een ondersteuningsbehoefte hebben, maar zelf niet of slecht in staat zijn om hulp te vragen. Gemeenten moeten daarom in hun plan tevens aandacht geven aan een actieve benadering van deze burgers, zodat signalen van gewenste ondersteuning tijdig worden opgevangen en zo nodig actief hulp wordt aangeboden. Voorts dienen stappe"},{"i":17890,"b":"Besluit van 20 januari 2001 tot wijziging van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 en het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning in verband met de invoering van de Werkloosheidswet voor overheidspersoneel Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties van 6 december 2000, BW2000/u100347, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Gelet op [artikel 66 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=66) en [artikel 65 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=65); De Raad van State gehoord (advies van 21 december 2000, no. W04.00.0592/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 15 januari 2001, nr. BW2001/50054, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 2001. Artikel I Wijzigt het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994. Artikel II Wijzigt het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning. Artikel III Op uitkeringen, welke op 31 december 2000 worden verstrekt op grond van [artikel 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743&artikel=46) en [46b van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743&artikel=46b) en [artikel 21 van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006738&artikel=21), blijft tot 1 januari 2003 het Rijkswachtgeldbesluit 1959 van overeenkomstige toepassing. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2000, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 2001. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18859,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 april 2022, nr. BOACAT2022/024, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Leisurelands B.V Gelezen het verzoek van Leisurelands B.V. van 4 maart 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046619&artikel=2&z=2022-06-21&g=2022-06-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Regiobeheerder, regiomedewerker, onderhoudsmedewerker in dienst van Leisurelands B.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulli"},{"i":18666,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, betreffende de strafbaarstelling van handelingen van racistische en xenofobische aard verricht via computersystemen De Lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die Partij zijn bij het [Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001839), opengesteld voor ondertekening te Boedapest op 23 november 2001, die dit Protocol ondertekenen; Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; In herinnering roepend dat alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten worden geboren; Benadrukkend de noodzaak zorg te dragen voor een volledige en doeltreffende verwezenlijking van alle mensenrechten zonder discriminatie of onderscheid, zoals vastgelegd in Europese en andere internationale instrumenten; Ervan overtuigd dat handelingen van racistische en xenofobische aard een schending van de mensenrechten en een bedreiging voor de rechtsstaat en democratische stabiliteit vormen; Overwegende dat het nationale en internationale recht dienen te voorzien in passende juridische antwoorden op propaganda van racistische en xenofobische aard die wordt verspreid via computersystemen; Zich bewust van het feit dat de propaganda voor dergelijke handelingen dikwijls strafbaar wordt gesteld in de nationale wetgeving; In acht nemend het [Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001839), dat voorziet in moderne en flexibele middelen voor internationale samenwerking, en overtuigd van de noodzaak tot harmonisatie van bepalingen van materieel recht betreffende de bestrijding van racistische en xenofobische propaganda; Zich ervan bewust dat computersystemen een unieke mogelijkheid bieden tot wereldwijde bevordering van de vrijheid v"},{"i":15382,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie beleidsterrein Notariaat over de periode na 1975 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 9 mei 2005, nr. arc-2005.02131/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie en de onder hem ressorterende actoren, de Stichting Beroepsopleiding Notariaat, de Bewaarders en de Notarissen op het beleidsterrein Notariaat over de periode na 1975’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst voor de Koninklijke Notariële Broederschap/Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, 1975– Vaststelling BSD Op 30 juli 2004 is het ontwerp-BSD door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 3 januari 2005 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie / regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad. Op 9 mei 2005 bracht de RvC advies uit (arc-2005.02131/4) hetwelk (naast enkele tekstuele correcties) aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst: de waardering van handeling 106 is gewijzigd van B in V 5 jaar, de waardering van hand"},{"i":17213,"b":"Protocol accountantsonderzoek Wlz-uitvoerders Vooraf De uitvoering van de Wlz vindt plaats door Wlz-uitvoerders, welke door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) worden aangewezen. Daarnaast worden zorgkantoren en zorgkantoorregio’s aangewezen. Het zorgkantoor is verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige regionale uitvoering van het persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor is daarnaast verantwoordelijk voor de administratieve werkzaamheden. De overige Wlz-taken vallen, uitgaande van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), onder de verantwoordelijkheid van de Wlz-uitvoerder. Wlz-uitvoerders zijn op basis van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) verplicht om jaarlijks een uitvoeringsverslag ([artikel 4.3.2 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.2)) en een financieel verslag ([artikel 4.3.1 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.1)) op te stellen. De NZa heeft de voorschriften hiervoor nader uitgewerkt in de [regeling Uitvoeringsverslag en Financieel verslag Wlz-uitvoerder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042144)1Zie voor de laatste versie https://puc.overheid.nl/nza (verder de ‘regeling Uitvoeringsverslag en Financieel verslag’ genoemd). In de beleidsregel ‘Normenkader Wlz-uitvoerder’2Zie voor de laatste versie https://puc.overheid.nl/nza ligt vast hoe de NZa invulling geeft aan haar taak om toezicht te houden op de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) en van welke normen zij bij haar toezicht uitoefening uitgaat.3Het ‘Normenkader Wlz-uitvoerder’ is een interpretatie van de NZa en kan als hulpmiddel voor de controle worden gebruikt. Het is geen vervanging van de tekst van de geldende wet- en regelgeving. De opgenomen normen in deze beleidsregel drukken uit wat de NZa verwacht van de Wlz-uitvoerders. In dit Protocol accountantsonderzoek Wlz-uitvoerders stelt de NZa regels voor de inhoud en"},{"i":15385,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Productschap Tuinbouw over de periode vanaf 1997 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 12 mei 2004, nr. rc-2004.01072/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Productschap Tuinbouw en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Productschap Tuinbouw over de periode vanaf 1997’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument productschap tuinbouw vanaf 1997 Afkortingenlijst AID: Algemene Inspectiedienst AIPH: Association International des Producteurs de l’Horticulture AKK: Agro Kennisketen AWB: [Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) BBH: Bloembollen Bureau Holland BSD: Basisselectiedocument CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek EC: Europese Commissie EU: Europese Unie FAO: Food and Agricultural Organization GMO: Gemeenschappelijke Marktordening HACCP: Hazard Analysis Critical Control Point HIC: Hoveniers Informatie Centrum HPA: Hoofdproductschap Akkerbouw IBC: Internationaal Bloembollen Centrum KCB: Kwaliteits Controle Bureau KLICT: Ketennetwerken, Clusters en ICT LTO: Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland MJAE: Meerjarenafsprakeen Energie OESO: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling OP: Operationeel Programma PBO: Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie PGF: Productschap voor Groenten en Fruit PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengings Termijnen PPH: Plant Publicity Holland PT: Productschap Tuinbouw PVS: Produktschap voor Siergewassen RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek SER: Sociaal Economische Raad VGF: Voorlichtingsbureau Gr"},{"i":18721,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister voor Medische Zorg en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 december 2018, kenmerk 2018-2207875, houdende de vaststelling van beleidsregels inzake het opleggen van bestuurlijke boetes (Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie VWS 2019) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 4.3.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.3.4), [artikel 9.6 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=9.6), [artikel 30 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=30), [artikel 9a van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=9a), [artikel 19a van de de Wet afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003396&artikel=19a), [artikel 100 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=100), [artikel 70a van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005700&artikel=70a), [artikel 19a van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=19a), [artikel 14 van de Wet op de medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002697&artikel=14), [artikel 101 van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=101), [artikel 20a van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014682&artikel=20a) en [artikel 12 van de Wet bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=12); Besluiten: Artikel 1. Reikwijdte Deze beleidsregels zijn van toepassing op bestuurlijk beboetbare feiten op grond van de [Wet kw"},{"i":17212,"b":"Protocol accountantsonderzoek Wlz-uitvoerders 2021 Vooraf De uitvoering van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) vindt plaats door Wlz-uitvoerders, die door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) worden aangewezen. Daarnaast worden zorgkantoren en zorgkantoorregio’s aangewezen. Het zorgkantoor is verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige regionale uitvoering van het persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor is daarnaast verantwoordelijk voor de administratieve werkzaamheden. De overige Wlz-taken vallen, uitgaande van de wet, onder de verantwoordelijkheid van de Wlz-uitvoerder. Wlz-uitvoerders zijn op basis van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) verplicht om jaarlijks een uitvoeringsverslag ([artikel 4.3.2 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.2)) en een financieel verslag ([artikel 4.3.1 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.1)) op te stellen. De NZa heeft de voorschriften hiervoor nader uitgewerkt in de [Regeling uitvoeringsverslag en financieel verslag Wlz-uitvoerder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046172)1Zie voor de laatste versie [https://puc.overheid.nl/nza](onbekend) (verder de ‘Regeling uitvoeringsverslag en financieel verslag’ genoemd). In de beleidsregel ‘Normenkader Wlz-uitvoerder’2Zie voor de laatste versie [https://puc.overheid.nl/nza](onbekend) ligt vast hoe de NZa invulling geeft aan haar taak om toezicht te houden op de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) en van welke normen zij bij haar toezicht uitoefening uitgaat.3Het ‘Normenkader Wlz-uitvoerder’ is een interpretatie van de NZa en kan als hulpmiddel voor de controle worden gebruikt. Het is geen vervanging van de tekst van de geldende wet- en regelgeving. De opgenomen normen in deze beleidsregel drukken uit wat de NZa verwacht van de Wlz-uitvoerders. In dit Protocol accountantsonderzoek Wlz-uitvoerders stelt de NZ"},{"i":18897,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 juni 2017 nr. BOACAT2017/037, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Midden-Nederland, Team Buitengerechtelijke Afdoeningen Gelezen het verzoek van de Regionale Eenheid Midden-Nederland van 2 juni 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039681&artikel=2&z=2017-06-27&g=2017-06-27). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), werkzaam in de functie van Assistent Intake en Service, Medewerker Intake en Service, Senior Intake en Service en Generalist Intake en Service, die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Midden-Nederland. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het ee"},{"i":17529,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 oktober 2019, kenmerk 1604138-181029-WJZ, houdende nadere regels op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Regeling zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten) Gelet op de [artikelen 1, eerste lid, onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=1), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=18), [18c, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=18c), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=19), en [22, tiende lid van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=22) en [artikel 4.1, vijfde en zevende lid van het Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042266&artikel=4.1); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet zorg en dwangpsychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten in werking treedt. Hoofdstuk 1. – Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **locatie:** vestiging als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=1). Hoofdstuk 2. – Categorieën van deskundigen Artikel 2 Als categorie van deskundigen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=1) worden aangewezen: - a. orthopedagoog-generalist; - b. gezondheidszorgpsycholoog; - c. verpleegkundige; - d. physician assistant; - e. verzorgende individuele gezondheidszorg; - f. degene aan wie een getuigschrift is uitgereikt waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van een opleiding die is opgenomen in het Centraal register beroepsopleidingen"},{"i":18832,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 november 2021 nr. BOACAT2021/065, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Functioneel Parket Gelezen het verzoek van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket van 25 november 2021; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045905&artikel=2&z=2021-11-27&g=2021-11-27). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van (junior) vermogenstraceerder in dienst van het Functioneel Parket, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde d"},{"i":18867,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 januari 2022 nr. BOACAT2021/069, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij NS Groep N.V Gelezen het verzoek van Hoofd Security Back Office van 24 november 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046259&artikel=2&z=2025-03-04&g=2025-03-04). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Veiligheid en Service, Operationeel coördinator Veiligheid en Service, Teammanager Veiligheid en Service, Manager Sociale Veiligheid, Inspecteur Sociale Veiligheid en Security Manager Asset Protection, in dienst van N.S. Groep N.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2"},{"i":18898,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 9 maart 2022 nr BOACAT2022/015, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de regionale eenheid Midden-Nederland, Team Buitengerechtelijke Afdoening Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Midden-Nederland van 16 februari 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046436&artikel=2&z=2024-07-18&g=2024-07-18). Artikel 2 1. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), werkzaam bij het Team Buitengerechtelijke Afdoening, in de functie van Assistent Intake en Service, medewerker Intake en Service, senior Intake en Service en Generalist Intake en Service, die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Midden-Nederland. 2. Als buitengewoon opsporingsambtenaar"},{"i":17757,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Slowaakse Republiek inzake de export van sociale zekerheidsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Slowaakse Republiek, Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens tussen elkaars landen betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid tot stand te brengen; Geleid door de wens de samenwerking tussen de twee Staten te regelen ter waarborging van de naleving van de wetgeving in elkaars landen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; met betrekking tot de Slowaakse Republiek: het grondgebied van de Slowaakse Republiek; - b. „wetgeving\", de wetgeving met betrekking tot de takken van sociale zekerheid genoemd in artikel 2; - c. „bevoegde autoriteit\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland, en met betrekking tot de Slowaakse Republiek: het Ministerie van Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Gezin van de Slowaakse Republiek; - d. „bevoegd orgaan\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c: het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/a GAK Nederland bv of elk lichaam dat bevoegd is taken te verrichten die thans worden uitgevoerd door genoemd orgaan en betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, e en f: de Sociale Verzekeringsbank; met betrekking tot de Slowaakse Republiek: het Sociale Verzekeringsbureau; - e. „instantie\", elke organisatie die betrokken is bij de uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van onder meer het bevolkingsregister, de belastingautoriteiten, geboorte-, huwelijks- en overlijdensregisters, arbeidsbureaus, scholen en andere onderwijsinstellingen, handel"},{"i":17421,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 5 maart 2020, nr. WJZ/ 20041948, houdende eenmalige specifieke uitkeringen in verband met de uitvoering van Regio Deals derde tranche (Regeling specifieke uitkering Regio Deals derde tranche) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - **Regio Deal:** convenant dat in elk geval door de minister en een of meer regiopartners wordt of is gesloten naar aanleiding van een voorstel dat door de minister is geselecteerd voor het vervolgtraject om te komen tot een Regio Deal als bedoeld in de Uitnodiging aanmelding voorstellen voor derde tranche Regio Deals (Stcrt. 2019, 50049); - **regiokassier:** regiopartner die de taak van kassier op grond van een Regio Deal vervult of zal vervullen; - **regiopartner:** provincie, gemeente, openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8), waterschap of bestuursorganen daarvan, die partij zijn of zullen worden bij een Regio Deal; - **regionale publieke cofinanciering:** voor de uitvoeringsactiviteiten beschikbaar gestelde financiële bijdragen door een regiopartner of een ander bestuursorgaan of een andere publieke rechtspersoon, voor zover een regiopartner daarover kan beschikken, niet zijnde de bijdrage van de minister voor de uitvoeringsactiviteiten; - **uitvoeringsactiviteiten:** activiteiten in het kader van de ambitie, het doel, de aanpak of de beoogde resultaten zoals opgenomen in een Regio Deal waarvoor een of meerdere regiopartners financiële verplichtingen aangaan, middelen beschikbaar stellen of waarvoor een of meerdere regiopartners kosten maken ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht. Artikel 2. Specifieke u"},{"i":17792,"b":"Wet van 25 november 1965, houdende maatregelen ten aanzien van pensioenen, toegekend krachtens de wet van 25 mei 1962, Stb. 196 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen ten aanzien van pensioenen toegekend krachtens de wet van 25 mei 1962, **Stb.** 196, in verband met de interimregeling voor uit hoofde van invaliditeit gepensioneerde ambtenaren en in verband met de maatregelen tot aanpassing van de overheidspensioenen aan de algemene wijzigingen van het bezoldigingspeil, alsmede nieuwe regelen vast te stellen ten aanzien van de invloed op een pensioen krachtens de wet van 25 mei 1962, **Stb.** 196, van een pensioen krachtens de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) of een pensioen dan wel uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Afdeling Eerste. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. pensioen: een pensioen, toegekend of geacht mede te zijn toegekend krachtens de wet van 25 mei 1962, **Stb.** 196, houdende instelling van een Bijstandkorps van burgerlijke rijksambtenaren, dat bestemd is voor dienst in Nederlands-Nieuw-Guinea; - b. pensioenreglement: het pensioenreglement, bedoeld in artikel 15 van de onder **a** genoemde wet; - c. eigen pensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 8 van het pensioenreglement; - d. weduwenpensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 10 van het pensioenreglement; - e. wezenpensioen: een pensioen als bedoeld in artikel 11 van het pensioenreglement. Afdeling Tweede. Toekenning van invaliditeitstoeslagen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Afdeling Derde. Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 6a Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen"},{"i":18528,"b":"Rijkswet van 7 september 2010 tot wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in verband met de wijziging van de staatkundige hoedanigheid van de eilandgebieden van de Nederlandse Antillen (Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat Curaçao en Sint Maarten de hoedanigheid van land in het Koninkrijk verkrijgen, dat Bonaire, Sint Eustatius en Saba toetreden tot het staatsbestel van Nederland, dat in verband daarmee besloten is om de Nederlandse Antillen op te heffen als land en dat daarom wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden noodzakelijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, [artikel 55 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=55) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I 1. Curaçao en Sint Maarten hebben elk de hoedanigheid van land in het Koninkrijk. 2. Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn onderdeel van het staatsbestel van Nederland. 3. Het land de Nederlandse Antillen is opgeheven. Artikel II Wijzigt het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel III Wijzigt het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel IV 1. Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. In afwijking van het eerste lid, treden de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028249&artikel=I&z=2010-10-10&g=2010-10-10) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028249&artikel=II&z=2010-10-10&g=2010-10-10) van deze rijkswet in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat niet ligt voor het tijdstip van inwerkingtreding van de [Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten](ht"},{"i":18798,"b":"Besluit van 11 juni 2009, houdende regels voor het vaststellen van de op grond van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op te leggen bestuurlijke boetes (Besluit bestuurlijke boetes financiële sector) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 19 mei 2009, nr. FM/2009/1037 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 176, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=176) en [179, eerste lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=179), [artikelen 10d, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10d) en [10e van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10e), [artikelen 9b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547&artikel=9b) en [9c, eerste lid, van de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547&artikel=9c), [artikelen 21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013816&artikel=21) en [22, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013816&artikel=22), [artikelen 1:80, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80) en [1:81, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [artikel 28, eerste en tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=28), [artikelen 54, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=54) en [55, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=55), [artikelen 21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016189&artikel=21) en [22, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren](https://wetten."},{"i":15386,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst Stichting Mondriaan Fonds vanaf 1 januari 2012 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst van de Stichting Mondriaan Fonds vanaf 1 januari 2012 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijsten: - •. [Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Mondriaan Stichting op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021953), Staatscourant nr. 07/1034 d.d. 19-04-2007; - •. [Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021950), Staatscourant nr. 07/1031 d.d. 19-04-2007. worden afgesloten vanaf 1 januari 2012 voor de actoren Mondriaan Stichting en Fonds voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15395,"b":"Vaststellingsregeling geldigheidsduur bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen Artikel 1. Geldigheidsduur examens 1. Bewijzen van bevoegdheid en de bevoegdverklaringen kunnen alleen worden afgegeven wanneer de hierna aangegeven termijn tussen de examens en de afgifte niet is overschreden: | Bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen | Bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen | Termijn (max. aantal maanden | Termijn (max. aantal maanden | | --- | --- | --- | --- | | | | na het theoretisch examen | na het praktisch examen | | a. | Bewijzen van | | | | | bevoegdheid | | | | 1. | beperkt vliegbewijs | 36 | 12 | | | A / vliegbewijs A | | | | 2. | vliegbewijs voor | 36 | 6 | | | beroepsvlieger | | | | 3. | vliegbewijs voor | 36 | 6 | | | verkeersvlieger | | | | 4. | zweefvliegbewijs | 36 | 12 | | 5. | als ballonvoerder | 36 | 12 | | 6. | als | 36 | 12 | | | boordwerktuigkundige | | | | 7. | als | 36 | - | | | grondwerktuigkundige | | | | 8. | als | 36 | - | | | zweefvliegtechnicus | | | | | | | | | b. | Bevoegdverklaringen | | | | | in | | | | | zweefvliegbewijzen | | | | 1. | lieren | 36 | 12 | | 2. | sleepvliegen | 36 | 12 | | 3. | vliegonderricht | 36 | 12 | | 4. | wolkenvliegen | 36 | 12 | | 5. | radiotelefonie | 24 | 12 | | | | | | | c. | Overige | | | | | bevoegdverklaringen | | | | 1. | voor een categorie | - | 12 | | 2. | voor een klasse | - | 12 | | 3. | voor een type | - | 12 | | 4. | blindvliegen | 36 | 6 | | 5. | spuitvliegen | 36 | 12 | | 6. | sleepvliegen | 36 | 12 | | 7. | vliegonderricht | 36 | 12 | | 8. | radiotelefonie | 24 | 12 | 2. De in het eerste lid onder a gestelde termijn voor het theoretisch examen voor het vliegbewijs A wordt verlengd, gedurende de tijd dat de betrokkene houder is van een geldig vliegbewijs beperkt A. 3. De in het eerste lid onder a gestelde termijn voor het theoretisch examen voor het vliegbewijs A of beperkt A wordt verlengd, gedurende de tijd dat aan de betrokkene ontheffing is verleend van [artikel 8, eers"},{"i":18414,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden van 5 oktober 2010, nr. 2010-0000612457, houdende nadere regels met betrekking tot het politielegitimatiebewijs op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling politielegitimatiebewijs BES) Gelet op [artikel 8, eerste lid, van het Besluit beheer politiekorps BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028780&artikel=8); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit beheer politiekorps BES in werking treedt. § 1. Politielegitimatiebewijs Artikel 1 Tijdens de uitoefening van de dienst dragen de volgende ambtenaren van politie een politielegitimatiebewijs volgens het door onze Minister vastgesteld model bij zich: - a. de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 3, onder a en c, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3), die werkzaam is bij het politiekorps, met uitzondering van de aspirant voor de duur dat hij geen praktijkstage volgt; - b. de door de korpsbeheerder politie aangewezen ambtenaren als bedoeld in [artikel 3, onder b, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3), die over opsporingsbevoegdheid beschikken. Artikel 2 De Staat is eigenaar van het politielegitimatiebewijs. Artikel 3 De korpsbeheerder politie draagt zorg voor een behoorlijk toezicht op de bewaring van het te verstrekken politielegitimatiebewijs. Artikel 4 1. De korpsbeheerder politie draagt er zorg voor dat het politielegitimatiebewijs voor de uitreiking wordt geprepareerd op de wijze zoals door onze minister vastgesteld. 2. De korpsbeheerder politie reikt het politielegitimatiebewijs na ondertekening uit aan de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028800&paragraaf=1&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10). 3. De korpsbeheerder politie registreert de uitgifte van het politielegitimatiebewijs waarbij de naam van de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028800&"},{"i":15397,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst handelingen beleidsterrein Coördinatie Integratiebeleid Minderheden over de periode 1978–1999, Financiën Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 maart 2003, nr. arc-2002.4705/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Coördinatie Integratiebeleid Minderheden over de periode 1978–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het Ministerie van Financiën en de daaronder ressorterende colleges, commissies en ambtenaren’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Financiën en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, nr. MMA/Ar 6301 II d.d. 20-09-1983 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 1984/48), laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Minister van Financiën en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, nr. R&B/OSA/2001/866 d.d. 30-07-2001 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 201 d.d. 17-10-2001)) wordt ingetrokken voor zover deze betrekking heeft op het beleidsterrein coördinatie integratie minderheden. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":7549,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën van 16-12-2025 2025-0000527884 houdende de verlening van mandaat aan de directeur Dienst Financieel-Economische Integriteit op het terrein van de Wet politiegegevens Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), [artikel 46 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=46), [artikel 4:3 van het Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=4:3), [artikelen 1 sub c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041971&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041971&artikel=2) en [3 van het Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041971&artikel=3) en [artikel 5 van het Besluit van de Minister van Financiën, houdende de verlening van mandaat op grond van de Wet politiegegevens aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën](onbekend); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Minister besluiten te nemen; - b. **de minister:** de Minister van Financiën; - c. **de secretaris-generaal:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën; - d. **de directeur:** de directeur van de Dienst Financieel-Economische Integriteit; - e. **boa:** een buitengewoon opsporingsambtenaar van de Dienst Financieel-Economische Integriteit; - f. **het verwerken van politiegegevens:** het verwerken van politiegegevens als bedoeld in [artikel 1, onder a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=1), en [artikel 2, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=2). Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging Voor de to"},{"i":7518,"b":"Besluit van 10 november 1998, houdende regels met betrekking tot de technische aftapbaarheid van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten en de, inzake aftappen, te nemen organisatorische en personele maatregelen en te treffen voorzieningen (Besluit aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 mei 1998, nr. HDTP/98/1552/HW, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post; Gelet op de [artikelen 13.1, tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.1), en [13.2, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.2); De Raad van State gehoord (advies van 13 augustus 1998, no. W09.98.0221); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 3 november 1998, nr. HDTP/98/3284/LF, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. aanbieder: aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een openbare telecommunicatiedienst; - c. bijzondere last: bevoegd gegeven last tot aftappen; - d. gebruiker: de natuurlijke of rechtspersoon die met de aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van een netwerk of de levering van een openbare telecommunicatiedienst, alsmede degene die daadwerkelijk gebruik maakt van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst; - e. bevoegde autoriteit: - 1°. de opsporingsambtenaar belast met de uitvoering van een bijzondere last, - 2°. het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, - 3°. het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Artikel 2 De aanbieder richt zijn openbare telecommunicatienetwerk of openbare telecom"},{"i":7516,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 29 maart 2022, nr. WJZ/22044300 tot aanwijzing toezichthouders Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening (Besluit aanwijzing toezichthouders Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046349&artikel=9); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening in werking treedt. Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de [Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046349) zijn belast de ambtenaren met de functiebenamingen inspecteur, senior inspecteur, coördinerend/specialistisch inspecteur en inspecteur/medewerker toezicht van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046349&artikel=9) in werking treedt. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15403,"b":"Wet van 20 november 2006, houdende herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van enkele inhoudelijke wijzigingen in de Telecommunicatiewet, de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet, de Mijnbouwwet en enkele andere daarmee verbandhoudende wetten, de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001, de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997, de Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen en diverse andere wetten (Veegwet EZ 2005) Artikel I Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel II Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel III Wijzigt de Gaswet. Artikel IV Wijzigt de Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht netbeheer. Artikel V Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel VI Wijzigt de Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst. Artikel VII Wijzigt de Wet bestrijding ongevallen Noordzee. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IX Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel X Wijzigt de Wet explosieven voor civiel gebruik. Artikel XI Wijzigt de Waterleidingwet. Artikel XII Wijzigt de Kernenergiewet. Artikel XIII Wijzigt de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001. Artikel XIV Wijzigt de Onteigeningswet. Artikel XV Wijzigt de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997. Artikel XVI Wijzigt de Mediawet. Artikel XVII Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Beroepswet, de Mijnbouwwet, de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, het Wetboek van Strafrecht, de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet op de kansspelen, de Wet op de Raad van State, de Wet op de rechtsbijstand, de Wet op het notarisambt, de Wet tarieven in burgerlijke zaken, de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945, de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffe"},{"i":15404,"b":"Wet van 4 december 2013 tot wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Zorgverzekeringswet en de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet teneinde daarin enkele verbeteringen aan te brengen, alsmede technische reparaties in diverse wetten (Veegwet VWS 2013) Artikel I Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel II Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel III Wijzigt de Invoerings- en aanpassingwet Zorgverzekeringswet. Artikel IIIa 1. In aanvulling op [artikel 39 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=39) kunnen tevens ten gunste of ten laste van het Zorgverzekeringsfonds worden gebracht door het Zorginstituut vast te stellen, met zorgverzekeraars als bedoeld in de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) te verrekenen bedragen met betrekking tot in een kalenderjaar aangevangen, bij of krachtens [artikel 11 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11) bedoelde zorg van bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën zorgaanbieders, die in de twee daaropvolgende kalenderjaren bij de zorgverzekeraars in rekening is gebracht. 2. Het eerste lid geldt slechts voor zorg die is aangevangen in het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin voor de aangewezen categorie zorgaanbieders een nieuw bekostigingssysteem is gaan gelden. 3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke zorg het Zorginstituut bij toepassing van het eerste lid in aanmerking neemt, hoe het Zorginstituut de bedragen, bedoeld in dat lid, berekent en wanneer de in dat lid bedoelde verrekening dient te hebben plaatsgevonden. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Artikel VI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel VII Wijzigt de Drank- en Horecawet. Artikel VIII Wijzigt de Gezondheidswet. Artikel IX Wijzigt de Gratiewet. Artikel X Wijzigt de Instellingswet Raad voor strafrechtst"},{"i":15405,"b":"Veegwet wonen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een aantal technische wijzigingen en een aantal wijzigingen met beperkte beleidsmatige gevolgen aan te brengen in de [Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303), de [Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659), de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181) en enkele andere wetten; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel Ia Wijzigt de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting. Artikel II Wijzigt de Huisvestingswet 2014. Artikel III Wijzigt de Leegstandwet. Artikel IIIa Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel IVa Wijzigt de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek. Artikel V Wijzigt de Wet op de architectentitel. Artikel VI Wijzigt de Wet op de huurtoeslag. Artikel VII Wijzigt de Wet op het overleg huurders verhuurder. Artikel VIII Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel IX Wijzigt de Woningwet. Artikel X De [Wet van 24 september 1998 tot wijziging van de Woningwet inzake vergunningvrije bouwwerken in beschermde stads- en dorpsgezichten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009918) (Stb. 1998, 582) wordt ingetrokken. Artikel Xa Wijzigt deze wet. Artikel Xb Wijzigt de Wijzigingswet Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek, enz. (selectieve woningtoewijzing ter beperking overlastgevend en crimineel gedrag). Artikel Xc Wijzigt deze wet. Artikel Xd Wijzigt de Wijzigingswet Woningwet in verband met het tijdelijk uitbreiden van het werkgebied van toegelaten instellingen met het oog op het huisvesten van vergunnin"},{"i":15406,"b":"Wet van 30 september 2010, houdende bepalingen over de politie en over de brandweerzorg, de rampenbestrijding en de crisisbeheersing op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Veiligheidswet BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels te stellen met betrekking tot de politie alsmede de brandweerzorg, de rampenbestrijding en de crisisbeheersing en over de voorbereiding daarop op Bonaire, Sint Eustatius en Saba; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **algemeen commandant:** degene die op grond van [artikel 27, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&hoofdstuk=3&artikel=27&z=2018-08-01&g=2018-08-01), belast is met de dagelijkse leiding over het brandweerkorps; - **ambtenaar van politie:** ambtenaar van politie als bedoeld in [artikel 3 van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3); - **brandweerkorps:** brandweerkorps als bedoeld in [artikel 27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&hoofdstuk=3&artikel=27&z=2018-08-01&g=2018-08-01); - **buitengewoon agent van politie:** buitengewoon agent van politie als bedoeld in [artikel 10 van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=10); - **crisis:** een situatie waarin een vitaal belang van de samenleving is aangetast of dreigt te worden aangetast; - **crisisbeheersing:** het geheel van maatregelen en voorzieningen, met inbegrip van de voorbereiding daarvan, dat het eilandsbestuur in een crisis treft ter handhaving van de openbare orde, indien van toepassing in samenhang met de maatregel"},{"i":15407,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende intrekking van diverse regelingen op het terrein van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat in verband met het feit dat deze hun betekenis hebben verloren (VenW-Intrekkingsregeling 2008) Gelet op [artikel 2b, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682&artikel=2b) en artikel 12, derde lid, van het Lozingenbesluit Wvo tandartspraktijken; Gelet op [Hoofdstuk IV, §4 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&paragraaf=4), [Hoofdstuk 5, Afdeling 2 van het Voertuigreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&afdeling=2) en [Hoofdstuk 2 van de Regeling Permanente eisen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009581&hoofdstuk=2), alsmede op [artikel 88 van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=88); Besluit: § 1. Intrekking van regelingen Artikel I. Water De [Regeling Meldingen Wvo tandartspraktijken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007028) wordt ingetrokken. Artikel II. Verkeer De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 januari 1953, nr. 2069, houdende bepalingen betreffende goedgekeurd materiaal voorruiten van motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002105) (Stcrt. 11); - b. [Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 mei 1970, nr. RV30621, houdende keuringseisen bevestigingspunten voor autogordels in motorvoertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002714) (Stcrt. 111); - c. [Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 mei 1970, nr. RV30619, houdende keuringseisen voor autogordels in motorvoertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002713) (Stcrt. 111) ; - d. [Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 juli 1971, nr. WR45526, houdende vaststelling keuringseisen voor autogordels voor motorvoertuigen](https://wetten.ove"},{"i":9933,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 februari 2009, nr. DGM/K&L2009006710, houdende regels inzake aanwijzing van investeringen die in het belang zijn van het Nederlandse milieu (Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën en na overleg met de Ministers van Economische Zaken en, voor zover het betreft [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025316&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op de [artikelen 3.31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.31), en [3.42a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.42a); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Algemene Groepsvrijstellingsverordening:** Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); - **bedrijfsmiddel met doelvoorschrift:** bedrijfsmiddel waarbij alleen een bepaalde milieuprestatie wordt vereist en het middel niet specifiek wordt omschreven; - **gangbaar:** wat voor vergelijkbare, financieel gezonde bedrijven in Nederland gebruikelijk is; - **kmo:** kleine of middelgrote onderneming in de zin van bijlage I van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, de Landbouw Groepsvrijstellingsverordening en Visserij Groepsvrijstellingsverordening; - **Landbouwvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) nr. 2022/2472](32472R2022) van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar wor"},{"i":9934,"b":"Additioneel Protocol bij het Internationale Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart \"EUROCONTROL\" De Staten welke partij zijn bij het op 13 december 1960 te Brussel ondertekende Internationale Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart „EUROCONTROL”, hierna genoemd „het Verdrag”, waarbij de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart „EUROCONTROL”, hierna genoemd „de Organisatie” is opgericht, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. Onverminderd de in de artikelen 19 en 20 van het Verdrag voorziene vrijstellingen treffen de Regeringen van de Lid-Staten, wanneer de Organisatie in het kader van haar officiële werkzaamheden belangrijke zaken verwerft of gebruik maakt van diensten van belangrijke waarde, terzake waarvan indirecte rechten of belastingen met inbegrip van zodanige bij invoer geheven rechten en belastingen, voor zover zij niet onder art. 20, lid 1, van het Verdrag vallen, geheven zijn of kunnen worden, zo mogelijk, passende maatregelen om de gevolgen van bedoelde rechten en belastingen voor de Organisatie weg te nemen door een aanpassing van de financiële bijdragen welke aan de Organisatie worden verstrekt dan wel door vrijstelling of teruggave aan de Organisatie van het bedrag van de indirecte rechten en belastingen. 2. Met betrekking tot betalingen van de Organisatie aan Lid-Staten wegens investeringen door die Staten verricht, dragen, voor zover de kosten daarvan door de Organisatie moeten worden vergoed, deze Staten zorg dat in hun opgave van de desbetreffende bedragen aan de Organisatie geen rechten of belastingen zijn begrepen waarvan de Organisatie zou zijn vrijgesteld of die zij zou terugontvangen dan wel welke aanleiding tot een aanpassing van de financiële bijdragen aan de Organisatie zouden geven, indien de Organisatie zelf deze investeringen zou hebben gedaan. 3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor rechten of belastingen die niet anders zijn dan vergoedi"},{"i":15411,"b":"Vergaderverordening Nederlandse loodsencorporatie Gelet op [artikel 67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=67), juncto [artikel 15 van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15) (Stb. 1988, 353); Besluit: Artikel I De verordening, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel d, van de Loodsenwet (Stb. 1988, 353), wordt als volgt vastgesteld: **Verordening inzake de ledenvergadering van de corporatie** **(Vergaderverordening Nederlandse loodsencorporatie)** 1. Algemeen Hoofdstuk I. Oproep en inzending stukken Artikel 1 De algemeen secretaris van de corporatie treedt op als secretaris van de ledenvergadering van de corporatie. Artikel 2 De oproep tot bijeenkomst van de ledenvergadering geschiedt ten minste zes weken tevoren door toezending aan de leden van de agenda, vermeldende dag, plaats en aanvangsuur van de ledenvergadering door de secretaris. Artikel 3 Indien in het geval, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=14) (Stb. 1988, 353), niet binnen 14 dagen aan het verzoek gevolg is gegeven, kan de ledenvergadering bijeengeroepen worden door de verzoeker of de verzoekers. Artikel 4 Van ingekomen stukken bij de algemene raad, waarvan het de bedoeling is dat zij in de vergadering als ingekomen stuk vermeld worden, moet dat daaruit duidelijk blijken. Artikel 5 De stukken bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004389&hoofdstuk=1&hoofdstuk=I&artikel=4&z=2008-03-06&g=2008-03-06) dienen ten minste 24 uur voor de aanvang der ledenvergadering in het bezit van de voorzitter of de secretaris te zijn. Later ingekomen stukken worden op de eerstvolgende ledenvergadering vermeld. Artikel 6 Amendementen en zienswijzen van leden en zienswijzen van belanghebbenden dienen als zodanig aangeduid uiterlijk drie weken tevoren te worden toegezonden aan de algemene raad. Artikel 7 De algemene raad draagt ervoor zorg, d"},{"i":15414,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 september 2020, nr. 2976626, houdende vergoedingen van de voorzitter, de overige leden en de plaatsvervangend leden van het Adviescollege levenslanggestraften (Vergoedingenbesluit Adviescollege levenslanggestraften) Artikel 1 1. Aan de voorzitter van het Adviescollege levenslanggestraften wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de toepasselijke salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. De toepasselijke arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 8/36. 2. Aan de overige leden van het adviescollege wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de toepasselijke salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 17 van de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. De toepasselijke arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 2,7/36 voor de overige leden die voor 1 december 2023 zijn benoemd of herbenoemd en op 4/36 voor de overige leden die vanaf 1 december 2023 zijn benoemd of herbenoemd. Artikel 2 [Artikel 3 van het Besluit benoeming en vergoeding voorzitter Adviescollege levenslanggestraften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039401&artikel=3) vervalt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044075&artikel=1&z=2024-06-01&g=2024-06-01) werkt terug tot en met 1 januari 2018. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit Adviescollege levenslanggestraften. Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 11 van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften]("},{"i":15416,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 september 2014, nr. OWB/657635, tot vaststelling van de vergoedingen voor de leden, met inbegrip van de voorzitter, van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (Vergoedingenbesluit AWTI) Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken; Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **AWTI:** Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie. Artikel 2 De voorzitter en de overige leden van de AWTI ontvangen een vaste vergoeding per maand. Artikel 3 De vergoeding voor de voorzitter wordt vastgesteld volgens het maximum salarisnummer behorend bij schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren met een arbeidsduurfactor van 0,3 per week. Artikel 4 De vergoeding van de overige leden van de AWTI wordt vastgesteld volgens het maximum salarisnummer behorend bij schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren, met een arbeidsduurfactor van 0,1 per week. Artikel 5 De [Vergoedingenregeling AWT](onbekend) wordt ingetrokken. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2014. Artikel 7 Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit AWTI. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15417,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 maart 2013, nr. DMO/SVP-3155191, houdende vaststelling van de vergoedingen van de begeleidingscommissie voor het Sociaal Cultureel Planbureau (Vergoedingenbesluit begeleidingscommissie voor het Sociaal Cultureel Planbureau) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de begeleidingscommissie voor het Sociaal Cultureel Planbureau, ingesteld bij het [Instellingsbesluit begeleidingscommissie voor het Sociaal en Cultureel Planbureau](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032715), wordt een vergoeding per vergadering toegekend van 130% van de vergoeding per vergadering die aan de andere leden wordt toegekend. 2. Aan de overige leden van de in het eerste lid bedoelde commissie, wordt een vergoeding per vergadering toegekend van 3% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt geen vergoeding verstrekt aan personen die op grond van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) zijn uitgesloten van een vergoeding. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit begeleidingscommissie voor het Sociaal Cultureel Planbureau. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Een afschrift zal worden gezonden aan de in het besluit genoemde leden."},{"i":15418,"b":"Besluit van 7 maart 2016, nr. 722434, houdende de vaststelling van een vergoeding voor de leden en de secretaris van de Commissie Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen (Vergoedingenbesluit Commissie LIJ) Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. De leden van de commissie ontvangen per vergadering een vergoeding van 2,5% van het maximum van salarisschaal 17 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), met dien verstande dat aan de voorzitter een vergoeding per vergadering wordt toegekend van 130% van de hoogte van de vergoeding die per vergadering aan de leden wordt toegekend. 2. De secretaris van de commissie ontvangt per vergadering een vergoeding van 2,5% van het maximum van salarisschaal 12 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). Artikel 2 De leden en de secretaris van de commissie ontvangen de maximale reiskostenvergoeding per kilometer zoals opgenomen in [artikel 2 van de Reisregeling binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005912&artikel=2). Indien de leden en de secretaris gebruik maken van het openbaar vervoer, ontvangen zij een vergoeding op grond van [artikel 6 van het Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889&artikel=6). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit Commissie LIJ. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift"},{"i":15415,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 april 2016, nummer 731804, tot vaststelling van de vergoedingen voor de leden van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (Vergoedingenbesluit Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De voorzitter van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken ontvangt een vaste vergoeding per maand. De vergoeding van de voorzitter wordt gebaseerd op het maximum van salarisschaal 17 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en een arbeidsduurfactor van 18/36. Artikel 2 De overige leden van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken ontvangen een vergoeding per vergadering. De vergoeding van de overige leden bedraagt 3% van het maximum van salarisschaal 17 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). Artikel 3 De [Vergoedingenregeling Adviescommissie voor vreemdelingenzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015974) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2015. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15420,"b":"Besluit van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 21 november 2022, kenmerk 1039801-3468863-BPZ houdende de vaststelling van de vergoedingen van de Nederlandse Sportraad (Vergoedingenbesluit Nederlandse Sportraad) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de Nederlandse Sportraad, ingesteld bij de [Wet op de Nederlandse Sportraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047303), wordt een vaste vergoeding per maand toegekend waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,2 fte. 2. Aan de andere leden van het in het eerste lid bedoelde adviescollege wordt een vaste vergoeding per maand toegekend waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,1 fte. 3. Aan de externe deskundigen die op schriftelijk verzoek van het in het eerste lid bedoelde adviescollege aan de werkzaamheden van het college deelnemen wordt een vergoeding per vergadering toegekend van 3% van het maximum van salarisschaal 18 van CAO Rijk. 4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, wordt geen vergoeding verstrekt aan personen die op grond van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) zijn uitgesloten van een vergoeding. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit Nederlandse Sportraad. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15421,"b":"Vergoedingenregeling Algemene Energieraad Gelet op [artikel 5 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De voorzitter van de Algemene Energieraad ontvangt een vaste vergoeding. De salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,15. Artikel 2 De andere leden van de Algemene Energieraad ontvangen een vaste vergoeding. De salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,1. Artikel 3 Het besluit van de Minister van Economische Zaken van 3 februari 1997, nr. E/EB/97006023, houdende regeling van de vergoeding van de leden van de Algemene Energieraad, wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling Algemene Energieraad. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15422,"b":"Besluit van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 20 november 2023, kenmerk 3705603-1055185-S, houdende regels met betrekking tot de vergoedingen van de leden van de Beoordelingscommissie dopingzaken, genoemd in artikel 14, eerste lid, van de Wet uitvoering antidopingbeleid Gelet op de [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041439&artikel=17) en [18, derde lid, van de Wet uitvoering antidopingbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041439&artikel=18) en [artikel 14 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14); Besluit: Artikel 1 De vergoeding van de voorzitter, tevens enig lid, van de Beoordelingscommissie dopingzaken wordt vastgesteld volgens het maximum van salarisschaal 14 van de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn, rekening houdend met een arbeidsduur van gemiddeld 2 uren per week. Artikel 2 De personen die onderdeel uitmaken van een panel van experts van de Beoordelingscommissie dopingzaken als bedoeld in [artikel 17 van de Wet uitvoering antidopingbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041439&artikel=17) ontvangen een vergoeding per vergadering die gelijk is aan de vergoeding per vergadering die andere leden dan de voorzitter van een adviescollege ten hoogste ontvangen volgens [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2). Artikel 3 De voorzitter en personen die onderdeel uitmaken van een panel van experts van de Beoordelingscommissie dopingzaken hebben recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van de regeling voor de ambtenaren die op grond van een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt te"},{"i":15429,"b":"Besluit van 13 juli 2017, nr. 2022588, strekkende tot vaststelling van de vergoedingen van het College en commissies van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (Vergoedingenregeling NRGD) Gelet op [artikel 14 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14), [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4) en [5 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=5) Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **College:** het College gerechtelijk deskundigen als bedoeld in [artikel 3 van het Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=3); - b. **commissies:** de door het College ingestelde commissies als bedoeld in [artikel 7, derde lid, van het Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=7) en [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033149&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033149&artikel=8) en [9 van het van het Bestuursreglement College gerechtelijk deskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033149&artikel=9); - c. **Besluit:** het [Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279). Artikel 2. Vergoeding werkzaamheden voorzitter en leden van het College 1. De voorzitter van het College ontvangt voor zijn werkzaamheden een vaste vergoeding per maand op basis van het maandsalaris conform de hoogste trede van schaal 17 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren en een arbeidsduurfactor van 0,2. 2. De leden van het College die niet in die"},{"i":15430,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 april 2009, nr. DK/B&B/110520, houdende vaststelling van de vergoedingen van de voorzitter en overige leden van de Raad voor cultuur (Vergoedingenregeling Raad voor cultuur) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Mede gelet op [artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De voorzitter van de Raad voor cultuur ontvangt een vaste vergoeding. De salarisschaal van de voorzitter wordt vastgesteld op schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 0,66. Artikel 2 De overige leden van de Raad voor cultuur ontvangen een vaste vergoeding. De salarisschaal van de leden wordt vastgesteld op schaal 16 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 0,14. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2009. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling Raad voor cultuur. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 2a Aan de voorzitter en andere leden van commissies van de Raad voor cultuur, voor zover niet vallend onder de uitzondering van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), wordt per vergadering een vergoeding toegekend: - a. voor leden: 2,4% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren; - b. voor de voorzitter: 130% van de hoogte van de vergoeding die aan"},{"i":15435,"b":"Vergoedingenregeling voorzitter PWC Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1), Besluit: Artikel 1 De voorzitter van de Planologische werkcommissie ontvangt per vergadering een vergoeding van f 450,00. Artikel 2 1. Voor de toepassing van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010887&artikel=1&z=1999-11-28&g=1999-11-28) wordt als een vergadering beschouwd: - a. een vergadering van de Planologische werkcommissie; - b. een vergadering van een uit de Planologische werkcommissie samengestelde commissie; - c. een werkbezoek van de Planologische werkcommissie. 2. Twee of meer vergaderingen op dezelfde dag gelden als één vergadering. Artikel 3 De voorzitter van de Planologische werkcommissie kan aanspraak maken op een vergoeding voor reis- en verblijfkosten volgens het [Reisbesluit Binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889). Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling voorzitter PWC Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15433,"b":"Vergoedingenregeling Rfv 2002 Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=3) en [5 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=5); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Raad voor de financiële verhoudingen ontvangt een vaste vergoeding. De salarisschaal van de voorzitter wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,1. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de voorzitter van de Raad voor de financiële verhoudingen tevens voorzitter is van de Raad voor het openbaar bestuur. In deze situatie wordt deze vergoeding toegekend aan de ondervoorzitter. Artikel 2 De overige leden van de Raad voor de financiële verhoudingen ontvangen een vaste vergoeding. De salarisschaal van de overige leden wordt vastgesteld op schaal 17 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,05. Artikel 3 De regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 december 1996, nummer SCSP/N831, tot vaststelling van de vergoeding voor de voorzitter, de ondervoorzitter en de overige leden van de Raad voor de financiële verhoudingen, wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling Rfv 2002. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15438,"b":"Verlenging instelling veiligheidsadviescommissie Schiphol Overwegende dat de veiligheidsadviescommissie Schiphol is ingesteld bij besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 februari 1995, nr. [DGRLD/JBZ/L 95.001398](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007251) (Stcrt. 1995, 42), voor de duur van vier jaar, met de mogelijkheid van eenmalige verlenging voor ten hoogste vier jaar; Overwegende dat de taak van de veiligheidsadviescommissie Schiphol om de Minister, gevraagd en ongevraagd, te adviseren inzake de algemene veiligheidssituatie op en rondom de luchthaven Schiphol, is komen te vervallen door de [Herzieningswet adviesstelsel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008158), en deze taak bij wet met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1997 wordt hersteld voor de periode tot 1 januari 2002; Overwegende dat de overige twee taken van de veiligheidsadviescommissie Schiphol onlosmakelijk verbonden zijn met de eerstgenoemde taak en het derhalve in de rede ligt de duur van deze twee taken zodanig te verlengen dat de duur van alledrie de taken gelijk wordt; Besluit: Artikel 1 De instelling van de veiligheidsadviescommissie Schiphol wordt verlengd tot 1 januari 2002, wat betreft de taken: - a. zorg te dragen voor de uitvoering van de in de Planologische Kernbeslissing Schiphol en omgeving voorziene vijfjaarlijkse safety audit; - b. de internationale ontwikkelingen op veiligheidsgebied te volgen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 21 februari 1999. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en een afschrift van dit besluit zal worden gezonden aan de voorzitter en de secretaris van de veiligheidsadviescommissie Schiphol."},{"i":15440,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van Biobor JF ten behoeve van het behandelen van kerosine in vliegtuigen (Verlenging vrijstelling Biobor JF voor vliegtuigen 2025) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur; Gelezen het verzoek van Koninklijke Luchtvaart Maatschappij op 4 februari 2025 tot verlenging van de vrijstelling van het verbod op het gebruik van de biocide Biobor JF in kerosine in vliegtuigen, ten behoeve van het voorkomen of het bestrijden van microbiologische verontreiniging in brandstoftanks en brandstofsystemen van vliegtuigen; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528); BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van het voorkomen of het bestrijden van microbiologische verontreiniging in brandstoftanks en brandstofsystemen van vliegtuigen, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528), voor het onder voorwaarden op de Nederlandse markt aanbieden en gebruiken van de biocide Biobor JF, en - b). artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528) toegestaan dat de in het onderdeel a genoemde biocide op de Nederlandse markt wordt aangeboden en gebruikt. Artikel 2 Aan de vrijstelling en toestemming, bedoeld in [artikel 1, onderdelen a onderscheidenlijk b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051098&artikel=1&z=2025-06-12&g=2025-06-12), zijn de in de bijlage bij d"},{"i":15445,"b":"Vernieuwd instellingsbesluit marinemedaille Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. varend schip: elk schip in operationele dienst van een varende krijgsmacht of kustwacht, uitgezonderd een duikvaartuig, logements- of wachtschip; - b. vliegtuigsquadron: elke operationeel squadron, met inbegrip van een opleidingssquadron; - c. operationele eenheid van het korps mariniers: - 1°. de bij de Directie Operaties Commando Zeestrijdkrachten ingedeelde marinierseenheden; of - 2º. een eenheid van het korps mariniers die op grond van haar operationele aard met een operationele eenheid als bedoeld onder 1° vergelijkbaar is of was; - d. de militair: de militair, ingedeeld bij de Koninklijke marine; - e. werkelijke dienst: de tijd gedurende welke de militair is aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht terwijl hij niet op non-activiteit is gesteld en hem geen buitengewoon verlof van lange duur is verleend als bedoeld in [artikel 87 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=87), dan wel de tijd gedurende welke de militair is aangesteld bij het reservepersoneel van de krijgsmacht en hij als zodanig feitelijk onder de wapenen is. Artikel 2 Ingesteld wordt de marinemedaille. Artikel 3 1. De medaille is cirkelvormig met een middellijn van 35 mm en vervaardigd van bronskleurig metaal. De voorzijde van de medaille vertoont het westelijk halfrond met een onklaar anker, voorzien van de kroon, oprijzend uit de Atlantische Oceaan; de achterzijde vertoont het rijkswapen. 2. De medaille is door middel van een ring verbonden aan een moiré lint. Het lint, 27 mm breed, is Nassau-blauw, met in het midden een lichtblauwe baan van 4 mm breed, aan het linker boord een groene baan van 4 mm breed en aan het rechter boord een gele baan van 4 mm breed. Artikel 4 1. De marinemedaille wordt toegekend aan de militair die op of na 18 januari 1985 in werkelijke dienst is en die op of na 1 januari 2004 over tenminste"},{"i":15510,"b":"Vervangingsbesluit retrospectieve archiefbescheiden Raad voor de Kinderbescherming 2024 Gelet op: De regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161 (10265), tot wijziging van de Archiefregeling in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; [Artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); [Artikel 26a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26a) en [26b van de Archiefregeling 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b). Besluit(en): Artikel 1 1. Over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van de vigerende ‘[Selectielijst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en rechtsvoorgangers vanaf 5 mei 1945](onbekend)’ voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. Waarbij het analoge archiefbescheiden betreft die ontstaan zijn in de periode januari 1905 t/m december 2018, die vervangen worden vanaf de inwerkingtreding van dit Vervangingsbesluit. 3. Vervanging geschiedt op de wijze, zoals omschreven in het ‘Handboek Vervanging Retrospectieve Archiefbescheiden Raad voor de Kinderbescherming deel B 2024’ i.c.m. het generieke ‘Handboek Vervanging Archieven JenV – 2022_v2.01 deel A’. 4. Het publiceren van het handboek op [www.kinderbescherming.nl](http://www.kinderbescherming.nl) ter inzage voor burgers en andere organisaties. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: ‘Vervangingsbesluit retrospectieve archiefbescheiden Raad voor de Kinderbescherming 2024’. Bijlage 1. Handboek Vervanging Archieven JenV – 2022_v2.01 deel A **Handboek Vervanging Retrospectieve Dossiers Raad voor de Kinderbescherming deel B 2024:** **januari 1905 – december 2018** Versie: 1.0 Datum: 13-"},{"i":15449,"b":"Verordening beroeps- en gedragsregels Overwegende dat het gewenst is beroeps- en gedragsregels vast te stellen; Gelet op de [artikelen 61 lid 2 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=61); Gezien het ontwerp van het bestuur met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de kamers van toezicht; Gelet op de adviezen van de ringen; stelt de navolgende verordening vast: Eer en aanzien van het notariaat Artikel 1 Eigen taak notaris Artikel 2 Ook indien een opdrachtgever anders zou verlangen, blijft de notaris gehouden de werkzaamheden te verrichten die hij in verband met de opdracht als notaris behoort te verrichten. Dit geldt ook wanneer door derden al werkzaamheden zijn verricht. Onderzoeksplicht registergoederen e.d. Artikel 3 1. Bij de levering van registergoederen en de vestiging daarop van beperkte rechten stelt de notaris een zodanig onderzoek in dat over de rechtstoestand van het registergoed zo min mogelijk onzekerheid bestaat. Hij vermeldt de gegevens die voor de rechtstoestand van belang zijn in de akte. De notaris draagt bij de levering van een registergoed zoveel mogelijk zorg dat de verkoper de koopsom ontvangt en het verkochte door de koper wordt verkregen overeenkomstig de gemaakte afspraken voor wat betreft de vrije en onbezwaarde levering. 2. Eenzelfde verplichting als in het eerste lid rust op de notaris bij de levering van aandelen op naam en bij de vestiging en levering van beperkte rechten op die aandelen. Voorlichting; dienstweigering Artikel 4 1. De notaris is gehouden alle partijen bij de rechtshandeling waarvoor zijn tussenkomst is ingeroepen voor te lichten met betrekking tot de gevolgen van de handeling, voor zover de wet of de gewoonte dit van hem verlangt. 2. Onder andere gegronde redenen van dienstweigering als bedoeld in [artikel 21 lid 2 Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=21) werd begrepen dat de notaris weet of vermoedt dat misbruik wordt"},{"i":15451,"b":"Verordening bevordering vakbekwaamheid Overwegende dat de KNB tot taak heeft de bevordering van een goede beroepsuitoefening door de leden en van hun vakbekwaamheid; Gelet op [artikel 61 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=61); Gezien het ontwerp van het bestuur met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de kamers van toezicht; Gelet op de adviezen van de ringen; stelt de navolgende verordening vast: Artikel 1 Ieder lid van de KNB is verplicht zich zodanig te scholen en bij te scholen op vakinhoudelijk gebied, op het gebied van het notarieel management en op het gebied van de notariële dienstverlening dat hij beschikt over de kennis die gezien zijn functie noodzakelijk is voor een goede beroepsuitoefening. Artikel 2 1. Aan de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011165&artikel=1&z=2000-10-01&g=2000-10-01) neergelegde verplichting is in beginsel voldaan als een lid van de KNB binnen telkens twee kalenderjaren een door het bestuur van de KNB vast te stellen aantal opleidingspunten heeft behaald. 2. Het bestuur van de KNB houdt de behaalde opleidingspunten bij. Ieder lid heeft recht op inzage van de door hem behaalde opleidingspunten. Artikel 3 1. Het bestuur van de KNB bepaalt het aantal opleidingspunten dat aan een onderwijsvorm wordt toegekend. 2. Bij reglement worden de met de toekenning van opleidingspunten samenhangende onderwerpen nader geregeld alsmede de vrijstelling voor het behalen van opleidingspunten en op welke wijze een vrijstelling wordt verleend. 3. Over het ontwerp van het reglement wordt de ledenraad geraadpleegd. Het reglement wordt zo spoedig mogelijk na vaststelling ter kennis van het ministerie van Justitie gebracht. Artikel 4 Deze verordening wordt aangehaald als Verordening bevordering vakbekwaamheid. Artikel 5 Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2000 of zoveel later als de termijn van tien dagen na publicatie in de Staatscourant als bedoel"},{"i":15452,"b":"Verordening van de Sociaal-Economische Raad van 21 november 2003 houdende regelen terzake van de bezoldiging van de voorzitter, de leden en de secretaris van een tuchtgerecht op grond van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2002 (Verordening bezoldiging tuchtgerechten PBO) Gelet op [artikel 36 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=36); Gelet op [artikel 13, derde lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016341&artikel=13); Gehoord de Bestuurskamer; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2002 in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - a. tuchtgerecht: een tuchtgerecht als bedoeld in [artikel 7 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016341&artikel=7); - b. Raad: Sociaal-Economische Raad; - c. Bestuurskamer: commissie van de Raad, ingesteld op grond van [artikel 19 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=19); - d. zitting: terechtzitting ter mondelinge behandeling van zaken. § 2. Bezoldiging Artikel 2 1. De bezoldiging van de voorzitter van een tuchtgerecht houdt in: - a. per jaar een bedrag ter hoogte van twee-, drie-, dan wel viermaal de voor leden van de Raad vastgestelde forfaitaire vergoeding voor representatiekosten, afhankelijk van het aantal zaken dat door het tuchtgerecht is behandeld in het kalenderjaar dat aan het desbetreffende jaar is voorafgegaan, overeenkomstig de tabel die als bijlage bij deze verordening is gevoegd; - b. per zitting een bedrag ter hoogte van driemaal de voor leden van de Raad vastgestelde vacatievergoeding; - c. per zaak die zonder zitting wordt afgedaan een bedrag ter hoogte van de helft van de voor leden van de Raad vastgestelde vacatievergoeding; en - d. een vergoeding voor reis- en verblijfkosten,"},{"i":15455,"b":"Verordening gedrags- en beroepsregels accountants Gelet op [artikel 19, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Overwegende dat het onderscheidend kenmerk van het accountantsberoep is de verantwoordelijkheid te handelen in het algemeen belang; Overwegende dat het algemeen belang is gediend met gedrags- en beroepsregels ten behoeve van een goede uitoefening van het accountantsberoep; Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. – Definities Artikel 1 In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: - –. **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - –. **bedreiging:** onaanvaardbaar risico dat de accountant zich niet houdt aan de fundamentele beginselen als gevolg van eigenbelang, zelftoetsing, belangenbehartiging, vertrouwdheid of intimidatie; - –. **professionele dienst:** werkzaamheden waarvoor vakbekwaamheid als accountant wordt of kan worden aangewend; - –. **vakbekwaamheid:** beschikken over en kunnen toepassen van de noodzakelijke theoretische kennis van de vakgebieden, genoemd in [artikel 2 van het Besluit accountantsopleiding 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032724&artikel=2). Hoofdstuk 2. – Fundamentele beginselen Paragraaf 2.1. – Fundamentele beginselen voor de accountant Artikel 2 Om invulling te geven aan de verantwoordelijkheid van een accountant te handelen in het algemeen belang, houdt de accountant zich aan de volgende fundamentele beginselen: - a. professionaliteit; - b. integriteit; - c. objectiviteit; - d. vakbekwaamheid en zorgvuldigheid; en - e. vertrouwelijkheid. Artikel 3 1. Het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01) genoemde fundamentele beginsel professionaliteit is van toepassing op"},{"i":15503,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 februari 2015, nr. MinBuZa.2015.44528 met betrekking tot vervanging van archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen (Vervangingsbesluit BZ 2015) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); Besluit Artikel 1 De digitale vervanging van papieren archiefbescheiden heeft betrekking op alle te vernietigen en alle blijvend te bewaren archiefbescheiden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Artikel 2 De vervanging wordt al dan niet in eigen beheer uitgevoerd overeenkomstig het vervangingsproces zoals beschreven in de documenten die in het kader van het archiefbeheer door de Minister van Buitenlandse Zaken zijn vastgesteld. Artikel 3 1. De vervangen archiefbescheiden worden direct na vaststelling van de kwaliteit van de digitale reproductie vernietigd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de in de bijlage bij deze regeling beschreven categorieën van archiefbescheiden, die - a. alleen in papieren vorm bestaan, omdat die bescheiden technisch niet te digitaliseren zijn; of - b. wel gedigitaliseerd zijn, maar waarvan het papieren exemplaar wordt aangehouden vanwege bewijslast of het belang van de bedrijfsvoering. 3. Als de noodzaak tot het aanhouden van papieren exemplaren vanwege bewijslast of bedrijfsvoering vervalt, zullen van deze papieren archiefbescheiden slechts de digitale versies worden aangehouden en wordt de papieren versie voorafgaand aan overdracht naar een archiefbewaarplaats alsnog vernietigd. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage. als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036333&"},{"i":15458,"b":"Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten Gelet op [artikel 19, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Overwegende dat het maatschappelijk verkeer en met name de gebruikers van assurance-opdrachten het onafhankelijk uitvoeren van een assurance-opdracht essentieel vinden; Overwegende dat de voor een assurance-opdracht eindverantwoordelijke accountant de onafhankelijke uitvoering van de assurance-opdracht waarborgt; Overwegende dat het in het maatschappelijk belang soms noodzakelijk is invulling te geven aan de wijze waarop de eindverantwoordelijke accountant de onafhankelijke uitvoering waarborgt; Overwegende dat andere accountants zelf of via een nauwe persoonlijke relatie de onafhankelijke uitvoering van de assurance-opdracht niet mogen bedreigen; Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. – Definities Artikel 1 In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: - –. **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - –. **accountantsafdeling:** accountantsafdeling als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - –. **accountantseenheid:** accountantsafdeling of accountantspraktijk; - –. **accountantsorganisatie:** accountantsorganisatie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1); - –. **accountantspraktijk:** accountantspraktijk als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - –. **assurance-object:** object van onderzoek en de informatie omtrent het object van onderzoek; - –. **assurance-opdracht:** professionele dienst als bedoeld in [art"},{"i":15461,"b":"Besluit van het college van afgevaardigden van 4 december 2014 tot vaststelling van de verordening op de advocatuur (Verordening op de advocatuur) Overwegende dat het uit een oogpunt van kenbaarheid en vermindering van regels wenselijk is de bestaande verordeningen te harmoniseren, te vereenvoudigen en in een verordening te integreren; Gezien het voorstel van de algemene raad; Gelet op de [artikelen 4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=4), [9b, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9b), [9c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9c), [9j, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9j), [28, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=28), [32a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=32a), [36a, vijfde lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=36a); Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. Definities Afdeling 1.1. Definities Artikel 1.1. Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **advocaat:** de in Nederland ingeschreven advocaat; - **advocaat bij de Hoge Raad:** de advocaat, bedoeld in [artikel 9j, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9j); - **advocatenpas:** het door de Nederlandse orde van advocaten verstrekte authenticatiemiddel met een elektronische component dat een set van eigenschappen bevat waarmee toegang kan worden verleend tot bepaalde beveiligde internetdiensten; - **basistest:** de test, bedoeld in [artikel 3.14, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&hoofdstuk=3&afdeling=3.2&artikel=3.14&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **beoefenaar van een toegelaten vrij beroep:** een beroepsbeoefenaar als bedoeld in [artikel 5.4, eerste lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035"},{"i":15462,"b":"Verordening op de afdelingen en de kringen Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5), en [19, eerste lid, van de Wet op het accountsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. Het bestuur van de NBA deelt de in Nederland wonende leden in afdelingen in. 2. Op verzoek van een afdeling kan het bestuur van de NBA een kring instellen. 3. Een kring wordt gevormd door een deel van een afdeling. 4. Alle leden zijn lid van de afdeling, respectievelijk de kring, binnen welk gebied hun woonplaats ligt. 5. Op verzoek daartoe van een lid kan het bestuur van de NBA besluiten tot een indeling in een andere afdeling of kring. Artikel 2 Het doel van de afdelingen en de kringen is: - a. het versterken van de band tussen de leden van de NBA; - b. het meewerken aan de verwezenlijking van de in [artikel 3, onderdelen a tot en met c, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=3) omschreven taken van de NBA; - c. het bevorderen en in stand houden van de onderlinge gedachtewisseling over beroepsaangelegenheden. Artikel 3 1. De afdelingen en kringen benoemen uit hun midden een bestuur dat ten minste bestaat uit drie personen. 2. Het afdelings- en kringbestuur kiest uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester. 3. De bestuursleden worden benoemd voor drie jaren. Herbenoeming is tweemaal mogelijk. 4. Jaarlijks treedt een deel van de bestuursleden af volgens een door het afdelings- en kringbestuur vast te stellen rooster. Het rooster wordt zodanig ingericht, dat voor zover mogelijk, telkens hetzelfde aantal bestuursleden aftreedt. Artikel 4 De afdelings- en kringbesturen kunnen ter realisering van het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033790&artikel=2&z=2013-07-01&g=2013-07-01) genoemde doel vergaderingen uitsc"},{"i":15464,"b":"Verordening op de beroepseed voor accountants Gelet op de [artikelen 3, onderdeel a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=3) en [19, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - **accountantsregister:** accountantsregister als bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=36); - **beroepseed:** eed of belofte als bedoeld in [artikel 2, eerste, lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037990&artikel=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01); - **contributiegroep H, L, M of Z:** contributiegroep H, L, M of Z als bedoeld in [artikel 2 van de Algemene contributieverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033789&artikel=2); - **diploma-uitreiking:** door de NBA georganiseerde gelegenheid tijdens welke aan een groep van aspirant-ingeschrevenen de getuigschriften, bedoeld in [artikel 47 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=47), worden uitgereikt; - **maatregel van tijdelijke doorhaling:** maatregel van tijdelijke doorhaling als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel d van de Wet tuchtrechtspraak accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024238&artikel=2); - **praktijkopleiding:** praktijkopleiding als bedoeld in [artikel 47 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=47); - **aspirant-ingeschrevene:** degene die het examen ter afronding van de praktijkopleiding heeft afgelegd, maar nog niet is ingeschreven in het accountantsregister; - **wet:** [Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573). Artikel 2 1. Een accountant legt de volgende eed of belofte af: ‘Ik ben mij ervan bewust dat ik als accountant dien te"},{"i":15509,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 5 april 2017, kenmerk DP&O/17/2063854 houdende de digitale vervanging van de personele archiefbescheiden van medewerkers van het bestuursdepartement van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden VenJ BD) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) en [artikel 3, eerste lid van de Regeling digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Justitie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op schriftelijke archiefbescheiden die behoren of zullen gaan behoren tot het personeelsdossier van personeelsleden van het Bestuursdepartement als bedoeld in [artikel 1 onder e van het Organisatiebesluit Ministerie van Veiligheid en Justitie 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036820&artikel=1). Deze vervanging betreft alle schriftelijke archiefbescheiden die betrekking hebben op personeelsinformatie en salarisgegevens zoals beschreven in het Basisselectiedocument P-dossier is Mens-en-werk. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt overeenkomstig de specificaties en instellingen genoemd in de bijlage bij dit besluit en op de wijze zoals beschreven in het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 De digitale reproductie wordt uitgevoerd door P-Direkt van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden VenJ BD. Bi"},{"i":15466,"b":"Verordening op de geldelijke bijdragen praktijkopleidingen Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5) en [47, tweede lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=47); Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - –. **CPB:** Centraal Planbureau, bedoeld in [artikel 2, eerste lid van de Wet voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002029&artikel=2); - –. **NBA stagebureau:**stagebureau, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Verordening op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=5); - –. **praktijkopleiding:** praktijkopleiding als bedoeld in [artikel 47 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=47); - –. **praktijkopleiding AA:** praktijkopleiding AA als bedoeld in de [Verordening op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795); - –. **praktijkopleiding RA:** praktijkopleiding RA als bedoeld in de [Verordening op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795); - –. **rapportage:** rapportage als bedoeld in [artikel 12, tweede lid van de Verordening op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=12); - –. **referaat:** door de trainee in het derde praktijkopleidingsjaar te houden mondelinge presentatie over een daaraan door de trainee ten grondslag gelegde casusbeschrijving; - –. **trainee:** natuurlijk persoon die de praktijkopleiding volgt. Geldelijke bijdragen praktijkopleidingen algemeen Artikel 2 1. Kandidaten die aan de praktijkopleiding willen deelnemen zijn eenmalig een deelnamebijdrage van € 915,– verschuldigd. 2. Trainees zijn na verloop van vijf jaren na de aanvang van de praktijkopleiding een jaarlijkse bijdrage van € 255,– versc"},{"i":15469,"b":"Verordening op de kosten kwaliteitsbeoordelingen Gelet op de [artikelen 19, eerste lid en 19, tweede lid, onderdeel h van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Overwegende dat per 1 januari 2017 de [Nadere voorschriften kwaliteitssystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038869) in werking zijn getreden en dat deze vanaf 1 januari 2018 van invloed zijn op de uitvoering van toetsingen door de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants; Overwegende dat de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants op grond van [artikel 30, tweede lid van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=30) de kosten van de werkzaamheden die zij verricht ter beoordeling van de kwaliteit van de beroepsuitoefening van een accountant in rekening kan brengen bij haar leden of de kantoren waarbij deze leden werkzaam zijn; Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: - **aan assurance verwante opdracht:** aan assurance verwante opdracht als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - **accountantsafdeling:** accountantsafdeling als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - **accountantseenheid:** accountantseenheid als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034652&artikel=1); - **accountantspraktijk:** accountantspraktijk als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - **assurance-opdracht:** a"},{"i":15508,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 oktober 2017, nr. MinBuZa.2017.1075087 met betrekking tot digitale vervanging van personele archiefbescheiden (Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden BZ) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) en [artikel 2, derde lid, onder a en onder c van het Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 december 2013, HDPO/AR-464/13 tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034505&artikel=2) (Stcrt. 2013, 36300); Besluit: Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op routinematige vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van het **BSD ‘Mens en Werk’** voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit en op de wijze zoals beschreven in het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers onderhouden en beheerd door P-Direkt van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 De digitale reproductie wordt uitgevoerd door P-Direkt. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden BZ. Bijlage Deze bijlage bevat de eisen waaraan de uitvoering van het vervangingsproces ten minste zal voldoen, een en ander overeenkomstig [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b). [Artikel 26b van de Archiefregeling](h"},{"i":15472,"b":"Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen Gelet op [artikel 19, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Overwegende dat per 1 januari 2017 de Nadere voorschriften kwaliteitssystemen in werking zijn getreden en dat deze vanaf 1 januari 2018 van invloed zijn op de uitvoering van toetsingen door de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants; Overwegende dat de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants op grond van [artikel 30, tweede lid van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=30) de kosten van de werkzaamheden die zij verricht ter beoordeling van de kwaliteit van de beroepsuitoefening van een accountant in rekening kan brengen bij haar leden of de kantoren waarbij deze leden werkzaam zijn; Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - **aan assurance verwante opdracht:** aan assurance verwante opdracht als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - **aanwijzing:** bindende instructie ten aanzien van het herstel van een geconstateerde tekortkoming; - **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - **accountantsafdeling:** accountantsafdeling als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - **accountantseenheid:** accountantseenheid als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034652&artikel=1); - **accountantsorganisatie:** accountantsorganisatie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1); - **accou"},{"i":15486,"b":"Verordening van de Sociaal-Economische Raad van 15 september 2000 houdende regelen krachtens welke de afgifte plaatsvindt van de in artikel 4, achtste lid, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf bedoelde verklaringen (Verordening Verklaringen Vakbekwaamheid Assurantiebemiddelingsbedrijf 2000) Gelet op [artikel 36 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=36); Gelet op [artikel 4, achtste lid, laatste volzin, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=4); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: | 1. | de raad: | de Sociaal-Economische Raad; | | --- | --- | --- | | 2. | de wet: | de [Wet assurantiebemiddelingsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993); | | 3. | verklaring: | de verklaring bedoeld in [artikel 4, achtste lid, tweede volzin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=4), inhoudende dat degene op wiens naam de verklaring is gesteld, voldoet aan hetzij de vakbekwaamheidseisen bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=4), hetzij de vakbekwaamheidseisen bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=4). | § 2. Verklaringen Artikel 2 De raad geeft een verklaring op hun aanvraag af aan degenen die bij de afgifte een onmiddellijk redelijk belang hebben en tevens voldoen aan de in deze verordening omschreven vereisten. Artikel 3 De raad geeft een verklaring slechts af indien de aanvrager, gezien zijn persoonlijke omstandigheden, in het verleden redelijkerwijs niet in de gelegenheid is geweest een hetzij krachtens [artikel 4, achtste lid, eerste volzin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=4), hetzij krachtens [artikel 5, derde lid, eerste volzin, van de Wet Assurantiebemiddeling 1952](onbekend) aangewezen examendi"},{"i":15488,"b":"Verrekenprijsbesluit 2022 **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit wordt nadere invulling gegeven aan de toepassing van het zogenoemde arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in 2002 door het opnemen van artikel 8b Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969).1In artikel 3.2 Wet bronbelasting 2021 is het arm’s-lengthbeginsel ook gecodificeerd. Waar in dit besluit het arm’s-lengthbeginsel wordt uitgelegd geldt dat ook voor artikel 3.2 Wet bronbelasting 2021.** **Binnen de OESO2Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.-lidstaten bestaat overeenstemming omtrent het arm’s-lengthbeginsel zoals dat is opgenomen in artikel 9 van het OESO-modelverdrag. Dit is van nadere invulling voorzien in het OESO-commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en in de OESO-richtlijnen.** **De OESO-richtlijnen spreken veelal van een multinationale onderneming (‘Multinational Enterprise’ of MNE). Een multinationale onderneming is in de OESO-richtlijnen gedefinieerd als een lichaam dat onderdeel is van een MNE-groep. Een MNE-groep wordt vervolgens gedefinieerd als een groep van gelieerde lichamen die in twee of meer landen opereren. Waar in dit besluit over groep wordt gesproken, wordt bedoeld een groep van gelieerde lichamen die nationaal en/of internationaal opereren.** **Waar in dit besluit wordt verwezen naar paragrafen, hoofdstukken of onderdelen wordt gedoeld op verwijzingen naar de OESO-richtlijnen 2022, tenzij anders vermeld.** 1. Inleiding 1.1. Gebruikte afkortingen en termen 1.2. Aanleiding van het besluit Dit besluit vervangt het [besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 april 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040893), nr. 2018-6865, **Stcrt.** 2018, 26874. Dit besluit geeft onder andere aandacht aan recente ontwikkelingen die hebben geleid tot wijzigingen in de OESO-richtlijnen. Voor zover deze wijzigingen een nadere verduidelijking betreffen van"},{"i":15489,"b":"Verstrekkings- en gebruikersvoorwaarden voor nationale aanvragers en ontvangers van informatie via het Europees voertuig- en rijbewijs-informatiesysteem (EUCARIS) 2023 Gelet op de, door de General Assembly van EUCARIS als bedoeld in artikel 19 van het Verdrag in 2018 besproken en op de jaarlijkse vergadering in 2019 door EReg vastgestelde, principes voor internationale gegevensuitwisseling, treedt de Dienst Wegverkeer (RDW) voor de uitwisseling van voertuig- en rijbewijsgegevens via het systeem EUCARIS als nationaal contactpunt op van Nederland. Uit dien hoofde is de RDW belast met het aansluiten van nationaal bevoegde autoriteiten uit Nederland op EUCARIS en het uitwisselen van informatie met andere nationale contactpunten en nationaal bevoegde autoriteiten uit Nederland op basis van Europese verdragen, richtlijnen of nationale wetgeving. Aanvragen om informatie van Nederlandse nationaal bevoegde autoriteiten en verstrekkingen van informatie via EUCARIS aan Nederlandse nationaal bevoegde autoriteiten, vinden plaats conform de doeleinden en voorwaarden genoemd in de van toepassing zijnde internationale en nationale wet- en regelgeving en deze voorwaarden. Iedere Nederlandse nationaal bevoegde autoriteit die informatie aanvraagt via EUCARIS conformeert zich aan deze voorwaarden. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **Aanvraag om informatie:** het verzoek van een aanvrager om informatie uit het register van een buitenlandse partij. - **Aanvrager:** de nationaal bevoegde autoriteit die RDW verzoekt om informatie en/of gegevens via EUCARIS ter beschikking te stellen. - **Algemene verordening gegevensbescherming of AVG:** de [Verordening (EU) 2016/679](32016R0679) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](3199"},{"i":15490,"b":"Vervallenverklaring tenaamstellingen kentekenregister 16 december 2025 JBZ/25.0107053 **De directie van de RDW maakt bekend dat de tenaamstelling van een aantal voertuigen in het kentekenregister waarvan de eigenaar of houder niet langer ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel, vervallen zal worden verklaard.** De tenaamstellingen worden vervallen verklaard, omdat naar het oordeel van de directie van de RDW is gebleken dat de rechtspersonen die als eigenaar of houder bij de betreffende voertuigen staan geregistreerd niet in ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel. Vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de bewaking van de zuiverheid van het kentekenregister als basisregistratie is de RDW van oordeel dat de zuiverheid van het kentekenregister is gediend met het vervallen verklaren van de hier bedoelde tenaamstellingen. Op 15 oktober 2025 is middels een voorgenomen besluit, dit besluit kenbaar gemaakt. In het voorgenomen besluit stond dat de voertuigen voor 15 januari 2026 moesten worden overgeschreven. Daarnaast bestond de mogelijkheid om voor 15 januari 2026 een zienswijze in te dienen tegen het voorgenomen besluit. Dit alles leidt tot het navolgende besluit. BESLUIT: Om de tenaamstelling van de betreffende voertuigen waarvan de eigenaar of houder blijkens de Kamer van Koophandel op 1 juli 2025 of eerder geen actuele inschrijving in de Kamer van Koophandel meer heeft, vervallen te verklaren met ingang van 15 januari 2026. De vervallenverklaring van een tenaamstelling heeft tot gevolg dat met het betreffende voertuig geen gebruik meer mag worden gemaakt van de openbare weg. Is er een nieuwe eigenaar of houder voor de voertuigen, dan kunnen deze alsnog worden overgeschreven. Overschrijving van een voertuig is mogelijk via de website van de RDW, bij een kentekenloket, een RDW-keuringsstation of een RDW-balie. Geregistreerde eigenaren of houders die dit besluit willen inzien of na willen gaan of dit besluit betrekking heeft op hun voertuig, kunnen contact op"},{"i":15491,"b":"Vervanging archiefbescheiden Centrale Bewaarplaats Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) en gelet op de machtiging afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, d.d. 20-4-2000, kenmerk R&B/OSTA/2000/529; Besluit: Over te gaan tot vervanging van archiefbescheiden uit de Centrale Bewaarplaats - de Centrale Justitiële Documentatiedienst - voor de Dubbelen van de Burgerlijke Stand. De vervanging van de archiefbescheiden vindt plaats door middel van microverfilming volgens de standaardeisen substitutieverfilming van het Nationaal Archief, conform het Handboek Dubbelen Burgerlijke Stand (versie april 2000). De originele archiefbescheiden zullen aansluitend vernietigd worden. De vervanging betreft de volgende archiefbescheiden: De gevormde of nog te vormen Dubbelen van de akten van de Burgerlijke Stand over de periode 2000-2009 van alle gemeenten in Nederland. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15493,"b":"Vervanging inschrijvingsregisters Kadaster Breda door microfoto's Gelet op [artikel 9 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=9) (Stb. 1991, 570). Besluit: Artikel 1 De inhoud van het register van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, gehouden aan het kantoor van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te Breda, wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van microfoto's, voor zover het betreft de van 30 december 1989 tot en met 3 januari 1991 verschenen delen van het register Hypotheken 4, zijnde de delen 8006 tot en met 8287. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 november 1992. Zij wordt opgenomen in de Staatscourant."},{"i":15494,"b":"Vervanging openbare registers door microfoto's (Kadaster Amsterdam en Breda) Gelet op [artikel 9 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=9) (Stb. 1991, 570), Besluit: Artikel 1 De inhoud van het register van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, gehouden aan het kantoor van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te Breda, wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van microfoto's, voor zover het betreft de van 4 januari 1991 tot en met 9 januari 1992 verschenen delen van het register Hypotheken 4, zijnde de delen 8288 tot en met 8563. Artikel 2 De inhoud van het register van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, gehouden aan het kantoor van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te Amsterdam, wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van microfoto's, voor zover het betreft de van 30 december 1989 tot en met 7 januari 1992 verschenen delen van het register Hypotheken 4, zijnde de delen 9883 tot en met 10776. Artikel 3 De inhoud van het register van inschrijving van feiten die betrekking hebben op schepen en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, gehouden aan het kantoor van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te Amsterdam, wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van microfoto's, voor zover het betreft: - a. de tot 1 januari 1992 verschenen delen van de registers Hypotheken 4 voor de inschrijving van de verzoeken tot teboekstelling van schepen; - b. de van 1 juli 1948 tot en met 31 maart 1950 verschenen delen van het register Hypotheken 3 voor de inschrijving van stukken inzake hypotheken en beslagen, alsmede inzake alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die betrekking hebben op hypotheken en beslagen; - c. de tot 1 januari 1992 verschenen delen van het register Hypotheken 4 voor de in"},{"i":15485,"b":"Verordening tot wijziging van de Verordening op de praktijkrechtspersoon Overwegende, dat het gewenst is de Verordening op de praktijkrechtspersoon aan te passen met betrekking tot de eisen voor benoembaarheid van bestuurders die geen advocaat zijn of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep; Gezien het ontwerp van de Algemene Raad; Gelet op [Artikel 28 van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=28); Stelt de volgende verordening vast: Artikel I Wijzigt de Verordening op de praktijkrechtspersoon. Artikel II Wijzigt de Verordening op de praktijkrechtspersoon. Artikel III Wijzigt de Verordening op de praktijkrechtspersoon. Artikel IV Wijzigt de Verordening op de praktijkrechtspersoon. Artikel V Wijzigt de Verordening op de praktijkrechtspersoon. Artikel VI Binnen een termijn van vier jaar na inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening brengt de Algemene Raad aan het College van Afgevaardigden verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van deze wijzigingsverordening in de praktijk. De Algemene Raad rapporteert in elk geval over de mate waarin gebruik is gemaakt van de bij deze wijzigingsverordening geboden mogelijkheid om een bestuurder te benoemen die geen advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep is. Artikel VII Deze verordening treedt in werking op een nader door de Algemene Raad te bepalen tijdstip.1De verordening treedt in werking op 1 januari 2011 (Besluit Algemene Raad van 6 december 2010)."},{"i":15500,"b":"Vervanging openbare registers door microfoto's Gelet op [artikel 9 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=9), Besluit: Artikel 1 De inhoud van de registers van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, gehouden aan de kantoren van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te Alkmaar, Arnhem, Assen, Eindhoven, 's-Gravenhage, Groningen, Leeuwarden, Lelystad, Middelburg, Roermond en Utrecht, wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van microfoto's, voor zover het betreft: - a. de van 5 januari 1990 tot en met 31 december 1992 verschenen delen van het register Hypotheken 4 van het genoemde kantoor te Alkmaar, zijnde de delen 5971 tot en met 6804; - b. de van 1 januari 1992 tot en met 7 juli 1993 verschenen delen van het register Hypotheken 4 van het genoemde kantoor te Arnhem, zijnde de delen 11093 tot en met 12160; - c. de van 3 januari 1989 tot en met 5 januari 1993 verschenen delen van het register Hypotheken 4 van het genoemde kantoor te Assen, zijnde de delen 4461 tot en met 5135; - d. de van 27 september 1988 tot en met 31 december 1992 verschenen delen van het register Hypotheken 4 van het genoemde kantoor te Eindhoven, zijnde de delen 8504 tot en met 10165; - e. de van 30 december 1989 tot en met 5 januari 1993 verschenen delen van het register Hypotheken 4 van het genoemde kantoor te 's-Gravenhage, zijnde de delen 8941 tot en met 10296; - f. de van 5 januari 1990 tot en met 8 januari 1993 verschenen delen van het register Hypotheken 4 van het genoemde kantoor te Groningen, zijnde de delen 4452 tot en met 4985; - g. de van 9 januari 1990 tot en met 29 juni 1993 verschenen delen van het register Hypotheken 4 van het genoemde kantoor te Leeuwarden, zijnde de delen 6485 tot en met 7300; - h. de van 1 januari 1991 tot en met 6 januari 1993 verschenen delen van het register Hypotheken 4 van het genoemde kantoor te Lelystad, zijnde d"},{"i":15519,"b":"Wet van 23 oktober 2024 tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen hoofdzakelijk op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Verzamelwet BZK 20XX) Artikel I. [Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) Wijzigt de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers. Artikel II. [Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045388) Wijzigt de Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2021. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III. [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IV. [Evaluatiewet Wfpp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047385) Wijzigt de Evaluatiewet Wfpp. Artikel V. [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) Wijzigt de Gemeentewet. Artikel VI. [Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142) Wijzigt de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel VII. [Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458) Wijzigt de Alcoholwet. Artikel VIII. [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) Wijzigt de Wet op de kansspelen. Artikel IX. [Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466) Wijzigt de Wet veiligheidsregio’s. Artikel X. [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) Wijzigt de Provinciewet. Artikel XI. [Kadasterwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043565) Wijzigt de Kadasterwet BES. Artikel XII. [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) Wijzigt de Kieswet. Artikel XIII. [Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212) Wijzigt de Tijdelijke expe"},{"i":15520,"b":"Wet van 15 december 2021, houdende herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (Verzamelwet EZK 2022) Artikel I. ([Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203)) Wijzigt de Aanbestedingswet 2012. Artikel II. ([Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III. ([Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440)) Wijzigt de Gaswet. Artikel IV. ([Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777)) Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel V. ([Handelsregisterwet 2009 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028503)) Wijzigt de Handelsregisterwet 2009 BES. Artikel VI. ([Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043)) Wijzigt de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt. Artikel VII. ([Klimaatwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042394)) Wijzigt de Klimaatwet. Artikel VIII. ([Machtigingswet oprichting Invest-NL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042840)) Wijzigt de Machtigingswet oprichting Invest-NL. Artikel IX. ([Vorderingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002393)) Wijzigt de Vorderingswet. Artikel X. ([Waarborgwet 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284)) Wijzigt de Waarborgwet 2019. Artikel XI. ([Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729)) Wijzigt de Warmtewet. Artikel XII. ([Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586)) Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel XIII. ([Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728)) Wijzigt de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. Artikel XIV. ([Wet"},{"i":15524,"b":"Wet van 4 november 2020 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en van de Arbeidstijdenwet (Verzamelwet IenW 2019) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671), de [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009), de [Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338), de [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108), de [Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458), de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555), de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), de [Wet overleg infrastructuur en milieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008410), de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470), de [Wet scheepsuitrusting 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038498), en de [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800) wijzigingen, bijstellingen en technische verbeteringen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel aI Wijzigt de Aanvullingswet geluid Omgevingswet. Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Arbeidstijdenwet. Artikel III Wijzigt de Binnenvaartwet. Artikel IV Wijzigt de Drinkwaterwet. Artikel IVa Wijzigt de Omgevingswet. Artikel V Wijzigt de Waterschapswet. Artikel VI Wijzigt de Waterwet. Artikel VII Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel VIII Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel IX Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel X Wijzigt de Wet overleg infrastructuur en"},{"i":15525,"b":"Wet van 26 mei 2021 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Verzamelwet IenW 2020) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat de [Aanvullingswet geluid Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247), de [Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043371), de [Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338), de [Invoeringswet Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043660), de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402), de [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007), de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063), de [Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363), de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555), de [Luchtvaartwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028549), de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) en de [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800) worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel aI Wijzigt de Aanvullingswet geluid Omgevingswet. Artikel I Wijzigt de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet. Artikel aII Wijzigt de Drinkwaterwet. Artikel II Wijzigt de Invoeringswet Omgevingswet. Artikel III Wijzigt de Kernenergiewet. Artikel IV Wijzigt de Luchtvaartwet BES. Artikel V Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel VI Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel VII Wijzigt de Wet lokaal spoor. Artikel VIII Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel IX Wijzigt de Wet milieube"},{"i":15526,"b":"Wet van 5 april 2023, houdende wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Verzamelwet IenW 2021) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), de [Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338), de [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007), de [Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108), de [Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458), de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063), de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470), de [Wet van 3 december 2009 tot wijziging van enkele bijzondere wetten in verband met de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026877) (Stb. 2009, 542), de [Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218), en de [Wet zeevarenden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124), wijzigingen en technische verbeteringen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt de Drinkwaterwet. Artikel III Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel IV Wijzigt de Waterschapswet. Artikel V Wijzigt de Waterwet. Artikel VI Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel VII Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VIII Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel IX Artikel XVII van de [Wet van 3 december 2009 tot wijziging van enkele bijzondere wetten in verband met de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig be"},{"i":15527,"b":"Wet van 1 december 2011 tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Verzamelwet kinderopvang 2012) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enige wijzigingen in de [Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) Wijzigt de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Artikel II. Wijziging van de Wet van 20 november 2006 tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van de arbeidsverhoudingen en de arbeidsmarkt ([Verzamelwet arbeidsverhoudingen en arbeidsmarkt 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020681)) Wijzigt de Verzamelwet arbeidsverhoudingen en arbeidsmarkt 2006. Artikel III. Wijziging van de Wet van 31 januari 2008 tot wijziging van de Wet kinderopvang en enige andere wetten in verband met het herstel van enkele onvolkomenheden in de Wet kinderopvang en het opnemen van een klachtenregeling voor oudercommissies in die wet alsmede in verband met de overgang van het beleidsterrein kinderopvang naar het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Wijzigt de Wijzigingswet Wet kinderopvang, enz. (herstel onvolkomenheden, opnemen klachtenregeling en overgang beleidsterrein kinderopvang). Artikel IV. Wijziging [Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) in verband met wetsvoorstel Wet revitalisering generiek toezicht Wijzigt de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Artikel V. Wijziging van de [Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":15532,"b":"Wet van 1 december 2011 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2012) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enige wijzigingen in de wetgeving op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IV. [Arbeidsgeschillenwet 1946 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028178) Wijzigt de Arbeidsgeschillenwet 1946 BES. Artikel V. [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel VI. [Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304) Wijzigt de Cessantiawet BES. Artikel VII. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VIII. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel IX. [Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387) Wijzigt de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES. Artikel X. [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel XI. [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel XII"},{"i":15538,"b":"Wet van 17 oktober 2018 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alsmede enkele wetten van andere ministeries (Verzamelwet SZW 2019) Artikel I. [Algemene kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene kinderbijslagwet. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Algemene ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene ouderdomswet. Artikel IV. [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel V. [Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7A. Artikel Va. [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) Wijzigt de Faillissementswet. Artikel VI. [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel VII. [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424) Wijzigt de Remigratiewet. Artikel VIII. [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel IX. [Verzamelwet SZW 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038831) Wijzigt de Verzamelwet SZW 2017. Artikel X. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel XI. [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) Wijzigt de Wet algemene ouderdomsverzekering BES. Artikel XII. [Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387) Wijzigt de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES. Artikel XIIa. [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel XIII. [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wi"},{"i":15545,"b":"Wet van 28 januari 2026 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in verband met verscheidene technische en kleine beleidsmatige wijzigingen (Verzamelwet SZW 2026) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enige wetstechnische en kleine beleidsmatige wijzigingen aan te brengen in de wetgeving van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel II. Wijziging van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel III. Wijziging van de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel IV. Wijziging van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel V. Wijziging van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VI. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel VII. Wijziging van de [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) Wijzigt de Wet algemene ouderdomsverzekering BES. Artikel VIII. Wijziging van de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel IX. Wijziging van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet arbeidsongeschik"},{"i":15546,"b":"Wet van 2 juli 2009 tot wijziging van een aantal wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW-wetgeving 2009) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om technische verbeteringen en enige andere wijzigingen in wetgeving op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel II. Wijziging van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel III. Wijziging van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel IV. Wijziging van de [Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019058) Wijzigt de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel V. Wijziging van de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel VI. Wijziging van de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) Wijzigt de Arbeidstijdenwet. Artikel VII. Wijziging van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel VIII. Wijziging van de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel IX. Wijziging van de [Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":15547,"b":"Wet van 18 mei 2016 tot wijziging van wetten teneinde misslagen en omissies in wetten op het terrein van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te herstellen, de broninhouding van eigen bijdragen voor beschermd wonen te kunnen voortzetten en het College bouw zorginstellingen op te heffen (Verzamelwet VWS 2016) § 1. Wetten van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Artikel I Wijzigt de Geneesmiddelenwet. Artikel II Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet. Artikel III Wijzigt de Jeugdwet. Artikel IV Wijzigt de Kaderwet VWS-subsidies. Artikel V (vervallen) Artikel VI Wijzigt de Opiumwet. Artikel VII Wijzigt de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Artikel VIII Wijzigt de Wet inzake bloedvoorziening. Artikel IX Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel X Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel XI Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel XII Wijzigt de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de medische hulpmiddelen. Artikel XV Wijzigt de Wet op de orgaandonatie. Artikel XVI Wijzigt de Wet toelating zorginstellingen. Artikel XVII Wijzigt de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal. Artikel XVIII Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel XIX Wijzigt de Veegwet VWS 2013. § 2. **Wetten van andere ministeries** Artikel XX Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel XXI Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel XXII Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel XXIII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1 en Boek 7. Artikel XXIV Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel XXV Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel XXVI Wijzigt de Wet Justitie-subsidies. Artikel XXVII Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel XXVIII Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Artikel XXIX Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere w"},{"i":15548,"b":"Wet van 3 oktober 2018 tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport teneinde misslagen en omissies te herstellen (Verzamelwet VWS 2018) § 1. Wetten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Artikel I Wijzigt de Tabaks- en rookwarenwet. Artikel II Wijzigt de Warenwet. Artikel III Wijzigt de Wijzigingswet 1988 Warenwet. Artikel IV 1. [Artikel II van de Wijzigingswet 1988 Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040825&artikel=II) vervalt. 2. Na inwerkingtreding van dit artikel berust het [Glasartikelenbesluit (Warenwet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002841) op [artikel 8, eerste lid, onder b, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8). 3. Na inwerkingtreding van dit artikel berust het [Spaanplaatbesluit (Warenwet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004021) op [artikel 4, eerste, tweede en derde lid, van de Warenwe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4)t. 4. Na inwerkingtreding van dit artikel berust het [Besluit draagbaar klimmaterieel (Warenwet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003914) op de [artikelen 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7), [8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), en [14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14). Artikel V Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI Wijzigt de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg. Artikel VII Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIII Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IX Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IXa"},{"i":15550,"b":"Wet van 25 augustus 2023 tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Verzamelwet VWS 2022) Artikel I Wijzigt de Aanpassingswet Wet toetreding zorgaanbieders. Artikel II Wijzigt de Alcoholwet. Artikel IIa Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 8. Artikel III Wijzigt de Geneesmiddelenwet. Artikel IIIa Wijzigt de Gezondheidswet. Artikel IIIb Wijzigt de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel IV Wijzigt de Kaderwet VWS-subsidies. Artikel IVa Wijzigt de Tabaks- en rookwarenwet. Artikel IVb Wijzigt de Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES. Artikel V Wijzigt de Wet ambulancezorgvoorzieningen. Artikel Va Wijzigt de Wet beginselen gevangeniswezen BES. Artikel VI Wijzigt de Wet experiment gesloten coffeeshopketen. Artikel VII Wijzigt de Wet inzake bloedvoorziening. Artikel VIII Wijzigt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Artikel IX Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel X Wijzigt de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018. Artikel XI Wijzigt de Wet medische hulpmiddelen. Artikel XIa Wijzigt de Wet medisch tuchtrecht BES. Artikel XII Wijzigt de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel XV Wijzigt de Wet op de Raad voor volksgezondheid en samenleving. Artikel XVI Wijzigt de Wet op het RIVM. Artikel XVII Wijzigt de Wet toetreding zorgaanbieders. Artikel XVIIa Wijzigt de Wet tot regeling van het toezicht op krankzinnigen BES. Artikel XVIII Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel XVIIIa Wijzigt het Wetboek van Strafrecht BES. Artikel XVIIIb Wijzigt het Wetboek van Strafvordering BES. Artikel XIX Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel XX Wijzigt de Wijzigingswet Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten (nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht). Artikel XXI Wijzigt de Wet bevorderin"},{"i":6633,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en de Staatssecretaris van Economische Zaken, van 20 januari 2015, nr. IENM/BSK-2014/264068, tot wijziging van de Regeling vaststelling formulier vergunningaanvragen Wet bescherming Antarctica Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Besluit bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009867&artikel=2); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikelen I, onderdelen A, onder 2, B, C, E, F, G, H, onder 5, J en L en III, onder 2 en 3, van Wijzigingswet Wet bescherming Antarctica (Stb. 2014, 159) en artikel I, onderdelen B, onder 5, sub 2, 6, 7 en 8, F en G, van het Besluit van 22 april 2013, houdende wijziging van het Besluit bescherming Antarctica (implementatie van een viertal Maatregelen als bedoeld in artikel IX van het Verdrag inzake Antarctica, waarbij de bescherming van het Antarctisch gebied wordt uitgebreid) (Stb. 2014, 160) in werking treden. Artikel I Wijzigt de Regeling vaststelling formulier vergunningaanvragen Wet bescherming Antarctica. Artikel II Op aanvragen om een vergunning op grond van de [Wet bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009449) die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling blijft de [Regeling vaststelling formulier vergunningaanvragen Wet bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035069), zoals deze luidde tot dat tijdstip, van toepassing. Artikel III Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [artikelen I, onderdelen A, onder 2, B, C, E, F, G, H, onder 5, J en L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035082&artikel=I) en [III, onder 2 en 3, van de Wet van 26 april 2012 tot wijziging van de Wet bescherming Antarctica (implementatie van een viertal Maatregelen als bedoeld in artikel IX van het Verdrag inzake Antarctica, waarbij de bescherming van het Antarctisch gebied wordt uitgebreid)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035082&artikel=III) ("},{"i":4791,"b":"Loonheffingen, loon, vrijgesteld loon en vergoedingen en verstrekkingen **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 17 december 2014, nr. BLKB2014/1894M. Het nieuwe onderdeel 3.2.1 gaat nader in op het aanwijzen van vergoedingen en verstrekkingen als eindheffingsbestanddelen. Onderdeel 3.5 is verduidelijkt met twee voorbeelden. Onderdeel 4.2 is aangepast door het per 1 januari 2022 vervallen van de aftrek van scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting. De overige wijzigingen zijn van redactionele aard. Het voorgaande besluit wordt in dit besluit ingetrokken.** 1. Inleiding Naar aanleiding van vragen aan de Belastingdienst zijn de afgelopen jaren standpunten ingenomen over de fiscale duiding van arbeidsvoorwaarden. De vraag daarbij was, of er al dan niet sprake was van (belast) loon uit dienstbetrekking of een (gedeeltelijk) onbelaste vergoeding of verstrekking. De ingenomen standpunten zijn opgenomen in dit besluit. Dit besluit betreft beleid inzake de loonheffingen. Naast dit besluit hebben werkgevers de beschikking over het Handboek Loonheffingen en bijbehorende berichten op belastingdienst.nl. Dit is echter algemeen voorlichtingsmateriaal. Dat biedt niet precies dezelfde rechtszekerheid als een beleidsbesluit. Dit acht ik ongewenst voor werkgevers als zij bij het nakomen van hun inhoudingsplicht in redelijkheid afgaan op het Handboek Loonheffingen en bijbehorende berichten. Dat speelt met name bij standpunten die niet letterlijk zijn overgenomen uit de jurisprudentie of andere rechtsbronnen. Daarom volgt de Belastingdienst in zo’n geval de handelwijze van de werkgever. Dit is alleen anders als de verstrekte informatie zo duidelijk onjuist is dat de werkgever dat in redelijkheid moest beseffen. Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 17 december 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036072), nr. BLKB2014/1894M. De wijzigingen zijn grotendeels het gevolg van het ver"},{"i":3921,"b":"Besluit van 24 juni 1993, houdende regels betreffende de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vertegenwoordigers van de rampbestrijders overleg wordt gepleegd over de voorschriften die ter uitvoering van de Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders worden gesteld Op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken a.i., directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer van 14 april 1993, nr. EB93/733; Gelet op [artikel 46 van de Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005643&artikel=46); De Raad van State gehoord (advies van 28 mei 1993, nr. W04.93.0233); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer van 15 juni 1993, nr. EB93/1185; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. het overleg: het overleg, bedoeld in [artikel 46 van de Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005643&artikel=46); - b. de voorzitter: de voorzitter van het overleg; - c. de centrales: de centrales, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006028&artikel=2&z=1993-07-14&g=1993-07-14). Artikel 2 1. Aan het overleg nemen deel de voorzitter en een vertegenwoordiger van iedere centrale van overheidspersoneel, genoemd in artikel 105, tweede lid, onderdelen **a** tot en met **e**, van het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950). 2. Van de aanwijzing van een vertegenwoordiger doet de centrale mededeling aan de voorzitter. 3. Schorsing onderscheidenlijk intrekking van de toelating tot de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, bedoeld in [artikel 105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=105), heeft van rechtswege ten gevolge schorsing onderscheiden"},{"i":4611,"b":"Geweldsinstructie inrichtingen voor verpleging van ter beschikking gestelden Gelet op [artikel 30, vierde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=30); Gezien het advies van de Centrale Raad voor de Strafrechtstoepassing van 15 maart 2000, nr. 5014147/00TvdW/yr; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze instructie wordt verstaan onder: - a. **meerdere:** het personeelslid dat of de medewerker die uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel geeft over de taakuitvoering; - b. **eenheid:** een eenheid bij de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid van het onderdeel Landelijke Dienst Specialistische Taken van de Dienst Vervoer en Ondersteuning van de Dienst Justitiële Inrichtingen; - c. **geweld:** elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken; - d. **aanwenden van geweld:** het gebruiken van geweld of het dreigen met geweld, waaronder niet wordt begrepen het uit voorzorg ter hand nemen van een vuurwapen; - e. **geweldsmiddel:** - 1°. het semi-automatische schoudervuurwapen SIG SAUER MCX RATTLER, kaliber 7.62 x 35 millimeter; - 2°. de semi-automatische uitvoering van de FN SCAR, kaliber 7.62 x 35 millimeter; - 3°. een semi-automatisch pistool van het merk Walther P99Q, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter; - 4°. een korte of lange wapenstok van een door de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type; - 5°. CS-traangasgranaten of traangasverspreidende middelen van een door de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type. - f. **vrijheidsbeperkende middelen:** - 1°. handboeien van een door de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type; - 2°. een broekstok; - 3°. middelen als bedoeld in de [bijlage bij de Regeling toepassing mechanische middelen verpleegden](onbekend). - g. **het gebruik van een vuurwapen:** het trekken, het richten, het gericht houden en het daadwerkelijk"},{"i":4144,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 23 maart 2022 Min-BuZa.2022.11591-18, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Support International Business 2022–2026) Gelet op de [artikelen 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2, eerste lid, onderdeel c, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 7.2, eerste lid, onderdeel c, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) met het oog op subsidiëring van activiteiten ter bevordering van structureel internationaal ondernemen door Nederlandse MKB-ondernemingen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2026 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Support International Business 2022–2026 worden ingediend in meerdere openstellingen. 2. Aanvragen voor subsidie in de openstelling van het Subsidieprogramma Support International Business 2022–2026 voor 2022, met uitzondering van aanvragen voor subsidie voor Coaching als bedoeld in paragraaf 4.4.4. van de in de bijlage bij dit besluit vastgestelde beleidsregels, worden ingediend vanaf 1 april 2022 tot en met 31 december 2022, 15.00 uur Nederlandse tijd. 3. Aanvragen voor subsidie in de openstelling van het Subsidieprogramma Support International Business 2022–2026 voor 2022, voor Coaching als bedoeld in paragraaf 4.4.4. van de in de bijlage bij dit besluit vastgestelde beleidsregels, worden ingediend in de volgende ronden: - a. vanaf 1 april tot en met 30 juni 20"},{"i":3467,"b":"Besluit van 6 september 1949, tot uitvoering van artikel 11 der Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. 1947, H 420) Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken van 11 Juli 1949, No. 195194 Z., Directoraat-Generaal van Scheepvaart; Gelet op de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=11), en [20, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=20) (**Staatsblad** 1947, No. H 420); De Raad van State gehoord (advies van 2 Augustus 1949, no. 19); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 18 Augustus 1949, no. 201868 Z., Directoraat-Generaal van Scheepvaart; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: \"de wet\": de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035); «de Sociale verzekeringsbank»: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); \"gepensioneerde\": degene, aan wie een buitengewoon pensioen is toegekend; «kortingsinkomen»: het totaal van het inkomen uit werk en woning, bedoeld in [artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.1), en de feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen, verminderd met: - a. indien loon wordt genoten het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen: - 1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 per jaar en niet meer dan € 1605 per jaar; - 2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487 per jaar, en - b. het bedrag van het over het jaar 2000 toegepaste reiskostenforfait tot een maximum van € 939 per jaar, met dien verstande even"},{"i":5959,"b":"Besluit van 1 december 2020 tot wijziging van het Besluit beveiliging burgerluchtvaart in verband met de uitvoering van Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 (Pb EU 2008, L 97/72) en een andere verordening op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart (Uitvoeringsbesluit EG-verordening 300/2008) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, van 31 augustus 2020, nr. 3013245, directie Wetgeving en Juridische zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 37acb, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37acb), [37o, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37o), [37rb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37rb), [37rc, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37rc), [37rd, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37rd), [37re, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37re), en [76, eerste lid, onderdeel a, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=76); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 2020, no. W16.20.0325/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, van 26 november 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3065944, uitgebracht mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit beveiliging burgerluchtvaart. Artikel II Wijzigt het Besluit politiegegevens. Artikel III Wijzigt het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel IV Wijzigt het Besluit beveiliging burgerluchtvaart. Artikel V 1. Dit besluit, met uitzondering van [artikel IV](https://wetten.o"},{"i":3943,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 24 maart 2009 houdende verlening van mandaat tot verlening en vaststelling van subsidie op grond van de Engineering Regeling (Bestuursbesluit PT mandaatverlening Engineering Regeling 2009) gelet op [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:1) en [afdeling 10.1.1, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1), de [artikelen 71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=71) en [95 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [artikel 12 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); Gelet op het Subsidiebesluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 6 juli 2007, nr. TRCJZ/2007/2034; Overwegende dat het om redenen van doelmatigheid en efficiëntie wenselijk is binnen de grenzen van dit besluit gebruik te maken van de mandaatfiguur; Besluit: Artikel 1. - mandaatverlening - Mandaat te verlenen aan de secretaris van het Productschap Tuinbouw om in zijn naam te beslissen op aanvragen tot verlening en vaststelling van subsidie op grond van de Engineering Regeling. De secretaris is tevens bevoegd om de beslissingen te ondertekenen. Artikel 2. - procedure - De procedure welke leidt tot een beslissing van de secretaris is als volgt te omschrijven: - a. de aanvraag zal bij ontvangst worden behandeld en begeleid door de Stichting Technologiefonds Tuinbouw; - b. een eerste inhoudelijke toetsing vindt plaat door het toetsingscollege van de Stichting Technologiefonds Tuinbouw; - c. vervolgens vindt een programmatische toetsing plaats door het interne toetsingscollege van het Productschap Tuinbouw, de Project Advies Commissie (PAC) glas; - d. tenslotte vindt een finale inhoudelijke en juridische toetsing van een aanvraag plaats door de Unit Onderzoek van het Productschap Tuinbouw welke ook h"},{"i":15554,"b":"Wet van 11 februari 2012 tot vaststelling van regels omtrent de bijzondere zorgplicht voor veteranen (Veteranenwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen dat veteranen het Koninkrijk der Nederlanden als militair hebben gediend onder oorlogsomstandigheden dan wel door deelname aan een missie ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde; dat de erkenning door de Nederlandse samenleving van de verdiensten van veteranen en van de mogelijke gevolgen van de inzet als militair voor hun gezondheid, als ook de waardering die aan veteranen op grond van hun verdiensten toekomt, moeten worden bevorderd; dat de bijzondere zorg die veteranen en hun relaties in verband met de inzet als militair nodig hebben, moet worden gewaarborgd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goed gevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Defensie; - b. **militair:** de militair ambtenaar in werkelijke dienst als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wet ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1), waaronder mede begrepen de met militair beroepspersoneel gelijkgestelde geestelijke verzorgers; - c. **veteraan:** de militair, de gewezen militair, of de gewezen dienstplichtige, van de Nederlandse krijgsmacht, dan wel van het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger, alsmede degene die behoorde tot het vaarplichtig koopvaardijpersoneel, die het Koninkrijk der Nederlanden heeft gediend onder oorlogsomstandigheden dan wel heeft deelgenomen aan een missie ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde voor zover deze missie bij regeling van Onze Minister is aangewezen; - d. **inzet:** het dienen als militair onder oorlogsomstandigheden dan wel het"},{"i":3073,"b":"Besluit van 30 mei 2005, houdende bepalingen omtrent de wijze van bekendmaking van de beëindiging van de aanwijzing van een gedeelte van de krijgsmacht in verband met de mogelijkheid van het maken van een militair noodtestament (Besluit beëindiging mogelijkheid militair noodtestament defensie) Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 25 februari 2005, nr. C2005002042, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving; Gelet op [artikel 100 lid 2 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=100); De Raad van State gehoord (advies van 8 april 2005, nr. W07.05.0055/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 23 mei 2005, nr. C2005008025; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bekendmaking, bedoeld in [artikel 100 lid 2 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761&artikel=100), wordt door Onze Minister van Defensie gedaan door middel van een mededeling in de Staatscourant. Artikel 2 Het [koninklijk besluit van 10 augustus 1962, houdende uitvoering van artikel 993b, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002383) (Stb. 325), wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beëindiging mogelijkheid militair noodtestament defensie. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3074,"b":"Besluit van 28 september 1992, houdende begripsomschrijving van het indexcijfer der lonen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 14 juli 1992, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 220092/92/6; Gelet op artikel 402**a**, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek alsmede artikel II van de wet van 9 september 1992, **Stb.** 484, houdende wijziging van artikel 402**a** van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing indexeringsmechanisme); De Raad van State gehoord (advies van 31 juli 1992, no. W03.92.0326); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 22 september 1992, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 253962/92/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onder indexcijfer der lonen, bedoeld in artikel 402**a** van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, wordt verstaan het indexcijfer van cao-lonen per maand, inclusief bijzondere beloningen, zoals dat wordt berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek naar de stand op de laatste werkdag van elke kalendermaand en voor de eerste maal, al dan niet voorlopig, wordt bekendgemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Artikel 2 1. Dit besluit, alsmede de Wet van 9 september 1992, **Stb.** 484, houdende wijziging van artikel 402**a** van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing indexeringsmechanisme), treden in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin dit besluit wordt geplaatst en worden voor het eerst toegepast ter vaststelling van de wijziging bedoeld in artikel 402**a**, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die ingaat op 1 januari 1993. 2. Met ingang van de in het eerste lid genoemde datum vervalt het Besluit van 3 november 1982, **Stb.** 614, houdende begripsomschrijving indexcijfer der lonen en nadere regelen voor de indexering van uitkeringen voor levensonderhoud. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaat"},{"i":3077,"b":"Besluit van 24 mei 2002, houdende implementatie van richtlijn nr. 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269) (Besluit beheer autowrakken) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 5 november 2001, nr. MJZ2001120 768, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [richtlijn nr. 2000/53/EG](32000L0053) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269), de [artikelen 1.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), [8.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.2), [8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [8.44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.44), [8.45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.45), [10.15 tot en met 10.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.15), [10.22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.22), en [10.61 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.61) en [artikel 119a van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=119a); De Raad van State gehoord (advies van 22 maart 2002, nr. W08.01.0588/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 mei 2002, nr. MJZ2002043263, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover het betreft de onderdelen e en f in afwijking van [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), verstaan onder: - a. voertuig: - 1°. bedrijfsauto als bedoeld in de reg"},{"i":15567,"b":"Voorschrift Vreemdelingen 2000 in overeenstemming, voor zoveel nodig, met zijn ambtgenoten van Buitenlandse Zaken, Defensie en Financiën, Gelet op de [artikelen 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=6), [9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), [24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24), [25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33), [42, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=42), [47, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47), [50, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=50), [55, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55), [56. eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=56), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59), [62, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62), en [63, tweede en derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63) (Stb. 2000, 495) en de [artikelen 1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.4), [2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.2), [2.3, derde lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3), [2.4, derde lid, zesde lid onder a, en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.4), [2.6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.6), [2.7, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.7), [2.11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":15568,"b":"Voorschriftenverordening registerloodsen De ledenvergadering van de Nederlandse loodsencorporatie: Gelet op de [artikelen 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15), [16 van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=16) en [artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034471&artikel=2.5); Besluit: De Voorschriftenverordening wordt als volgt vastgesteld: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel IX van de Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s en het Besluit opleidingen en bevoegheden nautische beroepsbeoefenaren in werking treden. Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - a. **loodsreis:** de functie-uitoefening bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=2), door een registerloods; - b. **organisatie:** de krachtens [artikel 15a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=15a), of indien het de inning van het loodsgeld en de loodsvergoedingen krachtens het Scheldereglement betreft, [artikel 15b, eerste lid Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=15b) aangewezen organisatie; - c. **besluit:** het [Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034471); - d. **loodsen op afstand:** de functie-uitoefening, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=2). Hoofdstuk II. Voorschriften betreffende het loodsen Artikel 2 1. De registerloods loodst een schip totdat de loodsreis of het loodsen op afstand is beëindigd. 2. Het loodsen op afstand, met uitzondering van onderdeel b, of de loodsreis is beëindigd wanneer: - a. het schip de plaats heeft bereikt waar de registerloods het naar toe moet loodsen; - b. het"},{"i":2770,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, maart 2006 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand maart 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 maart 2006, doch niet later dan 15 april 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,481 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 maart 2006 en eindigende met 15 april 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":15569,"b":"Wet van 5 april 2023, houdende regels over het voortduren van de werking van de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking en tot wijziging van die wet (Voortduringswet artikelen 2c en 4 Wvb) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ter uitvoering van [artikel 2, tweede lid, van de Wet verplaatsing bevolking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=2) een regeling te treffen omtrent het voortduren van de werking van de [artikelen 2c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=2c) en [4, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=4), en in verband daarmee enkele wijzigingen door te voeren in de [Wet verplaatsing bevolking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De werking van de [artikelen 2c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=2c) en [4 van de Wet verplaatsing bevolking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=4), in werking gesteld bij het [Besluit van 31 maart 2022, houdende inwerkingstelling van de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047073) (Stb. 2022, 133), duurt voort. Artikel 2 Wijzigt de Wet verplaatsing bevolking. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze wet wordt aangehaald als: Voortduringswet artikelen 2c en 4 Wvb. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15570,"b":"Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers Gelet op [artikel 21 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223); Besluit: Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **betrokkene:** de beroepsmilitair, de gewezen beroepsmilitair, de dienstplichtige militair, de gewezen dienstplichtige, alsmede de reservist en de gewezen reservist die ten gevolge van invaliditeit aantoonbare beperkingen ondervindt; - b. **invaliditeit:** de invaliditeit met dienstverband, bedoeld in [artikel 2, derde lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223&artikel=2), ook indien sprake is van een invaliditeit van minder dan 10%; - c. **voorziening:** het middel dat direct dan wel indirect de nadelige gevolgen van de beperkingen die de betrokkene ten gevolge van zijn invaliditeit ondervindt, opheft of vermindert dan wel voorziet in een financiële tegemoetkoming in of een financiële vergoeding van de kosten die daarvan een gevolg zijn; - d. **kosten:** de kosten die de betrokkene in verband met invaliditeit noodzakelijkerwijs moet maken en zonder invaliditeit niet of niet in dezelfde mate gemaakt zouden worden; - e. **financiële tegemoetkoming:** een gedeeltelijke vergoeding van de kosten van een voorziening; - f. **financiële vergoeding:** een volledige vergoeding van de kosten van een voorziening; - g. **begeleider:** degene die de betrokkene begeleidt, omdat de toestand van de betrokkene begeleiding nodig maakt. Hoofdstuk 2. Voorzieningenpakket Artikel 2 Voorzieningen worden verleend in de vorm van: - a. leefvoorzieningen als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008406&hoofdstuk=3&z=2015-06-24&g=2015-06-24); deze voorzieningen"},{"i":15571,"b":"Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel Gelet op: de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=2), [60c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=60c), [108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=108), [109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=109) en [111, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=111); [artikel 52, eerste lid, onderdeel d, van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=52); [artikel 16, eerste lid, onder c, van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=16); [artikel 8, derde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=8), [artikel 16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=16), en de [artikelen 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=50) en [69 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052&artikel=69). Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **hoofd defensieonderdeel** - 1°. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf; - 2°. de commandant operationeel commando voor het desbetreffende commando; - 3°. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf; - 4°. de commandant van het Defensie Ondersteuningscommando, voor zover het betreft het Defensie Ondersteuningscommando. - b. **commandant** de commandant van het dienstencentrum internationale ondersteuning defensie; - c. **defensie-ambtenaar** de militair of de ambtenaar; - d. **gezinsleden** de echtgenoot van de defensie-ambtenaar"},{"i":15582,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 19 januari 2026, nr. IENW/BSK- 2025/332894 houdende tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van K-Othrine SC7.5 tegen knutten (Vrijstelling K-Othrine ter bestrijding van knutten 2026) Gelezen het verzoek van Envu van 17 november 2025 tot verlenging van de vrijstelling van het verbod op het gebruik van de biocide K-Othrine SC7.5 (suspensie concentraat) op transportwagens voor bepaalde landbouwhuisdieren (herkauwers), ten behoeve van het voorkomen van blauwtong of het bestrijden van het blauwtongvirus; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528); BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van het voorkomen van blauwtong of het bestrijden van het blauwtongvirus in stallen en andere huisvesting waar herkauwers in quarantaine worden gehouden, en op de binnen- of buitenzijde van veevervoermiddelen waarmee deze herkauwers worden vervoerd, wordt: - a). op grond van [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528), voor het onder voorwaarden op de Nederlandse markt aanbieden en gebruiken van de biocide K-Othrine SC7.5; en - b). op grond van artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528) toegestaan dat de in onderdeel a genoemde biocide op de Nederlandse markt wordt aangeboden en gebruikt. Artikel 2 Aan de vrijstelling en toestemming, bedoeld in [artikel 1, onderdelen a onderscheidenlijk b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052313&artikel=1&z"},{"i":15594,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 november 2005, nr. SAS/2005197401, Directoraat-Generaal Milieubeheer, Directie Stoffen, Afvalstoffen en Straling, Afdeling Afval Keten Beleid, houdende nadere regels inzake de vrijstelling van het stortverbod buiten inrichtingen van plantenresten en tarragrond (Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond) Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdelen g en h, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009093&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. bermmaaisel: natuurlijk materiaal van in hoofdzaak plantaardige herkomst dat vrijkomt bij het maaien van grazige kruidenvegetaties, groeiend op wegbermen, langs of in watergangen en op waterkeringen en dat niet één of meer van de gevaarlijke eigenschappen als bedoeld in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen bezit, - b. aangrenzend perceel: perceel dat direct grenst aan de plaats waar het bermmaaisel vrijkomt of dat ligt binnen een afstand van maximaal 100 meter van de plaats waar het bermmaaisel vrijkomt, - c. landbouw- en bosbouwmateriaal: natuurlijk materiaal van in hoofdzaak plantaardige herkomst, afkomstig uit de landbouw of bosbouw, dat niet één of meer van de gevaarlijke eigenschappen als bedoeld in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen bezit, - d. natuurgebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=2.1) dan wel een ander gebied met als hoofdfunctie natuur, - e. heideplagsel en maaisel: natuurlijk materiaal van in hoofdzaak plantaardige herkomst, afkomstig uit een natuurgebied, dat niet één of meer van de gevaarlijke eigenschappen als bedoeld in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen bezit. Artikel 2 Als plantenresten als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, onder d, van het Besluit stortplaa"},{"i":15597,"b":"Vrijstellingsregeling Wft Gelet op de [artikelen 2:59, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:59), [2:64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:64), [2:74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:74), [2:79, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:79), [2:85, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:85), [2:91, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:91), [2:95, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:95), [2:104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:104), [3:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:3), [3:5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:5), [3:6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:6), [3:7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:7), [3:111, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:111), [4:3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:3), [4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:7), [5:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:5), [5:68, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:68) en 5:87 van de Wet op het financieel toezicht; Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen § 1.1. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt, voorzover niet anders is bepaald, verstaan onder: - a. het besluit: het [Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421); - b. kredietbeheerder: een aanbieder in krediet of bemiddelaar in krediet die in het kader van de overdracht van vorderingen uit hoofde van overeenkomsten van krediet voor de verkrijgende onderneming de overeenkomsten van krediet beheert en uitvoert of assisteert bij het beheer en de uitvoering van d"},{"i":15605,"b":"Wachtgeldbesluit overheidsdienaren BES § 1. Definities Artikel 1 De in deze paragraaf vastgestelde begripsbepalingen zijn mede van toepassing op de uit kracht van dit besluit gegeven regelgeving. Artikel 2 In dit besluit wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** - a. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien de overheidsdienaar, belanghebbende of wachtgelder in dienst van deze rechtspersoon aangesteld is of is geweest; - b. het bestuurscollege, indien de overheidsdienaar, belanghebbende of wachtgelder in dienst van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba is of is geweest,. - **overheidsdienaren:** - a. ambtenaren in de zin van de [Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215), die in vaste dienst of gedurende ten minste vijf jaren onafgebroken in tijdelijke dienst werkzaam zijn geweest. Voor de berekening van de in de vorige volzin bedoelde termijn van vijf jaren wordt de tijd vóór de inwerkingtreding van dit besluit, waarin de ambtenaar in dienst was van de Nederlandse Antillen of van het eilandgebied Bonaire, Sint Eustatius of Saba, meegeteld. - b. werknemers met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten om in dienst van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba werkzaam te zijn, indien deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. - **belanghebbende:** de overheidsdienaar, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028541&paragraaf=2&artikel=4&z=2018-12-25&g=2018-12-25). - **wachtgelder:** de belanghebbende die in het genot is gesteld van een wachtgeld. Artikel 3 In dit besluit wordt voorts verstaan onder: - **Diensttijd:** De tijd, door een overheidsdienaar doorgebracht in dienst van de staat of van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, alsmede de tijd waarin de overheidsdienaar vóór de inwerkingtreding van dit besluit in dienst was van de Nederlandse Antillen, het eilandgebied Bonaire, Sint Eustatius of Saba of bij enig ander"},{"i":15607,"b":"Wapenwet BES Artikel 1 1. Het is verboden op de openbare weg of op enige voor het publiek toegankelijke plaats een wapen bij zich te hebben. 2. Onder wapenen worden in deze wet verstaan: - a. de vuurwapenen, vallende onder de Vuurwapenwet BES, zomede geweren en pistolen waarmede projectielen door middel van samengeperste lucht of gas kunnen worden afgeschoten, dolken, dolkmessen, bajonetten, ponjaarden, zwaarden, sabels, degens, klewangs, degenstokken, priemstokken, wapenstokken, gummistokken, bullepezen, ploertendoders, boksbeugels, lansen, speren, spiesen, pijlen en andere soortgelijke voorwerpen die kennelijk vervaardigd zijn om als wapen te dienen; - b. andere voorwerpen, die door de drager of gebruiker daarvan zijn bedoeld om als wapenen of mede als wapenen te dienen, blijkende uit de omstandigheid waaronder of de wijze waarop zij worden gedragen of gebruikt. Artikel 2 De bepaling van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028756&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) is niet toepasselijk: - 1°. op ambtenaren en beambten, die bij ministeriële regeling een wapen bij zich mogen hebben; - 2°. op hen, die een wapen bij zich hebben, dat behoort bij hun ambtskleding; - 3°. op hen, die deel uitmaken van de gewapende macht, van de politie, voor zover het wapen, dat zij bij zich hebben, tot hun uitrusting behoort; - 4°. op hen, die deel uitmaken van rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen tot oefening in de wapenhandel – met uitzondering van schietverenigingen met volledige rechtsbevoegdheid – doch slechts gedurende de tijd voor die oefeningen bestemd, daaronder begrepen de tijd om zich naar en van de oefenplaatsen te begeven; - 5°. op hen, die deel uitmaken van schietverenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die in het bezit zijn van de in [artikel 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028756&artikel=2a&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde vergunning, doch slechts gedurende de tijd voor oefeningen bestemd, daaronder begrepen de tijd om zich"},{"i":15630,"b":"Warenwetregeling Methoden van onderzoek brood Gelet op [artikel 19, tweede lid, van het Warenwetbesluit Meel en brood](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009669&artikel=19); Besluit: Artikel 1 Als methoden van onderzoek welke bij uitsluiting beslissend zijn voor de vaststelling of al dan niet is voldaan aan de bij het [Warenwetbesluit Meel en brood](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009669) gestelde regels, worden aangewezen de in de bijlage opgenomen methoden. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling Methoden van onderzoek brood. Bijlage Deze bijlage behoort bij artikel 1. Methode 1 - de bepaling van de hoeveelheid droge stof van brood 1. Doel en toepassingsgebied Dit voorschrift beschrijft een methode voor de bepaling van de hoeveelheid droge stof in brood. 2. Definitie De hoeveelheid droge stof: de hoeveelheid droge stof, uitgedrukt in grammen, bepaald volgens de in dit voorschrift beschreven methode. 3. Beginsel Om de droge stof van brood te bepalen, worden van één of meer broden, afhankelijk van de hoeveelheid droge stof van het brood, gelijke delen genomen op zodanige wijze dat korst en kruim daarin zo goed mogelijk in dezelfde verhouding voorkomen als in het brood waarvan zij deel uitmaakten. Deze delen worden in platte schaaltjes eerst voorgedroogd bij 60oC om te voorkomen, dat door korstvorming een deel van het vocht wordt ingesloten. Daarna worden bij 103-105oC de rest van het vocht en andere vluchtige bestanddelen verdreven. 4. Apparatuur 4.1. Thermostatisch gecontroleerde droogstoof instelbaar op 60 en 105oC, voorzien van een ventilatiesysteem. 4.2. Aluminium bakjes met minimaal 150 cm2 grondoppervlak. 4.3. Broodmes. 4.4. Exsiccator of droogkast, voorzien van vers geactiveerde silicagel met vochtindicator of een gelijkwaardig droogmiddel. 4.5. Een balans om hele broden te wegen, bij vo"},{"i":15634,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 november 2006, nr. VGP/VV 2727761, houdende de Warenwetregeling noodmaatregelen invoer levensmiddelen uit derde landen (verordening (EG) 178/2002) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op artikel 53, eerste lid, onder b, en tweede lid, van [verordening (EG) nr. 178/2002](32002R0178) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31), alsmede op [artikel 4, onder c, van het Warenwetbesluit Invoer levensmiddelen uit derde landen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006310&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. [verordening (EG) 178/2002](32002R0178): [verordening (EG) nr. 178/2002](32002R0178) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31); - b. EU-noodmaatregel: een in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte maatregel van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vastgesteld krachtens artikel 53, eerste lid, onder b, of tweede lid, van [verordening (EG) 178/2002](32002R0178), voor zover die maatregel strekt tot bescherming van de gezondheid van de mens. Artikel 2 1. Handelen in strijd met een EU-noodmaatregel is een strafbaar feit, voor zover die noodmaatregel een verordening is. 2. Eet- en drinkwaren worden vanuit een derde land binnen Nederlands grondgebied gebracht en verhandeld met inachtneming van de bij of krachtens een EU-noodmaatregel gest"},{"i":15636,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 17 augustus 2018, kenmerk 1392646-179588-WJZ, houdende regels inzake de procedurele stappen van de raadplegingsprocedure om vast te stellen of een voedingsmiddel een nieuw voedingsmiddel is in de zin van Verordening (EU) 2015/2283 (Warenwetregeling raadplegingsprocedure nieuwe voedingsmiddelen) Gelet op [artikel 3, vierde lid, van het Warenwetbesluit nieuwe voedingsmiddelen en genetisch gemodificeerde levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040236&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder **uitvoeringsverordening:** Uitvoeringsverordening (EU) 2018/456 van de Commissie van 19 maart 2018 betreffende de procedurele stappen van de raadplegingsprocedure om vast te stellen of een voedingsmiddel een nieuw voedingsmiddel is in de zin van Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe voedingsmiddelen (PbEU 2018, L 77). Artikel 2 De Minister voor Medische Zorg neemt in afwijking van [artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:13) binnen vier maanden een besluit over de status van een voedingsmiddel, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de uitvoeringsverordening. Artikel 3 De Minister voor Medische Zorg neemt een besluit over het vertrouwelijkheidsverzoek, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de uitvoeringsverordening. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling raadplegingsprocedure nieuwe voedingsmiddelen. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15639,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 mei 2007, nr. VGP/PSL 2770998, houdende regels met betrekking tot het gebruik van tatoeage- en piercingmateriaal (Warenwetregeling tatoeëren en piercen) Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021605&artikel=4), en [9, van het Warenwetbesluit tatoeëren en piercen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021605&artikel=9) en [artikel 25, eerste en vierde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. besluit: [Warenwetbesluit tatoeëren en piercen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021605); - b. GGD: gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=14); - c. vergunning: vergunning als bedoeld in [artikel 3 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021605&artikel=3). Artikel 2 1. De vergunning wordt door de ondernemer schriftelijk aangevraagd. 2. In de aanvraag worden vermeld: - a. de naam, de rechtsvorm en het adres van de ondernemer, alsmede de naam waaronder de ondernemer handel drijft; - b. het bezoekadres van de ruimte waarvoor de vergunning wordt verzocht; - c. voor het gebruik van welke materialen de vergunning wordt gevraagd; - d. ruimte waar de materialen gebruikt worden of zullen worden of die voor het gebruik van materiaal is ingericht. 3. Bij de aanvraag wordt een uittreksel gevoegd van de Kamer van Koophandel van de onderneming waarvoor de vergunning wordt gevraagd. 4. De aanvraag wordt ingediend bij de GGD van de gemeente waar de ruimte is gelegen waarvoor de vergunning wordt gevraagd. Artikel 3 1. De vergunning heeft een geldigheidsduur van drie jaar. 2. Indien de aanvrager een vergunning vraagt in verband met de beëindiging van een eerder voor dezel"},{"i":15650,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 januari 2007, nr. VGP/VV 2742234, houdende de Warenwetregeling vrijstelling toevoeging foliumzuur en vitamine D aan levensmiddelen Handelende in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en van Economische Zaken; Gelet op [artikel 16, eerste en vierde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=16); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. foliumzuur: pteroylmonoglutaminezuur; - b. light-product: eet- of drinkwaar ten aanzien waarvan een bewering over de verlaagde energetische waarde, in overeenstemming met de bijlage bij [Verordening (EG) nr. 1924/2006](32006R1924) van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (Pb 2006, L 404), is gebezigd. Artikel 2 1. Vrijstelling wordt verleend van [artikel 5 van het Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008065&artikel=5) wat betreft de toevoeging van vitamine D en foliumzuur aan eet- en drinkwaren, voor zover per hoeveelheid van de waar die een energetische waarde van 100 kcal levert: - a. het gehalte aan toegevoegd foliumzuur ten hoogste 100 µg bedraagt; en - b. het gehalte aan toegevoegd vitamine D ten hoogste 4,5 µg bedraagt. 2. In afwijking van het eerste lid mogen aan een light-product ten hoogste de hoeveelheden foliumzuur en vitamine D worden toegevoegd die krachtens het eerste lid mogen worden toegevoegd aan soortgelijke waren, indien deze ten minste een 30% hogere energetische waarde hebben dan het light-product. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling vrijstelling toevoeging foliumzuur en vitamine D aan levensmiddelen. Deze regeling zal met de toelichting in de St"},{"i":15653,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 4 september 2013, nr. WJZ/ 13132689, houdende uitvoering van het Warmtebesluit en de Warmtewet (Warmteregeling) Gelet op [artikelen 3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=3), en [4, derde lid, van de Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=4) en de artikelen 3, tweede lid, 4, vierde lid, en 10, tweede lid, van het Warmtebesluit; § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **afleverset:** afleverset voor warmte als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=8); - –. **besluit:** [Warmtebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033940); - –. **kwetsbare consument:** een verbruiker voor wie de beëindiging van de levering van warmte zeer ernstige gezondheidsrisico’s tot gevolg zou hebben of voor de huisgenoten van de verbruiker; - –. **maximumprijs:** prijs die de Autoriteit Consument en Markt op grond van [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=5) vaststelt; - –. **primair warmtenet:** transportnet waarmee warmte vanuit de primaire warmtebron wordt getransporteerd naar een secundair warmtenet of, zonder tussenkomst van een secundair warmtenet, naar de verbruiker; - –. **schuldhulpverlening:** toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in [titel III van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&titeldeel=III) of ondersteuning van natuurlijke personen door een instantie als bedoeld in [artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=48) bij het vinden van een adequate oplossing voor schuldsituaties gericht op de aflossing van schulden; - –. **secundair warmtenet:** van het primaire warmtenet door middel van een onderstation of warmteoverdracht station afgescheiden deel van het warmtenet t"},{"i":15664,"b":"Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten ter verbetering van de naleving en handhaving van arbeidsrechtelijke wetgeving in verband met de aanpak van schijnconstructies door werkgevers (Wet aanpak schijnconstructies) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele wijzigingen aan te brengen in de [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638), [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) en enige andere wetten in verband met het tegengaan van schijnconstructies door werkgevers en in verband daarmee ook de handhaafbaarheid te verbeteren en dat het voorts wenselijk is door openbaarmaking inzicht te geven in het toezicht en de naleving van de arbeidswetten te bevorderen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III Wijzigt de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten. Artikel IV Wijzigt de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel V Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI Wijzigt de Arbeidstijdenwet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VII Wijzigt de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Artikel VIII Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2017/24. Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IX Deze wet is niet van toepassing ten aanzien van loon dat is verschuldigd over een tijdvak dat ligt voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel II, o"},{"i":15674,"b":"Wet van 30 november 2016, houdende wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met enkele aanpassingen inzake de fiscale eenheid (Wet aanpassing fiscale eenheid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het fiscale-eenheidsregime in de vennootschapsbelasting aan te passen teneinde dit regime in overeenstemming te brengen met het recht van de Europese Unie; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel III Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel IV Met betrekking tot een op het tijdstip van indiening van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wet bestaande fiscale eenheid als bedoeld in [artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15) die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet voldoet aan het in artikel 15, eerste of tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 opgenomen vereiste van het bezit van de gehele juridische en economische eigendom van aandelen, vindt dit vereiste voor het eerst toepassing met ingang van het boekjaar dat aanvangt nadat 24 maanden zijn verstreken na het tijdstip van indiening van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wet. Artikel V Onder toepassing van [artikel 12 van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=12) treedt deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpassing fiscale eenheid. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle minister"},{"i":3566,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 23 december 2021, kenmerk 2670125, houdende beperking van de openbaarheid van het naar het Utrechts Archief over te brengen archief van Rijkspolitie in de Provincie Utrecht, district Utrecht 1948–1993 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. **24 november 2021**, met kenmerk **1164530**. besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Rijkspolitie in de Provincie Utrecht, district Utrecht 1948-1993 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 17 | 2024 | | 18 | 2024 | | 19 | 2024 | | 20 | 2024 | | 21 | 2024 | | 24 | 2067 | | 25 | 2066 | | 26 | 2066 | | 27 | 2068 | | 28 | 2069 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046334&artikel=1&z=2022-02-24&g=2022-02-24), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de Provincie Utrecht, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046334&artikel=1&z=2022-02-24&g=2022-02-24), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van, de rijksarchivaris in de Provincie Utrecht die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant wa"},{"i":6626,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 30 juni 2011, nr. WJZ/11099127, tot wijziging van de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2011 (duurzame warmte voor bestaande woningen) Gelet op [artikel 16 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2011. Artikel II Deze regeling is alleen van toepassing op aanvragen die uiterlijk 17 februari 2011 zijn ingediend en waarbij de aanvrager uiterlijk op die datum een technische voorziening heeft aangeschaft waarmee hij een duurzame warmtemaatregel, bedoeld in [artikel 3.1.1 van de Subsidieregeling energie en innovatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026952&artikel=3.1.1), uitvoert. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2006,"b":"Wet van 23 december 1994, houdende wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Successiewet 1956, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Invorderingswet 1990 en de Coördinatiewet Sociale Verzekering naar aanleiding van de herziening van het fiscale regime voor onderhoudsvoorzieningen en bepaalde spaarvormen in de inkomstenbelasting (Aanpassing van de Wet op de loonbelasting 1964 en andere wetten aan Brede Herwaardering) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op de herziening van het fiscale regime voor onderhoudsvoorzieningen en bepaalde spaarvormen in de inkomstenbelasting, wenselijk is te komen tot een aanpassing van de loonbelasting, de vermogensbelasting, het successierecht, de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting en tot een aanpassing van de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) en de [Coördinatiewet Sociale Verzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002126); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Voor de toepassing van de Wet op de vermogensbelasting 1964 wordt met betrekking tot de kalenderjaren 1993 en 1994 op verzoek onder lijfrente mede begrepen een niet onder artikel 8, vijfde of zesde lid, van die wet, zoals dat artikel luidde in die jaren, vallende aanspraak op een of meer uitkeringen welke aanspraak volgens artikel 45, vierde lid, van de"},{"i":3962,"b":"Besluit van 2 juli 1987, houdende regels betreffende de vergoeding voor het verstrekken van fotocopieën, bedoeld in artikel 25a, vierde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, artikel 22a, vierde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers en artikel 32a, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 26 maart 1987, DVV/WJZ-U-9666 I; Gelet op [artikel 25**a**, vierde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=25a) (**Strb.** 1986, 575), [artikel 22**a**, vierde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=22a) (**Stb.** 1986, 576) en [artikel 32**a**, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=32a) (**Stb.** 1986, 386); Gehoord de Buitengewone Pensioenraad, de Stichting 1940-1945, de Uitkeringsraad, de Stichting Joods Maatschappelijk Werk en de Stichting Pelita; De Raad van State gehoord (advies van 6 mei 1987, No. W.13.87.0137); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 11 juni 1987, DVV/WJZ/U-10069; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor het verstrekken van afschriften van bescheiden die betrekking hebben op beslissingen als bedoeld in [artikel 25 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=25) (**Stb.** 1986, 575), [artikel 22 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=22) (**Stb.** 1986, 576) en [artikel 32**a** van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=32a) (**Stb.** 1991, 621), geldt als tarief van de voor die afschriften verschuldigde vergoeding, het ta"},{"i":2007,"b":"Wet van 12 juni 1997 tot wijziging van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en van enkele andere wetten in verband met herziening van de tariefstructuur voor vrachtauto's Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de tariefstructuur van de motorrijtuigenbelasting voor vrachtauto's te herzien met het oog op de [richtlijn 93/89/EEG](31993L0089) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 (**PbEG** L 279) betreffende de toepassing door de Lid-Staten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten, en in dat kader het stelsel van heffing van de motorrijtuigenbelasting voor vrachtauto's alsmede enkele andere wetten te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. ARTIKEL II Wijzigt de Provinciewet. ARTIKEL III Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. ARTIKEL IV 1. In afwijking van [artikel 83 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=83) wordt voor een vrachtauto waarvoor een kenteken is afgegeven op basis van de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) en waarvoor motorrijtuigenbelasting is voldaan over een tijdvak dat geheel of gedeeltelijk valt na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, de belasting teruggegeven die betrekking heeft op het gedeelte van dat tijdvak dat valt na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt. 2. In afwijking van [artikel 83 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=83) wordt, indien op de voet van [artikel 58 van de Wet op de motorrijtuig"},{"i":15675,"b":"Wet van 21 december 2022 tot wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 tot wijziging van de fiscale regeling voor aandelenoptierechten met het oog op het wegnemen van een liquiditeitsprobleem in het geval van het verstrekken van aandelenoptierechten als loon (Wet aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de fiscale regeling voor aandelenoptierechten aan te passen met het oog op het wegnemen van een liquiditeitsprobleem in het geval van het verstrekken van aandelenoptierechten als loon; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15676,"b":"Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten tot aanpassing van de regelingen voor het fonds voor gemene rekening en de vrijgestelde beleggingsinstelling (Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in enkele belastingwetten wijzigingen aan te brengen in de regelingen voor het fonds voor gemene rekening en de vrijgestelde beleggingsinstelling; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel III Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel IV 1. Voor de toepassing van de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) wordt een fonds voor gemene rekening of een daarmee qua rechtsvorm vergelijkbaar naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam dat als gevolg van deze wet met ingang van 1 januari 2025 niet langer onderworpen is aan de vennootschapsbelasting op grond van de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2) of [3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=3), geacht op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 al zijn vermogensbestanddelen tegen de waarde in het economische verkeer te hebben overgedragen aan de natuurlijk personen of lichamen die participeren in dat fonds voor gemene rekening naar rato van ieders gerechtigdheid en wordt dat fonds voor gemene rekening geacht te zijn opgehouden in Nederland belastbare winst te genieten. 2. Voor de toepassing van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en de [Wet"},{"i":15677,"b":"Wet van 5 juni 2024 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van enkele bepalingen omtrent de geschillenregeling en ter verduidelijking van de ontvankelijkheidseisen voor de enquêteprocedure voor aandeelhouders en certificaathouders van beursvennootschappen (Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure) Allen, die zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wettelijke geschillenregeling uit [Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045) aan te passen teneinde de werking van de regeling te verbeteren en de ontvankelijkheidseisen voor toegang tot het enquêterecht voor aandeelhouders en certificaathouders van beursvennootschappen te verduidelijken. Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel III 1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van zaken waarin een vordering als bedoeld in de [artikelen 336 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=336), [338 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=338), [342 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=342) en [343 lid 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=343) is ingesteld en waarin het exploot van dagvaarding rechtsgeldig is betekend voor dat tijdstip. 2. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van zaken waarin een verzoek als bedoeld in de [artikelen 343c lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003"},{"i":15679,"b":"Wet van 25 april 2018 tot wijziging van de Wet toezicht accountantsorganisaties, het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten op het terrein van accountantsorganisaties en het accountantsberoep in verband met het versterken van de governance van accountantsorganisaties (Wet aanvullende maatregelen accountantsorganisaties) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de governance van accountantsorganisaties te versterken en de bevoegdheden van de Autoriteit Financiële Markten ten aanzien van het toezicht op accountantsorganisaties uit te breiden, alsmede enige andere wijzigingen en verbeteringen in de wetgeving op het terrein van accountantsorganisaties en het accountantsberoep aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel III Wijzigt de Wet tuchtrechtspraak accountants. Artikel IV Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel V Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel VI 1. Natuurlijke personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040928&artikel=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), van deze wet het dagelijks beleid van een accountantsorganisatie bepalen worden tot twaalf maanden na dat tijdstip, geacht geschikt te zijn in de zin van [artikel 16, derde lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=16), zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een beoordeling van die geschiktheid. 2. Natuurlijke personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":15683,"b":"Wet van 30 december 1983, houdende achterwegelating van de wijziging van rechtswege door indexering van de bedragen van levensonderhoud per 1 januari 1984 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke voorziening te treffen strekkende tot achterwegelating per 1 januari 1984 van de wijziging van rechtswege door indexering van de bedragen voor levensonderhoud; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I 1. In afwijking van hetgeen daaromtrent in artikel 402**a** van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald, blijft de wijziging van rechtswege van de bedragen voor levensonderhoud per 1 januari 1984 achterwege. 2. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op de kosten ten behoeve van minderjarigen, welke volgens de artikelen 264, 273, 326, derde lid, en 333, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en volgens artikel 31 van de Beginselenwet voor de kinderbescherming ten laste van de ouders komen. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1984. Indien het **Staatsblad** waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1983, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot 1 januari 1984. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15688,"b":"Wet van 1 mei 1981, houdende regelen met betrekking tot het afbreken van zwangerschap Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; inspecteur: de inspecteur van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; arts: degene die bevoegd is de titel van arts te voeren, alsmede, voor zover het betreft de arts bij wie de vrouw onder regelmatige medische behandeling staat, dan wel die als medisch specialist of in de woonplaats van de vrouw als huisarts werkzaam is, degene die in het land waar hij is gevestigd, het beroep van arts wettig uitoefent; ziekenhuis: een inrichting waarin personen worden opgenomen voor het ondergaan van een genees-, heel- of verloskundig onderzoek of een genees-, heel- of verloskundige behandeling, met inbegrip van een daarvan onderdeel uitmakende polikliniek; abortuskliniek - hierna te noemen kliniek -: een inrichting, niet zijnde een ziekenhuis, waarin vrouwen een behandeling ondergaan, gericht op het afbreken van zwangerschap; duur van de zwangerschap: tijd die een zwangerschap bedraagt, uitgedrukt in het aantal dagen of weken dat de amenorroe duurt. 2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder het afbreken van zwangerschap niet verstaan het toepassen van een middel ter voorkoming van de innesteling van een bevruchte eicel in de baarmoeder. 3. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder \"geneesheer-directeur\" mede verstaan de arts die, hoewel geen directeursfunctie bekledende, belast is met de zorg voor de algemene gang van zaken op geneeskundig gebied in de inrichting. Artikel 2 Een behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap, mag slechts worden verricht door: - a. een arts in een ziekenhuis of kliniek, waaraan door Onze Minister vergunning tot het verrichten van dergelijke behandelingen is verleend; - b. een huisarts, indien het een medicamenteuze afbreking van d"},{"i":15696,"b":"Wet van 30 juni 2015 tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met de versterking van de positie van de auteur en de uitvoerende kunstenaar bij overeenkomsten betreffende het auteursrecht en het naburig recht (Wet auteurscontractenrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886) en de [Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921) te wijzigen om de positie van makers en uitvoerende kunstenaars ten opzichte van exploitanten van werken van letterkunde, wetenschap of kunst respectievelijk uitvoeringen te versterken op het gebied van het overeenkomstenrecht; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Auteurswet. Artikel II Wijzigt de Wet op de naburige rechten. Artikel III Vervallen Artikel IV De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V Deze wet kan worden aangehaald als de Wet auteurscontractenrecht. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15699,"b":"Wet van 11 oktober 2007, houdende regels inzake de beëdiging van tolken en vertalers en de kwaliteit en de integriteit van beëdigde tolken en vertalers (Wet beëdigde tolken en vertalers) Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Hoofdstuk II. Register Hoofdstuk II. Register Hoofdstuk IV. Klachtbehandeling Hoofdstuk V. Afnameplicht Hoofdstuk VI. Beëdigde tolken Hoofdstuk VII. Beëdigde vertalers Artikel 37 De [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&hoofdstuk=II&paragraaf=2&artikel=3&z=2018-07-28&g=2018-07-28) en [5, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&hoofdstuk=II&paragraaf=2&artikel=5&z=2018-07-28&g=2018-07-28), zijn gedurende een periode van twee jaar na inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op de inschrijving in het register van degenen die op het moment van inwerkingtreding van deze wet: - a. werkzaam zijn als beëdigde vertaler in de zin van de [wet van 6 mei 1878, houdende bepalingen omtrent de beëdigde vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001849); of - b. definitief zijn ingeschreven in het landelijk kwaliteitsregister tolken en vertalers, bedoeld in de [Tijdelijke regeling van 13 mei 2003 houdende machtiging van de Raad voor rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch tot het beheer van het landelijk kwaliteitsregister tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015070) (Stcrt. 2003, 94). Artikel 38 De [wet van 6 mei 1878, houdende bepalingen omtrent de beëedigde vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001849) wordt ingetrokken. Artikel 39 Wijzigt de Registratiewet 1970. Artikel 40 Wijzigt de Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer. Artikel 41 Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel 41a Wijzigt de Advocatenwet. Artikel 41b Wijzigt de Advocatenwet. Artikel 41c Wijzigt de Advocatenwet. Artikel 41d Wijzigt de Advocatenwet. Artikel 42 Deze wet wordt aangehaald als: Wet beëdigde tolken en vertalers. Artikel 43 De artikelen van deze wet tred"},{"i":15702,"b":"Wet van 7 december 1983, tot beëindiging van de financiële verhouding tussen Staat en Kerk Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge additioneel [artikel IV van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=IV) naar de tekst van 1983 (additioneel [artikel X van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=X) naar de tekst van 1972) de daarin vervatte regeling van kracht blijft, totdat bij wettelijke regeling een voorziening zal zijn getroffen; dat op 18 mei 1981 tussen de Staat en een aantal kerkgenootschappen een overeenkomst is gesloten, strekkende tot beëindiging van de in voornoemd Grondwetsartikel vastgelegde financiële verhouding tussen Staat en Kerk; dat Wij thans kunnen overgaan tot vaststelling van de hiervoor bedoelde wettelijke regeling, welke met name inhoudt de goedkeuring van genoemde overeenkomst; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De als bijlage bij deze wet gevoegde overeenkomst van 18 mei 1981, gesloten tussen de Staat, vertegenwoordigd door Onze Minister van Financiën, en de in de aanhef van die overeenkomst genoemde kerkgenootschappen, wordt goedgekeurd. Artikel 2 De aanspraken ingevolge additioneel [artikel IV van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=IV) naar de tekst van 1983 (additioneel [artikel X van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=X) naar de tekst van 1972) van godsdienstige gezindheden en hun leraren vervallen. Artikel 3 1. In afwijking van het bepaalde in artikel D1, onder **e**, van de Algemene burgerlijke pensioenwet (**Stb.** 1979, 679) komt niet als diensttijd in aanmerking de tijd doorgebracht in kerkelijke betrekkingen na 31 december 1983. 2. Degene, die voor 1 januari 1984 ingevolge de Algemene burgerl"},{"i":17291,"b":"Regeling declaratievoorschrift multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type 2, CVR, COPD) Gelet op [artikel 37 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) (Wmg); Heeft de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1. Algemeen Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders voor zover ze de prestatie Multidisciplinaire zorgverlening voor Diabetes Mellitus type 2 voor personen ≥ 18 jaar (DM type 2), de prestatie Multidisciplinaire zorgverlening voor Cardiovasculair Risicomanagement (CVR) en/of de prestatie Multidisciplinaire zorgverlening voor Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD) leveren. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze regeling, eindigt de tot aan die datum geldende regeling Declaratievoorschrift multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type 2, CVR) (regeling CV/NR-100.106). Artikel 2. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: De **prestatie Multidisciplinaire zorgverlening voor Diabetes Mellitus type 2 voor personen ≥ 18 jaar (DM type 2)** houdt een zorgverlening in waarbij zorgaanbieders van diverse disciplines de zorgonderdelen in samenhang en in samenwerking met de betreffende patiënt aan de patiënt leveren. De zorgonderdelen die deel uitmaken van deze prestatie worden beschreven binnen de kaders van de standaard voor zorgstandaarden4De standaard voor zorgstandaarden is het model voor zorgstandaarden bij chronische ziekten dat is ontwikkeld door het coördinatieplatform zorgstandaarden (ingesteld door ZonMw) in opdracht van het ministerie van VWS.welke ingevuld wordt met behulp van de zorgstandaard voor Diabetes Mellitus5De NDF zorgstandaard van de Nederlandse diabetes federatie.die geldt op het moment van sluiten van de overeenkomst en is aangepast op de lokale situatie. De prestatie betreft de ingevulde standaard voor zorgstandaarden, waarbij de prestatie geldt voor het deel van de zorgstandaard dat inhoud en levering beschrijft na"},{"i":18139,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 oktober 2022, nr. O&B/25184593, houdende beperking aan de openbaarheid van het archief van het Rijksmuseum Slot Loevestein, 1946–1995 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 6 oktober 2022, met kenmerk 25649656; Besluit: Tot het stellen van de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van Rijksmuseum Slot Loevestein, 1946–1995 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 8 | 2047 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047447&artikel=1&z=2022-11-12&g=2022-11-12), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047447&artikel=1&z=2022-11-12&g=2022-11-12), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt voorts als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van het archief van het Rijksmuseum Slot Loevestein, over de periode 1946–1995."},{"i":19106,"b":"Regeling Urinecontrole penitentiaire inrichtingen Gelet op [artikel 30, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=30); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 13 februari 1998 (nummer 681643/98), 13 mei 1998 (nummer 98/694836) en 14 december 1998 (nummer 735265/98). Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Algemeen 1. Het anders dan door de inrichtingsarts voorgeschreven gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen is tijdens de detentie niet toegestaan. 2. Het gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen vormt een contra-indicatie voor een plaatsing of overplaatsing in het kader van de detentiefasering en de toekenning van verlof of strafonderbreking. 3. Gedurende de eerste twee weken van het verblijf in de inrichting wordt de gedetineerde geïnformeerd over de wijze waarop de inrichting uitvoering geeft aan het drugsontmoedigingsbeleid. Artikel 3. Afname van urinemonsters 1. De afname van urine gebeurt bij voorkeur ’s ochtends vroeg. De ambtenaar of medewerker controleert of het aanvraagformulier en de benodigde materialen aanwezig zijn. 2. Alvorens de urine wordt afgenomen wordt de reden van de urinecontrole aan de gedetineerde medegedeeld en wordt de gedetineerde uitleg gegeven over de te volgen procedure. 3. De gedetineerde urineert onder direct visueel toezicht van een ambtenaar of medewerker in een daartoe aan hem verstrekte opvangbeker. 4. Indien de gedetineerde niet direct tot afgifte van de urine in staat is, wordt hij gedurende een periode van vier uur alsnog in de gelegenheid gesteld onder direct visueel toezicht urine af te staan. De gedetineerde verblijft gedurende deze periode bij voorkeur in een ruimte waarin geen mogelijkheden aanwezig zijn de resultaten van de analyse te beïnvloeden. 5. De gedetineerde verdeelt onder toezicht van een ambtenaar of medewerker de urine over twee aan hem verstrekte buizen. De gedetineerde"},{"i":15703,"b":"Wet van 24 juni 1939, houdende regelen teneinde te waarborgen, dat Nederland, in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, in voldoende mate de beschikking blijft behouden over scheepsruimte Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen, teneinde te waarborgen, dat Nederland, in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, in voldoende mate de beschikking blijft behouden over scheepsruimte; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. **«schepen»:** schepen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1); - b. **«binnenschepen»:** binnenschepen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=3); - c. **«binnenschepen, die in Nederland thuisbehoren»:** binnenschepen in de zin van [artikel 3, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=3) die voldoen aan tenminste één van de voorwaarden, bedoeld in [artikel 784, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=784). Artikel 1a 1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001998&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001998&artikel=3&z=2010-10-10&g"},{"i":19061,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Inspectie Justitie en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 11 juli 2023, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de inspecteur-generaal ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Inspectie Justitie en Veiligheid 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3), [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) en [artikel 6 van het Besluit aanwijzing toezichthouders naleving Wet experiment gesloten coffeeshopketen en het verlenen van mandaat en machtiging voor de uitvoering en handhaving van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043743&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Verlening ondermandaat Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de inspecteur-generaal van de Inspectie Justitie en Veiligheid verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de hoofdinspecteur-directeur van de directie Beschermen, Straffen en Handhaving (BSH); - b. de hoofdinspecteur-directeur van de directie Politie, Security en Crisisbeheersing (PSenC); - c. de directeur van de directie Strategie, Kwaliteit en Bedrijfsvoering (SKenB); - d. de manager van de afdeling Beschermen; - e. de manager van de afdeling Straffen; - f. de manager van de afdeling Handhaving; - g. de manager van de afdeling Politie en Security; - h. de manager van de afdeling Crisisbeheersting en Cyber; - i. de manager van de afdeling Kennis en Kwaliteitscentrum; - j. de manager van de afdeling Bedrijfsvoering. Artikel 2. Aan de inspecteur-generaal voorbehouden bevoegdheden 1. Aan de inspecteu"},{"i":13180,"b":"Deelregeling Art Fair International Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het versterken van de internationale positie van hedendaagse beeldende kunst uit Nederland door galeries te stimuleren werk van levende beeldend kunstenaars uit Nederland te tonen op kunstbeurzen van internationaal belang, en door uitgevers te stimuleren boeken te tonen van levende beeldende kunstenaars uit Nederland of publicaties over hedendaagse beeldende kunst in Nederland uit de 21e eeuw. Deze stimulans moet leiden tot een versterking van de bekendheid van, en de internationale waardering voor, relevante hedendaagse beeldende kunst uit Nederland. Artikel 2. Toepasselijkheid galeries 1. Een bijdrage kan worden verstrekt aan Nederlandse enaan buitenlandse galeries die de Gallery Fair Practice Code onderschrijven, actief toepassen en uitleggen. 2. Een bijdrage kan worden aangevraagd voor standhuur op een kunstbeurs in het buitenland. Inrichtingskosten, btw en andere kosten komen niet voor een bijdrage in aanmerking. 3. Om voor een bijdrage in aanmerking te komen dient de standpresentatie voor minimaal 40 procent te bestaan uit werk van beeldend kunstenaars uit Nederland. 4. De kunstenaar(s) uit Nederland waarvan werk wordt getoond is/zijn artistiek inhoudelijk actief in de beeldende kunsten en in die hoedanigheid ingebed in de professionele beeldende kunstpraktijk in Nederland. 5. Wat betreft de hoogte van de bijdrage geldt: - •. bij een zichtbare standpresentatie van 80 procent of meer werk van beeldend kunstenaars uit Nederland bedraagt de maximale financiële ondersteuning 80 procent van de kale standhuur; - •. bij een zichtbare standpresentatie van tussen de 40 procent en 80 procent werk van beeldend kunstenaars uit Nederland bedraagt de maximale financiële ondersteuning 50 procent van de kale standhuur. 6. In de toelichting bij het aanvraagformulier is de maximale hoogte"},{"i":15732,"b":"Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de materiële en immateriële opvang van asielzoekers toe te vertrouwen aan een wettelijk ingesteld bestuursorgaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Asiel en Migratie; - b. COA: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&paragraaf=2&artikel=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - c. Kaderwet: de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - d. opvangcentrum: opvangvoorziening, niet zijnde een woning, hotel of pension, waarin door het COA aan asielzoekers opvang wordt geboden; - e. opvangvoorziening: een accommodatie waarin door of onder verantwoordelijkheid van het COA onderscheidenlijk door of onder verantwoordelijkheid van het college opvang wordt geboden aan asielzoekers; - f. ontheemde: de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet als bedoeld in [artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1), omdat hij onder de reikwijdte valt van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van [Richtlijn 2001/55/EG](32001L0055), en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan, of een verlenging daarvan. § 2. Instelling en taken Artikel 2 1. Er is een Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dat rechtspersoonlijkheid bezit. 2. Het COA heeft zijn zetel ter plaatse door Onze Minister te bepalen. 3. De [Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":15733,"b":"Wet van 10 december 2025, houdende regels omtrent productie, transport en levering van warmte (Wet collectieve warmte) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het stellen van regels noodzakelijk is in het belang van een betrouwbare, betaalbare en broeikasgassen-vrije warmtevoorziening; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aandeel:** aandeel als bedoeld in: - a. artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht, in geval van een beursgenoteerde onderneming; - b. artikel 82, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in geval van een naamloze vennootschap, niet zijnde een beursgenoteerde onderneming als bedoeld in onderdeel a; - c. artikel 175 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in geval van een besloten vennootschap, niet zijnde een beursgenoteerde onderneming als bedoeld in onderdeel a; - –. **aangewezen warmtebedrijf:** warmtebedrijf dat op grond van artikel 2.5, eerste lid, 2.7, eerste lid, 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.3. eerste lid, is aangewezen door het college; - –. **aansluitingsverantwoordelijke:** degene op wie de verantwoordelijkheid, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, rust; - –. **aanwijzing:** aanwijzing als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, 2.7, eerste lid, 13.2, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of 13.3. eerste lid; - –. **aanwijzing van een warmtetransportbeheerder:** aanwijzing als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid; - –. **afleverset voor warmte:** individuele of collectieve afleverset voor warmte met uitzondering van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen installatie; - –. **Autoriteit Consument en M"},{"i":19190,"b":"Richtlijn voor strafvordering witwassen Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op diverse vormen van witwassen gepleegd door natuurlijke personen en kent bij bedragen boven de € 25.000 een eigen recidiveregeling. Witwassen van crimineel geld is een vorm van ondermijnende criminaliteit die een bedreiging vormt voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Het OM-beleid inzake witwasbestrijding strekt ertoe om het witwasproces te frustreren door op diverse plaatsen barrières op te werpen en daar waar mogelijk het criminele geld af te pakken. Deze richtlijn strekt er toe om binnen het Openbaar Ministerie tot meer uniforme strafeisen voor witwassen te komen. Basiscasus/delict Opzetwitwassen ([artikel 420bis WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=420bis)). Legenda **Afkortingen** TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar"},{"i":16650,"b":"Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2026 Overal waar ‘hij’ staat, kan ook ‘zij’ of ‘hen’ worden gelezen Beleidsregels indicatiestelling Wet langdurige zorg 2026 Het CIZ, gelet op [artikel 4:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) (Awb) en de [artikelen 3.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.3), [7.1.2, eerste lid, sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=7.1.2), en [10.5.1 Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=10.5.1) (Wlz), besluit: Artikel 1 Het CIZ hanteert beleidsregels bij het beoordelen of en in welke omvang de verzekerde in aanmerking komt voor één of meer van de in [artikel 3.1.1 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) aangewezen vormen van zorg. Deze beleidsregels zijn opgenomen in de hoofdstukken 1 tot en met 4 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2026. Artikel 4 De Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2026 vervangen de [Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050451). Aanvragen die worden ontvangen in 2026 worden afgehandeld conform de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2026. De Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025 zijn vanaf 1 januari 2026 niet langer van kracht, met uitzondering van de volgende situaties: - •. Op aanvragen die in 2025 door verzekerden zijn ingediend en die worden afgehandeld in 2026 worden de voor de betreffende verzekerde meest gunstige beleidsregels (2025 of 2026) toegepast. - •. Ook in bezwaar- en beroepsprocedures tegen indicatiebesluiten uit 2025 die worden afgehandeld in 2026 worden de voor de betreffende verzekerde meest gunstige beleidsregels (2025 of 2026) toegepast. Artikel 5 Dit besluit wordt met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleidi"},{"i":16652,"b":"Beleidsregels Meerzorg pgb Stichting Zorgkantoor Menzis gelet op [artikel 2.2 lid 1 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen in hoeverre er sprake is van een zorgprofiel overstijgende zorgbehoefte, en gelet op [artikel 5.1e Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.1e) en de daarin besloten bevoegdheid om af te wijken van de bedragen genoemd in [bijlage H Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&bijlage=H), besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Zorgkantoor Menzis hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 tot en met 4 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Meerzorg pgb Stichting Zorgkantoor Menzis Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregels in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het kan gebeuren dat een Wlz-geïndiceerde meer zorg nodig heeft dan op grond van zijn indicatie mogelijk is. In bepaalde gevallen is het budget van het zorgprofiel onvoldoende om passende zorg thuis te bieden. Zorgkantoren kijken dan naar de aard van zorg zoals verwoord in de beschrijving van het zorgprofiel1Bijlage A. bij artikel 2.1 van de Regeling langdurige zorg of van daaruit sprake is van een bijzondere zorgbehoefte die niet passend is in die beschrijving. Het uitgangspunt van zorgkantoren is dat er recht is op een budget dat toereikend is om op passende wijze te voorzien in de zorgbehoefte. De zorgbehoefte is daarmee leidend. De zorgbehoefte van de verzekerde is de behoefte aan zorg die medisch en zorginhoudelijk noodzakelijk is. Tegelijkertijd draagt het zorgkantoor de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met gemeenschapsgelden en onnodige uitgaven te voorkom"},{"i":16653,"b":"Beleidsregels Meerzorg pgb VGZ zorgkantoor gelet op [artikel 2.2 lid 1 Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2) en de daarin besloten bevoegdheid om te beoordelen in hoeverre er sprake is van een zorgprofiel overstijgende zorgbehoefte, en gelet op [artikel 5.1e Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.1e) en de daarin besloten bevoegdheid om af te wijken van de bedragen genoemd in [bijlage H Rlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&bijlage=H), besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Zorgkantoor VGZ hanteert beleidsregels bij het beoordelen of er sprake is van een recht op Meerzorg en zo ja, de omvang van de Meerzorgtoeslag. Deze beleidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 tot en met 4 bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Meerzorg pgb VGZ zorgkantoor Artikel 4 Dit besluit wordt met de beleidsregels in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Inleiding Het kan gebeuren dat een Wlz-geïndiceerde meer zorg nodig heeft dan op grond van zijn indicatie mogelijk is. In bepaalde gevallen is het budget van het zorgprofiel onvoldoende om passende zorg thuis te bieden. Zorgkantoren kijken dan naar de aard van zorg zoals verwoord in de beschrijving van het zorgprofiel1Bijlage A. bij artikel 2.1 van de Regeling langdurige zorg of van daaruit sprake is van een bijzondere zorgbehoefte die niet passend is in die beschrijving. Het uitgangspunt van zorgkantoren is dat er recht is op een budget dat toereikend is om op passende wijze te voorzien in de zorgbehoefte. De zorgbehoefte is daarmee leidend. De zorgbehoefte van de verzekerde is de behoefte aan zorg die medisch en zorginhoudelijk noodzakelijk is. Tegelijkertijd draagt het zorgkantoor de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met gemeenschapsgelden en onnodige uitgaven te voorkomen. In de beoordeling van Mee"},{"i":6840,"b":"Besluit, houdende de aanwijzing van personen belast met het toezicht op de naleving van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen Gelet op [artikel 14, tweede en vierde lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=14); Besluit: Artikel 1 Als personen in de zin van [artikel 14, tweede lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=14) worden aangewezen de medewerkers van de divisie Havenmeester van Havenbedrijf Amsterdam N.V. en de medewerkers van de divisie havenmeester van Havenbedrijf Rotterdam N.V. Artikel 2 De medewerkers, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031347&artikel=1&z=2013-04-01&g=2013-04-01), informeren de inspecteur-generaal onverwijld indien zich een situatie als bedoeld in [artikel 20, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=20) voordoet. Artikel 3 De Havenmeester van Amsterdam, zijnde het hoofd van de divisie Havenmeester van Havenbedrijf Amsterdam N.V. en de Havenmeester van Rotterdam, zijnde het hoofd van de divisie Havenmeester van Havenbedrijf Rotterdam N.V., brengen jaarlijks, voor 1 april, over het jaar daaraan voorafgaand aan de inspecteur-generaal verslag uit over het door de medewerkers, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031347&artikel=1&z=2013-04-01&g=2013-04-01), gehouden toezicht en over de resultaten daarvan. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":7453,"b":"Wet van 15 juni 2006 tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg alsmede wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Artikel I Wijzigt de Wet op de Jeugdzorg. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IIa 1. De besluiten van het provinciebestuur van Zuid-Holland, onderscheidenlijk Noord-Holland waarbij de provinciale besturen de bevoegdheden inzake de uitvoering van hun taken in het kader van de jeugdhulpverlening op grond van [artikel 20 van de Kaderwet bestuur in verandering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006620&artikel=20) hebben overgedragen aan het bestuur van de regionale lichamen van de samenwerkingsgebieden waarin Rotterdam of 's-Gravenhage, onderscheidenlijk Amsterdam zijn gelegen, hebben te rekenen van 1 januari 2005 betrekking op jeugdzorg in het kader van de [Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637). 2. De besluiten, bedoeld in het eerste lid, zijn van het tijdstip dat de [Wijzigingswet Wgr-plus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019114) in werking treedt af, gebaseerd op [artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=104). Artikel III [Artikel I, onderdeel D en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019970&artikel=I&z=2007-07-01&g=2007-07-01), treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De overige onderdelen van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019970&artikel=I&z=2007-07-01&g=2007-07-01) en de [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019970&artikel=II&z=2007-07-01&g=2007-07-01) en [IIa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019970&artikel=IIa&z=2007-07-01&g=2007-07-01) treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, met dien verstande dat [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019970&artikel=II&z=2007-07-01&g=2007-07-01), alsmede de [onderdelen A, C, F en"},{"i":7344,"b":"Wet van 30 september 2020 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek teneinde te voorzien in een adviesrecht voor gemeenten bij de procedure rond beschermingsbewind wegens problematische schulden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) wordt gewijzigd, teneinde te voorzien in een adviesrecht voor gemeenten bij de procedure rond beschermingsbewind wegens problematische schulden; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel Ia Onze Minister voor Rechtsbescherming zendt in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6451,"b":"Besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verruiming van de regeling voor samenhangende zaken Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 20 december 2013, nr. 466175, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikelen 7:15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:15), [7:28, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:28), en [8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:75); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 februari 2014, nr. W03.13.0467/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 15 oktober 2014, nr. 571699, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel II Het [Besluit proceskosten bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006358) zoals dat luidde voor 1 januari 2015 blijft van toepassing op een voor die datum bekendgemaakte beslissing op een bezwaar of administratief beroep en op een voor die datum bekendgemaakte uitspraak van een bestuursrechter. In afwijking van de eerste volzin geldt het Besluit proceskosten bestuursrecht zoals het ingevolge dit besluit is komen te luiden indien de bestuursrechter een beslissing op bezwaar of administratief beroep of een uitspraak van een bestuursrechter vernietigt en daarbij een partij veroordeelt in de kosten van bezwaar, administratief beroep of beroep bij de bestuursrechter waarop vóór 1 januari 2015 is beslist of uitspraak is gedaan. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4733,"b":"Interdepartementale afspraken inzake staatssteun 2017 Vastlegging van de actualisatie van de Interdepartementale afspraken inzake staatssteun 2017 De Minister van Economische Zaken, Gehoord hebbende het Interdepartementaal Overleg voor Wetgeving en Juridische Zaken (IOWJZ) en het Interdepartementaal Steun Overleg (ISO), Legt de volgende interdepartementale afspraken inzake staatssteun en taakomschrijving van het Interdepartementaal Steun Overleg vast: 1. Inleiding Aanleiding voor deze actualisatie van de interdepartementale afspraken inzake staatssteun zijn de ontwikkelingen in het Europese staatssteunrecht, met name de modernisering van de EU staatssteunregels door de Europese Commissie en de daarbij gepaard gaande grotere verantwoordelijkheden voor de lidstaat Nederland en de steunverlenende autoriteiten, zoals ministeries, provincies, gemeenten en waterschappen. Dit brengt met zich dat zowel de taken van het Interdepartementaal Steun Overleg (hierna: ISO) verbreed zijn als de Interdepartementale afspraken inzake staatssteun uit 2006 (Staatscourant van 14 februari 2006, nr. 35) op enige punten actualisering behoeven. Het ISO, opgericht in 1999, wordt nog steeds onmisbaar geacht voor coördinatie van de Nederlandse standpuntbepaling over nieuwe en bestaande steunkaders van de Europese Commissie en heeft ook nog steeds meerwaarde om als klankbord en platform voor informatie-uitwisseling op het gebied van staatssteun te dienen. In 2014 zijn de EU staatssteunregels gemoderniseerd. Dit heeft tot gevolg gehad dat de lidstaten meer verantwoordelijkheid hebben gekregen voor de naleving van de EU staatssteunregels binnen hun lidstaat. De Europese Commissie let er sinds 2014 scherp op of de lidstaten de verplichtingen uit de EU staatssteunregels wel effectief implementeren. De modernisering van de EU staatssteunregels brengt dan ook met zich dat sinds enige tijd binnen het ISO een intensieve samenwerking tussen de steunverlenende instanties plaatsvindt om te komen tot een me"},{"i":4059,"b":"Besluit van 31 oktober 2006, houdende regels inzake het toezicht op de naleving van de voorschriften voor financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen, de doorberekening van aan dat toezicht verbonden kosten, alsmede tot wijziging van enige besluiten (Besluit toezicht financiële verslaggeving) Op voordracht van Onze Minister van Financiën van 11 september 2006, FM 2006-2108; Gelet op de [artikelen 3, vierde lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020369&artikel=3), [5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020369&artikel=5), [6, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020369&artikel=6), en [18, derde lid, van de Wet toezicht financiële verslaggeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020369&artikel=18), [artikel 47, vierde en achtste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=47), [artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=1a) en [artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=1a); De Raad van State gehoord (advies van 12 oktober 2006, No.W06.06.0395/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 25 oktober 2006, FM 2006-02500 M; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet toezicht financiële verslaggeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020369). - b. vervallen. Artikel 2 1. Een effectenuitgevende instelling stelt een bericht als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020369&artikel=3) algemeen verkrijgbaar overeenkomstig [artikel 5:25m, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:25m). Het bericht, bedoeld in de eerste volzin, wordt als zelfstandig bericht algeme"},{"i":6589,"b":"Besluit van 15 maart 2012, houdende wijziging van het Vuurwerkbesluit en enkele andere algemene maatregelen van bestuur (verbetering uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid Vuurwerkbesluit) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 21 april 2011, nr. BJZ2011043272, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op, voor zover het betreft artikel I, [artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=3) en de [artikelen 5.1 tot en met 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=5.1), [8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [8.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.41), [8.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42), [9.2.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.1.4), [9.2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), [9.2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.3), [9.2.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.4) en [9.2.3.2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.3.2), voor zover het betreft artikel II, de [artikelen 1.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=1.1), en [3.12, vierde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=3.12) en [artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), voor zover het betreft artikel III, de [artikelen 8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40) en [8.41 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.41), voor zover het"},{"i":16655,"b":"Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 Gelet op de [artikelen 22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=22a) en [30 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=30), [30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=30a), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=41) en [47a van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=47a), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=30), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=36), [36a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=36a), [50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=50) en [50a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=50a), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=39), [49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=49), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=56), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=67), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=69) en [76 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=76), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=12), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=18), [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=55) en [55a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=55a), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=11), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=16) en [47 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid"},{"i":6588,"b":"Besluit van 17 december 2013 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (stroomlijning toelatingsprocedures) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 17 juli 2013, nr. 408326; Gelet op de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), [24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24), [31, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=32), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=37), [39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=39), en [66 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 september 2013, no. W03.13.0238/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 december 2013, nr. 461548; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel II 1. [Artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) is van overeenkomstige toepassing op aanvragen voor een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die zijn ontvangen voor de inwerkingtreding van dit besluit. 2. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie kunnen nadere regels worden gesteld inzake de toepassing van [artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) op aanvragen die zijn ontvangen voor de inwerkingtreding van dit besluit. 3. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de invoering van dit besluit. Artikel III De artikelen v"},{"i":12769,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 28 november 2018, kenmerk 2417279, tot vaststelling van het formulier voor schadevergoedingsverzoeken in het strafproces Gelet op [artikel 51g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51g); Besluit: Artikel 1 Als formulier, bedoeld in [artikel 51g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51g), wordt vastgesteld het formulier dat is opgenomen als bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Het [besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 december 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037478), kenmerk 708251, tot vaststelling van het formulier schadevergoedingsverzoeken in het strafproces wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Bijlage Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2545,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 17 december 2023, nr. WJZ/ 41128257, tot vergoeding van kosten van maatregelen voor aardbevingsbestendige industrie in Groningen 2023 (Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige industrie Groningen 2023) Gelet op [artikel 13ba van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=13ba) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **Basis of Design:** nota waarin de uitgangssituatie van de te beoordelen industriële installatie of bijbehorend functioneel verbonden gebouw wordt vastgesteld door bepaling van de te hanteren uitgangspunten en aannames om tot een beoordeling van het object te komen; - **Checklist aardbevingsbestendigheid risicokaartbedrijven:** Checklist aardbevingsbestendigheid bedrijven op de risicokaart, januari 2021, NCG; - **Deltares/TNO-handreiking fase 1:** Handreiking Fase 1 voor het uitvoeren van studies naar het effect van aardbevingen voor bedrijven in de industriegebieden in Groningen, 8 juni 2018, TNO en Deltares; - **Deltares/TNO-methode fase 2:** Rekenmethodiek voor het uitvoeren van studies naar het effect van aardbevingen voor bedrijven in de industriegebieden in Groningen, 8 juni 2018, TNO en Deltares; - **gebouw:** bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; - **gevaarlijke stoffen:** gevaarlijke stoffen als bedoeld in [artikel 12.11, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1°, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=12.11); - **inrichting:** inrichting als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=1.1); - **LoC-methode:** Handreiking Aardbevi"},{"i":2546,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 15 februari 2021, nr. WJZ/ 20298861, tot vergoeding van kosten van maatregelen voor aardbevingsbestendige infrastructuur in Groningen (Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige infrastructuur Groningen) Gelet op [artikel 52g, derde lid, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=52g) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **infrastructuur:** infrastructuur als bedoeld in [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=1.1) van en onderdeel A van de [bijlage bij de Omgevingswet](onbekend), en waterkeringen, waaronder begrepen ondersteunende kunstwerken; - **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **piekgrondversnelling:** hoogste waarde op maaiveldniveau van de grondversnelling tijdens een aardbeving; - **veiligheidsnorm:** veiligheidsnorm als bedoeld in [artikel 1.3a.3, eerste lid, van de Mijnbouwregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014468&artikel=1.3a.3). Artikel 2. Toepassingsbereik 1. Deze beleidsregel is van toepassing op infrastructuur die is gelegen op een locatie waar de piekgrondversnelling ten minste 0,05 g is, berekend en vastgesteld bij een herhalingstijd van 475 jaar. 2. Indien de infrastructuur nog niet is gerealiseerd op het moment van indienen van een aanvraag voor een vergoeding als bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044887&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2021-03-06&g=2021-03-06), wordt in afwijking van het eerste lid bij het berekenen en vaststellen van de piekgrondversnelling uitgegaan van het moment van verwachte oplevering van de nieuw te bouwen infrastructuur. 3. Deze beleidsregel is niet van toepassing op de Zuidelijke Ringweg Groningen, bedoeld in het Tracébe"},{"i":4628,"b":"Besluit van 12 juli 2018 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft, het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Besluit politiegegevens en het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft (Herstelbesluit financiële markten 2018) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 31 mei 2018, 2018-0000090074, directie Financiële Markten, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Gelet op de [artikelen 1:81, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:31, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:31), [2:36, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:36), [2:37, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:37), [2:41, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:41), [3:9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:9), [3:53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:59, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:59), [3:63, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:63), [3:67, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:67), [3:68a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:68a), [3:72, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:72), [3:73c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:73c), [3:259, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:259), [3:259a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368"},{"i":16657,"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 19 februari 2018, referentie 2017056354, ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018 voor de Sociale Verzekeringsbank Gelet op [artikel 91, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91) en [artikel 4.4, derde lid, van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4); Besluit: Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. **Aanwijzing:** [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040273); - b. **beheerskostenbudget:** Het bedrag van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz ten laste van het Fonds langdurige zorg; - c. **SVB:** Sociale verzekeringsbank; - d. **Wlz:** [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - e. **Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland. Artikel 2 Het Zorginstituut keert het voor de SVB voorlopig vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget voor het jaar 2018 uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen en vergoedingen Wlz 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036387). Artikel 3 Het Zorginstituut stelt in februari 2018 voor de SVB een voorlopig beheerskostenbudget vast van € 27,416 miljoen zoals genoemd in de [Aanwijzing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040273). Artikel 4 1. Het Zorginstituut stelt uiterlijk in 2020 het beheerskostenbudget definitief vast. 2. Het Zorginstituut betaalt het verschil tussen het bedrag van het definitief vastgestelde en het voorlopig vastgestelde beheerskostenbudget in geval van een positief saldo uit. Indien het verschil tot een negatief saldo leidt, vordert het Zorginstituut het verschil terug. Artikel 5 Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze worden geplaatst, en werken terug tot en met 1 januar"},{"i":16658,"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 19 februari 2018, referentie 2017055845, ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018 voor zorgkantoren Gelet op [artikel 91, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91) en [artikel 4.4, derde lid, van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze Beleidsregels wordt verstaan onder: - a. **Aanwijzing:** [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040273); - b. **beheerskostenbudget:** Het bedrag van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz ten laste van het Fonds langdurige zorg; - c. **bewuste-keuze gesprek:** gesprek dat het zorgkantoor voert met iedere persoon die een persoonsgebonden budget aanvraagt om vast te stellen of deze in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget; - d. **budgethouder:** verzekerde aan wie door het zorgkantoor een persoonsgebonden budget is verleend op grond van [artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3); - e. **huisbezoek:** bezoek van het zorgkantoor aan de budgethouder om vast te stellen dat het persoonsgebonden budget rechtmatig wordt besteed en om de budgethouder beter voor te lichten; - f. **Meerzorg:** recht op zorg op basis van de regeling bedoeld voor cliënten die, gezien hun behoeften aan zorg meer zorg nodig hebben dan vanuit het zorgprofiel gefinancierd kan worden onder toepassing van [artikel 2.2 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=2.2); - g. **minister:** minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - h. **persoonsgebonden budget:** een subsidie waarmee de verzekerde onder de bij of krachtens [artikel 3.3.3 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) en titel 4.2 van de Al"},{"i":2829,"b":"Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1976 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen vastgesteld krachtens [artikel 9, achtste lid, der Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9), per 30 september 1975 ten minste één procent afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer 30 september 1974; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1976 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 13. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging-percentage levensonderhoud 1976."},{"i":12785,"b":"Besluit vaststelling redelijk rendement warmteleveranciers 2026–2028 (uitwerking van de methode van het redelijk rendement voor warmteleveranciers over de periode 2026–2028 ten behoeve van de rendementstoets warmte) 1. Samenvatting 2. Inleiding 3. Uitgangspunten van het redelijk rendement op basis van de WACC 4. Kostenvoet eigen vermogen 4.1. Risicovrije rente 4.2. Marktrisicopremie 4.3. Systematisch risico 4.4. Aanvullend onderzoek, kostenvoet eigen vermogen en grootte leverancier 4.5. Conclusie 5. Kostenvoet vreemd vermogen 5.1. Methode 5.2. Verzameling gegevens 5.3. Berekening kostenvoet vreemd vermogen 5.4. Onderzoek naar opslagen kostenvoet vreemd vermogen op basis van differentiatie naar grootte leverancier 5.5. Conclusie 6. Opslag asymmetrisch reguleringsrisico 7. Gearing en belastingvoet 7.1. Gearing 7.2. Belastingvoet 8. Vaststelling van de hoogte van het redelijk rendement 9. Dictum Samenvatting en reactie zienswijzen 1.1. Inleiding 1.2. Ontvankelijkheid 1.3. Bespreking zienswijzen Systematisch risico Marktrisicopremie 1Toelichting van de marktrisicopremie is uitgebreid (randnummers 47 tot en met 50). Kostenvoet vreemd vermogen Asymmetrisch Reguleringsrisico Algemeen reguleringsrisico Innovatie Belastingvoet"},{"i":13409,"b":"Instelling subwerkgroep vergroening van het fiscale stelsel van de Werkgroep fiscaal-technische herziening loon- en inkomstenbelasting Overwegende dat het wenselijk is een werkgroep vergroening van het fiscale stelsel als subwerkgroep van de werkgroep fiscaal-technische herziening van de loon- en inkomstenbelasting bij afzonderlijk besluit in te stellen; Gelet op het besluit van 22 december 1994/nr. [AFP94/443M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007153) tot instelling van de werkgroep fiscaal-technische herziening van de loon- en inkomstenbelasting, in het bijzonder op artikel 5 van dat besluit; Besluit: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een werkgroep vergroening van het fiscale stelsel als subwerkgroep van de werkgroep fiscaal-technische herziening van de loon- en inkomstenbelasting. Artikel 2 1. De subwerkgroep heeft als taak om te bezien welke mogelijkheden kunnen worden ingezet binnen het fiscale stelsel die het belang van de bescherming van het milieu dienen en een duurzame ontwikkeling van de economie bevorderen. 2. De subwerkgroep behoeft zich, dit in tegenstelling tot de werkgroep fiscaal-technische herziening van de loon- en inkomstenbelasting, niet te beperken tot de loon- en inkomstenbelasting. 3. De subwerkgroep rapporteert zoveel mogelijk in de vorm van concrete voorstellen die nationaal realiseerbaar zijn. 4. De subwerkgroep kan ook voorstellen doen voor algemene voorwaarden waaraan voorstellen voor vergroening van het fiscale stelsel moeten voldoen. 5. De voorstellen kunnen zich richten op modificaties van bestaande belastingen, in de zin van differentiaties, verfijningen, bijzondere regelingen en van tariefsaanpassingen, en op de toekomst van de belastingen op milieugrondslag. De bestaande en in voorbereiding zijnde belastingen op milieugrondslag kunnen daarbij in de beschouwingen worden betrokken en worden doorgelicht op de drie niveaus (elegantie, reparatie, structuur) aangegeven in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":16660,"b":"Beleidsregels van de Raad van bestuur van Zorginstituut Nederland van 25 februari 2020, kenmerk 2019059528, ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2020 gelet op [artikel 91, eerste lid van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4), en [artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - –. **Aanwijzing:** [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042861); - –. **beheerskostenbudget:** Het bedrag van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) ten laste van het Fonds langdurige zorg; - –. **Besluit houdende de aanwijzing van de zorgkantoren;** [besluit van de Minister waarin hij Wlz-uitvoerders aanwijst als zorgkantoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987); - –. **bewuste-keuze gesprek:** gesprek dat het zorgkantoor voert met iedere persoon die een persoonsgebonden budget aanvraagt om vast te stellen of deze in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget; - –. **budgethouder:** verzekerde aan wie door het zorgkantoor een persoonsgebonden budget is verleend op grond van [artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3); - –. **huisbezoek:** bezoek van het zorgkantoor aan de budgethouder om vast te stellen dat het persoonsgebonden budget rechtmatig wordt besteed en om de budgethouder beter voor te lichten; - –. **Minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **Minister voor MZ:** Minister voor Medische Zorg; - –. **nadere aanwijzing:** Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2020 - –. **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit; - –. **persoonsgebonden budget"},{"i":16661,"b":"Besluit van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 9 februari 2021 (kenmerk 2020049797), ter verdeling van de besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2021 Gelet op [artikel 91, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.4, derde lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4) en [artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - –. **Aanwijzing:** [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044421); - –. **beheerskostenbudget:** het bedrag van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) ten laste van het Fonds langdurige zorg; - –. **Besluit houdende de aanwijzing van de zorgkantoren:** besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport waarin hij Wlz-uitvoerders aanwijst als zorgkantoor; - –. **bewuste-keuze gesprek:** gesprek dat het zorgkantoor voert met iedere persoon die een persoonsgebonden budget aanvraagt om vast te stellen of deze in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget; - –. **budgethouder:** verzekerde aan wie door het zorgkantoor een persoonsgebonden budget is verleend op grond van [artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3); - –. **cliëntvertrouwenspersoon:** een persoon die de cliënt ondersteunt in het realiseren van zijn rechtspositie en diens rechtspositie bevordert in het kader van de [Wet zorg en dwang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632); - –. **huisbezoek:** bezoek van het zorgkantoor aan de budgethouder om vast te stellen dat het persoonsgebonden budget rechtmatig wordt besteed en om de budgethouder beter voor te lichten; - –. **Minister van VWS:** Minister van Volksgezondheid, We"},{"i":16662,"b":"Besluit van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 13 januari 2025, kenmerk 2024042056, tot vaststelling van de beleidsregels ter verdeling van de besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2025 Gelet op [artikel 91, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4), en [artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - –. **Aanwijzing:** Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz jaar t; - –. **beheerskostenbudget:** het bedrag van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz ten laste van het Fonds langdurige zorg; - –. **contracteerruimte:** het totale financiële kader dat beschikbaar is voor de Wlz-uitvoerders met een zorgkantoorfunctie om zorg in natura te contracteren bij zorgaanbieders of zelfstandige zorgverleners; - –. **correctiebedrag:** bedrag dat ervoor zorgt dat Wlz-uitvoerders als gevolg van de invoering van het nieuwe verdeelmodel er niet meer dan 4,5 procent in budget op achteruit gaan; - –. **geoormerkte bedragen:** bedragen die in deze beleidsregels zijn opgenomen voor een specifiek doel; - –. **jaar t:** het kalenderjaar waarop de vaststelling betrekking heeft; - –. **jaar t-1:** het jaar voorafgaand aan het jaar t; - –. **jaar t+1:** het jaar volgend op het jaar t; - –. **jaar t+2:** het jaar dat ligt 2 jaar na het jaar t; - –. **minister:** de minister die de Aanwijzing, Nadere aanwijzing en de Tweede nadere aanwijzing ondertekent; - –. **Nadere aanwijzing:** Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz jaar t; - –. **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit; - –. **opgave ZN:** Brief van ZN over de afspraken van zorgkantoren en Wlz-uitvoerders over de verdeling van de geoormerkte bedragen voor respectievelijke de zorgk"},{"i":16663,"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 19 februari 2018, referentie 2017055452, ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018 voor Wlz-uitvoerders Gelet op [artikel 91, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4), en [artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.5); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 Deze beleidsregels verstaan onder: - a. **Aanwijzing:** [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040273); - b. **beheerskostenbudget:** Het bedrag van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz ten laste van het Fonds langdurige zorg; - c. **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit; - d. **Wlz:** [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - e. **Wlz-uitvoerder:** een rechtspersoon als bedoel bedoeld in [artikel 4.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1); - f. **het Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland; - g. **zorgkantoor:** een zorgkantoor als bedoeld in het [Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2015, houdende de aanwijzing van zorgkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987); - h. **Nadere aanwijzing:** [Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041530). Artikel 2 Het Zorginstituut keert het voor iedere Wlz-uitvoerder voorlopig vastgestelde, het nader vastgestelde en het definitief vastgestelde beheerskostenbudget voor het jaar 2018 uit met inachtneming van de [Regeling voorschotverlening op uitkeringen en vergoedingen Wlz 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036387). § 2. Voorlopige vaststelling beheerskostenbudget 2018 Artikel 3 Het Zorgins"},{"i":16664,"b":"Beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten zorgkantoren Wlz 2017 gelet op [artikel 91, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.4 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4), juncto [4.2.4, tweede lid van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) en de [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039111), heeft op 13 februari 2017 besloten: § 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. **Wlz:** [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. **Aanwijzing:** [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039111); - c. **regio:** een regio zoals genoemd in [artikel 1 van het Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2015, houdende de aanwijzing van de zorgkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037424&artikel=1), Staatscourant 2015 nr. 47359, 24 december 2015; - d. **budgethouder:** verzekerde aan wie door het zorgkantoor een persoonsgebonden budget is verleend op grond van [artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3); - e. **persoonsgebonden budget:** een subsidie waarmee de verzekerde onder de bij of krachtens [artikel 3.3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) en [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) gestelde voorwaarden aan hem te verlenen zorg kan inkopen; - f. **bewuste keuze gesprek:** gesprek dat het zorgkantoor voert met iedere persoon die een persoonsgebonden budget aanvraagt om vast te stellen of deze in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget; - g. **huisbezoek:** bezoek van het zorgkantoor aan de budgethoude"},{"i":16681,"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 13 januari 2025, kenmerk 2023045149, met het oog op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wet langdurige zorg door de zorgkantoren en het CAK gelet op [artikel 4.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), [5.1.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=5.1.1) en [6.1.2, onder c, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.2); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - –. **CAK:** het CAK, genoemd in [artikel 6.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1); - –. **NZa:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordering gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - –. **Wlz:** [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - –. **Wlz-zorgaanbieder:** rechtspersoon die zorg of een dienst levert als omschreven bij of krachtens de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) en die op grond van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) (WTZi) is toegelaten voor één of meer van de zorgvormen persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en behandeling, als bedoeld in de Wlz; - –. **Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - –. **zorgkantoor:** rechtspersoon als bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4). Artikel 2 1. Het zorgkantoor kan aan het CAK opdracht geven tot betaling van een voorschot aan een Wlz-zorgaanbieder in de regio of regio’s waarvoor hij is aangewezen en de in [artikel 4.2.2 van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=4.2.2) aangegeven werkzaamheden u"},{"i":16682,"b":"Beleidsregels voor inschrijving bewindvoerders Wsnp en bewindvoerderorganisaties Wsnp in het register II Gelet op: [Artikel 5 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033711&artikel=5) (Staatsblad 2023, nr. 466); [Titel III van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&titeldeel=III) (Staatsblad 2023, nr. 87); [Regeling verlening mandaat raad voor rechtsbijstand betreffende verlenen van subsidies en vaststellen van beleidsregels dienaangaande](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026208) (Staatscourant 2024, nr. 31020); Besluit van het bestuur voor het verlenen van mandaat (Staatscourant 2023, nr. 26091); [Besluit aanwijzing opleidingsinstelling Wsnp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037321) (Staatscourant 2015, nr. 44931) Besluit: Stelt de volgende beleidsregels vast voor inschrijving van de bewindvoerder Wsnp en bewindvoerderorganisatie Wsnp in het register voor bewindvoerders en bewindvoerderorganisaties Wsnp: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - **Advocaat-bewindvoerder:** de bewindvoerder Wsnp die als advocaat is ingeschreven bij de Nederlandse Orde van Advocaten; - **Audit:** Toetsing of de bewindvoerderorganisatie Wsnp en/of bewindvoerder Wsnp voldoet aan het **Profiel bewindvoerderorganisatie Wsnp** en overige inschrijfvoorwaarden. - **Basisopleiding:** een door de Raad erkende opleiding die wordt afgerond met een diploma bewindvoerder Wsnp; - **Bewindvoerder Wsnp:** de door de rechtbank op grond van [artikel 287, derde lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287) benoemde natuurlijke persoon of rechtspersoon; - **Bewindvoerderorganisatie Wsnp:** organisatie die voldoet aan de voorwaarden gesteld in [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051930&paragraaf=5&artikel=13&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **De Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - **Eenzijdige webinar:"},{"i":16685,"b":"Beschikking pensioenvervangende uitkeringen Ambonezen Besluit: Artikel 1 Aan de hier te lande verblijvende - a. gewezen K.N.I.L.-militairen van niet-Nederlandse nationaliteit, en - b. nagelaten betrekkingen van zodanige militairen van niet-Nederlandse nationaliteit, die in 1951 in groepsverband naar Nederland zijn gekomen en in de zorg van het Commissariaat van Ambonezenzorg zijn of zijn geweest, kan, voor zover aan hen volgens de op hen toepasselijke Indische militaire pensioenvoorschriften een pensioen, weduwenpensioen of wezenonderstand is of zou kunnen zijn toegekend en zij daarop jegens de Republiek Indonesië aanspraak kunnen maken, met ingang van het tijdstip, waarop die aanspraak bestaat, doch niet eerder dan te rekenen van 1 januari 1964, tot wederopzeggens worden uitbetaald een periodieke uitkering, overeenkomende met dat pensioen, weduwenpensioen of die wezenonderstand, vermeerderd met alle daarbij behorende bijkomstige betalingen en verminderd met de toe te passen inhoudingen, beperkingen en kortingen, een en ander overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen. Artikel 2 Aan de hier te lande verblijvende nagelaten betrekkingen van niet-Nederlandse nationaliteit van de in [artikel 1, sub **a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002411&artikel=1&z=1963-06-05&g=1963-06-05), bedoelde militairen kan, voor zover zij volgens de Indische militaire voorschriften jegens de Republiek Indonesië aanspraak kunnen maken op weduwenpensioen of wezenonderstand, met ingang van het tijdstip, waarop die aanspraak bestaat, doch niet eerder dan te rekenen van 1 januari 1964, tot wederopzeggens worden uitbetaald een periodieke uitkering, overeenkomende met dat weduwenpensioen of die wezenonderstand, vermeerderd met alle daarbij behorende bijkomstige betalingen en verminderd met de toe te passen inhoudingen, beperkingen en kortingen, een en ander overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen. Artikel 3 Op de uitkeringen, bedoeld in de voorgaande artikelen, kunnen vorderi"},{"i":15187,"b":"Wet van 9 maart 1967, houdende nieuwe regelen betreffende uitlevering en andere vormen van internationale rechtshulp in strafzaken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wet van 6 april 1875, **Stb.** 66, \"tot regeling der algemeene voorwaarden op welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden gesloten\", te vervangen door nieuwe, bij de ontwikkeling van het internationale recht aangepaste, wettelijke regelen betreffende uitlevering en andere vormen van internationale rechtshulp in strafzaken, zulks mede ter nadere uitvoering van [artikel 4, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=4); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie; **uitlevering:** verwijdering van een persoon uit Nederland met het doel hem ter beschikking te stellen van de autoriteiten van een andere Staat ten behoeve van hetzij een in die Staat tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek, hetzij de tenuitvoerlegging van een hem in die Staat opgelegde straf of maatregel; **vreemdeling:** ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld; **opgeëiste persoon:** degene wiens uitlevering door een vreemde Mogendheid is verzocht; **verzoekende staat:** Mogendheid waarvan het verzoek tot uitlevering is uitgegaan. 2. In deze wet wordt mede verstaan onder: - **Nederlands recht of recht van Nederland:** het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - **Nederlands strafrecht:** het strafrecht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - **Nederlandse wet:** een wet die van kracht is in de openbare lichamen Bo"},{"i":2028,"b":"Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Zambiaanse belasting op dividenden, interest en royalty's uit Zambiaanse bron, genoten door inwoners van Nederland Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 19 december 1977 tussen Nederland en Zambia gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 1978, nr. 1) kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. Vermindering tot 15% van de Zambiaanse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Zambia is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b). - b. Vermindering tot 5% van de Zambiaanse belasting op dividenden, indien de dividenden worden genoten door een Nederlandse vennootschap die onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het Zambiaanse lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel a). - c. Algehele vrijstelling van de Zambiaanse belasting op uit Zambia afkomstige interest, indien deze wordt betaald aan de Regering van Nederland of aan een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam van Nederland dan wel aan een agentschap of instantie (daaronder begrepen een financiële instelling) die geheel eigendom is van de Regering van Nederland of van dat plaatselijke publiekrechtelijke lichaam van Nederland (artikel 11, derde lid). - d. Vermindering tot 10% van de Zambiaanse belasting op niet onder onderdeel c vallende interest, afkomstig uit Zambia (artikel 11, tweede lid). - e. Vermindering tot 10% van de Zambiaanse belasting op royalty's, afkomstig uit Zambia (artikel 12, tweede lid). De in de onderdelen a, b, d en e van dit artikel vermelde verminderingen zijn te berekenen over het brutobedrag van de dividende"},{"i":16686,"b":"Beschikking Transitiebedrag instellingen voor medisch specialistische zorg, audiologische centra, centra voor erfelijkheidsadvisering De Nederlandse Zorgautoriteit heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50 lid 2 onder a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) en met inachtneming van het bepaalde in de beleidsregel en de regeling ‘Transitie bekostigingsstructuur medisch specialistische zorg’ en van de onderstaande definities voor elk(e) afzonderlijk(e) voor het jaar 2012 ambtshalve een vaste grens voor de som van de tarieven voor zorgprestaties onder het transitiemodel vastgesteld. De vaste grens is gelijk aan de omzet uit prestatiebekostiging plus het verrekenbedrag. **Zie voor een nadere toelichting de beleidsregel Transitie bekostigingsstructuur medisch specialistische zorg en de bijbehorende circulaire.** Definities Werkingssfeer Voor de toepassing van deze tariefbeschikking wordt een persoon, die Bezwaar/Beroep Ingevolge [artikel 105 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=105) juncto [artikel 7:1 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1) (Awb) kan een belanghebbende binnen zes weken na de datum van verzending van dit besluit een bezwaarschrift, per post of per fax (dus niet via e-mail), indienen bij de Nederlandse Zorgautoriteit, Unit Bezwaar, beroep en boetes, Postbus 3017, 3502 GA Utrecht. In de linkerbovenhoek van de envelop vermeldt u: Bezwaarschrift. Het bezwaar moet volgens [artikel 6:5 lid 1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5) schriftelijk en ondertekend worden ingediend en moet ten minste de volg"},{"i":16687,"b":"Beschikking vaststelling omzetgrens Macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2017 De Nederlandse Zorgautoriteit heeft met inachtneming van [Hoofdstuk 4, paragrafen 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4.4, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), **en meer in het bijzonder:** de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), en [50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), **alsmede de beleidsregels:** **en de nadere regels:** **ambtshalve besloten:** Inwerkingtreding Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Deze beschikking zal in de Staatscourant worden gepubliceerd. Indien de Staatscourant waarin de beschikking wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2016, treedt de beschikking in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de beschikking wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2017."},{"i":14161,"b":"Regeling Cofinanciering Inleiding NWO betrekt maatschappelijke stakeholders, in het bijzonder de (lokale en regionale) overheid, het bedrijfsleven, maatschappelijke of culturele organisaties en professionals, bij het onderzoek. Dergelijke stakeholders kunnen een bijdrage leveren aan door NWO gefinancierd onderzoek, onder andere door het leveren van cofinanciering. In deze regeling (hierna “Regeling Cofinanciering”) is vastgelegd welke regels gelden bij cofinanciering. Artikel 1. Definities - **Aanvrager:** Een rechtspersoon, als bedoeld in [artikel 1.1 van de NWO Subsidieregeling](onbekend), die krachtens privaat- of publiekrecht is opgericht dan wel ingesteld en wetenschappelijk dan wel praktijkgericht onderzoek initieert, ontwikkelt en uitvoert, en de overdracht van de Resultaten daarvan aan de maatschappij bevordert. Een aanvrager kan ook een natuurlijk persoon zijn, mits wordt voldaan aan de in artikel 1.1 van de NWO Subsidieregeling bedoelde voorwaarden. - **Aanvrager-startup:** Een innovatieve onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 80, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening (nr. 651/2014), die tevens starter is, als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van die verordening en van wie de economische activiteiten rechtstreeks en onmiddellijk voortkomen uit onderzoek van een Aanvrager of andere samenwerkende rechtspersonen in de zin van de [NWO Subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050166). - **Call for Proposals:** Een door NWO gepubliceerde oproep tot het indienen van aanvragen voor subsidie voor het verrichten van nader aangeduide onderzoeken, waarin de elementen, genoemd in [artikel 2.1.2 NWO Subsidieregeling](onbekend) zijn opgenomen. - **Cofinancier:** Een rechtspersoon, dan wel andere juridische entiteit, niet zijnde aanvrager, die door middel van cofinanciering bijdraagt aan het project. - **Cofinanciering:** De bijdrage, in cash, in kind, of een combinatie daarvan, door de Cofinancier aan het Project. - **IE-rechten:**"},{"i":16690,"b":"Besluit van 10 september 2013, houdende aanpassing van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders in verband met aanpassingen van de eigen bijdrage voor de rechtzoekende in geval van verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand en de vergoeding van rechtsbijstandverleners (Besluit aanpassingen eigen bijdrage rechtzoekenden en vergoeding rechtsbijstandverleners) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 2 mei 2013, nr. 381088; Gelet op de [artikelen 33e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33e), en [37 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), [artikel 21 van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=21) en [artikel 434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=434a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 28 juni 2013, nr. W03.13.0127/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 september 2013, nr. 419808; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Artikel II Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel III Wijzigt het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Artikel IV 1. Het [Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277) zoals dit luidde vóór de inwerkintreding van dit besluit, blijft van toepassing op toevoegingen aangevraagd vóór de inwerkingtreding van dit besluit. 2. Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) zoals dit luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op toevoegingen afgegeven vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel V Dit besluit treedt in werking met i"},{"i":16692,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 januari 2013, GMT-3149798, houdende besluit aanstelling en taakopdracht verkenners extramurale farmaceutische zorg Besluit: Artikel 1. Aanstelling Als Verkenners extramurale farmaceutische zorg worden aangesteld: - •. Prof. dr. A.H.G. Rinnooy Kan - •. Drs. R.W.P. Reibestein. Artikel 2. Taakopdracht De taakopdracht omvat de volgende elementen: - 1. Voer een verkenning uit naar de situatie op de markt voor extramurale farmaceutische zorg. - 2. Betrek in die verkenning alle binnen het kader van de opdracht relevante partijen die op deze markt actief zijn, waaronder ook nieuwe aanbieders. - 3. Rapporteer aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor eind februari 2013. De rapportage moet, in combinatie met de Marktscan Farmacie die de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in februari 2013 zal uitbrengen, de minister van VWS in staat stellen zich een gefundeerd oordeel te vormen over de overgangssituatie waarin de markt voor extramurale farmaceutische zorg zich bevindt. De belangrijkste vraag daarbij is of partijen, met inachtneming van elkaars verantwoordelijkheden, in onderling overleg en onderhandelingen in staat zijn om tot zodanige uitkomsten te komen dat enerzijds sprake is van het doorzetten van noodzakelijke veranderingen en vernieuwingen in de extramurale farmaceutische zorg en anderzijds patiënten onbelemmerd toegang hebben en houden tot farmaceutische zorg van de vereiste kwaliteit tegen aanvaardbare kosten. - 4. De beoogde uitkomst van de verkenning is een impressie van de verkenners. Het gaat niet om een uitputtend, volledig, of diepgaand onderzoek. Artikel 3. Werkwijze De verkenners beslissen zelf over de wijze waarop zij hun werkzaamheden willen inrichten en over de wijze van rapporteren. Artikel 4. Periode van de verkenning De verkenning wordt in beginsel voor 28 februari 2013 afgerond. Artikel 5. Honorering verkenners 1. De verkenners ontvangen voor hun werkzaamheden de maximumve"},{"i":16693,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 29 september 2020, kenmerk 1751613-210899-MEVA, houdende een aanvullende vrijstelling van de termijn voor het indienen van de aanvraag tot vaststelling bij de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg 2019 in verband met de uitbraak van het coronavirus (Besluit aanvullende vrijstelling termijn vaststellingsaanvraag Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg 2019) Gelet op [artikel 7.2, derde lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Aan ontvangers van subsidies op grond van de [Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041610) wordt een aanvullende vrijstelling verleend van de termijn, bedoeld in [artikel 7.2, eerste lid, onderdeel b, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=7.2), voor het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling, tot 1 januari 2021. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanvullende vrijstelling termijn vaststellingsaanvraag Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg 2019. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16696,"b":"Besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137206, houdende aanwijzing van Ambulance Oost voor de regio Twente als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Ambulance Oost is voor regio Twente de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16695,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137232, houdende aanwijzing van Ambulance Amsterdam B.V. voor de regio Zaanstreek-Waterland als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Ambulance Amsterdam B.V. is voor regio Zaanstreek-Waterland de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16697,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137203, houdende aanwijzing van Connexxion Ambulance Services B.V. voor de regio Noord-Oost Gelderland als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Connexxion Ambulance Services B.V. is voor regio Noord-Oost Gelderland de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16698,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137233, houdende aanwijzing van Connexxion Ambulance Services B.V. voor de regio Zeeland als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Connexxion Ambulance Services B.V. is voor regio Zeeland de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16746,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2015, kenmerk 885630-144844-Z, houdende de aanwijzing van de zorgkantoren Gelet op [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4); Besluit: Artikel 1 Voor de jaren 2016 tot en met 2020 zijn in de hiernavolgende regio’s de daarachter genoemde Wlz-uitvoerders de zorgkantoren: - 1. Groningen: Stichting Zorgkantoor Menzis - 2. Friesland: Zorgkantoor Friesland B.V. - 3. Drenthe: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 4. Zwolle: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 5. Twente: Stichting Zorgkantoor Menzis - 6. Apeldoorn, Zutphen, en omstreken: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 7. Arnhem: Stichting Zorgkantoor Menzis - 8. Nijmegen: VGZ Zorgkantoor B.V. - 9. Utrecht: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 10. Flevoland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 11. ’t Gooi: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 12. Noord-Holland Noord: VGZ Zorgkantoor B.V. - 13. Kennemerland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 14. Zaanstreek/Waterland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 15. Amsterdam: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 16. Amstelland en de Meerlanden: Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid - 17. Zuid-Holland Noord: Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid - 18. Haaglanden: CZ Zorgkantoor B.V. - 19. Westland Schieland Delfland: Zorgkantoor DSW B.V. - 20. Midden-Holland: VGZ Zorgkantoor B.V. - 21. Rotterdam: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 22. Zuid-Hollandse Eilanden: CZ Zorgkantoor B.V. - 23. Waardenland: VGZ Zorgkantoor B.V. - 24. Zeeland: CZ Zorgkantoor B.V. - 25. West-Brabant: CZ Zorgkantoor B.V. - 26. Midden-Brabant: VGZ Zorgkantoor B.V. - 27. Noordoost Brabant: VGZ Zorgkantoor B.V. - 28. Zuidoost Brabant: CZ Zorgkantoor B.V. - 29. Noord- en Midden-Limburg: VGZ Zorgkantoor B.V. - 30. Zuid-Limburg: CZ Zorgkantoor B.V. - 31. Midden IJssel: Salland Zorgkantoor B.V. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Dit"},{"i":16699,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137204, houdende aanwijzing van Coöperatie AmbulanceZorg Rotterdam Rijnmond U.A. voor de regio Rotterdam-Rijnmond als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond is voor de regio Rotterdam-Rijnmond de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16704,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 13 december 2011, nr. MC-U-3097188 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg houdende aanvulling van de aanwijzing contracteerruimte AWBZ 2012 in verband met contractering zelfstandige zorgverleners Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 23 september 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2010/11, 30 597, nr. 213); Gezien het verslag van een schriftelijk overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 16 november 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 30 597, nr. 235); In vervolg op mijn [aanwijzing van 21 november 2011 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake contracteerruimte AWBZ 2012 en enkele andere aangelegenheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030715) (Stcrt. 2011, 21600); Besluit: Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op extramurale zorg waarop aanspraak bestaat op grond van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614), indien en voor zover deze wordt verleend door zelfstandige zorgverleners. Onder een zelfstandige zorgverlener wordt in deze aanwijzing verstaan de natuurlijke persoon als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, sub 1°, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1), die in persoon buiten dienstbetrekking zorg verleent. Artikel 2. uitvoering De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig regels en beleidsregels vast, zo nodig met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2012. Artikel 3. landelijk kader Voor 2012"},{"i":16705,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 18 december 2008, CZ CGG 2902762 houdende op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake dyslexiezorg Gelet op [artikel 7 van de Wet Marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten Generaal (Brieven d.d. 25 november 2008, CZ CGG-2895567 en CZ CGG-2895571) Besluit: Artikel 1 1. Deze aanwijzing is van toepassing op dyslexiezorg zoals die is omschreven in het [besluit Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492) d.d. 28 augustus 2008 ( Stb 2008 370). Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, (beleids)regels vast. 2. Deze aanwijzing geldt voor zorgaanbieders in de curatieve ggz die binnen het kader van de DBC spelregels benoemd zijn als hoofdbehandelaar. Tevens geldt deze aanwijzing tot en met de evaluatiestudie in 2011 voor Orthopedagoog-Generalisten en Kinder- en Jeugdpsychologen die als zodanig geregistreerd zijn bij hun beroepsvereniging. Artikel 2 De zorgautoriteit hanteert met ingang van 1 januari 2009 voor de prestatie dyslexiezorg de maximumtarieven en spelregels van de DBC GGZ systematiek. Dit betekent dat diagnose en behandeling van ernstige dyslexie valt onder de productgroep ‘overige stoornissen in de kinderleeftijd’. Artikel 3 Tot en met de evaluatiestudie van 2011 zal de zorgautoriteit jaarlijks informatie leveren ten aanzien van de ontwikkeling van vergoedingsregeling voor dyslexiezorg. Artikel 4 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met toelichting geplaatst in de Staatscourant."},{"i":16706,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 oktober 2007, nr. MC-U-2802732, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake eerstelijns psychologische zorg niet verleend door huisartsen Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 3 september 2007 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2006/07, 25 424, nr. 67) Besluit: Artikel 1 De aanwijzing is van toepassing op eerstelijns psychologische zorg niet verleend door huisartsen. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 1. De zorgautoriteit voert met ingang van 1 januari 2008 prestatiebeschrijvingen in voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022754&artikel=1&z=2007-11-01&g=2007-11-01) bedoelde zorg. 2. Met ingang van 1 januari 2008 gelden voor zorg als bedoeld in het eerste lid tarieven als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). Artikel 3 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16707,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2016, kenmerk 989379-153044-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake het experiment integrale geboortezorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 31 mei 2016 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2015-2016, 32 279, nr. 84) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gelet op het Verslag van een schriftelijk overleg naar aanleiding van de voorhangbrief van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Kamerstukken II, 2015-2016, 32 279, nr. 87); en Gelet op het algemeen overleg ‘Zwangerschap en geboorte’ van 23 juni 2016. Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. **de zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geboortezorg, dit omvat: - a. de geneeskundige zorg zoals geregeld bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4), zoals: - –. obstetrische zorg met uitzondering van high care obstetrische zorg en geavanceerd ultrageluid onderzoek; - –. antenatale consultatieve kindergeneeskundige zorg; - –. eerstelijnsdiagnostiek voor zover die samenhangt met de zorgvraag van de cliënt; - b. Kraamzorg zoals geregeld bij of krachtens [artikel 2.11 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.11). Artikel 3. Opdracht De zorgautoriteit voorziet per 2017 in een experiment integrale geboortezorg op grond van [artikel"},{"i":16709,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 februari 2009, nr. DLZ/KZ-U-2909122 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake experimenten in het kader van het Transitie Programma Langdurige Zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brieven van 23 oktober 2008; Kamerstukken II, 2008/09, 30597, nr. 33); Gezien het schriftelijk overleg over transitie-experimenten Langdurige Zorg van 23 december 2008 (Kamerstukken II, 2008/09, 30597, nr. 44); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **TPLZ:** het Transitieprogramma Langdurige Zorg voortvloeiend uit het Convenant AWBZ 2005–2007; - e. **TPLZ-experiment:** een experiment te houden in het kader van het Transitieprogramma Langdurige Zorg dat: - 1. een looptijd heeft van maximaal drie jaren en uiterlijk op 31 december 2011 eindigt, - 2. gericht is op het bevorderen van de houdbaarheid van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) of op het helpen voldoen aan de toenemende zorgvraag, op een zodanige wijze dat de hele sector langdurige zorg de daarbij opgedane kennis en ervaring kan toepassen, - 3. naar gelang zijn doelstelling beperkt is tot een specifieke patiëntengroep, prestatie, een of meerdere zorgaanbieders, een of meerdere ziektekostenverzekeraars dan wel een of meerdere regio’s, - 4. niet tot gevolg heeft dat zorg waarvoor een tarief als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder a e"},{"i":16710,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 september 2016, 990524-153134-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake experimenten persoonsvolgende inkoop Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 10 juni 2016 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2015–2016, 34 104, 129) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gezien het verslag van de Tweede Kamer van een schriftelijk overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. **de Wlz:** de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - c. **de zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **de regio:** de regio als bedoeld in [artikel 4.2.4 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) en [artikel 4.2.1 van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=4.2.1). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing heeft betrekking op zorg als bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1), voor zover deze zorg niet wordt geleverd op basis van een persoonsgebonden budget zoals bedoeld in [artikel 3.3.3 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3). Artikel 3. Opdracht 1. De zorgautoriteit voorziet met ingang van 1 januari 2017 in regelgeving voor een experiment persoonsvolgende inkoop. 2. Het experiment z"},{"i":16711,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 3 juli 2019, kenmerk 1549124-192760-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de gefaseerde overheveling van de geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen Gelet op [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) jo. [57 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57); Na op 27 mei 2019 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2018/19, 33 578, nr. 65) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **eerstelijnsverblijf:** zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg zoals huisartsen die plegen te bieden al dan niet gepaard gaande met verpleging, verzorging of paramedische zorg; - b. **geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen:** zorg zoals specialisten ouderengeneeskunde en artsen verstandelijk gehandicapten die plegen te bieden bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). - c. **geriatrische revalidatiezorg:** zorg als bedoeld in [artikel 2.5c van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5c); - d. **maximumtarief:** bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat ten hoogste als tarief voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - e. **minister:** minister voor Medische Zorg; - f. **prestatiebeschrijving:** prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wet"},{"i":7838,"b":"Besluit premiedifferentiatie wachtgeldverzekering sector Uitzendbedrijven 2003 Gelet op [artikel 85, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=85); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Uitzendbedrijven IA** groepen uitzendkrachten met administratieve of (para)medische functies krachtens een uitzendovereenkomst in de zin van [artikel 7:690 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=690) en op wier uitzendovereenkomst een schriftelijk beding als bedoeld in [artikel 7:691 tweede lid BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=691) van toepassing is, werkzaam bij uitzendbedrijven; - b. **Uitzendbedrijven IIA** groepen uitzendkrachten met technische of overige functies krachtens een uitzendovereenkomst in de zin van [artikel 7:690 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=690) en op wier uitzendovereenkomst een beding als bedoeld in [artikel 7:691 tweede lid BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=691) van toepassing is, werkzaam bij uitzendbedrijven; - c. **Intermediaire diensten** intercedenten en consulenten; filiaalhouders en vestigingsmanagers; administratief personeel; directie en stafleden; operationele stafmedewerkers; boekhouding en uitzendadministratie; al het personeel waarvan de werkzaamheden zijn terug te voeren op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan derden, werkzaam bij uitzendbedrijven; - d. **Uitzendbedrijven IB en IIB** groepen uitzendkrachten met administratieve, (para)medische functies, technische of overige functies krachtens een uitzendovereenkomst in de zin van [artikel 7:690 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=690) en op wier uitzendovereenkomst niet een beding als bedoeld in [artikel 7:691 tweede lid BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=691) van toepassing is, werkzaam bij uitzendbedrijven; - e. **Detachering** groepen arbeidskrachten die n"},{"i":16712,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 26 maart 2018, kenmerk 1289880-172830-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering facultatieve prestatie met een vrij tarief voor eerstelijnsdiagnostiek in de medisch specialistische zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 24 januari schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2017/18, 33 578, nr. 51) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2019 voor de eerstelijnsdiagnostiek binnen de overige zorgproducten in de medisch specialistische zorg, vrije tarieven vast voor de prestatiebeschrijvingen die op gezamenlijk verzoek van de zorgaanbieder en zorgverzekeraar worden aangevraagd."},{"i":16747,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2015, kenmerk 878309-144844-Z, houdende de aanwijzing van de zorgkantoren Gelet op [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Voor de jaren 2016 tot en met 2020 zijn in de hiernavolgende regio’s de daarachter genoemde Wlz-uitvoerders de zorgkantoren: - 1. Groningen: Stichting Zorgkantoor Menzis - 2. Friesland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 3. Drenthe: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 4. Zwolle: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 5. Twente: Stichting Zorgkantoor Menzis - 6. Apeldoorn, Zutphen, en omstreken: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 7. Arnhem: Stichting Zorgkantoor Menzis - 8. Nijmegen: VGZ Zorgkantoor B.V. - 9. Utrecht: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 10. Flevoland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 11. ’t Gooi: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 12. Noord-Holland Noord: VGZ Zorgkantoor B.V. - 13. Kennemerland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 14. Zaanstreek/Waterland: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 15. Amsterdam: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 16. Amstelland en de Meerlanden: Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid - 17. Zuid-Holland Noord: Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid - 18. Haaglanden: CZ Zorgkantoor B.V. - 19. Westland Schieland Delfland: Zorgkantoor DSW B.V. - 20. Midden-Holland: VGZ Zorgkantoor B.V. - 21. Rotterdam: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. - 22. Zuid-Hollandse Eilanden: CZ Zorgkantoor B.V. - 23. Waardenland: VGZ Zorgkantoor B.V. - 24. Zeeland: CZ Zorgkantoor B.V. - 25. West-Brabant: CZ Zorgkantoor B.V. - 26. Midden-Brabant: VGZ Zorgkantoor B.V. - 27. Noordoost Brabant: VGZ Zorgkantoor B.V. - 28. Zuidoost Brabant: CZ Zorgkantoor B.V. - 29. Noord- en Midden-Limburg: VGZ Zorgkantoor B.V. - 30. Zuid-Limburg: CZ Zorgkantoor B.V. - 31. Midden IJssel: Salland Zorgkantoor B.V. Artikel"},{"i":16714,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3072981 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering vrije tarieven mondzorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 6 juni 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2010/11, 32 620, nr. 13); Gelet op mijn inbreng van 29 juni 2011 voor het verslag van het schriftelijk overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (CZ/EKZ-3071447); Gelet op mijn inbreng van 5 juli 2011 voor het verslag van het schriftelijk overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken I 2010/11, 32 620, A en B). Besluit: Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op mondzorg, met uitzondering van chirurgische tandheelkundige hulp van specialistische aard: - a. als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) of de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); of - b. verleend door personen, ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) of [artikel 34 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34) voor zover het betreft handelingen of werkzaamheden die niet zijn begrepen onder a. Artikel 2. uitvoering van de aanwijzing Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (verder zorgautoriteit genoemd) waar nodig beleidsregels of regels vast. Artikel 3. prestaties en tariefsoort 1. De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2012 prestatiebeschrijvingen vast voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":16715,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 november 2008, CZ-U-2.893.230, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake een korting op de begroting voor huisartsenzorg per 2009 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 10 september 2008 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2007/08, 29 247, nummer 81); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op huisartsenzorg als bedoeld bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 Voor huisartsenzorg, zoals omschreven in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025411&artikel=1&z=2009-03-12&g=2009-03-12), geldt per 1 januari 2009 een taakstelling van per saldo € 68 mln structureel (prijspeil 2009). Artikel 3 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16716,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 december 2011, MC-U-3093364, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake kortingen huisartsenzorg, verloskundige zorg en logopedische zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 10 juni 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2010/11, 29 248, nr. 212); Gezien mijn brief van 28 juni 2011 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake de beantwoording van vragen gesteld tijdens het algemeen overleg Zorgverzekeringswet/Pakketadvies 2011 op 22 juni 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 29 689, nr. 347); Gezien het verslag van een schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Eerste Kamer der Staten-Generaal vastgesteld op 4 juli 2011 en de brief van 29 juni 2011 ter zake (Kamerstukken I, 2010/11, 29 248, L) en het daaropvolgende mondeling overleg met die commissie op 5 juli 2011; Gezien mijn brief van 2 november 2011 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de bijstelling tariefskorting eerste lijn (Kamerstukken II 2010/11, 29 247, nr. 152); Besluit: Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geneeskundige zorg of diensten als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) zoals huisartsen of verloskundigen die plegen te bieden, alsmede op paramedische zorg of diensten als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet zoals logopedisten die plegen te bieden. Artikel 2. uitvoering van de aanwijzing Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit beleidsregels vast. Artikel 3. neerwaartse bijstelling structurele taakstelling De structurele taakstellingen per 1 januari 2012 op basis van de [aanwijzing van 21 juli 2011](https://wetten.overhe"},{"i":16717,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2011, nr. MC-U-3093947, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de maatregel 18.000 plus dbc’s Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 6 september 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2010/11, 25 424, nr. 133) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gelet op het algemeen overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 29 september 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 25 424, nr. 148); Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **AWBZ:** [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - e. **geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:** zorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630, artikel III); - f. **instellingsbudget:** door de zorgautoriteit jaarlijks per instelling voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg vastgestelde aanvaardbare kosten op basis van AWBZ-parameters; - g. **dbc:** diagnose behandeling combinatie. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Van deze aanwijzing is uitgezonderd zorg waarvoor vrije tarieven gelden a"},{"i":16718,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 november 2010, nr. CZ-IPZ-3030401, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake medisch specialistische zorg 2011 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 29 juni 2010 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2009–2010, 29248, nr. 125); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op medisch specialistische zorg, voor zover door, of onder verantwoordelijkheid van, medisch specialisten wordt geleverd en waarvoor door de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, prestatiebeschrijvingen zijn of worden vastgesteld in de vorm van diagnose behandeling combinaties en met uitzondering van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630). Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit regels en beleidsregels vast. Artikel 2 Voor zorg als bedoeld in het [vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028941&artikel=1&z=2010-11-15&g=2010-11-15) wordt per 1 januari 2011 een korting van structureel € 606 miljoen (prijspeil 2009) opgelegd. Artikel 3 Voor de realisatie van de in het [vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028941&artikel=2&z=2010-11-15&g=2010-11-15) vermelde korting gelden de volgende uitgangspunten: Ten behoeve van die korting stelt de zorgautoriteit de honorariumtarieven met ingang van 2011 neerwaarts bij, voor zover die korting niet al door de [aanwijzing van 7 mei 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028021), met kenmerk CZ/TSZ-3003410, door de zorgautoriteit is verwerkt. De zorgautoriteit bepaalt de wijze w"},{"i":16719,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 oktober 2007, nr. MC-U-2805003, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake modulair tariefsysteem voor farmaceutische hulp Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken Tweede Kamer, 2006–2007, 29 359, nr. 101); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op de zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en die wordt geleverd door zorgaanbieders die geneesmiddelen afleveren zoals bedoeld in [artikel 1, lid 1, sub s van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1) of waarop de [Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079) van toepassing is, en op de ziektekostenverzekeraars, als omschreven in [artikel 1, lid 1, sub f van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit beleidsregels vast. Artikel 2 1. De Nederlandse Zorgautoriteit stelt beleidsregels vast voor een nieuw tariefsysteem ter uitvoering van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022760&artikel=1&z=2007-11-05&g=2007-11-05) bedoelde zorg op basis van prestatiebekostiging. De huidige systematiek met een receptregelvergoeding voor openbare apotheken en het abonnement voor apotheekhoudende huisartsen, inclusief de module ‘scheiden zorg en handel’ wordt beëindigd bij invoering van de nieuwe systematiek. 2. Het nieuwe tariefsysteem beschrijft een basisprestatie en aanvullende prestaties binnen de reguliere farmaceutische zorg, waarvoor maximumtarieven gelden als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder b, van de Wet marktordening gezondheidszorg]"},{"i":16720,"b":"Besluit aanwijzing ex artikel 7 Wet marktordening gezondheidszorg (taakstelling ziekenhuizen 2011) Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 29 juni 2010 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2009/10, 29 248, nr. 128); Gezien het verslag van een schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 7 oktober 2010 inzake de voorhang taakstelling ziekenhuizen 2011; Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg waarop in 2011 de budgetsystematiek van toepassing is, te weten: algemene en categorale ziekenhuizen (inclusief long/astmacentra), academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra en dialysecentra, verder te noemen ziekenhuizen. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, beleidsregels vast. Artikel 2 Aan ziekenhuizen wordt per 1 januari 2011 een taakstelling van structureel € 150 miljoen (prijspeil 2007) opgelegd. Deze aanwijzing beslaat vooralsnog niet de in de voorhangbrief aangekondigde korting van € 549 miljoen. Artikel 3 Voor de verdeling van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028924&artikel=2&z=2010-11-11&g=2010-11-11) vermelde taakstelling over de ziekenhuizen gelden de volgende uitgangspunten: - 1. De toedeling van de macro taakstellingsbedragen naar het niveau van de individuele ziekenhuizen dient te geschieden op basis van het aandeel van het individuele ziekenhuis in het macrobudget in het basisjaar. - 2. Het basisjaar waarop het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen betrekking hebben en de daarbij te hanteren peildatum worden door de zorgautoriteit nader vastgesteld. - 3. Het macrobudget en de sta"},{"i":16721,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 30 augustus 2011, MC-U-3078388, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake tarief- en budgetkorting curatieve geestelijke gezondheidszorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 10 juni 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2010/11, 25 424, nr. 118) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gelet op het algemeen overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 30 juni 2011; Gelet op het verslag van een schriftelijk overleg van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 4 juli 2011 (Kamerstukken I 2010/11, 29 689, E); Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **AWBZ:** [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - e. **geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:** zorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630, artikel III); - f. **instellingsbudget:** door de zorgautoriteit jaarlijks per instelling voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg vastgestelde aanvaardbare kosten op basis van AWBZ-parameters; - g. **dbc:** diagnose behandeling combinatie. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing o"},{"i":16722,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg, van 12 maart 2019, kenmerk 1493202-187870-PZO op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake het vrijgeven van tarieven van eerstelijnsdiagnostiek in de medisch specialistische zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Na op 18 december 2018 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit inzake de wijziging tariefsoort eerstelijnsdiagnostiek (**Kamerstukken II** 2018/19 33 578 nr. 59); Besluit: artikel Enig De NZa hanteert per 1 januari 2020 vrije tarieven, als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel a, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) voor de eerstelijnsdiagnostiek in de medisch specialistische zorg. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":16723,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 november 2024, nr. 2024-0000919760, houdende de aanwijzing van de Functionaris voor gegevensbescherming voor de AVG, van de plaatsvervangend Functionaris voor gegevensbescherming voor de AVG en de Wpg, en van de Functionaris voor gegevensbescherming voor de Wpg bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Gelet op: Artikelen 37 van [Verordening (EU) 2016/679](32016R0679) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L119/1); Artikelen 32 van de [Richtlijn (EU) 2016/680](32016L0680) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PbEU 2016, L 119/89); [Artikel 36 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=36) (Wpg) van 21 juli 2007 inzake de verwerking van politiegegevens; **Besluit:** Artikel 1 1. Er is een Functionaris voor gegevensbescherming (FG) voor de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). 2. Er is een plaatsvervangend Functionaris voor gegevensbescherming (pFG) voor de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) voor de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463) (Wpg). 3. Er is een Functionaris voor gegevensbescherming (FG) voor de [Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463) (Wpg). Artikel 2 1. Als Functionaris voor gegevensbeschermin"},{"i":16724,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 juli 2013, 129679-106375-MC, houdende de generalistische basis geestelijke gezondheidszorg en praktijkondersteuner huisartsenzorg geestelijke gezondheidszorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), Na op 17 mei 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2012/13, 25 424, nr. 211) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8), Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **generalistische basis ggz:** geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) niet zijnde specialistische geestelijke gezondheidszorg; - e. **maximumtarief:** bedrag als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) dat ten hoogste voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - f. **POH ggz:** praktijkondersteuners huisartsenzorg geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, zijnde zorgaanbieders die geneeskundige geestelijke gezondheidszorg leveren zoals huisartsen die bieden. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op de generalistische basis ggz en poh ggz. Artikel 3. uitvoering van de aanwijzing De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig regels en beleidsregels vast. Artikel 4. tarieven en prestaties De zorgautoriteit stelt met inga"},{"i":16725,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 26 juli 2011, nr. 5704528/11, houdende aanwijzing van de instantie die de vergoeding aan gerechtsdeurwaarders verstrekt voor verrichte werkzaamheden in het kader van een toevoeging (Besluit aanwijzing instantie uitbetaling vergoeding werkzaamheden gerechtsdeurwaarders in rechtsbijstandzaken) Gelet op [artikel 40, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=40); Besluit: Artikel 1 De griffie van het gerecht waar de gerechtsdeurwaarder kantoor houdt, draagt overeenkomstig [artikel 40 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=40) zorg voor de uitbetaling van de vergoeding die de gerechtsdeurwaarder ontvangt voor het uitbrengen van een exploot of het opmaken van een proces-verbaal dan wel de verlening van rechtsbijstand bij de tenuitvoerlegging van de uitspraak in een zaak waarvoor een toevoeging is verleend. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2010. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing instantie uitbetaling vergoedingwerkzaamheden gerechtsdeurwaarders in rechtsbijstandzaken. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16726,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 oktober 2022, kenmerk 3452903-1038179-PZo, inzake de invoering van een prestatie voor algemene diensten of activiteiten ten behoeve van zorg voor Parkinsonpatiënten Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 13 september 2022 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II**2021/22, 29 689, nr. 1167) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **ADZ:** algemene diensten ten behoeve van verzekerde zorg; - –. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **prestatie:** prestatiebeschrijving als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - –. **vrij tarief:** tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), dat voor een prestatie in rekening mag worden gebracht; - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op ‘algemene diensten of activiteiten ten behoeve van zorg voor Parkinsonpatiënten’. Het gaat om geneeskundige zorg als bedoeld in [artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4). Het gaat hierbij om de volgende activiteiten of diensten ten behoeve van zorg voor Parkinsonpatiënten: - –. Vraagbaak voor deelnemende zorgprofessionals van het netwerk; - –. Selectie, certificering en herregist"},{"i":16727,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 november 2016, kenmerk 1036209-157521-MC, inzake verlenging termijn en uitbreiding reikwijdte beleidsregel Innovatie ten behoeve van nieuwe zorgprestaties Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) en [artikel 7a van het interim-besluit forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029333&artikel=7a) (Stb. 2012, 134); Na op 30 september 2016 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2016/17, 32 620, nr. 179); Besluit: Artikel 1. uitbreiding termijn De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet in een wijziging van de beleidsregel Innovatie ten behoeve van nieuwe zorgprestaties (AL/BR-0027) (hierna: beleidsregel innovatie) zodat het mogelijk wordt dat een experiment met maximaal twee jaar kan worden verlengd indien uit de evaluatie van het experiment blijkt dat: - a. het experiment nog onvoldoende uitkomsten heeft gegenereerd, of - b. de onderzoeksopzet en het type onderzoek een langere onderzoeksduur vergen. Artikel 2. uitbreiding reikwijdte De Nederlandse Zorgautoriteit voorziet erin dat de beleidsregel innovatie ook van toepassing is op de forensische zorg. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":16728,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 4 september 2018, nr. DGETM-TM/18224772, houdende de aanwijzing van KPN als verzorger van de bemiddelingsdienst Gelet op de [artikelen 9.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=9.2), [9.3, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=9.3), en [9.4, vierde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=9.4); Besluit: Artikel 1 Koninklijke KPN B.V. wordt aangewezen als de verzorger van de bemiddelingsdienst, bedoeld in [artikel 2.3a, eerste lid, van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=2.3a). Artikel 2 1. De vergoeding voor de eerste 10.000.000 minuten bedraagt € 3,26 per minuut dat via de bemiddelingsdienst een gesprek als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel k, van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikers belangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=1.1) wordt gevoerd. 2. Voor de minuten boven het in het eerste lid genoemde aantal minuten bedraagt de vergoeding € 2,93 per minuut dat via de bemiddelingsdienst een gesprek als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel k, van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=1.1) wordt gevoerd. Artikel 3 Het verzorgingsgebied bestrijkt heel Nederland. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2018 en geldt tot en met 30 september 2023. Artikel 5 Dit besluit wordt bekendgemaakt door toezending aan Koninklijke KPN B.V. Van deze beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant."},{"i":16730,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137184, houdende aanwijzing van Regionale Ambulancevoorziening Flevoland voor de regio Flevoland als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Regionale Ambulancevoorziening Flevoland is voor regio Flevoland de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16732,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137190, houdende aanwijzing van Regionale Ambulancevoorziening Gelderland-Zuid voor de regio Gelderland-Zuid als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Regionale Ambulancevoorziening Gelderland-Zuid is voor regio Gelderland-Zuid de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16733,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 november 2012, CZ-3137191, houdende aanwijzing van Regionale Ambulancevoorziening Gooi en Vechtstreek voor de regio Gooi en Vechtstreek als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Regionale Ambulancevoorziening Gooi en Vechtstreek is voor regio Gooi en Vechtstreek de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16763,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 27 februari 2025, kenmerk 5432112, houdende beperking van de openbaarheid van het archief Adoptie Buitenlandse kinderen: Directie Justitieel Jeugdbeleid en taakvoorgangers van het Ministerie van Justitie 1971–2005 (2015) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 13 februari 2025, met zaaknummer 100642. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief Adoptie Buitenlandse kinderen periode 1971–2005 (2015). Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventaris nummer | openbaar op 1 januari | Inventaris nummer | openbaar op 1 januari | Inventaris nummer | openbaar op 1 januari | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | 2111 | 46 | 2100 | 91 | 2102 | | 1A | 2113 | | | | | | 2 | 2101 | 47 | 2101 | 92 | 2101 | | 3 | 2102 | 48 | 2105 | 93 | 2101 | | 4 | 2102 | 49 | 2104 | 94 | 2101 | | 5 | 2103 | 50 | 2102 | 95 | 2101 | | 6 | 2101 | 51 | 2102 | 96 | 2101 | | 7 | 2101 | 52 | 2103 | 97 | 2101 | | 8 | 2102 | 53 | 2102 | 98 | 2102 | | 9 | 2100 | 54 | 2101 | 99 | 2104 | | 10 | 2103 | 55 | 2104 | 100 | 2106 | | 11 | 2101 | 56 | 2102 | 101 | 2101 | | 12 | 2104 | 57 | 2101 | 102 | 2101 | | 13 | 2101 | 58 | 2101 | 103 | 2102 | | 14 | 2101 | 59 | 2103 | 104 | 2101 | | 15 | 2101 | 60 | 2102 | 105 | 2101 | | 16 | 2101 | 61 | 2111 | 106 | 2101 | | 17 | 2102 | 62 | 2111 | 107 | 2107 | | 18 | 2102 | 63 | 2112 | 108 | 2103 | | 19 | 2102 | 64 | 2105 | 109 | 2105 | | 20 | 2103 | 65 | 2102 | 110 | 2101 | | 21 | 2103 | 66 | 2104 | 111 | 2103 | | 22 | 2104 | 67 | 2103 | 112 | 2101 | | 23 | 2102 | 68 | 2102 | 113 | 2101 | | 24 | 2103 | 69 | 2102 | 1"},{"i":16734,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137193, houdende aanwijzing van Regionale Ambulancevoorziening Groningen voor de regio Groningen als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Regionale Ambulancevoorziening Groningen is voor regio Groningen de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16735,"b":"Besluit aanwijzing Regionale Ambulancevoorziening Haaglanden voor de regio Haaglanden als de Regionale Ambulancevoorziening ex artikel 4 Tijdelijke wet ambulancezorg Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137687, houdende aanwijzing van Regionale Ambulancevoorziening Haaglanden voor de regio Haaglanden als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Regionale Ambulancevoorziening Haaglanden is voor regio Haaglanden de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16738,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137197, houdende aanwijzing van Regionale Ambulancevoorziening IJsselland voor de regio IJsselland als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Regionale Ambulancevoorziening IJsselland is voor regio IJsselland de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16743,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137686, houdende aanwijzing van Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid voor de regio Zuid-Holland Zuid als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6), Besluit: Artikel 1 Coöperatie Ambulancezorg Zuid-Holland Zuid U.A. is voor regio Zuid-Holland Zuid de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16741,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137182, houdende aanwijzing van Stichting Regionale Ambulancevoorziening UMCG voor de regio Drenthe als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 UMCG Ambulancezorg B.V. is voor regio Drenthe de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16794,"b":"Besluit CAK verder ondermandaat en machtiging overgangsregeling WLZ zorg in het buitenland gelet op [artikel 16 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946&artikel=16), heeft op 1 januari 2017 besloten: Artikel 1 Aan Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V. wordt ondermandaat en machtiging verleend om namens het CAK alle besluiten te nemen en alle werkzaamheden te verrichten die verband houden met de uitvoering van de overgangsregeling als bedoeld in [artikel 3.1.2 tot en met 3.1.6 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=3.1.2). Artikel 2 Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V. voert het ondermandaat en de machtiging uit overeenkomstig de [artikelen 3.1.2 tot en met 3.1.6 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=3.1.2), de daarop gebaseerde wettelijke uitvoeringsregelingen en de instructies van het CAK. Artikel 3 Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V. informeert CAK desgevraagd, al dan niet periodiek, op de door het CAK aangegeven wijze over de manier waarop Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V. invulling geeft aan het verleende ondermandaat en de volmacht als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039048&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01). Artikel 4 Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit CAK verder ondermandaat en machtiging overgangsregeling WLZ zorg in het buitenland. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017."},{"i":16798,"b":"Besluit departementale herindeling inzake jeugd en gezin Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 14 oktober 2010, kenmerk 3096356; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt volledig belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van jeugd en gezin waarmee voor 22 februari 2007 uitsluitend Onze Minister van Justitie was belast en die van 22 februari 2007 tot 14 oktober 2010 behoorden tot het aan Onze Minister voor Jeugd en Gezin opgedragen programma, behoudens de gesloten jeugdzorg voor jongeren buiten het strafrechtelijk kader. Artikel 2 De taken van het ministerie van Veiligheid en Justitie en van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028852&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028852&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Veiligheid en Justitie, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Veiligheid en Justitie, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden,"},{"i":16802,"b":"Besluit van 27 augustus 1993, houdende vaststelling van het Besluit eenmalige uitkering militairen 1992 Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 1 maart 1993, nr. PAV 5065/93005823; Gelet op [artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12) en artikel 2 van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen; De Raad van State gehoord (advies van 2 juni 1993, nr. W07.93.0146); Gezien het nader rapport van voornoemde Minister van Defensie van 17 augustus 1993, nr. PAV 5065/93019182; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **militair:** de militair die in de maand september 1992 in werkelijke dienst is. - b. **gewezen militair:** de militair die over de maand september 1992 wachtgeld, een uitkering wegens leeftijdsontslag of pensioen geniet. - c. **bezoldiging:** hetgeen daaronder wordt verstaan in de Bezoldigingsregeling militairen zeemacht 1947 dan wel in de Regeling inkomsten militairen land- en luchtmacht 1969. Artikel 2 De militair heeft aanspraak op een uitkering van 6% van de voor de militair over de maand september 1992 geldende bezoldiging. Artikel 3 De militair die een deel van de bezoldiging geniet als gevolg van buitengewoon verlof, ziekte, schorsing of detentie, heeft aanspraak op een uitkering naar evenredigheid van het behoud van zijn bezoldiging. Artikel 4 De gewezen militair heeft aanspraak op een uitkering van 5,56% van het voor de militair over de maand september 1992 geldende wachtgeld of uitkering wegens leeftijdsontslag of pensioen. Artikel 5 De uitkering draagt een algemeen karakter en dient te worden aangemerkt als laatstelijk genoten bezoldiging in de zin van de Non-activiteitswet. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 1992. Artikel 7 Dit besluit wordt aangehaald als Besluit eenmalige uitk"},{"i":16805,"b":"Besluit van 10 november 2017, houdende nadere regels over functionele, technische en organisatorische maatregelen bij elektronische gegevensverwerking door en tussen zorgaanbieders (Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, van 25 april 2014, kenmerk 363260-120063-WJZ; Gelet op [artikel 26 van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=26); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 juli 2014, no. W13.14.0125/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 7 november 2017, kenmerk 1243906-169427-WJZ, uitgebracht mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **elektronisch uitwisselingssysteem:** een elektronisch uitwisselingssysteem als bedoeld in de [Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864) in de zorg; - **logging:** de stelselmatige geautomatiseerde registratie van gegevens bedoeld in [artikel 15e van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864&artikel=15e) alsmede de bestanden waarin die registratie is opgeslagen; - **NEN:** een door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm; - **NEN 7510:** norm voor het organisatorisch en technisch inrichten van de informatiebeveiliging in de zorg; - **NEN 7512:** nadere invulling van NEN 7510 betreffende de veiligheid van gegevensuitwisseling tussen partijen in de zorg; - **NEN 7513:** nadere invulling van NEN 7510 betreffende het vastleggen van acties op elektronische patiëntdossiers; - **zorgaanbieder:** zorgaanbieder als bedoeld in de [Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg](https://wetten.overh"},{"i":6231,"b":"Wet van 24 april 1991, houdende regels met betrekking tot enkele specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten op het terrein van Verkeer en Waterstaat Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op de [artikelen 237**b** van de gemeentewet](onbekend) (**Stb.** 1931, 89) en 144**b** van de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) (**Stb.** 1962, 17), gewenst is bij wet regels te stellen met betrekking tot enkele specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten op het terrein van Verkeer en Waterstaat; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan aan een gemeente dan wel aan een openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20) of een provincie uit 's Rijks kas een bijdrage verlenen terzake van maatregelen ter bestrijding van de verkeersonveiligheid. 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verlening van bijdragen als bedoeld in het eerste lid. Artikel 2 1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan aan een provincie of een gemeente uit 's Rijks kas een bijdrage verlenen in de kosten van het beheer en onderhoud van waterstaatswerken met een functie voor de waterhuishouding of de waterkering. 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verlening van bijdragen als bedoeld in het eerste lid. Artikel 3 1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan aan de provincie Zeeland uit 's Rijks kas een bijdrage verlenen in de exploitatiekosten van de veerdiensten over de Westerschelde. 2. Bij ministerieel besluit worden regels gesteld omtrent de verlening van de bijdrage bedoeld in het eerste lid. Artikel 4 1. De regels bedoeld in het tweed"},{"i":16806,"b":"Besluit van 7 juli 1978, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers Op de voordracht van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 16 mei 1978, Hoofdafdeling Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. 59556; Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=4) (**Stb.** 1977, 494); Gezien de adviezen van de Uitkeringsraad, alsmede van de Stichting Joods Maatschappelijk Werk, de Stichting Pelita en de Stichting 1940-1945; De Raad van State gehoord (advies van 14 juni 1978, nr. 16); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 5 juli 1978, Hoofdafdeling Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. 63705; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het bepaalde in artikel 4, eerste lid, onder **b**, van de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844) (**Stb.** 1986, 386) is niet van toepassing op: - a. de vervolgde, die recht heeft op een buitengewoon pensioen krachtens [artikel 4 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=4) (**Stb.** 1986, 575), krachtens [artikel 3 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=3) (**Stb.** 1986, 576) of krachtens [artikel 6 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=6) (**Stb.** 1986, 360), dat is berekend naar een invaliditeitspercentage respectievelijk arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 80; - b. de vervolgde, die recht heeft op een buitengewoon pensioen krachtens [artikel 14 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=14), krachtens [artikel 14 van de We"},{"i":16808,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 juli 2009, nr. CZ/FBI-2942220, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake taakstelling ziekenhuizen 2010 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 29 mei 2009 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2008/2009, 29 248, nr. 81); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg waarop in 2010 de budgetsystematiek van toepassing is, te weten: algemene en categorale ziekenhuizen (inclusief long/astmacentra), academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen, instellingen voor revalidatie, radiotherapeutische centra en dialysecentra, verder te noemen ziekenhuizen. Artikel 2 Aan de ziekenhuizen wordt per 1 januari 2010 een macro taakstellingsbedrag van structureel € 75 miljoen (prijspeil 2007) opgelegd. Artikel 3 Voor de verdeling van het vermelde macro taakstellingsbedrag over de ziekenhuizen gelden de volgende uitgangspunten: - 1. De toedeling van het macro taakstellingsbedrag naar het niveau van de individuele ziekenhuizen dient te geschieden op basis van het aandeel van het individuel\\e ziekenhuis in het macrobudget in het basisjaar. - 2. Het basisjaar waarop het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen betrekking hebben en de daarbij te hanteren peildatum worden door de zorgautoriteit nader vastgesteld. - 3. Het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen hebben betrekking op het A- en B-segment tesamen. Bij de toedeling van het macro taakstellingsbedrag wordt de omvang van het vrije B-segment in de verdeelgrondslag betrokken. - 4. Het macrobudget en de standen van de individuele ziekenhuizen worden uitsluitend geschoond voor loonkosten medisch specialisten en agio’s, inclusief schoning voor loonkosten medisch specialis"},{"i":16811,"b":"Besluit van 6 juni 2019, houdende vaststelling van het Besluit forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen van enige andere regelingen (Besluit forensische zorg) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 27 november 2018, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2429045, gedaan mede namens onze Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 1.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=2.6), [2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=2.7), [3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=3.5), [4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=4.2), [5.3, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=5.3), [6.10a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=6.10a) en [artikel 6.11 van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=6.11), de [artikelen19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=19), en [37, eerste lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=37), de [artikelen 15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=15), [43, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=43), en [59 van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=59), [artikel 42, vijfde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=42) en [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 21 februari 2019, nr. W16.18.0372/II; Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 3 juni"},{"i":16812,"b":"Besluit van 23 mei 2008, houdende regels voor het gebruik van het burgerservicenummer in de zorgsector (Besluit gebruik burgerservicenummer in de zorg) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 januari 2007, MEVA/ICT-2740333, gedaan in overeenstemming met Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864&artikel=2), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864&artikel=11), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864&artikel=15), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864&artikel=17) en [17a van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864&artikel=17a) en de [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=17) en [21, vierde lid, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=21); De Raad van State gehoord (advies van 21 februari 2007, nr. W13.07.0014/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 mei 2008, MEVA/ICT-2846755; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864); - b. **register van zorgaanbieders:** register van zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864&artikel=14); - c. **register van indicatieorganen:** register van indicatieorganen als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864&artikel=14); - d. **register van zorgverzekeraars:** register van zorgverzekeraars als bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864&artikel=14); - e. **register:** register van zorgaanbi"},{"i":16809,"b":"Besluit van 8 november 2022, houdende voorschriften voor een experiment op het terrein van onderwijszorgarrangementen, met het oog op verbetering van de toegankelijkheid van het onderwijs (Besluit experiment onderwijszorgarrangementen) Op de voordracht van Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 27 juni 2022, nr. WJZ/33128811 (ID12955), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 172 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=172), [artikel 180 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=180), [artikel 9.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=9.1) en [artikel 8, vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012&artikel=8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 september 2022, nr. W05.22.00075/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 november 2022, nr. WJZ/34193494 (ID12955), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en in de op dit besluit berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag van een school; - **complexe ondersteuningsbehoefte:** ondersteuningsbehoefte van een jongere op het gebied van onderwijs en zorg die zodanig complex is dat die niet kan worden ondervangen in het basis-, voortgezet, speciaal, en voortgezet speciaal onderwijs; - **experiment:** tijdelijke mogelijkheid om af te wijken van wetgeving op het gebied van onderwijstijd, inhoud van het onderwijs, locatie van het onderwijs en bekostiging in het onderwijs ten behoeve van jongeren met een complexe ondersteuningsbehoe"},{"i":16810,"b":"Besluit van 28 januari 2000 tot openstelling van het recht op een socialezekerheidsuitkering voor personen die deelnemen aan een penitentiair programma en personen die ter beschikking zijn gesteld en proefverlof genieten (Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst van 30 november 1999, Directie Bijstandszaken, nr. BZ/ACT/99/74550a; Gelet op de [artikelen 19b, vierde lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=19b), [19a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=19a), en [47b, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=47b), [7b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=7b), en [21b, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=21b), [6b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=6b), en [20a, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=20a), [19, achtste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=19), [32c, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=32c), [9, vierde lid, van de Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=9), [6, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=6), [6, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=6), en [5, derde lid, van de Wet inkomens"},{"i":16813,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media houdende het gedeeltelijk opheffen van de termijnen van de beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van de Directie Curatieve Zorg en taakvoorgangers van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid, en Cultuur (1984) 1995-2006 De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, Gelet op [artikel 15, lid 3 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op het [Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 oktober 2016, kenmerk 787332-138496-OBP, houdende beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van de Directie Curatieve Zorg en taakvoorgangers van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid, en Cultuur (1984) 1995-2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038690); Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van de Directie Curatieve Zorg en taakvoorgangers van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid, en Cultuur (1984) 1995-2006 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer worden de beperkingen aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief overgebrachte archiefbescheiden van de Directie Curatieve Zorg en taakvoorgangers, over de periode (1984) 1995-2006, die zijn opgenomen in de inventaris onder het in kolom 1 van onderstaande tabel genoemde inventarisnummer, verkort. Deze verkorting van de termijn van de beperkingen leidt ertoe dat de beperkingen gelden tot 1 januari van het in kolom 2 van onderstaande tabel genoemde jaartal. | Inventarisnummer | Openbaar op 1 januari | | --- | --- | | 591 | 2064 | | 592,593 | 2056 | | 598 | 2064 | | 599 | 2059 | | 601 | 2070 | | 603 | 2063 | | 604 | 2059 | | 605 | 2065 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit"},{"i":16807,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 mei 2007, nr. MC-U-2770876, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake overschrijding financiële ruimte ziekenhuizen in 2007 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brieven van 5 april 2007, kenmerk MC-U-2759365 en MC-2758866); Besluit: Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op algemene ziekenhuizen, academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen en revalidatie instellingen. Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast voor de in de eerste volzin bedoelde organen. Artikel 2 Deze beleidsregel verstaat onder: - a. Algemene ziekenhuizen: instellingen voor medisch-specialistische zorg die ultimo 2005 in het bezit waren van een WZV-vergunning als ziekenhuis; - b. Academische ziekenhuizen: instellingen voor medisch-specialistische zorg als omschreven in [artikel 1.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.4) en die ultimo 2005 in het bezit waren van een WZV vergunning als ziekenhuis; - c. Epilepsie-inrichtingen: instellingen voor medisch-specialistische zorg die ultimo 2005 in het bezit waren van een WZV vergunning als epilepsiecentrum; - d. Instellingen voor revalidatie: als revalidatie-instellingen worden uitsluitend die inrichtingen aangemerkt waar de personele en materiële faciliteiten bestaan voor multidisciplinaire revalidatie (waaronder mede begrepen inrichtingen voor revalidatiedagbehandeling). Artikel 3 1. Aan de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021909&artikel=1&z=2007-05-24&g=2007-05-24) bedoelde instellingen wordt een structureel kortingsbedrag van € 145,5 mln. opgelegd. 2. Voor de verdeling van het bedrag van € 145,5 mln. over de sect"},{"i":5171,"b":"Besluit van 7 december 2017 tot vaststelling van de rechtspositie van de voorzitter en leden van de toetsingscommissie inzet bevoegden en van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Rechtspositiebesluit toetsingscommissie inzet bevoegdheden en commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten) Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, van 10 april 2017; Gelet op de [artikelen 33, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=33), en [102 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=102).; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 mei 2017, nr. W01.17.0111/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 23 november 2017 nr. 3214633, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896); - b. **Onze Minister:** Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken; - c. **lid:** degene die is benoemd tot voorzitter, lid of plaatsvervangend lid van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden onderscheidenlijk tot voorzitter of lid van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; - d. **lid van de afdeling klachtbehandeling:** degene die is benoemd tot lid van de afdeling klachtbehandeling van de commissie van toezicht op de inlichtingen en veiligheidsdiensten, niet zijnde de voorzitter van de afdeling klachtbehandeling; - e. **salaris:** het bedrag, dat voor het lid is vastgesteld met inachtneming van de bepalingen met betrekking"},{"i":16815,"b":"Besluit van 17 maart 1998, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de gezondheidszorgpsycholoog (Besluit gezondheidszorgpsycholoog) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 juni 1997, CSZ/BenO-979473; Gelet op de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=24) en [25 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=25); Gezien de adviezen van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg van september 1995 en van mei 1996; De Raad van State gehoord (advies van 7 januari 1998, no. W13.97.0384); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 maart 1998, GVM/GGZ/981425; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. opleidingsinstelling: een rechtspersoon die een opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog verzorgt; - c. gezondheidszorgpsychologie: psychologie of pedagogiek voor zover het de individuele gezondheidszorg betreft; - d. cursorisch onderwijs: theoretisch en praktisch onderwijs dat aan de opleidingsinstelling wordt gevolgd; - e. supervisiesessie: contact tussen een aspirant-gezondheidszorgpsycholoog en een door de opleidingsinstelling aangewezen supervisor, over de door eerstbedoelde persoon verrichte diagnostiek, indicatiestelling en behandeling, alsmede over andere door die persoon verrichte taken op het gebied van de gezondheidszorgpsychologie; - f. praktijkopdracht: binnen het cursorische onderwijs verstrekte opdracht die in de praktijk wordt uitgevoerd en tot doel heeft de afstemming tussen theorie en praktijk te bevorderen; - g. CRT: de Commissie Registratie en Toezicht van de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen en Psychotherapeuten. Artikel 2 Om in het krachtens [a"},{"i":12063,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 februari 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Argentinië, ambassade Buenos Aires, Besluit Beperking Openbaarheid Buenos Aires (1919) 1975–2013 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 12 november 2019, referentie 16840720; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 51 | 2076 | | 71 | 2048 | | 81 | 2076 | | 107 | 2076 | | 119 | 2077 | | 121 | 2070 | | 123 | 2073 | | 128 | 2080 | | 152 | 2047 | | 186 | 2025 | | 190 | 2088 | | 208 | 2087 | | 215 | 2050 | | 229 | 2086 | | 230 | 2084 | | 234 | 2089 | | 237 | 2083 | | 238 | 2085 | | 247 | 2086 | | 248 | 2082 | | 253 | 2087 | | 260 | 2085 | | 261 | 2088 | | 279 | 2085 | | 282 | 2084 | | 283 | 2085 | | 307 | 2083 | | 314 | 2075 | | 315 | 2083 | | 316 | 2083 | | 332 | 2050 | | 348 | 2080 | | 350 | 2055 | | 352 | 2062 | | 353 | 2065 | | 388 | 2032 | | 389 | 2058 | | 391 | 2029 | | 393 | 2032 | | 394 | 2029 | | 395 | 2060 | | 396 | 2060 | | 398 | 2035 | | 400 | 2060 | | 401 | 2060 | | 404 | 2035 | | 425 | 2060 | | 426 | 2060 | | 431 | 2060 | | 436 | 2057 | | 456 | 2052 | | 489 | 2060 | | 492 | 2034 | | 498 | 2060 | | 504 | 2055 | | 505 | 2055 | | 506 | 2055 | | 507 | 2055 | | 508 | 2056 | | 509 | 2054 | | 510 | 2053 | | 511 | 2055 | | 512 | 2056 | | 513 | 2055 | | 514"},{"i":16816,"b":"Besluit van 23 december 1986, houdende herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot particuliere residentiële jeugdhulpverlening Op voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 18 december 1986, nr. 373393; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel met ingang van 1 januari 1987 Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur te belasten met de zorg voor de particuliere inrichtingen op het terrein van de kinderbescherming, voor zover thans opgedragen aan Onze Minister van Justitie, met uitzondering van de inrichtingen opgenomen in de bijlage die bij dit besluit behoort, en de taak van beide ministeries dienovereenkomstig te wijzigen. Bijlage. bij Koninklijk besluit d.d. 23 december 1986, Stb. 671, houdende herindeling van de Ministeriële taak met betrekking tot de particuliere residentiële jeugdhulpverlening. | Rechtspersoon | Inrichting | | --- | --- | | Stichting 'De Goede Herder' te Lisse | Orthopedagogisch Centrum 'Alexandra' | | | Vriezenveenseweg 170 | | | 7600 GA Almelo | | | | | Stichting Sociaal-agogisch Centrum 'Het Burgerweeshuis' te Amsterdam | Jongeren Opvang Centrum (JOC) | | | Transformatorweg 6 | | | 1014 AK Amsterdam | | | | | Stichting Jeugdzorg 'St. Joseph' te Margraten-Cadier en Keer | Opvangcentrum 'Het Keerpunt' | | | Pater Kustersweg 8 | | | 6267 NL Cadier en Keer | | | | | Stichting Opvangcentrum 'Het Poortje' te Groningen | Opvangcentrum 'Het Poortje' | | | Rode Weeshuisstraat 11 | | | 9712 ET Groningen | | | | | Vereniging 'Nederlandsch Mettray' te Eefde | 'Nederlandsch Mettray' | | | Mettrayweg 25 | | | 7200 AB Zutphen | | | | | 'De Van Ouwenaller Vereniging' te Rekken | 'De Marke' | | | Fleerweg 2 | | | 7157 AW Rekken | | | | | 'Dr. W. L. Slot' Stichting te Wapenveld | Orthopedagogisch behandelingstehuis 'De Dreef' | | | Groteweg 5 | | | 8191 JS Wapenveld | | | | | Vereniging 'De Heldringstich"},{"i":16817,"b":"Besluit van 20 juli 1989, houdende herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot de zorg voor de veiligheid van apparatuur, bij het gebruik waarvan elektriciteit of gas wordt gebezigd Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 18 juli 1989, nr. 89M016657; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel 1. Met ingang van 1 november 1989 Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur te belasten met de zorg voor de veiligheid en de daarmee verband houdende deugdelijkheid en doelmatigheid van apparatuur, bij het gebruik waarvan elektriciteit of gas wordt gebezigd, met uitzondering van de veiligheid, deugdelijkheid en doelmatigheid die voorwerp kunnen zijn van aansluit- en leveringsvoorwaarden van energiedistributiebedrijven, voor zover deze zorg thans is opgedragen aan Onze Minister van Economische Zaken. 2. De taak van beide ministeries dienovereenkomstig te wijzigen. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Economische Zaken en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting zal worden geplaatst in het **Staatsblad,** waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de Ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de Ministeries."},{"i":7821,"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 10 juli 2017 houdende regels met betrekking tot het samenstellen door banken van individuele klantbeelden ten behoeve van het depositogarantiestelsel en het afwikkelinstrumentarium (Beleidsregel Individueel Klantbeeld) Gelet op [artikel 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel d van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17) en [artikel 26a van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=26a); Gelet op [artikel 3:261 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:261) en [artikel 29.05, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&artikel=29.05), [artikel 29.06, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&artikel=29.06), [artikel 29.07, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&artikel=29.07) en [artikel 29.16, eerste lid van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020414&artikel=29.16); Gelet op [artikel 212ra van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=212ra); Na consultatie van de betrokken representatieve organisaties en het bredere publiek; Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 De begrippen in deze beleidsregel hebben dezelfde betekenis als in de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, tenzij deze begrippen uitdrukkelijk anders worden gedefinieerd in deze beleidsregel. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - b. **Wft:** [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - c. **Bpr:** [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - d. **Bbpm:** [Besluit Bijzonde"},{"i":6910,"b":"Besluit van de voorzitter van het Productschap Tuinbouw, d.d. 19 november 2007, houdende verlening van mandaat aan veilingen en in- en verkoopbureaus teneinde over te kunnen gaan tot het rechtsgeldig opleggen en innen van heffingen namens het Productschap Tuinbouw (Besluit PT verlening mandaat veilingen en in- en verkoopbureaus 2008) Gelet op [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:1) en [hoofdstuk 10.1.1, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=10); Gelet op het [Besluit PT verlening mandaat, volmacht en machtiging voorzitter en secretaris Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019834); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder het begrip: | Veiling en in en verkoopbureaus: | Hobaho B.V. te Lisse, Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale u.a. te Lisse, Floralia te Poeldijk, Bloembollenkwekersvereniging Floralia te ‘s Gravenzande, Coöperatieve Bloemenveiling Flora Holland u.a. te Aalsmeer, Bloemenveiling Oost Nederland B.V. te Bemmel, Sierteeltproductveiling Veiling Vleuten B.V. te Utrecht, Tele Flower Auction B.V. te Amstelveen. | | --- | --- | Artikel 2 Aan de veilingen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022924&artikel=1&z=2007-11-25&g=2007-11-25) wordt het mandaat verstrekt om namens het Productschap Tuinbouw heffingen op te leggen en te innen. Artikel 3 De mandaatnemer kan ondermandaat verlenen aan werknemers binnen zijn organisatie, nadat daartoe instemming is verkregen van het Productschap Tuinbouw. Artikel 4 Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie en treedt in werking de tweede dag na publicatie. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit PT verlening mandaat veilingen en in- en verkoopbureaus 2008."},{"i":5500,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 14 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/151085, houdende vaststelling van het subsidieplafond en de aanvraagperiode voor subsidies in het kader van de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2022–2026 voor het jaar 2024 Gelet op [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), en [artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10) juncto [artikel 4, eerste en tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2022–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046454&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Een aanvraag voor subsidie voor een onderzoeksproject als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2022–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046454&artikel=3), kan worden ingediend in de periode van 28 juni 2024, 09.00 uur tot en met 26 juli 2024, 17.00 uur. Artikel 2 Het subsidieplafond voor onderzoeksprojecten als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek Topsector Logistiek 2022–2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046454&artikel=3), bedraagt voor 2024 € 2.500.000,00. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6299,"b":"Wet van 7 juli 2010 tot samenvoeging van de gemeenten Wervershoof, Andijk en Medemblik Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Wervershoof, Andijk en Medemblik samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Wervershoof, Andijk en Medemblik opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Medemblik ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Wervershoof, Andijk en Medemblik zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Medemblik wordt de op te heffen gemeente Medemblik aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Wervershoof, Andijk en Medemblik wordt de nieuwe gemeente Medemblik aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5 1. Voor de nieuw"},{"i":16822,"b":"Besluit van 19 februari 2005, houdende de overdracht van de zorg voor de Wet op de kansspelen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 7 februari 2005, nr. 05M471438; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De zorg voor de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) en voor de op [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) gebaseerde regelgeving gaat, voor zover deze thans behoort tot de taak van Onze Ministers van Financiën, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, over naar Onze Minister van Justitie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Financiën, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16823,"b":"Besluit van 27 oktober 1956, houdende verhoging uitkeringen aan niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht met een nadere toeslag-1954 Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog en van Marine van 9 augustus 1956, Nr. P 249 R/Conf., No. Minmar: 457611/254771; Overwegende, dat het wenselijk is de uitkeringen, verleend en te verlenen krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht (**Stb.** 1948, I 543) met een nadere toeslag-1954 te verhogen; De Raad van State gehoord (advies van 25 september 1956, No. 48); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 24 oktober 1956, Nr. P. 249 V/Conf., Nr. Minmar.: 458843/254471; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De uitkeringen, welke zijn of worden verleend krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht (**Stb.** 1948, I 543), worden, voor zover het recht op deze uitkeringen op 1 oktober 1954 niet is vervallen, te rekenen van 1 oktober 1954 of van het later tijdstip, waarop zij zijn ingegaan of zullen ingaan, overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelen, ambtshalve met een nadere toeslag-1954 verhoogd. Artikel 2 1. De nadere toeslag-1954 bedraagt 6 percent van de uitkering vermeerderd met de toeslag ingevolge Ons besluit van 24 maart 1951 (**Stb.** 87), de toeslag-1954 ingevolge Ons besluit van 16 september 1954 (**Stb.** 433) en de aanpassingstoeslag ingevolge Ons besluit van 15 april 1955 (**Stb.** 184). 2. De nadere toeslag-1954 wordt naar boven afgerond tot volle guldens. Artikel 3 De nadere toeslag-1954 wordt slechts genoten over tijdvakken, waarover de uitkering wordt genoten. Artikel 4 De nadere toeslag-1954 wordt toegekend door Onze Minister van Oorlog of van Marine, al naar gelang de betrokken militair, minder geëmployeerde, werkman of bediende heeft behoord tot of is werkzaam geweest bij een inrichting van de Koninklijke landmacht of de zeemacht. Artikel 5 Uitkering en nadere toeslag-1954 worden als een eenheid besch"},{"i":3701,"b":"Besluit van de hoofdingenieur-directeur van RWS Verkeer- en Watermanagement van 28 november 2013, kenmerk RWS-2013/56624, houdende verlening van mandaat ondertekening bestuurlijke strafbeschikking (Besluit mandaat ondertekening bestuurlijke strafbeschikking RWS Verkeer- en watermanagement) Gelet op [artikel 4.2, onder c, van het Besluit OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022233&artikel=4.2); Besluit: Artikel 1. Uitvaardigen strafbeschikking De aan de hoofdingenieur-directeur toegekende bevoegdheid genoemd in [artikel 4.2, aanhef en onder c, van het Besluit OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022233&artikel=4.2) wordt gemandateerd aan de afdelingshoofden werkzaam bij de directie Scheepvaartverkeer- en Watermanagement van RWS Verkeer- en Watermanagement. Artikel 2. Bevoegdheid bij afwezigheid Bij afwezigheid van de bevoegde functionaris is bevoegd een in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging RWS Verkeer- en Watermanagement 2013 genoemde functionaris op een hoger niveau. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat ondertekening bestuurlijke strafbeschikking RWS Verkeer- en Watermanagement 2013. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan de in dit besluit bedoelde functionarissen."},{"i":19179,"b":"Richtlijn voor strafvordering verkrachting Beschrijving Deze strafvorderingsrichtlijn is van toepassing op schuldverkrachting, opzetverkrachting en gekwalificeerde opzetverkrachting. In het geval van minderjarige slachtoffers dient de richtlijn strafvordering misbruik met minderjarigen geraadpleegd te worden. Strafmaattabel en strafbandbreedtes Hieronder is een tabel opgenomen waarbij per basisdelict een strafuitgangspunt/bandbreedte is opgenomen en uitgegaan wordt van éénmalig plegen door één meerderjarige verdachte, zonder dat sprake is van (relevante) recidive en zonder dat rekening is gehouden met de overige omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. In individuele zaken wordt altijd maatwerk geleverd: feiten en omstandigheden van het specifieke geval worden meegenomen in de strafeis van het OM en in de praktijk zal daarom regelmatig worden afgeweken van de hieronder geformuleerde straf(bandbreedte). Immers zal in de praktijk zelden sprake zijn van een standaardsituatie waarin geen sprake is van feiten en omstandigheden die van invloed zijn op de beoordeling van de zaak. Het OM bepaalt in iedere zaak afzonderlijk of een gevangenisstraf, taakstraf, boete en/of voorwaardelijk strafdeel (evt. met op te leggen bijzondere voorwaarden) passend is. Dit gebeurt vanzelfsprekend met inachtneming van het taakstrafverbod. In de wet wordt het zogenoemde ‘interactiecriterium’ dat is ontstaan in de jurisprudentie gecodificeerd. Dit betekent dat in de delicten zoals hieronder vermeld ook wordt verstaan het laten verrichten van seksuele handelingen door een kind met de dader of met zichzelf of met een derde en het laten ondergaan van een kind van seksuele handelingen door een derde. Verkrachting omvat dus alle vormen van seksueel binnendringen waarbij het lichaam van een kind is betrokken, waaronder seksuele penetratie van het eigen lichaam of van het lichaam van een ander, al dan niet op afstand (bijvoorbeeld via een webcam). Onder de tabel is een aantal facto"},{"i":7165,"b":"Besluit van 24 december 1992, tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 13 november 1992, nr. WV 92/543, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Gelet op de artikelen 14, 15, 16 en 20 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (**Stb.** 709), de artikelen 13, eerste lid, [15**a**](onbekend) en [15**b** van de Wegenverkeerswet](onbekend) (**Stb.** 1935, 554), artikel 66**b**, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (**Stb.** 1990, 103) en [artikel 8, zesde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=8) (**Stb.** 329); De Raad van State gehoord (advies van 18 december 1992, nr. W06.92.0554); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 23 december 1992, nr. WV92/685, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=14), [14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=14a), [14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=14b), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=15), [15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=15a), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=16) en [20 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=20). 2. Dit besluit verstaat hierna onder: - a. wet: [Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806); - b. belasting: belasting van personenauto's en motorrijwielen; - c. rechten bij invoer: rechten bij invoer als bedoeld in [artikel 7:3 van de Algemene douanewet](https://wetten.ov"},{"i":16829,"b":"Besluit houdende intrekking van de regeling verplichte informatieverstrekking zorgaanbieders van forensische zorg (NR/REG-1913) en regeling Informatieverstrekking voorheen gebudgetteerde zorgaanbieders van gespecialiseerde ggz (NR/REG-1826) Besluit: Artikel 1 De [regeling verplichte informatieverstrekking zorgaanbieders van forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041107) met kenmerk NR/REG-1913 wordt ingetrokken. De [regeling informatieverstrekking voorheen gebudgetteerde zorgaanbieders van gespecialiseerde ggz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040816) met kenmerk NR/REG-1826 wordt ingetrokken Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047837&artikel=1&z=2023-02-01&g=2023-02-01) genoemde regelingen blijven van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die regelingen en die betrekking hebben op de periode waarvoor die regelingen golden. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Met inachtneming van [artikel 5, aanhef en onderdeel f, van de Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=5), zal dit besluit in de Staatscourant worden gepubliceerd."},{"i":17752,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tunesië inzake sociale zekerheid De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Republiek Tunesië, Geleid door de wens de betrekkingen tussen beide Staten op het gebied van de sociale zekerheid te regelen, Zijn het volgende overeengekomen: TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a). „grondgebied\": wat Nederland betreft: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; wat Tunesië betreft: het grondgebied van de Republiek Tunesië; - b). „onderdaan\": wat Nederland betreft; een persoon van Nederlandse nationaliteit; wat Tunesië betreft: een persoon in Tunesische nationaliteit; - c). „werknemer\": hetzij een loontrekkende of de met hem gelijkgestelde, hetzij een werkende die anders dan in dienstbetrekking werkzaam is volgens de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij. - d). „wetgeving\" of „wettelijke regeling\": de wetten, regelingen en statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen die betrekking hebben op de in artikel 2, eerste lid bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid; - e). „bevoegde autoriteit\": de Minister of Ministers of de hiermede vergelijkbare autoriteit onder wie de regelingen inzake sociale zekerheid ressorteren; - f). „bevoegd orgaan\": het orgaan waarbij de verzekerde is aangesloten op het tijdstip waarop hij om prestaties verzoekt of dat hem prestaties is verschuldigd of zou zijn, indien hij woonde op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar dit orgaan is gevestigd; - g). „bevoegd land\": de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het bevoegde orgaan is gevestigd; - h). „woonplaats\": de normale verblijfplaats; - i). „verblijfplaats\": de tijdelijke verblijfplaats; - j). „orgaan van de woonplaats\": het orgaan dat, ter plaatse waar de belanghebbende woont, bevoegd is de desbetreffende prestaties te verlenen volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij die door"},{"i":7834,"b":"Besluit van 14 juni 2006, houdende uitvoering van de artikelen 2 en 3 van de Rijkswet instelling aansluitende zone (Besluit grenzen aansluitende zone) Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 5 januari 2006, nr. DJZ/IR 2005/246; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018265&artikel=2) en [3 van de Rijkswet instelling aansluitende zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018265&artikel=3); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 13 februari 2006, W02.06.0002/II/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 25 mei 2006, nr. DJZ/IR 2006/46; De bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onverminderd [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019966&artikel=2&z=2006-09-01&g=2006-09-01) wordt de buitengrens van de aansluitende zone van het Koninkrijk gevormd door de lijn, waarvan elk punt gelegen is op een afstand van vierentwintig internationale zeemijlen, zijnde vierenveertig kilometer en vierhonderd achtenveertig meter, gemeten zeewaarts vanaf de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten. Artikel 2 1. Waar een grenslijn met andere Staten is overeengekomen welke geheel of ten dele landwaarts ligt van de lijn, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019966&artikel=1&z=2006-09-01&g=2006-09-01), is deze grenslijn de buitengrens van de aansluitende zone. 2. Waar nog geen grenslijn met andere Staten is overeengekomen, is de buitengrens van de aansluitende zone de middellijn, waarvan elk punt even ver verwijderd is van de dichtstbijgelegen punten van de basislijn waarvan de breedte van de territoriale zee van elk der twee Staten wordt gemeten. Artikel 3 1. De [Rijkswet instelling aansluitende zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018265) treedt in werking op het tijdstip waarop dit besluit"},{"i":18740,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie, houdende bekendmaking van de taak waarmee de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie meer in het bijzonder zal zijn belast Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951, houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3) (Stb. 1951, 24); Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de heer mr. F. Teeven, is binnen de grenzen van het door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde beleid meer in het bijzonder belast met de aangelegenheden betreffende: - a. personen- en familierecht; - b. adoptie; - c. auteursrecht; - d. juridische beroepen; - e. rechtsbijstand; - f. kansspelen; - g. bescherming persoonsgegevens; - h. slachtofferhulp; - i. sanctiebeleid, met inbegrip van TBS; - j. justitieel jeugdbeleid, met inbegrip van internationale kinderontvoering; - k. adolescentenstrafrecht; - l. preventie; - m. reclassering; - n. het project Herijking executie; - o. 1F-beleid; telkens met inbegrip van de bijbehorende wetgeving en met inbegrip van de met de uitvoering van het beleid op deze terreinen belaste dienstonderdelen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Artikel 2 De staatssecretaris kan voorts met nader door de minister aan te wijzen onderwerpen worden belast. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010."},{"i":18441,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 15 maart 2018, houdende regels over het vaststellen van de grensbedragen voor deelname aan het schatkistbankieren en het aanwijzen van de rechtspersonen met een wettelijke taak die niet gehouden zijn tot schatkistbankieren (Regeling uitzondering op het schatkistbankieren bij het Rijk) Gelet op de [artikelen 5.2, tweede lid, onder d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=5.2), en [5.9 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=5.9); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen De definities van [artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=1.1) zijn van overeenkomstige toepassing op deze regeling. § 2. Grensbedragen en aangewezen rechtspersonen met een wettelijke taak die niet schatkistbankieren Artikel 2. Grensbedragen Een rechtspersoon met een wettelijke taak is niet gehouden om te schatkistbankieren indien: - a. de liquide middelen of vlottende activa van de rechtspersoon voor zover die een belegging betreft gemiddeld over het voorafgaande jaar minder zijn dan € 1 miljoen, of - b. de publieke inkomsten van de rechtspersoon jaarlijks minder zijn dan € 15 miljoen. Artikel 3. Aanwijzing rechtspersonen met een wettelijke taak die niet schatkistbankieren Een rechtspersoon met een wettelijke taak is niet gehouden te schatkistbankieren indien: - a. de rechtspersoon bij een besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de zorg voor het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen, bedoeld in [artikel 2.8 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=2.8); - b. de rechtspersoon een gesloten jeugdzorginstelling is; - c. de rechtspersoon een onderwijsinstelling is die door het Rijk wordt bekostigd; - d. de rechtspersoon een kenniscentrum voor het beroepsonderwijs bedrijfsleven is. § 3. Slotbepalingen Artikel 4. Inwer"},{"i":17561,"b":"Rijkswet van 1 juli 1999, houdende regels inzake de administratieve bijstand tussen de landen van het Koninkrijk op het gebied van de douane en inzake de heffing en de invordering van accijnzen, omzetbelasting, algemene bestedingsbelasting en belasting op bedrijfsomzetten (Rijkswet administratieve bijstand douane) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen als bedoeld in artikel 38, eerste en tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk inzake de administratieve bijstand tussen de landen van het Koninkrijk op het gebied van de douane en inzake de heffing en de invordering van accijnzen, omzetbelasting, algemene bestedingsbelasting en belasting op bedrijfsomzetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze rijkswet wordt verstaan onder: - a. land: Nederland, Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten; - b. douanewetgeving: de bij wet of landsverordening en de daarop berustende bepalingen vastgestelde regels van ieder van de landen inzake de in-, uit- en doorvoer van goederen, met inbegrip van de regels inzake verboden, beperkingen en toezicht op het vervoer van aan regulering onderworpen goederen over de landsgrenzen heen, alsmede inzake de heffing van accijnzen, omzetbelasting, belasting op bedrijfsomzetten, dan wel soortgelijke indirecte belastingen; - c. inbreuk: ieder handelen of nalaten in strijd met de douanewetgeving; - d. douanerechten: de rechten, heffingen en restituties terzake van in-, uit- en doorvoer van goederen, alsmede accijnzen, omzetbelasting, belasting op bedrijfsomzetten, dan wel soortgelijke indirecte belastingen; - e. douanevordering: een bedrag aan verschuldigde douanere"},{"i":18564,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 22 juni 2016, nr. 2016-0000025780, tot vaststelling van het Rijkshuisvestingsstelsel voor kantoren (Vaststellingsbesluit Rijkshuisvestingsstelsel kantoren) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=2); Besluit: Artikel 1 [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038279&bijlage=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01), bij dit besluit, wordt vastgesteld als kader ter bevordering van de eenheid, de kwaliteit en de efficiëntie van huisvesting door de ministeries. Artikel 2 De Minister voor Wonen en Rijksdienst zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit een verslag aan de ministerraad over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van het bij dit besluit gevoegde ‘Rijkshuisvestingsstelsel voor kantoren’. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vaststellingsbesluit Rijkshuisvestingsstelsel kantoren. Bijlage I Het Rijkshuisvestingsstelsel voor kantoren Alle afspraken op een rij Datum: 22 juni 2016 Inhoud Inleiding In 2011 werd de tweede evaluatie van het rijkshuisvestingsstelsel afgerond met de vaststelling van een kabinetsstandpunt in de Ministerraad. Sindsdien is het rijkshuisvestingsstelsel op tal van punten nader uitgewerkt. Voor de kantoren is het stelsel volledig in werking getreden per 1 januari 2016, voor specialties loopt de uitwerking van hoe het stelsel eruit moet gaan zien, door in 2016. Alle tot nu toe gemaakte afspraken zijn verspreid over tenminste vijftig documenten. Alle besluiten zijn in het voor u liggende kader samengevat. Het doel van dit document is om een totaaloverzicht te geven van alle relevante eerder genomen besluiten van het Kabinet en in relevante interdepartementa"},{"i":17767,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België voor de ontwikkeling van de samenwerking en van de wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de sociale zekerheid Het Koninkrijk der Nederlanden en Het Koninkrijk België Hierna te noemen „de verdragsluitende partijen”; Wensende een diepgaande samenwerking te ontwikkelen tussen de voor de sociale zekerheid bevoegde autoriteiten en organen, voornamelijk met het oog op een betere toepassing en nadere uitwerking van de communautaire regels, meer in het bijzonder de bepalingen van [Verordening (EG) nr. 883/2004](32004R0883) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels; Om het vrije verkeer en de rechten van de sociaal verzekerden te waarborgen, en de houdbaarheid van de socialezekerheidsstelsels te verzekeren; Wensende tevens nadere afspraken te maken met het oog op de rechtmatige uitvoering van regelingen voor sociale bijstand en voor de wettelijke niet-contributieve inkomensgebonden uitkeringen die aan behoeftige personen worden toegekend; De wil hebbende de functionele samenwerking te versterken en uit te breiden; Strevend naar een modernisering en een stroomlijning van de uitwisseling van gegevens, gelet op de ontwikkeling van technologieën en databases in het kader van het beheer van de sociale zekerheid; De wens hebbende de risico’s op fraude en onjuistheden te voorkomen en zich ervan te vergewissen dat de juiste personen de uitkeringen waarop ze daadwerkelijk recht hebben, op het gepaste tijdstip ontvangen; Hierbij steunend op een geïntegreerde aanpak gebaseerd op preventie, verificatie, controle, inspectie en een correcte afhandeling; Gebruik makend van de mogelijkheid geboden door de bepalingen van artikel 8, tweede lid, van [Verordening (EG) nr. 883/2004](32004R0883) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en van artikel 8, tweede lid"},{"i":18914,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 oktober 2025 nr. BOACAT2025/188, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Oost-Nederland, Team Buitengerechtelijke Afdoening Gelezen het verzoek van regionale eenheid Oost-Nederland van 10 oktober 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051646&artikel=2&z=2025-10-29&g=2025-10-29). Artikel 2 1. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), werkzaam bij het Team Buitengerechtelijke Afdoening, in de functie van Assistent Intake en Service A, Assistent Intake en Service B, medewerker Intake en Service, generalist Intake en Service, senior Intake en Service en de Operationeel expert Intake en Service die hun werkgebied hebben in de"},{"i":19162,"b":"Richtlijn voor strafvordering seksueel misbruik van minderjarigen Beschrijving Deze strafvorderingsrichtlijn is van toepassing in gevallen van seksueel misbruik van minderjarige slachtoffers door meerderjarige verdachten. Deze richtlijn is niet gericht op één bepaald wetsartikel maar is van toepassing wanneer sprake is van een slachtoffer als bedoeld in) de [artikelen 245 t/m 251 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=241) en [253 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=253). Uitgangspunten Bij het bepalen van het uitgangspunt voor de strafeis staat de feitelijke seksuele handeling centraal, onderverdeeld in drie categorieën op basis van de ernstgradatie. Bij elk van deze categorieën, basisdelicten genoemd, hoort een strafeis als uitgangspunt. Strafmaattabel en bandbreedtes Hieronder is een tabel opgenomen waarbij per basisdelict een strafuitgangspunt/bandbreedte is opgenomen en uitgegaan wordt van éénmalig plegen door één meerderjarige verdachte, zonder dat sprake is van (relevante) recidive en zonder dat rekening is gehouden met de overige omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. In individuele zaken wordt altijd maatwerk geleverd: feiten en omstandigheden van het specifieke geval worden meegenomen in de strafeis van het OM en in de praktijk zal daarom regelmatig worden afgeweken van de hieronder geformuleerde straf (bandbreedte). Immers zal in de praktijk zelden sprake zijn van een standaardsituatie waarin geen sprake is van feiten en omstandigheden die van invloed zijn op de beoordeling van de zaak. Het OM bepaalt in iedere zaak afzonderlijk of een gevangenisstraf, taakstraf, boete en/of voorwaardelijk strafdeel (evt. met op te leggen bijzondere voorwaarden) passend is. Dit gebeurt vanzelfsprekend met inachtneming van het taakstrafverbod. In de wet wordt het zogenoemde ‘interactiecriterium’ dat is ontstaan in de jurisprudentie gecodificeerd. Dit betekent dat in de delicten zoals hieronder vermeld ook w"},{"i":18685,"b":"Algemeen boetebeleid Kansspelautoriteit gelet op [artikelen 35a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=35a) en [35b van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=35b) en [artikel 30 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=30) in samenhang met [artikel 13 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026204&artikel=13) en [artikelen 4:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:46), heeft besloten de volgende beleidsregel vast te stellen met betrekking tot het bepalen van de hoogte van bestuurlijke boetes: Paragraaf 1. Definities en toepassing Artikel 1. Definities In het kader van dit beleid wordt verstaan onder: - a. **aanbieder van kansspelen:** degene die gelegenheid geeft om mede te dingen naar prijzen of premies, waarbij de aanwijzing van winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen; - b. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - c. **basisbedrag:** het in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050653&paragraaf=2&artikel=4&z=2025-01-03&g=2025-01-03) vastgestelde basisbedrag voor overtredingen van bepalingen die zijn ingedeeld in de categorieën I tot en met V; - d. **Bbbfs:** [Besluit bestuurlijke boetes financiële sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026204); - e. **boete:** bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5:40, eerste lid, van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:40); - f. **bruto-omzet:** opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon, waaronder bij een aanbieder van kansspelen wordt verstaan het brutospelres"},{"i":19177,"b":"Richtlijn voor strafvordering verduistering in dienstbetrekking Beschrijving Deze richtlijn is van toepassing op verduistering in dienstbetrekking en kent een verzwaarde recidiveregeling. Aan de hand van de weegfactoren kan binnen de bandbreedte een uitgangspunt van de sanctie worden geformuleerd. Basiscasus/delict Verduistering in dienstbetrekking, alleen gepleegd. Legenda **Afkortingen** GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf vw = voorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036337)."},{"i":17045,"b":"Besluit vervanging van analoge archiefbescheiden Nederlandse Zorgautoriteit 2017 Gelet op: de [artikelen 26a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26a) en [26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); [artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7): besluit: Artikel 1 1. De NZa gaat over tot vervanging door digitale reproducties van de na inwerkingtreding van dit besluit ontvangen analoge archiefbescheiden die op grond van de [Selectielijst van de Stichting DBC-Onderhoud 2004–2017 en de Nederlandse Zorgautoriteit 2006](onbekend) – voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. Reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het Handboek routinematige digitale vervanging inkomende post van door de Nederlandse Zorgautoriteit ontvangen analoge archiefbescheiden 2017. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst."},{"i":18112,"b":"Besluit beperking openbaarheid notulen en bescheiden van rijksministerraad, ministerraad, onderraden en ministeriële commissies (1 januari 2000 – 1 januari 2001) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 17 november 2025, met kenmerk 1766652. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de notulen en daarbij horende bescheiden van de rijksministerraad, ministerraad en zijn onderraden en commissies voor de periode 1 januari 2000 – 1 januari 2001. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van (mogelijk) nog levende personen. Op de inventarisnummers is een beperking opgelegd van 110 jaar na de geboorte van de jongst genoemde betrokkene. Deze openbaarheidsbeperkingen zullen vervallen bij het overlijden van de jongst genoemde betrokkene. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 8879A | 2050 | | 8881A | 2057 | | 8883A | 2051 | | 8884A | 2051 | | 9095 | 2063 | | 9096 | 2061 | | 9097 | 2061 | Enkele van de bovengenoemde dossiers zijn ten behoeve van de toegankelijkheid afgesplitst van het oorspronkelijke inventarisnummer. Bij het vervallen van de openbaarheidsbeperking zullen deze fysiek teruggeplaatst worden bij het oorspronkelijke stuk en zal de inventaris daarop worden aangepast. en Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Op de stukken van de ministerraad en de Ministeriële Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (M"},{"i":17478,"b":"Regeling Transparantievoorschriften multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type 2, CVR, COPD) Gelet op [artikel 38 lid 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) en [artikel 40 lid 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40) (Wmg); Stelt de volgende regeling vast: Artikel 1. Algemeen Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders voor zover ze de prestatie Multidisciplinaire zorgverlening voor Diabetes Mellitus type 2 voor personen ≥ 18 jaar (DM type 2)de prestatie Multidisciplinaire zorgverlening voor Cardiovasculair Risicomanagement (CVR) en/of de prestatie Multidisciplinaire zorgverlening voor Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD) leveren. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze regeling, eindigt de tot aan die datum geldende regeling Transparantievoorschriften multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type2, CVR) (regeling CV/NR-100.107). Artikel 2. Begripsbepalingen Voor de begripsbepalingen wordt verwezen naar het Declaratievoorschrift multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type 2, CVR, COPD) Artikel 3. Doel Deze regeling heeft tot doel dat consumenten tijdig en zorgvuldig geïnformeerd worden over de eigenschappen van de betreffende prestaties met het oog op doeltreffendheid, juistheid, inzichtelijkheid en vergelijkbaarheid van de informatie. Specifiek betekent dit dat zorgaanbieders de invulling van de door hen geleverde multidisciplinaire zorgverlening voor chronische aandoeningen, voor consumenten inzichtelijk en vergelijkbaar maken. En dat de ziektekostenverzekeraar prijsinformatie over de prestatie voor de consumenten inzichtelijk en vergelijkbaar maakt. Artikel 4. Verplichting zorgaanbieder Een hoofdcontractant, welke de prestatie contracteert, levert en declareert bij de ziektekostenverzekeraar of de consument, maakt openbaar wat de aanbiederspecifieke invulling van de desbetreffende prestatie is."},{"i":18404,"b":"Regeling onkostenvergoedingen gewezen defensiepersoneel Gelet op [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955&artikel=1) en [2, zesde lid van de Kaderwet militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011955&artikel=2), [artikel 1 van de Kaderwet dienstplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008589&artikel=1), [artikel 111, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=111), [112, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=112), en [115, tweede lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=115) en [artikel 64, tweede lid van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=64); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. het AMAR: het [Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482); - b. het BARD: het [Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040) - c. het Besluit AO/IV: het [Besluit arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223); - d. het Besluit IP 65+: het [Besluit bijzondere militaire pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012222); - e. Onze Minister: de Minister van Defensie; - f. zorgverlenende instelling: de erkende en in Nederland gevestigde instelling of persoon die is belast met de behandeling, begeleiding dan wel zorg van de betrokkene als bedoeld in [artikel 1, onder h, sub 1 en 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024001&artikel=1&z=2008-04-15&g=2008-04-15) van deze regeling; - g. naaste betrekking: - 1°. de echtgenote: de echtgenote van betrokkene als bedoeld in [artikel 1, derde lid, onderdeel a, van het AMAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=1) respectievelijk [artikel 4, eerste"},{"i":17639,"b":"Uitkeringsreglement WW 2015 Gelet op [artikel 101 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=101); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Begrippen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **werknemer:** werknemer in de zin van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); - b. **werkgever:** werkgever in de zin van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); - c. **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - d. **uitkering:** uitkering in de zin van [hoofdstuk II van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II); - e. **wijzigingsformulier:** een door het UWV aan de werknemer ter beschikking gesteld formulier, waarop deze wijziging van de voor de beoordeling van het recht op uitkering noodzakelijke gegevens vermeldt; - f. **formulier inkomstenopgave:** een door het UWV aan de werknemer periodiek ter beschikking gesteld formulier, waarop deze de voor de beoordeling van het recht op uitkering noodzakelijke gegevens vermeldt. Dit formulier kan ook worden verstrekt onder de benaming werkbriefje of declaratie; - g. **DigiD:** de voorziening bedoeld in [artikel 1, onder b, van het Tijdelijk besluit nummergebruik overheidstoegangsvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017449&artikel=1). § 2. Controlevoorschriften Artikel 2. Aanvraag werkloosheidsuitkering 1. De werknemer dient binnen één week na het intreden van de werkloosheid bij het UWV een aanvraag voor een uitkering in op de wijze zoals beschreven in de [Beleidsregel elektronische communicatie UWV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031975) en de daarbij behorende [bijlage](onbekend). 2. De aanvraag wordt door de werknemer ondertekend. Indien de aanvraag elektronisch wordt ingediend, vindt ondertekening plaats via Di"},{"i":17049,"b":"Besluit van 22 december 1972, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 52 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 1 november 1972, Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Soc. Verz., Afd. W.V., no. 54993; Gelet op [artikel 52 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=52); De Sociaal-Economische Raad gehoord (advies van 19 november 1971); De Raad van State gehoord (advies van 15 november 1972, No. 19); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 18 december 1972, Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Soc. Verz., Afd. W.V., no. 55.493; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Bij samenloop over eenzelfde tijdvak van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) met één of meer van de navolgende ingevolge de sociale wetgeving van één of meer andere Mogendheden toegekende uitkeringen: - a. uitkering wegens arbeidsongeschiktheid; - b. wezenuitkering; - c. ouderdomsuitkering, dan wel enige andere uitkering, welke in verband met het bereikt hebben van een bepaalde leeftijd is toegekend, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, indien en voor zover deze het totale bedrag van de onder **a** t/m **c** bedoelde uitkeringen overtreft. 2. Bij de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt met een in dat lid onder **a** bedoelde uitkering slechts rekening gehouden, indien en voor zover deze is verleend ter zake van dezelfde arbeidsongeschiktheid als de arbeidsongeschiktheidsuitkering. 3. Het eerste lid en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitkeringen op grond van de [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&hoofdstuk=6) en [7 van de Wet werk en inkomen naar arbei"},{"i":17949,"b":"Wet van 8 maart 2007 tot wijziging van enkele wetten in verband met de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de inwerkingtreding van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) noodzakelijk is om diverse wetten die de rechtspositie van politieke ambtsdragers en de Hoge Colleges van Staat betreffen, te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bezoldiging Raad van State en Algemene Rekenkamer. Artikel II Wijzigt de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen. Artikel III Wijzigt de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer. Artikel IV Wijzigt de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement. Artikel V Wijzigt de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer. Artikel VI Indien in de periode tussen het tijdstip waarop dit wetsvoorstel door de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aanvaard en het tijdstip waarop [artikel III, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021768&artikel=III&z=2010-01-01&g=2010-01-01), van dit wetsvoorstel, nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel wijzigt en is bepaald dat die wijziging een algemeen karakter draagt, wordt het bedrag in [artikel 2, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=2), voor zoveel nodig, dienovereenkomstig nader vastgesteld. De nadere vaststelling geschiedt bij het in [artikel VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021768&artikel=VIII&z=2010-01-01&g=2010-01-01) genoemde koninklijk besluit en treedt in werking op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel III, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021768&artike"},{"i":18695,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Financiën van 10 Juni 2025 over herziening van het boetebeleid (Beleidsregel bestuurlijke boeten Dienst Toeslagen) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [hoofdstuk 2, paragraaf, 6 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&paragraaf=6); Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Awir:** [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472); - b. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - c. **overtreder:** degene aan wie, op grond van [artikel 5:1, tweede en derde lid, van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:1) en [artikel 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=40), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=41) en [41bis Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=41bis), in de hoedanigheid van pleger, medepleger, doen pleger, uitlokker, medeplichtige, feitelijk leidinggever of opdrachtgever een bestuurlijke boete kan worden opgelegd; - d. **kinderopvangorganisatie:** kindercentrum en gastouderbureau als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.1); - e. **recidive:** recidive als bedoeld in [artikel 41, tweede lid, van de Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=41). Artikel 2. Toepassingsgebied 1. In dit besluit worden beleidsregels gegeven die gelden bij het opleggen van bestuurlijke boeten door Dienst Toeslagen op grond van [hoofdstuk 2, paragraaf 6, van de Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&paragraaf=6). 2. Op beboetbare feiten die zijn begaan ná de inwerkingtredingsdatum van dit besluit zijn de beleidsregels van dit besluit van toepassing. 3. Op beboetb"},{"i":18621,"b":"Wet van 30 november 1949, houdende regelen nopens het beheer van schuldregisters voor geldleningen ten laste van het Rijk Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen nopens het beheer van schuldregisters voor geldleningen ten laste van het Rijk, andere dan de Grootboeken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onder het opperbeheer van Onze Minister van Financiën is de zorg voor het houden van Schuldregisters voor geldleningen ten laste van het Rijk, andere dan de Grootboeken, en voor de vervulling der daarbij te verrichten werkzaamheden opgedragen aan de Agent van het Ministerie van Financiën te Amsterdam, verder te noemen \"Agent\". Artikel 2 Hij, te wiens name in een schuldregister, als in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002053&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bedoeld, een rekening is geopend, wordt aangemerkt als eigenaar der op die rekening geboekte inschrijving. Artikel 3 Alle personen, die bij de Agent bekend zijn als vertegenwoordigers van de ingeschreven rechthebbenden, worden bij voortduring als zodanig aangemerkt totdat van het vervallen van de bevoegdheid onder overlegging der nodige bewijsstukken aan de Agent is kennis gegeven. Artikel 4 Beperkingen in de bevoegdheid van de ingeschreven rechthebbenden worden eerst van kracht, nadat daarvan onder overlegging der nodige bewijsstukken aan de Agent is kennis gegeven. Artikel 5 De erfgenamen of rechtverkrijgenden van hem, te wiens name een recht staat ingeschreven, of zij, aan wie enig in een schuldregister ingeschreven recht is gelegateerd, moeten van hun recht doen blijken door overlegging van de bescheiden die door de Agent worden gevorderd. Artikel 6 In-, over- of afschrijvingen, evenals het stellen van aantekeningen tengevolge van verpandingen e"},{"i":17517,"b":"Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen WAO Gelet op [artikel 90, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=90), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. WAO: de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&wetgeving); - b. Wet WIA: de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&wetgeving); - c. de contante waarde: de contante waarde van de periodieke verstrekkingen, bedoeld in [artikel 90, tweede lid, van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=90) en [artikel 99, tweede lid, van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=99); - d. de loondervingsuitkering: de loondervingsuitkering, bedoeld in [artikel 21, eerste lid, van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=21), de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in [hoofdstuk 6 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&hoofdstuk=6) en de loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in [hoofdstuk 7 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&hoofdstuk=7); - e. de vervolguitkering: de vervolguitkering, bedoeld in [artikel 21, eerste lid, van de WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=21) - en de loonaanvullingsuitkering, bedoeld in [artikel 61, vierde lid, van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=61); - f. de uitkering: de loondervingsuitkering en de vervolguitkering tezamen. Artikel 2. Geconsolideerde toestand van de arbeidsongeschiktheid Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in overeenstemming met de tot schadevergoeding verplichte derde eerst tot vordering van de contante waarde overgaan, indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van oordee"},{"i":18915,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 november 2015 nr. BOACAT2015/065, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Rotterdam Gelezen het verzoek van de plv. politiechef van de regionale eenheid Rotterdam van 31 augustus 2015 en het advies van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b) [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037241&artikel=2&z=2018-08-30&g=2018-08-30). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Rotterdam. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederl"},{"i":17779,"b":"Verdrag van economische, sociale en culturele samenwerking en collectieve zelfverdediging tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins-Regent van België, de President van de Franse Republiek, President van de Franse Unie, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning van Groot-Brittannië, Ierland en de Overzeese Britse Gebieden, Besloten zijnde Hun vertrouwen te bevestigen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de betekenis van de menselijke persoonlijkheid, alsmede in de overige beginselen gehuldigd in het Handvest van de Verenigde Naties; De democratische beginselen, de persoonlijke en staatsburgerlijke vrijheid, de constitutionele tradities en de eerbied voor de wet, welke hun gemeenschappelijk erfdeel vormen, te versterken en te handhaven; In deze geest de economische, sociale en culturele banden, die hen reeds verbinden, nauwer aan te halen; Loyaal samen te werken en hun pogingen te verenigen om in West-Europa een hechte grondslag te leggen voor de wederopbouw der Europese economie; Elkander bijstand te verlenen in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties, om de internationale vrede en veiligheid te handhaven en weerstand te bieden aan iedere aanvalspolitiek; De Europese eenheid te bevorderen en de geleidelijke integratie van Europa aan te moedigen; Geleidelijk in hun streven andere Staten te betrekken, die bezield zijn door dezelfde idealen en dezelfde doeleinden beogen; Wensende daartoe een Verdrag te sluiten, dat hun samenwerking op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede hun collectieve zelfverdediging regelt; Hebben als hunne Gevolmachtigden aangewezen: Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins-Regent van België Zijne Excellentie de Heer Paul-Henri SPAAK, Eerste-Minist"},{"i":17206,"b":"Prestatie- en tariefbeschikking medisch-specialistische zorg 2019 De Nederlandse Zorgautoriteit heeft met inachtneming van [Hoofdstuk 4, paragrafen 4.2 en 4.4, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&hoofdstuk=4) (Wmg), **en meer in het bijzonder:** de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [50, eerste lid, onderdelen a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), [52, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), [53, aanhef en onder b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=53), **alsmede de beleidsregel:** **en de nadere regel:** **besloten:** dat rechtsgeldig **door zorgaanbieders van:** **aan:** **de volgende prestaties:** **en de volgende tarieven:** in rekening mogen worden gebracht. Voor een uitleg of definitie van de in deze beschikking gehanteerde begrippen wordt verwezen naar de begripsbepalingen in artikel 1 van de Beleidsregel prestaties en tarieven medisch-specialistische zorg met kenmerk BR/REG-19122a en [artikel 1 van de Regeling medisch-specialistische zorg](onbekend) met kenmerk NR/REG-1907a. De in deze beschikking genoemde bijlagen en de tarieventabel zijn te raadplegen en te downloaden via de website van de NZa. Voor de bijlagen zie: https://puc.overheid.nl/nza/ → zoekterm BR/REG-19122a of NR/REG-1907a → bijlage. Voor de tarieventabel zie: https://puc.overheid.nl/nza/ → TB/REG-19621-2 → Tarieventabel dbc-zorgproducten en overige zorgproducten per 1 januari 2019. Ten aanzien van het hierboven gestelde gelden de navolgende voorwaarden, voorschriften en/of beperkingen: Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2019. Met inachtneming van [artikel 20, tweede lid, onderdeel d, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=20), zal deze tariefbeschikking in de Staatscourant worden gepubliceerd. Indien u het niet eens bent met dit besluit dan kunt u binne"},{"i":18624,"b":"Wet van 18 mei 1995, houdende regeling van de vergoeding voor de werkzaamheden, de secundaire voorzieningen en de kostenvergoedingen van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, alsmede van de toelage en de andere voorzieningen van de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op [artikel 63 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=63), wenselijk is een wettelijke regeling te treffen van de vergoeding voor de werkzaamheden, van de secundaire voorzieningen en van de kostenvergoedingen van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, alsmede van de toelage en de andere voorzieningen van de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. kamerlid: lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal; - c. voorzitter: voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal; - d. fractievoorzitter: kamerlid waarvan door de voorzitter is vastgesteld dat dat lid voorzitter is van een fractie, dan wel enig lid is van een fractie; - e. griffier: de griffier van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Artikel 2 Deze wet is niet van toepassing op kamerleden die het ambt van minister of staatssecretaris bekleden. Artikel 3 De [hoofdstukken II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&hoofdstuk=II&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&hoofdstuk=III&z=2026-01-01&g=2026-01-01) zijn niet van toepassing op de voorzitter. Hoofdstuk II. Vergoeding voor de werkzaamheden Artikel 4 De kamerleden ontvangen een verg"},{"i":17559,"b":"Wet van 24 mei 2023 tot wijziging van de Wet forensische zorg en enige andere wetten (Reparatiewet forensische zorg) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enkele wijzigingen van technische of van anderszins ondergeschikte aard aan te brengen in de [Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634) en enige andere wetten naar aanleiding van geconstateerde gebreken of onvolkomenheden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijziging van de [Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634) Artikel I Wijzigt de Wet forensische zorg. Hoofdstuk 2. Wijziging van andere wetten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid Artikel II Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel IV Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel V Wijzigt de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Hoofdstuk 3. Wijziging van wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Artikel VI Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel VII Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel VIII Wijzigt de Participatiewet. Artikel IX Wijzigt de Remigratiewet. Artikel X Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel XI Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen. Artikel XII Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel XIII Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel XIV Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Artikel XV Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel XVI Wijzigt de Ziektewet. Hoofdstuk 4. Wijziging van wetten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Artikel XVII Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel XVIII Wijzig"},{"i":18200,"b":"Besluit van 25 november 2013, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de Nederlandse nationale zijde van de munt van twee-euro die in 2013 wordt uitgegeven ter gelegenheid van 200 jaar Koninkrijk der Nederlanden Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 18 november 2013, FM/2013/2010 M, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2013/34335. Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de nationale zijde van de Nederlandse munt van twee-euro die in 2013 wordt uitgegeven ter gelegenheid van 200 jaar Koninkrijk der Nederlanden zijn, overeenkomstig onderstaande afbeelding, in de kern binnen de ring met twaalf sterren, Onze beeltenis weergegeven door een lint dat naar binnen toe de beeltenissen weergeeft van Koningin Beatrix, Koningin Juliana, Koningin Wilhelmina, Koning Willem III, Koning Willem II en Koning Willem I, de beeltenissen worden omgeven door het omschrift «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN» gevolgd door het teken van de Munt , het teken van de Muntmeester , het jaartal 2013 en de initialen van de ontwerpster «RKCL» en ter linkerzijde van de beeltenissen de tekst «200 JAAR KONINKRIJK»: . 2. Het randschrift van de twee-euromunt is «GOD * ZIJ * MET * ONS *». Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 25 november 2013. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19453,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Scheepvaart en maritieme zaken over de periode vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 mei 2008, nr. bca-2008.04829/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Scheepvaart en maritieme zaken over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17216,"b":"Protocol bij de Europese Code inzake Sociale Zekerheid **Preambule** De Staten die dit Protocol hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Besloten hebbende een hoger sociaal zekerheidsniveau vast te stellen dan dat waarin de bepalingen van de op 16 april 1964 te Straatsburg ondertekende [Europese Code inzake Sociale Zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004465) (hierna te noemen „de Code”) voorzien; Geleid door de wens dat alle Lid-Staten van de Raad naar het bereiken van dit hogere peil zullen streven, daarbij rekening houdende met overwegingen van economische aard in hun onderscheiden landen, Zijn de volgende bepalingen, die zijn opgesteld met medewerking van het Internationale Arbeidsbureau, overeengekomen: TITEL I TITEL II 1 Geen Lid-Staat van de Raad van Europa kan dit Protocol ondertekenen of bekrachtigen zonder gelijktijdig of tevoren de [Europese Code inzake sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004465) te hebben ondertekend of bekrachtigd. 2 Geen Staat kan tot dit Protocol toetreden zonder gelijktijdig of te voren tot de [Europese Code inzake sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004465) te zijn toegetreden. TITEL III 1 Dit Protocol staat open voor ondertekening door de Lid-Staten. Het moet worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal, mits het Comité van Ministers in daarvoor in aanmerking komende gevallen te voren een bevestigende beslissing heeft genomen als bedoeld in lid 4 van Titel IV. 2 Dit Protocol treedt in werking één jaar na het tijdstip van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging. 3 Ten aanzien van elke ondertekenende Staat die dit Protocol op een later tijdstip bekrachtigt, treedt het in werking één jaar na het tijdstip van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging. TITEL IV 1 Elke ondertekenende Staat die zich wenst te beroepen op de bepalingen van [artikel 2, lid 2, van de Code](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV"},{"i":18796,"b":"Besluit van 25 maart 2021 tot vaststelling van bestuurlijke boeten energiegerelateerde producten alsmede tot wijziging van een aantal besluiten in verband met het wijzigen van de citeertitel van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie (Besluit bestuurlijke boeten energiegerelateerde producten) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 19 oktober 2020, nr. WJZ / 20252112; Gelet op Verordening (EU) nr. 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van [Richtlijn 2010/30](32010L0030)/EU (PbEU 2017, L198) en [artikel 33d, tweede en derde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672&artikel=33d); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 december 2020, nr. W18.20.0382/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 23 maart 2021, nr. WJZ / 21003882; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Hoogte op te leggen bestuurlijke boete Artikel 1 1. Voor elke in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045092&paragraaf=1&artikel=2&z=2021-07-23&g=2021-07-23) omschreven overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie en de Verordening (EU) 2017/1369, is de daarvoor op te leggen boete in een lage dan wel een hoge categorie bepaald. 2. Het boetebedrag in de lage categorie bedraagt € 525,00 en het boetebedrag in de hoge categorie bedraagt € 10.000,00. 3. Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen twee jaar zijn verlopen sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045092&paragraaf=1&artikel=2&z=2021-07-23&g=2021-07-23) voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en d"},{"i":18026,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat houdende benoeming en vergoeding van de Bijzonder Vertegenwoordiger Europese Defensiesamenwerking 2023/2027 Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op de Defensie Industrie Strategie van 15 november 2018 en de instelling van de Interdepartementale Coördinatiegroep Europese Defensiesamenwerking (ICG EDS); Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De heer T.A. Middendorp wordt benoemd tot Bijzonder Vertegenwoordiger Europese Defensiesamenwerking voor een periode van vijf jaar. Artikel 2 1. Als Bijzonder Vertegenwoordiger Europese Defensiesamenwerking heeft de heer T.A. Middendorp de taak om Nederland te vertegenwoordigen om de doelstellingen van de ICG EDS te bereiken. 2. De Bijzonder Vertegenwoordiger rapporteert aan de ICG EDS en heeft een adviserende rol richting de ICG EDS. 3. De Bijzonder Vertegenwoordiger kan op verzoek ook direct de betrokken bewindspersonen informeren. Artikel 3 Aan de Bijzonder Vertegenwoordiger wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18, trede 10, van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,241. Artikel 4 Dit Besluit treedt in werking met ingang vanaf 1 januari 2023. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan de leden van ICG EDS en de betrokkene."},{"i":17887,"b":"Besluit van 15 oktober 2014, houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met het zorgpakket Zvw 2015 en wijziging van het Besluit zorgverzekering BES in verband met het zorgpakket BES 2015 Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2014, 643290-123616-Z; Gelet op de [artikelen 11, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11), en [21, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=21), [2, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=2), [5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=5) en [18.4.1, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.4.1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 oktober 2014, no. W13.14.00246/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 oktober 2014, kenmerk 673074-126986-Z; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit zorgverzekering. Artikel II Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. Artikel III Wijzigt het Besluit zorgverzekering BES. Artikel IV Een instelling die op grond van [artikel 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=5) uiterlijk op 31 december 2014 is toegelaten voor persoonlijke verzorging als bedoeld in [artikel 1.2, onderdeel 17, van het Uitvoeringsbesluit WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=1.2) of voor verpleging als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel 18, van dat besluit, is met ingang van 1 januari 2015 toegelaten voor verpleging en verzorging als bedoeld in [artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR001849"},{"i":18988,"b":"Besluit van 31 december 2007, houdende vaststelling van het model van een landelijk insigne voor de buitengewoon opsporingsambtenaar Gelet op [artikel 26a van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=26a); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Het landelijk insigne voor de buitengewoon opsporingsambtenaar kent twee verschijningsvormen, te weten een insigne/embleem van metaal en een insigne/badge van stof. Artikel 2 Het insigne/embleem is 37 millimeter hoog en 30 millimeter breed en uitgevoerd in metaal met een zijdeglans uitstraling in de kleur zilver. De hoger gelegen delen van het insigne/embleem – hand, scepter en schild – zijn glanzend. Het lager gelegen deel – lijn om de hand en de scepter – is mat. De zijkant is glanzend. Artikel 3 Het insigne/badge is uitgevoerd in donkergrijze stof met een donkergrijze afwerking, waarbij de zoom is omrand. Het insigne/badge is 72,5 millimeter hoog en 75 millimeter breed. Het beeldmerk is 58,3 millimeter hoog. Het beeldmerk bestaat uit scepter, hand, schild en de lijn die de omtrek aangeeft van hand en schild en is uitgevoerd in zilverdraad. Scepter en hand zijn verticaal gestikt. Het schild is horizontaal gestikt. De lijn die de omtrek aangeeft van hand en schild is haaks op de richting gestikt. De zoom om de badge is haaks op de richting gestikt. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008 Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: ‘Besluit vaststelling model landelijk insigne buitengewoon opsporingsambtenaar’. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 4a 1. De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) maakt ten aanzien van het auteursrecht op het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023325&artikel=2&z=2015-11-04&g=2015-11-04) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023325&artikel=3&z=2015-11-04&g=2015-11-04)"},{"i":19186,"b":"Richtlijn voor strafvordering Wet vervoer gevaarlijke stoffen ten aanzien van vervoer over de weg Achtergrond Ter bevordering van eenheid in het strafvorderingsbeleid zijn met betrekking tot de meest voorkomende overtredingen van de [Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606) (Wvgs) ten aanzien van vervoer over de weg tarieven vastgesteld. Deze tarieven gelden als richtlijn voor de hoogte van het transactiebedrag, de strafbeschikking dan wel voor de eis ter terechtzitting. Door toepassing te geven aan [artikel 74 Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld bij een transactie. Op basis van [artikel 257a Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257a) en [artikel 36 Wet op de Economische Delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=36) (WED) kan de strafbeschikking bijzondere aanwijzingen bevatten. Beschrijving 1. Wet- en regelgeving De [Wvgs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606) kent een gelede normstelling. Nationale wet- en regelgeving komt voort uit het Européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route (ADR) en bestaat uit: In [art. 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=4) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=5) (jo. [artt. 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=2) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=3)) van de [Wvgs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606) wordt het verboden om gevaarlijke stoffen te vervoeren over land, indien niet is voldaan aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. [Art. 2 Bvgs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008080&artikel=2) bepaalt dat deze regels in de [VLG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054) staan. De VLG bevat een bijlage met de Nederlandse vertaling van"},{"i":18570,"b":"Besluit van 16 maart 2006, nr. 06.000752, houdende vaststelling van een selectielijst van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het beleidsterrein het handelen van de Staten-Generaal over de periode 1945–2002 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 16 februari 2006, nr. C/S&A/05/2139, gedaan in overeenstemming met de Tweede Kamer der Staten-Generaal; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Gezien het advies van de Raad voor Cultuur van 18 november 2004, nr. arc-2004.01583/3; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het beleidsterrein het handelen van de Staten-Generaal over de periode 1945–2002’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst voor de handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het beleidsterrein het handelen van de Staten-Generaal over de periode 1945–2002 I. Toelichting behorend bij de selectielijst voor de handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het beleidsterrein het handelen van de Staten-Generaal over de periode 1945–2002 Lijst van afkortingen ABC: Algemene begrotingscommissie AmvB: Algemene maatregel van bestuur (groot KB) AO: Algemeen overleg ARA: Algemeen Rijksarchief art.: artikel BBC: Bouwbegeleidingscommissie BSD: Basisselectiedocument CVSE: Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa CW: [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891) EK: Eerste Kamer (kamerstukaanduiding, gevolgd door het vergaderjaar, het kamerstuknummer en het volgnummer binnen het kamerstuk) EG: Europese Gemeenschap EU: Europese Unie GW: [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) HEK: Handelinge"},{"i":18059,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 25 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 055/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Ambassade in Nigeria van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1959–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade in Nigeria van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1959–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 75 | 2044 | | 192 | 2032 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024783&artikel=1&z=2008-12-06&g=2008-12-06), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024783&artikel=1&z=2008-12-06&g=2008-12-06), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit zal"},{"i":18686,"b":"Algemeen boetetoemetingsbeleid DNB De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) heeft het volgende beleid vastgesteld met betrekking tot het bepalen van de hoogte van bestuurlijke boetes die worden opgelegd wegens overtredingen van voorschriften als bedoeld in [paragraaf 2 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026204&paragraaf=2), [artikel 51a van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (Bupw)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020892&artikel=51a) en [bijlage 2 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032230&bijlage=2). Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In het kader van dit beleid wordt verstaan onder: - a. **basisbedrag:** een bij wet vastgesteld basisbedrag voor categorie 1, 2 en 3; - b. **maximumbedrag:** een bij wet vastgesteld maximumbedrag voor categorie 1, 2 en 3; - c. **minimumbedrag:** een bij wet vastgesteld minimumbedrag voor categorie 1, 2 en 3; - d. **omzetgerelateerde boete:** boete van ten hoogste een bij wet vastgesteld percentage van de netto-omzet van de overtreder in het boekjaar voorafgaande aan het boetebesluit; - e. **recidive:** de omstandigheid dat tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaar zijn verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding; - f. **voordeelgerelateerde boete:** boete van ten hoogste een bij wet vastgesteld aantal malen van het bedrag van het voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen. Artikel 2. Reikwijdte Voor zover voor bepaalde (soorten) overtredingen specifiek boetetoemetingsbeleid is vastgesteld, past DNB het specifieke beleid toe bij het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete.1Het specifieke boetetoemetingsbeleid is gepubliceerd op de website van DNB. Hoofdstuk 2. Bepalen hoogte bestuurlijke boete Voor het bepalen van de hoogte van best"},{"i":18314,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 13 juni 2022, kenmerk Min-BuZa.2022.11939-7, tot heroprichting van de lnterdepartementale Raad voor de Handelspolitiek Handelend in overeenstemming met de Ministers van Buitenlandse Zaken, van Algemene Zaken, van Financiën, van Economische Zaken en Klimaat, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Welzijn en Sport en van lnfrastructuur en Waterstaat; Besluit: Artikel 1 Er is een lnterdepartementale Raad voor de Handelspolitiek, hierna te noemen: IRHP. Artikel 2 1. De IRHP heeft tot taak het voorbereiden en het coördineren van het kabinetsbeleid ten aanzien van de internationale handel in goederen en diensten, internationale grondstoffenaangelegenheden, internationale investeringen en andere onderwerpen van internationale samenwerking die tot de primaire verantwoordelijkheid van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking behoren. 2. Ter uitvoering van zijn taak stelt de IRHP instructies op voor delegaties die namens Nederland of het Koninkrijk deelnemen aan: - a. het overleg in internationale organisaties en overlegorganen op het gebied van de internationale handel in goederen en diensten, grondstoffen, internationale investeringen en internationale economische samenwerking; - b. het EU-overleg over de te voeren gemeenschappelijke handelspolitiek en de externe economische betrekkingen van de Europese Unie; en - c. het bilaterale overleg met buitenlandse overheden over economische aangelegenheden•. 3. Ter uitvoering van zijn taak kan de IRHP voorts voorstellen doen of adviezen uitbrengen. Artikel 3 1. De IRHP komt bijeen op het niveau van de leden van de IRHP en op het niveau van plaatsvervangers van de leden van de IRHP. 2. Leden van de IRHP zijn: - a. de directeur-generaal van Buitenlandse Economische Betrekkingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, tevens voorzitter; - b. de directeur-generaa"},{"i":17218,"b":"Protocol bij de Europese Interim-Overeenkomst betreffende sociale zekerheid voor ouderdom, invaliditeit en overlijden De Regeringen welke dit Protocol hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Gezien het bepaalde in de [Europese Interim-Overeenkomst betreffende de regelingen inzake sociale zekerheid voor ouderdom, invaliditeit en overlijden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005091), ondertekend te Parijs op 11 December 1953 (hierna aangeduid als „de Hoofdovereenkomst”); Gezien het bepaalde in het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002), ondertekend te Genève op 28 Juli 1951 (hierna aangeduid als „het Verdrag van Genève”); Verlangende de werking van de bepalingen van de [Hoofdovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005091) uit te strekken tot vluchtelingen, zoals omschreven in het [Verdrag van Genève](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Protocol heeft de term „vluchteling” de betekenis, welke daaraan is toegekend in [artikel 1 van het Verdrag van Genève](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002&artikel=1), met dien verstande dat iedere Overeenkomstsluitende Partij ten tijde van de ondertekening of van de bekrachtiging van dit Protocol of van de toetreding hiertoe een verklaring moet afleggen, die aangeeft welke van de betekenissen, vermeld in artikel 1, lid B, van dat Verdrag, zij toepast met betrekking tot de verplichtingen uit hoofde van dit Protocol, tenzij bedoelde Partij een dergelijke verklaring reeds heeft afgelegd ten tijde van haar ondertekening of bekrachtiging van [dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002). Artikel 2 Het bepaalde in de [Hoofdovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005091) is toepasselijk op vluchtelingen onder dezelfde voorwaarden, die gelden voor de onderdanen van de Partijen bij die Overeenkomst. Evenwel wordt het bepaalde i"},{"i":16845,"b":"Besluit mandaat Sociale Banken Nederland voor de uitvoering van de Beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast in juli 2021 Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [artikel 8 van de Beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast in juli 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049967&artikel=8) van 5 juni 2024, nr. 5462324 (Staatscourant nr. 20307), Gezien de instemming van de zelfstandig bevoegd bestuurder van Stichting Sociale Banken Nederland met de Dienstverleningsovereenkomst, het Afsprakenkader en de Verwerkersovereenkomst behorend bij de Beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast in juli 2021 van 10 juli 2024 met kenmerk 40100036588. Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - −. **algemeen directeur:** de zelfstandig bevoegd bestuurder van Stichting Sociale Banken Nederland. Artikel 2 Aan de algemeen directeur wordt mandaat en volmacht verleend tot: - a. het nemen van besluiten en het sluiten van overeenkomsten in het kader van de uitvoering van de [Beleidsregel financiële nood als gevolg van de wateroverlast in juli 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049967); - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a. Artikel 3 Aan de algemeen directeur wordt machtiging verleend tot: - a. het verrichten van alle handelingen ter voorbereiding op en ter uitvoering van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050331&artikel=2&z=2024-10-26&g=2024-10-26) bedoelde besluiten en overeenkomsten; - b. het verwerken van (persoons)gegevens, waaronder het BSN, voor zover dat noodzakelijk is ter uitvoering van de [Beleidsregel fina"},{"i":16844,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 18 december 2008, nr. DJZ/BR/1144-08, tot het verlenen van mandaat aan het Nederlands Jeugdinstituut betreffende het programma Stage en uitwisseling jongeren 2009 Gelet op de [artikelen 9.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.1) en [9.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.2) en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1 1. Aan de functionarissen van het Nederlands Jeugdinstituut die werkzaam zijn bij de afdeling Internationaal wordt mandaat verleend om van 1 januari 2009 tot en met 31 oktober 2009 namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking besluiten te nemen inzake subsidieverlening op grond van de [artikelen 9.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.1) en [9.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=9.2), met inachtneming van de daartoe vastgestelde beleidsregels. 2. Aan de functionarissen van het Nederlands Jeugdinstituut die belast zijn met dagelijkse leiding wordt mandaat verleend om namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hen in mandaat is genomen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16847,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 februari 2017, kenmerk 997477-153689-Z, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het CAK (Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden) Gelet op [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gelezen de instemming van de bestuursvoorzitter van het CAK van 20 januari 2017; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het CAK:** het CAK, genoemd in [artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1). - b. **Voorzitter:** voorzitter van het CAK. Artikel 2 Aan de voorzitter wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten op grond van de [Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455) en het verrichten van alle benodigde werkzaamheden, waaronder het tekenen van stukken, ter voorbereiding en uitvoering van de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden. Artikel 3 Aan de voorzitter wordt: - a. mandaat verleend tot het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039244&artikel=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. - b. machtiging verleend ten aanzien van verweer- en beroepschriften in administratiefrechtelijke procedures, ten behoeve van het vertegenwoordigen van de minister in deze procedures en tot het afdoen van alle stukken en het verrichten van alle werkzaamheden, voor zover deze verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":19027,"b":"Wet van 15 april 1886, houdende bepalingen, regelende het in werking treden van het bij de wet van 3 maart 1881 (Staatsblad n°. 35) vastgestelde Wetboek van Strafrecht en den overgang van de oude tot de nieuwe strafwetgeving, alsmede om overeenstemming te brengen tusschen de bestaande wetten en het nieuwe wetboek Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat volgens art. 475 van het bij de wet van 3 Maart 1881 (**Staatsblad** n°. 35) vastgestelde \"[Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854)\" het in werking treden van dat Wetboek bij de wet moet worden geregeld, terwijl het tevens noodzakelijk is zoowel om bepalingen vast te stellen omtrent den overgang van de oude tot de nieuwe strafwetgeving, als om overeenstemming te brengen tusschen de bestaande wetten en het nieuwe wetboek; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § I. Algemeene bepalingen Artikel 1 De wetten van 10 Juni 1840 (**Staatsblad** n°. 20-26) zijn ingetrokken. Artikel 2 Het bij de wet van 3 Maart 1881 (**Staatsblad** n°. 35) vastgestelde [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) treedt in werking op den 1sten September 1886. § II. Bepalingen, houdende afschaffing, handhaving of wijziging van wetten die thans inwerking zijn Artikel 3 Op het in art. 2 vermelde tijdstip zijn afgeschaft: - a. het Fransche [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) (Code Pénal), voor zoover het thans nog hier te lande van kracht is; - b. het besluit van den Souvereinen Vorst van 24 Januari 1814 (**Staatsblad** n°. 17), omtrent den boekhandel en den eigendom van letterkundige werken, voor zooverre dit besluit nog niet is afgeschaft; - c. de wetten van: - 6. October 1791, concernant les biens et usages ruraux et la police rurale; - 28. September"},{"i":16848,"b":"Besluit van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 10 oktober 2023, kenmerk 3698854-1053525-DMO, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in verband met de subsidieverstrekking inzake de Stimuleringsregeling zorggeschikte woningen (Besluit mandaat, volmacht en machtiging RVO inzake de Stimuleringsregeling zorggeschikte woningen) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de instemming van de algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **algemeen directeur:** de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **minister:** de Minister voor Langdurige Zorg en Sport. Artikel 2 Aan de algemeen directeur wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten op grond van de [Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455) en het verrichten van alle benodigde werkzaamheden, waaronder het tekenen van stukken, ter voorbereiding en uitvoering van de [Stimuleringsregeling zorggeschikte woningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048611). Artikel 3 Aan de algemeen directeur wordt: - a. mandaat verleend tot het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048771&artikel=2&z=2023-10-25&g=2023-10-25), voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door hem in mandaat is genomen; - b. volmacht verleend tot het sluiten van overeenkomsten tot het verrichten van een Dienst van Algemeen Economisch Belang; - c. machtiging verleend ten aanzien van verweer- en beroepschriften in administratiefrechtelijke procedures, t"},{"i":2664,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2015, houdende benoeming van en vaststelling van de vergoeding voor de leden van de Commissie rechtseenheid bestuursrecht (Benoemings- en vergoedingenbesluit Commissie rechtseenheid bestuursrecht) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op de [artikelen 6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6), en [15, vijfde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=15) en [artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluiten: Artikel 1 1. Tot voorzitter, tevens lid, van de Commissie rechtseenheid bestuursrecht wordt benoemd: prof. mr. M. Scheltema, regeringscommissaris voor de algemene regels van bestuursrecht. 2. Tot lid van de commissie worden benoemd: - a. prof. mr. T. Barkhuysen, advocaat-partner bij Stibbe en hoogleraar Staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden; - b. mr. M.W.C. Feteris, president van de Hoge Raad; - c. prof. dr. E. Mak, bijzonder hoogleraar Empirische studie van het publiekrecht, in het bijzonder van rechtsstatelijke instituties, aan de Erasmus School of Law van de Erasmus Universiteit Rotterdam; - d. mr. J.E.M. Polak, voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 3. Tot secretaris van de commissie wordt benoemd: mr. T.C. Borman, coördinerend raadadviseur bij de directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Artikel 2 Aan de daarvoor in aanmerking komende leden van de Commissie rechtseenheid bestuursrecht wordt een vergoeding toegekend per vergadering van 3% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking"},{"i":4534,"b":"Circulaire Werkkostenregeling Appa, vervallen gratificatie voorzitter en aanpassing procedure bij ziekte voorzitter 1. Inleiding Per 1 januari 2011 is een nieuwe fiscale regeling ingevoerd; de zogenaamde werkkostenregeling die voortvloeit uit de [Fiscale vereenvoudigingswet 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026981) (Stb. 2010, 611). Deze werkkostenregeling vervangt m.i.v. 1 januari 2011 het systeem van vrije vergoedingen en verstrekkingen. In **paragraaf 2** wordt ingegaan op verschillende aspecten van deze fiscaaltechnische exercitie. Bij mijn circulaire van 9 december 2010 met als onderwerp ‘Wijziging van de vergoeding van een lid van het algemeen bestuur, informatie over bezoldiging en eindejaarsuitkering van een lid van het dagelijks bestuur en informatie over de bezoldiging, de ambtstoelage en de eindejaarsuitkering van een voorzitter’, heb ik u (onder ‘Algemene informatie’) gewezen op de invoering van deze werkkostenregeling. Daarbij heb ik tevens aangegeven dat er een algemene maatregel van bestuur in voorbereiding was, waarmee de rechtspositiebesluiten van politieke ambtsdragers zodanig zouden worden gewijzigd dat het voor waterschappen lokaal mogelijk is om voorzieningen van hun politieke ambtsdragers gelijktijdig met die van hun ambtenaren aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel binnen de werkkostenregeling. Op 4 januari 2011 is deze algemene maatregel van bestuur gepubliceerd als het [Besluit wijziging van de rechtspositiebesluiten decentrale politieke ambtsdragers 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029407) (Stb. 2011, 5). Het besluit heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2011. De in dit besluit genoemde bedragen zijn de bedragen die golden voor het jaar 2010. Deze bedragen zijn voor 2011 gewijzigd bij ministeriële regeling van 14 december 2010 (Stcrt. 2010, 20751). De in de ministeriële regeling van 14 december 2010 opgesomde bedragen die per 1 januari 2011 gelden, zijn echter afhankelijk van de keuze van de gemeente om al d"},{"i":16854,"b":"Besluit van 29 juni 1983, houdende vaststelling van een minimumjeugdloonregeling Op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 juni 1983, Directoraat-Generaal voor Algemene Beleidsaangelegenheden, Directie Arbeidsvoorwaarden-, Inkomens- en Vermogensbeleid, Afdeling Inkomensbeleid, nr. 97.561; Gelet op [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7), derde lid, en [artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8) (**Stb.** 1968, 657); Gezien het advies van de Stichting van de Arbeid van 9 juni 1983, nr. S.A. 48.261/K/Bu; De Raad van State gehoord (advies van 23 juni 1983, nr. W 12.83.0331/16.3.25.; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 juni 1983, Directoraat-Generaal voor Algemene Beleidsaangelegenheden, Directie Arbeidsvoorwaarden-, Inkomens- en Vermogensbeleid, Afdeling Inkomensbeleid, nr. 97.809.; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Werknemers die de leeftijd van 15 jaar doch niet die van 21 jaar hebben bereikt, hebben het recht, bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7). Artikel 2 1. Het minimumloon waarop [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003599&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) recht geeft, bedraagt voor werknemers in de hierna te onderscheiden leeftijdscategorieën het daarbij aan te geven percentage van het minimumloon, dat geldt ingevolge de [artikelen 8, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8), en [14, tiende lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=14): de 20-jarigen: 80 de 19-jarigen: 60 de 18-jarigen: 50 de 17-jarigen: 39½ de 16-jarigen: 34½ de 15-jarigen: 30. 2. Het uit de toepassing van het eerste lid voortvloeiende uurloon wordt af"},{"i":13340,"b":"Wet van 2 juli 2014, houdende regels omtrent meeteenheden en meetinstrumenten voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (IJkwet BES 2014) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels met betrekking tot meeteenheden en meetinstrumenten op een aan de eisen van deze tijd aangepaste en overzichtelijke wijze vast te stellen voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **meetinstrument:** apparaat of systeem met een meetfunctie; - c. **ijk:** keuring van een meetinstrument als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035310&hoofdstuk=3&artikel=3&z=2019-01-01&g=2019-01-01) door de bevoegde instantie aan de bij of krachtens artikel 3 gestelde eisen; - d. **herijk:** herhaalde keuring van een in gebruik genomen meetinstrument als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035310&hoofdstuk=3&artikel=3&z=2019-01-01&g=2019-01-01) door de bevoegde instantie aan de bij of krachtens artikel 3 gestelde eisen; - e. **in gebruik nemen:** eerste gebruik van een voor een eindgebruiker bestemd meetinstrument voor het doel waarvoor het is bestemd; - f. **bevoegde instantie:** op grond van [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035310&hoofdstuk=5&artikel=11&z=2019-01-01&g=2019-01-01) aangewezen instantie. Hoofdstuk 2. Meeteenheden en standaarden Artikel 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor grootheden meeteenheden worden vastgesteld en kunnen tevens regels worden gesteld betreffende: - a. het symbool, de aanduiding, de omschrijving en het gebruik van een meeteenheid"},{"i":16855,"b":"Besluit van 6 maart 2002, houdende vaststelling van de formulieren, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging betreffende het overlijden ten gevolge van een niet-natuurlijke oorzaak, niet zijnde levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 13 november 2001, nummer 5133202/01/6, gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=7), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=9) en [10 van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=10); De Raad van State gehoord (advies van 21 december 2001, nr. WO3.01.0611/l); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 25 februari 2002, nr. 5151602/02/6, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking als de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in werking treedt. Artikel 1 Het model-formulier van de mededeling van de behandelende arts aan de gemeentelijk lijkschouwer betreffende het overlijden ten gevolge van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, bedoeld in [artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005009&artikel=7), luidt als volgt: Aan de gemeentelijk lijkschouwer der gemeente ; De ondergetekende , arts te ; verklaart te zijn behandelend arts van (naam en voornamen voluit) geboren op te , gewoond hebbende te , overleden op ; verklaart geen verklaring van overlijden af te geven; verklaart dat de dood van de overledene is ingetreden ten gevolge van de toepassing van levensbeëindiging op verzoek/het verlenen van hulp bij zelfdoding*; verklaart in verband met dit overlijden wel/geen* schriftelijke wilsverklaring van de overledene te hebben ontvangen; verklaart in verband met dit overlijden wel/geen* schriftelij"},{"i":16867,"b":"Besluit van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 15 december 2022 nr. 2022-0000679065 tot openstelling en vaststelling uitkeringsplafond aanvraagtijdvak van de vijfde tranche van de Woningbouwimpuls Gelet op [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) en [artikel 3, tweede lid, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=3); Artikel I Conform [artikel 4, eerste lid, van het Besluit woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) wordt het vijfde aanvraagtijdvak van de woningbouwimpuls vastgesteld voor de periode van 15 februari tot en met 31 maart 2023. Artikel II Het uitkeringsplafond van dit aanvraagtijdvak is € 250.000.000. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16868,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 september 2020, nr. 2020-0000552790, tot openstelling en vaststelling uitkeringsplafond aanvraagtijdvak Woningbouwimpuls Artikel 1 Conform [artikel 4, eerste lid, van het Besluit woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) wordt het tweede aanvraagtijdvak van de woningbouwimpuls vastgesteld voor de periode van 26 oktober 2020 tot en met 23 november 2020. Artikel 2 Het uitkeringsplafond van dit aanvraagtijdvak is € 265.000.000. Gelet op [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) en [artikel 3, tweede lid, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=3); Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16869,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 september 2023 nr 2023-0000579875 tot openstelling en vaststelling uitkeringsplafond aanvraagtijdvak van de zesde tranche van de Woningbouwimpuls Gelet op [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) en [artikel 3, tweede lid, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=3); Artikel 1 Conform [artikel 4, eerste lid, van het Besluit woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) wordt het zesde aanvraagtijdvak van de woningbouwimpuls vastgesteld voor de periode van 18 december 2023 tot en met 12 februari 2024. Artikel 2 Het uitkeringsplafond van dit aanvraagtijdvak is € 300.000.000. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16872,"b":"Besluit van 21 augustus 1980, houdende overbrenging van de zorg voor de huisvesting van de woonwagenbevolking van het departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk naar het departement van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 19 augustus 1980, nr. 300170, mede namens Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig De zorg voor de huisvesting van de woonwagenbevolking ter zake van woonwagens en standplaatsen, thans behorende tot de taak van het departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk gaat met ingang van 1 september 1980 naar het departement van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Onze Ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Ministers, aan de Raad van State, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Kamers der Staten-Generaal."},{"i":19176,"b":"Richtlijn voor strafvordering van aanstootgevend gedrag (art. 254b Wetboek van Strafrecht) Beschrijving Deze richtlijn ziet op aanstootgevend gedrag. Dit betreft het opzettelijk in het openbaar of, indien een persoon daarbij zijns ondanks tegenwoordig is, op een niet openbare plaats verrichten van handelingen die kwetsend zijn voor het normaal ontwikkeld schaamtegevoel. Gezien de seksuele component in het gedrag en de potentiële risico’s die dit type delictsgedrag meebrengt op het gebied van recidive en doorgroei naar het plegen van ernstiger seksuele misdrijven, wordt aanstootgevend gedrag als seksueel misdrijf gehandhaafd. Strafmaattabel Hieronder is een tabel opgenomen waarbij per basisdelict een strafuitgangspunt/bandbreedte is opgenomen en uitgegaan wordt van éénmalig plegen door één meerderjarige verdachte, zonder dat sprake is van (relevante) recidive en zonder dat rekening is gehouden met de overige omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. In individuele zaken wordt altijd maatwerk geleverd: feiten en omstandigheden van het specifieke geval worden meegenomen in de strafeis van het OM en in de praktijk zal daarom regelmatig worden afgeweken van de hieronder geformuleerde straf(bandbreedte). Immers zal in de praktijk zelden sprake zijn van een standaardsituatie waarin geen sprake is van feiten en omstandigheden die van invloed zijn op de beoordeling van de zaak. Het OM bepaalt in iedere zaak afzonderlijk of een gevangenisstraf, taakstraf, boete en/of voorwaardelijk strafdeel (evt. met op te leggen bijzondere voorwaarden) passend is. Dit gebeurt vanzelfsprekend met inachtneming van het taakstrafverbod. Onder de tabel is een aantal factoren vermeld die van invloed kunnen zijn en specifiek voor kunnen komen ten aanzien van de strafbaarstellingen waarop deze richtlijn van toepassing is. Deze lijst is niet uitputtend. Algemene factoren die niet delictspecifiek zijn worden uiteraard wel meegenomen in de beoordeling van de strafmaat en kunnen even"},{"i":16875,"b":"Besluit van 5 juli 2001, houdende de overdracht van de primaire verantwoordelijkheid voor de zorg voor het destructiebeleid Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 4 juli 2001, nr. 01M409913; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel De primaire verantwoordelijkheid voor de zorg voor het destructiebeleid, voor zover deze thans behoort tot de taak van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, gaat met ingang van 1 oktober 2001 over naar Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16876,"b":"Besluit van 5 juli 2005, houdende de overdracht van de zorg voor het filmstimuleringsbeleid Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 4 juli 2005, nr. 05M476183; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De zorg voor aangelegenheden op het gebied van het filmstimuleringsbeleid gaat, voor zover deze thans behoort tot de taak van Onze Minister van Economische Zaken, over naar Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2005. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Economische Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16878,"b":"Besluit van 11 december 2006, houdende de overdracht van de zorg voor het beleid inzake buisleidingen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 4 december 2006, nr. 06M487777; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wordt belast met de zorg voor het beleid ten aanzien van buisleidingen, voor zover die zorg voor de inwerkingtreding van dit besluit bij Onze Minister van Economische Zaken berustte, behoudens voor zover het betreft de zorg voor het beleid met betrekking tot het ten aanzien van buisleidingen bepaalde bij of krachtens: - a. de [Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168), - b. de [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440), en - c. de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten, indien het daartoe strekkende, bij koninklijke boodschap van 3 maart 2006 ingediende voorstel van wet (Kamerstukken II, 2005/2006, 30 475, nrs. 1–2) tot wet wordt verheven en in werking treedt. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van het Ministerie van Economische Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De zorg voor de behandeling van aanvragen om een concessie als bedoeld in [artikel 1 van de Belemmeringenwet privaatrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001936&artikel=1) en [artikel 1 van de Belemmeringenwet verordeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001865&artikel=1) die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend, blijft bij de Minister van Economische Zaken berusten, met inbegrip van de behandeling van tegen de beslissing op een dergelijke aanvraag gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen of hoger beroepen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad"},{"i":16887,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2008 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2008 vastgesteld op 6,37%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2008. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16889,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2010 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld op 6,36%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2010. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":18434,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 25 november 2025, nr. 6882787, houdende nadere regels betreffende een toelage wegens bijzondere belastende werkomstandigheden bij de politie (Regeling toelage bijzondere belastende werkomstandigheden politie) Gelet op [artikel 21 van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=21); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **ambtenaar:** ambtenaar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - **aspecten uit beoordelingskader:** bereikbaarheid, gevaar, geheimhouding en heimelijkheid; - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - **beoordelingskader:** kader waarmee beoordeeld wordt of de werkomstandigheden van een groep medewerkers die werkzaam is in een vergelijkbare situatie, aanleiding geven tot een toelage voor bijzondere belastende werkomstandigheden, opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051876&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **commissie:** een door de korpschef landelijk ingesteld paritair adviesorgaan bestaande uit vertegenwoordigers van de werkgever en de politievakbonden; - **duiktoelage:** toelage voor werkzaamheden onder water waarbij niet zonder mechanische hulp kan worden geademd; - **toelage:** toelage voor bijzondere belastende werkomstandigheden die niet zijn meegewogen in de waardering van de functie of worden vergoed door middel van een andere toelage of vergoeding; - **eenheid LO:** eenheid Landelijke Opsporing en Interventies; - **forensisch duiker:** duiker die wordt ingezet bij een opsporingsonderzoek om bewijs veilig te stellen; - **functie:** functie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overh"},{"i":15188,"b":"Uitvoering artikel 30 Wet gewetensbezwaren militaire dienst Gelet op [artikel 30 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386&artikel=30) (Stb. 1980, 6); Besluit: Artikel I Als persoon bevoegd tot het opleggen van disciplinaire straffen ingevolge de [Wet gewetensbezwaren militaire dienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002386) wordt aangewezen het hoofd van de Directie Tewerkstelling Erkende Gewetensbezwaarden Militaire Dienst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, alsmede – bij diens afwezigheid of ontstentenis – de stafjurist van evengenoemde directie. Artikel II De ministeriële regeling, nr. TEGMD/89/1647, van 25 oktober 1991, Stcrt. 1991, 209 vervalt. Artikel III Deze regeling, die met de bijbehorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst, treedt in werking met ingang van 1 januari 1995."},{"i":15274,"b":"Wet van 26 juni 1996 tot goedkeuring van de op 19 maart 1991 te Genève tot stand gekomen herziening van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten (Trb. 1992, 52), alsmede wijziging van de Zaaizaad- en Plantgoedwet (Uitvoeringswet UPOV 1991) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de op 19 maart 1991 te Genève tot stand gekomen herziening van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91), de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden, en dat het uit hoofde van genoemd verdrag noodzakelijk is de [Zaaizaad- en Plantgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002541) en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) op onderdelen te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I De op 19 maart 1991 te Genève tot stand gekomen herziening van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten, waarvan de Franse en Engelse tekst zijn geplaatst in **Tractatenblad** 1992, 52 en de vertaling in het Nederlands in **Tractatenblad** 1993, 153, wordt goedgekeurd voor Nederland. ARTIKEL II Wijzigt de Zaai- en Plantgoedwet. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de economische delicten. ARTIKEL IV 1. Deze wet is van toepassing met betrekking tot rassen, waarvoor reeds voor de datum van inwerkingtreding van deze wet kwekersrecht is verleend, met dien verstande dat op handelingen, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, met betrekking tot materiaal van dergelijke rassen, welke plaatsvinden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, de bepalingen van de [Zaaizaad- en Plantgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002541), zo"},{"i":15189,"b":"Uitvoering artikelen 3 en 5 Vergoedingenbesluit adviescolleges gelet op [artikel 14 van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=14) alsmede de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=3) en [5 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=5) en mede gelet op de [Wet van 12 maart 1998 houdende instelling van een vast college van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009457)(Stb. 1998, 219), Besluit: Artikel 1 De voorzitter van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken ontvangt een vergoeding van € 181,51 per vergadering. Artikel 2 De leden van de Commissie, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011243&artikel=1&z=2002-01-01&g=2002-01-01) van deze regeling, ontvangen een vergoeding van € 90,76 per vergadering. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2000. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6005,"b":"Vaknamen en vakcodes voor havo/vwo Algemeen Ter voorbereiding en na afloop van de examens voortgezet onderwijs wisselen scholen gegevens uit met instanties zoals IB-Groep, inspectie, CITO, Cƒi e.d. Die uitwisseling kan vergemakkelijkt worden door één uniforme codering en benaming te gebruiken voor de examenvakken. De instanties die betrokken zijn bij de gegevensuitwisseling met scholen hebben een gemeenschappelijke afspraak voor de vakcodering ontwikkeld. Deze afspraak omvat de bestaande en nieuwe (studiehuis) vakken voor het havo en vwo. De gekozen systematiek is tevens geschikt, maar nog niet ingevuld, voor mavo en vbo en voor het vmbo. De aanvulling voor mavo en vbo zal in het najaar van1999 gepubliceerd worden. De voorliggende publicatie zal, inclusief komende aanvullingen permanent in het Examenblad op Internet (www.eindexamen.nl) beschikbaar zijn. Aanvullende informatie is te verkrijgen bij: De systematiek van de vakcodering vanaf schooljaar 1999 - 2000 In deze systematiek wordt een vak uniek benoemd met: Vakaanduidingen in onderstaande tabel Een vak wordt, binnen een opleiding, aangeduid met: Onderstaand overzicht vermeldt voor elk vak per kolom de voorgeschreven aanduiding. Voorlopig zal aan de lijst ook de benaming en de codes zijn toegevoegd van de vakken van de examens oude stijl die aan de profielexamens voorafgaan. De wijze van opslag in geautomatiseerde administraties van de vakaanduidingen is achtereenvolgens:"},{"i":15186,"b":"Beleidsregels uitgifte en beheer van nummers met bestemming mobiele telefonie (Uitgiftebeleid mobiele nummers OPTA 2011) Gelet op [artikel 15.1, derde lid, j° Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1)[artikel 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.2) en [4.3 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.3); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze beleidsregels verstaat de Autoriteit Consument en Markt onder: - **Mobile Global Title (MGT):** internationale standaard voor het doorgeven van IMSI-nummers zoals beschreven in ITU Aanbeveling E.214 ‘Structure of the land Mobile Global Title for the signalling connection control Part (SCCP)’. § 2. Bepalingen met betrekking tot de uitgifte en beheer Artikel 2 De Autoriteit Consument en Markt kent mobiele nummers alleen toe aan aanvragers die: - a. aantoonbaar beschikken over een geldende licentie voor de betreffende Nederlandse radiofrequenties voor mobiele communicatie, of - b. aantoonbaar beschikken over een rechtsgeldige overeenkomst met een aanbieder die het recht heeft van de betreffende Nederlandse radiofrequentie gebruik te maken. Artikel 3 Bij de beoordeling van een vervolgaanvraag voor mobiele nummers betrekt de Autoriteit Consument en Markt de manier waarop de aanvrager zijn bedrijfsprocessen heeft ingericht en of deze tot een efficiënt gebruik van eerder toegekende en nog toe te kennen nummers leidt. Artikel 4 1. ACM kent mobiele nummers toe in blokken van een veelvoud van minimaal 10.000 nummers, ongeacht welke aanbieder naastgelegen nummerblokken toegekend heeft gekregen. 2. Bij de toekenning bedoeld in het eerste lid concentreert ACM de toegekende blokken van 10.000 nummers in zo min mogelijk blokken van 100.000 nummers. 3. Bij de toekenning bedoeld in het eerste lid concentreert ACM de toegekende blokken van 100.000 nummers in zo min mogelijk blokken van 1.000.000 nummers. Artikel 5 De cijfers en"},{"i":16896,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2017 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld op 6,92%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2017. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7207,"b":"Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen De Lid-Staten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden; Verlangend de internationale samenwerking op het gebied van het strafrecht verder te ontwikkelen; Overwegende dat een dergelijke samenwerking de doeleinden van een goede rechtsbedeling en de reclassering van gevonniste personen moet bevorderen. Overwegende dat deze doeleinden eisen dat vreemdelingen die gedetineerd zijn als gevolg van het plegen van een strafbaar feit, in de gelegenheid dienen te worden gesteld om hun veroordelingen binnen hun eigen samenleving te ondergaan, en Overwegende dat dit doel het best kan worden bereikt door hen naar hun eigen land over te brengen; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „veroordeling\": elke straf of maatregel door een rechter opgelegd en met zich medebrengende vrijheidsbeneming gedurende een beperkte of onbeperkte periode wegens een strafbaar feit; - b. „vonnis\": een rechterlijke beslissing of bevel waarbij een veroordeling wordt uitgesproken; - c. „de Staat van veroordeling\": de Staat waarin de veroordeling werd uitgesproken tegen de persoon die kan worden of reeds is overgebracht; - d. „de Staat van tenuitvoerlegging\": de Staat waarnaar de gevonniste persoon kan worden of reeds is overgebracht, ten einde zijn veroordeling te ondergaan. Artikel 2. Algemene beginselen 1. De Partijen verbinden zich om elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate samenwerking te verlenen met betrekking tot de overbrenging van gevonniste personen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag. 2. Een op het grondgebied van een Partij gevonniste persoon kan, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, naar het grondgebied van een andere Partij worden overgebracht, ten einde de tegen hem uitgesproke"},{"i":16897,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2018 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op 7,04%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2018. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16899,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2020 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op 7,53%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2020. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16902,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2023 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op 7,98%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2023. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16900,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2021 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op 7,81%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2021. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":15195,"b":"Uitvoeringsbesluit merken BES Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze algemene maatregel van bestuur en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet merken BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028306); - b. [vervallen] - c. **de Minister:** Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - d. [vervallen] - e. [vervallen] - f. **het register:** het register, bedoeld in [artikel 10, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028306&artikel=10); - g. **de Overeenkomst van Nice:** Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken; - h. **voorrang:** voorrang overeenkomstig het in het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883, of het recht van voorrang voortvloeiend uit de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de Intellectuele Eigendom van 15 april 1994; bijlage 1c bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie; - i. **adres:** de straat of soortgelijke adresaanduiding, voorzien van het huisnummer voor zover aanwezig, alsmede de woonplaats, in voorkomend geval zo mogelijk voorzien van de postcode, alsmede voor personen van buiten Bonaire, Sint Eustatius of Saba en voor ingezetenen van Bonaire, Sint Eustatius of Saba het eiland; een postbusnummer kan worden vermeld, doch kan, behoudens in geval van het adres van gemachtigden, de straat of soortgelijke adresaanduiding, voorzien van het huisnummer niet vervangen; - j. [vervallen] - k. **Protocol:** Protocol bij de Overeenkomst van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken van 27 juni 1989. 2. Tenzij het tegendeel blijkt, hebben de in deze algemene maatregel van bestuur gebruikte begrippen die tevens voorkomen in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028306), dezelfde betekenis als in de wet. Hoofdstuk 2. Depot Artikel 2 1. Het depot van een mer"},{"i":7209,"b":"Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Indachtig de beginselen vastgelegd in het Handvest van de Verenigde Naties, waarin de inherente waardigheid en waarde en de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensheid worden erkend als de grondvesten van vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld, Erkennend dat de Verenigde Naties in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de internationale mensenrechtenverdragen hebben verklaard en zijn overeengekomen dat eenieder aanspraak heeft op alle daarin genoemde rechten en vrijheden, zonder enig onderscheid van welke aard dan ook, Opnieuw het universele en ondeelbare karakter bevestigend van, alsmede de onderlinge afhankelijkheid en de nauwe samenhang tussen alle mensenrechten en fundamentele vrijheden, en de noodzaak dat personen met een handicap gegarandeerd wordt dat zij deze ten volle en zonder discriminatie kunnen uitoefenen, In herinnering roepend het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden, Erkennend dat het begrip handicap aan verandering onderhevig is en voortvloeit uit de wisselwerking tussen personen met functiebeperkingen en sociale en fysieke drempels die hen belet ten volle, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving, Het belang erkennend van de beginselen en beleidsrichtlijnen, vervat in het Wereldactieplan met betrekking tot personen met een handicap e"},{"i":12228,"b":"Besluit van 6 december 1960, houdende toekenning van enige prijsregelende bevoegdheid aan het Produktschap voor Veevoeder Op de voordracht van de Staatssecretarissen van Algemene Zaken en van Economische Zaken en van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 29 november 1960, no. 5016, afdeling Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie; Overwegende, dat het wenselijk is op een daartoe strekkend verzoek aan het Produktschap voor Veevoeder de bevoegdheid tot enige prijsregeling te verlenen; Gelet op artikel 14, lid 1, onder **a**, van de Instellingswet Produktschappen en Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten (**Stb.** 1954, 451); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onder aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder **a**, van de Instellingswet Produktschappen en Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten, zijn begrepen de prijzen, waartegen grit aan buitenlandse afnemers ten minste moet worden afgezet. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**, waarin het wordt geplaatst. Onze Ministers van Algemene Zaken, van Landbouw en Visserij en van Economische Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":12252,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media houdende het (gedeeltelijk) opheffen van de van de beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van de Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat (LVVS) en van de Vermögensverwaltungs- und Rentenanstalt (VVRA), (1929) 1941–1968, toegangsnummer 2.09.48.01 Gelet op [artikel 15, derde lid en vierde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het besluit van de Minister van Financiën van 18 oktober 2004 houdende de beperking op de openbaarheid van het archief betreffende Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat (LVVS) en van de Vermögensverwaltungs- und Rentenanstalt (VVRA), (1929) 1941–1968, Gehoord hebbende de Minister van Financiën, Besluit: Artikel 1 De beperking die is gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers wordt opgeheven. | Inventarisnummers | | --- | | 2079 t/m 2116 | Artikel 2 De beperking aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers zijn komen te vervallen. | Inventarisnummers | | --- | | 2074 t/m 2078 | | 2117 t/m 2125 | Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":12239,"b":"Besluit extra beslaglegging dienstplichtigen BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **oefenen:** het nabootsen van operationele taken, die door de regionaal bevelhebber als zodanig zijn aangemerkt, waarbij theoretisch onderwezen bekwaamheden in praktijk worden gebracht teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van die taken te vergroten; - b. **(wacht)diensten:** activiteiten die niet behoeven voort te vloeien uit de door de dienstplichtige of de vrijwillig nadienende dienstplichtige vervulde functie doch die zijn vereist voor het functioneren van de militaire organisatie; - c. **werkzaamheden:** activiteiten die voortvloeien uit de door de dienstplichtige of de vrijwillig nadienende dienstplichtige vervulde functie, alsmede andere opgedragen activiteiten die om redenen van dienst dan wel in het algemeen belang noodzakelijk zijn; - d. **continu- of ploegen diensten:** werkzaamheden die door meerdere groepen van militairen regelmatig of vrij regelmatig op ongebruikelijke uren worden verricht, waarbij de roosterperiode de cyclus beslaat waarin alle voorkomende werktijden en roostervrije perioden eenmaal zijn doorlopen; - e. **maximale arbeidsduur:** de tijdsduur, uitgedrukt in een aantal uren per dag of per week, gedurende welke de dienstplichtige of de vrijwillig nadienende dienstplichtige met inachtneming van [artikel 66, eerste lid, van de Dienstplichtwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028468&artikel=66) werkzaamheden of diensten moet verrichten; - f. **meetperiode:** de periode waarvoor het rooster geldt, doch in beginsel één kalendermaand; - g. **rooster:** een voor een periode van tenminste één week opgesteld en van tevoren bekendgemaakt schema van aanvang en einde der dagelijkse werk- en rusttijden eventueel afzonderlijk vastgesteld voor werkzaamheden en voor diensten; - h. **feest- of gedenkdag:** Nieuwjaarsdag, eerste en tweede Paasdag, 5 mei, Hemelvaartsdag, eerste en tweede Pinksterdag,"},{"i":16906,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2007 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2007 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 5,21%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2007. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16904,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2025 Gelet op [artikel 76a, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76a); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) wordt voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op 8,47%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WIA 2025. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":14286,"b":"Regeling Gelijkstelling buitenlandse bewijzen van bevoegdheid Gelet op de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de onderlinge erkenning van bewijzen van bevoegdheid voor burgerluchtvaartpersoneel (91/670/EEG); Gelet op [artikel 31, eerste lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=31) (Stb. 1959, 67); Besluit: Hoofdstuk I. Individuele gelijkstellingen Artikel 1 Deze regeling berust op [artikel 12 van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=12). Artikel 2 1. Onverminderd hetgeen bij verordening (EU) nr. 1178/2011 is bepaald kan aan de houder van een buitenlandse bewijs van bevoegdheid afgegeven overeenkomstig de eisen van Annex I bij het verdrag een bewijs van gelijkstelling worden afgegeven. 2. Bevoegdverklaringen worden uitsluitend gelijkgesteld in samenhang met de gelijkstelling van een bewijs van bevoegdheid. 3. Voor de gelijkstelling van een PPL(A) als ballonvaarder geldt dat de houder moet beschikken over een medisch certificaat klasse 2, minimaal 17 jaren moet zijn en over ten minste 100 vlieguren moet beschikken. 4. Voor de gelijkstelling van een zweefvliegbewijs geldt dat de houder minimaal 17 jaren moet zijn en minimaal 100 starts heeft verricht. Artikel 3. Bewijzen van bevoegdheid afgegeven in niet-E.G.-lidstaten Vervallen Hoofdstuk II. Individuele gelijkstellingen voor beroepsvluchten en verkeersvluchten § 1. Algemene bepalingen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen § 2. Bewijzen van bevoegdheid afgegeven in E.G.-lidstaten Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen § 3. Bewijzen van bevoegdheid afgegeven in niet-E.G.-lidstaten Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel III. Hoofdstuk III Procedurele bepalingen inzake individuele gelijkstellingen Artikel 10. De aanvraag 1. De aanvraag van een bewijs van gelijkstelling moet zijn gesteld op een daartoe bestemd en deugdelijk ingevuld aan"},{"i":16907,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2008 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2008 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 4,58%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2008. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16908,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2009 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2009 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 2,95%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2009. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16909,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2010 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2010 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 2,90%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2010. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":13408,"b":"Instelling stuurgroep Europese Aanbesteding Dienst Justitiële Inrichtingen Overwegende dat de bestuursraad op 20 juni 1997 heeft besloten om de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) als één aanbestedende dienst aan te merken in het kader van de overheidsaanschaffingen binnen de Europese Gemeenschap; Besluit: 1. Een stuurgroep Europese aanbestedingen in te stellen die de opdracht heeft de hoofddirecteur van DJI te adviseren over de wijze waarop uitvoering dient te worden gegeven aan het besluit van de bestuursraad om DJI als één aanbestedende dienst in het kader van de Europese regelgeving met betrekking tot de aanschaf van goederen en diensten aan te merken. 2. Tot voorzitter van de stuurgroep te benoemen: - de heer L.R. Jansen, algemeen directeur van Penitentiaire Inrichting (PI) De IJssel te Krimpen aan de IJssel. Tot secretaris van de stuurgroep te benoemen: - de heer J.M. van den Berg, beleidsmedewerker materieel bij de Directie Beheerszaken. Tot leden van de stuurgroep te benoemen: - de heer J.C.N. Duindam, algemeen directeur PI De Schie te Rotterdam; - de heer W. Hage, algemeen directeur PI De Eenhoorn te Hoorn; - de heer drs. H. Hoen, plaatsvervangend directeur Directie Beheerszaken; - de heer drs. J.P. Kleissen, portefeuillehouder inkoopzaken Directie Landelijke Diensten; - de heer G. Krens, bedrijfskundig adviseur bij de Directie Beheerszaken; - de heer ir. Th.F.G. van Maanen, projectleider Rijksinrichting voor jeugdigen Den Helder, portefeuillehouder inkoopzaken TBS- en Jeugdinrichtingen; - de heer A. van Schaijk, bedrijfskundig adviseur Materieelzaken bij de Directie Beheerszaken. Tot adviseur van de stuurgroep te benoemen: - de heer mr. A.F. Moonen, juridisch beleidsmedewerker bij de Directie Beleidszaken. 3. Te bepalen dat de werkzaamheden van de stuurgroep bestaan uit het adviseren over: - toezicht houden op de implementatie van de Europese richtlijnen met betrekking tot de aanschaf van goederen en diensten binnen DJI; - inventariseren van de behoefte a"},{"i":16910,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2011 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2011 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 2,55%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2011. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16911,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2012 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2012 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 2,80%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2012. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":6416,"b":"Besluit van 16 april 2009 tot wijziging van het Besluit financiële verhouding 2001 in verband met het vaststellen en wijzigen van enkele verdeelmaatstaven Artikel I Wijzigt het Besluit financiële verhouding 2001. Artikel II De algemene uitkering zoals deze voor iedere gemeente wordt berekend overeenkomstig dit besluit, wordt - a. in verband met de aanpassing van het verdeelstelsel voor de jaren 2006 en 2007 vermeerderd of verminderd met een bedrag genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025868&bijlage=1&z=2009-07-21&g=2009-07-21) bij dit besluit; - b. in verband met de aanpassing van het verdeelstelsel voor de jaren 2008 en 2009 vermeerderd of verminderd met een bedrag genoemd in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025868&bijlage=2&z=2009-07-21&g=2009-07-21) bij dit besluit; - c. voor de compensatie voor het afschaffen van het gebruikersdeel van de OZB voor woningen over de jaren 2006 tot en met 2009 vermeerderd of verminderd met een bedrag genoemd in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025868&bijlage=3&z=2009-07-21&g=2009-07-21) bij dit besluit. Deze vermeerdering of vermindering komt ten laste van of ten goede van het gemeentefonds. Artikel III Dit besluit treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst, met dien verstande dat - a. [artikel I, onderdeel F, onder 11 en 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025868&artikel=I&z=2009-07-21&g=2009-07-21), terugwerkt tot en met 1 januari 2004; - b. [artikel I, onderdeel B en onderdeel F, onder 1, 2, 5, 7, 8, 10, 12, 15, 16 en 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025868&artikel=I&z=2009-07-21&g=2009-07-21) terugwerken tot en met 1 januari 2006; - c. [artikel I, onderdeel F, onder 3, 6, 17 en 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025868&artikel=I&z=2009-07-21&g=2009-07-21), terugwerkt tot en met 1 januari 2007; - d. [artikel I, onderdeel F, onder 4, 9, 19 en 20](https://wetten.ove"},{"i":13775,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 juni 2018, nr. 8c9fd2f6-or1-1.5, tot vaststelling van de Klachtregeling AIVD (Klachtregeling AIVD 2018) Gelet op [hoofdstuk 9, titel 9.1, afdelingen 9.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=9.1.1) en [9.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=9.1.2) en [artikel 114, eerste, derde lid en vierde lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=114); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **AIVD:** de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - b. **Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **Secretaris-generaal:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - d. **Hoofd van de dienst:** de directeur-generaal van de AIVD; - e. **klager:** de indiener van een klacht; - f. **klachtbehandeling:** het onderzoeken van een klacht met inachtneming van [afdeling 9.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=9.1.1). en [9.1.2. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=9.1.2), als ook de verdaging en het verzoek om nader uitstel aan klager; - g. **klachtafdoening:** de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis stellen van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht alsmede van de eventuele conclusies die daaraan worden verbonden als bedoeld in [artikel 9:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:12); - h. **afdeling klachtbehandeling:** de afdeling klachtbehandeling van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten; - i. **Wiv 2017:** [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896). Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de behandeling van kla"},{"i":18325,"b":"Onderlinge regeling Nederland en Curaçao ex artikel 38, eerste lid, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (verdeling opbrengsten octrooibestel) Overwegende dat de [Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118) bepaalt dat octrooien ook voor het land Curaçao in stand worden gehouden en Nederland en Curaçao afspraken wensen te maken over de verdeling van de opbrengsten van de instandhoudingstaksen; deze onderlinge regeling niet de periode vóór 2007 raakt en onverlet laat dat Nederland en Curaçao over die periode in overleg zullen treden; de voormalige Nederlandse Antillen zijn toegetreden tot het Europees Octrooiverdrag; Europese octrooien vanaf 4 april 2007 van kracht zijn geworden op de voormalige Nederlandse Antillen; het van kracht worden van Europese octrooien op de voormalige Nederlandse Antillen aanleiding heeft gegeven om de opbrengsten van de instandhoudingstaksen van ook die octrooien te verdelen; voor de verdeling van de opbrengsten is besloten geen onderscheid te maken tussen taksen verschuldigd voor Europese en rijksoctrooien; de opbrengsten van de instandhoudingstaksen voor Europese en rijksoctrooien, op grond van de [onderlinge regeling tussen Nederland en de Nederlandse Antillen inzake de verdeling van de opbrengsten van het octrooibestel van 17 september 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028962), te rekenen vanaf april 2007 werden verdeeld naar rato van het inwonertal van Nederland enerzijds en de voormalige Nederlandse Antillen anderzijds; bij de [Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028249) van 7 september 2010 de Nederlandse Antillen op 10 oktober 2010 zijn opgeheven en Curaçao en Sint Maarten op die datum de hoedanigheid van land in het Koninkrijk hebben verkregen; het Europees Octrooiverdrag met ingang van 10 oktober 2010 medegelding heeft verkregen in de landen Curaçao en Sint Maarten; de [onderlinge regeling](https"},{"i":16912,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2013 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor het kalenderjaar 2013 voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt vastgesteld op 2,40%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2013. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16913,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2014 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op 1,75%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2014. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16916,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2017 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld op 1,55%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2017. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16917,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2018 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op 1,60%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2018. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16918,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2019 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op 1,80%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2019. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":18788,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in het archief van het Ministerie van Justitie: Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging (CABR), 1945–1952 (1983) (2.09.09) Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 december 2024 (Staatscourant 31 december 2024, nr. 42896) tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid, Besluit: Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van alle archiefbescheiden geborgen in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (nummer archiefinventaris 2.09.09) worden met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer verlengd tot 1 januari 2027. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051740&artikel=1&z=2025-11-13&g=2025-11-13), is uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit de archiefbescheiden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051740&artikel=1&z=2025-11-13&g=2025-11-13), is uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16919,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2020 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op 1,85%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2020. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":13534,"b":"Instellingsbesluit Commissie Westerschelde Overwegende dat op 17 januari 1995 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest een verdrag is gesloten inzake de verruiming van de vaarweg in de Westerschelde, verder aan te duiden als het Verdrag; Dat het Verdrag op 1 juli 1996 van kracht is geworden en in dit Verdrag voor Nederland verplichtingen zijn opgenomen om herstelwerken uit te voeren als gevolg van het verlies aan natuurwaarden door de aanstaande verruiming van de vaarweg in de Westerschelde; Dat in Bijlage B, punt 3, bij het Verdrag een algemene beschrijving wordt gegeven van het doel en de technische mogelijkheden van bedoelde werken; Dat de Minister van Verkeer en Waterstaat is gebleken dat het advies van 8 mei 1996 van het Bestuurlijk Overleg Westerschelde over een eerder in 1995 opgesteld plan zodanig is dat de basis ontbreekt voor een besluit over dat plan; Dat ook in het advies van de Raad voor het Natuurbeheer en in de bevindingen van het Overlegorgaan Waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden nadelen naar voren worden gebracht en onzekerheden worden genoemd; Dat vorenstaande adviezen en bevindingen de Minister van Verkeer en Waterstaat heeft doen besluiten een externe commissie in te stellen om een wijs advies uit te brengen en te komen met een kwalitatief en kwantitatief goed plan dat voldoet aan de Verdragsverplichtingen en een zo groot mogelijk draagvlak heeft in de regio, teneinde daarna spoedig een besluit te kunnen nemen; Gelet op het advies van 8 mei 1996 van het Bestuurlijk Overleg Westerschelde en de door de Minister van Verkeer en Waterstaat gedane mededelingen over het toen nog voorliggende herstelplan tijdens de behandeling op 15 februari 1996 van het Verdrag in de Tweede Kamer der Staten Generaal en over het benoemen van een commissie van wijze personen tijdens de behandeling op 25 juni 1996 van het Verdrag in de Eerste Kamer der Staten Generaal; Besluit: Artikel 1 Er is een Commissie Westerschelde, verder aan te duiden als de Co"},{"i":13243,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 24 december 2025 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen (Eindejaarsregeling 2025) Handelende wat [artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=13) betreft in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.5), [6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.17), [6.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.18), [6.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.26) en [10.6ter van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6ter), de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=6), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=13), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28), [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28a) en [38p van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=38p), [artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=12), [artikel 13ab van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ab), [artikel 1.2 van de Wet bronbelasting 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&artikel=1.2), de [artikelen 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35b), [35d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35d) en [35e van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35e), [artikel 32g van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=32g), de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=8), [10](https://wetten.ov"},{"i":13356,"b":"Informatiemodel Uitvoeringsverslag (UV) Zvw voor onbepaalde tijd 1. Inleiding De NZa maakt bij haar toezicht op de zorgverzekeraars de beweging naar **principle based** toezicht. Daarbij doen wij themagericht onderzoek. Het Informatiemodel voor het Uitvoeringsverslag (UV) Zvw is in lijn gebracht met deze beweging in het toezicht. Dat betekent dat de verantwoordingsvoorschriften voor het UV meer op hoofdlijnen, vanuit het bereiken van de wettelijke doelen zijn geformuleerd. Voor de verschillende verantwoordingsaspecten schrijft de NZa geen specifieke details meer voor. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar om binnen de kaders van het informatiemodel de relevante verantwoordingsinformatie op te nemen. Op grond van [artikel 3.1 lid 2 van de Regeling Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=3.1) stelt de NZa een model beschikbaar voor het UV. Voor de inrichting van het UV zijn zorgverzekeraars gehouden aan dit informatiemodel. Dit informatiemodel geldt voor onbepaalde tijd. Wij publiceren dit model op onze website en in de Staatscourant. De NZa stelt bij al haar werkzaamheden het belang van de burger centraal: de burger moet erop kunnen vertrouwen dat zorgverzekeraars hun taken goed uitvoeren en zich houden aan hun (wettelijke) verplichtingen. Met de themagerichte oriëntatie richten wij ons toezicht op de actuele risico’s voor de publieke belangen. Actuele risicogebieden krijgen dus meer aandacht dan gebieden waar zorgverzekeraars hun zaken op orde hebben en zaken al goed lopen. Voor deze thematische onderzoeken doen wij ad-hoc een specifieke informatie uitvraag bij zorgverzekeraars. Tegenover deze ad-hoc uitvraag staat een reductie van de structurele informatie uitvraag in het uitvoeringsverslag. Het uitvoeringsverslag is een instrument voor de structurele verantwoording over de uitvoering van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) op hoofdlijnen. In het uitvoeringsverslag le"},{"i":13348,"b":"Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen met betrekking tot het registreren van uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies ter implementatie van [Richtlijn (EU) 2015/849](32015L0849) van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (PbEU 2015, L 141), zoals gewijzigd bij [Richtlijn (EU) 2018/843](32018L0843) tot wijziging van [Richtlijn (EU) 2015/849](32015L0849) inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (PbEU 2018, L 156/43); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Inhoud van het register Hoofdstuk 3. Toegang tot het register Hoofdstuk 4. Verplichtingen van de trustee Hoofdstuk 2. Inhoud van het register Hoofdstuk 6. Financiele inlichtingen eenheid en bevoegde autoriteiten Hoofdstuk 7. Handhaving Hoofdstuk 8. Overige bepalingen Hoofdstuk 3. Toegang tot het register Artikel 26. Wijziging van de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel 27. Wijziging van de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel 28. Wijziging van de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777) Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel 28a. Wijziging van de [Algemene wet bestuursrecht]("},{"i":13380,"b":"Instelling Adviesraad Maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA) bij het project Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium Overwegende, Het Tweede Memorandum van Overeenstemming tussen Vlaanderen en Nederland, met betrekking tot de onderlinge samenwerking ten aanzien van het Schelde-estuarium van 4 maart 2002; Dat in het memorandum is voorzien dat over de elementen van het project Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium naast een strategische milieueffectenrapportage, een maatschappelijk kosten-batenanalyse zal worden verricht; Dat zorg dient te worden gedragen dat deze (maatschappelijke) economische beoordeling van de in het kader van het project te formuleren plannen of projecten gedegen is; Dat geen wettelijke voorzieningen bestaan, noch in Nederland, noch in Vlaanderen voor de toetsing van een MKBA; Dat gegeven de beleidslijn in Nederland om bij projecten van nationaal belang, waartoe de Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium behoort, te kiezen voor ofwel een uitvoerende, ofwel een toetsende rol voor het Centraal Planbureau (CPB) Dat bij ProSes is gekozen voor een uitvoerende rol voor het CPB in samenwerking met de Vlaamse instelling voor technologisch onderzoek (Vito) in Vlaanderen; Dat de beleidslijn in Nederland is dat indien het CPB bij de opstelling van een maatschappelijke kosten-batenanalyse een uitvoerende rol heeft, en derhalve niet tegelijkertijd een toetsende rol kan vervullen, de toetsing door een ander orgaan dient te worden uitgevoerd; Dat de instelling van een onafhankelijk toetsend orgaan voor de maatschappelijke kosten-batenanalyses de kwaliteit en het draagvlak borgen. Besluiten: Artikel 1 1. Er is een Adviesraad Maatschappelijke Kosten-Batenanalyses (MKBA) bij het project Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium, nader te noemen: de Adviesraad MKBA bij ProSes (Projectdirectie Ontwikkelingsschets Schelde-estuarium). 2. de Adviesraad MKBA bij ProSes is ingesteld met ingang van het instellingsbesluit voor de periode die loopt tot de p"},{"i":15304,"b":"Vaststelling bijdrage voor gemoedsbezwaarden voor 1991 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20) (Stb. 1984, 269); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering beloopt voor het jaar 1991; - Categorie 1 f 70,00 voor vierwielige personenauto's, bestelauto's; - Categorie 2 f 14,00 voor aanhangwagens bij auto's behorend tot categorie 1; - Categorie 3 f 82,00 voor autobussen, vrachtauto's: - Categorie 4 f 78,00 voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorend tot Categorie 3; - Categorie 5 f 190,00 voor trekkers met oplegger; - Categorie 6 f 12,00 voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 t/m 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; - Categorie 7 f 12,00 voor landbouwwerktuigen; - Categorie 8 f 12,00 voor rijwielen met hulpmotor. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1991. Artikel 3 Deze regeling wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16920,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2021 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op 1,90%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2021. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":13546,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 juli 2014, nr. 531399, houdende instelling van de Evaluatiecommissie Tuitjenhorn Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ministers:** Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035364&artikel=2&z=2015-06-24&g=2015-06-24). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Evaluatiecommissie Tuitjenhorn, hierna te noemen: de commisie. 2. De commissie heeft tot taak de handelwijze in de casus Tuitjenhorn te evalueren van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, het Openbaar Ministerie, de politie, het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, de Landelijke Huisartsen Vereniging, de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst en andere organisaties die betrokken zijn bij de casus Tuitjenhorn. De evaluatie heeft tot doel te bezien of voor de toekomst geleerd kan worden van de wijze waarop gehandeld is in deze casus, met het oog op de impact van gebeurtenissen als deze voor de medische wereld en de samenleving. 3. Ter uitvoering van haar taak: - a. beschrijft de commissie het feitelijk handelen van de organisaties, bedoeld in het tweede lid; - b. evalueert de commissie of dit handelen binnen de daarvoor geldende kaders valt; - c. beziet de commissie of, gegeven de geldende kaders, op andere wijze gehandeld had kunnen worden; - d. analyseert de commissie hoe de communicatie tussen de organisaties onderling en van de organisaties met derden in de verschillende fasen in de tijd heeft plaatsgevonden. 4. Bij de uitvoering van haar taak houdt de commissie waar nodig rekening met juridische procedures waarbij een organisatie, bed"},{"i":11573,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en wetenschap van 7 december 2010, nr. BVE/257481, tot wijziging van de Regeling stagebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2010, de Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2009 en de Kaderregeling technocentra 2006 tot en met 2010 in verband met verlenging van de werkingsduur met een jaar van eerstgenoemde twee regelingen en het intrekken van laatstgenoemde regeling Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op de [artikelen 2.2.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3), [2.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.4.3), [2.5.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.4), [2.5.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.10) juncto 2.5.4, tweede lid, [2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.7), [12.3.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=12.3.8) en [12.3.9, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=12.3.9); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling stagebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2010. Artikel II Wijzigt de Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2009. Artikel III 1. De [Kaderregeling technocentra 2006 tot en met 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019613) wordt ingetrokken. 2. Voor zover er ter zake nog sprake is van enige bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze overeenkomstig de regeling, genoemd in het eerste lid, plaats. 3. Bestaande aanspraken en verplichtingen bij, op grond of in het kader van de regeling, genoemd in het eerste lid, blijven in stand. Artikel IV 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel III](https://wetten.overh"},{"i":12912,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stimuleringsfonds Creatieve Industrie vanaf 1 september 2012 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie vanaf 1 september 2012 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021954) wordt per 31 augustus 2012 afgesloten: - •. [Selectielijst neerslag handelingen Stimuleringsfonds voor de Architectuur beleidsterrein Kunsten vanaf 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021954), Staatscourant 2007, nr. 101 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":16921,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2022 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op 1,90%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2022. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16922,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2023 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op 1,80%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2023. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16923,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2024 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op 1,40%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2024. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":13278,"b":"Wet van 22 juni 1951, houdende vaststelling van zekere waarborgen jegens bepaalde groepen militairen en gewezen militairen van het voormalige K.N.I.L., alsmede hun nagelaten betrekkingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de nieuwe rechtsorde zekere waarborgen van het Rijk jegens bepaalde groepen militairen en gewezen militairen van het voormalige K.N.I.L., alsmede hun nagelaten betrekkingen bij de wet vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet verstaat onder: - I. \"Militairen\": - a. personen, die - voor April 1942 in militaire dienst getreden bij het voormalige Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger - op 27 December 1949 nog in militaire dienst waren bij dat Leger, voor zover zij Nederlander zijn en zolang zij deze status behouden, tenzij [artikel 7**a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077&artikel=7a&z=2011-02-23&g=2011-02-23) op hen van toepassing is, dan wel dispensatie is verleend als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077&artikel=4&z=2011-02-23&g=2011-02-23); - b. personen, die - na Maart 1942 in militaire dienst getreden bij het voormalige Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger - op 27 December 1949 nog in militaire dienst waren bij dat Leger, voor zover zij Nederlander zijn en zolang zij deze status behouden, tenzij [artikel 7**a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077&artikel=7a&z=2011-02-23&g=2011-02-23) op hen van toepassing is, dan wel dispensatie is verleend als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077&artikel=4&z=2011-02-23&g=2011-02-23); - c. overige personen, die op 27 December 1949 in militaire dienst waren bij het voormalige Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger. - II. \"Beroepsmilitairen\": personen,"},{"i":13355,"b":"Informatiemodel Uitvoeringsverslag (UV) Zvw 2016 met oplevering in 2017 Vooraf Zorgverzekeraars leveren jaarlijks vóór 1 juli hun uitvoeringsverslag aan bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Het voorliggende Informatiemodel Uitvoeringsverslag (UV) Zvw 2016 dient op grond van [artikel 3.1 van de Regeling Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=3.1) voor de inrichting van dit uitvoeringsverslag. De NZa heeft de beweging ingezet naar meer principle based toezicht, dus minder detail in de (verantwoordings)voorschriften. Dit komt onder andere tot uiting in de geactualiseerde [nadere regel controle en administratie zorgverzekeraars](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037337) die op 1 januari 2016 in werking treedt. Hierin is minder tot in detail voorgeschreven hoe controles moeten worden uitgevoerd, maar daar waar mogelijk meer vanuit het doel dat hiermee moet worden bereikt, waarbij de normen wel duidelijk, transparant en handhaafbaar zijn. In lijn hiermee zijn de verantwoordingsvoorschriften voor de naleving van de wettelijke verplichtingen in het voorliggende informatiemodel ook meer vanuit het doelbereik geformuleerd. Dit is in de redactie tot uiting gebracht door in de hoofdtekst de doelstelling van de publieke randvoorwaarden aan te geven en te kiezen voor een algemene formulering van de voorschriften. De accenten die in de verantwoording tot uiting moeten komen zijn opgenomen in de bijlagen. De NZa attendeert de zorgverzekeraars erop dat het uitvoeringsverslag een werkelijkheidsgetrouw beeld moet geven. Dit is vastgelegd in de bestuursverklaring die het bestuur van de zorgverzekeraar bij het uitvoeringsverslag afgeeft. **De Nederlandse Zorgautoriteit,** **M.J. Kaljouw** **voorzitter Raad van Bestuur** 1. Inleiding 1.1. Inleiding De zorgverzekeraars moeten zich verantwoorden tegen de achtergrond van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en de hieruit voortvloeiende normenkaders. Voor de inrichting van het Uitvoeringsv"},{"i":13048,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 31 mei 2016 inzake volginnovatie 2016 I Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 3.5.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.5.17), [3.7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.7.2), [3.8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.8.2), [3.9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [3.10.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.2) en [4.2.16 van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.16); Gelet op [artikel 1, tweede lid, van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037285&artikel=1): Gelet op [artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=8); Besluit: Artikel 1 1. Op grond van het vorenstaande worden van alle verleende innovatiegelden in het kader van de uitvoering van bovengenoemde regelingen, de gegevens gepubliceerd met betrekking tot: In alle gevallen: - •. Aanvrager/ penvoerder; - •. Postcode van aanvrager/ penvoerder; - •. Verleend bedrag in euro’s; - •. Jaar van verlening; - •. Programma of regeling (beleidsinstrument op de Rijksbegroting); Voor zover door de aanvrager reeds toestemming is verleend: - •. Projecttitel; - •. Projectomschrijving; - •. Medeaanvragers/ Partner(s); - •. Projectvideo; - •. Projectdocumentatie; De gegevens worden niet eerder dan drie weken na de bekendmaking van dit besluit gepubliceerd op website www.volginnovatie.nl en op de website w"},{"i":16924,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2025 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op 1,30%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2025. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16925,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2026 Gelet op [artikel 74, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=74); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) wordt voor het kalenderjaar 2026 vastgesteld op 1,10%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige werkloosheidsverzekering 2026. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":11365,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 26 juni 2015, nummer CvTE-15.01719, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo 2017, nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi, tevens preliminaire vaststelling van enkele syllabi 2018, 2019 en 2020, (Regeling syllabi centrale examens VO 2017) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 6 augustus 2015, kenmerk 787950; Besluit: Artikel 1. Syllabi 2017 Vervallen Artikel 2. Nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi Vervallen Artikel 3. Preliminaire vaststelling van enkele syllabi 2018, 2019 en 2020 Vervallen Artikel 4. Bekendmaking 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De syllabi als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036941&artikel=1&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036941&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036941&artikel=3&z=2021-01-01&g=2021-01-01) worden bekendgemaakt op www.examenblad.nl. Artikel 5. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt: - 1. betreffende [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036941&artikel=1&z=2021-01-01&g=2021-01-01): per 1 januari 2018; - 2.1. betreffende [artikel 2 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036941&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01): per 1 januari 2017; - 2.2. betreffende [artikel 2 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036941&artikel=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01): per 1 januari 2018; - 2.3. betreffende [artikel 2 lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036941&artikel=2&z=2021-01-"},{"i":16926,"b":"Besluit Raad voor Rechtsbijstand (bekrachtiging besluiten Wbtv en Wsnp 1 januari 2019 tot en met heden) Besluit I tot bekrachtiging van de, door medewerkers in de functie van: - •. administratief medewerker [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) - •. medewerker [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) - •. stafmedewerker [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) - •. teamleider [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) gedurende de periode 1 januari 2019 tot heden, volgende genomen besluiten: op grond van: - −. [artikel 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) en [5, eerste en tweede lid van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=5) van 9 december 2008. - −. de erkenning van EG-beroepskwalificaties en tijdelijke en incidentele werkzaamheden van migrerende of grensoverschrijdende beoefenaren van de Nederlandse gereglementeerde beroepen tolk en vertaler, zoals vermeld in [artikel 2 van de regeling erkenning EG-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024932&artikel=2). - −. de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) voor zover de bestuurlijke aangelegenheid taken en bevoegdheden in de [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=4) en [5, eerste en tweede lid van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024993&artikel=5) van 9 december 2008 en bevoegdheden met betrekking tot"},{"i":11555,"b":"Wijziging van de wet- en regelgeving in verband met leerwerktrajecten in de basisberoepsgerichte leerweg van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) Algemeen In het vmbo zijn in 2001 leerwerktrajecten gestart voor leerlingen in de basisberoepsgerichte leerweg. Deze leerlingen zijn gebaat bij een combinatie van leren in de praktijk en leren op school. De wijze waarop leerwerktrajecten konden worden ingericht volgens de Regeling leerwerktrajecten basisberoepsgerichte leerweg vmbo is goed bevallen en is nu in de [Wet op het voortgezet onderwijs](onbekend) geregeld. Wetsvoorstel Wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met leerwerktrajecten in de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo (Kamerstuk nr. 28 444) Dit wetsvoorstel is door de Tweede en Eerste Kamer aanvaard. De [wetswijziging](onbekend) is gepubliceerd in Staatsblad 292 en is per 15 augustus 2003 in werking getreden (Staatsblad318), een en ander in aansluiting op de Regeling leerwerktrajecten basisberoepsgerichte leerweg vmbo. De nieuwe wet regelt in hoofdzaak: Er is met het oog op de examens in 2004 een wijziging van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o-m.a.v.o.-v.b.o. in voorbereiding, waarin de uitslagregeling met betrekking tot leerwerktrajecten is opgenomen. Hierin wordt aangegeven dat de minimaal verplichte vakken Nederlandse taal en het beroepsgerichte programma met een voldoende moeten worden afgesloten. Ten opzichte van het oorspronkelijk aan de Tweede Kamer voorgelegde wetsvoorstel vertoont de defnitieve wet de volgende verschillen: Het doel van leerwerktrajecten is om door maatwerk en een substantieel praktijkgedeelte tegemoet te komen aan de individuele behoeften en leerstijlen van leerlingen die ieder hun eigen leerroute moeten kunnen volgen. Aan leerlingen kan de minimumvariant van leerwerktrajecten worden aangeboden, maar ook andere varianten, tot aan een volledig eindexamenpakket voor de basisberoepsgerichte l"},{"i":16927,"b":"Besluit van 11 januari 1994, tot vaststelling van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 20 oktober 1993, Stafafdeling Wetgeving Puliekrecht nr. 401654/93/6, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Justitie; Gelet op de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=12) en [28 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=28); De Raad van State gehoord (advies van 24 december 1993, no. W03.93.0705); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 3 januari 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 419553/93/6, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. belang: het belang voor de behartiging waarvan de rechtzoekende rechtsbijstand verzoekt voorzover dat belang hem rechtstreeks en individueel aangaat. Artikel 2 Rechtsbijstand kan worden verleend indien de aanvraag daartoe voldoet aan de in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) gestelde criteria en rechtsbijstand op grond van dit besluit niet is uitgesloten. Artikel 3 Rechtsbijstand wordt als zijnde van elke grond ontbloot niet verleend indien de aanvraag betrekking heeft op een vordering of verweer: - a. voor de instelling waarvan de wettelijke termijn is verstreken of, indien de aanwending van een rechtsmiddel wordt voorgesteld, de termijn waarbinnen deze kan worden aangewend is verstreken; - b. waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond verschaft; - c. dat uitsluitend wordt gevoerd om uitstel van betaling of van executie te verkrijgen; - d. waarover reeds eerder door meer dan één rechtsbijstandverlener een advies is gegeven; - e. waarvan gezien de recente rechtspraak redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze geen kans van slagen maakt"},{"i":13236,"b":"Wet van 24 juni 1939, houdende regelen teneinde in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden een doelmatige distributie van goederen in het belang van volkshuishouding, landsverdediging en veiligheid van niet-militaire personen of lichamen mogelijk te maken Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen teneinde in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden een doelmatige distributie van goederen in het belang van volkshuishouding, landsverdediging en veiligheid van niet-militaire personen of lichamen mogelijk te maken; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemeene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder «Onze Minister»: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, dan wel, voor zover het betreft de toepassing van de [artikelen 3 tot en met 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001997&paragraaf=1&artikel=3&z=2020-07-17&g=2020-07-17), [15, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001997&paragraaf=2&artikel=15&z=2020-07-17&g=2020-07-17), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001997&paragraaf=2&artikel=17&z=2020-07-17&g=2020-07-17) en [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001997&paragraaf=2a&artikel=18&z=2020-07-17&g=2020-07-17), met betrekking tot de voedselvoorziening, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder goederen: elektriciteit. Artikel 2 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 3 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 4 Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordrac"},{"i":13363,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2017 Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De Raad stelt dan ook als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocate n op basis van Wrb dat een verzoek om inschrijving bij de Raad eerst volledig is behandeld en is ingewilligd. Het bestuur van de Raad kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden. Deze inschrijvingsvoorwaarden van de Raad zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar advocaten die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. Er bestaan algemene voorwaarden die voor alle ingeschreven advocaten gelden en bijzondere voorschriften voor rechtsbijstand op specifieke rechtsgebieden. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft Gedragsregels1Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten. en verordeningen vastgesteld waarnaar advocaten zich behoren te richten. De deken in een arrondissement is belast met het toezicht op advocaten die kantoor houden in dat arrondissement. Daar waar het controle van de naleving van de eigen inschrijvingsvoorwaarden betreft, heeft de Raad een eigenstandige bevoegdheid. De Raad heeft hiervoor maatregelbeleid vastgesteld.2Dit maatregelbeleid is gepubliceerd op www.rvr.org. Kennisneming door advocaten en naleving van de Gedragsregels"},{"i":13241,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 15 december 2023 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen (Eindejaarsregeling 2023) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Regeling forfaitaire winstvaststelling zeescheepvaart 2001. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Artikel V Wijzigt de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990. Artikel VI Wijzigt de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Artikel VII Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Artikel VIII Wijzigt de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965. Artikel X Wijzigt de Uitvoeringsregeling bronbelasting 2021. Artikel XI Wijzigt de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting. Artikel XII [Artikel 5 van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027018&artikel=5) zoals dat luidde op 31 december 2023 blijft van toepassing op een schenking als bedoeld in [artikel 33a van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=33a) zoals dat luidde op 31 december 2023: - a. die in het kalenderjaar 2023 is gedaan; en - b. waarvoor een beroep is gedaan op de verhoogde vrijstelling, bedoeld in [artikel 33, onderdeel 5°, onder c, of onderdeel 7°, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=33) zoals dat luidde op 31 december 2023. Artikel XIII Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel XIV Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XV Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XVI Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel XVII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene"},{"i":13533,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 29 januari 2022, kenmerk 3817562, houdende instelling van de Commissie Waarborgen Werken Onder Dekmantel (Instellingsbesluit Commissie Waarborgen Werken Onder Dekmantel) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **commissie:** Commissie Waarborgen Werken Onder Dekmantel Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een commissie Waarborgen Werken Onder Dekmantel. 2. De commissie heeft tot taak: - a. Onderzoeken op welke aspecten nadere versterking van waarborgen nodig is, met daarbij aanvullend aandacht voor de samenhang tussen organisatorische en ethische aspecten en het mentale welzijn van medewerkers. - b. Adviseren over de (verbetering van de) werkwijze en daarbij passende waarborgen in het heimelijke domein. Daarbij dient te worden gekeken naar de mogelijkheden voor een bredere en doorlopende toetsing, naar de meerwaarde van een bredere en doorlopende rol voor de Centrale Toetsingscommissie, en ten slotte naar een versteviging van de coördinerende, sturende rol van de WOD-officieren. - c. Toetsen op de voortgang van de uitvoering van de aanbevelingen van de commissie Brouwer door middel van visitaties. Daarbij dient te worden beoordeeld of de verbeteringen bij het team WOD doelmatig en doeltreffend worden uitgevoerd en of de waarborgen in sturing en leiderschap voldoende worden ingevuld. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en op voordracht van de voorzitter de andere leden, worden door de minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie."},{"i":11662,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 4 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/274894, houdende aanstelling van de Nederlandse ambtenaar en diens plaatsvervanger van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit (Aanstellingsbesluit GNA 2018) Gelet op artikel 6, eerste lid, van het op 21 december 2005 te Middelburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied (Trb. 2005, 312); BESLUIT: Artikel 1 1. Als Nederlands ambtenaar van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit wordt aangesteld de Hoofdingenieur-Directeur van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat belast met nautische taken in het gebied waarop het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied (Trb. 2005, 312) betrekking heeft. 2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaar wordt gemandateerd plaatsvervangers aan te stellen. Artikel 2 Het [Aanstellingsbesluit GNA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024558) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst wordt uitgegeven na 31 december 2017 treedt dit besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2018. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanstellingsbesluit GNA 2018. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16928,"b":"Besluit van 4 december 1959, houdende regeling van de overdracht van de zorg voor de zaken, betreffende het reiswezen hier te lande in de rijksdienst, van het departement van Financiën aan het departement van Binnenlandse Zaken Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 14 augustus 1959, nr. 129178, van Onze Minister van Financiën van 9 juli 1959, no. GS0715, afdeling Kabinet en Personeel en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 8 augustus 1959, nr. A 592/2328, Hoofdafdeling Overheidspersoneelszaken, Afd. Bez., Bureau II; Overwegende, dat het wenselijk is de zorg voor de zaken, betreffende het reiswezen hier te lande in de rijksdienst, over te dragen van het departement van Financiën aan het departement van Binnenlandse Zaken; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; De Raad van State gehoord (advies van 22 september 1959, no. 61); Gezien het rapport van Onze voornoemde Ministers van 21 november 1959, Nr. 131473, van 12 oktober 1959, Nr. GS 1186 en van 17 november 1959, Nr. A 592/3360; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De zorg voor de zaken, betreffende: - a. de vergoeding voor reis- en verblijfkosten terzake van reizen in Nederland ten behoeve van het Rijk gedaan; - b. de vergoeding voor verplaatsingskosten in de rijksdienst; - c. de vergoeding voor reis- en verblijfkosten terzake van plaatselijk vervoer en verblijf in de rijksdienst; wordt overgedragen van Onze Minister van Financiën aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken; Artikel 2 Alle bevoegdheden en verplichtingen, opgenomen in de besluiten en de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften, betreffende de onderwerpen, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002335&artikel=1&z=1959-12-31&g=1959-12-31) van dit besluit, gaan, voorzover zij thans zijn opgedragen aan Onze Minister van Financiën, over op Onze Minister van Binnenlandse Zaken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **S"},{"i":13285,"b":"Gelijkstelling keuringscertificaten inzake aan bederf onderhevige levensmiddelen Gelet op [artikel 10, onder b., van de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=10) (Stb. 1978, 430). Besluit: Artikel 1 Met een door de in [artikel 8, tweede lid, van de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003186&artikel=8) (Stb. 1978, 430) bedoelde keuringsinstelling afgegeven keuringscertificaat worden gelijkgesteld de keuringscertificaten, afgegeven door de bevoegde keuringsinstelling van landen, niet zijnde partij bij de Overeenkomst inzake het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer van 1 september 1970 (Trb. 1972, 112) met bijlagen. Artikel 2 Deze beschikking wordt in de Nederlandse Staatscourant geplaatst en treedt in werking op 1 juni 1979."},{"i":13292,"b":"Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum ‘Groninger Archieven’ Gelet op [hoofdstuk I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=I) en [IX van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=IX); Besluiten: tot het treffen van de navolgende gemeenschappelijke regeling tot de instelling van een openbaar lichaam dat de archiefbescheiden en collecties beheert die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Groningen en de archiefbewaarplaats van de gemeente Groningen; Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **de gemeente:** de gemeente Groningen; - c. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - d. **collecties:** de verzameling historische voorwerpen, boeken en overige schriftelijke en elektronische bescheiden in de meest ruime zin des woords, niet zijnde archiefbescheiden, in eigendom van of beheer bij de Minister en de gemeente voor zover het betreft voorwerpen of bescheiden bij de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaats van de gemeente; - e. **college:** het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, en - f. **provincie:** de provincie Groningen. Artikel 2 1. De regeling wordt getroffen met het doel de belangen van de Minister en het college bij alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden, collecties, individuele documenten en dergelijke die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaats van de gemeente, in gezamenlijkheid te behartigen. 2. Het Regionaal Historisch Centrum ‘Groninger Archieven’ voert bij de behartiging van de belangen, bedoeld in het eerste lid, het archiefbeleid van de Minister en de gemeente mede uit. 3. De Minister en de gemeente kunnen met het Regio"},{"i":13544,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 28 maart 2013, kenmerk: FM 2013/644 M, tot instelling van de Evaluatiecommissie Nationalisatie SNS REAAL Handelende in overeenstemming met de Raad van Commissarissen van De Nederlandsche Bank N.V.; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033135&artikel=2&z=2013-04-05&g=2013-04-05); - b. **Minister:** de Minister van Financiën; - c. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - d. **RvC DNB:** de Raad van Commissarissen van DNB. Artikel 2 Er is een Evaluatiecommissie Nationalisatie SNS REAAL. Artikel 3 1. De commissie werkt in opdracht van de Minister en de RvC DNB en heeft tot taak: - a. ten behoeve van de Minister te evalueren of het ministerie van Financiën, zelfstandig en in samenwerking met DNB, tijdig en toereikend heeft gereageerd op informatie, signalen en ontwikkelingen in de financiële positie van SNS REAAL, en - b. ten behoeve van de RvC DNB te evalueren of DNB, zelfstandig en in samenwerking met het ministerie van Financiën, tijdig en toereikend heeft gereageerd op informatie, signalen en ontwikkelingen in de financiële positie van SNS REAAL. 2. De commissie zal beide onderzoeken parallel doch samenhangend verrichten. De commissie richt de onderzoeken naar eigen inzicht in. Artikel 4 1. De commissie bestaat uit twee leden. Als leden worden benoemd: - –. mr. R.J. Hoekstra; - –. prof. dr. J.M.G. Frijns. 2. De commissie wordt bijgestaan door een algemeen secretaris. 3. De commissie kan zich voorts laten ondersteunen door personen en instanties die zij nodig acht. Artikel 5 De leden van de commissie ontvangen voor de duur van het onderzoek een vaste vergoeding, gebaseerd op salarisschaal 18, trede 10, van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en een arbeidsduurfactor van 20%. Artikel 6 1. De leden van de commissie kunnen"},{"i":13306,"b":"Goedkeuring CCMS-besluit inzake opleidingseisen gastro-enterologie Gelet op: artikel 14, tweede lid, van de Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten; [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14), Besluit: Het besluit - CCMS no. 9-2002 inzake wijziging van Besluit 24-2000 inzake de opleidingseisen gastro-enterologie goed te keuren. Dit besluit zal samen het betreffende besluit worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":16929,"b":"Besluit van 23 december 1999, houdende afwijkende regels inzake het recht op een uitkering ten aanzien van personen die niet in Nederland wonen (Besluit afwijkende regels beperking export uitkeringen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst van 8 december 1999, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/GSV/99/78348; Gelet op de [artikelen 19a, vierde lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=19a), [20, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=20), en [43b, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=43b), [7a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=7a), en [19a, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=19a), [8a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=8a), en [9a, derde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9a), [7b, vierde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=7b), [32a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=32a), en [32b, vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 16 december 1999, nr. W12.99.0609/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst van 21 december 1999, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/GSV/99/81589; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1. Werkzaamheden in het algemeen belang Voor de toepassing van dit besluit wordt onder werkzaamheden die in het algemeen belang worden verricht verstaan werkzaamheden verricht door degene die: - a. in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekr"},{"i":16930,"b":"Besluit van 24 januari 2002 inzake rijksbijdragen in de kosten van het verlenen van bijstand en van de bestrijding van een ramp of zwaar ongeval in Nederland, als ook in België of Duitsland (Besluit rijksbijdragen bijstands- en bestrijdingskosten) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 november 2001, nr. EB2001/97219; Gelet op [artikel 11, tweede lid, van de Brandweerwet 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=11) en [artikel 25, derde lid, van de Wet rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=25); De Raad van State gehoord (advies van 8 januari 2002, nr. W04/01.0637/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 januari 2002, nr. EB2002/51992; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **bijstand:** bijstand door een veiligheidsregio als bedoeld in [artikel 51, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=51); - c. kosten: de kosten voor bijstand of de bestrijding van een ramp die niet in de begroting van het jaar waarin de ramp heeft plaatsgevonden hadden kunnen worden voorzien; - d. overeenkomsten: de op 14 november 1984 te Den Haag tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen en ongevallen (Trb. 1984, nr. 155) en de op 7 juni 1988 te Bonn tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen (Trb. 1988, nr. 95). § 2. Bijdrage in de kosten gemaakt voor bijstand of voor de bestrijding van een ramp in Nederland Artikel 2 1. Onze Min"},{"i":13557,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 24 juni 2014, nr. WJZ/14067994, houdende instelling van de Interdepartementale commissie ruimtevaart 2014 Handelende in overeenstemming met de Ministers van Buitenlandse Zaken, van Defensie, van Infrastructuur en Milieu, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en van Veiligheid en Justitie; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **ICR:** de Interdepartementale commissie ruimtevaart, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035277&artikel=2&z=2014-07-04&g=2014-07-04); - c. **Convenant:** het Convenant ter oprichting van een Netherlands Space Office (Stcrt. 2008, 217); - d. **NSO:** het Netherlands Space Office; - e. **Stuurgroep NSO:** de stuurgroep bedoeld in artikel 4 van het Convenant; - f. **ESA:** het Europees Ruimte Agentschap (European Space Agency); - g. **EUMETSAT:** de Europese Organisatie voor de Exploitatie van Meteorologische Satellieten (European Organisation for the Exploitation of Meteorological Satellites); - h. **EU:** de Europese Unie. Artikel 2 Er is een Interdepartementale commissie ruimtevaart. Artikel 3 De ICR heeft tot taak: - a. het voorbereiden van het regeringsbeleid met betrekking tot ruimtevaart, waaronder het periodiek adviseren van de minister aangaande het concept-ruimtevaartbeleid, inclusief het budget, bedoeld in artikel 5 van het Convenant; - b. het adviseren van de ministerraad of de betrokken ministers over voorstellen tot uitvoering van dat beleid, inclusief de financiering en de verdeling van verantwoordelijkheden, en het adviseren van de Stuurgroep NSO over het door NSO opgestelde concept-Meerjarenprogramma Ruimtevaart en het concept-Jaarwerkplan Ruimtevaart, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van het Convenant; - c. het voorbereiden en onderling afstemmen van de standpunten met betrekking tot het Europese ruimtevaartbeleid en het Europese ruimtevaartprogramma, die als uitgangspunten"},{"i":16931,"b":"Besluit routinematige vervanging archiefbescheiden Raad voor Rechtsbijstand 2026 Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, lid 1 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b). Besluit: Artikel 1. Vervangen en vernietigen van de archiefbescheiden 1. Over te gaan vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van de selectielijst voor de Raad voor Rechtsbijstand voor blijvende bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. De reproductie geschiedt op de wijze en volgens de specificaties zoals omschreven in het Handboek Vervanging Raad voor Rechtsbijstand. Artikel 2. Reikwijdte 1. De vervanging heeft betrekking op papieren archiefbescheiden die zijn ontvangen of opgemaakt vanaf het moment van de inwerkingtreding van dit besluit, 2. De van vervanging uitgezonderde analoge archiefbescheiden zijn beschreven paragraaf 3.2 in het Handboek Vervanging Raad voor Rechtsbijstand. Artikel 3. Bekendmaking Dit besluit wordt bekendgemaakt en gepubliceerd in de Staatscourant, met uitzondering van het Handboek vervanging. Het Handboek Vervanging is digitaal beschikbaar en opvraagbaar bij het CIO-office van de Raad voor Rechtsbijstand. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit routinematige vervanging archiefbescheiden Raad voor Rechtsbijstand 2026."},{"i":16932,"b":"Besluit van 5 juli 2024, houdende regels voor het verstrekken van een specifieke uitkering of bijzondere uitkering ten behoeve van de uitvoeringsactiviteiten van Regio Deals, vijfde en zesde tranche (Besluit specifieke uitkering Regio Deals vierde, vijfde en zesde tranche) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **private regiopartner:** privaatrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in [artikel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=3) die partij is bij een Regio Deal; - **publieke regiopartner:** provincie, gemeente, openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8), waterschap of een van de openbare lichamen Bonaire Sint-Eustatius of Saba, die partij is bij een Regio Deal; - **Regio Deal:** convenant dat door Onze Minister en één of meer regiopartners is gesloten om de kwaliteit van leven, wonen en werken van inwoners en ondernemers in een regio te verbeteren - **regiopartner:** private of publieke regiopartner; - **regiokassier:** publieke regiopartner, niet zijnde een waterschap, die op grond van de Regio Deal ten behoeve daarvan de taak van kassier vervult of zal vervullen; - **regionale private financiering:** voor de uitvoeringsactiviteiten van de Regio Deal beschikbaar gestelde financiële bijdragen of bijdragen in natura van een private regiopartner; - **regionale publieke financiering:** voor de uitvoeringsactiviteiten van de Regio Deal beschikbaar gestelde financiële bijdragen of bijdragen in natura van een publieke regiopartner, niet zijnde een specifieke uitkering, opdracht of subsidie van het Rijk. Hoofdstuk 1. Vierde tranche regio deal Artikel 2. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt De minister kan een specifieke uitkering verstrekken aan een regiokassier voor activite"},{"i":16933,"b":"Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving Op de voordracht van Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 22 april 2022, nr. 2022-0000203708; Gelet op [artikel 81, tweede lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=81); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 juni 2022, nr. W04.22.00051/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 25 oktober 2022, nr. 2022-0000550664; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepaling Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Artikel 2. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt 1. Onze Minister kan een specifieke uitkering verstrekken voor activiteiten die gericht zijn op: - a. de bouw van woningen; - b. de transformatie van gebouwen tot woningen; - c. het voorzien in de benodigde randvoorwaardelijke omstandigheden ten behoeve van de bouw van woningen; - d. het wegnemen van knelpunten die in de weg staan aan de bouw van woningen; - e. het opstellen en uitvoeren van regionale woondeals; - f. het huisvesten van specifieke doelgroepen; - g. het bevorderen van de snelheid van woningbouw of van herstructureringsprojecten; - h. het verbeteren van de leefbaarheid; - i. het herstructureren van kwalitatief slechte woningen; - j. het aardgasvrij maken van gebouwen door aansluiting op een duurzame warmtebron met goede woningisolatie; - k. het zorg dragen voor een kwalitatief hoogwaardige en duurzame woon- en leefomgeving; - l. het bij bouwactiviteiten, sloopactiviteiten of het gebruik en het in stand houden van bouwwerken: - 1°. waarborgen van de veiligheid; - 2°. besch"},{"i":13200,"b":"Deelregeling Kunst Media Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het doel van deze regeling is betrokkenheid bij en het gesprek over de hedendaagse beeldende kunst in Nederland te bevorderen en te verruimen door de (technologische) scope van het discours te diversifiëren en het publieksbereik uit te breiden. Artikel 2. Doelgroep De bijdrage kan worden aangevraagd door uitgevers of individuen die werkzaam zijn als curator, criticus, social contentmaker of journalist. Artikel 3. Reikwijdte Er kan worden aangevraagd voor te publiceren uitingen in geschreven en/of gesproken woord. Het kan gaan om (een reeks) artikelen of longreads voor (online) tijdschriften, kranten, social-mediakanalen en /of andere online platforms, zoals bijvoorbeeld een podcast. Het gaat uitdrukkelijk niet om profielen of portretten van kunstenaars. Belangrijk is dat de maatschappelijke waarde van hedendaagse beeldende kunst besproken en gedeeld wordt vanuit een onafhankelijke positie en vanuit een breed perspectief. Artikel 4. Hoogte en vorm bijdrage 1. De hoogte van de bijdrage wordt per aanvraag vastgesteld. 2. Het percentage dat het Mondriaan Fonds maximaal kan bijdragen wordt op de website van het Mondriaan Fonds bekend gemaakt. 3. Een bijdrage kan worden verstrekt in de vorm van: - a. Een vaste bijdrage voor een werkperiode in binnen- of buitenland, variërend van 1 tot maximaal 6 maanden. Op de website van het Mondriaan Fonds wordt het standaard bedrag bekend gemaakt. - b. Een flexibele bijdrage voor een periode van maximaal 12 maanden. De hoogte wordt vastgesteld aan de hand van het plan, de duur van het project en de begroting. Artikel 5. Weigeringsgronden 1. De bijdrage kan niet worden aangevraagd voor reguliere werkzaamheden of reguliere kosten. 2. De bijdrage kan niet worden aangevraagd voor televisie- en filmproducties. 3. Musea, kunstpodia en erfgoedinstellingen kunnen u"},{"i":13216,"b":"Deelregeling theaterteksten Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2); Besluit: Paragraaf 1. algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **Nederlands Letterenfonds:** de stichting Nederlands Letterenfonds; - **Nederland:** Het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; Artikel 1.2. Subsidievormen Het bestuur kan subsidie verstrekken aan individuen in de vorm van een werkbijdrage theatertekst. Artikel 1.3. De aanvraag 1. Een aanvraag wordt ingediend met behulp van een door het bestuur opgesteld aanvraagformulier. 2. Een aanvraag wordt alleen in behandeling genomen als het volledig ingevulde aanvraagformulier tijdig is ontvangen door het Fonds Podiumkunsten en vergezeld gaat van de op het formulier vermelde bijlagen. 3. Een aanvraag die niet voldoet aan het bepaalde in deze regeling wordt afgewezen. 4. Het bestuur kan digitale indiening mogelijk maken. Het bepaalde in lid een tot en met drie is van overeenkomstige toepassing. Artikel 1.4. Beoordeling 1. Het bestuur kan een of meer aanvraagrondes per jaar vaststellen. De bijbehorende indieningsdata worden bekendgemaakt via de website van het Fonds Podiumkunsten. 2. Het bestuur kan advies vragen over ingediende aanvragen. Adviseurs beoordelen de aan hen voorgelegde aanvragen met inachtneming van het bepaalde in deze regeling. 3. Het bestuur informeert de aanvrager binnen 13 weken na de uiterlijke indieningsdatum schriftelijk over zijn besluit. Als voor de motivering van het besluit wordt verwezen naar een"},{"i":16934,"b":"Besluit van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank van 31 oktober 2016, houdende de bekendmaking van de Beleidsregels ten aanzien van de Uitkeringsregeling Backpay (Besluit SVB Beleidsregels Uitkeringsregeling Backpay) Gelet op [artikel 34a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34a) alsmede [artikel 5, tweede lid van het mandaat- en aanwijzingsbesluit uitkeringsregeling Backpay](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037427&artikel=5) (Stcrt. 2015, 47435); Besluit: Artikel 1 Bij de uitvoering van de Uitkeringsregeling Backpay, past de Sociale verzekeringsbank het beleid toe dat is neergelegd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit SVB Beleidsregels Uitkeringsregeling Backpay. Bijlage Ligt ter inzage bij het hoofdkantoor en de locaties van de Sociale verzekeringsbank. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlage wordt ter inzage gelegd bij het hoofdkantoor en de locaties van de Sociale verzekeringsbank."},{"i":13538,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 maart 2006, nr. TRCJZ/2006/769, tot instelling van de DR-Raad Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. DR: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 2 1. Er is een DR-Raad. 2. De DR-Raad heeft tot taak de minister te adviseren over: - a. de relatie van DR met de opdrachtgever; - b. de relatie van DR met de doelgroepen; - c. de interne efficiëntie van DR; - d. vernieuwingen en ICT-projecten; en - e. het imago van DR. Artikel 3 1. De DR-Raad bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en twee leden, die telkens voor een periode van vier jaar worden benoemd. Voorzitter en leden zijn na afloop van een periode terstond herbenoembaar. 2. De voorzitter wordt benoemd en ontslagen door de minister. 3. De directeur DR is belast met het secretariaat van de DR-Raad, maar maakt van de Raad geen deel uit. 4. De DR-Raad vergadert zo dikwijls de voorzitter of een lid van de raad het verlangt maar ten minste een maal per jaar. Artikel 4 Voor de eerste periode worden benoemd: - –. A.W. Bierens, als voorzitter; - –. ir. M.A.E. Calon en J.W.E.M. Roemaat, als lid. Artikel 5 1. Aan de voorzitter en de leden van de DR-Raad wordt voor hun werkzaamheden in die hoedanigheid een door de minister vast te stellen jaarlijkse vergoeding toegekend. 2. De voorzitter en leden van de DR-Raad kunnen naast de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, vergoedingen voor reis- en verblijfkosten ontvangen overeenkomstig [artikel 18 van het Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889&artikel=18) of [artikel 19 van het Reisbesluit buitenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006842&artikel=19). 3. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt in enig jaar naar evenredigheid vastgesteld in het geval van tussentijdse benoeming onderscheidenlijk tussentijds ontslag. Artikel 6 Dit"},{"i":12278,"b":"Besluit van de minister voor Wonen en Rijksdienst van 17 juli 2014, nummer D_IT30YFY, tot geheimverklaring van opdrachten voor diensten, leveringen en werken ten behoeve van ontwerp, bouw, inrichting en onderhoud van woon- en werkverblijven van leden van het Koninklijk Huis Gelet op [artikel 2.23, aanhef en onder b., van de Aanbestedingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23) (Stb. 2012, 224), Besluit: Artikel 1 Opdrachten voor diensten, leveringen en werken in het kader van ontwerp, bouw, inrichting en onderhoud van woon- en werkverblijven van leden van het Koninklijk Huis, worden geheim verklaard in de zin van de [Aanbestedingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2013. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17751,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek ten Oosten van de Uruguay inzake wederzijdse administratieve bijstand ten behoeve van de juiste toepassing van de douanewetgeving en het voorkomen, onderzoeken en bestrijden van inbreuken op de douanewetgeving Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek ten Oosten van de Uruguay, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en andere belastingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving van verboden, beperkingen en controlemaatregelen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving hun economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid en handel schaden; Overwegend dat de grensoverschrijdende handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, gevaarlijke stoffen, bedreigde dier- en plantensoorten en giftig afval een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van duidelijke wettelijke bepalingen; Gelet op de van belang zijnde instrumenten van de Internationale Douaneraad, in het bijzonder de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand van 5 december 1953; Tevens gelet op verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. wordt onder ,,douaneadministratie’’ verstaan: - wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft: de centrale administratie die verantwoordelijk is voor de toepassing van de douanewetgeving; - wat de Republiek te"},{"i":4525,"b":"Circulaire uniformering aanvraag- en uitgifteproces niet-ingezetenen 1. Inleiding Deze circulaire heeft als doel om meer uniformiteit aan te brengen in het aanvraag- en uitgifteproces van Nederlandse paspoorten en identiteitskaarten aan niet-ingezetenen door aangewezen gemeenten en Nederlandse posten in het buitenland (met inbegrip van de externe dienstverleners (EDV’s)) en door de Kabinetten van de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten wat paspoorten betreft, en de vestigingen van de Nederlandse regering (namens de burgemeester van de gemeente Haarlemmermeer) in Aruba, Curaçao en Sint Maarten wat identiteitskaarten betreft.1Aanleiding zijn aanbevelingen van de Nationale ombudsman betreffende signalen dat de wachttijden bij grensgemeenten voor een aanvraag te lang zijn en klachten van burgers dat de aangewezen gemeenten onderling verschillende voorwaarden stellen en dat deze ook anders zijn dan bij Nederlandse posten in het buitenland (met inbegrip van externe dienstverleners (EDV’s)); Nationale Ombudsman, Rapport over de wachttijden voor het aanvragen van reisdocumenten door Nederlanders die in het buitenland wonen, d.d. 23 december 2015, Rapportnummer: 2015/173.Met niet-ingezetenen worden personen bedoeld die geen inschrijving hebben in het ingezetenendeel van de Basisregistratie Personen (BRP)2De BRP kent een ingezetenen-deel en een niet-ingezetenen-deel. Niet-ingezetenen in de context van deze circulaire kunnen een inschrijving hebben in het niet-ingezetenen-deel van de BRP, maar ze kunnen ook geen inschrijving in de BRP hebben. De PIVA kent alleen ingezetenen. of in de Persoonsinformatievoorziening Nederlandse Antillen en Aruba (PIVA). Doelstelling is dat de burger, los van waar hij een reisdocument aanvraagt, een soortgelijke werkwijze kan verwachten en dezelfde documenten dient te overleggen. De circulaire beoogt enerzijds het aanvraag- en uitgifteproces meer te structureren en anderzijds duidelijker te specificeren welke documenten in welke gevallen"},{"i":19078,"b":"Wet van 18 juni 1998 tot vaststelling van een Penitentiaire beginselenwet en daarmee verband houdende intrekking van de Beginselenwet gevangeniswezen met uitzondering van de artikelen 2 tot en met 5 en wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering alsmede enige andere wetten (Penitentiaire beginselenwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de penitentiaire regelgeving te herzien, in het bijzonder aangaande het differentiatie- en selectiestelsel, en in verband daarmee de Beginselenwet gevangeniswezen te vervangen door de Penitentiaire beginselenwet alsmede enige bepalingen van het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en enige andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister voor Rechtsbescherming; - b. inrichting: een penitentiaire inrichting als bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2025-11-01&g=2025-11-01); - c. afdeling: een afdeling van een inrichting als bedoeld in [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&hoofdstuk=III&artikel=8&z=2025-11-01&g=2025-11-01); - d. directeur: de persoon, bedoeld in [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2025-11-01&g=2025-11-01), alsmede diens vervanger of vervangers, bedoeld in [artikel 3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2025-11-01&g=2025-11-01); - e. gedetineerde: een persoon ten aanzie"},{"i":16937,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/166052, houdende tijdelijke aanwijzing van het Team Bijzondere Bijstand van de Douane als hulpverleningsdienst als bedoeld in artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 Gelet op [artikel 147, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=147) en [artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29); BESLUIT: Artikel 1 Het Team Bijzondere Bijstand van de Douane (hierna: TBB Douane) wordt aangewezen als hulpverleningsdienst als bedoeld in [artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) ten behoeve van haar taken, genoemd in [artikel 8k van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=8k) en [artikel 11:3, eerste lid van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=11:3), in de havens van Rotterdam, Moerdijk en Vlissingen. Artikel 2 De Douane stelt ten behoeve van het TBB Douane een richtlijn op als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Regeling optische en geluidssignalen 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025357&artikel=3) met inachtneming van artikel 3, derde en vierde lid, van die regeling. In aanvulling op het derde lid, onder e, dient er binnen de opleiding van de bestuurder specifieke aandacht te zijn voor het rijden met optische en geluidssignalen in een motorvoertuig dat niet herkenbaar is als zijnde een motorvoertuig in gebruik bij de Douane. Artikel 3 1. Het TBB Douane wijst personen of groepen van personen aan, die daartoe ingerichte motorvoertuigen met inwerking zijnde optische en geluidssignalen mogen besturen. 2. De in het eerste lid bedoelde personen worden aangewezen, nadat zij een speciale instructie hebben gekregen als bedoeld in [ar"},{"i":16939,"b":"Besluit van 5 maart 1999, houdende toekenning van bevoegdheden aan de Minister van VWS om de organisatie ZorgOnderzoek Nederland bepaalde werkzaamheden terzake op te dragen Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 december 1998, GZB/VVD 985630. Gelet op [artikel 3, tweede lid van de Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009385&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 28 januari 1999, no. W13.98.0609); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 maart 1999 met nummer GZB/VVB 99642; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan de organisatie ZorgOnderzoek Nederland opdragen de in [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009385&artikel=3) genoemde werkzaamheden te verrichten op het gebied van alternatieven voor dierproeven, waaronder mede wordt verstaan het minimaliseren van de aantasting van het welzijn van proefdieren. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarin behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16940,"b":"Besluit van 1 april 1993, houdende toekenning van een eenmalige uitkering aan wethouders en wijziging van het besluit van 3 juli 1986 tot uitvoering van artikel 100, derde lid, van de gemeentewet, houdende regels betreffende andere financiële voorzieningen die verband houden met de vervulling van het wethoudersambt Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 15 januari 1993, no. BW92/U2470, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Gelet op artikel 100, derde lid, van de gemeentewet; De Raad van State gehoord (advies van 15 februari 1993, no. W04.93.0024); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 24 maart 1993, no. BW93/335, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Indien artikel 7, tweede lid, van het besluit van 3 juli 1986 tot uitvoering van artikel 100, derde lid, van de gemeentewet, houdende regels betreffende andere financiële voorzieningen die verband houden met de vervulling van het wethoudersambt, van toepassing is op wethouders, wordt aan hen een eenmalige uitkering toegekend van 11,3% over de geldende wedde op 30 september 1992, met een maximum van f 431,-, vermenigvuldigd met de tijdfactor zoals deze voor de betreffende wethouder op 30 september 1992 geldt. Artikel 2 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst en werkt, voor wat betreft [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005938&artikel=2&z=1993-04-23&g=1993-04-23), terug tot en met 1 januari 1991. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":16942,"b":"Besluit van 23 september 1999, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter en de leden van de Adviescommissie Jeugdvoorlichting WOII-heden Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 september 1999, kenmerk DVVB/lB-U-991107; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 1999. Artikel I 1. Aan de voorzitter en de leden van de Adviescommissie Jeugdvoorlichting WOII-heden wordt in plaats van vacatiegeld een vaste beloning ten bedrage van € 544,54 per jaar toegekend. 2. Indien de voorzitter of een lid van de adviescommissie, genoemd in het eerste lid, niet gedurende het hele jaar de functie van voorzitter of lid bekleedt, wordt de beloning, genoemd in het eerste lid, naar evenredigheid vastgesteld. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1999. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16944,"b":"Besluit tot opschorting van de overbrenging van archiefbescheiden van de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in artikel 13, lid 3 Archiefwet 1995 Gelet op [artikel 13 derde en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=13); Gelet op het besluit van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 december 2011. Besluit: Artikel 1 De overdracht van de afgesloten sociale dossiers betreffende de uitvoering van de regeling voor toekenning van een buitengewoon pensioen of periodieke uitkering voor oorlogsgetroffenen of hun nabestaanden (1947–2009) wordt voor een periode van 10 jaar opgeschort. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: ‘Besluit tot opschorting van de overbrenging van archiefbescheiden van de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in artikel 13, lid 3 Archiefwet 1995’."},{"i":19218,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 april 2012, nr. Minbuza-2012.7941, houdende beperkende maatregelen jegens Iran (Sanctieregeling Iran 2012) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op Resolutie 1737 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 23 december 2006; Gelet op Verordening (EU) nr. 359/2011 van de Raad van de Europese Unie van 12 april 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Iran (Pb L 100); Gelet op Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van de Europese Unie van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 961/2010 (Pb L 88); Gelet op Besluit 2010/413/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB (Pb L 195); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, eerste en vierde lid, artikel 4, artikel 4 bis, eerste lid, artikel 4 ter, artikel 4 quater, artikel 5, eerste lid, artikel 8, eerste lid, artikel 9, artikel 10 bis, eerste lid, artikel 10 ter, artikel 10 quinquies, eerste lid, artikel 10 sexties, artikel 11, eerste lid, artikel 13, eerste lid, artikel 14 bis, eerste lid, artikel 15, eerste lid, artikel 15 bis, eerste lid, artikel 15 ter, eerste lid, artikel 16, artikel 17, eerste, tweede en vierde lid, artikel 18, eerst lid, artikel 22, artikel 23, eerste tot en met vierde lid, artikel 29, eerste lid, tweede volzin, artikel 30, eerste, derde, vijfde en zesde lid, artikel 30 bis, eerste en derde lid, artikel 30 ter, tweede lid, artikel"},{"i":18979,"b":"Besluit van 9 juni 1982, omtrent het regiem voor militairen die in het huis van bewaring en de gevangenis het Militair Penitentiair Centrum \"Nieuwersluis\" voorlopig arrest, respectievelijk gevangenisstraf, hechtenis of militaire detentie ondergaan Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Justitie van 11 augustus 1981, stafbureau Juridische Zaken/directie Gevangeniswezen nr. 671/381, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Defensie; Overwegende, dat het wenselijk is nieuwe regelen vast te stellen betreffende het regiem dat geldt voor militairen die in het Militair Penitentiair Centrum \"Nieuwersluis\" voorlopig arrest, respectievelijk gevangenisstraf, hechtenis of militaire detentie ondergaan; Gelet op [artikel 22 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22) en de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=1), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=10) en [12 van het Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=12); Gezien het advies van de Centrale Raad van Advies voor het Gevangeniswezen, de Psychopatenzorg en de Reclassering van 19 december 1980, nr. SG 338/380; De Raad van State gehoord (advies van 2 november 1981, nr. 811028/4); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 1 juni 1982, Stafbureau Juridische Zaken/directie Gevangeniswezen nr. 478/382, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: \"Onze Minister\": Onze Minister van Justitie \"gedetineerde\": de militair die rechtens van zijn vrijheid is beroofd en verblijft in het Militair Penitentiair Centrum Stroe. Artikel 2 Voor de gedetineerden gelden, voor zover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald, de bepalingen van de Penitentiaire beginselenwet en de bij of krachtens deze wet gestelde regels. Artikel 3 1. D"},{"i":19149,"b":"Richtlijn voor strafvordering onttrekking minderjarige aan wettig gezag Deze richtlijn heeft betrekking op diverse vormen van onttrekking en onttrokken houden van een minderjarige aan het wettig gezag en/of aan het over die minderjarige uitgeoefende toezicht, waaronder internationale kinderontvoering. De strekking van [artikel 279 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=279) is hen die het wettig gezag en/of toezicht uitoefenen, in staat te stellen die taak te vervullen ter bescherming van de minderjarige. Niet is vereist dat de verdachte zelf het initiatief tot de onttrekking heeft genomen; wel dient de verdachte beslissende invloed te hebben gehad op de scheiding tussen de minderjarige en hen die het gezag en/of het toezicht uitoefenen. Bij overtreding van [artikel 279 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=279) kunnen zeer uiteenlopende motieven en achtergronden een rol spelen. Bij het niet naleven van een door de rechter vastgestelde omgangsregeling na echtscheiding zijn in eerste instantie civielrechtelijke maatregelen aangewezen. Enkel indien deze bewust worden gedwarsboomd is optreden via het strafrecht aan de orde. Bij het bepalen van het uitgangspunt voor de strafeis staat het feitelijk onttrekken en/of onttrokken houden centraal, waarbij een onderverdeling is gemaakt in categorieën wat betreft de aard van de onttrekking. Bij de strafmaat is steeds uitgegaan van één betrokken kind. Het onttrekken van meerdere kinderen is strafverhogend. Bij elke categorie is een strafbandbreedte als uitgangspunt genomen. Uitgangspunt is dat altijd de reclassering wordt ingeschakeld voor advies en dat de mogelijkheid van het opleggen van bijzondere voorwaarden wordt overwogen. Onttrekking aan het wettig gezag en/of toezicht van één minderjarige door first offender. Legenda TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf"},{"i":17743,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Moldavië inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken **Preambule** Het Koninkrijk der Nederlanden, en de Republiek Moldavië, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid, veiligheid en handel van de Verdragsluitende Partijen; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen internationaalrechtelijke bepalingen; Gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand, de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand (Verklaring van Cyprus) en de Resolutie inzake veiligheid en facilitatie van de internationale logistieke keten, in respectievelijk december 1953, juli 2000 en juni 2002 aangenomen door de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisatie; Gelet op internationale verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Tevens gelet op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde"},{"i":18763,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Lettergroep Verzoeken om Recht (Bijzondere Onderwerpen) van het Ministerie van Justitie (1949–1991), toegang nr. 2.09.68 (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het bestand van de Lettergroep Verzoeken om Recht (VR), bevattende de hierboven genoemde archieven, de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":18423,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 23 september 2025, houdende regels over de begroting en de verantwoording van het Rijk voor het jaar 2026 en de door de Minister van Financiën vast te stellen bedragen (Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2026) Gelet op [artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d en f, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Door de Minister van Financiën vast te stellen bedragen De bedragen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051569&bijlage=A&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze regeling zijn de door de Minister van Financiën vastgestelde bedragen voor het schriftelijk informeren van de Kamers der Staten-Generaal van voornemens tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, bedoeld in [artikel 4.7, eerste lid, onder a tot en met d, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.7). Artikel 2. Regels over de begroting en de verantwoording van het Rijk De regels in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051569&bijlage=B&z=2026-01-01&g=2026-01-01) ([https://rbv.rijksfinancien.nl)](https://rbv.rijksfinancien.nl/) van deze regeling hebben betrekking op de begroting en de verantwoording van het Rijk, bedoeld in [artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20). § 2. Bijzondere bepalingen Artikel 3. Afwijkingen In bijzondere gevallen kan in overeenstemming met de Minister van Financiën worden afgeweken van de bepalingen van deze regeling. § 3. Slotbepalingen Artikel 4. Overgangsrecht De [Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050355) wordt ingetrokken, met dien verstande dat de bepalingen van deze regeling van toepassing blijven op de voorstellen van wet inzake de suppletoire begrotingsstaten en de"},{"i":18690,"b":"Beleidskader Kortdurend Penitentiair Programma van het Gevangeniswezen Inleiding Met de visie ‘Recht doen, kansen bieden’ en bijbehorende [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) (Wet SenB) wordt gestreefd naar een effectievere uitvoering van gevangenisstraffen. De visie gaat over de wijze waarop een gevangenisstraf wordt uitgevoerd vanuit het perspectief van de geloofwaardigheid van straffen en de bescherming van de maatschappij. Door de [Wet straffen en beschermen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043990) zijn de regels voor verlof en het PP veranderd. Vanaf 1 december 2021 vervalt het Penitentiair Programma (PP) voor gedetineerden die in totaal langer dan 1 jaar gevangenisstraf hebben1Er is een PP overgangsrecht voor gedetineerden die op 1-12-2021 een strafrestant (met aftrek van v.i.) van maximaal 3 jaar hebben en een einddatum detentie vóór 01-12-2024. Hiervoor geldt het beleidskader PP overgangsrecht. Alleen gedetineerden met één straf van 6 maanden tot 1 jaar dan wel met straffen met een gezamenlijke duur van 6 maanden tot 1 jaar komen nog in aanmerking voor PP. Het PP duurt 1/6e deel van de straf, minimaal 4 weken en maximaal 2 maanden. Het PP is een programma waaraan gedetineerden kunnen deelnemen ter verdere tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde vrijheidsstraf of veroordeling in eerste aanleg in aansluiting op hun verblijf in een inrichting. Evenals elke vorm van re-integratieverlof is ook PP alleen toegestaan als het bijdraagt aan de realisatie van een of meer re-integratiedoelen zoals opgesteld in het persoonlijk D&R-plan van de gedetineerde. Specifiek voor PP geldt dat dit re-integratiedoelen moeten zijn op de basisvoorwaarden werk en inkomen én huisvesting, de thuissituatie en het opbouwen van het sociaal netwerk. De gedetineerde heeft tijdens de detentie aan deze re-integratiedoelen gewerkt en PP is derhalve een logische vervolgstap. Het PP is een maatwerktraject en biedt een voorwaardelijk kader om ge"},{"i":17648,"b":"Regeling van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, van 30 juni 2005, nr. 2005-0000059936/CZW/WVOB, houdende regels ter uitvoering van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid) Handelende in overeenstemming met de Ministers van Justitie, voor Vreemdelingenzaken en Integratie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238&artikel=4), [7, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238&artikel=7), [16, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238&artikel=16), [20, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238&artikel=20) en [24, negende lid, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238&artikel=24); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Besluit: [Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238); - b. G30: de gemeenten Alkmaar, Almelo, Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Breda, Den Haag, Deventer, Dordrecht, Eindhoven, Emmen, Enschede, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hengelo (Overijssel), ’s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Leiden, Lelystad, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad en Zwolle; - c. niet westerse allochtoon: persoon waarvan ten minste één van de ouders in Turkije, in een land in Afrika, Latijns Amerika of in Azië, met uitzondering van Indonesië en Japan, is geboren; - d. CBS: Centraal bureau voor de statistiek; - e. maatschappelijke centrumgemeenten: centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang, openbare geestelijke gezondheidszorg e"},{"i":17725,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Argentinië inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Argentinië hierna te noemen de verdragsluitende partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid, openbare orde en handel van de verdragsluitende partijen; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen wettelijke bepalingen; Gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand, de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand (Verklaring van Cyprus) en de Resolutie inzake veiligheid en facilitatie van de internationale logistieke keten, aangenomen door de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisatie, in respectievelijk december 1953, juli 2000 en juni 2002; Gelet op internationale verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Tevens gelet op de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":18095,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 25 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 067/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van het Nederlands Consulaat, later het Consulaat-Generaal en het Gezantschap, later de Ambassade in Syrië te Damascus (1955–1974) en het Consulaat in Syrië te Aleppo (1904–1976) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van het Nederlands Consulaat, later het Consulaat-Generaal en het Gezantschap, later de Ambassade in Syrië te Damascus (1955–1974) en het Consulaat in Syrië te Aleppo (1904–1976) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 189 | 2050 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024762&artikel=1&z=2008-12-03&g=2008-12-03), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024762&artikel=1&z=2008-12-03&g=2008-12-03), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van h"},{"i":17836,"b":"Wet van 11 september 1997, houdende nieuwe regeling inzake de sociale werkvoorziening (Wet sociale werkvoorziening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen inzake de sociale werkvoorziening, onder meer inzake de doelgroep, de indicatiestelling, voorzieningen voor begeleid werken, de rechtspositie van de werknemers en de bekostiging; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: arbeidshandicap: het vanwege lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen verminderd vermogen om arbeid te verrichten; arbeidshandicapcategorie: een groep van tot de doelgroep behorende personen, die in dezelfde orde arbeidsgehandicapt is; college: college van burgemeester en wethouders; dienstbetrekking: een arbeidsovereenkomst als bedoeld in [artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610); doelgroep: personen, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a), hebben bereikt en die door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn; geïndiceerd: blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking als bedoeld in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&hoofdstuk=5&artikel=11&z=2015-07-01&g=2015-07-01) tot de doelgroep behoren en op de dag voor inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel A, van de Invoeringswet Participatiewet](onbekend) een dienstbetrekking hebben als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid"},{"i":18099,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 februari 2009, nr. DDI/ST/reg. 017/2009, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van de Nederlandse Ambassade, Consulaten, Caribische Commissie en Handelscommissariaten in de Verenigde Staten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1889) 1945−1984 (1989) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Ambassade, Consulaten, Caribische Commissie en Handelscommissariaten in de Verenigde Staten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1889) 1945−1984 (1989), openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 17 | 2060 | | 205 | 2048 | | 206 | 2048 | | 578 | 2045 | | 788 | 2039 | 2. Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Ambassade, Consulaten, Caribische Commissie en Handelscommissariaten in de Verenigde Staten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (1889) 1945−1984 (1989), openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 269 | 2015 | | 329 | 2015 | | 488 | 2015 | | 513 | 2015 | Artikel 2 1. Met het oog op"},{"i":19042,"b":"Besluit van de programmadirecteur-generaal Ondermijning van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 4 oktober 2022, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de P-Manager van het programmadirectoraat-generaal ondermijning Gelet op [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1), [artikel 3, tweede lid van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3), [artikel 3.3 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=3.3) en paragraaf 1.3 van de CAO Rijk; Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Medewerkerpool DGO:** administratieve organisatie waarin medewerkers in dienst bij het programmadirectoraat-generaal Ondermijning zijn ondergebracht. - b. **Personeelszorg:** de verantwoordelijkheid voor alle operationele personele, en dus niet inhoudelijke, aangelegenheden die bij of krachtens de Cao Rijk aan de leidinggevenden zijn toegekend. Artikel 2 1. Voor de duur van het programmadirectoraat-generaal Ondermijning wordt van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters van Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de programmadirecteur-generaal Ondermijning verleende ondermandaat, aan de medewerker in de functie van P-Manager DGO, mevrouw M. van ’t Riet, ondermandaat verleend voor de aangelegenheden die de personeelszorg ten aanzien van de medewerkers in de Medewerkerpool DGO betreffen. 2. De taken en bevoegdheden van de P-Manager DGO, omvatten onder meer: - a. De begeleiding bij de instroom, uitstroom en doorstroom van de medewerkers; - b. verantwoordelijkheid voor de opleiding en ontwikkeling van de medewerkers; - c. begeleiding in geval van verzuim van de medewerkers en uitvoering van het arbobeleid; - d. betrokkenheid en bege"},{"i":18198,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 22 augustus 2022, nr. 3771053 houdende vaststelling van de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten 2022 (ARBIT-2022) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1 Vastgesteld worden de bij dit besluit gevoegde Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten 2022 (ARBIT-2022). Artikel 2 Het [besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 3 mei 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040889), nr. 3219106 (Stc. 2018, 26414), wordt alleen voor het deel dat betrekking heeft op de [Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten 2018 (ARBIT-2018)](onbekend) ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het met de bijbehorende bijlage wordt geplaatst. Algemene Rijksvoorwaarden bij IT overeenkomsten 2022 (ARBIT-2022) **Vastgesteld bij besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 22 augustus 2022, nr. 3771053** Inhoudsopgave Algemene rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (arbit) Algemene bepalingen De Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (ARBIT) bestaan uit deze Algemene bepalingen en Bijzondere bepalingen. Deze Algemene bepalingen hebben betrekking op alle IT-overeenkomsten die Opdrachtgever aangaat. De Bijzondere bepalingen hebben betrekking op specifieke IT-overeenkomsten die Opdrachtgever aangaat. Artikel 1. Begrippen In deze algemene voorwaarden wordt onder de navolgende begrippen, indien met een beginhoofdletter gebruikt, verstaan: Artikel 2. Contactpersonen en escalatie Artikel 3. Status van mededelingen Mededelingen, waaronder begrepen toezeggingen of (nadere) afspraken, van de ene aan de andere partij van belang voor de uitvoering van de Overeenkomst, binden partijen alleen indien ze schriftelijk door een daartoe bevoegde persoon zijn gedaan of bevestigd. Artikel 4. Onderzoek- en informatieverplichting Artikel 5. Kwalit"},{"i":18097,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 juli 2008, nr. DDI/ST/reg. 014/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van de Nederlandse Ambassade (1955–1964) en het Consulaat-Generaal (1955–1974) in België van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Ambassade (1955–1964) en het Consulaat-Generaal (1955–1974) in België van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum is het dossier onder dit inventarisnummer niet toegankelijk. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 64 | 2037 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Ambassade (1955–1964) en het Consulaat-Generaal (1955–1974) in België van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 104 | 2035 | | 122 | 2016 | | 129 | 2034 | | 255 | 2040 | | 1184 | 2025 | | 1207 | 2031 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in de [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024211&artikel=2&z=2008-07-24&g=2008-07-24), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit"},{"i":19213,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 december 2022, nr.MinBuZa.2022.14729-27, houdende beperkende maatregelen ten aanzien van Haïti (Sanctieregeling Haïti 2022) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Financiën; Gelet op hoofdstuk 7 van het Handvest van de Verenigde Naties, Besluit (GBVB) 2022/2319 van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2022 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Haïti (PbEU 2022, L 307), [Verordening (EU) 2022/2309](32309R2022) van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2022 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Haïti (PbEU 2022, L 307) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder **Verordening (EU) 2022/2309**: [Verordening (EU) 2022/2309](32309R2022) van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2022 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Haïti (PbEU 2022, L 307). Artikel 2 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, 10, eerste lid en 11, eerste en tweede lid, van [Verordening (EU) 2022/2309](32309R2022). 2. Een verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 2, derde, vierde of vijfde lid, artikel 5, 6, eerste en tweede lid, 6 bis, eerste lid, 6 ter, eerste lid, 7, eerste lid, 8, eerste lid, 9, 11, vijfde lid of lid 5 bis, van [Verordening (EU) 2022/2309](32309R2022) van toepassing is. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 2, derde, vierde en vijfde lid, 6, eerste en tweede lid, 6 bis, eerste lid, 6 ter, eerste lid, 7, eerste lid, 8, eerste lid, 9, eerste lid, en 10, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 2022/2309](32022R2309) is de Min"},{"i":17790,"b":"Voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging AOW-leeftijd Gelet op [artikel 26 van het Inkomstenbesluit Militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=26) en [artikel 62 van het Inkomstenbesluit Burgerlijke ambtenaren Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=62); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **AOW-hiaat:** een periode van een, twee of drie maanden gedurende welke een gewezen defensiemedewerker na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar geen aanspraak had op een AOW-uitkering; - **belanghebbende:** de gewezen militair ambtenaar of gewezen burgerlijk ambtenaar Defensie in het genot van een ten laste van Defensie komende uitkering in verband met leeftijdsontslag, arbeidsongeschiktheid of overtolligheid die eindigt op de leeftijd van 65 jaar; - **gewezen defensiemedewerker:** een gewezen militair ambtenaar of gewezen burgerlijk ambtenaar defensie die op of na 1 januari 2013 maar vóór het inwerkingtreden van deze regeling de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Artikel 2. Tegemoetkoming 1. De belanghebbende die de leeftijd van 65 jaar bereikt waardoor zijn uitkering eindigt heeft tot het bereiken van de voor hem geldende AOW leeftijd, aanspraak op een maandelijkse tegemoetkoming. 2. De tegemoetkoming is gelijk aan de bruto AOW-uitkering die voor belanghebbende volgens de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) in de desbetreffende maand gegolden zou hebben indien daarop aanspraak zou hebben bestaan, inclusief de inkomensondersteuning AOW en de maandelijkse opbouw vakantiegeld. Een korting op grond van [artikel 13 Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=13) wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. Artikel 3. Overgangsuitkering 1. De gewezen defensiemedewerker voor wie een AOW-hiaat gold heeft aanspraak op een overgangsuitkering. 2. De overgangsuitkering is gelijk aan de ged"},{"i":18565,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 1 september 2016 nr. 2016-0000561903, tot vaststelling van het Rijkshuisvestingsstelsel voor specialties (Vaststellingsbesluit Rijkshuisvestingsstelsel specialties) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=2); Besluit Artikel 1 Een kader rijkshuisvestingsstelsel specialties vast te stellen ter bevordering van de eenheid, de kwaliteit en de efficiëntie van huisvesting door de ministeries. Artikel 2 Een specialty wordt gedefinieerd als rijksgebouw waarvan, als gevolg van speciale eisen vanuit het primair proces, de hoofdfunctie van dat gebouw niet een kantoorfunctie is, dan wel een kantoorgebouw dat geen gedeelde huisvesting kan bieden voor organisaties die geen onderdeel van het betreffende primair proces uitmaken. Artikel 3 De Minister voor Wonen en Rijksdienst zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit een verslag aan de ministerraad over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van het bij dit besluit gevoegde ‘Rijkshuisvestingsstelsel voor specialties’. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Vaststellingsbesluit Rijkshuisvestingsstelsel specialties. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die in afschrift wordt verzonden aan de ministers."},{"i":18900,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 24 januari 2023 nr. BOACAT2023/003, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Noord-Holland Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Noord-Holland van 18 januari 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047825&artikel=2&z=2024-07-17&g=2024-07-17). Artikel 2 1. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Noord-Holland. 2. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangeweze"},{"i":18006,"b":"Actualisering taken Commissie Ontwikkeling Defensie Materieel (CODEMA) Handelende in overeenstemming met de ministers van Buitenlandse Zaken, van Economische Zaken en van Financiën; Overwegende dat de intstellingsbeschikking van de Commissie Ontwikkeling Defensie Materieel (CODEMA) van 20 november 1978 dient te worden geactualiseerd; Besluit: Artikel 1. Doelstelling en taken CODEMA 1. De CODEMA heeft tot doel het stimuleren van ontwikkelingsprojecten op het gebied van defensie-materieel, mede in het licht van het versterken van de concurrentiepositie van het Nederlands bedrijfsleven. Dit doel wordt verwezenlijkt door middel van een financieringsregeling voor het uitvoeren van c.q. deelnemen aan ontwikkelingsprojecten op basis van verwachtbare defensiebehoeften of in het kader van relevante economische factoren. 2. De CODEMA is belast met de volgende taken met betrekking tot (potentiële) projecten: - a. projectselectie en -goedkeuring; - b. vaststelling van de financiering; - c. het geven van richtlijnen en aanwijzingen aan het krijgsmachtdeel of aan een andere daartoe aangewezen instantie, belast met de contractafsluiting; - d. het formuleren van het beleid inzake ontwikkelingsprojecten en het geven van richtlijnen ten aanzien van de uitvoering van dat beleid. Deze richtlijnen worden bekend gesteld in de vorm van de CODEMA-werkwijze. Artikel 2. Samenstelling CODEMA 1. De CODEMA bestaat uit de volgende leden: - a. de directeur-generaal Materieel, tevens voorzitter; - b. de directeur Wetenschappelijk Onderzoek en Ontwikkeling van het directoraat-generaal Materieel, tevens plaatsvervangend voorzitter; - c. de directeur Financieel Beheer van het directoraat-generaal Economie en Financiën; - d. de chef van de directie Atlantische Samenwerking en Veiligheidsaangelegenheden van het ministerie van Buitenlandse Zaken; - e. het hoofd van de sectie Defensie van de Inspectie der Rijksfinanciën van het ministerie van Financiën; - f. de commissaris voor Militaire Produktie en Ove"},{"i":17901,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 22 februari 2017, kenmerk 161101-LZ, houdende het opnemen van een derdenbeding in een zorgovereenkomst Gelet op de [artikelen 8.1.8, derde lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.1.8), [3.6.4, derde lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.4), en [2.6.2, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.2); Besluiten: Artikel I Wijzigt de Regeling Jeugdwet. Artikel II Wijzigt de Regeling langdurige zorg. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Artikel IV 1. [Artikel 8b van de Regeling Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036007&artikel=8b), zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039268&artikel=I&z=2018-11-28&g=2018-11-28) van deze regeling blijft gedurende vijf jaren na inwerkingtreding van deze regeling van toepassing op een overeenkomst als bedoeld in artikel 8b van de Regeling Jeugdwet die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van deze regeling is gesloten. 2. [Artikel 5.16 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=5.16), zoals dat artikel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039268&artikel=II&z=2018-11-28&g=2018-11-28) van deze regeling blijft van toepassing tot 1 juli 2019 op een zorgovereenkomst als bedoeld in [artikel 1.1 van de Regeling langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&artikel=1.1) die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II van deze regeling is gesloten. 3. [Artikel 2b van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036096&artikel=2b), zoals dat artikel luidde voo"},{"i":18995,"b":"Besluit van de Inspecteur-generaal van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd van 17 september 2019, kenmerk 2019-2338710, houdende de verlening van ondervolmacht aan de directeur Beleid, Juridische Zaken, Communicatie en Bureau Opsporing Boetes, de directeur Bedrijfsvoering, de programmadirecteur Toezicht Sociaal Domein en de hoofden en teamleiders van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd Gelet op [artikel 16, tweede lid, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan de directeur Beleid, Juridische Zaken, Communicatie en Bureau Opsporing Boetes en de directeur Bedrijfsvoering van de IGJ wordt ondervolmacht verleend om op hun werkterrein privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten tot een maximumbedrag van € 100.000,– inclusief btw. Artikel 2 Aan: - a). de directeur van het Programmabureau Toezicht Sociaal Domein/Samenwerkend Toezicht Jeugd (TSD/STJ), - b). het hoofd van de afdeling Juridische Zaken, - c). het hoofd van de afdeling Bestuursondersteuning, Beleid & Strategie, - d). het hoofd van de afdeling Communicatie, - e). het hoofd van de afdeling Bureau Opsporing Boetes, - f). het hoofd van de afdeling Eerstelijnszorg 1, - g). het hoofd van de afdeling Eerstelijnszorg 2, - h). het hoofd van de afdeling Medisch Specialistische Zorg 1, - i). het hoofd van de afdeling Medisch Specialistische Zorg 2, - j). het hoofd van de afdeling Farmaceutische Producten, - k). het hoofd van de afdeling Medische Technologie, - l). het hoofd van de afdeling Verpleging en Verzorging, - m). het hoofd van de afdeling Gehandicaptenzorg en Zorg voor Asielzoekers en Justitiabelen, - n). het hoofd van de afdeling Geestelijke Gezondheidszorg, - o). het hoofd van de afdeling Netwerkzorg en Preventie, - p). het hoofd van de afdeling Meldpunt, - q). het hoofd van de afdeling Landelijk Meldpunt Zorg, - r). het hoofd van de afdeling Jeugd 1, - s). het hoofd van de afdeling Jeugd 2, - t). het hoofd van de afdeling Financië"},{"i":19166,"b":"Richtlijn voor strafvordering strafrechtelijke aanpak schoolverzuim Beschrijving Deze richtlijn is van toepassing op overtreding van de [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628). Voor minderjarigen wordt ook verwezen naar Halt; de Halt tabel is opgenomen in de Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt. Gebruikte begrippen Wie wordt vervolgd? Bij absoluut en luxe- schoolverzuim wordt de ouder/verzorger vervolgd. Bij signaalverzuim is het afhankelijk van de casus, leeftijd en omstandigheden of de ouders en/of de jongere zelf vervolgd word(t)(en). De mate van verwijtbaarheid speelt hierbij een rol. Uitgangspunt is dat één ouder/verzorger wordt vervolgd, te weten degene die is gehoord dan wel de ouder/feitelijk verzorger die in het bevolkingsregister als gezinshoofd wordt aangemerkt vanuit de gedachte dat een boete het hele gezin treft. Bij co-ouderschap dient per verzuim beoordeeld te worden of één of beide ouders worden vervolgd. Legenda **Afkortingen** GB = Geldboete HTS = hechtenis vw = voorwaardelijk prft = proeftijd ov = onvoorwaardelijk"},{"i":16950,"b":"Besluit van 24 september 2004 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening alsmede de bepalingen betreffende de indicatie en herindicatie in het kader van genoemde wet in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 juni 2004, nr. ABG/GA/04/40953; Gelet op de [artikelen 1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=1), [6, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=7), [8, derde, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=8), [9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=9), [11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=11), en [15, derde lid, van de Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=15) alsmede [artikel 21a, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=21a); De Raad van State gehoord (advies van 29 juli 2004, nummer W12.04.0246/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 september 2004, Directie Arbeidsmarktbeleid Bijzondere Groepen, nr. ABG/GA/04/63309; Hebben goed gevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Indicatie en herindicatie Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903); - b. herindicatiebeschikking: de beschikking, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=11); - c. sociale werkvoorziening: de arbeidsomgeving waar gewerkt wordt in e"},{"i":17468,"b":"Regeling van 16 december 2002 tot uitvoering van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 35, tweede en vierde lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000; Besluit: Artikel 1 1. Het normbedrag dat geldt voor de bepaling van de hoogte van het voorschot dat in elk kwartaal wordt verstrekt aan door de raad ingeschreven advocaten wordt vastgesteld op € 637,-. 2. Het kwartaalvoorschot bedraagt niet meer dan € 39.800,-. 3. Het kwartaalvoorschot wordt op nihil gesteld, indien minder dan tien toevoegingen zijn afgegeven in de referentieperiode, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2003 Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tot vaststelling van de normbedragen voor voorschotverlening in 2003 op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17613,"b":"Besluit van 3 juli 2020, houdende tijdelijke regels voor de toekenning van een specifieke uitkering aan gemeenten en provincies ten behoeve van innovatie in de digitale dienstverlening (Tijdelijk besluit specifieke uitkering verbetering digitale dienstverlening) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 mei 2020, nr. 2020-0000213201; Gelet op [artikel 17, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 juni 2020, nr. W04.20.0132/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 juni 2020, nr. 2020-0000375197; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definities Vervallen Artikel 2. Specifieke uitkering Vervallen Artikel 3. Uitkeringsplafond Vervallen Artikel 4. Aanvraag Vervallen Artikel 5. Beoordeling van aanvragen Vervallen Artikel 6. Selectiecommissie Vervallen Artikel 7. Werkwijze selectiecommissie Vervallen Artikel 8. Besluit tot verlening Vervallen Artikel 9. Besluit tot weigering Vervallen Artikel 10. Voorschot Vervallen Artikel 11. Coördinatie Vervallen Artikel 12. Verplichtingen van de ontvanger van de uitkering Vervallen Artikel 13. Informatieplicht Vervallen Artikel 14. Vaststelling 1. De hoofdaanvrager van de uitkering legt verantwoording af over de besteding van de uitkering op de wijze bepaald in [artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17a). Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de activiteiten zijn afgerond, geldt deze mededeling als een aanvraag tot vaststelling van de uitkering. 2. Nadat Onze Minister de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, heeft ontvangen, neemt Onze Minister binnen 22 weken na die ontvangst een beslissing op de aanvraag tot vaststelling van de uitkering. 3. Onze Minister stelt een uitkering overeenkomstig de"},{"i":17086,"b":"Eindejaarsuitkering burgemeester en wethouders Nominale eindejaarsuitkering Op grond van [artikel 15a Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743&artikel=15a) respectievelijk [artikel 3, derde lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006535&artikel=3) hebben de burgemeesters respectievelijk de wethouders recht op een eindejaarsuitkering. Overeenkomstig de ambtenaren bij de sector Rijk hebben burgemeesters en wethouders in 2003 aanspraak op een nominale eindejaarsuitkering van Het nominale bedrag van de eindejaarsuitkering bedraagt vanaf 1 januari 2004 € 45,88 per maand. Voor diegenen wiens arbeidsduurfactor minder dan 1 bedraagt wordt het nominale bedrag vermenigvuldigd met zijn/haar arbeidsduurfactor. In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst 2000-2001 is overeengekomen dat er een nominale eindejaarsuitkering zal worden ingevoerd. De financiering van de nominale eindejaarsuitkering vindt plaats vanuit de besparing als gevolg van de bevriezing per 1 januari 2000 van de ziektekostentegemoetkoming als bedoeld in het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006855) (Btzr). In verband hiermee is per 1 april 2003 de nominale eindejaarsuitkering verhoogd van € 31,13 naar € 45,88 per maand. Per 1 januari 2003 is de bevriezing van de Btzr-tegemoetkoming komen te vervallen omdat het niveau van 50% van het totaal van de MOOZ-bijdrage, van de WTZ-bijdrage en van de component 'polis' van de particuliere ziektekostenpremie voor een maatschappijpolis, zoals deze door het CPB ten behoeve van het CEP wordt geraamd, netto is bereikt. Dit betekent dat in 2004 de nominale eindejaarsuitkering niet meer wordt verhoogd als uitvloeisel van de bevriezing van de Btzr-tegemoetkoming. Vanaf 1 januari 2004 zal voor de nominale eindejaarsuitkering als bedrag € 45,88 gelden. De nominale eindejaarsuitkering is een bruto bedrag. De aanspraak op de nominale eind"},{"i":17783,"b":"Verhoging gezamenlijke zorgformatie 2004 en volgende jaren OCW-begroting 2004 In de OCW-begroting 2004 is opgenomen dat het zorgbudget van alle samenwerkingsverbanden structureel wordt verhoogd met als doel het oplossen van knelpunten en het aanbrengen van verbeteringen in de zorg aan leerlingen. Het gaat om een verhoging in 2004 van 11 miljoen euro, in 2005 van 13,5 miljoen euro en vanaf 2006 structureel 16 miljoen euro. Aanpassing Daarom is de minister voornemens om het [Formatiebesluit Wet op het primair onderwijs](onbekend) (WPO) per 1 augustus 2004 aan te passen. Deze aanpassing bestaat uit een verhoging van de omvang van de gezamenlijke zorgformatie voor samenwerkingsverbanden door aanpassing van het aantal formatierekeneenheden per leerling ([artikel 15d Formatiebesluit WPO](onbekend)). Als gevolg van de systematiek waarbij de begroting uitgaat van kalenderjaren en berekening van formatierekeneenheden van schooljaren, kan worden volstaan met twee aanpassingen van het aantal formatierekeneenheden per leerling en wel per 1 augustus 2004 naar 0,452 en vanaf 1augustus 2005 naar 0,463. Zorgplan Conform [artikel 19 van de Wet op het primair onderwijs](onbekend) (WPO) dient de inzet van de zorgformatie, inclusief de verhoging, in het zorgplan te worden opgenomen. Dit betekent dat de verhoogde zorgformatie voor het schooljaar 2004 - 2005 in het zorgplan voor dat schooljaar moet zijn verwerkt. Dit zorgplan moet vóór 15 mei 2004 aan de inspectie worden gezonden. Subsidie Omdat de wijziging van het [Formatiebesluit WPO](onbekend) niet eerder dan met ingang van 1 augustus 2004 kan plaatsvinden, zal door middel van een regeling op grond van de [Wet overige OCenW-subsidies](onbekend) aan de samenwerkingsverbanden tevens een subsidie worden toegekend in 2004. De subsidie moet in het jaar 2004 worden besteed."},{"i":17827,"b":"Wet van 7 maart 1991, houdende nieuwe bepalingen inzake de lijkbezorging Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe wettelijke bepalingen inzake de lijkbezorging vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Lijkbezorging geschiedt door begraving, crematie of op andere bij of krachtens de wet voorziene wijze. Artikel 2 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **lijk:** het lichaam van een overledene of doodgeborene; - b. **doodgeborene:** de na een zwangerschapsduur van ten minste 24 weken levenloos ter wereld gekomen menselijke vrucht; - c. **burgerservicenummer:** burgerservicenummer als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=1). 2. Deze wet is niet van toepassing op een menselijke vrucht die na een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken - a. levenloos ter wereld is gekomen dan wel - b. binnen 24 uur na de geboorte is overleden. Hoofdstuk II. Algemene voorschriften voor de lijkbezorging § 1. Lijkschouwing en identificatie Artikel 3 Lijkschouwing geschiedt, zo spoedig mogelijk na het overlijden, door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer. Artikel 4 Burgemeester en wethouders verschaffen gelegenheid tot het doen schouwen van lijken. Zij benoemen een of meer gemeentelijke lijkschouwers. Artikel 5 Uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, worden benoemd als gemeentelijke lijkschouwer. Artikel 6 1. Een gemeentelijke lijkschouwer treedt niet als zodanig op, indien hij gedurende de laatste twee jaar ten aanzien van de overledene of de moeder van de doodgeborene handelingen op het gebied va"},{"i":17315,"b":"Regeling geprivilegieerde post jeugdigen Gelet op [artikel 42, derde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=42); Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële Kinderbescherming van 30 mei 2000, nr. 503290/00/TH/JMO; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 De directeur is uitsluitend bevoegd de enveloppen van brieven als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=42), te openen ter controle op bijgesloten voorwerpen, op de wijze als hieronder bepaald. Artikel 3 1. De afzender, genoemd in [artikel 42, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=42), doet de brief in een aan de betrokken jeugdige geadresseerde envelop. De afzender sluit de envelop en voegt deze in een andere envelop als bijlage bij een brief aan de directeur van de desbetreffende inrichting, waarin hij deze verzoekt de bijlage aan de betrokken jeugdige uit te reiken. Daarbij dient voor de directeur duidelijk kenbaar te zijn in welke hoedanigheid de afzender zich tot de jeugdige richt 2. Indien de directeur met het oog op de aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen het noodzakelijk acht de binnenste envelop van de voor een jeugdige bestemde brief te openen, dan doet hij dit in het bijzijn van de jeugdige. 3. In het geval dat een brief kennelijk afkomstig is van een afzender genoemd in [artikel 42, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=42), maar niet een dubbele envelop is gebruik, dan wordt, indien de directeur het noodzakelijk oordeelt de envelop te openen, dezelfde procedure toegepast als vermeld in het tweede lid. 4. In het geval de brief niet herkenbaar is als afkomstig van een afzender genoemd in [artikel 42, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=42), is de directeur niet gehouden aan het hierboven bepaal"},{"i":17726,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bolivia inzake sociale zekerheid Het Koninkrijk der Nederlanden en De Republiek Bolivia, Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Vast besloten samen te werken op het gebied van sociale zekerheid; Hebben besloten hiertoe een Verdrag te sluiten, en zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied’’, met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; met betrekking tot de Republiek Bolivia: het grondgebied van de Republiek; - b. „bevoegde autoriteit’’, met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; met betrekking tot de Republiek Bolivia betreffende artikel 2, tweede lid, onder a, b en c: het ministerie van Gezondheid en Sport; en betreffende artikel 2, tweede lid, onder d, e, f, g en h: het ministerie van Financiën; - c. „bevoegd orgaan’’, met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c en g: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, e en f: de Sociale Verzekeringsbank; betreffende de wetgeving inzake sociale bijstand: de instelling die daartoe is aangewezen door de Nederlandse bevoegde autoriteit; met betrekking tot de Republiek Bolivia betreffende de onderdelen van de sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, b en c: el Instituto Nacional de Seguros de Salud (het Nationaal Instituut voor Ziekteverzekeringen), en betreffende de onderdelen bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder d, e, f, g en h: la Superintendencia de Pensiones, Valores y Seguros (de Toezichthouder op Pensioenen, Fondsen, Effecten en Verzekeringen); of elke organisatie bevoegd tot het uitvoeren van een ta"},{"i":18124,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 10 november 2023, nr.: 2023/KPCN/0358, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon agenten van politie bij de KMAR/Caribisch Nederland Gelezen het verzoek van de Koninklijke Marechaussee (KMar) en de daaropvolgende adviezen van de hoofdofficier van justitie; Gelet op: [Artikel 184, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184); Het [Besluit buitengewoon agent van politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon agent van politie: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048947&artikel=2&z=2023-11-25&g=2023-11-25). Artikel 2 Maximaal 100 personen werkzaam bij KMAR/Caribisch Nederland zijn aangewezen als buitengewoon agent van politie, in de functie van: Opsporingsambtenaar Kmar CN, Senior opsporingsambtenaar Kmar CN, 2e teamleider KMar CN, le teamleider KMar CN, Medewerker operationele Intel, Seniormedewerker operationele Intel, Medewerker opsporing Kmar CN, Senior Medewerker opsporing Kmar CN, Coördinator opsporing Kmar CN. Artikel 3 De buitengewoon agent van politie is bevoegd tot het opsporen van: - 1. Alle strafbare feiten voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de betreffende functie en het daaraan gekoppelde takenpakket; - 2. Verordeningen en/of keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen. - 3. Andere strafbare feiten, indien hij geplaatst is bij de opsporing. Artikel 4 De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048947&artikel=3&z=2023-11-25&g=2023-11-25), geldt voor het grondgebied van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. Artikel 5 De buitengewoon agent van politie kan de in [artikel 13, eerste tot en met het derde lid, van de Rijks"},{"i":17583,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 februari 2017, kenmerk 997477-153689-Z, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan zorgaanbieders voor het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 Op deze regeling is de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) niet van toepassing. Artikel 3 1. De minister kan subsidie verstrekken aan zorgaanbieders voor het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan een persoon, niet zijnde een vreemdeling als bedoeld in [artikel 122a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=122a), die niet verzekerd is als bedoeld in [artikel 2 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=2) of waarvan de verzekering niet is vast te stellen. 2. Onder medisch noodzakelijke zorg wordt verstaan zorg of overige diensten als bedoeld in [artikel 11 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11) met uitzondering van krachtens [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) uitgesloten vormen van zorg of diensten, en slechts voor zover de zorgaanbieder verstrekking ervan, gezien de aard van de zorg, medisch noodzakelijk acht. 3. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor zover zorgaanbieders als gevolg van het verlenen van die zorg inkomsten derven. 4. Geen subsidie wordt verstrekt voor zover: - a. de kosten voor de verleende zorg op de onverzekerde persoon, bedoeld in het eerste lid kunnen worden verhaald, - b. de kosten voor de verleende zorg op grond van een andere wettelijke regeling of op grond van een verzekering t"},{"i":18551,"b":"Besluit van 20 februari 1995, houdende regels ter uitvoering van de Rijksoctrooiwet 1995 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 3 oktober 1994, nr. 94068512 WJA/W; Gelet op de [artikelen 5, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=5), [17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=17), [19, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=19), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=20), [23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=23), [24, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=24), [25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=25), [32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=32), [37, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=37), [38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=38), [52, eerste, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=52), [56, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=56), [57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=57), [58, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=58), [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=61), [64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=64), [84, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=84), [92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=92), [95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=95) en [110 van de Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=110); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 12 december 1994, nr. W10.94.0609/K); De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Gezien het nader rapport van de v"},{"i":19019,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 23 september 2019, nr. 2692428 houdende instelling van de Commissie Implementatie nieuw Wetboek van Strafvordering (Instellingsbesluit Commissie Implementatie nieuw Wetboek van Strafvordering) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042631&artikel=2&z=2019-10-11&g=2019-10-11). Artikel 2. Instelling en taak 1. De commissie heeft tot taak samen met de politie, het openbaar ministerie, de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Orde van Advocaten, de bijzondere opsporingsdiensten, en de Koninklijke marechaussee: - a). de inspanningen in kaart te brengen die nodig zijn bij deze organisaties om het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) te kunnen invoeren en - b). op basis daarvan een breed onderschreven voorstel voor de implementatie inclusief kostenraming op te stellen. 2. De commissie brengt daarover advies uit aan de directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het ministerie van Justitie en Veiligheid. 3. De commissie heeft voorts tot taak de maatschappelijke relevantie van de modernisering van het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) voor het voetlicht te brengen en doet daartoe alles wat zij nodig acht. Artikel 3. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit worden tot lid van de commissie benoemd: - a. prof. dr. mr. R.M. Letschert, rector magnificus Maastricht University, tevens voorzitter; - b. prof.dr.mr. M.F.H. Hirsch Ballin, hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam - c. drs. A.H.M. de Jong, werkzaam bij ABDTOPConsult;"},{"i":17469,"b":"Regeling van de Minister van Justitie tot uitvoering van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3), en [35, tweede en vierde lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Besluit: Artikel 1 1. Het normbedrag dat geldt voor de bepaling van de hoogte van het voorschot dat in elk kwartaal wordt verstrekt aan door de raad ingeschreven advocaten wordt vastgesteld op € 658,–. 2. Het kwartaalvoorschot bedraagt niet meer dan € 41.100,–. 3. Het kwartaalvoorschot wordt op nihil gesteld, indien minder dan tien toevoegingen zijn afgegeven in de referentieperiode, bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2004. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tot vaststelling van de normbedragen voor voorschotverlening in 2004 op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17924,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2010, nr. Z/F-3038399, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering ter zake van de vereveningsbijdrage voor zorgverzekeraars in het jaar 2011 Gelet op [artikel 32, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), en [38, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=38) en de [artikelen 1, onderdelen g en x](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1), [3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.1), [3.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.2), [3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.4), [3.5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.5), [3.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.6), [3.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.7), [3.8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.8), [3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.10), [3.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.11), [3.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.12), [3.13, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.13), [3.14, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.14), [3.15, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.15), [3.16, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.16), [3.17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.17), [3.19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.19), [3.22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.22) en [3.24 derde lid, van het Besluit zorgverzekering"},{"i":17271,"b":"Regeling beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2008 Gelet op de [artikelen 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=33) en [34 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34) en [Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3) en [Hoofdstuk 3 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&hoofdstuk=3); Gelezen de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 september 2007 Z/F-2800819; Heeft in zijn vergadering van 1 oktober 2007 besloten: Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen Artikel 1. Definities Deze regeling verstaat onder: | a. college: | Het College voor zorgverzekeringen; | | --- | --- | | b. risicoklasse naar leeftijd en geslacht: | Een vijfjaarsklasse, verdeeld naar geslacht, overeenkomstig [tabel B4.1 van Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4), [tabel B5.1 van Bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5), [tabel 6.1 van Bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6) en [tabel 7.1 van Bijlage 7 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=7); | | c. aard van het inkomenklasse: | Een klasse gebaseerd op de aard van het inkomen en de leeftijd van een verzekerde, overeenkomstig [tabel B4.4 van Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4), [tabel B5.4 van Bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5), [tabel 6.4 van Bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6) en [tabel 7.2 van Bijlage 7 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=7); | | d. regioklasse: | Een klasse gebaseerd op de postcode van het adres waar een verzekerde woonachtig is overeenkomstig [tabel B4.5 van Bijlage 4](htt"},{"i":16965,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 december 2013, nr. 463312, houdende vaststelling van het normbedrag en het bedrag van het voorschot voor advocaten als bedoeld in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op [artikel 35, tweede en vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Besluit: Artikel 1 Het normbedrag als bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) wordt vastgesteld op: € 789. Artikel 2 Het voorschot als bedoeld in [artikel 35, vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) wordt vastgesteld op: ten hoogste 10% van € 48.500. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18714,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 januari 2025, nr. 2024-0000941636, tot vaststelling van de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2025 (Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2025) Gelet op [artikel 19d, zesde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=19d); Besluit: Artikel 1. Waarschuwing 1. Bij een overtreding van de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) wordt afgezien van boeteoplegging en wordt volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing aan de werkgever indien: - a. het in de periode van vijf jaar direct voorafgaand aan de constatering van de overtreding de eerste overtreding van de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) door de werkgever betreft; en - b. bij de overtredingen niet meer dan vijf vreemdelingen of arbeidskrachten zijn betrokken, met uitzondering van de situatie als bedoeld in het tweede lid, onder e. 2. De in het eerste lid bedoelde waarschuwing wordt uitsluitend gegeven in een van de volgende situaties: - a. de werkgever heeft aangetoond dat de reeds aangevraagde tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid ten hoogste twee werkdagen nadat de arbeid door de vreemdeling is aangevangen, is ontvangen en is ingegaan; - b. bij de tewerkstelling van een student is sprake van een overschrijding van de toegestane arbeidsduur van maximaal zestien uur per week, en de overschrijding in de onderzoeksperiode in totaal niet meer dan acht uur bedraagt; - c. de werkgever heeft de overtreding zelf voortijdig aantoonbaar beëindigd, dat wil zeggen voordat controle van de Nederlandse Arbeidsinspectie, of een andere instantie belast met het toezicht op de naleving van de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149), heeft plaatsgevonden, en uiterlijk binnen een termijn van één maand na aanvang van de w"},{"i":19316,"b":"Besluit van 6 november 2003, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Verpakte waters en van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 september 2003, VGB/VL 2407747 gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Economische Zaken; Gelet op: [richtlijn nr. 2003/40/EG](32003L0040) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 16 mei 2003 tot vaststelling van de lijst, de grenswaarden voor de concentratie en de vermelding op het etiket van bestanddelen van natuurlijk mineraalwater en van de voorwaarden voor het gebruik van met ozon verrijkte lucht bij de behandeling van natuurlijk mineraalwater en bronwater (PbEU L 126); en [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [artikel 5, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [artikel 8, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), [artikel 13, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), en [artikel 32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Raad van State gehoord (advies van 17 oktober 2003, no.W13.03 0386/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 oktober 2003, VGB/VL 2423 107, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit Verpakte waters. Artikel II Wijzigt het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten. Artikel III 1. Dit besluit, en [artikel 4, eerste lid, onder b, van het Warenwetbesluit Verpakte waters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009828&artikel=4), treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. In afwijking van het eerste lid"},{"i":18500,"b":"Rijkswet van 7 juli 1993, houdende machtiging tot deelneming door het Koninkrijk der Nederlanden in de Algemene Kapitaalverhoging van de Internationale Financieringsmaatschappij Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat het Koninkrijk der Nederlanden deelneemt in de Algemene Kapitaalverhoging van de Internationale Financieringsmaatschappij; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd om het nodige te verrichten, opdat het Koninkrijk der Nederlanden deelneemt in de Algemene Kapitaalverhoging van de Internationale Financieringsmaatschappij voor een totaalbedrag van US $ 24 405 000 (vierentwintig miljoen vierhonderdenvijfduizend) overeenkomstig de in 1992 aangenomen Resolutie van de Raad van Gouverneurs betreffende de Algemene Kapitaalverhoging van de Internationale Financieringsmaatschappij. Artikel 2 Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17560,"b":"Besluit van 21 september 2010, houdende opvolging van de Sociale Verzekeringsbank van de Nederlandse Antillen (Rijksbesluit opvolging Sociale Verzekeringsbank Nederlandse Antillen) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 juli 2010, nr. IZ/IA/2010/13952, gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in overeenstemming met de regering van de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten; Overwegende dat de nieuwe staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk der Nederlanden, zoals vastgelegd in het daartoe strekkende wijzigingsvoorstel van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, aanleiding geven tot regelgeving op het niveau van het Koninkrijk met betrekking tot de positie van de Sociale Verzekeringsbank van de Nederlandse Antillen en de bij deze organisatie betrokken belanghebbende verzekerden en gerechtigden; Gelet op [artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 29 juli 2010, nr. W12.10.0300/III/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 september 2010, nr. IZ/IA/2010/18077, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in overeenstemming met de regering van de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten, De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, derde lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling regelin"},{"i":18794,"b":"Besluit bestuurlijke boeten Douane- en Accijnswet BES **Dit besluit geeft beleidsregels voor het opleggen van boeten op grond van de Douane- en Accijnswet BES, het Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES en de Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES.** Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit beleidsbesluit wordt onder ‘boete’ verstaan de sanctie die de inspecteur ingevolge [Hoofdstuk II, titel 8, van de Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&titeldeel=8) (hierna: de Wet), [Hoofdstuk 2, afdeling 2.13, van het Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029262&afdeling=2.13) (hierna: het Uitvoeringsbesluit) en [Hoofdstuk 2, afdeling 2.25, van de Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029309&afdeling=2.25) (hierna: de Uitvoeringsregeling) kan opleggen met betrekking tot belastingen en handels- en dienstenentrepots als bedoeld in [artikel 1.4 van de Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=1.4) overeenkomstig de in dit besluit vastgestelde regels. Artikel 2 1. Bij het vaststellen van de boete wijkt de inspecteur niet af van de percentages en bedragen, die in dit beleidsbesluit zijn vermeld. 2. De boete kan worden verminderd wanneer sprake is van een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de opgelegde boete, of wanneer de omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit buiten de directe invloedssfeer van belanghebbende liggen. De vermindering kan slechts worden verleend wanneer een bezwaarschrift, als bedoeld in [artikel 2.86 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.86) is ingediend. Hoofdstuk II. Verzuimboeten Artikel 3 1. Dit artikel is van toepassing op de verzuimboetebepalingen van de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236), het [Uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029262) en de [Uitvoeringsregel"},{"i":17215,"b":"Protocol betreffende de toetreding van Griekenland tot de tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap gesloten Overeenkomst inzake wederzijdse bijstand tussen de douane-administraties De Regeringen van de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap, Gezien de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland, ondertekend te Athene op 9 juli 1961, Overwegende dat een zodanige Associatie mede omvat de oprichting van een douane-unie tussen de Overeenkomstsluitende Partijen, Gezien de Overeenkomst inzake wederzijdse bijstand tussen de onderscheiden douane-administraties, ondertekend te Rome op 7 september 1967, Ervan overtuigd dat de toetreding van Griekenland tot bovengenoemde Overeenkomst daadwerkelijk kan bijdragen tot de totstandbrenging en het functioneren van bedoelde douane-unie, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Dit Protocol, dat is opgemaakt in één exemplaar in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift ervan zal doen toekomen aan elk van de ondertekenende Staten. TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend. GEDAAN te Rome, de 7 september 1967."},{"i":19429,"b":"Besluit van 14 december 2016, houdende regels over de voorlopige onderzoeken en de vervolgonderzoeken die ter vaststelling van het gebruik van alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer kunnen worden ingezet en aanwijzing van de drugs waarvoor grenswaarden gelden en aanwijzing van de grenswaarden voor enkelvoudig en gecombineerd gebruik van drugs en van drugs en alcohol of geneesmiddelen (Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 25 februari 2015, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 619344; Gelet op [artikel 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8), en [artikel 163, tiende lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=163), [artikel 28a, elfde lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=28a), [artikel 89, tiende lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=89), [artikel 48, tiende lid, van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=48) en [artikel 11.6, tiende lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 april 2015, nr. W03.15.0052/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 7 december 2016, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2022958; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 26 september 2014 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het verbeteren van de aanpak van het rijden onder invloed van drugs (Stb. 2014/353) in werking treedt. § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **opsporingsambtenaar:** een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wette"},{"i":17645,"b":"Besluit van 3 februari 2011, houdende regels ter uitvoering van de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES (Uitvoeringsbesluit sociale kanstrajecten jongeren BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 september 2010, nr. WJZ/236477 (4870), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikel 11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028506&artikel=11), en [artikel 17, tweede lid van de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028506&artikel=17); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 oktober 2010, no. W05.10.0459/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 januari 2011, nr. WJZ 256170 (4870), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking in Bonaire, St. Eustatius en Saba. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **bijzondere uitkering:** de bijzondere uitkering, bedoeld in [artikel 17 van de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028506&artikel=17); - **wet:** de [Wet sociale kanstrajecten jongeren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028506). Artikel 2. Berekening bijzondere uitkering 1. Onze Minister stelt jaarlijks voor de openbare lichamen tezamen een bedrag vast ten behoeve van de bijzondere uitkeringen. 2. De vaststelling van de bijzondere uitkering voor een openbaar lichaam geschiedt door de verdeling van het ingevolge het eerste lid vastgestelde bedrag over de drie openbare lichamen. 3. Bij ministeriële regeling worden verdeelmaatstaven vastgesteld. Artikel 3. Kanstrajecttoelage Onze Minister stelt de hoogte van de kanstrajecttoelage bij ministeriële regeling vast. Artikel 4. Aanvraag kan"},{"i":16961,"b":"Besluit van 5 september 2022, houdende vaststelling van de decentralisatie- en integratie-uitkeringen aan de gemeenten en provincies voor het uitkeringsjaar 2019 (Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2019) § 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten en provincies Artikel 1 In het jaar 2019 ontvangen de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047215&bijlage=1&z=2022-10-01&g=2022-10-01) genoemde gemeenten de in die bijlage genoemde decentralisatie-uitkeringen. Artikel 2 In het jaar 2019 ontvangen de in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047215&bijlage=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01) genoemde provincies de in die bijlage genoemde decentralisatie-uitkeringen. § 2. Integratie-uitkeringen aan gemeenten Artikel 3 In het jaar 2019 ontvangen de in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047215&bijlage=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01) genoemde gemeenten de in die bijlage genoemde integratie-uitkeringen. § 3. Slotbepalingen Bijlage 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047215&paragraaf=1&artikel=1&z=2022-10-01&g=2019-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2. Decentralisatie-uitkeringen aan provincies als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047215&paragraaf=1&artikel=2&z=2022-10-01&g=2019-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 3. Integratie-uitkeringen aan gemeenten als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047215&paragraaf=2&artikel=3&z=2022-10-01&g=2019-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 augustus 2022, nr. 2022-0000366993, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst; Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=13); De"},{"i":19216,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 mei 2004, nr. DJZ/BR/0325-04, houdende specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak (Sanctieregeling Irak 2004 II) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op: – Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad van de Europese Unie van 7 juli 2003 (PbEG L 169) betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2465/96; – Verordening (EG) nr. 1799/2003 van de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 (PbEG L 264) tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1210/2003 betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak; – [de artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, eerste, tweede en derde lid, 7 en 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad van de Europese Unie van 7 juli 2003 (PbEG L 169) betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2465/96. 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van [Verordening (EG) nr. 1210/2003](32003R1210) is niet van toepassing in geval artikel 3, tweede lid, van de verordening van toepassing is. Het verbod te handelen in strijd met artikel 4, eerste, tweede of derde lid van de verordening is niet van toepassing in geval artikel 4, vierde lid, artikel 5 of artikel 6 van de verordening van toepassing is. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Sanctieregeling Irak 2004 II. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 23 mei 2004. Dez"},{"i":17782,"b":"Besluit van 4 december 2002 tot vaststelling van de Vergoedingenregeling Raad voor Rechtsbijstand (Vergoedingenregeling Raad voor Rechtsbijstand) Op voordracht van Onze Minister van Justitie, van 25 november 2002, nr. 5196780/802; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988 (Stb. 1988, 205)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **bestuur:** het bestuur bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - **raad van advies:** de raad van advies bedoeld in [artikel 6 van de Wet op de raad voor rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=6). Artikel 2 De voorzitter van de raad van advies ontvangt voor zijn werkzaamheden en onkosten een vaste maandelijkse vergoeding welke is gebaseerd op een arbeidsduurfactor van 0,079, berekend over het maximum van schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 3 De overige leden van de raad van advies ontvangen voor hun werkzaamheden en onkosten een vaste maandelijkse vergoeding welke is gebaseerd op een arbeidsduurfactor van 0,041, berekend over het maximum van schaal 17 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 4 Het bestuur kan op grond van [artikel 8 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8) voor de voorbereiding of uitvoering van bepaalde werkzaamheden commissies instellen. De leden van deze onder het bestuur ressorterende commissies ontvangen per dagdeel dat wordt deelgenomen aan een vergadering een vergoeding van € 140. Artikel 5 De voorzitter en de leden van de raad van advies en de onder het bestuur ressorterende"},{"i":17139,"b":"Instellingsbesluit Wetenschappelijke Kwaliteitsraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand gelet op [artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:5) jo. [artikel 8, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8); besluit: Een Wetenschappelijke Kwaliteitsraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand in te stellen; Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **de Raad voor Rechtsbijstand:** het orgaan dat aan het hoofd staat van de Raad voor Rechtsbijstand en dat wordt genoemd in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3) en [4 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=4), c.q. de algemeen directeur / bestuurder’; - –. **de Wetenschappelijke Kwaliteitsraad:** Wetenschappelijke Kwaliteitsraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand. Artikel 2. Instelling en taak 1. De Raad voor Rechtsbijstand besluit tot de instelling van een Wetenschappelijke Kwaliteitsraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand. 2. De Wetenschappelijke Kwaliteitsraad heeft tot taak periodiek de wetenschappelijk kwaliteit van het programmatisch onderzoek van het Kenniscentrum te evalueren en via een visitatie daarover te rapporteren. 3. Er is een Reglement Wetenschappelijke Kwaliteitsraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand, waarin de werkwijze van de Wetenschappelijke Kwaliteitsraad wordt beschreven. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Wetenschappelijke Kwaliteitsraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand."},{"i":19426,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 9 december 2020, nr. IENW/BSK-2020/239093, houdende aanwijzing personen belast met toezicht als bedoeld in artikel 158, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ten behoeve van markttoezicht als bedoeld in die wet (Besluit aanwijzing toezichthouders markttoezicht Wegenverkeerswet 1994) Gelet op [artikel 158, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=158); BESLUIT: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - –. **ILT:** Inspectie Leefomgeving en Transport; - –. **RDW:** Dienst Wegverkeer als bedoeld in [artikel 4a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4a); - –. **Richtlijn 1994/94:** [Richtlijn 1999/94/EG](31999L0094) van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto’s (PbEG 1999, L12); - –. **Verordening (EU) 167/2013:** [Verordening (EU) nr. 167/2013](32013R0167) van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PbEU 2013, L 60); - –. **Verordening (EU) 168/2013:** [Verordening (EU) nr. 168/2013](32013R0168) van het Europees Parlement en van de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L 60); - –. **Verordening (EU) 2018/858:** [Verordening (EU) nr. 2018/858](32758R2018) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van [Verordeningen (EG) nr. 715/2007](32007R0715) en [(EG) nr. 595/2009](32009R0595) en tot intrekking van [Richtlijn 2007/46/EG](3"},{"i":17436,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 oktober 2021, kenmerk 3259137-1007923-J, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering voor activiteiten ten behoeve van de vastgoedtransitie van de gesloten jeugdhulp, de ombouw van separeerruimten in de gesloten jeugdhulp en vastgoedtransitie van open driemilieusvoorzieningen (Regeling specifieke uitkering vastgoedtransitie residentiële jeugdhulp 2021) Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Definities - **accommodaties open driemilieusvoorzieningen:** accommodaties van open driemilieusvoorziening, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045673&artikel=3&z=2023-07-01&g=2023-07-01), die vermeld staan in [Bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045673&bijlage=2&z=2023-07-01&g=2023-07-01); - **accommodaties gesloten jeugdhulp:** accommodaties van instellingen gesloten jeugdhulp, die vermeld staan in [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045673&bijlage=1&z=2023-07-01&g=2023-07-01); - **bovenregionaal gebied:** een cluster van jeugdregio’s zoals gedefinieerd in [Bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045673&bijlage=1&z=2023-07-01&g=2023-07-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045673&bijlage=2&z=2023-07-01&g=2023-07-01); - **bovenregionaal plan:** het document waarin de jeugdhulpregio’s het toekomstperspectief voor de instellingen gesloten jeugdhulp of de open driemilieusvoorzieningen die werkzaam zijn in het bovenregionale gebied hebben uitgewerkt; - **coördinerende gemeente:** de gemeente, genoemd in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045673&artikel=5&z=2023-07-01&g=2023-07-01) en [Bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045673&bijlage=1&z=2023-07-01&g=2023-07-01) en [2](https://wetten.overh"},{"i":18823,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 november 2023 nr. BOACAT2023/077, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de divisie Havenmeester van het Havenbedrijf Rotterdam N.V Gelezen het verzoek van de havenmeester van het Havenbedrijf Rotterdam N.V., werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V. van 19 oktober 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid, en artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048880&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van (basis) scheepvaartmeester, inspecteur, adviseur in dienst van de divisie Havenmeester van het Havenbedrijf Rotterdam N.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het ee"},{"i":19173,"b":"Richtlijn voor strafvordering valse of vervalste kentekenplaten Beschrijving Deze richtlijn bevat het strafvorderingsbeleid van het OM inzake valse of vervalste kentekenplaten. Basiscasus/delict Het rijden met of voeren van valse of vervalste kentekenplaten (waaronder ook buitenlandse kentekenplaten) Gebruikte afkortingen: GB = geldboete GS = gevangenisstraf OBM = ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen ov = onvoorwaardelijk vw = voorwaardelijk"},{"i":19459,"b":"Besluit van 16 augustus 1995, houdende bepalingen met betrekking tot houders van een verklaring van vrijstelling van de loodsplicht Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 februari 1995, nr. J-10.971/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 10, tweede lid, onderdeel **b**, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=10); De Raad van State gehoord (advies van 20 juni 1995, no. W09.95.0079); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 augustus 1995, nr. J-13.390/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. verklaring: de verklaring van vrijstelling, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007513&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), van dit besluit, betreffende de verplichting, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=10); - b. lengte over alles: de lengte over alles volgens Lloyd’s Register of Ships; - c. regio: een gebied binnen de grenzen vastgesteld krachtens [artikel 10, derde lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=10); - d. bevoegde autoriteit: de voor een scheepvaartweg of gedeelte daarvan krachtens [artikel 1, onderdeel a, van het Loodsplichtbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=1) aangewezen functionaris; - e. regionale autoriteit: de voor een regio of gedeelte daarvan krachtens [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Loodsplichtbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=1) aangewezen bevoegde autoriteit; - f. gelijksoortige zeeschepen: zeeschepen"},{"i":17138,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 9 februari 2022, nr. 11359, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Vereenvoudiging sociale zekerheid (Instellingsbesluit Werkgroep IBO Vereenvoudiging sociale zekerheid) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046367&artikel=2&z=2022-03-03&g=2022-03-03). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Vereenvoudiging sociale zekerheid. 2. De werkgroep heeft tot taak een interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren conform de taakopdracht zoals gepubliceerd in de Najaarsnota 2021 (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2021-2022, 35 975, nr. 1). 3. Het onderzoek moet resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties in kaart worden gebracht op het betreffende beleidsterrein. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en een aantal leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de Minister benoemd. 4. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd Dineke ten Hoorn Boer. 5. Voor de duur van de werkgroep worden tot lid van de werkgroep benoemd: - –. Dorien Verbeek (Ministerie van Financiën) - –. Karin van Boetzelaer (Ministerie van Algemene Zaken) - –. Remko ter Weijden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - –. Victor Joosen (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) - –. Judith Duveen (Divosa) - –. Michiel van den Hauten (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) - –. Willem Zandbergen (Sociale Verzekeringsbank) - –. Jonneke Bolhaar"},{"i":16962,"b":"Besluit van 24 augustus 2024 houdende vaststelling van de decentralisatie- en integratie-uitkeringen aan de gemeenten en provincies voor het uitkeringsjaar 2020 (Besluit vaststelling decentralisatie-en integratie-uitkeringen 2020) § 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten en provincies Artikel 1 In het jaar 2020 ontvangen de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050238&bijlage=1&z=2024-10-01&g=2024-10-01) genoemde gemeenten de in die bijlage genoemde decentralisatie-uitkeringen. Artikel 2 In het jaar 2020 ontvangen de in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050238&bijlage=2&z=2024-10-01&g=2024-10-01) genoemde provincies de in die bijlage genoemde decentralisatie-uitkeringen. § 2. Integratie-uitkeringen aan gemeenten Artikel 3 In het jaar 2020 ontvangen de in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050238&bijlage=3&z=2024-10-01&g=2024-10-01) genoemde gemeenten de in die bijlage genoemde integratie-uitkeringen. § 3. Slotbepalingen Bijlage 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050238&paragraaf=1&artikel=1&z=2024-10-01&g=2020-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2. Decentralisatie-uitkeringen aan provincies als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050238&paragraaf=1&artikel=2&z=2024-10-01&g=2020-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 3. Integratie-uitkeringen aan gemeenten als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050238&paragraaf=2&artikel=3&z=2024-10-01&g=2020-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 januari 2024, nr. 2023-0000755590, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Fiscaliteit en Belastingdienst; Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=13); De Afdeling advi"},{"i":17418,"b":"Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 22 november 2022, nr. WJZ/ 22543722, houdende regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen in verband met de realisatie van provinciale versnellingsvoorstellen voor de gebiedsgerichte aanpak voor natuur, inclusief stikstof, water en klimaat (Regeling specifieke uitkering provinciale versnellingsvoorstellen transitie landelijk gebied) Gelet op de [artikelen 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2a), en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister voor Natuur en Stikstof; - **provinciaal versnellingsvoorstel:** in de bijlage genoemd voorstel dat door een provincie is ingediend naar aanleiding van de bij brief van 5 april 2022 gedane uitvraag aan de provincies voor voorstellen om de gebiedsgerichte aanpak voor natuur, inclusief stikstof, water en klimaat, te versnellen; - **provincie:** provincie of het samenwerkingsverband Noord-Nederland; - **restwaarde:** economische waarde die de bij de aankoop door de provincie verkregen vermogensbestanddelen hebben na realisatie van het betreffende versnellingsvoorstel, zoals bepaald door een onafhankelijk taxateur; - **vermogensvorming:** opbrengsten van de bij de aankoop door de provincie verkregen vermogensbestanddelen en de restwaarde van die vermogensbestanddelen. Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De minister kan op aanvraag een specifieke uitkering verstrekken aan een provincie die wordt aangewend voor de realisatie van één of meerdere provinciale versnellingsvoorstellen. 2. Per provincie wordt één specifieke uitkering verstrekt. 3. De specifieke uitkering wordt verstrekt voor kosten gemaakt in de periode 5 april 2022 tot en met 31 december 2024. 4. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor kosten welke reeds uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd. Artike"},{"i":19522,"b":"Regeling houdende regels betreffende de bestelling, het transport en de beveiliging van rijbewijzen en wijziging van enkele regelingen op het gebied van de rijbewijsreglementering (Regeling bestelling, transport en beveiliging rijbewijzen) Gelet op de [artikelen 107, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=107), en [116, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=116) en [119, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=119), [120](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=120) en [122, eerste en tweede lid, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=122); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A, B, C, D tot en met F, G, H tot en met K, L, M, N, O, P en Pa, van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (wijziging procedure aanvraag en afgifte rijbewijzen) (Stb. 321) in werking treedt. Artikel 1. De bevoegdheid tot het bestellen en in ontvangst nemen van rijbewijzen 1. De Dienst Wegverkeer is bevoegd tot het bestellen van blanco rijbewijzen van een leverancier, alsmede tot het in ontvangst nemen van die blanco rijbewijzen. 2. Bevoegd tot het aanvragen van rijbewijzen zijn: - a. de burgemeesters van de gemeenten in Nederland; - b. de directie van de Dienst Wegverkeer. 3. De personen of het orgaan, bedoeld in het tweede lid, machtigen ieder: - a. ten minste twee personen om namens hen aanvragen te doen en - b. ten minste twee personen om leveringen van die aanvragen in ontvangst te nemen. Artikel 2. De aanmelding en registratie van de tot het bestellen en in ontvangst nemen bevoegde personen 1. De aanmelding en registratie van de tot het bestellen van rijbewijzen bevoegde personen vindt plaats bij de Dienst Wegverkeer. De aanmelding geschiedt schriftelijk met gebruikmaking van een daartoe bij de Dienst Wegverkeer verkrijgbaar formulier. 2. De aanmelding en registratie van de tot"},{"i":17617,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 februari 2017, 2017-00000197982, tot vaststelling van de Tijdelijke regeling experimenten Participatiewet (Tijdelijke regeling experimenten Participatiewet) Gelet op [artikel 83, derde en vierde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=83) en [artikel 2, tweede lid, van het Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet](onbekend); besluit vast te stellen: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet in werking treedt. Tijdelijke regeling experimenten Participatiewet Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **besluit:** [Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet](onbekend); - –. **initiatiefgemeente:** gemeente Groningen, gemeente Tilburg, gemeente Utrecht en gemeente Wageningen; - –. **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2. Indiening verzoek 1. Het verzoek van een gemeente als bedoeld in artikel 3 van het besluit wordt uitsluitend schriftelijk ingediend bij de minister per e-mail op het volgende e-mailadres: ExperimentenPW@minSZW.nl. Het door de gemeente gebruikte e-mailadres zal in de verdere correspondentie worden gebruikt. 2. Voor het indienen van een verzoek worden de daartoe beschikbare formulieren gebruikt, die op de website van de Rijksoverheid zijn gepubliceerd. 3. Een initiatiefgemeente wordt in de gelegenheid gesteld om vanaf 1 april 2017 een verzoek in te dienen. 4. Overige gemeenten kunnen vanaf maandag 1 mei 2017 om 9.00 uur, een verzoek indienen. 5. Gemeenten die binnen dezelfde arbeidsmarktregio vallen, of deel uit maken van een bestaand samenwerkingverband in het kader van de wet, die gezamenlijk één experiment willen uitvoeren, wijzen een gemeente aan als penvoerder die het gezamenlijke verzoek per e-mail indient. Artikel 3. Behandeling aanvragen 1. Verzoeken worden op volgorde van binnenkomst behandeld. 2. Alleen ee"},{"i":17781,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 oktober 2014, nr. 556717, houdende toekenning van een vaste vergoeding per maand aan de leden van de Landelijke adviescommissie plaatsing longstay forensische zorg (Vergoedingenbesluit Landelijke adviescommissie plaatsing longstay forensische zorg) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **BBRA 1984:** [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630); - b. **commissie:** Landelijke adviescommissie plaatsing longstay forensische zorg. Artikel 2 1. De voorzitter van de commissie ontvangt een vergoeding per maand op basis van een arbeidsduurfactor van 0,1 en het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). 2. De overige leden van de commissie ontvangen een vergoeding per maand op basis van een arbeidsduurfactor van 0,1 en het maximum van salarisschaal 17 van [bijlage B van het BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). 3. De leden van de commissie die op grond van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) zijn uitgesloten van een vergoeding, ontvangen geen vergoeding. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2015. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit Landelijke adviescommissie plaatsing longstay forensische zorg. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17748,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Singapore inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Singapore, hierna gezamenlijk te noemen „de verdragsluitende partijen” en elk afzonderlijk de „verdragsluitende partij”, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid, openbare orde en handel van de verdragsluitende partijen; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden gemaakt door middel van samenwerking, met name door uitwisseling van informatie tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen wettelijke bepalingen; Erkennende de bilaterale overeenkomsten en regelingen inzake douanesamenwerking tussen de verdragsluitende partijen; Gelet op internationale overeenkomsten die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „douaneadministratie”: - –. wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft: de centrale administratie die verantwoordelijk is voor de toepassing van de douanewetgeving; - –. wat de Republiek Singapore betreft: de douanedienst van Singapore; - b. „douanerechten”: alle rechten, belastingen of heffingen die geheven worden op de grondgebieden van de verdragsluitende partijen bij toepassing van"},{"i":16964,"b":"Besluit vaststelling normbedrag en bedrag van het voorschot van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (2012) Gelet op [artikel 35, tweede en vierde lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Besluit: - 1. Per 1 januari 2012 wordt het normbedrag als bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op: € 768 - 2. Per 1 januari 2012 wordt het voorschot als bedoeld in [artikel 35, vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op: ten hoogste 50% van € 47.200 Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18188,"b":"Mandaatbesluit Personele Bevoegdheden Defensie 2017 Gelet op het [Algemeen Organisatiebesluit Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034157) Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** de minister of de staatssecretaris van Defensie; - b. **het Kerndepartement:** de Bestuursstaf; - c. **de Secretaris-Generaal:** de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Defensie of degene die door de Secretaris-Generaal schriftelijk is aangewezen als waarnemer; - d. **de commandant operationeel commando:** de functionaris bedoeld in [artikel 1, eerste lid onderdeel h, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=1) namelijk de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando; - e. **het hoofd defensieonderdeel:** de functionaris bedoeld in [artikel 3, eerste lid onderdeel b van het Burgerlijk ambtenarenreglement Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=3) namelijk: - 1°. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft het Kerndepartement; - 2°. de commandant operationeel commando voor het desbetreffende commando; - 3°. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie; - 4°. de commandant van het Defensie Ondersteuningscommando, voor zover het betreft het Defensie Ondersteuningscommando; - f. **beschikking:** een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan; - g. **uitvoerende personele bevoegdheid:** de bevoegdheid op grond waarvan een beschikking over een rechtspositionele aangelegenheid kan worden genomen; - h. **attributie:** het bij wettelijk voorschrift in het leven roepen en toedelen van een publiekrechtelijke bevoegdheid; - i"},{"i":18538,"b":"Selectielijst neerslag handelingen minister van SZW op het beleidsterrein Beheer Rijksbegroting Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 10 september 1997, nr. arc-97.1473/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, als vakminister en als vakminister in Londen, binnen het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting (periode 1940-1993), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":16967,"b":"Besluit vaststelling samenstelling Programmaraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand Gelet op: [Artikel 8 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8); Het Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand tot instelling van een Programmaraad voor het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand; Besluit: Artikel 1 De Programmaraad stelt periodiek het meerjarige programma van het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand op themaniveau vast, waarbinnen het programmatisch onderzoek plaatsvindt. Daarnaast stelt de Programmaraad het jaarplan vast en heeft het een agenderende functie. Artikel 2 De bestuurder van de Raad is voorzitter van de Programmaraad. De voorzitter, de plaatsvervangend bestuurder van de Raad, de directeur Rechtsbestel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en een bestuurder van de Nederlandse orde van advocaten, het Juridisch Loket en de Mediatorsfederatie Nederland hebben het recht om permanent lid te zijn van de Programmaraad. Artikel 3 De Programmaraad bestaat uit de volgende leden: - •. Irene Nijboer (voorzitter) **Bestuurder Raad voor Rechtsbijstand** - •. Willemijn van Helden **Bestuurder het Juridisch Loket** - •. Sanne van Oers **Bestuurder Nederlandse orde van advocaten** - •. Ädwin Rotscheid **Directeur directie rechtsbestel, Ministerie van Justitie en Veiligheid** - •. Judith Simon-Emaus **Directeur-bestuurder Mediatorsfederatie Nederland** - •. Marjon Stegeman **Plaatsvervangend bestuurder Raad voor Rechtsbijstand** Artikel 4. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt in werking de dag na de publicatie in de Staatscourant. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling samenstelling Programmaraad Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand."},{"i":18255,"b":"Wet van 25 juli 1871, houdende regeling van de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten, en van de consulaire regtsmagt Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten, en de consulaire regtsmagt bij eene wet te regelen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: hoofdstuk Eerste. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Aan de consulaire ambtenaren, bij algemene maatregel van rijksbestuur aan te wijzen, wordt toegekend: - a. de bevoegdheid tot het opmaken van akten van de burgerlijke stand, - b. de bevoegdheid tot het opmaken van andere burgerlijke akten, - c. de bevoegdheid tot het verrichten van bepaalde handelingen van vrijwillige rechtspraak in burgerlijke zaken, in Nederland aan kantonrechters en in de landen Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan leden van het gerecht in eerste aanleg opgedragen. 2. Evenzo kan bij algemene maatregel van rijksbestuur een bepaalde onder a of b begrepen bevoegdheid afzonderlijk aan consulaire ambtenaren worden verleend. 3. Rechtspraak bij andere wetten aan diplomatieke en consulaire ambtenaren opgedragen, wordt uitgeoefend overeenkomstig de regelen van deze wet. 4. De consulaire ambtenaren oefenen een hun toegekende bevoegdheid uit binnen het ressort dat Onze Minister van Buitenlandse Zaken voor de consulaire post waaraan zij verbonden zijn, heeft vastgesteld, en slechts ten behoeve van daarin aanwezige Nederlanders. 5. Een consulaire ambtenaar mag scheidsman zijn. 6. De aan het hoofd van consulaire posten gestelde ambtenaren worden bij koninklijk besluit aangewezen voor de duur dat zij in die functie zijn gesteld. De aanwijzing eindigt met ingang van de datum dat de"},{"i":19254,"b":"Regeling van de Minister van Justitie houdende toekenning van opsporingsbevoegdheid voor de Flora- en Faunawet aan buitengewoon opsporingsambtenaren Gelet op [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder ten tweede, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Besluit: Artikel 1 De buitengewoon opsporingsambtenaren met de functie van flora- en faunabeheerder worden aangewezen als ambtenaren, belast met de opsporing van de bij of krachtens de [hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&hoofdstuk=3) strafbaar gestelde feiten. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2002. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17093,"b":"Europese Interim-Overeenkomst betreffende sociale zekerheid met uitsluiting van de regelingen voor ouderdom, invaliditeit en overlijden De Regeringen welke deze Overeenkomst hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is grotere eenheid onder zijn Leden te bewerkstelligen, teneinde onder meer hun sociale vooruitgang te bevorderen, Bevestigende het beginsel van gelijkheid van behandeling van de onderdanen van alle Partijen bij deze Overeenkomst, met betrekking tot de wetten en regelingen inzake de sociale zekerheid van ieder van Haar, welk beginsel is vastgelegd in de Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie, Eveneens bevestigende het beginsel, krachtens hetwelk de onderdanen van elke Overeenkomstsluitende Partij de voordelen moeten genieten van de overeenkomsten inzake de sociale zekerheid, gesloten tussen twee of meer van Haar, Verlangende aan deze beginselen uitvoering te geven door het sluiten van een Interim-Overeenkomst, in afwachting van het sluiten van een algemeen verdrag, gegrond op een netwerk van bilaterale overeenkomsten, Zijn het volgende overeengekomen: Vanaf 8 mei 1977 niet meer van toepassing in de betrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden (Nederland) en de andere partijen bij het Verdrag van 1972 (Trb. 1982/148). Artikel 1 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op alle wetten en regelingen inzake de sociale zekerheid, welke op het tijdstip van haar ondertekening van kracht zijn dan wel op een later tijdstip van kracht worden op enig deel van het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen en welke betrekking hebben op: - (a). ziekte, moederschap en overlijden (uitkeringen bij overlijden), daaronder begrepen medische verstrekkingen, welke niet afhankelijk zijn gesteld van bewezen nooddruft; - (b). bedrijfsongevallen en beroepsziekten; - (c). werkloosheid; - (d). kinderbijslagen. 2. Deze Overeenkomst is van toepassing op stelsels van uitkeringen met en zonder premiebetaling"},{"i":16969,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) vanaf 2005 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) over de periode vanaf 2005 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17125,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 23 juni 2023, houdende instelling van de Commissie sociale veiligheid en integriteit Financiën (Instellingsbesluit Commissie sociale veiligheid en integriteit Financiën 2023) Gehoord hebbende de Departementale Ondernemingsraad Financiën; In overeenstemming met het Departementaal Georganiseerd Overleg Financiën; Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het Ministerie:** het Ministerie van Financiën (inclusief het directoraat-generaal Belastingdienst, het directoraat-generaal Douane en het directoraat-generaal Toeslagen); - b. **de Minister:** de Minister van Financiën; - c. **de SG:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën; - d. **de pSG:** de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën; - e. **de DG’s:** de directeur-generaal Belastingdienst, de directeur-generaal Toeslagen, de directeur-generaal Douane, de directeur-generaal Rijksbegroting, de directeur-generaal Fiscale Zaken en de thesaurier-generaal van het Ministerie van Financiën; - f. **de commissie:** de Commissie sociale veiligheid en integriteit Financiën, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048417&artikel=2&z=2025-12-25&g=2025-12-25); - g. **betrokkene:** een medewerker, voormalig medewerker, stagiair, vrijwilliger, oproepkracht, gedetacheerde dan wel een persoon die individueel of als groep anderszins arbeid verricht of heeft verricht bij het Ministerie; - h. **het vermoeden van een integriteitschending:** als een medewerker (incidenteel of structureel) niet handelt overeenkomstig de (daarvoor) geldende morele waarden en normen en de daarmee samenhangende regels. Ook gedrag buiten werktijd en buiten de plaats waar de functie normaal wordt uitgeoefend kan een integriteitschending opleveren, zeker wanneer er een relatie is t"},{"i":18549,"b":"Onderlinge regeling uitrusting politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (uitrustingsregeling voor de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Overwegende: dat op grond van [artikel 42, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=42) de landen onderling een regeling treffen houdende regels voor de uitrusting van ambtenaren van politie; dat elk van de landen hetgeen in deze regeling is overeengekomen vaststellen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of algemene maatregel van bestuur; Gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) en [artikel 42, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=42), Komen het volgende overeen: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **rijkswet:** de [Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079); - b. **ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 3, onder a, van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3), met de hoofdrang hoger dan die van aspirant; - c. **aspirant:** degene die is toegelaten tot de basisopleiding. Hoofdstuk 2. Bewapening en overige uitrusting Artikel 2 1. De bewapening van de ambtenaar bestaat tijdens de uitoefening van de dienst uit: - a. de korte wapenstok; - b. de pepperspray en nazorgmiddelen; - c. het pistool of de revolver met de daarbij behorende munitie. 2. De korpsbeheerder kan ambtenaren v"},{"i":17364,"b":"Regeling melding bijzondere voorvallen jeugdigen Gelet op [artikel 5, tweede lid van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=5); Gezien het advies van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming van 28 juni 2001, kenmerk 5105565/TH/mk; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bijzondere voorvallen:** de voorvallen, genoemd in [artikel 2, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012739&artikel=2&z=2015-10-01&g=2015-10-01), van deze regeling; - b. **ontvluchting:** onttrekking van een jeugdige aan het op hem uitgeoefende toezicht vanuit een gesloten gebouw, vanaf een beveiligd terrein, tijdens transport of tijdens begeleid verblijf buiten de inrichting; - c. **DJI:** Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Veiligheid en Justitie; - d. **divisiedirecteur ForZo/JJI:** de directeur van de divisie Forensische Zorg en Justitiële Jeugdinrichtingen van de DJI. Artikel 2 1. Bijzondere voorvallen die onmiddellijk door de directeur van de inrichting telefonisch en schriftelijk per elektronische post aan de divisiedirecteur ForZo/JJI worden gemeld, zijn de volgende: - a. ontvluchting van een jeugdige; - b. ernstige geweldsincidenten in of buiten de inrichting; - c. ernstige ordeverstoring; - d. suïcide van een jeugdige; - e. onnatuurlijke dood van een jeugdige; - f. elk ander incident in of buiten de inrichting van ernstige, politiek gevoelige of publiciteitsgevoelige aard. 2. Bijzondere voorvallen die uiterlijk de eerstvolgende werkdag schriftelijk per elektronische post aan de divisiedirecteur ForZo/JJI worden gemeld zijn de volgende: - a. onttrekking aan, poging tot, of voorbereiding van onttrekking aan, het op hem uitgeoefende toezicht door een jeugdige uit een beperkt beveiligde inrichting of afdeling of vanaf een niet-beveiligd terrein; - b. niet terugkeren van onbegeleid verlof door een jeugdige; - c. geweld tegen andere jeugdigen of geweld"},{"i":17615,"b":"Tijdelijke beleidsregel pilot kosteloze rechtsbijstand procedures in eerste aanleg met betrekking tot (spoed)uithuisplaatsing ex artikel 1:265b BW en gezagsbeëindiging ex de artikelen 1:266 juncto 1:267 BW Gelet op [artikel 4:23, derde lid onder a van de Algemene wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23), de [artikelen 7, eerste lid onder a en b van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7) juncto [4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **advocaat:** de advocaat die op basis van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050471&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2024-11-28&g=2024-11-28) van deze beleidsregel is toegelaten tot de pilot; - b. **beleidsregel:** tijdelijke beleidsregel pilot kosteloze rechtsbijstand procedures in eerste aanleg met betrekking tot (spoed)uithuisplaatsing van de minderjarige ex [artikel 1:265b BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=265b) en gezagsbeëindiging ex de [artikelen 1:266](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=266) juncto [1:267 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=267); - c. **bestuur:** het bestuur van de Raad, als bedoeld in [artikel 3 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - d. **Bvr:** [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018); - e. **kosteloze rechtsbijstand:** rechtsbijstand als bedoeld in deze beleidsregel zonder inkomens- en vermogenstoets en zonder oplegging van een eigen bijdrage; - f. **pilot:** pilot kosteloze rechtsbijstand procedures in eerste aanleg met betrekking tot (spoed)uithuisplaatsing ex [artikel 1:265b BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=265b) en gezagsbeëindiging ex de [artike"},{"i":18106,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 maart 2009, nr. DDI/ST/reg. 008/2009, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van het Gezantschap, later de Ambassade in Italië te Rome (1955–1974), het Consulaat, later het Consulaat-Generaal in Italië te Genua (1945–1958), het Consulaat-Generaal in Italië te Milaan (1955–1974) en het Consulaat in Italië te Napels (1943–1970) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van het Gezantschap, later de Ambassade in Italië te Rome (1955–1974), het Consulaat, later het Consulaat-Generaal in Italië te Genua (1945–1958), het Consulaat-Generaal in Italië te Milaan (1955–1974) en het Consulaat in Italië te Napels (1943–1970) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 135 | 2040 | | 1422 | 2037 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van het Gezantschap, later de Ambassade in Italië te Rome (1955–1974), het Consulaat, later het Consulaat-Generaal in Italië te Genua (1945–1958), het Consulaat-Generaal in Italië te Milaan (1955–1974) en het Consulaat in Italië te Napels (1943–1970) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met inga"},{"i":19243,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 september 2004, nr. DJZ/BR/0260-04, houdende bepaalde beperkende maatregelen ten aanzien van Zimbabwe (Sanctieregeling Zimbabwe 2004) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op [Verordening (EG) nr. 314/2004](32004R0314) van de Raad van de Europese Unie van 19 februari 2004 inzake bepaalde beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (Pb EG L 55); Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt nr. 2004/161/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 19 februari 2004 houdende verlenging van de beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (Pb EG L 50); Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, 3 en 8 van [Verordening (EG) nr. 314/2004](32004R0314) van de Raad van 19 februari 2004 betreffende een wapenembargo in het licht van de situatie in Zimbabwe (Pb EG L 55). 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in gevallen waarin artikel 4, eerste lid, 4bis, eerste lid, of 5 van [Verordening (EG) nr. 314/2004](32004R0314) van toepassing zijn. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Sanctieregeling Zimbabwe 2004. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 2a 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 4bis, eerste en derde lid, en artikel 8 van [Verordening (EG) nr. 314/2004](32004R0314) is de Minister van Financiën voor zover het betreft financieringen of financiële bijstand, de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard. 2. De bevoegde autoriteit bedoeld in artikel 4, eerste lid, arti"},{"i":17720,"b":"Verdrag tot oprichting van de Caribische Douaneorganisatie en inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken De Staten bij dit Verdrag, Overwegend de wezenlijke politieke en economische veranderingen die hebben plaatsgevonden in het Caribische gebied en de door de betrokken volkeren uitgedrukte wens om meer verantwoordelijkheid te dragen in het verhelpen van de problemen in het gebied; Overwegend dat de regionale douanesamenwerking in het Caribische gebied zich in de loop der jaren op vele vlakken heeft ontwikkeld en waardevolle diensten heeft geleverd; Gezien de verwachting dat de regionale douanesamenwerking in het Caribische gebied verder dient te worden uitgebreid om met de uitdagingen op het vlak van wetshandhaving, veiligheid en handelsfacilitatie om te kunnen gaan; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de veiligheid en openbare orde van de leden, voor de gezondheid en het leven van mens, dier of plant, voor nationale schatten van artistieke, historische of archeologische waarde, voor industriële of commerciële eigendom en hun economische, commerciële, fiscale en sociale belangen; Gezien het om de douanesamenwerking in het Caribische gebied verder te versterken en te bevorderen raadzaam wordt geacht om de ervaringen met de Caribische Raad voor de handhaving van de douanewetgeving te evalueren in het licht van de politieke en economische veranderingen in de regio en de nieuwe verantwoordelijkheden die de douaneadministraties de afgelopen jaren hebben aanvaard om te voldoen aan hun verantwoordelijkheden inzake douaneheffingen, handhaving, veiligheid en handelsfacilitatie; Gelet op het voortdurende belang van de bijdrage aan de begroting en derhalve van een juiste vaststelling van de douanerechten en van andere belastingen en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Rekening houdend met de dreiging van"},{"i":18193,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie, van 9 maart 2015, kenmerk 622180, houdende toekenning van de Eremedaille voor verdienste politie aan ambtenaren van politie die een bijzondere politie prestatie hebben geleverd, ofwel zich op uitzonderlijke wijze verdienstelijk hebben gemaakt voor de Nederlandse politie (Besluit tot een Eremedaille voor verdienste politie) gehoord de korpschef van politie, Besluit: Artikel 1 Ingesteld wordt de ‘Eremedaille voor verdienste politie’, nader te noemen de Eremedaille. Artikel 2 De Eremedaille wordt verleend in goud en kent één graad. Artikel 3 De Eremedaille kan worden toegekend aan ambtenaren van politie die een uitzonderlijke prestatie van eenheid overstijgend of landelijk belang hebben geleverd dan wel zich op uitzonderlijke wijze verdienstelijk hebben gemaakt voor de politie. Artikel 4 De Eremedaille kan éénmalig aan een persoon worden toegekend en kan ook postuum worden toegekend. Artikel 5 1. De toekenning van de Eremedaille geschiedt door de Minister van Veiligheid en Justitie. 2. De uitreiking van de Eremedaille geschiedt door de korpschef, voor zover het ambtenaren van politie betreft als bedoeld in [artikel 2, aanhef en onder a, b en c van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2). 3. De uitreiking van de Eremedaille geschiedt door de voorzitter van het College van procureurs-generaal voor zover het ambtenaren van politie betreft als bedoeld in [artikel 2, aanhef en onder d van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2). Artikel 6 Het versiersel, uitgevoerd in goud, bestaat uit een ster met zeven stralen met in het midden het politielogo. In de rand rondom het logo staat de tekst: Waakzaam en dienstbaar. Het lint bestaat uit de kleuren blauw en geel en heeft geen overeenkomst met bestaande Nederlandse onderscheidingen. Artikel 7 Degene aan wie de Eremedaille is toegekend is gerechtigd tot het dragen van het knoopsgat insigne, de baton voo"},{"i":18295,"b":"Instellingsbesluit van de Minister van Justitie en de Minister van BZK aangaande de Rijksalarmcentrale (Rac) Overwegende dat: – Op grond van het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 (Trb. 1962, 101 en 106), het Verdrag van Wenen van 24 april 1963 (Trb. 1965, 40 en 1981, 143), het Verdrag van New York van 14 december 1973 (Trb. 1981, 69), de zetelovereenkomsten ten behoeve van de vestiging van internationale organisaties in Nederland, het Voorzieningenbesluit ministers van staatssecretarissen (Stb. 2002, 369) en de Brief en nota van 20 juni 2003 in zake het stelsel van bewaken en beveiligen (TK 2002–2003, 28 974, nrs. 1 en 2) en de brief inzake de evaluatie van het stelsel bewaken en beveiligen d.d. 10 oktober 2005 (TK 2005–2006, 28 974, nr. 5) heeft de Rijksoverheid een bijzondere verantwoordelijkheid voor een bepaalde groep personen, objecten en diensten vanwege het nationale belang dat met hun veiligheid en hun ongestoord functioneren is gemoeid. – De Rijksoverheid voorts als werkgever een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor de veiligheid van een bepaalde groep personen, waarvan de aard van het werk met zich meebrengt dat de (persoonlijke en/of staats)veiligheid in het geding kan zijn, hiermee samenhangend de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van informatie en objecten. – Aan deze verantwoordelijkheid wordt onder andere invulling gegeven door de inrichting en exploitatie van de Rijks Alarm Centrale. – Het Korps landelijke politiediensten op grond van [artikel 38 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=38) is belast met een aantal specifieke taken. – De inrichting en exploitatie van de Rijks Alarm Centrale en hetgeen daarmee samenhangt wordt in beleids- en werkafspraken tussen betrokkenen vastgelegd. Besluiten: Artikel 1. Rijks Alarm Centrale Er is een Rijks Alarm Centrale (RAC), die deel uitmaakt van het Korps landelijke politiediensten (KLPD). Artikel 2. Doelstelling en reikwijdte RAC 1. De RAC is de ontvangstce"},{"i":17962,"b":"Wet van 28 september 2006 tot wijziging van enige artikelen van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (specialistenregisters) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wijzigingen aan te brengen in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met de Aanwijzingen voor de regelgeving; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel II 1. Specialistentitels die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn aangemerkt als een wettelijk erkende specialistentitel, worden aangemerkt als een, met toepassing van het nieuwe [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14), door Onze Minister wettelijk erkende specialistentitel. 2. Regelingen als bedoeld in [artikel 14, tweede lid, onder c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14), welke door Onze Minister zijn goedgekeurd vóór de inwerkingtreding van deze wet, worden aangemerkt als een, met toepassing van het nieuwe [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14), goedgekeurde regeling. Voor zover de regelingen strijdig zijn met deze wet worden ze binnen twee jaren na inwerkingtreding van deze wet daarmee in overeenstemming gebracht. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18525,"b":"Rijkswet van 9 januari 1985, houdende uitbreiding van de territoriale zee van het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het bijzonder voor de veiligheid van de scheepvaart voor de kust en voor de bescherming van het zeemilieu van belang is dat het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen zijn territoriale zee tot twaalf zeemijlen uitbreidt; Dat het tevens wenselijk is ter gelegenheid van deze uitbreiding preciseringen aan te brengen in de grens tussen de binnenwateren en de territoriale zee van het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De territoriale zee van het Koninkrijk in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt uitgebreid tot twaalf zeemijlen, met inachtneming van regels te stellen bij algemene maatregel van rijksbestuur. Artikel 2 1. Deze rijkswet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 2. Deze rijkswet wordt aangehaald als: Rijkswet uitbreiding territoriale zee van het Koninkrijk. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** en het **Publicatieblad van de Nederlandse Antillen** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17704,"b":"Verdrag houdende wijziging van het Verdrag van 5 april 1966 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije Wensende de betrekkingen inzake sociale verzekering tussen de beide Staten verder te ontwikkelen; Hebbende besloten enige bepalingen van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid, ondertekend te Ankara op 5 april 1966 (hierna te noemen het Verdrag) te herzien, Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid; Ankara, 5 april 1966. Artikel 2 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid; Ankara, 5 april 1966. Artikel 3 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid; Ankara, 5 april 1966. Artikel 4 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid; Ankara, 5 april 1966. Artikel 5 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid; Ankara, 5 april 1966. Artikel 6 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid; Ankara, 5 april 1966. Artikel 7 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid; Ankara, 5 april 1966. Artikel 8 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid; Ankara, 5 april 1966. Artikel 9 Wijzigt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid; Ankara, 5 april 1966. Artikel 10 1. Aan dit Verdrag kan geen enkel recht op betaling van uitkeringen worden ontleend voor een tijdvak dat aan zijn inwerkingtreding voorafgaat. 2. Voor de vaststellin"},{"i":19301,"b":"Wetboek van Strafvordering BES Titel I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende nadere regelingen en uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder: - **aanbieder van een communicatiedienst:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening van een beroep of bedrijf aan de gebruikers van zijn dienst de mogelijkheid biedt te communiceren met behulp van een geautomatiseerd werk, of gegevens verwerkt of opslaat ten behoeve van een zodanige dienst of de gebruikers van die dienst; - **beschikkingen:** de niet op de terechtzitting gegeven beslissingen; - **commandant:** de bevelhebber van een oorlogsschip of een militair luchtvaartuig van het Koninkrijk; - **einduitspraken:** de uitspraken tot verklaring van onbevoegdheid, niet-ontvankelijkheid of nietigheid van de dag vaarding, en die welke na afloop van het gehele onderzoek op de terechtzitting over de zaak worden gedaan; - **gebruiker van een communicatiedienst:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die met de aanbieder van een communicatiedienst een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van die dienst of die feitelijk gebruik maakt van een zodanige dienst; - **gegevens:** iedere weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken; - **gezagvoerder van een luchtvaartuig:** elke gezagvoerder van een Nederlands burgerlijk luchtvaartuig of degene die deze vervangt; - **Hof van Justitie en Hof:** Hof van Justitie en Hof: het Gemeenschappelijk Hof, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=15); - **huiszoeking:** het gericht en stelselmatig onderzoeken van een plaats als bedoeld in de [artikelen 144](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=144) en [145 van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid"},{"i":18787,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden Hoofdafdeling Privaatrecht Ministerie van Justitie inzake geslachtsnaamswijzigingen, 1921 – 1972 (toegangsnummer 2.09.131) Gelet op [artikel 15, eerste lid onder a en tweede lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), het [besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 26 februari 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043215) (Staatscourant 2020, nr. 10389) en het [besluit van de De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 10 februari 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044797) (Staatscourant 2021, nr. 6429) Besluit: Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden, geborgen onder de bijlage 1 genoemde inventarisnummers, van het archief van de Hoofdafdeling Privaatrecht van het Ministerie van Justitie inzake geslachtsnaamswijzigingen, 1921 – 1972 (toegangsnummer 2.09.131) wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer vastgesteld tot 75 jaar na afsluiting van het desbetreffende dossier. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046033&artikel=1&z=2021-12-17&g=2021-12-17), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046033&artikel=1&z=2021-12-17&g=2021-12-17), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage | Inv.nr. | Openbaar 1 januari | | ---"},{"i":17677,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid periode 1945-1999 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2005, nr. arc-2004.01772/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid over de periode 1945–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18195,"b":"Besluit van 6 juli 1929, tot regeling van de overbrenging naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen van de registers der overledenen, opgemaakt ingevolge de \"Ordonnantie eener Belasting op het Regt van Successie\" van 4 October 1805 Op de gemeenschappelijke voordracht van Onzen Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, van Onzen Minister van Justitie en van Onzen Minister van Financiën van 25 Maart 1929, n°. 13194, afdeeling Kunsten en Wetenschappen, van 9 April 1929, 1e Afdeeling C, n°. 885, en van 19 April 1929, n°. 13, Afdeeling Indirecte Belastingen; Overwegende, dat het wenschelijk is de registers der overledenen, opgemaakt ingevolge de Ordonnantie eener Belasting op het Regt van Successie van 4 October 1805 en krachtens het Koninklijk besluit van 23 Januari 1824 onder bewaring van de ambtenaren van den burgerlijken stand gesteld, naar de Algemeene Rijksarchiefbewaarplaats te **'s-Gravenhage**, naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen in de provinciën over te brengen; Gelet op [artikel 19, tweede lid van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=19) 1918 (**Staatsblad** n°. 378), gelijk zij gewijzigd is bij de wet van 14 Mei 1928 (**Staatsblad** n°. 177); Den Raad van State gehoord (advies van 28 Mei 1929, n°. 20); Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 8 Juni 1929, n°. 2712, Afdeeling Kunsten en Wetenschappen van 15 Juni 1929, 1e Afdeeling C, n°. 918 en van 2 Juli 1929, n°. 69, afdeeling Indirecte Belastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: met intrekking van het Koninklijk besluit van 23 Januari 1824 en van Ons besluit van 18 September 1919 (**Staatsblad** n°. 576), te bepalen als volgt: Artikel 1 De registers der overledenen, opgemaakt krachtens de Ordonnantie eener Belasting op het Regt van Successie alomme in het Bataafsche Gemeenebest in te vorderen van 4 October 1805, zullen worden overgebracht naar de Rijksarchiefbewaarplaats, gevestigd in de hoofdplaats der provincie, binnen welke de gemeente is gelegen, w"},{"i":17412,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 4 december 2019, nr. WJZ/ 19261150, houdende een specifieke uitkering voor de gemeente Appingedam, Het Hogeland, Midden-Groningen en de provincie Groningen in verband met de uitvoering van het nationaal programma Groningen (Regeling specifieke uitkering nationaal programma Groningen tweede tranche) Gelet op [artikel 2 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 17, tweede en vijfde lid, van de Financiële verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **gemeenten:** gemeenten Appingedam, Het Hogeland en Midden-Groningen; - **nationaal programma Groningen:** nationaal programma Groningen als bedoeld in de Bestuursovereenkomst Nationaal Programma Groningen, Kamerstukken II, 33 529, nr. 587, bijlage 1. Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De minister verstrekt een eenmalige specifieke uitkering aan de gemeenten en de provincie Groningen voor: - a. de uitvoering van projecten en werkzaamheden die zijn goedgekeurd door de bestuursvergaderingen van het nationaal programma Groningen op 19 september 2019 en 4 november 2019; - b. de uitvoering van het project Opwierde Zuid. 2. De specifieke uitkering bedraagt voor de gemeente: - a. Appingedam: 17.600.000 euro, voor de uitvoering van het project Opwierde Zuid; - b. Het Hogeland: 400.000 euro, voor de uitvoering van het project Ontwikkelen en managen proces opstellen en voorbereiden lokaal programmaplan Het Hogeland; - c. Midden-Groningen: 3.081.500 euro, voor de uitvoering van het project Plus op sport Gorecht en Woldwijck. 3. De specifieke uitkering bedraagt voor de provincie Groningen 8.108.221 euro, waarvan: - a. 425.000 euro voor de uitvoering van het project EPI-kenniscentrum 2.0; - b. 210.000 euro voor de uitvoering van het project Feest! In Oost en W"},{"i":19332,"b":"Wet van 26 september 1996 tot wijziging van de bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering betreffende het proces-verbaal van de terechtzitting en het vonnis Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen uit het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) betreffende het proces-verbaal van de terechtzitting en het vonnis op enkele punten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I WIjzigt het Wetboek van Strafvordering. ARTIKEL II [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008254&artikel=I&z=1998-05-15&g=1998-05-15) heeft geen gevolgen voor strafzaken die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds ter terechtzitting aanhangig zijn gemaakt. ARTIKEL III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit tijdstip kan voor de [onderdelen van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008254&artikel=I&z=1998-05-15&g=1998-05-15) verschillend worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18959,"b":"Besluit van 26 juli 1990, ter uitvoering van artikel 64, tweede lid, van de Wet militaire strafrechtspraak (Stb. 1990, 370) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 16 juli 1990, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 23936/690, mede namens Onze Minister van Defensie; Gelet op [artikel 64, tweede lid, van de Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&artikel=64) (Rijkswet van 14 juni 1990, **Stb.** 1990, 370); Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel Met ingang van 1 september 1990 vindt [Titel IIB van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&titeldeel=IIB) toepassing op aan de militaire rechtsmacht onderworpen personen, met dien verstande dat waar in enige bepaling van die Titel van \"rechtbank\" wordt gesproken, daaronder, zolang de [Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789) niet in werking is getreden, \"krijgsraad\" wordt verstaan. Onze Ministers van Justitie en Defensie zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat in het **Staatsblad**, het **Publicatieblad van de Nederlandse Antillen** en in het **Afkondigingsblad van Aruba** zal worden geplaatst."},{"i":18330,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 18 december 2019 tot vaststelling van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020 Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **het ministerie van Financiën:** het kernministerie, de Belastingdienst en de inspectie belastingen, toeslagen en douane; - b. **het kernministerie:** de Generale Thesaurie, het directoraat-generaal Rijksbegroting, het directoraat-generaal Fiscale Zaken, het cluster secretaris-generaal, de regeringscommissaris en het bureau van de belangenbehartiger voor belastingplichtigen en toeslaggerechtigden; - c. **de Belastingdienst:** de directoraten-generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane; - d. **de minister:** de Minister van Financiën; - e. **de staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Financiën; - f. **bewindspersoon:** de Minister of de Staatssecretaris van Financiën; - g. **algemene leiding:** de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de thesaurier-generaal; - h. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon besluiten te nemen; - i. **(hoofd)budgethouder:** hoofd van een organisatie-eenheid verantwoordelijk voor het financieel beheer van één of meer budgetten; - j. **bedrijfsvoering:** onderwerpen op de terreinen van personeel en organisatie, informatievoorziening en ict, inkoop, huisvesting, facilitaire zaken en beveiliging; - k. **eigenaar:** degene die oog houdt voor stabiliteit en continuïteit van een organisatie en is verantwoordelijk voor het inrichten en faciliteren van de governancestructuur gebaseerd op het rijksbreed toegepaste"},{"i":18601,"b":"Rijkswet van 25 maart 1994, houdende bepalingen inzake de beëdiging van de regent Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge [artikel 37, vierde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=37) (**Stb.** 1987, 458), de wet dient te bepalen de wijze waarop de regent de eed of belofte aflegt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De regent legt in de in [artikel 37, vierde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=37) bedoelde verenigde vergadering van de Staten-Generaal de volgende eed of belofte af: \"Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning; ik zweer (beloof) dat ik in de uitoefening van het koninklijk gezag, zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt, (zolang een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn of: zolang de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen, dan wel: zolang de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd) het Statuut voor het Koninkrijk en de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) steeds zal onderhouden en handhaven. Ik zweer (beloof) dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied van het Koninkrijk met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de vrijheid en de rechten van alle Nederlanders en alle ingezetenen zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wetten mij ter beschikking stellen, zoals een goed en getrouw regent schuldig is te doen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig!\" (Dat beloof ik!\" 2. Indien de regent het koninklijk gezag uitoefent in het geval als bedoeld bij artikel 37, ee"},{"i":17051,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 13 april 2024, nr. WJZ/ 52559000, tot voorlopige aanwijzing van de ambtenaren van de Autoriteit Consument en Markt als functionarissen belast met het verlenen van bijstand bij een inspectie in het kader van Verordening (EU) 2022/2560 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren (Besluit voorlopige aanwijzing ambtenaren ACM als functionarissen belast met het verlenen van bijstand bij een inspectie op grond van de verordening buitenlandse subsidies) Gelet op artikel 14, vijfde en zesde lid, van [Verordening (EU) 2022/2560](32022R2560) van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren (PbEU 2022, L 330/1); Besluit: Artikel 1 Met het verlenen van bijstand bij een inspectie op grond van artikel 14, vijfde en zesde lid, van [Verordening (EU) 2022/2560](32022R2560) van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren (PbEU 2022, L 330/1) door de Europese Commissie zijn belast de ambtenaren, aangewezen krachtens [artikel 12a, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=12a). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt op een door de Minister van Economische Zaken en Klimaat te bepalen tijdstip. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorlopige aanwijzing ambtenaren ACM als functionarissen belast met het verlenen van bijstand bij een inspectie op grond van de verordening buitenlandse subsidies. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18711,"b":"Beleidsregel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 01-05-2024, nr. ILT-2024/17398 houdende regels tot vaststelling van boetebedragen voor overtredingen van artikel 120 van de Woningwet en artikel 6.27, eerste, tweede en vierde lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Beleidsregel boeteoplegging verkoop en oplevering utiliteitsgebouwen zonder geldig energielabel 2024) Artikel 1. Berekening van de bestuurlijke boete 1. Deze beleidsregel is van toepassing op overtredingen als bedoeld in [artikel 120, tweede lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120), voor zover de overtreding betrekking heeft op het verkopen en opleveren van een utiliteitsgebouw zonder geldig energielabel als bedoeld in [artikel 6.27, eerste, tweede en vierde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=6.27) juncto [artikel 6.29, vierde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=6.29). 2. Bij de berekening van de bestuurlijke boete worden voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen uit de Tarieflijst boeteoplegging verkoop en oplevering utiliteitsgebouwen zonder geldig energielabel, die als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049685&bijlage=1&z=2024-05-01&g=2024-05-01) bij deze beleidsregel is gevoegd. 3. Voor een overtreding als bedoeld in [artikel 6.27, eerste, tweede en vierde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=6.27) begaan door een rechtspersoon, zijn de boetebedragen onderverdeeld in klassen die afhankelijk zijn van de gebruiksoppervlakte (m2 GO) van het utiliteitsgebouw of van het deel van een gebouw met een utiliteitsfunctie. Klasse A: kleiner dan 1.000 m2 Klasse B: van 1000 tot en met 2.500 m2 Klasse C: van 2.500 m2 tot en met 5.000 m2 Klasse D: groter dan 5.000 m2 4. De gebruiksoppervlakte (m2 GO) als"},{"i":17444,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 30 augustus 2022, nr 4165922, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering tegen ondermijnende jeugdcriminaliteit (Regeling specifieke uitkering voorkomen georganiseerde en ondermijnende jeugdcriminaliteit 2022) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), Besluit: Artikel 1. Definitiebepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - –. **gemeente:** een van de voor deze aanpak geselecteerde gemeenten, te weten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Lelystad, Zaanstad, Schiedam, Nieuwegein, Groningen, Eindhoven, Arnhem, Tilburg, Breda, Leeuwarden of Heerlen. Artikel 2. Specifieke uitkering De minister kan op aanvraag van een gemeente een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van het treffen van maatregelen ter voorkoming van georganiseerde en ondermijnende jeugdcriminaliteit. Artikel 3. Aanvraag 1. Een aanvraag bevat in ieder geval: - a. de naam van de gemeente waarvoor een aanvraag wordt gedaan; - b. een plan van aanpak ten behoeve van het voorkomen van georganiseerde en ondermijnende jeugdcriminaliteit voor ten hoogste een periode van vier jaar; - c. een begroting voor ten hoogste vier jaar van de te ondernemen activiteiten; en - d. het IBAN-nummer waarop het toegekende bedrag kan worden overgemaakt. 2. De aanvraag heeft betrekking op kosten die zijn gemaakt tussen 1 juni 2022 en 1 juni 2026. 3. De aanvraag wordt voor 1 oktober 2022 ingediend, met gebruikmaking van een door de Minister ter beschikking gesteld digitaal aanvraagformulier. Artikel 4. Hoogte specifieke uitkering 1. Voor het verlenen van uitkeringen aan de vijftien gemeenten is in totaal maximaal 205,9 miljoen euro beschikbaar. [Artikel 4:25, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:25) is"},{"i":16972,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Federatie van Gezondheidszorgpsychologen en Psychotherapeuten Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen en Psychotherapeuten (FGzPt) ten aanzien van de publiekrechtelijke taken van de Commissie Registratie en Toezicht (CRT) en rechtsvoorganger vanaf 2018 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt afgesloten: - •. [Selectielijst vereniging FGzP (Federatie van Gezondheidszorgpsychologen)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035931), Stcrt. 2014, nr. 36133 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19001,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 4 juli 2014, nr. WJZ/14112617, met betrekking tot het opleggen van bestuurlijke boetes door de Autoriteit Consument en Markt (Boetebeleidsregel ACM 2014) Gelet op [artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21), [artikel 4.21, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=4.21), [artikel 3.8, eerste lid, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032898&artikel=3.8), [artikel 77i van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=77i), [artikel 60ad van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=60ad), de [artikelen 12l, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=12l), en [12m, eerste en tweede lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=12m), de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=57), [70a, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=70a), [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=71), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=73), [74, aanhef en onderdelen 1˚ tot en met 5˚, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=74), en [75, aanhef en onderdeel a, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=75), [artikel 49, eerste en tweede lid, van de Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=49), [artikel 15.4, eerste tot en met derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.4), [artikel 18, zesde lid, van de Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=18), [artikel 2.9, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":17155,"b":"Liquiditeitsregeling Centrale Sociale Verzekeringsfondsen Gelet op [artikel 71, Organisatiewet sociale verzekeringen, artikel 106a, Ziekenfondswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460&artikel=106a) en [artikel 41, Wet financiering volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004538&artikel=41); Besluiten: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Een centraal sociaal verzekeringsfonds komt in aanmerking voor een lening, indien het op enig moment in een kalenderjaar tijdelijk over onvoldoende middelen beschikt ter dekking van de uitgaven. 2. Het eerste lid vindt geen toepassing zolang een fonds over voldoende middelen kan beschikken door middel van leningen bij een of meer van de overige centrale sociale verzekeringsfondsen dan wel door middel van andere leningen. 3. Een lening kan niet eerder worden verleend dan op de derde dag na die waarop een daartoe strekkend verzoek bij de Minister van Financiën is ingediend. 4. In bijzondere gevallen kan de Minister van Financiën besluiten een lening te verstrekken binnen de in het derde lid bedoelde termijn van drie dagen. Artikel 3 Na ontvangst van de in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008154&artikel=9&z=2015-01-01&g=2015-01-01) bedoelde bescheiden stellen de bij de betreffende liquiditeitsregeling betrokken ministers een maximaal toelaatbare bedrag voor een lening, alsmede een gemiddeld toelaatbaar bedrag voor een lening aan de Lisv-, SVb, en Zfr-clusters vast. Van de hiervoor bedoelde vaststelling worden de fondsen schriftelijk in kennis gesteld. Artikel 4 1. De omvang van de in een kalenderjaar maximaal toelaatbare lening, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008154&artikel=3&z=2015-01-01&g=2015-01-01), is voor de centrale sociale verzekeringsfondsen gezamenlijk gelijk aan de som van de volgende twee factoren: - a. 50% van de som van de in het kalenderjaar te verwachten maximale tekorten aan liquide middelen"},{"i":17929,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 13 december 2011, nr. WJZ / 11109912, tot wijziging van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen (Borgstelling MKB-kredieten, Tijdelijke garantie ondernemingsfinanciering en Tijdelijke garantie ondernemingsfinanciering curatieve zorg) Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), en [30, vierde en vijfde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=30); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. Artikel II Deze regeling is niet van toepassing op aanvragen voor een bedrijfsborgstellingskrediet indien: - a. de kredietofferte in 2011 is uitgebracht, - b. de onder a bedoelde kredietofferte binnen 14 dagen door de MKB-ondernemer wordt geaccepteerd, en - c. het bedrijfsborgstellingskrediet uiterlijk 35 dagen na acceptatie door de MKB-ondernemer aan de minister is gemeld. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19448,"b":"Besluit telecommunicatie scheepvaart BES § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469); - b. **radioreglement:** het bij het op 6 november 1982 te Nairobi gesloten Internationale Verdrag betreffende de Telecommunicatie (Trb. 1983, 164) behorende bij het op 6 december 1979 te Genève tot stand gekomen Radioreglement 1979 (Trb. 1981, 78); - c. **beschikking:** de beschikking waarbij een machtiging is verleend; - d. **machtiging:** een machtiging voor een radio-elektrische zend- of ontvanginrichting als bedoeld in [artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=15), en [16, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=16); - e. **bewijs van goedkeuring:** een bewijsstuk als bedoeld in [artikel 38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028621&artikel=38), [onderscheidenlijk 69, eerste lid, van het Besluit radio-elektrische inrichtingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028621&artikel=69); - f. **algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie, beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie, certificaat VHF marifonie:** bewijsstukken van een met goed gevolg afgelegd examen als bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028399&paragraaf=5&artikel=30&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - g. **marifoon:** een zend- en ontvanginrichting ten behoeve van mondelinge maritieme VHF- en UHF-radiocommunicatie; - h. **radiotelegraaf:** een zend- en ontvanginrichting ten behoeve van maritieme MF- en HF-radiocommunicatie door middel van morsetekens of telegrafie bestemd voor de automatische ontvangst; - i. **radiotelefoon:** een zend- en ontvanginrichting ten behoeve van maritieme telecommunicatie via de ether door middel van spraak; - j. **kuststation:** een op een vaste plaats opgestelde zend- en ontvanginrichting bestemd"},{"i":18167,"b":"Besluit van 22 januari 2021, houdende de ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, mede namens Onze Minister van Binnenlands Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 januari 2021, nr. 4182674; Gelet op de [artikelen 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=64) en [137, derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=137) en [artikel F 2 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=F_2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ontbonden op donderdag 25 maart 2021 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. 2. Indien het bij koninklijke boodschap van 30 november 2020 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de [Tijdelijke wet verkiezingen covid-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044317) ten behoeve van de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer in 2021 (Tijdelijke wet Tweede-Kamerverkiezing covid-19)(Kamerstukken 35 654) voor 15 februari 2021 tot wet is verheven en in werking is getreden of treedt, wordt de Tweede Kamer der Staten-Generaal in afwijking van het eerste lid ontbonden op woensdag 31 maart 2021 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Artikel 2 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vindt plaats op maandag 1 februari 2021. Artikel 3 1. De eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer vindt plaats op donderdag 25 maart 2021 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. 2. Indien het bij koninklijke boodschap van 30 november 2020 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de [Tijdelijke wet verkiezingen covid-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044317) ten behoeve van de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer in 2021 (Tijdelijke wet Tweede-Kamerverkiezing covid-19)(Kamerstukken 35"},{"i":17070,"b":"Circulaire wijziging Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk Bijgaand informeer ik u over de wijzigingen per 1 januari 2012 in het [Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008114) en wijzigingen in het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950) (ARAR), [Ambtenarenreglement Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003229) (ARSG) en [Reglement Dienst Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004052) (RBDZ) bij besluit van 27 oktober 2011 (Staatsblad 2011, 525). In het besluit van 27 oktober 2011 zijn de aanpassingen verwerkt, zoals deze met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel zijn overeengekomen in de overeenkomst loopbaanondersteuning, arbeidsmarkt, aanpassing BWWW en sociaal flankerend beleid 2008–2012. De belangrijkste aanpassingen zijn: Voor nadere informatie verwijs ik u naar het gepubliceerde besluit en naar de informatie over deze wijziging op Rijksportaal personeel. Met betrekking tot de uitvoering van het overgangsrecht onder punt 4b vraag ik u speciale aandacht. De uitvoerder van het [Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008114) voor de ministeries, Loyalis Maatwerk Administraties (LMA), zal bij een aanvraag voor een bovenwettelijke WW-uitkering na 1 januari 2012 aan de betrokkenen naast het ontslagbesluit ook om bewijs van de aanwijzing als herplaatsingskandidaat voor 1 januari 2012 verzoeken. Ik verzoek u de betrokkenen, die aanmerking komen voor deze overgangsrechtelijke bepaling ([artikel 20e, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008114&artikel=20e)) hierover voorafgaande aan het moment van het reorganisatieontslag te informeren. Ik verzoek u uitvoering te geven aan deze circulaire en belanghe"},{"i":18056,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 066/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Ambassade in Ethiopië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade in Ethiopië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 93 | 2050 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024764&artikel=1&z=2008-12-03&g=2008-12-03), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024764&artikel=1&z=2008-12-03&g=2008-12-03), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit zal met de daarbij"},{"i":18736,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 9 juli 2013, nr. IENM/BSK-2013/127535, houdende aanwijzing van toezichthouders en opsporingsambtenaren bij de Inspectie Leefomgeving en Transport betreffende vervoerswetgeving (Besluit aanwijzing toezichthouders en opsporingsambtenaren Inspectie Leefomgeving en Transport betreffende vervoerswetgeving) Handelende in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op [artikel 5.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=5.1), [artikel 3, eerste lid, van het Besluit van 7 april 1995 houdende aanwijzingen van ambtenaren belast met opsporing als bedoeld in artikel 159, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007325&artikel=3), [artikel 7, onderdeel b, van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012950&artikel=7) en [artikel 87, eerste lid, onderdeel a, en vierde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=87); Besluit: Artikel 1 1. De ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport belast met toezicht en opsporing worden aangewezen als de ambtenaren van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu bedoeld in: - a. [artikel 5.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=5.1); - b. [artikel 3, eerste lid, van het Besluit van 7 april 1995 houdende aanwijzing van ambtenaren belast met opsporing als bedoeld in artikel 159, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007325&artikel=3) (Stb. 247); - c. [artikel 7, onderdeel b, van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012950&artikel=7); - d. [artikel 87, eerste lid, onderdeel a, vierde en zesde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":17480,"b":"Regeling uitbetaling vakantie-uitkering Gelet op de [artikelen 33 van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=33) en [50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=50), van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Indien een pensioen wordt beëindigd vindt de uitbetaling van de vakantie-uitkering, waarop op grond van dat pensioen recht bestaat, gelijktijdig plaats met de uitbetaling van de laatste termijn van dat pensioen of zo spoedig mogelijk daarna. Artikel 3 Indien in een periode van twaalf maanden als bedoeld in de [artikelen 31, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=31) en [50, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=50), het recht op pensioen dan wel uitkering is beëindigd en nadien in dezelfde periode opnieuw een recht op pensioen dan wel uitkering is ontstaan, wordt voor de berekening van de vakantie-uitkering rekening gehouden met hetgeen over die periode reeds aan vakantie-uitkering op grond van pensioen dan wel uitkering is uitbetaald. Artikel 4 De uitbetaling van vakantie-uitkering over de maanden dat de uitbetaling van pensioen dan wel uitkering is opgeschort of geschorst, vindt niet eerder plaats dan nadat die opschorting of schorsing is opgeheven. Indien de uitbetaling van een pensioen dan wel uitkering gedeeltelijk is opgeschort, is de eerste zin van overeenkomstige toepassing op de vakantie-uitkering die betrekking heeft op dat gedeelte van het pensioen dan wel uitkering dat door opschorting of schorsing niet is uitbetaald. Artikel 5 De uitbetaling van de vakantie-uitkering vindt na overlijden tegelijkertijd plaats met de overlijdensuitkering bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&arti"},{"i":19062,"b":"Besluit van het hoofd van de afdeling Juridische, Bestuurlijke en Operationele Zaken van de directie Juridische en Operationele Aangelegenheden van het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, van 30 juli 2024, nr. 55221136, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan in dit besluit genoemde medewerkers onder het hoofd ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit JBOZ Justitie en Veiligheid 2024) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en [artikel 1, onderdeel a van het Mandaatbesluit DJOA Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050098&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Aan de met de coördinatie van juridische zaken belaste medewerker van de afdeling Juridische, Bestuurlijke en Operationele Zaken wordt ondermandaat verleend voor het ondertekenen van besluiten als bedoeld in [artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3), voor het afdoen van zaken op grond van [artikel 480, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=480) en voor het voeren van overige correspondentie op het gebied van juridische zaken. Artikel 2 Aan de met piketdienst belaste medewerkers van de directie Juridische en Operationele Aangelegenheden wordt ondermandaat verleend voor de bevoegdheid tot het nemen van besluiten als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019509&artikel=3). Artikel 3 De Mandaatregeling JBOZ Justitie en Veiligheid wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 9 mei 2024. Ar"},{"i":18943,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 september 2021 nr. BOACAT2021/047, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Stichting Utrechts Landschap Gelezen het verzoek van de Stichting Utrechts Landschap van 2 september 2021 en de adviezen van de hoofdofficier bij het Functioneel Parketen de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045663&artikel=2&z=2022-01-31&g=2022-01-31). Artikel 2 De personen, werkzaam bij Utrechts Landschap en benoemd in de functie van boswachter toezicht en handhaving, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlag"},{"i":17082,"b":"Controleprotocol Wlz-zorgaanbieders nacalculatie 2015 1. Inleiding 1.1. Het nacalculatieproces De zorgaanbieder verantwoordt in de nacalculatie-opgave 2015 de financiële realisatie van de Wlz-productie 2015 en de kapitaallasten en overige onderdelen 2015. De door de zorgaanbieder ingevulde nacalculatie-opgave 2015 bestaat uit één of twee van de volgende onderdelen: Daarnaast moet de zorgaanbieder de ‘Vragenlijst controleprotocol’ en de ‘Vragenlijst overige vragen’ in de nacalculatie-opgave 2015 invullen. Indien nodig moet er een toelichting gegeven worden op deze vragenlijsten. Door het ondertekeningsdocument bij de nacalculatie-opgave 2015 van een handtekening te voorzien verklaart de persoon die bevoegd is te tekenen namens de zorgaanbieder dat hij/zij de nacalculatie-opgave 2015 naar waarheid en in overeenstemming met de voor het jaar 2015 geldende beleidsregels en nadere regels van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft ingevuld. In de paragrafen 3.3 (tabel 1) en 4.2 (tabel 3) van dit controleprotocol is een overzicht opgenomen van de NZa- regelgeving 2015. De accountant1Met accountant wordt in dit verband bedoeld: de openbare accountant die de nacalculatie-opgave 2015 van de Wlz-zorgaanbieder controleert., zoals bedoeld in [artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393), controleert de nacalculatie-opgave 2015 van de zorgaanbieder en geeft de uitkomst van zijn onderzoek weer in een controleverklaring bij de nacalculatie-opgave 2015. De accountant verklaart in de controleverklaring dat: Voor de tekst van de controleverklaring maakt de accountant gebruik van de voorbeeldtekst die in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037610&bijlage=1&z=2016-02-12&g=2016-02-12) van dit controleprotocol is opgenomen. Indien de bevindingen uit de controle daartoe aanleiding geven wordt de tekst van de controleverklaring aangepast overeenkomstig de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaard"},{"i":18067,"b":"Besluit van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van het archief van de Rijksverdedigingsorganisatie/TNO 1925–1979, bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Overwegende dat een aantal dossiers in het archief van de Rijksverdedigingsorganisatie/ TNO 1925 - 1979, beperkingen aan de openbaarheid behoeft; Gelet op [artikel 15, lid 1, onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 17-10-2017, met kenmerk 1229917; Besluit: Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat en zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 231 | 2036 | | 241 | 2041 | | 244 | 2044 | | 882 | 2021 | | 883 | 2018 | | 1000 | 2039 | | 1001 | 2039 | | 1002 | 2039 | | 1376 | 2055 | | 1508 | 2037 | | 1509 | 2038 | | 1510 | 2039 | | 1511 | 2044 | | 1512 | 2053 | | 1513 | 2045 | | 1514 | 2039 | | 1515 | 2050 | | 1516 | 2037 | | 1517 | 2051 | | 1518 | 2034 | | 1519 | 2040 | | 1520 | 2048 | | 1521 | 2035 | | 1522 | 2038 | | 1523 | 2039 | | 1524 | 2045 | | 1525 | 2046 | | 1526 | 2047 | | 1527 | 2050 | | 1528 | 2051 | | 1529 | 2035 | | 1530 | 2038 | | 1531 | 2046 | | 1532 | 2036 | | 1533 | 2039 | | 1534 | 2042 | | 1535 | 2045 | | 1536 | 2048 | | 1537 | 2050 | | 1538 | 2053 | | 1539 | 2041 | | 1540 | 2045 | | 1541 | 2050 | | 1542 | 2053 | | 1543 | 2041 | | 1544 | 2045 | | 1545 | 2048 | | 1546 | 2045 | | 1547 | 2049 | | 1548 | 2051 | | 1549 | 2040 | | 1550 | 2046 | | 1551 | 2053 | | 1552 | 2039 | | 1553 | 2050 | | 1554 | 2040 | | 1555 | 2052 | | 1556 | 2038 | | 1557 | 2042 | | 1558 | 2051 | | 1559 | 2037 | | 1560 | 2040 | | 1561 | 2045 | | 1562 | 2040 | | 1563 | 2044 | | 1564 | 2040 | | 1565 | 2040 | |"},{"i":17513,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 mei 2009, nr. 2009-0000267938, houdende nadere regels over de verzameluitkering (Regeling verzameluitkering) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 16a, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=16a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **de minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - –. **de wet:** de [Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290): - –. **verzameluitkering:** een uitkering als bedoeld in [artikel 16a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=16a). Artikel 2 1. Indien de minister die het aangaat in een bepaald uitkeringsjaar voornemens is een verzameluitkering te laten verstrekken, meldt de minister die het aangaat deze verzameluitkering uiterlijk op 1 juni van dat uitkeringsjaar bij de minister aan. De minister die het aangaat doet deze aanmelding niet eerder dan nadat de bedragen ten behoeve van de betreffende verzameluitkering in overeenstemming met [artikel 16a, tweede en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=16a), in een begrotingswet zijn opgenomen. 2. Bij de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, vermeldt de minister die het aangaat in ieder geval: - a. op welke beleidsthema’s de verzameluitkering betrekking heeft; - b. wat de hoogte is van de bedragen die provincies of gemeenten per beleidsthema ontvangen. Artikel 3 1. De minister stelt de hoogte van de verzameluitkeringen uiterlijk op 1 september van het uitkeringsjaar vast. 2. De betaling van de verzameluitkeringen aan provincies en gemeenten vindt eveneens plaats op uiterlijk 1 september van het uitkeringsjaar. Artikel 4 1. Indien de minister die het aangaat voornemens is in het uitkeringsjaar 2022 een verzameluitkering te laten verstrekken, m"},{"i":17738,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Korea inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Het Koninkrijk der Nederlanden, en de Republiek Korea, hierna te noemen de ‘‘Verdragsluitende Partijen’’, Gelet op het belang van de juiste vaststelling van de douanerechten en andere belastingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving van verboden, beperkingen en controlemaatregelen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving hun economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid en handel schaden; Overwegend dat de grensoverschrijdende handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, gevaarlijke stoffen, bedreigde dier- en plantensoorten en giftig afval een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneautoriteiten op basis van duidelijke internationaalrechtelijke bepalingen; Gelet op de van belang zijnde instrumenten van de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisatie, in het bijzonder de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand van 5 december 1953; Tevens gelet op verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag, - a. wordt onder ,,douaneautoriteit’’ verstaan: - wat de Republiek Korea betreft: de Koreaanse Douanedienst; - wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft: de centrale autoriteit die verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van de douane-wetgeving; - b. wordt onder ,,douanewetgeving’’ verstaan: alle we"},{"i":18766,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Ministerie van Justitie: Oorlogsmisdadigers 1950–1980, nummer toegang 2.09.106 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de Minister van Justitie van 12 januari 2009 houdende de beperking op de openbaarheid van het archief betreffende Oorlogsmisdadigers 1950–1980](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026700)(Staatscourant 2009, 17859), Gehoord hebbende de Minister van Justitie, Besluit: Artikel 1 De beperking aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers 6, 7, 9–14, 16–20, 22, 23, 25–121, 123–145, 151–154, 156, 159, 166–204, 205–208, 211–215, 218–223, 225–230, 249, 253, 257–260, 262, 264–266, 269, 270, 273. 275, 277 en 280 wordt opgeheven. Artikel 2 De beperking aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers 24, 157, 158, 160–165, 209, 210, 217, 224, 231–248, 250, 254–256, 263, 268, 272 en 279 vervalt wanneer, ten genoege van de beheerder van het Nationaal Archief, de algemene rijksarchivaris, is aangetoond dat de persoon op wie deze archiefbescheiden betrekking hebben is overleden en uiterlijk op 1 januari 2025. Artikel 3 De beperking aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers 1–5, 8, 15, 21, 122, 146-150, 155, 216, 251, 252, 261, 267, 271, 274, 276, 278 en 281 vervalt op 1 januari 2025. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":19017,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 13 december 2017, nr. 2167493, houdende instelling van het Audit Committee Ministerie van Justitie en Veiligheid (Instellingsbesluit Audit Committee Ministerie van Justitie en Veiligheid) Gelet op de [Regeling Audit Committees 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031524); Besluit: Artikel 1 Dit besluit berust op de [Regeling audit committees van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040281). Artikel 2 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Audit Committee:** Audit Committee Ministerie van Justitie en Veiligheid; - b. **de Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 3 1. Er is een Audit Committee Ministerie van Justitie en Veiligheid. 2. Het Audit Committee heeft tot taak het adviseren van het departementale management op de volgende terreinen: - a. het borgen van de kwaliteit van de bedrijfsvoering en de financiële verslaggeving; - b. de regie op het auditbeleid; - c. het risicomanagementbeleid en de uitkomsten daarvan. Artikel 4 1. Het Audit Committee bestaat uit de volgende leden: - a. de secretaris-generaal, tevens voorzitter; - b. de plaatsvervangend secretaris-generaal; - c. de Hoofddirecteur Bedrijfsvoering; - d. de directeuren-generaal, met uitzondering van de programmadirecteur-generaal Samenleving en COVID-19, en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid; - e. ten minste twee door de Minister benoemde onafhankelijke externe leden. 2. De directeur Financieel-Economische Zaken en een directeur van de Auditdienst Rijk ondersteunen het Audit Committee bij de uitoefening van zijn taak en nemen als adviseur aan de vergaderingen van het Audit Committee deel. 3. De Algemene Rekenkamer is agendalid en kan op verzoek deelnemen aan de vergaderingen van het Audit Committee. Artikel 5 De externe leden, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040379&artikel=4&z=2021-11-27&g=2021-11-27), ontvangen een vergoe"},{"i":18870,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 20 december 2017 nr. BOACAT2017/070, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Parkeren Delft B.V Gelezen het verzoek van de directeur van Parkeren Delft B.V. van 10 oktober 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040468&artikel=2&z=2017-12-30&g=2017-12-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar parkeren en/of buitengewoon opsporingsambtenaar geslotenverklaringen in dienst van Parkeren Delft B.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, als genoemd in [onderdeel 6.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen"},{"i":19482,"b":"Wet van 6 juli 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129), alsook van andere besluiten van volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot de beveiliging van havens (Havenbeveiligingswet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is uitvoering te geven aan [Verordening (EG) nr. 725/2004](32004R0725) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129), alsmede dat het gewenst is een wettelijke basis vast te stellen voor de uitvoering van verdragen of van besluiten van een of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, die betrekking hebben op de beveiliging van havenfaciliteiten of die betrekking hebben op de beveiliging van havens; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is ingevolge artikel 12, tweede lid van de Tijdelijke referendumwet van rechtswege opgeschort tot 21-08-2004. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Verordening: [Verordening (EG) nr. 725/2004](32004R0725) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU 129); - b. richtlijn: de bij regeling van Onze Minister aangewezen richtlijn; - c. havenfaciliteit: havenfaciliteit als bedoeld in artikel 2, elfde lid, van de Verordening en artikel 3, derde lid, van de richtlijn; - d. beheerder van een havenfaciliteit: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een havenfaciliteit in beheer hee"},{"i":18901,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 18 augustus 2025 nr. BOACAT2025/165, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Noord-Holland, afdeling meldkamer Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Noord-Holland van 11 augustus 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051403&artikel=2&z=2025-08-26&g=2025-08-26). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2) en die werkzaam zijn in de functie van generalist meldkamer, senior meldkamer en operationeel expert meldkamer die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Nood-Holland. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generie"},{"i":16974,"b":"Vaststelling selectielijst Klantenloket EPD, zoals uitgevoerd door de Stichting Nationaal ICT Instituut in de zorg (Nictiz) over de periode 2008–2011 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 6 september 2012, nr. aca-2012.06562/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Klantenloket EPD, zoals uitgevoerd door de Stichting Nationaal ICT Instituut in de zorg (Nictiz) over de periode 2008–2011’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17071,"b":"Contracteerruimtes per zorgkantoorregio 2005 Gelet op [artikel 13 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=13); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brieven van 11 november 2004, kenmerk Z/P-2529975 en Z/P-2529932); Besluit: Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1, onder A, nummers 10, 16a en 16b van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1). Ter uitvoering van de artikelen 3 tot en met 6 van dit besluit stelt het College tarieven gezondheidszorg beleidsregels vast voor de in de eerste volzin bedoelde organen. Artikel 2 Deze beleidsregel verstaat onder: - a. het College: het College Tarieven Gezondheidszorg; - b. totale contracteerruimte: het totaal bedrag - exclusief de in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017670&artikel=6&z=2004-12-17&g=2004-12-17) geoormerkte gelden - dat maximaal beschikbaar is voor het maken van productieafspraken tussen zorgkantoren en zorgaanbieders; - c. contracteerruimte per zorgkantoorregio: het aan een zorgkantoorregio toegerekende aandeel in de totale contracteerruimte. Artikel 3 Het College berekent de totale contracteerruimte, als bedoeld in [artikel 2, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017670&artikel=2&z=2004-12-17&g=2004-12-17), voor het jaar 2005 als volgt: - a. startpunt is de som van de gehonoreerde productieafspraken op 1 december 2004; - b. voor de productieafspraken betrekking hebbend op in de loop van 2004 in gebruik genomen of uitgebreide capaciteit van intramurale AWBZ-voorzieningen gaat het College uit van de herrekende productieafspraak op jaarbasis; - c. het College past op het resultaat van b. correcties toe in verband met overhevelingen van de AWBZ naar andere financieringsbronnen. Het betreft neerwaartse bijstellingen in verband met de overheveling van dieetadvisering"},{"i":19086,"b":"Regeling eisen persoonlijke verblijfsruimte justitiële tbs-inrichtingen Gelet op [artikel 16, eerste lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=16); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 22 september 2000, kenmerk 5053768/TvdW/rb; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de persoonlijke verblijfsruimten welke zich bevinden binnen de beveiligde zone van de inrichting. Artikel 3 1. De persoonlijke verblijfsruimte is zodanig uitgevoerd en ingericht dat zij voldoet aan de eisen die het behandelingskarakter van de inrichting daaraan stelt. 2. Bij plaatsing wordt de persoonlijke verblijfsruimte schoon, in goede staat en zonder gebreken opgeleverd aan de verpleegde. § 2. De persoonlijke verblijfsruimte Artikel 4 De persoonlijke verblijfsruimte heeft minimaal een vloeroppervlak van 10 vierkante meter. Artikel 5 1. In een wand van de persoonlijke verblijfsruimte bevindt zich tenminste één beveiligd raam. 2. Het raamoppervlak van de persoonlijke verblijfsruimte bedraagt minimaal 0,75 vierkante meter. Artikel 6 De persoonlijke verblijfsruimte is toegankelijk door een afsluitbare deur. Artikel 7 1. In de persoonlijke verblijfsruimte is een regelbare verwarming aangebracht. 2. De verwarming heeft een zodanige capaciteit dat bij een buitentemperatuur van minus 10 °C en een windsnelheid van 10 meter per seconde in de persoonlijke verblijfsruimte een temperatuur van 20 °C kan worden bereikt. 3. De persoonlijke verblijfsruimte is voorzien van een ventilatiemogelijkheid waardoor op natuurlijke dan wel mechanische wijze lucht kan worden aan- en afgevoerd. Artikel 8 De persoonlijke verblijfsruimte is voorzien van een voorziening waarmee vanuit de persoonlijke verblijfsruimte te allen tijde met een personeelslid of medewerker van de inrichting contact kan worden opgenomen. Artikel 9 De persoonl"},{"i":16975,"b":"Besluit vaststelling selectielijst minister van VWS beleidsterrein Planning van voorzieningen in de gezondheidszorg, voor de periode vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 december 2012, nr. aca-2012.06628/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van VWS en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein **Planning van voorzieningen in de gezondheidszorg** over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van VWS en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein **Planning van voorzieningen in de gezondheidszorg over de periode vanaf 1945**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021930)’ (vastgesteld bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. C/S&A/07/1044 d.d. 19-4-2007 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 100, d.d. 29-5-2007)) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":16976,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Monumentenzorg voor het Ministerie van OC&W vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 8 december 2011, nr. aca-2011.06264/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde geactualiseerde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op het beleidsterrein Monumentenzorg over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Monumentenzorg over de periode vanaf 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014801)’ (vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, nr. C/S/03/673 d.d. 12 maart 2003 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 70 d.d. 9 april 2003)) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19095,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister voor Medische Zorg en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 maart 2021, kenmerk 1822557-217968-PZo, houdende het opdragen van strafrechtelijke handhaving op terrein van de Jeugdwet, de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Zorgverzekeringswet aan de Inspectie SZW en de intrekking van enkele verouderde regelingen (Regeling strafrechtelijke handhaving door de Inspectie SZW op het terrein van Jeugdwet, Wlz, Wmo 2015, Wmg en Zvw) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Rechtsbescherming en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 3, aanhef en onder b, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in [artikel 2, onder d, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2), wordt belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde op de beleidsterreinen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister voor Medische Zorg en de Minister voor Rechtsbescherming voor zover die beleidsterreinen verband houden met de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925), de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), de [Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362), de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) en de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 2 De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. de [Regeling toedeling opsporingstaken persoonsgebonden budgetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032505) en - b. de [Regeling toedeling strafrechtelijke handhaving Wlz en Zvw](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":18514,"b":"Rijkswet van 7 juli 2010, houdende regeling van de inrichting, de organisatie, het gezag en het beheer van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de onderlinge samenwerking tussen de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten binnen het Koninkrijk willen samenwerken door de inrichting, de organisatie, het gezag en het beheer van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de onderlinge samenwerking tussen de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba te regelen bij of krachtens een rijkswet op grond van [artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38), dat de Minister van Justitie van Curaçao en de Minister van Justitie van Sint Maarten verantwoordelijk zijn voor de politie van hun land en daarover verantwoording afleggen in de Staten van hun land en dat de regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten instemmen met de inhoud van deze regeling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen I en II van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treden. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaa"},{"i":18819,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 februari 2021 nr. BOACAT2021/004, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Stichting Het Groninger Landschap Gelezen het verzoek van de Stichting Het Groninger Landschap van 2 februari 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044870&artikel=2&z=2024-03-30&g=2024-03-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Milieu BOA in dienst van de Stichting het Groninger Landschap, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk vo"},{"i":18917,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 11 augustus 2025 nr. BOACAT2025/157, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Rotterdam, afdeling meldkamer Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Rotterdam van 29 juli 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051384&artikel=2&z=2025-08-19&g=2025-08-19). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2) en die werkzaam zijn in de functie van generalist meldkamer, senior meldkamer en operationeel expert meldkamer die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Rotterdam. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals"},{"i":17870,"b":"Besluit van 15 september 2017, houdende een wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met betrekking tot het aanpassen van de aftrek van vermogensbestanddelen voor het bepalen van het vermogen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 juli 2017, kenmerk 1157443-165619-WJZ; Gelet op [artikel 3.2.5, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.5) en [artikel 2.1.4, vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.1.4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 augustus 2017, No.W13.17.0185/III) Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 september 2017, kenmerk 1157404-165619-WJZ); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit langdurige zorg. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel III De [artikelen 3.3.1.7, tweede lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.7) of [3.7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.7), voor zover die betrekking hebben op de bedragen genoemd in de [artikelen 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.2.3), en [3.3.2.4a, eerste lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.2.4a) en [3.9a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.9a), [3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.13), en [3.14a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.14a), blijven buiten toepassing voor het jaar 2018. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018."},{"i":18595,"b":"Voorbehoud auteursrecht logo Nederlandse politie overwegende dat in verband met de reorganisatie van het politiebestel een nieuw logo voor de Nederlandse politie is ontworpen; dat het wenselijk is dit logo tegen gebruik door derden te beschermen; Gelet op [artikel 15b van de Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b), Besluiten: Artikel 1 Het auteursrecht op het logo van de Nederlandse politie dat is opgenomen in de bijlage bij deze regeling, is uitdrukkelijk voorbehouden. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 6 januari 1993. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage die ter inzage wordt gelegd."},{"i":18100,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 maart 2009, nr. DDI/ST/reg. 004/2009, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van de Nederlandse Ambassade in Frankrijk te Parijs, het Consulaat in Frankrijk te Nice, het Consulaat in Frankrijk te La Rochelle en het Consulaat in Frankrijk te Straatsburg van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Ambassade in Frankrijk te Parijs, het Consulaat in Frankrijk te Nice, het Consulaat in Frankrijk te La Rochelle en het Consulaat in Frankrijk te Straatsburg van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 331 | 2037 | | 332 | 2040 | | 333 | 2050 | | 341 | 2040 | | 995 | 2039 | | 1515 | 2034 | | 1516 | 2040 | | 1519 | 2040 | 2. Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Ambassade in Frankrijk te Parijs, het Consulaat in Frankrijk te Nice, het Consulaat in Frankrijk te La Rochelle en het Consulaat in Frankrijk te Straatsburg van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum is het dossier onder dit"},{"i":18475,"b":"Rijkswet van 18 december 1985, tot vaststelling van een Reglement voor de Gouverneur van Aruba Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, in verband met het verkrijgen van de hoedanigheid van land in het Koninkrijk door Aruba, uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 2, tweede en derde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Eerste afdeling Benoeming en ontslag van de Gouverneur Artikel 1 1. De Gouverneur is vertegenwoordiger van de Koning in diens hoedanigheid van hoofd van de regering van Aruba. Hij is tevens vertegenwoordiger van de regering van het Koninkrijk. 2. De Gouverneur wordt bij koninklijk besluit voor de tijd van zes jaren benoemd. Bij het verstrijken van deze termijn kan hij eenmaal worden herbenoemd voor de tijd van ten hoogste zes jaren. 3. De Gouverneur kan te allen tijde bij koninklijk besluit worden ontslagen. 4. Bij algemene maatregel van rijksbestuur wordt zijn materiële positie geregeld. 5. Het pensioen van de Gouverneur en zijn nagelaten betrekkingen wordt bij rijkswet geregeld. 6. Alle uitgaven, verband houdende met de uitoefening van het ambt van Gouverneur, komen ten laste van het land Nederland, behoudens de verrekening bedoeld in artikel 35 van het Statuut voor het Koninkrijk. Artikel 2 De Gouverneur legt in handen van de Koning of van degene, door de Koning hiertoe aangewezen, de eed (verklaring en belofte) af: \"Ik zweer (verklaar), dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of wat voorwendsel ook, in verband met het verkrijgen van mijn benoeming tot Gouverneur aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven. Ik zweer (beloof), dat ik om iets hoegenaa"},{"i":18080,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 20 februari 2006, nr. BenC 2006-255M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Bureaus van de Financieel Attaché te New York en Washington van het Ministerie van Financiën 1940–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en gelezen het advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats d.d. 05-12-2005 met het kenmerk C/SA/05/2283; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden mede gelet op het bepaalde in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Bureaus van de Financieel Attaché te New York en Washington van het Ministerie van Financiën 1940–1974 met de inventarisnummers 135, 177, 179–191, 193–223, 225, 227–337, 339–343, 345–354, 356–392, 394–406, 408–913, 915–1104, 1106–1239, 1241–1305, 1307–1324, 1326–1334, 1337–1360, 1362–1365, 1367–1381, 1383–1570, 1572–1613, 1615–1722, 1724–1727, 1729–1916, 1918–1969, 1971–2075, 2077–2083, 2085–2094, 2096–2101, 2103–2138, 2140–2183, 2185–2311, 2313–2342, 2344–2349, 2351, 2353–2371, 2373–2382, 2384, 2386, 2388, 2390, 2392, 2394, 2396–2421, 2423–2579, 2584–2615, 2617–2621, 2623–2697, 2699–2715, 2717–2746, 2748–2761, 2763–2786, 2788–2801, 2866–2868, 2871–2887, 3098, 3140, 3112, 3181, 3183, 3187–3190, 3201, 3314–3330, 3338, 3344, 3348, 3355, 3357–3359, 3363–3364, 3367, 3368–3375, 3379, 3429, 3431, 3436 de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld tot 1 januari 2030. Artikel 2 Raadpleging van de in het vorige lid genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van he"},{"i":18919,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 27 december 2018 nr. BOACAT2018/065, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe Gelezen het verzoek van de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe van 20 december 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041804&artikel=2&z=2019-01-09&g=2019-01-09). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouders milieu, bodem, asbest, vuurwerk, Integrale toezicht in dienst van de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt"},{"i":17314,"b":"Regeling geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen Gelet op [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **audit-trail:** zodanige vastlegging van gegevens dat het spoor van basisgegevens naar eindgegevens en omgekeerd achteraf door een externe accountant of, afhankelijk van de aard van de gegevens door de medisch adviseur, kan worden gevolgd en gecontroleerd. - **dagdeel:** een dagdeel is een periode van minimaal 2 aaneengesloten uren aanwezigheid van de patiënt met een maximum van vier aaneengesloten uren. - **directe tijd:** tijd waarin de zorgaanbieder in direct contact staat met de patiënt, of diens vertegenwoordiger zoals omschreven in [art. 465 van de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=465). - **geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen (gzsp):** generalistische geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen in de eerste lijn bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). - **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit. - **prestatie(s):** de prestatie(s) genoemd in artikel 4 van de Beleidsregel geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen. - **uitvoerende zorgaanbieder:** een zorgaanbieder die in opdracht van een andere zorgaanbieder een (deel)prestatie of van een geheel van prestaties levert op het gebied van de zorg als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051787&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze regeling. - **Wmg:** [Wet marktordening gezondheidszor"},{"i":17860,"b":"Besluit van 5 juli 2005, houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 mei 2005, kenmerk DJB/JZ-2554656, gedaan mede namens Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125), de [artikelen 2:1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=2:1), [2:7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=2:7), [4:3, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=4:3), en [5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12), [artikel 3b, tweede lid van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=3b), [artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50), [artikel 10, vijfde lid, eerste en tweede volzin, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014623&artikel=10), [artikel 11, eerste lid, van de Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=11), [artikel 1, tweede lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=1), [artikel 24a, eerste lid, tweede volzin, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=24a), [artikel 24, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=24), [artikel 24 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=24), [artikel 9, eerste lid, van de Wet justitiële en stra"},{"i":17982,"b":"Wet van 10 juli 2019 tot wijziging van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met de invoering van de Wzd-functionaris Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat – met het oog op uitvoerbaarheid en het terugdringen van regeldruk – het wenselijk is om de [Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632) en de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) aan te passen zodat de arts, de gezondheidszorgpsycholoog en de orthopedagoog-generalist als Wzd-functionaris kunnen fungeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten. Artikel Ia Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel II Wijzigt de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Artikel III Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel IV 1. Ten aanzien van degenen die het beroep van orthopedagoog-generalist reeds uitoefenden vóór het tijdstip waarop [artikel III, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042527&artikel=III&z=2020-01-01&g=2020-01-01), in werking is getreden, blijft het in [artikel 4, tweede lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=4) gestelde verbod, voor zover het de titel betreft, waarvan het voeren voorbehouden is aan degenen die in de op dat beroep betrekking hebbende hoedanigheid in het desbetreffende register ingeschreven staan, gedurende zes maanden na dat tijdstip en, indien binnen dat tijdstip overeenkomstig het bij of krac"},{"i":17184,"b":"Besluit van 23 februari 2004, houdende de overdracht van de zorg voor de Wet op de kansspelen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 13 februari 2004, nr. 04M463207; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De zorg voor de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) en voor de op deze wet gebaseerde regelgeving gaat, voor zover deze thans behoort tot de taak van Onze Minister van Economische Zaken, over naar Onze Minister van Justitie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Economische Zaken en van Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":19381,"b":"Wet van 7 juni 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten met het oog op het moderniseren van de regeling van internationale samenwerking in strafzaken (herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de regeling van internationale samenwerking in strafzaken die is opgenomen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) te moderniseren, de toepassing ervan te vereenvoudigen en te voorzien van waarborgen voor een evenwichtige uitvoering, teneinde de mogelijkheden tot het verlenen van rechtshulp te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt de Wet tot instelling van het Internationaal Tribunaal voor vervolging van personen aansprakelijk voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië 1991. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringswet Speciaal Tribunaal voor Libanon. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringswet restmechanismen straftribunalen. Artikel V Wijzigt de Overleveringswet. Artikel VI Op de inwilliging en de uitvoering van een verzoek om rechtshulp dat wordt ontvangen vóór inwerkingtreding van deze wet, is de wettelijke regeling van toepassing zoals die luidt op het moment van ontvangst van het verzoek om rechtshulp. Artikel VII Wijzigt deze wet. Artikel VIII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aa"},{"i":17198,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Noorwegen, Overwegende, dat strafbare feiten op het gebied van de douanewetten nadeel toebrengen aan de economische en fiscale belangen van hun onderscheiden landen alsook aan de rechtmatige belangen van handel, nijverheid en landbouw, Ervan overtuigd, dat het streven naar voorkoming van strafbare feiten op het gebied van de douanewetten en het streven naar grotere juistheid in de toepassing van douanerechten, belastingen en alle andere heffingen op invoer of uitvoer doeltreffender zullen worden als gevolg van samenwerking tussen de douaneautoriteiten, Gelet op de bestaande internationale instrumenten die betrekking hebben op het verlenen van administratieve bijstand door hun douaneautoriteiten, zijn het volgende overeengekomen: Begripsbepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - 1. ,,Staat”, een van de Overeenkomstsluitende Partijen; - 2. ,,douanewetten”, de wettelijke bepalingen of voorschriften inzake de in-, uit- en doorvoer van goederen, zowel die welke de douanerechten, belastingen of alle andere heffingen betreffen, als die welke maatregelen inzake verboden, beperkingen en controle betreffen; - 3. „douaneautoriteiten”, de centrale administratie van een Staat die verantwoordelijk is voor de toepassing van de douanewetten. De Staten verstrekken elkaar daartoe de nodige inlichtingen. Werkingssfeer Artikel 2 De Staten verlenen elkaar wederzijds administratieve bijstand door tussenkomst van hun douaneautoriteiten en onder de in deze Overeenkomst vermelde voorwaarden: - a. ter verzekering van een juiste naleving van de douanewetten; - b. ter voorkoming, opsporing en bestrijding van strafbare feiten op het gebied van de douanewetten. Mededeling van gegevens Artikel 3 1. De douaneautoriteiten van de Staten verst"},{"i":19539,"b":"Regeling houdende bepalingen met betrekking tot de examens scheepvaartverkeersdienst (Regeling examens scheepvaartverkeersdienst) Regeling van rechtswege vervallen door het vervallen van de grondslag. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Vervallen Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen § 1. Taak en werkwijze examencommissies Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen § 2. Aanmelden en oproepen voor het examen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 1. Om te worden toegelaten tot het landelijk examen of een onderdeel daarvan, legt de kandidaat bij de aanmelding de volgende bescheiden over: - a. een niet eerder dan zes maanden voor de aanvraag afgegeven gewaarmerkt afschrift uit de basisregistratie personen; - b. twee goedgelijkende pasfoto’s, aan de achterkant voorzien van naam, voorletters en geboortedatum, en, indien van toepassing, - c. deelcertificaten of bewijzen van vrijstelling. 2. Om te worden toegelaten tot een regionaal examen of een onderdeel daarvan legt de kandidaat het basisdiploma en het bijbehorende boekje ‘VTS-kwalificatie’ over. 3. Om te worden toegelaten tot een herhalingstoets legt de kandidaat het boekje ‘VTS-kwalificatie’ over. Artikel 9 Vervallen § 3. Wijze van examineren Artikel 10 Vervallen § 4. Beoordeling, slagen, afwijzen en herexamens Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen § 5. Toezicht en de goede gang van zaken tijdens het examen, voorkomen van bedrog, en uitsluiting van deelname aan het examen of een onderdeel daarvan Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen § 6. Duur van de examens Artikel 19 Vervallen § 7. Modellen van diploma’s en deelcertificaten Artikel 20 Vervallen § 8. Eisen waaraan een verkeersdienstsimulator moet voldoen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen § 9. Vrijstellingen Artikel 23 Vervallen Hoofdstuk 3. Het landelijk examen § 1. Het landelijk examenprogramma Artikel 24 Vervallen Artik"},{"i":17246,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 mei 2010, nr. CZ/TSZ-3003410 op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake medisch specialistische zorg 2010 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 15 december 2009 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2009–2010, 29 248, nr. 107); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op medisch specialistische zorg, waaronder in deze aanwijzing wordt verstaan zorg als omschreven bij of krachtens in de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078): voor zover door, of onder verantwoordelijkheid van, medisch specialisten wordt geleverd en waarvoor door de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, prestatiebeschrijvingen zijn of worden vastgesteld in de vorm van diagnose behandeling combinaties en met uitzondering van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630). Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit regels en beleidsregels vast. Artikel 2 Voor zorg als bedoeld in het vorige artikel wordt per 1 januari 2010 een korting van structureel € 512 miljoen (prijspeil 2008) opgelegd. Artikel 3 Voor de realisatie van de in het vorige artikel vermelde korting gelden de volgende uitgangspunten: Ten behoeve van die korting stelt de zorgautoriteit de honorariumtarieven met ingang van 2010 neerwaarts bij, voor zover die korting niet al door de [aanwijzing van 6 juli 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026346), met kenmerk CZ/TSZ-2940850, is gerealiseerd. De zorgautoriteit bepaalt de wijze waarop de neerwaartse"},{"i":18334,"b":"Petroleumwet Saba Bank BES Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - **Saba Bank** het onder de Caraïbische Zee in de nabijheid van het eiland Saba gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, waarop het Koninkrijk der Nederlanden mede overeenkomstig het op 10 december 1982 te Montego-Bay gesloten Verdrag inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83) soevereine rechten heeft en hetwelk aangegeven is op de bij deze wet als [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028163&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01) gevoegde kaart en in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028163&bijlage=II&z=2019-01-01&g=2019-01-01) bij deze wet nader is omschreven. - **Petroleum:** aardolie en aardgas. - **Aardolie:** ruwe minerale olie, condensaat, asfalt, ozokeriet en alle soorten koolwaterstoffen, zwavel en bitumina, in vaste en in vloeibare vorm, in hun natuurlijke staat of verkregen uit aardgas door condensatie of extractie. - **Aardgas:** alle gasvormige koolwaterstoffen geproduceerd uit een put, inbegrepen nat aardgas, droog aardgas, puthoofdgas en residuëel gas, overblijvende na de extractie van vloeibare koolwaterstoffen uit nat gas, en gas niet bestaande uit koolwaterstoffen voorkomend in natuurlijke associatie met gasvormige of vloeibare koolwaterstoffen. - **Vat:** een hoeveelheid of eenheid olie gelijk aan tweeënveertig (42) Amerikaanse Gallon bij een temperatuur van 60 graden Fahrenheit (60°F). - **Petroleuminstallatie:** - a). een in, op of boven de Saba Bank geplaatste inrichting voor het onderzoek naar en de winning van petroleum; - b). een samenstel van inrichtingen waarvan er tenminste één aan de onder a) gegeven omschrijving voldoet. - **Mijnraad:** de raad bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028163&artikel=9&z=2019-01-01&g=2019-01-01). - **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. - **Inspectie-ambtenaren:** de ambtenaren aangew"},{"i":17503,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 maart 2015, kenmerk 721205-132866-MC, houdende Regeling verlenging tijdelijke opschorting zorgvraagzwaarte cGGZ Gelet op de [artikelen 87](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=87) en [88 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=88); Gezien de Regeling zorgvraagzwaarte cGGZ (Stcrt.2013, nr. 30961); Gezien de [Regeling tijdelijke opschorting levering zorgvraagzwaarte cGGZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035586) (Stcrt. 2014, nr. 27276); Overwegende dat de overwegingen die ten grondslag lagen aan de [Regeling tijdelijke opschorting levering zorgvraagzwaarte cGGZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035586) nog steeds van toepassing zijn; Overwegende dat GGZ Nederland, de Landelijke Vereniging van Vrijgevestigde Psychologen en Psychotherapeuten (LVVP), de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP), het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP), het Landelijk Platform GGZ, Zorgverzekeraars Nederland en de Nederlandse Zorgautoriteit zijn gestart met de verkenning of een andere wijze van verwerking van het gegeven zorgvraagzwaarte mogelijk is die minder inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde patiënt dan het vermelden van het gegeven zorgvraagzwaarte op de declaratie; Overwegende dat de verkenning heeft geresulteerd in een tweetal nader uit te werken alternatieven die mogelijk een concrete en werkbare verwerking van het gegeven zorgvraagzwaarte kunnen realiseren die minder inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde patiënt; Overwegende dat het wenselijk is die alternatieven te laten betrekken bij de adviesaanvraag aan het College bescherming persoonsgegevens ter zake; Overwegende dat rekening gehouden moet worden met een algemeen gangbare termijn van negen maanden voor de operationalisering van een gekozen alternatieve wijze van aanlevering van het gegeven zorgvraagzwaarte; Overweg"},{"i":16978,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Advisering in de gezondheidszorg vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 mei 2007, nr. arc-2007.03707/13); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Advisering in de gezondheidszorg over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument **Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag op het beleidsterrein Advisering in de gezondheidszorg 1945 –** Deze selectielijst geldt voor de zorgdrager Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Ministerie van VWS Directie Informatiehuishouding Versie SDU februari ‘07 Lijst van afkortingen AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur AWBZ: Algemene wet bijzondere ziektekosten B&W: Burgemeester en Wethouders BSD: Basisselectiedocument b.w.: buiten werking CRM: (Minister van) Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk ING: Instituut voor de Nederlandse Geschiedenis iwtr.: inwerkingtreding KB: Koninklijk Besluit MaWe: (Minister van) Maatschappelijk Werk OCW: (Minister van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap **Pb**.: Publicatieblad PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek RVZ: Raad voor de Volksgezondheid en Zorg **Stb**.: Staatsblad **Stcrt**.: Staatscourant SVb: Sociale Verzekeringsbank **Trb**.: Tractatenblad VWS: (Minister van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport WVC: (Minister van) Welzijn,"},{"i":16979,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bekostiging en verzekering gezondheidszorg vanaf 1941 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 1 juni 2006, nr. arc-2006.02898/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bekostiging en verzekering van de gezondheidszorg over de periode vanaf 1941](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17857,"b":"Wijziging Besluit beheer sociale huursector en het Huisvestingsbesluit Geacht college, geacht bestuur, 1. Inleiding Hierbij bied ik u aan een [besluit tot wijziging van het Besluit beheer sociale-huursector (BBSH) en het Huisvestingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011890). Het betreft een instrumentele harmonisatie van huur-, inkomens- en huishoudensbegrippen c.q. bedragen in het [BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686) en het [Huisvestingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005893) op de begrippen en bedragen zoals gedefinieerd in de [Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659). Dit is van belang voor het geval er in gespannen woningmarkten (of delen daarvan) een distributiesysteem van kracht is, waarbij schaarse woningen met een verhoudingsgewijs lage huurprijs zoveel mogelijk in gebruik worden gegeven aan woningzoekenden die daar, gelet op hun inkomen, in het bijzonder op zijn aangewezen. Dit besluit is ook van toepassing op overeenkomsten die gemeenten op basis van [artikel 4 van de Huisvestingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005674&artikel=4) met verhuurders hebben gesloten over het in gebruik geven van woonruimten. Met deze harmonisatie worden gemeenten en verhuurders heldere en eenduidige uitgangspunten geboden ten behoeve van het beleid, gericht op het beschikbaar houden van een kernvoorraad aan passende woonruimte voor huursubsidiegerechtigden. Voor de goede orde merk ik op dat dit besluit geen betrekking heeft op de randvoorwaarden die in acht moeten worden genomen, indien een gemeente ook economische en/of maatschappelijke bindingseisen zou willen stellen. Dit besluit is reeds aangekondigd in MG 97-15 van [14 juli 1997](onbekend) en MG 99-13 van [10 juni 1999](onbekend) en vervangt met ingang van 19 februari 2001 de inkomens- en huurprijsgrens zoals vermeld in MG 98-19 van [23 juli 1998](onbekend). Gemeenten hebben tot 1 juli 2001 de tijd om hun huisvestingsverordening in d"},{"i":19315,"b":"Besluit van 11 oktober 2004, houdende wijziging van het Warenwetbesluit kosmetische produkten en het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten ter implementatie van richtlijn nr. 93/35/EEG van de Raad van 14 juni 1993 tot zesde wijziging van richtlijn 76/768/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake kosmetische produkten (PbEG L 151), richtlijn nr. 2003/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2003 tot wijziging van richtlijn 76/768/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PbEU L 66) en richtlijn nr. 2003/80/EG van de Commissie van 5 september 2003 tot vaststelling van het symbool dat de houdbaarheid van cosmetische producten aangeeft, in bijlage VIII bis bij richtlijn 76/768/EEG van de Raad (PbEU L 224) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 juli 2004, VGB/P&L 2497622, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Justitie; Gelet op [richtlijn nr. 93/35/EEG](31993L0035) van de Raad van 14 juni 1993 tot zesde wijziging van [richtlijn 76/768/EEG](31976L0768) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake kosmetische produkten (PbEG L 151), [richtlijn nr. 2003/15/EG](32003L0015) van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2003 tot wijziging van [richtlijn nr. 76/768/EEG](31976L0768) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PbEU L 66), [richtlijn nr. 2003/80/EG](32003L0080) van de Commissie van 5 september 2003 tot vaststelling van het symbool dat de houdbaarheid van cosmetische producten aangeeft, in bijlage VIII bis bij [richtlijn 76/768/EEG](31976L0768) van de Raad (PbEU L 224), alsmede de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [6, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":19068,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 16 december 2024, nr. 5945938, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de programmamanager van het Programma de JenV-brede Werkagenda Gelet op [artikel 3, eerste lid, onder a, en vijfde lid, onder a, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12) en [paragraaf 1.3 van de CAO Rijk](https://www.caorijk.nl/download-de-cao-rijk-en-meer); Artikel 1 1. Aan de medewerker die is aangesteld als programmamanager van het Programma de JenV-brede Werkagenda, wordt ondermandaat verleend voor het aangaan van financiële verplichtingen en het verrichten van uitgaven met betrekking tot de aangelegenheden die diens Programma betreffen. 2. Als bevoegd om te beschikken over bedragen voor het aangaan van verplichtingen en voor het verrichten van uitgaven in het kader van het Programma de JenV-brede Werkagenda, wordt aangewezen de programmamanager van het Programma, voor zover dit het aan de programmamanager toegekende budget en telkens het maximumbedrag van € 250.000,- voor iedere verplichting of uitgave niet overstijgt. Artikel 2 1. Ondermandaat wordt verleend voor het beschikken over bedragen voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven, in overeenstemming met [artikel 3.3 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=3.3). 2. De in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050578&artikel=1&z=2024-12-24&g=2024-12-24) genoemde ambtenaar is met betrekking tot de medewerkers binnen de directie Project-, Programma- en Adviescentrum (PPA"},{"i":19357,"b":"Wet van 15 december 1993, houdende enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Beginselenwet gevangeniswezen omtrent de terbeschikkingstelling en de observatie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele bepalingen van het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en de Beginselenwet gevangeniswezen omtrent de terbeschikkingstelling en de observatie te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV In gevallen waarin op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet nog moet worden beslist op een vordering als bedoeld in artikel 38**c** Sr vindt [artikel I onder C sub 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006315&artikel=I&z=1994-01-15&g=1994-01-15) geen toepassing. Artikel V [Artikel I onder E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006315&artikel=I&z=1994-01-15&g=1994-01-15) heeft geen gevolgen ten aanzien van de ter beschikking gestelden ten aanzien van wie de rechter vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet heeft bevolen dat zij van overheidswege zullen worden verpleegd. Artikel VI Met betrekking tot de te volgen procedure ten aanzien van de eerstkomende verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet worden de op dat tijdstip vervallen bepalingen toegepast. Artikel VII Ten aanzien van de bevelen tot observatie ingevolge het bepaalde in de [artikelen 196](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=196) tot en met [198](https://wetten.overh"},{"i":17998,"b":"Wet van 16 juni 2005, houdende regeling van een sociale verzekering voor geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking (Zorgverzekeringswet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de gehele bevolking onder voor ieder gelijke sociale voorwaarden verzekerd is tegen de gevolgen van behoefte aan geneeskundige zorg; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. verzekeraar: een verzekeringsonderneming als bedoeld in de richtlijn solvabiliteit II; - b. zorgverzekeraar: een verzekeraar, voor zover deze zorgverzekeringen aanbiedt of uitvoert; - c. verzekeringnemer: een persoon die met een zorgverzekeraar een zorgverzekering heeft gesloten; - d. zorgverzekering: een tussen een zorgverzekeraar en een verzekeringnemer ten behoeve van een verzekeringsplichtige gesloten schadeverzekering, die voldoet aan hetgeen daarover bij of krachtens deze wet is geregeld, en waarvan de verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te boven gaan; - e. verzekeringsplichtige: degene die op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) verplicht is zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren; - f. verzekerde: degene wiens risico van behoefte aan zorg of overige diensten, als bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01), door een zorgverzekering wordt gedekt; - g. verplicht eigen risico: een bedrag aan kosten van zorg of overige diensten als bedoeld bij of krachtens [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&hoofdstuk=3&parag"},{"i":18268,"b":"Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten Algemeen In de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) wordt in sommige artikelen gesproken over ‘Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten’. In andere artikelen is dat vervangen door ‘Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba’. In beide gevallen wordt het Koninkrijk als geheel bedoeld. Dat geldt ook voor soortgelijke terminologie in deze Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Artikel 1 1-1-a. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) 1-1-a. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) 1-1-a. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) 1-1-b. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) Met de Minister van Justitie wordt bedoeld de Minister van Justitie en Veiligheid. De Minister is belast met de uitvoering van de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738). Op dit moment is deze taak in handen gegeven van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. 1-1-b. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) 1-1-b. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) 1-1-b. Toelichting ad [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) paragraaf 4. **Toelating minderjarigen** paragraaf 5. **Onafgebroken periode(n) van toelating/‘verblijfsgat’** Binnen het Koninkrijk gesloten huwelijken worden op basis van het Sta"},{"i":18208,"b":"Besluit vaststelling selectielijst archieven Ministerie van Buitenlandse Zaken (overgang naar digitale archivering in de periode (2009) 2012-2014) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de archieven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken gevormd vanaf de overgang naar digitale archivering in de periode (2009) 2012–2014’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijsten - •. [Coördinatie algemeen regeringsbeleid vanaf 1945](onbekend) (RIO 001), **Stcrt**. nr. 53, 2009-03-18 - •. [Oorlogsgetroffenen](onbekend) (RIO 003), **Stcrt**. nr. 98, 2007-05-24 - •. [Telecommunicatie en Pos](onbekend)t (RIO 004), **Stcrt**. 48, 2009-03-11 - •. [Kwaliteit van de wetgeving](onbekend) (RIO 012), **Stcrt**. nr. 32, 2007-02-14 - •. [Geneesmiddelen en medische hulpmiddelen](onbekend) (RIO 013.1), **Stcrt**. nr. 192, 2006-10-03 - •. [(Beheer van de) Rijksbegroting](onbekend) (RIO 015), **Stcrt**. nr. 62, 2005-03-31 - •. [Burgerluchtvaart](onbekend)(RIO 016), **Stcrt**. nr. 169, 2008-09-02 - •. [Gratie](onbekend) (RIO 119) **Stcrt**. nr. 237, 2006-12-05 - •. [Militair materieel](onbekend) (RIO 020), **Stcrt**. nr. 79, 2007-04-24 - •. [Scheepvaart en maritieme zaken](onbekend) (RIO 021), **Stcrt**. nr. 128, 2008-07-07 - •. [Toelating van vreemdelingen](onbekend) (RIO 023), **Stcrt**. nr. 1751, 2010-02-09 - •. [Regulering en toezicht bank- en kredietwezen](onbekend) (RIO 040), **Stcrt**. nr. 229, 2007-11-26 - •. [Studiefinanciering (RIO 042)](onbekend), **Stcrt**. nr. 127, 2006-07-04 - •. [Staatsschuld](onbekend) (RIO 043), **Stcrt**. nr. 111, 2005-06-13 - •. [Rijkshuisvesting](onbekend) (RIO 045), **Stcrt**. nr. 142, 2007-07-26 - •. [Voorlichting van de Rijksoverheid](onbekend) (RIO 046), **Stcrt**. nr. 112, 2007-06-14 - •. [Inkomens- en arbeidsvoorwaardenbeleid](onbekend) (RIO 047), **Stcrt**. nr"},{"i":18088,"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden rijksministerraad, ministerraad, onderraden en ministeriële commissies (1 januari 1999 – 1 januari 2000) Gelet op [artikel 15, lid 1, sub a en b Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 17 oktober 2024, met kenmerk 1339114. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van notulen en bescheiden van de rijksministerraad, de ministerraad, de onderraden en de ministeriële commissies, als bedoeld in de verklaring van overbrenging van de notulen en bescheiden van de ministerraad en onderraden (1 januari 1999 – 1 januari 2000). Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom.Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen. Op de stukken van de ministerraad en rijksministerraad is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 8587A | 2075 | | 8591A | 2075 | | 8679A | 2075 | | 8810A | 2075 | | 8811 | 2075 | | 8812 | 2075 | | 8813 | 2075 | Een aantal van de bovengenoemde dossiers is ten behoeve van de toegankelijkheid afgesplitst van het oorspronkelijke inventarisnummer. Bij het vervallen van de openbaarheidsbeperking zullen deze fysiek teruggeplaatst worden bij het oorspronkelijke stuk en zal de inventaris daarop worden aangepast. Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Op het stuk van de ministerraad is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 janua"},{"i":18522,"b":"Rijkswet van 22 juli 1985 tot wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, houdende losmaking van Aruba uit het Staatsverband van de Nederlandse Antillen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat een van 7 tot en met 12 maart 1983 te 's-Gravenhage gehouden conferentie van de Nederlandse Antillen, de eilanden van de Nederlandse Antillen en Nederland ermee heeft ingestemd dat Aruba als overgang naar de onafhankelijkheid voor een periode van tien jaren de hoedanigheid verkrijgt van land in het Koninkrijk op de grondslag van het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) en dat daarom wijziging van het Statuut nodig is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, [artikel 55 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=55) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel II Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze rijkswet in het Koninkrijk bestaande rijkswetten, wetten, landsverordeningen, algemene maatregelen van rijksbestuur, algemene maatregelen van bestuur, andere regelingen en besluiten die in strijd zijn met de bij deze rijkswet vastgestelde veranderingen in het [Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154), blijven gehandhaafd, totdat daarvoor met inachtneming van het [Statuut](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) een voorziening is getroffen. Artikel III Waar in op het tijdstip van inwerkingtreding van deze rijkswet geldende bepalingen in rijkswetten, wetten, algemene maatregelen van rijksbestuur, algemene maatregelen van bestuur en daarop gebaseerde regelingen en besluiten melding wordt gemaakt van de Nederlandse Antillen, wordt, zolang die bep"},{"i":17946,"b":"Wet van 23 mei 2011 tot wijziging van de Waterwet en de Waterschapswet en intrekking van de wet van 18 december 1985, houdende enige voorzieningen ten behoeve van de inzet en bekostiging van muskusrattenvangers, tot regeling van de zorgplicht ter voorkoming van schade aan waterstaatswerken veroorzaakt door muskusratten en van financiële bijdragen aan verbetering van primaire waterkeringen van de waterschappen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de waterschappen een bijdrage leveren aan de bekostiging van verbetering van primaire waterkeringen, en dat met het oog op een efficiëntere toedeling van taken de voorkoming van schade aan waterstaatswerken veroorzaakt door muskus- en beverratten aan hen wordt overgedragen, en dat het daarom noodzakelijk is enige voorzieningen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Waterwet. Artikel II Wijzigt de Waterschapswet. Artikel III De [wet van 18 december 1985, houdende enige voorzieningen ten behoeve van de inzet en bekostiging van muskusrattenvangers (Stb. 1985, 715)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003902), wordt ingetrokken. Artikel IV Indien [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030063&artikel=I&z=2011-07-01&g=2011-07-01) van deze wet na 1 augustus 2011 in werking treedt: - a. voldoet het waterschap binnen een maand na het tijdstip van die inwerkingtreding aan de verplichting bedoeld in [artikel 7.25 van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.25), voor de eerste periode van vier kalenderjaren; - b. stelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat binnen drie maanden na het tijdstip van die inwerkingtreding de in [artikel 7.26, eerste lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.26) bedoelde"},{"i":19087,"b":"Regeling van de Minister van Justitie houdende de eisen waaraan een verblijfsruimte voor gedetineerden in een penitentiaire inrichting dient te voldoen Gelet op [artikel 16, vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=16); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 10 december 1998, kenmerk 735266/98; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Algemeen 1. De verblijfsruimte is zodanig uitgevoerd en ingericht dat zij voldoet aan de eisen die het karakter van de inrichting, de Arbowet en de brandveiligheidsvoorschriften daaraan stellen. 2. Bij plaatsing wordt de verblijfsruimte schoon opgeleverd aan de gedetineerde, die haar tijdens zijn verblijf zelf schoon houdt. § 2. De inrichting van de verblijfsruimte bestemd voor één of twee gedetineerden Artikel 3. Ruimtelijke eisen Met een afwijkingsmarge van 10% heeft de verblijfsruimte minimaal een vloeroppervlak van 10 vierkante meter, een breedte van 2 meter en een vrije hoogte van 2,5 meter. Artikel 4. Buitenwandopening 1. In een wand of het plafond van de verblijfsruimte bevindt zich een beveiligd raam. 2. Het raam heeft een oppervlak van minstens 0,75 vierkante meter, tenzij hieraan op grond van een wettelijke bepaling niet kan worden voldaan. Artikel 5. Binnenwandopening 1. In de binnenwand van de verblijfsruimte bevindt zich een slechts van buitenaf afsluitbare deur. 2. In de deur is een observatieluikje aangebracht dat van buitenaf wordt afgeschermd. Artikel 6. Verwarming en ventilatie 1. In de verblijfsruimte is een voorziening voor centrale verwarming aangebracht. 2. De verwarming heeft een zodanige capaciteit dat in de verblijfsruimte een temperatuur van minimaal 20 graden C kan worden bereikt. 3. De verblijfsruimte is voorzien van een ventilatiemogelijkheid waardoor op natuurlijke dan wel mechanische wijze de lucht voor de individuele gedetineerde voldoende k"},{"i":18949,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 februari 2024 nr. BOACAT2024/012, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Werkorganisatie Druten Wijchen Gelezen het verzoek van Werkorganisatie Druten Wijchen van 5 februari 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049383&artikel=2&z=2024-08-06&g=2024-08-06). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van coördinerend BOA, Integraal BOA en BOA in dienst van Werkorganisatie Druten Wijchen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, z"},{"i":18223,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militaire Operatiën vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, arc-2006.03456/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Militaire Operatiën over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17943,"b":"Wet van 22 november 2023, houdende wijziging van de Participatiewet ten behoeve van de werkvoorzieningen voor visueel beperkten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de uitvoering van de werkvoorzieningen ten behoeve van de ondersteuning bij de arbeidsinschakeling van personen met een visuele beperking die behoren tot de doelgroep van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) wordt ondergebracht bij het UWV; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel II. Overgangsrecht De [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=7), [8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=8a) en [10e van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=10e), zoals die luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op aanvragen voor werkvoorzieningen ten behoeve van visueel beperkten die op dat moment zijn ingediend bij het college. Artikel III. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17591,"b":"Subsidieregeling pakket rechtsbijstand herstelregelingen kinderopvangtoeslag 2026 gelet op [artikel 37b van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b), waarin is bepaald dat het bestuur van de raad voor Rechtsbijstand subsidie kan verstrekken ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand voor bijzondere doeleinden en projecten, besluit: de volgende subsidieregeling vast te stellen. Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze subsidieregeling wordt verstaan onder: - a. **advocaat:** de advocaat die op basis van [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052594&hoofdstuk=III&artikel=7&z=2026-05-02&g=2026-05-02) van deze regeling is toegelaten tot deze subsidieregeling; - b. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - c. **bestuur:** het bestuur van de raad, als bedoeld in [artikel 3 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - d. **bezwaarschriftenadviescommissie:** de adviescommissie als bedoeld in de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen; - e. **Bvr:** [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018); - f. **Commissie Werkelijke Schade:** Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade als bedoeld in de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade; - g. **deskundige:** een letselschadedeskundige die staat ingeschreven in minimaal een van de registers van het NIVRE, NLK, LSA of ASP een medisch deskundige die staat ingeschreven in het BIG-register of een rekenkundige;1Nederlands Instituut van Register Experts (NIVRE), Nationaal Keurmerk Letselschade (NKL), Vereniging van Letselschade Advocaten (LSA), Vereniging van Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade (ASP) en Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG). - h. **ex-partner:** de ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie bedo"},{"i":19169,"b":"Richtlijn voor strafvordering Telecommunicatiewet Deze richtlijn ziet op de strafrechtelijke handhaving van de meest voorkomende delicten begaan door het overtreden van de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) (Tw) (misdrijven en/of overtredingen). Voor zover het basisdelict een misdrijf (doleus) en een overtredingsvariant (culpoos) kent, is bij het betreffende basisdelict een uitgangspunt opgenomen dat betrekking heeft op de misdrijfvariant. In geval sprake is van een overtreding kan hiervan naar beneden worden afgeweken. Indien het basisdelict alleen ziet op een overtreding speelt dit punt uiteraard geen rol. Het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben en/of het gebruik van een radioapparaat, bestemd om omroepfrequenties tussen de 87,5 MHz en de 108,0 MHz, tussen 2,0 Mhz en de 30 MHz, tussen 551 kHz en de 1602 kHz, tussen de 174 MHz en de 230 MHz en tussen de 1452 MHz en de 1479.5 MHz in gebruik voor radio-omroep te gebruiken, zonder vergunning ex [art. 3.13, eerste lid, Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.13), alleen gepleegd. (strafbaarstelling: [art. 10.15, eerste lid Tw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=10.15) jo. [art. 1 sub 1º Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1) (WED). Onderscheid wordt gemaakt tussen de lichte en de zware variant. De lichte variant betreft overtredingen die veelal op individueel niveau vanuit particuliere woningen plaatsvinden. Bij de zware variant is sprake van uitzending in groepsverband en/of van een groot bereik en/of van belemmering van opsporingshandelingen.1Groot bereik: een verzorgingsgebied van minstens 15 km vanaf de zender en/of minstens 50.000 potentiële luisteraars; belemmering: bijvoorbeeld het verplaatsen, verstoppen, barricaderen enz. van de zendapparatuur en het hinderen, bedreigen enz. van ambtenaren belast met de opsporing. Het aanleggen, het geheel of gedeeltelij"},{"i":17106,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2011 krachtens de Wet op de Rechtsbijstand Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad) kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsterreinen. Deze voorwaarden zijn algemeen verbindend. De Raad stelt als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de [Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) dat het verzoek om inschrijving door de Raad volledig is behandeld en is ingewilligd. De Raad kan op grond van [art. 16 Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=16) uitsluitend in bijzondere gevallen een niet-ingeschreven advocaat toevoegen. Dit is het geval indien een rechtzoekende uitdrukkelijk en gemotiveerd om toevoeging van de niet-ingeschreven advocaat verzoekt of indien voor de verlening van rechtsbijstand op een bepaald rechtsterrein onvoldoende advocaten met de desbetreffende specialistische deskundigheid zijn ingeschreven. Het verstrekken van een toevoeging aan een niet-ingeschreven advocaat dient een uitzondering te blijven. Een advocaat die op grond van art. 16 Wrb vaker dan sporadisch een verzoek om toevoeging indient dient zich op grond van de [Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) te laten inschrijven. In ieder geval"},{"i":17519,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/R&S/05/99376, houdende regels met betrekking tot de vrijstelling van verplichtingen genoemd in de Werkloosheidswet en de Wet werk en inkomen naar arbeid (Regeling vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA) Gelet op de [artikelen 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=30), juncto [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=32), en [37, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=37) en de [artikelen 19, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=19), [21, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=21), [24, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24), [26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=26), en [76a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=76a); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **resterende verdiencapaciteit**: de resterende verdiencapaciteit, bedoeld in [paragraaf 7.2 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&paragraaf=7.2); - **uitkeringsgerechtigde**: de verzekerde die zijn resterende verdiencapaciteit als bedoeld in [paragraaf 7.2 van de Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&paragraaf=7.2) niet volledig benut, de werknemer, de IOW-gerechtigde, of de persoon die ziekengeld ontvangt op grond van de ZW; - **verzekerde**: de verzekerde, bedoeld in de [Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), die recht heeft op een WGA-uitkering; - **werknemer**: de werknemer, bedoeld in [hoofdstuk 1, paragraaf 2, van de WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&paragraaf=2), die recht heeft op een WW-uitkering; - **Wet WIA**: [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https"},{"i":17345,"b":"Regeling macrobeheersinstrument kortdurende zorg 2024 Gelet op de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg (BKZ):** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **macrobeheersinstrument (MBI):** instrument waarmee op grond van de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - **macro-omzetgrens:** de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Minister voor Langdurige zorg en Sport. - **zorgaanbieder:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) én de houder is van de AGB code die door de zorgverzekeraar aan de NZa is verstrekt ten behoeve van de uitvoering van het macr"},{"i":16985,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gewasbescherming vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2006, nr. arc-2006.02763/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Gewasbescherming over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19099,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 februari 2010, nr. CZW/WVOB 2009-0000745684, tot het opdragen van opsporingstaken die samenhangen met de uitkeringen krachtens de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en enige andere wetten aan de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (Regeling toedeling opsporingstaken Appa) handelende in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 3, aanhef en onder b, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in [artikel 2, aanhef en onder d, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2), heeft mede tot taak het opsporen van strafbare feiten die samenhangen met de uitkeringen krachtens de [hoofdstukken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&hoofdstuk=3) en [10 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&hoofdstuk=10), [artikel 7 van de Wet schadeloosstelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=7), uitkering en pensioen leden Europees Parlement, [artikel 15 van de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=15) en de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=6) en [9, vierde lid, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=9). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toedeling opsporingstaken Appa. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16986,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gezondheid en Welzijn van Dieren vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 april 2007, arc-2007.03707/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Gezondheid en Welzijn van Dieren over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18679,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 oktober 2012, kenmerk 307704, houdende de aanwijzing van militairen van de Koninklijke marechaussee die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Aanwijzingsbesluit algemeen opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee BES) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op [artikel 184, eerste lid, onderdeel d, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184); Besluit: Artikel 1 De officieren en de onderofficieren van de Koninklijke marechaussee zijn voor zover zij namens de Commandant Koninklijke marechaussee geschikt en bekwaam zijn geoordeeld, met de opsporing van strafbare feiten belast. Artikel 2 Met de opsporing van strafbare feiten zijn eveneens belast de militairen van de Koninklijke marechaussee die zijn toegelaten tot de fase beroepspraktijkvorming van de opleiding algemeen opsporingsambtenaar Koninklijke marechaussee in de gevallen waarbij tijdens die fase van de opleiding door hen daadwerkelijk politietaken worden uitgeoefend. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst en werkt terug tot en met 10 oktober 2010 om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit algemeen opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee BES. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18651,"b":"Wet van 12 februari 2001 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke indeling in verband met de opheffing van de kantongerechten Zevenbergen en Zuidbroek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de kantongerechten te Zevenbergen en Zuidbroek op te heffen en de daarbij behorende rechtsgebieden onder te brengen bij andere kantongerechten in hetzelfde arrondissement, en dat het in verband daarmee nodig is de Wet op de rechterlijke indeling te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechterlijke indeling. Artikel II 1. De kantonrechters wier standplaats door de inwerkingtreding van deze wet komt te vervallen, worden van rechtswege benoemd tot kantonrechter in het kantongerecht dat de plaats inneemt van het opgeheven kantongerecht. 2. De kantonrechters-plaatsvervangers die benoemd zijn in het kantongerecht dat door de inwerkingtreding van deze wet komt te vervallen, worden van rechtswege benoemd in de kantongerechten die de plaats innemen van het opgeheven kantongerecht, tenzij zij ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet tevens plaatsvervanger waren in dat kantongerecht. Artikel III De administratie, het archief en de registers van een kantongerecht dat door de inwerkingtreding van deze wet wordt opgeheven, worden van rechtswege overgedragen aan het kantongerecht dat de taken overneemt van het opgeheven kantongerecht. Artikel IV De zaken die bij het op te heffen kantongerecht aanhangig zijn, worden van rechtswege in de stand waarin zij zich bevinden overgedragen aan het kantongerecht dat de taken van het opgeheven kantongerecht overneemt. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bev"},{"i":18229,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Zondagswet 1945– (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2006, nr. arc-2006.03456/9); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Zondagswet over de periode 1945–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Het [besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties d.d. 22 januari 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021228) (kenmerk C/S&A/07/204; gepubliceerd in de Staatscourant d.d. 12 februari 2007 nr. 30) komt hierbij te vervallen. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18170,"b":"Besluit opheffen beperking openbaarheid archiefbescheiden, inventarisnummer 25357 Code-archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965–1974, nummer toegang 2.05.313 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 juli 2009, nr. DDI/ST/reg. 022/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1965–1974](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026113) (Staatscourant 16 juli 2009, nr. 10840), Gehoord hebbende de Minister van Buitenlandse Zaken, Besluit: Artikel 1 De beperking die is gesteld aan de openbaarheid van inventarisnummer 25357 op te heffen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":16988,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Infectieziektebestrijding en preventieve gezondheidszorg vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 april 2007, arc-2007.03707/12); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Infectieziektebestrijding en preventieve gezondheidszorg over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17976,"b":"Wet van 30 juni 2004, houdende wijziging van de Wet sociale werkvoorziening en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen met name in verband met de overgang van de indicatiestelling voor de sociale werkvoorziening van de gemeenten naar de Centrale organisatie werk en inkomen en verruiming van de mogelijkheden tot begeleid werken in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, alsmede een aanpassing van de Algemene wet bestuursrecht en de Beroepswet terzake Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verantwoordelijkheid voor indicatiestelling, bedoeld in de [Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903), van de gemeenten over te laten gaan naar de Centrale organisatie werk en inkomen en de mogelijkheden tot begeleid werken in het kader van die wet te verruimen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet sociale werkvoorziening. Artikel II Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV Wijzigt de Beroepswet. Artikel V 1. De bij inwerkingtreding van deze wet bij het gemeentebestuur, bedoeld in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=11), respectievelijk de commissie, bedoeld in [artikel 12, van de Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=12) aanhangige besluiten respectievelijk adviesaanvragen, bedoeld in de [artikelen 6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=6), [11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=11), of [11, tweede lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=11) worden tot 13 weken na inwerkingtreding van deze wet door dat gemeentebestuur respe"},{"i":19471,"b":"Europese Overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen De Overeenkomstsluitende Partijen, Zich bewust van de noodzaak het internationale wegverkeer in Europa te vergemakkelijken en te verbeteren, Overwegende dat het voor de versteviging van de betrekkingen tussen Europese landen van groot belang is een gecoördineerd plan op te stellen voor het aanleggen van wegen die voldoen aan de eisen van het toekomstige internationale wegverkeer, alsmede voor het aanpassen van wegen aan deze eisen, Zijn overeengekomen als volgt: Omschrijving en aanvaarding van het internationale E-wegennet Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen aanvaarden het voorgestelde wegennet, hierna te noemen „het internationale E-wegennet” en omschreven in bijlage I bij deze Overeenkomst, als een gecoördineerd plan voor het aanleggen en aanpassen van wegen van internationaal belang, dat zij voornemens zijn uit te voeren binnen het kader van hun nationale programma’s. Artikel 2 Het internationale E-wegennet bestaat uit een netwerk van referentiewegen die in het algemeen van noord naar zuid of van west naar oost lopen; het omvat ook de tussenliggende wegen en de zij- en verbindingswegen. Aanleg en ontwikkeling van wegen van het internationale E-wegennet Artikel 3 De wegen van het internationale E-wegennet, als bedoeld in artikel 1 van deze Overeenkomst, worden in overeenstemming gebracht met de bepalingen van bijlage II bij deze Overeenkomst. Aanduiding van de wegen van het internationale E-wegennet Artikel 4 1. De wegen van het internationale E-wegennet worden aangeduid door en voorzien van het verkeersteken, beschreven in bijlage III bij deze Overeenkomst. 2. Alle tekens die worden gebruikt om E-wegen aan te geven en die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst en haar bijlagen, worden overeenkomstig artikel 6 verwijderd binnen drie jaar na de datum waarop deze Overeenkomst voor de betrokken Staat in werking treedt. 3. Nieuwe verkeerstekens die voldoen aan het bepa"},{"i":18150,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 augustus 2015, nr. MT/2015/77, inzake de (routinematige) digitale vervanging van archiefbescheiden van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Over te gaan tot (routinematige) digitale vervanging van archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen: - a. die: - 1. zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit; of - 2. zullen worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit; - b. volgens de specificaties, vastgelegd in de bij dit besluit horende bijlage ‘Handboek digitale vervanging archiefbescheiden Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed’; - c. overeenkomstig de eisen, opgenomen in de [Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041) 2009 (Stcrt. 2010, 70); en - d. met inachtneming van de waarde en het belang, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel c onderscheidenlijk d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Bijlage Handboek digitale vervanging archiefbescheiden Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Versie: 1.0 Datum: 23-07-2015 Status: Definitief Behoort bij: MT/2015/77 Colofon Inhoud Inleiding In 2010 is besloten om de archieven van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te digitaliseren om de informatievoorziening intern en extern te verbeteren. De beschikbare informatie wordt op deze manier beter ontsloten voor medewerkers van de rijksdienst maar ook voor andere (rijks)ambtenaren, professionals en burgers in het algemeen. Het ontsluiten van informatie over het cultureel erfgoed is een van de kerntaken van de rijksdienst. Het digitaliseren van de archieven past in een bredere ontwikkeling bij de RCE, namelijk een ketengerichte invulling van de informatie-infrastructuur ten behoeve van nieuw beleid"},{"i":18328,"b":"Opschorting overbrenging archiefbescheiden Defensie Gezien het verzoek van de Minister van Defensie van 5 juni 1980, nr. DGP/80.014/1921; Gelet op artikel 20 van het Archiefbesluit, Besluit: De Minister van Defensie wordt gemachtigd de overbrenging naar de rijksarchiefbewaarplaats van de stamboeken, registratiekaarten, en pensioenregisters van personeel van de land-, zee- en luchtmacht alsmede de bij deze bescheiden behorende toegangen, op te schorten tot het tijdstip, waarop de jongste ingeschreven persoon de leeftijd van tachtig jaar heeft bereikt of bereikt zou hebben. Deze beschikking, welke zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant treedt in werking met ingang van 15 april 1983."},{"i":19484,"b":"Instellingsbesluit Stuurgroep preventie en bestrijding voertuigcriminaliteit overwegende, dat er politiek en maatschappelijk hoge prioriteit wordt gegeven aan preventie en bestrijding van autocriminaliteit; dat criminaliteit in toenemende mate internationaliseert; dat met betrekking tot het voertuig sprake is van sterk toenemende fraude en criminaliteit, zoals ontduiken van voertuigverplichtingen (belasting, keuring, verzekering), verzekeringsfraude, verduistering, vermissing en diefstal, malafide import en export; dat het coördinerend ministerschap voor wat betreft voertuiginformatievoorziening zijn verantwoordelijkheid is; dat in het kader van het informatiebeleid van de rijksoverheid op het gebied van voertuigen het kentekenregister de basisregistratie is en dat de Dienst Wegverkeer is aangewezen als houder hiervan; dat optimale kaders worden gecreëerd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat ter bestrijding van voertuigcriminaliteit; Besluit: Artikel 1 Er is een stuurgroep preventie en bestrijding voertuigcriminaliteit, hierna te noemen de stuurgroep. Artikel 2 De stuurgroep heeft tot taak: - Optimaliseren van de V&W-bijdragen aan de preventie en bestrijding van voertuigcriminaliteit, - sturing geven aan voorstellen en plannen op dit gebied, - afstemming van activiteiten op dit gebied. Artikel 3 Artikel 4 Aan de stuurgroep wordt als secretaris toegevoegd een medewerker van het Bureau Secretaris-Generaal van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Artikel 5 De stuurgroep heeft de volgende werkwijze: - De stuurgroep komt 3 à 4 keer per jaar bijeen. - De adjunct-directeur van de Dienst Wegverkeer draagt zorg voor een werkprogramma van te bespreken onderwerpen en voorgestelde activiteiten; tevens komt, aan de hand van rapportages, de voortgang van de diverse activiteiten aan de orde. Artikel 6 lid 1: Een jaar na de eerste vergadering evalueert de stuurgroep haar werkzaamheden. lid 2: Er wordt naar gestreefd de stuurgroep op te heffen op het moment dat het bele"},{"i":18495,"b":"Rijkswet van 7 juli 2010, houdende regels voor het financieel toezicht op de landen Curaçao en Sint Maarten (Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van de Nederlandse Antillen en Nederland en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten zijn overeengekomen dat op de voet van samenwerking tussen gelijkwaardige partners financieel toezicht wordt ingesteld op de landen Curaçao en Sint Maarten dat er op gericht is dat die landen structureel voldoen aan de in deze wet opgenomen begrotingsnormen die tevens zijn verankerd in de eigen wetgeving zodat het toezicht op termijn overbodig wordt, dat in verband daarmee in deze rijkswet bepalingen zijn opgenomen die voorzien in evaluatie ter voorbereiding van beslissingen inzake voortzetting, beperking en beëindiging van het toezicht, dat Nederland aan deze ontwikkelingen een bijdrage levert door middel van overname bij het ingaan van de nieuwe staatkundige verhoudingen van de dan resterende hoofdsom van het totaal van de door Nederland over te nemen schulden, dat zij deze samenwerking onderling willen regelen in een rijkswet op grond van [artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38), dat de regeringen van de Nederlandse Antillen en Nederland en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten instemmen met de inhoud van deze rijkswet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Hoofdstuk 1. Definitiebepal"},{"i":17256,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 december 2004, nr. GMT/MT 2545126, houdende de aanwijzing van de Inspectie voor de Gezondheidszorg inzake de bloedvoorziening Gelet op [artikel 38 van de Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=38); Besluit: Artikel 1 De Hoofdinspecteur voor de gezondheidszorg en de onder zijn bevelen staande ambtenaren nemen bij de uitvoering van hun taak op grond van [artikel 20 van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=20) en op grond van [artikel 24 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=24) artikel 8 van [Richtlijn 2002/98/EG](32002L0098) van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong en tot wijziging van [Richtlijn 2001/83/EG](32001L0083) (PbEU L 33) in acht. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van 8 februari 2005. Deze aanwijzing zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18558,"b":"Vaststelling organisatie en taakverdeling Ministerie van Algemene Zaken Gelet op het [koninklijk besluit van 11 oktober 1947, No. H 346, tot instelling van een Departement van Algemeen Bestuur, dat de naam zal dragen van Ministerie van Algemene Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002513); Gelet op het [koninklijk besluit van 4 augustus 1971, No. 526, houdende de wijziging van de taakverdeling van departementen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002780); Gelet op het [koninklijk besluit van 13 december 1965, houdende regeling van de berichtgeving betreffende het Koninklijk Huis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002033), Staatsblad 554, 1965; Gelet op de [Wet van 30 juni 1976 tot instelling van een Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (Instellingswet WRR)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003043); Overwegende dat een duidelijke organisatie en toewijzing van taken binnen het Ministerie van Algemene Zaken van belang is voor de bedrijfsvoering; Besluit: Artikel I. Kabinet Minister-President 1. In te stellen het Kabinet Minister-President, rechtstreeks ressorterend onder de secretaris-generaal van Algemene Zaken. 2. Het Kabinet Minister-President te belasten met: - A. Adviseren en ondersteunen van de minister-president bij de uitvoering van de hem opgedragen taken. - B. Verzorgen van het secretariaat van de Raad van Ministers, alsmede de secretariaten van de onderraden en dat van het SG-beraad. - C. Coördinatie van aangelegenheden met betrekking tot de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Artikel II. Centrale afdeling Personeel en Organisatie 1. In te stellen een centrale afdeling Personeel en Organisatie. 2. De centrale afdeling Personeel en Organisatie te belasten met: - A. Ontwikkelen van een departementaal personeels- en organisatiebeleid. - B. Informeren, adviseren en ondersteunen van het hoofd van het departement op personeels- en organisatiegebied. - C. Informeren, adviseren en ondersteunen van de directeuren en de lag"},{"i":17594,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 20 februari 2025, nr. OWB/49374826 houdende regels voor subsidieverstrekking voor het versterken van sociale veiligheid in het hoger onderwijs en de wetenschap (Subsidieregeling sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **activiteitenplan:** activiteitenplan als bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050805&artikel=10&z=2026-01-31&g=2026-01-31); - **beoordelingskader:** beoordelingskader als bedoeld in de bijlage; - **hoger onderwijsinstelling:** hogeschool of universiteit als bedoeld in de [bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](onbekend); - **kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **organisatie:** hoger onderwijsinstelling, studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **penvoerder van de regiegroep:** penvoerder als bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050805&artikel=4&z=2026-01-31&g=2026-01-31); - **penvoerder van een samenwerkingsverband:** penvoerder als bedoeld in [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050805&artikel=4&z=2026-01-31&g=2026-01-31); - **programmaplan:** programmaplan als bedoeld in [artikel 8 van het Instellingsbesluit Regiegroep Sociale Veiligheid in Hoger Onderwijs en Wetenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049755&arti"},{"i":17549,"b":"Reglement Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs 2022 Preambule In 1992 richtten de sociale partners in het onderwijs de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs op. Het doel van het Vervangingsfonds is het bieden van waarborgen aan aangeslotenen voor de kosten van vervanging bij afwezigheid van gewezen personeel en het invoeren en in stand houden van bedrijfsgezondheidszorg in het primair onderwijs, alsmede het bevorderen en bewaken van die zorg. Het bestuur stelt, conform het bepaalde op grond van [artikel 183, vierde lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=183) juncto [artikel 169, vierde lid van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=169), het Reglement Vervangingsfonds vast. In dit reglement wordt bepaald welke rechten de aangeslotenen in het kader van de taakuitoefening van de stichting, als hierboven genoemd, jegens de stichting kunnen doen gelden en tot welke verplichtingen de aangeslotenen jegens de stichting zijn gehouden. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2022. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Hoofdstuk 2. Aansluiting bij het Vervangingsfonds § 2.1. Vrijwillige en verplichte aansluiting Artikel 2. Verplichte aansluiting bij het Vervangingsfonds Artikel 3. Vervanging die niet voor bekostiging in aanmerking komt Personeelsleden: zijn niet verplicht aangesloten bij het Vervangingsfonds. Vervanging van deze personeelsleden wordt niet bekostigd door het Vervangingsfonds. Artikel 4. Vrijwillige aanmelding van personeel § 2.2. Eigenrisicodragerschap Artikel 5. Eigenrisicodragerschap Artikel 6. Lopende vervangingen Hoofdstuk 3. Premie § 3.1. Premie Artikel 7. Premie Artikel 8. Premiepercentages § 3.2. Bonus-malus regeling Artikel 9. Bonus-malus regeling Artikel 10. Toepassingsbereik Artikel 11. Maximering malus Hoofdstuk 4. Bekostiging Artikel 12. Voorwaarden voor be"},{"i":18424,"b":"Regeling rijksbijdrage exploitatie Westerscheldeveerdiensten 1995 Gelet op [artikel 185 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=185) en op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005062&artikel=3), en [5, tweede lid, van de Wet van 24 april 1991 (Stb. 255) houdende regels met betrekking tot enkele specifieke uitkeringen aan provincie en gemeenten op het terrein van Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005062&artikel=5). Besluit: Artikel 1 De minister van Verkeer en Waterstaat, verder te noemen de minister, verstrekt aan de provincie Zeeland, verder te noemen de provincie, een jaarlijkse bijdrage in de kosten van exploitatie van de veerverbindingen Vlissingen-Breskens en Perkpolder-Kruiningen, hierna te noemen de Westerscheldeveerdiensten. Artikel 2 De bijdrage bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007866&artikel=4&z=2002-01-01&g=2002-01-01) wordt verstrekt over een periode van 7 jaar, gerekend vanaf 1 januari 1995 behoudens het bepaalde in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007866&artikel=9&z=2002-01-01&g=2002-01-01). Artikel 3 1. De provincie exploiteert de Westerscheldeveerdiensten en zet zich in voor een zo efficiënt mogelijke bedrijfsvoering, gericht op het zoveel mogelijk beperken van het exploitatietekort. 2. Exploitatie geschiedt voor rekening en risico van de provincie, en naar eigen inzicht, met inachtneming van deze regeling. 3. De dienstregeling voor het jaar 1994/1995 wordt als uitgangspunt aangehouden voor het aantal afvaarten. Structurele wijziging in het aantal afvaarten ten opzichte van deze dienstregeling geschiedt niet dan na overleg met de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Zeeland. 4. De provincie verhoogt de veertarieven op 1 januari 1996 eenmalig met 5%. De provincie zal op 1 januari 2000 een gemiddeld veertarief vaststellen van minimaal € 4,54 (exclusief BTW) dat daarna jaarlijks"},{"i":19031,"b":"Besluit van het hoofd van de afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken van de directie Juridische en Operationele Aangelegenheden van het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 30 juli 2024, nr. 5521125, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan bepaalde medewerkers van de afdeling Internationale aangelegenheden Rechtshulp in Strafzaken (Mandaatbesluit AIRS Justitie en Veiligheid 2024) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en [artikel 1, onderdeel b, van het Mandaatbesluit DJOA Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050098&artikel=1); Besluit: Artikel 1 In overeenstemming met [artikel 1, onderdeel b, van het Mandaatbesluit DJOA Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050098&artikel=1) wordt voor het afdoen van correspondentie inzake rechtshulp en uitlevering bij de afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken, ondermandaat verleend aan de als plaatsvervangend afdelingshoofd aangewezen medewerker. Artikel 2 Aan de bij de afdeling werkzame medewerkers die belast zijn met het coördineren van een cluster, wordt ondermandaat verleend voor het afdoen van correspondentie inzake rechtshulp en uitlevering in geval van afwezigheid van het hoofd van de afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken en diens plaatsvervanger. Artikel 3 De Mandaatregeling IRS Veiligheid en Justitie van 1 maart 2011 wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 9 mei 2024. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit AIRS Justitie en Veiligheid 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant wo"},{"i":17149,"b":"Wet van 16 december 2004, houdende invoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) en enkele daarmee samenhangende onderwerpen te regelen, zulks onder intrekking van onder andere de [Wet financiering volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004538); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities Hoofdstuk 2. Wijziging van andere wetten § 1. Sociale Zaken en Werkgelegenheid Artikel 2. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel 3. [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel 4. [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel 5. [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel 6. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel 7. [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel 8. [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel 9. [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel 10. [Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":19494,"b":"Wet van 25 mei 1978, houdende regelen inzake voorzieningen op het gebied van het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen inzake voorzieningen op het gebied van het financiële verkeer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij en krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; - b. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V.; - c. banken: alle ondernemingen en instellingen, tot wier bedrijf behoort het ter beschikking stellen of houden van gelden ten behoeve van derden, met uitzondering van de Bank; in geval van twijfel of een onderneming of instelling als bank in de zin van deze wet moet worden beschouwd, beslist Onze Minister; - d. Vervallen. - e. noodgeld: betaalmiddelen, welke van overheidswege in omloop worden gebracht ter vervanging van ’s Rijks munten; - f. hulpgeld: penningen, bonnen, zegels en dergelijke, welke door anderen dan de overheid of de Bank in buitengewone omstandigheden in omloop worden gebracht of als betaalmiddel worden gebruikt; - g. schadeloosstelling: - 1. de schadeloosstelling of vergoeding wegens vordering in eigendom van onroerende en roerende zaken, dan wel wegens wegruiming krachtens [artikel 16 van de Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983&artikel=16); - 2. de schadeloosstelling wegens onteigening; - 3. de vergoeding ter verkrijging bij minnelijke regeling van te onteigenen of te vorderen onroerende en roerende zaken; - 4. de vergoeding of verzekeringsuitkering wegens tenietgaan, verlies of beschadiging van onroerende en roerende zaken;"},{"i":17338,"b":"Regeling Macrobeheersinstrument geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2019 Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Deze regeling is voorts van toepassing op zorgverzekeraars als bedoeld in [artikel 3, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041706&artikel=3&z=2019-01-01&g=2019-01-01). Deze regeling is daarnaast van toepassing op degene die gegevens verzamelt, bewaart en bewerkt ten behoeve van zorgaanbieders of zorgverzekeraars, alsmede op de groep als bedoeld in [artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b), indien zorgaanbieders of zorgverzekeraars daartoe behoren. Artikel 2. Doel Deze regeling heeft tot doel uitvoering te geven aan het macrobeheersinstrument (mbi) en daarbij de navolgende voorwaarden, voorschriften en/of beperkingen te stellen: - –. administratievoorschriften; - –. voorschriften met betrekking tot regelmatige gegevensverstrekking - –. voorschriften met betrekking tot afdracht in verband met overschrijding van een grens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Artikel 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **zorgaanbieder:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig geneeskundige geestelijke gezondheidszorg verleent én de houder is van de algemeen ge"},{"i":18061,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 26 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 059/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse vertegenwoordiger bij de United Nations Temporary Executive Authority (UNTEA) in Westelijk Nieuw-Guinea van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1962–1963 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse vertegenwoordiger bij de United Nations Temporary Executive Authority (UNTEA) in Westelijk Nieuw-Guinea van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1962–1963, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 11 | 2039 | | 19 | 2039 | | 21 | 2038 | | 23 | 2019 | | 24 | 2039 | | 25 | 2039 | | 28 | 2039 | | 31 | 2039 | | 37 | 2039 | | 38 | 2038 | | 39 | 2039 | | 40 | 2039 | | 41 | 2039 | | 48 | 2039 | | 57 | 2039 | | 59 | 2039 | | 60 | 2039 | | 89 | 2039 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024819&artikel=1&z=2008-12-11&g=2008-12-11), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid."},{"i":17391,"b":"Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 5 oktober 2023, nr. WJZ/ 37236159, houdende regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen aan provincies in verband met de inzet van capaciteit op natuurmonitoring (Regeling specifieke uitkering capaciteit natuurmonitoring) Gelet op de [artikelen 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2), en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **capaciteit:** inzet van ambtelijke capaciteit of externe inhuur van capaciteit (bemensing) ten behoeve van natuurmonitoring; - **minister:** Minister voor Natuur en Stikstof; - **natuurmonitoring:** werkzaamheden in het kader van de op 21 december 2022 in het Bestuurlijk Overleg Natuur vastgestelde businesscase ‘VHR Compleet: Samen op Pad. Een Businesscase voor Robuuster Monitoring, Informatievoorziening & Rapportage van onze Gezamenlijke Vogel- en Habitatrichtlijn Doelen’. Artikel 2. specifieke uitkering 1. De minister kan op aanvraag een specifieke uitkering verstrekken aan een provincie om bij te dragen aan capaciteit voor de uitvoering van natuurmonitoring. 2. Per provincie wordt één specifieke uitkering verstrekt. 3. De specifieke uitkering wordt verstrekt voor kosten die zijn of worden gemaakt in de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2024. 4. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor kosten die reeds uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd. Artikel 3. hoogte van de uitkering 1. De specifieke uitkering bedraagt voor de uitkeringsperiode per provincie maximaal € 150.000, inclusief BTW. 2. De betaling aan de ontvanger wordt verminderd met de kosten waarvoor de provincie op grond van de [Wet op het BTW-compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817) voor compensatie in aanmerking komt. Artikel 4. aanvraag tot verlening 1. De specifieke uitkering kan worden aa"},{"i":18354,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 3 februari 2025, CvTE-25.00473, houdende vaststelling van het beoordelingskader voor de doorstroomtoets in het primair onderwijs voor het openbaar lichaam Bonaire (Regeling beoordelingskader doorstroomtoets PO Bonaire) Gelet op [artikel 3a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a); Gezien de goedkeuring van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 20 februari 2025, nummer 50618432, Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel V, onderdeel G, van de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs, enz. (aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs) in werking treedt. Artikel 1. Beoordelingskader Het beoordelingskader voor de doorstroomtoets als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, onderdeel g van de Wet College voor toetsen en eamens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a) wordt vastgesteld als opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050815&bijlage=1&z=2026-01-07&g=2026-01-07) van deze regeling. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel V, onderdeel G, van de Wet van 9 februari 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046751&artikel=V) tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (Stb. 2022, 135) in werking treedt. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beoordelingskader doorstroomtoets PO Bonaire. Bijlage 1. Beoordelingsk"},{"i":18233,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Rijksmuseale instellingen over de periode 1946–1995 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst, ingediend door de Vereniging van Rijksmusea (VRM), voor de neerslag van de handelingen van de Rijksmuseale instellingen, voor de periode 1946–1995’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17874,"b":"Besluit van 4 december 2025 tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit toevoeging mediation in verband met de aanpassing van enkele vergoedingen voor rechtsbijstandverleners en mediators en de uitbreiding van de bevoorschotting [KetenID WGK028087] Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 10 oktober 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6678187; Gelet op de [artikelen 37, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), en [39 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=39); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 5 november 2025, nr. W16.25.00297/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 28 november 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6882843; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018). Artikel II Wijzigt het [Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830). Artikel III Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) en [Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830), zoals die luidden op de dag vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op toevoegingen die zijn afgegeven of de ambtshandelingen die zijn verricht vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 februari 2026. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16992,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Milieubeheer vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 5 februari 2009, nr. bca-2008.05125/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Milieubeheer over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18418,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 20 december 2004, nr. 5326086/804, inzake de procedure bij reorganisaties in de sector Rechterlijke Macht Gelet op [artikel 36e van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=36e); Besluit: Artikel 1 1. De [Regeling procedure bij reorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007967) zoals die gold tot en met 30 september 2019 is van toepassing op de rechterlijke ambtenaren, met dien verstande dat: - a. onder ambtenaar wordt verstaan: rechterlijk ambtenaar als bedoeld in [artikel 36c, onderdeel e, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=36c); - b. onder centrales van overheidspersoneel wordt verstaan: de vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en van de andere door de Minister voor Rechtsbescherming tot het overleg toegelaten verenigingen of centrales van verenigingen van ambtenaren, bedoeld in [artikel 50, tweede lid van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=50); - c. onder functie wordt verstaan: functie als bedoeld in [artikel 36c, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=36c); - d. onder herplaatsen wordt verstaan: herplaatsen als bedoeld in [artikel 36c, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=36c); - e. onder herplaatsingskandidaat wordt verstaan: herplaatsingskandidaat als bedoeld in [artikel 36c, eerste lid, onderdeel c van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=36c); - f. onder informatieplicht wordt verstaan: informatieplicht als bedoeld in [artikel 36g, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overhei"},{"i":18497,"b":"Rijkswet van 24 februari 2003, houdende regels met betrekking tot het geweldgebruik bij de bewaking van militaire objecten (Rijkswet geweldgebruik bewakers militaire objecten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om nieuwe regels te geven met betrekking tot het geweldgebruik bij de bewaking van militaire objecten teneinde aan militairen behorende tot bondgenootschappelijke krijgsmachten geweldbevoegdheden toe te kennen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. De militair, behorend tot de krijgsmacht van het Koninkrijk, in de rechtmatige uitoefening van de militaire bewakings- en beveiligingstaak is bevoegd tot gebruik van geweld of vrijheidsbeperkende middelen wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op: - a. de burgerambtenaar in dienst van het Ministerie van Defensie, belast met het uitvoeren van de bewakings- en beveiligingstaak; - b. de militair, behorend tot de krijgsmacht van een vreemde mogendheid, voorzover deze militair: - 1°. bij zijn bewakings- en beveiligingstaak onder bevel staat van een tot de krijgsmacht van het Koninkrijk behorende militair dan wel een burgerambtenaar in dienst van het Ministerie van Defensie, en - 2°. door Onze Minister van Defensie is aangewezen. 3. Aanwijzing als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 2, vindt slechts plaats ter uitvoering van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. 4. Van een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, ond"},{"i":19039,"b":"Besluit van de directeur-generaal Migratie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 10 december 2018, nr. 2439151, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan functionarissen in de migratieketen (Mandaatbesluit DGM Ministerie van Justitie en Veiligheid) Gelet op [artikel 1 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=1); Besluit: Artikel 1 - 1. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de directeur-generaal Migratie verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun directie, dienst, bureau of secretariaat betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de directeur Migratiebeleid; - b. de directeur Regie Migratieketen; - c. het hoofd van Bureau Internationaal Migratiebeleid; - d. het hoofd van het secretariaat van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken; - e. de programmadirecteur Flexibilisering Asielketen; - f. de programmadirecteur Grenzen en Veiligheid. - 2. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de directeur-generaal Migratie verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=1), ondermandaat verleend aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken. Artikel 2 Als bevoegd gezag als bedoeld in het [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950), worden aangewezen de ambtenaren, genoemd in kolom 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041719&bijlage=1&z=2018-12-20&g=2018-12-20) bij dit besluit, voor zover het betreft de uitoefening van de bevoegdheden, ver"},{"i":16995,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Nationale ombudsman (1964) 1982– (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 augustus 2007, nr. aca-2007.03943/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Nationale ombudsman over de periode (1964) 1982–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17531,"b":"Regels vrijwillige verzekering Wet WIA 2007 Gelet op [artikel 21a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=21a) (Wet WIA) en [artikel 73, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=73); Besluit: Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Wet: de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) - b. vrijwillige verzekering: de vrijwillige verzekering op grond van [hoofdstuk 2 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&hoofdstuk=2) - c. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Hoofdstuk II. Aanmelding Artikel 2 Een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering geschiedt met gebruikmaking van een door het UWV ter beschikking gesteld aanvraagformulier. Artikel 3 1. De persoon bedoeld in [artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=18), legt bij aanmelding voor de vrijwillige verzekering bij het UWV een verklaring over, waaruit ten genoegen van het UWV blijkt wie de werkgever van betrokkene in het buitenland was, naar welke loon betrokkene in het buitenland verplicht verzekerd was en wanneer de verzekering van betrokkene daar eindigde 2. Bij de aanmelding voor de vrijwillige verzekering van degene, die is bedoeld in [artikel 18, tweede lid, onderdelen b en c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=18), wordt een verklaring overgelegd, waaruit ten genoegen van het UWV blijkt welke nationaliteit betrokkene bezit, welke werkzaamheden hij verricht en door welke organisatie hij wordt uitgezonden. Artikel 4 De termijn van vier weken, genoemd in [artikel 19, eerste lid en tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=19), wordt gerekend aan te vangen voor degene, die binnen de daarvoor vastgestelde term"},{"i":17678,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Sociale Voorzieningen 1940-2004 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 november 2005, nr. arc-2005.02594/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Sociale Voorzieningen over de periode 1940–2004](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18194,"b":"Besluit van 28 augustus 1919, tot regeling van de overbrenging naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen van de rechterlijke archieven van 1811 tot 1838 Op de gemeenschappelijke voordracht van Onzen Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en van Onzen Minister van Justitie van 30 Mei 1919, n°. 2160 III, afdeeling Kunsten en Wetenschappen en van 18 Juni 1919, 1ste afdeeling C, n°. 713; Overwegende, dat het wenschelijk is de rechterlijke archieven, dagteekenende van na de invoering der Fransche wetgeving en van vóór de invoering der nieuwe rechterlijke organisatie op 1 October 1838 (voor de provincie Limburg op 1 Januari 1842), welke nog bij den Hoogen Raad der Nederlanden, de gerechtshoven, de arrondissements-rechtbanken, de kantongerechten en de gemeentebesturen berusten, naar 's Rijks archiefbewaarplaats te 's Gravenhage, de Rijksarchiefbewaarplaatsen in de provinciën of andere nader aan te wijzen archiefbewaarplaatsen over te brengen; Gelet op de [Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) 1918 (**Staatsblad** n°. 378); Den Raad van State gehoord (advies van 22 Juli 1919, n°. 29); Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 16 Augustus 1919, n°. 2938, afdeeling Kunsten en Wetenschappen en van 25 Augustus 1919, 1ste afdeeling C, n°. 723; Hebben goedgevonden en verstaan: te bepalen als volgt: Artikel 1 1. Naar de Rijksarchiefbewaarplaats in de hoofdplaats van eene provincie zullen worden overgebracht de van na de invoering der Fransche wetgeving en van vóór 1 October 1838 (voor de provincie Limburg 1 Januari 1842) dagteekenende archieven van rechterlijke colleges, alleensprekende rechters en rechterlijke ambtenaren, die binnen dien tijd hunne standplaats hebben gehad binnen de thans bestaande grenzen van die provincie. 2. Ten aanzien van de provincie Zuid-Holland geschiedt deze overbrenging naar de Algemeene Rijksarchiefbewaarplaats te 's Gravenhage. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001897&arti"},{"i":16996,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Oorlogsgetroffenen vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ’[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Oorlogsgetroffenen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17649,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 4 november 2022, nr. 34393937, houdende uitvoering van het Besluit experiment onderwijszorgarrangementen (Uitvoeringsregeling experiment onderwijszorgarrangementen) Gelet op [artikel 180, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=180), [artikel 172, derde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=172) en [artikel 9.1, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=9.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** bevoegd gezag of samenwerkingsverband dat een aanvraag indient als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047473&artikel=8); - **besluit:** [Besluit experiment onderwijszorgarrangementen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047473). Artikel 2. Voorschriften aanvraag 1. De aanvraag, bedoeld in [artikel 8 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047473&artikel=8), kan vanaf 22 mei 2023 tot en met 31 juli 2023 worden ingediend. 2. Bij de aanvraag, bedoeld in [artikel 8, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047473&artikel=8) worden in elk geval de volgende formulieren, die beschikbaar worden gesteld op de website van de Dienst Uitvoering Onderwijs, ingediend: - a. aanvraagformulier Experiment onderwijszorgarrangementen; en - b. formulier Projectplan. 3. Bij de beoordeling of een aanvraag tijdig is ingediend, geldt het tijdstip waarop de aanvraag het systeem voor gegevensverwerking van de Minister heeft bereikt. Artikel 3. Beslissing op aanvraag 1. De Minister beslist uiterlijk op 15 september 2023 op een aanvraag als bedoeld in [artikel 8 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047473&artikel=8). 2. Aanvragen die na 31 juli 2023 worden ingediend, worden"},{"i":19347,"b":"Wet van 20 december 2007, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de jeugdzorg met het oog op verruiming van de mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding van jeugdigen (gedragsbeïnvloeding jeugdigen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding van jeugdigen die strafbare feiten hebben begaan, te verruimen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Wet op de jeugdzorg. Artikel IV Onze Minister van Justitie zendt binnen drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet een verslag aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de maatregel, bedoeld in de [artikelen 77w tot en met 77wd van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77w), alsmede een standpunt inzake de wenselijkheid van behoud van de maatregel in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854). Artikel V A. [Artikel 77g, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77g) zoals zij na inwerkingtreding van deze wet komen te luiden, worden slechts toegepast met betrekking tot feiten begaan na inwerkingtreding van deze wet. Met betrekking tot feiten begaan voor inwerkingtreding van deze wet blijft [artikel 77g, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77g) van toepassing zoals het luidde voor dat tijdstip. B. De [artikelen 77w](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77w), [77wa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77wa) en [77wb van"},{"i":19007,"b":"Buitenwerkingstelling Sanctiebesluit Bosnië-Herzegovina 1995 Gelet op Resolutie 1022 (1995) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties; Gelet op [verordening (EG) nr. 462/96](31996R0462) van de Raad van de Europese Unie van 11 maart 1996 tot opschorting van [verordening (EEG) nr. 990/93](31993R0990) en [verordening (EG) nr. 2471/94](31994R2471) van de Raad van de Europese Unie; Gelet op [artikel 7 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=7); Besluiten: Artikel 1 Voor de werkingsduur van deze regeling wordt het Sanctiebesluit Bosnië-Herzegovina 1995 buiten werking gesteld. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 27 februari 1996. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17921,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 april 2007, nr. Z/VV-2751070, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met de vaststelling van de bijdrage van verdragsgerechtigden door het College zorgverzekeringen Gelet op [artikel 69, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69), en [artikel 88, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=88); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II In afwijking van het bepaalde in [artikel 6.3.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.3.3), wordt over het jaar 2006 geen rente in rekening gebracht. Artikel III Deze Regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19150,"b":"Richtlijn voor strafvordering onwettig verblijf Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op het als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard of tegen hem een inreisverbod (als bedoeld in [artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a), een zogenaamd zwaar inreisverbod) is uitgevaardigd. Consequente strafrechtelijke handhaving moet leiden tot een grotere kans dat de verdachte het land uit eigen beweging verlaat, dan wel niet terugkeert naar ons land. Deze richtlijn kent een eigen recidiveregeling. Basiscasus/delict Ongewenst verklaarde vreemdeling of vreemdeling met (zwaar) reisverbod * De onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt telkens met een maand verhoogd voor elke keer dat de verdachte in een periode van vijf jaar voorafgaande aan de terechtzitting eerder veroordeeld is geweest wegens [artikel 197 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=197). Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de verhoging slechts zal worden toegepast indien er na de eerdere veroordeling(en) een redelijke periode is verstreken die de verdachte in staat heeft gesteld actie te ondernemen teneinde zijn/haar verblijf in Nederland te beëindigen. Als redelijke periode kan worden aangenomen een periode van 10 dagen."},{"i":19076,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 28 november 2017, kenmerk DP&O/17/2150354, houdende vaststelling van de organisatie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ministerie:** Ministerie van Justitie en Veiligheid; - b. **bewindspersoon:** de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister voor Rechtsbescherming of de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, afhankelijk van wie het aangaat; - c. **departementsleiding:** de bewindspersonen alsmede de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de hoofddirecteur bedrijfsvoering, de directeuren-generaal, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en de inspecteur-generaal van de Inspectie Justitie en Veiligheid gezamenlijk; - d. **bestuursdepartement:** de departementsleiding alsmede de beleids-, staf- en bedrijfsvoeringonderdelen ter ondersteuning van de departementsleiding; - e. **bestuursraad:** de bestuursraad, bedoeld in [artikel 3, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2026-03-16&g=2026-03-16). Artikel 2 1. Het ministerie bestaat uit de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de hoofddirecteur bedrijfsvoering, de clusters, de diensten en baten-lastenagentschappen, het bureau van de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen en het secretariaat van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. 2. De clusters van het ministerie zijn: - a. het cluster secretaris-generaal (SG-cluster); - b. de Hoofddirectie bedrijfsvoering (HDBV); - c. het directoraat-generaal Straffen en Beschermen (DGSenB); - d. het directoraat-generaal Politie en Veiligheidsregio’s (DGPenV); - e."},{"i":18614,"b":"Wet van 23 juni 1966, houdende regelen betreffende de omzetting van de tak van Rijksdienst, omvattende de Staatsmijnen in Limburg, in een naamloze vennootschap Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de tak van Rijksdienst, omvattende de Staatsmijnen in Limburg, om te zetten in een naamloze vennootschap en dienaangaande regelen te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat wordt gemachtigd om in overeenstemming met Onze Minister van Justitie namens de Staat der Nederlanden bij eenzijdige rechtshandeling op te richten de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Staatsmijnen. 2. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat wordt voorts gemachtigd namens de Staat in het kapitaal dezer vennootschap deel te nemen voor een bedrag van 300 miljoen gulden. 3. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat maakt de oprichting van de vennootschap onverwijld bekend in de Staatscourant. Artikel 2 1. Alle goederen, rechten en verplichtingen van de Staat, welke de tak van Rijksdienst, omvattende de Staatsmijnen in Limburg, betreffen, gaan, zonder dat daarvoor een akte wordt gevorderd, bij de oprichting der vennootschap op deze over. 2. Deze overgang geldt als volstorting van de aandelen, welke de Staat door deelneming in de vennootschap verkrijgt. 3. Ten aanzien van de in het eerste lid begrepen onroerende zaken en schepen zal verandering in de tenaamstelling plaatsvinden in de desbetreffende registers, die ten kantore van de hypotheken, het kadaster en de scheepsbewijzen worden gehouden. Het bestuur van de vennootschap doet de daartoe nodige opgave aan de desbetreffende hypotheekbewaarder. 4. Ten aanzien van de in het eerste lid begrepen overige zaken, welke in openbare registers te boek zijn gesteld, zal"},{"i":17250,"b":"Regeling aanwijzing ex artikel 7 Wet marktordening gezondheidszorg (prestatiebeschrijvingen en invoering vrije prijsvorming farmaceutische zorg) Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 4 februari 2011 schriftelijk mededeling van de zakelijke inhoud van de voorgenomen aanwijzing te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2010–2011, 29 477, nr. 144); Gezien het verslag van een schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vastgesteld op 21 maart 2011 inzake VSO voorhang prestatiebeschrijvingen en invoering vrije tarieven voor de extramurale farmaceutische zorg en de brief van 17 maart 2011 ter zake (Kamerstukken II, 2010–2011, 29 477, nrs. 147 en 148); Gezien het algemeen overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 6 april 2011; Gezien de uitslag van de stemming over de bij het Verslag algemeen overleg van 14 april 2011 ingediende moties; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **besluit:** het [Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020326) Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op farmaceutische zorg waarop de [artikelen 50 tot en met 56 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) van toepassing zijn zoals bepaald in [artikel 3, eerste lid, onder a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020326&artikel=3). Artikel 3. Uitvo"},{"i":18540,"b":"Wet van 28 October 1954, houdende aanvaarding van een statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden Preambule Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, constaterende dat Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen in 1954 uit vrije wil hebben verklaard in het Koninkrijk der Nederlanden een nieuwe rechtsorde te aanvaarden, waarin zij de eigen belangen zelfstandig behartigen en op voet van gelijkwaardigheid de gemeenschappelijke belangen verzorgen en wederkerig bijstand verlenen, en hebben besloten in gemeen overleg het Statuut voor het Koninkrijk vast te stellen; constaterende dat de statutaire band met Suriname is beëindigd met ingang van 25 november 1975 door wijziging van het Statuut bij rijkswet van 22 november 1975, **Stb.** 617, **PbNA** 233; constaterende dat Aruba uit vrije wil heeft verklaard deze rechtsorde als land te aanvaarden met ingang van 1 januari 1986 voor een periode van tien jaar en met ingang van 1 januari 1996 voor onbepaalde tijd; overwegende dat Curaçao en Sint Maarten elk uit vrije wil hebben verklaard deze rechtsorde als land te aanvaarden; hebben besloten in gemeen overleg het Statuut voor het Koninkrijk als volgt nader vast te stellen. Treedt in werking om 00.00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Het Koninkrijk omvat de landen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Artikel 2 1. De Koning voert de regering van het Koninkrijk en van elk der landen. Hij is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk. 2. De Koning wordt in Aruba, Curaçao en Sint Maarten vertegenwoordigd door de Gouverneur. De bevoegdheden, verplichtingen en verantwoordelijkheid van de Gouverneur als vertegenwoordiger van de regering van het Koninkrijk worden geregeld bij rijkswet of in de daarvoor in aanmerking komende gevallen bij algemene maatregel van rijksbestuur. 3. De rijkswet regelt hetgeen verband houdt met de benoeming en het ontslag"},{"i":16997,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Ouderenbeleid vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 oktober 2007, aca-2007.04045/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Ouderenbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument ouderenbeleid 1945– **Voor de zorgdragers:** de Minister van VWS de Minister van Financiën de Minister van OCW de Minister van SZW de Minister van EZ de Minister van Verkeer en Waterstaat de Minister van BZK **Ministerie van VWS** **Directie Informatiehuishouding** Lijst van afkortingen art.: artikel BSD: Basis Selectie Document b.w.: buiten werking BZK: Minister(ie) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties CCB: Centrale Commissie voor de Bejaardenoorden CRM: Minister(ie) van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk EZ: Minister(ie) van Economische Zaken GOO: Gestructureerd Overleg Ouderenbeleid ISB: Interdepartementale Stuurgroep Bejaardenbeleid ISO: Interdepartementale Stuurgroep Ouderenbeleid MaWe: Minister(ie) van Maatschappelijk Werk NESTOR: Stuurgroep Nederlands Stimuleringsprogramma Ouderenonderzoek OCW: Minister(ie) van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap OGA: subsidieregeling Ouderenzorg, Gehandicaptenzorg en Algemeen maatschappelijke hulpverlening PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek SOOM: Stuurgroep Onderzoek op het terrein van de Ouder wordende Mens Stb.: Staatsblad St"},{"i":19114,"b":"Richtlijn voor strafvordering 138aa Sr (uithalers) Beschrijving Deze richtlijn ziet specifiek op het verblijven op of toegang verschaffen tot het (lucht)haventerrein. Deze richtlijn kent een eigen recidiveregeling. Basiscasus/delict **Afkortingen** GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar DUT = dadelijke uitvoerbaarheid Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen."},{"i":17859,"b":"Besluit van 18 december 2000 tot wijziging van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 28 november 2000, nr. 5066602/00/6; Gelet op de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=25), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34) en [35 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); De Raad van State gehoord (advies van 13 december 2000, nr. W0.3.00.0564/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 15 december 2000, nr. 5070603/00/6; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand. ARTIKEL II 1. Indien toepassing van het tweede lid, onder a, en het derde lid van artikel 5, leidt tot de vaststelling van het inkomen op basis van een periode die in zijn geheel valt voor 1 januari 2001 wordt onder inkomen verstaan hetgeen daaronder werd verstaan voor inwerkingtreding van dit besluit. 2. Indien het eerste lid wordt toegepast, worden geen vrijstellingen gegeven als bedoeld in artikel 7a. ARTIKEL III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17576,"b":"Besluit van 23 december 2010, houdende regels omtrent het verstrekken van subsidie aan particuliere justitiële jeugdinrichtingen (Subsidiebesluit particuliere justitiële jeugdinrichtingen) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, van 15 november 2010, nr. 5675254/10/6; Gelet op [artikel 3b, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=3b); De Raad van State gehoord (advies van 1 december 2010, nr. W03.10.0527/II; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 17 december 2010, nr. 5678592/10/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756); - b. **operationele capaciteit:** het deel van de capaciteit waar jeugdigen geplaatst worden en waar – afhankelijk van de bestemming van [artikel 8 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=8) – alle activiteiten plaatsvinden; - c. **reservecapaciteit:** het deel van de capaciteit waar in principe geen jeugdigen worden geplaatst en dat operationeel gemaakt wordt indien de reeds vastgestelde operationele capaciteit tijdens een subsidiejaar onvoldoende blijkt te zijn; - d. **buitengebruikstelling:** het deel van de capaciteit dat er toe strekt om een gebouw in stand te houden voor een eventueel later hergebruik. Hoofdstuk 2. Subsidies Artikel 2 1. Onze Minister verstrekt de particuliere inrichting een subsidie voor de kosten van de exploitatie van de inrichting. 2. De exploitatiesubsidie wordt per boekjaar verstrekt; [afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.8) is van toepassing. 3. Op de exploitatiesubsidie worden voorschotten verleend. Artikel 3 1. De exploitatiesu"},{"i":18672,"b":"Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen 1. Achtergrond Het OM is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en andere bij de wet vastgestelde taken1Zie art. 124 Wet op de rechterlijke organisatie. Met de inwerkingtreding van de [Wet OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074) kan het OM in bepaalde gevallen zelf straffen opleggen door middel van een strafbeschikking2De OM-afdoening van strafzaken middels een (voorwaardelijk) sepot valt buiten het bereik van deze aanwijzing. Zie daarvoor de aanwijzing gebruik sepotgronden.. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om een verdachte in de gelegenheid te stellen vervolging te voorkomen door bijvoorbeeld het betalen van een transactiebedrag of het uitvoeren van een taakstraf. In zaken die voor de rechter worden gebracht, formuleert de officier van justitie een strafeis, indien hij het strafbare feit bewezen acht en de dader strafbaar. In al deze gevallen zal het OM een goede afweging maken bij het bepalen van de sanctie die in het concrete geval passend is3De regels voor wat betreft de te hanteren straftoemeting bij OM-strafbeschikking staan vermeld in de Aanwijzing OM-strafbeschikking.. Bij sommige zaken is die afweging betrekkelijk eenvoudig. Bij andere zaken ingewikkeld, omdat veel verschillende factoren moeten worden meegewogen. In deze aanwijzing worden de algemene uitgangspunten beschreven die het Openbaar Ministerie (OM) hanteert in het gebruik van de strafvorderingsrichtlijnen bij de vervolging van plegers van misdrijven waarop het meerderjarigenstrafrecht wordt toegepast.4Het kader is ook van toepassing op enkele aanverwante overtredingen, zoals art. 11, lid 1 of 6 Opiumwet, 5 Wegenverkeerswet 1994 en 54 Wet Wapens en Munitie. Het accent in deze beleidsregel ligt op de commune misdrijven. Voor het jeugdstrafrecht en het toepassen van het jeugdstrafrecht op adolescenten (18 tot 23 jarigen) wordt verwezen naar de richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten,"},{"i":17602,"b":"Tariefbeschikking CU-2012-MBI1 Nederlandse Zorgautoriteit De Nederlandse Zorgautoriteit heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50 lid 2 onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), [artikel 52 aanhef en onder e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) en met inachtneming van het bepaalde in de beleidsregel en de regeling ‘Macrobeheersmodel’ en van de onderstaande definities voor de gezamenlijke voor het jaar 2012 ambtshalve een bovengrens vastgesteld van € 16.634.000.000 (zestien miljard zeshonderd vierendertig miljoen euro) (prijsniveau 2011) voor de tarieven voor medisch specialistische zorg, audiologische zorg, trombosezorg en zorg in het kader van erfelijkheidsadvisering waarop ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1 onder d van de Zorgverzekeringwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1) aanspraak bestaat en niet zijnde geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Definities Bovengrens Een bovengrens aan de som van tarieven als bedoeld in [artikel 50, tweede lid aanhef en onder c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg Zorg als bedoeld in de ‘wet tot wijziging van het tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringwet’ van 22 november 2006. Werkingssfeer Voor de toepassing van deze tariefbeschikking wordt een persoon, die Bezwaar/Beroep Ingevolge [artikel 105 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=105) juncto [artikel 7:1 lid 1 van de Algemene wet bestu"},{"i":19341,"b":"Wet van 30 juni 2004, houdende wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing en de Wet op de economische delicten (onderbrenging van overtredingen van bestemmingsplanvoorschriften en daarmee samenhangende overtredingen onder de werkingssfeer van de Wet op de economische delicten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375), de [Wet op de stads- en dorpsvernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003709) en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) zodanig te wijzigen dat overtredingen van voorschriften die zijn gegeven bij een bestemmingsplan of een stadsvernieuwingsplan alsmede daarmee samenhangende overtredingen als delicten in de zin van de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) worden aangemerkt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Artikel II Wijzigt de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt in overeenstemming met Onze Minister van Justitie binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17584,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 februari 2025, nr. 50178858 houdende regels voor de subsidieverstrekking voor het bieden van ondersteuning aan jeugdigen die thuiszitten of daar risico op lopen (Subsidieregeling ondersteuning en preventie thuiszittende jeugdigen) Gelet op [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71), [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71) en [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - −. **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - −. **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - −. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - −. **penvoerder:** bevoegd gezag van een samenwerkingsverband dat als penvoerder optreedt op grond van deze regeling indien wordt samengewerkt door meerdere samenwerkingsverbanden; - −. **samenwerkingsverband:** samenwerkingsverband als bedoeld in [artikel 18a, tweede of vijftiende lid, van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=18a), of [artikel 2.47, tweede of achttiende lid, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.47); - −. **thuiszittende jeugdige:** jeugdige in de leeftijd van vijf tot en met achttien jaar die niet is ingeschreven op een school als bedoeld in [artikel 1 van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=1), of die school niet geregeld bezoekt; - −. **WEC:** [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549); - −. **WPO:** [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); en - −. **WVO 2020:** [Wet voortgezet onderwijs 2020I](https://wetten.overhe"},{"i":17389,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 november 2023 houdende regels voor het verlenen van een eenmalige specifieke uitkering aan de gemeenten Amsterdam en Utrecht en de provincies Gelderland, Groningen, Noord-Brabant, Noord-Holland en Zuid-Holland ten behoeve van een kwalitatief hoogwaardige en duurzame woon- en leefomgeving in acht NOVEX-gebieden (Regeling specifieke uitkering acht NOVEX-gebieden) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aangewezen gemeenten:** de gemeenten Amsterdam en Utrecht; - **aangewezen provincies:** de provincies Gelderland, Groningen, Noord-Brabant, Noord-Holland en Zuid-Holland; - **Minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **NOVEX-gebied:** gebied waar nationale opgaven in het fysieke domein dusdanig stapelen dat een gebiedsgerichte aanpak van verschillende nationale opgaven noodzakelijk is om te kunnen komen tot de gewenste herbestemming en/of ingrijpende herinrichting met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit, zoals aangewezen in het Programma NOVEX (bijlage identifier 1040560 bij Kamerstukken II 2021/22, 34 682, nr. 100). Artikel 2. Doel en activiteiten van de specifieke uitkering 1. De Minister verleent aan elk van de aangewezen gemeenten en provincies een specifieke uitkering voor ontwikkelperspectieven ten behoeve van het zorgdragen voor een kwalitatief hoogwaardige en duurzame woon- en leefomgeving in acht NOVEX-gebieden. Onder de hiermee samenhangende opgaven wordt ten minste verstaan klimaatadaptatie, verduurzaming, stikstof, energietransitie, circulaire economie, transitie van landbouw, bodemgesteldheid, logistiek, verstedelijking en krimp. 2. Voor de realisering van het doel, bedoeld in het eerste lid, komen de activiteiten in aanmerking die: - a. nodig zijn voor het opstellen van o"},{"i":18640,"b":"Wet van 28 juni 2012 tot wijziging van onder meer de Mediawet 2008 in verband met aanpassing van de rijksmediabijdrage, beëindiging van de wettelijke taken van de Stichting Radio Nederland Wereldomroep en aanpassingen van meer technische aard Allen die deze zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is met ingang van het begrotingsjaar 2013 het bedrag van de rijksmediabijdrage te verminderen, de financiering van de Stichting Radio Nederland Wereldomroep uit de rijksmediabijdrage te beëindigen en in verband daarmee de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) te wijzigen en dat het voorts wenselijk is enkele wijzigingen van technische aard in die wet en enkele andere wetten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel II Wijzigt de Wijzigingswet Mediawet 2008 (erkenning en financiering publieke omroep). Artikel III Wijzigt de Mediawet BES. Artikel IV Ten behoeve van de financiële verantwoording over het kalenderjaar 2012 met betrekking tot de Stichting Radio Wereldomroep Nederland blijven de [artikelen 2.81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.81), [2.82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.82), [2.171 tot en met 2.173](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.171) en [2.175 tot en met 2.177 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.175), zoals die luidden op 31 december 2012, van toepassing. [Artikel 2.138a van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.138a) is van overeenkomstige toepassing. Artikel V In afwijking van [artikel 2.5 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.5) kan de raad van toezicht van de Stichting Nederl"},{"i":17443,"b":"Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 22 november 2022, nr. WJZ/ 22514102, houdende specifieke uitkeringen aan provincies in verband met de regievoering ontwikkeling en ondersteuning van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (Regeling specifieke uitkering voorbereidingskosten landelijk gebied, versnellingsvoorstellen en PAS-melders) Gelet op de [artikelen 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2a), en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister voor Natuur en Stikstof; - **Nationaal Programma Landelijk Gebied:** programma waarin gebiedsgerichte opgaven en maatregelen voor natuur, stikstof, landbouw, water, bodem en klimaat zijn opgenomen, zoals beschreven in de startnotitie van 10 juni 2022 (Kamerstukken II 2021/22, 34 682, nr. 96). - **uitvoeringskosten:** door de provincie gemaakte of nog te maken: - a. kosten voor de ontwikkeling en ondersteuning van de Realisatie Transitie Landelijk Gebied op basis van het Nationaal Programma Landelijk Gebied; - b. kosten voor de voorbereiding van de versnellingsvoorstellen waarvoor op grond van de [Regeling specifieke uitkering provinciale versnellingsvoorstellen transitie landelijk gebied](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047503) een specifieke uitkering is of wordt verstrekt, en de operationele kosten die zijn verbonden aan de realisatie van die versnellingsvoorstellen; of - c. kosten voor de voorbereiding van maatregelen ten behoeve van PAS-melders waarvoor een specifieke uitkering is of wordt verstrekt ingevolge de aankondiging in de brief van 15 juli 2022 (Kamerstukken II 2021/22, 35 925-XIV, nr. 161) om € 250 miljoen aan de provincies beschikbaar te stellen ter versnelling van het legalisatieprogramma, en de operationele kosten die zijn verbonden aan de realisatie van die maatregelen. Artikel 2. Specifieke"},{"i":18984,"b":"Besluit van 20 oktober 2006 tot vaststelling van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 1 mei 2006, nr. 5417624/06/6; Gelet op de [artikelen 126m, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126m) en [126ee van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126ee) en [artikel 3.10 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10); De Raad van State gehoord (advies van 19 juni 2006, nr. W03.06.0141/l ); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 13 oktober 2006, nr. 5446307/06/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. technisch hulpmiddel: een technisch hulpmiddel als bedoeld in [artikel 126ee, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126ee); - b. observatie: observatie met een technisch hulpmiddel ter uitvoering van een bevel als bedoeld in [artikel 126g, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126g), [artikel 126o, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126o) of [artikel 126zd, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zd); - c. opnemen van vertrouwelijke communicatie: het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel, ter uitvoering van een bevel als bedoeld in [artikel 126l, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126l), [artikel 126s, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126s) of [artikel 126zf, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126zf); - d. opnemen van telecommunicatie: het opnemen van communicatie met een technisch hulpmiddel, ter uitvoering van een bevel al"},{"i":17244,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 juli 2009, nr. CZ-FBI-2943834, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake tarieven geneeskundige ggz Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Brief van 8 juni 2009//Kamerstukken 31700-XVI-160); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op geneeskundige geestelijke gezondheidszorg waaronder in deze aanwijzing wordt verstaan de zorg als bedoeld in de wet van 22 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop die zorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet ( Stb. 2006, 630, artikel III). Van deze aanwijzing is uitgezonderd zorg waarvoor vrije tarieven gelden als bedoeld in [artikel 57, vierde lid, onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57). Ter uitvoering van dit besluit stelt de Nederlandse Zorgautoriteit beleidsregels vast. Artikel 2 Tarieven binnen het domein van de zorg als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026192&artikel=1&z=2009-07-30&g=2009-07-30) worden per 1-1-2010 verlaagd teneinde een macro taakstellingsbedrag van structureel € 119 mln (prijspeil 2009) te realiseren. Artikel 3 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":17166,"b":"Mandaatbesluit uitvoering boven- en naastwettelijke uitkeringsregelingen bij werkloosheid sector defensie 2017 Besluit De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **De Minister:** de Minister van Defensie; - b. **WWplus:** WWplus B.V. gevestigd te Zwolle; - c. **Uitkeringsregelingen:** - –. De Militaire wachtgeldregelingen 1961 (SBK-Standaard); - –. Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (SBK-Standaard); - –. Uitkeringsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (SBK-Standaard); - –. [Tijdelijk besluit uitstroombevorderende maatregel Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006828) (SBK-WG-UBM, burger en militair); - –. Wachtgeld- en uitkeringsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie bij privatisering; - –. Het [Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008113); - –. Het [Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007212); - –. Het [besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010510); - –. Suppletieregeling gedeeltelijke arbeidsongeschikten sector Defensie. Artikel 2 De Minister verleent aan WWplus het volgende mandaat: - 1. WWplus is bevoegd om namens de Minister besluiten te nemen ter uitvoering en op grond van de uitkeringsregelingen. - 2. WWplus legt een voorgenomen besluit, voor zover dit voortkomt uit de uitvoering van de uitkeringsregelingen, voor aan de Minister indien WWplus gerede twijfels heeft over het in een individueel geval toepassen van een uitkeringsregeling en het naar het oordeel van WWplus een geval betreft dat grote beleidsmatige of financiële gevolgen kan hebben voor het Ministerie van Defensie, dan wel kan leiden tot precedentwerking. - 3. WWplus is bevoegd om te beslissen op bezwaarschriften tegen ingevolge het eerste lid van dit artikel genomen besluiten, met dien verstande dat degene die betro"},{"i":17878,"b":"Besluit van 15 april 2024 tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit toevoeging mediation in verband met de vergoeding van reiskosten en vervolgverhoren, toeslagen, tijdschrijven en enkele andere onderwerpen Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 30 januari 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5066414; Gelet op de [artikelen 37, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), en [33e, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33e); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 maart 2024, nr. W16.24.00019/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 9 april 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5306132; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel II Wijzigt het Besluit toevoeging mediation. Artikel III Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) en het [Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830), zoals die luidden op de dag vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op toevoegingen die zijn afgegeven vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit en piketzaken waarin rechtsbijstand is verleend vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2024. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":19325,"b":"Wet van 23 december 2015 tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken en het terrein van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, houdende een verhoging van voor de Autoriteit Consument en Markt geldende boetemaxima Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de effectiviteit van de handhaving door de Autoriteit Consument en Markt wenselijk is voor de Autoriteit Consument en Markt geldende boetemaxima te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel II Wijzigt de Gaswet. Artikel III Wijzigt de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt. Artikel IV Wijzigt de Loodsenwet. Artikel V Wijzigt de Mededingingswet. Artikel VI Wijzigt de Postwet 2009. Artikel VII Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel VIII Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel IX Wijzigt de Warmtewet. Artikel X Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel XI Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel XII Wijzigt de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. Artikel XIII Wijzigt de Wijzigingswet Elektriciteitswet 1998, enz. (implementatie richtlijnen en verordeningen op het gebied van elektriciteit en gas). Artikel XIV Op een overtreding waarvoor op grond van de wet zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of van het betreffende onderdeel daarvan, een bestuurlijke boete kon worden opgelegd en die is begonnen voor het tijdstip waarop deze wet of het betreffende onderdeel daarvan in werking is getreden en is beëindigd na dat tijdstip, blijft het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip. Artikel XV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepa"},{"i":17971,"b":"Wet van 4 december 2003 tot wijziging van de Wet op de rechtsbijstand naar aanleiding van de evaluatie van de Wet op de rechtsbijstand alsmede aanpassing van de Wet op de rechtsbijstand aan de Algemene wet bestuursrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) te wijzigen naar aanleiding van de evaluatie van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) alsmede die wet aan te passen aan de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel IA Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Wet tarieven in burgerlijke zaken. Artikel IV Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel V Indien op het moment van inwerkingtreding van deze wet een belanghebbende overeenkomstig [artikel 45 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=45) tegen een besluit van het bureau rechtsbijstandvoorziening beroep bij de raad heeft ingesteld, is het recht dat gold voor inwerkingtreding van toepassing. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17331,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 4 oktober 2010, nr. 5670491/10/6, houdende het stellen van regels omtrent de verlening van kosteloze rechtskundige bijstand (Regeling kosteloze rechtskundige bijstand BES) Gelet op [artikel 4, van de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028200&artikel=4); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt onder: - a. **Wet:** de [Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028200); - b. **belanghebbende:** degene die op grond van de [Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028200) in aanmerking wil komen van een kaart voor het verkrijgen van kosteloze rechtskundige bijstand; - c. **kaart:** de kaart bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028200&artikel=2), en [artikel 2a, eerste lid van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028200&artikel=2a); - d. **het bestuur van de raad voor rechtsbijstand:** het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3). Hoofdstuk II. De kaart Artikel 2 1. De belanghebbende dient de aanvraag voor het verkrijgen van een kaart in bij het bestuur van de raad voor rechtsbijstand door tussenkomst van de Rijksdienst Caribisch Nederland. 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op zaak inhoudende een geschil voortvloeiende uit een overeenkomst tot het verrichten van arbeid wordt tevens een bewijs van betaling van de eigen bijdrage als bedoeld in [artikel 2a, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028200&artikel=2a) overgelegd. Artikel 3 Met het oog op de beoordeling van de aanvraag om een kaart verz"},{"i":18713,"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 februari 2014, 2014-0000020730, tot vaststelling van beleidsregels in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Beleidsregels boeteoplegging Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs 2014) Gelet op [artikel 19, zesde lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=19); Besluit: Artikel 1 Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=19) wordt voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs’ die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd. Artikel 2 Indien sprake is van een overtreding van [artikel 7a, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=7a), of [artikel 7b van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=7b) door een rechtspersoon kan tevens een bestuurlijke boete worden opgelegd aan hen die tot het arbeidskrachten ter beschikking stellen of inlenen opdracht hebben gegeven, als mede aan hen die feitelijk leiding hieraan hebben gegeven. Artikel 3 Voor de overtreder als natuurlijk persoon wordt bij een overtreding van [artikel 7a, tweede lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=7a) door intermediairs als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete gehanteerd: 0,5 maal het boetenormbedrag. Artikel 4 1. Een onderneming die in het Handelsregister, bedoeld in [artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=2), is ingeschreven onder"},{"i":17304,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 oktober 2023, kenmerk 3697736-1053813-DICIO, houdende regels met betrekking tot de uitvoering van de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg (Regeling elektronische gegevensuitwisseling in de zorg) Gelet op de [artikelen 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048095&artikel=3.3) en [5.1, tweede lid, van de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048095&artikel=5.1); Besluit: Paragraaf I. – Algemene bepalingen Artikel 1.1. (begripsbepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **wet:** Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg. Paragraaf II. – Informatievereisten bij verandering accreditatie certificerende instelling Artikel 2.1. (inlichtingentermijn bij wijziging, schorsing of intrekking van accreditatie van een certificerende instelling) 1. Als de Raad voor Accreditatie een eerder afgegeven accreditatie van een certificerende instelling wijzigt, meldt hij deze wijziging uiterlijk binnen zestig dagen aan de minister. 2. Als de Raad voor Accreditatie een eerder afgegeven accreditatie van een certificerende instelling schorst of intrekt, meldt hij dit binnen veertien dagen aan de minister. Artikel 2.2 1. Een melding aan de minister over een wijziging, schorsing of intrekking van een accreditatie is vergezeld van informatie over: - a. de gegevens van de rechtspersoon die over de accreditatie beschikt of beschikte; - b. de reden van wijziging, schorsing of intrekking van de accreditatie; - c. de datum waarop de beslissing tot wijziging, schorsing of intrekking is genomen. 2. Als door spoedeisende omstandigheden de gevraagde informatie niet tegelijkertijd met de melding kan worden meegezonden kan deze tijdelijk achterwege blijven, mits de informatie binnen veertien dagen na de genomen beslissing alsnog aan de minister wordt toegestuurd. Arti"},{"i":17003,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Toelating Vreemdelingen vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 oktober 2009, nr. bca-2009.05465/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Toelating Vreemdelingen over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18406,"b":"Regeling opnemen vertrouwelijke communicatie politie Gelet op [artikel 12 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006560&artikel=12); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Met uitzondering van het betreden van een besloten plaats en het aldaar plaatsen van een technisch hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie, kan een opsporingsambtenaar als bedoeld in [artikel 141, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) worden belast met het plaatsen van een technisch hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie, indien hij beschikt over: - a. kennis van de wijze waarop technisch hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie werken en worden bediend, - b. technische en tactische vaardigheden die zijn vereist voor het plaatsen van technische hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie, en - c. kennis van de eisen waaraan een proces-verbaal van het plaatsen van een technisch hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie dient te voldoen. Artikel 3 Een ambtenaar van politie kan worden belast met het bedienen van een technisch hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie, indien hij beschikt over kennis van: - a. de voorschriften en interne instructies ter zake van het opnemen van vertrouwelijke communicatie en het bewaren van gegevensdragers; - b. opsporingstactieken en technieken inzake het opnemen van vertrouwelijke communicatie; - c. de wijze waarop technisch hulpmiddelen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie werken en worden bediend, en - d. de eisen waaraan een proces-verbaal van het opnemen van vertrouwelijke communicatie dient te voldoen. Artikel 4 De Politieacademie beoordeelt of de ambtenaar van politie beschikt over de kennis en vaardigheden, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011085&artik"},{"i":17539,"b":"Besluit van 5 juli 2001, houdende vaststelling van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen en daarmee verband houdende wijziging van enkele besluiten (Reglement justitiële jeugdinrichtingen) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 26 februari 2001, 5082413/01/6, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst; Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=3), [7, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=7), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=8), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=20), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=21), [30, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=30), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=31), [37, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=37), [46, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=46), [47, vijfde lid](onbekend), [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=52), [63, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=63) , [66, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=66), [70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=70), en [72, vierde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=72), de [artikelen 66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004608&artikel=66), [67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004608&artikel=67) en [68 van de Wet op de jeugdhulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004608&artikel=68), [artikel 77ff, tweede lid, van het Wetb"},{"i":17710,"b":"Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië Het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens bepalingen vast te stellen die de betrekkingen tussen de twee landen op het gebied van sociale zekerheid regelen, Vastbesloten een Verdrag inzake sociale zekerheid te sluiten onder de hierna bepaalde voorwaarden: TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, hebben de onderstaande termen de volgende betekenis: - a. Onder „wetgeving\" wordt verstaan: de wetgeving met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde takken van sociale zekerheid; - b. Onder „bevoegde autoriteit \" wordt verstaan: - –. in de Federatieve Republiek Brazilië: de Minister van Sociale Zekerheid en Sociale Bijstand; - –. in het Koninkrijk der Nederlanden: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - c. Onder „bevoegd ministerie\" wordt verstaan: het orgaan dat verantwoordelijk is voor de formulering van het Verdrag in overeenstemming met zijn wetgeving: - –. in de Federatieve Republiek Brazilië: het Ministerie van Sociale Zekerheid en Sociale Bijstand; - –. in het Koninkrijk der Nederlanden: het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - d. Onder „bevoegd orgaan\" wordt verstaan: het orgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de wetgeving van de Verdragsluitende Partij: - –. in de Federatieve Republiek Brazilië: het Nationale Instituut voor de Sociale Zekerheid – INSS; - –. in het Koninkrijk der Nederlanden: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen met betrekking tot de in artikel 2, sub-paragraaf B, onder a, b en c bedoelde wetgeving; en Sociale Verzekeringsbank met betrekking tot de in artikel 2, sub-paragraaf B, onder d, e en f bedoelde wetgeving; - e. Onder „verbindingsorgaan\" wordt verstaan: het orgaan dat verantwoordelijk is voor het informeren van de betrokken Verdragslui"},{"i":18529,"b":"Besluit van 15 september 1994, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement van politie voor de Rijnvaart I. Bepalingen van toepassing op de gehele Rijn Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.01. Betekenis van enige uitdrukkingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **schip:** een binnenschip met inbegrip van een klein schip en een veerpont, zomede een drijvend werktuig en een zeeschip; - b. **motorschip:** een schip dat gebruik maakt van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging, met uitzondering van een schip waarvan de motor slechts wordt gebruikt voor het zich verplaatsen over een kleine afstand (bijvoorbeeld in havens of op laad- en losplaatsen) of ter verbetering van zijn bestuurbaarheid wanneer het wordt gesleept of geduwd; - c. **samenstel:** een sleep, een duwstel of een gekoppeld samenstel; - d. **sleep:** een samenstel van één of meer schepen, drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen, dat door één of meer motorschepen wordt gesleept; deze laatsten maken deel uit van het samenstel; - e. **duwstel:** een hecht samenstel van schepen, waarvan er ten minste één is geplaatst vóór het motorschip, dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel vóór de beide motorschepen, die dienen voor het voortbewegen van het samenstel, en die worden aangeduid als \"duwboot\" of \"duwboten\". Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken; - f. **duwbak:** een schip dat is gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd; - g. **zeeschipbak:** een duwbak die is gebouwd om aan boord van een zeeschip te kunnen worden vervoerd en om de binnenwateren te bevaren; - h. **gekoppeld samenstel:** een samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het motorschip dat dient voor het voortbewegen van het samenstel; - i. **drijvend werktuig:** een drijvend bouwsel, met m"},{"i":17005,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Vaststelling tarieven gezondheidszorg vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 september 2007, aca-2007.03991/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Vaststelling van tarieven in de gezondheidszorg over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":19465,"b":"Besluit van 5 juli 2001, houdende nadere regels ter uitvoering van de in de Wegenverkeerswet 1994 vervatte wegsleepregeling (Besluit wegslepen van voertuigen) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 mei 2001, nr. CDJZ/WBI/2001-612, Centrale Directie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 173, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=173), en op de [artikelen 130, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130), [164, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=164), en [174, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=174), [juncto 173, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=173); De Raad van State gehoord (advies van 14 juni 2001, nr. W09.01.0222/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 juni 2001, nr. CDJZ/WBI/2001-855, Centrale Directie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemeen Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622); - b. bewaringsregister: het register, bedoeld in [artikel 170, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=170). Artikel 2 De soorten van weggedeelten en wegen, bedoeld in [artikel 173, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=173), zijn: - a. wegen en weggedeelten waar door middel van bord E 1 van [bijlage 1 bij het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&bijlage=1) of door middel van een gele onderbroken streep als bedoeld in [artikel 24, eerste lid, onderdeel e, van het RVV 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=24) wordt aangegeven dat het verboden is te parkeren; - b. wegen en weggedeelten waar door middel van bord E 2 van [bijlage 1 bij het RVV 1990](https://wetten.o"},{"i":18661,"b":"Wet van 11 december 2008 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten in verband met de flexibilisering en verduidelijking alsmede enkele aanvullingen van de regeling van de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding Artikel I Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel III Wijzigt de Beroepswet. Artikel IV Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel IVa Wijzigt de Advocatenwet, de Gerechtsdeurwaarderswet, de Loodsenwet en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel IVb Wijzigt de Algemene wet gelijke behandeling, de Uitvoeringswet grondkamers, de Wet bescherming persoonsgegevens, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Aanpassingswet invoering bachelor-masterstructuur, de Wet personenvervoer 2000 en de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004. Artikel V Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VI Wijzigt de Algemene wet op het binnentreden. Artikel VII Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel VIIa Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001. Artikel VIIb Wijzigt de Militaire Ambtenarenwet 1931. Artikel VIIc Wijzigt de Wet gewetensbezwaren militaire dienst. Artikel VIId Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel VIIe Wijzigt de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990. Artikel VIIf Wijzigt de Wet organisatie en bestuur gerechten. Artikel VIIg Wijzigt de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005. Artikel VIIh Wijzigt de Wet op de Raad van State en deze wet. Artikel VIIi Wijzigt de Wet op de Raad van State. Artikel VIIj Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de Raad van State (herstructurering Raad van State) en de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel VIIk Wijzigt de Wet Dieren en deze wet. Artikel VIIl Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel VIIm Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel VIIn Wijzigt de Beroepswet en de Wet bestuursrecht"},{"i":17007,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voedselvoorziening en agrarisch markt- en prijsbeleid (1934) 1945-2000 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 april 2006, arc-2006.02834/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Voedselvoorziening en agrarisch markt- en prijsbeleid (1934) 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17119,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 juni 2024, kenmerk 3861814-1067971-MEVA, houdende de instelling van een adviescommissie voor de uitvoering van de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg (Instellingsbesluit adviescommissie Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=3) en [4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **commissie:** adviescommissie STOZ, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049888&artikel=2&z=2024-11-30&g=2024-11-30); - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **ministerie:** Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een adviescommissie STOZ. 2. De commissie heeft tot taak de minister te adviseren over aanvragen op grond van de [Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049581) tot verlening van subsidie boven € 125.000 op basis van de beoordelingscriteria, bedoeld in de [bijlage van de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg](onbekend). Artikel 3. Leden De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste 15 andere leden. In het Benoemingsbesluit adviescommissie Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg zijn de kandidaten opgenomen. Artikel 4. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister"},{"i":17299,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende regels met betrekking tot de toekenning van een eenmalige specifieke uitkering voor de uitvoering van projecten tot het opheffen of verminderen van knelpunten rondom het spoor (Regeling eenmalige uitkering spoorse doorsnijdingen) Gelet op [artikel 17, vijfde lid van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. MIT: het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport; - c. project: project gericht op het opheffen of verminderen van knelpunten rondom het spoor met betrekking tot stedelijke bereikbaarheid en/of een verbetering van de kwaliteit van leefomgeving en/of een verbetering van de veiligheid en/of een positief effect op het spoorgebruik; - d. spoor: hoofdspoorwegen als aangewezen in het [Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017794) en de in onbruik geraakte spoorwegen; - e. plan: een beschrijving van de werkzaamheden die er toe leiden dat een project gerealiseerd wordt. Artikel 2. Doel De minister kan op aanvraag een eenmalige specifieke uitkering ten behoeve van een project verstrekken aan gemeenten die aan het spoor gelokaliseerd zijn. Artikel 3. Plafond 1. Het totale bedrag van de op grond van deze regeling te verlenen uitkeringen bedraagt € 300 miljoen (prijspeil 2006). 2. Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt, voor zover het de reeds betaalde voorschotten overtreft, jaarlijks geïndexeerd met de Index Bruto Overheidsinvesteringen, met dien verstande dat de indexering niet meer kan bedragen dan het bedrag dat de begrotingswetgever voor die indexering beschikbaar heeft gesteld. Artikel 4. Maximale bijdrage 1. De uitkering bedraagt ten hoogste 25% van de totale kosten van een project met dien verstande dat in de beschikking tot verlening van de uitkering het bedrag staat vermeld waarop"},{"i":17875,"b":"Besluit van 10 april 2010, tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria in verband met de aanpassing van de hoogte van vergoedingen voor bepaalde beroepszaken in vreemdelingenbewaring en de verhoging van de eis van voldoende financieel belang Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 22 december 2009, nr. 5633283/09/6; Gelet op de [artikelen 12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=12), en [37, vijfde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37); De Raad van State gehoord (advies van 17 februari 2010, nr. W.03.09.0549/II); Gezien het nader rapport van de Minister van Justitie van 26 maart 2010, nr. 5647272/10/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel II Wijzigt het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria. Artikel III Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) en het [Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006404) zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op aanvragen om een toevoeging die door de raad voor rechtsbijstand zijn ontvangen vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":19324,"b":"Wet van 18 december 1997 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het stelsel van bestuurlijke boeten in de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320), mede met het oog op de werking van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden alsmede van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, te herzien, de mogelijkheid te scheppen voor het opleggen van een boete bij de vaststelling van definitieve aanslagen en in samenhang daarmee het fiscale strafrecht te herzien alsmede in verband met een en ander de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. ARTIKEL II Wijzigt de Invorderingswet 1990. ARTIKEL III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot aangiften en betalingen die betrekking hebben op tijdvakken of tijdstippen die aanvangen onderscheidenlijk liggen op of na de datum van inwerkingtreding. Voor aangiften vermogensbelasting vindt deze wet voor het eerst toepassing met betrekking tot aangiften die betrekking hebben op het tijdvak dat volgt op het in de vorige volzin bedoelde tijdvak. Artikel IV Vervallen Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand te zullen houden."},{"i":18838,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 december 2016 nr. BOACAT2016/068, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Inspectie Leefomgeving en Transport Gelezen het verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport van 13 december 2016 en het advies van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038982&artikel=2&z=2017-01-01&g=2017-01-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van inspecteur ILT in dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend) aangevuld met de wetten op het gebied van verkeer en waterstaat voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland en daarbuiten voor zover de Nederlandse rechtsmacht strekt en voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeld"},{"i":18791,"b":"Besluit van 12 december 2023, tot regeling van de bestuurlijke boete Visserijwet 1963 (Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 11 juli 2023, nr. WJZ / 33376640; Gelet op [artikel 54c, tweede lid, van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=54c); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 september 2023, nr. W11.23.00192/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 1 december 2023, nr. WJZ / 41128694; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **controleverordening:** [Verordening (EG) nr. 1224/2009](32009R1224) van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van [Verordeningen (EG) nr. 847/98](31998R0847), [(EG) nr. 2371/2002](32002R2371), [(EG) nr. 811/2004](32004R0811), [(EG) nr. 768/2005](32005R0768), [(EG) nr. 2115/2005](32005R2115), [(EG) nr. 2166/2005](32005R2166), [(EG) nr. 388/2006](32006R0388), [(EG) nr. 509/2007](32007R0509), [(EG) nr. 676/2007](32007R0676), [(EG) nr. 1098/2007](32007R1098), [(EG) nr. 1300/2008](32008R1300), [(EG) nr. 1342/2008](32008R1342) en tot intrekking van [Verordeningen (EEG) nr. 2847/93](31993R2847), [(EG) nr. 1627/94](31994R1627) en [(EG) nr. 1966/2006](32006R1966) (PbEU 2009, L 343); - **ernstige inbreuk:** een gedraging die in strijd is met de krachtens [artikel 3a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=3a) vastgestelde voorschriften voor zover die gedraging in de toepasselijke verordening, bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, als ernstige inbreuk is omschreven en die op grond van [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overh"},{"i":19498,"b":"Overeenkomst betreffende de vaststelling van mondiale technische reglementen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen Preambule De Overeenkomstsluitende Partijen, Besloten hebbende een Overeenkomst goed te keuren tot instelling van een proces ter bevordering van de ontwikkeling van mondiale technische reglementen die hoge niveaus van veiligheid, milieubescherming, energie-efficiëntie en diefstalbeveiliging verzekeren voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen; Besloten hebbende dat dit proces ook de harmonisatie van bestaande technische voorschriften dient te bevorderen en erkennende het recht van subnationale, nationale en regionale autoriteiten tot aanname en handhaving van technische voorschriften op het gebied van gezondheid, veiligheid, milieubescherming, energie-efficiëntie en diefstalbeveiliging die strenger zijn dan de op mondiaal niveau vastgestelde voorschriften; Zijnde gemachtigd krachtens lid 1 onder a) van het mandaat van de VN/ECE en hoofdstuk XIII van het huishoudelijk reglement van de VN/ECE, regel 50, om tot deze Overeenkomst toe te treden; Erkennende dat deze Overeenkomst geen afbreuk doet aan de rechten en plichten die een Overeenkomstsluitende Partij heeft krachtens bestaande internationale Overeenkomsten op het gebied van gezondheidszorg, veiligheid en milieubescherming; Erkennende dat deze Overeenkomst geen afbreuk doet aan de rechten en plichten die een Overeenkomstsluitende Partij heeft op grond van de Overeenkomsten in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de Overeenkomst inzake technische belemmeringen in het handelsverkeer inbegrepen, en met de bedoeling krachtens deze Overeenkomst op een met genoemde overeenkomsten strokende wijze mondiale technische reglementen vast te stellen als grondslag voor hun technische voorschriften; Met de bedoeling dat de Overeenkomstsluitende Partijen"},{"i":18718,"b":"Beleidsregel CAK betaling bestuurlijke boete onverzekerden Zorgverzekeringswet 2017 gelet op de [artikelen 9b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9b) en [9c van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9c) en de [artikelen 4:86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:86) en [4:87 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:87), in aanmerking nemende dat de [Wet van 8 april 2016 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet en andere wetten in verband met de overgang van een aantal taken van het Zorginstituut Nederland naar het CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037917), welke – zoals bepaald bij Staatsblad 2016, nr. 442, in werking treedt per 1 januari 2017; besluit om de volgende beleidsregel vast te stellen: Artikel 1 1. Het CAK geeft de verzekeringsplichtige een termijn van zes weken om de aan hem op grond van [artikel 9b van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9b) opgelegde bestuurlijke boete te betalen. 2. In afwijking van het eerste lid kan het CAK de verzekeringsplichtige een betalingsregeling aanbieden. De betalingsregeling houdt in dat de verzekeringsplichtige de bestuurlijke boete in drie gelijke maandelijkse termijnen betaalt. Het CAK brengt geen wettelijke rente in rekening over de termijn waarover de betalingsregeling loopt. 3. Indien de verzekeringsplichtige de boete niet binnen de gestelde termijn betaalt, dan wel indien hij zich niet aan de betalingsregeling houdt, maant het CAK de verzekeringsplichtige één maal aan om binnen twee weken de boete te betalen dan wel de termijnbetalingen te hervatten. Vindt geen nakoming plaats, dan vervalt de betalingsregeling en gaat het CAK onverkort over tot de invordering van het gehele openstaande bedrag. 4. Het bepaalde in de leden 1 tot en met 3 is van overeenkomstige toepassing indien het CAK een bestuurlijke boete oplegt op grond van ["},{"i":18723,"b":"Beleidsregels van het Commissariaat voor de Media van 25 juni 2019 over bestuurlijke boetes in het kader van de Mediawet 2008 (Beleidsregels bestuurlijke boetes 2019) Gelet op de [artikelen 7.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.11) en [7.12 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.12) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Overwegende: dat het Commissariaat voor de Media ingevolge [artikel 7.11 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.11) is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028), met uitzondering van een aantal specifieke bepalingen; dat het Commissariaat voor de Media ingevolge [artikel 7.12 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.12) bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028), met uitzondering van een aantal specifieke bepalingen, en [artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) aan de overtreder een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste € 225.000 per overtreding; dat het Commissariaat voor de Media inzicht wenst te geven in de wijze waarop het invulling geeft aan zijn bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen. Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - –. **cmoa:** commerciële mediadienst op aanvraag; - –. **de Awb:** de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - –. **het Commissariaat:** het Commissariaat voor de Media. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle overtredingen waarbij het Commissariaat op basis van [artikel 7.12 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":19509,"b":"Protocol betreffende de Europese Conferentie van Ministers van Verkeer De Regeringen, vertegenwoordigd ter Europese Conferentie van Ministers van Verkeer, gehouden te Brussel van 13 t/m 17 October 1953; Verlangend een werkwijze vast te stellen voor het nemen van doeltreffende maatregelen ter coördinatie en rationalisatie van het Europese verkeer te land en op de binnenwateren, voorzover van internationaal belang; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Europese Conferentie van Ministers van Verkeer Bij dit Protocol wordt ingesteld een „Europese Conferentie van Ministers van Verkeer” (hierna te noemen de Conferentie). Artikel 2. Samenstelling van de Conferentie De Conferentie omvat: - a). een Raad van Ministers van Verkeer (hierna te noemen de Raad); - b). een Commissie van Plaatsvervangers (hierna te noemen de Commissie). Deze twee organen worden bijgestaan door een Administratief Secretariaat. Artikel 3. Doelstellingen van de Conferentie De doelstellingen van de Conferentie zijn: - a). maatregelen te nemen om in algemeen dan wel in regionaal verband te geraken tot het meest intensieve gebruik en de meest doelmatige ontwikkeling van het Europese verkeer te land en op de binnenwateren, voorzover van internationaal belang; - b). het werk van de internationale organisaties, welke bemoeiing hebben met het Europese verkeer te land en op de binnenwateren, te coördineren en te bevorderen, daarbij rekening houdende met de werkzaamheid van bovennationale gezagsorganen op dat terrein. Artikel 4. Leden en toegevoegde leden van de Conferentie 1. Leden van de Conferentie zijn de partijen bij dit Protocol. 2. Toegevoegde leden van de Conferentie zijn de Regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Regering van Canada, indien zij daartoe de wens te kennen geven, alsmede elke andere Regering, welker verzoek om toelating als toegevoegd lid eenstemmig door de Raad wordt ingewilligd. 3. De toegevoegde leden kunnen zich bij alle vergaderingen van de Raad en de Commissie door wa"},{"i":17010,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Inspectie voor de Gezondheidszorg beleidsterrein Toezicht op de Volksgezondheid en de Gezondheidszorg vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 januari 2009 nr. bca-2009.05163/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg op het beleidsterrein van het Toezicht op de Volksgezondheid en de Gezondheidszorg over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17273,"b":"Regeling van 20 april 2005, nr. 5348913/505, houdende het verlenen van militaire bijstand ten behoeve van de bewaking van het Nederlandse luchtruim en de inzet van defensiemiddelen tegen terroristische dreigingen vanuit de lucht (Regeling bijstand bestrijding luchtvaartterrorisme) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op [artikel 59, tweede lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=59); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - a. een terroristische dreiging vanuit de lucht: een civiel luchtvaartuig dat zich gedraagt op een zodanige wijze dat het vermoeden rijst dat het mogelijk gebruikt wordt als een middel voor het plegen van een terroristisch misdrijf; - b. Master Controller: de dienstdoende Master Controller bij het Air Operations and Control Station van de Koninklijke Luchtmacht te Nieuw Milligen (AOCS NM); - c. Quick Reaction Alert (QRA): twee bewapende F-35 jachtvliegtuigen van de Koninklijke Luchtmacht; - d. Militaire bijstand: bijstand ingevolge [artikel 58 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=58) voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde; - e. Nationaal Actieplan (NAP): het gerubriceerde nationaal draaiboek voor de uitvoering van de militaire bijstand door de QRA in het kader van de bestrijding van luchtvaartterrorisme; - f. NAVO: de Noord Atlantische Verdragsorganisatie. Artikel 2. Terbeschikkingstelling van defensiemiddelen in het kader van militaire bijstand In aangelegenheden waarin sprake is van een terroristische dreiging vanuit de lucht verleent de krijgsmacht bijstand op de wijze als bepaald in deze regeling. De Minister van Defensie stelt daartoe de QRA en het AOCS NM, voorzover dit station als schakel in de uitvoering van de militaire bijstand fungeert, ter beschikking aan de Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 3. Terroristische dreiging vanuit de lucht 1. De NAVO, de Master Cont"},{"i":17011,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Onderzoeksraad voor Veiligheid en zijn directe voorgangers beleidsterrein Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing vanaf 1999 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 juni 2007, nr. arc-2007.03942/1); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en zijn directe voorgangers en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing over de periode vanaf 1999’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en zijn directe voorgangers 1999– **Differs Archiefprojecten, Drs. Ronald Groeneweg, drs. Hans Berende** **In opdracht van de Onderzoeksraad voor Veiligheid** 1. Inleiding en verantwoording Op 1 februari 2005 werd de [Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613) van kracht. Daarmee begon het bestaan van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) als zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) met eigen rechtspersoonlijkheid. De OVV valt voor de uitvoering van al zijn taken, ook de ondersteunende, onder de werking van de [Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376). Dat betekent dat de OVV verplicht is alle archieven (analoog en digitaal) ‘in goede, geordende en toegankelijke staat’ te brengen en te houden. Onderdeel van die verplichting is dat de OVV op zijn archieven selectie in te bewaren en op termijn te vernietigen neerslag toepast. Om een verantwoorde selectie te kunnen maken, is een selectielijst noodzakelijk. Voorliggende sele"},{"i":17385,"b":"Regeling Registratie en aanlevering kostprijzen geriatrische revalidatiezorg Op grond van [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=63), [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=61) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van registratie en aanlevering kostprijzen geriatrische revalidatiezorg De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op instellingen die geriatrische revalidatiezorg (GRZ) leveren en door de NZa via een schriftelijk informatieverzoek op grond van [artikel 61 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=61), met inachtneming van de beleidsregel ‘Kostprijsberekening geriatrische revalidatiezorg’ (BR/CU-2120), verplicht zijn om kostprijzen aan te leveren. Artikel 2. Doel van de regeling Doel van deze regeling is te borgen dat aangeleverde kostprijsgegevens betrouwbaar en bruikbaar zijn voor de vaststelling van tarieven voor de GRZ. Artikel 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - 3.1. **Aanleversjabloon** Format waarin kostprijsinformatie door een GRZ aanbieder dient te worden aangeleverd, toegevoegd als bijlage 2 bij de beleidsregel ‘Kostprijsberekening geriatrische revalidatiezorg’ (BR/CU-2120). - 3.2. **Accountant** Een accountant zoals bedoeld in [artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393). - 3.3. **Onderzoeksprotocol** Een onderzoeksprotocol geeft richtlijnen voor een externe accountant die onderzoek doet naar de juistheid van de aangeleverde kostprijsgegevens. - 3.4. **DBC-zorgproduct** Een Diagnose Behandeling Combinatie (DBC) is een declarabele prestatie die het resultaat is van het totale traject van de diagnose die de zorgverlener stelt tot en met de (eventuel"},{"i":18135,"b":"Besluit gezinsvoogdij-instelling Bonaire, Sint Eustatius en Saba Artikel 1 In dit landsbesluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Onze Minister voor Jeugd en Gezin; - b. **instelling:** de op één van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging of stichting, wier statuten of reglementen de begeleiding van gezinsvoogden en vrij patroons in het bijzonder ten doel stellen, voor zover het bestuur van zodanige vereniging of stichting schriftelijk een bereidverklaring overeenkomstig [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028522&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) van dit besluit heeft afgelegd en deze door de minister is aanvaard. Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 358 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=358). Artikel 2 1. In de bereidverklaring bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028522&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) wordt opgenomen dat de instelling zich onderwerpt aan de bepalingen van dit besluit, alsmede aan de bepalingen die ter uitvoering van dit besluit zijn of zullen worden gegeven. De bereidverklaring wordt voor onbepaalde tijd afgelegd en is vrij van zegel. 2. De bereidverklaring wordt, onder overlegging van de statuten of reglementen, en onder opgave van de samenstelling van het bestuur van de instelling, ingediend bij de minister. 3. De bereidverklaring, zomede haar aanvaarding, is schriftelijk opzegbaar met inachtneming van een termijn van zes maanden. Artikel 3 Voor elk openbaar lichaam wordt door de minister bij voorkeur de bereidverklaring van slechts één instelling aanvaard. Artikel 4 1. Aanvaarding van de bereidverklaring geschiedt voor onbepaalde tijd. 2. Indien en zolang de instelling niet aan alle wettelijke vereisten voldoet, kan de aanvaarding niet, dan wel voor een bepaalde tijd geschieden. 3. De beschikking tot aanvaarding vermeldt de naam en de zetel van de ins"},{"i":17305,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 november 2008, nr. MEVA/BO-2890092, houdende regels in verband met de erkenning van EG beroepskwalificaties in de individuele gezondheidszorg Gelet op de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=11) en [33, eerste en tweede lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33); Gelet op [artikel 41, zesde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=41); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanpassingsstage:** aanpassingsstage, bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=1); - b. **beroepskwalificaties:** beroepskwalificaties, bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=1); - c. **betrokken staat:** betrokken staat, bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=1); - d. **commissie:** de in [artikel 1, onderdeel c, van het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007397&artikel=1) bedoelde commissie; - e. **dienstverrichter:** dienstverrichter, bedoeld in [artikel 21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=21); - f. **minister:** Minister voor Medische Zorg; - g. **proeve van bekwaamheid:** proeve van bekwaamheid, bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=1); - h. **richtlijn:** [richtlijn nr. 2005/36/EG](32005L0036) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005, betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEG, L 255); - i. **wet:** [Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066); - j. **wet BIG:** [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszor"},{"i":17012,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen Prophylaxefonds (Sociale Zekerheid 1931–1950) en rechtsopvolger Praeventiefonds (Volksgezondheidsubsidies 1950–1998) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 9 november 2005, nr. arc-2005.02537/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst ingediend door Zorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen voor de neerslag van de handelingen van het Prophylaxefonds op het beleidsterrein Sociale Zekerheid over de periode 1931–⁠1950 en haar rechtsopvolger Praeventiefonds op het beleidsterrein Volksgezondheidsubsidies over de periode 1950–1998’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument voor het Prophylaxefonds (1931–1950) en haar rechtsopvolger Praeventiefonds (1950–1998) **Zorgdrager: ZonMw** **Versie: Ontwerp/Versie mei 2005** Lijst van afkortingen AMVB: Algemene Maatregel Van Bestuur BSD: Basisselectiedocument CVV: Commissie Van Voorbereiding NWO-MW: Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek–Medische Wetenschappen PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek Stbl.: Staatsblad TNO-PG: Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek–Preventie en Gezondheid WVC: Volksgezondheid, Welzijn en Cultuur WAC: Wetenschappelijke Adviescommissie ZON: Zorgonderzoek Nederland Hoofdstuk 1. Verantwoording **1.1. Doelstelling** Dit basisselectiedocument (BSD) is een selectielijst zoals genoemd in artikel 5 van het Archiefbesluit 1995. De handelingen zijn overgenomen uit het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) **Voorkomen is beter dan genezen. Een institutioneel onderzoek naar het handelen van het Prophylaxefonds (193"},{"i":17094,"b":"Europese Overeenkomst inzake de sociale bescherming van landbouwers De Lid-Staten van de Raad van Europa, die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn leden tot stand te brengen, in het bijzonder ten einde hun economische en sociale vooruitgang te bevorderen; Overwegend dat verbetering van de levensomstandigheden van de landbouwers door de uitvoering van passende maatregelen kan bijdragen tot de sociale vooruitgang in Europa; Eraan herinnerend dat het doel van het [Europees Sociaal Handvest](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001021), eveneens opgesteld binnen de Raad van Europa en opengesteld voor ondertekening door de Lid-Staten op 18 oktober 1961, is de verhoging van de levensstandaard en de bevordering van het sociale welzijn van alle bevolkingsgroepen, zowel in de stad als op het platteland; Overwegend dat de bijzondere omstandigheden en specifieke kenmerken van de landbouwwerkzaamheden, alsmede de veranderingen die zich in de landbouw voltrekken, het invoeren van passende regelingen noodzakelijk maken om het sociale welzijn van landbouwers te bevorderen; Overwegend, dientengevolge, dat maatregelen dienen te worden genomen om de sociale bescherming van de landbouwers, de leden van hun gezinnen en, waar nodig, van hun bezoldigd personeel uit te breiden en te versterken, daarbij rekening houdend met de sociale behoeften van deze personen en met de bijzondere omstandigheden in de landbouw, Zijn overeengekomen als volgt: DEEL I Artikel 1 Iedere Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich ertoe de bepalingen van deze Overeenkomst toe te passen op haar onderdanen, woonachtig op haar grondgebied. Artikel 2 In deze Overeenkomst wordt onder „landbouwer” verstaan iedere zelfstandige die uitsluitend of in hoofdzaak werkzaam is in de landbouw, tuinbouw, bosbouw, wijnbouw of een soortgelijk bedrijf, met dien verstande dat hij kan worden bijgestaan in deze werkzaamheden door leden van zijn ge"},{"i":17672,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Auteursrecht periode (1912) 1945-2000 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 juli 2005, nr. arc-20005.02444/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Auteursrecht over de periode (1912) 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17013,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Zorgonderzoek Nederland beleidsterrein Volksgezondheidsubsidies vanaf 1995 tot 2001 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 14 september 2009, nr. bca-2009.05362/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van Zorgonderzoek Nederland op het beleidsterrein Volksgezondheidsubsidies over de periodevanaf 1995 tot 2001’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Niet opgenomen. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18942,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 18 januari 2017 nr. BOACAT2017/003, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Stichting Utrechts Landschap Gelezen het verzoek van de Stichting Utrechts Landschap van 10 januari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039146&artikel=2&z=2019-02-14&g=2019-02-14). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder Domein II in dienst van de Stichting Utrechts Landschap, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelij"},{"i":17014,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting DBC-Onderhoud 2004–2017 en Nederlandse Zorgautoriteit vanaf 2006 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de Stichting DBC-Onderhoud 2004–2017 en de Nederlandse Zorgautoriteit vanaf 2006 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst - •. [Selectielijst van de Nederlandse Zorgautoriteit en rechtsvoorgangers op het beleidsterrein Toezicht en regulering in de gezondheidszorg, 1949–](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029417), Stcrt. 2011, 659 wordt afgesloten vanaf 30 september 2006. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17247,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3107962, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake monitoring maatregelen curatieve GGZ 2012 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Besluit: Artikel 1 De Nederlandse Zorgautoriteit (verder zorgautoriteit genoemd) stelt ter uitvoering van deze aanwijzing een regel als bedoeld in [artikel 68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) vast die erin voorziet dat zorgverzekeraars vóór 14 april en vóór 15 september 2012 een opgave verstrekken van de gecontracteerde geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en een inschatting van de ongecontracteerde geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Artikel 2 Op basis van de informatie als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031406&artikel=1&z=2012-05-01&g=2012-05-01) informeert de zorgautoriteit de minister over het totaal van de gecontracteerde en ongecontracteerde zorg. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":17016,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting Participatiefonds over de periode vanaf 1995 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Participatiefonds voor het onderwijs, over de periode vanaf 1995' en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18060,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 april 2009, nr. DDI/ST/reg. 003/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties (VN) te Genéve van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1964 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties (VN) te Genéve van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1964, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 76 | 2020 | | 106 | 2027 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025719&artikel=1&z=2009-04-24&g=2009-04-24), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025719&artikel=1&z=2009-04-24&g=2009-04-24), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag"},{"i":19395,"b":"Wet van 14 mei 2014 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor een voortvarende vervolging en berechting van geweld in de publieke ruimte en geweld tegen personen met een publieke taak de gronden voor voorlopige hechtenis aan te vullen en daartoe het[Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel Ia Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17018,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 2 december 2021, nr. IENW/BSK-2021/294215, houdende vaststelling van het subsidieplafond op grond van de Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023 voor het jaar 2022 Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042569&artikel=4); BESLUIT: Artikel 1 Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042569&artikel=4) wordt voor 2022 vastgesteld op € 370.000,–. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18036,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 november 2014, nr. MINBUZA-2014.669643, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Consulaat-Generaal Istanboel, Turkije, van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1965-1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); en gelet op het advies van de algemene rijksarchivaris van 15 juli 2014, kenmerk 13.476; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 19 | 2040 | | 31 | 2043 | | 55 | 2050 | | 63 | 2038 | | 65 | 2047 | | 68 | 2046 | | 69 | 2041 | | 70 | 2046 | | 71 | 2045 | | 73 | 2046 | | 74 | 2049 | | 75 | 2044 | | 76 | 2044 | | 77 | 2050 | | 78 | 2049 | | 79 | 2044 | | 80 | 2045 | | 81 | 2050 | | 82 | 2043 | | 83 | 2035 | | 86 | 2045 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035862&artikel=1&z=2014-12-06&g=2014-12-06), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035862&artikel=1&z=2014-12-06&g=2014-12-06), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit b"},{"i":17182,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 december 2015, 2015-0000304798, houdende toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan onder de directeur-generaal Sociale Zekerheid en Integratie ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directeur-generaal Sociale Zekerheid en Integratie 2015) Gelet op [artikelen 8, derde lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=8), en [23, eerste lid, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=23); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directeur-generaal:** de directeur-generaal Sociale Zekerheid en Integratie; - b. **directie:** een van de organisatieonderdelen, genoemd in [artikel 2, onderdelen a tot en met d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&paragraaf=2&artikel=2&z=2026-05-16&g=2026-05-16); - c. **directeur:** een functionaris die leiding geeft aan een directie; - d. **hoofd van de afdeling Budgetbeheer, secretariaat en bedrijfsvoering-SZI:** een functionaris die leiding geeft aan de afdeling Budgetbeheer, secretariaat en bedrijfsvoering-SZI; - e. **RCN:** Rijksdienst Caribisch Nederland. § 2. Organisatie Artikel 2 Onder de directeur-generaal ressorteren: - a. de directie Participatie en Decentrale Voorzieningen; - b. de directie Werknemersregelingen; - c. de directie Stelsel en Volksverzekeringen; - d. de directie Samenleving en Integratie; - e. de afdeling Budgetbeheer, secretariaat en bedrijfsvoering-SZI. § 3. Verantwoordelijkheden Artikel 3 1. Elk van de directeuren is verantwoordelijk voor: - a. het leiding geven aan de eigen directie; - b. het door tussenkomst van de directeur-generaal adviseren van de bewindspersonen ten aanzien van het werkterrein van de eigen directie en het attenderen van hen op politiek of maatschappelijk gevoe"},{"i":17404,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voorgezet Onderwijs en Media van 30 september, nr. KO/28085678, houdende regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen voor het stimuleren van gemeentelijke maatregelen om COVID-19 gerelateerde onderwijsvertragingen in te lopen Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=1); - kinderen: - –. degenen die in aanmerking komen voor voorschoolse educatie als bedoeld in [artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=167); - –. leerlingen; en - –. thuiszitters; - **kinderopvang:** organisaties die kinderopvang als bedoeld in [artikel 1 van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1) verzorgen; - **leerling:** degene die is ingeschreven als leerling van een school als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=1), [artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004259&artikel=1), [artikel 7 van het Bekostigingsbesluit WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672&artikel=7) of [artikel 2.1.2, onderdeel g, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.1.2), met uitzondering van de scholen bedoeld in [artikel 185 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=185); - **lokale partij:** partner voor gemeentelijk o"},{"i":18004,"b":"Wet van 17 mei 2010 tot aanpassing van wetten in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland (Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat met de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overeengekomen dat zij een staatsrechtelijke positie krijgen binnen het Nederlandse staatsbestel en het in verband hiermee wenselijk is wetten en de Nederlands-Antilliaanse regelingen, die ingevolge de Invoeringswet BES als wet van toepassing blijven in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland. Hoofdstuk 1. Minister van Algemene Zaken § 1. Aanpassingen van Nederlandse wetgeving Artikel 1.1 Wijzigt de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002. § 2. Aanpassingen van wetgeving van Nederlands-Antilliaanse oorsprong Artikel 1.2 Wijzigt de Wet openbaarheid van bestuur BES. Hoofdstuk 2. Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties § 1. Aanpassingen van Nederlandse wetgeving Artikel 2.1 Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Artikel 2.2 Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 2.3 Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel 2.3a Wijzigt de Wet op de lijkbezorging. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 2.4 Wijzigt de Wet Nationale ombudsman. Artikel 2.5 Wijzigt de Wet openbare manifestaties. Artikel 2.6 Wijzigt de Wet overige BZK-subsidies. Artikel 2.7 Wijzigt de Wet op de parlementaire enquête 2008. Artikel 2.8 Wijzigt de Wet privatisering ABP. Artikel 2.9 Wijzigt de Wet Veiligheids"},{"i":17191,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek, ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, van het Algemeen Verdrag tussen Nederland en Frankrijk inzake de sociale zekerheid, ondertekend te 's-Gravenhage de 7e januari 1950 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, van het Algemeen Verdrag tussen Nederland en Frankrijk inzake de sociale zekerheid, ondertekend te 's-Gravenhage de 7e Januari 1950, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Loonarbeiders of met dezen gelijkgestelden, die binnen het grondgebied van de Franse Republiek werkzaam zijn bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire post, de Nederlandse nationaliteit bezitten en niet definitief in Frankrijk gevestigd zijn, blijven onderworpen aan de Nederlandse wetgeving, inzake sociale zekerheid, zelfs indien verwacht kan worden, dat hun werkzaamheid in dat land langer dan zes maanden zal duren. Artikel 2 Loonarbeiders of met dezen gelijkgestelden, die binnen het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden werkzaam zijn bij een Frame diplomatieke of consulaire post, de Franse nationaliteit bezitten en niet definitief in Nederland gevestigd zijn, kunnen aan de Franse wetgeving inzake sociale zekerheid onderworpen blijven, zelfs indien verwacht kan worden, dat hun werkzaamheid in Nederland langer dan zes maanden zal duren. Artikel 3 Deze overeenkomst treedt in werking met ingang van 1 April 1954. Zij wordt gesloten voor de duur van een jaar. Zij wordt stilzwijgend van jaar tot jaar verlengd, behoudens ingeval van opzegging, waarvan drie maanden vóór het verstrijken van de termijn kennis moet worden gegeven. EN FOI DE QUOI, les représentants soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Accord. Fait à Paris, le 1er Juin 1954 en deux exemplaires en langue française, une traduction officielle en langue néerlandaise étant jointe au présent Accord. (s.) W."},{"i":17955,"b":"Wet van 23 april 2025 tot wijziging van de Wet langdurige zorg, de Wet financiering sociale verzekeringen, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Algemene wet bestuursrecht, in verband met de uitbreiding en verdere uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden met middelen vanuit het Fonds langdurige zorg Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat zorgkantoren kunnen zorgdragen voor maatregelen gericht op de voorkoming, de vermindering of het uitstel van de behoefte aan zorg die behoort tot het op grond van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) verzekerde pakket, het Wlz-sluittarief voor zorgaanbieders uit te werken, de bevoegdheid van de Nederlandse Zorgautoriteit voor het in stand laten van Wlz-uitgaven uit te breiden, en enige andere onderwerpen te regelen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel II Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel III Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V [Artikel 59, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), is niet van toepassing op beleidsregels die de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3), voor 1 januari 2025 heeft vastgesteld. Artikel Va Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van [artikel I, onderdeel B, onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051026&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van deze wet. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij ko"},{"i":18552,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 6 november 2009, nr. WJZ / 9196477, houdende vaststelling van regels ter uitvoering van de Rijksoctrooiwet 1995 en het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995 (Uitvoeringsregeling 2009 Rijksoctrooiwet 1995) Gelet op de [artikelen 24, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=24), en [52, tweede lid, van de Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=52) en de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007246&artikel=13), [14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007246&artikel=14a) en [14c van het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007246&artikel=14c); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **wet:** [Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118); - **besluit:** [Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007246); - **mededeling:** elke aanvrage tot verlening van een octrooi of elk verzoek, elke verklaring, elk document, elke correspondentie of andere informatie met betrekking tot een aanvrage om octrooi, ongeacht of deze verband houdt met een procedure ingevolge het op 1 juni 2000 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake octrooirecht (Trb. 2001, 120). Hoofdstuk 2. Mededelingen § 1. Algemeen Artikel 2 1. Een mededeling anders dan een aanvrage om octrooi is een schriftelijk door de afzender ondertekend stuk dat ten minste bevat: - a. naam en adres van de afzender en - b. indien van toepassing: het nummer van de aanvrage om octrooi of het octrooi waarop de mededeling betrekking heeft. 2. Het bureau aanvaardt een mededeling die door een aanvrager om octrooi of octrooihouder wordt verstrekt met gebruikmaking van een internationaal standaardformulier ten aanzien van mededelingen dat overeenkomt met de vereisten ingevolge het op 19 juni 1970 te Washington tot stand gekomen Verdrag tot s"},{"i":17245,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 oktober 2007, nr. MC-U-2808582, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake voorbereiding ziekenhuiszorg 2009 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na schriftelijk mededeling gedaan te hebben aan beide Kamers der Staten-Generaal bij brief van 13 juni 2007 (Kamerstukken II, 2006/07, 29 248, nr. 37); Besluit: Artikel 1 De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, treft voorbereidingen ten behoeve van de wijziging van de bekostiging van zorg als bedoeld in de bijlage bij deze aanwijzing. De zorgautoriteit werkt ten behoeve van die wijziging en voor zover van toepassing het kader zoals geschetst in de bijlage uit. De zorgautoriteit werkt voor zover mogelijk de bekostigingsprincipes uit in beleidsregels binnen het kader zoals geschetst in de bijlage. De zorgautoriteit rapporteert en signaleert de minister over die onderwerpen waarover zij in de bijlage expliciet een rapportage of signalement wordt gevraagd. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt met de toelichting en bijbehorende bijlage in de Staatscourant geplaatst. Bijlage. bij aanwijzing voorbereidingen ziekenhuiszorg 2009 Deze bijlage bevat het kader van de wijziging van curatieve medisch specialistische zorg. **Indeling in segmenten** De definitie van medisch specialistische zorg is dermate breed dat niet alle producten zich lenen voor één en dezelfde wijze van bekostiging. Derhalve worden vier segmenten gehanteerd: De prestaties in het A0-segment worden niet rechtstreeks bij patiënten en/of zorgverzekeraars in rekening gebracht. De prestaties betreffen onder andere de beschikbaarheid van spoedeisende hulp, de academische component en de bekostiging van opleiding van medisch specialisten. Het voornemen is om de academische component vanaf 2008 ten laste van het zorgverzekeringsfonds te bekos"},{"i":18398,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 5 juli 2022, nr. 4067181, houdende regels met betrekking tot meetmiddelen waarvoor voor gebruik ervan een verklaring vereist is (Regeling meetmiddelen politie 2022) Gelet op [artikel 22 van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=22); Besluit: Artikel 1 Voor het gebruik van de volgende meetmiddelen moet een verklaring van onderzoek zijn afgegeven door NMi Certin B.V. waaruit blijkt, dat deze voldoen aan de eisen als vermeld in de bijlage behorend bij deze regeling: - a. snelheidsmeters, met uitzondering van de standaardsnelheidsmeter in politievoertuigen; - b. remvertragingsmeters, waaraan al dan niet een pedaalkrachtmeter is verbonden; - c. pedaalkrachtmeters; - d. manometers; - e. wiellastmeters; - f. profieldieptemeters; - g. trekkrachtmeters; - h. vlieghoogtemeters’ - i. lichtdoorlatendheidmeters; - j. bromfietsrollentestbanken; - k. geluidsniveaumeters; - l. toerentellers; - m. andere door de Minister van Justitie en Veiligheid aan te wijzen meetmiddelen. Artikel 2 1. De verklaring, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046949&artikel=1&z=2022-07-21&g=2022-07-21), is geldig voor 12 maanden. 2. In afwijking van het vorige lid, is een geldigheidsduur van 24 maanden van toepassing indien aan de in de bijlage bij deze regeling vastgestelde voorwaarden is voldaan. 3. Indien een herkeuring plaatsvindt voorafgaand aan de datum waarop de geldigheidsduur van de verklaring verstrijkt, wordt de geldigheidsduur van de nieuwe verklaring met een maximum van 30 dagen verlengd met de resterende geldigheidsduur van de eerdere verklaring. 4. De verklaring verliest haar geldigheid indien: - a. een herstelling of verandering van het meetmiddel heeft plaatsgevonden, indien deze op het meetresultaat van invloed kan zijn; - b. de verzegeling van het meetmiddel is verbroken; - c. een zodanige mechanische of elektrische overbelasting is ontstaa"},{"i":17020,"b":"Besluit van 21 november 2019, houdende vaststelling van het tijdstip tot wanneer de verzekerde met verblijf zonder behandeling geen recht heeft op mobiliteitshulpmiddelen op grond van de Wlz Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 november 2019, kenmerk 1572784-194503-WJZ; Gelet op de [artikelen 11.1.6, derde lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.1.6) en [artikel 8.6a, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.6a); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig 1. De verzekerde die op grond van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) zonder behandeling in een instelling verblijft heeft tot 1 januari 2020 geen recht op individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen als bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1). 2. [Artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.3.5) geldt tot 1 januari 2020 niet voor de daar bedoelde cliënten die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, is belast met de uitvoering van dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting dat in het staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18612,"b":"Wet van 22 juni 1891, betreffende de wettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en officieele benamingen in verband met het overgaan van de Kroon op eene Koningin Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat eene voorziening bij de wet noodig is met betrekking tot de wettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en officieele benamingen in verband met het overgaan van de Kroon op eene Koningin; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Zoolang eene Koningin de Kroon draagt, wordt bij het gebruik van alle wettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en officieele benamingen, waarin het woord \"Koning\" voorkomt, in plaats daarvan het woord \"Koningin\" gebezigd, met inachtneming van de daardoor noodzakelijk wordende taalkundige veranderingen. Artikel 2 Voor de rechtsgeldigheid van de toepassing sedert den overgang van de Kroon op HARE MAJESTEIT WILHELMINA aan wettelijk vastgestelde voorschriften betreffende formulieren, ambtstitels en officieele benamingen gegeven, maakt het geen onderscheid of daarbij het woord \"Koning\" dan wel het woord \"Koningin\" met inachtneming van de daardoor noodzakelijk geworden taalkundige veranderingen, gebezigd is. Artikel 3 1. Deze wet is ook verbindend voor de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen. 2. Zij treedt in werking op den 1sten September 1891. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19478,"b":"Handels- en Scheepvaartovereenkomst tussen de Benelux Economische Unie en de Republiek Paraguay Het Koninkrijk der Nederlanden, en Het Koninkrijk België, krachtens bestaande overeenkomsten mede in naam van het Groothertogdom Luxemburg, Handelende tezamen krachtens het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, ondertekend te 's-Gravenhage op 3 februari 1958, enerzijds, en De Republiek Paraguay, anderzijds, Erkennende, dat het hun belang is hun onderling handelsverkeer te bevorderen en te stimuleren alsmede het zee- en rivierverkeer te vergemakkelijken, Bezield door de wens de traditionele vriendschapsbanden te versterken door verlening van de wederzijdse en onvoorwaardelijke behandeling van de meestbegunstigde natie als grondslag van hun handels- en scheepvaartbetrekkingen, Hebben besloten over te gaan tot het afsluiten van een handels- en scheepvaartovereenkomst tussen de Benelux Economische Unie, enerzijds, en de Republiek Paraguay, anderzijds, en hebben daartoe aangewezen hun Gevolmachtigden, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Zijne Excellentie Mr. Johannes Christoffel van Beusekom, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur der Nederlanden bij de Regering van de Republiek Paraguay; Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de Heer Maurice Seynave, Tijdelijk Zaakgelastigde van België te Paraguay, en Zijne Excellentie de President van de Republiek Paraguay, Zijne Excellentie Dr. Raul Sapena Pastor, Minister van Buitenlandse Zaken. Dewelke, na uitwisseling van de respectieve volmachten, welke in goede orde werden bevonden, de volgende bepalingen zijn overeengekomen: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen zullen er met alle middelen naar streven de wederzijdse handelsbetrekkingen zoveel mogelijk te versterken en te verruimen. Te dien einde zullen de Overeenkomstsluitende Partijen streven naar een zo groot mogelijke verscheidenheid in hun onderling handelsverkeer, met inachtneming van hun traditionele in- en uitvoer. Voor zover in- en"},{"i":18168,"b":"Besluit van 8 september 2023, houdende de ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 september 2023, 2023-0000518842, Constitutionele Zaken en Wetgeving Gelet op [artikel 64 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=64) en [artikel F 2 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=F_2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ontbonden op 6 december 2023 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Artikel 2 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vindt plaats op maandag 9 oktober 2023. Artikel 3 De eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer vindt plaats op woensdag 6 december 2023 op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18125,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 17 april 2018, nr. 201802/KPCN/18, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon agenten van politie bij de Kustwacht Gelezen het verzoek van de directeur van Kustwacht van 31 oktober 2017 en de daaropvolgende adviezen van de hoofdofficier van justitie en de korpschef van Caribisch Nederland; Gelet op: [Artikel 184, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184); Het [Besluit buitengewoon agent van politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon agent van politie: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040849&artikel=2&z=2018-04-26&g=2018-04-26). Artikel 2 Maximaal 150 personen werkzaam bij de Kustwacht in de functie van Tacco, Sensor operator, Helikopteroperator, Vlieger, Officier van de Wacht RCC, Senior Operator RCC, Operator RCC, Hoofd Steunpunt, Plaatsvervangend Hoofd Steunpunt, Kapitein, Hoofd Operationele Dienst, Stuurman, Stuurman 2e klasse, Schipper, Opper- Schipper, Bootsman, Kwartiermeester, Volmatroos, Matroos zijn aangewezen als buitengewoon agent van politie. Artikel 3 De buitengewoon agent van politie is bevoegd tot het opsporen van: - 1. Alle strafbare feiten voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de betreffende functie en het daaraan gekoppelde takenpakket; - 2. Verordeningen en/of Keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen; - 3. Andere strafbare feiten, indien hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek of voor een concreet project door een officier van justitie wordt belast voor de duur van dat onderzoek of project. Artikel 4 De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. Artikel 5 De bu"},{"i":17934,"b":"Wet van 11 december 1996 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (de maatstaf voor de duur van het recht op uitkering en enige andere onderwerpen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de maatstaf voor de duur van het recht op uitkering bij aftreden als politiek ambtsdrager te wijzigen en enige andere wijzigingen aan te brengen in de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. ARTIKEL II 1. Een regeling van nabestaanden- en wezenpensioen, vervat in de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) of in een verordening als bedoeld in hoofdstuk 23 van die wet, wordt voor de toepassing van [artikel 103 van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=103) beschouwd als een pensioenregeling als bedoeld in dat artikel. 2. Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. ARTIKEL III 1. Voor een recht op nabestaanden- of wezenpensioen, ontstaan wegens overlijden tussen 30 juni 1996 en 1 juli 1999 van een politieke ambtsdrager, gewezen politieke ambtsdrager of gepensioneerde politieke ambtsdrager als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onder **a** en **b**, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=2), van een nabestaande of een wees die geen recht heeft op uitkering ingevolge de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) maar wel recht op pensioen of tijdelijke uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet zou hebben gehad indien die wet nog van kracht zou zijn geweest, geldt het volg"},{"i":19234,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 februari 2012, nr. DJZ/BR/0065-2012, houdende beperkende maatregelen jegens Syrië (Sanctieregeling Syrië 2012) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/2011 (Pb L 16); Gelet op Besluit 2011/782/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 1 december 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië en houdende intrekking van Besluit 2011/273/GBVB (Pb L 319); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2 bis, eerste lid, artikel 2 ter, eerste lid, artikel 2 quater, eerste lid, artikel 3, eerste en vierde lid, artikel 3 bis, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 11 quater, eerste lid, artikel 14, artikel 15 bis, vierde lid, artikel 19, tweede lid, artikel 27 bis en artikel 29, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 36/2012](32012R0036) van de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2012 (Pb L16). 2. Een verbod als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 2 bis, tweede lid en derde lid, artikel 3, derde lid en vijfde lid, artikel 3 ter, artikel 4, eerste lid, in geval van voorafgaandelijke toestemming, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, in geval van voorafgaandelijke toestemming, bedoeld in artikel 5, eerste lid, artikel 11 quater, tweede lid, artikel 15 bis, eerste lid, artikelen 16 tot en met 20, of artikel 21 quater, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 36/2012](32012R0036) van toepassing is. Artikel 2 De bevoegde autoriteit in de"},{"i":18201,"b":"Besluit van 22 november 2004, houdende vaststelling van de bestanddelen van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die in 2004 worden uitgegeven ter gelegenheid van vijftig jaar Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 16 november 2004, FM 2004-01413 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen beleid en Internationaal; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](onbekend); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2004/240 en herplaatst in Stcrt. 2004/242. Artikel 1 1. De beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en van de gouden tien-euromunt die in 2004 worden uitgegeven ter gelegenheid van vijftig jaar Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, is: a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en in vier concentrische cirkels van buiten naar binnen een parelrand samengesteld uit groepen van 3 parels, en het omschrift «BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN», «REINA DI REINO HULANDES», «QUEEN OF THE NETHERLANDS»; b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden drie oranjeappels, daaronder de waardeaanduiding «VIJF EURO», onderscheidenlijk «TIEN EURO», met daaronder het jaartal 2004, en in drie concentrische cirkels van buiten naar binnen het omschrift «ARUBA ● NEDERLAND ● NEDERLANDSE ANTILLEN ●», een parelrand samengesteld uit groepen van 3 parels en het omschrift «KONINKRIJKSSTATUUT 1954 ». 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD ✭ ZIJ ✭ MET ✭ ONS ✭». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17022,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 5 januari 2026, nr. IENW/BSK-2025/306214, houdende vaststelling van het uitkeringsplafond voor het kalenderjaar 2026 met betrekking tot de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023–2027 Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048944&artikel=6); BESLUIT: Artikel I Het uitkeringsplafond, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048944&artikel=6) voor het kalenderjaar 2026 is € 407.601.721 Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17986,"b":"Wet van 8 april 2016 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet en andere wetten in verband met de overgang van een aantal taken van het Zorginstituut Nederland naar het CAK Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is om een aantal taken van het Zorginstituut Nederland over te laten gaan naar het CAK; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel II Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel III Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet. Artikel IV Wijzigt de Wet op de zorgtoeslag. Artikel V Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel VI Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel VII Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel VIII Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel IX Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel X Wijzigt de Participatiewet. Artikel XI Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel XII 1. Het CAK, genoemd in [artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=6.1.1), stelt een persoon, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet als ambtenaar in de zin van [artikel 1 van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=1) bij het Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58) in dienst is, en in verband met die inwerkingtreding naar het CAK overgaat, aan als ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet. 2. In afwijking van [artikel 6.1.1., zevende lid, van de Wet langduri"},{"i":19523,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 8 oktober 2021, nr. IENW/BSK-2021/265234, houdende regels ter bevordering van schone wegvoertuigen ter ondersteuning van emissiearme mobiliteit (Regeling bevordering schone wegvoertuigen) Gelet op [richtlijn (EU) 2019/1161](32019L1161) van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van [Richtlijn 2009/33/EG](32009L0033) inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (PbEU 2019, L188) en [artikel 9.6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.6.1) juncto [artikel 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6); BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanbestedende dienst:** aanbestedende dienst als bedoeld in [artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=1.1); - **elektronisch systeem voor aanbestedingen:** elektronisch systeem voor aanbestedingen als bedoeld in [artikel 4.13 van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=4.13); - **emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig:** schoon voertuig zonder interne verbrandingsmotor, of met een interne verbrandingsmotor met emissies van minder dan 1 g CO2/kWh als gemeten in overeenstemming met [Verordening (EG) nr. 595/2009](32009R0595) en de uitvoeringsbepalingen daarvan, of met emissies van minder dan 1 g CO2/km als gemeten in overeenstemming met [Verordening (EG) nr. 715/2007](32007R0715) en de uitvoeringsbepalingen daarvan; - **licht bedrijfsvoertuig:** voertuig van categorie M1, M2, of N1 als bedoeld in artikel 4 van [Verordening 2018/858](32758R2018); - **overheidsopdracht:** overheidsopdracht als bedoeld in [artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=1.1); - **Richtlijn 2009/33:** [Richtlijn 2009/33/EG](32009L0033) van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake"},{"i":18849,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 september 2017 nr. BOACAT2017/062, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Korps Militaire Controleurs Gevaarlijke Stoffen van de Koninklijke Marechaussee Gelezen het verzoek van de Koninklijke Marechaussee van 19 september 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de Commandant van de Koninklijke Marechaussee; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040025&artikel=2&z=2017-10-10&g=2017-10-10). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van controleur bij het Korps Militaire Controleurs Gevaarlijke Stoffen in dienst van de Koninklijke Marechaussee, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, vo"},{"i":18405,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 13 december 2012, nr. 333005, inzake de aanwijzing van operationele functies bij de politie (Regeling operationele functies politie) Gelet op [artikel 2 van het Besluit verdeling sterkte en middelen politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032333&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De functies bij de politie die krachtens [artikel 6, tweede lid van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=6) zijn vastgesteld en die onderdeel uitmaken van de operationele sterkte zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2013. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling operationele functies politie. Bijlage | Categorie | Functie | | --- | --- | | Leiding1 | Korpschef | | | Directeur | | | Sectorhoofd | | | Teamchef C | | | Teamchef B | | | Teamchef A | | Uitvoering | | | Beveiliging | Operationeel-Expert Beveiliging 1+3 | | | Senior Beveiliging 2 | | | Generalist Beveiliging | | | Medewerker Beveiliging | | | Assistent Beveiliging B | | | Assistent Beveiliging A | | GGP | Operationeel-Expert GGP 1+3 | | | Senior GGP 2 | | | Generalist GGP | | | Medewerker GGP | | | Assistent GGP B | | | Assistent GGP A | | Informantenrunnen | Operationeel-Expert Informantenrunner 1+3 | | | Senior Informantenrunner 2 | | Intelligence | Operationeel-Expert Intelligence 1+3 | | | Senior Intelligence 2 | | | Generalist Intelligence | | | Medewerker Intelligence | | Interventie | Operationeel-Expert Interventie 1+3 | | | Senior Interventie 2 | | | Generalist Interventie | | Meldkamer | Operationeel-Expert Meldkamer 1+3 | | | Senior Meldkamer 2 | | | Generalist Meldkamer | | Observatie | Operationeel-Expert Observatie 1+3 | | | Senior Observatie 2 | | | Generalist Observatie | | | Medewerker Observatie | | Tactische Opsporing | Operationeel-Expert Tactische Opsporing 1+3 | | | Senior Tactische Opsporing 2 | | | Generali"},{"i":19108,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 januari 2013, nr. 333234, houdende vaststelling van het legitimatiebewijs van de buitengewoon opsporingsambtenaar (Regeling vaststelling legitimatiebewijs buitengewoon opsporingsambtenaar) Gelet op [artikel 26, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=26); Besluit: Artikel 1 De buitengewoon opsporingsambtenaar draagt bij het uitoefenen van zijn functie een legitimatiebewijs bij zich volgens het model, opgenomen in de bijlage bij deze regeling, tenzij voor hem of voor de categorie van buitengewone opsporingsambtenaren waartoe hij behoort, een ander legitimatiebewijs is aangewezen. Artikel 2 Een eerder afgegeven legitimatiebewijs blijft geldig tot de datum waarop de bijbehorende akte haar geldigheid verliest, maar uiterlijk tot 1 januari 2018. Artikel 3 [Het besluit van 20 augustus 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012767), kenmerk 5115031/501/AJT (Stcrt. 2001, 171), wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling legitimatiebewijs buitengewoon opsporingsambtenaar. Bijlage. bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032799&artikel=1&z=2013-01-23&g=2013-01-23) van de Regeling vaststelling legitimatiebewijs buitengewoon opsporingsambtenaar Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17754,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake wederzijdse administratieve bijstand ten behoeve van de juiste toepassing van de douanewetgeving en het voorkomen, onderzoeken en bestrijden van inbreuken op de douanewetgeving Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en andere belastingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving van verboden, beperkingen en controlemaatregelen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving hun economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid en handel schaden; Overwegend dat de grensoverschrijdende handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, gevaarlijke stoffen, bedreigde dier- en plantensoorten en giftig afval een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van duidelijke wettelijke bepalingen; Gelet op de van belang zijnde instrumenten van de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisatie, in het bijzonder de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand van 5 december 1953; Tevens gelet op internationale verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. wordt onder „douaneadministratie” verstaan: - wat de Republiek Turkije betreft: het ministerie van de Premier, Staatssecretariaat voor Douanezaken; - wat het Koninkrijk der Ne"},{"i":19328,"b":"Wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet in verband met aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709) te wijzigen in verband met de noodzaak aanvullende maatregelen te nemen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel II Onze Minister voor Rechtsbescherming zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18489,"b":"Rijkswet van 15 juni 2016, houdende bepalingen omtrent de toepassing in Aruba, Curaçao en Sint Maarten van beperkende maatregelen met het oog op de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme, vastgesteld in het kader van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de Europese Unie (Rijkssanctiewet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor de eenheid van de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk wenselijk is om bepalingen vast te stellen met het oog op de toepassing in Aruba, Curaçao en Sint Maarten van besluiten, vastgesteld in het kader van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de Europese Unie, houdende beperkende maatregelen met het oog op de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Bepalingen van bindende EU-rechtshandelingen, op voet van artikel 215, eerste en tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgesteld in het kader van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de Europese Unie, zijn met ingang van de datum van hun inwerkingtreding in Aruba, Curaçao en Sint Maarten op overeenkomstige wijze als in de lidstaten van de Europese Unie van toepassing. Andere wettelijke bepalingen die niet verenigbaar zijn met de ingevolge de eerste volzin van overeenkomstige toepassing verklaarde bepalingen van bindende EU-rechtshandelingen, blijven buiten toepassing. 2. Van overeenkomstige toepassing op grond van h"},{"i":17509,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 oktober 2019, kenmerk 1604148-181029-WJZ, houdende nadere regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis (Regeling verplichte geestelijke gezondheidszorg) Gelet op de [artikelen 1:1, eerste lid, onderdeel aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=1:1); [4:1, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=4:1); [5:13, derde lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=5:13); [7:3, vierde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=7:3); en [8:25, tweede lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=8:25) en [artikelen 3.1, vijfde en zevende lid van het Besluit verplichte geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042262&artikel=3.1); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg in werking treedt. Hoofdstuk 1. – Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **locatie:** vestiging als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder j, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=1). Hoofdstuk 2. – Categorieën van deskundigen Artikel 2 Als categorieën van deskundigen als bedoeld in [artikel 1:1, eerste lid, onderdeel aa, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=1:1) worden aangewezen: - –. psychiater; - –. klinisch psycholoog; - –. klinisch neuropsycholoog; - –. specialist ouderengeneeskunde; - –. arts die als verslavingsarts is ingeschreven in het door het College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst ingestelde profielregister verslavingsgeneeskunde; - –. gezondheidszorgpsycholoog; - –. klinisch geriater; - –. verpleegkundig specialist geestelijke gezo"},{"i":18662,"b":"Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten in verband met de herziening van de functie- en bezoldigingstructuur voor rechterlijke ambtenaren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het stelsel van functies en bezoldiging voor rechterlijke ambtenaren te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel II Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel III Wijzigt de Beroepswet. Artikel IV Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel IVa Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel IVb Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel V 1. De benoemingen van degenen, die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als coördinerend vice-president of vice-president van een gerechtshof, de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven zijn benoemd, worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming als senior raadsheer in het desbetreffende college. Zij worden als zodanig niet beëdigd of geïnstalleerd. 2. De benoemingen van degenen, die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als coördinerend vice-president van een rechtbank zijn benoemd, worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming als senior rechter A van een rechtbank. Zij worden als zodanig niet beëdigd of geïnstalleerd. 3. De benoemingen van degenen, die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet tot vice-president van een rechtbank zijn benoemd, worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot senior rechter van een rechtbank. Zij worden als zodanig niet beëdigd of geïnstallee"},{"i":17023,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 juli 2020, nr. 2020-0000402460, tot vaststelling uitkeringsplafond eerste aanvraagtijdvak Woningbouwimpuls Gelet op [artikel 3, derde lid, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=3); Besluit: artikel Enig Het bedrag dat ten hoogste aan specifieke uitkeringen kan worden verstrekt ten behoeve van de aanvragen die zijn ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in [artikel 4, tweede lid van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4), is € 347.500.000. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17497,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 december 2016, kenmerk 1075082-159875-Z, houdende Regeling vaststelling premiepercentage Wlz 2017 Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt voor het jaar 2017 vastgesteld op 9,65. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst wordt uitgegeven na 31 december 2016, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2017. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage Wlz 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18350,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 mei 2024, nr. 2024-0000249690, houdende bepalingen omtrent het materieelbeheer en privaatrechtelijk beheer van onroerende zaken van het Rijk (Regeling beheer onroerende zaken Rijk 2024) Gelet op [artikel 4.20, vijfde lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20) en [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **gebruiksgerechtigde:** natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een nog lopend gebruiksrecht met betrekking tot een onroerende zaak van de Staat is verleend; - b. **gebruiksrecht:** huurrecht, pachtrecht, erfpachtrecht, opstalrecht, recht van vruchtgebruik, recht van bruikleen of ander gebruiksrecht, verleend of te verlenen met betrekking tot een onroerende zaak waarvan de Staat rechthebbende is; - c. **materieelbeheer:** zorg voor het onderhoud en de instandhouding van zaken vanaf het moment van inbeheer- of ingebruikneming tot aan het moment van afstoting; - d. **medeoverheid:** een gemeente, een provincie, een waterschap of een openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=8) of als bedoeld in [artikel 132a, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=132a); - e. **minister:** minister wie het aangaat. Hoofdstuk 2. Materieelbeheer van onroerende zaken van het rijk en de administraties die ten behoeve van dat beheer worden bijgehouden Artikel 2. Doelstellingen van materieelbeheer Onroerende zaken worden zodanig door een minister beheerd of gebruikt dat: - a. daarmee de continuïteit van de uitvoering van het beleid en de bedrijfsvoering die aan de b"},{"i":18688,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 19 juni 2014, nummer 513217, houdende de archiefbeheersregels voor het Ministerie van Veiligheid en Justitie (Archiefbeheersregels Veiligheid en Justitie 2014) Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **archiefbeheer:** de uitvoerende werkzaamheden om archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te houden; - b. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - c. **archiveringsysteem:** het geheel van mensen, kennis, middelen, methoden, procedures en archiefbescheiden dat nodig is om archiveringsfuncties te kunnen vormgeven; - d. **dienstonderdeel:** onderdeel van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zoals genoemd in de [Organisatieregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030837) en de [Organisatieregeling dienstonderdelen OM 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031897); - e. **metadata:** gegevens die context, inhoud en structuur van archiefbescheiden en hun beheer beschrijven; - f. **minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - g. **ministerie:** het Ministerie van Veiligheid en Justitie; - h. **registratiesysteem:** middel voor het toekennen van metadata aan archiefbescheiden en het opnemen van deze metadata waardoor toegang wordt gegeven tot het archief. Hoofdstuk 2. Organisatie en verantwoordelijkheid Artikel 2. Werkingsgebied Deze regeling is van toepassing op de dienstonderdelen. Artikel 3. Regeling verantwoordelijkheden 1. De minister is zorgdrager voor de archiefbescheiden van het ministerie. 2. De secretaris-generaal is ambtelijk verantwoordelijk voor het archiefbehe"},{"i":18126,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 10 november 2023, nr. 2023/KCPN/0357, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon agenten van politie bij de Kustwacht Gelezen het verzoek van de Directeur Kustwacht voor het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch gebied van 5 april 2023 en de daaropvolgende adviezen van de hoofdofficier van justitie en de korpschef van het Korps Politie Caribisch Nederland en de daaropvolgende adviezen van de Hoofd Officier van Justitie; Gelet op: [Artikel 184, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184); Het [Besluit buitengewoon agent van politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon agent van politie: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048949&artikel=2&z=2023-11-25&g=2023-11-25). Artikel 2 Maximaal 150 personen werkzaam bij de Kustwacht in de functie van Tacco, Sensor Operator, Helikopteroperator, Vlieger, Officier van de Wacht RCC, Senior Operator RCC, Operator RCC, Hoofd Operationele Dienst, Stuurman, Stuurman 2e klasse, Schipper, Opperschipper, Bootsman, Kwartiermeester, Volmatroos, Kapitein, Matroos zijn aangewezen als buitengewoon agent van politie. Artikel 3 De buitengewoon agent van politie is bevoegd tot het opsporen van: - 1. Alle strafbare feiten voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de betreffende functie en het daaraan gekoppelde takenpakket; - 2. Verordeningen en/of Keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen; - 3. Andere strafbare feiten, indien hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek of voor een concreet project door een officier van justitie wordt belast voor de duur van dat onderzoek of project. Artikel 4 De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba voor zover noodzakeli"},{"i":17024,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 5 juli 2025, nr. 2025-0000401710, houdende vaststelling van het uitkeringsplafond voor de eerste tranche van de Regeling specifieke uitkering woningbouwversnelling Metropoolregio Eindhoven, alsmede tot wijziging van het Besluit benoeming en vergoeding leden Toetsingscommissie Woningbouwimpuls in verband met het aanpassen van de vergoeding voor de voorzitter en de leden Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), [artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4), [artikel 8, tweede lid, van de Regeling Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043557&artikel=8) en [artikel 4, derde lid, van de Regeling specifieke uitkering woningbouwversnelling Metropoolregio Eindhoven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051209&artikel=4); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Regeling specifieke uitkering woningbouwversnelling Metropoolregio Eindhoven in werking treedt. Artikel 1 Het uitkeringsplafond voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Regeling specifieke uitkering woningbouwversnelling Metropoolregio Eindhoven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051209&artikel=6) is € 23.750.000. Artikel 2 Wijzigt het Besluit benoeming en vergoeding leden Toetsingscommissie Woningbouwimpuls. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Regeling specifieke uitkering woningbouwversnelling Metropoolregio Eindhoven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051209) in werking treedt. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18161,"b":"Besluit van 26 oktober 2017 nr. 2017001803, houdende naamswijziging van het ministerie van Economische Zaken Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 25 oktober 2017, nr. 3213923; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: De naam van het ministerie van Economische Zaken te wijzigen in: ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de ministeries."},{"i":18458,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 16 september 2025, houdende regels over de verstrekking van informatie over het beheer van de politie door de korpschef aan de Minister van Justitie en Veiligheid (Regeling verstrekking beheerinformatie politie 2025) Gelet op [artikel 48 van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=48), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanschrijving:** de aanschrijving, bedoeld in [artikel 45, van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=45); - –. **beheer van de politie:** de zorg en verantwoordelijkheid voor de politieorganisatie, het personeel dat daar werkt, het materieel dat daar wordt gebruikt en de financiële middelen die daar worden uitgegeven; - –. **documenten van de beleids- en beheercyclus:** de begroting, het beheersplan, de jaarrekening, het jaarverslag en de managementrapportages, bedoeld in de [artikelen 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=34), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=35) en [37 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=37) en [artikel 47 van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=47); - –. **informatieprotocol:** het document met het geheel van afspraken over de verstrekking van informatie over het beheer van de politie en de concrete vastlegging van de structurele informatie over het beheer van de politie die verstrekt wordt; - –. **minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; Artikel 2 1. Ter uitvoering van de in [artikel 27 tot en met artikel 37 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27) bepaalde taken en verantwoordelijkheden van de minister ten aanzien van het beheer van de politie door de korpschef, verstrekt de korpschef aan de minister structureel en incidenteel informatie over het beheer van de pol"},{"i":17968,"b":"Wet van 26 juni 1996, houdende wijziging van onder meer de Wet op de onderwijsverzorging in verband met de verlenging van de werkingsduur van die wet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de werkingsduur van de Wet op de onderwijsverzorging te verlengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de onderwijsverzorging. ARTIKEL II Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. ARTIKEL III 1. Op bezwaar en beroep met betrekking tot de toepassing van de op 31 december 1996 geldende bij of krachtens de Wet op de onderwijsverzorging gegeven voorschriften die betrekking hebben op de instelling, bedoeld in hoofdstuk III, titel I, van die wet, aangevangen voor 1 januari 1997, of aangevangen na die datum doch binnen de termijn, danwel aangevangen na die datum en na afloop van de termijn voor zover daarbij [artikel 6:11 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:11) van toepassing is verklaard, blijven de op 31 december 1996 geldende voorschriften van toepassing. 2. Met betrekking tot de op 31 december 1996 door het Rijk nog niet vastgestelde of uitgekeerde bedragen blijven van toepassing de op 31 december 1996 geldende bij of krachtens de Wet op de onderwijsverzorging gegeven voorschriften die betrekking hebben op de instelling, bedoeld in hoofdstuk III, titel I, van die wet. ARTIKEL IV Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1996. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17963,"b":"Wet van 20 december 2007, houdende wijziging van de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet in gesloten setting (gesloten jeugdzorg) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637) te wijzigen teneinde jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637) in gesloten kader mogelijk te maken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de Jeugdzorg. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel III Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Artikel IV Wijzigt de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Artikel V Wijzigt de Tijdelijke instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming. Artikel VI Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VII 1. Een verzoek om een machtiging als bedoeld in [artikel 261, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=261) ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, geldt met ingang van dat tijdstip als een verzoek om een machtiging als bedoeld in [artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637&artikel=29b). 2. Een machtiging als bedoeld in [artikel 261, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=261) verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, geldt met ingang van dat tijdstip als machtiging als bedoeld in [artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637&artikel=29b). 3. Een machtiging als bedoeld in het tweede lid, wordt ten uitvoer gelegd"},{"i":17498,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 november 2017, kenmerk 1259840-170338, houdende Regeling vaststelling premiepercentage Wlz 2018 Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt voor het jaar 2018 vastgesteld op 9,65. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage Wlz 2018. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18854,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 9 november 2022 nr. BOACAT2022/078, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Koninklijke Marechaussee Recherche en Intelligence Gelezen het verzoek van Directeur Operaties van de Koninklijke Marechaussee van 2 november 2022 en het advies van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid, en artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047477&artikel=2&z=2022-11-17&g=2022-11-17). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie vakspecialist B/C/D Opsporing KMar, Hoofd Laboratorium KMar, Medewerker Recherche, Rechercheadviseur Junior/Medior/Senior, Medewerker Intell, Senior Medewerker Intell, Coördinator Intell, Analist en Junior Analist in dienst van de Koninklijke Marechaussee, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Ne"},{"i":17873,"b":"Besluit van 8 augustus 2011 tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria in verband met het aanpassen van de asielprocedure Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 31 mei 2011, nr. 5695285/11/6; Gelet op de [artikelen 12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=12), en [37, vijfde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 juli 2011, nr. W03.11.0205/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 augustus 2011, nr. 5704522/11/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel II Wijzigt het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria. Artikel III 1. Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018), zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op toevoegingen afgegeven voor de inwerkingtreding van dit besluit. 2. Op aanvragen ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit, om een toevoeging voor de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) waarin de eerste verrichting op of na 1 juli 2010 is gedaan, zijn, voor zover dit leidt tot een hogere puntentoekenning, in afwijking van het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) van toepassing de regels van de op 1 juli 2010 krachtens [artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23) vastgestelde [Beleidsregel vergoedingen voor rechtsbijstand in de nieuwe asielprocedure van de raad voor r"},{"i":18726,"b":"Beleidsregels van de Minister voor Rechtsbescherming van 28 juni 2021, kenmerk 2772918, betreffende de tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021) Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Titel 1.1. Algemene bepalingen Artikel 1:1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **administratiekosten:** de kosten bedoeld in [artikel 4.11 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042962&artikel=4:11) of [11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006847&artikel=11a); - –. **administratieve sanctie:** administratieve sanctie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=1); - –. **besluit:** het [Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042962); - –. **betalingsregeling:** verlening van uitstel van betaling of het toestaan van betaling in termijnen bedoeld in [artikel 6:4:1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:4:1) met betrekking tot geldelijke sancties, alsmede met betrekking tot administratieve sancties; - –. **betalingsplichtige:** degene aan wie een geldelijke sanctie is opgelegd; - –. **CJIB:** het Centraal Justitieel Incassobureau, onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; - –. **CJIB/AICE:** het Administratie- en Informatiecentrum voor de Executieketen, onderdeel van het CJIB; - –. **DJI:** de Dienst Justitiële Inrichtingen, onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; - –. **geldelijke sanctie:** een opgelegde sanctie, inhoudende de verplichting tot betaling van een geldsom bedoeld in [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel"},{"i":18687,"b":"Algemene wet inzake rijksbelastingen, wijziging betaalverzuimboete Motorrijtuigenbelasting De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit betreft een wijziging van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) door een tijdelijke verlaging van de verzuimboete bij niet, gedeeltelijk niet, of te laat betalen van de verschuldigde Motorrijtuigenbelasting (paragraaf 33 BBBB).** 1. Inleiding [Paragraaf 33, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&paragraaf=33) (BBBB) bepaalde tot 1 januari 2014 dat in geval van een tweede betalingsverzuim bij de Motorrijtuigenbelasting (MRB) binnen één jaar de inspecteur een boete oplegt van 1 procent van het wettelijke maximum van [artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67c) (AWR). Sindsdien bedraagt de boete 3 procent van dit wettelijk maximum (thans € 158). Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 7 juni 2016 dat in het voorliggende geval deze boete niet in een evenredige verhouding stond tot de ernst van de verwijtbare gedraging, zijnde het te laat betalen van een bedrag van € 29 aan MRB. Het Gerechtshof achtte een boete van € 60 passend en geboden. (Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4544). Deze uitspraak, die inmiddels navolging heeft gevonden in een aantal andere gevallen, is aanleiding om het beleid voor het opleggen van betaalverzuimboeten voor de MRB opnieuw te bezien. Mede gelet op de massaliteit van de opgelegde boeten wegens het niet (tijdig) betalen van de MRB, zie ik reden om, vooruitlopend op een definitieve regeling, het desbetreffende beleid tijdelijk aan te passen. 2. Tijdelijke verlaging De betaalverzuimboete, genoemd in [paragraaf 33, tweede lid, van het BBBB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038145&paragraaf=33) wordt, vooruitlopend op een nieuwe regeling, verlaagd tot 1 procent van het wettelijk maximu"},{"i":18516,"b":"Rijkswet van 7 juli 2010 tot vaststelling van een zeegrens tussen Curaçao en Bonaire, en tussen Sint Maarten en Saba Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met het verkrijgen door Curaçao en Sint Maarten van de hoedanigheid van land in het Koninkrijk, wenselijk is om een grens vast te stellen tussen de zeegebieden, met inbegrip van de daaronder gelegen zeebodem en ondergrond, van Curaçao enerzijds en Bonaire anderzijds, respectievelijk Sint Maarten enerzijds en Saba anderzijds; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Artikel 1 1. Met inachtneming van het bepaalde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028093&artikel=2&z=2018-09-01&g=2018-09-01), wordt de zeegrens tussen het land Curaçao en het openbaar lichaam Bonaire gevormd door de bogen van grootcirkels tussen de volgende punten in de volgorde zoals hieronder aangegeven: | A. | 14° | 22’ | 24,5\"N | 68° | 35’ | 29.4\"W | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | B. | 13° | 15’ | 07.6\"N | 68° | 40’ | 12.1\"W | | C. | 12° | 41’ | 47.2\"N | 68° | 42’ | 31.3\"W | | D. | 12° | 37’ | 47.7\"N | 68° | 42’ | 51.6\"W | | E. | 12° | 33’ | 05.4\"N | 68° | 43’ | 17.3\"W | | F. | 12° | 31’ | 22.3\"N | 68° | 42’ | 37.2\"W | | G. | 12° | 24’ | 54.0\"N | 68° | 41’ | 01.5\"W | | H. | 12° | 22’ | 10.0\"N | 68° | 40’ | 12.1\"W | | I. | 12° | 19’ | 21.8\"N | 68° | 39’ | 10.2\"W | | J. | 12° | 13’ | 55.2\"N | 68° | 37’ | 35.4\"W | | K. | 12° | 13’ | 21.9\"N | 68° | 37’ | 26.4\"W | | L. | 12° | 11’ | 58.8\"N | 68° | 36’ | 44.5\"W | | M. | 12° | 11’ | 22.4\"N | 68° | 36’ | 29.8\"W | | N. |"},{"i":17027,"b":"Besluit van 16 juli 2005, nr. 05.002643, houdende vaststelling van de vergoeding van de voorzitter en de leden van de Toetsingscommissie als bedoeld in artikel 73 van de Wet werk en bijstand Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 juli 2005, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/SFI/05/48023; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De vaste beloning voor de voorzitter en de leden van de Toetsingscommissie bestaat uit een bedrag per bijgewoonde vergadering en uit een bedrag voor de voorbereiding van de advisering over verzoeken om aanvullende uitkering, waarbij de vaste beloning wordt gebaseerd op het maximum van: - a. salarisschaal 17 van het [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) voor de voorzitter; - b. salarisschaal 16 van het [Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) voor de leden. 2. De vaste beloning voor een bijgewoonde vergadering wordt, met toepassing van de in het eerste lid genoemde salarisschalen, gebaseerd een volle dag van 8 uur, inclusief reistijd. 3. De vaste beloning voor de voorbereiding, bedoeld in het eerste lid, wordt gebaseerd op: - a. 30 minuten voorbereidingstijd voor verzoeken van gemeenten tot en met 40 000 inwoners; - b. 60 minuten voorbereidingstijd voor verzoeken van gemeenten met meer dan 40 000 inwoners. Artikel 2 1. Indien een plaatsvervangend-lid een lid vervangt ter vergadering en/of voorbereiding, is [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018603&artikel=1&z=2005-08-24&g=2005-08-24) van overeenkomstige toepassing. 2. In afwijking van het eerste lid komt een plaatsvervangend-lid jaarlijks ook in aanmerking voor een vaste beloning voor een vergadering die kan worden aangemerkt als een start- en/of slotbijeenkomst van de commissie. 3. In afwijk"},{"i":18933,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 december 2021 nr. BOACAT2021/058, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Staatsbosbeheer Gelezen het verzoek van de directeur Staatsbosbeheer van 30 september 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046106&artikel=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01). Artikel 2 De personen die werkzaam zijn bij Staatsbosbeheer en belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein, II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Re"},{"i":17769,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, Hierna te noemen „de verdragsluitende partijen”, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de veiligheid van de verdragsluitende partijen en voor hun economische, fiscale, sociale en culturele belangen en hun belangen op het gebied van handel en volksgezondheid; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar vormt voor de samenleving; Overwegend dat de bestrijding van de handel in goederen die het voorwerp kunnen zijn van namaak of piraterij alsmede de bestrijding van het witwassen van geld, uitwisseling van informatie tussen de douanediensten op internationaal niveau vereisen; Overwegend dat commerciële ondernemingen en de douanediensten baat kunnen hebben bij het uitbreiden van de facilitatie en veiligheid van de logistieke keten tussen de verdragsluitende partijen; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van de toepassing van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen wettelijke bepalingen; Gelet op [Protocol nr. 5 betreffende de wederzijdse bijstand tussen administratieve autoriteiten in douanezaken](onbekend), dat als bijlage is toegevoegd aan de [Associatieovereenkomst tussen Marokko en de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001337), en met name [art"},{"i":18876,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 september 2017 nr. BOACAT2017/053, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de provinsje Fryslân Gelezen het verzoek van de provinsje Fryslân van 22 augustus 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039963&artikel=2&z=2017-09-12&g=2017-09-12). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van scheepvaartmeester in dienst van de provinsje Fryslân, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel 4 Op grond van dit besluit ku"},{"i":17028,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 maart 2010, nr. IVV/FB/10/6483, tot vaststelling van de vergoeding van de voorzitter en de leden van de Toetsingscommissie Wet werk en bijstand Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Toetsingscommissie vangnet Participatiewet: de Toetsingscommissie, bedoeld in [artikel 73 van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=73). Artikel 2 1. Aan de voorzitter van de Toetsingscommissie vangnet Participatiewet wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 17 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,05. 2. Aan de andere leden van de Toetsingscommissie vangnet Participatiewet wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,05. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2010. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 2a Deze regeling wordt aangehaald als: Besluit vaststelling vergoeding voorzitter en leden Toetsingscommissie vangnet Participatiewet. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18446,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 23 januari 2012, nr. WJZ / 11170989, houdende vaststelling van de bedragen, bedoeld in artikel 27c, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995 Gelet op [artikel 27c, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007246&artikel=27c); Besluit: Artikel 1 Voor deelname aan het examen of de proeve van bekwaamheid dan wel een gedeelte daarvan als bedoeld in [artikel 23a van de Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=23a), is verschuldigd: - a. € 575,00 voor toetsing aan het vereiste van [artikel 27d, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007246&artikel=27d), voor het onderdeel Octrooirecht; - b. € 575,00 voor toetsing aan het vereiste van [artikel 27d, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007246&artikel=27d), voor het onderdeel Overige intellectuele eigendomsrechten, mededingingsrecht en Europees recht; - c. € 655,00 voor toetsing aan het vereiste van [artikel 27d, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007246&artikel=27d), voor het onderdeel Praktische vaardigheden A Opstellen van een octrooiaanvrage; - d. € 655,00 voor toetsing aan het vereiste van [artikel 27d, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007246&artikel=27d), voor het onderdeel Praktische vaardigheden B Verdedigen van een octrooiaanvrage; - e. € 845,00 voor toetsing aan het vereiste van [artikel 27d, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007246&artikel=27d), voor het onderdeel Praktische vaardigheden C Schrijven van een advies; - f. € 575,00 voor toe"},{"i":18805,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 2 juli 2021 nr. BOACAT2021/20, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Avri Gelezen het verzoek van de directeur van Avri 25 februari 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederlanden de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045474&artikel=2&z=2021-07-07&g=2021-07-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerker Handhaving in dienst van Avri, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, be"},{"i":18608,"b":"Wet van 13 januari 1949, houdende instelling van schuldregisters voor geldleningen ten laste van het Rijk Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ten aanzien van de ten laste van het Rijk aangegane geldleningen, waarbij zulks niet reeds in de voorwaarden van uitgifte is geschied, de mogelijkheid te openen, tot het instellen van schuldregisters, waarin de schuld ten name van de eigenaar wordt ingeschreven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd voor de houders van schuldbewijzen van vóór de inwerkingtreding dezer wet ten laste van het Rijk aangegane geldleningen, overeenkomstig door hem te stellen regelen, de gelegenheid te openen hun schuldbewijzen te verwisselen in een inschrijving op naam in een voor elke lening afzonderlijk gehouden schuldregister. Artikel 2 De voorwaarden, waaronder de schuldbewijzen der in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002045&artikel=1&z=1949-01-26&g=1949-01-26) bedoelde geldleningen zijn uitgegeven, worden in de door Onze Minister te stellen regelen, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002045&artikel=1&z=1949-01-26&g=1949-01-26), eveneens, voor zover toepasselijk, verbonden aan de door verwisseling van deze schuldbewijzen verkregen inschrijvingen in een schuldregister. In afwijking van deze voorwaarden kan ten aanzien van de aflossing worden bepaald, dat deze niet door loting, maar in evenredigheid met de aflossingen door uitloting op de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002045&artikel=1&z=1949-01-26&g=1949-01-26) bedoelde geldleningen zal geschieden. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag volgende op die harer afkondiging. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden gep"},{"i":18399,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, houdende de wijziging, in verband met de invoering van de euro, van de methodiek ter bepaling van de gebruiksvergoeding, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het Besluit Rijksgebouwendienst 1999 (Regeling methodiek gebruiksvergoeding Rijksgebouwendienst) Gelet op [artikel 10, tweede lid, van het Besluit Rijksgebouwendienst 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009888&artikel=10); Overwegende dat de Regeling houdende vaststelling van de methodiek ter bepaling van de gebruiksvergoeding op 17 september 1998 is vastgesteld; Overwegende dat de vaststelling is geschied, handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Overwegende dat deze wijziging uitsluitend betrekking heeft op de aanpassing van guldenbedragen in eurobedragen volgens de op Europees niveau vastgestelde regels; Overwegende dat om die reden met betrekking tot deze wijziging niet het gevoelen van de ministerraad is gevraagd; Besluit: Artikel 1 Vast te stellen de in de bijlage dezes vervatte methodiek ter bepaling van de gebruiksvergoeding, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van het Besluit Rijksgebouwendienst 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009888&artikel=10). Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2002, en werkt terug tot en met 1 januari 1999. 2. De Regeling houdende vaststelling van de methodiek ter bepaling van de gebruiksvergoeding van 17 september 1998 wordt met ingang van 1 januari 2002 ingetrokken. Artikel 3 1. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling methodiek gebruiksvergoeding Rijksgebouwendienst. 2. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Rijnstraat 8, 's-Gravenhage."},{"i":17485,"b":"Regeling uitvoeringsverslag en financieel verslag Wlz-uitvoerder De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz). Deze bevoegdheid is gebaseerd op [artikel 16, sub d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) (Wmg). Gelet op [artikel 31, sub b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=31), is de NZa bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de wijze waarop een Wlz-uitvoerder zijn uitvoeringsverslag respectievelijk zijn financieel verslag inricht. Artikel 1. Begripsbepalingen Voor de begrippen die in deze regeling voorkomen, wordt verwezen naar de Beleidsregel definities Wlz. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Wlz-uitvoerders zijn zowel in hun hoedanigheid als Wlz-uitvoerder als in hun hoedanigheid als zorgkantoor op basis van [artikel 4.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.1) en [4.3.2 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.2) verplicht om jaarlijks een uitvoeringsverslag en een financieel verslag op te stellen over het voorafgaande kalenderjaar en dit bij de NZa in te dienen. Deze regeling beoogt regels te stellen ten aanzien van de wijze waarop de Wlz-uitvoerders het uitvoeringsverslag en het financieel verslag dienen in te richten. Artikel 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op de Wlz-uitvoerder als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=1.1.1). Artikel 4. Uitvoeringsverslag Het uitvoeringsverslag is een verantwoordingsinstrument waarmee de onder-toezicht-gestelde (Wlz-uitvoerder) verantwoording aflegt aan de toezichthouder (de NZa) over de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). In het uitvoeringsverslag staat de zorgplicht van de Wlz-uitvoerder centraal."},{"i":18285,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 24 september 2021, nr. 3563540, houdende instelling van een tijdelijke commissie voor toetsing en advisering bij verzoeken om vergoeding van restschade inzake beroepsziekten binnen de sector politie op grond van overgangsbeleid (Instellingsbesluit Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **ambtenaar:** - a. de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - b. de gewezen ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **commissie:** Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045770&artikel=2&z=2025-04-01&g=2025-04-01); - **Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - **ministerie:** het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Artikel 2. Instelling Er is een Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie. Artikel 3. Taken 1. De commissie heeft tot taak: - a. het toetsen van en adviseren over de afdoening door het bevoegd gezag van verzoeken van ambtenaren om schade vergoed te krijgen op grond van de [Richtlijn aanpak dossiers restschade](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045770&bijlage=1&z=2025-04-01&g=2025-04-01); - b. het toetsen van en adviseren over de afdoening door het bevoegd gezag van verzoeken van ambtenaren om schade op grond van de Tijdelijke beleidsregel afhandeling restschade politie na de inwerkingtreding daarvan; - c. het rapporteren van haar bevindingen aan de Minister en het bevoegd gezag. 2. Het bevoegd gezag stelt per verzoek het dossier"},{"i":17052,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 5 december 2023, kenmerk 5059377, houdende regels over de bewapening van de buitengewoon opsporingsambtenaren van het Team Bijzondere Bijstand Douane met een semi-automatisch schoudervuurwapen bij het afschermen en beveiligen van 'hoog-risico' drugsvondsten (Besluit voorschrift specialistische bewapening Team Bijzondere Bijstand Douane) Gelet op [artikel 4, eerste en tweede lid van de Regeling wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008800&artikel=4), BESLUIT: Artikel 1 1. Ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, zijn op grond van [artikel 8k van de Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&artikel=8k) en [artikel 11:3, eerste lid van de Algemene Douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=11:3) bevoegd respectievelijk belast met het opsporen van feiten die zijn strafbaar gesteld in de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941). 2. Het afschermen en beveiligen van ‘hoog-risico’ drugsvondsten vanaf het moment van aantreffen en inbeslagname tot het moment waarop deze zijn vernietigd, maakt onderdeel uit van de opsporingstaak als bedoeld in het eerste lid. Artikel 2 De buitengewoon opsporingsambtenaren als bedoeld in [artikel 2 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst/Douane 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047325&artikel=2) (nr. BOACAT2022/065) die zijn aangesteld als ambtenaar van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane en deel uitmaken van het Team Bijzondere Bijstand Douane, wordt het voorschrift gegeven om bij de uitoefening van hun taken beschreven in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049067&artikel=1&z=2023-12-16&g=2023-12-16), aanvullend op hun eerder toegekende geweldsmiddelen korte wapenstok, pepperspray en vuurwapen (i.c. een pistool), mede een semi-automatisch schoudervuurwapen in het kaliber 9 x 19 mm voorhanden te hebben. Artikel 3 1. Als sem"},{"i":17030,"b":"Besluit vergoeding reiskosten bewindvoerders Wsnp Gelet op: - De Wet schuldsanering natuurlijke personen (Staatsblad 1998, nrs. 445 en 447) - Art 4, lid 7 van het besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2001, nr. 80) - Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht - Artikel 8 Reisbesluit binnenland stelt aanvullende regels vast voor de vergoeding van reiskosten van bewindvoerders Wsnp. Artikel 1 Indien bij beëindiging van een Wsnp-zaak de boedel geen ruimte biedt voor uitbetaling van noodzakelijke reiskosten die in het kader van die zaak zijn gemaakt, kan de betreffende bewindvoerder de niet-betaalde deel van deze reiskosten declareren bij het Bureau Wsnp van de Raad voor Rechtsbijstand 's-Hertogenbosch. Artikel 2 Daartoe stuurt de bewindvoerder de beschikking van de rechtbank waarin het salaris, verschotten en de (betaalde en niet-betaalde) noodzakelijke reiskosten zijn vastgesteld. Indien hieruit onvoldoende blijkt welke noodzakelijke reiskosten niet uit de boedel kunnen worden vergoed, vult de bewindvoerder het hiervoor bestemde 'Declaratieformulier reiskosten Wsnp' in en stuurt dit naar het Bureau Wsnp van de Raad voor Rechtsbijstand 's-Hertogenbosch. Het formulier bevat gegevens over de zaak, data van gemaakte reizen, vertrekpunt en bestemming en reden voor de reis. Artikel 3 Onder noodzakelijke reiskosten vallen alleen de volgende zaaksgebonden kosten: - -. kosten voor eenmalig huisbezoek - -. kosten voor zittingen - -. kosten voor nader overleg met schuldenaar indien deze absoluut niet naar de bewindvoerder kan toekomen. Niet vergoed worden: - -. reistijd (deze is opgenomen in de reguliere vergoeding) - -. kosten voor nader overleg met de schuldenaar als deze geen eigen vervoer heeft - -. kosten voor nader overleg omdat de bewindvoerder ervoor kiest dit te voeren op het huisadres van de schuldenaar - -. kosten voor liquidatieactiviteiten (opslaan goederen e.d.). In dit geval mag ervan worden uitgegaan dat de boedel ruimte biedt voor vergoeding"},{"i":19393,"b":"Wet van 15 januari 1998 tot wijziging van enige bepalingen in het Wetboek van Strafvordering onder andere inzake het rechtsgeding voor de politierechter en de mededeling van vonnissen en arresten met het oog op het instellen van een rechtsmiddel en van de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht betreffende het kennisgeven en het ingaan van de proeftijd bij een voorwaardelijke veroordeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) betreffende het rechtsgeding voor de politierechter en de mededeling van vonnissen en arresten met het oog op het instellen van een rechtsmiddel, enige andere bepalingen van dit wetboek en de bepalingen in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) betreffende het kennisgeven en het ingaan van de proeftijd bij een voorwaardelijke veroordeling te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. ARTIKEL II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. ARTIKEL III Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. ARTIKEL IV [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009330&artikel=I&z=1998-02-02&g=1998-02-02) heeft geen gevolgen voor strafzaken die voor de inwerkingtreding van deze wet bij wege van verkorte dagvaarding, oproeping of dagvaarding aanhangig zijn gemaakt. ARTIKEL V [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009330&artikel=II&z=1998-02-02&g=1998-02-02) heeft geen gevolgen voor vonnissen en arresten die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn uitgesproken. ARTIKEL VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheiden onderdelen verschillend kan zijn. Lasten en bevelen dat deze in het St"},{"i":18256,"b":"Besluit van 20 januari 2011, houdende regeling inzake de bevoegdheden met betrekking tot de inrichting van de organisatie en bedrijfsvoering in de rijksdienst (Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 januari 2011, BZK-2010-0000843567, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister die het mede aangaat:** een minister als bedoeld in [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); - b. **informatiesysteem:** een samenhangend geheel van gegevensverzamelingen, procedures, processen en programmatuur alsmede de voor het informatiesysteem getroffen voorzieningen voor opslag, verwerking en communicatie. Artikel 2 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan na overleg met Onze Ministers die het mede aangaat kaders vaststellen ter bevordering van de eenheid, de kwaliteit of de efficiëntie van de bedrijfsvoering en de informatiesystemen van de ministeries. Daarbij kan hij: - a. werkzaamheden aanwijzen die ten behoeve van alle of een daarbij aangegeven deel van de ministeries zullen worden uitgevoerd door een daarbij aangegeven organisatieonderdeel van een der ministeries; - b. voorzieningen aanwijzen die in verband met de noodzakelijke interoperabiliteit of beveiliging voor bepaalde informatiesystemen van alle of een daarbij aangegeven deel van de ministeries zullen worden gebruikt. 2. Onze Ministers nemen de in het eerste lid vermelde kaders in acht. Artikel 3 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt na overleg met Onze Ministers een kader vast voor de vaststelling van de organisatie en f"},{"i":18209,"b":"Besluit van 27 november 2013, nr. 2013002424 houdende vaststelling van een selectielijst voor de Eerste Kamer der Staten-Generaal op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier, over de periode vanaf 1946 Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 november 2013, kenmerk NA/13/12.283, agentschap Nationaal Archief; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de Eerste Kamer der Staten-Generaal op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier, over de periode vanaf 1946’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst voor de Eerste Kamer der Staten- Generaal op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier, over de periode vanaf 1946 Eerste Kamer der Staten-Generaal Dienst Inhoudelijke Ondersteuning Door: E.A.H. van der Poel Archivaris Eerste Kamer der Staten-Generaal Versie: ter vaststelling I. Toelichting Lijst van afkortingen Reikwijdte De voorliggende selectielijst heeft betrekking op de personeelsdossiers van de ambtelijke organisatie van de Eerste Kamer van de Staten-Generaal. De selectielijst geldt voor al het Eerste Kamerpersoneel en heeft betrekking op alle vanaf 1945 gevormde en nog te vormen personeelsdossiers. De handelingen zijn van toepassing op álle ambtenaren en medewerkers van de Eerste Kamer. De Eerste Kamer is zorgdrager voor de personeelsdossiers van het Kamerpersoneel en dus ook verantwoordelijk voor het opstellen van de daarop betrekking hebbende selectielijst. De selectielijst is de eerste die voor de Eerste Kamer geldt op het deelbeleidsterrein van personeelszaken en vervangt geheel noch gedeeltelij"},{"i":19519,"b":"Regeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Inspectie Verkeer en Waterstaat op het domein scheepvaart Gelet op [artikel 45a, eerste lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=45a), de [artikelen 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378&artikel=25), [26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378&artikel=26), en [31, onderdeel b, van de Meetbrievenwet 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378&artikel=31), [artikel 34, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=34), [artikel 12, onder 2°, van de Uitvoeringswet Visserijverdrag 1967](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002897&artikel=12), de [artikelen 3, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=6), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=7), [8, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=8), [9, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=9), [10, eerste, tweede, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=10), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=12), [13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=13), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=16), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=19), en [29 van de Wet havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999&artikel=29), [artikel 15, eerste lid, van de Wet laden en lossen zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017718&artikel=15), [artikel 18, eerste lid, van de Wet pleziervaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00083"},{"i":18871,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 1 november 2022 nr. BOACAT2022/060, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Parkeren Delft B.V Gelezen het verzoek van de directeur van Parkeren Delft B.V. van 16 augustus 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047432&artikel=2&z=2022-12-30&g=2022-12-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar parkeren en/of buitengewoon opsporingsambtenaar geslotenverklaringen in dienst van Parkeren Delft B.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het gron"},{"i":17307,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2015, kenmerk 864858-143553-PG, houdende Regeling financieel Beheer ZorgOnderzoek Nederland Gelet op [artikel 16 van de Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009385&artikel=16); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009385); - b. **de Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **organisatiekosten:** de lasten van de exploitatie van ZorgOnderzoek Nederland; - d. **exploitatiebaten:** het totaal van subsidies en vergoedingen ter dekking van de organisatiekosten; - e. **activiteiten:** de taken, bedoeld in [artikel 3, eerste en tweede lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009385&artikel=3); - f. **programma:** een clustering van activiteiten op basis van onderwerp; - g. **programmalasten:** de som van de door ZonMw verleende projectsubsidies en de kosten in verband met de uitvoering van de programma’s; - h. **programmabaten:** het bedrag van de programmalasten, voor zover deze programmalasten niet uit ZonMw vermogen worden gefinancierd en voor zover passend binnen de subsidietoezeggingen door de opdrachtgevers; - i. **exploitatiereserve:** het deel van het eigen vermogen dat bestemd is voor de exploitatie; - j. **programmareserve:** het deel van het eigen vermogen dat bestemd is voor programma’s; - k. **bestemd deel programmareserve:** dat deel van de programmareserve waaraan door VWS een bestemming is toegekend, maar waarvoor ZonMw nog geen verplichtingen jegens derden is aangegaan; - l. **overlooppost per programma:** het verschil tussen het bedrag dat voor een programma aan ZonMw cumulatief is bevoorschot en het bedrag dat ZonMw binnen dit programma heeft uitgegeven; - m. **overlooppost ZonMw:** de som van de overloopposten per programma. Artikel 2. Meer"},{"i":17210,"b":"Protocol accountantsonderzoek Wlz-uitvoerders 2019 Vooraf De uitvoering van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) vindt plaats door Wlz-uitvoerders, die door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) worden aangewezen. Daarnaast worden zorgkantoren en zorgkantoorregio’s aangewezen. Het zorgkantoor is verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige regionale uitvoering van het persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor is daarnaast verantwoordelijk voor de administratieve werkzaamheden. De overige Wlz-taken vallen, uitgaande van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), onder de verantwoordelijkheid van de Wlz-uitvoerder. Wlz-uitvoerders zijn op basis van de [Wet langdurige zorg (Wlz)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) verplicht om jaarlijks een uitvoeringsverslag ([artikel 4.3.2 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.2)) en een financieel verslag ([artikel 4.3.1 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.1)) op te stellen. De NZa heeft de voorschriften hiervoor nader uitgewerkt in de [Regeling uitvoeringsverslag en financieel verslag Wlz-uitvoerder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043284)1Zie voor de laatste versie https://puc.overheid.nl/nza (verder de ‘Regeling uitvoeringsverslag en financieel verslag’ genoemd). In de beleidsregel ‘Normenkader Wlz-uitvoerder’2Zie voor de laatste versie https://puc.overheid.nl/nza ligt vast hoe de NZa invulling geeft aan haar taak om toezicht te houden op de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) en van welke normen zij bij haar toezicht uitoefening uitgaat.3Het ‘Normenkader Wlz-uitvoerder’ is een interpretatie van de NZa en kan als hulpmiddel voor de controle worden gebruikt. Het is geen vervanging van de tekst van de geldende wet- en regelgeving. De opgenomen normen in deze beleidsregel drukken uit wat de NZa verwacht van de Wlz-uitvoerders. In dit Protocol accountantsonderzoek"},{"i":18202,"b":"Besluit van 24 januari 2025, nr. 2025000142, houdende vaststelling en inwerkingtreding van de Selectielijst van de Algemene Rekenkamer vanaf 1 januari 1993 Op voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 januari 2025, nr. NA/50012559, afdeling Kennis en Advies (NA); Gelet op [artikel 5, 2e lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Selectielijst van de Algemene Rekenkamer vanaf 1 januari 1993 wordt vastgesteld zoals deze is opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De met dit besluit vastgestelde selectielijst vervangt de volgende selectielijst met betrekking tot de Tweede Kamer der Staten-Generaal, welke derhalve komt te vervallen: - •. [Basisselectiedocument Algemene Rekenkamer – beleidsterrein Algemene Rekenkamer 1945–2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023939) (“Selectielijst voor de Algemene Rekenkamer over de periode vanaf 1945”, Stcrt. 2008, 108, vastgesteld op 23 april 2008 en gepubliceerd op 9 juni 2008) Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 1993. Selectielijst. van de Algemene Rekenkamer vanaf 1 januari 1993 Inhoudsopgave **Leeswijzer** Deze selectielijst bestaat uit een aantal onderdelen. In hoofdstuk 1 is de aanleiding, reikwijdte en het afsluiten of intrekken van oude selectielijsten geformuleerd. Hoofdstuk 2 documenteert de totstandkoming van de selectielijst. Het bevat een verantwoording van de waardering, waarbij de bewaartermijn van informatie wordt vastgelegd. Informatie van permanente waarde is 'blijvend te bewaren'. Hoofdstuk 3 beschrijft de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de organisatie. Hoofdstuk 4 vormt het feitelijke “hart” van de selectielijst, namelijk de waarderingen van de processen. Voor elk proces vermeldt de selectielijst een: De waardering “SA-B” betek"},{"i":17031,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 1 juli 2015, houdende de vaststelling van de vergoedingen voor de leden van de commissies van toezicht op de arrestantenzorg politie alsmede voor de leden van het landelijk afstemmingsoverleg (Besluit vergoedingen toezicht arrestantenzorg politie) Gelet op [artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De leden van de commissies van toezicht op de arrestantenzorg, bedoeld in [artikel 50, eerste lid, van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=50), ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding per vergadering van 1,6% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren, met dien verstande dat de voorzitters per vergadering een vergoeding ontvangen van 130% van de vergoeding per vergadering die de overige leden ontvangen. Artikel 2 De leden van het landelijk afstemmingsoverleg, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Regeling toezicht arrestantenzorg politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036723&artikel=6), ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding per vergadering van 2% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2015. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergoedingen arrestantenzorg politie. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17283,"b":"Regeling Controle en administratie Wlz-uitvoerder TH/NR-032 Gelet op [artikel 31, sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=31), en [artikel 36, derde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36) (Wmg), heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in overeenstemming met Zorginstituut Nederland, voor zover het administratievoorschriften betreft, de volgende regeling vastgesteld. Artikel 1. Begripsbepalingen Voor de begrippen die in deze beleidsregel voorkomen wordt verwezen naar de [Beleidsregel definities Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049069). Artikel 2. Doel Deze regeling stelt voorwaarden en voorschriften voor de uitvoering van administratie en controle door Wlz-uitvoerders, teneinde de goede uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) te bevorderen. Artikel 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op de Wlz-uitvoerder. Artikel 4. Bepalingen over de administratie 1. De administratie en de administratieve organisatie/interne beheersing moeten zodanig zijn ingericht en werken dat de Wlz-uitvoerder in continuïteit beschikt over juiste informatie van alle zorgverlening aan elke geïndiceerde rechthebbende op Wlz-zorg en de daarmee gemoeide uitgaven, zodat hij in staat is de verzekering voor alle verzekerden en in alle aspecten, volledig, juist en tijdig uit te voeren in het belang van elke verzekerde en in het belang van de verzekering. Het bestuur van de Wlz-uitvoerder moet de geautomatiseerde gegevensverwerking aansturen met als doel een betrouwbare en actuele informatievoorziening te creëren, zodat hij betrouwbare informatie kan verstrekken over de rechtmatigheid van de aanspraken van verzekerden en de rechtmatigheid van de inkomsten en uitgaven. 2. De Wlz-uitvoerder heeft inzicht in de opzet en het bestaan van de van belang zijnde IT-general controls. De Wlz-uitvoerder laat de opzet, het bestaan en de werking van de"},{"i":17690,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst handelingen beleidsterrein Coördinatie Integratiebeleid Minderheden over de periode 1978–1999, Sociale Zaken en Werkgelegenheid Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 maart 2003, nr. arc-2002.4705/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Coördinatie Integratiebeleid Minderheden over de periode 1978–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17108,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2013 krachtens de Wet op de Rechtsbijstand, versie per 1 september 2013 Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad) kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsterreinen. Deze inschrijvingsvoorwaarden zijn algemeen verbindende voorschriften. De Raad stelt als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de [Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) dat het verzoek om inschrijving door de Raad volledig is behandeld en is ingewilligd. De Raad kan op grond van [art. 16 Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=16) uitsluitend in bijzondere gevallen een niet-ingeschreven advocaat toevoegen. Dit is het geval indien een rechtzoekende uitdrukkelijk en gemotiveerd om toevoeging van de niet-ingeschreven advocaat verzoekt of indien voor de verlening van rechtsbijstand op een bepaald rechtsterrein onvoldoende advocaten met de desbetreffende specialistische deskundigheid zijn ingeschreven. Het verstrekken van een toevoeging aan een niet-ingeschreven advocaat dient een uitzondering te blijven. Een advocaat die op grond van [art. 16 Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=16) vaker dan sporadisch een verzoek om toevoeging indient"},{"i":17654,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 december 2014, houdende regels voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Uitvoeringsregeling Wmo 2015) Gelet op de [artikelen 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3), [5, derde lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007850&artikel=5), [48i, tweede lid, van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48i), [2.5.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.5.1), [4.2.10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.2.10), [4.2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.2.13), [4.2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.2.14), [5.2.9, zesde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=5.2.9), [2.7 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.7), [107 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107), [21 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012223&artikel=21), [3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.13), [4.3.3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=4.3.3), en [5.3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=5.3) en [artikel 7a, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&artikel=7a); Besluiten: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **Uitvoeringsbesluit:** [Uitvoeri"},{"i":18712,"b":"Beleidsregel van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 22 oktober 2024, nr. ILT-2024/44393, houdende regels tot vaststelling van boetebedragen voor overtredingen van artikel 120 van de Woningwet en artikel 6.27, eerste, tweede en vierde lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Beleidsregel boeteoplegging verkoop en oplevering woning zonder geldig energielabel 2024-2) Artikel 1. Berekening van de bestuurlijke boete 1. Deze beleidsregel is van toepassing op overtredingen als bedoeld in [artikel 120, tweede lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=120), voor zover de overtreding betrekking heeft op het verkopen en opleveren van een woning zonder geldig energielabel als bedoeld in [artikel 6.27, eerste, tweede en vierde lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=6.27). 2. Voor een overtreding begaan door een natuurlijke persoon bedraagt de boete per verkochte of opgeleverde woning zonder geldig energielabel het bedrag van de eerste categorie, als bedoeld in [artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=23). 3. Voor een overtreding begaan door een rechtspersoon bedraagt de boete 200% van het bedrag bedoeld in het tweede lid, per verkochte of opgeleverde woning zonder geldig energielabel. 4. Onder een geldig energielabel wordt verstaan een energielabel dat overeenkomstig [artikel 5.11 van de Omgevingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045528&artikel=5.11) is verstrekt en waarvan de opname van de gegevens minder dan tien jaar geleden heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 6.29, vierde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=6.29). 5. Indien een overtreding wordt begaan door meerdere natuurlijke en/of rechtspersonen, wordt aan allen een boete opgelegd, waarbij het boetebedrag gelijkelijk over hen wordt ve"},{"i":19444,"b":"Besluit van 16 oktober 1981, houdende nadere voorschriften met betrekking tot de omschrijving en aanduiding van het gebied als bedoeld in artikel 3 van de Wet agrarisch grondverkeer (Stb. 1981, 248) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 29 juni 1981, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, nr. J.4247; Gelet op [artikel 3, zevende lid, van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=3) (**Stb.** 1981, 248); De Raad van State gehoord (advies van 17 augustus 1981, nr. 810805/20); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 8 oktober 1981, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, nr. J.6158; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De omschrijving en de aanduiding van het gebied waarvan bij besluit van het college van burgemeester en wethouders wordt verklaard, dat daarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend onroerend goed is gelegen, dat duurzaam voor andere dan landbouwkundige doeleinden wordt gebruikt dan wel onroerend goed dat niet als natuurterrein dient te worden aangemerkt, geschiedt in dat besluit door de vermelding van alle tot het gebied behorende percelen, met gebruikmaking van hun kadastrale aanduiding, welke bestaat uit achtereenvolgens de naam der kadastrale gemeente, de aanduiding der sectie en het perceelnummer. 2. Indien alle percelen die binnen één kadastrale sectie zijn gelegen tot het gebied behoren, wordt volstaan met de vermelding van de naam der kadastrale gemeente en de aanduiding der sectie. 3. Indien van de in één kadastrale sectie gelegen percelen het aantal der duurzaam voor andere dan landbouwkundige doeleinden gebruikt wordende percelen dan wel de percelen die niet als natuurterreinen dienen te worden aangemerkt, aanmerkelijk groter is dan het aantal overige percelen, wordt het gebied omschreven en aangeduid als omvattende de gehele sectie, met uitzondering van die overige percelen, welke laatste als zodanig word"},{"i":18725,"b":"Beleidsregels bestuurlijke boetes vervoerswetgeving ACM Gelet op [artikel 45f, eerste lid, aanhef en onder a, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=45f), [artikel 76, tweede lid, aanhef en onder a, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=76), de [artikelen 8.25h, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.25h), en [11.24 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=11.24), [artikel 96a van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=96a) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. **basisboete:** het bedrag dat de basis vormt voor het bepalen van de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete, vastgesteld op grond van een binnen de bandbreedte van de aan een overtreding gekoppelde boetecategorie vastgesteld bedrag; - c. **boetegrondslag:** een op grond van de jaaromzet vastgesteld bedrag dat de basis vormt voor de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete; - d. **jaaromzet:** omzet van de overtreder als bedoeld in [artikel 12o van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=12o). Artikel 2. Algemeen uitgangspunt ACM bepaalt de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete zodanig dat deze, in het kader van specifieke preventie, een overtreder weerhoudt van het begaan van een volgende overtreding en, in het kader van algemene preventie, potentiële andere overtreders weerhoudt van het begaan van een(zelfde) overtreding. Artikel 3. Wijze van totstandkoming 1. ACM bepaalt de hoogte van een op te le"},{"i":18669,"b":"Aanwijzing ambtenaren belast met het toezicht naleving sancties tegen Servië en Montenegro Gelet op [Artikel 10 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10) (Stbl. 1980, 93), Besluiten: Artikel 1 1. Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het Sanctiebesluit Servië en Montenegro 1992 (Stbl. 1993, 64), zoals gewijzigd bij beschikking van 27 april 1993 (Stcrt. 82), en van het Sanctiebesluit betalingsverkeer en financiële dienstenverkeer Servië en Montenegro (Stbl. 1993, 65) en de Sanctiebeschikking betalingsverkeer en financiële dienstenverkeer Servië en Montenegro II (Stcrt. 1993, 80), worden aangewezen de controleurs van de Economische Controledienst, de ambtenaren invoerrechten en accijnzen en de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst. 2. Tevens worden aangewezen als ambtenaren belast met toezicht op het in het eerste lid genoemde Sanctiebesluit Servië en Montenegro 1992 de commandanten van Nederlandse oorlogsschepen. Artikel 2 De regeling van 24 december 1992 (Stcrt. 251), houdende de aanwijzing van ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de sancties tegen Servië en Montenegro, wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18732,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 augustus 2021, nr. 3468035, tot aanwijzing van een elektronische voorziening in de zin van het Besluit digitale stukken Strafvordering Gelet op [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038616&artikel=2) en [artikel 3 van het Besluit digitale stukken Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038616&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Als elektronische voorziening als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit digitale stukken Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038616&artikel=2) wordt aangewezen het Advocatenportaal: mijn strafdossier van de Raad voor de rechtspraak. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19400,"b":"Besluit van 18 juni 1996, houdende aanpassing van een aantal algemene maatregelen van bestuur gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de verzelfstandiging van de Rijksdienst voor het Wegverkeer Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 augustus 1995, nr. RV 196759, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622), alsmede op de wet van 29 maart 1996 tot wijziging van de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622), houdende regeling van de verzelfstandiging van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (**Stb**. 257); De Raad van State gehoord (advies van 17 november 1995, nr. W09.95.0458); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 juni 1996, nr. 220335, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt het Voertuigreglement. ARTIKEL II Wijzigt het Kentekenreglement. ARTIKEL III Wijzigt het Reglement rijbewijzen. ARTIKEL IV Wijzigt Het Besluit van 7 april 1995, houdende aanwijzing van ambtenaren belast met opsporing als bedoeld in artikel 159, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 247). ARTIKEL V 1. Voor de toepassing van [artikel 49, vijfde lid, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=49), wordt, indien het laatste rijbewijs is afgegeven door Onze Minister, door de Dienst Wegverkeer een kopie van het aanvraagformulier verstrekt. 2. Voor de toepassing van [artikel 141, tweede lid, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=141), deelt Onze Minister, indien het rijbewijs door hem is afgegeven, de uitslag van het onderzoek en het naar aanleiding daarvan door hem genomen besluit tevens mede aan de Dienst Wegverkeer. ARTIKEL VI Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waar"},{"i":18371,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 augustus 2008, nr. STAF/CZW/WVOB 2008-00000287353, houdende regels betreffende de beroepserkenning van executief politiepersoneel (Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties politiepersoneel) Gelet op [artikel 33, eerste en tweede lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: [Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066); - b. Minister: de Minister van Veiligheid en Justitie; - c. aanvrager: migrerende beroepsbeoefenaar die erkenning van een beroepskwalificatie vraagt; - d. dienstverrichter: dienstverrichter als bedoeld in [artikel 21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=21); - e. diploma: diploma of certificaat als bedoeld in [artikel 9, onderdeel a tot en met d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=9); - f. lidstaat van oorsprong of herkomst: lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese economische ruimte of Zwitserland. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op: - a. de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verlenen van erkenning van een beroepskwalificatie voor de toegang tot de uitoefening van het gereglementeerde beroep ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak als bedoeld in [artikel 7 van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=7); - b. de verklaring vooraf, bedoeld in [artikel 23 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=23), van een dienstverrichter die een gereglementeerd beroep als bedoeld in onderdeel a, wil uitoefenen. Artikel 3 Bij de aanvraag tot erkenning van een beroepskwalificatie worden de volgende gegevens en documenten verschaft: - a."},{"i":18160,"b":"Besluit naamswijziging ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 5 november 2012, kenmerk 3117020; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: De naam van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie te wijzigen in: ministerie van Economische Zaken. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit, dat zal worden geplaatst in de Staatscourant en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":18478,"b":"Rijkswet van 18 december 2019 tot wijziging van enkele rijkswetten op het gebied van Justitie en Veiligheid in verband met gewijzigde regelgeving en enige andere aanpassingen van overwegend technische aard (Reparatierijkswet Justitie en Veiligheid 2019) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in enkele rijkswetten op het terrein van Justitie en Veiligheid wijzigingen van wetstechnische of anderszins ondergeschikte aard aan te brengen in verband met wijzigingen in andere wetten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet militaire strafrechtspraak. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof. Artikel III Wijzigt de Rijkswet op het Nederlanderschap. Artikel IV Wijzigt de Rijkswet Noodvoorzieningen Scheepvaart. Artikel V Wijzigt de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid. Artikel VI Wijzigt de Wijzigingsrijkswet Rijkswet op het Nederlanderschap (intrekken Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid) (Stb. 2017, 52). Artikel VII Wijzigt de Paspoortwet. Artikel VIII Wijzigt de Wet militair tuchtrecht. Artikel IX Wijzigt de Rijksoctrooiwet 1995. Artikel X Wijzigt de Rijkswet cassatierechtspraak in uitleveringszaken voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Artikel Xa Wijzigt het Reglement voor de Gouverneur van Aruba. Artikel Xb Wijzigt het Reglement voor de Gouverneur van Curaçao. Artikel Xc Wijzigt het Reglement voor de Gouverneur van Sint Maarten. Artikel XI Wijzigt de Invoeringsrijkswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen. Artikel XII Wijzigt de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof, en deze wet. Artikel XIII Deze rijkswet treedt in werking op een"},{"i":18706,"b":"Beleidsregel van de minister van Infrastructuur en Milieu en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 augustus 2013, nr. ILT-2013/22979.01 betreffende boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (binnenvaart) Gelet op [artikel 10:7, zesde lid van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:7); Besluiten: Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op alle overtredingen die als zodanig bij of krachtens de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) zijn aangemerkt en die betrekking hebben op arbeid verricht door personen op binnenschepen bedoeld in [artikel 5:12, tweede lid, onderdeel b, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12). Artikel 2 Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:5) worden voor alle overtredingen de normbedragen gehanteerd die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de Tarieflijst normbedragen bestuurlijke boete binnenvaart die als bijlage bij deze beleidsregel is gevoegd. Artikel 3 1. De totale bij een boetebeschikking op te leggen bestuurlijke boete bestaat, in geval er sprake is van meerdere overtredingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen. 2. De bestuurlijke boete die per boetebeschikking kan worden opgelegd bedraagt minimaal € 50,–. Artikel 4 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (binnenvaart). Bijlage. Tarieflijst normbedragen bestuurlijke boete binnenvaart als bedoeld in [artikel 2 van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (binnenvaart)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034083&artikel=2&z=2020-10"},{"i":18392,"b":"Regeling kleding, bewapening en overige uitrusting politie BES Treedt in werking om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Hoofdstuk 1. : Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar van politie:** de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 1, onder c, van het Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=1); - b. **beheerder:** de functionaris, bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028831&hoofdstuk=2&paragraaf=3&artikel=4&z=2019-01-01&g=2019-01-01); - c. **uniform:** het samenstel van kledingstukken en overige uitrustingsstukken zoals genoemd in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028831&hoofdstuk=3&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van deze regeling; - d. **kleding:** tot een der tenues behorende kledingstukken, waaronder begrepen: pet, das, dasklem, handschoenen, koppelriem, broekriem, rangonderscheidingstekens, politiedistinctief, schoeisel, knopen, armkoorden, en de onderdelen van deze kledingstukken. - e. **dienstkleding:** de door de beheerder aan de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 3, onder b, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3), verstrekte kleding; - f. **hoofdrang:** de rang, genoemd in [artikel 3, eerste lid, van het Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=3); - g. **werkgebied:** het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - h. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - i. **Rijkswet:** [Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079). Hoofdstuk 2. : Algemene bepalingen § 1. : De vervaardiging van kleding en overige uitrustingsstukken Artikel 2 De in deze regeling omschreven kleding en overige uitrustingsstukken worde"},{"i":18717,"b":"Beleidsregel CAK bestuurlijke boete onverzekerden Zorgverzekeringswet 2022 gelet op de [artikelen 9b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9b) en [9c van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9c) en de [artikelen 4:86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:86) en [4:87 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:87); besluit om de volgende beleidsregels vast te stellen: Artikel 1. Invordering ex. [artikel 9b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9b) en [9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9c) 1. Het CAK geeft de verzekeringsplichtige een termijn van zes weken zoals bedoeld in [artikel 4:87 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:87) om de aan hem op grond van [artikel 9b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9b) en [9c van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9c) opgelegde bestuurlijke boete te betalen. 2. In afwijking van het eerste lid kan het CAK met de verzekeringsplichtige een betalingsregeling treffen overeenkomstig het bepaalde in de [Beleidsregel betalingsregelingen Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047497). 3. Indien geen toepassing is gegeven aan het tweede lid en de verzekeringsplichtige de boete niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant het CAK de verzekeringsplichtige éénmaal aan om binnen twee weken de boete te betalen. Vindt geen nakoming plaats dan gaat het CAK onverkort over tot de invordering van het gehele openstaande bedrag. Artikel 2. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel CAK bestuurlijke boete onverzekerden Zorgverzekeringswet 2022 Artikel 3. Inwerkingtreding en publicatie Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2022 Deze beleidsregel wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":18654,"b":"Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, strekkende tot vervanging van de mogelijkheid van beroep in cassatie door de mogelijkheid van hoger beroep, alsmede het aanbrengen van enige andere wijzigingen (vervanging in Mulder-zaken van beroep in cassatie door hoger beroep bij het gerechtshof Leeuwarden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830) en de [Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581) te wijzigen om de mogelijkheid van beroep in cassatie in zogeheten Mulderzaken te vervangen door de mogelijkheid van hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden, alsmede tot het aanbrengen van enige andere wijzigingen in laatstgenoemde wet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel II Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel III 1. Voor de mogelijkheid om beroep in cassatie in te stellen tegen een uitspraak van de kantonrechter die voor of op de dag van inwerkingtreding van deze wet is gedaan, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. 2. Voor de behandeling van het beroep in cassatie dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is ingesteld, dan wel met toepassing van het eerste lid na de dag van inwerkingtreding is ingesteld, blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van toepassing. Artikel IV Wijzigt deze wet en de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijd"},{"i":19111,"b":"Reglement klachtencommissie sexuele intimidatie Ministerie van Justitie Gelet op artikel 6 van het Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 juli 1994, nummer AD94/U854 inzake de klachtenregeling sexuele intimidatie burgerlijk rijkspersoneel; Gelet op bijlage 3f van het Handboek Arbeidsomstandigheden Ministerie van Justitie inzake behandeling klachten sexuele intimidatie; Overwegende dat het wenselijk is met betrekking tot de klachtencommissie Justitie specifieke regels te stellen; Gehoord de Bijzondere Commissie Ministerie van Justitie; Besluit: Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Taak en samenstelling van de commissie Artikel 2 1. Er is een commissie, genaamd klachtencommissie sexuele intimidatie Justitie. 2. De commissie heeft tot taak het onderzoeken en beoordelen van klachten betreffende sexuele intimidatie en het adviseren aan het bevoegde gezag danwel aan de Minister over de afhandeling van een klacht. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee doch ten hoogste zes leden met dien verstande dat bij een even aantal tenminste de helft en bij oneven aantal de meerderheid uit vrouwen moet bestaan. 2. De minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de leden. 3. De benoeming geldt voor vier jaren. Herbenoeming is mogelijk. De commissie stelt een rooster van aftreden op. 4. De zittingsduur van het lid, dat is benoemd op een tussentijds opengevallen plaats, is gelijk aan de duur van de resterende zittingsperiode van het lid in wiens plaats dit lid is benoemd. Artikel 4 De minister voegt aan de commissie een secretaris toe. Het indienen van een klacht Artikel 5 1. Ieder persoon werkzaam in dienst van of onder het gezag van de Minister kan een klacht indienen over daden, gedragingen of uitingen van personen werkend in dienst van of onder het gezag van de Minister die door de indiener van de klacht als sexuele intimidatie worden ervaren. 2. Een klacht omtrent sexuele intimidatie dient zo"},{"i":19134,"b":"Richtlijn voor strafvordering inbraken overig Beschrijving Deze richtlijn ziet op diefstal door middel van braak, verbreking, valse sleutel of inklimming: De richtlijn is niet van toepassing op woninginbraken en ram/plofkraken, noch op diefstal van koper met gevaarzetting en grote maatschappelijke schade (aparte richtlijnen). Basiscasus/delict Inbraak/diefstal dmv verbreking, alleen gepleegd. Legenda GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](onbekend)."},{"i":17535,"b":"Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand tot instelling van de Adviescommissie Zelfredzaamheid Rechtshulp en Rechtsbijstand en besluit tot vaststelling van het reglement van de Adviescommissie Zelfredzaamheid Rechtshulp en Rechtsbijstand gelet op [artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:5) jo. [artikel 37 b, van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b) jo. [artikel 7 van de Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046535&artikel=7) (stcrt-2021-33169), besluit: een Adviescommissie Zelfredzaamheid Rechtshulp en Rechtsbijstand in te stellen voor de advisering over het beleggen van de aanvragen en de verlening van subsidie als bedoeld in de [Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046535), meer in het bijzonder conform de [artikel 7 van deze subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046535&artikel=7) en de daaruit voortvloeiende opdracht, alsmede de samenstelling en werkwijze van deze commissie conform Reglement Adviescommissie Adviestoevoeging Zelfredzaamheid; Bijlage Reglement Adviescommissie Zelfredzaamheid Rechtshulp en Rechtsbijstand Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: Artikel 2. Taken en werkzaamheden Voor de Tijdelijke [Regeling Adviestoevoeging Zelfredzaamheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046535) is door de Raad een beleidskader opgesteld ter beoordeling van welke zaken voor afgifte van een adviestoevoeging conform deze regeling in aanmerking komen. De betreffende zaken worden gemonitord. De commissie beziet deze zaken waarvoor verstrekking van een toevoeging volgens de vigerende wet- en regelgeving niet mogelijk is en de reikwijdte of complexiteit van de huidige eerstelijns juridische dienstverlening overstijgen. De commissie dient advies uit te brengen waar deze zaken nu en, tot hiervoor"},{"i":19258,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 9 november 2005, nr. DDS 5378751, houdende regels over de uitvoering van reclasseringswerkzaamheden (Uitvoeringsregeling reclassering 2005) Gelet op de[artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&artikel=2), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&artikel=6), [38, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&artikel=38), en [40 van de Reclasseringsregeling 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&artikel=40); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. medewerker: een persoon in dienst van de in [artikel 5, eerste lid, onder a, van de Reclasseringsregeling 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&artikel=5) bedoelde instellingen van maatschappelijke dienstverlening of een vrijwilliger, als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, onder b, van de Reclasseringsregeling 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&artikel=5), die een gedetineerde bezoekt; - b. gedetineerde: een persoon ingesloten in een penitentiaire inrichting als bedoeld in [artikel 1, onder c, van de Reclasseringsregeling 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&artikel=1); - c. reclasseringswerker: de in [artikel 6 van de Reclasseringsregeling 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&artikel=6) bedoelde persoon; - d. managementafspraken: afspraken die tussen de reclasseringsinstelling en Onze Minister over de uitvoering van de reclasseringswerkzaamheden worden gemaakt en over de voortgang waarvan periodiek door de reclasseringsinstelling aan Onze Minister wordt gerapporteerd. Hoofdstuk 2. Aanwijzingseisen en beëdiging van reclasseringswerkers Paragraaf 2.1. Aanwijzingseisen Artikel 2 1. Als reclasseringswerker kan slechts worden aangewezen degene die: - a. in het bezit is van het diploma Hoger Sociaal Agogisch Onderwijs (maatschappelijk werk en dienstverlening, HSAO-MDW) of van een voor"},{"i":18273,"b":"Instellingbesluit Audit Committee ambtelijke organisatie Tweede Kamer 2025 Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Audit Committee:** het adviesorgaan van de Tweede Kamer met betrekking tot audit- en bedrijfsvoering aangelegenheden; - b. **Auditdienst Rijk:** het dienstonderdeel van het Ministerie van Financiën dat belast is met de uitoefening van de auditfunctie bij het Rijk; - c. **Algemene Rekenkamer;** het Hoge College van Staat dat belast is met het onderzoek van de inkomsten en uitgaven van het Rijk; - d. **bedrijfsvoering:** het inzetten van personeel en materieel ter ondersteuning van het beleid of de taak; - e. **directeur Concernstaf:** de persoon die binnen de Tweede Kamer leiding geeft aan de stafdiensten Communicatie, Financieel Economische Zaken, HR en Juridische Zaken; - f. **directeur Huisvesting en Facilitair:** de persoon die binnen de Tweede Kamer leiding geeft aan de Beveiligingsdienst, de Bodedienst, de Facilitaire Dienst, het Restaurantbedrijf en de dienst Programma Renovatie Binnenhof; - g. **directeur Informatisering:** de persoon die binnen de Tweede Kamer leiding geeft aan Bureau CISO, CIO Office, de Dienst Automatisering, de Dienst Informatie en Archief en de Dienst Verslag en Redactie; - h. **hoofd van de Stafdienst FEZ:** de persoon die binnen de Tweede Kamer leiding geeft aan de Stafdienst Financieel Economische Zaken. Hoofdstuk 2. Instelling en samenstelling Artikel 2. instelling De Griffier, belast met de ambtelijke leiding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, stelt een Audit Committee in. Artikel 3. samenstelling, benoeming en ontslag 1. Het Audit Committee bestaat uit: - a. de Griffier, - b. de directeur Concernstaf, - c. de directeur Huisvesting en Facilitair, - d. de directeur Informatisering, - e. hoofd van de Stafdienst FEZ, - f. ten minste twee externe onafhankelijke deskundigen, - g. vertegenwoordiging Algemene Rekenkamer en Auditdienst Rijk. 2. Het Audit C"},{"i":17317,"b":"Regeling gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg Leeswijzer In Hoofdstuk 5 van deze regeling zijn de regels met betrekking tot de diagnose-behandelcombinaties (dbc’s) weergegeven. Meer uitgebreide informatie over het hele dbc-registratieproces (registreren-valideren-afleiden) en voorbeelden, nadere toelichting en stroomschema’s staan vermeld in Toelichting op de nadere regel. Sinds 2017 wordt voor nieuwe zorgtrajecten de diagnose geclassificeerd in DSM-5. De DSM-5 diagnose wordt geconverteerd naar een bijbehorende DSM-IV diagnose. De registratie en bekostiging vinden nog conform DSM-IV plaats. De [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045703&bijlage=1&z=2021-09-01&g=2021-09-01) maken integraal deel uit van deze regeling. Gelet op [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=27), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg (ggz). 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 2. Doel van de regeling Het doel van deze regeling is het stellen van voorschriften voor de gespecialiseerde ggz op het gebied van registratie, declaratie, informatie en validatie, die zorgaanbieders in acht moeten nemen bij én voorafgaand aan het declareren van dbc’s, zzp’s ggz en ozp’s. 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), niet zijnde generalistische basis-ggz, hierna verder aangeduid als gespecialiseerde ggz. Voorzover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betref"},{"i":18187,"b":"Besluit van 1 november 2019 nr.2019002307, houdende enkele tijdelijke voorzieningen voor de periode dat minister drs. K.H. Ollongren niet in staat is haar taken als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Vice-Minister-President uit te oefenen Op voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 31 oktober 2019, nr. 3710781; Gelet op de[artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=43) en [44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: 1 Met ingang van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042757&artikel=2&z=2019-11-11&g=2019-11-11) genoemde datum minister drs. K.H. Ollongren voor de periode dat zij niet in staat is haar taken als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Vice-Minister-President uit te oefenen, te ontheffen van de leiding van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de hoedanigheid van Vice-Minister-President. 2 Drs. R.W. Knops met ingang van de datum van zijn beëdiging voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042757&artikel=1&z=2019-11-11&g=2019-11-11) genoemde periode te benoemen tot Minister en hem te belasten met de leiding van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3 Met ingang van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042757&artikel=2&z=2019-11-11&g=2019-11-11) genoemde datum Onze Minister van Defensie, drs. A.Th.B. Bijleveld-Schouten, voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042757&artikel=1&z=2019-11-11&g=2019-11-11) genoemde periode tevens te benoemen tot Minister zonder portefeuille en haar in deze hoedanigheid te belasten met de aangelegenheden betreffende de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. 4 Drs. S. van Veldhoven-van der Meer met ingang van de datum van haar beëdiging voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042757&artikel=1"},{"i":19270,"b":"Wet van 15 juni 2018, houdende verbeteringen in enkele wetten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2018) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enkele wijzigingen van technische of anderszins ondergeschikte aard aan te brengen in wetten op het terrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid naar aanleiding van geconstateerde gebreken of onvolkomenheden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Advocatenwet. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Wijzigt de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Artikel IV Wijzigt de Auteurswet. Artikel V Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel VI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel VII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel VIII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 4. Artikel IX Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 5. Artikel X Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel XI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel XII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 8. Artikel XIII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 10. Artikel XIV Wijzigt de Faillissementswet. Artikel XV Wijzigt de Gemeentewet. Artikel XVI Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet. Artikel XVII Wijzigt de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten. Artikel XVIII Wijzigt de Implementatiewet richtlijn privaatrechtelijke handhaving mededingingsrecht. Artikel XVIIIa Wijzigt de Luchtvaartwet. Artikel XIX Wijzigt de Politiewet 2012. Artikel XX Wijzigt de Verzamelwet Veiligheid en Justitie 2013. Artikel XXI Wijzigt de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen. Artikel XXII Wijzigt de Wet auteurscontractenrecht. Artikel XXIII Wijzigt de Wet van 5 oktober 2016, houdende aanvulling v"},{"i":18447,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 29 augustus 2013, nr. 413923, DGPolitie/Programma Arbeidsvoorwaarden, tot vaststelling van een percentage inhaaltoeslag bezwarende functie (Regeling vaststelling inhaaltoelage bezwarende functie politie) Gelet op [artikel 12d, vierde en vijfde lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=12d); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ABP:** Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in [artikel 6 van de Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791&artikel=6); - b. **Afup-algemeen:** algemeen deel van het Afup-pensioen, bedoeld in artikel A-3, tweede lid, van het Afup-opbouwreglement; - c. **Afup-garantieregeling:** regeling bedoeld in [artikel 2 van de Afup-garantieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012104&artikel=2); - d. **Afup-opbouwreglement:** reglement bedoeld in artikel 2.4b, tweede lid, van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; - e. **Afup-specifiek:** specifiek deel van het Afup-pensioen, bedoeld in artikel A3, vierde lid, van het Afup-opbouwreglement; - f. **ALB:** Algemene levensloopbijdrage: algemene levensloopbijdrage bedoeld in [artikel 12b, eerste lid, van het Bbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=12b); - g. **AT-functie:** administratief en technische functie bedoeld in [artikel 10, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=10); - h. **Ambtenaar:** ambtenaar bedoeld in [artikel 12d, eerste lid, respectievelijk vijfde lid, van het Bbp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=12d) aan wie garantiejaren per 1 januari 2001 zijn toegekend op grond van de [Afup-garantieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012104); - i. **Bbp:** [Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517); - j. **Bevoegd gezag:** bevoegd gezag be"},{"i":19530,"b":"Regeling houdende vaststelling eisen theorie-examen rijbewijscategorie A (Regeling eisen theorie-examen rijbewijscategorie A) Gelet op [richtlijn nr. 2000/56/EG](32000L0056) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 14 september 2000 tot wijziging van [richtlijn nr. 91/439/EEG](31991L0439) van de Raad betreffende het rijbewijs (PbEG L 237) en [artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111): Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De aanvrager van het theorie-examen moet blijk geven kennis en inzicht te bezitten van de hierna genoemde voorschriften, alsmede kennis en inzicht van die voorschriften voor zover deze gelden voor andere verkeersdeelnemers: - a. van de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622): de [artikelen 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), [2, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=12), [21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), [36, eerste, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36), [37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=37), [40, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=40), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=41), [60, eerste lid](https:"},{"i":19297,"b":"Wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de in de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten opgenomen regels met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete (Wet wijziging boetestelsel financiële wetgeving) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de in de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809), de [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296), de [Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547), de [Wet inzake de geldtransactiekantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013816), de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282), de [Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468), de [Wet toezicht trustkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016189), de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831) en de [Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092) opgenomen regels met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete te wijzigen teneinde de handhaving van deze wetten te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Pensioenwet. Artikel II Wijzigt de Sanctiewet 1977. Artikel III Wijzigt de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994. Artikel IV Wijzigt de Wet inzake de geldtransactiekantoren. Artikel V Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel VI Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terror"},{"i":17087,"b":"Eindejaarsuitkering commissarissen en gedeputeerden Op grond van [artikel 4a, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006738&artikel=4a) respectievelijk [artikel 4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006533&artikel=4) hebben commissarissen respectievelijk de gedeputeerden recht op een eindejaarsuitkering. Overeenkomstig de ambtenaren bij de sector Rijk hebben commissarissen en gedeputeerden in 2003 aanspraak op een nominale eindejaarsuitkering van Het nominale bedrag van de eindejaarsuitkering bedraagt vanaf 1 januari 2004 € 45,88 per maand. Voor diegenen wiens arbeidsduurfactor minder dan 1 bedraagt wordt het nominale bedrag vermenigvuldigd met zijn/haar arbeidsduurfactor. In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst 2000-2001 is overeengekomen dat er een nominale eindejaarsuitkering zal worden ingevoerd. De financiering van de nominale eindejaarsuitkering vindt plaats vanuit de besparing als gevolg van de bevriezing per 1 januari 2000 van de ziektekostentegemoetkoming als bedoeld in het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006855) (Btzr). In verband hiermee is per 1 april 2003 de nominale eindejaarsuitkering verhoogd van € 31,13 naar € 45,88 per maand. Per 1 januari 2003 is de bevriezing van de Btzr-tegemoetkoming komen te vervallen omdat het niveau van 50% van het totaal van de MOOZ-bijdrage, van de WTZ-bijdrage en van de component 'polis' van de particuliere ziektekostenpremie voor een maatschappijpolis, zoals deze door het CPB ten behoeve van het CEP wordt geraamd, netto is bereikt. Dit betekent dat in 2004 de nominale eindejaarsuitkering niet meer wordt verhoogd als uitvloeisel van de bevriezing van de Btzr-tegemoetkoming. Vanaf 1 januari 2004 zal voor de nominale eindejaarsuitkering als bedrag € 45,88 gelden. De nominale eindejaarsuitkering is een bruto bedrag. De aanspraak op de"},{"i":18647,"b":"Wet van 4 februari 1994, tot wijziging van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten (wijziging bezoldigingsstructuur) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bezoldigingsstructuur voor de rechterlijke ambtenaren, de overeenkomstige functionarissen bij de niet tot de rechterlijke macht behorende gerechten en de rechterlijke ambtenaren in opleiding te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Wat hun bezoldiging betreft zijn de vice-presidenten van de gerechtshoven die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet als zodanig zijn benoemd, gelijkgesteld met een coördinerend vice-president. Artikel XIII 1. De benoemingen van de ondervoorzitters van de Centrale Raad van Beroep, onderscheidenlijk de vice-voorzitters van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet als zodanig zijn benoemd, worden van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot vice-president. 2. Wat hun bezoldiging betreft zijn zij gelijkgesteld met een coördinerend vice-president. Artikel XIV 1. De benoemingen van de voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden van de Centrale Raad van Beroep die op het tijd"},{"i":19115,"b":"Richtlijn voor strafvordering aanranding Beschrijving Deze strafvorderingsrichtlijn is van toepassing op schuldaanranding, opzetaanranding en gekwalificeerde opzetaanranding. Deze richtlijn is van toepassing op meerderjarige slachtoffers. In het geval van minderjarige slachtoffers dient de [richtlijn strafvordering misbruik met minderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049871) geraadpleegd te worden. Strafmaattabel en strafbandbreedtes Hieronder is een tabel opgenomen waarbij per basisdelict een strafuitgangspunt/bandbreedte is opgenomen en uitgegaan wordt van éénmalig plegen door één meerderjarige verdachte, zonder dat sprake is van (relevante) recidive en zonder dat rekening is gehouden met de overige omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. In individuele zaken wordt altijd maatwerk geleverd: feiten en omstandigheden van het specifieke geval worden meegenomen in de strafeis van het OM en in de praktijk zal daarom regelmatig worden afgeweken van de hieronder geformuleerde straf(bandbreedte). Immers zal in de praktijk zelden sprake zijn van een standaardsituatie waarin geen sprake is van feiten en omstandigheden die van invloed zijn op de beoordeling van de zaak. Het OM bepaalt in iedere zaak afzonderlijk of een gevangenisstraf, taakstraf, boete en/of voorwaardelijk strafdeel (evt. met op te leggen bijzondere voorwaarden) passend is. Dit gebeurt vanzelfsprekend met inachtneming van het taakstrafverbod. In de wet wordt het zogenoemde ‘interactiecriterium’ dat is ontstaan in de jurisprudentie gecodificeerd. Dit betekent dat in de delicten zoals hieronder vermeld ook wordt verstaan het laten verrichten van seksuele handelingen door een kind met de dader of met zichzelf of met een derde en het laten ondergaan van een kind van seksuele handelingen door een derde. Verkrachting omvat dus alle vormen van seksueel binnendringen waarbij het lichaam van een kind is betrokken, waaronder seksuele penetratie van het eigen lichaam of van het lich"},{"i":19362,"b":"Wet van 26 september 2018 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten tot versterking van de strafrechtelijke en de strafvorderlijke mogelijkheden om terrorisme te bestrijden (versterking strafrechtelijke aanpak terrorisme) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de strafrechtelijke en strafvorderlijke maatregelen ter bestrijding van daden van terrorisme te versterken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt de Kernernergiewet. Artikel IV Wijzigt de Wet wapens en munitie. Artikel V Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI Wijzigt de Wet explosieven voor civiel gebruik. Artikel VIa Onze Minister van Justitie en Veiligheid zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19246,"b":"Regeling van de minister van Justitie tot vaststelling van bepalingen met betrekking tot het gebruik van de mogelijkheid van spaarloon als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, onder 2°, van de Wet op de loonbelasting ten behoeve van ambtenaren van politie in dienst bij het ministerie van Justitie Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Het bevoegd gezag houdt op verzoek van het personeelslid op diens salaris een bedrag in en maakt dat over naar een door het personeelslid opgegeven spaarloonrekening danwel de rekening van de financiële instelling waarbij het personeelslid een overeenkomst van levensverzekering waarbij een lijfrente of een kapitaalsuitkering is verzekerd heeft afgesloten. Dit bedrag is niet hoger dan het ingevolge [artikel 11, eerste lid, onderdeel h, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006693&artikel=11&z=1994-05-01&g=1994-05-01) juncto artikel 34a, vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting vastgestelde maximumspaarbedrag. Artikel 3 1. Het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006693&artikel=2&z=1994-05-01&g=1994-05-01) bedoelde verzoek wordt schriftelijk gedaan op een door het bevoegd gezag nader te bepalen wijze. 2. Het personeelslid overlegt bij zijn verzoek een op schrift gestelde verklaring van een financiële instelling als bedoeld in [artikel 15, tweede lid van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006305&artikel=15), waarbij hij een spaarloonrekening heeft geopend danwel een in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006693&artikel=2&z=1994-05-01&g=1994-05-01) bedoelde verzekering heeft afgesloten, waaruit blijkt dat: - a. deze instelling ten aanzien van die spaarloonrekening conform de bepalingen van deze regeling en de [Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen](https://wetten.overhe"},{"i":17180,"b":"Onderlinge regeling inzake toedeling bijzondere AOV-categorie opvolging Sociale Verzekeringsbank Nederlandse Antillen Hierna gezamenlijk te noemen: ‘Partijen’; Partijen nemen in overweging: dat met het [Rijksbesluit opvolging Sociale Verzekeringsbank Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028600) is beoogd een sluitende toedeling van verzekerden en gerechtigden van de Sociale Verzekeringsbank Nederlandse Antillen tot stand te brengen; dat is gebleken dat een categorie aanspraken van gerechtigden en verzekerden algemene ouderdomsverzekering alsnog binnen het bereik van het [Rijksbesluit opvolging Sociale Verzekeringsbank Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028600) moet worden gebracht; dat het wenselijk is dat de benaderingswijze ter zake van de rechten van deze categorie gerechtigden en verzekerden op korte termijn eenduidig en helder toepassing vindt; dat het wenselijk is hieromtrent en over de financiële verrekening van de met de toe te delen aanspraken gemoeide lasten, afspraken neer te leggen in een regeling als bedoeld in [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); Komen het volgende overeen: Artikel 1. Begripsbepaling regeling In deze regeling wordt verstaan onder tijdstip van transitie: het tijdstip waarop [artikel I, derde lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028249&artikel=I) in werking is getreden. Artikel 2. Toedeling bijzondere categorie uitkeringsgerechtigden AOV 1. Partijen spreken uit te bevorderen dat [artikel 2, derde en vierde lid van het Rijksbesluit opvolging Sociale Verzekeringsbank Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028600&artikel=2), onder vernummering van het bestaande vierde lid van dat artikel, tot vijfde lid, met terugwerkende kracht tot het tijdstip van transitie komen"},{"i":17217,"b":"Protocol bij de Europese Interim-Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid met uitsluiting van de regelingen voor ouderdom, invaliditeit en overlijden De Regeringen welke dit Protocol hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Gezien het bepaalde in de [Europese Interim-Overeenkomst betreffende sociale zekerheid met uitsluiting van de regelingen voor ouderdom, invaliditeit en overlijden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005094), ondertekend te Parijs op 11 December 1953 (hierna aangeduid als „de Hoofdovereenkomst”); Gezien het bepaalde in het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002), ondertekend te Genève op 28 Juli 1951 (hierna aangeduid als „het Verdrag van Genève”); Verlangende de werking van de bepalingen van de [Hoofdovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005094) uit te strekken tot vluchtelingen, zoals omschreven in het [Verdrag van Genève](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Protocol heeft de term „vluchteling” de betekenis, welke daaraan is toegekend in [artikel 1 van het Verdrag van Genève](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002&artikel=1), met dien verstande dat iedere Overeenkomstsluitende Partij ten tijde van de ondertekening of van de bekrachtiging van dit Protocol of van de toetreding hiertoe een verklaring moet afleggen, die aangeeft welke van de betekenissen, vermeld in artikel 1, lid B, van dat Verdrag, zij toepast met betrekking tot de verplichtingen uit hoofde van dit Protocol, tenzij bedoelde Partij een dergelijke verklaring reeds heeft afgelegd ten tijde van haar ondertekening of bekrachtiging van [dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002). Artikel 2 Het bepaalde in de [Hoofdovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005094) is toepasselijk op vluchtelingen onder dezelfde voorwaarden, die gelden voor de onderdanen van de Partijen"},{"i":17888,"b":"Besluit van 14 september 2017, houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met het zorgpakket Zvw 2018 Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 7 juli 2017, kenmerk 1167445-165921-Z; Gelet op [artikel 11, derde en vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2017, no. W13.17.0206/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 september 2017, kenmerk 1167435-165921-Z; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit zorgverzekering. Artikel II Wijzigt het Besluit langdurige zorg. Artikel III 1. [Artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.10), zoals dat luidde op 31 december 2017, blijft van toepassing op verzekerden tot achttien jaar die op 31 december 2017 de in het eerste lid van dat artikel bedoelde verzorging ontvingen op grond van de [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925). 2. De toepassing eindigt met ingang van 1 januari 2019 of, indien dat eerder is: - a. zodra de periode afloopt waarvoor de verzorging bij beschikking van de gemeente is toegekend, of - b. op het moment waarop de woonplaats, bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1), van de verzekerde wijzigt en de gemeente op grond van die wet daardoor niet meer verantwoordelijk is voor de verzorging. 3. In afwijking van [artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.1) eindigt de toepassing voorts zodra de verzekerde voor het tijdstip, bedoeld in het tweede lid, zijn zorgverzekeraar schriftelijk te kennen geeft de verzorging onder de dekking van de zorgverzekering te willen laten vallen. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. La"},{"i":18421,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 24 februari 2005, nr. 5336480/805, tot vaststelling van nadere regels bij reorganisaties in de sector Rechterlijke Macht, die het openbaar ministerie betreffen (Regeling reorganisaties Rechterlijke Macht betreffende het openbaar ministerie) Gelet op [artikel 36e van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=36e); Besluit: Paragraaf 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. bezwarenadviescommissie: commissie als bedoeld in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018055&paragraaf=2&artikel=11&z=2020-05-30&g=2020-05-30) van deze regeling; - b. functie: functie als bedoeld in [artikel 36c, eerste lid, onderdeel a, van het Brra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=36c); - c. groep van functies: een aantal functies dat, gelet op de gestelde functie-eisen, vergelijkbaar of uitwisselbaar is; - d. herplaatsingskandidaat: herplaatsingskandidaat als bedoeld in [artikel 36c, eerste lid, onderdeel c, van het Brra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=36c); - e. passende functie: functie als bedoeld in [artikel 36c, eerste lid onder d, van het Brra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=36c); - f. plaatsingsadviescommissie: commissie als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018055&paragraaf=2&artikel=4&z=2020-05-30&g=2020-05-30) van deze regeling; - g. rechterlijk ambtenaar: rechterlijk ambtenaar die is aangesteld of aangewezen voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke taak en werkzaam is bij het openbaar ministerie; - h. plaatsingsplan: plan bij een organisatieverandering dat aangeeft op welke wijze personeel in de nieuwe formatie zal worden ondergebracht; - i. reorganisatie: reorganisatie als bedoeld in [artikel 36c, eerste lid onder f, van het Brra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=36c). Artikel 2 Deze re"},{"i":18902,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 6 september 2017 nr. BOACAT2017/057, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Noord-Holland, Team Buitengerechtelijke Afdoening Gelezen het verzoek van de Regionale Eenheid Noord-Holland van 30 augustus 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039980&artikel=2&z=2017-09-16&g=2017-09-16). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), werkzaam bij de afdeling Regionale Coördinatie Taken, Team Buitengerechtelijke Afdoening, in de functie van Assistent Intake en Service, die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Noord-Holland. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ge"},{"i":17077,"b":"Controleprotocol nacalculatie 2022 Wlz-zorgaanbieders Versie 1, maart 2023 Artikel 1. Inleiding 1.1. Het nacalculatieproces De zorgaanbieder verantwoordt in de nacalculatie-opgave 2022 de totaal financieel gerealiseerde productie over 2022, de totaal financiële realisatie overige onderdelen over 2022, het bedrag volgens de Regeling generieke vergoeding extra energiekosten en het bedrag volgens de Regeling specifieke vergoeding extra energiekosten. De door de zorgaanbieder ingevulde nacalculatie-opgave 2022 bestaat uit het ‘Formulier Langdurige zorg nacalculatie 2022’, met daarin de volgende onderdelen: Door het ondertekeningsdocument ‘Ondertekening Langdurige zorg nacalculatie 2022’ van een handtekening te voorzien, verklaart de persoon die bevoegd is te tekenen namens de zorgaanbieder dat hij/zij de nacalculatie-opgave 2022 naar waarheid en in overeenstemming met de voor het jaar 2022 geldende beleidsregels en regelingen van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft ingevuld. In paragraaf 3.3 (tabel 1) van dit controleprotocol is een overzicht opgenomen van de NZa-regelgeving 2022. De accountant, zoals bedoeld in [artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393), controleert het ondertekeningsdocument ‘Ondertekening Langdurige zorg nacalculatie 2022’. De volgende onderdelen in dit ondertekeningsdocument zijn uitdrukkelijk geen object van onderzoek door de accountant: het bedrag volgens de Regeling generieke vergoeding extra energiekosten. Dit bedrag is ook te beschouwen als ‘andere informatie’. De accountant geeft de uitkomst van zijn controle van het ondertekeningsdocument ‘Ondertekening Langdurige zorg nacalculatie 2022’ weer in een controleverklaring bij de nacalculatie-opgave 2022. De accountant verklaart in deze controleverklaring dat: Voor de tekst van de controleverklaring bij de nacalculatie-opgave maakt de accountant gebruik van de voorbeeldtekst die in de bijlage van dit controleprotocol is op"},{"i":18912,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 19 juli 2023 nr. BOACAT2023/044, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de regionale eenheid Oost-Nederland Gelezen het verzoek van de korpschef van 7 juni 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048475&artikel=2&z=2024-07-18&g=2024-07-18). Artikel 2 1. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Oost-Nederland. 2. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de vrijwillig ambtena"},{"i":18111,"b":"Besluit van de Minister van Financiën d.d. 25 september 2009, nr. BenC 2008-2287 N, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archief van Agentschap van het Ministerie van Financiën met betrekking tot haar taken op het gebied van na-oorlogs rechtsherstel, over de periode 1943–1999 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gezien het advies van het Nationaal Archief d.d. 11 december 2008 nr. C/S&A/08/2474; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de door het Project Wegwerken Archief-achterstanden bewerkte archief van Agentschap van het Ministerie van Financiën met betrekking tot haar taken op het gebied van na-oorlogs rechtsherstel, over de periode 1943–1999, met het inventarisnummer zoals opgenomen in de bijlage, de in het volgende artikel genoemde beperkingen gesteld voor een termijn van vijfenzeventig jaren gerekend vanaf het eindjaar van de dateringvan de archiefbescheiden. Artikel 2 Raadpleging van de in het [vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026534&artikel=1&z=2009-10-21&g=2009-10-21) genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruik gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Bijlage Niet opgenomen."},{"i":17207,"b":"Protocol Accountantsonderzoek 2015 Wlz-uitvoerders Vooraf Wlz-uitvoerders zijn op basis van de [Wet langdurige zorg (Wlz)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) verplicht om jaarlijks een uitvoeringsverslag ([artikel 4.3.2 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.2)) en een financieel verslag ([artikel 4.3.1 Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.3.2)) op te stellen. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft de voorschriften hiervoor nader uitgewerkt in het Model uitvoeringsverslag en financieel verslag 2015 Verantwoording Wlz-uitvoerders over de uitvoering Wlz ([Model uitvoeringsverslag en financieel verslag 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037483)). In het Protocol Prestatiemeting Wlz 2015 Normenkader onderzoek uitvoering Wlz ([Protocol Prestatiemeting 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036635)) hebben wij het normenkader opgenomen. U kunt dit protocol raadplegen op www.nza.nl. Dit normenkader is mede als gevolg van de invoering van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) aangepast. De indeling in prestatievelden is vervangen door een indeling in hoofddoelen. In dit Protocol Accountantsonderzoek 2015 Wlz-uitvoerders stelt de NZa regels voor de controle door de Wlz-uitvoerders, de inhoud en inrichting van de verklaring en het accountantsverslag. Het protocol heeft betrekking op de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) en voor bepaalde onderdelen heeft dit protocol ook betrekking op de uitvoering van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ) over eerdere jaren. Voor de uitvoering van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) hebben zich in totaal twaalf Wlz-uitvoerders aangemeld. De Staatssecretaris van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft voor 2015 tien Wlz-uitvoerders aangewezen als zorgkantoor. Een Wlz-uitvoerder is als zorgkantoor voor één of mee"},{"i":19123,"b":"Richtlijn voor strafvordering cybercrime De computer en het internet zijn niet meer weg te denken uit onze samenleving. Deze nieuwe technologie heeft het dagelijks leven veranderd. Steeds meer voorwerpen zijn aangesloten op het internet (Internet of Things, IoT) en kunnen gegevens uitwisselen. Dit brengt kansen voor criminelen en daarmee veiligheidsrisico’s voor burgers, bedrijven en overheidspartijen met zich mee. Het aantal gevallen van cybercrime blijft toenemen. Computers worden niet alleen als middel ingezet, maar zijn ook doelwit van aanvallen. Dankzij de technologische mogelijkheden kunnen cybercriminelen in korte tijd vanaf elke plek ter wereld grote aantallen slachtoffers maken. Om een veilig digitaal domein te creëren en effectief tegen cybercrime te kunnen optreden, is een zichtbare, integrale en toekomstgerichte aanpak nodig. Deze eerste richtlijn cybercrime biedt handvaten voor de op zitting te eisen straffen. De richtlijn ziet op de verschillende verschijningsvormen van cybercrime (o.a. computervredebreuk, de DDoS aanval, ransomware, malware, defacing) en bevat criteria aan de hand waarvan in individuele zaken een strafeis geformuleerd kan worden. De omschrijving van de diverse vormen van cybercrime die terugkomen in deze richtlijn staan genoemd in de legenda onderaan. De richtlijn onderscheidt daarnaast de volgende categorieën: Deze richtlijn heeft betrekking op diverse vormen van cybercrime. Er is een tabel voor cybercrime eenmaal gepleegd en een tabel voor meermalen gepleegd. Cybercrime, alleen en eenmalig gepleegd. Cybercrime, meermalen gepleegd, veelal in georganiseerd verband en in combinatie met andere strafbare feiten Malware = Samentrekking van malicious software. Malware is de term die tegenwoordig als generieke aanduiding wordt gebruikt voor onder andere virussen, wormen en Trojaanse paarden. Ransomware = Type malware dat systemen en/of informatie daarop blokkeert en alleen tegen betaling van losgeld toegankelijk maakt. Cryptoware = Type ran"},{"i":18580,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000: Ministerie van Algemene Zaken Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/2 en arc-2003.6517/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Algemene Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19439,"b":"Besluit instelling Stuurgroep 'Handhaven op niveau' Overwegende dat de uitvoering van het kabinetsstandpunt `Handhaven op niveau' een groot aantal werkzaamheden met zich meebrengt die in nauwe samenspraak met de bestuurlijke partners en de handhavende organisaties moeten worden ontplooid en uitgevoerd; Besluit: Instelling en taak Artikel 1 Er is een stuurgroep 'Handhaven op niveau', hierna te noemen stuurgroep. Artikel 2 1. De stuurgroep heeft tot taak: - a. initiatieven te nemen ter verbetering van de samenwerking en de professionalisering van de handhaving op het terrein van de ordeningswetgeving; - b. lopende initiatieven ter verbetering van de samenwerking en de professionalisering van de handhaving op het terrein van de ordeningswetgeving te ondersteunen; - c. het ontwikkelen, coördineren en uitvoeren van het actieprogramma 'Handhaven op niveau', met inbegrip van het adviseren omtrent de toekenning van financiële middelen; - d. te adviseren over aangelegenheden betreffende de handhaving van de ordeningswetgeving, voorzover daarin nog niet is voorzien. 2. De stuurgroep neemt bij haar werkzaamheden tot uitgangspunt het kabinetsstandpunt 'Handhaven op niveau' (1999-2000, 26 800 VI, nr. 67). 3. De Minister van Justitie kan de stuurgroep verzoeken bepaalde onderwerpen bij voorrang te behandelen. Samenstelling Artikel 3 In de stuurgroep hebben zitting: - a. als voorzitter, en tevens lid: dr. R.W. Welschen; - b. als leden: ir. P.A.E. van Erkelens, voorzitter van het Waterschap Regge en Dinkel; mr. C. Riezenbos, plaatsvervangend directeur Bestuurlijke en Financiële Organisatie van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; mr. H.J. Haverkamp, directeur Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD); mevr. drs. A.Th.B. Bijleveld-Schouten, burgemeester van de gemeente Hof van Twente; mr. B. Poelert, korpschef Politie Gelderland-Zuid; mr. S. Tempel, hoofd Advocaat-generaal ressortparket Leeuwarden; mr. J.L. de Wijkerslooth, voorzitter van het College"},{"i":19276,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 1 februari 2006, nr. WJZ 6008406, houdende regels ter zake vrijstelling van het toestemmingsvereiste ex artikel 3.10, eerste lid, van de Telecommunicatiewet (Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie) Gelet op [artikel 3.10, derde lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10)j° [3.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10), van de Telecommunicatiewet; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: de Minister van Economische Zaken; - b. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - c. een afwijkend gebruik van de frequentieruimte: een afwijkend gebruik van de frequentieruimte dat bestaat uit scannen of jammen, ter uitvoering van de taken als bedoeld in [artikel 3.22, derde lid, onderdeel a, b, d of e van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22); - d. scannen: het met daartoe geschikte apparatuur automatisch en herhaald systematisch aftasten van een bepaalde frequentieband teneinde informatie te vergaren met betrekking tot een bepaald nummer of bepaalde nummers in een bepaald gebied; - e. jammen: het met daartoe geschikte apparatuur tijdelijk verstoren of onmogelijk maken van een normaal gebruik van een geselecteerd nummer of alle nummers over een bepaalde frequentieband in een bepaald gebied. Artikel 2 Voor een afwijkend gebruik van de frequentieruimte is geen ontheffing als bedoeld in [artikel 3.22, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.22) vereist voor zover de desbetreffende frequentieruimte ingevolge het frequentieplan als bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.1) is bestemd voor openbare mobiele telecommunicatiediensten en wordt voldaan aan de [artikelen 3 tot en met 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019509&artikel=3&z=2025-09"},{"i":18812,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 15 september 2025 nr. BOACAT2025/153, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Centraal Justitieel Incasso Bureau, ten behoeve van flitsverwerking en tenuitvoerlegging geldelijke sancties Gelezen het verzoek van Centraal Justitieel Incasso Bureau van 17 juli 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051522&artikel=2&z=2025-09-24&g=2025-09-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker verwerken en behandelen en belast met de verwerking van flitsgegevens en/of de tenuitvoerlegging van geldelijke sancties in dienst van Centraal Justitieel Incasso Bureau zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de [bij"},{"i":17437,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 februari 2024, houdende regels voor de toekenning van een specifieke uitkering aan gemeenten en provincies ten behoeve van innovatie in de digitale dienstverlening (Regeling specifieke uitkering verbetering digitale dienstverlening) Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), juncto [artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **hoofdaanvrager:** gemeente of provincie die mede namens een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen een aanvraag indient; - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **ministerie:** Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De minister kan op aanvraag aan een gemeente of provincie een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van een activiteit die gericht is op de doorontwikkeling van de generieke digitale infrastructuur of op innovatie binnen de digitale overheid, ter verbetering van de digitale dienstverlening aan natuurlijke personen en rechtspersonen. 2. De minister beslist niet op de aanvraag voor een specifieke uitkering, dan nadat advies is ingewonnen van de commissie, genoemd in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049396&artikel=6&z=2024-02-24&g=2024-02-24). Artikel 3. Uitkeringsplafond Het uitkeringsplafond bedraagt voor het jaar 2024 € 4.000.000. Voor de daaropvolgende jaren stelt de minister het bedrag vast tot ten hoogste het bedrag dat uit de begroting van het ministerie blijkt. Artikel 4. Aanvraag 1. Een hoofdaanvrager kan een aanvraag voor een specifieke uitkering indienen bij de minister. 2. Een aanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden: - a. de namen van de"},{"i":17411,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, nr. 2020-0000499860, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering aan de gemeente Delfzijl, de gemeente Groningen, de gemeente Loppersum, de gemeente Oldambt en de provincie Groningen in het kader van een derde tranche in verband met de uitvoering van het Nationaal Programma Groningen Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) en [artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **gemeenten:** gemeenten Delfzijl, Groningen, Loppersum en Oldambt; - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **Nationaal Programma Groningen:** Nationaal Programma Groningen als bedoeld in de Bestuursovereenkomst Nationaal Programma Groningen (Kamerstukken II, 33 529, nr. 587, bijlage 1). Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De minister verstrekt een specifieke uitkering aan de gemeenten en de provincie Groningen voor de uitvoering van projecten en werkzaamheden ten behoeve van het Nationaal Programma Groningen. 2. De specifieke uitkering bedraagt voor de gemeente: - a. Delfzijl: € 1.178.000, waarvan: - 1°. € 670.000 voor het uitwerken van projecten ten behoeve van het Nationaal Programma Groningen; en - 2°. € 508.000 voor de uitvoering van het project Sociaal plan Delfzijl Noord; - b. Groningen: € 5.150.000, waarvan: - 1°. € 405.000, voor het uitwerken van projecten ten behoeve van het Nationaal Programma Groningen; - 2°. € 2.000.000, voor de uitvoering van het project Zonthermie; - 3°. € 1.210.000, voor de uitvoering van het project Kansrijke start Beijum en Lewenborg; - 4°. € 175.000, voor de uitvoering van het project Wijkbudget Beijum en Lewenborg; - 5°. € 350.000, voor de uitvoering van he"},{"i":19410,"b":"Aanwijzing toezichthouders Scheepvaartverkeerswet Havenbedrijf Rotterdam N.V Gelet op [artikel 34, tweede lid van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=34); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving als bedoeld in [artikel 34, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=34) worden aangewezen: - −. ambtenaren van het Havenbedrijf Rotterdam N.V., Divisie Havenmeester, te Rotterdam. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2011. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als Aanwijzing toezichthouders Scheepvaartverkeerswet Havenbedrijf Rotterdam N.V.. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17088,"b":"Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand De Regeringen welke dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is grotere eenheid onder zijn Leden te bewerkstelligen, teneinde onder meer hun sociale vooruitgang te bevorderen; Besloten hebbende in overeenstemming met deze doelstelling hun samenwerking op sociaal gebied uit te breiden door aanvaarding van het beginsel van gelijke behandeling van elkanders onderdanen bij de toepassing van de wetgeving inzake sociale en medische bijstand; en Verlangende te dien einde een Verdrag te sluiten, Zijn het volgende overeengekomen: TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Ieder der Verdragsluitende Partijen verbindt zich te waarborgen, dat onderdanen van de andere Verdragsluitende Partijen, die zich rechtmatig ophouden in enig deel van haar grondgebied, waarop dit Verdrag van toepassing is, en niet beschikken over voldoende middelen, gelijkelijk en onder dezelfde voorwaarden als haar eigen onderdanen recht kunnen doen gelden op sociale en medische bijstand (hierna aangeduid als „bijstand”), zoals deze is geregeld door de geldende wetgeving in dat deel van haar grondgebied. Artikel 2 (a). Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de woorden „bijstand”, „onderdanen”, „grondgebied” en „land van herkomst” de volgende betekenis: - (i). „Bijstand” betekent met betrekking tot iedere Verdragsluitende Partij iedere bijstand, verleend krachtens de in enig deel van haar grondgebied geldende wetten en regelingen, op grond waarvan middelen van bestaan en de voor hun toestand noodzakelijke verzorging worden verschaft aan personen zonder voldoende middelen, met uitzondering van premievrije pensioenen en uitkeringen aan slachtoffers van oorlog of bezetting; - (ii). De termen „onderdanen” en „grondgebied” van een Verdragsluitende Partij hebben de betekenis, welke die Partij daaraan heeft toegekend in een tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklari"},{"i":19532,"b":"Regeling houdende vaststelling eisen theorie-examen rijbewijscategorie B (Regeling eisen theorie-examen rijbewijscategorie B) Gelet op [richtlijn nr. 2000/56/EG](32000L0056) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 14 september 2000 tot wijziging van [richtlijn nr. 91/439/EEG](31991L0439) van de Raad betreffende het rijbewijs (PbEG L 237) en [artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); Besluit: Artikel 1 De aanvrager van het theorie-examen moet blijk geven kennis en inzicht te bezitten van de hierna genoemde voorschriften, alsmede kennis en inzicht van die voorschriften voor zover deze gelden voor andere verkeersdeelnemers: - a. van de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend): de [artikelen 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), [2, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=12), [21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), [36, eerste, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36), [37, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=37), [40, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=40), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=41), [60, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=60), [72](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":18389,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 juni 2025, nr. 2025-0000019371, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van het uitvoeren van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (Regeling kansrijke wijk (tweede tranche)) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2) (Stb. 2022, 452); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **alliantie:** samenwerkingsverband van publiek-private organisaties, dat - a. met bestuurlijke vertegenwoordigers van ten minste een deel van die organisaties in een stuurgroep of dagelijks bestuur, samen met of in samenspraak met inwoners en onder voorzitterschap van de burgemeester, stuurt op de ambities en hoofdlijnen uit het door deze alliantie opgestelde integrale langjarige gebiedsplan; - b. dit integrale langjarige gebiedsplan vertaalt in een uitvoeringsprogramma; en - c. stuurt op de inhoudelijke en financiële voortgang van het uitvoeringsprogramma, gericht op het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid in het stedelijk focusgebied; - **alliantieoverleg:** periodiek bestuurlijk overleg tussen publieke en private organisaties en met of in samenspraak met inwoners, onder voorzitterschap van de burgemeester, waarin de voortgang, knelpunten en doorbraken bij het uitvoeren van het uitvoeringsprogramma worden besproken en waarin waar nodig bijsturing plaatsvindt; - **college:** college van burgemeester en wethouders van een ontvangende gemeente; - **gemeente"},{"i":17917,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 november 2017, kenmerk 1241265-168333-Z, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met het vaststellen van de woonlandfactoren voor het jaar 2018 ten behoeve van de gedifferentieerde berekening van de bijdrage voor verdragsgerechtigden Gelet op [artikel 69, derde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69) en [artikel 3, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II In afwijking van [bijlage 4 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) is het in [artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.3.1) bedoelde verhoudingsgetal voor Zweden voor het jaar 2017 0,8263. Artikel III 1. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040213&artikel=I&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. 2. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040213&artikel=II&z=2018-01-01&g=2018-01-01) van deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19135,"b":"Richtlijn voor strafvordering joyriding Beschrijving Deze richtlijn bevat het strafvorderingsbeleid van het OM inzake overtredingen van [artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=11). Basiscasus/delict Joyriding Gebruikte afkortingen: GB = geldboete TS = taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk vw = voorwaardelijk WVW 1994 = [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) Sr = [Wetboek van strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854)"},{"i":18031,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 7 maart 2008, nr. BenC 2008-534 M tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archief Bureau Commissie Zuiveringsaangelegenheden en taakopvolger(s) van het Ministerie van Financiën, (1936) 1945–1975 (1989) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gezien het advies van het Nationaal Archief d.d. 18 februari 2008 nr. C/SA/08/391; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Bureau Commissie Zuiveringsaangelegenheden en taakopvolgers van het Ministerie van Financiën, (1936) 1945–1975 (1989) met de inventarisnummers zoals opgenomen in de Bijlage, de in het [volgende artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023695&artikel=2&z=2008-03-30&g=2008-03-30) genoemde beperkingen gesteld voor de termijnen van vijfenzeventig jaren gerekend vanaf de datum vermeld op archiefbescheiden, echter minimaal durende tot 2020 en maximaal durende tot 2050. Artikel 2 Raadpleging van de in het vorige lid genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruikt gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt gepubliceerd. Bijlage | Inv.- Nr. | Sluitings- jaar dossier | Aantal jaren beperkt | Beperkt tot 1 ja- nuari | | --- | --- | --- | --- | | 1 | 1945 | 75 | 2020 | | 2 | 1946 | 75 | 2021 | | 3 | 1946 | 75 | 2021 | |"},{"i":19208,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 december 2024, nr. BZ2410228, houdende beperkende maatregelen naar aanleiding van destabiliserende activiteiten door de Russische Federatie (Sanctieregeling destabiliserende activiteiten Russische Federatie 2024) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [Verordening (EU) nr. 2024/2642](32024R2642) van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2024 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de destabiliserende activiteiten van Rusland (PbEU L 2024/2642) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder **Verordening (EU) 2024/2642**: [Verordening (EU) 2024/2642](32024R2642) van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2024 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de destabiliserende activiteiten van Rusland (PbEU L 2024/2642). Artikel 2 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 8, eerste lid, en 9, eerste en tweede lid, van [Verordening (EU) 2024/2642](32024R2642). 2. Een verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin de artikelen 3, eerste lid, 4, eerste of derde lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, of 7 van [Verordening (EU) 2024/2642](32024R2642) van toepassing is. Artikel 3 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 4, derde en vierde lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van [Verordening (EU) 2024/2642](32024R2642) is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstellin"},{"i":17137,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 29 november 2021, nr. 237593, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Ouderenzorg (Instellingsbesluit Werkgroep IBO Ouderenzorg) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046013&artikel=2&z=2021-12-15&g=2021-12-15). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Ouderenzorg. 2. De werkgroep heeft tot taak een interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren conform de taakopdracht zoals gepubliceerd in bijlage 18 van de Miljoenennota 2022 (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2021-2022, 35 925, nr. 2). 3. Het onderzoek moet resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties in kaart worden gebracht op het betreffende beleidsterrein. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en een aantal leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de Minister benoemd. 4. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd de heer Theo Langejan. 5. Voor de duur van de werkgroep worden tot lid van de werkgroep benoemd: - –. Dick Kabel (Ministerie van Financiën) - –. Michiel Geschiere (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) - –. Danielle Schiet (Ministerie van Algemene Zaken) - –. Hans Ton (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - –. Victor Joosen (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) - –. Rob Aalbers (Centraal Planbureau) 6. De leden van de werkgroep werkzaam voor de overheid kunnen bij afwezigheid of verandering van baan vervangen worden door e"},{"i":17981,"b":"Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen in verband met het opnemen van een grondslag voor de uitvoering door de Pensioen- en Uitkeringsraad en de Sociale verzekeringsbank van de Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië en het besluit van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië van 5 november 1946 (Indisch Staatsblad 1946, 118) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de continuïteit en de kwaliteit van de dienstverlening aan gerechtigden te waarborgen en daartoe in de [Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660) een grondslag op te nemen voor de uitvoering door de Pensioen- en Uitkeringsraad en de Sociale verzekeringsbank van de Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië en het besluit van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië van 5 november 1946 (Indisch Staatsblad 1946, 118); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. Artikel II 1. Een aanvraag op basis van de AOR van een persoon die op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet tot wijziging van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen in verband met het opnemen van een grondslag voor de uitvoering door de Pensioen- en Uitkeringsraad en de Sociale verzekeringsbank van de Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië en het besluit van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië van 5 november 1946 (Indisch Staatsblad 1946, 118) geen financiële aanspraak ontleent aan deze regeling en waarop ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet nog niet is beslist, wordt beschouwd als te zijn gericht tot de Pen"},{"i":18926,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 15 november 2023 nr. BOACAT2023/081, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Servicecentrum MER in domein I Gelezen het verzoek van Servicecentrum MER van 13 september 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048921&artikel=2&z=2023-12-20&g=2023-12-20). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder integraal/buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van Servicecentrum MER, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals o"},{"i":18311,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie, nr. 602906, houdende regels voor de kleding van de politie (Kledingregeling politie 2014) Gelet op [artikel 25 van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=25) en [artikel 56, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=56); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a, b en c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2). - b. **uniform:** het samenstel van de door de korpschef op grond van [artikel 3, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036382&artikel=3&z=2023-07-05&g=2023-07-05), vastgestelde lijst met kledingstukken en de in de bijlage genoemde uitmonstering; Artikel 2 De ambtenaar krijgt bij de aanvang van zijn dienstverband het uniform verstrekt. Artikel 3 De korpschef geeft in een reglement aan: - a. welke kledingstukken aan de ambtenaar worden verstrekt; - b. op welke wijze het uniform wordt gedragen; - c. op welke wijze het uniform wordt onderhouden. Artikel 4 Het uniform blijft eigendom van de politie en wordt door de korpschef ingenomen bij: - a. de vervanging van het uniform; - b. het overlijden van de ambtenaar; of - c. beëindiging van het dienstverband van de ambtenaar. Artikel 5 De [Kledingregeling voor de politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006553) wordt ingetrokken. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Kledingregeling politie 2014. Artikel 7 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 6 juni 2014. Bijlage Het Politiebrevet Het Politiebrevet Het politie-logo en het politie-beeldmerk De onderscheidingstekens Het vangsnoer (voor de heren) en het armsnoer (voor de dames), zoals afgebeeld in hoofdst"},{"i":19158,"b":"Richtlijn voor strafvordering poging doodslag Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op diverse vormen van geweld die te kwalificeren zijn als poging doodslag. Voor kindermishandeling e.d. is een afzonderlijke richtlijn. Basiscasus/delict Poging tot doodslag, alleen gepleegd. * + 18 mnd OBM (bij geen/licht/zwaarder letsel) / OBM 3 jaar (bij zwaar lichamelijk letsel) / OBM 5 jaar (bij blijvend letsel). Bij soortgelijke recidive kan tot maximaal 10 jaar OBM worden gevorderd. ** De categorieën ‘zwaar lichamelijk letsel’ en ‘blijvende vorm van ernstige invaliditeit of hulpbehoevendheid’ kunnen elkaar overlappen. Met de oplopende strafzwaarte is vooral tot uitdrukking gebracht dat blijvende invaliditeit / hulpbehoevendheid zwaarder wegen dan zwaar lichamelijk letsel dat (al dan niet door adequaat medisch ingrijpen) geen blijvende gevolgen met zich heeft gebracht. *** De verhogingspercentages genoemd in de aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen kunnen hier niet onverkort op worden toegepast. Maatwerk is hier geboden. Legenda Afkortingen GS = gevangenisstraf OBM = ontzegging van de rijbevoegdheid Agressie in het verkeer Met betrekking tot een aantal delicten, zoals mishandeling, openlijke geweld, vernieling en bedreiging, dient het eventuele feit dat de gepleegde agressieve handeling samenhangt met, of terug te voeren is op een verkeerssituatie, strafverzwarend te worden beoordeeld. Reden voor die verzwaring is enerzijds het risico van escalatie van dergelijke delicten in een overgevoelige situatie, en anderzijds de verhoogde gevaarzetting die agressie in een verkeerssituatie voor andere verkeersdeelnemers doorgaans oplevert. Voor een toelichting op de andere onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042068)."},{"i":17050,"b":"Besluit van 19 oktober 1976, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 43, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet Op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 21 september 1976, Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Stafafdeling B.O., nr. 54414; Gelet op artikel 43 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet; De Sociaal-Economische Raad gehoord (advies van 17 september 1976); De Raad van State gehoord (advies van 6 oktober 1976, nr. 33); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 14 oktober 1976, Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Stafafdeling B.O., nr. 54898; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Bij samenloop over eenzelfde tijdvak van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) of de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) met één of meer van de navolgende ingevolge de sociale wetgeving van één of meer andere Mogendheden toegekende uitkeringen: - a. uitkering wegens arbeidsongeschiktheid; - b. weduwenuitkering; - c. wezenuitkering; - d. ouderdomsuitkering, dan wel, enige andere uitkering, welke in verband met het bereikt hebben van een bepaalde leeftijd is toegekend, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, indien en voor zover deze het totale bedrag van de onder a tot en met d bedoelde uitkeringen overtreft. 2. Bij de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt met een in dat lid onder a bedoelde uitkering slechts rekening gehouden, indien en voor zover deze is verleend ter zake van dezelfde arbeidsongeschiktheid als de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 2 1. Indien ingevolge het vorige artikel bij de vaststelling van het bedrag van de uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering twee of meer uitkeringen ingevolge de sociale wetgeving"},{"i":19002,"b":"Beleidsregels van de Autoriteit Persoonsgegevens van 6 juni 2023 met betrekking tot het bepalen van de hoogte van bestuurlijke boetes (Boetebeleidsregels Autoriteit Persoonsgegevens 2023) gelet op de [artikelen 4:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:46), artikel 83 van de Algemene verordening gegevensbescherming, [artikelen 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=14), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=18) en [21a, vierde lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=21a), [artikel Z 11a van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Z_11a), [artikel 4.1, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=4.1), [artikel 35c van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=35c), [artikelen 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=27), [39r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=39r), [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=51), [51d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=51d) en [51h van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=51h) en [artikel 15.4, vierde en vijfde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.4), en in aanvulling op de Guidelines 04/2022 on the calculation of administrative fines under the GDPR, als vastgesteld door het Europees Comité voor gegevensbescherming, besloten om de volgende beleidsregels met betrekking tot het bepalen van de hoogte van bestuurlijke boetes vast te stellen. Hoofdstuk 1. Algemene bepalinge"},{"i":17714,"b":"Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Israël, Geleid door de wens de betrekkingen tussen de beide Staten op het gebied van de sociale zekerheid te regelen, Zijn overeengekomen het volgende Verdrag te sluiten: DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 1. Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1). wordt onder „Nederland” verstaan het Koninkrijk der Nederlanden en onder „Israël” de Staat Israël; - 2). wordt onder „grondgebied” verstaan wat Nederland betreft: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa,wat Israël betreft: het grondgebied van Israël; - 3). wordt onder „wetgeving” verstaan de van kracht zijnde wetten, regelingen en administratieve bepalingen die betrekking hebben op de in artikel 2 bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid; - 4). wordt onder „bevoegde autoriteit” verstaan wat Nederland betreft: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, wat Israël betreft: de Minister van Arbeid en Sociale Zaken; - 5). wordt onder „verzekeringsorgaan” verstaan het lichaam dat of de autoriteit die belast is met de uitvoering van de in artikel 2 bedoelde wetgevingen; - 6). wordt onder „bevoegd verzekeringsorgaan” verstaan het krachtens de toe te passen wetgeving bevoegde verzekeringsorgaan; - 7). wordt onder „bevoegde Staat” verstaan de Staat op het grondgebied waarvan het bevoegde verzekeringsorgaan is gevestigd; - 8). wordt onder „verbindingsorgaan” verstaan een orgaan voor verbinding en informatie tussen de verzekeringsorganen van de beide Verdragsluitende Partijen ten einde de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken en voor het informeren van de belanghebbende personen omtrent hun rechten en verplichtingen op grond van het Verdrag; - 9). wordt onder „gezinslid” verstaan een gezinslid overeenkomstig de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het bevoegde verzekeringsorgaan, ten laste waarvan de uitker"},{"i":17350,"b":"Regeling macrobeheersinstrument multidisciplinaire zorg 2025 Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van multidisciplinairezorg, indien de Minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2025 verkregen uit declaratie van de prestaties multidisciplinaire zorg. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2024 ontvangt van de Minister, met daarin voor 2025 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - **macro-omzetgrens:** de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - **Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Wel"},{"i":18758,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 17 januari 2020, kenmerk 2633979, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Hoofdafdeling Privaatrecht van het Ministerie van Justitie inzake geslachtsnaamswijzigingen, 1921–1972 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het de algemene rijksarchivaris d.d. 17 december 2019, met kenmerk 8269476. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Hoofdafdeling Privaatrecht van het Ministerie van Justitie inzake geslachtsnaamswijzigingen, 1921–1972 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inv.nr. | Openbaar 1 januari | Inv.nr. | Openbaar 1 januari | Inv.nr. | Openbaar 1 januari | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 49 | 2062 | 83 | 2054 | 167 | 2057 | | 50 | 2069 | 86 | 2053 | 168 | 2055 | | 51 | 2069 | 87 | 2072 | 169 | 2068 | | 52 | 2061 | 88 | 2065 | 170 | 2062 | | 53 | 2057 | 89 | 2055 | 171 | 2067 | | 54 | 2063 | 90 | 2061 | 172 | 2061 | | 55 | 2061 | 141 | 2062 | 173 | 2063 | | 56 | 2057 | 142 | 2048 | 174 | 2063 | | 57 | 2044 | 143 | 2056 | 175 | 2044 | | 58 | 2056 | 144 | 2063 | 176 | 2045 | | 59 | 2046 | 145 | 2062 | 177 | 2062 | | 60 | 2041 | 146 | 2066 | 178 | 2062 | | 62 | 2033 | 147 | 2050 | 179 | 2065 | | 63 | 2057 | 148 | 2066 | 180 | 2070 | | 64 | 2043 | 149 | 2028 | 181 | 2049 | | 65 | 2057 | 150 | 2027 | 182 | 2058 | | 66 | 2063 | 151 | 2070 | 183 | 2061 | | 67 | 2060 | 152 | 2062 | 184 | 2067 | | 68 | 2050 | 153 | 2066 | 185 | 2057 | | 69 | 2052 | 154 | 2065 | 186 | 2057 | | 70 | 2048 | 155 | 2039 | 187 | 2045 | | 71 | 2061 | 156 | 2050 | 188 | 2048 | | 72 | 2061 | 157 | 2066 | 189 | 2066 | | 73"},{"i":17276,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 augustus 2025, nr. 2025-0000425346, houdende regels inzake een bijzondere uitkering in verband met het bevorderen van de digitale dienstverlening door de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling bijzondere uitkering digitalisering BES) [KetenID WGK26992] Gelet op [artikel 92, tweede lid, onderdeel a, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=92); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuurscollege:** bestuurscollege van het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - **bijzondere uitkering:** bijzondere uitkering als, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051526&artikel=2&z=2025-09-23&g=2025-09-23); - **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Verstrekking bijzondere uitkering De minister verstrekt een bijzondere uitkering aan de openbare lichamen ter bekostiging van de transitie naar digitale dienstverlening door de openbare lichamen. Artikel 3. Hoogte bijzondere uitkering 1. De minister verstrekt de bijzondere uitkering volgens de volgende verdeling: - a. Bonaire: € 3.850.000; - b. Sint Eustatius: € 2.400.000; - c. Saba: € 2.200.000. 2. De bijzondere uitkering wordt verstrekt in US dollars. Artikel 4. Toekenningsbeschikking en voorschot 1. Voor elk openbaar lichaam stelt de minister een toekenningsbeschikking vast. 2. In de toekenningsbeschikking wordt opgenomen dat jaarlijks een voorschot wordt verleend. 3. Het jaarlijkse voorschot, bedoeld in het tweede lid, bedraagt voor: - a. Bonaire: € 700.000; - b. Sint Eustatius: € 400.000; - c. Saba: € 400.000. 4. In afwijking van het derde lid bedraagt het voorschot in 2025: - a. Bonaire: € 350.000; - b. Sint Eustatius: € 400.000; - c. Saba: € 200.0"},{"i":19533,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 20 april 2015, nr. IENM/BSK-2014/218995, houdende vaststelling van de eisen voor het theorie-examen voor de rijbewijscategorie T (Regeling eisen theorie-examen rijbewijscategorie T) Gelet op [artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994, enz. (invoering rijbewijsplicht landbouw- en bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid (T-rijbewijs)) in werking treedt. Artikel 1 De eisen waaraan de aanvrager van het theorie-examen voor de rijbewijscategorie T moet voldoen, zijn nader uitgewerkt in de bij deze regeling behorende bijlage Toetsmatrijs theorie-examen rijbewijscategorie T. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel I van de wet van 3 december 2014 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1994 in verband met de invoering van de rijbewijsplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid (T-rijbewijs)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036167&artikel=I) (Stb. 2015, 10) in werking treedt. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eisen theorie-examen rijbewijscategorie T. Bijlage. bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036561&artikel=1&z=2021-07-01&g=2021-07-01) van de Regeling eisen theorie-examen rijbewijscategorie T Toetsmatrijs Theorie-examen Rijbewijs voor categorie T Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Toelichting Eindtermen: Dit zijn de hoofdonderwerpen die in het examen voorkomen. Hierin staat 'ruim' omschreven wat er in het examen terug kan komen. Toetstermen: Dit zijn onderdelen van een eindterm. Hierin staat meer uitgebreid omschreven wat er in het examen terug kan komen. Afbakening: Dit zijn onderdelen van een toetsterm. Hier staat over we"},{"i":18151,"b":"Besluit machtiging en volmacht directeur Koninkrijksrelaties Gelet op [artikel 4.6 Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6) juncto [artikel 3, eerste lid aanhef en onder a., van de Regeling financieel beheer van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040757&artikel=3); **Overwegende dat:** **Besluit:** Van dit besluit wordt mededeling gedaan in de Staatscourant."},{"i":17674,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Justitiële Jeugdzorg 1945-2000 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 september 2005, nr. arc-2005.02518/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Justitiële Jeugdzorg over de periode 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19534,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 27 maart 2012, nr. IENM/BSK-2012/21909, houdende vaststelling van de eisen voor de theorie-examens voor de rijbewijscategorieën C1 en C (Regeling eisen theorie-examens rijbewijscategorieën C1 en C) Gelet op [richtlijn nr. 2006/126/EG](32006L0126) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PbEU L 403) en [artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A tot en met L, van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994, enz. (implementatie derde rijbewijsrichtlijn) in werking treedt. § 1. Eisen theorie-examens rijbewijscategorie C1 Artikel 1 De aanvrager van het theorie-examen voor de rijbewijscategorie C1 moet blijk geven kennis van en inzicht te bezitten in de hierna genoemde voorschriften, alsmede kennis van en inzicht van die voorschriften voor zover deze gelden voor andere verkeersdeelnemers: - a. van de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend): de [artikelen 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), [2, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=12), [21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), [36, eerste, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36), [37, eerst"},{"i":17438,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2023, nr. 2023-0000735552 houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van de financiering van soortenmanagementplannen die het voorkomen van vertraging van verduurzaming door isolatie als doel hebben Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2), en [artikel 3 van het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=3) (Stb. 2022, 452); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **alternatieve verblijfplaats:** een plaats die geschikt is voor verblijf door een beschermde diersoort, die is ingericht ter vervanging van een plaats geschikt voor verblijf door een beschermde diersoort die door verduurzaming van een gebouw ongeschikt is geworden of zal worden; - **beschermde diersoorten:** in het wild levende: - a. dieren van soorten, genoemd in: - 1°. bijlage IV bij [Richtlijn 92/43/EEG](31992L0043) van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206); - 2°. bijlage II van het op 19 september 1979 te Bern tot stand gekomen Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke leefmilieus (Trb. 1980, 60); - 3°. bijlage I bij het op 23 juni 1979 te Bonn tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (Trb. 1980, 145); - 4°. onderdeel A van de [bijlage bij de Wet natuurbescherming](onbekend), bedoeld in [artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=3.10); of - 5°. onderdeel A van [bijlage IX bij het Besluit activiteiten leefomgeving"},{"i":17984,"b":"Wet van 30 oktober 2008, houdende wijziging van de Zorgverzekeringswet in verband met de verstrekking van bijdragen aan zorgaanbieders die inkomsten derven ten gevolge van het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan bepaalde groepen vreemdelingen en van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten met het oog op verzekering van bepaalde groepen minderjarige vreemdelingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te regelen dat zorgaanbieders die medisch noodzakelijke zorg hebben verleend aan bepaalde groepen vreemdelingen als bedoeld in de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) een bijdrage kunnen ontvangen in de inkomsten die zij dientengevolge derven, en dat het wenselijk is bepaalde groepen minderjarige vreemdelingen onder de verzekering, bedoeld in de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614), en daarmee onder de verzekeringsplicht, bedoeld in de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel Ia 1. Ten aanzien van rechten en verplichtingen die op grond van het Reglement Financiële Bijdragen van de Stichting Koppeling te Amsterdam zijn ontstaan voor de inwerkingtreding van deze wet, dan wel na dat tijdstip zijn ontstaan terzake van de afwikkeling van het Reglement Financiële Bijdragen van de Stichting Koppeling te Amsterdam, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 2. Ten aanzien van bezwaar en beroep tegen een besluit dat op grond van het Reglement Financiële Bijdragen van de Stichting Koppeling te Amsterdam is genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, dan wel na d"},{"i":18085,"b":"Besluit tot het alsnog stellen van beperkingen aan de openbaarheid aan archiefbescheiden van het ministerie van Algemeene Oorlogsvoering van het Koninkrijk (1942–1946), het Kabinet van de Minister-President (1946–1947) en het ministerie van Algemene Zaken, Kabinet van de Minister-President (1947–heden) over het tijdvak (1942) 1942–1979 (1989) Gelet op [artikel 15, tweede lid, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op het [besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 10 februari 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014689) (Stcrt 2003, 42), houdende beperkingen van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het ministerie van Algemeene Oorlogsvoering van het Koninkrijk (1942–1946), het Kabinet van de Minister-President (1946–1947) en het ministerie van Algemene Zaken, Kabinet van de Minister-President (1947–heden) over het tijdvak (1942) 1942–1979 (1989); Besluit: Artikel 1 Aan inventarisnummers 7240 en 7244 van het archief van het Kabinet van de Minister-President, (1942) 1942–1979 (1989) wordt een beperking aan de openbaarheid gesteld op grond van [artikel 15, eerste lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) van 25 jaar gerekend vanaf 1 januari 2017. Artikel 2 Aan inventarisnummer 12544 van het archief van het Kabinet van de Minister-President, (1942) 1942–1979 (1989) wordt een beperking aan de openbaarheid gesteld op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) van 12 jaar gerekend vanaf 1 januari 2017. Artikel 3 Aan de inventarisnummers 7241, 7242, 7243, 7245, 7246 van het archief van het Kabinet van de Minister-President, (1942) 1942–1979 (1989) wordt een beperking aan de openbaarheid gesteld op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376"},{"i":19535,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 27 maart 20112, nr. IENM/BSK-2012/21921, houdende vaststelling van de eisen voor de theorie-examens voor de rijbewijscategorieën D1 en D (Regeling eisen theorie-examens categorieën D1 en D) Gelet op [richtlijn nr. 2006/126/EG](32006L0126) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PbEU L 403) en [artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A tot en met L van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994, enz. (implementatie derde rijbewijsrichtlijn) in werking treedt. § 1. **Eisen theorie-examens rijbewijscategorie D1** Artikel 1 De aanvrager van het theorie-examen rijbewijscategorie D1 moet blijk geven kennis van en inzicht te bezitten in de hierna genoemde voorschriften, alsmede kennis van en inzicht in die voorschriften voor zover deze gelden voor andere verkeersdeelnemers: - a. van de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend): de [artikelen 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), [2, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=12), [21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), [36, eerste, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36), [37, eerste en tweede li"},{"i":18576,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Landinrichting periode 1945–1993 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2005, nr. arc-2004.01772/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Landinrichting over de periode 1945–1993](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17745,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake sociale zekerheid Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk Geleid door de wens, met inachtneming van artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 1408/71, op het gebied van de sociale zekerheid tussen de beide Staten bescherming te bieden die boven de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en nr. 574/72 uitgaat aan personen die krachtens de wetgeving van een of van beide Staten beschermd zijn of zijn geweest; Zijn overeengekomen het volgende Verdrag te sluiten, dat in de plaats zal treden van de Overeenkomst van 7 maart 1974 tussen de beide Staten inzake sociale zekerheid zoals gewijzigd bij de Aanvullende Overeenkomst van 5 november 1980: TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 1. In dit Verdrag wordt verstaan onder: - 1. „Verordening” [Verordening (EEG) nr. 1408/71](31971R1408) betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de te eniger tijd tussen de beide Verdragsluitende Staten van kracht zijnde redactie; - 2. „Toepassingsverordening” [Verordening (EEG) nr. 574/72](31972R0574) tot vaststelling van de wijze van toepassing van [Verordening (EEG) nr. 1408/71](31971R1408) betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de te eniger tijd tussen de beide Verdragsluitende Staten van kracht zijnde redactie. 2. In dit Verdrag hebben andere termen de betekenis welke daaraan in de Verordening en de Toepassingsverordening of in de nationale wetgeving wordt gegeven. Artikel 2 Dit Verdrag is van toepassing op de wettelijke regelingen waarop de materiële werkingssfeer van de Verordening betrekking heeft. Artikel 3 1. Dit Verdrag is van toepassing op personen, die vallen onder de personele werkingssfeer van de Verordening. 2. Dit Verdrag is voorts van toepassi"},{"i":17552,"b":"Reglement Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs 2025 In 1992 richtten de sociale partners in het onderwijs de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs op. Het doel van het Vervangingsfonds is het bieden van waarborgen aan aangeslotenen voor de kosten van vervanging bij afwezigheid van gewezen personeel en het invoeren en in stand houden van bedrijfsgezondheidszorg in het primair onderwijs, alsmede het bevorderen en bewaken van die zorg. Het bestuur stelt, conform het bepaalde op grond van [artikel 188, vierde lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=188) juncto [artikel 167, vierde lid van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=167), het Reglement Vervangingsfonds vast. In dit reglement wordt bepaald welke rechten de aangeslotenen in het kader van de taakuitoefening van de stichting, als hierboven genoemd, jegens de stichting kunnen doen gelden en tot welke verplichtingen de aangeslotenen jegens de stichting zijn gehouden. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2025. Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - 1. **Bedrijfsgezondheidszorg:** de dienstverlening van het Vervangingsfonds ter voorkoming en terugdringing van ziekteverzuim en de verbetering van arbeidsomstandigheden. - 2. **Bekostiging:** de bekostiging van vervanging door en ten laste van het Vervangingsfonds. - 3. **Bestuur:** het bestuur van de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs. - 4. **Bevoegd gezag:** een bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wec](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of een samenwerkingsverband passend onderwijs als bedoeld in [artikel 18a van de Wpo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=18a). - 5. **Bovenbestuurlijke vervangingspool"},{"i":17414,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 januari 2024, houdende regels voor het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering aan de provincies van Nederland ter ontzorging van kleine en micro mkb-ondernemingen bij de verduurzaming van het gebouw, bedrijfsproces of bedrijventerrein (Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma verduurzaming kleine en micro mkb-ondernemingen en bedrijventerreinen) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **bedrijfsmatig vastgoed:** een bouwwerk als bedoeld in de bijlage bij de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), waarin door een mkb-onderneming bedrijfsmatige of beroepshalve activiteiten met een winstgevend karakter worden uitgevoerd; - –. **bedrijventerrein:** cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied; - –. **compensabele BTW:** de BTW die in aanmerking komt voor compensatie op grond van de [Wet op het BTW compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817) of voor aftrek op grond van de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629); - –. **kleine en micro mkb-onderneming:** kleine en micro ondernemingen als bedoeld in de bijlage bij de Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, L 124); - –. **Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - –. **organisatiegraad:** een samenwerking op een bedrijventerrein tussen eigenaren of huurders van bedrijfsmatig vastgoed, waarmee de continuïteit van onderhoud, beheer en verduurzaming van een bedrijventerrein wordt gewaarborgd. Hoofdstuk 2. Ontzorgingsprogramma verd"},{"i":17544,"b":"Reglement Piket Raad voor Rechtsbijstand 1. Algemeen 2. Piketplanningen 3. Beschikbaar- en bereikbaarheid 4. Persoonlijke dienstverlening 5. Ruiling en waarneming 6. Maximum 7. Melding inverzekeringstelling (IVS) bij (jeugd)strafpiket en melding huisverbod bij strafpiket 8. Voorkeursadvocaat 9. Piketvergoeding 10. Maatregelbeleid 11. Overig Slotbepaling"},{"i":19197,"b":"Rijkswet van 17 december 1987, houdende bepalingen inzake de behandeling van en de beschikking op verzoekschriften om gratie van straffen of maatregelen, opgelegd door instanties belast met de militaire strafrechtspraak Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat in verband met de vaststelling van een [Gratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004257) het noodzakelijk is tevens voorzieningen te treffen met het oog op de behandeling van en de beschikking op verzoekschriften om gratie van straffen of maatregelen, opgelegd door instanties belast met de militaire strafrechtspraak; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Op de behandeling van en beschikking op verzoekschriften om vermindering, verandering of kwijtschelding van straffen of maatregelen, bij beslissing van een ingevolge de [Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789) bevoegde rechter opgelegd, zijn de bepalingen van de [Gratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004257) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij wordt verstaan onder Onze Minister: de Minister van Justitie van Nederland en onder Nederlandse strafrechter: elke ingevolge eerstgenoemde wet met de militaire strafrechtspraak belaste rechter. Artikel 2 Zolang de [Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789) niet in werking is getreden, zijn de bepalingen van de [Gratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004257) van overeenkomstige toepassing op de behandeling van en de beschikking op verzoekschriften om vermindering, verandering of kwijtschelding van straffen of maatregelen bij beslissing van de militaire rechter opgelegd, met dien verst"},{"i":19046,"b":"Besluit van de directeur van de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 1 januari 2025, nummer 5968335, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de directeur ressorterende functionarissen (Mandaatbesluit DISA Ministerie van Justitie en Veiligheid 2025) gelet op [artikel 3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en gelet op [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1); BESLUIT: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de directeur van de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers verleende ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun afdeling betreffen ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging verleend aan: - a. het afdelingshoofd Uitvoering; - b. het afdelingshoofd Bedrijfsuitvoering. Artikel 2 Als leidinggevende in de zin van paragraaf 1.3 van de CAO Rijk ten aanzien van de onder hun directie of afdeling ressorterende ambtenaren, worden aangewezen de functionarissen, genoemd in kolom 1 van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050655&bijlage=1&z=2025-01-08&g=2025-01-08) bij dit besluit, voor zover het betreft de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in kolom 2 van die bijlage. Artikel 3 Als bevoegd om te beschikken over bedragen voor het aangaan van verplichtingen en voor het verrichten van uitgaven, worden aangewezen de functionarissen, genoemd in kolom 1 van [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050655&bijlage=2&z=2025-01-08&g=2025-01-08) bij dit besluit, voor zover het betreft de bedragen, genoemd in kolom 2 van"},{"i":17491,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 november 2015, nr. 2015-0000293039, houdende vaststelling van de consumentenprijsindexcijfers voor 2016 voor Caribisch Nederland en op basis daarvan wijziging van bedragen van tegemoetkomingen en uitkeringen, van het wettelijk minimumuurloon en het bedrag genoemd in de Regeling Pensioenwet BES, alsmede van premiepercentages van werknemersverzekeringen en volksverzekeringen, van het maximumdagloon voor de Wet ziekteverzekering BES en de Wet ongevallenverzekering BES en de schadeloosstelling voor de bemiddelaar, bedoeld in de Arbeidsgeschillenwet 1946 BES In overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de [artikelen 7b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7b), [8a, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=8a), en [27 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=27), [12a, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=12a), en [30 van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=30), [13, eerste, tweede en derde lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=13), [7, vierde lid, van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=7), [5, negentiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=5), [8, derde lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=8), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5), en [8, vierde lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8), [21, eerste, derde en vierde lid, van het Besluit onderstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=21), [7b, derde lid, van de Pensioenwet BES](h"},{"i":19040,"b":"Besluit van de programmadirecteur-generaal Ondermijning van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 1 december 2025, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de directeur van het Strategisch Kenniscentrum (SKC) van het programmadirectoraat-generaal ondermijning Gelet op [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1), [artikel 3, tweede lid van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3), [artikel 3.3 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=3.3) en paragraaf 1.3 van de CAO Rijk; Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters van Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de programmadirecteur-generaal Ondermijning verleende ondermandaat wordt aan de medewerker die belast is met het aansturen van het SKC, mw. S. Hensels, ondermandaat verleend voor de aangelegenheden die het SKC betreffen. 2. De aangelegenheden die het SKC betreffen, omvatten: - a. Het beheer en de interne bedrijfsvoering van het SKC, - b. Het aangaan van overeenkomsten met publieke organisaties over de inzet van de medewerkers van deze organisaties binnen het SKC. - c. Het aangaan van overeenkomsten met onderwijsinstellingen, kennisinstellingen en andere private partijen ter uitvoering van de taak van het SKC. Artikel 2 Aan de programmadirecteur-generaal blijft voorbehouden: - a. de bevoegdheid om beslissingen te nemen inzake aanstelling, bevordering en ontslag van alsmede treffen van disciplinaire maatregelen jegens functionarissen op managementfuncties van schaal 14 en hoger direct onder het niveau van het hoofd van de directie of dienst; - b. voor zover het de verlening van ondermandaat aan de in [artikel 1, eerste lid](https://wetten.over"},{"i":19511,"b":"Protocol inzake tekens op het wegdek, aanvulling op de Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag inzake verkeerstekens dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld De Overeenkomstsluitende Partijen, die tevens Partij zijn bij het [Verdrag inzake verkeerstekens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004310) dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld en bij de Europese Overeenkomst tot aanvulling van dat Verdrag, die op 1 mei 1971 te Genève voor ondertekening werd opengesteld, Geleid door de wens in Europa een grotere eenvormigheid te bereiken in de regels betreffende tekens op het wegdek, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen, die tevens Partij zijn bij het [Verdrag inzake verkeerstekens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004310) dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld en bij de Europese Overeenkomst tot aanvulling van dat Verdrag, die op 1 mei 1971 te Genève voor ondertekening werd opengesteld, nemen passende maatregelen opdat het op hun grondgebieden geldende stelsel van tekens op het wegdek overeenkomt met de bepalingen in de Bijlage bij dit Protocol. Artikel 2 1. Dit Protocol is tot 1 maart 1974 opengesteld voor ondertekening door Staten die het [Verdrag inzake verkeerstekens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004310) dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden en die de Europese Overeenkomst tot aanvulling van dat Verdrag die op 1 mei 1971 te Genève voor ondertekening werd opengesteld, hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden en die lid zijn van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties of in een adviserende hoedanigheid tot de Commissie zijn toegelaten overeenkomstig paragraaf 8 van het mandaat van de Commissie. 2. Dit Protocol dient te worden bekrachtigd nadat de betrokken Staat het [Verdrag inzake verkeerstekens](https://wette"},{"i":17693,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst neerslag handelingen Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing) Gelet op artikel 5, tweede lid, onder c, van de Archiefwet 1995; De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 22 februari 1999, nr. arc-98.2214/2); Besluit: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding op het beleidsterrein \"brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing\" over de periode vanaf 1995, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":18145,"b":"Besluit instelling Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk Gelet op [hoofdstuk 9, titel 9.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=9.1) en [artikel 9:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14) en [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en de Klachtenregeling Ongewenste Omgangsvormen Rijk; Gehoord de Groepsondernemingsraad Rijk (GOR Rijk); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Ministeries:** **de kerndepartementen en de daaronder ressorterende organisaties zonder rechtspersoonlijkheid en andere overheidsorganisaties en hun medewerkers, indien zij met de Commissie afspraken hebben gemaakt om van de diensten van de Commissie gebruik te kunnen maken;** - b. **CAOP:** **Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel;** - c. **ICOP:** **Interdepartementale Commissie Organisatie- en Personeelsbeleid;** - d. **Klachtenregeling:** **Klachtenregeling Ongewenste Omgangsvormen Rijk;** - e. **De Klachtencommissie:** **Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk;** Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen Rijk. 2. De Klachtencommissie heeft als taken; - a. De Klachtencommissie behandelt klachten volgens de regels van de Klachtenregeling Ongewenste Omgangsvormen Rijk. - b. De Klachtencommissie behandelt klachten van (ex) medewerkers van het Rijk en andere organisaties die de CAO-Rijk op hun arbeidsrelaties van toepassing hebben verklaard inzake ongewenste omgangsvormen als bedoeld in artikel 2 onder a van de Klachtenregeling Ongewenste Omgangsvormen Rijk. - c. De Klachtencommissie brengt een rapport van bevindingen en advies uit over de behandelde klachten. - d. De Klachtencommissie draagt zorg voor een onafhankelijke, onpartijdige en zorgvuldige afhandeling van de klacht. - e. De Klachtencommissie draagt zorg voor jaarlijk"},{"i":18402,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2010, nr. 5679238/10, tot vaststelling van de Regeling naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011 Gelet op [artikel 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23) en [artikel 6 van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=6); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de naturalisatietoets:** de toets, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2); - b. **verzoeker:** degene die op grond van de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) verzoekt om verlening van het Nederlanderschap; - c. **de gezaghebber:** de gezaghebber van het openbaar lichaam; - d. **onderdeel van de naturalisatietoets:** een van de drie in [artikel 2, eerste lid genoemde onderdelen van de naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Paragraaf 2. Naturalisatietoets en afname Artikel 2 1. De naturalisatietoets bestaat uit een onderdeel dat kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst, een onderdeel dat de mate van kennis van de taal toetst die op het eiland van inwoning naast het Nederlands gangbaar is en een onderdeel dat de mate van kennis van de Nederlandse taal toetst. Ieder taalexamen examineert vier taalvaardigheden. Gebruik van een woordenboek is bij de naturalisatietoets niet toegestaan. 2. Het onderdeel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst, wordt afgenomen en beantwoord in de taal die op het eiland van inwoning naast het Nederlands gangbaar is. 3. Het onderdeel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst, bevat vragen met betrekking tot de in de bijlage 1 bij deze regeling genoemde thema’s van bevraging. De vra"},{"i":19269,"b":"Besluit van het College Gerechtelijk Deskundigen met betrekking tot digitale vervanging van personele archiefbescheiden gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); met inachtneming van de Regeling van de Minister van Justitie van 19 april 2010, nr. DDS-nummer 5646604 inzake de vervanging van papieren door digitale personeelsdossiers (Regeling digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Justitie 2010). besluit Artikel 1. Reikwijdte Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op papier die behoren of zullen gaan behoren tot het personeelsdossier van de medewerkers van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Deze vervanging betreft alle papieren archiefbescheiden die betrekking hebben op personeelsgegevens en salarisgegevens zoals beschreven in het ‘Basisselectiedocument P-dossier is Mens-en-werk, 1945. Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in de bijlage en op de wijze zoals beschreven in het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Artikel 4 De digitale reproductie wordt uitgevoerd door P-Direkt. Artikel 5 Deze regeling kan worden aangehaald als Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Veiligheid en Justitie. Bijlage Deze bijlage bevat de eisen waaraan de uitvoering van het vervangingsproces ten minste zal voldoen, een en ander overeenkomstig [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b). [Artikel 26b van de Archiefre"},{"i":17303,"b":"Regeling elektronisch gegevensverkeer Zorgverzekeringswet 2017 Gelet op [artikel 92 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=92); in aanmerking nemende dat de [Wet van 8 april 2016 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet en andere wetten in verband met de overgang van een aantal taken van het Zorginstituut Nederland naar het CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037917), welke – zoals bepaald bij Staatsblad 2016, nr. 442 – in werking treedt per 1 januari 2017; besluit om de volgende regeling vast te stellen: Artikel 1 De zorgverzekeraars dragen zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een gemeenschappelijke voorziening voor elektronische gegevensuitwisseling met de instanties, bedoeld in [artikel 88, eerste lid van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=88). Artikel 2 De zorgverzekeraars dragen zorg voor: - a. de juridische en organisatorische vormgeving van de gemeenschappelijke voorziening, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039010&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01); - b. de inrichting en het beheer van de gemeenschappelijke voorziening, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039010&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01); en - c. de bekostiging van de gemeenschappelijke voorziening, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039010&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01). Artikel 3 De zorgverzekeraars dragen er zorg voor dat de gemeenschappelijke voorziening, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039010&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01), is aangesloten op het netwerk van de Stichting Routerings Instituut (inter)Nationale Informatiestromen (RINIS). Artikel 4 Zorgverzekeraars maken voor de uitvoering van de wettelijke regelingen genoemd in de bijlage bij deze regeling gebruik van de gemeenschappelijke voorziening, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":18513,"b":"Rijkswet van 7 juli 2010 tot regeling van de inrichting, de organisatie en het beheer van de openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de samenwerking daartussen (Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten binnen het Koninkrijk willen samenwerken door de inrichting, organisatie en het beheer van de openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de onderlinge samenwerking tussen deze openbare ministeries te regelen in een rijkswet op grond van [artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) en dat de regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten instemmen met de inhoud van deze regeling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **algemene maatregel van rijksbestuur:** algemene maatregel van rijksbestuur in de zin van [artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); - b. **landen:** Curaçao, Sint Maarten en Nederland voor zover het betreft Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. **Gerecht in eerste aanleg:"},{"i":19536,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 mei 2023, nr. IENW/BSK-2023/132812, houdende vaststelling van regels in verband met de erkenning van EU-beroepskwalificaties voor verkeersveiligheidsauditors en bijzondere verkeersveiligheidsinspecteurs (Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties verkeersveiligheidsauditors en bijzondere verkeersveiligheidsinspecteurs) Gelet op [richtlijn nr. 2005/36/EG](32005L0036) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU 2005, L 255) en [artikel 33, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33) en de [artikelen 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048193&artikel=6), en [11, zevende lid, van het Besluit verkeersveiligheid weginfrastructuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048193&artikel=11); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit verkeersveiligheid weginfrastructuur in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanvraag:** aanvraag als bedoeld in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5), tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties voor het gereglementeerd beroep van verkeersveiligheidsauditor of bijzondere verkeersveiligheidsinspecteur; - –. **aanvrager:** migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=1), die een aanvraag indient; - –. **bijzondere verkeersveiligheidsinspecteur:** bijzondere verkeersveiligheidsinspecteur als bedoeld in het[Besluit verkeersveiligheid weginfrastructuur](onbekend); - –. **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - –. **verkeersveiligheidsauditor:** verkeersveiligheidsauditor als bedoeld in het [Besluit verkeersveiligheid weginfrastructuur](onbekend); - –. **we"},{"i":19556,"b":"Regeling spoorwegpersoneel 2011 Gelet op de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=10) en [12 van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=12) en [artikel 33, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit spoorwegpersoneel 2011 in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **arts-deskundige:** arts die deskundig is op het medische terrein, bedoeld in het betreffende onderdeel van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030563&bijlage=1&z=2019-04-01&g=2019-04-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030563&bijlage=2&z=2019-04-01&g=2019-04-01) of [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030563&bijlage=3&z=2019-04-01&g=2019-04-01) bij deze regeling; - **Besluit:** [Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006); - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat. § 2. Eisen inzake de medische en psychologische geschiktheid Artikel 2 1. De eisen inzake de medische geschiktheid van personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van machinist met volledige bevoegdheid, machinist met beperkte bevoegdheid of rangeerder uitoefenen, bedoeld in [artikel 9, eerste en tweede lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=9), zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030563&bijlage=1&z=2019-04-01&g=2019-04-01). 2. De eisen inzake de medische geschiktheid van personen die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem de veiligheidsfunctie van treindienstleider met volledige bevoegdheid uitoefenen, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van het Besluit](https://wetten.overheid."},{"i":19558,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 8 januari 2025, nr. IENW/BSK-246458, houdende tijdelijke regels voor toekenning van rijksbijdragen voor verkeersveiligheidsmaatregelen voor de periode van 1 januari 2025 tot 1 januari 2030 (Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 2025–2030) Gelet op de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [15, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), en [23 vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23) juncto [17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** een gemeente, niet behorend tot de Vervoerregio Amsterdam of de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, een provincie, de Vervoerregio Amsterdam, de Metropoolregio Rotterdam Den Haag namens een tot die regio’s behorende gemeente, het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba of een waterschap; - **aanvraagtijdvak:** termijn waarbinnen een aanvraag voor een rijksbijdrage kan worden ingediend; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **rijksbijdrage:** specifieke uitkering als bedoeld in [artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=15a), bijzondere uitkering als bedoeld in [artikel 91 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028"},{"i":19587,"b":"Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RSP) Deel I. **Algemene bepalingen** Hoofdstuk 1. **Algemene bepalingen voor de delen I, II en III** Artikel 1.01. Toepassingsgebied Dit reglement is van toepassing op - a). schepen met een lengte van 20 m of meer; - b). schepen waarvan het product van L. B. T gelijk is aan een inhoud van 100 m3 of meer; - c). sleep- en duwboten die ervoor zijn ingericht, vaartuigen als bedoeld in de onderdelen a, b of f te slepen, te duwen of langszij vastgemaakt mee te voeren; - d). schepen die een toelatingscertificaat als bedoeld in het ADN-Reglement bezitten; - e). passagiersschepen; - f). drijvende werktuigen tenzij in dit reglement anders is bepaald. Artikel 1.02. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - 1. **‘vaartuig’:** een binnenschip, een zeeschip of een drijvend werktuig; - 2. **‘binnenschip’:** een schip dat uitsluitend of overwegend voor de vaart op binnenwateren bestemd is; - 3. **‘zeeschip’:** een schip dat voor de zee- of kustvaart is toegelaten en overwegend daartoe bestemd is; - 4. **‘motorschip’:** een schip dat voor het vervoer van goederen bestemd is en door middel van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging zelfstandig kan varen; - 5. **‘veerpont’:** een schip dat een veerdienst onderhoudt waarbij de vaarweg wordt overgestoken en door de bevoegde autoriteit als veerpont wordt aangemerkt; - 6. **‘overheidsvaartuig’:** een schip dat ter uitvoering van overheidstaken wordt ingezet; - 7. **‘brandweerboot’:** een schip dat ter uitvoering van hulpverlening wordt ingezet; - 8. **‘sleepboot’:** een schip dat speciaal gebouwd is om te slepen; - 9. **‘duwboot’:** een schip dat speciaal gebouwd is voor het voortbewegen van een duwstel; - 10. **‘sleepschip’:** een schip dat bestemd is voor het vervoer van goederen en is gebouwd om te worden gesleept, met of zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging waardoor slechts verplaatsingen over kleine afstanden mogelijk zijn; - 11. **‘"},{"i":19589,"b":"Rijkswet van 20 januari 2005, houdende wijziging van de Schepenwet in verband met de totstandkoming van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid en de invoering van een nieuwe regeling van tuchtrechtspraak voor de zeescheepvaart Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de totstandkoming van de [Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613) en de invoering van een nieuwe regeling van tuchtrecht voor de zeescheepvaart wenselijk is de Raad voor de Scheepvaart op te heffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt voor Nederland in werking op 1 januari 2010. Treedt voor de Nederlandse Antillen in werking op 24 augustus 2010 en werkt terug tot en met 1 augustus 2010 (Stb. 2010/323). Artikel I Wijzigt de Schepenwet. Artikel II 1. Beroepen, ingesteld op grond van [artikel 18 van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=18), waarin voor de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017928&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01), nog geen uitspraak is gedaan, worden afgehandeld door de voorzitter van de Raad voor de Scheepvaart of, indien het beroep een beslissing van een ambtenaar in de Nederlandse Antillen of Aruba betreft, door de voorzitter van de Commissie van Onderzoek. 2. Ten aanzien van beroepen als bedoeld in het eerste lid blijven de bij of krachtens de [artikelen 18 tot en met 22 van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=18) gestelde regels, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR001792"},{"i":19592,"b":"Besluit van 19 mei 1989, tot vaststelling van een scheepvaartreglement voor de Eemsmonding Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 maart 1989, nr. S/J 30.442/89, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Overwegende, dat uitvoering dient te worden gegeven aan de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake een scheepvaartreglement voor de Eemsmonding, met bijlagen (**Trb.** 1987, 15); Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4) en[31, tiende lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=31) (**Stb.** 1988, 352); Gelet op artikel 3 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake een scheepvaartreglement voor de Eemsmonding, met bijlagen; De Raad van State gehoord (advies van 21 april 1989, nr. W09.89.0143); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 mei 1989, nr. S/J 30.788/89, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Scheepvaartreglement Eemsmonding Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen; toepassingsgebied 1. Op dit besluit zijn de begripsbepalingen van de voorschriften 3, 21 en 32 van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (**Trb.** 1974, 51), zoals gewijzigd, van toepassing; overigens wordt in dit besluit verstaan onder: - a. Internationale Bepalingen: de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, zoals gewijzigd; - b. vaarwater: een gedeelte van het water dat door de verkeerstekens E. 2.1 tot en met E. 2.3 van Hoofdstuk I van bijlage 1 is begrensd of gekenmerkt of dat, voor zover dit niet het geval is, voor de doorgaande scheepvaart is bestemd; een vaarwater wordt beschouwd als nauw vaarwater, als bedoeld in de Internationale Bepalingen; - c. rede: een voor het ankeren bestemd gedeelte van het water dat"},{"i":19593,"b":"Besluit van 21 april 1994, houdende het van kracht verklaren voor de gemeenschappelijke Maas in Nederland van het Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.00. Toepassingsgebied Dit reglement is van toepassing op de Gemeenschappelijke Maas. Hieronder worden verstaan de tot de Maas behorende wateren: - a. van de grens bij grenspaal 45 (Lixhe) tot de grens bij grenspaal 49 (Klein Ternaaien) met inbegrip van het - als gevolg van de werken bedoeld in artikel 2, paragraaf 1, onder **f**, van het op 24 februari 1961 te Brussel gesloten verdrag tot verbetering van de verbinding tussen het Julianakanaal en het Albertkanaal - rechtgetrokken en genormaliseerde gedeelte en met uitzondering van de twee meest benedenstrooms gelegen afgesneden rivierbochten; en - b. van de grens bij grenspaal 106 (Smeermaas-Borgharen) tot de grens bij grenspaal 126 (Kessenich-Stevensweert). Artikel 1.01. Betekenis van enige uitdrukkingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. schip: elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water; - b. motorschip: een schip dat gebruik maakt van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, met uitzondering van een schip waarvan de motor slechts wordt gebruikt voor het zich verplaatsen over een kleine afstand of ter verbetering van zijn bestuurbaarheid wanneer het wordt gesleept of geduwd; - c. zeilschip: een schip dat uitsluitend door middel van zijn zeilen wordt voortbewogen. Een schip dat door middel van zijn zeilen wordt voortbewogen en tegelijkertijd zijn motor gebruikt is een motorschip; - d. sleep: een samenstel van één of meer motorschepen en één of meer op tros daaraan verbonden andersoortige schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen, waarbij de motorschepen dienen voor het voortbewegen dan wel voor het voortbewegen en het sturen van de andersoortige schepen, drijvende vo"},{"i":19594,"b":"Besluit van 27 februari 1996, houdende vaststelling van aanvullende bepalingen voor de scheepvaart in de territoriale zee (Scheepvaartreglement territoriale zee) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 juli 1995, nr. S/J 13.399/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Gelet op de [artikelen 4, eerste, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=12), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=18), [31, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=31), en [36 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=36); De Raad van State gehoord (advies van 11 september 1995, nr. W09.95.0353); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 februari 1996, nr. S/J-96000464, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Toepassingsgebied Artikel 1 1. Onverminderd de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (**Trb.** 1974, 51), zoals gewijzigd, is dit besluit van toepassing in het gedeelte van de territoriale zee dat zeewaarts is gelegen van de lijn, zoals beschreven in [artikel 4, eerste lid, van het besluit van 7 november 1989, houdende het van toepassing verklaren van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (**Stb.** 502)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004644&artikel=4), behoudens dat gedeelte van de territoriale zee dat gemeentelijk is ingedeeld. 2. Het eerste lid is, voor wat de uitzondering van de toepasselijkheid in het gemeentelijk ingedeelde deel van de territoriale zee betreft, niet van toepassing ten aanzien van: - a. de verkeerstekens die zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007914&bijlage=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - b."},{"i":19591,"b":"Sanctieregeling Wegenverkeerswet 1994 joyriding 4.01.14 Beschrijving De strafbaarheid van de delicten die worden genoemd in de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) is op verschillende aspecten gebaseerd. Het in gevaar brengen van het verkeer is zo'n aspect. Bij joyriding speelt daarnaast het niet respecteren van andermans bezittingen. In afwijking van andere polarisregels dienen bij dit delict onderstaande sancties als uitgangspunt. De omrekening van sanctiepunten naar sancties dient bij het delict joyriding als volgt te geschieden: Gebruikte afkortingen: Geen"},{"i":19596,"b":"Besluit van 15 januari 1992, houdende een reglement voor de scheepvaart op de Westerschelde Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 januari 1990, nr. S/J 30.056/90, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4) en [31, tiende lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=31) (**Stb.** 1988, 352); De Raad van State gehoord (advies van 29 mei 1990, no. W09.90.0030); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 januari 1992, nr. DGSM/J 31.881/92 Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Toepassingsgebied Dit reglement is van toepassing op de Westerschelde met haar mondingen, met inbegrip van het gedeelte van de territoriale zee dat wordt begrensd door het gemeentelijk ingedeeld gebied van de gemeente Vlissingen (vanaf de kust (51°33’.85 N 003°29’.07 E) naar 51°34’.42 N 003°29’.15 E, vandaar naar 51°36’.98 N 003°27’.15 E, vandaar naar 51°35’.55 N 003°23’.24 E, vandaar naar 51°26’.00 N 003°18’.47 E en vandaar naar grenspaal 369). Artikel 2. Begripsomschrijvingen 1. In dit reglement wordt verstaan onder: - a. schip: een drijvend voorwerp, met inbegrip van een voorwerp zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of in staat om te worden gebruikt als een middel van verplaatsing te water; - b. zeeschip: een schip dat gewoonlijk de zee bevaart of hiertoe bestemd is; - c. binnenschip: een schip dat gewoonlijk de binnenwateren bevaart of hiertoe bestemd is; - d. bovenmaats zeeschip: een zeeschip dat wegens zijn lengte en/of zijn diepgang in verband met de toestand van het vaarwater als dusdanig door de Rijkshavenmeester Westerschelde wordt aangegeven overeenkomstig de door hem vastgestelde en aan varenden bekend gemaakte normen; - e. sleepboot: een werktuiglijk voortbewogen schip dat sl"},{"i":14148,"b":"Regeling brievenbussen BES Artikel 1 Onder brievenbus wordt in deze regeling verstaan een voorziening voor het ontvangen van te bezorgen briefpost aan een huis- of kantooradres, bestaande uit: - a. een metalen of kunststoffen behuizing met tenminste de volgende afmetingen: 35 cm lengte, 25 cm breedte en 10 cm hoogte; - b. een gleuf in een deur, houten wand, stenen muur of pilaar met tenminste de volgende afmetingen: 25 cm lengte en 3,2 cm breedte. Artikel 2 1. Brievenbussen bestemd voor de aflevering van postzendingen behoren te zijn aangebracht zo dicht mogelijk bij de rijbaan van een voor motorrijtuigen op meer dan twee wielen berijdbare openbare weg en in geen geval meer dan 10 meter daarvan verwijderd te zijn. Ze dienen voorts van de weg af zonder belemmering bereikbaar te zijn. 2. Met een openbare weg als bedoeld in het vorige lid wordt bedoeld: - a. een weg die door de overheid tot algemeen gebruik is bestemd of, door de eigenaar tot algemeen gebruik is bestemd en door de overheid in openbaar beheer is aanvaard; - b. de weg met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken. 3. Aan of nabij de brievenbus behoort door een nummer of anderszins op duidelijke wijze te zijn aangegeven, bij welke woning, gebouw of gedeelte daarvan zij behoren. 4. Brievenbussen in of aan gebouwen of woningen voldoen aan de in het eerste lid gestelde voorwaarde, indien zij zich niet meer dan tien meter gaans bevinden van de grens van een daar omschreven weg, waaronder mede worden verstaan de daartoe behorende trottoirs, paden, bermen en taluds. 5. De in het eerste lid gestelde voorwaarde is niet van toepassing op groepsgewijs geplaatste brievenbussen, die: - a. ten dienste van galerijflats zijn geplaatst op rechtstreeks met een lift of trappen bereikbare niveaus van die flats, mits de bussen ten dienste van alle op één niveau aanwezige en vanuit één en dezelfde lift of trappen bereikbare wonin"},{"i":19597,"b":"Scheepvaartverkeerswet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op de ontwikkelingen in het scheepvaartverkeer en in de ordening daarvan alsmede op de bij de ordening van dat verkeer betrokken belangen, wenselijk is de bepalingen met betrekking tot het scheepvaartverkeer op de binnenwateren en op zee te herzien alsmede, gezien hun onderlinge samenhang, onder te brengen in één wettelijke regeling, welke mede als grondslag kan dienen voor de uitvoering van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, voorzover deze het Koninkrijk binden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij daarin anders is bepaald, verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - b. schip: elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water; - c. scheepvaartverkeer: verkeer van schepen en andere vaartuigen; - d. scheepvaartwegen: voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande binnenwateren en de Nederlandse territoriale zee, daaronder begrepen de daarin aanwezige waterstaatswerken; - e. het voeren van een schip of ander vaartuig: het feitelijk de leiding hebben over een schip of ander vaartuig wat het deelnemen daarvan aan het scheepvaartverkeer betreft; - f. verkeersdeelnemer: degene die een schip of ander vaartuig voert; - g. verkeersteken: een in, naast of boven een scheepvaartweg aangebracht voorwerp of aangebrachte combinatie van voorwerpen waarmee aan het scheepvaartverkeer wordt gegeven: - 1°. een inlichting over de toestand van een bepaalde plaats in of een bepaald gedeelte van een sch"},{"i":19598,"b":"Selectielijst archiefbescheiden openbaar lichaam Havenschap Delfzijl/Eemshaven Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); en het Dagelijks Bestuur van het Havenschap Delfzijl/Eemshaven, De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 maart 1996, nr. 454); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor archiefbescheiden van het openbaar lichaam Havenschap Delfzijl/Eemshaven en zijn rechtsvoorganger Havenschap Delfzijl (periode 1958-1996), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":19599,"b":"Wet van 23 april 2003, houdende nieuwe algemene regels over de aanleg, het beheer, de toegankelijkheid en het gebruik van spoorwegen alsmede over het verkeer over spoorwegen (Spoorwegwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op [richtlijnen 91/440/EEG](31991L0440), [95/18/EG](31995L0018), [96/48/EG](31996L0048), [2001/12/EG](32001L0012), [2001/13/EG](32001L0013), [2001/14/EG](32001L0014) en [2001/16/EG](32001L0016) en mede gelet op het belang van de bescherming van het milieu noodzakelijk is wettelijke bepalingen vast te stellen inzake de aanleg, het beheer en het gebruik van spoorwegen en dat het ter bevordering van een maatschappelijk gewenste benutting van spoorwegen wenselijk is, de verantwoordelijkheid van de overheid voor de aanleg van spoorweginfrastructuur vast te leggen, de verantwoordelijkheid voor vervoer en spoorweginfrastructuur te scheiden en de publieke belangen die gemoeid zijn met het beheer van spoorweginfrastructuur te verzekeren door de invoering van een concessiestelsel voor het beheer, het gebruik van spoorwegen te bevorderen door het stellen van transparante en niet-discriminerende voorschriften en dat het voorts wenselijk is de wetgeving inzake de spoorwegen overigens te moderniseren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aangemelde instantie:** conformiteitsbeoordelingsinstantie die overeenkomstig artikel 37 van de interoperabiliteitsrichtlijn bij de Europese Commissie en de lidstaten is aangemeld; - **aangewezen instantie:** conformiteitsbeoordelingsinstantie die op grond van [artikel 26v, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&hoofdstuk=2a&paragraaf=7&artikel=26v&z=2024-01-01&g=2024-01-01), doo"},{"i":19613,"b":"Besluit van 11 oktober 2021 tot wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met de tijdelijke verlenging van de geldigheidsduur van het rijbewijs, getuigschrift van vakbekwaamheid en getuigschrift van nascholing in verband met COVID-19 en enkele andere wijzigingen (Tweede tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in verband met COVID-19) Artikel I Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel II Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. [Artikel I, onderdelen A en C tot en met F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045687&artikel=I&z=2021-10-13&g=2021-10-13), werkt terug tot en met 1 juli 2021. Artikel IV Dit besluit wordt aangehaald als: Tweede tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in verband met COVID-19. Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 20 september 2021, nr. IENW/BSK-2021/235541, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de artikelen 2, zesde lid, en 3, derde lid, van [Verordening (EU) 2021/267](32167R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot vaststelling van specifieke en tijdelijke maatregelen naar aanleiding van de COVID-19-crisis in verband met de vernieuwing of verlenging van bepaalde certificaten, getuigschriften en vergunningen, het uitstel van bepaalde periodieke controles en periodieke opleidingen op bepaalde gebieden van de vervoerswetgeving, en de verlenging van bepaalde in [Verordening (EU) 2020/698](32598R2020) bedoelde perioden (PbEU 2021, L 60), en de [artikelen 111, eerste lid, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111), [122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=122), [126, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=126), en [151d, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.o"},{"i":19614,"b":"Typegoedkeuring motorvoertuigen in EG-kader Overwegende, dat in het kader van de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, een richtlijn tot stand is gekomen; dat voor de implementatie van deze richtlijn in de Nederlandse wetgeving opname in de regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 augustus 1975, nr. R 51561, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Waterstaatsrecht (Stcrt. 151), noodzakelijk is, zodat deze regeling wijziging behoeft; Besluit: Artikel I Wijzigt de regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 augustus 1975, nr. R 51561, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Waterstaatsrecht (Stcrt. 151). Artikel II Deze regeling treedt in werking voor wat betreft het bepaalde bij: - a. artikel 2, eerste lid, van [Richtlijn 92/97/EEG](31992L0097) met ingang van 1 juli 1993; - b. artikel 2, tweede lid, van [Richtlijn 92/97/EEG](31992L0097) met ingang van 1 oktober 1995; - c. artikel 2, derde lid, van [Richtlijn 92/97/EEG](31992L0097) met ingang van 1 oktober 1996. De regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19615,"b":"Besluit van 15 december 1994, houdende uitvoering van artikel 4, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 inzake verkeersvoorschriften voor het militaire verkeer in gewone omstandigheden Op de voordracht van Onze Minister van Defensie, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving, van 4 oktober 1994, nr. CWW 89/128; Gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4); De Raad van State gehoord (advies van 1 november 1994, no. W07.94.0608); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 13 december 1994, nr. CWW 89/128, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Ten aanzien van voertuigen die worden gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten, gelden van het bepaalde bij de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend) de [artikelen 1, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=8), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=13), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=20), [146](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=146), [147](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=147), [149](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149), [150](https://wet"},{"i":19619,"b":"Wet van 20 januari 2021 tot uitvoering van Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (PbEU 2017, L 57) (Uitvoeringswet EU-zeehavenverordening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat Verordening (EU) 2017/352 wordt uitgevoerd en geïmplementeerd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Algemene bepalingen 1. In deze wet wordt verstaan onder: - **aanbieder van havendiensten:** aanbieder van havendiensten als bedoeld in artikel 2, dertiende lid, van de EU-zeehavenverordening; - **Autoriteit Consument en Markt:** Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - **bevoegde instantie:** bevoegde instantie als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de EU-zeehavenverordening; - **EU-zeehavenverordening:** Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (PbEU 2017, L 57); - **havenbeheerder:** havenbeheerder als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de EU-zeehavenverordening; - **Onze Minister:** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **zeehaven:** zeehaven als bedoeld in artikel 2, zestiende lid, van de EU-zeehavenverordening. 2. Een wijziging van de EU-zeehavenverordening gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven. Artikel 2. Toepassingsbe"},{"i":19635,"b":"Verdrag inzake verkeerstekens De Verdragsluitende Partijen, Erkennend dat een internationale eenvormigheid van verkeerstekens en -symbolen, alsmede van verkeerstekens op het wegdek noodzakelijk is om het internationale wegverkeer te vergemakkelijken en de verkeersveiligheid te verhogen, Zijn de navolgende bepalingen overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de daaraan in dit artikel toegekende betekenis: - (a). „Nationale wetgeving” van een Verdragsluitende Partij: het geheel van de nationale of plaatselijke wetten en voorschriften die op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij van kracht zijn; - (b). „Bebouwde kom”: een gebied dat op de plaatsen waar men dit binnen- of uitrijdt door speciale verkeerstekens als zodanig wordt aangeduid, dan wel een gebied dat in de nationale wetgeving op andere wijze is omschreven; - (c). „Weg”: het gehele oppervlak van elke weg of straat die voor het openbaar verkeer openstaat; - (d). „Rijbaan”: dat deel van een weg dat gewoonlijk voor het verkeer met voertuigen wordt gebruikt; een weg kan een aantal rijbanen bevatten die duidelijk zichtbaar van elkaar gescheiden zijn, bijvoorbeeld door een scheidende strook of een verschil in niveau; - (e). „Rijstrook”: elk van de delen waarin de rijbaan in de lengterichting kan worden verdeeld, al of niet aangegeven door strepen op het wegdek in de lengterichting, welke rijstrook voldoende breed moet zijn voor één rij rijdende motorvoertuigen, anders dan motorfietsen; - (e)bis. ,Fietsstrook’: een deel van de rijbaan dat voor fietsen bestemd is. Een fietsstrook wordt van de rest van de rijbaan onderscheiden door op het wegdek in de lengterichting aangebrachte tekens. - (e)ter. ,Fietspad’: een aparte weg of deel van een weg bestemd voor fietsen en die of dat als zodanig wordt aangegeven. Een fietspad wordt van andere wegen of andere gedeelten van dezelfde weg gescheiden door fysiek"},{"i":19640,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zuid-Afrika inzake scheepvaart De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zuid-Afrika, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, met het oog op de verdere ontwikkeling van de vriendschappelijke betrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zuid-Afrika en de versterking van de samenwerking op het gebied van de scheepvaart, overeenkomstig de beginselen van soevereine gelijkheid en wederzijds voordeel, komen het volgende overeen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt, tenzij uit het zinsverband een andere betekenis blijkt, verstaan onder: „bevoegde scheepvaartautoriteit\": met betrekking tot de Republiek Zuid-Afrika, de Minister van Vervoer, en met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. „bemanningslid\": de kapitein van het schip en elke persoon aan boord van een schip die daadwerkelijk is belast met werkzaamheden verband houdend met de exploitatie van of de dienstverlening op het schip, die is opgenomen op de monsterrol en die houder is van een identiteitsbewijs voor zeevarenden zoals bedoeld in artikel 11 van dit Verdrag; „schip van een Verdragsluitende Partij\": elk zeeschip gebruikt voor commerciële doeleinden, met uitzondering van visserij- en fabrieksschepen, dat is geregistreerd in en de vlag voert van een Verdragsluitende Partij in overeenstemming met haar nationale wetten en voorschriften. Artikel 2. Werkingssfeer De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de internationale scheepvaart tussen de Verdragsluitende Partijen, naar of uit derde landen, en op het vervoer van goederen en passagiers binnen het grondgebied van elk van beide Verdragsluitende Partijen, hierna te noemen „cabotage\", verricht door een schip van een Verdragsluitende Partij. Artikel 3. Algemeen De Verdrag"},{"i":19644,"b":"Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Keizer van Japan, gelijkelijk bezield met het verlangen om de betrekkingen van vriendschap en van goede verstandhouding, welke gelukkig tusschen Hen en Hunne onderdanen bestaan, te bevestigen, en overtuigd dat het duidelijk en stellig vaststellen der bepalingen, welke in het vervolg op de handelsbetrekkingen tusschen Hunne beide landen toepasselijk zullen zijn, tot het bereiken van dit in hooge in mate wenschelijke doel zal bijdragen, hebben besloten te dien einde een Verdrag van Handel en Scheepvaart te sluiten en tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer R. DE MAREES VAN SWINDEREN, Hoogstderzelver Kamerheer, Ridder van Hoogstderzelver Orde van den Nederlandschen Leeuw enz. enz., Hoogstderzelver Minister van Buitenlandsche Zaken: en Zijne Majesteit de Keizer van Japan: den heer AIMARO SATO, Shôshii, 1ste klasse van de Keizerlijke Orde van den Heiligen Schat enz., Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij het Hof van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: die, na elkander hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de navolgende artikelen zijn overeengekomen. Geschorst per 8 december 1941 (Trb. 1954/168). De schorsing is herroepen per 29 augustus 1953 (Trb. 1954/168). Artikel. Eerste De onderdanen der beide Hooge Contracteerende Partijen zullen volle vrijheid hebben met hunne gezinnen binnen te komen en zich te vestigen in de geheele uitgestrektheid van elkanders gebied of bezittingen; en, indien zij zich gedragen naar de wetten des lands: - 1°. zullen zij, in alles wat betreft het reizen en het verblijf, de studiën en onderzoekingen, de uitoefening hunner bedrijven en beroepen en het voeren van hunne bedrijfs- of nijverheidsondernemingen in alle opzichten op denzelfden voet geplaatst zijn als de"},{"i":7186,"b":"Vaststelling Richtlijnen 1986 voor beoordelen oprichtingen en statutenwijzigingen van n.v.'s en b.v.'s met beperkte aansprakelijkheid Overwegende dat de Richtlijnen 1976 en het supplement 1981 voor het beoordelen van oprichtingen en van statutenwijzigingen van naamloze en besloten vennootschappen wijziging behoeven en dienen te worden aangepast aan nieuwe wetgeving zoals de Aanpassingswet aan de tweede richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het vennootschapsrecht en de Nieuwe regeling voor het kapitaal van de besloten vennootschap, Besluit: 1. Vast te stellen de Richtlijnen 1986 voor het beoordelen van oprichtingen en van statutenwijzigingen van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid zoals deze luiden overeenkomstig de bij dit besluit behorende tekst; 2. dit besluit met de tekst van de Richtlijnen 1986 bekend te maken door plaatsing in de Nederlandse Staatscourant; 3. als datum waarop dit besluit in werking treedt vast te stellen de datum van de inwerkingtreding van de wet Nieuwe regeling voor het kapitaal van de besloten vennootschap. Richtlijnen inzake de uitvoering door het Ministerie van Justitie van de artikelen 68, 179, 125, 235, 72 en 183, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vastgesteld door de staatssecretaris van Justitie Voorwoord De Richtlijnen voor het beoordelen van oprichtingen en statutenwijzigingen zijn herzien als uitvloeisel van drie ontwikkelingen. Ten eerste is het wenselijk gebleken het toezicht bij oprichting te verscherpen. Daartoe zijn vragenlijsten ingevoerd. Ten tweede is gehoor gegeven aan de wens de richtlijnen te bekorten en enigermate te versoepelen. Ten derde zijn de toe te passen wetsartikelen inmiddels gewijzigd, vooral door de Aanpassingswet tweede richtlijn en de Nieuwe regeling voor het kapitaal van de b.v. Het supplement 1981, dat aansloot op de Aanpassingswet tweede richtlijn, en de sinds de richtlijnen 1976 verschenen departementale standpunten zijn verwerkt. Uitga"},{"i":19649,"b":"Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, In herinnering brengend dat de volkeren van alle landen sedert vele eeuwen de rechtspositie van diplomatieke vertegenwoordigers erkennen, Indachtig de doelstellingen en beginselen van het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) betreffende de soevereine gelijkheid der staten, de handhaving van internationale vrede en veiligheid, alsmede de bevordering van vriendschappelijke betrekkingen tussen de volkeren, In de overtuiging dat een internationaal verdrag inzake diplomatiek verkeer en diplomatieke voorrechten en immuniteiten een bijdrage zou betekenen tot de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen tussen de volkeren, ongeacht de verschillen in hun grondwettelijke en maatschappelijke stelsels, Beseffend dat het doel van deze voorrechten en immuniteiten niet is personen te bevoorrechten, doch te verzekeren dat diplomatieke zendingen als vertegenwoordigers der staten doelmatig functioneren, Bevestigend dat de regels van het internationale gewoonterecht van toepassing dienen te blijven op aangelegenheden die door de bepalingen van dit Verdrag niet uitdrukkelijk worden geregeld, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 In dit Verdrag hebben de navolgende uitdrukkingen de hieronder aangegeven betekenissen: - (a). het „hoofd van de zending”, de persoon die door de zendstaat is aangewezen om in die hoedanigheid op te treden; - (b). de „leden van de zending”, het hoofd van de zending en de personeelsleden van de zending; - (c). de „personeelsleden van de zending”, leden van het diplomatieke personeel of van het administratieve en technische personeel en van het bedienend personeel van de zending; - (d). de „leden van het diplomatieke personeel”, de leden van het personeel van de zending die een diplomatieke rang bezitten; - (e). een „diplomatiek ambtenaar”, het hoofd van de zending of een lid van het diplomatieke personeel van de zending; -"},{"i":7353,"b":"Wet van 28 april 1994, tot wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van de limitering van alimentatie na scheiding Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is in het Burgerlijk Wetboek een regeling op te nemen omtrent de beperking in duur van uitkeringen tot levensonderhoud uit hoofde van scheiding; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel Ia Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Deze wet is alléén van toepassing op de uitkeringen tot levensonderhoud die na de inwerkingtreding van deze wet door de rechter zijn toegekend of tussen partijen zijn overeengekomen. 2. Op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, beëindigt de rechter de verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechter in ieder geval rekening met: - a. de leeftijd van degene die tot de uitkering gerechtigd is; - b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren; - c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed; - d. de omstandigheid dat de tot de uitkering gerechtigde geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot de uitkering is gehouden. De rechte"},{"i":3645,"b":"Besluit van 23 mei 2014 tot het vaststellen van regels over de aanleg, het beheer, het gebruik en de veiligheid van lokale spoorwegen (Besluit lokaal spoor) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 9 december 2013, nr. IenM/BSK-2013/268587, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op de [artikelen 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=2), [14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=14), [24, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=24), [25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=25), [31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=31), [36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=36), [42, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=42), en [48, tiende lid, van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=48), [artikel 163, tiende lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=163), [artikel 110 van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=110) en [artikel 5:12, tweede lid van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 januari 2014, nr. W14.13.044g/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 20 mei 2014, nr. IenM/BSK-2014/92895, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de hoofdstukken 2 tot en met 10 van de Wet lokaal spoor in werking treden. Hoo"},{"i":4142,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 mei 2025, nr. Min-Buza.2025.2515867, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Gedetineerdenbegeleiding buitenland 2026–2030) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6);1Stb. 2005, nr. 137 Gelet op [artikel 2.10 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.10);2Stcrt. 2005, nr. 251 Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 2.10 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=2.10) met het oog op de financiering van activiteiten op het gebied van begeleiding van Nederlandse gedetineerden in het buitenland gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Voor subsidieverlening in het kader van Gedetineerdenbegeleiding buitenland 2026–2030 geldt voor de periode vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030 een subsidieplafond van € 8.903.065. 2. Van het in het eerste lid genoemde bedrag zijn voor de hierna genoemde vormen van begeleiding van Nederlandse gedetineerden in het buitenland de volgende bedragen beschikbaar: - a. activiteiten op het gebied van resocialisatie:€ € 3.783.803; - b. activiteiten op het gebied van zorg: € 2.225.766; - c. activiteiten op het gebied van aanvullende juridische ondersteuning: € 2.893.496. 3. Subsidieverlening geschiedt onder de voorwaarde dat voor het deel van de subsidie dat ten laste komt van een nog niet vastgestelde begroting voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. Artikel 3 Aanvragen voor een subsidie in het kader van Gedetineerdenbegeleiding buitenland 2026–2030 worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 15 augustus 2025 17:00 uur CET."},{"i":13449,"b":"Regeling van 9 december 2002 houdende de instelling van de baten-lastendienst Agentschap SZW Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Aan het Agentschap SZW te 's-Gravenhage wordt de status van baten-lastendienst als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001, verleend. 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: baten-lastendienst Agentschap SZW. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2003. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastendienst Agentschap SZW. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4467,"b":"Circulaire Aanpassingen WZV na modernisering AWBZ Aan besturen van ziekenhuisvoorzieningen ex [WZV](onbekend) Inleiding Met deze circulaire informeer ik u over de wijzigingen in de toepassing van de [Wet ziekenhuisvoorzieningen](onbekend) (WZV) per 1 april 2003 in verband met het in werking treden van het nieuwe [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149) in het kader van de modernisering van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614). Waar de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) voorheen uitging van instellingen, gaat deze per 1 april 2003 uit van zorgfuncties. De bedoeling daarvan is in Nederland de keuze van de cliënt centraal te stellen en daarvoor een ruimer en meer divers zorgaanbod te laten ontwikkelen. Veel van de gewenste nieuwe klantgerichte initiatieven zullen in de praktijk voorlopig afkomstig zijn van bestaande aanbieders. Om die reden is het van belang dat niet alleen de regels over de aanspraken, maar ook de regels over de planning en bouw van zorginstellingen aan de modernisering van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) worden aangepast. Uitgangspunt daarbij is dat de overheid zich niet bemoeit met zorg die extramuraal geleverd wordt, ook al levert die zorgaanbieder ook de functie verblijf. Voor instellingen die vallen onder de werking van de [WZV](onbekend) is daarom geregeld dat zij voor initiatieven die gericht zijn op zorgverlening aan cliënten die niet verblijven in de eigen instelling niet langer vergunningplichtig zijn. Hierdoor ontstaat er een gelijke concurrentiepositie voor wat betreft extramurale zorgverlening voor instellingen die daarnaast geen verblijf leveren en instellingen die dat wel doen. Aanpassingen in de [WZV](onbekend) 1 Met het nieuwe Besluit zorgaanspraken [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) is het [Besluit aanwijzing inrichtingen WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003257) aangepast (Stb. 2002, 527). Met"},{"i":6159,"b":"Besluit van 14 augustus 2003 tot het stellen van regels betreffende de veiligheid van tatoeagekleurstoffen (Warenwetbesluit tatoeagekleurstoffen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 april 2003, VGB/P&L 2373505, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op [artikel 4, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), en [14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14); De Raad van State gehoord (advies van 14 juli 2003, nr. W13.03.0152/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 augustus 2003, VGB/P&L 2399915, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. tatoeëren: huidpenetrerende handeling waarmee kleurstoffen intradermaal worden geïnjecteerd; - b. tatoeagekleurstof: kleurstof, pigment en hulpstoffen, inclusief mogelijke onzuiverheden, die geschikt zijn om bij het tatoeëren te worden gebruikt als kleurstof; - c. pigment: uit deeltjes bestaande, in het toepassingsmedium praktisch onoplosbare verbinding die als kleurstof wordt gebruikt; - d. steriel: vrij van levensvatbare organismen, virussen inbegrepen; - e. houder: verpakking van tatoeagekleurstof die rechtstreeks in aanraking komt met de tatoeagekleurstof; - f. **verordening (EU) 2020/2081:** [Verordening (EU) 2020/2081](32081R2020) van de Commissie van 14 december 2020 tot wijziging van bijlage XVII bij [Verordening (EG) nr. 1907/2006](32006R1907) van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) wat betreft stoffen in inkt voor tatoeage of permanente make-up (PbEU 2020, L 423). Artikel 2 Het is verboden tatoeagekleurs"},{"i":6112,"b":"Vrijstellingsbeschikking textielartikelen Gelet op [artikel 14, vierde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) (Stb. 1935, 793), Besluiten: Artikel 1 Vrijstelling van [artikel 13, eerste lid, van het Textielartikelenbesluit (Warenwet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002932&artikel=13) (Stb. 1974, 512) wordt verleend ten aanzien van: - a. een om een rol, plank of ander voorwerp gewikkeld textielartikel, dat in een winkel, op een markt of in enige andere voor het publiek toegankelijke verkoopplaats voor aflevering krachtens verkoop aan het publiek voorhanden wordt gehouden en slechts in gedeelten van door de onderscheidene kopers te bepalen lengten pleegt te worden verkocht, voor zover de voor dot textielartikel bij het [Textielartikelenbesluit (Warenwet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002932) vastgestelde of toegelaten aanduiding is aangebracht op of aan die rol, die plank of dat voorwerp en de vorm van die aanduiding voldoet aan het bepaalde in [artikel 13, derde en vierde lid, van het Textielartikelenbesluit (Warenwet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002932&artikel=13); - b. een textielartikel, dat in een winkel, op een markt of in enige andere voor het publiek toegankelijke verkoopplaats krachtens verkoop aan de koper wordt afgeleverd en aldaar in diens tegenwoordigheid met het oog op die aflevering is afgemeten of gemeten, voor zover: - 1º. dat textielartikel direct vóór die aflevering hetzij deel uitmaakte van een op die plaats aanwezig textielartikel waarvoor de onder a, bedoelde vrijstelling geldt, hetzij zelf een zodanig textielartikel was, en - 2º. de aanduiding die voor het textielartikel bij het [Textielartikelenbesluit (Warenwet)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002932) is vastgesteld of toegelaten, is aangebracht op of aan de rol, plank of een ander voorwerp, om hetwelk dat textielartikel voor die aflevering gewikkeld was, en de vorm van die aanduiding voldoet aan het bepaa"},{"i":6113,"b":"Besluit van 13 juli 2002, houdende vrijstelling van de verboden, bedoeld in de artikelen 15 en 29 van de Kernenergiewet, alsmede afwijking van het Besluit stralingsbescherming (Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 13 maart 2002, nr. CWW2001/203, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=14), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=21), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=32), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=34) en [75 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=75); De Raad van State gehoord (advies van 1 mei 2002, nr. W07.020122/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 8 juli 2002, nr. CWW 2001/203, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402); - b. Onze Minister: Onze Minister van Defensie. Artikel 2 Ten aanzien van splijtstoffen, ertsen, inrichtingen en uitrustingen, die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid, wordt vrijstelling verleend van het in [artikel 15 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) vervatte verbod. Artikel 3 Ten aanzien van radioactieve stoffen, die in gebr"},{"i":6115,"b":"Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 september 2001, nr. MJZ2001102504, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst; Gelet op de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=24), [32, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=32), en [artikel 39, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=39), [artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=3), [artikel 2c, derde lid, van de Wet rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003765&artikel=2c) en de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16) en [20 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=20), [artikel 74c van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74c), [artikel 18, derde lid, van de Wet politieregisters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004798&artikel=18), artikel 9, vijfde lid, onder b, van de Wet wapens en munitie, voor zover het betreft [artikel 5.1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&hoofdstuk=5&paragraaf=1&artikel=5.1.3&z=2024-10-01&g=2024-10-01), gelet op de [artikelen 8.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.2), [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.5) en [8.7 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&art"},{"i":6160,"b":"Besluit van 21 maart 2007 tot het stellen van veiligheidsvoorschriften bij het tatoeëren en piercen (Warenwetbesluit tatoeëren en piercen) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 november 2006, kenmerk VGP/PSL 2728403, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Justitie; Gelet op de [artikelen 5, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14), [24, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=24), [25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), [32b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b) en [33, eerste lid, onderdeel b, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=33); De Raad van State gehoord (advies van 4 januari 2007, nr. W13.06.0488/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 maart 2007, VGP/PSL 2756009, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. tatoeëren: huidpenetrerende handeling waarmee een kleurstof of pigment intradermaal wordt geïnjecteerd; - b. tatoeagemateriaal: waren die bestemd zijn of gebruikt worden voor het tatoeëren; - c. piercing: de waar die bestemd is of gebruikt wordt om als sieraad in een doorboring van de huid, slijmvliezen, kraakbeen of spierweefsel te worden achtergelaten; - d. piercen: het doorboren van de huid, slijmvliezen, kraakbeen of spierweefsel waardoor het mogelijk wordt in de doorboring een piercing achter te laten; - e. piercingmateriaal: waren die bestemd zijn of gebruikt worden voor het piercen; - f. veiligheidscode: een richtlijn voor het veilig gebruik van ta"},{"i":19653,"b":"Verstrekkingsvoorwaarden inzake het kentekenregister van de Dienst Wegverkeer 2022 Verstrekkingsvoorwaarden inzake het kentekenregister van de Dienst Wegverkeer 2022 De Dienst Wegverkeer is op basis van de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend) en het [Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951) verantwoordelijk voor het beheer van het kentekenregister als basisregistratie (hierna: register).Verstrekkingen van gegevens uit het register vinden plaats conform de doeleinden en voorwaarden genoemd in de wet- en regelgeving en deze aanvullende voorwaarden van de RDW. Iedere aanvrager of ontvanger van gegevens uit het register conformeert zich aan deze voorwaarden. Hoofdstuk 1. Algemeen deel van toepassing op alle categorieën van ontvangers Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - **aanvrager:** de persoon of instantie die de RDW verzoekt om informatie en/of gegevens uit het register beschikbaar te stellen; - **beroepsbeoefenaren:** door de minister als zodanig aangewezen (groepen van) personen of instanties voor zover zij de gegevens nodig hebben voor de aangewezen doelen als bedoeld in [artikel 9, lid 1, sub a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=9); - **betrokkene:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een kentekenbewijs is afgegeven; - **derden:** (rechts)personen die in opdracht van één of meer ontvanger(s) geheel of gedeeltelijk de verwerking van de van de RDW verkregen gevoelige gegevens voor die ontvanger(s) uitvoeren, voor zover die derden toegang hebben tot deze gevoelige gegevens; - **gevoelig gegeven:** gegeven als bedoeld in [artikel 7, lid 2 Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=7); - **informatieprovider:** door de minister aangewezen organisatie die gevoelige gegevens mag ontvangen voor aangewezen doeleinden als bedoeld in [art 9 lid 1, sub b Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=9); - **"},{"i":6211,"b":"Wet van 15 juni 1972, tot gemeentelijke herindeling van Noordwest-Overijssel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling van Noordwest-Overijssel te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt onder \"datum van herindeling\" verstaan de eerste dag van de vierde kalendermaand na de datum van inwerkingtreding van deze wet. 2. Waar in deze wet wordt gesproken van overgaand of toegevoegd gebied, wordt daaronder verstaan gebied van een gemeente, dat deel gaat uitmaken van een nieuwe gemeente, welke bij deze wet wordt gevormd. Hoofdstuk II. Gemeentelijke herindeling Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Blankenham, Blokzijl, Giethoorn, Kuinre, Oldemarkt, Steenwijk, Steenwijkerwold, Vollenhove en Wanneperveen opgeheven. 2. Met ingang van de datum van herindeling worden gevormd de nieuwe gemeenten Steenwijk, IJsselham en Brederwiede, van welke de grenzen zijn omschreven in onderscheidenlijk de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002826&hoofdstuk=II&artikel=3&z=1972-09-06&g=1972-09-06), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002826&hoofdstuk=II&artikel=4&z=1972-09-06&g=1972-09-06) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002826&hoofdstuk=II&artikel=5&z=1972-09-06&g=1972-09-06). 3. Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken over \"de nieuwe rijksweg\" wordt daarmede bedoeld de rijksweg 10, zoals aangegeven op de rijkswaterstaatskaart nr. 62.013. Artikel 3 De nieuwe gemeente Steenwijk wordt als volgt begrensd: van het punt van samenkomst van de grenzen der gemeenten Nijeveen, Wanneperveen en Steenwijkerwold volgt de grens de gemeentegrens tussen enerzijds de gemeente Steenwijkerwold en anderzijds de gemeenten Wannepervee"},{"i":4054,"b":"Besluit van 7 november 1989, houdende het van toepassing verklaren van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 juli 1989, nr. S/J 31.149/89, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Hoofdafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; Overwegende dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, bedoeld in artikel 1 van het op 20 oktober 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, (**Trb.** 1974, 51) zoals gewijzigd; Gelet op de artikelen 4, 20 en 31, tiende lid, van de [Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364) (**Stb.** 1988, 352); De Raad van State gehoord (advies van 27 september 1989, nr. W09.89.0439); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 6 november 1989, nr. S/J 31.839/89, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Hoofdafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De voor Nederland van kracht zijnde Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, bedoeld in artikel 1 van het op 20 oktober 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, (**Trb.** 1974, 51) zoals gewijzigd, zijn van toepassing op: - a. alle schepen die op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren: - 1°. in volle zee; - 2°. in de Nederlandse territoriale zee waaronder begrepen de wateren zeewaarts van de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004644&artikel=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) vastgestelde lijn; - 3°. op alle niet-Nederlandse wateren die met de volle zee in verbinding staan en bevaarbaar zijn voor zeegaande schepen; - b. alle andere schepen in de Nederl"},{"i":2706,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, april 2004 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975 en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31, onderdeel i, artikel 56, tweede lid, artikel 57, eerste lid en artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand april 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i, van die regeling, stelt op 16 april 2004, doch niet later dan 15 mei 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,868 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 april 2004 en eindigende met 15 mei 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), i"},{"i":6534,"b":"Besluit van 8 oktober 2009 tot wijziging van het Kaderbesluit EZ-subsidies Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 15 juli 2009, nr. WJZ / 9120322; Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 6 augustus 2009, nr. W10.09.0295/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 5 oktober 2009, nr. WJZ / 9157970; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Kaderbesluit EZ-subsidies. Artikel II De volgende besluiten worden ingetrokken: - a. het [Besluit EOS: demo en transitie-experimenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017332), - b. het [Besluit EOS: lange termijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017234), - c. het [Besluit subsidies civiele vliegtuigontwikkeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011247), - d. het [Besluit subsidies CO2-reductieplan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009670), - e. het [Besluit subsidies energieprogramma’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006515), - f. het [Besluit subsidies exportfinancieringsarrangementen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009056), - g. het [Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011582), met dien verstande dat die besluiten van toepassing blijven op de aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn verstrekt. Artikel III De [onderdelen C, M en O van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026535&artikel=I&z=2010-01-01&g=2010-01-01) zijn niet van toepassing op aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn verstrekt; daarop blijven de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=3), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":4880,"b":"Mandaatbesluit National Security Authority gelet op de NATO Security Policy (Security Within the North Atlantic Treaty Organization, CM(2002)49-REV1), gelet op de Council Decision on the security rules for protecting EU classified information (2013/488/EU), gelet op de Commission Decision on the security rules for protecting EU classified information (2015/444), gelet op de Regulations of the European Space Agency, Security Regulations (ESA/REG/004, rev.2), gelet op [artikel 8 tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=8); besluit vast te stellen: Artikel 1 Aan de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het optreden als National Security Authority (NSA). Artikel 2 1. De directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat ten aanzien van het mandaat, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047897&artikel=1&z=2023-02-23&g=2023-02-23), aan onder hem ressorterende functionarissen, respectievelijk tot het beperken of intrekken daarvan. 2. De directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst verleent ondermandaat als bedoeld in het eerste lid, bij schriftelijk besluit in overeenstemming met de secretaris-generaal. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het beslissen op een bezwaarschrift. Artikel 3 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 2020. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit National Security Authority. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2598,"b":"Beleidsregels van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 december 2008, nr. TRCJZ/2008/3638, houdende vaststelling van beleidsregels inzake dierenwelzijn Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020684&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020684&artikel=5) en [8 van de Regeling dierenvervoer 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020684&artikel=8), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006806&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006806&artikel=5), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006806&artikel=7) en [19 van het Varkensbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006806&artikel=19), de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012793&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012793&artikel=7) en [8 van de Vrijstellingsregeling dierenwelzijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012793&artikel=8), [artikel 106 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=106) en de [artikelen 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035217); - **minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - **transportverordening:** verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de [Richtlijnen 64/432/EEG](31964L0432) en [93/119/EG](31993L0119) en Verordening (EG) nr. [1255/97](33155L0097) (PbEU 2005, L 3). Hoofdstuk II. Transport van dieren Paragraaf 1. Algemeen Artikel 2. (definities) Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4. (hoogte dwangsommen) Vervallen Paragraaf 2. Vervoerder"},{"i":5575,"b":"Besluit van 14 september 1838, waarbij worden vastgesteld vier Reglementen, in voldoening aan art. 19 der Wet op de samenstelling van de Rechterlijke macht en het beleid der Justitie Gezien art. 19 der Wet op de zamenstelling der Regterlijke magt en het beleid der Justitie; Gezien mede art. 2, litt. **a** en **b** van Ons besluit van den 10den April dezes jaars (**Staatsblad** n°. 12); Gelet op de ontwerpen van reglementen, ter voldoening aan het laatstgemelde artikel, door den Hoogen Raad der Nederlanden aan Ons ingediend; Op het rapport van Onzen Minister van Justitie, van den 3den dezer, n°. 35; Den Raad van State gehoord; Hebben besloten en besluiten: Artikel 1 De aan dit besluit gehechte reglementen: - I. Reglement, betreffende de wijze van eeds-aflegging der onderscheidene Regterlijke Ambtenaren, de afwezigheid, de afwisseling en de orde van de inwendige dienst van den Hoogen Raad, gelijk mede van de Hoven en Regtbanken; - II. Reglement, betreffende de titulature en het costuum der Regterlijke Ambtenaren, alsmede het costuum der Advocaten, Procureurs en Deurwaarders; - III. Reglement van orde en discipline voor de Advocaten en Procureurs; - IV. Reglement op de organisatie en de dienst der Deurwaarders en verdere regtsbedienden; worden bij deze door Ons goedgekeurd en vastgesteld, en zullen mitsdien, te rekenen van den 1sten October aanstaande, alom in alle zaken, waartoe dezelve betrekkelijk zijn, worden opgevolgd en nageleefd. Artikel 2 Wij behouden Ons voor, om de opgemelde reglementen nader te wijzigen of te veranderen, in dier voege als Ons, in vervolg van tijd, mogt blijken noodzakelijk te zijn. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk aan den Raad van State tot informatie medegedeeld en in het **Staatsblad** geplaatst zal worden."},{"i":4605,"b":"Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016–2019 De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 2.166, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.166), en [2.167, eerste lid, aanhef en onder a, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.167); Besluit: 1. Inleiding Het budget voor de regionale publieke omroep dient met ingang van 1 januari 2017 een taakstelling ad 17 miljoen euro te absorberen. Deze taakstelling vloeit voort uit het regeerakkoord-Rutte II.1Hieraan is uitvoering gegeven met de Wet van 18 december 2013 tot wijziging van onder meer de Mediawet 2008 in verband met onder meer aanpassing van de rijksmediabijdrage en overheveling van het budget voor de bekostiging van de regionale omroepen van het provinciefonds naar de mediabegroting (Stb. 2013, 570). Met het oog hierop is deze frictiekostenregeling opgesteld. Deze frictiekostenregeling bevat voorschriften op basis waarvan regionale publieke media-instellingen (hierna: rpmi’s) een aanvraag kunnen indienen bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) voor een financiële bijdrage voor de reorganisatiekosten die voortvloeien uit de realisatie van de taakstelling. Op grond van [artikel 2.166, eerste lid, onderdeel b, Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.166) kan de Minister middelen uit de Algemene Mediareserve inzetten als bijdrage voor de reorganisatiekosten die het gevolg zijn van het overheidsbesluit om de bovengenoemde taakstelling uit te voeren. Deze frictiekostenregeling dient in dit verband te worden beschouwd als een beleidskader -een set van beleidsregels- waarmee artikel 2.166, eerste lid, onderdeel b, Mediawet 2008 nader wordt ingevuld. Deze frictiekostenregeling kent twee"},{"i":2839,"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1999 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens [artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), per 30 september 1998 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1997; Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1999 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3,3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1999."},{"i":3202,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 november 2025 nr. BOACAT2025/200, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Amsterdam THOR Gelezen het verzoek van gemeente Amsterdam THOR van 10 november 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051807&artikel=2&z=2025-12-11&g=2025-12-11). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van (senior) inspecteur vaarwegen, coördinator/teamleider nautisch toezicht en handhaving, (senior) medewerker toezicht en handhaving bouw en gebruik in dienst van gemeente Amsterdam THOR en VTH zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De ops"},{"i":2890,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2020 van 18 augustus 2019, nummer 2019/1 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 juni 2019 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 juni 2018; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 2,3%. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaosche Courant en de Landscourant van Sint Maarten. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 4 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2020."},{"i":2555,"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2022, nr. WJZ/ 22259319, houdende beleidsregels omtrent het verlagen van subsidie verleend voor plattelandsinterventies en sectorale interventies in het kader van Verordening (EU) 2021/2115 (Beleidsregel verlagen subsidie GLB) Gelet op: artikel 59, eerste lid, onderdeel d, van [verordening (EU) 2021/2116](32116R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) (PbEU 2021, L 435); [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); [artikel 1.6 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045685&artikel=1.6); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **administratieve sanctie:** het verlagen, wijzigen of intrekken van de subsidie naar aanleiding van een niet-naleving; - –. **agrarisch collectief:** vereniging als bedoeld in artikel 3.1 van de SVNL 2016; - –. **ANLb:** agrarisch natuur- en landschapsbeheer op grond van paragraaf 3 van de SVNL 2016; - –. **baselinevoorwaarden:** eisen, normen, voorschriften en voorwaarden als bedoeld in artikel 70, derde lid, van [verordening (EU) 2021/2115](32115R2021), zoals opgenomen in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047683&bijlage=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van de onderhavige beleidsregel; - –. **bedrijfsperceel:** oppervlakte die een deelnemer als behorende tot zijn bedrijf heeft geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland op de door of namens de minister aangegeven wijze; - –. **beschikte hectareprijs:** het gemiddelde bedrag per hectare per jaar voor het realiseren van een leefgebied of onderdeel van een leefgebied, zoals opgenomen in de beschikking"},{"i":6572,"b":"Besluit van 31 mei 2006, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 in verband met invoering cursusgeld voor de opleiding Nederlands als tweede taal Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, drs. M. Rutte, van 1 mei 2006, nr. WJZ/2006/18066 (1741), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 6, vierde lid, van de Les- en cursusgeldwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004188&artikel=6); De Raad van State gehoord (advies van 18 mei 2006, nr. W05.06.0139/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, drs. M. Rutte, van 24 mei 2006 nr. WJZ/2006/20970 (1741), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000. Artikel II Deelnemers die zich vóór 1 augustus 2006 aan een opleiding Nederlands als tweede taal hebben ingeschreven en zonder onderbreking die opleiding volgen, zijn in het cursusjaar 2006–2007 voor die opleiding geen cursusgeld verschuldigd. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2006. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7329,"b":"Besluit van 13 maart 2018 ter uitvoering van het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012) (Trb. 2013, 72) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 21 december 2017, nr. 2175500, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 1030, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1030), [1060, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1060), en [1065 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1065); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, 17 januari 2017, No.W16.17.0402/II Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 7 maart 2018, nr. 2216116, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Algemene bepalingen Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1065, Boek 8 Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit aansprakelijkheid gevaarlijke stoffen en milieuverontreiniging. Artikel III Dit besluit is slechts van toepassing ten aanzien van aansprakelijkheid voortvloeiende uit ongevallen die zich na de inwerkingtreding van dit besluit hebben voorgedaan. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12286,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Defensie van 20 februari 2026, nr. MINDEF20260010335, tot geheimverklaring van opdrachten in het kader van de Nederlandse Special Operation Forces Gelet op [artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23); Besluit: Opdrachten bestemd voor de Nederlandse Special Operation Forces worden geheim verklaard in de zin van de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203). Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19657,"b":"Wet agrarisch grondverkeer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen met betrekking tot een toetsing bij de vervreemding van landbouwgronden en natuurterreinen ter bevordering van een evenwichtige prijsontwikkeling, alsmede met betrekking tot de totstandkoming van een voorkeursrecht voor het bureau beheer landbouwgronden bij de verwerving van landbouwgronden en natuurterreinen. Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; landbouw: akkerbouw, veehouderij - daaronder begrepen intensieve veehouderij -, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen -, bosbouw en elke andere vorm van bodemcultuur; land: landbouwgrond en natuurterreinen; landbouwgrond: grond, waarop enige vorm van landbouw wordt of onmiddellijk kan worden uitgeoefend; natuurterreinen: heidevelden, hoogveenterrein, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruigtlanden, laagveenmoerassen, voor zover het geen landbouwgrond is; beperkt recht: het recht van erfpacht, opstal, beklemming of vruchtgebruik; vervreemding: de overdracht in eigendom of de toedeling van een onroerende zaak alsmede de overdracht of toedeling dan wel vestiging van een beperkt recht waaraan een onroerende zaak is onderworpen; vervreemder: de eigenaar van een onroerende zaak of de rechthebbende op een beperkt recht waaraan een onroerende zaak is onderworpen, die tot vervreemding wenst over te gaan, alsmede degene die bij ontbinding van een gemeenschap met de vereffening is belast en tot vervreemding wenst over te gaan; bedrijf: een complex, bestaande uit een"},{"i":19639,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals dit is geregeld bij het Haagse Verdrag van 1 maart 1954 Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de Bondspresident van de Republiek Oostenrijk, De wens koesterende om het rechtsverkeer, zoals dit is geregeld bij het Haagse Verdrag van 1 maart 1954 betreffende de burgerlijke rechtsvordering, tussen de beide Staten te vergemakkelijken, Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten, en hebben tot Hun Gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie mr. Henri Frederik Eschauzier, Harer Majesteits Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te Wenen; De Bondspresident van de Republiek Oostenrijk: De Heer Dr. Bruno Kreisky, Bondsminister van Buitenlandse Zaken, De Heer Dr. Christian Broda, Bondsminister van Justitie; Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, het volgende zijn overeengekomen: Overmaking van stukken Artikel 1 1. De in artikel 1, lid 1, van het Haagse Verdrag van 1 maart 1954 bedoelde gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken worden op de voet van het bepaalde in het volgende lid rechtstreeks toegezonden. - a). Wanneer de aanvrage afkomstig is van een Nederlandse autoriteit en het over te maken stuk vergezeld gaat van een vertaling in het Duits, wordt de aanvrage gezonden aan het Bezirksgericht, in welks gebied de persoon, voor wie het stuk bestemd is, verblijft. Indien geen vertaling is bijgevoegd, geschiedt de toezending aan dit Bezirksgericht door tussenkomst van het Bundesministerium für Justiz. - b). Oostenrijkse gerechten zenden hun aanvragen om overmaking van stukken aan de Officier van Justitie bij de Arrondissementsrechtbank, in welker gebied de persoon, voor wie het stuk bestemd is, verblijft. 3. De aanvragen om overmaking van stukken kunnen in de taal van de verzoekende Staat worden gesteld. Artikel 2 Het over te maken stuk behoeft nie"},{"i":13773,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de Nederlandse Organisatie van Wetenschappelijk Onderzoek van 22 mei 2019, nr. 2019 RvB 139, houdende vaststelling van de Klachtenregeling wetenschappelijke integriteit NWO De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. gelet op [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=3), en [artikel 6, tweede lid, van de Wet op de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=6); gelet op de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit 2018; BESLUIT: Preambule Het is van essentieel belang dat wetenschappelijk onderzoek volgens de leidende principes van wetenschappelijke integriteit – eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid – wordt uitgevoerd. Niet-integer onderzoek kan leiden tot directe schade (bijvoorbeeld aan de omgeving of patiënten), en kan het publieke vertrouwen in de wetenschap en het vertrouwen tussen wetenschappers onderling aantasten. NWO beschouwt het daarom als haar taak om te waken over de kwaliteit van het door NWO gefinancierde wetenschappelijk onderzoek. In dit kader heeft NWO het NWO Meldpunt wetenschappelijke integriteit ingesteld. Bij dit meldpunt worden klachten in behandeling genomen omtrent (mogelijke) schendingen van wetenschappelijke integriteit betreffende een persoon die projectleider is (geweest) of werkzaam is (geweest) op een (deels) door NWO gefinancierd onderzoeksproject. De raad van bestuur van NWO benoemt voor het meldpunt een of meerdere vertrouwenspersonen. De raad van bestuur kan een commissie wetenschappelijke integriteit NWO benoemen. Op basis van het advies van de commissie wetenschappelijke integriteit NWO stelt de raad van bestuur een aanvankelijk oordeel vast. Dit aanvankelijk oordeel kan door klager en/of beklaagde worden voorgelegd aan het Landelijk Orgaan voor Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). De Klachtenregeling Wetenscha"},{"i":19660,"b":"Wet van 6 november 1997, houdende regels betreffende het toezicht aan boord van schepen onder buitenlandse vlag in Nederlandse havens op de naleving van internationale voorschriften op het gebied van de veiligheid, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden (Wet havenstaatcontrole) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op [richtlijn nr. 95/21/EG](31995L0021) van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 1995 betreffende de naleving, met betrekking tot de schepen die gebruik maken van havens in de Gemeenschap en varen in de onder de jurisdictie van de lid-staten vallende wateren, van internationale normen op het gebied van de veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord (havenstaatcontrole) (**PbEG** L 157), noodzakelijk is, mede ter vervanging van de daarop betrekking hebbende bepalingen in enkele wetten, algemene regels te stellen ten aanzien van havenstaatcontrole; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - b. verdrag: - 1°. het op 5 april 1966 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de uitwatering van schepen (**Trb**. 1966, 275), - 2°. het op 23 juni 1969 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de meting van schepen (**Trb**. 1970, 122), - 3°. het op 20 oktober 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake voorkoming van aanvaringen op zee (**Trb**. 1974, 51), - 4°. het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake voorkoming van verontreiniging door schepen (**Trb**. 1975, 147), - 5°. het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de beveiliging van m"},{"i":19659,"b":"Wet van 8 juni 1977, houdende bepalingen betreffende het giraal effectenverkeer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is wettelijke bepalingen vast te stellen betreffende het giraal effectenverkeer; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aangesloten instelling:** rechtspersoon die als zodanig door een centraal instituut is toegelaten; - **centraal instituut:** een centrale effectenbewaarinstelling als bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PbEU 2014, L 257); - **effect:** financieel instrument als bedoeld in onderdeel a, b of c van de definitie van financieel instrument in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) en een ander financieel instrument waarvan een centraal instituut heeft bepaald dat het tot een girodepot kan behoren; - **intermediair:** aangesloten instelling, beleggingsonderneming of bank in de zin van [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) waaraan het op grond van die wet is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen respectievelijk het bedrijf van bank uit te oefenen; - **Onze Minister:** Onze Minister van Financiën; - **verzamelbewijs:** document waarin effecten aan toonder van één soort zijn belichaamd die tot een verzameldepot of een girodepot behoren. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Ve"},{"i":19661,"b":"Wet van 3 mei 1989, houdende regelen met betrekking tot de privatisering van het Waarborgfonds Motorverkeer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de betrokkenheid van de Staat bij het Waarborgfonds Motorverkeer terug te dringen en dat in verband daarmee wijziging van de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415) (**Stb.** 1984, 269) en het treffen van enkele andere wettelijke voorzieningen noodzakelijk zijn; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Wijzigingen van de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415) Artikel 1 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk II. Aanwijzing Artikel 2 De aanwijzing op de voet van het [eerste lid van artikel 23 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004540&hoofdstuk=II&artikel=2&z=1996-01-01&g=1996-01-01) (**Stb.** 1984, 269), zoals dat artikellid luidt ingevolge [onderdeel C van artikel 1 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004540&hoofdstuk=I&artikel=1&z=1996-01-01&g=1996-01-01), geschiedt op de datum waarop deze wet in werking treedt. Artikel 3 1. Behoudens het bepaalde in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004540&hoofdstuk=III&artikel=4&z=1996-01-01&g=1996-01-01) gaan op de datum van de aanwijzing bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004540&hoofdstuk=II&artikel=2&z=1996-01-01&g=1996-01-01), alle vermogensbestanddelen welke aan het Waarborgfonds Motorverkeer worden toegerekend, onder algemene titel over op de aangewezen rechtspersoon. 2. Onze Minister van Financiën doet van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen door een registeraccountant of een account"},{"i":13850,"b":"Monumentenwet BES Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: - a. **monumenten:** roerende en onroerende zaken, welke vóór tenminste vijftig jaar vervaardigd zijn en die van algemeen belang worden geacht wegens hun schoonheid, hun kunstwaarde, hun betekenis voor de wetenschap, de geschiedenis van het land of hun volkskundige waarde, met inbegrip van archeologisch erfgoed; - b. **stads- en dorpsgezichten:** groepen van onroerende zaken, hieronder begrepen bomen, wegen, straten en pleinen, welke met een of meer tot de groep behorende monumenten een beeld vormen dat van algemeen belang is wegens de schoonheid of het karakter van het geheel; - c. **monumenteneilandsverordening:** de verordening bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028429&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - d. **beschermde monumenten:** monumenten welke zijn ingeschreven in de bij de monumenteneilandsverordening vastgestelde registers; - e. **beschermde stads- en dorpsgezichten:** stads- en dorpsgezichten welke zijn ingeschreven in de bij de monumenteneilandsverordening vastgestelde registers. - f. **archeologisch erfgoed:** bouwwerken, voorwerpen of resten die zelfstandig of gezamenlijk, en al dan niet in de context van de vindplaats, duiden op menselijke activiteiten die in het verleden hebben plaatsgevonden, doch in elk geval langer dan vijftig jaar geleden. Artikel 2 De eilandsraden stellen voor het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius, onderscheidenlijk Saba een monumenteneilandsverordening vast, waarin voorzieningen worden getroffen tot het behoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten. Artikel 3 De monumenteneilandsverordening regelt in ieder geval: - a. de wijze waarop monumenten en stads- en dorpsgezichten tot beschermde monumenten respectievelijk beschermde stads- en dorpsgezichten worden aangewezen; - b. de publicatie van de aanwijzing tot beschermd monument of beschermd stads- en dorpsgezicht; - c. het inschrijven van beschermde monu"},{"i":12339,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 5 maart 2014 FM 2014/415 M, directie Financiële Markten, houdende de toestemming voor betalingsdienstgebruikers om tot en met 31 januari 2016 omzettingsdiensten aan te bieden voor binnenlandse betalingstransacties Gelet op artikel 16, eerste lid, Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009, Pb EU L 94 van 30.3.2012; Besluit: Artikel 1 1. Het is betalingsdienstaanbieders toegestaan om tot en met 31 januari 2016 aan betalingsdienstgebruikers omzettingsdiensten aan te bieden voor binnenlandse betalingstransacties, zodat betalingsdienstgebruikers die consument zijn het Nederlandse BBAN kunnen blijven gebruiken. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder ‘betaaldienstaanbieder’, ‘betalingdienstgebruiker’, ‘BBAN’, ‘binnenlandse betalingstransactie’ en ‘consument’ verstaan hetgeen daaronder in de Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009, Pb EU L 94 van 30.3.2012, wordt verstaan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 februari 2014. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19638,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Letland inzake scheepvaart Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Letland, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Met het oog op de verdere ontwikkeling van de vriendschappelijke betrekkingen tussen de twee landen en de versterking van de samenwerking op het gebied van de scheepvaart, Overeenkomstig de beginselen van gelijkheid en wederzijds voordeel, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. is de „bevoegde scheepvaartautoriteit” in het Koninkrijk der Nederlanden het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en in de Republiek Letland het Ministerie van Verkeer of in beide gevallen een natuurlijke persoon of rechtspersoon die bevoegd is de momenteel door de genoemde autoriteiten uitgeoefende functies te vervullen; - 2. wordt onder „schip van een Verdragsluitende Partij” verstaan elk zeeschip dat wordt gebruikt voor de koopvaardij, met uitzondering van vissersschepen en fabrieksschepen, dat is geregistreerd op het grondgebied en de vlag voert van een Verdragsluitende Partij in overeenstemming met haar nationale wetten en voorschriften; - 3. wordt onder „bemanningslid” verstaan: de kapitein van het schip en elke persoon aan boord van een schip die daadwerkelijk is belast met werkzaamheden verband houdend met de exploitatie van of de dienstverlening op het schip, die is opgenomen op de monsterrol en die houder is van een identiteitsbewijs voor zeevarenden als bedoeld in artikel 11 van dit Verdrag; - 4. heeft „onderneming van een Verdragsluitende Partij” dezelfde betekenis als „onderneming van een Verdragsluitende Staat” in artikel 8 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Letland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (onderteke"},{"i":12530,"b":"Besluit van 17 juni 2002 tot uitvoering van artikel 13 van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals gewijzigd bij Rijkswet van 21 december 2000 (Stb. 2000, 618) (Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 31 januari 2002, Directie Wetgeving, Nr. 5140648/01/6; Gelet op [artikel 13 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 7 maart 2002, nr. W03.02.0051/I/K); Gezien het nader rapport van de Minister van Justitie van 10 juni 2002, Directie Wetgeving, Nr. 5160434/02/6; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk; - b. optie: verkrijging van het Nederlanderschap als bedoeld in [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=3) en [artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28), [artikel V, eerste lid, van de Rijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) (Stb. 618) en [artikel II, eerste lid, van de Rijkswet van 27 juni 2008 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter invoering van een verklaring van verbondenheid, en tot aanpassing van de regeling van de verkrijging van het Nederlanderschap na erkenning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (Stb. 270); - c. naturalisatie: verlening van het Nederlanderschap als bedoeld in [hoofdstuk 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=4); - d. openbaar lichaam: de openbare lichamen Bonaire"},{"i":12214,"b":"Koninklijk besluit van 21 augustus 1815, no. 79, betreffende Engelse adel Op de Voordragt van den Hoogen Raad van Adel, in dato 16 November 1814 No162/60, omtrent de zwarigheden die denzelven zijn voorgekomen in de juiste beoordeling der aanzoeken die verschillende personen hier te lande gevestigd, doch sustinerende van Engelschen of Schotschen adel afkomstig te zijn, bij Ons gedaan hebben ten einde in den Nederlandschen adel te worden ingelijfd; Hebben goedgevonden den Hoogen Raad van Adel te autoriseren om die beoordeling te doen rusten op het beginzel dat niet alleen de afstammelingen van **Pairs** en **Baronets** voor den Adel van Engeland, Schotland en Ierland te houden zijn, maar in het algemeen zoodanigen die behooren tot geslagten van eene aanzienelijke geboorte en die zulks, het zij door getuigschriften van het Herald's College en van den Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken te **Londen**, het zij door andere duchtige bewijzen, weten te staven. En zullen Wij als nu de rapporten van den Hoogen Raad van Adel op de aan denzelven successivelijk gerenvoijeerde requesten van **Melville van Canbée**, **Mackay** en **Cliffort** te gemoet zien."},{"i":19663,"b":"Wet van 18 december 2019 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie richtlijn harmonisatie en vereenvoudiging handelsverkeer tussen lidstaten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de wetgeving inzake omzetbelasting aan te passen overeenkomstig artikel 1 van Richtlijn (EU) 2018/1910 van de Raad van 4 december 2018 tot wijziging van [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) wat betreft de harmonisatie en vereenvoudiging van bepaalde regels in het btw-stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten (PbEU 2018, L 311); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie richtlijn harmonisatie en vereenvoudiging handelsverkeer tussen lidstaten. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11963,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief betreffende Oud-Spanjestrijders 1937–1941 (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen dossiers betreffende Oud-Spanjestrijders van het Ministerie van Justitie de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":11962,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief betreffende Oud-Spanjestrijders 1937–1941, toegang 2.09.99 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de Minister van Justitie van 19 september 2008 houdende de beperking op de openbaarheid van het archief betreffende Oud-Spanjestrijders 1937–1941](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026696) (Staatscourant 2009, 17876), Gehoord hebbende de Minister van Justitie, Besluit: De beperking die gesteld is aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in de inventarisnummers 49, 50, 101, 160, 172, 189, 238, 253 en 270 van het archief Ministerie van Justitie: Oud-Spanjestrijders, toegang 2.09.99, wordt opgeheven. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":13481,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 mei 2024, nr. E&K/45886423, houdende instelling van een Commissie ter beoordeling van de beschermwaardigheid van cultuurgoederen (Instellingsbesluit Commissie Beschermde Cultuurgoederen) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, onder 1°, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - b. **commissie:** Commissie Beschermde Cultuurgoederen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049759&artikel=2&z=2024-06-05&g=2024-06-05); - c. **cultuurgoed:** roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed ([artikel 1.1 Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1)); - d. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - e. **ministerie:** Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - f. **uitvoervergunning:** een vergunning voor uitvoer van een cultuurgoed buiten de EU; - g. **verzameling:** cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen ([artikel 1.1. Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1)); - h. **beschermd cultuurgoed:** cultuurgoed dat - •. als zodanig is aangewezen op grond van [artikel 3.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=3.7); of - •. voorkomt in een opsomming als bedoeld in [artikel 3.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=3.7); of - •. in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van [artikel 3.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=3.8), zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene"},{"i":13482,"b":"Instellingsbesluit Commissie besluitvorming stemmachines Gelet op [artikel 1, tweede lid, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12824,"b":"Besluit van 17 juni 2016, nr. 2016001047, houdende vaststelling van een selectielijst voor het Kabinet van de Koning, over de periode vanaf 30 april 2013 Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juni 2016, kenmerk NA/16/16542, agentschap Nationaal Archief, gedaan in overeenstemming met het Kabinet van de Koning; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de selectie van de administratieve neerslag van het handelen van het Kabinet van de Koning, over de periode vanaf 30 april 2013’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘[Selectielijst van het Kabinet der Koningin, over de periode vanaf 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010854)’ (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 238, d.d. 9 december 1999) wordt afgesloten per 30 april 2013. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19664,"b":"Wet van 8 juli 1999, houdende intrekking van de Wet stimulering zeescheepvaart alsmede, in verband daarmee, het treffen van enkele overgangsmaatregelen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet stimulering zeescheepvaart in te trekken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I De Wet stimulering zeescheepvaart wordt ingetrokken. ARTIKEL II Het bepaalde bij en krachtens de Wet stimulering zeescheepvaart blijft van toepassing met betrekking tot: - a. de rechten en verplichtingen die samenhangen met structuurverklaringen en correctieverklaringen, welke voor de intrekking van de Wet stimulering zeescheepvaart zijn afgegeven op grond van die wet; - b. de aanvragen tot afgifte van een structuurverklaring welke voor de intrekking van de Wet stimulering zeescheepvaart zijn ingediend op grond van die wet, alsmede met betrekking tot de rechten en verplichtingen die samenhangen met de eventuele op grond van deze aanvragen af te geven structuurverklaringen; - c. de afgifte van correctieverklaringen, af te geven naar aanleiding van structuurverklaringen als bedoeld in de onderdelen a en b, en de met deze correctieverklaringen samenhangende verplichtingen; - d. de instelling van beroep tegen een besluit op grond van de Wet stimulering zeescheepvaart. ARTIKEL III Het bepaalde bij en krachtens artikel 26 van de Wet stimulering zeescheepvaart blijft van toepassing ten behoeve van het toezicht op de naleving van de op grond van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010596&artikel=II&z=1999-08-04&g=1999-08-04) van toepassing blijvende bepalingen, met dien verstande dat de toezichthouders niet beschikken over de bevoegdheden, genoemd in de [artikelen 5:15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:15) en [5:17 tot en met 5:19 van d"},{"i":19665,"b":"Wet van 16 november 1995, houdende het opnieuw vaststellen van de Wet toezicht effectenverkeer in verband met de uitvoering van de richtlijn betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten en van de richtlijn betreffende de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Wet toezicht effectenverkeer te wijzigen ter uitvoering van [richtlijn nr. 93/6/EEG](31993L0006) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (**PbEG** L 141) alsmede van [richtlijn nr. 93/22/EEG](31993L0022) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (**PbEG** L 141), en dat het wenselijk is in verband hiermee alsmede in verband met enige noodzakelijke andere aanpassingen van die wet, de Wet toezicht effectenverkeer opnieuw vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt - voor zover niet anders is bepaald - verstaan onder: - a. effecten: - 1°. aandeelbewijzen, schuldbrieven, winst- en oprichtersbewijzen, optiebewijzen, warrants, en soortgelijke waardepapieren; - 2°. rechten van deelgenootschap, opties, rechten op overdracht op termijn van goederen, inschrijvingen in aandelen- en schuldregisters, en soortgelijke, al dan niet voorwaardelijke, rechten; - 3°. certificaten van waarden als hiervoor bedoeld; - 4°. recepissen van waarden als hiervoor bedoeld; - b. vervallen; - c. vervallen; - d. vervallen; - e. effectenbeurs: een markt die aan regels is onderworpen en die bestemd is voor het"},{"i":14319,"b":"Regeling houdende nieuwe voorschriften met betrekking tot de aflevering en het voorschrijven van middelen als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Opiumwet 1960 BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Opiumwet 1960 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028519); - b. **de Inspecteur:** de Inspecteur voor Geneesmiddelen; - c. **middel:** elke stof, of enige bereiding daarvan, als bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028519&artikel=3), [3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028519&artikel=3a) en [4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028519&artikel=4) of aangewezen krachtens artikel 3, het eerste lid, onder f, van de wet. - d. **gevestigde apotheker:** apotheker, ingeschreven in het register van apothekers die de artsenijbereidkunde uitoefenen, zoals bedoeld in [artikel 7, eerste lid van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028486&artikel=7); - e. **het verdrag:** het op 30 maart 1961 te New York tot stand gekomen Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen (Trb. 1963, 81), zoals gewijzigd bij het op 25 maart 1972 te Genève tot stand gekomen Protocol tot wijziging van dat verdrag (Trb. 1987, 90), dan wel het op 21 februari 1971 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake psychotrope stoffen (Trb. 1989, 129). Artikel 2 1. Gevestigde apothekers mogen middelen uitsluitend afleveren op een recept van een geneeskundige, een tandheelkundige of een diergeneeskundige en slechts indien het recept voldoet aan de eisen gesteld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028709&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10) van deze regeling. 2. Het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin de aflevering geen uitstel gedoogt en de apotheker zich voldoende zekerheid heeft verschaft dat gevaar voor misbr"},{"i":12825,"b":"Besluit van 4 september 2017, nr. 2017001453, houdende vaststelling van een selectielijst voor de Kanselarij der Nederlandse Orden, het Kapittel voor de Civiele Orden en het Kapittel der Militaire Willems-Orde vanaf 1945 Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 augustus 2017, kenmerk NA/17/1230595, agentschap Nationaal Archief, gedaan in overeenstemming met het de Kanselarij der Nederlandse Orden; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de Kanselarij der Nederlandse Orden, het Kapittel voor de Civiele Orden en het Kapittel der Militaire Willems-Orde vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijsten worden met dit besluit ingetrokken: - •. [Selectielijst Kanselarij der Nederlandse Orden 1945–2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015066) (op het beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en het decoratiestelsel), Stcrt. 2003, nr. 93 - •. [Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Kapittel voor de Civiele Orden, het Kapittel der Militaire Willemsorde en het Nationaal Comité Verzetsherdenkingskruis op het beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en het decoratiestelsel over de periode 1945–2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015338), Stcrt. 2003, nr. 133 - ○. Uitgezonderd de werkprocessen van het Nationaal Comité Verzetsherdenkingskruis (44, 52 en 90), welke van kracht blijven. - •. [Selectielijst voor de handelingen van de Kanselarij der Nederlandse Orden op het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting over de periode 1945–2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019665), Stcrt. 2006 nr. 76 Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst. voor de Kanselari"},{"i":13429,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 16 februari 2023, nr. WJZ/ 26288340, houdende de instelling van de Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Adviescommissie:** Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047890&artikel=2&z=2025-06-12&g=2025-06-12); - b. **Minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - c. **Ministerie:** Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 1. Er is een Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie. 2. De Adviescommissie heeft tot taak de Minister te adviseren over de op te stellen Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie. 3. De Adviescommissie richt zich in het bijzonder op: - a. de beoogde doelen van de Maatwerkaanpak, te weten: - i. het verduurzamen en continueren van industriële activiteiten in het perspectief van een in 2050 klimaatneutraal Nederland, ook in het licht van de internationale context; - ii. het maximaal benutten van het additionele CO2-reductie potentieel van de industrie. Hierbij ligt de primaire focus op scope 1, maar ook scope 2 en 3 zijn van belang. - b. de mate waarin de Maatwerkafspraken andere beleidsdoelen helpen realiseren, op het gebied van verbetering van de leefomgeving, waarbij stikstofreductie een prominente rol heeft, en de gezondheid van omwonenden, energie- en gasbesparing en restwarmtebenutting; - c. de haalbaarheid van de afspraken in economisch en technisch perspectief; - d. de inpasbaarheid van de Maatwerkafspraken in het energiesysteem van de toekomst; - e. de doelmatigheid van de Maatwerkafspraken. Artikel 3 1. De Adviescommissie adviseert per Maatwerkafspraak op basis van een concept Joint Letter of Intent. 2. De Adviescommissie a"},{"i":12450,"b":"Besluit Kosovo-medaille Overwegende, dat personeel van alle krijgsmachtdelen heeft deelgenomen aan verschillende operaties in en rond Kosovo; dat het desbetreffende personeel op soms zeer korte termijn is uitgezonden en is ingezet onder risicovolle en primitieve omstandigheden; dat het optreden van het desbetreffende personeel in hoge mate heeft bijgedragen aan de inspanningen van de internationale gemeenschap een oplossing voor het Kosovo-conflict te bewerkstelligen; dat het wenselijk is erkentelijkheid tot uitdrukking te brengen jegens dat personeel, ongeacht de duur van die deelname, Besluit: Artikel 1 Er wordt ingesteld de Kosovo-medaille. Artikel 2 1. De Kosovo-medaille is van bronskleurig metaal vervaardigd en is cirkelvormig met een middellijn van 30 millimeter. De voorzijde van de medaille vertoont vier elkaar kruisende zwaarden, waarvan de lemmeten naar boven zijn gericht, met over de lemmeten een lauwerkrans van twee takken, alles in reliëf. De keerzijde van de medaille vertoont langs de rand een met lint omwonden, gesloten lauwerkrans, met binnen langs de lauwerkrans aan de bovenzijde de woorden ‘UIT ERKENTELIJKHEID’, aan de onderzijde de woorden ‘DE MINISTER VAN DEFENSIE’ en in het midden horizontaal de aanduiding ‘KOSOVO’, alles in reliëf. 2. De medaille is door middel van een ring verbonden aan een moiré lint van 27 millimeter breed, verdeeld in banen van gelijke breedte, achtereenvolgens in de kleuren paars, wit, paars, wit en paars. Artikel 3 1. De Kosovo-medaille wordt eenmalig toegekend aan hen die van overheidswege in Nederlands militair verband daadwerkelijk zijn uitgezonden naar en hebben deelgenomen aan een of meer van de volgende operaties in en rond Kosovo: - a. Joint Guarantor/Extraction Force, - b. Eagle Eye/Noble Anvil (NATO Kosovo Verificatie Missie), - c. Allied Force, - d. Allied Harvest, - e. Joint Guardian (KFOR), of - f. Provide Shelter. 2. De in het eerste lid bedoelde personen dienen bij hun deelname en optreden in alle opzichten e"},{"i":12116,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Voedselzekerheid, Visserij en Natuur van 8 december 2025, nr. DGA / 99372308 ter bevestiging van het tekort biologische eiwithoudende diervoeders voor pluimvee en varkens in 2024 en 2025 Gelet op: Bijlage II, deel II, punten 1.9.3.1, onderdeel c, en 1.9.4.2, onderdeel c, van [Verordening (EU) nr. 2018/848](32018R0848) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 834/2007](32007R0834) van de Raad (PbEU 2018, L150); en [Artikel 5 Regeling diervoeders 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028123&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De Minister bevestigt overeenkomstig bijlage II, deel II, punten 1.9.3.1, onderdeel c, en 1.9.4.2, onderdeel c, van [Verordening (EU) nr. 2018/848](32018R0848) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 834/2007](32007R0834) van de Raad (PbEU 2018, L150) dat biologische eiwithoudende diervoeders voor pluimvee en varkens in 2024 en 2025 niet in voldoende hoeveelheid beschikbaar waren en zijn in Nederland. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14316,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 november 2006, nr. VGP/ADT 2728896, houdende een specifieke uitkering voor heroïnebehandeling (Regeling heroïnebehandeling) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet volksgezondheidssubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. heroïnebehandeling: aan een cliënt op medisch voorschrift verstrekken van heroïne in combinatie met methadon en psycho-sociale begeleiding; - c. behandelplaats: capaciteit om gedurende een kalenderjaar één cliënt een heroïnebehandeling te verlenen; - d. behandeleenheid: inrichting voor heroïnebehandeling. Artikel 2 1. De Minister kan ten behoeve van het jaar 2025 aan de volgende gemeenten een specifieke uitkering verstrekken voor de kosten van het exploiteren van het bij de desbetreffende gemeente genoemde aantal behandeleenheden, van ten hoogste het bij de desbetreffende gemeente genoemde bedrag, met in totaal ten hoogste het bij de desbetreffende gemeente genoemde aantal behandelplaatsen: | Amsterdam | 2 | 90 | 2.210.562 | | --- | --- | --- | --- | | Apeldoorn | 1 | 20 | 678.092 | | Arnhem | 1 | 23 | 751.324 | | Den Haag | 1 | 60 | 1.396.857 | | Deventer | 1 | 20 | 678.092 | | Eindhoven | 1 | 20 | 678.092 | | Enschede | 1 | 25 | 800.146 | | Groningen | 1 | 25 | 800.146 | | Heerlen | 1 | 27 | 843.544 | | ‘s-Hertogenbosch | 1 | 20 | 678.092 | | Leeuwarden | 1 | 30 | 908.641 | | Maastricht | 1 | 20 | 678.092 | | Nijmegen | 1 | 20 | 678.092 | | Rotterdam | 1 | 72 | 1.559.593 | | Tilburg | 1 | 21 | 702.503 | | Utrecht | 1 | 44 | 1.163.599 | 2. Onder kosten worden verstaan de exploitatiekosten, gebaseerd op bedrijfseconomische aanvaardbare principes, van een behandeleenheid met uitzondering van de huisvestingskosten. 3. Een behandeleenheid bestaat uit ten minste 20 behandelplaatsen. Artikel 3 1. De uitkering wordt slechts verstrekt voo"},{"i":13941,"b":"Wet van 22 december 2011 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2012) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2012 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen, bijstellingen of technische reparaties aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel Ia Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VI Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel VII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel IX Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel X Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel Xa Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XIII Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XIIIa Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel XIV Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel XV Wijzigt de Douane- en Accijnswet BES. Artikel XVI Wijzigt de Wet inkomstenbelasting BES. Artikel XVII [Artikel 25 van de Wet inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281&artikel=25) vindt op 1 januari 2012 geen toepassing. Artikel XVIII Wijzigt de Wet loonbelasting BES. Artikel XIX Wijzigt de Provinciewet."},{"i":13187,"b":"Deelregeling coronaregeling medewerkers collectiebeleid Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het Mondriaan Fonds kan op grond van deze regeling subsidies verstrekken aan musea en collectiebeherende erfgoedinstellingen om een mogelijke inkrimping van het personeelsbestand op het gebied van collecties als gevolg van de coronacrisis te voorkomen en te stimuleren dat ook nieuw erfgoedtalent geworven kan worden. Artikel 2. Doelgroep De bijdrage kan worden aangevraagd door een publiekstoegankelijke instelling die als kernactiviteit het beheer en behoud van een collectie van cultureel erfgoed van regionaal en/of nationaal belang heeft en bij het afstoten het bepaalde in de [Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521) en de Leidraad voor het Afstoten van Museale Objecten (LAMO) volgt en waar mogelijk het waardestellend kader van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Artikel 3. Subsidiesoorten 1. Een bijdrage kan worden verstrekt voor personele ondersteuning op het gebied van: - a). Collectiebeheer; - b). Collectieonderzoek; - c). Educatie; - d). nieuw erfgoedtalent. 2. Voor de bijdrage bedoeld in eerste lid onder a, b of c kan het zowel gaan om het behoud van werknemers die als gevolg van de coronacrisis hun baan dreigen te verliezen als om het werven van nieuwe medewerkers. 3. Voor de bijdrage bedoeld onder artikel 3, eerste lid onder d dient nieuw talent geworven te worden met wie de instelling voorafgaand aan de aanvraag geen langdurige werkrelatie had. Artikel 4. Hoogte bijdrage 1. De subsidie bedraagt 50.000 euro per positie. 2. De aanvrager bepaalt de looptijd van aanstelling. 3. De eigen bijdrage van de instelling is minimaal 10 procent, 5.000 euro. 4. Indien het subsidieplafond, zoals beschreven in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044871&artikel=7&z=2021-03-02&g=2021-03-02), niet wordt overschreden, kan de"},{"i":12203,"b":"Besluit van de directeur van de directie BPZ van 30 juni 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen de directie BPZ wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":12300,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 oktober 2004, nr. IBE/BO-2524136, houdende de goedkeuring van de besluiten van het College voor Sociale Geneeskunde te weten het Kaderbesluit CSG en de drie specifieke besluiten betreffende Bedrijfsgeneeskunde, Maatschappij en gezondheid en Verzekeringsgeneeskunde Gelet op: – [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); – artikel 14, tweede lid, van de Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten; Besluit: De besluiten van het College voor Sociale Geneeskunde - –. Kaderbesluit CSG en de specifieke besluiten inzake - –. Bedrijfsgeneeskunde - –. Maatschappij & gezondheid - –. Verzekeringsgeneeskunde goed te keuren. Dit besluit zal samen met de desbetreffende vier besluiten van het College voor Sociale Geneeskunde worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":12469,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 11 juni 2013, DG-RWS, RWS-2013/28195/138346 houdende vaststelling van het Maritiem Rampenbestrijdingsplan Caribisch Nederland Gelet op [artikel 42, tweede lid, van de Wet maritiem beheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028550&artikel=42); Besluit: Artikel 1 De organisatie en coördinatie van de rampenbestrijding in de exclusieve economische zone rond de eilanden van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, bedoeld in [artikel 42 van de Wet maritiem beheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028550&artikel=42) vindt plaats overeenkomstig het Rampenbestrijdingsplan dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Maritiem Rampenbestrijdingsplan Caribisch Nederland Bijlage Gepubliceerd op www.rijksdiensten.com. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die elektronisch ter inzage wordt gelegd op www.rijksdienstcn.com."},{"i":13156,"b":"Besluit van 23 november 1981, tot vaststelling van een nieuw Consulair besluit Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 18 september 1981, Directie Algemene Zaken, DAZ/JZ-254109, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Justitie; Gelet op [artikel 1 der Consulaire Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001847&artikel=1); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 9 november 1981, nr. 811104/5); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 13 november 1981, Directie Algemene Zaken, DAZ/JZ-316792, mede namens de Staatssecretaris van Justitie; De bepalingen van het Statuut van het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De hoofden van alle consulaire posten zijn bevoegd tot het overeenkomstig [artikel 10:25, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25) in ontvangst nemen, beoordelen en opmaken van een verklaring houdende naamskeuze als bedoeld in artikel 10:25, eerste lid, onder b, van dat wetboek. Artikel 2 De hoofden van de volgende consulaire posten zijn bevoegd geboorte- en overlijdensakten op te maken: Bagdad Damascus Dubai Islamabad Kabul Koeweit Peking Riyadh Seoel Teheran Tel Aviv Tokio. Artikel 3 Het hoofd van de post Bagdad is bevoegd andere burgerlijke akten op te maken. Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 De in dit besluit vermelde namen kunnen bij besluit van Onze Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming worden gebracht met de geldende schrijfwijze en voor zover nodig ingevoegd op de alfabetisch correcte plaats. Een dergelijk besluit wordt bekend gemaakt in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten. Artikel 8 Het Koninklijk besluit van 15 september 1956, **Stb.** 484 wordt ingetrokken. Artikel 9 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na die waarop het *"},{"i":13432,"b":"Besluit van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 8 juni 2009, nr. DDE-355/2009, tot instelling van de Adviescommissie OntwikkelingsRelevante Infrastructuur Ontwikkeling Gelet op het [besluit van 23 februari 2009, R-nr. 649, tot vaststelling van de beleidsregels voor de schenkingsfaciliteit OntwikkelingsRelevante Infrastructuur Ontwikkeling (ORIO)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025451); Besluit: Artikel 1 1. Er is een Adviescommissie OntwikkelingsRelevante Infrastructuur Ontwikkeling (ACORIO). 2. De commissie adviseert de minister voor Ontwikkelingssamenwerking over de beoordeling van ingediende aanvragen (inclusief projectvoorstellen) en projectplannen voor een schenking in het kader van de schenkingsfaciliteit ORIO. De commissie evalueert op gezette tijden de implementatie van projecten. De commissie kan gevraagd en ongevraagd advies geven aan de minister voor Ontwikkelingssamenwerking over alle zaken betreffende de uitvoering van de ORIO faciliteit. Artikel 2 1. De beoordelingsprocedure van ORIO bestaat uit een eerste beoordeling en een tweede beoordeling. 2. Bij de eerste beoordeling toetst de commissie de ambtelijke beoordeling van aanvragen (inclusief projectvoorstellen) op kwaliteit en consistentie met de beleidsregels voor de ORIO faciliteit. 3. Bij de tweede beoordeling toetst de commissie de ambtelijke beoordeling van de uitgewerkte projectplannen op kwaliteit en consistentie met de beleidsregels voor de ORIO faciliteit. 4. De toetsing van de commissie resulteert in een advies aan de directeur EVD, die namens de minister voor Ontwikkelingssamenwerking beslist. 5. Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij ingediende aanvragen (inclusief projectvoorstellen) en projectplannen. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en tenminste twee en ten hoogste vier andere leden. 2. De voorzitter en de overige leden van de commissie"},{"i":13939,"b":"Wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2010) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2010 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen, bijstellingen alsmede enkele technische reparaties aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IIa Vervallen Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IVa Vervallen Artikel V Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel VI Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel VIa Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel VII Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel VIII Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel IX [Artikel 15, eerste lid, onderdeel z, tweede volzin, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15) zoals dat luidde op 31 december 2010, blijft van toepassing met betrekking tot omstandigheden als bedoeld in die volzin in gevallen waarin de vrijstelling ingevolge de eerste volzin van dat artikelonderdeel in 2010 toepassing heeft gevonden. Artikel X Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel XI Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel XII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XIIa Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XIIb Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIV [Artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"i":13814,"b":"Besluit van het hoofd van de Afdeling Coördinatie Bewaken en Beveiligen van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 28 oktober 2024, nr. 5841775, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het plaatsvervangend hoofd van die afdeling (Mandaatbesluit Coördinatie Bewaken en Beveiligen NCTV 2024) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit Bewaken en Beveiligen NCTV 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050385&artikel=1) aan het hoofd van de Afdeling Coördinatie Bewaken en Beveiligen verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die die afdeling betreffen ondermandaat verleend aan het plaatsvervangend hoofd van de Afdeling Coördinatie Bewaken en Beveiligen. Artikel 2 Het [Mandaatbesluit Coördinatie Bewaken en Beveiligen NCTV 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049354) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Coördinatie Bewaken en Beveiligen NCTV 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14317,"b":"Vaststelling klokkenluidersregeling (Beschikking van 3 mei 2004, nr. ICO 2004-1048) Overwegende dat het wenselijk is om voor de medewerkers van het kerndepartement van Financiën een regeling vast te stellen hoe om te gaan met signalen inzake misstanden en overige integriteitsinbreuken; Gelet op [artikel 50 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=50); Gelet op de [regeling procedure inzake het omgaan met een vermoeden van een misstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011899) nr. AD/2000/U98929 van 7 december 2000 (Stcrt. 2000, nr. 243) van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zoals deze regeling nadien is gewijzigd (Stcrt. 2002, nr. 249); Gehoord de departementale ondernemingsraad; Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de minister: de Minister van Financiën; - b. het ministerie: het Ministerie van Financiën, met uitzondering van de Belastingdienst; - c. medewerker: degene die al dan niet als ambtenaar in de zin van het [ARAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950) werkzaam is bij het ministerie; - d. hoofd van dienst: het hoofd van een directie c.q. een directoraat-generaal; - e. de adviseur integriteit: de door de secretaris-generaal aangewezen adviseur bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016675&paragraaf=2&artikel=2&z=2004-05-15&g=2004-05-15); - f. de vertrouwenspersoon integriteit: de door de secretaris-generaal aangewezen vertrouwenspersoon bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016675&paragraaf=6&artikel=10&z=2004-05-15&g=2004-05-15); - g. integriteit: de situatie waarin het handelen van het ministerie en zijn medewerkers gekenmerkt wordt door onkreukbaarheid en betrouwbaarheid; - h. integriteitsinbreuken: gedragingen, handelingen of uitingen die in strijd zijn met wet- en regelgeving of conve"},{"i":12513,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 16 december 2025, nr. WJZ/102802534, tot openstelling van het Besluit tegemoetkoming particuliere woningeigenaren mijnbouwschade steenkoolwinning Limburg Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Besluit tegemoetkoming particuliere woningeigenaren mijnbouwschade steenkoolwinning Limburg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051623&artikel=2) en [artikel 4:81 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. openstelling 1. Als tijdvak als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, van het Besluit tegemoetkoming particuliere woningeigenaren mijnbouwschade steenkoolwinning Limburg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051623&artikel=2) wordt vastgesteld: | Tijdvak 0 | Tijdvak 0 | Tijdvak 0 | | --- | --- | --- | | Openstelling | Categorie aanvragers | Categorie aanvragers | | 1 januari tot en met 22 maart 2026 | Natuurlijke persoon die eigenaar is van een woning gelegen in het mijnbouwschadegebied als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit tegemoetkoming particuliere woningeigenaren mijnbouwschade steenkoolwinning Limburg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051623&artikel=1) die: | Natuurlijke persoon die eigenaar is van een woning gelegen in het mijnbouwschadegebied als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit tegemoetkoming particuliere woningeigenaren mijnbouwschade steenkoolwinning Limburg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051623&artikel=1) die: | | 1 januari tot en met 22 maart 2026 | a. deelgenomen heeft aan het pilotproject in het kader van de voorbereiding van de toepassing van het [Besluit tegemoetkoming particuliere woningeigenaren mijnbouwschade steenkoolwinning Limburg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051623); | a. deelgenomen heeft aan het pilotproject in het kader van de voorbereiding van de toepassing van het [Besluit tegemoetkoming particuliere woningeigenaren mijnbouwschade steenkoolwinning Limburg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR005"},{"i":12451,"b":"Besluit van het Dagelijks Bestuur tot vaststelling van een regeling inzake kostenvergoeding bemiddeling vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000, 15 februari 2019 (Besluit kostenvergoeding bemiddeling vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000, 15 februari 2019) Gelet op [artikel 7 lid 4 van het Besluit Bemiddelaar Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013422&artikel=7), Besluit de aan partijen op te leggen kostenvergoeding als volgt vast te stellen: Artikel 1. Kostenvergoeding Voor elk door de Bemiddelaar te behandelen verzoek tot bemiddeling is door partijen afzonderlijk een eigen bijdrage inde kosten van de behandeling verschuldigd ter hoogte van EUR 575. Artikel 2. Aanpassing bedrag Indien daartoe aanleiding is kan het Dagelijks Bestuur van de raad besluiten het bedrag van de kostenvergoeding aan te passen. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als Besluit kostenvergoeding bemiddeling vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000, 15 februari 2019."},{"i":12437,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid tot het verlenen van inzage in overgebrachte archiefdossiers (archiefbescheiden) van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) door de algemene rijksarchivaris op grond van artikel 18 lid 1 van de Archiefwet 1995 (Besluit inzage overgebrachte archiefdossiers IND door DT&V) Overwegende dat op de overgebrachte archiefdossiers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst vanwege de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer een openbaarheidsbeperking berust in de zin van [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Overwegende dat de inzage in de overgebrachte archiefdossiers voor de DT&V noodzakelijk is voor de uitvoering van haar wettelijke taken; Overwegende dat de DT&V voor overbrenging de (archief-)dossiers van de IND kan raadplegen en zij ook na overbrenging op gelijke wijze als de IND toegang tot deze dossiers zou moeten krijgen; Besluit: Artikel 1 Dat raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden door de DT&V op gelijke wijze mogelijk is als door de archiefvormer en ketenpartner, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Een verzoek tot inzage zal worden behandeld volgens de daarvoor bij het Nationaal Archief geldende procedure voor inzage in archieven met een openbaarheidsbeperking. Artikel 2 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit de dossiers in het archief als genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041805&artikel=1&z=2019-01-22&g=2019-01-22), is binnen de termijn waarvoor de beperkingen zijn gesteld uitsluitend mogelijk volgens de voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Dit besluit dient te worden aangehaald als: Besluit inzage overgebrachte archiefdossiers IND door DT&V. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant wa"},{"i":12470,"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels ter uitvoering van de Wet op het financieel toezicht met betrekking tot de reikwijdte en toegang tot de financiële markten (Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft) Wij, Beatrix bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 juli 2006, nr. FM 2006-01703 M; Gelet op de [artikelen 1:102, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:102), [2:5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:5), [2:6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:6), [2:7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:7), [2:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:9), [2:12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:12), [2:13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:13), [2:17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:17), [2:21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:21), [2:22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:22), [2:31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:31), [2:32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:32), [2:33, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:33), [2:36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:36), [2:37, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:37), [2:39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:39), [2:41, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:41), [2:42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:42), [2:43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:43), [2:45, tweede lid](h"},{"i":19621,"b":"Wet van 23 december 1964, houdende uitvoering van het op 23 juli 1964 te Wenen ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals dit is geregeld bij het Haagse Verdrag van 1 maart 1954 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 23 juli 1964 te Wenen ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals dit is geregeld bij het Haagse Verdrag van 1 maart 1954; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt onder \"het verdrag\" verstaan het op 23 juli 1964 te Wenen ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals dit is geregeld bij het Haagse verdrag van 1 maart 1954 (**Trb.** 1954, 40). Artikel 2 De aanvragen om overmaking van stukken en de verzending van rogatoire commissies op de voet van de artikelen 1 en 3 van het verdrag geschieden aan Nederlandse zijde door de officieren van justitie bij de arrondissementsparketten. Artikel 3 De bij de overmaking van stukken gemaakte kosten, waarvan ingevolge artikel 5, tweede lid, van het verdrag door de Republiek Oostenrijk opgave wordt gedaan, worden in rekening gebracht aan degene te wiens verzoeke de Officier van Justitie de overmaking heeft aangevraagd. [Artikel 30 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=30) is van overeenkomstige toepassing. Artikel 4 Met betrekking tot kosten die zijn gemaakt bij de uitvoering van een rogatoire commissie en waarvan ingevolge artikel 5, tweede lid, van het verdrag door de Republiek Oostenrijk opgave word"},{"i":11815,"b":"Beleidsregel van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit van 23 mei 2024 over verantwoord spelen (Beleidsregel verantwoord spelen 2024) Gelet op [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3), [4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=4a), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=8), [14a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14a), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=15), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=23), [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27a), [7b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=7b), [7c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=7c), [7d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=7d), [27ja](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27ja), [30v](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30v) en [31m van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31m), [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=1.1) en [4.1 van het Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=4.1), [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=2), [2ab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=2ab), [3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=3a), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=8), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=13) en [18 van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=18), [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033613&artikel=4), [10](https://wett"},{"i":19666,"b":"Wet van 29 januari 1998, houdende intrekking van de Wet Havenschap Vlissingen en de Wet Havenschap Terneuzen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de deelname van het Rijk aan de gemeenschappelijke regelingen tot oprichting van de Havenschappen Vlissingen en Terneuzen te beëindigen en dat ingevolge artikel 8 van de Wet Havenschap Vlissingen onderscheidenlijk artikel 8 van de Wet Havenschap Terneuzen de besluiten tot opheffing van de gemeenschappelijke regelingen tot oprichting van de Havenschappen Vlissingen en Terneuzen goedkeuring bij de wet behoeven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 januari 1998. Artikel 1 De besluiten van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Financiën van 29 april 1997, van provinciale staten van Zeeland van 14 maart 1997 en van de raden van de gemeenten Vlissingen en Borsele van 27 maart 1997 en 6 maart 1997, onderscheidenlijk van de raden van de gemeenten Terneuzen en Sas van Gent van 27 maart 1997 en 27 februari 1997 tot opheffing van de gemeenschappelijke regelingen, waarbij de Havenschappen Vlissingen en Terneuzen zijn opgericht, worden goedgekeurd. Deze besluiten zijn als bijlagen bij deze wet gevoegd. Artikel 2 De Wet Havenschap Vlissingen en de Wet Havenschap Terneuzen worden ingetrokken. Artikel 3 Wijzigt de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Artikel 4 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1998. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1997, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 1998. Bijlage 1. bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009358&artikel=1&z=1998-02-25&g=1998-02-25) 29 april"},{"i":14194,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 7 december 2012, nr. WJZ/12346914, houdende regels met betrekking tot dierlijke producten (Regeling dierlijke producten) Gelet op [richtlijn nr. 92/52/EEG](31992L0052) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding die voor de uitvoer naar derde landen is bestemd (PbEG 1992 L 179), [verordening (EG) nr. 1760/2000](32000R1760) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 820/97](31997R0820) van de Raad (PbEG 2000 L 204), verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PbEG 2001 L 147), [verordening (EG) nr. 178/2002](32002R0178) van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsvoorschriften (PbEG 2002 L 31), [verordening (EG) nr. 852/2004](32004R0852) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PbEU 2004 L 139), [verordening (EG) nr. 853/2004](32004R0853) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004 L 139), [verordening (EG) nr. 854/2004](32004R0854) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde pr"},{"i":11816,"b":"Beleidsregel van het Commissariaat voor de Media van 22 mei 2018 over de voorwaarden waaronder schenken van verenigingsmiddelen geldt als een verenigingsactiviteit van omroeporganisaties (Beleidsregel verenigingsactiviteiten 2018) gelet op [artikel 2.136 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.136) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), overwegende: dat het Commissariaat voor de Media belast is met het toezicht op de naleving van de bepalingen in [artikel 2.136 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.136); dat in [artikel 2.136 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.136) het begrip verenigingsactiviteiten is gedefinieerd en wordt bepaald onder welke voorwaarden omroeporganisaties de in deze bepaling genoemde inkomsten mogen gebruiken voor verenigingsactiviteiten; dat onder omroeporganisaties de vraag leeft of, en zo ja, in hoeverre het schenken van verenigingsmiddelen aan derden is toegestaan, dat het Commissariaat het daarom van belang vindt om de strekking van genoemd artikel op dit punt nader te duiden en met het oog daarop een beleidsregel vast te stellen over de wijze waarop het Commissariaat voor de Media uitleg geeft aan de wettelijke eisen; Besluit: Artikel 1. Voorwaarden voor schenkingen van omroeporganisaties aan derden Schenkingen van omroeporganisaties aan derden worden door het Commissariaat aangemerkt als een verenigingsactiviteit in de zin van [artikel 2.136, tweede lid, onderdeel b van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.136) als aan de volgende voorwaarden is voldaan: - 1. De ontvanger van de schenking is een organisatie met een ANBI-status of een CBF-Erkenning Goededoelenorganisaties; - 2. De leden hebben ingestemd met de schenking; - 3. De hoogte van het totale bedrag van de schenkingen bedraagt jaarlijks maximaal"},{"i":12644,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 15 oktober 2015, nr. 2015-0000609107, tot herbenoeming van leden van de Onafhankelijke adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften Gelet op [artikel 5, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026383&artikel=5), en [artikel 16, eerste lid, van het Besluit onafhankelijke adviescommissie en raad voor praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026383&artikel=16) Besluit: Artikel 1 De volgende leden van de Onafhankelijke adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften worden herbenoemd tot 1 januari 2016: - a. de heer ing. J. T. Koudijs, tevens voorzitter; - b. de heer ir. R. J. M. Van Mierlo; - c. de heer ir. R. R. Hagen MPA; - d. de heer ing. P. J. Van der Graaf. Artikel 2 Het deeltijdpercentage, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van het Besluit onafhankelijke adviescommissie en raad voor praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026383&artikel=16) is 4,6/36. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 2015."},{"i":14151,"b":"Regeling capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot Gelet op [artikel 5 van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012950&artikel=5); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot in werking treedt. Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder ton: kubieke meter waterverplaatsing als bedoeld in [artikel 1, onderdeel f, van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003246&artikel=1). Artikel 2 1. De eigenaar van een in de vaart te brengen binnenschip als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Raadsverordening verzoekt de Minister om toezending van een aanmeldingsformulier. 2. Binnen veertien dagen na ontvangst van het aanmeldingsformulier zendt de eigenaar het door hem volledig en naar waarheid ingevulde en ondertekende formulier terug naar de Minister. Daarbij maakt de eigenaar de keuze bekend, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Raadsverordening. 3. De Minister houdt een register bij van de ingediende aanmeldingen. Artikel 3 De eigenaar van het binnenschip die voldoet aan een van de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Raadsverordening, ontvangt van de Minister daarvan een bewijs. Artikel 4 Aanvragen om een slooppremie als bedoeld in artikel 6 van de Raadsverordening dan wel aanmeldingen van compenserende tonnage als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Raadsverordening voor een binnenschip worden ingediend bij de Minister. Artikel 5 Bij de indiening van een aanvraag dan wel aanmelding als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037026&artikel=4&z=2004-04-09&g=2004-04-09) legt de eigenaar met betrekking tot het desbetreffende binnenschip, ter vaststelling of dat binnenschip tot de actieve vloot behoort en bedrijfszeker is, de volgende bescheiden over: - a. een uittreksel uit het register, bedoeld in [artikel 783 van boek 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":11919,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 23 juni 2017, nr. WJZ/17097614, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap inzake de keuze voor het instrument veiling van vergunningen voor digitale radio-omroep DAB+ in laag 4, en de vaststelling van de ontwerp-vergunningen Gelet op [artikel 3.10, derde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10) en [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De vergunningen voor digitale radio-omroep genoemd in tabel 1, met de daaraan, voor zover nu reeds mogelijk, te verbinden voorschriften en beperkingen, worden verleend met toepassing van een veiling, bedoeld in [artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.10). | Allotment | Aantal beschikbare vergunningen | Bijlage | | --- | --- | --- | | **7A** | negen | 1 | | **9D-N** | acht | 2 | | **9D-Z** | veertien | 3 | Artikel 2 De procedure van de veiling vangt aan op 3 juli 2017. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekendmaking veiling restruimte DAB+ laag 4. Bijlage 1. Vergunning digitale radio-omroep allotment 7A, inclusief bijbehorende bijlagen **(in dit allotment zijn negen vergunningen beschikbaar)** **DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN** Gelezen de aanvraag van <naam aanvrager> te <woonplaats>van<datum aanvraag>, geregistreerd onder nummer <ID-nummer aanvraag> Gelet op de [artikelen 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.13) en [3.14 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.14), [artikel 17 van het Frequentiebesluit 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032895&artikel=17) en de Regeling"},{"i":13197,"b":"Deelregeling internationaliseringssubsidies Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 3 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=3); Besluit: Paragraaf 1. : Algemeen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **festival:** reeks van onderling samenhangende activiteiten die gedurende een in de tijd beperkte periode onder een gemeenschappelijk noemer worden georganiseerd; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **groep:** een samenwerkingsverband van podiumkunstenaars dat regelmatig in vaste samenstelling onder een vaste naam voorstellingen of concerten verzorgt; - **Nederland:** Het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - **Europees Nederland:** Het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden; - **Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden:** Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - **performer:** een podiumkunstenaar die regelmatig onder een vaste naam voorstellingen of concerten verzorgt; - **podiumkunstenaar:** iemand die artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd is in de professionele podiumkunstpraktijk in Nederland. Artikel 1.2. Subsidievormen Het bestuur kan subsidie verstrekken in de volgende vormen: - a. subsidie Nederlandse voorstellingen of concerten in het buitenland; - b. subsidie buitenlandse voorstellingen of concerten in Nederland; - c. subsidie voor internationale coproducties; - d. subsidie reiskosten buitenlandse voorstellingen of concerten (via snelloket); Artikel 1.3. Beperking Een aanvrager kan nooit voor dezelfde activiteit meerdere"},{"i":13987,"b":"Programma Transactie/Modal Shift 2002 Gelet op artikel 2 van de Subsidieregeling milieu- en energie-efficiency in het goederenvervoer 2002; Besluit: Vast te stellen het navolgende programma Transactie/Modal Shift 2002: A. Programma Transactie/Modal Shift Het programma Transactie/Modal Shift is gericht op de in het Nationaal Verkeers- en Vervoersplan geformuleerde doelstelling van de regering om de milieubelasting door en het energieverbruik van het goederenvervoer over de weg in de periode tot het jaar 2010 aanzienlijk te beperken. Het programma heeft als specifieke doelstelling de vermindering van de uitstoot van CO2 en NOx door het bevorderen van milieu- en energie-efficiency in het goederenvervoer over de weg. Het programma stimuleert daartoe de uitvoering van projecten die leiden tot efficiencyverbetering in de logistiek of van transportvoertuigen, resulterend in ritkilometerreductie en brandstofbesparing per verreden kilometer. Het programma richt zich in het bijzonder op projecten die worden uitgevoerd door verladers, vervoerders, expediteurs, rederijen, fabrikanten, carrosserie- en trailerbouwers en toeleveranciers (hierna te noemen: marktpartijen). Met het programma wordt beoogd dat individuele marktpartijen en groepen van marktpartijen ook op de langere termijn op een gestructureerde manier blijven werken aan de eerder genoemde efficiencyverbetering. Om dat te bevorderen zal het programma behalve individuele projecten vooral ook combinaties van projecten (meerjarenplannen) ondersteunen die (bij voorkeur) in het kader van een overeenkomst tussen marktpartijen enerzijds en de overheid anderzijds (zgn. meerjarenovereenkomsten) worden opgezet. B. Projecten Het programma heeft betrekking op de volgende soorten projecten: - 1. projecten ter verbetering van de logistieke efficiency, waaronder modal shift, - 2. projecten ter verbetering van de voertuigefficiency, en - 3. kennisverspreidingsprojecten. Hieronder vallen door marktpartijen uitgevoerde projecten die bij"},{"i":14179,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 augustus 2023, 2023-0000461719, houdende vaststelling van het Controleprotocol Wet normering topinkomens 2023 (Regeling Controleprotocol WNT 2023) Gelet op [artikel 1.9, onderdeel d, van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.9); Besluit: Artikel 1 Het protocol voor controle van het financieel verslaggevingsdocument door de accountant over het jaar 2023 op de naleving van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop rustende bepalingen wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Controleprotocol WNT 2023. Bijlage. bij de Regeling Controleprotocol WNT 2023 **Controleprotocol WNT 2023** Inhoudsopgave 1. Uitgangspunten 1.1. Doelstelling en inkadering protocol De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) (hierna: WNT) en de daarop gebaseerde regelgeving normeert de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector. De wet verplicht tevens tot openbaarmaking van de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van alle topfunctionarissen en daarnaast van de bezoldiging van niet-topfunctionarissen, indien de bezoldiging het algemeen bezoldigingsmaximum (naar rato van de omvang van het dienstverband) te boven gaat. De [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) schrijft voor welke gegevens WNT-instellingen moeten opnemen in het financieel verslaggevingsdocument. Het is de verantwoordelijkheid van de opsteller van het financieel verslaggevingsdocument om de juiste en volledige gegevens op te nemen. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de acc"},{"i":11817,"b":"Beleidsregel verhandelbaarheid De AFM bevordert eerlijke en transparante financiële markten. Wij zijn de onafhankelijke gedragstoezichthouder op de markten van sparen, lenen, beleggen en verzekeren. De AFM bevordert zorgvuldige financiële dienstverlening aan consumenten en ziet toe op een eerlijke en efficiënte werking van kapitaalmarkten. Ons streven is het vertrouwen van consumenten en bedrijven in de financiële markten te versterken, ook internationaal. Op deze manier draagt de AFM bij aan de welvaart en de economische reputatie van Nederland. Beleidsregel van de Stichting Autoriteit Financiële Markten over de uitleg van het begrip verhandelbaarheid in de definitie van ‘effect’ in [artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) (Beleidsregel verhandelbaarheid). De Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM), Na overleg met representatieve organisaties en na raadpleging van het ministerie van Financiën; Gelet op de definitie van ‘effect’ in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) (Wft); Besluit tot de navolgende uitleg van het begrip verhandelbaarheid: **Leeswijzer:** Samenvatting Achtergrond en kader Beleid in de vorm van een stroomschema Toelichting bij het stroomschema Slotopmerkingen en overgangsregeling Samenvatting In de Beleidsregel is beschreven in welke gevallen een waardebewijs of een deelnemingsrecht al dan niet verhandelbaar is. De uitleg van het begrip verhandelbaarheid is van belang bij het bepalen of een waardebewijs of deelnemingsrecht een ‘effect’ in de zin van de [Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) is. Het antwoord op de vraag ‘verhandelbaar of niet?’ bepaalt of een daartoe bevoegde toezichthouder het prospectus moet goedkeuren volgens [hoofdstuk 5.1 van de Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&hoofdstuk=5.1) en daarmee of het kapitaalmarkttoezicht van toepassing is. Voor closed-end"},{"i":11980,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het directoraat-generaal voor Buitenlandse Economische Betrekkingen (1945) 1984–1995 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder b en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen dan wel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het directoraat-generaal voor Buitenlandse Economische Betrekkingen, (1945) 1984–1995 de volgende beperkingen gesteld: inventarisnummers, 3741, 3972, 4813–4905, 4914–4971, 4978,4983, 4994–4996, en 6130 als bedoeld in de bijlage zijn beperkt openbaar voor 50 jaar na datering. Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat en diens bondgenoten is inventarisnummer 3978 als bedoeld in de bijlage beperkt openbaar voor 75 jaar na datering. Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031539&artikel=1&z=2012-05-09&g=2012-05-09), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris van het Nationaal Archief. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Raadpleging vof gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031539&artikel=2&z=2012-05-09&g=2012-05-09) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel"},{"i":12766,"b":"Besluit vaststelling factoren L en r boekjaar 2026 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2026 vastgesteld op 0,585951%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2026 vastgesteld op 0,274808%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":12501,"b":"Besluit van 28 oktober 2021, houdende instelling van het Kruis van Verdienste brandweer Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 5 oktober 2021, nr. 3545661; Overwegende dat het uitreiken van een Kruis van Verdienste bijdraagt aan de waardering voor de persoon die zich op bijzondere wijze verdienstelijk heeft gemaakt voor de brandweer in het Koninkrijk; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Kruis van Verdienste:** het Kruis van Verdienste brandweer, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045858&paragraaf=1&artikel=3&z=2021-11-19&g=2021-11-19). - **bevoegd gezag:** - –. in Europees Nederland: de voorzitter van de veiligheidsregio; - –. in Caribisch Nederland: de korpsbeheerder van het brandweerkorps Caribisch Nederland; Artikel 2 Dit besluit is van toepassing binnen Europees en Caribisch Nederland. Artikel 3 Er is een Kruis van Verdienste brandweer. Artikel 4 1. Het bevoegd gezag kent het Kruis van Verdienste toe voor een of meer verdiensten voor de brandweer. 2. Het Kruis van Verdienste kan worden toegekend in goud, zilver of brons. Artikel 5 Van een verdienste is sprake, indien een persoon: - a. verantwoordelijkheid heeft gedragen of bekwaamheid heeft getoond die aanmerkelijk groter is dan van hem mocht worden verwacht; - b. zich in onvermijdbaar risicovolle situaties moedig en beleidvol heeft gedragen. Artikel 6 1. Het Kruis van Verdienste kan worden toegekend aan Nederlanders en aan niet-Nederlanders. 2. Het Kruis van Verdienste wordt éénmalig aan een persoon toegekend. 3. Het Kruis van Verdienste kan postuum worden toegekend. Artikel 7 1. De bevoegde gezagen stellen gezamenlijk het toekenningsbeleid voor het Kruis van Verdienste vast. 2. Eenieder kan iemand voordragen bij het bevoegd gezag. 3. In de voordracht worden de verdienste of verdiensten omschreven waarvoor het Kruis van Verdienste wordt aangevraagd. 4. Onze Minister van Justitie en Veiligheid st"},{"i":19670,"b":"Besluit van 29 oktober 2015, houdende wijziging van het Besluit BDU verkeer en vervoer in verband met de afschaffing van de plusregio’s Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 14 september 2015, nr. IenM/BSK-154454, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 5, eerste en vierde lid, van de Wet BDU verkeer en vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017828&artikel=5); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 september 2015, nr. W14.15.032/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 14 oktober 2015, nr. IenM/BSK- 2015/195691, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit BDU verkeer en vervoer. Artikel II [Artikel 5 van het Besluit BDU verkeer en vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018113&artikel=5), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op de voor de inwerkingtreding van de [Wet afschaffing plusregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036043) op basis van de [Wet BDU verkeer en vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017828) verstrekte uitkeringen, met dien verstande dat telkens voor «het dagelijks bestuur» moet worden gelezen: gedeputeerde staten van de provincie waarin de plusregio is gelegen of, indien van toepassing, het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in [artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20). Artikel III Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2016 en werkt terug tot en met 1 januari 2015. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12197,"b":"Besluit van de Directeur Operatie van de directie MKB van 31 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20),[hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de regiodirecteuren en de teamleiders van de regiokantoren van MKB, die vallen onder de verantwoordelijkheid van ondergetekende, en het afdelingshoofd en de teamleiders binnen de afdeling Operatie van MKB, wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":12626,"b":"Besluit van 22 januari 1999, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter en de leden van het Adviescollege uitvoering wetten voor oorlogsgetroffenen Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 januari 1999, kenmerk DVVB/MB-U-981572; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 november 1998. Artikel 1 1. Aan de voorzitter van het Adviescollege uitvoering wetten voor oorlogsgetroffenen wordt in plaats van een vacatiegeld een vaste beloning ten bedrage van achtduizendvierhonderd gulden per zes maanden toegekend. 2. Aan de leden van het adviescollege, genoemd in het eerste lid, wordt in plaats van een vacatiegeld een vaste beloning ten bedrage van vierduizend gulden per zes maanden toegekend. 3. Indien de voorzitter of een lid van het adviescollege, genoemd in het eerste lid, niet gedurende de hele termijn van zes maanden de functie van voorzitter of lid bekleedt, wordt zijn beloning, genoemd in respectievelijk het eerste en tweede lid, naar evenredigheid vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 1998. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is belast met de uitvoering van dit besluit."},{"i":13673,"b":"Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 14 november 2022, 2022-0000226601, tot instelling van het monitoringcomité ESF+ 2021–2027 Gelet op de artikelen 38 tot en met 40 van de [Verordening (EU) 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **monitoringcomité ESF+ 2021–2027:** monitoringcomité als bedoeld in artikel 38 van de verordening; - **Minister:** Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen; - **verordening:** [Verordening (EU) 2021/1060](onbekend) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een monitoringcomité ESF+ 2021–2027. 2. Het monitoringcomité ESF+ 2021–2027 heeft de taak om toe te zien op een goede voortgang en uitvoering van het programma ESF+ 2021–2027, zoals nader uitgewerkt in artikel 40 van de verordening, en wordt ingesteld tot en met 30 december 2031. Artikel 3. Samenstelling en benoeming 1. Het monitoringcomité ESF+ 2021–"},{"i":13228,"b":"Derde tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van de biociden in verband met de uitbraak COVID-19 (Derde tijdelijke vrijstelling handdesinfectie COVID-19 2021) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; In aanmerking genomen de toegenomen vraag naar desinfectiemiddelen als gevolg van de uitbraak van COVID-19, in overleg met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van handdesinfectiemiddelen die de werkzaamheden in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en gebruik van handdesinfectiemiddelen genoemd in de bijlage; - b). artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012 toegestaan dat de in de bijlage genoemde middelen onder de daarin genoemde voorwaarden op de markt worden aangeboden en gebruikt. Artikel 2 Aan de vrijstelling en toestemming, bedoeld in [artikel 1, onderdelen a onderscheidenlijk b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044880&artikel=1&z=2021-04-13&g=2021-04-13), zijn de in de bijlage bij dit besluit op"},{"i":13989,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 21 april 2015, nr. IENM/BSK-2015/69519, houdende regels met betrekking tot subsidie ter stimulering van het indienen van projectvoorstellen die vallen onder Interreg EUROPE, North West Europe of North Sea Region (Projectstimuleringsregeling Interreg V) Gelet op [artikel 15.13 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **decentralisatieuitkering:** uitkering aan een gemeente of provincie als bedoeld in [artikel 13, vierde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=13); - –. **geschikt:** oordeel van het Programma Secretariaat van Interreg EUROPE, NWE of NSR dat Stap 1 of Stap 2 ontvankelijk is voor het betreffende programma; - –. **Interreg V:** Europees structuurfondsprogramma, bestaande uit verschillende deelprogramma’s waaronder Interreg EUROPE, North West Europe en North Sea Region; - –. **Interreg North West Europe (NWE) en Interreg North Sea Region (NSR):** transnationale Interreg V deelprogramma’s die de mogelijkheid geven om een bijdrage aan te vragen voor projecten die zien op samenwerking binnen de regio’s Noordwest Europa onderscheidenlijk Noordzee; - –. **Interreg EUROPE:** interregionaal Interreg V deelprogramma dat de mogelijkheid geeft om een bijdrage aan te vragen voor projecten die zien op samenwerking tussen lidstaten van de Europese Unie, Zwitserland en Noorwegen; - –. **Lead Partner:** trekker van een project zijnde een overheidsinstelling, een kennisinstelling als bedoeld in [artikel 1.2 van de Wet op het hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.2), een stichting, een vereniging of een regionale ontwikkelingsmaatschappij; - –. **Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - –. **overheidsinstelling:** gemeente, provincie, waterschap of zelfstandig bestuursorgaan;"},{"i":12438,"b":"Besluit inzake volginnovatie 2012 Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voorzover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de navolgende onderdelen van [artikel 1, derde lid, Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030873&artikel=1): 1.3 -Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen (seed capital technostarters) 2.1 -Subsidieregeling innoveren (Eurostars-projecten) 2.2 -Subsidieregeling innoveren (innovatiekredieten) 2.3 -Subsidieregeling innoveren (innovatieprestatiecontracten) 2.4 -Subsidieregeling innoveren (innovatieprestatiecontracten) 2.5 -Subsidieregeling innoveren (innovatieprestatiecontracten) 3.1-Subsidieregeling sterktes in innovatie (internationaal innoveren) 3.6 -Subsidieregeling sterktes in innovatie (FND haalbaarheidsprojecten) 3.8 -Subsidieregeling sterktes in innovatie (FND MKB-innovatieprojecten) 3.29 -Subsidieregeling sterktes in innovatie (innovatieve zeescheepsbouw) 3.30 -Subsidieregeling sterktes in innovatie (prekwalificatie ESA/programma’s) 5.10 -Subsidieregeling energie en innovatie (Wind op Zee-projecten) 5.14-Subsidieregeling energie en innovatie (smart grids) 5.15-Subsidieregeling energie en innovatie (smart grids) Gelet op de navolgende onderdelen van [artikel 2, tweede lid, Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030873&artikel=2): 4 -Subsidieregeling sterktes in innovatie (IOP’s) 5 -Subsidieregeling sterktes in innovatie (IOP’s) 6 -Subsidieregeling innoveren (innovatieprestatiecontracten) Gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=8), [10](https://wet"},{"i":14318,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 november 2011, nr. DMO/OHW-U-3092048, houdende aanpassing van de factoren, grondslagen en bedragen wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen per 1 januari 2012 Gelet op de[artikelen 31a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31a), [28a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28a), [35, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=35), [18, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=18)en [25, tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=25); Besluit: Artikel 1 De pensioenbedragen, [bedoeld in artikel 31b van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=31b) en in [artikel 28b van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=28b), zoals zij golden op 1 juli 2011, worden per 1 januari 2012 verhoogd met 0,79%. Artikel 2 De factoren waarmee het peil der buitengewone pensioenen ingevolge de [Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) en [de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035) wordt aangepast, worden per 1 januari 2012 vastgesteld als volgt: | A pensioengrondslagen 1947 per jaar in euro | A pensioengrondslagen 1947 per jaar in euro | B welvaartstoeslag vanaf 1 januari 2012 | B welvaartstoeslag vanaf 1 januari 2012 | | --- | --- | --- | --- | | **van** | **tot en met** | | | | 1.225,21 | 1.356,79 | 23 899,20 minus pensioengrondslag | 23 899,20 minus pensioen"},{"i":19671,"b":"Besluit van 3 juli 2008 tot aanpassing van enige besluiten aan de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 2 oktober 2007, Directie Wetgeving nr. 5507535/07/6; Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=2), en [62, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=62), de [artikelen 19j, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=19j), en [artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=116), [artikel 4, eerste lid, onderdeel e, derde, vierde, zesde en zevende lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4), de [artikelen 817](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=817), [818, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=818), en [820, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=820), [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=11) en [19 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=19), de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=39) en [41 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=41), [artikel 52, tweede lid, van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=52) en de [artikelen 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=52), [53, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=53), [54, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=54), [65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=65), [70, vierde lid](https://wetten"},{"i":19672,"b":"Besluit van 6 juni 2002, houdende wijziging van het Loodsplichtbesluit 1995 en het Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet (flexibilisering loodsplichtstelsel) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 januari 2002, nr. DGG/J-01/009048, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 4, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4), [10, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=10), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=12), en [31, elfde lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=31); De Raad van State gehoord (advies van 18 april 2002, nr. W09.02.0017/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2002, nr. HDJZ/SCH 2002–1129, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Loodsplichtbesluit 1995. Artikel II Wijzigt het Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet. Artikel III [Artikel 21 van het Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007513&artikel=21), zoals dat artikel komt te luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, vindt geen toepassing ten aanzien van: - a. examens en herexamens, waarvan de datum is bepaald voor de datum van inwerkingtreding van [artikel II, onderdelen L, M en N, van dit besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013746&artikel=II&z=2003-01-01&g=2003-01-01), en, - b. examens en herexamens waarvan de datum wordt bepaald gedurende zes maanden na de datum van inwerkingtreding van [artikel II, onderdelen L, M en N, van dit besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013746&artikel=II&z=2003-01-01&g=2003-01-01). Artikel IV Onverminderd het overigens in [artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit verklaringhouders Scheepvaartv"},{"i":19673,"b":"Besluit van 12 juli 2021 tot wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met een aanpassing van de eisen aan examenvoertuigen, enkele terminologische aanpassingen en enkele aanpassingen in de procedure betreffende de aanvraag van een verklaring van geschiktheid Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 21 april 2021, nr. IenW/BSK-2021/109835, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 111, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 juni 2021, nr. W17.21.0119/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 6 juli 2021, nr. IENW/BSK-2021/176423, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel II 1. Examenvoertuigen voor de categorieën C, E bij C, D en E bij D die voor wat betreft de eisen betreffende de lengte, de breedte, en de hoogte, alsmede de eisen betreffende de assen, op 30 juni 2021 voldoen aan de eisen gesteld aan een examenvoertuig van deze categorieën zoals die voor deze onderdelen golden tot dat tijdstip, kunnen tot en met 31 december 2028 als zodanig worden gebruikt. 2. Examenvoertuigen voor de categorieën C en E bij C die voor wat betreft de eis betreffende de feitelijke totale massa op 30 juni 2021 voldoen aan de eis gesteld aan een examenvoertuig van deze categorieën zoals die voor dit onderdeel gold tot dat tijdstip, kunnen tot en met 31 december 2023 als zodanig worden gebruikt. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2021. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 juni 2021, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst."},{"i":19674,"b":"Besluit van 7 augustus 2006, houdende wijziging van het Reglement rijbewijzen en het Besluit rijonderricht motorrijtuigen in verband met de invoering van een bromfietsrijbewijs Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 juni 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-953, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 110, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=110), [111, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111), [113, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=113), [116, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=116), [118, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=118), [119, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=119), en [120, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=120), en de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=9) en [10 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=10); De Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2006, no. W09.06.0239/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 1 augustus 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1195, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (invoering bromfietsrijbewijs) in werking treedt. Artikel I Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel II Wijzigt het Besluit rijonderricht motorrijtuigen. Artikel III Indien de aanvrager bij de aanvraag beschikt over een geldig bromfietscertificaat en de aanvraag betrekking heeft op de eerste afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van bromfietsen, wordt, behoudens de in [artikel 33 van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=33) genoemde bescheiden, bij de aanvraag tevens d"},{"i":19600,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 juni 2006, nr. KvI2006278987, houdende regels voor het subsidiëren van voorzieningen die de emissie van deeltjes door voertuigen met een dieselmotor verminderen (Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen met een dieselmotor) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. agentschap: Agentschap NL van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - b. emissieverminderende voorziening: technische voorziening voor een voertuig die de uitstoot van luchtvervuilende stoffen vermindert ten opzichte van de bij of krachtens de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) verplicht gestelde emissiewaarden en die als voertuigonderdeel bij of krachtens [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) niet verplicht is gesteld; - c. voertuig: bestelauto, vrachtauto of bus; - d. eerste kentekenhouder: de kentekenhouder van een motorrijtuig aan wie de eerste afgifte van een kentekenbewijs of een deel I B heeft plaatsgevonden, als bedoeld in [artikel 25, derde lid, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=25); - e. richtlijn 2007/46/EG: richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (Pb EU L 263); - f. bestelauto: voertuig, behorend tot voertuigcategorie N 1 als bedoeld in bijlage II, deel A, bij richtlijn 2007/46/EG; - g. vrachtauto: voertuig, behorend tot voertuigcategorie N 2 of N 3 als bedoel"},{"i":13020,"b":"Besluit van 19 november 2011 , nr. 5712389/11, houdende vervanging archiefbescheiden Directie Justitiële Inrichtingen Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Na machtiging van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 augustus 2011, nr. 8462, Besluit over te gaan tot routinematige, digitale vervanging archiefbescheiden, die niet voor vernietiging in aanmerking komen: - a. die: - 1°. zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, en zaken betreffen die nog niet zijn afgedaan; of - 2°. zullen worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit; - b. volgens de specificaties, vastgelegd in het Handboek Digitalisering TBS-dossiers; - c. overeenkomstig de eisen, opgenomen in de bijlage van de [Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023395) (Stcrt. 2008, 21); en - d. met inachtneming van de waarde en het belang, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel c onderscheidenlijk d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2), alsmede wat daarover is bepaald in [artikel 4, tweede en derde lid, van de Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023395&artikel=4) (Stcrt. 2008, 21). Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13976,"b":"Prijzenwet BES Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - **goederen:** roerende zaken in de zin van het Burgerlijk Wetboek; - **diensten:** de verrichtingen, welke het voorwerp zijn van overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten of van aanneming van werk, als bedoeld in [artikel 1613 van boek 7A van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752&artikel=1613) of van verzekerings- of garantieovereenkomsten. Artikel 2 1. Indien goederen of diensten worden aangeboden tegen zodanige prijzen, dat het vragen daarvan naar oordeel van het Bestuurscollege in strijd is met of dreigt te geschieden in strijd met het algemeen belang, kan het voor het betreffende openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba: - a. verbieden het aanbieden, verkopen en verhuren van die goederen dan wel het aanbieden en verrichten van die diensten tegen hogere of lagere dan door het Bestuurscollege aan te geven prijzen; - b. voorschriften geven betreffende het voeren van een administratie, waaruit de vorming blijkt van de prijzen, waartegen goederen of diensten worden aangeboden. 2. Het bestuurscollege kan nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt een verbod als bedoeld in dat lid, onder a, voor zover het betrekking heeft op de honoraria, prijzen of tarieven van de diensten, verricht door vrije-beroepsbeoefenaren, vastgesteld bij nadere regels als bedoeld in het tweede lid, na overleg met de organisatie van vrije-beroepsbeoefenaren in het betrokken openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die daarvoor naar het oordeel van het bestuurscollege in aanmerking komen. 4. Het Bestuurscollege kan voorschriften geven betreffende het bekend maken van de prijzen, waartegen goederen of diensten worden aangeboden. 5. Een krachtens het eerste lid onder a vastgestelde beschikking wordt evenals de beschikking tot haar wijziging of"},{"i":19675,"b":"Besluit van 6 juni 2025 tot wijziging van het Reglement rijbewijzen en het Arbeidstijdenbesluit vervoer vanwege een vrijstelling van het bezit van rijbewijs C voor alternatief aangedreven voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, maar niet meer dan 4.250 kg en van de tachograaf bij het besturen van elektrische voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, maar niet meer dan 4.250 kg (Vrijstelling rijbewijs C en tachograaf) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 24 februari 2025, nr. IenW/BSK-2025/38663, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op artikel 6, vierde lid, aanhef en onderdeel c, van [Richtlijn 2006/126/EG](32006L0126), [artikel 111, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111), en de [artikelen 4:3, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=4:3), en [5:12, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=5:12); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 april 2025, nr. W17.25.00049/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 3 juni 2025, nr. IenW/BSK-2025/131142 Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel II Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit vervoer. Artikel III 1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van het besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het besluit in de praktijk. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van het besluit aan de Staten-Generaal een"},{"i":19676,"b":"Besluit van 26 november 2008 tot wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en het Voertuigreglement in verband met het gebruik van optische en geluidssignalen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 juli 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/937 sector AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=13), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=26) en [71 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71) en [artikel 10, vierde lid, van de Ontgrondingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002505&artikel=10); De Raad van State gehoord (advies van 14 augustus 2008, nr. W09.08.0294/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 november 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1491 sector AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Artikel II Wijzigt het Voertuigreglement. Artikel III 1. [Artikelen 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=29) is 1990 wat de tweetonige hoorn betreft tot 1 maart 2014 niet van toepassing op motorvoertuigen die op het moment van inwerkingtreding van dit besluit alleen van een drietonige hoorn zijn voorzien. 2. De [artikelen 30, eerste lid, tweede volzin, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=30) en [5.2.51a, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=5.2.51a), [5.3.51a, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=5.3.51a), [5.4.51, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=5.4.51), [5.4.52a,"},{"i":19677,"b":"Besluit van 27 maart 2001, houdende wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en een aantal andere besluiten in verband met de invoering van een gehandicaptenparkeerkaart volgens communautair model Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 december 2000, nr. CDJZ/WBI/2000–1479, Centrale Directie Juridische Zaken; Gelet op de[artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=13), [149, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149), en [151 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=151); De Raad van State gehoord (advies van 2 maart 2001, nr. W09.01.0013/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 maart 2001, nr. CDJZ/WBI/2001–338, Centrale Directie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Artikel II Wijzigt het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer. Artikel III Wijzigt het Voertuigreglement. Artikel IV Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel V Wijzigt het Besluit van 16 september 1965, houdende vaststelling van het bewijs van verzekering voor de niet-kentekenplichtige motorrijtuigen en enkele regelen met betrekking tot het bewijs van vrijstelling. Artikel VI Invalidenparkeerkaarten, afgegeven op basis van [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=49) of [artikel 50 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=50) zoals die bepalingen luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, behouden hun geldigheid voor de duur van de termijn waarvoor ze zijn afgegeven. Artikel VII Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen d"},{"i":19678,"b":"Besluit van 30 augustus 1999, houdende wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, in verband met het toekennen van verkeersregelende bevoegdheden aan verkeersregelaars Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 januari 1999, nr. CDJZ/WJZ/98–1316, Centrale Directie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=12) en [13 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=13); De Raad van State gehoord (advies van 30 maart 1999, nr. W09 0022/V.); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 augustus 1999, nr. CDJZ/WBI/1999–1065, Centrale Directie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Artikel II Wijzigt het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer. Artikel III 1. Het Besluit tijdelijke aanwijzing verkeersassistent Den Haag wordt ingetrokken. 2. Na inwerkingtreding van dit besluit berusten de krachtens het Besluit tijdelijke aanwijzing verkeersassistent Den Haag vastgestelde besluiten tot aanstelling als verkeersassistent op [artikel 56, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=56). Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen voordat dertig dagen zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal, en evenmin indien binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in dit besluit geregelde onderwerp van dit besluit bij wet wordt geregeld. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daa"},{"i":12707,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 7 april 2023, Min-BuZa.2023.15230, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Orange Corners) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) met het oog op ondersteuning van jonge ondernemers die duurzame oplossingen bieden voor lokale uitdagingen gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2028 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Orange Corners worden ingediend in meerdere openstellingen. 2. Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Orange Corners zijn gericht op de doellocaties Algerije, Angola, Democratische Republiek Congo, Egypte, Ghana, Irak (Bagdad), Marokko en Mozambique en worden ingediend vanaf 5 juni 2023 tot en met 30 juni 2023, 12:00 uur ’s middags Nederlandse tijd (Midden-Europese Tijd). 3. Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Orange Corners zijn gericht op de doellocaties Burundi, Irak (Koerdische regio), Ivoorkust, Mali, Nigeria, Soedan, Zuid-Afrika en Zuid-Soedan en worden ingediend vanaf 4 septemb"},{"i":12713,"b":"Besluit houdende vaststelling beloning van de voorzitter en leden Taskforce DeeltijdPlus Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 april 2008, nr. AV/TDP/2008/12190; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de voorzitter van de Taskforce DeeltijdPlus, bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit Taskforce DeeltijdPlus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023744&artikel=2), wordt een vaste beloning toegekend. Deze beloning wordt vastgesteld volgens het maximum van schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,22. Artikel 2 Aan de leden van de Taskforce DeeltijdPlus, bedoeld in [artikel 2 van het Instellingsbesluit Taskforce DeeltijdPlus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023744&artikel=2), wordt een vaste beloning toegekend. Deze beloning wordt vastgesteld volgens het maximum van schaal 15 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). De deeltijdfactor wordt vastgesteld op 0,17. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2008. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13812,"b":"Besluit van de directeur Bewaken en Beveiligen van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 28 oktober 2024, nr. 5841772, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Bewaken en Beveiligen NCTV 2024) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van het Mandaatbesluit NCTV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042181&artikel=1) aan de directeur Bewaken en Beveiligen verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die zijn afdeling betreffen ondermandaat verleend aan het hoofd van de Afdeling Coördinatie Bewaken en Beveiligen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Bewaken en Beveiligen NCTV 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12714,"b":"Besluit van 30 mei 2013, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van tien, twintig en vijftig euro ter gelegenheid van de aanvaarding van de troon door Koning Willem-Alexander Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 24 mei 2013, FM/2013/938 M, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2013/16121. Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de munten van tien, twintig en vijftig euro zijn: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: een deel van het baldakijn van het Rijkswapen met daarbinnen Onze beeltenis, het lint onder Onze beeltenis draagt rechts een kroontje en een deel van het devies «JE MAINTIENDRAI» en deels rondom het omschrift «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN»: ; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: een deel van het baldakijn van het Rijkswapen met daarbinnen een groep naar links kijkende mensen en daarboven «30 APRIL 2013», het lint onder de groep mensen draagt een deel van het devies «JE MAINTIENDRAI» met aan de rechterzijde het teken van de Munt en rechts daarvan het teken van de Muntmeester , rechts van het baldakijn de waardeaanduiding respectievelijk «10 EURO», «20 EUO» dan wel «50 EURO»: . 2. De tien-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 3. De twintig-euromunt en de vijftig-euromunt hebben een fijngeribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 2013. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":4357,"b":"Besluit van 27 mei 2011, houdende vaststelling van regels omtrent de taak, de goedkeuring van statuten en de gevolgen van intrekking van de aanwijzing van het Vervangingsfonds en het Participatiefonds (Besluit Vervangingsfonds en Participatiefonds) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 7 april 2011, nr. WJZ/284390 (2703), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 187, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=187), en [188, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=188), de [artikelen 172, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=172), en [173, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=173) en [artikel 73, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=73); De Raad van State gehoord (advies van 28 april 2011, nr. W05.11.0112/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 23 mei 2011, nr. WJZ/301971 (2703), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **bestuur:** bestuur van het vervangingsfonds; - **bevoegd gezag:** een bij het vervangingsfonds, op grond van [artikel 188, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=188) of [artikel 167, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=167), aang"},{"i":13991,"b":"Protocol Accountantsonderzoek 2014 CAK 1. Inleiding De activiteiten van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) worden met ingang van 1 januari 2013 uitgevoerd door een Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO). De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is hierop van toepassing. Voor 1 januari 2013 werden de activiteiten van het CAK uitgevoerd door een Besloten Vennootschap (B.V.). Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben in het [Model Jaarverslaggeving CAK 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035801) voorschriften opgenomen voor de inrichting van de verantwoordingsdocumenten 2014 van het CAK. Het model bevat modellen waarmee het CAK zijn verantwoordingsdocumenten moet inrichten. Op grond van [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=27) en [31 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=31) (Wmg) kan de NZa regels stellen voor het accountantsonderzoek en voor de inhoud en inrichting van het accountantsverslag. Ook heeft dit controleprotocol betrekking op de uitwerking van de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ) en de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, op grond waarvan VWS regels kan stellen voor het accountantsonderzoek en voor de inhoud en inrichting van het accountantsverslag. De regels voor het accountantsonderzoek en voor de inhoud en inrichting van het accountantsverslag hebben VWS en de NZa vastgelegd in dit Protocol Accountantsonderzoek 2014 CAK. Dit Protocol Accountantsonderzoek 2014 CAK geeft richtlijnen voor het door de externe accountant uit te voeren onderzoek naar de getrouwheid en rechtmatigheid van de financiële verantwoording en de rechtmatige uitvoering van de tegemoetkomingsregeling [Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) (Wtcg), de beheerskosten van alle publiekrechtelijke taken"},{"i":14175,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 augustus 2019, nr. 2019-0000416437, houdende vaststelling van het Controleprotocol Wet normering topinkomens 2019 (Regeling Controleprotocol WNT 2019) Gelet op [artikel 1.9, onderdeel d, van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.9); Besluit: Artikel 1 Het protocol voor controle van het financieel verslaggevingsdocument door de accountant over het jaar 2019 op de naleving van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop rustende bepalingen wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Controleprotocol WNT 2019. Bijlage Controleprotocol WNT 2019 Inhoudsopgave Uitgangspunten 1.1. Doelstelling en inkadering protocol De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) (WNT) en de daarop gebaseerde regelgeving normeert de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector. De wet verplicht tevens tot openbaarmaking van de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van alle topfunctionarissen en daarnaast van de bezoldiging van niet-topfunctionarissen, indien de bezoldiging het algemeen bezoldigingsmaximum (naar rato van de omvang van het dienstverband) te boven gaat. De [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) schrijft voor welke gegevens WNT-instellingen moeten opnemen in het financieel verslaggevingsdocument. Het is de verantwoordelijkheid van de opsteller van het financieel verslaggevingsdocument om de juiste en volledige gegevens op te nemen. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de accountant om te toetsen dat die gegevens voldoen aan de WNT ([artikel 1.7 WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR003"},{"i":14164,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Defensie houdende vaststelling van de Regeling Commissie deskundigen immunisatie militairen 2006 (Regeling Commissie deskundigen immunisatie militairen 2006) Gelet op [artikel 3 van de Wet immunisatie militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de minister: de Minister van Defensie; - b. de wet: de [Wet immunisatie militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117). Artikel 2 1. Er is een Commissie deskundigen immunisatie militairen, hierna te noemen de commissie. 2. De commissie heeft tot taak om op verzoek van de minister advies uit te brengen als bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002117&artikel=3). Artikel 3 1. De commissie bestaat uit zes leden, onder wie de voorzitter. 2. De commissie laat zich adviseren door drie vaste adviseurs: - a. de Directeur Militaire Gezondheidszorg; - b. het Hoofd van het Infectiebestrijding Coördinatieteam; - c. de inspecteur-generaal van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd of een door hem aangewezen functionaris. 3. De commissie wordt in haar werkzaamheden bijgestaan door een secretaris. Artikel 4 1. De voorzitter wordt door de minister benoemd. 2. De overige leden worden door de minister benoemd op aanbeveling van de voorzitter. De voorzitter pleegt overleg met de Directeur Militaire Gezondheidszorg alvorens die aanbeveling bij de minister in te dienen. 3. De benoemingen gelden voor een daarbij te bepalen duur van ten hoogste 5 jaar met de mogelijkheid van herbenoeming. 4. De voorzitter en de overige leden kunnen ten alle tijde door de minister van het lidmaatschap van de commissie worden ontheven. Artikel 5 De secretaris wordt, op aanbeveling van de voorzitter, door de Directeur Militaire Gezondheidszorg aangewezen binnen zijn directie. Artikel 6 1. De voorzitter regelt de werkzaamheden van de commissie en roept haar bijeen, zo dikwijls hij zulks in verb"},{"i":19684,"b":"Regeling tot wijziging van enkele ministeriële regelingen in verband met de invoering van een praktijkexamen voor de rijbewijscategorie AM Gelet op [artikel 130, eerste lid en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid. Artikel II Wijzigt de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid. Artikel III Mededelingen die zijn gebaseerd op een of meer gedragingen opgenomen in [Bijlage 1 bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008003&bijlage=1) die zijn geconstateerd vóór de inwerkingtreding van deze regeling, worden afgedaan overeenkomstig de bepalingen zoals die golden voor de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2010. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13501,"b":"Instellingsbesluit Commissie monitoring VWNW De plaatsvervangend Secretaris-Generaal van het ministerie van Financiën, gelet op hetgeen in het Sector Overleg Rijkspersoneel is overeengekomen in de overeenkomst VWNW-beleid en WW-dossier sector Rijk (verder: de overeenkomst), zoals die op 21 mei 2019 in het Sectoroverleg Rijk is vastgesteld, gehoord het Departementaal georganiseerd overleg Financiën; (2019-210297) besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **De Commissie:** de Commissie monitoring VWNW-beleid Financiën - b. **VWNW-beleid:** de afspraken tussen de Minister voor Wonen en Rijksdienst en de centrales van overheidspersoneel als bedoeld in de Overeenkomst; - c. **De Minister:** de Minister van Financiën - d. **Het ministerie:** Ministerie van Financiën - e. **Het DGO Financiën:** het departementaal georganiseerd overleg bij het ministerie - f. **SG:** Secretaris-Generaal - g. **DG Belastingdienst:** het directoraat-generaal Belastingdienst Artikel 2. Instelling 1. Er is een Commissie monitoring VWNW-beleid Financiën. 2. De Commissie wordt ingesteld voor de werkingsduur bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042965&artikel=7&z=2019-12-31&g=2019-12-31) van dit instellingsbesluit en geldt tot nader orde. Artikel 3. Taak 1. De Commissie wordt belast met het monitoren van het VWNW-beleid bij het Ministerie van Financiën. Gemonitord wordt: - a. het aantal VWNW-kandidaten en hun periode van VWNW-begeleiding; - b. de plaatsing (waar, hoe snel) van VWNW-kandidaten in een nieuwe functie; - c. de mate waarin VWNW-kandidaten kiezen voor verzilvering van hun algemene voorzieningen; - d. de inzet van specifieke voorzieningen; - e. de bij de Commissie gemelde knelpunten; - f. in het bijzonder het onderdeel Directoraat-Generaal Belastingdienst/ Switch 2. De Commissie rapporteert tweemaal per jaar (en desgevraagd tussentijds) aan het Sectoroverleg Rijk. De rapportages worden door de Commissie besproken met het DG"},{"i":14169,"b":"Regeling constanten regressieformules en waarden voor de gemiddelde CO2-uitstoot voor benzine- en dieselauto's 2024 en 2025 Gelet op [artikel 8 van het Besluit etikettering energiegebruik personenauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&artikel=8) van 3 november 2000 en de [Regeling relatieve zuinigheid personenauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032215) van 31 oktober 2012; Besluit: De constanten voor de in de [Regeling relatieve zuinigheid personenauto's](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032215) opgenomen regressieformules en de daarbij behorende waarden van de gemiddelde CO2-uitstoot voor personenauto's met benzine als brandstof alsmede voor personenauto's met diesel als brandstof voor de kalenderjaren 2024 en 2025 als volgt vast te stellen: **Constanten en waarden voor 2024 en 2025** **WLTP definitief** Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12337,"b":"Besluit van 4 december 2025, houdende de toekenning van een vaandel aan het Korps Communicatie en Engagement Prinses Ariane Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 1 december 2025, nr. BS2025013496, directie juridische zaken; Gelet op het koninklijk besluit van 22 augustus 1925, nr. 27, betreffende de omschrijving van het model van vaandels en standaarden; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Korps Communicatie en Engagement Prinses Ariane voert een vaandel. Artikel 2 Onder het monogram WA is in goud geborduurd: **2020** **KORPS COMMUNICATIE EN** **ENGAGEMENT PRINSES ARIANE** Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Afschrift van dit besluit zal worden gezonden aan Onze Adjudant-Generaal, tevens Chef van Ons militair Huis."},{"i":13190,"b":"Deelregeling Eénjarige Activiteitenprogramma’s Creatieve Industrie **Introductie** Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie is het Rijkscultuurfonds voor architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Het fonds wil een wezenlijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van de professionele ontwerppraktijk binnen en vooral ook tussen de disciplines architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Onderdeel van dit streven is de interdisciplinaire wisselwerking tussen het culturele, maat-schappelijke en economische domein. Het Stimuleringsfonds ondersteunt bijzondere en vernieu-wende projecten, onderzoek en activiteiten van ontwerpers, makers en culturele instellingen in binnen- en buitenland. gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), tot vaststelling van een deelregeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor éénjarige activiteitenprogramma’s ter bevordering van de kwaliteit van creatieve industrie. Artikel 1. Doelstelling deelregeling éénjarige activiteitenprogramma’s creatieve industrie 1. Deze deelregeling is van toepassing op éénjarige activiteitenprogramma’s die gezamenlijk bijdragen aan het bevorderen van hoogwaardige kwaliteit, ontwikkeling en professionalisering van de hedendaagse Nederlandse architectuur, vormgeving en digitale cultuur en die de belangstelling voor deze disciplines stimuleren. 2. Deze deelregeling geldt in aanvulling op het [Subsidiereglement Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040298). Het in dat reglement bepaalde is van toepassing op subsidieverlening op grond van deze deelregeling, voor zover daar in deze deelregeling niet van wordt afgeweken. Artikel 2. Voorwaarden voor ondersteuningsmogelijkheden Subsidie wordt slechts verleend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: - 1. het programma is samenhangend; - 2. het programma is van voldoende kwaliteit; - 3. het programma agendeert ac"},{"i":13351,"b":"Wet van 8 april 2024 tot wijziging van diverse wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (Implementatiewet toegankelijkheidsvoorschriften producten en diensten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat regels dienen te worden gesteld ter implementatie van [Richtlijn (EU) 2019/882](32019L0882) van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) Wijzigt de Warenwet. Artikel II. Wijziging van de [Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915) Wijzigt de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Artikel III. Wijziging [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel IV. Wijziging [Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel V. Wijziging [Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565) Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel VI. Wijziging [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel VII. Wijziging [Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586) Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel VIII. Overgangsbepaling 1. Dienstverleners als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van [Richtlijn (EU) 2019/882]"},{"i":13224,"b":"Deelreglement Realisering van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film gelet op het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, lid 4, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op [artikel 2 van het Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050596&artikel=2), met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van **4 november 2024**, besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Algemeen Artikel 1. – definities – In dit deelreglement wordt verstaan onder: - **afwerking:** het vertoning en exploitatie gereed maken van een filmproductie na voltooiing van de werkkopie (maakt onderdeel uit van realisering); - **animatic:** opeenvolging van meestal getekende storyboard-beelden die het scenario weergeven, dezelfde lengte als de te produceren animatiefilm heeft en minimaal van dialogen is voorzien; - **animatie:** een filmproductie die een kunstmatige filmtechniek hanteert waarbij door het na elkaar afspelen van verschillende stilstaande beelden de illusie van beweging ontstaat; - **bestuur:** het bestuur van het Fonds; - **bioscoopuitbreng:** de landelijke distributie van een filmproductie, die na de première – maar voorafgaand aan de non-theatrical release – in een significant aantal bioscopen of filmtheaters voor een betalend publiek in Nederland wordt uitgebracht; - **categorie:** een soort filmproductie; - **completion bond:** de verzekering die waarborgt dat de filmproductie zal worden afgemaakt en opgeleverd onder in de verzekeringspolis opgenomen (budgettaire) voorwaarden, of dat – als de productie zou worden gestaakt – de tot dan toe gemaakte productiekosten worden terugbetaald; - **coproductie:** een filmproductie, waaraan twee of meer coproducenten risicodragend, op basis van een door alle partijen goedgekeurd filmplan of scenario een inhoudelijke en financiële"},{"i":19686,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 30 mei 2012, nr. IENM/BSK-2012/79703, tot wijziging van de Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen. Artikel II In afwijking van [artikel 2.13, derde lid, van de Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020008&artikel=2.13) kan een aanvraag tot subsidievaststelling voor een vrachtauto of bus waarvoor het definitieve kentekenbewijs is afgegeven tussen 1 maart 2012 en de datum van inwerkingtreding van deze regeling worden ingediend tot drie maanden na laatstbedoelde datum. Artikel III 1. [Artikel I, onderdeel F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031618&artikel=I&z=2012-06-06&g=2012-06-06), treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2011. 2. De overige onderdelen van deze regeling treden in werking met ingang van de dag na de datum van de uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19687,"b":"Regeling van 12 december 2006, nr. HDJZ/S&W/2006-1971, Hoofddirectie Juridische Zaken, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling en beleidsregel BDU verkeer en vervoer Gelet op [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018113&artikel=4), en [artikel 5, eerste en derde lid, van het Besluit BDU verkeer en vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018113&artikel=5); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling en beleidsregel BDU verkeer en vervoer. Artikel II De [bijlagen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018109&bijlage=I) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018109&bijlage=II) blijven van toepassing op de verantwoording over de besteding en reservering ten laste van de uitkering over het jaar 2005. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13304,"b":"Gewijzigde Beleidsregel rendementstoets warmte Met de inwerkingtreding van [art. 7 lid 2 tot en met 4 van de Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=7) heeft de wetgever bepaald dat de ACM toetst of het rendement van een warmteleverancier op al zijn netten gezamenlijk hoger is dan een door de ACM vast te stellen redelijk rendement. Indien dit het geval is, kan de ACM het meer dan redelijk behaalde rendement laten verdisconteren in de tarieven van die warmteleverancier. In deze beleidsregel worden nadere regels vastgesteld voor de uitvoering van deze bepalingen, gezamenlijk ook wel de rendementstoets genoemd. De rendementstoets bestaat naast de wettelijke taak van de ACM om op grond van [art. 5 Warmtewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033729&artikel=5) jaarlijks maximumtarieven voor warmte vast te stellen. Indien een warmteleverancier, ondanks het hanteren van dit maximumtarief, een rendement behaalt dat hoger is dan het door de ACM vastgestelde redelijk rendement, kan de ACM hiervoor corrigeren. Omdat de warmtetarieven veelal gebaseerd zijn op het niet meer dan anders principe (de gasreferentie) en niet op de daadwerkelijke kosten van warmteleveranciers, kan het voorkomen dat een warmteleverancier op basis van de maximumtarieven van de ACM een meer dan redelijk rendement behaalt. De wetgever heeft bepaald dat dit onwenselijk is en heeft daarom de rendementstoets ingevoerd. De Wet Collectieve Warmte is in voorbereiding. Daar waar warmtetarieven in de toekomst op werkelijke (efficiënte) kosten worden gebaseerd, vervalt de relevantie van de rendementstoets. Warmteleveranciers kunnen in dat geval geen tarieven meer in rekening brengen die leiden tot een onredelijk rendement en er is derhalve geen aanleiding meer voor een rendementstoets. De ACM heeft bij het schrijven van deze beleidsregel gekozen voor een aanpak die, gegeven het feit dat de rendementstoets een tijdelijke maatregel is, zowel zorgvuldig als praktisch uitvoerbaar is."},{"i":19688,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 14 april 2017, nr. IENM/BSK-2017/80896, tot wijziging van de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens (onderhoudswijziging 2017) Gelet op [artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=14); Besluit: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens. Artikel II Voor verkeersborden waarvoor het besluit tot plaatsing is genomen vóór de inwerkingtreding van deze regeling blijven, behoudens op na dat tijdstip genomen nadere besluiten over die plaatsing, tot 1 juli 2018 de [Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009104) van toepassing, zoals deze luidden op de dag vóór de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19689,"b":"Wijzigingsregeling Verplaatsingskostenregeling defensie (aangepaste tegemoetkoming woon-werkverkeer en de eigen bijdrage van een verstrekt openbaar vervoerbewijs) Gelet op [artikel 27 van het Verplaatsingskostenbesluit defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032312&artikel=27); Besluit: Artikel 1 Wijzigt de Verplaatsingskostenregeling defensie. Hoofdstuk 2. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 2. Overgangsbepaling 1. Als de invoering wegens uitvoeringstechnische redenen wordt vertraagd, zullen de medewerkers daarvan geen nadeel ondervinden. Zij behouden tot de datum van daadwerkelijke invoering hun bestaande reiskostenaanspraken. Zij die op grond van de nieuwe regeling over de overgangsperiode een hogere aanspraak gehad zouden hebben, ontvangen alsnog het verschil. Bij hen die op grond van de nieuwe regeling over de overgangsperiode een lagere aanspraak gehad zouden hebben, wordt het verschil niet teruggevorderd. 2. Voor de berekening van de terugwerkende kracht wordt voor die gevallen waar een specifieke berekening niet mogelijk is, uitgegaan van de standplaats voor alle gemaakte reizen. 3. De keuze van de defensieambtenaar ten aanzien van het al dan niet gebruik maken van privé reizen voor het openbaarvervoersbewijs in geval van de eigen bijdrage dagelijks reizen is bepalend voor de berekening van de terugwerkende kracht. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2022. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16737,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137195, houdende aanwijzing van Regionale Ambulancevoorziening Hollands-Midden voor de regio Hollands-Midden als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Regionale Ambulancevoorziening Hollands-Midden is voor regio Hollands-Midden de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":19690,"b":"Wet van 11 mei 2007, houdende wijziging van de Havenbeveiligingswet ter implementatie van richtlijn nr. 2005/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende het verhogen van de veiligheid van havens (PbEU L 310) en ter nadere uitvoering van verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de implementatie van [richtlijn nr. 2005/65/EG](32005L0065) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende het verhogen van de veiligheid van havens (PbEU L 310) en in verband met de nadere uitvoering van [Verordening (EG) nr. 725/2004](32004R0725) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129) noodzakelijk is om de [Havenbeveiligingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016991) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Havenbeveiligingswet. Artikel II Het uitvoeren van een eerste havenveiligheidsbeoordeling, het opstellen van een eerste havenveiligheidsplan en de uitvoering daarvan in de desbetreffende haven of het desbetreffende havengerelateerd gebied, als bedoeld in de [Havenbeveiligingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016991), geschiedt uiterlijk binnen een maand na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en"},{"i":19691,"b":"Wet van 16 december 2010 tot wijziging van de Spoorwegwet, de Wet personenvervoer 2000 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van de richtlijnen 2007/58/EG, 2007/59/EG, 2008/57/EG en 2008/110/EG Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de implementatie van [richtlijn 2007/58/EG](32007L0058), [richtlijn 2007/59/EG](32007L0059), [richtlijn 2008/57/EG](32008L0057) en [richtlijn 2008/110/EG](32008L0110) wijziging van de [Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007), de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) noodzakelijk maakt, alsmede dat het wenselijk is de Spoorwegwet te wijzigen in verband met de uitvoering van het programma «Beter Geregeld» en in die wet in verband met [richtlijn 2004/49/EG](32004L0049) de veiligheidsvergunning voor de infrastructuurbeheerder te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel II Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Hoofdspoorweginfrastructuur anders dan bedoeld in [artikel 121 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=121), die voor de inwerkingtreding van deze wet in gebruik is genomen en voldoet aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=6), en [artikel 7 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=7) zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de dag van de inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029963&artikel=I&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van deze wet, wordt aangemerkt als in overeenstemmi"},{"i":19692,"b":"Wet van 30 september 2015 tot wijziging van de Spoorwegwet en enige andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PbEU 2012, L 343/32) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de Spoorwegwet en enige andere wetten te wijzigen ter implementatie van [richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PbEU 2012, L 343/32); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel II Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel III Wijzigt de Wet lokaal spoor. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V Wijzigt de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt. Artikel VA Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VB 1. Er kan een verhoging, korting, aftrek, bijtelling of gebruiksvergoeding als bedoeld in [artikel 62, derde, vierde, vijfde of zesde lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=62) zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, worden overeengekomen, mits die in de netverklaring als bedoeld in [artikel 58 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=58) is opgenomen, tot het tijdstip waarop voor het desbetreffende onderwerp op grond van artikel 62, zesde lid, van de Spoorwegwet vastgestelde regels in werking zijn getreden. 2. De in het eerste lid bedoelde vergoedingen voldoen aan de artikelen 32 tot en met 37 en 51, eerste lid, van [richtlijn 2012/34](32012L0034)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegrui"},{"i":18153,"b":"Besluit machtiging P-Direkt (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Handelend in overeenstemming met het Kabinetsbesluit van 4 juli 2003; Gelet op [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12): Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - b. **ministerie:** ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - c. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362); - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De directeur P-Direkt wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van P-Direkt aan het ministerie. - a. In het kader van de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468) betreft deze machtiging om als bewerker als bedoeld in [artikel 1 van vernoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=1), persoongegevens in de zin van artikel 1, eerste lid, onder e van de wet te verwerken. - b. De verwerking van gegevens als bedoeld in [artikel 36, eerste lid van de Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468&artikel=36) vindt slechts plaats na een besluit van of namens de minister, als bedoeld in artikel 36, derde lid Wet bescherming persoonsgegevens - a. In het kader van de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) wordt de directeur van P-Direkt gemachtigd om op basis van een daartoe strekkend besluit van de minister papieren documenten te vervangen door reproducties, en aldus vervangen papieren documenten te vernietigen ov"},{"i":18610,"b":"Wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is door het instellen van eene nieuwe Ridderorde de gelegenheid te vermeerderen tot het verleenen van vereerende onderscheidingen; Gelet op [artikel 66 der Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=66); Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Er wordt een Orde ingesteld, strekkende tot vererende onderscheiding van Onze onderdanen of vreemdelingen, die zich jegens Ons en de staat of jegens de maatschappij op bijzondere wijze hebben verdienstelijk gemaakt. Artikel 2 Deze Orde draagt de naam van \"de Orde van Oranje-Nassau\". Artikel 3 Het Grootmeesterschap van deze Orde is onafscheidelijk aan de Kroon der Nederlanden verbonden. Artikel 4 Deze Orde bestaat uit zes graden. Artikel 5 Alle benoemingen in deze Orde geschieden bij koninklijk besluit. Artikel 6 De Ridders van de eerste graad van deze Orde dragen de naam van Ridder Grootkruis. De Ridders van de tweede graad van deze Orde dragen de naam van Grootofficier. De Ridders van de derde graad van deze Orde dragen de naam van Commandeur. De Ridders van de vierde graad van deze Orde dragen de naam van Officier. De Ridders van de vijfde graad van deze Orde dragen de naam van Ridder. De Ridders van de zesde graad van deze Orde dragen de naam van Lid. Artikel 7 1. Het versiersel dezer Orde bestaat in een kruis met acht geparelde punten en een doorlopende laurierkrans tussen de armen en gedekt met een koninklijke kroon, alles van goud voor de eerste vier graden en van zilver voor de vijfde graad; de armen van het kruis zijn wit geëmailleerd met blauw geëmailleerd hart; in het midden van het kruis bevindt zich een blauw geëmailleerd rond schild, omgeven door een wit geëma"},{"i":17580,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 juni 2025, kenmerk 4136017-1084380-MEVA, houdende regels voor de verstrekking van subsidie ter ondersteuning van samenwerkingsverbanden bij het inrichten van een vernieuwde opleidingsstructuur voor helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen (Subsidieregeling Inrichten Opleidingsstructuur helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen) [KetenID WGK027676] Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **AGB-code:** Algemene Gegevens Beheer-code zoals geregistreerd in het AGB-register dat wordt beheerd door Vektis; - **de-minimisverordening:** [Verordening (EU) 2023/2831](32023R2831) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun; - **DAEB:** dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - **DAEB de-minimisverordening:** [Verordening (EU) 2023/2832](32023R2832) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen; - **erkend leerbedrijf:** bedrijf of organisatie die bevoegd is om beroepspraktijkvorming te verzorgen, als bedoeld in [artikel 7.2.8, eerste lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.8) en een erkenning heeft als bedoeld in [artikel 1.5.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.5.3); - **helpende:** helpende zorg en welzijn als bedoeld in [artikel 3](htt"},{"i":18416,"b":"Regeling Politielogo Gelet op [artikel 13 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006560&artikel=13), Besluit: De Minister van Binnenlandse Zaken, Gelet op [artikel 13 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006560&artikel=13), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Het politielogo wordt door de politie slechts gebruikt overeenkomstig de beschrijving en afbeelding van het politielogo in hoofdstuk 2 van het handboek. Artikel 3 1. Het politielogo wordt door de politie in ieder geval aangebracht op: - a. de gebouwen van politie; - b. de voertuigen van politie; - c. de vaartuigen en luchtvaartuigen van de politie; - d. het correspondentie-papier dat door de politie wordt gebruikt, en - e. de uniform-kleding van de politie. 2. Het politielogo wordt op de in het eerste lid genoemde zaken, aangebracht op de wijze, zoals is omschreven en afgebeeld in het handboek. Artikel 4 In het geval de politie de huisstijl uit het handboek toepast, geschiedt dit overeenkomstig de beschrijving en afbeelding in het handboek. Artikel 5 Vervallen Artikel 6 De Regeling politielogo (Stcrt. 1994, 64, gewijzigd in Stcrt. 218) wordt ingetrokken. Artikel 7 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling politielogo. Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage Ligt ter inzage bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage, die bij de bibliotheek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken ter inzage wordt gelegd. Artikel 7a Deze regeling berust op [artikel 51 van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=51). Bijlage Ligt ter inzage bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant wor"},{"i":19338,"b":"Wet van 11 februari 2015 tot wijziging van de Wet Justitie-subsidies, de Kaderwet overige BZK-subsidies en de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector in verband met samenvoeging van de Halt-bureaus en departementale herindeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de [Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121) in overeenstemming te brengen met de samenvoeging van de Halt-bureaus en die wet alsmede de [Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756) aan te passen aan de meest recente departementale herindeling; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet Justitie-subsidies. Artikel II Wijzigt de Kaderwet overige BZK-subsidies. Artikel III Wijzigt de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. Artikel IV Ministeriële regelingen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een grondslag vonden in bepalingen, gesteld bij of krachtens [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3) en [4 van de Wet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4), berusten, voor zover zij voorzien in subsidies binnen het toepassingsgebied van [hoofdstuk 4A van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&hoofdstuk=4A), vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op [artikel 48a van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48a) of mede op dat artikel. Artikel V Deze wet is niet van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn verstrekt. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat"},{"i":18768,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief betreffende Personeelsdossiers van het Directoraat-Generaal voor Bijzondere Rechtspleging (DGBR) ressorterend onder het Ministerie van Justitie (1945–1986), toegang nr. 2.09.70 (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen Personeelsdossiers van het Directoraat-Generaal voor Bijzondere Rechtspleging (DGBR) ressorterend onder het Ministerie van Justitie (1945–1986) bevattende de hierboven genoemde archieven, de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":19694,"b":"Wet van 4 juni 2010 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanpassing van de Vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een verbetering van de vorderingsprocedure en tot invoering van het alcoholslotprogramma; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Onze minister zendt binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV Wijzigt de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Artikel V Mededelingen die zijn gebaseerd op een of meer overtredingen van het bij of krachtens de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) of de [Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581) strafbaar gestelde die zijn geconstateerd vóór de datum van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027867&artikel=I&z=2011-12-01&g=2011-12-01) van deze wet, worden behandeld overeenkomstig de bepalingen zoals die golden voor de inwerkingtreding van artikel I. Artikel VI Wijzigt de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (invoering bromfietsrijbewijs). Artikel VII Wijzigt deze wet. Artikel VIII Wijzigt deze wet. Artikel IX 1. [Artikel I, onderdelen A, derde tot en met vijfde lid, en Fa tot en met Fh](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027867&artikel=I&z=2011-12-01&g=2011-12-01), treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst. 2. De overige artikelen treden in werking op een bij koninklijk bes"},{"i":19093,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2019, houdende regels betreffende beschikkingen onderscheidenlijk besluiten tot openbaarmaking van wegens opzettelijk medeplegen aan een beroepsbeoefenaar opgelegde vergrijpboeten (Regeling openbaarmaking vergrijpboeten) Gelet op [artikel 67r van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67r) en [artikel 42a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=42a); Besluit: Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 67r van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67r) en [artikel 42a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelinge](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=42a)n. Artikel 2. Zienswijze 1. De inspecteur, onderscheidenlijk de Dienst Toeslagen, stelt de overtreder schriftelijk in kennis van het voornemen tot het nemen van een voor bezwaar vatbare beschikking tot openbaarmaking van de boetebeschikking (de kennisgeving). 2. De kennisgeving vermeldt de gronden waarop het voornemen berust. 3. De inspecteur, onderscheidenlijk de Dienst Toeslagen, geeft de overtreder een redelijke termijn waarbinnen de overtreder de in de kennisgeving vermelde gronden gemotiveerd kan betwisten. Artikel 3. Toetsingskader proportionaliteit 1. De inspecteur, onderscheidenlijk de Dienst Toeslagen, weegt het belang van een adequate voorlichting van het publiek af tegen het belang dat de overtreder heeft bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. 2. Bij de belangenafweging neemt de inspecteur, onderscheidenlijk de Dienst Toeslagen, in elk geval de volgende factoren in aanmerking: - a. de hoogte van de boete; - b. onherroepelijk vaststaande bestuurlijke boeten als bedoeld in [artikel 67r, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=67r), o"},{"i":17398,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 september 2020, nr. 2020-0000468858, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering ten behoeve van de financiering van regionale flexpools die het voorkomen van vertragingen in de voorfase van de woningbouw tot doel hebben (Regeling specifieke uitkering flexibele inzet ondersteuning woningbouw) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De minister verstrekt op aanvraag van gedeputeerde staten een eenmalige specifieke uitkering aan de provincie voor de financiering van de bundeling van flexibele inzet van expertise en capaciteit die in de provinciale of gemeentelijke organisatie of bij een waterschap worden ingezet door de provincie ter bevordering van de snelheid in de voorfase van de woningbouw, door middel van het bieden van ondersteuning en expertise ten behoeve van: - a. de vergunningverlening van woningbouwprojecten; - b. het uitwerken van een woningbouwproject; - c. het sluiten van anterieure overeenkomsten met marktpartijen; of - d. het opstellen van een bestemmingsplan en het doorlopen van de bijbehorende procedure. 2. De specifieke uitkering bedraagt voor de provincie: - a. Drenthe: €442.149; - b. Flevoland: € 884.298; - c. Friesland: € 442.149; - d. Gelderland: € 2.873.967; - e. Groningen: € 663.223; - f. Limburg: € 663.223; - g. Noord-Brabant: € 3.758.264; - h. Noord-Holland: € 6.190.083; - i. Overijssel: € 1.326.446; - j. Utrecht: € 2.652.893; - k. Zeeland: € 442.149; en - l. Zuid-Holland: € 6.190.083. 3. De specifieke uitkering wordt in twee delen uitbetaald. 4. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor BTW verschuldigd over kosten voor de activiteiten in eerste lid voor zo"},{"i":17908,"b":"Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 27 december 2023, nr. WJZ/37017293, houdende wijziging van de Regeling specifieke uitkering Programma Natuur in verband met het verlengen van de eerste fase Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling specifieke uitkering Programma Natuur. Artikel II Aanvragen die zijn ingediend op grond van de [Regeling specifieke uitkering Programma Natuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045066) en betrekking hebben op bestedingen in de periode tot en met 31 december 2025, worden geacht betrekking te hebben op bestedingen in de periode tot en met 31 december 2026, tenzij de aanvrager binnen 6 weken na inwerkingtreding van dit artikel aan de Minister meldt dat dit niet het geval is. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19374,"b":"Wet van 15 januari 1998 tot wijziging van enige bepalingen in het Wetboek van Strafvordering (de dagvaardingstermijn voor de politierechter, de oproeping in kantongerechtszaken en het instellen van hoger beroep) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), betreffende de dagvaardingstermijn voor de politierechter, de oproeping in kantongerechtszaken en het instellen van hoger beroep te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. ARTIKEL II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. ARTIKEL III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, welke voor de onderscheiden onderdelen verschillend kan zijn. ARTIKEL IV [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009327&artikel=I&z=1998-02-01&g=1998-02-01) heeft geen gevolgen voor de zaken die voor de inwerkingtreding van deze wet bij wege van verkorte dagvaarding, oproeping of kennisgeving van oproeping aanhangig zijn gemaakt. ARTIKEL V [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009327&artikel=II&z=1998-02-01&g=1998-02-01) heeft geen gevolgen voor de strafzaken waarin voor de inwerkingtreding van deze wet hoger beroep is ingesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19488,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 26 maart 2015, nr. IENM/BSK-2014/160572, houdende uitvoering van richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende het kader voor het invoeren van intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen (PbEU 2010, L 207) en die richtlijn aanvullende gedelegeerde verordeningen (ITS-Regeling) Gelet op de artikelen 3, aanhef en onder c en e in samenhang met 6, eerste lid van de [richtlijn 2010/40](32010L0040)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende het kader voor het invoeren van intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen (PbEU 2010, L 207), de artikelen 1, 3, 5, derde lid, en 8, eerste lid, van de gedelegeerde verordening (EU) nr. 885/2013 van de Commissie van 15 mei 2013 ter aanvulling van [Richtlijn 2010/40](32010L0040)/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het verstrekken van informatiediensten voor veilige en beveiligde parkeerplaatsen voor vrachtwagens en bedrijfsvoertuigen (PbEU 2013, L 247), de artikelen 1, 5, eerste lid, 7, tweede lid, en 9, eerste lid van de gedelegeerde verordening (EU) nr. 886/2013 van de Commissie van 15 mei 2013 tot aanvulling van [Richtlijn 2010/40](32010L0040)/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de gegevens en procedures voor het aanbieden, waar mogelijk, van minimale universele verkeersveiligheidsinformatie die kosteloos is voor de gebruikers (PbEU 2013, L 247), en op de [artikelen 4b, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b), en [145g, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=145g); BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **gedelegeerde verordening (EU) 885/2013:** gedelegeerde verordening (EU) nr. 885/2013 va"},{"i":17140,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 13 februari 2015, nr. 616510, houdende instelling van de Commissie onderzoek oorzaken kostenstijgingen stelsel gesubsidieerde rechtsbijstand en vernieuwing van het stelsel Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste en derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; - b. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036334&artikel=2&z=2015-02-24&g=2015-02-24). Artikel 2. (instelling en taak) 1. Er is een Commissie onderzoek oorzaken kostenstijgingen stelsel gesubsidieerde rechtsbijstand en vernieuwing van het stelsel. 2. De commissie heeft tot taak: Het doen van onderzoek naar de oorzaken van de kostenstijging van gesubsidieerde rechtsbijstand en aanbevelingen doen voor vernieuwing van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand met het oog op een betere budgettaire beheersbaarheid van het stelsel waarbij de toegang tot het recht voor min- en onvermogenden gegarandeerd blijft. Artikel 3. (samenstelling, benoeming, ontslag) 1. De voorzitter, vice-voorzitter en de andere leden worden door de Staatssecretaris benoemd. 2. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. 3. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de Staatssecretaris een ander lid benoemen. 4. De voorzitter, vice-voorzitter en overige leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de Staatssecretaris. Artikel 4. (instellingsduur en rapportageverplichting) 1. De commissie brengt uiterlijk 1 september 2015 haar eindrapportage uit. 2. De commissie brengt uiterlijk 1 juni 2015 een tussenstand uit ten aanzien van de aanbevelingen voor vernieuwing van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand me"},{"i":17284,"b":"Regeling controle en administratie zorgverzekeraars De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt toezicht op de rechtmatige uitvoering van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Deze bevoegdheid is gebaseerd op [artikel 16, sub b, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) (Wmg). Ingevolge [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=27), [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36) en [artikel 68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de controle door zorgverzekeraars en de administratie van zorgverzekeraars. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Algemene risicoanalyse 1.1. Een analyse zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, sub y van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=1). Algemeen controleplan 1.2. Een plan van aanpak voor de uitvoering van controleactiviteiten gebaseerd op de algemene risicoanalyse. Bzv 1.3. [Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492). Controleactiviteiten 1.4. Het geheel van onderzoek door de zorgverzekeraar op het gebied van formele controles, materiële controles, fraudeonderzoek en gepast gebruik. Formele controle 1.5. Een onderzoek als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, sub t, van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=1). Fouten 1.6. Van een fout in de opgave is sprake wanneer gebleken is dat een post of een gedeelte ervan niet in overeenstemming is met hetgeen bepaald is bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), dan wel de voorschriften van het Handboek van Zorginstituut Nederland of het protocol onderzoek Zvw van de NZa. Fraudeon"},{"i":18904,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 juni 2018 nr. BOACAT2018/033, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de regionale eenheid Noord-Nederland Gelezen het verzoek van de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27) van 22 december 2017 en het advies van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041052&artikel=2&z=2018-07-01&g=2018-07-01). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Noord-Nederland. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, g"},{"i":18436,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 10 augustus 2016, nr. 770837, houdende regels met betrekking tot de hoogte van de toeslag voor rechterlijke ambtenaren voor het verrichten van werkzaamheden in de avonduren, op zaterdagen, zondagen en feestdagen (Regeling toeslag rechterlijke ambtenaren avonduren, zaterdagen, zondagen en feestdagen) Gelet op [artikel 6h, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=6h); Besluit: Artikel 1 De toeslag voor de werkzaamheden van rechterlijke ambtenaren, bedoeld in [artikel 6h, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=6h) wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van de in het voorgaande kalenderjaar gerealiseerde contractloonmutatie op jaarbasis in de sector Rechterlijke Macht. Artikel 2 1. Het normbedrag voor de berekening van de hoogte van de toeslag voor de werkzaamheden, bedoeld in [artikel 6h, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=6h) bedraagt in het jaar 2024: € 36,06. 2. De toeslag bedraagt per gewerkt uur een percentage van het normbedrag, namelijk: - a. 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 18 en 22 uur; - b. 70% voor de uren op zaterdag tussen 8 en 22 uur; - c. 70% voor de uren op zondag tussen 8 en 22 uur; - d. 100% voor de uren op algemeen erkende feestdagen als bedoeld in de [Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) tussen 8 en 22 uur. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toeslag rechterlijke ambtenaren avonduren, zaterdagen, zondagen en feestdagen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden g"},{"i":17843,"b":"Wet van 10 maart 1984, houdende regelen inzake de verlening van uitkeringen en bijzondere voorzieningen aan burger-oorlogsslachtoffers Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen betreffende de verlening van uitkeringen en bijzondere voorzieningen aan burger-oorlogsslachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog en hun nagelaten betrekkingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); - c. de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6). Artikel 2 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan: - a. degene, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen bij met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, ten gevolge van welk letsel hij blijvend invalide is geworden of is overleden; - b. degene, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen door of in verband met handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende machten tegen hem werden gericht, ten gevolge van welk letsel hij blijvend invalide is geworden of is overleden; - c. degene, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichame"},{"i":17344,"b":"Regeling macrobeheersinstrument huisartsenzorg 2026 Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van huisartsenzorg, indien de Minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2026 verkregen uit declaratie van de prestaties huisartsenzorg. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2025 ontvangt van de Minister, met daarin voor 2026 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - **macro-omzetgrens:** de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - **Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - **prestat"},{"i":17047,"b":"Besluit van 5 oktober 1999, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de verzorgende individuele gezondheidszorg (Besluit verzorgende in de individuele gezondheidszorg) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 december 1997, CSZ/BO-9720920; Gelet op [artikel 34 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34); Gezien de adviezen van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (adviezen van juni 1994 en februari 1996); De Raad van State gehoord (advies van 16 maart 1998, No. WI3.98.0003); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 september 1999, CSZ/BO-9911341; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Titel en opleiding Artikel 1 Het recht tot het voeren van de titel van verzorgende individuele gezondheidszorg is voorbehouden aan degene aan wie het diploma is uitgereikt waaruit blijkt dat betrokkene met goed gevolg het afsluitende examen heeft afgelegd van de opleiding tot verzorgende die is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in [artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.4.1), waarvan de deelkwalificatie verplegende elementen onderdeel heeft uitgemaakt. § 2. Deskundigheid Artikel 2 Tot het gebied van de deskundigheid van de verzorgende individuele gezondheidszorg wordt gerekend: - a. het verrichten van handelingen op het gebied van verzorging, verpleging, observatie en begeleiding in verzorgings- en niet complexe behandelings- en verpleegsituaties; - b. het ingevolge opdracht van een beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichten van handelingen in aansluiting op diens diagnostische en therapeutische werkzaamheden. § 3. Slotbepalingen Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 4 Dit besluit word"},{"i":17383,"b":"Normenkader onderzoek uitvoering Wlz 1. Inleiding 1.1. Inleiding Dit hoofdstuk schetst de verantwoordingsstructuur van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) en beschrijft de achtergrond van de prestatiemeting. Ook gaat dit hoofdstuk in op de taak van de NZa om de positie van de consument te bewaken en te versterken in relatie tot de prestatiemeting. 1.2. Uitvoeringsstructuur [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) Voor de uitvoering van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) hebben zich in totaal twaalf Wlz-uitvoerders aangemeld. De Staatssecretaris van VWS heeft voor 2015 tien Wlz-uitvoerders aangewezen als zorgkantoor. In het [Besluit aanwijzing zorgkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987) worden 32 zorgkantoorregio’s genoemd. Dat betekent dat één Wlz-uitvoerder zorgkantoor kan zijn voor meerdere zorgkantoorregio’s. De Wlz-uitvoerders zijn verantwoordelijk voor de zorgplicht voor cliënten die zorg in natura ontvangen. Wlz-uitvoerders kunnen werkzaamheden uitbesteden aan zorgkantoren. Bij uitbesteding van taken blijft de Wlz-uitvoerder volledig verantwoordelijk, zowel voor de uitvoering van de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) als de daarmee samenhangende uitgaven. Wlz-uitvoerders die uitbesteden, moeten de uitbestede werkzaamheden aansturen en de goede uitvoering controleren. Het zorgkantoor is verantwoordelijk voor de (rechtmatige en doelmatige) regionale uitvoering van het PGB. Het zorgkantoor is ook verantwoordelijk voor de administratie. De overige taken behoren de Wlz-uitvoerder toe. Voor 2015 heeft de Staatssecretaris de in tabel 1.1 opgenomen Wlz-uitvoerders als zorgkantoor aangewezen. Bron: [Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2014, houdende de aanwijzing van de zorgkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035987). 1.3. Achtergrond prestatiemeting De NZa houdt toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvo"},{"i":18618,"b":"Wet van 17 mei 2010, houdende regels met betrekking tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat met de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overeengekomen dat zij een staatsrechtelijke positie krijgen binnen het Nederlandse staatsbestel en worden ingericht als openbaar lichaam in de zin van [artikel 134 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=134) en dat het in verband hiermee wenselijk is de instelling en inrichting van deze openbare lichamen te regelen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, de openbaarheid van hun vergaderingen alsmede het toezicht op deze besturen, waarbij voor zover mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het gemeentelijk bestuursmodel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland. Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - b. **eilandsbestuur:** ieder bevoegd orgaan van het openbaar lichaam; - c. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - d. **Rijksvertegenwoordiger:** Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 2. In deze wet wordt onder ambtenaar mede verstaan: degene die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is. Hoofdstuk II. De instelling van de openbare lichamen Artikel 2 1. Er is een openbaar lichaam Bonaire. 2. Het openbaar lichaam Bonaire omvat de eilanden Bonaire en Klein Bonaire. 3. Het openbaar lichaam Bonaire bezit rechtspersoo"},{"i":17970,"b":"Wet van 22 december 2005 tot wijziging van de Wet op de rechtsbijstand houdende aanpassing van het inkomens- en vermogensbegrip aan het fiscale inkomens- en vermogensbegrip Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het inkomens- en vermogensbegrip in de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) af te stemmen op het inkomens- en vermogensbegrip in de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel II Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel III Wijzigt de Wet tarieven in burgerlijke zaken. Artikel IV 1. Op aanvragen om een toevoeging, die door de raad zijn ontvangen voor inwerkingtreding van deze wet is het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de verlening van verdergaande rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 19, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=19). Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18923,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 15 augustus 2022 nr. BOACAT2022/058, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Agentschap Telecom Gelezen het verzoek van Agentschap Telecom van 2 augustus 2022 en de adviezen van hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047059&artikel=2&z=2023-01-01&g=2023-01-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van inspecteur en senior inspecteur in dienst van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de bijlage bij de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":17777,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Roemenië inzake de export van socialezekerheidsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en Roemenië, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens betrekkingen tot stand te brengen op het gebied van sociale zekerheid; Geleid door de wens de samenwerking tussen de beide Staten te regelen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied\": met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; met betrekking tot Roemenië: het gehele grondgebied van de Staat Roemenië, met inbegrip van de territoriale zee en het luchtruim boven het grondgebied en de territoriale zee waar Roemenië zijn soevereiniteit uitoefent, alsmede de aangrenzende zone, het continentaal plat en de exclusieve economische zone waarin Roemenië soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent, in overeenstemming met zijn wetgeving en met de regels en beginselen van het internationale recht; - b. „wetgeving\", de wetten en andere van kracht zijnde regelgeving met betrekking tot de takken van sociale zekerheid genoemd in artikel 2; - c. „bevoegde autoriteit\", wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; wat Roemenië betreft: het ministerie van Werkgelegenheid en Sociale Solidariteit; - d. „bevoegd orgaan\", wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft: met betrekking tot de takken van sociale verzekering genoemd in artikel 2, tweede lid, onder de letters a, b en c: het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/a GAK Nederland BV; met betrekking tot de takken van sociale verzekering genoemd in artikel 2, tweede lid, onder de letters d, e en f: de Sociale Verzekeringsbank; wat Roemenië betreft: het ministerie van Werkgelegenheid en Sociale Solidariteit, het Nationale Huis voor Pensioen- en andere Socialeverzekeringsrechten; of elk orgaan bevoegd tot het uitvoe"},{"i":18974,"b":"Besluit opheffen beperking openbaarheid archief Ministerie van Justitie, A-dossiers en voorlopers, (1923) 1949–1987 (2005), toegangsnummer 2.09.105 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van 14 juli 2022 van de Minister van Justitie en Veiligheid met kenmerk 2702133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047165), Gehoord hebbende de Minister van Justitie en Veiligheid, Besluit: Artikel 1 De beperking die is gesteld aan de openbaarheid van de inventarisnummers die in de bijlage genoemd worden, op te heffen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. bij het Besluit betreffende het opheffen van de beperking aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Justitie, A-dossiers en voorlopers, (1923) 1949–1987 (2005), toegangsnummer 2.09.105 | 3253 | 6420 | | --- | --- | | 3301 | 6422 | | 3347 | 6426 | | 3348 | 6427 | | 3349 | 6429 | | 5682 | 6431 | | 5684 | 6435 | | 6023 | 6616 | | 6069 | 6632 | | 6369 | 6633 | | 6370 | 6634 | | 6371 | 6637 | | 6372 | 6638 | | 6373 | 6639 | | 6374 | 6641 | | 6375 | 6642 | | 6380 | 6645 | | 6388 | 6648 | | 6390 | 6652 | | 6391 | 6653 | | 6392 | 6657 | | 6393 | 6659 | | 6394 | 6661 | | 6395 | 6663 | | 6398 | 6664 | | 6399 | 6668 | | 6403 | 8166 | | 6405 | | | 6419 | |"},{"i":19320,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 26 februari 2026, nr. BZ2625435, tot wijziging van de Sanctieregeling Iran 2012 Handelende in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de Minister van Financiën, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [Verordening (EU) nr. 2025/1975](32025R1975) van de Raad van de Europese Unie van 29 september 2025 tot wijziging van [Verordening (EU) nr. 267/2012](32012R0267) betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PbEU L 2025/1975), Besluit (GBVB) 2025/1972 van de Raad van 29 september 2025 tot wijziging van Besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PbEU L 2025/1972), en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Sanctieregeling Iran 2012. Artikel II Het verbod, bedoeld in [artikel 5 van de Sanctieregeling Iran 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031496&artikel=5), zoals gewijzigd bij deze regeling, geldt niet voor het aanbieden van kennis als bedoeld in dat artikel aan de personen ten aanzien van wie de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, geadviseerd heeft over een risico op overtreding van de verboden, bedoeld in artikel 4bis en artikel 4ter van [Verordening (EU) nr. 267/2012](32012R0267). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de [bijlage](onbekend) en de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17257,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 oktober 2008, nr. DLZ/SFI-2890287, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake invoering prestatiebekostiging in de intramurale langdurige zorg op grond van zorgzwaartepakketten Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 22 september 2008 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2008–2009, 26 631, nr. 273); Gezien mijn inbreng van het schriftelijk verslag van 27 oktober 2008, kenmerk DLZ-CB-U-2882839; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit; - c. **intramurale zorgaanbieder:** instelling die op grond van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) is toegelaten voor de functie verblijf, in combinatie met de functies persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding, begeleiding of behandeling als omschreven in het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149); - d. **extramurale zorgaanbieder:** instelling die op grond van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) is toegelaten voor een of meer van de functies persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding, begeleiding of behandeling als omschreven in het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149); - e. **MFC:** op grond van de [Wet zorginstellingen toegelaten instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) als Multifunctionele centra (MFC’s), die als samenwerkingsverband zorg bieden met verblijf en behandeling op het raakvlak va"},{"i":17747,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Panama inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Panama, hierna te noemen de verdragsluitende partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid, openbare orde en handel van de verdragsluitende partijen; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen, bedreigde dier- en plantensoorten, gevaarlijke stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen wettelijke bepalingen; Gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand, de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand (Verklaring van Cyprus) en de Resolutie inzake veiligheid en facilitatie van de internationale logistieke keten, aangenomen door de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisatie, in respectievelijk december 1953, juni 2000 en juni 2002; Gelet op internationale overeenkomsten die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Tevens gelet op de [Universele Verklaring van de Rech"},{"i":17741,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Mali inzake de controle van bewijsstukken met het oog op de betaling van socialezekerheidsuitkeringen De Republiek Mali enerzijds, en Het Koninkrijk der Nederlanden anderzijds, Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid tot stand te brengen; Geleid door de wens samenwerking op sociaal gebied tot stand te brengen die de wederzijdse toepassing van de socialezekerheidswetgeving van beide Verdragsluitende Partijen waarborgt; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. In dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. de term „grondgebied”: met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; met betrekking tot de Republiek Mali, het grondgebied van de Republiek Mali; - b. de uitdrukking „bevoegde autoriteit”: in het geval van het Koninkrijk der Nederlanden, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland; in het geval van de Republiek Mali, de minister van Sociale Ontwikkeling, Solidariteit en Ouderen; - c. de uitdrukking „bevoegd orgaan”: met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: de Sociale Verzekeringsbank; met betrekking tot de Republiek Mali: het Institut National de Prévoyance Sociale (Nationaal Instituut voor sociale zekerheid); of elke andere organisatie bevoegd tot het uitvoeren van een taak die momenteel wordt uitgevoerd door voornoemde organen; - d. de term „wetgeving”: de wetgeving betreffende de takken van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2; - e. de term „uitkering”: elke uitkering of elk pensioen in geld uit hoofde van de wetgeving; - f. de term „uitkeringsgerechtigde”: een persoon die een uitkering aanvraagt of recht heeft op een uitkering; - g. de term „gezinslid”: een persoon omschreven of als zodanig erkend door de wetgeving; - h. de term „wonen”: gewoonlijk wonen; - i. de term „verblijven”: tijdelijk verblijven. 2. Andere in dit Ve"},{"i":18569,"b":"Besluit van 16 maart 2006, nr. 06.000756, houdende vaststelling van een selectielijst van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 16 februari 2006, nr. C/S&A/05/2143, gedaan in overeenstemming met de Tweede Kamer der Staten-Generaal; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Gezien het advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/2 en arc-2003.6517/2; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘Selectielijst voor de handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst voor de handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000 I. Toelichting behorend bij de selectielijst voor de handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000 **1. Lijst van gebruikte afkortingen** Amvb Algemene maatregel van bestuur Art artikel EU Europese Unie EEG Europese Economische Gemeenschap EG Europese Gemeenschap ICN Instituut Collectie Nederland ICOM International Council of Museums Kb Koninklijk besluit NMV Nederlandse Museumvereniging Nr nummer Pb Publicatieblad RAD Rijksarchiefdienst RBK Rijksdienst Beeldende Kunst Stb Staatsblad Stcrt Staatscourant WO-II Tweede Wereldoorlog **2. Beschrijving beleidsterrein cultuurbeheer** Het beleidsterrein cultuurbeheer beslaat het beleid ten aanzien van de roerende zaken die deel uitmaken van het culturele erfgoed in Nederland. Hierbij gaat het om de museale collecties en de arc"},{"i":17388,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 11 maart 2024, kenmerk 3778259-1062120-PG, houdende het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van aanvullende seksuele gezondheidszorg (Regeling specifieke uitkering aanvullende seksuele gezondheidszorg) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvullende seksuele gezondheidszorg:** soa-zorg, seksualiteitshulpverlening en PrEP-zorg; - **collectieve preventie:** taken van het college van burgemeester en wethouders op het gebied van preventie als bedoeld in de [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705); - **coördinatie:** het ten behoeve van de regio van de desbetreffende coördinerende GGD op planmatige wijze inrichten van het aanbod van aanvullende seksuele gezondheidszorg en waarborgen dat de aanvullende seksuele gezondheidszorg voldoet aan de voorwaarden en verplichtingen volgend uit deze regeling; - **coördinerende GGD:** instelling die in stand houdt of de instellingen die in stand houden: - a. de GGD van de gemeente Amsterdam, werkzaam binnen de regio die bestaat uit de provincies Noord-Holland en Flevoland; - b. de GGD Gelderland-Zuid, werkzaam binnen de regio die bestaat uit de provincies Overijssel en Gelderland; - c. de GGD Groningen, werkzaam binnen de regio die bestaat uit de provincies Friesland, Drenthe en Groningen; - d. de afdeling GGD van de Dienst OCW van de gemeente Den Haag, werkzaam binnen de regio die bestaat uit het deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam/Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer; - e. de GGD Rotterdam-Rijnmond, werkzaam binnen de regio die bestaat uit het overige deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten die geen deel uitmaken van"},{"i":19406,"b":"Aanwijzing bevoegde autoriteit Scheepvaartreglement Kanaal van Gent naar Terneuzen Gelet op [artikel 2, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005954&artikel=2&z=2012-05-19&g=2012-05-19), 1°, van het [Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315); Besluit: Artikel 1 De bevoegde autoriteit, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onderdeel a, 1°, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=2), is: voor zover het betreft de vaarweg, de zijkanalen en de objecten waar de zorg voor een veilige en vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer en de technische zorg is opgedragen aan het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat: de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Zeeland, in de artikelen: [2, eerste lid, onderdelen d en i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=2); [2, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=2); [3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=3); [6, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=6); [9, vierde lid, vijfde lid, onderdeel b, zesde lid, zevende lid, onderdeel c, en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=9); [13, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=13); [18, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=18); [19, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=19); [30, derde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=30); [38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=38); [39, eerste, tweede, vierde, vijfde en twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=39); [40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005315&artikel=40); [41, negende lid](https"},{"i":17357,"b":"Regeling macrobeheersinstrument zintuiglijk gehandicaptenzorg Gelet op: [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35); [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36); [artikel 37, eerste lid, aanhef en onder d, vierde lid, en zevende tot en met negende lid;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) [artikel 62,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) juncto [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68); [artikel 76, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76), van de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) (hierna: Wmg), en op: de [aanwijzing inzake bekostiging extramurale behandeling van zintuiglijk gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035400) d.d. 14 juli 2014, kenmerk 642422-123511-MC, van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS); de Beleidsregel macrobeheersinstrument zintuiglijk gehandicaptenzorg 2018 (met kenmerk BR/REG-18115), heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vastgesteld. 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bovengrens:** grens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - b. **budgettair kader zorg (BKZ):** het door het Ministerie van VWS jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - c. **macrobeheersinstrument (MBI):** instrument waarmee op grond van de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het BKZ achteraf kunnen worden geredresseerd. - d. **omzet:** omzet als bedoeld in artikel 7 van de beleidsregel macrobeheersinstrument Zintuig"},{"i":19513,"b":"Publicatie aanduiding publiek identificatiemiddel rijbewijs Gelet op [artikel 2f van de Regeling vaststelling modellen rijbewijzen en daarmee verband houdende formulieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008038&artikel=2f) Besluit: Artikel 1 Op een rijbewijs dat een functionaliteit voor een publiek identificatiemiddel bevat wordt op de achterzijde een aanduiding van dat publieke identificatiemiddel geplaatst volgens het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041865&bijlage=I&z=2019-02-02&g=2019-02-02) van dit besluit opgenomen model. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum waarop zij is geplaatst in de Staatscourant en werkt terug tot en met 4 juni 2018. Artikel 3 Dit besluit word aangehaald als: publicatie aanduiding publiek identificatiemiddel rijbewijs. Bijlage I. Model aanduiding (kleur: zwart) Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17079,"b":"Controleprotocol nacalculatie-opgave 2024 Wlz-zorgaanbieders Versie 1, maart 2024 Artikel 1. Inleiding 1.1. Doelstelling Zorgaanbieders die Wlz-zorg in natura leveren, moeten aan de NZa gegevens en inlichtingen verstrekken, waaronder een nacalculatie-opgave, zoals bedoeld in de Regeling declaratievoorschriften, administratievoorschriften en informatieverstrekking Wlz 2024. De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat een accountant een uitspraak doet over de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de aan de NZa verstrekte gegevens en inlichtingen. Dit controleprotocol stelt eisen aan het door de accountant uit te voeren onderzoek naar het met de geldende beleidsregels en regelingen van de NZa in overeenstemming zijn van de (Geconsolideerde) Totaal financieel gerealiseerde productie en de (Geconsolideerde) Totaal financiële realisatie overige onderdelen 2024. De accountant hanteert het controleprotocol als kader voor zijn werkzaamheden. Daarnaast voert de accountant zijn controle uit in overeenstemming met het Nederlands recht, waaronder de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA), de geldende beroepsvoorschriften van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA), de Nadere Voorschriften Controle en Overige Standaarden (NV COS, bij verwijzingen aangeduid met ‘Standaard’). De controle van de nacalculatie-opgave 2024 is een controleopdracht van een specifiek element van een financieel overzicht (Standaard 805). Het doel van dit controleprotocol is niet om de aanpak van de controleopdracht voor te schrijven. De accountant is zelfstandig verantwoordelijk voor het uitvoeren van voldoende werkzaamheden ter verkrijging van voldoende controle-informatie dat de in de nacalculatie-opgave opgenomen (Geconsolideerde) Totaal financieel gerealiseerde productie en de (Geconsolideerde) Totaal financiële realisatie overige onderdelen 2024, in alle van materieel belang zijnde aspecten in overeenstemming is met de geldende beleidsregels en regelingen van de NZa. De"},{"i":18971,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 26 april 2016, strekkende tot openbaarmaking van documenten betreffende de buitengewoon opsporingsambtenaren werkzaam bij de RDW Gelet op [artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=8); Besluit: Artikel 1 Alle bekwaamheids- en bevoegdheidsdocumenten, documenten betreffende de aanvraag van de opsporingsbevoegdheid en de uitreikingsbescheiden daarvan, van buitengewoon opsporingsambtenaren werkzaam bij de unit Handhaving van de RDW, worden openbaar gemaakt. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18629,"b":"De Regeling tot wijziging van de Regeling Rijksvoorkeurswoningen 1989 behoort bij de circulaire aan het College van Burgemeester en Wethouders van 16 juni 1993, nr. MG93-21, Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989 Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989. Artikel II 1. Op rijksambtenaren die voor de inwerkingtreding van deze regeling door burgemeester en wethouders op voet van artikel 6 van de Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989 op de speciale lijst zijn geplaatst, blijft genoemde regeling van toepassing zoals zij onmiddellijk voor de inwerkingtreding luidde. 2. Woningen die op voet van de Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989 zijn aangewezen als rijksvoorkeurswoningen en bestemd zijn voor het huisvesten van rijksambtenaren, worden, met inachtneming van het eerste lid, aangewend voor het huisvesten van personen met een vergunning tot verblijf en vluchtelingen. 3. Op vluchtelingen die voor de inwerkingtreding van deze regeling op voet van artikel 11 van de Regeling rijksvoorkeurswoningen 1989 zijn voorgedragen, blijft genoemde regeling van toepassing zoals zij onmiddellijk voor de inwerkingtreding luidde. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18837,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 29 juni 2015, nr. BOACAT2015/025, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Hengelsport Federatie Midden Nederland Gelezen het verzoek van de Secretaris van de Hengelsport Federatie Midden Nederland van 16 juni 2015 en de adviezen van hoofdofficier van Justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036810&artikel=2&z=2015-10-12&g=2015-10-12). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van flora- en faunabeheer in dienst van de Hengelsport Federatie Midden Nederland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II Milieu en Welzijn, van [bijlage A-I van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029447&bijlage=A-I). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke vers"},{"i":18668,"b":"Aanwijzing als opsporingsambtenaren ex artikel 62 WAG Gezien het schrijven van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 januari 1956, no. A-2/081717, Directoraat-Generaal van het Verkeer; Gelet op het bepaalde in artikel 62 van de Wet Autovervoer Goederen, artikel 63 van de Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart en de artikelen 1, aanhef en sub 5°., en 17, [eerste lid, sub 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063)., van de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063), Besluit: 1. Onder intrekking van de desbetreffende beschikking van 25 januari 1954, no. 254/385, 2de afdeling A, worden aangewezen als opsporingsambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de Wet Autovervoer Goederen en de Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart: - a. de directeur-generaal van het verkeer; - b. de inspecteur-generaal van het verkeer; - c. de rijks(hoofd)inspecteurs van het verkeer (A), hoofden van de districten der Rijksverkeersinspectie; - d. de aan de sub **c** genoemde rijks(hoofd)inspecteurs van het verkeer (A) toegevoegde rijksinspecteurs van het verkeer (A), rijksinspecteurs van het verkeer 2de klasse en adjunct-rijksinspecteurs van het verkeer; - e. de rijksopzichters van het verkeer; - f. de rijkshoofdcontroleurs van het verkeer; - g. de rijkscontroleurs van het verkeer (A). 2. Deze beschikking wordt bekendgemaakt in de **Nederlandse Staatscourant** en treedt in werking op de dag harer bekendmaking."},{"i":17501,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 september 2024, nr. 2024-0000214116, tot vaststelling van de taakomschrijving van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Gelet op [artikel 46, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=46) en [artikel 3 van de Wet van 25 januari 1951, houdende nadere voorzieningen in verband met de invoering van de ambten van Minister zonder portefeuille en van Staatssecretaris](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002069&artikel=3) (Stb. 1951, 24); Gezien het koninklijk besluit van 2 juli 2024, nr. 2024001720, houdende benoeming van drs. J.N.J. Nobel tot Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Besluit: Artikel 1 De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is binnen de grenzen van het door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde beleid meer in het bijzonder belast met aangelegenheden betreffende: - –. Kinderopvang, inclusief de stelselherziening van de kinderopvangtoeslag; - –. Participatie en decentrale voorzieningen; - –. Armoede en schuldhulpverlening; - –. Wajong en banenafspraak; - –. Sociale Werkvoorzieningbedrijven die beschut werken; - –. Re-integratie; - –. Integratie en maatschappelijke samenhang; - –. Arbeidsomstandigheden; - –. Europees Sociaal Fonds; - –. SZW-domein Caribisch Nederland; - –. Inburgering. Artikel 2 De Staatssecretaris kan voorts met nader door de Minister aan te wijzen onderwerpen worden belast. Artikel 3 Het [besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 december 2017, nr. 2017-0000197319, tot vaststelling van de taakomschrijving van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040414) (Stcrt. 2017, 73300) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 2 juli 2024. Di"},{"i":18801,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 14 maart 2017 nr. BOACAT2017/021, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming Gelezen het verzoek van de algemeen directeur van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming van 6 maart 2017 en het advies van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039361&artikel=2&z=2017-10-26&g=2017-10-26). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van inspecteur bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming in dienst van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Arti"},{"i":18523,"b":"Rijkswet van 15 april 1994, tot wijziging van de wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau, en van de wet van 29 september 1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw, alsmede instelling van het Kapittel voor de civiele orden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met een herziening van het decoratiestelsel wenselijk is de wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau, en de wet van 29 september 1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw, te wijzigen en tot instelling van het Kapittel voor de civiele orden over te gaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van de State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. Er is een Kapittel voor de civiele orden. 2. Het Kapittel heeft tot taak Onze Minister wie het aangaat te adviseren over het verlenen van onderscheidingen in een van de civiele orden. 3. Het Kapittel is samengesteld uit tenminste drie en ten hoogste vijf leden, de voorzitter daaronder begrepen, die bij koninklijk besluit worden benoemd en ontslagen. 4. De Kanselier van de Orde van de Nederlandse Leeuw is lid van het Kapittel. 5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ten aanzien van de taak, samenstelling, inrichting en werkwijze van het Kapittel. Artikel IV 1. De commissaris van de Koning adviseert Onze Minister wie het aangaat volgens een door de regering gegeven ambtsinstructie over de verlening van onderscheidingen in de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau aan inwoners van de provincie. 2. De Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire"},{"i":18024,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van het Koninkrijk van 1 juli 2010, nummer 2010/1, houdende bekendmaking in Aruba van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba Gelet op [artikel 23, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23), [artikel 72 Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=72) en [artikel 2 van de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=2), Besluit: Artikel 1 De [Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027122) wordt bekendgemaakt door plaatsing op de website van het Kabinet van de Gouverneur van Aruba, www.kabga.aw. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van publicatie en werkt terug tot 1 april 2010. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant en de Landscourant van Aruba geplaatst."},{"i":19293,"b":"Wet van 22 juni 1950, houdende vaststelling van regelen voor de opsporing, de vervolging en de berechting van economische delicten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, het Besluit berechting economische delicten te vervangen door een wet, die de doeltreffendheid bevordert van de opsporing, vervolging en berechting van handelingen, welke schadelijk zijn voor het economische leven, en die in het bijzonder daarin meer eenheid brengt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. Van de economische delicten Artikel 1 Economische delicten zijn: - 1°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens: de [Aanpassingswet Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023754), [artikel XLIX, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023754&artikel=XLIX); de [Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746), de [artikelen 1:4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:4), en [3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=3:1), voorzover betrekking hebbend op goederen die ingevolge regelingen van internationaal of nationaal recht worden aangemerkt als strategische goederen; de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346), de [artikelen 6, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=6), [28, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=28), [28a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=28a), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=32), en – voor zover aangewezen als strafbare feiten – de [artikelen 6, eerste lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=6), en [16, tiende lid](h"},{"i":17676,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Oorlogsgetroffenen vanaf 1947 (Pensioen- en Uitkeringsraad en taakvoorgangers) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 6 februari 2006, nr. arc-20005.02719/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Pensioen- en Uitkeringsraad en taakvoorgangers op het beleidsterrein Oorlogsgetroffenen over de periode vanaf 1947’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Een instrument voor de selectie van de administratieve neerslag van het handelen van de Pensioen- en Uitkeringsraad en taakvoorgangers in de periode 1947–heden **in opdracht van Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)** 1. Verantwoording **1.1. Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven** Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder **archiefbescheiden** worden niet slechts papieren documenten te verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht hun vorm – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving. Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband kent de Archiefwet 1995 zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als een overbrengingsplicht (art. 12). Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorg"},{"i":19292,"b":"Wet van 29 mei 2006 tot vaststelling van regels met betrekking tot de bijzondere opsporingsdiensten en de instelling van het functioneel parket (Wet op de bijzondere opsporingsdiensten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een afzonderlijke wet regels te stellen voor de bijzondere opsporingsdiensten, in verband met de samenhang van de rechtshandhaving en de democratische controle en ter verbetering van de handhaving van de ordeningswetgeving, alsmede de instelling van het functioneel parket; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. bijzondere opsporingsdienst: een van de diensten, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - b. opsporingsambtenaar: een ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst die is aangewezen voor de uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - c. Onze betrokken Minister: Onze minister onder wie een bijzondere opsporingsdienst ressorteert. Artikel 2 Er zijn vier bijzondere opsporingsdiensten, te weten: - a. een bijzondere opsporingsdienst, ressorterend onder Onze Minister van Financiën; - b. een bijzondere opsporingsdienst, ressorterend onder Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - c. een bijzondere opsporingsdienst, ressorterend onder Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - d. een bijzondere opsporingsdienst, ressorterend onder Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hoofdstuk II. Taken en bevoegdheden Artikel 3 Een bijzondere opsporingsdienst is onder gezag van de officier van justitie belast met: - a. de"},{"i":18364,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 20 september 2022, houdende de vaststelling van enkele rechtspositionele bepalingen ten aanzien van ambtenaren in de sector Politie die werkzaam zijn als chauffeur (Regeling chauffeurs politie) Gelet op [artikel 12, derde en eenentwintigste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=12) en de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=21) en [48 van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=48); Besluit: Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - **arbeidsduurfactor:** de breuk waarvan de teller bestaat uit de voor de chauffeur vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 48; - **Barp:** [Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516); - **Bbp:** [Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517); - **chauffeur:** een ambtenaar als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2) die de werkzaamheden verricht van een personenchauffeur als bedoeld in [artikel 5.7:1, tweede lid, van het Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=5.7:1) en als zodanig is aangesteld. Artikel 2. Toepasselijkheid van bijzondere afwijkingen in het [Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687) Op de chauffeur is [artikel 4.6:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&artikel=4.6:2) en [paragraaf 5.7 van het Arbeidstijdenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007687&paragraaf=5.7) van toepassing. Artikel 3. Afwijking van het Bbp zittende chauffeurs De [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=14), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=18), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":18163,"b":"Besluit van 6 april 1995, betreffende ontbinding van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, daartoe gemachtigd door de Raad van Ministers, van 3 april 1995, nr. CW95/U288, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op de [artikelen 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=64) en [137, derde lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=137) en [artikel Q 5 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Q_5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Eerste Kamer der Staten-Generaal wordt ontbonden met ingang van 13 juni 1995. Artikel 2 De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer vindt plaats op dinsdag 25 april 1995. Artikel 3 De eerste samenkomst van de nieuw gekozen Eerste Kamer vindt plaats op dinsdag 13 juni 1995. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de beide kamers der Staten-Generaal, aan de Raad van State, aan de ministeries, aan de Kiesraad en aan de Algemene Rekenkamer, en dat met de nota van toelichting in het **Staatsblad** en in de **Staatscourant** zal worden geplaatst."},{"i":19098,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 4 september 2007, nr. SIOD/07/4362, tot toedeling van bepaalde opsporingstaken aan de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst en de Belastingdienst/Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst en Economische Controledienst (Regeling toedeling bepaalde opsporingstaken SIOD en FIOD-ECD) Handelende in overeenstemming met de Minister van Justitie; Gelet op [artikel 3, aanhef en onder b, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=3); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. SIOD: de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, zijnde de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in [artikel 2, aanhef en onder d, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2); - b. Belastingdienst/FIOD-ECD: de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst en Economische Controledienst, zijnde de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in [artikel 2, aanhef en onder a, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2); - c. ATV-richtlijnen: de [Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en douanedelicten 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019234), Stcrt. 2005, 247. Artikel 2 1. De SIOD heeft mede tot taak het opsporen van strafbare feiten op het terrein van loonbelasting, premies voor de werknemersverzekeringen of de premie voor de volksverzekeringen, voor zover gepleegd in samenhang met strafbare feiten op het terrein van de arbeidsmarkt en voor zover eerstbedoelde strafbare feiten niet zijn te beschouwen als het hoofdbestanddeel van het complex van geconstateerde strafbare feiten. 2. De Belastingdienst/FIOD-ECD heeft mede tot taak het opsporen van strafbare feiten op het terrein van de arbeidsmarkt voor zover gepleegd in samenhang met strafbare feiten op"},{"i":18258,"b":"Wet van 29 maart 1955, houdende het in overeenstemming brengen van de Defensiewet voor de Nederlandse Antillen met de nieuwe rechtsorde Op de voordracht van Onze Minister van Overzeese Rijksdelen a.i. van 22 Maart 1955, Directie Suriname en Nederlandse Antillen, No. 124071/-; Overwegende, dat ingevolge [artikel 59, lid 4 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=59) de Defensiewet voor de Nederlandse Antillen in overeenstemming moet worden gebracht met de nieuwe rechtsorde; Gelet op artikel 59, leden 2 en 4 van het Statuut; De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 25 Maart 1955, No. 1); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Overzeese Rijksdelen van 29 Maart 1955, Directie Suriname en Nederlandse Antillen, No. 125047/10641; De bepalingen van het Statuut in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: de tekst van de Defensiewet voor de Nederlandse Antillen vast te stellen, zoals deze bij dit besluit is gevoegd. Artikel 1 1. Alle dienenden bij de krijgsmacht zijn in dienst van het Koninkrijk. 2. Onverminderd het bepaalde in het derde lid, hebben de Gouverneurs als orgaan van het Koninkrijk ieder de bevoegdheid de bevelhebber van de krijgsmacht in Aruba, Curaçao en Sint Maarten te schorsen en geven van een beslissing tot schorsing terstond kennis aan de regering van het Koninkrijk. Zij oefenen deze bevoegdheid uit in onderling overleg. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, wendt de betrokken Gouverneur zich tot Onze Minister van Defensie. 3. Onze Minister van Defensie is bevoegd de bevelhebber, bedoeld in het tweede lid, te schorsen. 4. De in het tweede en derde lid bedoelde schorsing is, zolang deze geen koninklijke bekrachtiging heeft verkregen, slechts voorlopig. Artikel 2 Bij landsverordening worden de voorwaarden vastgesteld, waarop aan inwoners van Aruba, Curaçao en Sint Maarten wegens ernstige gewetensbezwaren vrijstelling van de dienst in de krijgsm"},{"i":17410,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 29 november 2021, nr. WJZ/ 21119437, houdende regels voor het verstrekken van eenmalige specifieke uitkeringen in verband met de uitvoering van de subsidiemodule MKB innovatiestimulering topsectoren 2021 (Regeling specifieke uitkering MIT 2021) Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) en [18 van de Financiële-Verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=18); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **MKB innovatiestimulering topsectoren:** subsidiemodule als bedoeld in [titel 3.4 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&titeldeel=3.4); - **provincie:** provincie die uitvoering geeft aan de regionale MIT-regeling; - **regionale MIT-regeling:** de provinciale subsidieregeling als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045964&bijlage=1&z=2025-04-08&g=2025-04-08); - **uitvoeringsactiviteit:** activiteit die wordt uitgevoerd in het kader van de regionale MIT-regeling. Artikel 2. Specifieke uitkering De Minister kan een specifieke uitkering voor uitvoeringsactiviteiten verstrekken aan een provincie. Artikel 3. Hoogte van de uitkering De specifieke uitkering bedraagt ten hoogste het bedrag opgenomen in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045964&bijlage=2&z=2025-04-08&g=2025-04-08) bij deze regeling. Artikel 4. Aanvraag tot verlening 1. Een specifieke uitkering wordt op aanvraag verstrekt. 2. De aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering wordt op zijn vroegst 34 weken en uiterlijk 27 weken voor het einde van het boekjaar ingediend voor de uitvoeringsperiode die in hetzelfde boekjaar aanvangt. 3. De aanvraag bevat in ieder"},{"i":18778,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 23 november 2023, kenmerk 4327978, houdende beperking van de openbaarheid van de Depotarchieven periode 1945–2007 van het Ministerie van Justitie Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 15 januari 2023, met zaaknummer 101223. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de Depotarchieven periode 1945–2007. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | --- | --- | | 19 | 2025 | 724 | 2048 | | 20 | 2025 | 725 | 2052 | | 26 | 2035 | 726 | 2054 | | 27 | 2050 | 727 | 2056 | | 28 | 2028 | 728 | 2060 | | 34 | 2046 | 729 | 2053 | | 45 | 2051 | 730 | 2050 | | 51 | 2051 | 731 | 2053 | | 117 | 2047 | 732 | 2057 | | 119 | 2048 | 733 | 2052 | | 120 | 2051 | 734 | 2052 | | 121 | 2049 | 735 | 2053 | | 122 | 2049 | 736 | 2053 | | 123 | 2044 | 737 | 2053 | | 124 | 2050 | 738 | 2053 | | 125 | 2051 | 739 | 2054 | | 139 | 2048 | 740 | 2055 | | 147 | 2039 | 741 | 2057 | | 150 | 2048 | 742 | 2061 | | 338 | 2071 | 743 | 2053 | | 426 | 2053 | 744 | 2056 | | 472 | 2056 | 745 | 2061 | | 699 | 2036 | 746 | 2061 | | 700 | 2040 | 747 | 2050 | | 701 | 2044 | 748 | 2053 | | 702 | 2049 | 749 | 2054 | | 703 | 2038 | 750 | 2055 | | 704 | 2041 | 751 | 2055 | | 705 | 2043 | 752 | 2056 | | 706 | 2045 | 753 | 2057 | | 707 | 2047 | 754 | 2058 | | 708 | 2049 | 755 | 2059 | | 709 | 2037 | 756 | 2059 | | 710 | 2040 | 757 | 2059 | | 711 | 2044 | 758 | 2059 | | 712 | 2049 | 759 | 2061 | | 713 | 2041 | 760 | 2061 | | 714 | 2045 | 856 | 2066 | | 715 | 2050"},{"i":18425,"b":"Instelling overlegorgaan voor export-, import-, en investeringsgaranties Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken; Besluit: Artikel 1 Er is een Rijkscommissie voor export-, import-, en investeringsgaranties, te noemen: de Rijkscommissie. Artikel 2 De Rijkscommissie heeft tot taak overleg te voeren over (inter)nationale ontwikkelingen en vraagstukken alsmede knelpunten en mogelijke oplossingen daarvoor, op het gebied van export-kredietverzekering en -financiering en investeringsverzekeringen als bedoeld in [artikel 3, tweede lid van de kaderwet financiële verstrekkingen Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007886&artikel=3). Artikel 3 1. De Rijkscommissie brengt desgevraagd verslag uit over haar werkzaamheden aan de Minister van Financiën en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. 2. De Rijkscommissie kan besluiten om een jaarplan op te stellen voor het komende jaar. Artikel 4 1. De Rijkscommissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zesentwintig andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden benoemd door de Minister van Financiën. 3. Als lid kunnen worden benoemd: - a. deskundigen die een functie bekleden op het gebied van industrie, landbouw, handel, dienstverleningsbedrijven, bank- en verzekeringswezen; - b. vertegenwoordigers uit het georganiseerde bedrijfsleven; - c. vertegenwoordigers van toegelaten kredietverzekeringsmaatschappijen; - d. vertegenwoordigers van de Minister van Financiën en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. 4. Voor de in het derde lid genoemde leden kan de Minister van Financiën plaatsvervangende leden benoemen. 5. De Rijkscommissie wordt ondersteund door een secretaris, die benoemd en ontslagen wordt door de Minister van Financiën. De secretaris is geen lid van de Rijkscommissie. Artikel 5 1. De Rijkscommissie kan besluiten een van haar leden aan te wijzen als plaatsvervanger van de voorzitter voor het geval de voorzitter tijdeli"},{"i":19044,"b":"Besluit van de directeur-generaal Straffen en Beschermen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 11 april 2023, nr. 4502822, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de directeur-generaal ressorterende functionarissen van het directoraat-generaal Straffen en Beschermen (Mandaatbesluit DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023) Gelet op [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1), [artikel 3, tweede, vierde en vijfde lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3), paragraaf 1.3 van de CAO Rijk en [artikel 3.3 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=3.3); Besluit: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de directeur-generaal Straffen en Beschermen verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun directie betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de directeur Sanctie- en Slachtofferbeleid; - b. de directeur Jeugd, Familie en aanpak Criminaliteitsfenomenen; - c. de directeur Advies, Regie en Centrale autoriteit; - d. de directeur Artificiële Intelligentie. 2. De directeur-generaal verleent ondermandaat aan de plaatsvervangend directeur-generaal Straffen en Beschermen om bij afwezigheid of verhindering als plaatsvervangend directeur-generaal diens bevoegdheden uit te oefenen. 3. De directeuren, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, wordt voorts toegestaan om elkaar te vervangen bij afwezigheid of verhindering. Ten aanzien van dergelijke gevallen wordt de waarnemende directeur hetzelfde ondermandaat verleend als de directeur die deze vervangt. 4. Het ondermandaat dat aan ieder van de directeuren, bedoeld"},{"i":19151,"b":"Richtlijn voor strafvordering openlijke geweldpleging Deze richtlijn heeft betrekking op diverse vormen van openlijke geweldpleging. Openlijke geweldpleging. * Let op eventueel taakstrafverbod ([art. 22b Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22b)) en of er sprake is van een (zeer actieve) veelpleger of stelselmatige dader Legenda **Afkortingen** GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Onder gevaarzettend wordt verstaan gedragingen die potentieel tot ernstiger letsel (dan het letsel dat is gevolgd) hadden kunnen leiden. Denk aan het gebruik van slag/stootwapens, het gooien van zware voorwerpen richting personen, afsteken vuurwerk en richten ervan op personen, schoppen tegen lichaam van een liggend slachtoffer. Met betrekking tot een aantal delicten, zoals mishandeling, openlijke geweld, vernieling en bedreiging, dient het eventuele feit dat de gepleegde agressieve handeling samenhangt met, of terug te voeren is op een verkeerssituatie, strafverzwarend te worden beoordeeld. Reden voor die verzwaring is enerzijds het risico van escalatie van dergelijke delicten in een overgevoelige situatie, en anderzijds de verhoogde gevaarzetting die agressie in een verkeerssituatie voor andere verkeersdeelnemers doorgaans oplevert. Voor een toelichting op de andere onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042068)."},{"i":17798,"b":"Wet van 9 juli 2020, houdende regels inzake de organisatie, beschikbaarheid en kwaliteit van ambulancevoorzieningen (Wet ambulancezorgvoorzieningen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat de continuïteit en permanente beschikbaarheid van ambulancezorg van goede kwaliteit gewaarborgd moeten zijn; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **ambulance:** een voor het verlenen van zorg aan en vervoer van zieken of gewonden ingericht motorvoertuig, vaartuig of helikopter; - –. **ambulancevoorzieningen:** alle voorzieningen die nodig zijn voor het uitoefenen van ambulancezorg, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2025-07-05&g=2025-07-05); - –. **meldkamer:** een meldkamer als bedoeld in [artikel 25a, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25a); - –. **meldkamerfunctie:** de meldkamerfunctie, bedoeld in [artikel 25b, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25b), ten behoeve van de ambulancezorg; - –. **regio:** regio als bedoeld in [artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=8); - –. **ROAZ:** regionaal overleg acute zorgketen. 2. Deze wet is niet van toepassing op ambulancezorg met gebruikmaking van militaire ambulances. Artikel 2 Voor de toepassing van deze wet is het grondgebied van Nederland verdeeld in regio’s overeenkomstig de verdeling, bedoeld in [artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&arti"},{"i":17608,"b":"Tariefbeschikking Tandheelkundige zorg De Nederlandse Zorgautoriteit, heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg) **op basis van de beleidsregel tandheelkundige zorg:** **en gelet op:** [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50 lid 1, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) jo. [artikel 51 tot en met 53 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=51) **besloten:** dat rechtsgeldig **door:** zorgaanbieders die tandheelkundige zorg leveren als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 1 onder c sub 2 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) (factormaatschappijen); Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in vorige zin, is deze tariefbeschikking van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen bedoeld in artikel 1, sub b, nr. 2o, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, aanhef, en sub d, van hetBesluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wmg. op het terrein van tandheelkundige zorg geleverd door of onder verantwoordelijkheid van beroepsbeoefenaren als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3), dan wel[34, van de Wet op de Beroepen in de individuele Gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34) **aan:** alle ziektekostenverzekeraars en alle (niet-)verzekerden **prestatiebeschrijving en bijbehorend maximumtarief (in euro’s):** maximaal de tarieven voor de prestaties zoals omschreven in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032360&bijlage=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":18184,"b":"Besluit slachten en verkopen van vee op Sint Eustatius Artikel 1 In dit besluit wordt begrepen: - 1°. Onder «slager»: ieder persoon, die niet voor uitsluitend eigen gebruik slacht; - 2°. Onder «slachtvee» of kortweg «vee»: runderen, schapen, bokken, geiten en varkens; - 3°. Onder «vleesch»: alle deelen van genoemde dieren met uitzondering van huid, hoornen en klauwen. Artikel 2 Geen vee mag worden geslacht dan na schriftelijke vergunning van Onze Minister, welke vrij van zegel wordt afgegeven. Geen vleesch mag vervoerd worden, zonder dat elk stuk voorzien is van een afdruk van den nader te omschrijven contrôle-stempel. Artikel 3 Van het voornemen om te slachten wordt door of namens den slager bij de door Onze Minister aangewezen ambtenaar of persoon melding gedaan, onder vermelding van: - a. den naam van hem, van wien het dier afkomstig is; - b. de soort, het geslacht, de kleur en het brandmerk van het dier; - c. de plaats waar en den tijd wanneer het zal worden geslacht. De door Onze Minister aangewezen ambtenaar of persoon houdt in een aan te leggen register aanteekening van deze verklaringen en laat ze door den slager of diens gemachtigde onderteekenen. Artikel 4 Onze Minister geeft niet eerder het schriftelijk bewijs van vergunning, dan nadat overtuigend gebleken is, dat de verklaring, in [art. 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028485&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoeld, overeenkomstig de waarheid zijn. De slager is verplicht alle inlichtingen te geven, welke van hem vereischt worden door of van wege Onze Minister. Artikel 5 De bepalingen van de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028485&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028485&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028485&artikel=4&z=2010-10-10&g=2010-10-10) zijn ook van toepassing op hem, die voor eigen huisgezin slacht. Artikel 6 Noch vleesch, noch andere deelen van het geslacht"},{"i":17063,"b":"Buitenlandse sociale verzekeringen, Duitse, Belgische en Luxemburgse sociale zekerheid, aftrek premie en belastbaarheid uitkeringen De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 7 april 2009, nr. CPP2009/93M. De actualisering houdt verband met de Wet uniformering loonbegrip en het nieuwe artikel 11d van de Wet LB.** 1. Algemeen In het [besluit van 7 april 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025713), nr. CPP2009/93M, Stcrt. nr. 76, zijn standpunten ingenomen over de wijze van berekenen van het belastbare loon naar Nederlandse fiscale maatstaven als een werknemer onder het socialezekerheidsstelsel van een ander land valt. Als gevolg van de [Wet uniformering loonbegrip](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030105) hebben er wijzigingen plaatsgevonden in de verschuldigdheid van de inkomensafhankelijke bijdrage [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Met ingang van 1 januari 2013 is de inhoudingsplichtige een inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verschuldigd. Werknemers zijn over hun belastbare loon zelf niet meer bijdrageplichtig voor de Zvw en de belaste vergoeding die zij van hun werkgever ontvingen, is komen te vervallen. In [artikel 11d van de Wet LB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=11d) is bepaald dat de ter zake van het loon door de inhoudingsplichtige verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage niet tot het loon van de werknemer behoort. Artikel 11d van de Wet LB heeft ook gevolgen voor werknemers die onder het socialezekerheidsstelsel van een ander land vallen. De gevolgen hiervan zijn verwerkt in onderdeel 2.3 van dit besluit. Verder zijn in onderdeel 4 enkele Duitse sociale verzekeringen toegevoegd in de opsomming van de fiscale gevolgen van de Duitse, Belgische en Luxemburgse sociale verzekeringen. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Kwalificatie van buitenlandse sociale verzekeringen De kwalificatie van buitenlandse sociale verze"},{"i":18221,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Justitiële Zaken en verklaringen omtrent het gedrag vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 juni 2007, arc-2007.03942/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Justitiële Zaken en verklaringen omtrent het gedrag over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18866,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 30 januari 2017 nr. BOACAT2017/005, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij NS Groep N.V Gelezen het verzoek van Hoofd Security Back Office van de NS Groep N.V. van 16 januari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039156&artikel=2&z=2019-08-30&g=2019-08-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van (Hoofd)conducteur (NS-boa Dienst Trein Personeel (DTP) bij NS Reizigers, NS Internationaal en NS Benelux), Security manager en Security inspecteur en in de functie van medewerker Veiligheid en Service (NS-boa V&S) in dienst van NS Groep N.V. zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, als genoemd in [onderdeel 9.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opspor"},{"i":17060,"b":"Bijzonder Protocol inzake de aanvullende uitkering ingevolge de Franse wet van 30 juni 1956 houdende instelling van een “Fonds National de Solidarité” De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek, Overwegende enerzijds, dat de aanvullende uitkering welke in Frankrijk is geregeld bij de wet van 30 juni 1956 houdende instelling van een „Fonds National de Solidarité”, een nieuwe uitkering is, welke gefinancierd wordt uit de staatskas zonder enige premiebetaling door de belanghebbenden en welke wordt toegekend aan bejaarden zonder voldoende middelen van bestaan, en dat die uitkering op de daartoe geëigende wijze wordt verleend; Overwegende anderzijds: dat er in Nederland, in het kader van de wetgeving inzake de algemene ouderdomsverzekering, voordelen bestaan welke niet steunen op tijdvakken van premiebetaling; dat de Franse onderdanen die loonarbeiders of daarmede gelijkgestelden zijn, de voordelen krachtens deze wetgeving sinds haar inwerkingtreding onder dezelfde voorwaarden genieten als de Nederlandse onderdanen; Besloten hebbende het Bijzondere Protocol behorende bij het op 7 januari 1950 te 's-Gravenhage ondertekende Algemene Verdrag tussen Frankrijk en Nederland inzake de sociale zekerheid aan te vullen; Zijn over de volgende bepalingen tot overeenstemming gekomen: En foi de quoi, les représentants soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Protocole. Fait à Paris, le 11 janvier 1958 en deux exemplaires en langue française. **Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas** (s.) J. A. DE VOS VAN STEENWIJK **Pour le Gouvernement de la République Française** (s.) PHILIPPE MONOD"},{"i":19147,"b":"Richtlijn voor strafvordering motorrijtuig (doen) besturen tijdens ontzegging e.d Beschrijving Deze richtlijn ziet op een aantal delicten uit [artikel 9 WVW1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=9) betreffende het ongeoorloofd (doen) besturen van een motorrijtuig. Onder deze richtlijn vallen het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM), na een (gedeeltelijke) ongeldigverklaring of schorsing door het CBR, na een van rechtswege ongeldigheid op grond van [artikel 123b WVW1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=123b), na een vordering tot overgifte, alsmede na een invordering van het rijbewijs. Basisdelicten **N.B.** naast de hiervoor genoemde strafeis zou ook een OBM kunnen worden geëist. Rijbewijsmaatregelen zijn in sommige gevallen beperkt tot de betrokken categorie(ën) op het rijbewijs, terwijl tijdens een OBM geen enkel motorrijtuig mag worden bestuurd. Legenda **Afkortingen** OBM: ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen GS: gevangenisstraf ov: onvoorwaardelijk"},{"i":17876,"b":"Besluit van 7 juli 2022 tot wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, het Besluit toevoeging mediation en het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met aanpassing van de vergoedingen van rechtsbijstandverleners en mediators Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 18 mei 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3982481; Gelet op de [artikelen 37, vijfde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37) en [37, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=37); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 juni 2022, nr. W16.22.00062/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 6 juli 2022, nr. 4089521, Directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018). Artikel II Wijzigt het Besluit toevoeging mediation. Artikel III Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel IV Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) en het [Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830), zoals die luidden op de dag vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op toevoegingen die zijn aangevraagd vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2022. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17146,"b":"Besluit van 5 september 2012, houdende aanpassing van diverse algemene maatregelen van bestuur vanwege de Tijdelijke wet ambulancezorg (Invoeringsbesluit ambulancezorg) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2012, kenmerk DWJZ-3122826; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11), [artikel 2, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=2), [artikel 2, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=2), [artikel 55, vijfde lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=55), [artikel 17, vierde lid, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=17), [artikel 15, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=15), [artikel 71, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=71) en op [artikel 13 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=13); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 augustus 2012, nummer W13.12.0252/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 augustus 2012, kenmerk DWJZ-3126189; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Tijdelijke wet ambulancezorg in werking treedt. Artikel I Wijzigt het Besluit zorgverzekering. Artikel II Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. Artikel III Wijzigt het Besluit personenvervoer 2000. Artikel IV Wijzigt het Besluit rijksbijdragen bijstands- en bestrijdingskosten. Artikel V Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WTZi. Artikel VI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting va"},{"i":17135,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2024, kenmerk 4026155-1076406-PZO, houdende de instelling van het gezantschap voor aanpak regeldruk in de zorg Overwegende dat het Ministerie van VWS een programma heeft lopen gericht op vermindering van administratieve lasten en regeldruk in de zorg, genaamd [Ont]regel de Zorg; Overwegende dat in het Integraal Zorgakkoord 2022 nadere afspraken zijn gemaakt met veldpartijen ten behoeve van het verminderen van administratieve lasten en regeldruk in de zorg; Overwegende dat de doelstelling voor halvering van deze lasten per 2030 tot 20% van de werktijd is opgenomen in het regeerprogramma van 13 september 2024; Overwegende dat partijen uit het IZA een Regiegroep Aanpak Regeldruk hebben opgericht met een brede werkagenda, waarbij naast IZA-deelnemers ook andere partijen zich hebben aangesloten; Overwegende dat een verdere intensivering van de aanpak van administratieve lasten en regeldruk in de zorg noodzakelijk is; Gelet op het Integraal Zorgakkoord 2022 onderdeel H Arbeidsmarkt en ontzorgen zorgprofessionals, afspraak 3 Vermindering regeldruk; Gelet op het regeerprogramma hoofdstuk 6a. Zorg, thema 2, Afwenden van een onbeheersbaar arbeidsmarkttekort; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **IZA:** het Integraal Zorgakkoord 2022 gericht op de koersverandering om toekomstbestendige zorg mogelijk te maken; - b. **BO IZA:** het bestuurlijk overleg waarin de voortgang van het IZA wordt besproken; - c. **Regiegroep:** de Regiegroep Aanpak Regeldruk die door het BO IZA is ingesteld; - d. **Speciaal gezant:** een tijdelijke onafhankelijke functionaris, zoals genoemd in dit besluit; - e. **Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2. Instelling speciaal gezanten aanpak regeldruk - a. Voo"},{"i":17788,"b":"Besluit van 12 augustus 2009, houdende aanpassing van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria en enkele andere besluiten terzake van een aantal onderwerpen van diverse aard (Verzamelbesluit rechtsbijstand 2009) Op de voordracht van de Minister van Justitie van 13 juli 2009, nr. 5609426/09/6; Gelet op de [artikelen 28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=28), [37, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37),en [42a, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=42a); De Raad van State gehoord (advies van 22 juli 2009, nr. W03.09.0257/II); Gezien het nader rapport van de Minister van Justitie van 30 juli 2009, nr. 5612922/09/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria. Artikel II Wijzigt het Subsidiebesluit raden voor rechtsbijstand. Artikel III Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel IV 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. [Artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026271&artikel=III&z=2009-08-26&g=2009-08-26) werkt terug tot en met 1 januari 2009. Artikel V Dit besluit wordt aangehaald als: Verzamelbesluit rechtsbijstand 2009. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":19306,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 1 april 2004, kenmerk 5278039/DBZ/04, strekkende tot wijziging van het besluit buitengewoon opsporingsambtenaren parkeercontroleurs Dienst Stadstoezicht Amsterdam 2000 Gelezen het verzoek van de directeur van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, onder b en c, en het derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); het [Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013); [artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=8); Besluit: Artikel 1 Wijzigt het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar parkeercontroleurs Dienst Stadstoezicht Amsterdam 2000. Artikel 2 1. De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging en de overige benoemingsbescheiden van de buitengewoon opsporingsambtenaren die in dienst van de dienst Stadstoezicht Amsterdam de functie van parkeercontroleurs vervullen, worden voor de duur van hun geldigheid of tot daarover nader zal zijn beslist, geacht te zijn akten en overige benoemingsbescheiden afgegeven mede op basis van onderhavige besluit. 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden geplaatst."},{"i":17128,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, MC-U-3087503 houdende instelling van de commissie van deskundigen Transparantie van de Zorg (Instellingsbesluit commissie van deskundigen Transparantie van de Zorg) Besluit: Artikel 1 Er is een commissie van deskundigen Transparantie van de Zorg, hierna te noemen: de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak: - •. Desgevraagd de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te rapporteren over de uitvoerbaarheid, doeltreffendheid en doelmatigheid van het door de Minister opgestelde toetsingskader voor indicatoren over de kwaliteit van de geleverde zorg alsmede over eventuele andere beleidsinstrumenten op dit gebied. - •. Het adviseren van de stuurgroep Transparantie Zorg over de methodologische eisen waaraan de ontwikkeling en implementatie van kwaliteitsindicatoren, de registratie en bewerking van gegevens en het vrijgeven van indicatorwaarden moeten voldoen. - •. Het toetsen van de kwaliteitsindicatoren die door veldpartijen tot stand wordt gebracht aan de bovengenoemde kaders en het rapporteren hierover aan de stuurgroep Transparantie Zorg. - •. Het adviseren van de stuurgroep Transparantie Zorg in situaties waarin de stuurgroep het noodzakelijk acht het werk van veldpartijen rond het tot stand brengen van kwaliteitsindicatoren bij te sturen. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit: - a. een voorzitter, tevens lid; - b. twaalf andere leden. 2. De benoeming van de leden geschiedt voor ten hoogste anderhalf jaar. 3. Herbenoeming kan eenmaal en voor ten hoogste anderhalfjaar plaatsvinden. Artikel 4 1. De leden van de commissie worden benoemd, geschorst en ontslagen door de minister. 2. De minister voegt aan de commissie een secretariaat toe. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie. Artikel 5 De commissie stelt een reglement omtrent haar werkwijze vast. Het reglement wordt aan de minister gezonden. Artikel 6 De archiefbes"},{"i":17043,"b":"Besluit van 16 mei 2019, houdende regels ter uitvoering van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Besluit verplichte geestelijke gezondheidszorg) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 januari 2019, kenmerk 1216589-166828-WJZ, gedaan mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming; Gelet op de [artikelen 2:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=2:4), [8:22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=8:22), [9:8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=9:8), [10:2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=10:2), en [11:1, vijfde lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=11:1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 februari 2019, no. W13.19.0013/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 mei 2019, kenmerk 1216583-166828-WJZ, uitgebracht mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **ambulante verplichte zorg:** verplichte zorg op grond van [artikel 3:1, onderdelen a, b en c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=3:1) anders dan die in een accommodatie aan een betrokkene wordt verleend; - –. **verwerker:** verwerker als bedoeld in artikel 4 (8) van de Algemene verordening gegevensbescherming; - –. **persoonsgegevens:** persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4 (1) van de Algemene verordening gegevensbescherming; - –. **verwerkingsverantwoordelijke:** verwerkingsverantwoordelijke als bedoeld in artikel 4 (7) van de Algemene verordening gegevensbescherming; - –. **wet:** [Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635). Hoofd"},{"i":18148,"b":"Besluit van 2 juli 2024, nr. 2024001706, houdende instelling van een Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 2 juli 2024, kenmerk 4404109; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er is een Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Artikel 2 Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor zover deze voor 2 juli 2024 waren opgedragen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 De taken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 4 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049936&artikel=2&z=2024-07-06&g=2024-07-06) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049936&artikel=3&z=2024-07-06&g=2024-07-06) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 2 juli 2024. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":18899,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 24 januari 2018 nr. BOACAT2018/005, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de regionale eenheid Noord-Holland Gelezen het verzoek van de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27) van 22 december 2017 en het advies van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040583&artikel=2&z=2018-04-13&g=2018-04-13). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Noord-Holland. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geld"},{"i":18128,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 december 2025, nr. 2025-0000042677 tot wijziging van het Besluit CIO-stelsel Rijksdienst 2021 (Besluit CIO-stelsel Rijksdienst 2026) Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=2), [3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3), en [6, eerste en tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=6); § 1. Algemeen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **beveiligingsautoriteit:** beveiligingsautoriteit; bedoeld in [artikel 3 van het Besluit BVA-stelsel Rijksdienst 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044617&artikel=3); - b. **beveiligingsautoriteit Rijk:** beveiligingsautoriteit Rijk; bedoeld in [artikel 7 van het Besluit BVA-stelsel Rijksdienst 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044617&artikel=7); - c. **CIO:** Chief Information Officer bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&paragraaf=2&artikel=16&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - d. **CIO Rijk:** Chief Information Officer Rijk bedoeld in [artikel 17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&paragraaf=3&artikel=17&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - e. **CISO:** Chief Information Security Officer bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&paragraaf=2&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [artikel 16, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044613&paragraaf=2&artikel=16&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - f. **CISO Rijk:** Chief Information Security Officer Rijk bedoeld in [artikel 17, eerste lid](https://wetten.over"},{"i":17746,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Panama inzake de export en controle van socialezekerheidsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Panama Hierna te noemen de „Verdragsluitende Partijen\", Met de bedoeling om betrekkingen aan te gaan op het terrein van de sociale zekerheid, en Geleid door de wens de samenwerking tussen de beide staten te regelen teneinde de toepassing van de wetgeving in beide landen te waarborgen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsbepalingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; met betrekking tot de Republiek Panama, het grondgebied zoals omschreven in de Politieke Grondwet van de Republiek; - b. „bevoegde autoriteit\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland; met betrekking tot de Republiek Panama, de Minister van Buitenlandse Zaken; - c. „bevoegd orgaan\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden voor wat betreft de takken van sociale verzekeringen genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en c: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor wat betreft de takken van sociale verzekeringen genoemd onder artikel 2, eerste lid, onderdelen d, e en f: de Sociale verzekeringsbank, en voor wat betreft de wetgeving met betrekking tot sociale bijstand: de gemeentelijke autoriteiten; met betrekking tot de Republiek Panama: de „Socialezekerheidskas\" (Caja de Seguro Social) of elk lichaam bevoegd om de functies uit te oefenen die thans door eerdergenoemde organen worden uitgeoefend; - d. „autoriteiten\", alle organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van onder meer de instanties die belast zijn met de bevolkingsregisters, de registers van de burgerlijke stand, de registers van onroerende zaken, belasting, werkgelegenheid, onderw"},{"i":17199,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden inzake wederzijdse bijstand in douanezaken De Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden en van het Koninkrijk Zweden, Overwegende dat strafbare feiten op het gebied van de douanewetten nadelig zijn voor de economische, fiscale en sociale belangen van hun onderscheiden landen, alsook voor de rechtmatige belangen van handel, nijverheid en landbouw; Overwegende dat het van belang is een juiste heffing van de in- en uitvoerrechten en belastingen en een juiste toepassing van maatregelen inzake verboden, beperkingen en controle te verzekeren; Ervan overtuigd dat het streven naar voorkoming van strafbare feiten op het gebied van de douanewetten en het streven naar verzekering van een juiste inning van in-en uitvoerrechten en belastingen doeltreffender kunnen worden gemaakt door samenwerking tussen hun douaneautoriteiten; Gelet op de Aanbeveling van de Internationale Douaneraad inzake wederzijdse administratieve bijstand (5 december 1953) en andere bestaande internationale akten die de verlening van wederzijdse bijstand in douanezaken regelen; Zijn het volgende overeengekomen: Begripsbepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a. „Staat”, een van de Overeenkomstsluitende Staten; - b. „douanewetten”, de bepalingen neergelegd in wetten of voorschriften inzake de in-, uit- en doorvoer van goederen, zowel die welke douanerechten, belastingen of alle andere heffingen betreffen, als die welke maatregelen inzake verboden, beperkingen of controle betreffen; - c. „douaneautoriteit”, voor het Koninkrijk Zweden: de Board of Customs, en voor het Koninkrijk der Nederlanden: de centrale administratie die verantwoordelijk is voor de toepassing van de douanewetten. De Staten verstrekken elkaar al de ter zake dienende inlichtingen. Werkingssfeer Artikel 2 1. De Staten verlenen elkaar wederzijdse administratieve bijstand door tussenkomst van hun douaneautoriteiten en in o"},{"i":19412,"b":"Administratiebesluit I Wedervergeldingswet zeescheepvaart Gelet op de Beschikkingen van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1978, nr. 79/4/EEG (Pb.E.G. 9 januari 1979, nr. L 5/31) en van 4 december 1980 (Pb.E.G. 23 december 1980, nr. L 350); Gelet op de [artikelen 11b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003104&artikel=11b), en [11d van de Wedervergeldingswet zeescheepvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003104&artikel=11d), zoals gewijzigd bij de wet van 12 juni 1980 (Stb. 1980, 364), Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij dit besluit bepaalde wordt verstaan onder: Artikel 2 Een ieder die lijnvervoerdiensten aanbiedt voor het vervoer van goederen per zeeschip: - a. tussen Nederland en Oost-Afrika (de landen Somalië, Kenia, Oeganda, Zambia, Tanzania en Mozambique) - b. tussen Nederland en Midden-Amerika (Oost- en Westkust, vanaf de Zuidmexicaanse grens tot en met Panama, de Caribische eilanden niet meebegrepen) dient voor dat vervoer de in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003371&artikel=3&z=1981-02-27&g=1981-02-27) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003371&artikel=4&z=1981-02-27&g=1981-02-27) van dit besluit omschreven administratie te voeren. Artikel 3 Met betrekking tot het lijnvervoer als genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003371&artikel=2&z=1981-02-27&g=1981-02-27) dient een administratie te worden gevoerd die ten minste inhoudt: - a. naam van de scheepvaartonderneming en van de lijn; - b. datum van instelling, wijziging of beëindiging van de lijndienst; - c. namen van de in de lijndienst gebruikte schepen; - d. nationaliteit van de in de lijndienst gebruikte schepen, en de Staat waarvan de vlag wordt gevoerd; - e. scheepstypen (vrachtschip, containerschip, ro-ro-schip, lash-schip of dergelijke); - f. de tonnages zoals die vermeld zijn in de bij het schip behorende meetbrief; - g. ladingcapaciteit; - h. voor zover van toepassing: de contai"},{"i":18617,"b":"Wet van den 18den April 1827, op de zamenstelling der Regterlijke magt en het beleid der Justitie Allen die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, volgens [art. 163 van de grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840), moet worden ingevoerd \"een algemeen wetboek van burgerlijk regt, van koophandel, van lijfstraffelijk regt, van de zamenstelling der regterlijke magt en van de manier van procederen;\" Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, Hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze, te arresteren de navolgende Wet op de zamenstelling der Regterlijke Magt en het beleid der Justitie voor het Koninkrijk der Nederlanden. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. gerechten: de gerechten, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - b. rechterlijke ambtenaren: - 1°. de president van, de vice-presidenten van, de raadsheren in en de raadsheren in buitengewone dienst bij de Hoge Raad; - 2°. de senior raadsheren, de raadsheren en de raadsheren-plaatsvervangers in de gerechtshoven; - 3°. de senior rechters A, de senior rechters, de rechters en de rechters-plaatsvervangers in de rechtbanken; - 4°. de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad; - 5°. de procureurs-generaal die het College van procureurs-generaal, bedoeld in [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=130&z=2025-07-01&g=2025-07-01), vormen, met uitzondering van de procureur-generaal, bedoeld in artikel 130, vierde lid; - 6°. de landelijk hoofdadvocaat-generaal bij het ressortsparket alsmede de hoofdadvocaten-generaal, de senior advocaten-generaal,"},{"i":18537,"b":"Selectielijst neerslag handelingen Minister van LNV op het beleidsterrein Beheer Rijksbegroting Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 10 september 1997, nr. arc-97.1473/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, als vakminister en als vakminister in Londen, binnen het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting (periode 1940-1993), overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken alle categorieën betref-fende financiën (07.352) genummerd 7 tot en met 14 van de ’Lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in de archieven van het Ministerie van Landbouw en Visserij en in de archieven van de onder dat Ministerie ressorterende commissies en ambtenaren’(vastgesteld bij gemeenschappelijke beschikking door de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, No. PAZ 400 d.d. 29 december 1966, alsmede No. 133349 d.d. 3 februari 1967, laatstelijk gewijzigd bij gemeenschappelijke beschikking door de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, No. A93.527/WH/NF d.d. 28 juni 1993 (gepubliceerd in de Staatscourant No. 148 d.d. 6 augustus 1993)). Voorts in te trekken de categorie betreffende financiën (07.352) nummer 9 van ’Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van de onder het Ministerie van Landbouw en Visserij ressorterende Centrale cultuurtechnische commissies voor de ruilverkavelingen, de cultuurtechnische dienst en van de onder deze organen ressorterende commissies en ambtenaren’ (vastgesteld bij gemeenschappelijke beschikking door de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, No. PAZ 23"},{"i":17200,"b":"Overeenkomst tussen het Speciale Fonds van de Verenigde Naties en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden inzake bijstand van het Speciale Fonds ten behoeve van de Nederlandse Antillen Aangezien de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden ten behoeve van het Rijksdeel de Nederlandse Antillen het Speciale Fonds van de Verenigde Naties om bijstand heeft verzocht overeenkomstig resolutie 1240 (XIII) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties; Aangezien het Speciale Fonds zich bereid heeft verklaard aan de Regering van de Nederlandse Antillen deze bijstand te verlenen ter bevordering van de sociale vooruitgang en van betere levensvoorwaarden, alsmede ter bespoediging van de economische, sociale en technische ontwikkeling van de Nederlandse Antillen; Zijn derhalve de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en het Speciale Fonds deze Overeenkomst in een geest van vriendschappelijke samenwerking aangegaan. Artikel I. Door het Speciale Fonds te verlenen bijstand 1. Deze Overeenkomst bevat de voorwaarden waarop het Speciale Fonds de Regering van de Nederlandse Antillen bijstand zal verlenen en legt tevens de basisvoorwaarden voor de uitvoering van de projecten vast. 2. Voor ieder project wordt tussen de Regering van de Nederlandse Antillen, het Speciale Fonds en de uitvoerende instantie schriftelijk overeenstemming bereikt over een uitvoeringsplan. Deze Overeenkomst is op ieder uitvoeringsplan van toepassing. 3. Het Speciale Fonds verbindt zich de in ieder uitvoeringsplan gespecificeerde gelden voor de uitvoering van in zulk een plan omschreven projecten beschikbaar te stellen overeenkomstig de terzake van toepassing zijnde resoluties en besluiten van de in aanmerking komende organen van de Verenigde Naties, in het bijzonder resolutie 1240 (XIII) van de Algemene Vergadering, mits de fondsen beschikbaar zijn. 4. Het Speciale Fonds en de uitvoerende instantie vervullen de taken die zij krachtens deze Overeenkomst bezitten slechts indien de Regering van d"},{"i":17942,"b":"Wet van 11 december 1997, houdende wijziging van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en enige andere wetten in verband met het integreren van het middelenbeheer van de sociale fondsen (geïntegreerd middelenbeheer) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige wetten te wijzigen teneinde het middelenbeheer in de sociale fondsen te integreren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997. ARTIKEL II Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen. ARTIKEL III Wijzigt de Werkloosheidswet. ARTIKEL IV Wijzigt de Ziekenfondswet. ARTIKEL V. OVERGANGSBEPALING Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen, in overeenstemming met de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en het College voor zorgverzekeringen, genoemd in [artikel 1a van de Ziekenfondswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460&artikel=1a) afzonderlijk, financiële middelen, leningsarrangementen of beleggingen met betrekking tot de hen toebehorende fondsen aanwijzen waarop deze wet gedurende een door hen te bepalen periode niet van toepassing is, indien toepassing van deze wet naar hun oordeel ondoelmatig zou zijn. ARTIKEL VI Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit premievaststelling en reservevorming wachtgeldfondsen op [artikel 79 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=79). ARTIKEL VII Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerstvolgende kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoritei"},{"i":18361,"b":"Besluit van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters van 22 oktober 2024 nr. 175988U houdende regels inzake een bezwaaradviescommissie (Regeling bezwaaradviescommissie Eerste Kamer 2024) Gelet op [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13) en [artikel 13 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=13), Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **de Kamer:** de Eerste Kamer der Staten-Generaal; - b). **de bezwaarmaker:** degene die tegen een door of namens de Kamer genomen besluit in de zin van [artikel 1:3 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) een bezwaarschrift heeft ingediend; - c). **de commissie:** de commissie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050663&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-01-11&g=2025-01-11); - d). **de Griffier:** de Griffier van de Eerste Kamer der Staten-Generaal; - e). **de vertegenwoordiger van de Kamer:** de persoon die is aangewezen de Kamer te vertegenwoordigen bij de behandeling van het bezwaarschrift; - f). **de Awb:** de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Hoofdstuk 2. Taak, bevoegdheden en samenstelling commissie Artikel 2. Commissie en adviestaak 1. Er is een bezwaaradviescommissie die, met inachtneming van [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050663&hoofdstuk=3&artikel=15&z=2025-01-11&g=2025-01-11) van deze regeling, adviseert over de te nemen beslissing op bezwaarschriften die bij de Eerste Kamer zijn ingediend tegen besluiten op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754), de [Wet hergebruik overheidsinformatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036795) of enige andere wettelijke regeling, met uitzondering van besluiten inzake personele aangelegen"},{"i":18699,"b":"Beleidsregel bestuurlijke boetes Inspectie JenV – Wki De Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie JenV) heeft het volgende beleid vastgesteld waarin is vastgelegd hoe de hoogtes van bestuurlijke boetes als bedoeld in [artikel 5:40, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:40) (Awb) worden bepaald. Dit boetebeleid heeft betrekking op boetes die worden opgelegd voor overtredingen van of krachtens de [Wet kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685) (Wki), het [Besluit kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049422) (Bki) en de [Regeling kwaliteit incassodienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049507) (Rki). De toezichthoudende ambtenaren die werken bij de Inspectie JenV zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wki, zoals bedoeld in [artikel 14, eerste lid, van de Wki](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046685&artikel=14).1**Stcrt**. 2024, 10434. Met de Beleidsregel bestuurlijke boetes Inspectie JenV – Wki (beleidsregel) beoogt de Inspectie JenV enerzijds inzicht te geven in de relevante omstandigheden die van invloed zijn op de hoogte van de bestuurlijke boete. Anderzijds biedt deze beleidsregel de Inspectie JenV de nodige flexibiliteit om in individuele gevallen maatwerk toe te passen. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. – Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. **basisbedrag:** het bedrag dat de basis vormt voor het bepalen van de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete, vastgesteld binnen de bandbreedte van de aan een overtreding gekoppelde categorie voordat toepassing is gegeven aan [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052246&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2026-02-04&g=2026-02-04) van deze beleidsregel; - c. **Bki:** [Besluit kwal"},{"i":17092,"b":"Europese Interim-Overeenkomst betreffende de regelingen inzake sociale zekerheid voor ouderdom, invaliditeit en overlijden De Regeringen welke deze Overeenkomst hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is grotere eenheid onder zijn Leden te bewerkstelligen, teneinde onder meer hun sociale vooruitgang te bevorderen, Bevestigende het beginsel van gelijkheid van behandeling van de onderdanen van alle Partijen bij deze Overeenkomst met betrekking tot de wetten en regelingen van ieder van Haar inzake de uitkeringen wegens ouderdom of invaliditeit of aan nabestaanden, welk beginsel is vastgelegd in de Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie, Eveneens bevestigende het beginsel, krachtens hetwelk de onderdanen van elke Overeenkomstsluitende Partij de voordelen moeten genieten van de overeenkomsten inzake de uitkeringen wegens ouderdom of invaliditeit of aan nabestaanden, gesloten tussen twee of meer van Haar, Verlangende aan deze beginselen uitvoering te geven door het sluiten van een Interim-Overeenkomst, in afwachting van het sluiten van een algemeen verdrag, gegrond op een netwerk van bilaterale overeenkomsten, Zijn het volgende overeengekomen: Niet meer van toepassing in de betrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de andere partijen bij het Verdrag van 1972 vanaf 8 mei 1977 (Trb. 1982/147). Artikel 1 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op alle wetten en regelingen inzake de sociale zekerheid, welke op het tijdstip van haar ondertekening van kracht zijn dan wel op een later tijdstip van kracht worden op enig deel van het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen en welke betrekking hebben op: - (a). uitkeringen bij ouderdom; - (b). uitkeringen bij invaliditeit, met uitzondering van die welke worden verleend krachtens de wetgeving inzake bedrijfsongevallen en beroepsziekten; - (c). uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, met uitzondering van de uitkeringen bij overlijden en de uitk"},{"i":18578,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Studiefinanciering vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2006 (nr. arc-2006.02763/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Studiefinanciering over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17405,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 30 oktober 2025, nr. 2025-0000533393, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van de uitvoering van de isolatieopgave binnen de regionale structuur van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (Regeling specifieke uitkering isolatieopgave Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie) [KetenID WGK 28282] Gelet op [artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel m, van het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2) (Stb. 2022, 452); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **accounthouder:** aan de regio gekoppelde contactpersoon van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie; - **budgethouder:** gemeente, provincie of omgevingsdienst waarvoor in een in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051686&bijlage=I&z=2025-11-01&g=2025-11-01) opgenomen regio is bepaald dat deze optreedt als budgethouder; - **isolatieopgave:** zorg voor het isoleren van gebouwen, met een focus op activiteiten die worden uitgevoerd met behulp van middelen die door gemeenten in de regio zijn verkregen op grond van de Regeling specifieke uitkering Lokale Aanpak Isolatie; - **minister:** Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - **NPLW:** Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie; - **regio:** regio, genoemd in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051686&bijlage=I&z=2025-11-01&g=2025-11-01); - **regiocoördinator:** door de budgethouder binnen de regio aangewezen regiocoördinator voor de isolatieopgave. Artikel 2. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt 1. De minister kan op aanvraag een specifieke uitkering verstrekken"},{"i":17739,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kroatië inzake sociale zekerheid Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kroatië geleid door de wens de betrekkingen tussen de beide Staten op het gebied van de sociale zekerheid te regelen, rekening houdend met het feit dat de huidige betrekkingen tussen beide landen worden geregeld in een briefwisseling van 25 februari 1992 en 21 april 1992; zijn overeengekomen een Verdrag te sluiten met de volgende bepalingen: DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „Kroatië”: de Republiek Kroatië, en onder „Nederland”: het Koninkrijk der Nederlanden; - b. „grondgebied”: met betrekking tot Kroatië: het grondgebied van de Republiek Kroatië; met betrekking tot Nederland: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; - c. „onderdaan”: wat Kroatië betreft, een persoon met de nationaliteit van de Republiek Kroatië en wat Nederland betreft, een persoon met de Nederlandse nationaliteit; - d. „werknemer”: een persoon die in dienstbetrekking staat tot een werkgever alsmede ieder die krachtens de toegepaste wetgeving wordt aangemerkt als werknemer; - e. „Wetgeving”: de wetten, voorschriften en regelingen die betrekking hebben op de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001447&deel=I&artikel=2&z=2000-10-01&g=2000-10-01) bedoelde stelsels en takken van sociale zekerheid; - „bevoegde autoriteit”: met betrekking tot Kroatië: de minister van Arbeid en Sociaal Welzijn en de Minister van Volksgezondheid; met betrekking tot Nederland: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en, voor zover het verstrekkingen uit hoofde van de wetgeving inzake ziekteverzekering betreft, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - g. „verzekeringsorgaan”: het lichaam dat of de autoriteit die is belast met de uitvoering van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001447&deel=I&artikel=2&z=2000-10-01&g=2000-10-01"},{"i":17084,"b":"Eerste Aanvullende Overeenkomst ter uitvoering van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen en ongevallen Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, Gelet op de [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002224&artikel=11) en [13 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen en ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002224&artikel=13), ondertekend te 's-Gravenhage op 14 november 1984; Overwegende dat het gewenst is dat een aanvullende overeenkomst wordt gesloten over onderwerpen die zijn genoemd in [artikel 11, tweede lid, van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002224&artikel=11); Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1 In deze aanvullende Overeenkomst wordt verstaan onder: - a. de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002224): de op 14 november 1984 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen en ongevallen; - b. de Ministers: de Ministers van Binnenlandse Zaken van elk der Overeenkomstsluitende Partijen. HOOFDSTUK 2. BIJSTANDSVERLENING IN HET ALGEMEEN Artikel 2 De Ministers zullen elkaar en de overige bevoegde organen, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002224&artikel=3), schriftelijk op de hoogte stellen van adressen, telefoon-, telex- en telefaxnummers alsmede van overige gegevens die van belang zijn in het kader van de procedure voor het verzoeken en doen uitvoeren van de bijstand. Artikel 3 1. Een verzoek om bijstand als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002224&artikel=3) omvat in ieder"},{"i":18260,"b":"Rijkswet van 8 november 2007 tot wijziging van de Rijksoctrooiwet 1995 en enige andere wetten naar aanleiding van de evaluatie van de Rijksoctrooiwet 1995 van 2006 (Evaluatie 2006 Rijksoctrooiwet 1995) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118) naar aanleiding van de evaluatie van 2006 daarvan aan te passen en in verband daarmee enige andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Rijksoctrooiwet 1995. Artikel II De [wet van 25 april 1963, houdende goedkeuring van het Beneluxverdrag met eenvormige wet inzake de warenmerken, alsmede enkele daarmede verband houdende voorzieningen](onbekend) (Stb. 1963, 221) wordt ingetrokken. Artikel III Wijzigt de Rijkswet tot goedkeuring en uitvoering Akte tot herziening van artikel 63 van het Verdrag inzake verlening Europese octrooien, enz. Artikel IV Wijzigt de Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten. Artikel V Wijzigt de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005. Artikel VI 1. Op octrooiaanvragen die zijn ingediend voor het tijdstip waarop [artikel I, onderdeel H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022980&artikel=I&z=2008-06-05&g=2008-06-05), in werking treedt, blijven de [artikelen 24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=24), [28, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=28), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=32), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=33) en [36 van de Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=36), zoals deze luidden op de dag voor"},{"i":17565,"b":"Selectieverstrekking Sociale Verzekeringsbank In het verzoek van 13 december 2018, 2019-0000016343, heeft het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank verzocht om de selectieverstrekking van gegevens als bedoeld in [artikel 37, eerste lid, onder b, van het Besluit BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=37) in verband met de uitvoering van de taak waarvoor genoemd bestuur bij besluit van 31 mei 2017, 2017-0000261347, geautoriseerd is voor systematische gegevensverstrekking uit de basisregistratie personen. Gelet op de [artikelen 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.1) en [3.2 van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.2) wordt op dit verzoek als volgt besloten. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de SVB:** het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank; - b. **de Wet BRP:** de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715); - c. **het Besluit BRP:** het [Besluit basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306); - d. **de basisregistratie personen:** de basisregistratie personen, bedoeld in [artikel 1.2 van de Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.2); - e. **de systematische verstrekking:** de systematische verstrekking, bedoeld in [artikel 1.1, onder g, van de Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.1); - f. **de systeembeschrijving:** de systeembeschrijving, bedoeld in [artikel 1 van het Besluit BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=1); - g. **de persoonslijst:** de persoonslijst, bedoeld in [artikel 1.1, onder c, van de Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.1); - h. **de ingeschrevene:** de ingeschrevene, bedoeld in [artikel 1.1, onder e, van de Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":19696,"b":"Wet van 11 november 1999, houdende wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 met betrekking tot de Algemene Periodieke Keuring Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen met betrekking tot de Algemene Periodieke Keuring te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de [artikelen 72 tot en met 91 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=72) in de praktijk. Artikel III De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18182,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 28 mei 2018, nr. BZK/DGBRW-2018-0000016711, met betrekking tot de toekenning van de rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap ‘Gouden Piramide’ (Besluit rijksprijs ‘de Gouden Piramide’) Besluit: Artikel 1. (Algemene bepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **Minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. - –. **Prijs:** rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040978&artikel=2&z=2018-06-07&g=2018-06-07). Artikel 2. (Gouden Piramide) 1. Er is een rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap, genaamd: de Gouden Piramide. 2. De prijs wordt tweejaarlijks toegekend voor inspirerend opdrachtgeverschap in een ruimtelijk project, zoals de (her)ontwikkeling van een gebouw of ensemble van gebouwen, openbare ruimte, buurt of wijk, infrastructuur of gebied. 3. De prijs wordt ter beschikking gesteld aan een persoon of rechtspersoon die op inspirerende wijze invulling heeft gegeven aan het opdrachtgeverschap in Nederland. 4. De prijs bestaat uit een geldbedrag van € 75.000. Artikel 3. (Doelgroep) 1. De voordracht van een persoon of een rechtspersoon voor de prijs is gericht aan de minister. 2. Voor de prijs komen in aanmerking opdrachtgevers van wie een project als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040978&artikel=2&z=2018-06-07&g=2018-06-07), in de twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de prijs wordt toegekend: - a. is voltooid; of - b. zodanig ver is gevorderd dat naar het oordeel van de jury een beoordeling van het project mogelijk is. 3. Rijksdiensten en onderdelen daarvan komen niet voor de prijs in aanmerking. Artikel 4. (Jury) 1. Er is een jury onder voorzitterschap van de rijksbouwmeester. 2. De rijksbouwmeester kan zich bij afwezigheid laten vervangen door een van de overige rijksadviseurs. 3. De leden worden door de min"},{"i":18349,"b":"Regeling auteursrecht handboek huisstijl en logo politie Overwegende dat er voorschriften voor het gebruik van het nieuwe logo en de huisstijl van de Nederlandse politie zijn neergelegd in een handboek; dat het wenselijk is dit handboek tegen gebruik door derden te beschermen; Gelet op [artikel 15b van de Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b); Besluiten: Artikel 1 Het auteursrecht op het handboek voor het gebruik van het logo en de huisstijl van de Nederlandse politie, bedoeld in de bijlage bij deze regeling, is uitdrukkelijk voorbehouden. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 12 juli 1993. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage die ter inzage wordt gelegd."},{"i":17772,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden betreffende het afzien van de vergoeding van de uitkeringen aan werklozen Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden, Hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de administratieve procedures inzake de werkloosheidsuitkeringen te vereenvoudigen; Overwegende dat deze doelstelling kan worden verwezenlijkt door wederzijds afstand te doen van de vergoeding van de kosten van werkloosheidsuitkeringen die namens de organen van de ene Staat worden verstrekt door die van de andere staat zoals voorzien in artikel 69, eerste lid, en artikel 70, eerste lid, van Hoofdstuk 6 van Titel III van Verordening (EEG) 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna te noemen „de Verordening\"); Zijn op grond van artikel 70, derde lid, van de Verordening het volgende overeengekomen: Artikel 1 Op grond van het bepaalde in artikel 70, derde lid, van de Verordening wordt wederzijds afstand gedaan van de vergoeding van de kosten van werkloosheidsuitkeringen die namens de organen van de ene staat worden verstrekt door die van de andere staat zoals voorzien in artikel 69, eerste lid, en artikel 70, eerste lid, van de Verordening. Artikel 2 1. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum waarop het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden elkaar schriftelijk in kennis hebben gesteld van de voltooiing van hun onderscheiden wettelijke of constitutionele procedures die vereist zijn voor de inwerkingtreding van dit Verdrag. 2. De bepalingen van dit Verdrag worden toegepast op werkloosheidsuitkeringen betaald overeenkomstig E 303-verklaringen met een datum van vertrek op of na 1 januari 2002. Artikel 3 Dit Verdrag wordt gesloten voor onbepaalde tijd. Elk van de Verdragsluitende Partijen kan dit Verdrag uiterli"},{"i":17392,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 26 januari 2022, nr. 3774522, Directie Eigenaars advisering, houdende een eenmalige specifieke uitkering voor gemeenten in verband met de ondersteuning van de verplichte controle van coronatoegangsbewijzen bij voorzieningen en activiteiten (Regeling specifieke uitkering naleving controle coronatoegangsbewijzen 2022) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële Verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Minister:** Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 2. Specifieke uitkering De Minister kan op aanvraag aan een gemeente eenmalig een specifieke uitkering verstrekken als bijdrage in de kosten die gemaakt worden om ondersteuning te bieden bij of nabij voorzieningen of activiteiten die op grond van die [Tijdelijke regeling maatregelen covid-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044416) verplicht zijn om de coronatoegangsbewijzen te controleren en, onder omstandigheden, de toegang te ontzeggen en deze controle te bevorderen. Artikel 3. Hoogte specifieke uitkering De specifieke uitkering bedraagt ten hoogste het bedrag inclusief BTW, bij die gemeente opgenomen in de bijlage. [Artikel 4:25, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:25) zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 4. Aanvraag 1. Een aanvraag bevat in ieder geval: - a. de naam van de gemeente; - b. de hoogte van de aangevraagde specifieke uitkering; - c. het IBAN-nummer waarop het bedrag kan worden overgemaakt. 2. De aanvraag ziet op de kosten die gemaakt zijn of gemaakt worden in de periode van 1 januari 2022 tot en met 26 maart 2022. 3. De aanvraag wordt uiterlijk op 26 maart 2022 ingediend, met gebruikmaking van door de Minister ter beschikking gesteld digitaal aanvraagformulier. Artikel 5. Verlening en bevoorschotting 1. De Minister besluit over"},{"i":18040,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Directie Regionale Zaken Zuid van het Ministerie van LNV 2004 – 2011 Gelet op [artikel 15, eerste lid onder a en onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), zijn de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 164 | 1-1-2086 | | 195 | 1-1-2086 | | 196 | 1-1-2086 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051715&artikel=1&z=2025-11-07&g=2025-11-07), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de algemene rijksarchivaris heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. De beperkingen gesteld aan de openbaarheid genoemd in artikel 1 vervalt als de inhoud van het inventarisnummer betrekking heeft op de verzoeker zelf. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051715&artikel=1&z=2025-11-07&g=2025-11-07) is tot het moment van openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. De rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051715&artikel=1&z=2025-11-07&g=2025-11-07) is tot het moment van openbaarwording slechts moge"},{"i":19047,"b":"Besluit van de directeur Jeugd, Familie en aanpak Criminaliteitsfenomenen van het directoraat-generaal Straffen en Beschermen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 11 april 2023, nr. 4502825, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder de directeur ressorterende functionarissen (Mandaatbesluit DJFC/DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge artikel 1, eerste lid, onder b, van het Mandaatbesluit DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023 aan de directeur Jeugd, Familie en aanpak Criminaliteitsfenomenen verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun team betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het MT-lid Stelsel Jeugdbescherming; - b. MT-lid Jeugdbescherming en Huiselijk Geweld; - c. het MT-lid Jeugdcriminaliteit; - d. het MT-lid Familie; - e. het MT-lid Aanpak Criminaliteitsfenomenen. Artikel 2 Onverminderd [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048076&artikel=4&z=2024-06-29&g=2024-06-29) van het Mandaatbesluit DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023 blijft aan de directeur Jeugd, Familie en aanpak Criminaliteitsfenomenen voorbehouden de bevoegdheid om beslissingen te nemen ten aanzien van functionarissen werkzaam bij de directie, voor zover de bevoegdheid ingevolge het Mandaatbesluit DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023 niet rechtstreeks aan de functionarissen, bedoeld in [artikel 1, onder a tot en met d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048076&artikel=1&z=2024-06-29&g=2024-06-29), is ondergemandateerd. Artikel 3 1. De directeur Jeugd, Familie en aanpak Criminaliteitsfenomenen verleent ondermandaat aan de plaatsvervangend directeur Jeugd, Familie en aanpak Criminaliteitsfenomenen om bij afwezigheid of verhindering diens bevoegdheden"},{"i":17685,"b":"Vaststellingsbesluit Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 november 2004, nr. arc-2004.1462/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, als vakminister en als vakminister in Londen, binnen het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting (periode 1940–1993)’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nr. 98.31.RWS/JW d.d. 8 januari 1998 (gepubliceerd in de Staatscourant 1998, 142 d.d. 30 juli 1998)) wordt ingetrokken, voor wat betreft de handelingen 10, 80, 281, 288, 295, 296, 302, 305, 337, 340, 343, 351, 353, 357, 365, 368 en 369 van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19205,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 november 2018, nr. MinBuZa.2018.1852-26, houdende beperkende maatregelen tegen proliferatie en gebruik van chemische wapens (Sanctieregeling chemische wapens 2018) Gelet op Verordening (EU) nr. 2018/1542 van de Raad van 15 oktober 2018 betreffende beperkende maatregelen tegen de proliferatie en het gebruik van chemische wapens (PbEU 2018, L 259); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 2018/1542 van de Raad van de Europese Unie van 15 oktober 2018 betreffende beperkende maatregelen tegen de proliferatie en het gebruik van chemische wapens (PbEU 2018, L 259). 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2018/1542, geldt niet in gevallen waarin artikel 2 bis, eerste of tweede lid, artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, of artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2018/1542 van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2 bis, tweede en derde lid, artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2018/1542 is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard, met dien verstande dat instellingen als bedoeld in [artikel 10, tweede lid, onder a, c, e tot en met j, l en m, van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=10) de informatie, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 2018/1542](32018R1542) verstrekken aan De Nederlandsche Bank en instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede li"},{"i":18503,"b":"Rijkswet van 20 juni 1985, houdende vaststelling van enige overgangsbepalingen in verband met het verkrijgen van de hoedanigheid van land in het Koninkrijk door Aruba Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat een van 7 tot en met 12 maart 1983 te 's-Gravenhage gehouden conferentie van de Nederlandse Antillen, de eilanden van de Nederlandse Antillen en Nederland ermee heeft ingestemd dat Aruba als overgang naar de onafhankelijkheid voor een periode van tien jaren de hoedanigheid verkrijgt van land in het Koninkrijk op de grondslag van het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) en dat het in verband daarmee nodig is enige overgangsbepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Het door de Staten-Generaal aangenomen en door de Nederlandse Antillen ingevolge [artikel 55 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=55) aanvaarde voorstel van rijkswet tot wijziging van het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154), houdende losmaking van Aruba uit het staatsverband van de Nederlandse Antillen, wordt niet door de Koning bekrachtigd alvorens het door de eilandsraad van Aruba is aanvaard. 2. Het besluit tot aanvaarding wordt genomen met tenminste twee derden der uitgebrachte stemmen. 3. Wordt deze meerderheid niet verkregen, dan wordt de eilandsraad door de gezaghebber ontbonden. Het besluit tot ontbinding behelst de uitschrijving van de verkiezing van een nieuwe eilandsraad binnen twee maanden en de bijeenroeping van de nieuw gekozen eilandsraad binnen d"},{"i":17555,"b":"Reglement werkwijze Klachtenadviescommissie Wsnp II 1. Begrippenomschrijving Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de minister van Veiligheid en Justitie; - b. **Wet:** de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) (Staatsblad 1998, nrs. 445 en 447 en Staatsblad 2007, 192 en 222); - c. **Klachtenregeling:** de [Klachtenregeling bewindvoerders Wsnp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032998); - d. **Commissie:** de Klachtenadviescommissie Wsnp; - e. **Klacht:** een bij de Raad voor Rechtsbijstand schriftelijk ingediende uiting betreffende ongenoegen of ontevredenheid over het in strijd met de bepalingen van de Gedragscode handelen of nalaten van de bewindvoerder Wsnp, die als zodanig optreedt dan wel als vertegenwoordiger van een natuurlijk persoon als juridisch casemanager of rechtsbijstandverlener, niet zijnde advocaat, in de zin van de [Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) of anderszins; - f. **Klager:** een natuurlijk- of rechtspersoon, die in relatie tot de bewindvoerder staat als schuldeiser, schuldenaar dan wel als overige belanghebbende in een wettelijke schuldsaneringsregeling waarin de bewindvoerder is benoemd; - g. **Beklaagde:** de bewindvoerder Wsnp tegen wie een klacht is gericht; - h. **de Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - i. **Rechter-commissaris:** de rechter-commissaris die belast is met het toezicht op de uitvoering van de wettelijke schuldsaneringsregeling als bedoeld in [artikel 287 lid 3 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287); - j. **Bewindvoerder:** de bewindvoerder die in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling ([artikel 287 lid 3 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287)) door de rechtbank is benoemd en die is ingeschreven in het register als bedoeld in het Reglement register bewindvoerder Wsnp; - k. **Gedragscode:** de gedragscode voor"},{"i":18545,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 29 augustus 2017, houdende de vaststelling van een nieuw treasurystatuut voor de politie (Treasurystatuut politie 2017) Gelet op [artikel 14, vijfde lid, van het Besluit financieel beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036711&artikel=14); Besluit: Artikel 1 De politie maakt gebruik van het in de bijlage bij deze regeling behorende treasurystatuut. Artikel 2 Het [Treasurystatuut politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034203) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Treasurystatuut politie 2017. Bijlage. bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039947&artikel=1&z=2017-09-07&g=2017-09-07) van het Treasurystatuut politie 2017 Treasurystatuut Treasurystatuut In dit treasurystatuut wordt verstaan onder: 2. Doelstellingen treasuryfunctie Voor het realiseren van een doeltreffende en doelmatige treasuryfunctie binnen de wettelijk gestelde kaders zijn de volgende doelstellingen van belang: 3. Administratieve organisatie en interne beheersing De korpschef stelt de regels van de administratieve organisatie en de interne beheersing voor de treasuryfunctie vast. De korpschef stelt de regels van de administratieve organisatie en de interne beheersing voor de treasuryfunctie vast. Bij het vaststellen van de administratieve organisatie en de interne beheersing zijn de volgende uitgangspunten van belang: * 1) Bij afwezigheid van de DFC kan het lid KL verantwoordelijk voor de Bedrijfsvoering dan wel de (plv.) KC na parafering door de plvDFC autorisatie verlenen. 4. Risicobeheer Met betrekking tot het risicobeheer in relatie tot de verwezenlijking van de treasurydoelstelling ‘Het beschermen van het vermogen en de resultaten van de organisatie tegen financiële risico’s, zoals: renterisic"},{"i":18157,"b":"Besluit mandatering wijzigen ABRO-voorschrift Defensie gelet op [artikel 2 van het Kaderbesluit ABRO Rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051910&artikel=2), gelet op het [Algemeen mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit Defensie 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046551), gelet op [artikel 27, eerste lid, onder f, van het Algemeen organisatiebesluit defensie 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051326&artikel=27), gelet op de Aanwijzing SG-003 Ter binding en vaststelling van het Defensie Beveiligingsbeleid, BESLUIT:"},{"i":19294,"b":"Wet van 29 juni 2021 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafrecht BES, houdende de invoering van de strafbaarstelling van misbruik van prostitué(e)s die slachtoffer van mensenhandel zijn (Wet strafbaarstelling misbruik prostituees die slachtoffer zijn van mensenhandel) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te voorzien in een afzonderlijke strafbaarstelling die bescherming biedt aan prostituees die het slachtoffer zijn van mensenhandel en gelet daarop het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en het [Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570) aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht BES. Artikel IIa Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet strafbaarstelling misbruik prostituees die slachtoffer zijn van mensenhandel. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18320,"b":"Besluit van 24 juni 2003, nr. 03.002147 houdende naamswijziging van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De naam van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij wordt gewijzigd in: ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2003. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit, dat zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":17430,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming van 4 juli 2023, nr. 4605733, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering ter voorkoming van jeugdcriminaliteit (Regeling specifieke uitkering ter voorkoming van jeugdcriminaliteit 2023) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), Besluiten: Artikel 1. Definitiebepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **gecertificeerde instelling:** rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in [artikel 3.4 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=3.4) en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert; - **gemeente:** een van de voor deze aanpak geselecteerde gemeenten, te weten Almere, Delft, Dordrecht, Enschede, Helmond, ’s-Hertogenbosch, Maastricht, Nijmegen, Roosendaal, Sittard-Geleen, Venlo en Vlaardingen; - **jeugdboa:** een buitengewoon opsporingsambtenaar zoals bedoeld in [artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142) die zich in het bijzonder richt op strafbare feiten gepleegd door minderjarigen en de preventie daarvan; - **Ministers:** de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming; - **zorg- en veiligheidshuis:** een samenwerkingsverband waarin deelnemers uit het zorg- en veiligheidsdomein werken aan complexe, domeinoverstijgende problematiek, dat tot doel heeft het voorkomen en verminderen van recidive, ernstige overlast, criminaliteit en maatschappelijke uitval. Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De Ministers kunnen op aanvraag van een gemeente een eenmalige specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van het treffen van maatregelen ter voorkoming van jeugdcriminaliteit. 2. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor BTW die verschuldigd is over k"},{"i":17185,"b":"Besluit van 3 april 2003, houdende de overdracht van de zorg voor de Wet op de Registeraccountants en de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 1 april 2003, nr. 02M446442; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De zorg voor de [Wet op de Registeraccountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002374), de [Wet op de Accountants-Administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002856) en de op deze wetten gebaseerde regelgeving, voor zover deze thans behoort tot de taak van Onze Minister van Economische Zaken, gaat over naar Onze Minister van Financiën. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 19 februari 2003. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Economische Zaken en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":18171,"b":"Besluit houdende het opheffen van de beperkingen, gesteld aan de openbaarheid van een aantal archieven van het voormalig Ministerie van Overzeese Rijksdelen en rechtsvoorgangers Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op de Verklaring van Overdracht van 20 oktober 1994 waarbij deze archieven door het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan het Nationaal Archief zijn overgedragen en de bijbehorende regeling van de openbaarheid, Gehoord de Minister van Buitenlandse Zaken, Besluit: Artikel 1 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van het archief van de Ronde Tafel Conferentie Nederland – Suriname – Nederlandse Antillen: Serie H, 1951–1956, nummer archiefinventaris 2.10.16, worden opgeheven. Artikel 2 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van het archief van de Ronde Tafel Conferentie Indonesië 1949–1950, nummer archiefinventaris 2.10.38, worden opgeheven. Artikel 3 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Koloniën: Codetelegrammen serie X 1945–1963, nummer archiefinventaris 2.10.36.17, worden opgeheven. Artikel 4 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Koloniën: Mailrapporten 1901–1950, nummer archiefinventaris 2.10.36.02, worden opgeheven. Artikel 5 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Koloniën: Kopietelegrammen Nederlands Nieuw-Guinea 1949–1961, nummer archiefinventaris 2.10.36.25, worden opgeheven. Artikel 6 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Koloniën: Indices kabinet geheim, serie A 1900–1962, nummer archiefinventaris 2.10.36.50, worden opgeheven. Artikel 7 De beperkingen die zijn gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden in het archief van het Ministerie van Koloniën: openbaar verbaal 1901–1953, nummer archiefinventaris 2.10.36.04, worden opgeheve"},{"i":19199,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 september 2006, nr. DJZ/BR/0965-06, betreffende beperkende maatregelen tegen president Loekasjenko en bepaalde functionarissen van Belarus (Sanctieregeling Belarus 2006) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [Verordening (EG) nr. 765/2006](32006R0765) van de Raad van de Europese Unie van 18 mei 2006 betreffende beperkende maatregelen tegen president Loekasjenko en bepaalde functionarissen van Belarus (Pb EG L 134); Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 bis, eerste lid, artikel 1 bis bis, eerste en tweede lid, artikel 1 bis ter, eerste lid, artikel 1 ter, eerste lid, artikel 1 ter bis, artikel 1 ter ter, eerste, tweede en derde lid, artikel 1 quater, eerste lid, artikel 1 quinquies, eerste lid, artikel 1 sexies, eerste lid, lid 1 bis, tweede lid en derde lid, tweede alinea, artikel 1 septies, eerste lid, lid 1 bis, lid 1 bis bis, tweede lid en derde lid, tweede alinea, artikel 1 septies bis, eerste lid en lid 1 bis, artikel 1 septies quinquies, eerste en tweede lid, artikel 1 octies, eerste lid, en lid 1 bis, artikel 1 octies bis, eerste, tweede en derde lid, artikel 1 octies ter, eerste lid, artikel 1 octies quater, eerste en tweede lid, artikel 1 octies quinquies, eerste en tweede lid, artikel 1 nonies, eerste lid, tweede en vijfde lid, artikel 1 decies, eerste lid, en lid 1 bis, artikel 1 undecies, artikel 1 undecies bis, eerste lid, artikel 1 undecies ter, artikel 1 undecies quater, eerste tot en met vijfde lid, en lid 5 bis, eerste volzin, artikel 1 duodecies, eerste lid, artikel 1 terdecies, eerste lid, artikel 1 quaterdecies, artikel 1 sexdecies, eerste lid, artikel 1 septiesdecies, eerste lid, artikel 1 octiesdecies, eerste lid, artikel 1 novodecies, eer"},{"i":18847,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 8 januari 2016, nr. BOACAT2016/006, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Keolis Nederland 2016 Gelezen het verzoek van Syntus B,V. van 7 januari 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie van het Parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037530&artikel=2&z=2019-05-16&g=2019-05-16). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Service & Veiligheid in dienst van Keolis Nederland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, als genoemd in [onderdeel 9.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel 4 1. Op grond van dit besluit kunnen maximaal 150 perso"},{"i":17113,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden mediators 2013 krachtens de Wet op de Rechtsbijstand Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die in aanmerking willen komen voor verwijzingen vanuit de gerechten of vanuit het Juridisch Loket zich inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en verdere van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: In het onderstaande zijn deze voorwaarden uitgewerkt. De voorwaarden zijn op te vatten als algemeen verbindende voorschriften. Inschrijvingsvoorwaarden Artikel 1. Registratie/ opleidingsvereisten / evaluatie 1. De deelnemende mediator dient NMI registermediator te zijn. Deze NMI registermediator heeft ofwel - –. het NMI assessment met goed gevolg afgelegd ofwel - –. een door het NMI afgenomen peer review met goed gevolg ondergaan én in de drie jaar voor de datum van inschrijving bij de Raad voor Rechtsbijstand negen mediations op basis van de NMI Mediationovereenkomst verricht1Met betrekking tot de bedoelde negen mediations gelden de volgende eisen:–het moet gaan om mediations in overeenstemming met de NMI-reglementen;–van de negen mediations moeten er minimaal drie met een vaststellingsovereenkomst zijn afgesloten;–co-mediations in een gelijkwaardige positie tellen mee tot een maximum van drie van de negen; van de overige zes dienen tenminste twee mediations met een vaststellingsovereenkomst te zijn afgesloten.. De mediator is zich er van bewust dat het behoud van de status NMI registermediator een absolute voorwaarde is om ingeschreven te kunnen blijven als mediator. De mediator verklaart zich per direct uit te laten schrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand vanaf het moment dat de inschrijving bij het NMI eindigt. Het N"},{"i":19185,"b":"Richtlijn voor strafvordering wet personenvervoer 2000 Beschrijving Deze richtlijn bevat het strafvorderingsbeleid van het OM inzake overtredingen bepaald bij of krachtens de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) (Wp 2000), die in [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1) (WED) als economisch delict zijn aangemerkt. Achtergrond Deze richtlijn richt zich op de strafrechtelijk gehandhaafde bepalingen voortkomende uit de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) en het [Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982) (Bp 2000). Vervolging Van recidive is alleen sprake indien een soortgelijke overtreding wordt begaan **binnen vijf jaar** na afdoening1Afdoening houdt in: een onherroepelijke strafbeschikking, een onherroepelijk vonnis óf een betaalde transactie van de vorige overtreding. Door het OM wordt via raadpleging van het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) vastgesteld of sprake is van recidive. Bij overtredingen van de [Wp 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) wordt in beginsel zonder beperking ongeacht de mate van recidive een strafbeschikking uitgevaardigd waarmee een geldboete wordt opgelegd. In afwijking daarop wordt de verdachte gedagvaard indien er bij misdrijven drie keer of vaker recidive plaatsvindt ([artikel 103 Wp 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=103)). Als recidive wordt geconstateerd, geldt het volgende ophogingspercentage ten opzichte van het bij de overtreding behorende geldboete: Voor de eis ter terechtzitting wordt geen hoger tarief gehanteerd tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat verzet uitsluitend is gedaan ter uitstel van de executie of om de procesgang te vertragen2Zie eveneens Aanwijzing OM-afdoening. NB Op overtredingen die feitgecodeerd met een politiestrafbeschikking kunnen worden afgedaan is de recidiveregeling niet van"},{"i":18146,"b":"Besluit van 11 oktober 1947, tot instelling van een Departement van Algemeen Bestuur, dat de naam zal dragen van Ministerie van Algemene Zaken Op de voordracht van de Minister-President, Minister van Overzeese Gebiedsdelen a.i., van 10 October 1947, no. 14221; Gelet op [artikel 79 der Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79); Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel I. in te stellen een \"Departement van Algemeen Bestuur\", dat de naam zal dragen van \"Ministerie van Algemene Zaken\"; II. aan het Hoofd van het onder I genoemd Departement de zorg op te dragen voor de zaken betreffende het algemeen Regeringsbeleid van het Koninkrijk, voor zover deze zorg niet bepaaldelijk wordt behartigd door een der andere departementen van algemeen bestuur. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag der dagtekening van het **Staatsblad**, waarin het is geplaatst. Onze Ministers, Hoofden der Departementen van Algemeen Bestuur, zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":17854,"b":"Wet zorginstellingen BES Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. vervallen; - b. vervallen; - c. **gedraging:** enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een besluit dat gevolgen heeft voor een patiënt; - d. **Inspectie:** de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; - e. vervallen; - f. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - g. **patiënt:** een natuurlijk persoon aan wie een zorgaanbieder zorg verleent of heeft verleend; - h. vervallen; - i. **zorg:** het handelen van medische beroepsbeoefenaren, waaronder het verrichten van onderzoek, het stellen van diagnose of het behandelen, verplegen of verzorgen van een persoon met ziekten of gebreken in intramuraal, semimuraal of extramuraal verband; - j. **zorgaanbieder:** - 1°. de natuurlijke- of rechtspersoon die een zorginstelling in stand houdt; - 2°. de natuurlijke- of rechtspersonen die gezamenlijk een zorginstelling vormen; - k. **zorginstelling:** een organisatorisch verband dat strekt tot verlening van zorg, met uitzondering van een organisatorisch verband waar zorg wordt verleend als deel van de in een ander organisatorisch verband verleende zorg; - l. **ziekenhuisvoorziening:** een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zorginstelling. Artikel 2 In geval sprake is van een zorgaanbieder als bedoeld in [artikel 1, onderdeel j, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028734&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2018-08-01&g=2018-08-01), richten de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen zich tot ieder van de in dat onderdeel bedoelde personen. Hoofdstuk 2. Vergunningstelsel Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Hoofdstuk 3. Zorginstellingen § 1. Kwaliteit van de zorg Artikel 8 1. Een zorgaanbieder biedt zorg aan die verantwoord is. 2. Zorg is slechts verantwoord te achten als die tenminste wordt verleend op basis van deskundigheid, van een g"},{"i":17996,"b":"Ziektekostentegemoetkoming en interimuitkering per 1 januari 1996 Circulaire aan de ministers De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. I. Samenvatting In deze circulaire worden de ziektekostentegemoetkomingen respectievelijk de interimbedragen bekendgemaakt zoals deze per 1 januari 1996 voor betrokkene (en zijn medebetrokkenen) gaan gelden. Ook is vermeld dat per 1 april 1996 het bedrag van de aanvullende toeslag, als bedoeld in het [Besluit inkomenstoeslag rijkspersoneel](onbekend) (BIR), en de categorie betrokkenen voor wie deze toeslag is bestemd, is gewijzigd. Het bedrag van de inkomenstoeslag, als bedoeld in het [BIR](onbekend), en van de inkomenstoeslag en aanvullende toeslag, als bedoeld in het [Besluit inkomenstoeslag betrokkenen in de zin van de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982](onbekend) (IBIZA), blijven ongewijzigd. II. Inleiding De tegemoetkoming die op basis van het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](onbekend) (BTZR) respectievelijk de [Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982](onbekend) (IRKZ) aan de desbetreffende ambtenaar wordt toegekend, is per maand gelijk aan de som van een basisbedrag en de helft van de MOOZ-omslagbijdrage en van de WTZ-pooling. Jaarlijks wordt deze tegemoetkoming per 1 januari aangepast. Het basisbedrag wordt gewijzigd overeenkomstig het gewogen gemiddelde van de procentuele wijziging van de premies die door een aantal niet op winst gerichte ziektekostenverzekeraars worden vastgesteld voor een verzekering tegen ziektekosten. Deze door Zorgverzekeraars Nederland berekende wijziging bestaat per 1 januari 1996 – ten opzichte van 1 januari 1995 – uit een stijging van 26,3%. De MOOZ-omslagbijdrage is verlaagd. Voor een volwassene bedraagt deze thans f 8,30 (was f 9,30) per maand. Het bedrag van de WTZ-pooling is eveneens verlaagd en bedraagt voor een volwassenen f 27,00 (was f 34,50) per maand. III. Ziektekostentegemoetkomingen en interimbedragen per 1 januari 1996 De tegemoetk"},{"i":18457,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 15 juni 2020, nr. 2937169 houdende regels omtrent de vergoedingen van politievrijwilligers (Regeling vergoedingen politievrijwilligers) Gelet op [artikel 75bis van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=75bis); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en enkele andere algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoeging van rechtspositionele bepalingen omtrent politievrijwilligers en de intrekking van het Besluit rechtspositie vrijwillige ambtenaren van politie in werking treedt. Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **vrijwillige ambtenaar:** de vrijwillige ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - **vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie:** de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1). Artikel 2. Vergoeding vrijwillige ambtenaar 1. De vrijwillige ambtenaar ontvangt per uur dat hij voor zijn functie relevant onderwijs volgt of in opdracht van het bevoegd gezag daadwerkelijk dienst verricht een vergoeding van € 9,89. 2. De in het eerste lid genoemde vergoeding wordt jaarlijks aangepast overeenkomstig de door het Centraal Planbureau in het Centraal Economisch Plan gepubliceerde afgeleide consumentenprijsindex. Artikel 3. Vergoeding voor de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie in dienst op 31 december 2025, die geen opsporin"},{"i":17376,"b":"Regeling paramedische zorg Gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van registratie-, declaratie, en transparantievoorschriften. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Consument:** Een zorgvrager, patiënt, een potentiële patiënt of degene die namens een patiënt informeert. - **Zorgaanbieder:** De natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent of laat verlenen, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - **Prestatie:** De levering van zorg door een zorgaanbieder, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - **Tarief:** Prijs voor een prestatie, een deel van een prestatie of geheel van prestaties van een zorgaanbieder, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - **Ziektekostenverzekeraar:** - –. een zorgverzekeraar; - –. een Wlz-uitvoerder; - –. een particuliere ziektekostenverzekeraar, zijnde een financiële onderneming die ingevolge de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) in Nederland het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen, zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - **Declaratie:** Het tarief of de tarieven die in rekening zijn gebracht voor een geleverde (deel)prestatie of (deel)prestaties aan de consument dan wel aan de ziektekostenve"},{"i":17324,"b":"Regeling informatieverstrekking aanmelding en wijzigingen Wlz-uitvoerderschap De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt op grond van [artikel 16, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) (Wmg) toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz). Op grond van [artikel 4.1.1, vierde lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1) mag een rechtspersoon de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) niet eerder uitvoeren dan nadat de NZa heeft vastgesteld dat die rechtspersoon in voldoende mate is voorbereid op de uitvoering van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). Ten behoeve van deze beoordeling gaat de NZa ten minste na of de rechtspersoon die de wet wenst te gaan uitvoeren voldoet aan de in [artikel 4.1.1, eerste lid, Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=4.1.1) (Blz) gestelde eisen. Ter beoordeling van de eisen uit artikel 4.1.1, eerste lid, Blz laat de NZa zich door de rechtspersoon zijn statuten alsmede een programma van werkzaamheden overleggen. Op grond van artikel 4.1.1, vierde lid, van het Blz is de NZa bevoegd om nadere regels te stellen omtrent de inhoud van het programma van werkzaamheden. Na aanmelding is de rechtspersoon op grond van [artikel 4.1.1, tweede lid, Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.1.1) verplicht te voldoen aan de voorschriften die bij of krachtens deze [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917)aan Wlz-uitvoerders zijn opgelegd. De Wlz-uitvoerder dient op basis van artikel 4.1.1, vijfde lid, van de Wlz er ook zorg voor te dragen dat het dagelijks beleid wordt bepaald of mede wordt bepaald door personen die geschikt zijn in verband met de uitvoering van de wettelijke taken en daaruit voorvloeiende werkzaamheden, en wier betrouwbaarheid buite"},{"i":18502,"b":"Rijkswet van 16 mei 1986, houdende machtiging tot verhoging van de inschrijving van het Koninkrijk der Nederlanden op aandelen van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (Wereldbank) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat een verhoging plaatsvindt van de inschrijving van het Koninkrijk op aandelen van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling in het kader van de speciale verhogingen van de deelnemingen in het kapitaal van laatstgenoemde instelling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Goedgekeurd wordt een verhoging van de inschrijving van het Koninkrijk op aandelen van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling met US $ 273.117.640 (tweehonderddrieënzeventig miljoen eenhonderdzeventienduizend zeshonderdveertig United States dollars) tegen de koers van het moment van betaling, in het kader van de speciale verhogingen van de deelnemingen in het kapitaal van deze instelling overeenkomstig artikel II, sectie 2, sub **b**, van de Overeenkomst betreffende de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (**Stb.** F 318). Artikel 2 Deze Rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad**, in het **Publicatieblad van de Nederlandse Antillen** en in het **Afkondigingsblad van Aruba** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17356,"b":"Regeling macrobeheersinstrument zintuiglijk gehandicaptenzorg 2026 Gelet op: [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35); [artikel 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36); [artikel 37, eerste lid, aanhef en onder d, vierde lid, en zevende tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37); [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), juncto [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68); [artikel 76, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), en op: de [aanwijzing inzake bekostiging extramurale behandeling van zintuiglijk gehandicapten d.d. 14 juli 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035400), kenmerk 642422-123511-MC, van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS); de [Beleidsregel macrobeheersinstrument zintuiglijk gehandicaptenzorg 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051269) (met kenmerk BR/REG-26133), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van het macrobeheersinstrument zintuiglijk gehandicaptenzorg. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **bovengrens:** grens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - **budgettair kader zorg (BKZ):** het door het Ministerie van VWS jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **macrobeheersinstrument (MBI):** instrument waarmee op grond van de [artikelen 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35) en [artikel 50, tweede lid van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het BKZ achteraf kunnen worden geredresseerd. - *"},{"i":18052,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 26 november 2008, nr. DDI/ST/reg. 064/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Nederlands Gezantschap, later de Ambassade in Thailand van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Nederlands Gezantschap, later de Ambassade in Thailand van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 42 | 2038 | | 43 | 2039 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Nederlands Gezantschap, later de Ambassade in Thailand van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 64 | 2042 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024850&artikel=2&z=2008-12-13&g=2008-12-13), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formul"},{"i":18818,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 mei 2016 nr. BOACAT2016/037, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Stichting Het Groninger Landschap Gelezen het verzoek van de Stichting Het Groninger Landschap van 2 februari 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037953&artikel=2&z=2016-05-18&g=2016-05-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Groene BOA in dienst van de Stichting Het Groninger Landschap, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Arti"},{"i":19074,"b":"Besluit van het hoofd van de sector Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 14 maart 2022, nr. 3891156 houdende verlening van ondermandaat aan onder het hoofd van de sector Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid ressorterende functionarissen (Ondermandaatbesluit JZW Ministerie van Justitie en Veiligheid) Gelet op [artikel 3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en [artikel 1 van het Ondermandaatbesluit DWJZ Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046449&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Van aan het hoofd van de sector Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid verleende ondermandaat, bedoeld in [artikel 1 van het Ondermandaatbesluit DWJZ Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046449&artikel=1), wordt ondermandaat verleend aan de strategisch raadadviseur, belast met wetgevingstoetsing, de coördinerend raadadviseur, belast met wetgevingstoetsing, de raadadviseur/strategisch beleidsmedewerker belast met de coördinatie van juridische zaken, en de Juridisch Adviseur, werkzaam bij de sector Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid. Artikel 2 Van het aan het hoofd van de sector Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid verleende ondermandaat, bedoeld in [artikel 1, eerste en tweede lid, van het Ondermandaatbesluit DWJZ Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046449&artikel=1), wordt ondermandaat verleend aan de juridisch ondersteuner van de sector Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid voor de afdoening van correspondentie van procedurele aard, waaronder in ieder geval wordt begrepen: - a. de bevestiging omtrent de ontvangst van een binnengekomen brief en de uitnodiging om een geconstateerd verzuim te herstellen; - b. de uitnodiging om in het kader van een aanvraag-, klacht- of bezwaarschriftprocedure te worden gehoord; - c. de meded"},{"i":18047,"b":"Besluit van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Defensie, Directie Materieel Koninklijke Marine en taakvoorganger, 1943 – 1990, bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Overwegende dat een aantal dossiers in het archief van het Ministerie van Defensie, Directie Materieel Koninklijke Marine en taakvoorganger, 1943 – 1990, beperkingen aan de openbaarheid behoeft; Gelet op [artikel 15, lid 1, onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 29-8-2017, met kenmerk 1219646; Besluit: Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat en zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 709 | 2045 | | 712 | 2045 | | 715 – 737 | 2045 | | 742 | 2045 | | 923 – 925 | 2045 | | 933 -935 | 2045 | | 988 – 997 | 2045 | | 1000 – 1014 | 2045 | | 1030 | 2045 | | 1081 – 1082 | 2045 | | 1088 | 2045 | | 1090 | 2045 | | 1952 – 2046 | 2045 | | 2052 | 2045 | | 2479 | 2045 | | 3078 – 3086 | 2045 | | 3640 | 2045 | | 3667 – 3670 | 2045 | | 3668 | 2045 | | 3669 | 2045 | | 3670 | 2045 | | 3771 | 2045 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040129&artikel=1&z=2017-11-02&g=2017-11-02), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief van he"},{"i":18951,"b":"Besluit van het CAK tot mandaat en machtiging aan het CJIB voor de inning van bestuurlijke boete en bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet gelet op de [artikelen 9b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9b), [9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9c) en [18c tot en met 18g van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c), de [artikelen 6.5.1 tot en met 6.5.3 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.5.1), de [Beleidsregel betaling bestuurlijke boete onverzekerden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029838), de [Beleidsregels inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038234)1Tot en met 31 december 2016 zijn dit de beleidsregels van het Zorginstituut Nederland, vanaf 1 januari 2017 zijn dit de beleidsregels van het CAK. en het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038946). besluit als volgt: Artikel 1 1. Aan de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) te Leeuwarden wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen, voorbereiden en uitvoeren van primaire besluiten op grond van de [artikelen 9b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9b), [9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=9c) en [18c tot en met 18g van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18c) en [artikel 1 van de Beleidsregel betaling bestuurlijke boete onverzekerden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029838&artikel=1) en de daarmee samenhangende besluiten op grond van de [artikelen 4:86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:86), [4:93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:93), [4:94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:94) en [afdeling 4.4.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.o"},{"i":18110,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 oktober 2021, houdende de beperking van de openbaarheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken het Vijfde Blok Codearchief (1961) 1985–1990 (1998) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 8 december 2020, referentie 25647349 Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Opheffing openbaarheid beperking per 1 januari van het jaar | | --- | --- | | 19 | 2065 | | 171 | 2066 | | 2089 | 2061 | | 2090 | 2062 | | 2091 | 2062 | | 2092 | 2062 | | 2093 | 2063 | | 2094 | 2063 | | 2095 | 2063 | | 2096 | 2064 | | 2097 | 2064 | | 2098 | 2065 | | 2099 | 2066 | | 2100 | 2066 | | 2101 | 2061 | | 2102 | 2061 | | 2103 | 2062 | | 2104 | 2062 | | 2105 | 2062 | | 2106 | 2063 | | 2107 | 2063 | | 2108 | 2063 | | 2109 | 2064 | | 2110 | 2064 | | 2111 | 2065 | | 2112 | 2065 | | 2113 | 2065 | | 2114 | 2065 | | 2115 | 2066 | | 2116 | 2066 | | 2117 | 2066 | | 2505 | 2066 | | 2648 | 2065 | | 4342 | 2066 | | 6756 | 2065 | | 6757 | 2064 | | 7705 | 2064 | | 7706 | 2063 | | 7707 | 2064 | | 7708 | 2064 | | 7709 | 2063 | | 7710 | 2065 | | 7711 | 2065 | | 7712 | 2064 | | 7713 | 2061 | | 7714 | 2063 | | 7715 | 2063 | | 7716 | 2064 | | 7717 | 2064 | | 7718 | 2063 | | 7719 | 2062 | | 7720 | 2064 | | 7721 | 2061 | | 7722 | 2064 | | 7723 | 2062 | | 7724 | 2062 | | 7725 | 2063 | | 7726 | 2064 | | 7727 | 2065 | | 7728 | 2063 | | 7729 | 2064 | | 7730 | 2063 | | 8952 | 2062 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inve"},{"i":17988,"b":"Wet van 15 november 2007, houdende wijziging van de Zorgverzekeringswet en de Wet op de zorgtoeslag houdende vervanging van de no-claimteruggave door een verplicht eigen risico Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de no-claimteruggave in de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) wordt vervangen door een verplicht eigen risico en dat verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten hiervoor worden gecompenseerd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel Ia Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel Ib Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel Ic Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel II Wijzigt de Wet op de zorgtoeslag. Artikel III Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel IV Wijzigt de Beroepswet. Artikel V Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VI Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel VII Wijzigt de Wet werk en inkomen kunstenaars. Artikel VIII Wijzigt deze wet. Artikel IX Wijzigt de Wijzigingswet Zorgverzekeringswet enz. (verzwaren incassoregime premie en andere maatregelen zorgverzekering), kst. 30918. Artikel X Wijzigt deze wet. Artikel XI De [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=22), [23, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=23), [69, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69), [87, zesde lid, onderdeel e, subonderdeel 2, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=87), [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4) en [artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=31) en de d"},{"i":18274,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 18 februari 2019, nr. 4044694, houdende instelling van het Audit Committee van het Ministerie van Algemene Zaken (Instellingsbesluit Audit Committee Ministerie van Algemene Zaken) Gelet op de [Regeling audit committees van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040281); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Audit Committee:** Audit Committee Ministerie van Algemene Zaken; - b. **de Minister:** de Minister-President, Minister van Algemene Zaken. Artikel 2 1. Er is een Audit Committee Ministerie van Algemene Zaken. 2. Het Audit Committee adviseert het departementale management in elk geval op de volgende terreinen: - a. het borgen van de kwaliteit van de bedrijfsvoering en de financiële verslaggeving; - b. de regie op het auditbeleid; - c. het risicomanagementbeleid alsmede de uitkomsten daarvan. Artikel 3 1. In het Audit Committee hebben zitting: - a. als voorzitter, tevens lid, de secretaris-generaal; - b. als externe leden: tenminste twee door de Minister benoemde onafhankelijke externe leden; - c. een directeur van de Algemene Rekenkamer; - d. de directeur Financieel-Economische Zaken en een directeur van de Auditdienst Rijk ondersteunen het Audit Committee als deskundigen en nemen uit dien hoofde deel aan de vergaderingen van het Audit Committee; - e. als agendaleden: de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeur-generaal van de Rijksvoorlichtingsdienst, de plaatsvervangend directeur-generaal van de Rijksvoorlichtingsdienst, de directeur van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, de directeur Bedrijfsvoering, de directeur van de Dienst Publiek en Communicatie, de directeur van het Kabinet van de Koning, de voorzitter van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten en de voorzitter van de Toetsingscommissie inzet bevoegdheden. Artikel 4 1. Het Audit Committee komt bijeen in de in [artikel 3](https://wetten.ov"},{"i":18480,"b":"Besluit van 6 september 2010, betreffende regels inzake de financiering van het parket van de procureur-generaal (Rijksbesluit financiering parket van de procureur-generaal) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 april 2010, nr. 5648956/10/6, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 29, vierde lid, van de Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028072&artikel=29) en [artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 3 juni 2010, nr. W03.10.0143/II/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 31 augustus 2010, nr. 5660711/10/6, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; De bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt. Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **instroom:** aantal te behandelen zaken door de procureur-generaal in een jaar; - **zaak:** een door de procureur-generaal te behandelen of afgehandelde procedure; - **parket:** parket van de procureur-generaal; - **rijkswet:** [Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028072). Hoofdstuk 2. Bijdragetoekenning door Onze Ministers aan het parket Artikel 2 De jaarlijks door de landen aan het"},{"i":17359,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 juni 2006, Directie SV/WV/2006/47395, tot aanwijzing van kalenderjaren die in aanmerking genomen zullen worden voor het mantelzorgforfait in de Werkloosheidswet en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Regeling mantelzorgforfait WW en Wet WIA) Gelet op de [artikelen 42a, derde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42a) en [15, zevende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=15); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing kalenderjaren [WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) en [Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) 1. Voor de toepassing van [artikel 42, tweede lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42) worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren vanaf en met in begrip van 2007 in aanmerking genomen op de wijze, bedoeld in [artikel 42a, derde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=42a). 2. Voor de toepassing van [artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=15) worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren vanaf en met inbegrip van 2007 in aanmerking genomen op de wijze, bedoeld in [artikel 15, zesde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=15). Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling mantelzorgforfait WW en Wet WIA. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18245,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 21 augustus 2025, nr. 9070201, houdende voorschrift informatiebeveiliging Rijksdienst bijzondere informatie 2025 Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **accreditatie:** het verlenen van toestemming voor ontvangst, beheer, vernietiging en verwerking van gerubriceerde informatie; - **bijzondere informatie:** informatie waar kennisname door niet-geautoriseerden nadelige gevolgen kan hebben voor de (vitale) belangen van de Nederlandse staat, voor zijn bondgenoten of voor één of meer ministeries; - **compromittering:** kennisname dan wel mogelijkheid tot kennisname van bijzondere informatie door niet geautoriseerden; - **informatiesysteem:** een samenhangend geheel van gegevensverzamelingen, en de daarbij behorende personen, procedures, processen en programmatuur alsmede de voor het informatiesysteem getroffen voorzieningen voor opslag, verwerking en communicatie; - **Rijksdienst:** alle organisatieonderdelen waarvoor de ministeriële verantwoordelijkheid onverkort geldt; - **rubriceren:** bepalen van het rubriceringsniveau en -duur van de bijzondere informatie op basis van de te verwachten nadelige gevolgen voor de vitale belangen van Nederland en de Nederlandse staat, voor zijn bondgenoten of voor één of meer ministeries als (een deel van) deze informatie bekend wordt bij niet-geautoriseerden; - **rubriceringsambtenaar:** ambtenaar bevoegd tot het vaststellen van rubriceringen, hiertoe gemandateerd door de secretaris-generaal; - **rubriceringsniveau:** aanduiding van de verwachte nadelige gevolgen voor de vitale belangen van Nederland en de Nederlandse staat, voor zijn bondgenoten of voor één of meer ministeries als de informatie of een deel daarvan bekend wordt bij niet- geautoriseerden; - **vaststeller van de rubricering:** minister, staatssecretaris, secretaris-generaal of een door de secretaris-"},{"i":18254,"b":"Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba **Rijksdienst** **Caribisch Nederland** **Immigratie- en Naturalisatiedienst** **Oktober 2010** Afkortingenlijst CTU-BES Hoofdstuk 1. Toegang 1. Begrippen In [artikel 1 WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=1), [artikel 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=1.1) en [artikel 1.2 BTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=1.2) worden de definities van verschillende woorden aangegeven. Aanvullend hierop zijn de volgende begrippen met hun omschrijvingen nog van belang: 2. Grensbewaking 2.1. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren De met grensbewaking belaste ambtenaren zijn genoemd in [artikel 22a WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22a). Alle ambtenaren belast met grensbewaking zijn, zonder territoriale beperkingen, bevoegd deze taken binnen de openbare lichamen uit te oefenen. Met het oog op een efficiënte uitvoering van deze taken en het toezicht op personen richten de ambtenaren van KMar zich in beginsel primair op de grensbewaking en de ambtenaren van de politie op het toezicht op vreemdelingen. De ambtenaren van de KMar en de ambtenaren van de politie oefenen de grensbewaking uit onder leiding van de Commandant van de KMar en het toezicht op vreemdelingen onder leiding van de Korpschef. De bevoegdheden van deze ambtenaren zijn uiteengezet in [artikel 22d tot en met 22g van de WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=22d). 2.2. Grensdoorlaatpost Grensbewaking wordt uitgeoefend in verband met het in en uit de openbare lichamen reizen van personen. Iedereen is in principe verplicht bij grensoverschrijding een grensdoorlaatpost te passeren (zie [artikel 2m WTU-BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=2m)) en zich daar te melden bij een ambtenaar belast met de grensbewaking. In de regel worden de grensdoorlaatposten bediend door ambtenaren van de KMar. In de"},{"i":17065,"b":"Circulaire bezoldiging en eindejaarsuitkering commissaris van de Koningin 1. Structurele verhoging van de bezoldiging Op grond van [artikel 3, vierde lid, van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning](onbekend) commissarissen van de Koning wordt de bezoldiging van de commissaris herzien overeenkomstig de wijziging die de bezoldiging van het personeel in de Sector Rijk ondergaat. In de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel is ten aanzien van het arbeidsvoorwaardenbeleid in de contractperiode 1 december 2002 tot 1 januari 2004 besloten tot een algemene salarisverhoging. Per 1 december 2002 worden de salarissen van de ambtenaren in de sector Rijk structureel met 2,5% verhoogd. Dit betekent dat de bezoldiging van de commissarissen eveneens met ingang van 1 december 2002 dient te worden aangepast en vanaf die datum € 9.398,56 bruto per maand bedraagt. In verband met de inkomenseffecten als gevolg van de overeengekomen wijzigingen in het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](onbekend) (Btzr) ontvangen de ambtenaren in de sector Rijk per 1 mei 2003 een compensatie in de vorm van een structurele verhoging van de schaalbedragen met 0,25%. Gelet hierop is met de centrales van het overheidspersoneel afgesproken om per 1 mei 2003 de salarissen te verhogen met 0,25%. Als gevolg van deze afspraak wordt de bezoldiging van commissarissen per 1 mei 2003 structureel verhoogd met 0,25%. De bezoldiging voor commissarissen bedraagt dan per 1 mei 2003 € 9.422,06 bruto per maand. De beide structurele salarisverhogingen werken door naar reeds ingegane werkloosheidsuitkeringen. 2. Eindejaarsuitkering Op grond van [artikel 4a van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning](onbekend) ontvangt de commissaris een eindejaarsuitkering overeenkomstig de bepalingen welke daaromtrent voor het personeel in de sector Rijk zijn vastgesteld. De eindejaarsuitkering is structureel vastgesteld op 0,4%. In genoemd sectoroverleg is overeengekomen de structurele eindeja"},{"i":18636,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 28 april 2011, houdende wijziging van de Kledingregeling voor de politie in verband met nadere regels over de reiniging van kleding Gelet op [artikel 56, eerste en tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=56); Besluit: Artikel I Wijzigt de Kledingregeling voor de politie. Artikel II Ten aanzien van kleding die door de beheerder vóór de inwerkingtreding van deze regeling is ingenomen met als doel de kleding te reinigen of die door de ambtenaar daartoe bij een stomerij is afgegeven, blijft het recht bestaan zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant en werkt terug tot 1 januari 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17460,"b":"Regeling toepassing mechanische middelen jeugdigen Gelet op [artikel 38, derde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=38); Gezien het advies van het College van advies voor de justitiële kinderbescherming van 12 oktober 2000, kenmerk 5056746/00/TH/rb; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756); - b. **mechanische middelen:** de navolgende middelen: - 1º. gecapitonneerde handschoenen; - 2º. mondafscherming; - 3º. polsbanden aan riem om middel; - 4º. enkelbanden met tussenstuk; - 5º. handboeien van een door de Minister van Veiligheid en Justitie goedgekeurd merk en type; - 6º. valhelm of schuimhelm; - 7º. dwangjack. Artikel 2 1. Als mechanisch middel in de zin van [artikel 38 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=38) worden slechts toegepast de in [artikel 1, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012743&artikel=1&z=2015-03-24&g=2015-03-24), genoemde middelen. 2. Indien de toestand van de jeugdige dit vereist, kunnen meerdere mechanische middelen tegelijkertijd worden toegepast. Artikel 3 1. De toepassing van mechanische middelen beperkt de jeugdige niet verder in zijn vrijheid dan voor de afwending van een van de jeugdige uitgaand ernstig gevaar voor diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de jeugdige noodzakelijk is. 2. Bij de keuze voor de toepassing van bepaalde mechanische middelen wordt zoveel mogelijk voorkomen dat de jeugdige wordt belemmerd in de zelfstandige uitoefening van de lichaamsfuncties eten, drinken, urineren, ontlasten en slapen. Artikel 4 Een mechanisch middel voldoet aan de volgende eisen: - a. het middel voldoet aan de algemene eis van deugdelijkheid. Een correcte toepassing van het middel leidt niet tot lichamelijke beschadiging of tot ongemak dat langer duurt dan - b. noodzakelijkerwijs samenhangt m"},{"i":17114,"b":"Instelling Begeleidingscommissie uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers Overwegende, dat het interim-rapport van de Begeleidingscommissie uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 dd. 17 oktober 1985 aangeeft, dat op korte termijn maatregelen getroffen dienen te worden ter verbetering van de uitvoering van de [WUV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844), en de implementatie van deze maatregelen te laten begeleiden door een commissie bestaande uit vertegenwoordigers van het ministerie van WVC, het Abp, de Uitkeringsraad, de Centrale Accountantsdienst en het ministerie van Buitenlandse Zaken, voor zover er onderwerpen aan de orde zijn, die de uitvoering in het buitenland betreffen; Besluit: Artikel 1 1. Er is een Begeleidingscommissie uitvoeringsorganisatie [Wet uitkeringn vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844), verder te noemen de commissie. 2. Tot lid van de commissie worden benoemd: - a. H. A. de Boer, secretaris-generaal van het ministerie van WVC, tevens voorzitter; - b. drs. A. H. C. Annink, hoofd centrale directie Financiële- en Economische Zaken, ministerie van WVC, tevens secetaris; - c. dr. J. A. C. de Kock van Leeuwen, raadsadviseur ministerie van WVC; - d. drs. A. J. Meerding, beleidsadviseur directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, ministerie van WVC; - e. mr. P. J. Bezemer, directeur pensioenzaken, Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds; - f. A. J. van der Leeuw, voorzitter Uitkeringsraad; - g. J. Poot R. A., hoofd sector Accountantscontrole en Advies, centrale Accountantsdienst ministerie van Financiën; - h. K. Starreveld, R. A., hoofd Accountantsdienst, ministerie van WVC. 3. Indien de uitvoering van de [WUV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844) in het buitenland aan de orde is, dan vrzoekt de voorzitter, drs.J.J. Wijenberg, chef centrale afdeling Financieel-Economische Zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken, aan de beraadslagingen van de commissie, a"},{"i":18807,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 januari 2022 nr. BOACAT2022/005, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Regionale Eenheid Oost-Brabant, Team Buitengerechtelijke Afdoeningen Gelezen het verzoek van de Regionale Eenheid Oost-Brabant van 4 augustus 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046261&artikel=2&z=2024-07-18&g=2024-07-18). Artikel 2 1. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), werkzaam in de functie van Assistent Intake & Service, Medewerker Intake & Service, Senior Intake & Service en Generalist Intake & Service, die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Oost-Brabant. 2. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de vrijwillig ambtenaren van politie bedoeld in [artikel 2, onder c, van de Politiewet 2012](https://we"},{"i":18887,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 januari 2022 nr. BOACAT2021/073, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de regionale eenheid Amsterdam, Team Buitengerechtelijke Afdoening Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Amsterdam van 28 december 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447) de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046161&artikel=2&z=2024-07-10&g=2024-07-10). Artikel 2 1. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), werkzaam bij het Team Buitengerechtelijke Afdoening, in de functie van Assistent Intake en Service A, Assistent Intake en Service B, medewerker Intake en Service, generalist Intake en Service, senior Intake en Service, die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Amsterdam. 2. De vrijwillig ambtenaren van pol"},{"i":18888,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 juni 2017 nr. BOACAT2017/036, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de regionale eenheid Den Haag Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Den Haag van 7 juni 2017; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039669&artikel=2&z=2017-06-23&g=2017-06-23). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Den Haag. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn proces"},{"i":17066,"b":"Circulaire bezoldiging en eindejaarsuitkering gedeputeerden 1. Structurele verhoging van de bezoldiging Op grond van [artikel 3 van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006533&artikel=3) geniet de gedeputeerde een bezoldiging per maand waarvan de hoogte overeenkomt met het maximum van schaal 17 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). In de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel is ten aanzien van het arbeidsvoorwaardenbeleid in de contractperiode 1 december 2002 tot 1 januari 2004 besloten tot een algemene salarisverhoging. Per 1 december 2002 worden de salarissen van de ambtenaren in de sector Rijk structureel met 2,5% verhoogd. Dit betekent dat de bezoldiging van de gedeputeerden eveneens met ingang van 1 december 2002 dient te worden aangepast en vanaf die datum € 7.169,29 bruto per maand bedraagt. In verband met de inkomenseffecten als gevolg van de overeengekomen wijzigingen in het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006855) (Btzr) ontvangen de ambtenaren in de sector Rijk per 1 mei 2003 een compensatie in de vorm van een structurele verhoging van de schaalbedragen met 0,25%. Gelet hierop is met de centrales van het overheidspersoneel afgesproken om per 1 mei 2003 de salarissen te verhogen met 0,25%. Als gevolg van deze afspraak wordt de bezoldiging van gedeputeerden per 1 mei 2003 structureel verhoogd met 0,25%. De bezoldiging van gedeputeerden bedraagt dan per 1 mei 2003 € 7.187,21 bruto per maand. De beide structurele salarisverhogingen werken door naar reeds ingegane APPA-uitkeringen ([Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691)). 2. Eindejaarsuitkering Op grond van [artikel 4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden](onbekend) ontvangt de gedeputeerde een eindejaarsuitkering overeenkomstig de bepa"},{"i":19322,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 14 januari 2014 houdende wijziging van de Verlofregeling TBS in verband met een wijziging van de bijlage en enkele tekstuele aanpassingen Gelet op [artikel 53, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008690&artikel=53), en [54, vijfde lid, van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008690&artikel=54); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel I Wijzigt de Verlofregeling TBS Artikel II Deze regeling is van toepassing op alle verlofaanvragen die na vier maanden na de inwerkingtreding van deze regeling worden ingediend. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19370,"b":"Wet van 5 juli 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht (verlenging verjaring inzake overtredingen na stuiting) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen dat het wenselijk is de verjaringstermijn inzake overtredingen na stuiting te verlengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Ten aanzien van de overtredingen die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt zijn verjaard, blijft [artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=72) van toepassing, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17325,"b":"Regeling inkomsten Uitkeringswet gewezen militairen Gelet op [artikel 5, vijfde lid, van de Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540&artikel=5) (Stb. 1966, 451); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van [artikel 5, eerste lid, van de Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002540&artikel=5), wordt onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verstaan het onzuiver inkomen in de zin van artikel 4 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Stb. 519), voor zover dat inkomen, naar de normen van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004201&artikel=2&z=1990-02-01&g=1990-02-01) van deze regeling, betrekking heeft op hetzelfde tijdvak als de uitkering waarmee moet worden verrekend en voor zover het, met inachtneming van de overige artikelen van deze regeling, bestaat uit: - a. hetgeen ingevolge het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk II, Afdeling 2, van laatstgenoemde wet, als winst uit onderneming wordt beschouwd en - b. hetgeen naast de uitkering ingevolge het bepaalde bij of krachtens Afdeling 3 van dat Hoofdstuk tot de zuivere inkomsten uit arbeid wordt gerekend. Artikel 2 1. Het bedrag van de winst uit onderneming wordt bepaald op de wijze en over het tijdvak als voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is voorgeschreven en wordt geacht voor een evenredig deel betrekking te hebben op elke kalendermaand die geheel of gedeeltelijk binnen dat tijdvak ligt. Daarbij wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 20, tweede en derde lid, van die wet, de winst van een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar beschouwd als winst van dat boekjaar. 2. De zuivere inkomsten uit arbeid hebben betrekking op de kalendermaand waarin zij zijn ontvangen of ter beschikking gesteld, dan wel vorderbaar, inbaar of rentedragend zijn geworden. Worden zij genoten over een tijdvak dat dagen van meerdere kalendermaanden omvat dan hebben zij, tenzij het tantièmes, gratif"},{"i":17153,"b":"Klachtenregeling College sanering zorginstellingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Klacht:** iedere schriftelijke uiting van ongenoegen over de wijze waarop het College sanering zich jegens klager heeft gedragen; de gedraging van een persoon werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het College sanering wordt aangemerkt als een gedraging van het College sanering. - b. **Het College sanering:** het College sanering zorginstellingen. - c. **De voorzitter:** de voorzitter van het College sanering zorginstellingen. - d. **De secretaris/ directeur van het College sanering:** verder te noemen de directeur. Artikel 2 De regeling is van toepassing op elke klacht, mits schriftelijk en ondertekend ingediend, met vermelding van tenminste: - a. naam en adres van de indiener; - b. de dagtekening; - c. een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht is gericht. Artikel 3 Zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen twee weken na ontvangst van de klacht, wordt de klager schriftelijk in kennis gesteld van de ontvangst van zijn klacht. Artikel 4 1. De behandeling van de klacht geschiedt door de directeur. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de klacht betrekking heeft op: - a. de directeur; in dit geval vindt de behandeling van de klacht plaats door de voorzitter; - b. de voorzitter. In dit geval dient de klacht te worden ingediend bij de minister van Volksgezondheid. Artikel 5 1. De klacht hoeft niet in behandeling te worden genomen indien zij betrekking heeft op een gedraging: - a. waarover reeds eerder een klacht is ingediend door dezelfde klager die met inachtneming van deze regeling is behandeld, tenzij sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden; - b. die langer dan een jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden; - c. waartegen door de klager bezwaar kan worden gemaakt, dan wel had kunnen worden gemaakt; - d. waartegen door de klager beroep kan of kon worden ingesteld; - e. die door het instellen van e"},{"i":18931,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 oktober 2025 nr. BOACAT2025/182, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Sportvisunie (i.o.) Gelezen het verzoek van Sportvisunie van 23 september 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051636&artikel=2&z=2025-10-25&g=2025-10-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar domein II Milieu, welzijn en Infrastructuur (Flora- en faunabeheerder) in dienst van Sportvisunie zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milie"},{"i":18698,"b":"Beleidsregel van de Minister van Financiën van 7 december 2025, 2025-0000548953, over de bepaling van de hoogte van bestuurlijke boetes bij overtreding van artikel 47 juncto artikelen 19, eerste lid en 15a, tweede en derde lid, van de Handelsregisterwet 2007 (Beleidsregel bestuurlijke boetes handhaving registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten) Gelet op [artikel 47b van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=47b); BESLUIT: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **bestuurlijke boete:** een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 5:40, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:40); - b. **minister:** Minister van Financiën; - c. **overtreder:** degene die de overtreding pleegt of medepleegt; - d. **overtreding:** handelen in strijd met [artikel 47 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=47) juncto [artikel 19, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=19), voor zover de daartoe verplichte persoon niet de opgave doet die de Kamer van Koophandel nodig heeft om ervoor te zorgen dat de in [artikel 15a, tweede en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=15a) bedoelde gegevens en bescheiden te allen tijde juist en volledig zijn ingeschreven in het handelsregister; - e. **recidive:** de omstandigheid dat een overtreder een overtreding begaat binnen vijf jaren nadat de oplegging van een bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie of het verval van het recht tot strafvervolging ingevolge [artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) wegens overtreding van [artikel 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=47) juncto [artikelen 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=19) en [15a"},{"i":17880,"b":"Besluit van 14 juni 2013, houdende wijziging van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in verband met de verrekeningsbevoegdheid van de raad voor rechtsbijstand bij een proceskostenveroordeling Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 mei 2013, nr. 13.001015; Gelet op [artikel 37, vijfde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 mei 2013, nr. W03.13.0019/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 7 juni 2013, nr. 393065; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel II Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018), zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op toevoegingen afgegeven voor de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":17515,"b":"Regeling Voorschriften bij verwijzing naar tweedelijns zorgaanbieders Gelet op [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=34), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vast. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die bevoegd zijn om gericht te verwijzen naar tweedelijns zorgaanbieders als omschreven bij of krachtens [artikel 14 lid 2 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=14) (Zvw). Deze regeling is niet van toepassing op zorgaanbieders die geen AGB-code kunnen aanvragen. Artikel 2. Doel van de regeling Deze regeling heeft tot doel het stellen van verwijsvoorschriften aan zorgaanbieders die bevoegd zijn om gericht te verwijzen naar zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden. Met deze voorschriften wordt aan tweedelijns zorgaanbieders inzichtelijk gemaakt welke zorgaanbieder de verwijzing heeft afgegeven. Artikel 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **zorgaanbieder:** natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - b. **Eerstelijns zorgaanbieder:** Zorgaanbieder die eerstelijns zorg levert, waaronder in ieder geval de huisarts. - c. **Tweedelijns zorgaanbieder:** Zorgaanbieder die geneeskundige zorg levert zoals medisch specialisten die bieden. - d. **Algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. Deze AGB-code bestaat uit 8 posities. Artikel 4. Verwijzing met AGB-codering De AGB-code van de zorgaanbieder die een patiënt gericht verwijst naar een tweedelijns zorgaanbied"},{"i":19256,"b":"Besluit van 4 december 1925, tot uitvoering van de artikelen 62 en 76 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van 27 October 1925, 2de afdeeling A n°. 897; Gezien de artikelen 62 en 76 van het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), zoomede titel IV van de Invoeringswet Strafvordering. Den Raad van State gehoord (advies van 17 November 1925 n°. 19); Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Justitie van 30 November 1925, 2de afdeeling A n°. 931; Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen: Artikel 1 1. Ten aanzien van de plaatsen, die voor inverzekeringstelling worden bestemd, kan Onze Minister van Justitie de noodige algemeene of bijzondere voorschriften geven, strekkende om deze te doen beantwoorden aan de eischen van een eenvoudig, doch voldoende dag- en nachtverblijf. 2. Indien Onze Minister van Justitie verklaart, dat eene plaats niet voor inverzekeringstelling geschikt is, mag aldaar geenerlei vrijheidsberooving worden ten uitvoer gelegd of verder ten uitvoer worden gelegd. Artikel 2 1. In de voeding van den inverzekeringgestelde moet naar behooren worden voorzien. 2. Hem kan worden vergund uit eigen gelden zich zoodanige verdere voeding te doen verschaffen als hij verkiest en zich de inrichting van zijn verblijf meer geriefelijk te doen maken. 3. Hem kan worden vergund te rooken. Artikel 3 Den inverzekeringgestelde kan, voorzooveel daartoe gelegenheid bestaat, worden vergund tweemaal 's daags gedurende tenminste een half uur beweging in de open lucht te nemen. Artikel 4 Den inverzekeringgestelde kan worden vergund zich met zoodanigen arbeid bezig te houden als hij verkiest en zich daartoe het noodige te doen verschaffen. Artikel 4a 1. De inverzekeringgestelde wordt direct voorafgaand aan de insluiting onderzocht op aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of voor anderen kunnen vormen. Het onderzoek vindt plaats door het"},{"i":18598,"b":"Wet van 28 October 1954, houdende aanvaarding van een statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de aanvaarding door Nederland van de resultaten van het op de voet van [artikel 215 van de Grondwet](onbekend) gepleegde overleg, een wet vordert als bedoeld in [artikel 218 der Grondwet](onbekend); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: artikel Enig Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, zoals het bij deze wet is gevoegd, wordt aanvaard. [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18222,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Landbouwkwaliteit en voedselveiligheid vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 april 2006, arc-2006.02834/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Landbouwkwaliteit en voedselveiligheid en kwaliteit van het uitgangsmateriaal en biotechnologie over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19274,"b":"Wet van 26 november 2014 tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, alsmede in de Wet op de dierproeven tot herstel van een abuis (Verzamelwet Veiligheid en Justitie 2013) Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is in enkele wetten op het terrein van het Ministerie van Veiligheid en Justitie wijzigingen van wetstechnische of anderszins ondergeschikte aard aan te brengen in verband met geconstateerde wetstechnische gebreken en leemten, alsmede een abuis in de Wet op de dierproeven te herstellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Aanpassingswet veiligheidsregio's. Artikel II Wijzigt de Advocatenwet BES. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IVa Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Artikel V Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel VI Wijzigt het Besluit politieke delinquenten 1945. Artikel VII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel VIII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel IX Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel X Wijzigt het Burgerlijk Wetboek BES Boek 4. Artikel XI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel XII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 8. Artikel XIII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 10. Artikel XIV Wijzigt de Deurwaarderswet BES. Artikel XV Wijzigt de Faillissementswet. Artikel XVI Wijzigt de Gemeentewet. Artikel XVII Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet. Artikel XVIII Wijzigt de Inkwartieringswet. Artikel XVIIIa Wijzigt de Overleveringswet. Artikel XIX Wijzigt de Politiewet 2012. Artikel XX Wijzigt het Tribunaalbeslui"},{"i":17931,"b":"Regeling van 12 december 2022, nr. 4293804, van de Minister voor Rechtsbescherming houdende de wijziging van de inkomens- en vermogensgrenzen, in de Wet op de rechtsbijstand en het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, eigen bijdragen en basisbedragen, bedoeld in het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, het Besluit vergoedingen rechtsbijstand en het Besluit toevoeging mediation, en vaststelling van het normbedrag en het bedrag van het voorschot voor advocaten als bedoeld in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op [artikel 34, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34), [artikel 3, tweede lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277&artikel=3), [artikel 4, vijfde lid van het Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830&artikel=4), [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3), en [artikel 35, tweede en vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Besluit: Artikel 1 Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel 2 Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Artikel 3 Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Artikel 4 Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Artikel 5 Wijzigt het Besluit toevoeging mediation. Artikel 6 Wijzigt het Besluit toevoeging mediation. Artikel 7 1. Met ingang van 1 januari 2023 wordt het normbedrag als bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op € 926. 2. Met ingang van 1 januari 2023 wordt het voorschot als bedoeld in [artikel 35, vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op: ten hoogste 10% van € 57.000. Artikel 8 Wijzigt het Besluit Ve"},{"i":19010,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 22 november 2004, nr. 5295956/04/DJI, houdende bepalingen met betrekking tot de eisen voor erkenning van een penitentiair programma of een onderdeel daarvan (Erkenningsregeling penitentiair programma 2004) Gelet op [artikel 4, derde en vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=4) en [artikel 5, vierde lid, van de Penitentiaire maatregel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009398&artikel=5); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. deelnemer: degene die deelneemt aan het penitentiair programma; - b. reclasseringsinstelling: een instelling als bedoeld in [artikel 4 van de Reclasseringsregeling 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007120&artikel=4); - c. derde-organisatie: een instelling op het terrein van maatschappelijke hulp- en dienstverlening of opleiding en scholing of een vrijwilligersorganisatie op het terrein van hulpverlening aan justitiabelen, niet zijnde een inrichting of een reclasseringsinstelling; - d. werkgever: het bedrijf waar de deelnemer arbeid verricht; - e. uitvoeringsverantwoordelijke instantie: de instantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van een penitentiair programma. Artikel 2 1. De Minister kan een penitentiair programma of een onderdeel daarvan erkennen. 2. De directeur, een reclasseringsinstelling of een derde-organisatie kan een voordracht voor erkenning van een penitentiair programma voorleggen aan de Minister. Artikel 3 Voor erkenning kunnen worden voorgedragen: - a. een standaardprogramma; - b. modules, die onderdeel uitmaken van een penitentiair programma. Artikel 4 1. De erkenning geschiedt voor een periode van maximaal twee jaren. 2. Op de aanvraag tot erkenning wordt binnen drie maanden beslist. 3. De Minister zendt een afschrift van zijn besluit aan de aanvrager. De Minister houdt tevens een lijst bij van erkende penitentiaire programma’s. 4. De erkenning kan door de Minister tuss"},{"i":19143,"b":"Richtlijn voor strafvordering metaaldiefstal Inleiding/Achtergrond Koper wordt door zijn goed geleidende eigenschappen veel toegepast in onder meer spoorwegwerken, elektriciteitswerken e.d. Koper is een (half)edelmetaal waarvan de waarde de afgelopen jaren sterk is gestegen. Dat is de belangrijkste reden voor het ontstaan van het fenomeen koperdiefstal. Beschrijving In juni 2011 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie een convenant gesloten met het Openbaar Ministerie, de Politie, ProRail en Metaal Recycling Federatie. Dit convenant richt zich op de bestrijding van koperdiefstal Deze richtlijn is bedoeld om in de strafmaat de gevaarzetting, en/of de maatschappelijke en/of economische (financiële) gevolgen van deze vormen van koperdiefstal te verdisconteren. Indien er geen sprake is van gevaarzetting of maatschappelijke schade (bijvoorbeeld diefstal van koper van een bouwterrein) is deze richtlijn niet van toepassing. Evenmin wanneer er voldoende bewijs is voor overtreding van één van de feiten genoemd in de [artikelen 161](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=161), [161bis](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=161bis), [161ter](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=161ter), [161sexies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=161sexies), [161septies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=161septies), [164](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=164), [165](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=165), [170](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=170) en [171 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=171). Basiscasus/delict Diefstal van koper / metalen, toegepast in spoorwegwerken, elektriciteitswerken of vergelijkbare werken door middel van braak/verbreking, alleen gepleegd. Legenda Afkortingen GB = geldboete TS = taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive"},{"i":19060,"b":"Besluit van de directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 1 maart 2022, Digijustnummer 3878126 houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de directeur-generaal ressorterende functionarissen (Mandaatbesluit IND Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022) Gelet op [artikel 3, eerste lid onder b, van de Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun directie, bureau of programma betreffen ondermandaat verleend aan: - a. het lid van de Hoofddirectie, tevens plaatsvervangend directeur-generaal IND, met de portefeuille Uitvoering; - b. het lid van de Hoofddirectie, tevens plaatsvervangend directeur-generaal IND, met de portefeuille Strategie, Uitvoeringsbeleid en Juridische Zaken; - c. de directeur van de directie Dienstverlenen; - d. de directeur van de directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap; - e. de directeur van de directie Asiel en Bescherming; - f. de directeur van de directie Juridische Zaken; - g. de directeur van de directie Strategie en Uitvoeringsadvies; - h. de directeur van de directie Bedrijfsvoering; - i. de directeur van de directie Informatievoorziening; - j. het hoofd Bestuurszaken. Artikel 2 Als leidinggevende in de zin van paragraaf 1.3 van de CAO Rijk ten aanzien van de onder hen ressorterende functionarissen worden aangewezen en volmacht verleend aan de functionarissen met een functie genoemd in de [kolommen A tot en met D van bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046393&bijlage=1&z=2026-03-01&g=2026-03-01) bij dit besluit, voor zover he"},{"i":18774,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 31 mei 2005, nr. BenC 2005-258 M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Centrale Vermogensopsporingsdienst 1945–1967 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Centrale Vermogensopsporingsdienst 1945–1967 met de inventarisnummers 897–1051 de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld tot 1 januari 2042, zijnde een termijn van vijfenzeventig jaren gerekend vanaf 1 januari 1967. 2. Raadpleging van de in het vorige lid genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruikt gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. 3. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt gepubliceerd."},{"i":17148,"b":"Wet van 2 juli 2014 tot wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Participatiewet) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is meer eenheid en duidelijkheid aan te brengen in de manier waarop mensen, die nu met toepassing van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), de [Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903) dan wel de [Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) een inkomensvoorziening ontvangen of met een re-integratievoorziening werkzaamheden verrichten, dat het evenzo wenselijk is om mensen die nu nog aan de kant staan meer kansen te bieden op regulier werk of op andere vormen van arbeidsbevorderende participatie en om gemeenten hiervoor meer instrumenten te geven; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel II. Wijziging van de [Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903) Wijzigt de Wet sociale werkvoorziening. Artikel III. Wijziging van de [Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Artikel IV. Wijziging van de [Wet participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039) Wijzigt de Wet participatiebudget. Artikel V. Wijziging van de [Ziektewet](https://wetten.overhe"},{"i":18005,"b":"Wet van 8 juni 2022 tot intrekking van vijf wetten en aanpassing van diverse wetten in verband met de Rijkswet nationaliteit zeeschepen, alsmede goedkeuring van de Regeling vergoeding schade door olieverontreiniging BES (Aanpassingswet Rijkswet nationaliteit zeeschepen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is in verband met de [Rijkswet nationaliteit zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048148) vijf wetten in te trekken en verschillende wetten aan te passen, en om op grond van de [Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063) de Regeling vergoeding schade door olieverontreiniging BES goed te keuren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I De [Zeebrievenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001933), de [Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005681), de [Wet van 22 juni 1994, tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Koophandel en de Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting (wijziging voorwaarden nationaliteitsverlening en registratie zeeschepen)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006762) (Stb. 1994, 507), de [Wet van 22 mei 2003 tot wijziging van de Zeevaartbemanningswet (Versoepeling nationaliteitseis kapitein op Nederlandse zeeschepen)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015112) (Stb. 2003, 259) en de [Wet van 5 juli 2006 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Koophandel, de Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting, de Zeebrievenwet en enkele andere wetten in verband met het Europese recht op vrije vestiging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020049) (Stb. 2006, 325) wo"},{"i":19470,"b":"Europese Overeenkomst houdende toepassing van artikel 23 van het Verdrag nopens het wegverkeer van 1949, betreffende de afmetingen en gewichten der op bepaalde wegen van de Overeenkomstsluitende Partijen toegelaten voertuigen De Overeenkomstsluitende Partijen, Vergaderd onder de auspiciën van de Economische Commissie voor Europa te Genève, Verlangende het verkeer van voertuigen zoveel mogelijk te ontwikkelen en te intensiveren op de wegen waarvoor zij bevoegd zijn het gebruik te regelen, voor zover dit verenigbaar is met de eisen van de verkeersveiligheid, Overwegende dat artikel 23 van het Verdrag nopens het wegverkeer van 1949 voorziet in het sluiten van regionale overeenkomsten tot aanwijzing van bepaalde wegen der Verdragsluitende Partijen, waarop verkeer toegelaten is van voertuigen waarvan de maximumafmetingen en -gewichten niet groter zijn dan de in Bijlage 7 van het voornoemde Verdrag vastgestelde, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De wegen die door de Overeenkomstsluitende Partijen zijn aangewezen in de bijlage van deze Overeenkomst, zijn toegankelijk voor het verkeer met voertuigen waarvan de toegestane maximum-afmetingen en -gewichten, onverschillig of het voertuig ledig of geladen is, en met dien verstande dat voertuigen niet zwaarder beladen mogen zijn dan is toegestaan door het bevoegde gezag van het land van inschrijving, niet groter zijn dan de maximum-afmetingen en -gewichten, vastgesteld in Bijlage 7 van het Verdrag nopens het wegverkeer van 1949. Artikel 2 1. Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties er te allen tijde kennis van geven dat zij met ingang van de datum der kennisgeving een bepaalde in de bijlage van deze Overeenkomst aangewezen weg voor een beperkte of onbeperkte tijd van de toepassing van deze Overeenkomst uitsluit. 2. Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ervan in kennis stellen dat zij met ingang van de datum der kennisgeving, buit"},{"i":17916,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 november 2014, kenmerk 680920-128478-Z, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met het vaststellen van de woonlandfactoren voor het jaar 2015 ten behoeve van de gedifferentieerde berekening van de bijdrage voor verdragsgerechtigden Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II Het in [artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.3.1) bedoelde verhoudingsgetal voor Frankrijk voor het jaar 2012 is 0,7659. Artikel III 1. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035827&artikel=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01) van deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. 2. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035827&artikel=II&z=2015-01-01&g=2015-01-01) van deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2012. Gelet op [artikel 69, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69) en [artikel 3, tweede lid, Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=3); Besluit: Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17477,"b":"Regeling Transparantie zorgcontractering Zvw Gelet op [artikel 45 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=45) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels betreffende de wijze van totstandkoming van overeenkomsten met betrekking tot zorg of tarieven en betreffende de voorwaarden in die overeenkomsten. Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - 1. **zorgverzekeraar:** een zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel d, Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - 2. **zorgaanbieder:** een zorgaanbieder als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). Artikel 2. Doel van deze regeling Deze regeling ziet op het proces waarin zorgaanbieders en zorgverzekeraars tot overeenkomsten komen. De regeling beoogt de transparantie van dit proces voor zorgaanbieders en zorgverzekeraars te vergroten, opdat dit constructief en zonder onnodige vertragingen verloopt. Zo wordt bevorderd dat verzekerden als gevolg daarvan tijdig – dat wil zeggen bij het kiezen van een zorgverzekering – inzicht hebben in het gecontracteerde zorgaanbod en de consequenties voor de vergoeding van zorg. Artikel 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgverzekeraars en zorgaanbieders en heeft betrekking op de inkoop en verkoop van zorg en diensten als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Artikel 4. Bekendmaking zorginkoopbeleid en procedure van zorginkoop Zorgverzekeraars maken het zorginkoopbeleid en de procedure van de zorginkoop uiterlijk op 1 april voorafgaand aan het kalenderjaar of de kalenderjaren waarvoor de zorginkoop zal plaatsvinden bekend. Deze informatie betreft in ieder geval: - 1. de verschillende fasen waaruit de zorginkoop bestaat en de termij"},{"i":18627,"b":"Wijziging beperking openbaarheid rechterlijke archiefbescheiden Gelet op artikel 7a, tweede en derde lid, van de Archiefwet 1962, Gehoord de Minister van Justitie, Besluit: Artikel 1 De in de rijksarchiefbewaarplaatsen berustende archiefbescheiden van - a. de Hoge Raad der Nederlanden, de gerechtshoven, de arrondissementsrechtbanken en kantongerechten en het openbaar ministerie; - b. de raden en inrichtingen voor kinderbescherming, rijkswerkinrichtingen, rijksopvoedingsgestichten, rijksasielinrichtingen en overige onder de Minister van Justitie ressorterende of geressorteerd hebbende instellingen voor strafrechtstoepassing mogen, voor zover jonger dan 75 jaar, slechts worden geraadpleegd door de verzoeker die schriftelijk heeft verklaard - a. dat uit de bescheiden verkregen gegevens slechts voor het door de verzoeker aangegeven doel zullen worden aangewend; - b. dat hij niets zal publiceren of op andere wijze openbaar maken waardoor de belangen van nog levende personen onevenredig kunnen worden geschaad; - c. dat hij niet tot publikatie van gegevens uit de archiefbescheiden zal overgaan dan na schriftelijke toestemming van de beheerder van de rijksarchiefbewaarplaats; - d. dat hij de overige gegevens uit de archiefbescheiden die hem ter kennis zullen komen en waarvoor geen toestemming tot publikatie is verkregen slechts voor eigen studie zal gebruiken en deze niet aan derden zal mededelen; - e. dat hij de Staat der Nederlanden vrijwaart voor aanspraken van derden ter zake van alle schade die zij lijden tengevolge van de raadpleging door de verzoeker. Artikel 2 Van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007065&artikel=1&z=1995-03-29&g=1995-03-29) bedoelde archiefbescheiden mogen slechts met toestemming van de beheerder van de rijksarchiefbewaarplaats en onder door hem te bepalen voorwaarden, reprodukties worden vervaardigd. Artikel 3 De overige aan de openbaarheid van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007065&artikel=1&z=19"},{"i":18372,"b":"Regeling ex artikel 21 Besluit bezoldiging politie Gelet op [artikel 21, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=21); Besluit: Artikel 1 1. De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1), die zich ten behoeve van visserijcontroles op volle zee met medewerkers van de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op een schip van de Koninklijke Marine bevindt, heeft aanspraak op een toelage. 2. De toelage bedraagt € 32,22 per etmaal, mits de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, zich minimaal drie dagen achtereen op het schip bevindt en bij de vaststelling van zijn diensttijden het in [artikel 12, zesde lid, onder c, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=12) genoemde maximum aantal uren is vermeld. 3. De toelage bedraagt € 16,34 voor een gedeelte van een etmaal dat minder dan 12 uren bestrijkt. 4. De aanspraak op de toelage vangt aan op het tijdstip van inscheping en eindigt op het tijdstip van ontscheping. 5. De uitbetaling van de toelage geschiedt op declaratiebasis. Artikel 2 Betalingen, verricht in de periode 1 januari 1994 tot en met 31 maart 1994 op grond van de regeling van 8 september 1989 van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, nr. 1468/589 en nr. EA88/115/19, als zou deze regeling in genoemde periode nog hebben gegolden, worden gelijkgesteld met rechtsgeldig verrichte betalingen op grond van de onderhavige regeling. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1994. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18649,"b":"Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke indeling, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten in verband met de vorming van de arrondissementen Gelderland en Overijssel Hoofdstuk I. Wijziging van wetgeving op het terrein van rechtspleging Hoofdstuk I. Wijziging van wetgeving op het terrein van rechtspleging Hoofdstuk III. Overgangsbepalingen Artikel XIII. (overgang lopende zaken naar nieuwe rechtbanken) Zaken die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032588&hoofdstuk=I&artikel=I&z=2013-04-01&g=2013-04-01) aanhangig waren bij de rechtbank Oost-Nederland, tot kennisneming waarvan de rechtbank Gelderland onderscheidenlijk de rechtbank Overijssel bevoegd is, gaan van rechtswege over naar de rechtbank Gelderland onderscheidenlijk de rechtbank Overijssel. Artikel XIV. (overgangsrecht i.v.m. verzet, beroep, hoger beroep enz.) Voor de toepassing van bepalingen inzake de behandeling van geschillen ter zake van beslissingen van de rechtbank Oost-Nederland die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032588&hoofdstuk=I&artikel=I&z=2013-04-01&g=2013-04-01) zijn genomen, tot kennisneming waarvan de rechtbank Gelderland onderscheidenlijk de rechtbank Overijssel bevoegd is, worden deze beslissingen aangemerkt als beslissingen van de rechtbank Gelderland onderscheidenlijk de rechtbank Overijssel. Artikel XV. (overgangsrecht i.v.m. dagvaardingen, verzoekschriften en andere processtukken) Dagvaardingen, verzoekschriften en andere processtukken in aanhangige of aanhangig te maken zaken, tot kennisneming waarvan op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032588&hoofdstuk=I&artikel=I&z=2013-04-01&g=2013-04-01) bevoegd was de rechtbank Oost-Nederland, tot kennisneming waarvan met ingang van de dag van inwerkingtreding van artikel I de rechtbank Gelderland onderschei"},{"i":18224,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Politie 1945–1993 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 september 2007, aca-2007.03991/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Politie over de periode 1945–1993](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18850,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 1 november 2022 nr. BOACAT2022/075, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het Korps Militaire Controleurs Gevaarlijke Stoffen van de Koninklijke Marechaussee Gelezen het verzoek van de Koninklijke Marechaussee van 17 oktober 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de Commandant van de Koninklijke Marechaussee; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047442&artikel=2&z=2022-11-10&g=2022-11-10). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van controleur bij het Korps Militaire Controleurs Gevaarlijke Stoffen in dienst van de Koninklijke Marechaussee, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodz"},{"i":2026,"b":"Wet van 20 december 1996, houdende wijziging van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (uitbreiding definitie speur- en ontwikkelingswerk en verlaging urennorm in de zelfstandigenaftrek in verband met speur- en ontwikkelingswerk) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de definitie van speur- en ontwikkelingswerk in de [Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746) uit te breiden met betrekking tot speur- en ontwikkelingswerk op het terrein van technisch nieuwe programmatuur alsmede de urennorm voor de verhoging van de zelfstandigenaftrek in verband met speur- en ontwikkelingswerk in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 te verlagen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL III 1. In afwijking in zoverre van [artikel 23 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=23) kunnen bij ministeriële regeling de in artikel 21, eerste lid, van die Wet vermelde percentages binnen negen weken na de datum van inwerkingtreding van dit artikel per 1 januari 1997 worden verhoogd tot ten hoogste 47,5 respectievelijk 20, worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld. De nieuwe percentages gelden met betrekking tot loon dat is of wordt genoten op of na 1 januari 1997. 2. In afwijking in zoverre van artikel 24, derde lid, van die wet, moet een verzoek om een S&O-verklaring die betrekking heeft op, dan wel mede betrekking heeft op het eerste halfjaar van 19"},{"i":5922,"b":"Besluit van 3 juni 2014, houdende regels over de centrale eindtoets of andere eindtoetsen in het primair onderwijs, over een leerling- en onderwijsvolgsysteem in het primair onderwijs en over toelating van leerlingen tot het voortgezet onderwijs (Toetsbesluit PO) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 24 maart 2014, nr. WJZ/607263(2762), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 8, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=8), en [9b, achtste en negende lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=9b), de [artikelen 11, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=11), en [18b, achtste en negende lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=18b), [artikel 27, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=27) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2), en [4, tweede lid, van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 mei 2014, nr. W05.14.0078/1); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 mei 2014, nr. WJZ/636713(2762), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), of [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), - **doorstroomtoets:** een erkende doo"},{"i":17935,"b":"Wet van 16 mei 1994, tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers ter zake van de uitkering wegens invaliditeit alsmede regeling van de zogenoemde stimuleringsuitkering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen in de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) met betrekking tot de uitkering wegens invaliditeit te wijzigen overeenkomstig de wijziging van de regelingen ter zake van arbeidsongeschiktheid die gelden voor werknemers en ambtenaren, in die bepalingen nog enige andere wijzigingen aan te brengen en tevens voor politieke ambtsdragers met recht op uitkering wegens invaliditeit een regeling te treffen van een stimuleringsuitkering, overeenkomstig de desbetreffende regeling voor arbeidsongeschikte werknemers en ambtenaren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. De artikelen IX tot en met XV van de [Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006072) en de krachtens artikel XV van die wet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op degene op wie [artikel III, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006673&artikel=III&z=1995-01-01&g=1995-01-01), van deze wet van toepassing is en die op 31 januari 1992 en sinds 1 januari 1990 recht heeft op uitkering als bedoeld in dat artikel. 2. Als het orgaan bedoeld in artikel XI van de in het eerste lid genoemde wet, wordt voor de in het eerste lid bedoelde overeenkomstige toepassing beschouwd: - a. Onze Minister van Binnenlandse Zaken voorzover die toepassing betreft gewezen politieke ambtsdragers als bedoeld in de tweede en de [derde afdeling van de Algemene pensioenwet poli"},{"i":17930,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 februari 2023, kenmerk 3487153-1041657-Z, houdende wijziging van de Subsidieregeling Veelbelovende Zorg in verband met aanpassing van de verantwoordingseisen voor subsidieontvangers Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling veelbelovende zorg. Artikel II. Overgangsrecht 1. Subsidieontvangers die voor de inwerkingtreding van deze regeling een subsidie op grond van de [Subsidieregeling veelbelovende zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041816) hebben ontvangen, dienen een aanvulling op de aanvraag in bij het Zorginstituut, waarin de begroting en de wijze van verantwoording zijn uitgewerkt, overeenkomstig de in deze regeling opgenomen bepalingen. 2. Het Zorginstituut herziet de verleningsbeschikkingen van de voor de inwerkingtreding van deze regeling verleende subsidies, overeenkomstig de in deze regeling opgenomen bepalingen. 3. De verantwoording van de werkelijke kosten voor de periode tot aan de inwerkingtreding van deze regeling, vindt plaats overeenkomstig de in deze regeling opgenomen bepalingen. 4. Indien de subsidieontvanger de zorgkosten over de periode tot aan de inwerkingtreding van deze regeling niet kan verantwoorden overeenkomstig de in deze regeling opgenomen bepalingen, verantwoordt de subsidieontvanger de zorgkosten over die periode met de tarieven van de zorgkosten die in het jaar 2023 zijn bepaald. In dat geval verzoekt de subsidieontvanger het Zorginstituut vóór 1 juli 2024 om een tussentijdse vaststelling van de subsidie tot en met het jaar 2023 voorzien van een controleverklaring over de onderzoekskosten en de zorgkosten. Voor de verantwoording van de zorgkosten tot 2023 gebruikt de subsidieontvanger de tarieven zoals die in het jaar 2023 zijn bepaald. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staats"},{"i":4526,"b":"Circulaire van 2 december 2013, nr. 2013-0000699265, inhoudende wijzigingen van de bedragen per 1 januari 2014 van de (onkosten)vergoedingen voor de commissarissen van de Koning, de leden van provinciale staten, leden gedeputeerde staten en commissieleden Algemene informatie Door middel van deze circulaire wordt u, zoals elk jaar gebruikelijk, geïnformeerd over de wijzigingen van de bedragen van de (onkosten)vergoedingen voor de commissarissen van de Koning, de leden van provinciale staten, leden gedeputeerde staten en commissieleden. 1. Algemene inwerkingtreding werkkostenregeling uitgesteld Zoals ik u eerder in de circulaire van 15 juli 2013, nr. 2013-0000395195, heb gemeld, gaat de [werkkostenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033956) (WKR) niet per 1 januari 2014, maar per 1 januari 2015 verplicht gelden voor alle werkgevers. De staatssecretaris van Financiën heeft de algemene inwerkingtreding met één jaar uitgesteld. In de [WKR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033956) kan in 2014, net als in 2013, naast een aantal gerichte vrijstellingen, maximaal 1,5% (was in 2011 en 2012: 1,4%) van het totale fiscale loon (de “vrije ruimte”) worden besteed aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor werknemers en politieke ambtsdragers die onder de loonbelasting vallen. Over het bedrag boven de vrije ruimte (en afgezien van de gerichte vrijstellingen) moet de gemeente loonbelasting betalen in de vorm van een (gebruteerde) eindheffing van 80%. Kortheidshalve zij hier verwezen naar de circulaire van 8 maart 2011, kenmerk 2011-40998. 2. Bezoldiging commissaris van de Koning Op grond van [artikel 3, vierde lid, van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006738&artikel=3) wijzigt de bezoldiging van de commissaris van de Koning overeenkomstig de wijziging van de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk. De op dit moment geldende arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor het rijkspersoneel is ov"},{"i":19706,"b":"Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een bromfietsrijbewijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de ongevalsrisico’s voor met name jonge brom- en snorfietsers wenselijk is over te gaan tot invoering van een bromfietsrijbewijs; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Wijzigt de Invoeringswet Wegenverkeerswet 1994. Artikel III Wijzigt de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Artikel IV Aanvragen tot afgifte van een bromfietscertificaat ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020020&artikel=I&z=2007-11-14&g=2007-11-14), worden, in die gevallen waarin, voor zover vereist, betrokkene ook daadwerkelijk vóór dat tijdstip het theorie-examen heeft afgelegd en daarvoor is geslaagd, na het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020020&artikel=I&z=2007-11-14&g=2007-11-14), behandeld overeenkomstig de bepalingen die tot het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikelonderdeel golden voor de afgifte van een bromfietscertificaat. Artikel V 1. Aanvragen tot afgifte van een bromfietscertificaat ter vervanging van een geldig certificaat dat versleten is of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020020&artikel=I&z=2007-11-14&g=2007-11-14), worden na dat tijdstip behandeld overeenkomstig ter zake bij of krachtens de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) vastgestelde bepalingen zoals die golden voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikelonderdeel. 2. Aan"},{"i":19209,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 februari 2022, nr. Min-BuZa.2022.11493-16, houdende beperkende maatregelen in verband met de erkenning van Donetsk en Luhansk van Oekraïne en het sturen van Russische strijdkrachten (Sanctieregeling erkenning Donetsk en Luhansk 2022) Gelet op Verordening (EU) nr. 2022/263 van de Raad van de Europese Unie van 23 februari 2022 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de erkenning van de niet onder het gezag van de regering vallende gebieden in de oblasten Donetsk en Loehansk van Oekraïne en het bevel aan de Russische strijdkrachten om die gebieden binnen te trekken (Pb EU L 42I); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, eerste lid, artikel 3 bis, eerste lid, artikel 4, eerste en tweede lid, artikel 5, eerste tot en met derde lid, artikel 6, artikel 8, artikel 10, eerste lid, en artikel 13 bis van [Verordening (EU) nr. 2022/263](32022R0263) van de Raad van de Europese Unie van 23 februari 2022 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de erkenning van de niet onder het gezag van de regering vallende gebieden in de oblasten Donetsk en Loehansk van Oekraïne en het bevel aan de Russische strijdkrachten om die gebieden binnen te trekken (Pb EU L 42I). 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 2, tweede lid, artikel 3, tweede of derde lid, artikel 3 bis, tweede lid, artikel 4 bis, eerste of tweede lid, artikel 5, vierde tot en met achtste lid, artikel 5 bis, eerste of tweede lid, artikel 7 of artikel 9 van [Verordening (EU) nr. 2022/263](32022R0263) van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, derde lid, van Verordening (EU) nr. 2022/263, is de Minister van Financiën."},{"i":17603,"b":"Tariefbeschikking CU-2012-MBI2 Nederlandse Zorgautoriteit De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft krachtens de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.2) en [4 van hoofdstuk 4 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&paragraaf=4.4) (Wmg), gelet op [artikel 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [artikel 50 lid 2 onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) en [artikel 52 aanhef en onder e van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52) en met inachtneming van het bepaalde in de beleidsregel en de regeling ‘Macrobeheersmodel’ en van de onderstaande definities voor elk(e) afzonderlijk(e) voor het jaar 2012 ambtshalve een bovengrens vastgesteld voor de omzet. Deze bovengrens luidt: Definities Bovengrens Een bovengrens aan de som van tarieven als bedoeld in [artikel 50, tweede lid aanhef en onder c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Landelijke omzet De tariefopbrengsten bedoeld in artikel 10 van de beleidsregel Macrobeheersmodel van alle instellingen die onder de reikwijdte van die beleidsregel vallen. Minister De minister van Volksgezondheid, welzijn en sport. Omzet De tariefopbrengsten bedoeld in artikel 10 van de beleidsregel Macrobeheersmodel van de instelling die onder de reikwijdte van die beleidsregel valt.2NB: voor in 2011 gebudgetteerde of begrotingsgefinancierde instellingen die onder de reikwijdte van de beleidsregel Transitie bekostigingsstructuur medisch specialistische zorg vallen, maakt het (positieve of negatieve) verrekenbedrag bedoeld in artikel 15 van die beleidsregel onderdeel uit van de ‘omzet’. Overschrijding Het door de minister vastgestelde en aan de NZa meegedeelde bedrag dat de NZa als basis dient te nemen voor de handhaving van het landelijke MBI-omzetplafond. Werkingssfeer Voor de toepassing van deze tariefbeschikking wordt een persoon, die Bezwaar"},{"i":13,"b":"Aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Voedsel en Waren Autoriteit Gelet op [artikel 25, eerste lid, onder a, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), en [artikel 31, eerste lid, onder c, van de Vleeskeuringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001896&artikel=31); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) gestelde voorschriften zijn belast de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Artikel 2 De regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 december 1998, nr. DWJZ-U-981444, Stcrt. 1999, 18, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 juli 2002. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12,"b":"Aanwijzing handhaving Arbeidsomstandighedenwet en Arbeidstijdenwet Samenvatting De aanwijzing stelt regels voor de vervolging van verdachten die de strafrechtelijke bepalingen van de [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) (hierna: Arbowet), de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) (hierna: Atw) en/of het [Besluit risico zware ongevallen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036791) (hierna: Brzo) hebben overtreden. De aanwijzing geeft aan dat in bepaalde gevallen altijd stafrechtelijk onderzoek is aangewezen. Bij de te handhaven overtredingen van de [Arbowet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) is in andere gevallen de inzet van strafrechtelijke middelen afhankelijk van enerzijds het gedrag van de overtreder en anderzijds de (mogelijke) gevolgen van de overtreding. 1. Wijzigingen Behalve de handhaving van de [Arbowet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) (alsmede de [Atw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671)) betreft de aanwijzing nu ook de handhaving van de Arbowet in relatie tot het [Brzo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036791). Uitgangspunt hierbij blijft dat de inzet van strafrechtelijke middelen bij de strafrechtelijk te handhaven overtredingen van de [Arbowet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) in geval van ernstige arbeidsongevallen zowel aan de ernst van de gevolgen wordt gerelateerd als aan het (verwijtbare) gedrag van de overtreder. Ook blootstellings- en beroepsziekten zijn binnen het bereik van de aanwijzing gebracht. Anders dan voorheen kan het strafrecht nu eveneens worden ingezet: 2. Toezicht en handhaving 2.1. De [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) en de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) De [Arbowet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) en de [Atw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) bevatten rechten en plichten voor w"},{"i":19,"b":"Besluit van de voorzitter van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal van 5 december 2024 houdende aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud en artikel 2, derde lid, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal (Aanwijzingsbesluit toezichthoudende ambtenaren ATKM) Gelet op [artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048064&artikel=2), [artikel 2, derde lid, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=2) en [5:11 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:11); Besluit: Artikel 1 Tot toezichthouder als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048064&artikel=2) en [artikel 2, tweede lid, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049813&artikel=2) worden aangewezen die ambtenaren die bij de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal zijn aangesteld in de volgende functies: - •. Specialist online detectie; - •. Specialist beoordelen en handhaven; - •. Senior Specialist beoordelen en handhaven. Artikel 2 Het [Aanwijzingsbesluit toezichthoudende ambtenaren ATKM 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049608) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2023. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit toezichthoudende ambtenaren ATKM. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3326,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 oktober 2025 nr. BOACAT2025/183, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Utrecht Gelezen het verzoek van gemeente Utrecht van 3 oktober 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051639&artikel=2&z=2025-12-10&g=2025-12-10). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Inspecteur Bijzondere Wetten, Inspecteur Handhaving en Hoofd Inspecteur Handhaving in dienst van gemeente Utrecht zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor"},{"i":2952,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 19 december 2023, nr. IENW/BSK-2023/363295, houdende aanwijzing van de inspecteur Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES en van toezichthouders inrichtingen Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES en intrekking van het Besluit aanwijzing toezichthouders grote inrichtingen milieubeheer BES (Besluit aanwijzing inspecteur Wet Vrom BES en toezichthouders inrichtingen Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES) Gelet op de [artikelen 1.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=1.2), en [10.1, eerste, vierde en zesde lid, van de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=10.1); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop het het Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES in werking treedt. Artikel 1 Als inspecteur als bedoeld in [artikel 1.2, eerste lid, van de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=1.2), is aangewezen de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Artikel 2 Als ambtenaren die uitsluitend zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218) met betrekking tot de inrichtingen, bedoeld in [artikel 1.2, tweede lid, onderdeel d, van het Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049276&artikel=1.2), zijn aangewezen, de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Artikel 3 Als ambtenaren belast met het toezicht op de uitvoering van de aan de bestuurscolleges van de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba bij of krachtens de [Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218) opgedragen taken met betrek"},{"i":13223,"b":"Deelreglement Ontwikkeling van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film gelet op het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, lid 4, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op [artikel 2 van het Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050596&artikel=2), met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van **4 november 2024**, besluit: Algemeen Artikel 1. - definities - In dit deelreglement wordt verstaan onder: - **animatic:** opeenvolging van meestal getekende storyboard-beelden die het scenario weergeven, dezelfde lengte als de te produceren animatiefilm heeft en minimaal van dialogen, camerabewegingen en rudimentaire bewegingen van de karakters is voorzien; - **animatie:** een filmproductie die een kunstmatige filmtechniek hanteert waarbij door het na elkaar afspelen van verschillende stilstaande beelden de illusie van beweging ontstaat; - **artistieke ontwikkeling:** definitieve uitwerking van het scenario, het bepalen van de visuele stijl en de creatieve en technische aspecten; - **bestuur** het bestuur van het Fonds; - **bioscoopuitbreng:** de landelijke distributie van een filmproductie, die na de première – maar voorafgaand aan de non-theatrical release – in een significant aantal bioscopen of filmtheaters voor een betalend publiek in Nederland wordt uitgebracht; - **breakdown:** een uitwerking van het scenario op productionele aspecten; - **categorie:** een soort filmproductie; - **debuutfilm:** een film waarmee een scenarist, regisseur of producent debuteert in een specifieke categorie waarin de betreffende scenarist, regisseur of producent nog niet eerder zelfstandig verantwoordelijk was voor een film die is gerealiseerd en openbaar gemaakt; - **deskundig adviseur:** een voor het creatieve proces essentiële deskundige op een gespecialiseerd vakgebied, zoals een script-co"},{"i":17158,"b":"Maatregelbeleid Rechtsbijstand inzake de rechtsbijstandverlening asiel en vreemdelingenbewaring 2017 Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verder te noemen de Raad, In aanmerking nemend de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) en [17 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=17) en het [Reglement Klachtencommissie rechtsbijstand asiel en vreemdelingenbewaring](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030197); Overwegende, dat het wenselijk is een nadere uitwerking te geven aan de wijze waarop toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde in [artikel 17, tweede lid van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=17) ten aanzien van de rechtsbijstandverlening inzake asiel en vreemdelingenbewaring en daarbij een kader te geven aan advisering door de Klachtencommissie rechtsbijstand asiel en vreemdelingenbewaring; Stelt het volgende maatregelbeleid vast. Bijlage Maatregelbeleid Raad voor Rechtsbijstand inzake de rechtsbijstandverlening asiel en vreemdelingenbewaring De [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) draagt het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad) op om de verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand aan minder draagkrachtige rechtzoekenden, waaronder asielzoekers, te organiseren. De wet draagt aan de Raad voorts de controle op de verlening van rechtsbijstand op. Krachtens de hem verleende wettelijke bevoegdheid heeft de Raad voor de asielrechtsbijstand inschrijvingsvoorwaarden vastgesteld. Ingevolge het [reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030197) dat voor haar werkzaamheden is vastgesteld kan de Klachtencommissie Rechtsbijstand Asiel en Vreemdelingenbewaring (verder: KRAV) naar aanleiding van klachten, dan wel ambtshalve werkzaamheden van rechtsbij"},{"i":31,"b":"Arbeidsbesluit jeugdigen BES Artikel 1 [vervallen] Artikel 2 1. Een jeugdige mag geen arbeid verrichten waarbij: - a. het dragen van beschuttingsmiddelen tegen voor de gezondheid schadelijke invloeden krachtens de [Arbeidsveiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028228) is voorgeschreven; - b. gevaar bestaat dat schadelijke stoffen bij de verwaarlozing van de persoonlijke hygiëne via de mond in het organisme worden opgenomen; - c. de installatie die gebruikt of de werkwijze die gevolgd moet worden, zodanig is dat gemakkelijk een onjuiste handeling kan worden verricht, die verspreiding van schadelijke stoffen teweeg brengt in een mate dat onmiddellijk gevaar voor het leven of de gezondheid ontstaat; - d. gevaar bestaat tot verspreiding van benzeen of andere stoffen welke op de lichaamscellen een soortgelijke uitwerking hebben als ioniserende stralen. 2. Een jeugdige mag voorts geen arbeid verrichten die kennelijk of naar het oordeel van Onze Minister het gevaar met zich brengt dat schadelijke stoffen in zodanige mate in het organisme worden opgenomen, dat een nadelige invloed op de gezondheid is te duchten. Artikel 3 1. Een jeugdige mag geen arbeid verrichten bestaande uit: - a. werkzaamheden, waarbij gevaar bestaat voor aanraking met reinculturen van pathogene micro-organismen, besmette sputa of andere excreta; - b. het verplegen of verzorgen van patiënten die aan een ernstige infectieziekte lijden. 2. Een jeugdige mag geen arbeid verrichten bestaande uit: - a. het omgaan met besmette voorwerpen of dieren, waarbij gemakkelijk een onjuiste handeling kan worden verricht, waardoor kennelijk of naar het oordeel van Onze Minister het gevaar van een ernstige infectieuze aandoening ontstaat; - b. het vervoeren, bewerken, verwerken, begraven, onschadelijk maken of vernietigen van dode dieren, afvalstoffen van dierlijke herkomst en bedorven vlees, vleeswaren of vis. Artikel 4 Een jeugdige mag geen arbeid verrichten welke het gevaar met zich brengt dat hij"},{"i":32,"b":"Arbeidsgeschillenwet 1946 BES Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. Overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet is er een bemiddelaar tot bevordering van de arbeidsvrede. 2. De Rijksvertegenwoordiger benoemt, schorst en ontslaat de bemiddelaar en stelt diens instructie vast. Artikel 2 In deze wet wordt verstaat onder: - a. **geschil:** ieder geschil tusschen werknemers en een of meer werkgevers over arbeidsaangelegenheden; - b. **rechtsgeschil:** ieder geschil, dat uitsluitend ter kennisneming van de rechterlijke macht staat; - c. **werknemersraad:** een vertegenwoordiging, welke bij vrije en geheime stemming is gekozen uit en door de tot een of meer categorieën van werknemers behorende werknemers van eenzelfde bedrijf ter behartiging van hun arbeidsaangelegenheden, een en ander zoals nader omschreven in een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid goedgekeurd reglement, waarvan een gezamenlijk door of namens het bestuur van het betrokken bedrijf en door de betrokken vertegenwoordiging van werknemers in dat bedrijf gewaarmerkt exemplaar bij Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is gedeponeerd; - d. **de Rijksvertegenwoordiger:** de Rijksvertegenwoordiger, bedoeld in [Hoofdstuk V, afdeling 1, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&afdeling=I). Hoofdstuk II. Van geschillen § 1. Van de tusschenkomst van de bemiddelaar Artikel 3 1. Indien in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba een geschil is ontstaan, dat tot staking of uitsluiting aanleiding dreigt te geven en waarbij vijf en twintig werknemers of meer betrokken zijn, dient onverwijld door bij het geschil betrokken werkgevers en/of werknemers of door bestuurders van hun vakverenigingen de tussenkomst van de bemiddelaar, te worden ingeroepen, welke inroeping onverwijld schriftelijk wordt bevestigd. 2. Betreft het een geschil dat tot staking of uitsluiting aanleiding kan geven en waarbij"},{"i":33,"b":"Besluit van 15 januari 1997, houdende regels in het belang van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid (Arbeidsomstandighedenbesluit) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Binnenlandse Zaken, Verkeer en Waterstaat, Justitie en de Staatssecretaris van Defensie van 12 juli 1996, Directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W2/96/0407, gedaan mede namens de Minister-President, Minister van Algemene Zaken en in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken; Gelet op de artikelen 1, 2, 4, 5, 6, 10, 20, 23a, 24, 24a, 25, 26, 27, 28, 30, 31a, 35, 36, en 41 van de Arbeidsomstandighedenwet en de [artikelen 5 en 8 van de Winkeltijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007952&artikel=5); Gezien het advies van de Sociaal-Economische Raad van 9 februari 1995, nr. 95/31 I en II; De Raad van State gehoord (advies van 24 september 1996, no.W12.960298); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Binnenlandse Zaken, Verkeer en Waterstaat, Justitie en de Staatssecretaris van Defensie van 18 december 1996, Directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W2/96/1537, uitgebracht mede namens de Minister-President, Minister van Algemene Zaken en in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 4.8, tweede en zesde lid, treedt voor zover het de aanwezigheid van het certifcaat van vakbekwaamheid betreft, in werking op 1 oktober 1997. Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsgebied Afdeling 1. Definities Artikel 1.1. Definities algemeen 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder wet: [Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346). 2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt ve"},{"i":325,"b":"Protocol betreffende de toetreding van de Bondsrepubliek Duitsland en Italië tot de Verdragen betreffende grensarbeiders en stagiaires, gesloten tussen de Regeringen van Nederland, België, Frankrijk, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en ondertekend te Brussel op 17 april 1950 De Regeringen van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland enerzijds, en de Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland en Italië anderzijds, In overweging nemende het Verdrag betreffende grensarbeiders en het Verdrag betreffende stagiaires, gesloten door de Regeringen van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en ondertekend te Brussel op 17 april 1950; Besloten hebbende om, in overeenstemming met de doelstellingen van het Verdrag van Brussel, zoals dit is herzien door de overeenkomsten welke op 23 oktober 1954 te Parijs zijn ondertekend1)[Red: Bedoeld wordt „het Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel, dat op 23 oktober 1954 te Parijs werd ondertekend.”], hun samenwerking op het gebied der sociale voorzieningen uit te breiden; Overtuigd, dat de toetreding van de Bondsrepubliek Duitsland en Italië tot bovengenoemde Verdragen een belangrijke stap in die richting betekent; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen In witness whereof the undersigned, duly authorised by their respective Governments, have signed the present Protocol. Done at Paris this tenth day of December 1956, in English and French, both texts being equally authoritative, in a single copy, which shall be deposited in the archives of the Secretariat-General of Western European Union and of which a certified copy shall be transmitted by the Secretary-General to each of the Signatory Governments."},{"i":334,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 29 januari 2025, nr. 50067438, tot het verstrekken van aanvullende bekostiging voor het primair en voortgezet onderwijs voor de uitvoering van een arbeidsmarkttoelage voor 2025 (Regeling aanvullende bekostiging uitvoering arbeidsmarkttoelage 2025) Gelet op [artikel 119, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119), [artikel 117, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117) en [artikel 5.9, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvullende bekostiging:** aanvullende bekostiging als bedoeld in [artikel 119, eerste lid, van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119), [artikel 117, eerste lid, van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117) en [artikel 5.9, eerste lid, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9); - **achterstandsscore:** - a. wat betreft een vestiging van een basisschool: achterstandsscore zonder drempel, als gepubliceerd op 7 oktober 2024 door het Centraal Bureau voor de Statistiek, op basis van de onderwijsscores van de leerlingen die op 1 februari 2024 zijn ingeschreven op een basisschool als bedoeld in [artikel 18 van het Besluit bekostiging WPO 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=18); - b. wat betreft een vestiging van een school voor voortgezet onderwijs: achterstandsscore zonder drempel zoals gepubliceerd op 24 december door het Centraal Bureau voor de Statistiek met dien verstande dat voor een pro-vestiging de achterstandsscores voor praktijkonderwijs worden gehanteerd en voor overige vestigingen voor voortgezet onderwijs de achterstandsscores voor vmbo, havo of vwo; - **basisschool:** b"},{"i":305,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december 2015, 2015-0000305810, houdende de inrichting van de directie Werknemersregelingen, alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Werknemersregelingen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Werknemersregelingen 2015) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=3), en [10 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directeur-generaal Sociale Zekerheid en Integratie 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=10); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directie WR:** de directie Werknemersregelingen van het ministerie; - b. **het UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). § 2. Organisatie en taken Artikel 2 De directie WR bestaat uit de volgende afdelingen: - a. de afdeling Ziekte en Arbeidsongeschiktheid; - b. de afdeling Werkloosheid; - c. de afdeling Werkgevers en Sociale Zekerheid buiten Europees Nederland; - d. de RCN-unit SZW, gevestigd te Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 3 Het hoofd van de afdeling Ziekte en Arbeidsongeschiktheid is verantwoordelijk voor het integrale beleid ten aanzien van het stelsel van condities, rechten, plichten, prikkels en financiering in regelingen voor ziekte en arbeidsongeschiktheid. Artikel 4 Het hoofd van de afdeling Werkloosheid is verantwoordelijk voor het integrale beleid ten aanzien van het stelsel van condities, rechten, plichten, prikkels en financiering in regelingen voor werkloosheid. Artikel 5 Het hoofd van de afdeling Werkgevers en Sociale Zekerheid buiten Europees Nederland is verantwoordelijk voor: - a. het monitoren van de realisatie van de [Wet banenafspraak en quot"},{"i":142,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 21 september 2015, 15072015 nr. 201501/KPCN/15, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon agenten van politie bij Rijksdienst Caribisch Nederland afdeling SZW/Arbeidsinspectie BES Gelezen het verzoek van de Arbeidsinspectie van 3 juni 2015 en de daaropvolgende adviezen van de hoofdofficier van justitie en de korpschef/hoofd van dienst; Gelet op: [Artikel 184, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184); Het [Besluit buitengewone agenten van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon agent van politie: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037048&artikel=2&z=2015-10-02&g=2015-10-02). Artikel 2 Maximaal 10 [tien] personen werkzaam bij SZW/ Arbeidsinspectie in de functie van inspecteur, zijn aangewezen als buitengewoon agent van politie. Artikel 3 De buitengewoon agent van politie is bevoegd tot het opsporen van: - 1. Alle strafbare feiten voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de betreffende functie en het daaraan gekoppelde takenpakket; - 2. Verordeningen en/of Keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen; - 3. Andere strafbare feiten, indien hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek of voor een concreet project door een officier van justitie wordt belast voor de duur van dat onderzoek of project. Artikel 4 De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037048&artikel=3&z=2015-10-02&g=2015-10-02), geldt voor het grondgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. Artikel 5 1. Als toezichthouder als bedoeld in [artikel 46, tweede lid, van het Besluit buitengewone agenten van politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":151,"b":"Besluit van 18 oktober 2001, houdende de instelling, de taak, de samenstelling en de werkwijze van een commissie als bedoeld in Artikel 45 van het Algemeen militair ambtenarenreglement Op de voordracht van Onze Minister-President en van de Staatssecretaris van Defensie van 8 oktober 2001, Directoraat Generaal Personeel, nr. P/2001006743; Gelet op [artikel 12g van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12g) en [artikel 45 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=45), Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Instelling Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie - b. de belanghebbende: degene op wie het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012905&paragraaf=1&artikel=2&z=2002-01-01&g=2002-01-01) bedoelde voornemen betrekking heeft. Artikel 2. Instelling commissie 1. Ingesteld wordt een commissie als bedoeld in [artikel 45, eerste lid van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=45). 2. De commissie heeft tot taak in voorkomend geval een advies uit te brengen over een voornemen ontslag te verlenen op grond van [Artikel 12g van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12g) aan een militair die op grond van het bepaalde in [artikel 5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=5), of [artikel 10, tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=10) uit een vertrouwensfunctie moet worden ontheven. § 2. Samenstelling Artikel 3 1. Als leden van de commissie worden benoemd: mr J. de Ruiter, (voorzitter), mr B. L. J. Ahlers, mr F. J. Akkerman, Th. H. Dragt en mr. A. W. Heringa 2. Als plaatsvervangende leden worden benoemd: mr. drs R. K. Visser (plv Voorzitter), mevr. mr I. M. P. Quist-van Verseveld, mr. J. Soo"},{"i":7919,"b":"Besluit van 21 september 1936, houdende uitvoering van artikel 3 der Wet van 27 maart 1936, Stb. 201, tot overbrenging van de consignatiekas voor het bewaren van effecten aan toonder naar de Nederlandsche Bank Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Financiën van den 1 Augustus 1936, 1ste Afdeeling C, n°. 866, en van den 6 Augustus 1936, n°. 148, afdeeling Indirecte Belastingen; Gelet op artikel 3 van de wet van 27 Maart 1936, **Staatsblad** n°. 201; Den Raad van State gehoord (advies van 25 Augustus 1936, n°. 28); Gezien de nadere rapporten van Onze Ministers voornoemd van den 7 September 1936, 1ste Afdeeling C, n°. 859, en van den 11 September 1936, n°. 82, afdeeling Indirecte Belastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bemoeiingen van de Nederlandsche Bank met de krachtens de wet van 27 Maart 1936, **Staatsblad** n°. 201, in bewaring gegeven effecten omvatten: - a. het verzilveren der coupons en dividendbewijzen of het incasseeren op andere wijze van vervallen of betaalbaar gestelde opbrengsten en het verantwoorden daarvan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4 der bovengenoemde wet, aan den bewaargever of zijn vertegenwoordiger op een der wijzen, krachtens de Voorwaarden van bewaarneming van de Nederlandsche Bank toegelaten; - b. het inleveren van talons of stukken ter verkrijging van nieuwe coupon- of dividendbladen of nieuwe rentegevende stukken; - c. het bezorgen van noodzakelijke verwisselingen, in het bijzonder die van voorloopige stukken in definitieve stukken; - d. het nazien van uitlotingen en het kennisgeven van losbaarstellingen of gelegenheden tot verwisseling aan den bewaargever of zijn vertegenwoordiger; - e. het nazien van de aankondigingen betreffende conversies, reorganisaties, kapitaalsuitbreidingen of -reduceeringen, gelegenheden tot inlevering bij beschermingscomité's, oproepingen tot bijstorting of terugbetaling van kapitaal, en andere dergelijke financieele gebeurtenissen, een en ander voor zoover het"},{"i":392,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 juni 2015, 2015-0000113259, houdende regels omtrent werkzaamheden en autorisaties van het team criminele inlichtingen Inspectie SZW-DO en tot wijziging van de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving en de Aanwijzingsregeling boeteoplegger SZW-wetgeving 2012 (Regeling team criminele inlichtingen Inspectie SZW-DO) Handelende in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op de [artikelen 12, tweede lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=12), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=6) en [46 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=46), [2:5 van het Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=2:5), [7 van het Besluit verplichte politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032083&artikel=7), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=24) en [34, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=34), [8:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=8:1) en [10:5, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:5), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=14) en [19a, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=19a), [18a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18a), [18c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18c), en [18n, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimum-vakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18n), [13 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009616&artikel=13), en [10"},{"i":387,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juli 2007, nr. SV/WV/07/24387, houdende regels omtrent de verdere activering van zieke werknemers zonder werkgever door middel van het vastleggen van een procesgang met betrekking tot de inschakeling in het arbeidsproces in het eerste en tweede ziektejaar (Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever) Gelet op [artikel 26, vierde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=26); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet houdende regels bevordering activering personen die aanspraak maken op een uitkering op grond van de Ziektewet (Stb. 2007/553) in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de vangnetter: de persoon die op grond van [artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b, c of d, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=29) recht heeft op ziekengeld; - b. plan van aanpak: het plan van aanpak, bedoeld in [26, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=26). Artikel 2. Probleemanalyse 1. Het UWV vormt zich, indien er naar verwachting sprake is van dreigend langdurig ziekteverzuim van een vangnetter, binnen zes weken na de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid een oordeel over het desbetreffende ziektegeval. 2. Het UWV vormt zich onverwijld een oordeel over het desbetreffende ziektegeval indien eerst na zes weken blijkt dat het ziekteverzuim van de vangnetter naar verwachting langdurig dreigt te zijn. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid vormt het UWV zich onverwijld een oordeel over het desbetreffende ziektegeval, indien er naar verwachting sprake is van dreigend langdurig ziekteverzuim en de aangifte, bedoeld in [artikel 38, tweede lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&arti"},{"i":295,"b":"Maritiem arbeidsverdrag, 2006 **Preambule** De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar vierennegentigste zitting op 7 februari 2006, en Geleid door de wens een enkel, samenhangend instrument te creëren waarin voor zover mogelijk alle actuele normen van bestaande verdragen en aanbevelingen inzake internationale maritieme arbeid worden opgenomen, alsmede de grondbeginselen van andere internationale arbeidsverdragen, in het bijzonder: het [Verdrag betreffende gedwongen of verplichte arbeid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006218), 1930 (Nr. 29); het [Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005545), 1948 (Nr. 87); het Verdrag betreffende toepassing van het recht van organisatie en collectieve onderhandeling, 1949 (Nr. 98); het [Verdrag betreffende gelijke beloning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004933), 1951 (Nr. 100); het [Verdrag betreffende afschaffing van gedwongen arbeid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004945), 1957 (Nr. 105); het [Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004947), 1958 (Nr. 111); het [Verdrag betreffende de minimumleeftijd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003701), 1973 (Nr. 138); het [Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001522), 1999 (Nr. 182); en Indachtig het kernmandaat van de Organisatie, dat bestaat uit het bevorderen van fatsoenlijke voorwaarden voor werk; en In herinnering roepend de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie inzake de fundamentele beginselen en rechten in verband met werk, 1998, en Tevens indachtig het feit dat op zeevarenden bepalingen van andere instrumenten van de Internationale Arbeidsorganisatie van toepa"},{"i":157,"b":"Besluit van 25 september 1918, tot instelling van Departementen van Algemeen Bestuur die de naam zullen dragen van Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en van Ministerie van Arbeid Op het rapport van den Raad van Ministers van 11 September 1918; Den Raad van State gehoord (advies van 17 September 1918), n°. 32; Gezien het nader rapport van den Raad van Minsters van 24 September 1918; Gelet op [artikel 77 der Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=77); Hebben goedgevonden en verstaan: Met ingang van heden: Enig artikel I. in te stellen een Departement van Algemeen Bestuur, dat den naam zal dragen van \"Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen\"; II. aan het hoofd van dat Departement de zorg op te dragen voor de uitvoering van: - a. de wetten en Koninklijke besluiten betreffende het voorbereidend lager onderwijs, het algemeen vormend lager, middelbaar en voorbereidend hooger onderwijs, het hooger onderwijs, en het vakonderwijs met uitzondering van het hooger landbouw- en veeartsenijkundig onderwijs en van het overige landbouwonderwijs; de voorwaarden tot verkrijging der bevoegdheid van arts, tandmeester, apotheker, apothekersbediende en vroedvrouw; het archiefwezen, de rijksinstellingen van wetenschap, kunst en kunstonderwijs, de zorg voor de instandhouding der monumenten van geschiedenis en kunst, in het algemeen de bevordering van Rijkswege van wetenschap en kunst en de gebouwen, die tot dusver onder het Departement van Binnenlandsche Zaken ressorteerden; - b. de verdere bestuurshandelingen, die verband houden met de onder **a** bedoelde wetten of Koninklijke besluiten; III. in te stellen een Departement van Algemeen Bestuur dat den naam zal dragen van \"Ministerie van Arbeid\"; IV. aan het hoofd van laatstgenoemd Departement de zorg op te dragen voor de uitvoering van: - a. de wetten en Koninklijke besluiten betreffende: het tegengaan van overmatigen gevaarlijken arbeid van jeugdige personen en van vrouwen, de beveilig"},{"i":167,"b":"Besluit van 14 oktober 1966, houdende overbrenging van de aangelegenheden betreffende de Indonesische pensioenen e.a. van het departement van Buitenlandse Zaken naar het departement van Binnenlandse Zaken Op de voordracht van Onze minister-president, minister van Algemene Zaken dd. 10 oktober 1966, nr. 169714, mede namens Onze minister van Buitenlandse Zaken en Onze minister van Binnenlandse Zaken; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel De zorg voor de aangelegenheden betreffende de Indonesische pensioenen en enige op aanverwant terrein liggende werkzaamheden, tot op heden behorende tot de taak van de Directie Overgangszaken Indonesië van het ministerie van Buitenlandse Zaken, gaan met ingang van 1 januari 1967 over naar het departement van Binnenlandse Zaken. Onze ministers van Buitenlandse Zaken en van Binnenlandse Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze ministers, aan de Raad van State, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Kamers der Staten-Generaal."},{"i":270,"b":"Besluit van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 7 december 2023, nr. 2023-0000579722, houdende de instelling van de regeringscommissaris transitie pensioenen (instellingsbesluit regeringscommissaris transitie pensioenen) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a). **Minister:** Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen dan wel de Minister die pensioenen in portefeuille heeft; - b). **regeringscommissaris:** Regeringscommissaris transitie pensioenen; - c). **Transitie naar het nieuwe pensioenstelsel:** de wijziging van pensioenovereenkomsten met als doel om te voldoen aan het nieuwe kader zoals geïntroduceerd met en conform de vereisten die gelden op grond van de [Wet toekomst pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048328). Artikel 2. Instelling 1. Er is een regeringscommissaris transitie pensioenen. 2. De regeringscommissaris is onder verantwoordelijkheid van de Minister belast met het beoordelen en bevorderen van het verloop van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. 3. De regeringscommissaris zal in elk geval twee keer per jaar advies aan de Minister uitbrengen. Artikel 3. Taak De regeringscommissaris transitie pensioenen heeft de volgende taken: - a. De regeringscommissaris volgt de voortgang van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel en signaleert eventuele knelpunten. - b. De regeringscommissaris adviseert de Minister gevraagd en ongevraagd over mogelijke maatregelen om eventuele knelpunten in de transitie weg te nemen. - c. De regeringscommissaris bevordert dat bij de transitie betrokken partijen hun verantwoordelijkheid nemen voor het tijdig en zorgvuldig doorlopen van de transitie. De regeringscommissaris heeft hiertoe een signalerende en adviserende bevoegdheid. De regeringscommissaris zorgt ervoor dat signalen over eventuele knelpunten laagdrempelig worden gedeeld. De regeringscommissaris heeft geen toezichthoudende bevoegdheid. - d. De regeringscommiss"},{"i":385,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 september 2010, nr. AV/PB/2010/18205, tot wijziging van de Regeling Pensioenwet BES Paragraaf 1. Aanmelding fonds Artikel 1. Aanmelding pensioenfonds Het bestuur van een pensioenfonds meldt de oprichting van het pensioenfonds overeenkomstig [artikel 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=4) door middel van het formulier dat als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028776&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bij deze regeling is gevoegd. Paragraaf 2. Toetsing betrouwbaarheid beleidsbepalers Artikel 2. Betrouwbaarheid In deze paragraaf wordt verstaan onder: - a. betrouwbaarheid:het zich onthouden van een of meer gedragingen die naar het oordeel van de Bank in de weg staan aan het vervullen van de functie van (mede)beleidsbepaler als bedoeld in [artikel 5a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=5a). - b. gedragingen: een doen of nalaten dat blijk geeft van de afwezigheid van eigenschappen als: - –. waarheidslievendheid; - –. verantwoordelijkheidszin; - –. wetsgetrouwheid; - –. openheid; - –. oprechtheid; - –. prudentie; - –. punctualiteit; - –. onkreukbaarheid; - –. discretie; - –. rechtschapenheid. - c. antecedenten: voornemens, handelingen, en strafrechtelijke-, financiële-, toezichts- en overige antecedenten. De strafrechtelijke-, financiële-, toezichts- en overige antecedenten omvatten de in de [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028776&bijlage=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde feiten en omstandigheden. - d. betrokkenen:beleidsbepalers bij onder toezicht staande pensioenfondsen. Artikel 3. Betrouwbaarheidstoetsing De betrouwbaarheidstoetsing: - a. is gebaseerd op het antecedentenonderzoek zoals in de wet bepaald; - b. is toepasbaar op alle betrokkenen als bedoeld in [artikel 2, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028776&paragraaf=2&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01); en - c. dient ter w"},{"i":262,"b":"Gezamenlijke beschikking omtrent Indische pensioenen Gelet op [artikel 17, derde lid, letter b, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=17) (Stb. 1964, 425; Gouvernementsblad 1964, nr. 117); Besluiten: Artikel 1 Het [eerste en het tweede lid van artikel 17 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=17) zijn niet van toepassing ten aanzien van pensioenen genoten door in Suriname woonachtige natuurlijke personen ten laste van Nederland, dan wel ten laste van een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, of ten laste van een fonds van Nederland of van die rechtspersoon, uit hoofde van pensioenaanspraken op het voormalige Gouvernement van Nederlandsch-Indië. Artikel 2 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 juni 1968 en vindt toepassing met ingang van 1 juli 1966. Zij behoudt haar werking voor onbepaalde tijd. 2. Van 1 januari 1975 af kan de Minister van Financiën van elk van de landen bepalen dat deze beschikking buiten werking treedt. De daartoe strekkende beschikking treedt niet in werking vóór de aanvang van het tweede kalenderjaar volgend op dat waarin zij is afgekondigd. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Gezamenlijke beschikking omtrent Indische pensioenen."},{"i":281,"b":"Keuzeregeling verlaging pensioenbijdrageverhaal Gelet op artikel F 8f, vijfde lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=10) en [81 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=81); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Deze regeling is niet van toepassing op degene die op 1 mei 1994 ambtenaar is en de leeftijd van 58 jaar heeft bereikt. Artikel 3 1. De keuze, dan wel het achterwege laten daarvan binnen de gestelde termijn, bindt de ambtenaar wat betreft de bepaling van het pensioenbijdrageverhaal in al zijn huidige en toekomstige dienstverhoudingen, betrekkingen of hoedanigheden als ambtenaar. 2. De ambtenaar die daarvoor in aanmerking komt, dient zijn keuze door tussenkomst van zijn werkgever kenbaar te maken aan het bestuur door inzending van het hem betreffende, als bijlage bij dit besluit opgenomen model keuzeformulier. 3. Het in het tweede lid bedoelde keuzeformulier wordt door of vanwege de werkgever bij aanvang van de dienstverhouding verstrekt aan iedere ambtenaar die nog geen keuze kenbaar heeft gemaakt. 4. Na ontvangst voorziet de werkgever het keuzeformulier van een verklaring over de datum van ontvangst en zendt het binnen dertig dagen door aan het bestuur. 5. Op basis van de datum van binnenkomst van het keuzeformulier bij de werkgever beslist het bestuur of betrokkene zijn keuze tijdig kenbaar heeft gemaakt. Een te laat kenbaar gemaakte keuze wordt niet gehonoreerd. 6. Het besluit van het bestuur wordt ter kennis gebracht aan de ambtenaar. Van deze kennisgeving wordt een afschrift gezonden aan de werkgever. Artikel 4 1. Degene die de hoedanigheid van ambtenaar met ingang van 1 januari 1995 of later verkrijgt, dient de keuze binnen een maand na het verkrijgen van die hoedanigheid kenbaar te maken. 2. Nadat de keuze daartoe kenbaar is gemaakt, gaat de verlaging"},{"i":441,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat ten behoeve van het verkrijgen van vrijstelling van de gemiddelde wekelijkse arbeidstijdnorm voor een vissersvaartuig met een lengte van 45 meter of meer (Regeling vrijstelling arbeidstijden trawlvisserij) Gelet op [artikel 6A.3:2, derde lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=6A.3:2); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder ‘wet’: de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671). Artikel 2 1. Aan de schipper van een vissersvaartuig met een lengte van 45 meter of meer wordt vrijstelling verleend van [artikel 6A.2:3 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=6A.2:3), mits de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd niet meer bedraagt dan ten hoogste 68 uren, gerekend over een periode van 52 achtereenvolgende weken. 2. Toepassing van dit artikel is uitsluitend mogelijk bij collectieve regeling als bedoeld in [artikel 1:3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=1:3) dan wel bij een daarmee gelijkgestelde regeling als bedoeld in [artikel 1:4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=1:4), indien de collectieve regeling, bedoeld in [artikel 1:3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=1:3), dat uitdrukkelijk bepaalt dan wel er geen collectieve regeling als bedoeld in [artikel 1:3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=1:3) van toepassing is. [Artikel 1:4, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=1:4), is zonodig van overeenkomstige toepassing. Elk beding waarbij wordt afgeweken van dit artikel is nietig. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 25 juni 2008. Artikel 4 Deze regeling wordt aangeha"},{"i":289,"b":"Machtigingsbesluit UBR|Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Gezien de [artikelen 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043707&artikel=3.2) en [3.4 Mandaatbesluit BZK 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043707&artikel=3.4); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **manager:** de manager van Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht (Expertisecentrum Organisatie en Personeel en/of diens rechtsopvolger) van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR), ressorterend onder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. Aan de manager wordt inzake personeelsaangelegenheden van onder de minister ressorterende medewerkers volmacht en machtiging verleend voor - a. het aanhangig maken en behandelen van juridische procedures, waaronder het (doen) uitbrengen en ondertekenen van dagvaardingen, verzoekschriften, verweerschriften, conclusies, aktes als ook bezwaarschriften en (hoger) beroepschriften - b. alsmede het vertegenwoordigen van de minister ter terechtzitting. 2. De manager heeft voor alle bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid het recht van substitutie en kan daarvoor de onder hem ressorterende medewerkers inschakelen. Artikel 3 De uit dit besluit voor de manager voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid of verhindering over op zijn plaatsvervanger. Artikel 4 Het krachtens volmacht ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: Staat der Nederlanden, Vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, namens deze, (naam functionaris) Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2020. Artikel 6 Dit besluit wordt aangehaald als: Machtigingsbesluit UBR|Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht van het Mi"},{"i":397,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 11 februari 2024, nr. WJZ/ 44685037, houdende uitwerking van de voorwaarden voor schorsing en ontslag van leden van de Autoriteit Consument en Markt (Regeling uitwerking voorwaarden schorsing en ontslag leden ACM) Gelet op artikel 4, derde lid, van [Richtlijn (EU) nr. 2019/1](32019L0001) van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt (PbEU 2019, L 11) en [artikel 3, achtste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Schorsing of ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie dan wel wegens andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen als bedoeld in [artikel 12, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=12) van een lid van de Autoriteit Consument en Markt kan in ieder geval aan de orde zijn, indien: - a. een lid van de Autoriteit Consument en Markt in de uitoefening van zijn functie buiten de bij of krachtens de wet aan de Autoriteit Consument en Markt opgedragen taken en de daarbij behorende bevoegdheden handelt; - b. een lid van de Autoriteit Consument en Markt niet langer in staat is het geheel van bij of krachtens de wet aan de Autoriteit Consument en Markt opgedragen taken en daarbij behorende bevoegdheden onafhankelijk en onpartijdig uit te voeren. Artikel 2 Wijzigt de Regeling gegevensuitwisseling ACM en ministers. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitwerking voorwaarden schorsing en ontslag leden ACM. Deze regeling zal met de toelichting in de St"},{"i":409,"b":"Regeling van 23 december 1994 houdende vaststelling van regels als bedoeld in artikel 10 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, betreffende pensioenberekening bij scheiding voor 27 november 1981 Gelet op [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641&artikel=10)[in verbinding met artikel 12, tweede en derde lid van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641&artikel=12); Gezien het advies van de Verzekeringskamer; Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [wet verevening pensioenrechten bij scheiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641); - b. **pensioen zoals dat op de datum van ontvangst van de mededeling is bereikt:** voor deelnemers: de tijdsevenredige pensioenaanspraak per de datum van ontvangst van de mededeling, voor gewezen deelnemers: het ingegane pensioen of de ten tijde van beëindiging van het deelnemerschap vastgestelde pensioenaanspraak vermeerderd met de eventueel daarna toegepaste verhogingen; - c. **tijdsevenredige aanspraak:** een overeenkomstig [artikel 8, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=8), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Pensioenwet, bepaalde pensioenaanspraak. Artikel 2 Het uitvoeringsorgaan stelt na ontvangst van de mededeling, als bedoeld in [artikel 12, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641&artikel=12), vast welk deel van het pensioen tijdens de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641&artikel=12) bedoelde huwelijksduur is opgebouwd en voor verevening in aanmerking komt. Indien het uitvoeringsorgaan niet beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn om het voornoemde deel vast te stellen, wordt het te verevenen pensioen vastgesteld op basis van deze regeling. Artikel 3 Het te verevenen pensioen wordt vastgesteld"},{"i":390,"b":"Regeling reserve-overdracht door ABP en Spoorwegpensioenfonds Gelet op artikel 3 van het Besluit reserve-overdracht ambtenaren (Stb. 1988, 154) en [artikel 3 van het Besluit reserve-overdracht N.S.-personeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004300&artikel=3) (Stb. 1988, 153); Na overleg met het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en gehoord de Raad van toezicht van het Spoorwegpensioenfonds en de wiskundig adviseur bedoeld in artikel L 14 van de Spoorwegpensioenwet; Besluit: Ouderdomspensioen Artikel 1 De contante-waardefactoren bij oplopende leeftijden in gehele jaren voor de berekening van de overdrachtswaarde van een ouderdomspensioen hebben een grootte als vastgesteld in de volgende tabellen: - A:. de contante-waardefactor uitgesteld ouderdomspensioen op het leven van een y-jarige ongehuwde vrouw, ingaande bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd; - B:. de contante-waardefactor gehuwdenaftrek op het leven van een y-jarige vrouw en haar x-jarige echtgenoot, ingaande bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd van de vrouw; - C:. de contante-waardefactor uitgesteld ouderdomspensioen op het leven van een x-jarige ongehuwde man, ingaande bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd; - D:. de contante-waardefactor gehuwdenaftrek op het leven van een x-jarige man en zijn y-jarige echtgenote, ingaande bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd van de man. | **Vrouwen** | **Vrouwen** | | **Mannen** | **Mannen** | | --- | --- | --- | --- | --- | | **A** | **B** | **leeftijd** | **C** | **D** | | 1,7643 | 0,8142 | 18 | 1,2713 | 1,0302 | | 1,8354 | 0,8476 | 19 | 1,3230 | 1,0724 | | 1,9093 | 0,8825 | 20 | 1,3769 | 1,1165 | | 1,9864 | 0,9188 | 21 | 1,4331 | 1,1623 | | 2,0665 | 0,9566 | 22 | 1,4915 | 1,2101 | | 2,1499 | 0,9960 | 23 | 1,5524 | 1,2599 | | 2,2366 | 1,0371 | 24 | 1,6158 | 1,3117 | | 2,3269 | 1,0798 | 25 | 1,6818 | 1,3657 | | 2,4209 | 1,1243 | 26 | 1,7504 | 1,4219 | | 2,5188 | 1,1707 | 27 | 1,8219 | 1,4805 | | 2,6205 | 1,2191 | 28 | 1,8963 |"},{"i":362,"b":"Regeling cliëntenparticipatie UWV 2018 Gelet op [artikel 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=7); Besluit: Artikel 1. Definities - a). **Wet SUWI:** [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060). - b). **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=1). - c). **Onderdeel Cliëntenparticipatie:** het organisatieonderdeel binnen UWV dat zich bezig houdt met de uitvoering van de cliëntenparticipatie. - d). **Cliënt:** de persoon die een uitkering, een voorziening of ondersteuning bij het vinden van werk ontvangt op grond van een door UWV uitgevoerde wettelijke regeling. Tevens wordt als cliënt aangemerkt de persoon die als werkzoekende staat ingeschreven bij UWV WERKbedrijf en de persoon die een aanvraag heeft lopen bij UWV. Voor het toepassen van deze regeling kan onder cliënt ook worden verstaan de vertegenwoordiger van één cliënt of een groep cliënten. - e). **Cliëntenraad:** een uit cliënten bestaand gremium met taken en bevoegdheden zoals in deze regeling omschreven. - f). **Centrale Cliëntenraad:** cliëntenraad die op centraal landelijk is georganiseerd en functioneert. - g). **Decentrale Cliëntenraad:** cliëntenraad die per UWV-district is georganiseerd en functioneert. - h). **Belangenorganisatie:** cliëntenorganisatie of vakorganisatie. Artikel 2. Reikwijdte regeling Deze regeling is van toepassing op de organisatie en werking van de door UWV ingestelde cliëntenraden. Artikel 3. Taak cliëntenraad De cliëntenraad heeft tot taak UWV gevraagd en ongevraagd te informeren en te adviseren over het uitvoeringsbeleid en de uitvoeringspraktijk, alsmede ontwikkelingen te signaleren die van invloed kunnen zijn op de (kwaliteit van de) dienstverlening van UWV aan cliënten. De cliëntenraad heeft tot taak de collectieve cli"},{"i":428,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 februari 2022, kenmerk 3310683-1023507-WJZ, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2021 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2021: **100** 2932 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2022. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":421,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 februari 2015, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2014 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2014: Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":280,"b":"Keuzeregeling verlaging pensioenbijdrage militair Gelet op artikel F 6c, vierde lid, van de Algemene militaire pensioenwet en [artikel 82 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007211&artikel=82); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Deze regeling is niet van toepassing op degene die op 1 mei 1994 militair is en de leeftijd van 58 jaar heeft bereikt. Artikel 3 1. De keuze dan wel het achterwege laten daarvan binnen de gestelde termijn, bindt de militair wat betreft de bepaling van de pensioenbijdrage in al zijn huidige en toekomstige dienstverhoudingen of betrekkingen als militair. 2. De militair die daarvoor in aanmerking komt, dient zijn keuze kenbaar te maken door inzending van het hem betreffende, als bijlage bij dit besluit opgenomen model keuzeformulier. 3. Het in het tweede lid bedoelde keuzeformulier wordt door of namens mij bij aanvang van de dienstverhouding verstrekt aan iedere militair die nog geen keuze kenbaar heeft gemaakt. 4. Op basis van de datum van binnenkomst van het keuzeformulier wordt door of namens mij beslist of betrokkene zijn keuze tijdig kenbaar heeft gemaakt. Een te laat kenbaar gemaakte keuze wordt niet gehonoreerd. 5. Het in het vierde lid bedoelde wordt ter kennis gebracht aan de militair. Artikel 4 1. Degene die de hoedanigheid van militair met ingang van 1 januari 1995 of later verkrijgt, dient de keuze binnen een maand na het verkrijgen van die hoedanigheid kenbaar te maken. 2. Nadat de keuze daartoe kenbaar is gemaakt, gaat de verlaging van de pensioenbijdrage van de in dit artikel bedoelde militair in met ingang van de dag waarop de hoedanigheid militair werd verkregen. Artikel 5 1. In afwijking van [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006917&artikel=3&z=1994-10-05&g=1994-10-05), wordt aan degene die op 1 mei 1994 reeds militair is, of die hoedanigheid van militair voor 1 januari 1995 verkrijgt, h"},{"i":450,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 augustus 2018, nr. 2018-0000665017, houdende vaststelling van de reis- en verblijfkostenvergoedingen voor Rijksambtenaren BES (Reisregeling Rijksambtenaren BES) Gelet op de [artikelen 67, derde lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=67), en [77, onder a, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=77) en de [artikelen 81, vijfde lid, van het Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=81); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** ambtenaar in dienst van de staat; - b. **plaats van tewerkstelling:** gebouw, gebouwencomplex, terrein of vaartuig waar of van waaruit de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht; - c. **standplaats:** openbaar lichaam waar de plaats van tewerkstelling is gelegen; - d. **dienstreis:** door het bevoegde gezag schriftelijk opgedragen reis, daaronder begrepen het hiermee verband houdende verblijf buiten de standplaats in verband met het verrichten van werkzaamheden of scholing, bedoeld in [artikel 72a van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=72a); - e. **tarieflijst:** in [bijlage I, behorende bij artikel 3, eerste lid, van de Reisregeling buitenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006914&bijlage=I), opgenomen lijst. Artikel 2. Begin en eind van de dienstreis 1. Het beginpunt en het eindpunt van de dienstreis wordt bepaald door het bevoegd gezag. 2. Als de dienst het toelaat, kan het bevoegd gezag op schriftelijk verzoek en voordat de dienstreis is aangevangen verlenging van een dienstreis tot ten hoogste 72 uur voor privédoeleinden toestaan. Voor zover deze uren onder de werktijden van de ambtenaar vallen, worden deze in mindering gebracht op het aantal vakantie-uren"},{"i":359,"b":"Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP Handelende in overeenstemming met het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP, Gelet op [artikel 2, tweede lid, onderdeel j van de Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791&artikel=2). Besluit: Artikel 1 De volgende personen of groepen van personen zijn, uit hoofde van hun bijzondere arbeidsvoorwaarden of de bijzondere aard van hun werkzaamheden, geen overheidswerknemer in de zin van de [Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791): - a. personen die in de regel hun dienst niet persoonlijk verrichten; - b. personen die bezoldigd of beloond worden per dienstverrichting tenzij voortdurend dienst wordt verricht; - c. personen wier bezoldiging of beloning bestaat uit incidentele vergoedingen, zoals vacatiegelden, kostenvergoedingen en daarmee overeen- komende vergoedingen; - d. personen die bij wijze van sociale werkvoorziening tewerkgesteld zijn; - e. buiten Nederland werkzame personen die plaatselijk zijn aangesteld of in dienst zijn genomen; - f. personen die zijn aangesteld of op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen in het kader van een door de overheid getroffen regeling die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces van personen, die behoren tot een of meer bepaalde groepen van werklozen, te bevorderen; - g. personen die blijkens de aard van de aanstelling of arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; - h. personen die incidenteel en voor een beperkte periode zijn aangesteld of op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen om werkzaamheden te verrichten die vanwege een seizoen slechts voorkomen en verricht kunnen worden gedurende de periode van het dienstverband; - i. de vrijwillige ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 1, on"},{"i":379,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 juni 2017, nr. 2017-0000097201, tot vaststelling van de regeling minimumloon en minimumvakantiebijslag en wijziging van enkele ministeriële regelingen (Regeling minimumloon en minimumvakantiebijslag) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3) en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5), [8, zesde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=8), [44, achtste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=44), [58, zevende lid van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=58) en [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7), en [12, vierde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=12); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - **wet:** [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638). Artikel 2 Als indicatieve referentiewaarden, bedoeld in [artikel 14, zestiende lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=14), worden vastgesteld: - a. het netto besteedbare inkomen van voltijds werkende minimumloonverdieners bedraagt gemiddeld 128% van de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud; - b. het bruto wettelijk minimumloon bedraagt 50% van het mediane loon. Artikel 3 Als werkzaamheden als bedoeld in [artikel 12a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=12a) worden aangewezen: - a. het bezorgen van dagbladen en gerelateerde uitgeefproducten bij abonnees of losse verkooppunten, met uitzondering van nabezorging; - b. het bez"},{"i":275,"b":"Wet van 29 november 1996 tot invoering van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering van de [Arbeidsvoorzieningswet 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008367) en enkele daarmee samenhangende onderwerpen te regelen, alsmede om verder uitvoering te geven aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1991 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van de werknemers met arbeidsbetrekkingen voor bepaalde tijd of uitzendbetrekkingen (91/383/EEG; **Pb EG** nr. L 206); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK 1. DEFINITIES Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Arbeidsvoorzieningsorganisatie, Centraal Bestuur, Regionaal Bestuur, Algemene Directie en Regionale Directie: hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Arbeidsvoorzieningswet 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008367); - b. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hoofdstuk 2. Overgangsrecht Arbeidsvoorzieningswet Afdeling 1. Algemeen Artikel 2 1. De Arbeidsvoorzieningswet en de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet worden ingetrokken. 2. Voor de verschillende artikelen of onderdelen van de artikelen van de Arbeidsvoorzieningswet kan bij koninklijk besluit het tijdstip waarop deze vervallen verschillend worden gesteld. Artikel 3 1. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie, genoemd in artikel 2 van de Arbeidsvoorzieningswet, wordt als rechtspersoon gehandhaafd. 2. Waar in een wettelijk voorschrift of enige andere regeling sprake is van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of een van haar organen als bedoeld in de Arbeidsvo"},{"i":403,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 november 2013, 2013-0000164319, houdende vaststelling van consumentenprijsindexcijfers voor 2014 voor Caribisch Nederland en op basis daarvan, alsmede op basis van bijzondere omstandigheden, wijziging van bedragen van tegemoetkomingen en uitkeringen, van het wettelijk minimumuurloon en het bedrag genoemd in de Regeling Pensioenwet BES, alsmede van premiepercentages van werknemersverzekeringen en volksverzekeringen, van het maximumdagloon voor de Wet ziekteverzekering BES en de Wet ongevallenverzekering BES en de schadeloosstelling voor de bemiddelaar, bedoeld in de Arbeidsgeschillenwet 1946 BES Gelet op de [artikelen 8a, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=8a), en [27 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=27), [12a, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=12a), en [30 van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=30), [13, eerste, tweede en derde lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=13), [7, vierde lid, van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=7), [5, negentiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=5), [8, derde lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=8), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5), en [8, vierde lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8), [21, eerste, derde en vierde lid, van het Besluit onderstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=21), [artikel 7b, derde en vierde lid, van de Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=7b), en [21 van de A"},{"i":341,"b":"Regeling aanwijzing sectorwerkgevers Gelet op [artikel 1, onderdeel q, onder 9c van de Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791&artikel=1) (Stb. 1995, 639): Besluit: Artikel 1 Sectorwerkgever van het personeel dat werkzaam is in de sector Academische Ziekenhuizen is: de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra. Artikel 2 Sectorwerkgever van het personeel dat werkzaam is in de sector Hoger Beroepsonderwijs is: de Vereniging Hogescholen. Artikel 3 Sectorwerkgever van het personeel dat werkzaam is in de sector Wetenschappelijk Onderwijs is: de Vereniging Samenwerkende Nederlandse Universiteiten. Artikel 4 Sectorwerkgever van het personeel dat werkzaam is in de sector Onderzoekinstellingen: de Werkgeversvereniging Onderzoekinstellingen. Artikel 5 Sectorwerkgever van het personeel dat werkzaam is in de sector Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie: de vereniging MBO raad en de Stichting SBB. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst. Artikel 5a Sectorwerkgever van het personeel dat werkzaam is in de sector primair onderwijs: de vereniging PO-raad. Artikel 5b Sectorwerkgever van het personeel dat werkzaam is in de sector voortgezet onderwijs: de vereniging VO-raad."},{"i":445,"b":"Regels vrijwillige arbeidsongeschiktheidsverzekering WAO 2007 Gelet op [artikel 85 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=85) en [artikel 73, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=73); Besluit: Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Wet: de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - b. vrijwillige verzekering: de vrijwillige verzekering op grond van [hoofdstuk VI van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&hoofdstuk=VI); - c. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Hoofdstuk II. Aanmelding Artikel 2 Een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering geschiedt met gebruikmaking van een door het UWV ter beschikking gesteld aanvraagformulier. Artikel 3 De termijn van vier weken, genoemd in [artikel 83, eerste en tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=83), wordt gerekend aan te vangen voor degene, die binnen de daarvoor vastgestelde termijn een aanvraag om uitkering krachtens de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) heeft gedaan en op wiens aanvraag afwijzend is beslist, met ingang van de dag na die, waarop hij redelijkerwijze van de desbetreffende beslissing heeft kunnen kennisnemen. Hoofdstuk III. Aanvang en einde vrijwillige verzekering Artikel 4 Het UWV geeft van de op de aanvraag genomen beslissing schriftelijk kennis aan de aanvrager onder mededeling van het tijdstip waarop de vrijwillige verzekering een aanvang neemt. Artikel 5 1. Het UWV geeft aan de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering schriftelijk kennis van het tijdstip waarop de vrijwillige verzekering wordt beëindigd. 2. Het eindigen van de vrijwillige verzekering heeft geen invloed op de uitkeringen welke krachtens die verzekering lopen o"},{"i":372,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 oktober 2023, nr. 2023-0000520102, houdende intrekking van de Regeling tegemoetkoming werknemers met CSE Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3); Besluit: Artikel I De [Regeling tegemoetkoming werknemers met CSE](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043193) wordt ingetrokken. Artikel II De [Regeling tegemoetkoming werknemers met CSE](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043193), zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op tegemoetkomingen die voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling zijn aangevraagd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":269,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 januari 2008, nr. AV/IR/2008/1568, houdende instelling van de commissie Arbeidsparticipatie (Instellingsbesluit commissie Arbeidsparticipatie) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. commissie: commissie Arbeidsparticipatie; - b. Minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - c. ministerie: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2. Instelling 1. Er is een commissie Arbeidsparticipatie. 2. De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 januari 2008 voor de duur van vijf maanden. Artikel 3. Taken De commissie zal aan de Minister voorstellen formuleren over maatregelen ter verhoging van de arbeidsparticipatie alsook over maatregelen die ertoe leiden dat mensen meer uren gaan werken. De commissie zal zonder beperkingen onderzoeken welke maatregelen nodig zijn om de arbeidsparticipatie in Nederland structureel te verhogen tot 80% conform de kabinetsdoelstelling. De commissie zal voorstellen doen voor zowel de korte termijn als voor de lange termijn. De commissie zal ook voorstellen doen ter verbetering van de werking van de arbeidsmarkt met het oog op verbetering van de kwalitatieve matching. Artikel 4. Samenstelling In de commissie hebben zitting: - a. als voorzitter: - –. drs.ir. P. Bakker (voorzitter van de Raad van Bestuur van TNT). - b. als leden: - –. prof.dr. S. Klosse (hoogleraar sociaal recht Universiteit Maastricht); - –. drs. J.W. Oosterwijk (voorzitter College van Bestuur Erasmus Universiteit); - –. prof.dr. A.L. Bovenberg (wetenschappelijk directeur Netspar); - –. drs. R. de Groot (voorzitter Raad van Bestuur Centrale organisatie Werk en Inkomen); - –. mr. A. Westerlaken (lid Raad van Bestuur Erasmus Medisch Centrum); - –. drs. D. Schrijer (wethouder werk, sociale zaken en grote stedenbeleid Rotterdam); - –. prof.dr. P. Ester (directeur Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek). Artikel 5. Secr"},{"i":395,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 december 2025, nr. 2025-0000276298, houdende de vaststelling premiepercentages werknemers- en volksverzekeringen, maximumpremieloon werknemersverzekeringen en opslag kinderopvangtoeslag 2026 [KetenID WGK028361] handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Financiën; Gelet op de [artikelen 11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), [18, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=18), [27, eerste tot en met het derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=27), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=31), [36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=36), [95, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=95), en [artikel 96, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=96) en [artikel 1.10, derde lid, van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.10); Besluit: Artikel I. Premiepercentage algemene ouderdomsverzekering Het premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), is voor het jaar 2026 17,90%. Artikel II. Premiepercentage nabestaandenverzekering Het premiepercentage voor de nabestaandenverzekering, bedoeld in [artikel 11, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), is voor het jaar 2026 0,10%. Artikel III. Maximum premieloon Het bedrag, bedoeld in [artikel 17, eerste lid, eerste zin, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=17), bedraagt voor het jaar 2026 voor een loontijdvak van een j"},{"i":267,"b":"Instelling Werkgroep fiscale behandeling pensioenen Overwegende dat het wenselijk is de werkgroep fiscale behandeling pensioenen in te stellen; Besluit: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een werkgroep fiscale behandeling pensioenen. Artikel 2 De werkgroep heeft de opdracht te onderzoeken welke aanpassingen in de fiscale behandeling van aanvullende oudedagsvoorzieningen en daarmee samenhangende fiscale regelingen wenselijk en mogelijk zijn met het oog op de vraag om flexibilisering en individualisering. Hoewel het brede terrein van de oudedagsregelingen fiscaal gezien op een harmonieuze wijze moet zijn geregeld, zal het zwaartepunt van de werkzaamheden van de werkgroep moeten liggen op de fiscale behandeling van de pensioenpraktijk. Op basis van haar bevindingen kan zij aanbevelingen en voorstellen doen tot aanpassing van de criteria die thans gelden voor het fiscaal faciliëren van aanvullende oudedagsvoorzieningen en voor de daarmee samenhangende fiscale regelingen. De werkgroep houdt bij haar onderzoek rekening met de ontwikkelingen op het terrein van de oudedagsvoorzieningen zelf zoals flexibilisering, individualisering, demografische ontwikkelingen e.d. en betrekt daarbij met name ook de economische aspecten (arbeidskosten, functioneren van markten, koopkracht), mede in een internationaal perspectief. De budgettaire aspecten van de onderscheiden voorstellen dienen nadrukkelijk in de afweging te worden betrokken terwijl de thans bestaande budgettaire kaders niet overschreden kunnen worden. § 2. Samenstelling en werkwijze Artikel 3 1. Tot lid, tevens voorzitter van de werkgroep wordt benoemd: mr. D.E. Witteveen. 2. Tot lid, tevens secretaris van de werkgroep wordt benoemd: mw. mr. B. Dijkerman. 3. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: mr. H.J. van Dalen, drs. C.C.H.J. Driessen, drs. J D. Flikweert, dhr. G.A. Hansum R.A., dr. P. Kavelaars, mr. W.F.E. Klaassen, prof. dr. E. Lutjens, mr. W.A. Mooij, mr. J.P.F. Slijpen, dhr. G.V. Smittenaar, prof. dr. L.G.M."},{"i":268,"b":"Instellingsbeschikking Commissie grensarbeiders Overwegende dat het wenselijk is te komen tot de instelling van de Commissie grensarbeiders, Besluit: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een tijdelijke Commissie grensarbeiders. Artikel 2 De Commissie heeft als taak te adviseren omtrent mogelijke knelpunten waarmee grensarbeiders in de praktijk kunnen worden geconfronteerd als gevolg van het wonen aan de ene kant van de grens en het werken aan de andere kant van de grens. Daarnaast heeft de Commissie als taak te adviseren over de wijze waarop de in het concept nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en België opgenomen maatregelen waarmee wordt voorkomen dat grensarbeiders bij overgang van een woon- naar een werkstaatheffing over hun arbeidsinkomen een inkomensachteruitgang zouden ondervinden, zo adequaat mogelijk kunnen worden geïmplementeerd. § 2. Samenstelling en werkwijze Artikel 3 1. Tot lid, tevens voorzitter van de commissie wordt benoemd: de heer R.L.O. Linschoten, voormalig Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; 2. Tot lid, tevens secretaris van de commissie wordt benoemd: mr. P.A.G.M. Cools, Ministerie van Financiën; 3. Tot leden van de commissie worden benoemd: - mr. C.J. van den Berg, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - mr. J.R. Borst, Ministerie van Economische Zaken - mr. S.H. Buijze, Belastingdienst/Particulieren Middelburg - de heer G. Essers, FNV - de heer I.F.I. Cools, Stichting Grensarbeid - mr. O. Muurmans, NedCar NV Sittard - de heer L.A.A.P. Nabuurs, DAF Trucks NV Eindhoven - mw. mr. J.M.C.W. Schattenberg, Vereniging VNO-NCW - drs. J. Persoon, LOZO - drs. E. Tasma, FNV - mw. mr. M.J.G.A.M. Weerepas, Universiteit Maastricht - mr. L.G. Zuliani, Ministerie van Financiën. - dr. J.J. van Dijk, CNV - de heer W.J.A. Debets, Vereniging Europese grenslandbewoners Artikel 4 Ter uitvoering van haar taak kan de commissie zich door tussenkomst van het Ministerie van Financiën tot derden wenden voor het verkrijgen van inlicht"},{"i":306,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 mei 2026, nr. 2026-0000113609, houdende de inrichting van de directie Werknemersregelingen alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Werknemersregelingen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Werknemersregelingen 2026) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=3), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=10) en [13 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directeur-generaal Sociale Zekerheid en Integratie 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=13); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **directie WR:** de directie Werknemersregelingen van het ministerie; - b. **het UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). § 2. Organisatie en taken afdelingen Artikel 2 WR bestaat uit de volgende onderdelen: - a. de Afdeling Werkgevers (WG); - b. de Afdeling Werkzoekenden en sociale zekerheid in de EU (WEU); - c. de Afdeling Werk en Inkomen voor Zieken en Arbeidsongeschikten (WIZA); - d. de Afdeling Caribisch Nederland (CN); - e. de Afdeling Opdrachtgeverschap & Handhaving (OG&H); - f. het Team Directieadvisering (TD); - g. de Unit Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN), gevestigd te Bonaire, Sint Eustatius en Saba (RCN-unit SZW). Artikel 3 Het hoofd van de afdeling Werkgevers is verantwoordelijk voor de volgende algemene taken op het gebied van: - a. de [Wet banenafspraak en het quotum arbeidsbeperkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051018) (Wet Banenafspraak); - b. de [Wet tegemoetkomingen loondomein](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037522) (Wtl); - c. he"},{"i":302,"b":"Ontheffing van artikel 8 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 Overwegende dat een ontheffing van [artikel 8, eerste lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002014&artikel=8) voor bepaalde groepen van werknemers gewenst is teneinde onnodige in dat artikel gelegen belemmeringen voor structurele werktijdverkorting weg te nemen; Gelet op [artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002014&artikel=8); Besluit: Artikel 1 1. In afwijking van [artikel 8, eerste lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002014&artikel=8) is het een werkgever toegestaan de werktijd van zijn werknemers te verkorten, voor zover de op de werkgever van toepassing zijnde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst zodanige verkorting uitdrukkelijk toestaan of tot zodanige verkorting verplichten. 2. Ingeval het eerste lid van toepassing is en de werkgever de werktijd van een deel van zijn werknemers verkort, is het hem toegestaan een overeenkomstige werktijdverkorting toe te passen ten aanzien van andere bij hem in dienst zijnde werknemers, waarop geen bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing zijn. 3. Het bepaalde in de voorafgaande leden is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de werkgever op wie een verordening krachtens [artikel 16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=16), [86, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=86), of [93 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93) (Stb. 1950, K 22) dan wel een regeling krachtens [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002698&artikel=5) of [6 van de Wet op de loonvorming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002698&artikel=6) (Stb. 1970, 69) van toepassing is. Artikel 2 1. In afwijking va"},{"i":351,"b":"Regeling bedrijfsvakanties Gelet op [artikel 36 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=36); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** degene die wordt bedoeld in [artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=1) - b. **hoofd defensieonderdeel:** - 1°. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf; - 2°. de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando - 3°. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf; - 4°. de commandant van het Commando DienstenCentra, voor zover het betreft het Commando DienstenCentra. - c. **bedrijfsvakantie:** een periode van twee of meer aaneengesloten werkdagen waarin voor meerdere ambtenaren, werkzaam bij een dienstonderdeel, collectief vakantie is vastgesteld. Artikel 2. Bevoegdheid tot vaststellen 1. Het hoofd defensieonderdeel kan bedrijfsvakanties vaststellen. 2. Het hoofd defensieonderdeel kan de in het vorige lid genoemde bevoegdheid overdragen aan andere functionarissen binnen zijn ressort. Artikel 3 1. Vaststelling van een bedrijfsvakantie geschiedt in overleg en in overeenstemming met de dienstcommissie van het desbetreffende dienstonderdeel dan wel de dienstcommissie van de desbetreffende dienstonderdelen. 2. Wanneer het overleg bedoeld in het vorige lid niet mogelijk is omdat er geen dienstcommissie aanwezig is, moet het hoofd defensieonderdeel ervoor zorg dragen dat het betreffende burgerpersoneel op andere wijze wordt geraadpleegd en hun instemming wordt verkregen. 3. Als het overleg, bedoel"},{"i":426,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 februari 2020, kenmerk 1643569-201510-WJZ, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2019 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2019: **100** 2798 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2020. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":308,"b":"Overdracht van aandelen door aandeelhouder(s) aan werknemersstichting De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Dit besluit is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarbij van de gelegenheid gebruik is gemaakt de uitvoering te delegeren aan de inspecteur. 1. Inleiding In dit besluit wordt het beleid met betrekking tot de fiscale behandeling van overdracht van aandelen in besloten vennootschappen door aandeelhouders aan zgn. ‘stichtingen werknemerszelfbestuur’ weergegeven. Het gaat daarbij om overdrachten waarbij een te lage tegenprestatie wordt bedongen of waarbij een tegenprestatie ontbreekt. De aard en de omvang van de te verlenen faciliteiten worden verduidelijkt in paragraaf 3. In paragraaf 4 zijn de aan het verlenen van de faciliteiten verbonden voorwaarden opgenomen. Deze voorwaarden hebben het karakter van standaardvoorwaarden. Afhankelijk van de in het individuele geval geldende feiten en omstandigheden kunnen daarnaast aanvullende en voor zoveel nodig afwijkende voorwaarden worden gesteld. De voorwaarden in paragraaf 4 zijn toegesneden op de overdracht van aandelen aan ‘stichtingen werknemerszelfbestuur’. 2. Definities Voor de toepassing van deze aanschrijving wordt verstaan onder: 3. Te verlenen faciliteiten Op een gezamenlijk schriftelijk verzoek van degene die in het kader van een aandelenoverdracht aandelen vervreemdt en van de stichting, worden de in paragraaf 4 opgenomen voorwaarden alsmede onder de voorwaarden, die in daartoe leidende gevallen in aanvulling op de in paragraaf 4 opgenomen voorwaarden dan wel in afwijking daarvan worden gesteld, de hierna onder A en B vermelde faciliteiten verleend. 4. Voorwaarden Dit besluit treedt in werking met ingang van het belastingjaar 2001."},{"i":393,"b":"Regeling tijdelijke garantie ontslaguitkeringen SWOV Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3) en [4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. SWOV: Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV; - c. fonds: fonds van de Stichting Wachtgeldfonds SWOV. Artikel 2 1. De Minister vult over de boekjaren 2004 tot en met 2010 eventuele tekorten in het fonds aan voorzover: - a. deze tekorten voortkomen uit ontslaguitkeringen van de SWOV jegens ex-werknemers; - b. deze ontslaguitkeringen onderbouwd zijn met een door de Minister goedgekeurd afvloeiingsplan, dan wel voortvloeien uit een uitspraak van de rechter of toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen; - c. de ontslaguitkeringen niet betaald kunnen worden uit het fonds; - d. de ontslaguitkeringen leiden tot uitkeringen aan ex-werknemers die niet afwijken van en niet uitgaan boven uitkeringen die kunnen worden gedaan op grond van de regeling die op dat moment voor ambtenaren van de sector Rijk van toepassing is; - e. de SWOV aantoonbaar al het mogelijke heeft gedaan om aanspraken op ontslaguitkeringen te minimaliseren, en - f. de SWOV van de werking van deze regeling jaarlijks verslag doet in het jaarverslag, bedoeld in [artikel 391, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=391). 2. De aanvulling, bedoeld in het eerste lid, zal een formatieve omvang van 50 fte’s niet overschrijden. Artikel 3 1. Geen aanvulling als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016628&artikel=2&z=2006-11-30&g=2006-11-30), heeft plaats voorzover deze betrekking heeft op tekorten in het fonds die voortvloeien uit ontslaguitkeringen die zijn ingegaan nadat de SWOV de B3-status heeft verloren. 2. Evenmin heeft aanvulling plaat"},{"i":344,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 augustus 2016, 2016-0000171123, tot aanwijzing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als het nationale coördinatiebureau als bedoeld in artikel 9 van de EURES-verordening en aanwijzing van vertegenwoordigers van het nationale coördinatiebureau Gelet op artikel 9, eerste lid, en artikel 14 van Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt onder verordening verstaan: Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013. Artikel 2 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt aangewezen als het nationale coördinatiebureau, bedoeld in artikel 9 van de verordening. 2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen draagt zorg voor de totstandkoming en het bijhouden van een systeem om organisaties als EURES-lid of -partner toe te laten als bedoeld in artikel 11 van de verordening. 3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verzamelt en analyseert informatie over arbeidstekorten en -overschotten en over EURES activiteiten op nationaal niveau en in grensoverschrijdend verband als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de verordening en houdt rekening met deze informatie in het jaarlijkse nationale werkprogramma ten behoeve van EURES. 4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beschikt over procedures ter verzameling van gegevens over de activiteitengebieden van EURES op n"},{"i":276,"b":"Wet van 24 april 1997, houdende overgangs- en invoeringsrecht voor de totstandkoming van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering van de [Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008655), de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) en de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) te regelen, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet in te trekken en in verband daarmee enige wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN ARTIKEL I. ALGEMENE BEGRIPPEN 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - c. Arbeidsongeschiktheidsfonds: het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in [artikel 72 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=72); - d. Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds: het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in [artikel 34 van de Wet financiering volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004538&artikel=34); -"},{"i":381,"b":"Regeling ontslaguitkering vliegers KLPD gelet op [artikel 88a, vijfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=88a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. bevoegd gezag: de korpschef; - b. ontslag: een ontslag als bedoeld in [artikel 88a van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=88a); - c. betrokkene: de gewezen ambtenaar als bedoeld in [artikel 88a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=88a), aan wie ontslag is verleend; - d. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in [artikel 6 van de Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791&artikel=6); - e. pensioenreglement: het pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP; - f. ABP arbeidsongeschiktheidspensioen: een arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in hoofdstuk 11 van het pensioenreglement; - g. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=4) of [artikel 5 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=5); - h. bezoldiging: de bezoldiging, bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - i. eindejaarsuitkering: de eindejaarsuitkering, bedoeld in [artikel 25b van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=25b); - j. uitkering: de uitkering, bedoeld in [artikel 88a, vijfde lid, Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=88a); - k. vakantie-uitkering: de vakantie-uitkering, bedoeld in [artikel 23 van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=23); - l. WIA-uitkering: een uitkering o"},{"i":366,"b":"Regeling faciliteiten Turkse dienstplicht defensie-ambtenaren (RFTDD) Gelet op: [artikel 86 aanhef en onder b. van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=86); [artikel 45 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=45); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Hoofdstuk 2. Voorzieningen en voorwaarden Artikel 2. Voorzieningen Aan de belanghebbende die toestemming van de Turkse overheid heeft verkregen zijn dienstplicht in Turkije af te kopen kan door de bevoegde autoriteit éénmalig een renteloze lening van ten hoogste € 6000 worden verleend alsmede 20 werkdagen buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging. Artikel 3. Voorwaarden 1. De in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013727&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2002-06-01&g=2002-06-01) genoemde renteloze lening en het buitengewoon verlof worden op aanvraag van de belanghebbende militair verleend, nadat deze, te rekenen vanaf de datum waarop hij de initiële opleiding met gunstig gevolg heeft afgesloten, tenminste één jaar onafgebroken in dienst is bij het ministerie van Defensie en als zodanig goed functioneert. 2. De in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013727&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2002-06-01&g=2002-06-01) genoemde renteloze lening en het buitengewoon verlof worden op aanvraag van de belanghebbende burgerambtenaar verleend, nadat deze, te rekenen vanaf de datum waarop de proeftijd eindigt, tenminste één jaar onafgebroken in dienst is bij het ministerie van Defensie en als zodanig goed functioneert. 3. Het buitengewoon verlof wordt verleend voor de gevraagde periode, tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten. 4. De renteloze lening is uitsluitend bestemd voor het door belanghebbende bij de Turkse overheid afkopen van de militaire dienstplicht alsmede voor de betaling van de"},{"i":367,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 november 2019, nr. 2019-0000605266, tot aanwijzing van feestdagen voor ambtenaren BES (Regeling feestdagen ambtenaren BES) Gelet op [artikel 37, onderdeel j, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=37); Besluit: Artikel 1 Voor de ambtenaren werkzaam op Bonaire, worden als feestdag aangewezen 30 april als zijnde Dia di Rincon en 6 september als zijnde Dia di Himno y Bandera. Artikel 2 Voor de ambtenaren werkzaam op Sint Eustatius, worden als feestdag aangewezen de dag, vallende na de op Sint Eustatius gehouden carnavalsoptocht en 16 november als zijnde Statia Day. Artikel 3 Voor de ambtenaren werkzaam op Saba, worden als feestdag aangewezen de dag, vallende na de op Saba gehouden carnavalsoptocht en de eerste vrijdag van december als zijnde Saba Day. Artikel 4 De [Regeling Dia di Himno y Bandera, Statia Day en Saba Day ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032323) wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling feestdagen ambtenaren BES. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":360,"b":"Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 Gelet op de [artikelen 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=2), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=10), [11, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=11) en [15, tweede lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=15); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092); - b. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2. Aanvraag van de verplichtstelling De aanvraag van de verplichtstelling, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=2), bevat: - a. een vermelding van de organisaties die om de verplichtstelling vragen; - b. een toelichting op de aanvraag tot verplichtstelling; - c. een digitale tekst van de integrale omschrijving van de gewenste werkingssfeer van de verplichtstelling, waarbij gebruik is gemaakt van algemeen gebruikte programmatuur; - d. een digitale tekst van de integrale statuten en reglementen, waarbij gebruik is gemaakt van algemeen gebruikte programmatuur, en - e. een opgave van representativiteitsgegevens in de vorm van: - 1°. het aantal werkgevers, dat lid is van de bij de aanvraag van de verplichtstelling betrokken werkgeversorganisatie(s) onderscheidenlijk het aantal werkgevers in de bedrijfstak waarop de aanvraag van de verplichtstelling betrekking heeft, als mede - 2°. het aantal werknemers in dienst van werkgevers die lid zijn van de bij de aanvraag van de verplichtstelling betrokken werkgeversorganisatie(s) onderscheidenlijk het aantal werknemers werkzaam bij werkgevers in de bedrijfstak waarop de aanvraag van de v"},{"i":324,"b":"Premieheffing, volksverzekeringen, werknemersverzekeringen en Zorgverzekeringswet; Internationale aspecten Dit besluit is een actualisering per 1 januari 2006 en samenvoeging van de besluiten van: 0. Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. [Verordening (EEG) nr. 1408/71](31971R1408) 3. Verdragen 4. Nationale wetgeving met internationale aspecten 5. Intrekking besluiten 6. Inwerkingtreding Bijlage 1. Inleiding De Belastingdienst is, naast de heffing van premie volksverzekeringen, met ingang van 1 januari 2006 ook verantwoordelijk voor de heffing van premie werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). De heffing van premie is onlosmakelijk verbonden met de verzekeringsplicht voor de sociale verzekeringen, respectievelijk de plicht tot het afsluiten van een zorgverzekering. De Belastingdienst is voor de premieheffing bevoegd vast te stellen of iemand onder het Nederlandse socialezekerheidsstelsel valt. Bij grensoverschrijdend wonen en werken wordt de verzekeringsplicht onder meer vastgesteld met toepassing van internationale socialezekerheidsregelingen. Een aantal besluiten met betrekking tot internationale socialezekerheidsregelingen is in de besluiten van 15 november 2005, nr. CPP2005/2172M, VN 2005/85.8 en van 10 juli 2006, nr. CPP2006/768M, Stcrt. 2006, 137, blz. 15, ingetrokken. De besluiten die resteren worden zoveel mogelijk samengevoegd. Onderhavig besluit dient er verder toe om het beleid over het vaststellen van de verzekeringsplicht te actualiseren aan de heffingen waarvoor de Belastingdienst met ingang van 1 januari 2006 verantwoordelijk is. De beleidsregel vervat in vraag/antwoord 9 van het besluit van 15 juli 2004, nr. [CPP2004/415M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017047) is opgenomen in onderdeel 2.3 van dit besluit. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, de Sociale verzekeringsbank, het College zorgverzekeringen en de Belastingdienst hebben al geruime tijd"},{"i":396,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 november 2021, 2021-0000084573, tot vaststelling van een nieuwe Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3), [5, tweede, vierde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=5), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=7), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8), [9, eerste lid, onderdelen b en f, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=9), en [22 van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=22); Besluit: Artikel 1. Delegatiebevoegdheid minister 1. De bevoegdheid tot het afgeven en intrekken van een tewerkstellingsvergunning wordt overgedragen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. 2. De bevoegdheid tot het geven van advies aan de Minister van Justitie en Veiligheid inzake het verlenen, verlengen of intrekken van een gecombineerde vergunning wordt overgedragen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Artikel 2. In acht te nemen regels Bij de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046054&artikel=1&z=2025-05-15&g=2025-05-15), neemt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, naast de in de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149), het [Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046078) en de in deze regeling gestelde regels, de nadere regels in acht inzake de wijze van toepassing van de Wet arbeid vreemdelingen, als omschreven in de bij deze regeling behorende [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046054&bijlage=I&z=2025-05-15&g=2025-05-15), uitvoeringsregels. Artikel 3"},{"i":386,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling) Gelet op [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=2), [70, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=70), [109, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=109), en [158 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=158); [artikel 81, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=81) en [153 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=153); [artikel 9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020892&artikel=9), [23, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020892&artikel=23), [25, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020892&artikel=25) en [27, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020892&artikel=27); [artikel 12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020871&artikel=12) en [22, vierde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020871&artikel=22); [artikel 8, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163); [artikel 50, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=50); [artikel 67, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=67) en [artikel 7, vierde"},{"i":383,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 oktober 2004, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/A&L/04/68753, tot regeling van de overgang van de vermogensbestanddelen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen naar het Arbeidsongeschiktheidsfonds in verband met de Wet einde toegang verzekering WAZ Gelet op [artikel XI van de Wet einde toegang verzekering WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016985&artikel=XI); Besluit: Artikel 1. Overgang vermogensbestanddelen Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen De vermogensbestanddelen die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5), afzonderlijk worden beheerd en geadministreerd in de vorm van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, bedoeld in [artikel 78 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=78), zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel L, van de Wet einde toegang verzekering WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016985&artikel=I), gaan op 1 januari 2005 over op het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in [artikel 72 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=72). Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":375,"b":"Regeling mandatering van ingevolge de Warenwet aangewezen ambtenaren tot inbeslagneming Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), Besluit: Artikel 1 1. De ingevolge [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25) aangewezen ambtenaren hebben mandaat: - a. tot het gelasten namens de Minister van inbeslagname als bedoeld in [artikel 32l, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32l); - b. tot het namens de Minister aanwijzen van de locatie voor de opslag van het inbeslaggenomene en de bepaling van de voorwaarden waaronder die opslag dient te geschieden, bedoeld in [artikel 32l, derde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32l). 2. Het mandaat in het eerste lid heeft geen betrekking op het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2001. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":374,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 december 2014, 2014-0000184977, tot vaststelling van regels over de berekening van de arbeidsduur en aanwijzing van vaste en variabele looncomponenten op grond van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding (Regeling looncomponenten en arbeidsduur) Gelet op de [artikelen 1, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035998&artikel=1), en [2, vierde lid, van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035998&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder de gemiddelde arbeidsduur: de gemiddelde arbeidsduur, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding. Artikel 2. Arbeidsduur 1. Indien geen of een wisselende arbeidsduur is overeengekomen worden bij de berekening van de gemiddelde arbeidsduur perioden, waarin de werknemer verlof genoot, wegens een staking geen arbeid verrichtte, of niet in staat was arbeid te verrichten in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, niet in aanmerking genomen. 2. Indien op grond van het eerste lid in totaal een periode van 30 dagen of langer niet in aanmerking wordt genomen, wordt voor de berekening van de gemiddelde arbeidsduur voor iedere periode van 30 dagen een kalendermaand in aanmerking genomen waarin geen van de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, zich voordeed, en die direct voorafgaat aan de periode waarover de gemiddelde arbeidsduur wordt berekend. 3. Bij de toepassing van het tweede lid worden perioden gelegen voor de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst die wordt beëindigd buiten beschouwing gelaten. Artikel 3. Provisie en stukloon 1. [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035984&artikel=2&z=2020-07-01&g=2020-07-01) is van overeenkomstige toepassing voor de berekening van het loon, bedoeld in [artikel 2, derde"},{"i":350,"b":"Regeling archiefbeheer UWV 2023 Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **archiefbescheiden:** bescheiden (informatie objecten) als bedoeld in [artikel 1 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1) en nader gespecificeerd in het ordeningsstructuurplan, inclusief de bijbehorende context en metadata die direct hieraan verbonden zijn; - b. **archiefbestanddeel:** Geheel van archiefbescheiden binnen een archief, bijeengebracht met een bepaald doel en in onderlinge samenhang te raadplegen; - c. **archiefomgeving:** ruimte, zowel fysiek als digitaal en alle daarbij behorende fysieke, elektronische en digitale (hulp)middelen, bestemd voor de goede, geordende en toegankelijke opslag van archiefbescheiden die hetzij op termijn worden vernietigd, hetzij op termijn worden overgebracht naar een archiefbewaarplaats; - d. **archiefstructuurplan:** overzicht van de gebruikte archiefstructuren waarmee de organisatie permanent overzicht en inzicht heeft waar welke archiefbescheiden zijn opgeslagen, en op welke wijze deze gevonden kunnen worden binnen het logisch archief; - e. **archivaris:** een door de zorgdrager belegde rol met de in de artikelen gedefinieerde taken en verantwoordelijkheden; - f. **archief:** het geordende geheel van archiefbescheiden, ontvangen of opgemaakt door een instelling, organisatie, persoon of groep personen en die naar hun aard bestemd zijn om onder een persoon, bestuur of orgaan te berusten; - g. **beheer van archiefbescheiden:** het treffen van maatregelen en het aanbrengen van voorzieningen, die nodig zijn om archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede de wettelijke verplichtingen die er op rusten uit te voeren; - h. **beheereenheid:** (onderdeel van) een afdeling waar taken van beheer v"},{"i":373,"b":"Regeling inzage- en correctierecht UWV 2018 Gelet op hoofdstuk III Algemene Verordening Gegevensbescherming BESLUIT § 1. Definities Artikel 1. Definities en toepassingsbereik 1. Deze regeling is van toepassing op verzoeken om inzage in en correctie van persoonsgegevens die verwerkt worden in het kader van de uitvoering van de wettelijke taken door UWV. 2. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **AVG:** Algemene Verordening Gegevensbescherming; - b. **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als bedoeld in [artikel 2 van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=2); - c. **persoonsgegevens:** alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (\"de betrokkene\"); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon; - d. **verwerking:** een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens; - e. **betrokkene:** Natuurlijke persoon op wie een persoonsgegeven betrekking heeft; - f. **verwerkingsverantwoordelijke:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van per"},{"i":310,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties, de Internationale Arbeidsorganisatie, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, de Internationale Burgerluchtvaart Organisatie, de Wereldgezondheidsorganisatie, de Internationale Vereniging voor Verreberichtgeving, de Wereld Meteorologische Organisatie, de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, de Wereldpostvereniging en de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie inzake technische hulp aan Suriname en de Nederlandse Antillen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen „de Regering van het Koninkrijk”) en de Verenigde Naties, de Internationale Arbeidsorganisatie, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, de Internationale Burgerluchtvaart Organisatie, de Wereldgezondheidsorganisatie, de Internationale Vereniging voor Verreberichtgeving, de Wereld Meteorologische Organisatie, de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, de Wereldpostvereniging en de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie, welke Organisaties deel uitmaken van de sector technische hulp van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (hierna te noemen „de Organisaties”); Verlangend uitvoering te geven aan de resoluties en besluiten met betrekking tot technische hulp van de Organisaties, welke zijn gericht op de bevordering van de economische en sociale vooruitgang en ontwikkeling van de volkeren; Zijn deze Overeenkomst aangegaan in een geest van vriendschappelijke samenwerking. Artikel I. Het verschaffen van technische hulp 1. De Organisaties verlenen technische hulp aan de Regering van Suriname of van de Nederlandse Antillen, indien de daartoe benodigde gelden beschikbaar zijn. De Organisaties, die gezamenlijk of afzonderlijk optreden, en de Regering van Suri"},{"i":384,"b":"Regeling pensioenen BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05.00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 1. Als verzekeraar van een pensioen kan slechts optreden: - a. een pensioenfonds als bedoeld in de [Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712); - b. een verzekeraar als bedoeld in de [Wet toezicht verzekeringsbedrijf BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028495); - c. een pensioenfonds uit een ander deel van het Koninkrijk, of een door de inspecteur als zodanig aangewezen, niet op de BES eilanden gevestigde, professionele verzekeraar of buiten het Koninkrijk gevestigd pensioenfonds; - d. een ander lichaam dan bedoeld in de onderdelen a, b, en c, dat op de BES eilanden is gevestigd, en de pensioenverplichting rekent tot het binnenlands ondernemingsvermogen en voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden; - e. de natuurlijk persoon tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of heeft gestaan en die voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden. 2. Het lichaam, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, en de natuurlijk persoon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kunnen slechts als verzekeraar van een pensioen optreden ter uitvoering van: - a. pensioentoezeggingen: - 1°. van naamloze vennootschappen en andere vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en waarin een werknemer of gewezen werknemer, zijn echtgenoot of partner, indien hij gedurende tenminste één jaar onafgebroken een gezamenlijke huishouding met zijn partner voert, een van hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, dan wel een van hun pleegkinderen al dan niet tezamen voor ten minste 10% van het nominaal gestort kapitaal, onmiddellijk of middellijk, aandeelhouder is; - 2°. van andere dan de in onderdeel a bedoelde lichamen waarvan de werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in de uitvoering van pensioenregelingen of van regelingen"},{"i":298,"b":"Wet van 23 april 1971, houdende regeling met betrekking tot de arbeid ten behoeve van de volkshuishouding, de landsverdediging en de overheidsdienst voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden regelen te stellen met betrekking tot de arbeid ten behoeve van de volkshuishouding, de landsverdediging en de overheidsdienst; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. het Hoofd Arbeidsvoorziening: de door Onze Minister daartoe aangewezen functionaris van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - c. werknemer: - 1°. degene, die in dienst van een ander arbeid verricht; - 2°. degene, die in de zelfstandige uitoefening van een beroep of bedrijf persoonlijk arbeid voor een ander verricht - tenzij hij dergelijke arbeid in de regel voor meer dan twee anderen verricht of zich daarbij door meer dan twee personen, niet zijnde zijn echtgenoot of geregistreerde partner of een bij hem inwonend bloed- of aanverwant of pleegkind, laat bijstaan, of deze arbeid voor hem slechts een bijkomstige werkzaamheid is; - d. **werkgever:** de natuurlijke of rechtspersoon, in wiens dienst dan wel voor wie de onder **c**, onderscheidenlijk sub 1° en sub 2°, bedoelde werknemer arbeid verricht; - e. **arbeidsverhouding:** de rechtsbetrekking tussen een werknemer en diens werkgever; - f. inwoner van Nederland: degene, die als ingezetene in de basisregistrati"},{"i":352,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 juli 2012, nr. AV/AR/2012/9243 tot vervanging van de Regeling beëindiging arbeidsovereenkomsten BES (Regeling beëindiging arbeidsovereenkomsten BES 2012) Gelet op [artikel 6 van de Wet beëindiging arbeidsovereenkomsten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028174&artikel=6); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Paragraaf 2. Instelling, werkwijze en vergoeding ontslagadviescommissie Artikel 2.1. Instelling Er is een ontslagadviescommissie beëindiging arbeidsovereenkomsten BES voor: - a. Bonaire; en - b. Sint Eustatius en Saba. Artikel 2.2. Benoeming en termijn 1. De minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden van een ontslagadviescommissie. De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan die bij afwezigheid van de voorzitter in diens rechten treedt. 2. De benoeming geschiedt voor de duur van ten hoogste vier jaar. 3. Een aftredend lid is terstond herbenoembaar. Artikel 2.3. Onafhankelijkheid 1. Leden van een ontslagadviescommissie adviseren onafhankelijk en zonder last of ruggespraak. Om dit te waarborgen verstrekken leden van een ontslagadviescommissie aan de minister gegevens over hun hoofd- en nevenfuncties. 2. Een lid van een ontslagadviescommissie adviseert niet in een zaak waarbij hij op enigerlei wijze betrokken is of is geweest. Artikel 2.4. Vergoeding 1. Aan leden van een ontslagadviescommissie wordt ten laste van de minister een door hem vast te stellen vergoeding toegekend. 2. Om aanspraak te kunnen maken op de vergoeding, ondertekenen de leden van een ontslagadviescommissie per bijgewoonde vergadering een presentielijst. Artikel 2.5. Secretariaat 1. De voorzitter wordt bijgestaan door een secretaris. 2. De secretaris wordt door de minister aangewezen. Artikel 2.6. Vernietiging afschriften dossiers Na behandeling in een ontslagadviescommissie van een verzoek worden de aan de leden toegezonden afschriften van"},{"i":380,"b":"Intrekking en herziening ouderdomspensioen Gelet op [artikel 17, derde en zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=17); Besluit: Artikel 1 De herziening van het aan een gehuwde pensioengerechtigde toegekende ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, in een ouderdomspensioen bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9), alsmede de intrekking van de aan de pensioengerechtigde toegekende toeslag vindt in afwijking van [artikel 17, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=17) plaats met ingang van de dag waarop de echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a) heeft bereikt. Artikel 1a In afwijking van [artikel 17, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=17) gaat de intrekking of een herziening van de toeslag, die voortvloeit uit een wijziging van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de echtgenoot van de pensioengerechtigde, in op de eerste dag van de periode, respectievelijk kalendermaand, bedoeld in [artikel 4.1, vierde, respectievelijk vijfde lid, van het Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029368&artikel=4:1). Artikel 2 De herziening van het ouderdomspensioen, toegekend aan de gehuwde pensioengerechtigde die duurzaam gescheiden is gaan leven of van echt is gescheiden, gaat, indien zijn vroegere echtgenoot in dezelfde maand waarin doch nadat het duurzaam gescheiden leven een aanvang nam of de echtscheiding plaatsvond, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a) heeft bereikt, in op de eers"},{"i":186,"b":"Besluit UWV Onderzoekssubsidie ‘Niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking’ Gelet op de [Beleidsregels UWV Onderzoekssubsidies 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047125); Besluit: Artikel 1 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) stelt als subsidiethema vast: ‘Niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking’, zoals nader uitgewerkt in de bijlage bij dit besluit. 2. Maximaal 2 subsidieaanvragen worden gehonoreerd. 3. Het budget voor het in het eerste lid genoemde thema bedraagt in totaal maximaal € 200.000. 4. Verleende subsidie zal ten laste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Arbeidsondersteuningsfonds Jonggehandicapten. Artikel 2 Beknopte subsidieaanvragen kunnen van 31 augustus 2023 tot uiterlijk 6 oktober 2023 12.00 uur worden ingediend. Aangevulde aanvragen kunnen van 26 oktober 2023 tot uiterlijk 20 november 2023 12.00 uur worden ingediend. Artikel 3 De eisen die UWV stelt aan de subsidieaanvragen en de wijze waarop UWV de subsidieaanvragen beoordeelt zijn beschreven in de ‘[Beleidsregels UWV Onderzoekssubsidies 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047125)’ (Stct 2022 – nr. 23757, 09-09-2022) en in de startnotitie die beschikbaar wordt gesteld via UWV Markplaats. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit UWV Onderzoekssubsidie ’Niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking’. Bijlage Subsidiethema Niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking Dit subsidiethema richt zich op de groep mensen in Nederland die naar werk zoeken, maar geen uitkering van UWV of gemeenten krijgen: ookwel aangeduid met de term ‘niet-uitkeringsgerechtigden’ of de vakterm ‘nugger’. Binnen de groep nuggers die naar werk zoeken kampt een deel met een arbeidsbeperking. Dit subsidiethema gaat specifiek over deze personen. Het recht voor nuggers op ondersteuning bij het zoeken"},{"i":188,"b":"Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 [vervallen] Artikel 2 1. Dit besluit is niet van toepassing op de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=1). 2. Voor de toepassing van [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028606&hoofdstuk=II&z=2026-04-10&g=2026-04-10) van dit besluit worden niet als ambtenaar beschouwd: - a. het onderwijzend personeel bij het van overheidswege gegeven openbaar onderwijs. Onder onderwijzend personeel wordt mede begrepen de amanuensis werkzaam bij het van overheidswege gegeven openbaar onderwijs; - b. de met volledige dagtaak aan een politieopleidingschool verbonden leerkracht. Artikel 3 [vervallen] Artikel 4 1. Voor de toepassing van dit besluit en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** - a. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor wat betreft hoofden van dienst in dienst van de staat; - b. het bestuurscollege, voor wat betreft de hoofden van dienst in dienst van een openbaar lichaam; - c. de Rijksvertegenwoordiger, voor wat betreft het personeel van het Bureau van de Rijksvertegenwoordiger; - d. het hoofd van de dienst voor wat betreft de bij zijn dienst werkzaam gestelde ambtenaren. - **hoofd van dienst:** de bij besluit van het bevoegd gezag als zodanig aangewezen ambtenaren. - **gezin:** - a. de echtgenoot of echtgenote van de betrokken ambtenaar; - b. de kinderen tot wie de betrokken ambtenaar in familierechtelijke betrekking staat die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, de stief- en pleegkinderen van de betrokken ambtenaar die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, de laatsten voor zover de betrokken ambtenaar ten behoeve van deze pleegkinderen kindertoelag"},{"i":160,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 29 oktober 2007, nr. WJZ 7124476, houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging aan de Minister van Buitenlandse Zaken betreffende besluiten en overige handelingen die verband houden met het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007 ten aanzien van ambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken Gezien de schriftelijke instemming van de Minister van Buitenlandse Zaken; Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 1. Aan de Minister van Buitenlandse Zaken wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007, met uitzondering van de artikelen 28 en 29, ten aanzien van ambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken op wie het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007 van toepassing is of van toepassing is verklaard. 2. Aan de Minister van Buitenlandse Zaken wordt tevens mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van hoger beroep. 3. De Minister van Buitenlandse Zaken kan voor de in het eerste en tweede lid bedoelde aangelegenheden ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende functionarissen. 4. Het krachtens mandaat of volmacht ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: De Minister van Economische Zaken, namens deze: (handtekening)(naam functionaris) (functie) Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatcourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":190,"b":"Besluit van 27 mei 1988, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5 van de wet van 1 mei 1987, Stb. 242 tot verhoging van een aantal daglonen ingevolge de WAO, de WWV en de WW voor bepaalde categorieën werknemers Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 februari 1988, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Sociale Verzekeringen, Hoofdafdeling Werknemersverzekeringen, nr. SZ/SV/WV/AO/SVW/88/00695; Gelet op artikel 5 van de wet van 1 mei 1987, **Stb.** 242; De Raad van State gehoord (advies van 22 april 1988 No. W12.88.0068); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 mei 1988, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Nr. SZ/WV/AO/SVW/88/02598; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. WAO: [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) (**Stb.** 1987, 89); - b. WSW: Wet Sociale Werkvoorziening (**Stb.** 1967, 687); - c. hernieuwde vaststelling: een hernieuwde dagloonvaststelling op grond van de krachtens artikel 40, derde lid, van de WAO gestelde regelen; - d. dagloonregelen WAO: de op grond van artikel 14, eerste en tweede lid van de WAO gestelde regelen. Artikel 2 Daglonen welke ten grondslag liggen aan uitkeringen ingevolge de WAO die in 1984 hernieuwd zijn vastgesteld op basis van een loon uit hoofde van een dienstbetrekking in de zin van de WSW, worden verhoogd door vermenigvuldiging met de factor 100/97. Artikel 3 1. Indien in 1984 geen hernieuwde vaststelling heeft kunnen plaatsvinden omdat een hernieuwde vaststelling niet tot een hoger dagloon zou leiden dan hetwelk laatstelijk aan de uitkering ingevolge de WAO ten grondslag was gelegd, vindt op 1 januari 1985 hernieuwde vaststelling plaats mits deze vaststelling leidt tot een hoger dagloon dan hetwelk laatstelijk aan de uitkering ingevolge de WAO ten grondslag lag. 2. Bij een"},{"i":402,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 november 2012-0000044243, tot vaststelling van consumentenprijsindexcijfers voor 2013 voor Caribisch Nederland en op basis daarvan aanpassing van bedragen van tegemoetkomingen en uitkeringen, van het wettelijk minimumuurloon en het bedrag genoemd in de Regeling Pensioenwet BES, alsmede van premiepercentages van werknemersverzekeringen en volksverzekeringen en van het maximumdagloon voor de Wet ziekteverzekering BES In overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de [artikelen 7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7), [7a, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7a), [7b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7b), en [27 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=27), [11, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=11), en [30 van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=30), [13, eerste lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=13), [7, vierde lid, van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=7), [8, derde lid, van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=8), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5), en [8, vierde lid, van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8), [21, eerste lid, van het Besluit onderstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=21), en [artikel 7b, eerste en derde lid, van de Pensioenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028712&artikel=7b); Besluit: Artikel 1. Consumentenprijsindexcijfer Caribisch Nederland Het consumentenprijsindexcijfer voor 2013 wordt"},{"i":315,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake sociale zekerheid van hun onderdanen die overzee arbeid hebben verricht Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, Bezield door de wens om de personen van Nederlandse nationaliteit die als werknemer op het grondgebied van Belgisch-Congo of Ruanda-Urundi werkzaam geweest zijn in het genot te stellen van zekere prestaties, welke de Belgische wet van 16 juni 1960 (Belgisch Staatsblad van 30 juni 1960, no. 156) afhankelijk stelt van het sluiten van een wederkerigheidsovereenkomst, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 De personen van Nederlandse nationaliteit, die aan de verzekeringen, ingesteld bij de Belgische wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, (Belgisch Staatsblad van 8 januari 1964, no. 6) hebben deelgenomen, alsmede hun nagelaten betrekkingen van Nederlandse nationaliteit, genieten de in hoofdstuk VI van de wet voorziene aanpassing van de uitkeringen aan de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud, op voorwaarde, dat de verzekerde gedurende alle tijdvakken van deelneming aan de verzekering bijdragen heeft gestort, die een bestemming overeenkomstig artikel 17 of artikel 18 onder **a** van de wet ontvingen. Artikel 3 1. De personen van Nederlandse nationaliteit, die bijdragen hebben gestort die een bestemming overeenkomstig artikel 18, onder **b** van de Belgische wet van 17 juli 1963 ontvingen, kunnen teneinde in het genot van de voordelen, bedoeld in artikel 2 van deze Overeenkomst, te komen, hun rekening over de tijdvakken, liggende vóór 1 juli 1969, bijpassen door het storten van aanvullende bijdragen tot het Solidariteits- en perequatiefonds. 2. De nagelaten betrekkingen van Nederlandse nationaliteit van de hiervoren aangewezen personen, die vóór 1 juli 1969 overleden zijn, kunnen eveneens de in het eerste lid bedoelde stortingen verrichten. 3. Het genot van het bepaalde in artikel 2 van deze Overeenkomst"},{"i":356,"b":"Regeling beperkende bepalingen van naar het Nationaal Archief overgebrachte archiefbescheiden (archief Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden 1952–1997) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief overgebrachte archiefbescheiden van het archief Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden 1952–1997, de volgende beperking gesteld: - 1). Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 19-147 en 150-153 is slechts mogelijk na toestemming van de Algemene Rijksarchivaris. - 2). Toestemming, zoals bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a). de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b). de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c). de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft tot inzage; - d). er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3). Toestemming, zoals bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De Algemene Rijksarchivaris verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, in overeenstemming met het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"i":346,"b":"Regeling ambtseed burgerambtenaren Defensie Gelet op de [artikelen 70a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=70a) en [168 van het Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=168); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **eed** de eed als bedoeld in [70a van het Burgerlijk Ambtenaren Reglement Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=70a), af te leggen volgens het formulier zoals opgenomen in de bijlage bij deze regeling. - 2. **belofte** de belofte als bedoeld in [70a van het Burgerlijk Ambtenaren Reglement Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=70a), af te leggen volgens het formulier zoals opgenomen in de bijlage bij deze regeling. - 3. **ambtenaar** de burgerambtenaar als bedoeld in [artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=1). - 4. **commandant** de commandant als bedoeld in [artikel 3, eerste lid onderdeel c van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=3). Artikel 2 1. De commandant draagt er zorg voor dat de ambtenaar zo spoedig mogelijk na aanstelling, doch in ieder geval binnen drie maanden na aanstelling, de eed of belofte aflegt. 2. De ambtenaar wordt hiertoe door of namens de commandant schriftelijk opgeroepen. 3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de ambtenaar reeds eerder in het kader van een aanstelling of tewerkstelling bij het Rijk of als burgerambtenaar bij het Ministerie van Defensie, een eed of belofte heeft afgelegd. Artikel 3 De ambtenaar bepaalt of hij de eed dan wel de belofte aflegt. Artikel 4 1. De eed of belofte wordt afgelegd ten overstaan van de commandant. 2. De eed of belofte wordt afgelegd in aanwezigheid van een getuige die wordt aangewezen door de autoriteit. Artikel 5 1. Het afleggen"},{"i":317,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko betreffende de aanwerving en de tewerkstelling van Marokkaanse werknemers in Nederland De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van het Koninkrijk Marokko, Gezien de vriendschappelijke betrekkingen die tussen beide landen bestaan, alsmede hun beider belangen op het gebied van de arbeidsvoorziening, Erkennende dat het in het belang van beide landen is de tewerkstelling van Marokkaanse werknemers in Nederland te bevorderen, Verlangende de voorwaarden van aanwerving en tewerkstelling alsmede de arbeidsvoorwaarden van de Marokkaanse onderdanen in Nederland te regelen, Zijn als volgt overeengekomen: Algemene Bepalingen Artikel 1 Terzake van de aanwerving en de tewerkstelling van Marokkaanse werknemers in Nederland zijn bevoegd: aan Marokkaanse zijde, „le Service de la main d'oeuvre du Ministère du Travail et des Questions Sociales” te Rabat, hierna te noemen „de Dienst”; aan Nederlandse zijde, het Directoraat-Generaal voor de Arbeidsvoorziening van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid te Leidschendam, hierna te noemen „het Directoraat-Generaal”. Artikel 2 1. Opdat de bevoegde Marokkaanse autoriteiten tijdig de nodige voorzieningen kunnen treffen en aan de aanvragen kunnen voldoen verstrekt het Directoraat-Generaal aan de Dienst inlichtingen over de geraamde behoeften aan Marokkaanse werknemers van het Nederlandse bedrijfsleven. De Dienst kan het Directoraat-Generaal op de hoogte brengen van het totale aanbod van Marokkaanse werknemers. 2. Het Directoraat-Generaal verschaft bij inwerkingtreding van deze Overeenkomst ter zake van de algemene loon- en arbeidsvoorwaarden, de sociale voorzieningen, alsmede over de levensomstandigheden, alle inlichtingen die kunnen strekken tot voorlichting van de betrokken werknemers. 3. Deze inlichtingen dienen in het bijzonder alle gegevens te behelzen betreffende het gemiddelde loon en de gemiddelde arbeidsduur in de verschillen"},{"i":266,"b":"Instelling Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringsregelingen Besluit: I Er is een Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringsregelingen (DUO), verder te noemen: de Dienst. De Dienst ressorteert rechtstreeks onder de directeur-generaal Management en Personeelsbeleid. II De Dienst is belast met het beoordelen van het recht op, het toekennen en het (doen) uitbetalen van: - a. overheidsontslaguitkeringen voor rijksoverheidspersoneel (met uitzondering van het onderwijzend en militair personeel); - b. pensioenen overzeese gebiedsdelen. III De Dienst is bevoegd om facilitair ontslaguitkeringsregelingen uit te voeren voor organisaties die geen deel uitmaken van de rijksoverheid. IV De Dienst bestaat uit: - 1. de directeur - 2. de adjunct-directeur bedrijfsvoering - 3. de adjunct-directeur uitvoering - 4. het directiesecretariaat - 5. de accountmanager - 6. de afdeling Communicatie, logistiek en facilitair beheer - 7. de afdeling Financiën - 8. de personeelsadviseur - 9. de produktgroep Onderwijs, bestaande uit: - 9.1. het bureau Onderwijs I - 9.2. het bureau Onderwijs II - 9.3. het Bureau Onderwijs III - 9.4. het Produktiesecretariaat - 10. de produktgroep Rijk, bestaande uit: - 10.1. het bureau Rijk I - 10.2. het bureau Rijk II - 10.3. het bureau Functioneel leeftijdsontslag/Overzeese Pensioenen/Politieke pensioenen en bijzondere uitkeringen - 10.4. het Bureau Bijzondere uitvoerende taken - 11. de produktgroep Defensie, bestaande uit: - 11.1. het bureau [Uitkeringsregeling 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002537) - 11.2. het bureau Wachtgelden - 11.3. het produktiesecretariaat Defensie - 12. de afdeling Juridische Zaken - 13. de afdeling Interne Controle - 14. de afdeling Informatievoorziening en Automatisering - 15. de afdeling Informatiebeheer V De onder [IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007191&artikel=IV&z=1995-01-21&g=1995-01-21) genoemde organisatie-eenheden zijn belast met de volgende taken: - 1. De directeur: het geven van leiding aan de dienst. - 2. D"},{"i":361,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 maart 2015, nr. 2015-0000162792, tot het vaststellen van de bezoldingschalen, inpastabellen en enkele toelagen voor de ambtenaren in dienst van de staat in Caribisch Nederland in verband met de formalisering van de Cao CN 2013/2014) (Regeling bezoldiging Rijksambtenaren BES 2013–2015) Artikel 1. Bezoldigingschalen De bezoldigingschalen voor de ambtenaren in dienst van de staat zijn per 1 januari 2026 zoals in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036465&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bij deze regeling is vermeld. Artikel 2. Garantietreden 1. De garantietreden met de aanduiding ‘GRT’ gelden uitsluitend voor de ambtenaren in dienst van de staat niet zijnde ambtenaren, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid. 2. De garantietreden met de aanduiding ‘GJT’ gelden uitsluitend voor de ambtenaren in dienst van de staat die werkzaam zijn bij de Dienst Justitiële Inrichtingen BES. 3. De garantietreden met de aanduiding ‘GDT’ gelden uitsluitend voor de ambtenaren in dienst van de staat die werkzaam zijn bij de Douane BES. 4. De garantietreden met de aanduiding ‘GPT’ gelden uitsluitend voor de ambtenaren in dienst van de staat en aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en voor de aspirant alsmede voor de ambtenaren in dienst van de staat die werkzaam zijn voor de Koninklijke Marechaussee. Artikel 3. Inpastabellen goede beoordeling 2013 Vervallen Artikel 4. Inpastabellen geen goede beoordeling 2013 Vervallen Artikel 5. Bezoldiging geestelijke In afwijking van [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036465&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedraagt de bezoldiging voor de ambtenaren in dienst van de staat en werkzaam als geestelijke per 1 januari 2.026 USD 2.209. Artikel 6. Extra toelage IBTers etc Aan de ambtenaar in dienst van de staat en werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen BES, aan de ambtenaar in dienst van de staat die is aange"},{"i":338,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 3 juni 2004, nr. 5287706/504, houdende aanwijzing van ambtenaren van politie en functionarissen ten behoeve van uitreiking en betekening van gerechtelijke stukken Gelet op de [artikelen 373](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=373), [391](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=391), [541, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=541), [556, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=556), en [587, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=587); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Voor de uitvoering van opdrachten of werkzaamheden als bedoeld in de [artikelen 36d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36d), [373](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=373), [391](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=391), [541, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=541), en [6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:1:5) worden aangewezen: - a. ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2); - b. ambtenaren, werkzaam bij de gerechten en genoemd in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=14), en [artikel 145, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=145); - c. ambtenaren werkzaam bij het openbaar ministerie; - d. ambtenaren, werkzaam bij de Belastingdienst/Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, welke opsporingsbevoegdheid bezitten; - e. ambtenaren, werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA), welke opsporingsbevoegdheid bezitten; - f. ambtenaren, werkzaam bij de Inspectie Soci"},{"i":411,"b":"Regeling vaststelling rekenfactor 2002 Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, alsmede in artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers bedraagt voor het jaar 2002: | **100** | | --- | | 2069 | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2003. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":212,"b":"Besluit verlening mandaat, volmacht en machtiging inzake Regeling bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid en Suppletieregeling gedeeltijk arbeidsongeschikten Gelet op [artikel 7, tweede lid, van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=7) en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Dienst: de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - b. het bestuur: het bestuur van de Dienst; - c. Loyalis: Loyalis Maatwerkadministraties B.V., gevestigd te Heerlen en aldaar kantoorhoudende aan de Oude Lindestraat 70 (6411 JS); - d. Regelingen: Regeling bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid, Suppletieregeling gedeeltijk arbeidsongeschikten en de naastwettelijke regelingen (thans: de Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling). Artikel 2 1. Aan Loyalis wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om met betrekking tot werknemers en gewezen werknemers van de Dienst ter uitvoering en op grond van de Regelingen besluiten te nemen alsmede om privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of privaatrechtelijke rechtshandeling te verrichten, die het bestuur bij of krachtens de Regelingen bevoegd is te nemen. 2. Het mandaat, de volmacht en de machtiging worden verleend met inachtneming van de [artikelen 3 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021299&artikel=3&z=2007-02-23&g=2007-02-23). Artikel 3 Loyalis is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de Regelingen namens het bestuur te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bi"},{"i":225,"b":"Besluit werkgebieden UWV 2024 Gelet op [artikel 10 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Wet Suwi:** de [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060). - b. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet Suwi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). - c. **UWV-vestiging:** een vestiging van UWV van waaruit de taken, bedoeld in de [artikelen 30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a), [30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30b), [30c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30c), en [31 Wet Suwi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=31)worden uitgevoerd. - d. **ontslagaanvraag:** een verzoek om toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst op grond van [artikel 671a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a) jo [artikel 669, derde lid, onderdeel a of b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=669). - e. **AJD-vestiging:** een vestiging van de afdeling Arbeidsjuridische dienstverlening van UWV. - f. **arbeidsmarktregio:** een afgebakend gebied waarbinnen aan de regionale samenwerking tussen UWV en gemeenten, als bedoeld in de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=10) en [10a Wet Suwi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=10a), invulling wordt gegeven. Nederland is onderverdeeld in 35 arbeidsmarktregio’s. Artikel 2. Werkgebieden van de UWV-vestigingen 1. [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049194&bijlage=1&z=2024-01-05&g=2024-01-05) geeft per vestiging de werkgebieden van die vestiging aan. 2. [Bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":232,"b":"Circulaire Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2007–2010 I. Inleiding Op 25 mei 2007 heb ik met de centrales van overheidspersoneel een overeenkomst gesloten over de arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk voor de contractperiode 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010. Een afschrift van deze overeenkomst is als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022086&bijlage=1&z=2007-07-02&g=2007-07-02) bij deze circulaire gevoegd. De formalisering en uitwerking van de overeenkomst is ter hand genomen. Met deze circulaire informeer ik u over de inhoud van de gesloten overeenkomst. II. Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2007–2010 In dit onderdeel wordt zoveel mogelijk de indeling van de overeenkomst aangehouden. Inkomensontwikkeling Partijen hebben afgesproken, dat de nominale eindejaarsuitkering met ingang van 1 december 2006 komt te vervallen. Daarvoor in de plaats worden de bestaande salarisbedragen van het [BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) met ingang van 1 januari 2007 verhoogd met € 91,25 en vervolgens, zie hierna, met 2,3%. Het bedrag van € 91,25 is vastgesteld, door het bestaande bedrag van de nominale eindejaarsuitkering van € 1100 te verhogen met de in het akkoord afgesproken € 100 en die € 1200 vervolgens terug te rekenen tot een maandelijks salarisbedrag exclusief vakantie-uitkering en exclusief de procentuele eindejaarsuitkering. De salarissystemen zullen in de maand juni een herrekening tot en met 1 december 2006 toepassen, waarmee de reservering voor de nominale eindejaarsuitkering ongedaan zal worden gemaakt. Op verzoek van de beheerders van de salarissystemen wordt de herrekening ook toegepast op werknemers, die na 1 december 2006 zijn ontslagen. De afspraken in de overeenkomst over de inkomensontwikkeling, die met terugwerkende kracht worden toegepast, mogen echter niet leiden tot een inkomensachteruitgang. Is het dienstverband van een werknemer na 1 december 2006 beëin"},{"i":444,"b":"Regeling wijze van registratie arbeids- en rusttijden aan boord van luchtvaartuigen Gelet op [artikel 4.4:1 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=4.4:1); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Het cockpitpersoneel op verkeersvluchten met uitzondering van rondvluchten registreert met betrekking tot zijn arbeids- en rusttijden de in de volgende tabel aangegeven gegevens: | **Categorie vliegtuigen:** | **FW** | **RW** | | --- | --- | --- | | datum | x | x | | aanmeldingstijd UTC | x | | | aanmeldingstijd LT | x | | | aanmeldingslokatie | x | x | | afmeldingstijd UTC | x | | | afmeldingstijd LT | x | | | afmeldingslokatie | x | x | | bemanningssamenstelling | x | | | anders dan hetminimum | | | | vereiste | | | | tijdstip van oproep tot | x | | | aanmelding in een | | | | reservetijd in UTC | | | | VWT en reservetijd indien | x | | | deze langer is dan de | | | | norm in [art 4.8:3 van het](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386&artikel=4.8:3) | | | | [Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386): | | | | Voor zover dit kan leiden tot | x | | | een correctie van de VWT: | | | | aantal landingen | x | | | grondtijd: | x | x | | verzwarende omstandigheden: | x | x | | Voor zover dit kan leiden | x | | | tot een correctie van | | | | de maximale VWT: | | | | grondtijd: | x | | | single pilot operaties: | x | | | aantal landingen dag/nacht: | x | | | aantal hoist cycles: | x | | | vliegtijd cargo-sling: | x | | | meldtijd LT in reservetijd: | x | | Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 december 1998. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":277,"b":"Wet van 29 november 2001 tot invoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele daarmee samenhangende onderwerpen te regelen, zulks onder intrekking van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, de [Arbeidsvoorzieningswet 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008367) en de wetten ter invoering van die wetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Algemene begrippen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. Raad voor werk en inkomen: de Raad voor werk en inkomen, genoemd in [hoofdstuk 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=3); - c. Centrale organisatie werk en inkomen: de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in [hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=4); - d. Centrum voor werk en inkomen: een Centrum voor werk en inkomen als bedoeld in [artikel 24 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=24); - e. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - f. Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoe"},{"i":376,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) van 23 juni 2023 houdende regels met betrekking tot het melden van een interne collectieve waardeoverdracht bij transitie als bedoeld in artikel 150m van de Pensioenwet en artikel 145l van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Regeling melden interne collectieve waardeoverdracht pensioenfondsen bij transitie) Gelet op [artikel 150m, tweede lid, laatste volzin, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=150m); Gelet op [artikel 145l, tweede lid, laatste volzin, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=145l); Na overleg met de representatieve organisatie van (beroeps)pensioenfondsen en consultatie; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet toekomst pensioenen in werking treedt. Artikel 1. Definities 1. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Besluit uitvoering Pw en Wvb:** [Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020892); - b. **Deelnemersgroep:** een groep van deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden die is afgebakend met objectieve, voor de (waarde van de) pensioenrechten of -aanspraken relevante criteria; - c. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - d. **Fonds:** een pensioenfonds als bedoeld in [artikel 1 Pw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1) of een beroepspensioenfonds als bedoeld in [artikel 1 Wvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=1); - e. **Pw:** de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809); - f. **Waardeoverdracht:** een interne collectieve waardeoverdracht bij transitie als bedoeld in [artikel 150m Pw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=150m) of [artikel 145l Wvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=145l); - g. **Wvb:** de [Wet verplichte beroepspensio"},{"i":297,"b":"Negatief besluit Noord-Zuidbaan Maastricht Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op artikel VII van de Wet van 7 juni 1978 (Stb. 354) en artikel III van de Wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 601); Gehoord de Rijksplanologische Commissie/Rijksmilieuhygiënische Commissie (RPC 38 d.d. 28 september 1993); Gezien het advies van de commissie als bedoeld in [artikel 21 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=21) d.d. 25 april 1994; Besluit: Artikel 1 In de zoneringsprocedure voor het bestaande luchtvaartterrein Maastricht, die op 19 januari 1993 met een bestuurlijk overleg is gestart en waarvan in de periode van 15 oktober 1993 tot 15 december 1993 stukken ter inzage zijn gelegd, wordt geen geluidszone vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Deze regeling zal, met de toelichting, worden geplaatst in de Staatscourant."},{"i":12982,"b":"Besluit verhaal ziekengeld Gelet op [artikel 39a, eerste lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=39a); Besluit: Artikel 1 Indien de werknemer de bedongen arbeid gedeeltelijk heeft hervat of passende arbeid verricht en de omvang van de arbeid aansluit bij zijn krachten en bekwaamheden stelt het UWV het tijdvak, bedoeld in [artikel 39a, eerste lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=39a), vast op nihil in het geval de werkgever de verplichtingen of regels, bedoeld in dat lid, zonder deugdelijke grond niet of niet volledig is nagekomen. Artikel 2 1. Indien de werknemer geen arbeid verricht of de door hem verrichte arbeid niet voldoet aan [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017876&artikel=1&z=2005-03-01&g=2005-03-01) stelt het UWV het tijdvak, bedoeld in [artikel 39a, eerste lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=39a), vast op het totaal van de periodes waarin de werkgever onvoldoende heeft gedaan als bedoeld in het tweede lid. 2. De werkgever heeft onvoldoende gedaan gedurende de periode, waarin hij zonder deugdelijke grond heeft nagelaten bepaalde maatregelen te nemen of bepaalde voorschriften te geven, of verplichtingen dan wel regels als bedoeld in [artikel 39a, eerste lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=39a) na te komen, hetgeen redelijkerwijs van hem mocht worden gevergd. De periode wordt uitgedrukt in hele weken en zo nodig afgerond naar beneden. Artikel 3 1. Indien aan de werkgever een termijn is gesteld als bedoeld in [artikel 38, zevende lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38) en hij de gevraagde gegevens niet of niet volledig binnen die termijn heeft verstrekt stelt het UWV, zo nodig in afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017876&artikel=1&z=2005-03-01&g=2005-03-01), het tijdvak, bedoeld in [artikel 39a, eerste l"},{"i":353,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 13 januari 2016, nr. IENM/BSK-2015/220523, houdende benoeming leden en plaatsvervangende leden Algemene Commissie tot Voorkoming van Arbeidsongevallen Zeevarenden en goedkeuring omtrent werkwijze van deze commissie Artikel 1. Benoeming leden Algemene Commissie tot Voorkoming van Arbeidsongevallen Zeevarenden In de Algemene Commissie tot Voorkoming van Arbeidsongevallen Zeevarenden worden vanaf 1 oktober 2015 de volgende leden en plaatsvervangende leden steeds voor een periode van twee jaren benoemd: - –. een medewerker belast met taken op het gebied van ongevallenonderzoek en veiligheid in de maritieme sector namens het Ministerie van Infrastructuur en Milieu; - –. een medewerker belast met taken op het terrein van gezond en veilig werken namens het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. een medewerker die het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vertegenwoordigt en zich bezighoudt met inhoud en vorm van de opleidingen Maritiem Officier op mbo- en hbo-niveau; - –. een medewerker vanuit CNV Vakmensen die zich bezighoudt met de arbeidsomstandigheden en veiligheid in de maritieme sector; - –. een medewerker vanuit de Redersvereniging voor de Zeevisserij die zich bezighoudt met de arbeidsomstandigheden en veiligheid in de sector zeevisserij; - –. een medewerker vanuit Nautilus International die zich bezighoudt met de arbeidsomstandigheden en veiligheid in de maritieme sector; - –. een medewerker vanuit de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders die zich bezighoudt met de arbeidsomstandigheden en veiligheid in de sector zeescheepvaart; - –. een beleidsadviseur vanuit de Vereniging van Waterbouwers die zich bezighoudt met de arbeidsomstandigheden en veiligheid in de sector waterbouw; - –. een medewerker vanuit de Nederlandse Vereniging van Kapiteins ter Koopvaardij die zich bezighoudt met de arbeidsomstandigheden en veiligheid in de maritieme sector; en - –. een beleidsadviseur vanu"},{"i":312,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tunesië inzake de aanwerving in Tunesië en de tewerkstelling in Nederland van Tunesische werknemers Le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas et Le Gouvernement de la République Tunisienne, Considérant les relations amicales qui existent entre les deux pays, ainsi que leurs intérêts réciproques en matière de main-d'oeuvre, Reconnaissant qu'il est dans l'intérêt des deux pays de promouvoir le placement de travailleurs tunisiens aux Pays-Bas, Désireux de fixer les conditions de recrutement, de placement et de travail des ressortissants tunisiens aux Pays-Bas, Sont convenus de ce qui suit: Dispositions générales Article 1 Ont compétence, en ce qui concerne le recrutement en Tunisie de travailleurs tunisiens et leur placement aux Pays-Bas: - -. Du côté Tunisien, l'Office de la Formation Professionnelle et de l'Emploi dénommé ci-après „l'Office”; - -. Du côté Néerlandais, la Direction Générale de l'Emploi du Ministère des Affaires Sociales et de la Santé Publique, dénommée ci-après „La Direction Générale”. Article 2 1. Afin que les autorités tunisiennes compétentes puissent prendre à temps les dispositions qui s'imposent et satisfaire les demandes, la Direction Générale fournit à l'Office des renseignements au sujet des besoins évalués en travailleurs tunisiens de l'économie néerlandaise. L'Office informe la Direction Générale du volume de main-d'oeuvre tunisienne disponible. 2. A l'entrée en vigueur de cette Convention, la Direction Générale transmet à l'Office tous les renseignements utiles à l'information des travailleurs intéressés en ce qui concerne les conditions générales des salaires et de travail, les avantages sociaux et les conditions de vie. 3. Ces renseignements doivent comprendre en particulier toutes les informations relatives aux salaires moyens et à la durée moyenne du travail dans les différents secteurs de l'industrie néerlandaise, au montant des retenues sur les salaires pour le paiement"},{"i":339,"b":"Regeling aanwijzing niet-werknemer BES Treedt in werking om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 In deze regeling wordt onder wet verstaan: de [Pensioenwet ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714). In deze regeling wordt onder openbare lichamen verstaan: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 1. Geen werknemer in de zin van de wet wegens hun bijzondere arbeidsvoorwaarden of de bijzondere aard van hun werkzaamheden zijn: - a. personen, die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen in het kader van een door de overheid getroffen regeling die tot doel heeft om door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen die behoren tot een of meer bepaalde groepen van werklozen; - b. buiten de openbare lichamen werkzame personen, die de Nederlandse nationaliteit niet bezitten en in de openbare lichamen zijn aangesteld of in dienst genomen; - c. personen, die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij wijze van sociale werkvoorziening tewerkgesteld zijn; - d. personen, wier beloning bestaat uit incidentele vergoedingen, zoals vacatiegelden, kostenvergoedingen en daarmede overeenkomende schadeloosstellingen; - e. personen, die op de voet van vrijwilliger in dienst van de dienst der brandweer zijn; - f. personen, die blijkens de bewoordingen van de aanstelling of arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming van henzelf. Artikel 3 Geen werknemer in de zin van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028714) wegens de korte duur van zijn dienstverhouding is degene die voor ten hoogste zes maanden aaneengesloten in dienst is genomen. Degene die voor onbepaalde tijd in dienst is genomen wordt geacht werknemer in de zin van de wet te zijn. Artikel 4 Geen werknemer in de zin van de [wet](https://wetten.o"},{"i":282,"b":"Klachtenreglement UWV 2009 Gelet op [hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, enz. (evaluatie Wet SUWI, Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering) (Stb. 2008/600) in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=2) en [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. **Awb:** de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - c. **klacht:** iedere uiting van ongenoegen over een gedraging, handeling of nalaten door (een medewerker van) UWV; - d. **medewerker:** een ieder die onder verantwoordelijkheid van UWV werkzaamheden verricht voor UWV, ongeacht of hij in dienst is van UWV of anderszins werkzaam is voor UWV - e. **Nationale ombudsman:** De Nationale ombudsman, bedoeld in [art 9:17 Abw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:17), die belast is met de klachtbehandeling en -beoordeling in tweede aanleg. Artikel 2. Klachtrecht 1. Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop UWV zich in een bepaalde aangelegenheid tegenover hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij UWV. 2. Een gedraging van een medewerker wordt aangemerkt als een gedraging van UWV. 3. Een klant ondervindt geen nadelige hinder bij het indienen van een klacht Artikel 3. Behoorlijke behandeling UWV draagt zorg voor een behoorlijke, empatische behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over zijn gedragingen. Hoofdstuk 2. De behandeling van klachten Artikel 4. Indienen van een klacht 1. De schriftelijke klacht wordt ondertekend"},{"i":319,"b":"Pensioenbesluit politieke gezagdragers BES Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **politieke gezagdrager:** gezaghebber, eilandgedeputeerde en lid van de eilandsraad van een openbaar lichaam; - b. **gewezen politieke gezagdrager:** degene die uit hoofde van ontslag uitzicht heeft op pensioen op grond van dit besluit; - c. **gepensioneerde politieke gezagdrager:** degene die recht heeft op pensioen op grond van dit besluit; - d. **ontslag:** de op enigerlei wijze formele beëindiging van de benoeming tot politieke gezagdrager, niet zijnde het tijdelijk ontslag als bedoeld in [artikel Ya 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ya_13) juncto [X 10, eerste of tweede lid van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=X_10); - e. **overheidsdienaren:** de ambtenaren in de zin van de [Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215); - f. **nabestaande:** degene met wie de politieke gezagdrager, de gewezen politieke gezagdrager of de gepensioneerde politieke gezagdrager op de dag van overlijden gehuwd was; - g. **bevoegde gezag:** het bestuurscollege van het betrokken openbaar lichaam. Artikel 1a Dit besluit is niet van toepassing op een lid van de eilandsraad van een openbaar lichaam dat is benoemd in een plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een lid van de eilandsraad van een openbaar lichaam wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge [artikel Ya 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ya_13) juncto [X 10, eerste of tweede lid van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=X_10). Hoofdstuk 2. De uitkering Artikel 2 1. De politieke gezagdrager aan wie ontslag is verleend en die op het tijdstip van ontslag de leeftijd als bedoeld in [artikel 6 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=6) nog niet heeft bereikt, heeft met in"},{"i":377,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2012, nr. AV/SDA/2012/6091, tot aanwijzing van de bevoegde instantie en vaststelling van vereiste documenten voor melding in het kader van artikel 2a van de Wet arbeid vreemdelingen (Regeling melding Wet arbeid vreemdelingen) Gelet op [artikel 2a, eerste en derde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2a); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149); - b. **melding:** de verplichting voor een werkgever om vooraf schriftelijk te melden dat hij een vreemdeling in Nederland arbeid laat verrichten als bedoeld in [artikel 2a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2a). Artikel 2. Bevoegde instantie Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen is de instantie waaraan een werkgever de melding doet. Artikel 3. Inhoud melding en bewijsstukken 1. Een melding wordt, onder overlegging van een schriftelijk en naar waarheid afgelegde verklaring, opgesteld op een daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt formulier, gedaan door: - a. de werkgever van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 5.2 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046078&artikel=5.2), die meldt: het kenmerk van het goedgekeurde traject, de gegevens van de werkgever in Nederland, de naam, het adres, en indien van toepassing, het KvK-nummer of vergelijkbare registratiegegevens in het land van vestiging van de in het buitenland gevestigde onderneming, werkgever of opdrachtgever, de identiteitsgegevens van de vreemdeling, de omschrijving, aard en duur van de werkzaamheden, en het adres van de werkplek in Nederland; - b. de werkgever van de vreemdeling, bedoeld in [artikel 2.5 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022](https://wetten."},{"i":401,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 november 2011, nr. RUA/A/2011/21144, tot vaststelling van consumentenprijsindexcijfers voor 2012 en op basis daarvan aanpassing van bedragen en tegemoetkomingen van wettelijk minimumloon en uitkeringen voor Caribisch Nederland, alsmede van premiepercentages van werknemersverzekeringen en volksverzekeringen voor Caribisch Nederland en van het maximumdagloon voor de Wet ziekteverzekering BES In overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de [artikelen 7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7), [7b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7b), en [27 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=27), [11, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=11), en [30 van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=30), [13, eerste lid, van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=13), [21, eerste lid, van het Besluit onderstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=21), [7 van de Cessantiawet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028304&artikel=7), [8 van de Wet ongevallenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028497&artikel=8) en de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=5), en [8 van de Wet ziekteverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028728&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Consumentenprijsindexcijfer Caribisch Nederland Het consumentenprijsindexcijfer voor 2012 wordt vastgesteld op 5,9% en voor Sint Eustatius en Saba op respectievelijk 11,2% en 6,6%. Artikel 2. [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) 1. Het bedrag, genoemd in [artikel 7, eerste lid, van de Wet algemene ouderdomsverz"},{"i":313,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Spaanse Staat inzake migratie, aanwerving en tewerkstelling van Spaanse arbeiders in Nederland De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Spaanse Staat, Overwegende de vriendschappelijke betrekkingen die de beide landen verenigen, en hun beider behoeften met betrekking tot de arbeidsvoorziening, Constaterende, dat het in het belang van beide landen is de tewerkstelling van Spaanse arbeiders in Nederland te bevorderen, Verlangende een regeling te treffen nopens de migratie, de aanwerving en de tewerkstelling van Spaanse arbeiders in Nederland, Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Algemene bepalingen Artikel 1 Ter zake van de migratie, de aanwerving en de tewerkstelling van Spaanse arbeiders in Nederland zijn bevoegd: Aan Spaanse zijde, het Instituto Español de Emigración (in het vervolg te noemen Instituto), waarmede zal samenwerken de Servicio Nacional de Encuadramiento y Colocación (in het vervolg te noemen Servicio). De vaststelling van de beschikbaarheid van Spaanse arbeiders, op grond waarvan de voorzieningen kunnen worden getroffen vermeld in artikel 2, behoort tot de bevoegdheid van de Dirección General de Empleo van het Spaanse Ministerie van Arbeid. Aan Nederlandse zijde, de Directie Arbeidsvoorziening van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid (in het vervolg te noemen Directie). Artikel 2 1. Opdat de bevoegde Spaanse autoriteiten tijdig de nodige voorzieningen kunnen treffen en aan de aanvragen voldoen, zal de Directie aan het Instituto ten minste eens in de zes maanden inlichtingen verstrekken over de geraamde behoeften van het Nederlandse bedrijfsleven aan Spaanse arbeiders, onderverdeeld naar takken der economische bedrijvigheid, naar bedrijfsklassen en naar beroepen. 2. Het Instituto zal aan de Directie zo spoedig mogelijk doen weten in hoeverre aan de aanvragen zal kunnen worden voldaan. Artikel 3 1. De Directie zal aan het Instituto alle inlichtinge"},{"i":469,"b":"Toetsingskader Algemeen Verbindend Verklaring CAO-bepalingen (AVV) 1. Algemeen beleidsuitgangspunt De totstandkoming en de inhoud van afspraken omtrent arbeidsvoorwaarden is in beginsel de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers en hun organisaties. Collectieve afspraken bevorderen evenwichtige arbeidsverhoudingen en arbeidsrust en vormen daarmee een belangrijke randvoorwaarde voor een positieve sociaaleconomische ontwikkeling. Avv heeft in de kern tot doel het uitoefenen van die verantwoordelijkheid van sociale partners (via collectieve afspraken in de vorm van cao’s) te ondersteunen en te beschermen. Het beoogde effect van avv is concurrentie op arbeidsvoorwaarden door onderbieding door niet gebonden werkgevers en werknemers te voorkomen. Door avv kan andere regelgeving door de centrale overheid worden beperkt. Cao-partijen zijn verantwoordelijk voor de inhoud en vormgeving van de cao in het algemeen en voor de aanvraag van avv. Cao-bepalingen waarvoor zij avv aanvragen dienen een op zichzelf duidelijk en consistent geheel te vormen, juridisch correct te zijn en in het kader van de [Wet AVV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987) voor avv in aanmerking te kunnen komen. Dit betekent dat indien een artikel of artikellid van een cao niet voor avv in aanmerking komt en daardoor verwijzingen of verbanden met andere artikelen worden doorbroken, het aan cao-partijen is om het betreffende artikel of artikellid zo te redigeren dat dit wel voor avv in aanmerking komt, dan wel de andere artikelen volledig zelfstandig toepasbaar te maken om voor avv in aanmerking te komen. Rechten en plichten die ook in een andere cao met dezelfde werkingssfeer zijn opgenomen komen niet voor avv in aanmerking. 2. Bereik van het instrument Avv is een daad van materiële wetgeving. Het is een besluit van algemene strekking, dat rechtsgevolgen heeft voor alle werkgevers en werknemers die bij inwerkingtreding of gedurende de looptijd van de avv onder de werkingssfeer vallen of"},{"i":154,"b":"Besluit van 4 juli 1969, houdende vaststelling van een regeling tot toekenning van een uitkering wegens ontslag op grond van artikel 99a van het Reglement van de Buitenlandse Dienst 1951 (Stb. 449) On de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 23 mei 1969, DBD-88804; Gelet op de [artikelen 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=58) en 72 der Grondwet; De Raad van State gehoord (advies van 18 juni 1969, nr. 30); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 26 juni 1969, Directie Buitenlandse Dienst, DBD-114328; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag (**Stb.** 1966, 286) is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar van de buitenlandse dienst en de administratieve ambtenaar, aan wie op grond van het bepaalde in artikel 99**a** van het Reglement van de Buitenlandse Dienst 1951 (**Stb.** 449) ontslag is verleend met dien verstande, dat overal waar in die regeling wordt gesproken van \"Onze Minister\" of \"Onze Minister van Binnenlandse Zaken\" daarvoor wordt gelezen \"Onze Minister van Buitenlandse Zaken\". Artikel 2 Ingeval een ambtenaar van de buitenlandse dienst uit hoofde van het hem verleende ontslag tevens op grond van artikel U 16 van de Algemene burgerlijke pensioenwet recht heeft op pensioen, wordt dit pensioen in mindering gebracht op de uitkering, welke hij ingevolge de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002661&artikel=1&z=1969-07-17&g=1969-07-17) bedoelde regeling geniet. Artikel 3 Dit Besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**, waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Buitenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit Besluit, hetwelk in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":7271,"b":"Wet van 15 november 2012 tot implementatie van de richtlijn betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (Wet implementatie richtlijn nr. 2008/52/EG betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan [richtlijn nr. 2008/52/EG](32008L0052) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 mei 2008 betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (PbEU L 136); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - **grensoverschrijdend geschil:** een geschil waarin ten minste één van de partijen haar woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat, met uitzondering van Denemarken, dan de andere partijen, op het tijdstip waarop: - a. de partijen onderling overeenkomen gebruik te maken van mediation nadat een geschil is ontstaan, of - b. partijen een voorstel van de rechter tot mediation aanvaarden; - **mediation:** een gestructureerde procedure, ongeacht de benaming, waarin twee of meer partijen bij een geschil zelf pogen om op vrijwillige basis met de hulp van een mediator hun geschil te schikken; - **mediator:** een derde die wordt verzocht op doeltreffende, onpartijdige en bekwame wijze een mediation te leiden, ongeacht de benaming of het beroep van die derde en ongeacht de wijze waarop deze is aangewezen of is aangezocht om de mediation te leiden. Artikel 2 Deze wet is van toepassing op grensoverschrijdende burgerlijke en handelsgeschillen, tenzij deze betrekking hebben op rechten en verplichtingen waarover de partijen uit hoofde van het toepasselijke recht van mediation geen zeggensch"},{"i":349,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juni 2016, nr. 2016-0000124020, tot vaststelling van de Regeling arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=4), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=5), [9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=9), [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=10), [14, eerste lid, van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=14); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder wet: [Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054). 2. De volgende staten worden mede aangemerkt als lidstaten voor de toepassing van [hoofdstuk IIIa van de wet](onbekend): - −. IJsland; - −. Liechtenstein; - −. Noorwegen. Artikel 2 1. De werkplek, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=9) is het adres van de werkplek waar de gedetacheerde werknemer, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=1) zijn werkzaamheden tijdens de periode van detachering verricht. 2. Indien de dienstverrichter geen werkplek als bedoeld in het vorige lid kan aanwijzen doordat de werkzaamheden tijdens de periode van detachering bouwwerkzaamheden zonder bekend adres betreffen, wordt onder werkplek als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&artikel=9), de bouwplaats verstaan. 3. Indien de dienstverrichter geen werkplek als bedoeld in de vorige leden kan aanwijzen doordat de werkzaamheden tijdens de periode van detachering, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038054&ar"},{"i":6436,"b":"Besluit van 11 maart 2024 tot wijziging van het Besluit Jeugdwet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, houdende regels ter bevordering van een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van door gemeenten te bekostigen preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering, alsmede enige technische wijzigingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming, van 30 oktober 2023, kenmerk 3706687-1048260-WJZ; Gelet op de [artikelen 2.11, derde lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=2.11) en [2.6.6, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 januari 2024, no. W13.23.00327/III, RvS.); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming, van 7 maart 2024, kenmerk 3784140-1048260-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit Jeugdwet. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel III [Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=5.4) berust op [artikel 2.6.6, eerste lid, onderdeel a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.6.6) en [artikel 5.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=5.1) berust op artikel 2.6.6, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel IV 1. Dit besluit heeft geen gevolgen voor contracten die zijn afgesloten voor de datum waarop dit besluit in werking treedt. 2. Dit besluit heeft geen gevolgen voor contracten die na de inwerkingtreding van dit besluit worden gesloten indien de prijzen die in het kader van die contracten wor"},{"i":4406,"b":"Besluit zak- en kleedgeld voor ter beschikking gestelden en anderszins verpleegden overwegende dat laatstelijk bij Besluit van 5 februari 1999, kenmerk 744365/99/DJI het zak- en kleedgeld voor verpleegden die niet in aanmerking komen voor een AAW/WAO-uitkering en die geen ander inkomen (als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964) genieten, met ingang van 1 januari 1999 is vastgesteld op f 419,01 per maand; overwegende dat het bedrag dat aan zak- en kleedgeld wordt verstrekt een voorschot is, dat, indien alsnog inkomen met terugwerkende kracht wordt genoten, dient te worden gerestitueerd; overwegende dat op 1 mei 2000 de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden in werking is getreden, volgens welke personen die rechtens hun vrijheid is ontnomen van het recht op een uitkering zijn uitgesloten, waaronder begrepen personen aan wie de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd; overwegende dat het zak- en kleedgeld zoals hierboven vermeld, is gekoppeld aan de hoogte van het bedrag dat een verpleegde die een uitkering ontvangt, overhoudt na aftrek van de verplichte eigen bijdrage krachtens de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); overwegende dat na de inwerkingtreding van de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden, genoemde koppeling niet meer mogelijk is, omdat personen aan wie rechtens de vrijheid is ontnomen geen recht meer op een uitkering hebben vanaf de dag dat de vrijheidsontneming één maand heeft geduurd; gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 21 juli 2000, kenmerk 5038990/TvW/RB; gelet op [artikel 41 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008690&artikel=41), waarin is bepaald dat de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde die geen inkomen heeft, vanwege de Minister van Justitie een door deze vast te stellen zak- en kleedgeld ontvangt; Besluit: het zak- en kleedgeld"},{"i":6322,"b":"Wet van 2 juli 1997 tot samenvoeging van de gemeenten Boxmeer en Vierlingsbeek Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Boxmeer en Vierlingsbeek samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Boxmeer en Vierlingsbeek opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Boxmeer ingesteld. Artikel 3 De nieuwe gemeente Boxmeer bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Boxmeer en Vierlingsbeek. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Boxmeer wordt de op te heffen gemeente Boxmeer aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Boxmeer en Vierlingsbeek wordt de nieuwe gemeente Boxmeer aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 6 1. Voor de nieuwe gemeente Boxmeer die bij deze wet wordt ingesteld, wordt een tussentijdse raadsverkiez"},{"i":6799,"b":"Wet van 10 juli 2013 houdende aanpassing van wetten aan de Wet basisregistratie personen (Aanpassingswet basisregistratie personen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de invoering van de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715) andere wetten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie personen in werking treedt. Hoofdstuk 1. Ministerie van Veiligheid en Justitie Artikel 1.1 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Artikel 1.3 Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Artikel 1.4 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1, Burgerlijk Wetboek Boek 2 en Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel 1.4a Wijzigt de Wet basisregistratie personen. Artikel 1.4b Wijzigt de Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek Boek 1, enz. (vermelding van het geslacht in de akte van geboorte) (Kst. 33351). Artikel 1.5 Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel 1.6 Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel 1.7 Wijzigt de Wet basisregistratie personen. Artikel 1.8 Wijzigt de Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand (Kst. 32444). Artikel 1.9 Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 1.10 Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel 1.11 Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel 1.12 Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens. Artikel 1.13 Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel 1.14 Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel 1.15 Wijzigt de Wet controle op rechtspersonen. Artikel 1.16 Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel 1.17 Wijzigt de Wet bas"},{"i":488,"b":"Besluit van 22 juli 2002 tot vaststelling van een eenmalige uitkering en tot wijziging van enige besluiten in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode van 1 oktober 2001 tot en met 31 december 2003 Hoofdstuk 1. Toekenning van een eenmalige uitkering over 2001, 2002 en 2003 aan het defensiepersoneel Artikel I A. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: - a. **militair:** de militaire ambtenaar in de zin van [artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1) die is aangesteld bij het beroepspersoneel, alsmede de geestelijk verzorger die in burgerlijke openbare dienst is aangesteld om bij de krijgsmacht doorlopend werkzaam te zijn; - b. **de peildatum:** 1 december 2001 onderscheidenlijk 1 december 2002 onderscheidenlijk 1 december 2003; - c. **betrokkene:** - 1°. de militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal die op de peildatum in werkelijke dienst was; - 2°. de burgerlijke ambtenaar defensie die aanspraak heeft op een salaris volgens [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006038&bijlage=B) en die op de peildatum in dienst van het Ministerie van Defensie was; - 3°. de burgerlijke ambtenaar defensie, bedoeld in [artikel 1, derde lid, van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006038&artikel=1) die op de peildatum in dienst van het Ministerie van Defensie was; - 4°. de gewezen militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal, die ingevolge [artikel 18, zesde lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010510&artikel=18) op de peildatum in het genot is van wachtgeld of een uitkering, dan wel van een uitkering op grond van de [Uitkeringswet gewezen militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3"},{"i":159,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 29 augustus 2006, nr. 5433969/06, tot het verlenen van mandaat aan Loyalis Maatwerkadministraties B.V. ter zake van de uitvoering van de ontslaguitkeringsregelingen van de sector Rechterlijke Macht Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: LMA: Loyalis Maatwerkadministraties B.V. te Heerlen; Minister: Minister van Justitie; Regelingen: [Rijkswachtgeldbesluit 1959](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002326) alsmede [Uitkeringsregeling 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002537). Artikel 2 De Minister verleent aan LMA het volgende mandaat. - 1. LMA is bevoegd om namens de Minister al die besluiten te nemen die de opdrachtgever bij of krachtens de regelingen bevoegd is te nemen ten behoeve van de sector Rechterlijke Macht. - 2. LMA is bevoegd om in het kader van de uitvoering van de regelingen ten behoeve van de sector Rechterlijke Macht namens de Minister te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg. - 3. LMA is bevoegd om inzake de uitvoering van de regelingen ten behoeve van de sector Rechterlijke Macht namens de Minister in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken ter zake hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie. Indien het een zaak betreft met een kennelijk aanmerkelijk financieel of rechtspositioneel belang oefent LMA deze bevoegdheid niet uit dan na verkregen instemming van de Minister en in voorkomend geval de ex-werkgever van de wederpartij in de desbetreffende zaak. LMA is in dat geval wel bevoegd om vooruitlopend hierop zo nodig voorlopig hoger beroep of cassatie in te stellen. Artikel 3 LMA is niet bevoegd om zelfstandig verzoeken in het kader van de [Wet openbaarheid van Bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252), de [Wet nationale ombud"},{"i":498,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 maart 2004, nr. OHW-U-2459678, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2003 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2003: 100/2131 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2004. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18840,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 mei 2024 nr. BOACAT2024/051, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Immigratie-en Naturalisatiedienst Gelezen het verzoek van de directeur-generaal Immigratie-en Naturalisatiedienst van 10 mei 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Landelijk Parket en de korpschef als bedoeld in[artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27) waaruit blijkt dat de noodzaak tot het wijzigen van het eerder genoemde categoriale besluit aanwezig is; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049738&artikel=2&z=2024-06-21&g=2024-06-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van inspecteur/medewerker toezicht in dienst van Immigratie-en Naturalisatiedienst, Bureau Documenten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbek"},{"i":508,"b":"Verdrag betreffende de arbeidsovereenkomst van vissers De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 3 juni 1959 in haar drieënveertigste zitting; Besloten hebbende tot het aanvaarden van bepaalde voorstellen met betrekking tot arbeidsovereenkomsten voor vissers, welk onderwerp is vervat in het vijfde punt van de agenda der zitting; Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal Verdrag zullen aannemen; Neemt heden, de 19de juni 1959, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de arbeidsovereenkomst van vissers, 1959”: Artikel 1 1. In dit Verdrag wordt verstaan onder „vissersvaartuig”, alle geregistreerde of van scheepspapieren voorziene schepen en boten, van welke aard dan ook, hetzij openbaar dan wel particulier eigendom, die gebruikt worden voor de zeevisserij in open wateren. 2. Het bevoegde gezagsorgaan kan van de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag bepaalde vissersvaartuigen vrijstellen, waarvan soort en tonnage zijn vastgesteld in overleg met de betrokken organisaties van visserij-reders en van vissers, indien zodanige organisaties bestaan. 3. Het bevoegde gezagsorgaan kan, mits het ervan overtuigd is dat de in dit Verdrag behandelde materie afdoende geregeld is door middel van collectieve arbeidsovereenkomsten tussen visserij-reders of organisaties van visserij-reders enerzijds en organisaties van vissers anderzijds, reders en vissers die gebonden zijn door deze collectieve arbeidsovereenkomsten vrijstellen van de bepalingen van dit Verdrag voor zover deze individuele arbeidsovereenkomsten betreffen. Artikel 2 In dit Verdrag wordt verstaan onder „visser”, elke persoon die is tewerkgesteld of aangenomen in enigerlei hoedanigheid aan boord van een vissersvaartuig en op de monsterrol is ingeschreven. In dit Verdrag is de term „visser” niet van toepassing op lood"},{"i":513,"b":"Verdrag betreffende de bescherming van werknemers tegen beroepsrisico's in het werkmilieu als gevolg van luchtverontreiniging, lawaai en trillingen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar drieënzestigste Zitting op 1 juni 1977, en Gelet op de bepalingen van de relevante bestaande internationale Arbeidsverdragen en Aanbevelingen en in het bijzonder, de Aanbeveling betreffende de bescherming van de gezondheid der arbeiders op de plaatsen waar zij arbeid verrichten, 1953, de Aanbeveling betreffende bedrijfsgeneeskundige diensten in ondernemingen, 1959, het [Verdrag en de Aanbeveling betreffende de beveiliging van werknemers tegen ioniserende stralen, 1960](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004950), het Verdrag en de Aanbeveling betreffende de beveiliging van werktuigen, 1963, het [Verdrag betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004636), het Verdrag en de Aanbeveling betreffende de hygiëne in handelszaken en kantoren, 1964, het Verdrag en de Aanbeveling betreffende de bescherming tegen het gevaar van vergiftiging door benzeen, 1971, en het [Verdrag en de Aanbeveling betreffende de voorkoming en de beperking van de beroepsrisico's veroorzaakt door kankerverwekkende stoffen en factoren die dit proces beïnvloeden, 1974](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006558), en Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen betreffende het werkmilieu: atmosferische verontreiniging, lawaai en trillingen, welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de Zitting voorkomt, en Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal Verdrag dienen te krijgen, aanvaardt heden, de twintigste juni negentienhonderd zevenenzeventig, het volgende Verdrag, dat kan worden aangehaald als het Werkmilieuverdrag (luchtverontreiniging, lawaai en tri"},{"i":530,"b":"Verdrag betreffende het recht van vereniging en vergadering van landarbeiders VERDRAG BETREFFENDE HET RECHT VAN VEREENIGING EN VERGADERING VAN LANDARBEIDERS. De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 25 October 1921, in hare derde zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende „het recht van vereeniging en vergadering van landarbeiders”, welk onderwerp een onderdeel uitmaakt van het 4e punt van de agenda der zitting en besloten hebbende, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden „Verdrag betreffende het recht op vereniging (landbouw), 1921”, ter bekrachtiging door de leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid, zulks in overeenstemming met de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 Ieder lid van de Internationale Organisatie van den Arbeid, dat dit verdrag bekrachtigt, verbindt zich aan alle personen, werkzaam in den landbouw, dezelfde rechten van vereeniging en vergadering te verzekeren als aan de arbeiders in nijverheidsondernemingen en alle wettelijke of andere bepalingen, die deze rechten beperken ten aanzien van arbeiders in den landbouw, in te trekken. Artikel 2 De officieele bekrachtigingen van dit verdrag, onder de voorwaarden, neergelegd in het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie, zullen worden medegedeeld aan den Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem worden ingeschreven. Artikel 3 1. Dit verdrag zal van kracht worden zoodra de bekrachtigingen van 2 leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid door den Directeur-Generaal zullen zijn ingeschreven. 2. Het zal slechts verbindend zijn voor de leden, die hunne bekrachtiging door den Directeur-Generaal hebben doen inschrijven. 3. Vervolgens zal dit"},{"i":531,"b":"Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen op 1 juni 1999 in haar zevenentachtigste zitting, en Overwegend dat het noodzakelijk is om nieuwe akten aan te nemen die gericht zijn op het verbod op en de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid als belangrijkste prioriteit voor nationale en internationale actie, met inbegrip van internationale samenwerking en bijstand, ter aanvulling op het [Verdrag en de Aanbeveling betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003701), 1973, die fundamentele akten inzake kinderarbeid blijven; en Overwegend dat de daadwerkelijke uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid onmiddellijke, veelomvattende actie vereist, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van kosteloos basisonderwijs en de noodzaak de desbetreffende kinderen aan alle vormen van deze arbeid te onttrekken en in hun resocialisatie en maatschappelijke integratie te voorzien, met inaanmerkingneming van de behoeften van hun families; en In herinnering brengend de resolutie betreffende de uitbanning van kinderarbeid aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in 1996 in haar drieëntachtigste zitting; en Erkennend dat kinderarbeid voor een groot deel wordt veroorzaakt door armoede en dat de lange-termijnoplossing is gelegen in duurzame economische groei die leidt tot sociale vooruitgang, en in het bijzonder in verlichting van armoede en universeel onderwijs; en Herinnerend aan het [Verdrag inzake de rechten van het kind](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508), aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 november 1989; en Herinnerend aan de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie inzake fundame"},{"i":532,"b":"Verdrag betreffende migrerende arbeiders (herzien) 1949 De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen in haar twee en dertigste zitting op 8 Juni 1949, Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen met betrekking tot de herziening van het Verdag betreffende migrerende arbeiders, 1939, door de Conferentie aangenomen in haar vijf en twintigste zitting, welk onderwerp begrepen is in het elfde punt op de agenda der zitting, Overwegende dat deze voorstellen de vorm moeten aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, de eerste Juli negentienhonderd negen en veertig, het volgende verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald, onder de titel „Verdrag betreffende migrerende arbeiders (herzien), 1949”: Artikel 1 Elk Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie, waarvoor dit Verdrag van kracht is, verbindt zich op verzoek ter beschikking van het Internationaal Arbeidsbureau en van andere Leden te stellen: - a. inlichtingen betreffende de nationale politiek, wetten en regelingen betreffende emigratie en immigratie; - b. inlichtingen betreffende bijzondere bepalingen met betrekking tot de migratie van arbeiders en de arbeids- en levensvoorwaarden van migrerende arbeiders; - c. inlichtingen betreffende algemene overeenkomsten en bijzondere regelingen terzake aangegaan door het Lid. Artikel 2 Elk Lid, waarvoor dit Verdrag van kracht is, verbindt zich een behoorlijke en kosteloze dienst in stand te houden, of zich ervan te verzekeren dat deze in stand gehouden wordt, teneinde migrerende arbeiders behulpzaam te zijn en in het bijzonder om hun juiste inlichtingen te verschaffen. Artikel 3 1. Elk Lid, waarvoor dit Verdrag van kracht is, verbindt zich, voor zover nationale wettelijke maatregelen dit mogelijk maken, alle passende maatregelen te nemen tegen misleidende propaganda betreffende emigratie en immigratie. 2. Tot dit doel zal het, w"},{"i":533,"b":"Verdrag betreffende particuliere bureaus voor arbeidsbemiddeling De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen op 3 juni 1997 in haar vijfentachtigste zitting; en Gelet op de bepalingen van het Verdrag betreffende bureaus voor arbeidsbemiddeling welke voor hun bemiddeling betaling vragen (herzien), 1949, en Zich bewust van het belang van flexibiliteit in het functioneren van de arbeidsmarkten, en In herinnering brengend dat de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar eenentachtigste zitting in 1994 van oordeel was dat de Internationale Arbeidsorganisatie ertoe moest overgaan het Verdrag betreffende bureaus voor arbeidsbemiddeling welke voor hun bemiddeling betaling vragen (herzien), 1949, te herzien, en Overwegend dat de omstandigheden waarin particuliere bureaus voor arbeidsbemiddeling opereren zeer verschillen van de omstandigheden die heersten ten tijde van de aanneming van het bovengenoemde Verdrag, en Erkennend de rol die particuliere bureaus voor arbeidsbemiddeling in een goed functionerende arbeidsmarkt kunnen spelen, en In herinnering brengend de noodzaak werknemers tegen misbruik te beschermen, en Erkennend de noodzaak het recht van vrijheid van vakvereniging te waarborgen en collectieve onderhandelingen en de sociale dialoog als onontbeerlijke elementen van een goed functionerend stelsel van arbeidsverhoudingen te bevorderen, en Gelet op de bepalingen van het [Verdrag betreffende de organisatie van de dienst voor de werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005533),1948, en In herinnering brengend het Verdrag betreffende gedwongen arbeid, 1930, het [Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005545), 1948, het [Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen](ht"},{"i":534,"b":"Verdrag betreffende schadeloosstelling voor arbeidsongevallen VERDRAG BETREFFENDE SCHADELOOSSTELLING VOOR ARBEIDSONGEVALLEN. De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 19 Mei 1925 in haar zevende zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende „schadeloosstelling voor arbeidsongevallen”, welk onderwerp begrepen is in het eerste punt van de agenda der zitting en na besloten te hebben, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden, den 10den Juni 1925, het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden “Verdrag betreffende schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, 1925”, ter bekrachtiging door de Leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 Ieder Lid van de Internationale Organisatie van den Arbeid, dat dit verdrag bekrachtigt, verbindt zich om aan arbeiders, aan wie een ongeval is overkomen of aan hun rechtverkrijgenden, schadeloosstellingen te verzekeren op voorwaarden, welke ten minste gelijk zijn aan die neergelegd in dit verdrag. Artikel 2 1. De wetten en voorschriften betreffende de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen zullen van toepassing moeten zijn op arbeiders, bedienden of leerlingen, werkzaam in ondernemingen, bedrijven of inrichtingen van welken aard ook, zoowel openbare als particuliere. 2. Ieder lid kan nochtans in zijn nationale wetten die uitzonderingen maken, die hij noodzakelijk acht betreffende: - a. personen die werkzaamheden van tijdelijken aard verrichten, welke geen verband houden met de onderneming van den werkgever; - b. de thuiswerkers; - c. familieleden van den werkgever, die uitsluitend voor zijn rekening arbeid verrichten en in zijn huis wonen; - d. arbeiders die geen handenarbeid verrichten en wier loon e"},{"i":535,"b":"Verdrag betreffende tripartite raadplegingsprocedures ter bevordering van de tenuitvoerlegging van internationale arbeidsnormen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau, en aldaar bijeengekomen in haar eenenzestigste zitting op 2 juni 1976, en In herinnering brengend de bepalingen van bestaande internationale Arbeidsverdragen en Aanbevelingen - in het bijzonder het [Verdrag betreffende de vrijheid van vereniging en bescherming van het vakverenigingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005545) (1948), het [Verdrag betreffende het recht tot organiseren en collectief onderhandelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005525) (1949) en de Aanbeveling betreffende het overleg (op bedrijfsniveau en nationaal niveau) (1960) - waarin de rechten van werkgevers en werknemers tot het vormen van vrije en onafhankelijke organisaties zijn vastgelegd en om maatregelen wordt gevraagd ter bevordering van doeltreffend overleg op nationaal niveau tussen overheidslichamen en werkgevers- en werknemersorganisaties, alsmede de bepalingen van talloze internationale Arbeidsverdragen en Aanbevelingen die voorzien in raadplegingsprocedures voor werkgevers- en werknemersorganisaties over maatregelen tot uitvoering hiervan, en Overwegende het vierde punt op de agenda van de zitting getiteld „Instelling van tripartite raadplegingsprocedures ter bevordering van de tenuitvoerlegging van internationale arbeidsnormen” en besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot tripartite raadplegingsprocedures ter bevordering van de tenuitvoerlegging van internationale arbeidsnormen, en Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal verdrag zullen aannemen, aanvaardt heden, de eenentwintigste juni negentienhonderd zesenzeventig, het volgende Verdrag, dat kan worden aangehaald als het Verdrag Tripartite Raadpleging (Internationale A"},{"i":536,"b":"Verdrag betreffende veiligheid bij het gebruik van chemische stoffen bij de arbeid De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen op 6 juni 1990, in haar zevenenzeventigste Zitting; Gelet op de internationale arbeidsverdragen en -aanbevelingen op dit terrein, en in het bijzonder op het Verdrag en de Aanbeveling betreffende benzeen 1971, het Verdrag en de Aanbeveling betreffende beroepskanker 1974, het [Verdrag en de Aanbeveling betreffende het werkmilieu (luchtverontreiniging, lawaai en trillingen), 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006563), het Verdrag en de Aanbeveling betreffende beroepsveiligheid en gezondheid, 1981, het Verdrag en de Aanbeveling betreffende bedrijfsgezondheidsdiensten, 1985, het [Verdrag en de Aanbeveling betreffende asbest, 1986](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003000), en de lijst van beroepsziekten zoals gewijzigd in 1980, gehecht aan het [Verdrag betreffende arbeidsongevallen, 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004636) en Gelet op het feit dat de bescherming van werknemers tegen de schadelijke effecten van chemische stoffen ook de bescherming van de bevolking en van het milieu verhoogt, en Gelet op het feit dat de werknemers behoefte hebben aan, en recht hebben op, informatie over de chemische stoffen die zij bij hun werk gebruiken, en Overwegende dat het van groot belang is om door chemische stoffen veroorzaakte ziekten en ongevallen bij de arbeid te voorkomen of te verminderen door: er voor te zorgen dat alle chemische stoffen worden getoetst op hun risico's, de werkgevers een methode te verschaffen om van leveranciers informatie te verkrijgen over de chemische stoffen die bij het werk worden gebruikt zodat zij doeltreffende programma's kunnen uitvoeren om de werknemers te beschermen tegen de risico's van chemische stoffen, de werknemers informatie te verschaffen over de chemis"},{"i":537,"b":"Verdrag tot vaststelling van de minimumleeftijd van toelating van kinderen tot arbeid op zee (herzien) De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 22 October 1936 in hare twee en twintigste zitting; besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de gedeeltelijke herziening van het verdrag tot vaststelling van den minimum leeftijd van toelating van kinderen tot arbeid op zee, aangenomen door de Conferentie in hare tweede zitting, welk onderwerp op de agenda van de huidige zitting geplaatst is; overwegende, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag; neemt heden den 24sten October 1936 het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden „(herzien) verdrag betreffende den minimum leeftijd (arbeid op zee) 1936”: De wijziging is in werking getreden op 15 januari 1948 (Trb. 1957/181). Artikel 1 Voor de toepassing van dit verdrag worden onder „schepen” verstaan alle vaartuigen, van welke soort ook, toebehoorende aan de overheid dan wel aan bijzondere personen, in gebruik voor de zeevaart, met uitzondering van oorlogsschepen. Artikel 2 1. Kinderen beneden 15 jaar mogen niet gebruikt worden voor arbeid aan boord van schepen, tenzij daarop uitsluitend leden van één gezin werkzaam zijn. 2. De nationale wetgeving kan echter toestaan, dat certificaten worden afgegeven, welke toestaan dat kinderen, die ten minste 14 jaar oud zijn, gebruikt worden in de gevallen, dat een schoolautoriteit of een andere geëigende autoriteit, daartoe aangewezen door de nationale wetgeving, er zich van vergewist heeft, na behoorlijk gelet te hebben op den lichamelijken toestand van het kind en zoowel op de toekomstige voordeelen als op het onmiddellijk voordeel, dat de bedoelde arbeid voor het kind kan meebrengen, dat die arbeid in het belang van het kind is. Artikel 3 Het in artikel 2 bepaalde is niet van"},{"i":549,"b":"Wet van 20 december 2017 tot wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten vanwege een aantal wijzigingen van pensioenwetgeving (Verzamelwet pensioenen 2017) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving op het gebied van pensioenen op een aantal punten te wijzigen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Pensioenwet. Artikel II Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel IIa De [Wet privatisering FVP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009756) wordt ingetrokken. Artikel III Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel IIIa Wijzigt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Artikel IIIb Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IIIc Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht. Artikel IIId Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel V De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Verzamelwet pensioenen 2017. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":550,"b":"Wet van 12 december 2018 tot wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten vanwege enkele wijzigingen met betrekking tot pensioen (Verzamelwet pensioenen 2019) Artikel I Wijzigt de Pensioenwet. Artikel II Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel III Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Deze wet wordt aangehaald als: Verzamelwet pensioenen 2019. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld en kan ten aanzien van artikel V terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de pensioenwetgeving op enkele punten te wijzigen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":551,"b":"Vierde Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale verzekering van 29 maart 1951 betreffende de regeling van aanspraken, die door Nederlandse werknemers tussen 13 mei 1940 en 1 september 1945 op grond van de Duitse sociale verzekering zijn verkregen Gelet op artikel 29, eerste lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale verzekering van 29 maart 1951 wordt betreffende de aanspraken ingevolge de sociale verzekering van de Nederlandse werknemers, die in de periode tussen 13 mei 1940 en 1 september 1945 in Duitsland werkzaam zijn geweest, de volgende Aanvullende Overeenkomst gesloten: Artikel 1 Het Verdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden inzake sociale verzekering van 29 maart 1951, alsmede de daarbij gesloten Aanvullende Overeenkomsten, zijn ook van toepassing op de vorengenoemde Nederlandse werknemers, voor zover in deze Overeenkomst niet anders is bepaald. Artikel 2 1. Verzekeringstijdvakken, die door Nederlandse onderdanen tussen 13 mei 1940 en 1 september 1945 op grond van een tewerkstelling tegen beloning in de Duitse rentenverzekering voor arbeiders of de Duitse rentenverzekering voor bedienden vervuld zijn, gelden als vervuld voor de Nederlandse verzekering tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit, ouderdom en overlijden, indien de werknemer vóór 1 september 1945 zijn werkzaamheden beëindigd heeft en uiterlijk 31 december 1945 in Nederland teruggekeerd is. 2. Indien de in het eerste lid bedoelde Nederlandse onderdanen vóór de aanvang van hun tewerkstelling in Duitsland niet ingevolge de Nederlandse Invaliditeitswet verzekerd waren, worden zij voor de toepassing van de artikelen 75 en 76 dier wet als verzekerd beschouwd vanaf de dag, waarop zij in Duitsland te werk gesteld werden; deze bepaling geldt slechts, indien het voor de rechthebbende voordeliger is. 3. Op grond van verzekerings"},{"i":553,"b":"Besluit van 2 november 2001, houdende het Warenwetbesluit Cacao en chocolade Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juli 2001, GZB/VVB 2197687, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en van Economische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 2000/36/EG](32000L0036) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 juni 2000 inzake cacao- en chocoladeproducten voor menselijke consumptie (PbEG L 197), alsmede op [artikel 8, onder a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), en [artikel 13, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13); De Raad van State gehoord (advies van 11 september 2001, No. W13.01.0425/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 oktober 2001 met nummer GZB/VVB 2224137, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **cacaoboter**: het vet verkregen uit cacaobonen of delen van cacaobonen; - b. **cacaopoeder** of **cacao**: de waar die wordt verkregen door gereinigde, gedopte en geroosterde cacaobonen tot poeder te verwerken; - c. **chocoladepoeder**, **huishoudchocoladepoeder**, **gesuikerde huishoudcacao** of **gesuikerd huishoudcacaopoeder**: de waar die bestaat uit een mengsel van cacaopoeder en suiker; - d. **chocolade**: de waar die wordt verkregen uit cacaoproducten en suikers; - e. **melkchocolade** of **huishoudmelkchocolade**: de waar die wordt verkregen uit cacaoproducten, suikers en melk of melkproducten; - f. **witte chocolade**: de waar die wordt verkregen uit cacaoboter, melk of melkproducten, en suikers; - g. «**chocolate a la taza**» of «**chocolate familiar a la taza**»: de waar die wordt verkregen uit cacaoproducten, suike"},{"i":555,"b":"Wet van 24 februari 2005, houdende wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet arbeid en zorg en van enige andere wetten (Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen om de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen door middel van aanpassing van de fiscale behandeling van VUT- en prepensioenregelingen in samenhang met het bevorderen van de combinatie van arbeid en andere activiteiten door middel van een levensloopregeling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel I Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Vervallen Artikel VI Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel VII Wijzigt de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds. Artikel VIII Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet. Artikel IX Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel X Wijzigt de Wijzigingswet Wet inkomstenbelasting 2001, enz. (Belastingplan 2003 Deel I). Artikel XI Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel XII Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet. Artikel XIII A. Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. B. Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. C. Voorzover een egalisatiereserve als bedoeld in [artikel 3.53, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel="},{"i":569,"b":"Wet van 1 juni 2016, houdende Regeling van de arbeidsvoorwaarden van gedetacheerde werknemers in verband met de implementatie van Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van de detacheringsrichtlijn en tot wijziging van de IMI-verordening over de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in verband met de implementatie van [Richtlijn 2014/67](32014L0067)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van [Richtlijn 96/71/EG](31996L0071) betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (de detacheringsrichtlijn) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (PbEG2014,L159/11(«de IMI-verordening»)), kort aangeduid als de handhavingsrichtlijn, een nieuwe wet vast te stellen tot regeling van de arbeidsvoorwaarden voor gedetacheerde werknemers in de Europese Unie ter vervanging van de [Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010925) en voorts de [Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987) aan te passen, waarbij tevens de samenwerking en wederzijdse bijstand in de handhaving in de Europese Unie wordt geregeld en ter bevordering van die handhaving een meldingssysteem wordt ingevoerd, en overtredingen van deze meldingsplicht en van informatieverplichtingen met een bestuurlijke boete worden gesanctioneerd; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij"},{"i":570,"b":"Wet van 1 april 2015 tot wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met een heffing bij het niet voldoen aan de quotumdoelstelling (Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de arbeidsparticipatie van werknemers met een beperking, die met ondersteuning van de gemeenten naar arbeid worden begeleid, te bevorderen en daarmee het volume van de uitkeringen te beperken door een werkgeversheffing te introduceren ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds indien de werkgever niet of onvoldoende de quotumdoelstelling haalt en slechts tot invoering van deze regeling over te gaan indien de in het sociaal akkoord overeengekomen garantstelling voor extra banen voor deze doelgroep niet wordt gehaald; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel II Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel III De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":574,"b":"Wet van 22 augustus 1947, tot invoering van een buitengewoon pensioen voor deelnemers aan het verzet, alsmede voor hun nagelaten betrekkingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een regeling te treffen met betrekking tot recht op buitengewoon pensioen ten behoeve van hen, die tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa door daad of houding hebben deelgenomen aan het binnenlands verzet, alsmede van hun nagelaten betrekkingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: hoofdstuk Eerste. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: \"Onze Minister\": Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; \"de Raad\": de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); \"deelnemers aan het verzet\": zij, die tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa door daad of houding hebben deelgenomen aan het binnenlands verzet, met inbegrip van hen, die deel uitmaakten van de Binnenlandse Strijdkrachten en daadwerkelijk hebben deelgenomen aan de strijd tegen de vijandelijke bezettende macht van het Rijk in Europa; \"gewezen echtgenote\": de vrouw, bedoeld in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&hoofdstuk=Derde&paragraaf=1&artikel=14&z=2025-01-01&g=2025-01-01); \"peiljaar\": het jaar vastgesteld ingevolge [artikel 8, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&hoofdstuk=Tweede&paragraaf=3&artikel=8&z=2025-01-01&g=2025-01-01), en [artikel 4"},{"i":575,"b":"Wet van 16 mei 1986, houdende regelen inzake de toekenning van een buitengewoon pensioen aan de deelnemers aan het verzet in het voormalige Nederlands-Indië en aan hun nagelaten betrekkingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen betreffende het toekennen van buitengewoon pensioen aan hen, die tijdens de vijandelijke bezetting van het voormalige Nederlands-Indië hebben deelgenomen aan het verzet, alsmede aan hun nagelaten betrekkingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: hoofdstuk Eerste. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); - c. de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - d. de pensioengrondslag: de pensioengrondslag, bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&hoofdstuk=Tweede&paragraaf=3&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - e. nagelaten betrekkingen: de personen, bedoeld in de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&hoofdstuk=Derde&paragraaf=1&artikel=19&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&hoofdstuk=Derde&paragraaf=1&artikel=20&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&hoofdstuk=Zesde&artikel=34&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - f. \"minimum-pensioengrondslag\": de pensioengrondslag, bedoeld in [artikel 10, achtste lid, onder a](https://wet"},{"i":581,"b":"Wet van 11 juli 2018, houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid of bedrijfseconomische omstandigheden niet, dan wel in mindere mate, ten laste van de werkgever te laten komen en daartoe [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) en de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) te wijzigen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II. Wijziging van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel III. Wijziging van [bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&bijlage=2) Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV. Wijziging van [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) met ingang van 1 januari 2020 Wijzigt Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel V. Wijziging van de [Wet werk en zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035254) Wijzigt de Wet werk en zekerheid. Artikel VI. Overgangsbepaling 1. [Artikel 673b, lid 1, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673b), zoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041178&ar"},{"i":3684,"b":"Besluit van de Minister voor Natuur en Stikstof van 13 november 2023, nr. WJZ / 37587654, houdende verlening van mandaat en machtiging aan de Stichting Certificering SNL (Besluit mandaat en machtiging LNV voor de Stichting Certificering SNL) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Overwegende: dat aan het Kroondomein op grond van de [Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919) subsidie wordt verstrekt; dat aan die subsidie de verplichting is verbonden dat het Kroondomein beschikt over een certificaat natuurbeheer, afgegeven door de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (hierna: de Stichting Certificering SNL); dat de Stichting Certificering SNL op 15 oktober 2013 namens Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland aan het Kroondomein een certificaat natuurbeheer heeft verstrekt; dat gelet op de subsidierelatie tussen het Kroondomein en de Minister voor Natuur en Stikstof, het evenwel wenselijk is dat de opdracht tot certificering, de voorwaarden waaronder certificering kan plaatsvinden en de wijze waarop audits op het voldoen aan die voorwaarden worden uitgevoerd, door deze minister wordt gegeven respectievelijk worden gesteld; dat hiertoe dit mandaat- en machtigingsbesluit strekt; Gezien de schriftelijke instemming van het bestuur van de Stichting Certificering SNL en het bestuur van het Interprovinciaal Overleg (IPO); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **certificaat natuurbeheer:** een door de Stichting Certificering SNL namens de minister afgegeven bewijs dat de interne werkwijze van de houder van het certificaat voldoet aan de kwaliteitseisen met betrekking tot het beheer, de organisatie en de administratie, overeenkomstig het Programma van Eisen; - b. **Programma van Eisen:** de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048908&bijlage=1&z=2023-11-18&g=2023-11-18) opg"},{"i":594,"b":"Wet van 9 maart 2017 tot wijziging van de Ambtenarenwet en enige andere wetten in verband met het in overeenstemming brengen van de rechtspositie van ambtenaren met die van werknemers met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (Wet normalisering rechtspositie ambtenaren) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rechtspositie van ambtenaren zo veel mogelijk in overeenstemming te brengen met die van werknemers met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De inwerkingtreding is opgeschort op grond van artikel 8 van de Wet raadgevend referendum. Artikel I Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel II Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012. Artikel IIa Wijzigt de Politiewet 2012. Artikel IIb Wijzigt de Militaire Ambtenarenwet 1931. Artikelen IIc T/M IId [Vervallen] Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel IV Wijzigt de Ziektewet. Artikel V Wijzigt het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945. Artikel VI Wijzigt de Wet op de loonvorming. Artikel VII Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2019/483. Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Artikel VIII Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VIIIa Wijzigt de Wet op de Kamer van Koophandel. Artikelen VIIIb en IX **[Vervallen]** Artikel IXa Wijzigt de Wet op het notarisambt. Artikel IXb Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet. Artikel X De krachtens [artikel 125, eerste lid, onderdeel m, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) vastgestelde regels, alsmede de krachtens artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993 of [artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":597,"b":"Wet van 24 december 1927, houdende nadere regeling van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is nadere regelen te stellen betreffende de collectieve arbeidsovereenkomst; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Onder collectieve arbeidsovereenkomst wordt verstaan de overeenkomst, aangegaan door een of meer werkgevers of een of meer verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers en een of meer verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, waarbij voornamelijk of uitsluitend worden geregeld arbeidsvoorwaarden, bij arbeidsovereenkomsten in acht te nemen. 2. Zij kan ook betreffen aannemingen van werk en overeenkomsten van opdracht. Hetgeen in deze wet omtrent arbeidsovereenkomsten, werkgevers en werknemers is bepaald, vindt dan overeenkomstige toepassing. 3. Nietig is het beding, waarbij een werkgever verplicht wordt arbeiders van een bepaald ras of met een bepaalde godsdienst, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of leden van een bepaalde vereniging in dienst te nemen of waarbij hij zich verplicht, te weigeren hen in dienst te nemen. Artikel 2 Eene vereeniging van werkgevers of van werknemers is slechts bevoegd tot het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten, indien de statuten der vereeniging deze bevoegdheid met name noemen. Artikel 3 Eene collectieve arbeidsovereenkomst kan slechts worden aangegaan bij eene authentieke of onderhandsche akte. Artikel 4 Eene vereeniging, welke eene collectieve arbeidsovereenkomst heeft aangegaan, draagt zorg dat ieder harer leden, die bij de overeenkomst betrokken is, zoo spoedig mogelijk den woordelijken inhoud der overeenkomst in zijn bezit heeft. Indien door de partijen eene toelichting op de collectieve arbeidsovereenkomst is op"},{"i":598,"b":"Wet van 25 mei 1937, tot het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is regelen vast te stellen betreffende het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet verstaat onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Sociale Zaken; - b. \"verbindendverklaring\": de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987&artikel=2&z=2023-06-01&g=2023-06-01) bedoelde algemeen verbindendverklaring; - c. \"verbindend verklaarde bepalingen\": bepalingen eener collectieve arbeidsovereenkomst, welke ingevolge [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001987&artikel=2&z=2023-06-01&g=2023-06-01) algemeen verbindend zijn verklaard. Artikel 2 1. Onze Minister kan bepalingen van eene collectieve arbeidsovereenkomst, die in het geheele land of in een gedeelte des lands voor eene - naar zijn oordeel belangrijke - meerderheid van de in een bedrijf werkzame personen gelden, in het geheele land of in dat gedeelte des lands algemeen verbindend verklaren. Deze bepalingen zijn dan, behalve in de gevallen door Onzen Minister uitgezonderd, binnen dat gebied verbindend voor alle werkgevers en werknemers ten aanzien van arbeidsovereenkomsten, die naar den aard van den arbeid, waarop zij betrekking hebben, onder de collectieve arbeidsovereenkomst vallen of zouden vallen, hetzij deze arbeidsovereenkomsten op het tijdstip, waarop de werking der verbindendverklaring aanvangt, reeds gesloten zijn, hetzij zij daarna gesloten worden. 2. De verbindendverklaring geschiedt, behoudens voor commissies als bedoeld in [artikel 671a, tweede lid, van Boek 7 van het B"},{"i":599,"b":"Wet op het ter beschikking stellen arbeidskrachten BES Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder «ter beschikking stellen van arbeidskrachten» verstaan: het tegen vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een ander voor het, anders dan krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst, in diens onderneming verrichten van aldaar gebruikelijke arbeid. 2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder «ter beschikking stellen van arbeidskrachten» niet verstaan: - a. het bij wijze van hulpbetoon zonder winstoogmerk ter beschikking stellen van arbeidskrachten, die bij degene, die hen ter beschikking stelt, ten behoeve van arbeid in diens onderneming in dienst zijn; - b. het voor beperkte tijd ter beschikking stellen van arbeidskrachten als bedoeld onder a. ter uitvoering van een taak ten aanzien van een door degene, die hen ter beschikking stelt, ten behoeve van de onderneming, waarin zij worden te werk gesteld, geleverde zaak of tot stand gebracht werk; - c. het door een instelling, welke door ondernemers gezamenlijk of een organisatie van ondernemers, al dan niet tezamen met een organisatie van werknemers, daartoe in het leven is geroepen, zonder winstoogmerk ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan de betrokken ondernemers. 3. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden met onderneming gelijk gesteld: - a. niet tot een onderneming behorende inrichtingen en kantoren; - b. bedrijven, diensten en instellingen van publiekrechtelijke lichamen. Artikel 2 1. Het is verboden arbeidskrachten ter beschikking te stellen zonder door het bestuurscollege verleende vergunning. 2. Bij eilandsverordening kan van het in het eerste lid bedoelde verbod voor gevallen, behorende tot bij die verordening daartoe aangewezen categorieën*, vrijstelling worden verleend. Artikel 3 1. Bij eilandsverordening kan worden geregeld welke gegevens bij een aanvrage om een vergunning"},{"i":6669,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 juli 2004, nr. VI/BZ 4930, houdende wijziging van de Subsidieregeling servicepunten milieuwethandhaving (verlenging subsidiemogelijkheid) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling servicepunten milieuwethandhaving. Artikel II De [Subsidieregeling servicepunten milieuwethandhaving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010666), zoals ze luidde voor het tijdstip waarop deze regeling in werking is getreden, blijft van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn aangevraagd op grond van die regeling. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":609,"b":"Wet van 29 december 2008 houdende regels met betrekking tot participatieplaatsen en loonkostensubsidies (Wet stimulering arbeidsparticipatie) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot participatieplaatsen en loonkostensubsidie om zo de inschakeling in de arbeid te bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijzigingen in verband met re-integratie-instrumenten UWV Artikel I. [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel II. [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel III. [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Artikel IV. [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel V. [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel VI. [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel VII. [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Hoofdstuk 2. Wijzigingen in verband met participatieplaatsen Artikel VIII. [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel IX. [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeelte"},{"i":14315,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 december 2003, Directie Sociale Verzekering, nr. SV/F&W/2003/90418B, houdende het buiten toepassing verklaren van de maximale herlevingstermijn voor de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (Regeling herlevingstermijn WW) Gelet op [artikel 21, vierde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=21); Besluit: Artikel 1. Buiten toepassing verklaring maximale herlevingstermijn De termijn van zes maanden, bedoeld in [artikel 21, derde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=21) blijft buiten toepassing ten aanzien van de werknemer, bedoeld in [artikel 7 van de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019305&artikel=7). Artikel 2. Intrekking De regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 juli 1994, nr. 943457 (Stcrt. 210), wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling herlevingstermijn WW. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12895,"b":"Besluit vaststelling selectielijst primair proces 'de Rechtspraak' vanaf (1985) 2005 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van het primair proces van ‘de Rechtspraak’ voor de waardering van alle rechtszaak gebonden stukken, ontvangen of opgemaakt vanaf (1985) 2005 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst: - •. [Rechterlijke Macht over de periode vanaf 1950](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030457) **(uitgezonderd handeling 4)**, **Stcrt**. 2011, 17020 wordt afgesloten vanaf 1 januari 2005 voor ‘de Rechtspraak’. - •. [Rechterlijke Macht over de periode vanaf 1950](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030457) handeling 4, **Stcrt**. 2011, 17020 wordt afgesloten vanaf 1 januari 1985 voor ‘de Rechtspraak’. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13056,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 20 maart 2025 inzake volginnovatie 2024 Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 2.2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.2.2), [2.10.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=2.10.2), [3.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.2), [3.4.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.5), [3.4.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.20), [3.7.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.7.2), [3.8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.8.2), [3.9.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [3.10.2, eerste lid, 3.10.2, tweede lid, 3.10.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.2), [3.10.12b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.12b), [3.16.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.16.1c), [3.16.7 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.16.7), [3.16.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.16.12), [3.22.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.22.2), [3.25.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.25.2), [3.26.2. eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.26.2), [3.28.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.28.2), [3.31.2, eerste lid]"},{"i":13073,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 mei 2007, nr. DPV/VV-426/07-wb, tot vrijstelling van onderdanen van Zuid-Korea van mvv-plicht Gelet op [artikel 17, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17); Besluit: artikel Enig Met ingang van 1 juni 2007 zijn onderdanen van Zuid-Korea voor de toegang tot Nederland voor een verblijf van meer dan drie maanden en het verkrijgen van een verblijfsvergunning vrijgesteld van de verplichting om in het bezit te zijn van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12908,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting Nidos voor de periode vanaf 1 november 1995 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Stichting Nidos en haar rechtsvoorgangers over de periode vanaf 1 november 1995 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten afgesloten en/of ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13065,"b":"Besluit van de Autoriteit Persoonsgegevens van 4 februari 2016 inzake voorbehoud auteursrecht logo Gelet op [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b); Besluit: Artikel 1 1. De Autoriteit Persoonsgegevens (onderdeel van de Staat der Nederlanden) maakt ten aanzien van het auteursrecht op het logo van de Autoriteit Persoonsgegevens een voorbehoud als bedoeld in artikel [15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b). 2. Een afbeelding van het logo is als bijlage bij dit besluit opgenomen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum publicatie in de Staatscourant. Bijlage. bij het besluit van de Autoriteit Persoonsgegevens van 4 februari 2016 inzake voorbehoud auteursrecht logo Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12363,"b":"Besluit van het dagelijks bestuur van de Sociaal-economische Raad van 18 april 2024 tot instelling van de Bedrijfscommissie voor de marktsector Gelet op de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=37) en [38 van de Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=38); Gelet op [artikel 2 van de Verordening bestuurlijke taken SER](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032870&artikel=2); Gehoord de Commissie Bevordering Medezeggenschap en de naar het oordeel van het dagelijks bestuur representatieve organisaties van ondernemers en van werknemers; Besluit: Artikel 1 Er is een bedrijfscommissie ingesteld voor alle ondernemingen in de marktsector. Artikel 2 1. De bedrijfscommissie bestaat uit twaalf leden en twaalf plaatsvervangende leden. 2. Van deze leden en plaatsvervangende leden worden de volgende aantallen benoemd door de daarbij vermelde organisaties: - a. organisaties van ondernemers - –. drie leden en drie plaatsvervangende leden door: VNO-NCW; - –. twee leden en twee plaatsvervangend leden door: MKB-Nederland; - –. een lid en een plaatsvervangend lid door: Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU), MBO-Raad, Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH) gezamenlijk; - b. organisaties van werknemers - –. drie leden en drie plaatsvervangende leden door: FNV; - –. een lid en een plaatsvervangend lid door: CNV; - –. een lid en een plaatsvervangend lid door: Vakcentrale voor Professionals (VCP); - –. een lid en een plaatsvervangend lid door: Federatie van beroepsorganisaties in de zorg (FBZ)/ Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD), Kunstenbond en Federatie van Onderwijsvakorganisaties (FvOv) gezamenlijk. Artikel 3 De volgende besluiten worden ingetrokken: - •. [Besluit instelling Bedrijfscommissie Markt I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027737) van 27 mei 2010; - •. [Besluit instelling Bedrijfs"},{"i":18044,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 juni 2008, nr. DDI/ST/reg. 035/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1945–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1945–1954, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 1440–1444 | 2030 | | 1445 | 2029 | | 1446–1450 | 2030 | | 1451 | 2029 | | 1452 | 2030 | | 1453 | 2029 | | 1454–1458 | 2030 | | 1459 | 2030 | | 1460 | 2028 | | 1461–1468 | 2029 | | 1469 | 2028 | | 1470 | 2029 | | 1471 | 2029 | | 1472 | 2025 | | 1473–1475 | 2029 | | 1476 | 2025 | | 1477 | 2025 | | 1478 | 2029 | | 1479 | 2029 | | 1480 | 2025 | | 1481 | 2025 | | 1482–1486 | 2029 | | 2041–2050 | 2030 | | 2055–2116 | 2030 | | 2165–2175 | 2030 | | 2196–2201 | 2030 | | 2226–2240 | 2030 | | 2266 | 2030 | | 2286–2292 | 2030 | | 2787 | 2026 | | 2789 | 2025 | | 2863–2866 | 2030 | | 2973 | 2016 | | 3014 | 2024 | | 3072 | 2028 | | 3073 | 2030 | | 3102 | 2022 | | 3103 | 2024 | | 3106 | 2021 | | 3111 | 2022 | | 3126 | 2025 | | 3127 | 2019 | | 3129 | 2022 | | 3131 | 2022 | | 3133 | 2023 | | 3136 | 2018 | | 3137 | 2025 | | 3138 | 2014 | | 3139 | 2020 | | 3142 | 2015 | | 3145 | 2027 | | 3148 | 2023 | | 3149 | 2024 | | 3150 | 2023 | | 3153 | 2019 | | 3155 | 2025 | | 3158 | 2023 | | 3165 | 2026 | | 3166 | 2019 | | 3169 | 2024 | | 3170 | 2025 | | 3171 | 2022 | | 3174 | 2021 | | 3175 | 2018 | | 3176 | 2019 | | 3179 | 2021 | | 3181 | 2021 | | 3185 | 2026 | | 3188 | 2016 | | 3190 | 2019 | | 3192 | 2022 | | 3195 | 2022 | | 3199 | 2027 | | 3200 | 2024 | | 3206 | 2027 | | 3207 | 2026 | | 3209 | 2024 | | 3212 | 2022 | |"},{"i":668,"b":"Besluit van 27 augustus 2018 tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in verband met de invoering van hybride ondernemerschap voor vreemdelingen die arbeid verrichten in het kader van overplaatsing binnen een onderneming, een verduidelijking van de voorwaarden voor werkzaamheden in het kader van een Working Holiday Scheme of Working Holiday Programme, een nul-quotum voor vreemdelingen met de Noord-Koreaanse nationaliteit, en enige technische wijzigingen Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 juli 2018, nr. 2018-0000122707; Gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; Gelet op Resolutie 2371 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties; Gelet op Besluit (GBVB) 2017/1562 van de Raad van 14 september 2017 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2016/849 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3), [5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=5a), en [8, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 juli 2018, no. W12.18.0190/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 augustus 2018, nr. 2018-0000136013; uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen. Artikel II [Artikel 1j, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1j), zoals dat luidde voor inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041341&artikel=I&z=2018-10-01&g=2018-10-01) van dit besluit, blijft van toepassing op de vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning regul"},{"i":669,"b":"Besluit van 28 november 2019, houdende wijziging van het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES, het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES en het Besluit rechtspositie korps politie BES (kopen en verkopen van vakantie-uren, invoering levensfaseverlof en wijziging feestdagen) Artikel I Wijzigt het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES. Artikel II Wijzigt het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES. Artikel III Wijzigt het Besluit rechtspositie korps politie BES. Artikel IV. Overgangsbepalingen 1. De ambtenaar, op wie [hoofdstuk II van het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028606&hoofdstuk=II) van toepassing is, kan, onverminderd [artikel 8a, eerste, tweede en derde lid, van het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028606&artikel=8a), in 2020 eenmalig ten hoogste 184 vakantie-uren sparen ten behoeve van levensfaseverlof, mits de aanspraak op die vakantie-uren is ontstaan vóór 1 januari 2020. 2. De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel e onderscheidenlijk f, van het Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=1), kan, onverminderd [artikel 37c, eerste, tweede en derde lid, van het Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017230&artikel=37c), in 2020 eenmalig ten hoogste 184 vakantie-uren sparen ten behoeve van levensfaseverlof, mits de aanspraak op die vakantie-uren is ontstaan vóór 1 januari 2020. Artikel V 1. De [artikelen I, onderdelen A tot en met O](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042856&artikel=I&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042856&artikel=II&z=2020-01-01&g=2020-01-01), [III](https:"},{"i":679,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2022, 2022-0000224898, houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met een nieuwe opzet van de aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie inzake risico’s zware ongevallen met gevaarlijke stoffen Gelet op de [artikelen 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.2), [2.5, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.5), [2.5a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.5a), [2.5b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.5b), [2.5f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.5f), [2.5g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.5g), [2.5i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=2.5i), [derde lid, 9.9c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=9.9c), en [9.9d, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=9.9d); Besluit: Artikel I Wijzigt de Arbeidsomstandighedenregeling. Artikel II 1. De [artikelen 2.0b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=2.0b) en [2.0d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=2.0d) zijn tot en met 31 december 2023 niet van toepassing op: - a. een bedrijf of een inrichting waarop op 31 december 2022 [hoofdstuk 2, afdeling 2, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&afdeling=2) niet van toepassing was en waarop hoofdstuk 2, afdeling 2, van het Arbeidsomstandighedenbesluit met ingang van 1 januari 2023 van toepassing is; - b. een bedrijf dat of een inrichting die in bedrijf wordt gesteld of wordt gebouwd op of na 1 januari 2023; en - c. een bedrijf of inrichting waarop op 31 december 2022 [hoofdstuk 2, afdeling 2, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&afde"},{"i":729,"b":"Wet van 29 maart 2017 tot wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in verband met het van toepassing verklaren van die wet op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638) van toepassing te verklaren op bepaalde overeenkomsten van opdracht teneinde ontwijking van die wet tegen te gaan; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Artikel Ia Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de zesde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":730,"b":"Wet van 9 februari 2012 tot wijziging van artikel 18b van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in verband met het verduidelijken van het rechtsvermoeden van werkgeverschap Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betreffende de [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638) in [artikel 18b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18b) tot een verduidelijking te komen van het rechtsvermoeden van het werkgeverschap; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Artikel II [Artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=18b), zoals dat artikellid luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op feiten die zich hebben voorgedaan voor genoemd tijdstip. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":731,"b":"Wet van 1 november 1993, tot wijziging van een aantal wetten inzake belastingen, alsmede van een aantal andere wetten met het oog op het bevorderen van werknemersparticipaties en winstdelings- en spaarregelingen voor werknemers Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aantal wetten inzake belastingen, alsmede een aantal andere wetten te wijzigen met het oog op het bevorderen van werknemersparticipaties en winstdelings- en spaarregelingen voor werknemers; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Met betrekking tot op 31 december 1993 bestaande aanspraken op uitkeringen ingevolge een op die datum bestaande premiespaarregeling en een winstdelingsspaarregeling alsmede met betrekking tot reeds op die datum toegekend spaarloon blijven de regels van kracht die daarvoor golden op 31 december 1993. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het overgangsrecht. Artikel X Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1994. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":732,"b":"Wet van 23 december 1994, tot wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 en van een aantal andere wetten houdende aanpassing van het regime voor werknemersspaarregelingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het regime voor werknemersspaarregelingen in de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) en een aantal andere wetten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Ingeval de samenloop van voorstellen van wet die in december 1994 in het **Staatsblad** worden gepubliceerd en wijzigingen aanbrengen in de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471), de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de vermogensbelasting 1964, de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672), de [Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515) of de [Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226), niet of niet juist is geregeld of als gevolg van die samenloop onjuistheden in de aanduiding van artikelonderdelen, verwijzingen en dergelijke ontstaan in genoemde wetten, herstelt Onze Minister van Financiën zulks bij mini"},{"i":727,"b":"Wet van 17 november 2011, houdende wijziging van de Wet melding collectief ontslag in verband met de uitbreiding van de reikwijdte en ter bevordering van de naleving van deze wet Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet melding collectief ontslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003026) te wijzigen om de reikwijdte van de wet uit te breiden en de naleving hiervan te bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet melding collectief ontslag. Artikel II De [Wet melding collectief ontslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003026), zoals deze wet luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op opzeggingen of beëindigingen van een arbeidsovereenkomst door middel van een beëindigingsovereenkomst die hebben plaatsgevonden voor genoemd tijdstip, op verzoekschriften tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in omstandigheden die zijn ingediend en beschikkingen krachtens [artikel 685 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=685) die zijn gegeven voor dat tijdstip, alsmede op afwikkeling van meldingen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003026&artikel=3) die voor dat tijdstip zijn gedaan. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":733,"b":"Wet van 4 mei 1995, tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, houdende aanpassing van de bepalingen inzake de arbeidsmarktfixus, alsmede de eenmalige vaststelling bij wet van de arbeidsmarktfixus geneeskunde 1994-1996 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het is gebleken dat van overheidswege onvoldoende kan worden voorkomen dat inschrijving van studenten in het hoger onderwijs plaatsvindt, voor wie de arbeidsmarkt in de toekomst geen vooruitzichten biedt op de uitoefening van het beroep waarop de desbetreffende opleidingen zijn gericht; dat voorts in verband met het voorgaande thans zekerheid moet worden geboden omtrent de status van de bestaande instroombeperking voor de opleidingen geneeskunde; dat in verband daarmee onder meer wijziging van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) noodzakelijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Vervallen Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007383&artikel=II&z=2005-08-03&g=2005-08-03) van deze wet werkt terug tot en met 17 april 1994. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":728,"b":"Wet van 25 januari 2017, houdende wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en enige andere wetten in verband met de verlaging van de leeftijd waarop men recht heeft op het volwassenminimumloon, in verband met stukloon en meerwerk en enige andere wijzigingen Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638) te herzien door middel van een verlaging van de leeftijd waarop aanspraak bestaat op het volledige minimumloon, alsmede het creëren van een wettelijke grondslag voor betaling van minimumloon over meerwerk en de betaling op basis van stukloon aan te passen, ten einde te zorgen voor een sociaal aanvaardbare tegenprestatie voor de verrichte arbeid; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Artikel IV Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel V Wijzigt de Participatiewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Ziektewet. Artikel VI Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel VII Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel VIII Wijzigt de Wet aanpak schijnconstructies. Artikel IX Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel X Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Artikel XI Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Participatiewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverz"},{"i":734,"b":"Wet van 21 december 1994, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met decentralisatie van regelgeving op arbeidsvoorwaardelijk terrein Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is dat de rechtspositie van het personeel van de instellingen voor hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, behoudens een aantal op centraal niveau vast te stellen onderwerpen, voortaan zal worden bepaald door de instellingsbesturen in overeenstemming met de personeelsorganisaties; dat in verband hiermee wijziging van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) wenselijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Vervallen Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, alsmede ten aanzien van de onderscheiden instellingen, verschillend kan worden gesteld. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7530,"b":"Besluit van de directeur Digitaal van de directie KI&S van 1 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen de directie wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":740,"b":"Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de eigen verantwoordelijkheid ten behoeve van deelname aan het arbeidsproces en maatschappelijke activiteiten aan te scherpen, om het belang van scholing als essentieel element voor een goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt te benadrukken en bij te dragen aan een versterking van de balans tussen rechten en plichten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel II. Wijziging van de [Wet investeren in jongeren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026054) De [Wet investeren in jongeren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026054) wordt ingetrokken. Artikel III. Wijziging van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel IV. Wijziging van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel V. Wijziging van de [Wet voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022427) Wijzigt de Wet voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders. Artikel VI. Wijziging van de [Alge"},{"i":741,"b":"Wet van 10 juli 2008 tot wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen om gemeenten meer zekerheid te geven dat mensen met een kleine kans op inschakeling in het arbeidsproces met behoud van uitkering gedurende maximaal 2 jaar onbeloonde additionele werkzaamheden kunnen verrichten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om gemeenten meer zekerheid te geven dat mensen met een kleine kans op inschakeling in het arbeidsproces ten gevolge van persoonlijke werkbelemmeringen, die een uitkering ontvangen op grond van de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) of de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163), voor een langere periode met behoud van uitkering onbeloonde additionele werkzaamheden kunnen verrichten waardoor hun kans op inschakeling in het arbeidsproces wordt vergroot; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel II Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel III Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel IV. Evaluatie 1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 2. Indien het"},{"i":744,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 21 november 2017, kenmerk 1258386-169753-PG, houdende aanpassing van het besluit tot verlening van een ontheffing van een ex artikel 40, derde lid, onderdeel g, van de Geneesmiddelenwet, aan het RIVM Gelet op [artikel 40, derde lid, aanhef en onderdeel g, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=40); Besluit: Artikel 1 Aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Wet op het RIVM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008289&artikel=1), wordt voor onbepaalde tijd ontheffing verleend van het verbod om zonder handelsvergunning de volgende geneesmiddelen in voorraad te hebben, te verkopen, af te leveren, ter hand te stellen, in te voeren of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied te brengen: - –. antibacteriële middelen ter behandeling van infecties met bacteriën; - –. antidota tegen besmettingen met radioactieve stoffen; - –. antidota tegen vergiftigingen door natuurlijke toxinen; - –. antidota tegen vergiftigingen door geneesmiddelen; - –. antidota tegen vergiftigingen door metalen en chemische stoffen; - –. antitoxinen, immunoglobulinen of equivalenten ter behandeling van infectieziekten; - –. antivenoms, antitoxinen, immunoglobulinen of equivalenten tegen beten of steken van giftige dieren of insecten; - –. geneesmiddelen ter behandeling en ter mitigatie van infecties met virussen, inclusief geneesmiddelen ter ondersteuning van de behandeling van infecties met virussen; - –. middelen ter diagnosticering van infectieziekten; - –. geneesmiddelen tegen de verspreiding van chemische agentia; - –. vaccins tegen infectieziekten. Artikel 2 Het [Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 september 2014, kenmerk 664010-126012-WJZ, houdende verlening van een ontheffing ex artikel 40, derde lid, onderdeel g, van de Geneesmiddelenwet, aan het RIVM 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR003"},{"i":745,"b":"Besluit van 23 december 2009, houdende aanpassing van het Uitvoeringsbesluit accijns Op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 30 november 2009, nr. DV 2009-700 U; Gelet op [artikelen 2, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=2), [2a, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=2a), [2e, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=2e), [41, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=41), [50b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=50b), [50d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=50d), [50f, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=50f), [64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=64), [65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=65), [66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=66), [66a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=66a), 66b, eerste lid, [67, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=67), [68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=68), [70, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=70), [71, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=71), [80, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=80), [85, eerste lid, van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=85) en [artikel 70 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=70); De Raad van State gehoord (advies van 9 december 2009, no. W06.09.0510/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DV 2009/741; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns. Artikel II"},{"i":751,"b":"Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van 16 juni 1959 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, De wens koesterende om, voorafgaand aan een algehele herziening van de op 16 juni 1959 ondertekende „Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied” (hierna te noemen „Overeenkomst”), de fiscale positie te verbeteren van personen die in een van de Staten wonen en die in de andere Staat niet-zelfstandige arbeid uitoefenen en op deze wijze, wat de Nederlands-Duitse grens betreft, het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Gemeenschap te bevorderen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen GEDAAN te Bonn, de 13e maart 1980, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek. **Voor het Koninkrijk der Nederlanden** (w.g.) H. PHILIPSE **Voor de Bondsrepubliek Duitsland** (w.g.) G. VAN WELL (w.g.) G. OBERT"},{"i":761,"b":"Wet van 3 april 2008 tot algehele herziening van de douanewetgeving (Algemene douanewet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter verbetering van de doelmatigheid, ter verhoging van de inzichtelijkheid en ter vereenvoudiging van de wetgeving inzake het douanetoezicht op dan wel de douanecontrole van goederen en goederenverkeer in ruime zin, wenselijk is, regels, welke ten aanzien van douanetoezicht en douanecontrole gemeen zijn, in een algemene wet samen te vatten, mede in verband met de op douanetoezicht en douanecontrole betrekking hebbende internationale afspraken of besluiten van volkenrechtelijke organisaties; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Afdeling 1.1. Toepassingsgebied en basisdefinities Artikel 1:1 1. De bepalingen bij of krachtens deze wet vormen de nationale bepalingen ter uitvoering van: - a. het Douanewetboek van de Unie, de krachtens dat wetboek vastgestelde EU-rechtshandelingen, en - b. Uniewetgeving op andere gebieden als bedoeld in het Douanewetboek van de Unie. 2. De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ten behoeve van de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit: - a. interregionaal recht, - b. het Koninkrijk verbindende verdragen en - c. in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties, voorzover deze verplichtingen betrekking hebben op het douanetoezicht op, dan wel op de douanecontrole van, goederen en het goederenverkeer en voorts onderwerpen betreffen die vallen onder de reikwijdte van een of meer regelingen als bedoeld in de bijlage bij deze wet. 3. De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ten behoeve van de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit regelingen van internationaal recht tot het verle"},{"i":762,"b":"Algemene wet bestuursrecht, Besluit strategische goederen, Uitvoeringswet verdrag chemische wapens, Verordening (EG) nr. 236/2005, verordeningen op grond van artikel 215 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Dienstenregeling centraal loket en interne markt informatiesysteem; Openstelling elektronisch bestuurlijk verkeer met de Belastingdienst/Centrale Dienst voor In- en Uitvoer met gebruik van de digitale berichtenbox De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft het volgende besloten. **Met dit besluit wordt kenbaar gemaakt (zie afdeling 2.3 van de Algemene wet bestuursrecht, met name artikel 2:15, eerste lid) dat vanaf 1 januari 2012 voor het elektronisch berichtenverkeer met gebruik van de berichtenbox de elektronische weg tussen belanghebbenden en de Belastingdienst/Centrale Dienst voor In- en Uitvoer is geopend en welke specifieke eisen daarvoor gelden.** 1. Elektronisch berichtenverkeer met gebruik van de berichtenbox 1.1. Beschrijving berichtenbox De berichtenbox is een beveiligde elektronische postbus die deel uitmaakt van de elektronische omgeving van het in de [Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759) omschreven centraal loket. Het centraal loket is een generieke overheidsvoorziening die geschikt is voor elektronische informatie- en berichtenuitwisseling met bevoegde instanties waaronder de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Van een in de berichtenbox ontvangen bericht wordt automatisch een ontvangstbevestiging naar de berichtenbox van de afzender verzonden. Voor het verkrijgen van toegang tot een berichtenbox zijn toeganggegevens nodig. De berichtenbox is te bereiken via Antwoord voor Bedrijven. 1.2. Openstelling elektronisch berichtenverkeer De elektronische weg wordt opengesteld voor het volgende berichtenverkeer met gebruik van de berichtenbox: Naast de bovengenoemde aanvragen, meldingen, sondages en verzoeken kan ook al het verkeer volgend hierop via de berichtenbox plaat"},{"i":769,"b":"Belastingen, internationale administratieve samenwerking; aanwijzing en mandaatverlening **De Minister van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit bevat aanwijzingen van, en een mandatering aan de Directeur-generaal Belastingdienst en de Directeur-generaal Douane ten behoeve van de uitvoering van verschillende regelingen op het terrein van de internationale administratieve samenwerking bij de heffing en invordering van belastingen.** 1. Inleiding Dit besluit is een actualisering van het [besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042464) van 12 juli 2019, nr. 2019-78534 (Stcrt. 2019, 41999). In dit besluit zijn de aanwijzing en mandatering in het kader van enkele bepalingen uit de [Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244) opgenomen. 2. Mandaat, volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van: 3. Aanwijzing tot bevoegde autoriteit ter uitvoering van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen De Directeur-generaal Belastingdienst is aangewezen om besluiten te nemen namens “Onze Minister” en te handelen als “bevoegde autoriteit” ter uitvoering van de [Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954). 3a. Bevoegdheid tot het aanwijzen van andere bevoegde autoriteiten De Directeur-generaal Belastingdienst is gemandateerd om andere functionarissen binnen de Belastingdienst aan te wijzen om besluiten te nemen namens “Onze Minister” en te handelen als “bevoegde autoriteit” ter uitvoering van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. 4. Aanwijzing tot bevoegde autoriteit ter uitvoering van internationale bijstandverlening bij de heffing van belastingen De Directeur-generaal Belastingdienst en de Directeur-generaal Douane zijn aangewezen om te handelen als “bevoegde autorite"},{"i":988,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Douane vanaf 1996 (minister van Financiën, ressort Belastingdienst) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 maart 2010, nr. bca-2010.05620/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister Financiën en de onder hem ressorterende actor de Belastingdienst voor het uitvoeringsonderdeel Douane over de periode vanaf 1996 –‘ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.archief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":772,"b":"Belastingheffing van pensioenen en uitkeringen betaald krachtens het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel onder de werking van de Nederlandse belastingverdragen en de Belastingregeling voor het Koninkrijk De directeur-generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Inleiding Mij is gebleken, dat er behoefte bestaat aan nadere informatie omtrent de behandeling van pensioenen en uitkeringen betaald krachtens het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel onder de werking van de Nederlandse belastingverdragen en de [Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464) (BRK). Het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel kan worden verdeeld in twee groepen: Sociale voorzieningen De sociale voorzieningen geven recht op een uitkering indien men geen inkomen heeft en over geen of een besheiden vermogen beschikt. De uitkeringen uit hoofde van de sociale voorzieningen worden volledig gefinancierd uit de algemene middelen. Er vindt geen heffing van premies plaats. Tot de sociale voorzieningen behoren: Tot de sociale voorzieningen kunnen ook worden gerekend de pensioenen en uitkeringen ingevolge de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032), de [Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035), de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844), de [Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664), de [Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968) en de Algemene oorlogsongevallenregeling. De buitengewone pensioenen en uitkeringen worden volledig gefinancierd uit de algemene middelen. Zij kunnen formeel niet worden aangemerkt als sociale voorzieningen. In karakter zijn zij daarmee vergelijkbaar, aangezien de Staat der Nederlanden zich in het verleden moree"},{"i":7557,"b":"Besluit openstellen elektronische weg indienen bezwaarschriften Ctgb Gelet op het bepaalde in [artikel 2:15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:15) en [afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=7.1); BESLUIT Aldus besloten in de vergadering van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, gehouden op 25 januari 2023."},{"i":779,"b":"Wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2010) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor het jaar 2010 wenselijk is fiscale maatregelen te treffen in het kader van het inkomensbeleid en mede ter bevordering van ondernemerschap, vergroening en vereenvoudiging; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Vervallen Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV [Vervallen] Artikel V Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel VI Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel VII Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VIII Met betrekking tot immateriële activa die na 31 december 2007, maar voor 1 januari 2010 tot de bedrijfsmiddelen van de belastingplichtige zijn gaan behoren en waarvoor aan hem een S&O-verklaring is afgegeven als bedoeld in de [Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746), blijft [artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12b) zoals dat luidde op 31 december 2009 van toepassing, met dien verstande dat de vanaf 1 januari 2010 behaalde voordelen uit hoofde van die activa slechts voor 5/H gedeelte in aanmerking worden genomen. Artikel IX Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel X Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel XI Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel XII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XIII Vervallen Artikel XIV Vervallen Artikel XV Vervallen Artikel XVI Wijzigt"},{"i":781,"b":"Wet van 22 december 2011 houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2012) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het voor het jaar 2012 wenselijk is het aantal belastingen in belangrijke mate te verminderen, een aantal onevenwichtigheden in de vennootschapsbelasting weg te nemen, maatregelen te treffen die voortvloeien uit het Regeerakkoord en de woningmarkt een impuls te geven; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VIII Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IX Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel X Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel XI Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel XII 1. Een ingevolge [artikel 12 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12), zoals dat artikel luidde op 31 december 2011, gevormde herbestedingsreserve wordt bij het begin van het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2012 aangemerkt als een bestedingsreserve als bedoeld in genoemd artikel 12 zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2012, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van genoemd artikel 12, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2012. 2. Voor lichamen die een herbestedingsreserve hebben gevormd als bedoeld in [artikel 12 van de We"},{"i":782,"b":"Wet van 20 december 2012 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2013) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel Ia Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II 1. Voor een opleiding of studie in het studiejaar 2012–2013 waarvoor de belastingplichtige in 2012 aanspraak heeft op studiefinanciering volgens de [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) worden in afwijking in zoverre van [artikel I, onderdelen D, E, F en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032701&artikel=I&z=2013-07-01&g=2013-07-01), uitgaven voor lesgeld, cursusgeld of collegegeld als bedoeld in [artikel 6.27, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.27) en uitgaven voor de middelen, bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, onderdeel b, van die wet, voor elke maand in het kalenderjaar 2013 waarin aanspraak op studiefinanciering bestaat in aanmerking genomen tot het op grond van [artikel 6.29, eerste en tweede lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.29), zoals dat op 31 december 2012 luidde, van toepassing zijnde bedrag. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien op scholingsuitgaven voor het studiejaar 2012–2013 die zijn gedaan in het kalenderjaar 2012 [artikel 6.29, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.29), zoals dat op 31 december 2012 luidde, van toepassing is. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Onze Minister kan tot en met 31 december 2015 in door hem aangewezen gevallen bepalen dat geen sprake is van een prijsgeven als bedoeld in [artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19b) ingeval de bij een verzekeraar als bedoeld in [artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, van die wet](https://wetten.overh"},{"i":787,"b":"Wet van 20 december 2017 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2018) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor het jaar 2018 wenselijk is een aantal fiscale maatregelen te treffen die voortvloeien uit de koopkrachtbesluitvorming en dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2018 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen, bijstellingen of technische reparaties aan te brengen die uiterlijk 1 januari 2018 in werking moeten treden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel Ia Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel Ib Vervallen Artikel II Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IIIa Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel IVa Indien: - a. een immaterieel activum met toepassing van [artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 2°, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12ba) als kwalificerend immaterieel activum is aangemerkt; - b. met toepassing van [artikel 12b van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12b) in 2017 kwalificerende voordelen uit hoofde van dat immateriële activum in aanmerking zijn genomen; en - c. komt vast te staan dat de aanvraag voor het octrooi of kwekersrecht, bedoeld in [artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 2, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12ba), niet wordt toegewezen; blijft op dat immateriële activum en met betrekking tot die kwalificerende voordelen [artikel 12be, e"},{"i":789,"b":"Wet van 18 december 2019 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2020) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Vervallen Artikel III Vervallen Artikel IV Vervallen Artikel V Vervallen Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIII Vervallen Artikel IX Vervallen Artikel X Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel XI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XII Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel XIII Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel XIV Wijzigt de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. Artikel XV Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel XVI Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel XVII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XIX Wijzigt het Belastingplan 2018. Artikel XX Wijzigt het Belastingplan 2019. Artikel XXI Wijzigt de Wet bedrijfsleven 2019. Artikel XXII Wijzigt de Belastingwet BES. Artikel XXIII Wijzigt de Wet inkomstenbelasting BES. Artikel XXIV Ingeval de samenloop van wetten die in 2019 in het Staatsblad zijn of worden gepubliceerd en wijzigingen aanbrengen in een of meer belastingwetten, niet of niet juist is geregeld, of indien als gevolg van die samenloop onjuistheden ontstaan in de aanduiding van artikelen, artikelonderdelen, verwijzingen en dergelijke in de desbetreffende wetten, kunnen die wetten op dit punt bij ministeriële regeling worden gewijzigd. Artikel XXV Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2020, met dien verstande dat: - a. [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042946&artikel=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en [artikel XI, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042946&artikel=XI&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot kosten en lasten, onderscheidenlijk loonbestanddelen, die verband houden met: - 1°. geldsommen die zijn betaald in het kader van een na 31 december 201"},{"i":790,"b":"Wet van 16 december 2020 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2021) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Vervallen Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIII Vervallen Artikel IX Vervallen Artikel X Vervallen Artikel XI Vervallen Artikel XII Vervallen Artikel XIII Vervallen Artikel XIV Vervallen Artikel XV Vervallen Artikel XVI Vervallen Artikel XVII 1. Tot de winst, bedoeld in [artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.8), behoort niet: - a. een tegemoetkoming voor ondernemers van getroffen sectoren die op aanvraag wordt verstrekt door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat in verband met een in de periode van 16 maart 2020 tot en met 15 juni 2020 verwacht omzetverlies als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19; - b. een subsidie aan een door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 getroffen onderneming die op aanvraag wordt verstrekt door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, met als doel deze onderneming in staat te stellen in een bepaalde periode de vaste lasten te betalen, mits voor de toepassing van deze bepaling voor die periode goedkeuring van de Europese Commissie is verkregen. 2. De winst, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8), wordt mede opgevat en bepaald op de voet van het eerste lid. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XIX Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XX Vervallen Artikel XXI Vervallen Artikel XXII De vrije ruimte, bedoeld in [artikel 31a, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":791,"b":"Wet van 22 december 2021 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2022) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III 1. Tot de winst, bedoeld in [artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.8), behoort niet een subsidie aan een door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 getroffen startende MKB-onderneming die op aanvraag wordt verstrekt door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, met als doel deze MKB-onderneming in staat te stellen in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 de vaste lasten te betalen. 2. De winst, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8), wordt mede opgevat en bepaald op de voet van het eerste lid. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel V Wijzigt de Wet op de huurtoeslag. Artikel VI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VII De vrije ruimte, bedoeld in [artikel 31a, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31a), bedraagt voor het kalenderjaar 2021, in afwijking van de in dat kalenderjaar geldende tekst van die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471): - a. 3% van het loon waarover met toepassing van de [artikelen 20a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=20a), [20b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=20b), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=26) en [26b van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=26b) belasting wordt geheven met een maximum van € 12.000, vermeerderd met: - b. 1,18% van het loon waarover met toepassing van de [artikelen 20a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=20a), [20b](https://wett"},{"i":792,"b":"Wet van 21 december 2022 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2023) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIII Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel IX Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel X Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XII Vervallen Artikel XIII Voor de werknemer die over het laatste loontijdvak van 2022 een vergoeding genoot waarop [artikel 31a, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31a) zoals dat op 31 december 2022 luidde van toepassing was, blijft artikel 31a, achtste lid, tweede, derde en vierde zin, van die wet buiten toepassing tot en met uiterlijk 31 december 2025. Indien de werknemer, bedoeld in de eerste zin, op enig moment na 31 december 2022 na een onderbreking opnieuw als ingekomen werknemer wordt aangemerkt, is de eerste zin slechts tot de onderbreking van toepassing. Artikel XIV Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel XV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel XVa Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting. Artikel XVI Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel XVII Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel XVIII 1. [Artikel 33a, tweede lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=33a) zoals dat luidde op 31 december 2022 is met ingang van 1 januari 2024 niet meer van toepassing. 2. [Artikel 33a, derde lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=33a) zoals dat luidde op 31 december 2022 blijft van toepassing op een schenking als bedoeld in artikel 33a, eerste of tweede lid, van de Successi"},{"i":793,"b":"Wet van 20 december 2023 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2024) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Vervallen Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VI Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VIa Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VIb Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VIc Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VId Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VIe Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VIf Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IX Vervallen Artikel X Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XIIa Voor de werknemer die over het laatste loontijdvak van 2023 een vergoeding genoot waarop [artikel 31a, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31a) zoals dat op 31 december 2023 luidde van toepassing was, blijft [artikel 2.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.6) zoals dat op 31 december 2024 luidde van toepassing tot en met uiterlijk 31 december 2026. Indien de werknemer, bedoeld in de eerste zin, op enig moment na 31 december 2023 na een onderbreking opnieuw als ingekomen werknemer wordt aangemerkt, is de eerste zin slechts tot de onderbreking van toepassing. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel XIIIa Wijzigt de Wet bankenbelasting. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel XIVa Vervallen Artikel XV Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel XVI Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel XVI"},{"i":794,"b":"Belastingplan 2025 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is fiscale maatregelen te treffen die voortvloeien uit de koopkrachtbesluitvorming voor het jaar 2025 en dat het ook in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2025 en volgende jaren wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Vervallen Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VI Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VII Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IX Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel X Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XIVA Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel XV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel XVA Wijzigt de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling. Artikel XVI Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel XVII Wijzigt de Wet bronbelasting 2021. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting. Artikel XIX Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting. Artikel XX Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel XXA Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel XXI Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel XXII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en"},{"i":795,"b":"Wet van 17 december 2025 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is fiscale maatregelen te treffen die voortvloeien uit de koopkrachtbesluitvorming voor het jaar 2026 en dat het ook in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2026 en volgende jaren wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IIbis Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel aIIa Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IIa Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IIb Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IIc Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IId Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IVa Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IVb Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IVc Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IVd Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VII Wijzigt de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen. Artikel VIII 1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid monitort het gebruik van regelingen voor vervroegde uittreding als bedoeld in [artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=32ba) en zendt aan de Staten-Generaal hiervan jaarlijks een verslag dat in ieder geval de volgende elementen omvat: - a. de gerichtheid v"},{"i":808,"b":"Beleid beoordeling verzoeken notarissen om een ontheffing van de verplichting om een samenstellingsverklaring te verstrekken bij het indienen van kwartaalcijfers over het eerste tot en met het vierde kwartaal 2018 Paragraaf 1. Inleiding Notarissen zijn op grond van [artikel 2, lid 5 van de Regeling op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032707&artikel=2) (Rna) verplicht kwartaalcijfers bij het Bureau Financieel Toezicht (BFT) in te dienen. De kwartaalcijfers dienen te worden voorzien van een samenstellingsverklaring van een accountant. Op grond van artikel 2, lid 6 van de Rna kan het BFT ontheffing verlenen van de verplichting om een samenstellingsverklaring te verstrekken bij de kwartaalcijfers. Paragraaf 2. Voorwaarden ontheffing samenstellingsverklaring Om in aanmerking te komen voor een ontheffing voor de periode van het eerste kwartaal 2018 tot en met het vierde kwartaal 2018, moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: Paragraaf 3. Uiterste termijn indiening aanvraag Naast de onder [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039590&paragraaf=2&z=2017-05-30&g=2017-05-30) genoemde voorwaarden geldt als voorwaarde dat een ontheffing voor het eerste kwartaal 2018 tot en met het vierde kwartaal 2018 vóór 1 juli 2017 moet worden aangevraagd via het daartoe bestemde ‘formulier verzoek ontheffing samenstellingsverklaring kwartaalcijfers 2018’. Slechts wanneer sprake is van een gebroken boekjaar kan het verzoek ook later worden ingediend, met dien verstande dat de termijn van indiening wordt verlengd met de maanden waarop het boekjaar later eindigt. Indien het boekjaar bijvoorbeeld eindigt op 30 april 2017, houdt dit in dat het verzoek moet worden ingediend vóór 1 november 2017. Het aanvraagformulier wordt ter beschikking gesteld via de website van het BFT. Het verzoek om ontheffing dient via het e-mailadres ontheffing2018@bureauft.nl dan wel via het postadres van het BFT te worden ingediend. Er kan alléén een ontheffing worden aan"},{"i":814,"b":"Beleidsregel keuring en ontheffingverlening LZV Gelet op artikel 4, vierde lid, van [Richtlijn nr. 96/53/EG](31996L0053) EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationaal verkeer maximaal toegestane gewichten (PbEU L 235) en op [artikel 149a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), [artikel 4:83 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83), het [Besluit Voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025554) en het [Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze beleidsregel worden de begripsbepalingen van de [Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798) overgenomen. Voorts wordt verstaan onder: - a. **aantekening op het kentekenbewijs dan wel aantekening in het kentekenregister:** bijzonderheidscode op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister waaruit blijkt dat het voertuig na keuring geschikt is bevonden voor gebruik in een LZV; - b. **autonome beslisruimte LZV:** de actuele gegevens waarbij de wegbeheerder een weg of weggedeelte als geschikt voor het berijden met een LZV opgeeft waarvoor de Dienst Wegverkeer zonder toestemming als bedoeld in [artikel 149b, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149b) en [artikel 4 van het Besluit ontheffing verlening exceptionele transporten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680&artikel=4) ontheffing mag verlenen voor LZV’s onder de daarbij van toepassing zijnde beperkingen en voorschriften; - c. **digitale wegenkaart LZV:** elektronische weergave van de actuele autonome beslisruimte LZV die door de Dienst"},{"i":821,"b":"Beleidsregels van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit inzake tijdelijke ontheffing keuringsinstelling (Beleidsregels tijdelijke ontheffing keuringsinstelling) gelet op [artikel 31h van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31h) op afstand, [artikel 7.1 van het Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=7.1), [artikel 6.1 van de Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767&artikel=6.1) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), besluit de volgende beleidsregels vast te stellen: Paragraaf 1. Definities Artikel 1.1. Definities - 1. **aanvraag:** aanvraag voor een tijdelijke ontheffing van het vereiste als bedoeld in [artikel 31h, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31h); - 2. **aanvrager:** aanbieder van een kansspel op afstand die in verband met zijn vergunning of vergunningsaanvraag een tijdelijke ontheffing van het vereiste als bedoeld in [artikel 31h, tweede lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31h) aanvraagt; - 3. **besluit:** [Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773); - 4. **lidstaat:** staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; - 5. **raad van bestuur:** raad van bestuur van de Kansspelautoriteit als bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - 6. **regeling:** [Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767); - 7. **spelsysteem:** de organisatie, de werkwijze en de middelen, waaronder de elektronische middelen, die voor het organiseren van de vergunde kansspelen worden gebruikt; - 8. **vergunning:** vergunning tot het organiseren van"},{"i":824,"b":"Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1983 Gelet op [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) (Stb. 1962, 17), Besluit: Artikel 1 1. De gecorrigeerde groeivoet als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 4,333 percent. 2. Gelet op het voor 1982 geldende maximum aantal te heffen opcenten van 24,7 en de bovenvermelde gecorrigeerde groeivoet bedraagt het door de provincie te heffen aantal opcenten in 1983 derhalve ten hoogste 25,8. Artikel 2 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1983."},{"i":826,"b":"Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1985 Gelet op [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) (Stb. 1962, 17); Besluit: Artikel 1 1. De gecorrigeerde groeivoet als bedoeld in [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) wordt gesteld op 2,8 percent. 2. Gelet op het voor 1984 bijgestelde maximum aantal te heffen opcenten, van 26,3 en de bovenvermelde gecorrigeerde groeivoet bedraagt het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 1985 tot en met 31 maart 1986 derhalve ten hoogste 27,1. Artikel 2 1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking vaststelling provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1985."},{"i":833,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 27 november 2002, houdende een verlaging van de vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003 (Besluit 2003/1 PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003) gelet op [artikel 5, derde lid van de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015987&artikel=5); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 12 november 2002; Besluit: Artikel 1 Voor de inkoper en voor de verkoper van bloembollen wordt in de periode 1 juni 2003 tot en met 31 mei 2004 de heffing verlaagd. In plaats van: 2,1%, wordt: 1,6%, aan heffing opgelegd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2003/1 PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2003. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":834,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 27 november 2002, houdende een verlaging van de vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2003 (Besluit 2003/1 PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2003) gelet op [artikel 4, derde lid van de Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015986&artikel=4); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 12 november 2002; Besluit: Artikel 1 Voor de inkoper en voor de verkoper van bloembollen wordt in de periode1 juni 2003 tot en met 31 mei 2004 de heffing verlaagd. In plaats van: 2,1%, wordt: 1,6% aan heffing opgelegd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2003/1 PT vakheffing bloembollen plantgoed 2003. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":835,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 6 mei 2003, houdende vaststelling van het tarief van de heffing inzake export van groenten en fruit naar Japan en Taiwan (Besluit 2003/1 Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2003) gelet op [artikel 4 van de Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013842&artikel=4); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit d d 10 april 2003; BESLUIT: In 2003 bedraagt de heffing € 27 = per kwartier. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting zal worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":840,"b":"Besluit van het Productschap Tuinbouw van 2 december 2003, houdende de vaststelling van de bedragen van de bestemmingsheffing ten behoeve van de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2004 (Besluit 2004 PT bijzondere heffing fruit en champignons 2004) gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Verordening PT bijzondere heffing fruit en champignons 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015318&artikel=4); gehoord de Commissie voor groenten en fruit d.d. 10 november 2003; BESLUIT: Artikel 1 Voor de volgende, in het eerste lid van [artikel 4 van de Verordening PT bijzondere heffing fruit en champignons 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015318&artikel=4) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2004 als volgt vastgesteld: | Groep | Omschrijving | Bedrag | | --- | --- | --- | | 32 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van appelen | € 72,26 per ha | | 33 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van peren | € 108,30 per ha | | 34 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van klein fruit | € 306,93 per ha | | 35 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van overige pit- en steenvruchten | € 164,06 per ha | | 36 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van akkerbouwmatig geteeld fruit | € 32,40 per ha | | 60 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt onder glas van fruit | € 7,48 per are | | 75 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt van champignons | € 1,64 per m teeltoppervlakte | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2004 PT bijzondere heffing fruit en champignons 2004. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie"},{"i":841,"b":"Besluit van het Bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 28 september 2004, houdende vaststelling van criteria voor gedeeltelijke restitutie van de vakheffing bloemkwekerijproducten (Besluit 2004/1 PT bloemkwekerijproducten: restitutie vakheffing 2004) gelet op [artikel 5 van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015305&artikel=5); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 13 september 2004; BESLUIT: Artikel 1 1. Bedrijven die in aanmerking willen komen voor een gedeeltelijke verlaging van het heffingstarief, dienen over het betrokken kalenderjaar de gecertificeerde jaarrekening aan het productschap te overleggen. 2. Wanneer het productschap vaststelt dat op jaarbasis de heffingsgrondslag van aangekochte bloemkwekerijproducten hoger is dan € 11.344.505,=, wordt over: - a. de eerste € 11.344.505,= het heffingstarief van 0,375% toegepast, en - b. het bedrag hoger dan € 11.344.505,=, het verlaagde heffingstarief van 0,275% toegepast. 3. Wanneer het productschap vaststelt dat op jaarbasis de heffingsgrondslag van zelfgekweekte bloemkwekerijproducten (niet zijnde uitgangsmateriaal) hoger is dan € 11.344.505,=, wordt over: - a. de eerste € 11.344.505,= het heffingstarief van 1,11 % toegepast, en - b. het bedrag hoger dan € 11.344.505,= het verlaagde heffingstarief van 1,01% toegepast. 4. Aanvragen voor restitutie moeten worden ingediend binnen één jaar na afloop van het jaar waarover de restitutie wordt gevraagd en vergezeld gaan van een accountantsverklaring. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2004/1 PT bloemkwekerijproducten: restitutie vakheffing 2004. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":842,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 2 december 2003, houdende de vaststelling van het percentage van de heffing op witlof voor het jaar 2004 (Besluit 2004/1 PT heffing promotie witlof 2004) gelet op [artikel 3, derde lid, van de Verordening PT heffing promotie witlof 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015317&artikel=3); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 10 november 2003; BESLUIT: Artikel 1 Het percentage als bedoeld in [artikel 3, derde lid, van de Verordening PT heffing promotie witlof 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015317&artikel=3),bedraagt: 0,4%. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2004/1 PT heffing promotie witlof 2004. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking de dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Dit besluit de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":843,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 4 mei 2004, houdende een verlaging van de vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2004 (Besluit 2004/1 PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2004) gelet op [artikel 5, derde lid van de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2004](onbekend); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; Besluit: Artikel 1 Voor de inkoper en voor de verkoper van bloembollen wordt in de periode 1 juni 2004 tot en met 31 mei 2005 de heffing verlaagd. In plaats van: 2,1%, wordt: 1,6 %, aan heffing opgelegd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2004/1 PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2004. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":844,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 4 mei 2004, houdende een verlaging van de vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2004 (Besluit 2004/1 PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2004) gelet op [artikel 4, derde lid van de Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2004](onbekend); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; Besluit: Artikel 1 Voor de inkoper en voor de verkoper van bloembollen wordt in de periode 1 juni 2004 tot en met 31 mei 2005 de heffing verlaagd. In plaats van: 2,1%, wordt: 1,6% aan heffing opgelegd. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2004/1 PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2004. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":845,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 28 september 2004, houdende de vaststelling van de hoogte van het bedrag dat aan het Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijproducten wordt afgedragen (Besluit 2004/2 PT bloemkwekerijproducten: heffingsafdracht Hoofdbedrijfschap 2004) gelet op [artikel 2 van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015305&artikel=2); in overeenstemming met het besluit van het Bestuur van het Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel Bloemen en Planten, d.d. 9 september 2004; gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, 13 september 2004; BESLUIT: Artikel 1 Voor 2004 geldt dat het aan het Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel Bloemen en Planten af te dragen bedrag als bedoeld in [artikel 2 van de \"Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2004\"](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015305&artikel=2) wordt vastgesteld op de som van: - a. 90% van 11/111 deel van de jaarlijkse opbrengst van de in eerder genoemde verordening bedoelde heffing op het eindproduct; - b. 100% van 11/73,5 deel van de jaarlijkse opbrengst van de in eerder bedoelde heffing op het uitgangsmateriaal. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2004/2 PT bloemkwekerijproducten: heffingsafdracht Hoofdbedrijfschap 2004. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":846,"b":"Besluit van het Bestuur van het ProductschapTuinbouw, d.d. 4 mei 2004, houdende de vaststelling van de nadere omschrijving van diverse bepalingen uit de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2004 (Besluit 2004/2 PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2004) gelet op het bepaalde in de [Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2004](onbekend); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit worden de begripsbepalingen van de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar 2004 overgenomen. Artikel 2 1. De aangifte beplante oppervlakte, als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2004, dient te geschieden op een vanwege het productschap te ver- strekken formulier en uiterlijk op de in dit formulier vermelde datum. 2. De aangifte moet ook worden gedaan, wanneer er in het desbetreffende voorjaar of najaar geen teelt voor eigen rekening en risico plaatsvindt. 3. Bij de aangifte van de beplante oppervlakte moet een onderscheid gemaakt zijn naar geslacht en per geslacht naar variëteiten. 4. Als de beplante oppervlakte wordt aangemerkt het 94/100 gedeelte van de aan het telen dienstbaar zijnde oppervlakte, waaronder verstaan de werkelijk beplante oppervlakte, vermeerderd met de oppervlakte van een strook van 30 cm breedte, gelegen random de werkelijk beplante oppervlakte. 5. Bij kasteelt wordt als de beplante oppervlakte aangemerkt de gehele kasoppervlakte, inwendig gemeten. Artikel 3 Eenieder, die bloembollen-leverbaar, afkomstig uit eigen kraam, aanwendt ten behoeve van de teelt van hyacinten, lelies, narcissen en/of tulpen, is verplicht aangifte te doen van het aantal gebruikte bloembollen-leverbaar op een vanwege het productschap te verstrekken aangifteformulier, met inachtneming van de daarop gestelde vragen en gegeven aanwijzingen. Artikel 4 Wanneer door een handelskaarthouder wordt aangetoond dat de geld"},{"i":847,"b":"Besluit van het Bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 28 september 2004, houdende vaststelling van criteria voor gedeeltelijke restitutie van de vakheffing bloemkwekerijproducten (Besluit 2005/1 PT bloemkwekerijproducten: restitutie vakheffing 2005) gelet op [artikel 5 van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijprodukten 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016957&artikel=5); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 13 september 2004; BESLUIT: Artikel 1 1. Bedrijven die in aanmerking willen komen voor een gedeeltelijke verlaging van het heffingstarief, dienen over het betrokken kalenderjaar de gecertificeerde jaarrekening aan het productschap te overleggen. 2. Wanneer het productschap vaststelt dat op jaarbasis de heffingsgrondslag van aangekochte bloemkwekerijproducten hoger is dan € 11.344.505,00, wordt over: - a. de eerste € 11.344.505,00, het heffingstarief van 0,375% toegepast, en - b. het bedrag hoger dan € 11.344.505,00, het verlaagde heffingstarief van 0,275% toegepast. 3. Wanneer het productschap vaststelt dat op jaarbasis de heffingsgrondslag van zelfgekweekte bloemkwekerijproducten (niet zijnde uitgangsmateriaal) hoger is dan € 11.344.505,00, wordt over: - a. de eerste € 11.344.505,00, het heffingstarief van 1,11 % toegepast, en - b. het bedrag hoger dan € 11.344.505,00, het verlaagde heffingstarief van 1,01% toegepast. 4. Aanvragen voor restitutie moeten worden ingediend binnen één jaar na afloop van het jaar waarover de restitutie wordt gevraagd en vergezeld gaan van een accountantsverklaring. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2005/1 PT bloemkwekerijproducten: restitutie vakheffing 2005. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":848,"b":"Besluit van het Bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 26 april 2005, houdende de vaststelling van de nadere omschrijving van diverse bepalingen uit de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2005 (Besluit 2005/1 PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2005) gelet op het bepaalde in de [Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018240); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 18 februari 2005; Besluit: Artikel 1 In dit besluit worden de begripsbepalingen van de [Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018240) overgenomen. Artikel 2 Een ieder, die bloembollen-leverbaar, afkomstig uit eigen kraam, aanwendt ten behoeve van de teelt van hyacinten, lelies, narcissen en/of tulpen, is verplicht aangifte te doen van het aantal gebruikte bloembollen-leverbaar op een vanwege het productschap te verstrekken aangifteformulier, met inachtneming van de daarop gestelde vragen en gegeven aanwijzingen. Artikel 3 1. Voor eenieder die bloembollen-leverbaar verkoopt uit eigen teelt afkomstig, wordt in gevallen waarin de verkoopwaarde van ingekochte bloembollen-leverbaar niet aan de hand van administratieve gegevens kan worden vastgesteld, voor de berekening van de door hem verschuldigde heffing c.q. de restitutie, waarop hij recht heeft, de verkoopwaarde gelijkgesteld aan de inkoopwaarde. 2. De heffing wordt in dit geval als volgt berekend: | a. | de opbrengst van de doorverkoop wordt gelijkgesteld aan de inkoop; | | --- | --- | | b. | de inkoop wordt afgetrokken van de totale omzet: blijft over de waarde van de verkoop eigen teelt binnenland en/of export; | | c. | de \"verkoop eigen teelt\" wordt belast; | | d. | restitutie kan worden verleend over alle verkopen met korting. | Artikel 4 Indien op de factuur de behandelingskosten niet apart zijn vermeld, worden de volgende bedragen als zijnde behandel"},{"i":849,"b":"Besluit van het Bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 28 juni 2005, houdende een verlaging van de vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2005 (Besluit 2005/1 PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2005) gelet op [artikel 4, derde lid van de Verordening PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018242&artikel=4); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 3 mei 2005; Besluit: Artikel 1 Voor de inkoper en voor de verkoper van bloembollen wordt in de periode 1 juni 2005 tot en met 31 mei 2006 de heffing verlaagd. Dit betekent dat: - a. in artikel 5, tweede lid, 2,1% wordt vervangen door: 1,6%; - b. in artikel 6, tweede lid, 2,1% wordt vervangen door: 1,0%; - c. in artikel 7, 2,1% wordt vervangen door: 1,0%; - d. in artikel 8, tweede lid, 2,1% wordt vervangen door: 1,0%; - e. in artikel 9, tweede lid, 2,1% wordt vervangen door: 1,6%; - f. in artikel 10, 2,1% wordt vervangen door: 1,6%; - g. in artikel 11, tweede lid, moet worden gelezen als 2,6%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2005/1 PT vakheffing bloembollen plantgoed oogstjaar 2005. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":850,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw d.d. 28 september 2004, houdende de vaststelling van de hoogte van het bedrag dat aan het Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijproducten wordt afgedragen (Besluit 2005/2 PT bloemkwekerijproducten: heffingsafdracht Hoofdbedrijfschap 2005) gelet op [artikel 2 van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016957&artikel=2); in overeenstemming met het besluit van het Bestuur van het Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel Bloemen en Planten, d.d. 9 september 2004; gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, 13 september 2004; BESLUIT: Artikel 1 Voor 2005 geldt dat het aan het Hoofd bedrijfschap Agrarische Groothandel Bloemen en Planten af te dragen bedrag als bedoeld in [artikel 2 van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016957&artikel=2) wordt vastgesteld op de som van: - a. 90% van 11/111 deel van de jaarlijkse opbrengst van de in eerder genoemde verordening bedoelde heffing op het eindproduct; - b. 100% van 11/73,5 deel van de jaarlijkse opbrengst van de in eerder bedoelde heffing op het uitgangsmateriaal. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2005/2 PT bloemkwekerijproducten: heffingsafdracht Hoofdbedrijfschap 2005. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":851,"b":"Besluit van het Bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 28 juni 2005, houdende een verlaging van de vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2005 (Besluit 2005/2 PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2005) gelet op [artikel 4, derde lid van de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018240&artikel=4); gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 3 mei 2005; Besluit: Artikel 1 Voor de inkoper en voor de verkoper van bloembollen wordt in de periode 1 juni 2005 tot en met 31 mei 2006 de heffing verlaagd. Dit betekent dat: - a. in artikel 5, tweede lid, 2,1% wordt vervangen door: 1,6%; - b. in artikel 6, tweede lid, 2,1% wordt vervangen door: 1,0%; - c. in artikel 7, 2,1% wordt vervangen door: 1,0%; - d. in artikel 8, tweede lid, 2,1% wordt vervangen door: 1,0%; - e. in artikel 9, tweede lid, 2,1% wordt vervangen door: 1,6%; - f. in artikel 10, 2,1% wordt vervangen door: 1,6%; - g. in artikel 11, tweede lid, moet worden gelezen als 2,6%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit 2005/2 PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2005. Dit besluit en de daarbij behorende toelichting wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie."},{"i":852,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 20 februari 2007, houdenden de vaststelling van de percentages van de heffingen voor de vollegrondsgroenten voor het jaar 2005 (Besluit 2005/4 PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2005) Gelet op [artikel 4, tweede lid van de Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016959&artikel=4) Gehoord de Commissie voor groenten en Fruit, d.d. 15 februari 2007; Besluit: Artikel 1 Voor de in [artikel 4, eerste lid van de Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016959&artikel=4) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2005 als volgt vastgesteld: | Groep 1 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van groen te oogsten erwten, stamsperziebonen, snijbonen en tuinbonen: | € 20,00 per ha | | --- | --- | --- | | Groep 2 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van was-, bospeen, en winterpeen: | € 40,00 per ha | | Groep 3 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van herfst-, vroege-, en bewaarkool: | € 35,00 per ha | | Groep 4 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van spinazie, kroten, knolselderij, en schorseneren: | € 20,00 per ha | | Groep 5 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van spruitkool: | € 50,00 per ha | | Groep 6 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van broccoli: | € 40,00 per ha | | Groep 7 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van bloemkool: | € 30.00 per ha | | Groep 8 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van prei: | € 35,00 per ha | | Groep 9 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van witlofwortel: | € 25.00 per ha | | Groep 10 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van sla: | € 50,00 per ha | | Groep 11 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van asperges: | € 95,00 per ha"},{"i":853,"b":"Besluit van het Bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 25 april 2006, houdende de vaststelling van de nadere omschrijving van diverse bepalingen uit de Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2006 (Besluit 2006/1 PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2006) Gelet op het bepaalde in de [Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019838); Gehoord de Commissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit worden de begripsbepalingen van de [Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019838) overgenomen. Artikel 2 Eenieder, die bloembollen-leverbaar, afkomstig uit eigen kraam, aanwendt ten behoeve van de teelt van hyacinten, lelies, narcissen en/of tulpen, is verplicht aangifte te doen van het aantal gebruikte bloembollen-leverbaar op een vanwege het productschap te verstrekken aangifteformulier, met inachtneming van de daarop gestelde vragen en gegeven aanwijzingen. Artikel 3 1. Voor eenieder die bloembollen-leverbaar verkoopt uit eigen teelt afkomstig, wordt in gevallen waarin de verkoopwaarde van ingekochte bloembollen-leverbaar niet aan de hand van administratieve gegevens kan worden vastgesteld, voor de berekening van de door hem verschuldigde heffing c.q. de restitutie, waarop hij recht heeft, de verkoopwaarde gelijkgesteld aan de inkoopwaarde. 2. De heffing wordt in dit als volgt berekend: - a. de opbrengst van de doorverkoop wordt gelijkgesteld aan de inkoop; - b. de inkoop wordt afgetrokken van de totale omzet: blijft over de waarde van de verkoop eigen teelt binnenland edof export; - c. de ‘verkoop eigen teelt’ wordt belast; - d. restitutie kan worden verleend over alle verkopen met korting. Artikel 4 Indien op de factuur de behandelingskosten niet apart zijn vermeld, worden de volgende bedragen als zijnde behandelingskosten aangemerkt: | Soort | Periode waarin behandelkoste"},{"i":855,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, houdende de vaststelling van de percentages van de heffingen voor de vollegrondsgroenten voor het jaar 2006 (Besluit 2006/2 PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2006) gelet op [artikel 4, tweede lid van de Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2006;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018491&artikel=4) gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 3 april 2007; Besluit: Artikel 1 Voor de in [artikel 4, eerste lid van de Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018491&artikel=4) genoemde groepen, wordt de heffing voor het jaar 2006 als volgt vastgesteld: | Groep 1 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van groen te oogsten erwten, stamsperziebonen, snijbonen en tuinbonen: | € 12,75 per ha | | --- | --- | --- | | Groep 2 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van was-, bospeen, en winterpeen: | € 34,00 per ha | | Groep 3 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van herfst-, vroege-, en bewaarkool: | € 29,75 per ha | | Groep 4 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van spinazie, kroten, knolselderij, en schorseneren: | € 12,75 per ha | | Groep 5 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van spruitkool: | € 42,50 per ha | | Groep 6 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van broccoli: | € 21,25 per ha | | Groep 7 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van bloemkool: | € 25,50 per ha | | Groep 8 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van prei: | € 29,75 per ha | | Groep 9 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van witlofwortel: | € 25,00 per ha | | Groep 10 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van sla: | € 42,50 per ha | | Groep 11 | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van asperges: | € 80,75 per ha | | Groep 12 | cultuurgron"},{"i":858,"b":"Besluit aanwijzing en machtiging medewerkers Belastingdienst ex Wid en Wet MOT Gelet op de [artikelen 8a, eerste lid, onderdelen d en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006421&artikel=8a), en 9, tweede lid, onderdelen d en l, van de Uitvoeringsregeling Wet identificatie bij dienstverlening en Wet melding ongebruikelijke transacties (hierna: Uitvoeringsregeling), [artikel 5a, eerste lid, van het Koninklijk Besluit van 24 februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014748&artikel=5a) (Stb. 94) (hierna: Besluit); Besluit: Artikel 1 Met ingang van 24 november 2007 zijn de controlemedewerkers van de Belastingdienst/Holland-Midden Unit Mot belast met het toezicht op de naleving van de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006330&artikel=7) en [8 van de Wet identificatie bij dienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006330&artikel=8) en [artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006331&artikel=9), als bedoeld in de [artikelen 8a, eerste lid, onderdelen d en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006421&artikel=8a), en 9, tweede lid, onderdelen d en l, van de Uitvoeringsregeling. Artikel 2 De volgende functionarissen zijn gemandateerd om besluiten te nemen en gemachtigd om te handelen namens ‘Onze Minister’ ter uitvoering van [artikel 5a, eerste lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014748&artikel=5a): de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Holland-Midden."},{"i":863,"b":"Besluit administratieve verplichtingen omzetbelasting **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 6 december 2014, nr. BLKB 2014-704M (** **Stcrt. 2014, 36166** **). De belangrijkste wijzigingen hebben betrekking op de volgende onderdelen.** **§ 3.3.1 (voorheen § 3.2.4) bevat een goedkeuring om een transactieoverzicht van een reis met het openbaar vervoer aan te merken als vervoersbewijs. Deze goedkeuring kan ook gelden bij gebruik van andere betaalmogelijkheden dan een OV-chipkaart of vergelijkbare kaart voor reizen op saldo.** **In § 4.1 (voorheen § 3.5.1) is het arrest van het HvJ van 30 januari 2024 (Dyrektor Izby Administracji Skarbowej w Lublinie) verwerkt inzake de verschuldigdheid van op een factuur vermelde btw door een niet-ondernemer.** **In § 4.2 (voorheen § 3.5.2) inzake herziening van ten onrechte gefactureerde btw is de toelichting op de onderzoeksverplichtingen van de ontvanger van een factuur geactualiseerd.** **In § 4.3 (nieuw) is een bijzondere regeling opgenomen voor ambtshalve verminderingen buiten de vijfjaarstermijn van te veel voldane btw bij afstandsverkopen en digitale diensten.** **In § 6.2 (nieuw) is opgenomen dat een dienstverrichter zijn B2B-dienst in rubriek 1e van zijn btw-aangifte kan verantwoorden als zijn afnemer geen btw-identificatienummer heeft omdat deze afnemer in zijn lidstaat onder de kleineondernemersregeling valt.** **In sommige onderdelen van het besluit zijn teksten van beschrijvende aard niet langer opgenomen. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.** 1. Inleiding en juridisch kader Dit besluit bevat beleidsregels en goedkeuringen op het terrein van de administratieve, facturerings- en andere verplichtingen voor de omzetbelasting. De in dit besluit opgenomen beleidsregels vormen een aanvulling op: De hiervoor genoemde bepalingen uit de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629), het [uitvoeringsbesluit](https://wetten.overhe"},{"i":864,"b":"Besluit beheer sociale-huursector (BTW-constructies) Geacht Bestuur/College, 1. Aanleiding In de periode tot 31 maart 1995 heeft een aantal toegelaten instellingen een zakelijk gebruiksrecht op nieuw gebouwde woningen gevestigd ten gunste van een aan de toegelaten instelling gelieerde rechtspersoon of vennootschap, met het oogmerk daarmee de af te dragen omzetbelasting te verminderen. Een en ander werd daarom ook wel BTW-constructie genoemd. Ik merk op dat de belastingrechter inmiddels in een aantal gevallen de Inspecteur der Directe Belastingen bij diens niet-acceptatie van de constructie in het gelijk heeft gesteld. Op grond van het destijds vigerende [BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686) was een dergelijke BTW-constructie een besluit van aanmerkelijk belang. Zowel voor het bezwaren van onroerend goed als voor de (financiële en bestuurlijke) deelneming in een andere rechtspersoon of vennootschap moest derhalve goedkeuring verkregen worden van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente resp. de Staatssecretaris van VROM. De meeste toegelaten instellingen die een BTW-constructie hebben gerealiseerd, hebben daarvoor de instemming van de gemeente verkregen (doch niet van de betrokken staatssecretaris). Een twintigtal toegelaten instellingen heeft in strijd met het destijds geldende [BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686), een dergelijke constructie niet bij de gemeente gemeld dan wel in weerwil van de onthouding van de gemeentelijke goedkeuring op het voorgenomen besluit, een dergelijke constructie toch gerealiseerd. Door de vestiging van een zakelijk gebruiksrecht is het beheer van (een deel van) het woningbezit van een toegelaten instelling overgedragen aan de houder van het beperkte recht, i.c. de gelieerde rechtspersoon resp. vennootschap. Reeds eerder heeft mijn ambtsvoorganger, ter nadere explicatie van het [BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686), zowel via de MG 94-46 d.d. 23-12-1994 als door mid"},{"i":876,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 november 2015 nr. BOACAT2015/055, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Belastingdienst Gelezen het verzoek van de Algemeen directeur Belastingen van 15 oktober 2015 en het advies van de Directeur-generaal Belastingdienst; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Belastingdienst:** de onderdelen, genoemd in [artikel 3, eerste lid, letter a onderdeel a1, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, c1 en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014506&artikel=3); - b. **buitengewoon opsporingsambtenaar:** de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037273&artikel=2&z=2015-12-17&g=2015-12-17) van dit besluit; Artikel 2 De personen werkzaam in de functie van verbalisant of fraudecoördinator in dienst bij de Belastingdienst zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, als genoemd in [onderdeel 10.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en sch"},{"i":877,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 december 2025 nr. BOACAT2025/205, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Belastingdienst Gelezen het verzoek van Belastingdienst van 4 december 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051957&artikel=2&z=2025-12-17&g=2025-12-17). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van verbalisant, fraudecoördinator en contactambtenaar in dienst van Belastingdienst zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, inkomen en zorg, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervullin"},{"i":878,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 maart 2016 nr. BOACAT2016/019, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Belastingdienst Douane Gelezen het verzoek van de Directeur Bedrijfsvoering Douane Nederland van 10 maart 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de Directeur-Generaal Belastingdienst: Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037742&artikel=2&z=2016-03-25&g=2016-03-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerker Informatieverwerking Douane in dienst van de Belastingdienst Douane, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel 4 Op grond van dit besluit kunnen maximaal 225 personen als buitengewo"},{"i":879,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 11 oktober 2022 nr. BOACAT2022/065, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Belastingdienst/Douane Gelezen het verzoek van directeur-generaal Douane van 26 augustus 2022 en de adviezen van Den Haag en de directeur-generaal Belastingdienst; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047325&artikel=2&z=2022-12-01&g=2022-12-01). Artikel 2 De personen, werkzaam bij het directoraat-generaal Douane die zijn belast met surveillancewerkzaamheden, ambulante werkzaamheden, ondersteuning van opsporingsdiensten en overige douane werkzaamheden waarbij zij in het kader van hun taakuitoefening kunnen stuiten op strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het VI, Generieke Opsporing, zoals opg"},{"i":880,"b":"Beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën van 5 februari 2025, nr. 2024-16277, over de correctiegrenzen die de inspecteur hanteert bij het vaststellen van belastingaanslagen (Besluit correctiebeleid belastingaanslagen) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikelen 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=11), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=16) en [20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=20); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - **Aanslag:** de aanslag als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=11); - **AWR:** [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320); - **Belastbare bedrag:** het belastbare bedrag bij binnenlandse belastingplichtigen als bedoeld in [artikel 7, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=7) of het belastbare bedrag bij buitenlands belastingplichtigen als bedoeld in [artikel 17, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=17); - **Bijdrage-inkomen:** het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de verzekeringsplichtige is genoten als bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=43); - **Correctie:** de afwijking van een ingediende aangifte bij het vaststellen van de aanslag of een naheffingsaanslag of de afwijking van een eerder vastgestelde aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag; - **Inspecteur:** de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen ([artikel 2, derde lid,"},{"i":882,"b":"Besluit van de Directeur Informatiemanagement, Data & Security en de Ketens omzetbelasting en loonheffingen van de directie MKB van 31 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan het afdelingshoofd en de teamleiders binnen de afdeling Informatiemanagement, Data & Security en de ketenmanagers binnen de Ketens omzetbelasting en loonheffingen van de directie MKB wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":883,"b":"Besluit van 7 juni 2022, [nr. 2022001203] houdende instelling van het ereteken voor verdienste Nederlandse Douane Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 31 mei 2022, 2022-0000154621, directoraat-generaal Douane; Gelet op het advies van de Kanselier der Nederlandse Orden van 17 februari 2022, kenmerk KNO/2022/24862; Overwegende dat het uitreiken van het ereteken voor verdienste bijdraagt aan de waardering voor diegene die een uitzonderlijke prestatie heeft geleverd dan wel zich gedurende een periode in een functie of een rol op uitzonderlijke wijze verdienstelijk heeft gemaakt voor de Douane, de Douane en een ander onderdeel van het Ministerie van Financiën of voor de Douane en het Ministerie van Financiën, in nationaal of internationaal verband; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Financiën; - b. **Douane:** het directoraat-generaal Douane; - c. **bevoegd gezag:** de directeur-generaal Douane; - d. **ereteken:** het ereteken voor verdienste Nederlandse Douane, de modelonderscheiding; - e. **decorandus:** een ambtenaar, andere Nederlander of vreemdeling aan wie het ereteken zal worden uitgereikt; - f. **oorkonde:** de bij het ereteken behorende oorkonde; - g. **miniatuurversiersel:** verkleinde versie van de modelonderscheiding; - h. **draaginsigne:** het draagteken voor een civiel tenue. Artikel 2 1. Er is een ereteken voor verdienste Nederlandse Douane, hierna te noemen ‘het ereteken’. 2. Het ereteken kent drie graden, te weten van hoogste naar laagste: - a. het ereteken in goud; - b. het ereteken in zilver; - c. het ereteken in brons. Artikel 3 1. Onze Minister kent eenmalig het ereteken in goud met oorkonde toe aan diegene die: - a. een uitzonderlijke prestatie heeft geleverd of zich gedurende een periode van 3 tot 5 jaren in een functie of een rol op uitzonderlijke wijze verdienstelijk heeft gemaakt voor de Douane en het Ministerie van Financiën, in nationaa"},{"i":884,"b":"Besluit van 27 juni 1995, houdende regels inzake de verstrekking van gegevens ten behoeve van gemeentelijke belastingheffing Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A. G. M. van de Vondervoort, van 4 november 1994, nr. FBA94/U2085, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [artikel 246**a** van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=246a); De Raad van State gehoord (advies van 1 maart 1995, nr. WO4940685); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A. G. M. van de Vondervoort, van 22 juni 1995, nr. FO95/433, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder informatieplichtige: degene die in het bezit is van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers waarvan de raadpleging, onderscheidenlijk de gegevens- en inlichtingenverstrekking van belang kunnen zijn voor de vaststelling van feiten die van invloed kunnen zijn op de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen van derden, dan wel degene die van deze feiten kennis draagt, met dien verstande dat: - a. voor de belastingen, bedoeld in de [artikelen 220](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=220) en [221 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=221), slechts hieronder wordt begrepen: de eigenaar, bezitter, beperkt of persoonlijk gerechtigde of beheerder van een onroerende zaak als bedoeld in [artikel 220a van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=220a), dan wel van een woon- en bedrijfsruimte als bedoeld in [artikel 221 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=221), de eigenaar of beheerder van een energie- of waterleidingbedrijf, dan wel van een administratiekantoor dat ten behoeve van een van deze bedri"},{"i":885,"b":"Besluit van 1 september 2010, houdende regels inzake de verstrekking van gegevens ten behoeve van de heffing van eilandbelastingen (Besluit gegevensverstrekking heffing eilandbelastingen BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 juni 2010, nr. 2010-0000408024, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Minister van Financiën; Gelet op [artikel 80 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=80); De Raad van State gehoord (advies van 14 juli 2010, nr. W04.10.0258/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 augustus 2010, nr. 2010-0000554857, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Minister van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk IV van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt. Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151); - b. **BES belastingen:** de inkomstenbelasting, de loonbelasting, en de in [artikel 1.2 van de Belastingwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029244&artikel=1.2) genoemde belastingen. 2. In dit besluit wordt verstaan onder informatieplichtige: degene die in het bezit is van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers waarvan de raadpleging, onderscheidenlijk de gegevens- en inlichtingenverstrekking van belang kunnen zijn voor de vaststelling van feiten die van invloed kunnen zijn op de heffing of de invordering van eilandbelastingen van derden, dan wel degene die van deze feiten kennis draagt, met dien verstande dat: - a. voor de belasting, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":888,"b":"Besluit goedkeuring tariefschorsing Alaskakoolvis In dit besluit wordt goedgekeurd dat de tariefschorsing voor de Alaskakoolvis (Theragra chalcogramma) niet alleen wordt toegepast op vis die is bevroren, in de vorm van industriële blokken, maar ook op vis die individueel is ingevroren. Uitgangspunt blijft uiteraard dat de ingevoerde Alaskakoolvis (Theragra chalcogramma) wordt ingevoerd met het doel te dienen als grondstof voor de verwerkende visindustrie en wordt verwerkt volgens de bepalingen in Verordening (EG) nr. 104/2000. 1. Alaska koolvis, bevroren, bestemd voor industriële verwerking [Verordening (EG) nr. 104/2000](32000R0104) van de Raad van 17 december 1999 (hierna: de Verordening), houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur, voorziet in artikel 28, juncto bijlage VI, in een autonome schorsing van het douanerecht voor Alaskakoolvis (Theragra chalcogramma) (goederencodes 0304.2985.10, 0304 9975 10, vóór 1 januari 2007 goederencodes 0304.2085.10, 0304 9061 10). De schorsing geldt voor bevroren Alaskakoolvis (Theragra chalcogramma), visfilets en visvlees, in de vorm van industriële blokken, bestemd voor verwerking in de visindustrie. Deze schorsing beoogt blijkens artikel 28 ‘een toereikende voorziening van de Gemeenschapsmarkt met grondstoffen voor de verwerkende industrie te waarborgen’. Het begrip ‘industriële blokken’ is in de Verordening niet nader gedefinieerd. Dat begrip zal dus naar maatschappelijke opvattingen moeten worden uitgelegd. Het bevriezen met behulp van een plaatvriezer in platte kartonnen dozen (in een metalen mal) was op het moment dat de Verordening tot stand kwam de gangbare wijze van invriezen voor de Alaskakoolvis (Theragra chalcogramma). Bij deze werkwijze is bij de toepassing van de Verordening dan ook steeds aangesloten. Inmiddels is de techniek echter voortgeschreden. Om een snelle verwerking mogelijk te maken wordt Alaskakoolvis (Theragra chalcogramma) tegenw"},{"i":1197,"b":"Omzetbelasting, fondswerving en kantines De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 20 december 2012, nr. BLKB 2012/1982M. Actualisering is onder meer nodig in verband met de ophoging van de grens voor fondswervende diensten voor sportverenigingen naar € 50.000 in artikel 11, eerste lid, onderdeel v, van de Wet op de omzetbelasting 1968, en de afschaffing van de kantineregeling voor sportverenigingen (Artikel XI, onderdeel H, van de Fiscale verzamelwet 2013, nr. 33 637 en de memorie van toelichting bij deze wet). Verder zijn enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd. Zie ook onderdeel 1.2.** 1. Inleiding Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 7 december 2021, nr. 2021-23532, (Stcrt. 48149). Bij deze wijziging is verduidelijkt dat de kantineregeling van onderdeel 4.1 niet toepasbaar is voor organisaties die voor hun primaire activiteiten zijn vrijgesteld op basis van de kleineondernemersregeling ([artikel 25 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=25)). [Artikel 11, eerste lid, onderdeel v, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) regelt een vrijstelling voor fondswervende activiteiten door organisaties die voor hun primaire activiteiten zijn vrijgesteld van de heffing van btw. Hiermee wordt voorkomen dat deze organisaties voor hun fondswervende prestaties wel in de heffing van btw worden betrokken. Om ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen te voorkomen is de vrijstelling beperkt tot bepaalde maxima aan ontvangsten. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen Dit besluit bevat de volgende (beleidsmatige) wijzigingen ten opzichte van het [besluit van 20 december 2012, nr. BLKB 2012/1982M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032672): 1.2. Wijzigingen Dit besluit bevat de volgende (beleidsmatige) wijzigingen ten opzichte van het [besluit van 20 december 201"},{"i":892,"b":"Besluit van 29 juli 1994, tot opheffing van 4 regimenten infanterie Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 21 juli 1994, nr. KAB/8551, Bevelhebber der Landstrijdkrachten; Overwegende dat het, in verband met de herstructurering van de Koninklijke Landmacht, wenselijk is over te gaan tot opheffing van een viertal regimenten infanterie; Gelet op het gestelde in het Koninklijk Besluit van 12 maart 1977, nummer 101, laatstelijk gewijzigd bij Ons Besluit van 26 januari 1985, nummer 72; Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel 1. De Regimenten Infanterie Johan Willem Friso, Menno van Coehoorn, Oranje Gelderland en Chassé worden opgeheven, de traditie wordt niet overgenomen noch bewaard, de vaandels zullen worden ingenomen. 2. De opheffingsdata zullen afzonderlijk door Onze Minister van Defensie worden vastgesteld. 3. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit Besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Adjudant-Generaal, tevens Chef van Ons Militaire Huis."},{"i":893,"b":"Besluit intrekking enkele regelingen en tariefbeschikkingen in de GGZ Artikel 1. Doel van dit besluit Dit besluit beoogt enkele regelingen en tariefbeschikkingen in de GGZ, die nog niet waren ingetrokken, alsnog in te trekken. Artikel 2. Intrekken regelingen 1. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit wordt de [Regeling bepalingen GGZ-prestaties 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020920) met kenmerk GG/NR-100-050 ingetrokken. De regeling blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die regeling en die betrekking hebben op de periode waarvoor die regeling gold. 2. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit wordt de [Regeling Verplichte aanlevering minimale dataset GGZ Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031643) met kenmerk NR/CU-519 ingetrokken. De regeling blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die regeling en die betrekking hebben op de periode waarvoor die regeling gold. 3. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit wordt de [Regeling aanpassing declaratiebepalingen DBC's in de curatieve GGZ met betrekking tot hoofdbehandelaarschap en verblijf 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037673) met kenmerk NR/CU-570 ingetrokken. De regeling blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die regeling en die betrekking hebben op de periode waarvoor die regeling gold. 4. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit wordt de [Regeling generalistische basis-ggz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038399) met kenmerk NR/REG-1716 ingetrokken. 5. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit wordt de [Nadere regel ‘Gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038433)’ met kenmerk NR/REG-1729 ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het be"},{"i":894,"b":"Besluit van 16 december 2020 tot inwerkingtreding van de Wet vliegbelasting Op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 16 december 2020, nr. 2020-0000244759, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Internationale Zaken en Verbruiksbelastingen; Gelet op [artikel II van de Wet vliegbelasting](onbekend); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De [Wet vliegbelasting](onbekend) treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 2 De lengte van het eerste belastingtijdvak bedraagt negen maanden. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1112,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, investeringsaftrek De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **In dit besluit zijn de standpunten opgenomen op het gebied van de investeringsaftrek. Het is een actualisering van het besluit van 15 september 2009, nr. CPP2009/1116M, Staatscourant 2009, 1405. Nieuwe versoepelingen in dit besluit zien op milieuvriendelijke voertuigen, op bedrijfsmiddelen die nog niet op de energie- of milieulijst staan, op de vervanging van asbesthoudende daken en op gevallen waarin niet tijdig is gekozen voor investeringsaftrek. Verder zijn enkele verduidelijkingen en redactionele verbeteringen aangebracht.** 1. Inleiding In dit besluit zijn nieuwe standpunten opgenomen op het gebied van de investeringsaftrek. Waar nodig is rekening gehouden met de per 2014 geldende bepalingen. De nieuwe versoepelingen, deels gebaseerd op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en deels op [artikel 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=63), betreffen – kort gezegd – de volgende onderwerpen. Bij milieuvriendelijke voertuigen die op de milieulijst staan, mag voor de vraag of sprake is van een niet eerder gebruikt bedrijfsmiddel, worden aangesloten bij de omzetbelasting (onderdeel 2.3). Het is onder voorwaarden mogelijk investeringsaftrek te verkrijgen voor voortbrengingskosten voor bedrijfsmiddelen die nog niet op de energie- of milieulijst stonden (onderdeel 2.4). De vervanging van asbesthoudende daken mag onder voorwaarden geheel als investering worden beschouwd (onderdeel 4.5). Het komt voor dat aan alle voorwaarden voor de toepassing van de kleinschaligheids-, energie- of milieu-investeringsaftrek wordt voldaan, maar dat is verzuimd een keuze daarvoor te maken bij de aangifte. In onderdeel 7 was al een versoepeling opgenomen voor de energie- en milieu-investeringsaftrek. Deze wordt nu vereenvoudigd en uitgeb"},{"i":7378,"b":"Wet van 18 december 2013 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens in verband met het wijzigen van de voorwaarden voor en de bevoegdheid ter zake van wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de voorwaarden voor wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte die bestaan uit fysieke aanpassing aan het gewenste geslacht en absolute onvruchtbaarheid, te doen vervallen, en voorts de bevoegdheid om tot bedoelde wijziging over te gaan een bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand te doen zijn, en dat daartoe met name [afdeling 13 van titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&afdeling=13) dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel III 1. Gerechtelijke procedures als bedoeld in [afdeling 13 van titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&afdeling=13), zoals deze afdeling tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet luidde en waarin op dat tijdstip nog niet onherroepelijk is beslist, kunnen ook na dat tijdstip geheel worden afgedaan op de voet van bedoelde afdeling. 2. Het voorschrift inzake de last tot wijziging van de vermelding van het geslacht, vermeld in [artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=20), zoals deze bepaling luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft van kracht met betrekking tot rechterlijke uitspraken waarvan om reden van het nog niet verstreken"},{"i":906,"b":"Besluit van 7 juni 2022, [nr. 2022001205] houdende instelling van de medaille voor trouwe en langdurige dienst Nederlandse Douane Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 31 mei 2022, 2022-0000154621, directoraat-generaal Douane; Gelet op het advies van de Kanselier der Nederlandse Orden van 17 februari 2022, kenmerk KNO/2022/24862; Overwegende dat het uitreiken van een medaille voor trouwe en langdurige dienst bijdraagt aan de waardering voor het functioneren van de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de douanetaak; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Financiën; - b. **Douane:** het directoraat-generaal Douane; - c. **bevoegd gezag:** de directeur-generaal Douane; - d. **ambtenaar:** diegene die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat der Nederlanden werkzaam is bij het directoraat-generaal Douane; - e. **medaille:** de medaille voor trouwe en langdurige dienst bij de Nederlandse Douane, de modelonderscheiding; - f. **oorkonde:** de bij de medaille of het jaarteken behorende oorkonde; - g. **jaarteken:** een teken met de aanduiding 25, 40 of 50 jaar; - h. **miniatuurversiersel:** verkleinde versie van de modelonderscheiding; - i. **draaginsigne:** het draagteken voor een civiel tenue. Artikel 2 1. Er is een medaille voor trouwe en langdurige dienst bij de Nederlandse Douane, hierna te noemen ‘de medaille’. 2. De medaille vervangt de op 1 oktober 2010 door het managementteam Douane ingestelde ‘Onderscheiding langdurig dienstverband’ bij 12½, 25, 40 en 50 jaar dienstjaren. Artikel 3 1. Onze Minister kent eenmalig de medaille met oorkonde toe aan de ambtenaar die gedurende een periode van 12½, 25, 40 of 50 jaar werkzaam is bij de Nederlandse Douane. 2. Onze Minister kent een jaarteken met oorkonde toe aan de ambtenaar die gedurende een periode van 25, 40 of 50 jaar werkzaam is binnen de Nederlandse Douane. 3. De ambtenaar met een wezenlijke onderbrek"},{"i":909,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 december 2025, nr. 2025-30110 over Tabel I behorend bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (Besluit omzetbelasting toelichting tabel I) **De Staatssecretaris van Financiën,** **Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 9, tweede lid, onderdeel a Wet op de omzetbelasting 1968 en Tabel I behorend bij de Wet op de omzetbelasting 1968;** **Besluit:** § 1. Inleiding Dit besluit geeft een toelichting op de reikwijdte en toepassing van [Tabel I behorend bij de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&bijlage=I). In deze tabel zijn goederen en diensten opgenomen waarvoor het verlaagde btw-tarief geldt. Dit besluit actualiseert het [besluit van 23 december 2024, nr. 2024-35653](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050648) (Stcrt. 2024, 41782) met ingang van 1 januari 2026. Er is een aantal tekstuele wijzigingen en nieuwe inhoudelijke aanwijzingen opgenomen. De relevante inhoudelijke aanwijzingen betreffen: § 2. Gebruikte begrippen en afkortingen Waar in het besluit het begrip ‘levering’ wordt gebruikt, moeten daaronder ook de intracommunautaire verwerving en invoer worden begrepen. De in dit besluit gehanteerde term ‘aan de hand van het spraakgebruik’ moet worden gelezen als synoniem van ‘naar maatschappelijke opvattingen’. In dit besluit gebruikte afkortingen: § 3. Algemene opmerkingen bij de tabelposten § 3.1. Btw-tarief bij invoer De manier waarop het btw-tarief bij invoer wordt bepaald, is vastgelegd in [artikel 20 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=20). Uit dit artikel blijkt dat voor de bepaling van het btw-tarief de omzetbelastingwetgeving (en niet de douanewetgeving) bepalend is. Het verlaagde btw-tarief bij invoer is van toepassing als de goederen zijn te rangschikken onder één van de posten van [Tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&bijlage=I). De douanewetgeving is alleen van belang als daar uitdruk"},{"i":914,"b":"Besluit van de clusterdirecteur Heffing van de directie Centrale Administratieve Processen van 18 november 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen het cluster Heffing wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":13360,"b":"Besluit van 20 december 2023, houdende regels met betrekking tot inrichtingen- en activiteiten, milieueffectrapportage en de kwaliteit van toezicht en handhaving, ter bescherming van de fysieke leefomgeving op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES) Op de voordracht Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 18 augustus 2023, nr. IENW/BSK-2022/228899, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 1.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=1.2), [1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=1.3), [5.1, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=5.1), [5.4, eerste, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=5.4), [5.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=5.6), [5.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=5.7), [5.9, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=5.9), [5.14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=5.14), [5.21, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=5.21), [5.25, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=5.25), [5.39, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=5.39), [6.1, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=6.1), [7.1, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=7.1), [8.6, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=8.6), en [10.9, eerste, tweede en derde lid, van de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031218&artikel=10.9); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 november 2023, nr. No. W17.23.00228/IV); Gezien het nader rapport van"},{"i":919,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 12 februari 2019 nr. VO/1422321, over het ambtshalve verlenen van een ontheffing aan personen die beschikken over een getuigschrift van de pedagogische academie voor het basisonderwijs en over een certificaat ‘Groepsleraar onderbouw basis- en kaderberoepsgerichte leerweg voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs’ om les te mogen geven in de onderbouw van de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (Besluit ontheffing gecertificeerde pabo-gediplomeerden voor de onderbouw vmbo basis- en kader) De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, Gelet op [artikel 33, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=33) en [artikel 80, vijfde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=80); Besluit: 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: 2. Ontheffing ‘Groepsleerkracht onderbouw vmbo basis- en kader’ 2a. Omhang Deze beleidsregel is gebaseerd op [artikel 7.11, zevende lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.11). 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ontheffing gecertificeerde pabo-gediplomeerden voor de onderbouw vmbo basis- en kader."},{"i":921,"b":"Besluit van het Commissariaat voor de Media van 5 juni 2007, houdende ontheffing van het bepaalde in het eerste lid van artikel 71m van de Mediawet in verband met de vermeldingen en vertoningen van namen, (beeld)merken, producten of diensten van commerciële omroepinstellingen (Besluit ontheffing zelfpromotie commerciële omroep) Het Commissariaat voor de Media, Gelet op [artikel 71m, derde lid, van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=71m); Besluit: Definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Europese richtlijn: [Richtlijn 97/36/EG](31997L0036) van het Europees parlement en de Raad van 30 juni 1997 tot wijziging van [Richtlijn 89/552/EEG](31989L0552) van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten; - b. de wet: de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149); - c. omroepinstelling: commerciële omroepinstelling; - d. programma-aankondiging: aankondiging van een omroepinstelling in verband met de eigen programma’s. Naam en (beeld)merk Artikel 2 1. Aan omroepinstellingen wordt ontheffing verleend, van het bepaalde in het [eerste lid van artikel 71m van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=71m), voor het vermelden of tonen van de naam of het (beeld)merk van de omroepinstelling en de naam of het (beeld)merk van de door deze omroepinstelling uitgezonden of uit te zenden programmaonderdelen. 2. Een vermelding of vertoning als bedoeld in het eerste lid wordt geacht te geschieden met het oogmerk om reclame te maken voor een derde, bedoeld in het [eerste lid van artikel 71m van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=71m) indien deze vermelding of vertoning eveneens een vermijdbare vermelding of vertoning van een naam, (beeld)merk, product, dienst of activiteit van deze derde bevat. 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de ver"},{"i":935,"b":"Besluit opleiding tot controleur der Belastingen BES Artikel 1 1. Bij ministeriële regeling kan in elk van de openbare lichamen voor de opleiding, vorming en training van ambtenaren bij de Belastingdienst een cursus worden ingesteld voor benoembaarheid tot controleur der Belastingen. 2. Bij die regeling kan tevens de vergoeding van de docenten voor de vakken genoemd in [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028492&artikel=9&z=2011-10-09&g=2011-10-09), en de met de dagelijkse leiding van de cursus belaste cursusleider worden vastgesteld. Artikel 2 1. De cursus duurt drie jaren en bestaat uit twee gedeelten: - a. een theoretische vorming die gedurende de gehele cursusduur na kantooruren plaatsvindt; en - b. een praktische vorming die gedurende 1½ jaar tijdens kantooruren plaatsvindt bij verschillende onderdelen van de belastingdienst van de openbare lichamen. 2. De cursusleider bepaalt jaarlijks de tijdvakken waarin de theoretische en de praktische vorming plaatsvindt, met dien verstande, dat de praktische vorming moet zijn voltooid op het tijdstip waarop de theoretische vorming een einde neemt. Artikel 3 1. Er is een Commissie van Toezicht van drie leden welke belast is met de organisatie van en het toezicht op de cursus. Bij ministeriële regeling kunnen functionarissen worden aangewezen die ambtshalve lid zijn van de commissie, waarbij kan worden bepaald dat een van die functionarissen als voorzitter van de commissie optreedt. De bedoelde functionarissen kunnen een plaatsvervanger aanwijzen. 2. Het derde lid van de commissie wordt op voordracht van de commissieleden bedoeld in het eerste lid door Onze Minister van Financiën benoemd. 3. De cursusleider treedt op als secretaris van de Commissie van Toezicht. Artikel 4 1. Het aantal lesuren voor de vakken, genoemd in [artikel 9l eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028492&artikel=9&z=2011-10-09&g=2011-10-09), alsmede de duur van de lesuren, wordt bij ministeriële regeling vastg"},{"i":1158,"b":"Regeling inzake vermindering en vrijstelling van Kazachse belasting op dividenden, interest en royalty's, genoten door inwoners van Nederland Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan het op 24 april 1996 tussen Nederland en Kazachstan gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en het Protocol bij dat Verdrag (Trb. 1996, 150), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van het Verdrag en onderdelen van het Protocol: - a. vermindering tot 15 percent van de Kazachse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Kazachstan is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b); - b. vermindering tot 5 percent van de Kazachse belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Kazachstan is aan een lichaam dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde daarvan is en het onmiddellijk of middellijk ten minste 10 percent bezit van het kapitaal van het Kazachse lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel a); - c. algehele vrijstelling van de Kazachse belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Kazachstan is aan lichaam dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde daarvan is en het middellijk of onmiddellijk ten minste 50 percent bezit van het kapitaal van het Kazachse lichaam dat de dividenden betaalt, mits het Nederlandse lichaam dat de dividenden ontvangt een investering heeft gedaan van ten minste een miljoen Amerikaanse dollar in het kapitaal van het Kazachse lichaam dat de dividenden betaalt, welke investering in haar geheel"},{"i":1182,"b":"Memorandum van overeenstemming tussen het Directoraat-Generaal Belastingdienst van Nederland en de afdeling diensten van de bevoegde authoriteit van de belastingdienst van Canada voor de uitvoering van gelijktijdige boekenonderzoeken De Directeur-Generaal Belastingdienst geeft namens de Minister van Financiën kennis van het volgende: Op 20 september 2005 hebben de bevoegde autoriteiten van Nederland en Canada in het kader van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen van 27 maart 1986, zoals gewijzigd bij het Protocol van 4 maart 1993 en bij het Protocol van 25 augustus 1997, een Memorandum van Overeenstemming getekend ten behoeve van de uitvoering van gelijktijdige boekenonderzoeken. Teneinde de uitwisseling van inlichtingen tussen Nederland en Canada doelmatiger te maken en gevallen van belastingontduiking of -ontwijking doeltreffender aan te pakken, hebben de competente autoriteiten van beide Staten besloten een procedure in te stellen voor het uitvoeren van gelijktijdige boekenonderzoeken met betrekking tot geselecteerde belastingplichtigen of groepen belastingplichtigen die in zowel Nederland als Canada activiteiten verrichten. Inwerkingtreding Deze kennisgeving treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 20 september 2005. Bijlage Memorandum van overeenstemming tussen het Directoraat-Generaal Belastingdienst van Nederland en de afdeling diensten van de bevoegde authoriteit van de belastingdienst van Canada voor de uitvoering van gelijktijdige boekenonderzoeken van 20 september 2005, nr. DGB2006/2895M. Het Directoraat-Generaal Belastingdienst van Nederland en de Afdeling Diensten van de Bevoegde Autoriteit van de Belastingdienst van Canada (de Ondertekenaars), Uit hoofde van artikel 26 van de Overeenkomst tussen het K"},{"i":1184,"b":"Memorandum van Overeenstemming tussen Zweden en Nederland inzake de uitwisseling van inlichtingen op het gebied van de directe belastingen De staatssecretaris van Financiën maakt het volgende bekend. **Dit besluit bevat een bekendmaking van het in april 2012 tussen het Zweedse Belasting Agentschap en het Directoraat-generaal Belastingdienst van Nederland gesloten Memorandum van Overeenstemming over de uitwisseling van inlichtingen op het gebied van de directe belastingen. Het Memorandum vervangt het in 2004 gesloten Memorandum van Overeenstemming tussen het Zweedse Belasting Agentschap en het Directoraat-generaal Belastingdienst van Nederland inzake de stroomlijning en intensivering van wederzijdse bijstand op het gebied van de directe belastingen (** **Staatscourant 26 oktober 2004, 209** **), dat met het nieuwe Memorandum wordt ingetrokken.** **Het Memorandum geeft categorieën weer voor de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen, zoals over onroerende zaken, dividenden, royalty’s, inkomsten uit zelfstandige arbeid, inkomsten uit lonen, salarissen en andere soortgelijke beloningen, directeursbeloningen, inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars, inkomsten uit pensioenen, lijfrenten, sociale zekerheidsuitkeringen en wijzigingen in de identificatiegegevens. Daarnaast bevat het Memorandum bepalingen over tijdelijke automatische inlichtingenuitwisseling bij bijvoorbeeld incidentele doelgroepacties, alsmede richtlijnen voor de aanwezigheid van ambtenaren van de ene Staat op het grondgebied van de andere Staat ten behoeve van een boekenonderzoek en voor het uitvoeren van o.a. gelijktijdige belastingcontroles.** Memorandum van Overeenstemming tussen het Zweedse Belasting Agentschap en het Directoraat-generaal Belastingdienst van Nederland inzake de uitwisseling van inlichtingen op het gebied van de directe belastingen Preambule Het Zweedse Belasting Agentschap en het Directoraat-generaal Belastingdienst van Nederland, hierna te noemen de ‘Partijen’, gelet op"},{"i":1185,"b":"Mexicaanse procedure tot uitvoering belastingverdrag Nederland-Mexico Besluit: Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan het op 27 september 1993 tussen Nederland en Mexico gesloten Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 1993, nr. 160), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van het Verdrag en onderdelen van het Protocol: - a. vermindering tot 15 percent van de Mexicaanse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Mexico is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b); - b. vermindering tot 5 percent van de Mexicaanse belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Mexico is aan een lichaam dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het middellijk of onmiddellijk ten minste 10 percent beheerst van het kapitaal van het Mexicaanse lichaam dat de dividenden betaalt (artikel 10, tweede lid, onderdeel a); - c. algehele vrijstelling van de Mexicaanse belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Mexico is aan een lichaam dat inwoner van Nederland is, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het middellijk of onmiddellijk ten minste 10 percent beheerst van het kapitaal van het Mexicaanse lichaam dat de dividenden betaalt en zolang dat lichaam op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting en toekomstige wijzigingen daarop ter zake van die dividenden niet aan de Nederlandse vennootschapsbelasting wordt onderworpen (onderdeel VII van het Protocol); - d. algehele vrijstelling van Mexicaanse belasting op interest, afkomstig uit Mexico en voor zover deze interest wordt betaald: - 1. ter zake van een obligatie, schuldbewijs of soortgelijke verplichting van"},{"i":1114,"b":"Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, overdrachtsbelasting, aanspreekpunt Vastgoedfondsen **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 26 oktober 2001, nr. CPP2001/2904M. Het besluit is aangepast in verband met een wijziging van de adresgegevens van het Aanspreekpunt Vastgoedfondsen en de publicatie van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Daarnaast is de tekst van het besluit verduidelijkt. Het besluit van 26 oktober 2001, nr CPP2001/2904M wordt ingetrokken.** 1. Achtergrond instelling Aanspreekpunt Vastgoedfondsen In de praktijk komen regelmatig vragen op over de fiscale behandeling van personen – zowel natuurlijke personen als rechtspersonen – die via een transparant samenwerkingsverband beleggen in vastgoed. Deze vragen zien op de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting of de overdrachtsbelasting. De vragen worden veelal in vooroverleg aan de Belastingdienst gesteld door of namens de beheerder van een dergelijk samenwerkingsverband. Bij samenwerkingsverbanden met een wat grotere omvang is het maken van afspraken op centraal niveau namens de participanten praktisch. Uit het oogpunt van doelmatigheid en de eenheid van beleid en uitvoering bestaat daarom voor dit vooroverleg een Aanspreekpunt Vastgoedfondsen, zodat een eenduidige effectieve behandeling wordt bevorderd. 2. Werkterrein Aanspreekpunt Vastgoedfondsen Het Aanspreekpunt Vastgoedfondsen draagt zorg voor een uniforme fiscale behandeling van personen in de volgende categorieën vastgoedfondsen: Projecten van **buitenlandse belastingplichtigen** met in Nederland gelegen vastgoed worden aangemeld bij de Belastingdienst/Kennis- en Expertisecentrum Buitenland in Heerlen. Om ook voor deze projecten een uniforme fiscale behandeling te realiseren vindt afstemming plaats met het Aanspreekpunt Vastgoedfondsen. Verzoeken worden gericht aan: Belastingdienst/Amsterdam Vastgoedkenniscentrum Aanspreekpunt V"},{"i":1192,"b":"Omzetbelasting, artiesten De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Dit besluit is een geactualiseerde versie van besluit van 20 december 2001 nr. CPP2001/2167M. Uit oogpunt van uniformiteit is het beleid voor fondswerving door amateur-muziekverenigingen opgenomen in het besluit ‘fondswerving en kantines’, CPP2006/1405M. Bovendien is de inhoud van het besluit aangepast in verband met de wijziging van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) per 1 januari 2007. 1. Inleiding Artiesten die hun beroep zelfstandig1In bepaalde gevallen kan zelfs de artiest die per optreden een arbeidsovereenkomst heeft gesloten in de zin van het Burgerlijk Wetboek als ondernemer voor de omzetbelasting worden aangemerkt. Dit is het geval als de artiest het wezenlijke van zijn werkzaamheden geheel naar eigen inzicht vervult. uitoefenen, dienen voor de heffing van de omzetbelasting in beginsel als ondernemer te worden aangemerkt. In bepaalde gevallen wordt ingevolge de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) van zelfstandige artiesten loonbelasting ingehouden (de zogenoemde artiestenregeling). In dit besluit keur ik onder bepaalde voorwaarden goed dat artiesten die voor de loonbelasting onder de artiestenregeling vallen, buiten de heffing van omzetbelasting blijven. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen wet OB: [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) wet LB: [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) wet IB: [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) 2. Goedkeuring artiesten Uit praktische overwegingen keur ik goed dat personen die worden aangemerkt als artiest in de zin van [artikel 5a, eerste lid, van de wet LB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=5a), over hun prestaties als artiest geen omzetbelasting in rekening brengen. Ik verbind daaraan de voorwaard"},{"i":1193,"b":"Omzetbelasting, AWBZ- en Wmo- geïndiceerde zorg De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 21 maart 2007, nr.** **2006/2764M. Het besluit bevat goedkeuringen waaronder een nieuwe goedkeuring dat de vrijstelling tot nader order van toepassing blijft op de diensten op het gebied van de AWBZ-en de Wmozorg die tot 1 januari 2013 onder de reikwijdte vielen van** [artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 2°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) **. Ook bevat het besluit een goedkeuring voor doventolken om een tijdelijke vrijstelling voor sommige prestaties buiten toepassing te laten.** 1. Inleiding Dit besluit behandelt de vrijstelling voor diensten op het gebied van de AWBZ- en de Wmozorg ([artikel 11, eerste lid, onderdeel g, 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11)) en de kraamzorg. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. [Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, 2°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11) 2.1. Juridisch kader De vrijstelling van btw voor diensten op het gebied van de AWBZ- en de Wmozorg is opgenomen in [artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel g, onder 2°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11). Dit artikel is gebaseerd op artikel 132 van de btw-richtlijn. De vrijstelling ziet op de diensten, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en h, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=2), verleend aan personen ten behoeve van wie in een indicatiebesluit op grond van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) is vastgelegd dat ze op in die onderdelen bedoelde zorg zijn aangewezen, alsmede huishoudelijke verzorging, bedoeld in de [Wmo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020031), verleend aan personen ten behoeve van wie ingevolge die wet vaststaat dat ze op die verzor"},{"i":1195,"b":"Omzetbelasting en overdrachtsbelasting, verkoop onder voorwaarden De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering en verruiming van het besluit van 16 maart 2011, nr. BLKB2011/445. Actualisering is noodzakelijk door de ontwikkelingen bij de verkoop onder voorwaarden.** **De volgende inhoudelijke en beleidsmatige wijzigingen zijn opgenomen:** **In onderdeel 2.1 is de voorwaarde voor de goedkeuring vervallen dat de eerste verkoop van de woning/vestiging van het beperkt zakelijk recht uiterlijk plaatsvindt op het tijdstip van eerste ingebruikneming van de woning/de onroerende zaak waarop het beperkt zakelijk recht is gevestigd (voorheen voorwaarde c).** **Daarnaast is in onderdeel 2.1 de voorwaarde voor de goedkeuring vervallen dat de verkopende ondernemer verplicht is de met korting op de marktwaarde verkochte woning/vestiging van het beperkt zakelijk recht terug te kopen, ofwel het recht tot terugkoop daarvan heeft (voorheen opgenomen in voorwaarde d).** **In onderdeel 3.1 is verduidelijkt dat de goedkeuring alleen ziet op voorkoming van cumulatie van btw.** **In onderdeel 4 is aangegeven dat de goedkeuring dat bij de terugkoop van de woning/het beperkt zakelijk recht overdrachtsbelasting wordt voldaan over de marktwaarde van de woning/het beperkt zakelijk recht verminderd met de koperskorting, ook geldt als de terugkoop plaatsvindt 2 jaar of later na de eerste ingebruikneming.** **In de bijlage bij dit besluit zijn rekenvoorbeelden opgenomen om de toepassing van de in dit besluit opgenomen goedkeuringen toe te lichten.** 1. Verkoop onder voorwaarden Met een korting op de marktwaarde verkopen ondernemers via verschillende formules (nieuwe)woningen of vestigen beperkt zakelijke rechten. De korting varieert meestal tussen 10% en 25% van de marktwaarde van de woning/het beperkt zakelijk recht. De korting op de periodieke vergoeding voor het beperkt zakelijk recht (meestal een erfpachtrecht) kan worden verleend voor de ge"},{"i":1196,"b":"Omzetbelasting, fiscaal vertegenwoordiging **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 15 december 2013, nr. BLKB/2013/2291M. (Stcrt. 2013, 35891). Het besluit bevat een aantal wijzigingen van de richtlijnen voor het vaststellen van de zekerheid bij fiscaal vertegenwoordigers. Een belangrijke wijziging ziet op de berekening van de zekerheid bij algemeen fiscaal vertegenwoordigers. Voorheen werd de zekerheid bij de algemeen fiscaal vertegenwoordiger gesteld op het gemiddelde btw-bedrag dat per kwartaal op aangifte werd voldaan of, als dat meer was, de gemiddelde maandelijkse verschuldigde btw indien geen rekening wordt gehouden met eventuele aftrekbare btw noch met eventueel van toepassing zijnde nultarieven of vrijstellingen. Met ingang van dit besluit wordt enkel de laatstgenoemde berekeningswijze gehanteerd, zoals bij de beperkt fiscaal vertegenwoordigers reeds het geval was. Voortaan wordt bij deze berekeningswijze ook de btw meegerekend die door de buitenlandse ondernemer wordt verlegd. Er is een bijlage aan het besluit toegevoegd waarin de berekening van de zekerheid aan de hand van voorbeelden wordt geïllustreerd. In aanvulling hierop zijn een aantal zaken rondom de vervanging of vrijgave van een bestaande zekerheid verduidelijkt. Verder is de tekst geactualiseerd in verband met wijzigingen in de btw-regelgeving, waaronder de aanpassing en uitbreiding van de regeling voor afstandsverkopen in verband met de invoering van de e-commerceregeling. Tot slot zijn in de tekst van het besluit redactionele wijzigingen aangebracht.** 1. Inleiding De ondernemer die niet in Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft, maar wel Nederlandse btw is verschuldigd, kan in Nederland een fiscaal vertegenwoordiger aanstellen. De fiscaal vertegenwoordiger treedt dan op namens de ondernemer en treedt in zijn plaats met betrekking tot al diens rechten en verplichtingen bij het doen"},{"i":5583,"b":"Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid fysieke leefomgevingsfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv) Samenvatting In het [Besluit OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022233) 2008 is krachtens [artikel 257ba, eerste lid, Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257ba) voor daarin aangewezen zaken betreffende misdrijven of overtredingen in de sfeer van de wetgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving, voor zover die van geringe ernst of eenvoudige aard zijn binnen daarbij gestelde grenzen een strafbeschikkingsbevoegdheid verleend aan een aantal lichamen en personen, met een publieke taak belast. De zaken betreffen zowel economische als niet-economische delicten. Tot 1 januari 2024 maakte deze richtlijn onderscheid tussen enerzijds ‘milieufeiten’ en anderzijds ‘keurfeiten.’ Deze systematiek is door de inwerkingtreding van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) niet langer correct. De Omgevingswet ziet ingevolge [artikel 1.2 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=1.2) van die wet namelijk op de fysieke leefomgeving (onder meer: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultuur en werelderfgoed). De gedragingen die worden verricht in strijd met de wet- en regelgeving op het gebied van beheer en onderhoud van waterstaatswerken zijn geen economische delicten. Deze gedragingen steunden voorheen op bepalingen uit de Model Keur van de waterschappen en zullen per 1 januari 2024 moeten worden overgezet naar verordeningen (**anders** dan waterschapsverordeningen) van een waterschap.1Het Omgevingsbesluit bepaalt dat bepaalde onderwerpen, waaronder beheer en onderhoud, niet in de waterschapsverordening mogen worden geregeld. Het Omgevingsbesluit bepaalt ook dat bepaalde onderwerpen niet in een gemeentelijk omgevingsplan mogen worden geregeld. Hierin kan worden bepaald dat het niet naleven van de hierin opgenomen voorschriften strafbaar"},{"i":980,"b":"Besluit van de Minister van IenW van 25 april 2018, IENW/BSK-2018/76264, houdende vaststelling van een beleidskader voor het aanwijzen van projecten gericht op hinderbeperking tijdens grootschalige wegwerkzaamheden in het kader van de vrijstelling voor de voordelen die deelnemers aan dergelijke projecten ontvangen, opgenomen in de Wet inkomstenbelasting 2001 Gelet op [artikel 3.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.13); Besluit het volgende beleidskader vast te stellen voor de aanwijzing van projecten gericht op hinderbeperking tijdens grootschalige wegwerkzaamheden in het kader van de vrijstelling voor de voordelen die deelnemers aan dergelijke projecten ontvangen, opgenomen in de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353); Voor de voordelen die deelnemers ontvangen uit de projecten die gericht zijn op hinderbeperking tijdens grootschalige wegwerkzaamheden bestaat een fiscale vrijstelling, welke is vastgelegd in [artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.13). Met dat artikel zijn voordelen uit projecten vrijgesteld die: Hiermee zijn de voordelen uit de projecten die door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn aangewezen en bekendgemaakt aan de deelnemers van die projecten vrijgesteld voor de belastingheffing in de inkomstenbelasting. In de [Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012031) (URIB 2001) zijn hieraan de volgende voorwaarden gesteld: Daarnaast wordt invulling gegeven aan de motie TK 29 398 nr. 519. Met de aangenomen motie is de direct uit te keren geldelijke beloning aan een deelnemer gemaximeerd tot drie maanden. Wel is het mogelijk om aanvullend op de periode van drie maanden met een geldelijk beloning, gedurende maximaal negen maanden een andere vorm van niet-geldelijke beloningen te verstrekken. Dit in lijn m"},{"i":1201,"b":"Omzetbelasting, intrekking diverse besluiten De minister van Financiën heeft het volgende besloten. In dit besluit wordt een aantal besluiten over de omzetbelasting ingetrokken, omdat ze hun belang hebben verloren of beschrijvend/casuïstisch zijn. 1. Inleiding Het is wenselijk om de toegankelijkheid van het geldende beleid op het gebied van de omzetbelasting te vergroten en het aantal beleidsbesluiten te verminderen. Om dit te bereiken wordt een aantal beleidsbesluiten ingetrokken die hun belang hebben verloren of beschrijvend/casuïstisch zijn. 2. Ingetrokken regelingen De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit: 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van het besluit. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6994,"b":"Circulaire printen akten van de burgerlijke stand Aan de ambtenaren van de burgerlijke stand Regeling papier en schrijfmiddelen voor de burgerlijke stand Op grond van de [Regeling papier en schrijfmiddelen voor de burgerlijke stand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006909); hierna: de Regeling (Stcrt. 1993, nr. 228) behoren akten van de burgerlijke stand op zodanige wijze te worden vervaardigd dat gewaarborgd is dat zij voldoen aan de in de Regeling gestelde eisen. Deze eisen houden in dat de akten tenminste 100 jaar houdbaar en goed leesbaar moeten zijn ([art.1 van de Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006909&artikel=1)). De eisen gelden zowel voor de akten zelf als voor de dubbelen van de akten van de burgerlijke stand. Zij zijn opgenomen in de circulaire over automatisering van de burgerlijke stand van het ministerie van Justitie, van 11 december 1997 kenmerk nr. 668307/97/6. Om te voorkomen dat printers voor de vervaardiging van akten van de burgerlijke stand worden gebruikt, die niet voldoen aan de kwaliteitseisen, worden deze eisen opnieuw bekend gemaakt door middel van de onderhavige circulaire. De eisen waaraan printers voor de vervaardiging van akten van de burgerlijke stand dienen te voldoen zijn vastgesteld op basis van onderzoek dat is uitgevoerd in samenwerking met het Hechtingsinstituut van de Technische Universiteit in Delft. Vervolgens is een procedure ontwikkeld om vast te stellen of printers van zodanige kwaliteit zijn, dat de daarmee vervaardigde akten van de burgerlijke stand voldoen aan de voormelde eisen van houdbaarheid en leesbaarheid. De procedure is als volgt: een leverancier die een printer aanbiedt voor de vervaardiging van akten van de burgerlijke stand die tenminste 100 jaar houdbaar en goed leesbaar dienen te zijn, behoort te worden verwezen naar het Centrum voor Onderzoek en Technisch advies (COT) in Haarlem om het printresultaat van de desbetreffende printer te laten onderzoeken. De leverancier neemt hiertoe z"},{"i":1217,"b":"Opheffing Commissie toetsing uitgangspunten rivierdijkversterkingen Gezien de beschikking van 25 augustus 1992, nr. ZA 130461, Hoofddirectie van de Waterstaat, waarbij is ingesteld de Commissie toetsing uitgangspunten rivierdijkversterkingen; Overwegende dat de voorzitter van de commissie mij op 11 januari 1993 het eindrapport van de commissie heeft aangeboden, waardoor de commissie haar taak als beëindigd beschouwt; Besluit: Artikel 1 De Commissie toetsing uitgangspunten rivierdijkversterkingen wordt opgeheven. Artikel 2 Het archief van de commissie is overeenkomstig artikel 1, sub b. van de beschikking van 13 mei 1983, nr. A 23146 aanwezig bij de Onderafdeling Algemene Secretarie van de Hoofddirectie van de Waterstaat. Artikel 3 Deze beschikking treedt met ingang van heden in werking en werkt terug tot 11 januari 1993. Artikel 4 Afschrift van deze beschikking, die wordt geplaatst in de Nederlandse Staatscourant, wordt gezonden aan de voorzitter, de leden en de ambtelijk-secretaris van de commissie."},{"i":1219,"b":"Opheffing permanent College van Overleg Muskusrattenbestrijding Gezien de [beschikking van 27/31 augustus 1987, nr. ZA 25535](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004205), Hoofddirectie van de Waterstaat, waarbij is ingesteld het Permanent College van Overleg Muskusrattenbestrijding; Gezien de bestuursovereenkomst van 28 december 1993 tussen het Rijk enerzijds en het Interprovinciaal overleg (IPO) anderzijds inzake de decentralisatie van rijkstaken op het gebied van waterkeringssubsidies; Overwegende dat ingevolge de bovengenoemde overeenkomst de verplichtingen van het Rijk ten aanzien van de coördinatie inzake de muskusrattenbestrijding alsmede van het onderzoek op het terrein van de muskusrattenbestrijding door de provincies worden overgenomen; Besluiten: Artikel 1 Het Permanent College van Overleg Muskusrattenbestrijding wordt opgeheven. Artikel 2 Het archief van het college is overeenkomstig artikel 1 sub b. van de beschikking van 13 mei 1983, nr. A 23146, aanwezig bij de Onderafdeling Algemene Secretarie van de Hoofddirectie van de Waterstaat. Artikel 3 Deze beschikking treedt met ingang van heden in werking en werkt terug tot en met 1 januari 1994. Deze beschikking zal worden geplaatst in de Staatscourant en in afschrift gezonden aan: - a. de voorzitter, de leden en de secretaris van het Permanent College van Overleg Muskusrattenbestrijding; - b. de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; - c. de Minister van Binnenlandse Zaken; - d. de Minister van Financiën; - e. het College van Gedeputeerde Staten van alle provincies; - f. de voorzitter van de Unie van Waterschappen; - g. de voorzitter van het Interprovinciaal Overleg; - h. de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal."},{"i":1223,"b":"Opheffingsbesluit Begeleidingscommissie nieuwe werkwijze Landelijke Meldkamerorganisatie in oprichting Gelet op het feit dat de Begeleidingscommissie nieuwe werkwijze Landelijke Meldkamerorganisatie in oprichting met de afronding van de pilots (en het uitbrengen een eindrapport aan de bestuurlijke regiegroep van 5 juli 2017) aan haar opdracht zoals neergelegd in het [Besluit Instelling Begeleidingscommissie nieuwe werkwijze Landelijke Meldkamerorganisatie in oprichting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038029) (Stcrt. 2016, nr. 29148) heeft voldaan en zich hierdoor de omstandigheid voordoet zoals genoemd in [artikel 2 lid 5 van voorgenoemd Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038029&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De Begeleidingscommissie nieuwe werkwijze Landelijke Meldkamerorganisatie in oprichting wordt opgeheven. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na plaatsing in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1227,"b":"Opheffingsbesluit Ministeriële Commissie Noordzee Aangelegenheden (MICONA) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Gelet op [artikel 25, eerste lid, van het Reglement van Orde voor de Ministerraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006501&artikel=25), Besluit: Artikel 1 De Ministeriële Commissie Noordzee Aangelegenheden (MICONA) wordt opgeheven. Artikel 2 De Interdepartementale Coördinatiecommissie Noordzee Aangelegenheden (ICONA) fungeert als ambtelijk voorportaal voor de Raad voor Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (RROM). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Opheffingsbesluit Ministeriële Commissie Noordzee Aangelegenheden (MICONA). Dit besluit zal met de toelichting in de Nederlandse Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1234,"b":"Overdrachtsbelasting, startersvrijstelling en 2%-tarief; vragen en antwoorden De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit bevat vragen en antwoorden over het overdrachtsbelastingtarief van 2%, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, en de startersvrijstelling, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, zoals die gelden na invoering van de Wet differentiatie overdrachtsbelasting.** 1. Inleiding Als gevolg van de invoering van de [Wet differentiatie overdrachtsbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044576) per 1 januari 2021 geldt voor de verkrijging van woningen onder bepaalde voorwaarden een tarief van 2% of een startersvrijstelling voor de overdrachtsbelasting. In dit besluit wordt de toepassing van deze regelingen nader toegelicht aan de hand van praktijkvragen en antwoorden. De vragen en antwoorden 1 tot en met 20 zijn eerder op 22 maart 2021 gepubliceerd op bd.communicatie.pleio.nl. In enkele vragen wordt de bewoording ‘voor langere tijd in de woning gaat wonen’ gebruikt. Met deze bewoording wordt gedoeld op de zinsnede ‘anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken’ zoals opgenomen in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=14), en [artikel 15, eerste lid, onderdeel p, WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15). 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Vragen en antwoorden **Vraag 1** A (32 jaar) verkrijgt op 1 mei 2021 (datum notariële leveringsakte) een woning. Kan A een beroep doen op de startersvrijstelling als de waarde van de woning € 600.000 bedraagt? **Antwoord** A kan geen beroep doen op de startersvrijstelling, omdat de waarde van de woning hoger is dan de woningwaardegrens van € 400.000, die vanaf 1 april 2021 geldt. **Vraag 2** Welke waarde is bepalend voor de woningwaardegrens bij de startersvrijstelling? **Antwoord** De woningwaardegrens voor"},{"i":1235,"b":"Overdrachtsbelasting, startersvrijstelling en 2%-tarief **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit actualiseert het besluit van 2 maart 2023, nr. 2023-2 en bevat het beleid over de startersvrijstelling en het tarief van 2%. Onderdeel 4 van dit besluit heeft zijn belang verloren door de wijziging in de Wet op belastingen van rechtsverkeer per 1 januari 20251Fiscale Verzamelwet 2025 en is daarom vervallen. De overige onderdelen zijn inhoudelijk ongewijzigd gebleven en waar nodig uitsluitend redactioneel aangepast.** 1. Inleiding In dit besluit is het beleid opgenomen over de startersvrijstelling en het tarief van 2%. Dit besluit actualiseert [het besluit van 2 maart 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047942), nr. 2023-2 (Stcrt. 2023, 5423). Per 1 januari 2025 is in de [Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740) opgenomen dat de verkrijging van het recht op levering van een woning door een natuurlijk persoon in combinatie met de toegang tot die woning of de toestemming om enige werkzaamheden in of aan de woning te verrichten of te laten verrichten voorafgaande aan de verkrijging van die woning, onder voorwaarden niet wordt aangemerkt als een verkrijging van economische eigendom ([artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=2)). [Onderdeel 4 uit het besluit van 2 maart 2023](onbekend), heeft daardoor zijn belang verloren en is daarom niet meer opgenomen. De overige onderdelen zijn overgenomen uit het besluit van 2 maart 2023. Daarbij zijn waar nodig ter verduidelijking enkele redactionele aanpassingen aangebracht, zonder inhoudelijke gevolgen. Daarbij zijn de onderdelen 5, 6 en 7 vernummerd tot de onderdelen 4, 5 en 6. De goedkeuringen in dit besluit zijn verleend met toepassing van [artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&a"},{"i":1237,"b":"Overdrachtsbelasting, vrijstelling, diverse onderwerpen De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit vervangt de besluiten van 12 november 2004, nr. CPP2004/1679M en 19 februari 2010, nr. CPP2010/0002M. In onderdeel 2.4 is een nieuwe goedkeuring opgenomen voor de toepassing van de vrijstelling bij verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners (artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de WBR). Onderdeel 4 is nieuw en bevat het beleid over de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel l, van de WBR. Dit beleid is aangepast naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet inrichting landelijk gebied. Verder zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht waarmee geen beleidswijziging is beoogd. Het besluit van 7 november 1988, nr. IB88/1043 heeft zijn belang verloren en wordt ingetrokken.** 1. Inleiding Dit besluit bevat het beleid over diverse onderwerpen betreffende de vrijstelling van overdrachtsbelasting. Het betreft de vrijstellingen van [artikel 15, eerste lid, onderdelen g, i, l en p van de WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15). De onderdelen 2, 3 en 5 zijn overgenomen van het [besluit van 19 februari 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027337), nr. CPP2010/0002M. Die onderdelen zijn verduidelijkt. Hierbij zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht waarmee geen beleidswijziging is beoogd. [Onderdeel 4 van het besluit CPP2010/0002M](onbekend) heeft zijn belang verloren en is niet meer opgenomen. Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 22 augustus 2024, nr. 2024-0000014892 (Stcrt. 2024, 27607). In onderdeel 2.4 is een nieuwe goedkeuring opgenomen voor de toepassing van de vrijstelling bij verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners (zie [artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de WBR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15)). Onder voorwaarden geldt de vrijstelling ook als de verdeling plaatsvindt na een herverkaveling. Onderdeel 4 bevat het belei"},{"i":1238,"b":"Overeenkomst betreffende het douane- en belastingregime voor gasolie, die in de Rijnvaart als boordvoorraad wordt verbruikt Straatsburg, 16 Mei 1952. **RESOLUTIE** Ter overbrugging van de meningsverschillen met betrekking tot het douane- en belastingregime ten aanzien van gasolie, die als boordvoorraad wordt verbruikt, zoals dat volgt uit de [herziene Akte van Mannheim van 17 October 1868](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363), en met het doel dat regime gelijkvormig te maken, Teneinde de uitoefening van de Rijnvaart te vergemakkelijken, haar technische en economische ontwikkeling te bevorderen en op deze wijze bij te dragen tot internationale samenwerking, Heeft de Centrale Commissie het volgende besluit genomen: Overeenkomst betreffende het douane- en belastingregime voor gasolie, die in de Rijnvaart als boordvoorraad wordt verbruikt Artikel 1 De Rijnoeverstaten en België zullen geen douanerechten noch andere belastingen heffen op gasolie, welke op normale wijze wordt verbruikt aan boord van vaartuigen, die de Rijn en zijn nevenrivieren of de wateren, welke bedoeld zijn in [artikel 2 van de Akte van Mannheim](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003363&artikel=2), bevaren. Deze vrijstelling is van toepassing: - a). op gasolie, welke als boordvoorraad aan boord van deze schepen lang de Rijn wordt ingevoerd; - b). op gasolie, betrokken uit goedgekeurde opslagplaatsen, welke door invoer uit het buitenland onder douaneverband zijn bevoorraad; - c). op gasolie, afkomstig van binnenlandse raffinaderijen en betrokken uit goedgekeurde opslagplaatsen, met dien verstande, dat in dat geval de overeenkomstsluitende Staten zich niet verbinden de gasolie vrij te stellen van de belastingen, waaraan in beginsel alle goederen en diensten in het binnenland onderworpen zijn. België zal door deze overeenkomst gebonden zijn voor wat betreft de Schelde tot Antwerpen en het Kanaal Terneuzen tot Gent. De wijze waarop de contrôle op het verbruik van gasolie aan boord van de"},{"i":1254,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Suriname, De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Reikwijdte van de Overeenkomst Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a). voor Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - -. de inkomstenbelasting, - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, - -. de dividendbelasting, - -. de vermogensbelasting, - b). voor Suriname: (hierna te noemen: „Surinaamse belasting“). - -. de inkomstenbelasting, - -. de dividendbelasting, - -. de vermogensbelasting, 4"},{"i":1258,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zimbabwe tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Zimbabwe, De wens koesterende en overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar de vermogenswinsten die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en de vermogenswinsten worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar de gehele vermogenswinsten of naar bestanddelen van het inkomen of van de vermogenswinsten, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a). in Nederland: - (i). de inkomstenbelasting; - (ii). de loonbelasting; - (iii). de vennootschapsbelasting, waaronder begrepen het aandeel van de regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse Mijnwet continentaal plat 1965; en - (iv). de dividendbelasting; - (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - b). in Zimbabwe: - (i). de income tax (inkomsten"},{"i":1317,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2012 In overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 2012 tot en met 31 maart 2013 bedraagt ten hoogste 123,0. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2012. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2012. De regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1316,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2011 In overeenstemming met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 2011 tot en met 31 maart 2012 bedraagt ten hoogste 119,4. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2011. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2011. De regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1259,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Vervallen Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is Vervallen Artikel 3. Algemene begripsbepalingen Vervallen Artikel 4. Fiscale woonplaats Vervallen Artikel 5. Vaste inrichting Vervallen Artikel 6. Inkomsten uit onroerende goederen Vervallen Artikel 7. Winst uit onderneming Vervallen Artikel 8. Zeevaart, binnenvaart en luchtvaart Vervallen Artikel 9. Gelieerde ondernemingen Vervallen Artikel 10. Dividenden Vervallen Artikel 11. Interest Vervallen Artikel 12. Royalty 's Vervallen Artikel 13. Vermogenswinsten Vervallen Artikel 14. Zelfstandige arbeid Vervallen Artikel 15. Niet-zelfstandige arbeid Vervallen Artikel 16. Bestuurders- en commissarissenbeloningen en beloningen verkregen ter zake van bestuurderswerkzaamheden in een gemeenschappelijke onderneming Vervallen Artikel 17. Artiesten en sportbeoefenaars Vervallen Artikel 18. Pensioenen Vervallen Artikel 19. Hoogleraren, andere docenten en onderzoekers Vervallen Artikel 20. Studenten Vervallen Artikel 21. Overige inkomsten Vervallen Artikel 22. Vermogen Vervallen Artikel 23. Vermijding van dubbele belasting Vervallen Artikel 24. Non-discriminatie Vervallen Artikel 25. Regeling voor onderling overleg Vervallen Artikel 26. Uitwisseling van inlichtingen Vervallen Artikel 27. Diplomatieke en consulaire ambtenaren Vervallen Artikel 28. Inwerkingtreding Vervallen Artikel 29. Beëindiging Vervallen Bij de ondertekening van de Overeenkomst tot het vermijden"},{"i":1318,"b":"Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer Gelet op de artikelen 58, eerste lid, van de Wet personenvervoer, en 156 van het Besluit personenvervoer; Besluit: Artikel 1 1. De vervoerder biedt taxivervoer aan tegen een variabel tarief per rit dat bestaat uit: - a. een vast bedrag; - b. een bedrag per afgelegde kilometer van de taxirit, en - c. een bedrag per minuut van de duur van de taxirit. 2. Het tarief, bedoeld in het eerste lid, heeft uitsluitend betrekking op het gebruik van de gehele auto. 3. Onverminderd het eerste lid kan de vervoerder taxivervoer aanbieden tegen een vast tarief per rit, al dan niet per zitplaats, mits dit vooraf met de consument is overeengekomen. 4. Het is verboden om voor het enkele vervoer een ander tarief in rekening te brengen dan een tarief als bedoeld in het eerste of derde lid. 5. De vervoerder kan een tarief in rekening brengen voor de wachtperiode bij aanvang van de rit, mits dit vooraf met de consument is overeengekomen. 6. De vervoerder kan een tarief in rekening brengen voor aanvullende diensten, mits dit vooraf met de consument is overeengekomen. Artikel 2 1. Het tarief, bedoeld in [artikel 1, eerste of vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010998&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt voor de consument duidelijk leesbaar getoond zowel in de auto waarmee taxivervoer wordt verricht als aan de buitenzijde. 2. Ten behoeve van het duidelijk kenbaar maken van de klachtenbehandeling, bedoeld in [artikel 72a van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=72a) wordt voor de consument leesbaar getoond zowel in de auto waarmee taxivervoer wordt verricht als aan de buitenzijde: - a. de naam en de vestigingsplaats van de vervoerder zoals deze zijn vermeld op de vergunning, bedoeld in [artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=76) dan wel de naam en het telefoonnummer van de instantie waa"},{"i":6995,"b":"Circulaire uitreisverbod personen ex Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding 1. Inleiding Deze circulaire heeft tot doel u te informeren over een verlengde regeling in de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212). Deze regeling heeft betrekking op personen met een verbod om het Schengengebied te verlaten. Van deze personen vervallen van rechtswege alle reisdocumenten, waaronder de Nederlandse identiteitskaart (NIK),1In deze circulaire wordt onder ‘reisdocumenten’ tevens de Nederlandse identiteitskaart begrepen. en moet de aanvraag van een nieuw reisdocument worden geweigerd. Deze personen komen in plaats daarvan in aanmerking voor de zogenaamde vervangende Nederlandse identiteitskaart welke uitsluitend in het Schengengebied geldig is. De regeling gold aanvankelijk tot 1 maart 2022, maar is inmiddels verlengd tot 1 maart 2027.2Wet van 23 februari 2022 tot wijziging van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding in verband met het verlengen van de werkingsduur (Stb. 2022, 85). De aanpassingen in deze circulaire ten opzichte van de circulaire van 20 februari 2017 zijn beperkt tot actualiseringen en zijn geen inhoudelijke wijzigingen. Ter bestrijding van terrorisme is met ingang van 1 maart 2017 de [Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039210) in werking getreden. Eén van de getroffen maatregelen betreft de bevoegdheid van de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV) om een persoon een verbod op te leggen het Schengengebied te verlaten. In paragraaf 2 wordt hierop een toelichting gegeven. Om de effectiviteit van het uitreisverbod te ondersteunen, is in de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) geregeld dat van een persoon met een uitreisverbod het Nederlandse reisdocument van rechtswege vervalt. Het reisdocument moet worden ingeleverd, en de betreffende documentnummers worden nationaal en internationaal als ‘ongeldi"},{"i":6993,"b":"Circulaire met betrekking tot de bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten 2026 Hierbij treft u de Circulaire bewaken en beveiligen van personen, objecten en diensten 2026 (nr. 7040030) aan (hierna: circulaire bewaken en beveiligen). Deze Circulaire vervangt de [Circulaire met betrekking tot de bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048378) (nr. 47052981Stcrt. 2023, 18756.). De transitie van het stelsel bewaken en beveiligen naar het nieuwe stelsel beveiligen van personen is reeds ingezet, waardoor het stelsel de aankomende tijd nog aan verandering onderhevig zal zijn. De circulaire wordt (tussentijds) geactualiseerd naar gelang veranderingen worden doorgevoerd die leiden tot wijziging van (meerdere) (werk)afspraken of -processen. In deze geactualiseerde Circulaire worden de beleidskaders en werkafspraken ten aanzien van het taakveld bewaken en beveiligen, op basis van de huidige wet- en regelgeving op dit terrein, weergegeven. Nieuw in de circulaire zijn de paragrafen over het stelsel beveiligen van personen (waaronder: eenduidig gezag ten aanzien van personen, triage en toetsingskader en exclusiviteit van persoonsgerichte maatregelen in het stelsel beveiligen van personen), systeemverantwoordelijkheid, Landelijk Coördinatiecentrum Bewaken en Beveiligen (LCC), de Kwaliteitsmonitor en evaluatiefunctie, het tijdelijk Adviesorgaan Stelsel Bewaken en Beveiligen en het Kenniscentrum Bewaken en Beveiligen. Deze circulaire bewaken en beveiligen treedt daags na publicatie in werking en werkt terug tot en met 1 januari 2026. De [Circulaire met betrekking tot de bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048378) (nr. 47052982Stcrt. 2023, 18756.) wordt gelijktijdig ingetrokken. 1. Inleiding 1.1. Doel van de circulaire In deze circulaire met betrekking tot bewaken en beveiligen van personen, objecten en diensten 2026 (hierna: de cir"},{"i":1315,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2010 In overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 2010 tot en met 31 maart 2011 bedraagt ten hoogste 116,7. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2010. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2010. De regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1260,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Israël, De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Reikwijdte van de Overeenkomst Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten. Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan. 2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering. 3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name: - a). voor Nederland: (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”); - -. de inkomstenbelasting - -. de loonbelasting, - -. de vennootschapsbelasting, - -. de dividendbelasting, - -. de vermogensbelasting, - b). voor Israël: (hierna te noemen: „Israëlische belasting”). - -. de inkomstenbelasting, daaronder begrepen de belasting op vermogenswinsten, - -. de vennootscha"},{"i":1263,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, geleid door de wens het op 29 april 1948 te Washington ondertekende [Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005531), zoals deze is gewijzigd en aangevuld bij het op 30 december 1965 te Washington ondertekende Aanvullende Verdrag, te vervangen door een nieuwe Overeenkomst; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST Artikel 1. Algemene reikwijdte 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten tenzij anders bepaald in de Overeenkomst. 2. De Overeenkomst zal op geen enkele wijze enige uitsluiting, vrijstelling, aftrek, verrekening of andere tegemoetkoming beperken, nu dan wel later toegestaan: - a. onder de wetgeving van beide Staten, met uitzondering van, wat Nederland betreft, met betrekking tot [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001109&hoofdstuk=IV&artikel=25&z=2004-12-28&g=2004-12-28) (Vermijding van Dubbele Belasting); of - b. door enige andere overeenkomst tussen de Staten. - a. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, onderdeel b: - i. wordt elke kwestie aangaande de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst en in het bijzonder de vraag of een belastingmaatregel valt onder de reikwijdte van deze Overeenkomst uitsluitend beslist in overeenstemming met de bepalingen van [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001109&hoofdstuk=IV&artikel=25&z=2004-12-28&g=2004-12-28) (Regeling voor onderling overleg) van deze Overeenkomst; en - ii). zijn de bepalingen van ar"},{"i":1264,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek China tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China, de wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belasting naar het inkomen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Personen op wie de overeenkomst van toepassing is Vervallen Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is Vervallen Artikel 3. Algemene begripsbepalingen Vervallen Artikel 4. Woonplaats Vervallen Artikel 5. Vaste inrichting Vervallen Artikel 6. Inkomsten uit onroerende goederen Vervallen Artikel 7. Winst uit onderneming Vervallen Artikel 8. Zee- en luchtvaart Vervallen Artikel 9. Gelieerde ondernemingen Vervallen Artikel 10. Dividenden Vervallen Artikel 11. Interest Vervallen Artikel 12. Royalty's Vervallen Artikel 13. Vermogenswinsten Vervallen Artikel 14. Zelfstandige arbeid Vervallen Artikel 15. Niet-zelfstandige arbeid Vervallen Artikel 16. Bestuurders- en commissarissenbeloningen Vervallen Artikel 17. Artiesten en sportbeoefenaars Vervallen Artikel 18. Pensioenen Vervallen Artikel 19. Overheidsfuncties Vervallen Artikel 20. Docenten en wetenschappelijke onderzoekers Vervallen Artikel 21. Studenten en personen in opleiding Vervallen Artikel 22. Overige inkomsten Vervallen Artikel 23. Vermijding van dubbele belasting Vervallen Artikel 24. Non-discriminatie Vervallen Artikel 25. Regeling voor onderling overleg Vervallen Artikel 26. Uitwisseling van inlichtingen Vervallen Artikel 27. Diplomatieke en consulaire ambtenaren Vervallen Artikel 28. Inwerkingtreding Vervallen Artikel 29. Beëindiging Vervallen Bij de ondertekening van de Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastin"},{"i":1297,"b":"Regeling heffing vloeibaar gemaakt petroleumgas 1994 Gelet op [artikel XII, tweede lid, van de Wet van 24 december 1993 tot wijziging van een aantal belastingwetten en van de Wet Infrastructuurfonds in het kader van het belastingplan 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006376&artikel=XII) (Stb. 760); Besluit: Artikel I 1. In de aangifte voor de heffing van vloeibaar gemaakt petroleumgas bedoeld in [artikel XII, eerste lid, van de Wet van 24 december 1993 tot wijziging van een aantal belastingwetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006376&artikel=XII) en van de [Wet Infrastructuurfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006001) in het kader van het belastingplan 1994 worden de volgende gegevens vermeld: - a. de naam, het adres en de aard van het bedrijf van de aangever; - b. een nauwkeurige aanduiding van de plaats of plaatsen waar het vloeibaar gemaakt petroleumgas zich bevindt; - c. de hoeveelheid vloeibaar gemaakt petroleumgas per plaats; - d. de stand van het telwerk indien een voorraadtank is verbonden met een pompinstallatie met telwerk; - e. het bedrag aan belasting. 2. De aangifte wordt gedaan in tweevoud. Artikel II De belasting wordt overeenkomstig de aangifte voldaan uiterlijk 15 maart 1994. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 16 februari 1994."},{"i":1338,"b":"Regeling tot vaststelling van het maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1993 Gelet op [artikel 147, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=147) (Stb. 1962, 17); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 1993 tot en met 31 maart 1994 bedraagt ten hoogste 36.1. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 1993 en zal in de Staatscourant worden geplaatst. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling tot vaststelling van het maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 1993."},{"i":1339,"b":"Wijziging van de Nederlandse voorschriften tot uitvoering van de op 27 mei 1986 tussen Nederland en Canada gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting, zoals laatstelijk gewijzigd bij het Protocol van 25 augustus 1997 Gelet op artikel 28, derde en vierde lid, van de op 27 mei 1986 te ’s-Gravenhage tussen Nederland en Canada gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 1986, 65), zoals deze is gewijzigd bij het op 4 maart 1993 te ’s-Gravenhage gesloten Protocol tot wijziging van de genoemde Overeenkomst (Trb. 1993, 52) en het op 25 augustus 1997 te ’s-Gravenhage gesloten Protocol tot wijziging van de genoemde Overeenkomst (Trb. 1997, 258); Besluit: Artikel I In de [Nederlandse uitvoeringsvoorschriften belastingverdrag Nederland-Canada](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006840) (Regeling van 28 juli 1994, nr. [IFZ94/828](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006840), Stcrt. van 28 juli 1994, nr. 142, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij [artikel V van de regeling van 23 december 1996, nr. IFZ96/1630M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006840&artikel=5), Stcrt. van 30 december 1996, nr. 250) worden de volgende wijzigingen aangebracht. - A. Aan [artikel 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006840&artikel=1), wordt onder vervanging van de punt aan het slot toegevoegd: en het op 25 augustus 1997 te ’s-Gravenhage gesloten Protocol tot wijziging van voornoemde Overeenkomst. - B. In [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006840&artikel=4), wordt de zinsnede ’dat onmiddellijk of middellijk ten minste 25 percent van het kapitaal van het eerstbedoelde lichaam of ten minste 10 percent van het totale aantal stemmen in het eerstbedoelde lichaam bezit’ vervangen door: dat ten minste 25 percent van het kapitaal bezit van het eerstbedoelde lichaam of onmiddellijk of middellijk ten minst"},{"i":1340,"b":"Regeling tussen de bevoegde autoriteiten België en Nederland (wederzijdse aanwezigheid belastingambtenaren) De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Op 11 maart 2008 en 21 maart 2008 hebben de bevoegde autoriteiten van België en Nederland een regeling ondertekend ten behoeve van aanwezigheid van belastingambtenaren van de ene Staat op het grondgebied van de andere Staat. De regeling geeft onder meer aan in welke gevallen een verzoek tot aanwezigheid van ambtenaren van de ene Staat op het grondgebied van de andere Staat wordt gedaan, op welke wijze een verzoek dient te worden vormgegeven en geeft aanwijzingen voor het uitvoeren van een dergelijk onderzoek. Deze regeling vervangt de regeling van 3 juni 1998 tussen de bevoegde autoriteiten van België en Nederland inzake de aanwezigheid van belastingambtenaren van de ene Staat op het grondgebied van de andere Staat ten behoeve van belastingonderzoek en treedt in werking op 1 april 2008. Bijlage 1 APRIL 2008. – Regeling tussen de bevoegde autoriteiten van België en van Nederland inzake de aanwezigheid van belastingambtenaren van de ene Staat op het grondgebied van de andere Staat ten behoeve van belastingonderzoek. Regeling van 1 april 2008 De bevoegde autoriteiten van België en Nederland verklaren, na overleg, 1. Voor de uitvoering van deze Regeling zijn de bevoegde autoriteiten: Voor de directe belastingen: Belastingdienst/FIOD-ECD Team Internationaal Postbus 59395 1040 KJ Amsterdam Belastingdienst/CLO Nederland Kantoor Almelo Postbus 378 7600 AJ Almelo Douane Informatie Centrum (DIC) Postbus 70005 3000 KG Rotterdam Directie III/1 Centrale diensten Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit North Galaxy Koning Albert II-laan 33, bus 25 1030 BRUSSEL Directie III/3 Centrale diensten Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit North Galaxy Koning Albert II-laan 33, bus 25 1030 BRUSSEL Dienst Accijnsprocedures Centrale diensten Administratie der douane en accijnzen North G"},{"i":1341,"b":"Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 23 november 2023, nr. WJZ/ 33440152, houdende regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen in verband met de uitvoering van de aanpak piekbelasting (Regeling uitvoering aanpak piekbelasting) Gelet op [artikelen 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2a), en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanpak piekbelasting:** aanpak om veehouderijen met piekbelasting op nabijgelegen overbelaste Natura 2000-gebieden te ondersteunen bij het versneld reduceren van de huidige stikstofuitstoot, zoals beschreven in de brief van 12 juni 2023 (Kamerstukken II 2022/23, 30 252, nr. 96); - –. **capaciteit:** inzet van ambtelijk personeel of externe inhuur van personeel; - –. **minister:** Minister voor Natuur en Stikstof; - –. **Nationaal Programma Landelijk Gebied:** programma waarin gebiedsgerichte opgaven en maatregelen voor natuur, stikstof, water en klimaat zijn opgenomen, zoals beschreven in de startnotitie van 10 juni 2022 (bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 34 682, nr. 96); - –. **regionaal uitvoeringsteam:** team van ambtenaren van het Rijk, provincie of gemeenten dat uitvoering geeft aan de aanpak piekbelasting in een specifiek gebied of provincie en is gericht op ondersteuning en begeleiding van veehouders die een veehouderij met piekbelasting drijven; - –. **samenwerkingsovereenkomst:** overeenkomst tussen de minister en provincie waarin afspraken zijn vastgelegd over de gezamenlijke uitvoering van de aanpak piekbelasting in de betreffende provincie; - –. **veehouderij met piekbelasting:** veehouderij met een veehouderijlocatie die een stikstofvracht veroorzaakt, die ten minste 2.500 mol stikstof per jaar bedraagt; - –. **werkafspraken:** afspraken van het Rijk met de provincie over de uitvoering van de aanpak piekbelasting door he"},{"i":1342,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 juni 2009, nr. IVV/BBO/2009/14358, tot vaststelling van de bedragen in de kosten van heffingskortingen voor het jaar 2009 Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 15 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=15); Besluit: Artikel 1. Geraamde totale kosten voor heffingskortingen De geraamde totale kosten voor de heffingskortingen, bedoeld in [artikel 15 van Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=15), voor het jaar 2009 bedragen: € 35.546.000.000 Artikel 2. Rijksbijdrage in de kosten van de heffingskortingen per fonds Met toepassing van de formule, bedoeld in [artikel 15 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=15), bedraagt de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen per fonds voor het jaar 2009: - a. ten gunste van het Ouderdomsfonds: € 3.086.400.000; - b. ten gunste van het Nabestaandenfonds: € 45.500.000; - c. ten gunste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten: € 4.896.400.000. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treeft in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1343,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 mei 2019, nr. 2019-0000061915, tot vaststelling van de rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen voor het jaar 2019 Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 15 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=15); Besluit: Artikel 1. Geraamde kosten voor heffingskortingen De geraamde totale kosten voor de heffingskortingen, bedoeld in [artikel 15 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=15), voor het jaar 2019 bedragen: € 45.127.300.000. Artikel 2. Rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen per fonds Met de toepassing van de formule, bedoeld in [artikel 15 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=15), bedraagt de rijksbijdrage in de kosten van de heffingskortingen per fonds voor het jaar 2019: - a. ten gunste van het Ouderdomsfonds: € 2.209.900.000; - b. ten gunste van het Nabestaandenfonds: € 0; - c. ten gunste van het Fonds langdurige zorg: € 3.710.000.000. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019. 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2020. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1344,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 23 oktober 2023, nr. POR/202309/000002, houdende vaststelling van een aantal stichtings- en opheffingsnormen voor basisscholen in verband met wijzigingen van de gemeentelijke indeling en grenscorrecties met ingang van 1 januari 2023 Gelet op [artikelen 76, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=76) en [142, eerste en tweede lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=142); Besluit: Artikel 1. Vaststelling nieuwe stichtings- en opheffingsnormen Voor de basisscholen in de onderstaande gemeente worden de navolgende stichtings- en opheffingsnormen vastgesteld: | Gemeentenaam | Gemeentecode | Opheffingsnorm | Stichtingsnorm | | --- | --- | --- | --- | | Voorne aan Zee | 1992 | zie [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048816&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) | 200 | Artikel 2. Vaststelling afzonderlijke opheffingsnormen Voor de basisscholen in de delen van de gemeente zoals hieronder omschreven, worden de navolgende opheffingsnormen vastgesteld: | Gemeentenaam | Gebied 1 | Opheffingsnorm | Gebied 2 | Opheffingsnorm | | --- | --- | --- | --- | --- | | Voorne aan Zee | Hellevoetsluis, Brielle, Oostvoorne en Rockanje | 112 | Oudenhoorn, Vierpolders en Zwartewaal | 45 | Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1345,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/F&W/2005/102687 houdende regels met betrekking tot het vervallen van de tweede maximeringsbepaling in de Toeslagenwet Gelet op [artikel 44 van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=44), [artikel 63 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=63) en [artikel 63 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=63); Besluit: Artikel 1 1. Het op grond van [artikel 44 van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=63) bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip wordt vastgesteld op: - a. 31 december 2008 voor personen die op de dag voorafgaand aan inwerkingtreding van [artikel 1.10, onderdeel C, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019058&artikel=1.10) recht hadden op een uitkering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) of recht op loon, bedoeld in [artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=629); - b. 1 januari 2006 voor personen die op de dag voorafgaand aan inwerkingtreding van [artikel 1.10, onderdeel C, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019058&artikel=1.10) recht hadden op een uitkering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657)"},{"i":1348,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 april 2024, nr. IENW/BSK-2024/125958, houdende vaststelling van regels ter uitvoering van de Wet vrachtwagenheffing (Regeling vrachtwagenheffing) Gelet op de [artikelen 2, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=2), en [4, derde en vierde lid, van de Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=4); BESLUIT: Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2024/13728 gesteld op het tijdstip waarop artikel 2, eerste lid, van de Wet vrachtwagenheffing in werking treedt. Artikel 1. (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - **wet:** [Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082). Artikel 1a. (grondslag) Deze regeling berust mede op [artikel 5, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=5). Artikel 2. (begin en einde wegvakken) 1. Een wegvak waar de vrachtwagenheffing wordt geheven begint respectievelijk eindigt: - a. op een knooppunt of bij een aansluiting met een ander wegvak waar de vrachtwagenheffing wordt geheven indien dat knooppunt of die aansluiting twee of meer wegvakken waar de vrachtwagenheffing wordt geheven met elkaar verbindt; - b. na respectievelijk voor een rotonde of een gelijkvloerse kruising die twee of meer wegvakken, niet zijnde wegvakken waar de vrachtwagenheffing wordt geheven, met elkaar verbindt; - c. na respectievelijk voor een rotonde of gelijkvloerse kruising die is gelegen op een tussenliggend gedeelte van een wegvak waar de vrachtwagenheffing wordt geheven dat tevens twee of meer wegvakken, niet zijnde wegvakken waar de vrachtwagenheffing wordt geheven, met elkaar verbindt; - d. na respectievelijk voor een verzorgingsplaats, tankstation of parkeerplaats die direct verbonden is met een wegvak waar de vrachtwagenheffing wordt geheven, indien die verzorgingsplaats, dat tankstation of die parkeerplaats tevens de aanslui"},{"i":1346,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 1 december 2010, nr. 5677200/10/6, houdende de vordering tot stilhouden door de inspecteur van de Belastingdienst/ Caribisch Nederland (Regeling vordering tot stilhouden Belastingdienst/Caribisch Nederland) Gelet op de [artikelen 2.59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.59) en [2.61, telkens vierde lid, van de Douane- en Accijnswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029236&artikel=2.61); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Douane- en Accijnswet BES in werking treedt. Artikel 1 1. De vordering ten behoeve van de visitatie van een schip of een luchtvaartuig tot het doen vaart minderen, bijdraaien, stilhouden, naar een door hem aangewezen plaats overbrengen, aanleggen of landen en de motor buiten werking stellen, indien het schip of luchtvaartuig zich bevindt in zee, in een zeegat, in een haven, of op een meer, dan wel het luchtvaartuig zich bevindt op een luchthaven, wordt gedaan in duidelijke en op het schip of in het luchtvaartuig goed verstaanbare bewoordingen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van radiotelefonie of een dergelijk hulpmiddel. Bij de vordering wordt meegedeeld dat deze wordt gedaan door de douane. 2. De inspecteur die de vordering doet, dient, indien hij geen gebruik maakt van radiotelefonie of een dergelijk hulpmiddel en hij zich niet bevindt op een vaartuig of in een ander vervoermiddel van de Belastingdienst/Caribisch Nederland dat als zodanig kenbaar is, in uniform te zijn. 3. Een vaartuig van de Belastingdienst/Caribisch Nederland is als zodanig kenbaar indien het een vlag voert met daarop duidelijk zichtbaar ‘DOUANE’ in witte letters of indien een op andere wijze op dat vaartuig aangebracht opschrift ‘DOUANE’ duidelijk zichtbaar is. 4. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan in zee, in een haven, in een zeegat of op een meer vanaf een vaartuig van de Belastingdienst/Caribisch Nederland dat als zodanig kenbaar is, ook worden gedaan do"},{"i":1347,"b":"Regeling van de Minister van Justitie d.d. 31 juli 2008, nr. 5552080/08, houdende de vordering tot stilhouden door inspecteurs van de Belastingdienst/Douane Gelet op de [artikelen 1:24, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:24), en [1:27, tweede lid, van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:27); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Algemene douanewet in werking treedt. Artikel 1 1. De vordering ten behoeve van de visitatie van een schip: - a. tot het doen vaart minderen of bijdraaien, indien het schip zich bevindt in zee, in een zeegat of op een meer, - b. tot het doen stilhouden of aanleggen, indien het schip zich elders bevindt dan in zee, in een zeegat of op een meer, wordt gedaan in duidelijke en op het schip goed verstaanbare bewoordingen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van radiotelefonie of een dergelijk hulpmiddel. Bij de vordering wordt meegedeeld dat deze wordt gedaan door de douane. 2. De inspecteur die de vordering doet, dient, indien hij geen gebruik maakt van radiotelefonie of een dergelijk hulpmiddel en hij zich niet bevindt op een vaartuig van de Belastingdienst/Douane dat als zodanig kenbaar is, in uniform te zijn of vergezeld te zijn van een inspecteur in uniform of een politieambtenaar in uniform. 3. Een vaartuig van de Belastingdienst/Douane is als zodanig kenbaar indien het een vlag voert met daarop duidelijk zichtbaar ‘DOUANE’ in witte letters of indien een op andere wijze op dat vaartuig aangebracht opschrift ‘DOUANE’ duidelijk zichtbaar is. 4. De vordering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan in zee of in een zeegat vanaf een vaartuig van de Belastingdienst/Douane dat als zodanig kenbaar is, ook worden gedaan door middel van het door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) vastgestelde en in het Internationaal Seinboek (Stcrt. 1969, 52) vermelde sein met de betekenis ‘U moet stoppen of bijdraaien. Ik zal bij u aan boord komen’. Artikel"},{"i":1320,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 3 december 2012, DGPOL/Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. 327477, tot het structureel regelen van de nachtdienstontheffing (Regeling nachtdienstontheffing politie) Gelet op [artikel 12, zeventiende lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=12) en [artikel 21, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=21); Besluit: Artikel 1 1. De ambtenaar van 55 jaar of ouder, die de leeftijd van 55 jaar op 1 januari 2013 of daarna heeft bereikt, kan het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1), jaarlijks verzoeken hem geheel of gedeeltelijk ontheffing te verlenen van het verrichten van dienst of het opleggen van consignatie tussen 00.00 uur en 06.00 uur. 2. Het bevoegd gezag verleent de gevraagde ontheffing tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet. Artikel 2 1. De ambtenaar van 55 jaar of ouder, die de leeftijd van 55 jaar op 31 december 2012 of daarvoor heeft bereikt, kan het bevoegd gezag verzoeken hem geheel of gedeeltelijk ontheffing te verlenen van het verrichten van dienst of het opleggen van consignatie tussen 00.00 uur en 06.00 uur. 2. Het bevoegd gezag verleent de gevraagde ontheffing tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet. 3. Met ingang van de eerste betaalperiode na de dag waarop de in het eerste lid bedoelde ontheffing wordt verleend, ontvangt de ambtenaar een maandelijkse toelage. Bij gedeeltelijke ontheffing wordt de toelage berekend naar rato voor de toelage voor de gehele ontheffing. 4. De in het derde lid bedoelde toelage wordt berekend door het aantal uren dat de ambtenaar in de twaalf maanden direct voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde ontheffing dienst heeft verricht of consignatie is opgelegd tussen 00.00 uur en 06.00 uur te"},{"i":1314,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2009 In overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 2009 tot en met 31 maart 2010 bedraagt ten hoogste 111,9. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2009. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2009. De regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1313,"b":"Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2008 In overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 222, vierde lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=222); Besluit: Artikel 1 Het door de provincies te heffen aantal opcenten voor de periode 1 april 2008 tot en met 31 maart 2009 bedraagt ten hoogste 107,9. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2008. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximum aantal provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting 2008. De regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1354,"b":"Samenwerking gelijktijdige boekenonderzoeken tussen de Staatsbelastingdienst van Oekraïne en de Belastingdienst van Nederland De Directeur-Generaal Belastingdienst geeft namens de Staatssecretaris van Financiën kennis van het volgende. In het kader van het verdrag met Oekraïne en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen dat is ondertekend op 24 oktober 1995 te Kiev en in werking is getreden op 2 november 1996, is een werkovereenkomst gesloten waarvan de tekst hierna is weergegeven. Werkovereenkomst 4 oktober 2002 Het Verdrag tussen Oekraïne en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen is ondertekend op 24 oktober 1995 te Kiev en in werking getreden op 2 november 1996. Artikel 28 van het Verdrag bepaalt het volgende: ‘De Bevoegde Autoriteiten van de Verdragsluitende Staten wisselen de inlichtingen uit die nodig zijn voor het uitvoeren van de bepalingen van dit Verdrag of van de nationale wetgeving van de Verdragsluitende Staten met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, voor zover de heffing van die belastingen niet in strijd is met het Verdrag. De uitwisseling van inlichtingen wordt niet beperkt door Artikel 1 van dit Verdrag’. Overeenkomstig Artikel 28 van dit Verdrag zijn de Staatsbelastingdienst van Oekraïne, het Directoraat-generaal Belastingdienst van Nederland en het Directoraat-generaal Fiscale Zaken van Nederland het volgende overeengekomen: Gedaan te Kiev in tweevoud op 4 oktober 2002 in de Oekraïense, de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. In geval van afwijkingen of twijfel is de Engelse tekst doorslaggevend."},{"i":1355,"b":"Schenk- en erfbelasting, bedrijfsopvolgingsregeling De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit actualiseert het besluit van 4 april 2011, nr. BLKB2011/68M. Het besluit bevat het beleid over de bedrijfsopvolgingsregeling voor de schenk- en erfbelasting zoals die met ingang van 2010 is opgenomen in de Successiewet.** **Ook zijn redactionele wijzigingen doorgevoerd, waarmee geen beleidswijziging is beoogd.** 1. Inleiding Dit besluit actualiseert het [besluit van 4 april 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029831), nr. BLKB2011/68M. Het besluit bevat het beleid over de bedrijfsopvolgingsregeling voor de schenk- en erfbelasting zoals die met ingang van 2010 is opgenomen in de [Successiewet](onbekend). Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 16 november 2015, nr. BLKB2015/1346M (Stcrt. 2015, 41921), waarbij de onderdelen 7.2 tot en met 7.5 zijn geactualiseerd. Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 4 juni 2024, nr. 2024-0000012721 (Stcrt. 2024, 13949), waarbij de onderdelen 3.9, 3.11 en 6.3 tot en met 6.8 zijn gewijzigd. De goedkeuring in onderdeel 3.7 is verduidelijkt. Uit het voorbeeld zou kunnen worden afgeleid dat de goedkeuring alleen geldt voor de verkrijger die als enige bezitting een onderneming heeft en als zijn overleden echtgenoot geen bezittingen heeft. De goedkeuring is ruimer bedoeld. De tekst is daarop verduidelijkt en er is een nieuw voorbeeld opgenomen. Onderdeel 3.9 is aangepast. Voor de verkrijging van directe preferente aandelen maakt het voor de BOR niet uit of de verkrijger direct of indirect de nieuwe aandelen houdt die bij omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen zijn uitgegeven. Onderdeel 3.9.1 behandelt de omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen vóór 2010 waarbij niet tegelijkertijd nieuwe gewone aandelen zijn uitgegeven aan de bedrijfsopvolger. In het vorige besluit was opgenomen dat bij mij hiervoor een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule kon worden gedaan."},{"i":1418,"b":"Besluit van 14 september 1971, houdende uitvoering van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 augustus 1971, nr. B 71/15503, Directie Wetgeving directe belastingen; Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=5) en [29 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29) (**Stb.** 469); De Raad van State gehoord (advies van 25 augustus 1971, nr. 11); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 7 september 1971, nr. B 71/16415, Directie Wetgeving directe belastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=5), [14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14c) en [29 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29). 2. Dit besluit verstaat onder wet: de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672). Artikel 2 De in [artikel 5, eerste lid, onderdelen a, e, f, en g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&hoofdstuk=7) omschreven lichamen zijn van de belasting vrijgesteld. Artikel 3 Een in [artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=5) omschreven lichaam is van de belasting vrijgesteld mits de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met het in voormelde onderdeel b aangegeven doel en bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge het onderhavige artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang. Artikel 4 Een in [artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":1422,"b":"Uitvoeringsregeling belasting zware motorrijtuigen Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet belasting zware motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=11), [artikel 14a, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=14a), en [artikel 18 van de Wet belasting zware motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=18). Artikel 2 In deze regeling wordt onder wet verstaan: [Wet belasting zware motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678). Artikel 3 1. Als aangiftepunten, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=11), worden aangewezen: - a. het internationale digitale aangiftepunt op internetadres https://www.eurovignettes.eu; - b. de aangiftepunten opgenomen op een door mij bijgehouden lijst van aangiftepunten, te raadplegen op internetadres http://www.belastingdienst.nl. 2. Voor bedrijven die daarvoor een overeenkomst hebben afgesloten met de Belastingdienst wordt naast de aangiftepunten in het eerste lid als aangiftepunt, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=11) aangewezen het digitale aangiftepunt van de Belastingdienst op internetadres https://secure.eurovignet.nl/nluserportal/login. Artikel 3a 1. Als station van inlading of station van uitlading als bedoeld in [artikel 14a, tweede lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=14a) worden aangewezen de stations opgenomen op de door mij bijgehouden lijst van stations van in- en uitlading, te raadplegen op internetadres http://www.belastingdienst.nl. 2. Het verzoek om teruggaaf van belasting, bedoeld in [artikel 14a, negende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007678&artikel=14a), bevat de volge"},{"i":1533,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek San Marino inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek San Marino, Geleid door de wens de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken te vergemakkelijken, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Doelstelling en reikwijdte van het Verdrag De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de verdragsluitende partijen die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004065&artikel=8&z=2011-01-01&g=2011-01-01). De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte partij aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen. Artikel 2. Rechtsmacht Een aangezochte partij is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van haar autoriteiten, noch in het bezit of in de macht van personen die onder haar territoriale rechtsmacht vallen. Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is 1. De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen belastingen van elke soort en benaming, met inbegrip van douanerechten. 2. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen doe"},{"i":1581,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Britse Maagdeneilanden inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van de Britse Maagdeneilanden, Overwegend dat de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Regering van de Britse Maagdeneilanden (hierna te noemen „de verdragsluitende partijen”) erkennen dat de huidige wetgeving reeds voorziet in samenwerking en de uitwisseling van informatie in belastingzaken; Overwegend dat de verdragsluitende partijen reeds lange tijd actief betrokken zijn bij internationale inspanningen ter bestrijding van financiële delicten en andere strafbare feiten, die mede gericht zijn op de bestrijding van de financiering van terrorisme; Overwegend dat bevestigd wordt dat de verdragsluitende partijen bevoegd zijn tot het onderhandelen over en sluiten van een verdrag tot uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; Overwegend dat de Britse Maagdeneilanden op 2 april 2002 een formele schriftelijke verbintenis met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn aangegaan ter zake van de beginselen van transparantie en de uitwisseling van informatie en sedertdien actief deelnemen aan het **Global Forum on Taxation** van de OESO; Overwegend dat de verdragsluitende partijen de implementatie van de voorwaarden voor de uitwisseling van informatie betreffende belastingen wensen te verbeteren en te vergemakkelijken; Zijn de verdragsluitende partijen thans overeengekomen het volgende verdrag te sluiten waarin uitsluitend de verplichtingen van de verdragsluitende partijen zijn vervat: Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag 1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de"},{"i":3049,"b":"Besluit van 7 december 2021 tot wijziging van het Besluit markttoezicht registerloodsen en het Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren in verband met de actualisatie van het markttoezicht op het aanbod van dienstverlening door registerloodsen (Besluit actualisatie markttoezicht registerloodsen) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 9 juli 2021, nr. IENW/BSK-2021/186499, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 2, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=2), [27ca, tweede lid](onbekend), [27d, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27d), en [27l van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27l); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 september 2021, nr. W17.21.0219/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 6 december 2021, nr. IENW/BSK-2021/242865, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit markttoezicht registerloodsen. Artikel II Wijzigt het Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit actualisatie markttoezicht registerloodsen. Artikel IV De [wet van 1 december 2021, houdende wijziging van de Loodsenwet en enige andere wetten in verband met de actualisatie van het markttoezicht op het aanbod van dienstverlening door registerloodsen](onbekend) (Wet actualisatie markttoezicht registerloodsen) en dit besluit treden in werking met ingang van 1 januari 2022. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4692,"b":"Instellingsbeschikking externe adviescommissie profilering klinische research Overwegende, dat het wenselijk is een advies te ontvangen ten aanzien van de werkplaatsfunctie van de academische ziekenhuizen in relatie tot de ontwikkelingen van onderzoekscholen, de spreiding van topklinische voorzieningen en dit tevens in een internationale context; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 Er is een externe adviescommissie profilering klinische research. Artikel 3 1. De taak van de commissie bestaat uit het uitbrengen van een advies over de werkplaatsfunctie van de academische ziekenhuizen vanuit de volgende invalshoeken: - a. de ontwikkeling tot verdergaande concentratie van het medisch (klinisch) onderzoek in relatie tot het beleid ten aanzien van onderzoekscholen; - b. spreiding als zodanig van topklinische voorzieningen, waaronder begrepen voorzieningen als bedoeld in [artikel 18 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=18) (Stb. 1971, 268) en andere topreferentietaken vanuit het oogpunt van gezondheidszorg. Hierbij gaat het om zowel de mogelijkheden van concentratie binnen de academische ziekenhuizen, alswel de mogelijkheid tot spreiding van genoemde voorzieningen over academische ziekenhuizen en andere (top)ziekenhuizen van genoemde voorzieningen; - c. de internationale context met de nadruk op de grenslanden. 2. De commissie adviseert tevens over de vraag of in het licht van het bepaalde in het eerste lid onder a en b verdere concentratie uitsluitend op het niveau van de academische ziekenhuizen, dan wel binnen deze sector vanuit zorgoogpunt de voorkeur verdient. Artikel 4 De commissie brengt vóór 31 mei 1992 haar advies uit. Artikel 5 1. De commissie bestaat uit vier leden. 2. Tot leden van de commissie worden benoemd: - prof. dr. D de Wied, tevens voorzitter; - mevr. dr. E. Borst-Eilders; en - prof. dr. J.E. Blanpain; - prof. dr. K.H. Rahn. 3. Tot adviserend lid van de commissie wordt"},{"i":2631,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/240947, houdende vaststelling beleidsregels in verband met sturing van en toezicht op de Stichting VAM Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - **IBKI:** het exameninstituut van de Stichting VAM; - **Kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - **Minister:** de minister van Infrastructuur en Milieu; - **Ministerie:** het ministerie van Infrastructuur en Milieu; - **Stichting VAM:** Stichting VAM, voor zover het de publieke taken betreft die worden uitgevoerd in opdracht van de minister door IBKI. § 2. Financieel toezicht Artikel 2. Tarieven voor taken of taakclusters op grond van [artikel 2, eerste lid, onderdeel m, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=2) en [artikel 85a, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=85a) De kostprijzen die ten grondslag liggen aan de tarieven conform [artikel 2, eerste lid, onderdeel m, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=2) en [artikel 85a, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=85a), alsmede aan de tarieven voor andere opgedragen taken voor zover deze taken mede een andere basis hebben in of krachtens die wetten, worden op basis van bedrijfseconomisch aanvaardbare verdeelsleutels bepaald: - a. de kostprijzen die ten grondslag liggen aan de tarieven of tariefclusters worden op basis van een kostprijsmodel berekend; - b. de tarieven of"},{"i":4707,"b":"Instelling van een bestuurlijk ambassadeur uitwerking Strategisch Vastgoedplan bij het Ministerie van Defensie (Instellingsbesluit bestuurlijk ambassadeur Strategisch Vastgoedplan) Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Instelling De heer B. van ’t Wout wordt aangesteld als bestuurlijk ambassadeur Strategisch Vastgoedplan. Artikel 2. Taak 1. De bestuurlijk ambassadeur heeft tot taak: - a. Om samen met de coördinator van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Directoraat-Generaal Volkshuisvesting en Bouwen; programma Directoraat-Generaal Ruimtelijke Ordening), het proces van de vastgoedtransitie van Defensie te begeleiden en te ondersteunen waarin Defensie, het Rijksvastgoedbedrijf en vertegenwoordigers van de regio gezamenlijk toewerken naar een bestuurlijk akkoord. - b. Overleg te voeren met bestuurders, ambtenaren en vertegenwoordigers van gemeenten, provincies, departementen en stakeholders over de vernieuwing van de vastgoedportefeuille van Defensie om draagvlak op rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau te creëren voor deze vastgoedtransitie waarbij aandacht wordt besteed enerzijds aan maatschappelijke en regionale belangen en anderzijds aan het leveren van een belangrijke bijdrage aan Rijksbrede opgaven op het gebied van woningbouw, verduurzaming, energietransitie, natuur en landbouw, CO2-reductie en stikstofruimte. - c. De Programmaraad en de Stuurgroep Concentreren, Vernieuwen en Verduurzamen van Defensie te adviseren. 2. De in het eerste lid genoemde taken hebben betrekking op de projecten: - a. Concentratie van de Luchtmobiele Brigade in (de regio) Schaarsbergen; - b. Onderzoek naar een nieuwe kazernelocatie in het midden van het land. 3. De in het eerste lid genoemde taken kunnen worden uitgebreid met andere projecten die onderdeel uitmaken van het Strategisch Vastgoedplan. 4. De bestuurlijk amb"},{"i":6365,"b":"Wijziging van onderdeel 4011-02.3.3 van de solvabiliteitsrichtlijnen Wtk in verband met kwaliteitswaarborgen taxatieproces en de inwerkingtreding van de Beleidsregel indexatiemethode onderpand Artikel 1 Onderdeel 4011-02.3.3 van de solvabiliteitsrichtlijnen Wtk worden als volgt gewijzigd: - A. Bij onderdeel I vervalt de volgende tekst: 'De taxatie van het onderpand ... mede in de grondslag worden betrokken.' Op deze plaats wordt de volgende tekst ingevoegd: 'De taxatie van het onderpand wordt verricht op basis van executiewaarde, met dien verstande dat, in geval van verhuur of gebruik door derden, bij die taxatie de niet contractueel uitgesloten rechten van voortzetting van huur of gebruik door derden bij verkoop mede in de grondslag worden betrokken. Instellingen dragen zorg voor een adequate invulling van het taxatieproces, zodat de waarde van het onderpand zorgvuldig en objectief wordt vastgesteld. Taxaties worden uitgevoerd door een externe dan wel interne deskundige. Ter waarborging van de objectiviteit van een taxatie heeft de deskundige die de taxatie uitvoert op geen enkele wijze een direct belang bij het tot stand komen van een eventuele (ver)koop- of financieringstransactie. Taxaties worden vastgelegd in taxatierapporten die voldoende informatie bevatten om de zorgvuldigheid en objectiviteit van de taxatie te kunnen toetsen.' - B. Aan onderdeel I wordt de volgende tekst toegevoegd: 'In plaats van een taxatie per object mag, in het kader van de weging van het kredietrisico, bij een bestaande portefeuille woninghypotheken ter bepaling van de executiewaarde van de woningen in de portefeuille gebruik worden gemaakt van een methode gebaseerd op het volgen van een index. Uitgangspunt bij het toepassen van een indexatiemethode is dat de methode moet leiden tot een betrouwbare en prudente inschatting van de executiewaarde in de hypotheekportefeuille en het daaruit resulterende kredietrisico. Daarnaast moet de methode op een eenduidige, bestendige en controleerbare"},{"i":6611,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 22 december 2015, nr. IENM/BSK-2015/229494, houdende wijziging van de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk in verband met het niet langer als consumentenvuurwerk aanduiden van minivuurpijlen en Romeinse kaarsen en aanpassing van de categorieaanduiding Gelet op [artikel 9.2.2.1, derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1) en [artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=2.1.1); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk. Artikel II 1. Tot 2 januari 2016 worden, voor zover het regels over tot ontbranding brengen betreft, Romeinse kaarsen die voldoen aan de eisen van de [Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027932), zoals deze luidde op 1 december 2015, beschouwd als consumentenvuurwerk. 2. Tot 1 juni 2016 worden, voor zover het regels over voorhanden hebben betreft, Romeinse kaarsen die voldoen aan de eisen van de [Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027932), zoals deze luidde op 1 december 2015, beschouwd als consumentenvuurwerk. 3. Tot 1 juni 2016 worden, voor zover het regels over het opslaan binnen een inrichting betreft, Romeinse kaarsen en minivuurpijlen, die voldoen aan de eisen van de [Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027932), zoals deze luidde op 1 december 2015, beschouwd als consumentenvuurwerk. Artikel III 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van [Artikel I, onderdeel A, onder 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037423&artikel=I&z=2016-01-02&g=2016-01-02). 2. [Artikel I, onderdeel A, onder 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037423&art"},{"i":6368,"b":"Wijziging Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland Besluit: Artikel I Wijzigt de Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland Artikel II 1. De aanvraag voor een subsidie, gedaan overeenkomstig het bepaalde in de Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland, zoals deze is gepubliceerd in de Staatscourant van 23 juli 1997, nr. 138, wordt geacht de aanvraag te zijn als bedoeld in de Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland, zoals deze luidt nadat deze regeling tot wijziging daarvan in werking is getreden. Het gegeven bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel e, alsmede de verklaring bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel c, van de Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland, worden in dit geval op verzoek van de uitvoeringsinstantie overgelegd. 2. Ingeval het eerste lid toepassing vindt, wordt de beschikking bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland, zoals deze luidt nadat deze regeling tot wijziging daarvan in werking is getreden, gegeven binnen zes weken nadat de in het eerste lid, tweede volzin, bedoelde gegevens aan de uitvoeringsinstantie zijn verstrekt. 3. Ter zake van de aanvraag bedoeld in het eerste lid blijft artikel 8 van de Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland, zoals deze in gepubliceerd in de Staatscourant van 23 juli 1997, nr. 138, van toepassing totdat ter zake van die aanvraag de beschikking als bedoeld in het tweede lid is afgegeven. 4. De eerste betaling van de subsidie overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland, zoals deze luidt nadat deze regeling tot wijziging daarvan in werking is getreden, heeft betrekking op de hele maanden gelegen tussen 1 juli 1997 en de maand waarin deze betaling plaatsvindt. Op deze eerste betaling worden in mindering gebracht de bedragen die als voorschot overeenk"},{"i":6384,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 14 oktober 2021, MINBUZA-2021.813544, tot wijziging van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Tweede openstelling en wijziging Subsidieprogramma SDG Results: Access to renewable energy) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1); Besluit: Artikel 1 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van de tweede openstelling van het Subsidieprogramma SDG Results: Access to renewable energy1Stcrt. 2019, nr. 18610; gewijzigd bij Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 24 maart 2020, nr. Min-BuZa.2020.5080-12, tot wijziging van het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 29 maart 2019, Min-BuZa.2019.3184-25, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Wijziging subsidieplafonds Subsidieprogramma SDG Results: Access to renewable energy), Stcrt. 2020, nr. 19115. worden ingediend vanaf 3 januari 2022 tot en met 14 februari 2022, 12.00 uur Nederlandse tijd. 2. Voor subsidieverlening in het kader van de tweede openstelling van het Subsidieprogramma SDG Results: Access to renewable energy geldt voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2026 een subsidieplafond per thema van: - a. € 4.000.000 voor toegang tot schoon koken met hernieuwbare energie; - b. € 4.000.000 voor toegang tot decentrale hernieuwbare elektriciteit. Daarbij geldt dat indien middelen resteren van de middelen die beschikb"},{"i":6382,"b":"Besluit van 7 september 2012 tot wijziging van het Archiefbesluit 1995 en het Archiefbesluit BES onder meer in verband met de invoering van de nieuwe selectieaanpak Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 juli 2012, nr. WJZ/422214 (08324), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=9) en de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028369&artikel=3) en [8, tweede lid, van de Archiefwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028369&artikel=8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 augustus 2012, nr. W05.12.0286/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 augustus 2012, nr. WJZ/435970 (08324), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Archiefbesluit 1995. Artikel II Wijzigt het Archiefbesluit BES. Artikel III De [artikelen I, onderdeel D, onder 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032052&artikel=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [II, onderdeel C, onder 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032052&artikel=II&z=2013-01-01&g=2013-01-01), zijn niet van toepassing op selectielijsten: - a. waarvan het ontwerpen op het moment van de inwerkingtreding van genoemde bepalingen zo ver is gevorderd dat aanpassing aan die bepalingen voor de zorgdrager onredelijk bezwarend zou zijn, dan wel - b. die voor de inwerkingtreding van genoemde bepalingen zijn vastgesteld. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6380,"b":"Besluit van 20 oktober 2006, houdende wijziging van enige krachtens de artikelen 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer gegeven algemene maatregelen van bestuur in verband met een tekort aan geluidsruimte op industrieterreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder (efficiënter gebruik geluidsruimte op gezoneerde industrieterreinen) Op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 juli 2006, nr. DJZ2006282844, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [8.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.41) en [8.42 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42); De Raad van State gehoord (advies van 7 september 2006, nr. W08.06.0285/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 oktober 2006, nr. DJZ2006309409, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer. Artikel II Wijzigt het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer. Artikel III Wijzigt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Artikel IV Wijzigt het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer. Artikel V Wijzigt het Besluit jachthavens. Artikel VI Wijzigt het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer. Artikel VII Wijzigt het Besluit tankstations milieubeheer. Artikel VIII Wijzigt het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer. Artikel IX Wijzigt het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer. Artikel X Wijzigt het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer. Artikel XI De bij dit besluit ingevoerde voorschriften zijn voor inrichtingen, die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn opgericht op industrieterreinen als bedoeld in [artikel 1 van de Wet"},{"i":6385,"b":"Besluit van 5 december 2024 tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met het instellen van een ZZS-emissiedatabase en een ZZS-emissieregister en enkele andere kleine wijzigingen (Besluit ZZS-register) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 9 november 2023, nr. IENW/BSK-2023/305849, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [16.1, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.1), [16.139](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.139), [20.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.6), en [20.10 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=20.10) en [artikel 3.2a, eerste lid, onder a, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247&artikel=3.2a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 februari 2024, nr. W17.23.00338/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 2 december 2024, nr. IenW/BSK-2024/311884, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. (Wijziging [Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330)) Wijzigt het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel II. (Wijziging [Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313)) Wijzigt het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel III. (Wijziging [Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278)) Wijzigt het Omgevingsbesluit. Artikel IV Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de State"},{"i":6381,"b":"Besluit van 24 juni 1994, houdende 1e. wijziging van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975, het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958 en het Bezoldigingsreglement politie 1958 in verband met onder meer de flexibilisering van het ouderschapsverlof en de invoering van een ambtsjubileumgratificatie bij 12½-jarig dienstverband, alsmede de verlenging van de duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof; 2e. wijziging van de Premiespaarregeling Rijksambtenaren 1968; 3e. toekenning van een eenmalige uitkering in 1992 aan politieambtenaren Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 25 januari 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA94/U65, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=6), eerste lid, [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=22), eerste lid, en [26, eerste lid, van de Politiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=26) (**Stb.** 1989, 223), [artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50) en [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125); De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 1994, nr. W03.94.0072); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 13 juni 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleidbeleid, nr. EA94/1179, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV A. Bevat wijzigin"},{"i":6372,"b":"Wijziging Wet voorkeursrecht gemeenten Circulaire aan de colleges van burgemeester en wethouders en de colleges van gedeputeerde staten Geacht college! – Bij [Wet van 4 juli 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008164), Stb. 389, is de [Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391) gewijzigd. Deze wijzigingswet is op 17 juli 1996 in werking getreden. Op dezelfde datum is in werking getreden een wijziging van het Besluit voorkeursrecht gemeenten, Stb. 1996, 390. Voor deze wijzigingen in de Wet en het [Besluit voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003720) die voor U van belang kunnen zijn, wil ik gaarne Uw aandacht vragen. 1. Aanleiding Tijdens het mondeling overleg in de Tweede Kamer inzake het grondbeleid en de uitvoering van de Vierde nota Extra (14 december 1993) is aangedrongen op verbetering van het instrumentarium van gemeenten inzake de verwerving van onroerend goed ten behoeve van de uitvoering van verstedelijkingstaakstellingen. Ook de Vereniging van Nederlandse gemeenten heeft daar nadrukkelijk om verzocht en stelde voor de werkingssfeer van de [Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391) niet langer te beperken tot stadsvernieuwingsgebieden, maar te verruimen tot het gehele grondgebied van de gemeenten teneinde de taakstellingen uit de Vierde nota over de Ruimtelijke Ordening Extra (VINEX) te kunnen waarmaken. Naar aanleiding hiervan is destijds een voorontwerp tot wijziging van de [Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391) in discussie gebracht. Uit de reacties op het voorontwerp bleek onder meer dat er behoefte bestond aan aanzienlijk ruimere toepassingsmogelijkheden van de wet dan alleen in de reeds bekende VINEX-lokaties. Mede op grond van deze reacties en adviezen is bij de indiening van het voorstel tot wijziging van de [Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391) ten aanzie"},{"i":6378,"b":"Besluit van 15 juni 2001, houdende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie inzake ouderschapsverlof en meerlingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 11 april 2001, nr. P/2001002458; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) alsmede [artikel 12 van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 17 mei 2001, nr. W07.01.01831 II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 11 juni 2001, nr. P/2001002920; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie. Artikel III [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012583&artikel=I&z=2001-07-11&g=2001-07-11) en II zijn mede van toepassing op de militair en de ambtenaar die vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit verlof heeft genoten alsmede op de militair en de ambtenaar die op dat tijdstip verlof geniet, mits aan de in [artikel 87a, eerste tot en met derde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=87a) respectievelijk [artikel 47, eerste tot en met vierde lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=47) gestelde voorwaarden voor de aanspraak op verlof is voldaan. Artikel IV Indien de militair of de burgerambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan of met het oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, en een of meer van deze kinderen de leeftijd van 8 jaren hebben bereikt dan wel zullen bereiken op een tijdstip gelegen tussen 1 januari 2000 en de datum waa"},{"i":264,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 21 januari 2005, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/A&L/05/2610, houdende goedkeuring van het Besluit verhaal ziekengeld van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Gelet op [artikel 39a, eerste lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=39a); Besluit: Goed te keuren het op grond van [artikel 39a, eerste lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=39a) door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op 4 januari 2005 getroffen Besluit verhaal ziekengeld. Dit besluit wordt, tezamen met het goedgekeurde besluit en de toelichting daarop, bekendgemaakt in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van 1 maart 2005."},{"i":368,"b":"Regeling huisvestingstoelage en overtocht kinderen ambtenaren BES Artikel 1 In deze regeling wordt onder ambtenaar verstaan: de ambtenaar in dienst van de staat die een betrekking bekleedt, waaraan verbonden is een jaarlijkse bezoldiging, welke genoemd wordt in het Bezoldigingsbesluit 1998 BES. Artikel 2 Aan de ambtenaar kan, op zijn daartoe strekkend schriftelijk verzoek, ten behoeve van zijn minderjarige wettige-, gewettigde- en stiefkinderen, die een inrichting van dagonderwijs, welke niet aanwezig is op het openbaar lichaam waar hij standplaats heeft, elders in het Caribische deel van het Koninkrijk bezoeken of gaan bezoeken, een huisvestingstoelage worden toegekend. Artikel 3 1. De in artikel 2 bedoelde huisvestingstoelage bedraagt voor ieder kind USD 140,– (honderdveertig US Dollar) per maand. 2. Deze toelage wordt telkenjare per 1 september en voor de duur van het schooljaar toegekend. 3. In geval een kind, als in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028790&artikel=2&z=2011-10-09&g=2011-10-09) bedoeld, tijdens het schooljaar een inrichting van dagonderwijs, als bedoeld in evengemeld artikel, gaat bezoeken, wordt deze toelage, indien de plaatsing op bedoelde inrichting van dagonderwijs geschiedt vóór de 15de van een maand ingaande de eerste van die maand en overigens ingaande de eerste van de daaropvolgende maand en voor het resterende gedeelte van het schooljaar toegekend. Artikel 4 1. Aan de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028790&artikel=2&z=2011-10-09&g=2011-10-09) bedoelde kinderen kan op schriftelijk verzoek van de ambtenaar bij de aanvang en bij het einde van het schooljaar overtocht worden verleend onderscheidenlijk van de standplaats van de ambtenaar naar het eiland, waar de inrichting van dagonderwijs, als bedoeld in artikel 2, gevestigd is en omgekeerd. 2. In geval aan de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028790&artikel=2&z=2011-10-09&g=2011-10-09) bedoelde kinderen van ambtenaren, met sta"},{"i":446,"b":"Registratieregels UWV 2016 Gelet op [artikelen 30a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30a) en [30b Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30b); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen - **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - **Wet SUWI:** [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) - **CV:** Curriculum Vitae Artikel 2. Registratie van werkzoekenden 1. Registratie als werkzoekende op grond van [artikel 30b Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30b) gebeurt: - a. Door middel van het activeren van het CV via de website van UWV. - b. Door middel van het aanvragen van een uitkering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045), [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) of de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163). - c. Indien de werkzoekende geen uitkering zoals genoemd in onderdeel b ontvangt en zijn CV op werk.nl niet activeert, door middel van het melden op de dichtstbijzijnde vestiging van UWV. 2. De werkzoekende ontvangt een bewijs van registratie als bedoeld in [artikel 30b, tweede lid, Wet SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=30b): - a. Via de website van UWV. - b. Voor de werkzoekende zoals bedoelt in [artikel 2, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040996&artikel=2&z=2018-06-09&g=2018-06-09) van deze Registratieregels, door het vorenbedoelde bewijs in persoon op te halen op een vestiging van UWV. 3. De ingang"},{"i":365,"b":"Regeling houdende aanwijzing van de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, als ambtenaar in de zin van de artikelen 556, eerste lid, en 587, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering Gelet op de [artikelen 556, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=556), en [587, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=587); Besluit: Artikel 1 De ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, welke opsporingsbevoegdheid bezitten, kunnen worden belast met: - a. de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen of strafbeschikkingen, als bedoeld in [artikel 6:1:1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:1:1); - b. de uitreiking van een gerechtelijke mededeling als bedoeld in [artikel 36b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36b). Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling executiebevoegdheden douane-ambtenaren bij strafvonnissen. Artikel 3 Deze regeling berust op de [artikelen 36d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36d), en [6:1:5, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:1:5). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":285,"b":"Machtigingsbesluit van de Pensioencommissie van 29 juli 1996 houdende machtiging aan de Subcommissie Verplichtstelling Bedrijfspensioenfondsen en de Subcommissie Verplichtstelling Beroepspensioenregelingen namens haar van advies te dienen Gelet op [artikel 3 lid 1 van het Algemeen machtigingsbesluit adviezen van de Sociaal-Economische Raad](onbekend); Besluit: Artikel 1 De Subcommissie Verplichtstelling Bedrijfspensioenfondsen is gemachtigd namens de Pensioencommissie van advies te dienen inzake de verplichtstelling van bedrijfspensioenfondsen ingevolge de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds. Artikel 5 Dit besluit kan worden aangehaald als Machtigingsbesluit Pensioencommissie."},{"i":272,"b":"Besluit van 6 november 2013, houdende intrekking van diverse besluiten in verband met volledige decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden in het PO Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 6 september 2013, nr. WJZ/542789 (02648), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 33, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=33) en [33, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=33); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 oktober 2013, nr. W05.13.0318/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 november 2013, nr. WJZ/560176(2648), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. Intrekking diverse besluiten De volgende besluiten worden ingetrokken: - a. Het [Kaderbesluit rechtspositie PO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020315). - b. Het [Overlegbesluit Onderwijspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006446) - c. Het [Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012177). - d. Het [Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006445). - e. Het [Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007800). Artikel II. Overgangsbepaling 1. De regelingen voor uitkeringen wegens werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid die bij of krachtens dit besluit komen te vervallen, blijven voor de duur van de uitkering van toepassing op uitkeringen die zijn ingegaan of hadden moeten ingaan voordat de door het bevoegd gezag van de school op het desbetreffende gebied gestelde regels in werking zijn treden. 2. Het [Kaderbesluit rechtspositie PO](https://wetten.overhei"},{"i":408,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 december 2010, nr. Z/F-3032432, houdende vaststelling van het premiepercentage van de door de werknemer en werkgever verschuldigde premie ten behoeve van de geneeskundige verzorging voor de bevolking van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011 Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op de [artikelen 11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404&artikel=11) en [12, vijfde lid, van het Besluit houdende regels voor een zorgverzekering voor de bevolking van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404&artikel=12); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit zorgverzekering BES in werking treedt. Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, vierde lid, van het Besluit zorgverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404&artikel=11), wordt voor het jaar 2026 vastgesteld op 0,5. Artikel 2 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 12, derde lid, van het Besluit zorgverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404&artikel=12), wordt voor het jaar 2026 vastgesteld op 9,3. Artikel 3 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop het [Besluit zorgverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404) in werking treedt. 2. Indien het [Besluit zorgverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029404) na 1 januari 2011 in werking treedt, werkt deze regeling terug tot en met 1 januari 2011. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentages werknemer en werkgever BES. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":440,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 september 2010, nr. BV/DCA/2010/15373, tot vervanging van archiefbescheiden rond het toezicht op de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de Arbeidstijdenwet Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Artikel 1 1. Over te gaan tot routinematige, digitale vervanging van archiefbescheiden, die voor vernietiging in aanmerking komen van de Directie Arbeidsomstandigheden AI die: - a. zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, en zaken betreffen die nog niet zijn afgedaan; of - b. zullen worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit. 2. De te vervangen archiefbescheiden hebben betrekking op de actieve ARBO- en ATW-zaken bij de Arbeidsinspectie die op grond van de selectielijsten beleidsterreinen arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen voor vernietiging in aanmerking komen. Onder actieve ARBO- en ATW-zaken worden verstaan die zaken waarop de Arbeidsinspectie op eigen initiatief toezicht houdt op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Arbeidsomstandighedenwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346) en de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671). 3. Voor alle in dat verband te digitaliseren archiefbescheiden zal toepassing worden gegeven aan [artikel 6, eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) door gebruikmaking van het handboek vervanging archiefbescheiden van actieve ARBO- en ATW-zaken bij de Arbeidsinspectie en [artikel 2, eerste lid, onderdelen c en d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) door gebruikmaking van de selectielijsten beleidsterreinen Arbeidsomstandigheden vanaf 1940 en [Arbeidsverhoudingen vanaf 1945](onbekend). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de"},{"i":422,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 februari 2016, kenmerk 916070-147083, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2015 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2015: **100** 2601 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":394,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 november 2023, nr. 2023-0000541597, tot tijdelijke vrijstelling van bepaalde duikers, duikploegleiders en duikmedisch begeleiders van certificatieverplichtingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit Gelet op [artikel 30, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=30); Gezien: het verzoek van de Nederlandse Associatie van Duikondernemingen om te voorzien in een tijdelijke vrijstelling van de Nederlandse certificatie-eisen op grond van het [Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498) voor duikers, duikploegleiders en duikmedisch begeleiders van buiten de Europese Unie, zodat personen uit deze beroepsgroepen tijdelijke en incidentele werkzaamheden op het terrein van duikarbeid kunnen uitvoeren zonder te voldoen aan de Nederlandse certificatie-eisen; [artikel 20 van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=20) en [artikel 6.16, derde, zesde en zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=6.16); Overwegende dat: er binnen Nederland, de overige lidstaten van de EER en Zwitserland voor bepaalde duikarbeid niet altijd voldoende duikers, duikploegleiders en duikmedisch begeleiders met de juiste kwalificaties beschikbaar zijn om te kunnen voldoen aan de vraag die er in Nederland is naar deze beroepsgroepen, waardoor zij van buiten deze gebieden moeten worden geworven; voor de werkzaamheden, bedoeld in de [artikelen 6.15, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=6.15), en [6.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=6.16) beschikt moet worden over een geldig certificaat van vakbekwaamheid; gelet op de [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=22), [23](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":391,"b":"Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid Gelezen de adviezen van de Sociale Verzekeringsraad van 4 juni 1992, nr. 922639, van 18 maart 1993, nr. 931476 en van 21 oktober 1993, nr. 935086; Gelet op artikel 33, vijfde en zesde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en [artikel 44, vijfde en zesde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=44); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **WAO:** [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - b. **Waz:** [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656); - c. **ZW:** [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); - d. **WW:** [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); - e. **verlof:** een tussen de werkgever en de werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen periode, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht, met uitzondering van verlof als bedoeld in de [artikelen 4:2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=4:2a) en [6:3 van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=6:3); - f. **pensioen of prepensioen:** een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=7a); - g. **loondervingsuitkeringen:** - 1°. uitkeringen op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); - 2°. uitkeringen op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888); - 3°. hetgeen wordt genoten op grond van [artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlij"},{"i":322,"b":"Wet van 7 december 2006 houdende regels betreffende pensioenen (Pensioenwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een herziening en modernisering van de regelgeving voor pensioenen, teneinde deze ook voor de toekomst veilig te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsgebied § 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. aanspraakgerechtigde: persoon die begunstigde is voor een nog niet ingegaan pensioen; - –. accountant: een accountant als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393); - –. afkoop: iedere handeling waardoor pensioenaanspraken en pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen, behoudens in geval van toepassing van de [artikelen 55, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&hoofdstuk=4&paragraaf=4.2&artikel=55&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&hoofdstuk=6&artikel=134&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of [220b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&hoofdstuk=9&artikel=220b&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of van [artikel 3A:85 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:85); - –. algemeen pensioenfonds: een pensioenfonds dat een of meerdere pensioenregelingen of beroepspensioenregelingen als bedoeld in [artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=1) uitvoert en daarvoor een afgescheiden vermogen aanhoudt per collectiviteitkring; - –. arbeidsongeschiktheidspensioen: een geldelijke uitkering, die vastgest"},{"i":354,"b":"Regeling van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 oktober 2011, nr. 2011-2000437355, houdende voorschriften inzake het beoordelen van ambtenaren BES (Regeling beoordeling ambtenaren BES) Gelet op [artikel 12, vierde lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=12) en [artikel 25, negende lid, van het Besluit Rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=25); Besluit: Artikel 1 - a. **ambtenaar:** degene die door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is aangesteld om in openbare dienst op Bonaire, Sint Eustatius of Saba werkzaam te zijn, daaronder begrepen de ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=1); - b. **beoordeling:** een op grond van deze regeling vastgelegde waardering ten aanzien van het functioneren van de ambtenaar in een beoordelingsperiode; - c. **beoordelingsautoriteit:** de functionaris die de beoordeling vaststelt; - d. **beoordelingsadviseur:** de door de beoordelingsautoriteit aangewezen functionaris die binnen de dienst zorg draagt voor de goede gang van zaken omtrent de personeelsbeoordeling; - e. **functie:** ieder samenhangend geheel van werkzaamheden en diensten dat door een ambtenaar wordt verricht; - f. **gedragscriteria:** aspecten van het arbeidsgedrag van belang voor het vormen van een oordeel over de functievervulling van de ambtenaar en toepasbaar op een veelheid van functies; - g. **functiegezichtspunten:** aspecten en afspraken met betrekking tot de functievervulling gebaseerd op de organisatiedoelstelling, functieomschrijving en de gestelde prioriteiten; - h. **informant:** de door de beoordelaars aangewezen functionaris, die inlichtingen van feitelijke aard over het functioneren van de te beoordelen ambtenaar kan verstrekken; - i. **minister:** de minister van Bin"},{"i":299,"b":"Notawisseling houdende een overeenkomst tussen Nederland en Luxemburg inzake de plaatsing van Nederlandse landarbeiders in Luxemburg J'ai l'honneur de déclarer que la présente note, ainsi que la réponse que Votre Excellence voudra bien m'adresser, seront considérées comme constituant un accord passé entre nos deux Gouvernements en la matière. Je saisis volontiers cette occasion, Monsieur le Ministre, de reitérer à Votre Excellence l'assurance de ma plus haute considération. (s.) H. A. HOOFT. Son Excellence Monsieur Joseph BECH, Ministre d'Etat honoraire Ministre des Affaires Etrangères, Luxembourg."},{"i":287,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 11 maart 2021, nr. 2021-0000038964 tot machtiging van de manager van Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht (Expertisecentrum Organisatie en Personeel en/of diens rechtsopvolger) van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR), inzake juridische procedures betreffende personeelsaangelegenheden (Machtigingsbesluit UBR|Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gezien het [Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. **manager:** de manager van Advocaten en Adviseurs Arbeidsrecht (Expertisecentrum Organisatie en Personeel en/of diens rechtsopvolger) van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR), ressorterend onder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. Aan de manager wordt inzake personeelsaangelegenheden van onder de minister ressorterende medewerkers machtiging verleend voor - a. het aanhangig maken en behandelen van juridische procedures, waaronder het (doen) uitbrengen en ondertekenen van dagvaardingen, verzoekschriften, verweerschriften, conclusies, aktes als ook bezwaarschriften en (hoger) beroepschriften - b. alsmede het vertegenwoordigen van de minister ter terechtzitting. 2. De manager heeft voor alle bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid het recht van substitutie en kan daarvoor de onder hem ressorterende medewerkers inschakelen. Artikel 3 De uit dit besluit voor de manager voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid of verhindering over op zijn plaatsvervanger. Artikel 4 Het krachtens machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: De Staat der Nederlanden, te dezen vertegenwoordigd door, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelege"},{"i":259,"b":"Wet van 9 december 1993, houdende voorschriften inzake uitbetaling en verhoging van Surinaams pensioen voor Surinaams gepensioneerden in Nederland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een garantie te treffen houdende uitbetaling en verhoging van Surinaams pensioen voor Surinaams gepensioneerden en hun nabestaanden die voor de soevereiniteitsoverdracht aan Suriname op 25 november 1975 aldaar pensioenaanspraken hebben opgebouwd en die zich voor 1 mei 1985 in Nederland gevestigd hebben; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Surinaams pensioen: een pensioenuitkering die bij ontslag is toegekend of waarop bij ontslag uitzicht bestond uit hoofde van de in Suriname van kracht zijnde Ambtenarenpensioenverordening 1972; - b. stichting: de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen; - c. garantiepensioen: een door de stichting ter vervanging van de aanspraak op Surinaams pensioen uit te betalen pensioen; - d. ambtenaar: degene die vanaf een voor 25 november 1975 gelegen tijdstip in ambtelijke dienst van Suriname of als leerkracht bij het bijzonder onderwijs in Suriname werkzaam is geweest en op grond daarvan uitzicht heeft op een Surinaams pensioen; - e. gepensioneerde: de gewezen ambtenaar die aanspraak heeft op een Surinaams pensioen; - f. nabestaande: - 1°. de weduwe of weduwnaar die op grond van de Surinaamse Ambtenarenpensioenverordening 1972 aanspraak heeft op een nabestaandenpensioen ingevolge het overlijden van een ambtenaar of gepensioneerde en die zich voor 1 mei 1985 blijvend in Nederland heeft gevestigd; - 2°. de wees die op grond van de Surinaamse Ambtenarenpensioenverordening 1972 aanspraak heeft op een wezenpensioen ingevolge het overlijden van een ambtenaar of gepensioneerde en die zich voor"},{"i":261,"b":"Gevolgen van de invoering van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk en de belastingverdragen De Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. 1. Inleiding Blijkens [artikel 1 van het Besluit van 24 december 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009268&artikel=1), Stb. 769, is de [Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267)(Wet van 24 december 1997, Stb. 768)(OOW) op 1 januari 1998 in werking getreden. Ingevolge deze wet zijn, teneinde een gelijkschakeling van de sociale zekerheid voor de overheidsector en de marktsector te bereiken, de ambtenaren (overheidswerknemers) rechtstreeks opgenomen in de kring van verzekerden op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) (WAO). Over de invoering van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) (WW) en de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888)(ZW) voor het overheidspersoneel moet nog een beslissing worden genomen. In concreto betekent het vorenstaande dat met ingang van 1 januari 1998 de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) is ingevoerd voor de overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers in de zin van de [Wet OOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267). Sedert 1 april 1993 is het personeel bij de overheid voor wat betreft het arbeidsvoorwaardenoverleg verdeeld over een achttal sectoren. Deze sectoren zijn: Rijk, Defensie, Onderwijs, Rechtelijke Macht, Politie, Gemeenten, Provincies en Waterschappen. In de [Wet OOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009267) zijn de overheidswerknemers die deel uitmaken van de hiervoor genoemde acht sectoren in twee categorieën onderverdeeld: 2. Overheidswerknemers sector Rijk Tot de overheidswerknemers sector Rijk behoort het"},{"i":303,"b":"Ontheffing van voorwaarden gericht op arbeidsinschakeling Gelet op artikel 26, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Stb. 1987, 92) en van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) (Stb. 1987, 281); Besluit: Artikel 1 1. Aan de persoon van 57½ jaar en ouder wordt ontheffing verleend van de voorwaarden, genoemd in artikel 26, eerste lid, onderdelen a t/m d, f en g, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers en van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163). 2. Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord het arbeidsbureau, in bijzondere gevallen van het eerste lid afwijken. Artikel 2 Het besluit van 8 december 1986 (Nr. SZ/DBZ/ABB/AB/86/U/10902/TB/LP, Stcrt. 238) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit, dat met de daarbij behorende toelichting in de Nederlandse Staatscourant zal worden geplaatst, treedt in werking met ingang van 1 juni 1987."},{"i":1660,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 11 november 2008, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van glasgroenten voor het jaar 2009 (Verordening PT bijzondere heffing teelt glasgroenten 2009) § 1. Begripsbepalingen § 1. Begripsbepalingen § 3. Grondslag en hoogte Artikel 3 De heffing die is verschuldigd wordt opgelegd naar de grondslag grondgebruik, over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009, een en ander overeenkomstig de volgende artikelen. Artikel 4 De heffing naar de grondslag grondgebruik wordt berekend naar de oppervlakte van de bij onderneming behorende cultuurgrond en bedraagt voor: | aubergine, komkommer, paprika en tomaat | € 10,97 per are | | --- | --- | | overige glasgroenten | € 6,14 per are | Artikel 5 1. Voor de toepassing van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030474&paragraaf=3&artikel=4&z=2011-09-11&g=2011-09-11), wordt onder de bij de onderneming behorende cultuurgrond mede verstaan cultuurgrond die: - a. zaai- of pootklaar is gehuurd; - b. als overig los land is gehuurd; - c. in gebruik is ontvangen, of - d. door de ondernemer wordt beteeld voor contractteelt. 2. Voor de toepassing van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030474&paragraaf=3&artikel=4&z=2011-09-11&g=2011-09-11), wordt cultuurgrond gerekend naar de gemeten maat. 3. Voor de toepassing van alle groepen van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030474&paragraaf=3&artikel=4&z=2011-09-11&g=2011-09-11), worden gedeelten van een are belast in evenredigheid met de voor die groepen bedoelde bedragen. Gedeelten van een are worden naar beneden afgerond tot een veelvoud van centiaren (ofwel vierkante meters). § 4. Oplegging en inning § 5. Slotbepalingen gelet op de [artikelen 93, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=93) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12"},{"i":371,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 september 2009, nr. R&P/RA/09/20961, tot intrekking van de Experimentele regeling subsidieverstrekking arbeidsgehandicapten Gelet op [artikel 2.6 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019058&artikel=2.6); Besluit: Artikel I De [Experimentele regeling subsidieverstrekking arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009957) wordt ingetrokken. Artikel II De artikelen van de [Experimentele regeling subsidieverstrekking arbeidsgehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009957), zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling, blijven van toepassing op de persoon die voor 1 oktober 2009 een aanvraag om een persoonsgebonden re-integratiebudget heeft ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist of aan wie een persoonsgebonden re-integratiebudget is verstrekt. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":398,"b":"Regeling uitzondering toepassingstermijn anticumulatie arbeidsongeschiktheidswetten Gelet op artikel 33, vijfde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en [artikel 44, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=44); Gehoord de Sociale Verzekeringsraad; Besluit: Artikel 1 Ten aanzien van de persoon, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en: - a. inkomen geniet wegens het verrichten van werkzaamheden als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van een vertegenwoordigend orgaan van een publiekrechtelijk lichaam dat bij rechtstreekse verkiezingen wordt samengesteld of van een algemeen bestuur van een waterschap zijn [artikel 44, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=44), [artikel 59, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=59) en de [artikelen 2:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:16) en [3:19 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:19) voor onbeperkte duur van toepassing en zijn [artikel 52, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=52) en [artikel 2:46a van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:46a) niet van toepassing; - b. inkomen geniet, dat bestaat uit loon op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&hoofdstuk=2) en [3 van de Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&hoofdstuk=3), is [artikel 52, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=52), niet van t"},{"i":6239,"b":"Wet openbaarheid van bestuur BES § 1. Definities Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **bestuursorgaan:** - –. de bestuurorganen van de openbare lichamen die het rechtstreeks aangaat; - –. de Rijksvertegenwoordiger; - b. **document:** een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat; - c. **bestuurlijke aangelegenheid:** een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan; - d. **niet-ambtelijke advies-commissie:** een van overheidswege ingestelde commissie, met als taak het adviseren van een of meer bestuursorganen en waarvan geen ambtenaren lid zijn, die het bestuursorgaan waaronder zij ressorteren adviseren over de onderwerpen die aan de commissie zijn voorgelegd. Ambtenaren, die secretaris of adviserend lid zijn van een adviescommissie worden voor de toepassing van deze bepaling niet als leden daarvan beschouwd; - e. **openbare lichamen:** openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - f. **Rijksvertegenwoordiger:** Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. § 2. Openbaarheid Artikel 2 Een bestuursorgaan betracht bij de uitvoering van zijn taak openbaarheid en verstrekt hiertoe informatie. § 3. Informatie op verzoek Artikel 3 1. Een ieder kan verzoeken om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuurorgaan of tot de onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame departementen, diensten, bureaus en instellingen. 2. De verzoeker vermeldt de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor de Rijksvertegenwoordiger een informatiepunt worden aangewezen waar het verzoek moet worden ingediend. Voor de bestuursorganen van de openbare lichamen kan dit bij eilandbesluit houdende algeme"},{"i":348,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2020, nr. 2020-0000714269, houdende nadere regels inzake een uitkering als bedoeld in artikel 71 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES (Regeling arbeidsmarkttoelage ambtenaren BES) Gelet op [artikel 71, onder a, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=71); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** ambtenaar in dienst van de staat; - b. **arbeidsmarkttoelage:** een uitkering als bedoeld in [artikel 71 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=71). Artikel 2. Tijdvak Het tijdvak waarvoor een arbeidsmarkttoelage wordt toegekend bedraagt ten hoogste 36 maanden. Artikel 3. Maximale hoogte en uitbetaling De arbeidsmarkttoelage bedraagt ten hoogste 10% van de bezoldiging, bedoeld in [artikel 1, onder c, van het Bezoldigingsbesluit 1998 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028491&artikel=1), over het tijdvak waarvoor zij is toegekend en wordt in maandelijkse termijnen uitbetaald. Artikel 4. Stopzetting en terugvordering 1. Indien de betrokken ambtenaar de betrekking waarvoor de arbeidsmarkttoelage is toegekend niet langer bezet, wordt de uitbetaling van het resterende deel van de toelage gestopt. 2. De arbeidsmarkttoelage wordt teruggevorderd voor zover deze is uitbetaald gedurende een periode waarin de betrokken ambtenaar de betrekking waarvoor de toelage is toegekend niet heeft bezet. Artikel 5. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 6. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling arbeidsmarkttoelage ambtenaren BES. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7460,"b":"Wet van 23 september 2015 tot wijziging van de Wet personenvervoer 2000 in verband met de invoering van delegatiebepalingen voor de regulering van het systeem van vervoersbewijzen, betaalwijzen en betaaldienstverlening in het openbaar vervoer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om in de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) grondslagen op te nemen om in het belang van de reizigers en van een goed functionerende markt voor betaaldienstverlening in het openbaar vervoer regels te kunnen stellen met betrekking tot de concessieoverstijgende onderwerpen van het systeem van vervoerbewijzen en betaalwijzen in het openbaar vervoer; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel II Wijzigt deze wet. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IIIa Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":300,"b":"Omzetbelasting, vrijstelling; diensten en nauw daarmee samenhangende leveringen door werkgevers- en werknemersorganisaties aan hun leden tegen statutair vastgestelde contributie De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit vervangt en actualiseert het besluit van 27 november 2006, nr. CPP2006/2572M over de vrijstelling voor de diensten en nauw daarmee samenhangende leveringen van werkgevers- en werknemersorganisaties. In dit besluit is aangegeven dat de goedkeuring voor een verruimde toepassing van de vrijstelling voor samenwerkingsverbanden voor werkgevers- en werknemersorganisaties met zowel vrijgestelde als belaste leden met ingang van 1 januari 2017 wordt ingetrokken. De goedkeuring vervalt omdat deze geen basis kent in de Richtlijn 2006/112/EG. Daarnaast is een aantal redactionele aanpassingen doorgevoerd.** 1. Inleiding Het besluit gaat in op de vrijstelling voor bepaalde diensten door werkgevers- en werknemersorganisaties en de daarvoor getroffen goedkeuringen. Ten opzichte van het [besluit CPP2006/2572M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020599) wordt, naast een aantal redactionele aanpassingen, de in onderdeel 5 opgenomen goedkeuring per 1 januari 2017 ingetrokken. Hierbij was goedgekeurd dat werkgevers- en werknemersorganisaties met zowel vrijgestelde als belaste leden de vrijstelling voor samenwerkingsverbanden mochten toepassen voor zover zij diensten verrichten aan vrijgestelde leden. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Juridisch kader Er geldt een vrijstelling voor de diensten die werkgevers- en werknemersorganisaties verrichten aan hun leden tegen een statutair vastgestelde contributie ([artikel 11, eerste lid, onderdeel t, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11)). Ook de leveringen door deze organisaties die nauw met deze vrijgestelde diensten samenhangen vallen onder de vrijstelling. De vrijstelling geldt alleen als de betrokken organisaties met de vrijgestelde prestaties"},{"i":307,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 augustus 2017, 2017-0000141181, houdende de toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan onder de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal SZW 2017) Gelet op de [artikelen 2, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=2), [8, derde lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=8), en [23, eerste lid, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=23); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1. Begrippen In deze regeling en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **directeur:** een functionaris die, afzonderlijk of met een andere directeur, leiding geeft aan een of meer directies; - **directie:** een van de organisatieonderdelen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039965&paragraaf=2&artikel=2&z=2024-11-21&g=2024-11-21); - **Directieteam:** het Directieteam van de Nederlandse Arbeidsinspectie bestaat uit de inspecteur-generaal en de directeuren van de directies die ressorteren onder de inspecteur-generaal; - **inspecteur-generaal**: de inspecteur-generaal Nederlandse Arbeidsinspectie; - **jaarplan:** het jaarplan voor de gehele Nederlandse Arbeidsinspectie, genoemd in [artikel 8, tweede lid, tweede zin, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024956&artikel=8); - **opdrachtgever:** de functioneel leidinggevende van de programmamanager of de projectleider; - **portefeuille:** het totaal aan lijnverantwoordelijkheid van een directeur, gecombineerd met diens functionele verantwoordelijkheid voor programma’s of projecten en de al dan niet door de inspecteur-generaal aan een directeur opgedragen taak of verantwoordelijkheid als bedoeld in [a"},{"i":7112,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 26 oktober 2010, nr. 5673146/10/6 houdende de invoering van de Regeling griffierechten burgerlijke zaken (Regeling griffierechten burgerlijke zaken) Gelet op de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=4), en [21, tweede lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=21), [28, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=28), en [838 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=838) en [1 van het Besluit griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028901&artikel=1), juncto [12, vijfde lid, van het Besluit tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015481&artikel=12); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 4, derde lid, en 21, tweede lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken in werking treden. Artikel 1 1. Geen griffierecht wordt geheven voor: - a. de benoeming of het ontslag van voogden en curatoren; - b. de bereidverklaring tot aanvaarding van de voogdij en de curatele; - c. bemoeiingen van de kantonrechter met het beheer van vermogen van minderjarigen en curandi welke voortvloeien uit de toepassing onderscheidenlijk overeenkomstige toepassing van [Titel 14 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=14); - d. bemoeiingen van de kantonrechter welke voortvloeien uit de toepassing van [artikel 181](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=181) juncto [183 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=183); - e. benoemingen, welke voortvloeien uit de toepassing van de [artikelen 212](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=212) en [250 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&"},{"i":6369,"b":"Wijziging Totalisatorbeschikking 1993 Gelet op de [artikelen 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=23), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=24), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=25) en [34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34) Gezien het advies van de Stichting Totalisator Nederland, de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport en de Hippo Toto B.V.; Besluiten: Artikel I Wijzigt de Totalisatorbeschikking 1993 Artikel II Voor de datum van inwerkingtreding van deze beschikking op grond van de Totalisatorbeschikking 1993 verleende goedkeuring of toestemming en gegeven aanwijzingen worden aangemerkt als te zijn verleend of gegeven in overeenstemming met de Totalisator-beschikking 1993 zoals gewijzigd bij deze beschikking. Artikel III Deze beschikking treedt in werking met ingang van de dag waarop de [wet van 18 mei 1995, Stb. 300, houdende wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met het instellen van een College van toezicht op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007403) in werking treedt. Deze beschikking zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6371,"b":"Wijziging van het Formatiebesluit WPO per 1 augustus 2000 1. Inleiding Per 1 augustus 2000 wordt een volgende stap gezet in de groepsverkleining voor de onderbouw van de basisscholen. Tegelijkertijd wordt een aanzienlijke vereenvoudiging aangebracht in de wijze waarop de hoeveelheid personeelsformatie binnen het formatiebudgetsysteem wordt berekend. Deze maatregelen hebben uitsluitend betrekking op de (reguliere) basisscholen, en niet op de speciale scholen voor basisonderwijs. Deze publicatie heeft tot doel de nieuwe wijze van formatieberekening toe te lichten. Aan de hand hiervan kan elke school met behulp van de telgegevens van 1 oktober jl. de hoeveelheid formatie vaststellen waarop ze voor het volgende schooljaar recht heeft. **Aan deze publicatie kunnen echter geen rechten worden ontleend. De geschetste systematiek is nog onder voorbehoud van publicatie in het Staatsblad.** In paragraaf 2 worden aan de hand van vragen de belangrijkste wijzigingen toegelicht. Paragraaf 3 behandelt de nieuwe grondslagen voor de bekostiging: het aantal leerlingen wordt voortaan onderscheiden naar jongere (4 tot en met 7 jaar) en oudere (8 jaar en ouder) kinderen, en de onderwijsachterstanden worden voortaan uitgedrukt in het ’schoolgewicht’. In paragraaf 4 wordt aangegeven opwelke wijze snel de totale formatie van een school berekend kan worden. In paragraaf 5 wordt de berekening van de afzonderlijke formatiecategorieën stap voor stap toegelicht. Paragraaf 6 schetst de gevolgen voor de vergoeding voor materiële instandhouding. De bijlage bevat enkele rekenvoorbeelden. 2. Belangrijkste wijzigingen Gaat het formatiebudgetsysteem helemaal op zijn kop? Neen, de wijzigingen in het systeem hebben enkel betrekking op de wijze waarop de formatie berekend wordt. De kern van het systeem blijft overeind: scholen ontvangen een hoeveelheid formatierekeneenheden, waarmee ze eigen keuzen kunnen maken over de inzet van het personeel. De tabel aan de hand waarvan bepaald wordt hoeveel fre’s uitge"},{"i":6373,"b":"Wijzigingen BRIN-mutatieprocedure en BRIN-mutatieformulier (BMF) Algemeen In april 1999 heeft een aantal wijzigingen plaatsgevonden in de BRIN-mutatieprocedure en de BRIN-mutatieformulieren. Deze wijzigingen zijn gepubliceerd in Uitleg, het Gele Katern no. 12/13 van 28 april 1999. Het komt echter nog regelmatig voor dat wijzigingen in gegevens niet op de juiste wijze aan BRIN worden gemeld of dat men niet op de hoogte blijkt te zijn van de gewijzigde procedure. Procedure Voor het doorgeven van wijzigingen in BRIN gebruikt u het BRIN-mutatieformulier. Dit is voor: Mocht het BRIN-mutatieformulier niet - of niet meer- in uw bezit zijn dan kunt u een BRIN-mutatieformulier aanvragen bij het Informatie Centrum Onderwijs (ICO). U ontvangt dan van de afdeling BRIN een BRIN-mutatieformulier met daarop voorgedrukt de gegevens zoals deze in het BRIN-systeem staan geregistreerd. Nb: BRIN-mutatieformulieren kunnen niet worden besteld met een plaketiket. Blanco formulieren of meerdere exemplaren van een BRIN-mutatieformulier worden niet verstrekt. Een blanco formulier kan slechts worden aangevraagd in het geval van een nieuw (nog niet bestaand) bevoegd gezag, administratiekantoor of een nieuwe instelling. BRIN-mutatieformulieren worden uitsluitend toegestuurd aan een administratiekantoor of aan het bevoegd gezag (indien er geen gebruik wordt gemaakt van de diensten van een administratiekantoor). Instellingen kunnen **geen** BRIN-mutatieformulieren aanvragen of inzenden. Wijzigingen in hun gegevens dienen te worden gemeld aan het administratiekantoor of bevoegd gezag. Het administratiekantoor of bevoegd gezag stuurt dan een BRIN-mutatieformulier aan de afdeling BRIN. Nb: Voor het doorgeven van wijzigingen in adresgegevens van instellingen behoeft slechts het formulier CFI-58073 te worden ingezonden (indien de instelling meerdere vestigingen heeft kan dit formulier uit een aantal pagina’s bestaan). Voor het doorgeven van instellingsgegevens behoeft slechts het formulier CFI-58072 t"},{"i":6374,"b":"Besluit van 29 oktober 2012, houdende wijziging van het Aanduidingenbesluit tabaksproducten ter implementatie van richtlijn 2012/9/EU Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2012, VGP/3121488; Gelet op [richtlijn 2012/9](32012L0009)/EU van de Commissie van 7 maart 2012 tot wijziging van bijlage I bij [Richtlijn 2001/37/EG](32001L0037) van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (PbEU 2012, L 69), alsmede op [artikel 2, eerste lid, van de Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 juli 2012, nr. W13.12.0253/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 oktober 2012, VGP/3135162; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Aanduidingenbesluit tabaksproducten. Artikel II Tabaksproducten die voldoen aan het [Aanduidingenbesluit tabaksproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006920) zoals dit luidde onmiddellijk voor de inwerkingtreding van dit besluit mogen worden verkocht tot 28 maart 2016. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 28 maart 2014. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6401,"b":"Besluit van 28 april 2006 tot wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 29 november 2005, nr. HDJZ/S&W/2005-2291, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van infrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur (PbEG L 75), en op de [artikelen 59, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=59), en [61 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=61); De Raad van State gehoord (advies van 30 januari 2006, nr. W09.05.0531/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 25 april 2006, nr. HDJZ/S&W/2006-517, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur. Artikel II 1. In afwijking van de [artikelen 8, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017627&artikel=8), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017627&artikel=12) en [kaart 1 van het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur](onbekend), zoals deze luiden na de inwerkingtreding van dit besluit, blijven de [artikelen 8, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017627&artikel=8), en [12 van het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017627&artikel=12) en [kaart 1](onbekend) behorende bij dat besluit zoals die luidden voor de inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing op de verdeling van capaciteit voor het vervoer dat plaatsvindt tot het tijdstip waarop de Betuweroute in gebruik is genomen. 2. In afwijking van de [artikelen 8, eerste lid, onderdeel b](https://wetten."},{"i":6375,"b":"Besluit van 16 augustus 2003, houdende wijziging van het Aanduidingenbesluit tabaksproducten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 mei 2003, kenmerk POG/GB 2.367.123; Gelet op [richtlijn nr. 2001/37/EG](32001L0037) van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (PbEG L 194), alsmede op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 10 juni 2003, nummer W13.03.178/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 augustus 2003, POG/GB 2.399.488; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het [Aanduidingenbesluit tabaksproducten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006920). Artikel II Verpakkingen voor pijptabak met de vermelding DEFACTO kunnen op de markt worden gebracht tot uiterlijk 1 april 2006; verpakkingen voor overige tabaksproducten met de vermelding DEFACTO tot uiterlijk 1 oktober 2004. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":1674,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2008, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van vollegrondsgroenten voor het jaar 2009 (Verordening PT bijzondere heffing vollegrondsgroenten 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 17 juni 2008; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. het braakland: de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld; - b. de cultuurgrond: beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024904&paragraaf=3&artikel=4&z=2011-09-11&g=2011-09-11) genoemde gewassen of producten kunnen worden geteeld, of ten tijde van het tijdvak als bedoeld in de Regeling Landbouwtelling, nog niet beteelde grond waarbij een teelt voor eind augustus wordt"},{"i":6388,"b":"Besluit van 18 april 2007 tot wijziging van het Besluit bedrijfsvergunning en veiligheidsattest hoofdspoorwegen, van het Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid, van het Besluit keuring spoorvoertuigen, van het Besluit spoorweginfrastructuur en van het Besluit spoorverkeer ter implementatie van richtlijn 2004/49/EG (Spoorwegveiligheidsrichtlijn) en van richtlijn 2004/50/EG tot wijziging van richtlijn 96/48/EG en van richtlijn 2001/16/EG Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 22 december 2006, nr. HDJZ/S&W/2006-2024, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 2004/49/EG](32004L0049) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van [richtlijn 95/18/EG](31995L0018) van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014) van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (Spoorwegveiligheidsrichtlijn) (PbEG L 164), [richtlijn nr. 2004/50/EG](32004L0050) van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende wijziging van [richtlijn 96/48/EG](31996L0048) van de Raad betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en van [richtlijn 2001/16/EG](32001L0016) betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (PbEG L 164), de [artikelen 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=9), [12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=12), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=35), [37, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=37), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=38) en [64, tweede lid, van de Spoorwegwet](https://wett"},{"i":6376,"b":"Besluit van 18 september 2015 tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 9 maart 2015, nr. IenM/BSK-2015/38586, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [richtlijn 2010/75](32010L0075)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU 2010, L 334), [richtlijn 94/63/EG](31994L0063) van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations (PbEG 1994, L 365), [richtlijn 91/271/EEG](31991L0271) van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG 1991, L 135), [richtlijn 2000/60/EG](32000L0060) van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 2000, L 327), [richtlijn 2008/98/EG](32008L0098) van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU 2008, L 312); Gelet op de [artikelen 8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [8.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.41), [8.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42), [8.42a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42a), [9.5.1 tot en met 9.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.1), [10.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.2), en [10.32 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.32), de [artikelen 1.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":6377,"b":"Besluit van 24 januari 2011 tot wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement in het kader van de invoering van een flexibel personeelsysteem voor de krijgsmacht Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 23 april 2010, nr. BS/2010012382; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) alsmede op de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12), [12k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12k) en [12 quinquies van de Militaire ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12quinquies); De Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 juli 2010, nr. W07.10.0169/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 19 januari 2011, nr. BS/2010030913; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement. Artikel II Wijzigt het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie. Artikel III. Overgangsbepalingen 1. De militair, die zich in fase twee bevindt en op de datum van inwerkingtreding van dit besluit het moment van ontslag, genoemd in [artikel 39, tweede lid, onder i, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=39), is gepasseerd of dit moment binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit bereikt, wordt, voor begeleiding bij de overgang naar een betrekking op de civiele arbeidsmarkt, aangemeld bij het Dienstencentrum externe bemiddeling defensiepersoneel en ontslagen op grond van artikel 39, tweede lid, onder i, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, waarbij de ontslagdatum minimaal twaalf maanden maar uiterlijk achttien maanden ligt na het moment van inwerkingtreding van dit besluit. 2. Het eerste lid is niet van toepassing, wanneer binnen de genoemde termijn een besluit wordt genomen, als bedoeld in [artikel 31, vierde lid,"},{"i":6383,"b":"Besluit van 1 oktober 2007 tot wijziging van onder meer het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen in verband met invoering van een gedifferentieerd systeem van subsidieverstrekking ten behoeve van cultuuruitingen Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 16 juli 2007, nr. WJZ/2007/24994(8202), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 8 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=8); De Raad van State gehoord (advies van 12 september 2007, nr. W05.07.0232/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 24 september 2007, nr. WJZ/2007/36394 (8202), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen. Artikel II 1. Op de subsidies die op grond van het [Bekostigingsbesluit cultuuruitingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759) zijn verleend voor de inwerkingtreding van dit besluit blijven de regels van toepassing die golden onmiddellijk voor de inwerkingtreding van dit besluit. 2. In afwijking van [artikel 37 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=37) zoals [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=37) luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de subsidie vast binnen tien maanden na ontvangst van de in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006759&artikel=37) bedoelde gegevens. Artikel III Wijzigt het Besluit archeologische monumentenzorg. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6424,"b":"Besluit van 21 februari 2004, houdende wijziging van het Besluit geslachtsnaamswijziging in verband met wijziging gronden geslachtsnaamswijziging voor minderjarigen Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 januari 2004, nr. 5262049/03/6, Directie Wetgeving, Sector Privaatrecht, Gelet op [artikel 7, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=7); De Raad van State gehoord (advies van 29 januari 2004, nr. W03.040012/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 11 februari 2004, nr. 5268906/04/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit geslachtsnaamswijziging. Artikel II Ten aanzien van verzoeken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds zijn ingediend, blijven de [aanhef van het eerste lid en het vierde lid, onder c, van artikel 3 van het Besluit geslachtsnaamswijziging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008951&artikel=3) zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6370,"b":"Wijziging van de vergoeding leden algemeen bestuur en van de bezoldiging leden dagelijks bestuur van waterschappen Algemeen Op grond van [artikel 3.2, tweede lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.2) wijzigt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties jaarlijks het bedrag van de vergoeding voor een lid van het Algemeen Bestuur van een waterschap. Door middel van deze circulaire wordt de wijziging van het genoemde bedrag (zowel voor 2009 als voor 2010) aan de waterschappen meegedeeld. Ook wordt in deze circulaire ingegaan op de wijziging per 1 april 2009 van het bedrag van de bezoldiging van leden van het dagelijks bestuur van een waterschap genoemd in [artikel 3.11 van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.11). Vergoeding leden algemeen bestuur van een waterschap A. Vergoeding leden algemeen bestuur van een waterschap in 2009. Op grond van [artikel 3.2, eerste lid, van het Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.2) wordt aan het lid van het algemeen bestuur een vergoeding toegekend. Met ingang van 8 januari 2009 is het [Waterschapsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025) in werking getreden. In dat Waterschapsbesluit is in het [eerste lid van artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023025&artikel=3.2) voor vergoeding van de werkzaamheden abusievelijk een onjuist bedrag opgenomen, namelijk € 402,53. Door een wijziging van het Waterschapsbesluit, dat onlangs is geplaatst in het Staatsblad (Staatsblad 2009, 535), wordt met terugwerkende kracht tot 8 januari 2009 (de datum van inwerkingtreding van het Waterschapsbesluit) het bedrag van € 402,53 vervangen door het juiste bedrag, namelijk € 425,07. Het bedrag van € 425,07 is het bedrag dat u per 8 januari 2009 voor het jaar 2009 als vergoeding voor een lid van het algemeen bestuur van een waterschap moet hanteren. Dit leidt door de terugwerkende"},{"i":6386,"b":"Besluit van 21 juni 2016 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en enkele andere rechtspositionele regelingen ter formalisering van de Uitvoeringsafspraak sector Politie van 5 juni 2015 Artikel I Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie. Artikel II Wijzigt het Besluit bezoldiging politie. Artikel III Wijzigt het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie. Artikel IV Wijzigt het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie. Artikel V Vervallen Artikel VI 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. In afwijking van het eerste lid werkt [artikel II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038109&artikel=II&z=2020-01-01&g=2020-01-01), terug tot en met 1 januari 2013. 3. In afwijking van het eerste lid werkt [artikel II, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038109&artikel=II&z=2020-01-01&g=2020-01-01), terug tot en met 1 januari 2015. Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 7 april 2016, Nr. 751765; Gelet op [artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=47); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 juni 2016, W03.16.0092/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 16 juni 2016, Nr. 772121; Hebben goedgevonden en verstaan: Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6387,"b":"Besluit van 25 augustus 2016 tot wijziging van het Besluit bedragen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 6 juli 2016, nr. 780816, gedaan mede namens Onze Minister van Financiën; Gelet op [artikel 22 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=22); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 juli 2016, No. W03.16.0179/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, Directie Wetgeving en Juridische zaken van 22 augustus 2016, nr. 793307, uitgebracht mede namens Onze Minister van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bedragen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Artikel II Dit besluit is slechts van toepassing ten aanzien van aansprakelijkheid voortvloeiende uit ongevallen die zich na de inwerkingtreding van dit besluit hebben voorgedaan. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2016, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6379,"b":"Besluit van 29 oktober 2003 tot wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement in het kader van de nadere vaststelling van overgangsbeleid in verband met de afschaffing van de blokbevordering van de korporaals van de Koninklijke Marine, van het Inkomstenbesluit militairen in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Rijk over de periode van 1 december 2002 tot en met 31 december 2003 en van enige besluiten in verband met technische wijzigingen Artikel I Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement. Artikel II Wijzigt het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel III Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Artikel IV Wijzigt het Interimbesluit ziektekosten burgerlijke ambtenaren defensie. Artikel V Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit militairen. Artikel VI De [Toelageregeling afschaffing tariefbeloning Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003574) wordt ingetrokken. Artikel VII Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie. Artikel VIII. Overgangsbepalingen A. In afwijking van [artikel 15a, eerste lid, van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=15a) bedraagt het percentage van de eindejaarsuitkering: - a. voor de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002: 1%. - b. voor de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003: 0,8%. B. In afwijking van [artikel III, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015814&artikel=III&z=2003-12-10&g=2003-12-10), worden in de [bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&bijlage=A) en [B van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&bijlage=B) voor de periode van 1 december 2002 tot en met 30 april 2003 het salarisbedrag van de vice-admiraal en luitenant-generaal bepaald op: € 8270,59 en het salarisbedrag van de luitenant-admiraal en generaal bepaald op: € 8816,11. Artikel IX. Slotbepalingen Dit besluit treedt in werking met"},{"i":7513,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 17 maart 2017, nr. WJZ/17022150, houdende aanwijzing toezichthouders Wet telecommunicatievoorzieningen BES en Wet post BES Gelet op [artikel 31a, eerste lid, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=31a) en [artikel 15, eerste lid, van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469), zijn belast: personen in dienst bij de Rijksdienst Caribisch Nederland en werkzaam voor de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, alsmede inspecteurs van het team Caribisch Nederland en inspecteurs van de directie Infrastructuur van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouder Wet telecommunicatievoorzieningen BES. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7532,"b":"Besluit elektronische handtekeningen, certificaten en certificatiedienstverleners BES § 1. Elektronische handtekening Artikel 1 Aan een elektronische handtekening worden de volgende eisen gesteld: - a. zij is uniek en met uitsluiting van anderen verbonden aan de persoon die zich ervan bedient; - b. zij kan te allen tijde worden geverifieerd; - c. zeggenschap erover berust met uitsluiting van anderen bij de persoon die zich ervan bedient; - d. zij is zodanig aan elektronische gegevens gekoppeld dat indien deze gegevens worden gewijzigd, de elektronische handtekening ongeldig wordt. Artikel 2 1. Voor het aanmaken van elektronische handtekeningen worden de volgende veilige middelen geëist: - a. Gewaarborgd is ten minste dat via passende technieken en procedures: - 1°. de gegevens voor het aanmaken van handtekeningen in de praktijk slechts één keer kunnen voorkomen en de vertrouwelijkheid daarvan redelijkerwijs gegarandeerd is; - 2°. de gegevens voor het aanmaken van handtekeningen, met redelijke zekerheid, niet kunnen worden afgeleid en dat de handtekening beschermd is tegen vervalsing met de thans beschikbare technieken; - 3°. de gegevens voor het aanmaken van handtekeningen door de legitieme ondertekenaar op betrouwbare wijze kunnen worden beschermd tegen gebruik door anderen. - b. De te ondertekenen gegevens mogen niet worden gewijzigd en niet mag worden belet dat deze gegevens vóór de ondertekening aan de ondertekenaar worden voorgelegd. 2. Voordat tot de aanmaak van een elektronische handtekening wordt overgegaan, wordt de ondertekenaar adequaat voorgelicht over de risico’s die aan de gekozen techniek zijn verbonden, zulks mede in vergelijking tot andere technieken. Artikel 3 Tijdens het proces voor het verifiëren van elektronische handtekeningen worden met het oog op de veiligheid met redelijke zekerheid gewaarborgd dat: - a. de voor het verifiëren van een handtekening gebruikte gegevens overeenstemmen met de gegevens die de verifieerde te zien krijgt; - b. de ha"},{"i":7531,"b":"Besluit van 11 augustus 2003, houdende bepaling van de gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3, achtste lid, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Besluit donorgegevens kunstmatige bevruchting) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 16 december 2002, nr 5200386/02/6, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 2, eerste lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=2), alsmede [artikel 3, achtste lid, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 18 maart 2003, nr. W03.02.0565/I). Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 1 augustus 2003,nr 5234240/03/6, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 4 van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting in werking treedt. Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642) Artikel 2 Het maximumaantal moedercodes dat aan een donorcode wordt gekoppeld, bedoeld in [artikel 1, onderdeel j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=1), bedraagt twaalf moedercodes. Artikel 3 1. De fysieke kenmerken, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=2), een en ander zoals bekend op het tijdstip van de terbeschikkingstelling van zaad- of eicellen, betreffen: - a. lichaamslengte; - b. gewicht; - c. huidskleur; - d. kleur van de ogen; - e. haarkleur en type haar. 2. De opleiding als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013642&artikel=2) betreft: opleidingen of studies die op het ti"},{"i":6343,"b":"Wet van 7 juni 2023 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met onder andere de uitbreiding van het bestuurlijk handhavingsinstrumentarium (Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium onderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het bestuurlijk instrumentarium ter handhaving van de onderwijswetgeving uit te breiden en de openbaarmakingstermijn van inspectierapporten te verkorten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel aI. Wijziging [Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685) Wijzigt de Wet medezeggenschap op scholen. Artikel I. Wijziging [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel III. Wijziging van de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) Wijzigt de Wet voortgezet onderwijs 2020. Artikel IV. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel V. Wijziging [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel VI. Wijziging [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280) Wijzigt de Wet primair onderwijs BES. Artikel VII. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Artikel VIII. Wijziging [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":14279,"b":"Regeling van de Directie van de RDW (Dienst Wegverkeer), houdende voorwaarden voor het gebruik van het RDW- Tellerstandbeeldmerk, ter bestrijding van fraude met tellerstanden (Regeling gebruik Tellerstandbeeldmerk RDW), 1 november 2016, kenmerk JBZ2016/12200 Gelet op [artikel 4b, eerste lid, onderdeel h. en onderdeel i. van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze Regeling wordt verstaan onder: - **Tellerstandbeeldmerk:** het beeldmerk opgenomen in de bijlage bij deze regeling. - **Tellerstandoordeel:** het oordeel van de RDW omtrent de logica van een tellerstand op grond van de met betrekking tot een voertuig in het kentekenregister geregistreerde tellerstanden, dat kan inhouden het oordeel: **‘Logisch’:** de vaststelling door de RDW dat de reeks in het kentekenregister geregistreerde tellerstanden van een voertuig in tijd oplopend en daardoor logisch verklaarbaar is dan wel, **‘Onlogisch’**: de vaststelling door de RDW dat de reeks in het kentekenregister geregistreerde tellerstanden van een voertuig niet in tijd oplopend is dan wel, **‘Geen oordeel’:** de vaststelling door de RDW dat op grond van ontbrekende informatie over het voertuig niet kan worden beoordeeld of een tellerstand logisch verklaarbaar is. - **Toelichting:** de toelichting die bij het tellerstandoordeel door de RDW aan de aanvrager wordt verstrekt. Artikel 2. Beeldmerk 1. De RDW is rechthebbend op het in de bijlage opgenomen tellerstandbeeldmerk en bij uitsluiting bevoegd om het gebruik door derden toe te staan. Ieder ander gebruik dan bij deze regeling toegestaan is verboden. 2. Het beeldmerk mag uitsluitend worden gebruikt in de in de bijlage voorgeschreven kleuren. Artikel 3. Aanvraag tellerstandoordeel 1. Iedere aanbieder van een voertuig is gerechtigd om ten behoeve van dat aanbod, bij de RDW en tegen geldend tarief, een tellerstandoordeel op te vragen en dit te presenteren ten behoeve van de verkoop"},{"i":7519,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 7 augustus 2023, nr. WJZ/ 33562140, tot vaststelling van algemene richtlijnen die houders van concessies die zijn verleend op grond van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES gehouden zijn op te volgen (Besluit algemene richtlijnen houders van een concessie Wet telecommunicatievoorzieningen BES) Gelet op [artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=7); Besluit: § 1. Algemene bepaling Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **concessie:** concessie als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=2); - **consumentenprijsindex:** de prijsindex van consumptiegoederen zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor Statistiek aan de hand van de prijsontwikkeling van de consumptiegoederen en -diensten die worden aangeschaft door huishoudens op Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - **contractant:** degene die met de houder van een concessie een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot de levering van een dienst; - **houder van een concessie:** natuurlijke of rechtspersoon die telecommunicatiedienstverlening aanbiedt die geheel of gedeeltelijk bestaat uit de overdracht en routering van signalen over de telecommunicatie-infrastructuur van een houder van een concessie; - **diensten:** de telecommunicatiediensten, bedoeld in de [artikelen 4 tot en met 6 van het Besluit opgedragen telecommunicatiediensten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028378&artikel=4); - **interconnectie:** specifiek type toegang dat wordt gerealiseerd tussen exploitanten van openbare telecommunicatienetwerken, inhoudende het fysiek en logisch verbinden van openbare telecommunicatienetwerken die door dezelfde of een andere onderneming worden gebruikt om het de gebruikers van een onderneming mogelijk te maken te communiceren met die van dezelfde of van een andere o"},{"i":3478,"b":"Besluit van 1 december 1986, houdende regels betreffende de vergoeding voor het verstrekken van fotocopieën, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Stb. 1986, 360) Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 17 juli 1986, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. U 8604 II; Gelet op [artikel 29, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=29) (**Stb.** 1986, 360); Gehoord de Buitengewone Pensioenraad, de Stichting Pelita en de Commissie Indisch Verzet; De Raad van State gehoord (advies van 3 september 1986, nr. W13.86.0396); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 14 november 1986, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. WJZ-U-9056; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor het verstrekken van afschriften van bescheiden die betrekking hebben op beslissingen als bedoeld in [artikel 28, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=28) (**Stb.** 1986, 360) geldt als tarief van de voor die afschriften verschuldigde vergoeding, het tarief dat ingevolge de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) (**Stb.** 1978, 581) is verschuldigd als vergoeding voor het verstrekken van fotocopieën. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":4830,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 september 2010, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, nr. 2010-0000618987, tot vaststelling van een mandaatregeling voor het College financieel toezicht Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Mandaatbesluit Cft BES) Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=4); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de hoofdstukken I tot en met III van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treden. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151); - b. **College financieel toezicht:** College financieel toezicht Bonaire, Sint Eustatius en Saba, genoemd in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=2); - c. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Aan het College financieel toezicht wordt mandaat verleend tot: - a. het verlenen van goedkeuring aan besluiten als bedoeld in [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=9), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=10), en [27, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=27); - b. het toestaan van een tekort op de begroting of een overschrijding van de rentelastnorm in gevallen, bedoeld in [artikel 21, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=21); - c. het verlenen van toestemming als bedoeld in [artikel 24, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=24) tot het aangaan van verplichtingen de niet voorzien zijn in een goedgekeurde begroting, een goedgekeurde wijziging van de begroting dan wel in een door de minister o"},{"i":1701,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 28 juni 2005, houdende de vaststelling van de aan ondernemers die bloemkwekerijproducten naar Japan exporteren op te leggen heffing voor het jaar 2006 (Verordening PT heffing export bloemkwekerijproducten Japan 2006) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 18 mei 2005; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1) en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | bloemkwekerijproducten | : | producten als omschreven in artikel 1, tweede lid, sub d, van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2006; | | --- | --- | --- | --- | | b. | heffingsplichtige | : | degene die ingevolge deze heffingsverordening heffing is verschuldigd. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloemkwekerijproducten is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloemkwekerijproducten aan het productschap een heffing verschuldigd . 2. De heffing a"},{"i":3597,"b":"Besluit tot instelling van een adviescommissie inzake subsidieverlening en een onafhankelijke bezwarenadviescommissie op de voet van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht bij de uitvoering van Subsidiebeleidsregeling Kleinschalige Voorzieningen voor de regio’s Rotterdam-Rijnmond en Den Haag Besluit Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **de Adviescommissie:** de Adviescommissie bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043980&paragraaf=2&artikel=2.1&z=2020-08-05&g=2020-08-05); - –. **de Bezwarenadviescommissie:** de Bezwarenadviescommissie bedoeld in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043980&paragraaf=3&artikel=3:1&z=2020-08-05&g=2020-08-05); - –. **de DJI:** de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; - –. **de plaatsvervangend Hoofddirecteur:** de plaatsvervangend Hoofddirecteur DJI; - –. **de plaatsvervangend directeur:** de plaatsvervangend directeur Divisie Forensische Zorg en Justitiële Jeugdinrichtingen van DJI; - –. **de Subsidiebeleidsregeling:** de Subsidiebeleidsregeling Kleinschalige Voorzieningen regio Rotterdam-Rijnmond en Den Haag, zoals gepubliceerd in de Staatscourant, 2020, nr. 31865. Artikel 1:2. Toepasselijkheid van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) [Artikel 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:5) als ook [afdeling 3.3. Advisering van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.3) is van toepassing. Artikel 1:3. Informatie De plaatsvervangend directeur draagt er zorg voor dat de Adviescommissie en de Bezwarenadviescommissie de beschikking heeft over alle informatie die voor de advisering noodzakelijk is. Artikel 1.5. Vergoeding De voorzitter van de Adviescommissie en van de Bezwarenadviescommissie alsmede het onafhankelijke lid van de laatste commissie worden bezoldigd op de voet v"},{"i":1705,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2008, houdende regels ter zake van de aan ondernemers, die groenten en fruit naar Japan en Taiwan exporteren, op te leggen heffing voor het jaar 2009 (Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 17 juni 2008; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1)en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van groenten en fruit is over de door hem naar Japan uitgevoerde groenten en fruit aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het kalenderjaar 2009, ten behoeve van de financiering van controles van groenten en fruit die naar Japan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. Artikel 3 1. Ter uitvoering van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025123&parag"},{"i":2873,"b":"Beschikking van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 oktober 2019, nr. 2727242, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2020 worden verhoogd Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2020 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2,5. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2020. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7003,"b":"Europese Overeenkomst betreffende het reizen van jeugdige personen op collectieve paspoorten tussen de landen die lid zijn van de Raad van Europa De ondertekenende Regeringen van de Lid-Staten van de Raad van Europa, Verlangende de faciliteiten te bevorderen voor reizen van jeugdige personen tussen hun landen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Elk der Overeenkomstsluitende Partijen laat op haar gebied groepen jeugdige personen toe die komen uit het gebied van een der andere Overeenkomstsluitende Partijen en reizen op een collectief reisdocument dat beantwoordt aan de voorwaarden die zijn aangegeven in deze Overeenkomst. Artikel 2 Een ieder die voorkomt op een collectief paspoort voor jeugdige personen moet onderdaan zijn van het land dat dit reisdocument heeft afgegeven. Artikel 3 Jeugdige personen kunnen tot hun 21e jaar gebruik maken van collectieve reisdocumenten die krachtens deze Overeenkomst zijn afgegeven. Artikel 4 De leider van een groep, die minstens 21 jaar moet zijn, houder van een geldig individueel paspoort, en aangewezen volgens de voorschriften die eventueel van kracht zijn op het gebied van de Overeenkomstsluitende Partij die het collectieve reisdocument heeft afgegeven, moet: - -. het collectieve reisdocument bewaren, - -. de groep begeleiden, - -. de formaliteiten aan de grenzen vervullen, - -. erop toezien dat de leden van de groep bij elkaar blijven. Artikel 5 Ieder collectief reisdocument voor jeugdige personen moet minstens vijf en maximaal vijftig namen bevatten, de leider van de groep niet meegerekend. Artikel 6 Alle personen die voorkomen op een collectief reisdocument moeten bij elkaar blijven. Artikel 7 Indien, in tegenstelling tot de bepalingen van artikel 6, een der leden van de groep die voorkomt op het collectieve reisdocument voor jeugdige personen gescheiden wordt van de groep of, om welke reden dan ook, niet met de andere leden van de groep terugkeert in het land dat het collectieve reisdocument heeft af gegeven moet de l"},{"i":6986,"b":"Burgerlijk Wetboek Boek 7, Bijzondere overeenkomsten Boek 7. Bijzondere overeenkomsten Titel 1. Koop en ruil Afdeling 1. Koop: Algemene bepalingen Artikel 1 Koop is de overeenkomst waarbij de een zich verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te betalen. Artikel 4 Wanneer de koop is gesloten zonder dat de prijs is bepaald, is de koper een redelijke prijs verschuldigd; bij de bepaling van die prijs wordt rekening gehouden met de door de verkoper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen. Artikel 5 1. In deze titel wordt verstaan onder: - a. **consumentenkoop:** de koop met betrekking tot een roerende zaak die wordt gesloten door een verkoper die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit en een koper, natuurlijk persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit; - b. **zaak met digitale elementen:** een roerende zaak waarin digitale inhoud of een digitale dienst is verwerkt of die daarmee onderling verbonden is, op zodanige wijze dat het ontbreken daarvan ertoe zou leiden dat de zaak zijn functies niet kan vervullen; - c. **digitale inhoud:** gegevens die in digitale vorm worden geproduceerd en geleverd; - d. **digitale dienst:** - i). een dienst die de koper in staat stelt gegevens in digitale vorm te creëren, te verwerken of op te slaan, of toegang tot die gegevens te krijgen, of - ii). een dienst die voorziet in de mogelijkheid tot het delen van gegevens of andere interactie met gegevens in digitale vorm die door de koper of door andere gebruikers van die dienst worden geüpload of gecreëerd; - e. **compatibiliteit:** het vermogen van zaken om te functioneren met hardware of software die doorgaans voor zaken van hetzelfde type worden gebruikt, zonder dat die zaken, hardware of software moeten worden omgezet; - f. **functionaliteit:** het vermogen van zaken om hun functies te vervullen met betrekking tot het doel ervan; - g. **interoperabil"},{"i":6983,"b":"Burgerlijk Wetboek Boek 4, Erfrecht Boek 4. Erfrecht Titel 1. Algemene bepalingen afdeeling Eerste. Algemeene bepalingen Artikel 877 Erfopvolging heeft alleen door den dood plaats. Artikel 878 1. Wanneer de volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden niet kan worden bepaald, worden die personen geacht gelijktijdig te zijn overleden en valt aan de ene persoon geen voordeel uit de nalatenschap van de andere ten deel. 2. Indien een belanghebbende ten gevolge van omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend, moeilijkheden ondervindt bij het bewijs van de volgorde van overlijden, kan de rechter hem een of meer malen uitstel verlenen, zulks voor zover redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het bewijs binnen de termijn van het uitstel kan worden geleverd. 3. De bepalingen van dit boek met betrekking tot vooroverlijden zijn van overeenkomstige toepassing bij gelijktijdig overlijden. Artikel 879 1. Tot de erfenis worden door de wet geroepen zij die tot de overledene in familierechtelijke betrekking stonden, en de langstlevende echtgenoot, volgens de hierna vastgestelde regelen. 2. Bij gebreke van zodanige personen als bedoeld in het vorige lid, vervallen de goederen aan den staat, onder den last om de schulden te voldoen, voor zoo ver de waarde dier goederen toereikende is. Artikel 879a In dit boek worden met echtgenoten gelijkgesteld geregistreerde partners. Artikel 880 1. De erfgenamen treden van regtswege in het bezit der goederen en regtsvorderingen van den overledene. 2. Indien er geschil ontstaat wie erfgenaam, en alzoo tot dat bezit bevoegd is, kan de regter bevelen dat de goederen onder geregtelijke bewaring zullen worden gesteld. 3. De staat moet zich door den regter doen in het bezit stellen, en is, op straffe van schadevergoeding, gehouden de nalatenschap te laten verzegelen, en eene boedelbeschrijving te doen opmaken, in den vorm, voor de aanvaarding van nalatenschappen onder het voorregt van boedelbeschrijving vastgesteld. Artikel 881 1. De e"},{"i":6344,"b":"Wet van 2 november 2022, houdende regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PbEU 2019, L 169) en Verordening (EU) 2020/740 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere parameters, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1369 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009 (PbEU 2020, L 177) (Wet uitvoering markttoezichtverordening) Hoofdstuk 1. Algemeen Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 2.1. ([Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054)) Wijzigt de Meststoffenwet. Artikel 2.2. ([Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517)) Wijzigt de Metrologiewet. Artikel 2.3. ([Tabaks- en rookwarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302)) Wijzigt de Tabaks- en rookwarenwet. Artikel 2.4. ([Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950)) Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel 2.5. ([Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969)) Wijzigt de Warenwet. Artikel 2.6. ([Wegenverkeerswet 1994](onbekend)) Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.7. ([Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779)) Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 2.8. ([Wet explosieven voor civiel gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803)) Wijzigt de Wet explosieven voor civiel gebruik. Artikel 2.9. ([Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670)) Wijzigt de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Artikel 2.10. ([Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672)) Wijzigt de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie. Artikel 2.11"},{"i":6397,"b":"Besluit van 17 december 2014, houdende wijziging van diverse besluiten in verband met de opheffing van de bedrijfslichamen en de overname van taken Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 15 september 2014, nr. WJZ / 14144878; Gelet op [artikel 15, vierde lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=15), [artikel 13, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=13), [artikel 41 van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=41), [artikel 3, eerste lid, onderdeel h, van de Plantenziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002075&artikel=3), [artikel 8 van de Postwet 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025572&artikel=8), [artikel 2, eerste lid, van de Visserijwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=2), [artikel 31, derde lid, van de Wet agrarisch grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=31), de [artikelen 2.2, tiende lid, onderdelen d, e, f, g, i, j, l, onder 1° en 4°, m, n en p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2), [2.8, vierde lid, onderdelen a, b, f en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.8), [3.1, tweede lid, onderdelen a, b, c, g, h, k en l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=3.1), [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.1), [7.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.2), [7.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.8) en [10.2, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.2), de [artikelen 80, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=80) en [118, tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=118), de [artikelen 4, zesde"},{"i":3759,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 26 april 2019, nr. IENW/BSK-2019/62573, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Stichting Veiligheid en Vakmanschap Rail Vervoer (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Stichting VVRV) Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gezien de overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en het bestuur van de Stichting Veiligheid en Vakmanschap Rail Vervoer; Gezien de schriftelijke instemming van het bestuur van de Stichting Veiligheid en Vakmanschap Rail Vervoer van 23 oktober 2018; BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder **bestuur:** bestuur van de Stichting Veiligheid en Vakmanschap Rail Vervoer. Artikel 2 1. Aan het bestuur wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten inzake: - a. de afgifte van beoordelingen als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=50); - b. de erkenning van examinatoren als bedoeld in [artikel 7a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=7a); - c. de erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor zover het betreft een erkenning als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=50) en [artikel 7a, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=7a), en de bij de erkenning behorende bevoegdheden, bedoeld in [paragraaf 4 van de Regeling spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030563&paragraaf=4). 2. Het bestuur wordt gemachtigd tot het houden van een register van erkende examinatoren als bedoeld"},{"i":5865,"b":"Besluit van 17 april 2020, houdende tijdelijke regels omtrent bijstandsverlening aan zelfstandigen die financieel getroffen zijn door de gevolgen van de crisis in verband met COVID-19 (Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 april 2020, nr. 2020-0000051085; Gelet op [artikel 78f van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78f) en [artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=63); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord 14 april 2020, No.W12.20.0110/III; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 april 2020, nr. 2020-0000052742; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definitiebepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **algemene de-minimisverordening:** verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352); - **verklaring:** verklaring als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043402&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2021-10-01&g=2021-10-01); - **wet:** [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703); - **zelfstandige:** de rechthebbende, bedoeld in [artikel 11, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=11) die achttien jaar of ouder is maar de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die; - a. voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan; - b. ten minste 1.225 uur per jaar besteedt aan werkzaamheden voor het bedrijf of zelfstandig bero"},{"i":5511,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de pers van 17 december 2013, nr. 23700 tot vaststelling van subsidieplafonds voor het jaar 2014 Gelet op [artikel 8.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10) en [artikel 22 van de Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040&artikel=22); Besluit: Artikel 1. Subsidieverlening op grond van [artikelen 8.10 tot en met 8.15 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10) 1. Voor subsidieverstrekking voor de activiteiten ten behoeve van persorganen en onderzoek bedoeld in deze artikelen is in 2014 een bedrag van ten hoogste € 2.000.000 beschikbaar, indien: - a. de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de activiteiten de versterking of vernieuwing van de Nederlandse journalistieke infrastructuur zeer ten goede komen; of - b. de activiteiten de pluriformiteit van de pers zeer ten goede komen; - c. de aanvrager tenminste de helft van de totale kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd voor zijn rekening neemt dan wel door derden laat meefinancieren. 2. Subsidie voor de in artikel 1 genoemde activiteiten ten behoeve van persorganen is alleen beschikbaar indien: - a. de start of voortzetting van de bij de aanvraag betrokken persorganen zonder subsidie niet mogelijk is en gestaakt moeten worden; - b. de aanvrager aannemelijk maakt alles in het werk te hebben gesteld om de activiteiten te starten of voort te zetten. Artikel 2. Subsidieverlening op grond van [artikel 8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15) 1. Voor subsidieverstrekking op grond van [titel 8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a) voor door het Stimuleringsfonds vast te stellen regelingen voor andere activiteiten dan die bedoeld in de [artikelen 8.11 tot en met 8.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.11) is een bedrag van ten hoogste € 1.720"},{"i":5918,"b":"Toepassing Wet toezicht kredietwezen t.a.v. Ned. Waterschapsbank en Bank Ned. Gemeenten Gelet op [artikel 1 van het Koninklijk besluit van 1 mei 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003397&artikel=1), Stb. 289, tot uitvoering van het bepaalde in artikel 30 van de Wet toezicht kredietwezen met betrekking tot andere kapitaalmarktinstellingen dan hypotheekbanken (Besluit ondertoezichtstelling overige kapitaalmarktinstellingen); De Nederlandsche Bank N.V. gehoord; Besluit: Artikel 1 Het [besluit ondertoezichtstelling overige kapitaalmarktinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003397) is met van toepassing op de Nederlandse Waterschapsbank N.V. Artikel 2 Deze beschikking, die in de Nederlandse Staatscourant wordt geplaatst, treedt in werking met ingang van 1 juli 1982."},{"i":5477,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 november 2005, nr. Z/F-2628617, houdende vaststelling van het premiepercentage voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten 2006 (Regeling vaststelling premiepercentage AWBZ 2006) Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt voor het jaar 2006 vastgesteld op 12,55. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage AWBZ 2006."},{"i":1762,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2002, houdende de vaststelling van een vakheffing voor bloemkwekerijproducten voor het jaar 2003 (Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de artikelen 14, 15 en 19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998; gehoord de sectorcommissie Bloemkwekerijproducten, d.d. 22 mei 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de artikelen 2 en 3 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998. 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. het productschap: | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | | b. het bestuur: | het bestuur van het productschap; | | c. de voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | d. de bloemkwekerijproducten: | siergewassen, bloemzaden daaronder begrepen, in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van: | | e. het uitgangsmateriaal: | planten en plantendelen van bloemkwekerijproducten welke bestemd zijn voor de teelt van gebruiksklare (voor de consument geschikte) bloemkwekerijproducten, zoals stekken, zaaikisten en weefselkweekplanten | | f. het kweken van bloemkwekerijproducten of uitgangsmateriaal: | 1. het ter verkrijging van een oogst brengen, hebben of houden in een al dan niet overdekt groeimedium van bloemkwekerijproducten of uitgangsmateriaal; 2. het ter bevordering van het verkrijgen van een oogst verrichten van alle wijzen van behandelen, bewerken, beschermen, bewaren en verzorgen van bloemkwekerijproducten of uitgangsmateriaal, of 3. het oogsten van bloemkwekerijproducten of uitgangsmateriaal; | | g. de kweker: | de ondernemer die bloemkwek"},{"i":6253,"b":"Wet van 15 september 2011 tot samenvoeging van de gemeenten Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Hollands Kroon ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Hollands Kroon wordt de op te heffen gemeente Anna Paulowna aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer wordt de nieuwe gemeente Hollands Kroon aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van d"},{"i":1795,"b":"Wet van 12 juli 2023 tot wijziging van de Wet hersteloperatie toeslagen houdende aanvullende maatregelen voor kinderen, ex-partners van gedupeerde aanvragers kinderopvangtoeslag, nabestaanden van overleden gedupeerde aanvragers kinderopvangtoeslag en overleden kinderen (Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen) Artikel I Wijzigt de Wet hersteloperatie toeslagen. Artikel Ia 1. Onze Minister zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse zaken, binnen één jaar na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel EEa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048413&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01), aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van [hoofdstuk 4a van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&hoofdstuk=4A) in de praktijk. 2. Naar aanleiding van de evaluatie van deze wet kan bij algemene maatregel van bestuur de kring van betrokkenen op wie [hoofdstuk 4a van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&hoofdstuk=4A) van toepassing is, worden uitgebreid. Artikel II 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met dien verstande dat [artikel I, onderdelen A, onder 2, DD, onder 1, 3 en 5, EE, onder 1, 3 en 5, en CCC, onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048413&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01), terugwerkt tot en met 5 november 2022. 2. In het besluit, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald dat [artikel I, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048413&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01), van deze wet terugwerkt tot en met 1 oktober 2023. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen. Allen, die deze zullen zie"},{"i":6423,"b":"Besluit van 25 maart 2024 tot wijziging van het Besluit geslachtsnaamswijziging in verband met de inwerkingtreding van de Wet introductie gecombineerde geslachtsnaam Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming, van 8 november 2023, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5016750; Gelet op [artikel 7, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=7); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 november 2023, nr. W16.23.00332/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 20 maart 2024, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5244263; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit geslachtsnaamswijziging. Artikel II In afwijking van [artikel 5, tweede lid, van het Besluit geslachtsnaamswijziging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008951&artikel=5) wordt een verzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, van dat besluit tot wijziging van zijn geslachtsnaam in een gecombineerde geslachtsnaam ingediend door een meerderjarige die in de periode van 1 januari 2024 tot 1 oktober 2024 de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, ingewilligd als het is ingediend voor 1 juli 2025. Artikel III Dit besluit is van toepassing op verzoeken die zijn ingediend op of na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2024. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6226,"b":"Wet van 26 mei 2021 tot herindeling van de gemeenten Beemster en Purmerend Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het grondgebied van de gemeente Beemster toe te voegen aan de gemeente Purmerend; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en rechtsopvolging Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling wordt de gemeente Beemster opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt het grondgebied van de op te heffen gemeente Beemster toegevoegd aan de gemeente Purmerend door een grenswijziging van de gemeente Purmerend, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 Voor de op te heffen gemeente Beemster wordt de gemeente Purmerend aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. § 2. Wijziging andere wetten Artikel 4 Wijzigt de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II. Artikel 5 Wijzigt de Wet op de rechterlijke indeling. Artikel 6 Wijzigt de Wet veiligheidsregio’s. § 3. Inwerkingtreding Artikel 7 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bijlage Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat al"},{"i":6233,"b":"Wet van 5 juli 1979, tot instelling van een gemeente Lelystad en nadere vaststelling van de grens van de gemeente Dronten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is over te gaan tot instelling van een gemeente Lelystad en tegelijkertijd de grens van de gemeente Dronten nader vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Instelling van een gemeente en grensbepaling Artikel 1 Ingesteld wordt een gemeente, genaamd Lelystad. Artikel 2 1. Het gebied van de gemeente Lelystad wordt als volgt bepaald: beginnende in de zuidoostelijke hoek van het perceel, kadastraal bekend gemeente Oostelijk Flevoland, sectie L, nummer 208, volgt de grens van de gemeente Lelystad een lijn welke enerzijds wordt begrensd door de percelen, kadastraal bekend gemeente Oostelijk Flevoland, sectie L, nummers 283, 243, 515, 223, gemeente Zuidelijk Flevoland, sectie D, nummer 4, gemeente Oostelijk Flevoland, sectie L, nummer 482, gemeente Zuidelijk Flevoland, sectie D, nummers 27, 14, 24, 12, 22, 8, 20, sectie W, nummers 57, 56, 54, gemeente Markerwaard, sectie V, nummers 14, 13 en 6, alsmede het niet gekadastreerde IJsselmeer en anderzijds door de percelen, kadastraal bekend gemeente Oostelijk Flevoland, sectie L, nummers 208, 207, 194, 426, 242, 399, 225, 224, 514, 483, sectie Z, nummer 168, gemeente Zuidelijk Flevoland, sectie D, nummers 15, 26, nogmaals 15, 25, 23, 21, 19, sectie W, nummer 55, gemeente Oostelijk Flevoland, sectie L, nummer 513, sectie H, nummers 389, 390, gemeente Markerwaard, sectie V, nummer 7, gemeente Oostelijk Flevoland, sectie H, nummer 382, tot de zuidoostelijke hoek van laatstgenoemd perceel. Vandaar volgt de grens de grens van de gemeente Dronten zoals deze na toepassing van het tweede lid komt te lopen, tot het punt van uitgang. 2. De gren"},{"i":2409,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 12 juni 2024 nr. KO/ 44700691, houdende regels voor een experiment gericht op de inclusie van leerlingen middels integratie van het gespecialiseerd onderwijs in het regulier onderwijs (Beleidsregel experiment inclusieve leeromgeving 2024) Gelet op [artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718&artikel=2) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **basisschool:** basisschool als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **experiment:** beleidsregel experiment inclusieve leeromgeving 2024; - **instelling voor speciaal onderwijs:** instelling voor speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 8, tweede en derde volzin van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=8); - **instelling voor voortgezet speciaal onderwijs:** instelling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, tweede en derde volzin van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=8); - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **samenwerkende bevoegde gezagsorganen:** bevoegde gezagsorganen van scholen of instellingen die gezamenlijk deelnemen aan het experiment; - **penvoerder:** bevoegd gezag van een school of instelling dat namens de samenwerkende bevoegde gezagsorganen optreedt bij de aanvraag op grond van deze beleidsregel; - **samenwerkingsverband:** samenwerkingsverband als bedoeld in [a"},{"i":6984,"b":"Burgerlijk Wetboek Boek 5, Zakelijke rechten Boek 5. Zakelijke rechten Titel 1. Eigendom in het algemeen Artikel 1 1. Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben. 2. Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij van de zaak gebruik te maken, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen. 3. De eigenaar van de zaak wordt, behoudens rechten van anderen, eigenaar van de afgescheiden vruchten. Artikel 2 De eigenaar van een zaak is bevoegd haar van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen. Artikel 3 Voor zover de wet niet anders bepaalt, is de eigenaar van een zaak eigenaar van al haar bestanddelen. Titel 2. Eigendom van roerende zaken Artikel 4 Hij die een aan niemand toebehorende roerende zaak in bezit neemt, verkrijgt daarvan de eigendom. Artikel 5 1. Hij die een onbeheerde zaak vindt en onder zich neemt, is verplicht: - a. met bekwame spoed overeenkomstig lid 2, eerste zin, van de vondst aangifte te doen, tenzij hij terstond na de vondst daarvan mededeling heeft gedaan aan degene die hij als eigenaar of als tot ontvangst bevoegd mocht beschouwen; - b. met bekwame spoed tevens overeenkomstig lid 2, tweede zin, mededeling van de vondst te doen, indien deze is gedaan in een woning, een gebouw of een vervoermiddel, tenzij hij krachtens het bepaalde onder **a**, slot ook niet tot aangifte verplicht was; - c. de zaak in bewaring te geven aan de gemeente die dit vordert. 2. De in lid 1 onder **a** bedoelde aangifte kan in iedere gemeente worden gedaan bij de daartoe aangewezen ambtenaar. De in lid 1 onder **b** bedoelde mededeling geschiedt bij degene die de woning bewoont of het gebouw of vervoermiddel in gebruik of exploitatie heeft, dan wel bij degene die daar voor hem toezicht houdt. 3. De vinder is te allen tijde bevoegd de zaak aan enige gemeente in bewaring te geven. Zolang hij dit niet d"},{"i":1851,"b":"Wet van 26 juni 1991, houdende regels inzake de heffing van rechten voor de legalisatie van handtekeningen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het heffen van rechten voor het legaliseren van handtekeningen een wettelijke basis behoeft; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor het legaliseren van handtekeningen zijn aan het Rijk rechten verschuldigd. 2. Het tarief van de rechten wordt vastgesteld door Onze minister wie het aangaat. Het tarief wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde opbrengst van de rechten de geraamde uitgaven terzake niet te boven gaat. Artikel 2 1. De Wet van 9 mei 1890, Stb. 80, tot nadere regeling van de heffing en bestemming der Kanselarijleges wordt ingetrokken. 2. Het koninklijk besluit van 10 september 1969, Stcrt. 182, houdende regeling inzake de vergoeding voor het verstrekken van afschriften en voor de legalisatie van handtekeningen, wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag van de datum, van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005125&artikel=2&z=2005-08-01&g=2005-08-01), welke in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7402,"b":"Wet van 17 november 1994 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de opneming van bepalingen omtrent de overeenkomst tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rechtspositie van de patiënt te verduidelijken en te versterken, daarbij rekening houdend met de eigen verantwoordelijkheid van de hulpverlener voor zijn handelen als goed hulpverlener, en daartoe in het Burgerlijk Wetboek enige bepalingen op te nemen omtrent de overeenkomst tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV De bescheiden, bedoeld in [artikel 454 lid 3, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=454), die voorhanden zijn op het in [artikel V lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007021&artikel=V&z=2006-02-01&g=2006-02-01) bedoelde tijdstip, kunnen nog gedurende vijftien jaren na dat tijdstip worden bewaard met het oog op mogelijke verstrekking overeenkomstig [artikel 458](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=458), tenzij de patiënt een verzoek doet als bedoeld in [artikel 455 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=455). Artikel V 1. De artikelen van deze wet treden, behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. Artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek treedt in werking met ingang van de eerste kalendermaand na verloop van vijf jaren na het in het"},{"i":4140,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 juli 2025, nr. BZ2517990 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) met het oog op subsidiëring van activiteiten op het gebied van marktontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden met gebruik van gebundelde kennis, kunde en technologie van ondernemingen, brancheorganisaties, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2028 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028 worden ingediend vanaf 28 augustus, 12:00 Nederlandse tijd tot en met 4 december 2025, 15:00 uur Nederlandse tijd. 2. Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes. 3. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Impact Clusters 2025–2028 worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagform"},{"i":2623,"b":"Besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 14 september 2005, nr. DDS 5373122 houdende de vaststelling van beleidsregels ter zake van de uitvoering van artikel 48s van de Wet Justitie-subsidies (Beleidsregels projectsubsidie initiatieven versterking van het handelen bij eergerelateerd geweld) Gelet op [artikel 48s van de Wet Justitiesubsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48s) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Minister: De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie; - b. Minderhedenorganisaties: (zelf)organisaties, al dan niet op etnische of religieuze grondslag, die vanwege de aard van de organisatie een directe band hebben met allochtone burgers, bij voorbeeld via vertegenwoordiging; - c. Eergerelateerd geweld: elke vorm van geestelijk of lichamelijk geweld gepleegd vanuit een collectieve mentaliteit in reactie op een (dreiging van) schending van de eer van een man of vrouw en daarmee van zijn of haar familie waarvan de buitenwereld op de hoogte is of dreigt te raken; - d. Handelingsprotocol: een door en voor burgers en organisaties uit de minderheden op te stellen document dat inzicht geeft in handelingsmogelijkheden ter voorkoming van of interventie bij eergerelateerd geweld. Artikel 2. Doelomschrijving De Minister kan op aanvraag een subsidie verlenen ten behoeve van initiatieven die: - a. gericht zijn op verbetering van het handelen van burgers en organisaties uit de minderheden bij eergerelateerd geweld en; - b. bijdragen aan de realisatie van een gezamenlijk op te stellen handelingsprotocol. Artikel 3. Budget Het beschikbare budget voor het verlenen van de subsidies bedraagt € 200.000,= , te besteden in het jaar 2005. Artikel 4. Subsidieaanvrager Voor verlening van een subsidie komen in aanmerking rechtspersonen, zijnde: - a. minderhedenorganisaties"},{"i":3742,"b":"Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst, van 4 april 2013, nr. MA/2013/025/UP, houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het bestuur van de huurcommissie ten aanzien van het invorderen van vergoedingen bij dwangbevel (Besluit mandaat, volmacht en machtiging invorderen bij dwangbevel 2013) Gelet op de [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315); Gelet op de [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gelet op de instemming van het bestuur van de huurcommissie overeenkomstig [artikel 10:4, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit; Artikel 1 Aan het bestuur wordt mandaat verleend tot het bij dwangbevel invorderen van de aan de Staat verschuldigde vergoeding bedoeld in [artikel 7, zevende lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=7). Artikel 2 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het besluit wordt geplaatst. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat, volmacht en machtiging invorderen bij dwangbevel 2013. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4789,"b":"Besluit van 24 september 2020, houdende regels in verband met verdere flexibilisering van de loodsplicht (Loodsplichtbesluit 2021) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 25 maart 2020, nr. IENW/BSK-2020/49236, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op[artikelen 16, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16), [artikelen 22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=22), en [25 van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=25) en [artikelen 10, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=10), [11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=11), en [12 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=12) (nieuw); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 mei 2020, nr. W17.20.0078/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 21 september 2020, nr. IENW/BSK-2020/173645, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt voor de zeehavengebieden, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, in werking op 1 januari 2021. Treedt voor het zeehavengebied Scheldemonden, voor zover hoofdstuk III van het Scheldereglement daarop niet van toepassing is, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (Stb. 2020/378). Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities 1. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **bevoegde autoriteit:** voor een scheepvaartweg of gedeelten daarvan door Onze Minister als zodanig is aangewezen functionaris; - –. **call:** een combinatie van een inkomende en uitgaande reis over een traject in hetzelfde zeehavengebied; - –. **eerste stuurman:** zeevarende die op grond van het bemanningsp"},{"i":3205,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 mei 2024 nr. BOACAT2024/039, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Assen Gelezen het verzoek van de gemeente Assen van 24 april 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049718&artikel=2&z=2025-06-24&g=2025-06-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van integrale BOA, wijk BOA en coördinator ANPR-cameratoezicht in dienst van de gemeente Assen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervul"},{"i":3946,"b":"Besluit van 12 december 2016, houdende regels inzake radioapparaten ter implementatie van richtlijn 2014/53/EU (Besluit radioapparaten 2016) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 3 oktober 2016, nr. WJZ / 16138692; Gelet op [richtlijn nr. 2014/53](32014L0053)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgeving van de lidstaten inzake op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van [Richtlijn 1999/5/EG](31999L0005) (PbEU 2014, L 153) alsmede op het Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 3/2006, van 27 januari 2006 tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-Overeenkomst (PbEG 2006, L 92), artikel 3, tweede lid en de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika (PbEG 1999, L 31), artikel II, derde lid en de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en Canada (PbEG 1998, L 280), artikel 2, tweede lid, en de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling, certificaten en markeringen tussen de Europese Gemeenschap en Australië (PbEG 1998, L 229), artikel 2, tweede lid en de sectorbijlage betreffende elektromagnetische compatibiliteit van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland (PbEG 1998, L 229), artikel 1 en bijlage 1, Hoofdstuk 9, betreffende elektromagnetische compatibiliteit van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling tussen de Europese Gemeenschap en Zwitserland (PbEG 2002, L 114), en op de [artikelen 10.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=10."},{"i":7494,"b":"Beleidsregel elektronische tenaamstelling Gelet op [artikel 50, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=50); besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Wijziging van de tenaamstelling langs elektronische weg 1. De aanvraag van een tenaamstelling langs elektronische weg als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=50) kan worden ingediend door een natuurlijke persoon. 2. Degene op wiens naam een motorrijtuig of aanhangwagen in het kentekenregister is ingeschreven of degene die na diens overlijden eigenaar of houder van het voertuig is geworden is, ingeval hij ophoudt eigenaar of houder te zijn van het voertuig waarvoor de inschrijving gold, verplicht terstond de kentekencard ter hand te stellen en de tenaamstellingscode terstond mee te delen aan degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden. 3. Degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden is verplicht terstond nadat hij eigenaar of houder van het voertuig is geworden bij de Dienst Wegverkeer om tenaamstelling te verzoeken. 4. De aanvraag wordt ingediend op de internetsite rdw.nl onder opgave van het documentnummer van de kentekencard en de corresponderende tenaamstellingscode. 5. Degene die om tenaamstelling verzoekt, logt in met behulp van zijn DigiD-app, waarvan het inlogniveau is verhoogd middels een controle van de chip in een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs. 6. Degene die om tenaamstelling verzoekt voldoet per iDeal-betaling het voor een tenaamstelling verschuldigde tarief. 7. De Dienst Wegverkeer stelt aan degene die aan de verplichtingen van het vierde tot en met zevende lid heeft voldaan een vrijwaringsbewijs, een tenaamstellingsverslag en een nieuwe tenaamstellingscode beschikbaar via een door hem gewenst e-mailadres en desgewenst via zijn persoonlijke Berichtenbox van MijnOv"},{"i":7071,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Groothertogdom Luxemburg en de Federale Regering van de Federale Republiek Joegoslavië betreffende de terug- en overname van personen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Staat De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, en de Federale Regering van de Federale Republiek Joegoslavië, de drie eerstgenoemden gezamenlijk optredend op grond van de [Benelux-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246) van 11 april 1960, hierna genoemd: de Overeenkomstsluitende Staten, gevolg gevend aan het voornemen de betrekkingen tussen vorengenoemde landen te verbeteren en teneinde de terug- en overname te regelen van personen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Staat, aldus ernaar strevend bij te dragen tot de voorkoming en wegwerking van illegale migratie, zijn het volgende overeengekomen: I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Definities In deze Overeenkomst dient te worden verstaan onder: - (1). grondgebied: – de Federale Republiek Joegoslavië; - –. de Benelux: het gezamenlijke grondgebied in Europa van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden; - (2). buitengrens: een grens van de Federale Republiek Joegoslavië en de grens van de Benelux, die niet een gemeenschappelijke grens is, alsmede iedere binnen het Benelux-gebied of op het grondgebied van de Federale Republiek Joegoslavië gelegen lucht- of zeehaven waar personenverkeer plaatsvindt; - (3). derde land: elk land dat niet de Federale Republiek Joegoslavië en geen Benelux-Staat is; - (4). een persoon die terugkeert en wordt terug-/overgenomen: - 1. iemand van wie is v"},{"i":5935,"b":"Tweede Benoemingsbesluit Toezichtsraad BIT Gelet op [artikel 5, vijfde lid, van het Instellingsbesluit tijdelijk Bureau ICT-toetsing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036874&artikel=5); Gezien de voordracht van het CIO Platform Nederland; besluit Artikel 1. Benoeming 1. Tot lid van de Toezichtsraad BIT wordt benoemd: dhr. G. Baarslag 2. De benoeming geldt voor de periode van 10 november 2015 tot 10 mei 2018. Artikel 2. Vergoeding 1. De leden ontvangen een vergoeding per vergadering van 3% van het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). 2. De leden ontvangen een vergoeding van reiskosten op grond van het [Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889). Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Tweede Benoemingsbesluit Toezichtsraad BIT. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden verzonden aan betrokkene."},{"i":7465,"b":"Wet van 22 juni 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de concentratie van scheepvaartzaken bij de rechtbank Rotterdam Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is scheepvaartzaken te concentreren bij de rechtbank Rotterdam en in verband hiermee enige wijzigingen in het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel II Ten aanzien van procedures die aanhangig zijn gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht van toepassing zoals dat voor die datum gold. Artikel III 1. Wijzigt deze wet. 2. Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6865,"b":"Besluit van 3 november 2000, houdende regels inzake de etikettering van het energiegebruik van personenauto's (Besluit etikettering energiegebruik personenauto's) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 4 juli 2000, nr. WJZ00042055, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [richtlijn nr. 1999/94/EG](31999L0094) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's (PbEG 2000, L 12), op [artikel 6 van de Wet energiebesparing toestellen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003916&artikel=6) en op [artikel 4b, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b); De Raad van State gehoord (advies van 24 augustus 2000, nr. W10.00.0271/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 26 oktober 2000, nr. WJZ 00066707, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. richtlijn 2007/46/EG: richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Pb EU L 263); - b. verordening (EG) 692/2008: Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007, betreffende de typegoedkeuring van motorvoer"},{"i":6745,"b":"Wet van 15 mei 1997 tot wijziging van onder meer de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs inzake het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gemeenten meer verantwoordelijkheid te geven bij de bestrijding van onderwijsachterstanden; Dat het tevens wenselijk is scholen te stimuleren gerichter aandacht te besteden aan het bestrijden van onderwijsachterstanden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking als de Wet van 5 maart 1998, houdende wijziging van enkele onderwijswetten in verband met het onderwijs in allochtone levende talen en enkele technische aanpassingen (Stb. 1998/148) in werking treedt. De artikelen IX, X en XI werken terug tot en met 20 juni 1997. ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE WET OP HET PRIMAIR ONDERWIJS Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE WET OP DE EXPERTISECENTRA Wijzigt de Wet op de expertisecentra. ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE WET OP HET VOORGEZET ONDERWIJS Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs ARTIKEL IV. WIJZIGING VAN DE TIJDELIJKE WET STIMULERING SOCIALE VERNIEUWING Wijzigt de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing. ARTIKEL V. OVERGANGSBEPALING BEZWAAR EN BEROEP Vervallen ARTIKEL VI. OVERGANGSBEPALING HANDHAVEN OUDE VOORSCHRIFTEN VOOR AFREKENING Vervallen ARTIKEL VII. OVERGANGSBEPALING TOEDELING GEMEENTELIJKE MIDDELEN Vervallen ARTIKEL VIII. OVERGANGSBEPALING INWERKINGTREDING AWB DERDE TRANCHE Vervallen ARTIKEL IX. EERSTE VASTSTELLING LANDELIJK BELEIDSKADER EN ONDERWIJSACHTERSTANDENPLAN Vervallen ARTIKEL X. MINISTERIËLE REGELING VOOR INVOERING VAN DE WET Vervallen ARTIKEL XI. TOEKENNING MID"},{"i":7445,"b":"Wet van 20 februari 1995, tot wijziging van de Wet individuele huursubsidie voor de duur van het subsidietijdvak dat is aangevangen op 1 juli 1994 en loopt tot en met 30 juni 1995 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te voorkomen dat de in de Wet individuele huursubsidie neergelegde systematiek van vaststelling van huursubsidietabellen ten aanzien van enige huurder die een bijdrage op voet van die wet ontvangt, leidt tot een hoogte van die bijdrage die niet met de bedoeling van die wet in overeenstemming is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I In deze wet wordt verstaan onder: - a. de bijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet individuele huursubsidie; - b. het lopende tijdvak: het tijdvak dat is aangevangen op 1 juli 1994 en loopt tot en met 30 juni 1995. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bij ministeriële regeling: - a. worden de huursubsidietabellen I en II, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet individuele huursubsidie, de huursubsidietabel IIB, vastgesteld krachtens artikel IX, derde lid, van de in [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007244&artikel=III&z=1995-03-01&g=1995-03-01) genoemde wet, alsmede de in overeenstemming met de artikelen 16, tweede volzin, van de Wet individuele huursubsidie en XI van de in [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007244&artikel=III&z=1995-03-01&g=1995-03-01) genoemde wet vastgestelde huursubsidietabellen III, IIIA, IIIB en IIIC met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 1994 vervangen, en - b. wordt de factor, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel **e**, onder **c**, van de Wet individuele huursubsidie met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 1994"},{"i":6734,"b":"Wet van 9 maart 2016 tot wijziging van de Wet luchtvaart in verband met de invoering van een nieuw normen- en handhavingstelsel voor de luchthaven Schiphol en enige andere wijzigingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) te wijzigen in verband met de invoering van een nieuw normen- en handhavingstelsel voor de luchthaven Schiphol, dat leidt tot een betere verdeling van de wettelijk toegestane geluidruimte, terwijl een gelijkwaardige bescherming van de omgeving wordt geboden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel II Wijzigt de Luchtvaartwet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV 1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van de wijze van vaststelling van de gebieden bedoeld in [artikel 8.5, vijfde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.5) in een luchthavenbesluit waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor dat tijdstip. 2. Dit lid is nog niet in werking getreden. Artikel V Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7444,"b":"Wet van 19 juni 1996, houdende wijziging van de Wet individuele huursubsidie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om wijzigingen aan te brengen in het mechanisme voor de jaarlijkse aanpassingen van de individuele huursubsidie en om een wijziging aan te brengen in het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) in verband met een eerdere wijziging van de Wet individuele huursubsidie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet individuele huursubsidie. ARTIKEL II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. ARTIKEL III [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008112&artikel=I&z=1996-07-01&g=1996-07-01) is niet van toepassing op aanvragen om en verstrekkingen van een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet individuele huursubsidie, die betrekking hebben op tijdvakken als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van die wet, die zijn verstreken vóór 1 juli 1996. ARTIKEL IV Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 1996, met uitzondering van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008112&artikel=II&z=1996-07-01&g=1996-07-01), dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin deze wet wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7454,"b":"Wet van 18 oktober 2007 tot wijziging van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat naar aanleiding van de in 2005 gehouden evaluatie van de [Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009276) en het functioneren van de kamers enige wijzigingen nodig zijn ten aanzien van de taken van, het toezicht op, de besturen van en de wijze van samenwerking van de kamers; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997. Artikel II 1. De ingevolge de [Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009276) geldende bepalingen ten aanzien van begroting, activiteitenplan, jaarrekening en jaarverslag van een kamer en ten aanzien van door een kamer in rekening te brengen vergoedingen en bijdragen, zoals die luiden na inwerkingtreding van deze wet, worden voor de eerste maal in acht genomen indien de genoemde documenten, vergoedingen en bijdragen betrekking hebben op kalenderjaar 2008. 2. Indien een jaarrekening of jaarverslag van een kamer betrekking heeft op kalenderjaar 2007, gelden de op die documenten betrekking hebbende bepalingen van de [Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009276) zoals deze luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel IV Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel V Wijzigt de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997. Artikel VI Wijzigt de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 en de Handelsregisterwet 2007. Artikel VII Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn de personeelsleden van een kamer"},{"i":4080,"b":"Besluit van 24 december 1997 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten houdende regels met betrekking tot uitbreiding en beperking van de kring van ingezetenen voor de toepassing van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Besluit uitbreiding en beperking kring ingezetenen Wajong) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 november 1997, nr. SV/GSV/97/4895; Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 17 december 1997, nr. W12.97.0762); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 1997, nr. SV/GSV/97/5432; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657). Artikel 2. Uitbreiding van de kring van ingezetenen Voor de toepassing van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) wordt mede verstaan onder ingezetene: de persoon, die buiten Nederland woont en die op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182&artikel=5), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182&artikel=8) of [28c van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999](onbekend) verplicht verzekerd is voor de volksverzekeringen. Artikel 3. Eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind van ontwikkelingswerker 1. Voor de toepassing van de wet wordt mede verstaan onder ingezetene: het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind van de persoon, die is uitgezonden om door"},{"i":1884,"b":"Besluit van 23 december 1991, houdende wijziging van het Besluit douane en accijnzen en andere algemene maatregelen van bestuur (tijdelijke opslag, entrepots en de invoering van de Wet op de accijns) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 11 november 1991, nr. WD91/656, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, directie Wetgeving Douane; Gelet op de artikelen 3, 14, 32, 45, 97, 166, 185 en 220**a** van de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen (**Stb.** 1961, 31), [artikel 1 van de Statistiekwet 1950](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002064&artikel=1) (**Stb.** 1962, 367), de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=9), tweede lid, onderdeel **b**, en [12, derde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=12) (**Stb.** 329) en artikel 66**b**, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ( **Stb.** 1990, 103); De Raad van State gehoord (advies van 18 december 1991, nr. W06.91.0637); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 20 december 1991, nr. WD91/768, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, directie Wetgeving Douane; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII 1. Op grond van artikel 1 van het Besluit administratieve controle fictief douane-entrepot 1967 (**Stb.** 550) verleende vergunningen voor een fictief douane-entrepot waaruit uitslag van accijnsgoederen mag geschieden zonder dat vooraf de ingevolge het Besluit douane en accijnzen vereiste goederenaangiften zijn gedaan, worden tot wederopzegging aangemerkt als krachtens [Hoofdstuk III van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":6982,"b":"Burgerlijk Wetboek Boek 3, Vermogensrecht Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen Titel 1. Algemene bepalingen Afdeling 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten. Artikel 2 Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. Artikel 3 1. Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken. 2. Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn. Artikel 4 1. Al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak. 2. Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak. Artikel 5 Inboedel is het geheel van tot huisraad en tot stoffering en meubilering van een woning dienende roerende zaken, met uitzondering van boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard. Artikel 6 Rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten. Artikel 7 Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan. Artikel 8 Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte recht is bezwaard. Artikel 9 1. Natuurlijke vruchten zijn zaken die volgens verkeersopvatting als vruchten van andere zaken worden aangemerkt. 2. Burgerlijke vruchten zijn rechten die volgens verkeersopvatting als vruchten van goederen worden aangemerkt. 3. De afzonderlijke termijnen van een lijfrente ge"},{"i":3593,"b":"Besluit van 13 november 1991, houdende regelen tot uitvoering van de artikelen 8, negende lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1986, 386) en 10, vijfde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1984, 94) Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 10 juni 1991, DVVB/WUP-U-91890; Gelet op artikel 8, negende lid, van de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844) (**Stb.** 1986, 386) en [artikel 10, vijfde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=10) (**Stb.** 1984, 94); Gehoord de Pensioen- en Uitkeringsraad, de Stichting Joods Maatschappelijk Werk, de Stichting Pelita, de Stichting 1940-1945 en de Stichting Burger-oorlogsgetroffenen; De Raad van State gehoord (advies van 21 augustus 1991, no. W13.91.0296); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 6 november 1991, DVVB/WUP-U-911542; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onder inkomen uit arbeid in beroep of bedrijf, als bedoeld in de [artikelen 8, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=8) (**Stb.** 1986, 386) en 10, tweede lid, van de [Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664) (**Stb.** 1984, 94), wordt uitsluitend verstaan: - a. het ambtelijk inkomen, bedoeld in artikel C1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (**Stb.** 1986, 540); - b. het loon in de zin van de krachtens [artikel 14, eerste en tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=14) (**Stb.** 1987, 89) gestelde regelen, met dien verstande dat in afwijking daarvan: - 1. fooien, alsmede het voordeel dat voor de werknemer was gelegen in het gebruik voor privé-doeleinden van een auto of te"},{"i":7558,"b":"Besluit opgedragen telecommunicatiediensten BES § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: [Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469). Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 3 van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=3). § 2. Opgedragen diensten Artikel 2 De opgedragen diensten met betrekking tot het directe transport van gegevens, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=3), omvatten de in de navolgende paragrafen omschreven vaste telecommunicatiedienst, satelliettelecommunicatiedienst, mobiele telecommunicatiedienst en langeafstandstelecommunicatiedienst. § 3. Telefoondienst Artikel 3 De opgedragen diensten, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028378&paragraaf=2&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), kunnen naar hun aard en omvang in een concessie worden beperkt tot één of meer van deze diensten dan wel delen daarvan. Artikel 4 Onder vaste telecommunicatiedienst wordt verstaan de dienst met betrekking tot het transport van gegevens via de vaste telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie voor: - a. direct of indirect uitgaande en binnenkomende nationale of nationale en internationale gesprekken, met behulp van een nummer uit een nummerplan als bedoeld in [artikel 44e, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028469&artikel=44e), en - b. toegang tot het internet en derhalve connectiviteit met vrijwel alle eindpunten van het internet, ongeacht de gebruikte netwerktechnologie en eindapparatuur. Artikel 5 Onder mobiele telecommunicatiedienst wordt verstaan de dienst met betrekking tot het transport van gegevens via de mobiele telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie voor: - a. direct of indirect uitgaande en binnenkomende nationale of nationale en internationale gesprekken, met behul"},{"i":1900,"b":"Besluit van 23 december 2010 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsbesluiten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 19 november 2010, nr. DB 2010/244 M; Gelet op de [artikelen 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.5), [3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.11), [5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.20), [7.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6), [9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=9.2) en [10.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8), de [artikelen 31a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31a), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=33) en [34 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=34), de [artikelen 15, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15), en [29 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29), [artikel 21, achtste en negende lid, van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=21), de [artikelen 37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=37), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=38) en [53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53), [artikel 46 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=46), de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11), en [12, vijfde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=12), de [artikelen 1:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:4), en [3:1 van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":6236,"b":"Wet van 10 mei 2023 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de herziening van afdeling 2.3 van die wet (Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van het elektronisch verkeer, wenselijk is om [afdeling 2.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=2.3) te moderniseren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel Ia Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel Ib Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan bij ministeriële regeling regels stellen over een specifieke uitkering aan gemeenten ter bekostiging van de ondersteuning van burgers bij het verkeer met en de dienstverlening door een bestuursorgaan langs elektronische weg. Artikel II Wijzigt de Advocatenwet. Artikel III Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel V Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VI Wijzigt de Dienstenwet. Artikel VII Wijzigt de Erfgoedwet. Artikel VIII Wijzigt de Kaderwet overige BZK-subsidies. Artikel IX Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel X Wijzigt de Kadasterwet. Artikel XI Wijzigt de Omgevingswet. Artikel XII Wijzigt de Politiewet 2012. Artikel XIII Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel XIV Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel XV Wijzigt de Waterwet. Artikel XVa1 Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel XVa Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel XVI Wijzigt de Wet ambtenaren defensie. Artikel XVII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag."},{"i":13029,"b":"Besluit vervanging archiefbescheiden Stichting Schadefonds Geweldsmisdrijven 4 december 2015 Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft besloten over te gaan tot vervanging (substitutie) van analoge archiefbescheiden door middel van het maken van digitale reproducties van deze archiefbescheiden. De vervanging is van toepassing op analoge archiefbescheiden die op grond van de **Selectielijst voor het Schadefonds geweldsmisdrijven 1976- (actualisatie 2014)** opgemaakt of ontvangen zijn en die voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen. De documenten voor de ondersteunende processen HRM (voor zover het personeelsgerelateerde stukken betreft) en Financiën (voor over het facturen betreft) worden van vervanging uitgezonderd omdat die reeds in bestaande systemen worden gedigitaliseerd. Van deze systemen is het eigenaarschap/zordragerschap op een hoger niveau belegd. Verdere uitzonderingen staan vermeld in paragraaf 2.1 van het Handboek Vervanging van het Schadefonds Geweldsmisdrijven De analoge archiefbescheiden worden 6 maanden na reproductie vernietigd. Retrospectieve vervanging van afgesloten archiefbestanden wordt niet toegepast. De vervanging geschiedt met een objectief juiste en volledige weergave van de archiefbescheiden. Voor de beschrijving van het vervangingsproces is als bijlage het Handboek Vervanging van het Schadefonds Geweldsmisdrijven toegevoegd. Deze bijlage maakt integraal onderdeel uit van dit besluit. Door de archiefdienstverlener Doxis is een audit op het vervangingsproces uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van de audit zijn onderdelen van het vervangingsproces aangepast en/of heringericht. De aanpassingen zijn doorgevoerd in het Handboek Vervanging. Het proces van vervanging vindt plaatst binnen de bestaande financiële middelen. Op dit besluit zijn van toepassing: Dit besluit treedt in werking met ingang 4 december 2015, maar met terugwerkende kracht tot 2 maart 2015 voor de zaaksgebonden archiefbescheiden en met terugwerkende kracht tot 1 dec"},{"i":4049,"b":"Besluit van 22 juni 2023 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en enige andere besluiten in verband met de Wet toekomst pensioenen (Besluit toekomst pensioenen) Op de voordracht van Onze Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 24 februari 2023, nr. 2023-0000103692; gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op de [artikelen 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=2a), [10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=10a), [10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=10b), [10c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=10c), [10d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=10d), [10e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=10e), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=21), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=38), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=39), [40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=40), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=43), [44a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=44a), [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=46), [46a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=46a), [47b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=47b), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=48), [48b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=48b), [48c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=48c), [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=51), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=52), [52a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=52a), [52b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=52b), [61a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=61a), [63a](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":4033,"b":"Besluit van 10 november 1998, houdende regels ter uitvoering van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (Besluit tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer en Rampenbestrijding van 25 februari 1998, nr. EB98/400, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Verkeer en Waterstaat, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Financiën; Gelet op de [artikelen 4, eerste lid, onder h, onderdeel 2°, onder i en j, en derde lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4), en [6, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=6); De Raad van State gehoord (advies van 2 juni 1998, nr. WO4.98 0076); Gezien het nader rapport van Onze Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer en Rampenbestrijding van 30 oktober 1998, nr. EB1998/513888 uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, en Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Financiën; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637). Artikel 2 1. Arbeid in eigen beheer als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder h, onderdeel 2°, en onder i, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4) wordt berekend over het aantal uren waarin een eigenaar, een mede-eigenaar of een bestuurder van een onderneming dan wel haar personeel de in deze artikelonderdelen genoemde werkzaamheden heeft verricht. 2. De hoogt"},{"i":4465,"b":"Circulaire aanpassing huurwaarde dienstwoningen Inleiding In deze circulaire wordt de verhoging van de economische huurwaarde van dienstwoningen per 1 juli 2009 bekend gemaakt. Verhoging van de economische huurwaarde van dienstwoningen De bedragen van de huurwaarde van dienstwoningen, die mede van belang zijn voor de uitvoering van [artikel 3, tweede lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003632&artikel=3), dienen per 1 juli 2009 met 2,5% te worden verhoogd. Deze verhoging is vastgesteld in overeenstemming met de Belastingdienst. Woningen die op of na 1 juli 2008 gereed zijn gekomen, vallen buiten deze verhoging. In afwijking van het vorenstaande dient een extra huurverhoging in aanmerking te worden genomen in gevallen waarin de economische huurwaarde van een dienstwoning, behalve door de algemene verhoging van 2,5%, mede door andere factoren is beïnvloed, bijvoorbeeld als gevolg van een door of vanwege de inhoudingsplichtige aangebrachte verbetering aan de dienstwoning. Ik verzoek u met bovengenoemde wijzigingen rekening te houden."},{"i":3273,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 oktober 2022 nr. BOACAT2022/069, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Land van Cuijk Gelezen het verzoek van gemeente Land van Cuijk van 12 augustus 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047317&artikel=2&z=2022-10-19&g=2022-10-19). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver/BOA (domein I) in dienst van gemeente Land van Cuijk, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de"},{"i":2619,"b":"Beleidsregels ontheffingen Wet op de Dierproeven De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt de volgende beleidsregels vast inzake het verlenen van ontheffingen voor het verrichten van dierproeven. 1. Bedreigde diersoorten Als bijzondere gevallen waarin een ontheffing wordt verleend van het verbod, gesteld in [artikel 11 van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=11), tot het verrichten van dierproeven op dieren die krachtens [bijlage I van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten](onbekend), en bijlage C, deel 1, van [Verordening (EEG) nr. 3626/82](31982R3626) als bedreigde soorten worden aangemerkt, worden beschouwd proeven die voldoen aan de voorschriften van genoemde verordening en zijn gericht op: 2. Dieren uit de vrije natuur Als bijzondere gevallen waarin een ontheffing wordt verleend van het verbod, gesteld in [artikel 11 van de Wet op de dierproeven,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=11) tot het verrichten van dierproeven op dieren die uit de vrije natuur afkomstig zijn, worden beschouwd die gevallen waarin proeven met andere dieren voor het doel van de proef niet geschikt zijn."},{"i":4708,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 oktober 2023, kenmerk 3709946-1055637-MEVA, houdende instelling van de bestuurlijke aanjager Green Deal Duurzame Zorg Gelet op artikel 7, onder c, Green Deal Samen werken aan duurzame zorg, gehoord de voorzitter van de regiegroep van de Green Deal Samen werken aan duurzame zorg, gehoord de als bestuurlijke aanjager aan te wijzen persoon; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **bestuurlijke aanjager:** de tijdelijke onafhankelijke functionaris, bedoeld in artikel 7, onder c, Green Deal Samen werken aan duurzame zorg. - –. **Green Deal:** de ‘Green Deal Samen werken aan duurzame zorg, afspraken tussen de rijksoverheid en andere partijen om duurzame plannen uit te voeren op het gebied van zorg (C-238)’, zoals overeengekomen op 4 november 2022. - –. **minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - –. **ministerie:** het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - –. **regiegroep:** de ‘Regiegroep Green Deal’, bedoeld in artikel 7, onder a, Green Deal Samen werken aan duurzame zorg. Artikel 2. Instelling Er is een bestuurlijke aanjager Green Deal duurzame zorg. Artikel 3. Taak 1. De bestuurlijke aanjager begeleidt als neutrale partij de regiegroep bij het voeren van de regie en sturing op de uitvoering van de Green Deal. 2. De bestuurlijke aanjager heeft de volgende taken: - a. partijen in de regiegroep aanspreken op voortgang en uitwerking van de afspraken; - b. het aanjagen van de verduurzaming van de zorg, zowel binnen als buiten de zorg; - c. het enthousiasmeren en overtuigen van partijen om zich in te zetten voor het verduurzamen van de zorg. 3. De bestuurlijke aanjager rapporteert aan de voorzitter van de regiegroep en stelt de voorzitter en de regiegroep regelmatig op de hoogte van de voortgang op de volgende activiteiten: - a. het zicht hebben op en aanjagen van de uitvoering van de afspraken in de Green Deal en de onderlinge"},{"i":292,"b":"Mandaatbesluit Arbeidsomstandigheden Justitie 1993 Overwegende dat de Arbeidsomstandighedenwet (Stb 1980, 664) ingevolge de op artikel 2 van die wet gebaseerde uitvoeringsbesluiten van toepassing is op personeel bij het Ministerie van Justitie; Overwegende dat voor hem als werkgever van het bovengenoemde personeel uit het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet verplichtingen en bevoegdheden voortvloeien; Overwegende dat om praktische redenen noodzakelijk is gebleken de bestaande regeling ten aanzien van verplichtingen en bevoegdheden die niet rechtstreeks uit het bij of krachtens de wet bepaalde voortvloeien te wijzigen; Besluit: Artikel 1 1. De verplichting als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid van de Arbeidsomstandighedenwet tot het vaststellen van de hoofdlijnen van het algemene beleid gericht op het bevorderen van een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het welzijn van het personeel in verband met de arbeid alsmede het doen bijstellen ervan, wordt opgedragen aan: - a. Het hoofd van de Directie Algemene Zaken met betrekking tot het personeel werkzaam bij het Ministerie van Justitie in engere zin, met uitzondering van het personeel bedoeld onder f; - b. Het hoofd van de Directie Delinkwentenzorg en Jeugdinrichtingen met betrekking tot het personeel werkzaam bij de diensteenheden waarbij een dienstcommissie is ingesteld ressorterend onder de Directie Delinkwentenzorg en Jeugdinrichtingen van het Directoraat-Generaal Jeugdbescherming en Delinkwentenzorg; - c. Het hoofd van de Directie Jeugdbescherming en Reclassering met betrekking tot het personeel werkzaam bij de diensteenheden waarbij een dienstcommissie is ingesteld ressorterend onder de Directie Jeugdbescherming en Reclassering van het Directoraat-Generaal Jeugdbescherming en Delinkwentenzorg; - d. Het hoofd van de Directie Politie met betrekking tot het personeel werkzaam bij de diensteenheden waarbij een dienstcommissie is ingesteld res"},{"i":6400,"b":"Besluit van 16 april 2015 tot wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur in verband met het bewerkstelligen van een efficiënte en maatschappelijk wenselijke verdeling van de capaciteit van de hoofdspoorweginfrastructuur en aanpassing aan nieuwe ontwikkelingen, alsmede in verband met de verlening van de concessie voor het hoofdrailnet 2015–2025 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 12 maart 2015, nr. IenM/BSK-2015/7258, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 61, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=61); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 april 2015, nr. W14.15.0069/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 13 april 2015, nr. IenM/BSK-2015/72604, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur. Artikel II Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk. Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 13 april 2015, met uitzondering van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036547&artikel=I&z=2015-07-01&g=2015-07-01). Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 12 april 2015, treedt dit besluit, met uitzondering van artikel I, onderdeel B, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 13 april 2015. 2. [Artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036547&artikel=I&z=2015-07-01&g=2015-07-01), van dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel I, onderdeel J, van de wet van 19 november 20"},{"i":4810,"b":"Besluit van de algemeen directeur Justitiële ICT Organisatie van 9 februari 2026, nr. Z22.56131 / GOUPU / 117710, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de algemeen directeur Justitiële ICT Organisatie ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit algemeen directeur Justitiële ICT Organisatie 2026) Gelet op [artikel 3, tweede en vijfde lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van de Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1) aan de algemeen directeur van de baten-lastenagentschap Justitiële ICT Organisatie verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun portefeuille of dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de Directeur Basisvoorzieningen; - b. de Directeur Implementatie en Dienstverlening; - c. de Directeur Strategie en Bedrijfsvoering; - d. het Afdelingshoofd Kwaliteit, Planning & Control; - e. de SOC Manager Artikel 2 Aan de ambtenaren, genoemd in kolom 2 van de bijlage bij dit besluit, wordt volmacht verleend om op te treden als leidinggevende in de zin van paragraaf 1.3 van de CAO Rijk voor zover het betreft de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in kolom P-mandaat van die bijlage. Artikel 3 Als bevoegd om te beschikken over bedragen voor het aangaan van verplichtingen en voor het verrichten van uitgaven, worden aangewezen de ambtenaren, genoemd in kolom 2 van de bijlage bij deze regeling voor zover het betreft de bedragen, genoemd in kolom F-mandaat van die bijlage. Artikel 4 Aan de algemeen directeur blijft de bevoegdheid tot inhuur van interim-management, organisatie- en formatieadvies, communicatieadvies en beleidsadvies voorbehouden. Artikel 5 De algemeen directeur Justitiële ICT Organisatie wordt bij afwezigheid vervangen door de Directeu"},{"i":4143,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp van 24 juli 2024, nr.BZ2403658, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) met het oog op subsidiëring van sectorale activiteiten ten behoeve van het toepassen van gepaste zorgvuldigheid in lijn met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2029 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029 worden ingediend vanaf 1 oktober 2024, 9.00 uur Nederlandse tijd tot en met 30 juni 2026, 12.00 uur Nederlandse tijd. 2. Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029 worden ingediend vanaf 1 september 2026, 9.00 uur Nederlandse tijd tot en met 31 maart 2027, 12.00 uur Nederlandse tijd. 3. Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO 2024–2029 worden ingediend aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorz"},{"i":4647,"b":"Besluit van 24 mei 2022 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft in verband met de implementatie van de richtlijn betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties (Implementatiebesluit richtlijn gedekte obligaties) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 22 maart 2022, 2022-0000092023, directie Financiële Markten; Gelet op [Richtlijn (EU) 2019/2162](32019L2162) van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van de [Richtlijnen 2009/65/EG](32009L0065) en [2014/59](32014L0059)/EU (PbEU 2019, L 328) en de [artikelen 1:79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [3:33a, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:33a), [3:33b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:33b) en [3:33ba, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:33ba); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 mei 2022, nr. W06.22.00035/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 20 mei 2022, 2022-0000141421, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel III Op geregistreerde gedekte obligaties als bedoeld in [artikel III, eerste en derde lid, van de Implementatiewet richtlijn gedekte obligaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046222&artikel=III): - a. zijn de [artikelen 40e tot en met 40o van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=40e) niet van toepassing; - b. i"},{"i":3728,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 december 2022, nr. WJZ/22234030, houdende regels inzake de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant betreffende het verstrekken van subsidies ten laste van de Rijkscofinanciering op grond van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant inzake subsidieverstrekking Rijkscofinanciering Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van het College van gedeputeerde staten van Noord-Brabant; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder college van gedeputeerde staten verstaan: het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant zijnde beheerautoriteit van het Programma EFRO 2021-2027 Zuid-Nederland. Artikel 2 Aan het college van gedeputeerde staten wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het verstrekken van subsidies ten laste van de Rijkscofinanciering op grond van [hoofdstuk 4 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045685&hoofdstuk=4), voor zover het subsidies betreft die verband houden met het Programma EFRO 2021-2027 Zuid-Nederland. Artikel 3 Aan het college van gedeputeerde staten wordt mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047657&artikel=2&z=2022-12-21&g=2022-12-21), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep. Artikel 4 1. Het college van gedeputeerde staten kan voor de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047657&artikel=2&z="},{"i":6495,"b":"Besluit van 24 december 2007, houdende wijziging van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen in verband met de flexibilisering van artikel 29 daarvan, het herstel van enkele omissies en de aanwijzing van het Golfgebied als gebied ten aanzien waarvan strengere lozingsvoorschriften gelden Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 25 oktober 2007, nr. HDJZ/SCH/2007-1352, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Trb. 1975, 147) met het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag (Trb. 1978, 188) en [artikel 5 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=5); De Raad van State gehoord (advies van 22 november 2007, nr. W09.07.0405/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 19 december 2007, nr. HDJZ/SCH/2007-1692, Hoofddirectie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen. Artikel II Vervallen Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023456&artikel=II&z=2008-08-01&g=2008-08-01) vervalt met ingang van 1 augustus 2008. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3780,"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels ter uitvoering van hoofdstuk 5.3 van de Wet op het financieel toezicht voor het melden van stemmen, kapitaal, zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen (Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 20 april 2006, nr. FM 2006-00968M; Gelet op de artikelen 9 tot en met 15 van [Richtlijn nr. 2004/109/EG](32004L0109) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van [Richtlijn 2001/34/EG](32001L0034) (PbEU L 390/38), en de [artikelen 5:34, tweede lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:34), [5:35, tweede lid, tweede volzin, en vierde lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:35), [5:37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:37), [5:44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:44), [5:45, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:45), [5:48, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:48), en [1:107 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:107); De Raad van State gehoord (advies van 19 mei 2006, No. W06.06.0134/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 9 oktober 2006, nr. FM 2006-1299U; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet op het financieel toezicht in werking treedt. Hoofdstuk 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Hoofdstuk 2. Perioden en termijnen Bepaling ter uitvoering van de [artikelen 5:34, tweede lid](https://wetten.overheid.n"},{"i":3153,"b":"Besluit van 7 januari 2002, houdende vaststelling van de materialen waaruit de bijzondere munten met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel zijn vervaardigd, de gewichten en afmetingen, alsmede de bedragen tot welke deze munten de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben (Besluit bijzondere euromunten) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 26 november 2001, FM 2001-01944 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen beleid en Integriteit; Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); De Raad van State gehoord (advies van 13 december 2001, no. W06.01.0634/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 21 december 2001, FM 2001-02102 U,: Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De materialen, de gewichten en de afmetingen van de bijzondere munten met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel die zijn uitgegeven van 2002 tot en met 2007, zijn als volgt vastgesteld: | Muntsoort | Metaal | Gehalte | | Gewicht | | Middellijn | | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | | | nominaal | tolerantie | nominaal | tolerantie | nominaal | tolerantie | | | | | + of - | | + of - | | + of - | | | | % | %-punt | gram | % | millimeter | millimeter | | vijftig-euromunt | goud | Au 90,0 | 0,50 | 13,44 | 0,70 | 27,00 | 0,10 | | twintig-euromunt | goud | Au 90,0 | 0,50 | 8,50 | 0,70 | 25,00 | 0,10 | | tien-euromunt | goud | Au 90,0 | 0,50 | 6,72 | 0,70 | 22,50 | 0,10 | | | zilver | Ag 92,5 | 0,50 | 17,80 | 0,70 | 33,00 | 0,10 | | vijf-euromunt | zilver | Ag 92,5 | 0,50 | 11,90 | 0,70 | 29,00 | 0,10 | 2. De materialen, de gewichten en de afmetingen van de bijzondere munten met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel die worden uitgegeven met ingang van 2008, worden als volgt vastgesteld: | Muntsoort | Metaal | Gehalte | | | Gewicht | | Middellijn | | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | | | nominaal | tolerantie | l"},{"i":3672,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 9 november 2012, nr. IENM/BSK-2012/197993, houdende verlening van mandaat inzake certificering van zeeschepen (Besluit mandaat en machtiging certificering zeeschepen 2012) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6); Gezien de instemming van de ingevolge dit besluit gemandateerden; Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **erkende organisatie:** een organisatie die krachtens een Nederlands wettelijk voorschrift, in overeenstemming met [verordening (EG) nr. 391/2009](32009R0391) van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties (PbEG L 131), is aangewezen als erkende rechtspersoon voor onderzoek of inspectie van schepen; - **inspectie:** Inspectie Leefomgeving en Transport; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **overeenkomst:** de ter uitvoering van IMO-resolutie A.739 (18) betreffende Guidelines for the authorization of organizations acting on behalf of the the Administration en [richtlijn 2009/15/EG](32009L0015) van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PbEG L 131) met een erkende organisatie gesloten overeenkomst. Artikel 2. Bevoegdheden [Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876) 1. De in [artikel 6, eerste lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=6) bedoelde bevoegdheid van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie tot het afgeven van certificaten"},{"i":3457,"b":"Besluit van 6 mei 2021, houdende regels met betrekking tot de energie-audit (Besluit energie-audit) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 15 december 2020, nr. WJZ / 20290080; Gelet op artikel 8 van [richtlijn nr. 2012/27](32012L0027)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van [Richtlijnen 2009/125/EG](32009L0125) en [2010/30](32010L0030)/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen [2004/8/EG](32004L0008) en [2006/32/EG](32006L0032) (PbEU 2012, L 315) en [artikel 18, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029672&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 februari 2021, nr. W18.20.0482/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 30 april 2021, nr. WJZ / 21073282; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De energie-audit voldoet aan de minimumcriteria, bedoeld in bijlage VI bij [richtlijn 2012/27](32012L0027)/EU. Artikel 2 Het verslag van een energie-audit bevat de volgende gegevens: - a. een beschrijving van de grote onderneming, de bedrijfsvoering en de uitgevoerde energie-audit; - b. een schematisch overzicht met een beschrijving van alle binnen de grote onderneming bestaande processen, installaties, gebouwen en het vervoer; - c. een overzicht van het totaal gemeten energieverbruik van de grote onderneming over het meest recente boekjaar in gigajoule; - d. de totaalverbruiken aan elektriciteit, aardgas, warmte, brandstof voor vervoer en alle andere energiedragers, opgegeven in de gebruikelijke energie-eenheden; - e. het energieverbruiksprofiel in de vorm van een tabellarisch of grafisch weergegeven, gekwantificeerde onderverdeling van de energieverbruiken van de processen, gebouwen, installaties en vervoer; - f. voor de processen, gebouwen, installaties en vervoer van de onderneming een uitspli"},{"i":3609,"b":"Besluit van 27 juni 2023 tot uitvoering van de Wet invoering minimumuurloon (Besluit invoering minimumuurloon) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 8 maart 2023, nr. 2023-0000097213; gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Financiën; Gelet op [artikel 2:1 van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=2:1), [artikel 80 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=80), [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=5), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=14), en [18, achtste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=18), [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=5), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=15), en [19ab, vierde lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=19ab), [artikelen 1b, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=1b), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=5), en [17a, derde lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=17a), [artikelen 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=7), en [8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8), [artikel 6, derde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=6), [artikel 13, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=13), [artikel 6, derde lid, van de Algemene kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=6), [artikelen 6, vierde lid](https:/"},{"i":4469,"b":"Circulaire Aanpassingswet Appa 2021 wijzigingen pensioen Publicatie op internet Circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers worden uitsluitend bekend gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website [www.politiekeambtsdragers.nl](onbekend). U kunt zich met een RSS-feed of e-mail-attendering abonneren op deze site. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering. 1. Inleiding In juli 2021 is de [Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045388) aanvaard en gepubliceerd (Stb. 2021, nr. 328) (hierna: [Aanpassingswet Appa 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045388)). De bepalingen in die wet die de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) (Appa) wijzigen, betreffen enerzijds de uitkering (alsmede de pensioenopbouw tijdens de uitkering) en anderzijds het pensioen van politieke ambtsdragers. Inmiddels zijn ook aanpassingen in het [Besluit pensioen politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034414) vastgesteld en gepubliceerd (Stb. 2022, nr. 178). De wijzigingen van de pensioenbepalingen zullen met ingang van 1 juli 2022 inwerkingtreden. Hiermee wordt aangesloten bij het uitgangspunt van vaste verandermomenten voor wetgeving. In **paragraaf 3** van deze circulaire worden de verschillende wijzigingen in het Appa-pensioen opgesomd en toegelicht. Op dit moment is nog niet bekend wanneer de bepalingen die betrekking hebben op de **uitkering** in werking kunnen treden. Hiervoor moet eerst een wijziging van het [Besluit sollicitatieplicht Appa voor gewezen politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029017) worden vastgesteld. 2. Algemeen De lijn is steeds geweest om de pensioenen in de [Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) te regelen op de voet van de regeling voor het overheidspersoneel, afgezien van afwijk"},{"i":3523,"b":"Besluit van 18 augustus 1994, houdende nadere omschrijving van gevallen waarin het geslacht bepalend is, van gevallen waarin het de bescherming van de vrouw betreft, van gevallen waarin uiterlijke kenmerken die samenhangen met het ras van een persoon bepalend zijn en van gevallen waarin de nationaliteit bepalend is Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 29 april 1994, nr. CW94/409, stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen en Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; Gelet op [artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502&artikel=2); Gezien het advies van de Emancipatieraad (advies van 14 oktober 1993, nr. IV/06/93) en het advies van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (advies van 5 oktober 1993, nr. 93/CMS/1621); De Raad van State gehoord (advies van 12 juli 1994, No. W04.94.0238); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 9 augustus 1994, nr. CW94/851, stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen en Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als gevallen waarin het geslacht bepalend is, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502&artikel=2), alsmede waarin het de bescherming van de vrouw betreft, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502&artikel=2), worden aangemerkt die gevallen die behoren tot één of meer van de volgende categorieën: - a. de toegang tot de beroepsactiviteiten en de"},{"i":3323,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 oktober 2022 nr. BOACAT2022/071, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Steenbergen Gelezen het verzoek van gemeente Steenbergen van 18 juli 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047414&artikel=2&z=2022-11-03&g=2022-11-03). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van wijkboa in dienst van gemeente Steenbergen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten"},{"i":3292,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 11 mei 2022 nr. BOACAT2022/035, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Nijmegen Gelezen het verzoek van de gemeente Nijmegen van 19 april 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046679&artikel=2&z=2024-11-27&g=2024-11-27). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van integraal toezichthouder, operationeel leidinggevende, centralist BOA-meldkamer/observant RTC cameratoezicht OOV in dienst van de gemeente Nijmegen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend"},{"i":4095,"b":"Besluit van 12 juli 2012 tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, Bijlage II bij de Crisis- en herstelwet en het Stortbesluit bodembescherming (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, derde tranche) Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 14 februari 2012, nr. 3110268, gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op de [artikelen 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=1.2), [2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.2), [2.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.4), en [2.18 van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.18), [artikel 2.22, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.22), en [artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 mei 2012, nr. W01.12.0059/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 10 juli 2012, nr. 3113820, uitgebracht mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Artikel II Wijzigt de Crisis- en herstelwet. Artikel III Wijzigt het Stortbesluit bodembescherming. Artikel IV 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin"},{"i":2521,"b":"Beleidsregel van de Dienst Wegverkeer (RDW) inzake toepassing van regels van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur op de toetsing van erkenningen (Beleidsregel toetsing erkenningen aan de Wet Bibob) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en toepassing Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. De definities in [artikel 1, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=1) zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidsregel, voor zover niet anders gedefinieerd in deze beleidsregel. 2. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - b. **wet:** [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798); - c. **Bibob-toets:** het onderzoek en de beoordeling door het bestuursorgaan en/of het Bureau of, en zo ja in hoeverre sprake is van de situatie als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=3), [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=4) en [artikel 9 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=9). - d. **RDW:** de Dienst Wegverkeer, als bedoeld in de [Wegenverkeerswet](onbekend); - e. **erkenning:** basiserkenning of erkenning voor specifieke handelingen; - f. **basiserkenning:** basiserkenning als bedoeld in [artikel 4aua, eerste lid van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aua); - g. **erkenning voor specifieke handelingen:** erkenning als bedoeld in [artikel 4aud, eerste lid van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aud); - h. **erkenninghouder:** een natuurlijk persoon of rechtspersoon waaraan een basiserkenning in combinatie met een of meer erkenningen voor specifieke handelingen is verleend (als bedoeld"},{"i":3469,"b":"Besluit van 23 november 1982, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en artikel 11, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers Op de voordracht van Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 23 september 1982, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. U 3520, mede namens Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Overwegende, dat bij de Wet van 20 december 1979 (**Stb.** 711) maatregelen zijn getroffen welke een nadere regeling vereisen met betrekking tot de vaststelling van de met de buitengewone pensioenen verrekenbare inkomsten; Gelet op [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12), eerste, tweede en derde lid, en [artikel 20, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=20) en [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=11), eerste, tweede en derde lid, en [artikel 20, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=20); Gezien de adviezen van de Buitengewone Pensioenraad en de Stichting 1940-1945; De Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 1982, nr. 2513/20/8242); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 16 november 1982, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. 3520 III; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. vereveningsbijdrage: het bedrag, onderscheidenlijk bedoeld in [artikel 36 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=36) (**Stb.** 1986, 575), [artikel 32 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=32) (**Stb.** 1986, 576),"},{"i":4632,"b":"Herziening Circulaire schietlawaai Aan het bestuur van (betrokken) provincies en gemeenten etc Advies en informatie inzake de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe recreatieve schietactiviteiten in open inrichtingen Geacht college, In deze brief geef ik aanbevelingen voor het beoordelingskader van de geluidsaspecten in het kader van de vergunningverlening op grond van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) voor permanente open schietinrichtingen voor recreatieve doeleinden. Deze circulaire is primair bedoeld als ondersteuning bij de uitvoering van uw taak met betrekking tot de beoordeling van de aard en de omvang van de gevolgen voor het milieu welke kunnen worden veroorzaakt door dergelijke inrichtingen. Zij biedt tevens een model voor de opstelling van voorschriften, die aan een vergunning op grond van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) zouden kunnen worden verbonden. Het specifieke karakter van schietgeluid maakt een speciale beoordelingsmethode noodzakelijk. Reeds bij brief van 1 augustus 1979 met kenmerk 90.476 DGMH/G, heeft de toenmalige Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne u de Circulaire schietlawaai doen toekomen. Deze circulaire bevat een beoordelingsmethode voor schietlawaai welke indertijd is opgesteld met gebruik van de resultaten van een onderzoek van TNO. Een samenvatting van deze resultaten is opgenomen in het rapport ‘voorlopige evaluatie van de geluidhinder van schietinrichtingen’ (BG-HR-10-01), welke u indertijd ook hebt ontvangen. Deze brief dient ter herziening van de Circulaire schietlawaai, van 1 augustus 1979, met kenmerk 90.476 DGMH/G. Naar aanleiding van voortschrijdende technische inzichten en op basis van nieuw akoestisch onderzoek wordt in samenwerking met het ministerie van Defensie, een betere beoordelingsmethodiek voor schietgeluid ontwikkeld. Oorspronkelijk zou de Circulaire schietlawaai in dit kader worden aangepast. Echter gezien de urgentie van de"},{"i":6887,"b":"Besluit van 26 oktober 2010, houdende vaststelling van de griffierechten en de bedragen, bedoeld in de artikelen 21, tweede lid, respectievelijk 26 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken, alsmede het tarief en de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 597 respectievelijk 838 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en tot intrekking van het Besluit tarieven in burgerlijke zaken (Besluit griffierechten burgerlijke zaken) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 30 juni 2010, nr. 5658605/10/6; Gelet op de [artikelen 21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=21), en [26 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=26) en [597, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=597), en [838, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=838); De Raad van State gehoord (advies van 14 juli 2010, nr. W03.10.0271/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 20 oktober 2010, nr. 5672492/10/6; Hebben goed gevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 21, tweede lid, en 26 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken in werking treden. Artikel 1 Met betrekking tot de griffierechten, verschuldigd voor de verstrekking van afschriften van en uittreksels uit vonnissen, arresten en beschikkingen als bedoeld in [artikel 21, tweede lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=21) en van afschriften van en uittreksels uit registers of andere stukken als bedoeld in [artikel 838 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=838), onder welke benaming ook en al of niet voor afschrift of uittreksel getekend, is [artikel 12, derde tot en met vijfde lid, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003](https://wetten.over"},{"i":5544,"b":"Regeling vierjarige subsidies literaire organisaties Nederlands Letterenfonds 2025–2028 Gelet op het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) Gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735): Besluit De volgende regeling Vierjarige subsidies literaire organisaties Nederlands Letterenfonds 2025–2028 vast te stellen § 1. Algemeen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **andere overheden:** provincies of gemeenten; - **auteurs:** professionele literaire makers, waaronder schrijvers, vertalers, illustratoren of performers die zich richten op presentatie van een eigen literaire creatie; - **het bestuur:** het bestuur van de Stichting Nederlands Letterenfonds; - **bestuursorgaan:** een bestuursorgaan in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - **eigen inkomsten:** het totaal van de directe opbrengsten (totale publieksinkomsten, sponsorinkomsten en totale overige inkomsten), indirecte inkomsten en totale bijdragen uit private middelen. Hieronder vallen niet: overheidssubsidies, waardering vrijkaarten, baten in natura, rente-inkomsten en kapitalisatie van vrijwilligers. - **Het Letterenfonds:** de Stichting Nederlands Letterenfonds; - **hij:** onder hij wordt tevens verstaan iedere andere genderaanduiding die door de betreffende persoon wordt ervaren als passend; - **landelijk belang:** activiteiten op het terrein van de literatuur die onderscheidend zijn in kwaliteit en bijdragen aan de pluriformiteit van de literaire infrastructuur; - **regionaal belang:** activiteiten en aanbod op terrein van literatuur die onderscheidend zijn en bijdragen aan de lokale en/of regionale literaire infrastructuur buiten de Randstad; - **literair:** de internationale of Neder"},{"i":1989,"b":"Wet van 24 december 1993, tot wijziging van een aantal belastingwetten en van de Wet Infrastructuurfonds in het kader van het belastingplan 1994 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het kader van het belastingplan 1994 een aantal belastingwetten en de [Wet Infrastructuurfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006001) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Indien bij of krachtens een op 31 december 1993 bestaande arbeidsovereenkomst dan wel publiekrechtelijke regeling is vastgelegd dat ter gelegenheid van een dienstjubileum van de werknemer uitkeringen en verstrekkingen ineens worden gedaan, blijven, in afwijking in zoverre van artikel 11, eerste lid, onderdeel **p**, van de [Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) en artikel 6, eerste lid, onderdeel **s**, van de [Coördinatiewet Sociale Verzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002126), tot 1 mei 1994 met betrekking tot die uitkeringen en verstrekkingen ineens de op 31 december 1993 bij of krachtens die wetten geldende bepalingen terzake van kracht. Artikel XI 1. Lichte olie als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onderdeel **a**, van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251), die bij de aanvang van 1 januari 1994 aanwezig is in"},{"i":2062,"b":"Besluit van 14 oktober 2021, houdende wijziging van verschillende besluiten om deze in overeenstemming te brengen met de Wet voortgezet onderwijs 2020 (Aanpassingsbesluit WVO 2020) Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 12 juli 2021, nr. WJZ/28335253 (9683), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 2.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.28), [2.53, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.53), [2.72, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.72), [2.75, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.75), [2.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.86), [6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=6.2), [7.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.10), [7.23, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.23), [7.24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.24), [7.27, derde lid, onderdeel b, en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.27), [7.30, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.30), [7.49, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.49), [7.50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.50), [7.59, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.59), [7.57, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.57), [8.9a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=8.9a), [8.17, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=8.17), [8.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=8.24), [8.27, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=8.27), [9.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&a"},{"i":2069,"b":"Wet van 17 december 2009 tot aanpassing van de Wet op de rechtsbijstand in verband met de bestuurlijke centralisatie van de raden voor rechtsbijstand Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) te wijzigen in verband met de herziening van de bestuurlijke inrichting van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, de Overleveringswet, de Uitleveringswet, de Wet op de jeugdzorg, de Vreemdelingenwet 2000, de Advocatenwet, de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IIIa Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IIIb Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringswet Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen en Europese Overeenkomst inzake het doorzenden van verzoeken om rechtsbijstand. Artikel V 1. De personen die op de dag vóórafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027058&artikel=I&z=2010-07-01&g=2010-07-01), van deze wet krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht behoren tot het personeel van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2) zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van deze wet, worden van rechtswege ontslagen en in dienst genomen door de in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand bedoelde raad kra"},{"i":4587,"b":"Besluit van 2 juli 2010, houdende vaststelling van regels voor examens van beroepsopleidingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs (Examenbesluit beroepsopleidingen WEB) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 16 maart 2010, nr. WJZ/196829 (4858), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 7.4.3a van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.3a) en [artikel 3 van de Wet College voor examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 21 april 2010, nr. W05.10.0096/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 28 juni 2010, nr. WJZ/218936(4858), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 6, onderdeel D, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen in werking treedt. Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **basisberoepsopleiding:** basisberoepsopleiding, genoemd in [artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2); - **basisvakken:** onderdelen van een taalschakeltraject waarvoor op grond van [artikel 7.3.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.3.3) eindtermen zijn vastgesteld bij ministeriële regeling en die noodzakelijk zijn voor de toelating tot de beoogde vervolgopleiding; - **college**: College voor toetsen en examens als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); - **entreeopleiding:** entreeople"},{"i":2086,"b":"Wet van 8 juli 2020 tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten in verband met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet (Aanvullingswet natuur Omgevingswet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de in de [Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552) gestelde regels te integreren in het stelsel van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijzigingen in de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) Artikel 1.1. ([Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885)) Wijzigt de Omgevingswet. Hoofdstuk 2. Overgangsrecht Artikel 2.1. (aanwijzingsbesluiten natuurgebieden) 1. Besluiten tot aanwijzing van gebieden als bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=2.1) die onherroepelijk zijn, gelden als besluiten als bedoeld in [artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.44). 2. Besluiten tot aanwijzing van gebieden als bedoeld in [artikel 2.11, eerste lid, van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=2.11) die onherroepelijk zijn, gelden als besluiten als bedoeld in [artikel 2.44, tweede lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.44). 3. Besluiten tot aanwijzing van gebieden als bedoeld in [artikel 8.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=8.3) die onherroepelijk zijn, gelden als besluiten als bedoeld in [artikel 2.44, derde lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":4840,"b":"Mandaatbesluit Defensie Dwangsommen 2013 Gelet op [artikel 3, eerste lid, van het Algemeen mandaat, volmacht en machtigingsbesluit Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034155&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder - a). **beschikking op aanvraag:** beschikking als bedoeld in [artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17); - b). **dwangsombesluit:** beschikking inzake de verschuldigdheid van een dwangsom als bedoeld in [artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:18). Artikel 2 De functionaris die bevoegd is een beschikking op aanvraag te nemen wordt mandaat verleend tot het nemen van aan die beschikking gerelateerde dwangsombesluiten. Artikel 3 De Directeur Communicatie en diens plaatsvervanger wordt mandaat verleend tot het nemen van dwangsombesluiten die gerelateerd zijn aan primaire beschikkingen op grond van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252). Artikel 4 De Directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en diens plaatsvervanger wordt mandaat verleend tot het nemen van dwangsombesluiten die gerelateerd zijn aan beschikkingen op grond van de [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277) alsmede tot het nemen van dwangsombesluiten die gerelateerd zijn aan primaire beschikkingen betreffende inzageverzoeken op grond van de [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013409). Artikel 5 - 1). De Directeur Juridische Zaken en diens plaatsvervanger wordt mandaat verleend tot het nemen van dwangsombesluiten die gerelateerd zijn aan besluiten op bezwaarschriften, tenzij deze bezwaarschriften betrekking hebben op besluiten die krachtens de [Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947), De [Militaire Ambtenarenwet 1931](http"},{"i":5976,"b":"Besluit van 16 juli 2005, houdende regels op het gebied van pensioen ter uitvoering van een aantal onderwerpen uit de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 mei 2005, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/05/35584; Gelet op de [artikelen 2, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=2), [17, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=17), en [28 van de Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089&artikel=28); De Raad van State gehoord (advies van 27 juni 2005, nr. W12.05.0204/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 juli 2005, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/05/49354; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - –. deelnemingsjaren: perioden als bedoeld in [artikel 10ab van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10ab); - –. pensioenuitvoerder: bestuur van een pensioenfonds, beroepspensioenfonds of verzekeraar; - –. waardeoverdracht: afkoop van pensioen of aanspraken op pensioen, onder aanwending van de afkoopsom voor het verwerven van pensioen of aanspraken op pensioen bij een andere pensioenuitvoerder. § 2. Nadere regels 40-deelnemingsjarenpensioen Artikel 2. Informatie over deelnemingsjaren 1. Een pensioenuitvoerder verstrekt binnen drie maanden na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek van een deelnemer of gewezen deelnemer een opgave van de geadministreerde deelnemingsjaren en alle schriftelijke bescheiden die de perioden, voorafgaand aan een voor 1 januari 2005 gedane waardeoverdracht naar de pensioenuitvoerder, kunnen staven die als deelnemingsjaren kunnen worden aangemerkt. 2. De opgave van de g"},{"i":6232,"b":"Wet Inspectie voor de Volksgezondheid BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** Onze Minister, bedoeld in [artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=1); - **Inspectie:** de Inspectie voor de Volksgezondheid, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028563&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2012-07-28&g=2012-07-28); - **Inspecteurgeneraal:** de Inspecteurgeneraal voor de volksgezondheid, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028563&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2012-07-28&g=2012-07-28); - **inspecteur:** de inspecteur voor de volksgezondheid, bedoeld in [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028563&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2012-07-28&g=2012-07-28); Hoofdstuk 2. Inspectie Artikel 2 Er is een Inspectie voor de Volksgezondheid. Zij is gevestigd in een door Onze Minister aangewezen plaats. - 2. De Inspectie heeft tot taak: - a. het toezicht op de naleving van de wettelijke regelingen op het gebied van bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen, biociden en milieuaangelegenheden; - b. het uitbrengen, op verzoek of uit eigen beweging, van adviezen en het verstrekken van inlichtingen; - c. de behandeling van klachten; - d. het verrichten van andere bij of krachtens wet opgedragen taken. - 3. Ter zake van de het tweede lid bedoelde taken kunnen bij algemene maatregel van bestuur, regels worden gesteld. - 4. Onze Minister kan de Inspectie ter zake van het verrichten van de in het tweede lid bedoelde taken aanwijzingen geven. Artikel 3 1. Aan het hoofd van de Inspectie staat de Inspecteurgeneraal voor de volksgezondheid. 2. Tot Inspecteurgeneraal voor de volksgezondheid kan slechts worden aangesteld degene die in het bezit is van: - a. het Nederlands artsdiploma of van een daarmee, op grond van de op grond van het [Besluit gen"},{"i":2099,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 25 juni 2020, kenmerk 1662538-203164-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake aanvulling beschikbaarheidbijdrage in verband met perfusie bij orgaanuitname Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Gelet op de [Aanwijzing post mortem orgaanuitname bij donoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040059); Na op 11 mei 2020 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2019/20, 28 140, nr. 11) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gezien de antwoorden van 9 juni 2020 op de vragen van het Kamerlid Dijkstra (D66) over de voorgenomen aanwijzing omtrent de beschikbaarheidbijdrage voor postmortale orgaanuitname bij donoren (2020Z09653); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **beschikbaar:** tijdig aanwezig zijn op de locatie waar de uitname van organen door het uitnameteam plaats moet vinden zodat de organen na uitname voor transplantatiedoeleinden kunnen worden gebruikt; - –. **beschikbaarheidbijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - –. **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - –. **Bijlage:** [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](onbekend); - –. **minister:** minister voor Medische Zorg; - –. **verstrekken:** verlenen en vaststellen; - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zelfstandig uitnameteam:** speciaal team als bedoeld in onder deel B, onder 3, sub a, van de [Bijlage](onbekend); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wette"},{"i":2100,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juli 2014, kenmerk 640237-123257-MC, inzake beschikbaarheidbijdrage voor SEH en afbouwregeling WMG Artikel 1 1. De Nederlandse Zorgautoriteit kan, op grond van de [onderdeel B, sub 14, van de bijlage behorende bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](onbekend), een beschikbaarheidbijdrage verlenen voor zorg waarvoor instellingen voor medisch specialistische zorg in 2011 een beschikbaarheidtoeslag voor kleine SEH’s ontvingen. 2. Het eerste lid werkt terug tot en met 1 januari 2013. Artikel 2 1. De Nederlandse Zorgautoriteit kan, op grond van de [onderdeel B, sub 15, van de bijlage behorende bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](onbekend), in overeenstemming met het bepaalde in [artikel 4:51 Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:51) voor een afbouwregeling van ten hoogste drie jaren een beschikbaarheidbijdrage verlenen, indien zorgaanbieders gedurende drie of meer achtereenvolgende jaren een beschikbaarheidbijdrage is verleend. 2. Het eerste lid werkt terug tot en met 1 januari 2014. Gelet op grond van [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Gezien de wijziging van het [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971) (Stb. 2014, 164); Gezien mijn brief van 15 mei 2013 over mijn voornemens met betrekking tot de beschikbaarheidbijdrage SEH 2013 en 2014 (Kamerstukken II 2012/13, 29 247, nr. 184); Gezien de beantwoording met mijn brief van 28 juni 2013 van vragen die over mijn brief van 15 mei 2013 zijn gesteld door de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2012/13, 29 247, nr. 185); Na op 12 november 2013 schriftelijk mededeling gedaan te hebben aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2013/14, 29 248, nr. 261); Gezien het Verslag van het schriftelijk overleg over de brief van 12 november 2013 ove"},{"i":6599,"b":"Besluit van 8 november 2011, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Voedingswaarde-informatie levensmiddelen inzake regels voor een voedselkeuzelogo, en van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 juni 2011, VGP/VC 3066556, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op de [artikelen 8, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) en [32b, eerste lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 september 2011, no. 13.11.0211/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 november 2011, VGP/3088470, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit Voedingswaarde-informatie levensmiddelen. Artikel II Wijzigt het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten. Artikel III Voorverpakte levensmiddelen die uiterlijk zes maanden na de datum van uitgifte van de Staatscourant, bedoeld in [artikel 11a, vierde lid, van het Warenwetbesluit Voedingswaarde-informatie levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006135&artikel=11a), waarin een besluit tot goedkeuring van een voedselkeuzelogo is gepubliceerd, zijn voorzien van een voedselkeuzelogo dat niet is goedgekeurd door Onze Minister, mogen worden verhandeld zolang de voorraad strekt. Artikel IV 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. 2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030685&artikel=II&z=2012-01-24&g=2012-01-24) in werking acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit geplaatst wordt. Lasten en bevelen dat dit"},{"i":6364,"b":"Wijziging salarissen rijkspersoneel Circulaire aan de ministers Inleiding/managementinformatie Op 12 mei 1997 is met de centrales van overheidspersoneel in het Sectoroverleg Rijkspersoneel een overeenkomst gesloten over de arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de contractperiode 1 april 1997 – 1 juni 1999. Bij deze circulaire informeer ik u over de gedifferentieerde salarisverhoging per 1 januari 1998 – zijnde een compensatie voor de intrekking van het Besluit inkomenstoeslag rijkspersoneel – en de structurele salarisverhoging per 1 juli 1998. De formalisering daarvan is thans ter hand genomen. Deze salarismaatregelen zijn niet meegenomen in het koninklijk besluit van 18 augustus 1997, houdende de formalisering van enkele maatregelen uit de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1997-1999 (Stb. 374). Reden hiervoor was dat medio 1997 nog niet duidelijk was of de [Wet brutering overhevelingstoeslag lonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006353) (Wet bol) doorgang zou vinden en zo ja, hoe groot de opslag, voortvloeiende uit de afschaffing van de overhevelingstoeslag, op de lonen zou worden. Gelet hierop zijn toen de salarismaatregelen per 1 januari 1998 en 1 juli 1998 in genoemd besluit niet verwerkt. Het kabinet heeft onlangs besloten om de invoering van de [Wet bol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006353) per 1 januari 1998 voor onbepaalde tijd uit te stellen. A. Gedifferentieerde wijziging van de salarissen per 1 januari 1998 Met ingang van 1 januari 1998 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk gedifferentieerd aangepast. a. Salarisbedragen per 1 januari 1998 Door de gedifferentieerde salarisverhoging komen de salarisbedragen voor volwassenen per 1 januari 1998 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008971&bijlage=1&z=1997-11-17&g=1997-11-17) gevoegde inpassingstabel. De als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008971&bi"},{"i":5697,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 november 2023, nr. WJZ/42300229, houdende wijziging van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid in verband met het vaststellen van de criteria voor vierjaarlijkse subsidiëring in de periode 2025–2028, alsmede enkele aanpassingen van technische aard (Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2025–2028) Gelet op [artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4a) en [artikel 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&artikel=4); Besluit: Artikel I. Wijziging [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597) Wijzigt de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. Artikel II. Wijziging [Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037533) Wijzigt de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen. Artikel III. Overgangsbepalingen De [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597&hoofdstuk=2) en [3 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597&hoofdstuk=3) en [hoofdstuk 3, paragraaf 2, van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037533&paragraaf=2), zoals zij luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijven van toepassing op de subsidies verstrekt op grond van [artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4a) voor de jaren 2021 tot en met 2024. Artikel IV. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel V. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2"},{"i":2416,"b":"beleidsregel gemengde leerweg aan aoc's na bestuurlijke samenwerking 1999-2002 handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; Gelet op artikel 10d, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: Artikel 2. Beoordelingscriteria De minister kan op aanvraag toestemming verlenen aan een AOC, onderwijs in de gemengde leerweg te verzorgen op een of meerdere vbo-groen vestigingen van het aanvragende AOC, indien wordt voldaan aan de artikelen 3 en 4. Artikel 3. Voorwaarden voor bestuurlijke samenwerking De aanvrager voldoet aan de volgende voorwaarden: - 1. De aanvrager is een bestuurlijke samenwerkingsovereenkomst aangegaan met een categoriale school voor mavo of scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo; - 2. Ten aanzien van een bestuurlijke samenwerking geldt bovendien dat: - a. de vbo-groen vestiging van het AOC waarvoor toestemming wordt gevraagd en de categoriale school voor mavo of scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo een substantiële onderlinge relatie in hetzelfde wervingsgebied hebben, en - b. de bevoegd gezagsorganen een samenwerkingsovereenkomst met elkaar hebben gesloten waarin is vastgelegd op welke wijze vorm wordt gegeven aan de bestuurlijke samenwerking om de gemengde leerweg goed te kunnen uitvoeren. De overeenkomst dient ten minste de volgende onderdelen te bevatten: - –. uitwisseling van expertise; - –. leerlingbegeleiding, en - –. toetsing en afsluiting. - 3. Uit de aanvraag blijkt dat de aanvrager de bevoegde gezagsorganen van de andere dan de in het eerste lid bedoelde scholen en scholengemeenschappen uit het wervingsgebied van de aanvrager in kennis heeft gesteld van de voorgenomen aanvraag en hen tijdig de gelegenheid tot overleg over dat voornemen heeft geboden. - 4. Indien de in het eerste lid bedoelde scholen onder één bevoegd gezag ressorteren, stelt dit bevoegd gezag de uitwerking v"},{"i":2111,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 november 2019, kenmerk 1596762-197227-Z, houdende Aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2020 (Aanwijzing beheerskosten Wlz 2020) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2020 € 238,313 miljoen. Artikel 2 Van het in artikel 1 genoemde bedrag is € 85,932 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4. tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), € 28,647 miljoen voor de Sociale verzekeringsbank voor de uitvoering van de taak, bedoeld in [artikel 3.3.3. zevende lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) en € 123,734 miljoen voor de overige bij of krachtens die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken van de Wlz-uitvoerders. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2020. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6627,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 februari 2025, kenmerk 4061635-1078970-WJZ, houdende wijziging van de Regeling publieke gezondheid vanwege de invoering van een vergunningplicht en een meldplicht ter zake van het verrichten van handelingen met poliovirus (KetenID WGK027497) Gelet op de [artikelen 12c, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=12c), en [29a, tweede lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=29) en de [artikelen 17b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024708&artikel=17b) en [17c, vierde lid, van het Besluit publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024708&artikel=17c); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling publieke gezondheid. Artikel II Een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling reeds gedane melding bij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd in haar hoedanigheid als National Authority for Containment als bedoeld in [artikel 36, eerste lid, onderdeel d, van de Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=36) ten behoeve van certificering in het kader van de in die bepaling genoemde resolutie, geldt als een ingediende aanvraag als bedoeld in [artikel 14a, eerste lid, van de Regeling publieke gezondheid](onbekend). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2115,"b":"Besluit van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 5 oktober 2023, kenmerk 3696906-1053773-Z, houdende vaststelling van een aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2024 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2024) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2024 € 281,340 miljoen. Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048749&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) genoemde bedrag is € 112,620 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), en € 168,720 miljoen voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken van de Wlz-uitvoerders. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2116,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kenmerk 3972629-1071341-Z van 18 november 2024, houdende vaststelling van een aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2025 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2025) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2025 € 308,501 miljoen. Artikel 2 Van het bedrag, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050486&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), is € 126,514 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), en € 181,987 miljoen voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken van de Wlz-uitvoerders. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2025. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6350,"b":"Wijziging ARAR in verband met invoering partnerschapsregistratie Circulaire aan de ministers De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum uitgifte. Met ingang van 1 januari 1998 zijn twee wetten in werking getreden waarbij aan het geregistreerd partnerschap dezelfde rechtsgevolgen zijn verbonden als aan het huwelijk ([Stb. 1997, 324](onbekend) en [Stb. 1997, 660](onbekend)). Naar aanleiding van de totstandkoming van deze wetten zijn ook diverse rechtspositieregelingen voor het rijkspersoneel aangepast. Het desbetreffende koninklijk besluit van 29 januari 1998 is gepubliceerd in Staatsblad 1998, 89 en werkt terug tot en met 1 januari 1998. Voor de sector rijk zijn m.n. de artikelen I, XI tot en met XVIII en XXV van belang. De rechten die de diverse rechtspositieregelingen toekennen aan de echtgenoot of echtgenote van de ambtenaar gelden ten gevolge van dit besluit eveneens voor de geregistreerde partner van de ambtenaar. Ik verzoek u met het bovenstaande rekening te houden."},{"i":6582,"b":"Besluit van 8 april 2019 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000, in verband met de aanpassing van enkele regels voor de beoordeling van verblijfsaanvragen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 25 februari 2019, nr. 2513249; Gelet op de [artikelen 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24), [37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=37), en [66, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 maart 2019, nr. W16.19.0054/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 april 2019, nr. 2560281; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel II 1. [Artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), zoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing voor de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie. 2. Een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend op grond van de [artikelen 3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), [3.48, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48), en [artikel 3.51, eerste lid, onderdeel k, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, wordt beheerst door het [Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) zoals dat luidde op"},{"i":6597,"b":"Besluit van 16 november 2011, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen inzake de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid van bepaalde vitamines en mineralen Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 oktober 2011, VGP 3084138, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Gelet op [artikel 4, eerste lid, onder c, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 oktober 2011, no. W13.11.0433/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 november 2011, VGP 3090179, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen. Artikel II Levensmiddelen waaraan vitamines of mineralen zijn toegevoegd met inachtneming van het [Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008065) zoals dat luidde onmiddellijk voor de inwerkingtreding van dit besluit, mogen verhandeld worden tot en met 30 oktober 2012. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6425,"b":"Besluit van 10 februari 2017, houdende wijziging van tabel 4 in de bijlage bij het Besluit Hersendoodprotocol in verband met het herstel van een omissie Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 december 2016, kenmerk 1069479-159546-WJZ; Gelet op [artikel 15, eerste lid, van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 januari 2017, no. W13.16.0447/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 februari 2017, 1069447-159546-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit Hersendoodprotocol. Artikel II Wijzigt het Wijzigingsbesluit Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet, enz. (herstellen misslagen en omissies). Artikel III Indien in de periode van 1 augustus 2016 tot het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit bij de vastlegging van de wijze van vaststelling van de hersendood gebruik is gemaakt van een verklaring waarvan het model overeenkomt met het in artikel I opgenomen model, wordt dat gebruik gelijkgesteld met gebruikmaking van het bij Besluit van 21 maart 2016, houdende vervanging van de bijlage bij het Besluit hersendoodprotocol (Stb. 2016, 170) vastgestelde model. Artikel IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7067,"b":"Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen de Europese Gemeenschap, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Kroatië, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, Hierna genoemd „de overeenkomstsluitende partijen\", Ervan overtuigd zijnde dat het vrije verkeer van personen op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij een belangrijke voorwaarde is voor de harmonieuze ontwikkeling van hun betrekkingen; Vastbesloten het vrije onderlinge verkeer van personen tot stand te brengen, daarbij uitgaande van de bepalingen die in de Europese Gemeenschap worden toegepast, Hebben overeenstemming bereikt over het volgende: Art. 3 van Trb. 2017/8 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. TITEL I. BASISBEPALINGEN Artikel 1. Doel Deze Overeenkomst beoogt met betrekking tot onderdanen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap en van Zwitserland het volgende: - a. het toekennen van het recht op toegang tot het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen en op het verblijf, de toegang tot een economische activiteit in loondienst, de vestiging als zelfstandige, alsmede op voortzetting van het verblijf op dit grondgebied; - b. het vergemakkelijken van de verlening van diensten op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen, met name het liberaliser"},{"i":6902,"b":"Besluit van 7 juli 1987, houdende regels inzake de vergoeding voor en de buitengebruikstelling van oude eigendoms- en huurscholen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 9 maart 1987, nr. 8551/2353, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op artikel E 35, vierde lid, van de Overgangswet WBO (**Stb.** 1986, 257); Gehoord de Onderwijsraad (advies van 24 december 1985, nr. O.R. 1/97 P); De Raad van State gehoord (advies van 23 april 1987, nr. W05.87.0096); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 3 juli 1987, nr. 9003/2353, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Afdeling I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; wet: [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); school: basisschool; bevoegd gezag: de rechtspersoon die een bijzondere school in stand houdt. Artikel 2. Geschillenregeling Voor zover niet anders bepaald, worden geschillen tussen de gemeente en het bevoegd gezag over de toepassing van het bepaalde in de [afdelingen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004190&afdeling=II&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004190&afdeling=III&z=2006-03-08&g=2006-03-08) onderworpen aan de beslissing van gedeputeerde staten. Artikel 3. Commissie van schatters Schattingen welke ingevolge dit besluit dienen plaats te vinden, geschieden door een commissie van drie deskundigen van wie er één wordt benoemd door de Onderwijsraad, één door burgemeester en wethouders en één door het bevoegd gezag. De commissie van schatters beslist bij meerderheid van stemmen. Indien geen meerderheid wordt verkregen, wordt de waarde bepaald op het gemiddelde van de drie schattingsopgaven. Afschrift van de beslissing wordt gezonden aan het college van burgemeester en wethouders"},{"i":2525,"b":"Beleidsregel Toezicht ACM op duurzaamheidsafspraken De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=6) en [artikel 4:81, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: 1. Inleiding 2. Mededingingsregels en duurzaamheidsafspraken 2.1. Definitie duurzaamheidsafspraken 2.2. Toepassing kartelverbod op duurzaamheidsafspraken 3. Toezicht ACM op duurzaamheidsafspraken 3.1. Naleving bindende duurzaamheidsnormen 3.2. Toezicht op milieuschadeafspraken 4. Informele beoordeling duurzaamheidsafspraken 4.1. Inleiding 4.2. Verzoek om een informele beoordeling 4.3. Behandeling van het verzoek om een informele beoordeling 4.4. Verstrekking informele beoordeling 4.5. Gevolgen van een informele beoordeling 5. Inwerkingtreding"},{"i":4211,"b":"Besluit vaststelling subsidieplafonds 2013 enkele deelregelingen Stichting Nederlands Letterenfonds Gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); Gelet op [artikel 4, zesde lid, Algemeen reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735&artikel=4); Besluit:"},{"i":4650,"b":"Besluit van 19 juni 2024 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019, L 151) (Implementatiebesluit toegankelijkheidsvoorschriften bankdiensten) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 22 maart 2024, 2024-0000209763, directie Financiële Markten; Gelet op [Richtlijn (EU) 2019/882](32019L0882) van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019, L 151) en de [artikelen 1:81, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), en [4:22.0a, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:22.0a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 april 2024, nr. W06.24.00061/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 17 juni 2024, 2024-0000297908, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 28 juni 2025. Artikel IV Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit toegankelijkheidsvoorschriften bankdiensten. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2145,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 oktober 2013, kenmerk 160023-111761-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake correctie contracteerruimte AWBZ 2013 met betrekking tot geriatrische revalidatiezorg Na op 11 oktober 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (150933-110152-LZ); Besluit: artikel Enig Het bedrag genoemd in [artikel 3, onder a, van de Aanwijzing contracteerruimte AWBZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032244&artikel=3) wordt verlaagd met € 38 miljoen tot € 660 miljoen."},{"i":2175,"b":"Aanwijzing kentekens als modellen Gelet op [artikel 2, zevende lid, tweede volzin, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Als modellen, bedoeld in [artikel 2, zevende lid, tweede volzin, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=2), worden aangewezen de kentekens, bevattende de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers met de cijfergroepen 00–01 tot en met 69–99. Artikel 2 De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 december 1974, nr. A-2/27830, ter uitvoering van [artikel 2, zevende lid, tweede volzin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=2) (motorrijtuigen, welke ertoe bestemd zijn Nederland op korte termijn te verlaten), wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2176,"b":"Aanwijzing kinderpornografie Samenvatting Deze aanwijzing geeft een kader en regels voor de strafrechtelijke aanpak van kinderpornografie (artikel 240b (oud) Sr en [artikel 252 (nieuw) Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=252)). Deze aanwijzing is een aanvulling op de Aanwijzing seksuele misdrijven, die onverkort van toepassing is op kinderpornografiezaken. 1. Achtergrond Uitgangspunten bij de aanpak van kinderpornografie zijn: 1.1. [Wet seksuele misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049509) In 2024 is de zedentitel in het Wetboek van Strafrecht vervangen door de [titel Seksuele misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIV). Waar voorheen gesproken werd van zedendelicten wordt in lijn met de vernieuwde titel gesproken van ‘seksuele misdrijven’. De strafbaarstelling van kinderpornografie is gewijzigd en ondergebracht in [artikel 252 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=252). De opvallendste wijzigingen zijn dat de term ‘afbeelding’ is vervangen door ‘visuele weergave’ en de term ‘seksuele gedraging’ door ‘van seksuele aard of met onmiskenbaar seksuele strekking’. Voorts is gelet op de toegenomen risico’s en schade door opkomst van internet en sociale media het strafmaximum voor het delict kinderpornografie verhoogd van vier naar zes jaar gevangenisstraf. Het strafmaximum voor het maken van een beroep of gewoonte is verhoogd naar negen jaar gevangenisstraf ([artikel 254 lid 1 sub c Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=254)). De term visuele weergave is nader gedefinieerd in [artikel 239 (nieuw) Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=239) en omvat ook gegevens die geschikt zijn om een visuele weergave te vormen of een gegevensdrager bevattende gegevens die geschikt zijn om een visuele weergave te vormen. Voor deze terminologie is gekozen om het artikel techniekonafhankelijk en toekomstbestendig te maken. Onder een visuele weergave wordt"},{"i":4375,"b":"Besluit van 12 december 1997, houdende enige vrijstellingen voor samenwerkingsovereenkomsten in de detailhandel van het verbod van mededingingsafspraken (Besluit vrijstellingen samenwerkingsovereenkomsten detailhandel) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 18 juli 1997, nr. 97044393 WJA/W; Gelet op [artikel 15, eerste en tweede lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=15); De Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 1997, nr. W10.97.0488); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 8 december 1997, nr. 97076950 WJA/W; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. detailhandelsonderneming: een onderneming die rechtstreeks roerende zaken aan eindgebruikers pleegt te leveren; - b. samenwerkingsovereenkomst: een overeenkomst tussen een detailhandelsonderneming en een andere onderneming of een ondernemersvereniging, waarin ten minste verplichtingen zijn opgenomen inzake - 1°. het overdragen van technische, commerciële en praktische kennis en het verlenen van bijstand, met betrekking tot de levering van bepaalde categorieën van roerende zaken, aan de detailhandelsonderneming door de andere onderneming of de ondernemersvereniging, - 2°. het gebruik door de detailhandelsonderneming in haar presentatie naar eindgebruikers van een door de andere onderneming of de ondernemersvereniging voorgeschreven huisstijl en embleem, merk of naam, en - 3°. het inrichten van de vestiging of vestigingen van de detailhandelsonderneming op een door de andere onderneming of de ondernemersvereniging voorgeschreven wijze; - c. samenwerkingsverband: een geheel van detailhandelsondernemingen en een andere onderneming of van detailhandelsondernemingen en een ondernemersvereniging, die partij zijn bij twee of meer inhoudelijk gelijke of nagenoeg gelijke samenwerkingsovereenkomsten waarin telkens dezelfde onderneming of ondernemersvereniging de in onderdeel b, onder"},{"i":3078,"b":"Besluit van 8 juni 2015, houdende regels over het beheer van de politie (Besluit beheer politie) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 19 februari 2015, nr. 616920; Gelet op [artikel 30, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=30), [artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18) en [artikel 9, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=9); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 april 2015, nr. W03.15.0038/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 juni 2015, nr. 638459; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **ambtenaren van politie:** ambtenaren als bedoeld in [artikel 2, onder a, b en c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2); - **arrestantenzorg:** zorg voor de huisvesting, veiligheid, verzorging, bejegening en het vervoer van ingeslotenen door de regionale eenheid en door de landelijke eenheden, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&hoofdstuk=3&paragraaf=3.1&artikel=3&z=2025-04-01&g=2025-04-01), in het gebied van die regionale eenheid; - **beheersplan:** het beheersplan, bedoeld in [artikel 37, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=37); - **commissies van toezicht op de arrestantenzorg:** de commissie, bedoeld in [artikel 50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&hoofdstuk=9&artikel=50&z=2025-04-01&g=2025-04-01); - **ingeslotene:** de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, alsmede de persoon die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op een politiebureau is ondergebracht; - **jaaraanschrijving:** jaaraanschrijving van Onze Minister waarin aan"},{"i":4451,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juni 2013, nr. 2013-0000329548, houdende regels voor de subsidiëring van de Stichting Nationaal Comité 4 en 5 mei (BZK Subsidieregeling Nationaal Comité 4 en 5 mei) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdeel f, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=18), [22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=22), en [24, vijfde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=24); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **stichting:** Stichting Nationaal Comité 4 en 5 mei. Artikel 2 1. De minister verstrekt aan de stichting een subsidie met het oog op de organisatie van nationale herdenkingen en vieringen op 4 en 5 mei en de uitvoering van educatie- en erfgoedprojecten. 2. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 3 Op de subsidie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033571&paragraaf=1&artikel=2&z=2021-10-29&g=2021-10-29), zijn de bepalingen van het [Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530) inzake een subsidie lager dan € 25.000 van toepassing. Artikel 4 De subsidie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033571&paragraaf=1&artikel=2&z=2021-10-29&g=2021-10-29), bedraagt ten hoogste het bedrag dat uit de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties blijkt. § 2. De subsidieverlening Artikel 5 De stichting dient de aanvraag tot subsid"},{"i":2968,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 januari 2025, nr. 2024-0000798430 tot aanwijzing van het Nationale Dataportaal als centraal informatiepunt als bedoeld in de Datagovernanceverordening Gelet op [artikel 2, vijfde lid, van de Uitvoeringswet datagovernanceverordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050415&artikel=2); Besluit: Artikel I Het door Logius, onderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, beheerde Nationale Dataportaal wordt aangewezen als centraal informatiepunt bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de [Verordening (EU) 2022/868](32022R0868) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende de Europese datagovernance en tot wijziging van [Verordening (EU) 2018/1724](32018R1724) (Datagovernanceverordening). Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":6471,"b":"Besluit van 3 december 2018 tot wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 in verband met de indexering van de vergoedingen voor psychiaters en psychologen en de verhoging van urenmaxima bij het opstellen van tripelrapportages Artikel I Wijzigt het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Artikel II Wijzigt het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Artikel III Wijzigt het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Artikel IV 1. De in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041697&artikel=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01) vastgestelde maximumaantallen uren die voor vergoeding in aanmerking komen, gelden voor opdrachten die zijn verstrekt op of na 1 september 2017. 2. De in [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041697&artikel=II&z=2019-01-01&g=2019-01-01) vastgestelde tarieven gelden voor opdrachten die zijn verstrekt in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018. Artikel V 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van artikel III, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2019. 2. Dit besluit werkt ten aanzien van de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041697&artikel=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [IV, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041697&artikel=IV&z=2019-01-01&g=2019-01-01), terug tot en met 1 september 2017. 3. Dit besluit werkt ten aanzien van de [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041697&artikel=II&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [IV, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041697&artikel=IV&z=2019-01-01&g=2019-01-01), terug tot en met 1 januari 2018. Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 8 november 2018, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2405220; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=3) en[6, eerste lid, van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.ove"},{"i":5298,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 oktober 2014, 2014-0000162942, tot benoeming van de leden van het Comité van toezicht EFMB Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Benoeming leden 1. Tot lid van het Comité van toezicht EFMB, bedoeld in [artikel 2 van de Regeling tot instelling van het Comité van toezicht EFMB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035716&artikel=2) worden benoemd: - a. namens het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid: mevrouw C. Bronda (tevens voorzitter), met als plaatsvervangend lid mevrouw M.R. ten Napel; de heer W.L.J. van de Griendt (tevens plaatsvervangend voorzitter), met als plaatsvervangend lid mevrouw G.A. Hofenk; - b. namens de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen: de heer A. van Scherpenzeel, met als plaatsvervangend lid de heer W. Reijn; - c. namens Movisie: de heer D.J.W. van de Maat, met als plaatsvervangend lid mevrouw H.M. van Xanten; - d. namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten: mevrouw M.A. Rabarison-Van der Laan; - e. namens de gemeente Rotterdam als vertegenwoordiger van de G4: de heer K. Luijsterburg, met als plaatsvervangend lid de heer A. Polychronakis; - f. namens het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport: mevrouw W.E. Schuurmans-Oosterom, met als plaatsvervangend lid mevrouw M. Mulder. 2. Namens de Europese Commissie worden de heer H. Lange en Mevrouw C. Grosser tot adviserend lid van het Comité van toezicht EFMB benoemd. Artikel 2. Vergoeding Aan de leden wordt een vergoeding per vergadering toegekend volgens de regels van de [Wet vergoedingen adviescolleges en commissie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775) en het [Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279). De vergoeding per vergadering bedraagt 3% van het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldig"},{"i":5278,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 29 mei 2012, nr. WJZ / 12065785, houdende regels inzake de algemene doorvoervergunning NL007 voor militaire goederen herkomstig van bondgenoten (Regeling algemene doorvoervergunning NL007) Gelet op de [artikelen 6a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=6a), en [6b, tweede lid, van het Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=6b); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - −. **besluit:** het [Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139); - −. **EORI-nummer:** het nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel 18, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie; - −. **gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen:** de lijst van goederen waarop Gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie van toepassing is; - −. **inspecteur:** de directeur-generaal Douane. § 2. Algemene doorvoervergunning Artikel 2 1. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking verleent een algemene doorvoervergunning voor de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031615&paragraaf=2&artikel=3&z=2025-04-08&g=2025-04-08) bedoelde militaire goederen indien aan de in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031615&paragraaf=3&artikel=4&z=2025-04-08&g=2025-04-08), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031615&paragraaf=3&artikel=5&z=2025-04-08&g=2025-04-08), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031615&paragraaf=3&artikel=6&z=2025-04-08&g=2025-04-08) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031615&paragraaf=3&artikel=7&z=2025-04-08&g=2025-04-08) genoemde voorwaarden is voldaan. 2. Aan de algemene doorvoervergunning zijn de in [artik"},{"i":6886,"b":"Besluit van 15 september 2023, houdende regels waarmee tijdelijk wordt afgeweken van de Wet basisregistratie personen in het kader van een experiment met uitbreiding van de bijhouding van gegevens over niet-ingezetenen in de basisregistratie personen, alsmede van een experiment met het informeren van ingeschrevenen op het woonadres over de inschrijvingen op dat adres (Besluit experimenten bijhouding basisregistratie personen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 maart 2023, nr. 2022-0000518722; Gelet op de [artikelen 2.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.65) en [4.16a, eerste lid, aanhef en onderdelen d en f, en zesde lid, van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=4.16a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 juni 2023, nr. W04.23.00060/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 september 2023, nr. 2023-0000427870; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1.1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - **de wet:** de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715). Hoofdstuk 2. Experiment uitbreiding bijhouding gegevens niet-ingezetenen § 1. Algemene bepaling Artikel 2.1. Begripsbepaling In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - **het experiment:** het experiment, bedoeld in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048654&hoofdstuk=2&paragraaf=2&artikel=2.2&z=2023-10-01&g=2023-10-01). § 2. Het experiment Artikel 2.2. Doel en duur Met het oogmerk om de bijhouding van gegevens over niet-ingezetenen in de basisregistratie uit te breiden, vindt voor de periode van vier jaar een experiment als bedoeld in [artikel 4.16a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=4.16a) plaats. Artikel 2.3. Afwijken van de [wet](https://wetten.overheid.n"},{"i":6879,"b":"Besluit van 1 september 1995, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 30 juli 1995, nr. 504458/95/6, Directie Wetgeving; Gelet op [artikel 810**a**, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=810a); De Raad van State gehoord (advies van 18 juli 1995, nr. W03.95.0329); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 21 augustus 1995, nr. 508456/95/6, Directie Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor het bepalen van de vergoedingen voor werkzaamheden, wegens tijdverzuim en daarmede verband houdende noodzakelijke kosten voor reis- en verblijfkosten, toekomende aan de deskundigen, bedoeld in [artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=810a), is [artikel 2 van het Besluit griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028901&artikel=2) van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 1. De ouder die op grond van [artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=810a) de rechter verzoekt een deskundige te benoemen, is aan de griffier een eigen bijdrage verschuldigd met betrekking tot de vergoedingen en kosten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007534&artikel=1&z=2010-11-01&g=2010-11-01). 2. De eigen bijdrage bedraagt € 45,38, indien het inkomen van de ouder blijkens het door deze over te leggen afschrift van een bewijs van toevoeging, bedoeld in [artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=29), niet meer bedraagt dan in [artikel 2, eerste of tweede lid, telkens onderdeel d, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl"},{"i":5261,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 december 2010, nr. WJZ/258716 (8308), houdende uitvoering van artikel 3, zesde lid, artikel 4, tweede lid en artikel 6, eerste lid van de Wet primair onderwijs BES (Regeling aanwijzing opleidingsinstituten BES) Gelet op [artikel 3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=3), [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=4) en [artikel 6, eerste lid van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Aangewezen als opleidingsinstituut in de zin [artikel 4, tweede lid, eerste volzin, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=4), wordt de Algemene Faculteit van de Universiteit van de Nederlandse Antillen, met dien verstande dat dit opleidingsinstituut aan kandidaten die met goed gevolg de opleidingen, dan wel applicatiecursussen, leerkracht funderend onderwijs afronden, diploma's als genoemd in artikel 4, eerste lid, van voornoemde landsverordening, verstrekt. Artikel 2 1. Aangewezen als bekwaamheidsbewijzen in de zin van [artikel 4, tweede lid, laatste volzin, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=4), worden de diploma's leerkracht funderend onderwijs als afgegeven in het jaar 2008, of daarna, door de Akademia Pedagógiko Kórsou, dan wel de University of St. Martin. 2. Tevens aangewezen als bekwaamheidsbewijs in de zin van [artikel 4, tweede lid, laatste volzin, van de boven genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op de diploma's applicatiecursus leerkracht funderend onderwijs, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, cijfer 1, en onder b, cijfer 1, van die wet, worden de diploma's van het Bureau for Educational Research, Planning, Policy en Innovations te Sint Maarten alsmede de diploma’s van de Stichting Nascholing O"},{"i":5272,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 november 2025, nr. 2025-0000260698, tot aanwijzing van toezichthouders van de Dienst Financieel-Economische Integriteit voor het toezicht op de artikelen 47 en 48 van de Wet op het consumentenkrediet (Regeling aanwijzing toezichthouder Wet op het consumentenkrediet) [KetenID WGK028533] Gelet op [artikel 48a van de Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=48a); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=47) en [48 van de Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815&artikel=48) zijn belast de bij besluit van de Minister van Financiën aangewezen ambtenaren, werkzaam bij de Dienst Financieel-Economische Integriteit van het Ministerie van Financiën. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing toezichthouder [Wet op het consumentenkrediet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004815). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6878,"b":"Besluit van 26 mei 1953, tot vaststelling van een nieuwe algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8 van de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië (Stb. K 178) Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken en van Onze Minister zonder Portefeuille, Mr J.M.A.H. Luns, van 4 Mei 1953, Directie Overgangszaken Indonesië/WJ, no. 55136; Gelet op [artikel 8 van de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060&artikel=8) en op artikel 91 van de Zegelwet 1917; De Raad van State gehoord (advies van 19 Mei 1953, no. 22); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken a.i. en van Onze Minister zonder Portefeuille, Mr J.M.A.H. Luns, van 22 Mei 1953, DOI/WJ, no. 65557; Hebben goedgevonden en verstaan: Met buitenwerkingstelling van Ons besluit van 22 juni 1950 (**Stb.** K 262); Hoofdstuk I. Algemene bepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: \"Garantiewet\": de [Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060); \"Onze Minister\": Onze Minister van Binnenlandse Zaken; \"overheidsdienaren\", \"gewezen overheidsdienaren\" en \"nagelaten betrekkingen\": hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060&artikel=1) van de Garantiewet; \"commissie\": een commissie als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060&artikel=8) van de Garantiewet; Hoofdstuk II. Van de standplaats en de samenstelling der commissie Artikel 2 Er is een commissie, gevestigd te 's-Gravenhage, welke de naam draagt van \"Garantiewetcommissie\". Artikel 3 1. De commissie is samengesteld uit ten hoogste een voorzitter, een tweede voorzitter, twee leden en twee plaatsvervangende leden. 2. De commissie wordt bijgestaan door een secretaris. 3. De secretaris kan worden benoemd tot waarnemend lid of waarnemend plaatsvervangend lid. Artikel 4 De voorzitter, de tweede voorzitter, de leden, de pla"},{"i":4337,"b":"Besluit verlening ondermandaat functionarissen Logius Gelet op het [Organisatiebesluit BZK 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051449), het [Mandaatbesluit BZK 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051453) en in overeenstemming met het Organisatie & Formatierapport Logius 2024 ‘Basis op Orde’ **De algemeen directeur Logius besluit ondermandaat te verlenen aan:** Voor personele aangelegenheden is ondermandaat verleend conform het Logius ‘P-mandaat’. De namen van de functionarissen zijn in een actueel register bij Logius opgenomen. Onderhavig besluit treedt in werking na ondertekening en werkt terug tot en met 1 maart 2025. Het ‘Besluit verlening ondermandaat functionarissen Logius’ van 1 januari 2023 komt hiermee te vervallen."},{"i":3494,"b":"Besluit van 18 Juni 1955, houdende uitvoering van artikel 9 van de Instellingswet Productschap voor Gedistilleerde Dranken Op de voordracht van Onze Ministers voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie van 24 Maart 1955, no. B. 2496, Dir. W.J.A., van Economische Zaken van 24 Maart 1955, no. 23479, Dir. W.J.A. en van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 24 Maart 1955, no. J. 1085, Afd. W.J.Z.; Overwegende, dat het wenselijk is te bepalen in welke gevallen Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening voor de toepassing van de [Instellingswet Productschap voor Gedistilleerde Dranken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002151) (**Stb.** 1954, 450) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104) (**Stb.** 1950, K 22) ten aanzien van het Productschap voor Gedistilleerde Dranken mede als betrokken Minister wordt aangemerkt; Gelet op artikel 9 van eerstgenoemde wet; De Raad van State gehoord (advies van 19 April 1955, no. 49); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers onderscheidenlijk van 13 Juni 1955, no. B. 2638, Dir. W.J.A., van 13 Juni 1955, no. 23480, Dir. W.J.A. en van 13 Juni 1955, no. J. 1086, Afd. W.J.Z.; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van de [Instellingswet Productschap voor Gedistilleerde Dranken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002151) (**Stb.** 1954, 450) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104) (**Stb.** 1950, K 22) ten aanzien van het Productschap voor Gedistilleerde Dranken wordt Onze Minister van Landbou"},{"i":3160,"b":"Besluit van 4 oktober 2017, houdende regels inzake het brandveilig gebruik van overige plaatsen en de basishulpverlening op die plaatsen (Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 30 mei 2017, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2081202; Gelet op [artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=3), De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 5 juli 2017, nr. WO3.17.0152/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 2 oktober 2017, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2131557; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt verstaan onder: - **plaats:** ruimtelijk begrensde oppervlakte, bestaande uit ten minste een gebied of bouwsel of een samenstelling daarvan; - **gebied:** deel van de plaats dat geen bouwsel of bouwwerk is; - **bouwsel:** bijeenkomsttent, tribune, podium of elke andere constructie die naar een plaats is gebracht of ter plaatse is geconstrueerd om daar kortstondig te functioneren; - **ruimte:** voor personen toegankelijk bouwsel of deel van een bouwsel; - **besloten ruimte:** een ruimte die door scheidingsconstructies omsloten is. - **verblijfsruimte:** ruimte voor het verblijven van personen. 2. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder: - **ADR-klasse:** classificatie als bedoeld in de op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171); - **bevoegd gezag:** het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de plaats geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen; - **bezwijken:** het overschrijden van een"},{"i":3358,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 31 mei 2018 nr. BOACAT2018/029, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Omgevingsdienst Haaglanden Gelezen het verzoek van de directeur van de Omgevingsdienst Haaglanden van 29 mei 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040986&artikel=2&z=2018-06-07&g=2018-06-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder Milieu in dienst van de Omgevingsdienst Haaglanden, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel 4 Op"},{"i":4554,"b":"Country by country reporting; uitstel eerste notificatie **Dit besluit bevat de goedkeuring om de notificatie op grond van artikel 29d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor de eerste keer uiterlijk op 1 september 2017 te doen.** De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. 1. Inleiding Als gevolg van de implementatie van actiepunt 13 van het OESO-project Base Erosion and Profit Shifting gelden voor multinationale groepen voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016 nieuwe gestandaardiseerde documentatieverplichtingen ten aanzien van de verrekenprijzen die zij binnen het concern hanteren (country by country reporting, CbC). Op grond van deze documentatieverplichtingen verstrekken rapporterende entiteiten een landenrapport over de multinationale groep aan de belastingdienst in het land waarin zij fiscaal zijn gevestigd. Het landenrapport wordt vervolgens automatisch uitgewisseld. Om te bepalen welke groepsentiteit van een multinationale groep de rapporterende entiteit is, is mede van belang tussen welke landen een overeenkomst tot uitwisseling van CbC-informatie tot stand gekomen is. Dit is het geval indien het desbetreffende land – net als Nederland – de Multilaterale Competent Authority Agreement (MCAA) CbC heeft ondertekend én de in artikel 8 van de MCAA CbC bedoelde notificatie aan de OESO heeftgedaan. Voor het doen van de MCAA notificaties stelt de OESO een tijdpad op. Naar verwachting loopt dit tijdpad tot 1 juli 2017. In Nederland verplicht [artikel 29d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29d) (Wet Vpb 1969) een groepsentiteit van een multinationale groep die fiscaal inwoner is van Nederland uiterlijk op de laatste dag van het verslagjaar van de multinationale groep aan de inspecteur te berichten of zij de rapporterende entiteit is en zo nee, welke entiteit wel de rapporterende entiteit is. Op de datum waarop deze binnenlandse notificatie voor de eerste keer"},{"i":4558,"b":"Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies Fonds Podiumkunsten 2017–2020 Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2); Besluit Paragraaf 1. : Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **andere-inkomstenquote:** het totaal van alle inkomsten met uitzondering van de vaste voet en het subsidie per uitvoering op basis van deze regeling gedeeld door de totale baten; - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **eigeninkomstenquote:** het totaal van de publieksinkomsten, directe en indirecte opbrengsten en bijdragen uit private middelen gedeeld door de totale baten; - **concours:** een competitie gericht op podiumkunstenaars die aan het begin van een professionele carrière staan waarbij het wedstrijdelement het verbindende element tussen de activiteiten vormt; - **festival:** reeks van onderling samenhangende activiteiten die gedurende een in de tijd beperkte periode onder een gemeenschappelijke noemer worden georganiseerd; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba; - **podiumkunstenaar:** iemand die artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd is in de professionele podiumkunstpraktijk in Nederland; - **schoolvoorstelling of schoolconcert:** besloten podiumkunstactiviteit die specifiek gericht is op (groepen) scholieren en waarbij sprake is van een (muziek)theatraal concept of choreografisch idee of een muzikale programmatische samenhang; - **uitvoering:** een voorstelling of concert dan wel een schoolvoorstelling of schoolconcert; - **voorstelling o"},{"i":4860,"b":"Besluit van de hoofden afdelingen Divisie Individuele Zaken van 26 september 2023, nr. 4924760, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan de onder de hoofden van de afdelingen van de Divisie Individuele Zaken ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit hoofden afdelingen Divisie Individuele Zaken 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluiten: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, eerste lid, van het Mandaatbesluit directeur Divisie Individuele Zaken 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048691&artikel=1) aan de hoofden van de afdelingen verleende ondermandaat, wordt ondermandaat verleend aan de senior selectiefunctionarissen en de senior adviseurs capaciteitsmanagement, ten aanzien van de aangelegenheden die hun team respectievelijk afdeling betreffen, voor het nemen van ministeriële beslissingen aangaande: - a. het (tijdelijk) verlaten van de inrichting en het gesticht bij wijze van verlof op grond van [artikel 26 van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=26) en [artikel 39 van de Wet beginselen gevangeniswezen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028596&artikel=39); - b. het tijdelijk onderbreken c.q. de beëindiging van de verplichte zorg houdende opname in een accommodatie, verlof buiten en ontslag uit de accommodatie en beëindiging van de behandeling en ontslag uit de instelling op grond van de [artikelen 8:17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=8:17), [8:18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=8:18) en [9:2 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040635&artikel=9:2), de [artikelen 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=47), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040632&artikel=48) en [50 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische e"},{"i":2644,"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, betreffende het beoordelingskader voor wijzigingen in functionele systemen van de Luchtverkeersleiding Nederland en het daarbij te borgen veiligheidsniveau (Beleidsregels veiligheidsnormen ATC) Gelet op de artikelen 9, eerste lid, en 10, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1034/2011 van de Commissie van 17 oktober 2011 betreffende het veiligheidstoezicht op het gebied van luchtverkeersbeheer en luchtvaartnavigatiediensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 691/2010 (PbEU L 271), onderdeel 3.1 van Bijlage I, de onderdelen 3.1.1, onder d, 3.1.2, onder c, 3.2.1, onder c, en 3.2.4 van Bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 van de Commissie van 17 oktober 2011 tot vaststelling van de gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 482/2008 en (EU) nr. 691/2010 (PbEU L 271) en [artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van de artikelen 9, eerste lid, en 10 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1034/2011 van de Commissie van 17 oktober 2011 betreffende het veiligheidstoezicht op het gebied van luchtverkeersbeheer en luchtvaartnavigatiediensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 691/2010 (PbEU L 271) en onderdeel 3.1 van Bijlage I en de onderdelen 3.1.1, onder d, 3.1.2, onder c, 3.2.1, onder c, en 3.2.4 van Bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 van de Commissie van 17 oktober 2011 tot vaststelling van de gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 482/2008 en (EU) nr. 691/2010 (PbEU L 271), gelden de beleidsregels opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit zal twee jaar na de datum van inwerkingtreding worden geëvalueerd. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang v"},{"i":2876,"b":"Beschikking van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 november 2022, nr. 4269574, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, tot vaststelling van het percentage waarmee de bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2023 worden verhoogd (Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2023) Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), waarmee bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2023 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 3,4. Artikel 2 Deze beschikking wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2023. Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3828,"b":"Besluit van de voorzitter van de Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade, van 9 januari 2025, kenmerk 2024-0000582938, houdende verlening van ondermandaat aan de operationeel directeur van de Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade (Besluit ondermandaat operationeel directeur CWS) Gelet op het [Mandaatbesluit voorzitter Commissie Werkelijke Schade 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050690), en [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [10:6 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:6). Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **CWS:** de Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade als bedoeld in [artikel 3, eerste lid van de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045235&artikel=3); - b. **Voorzitter van de CWS:** de voorzitter als bedoeld in [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045235&artikel=5) en [5a, eerste lid van de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045235&artikel=5a); - c. **De operationeel directeur van de CWS:** de operationeel directeur als bedoeld in [artikel 5a, tweede lid van de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045235&artikel=5a); - d. **Mandaatbesluit:** het [Mandaatbesluit voorzitter Commissie Werkelijke Schade 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050690). Artikel 2. Ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging Tenzij anders is bepaald, omvat de verlening van ondermandaat mede de verlening van: - a). ondervolmacht: de bevoegdheid om namens de Minister voor de Staat der Nederlanden privaatrechtelijke rechtshandelingen"},{"i":4537,"b":"Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (juridische versie) Deze circulaire heeft als doel de [circulaire](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035667) van 1 november 2014 (met kenmerk 2014-0000234272) te wijzigen. Deze wijzigingen betreffen aanpassingen van de bedragen van de dwangsom bij niet tijdig beslissen als gevolg van de indexering per 1 januari 2019 (Stcrt. 2018, nr. 65542). Daarnaast is per 1 oktober 2016 de [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) niet langer van toepassing op verzoeken op grond van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) en [Wet hergebruik van overheidsinformatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036795). De ingangsdatum van de onderhavige circulaire is 1 maart 2019. Per deze datum vervalt de circulaire van 1 november 2014. Op 1 oktober 2009 is de [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) (hierna: Wet dwangsom) in werking getreden. Deze wet biedt burgers meer doeltreffende rechtsmiddelen tegen niet tijdig beslissen door de overheid. In deze circulaire wordt de betekenis van deze wet voor bestuursorganen van zowel het Rijk als de decentrale overheden toegelicht. Deze versie is geschikt voor juristen werkzaam bij bestuursorganen. Tegelijk met deze circulaire is een [versie van deze circulaire voor al het overheidspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042024) (kenmerk 2018-0000973214) vastgesteld. De [Wet dwangsom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) bevat een tweetal regelingen voor die gevallen waarin een bestuursorgaan niet binnen de daarvoor geldende termijn beslist: 1. Dwangsom bij niet tijdig beslissen De dwangsomregeling geldt voor alle beschikkingen op aanvraag en voor alle beslissingen op bezwaar die het karakter van een beschikking hebben, voor zover deze niet expliciet door de wetgever zijn uitgesloten (zie ABRvS 2"},{"i":1972,"b":"Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002–III Natuur, milieu en vervoer) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2002 wenselijk is maatregelen te treffen inzake natuur, milieu en vervoer; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I, onderdeel F en artikel III, onderdelen F, G en K, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid werken terug tot en met 1 januari 2001. Hoofdstuk 1. Fiscale wetgeving Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel IV Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel V Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel VI Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel VII Wijzigt de Wet tijdelijke fiscale stimulering van de aankoop van schone personenauto's en bestelauto's. Hoofdstuk 1A. Sociale zekerheidswetgeving Artikel VIIA Wijzigt de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Hoofdstuk 2. Overgangs- en slotbepalingen Artikel VIII. Overgangsrecht [Wet op de motorrijtuigenbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324) In afwijking van [artikel 83 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=83) wordt teruggaaf van motorrijtuigenbelasting verleend over tijdvakken die nog niet zijn aangevangen op 1 januari 2002 met betrekking tot personenauto's als bedoeld in [artikel 23 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=23). De teruggaaf bedraagt het verschil tussen de betaalde belasting en de belasting die is verschuldigd op grond van artikel 23 van voornoemde wet. Artikel IX. Overgangsrecht [Wet op de accijns](http"},{"i":4617,"b":"Gezamenlijke beschikking plaatselijk aangeworven werkkrachten Gelet op [artikel 17, derde lid, letter b, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=17) (Stb. 1964, 425; Publicatieblad 1964, nr. 178); Besluiten: Artikel 1 Het [eerste en tweede lid van artikel 17 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&artikel=17) zijn niet van toepassing ten aanzien van inkomsten uit het verrichten, of het vroeger verricht zijn, van niet-zelfstandige arbeid, welke worden betaald ten laste van een van de landen, van een publiekrechtelijke rechtspersoon van een van de landen, of ten laste van een fonds van dat land of van die rechtspersoon, genoten door personen die; - woonachtig zijn in een van de andere landen, en - hun arbeid verrichten, of hebben verricht, in dat andere land, en - niet uitsluitend voor het verrichten van die arbeid inwoner van dat land werden. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking op de dag van haar afkondiging en vindt toepassing met ingang van 1 juli 1990. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Gezamenlijke beschikking plaatselijk aangeworven werkkrachten."},{"i":2919,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 6 maart 2017, 2017-0000028761, directie Financiële Markten, tot aanwijzing van de Autoriteit Financiële Markten als bevoegde autoriteit in de zin van verordening (EU) nr. 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PbEU 2016, L 171) Gelet op artikel 40, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van [Richtlijnen 2008/48/EG](32008L0048) en [2014/17](32014L0017)/EU en Verordening (EU) nr. [596/2014](32496L2014) (PbEU 2016, L 171); Besluit: artikel Enig Als bevoegde autoriteit in de zin van verordening (EU) nr. 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van [Richtlijnen 2008/48/EG](32008L0048) en [2014/17](32014L0017)/EU en Verordening (EU) nr. [596/2014](32496L2014) (PbEU 2016, L 171) en in die hoedanigheid bevoegd om als lid deel te nemen aan colleges als bedoeld in artikel 46 van genoemde verordening, wordt aangewezen de Autoriteit Financiële Markten. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2243,"b":"Aanwijzing waarborgen professioneel verschoningsrecht Samenvatting Deze aanwijzing schetst het juridisch kader voor de omgang met verschoningsgerechtigd materiaal van geheimhouders als bedoeld in 218 Sv en beschrijft de uitgangspunten die het OM en de onder het gezag van het OM opererende opsporingsinstanties in acht nemen om het professionele verschoningsrecht te waarborgen. 1. Inleiding Op grond van [artikel 218 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=218) kan degene die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, zich op zijn verschoningsrecht beroepen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. De grondslag van dit professionele verschoningsrecht is het in Nederland geldende algemene rechtsbeginsel dat bij dergelijke geheimhouders het maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, in beginsel moet wijken voor het maatschappelijke belang dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden. Het professionele verschoningsrecht komt slechts toe aan een beperkte groep van personen, zoals advocaten, notarissen, geestelijken en artsen, die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhouding van al hetgeen aan hen in hun hoedanigheid wordt toevertrouwd. Het verschoningsrecht van deze personen strekt zich uit tot de wetenschap die zij hebben verkregen in de uitoefening van hun beroep. Dat betekent dat (bijvoorbeeld) een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat. De plicht tot geheimhouding van een professioneel verschoningsgerechtigde geldt niet alleen voor de geheimhouder, maar ook voor het bij de geheimhouder werkzame personeel, dat een afgeleid verschoningsrecht toekomt. Het Openbaar Ministerie (OM) is verantwoordelijk voor"},{"i":2244,"b":"Aanwijzing werkzaamheden veterinaire hoofdinspecteur Gelet op [artikel 38, eerste lid, van de Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=38); Besluit: Artikel 1 De veterinaire hoofdinspecteur neemt bij de vervulling van zijn taak [Richtlijn 89/608/EEG](31989L0608) van de Raad van 21 november 1989 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de Lid-Staten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de veterinaire en zoötechnische wetgeving (PbEG L 351) in acht. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij is geplaatst en werkt terug tot en met 30 juni 1991. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2245,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 april 2017, kenmerk 1123133-163202-MC houdende wijziging personele eisen beschikbaarheidbijdrage SEH artsen Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 24 januari 2017 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit in verband met wijziging van de personele eisen die gesteld worden aan het verkrijgen van een beschikbaarheidbijdrage voor Spoedeisende Hulp (SEH) als bedoeld in het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG (Kamerstukken II 2016/17, 29 247, nr. 227; Gezien het Besluit van 17 maart 2017 houdende wijziging van het [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971) in verband met het vervallen van niet noodzakelijke eisen voor spoedeisende hulp (Stb. 2017, 133); Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - d. **bijlage:** [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](onbekend); - e. **verstrekken:** verlenen en vaststellen; - f. **SEH:** spoedeisende hulp; - g. **KNMG:** Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op spoedeisende hulp als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 7, van de [bijlage](onbekend), waarbij op een in die bijlage bedoelde afd"},{"i":2246,"b":"Aanwijzing zelfmelden, medewerking en zelfonderzoek Samenvatting Deze aanwijzing schetst de kaders en voorwaarden voor zelfmelden van en medewerking aan een strafrechtelijk onderzoek naar (signalen van) mogelijke strafbare feiten gepleegd binnen de sfeer van een rechtspersoon, met uitzondering van rechtstreekse schendingen van de fysieke integriteit van natuurlijke personen (hierna: mogelijke strafbare feiten). Voor zelfmelden door een rechtspersoon van betrokkenheid bij mogelijke strafbare feiten en/of medewerking aan een strafrechtelijk onderzoek naar die feiten, kan de officier van justitie een korting geven op de eis ter zitting van een geldboete als bedoeld in [artikel 9 eerste lid onder a sub 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9) juncto [artikel 23 Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=23), een geldboetecomponent in een transactie als bedoeld in [artikel 74 tweede lid onder a Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) of een geldboete in een strafbeschikking als bedoeld in [artikel 257a tweede onder b Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257a) (hierna: geldboete).1De korting die de officier van justitie op grond van deze aanwijzing kan toepassen, ziet uitdrukkelijk niet op andere straffen of maatregelen, zoals de ontneming van wederrechtelijk voordeel en de schadevergoedingsmaatregel. Medewerking aan een strafrechtelijk onderzoek kan omvatten dat zelfonderzoek wordt uitgevoerd en de (bron)documenten daarvan ter beschikking worden gesteld aan de opsporingsdienst en het Openbaar Ministerie (hierna: OM). 1. Achtergrond Wanneer een rechtspersoon zelf meldt dat er mogelijk strafbare feiten zijn gepleegd, meewerkt aan het strafrechtelijke onderzoek naar die strafbare feiten en/of zelf onderzoek daarnaar doet of laat doen, kan dat van grote waarde zijn bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Zelfmelden"},{"i":2247,"b":"Aanwijzingen inzake de inzet van de krijgsmacht in de Nederlandse Antillen en Aruba Op voordracht van Onze minister van Defensie, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving en Publiekrecht, nr. C 86/460, van 26 juni 1987, mede namens Onze minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken; Overwegende, dat het wenselijk is de gouverneurs aanwijzingen te geven ten aanzien van de inzet van de krijgsmacht in de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk Aruba; Gelet op [artikel 15 van het Reglement voor de gouverneur van de Nederlandse Antillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002175&artikel=15), onderscheidenlijk Aruba (Stb. 1985, 674 en Stb. 1985, 671); Artikel 10 van het Statuut in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De Gouverneur van Aruba, de Gouverneur van Curaçao, onderscheidenlijk de Gouverneur van Sint Maarten kan over de krijgsmacht beschikken ter handhaving van de onafhankelijkheid en verdediging van Aruba, van Curaçao, onderscheidenlijk van Sint Maarten. 2. De Gouverneur van Aruba, de Gouverneur van Curaçao, onderscheidenlijk de Gouverneur van Sint Maarten kan aan de regering van Aruba, van Curaçao, onderscheidenlijk van Sint Maarten de krijgsmacht ten behoeve van militaire bijstand ter handhaving van de inwendige veiligheid en de openbare orde ter beschikking stellen. Artikel 2 1. De gouverneurs oefenen de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004185&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) omschreven bevoegdheid niet uit dan met instemming van de Raad van ministers van het Koninkrijk. 2. In door de Raad van ministers van het Koninkrijk aan te wijzen gevallen en met inachtneming van door de Raad te stellen regelen treedt de minister van Defensie in de plaats van de Raad van ministers van het Koninkrijk. Artikel 3 In afwijking van het gestelde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004185&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) zijn de gouverneurs in geval van rampen, ongevallen en st"},{"i":2248,"b":"Aanwijzingen inzake interdepartementale commissies In het project Sanering interdepartementale commissies, een deelproject van het project reorganisatie rijksdienst, zijn alle in 1984–1985 bestaande ongeveer 250 ambtelijke interdepartementale commissies doorgelicht. Op grond van de voorstellen die hieruit voortvloeien heeft het kabinet beslissingen genomen over het opheffen of samenvoegen van interdepartementale commissies en over het wijzigen van hun taak, samenstelling en of werkwijze 1Kamerstukken 11, 1984–1985, 17353, nr. 23, en kamerstukken 11, 1986–1987, 17353, nr. 28.. Deze aanwijzingen beogen na deze eenmalige sanering nieuwe wildgroei te voorkomen en interdepartementale commissies in de toekomst zo effectief en efficiënt mogelijk te laten werken. Zij zijn gebaseerd op de uitwerking van de door het kabinet aanvaarde algemene uitgangspunten voor de vormgeving en het functioneren van interdepartementale commissies en het Eindrapport sanering interdepartementale commissies 2Eindrapport sanering interdepartementale commissies uitgave Ministerie van Binnenlandse Zaken 1986. Voor een toelichting op de aanwijzingen wordt verwezen naar het genoemde eindrapport, dat richtlijnen, wenken en tips bevat voor het gebruik van interdepartementale commissies. Voor departementale geheel en overwegend ambtelijke commissies zijn geen afzonderlijke aanwijzingen vastgesteld. Het verdient echter aanbeveling deze aanwijzingen zoveel mogelijk analoog op de instelling van departementale commissies toe te passen. - 1. **Definitie** Onder interdepartementale commissies worden verstaan commissies: - a. waarin meer dan één ministerie is vertegenwoordigd, en - b. waarvan meer dan de helft van de leden ambtenaar bij een ministerie is. - 2. **Instelling nodig?** Alvorens een interdepartementale commissie in te stellen wordt de noodzaak van het instellen van een nieuwe commissie overwogen. Hierbij wordt eerst nagegaan of er geen eenvoudiger alternatief is, zoals oprichting van een informele"},{"i":2249,"b":"Circulaire van 8 april 1992 1. Inleiding De evaluatie van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) (**Stb.** 1978, 581) heeft geleid tot een heroriëntatie op het samenstel van regelingen inzake de openbaarheid van bestuur. Gekozen is voor het zoveel mogelijk ineenschuiven van de wet, het Besluit openbaarheid van bestuur (**Stb.** 1979, 590), de Aanwijzingen inzake Openbaarheid van bestuur, vastgesteld bij besluit van de Minister-President van 21 december 1979, nr. 292146, **Staatscourant** 1980, nr. 6 gerectificeerd bij **Stcrt.** 1980, nr. 11, en de uitvoeringsregelingen bij de ministeries. De openbaarheid van bestuur is thans materieel zoveel mogelijk geregeld in een vernieuwde Wet openbaarheid van bestuur (**Stb.** 1991, 703), hierna te noemen de WOB. De [WOB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) voorziet in [artikel 14, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=14), in de mogelijkheid dat voor de centrale overheid bij Algemene Aanwijzingen voor de Rijksdienst nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de toepassing van de wet. De [WOB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) maakt aanwijzingen van een beperktere strekking mogelijk dan de aanwijzingen ter uitvoering van de vervallen wet. In tegenstelling tot die laatste aanwijzingen bevatten de nieuwe aanwijzingen geen herhaling van wat al in de WOB is geregeld. De aanwijzingen hebben betrekking op de toepassing van de [WOB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) door de ministers en de onder hun verantwoordelijkheid werkzame instelling, diensten en bedrijven. Zij bevatten slechts procedurele voorschriften met betrekking tot het tot stand brengen van ministeriële uitvoeringsregelingen waarin de voorschriften betreffende de toepassing van de wet zijn neergelegd. De aanwijzingen beogen de totstandkoming van geharmoniseerde uitvoeringsregelingen bij de ministeries te bevorderen. Zij verplichten de mi"},{"i":2250,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 wtg inzake het tarievenbudgetbeleid 1993 voor de algemene, categorale en academische ziekenhuizen Overwegende dat de algemene financieel-economische situatie noopt tot beheerste kostenontwikkelingen in de gezondheidszorg; Overwegende dat de aanvaardbaar geachte kostenontwikkelingen, zowel de trendmatige als de structurele, jaarlijks in het Financieel Overzicht Zorg (FOZ) tot uitdrukking worden gebracht; Overwegende dat de feitelijke kostenontwikkelingen bij de algemene, categorale en academische ziekenhuizen in 1991 tot een overschrijding van de aanvaardbaar geachte kostenontwikkelingen hebben geleid; Overwegende dat van deze overschrijdingen een bedrag van f 136 mln via budgetkortingen dient te worden geredresseerd; Voorts overwegende dat het kabinet, daarbij gesteund door het parlement, heeft besloten in het kader van de Tussenbalans aan de academische en de algemene topziekenhuizen een in de jaren 1992, 1993 en 1994 te realiseren taakstelling van f 75 mln op te leggen voor de verdeling van de topzorg; Overwegende dat de taakstelling 1992 geheel aan de academische ziekenhuizen is opgelegd, en dat de taakstelling 1993 geheel bij de algemene topziekenhuizen dient te worden gelegd; Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14), (Stb. 1980, 646) laatstelijk gewijzigd bij wet van 20 november 1991; Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (brief van 22 oktober 1992, kenmerk Ho/mvd/A/069, vastgesteld in de vergadering van 19 oktober 1992); Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 27 oktober 1992, kenmerk VMP/O-922582); Besluiten: 1. Aan het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg worden de in de bijlagen bij dit besluit neergelegde aanwijzingen als bedoeld in [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14), laatstelijk gewijzigd bij wet va"},{"i":2251,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake tarievenbeleid 1993 voor de personen en instellingen die farmaceutische hulp leveren zoals bedoeld in artikel 7 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering (apothekers en apotheekhoudende huisartsen) Overwegende dat de algemene financieel-economische situatie noopt tot beheerste kostenontwikkelingen in de gezondheidszorg; Overwegende dat de aanvaardbaar geachte kostenontwikkelingen, zowel de trendmatige als de structurele, jaarlijks in het Financieel Overzicht Zorg (FOZ) tot uitdrukking worden gebracht; Overwegende dat voor 1993 volgens de bestendige FOZ-systematiek bij het bepalen van het aanvaardbare kostenniveau rekening is gehouden met voorlopige nominale ontwikkelingen (loon- en prijsbijstellingen) en autonome ontwikkelingen; Overwegende dat het aantal receptregels als rekennorm voor het bepalen van het richtige tarief voor de vergoeding van het inkomens- en kostenbestanddeel aan de apotheekhoudende substantieel afwijkt van de realiteit; Overwegende dat het huidige aantal receptregels als rekennorm voor het bepalen van het richtige tarief gemiddeld een aanzienlijke overcompensatie biedt ten opzichte van de normatieve inkomens- en kostenbestanddelen en een overschrijding van het aanvaardbaar geachte kostenniveau voor zover het betreft het totaal van de vergoedingen aan de apothekers en apotheekhoudende huisartsen; Overwegende dat de verwachting niet is gewettigd dat de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Pharmacie, de Vereniging van Nederlandse Zorgverzekeraars, het Kontaktorgaan Landelijke Organisaties van Ziektekostenverzekeraars en de Kontaktcommissie Publiekrechtelijke Ziektekostenregelingen voor ambtenaren gezamenlijk tot voorstellen zullen komen ter aanpassing van het aantal receptregels en het aldus voorkomen van een onaanvaardbaar geachte overschrijding van de totale kosten voor zover het betreft het totaal van de vergoedingen aan de apothekers en a"},{"i":2252,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 Wet tarieven gezondheidszorg inzake het tarievenbeleid 1993 voor de fysiotherapeuten Overwegende dat de algemene financieel-economische situatie noopt tot beheerste kostenontwikkeling in de gezondheidszorg; Overwegende dat de aanvaardbaar geachte kostenontwikkelingen, zowel de trendmatige als structurele, jaarlijks in het Financieel Overzicht Zorg (FOZ) tot uitdrukking worden gebracht; Overwegende dat voor 1993 volgens bestendige FOZ-systematiek bij het bepalen van het aanvaardbare kostenniveau rekening is gehouden met voorlopige nominale ontwikkelingen (loon- en prijsbijstellingen) en autonome ontwikkelingen; Overwegende dat, op basis van een in het kader van het opstelling van het FOZ bestendig gebruikte systematiek, is vastgesteld dat bij ongewijzigd beleid het totaal van de in rekening gebrachte tarieven door de vrijgevestigde fysiotherapeuten, werkzaam in de particuliere praktijk, in 1993 f 15 mln meer zou bedragen dan aanvaardbaar wordt geacht; Overwegende dat in de [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356), (Stb. 1980, 646) laatstelijk gewijzigd bij Wet van 20 november 1991, is vastgelegd dat richtlijnen ook kunnen zijn gericht op de afhankelijkheid tussen de hoogte van tarieven en het totaal van in enige periode in rekening gebrachte, dan wel te brengen tarieven; Overwegende dat de verwachting niet is gewettigd dat de Vereniging van Vrijgevestigde Fysiotherapeuten, het Kontaktorgaan Landelijke Organisaties van Ziektekostenverzekeraars en de Kontaktcommissie Publiekrechtelijke Ziektekostenregelingen voor ambtenaren, gezamenlijk tot voorstellen zullen komen voor de noodzakelijk geachte correctie om overschrijding van de kosten in 1993 met f 15 mln te voorkomen; Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14). Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (advies van 22 oktober 1992, kenmerk HV/th/A/92/074) vastgesteld in d"},{"i":2253,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 wtg inzake het tarieven-/budgetbeleid 1993 voor de kruisorganisaties Overwegende dat de algemene financieel-economische situatie noopt tot beheersing van de kostenontwikkelingen in de gezondheidszorg; Overwegende dat de aanvaardbaar geachte kostenontwikkelingen, zowel de trendmatige als de structurele, jaarlijks in het Financieel Overzicht Zorg (FOZ) tot uitdrukking worden gebracht; Overwegende dat in het kader van de integratie van kruiswerk en gezinsverzorging, gelet op het Heroverwegingsrapport ‘Van samengaan naar Samenwerken’, besparingen op de overheadkosten mogelijk zijn van tenminste f 150 miljoen op jaarbasis; Overwegende dat het kabinet, daarbij gesteund door het parlement, heeft besloten in het kader van de Tussenbalans hiervan f 100 miljoen te bezuinigen; Overwegende dat bedoelde bezuiniging van f 100 miljoen in drie jaar dient te worden gerealiseerd, voor 1993, het 2e jaar, is dit f 30 mln; Overwegende dat de onderhavige aanwijzing uitsluitend betrekking kan hebben op kruisorganisaties, welke naar rato van de totale kosten behoren bij te dragen aan de taakstelling; Gelet op [artikel 14 van de wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14), (Stb. 1980, 646) laatstelijk gewijzigd bij Wet van 20 november 1991; Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (advies van 22 oktober 1992, kenmerk vdP/mvd/A/92/070 vastgesteld in de vergadering van 19 oktober 1992); Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 27 oktober 1992, kenmerk [VMP/O-922582](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005711)); Besluiten: 1. Aan het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg wordt de in de bijlage bij dit besluit neergelegde aanwijzing als bedoeld in [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14), laatstelijk gewijzigd bij wet van 20 november 1991 (Stb. 1991, 584) gegeven betrekking"},{"i":2254,"b":"Regeling van de minister-president, Minister van Algemene Zaken, houdende de vaststelling van de Aanwijzingen voor de Planbureaus Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de besluiten houdende de intrekking van het Besluit Planbureau voor de Leefomgeving en houdende de intrekking van het Besluit houdende instelling van een Sociaal en Cultureel Planbureau in werking treden. Artikel 1 Vastgesteld worden de bij deze regeling gevoegde ‘Aanwijzingen voor de Planbureaus’. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het moment dat de besluiten houdende de intrekking van het [Besluit Planbureau voor de Leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012887) en houdende de intrekking van het [Besluit houdende instelling van een Sociaal en Cultureel Planbureau](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002873) in werking treden. Aanwijzingen voor de planbureaus § 1. Algemene bepalingen en toepassingsbereik Aanwijzing 1 In deze aanwijzingen wordt verstaan onder: Onderdeel b: Fracties en ook individuele fractieleden vallen niet onder deze definitie. Waar in de aanwijzingen wordt gesproken over een verzoek van de Staten-Generaal of van een Kamercommissie is dat dus altijd een verzoek waartoe een meerderheid van Kamer of commissie heeft besloten. Onderdeel c: Planbureaus hebben binnen het kennis- en adviesstelsel van de overheid een bijzonder functie. Typerend voor planbureaus is dat ze, anders dan bijvoorbeeld de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en departementale kenniscentra zoals het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid en het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, vanuit hun specifieke invalshoek intersectoraal en interdepartementaal functioneren. Planbureaus voeren zowel beleidsrelevant als strategisch onderzoek uit. Op het moment van vaststellen van de onderhavige aanwijzingen zijn er drie planbureaus, te weten het Centraal Planbureau (CPB), het Planbureau voor"},{"i":2255,"b":"Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992 Hoofdstuk 1. Toepassingsbereik Aanwijzing 1 Deze aanwijzingen hebben betrekking op regelingen die onder ministeriële verantwoordelijkheid tot stand komen en, voor zover uitdrukkelijk aangegeven, op verdragen, bindende besluiten van instellingen van de Europese Unie en andere besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Aanwijzing 2 1. Onder regelingen worden in deze aanwijzingen verstaan: - a. algemeen verbindende voorschriften; - b. interne regelingen; - c. beleidsregels. 2. Onder EU-regelgeving wordt in deze aanwijzingen verstaan: - a. verordeningen; - b. richtlijnen; vastgesteld door de instellingen van de Europese Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. 3. Onder bindende EU-rechtshandelingen wordt in deze aanwijzingen verstaan: - a. verordeningen; - b. richtlijnen; - c. besluiten zonder dat adressaten worden vermeld; - d. besluiten met vermelding van adressaten voor zover mede tot Nederland gericht; vastgesteld door de instellingen van de Europese Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Aanwijzing 3 Op beleidsregels zijn deze aanwijzingen van toepassing, voor zover de aard van de beleidsregels zich daartegen niet verzet. Aanwijzing 4 Deze aanwijzingen worden in acht genomen door de ministers en staatssecretarissen en de onder hen ressorterende dienstonderdelen en personen die bij de voorbereiding en vaststelling van regelingen zijn betrokken. Aanwijzing 5 Afwijking van deze aanwijzingen is slechts toegestaan, indien onverkorte toepassing daarvan uit een oogpunt van goede regelgeving niet tot aanvaardbare resultaten zou leiden. Hoofdstuk 2. Algemene onderwerpen van regelgeving § 2.1. Gebruik van regelgeving Aanwijzing 6 1. Tot het tot stand brengen van nieuwe regelingen wordt alleen besloten, indien de noodzaak daarvan is komen vast te staan. 2. Met het doen van uitspraken en toezeggingen over nieuwe regelingen wordt grote terughoudendheid betracht. Aanwijzing 7 Alvorens tot het tref"},{"i":2256,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 6 juli 2016, 2016-93625, van de directie Financiële Markten, tot aanwijzing van personen die zijn belast met het toezicht op de naleving van artikel 41, tweede lid, van de Wet op het accountantsberoep en mandaatverlening voor de handhaving (Aanwijzings- en mandaatbesluit Wet op het accountantsberoep 2016) Gelet op [artikel 55, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=55) en [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van [artikel 41, tweede lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=41) worden belast de met toezicht belaste medewerkers van de Dienst Financieel-Economische Integriteit. Artikel 2 1. Aan de directeur van de Dienst Financieel-Economische Integriteit wordt mandaat verleend voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Minister van Financiën, genoemd in [artikel 56 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=56). 2. De directeur van de Dienst Financieel-Economische Integriteit kan voor de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, ondermandaat verlenen aan medewerkers van de Dienst Financieel-Economische Integriteit. Artikel 3 1. Aan de directeur van de Dienst Financieel-Economische Integriteit wordt mandaat verleend voor het nemen van besluiten in het kader van de invordering van verbeurde dwangsommen of opgelegde boetes die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden van de Minister van Financiën, genoemd in [artikel 56 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=56), met uitzondering van het in rekening brengen van een vergoeding voor een aanmaning. 2. Aan de directeur van de Dienst Financieel-Economische Integriteit wordt volmacht verleend voor het verric"},{"i":2257,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 13 juli 2018, nr. 2018-0000117266, directie Financiële Markten, tot aanwijzing van personen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en tot mandaatverlening betreffende de handhaving (Aanwijzings- en mandaatbesluit Wwft 2018) Gelet op [artikel 24, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=24) en [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn in werking treedt. Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van de bij en krachtens de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) gestelde regels worden belast, voor zover het natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen betreft als bedoeld in [artikel 1a, vierde lid, onderdeel g, h, i, j, k, m en n, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=1a), de medewerkers van de Dienst Financieel-Economische Integriteit. Artikel 2 1. Aan de directeur van de Dienst Financieel-Economische Integriteit wordt mandaat verleend voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Minister van Financiën, bedoeld in de [paragrafen 4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&paragraaf=4.2) en [4.3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&paragraaf=4.3). 2. De directeur van de Dienst Financieel-Economische Integriteit kan voor de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, ondermandaat verlenen aan de medewerkers van de Dienst Financieel-Economische Integriteit. Artikel 3 1. Aan de directeur van de Dienst Financieel-Ec"},{"i":2258,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 juli 2022, kenmerk 3389733-1031726-PDCV, houdende Aanwijzingsbesluit activiteiten van algemeen belang in het kader van de Wet Markt en Overheid Gelet op [artikel 25h lid 5 en 6 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25h); Overwegende dat het uitgangspunt in de lange termijn aanpak Covid-19 is dat zelftesten1Dit betreft sneltesten voor de opsporing van SARS-CoV-2-antigenen voor gebruik door consumenten. bij klachten de basisfaciliteit zijn en mensen met een laag inkomen de mogelijkheid moeten krijgen om ook een zelftest te kunnen doen bij klachten; Besluit: Artikel 1 Het verstrekken van zelftesten aan: - 1. Het Nederlandse Rode Kruis, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 40409352; - 2. Stichting Leger des Heils Dienstverlening, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 39057343; - 3. Vereniging Valente, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 76982548; - 4. Vereniging van Nederlandse Voedselbanken, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 57977321; en - 5. Stichting Armoedefonds, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 55209882 om deze gratis ter beschikking te stellen aan minder draagkrachtigen en hulpbehoevende cliënten aan te merken als activiteit die plaatsvindt in het algemeen belang als bedoeld in [artikel 25h, vijfde lid van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=25h). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt op 31 december 2023."},{"i":2259,"b":"Aanwijzing van de Minister van Justitie van 16 februari 2006, op grond van artikel 8 Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie De Minister van Justitie besluit, gelet op [artikel 8 van de Regeling van de Minister van Economische Zaken, houdende regels ter zake vrijstelling van het toestemmingsvereiste ex artikel 3.10, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019509&artikel=8) (Vrijstellingsregeling afwijkend gebruik frequentieruimte Justitie), het volgende document aan te wijzen: – een verklaring van de Politieacademie waaruit blijkt dat de desbetreffende opsporingsambtenaar voldoende kennis heeft van de juridische, technische en operationele aspecten van het gebruik van de apparatuur waarmee een afwijkend gebruik van de frequentieruimte kan plaatsvinden. Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de dag waarop deze wordt geplaatst in de Staatscourant. Deze aanwijzing zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2260,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 20 november 2019, nr. 2748461, tot aanwijzing van Stichting Fiom als rechtspersoon belast met algemene voorlichtingstaken met betrekking tot interlandelijke adoptie (Aanwijzingsbesluit algemene voorlichter interlandelijke adoptie) Gelet op [artikel 1 van het Besluit opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004582&artikel=1); Besluit: Artikel 1 De Stichting Fiom, statutair gevestigd te ’s-Hertogenbosch wordt aangewezen als rechtspersoon, bedoeld in [artikel 1 van het Besluit opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004582&artikel=1). Artikel 2 De [aanwijzing Bureau Voorlichting Interlandelijke Adoptie als rechtspersoon](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004592) (Stcrt. 1989, 138) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit algemene voorlichter interlandelijke adoptie. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2261,"b":"Besluit van 22 september 2004 tot aanwijzing van personen en instanties op grond van artikel 39, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Aanwijzingsbesluit artikel 39 WIV 2002) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 mei 2004, nr. 2163559/01, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie; Gelet op [artikel 39, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 30 juli 2004, nr. W04.04.0225/1); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 september 2004 nr. 2225053/01, uitgebracht mede namens Onze Minister van Defensie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als personen of instanties als bedoeld in [artikel 39, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013409&artikel=39) worden aangewezen: - a. Onze Ministers; - b. De Nederlandsche Bank N.V. ; - c. de Stichting Autoriteit Financiële Markten; - d. de burgemeesters, voor zover het betreft hun taak bedoeld in [artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=172) alsmede voor zover het betreft hun taak betreffende het adviseren omtrent voorstellen voor het verlenen van een koninklijke onderscheiding. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit artikel 39 WIV 2002. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2262,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 januari 2016, nr. WJZ/862245 (6695) tot aanwijzing van een assistentiecentrum als bedoeld in artikel 34d van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties (Aanwijzingsbesluit assistentiecentrum erkenning EU-beroepskwalificaties) Gelet op [artikel 34d van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=34d); Besluit: Artikel 1 EP-Nuffic wordt aangewezen als assistentiecentrum als bedoeld in [artikel 34d van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=34d). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 18 januari 2016. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit assistentiecentrum erkenning EU-beroepskwalificaties. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2263,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 26 augustus 2022, nr. IENW/BSK-2022/170258, houdende aanwijzing van NIWO als beheerder van de lijst van inzamelaars, bedoeld in artikel 10.45, eerste lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer en van de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars, bedoeld in artikel 10.55, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Aanwijzingsbesluit beheerder VIHB-lijst) Gelet op de [artikelen 10.45, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.45), en [10.55, derde en vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.55) en [artikel 3:22 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:22); BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **NIWO:** Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet wegvervoer goederen; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **VIHB-lijst:** lijst van inzamelaars, bedoeld in [artikel 10.45, eerste lid, onderdeel a, Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.45) respectievelijk de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars, bedoeld in [artikel 10.55, derde lid, Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.55). Artikel 2 1. NIWO draagt zorg voor de vermelding van inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op de VIHB-lijst, of de beëindiging daarvan, overeenkomstig de [Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016608). 2. In geval de minister NIWO een aanwijzing geeft tot beëindiging van de vermelding van een inzamelaar als bedoeld in [artikel 10.45, vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.45), is NIWO het coördinerende bestuurs"},{"i":2284,"b":"Besluit van de Landelijke commissie sociale hygiëne (de Lcsh), van 13 januari 2026, met kenmerk CIBG 26-09242, tot aanwijzing van elektronische kanalen voor het indienen van berichten in de zin van artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij de Landelijke commissie sociale hygiëne (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening Lcsh 2026) Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Besluit: Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - c. **Lcsh:** De Landelijke commissie sociale hygiëne, als bedoeld in [artikel 11a van de Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=11a). Artikel 2. Reikwijdte Dit aanwijzingsbesluit is van toepassing op Lcsh. Artikel 3. Aanwijzing kanalen Voor het indienen van een bericht in het kader van een aanvraag als bedoeld in [artikel 11a van de Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=11a) worden de volgende kanalen aangewezen: een persoonlijke omgeving die te raadplegen is via: [https://www.registersocialehygiene.nl/registreren](https://www.registersocialehygiene.nl/registreren) en een e-mailadres: info@registersocialehygiene.nl Voor het indienen van een bericht in het kader van een herbevestiging als bedoeld in [artikel 11a van de Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=11a) worden de volgende kanalen aangewezen: een persoonlijke omgeving die te raadplegen is via: [https://www.registersocialehygiene.nl/registratie-herbevestigen](https://www.registe"},{"i":2285,"b":"Beleidsregel van de directie van de Dienst Wegverkeer van 19 december 2025, kenmerk JBZ.25.0108073, betreffende de aanwijzing van elektronische kanalen voor de publieke dienstverlening van de RDW (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening RDW) Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - **RDW:** de Dienst Wegverkeer zoals bedoeld in [artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4a); - **verzender:** eenieder die een bericht dat deel uitmaakt van een procedure over een besluit of een klacht of een ander krachtens wettelijk voorschrift voorgeschreven bericht elektronisch aan de RDW zendt; - **webpagina:** [www.rdw.nl/wmebv](http://www.rdw.nl/wmebv). Artikel 2. Algemene bepalingen 1. Dit aanwijzingsbesluit geeft aan op welke wijze de verzender de RDW digitaal kan benaderen. 2. Voor de berichten die de verzender uit eigen beweging indient, wordt in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052035&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) een elektronische wijze van verzenden als kanaal aangewezen. Elk toegewezen kanaal heeft alleen betrekking op het daarbij genoemde product of dienst. 3. Voor berichten die op verzoek van de RDW worden ingediend, wordt de in het verzoek aangewezen elektronische wijze van verzenden als kanaal gebruikt. Artikel 3. Aanwijzen kanalen Voor berichten die de verzender uit eigen beweging zendt aan de RDW, worden de volgende kanalen"},{"i":2286,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 23 december 2025, nr. RCE/1792420, houdende de aanwijzing van de juiste wijze van verzenden van berichten aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in de zin van de artikelen 2:13 en 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) Gelet op [artikel 2:13, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), en [2:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14); **Besluit:** Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). - c. **rijksdienst:** Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Artikel 2. Algemene bepalingen 1. Dit aanwijzingsbesluit geeft aan op welke wijze burgers, bedrijven, stichtingen en andere rechtspersonen de rijksdienst digitaal kunnen benaderen. Burgers, bedrijven, stichtingen en andere rechtspersonen houden de mogelijkheid om op andere manieren te communiceren met de rijksdienst, zoals per telefoon, per post, of via een afspraak op locatie. 2. Voor berichten die de verzender uit eigen beweging verzendt, worden in bijlage 1 voor de rijksdienst de kanalen aangewezen. 3. Voor berichten die op verzoek van het bestuursorgaan worden verzonden, wordt het in het verzoek aangewezen kanaal gebruikt. 4. In afwijking van het eerste lid wordt voor berichten waarvoor in dit aanwijzingsbesluit geen expliciet kanaal is aangewezen en voor zover de wet niet anders bepaalt het algemeen contactformulier van de rijksdienst aangewezen ([Contactformulier | Rijksdienst vo"},{"i":2287,"b":"Besluit van de Nederlandsche Bank N.V. van 19 december 2025 houdende regels met betrekking tot de aanwijzing van de elektronische verzendwijze van formele berichten aan DNB (Aanwijzingsbesluit elektronische verzending formele berichten DNB) Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Bijlage:** de bij dit besluit behorende bijlage van formele berichten - b. **DNB:** de Nederlandsche Bank N.V. - c. **Formeel bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) - d. **Overzichtspagina van DNB:** de pagina van DNB met een overzicht van de elektronische verzendwijzen - e. **Toezichtwetgeving:** de Europese verordeningen opgenomen in het [Besluit EU-verordeningen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049497) – voor zover DNB als bevoegde autoriteit is aangewezen –, de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809), de [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296), de [Wet bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041548), de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883), de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282), de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824), de [Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583), de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831), en de bij of krachtens voornoemde wetten geldende regelgeving"},{"i":2288,"b":"Aanwijzingsbesluit en Beleidsregels Nummerportabiliteit 2008 Inleiding Het college van de Onafhankelijke Post- en Telecommunicatieautoriteit maakt hierbij het Aanwijzingsbesluit en Beleidsregels Nummerportabiliteit 2008 (hierna: beleidsregels nummerportabiliteit 2008) bekend. Nummerportabliteit betreft het behoud van het nummer als de afnemer van een telefoondienst er voor kiest hetzelfde nummer te blijven gebruiken als hij zijn overeenkomst tegen andere voorwaarden, op een andere locatie of met een andere aanbieder voortzet. Nummerportabiliteit wordt ook wel aangeduid als nummerbehoud. De beleidsregels nummerportabiliteit 2008 zijn op 7 november 2007 in conceptvorm ter consultatie aan de betrokken marktpartijen voorgelegd. De consultatie heeft geleid tot beperkte aanpassingen van de beleidsregels. Een samenvatting van de reacties is te vinden in de Nota van Bevindingen (OPTA/ACNB/2008/200372). De beleidsregels nummerportabiliteit 2008 richten zich op de positie van de afnemer van de dienst die de wens te kennen heeft gegeven om zijn nummer te behouden bij de voortzetting van het contract tegen andere voorwaarden bij dezelfde aanbieder of bij de wisseling van aanbieder of locatie. Kwesties rond de vergoedingen die aanbieders aan elkaar betalen blijven buiten beschouwing. Hierna treft u de het Aanwijzingsbesluit en de Beleidsregels Nummerportabiliteit 2008 aan. Aanwijzingsbesluit Nummerportabiliteit 2008 1. De Autoriteit Consument en Markt wijst op grond van [artikel 4.10, vierde lid, Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.10) (hierna: Tw) geografische nummers, nummers voor mobiele telefonie en nummers met de dienstcodes 084, 085, 087 en 091 aan als nummers waarvoor geldt dat, in het geval dat een nummer uit die categorie na een overgang op grond van het derde lid van dat wetsartikel niet langer in gebruik is, de toekenning van het nummer teruggaat naar de aanbieder aan wie het nummer op basis van een aanvraag was toegekend. Be"},{"i":2289,"b":"Aanwijzingsbesluit gemeente Gouda experiment nieuw stembiljet Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=2) Besluit artikel Enig Bij de verkiezingen van de leden van de gemeenteraad met als dag van stemming 18 maart 2026 wordt in de gemeente Gouda een experiment gehouden met als doel de invoering van een stembiljet met een handzaam formaat, ten behoeve van het gebruik in het stemlokaal, zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=2). De gemeente Gouda voegt zich daarmee bij de gemeenten Alphen aan den Rijn, Boekel, Leiden, Meierijstad, Midden-Delfland, Nijmegen, Noordoostpolder, ’s-Hertogenbosch, Soest en Tynaarlo (Stcrt. 2025, 42094)."},{"i":2290,"b":"Aanwijzingsbesluit gemeenten experiment nieuw stembiljet bij Europees Parlementsverkiezing Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=2), besluit artikel Enig Bij de verkiezingen van de leden van het Europees Parlement met als dag van stemming 6 juni 2024 wordt in de gemeenten Alphen aan de Rijn, Boekel, Borne, Midden-Delfland en Tynaarlo een experiment gehouden met als doel de invoering van een stembiljet met een handzaam formaat, ten behoeve van het gebruik in het stemlokaal, zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=2)."},{"i":2291,"b":"Besluit van 9 oktober 1996, houdende aanwijzing van instellingen als bedoeld in de artikelen 22, vierde lid, en 33, vierde lid, van de Kernenergiewet Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, gedaan mede namens Onze Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 september 1996, nr. MJZ 96051306, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=22), en [33, vierde lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=33); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als instellingen voor ontvangst van in bezit genomen splijtstoffen en ertsen als bedoeld in [artikel 22, vierde lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=22), worden aangewezen: - a. de Nuclear Research and consultancy Group v.o.f. te Petten; - b. het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne te Bilthoven; - c. de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval N.V. te Borsele. Artikel 2 Als instellingen voor ontvangst van in bezit genomen radioactieve stoffen als bedoeld in [artikel 33, vierde lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=33), worden aangewezen: - a. de Nuclear Research and consultancy Group v.o.f. te Petten; - b. het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne te Bilthoven; - c. de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval N.V. te Borsele. Artikel 3 Het koninklijk besluit van 16 juli 1970, nr. 46, tot uitvoering van [artikel 22, vierde lid van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=22) (Stcrt. 140) en het koninklijk besluit van 7 januari 1991, nr. 91.000115, houdende aanwijzing van instellingen als bedoeld in [artikel 33, vierde lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&ar"},{"i":2292,"b":"Aanwijzingsbesluit kanalen officiële berichten Kadaster Gelet op [artikel 7d van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=7d) jo. [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **Dienst:** de Dienst voor het kadaster en de openbare registers als bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - **officieel bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzing elektronische kanalen per proces 1. Voor ieder afzonderlijk proces waarin officiële berichten aan de Dienst kunnen worden verzonden, worden de kanalen aangewezen als vermeld in de bijlage bij dit besluit. 2. Indien de Dienst verzoekt om een officieel bericht in te dienen, wordt aangegeven welk aangewezen kanaal voor elektronische indiening kan worden gebruikt. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4. Intrekking besluit De [Regeling elektronisch indienen bezwaar- en verzoekschriften Kadaster 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023646) wordt ingetrokken. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit kanalen officiële berichten Kadaster. Bijlage. – Kanalen officiele berichten ([artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052288&artikel=2&z=2026-02-14&g=2026-02-14)) | Officieel bericht | Kanaal | | --- | --- | | Verzoek op grond van de [Wet open overheid](https://we"},{"i":2293,"b":"Besluit van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 7 februari 2024, nr. 2023-0000595935, houdende de aanwijzing van Kifid, Stichting Klachteninstituut Financiële Dienstverlening als instantie tot buitengerechtelijke geschillenbeslechting in de zin van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Aanwijzingsbesluit Kifid, Stichting Klachteninstituut Financiële Dienstverlening) Gelet op artikel [48c Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=48c) en [artikel 59c Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=59c); Besluit: Artikel 1 Kifid, Stichting Klachteninstituut Financiële Dienstverlening, wordt aangewezen als buitengerechtelijke geschilleninstantie in de zin van [artikel 48c van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=48c) en artikel [59c van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=59c). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit Kifid, Stichting Klachteninstituut Financiële Dienstverlening. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2294,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 maart 2020, nr. 23680942 houdende de aanwijzing van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 7.15a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Aanwijzingsbesluit Stichting Studiekeuze123) Gelet op [artikel 7.15a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.15a); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **Gerubriceerde gegevens:** Onderzoeksgegevens waarvan de naam of enige andere aanduiding van de persoon of instelling waarop zij betrekking heeft of door welke deze zijn verstrekt, deel uitmaakt; - **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **Wet:** [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682). Artikel 2. Aanwijzing Als de rechtspersoon, bedoeld in [artikel 7.15a, eerste lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.15a), wordt aangewezen de Stichting Landelijk Centrum Studiekeuze die is belast met het vervullen van een niet-economische dienst van algemeen belang op het terrein van het hoger onderwijs. Stichting Landelijk Centrum Studiekeuze wordt belast met de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 7.15a, eerste en tweede lid, van de wet. Artikel 3. Verplichtingen 1. Stichting Landelijk Centrum Studiekeuze draagt in verband met de uitoefening van haar taken zorg voor: - a. het kosteloos en zo toegankelijk mogelijk verstrekken van studiekeuze-informatie; - b. een vergelijkbaar, betrouwbaar en objectief aanbod van studiekeuze-informatie; - c. dat databestanden met onderzoeksgegevens die zich lenen voor meervoudig gebruik dienen, geschoond van de gerubriceerde gegevens en de gegevens waarvan op grond van de wet- en regelgeving het openbaar maken achterwege moet blijven, binnen drie maanden na publicatie van het eindrapport openbaar"},{"i":2295,"b":"Aanwijzingsbesluit ligplaatsen ‘gemengd afmeren’ Rotterdam 2025 Gelet op: [artikel 2, eerste lid, onder a, sub 3, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, onder a en onder d, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=3); [artikel 7.07, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=7.07); artikel 1 van de Aanwijzing bevoegde autoriteit Binnenvaartpolitiereglement Rotterdam 2010; Overwegende dat: het [Binnenvaartpolitiereglement](onbekend) bij Besluit van 12 mei 2025 is gewijzigd (Stb. 2025, 140) en op 1 juli 2025 in werking is getreden; de [Regeling gemengd afmeren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051061) bij Besluit van 8 mei 2025 is vastgesteld (Stcrt. 2025, 17962) en op 1 juli 2025 in werking is getreden; gemengd afmeren daarmee landelijke wetgeving is geworden; het [Besluit ‘gemengd afmeren’ Rotterdam 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047626) vanwege de wijziging van [artikel 7.07 van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=7.07) en inwerkingtreding van de nieuwe regeling, moet worden ingetrokken; een nieuw besluit moet worden vastgesteld op grond van de nieuwe grondslag in het [Binnenvaartpolitiereglement](onbekend); er inhoudelijk geen wijzigingen plaatsvinden ten opzichte van het [Besluit ‘gemengd afmeren’ Rotterdam 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047626). Besluit vast te stellen: **Aanwijzingsbesluit ligplaatsen ‘gemengd afmeren’ Rotterdam 2025** Artikel 1. Aanwijzing ligplaatsen alle categorieën Een binnenschip als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Regeling gemengd afmeren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051061&artikel=2), mag op de hiernavolgende ligplaatsen afmeren: - −. de ligplaatsen gelegen aan steiger 5, 6 en 7 in de Prins Johan Frisohaven ter hoogte van oeverfrontnummers 270"},{"i":2296,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 24 februari 2022, nr. WJZ/ 21302080, tot aanwijzing van een orgaan dat verantwoordelijk is voor het beheer van de financiële bijdrage uit de reserve en een onafhankelijk auditorgaan voor de Brexit Adjustment Reserve (Aanwijzingsbesluit managementorgaan en auditorgaan BAR) Gelet op artikel 14, eerste lid, onder a, van [Verordening (EU) 2021/1755](33655R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2021 tot oprichting van de reserve voor aanpassing aan de Brexit (PbEU 2021, L 357); Besluit: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder BAR-verordening: [Verordening (EU) 2021/1755](33655R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2021 tot oprichting van de reserve voor aanpassing aan de Brexit (PbEU 2021, L 357). Artikel 2 1. Als orgaan dat verantwoordelijk is voor het beheer van de financiële bijdrage uit de reserve als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, van de BAR-verordening wordt aangewezen de Minister van Economische Zaken en Klimaat. 2. Als onafhankelijk auditorgaan als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, van de BAR-verordening wordt aangewezen de Auditdienst Rijk, bedoeld in [artikel 1.1 van Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=1.1). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit managementorgaan en auditorgaan BAR. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2297,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 augustus 2022, nr. 33731300, houdende de aanwijzing van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3b, eerste lid, van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013 (Aanwijzingsbesluit Neth-ER) Gelet op [artikel 3b, eerste lid, van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=3b), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **Neth-ER:** Nederlandse vereniging Netherlands house for Education and Research, statutair gevestigd te ‘s-Gravenhage; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **Wet:** [Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162). Artikel 2. Aanwijzing Als de rechtspersoon, bedoeld in [artikel 3b, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=3b), wordt aangewezen Neth-ER. Neth-ER wordt belast met de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 3b, eerste lid, van de wet. Artikel 3. Toezicht 1. De minister kan Neth-ER aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van haar wettelijke taak. De rechtspersoon is gehouden overeenkomstig de aanwijzingen te handelen. 2. Naast de gronden tot intrekking, bedoeld in [artikel 3b, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=3b), kan de minister de aanwijzing van Neth-ER ook intrekken indien Neth-ER de aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, niet naar behoren nakomt. Indien het voorgaande zich voordoet, zal de minister eerst een waarschuwing geven. Indien deze waarschuwing niet of in onvoldoende mate binnen 4 weken wordt opgevolgd, kan de minister besluiten de aanwijzing in te trekken. Artikel 4. Archiefbescheiden Neth-ER draagt op verzoek van de minister en zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden in het kader"},{"i":2298,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 3 april 2024, nr. WJZ/ 45933277, houdende aanwijzing van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit als bevoegde autoriteit in de zin van artikel 2c van de Wet bescherming klokkenluiders (Aanwijzingsbesluit NVWA als bevoegde autoriteit in de zin van artikel 2c van de Wet bescherming klokkenluiders) Gelet op [artikel 2c, subonderdeel 9, van de Wet bescherming klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=2c) en gezien artikel 5, onder 14, en artikel 11 van de [Richtlijn (EU) 2019/1937](32019L1937) van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305); Besluit: Artikel 1 1. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit wordt aangewezen als bevoegde autoriteit op grond van [artikel 2c, subonderdeel 9, van de Wet bescherming klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=2c). 2. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit draagt zorg voor de ontvangst en opvolging van een melding als bedoeld in [artikel 2c van de Wet bescherming klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=2c). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit NVWA als bevoegde autoriteit in de zin van artikel 2c van de Wet bescherming klokkenluiders. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2299,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 19 juni 2019, nr. 2624961, houdende aanwijzing van de Koninklijke marechaussee als instantie waar de Passagiersinformatie-eenheid wordt ondergebracht (Aanwijzingsbesluit Passagiersinformatie-eenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, van de Wet gebruik passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=5); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven in werking treedt. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De Passagiersinformatie-eenheid als bedoeld in [artikel 5 van de Wet gebruik passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301&artikel=5) is ondergebracht bij de Koninklijke marechaussee. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042301) in werking treedt. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit Passagiersinformatie-eenheid. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2300,"b":"Aanwijzingsbesluit politieholster Gelet op [artikel 18, tweede lid, van de Bewapeningsregeling politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=18); Besluiten: Artikel 1 Als holster, bedoeld in [artikel 18, tweede lid, van de Bewapeningsregeling politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009152&artikel=18) wordt goedgekeurd de holster van het merk Safariland, type 6280-87-61-2 voor rechtshandigen en type 6280-87-62-2 voor linkshandigen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2301,"b":"Besluit van 23 augustus 2016, houdende de aanwijzing van de Raad voor de rechtspraak als het orgaan waaraan de gegevens worden doorgegeven ten behoeve van het register als bedoeld in artikel 294a, eerste lid, Faillissementswet Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 9 juni 2016, nr. 771204. Gelet op [artikel 294, vierde lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=294); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 juli 2016, W03.16.0156/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 9 augustus 2016 nr. 781505; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als het orgaan waaraan de griffier de gegevens genoemd in [artikel 294, eerste lid, onder a tot en met g van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=294) doorgeeft ten behoeve van het in [artikel 294a, eerste lid, van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=294a) bedoelde register, wordt aangewezen de Raad voor de rechtspraak. Artikel 2 Het [Aanwijzingsbesluit raad voor rechtsbijstand als bestuursorgaan bedoeld in artikel 294, vierde lid, Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018102) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2302,"b":"Aanwijzingsbesluit secretaris commissie bezwaarschriften dekens gelet op [artikel 6, tweede lid, van de Regeling commissie bezwaarschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050982&artikel=6); besluiten vast te stellen het aanwijzingsbesluit secretaris commissie bezwaarschriften dekens, luidende als volgt:. Artikel 1. Definitie In dit besluit wordt verstaan onder: - **medewerkers van de landelijke organisatie toezicht advocatuur:** medewerkers in dienst van de Nederlandse orde van advocaten, die uitsluitend werkzaamheden verrichten voor de dekens van de orden van advocaten in de arrondissementen. Artikel 2. Aanwijzing secretaris en plaatsvervangend secretaris van de commissie bezwaarschriften 1. Als secretaris van de commissie bezwaarschriften worden aangewezen: medewerkers van de landelijke organisatie toezicht advocatuur met de functietitel jurist bestuursrecht. 2. Als plaatsvervangend secretaris van de commissie bezwaarschriften worden aangewezen: medewerkers van de landelijke organisatie toezicht advocatuur met de functietitel beleidsadviseur. Artikel 3. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit secretaris commissie bezwaarschriften dekens."},{"i":2303,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 9 december 2015, nr. 710127 houdende aanwijzing van de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken als instantie tot gerechtelijke geschillenbeslechting in de zin van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten (Aanwijzingsbesluit Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken) Gelet op [artikel 16, eerste lid en tweede lid, van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036550&artikel=16); Besluit: Artikel 1 1. De Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken wordt aangewezen als geschilleninstantie in de zin van de [Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036550). 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, ziet uitsluitend op de behandeling van geschillen zoals bedoeld in [artikel 2, eerste lid van de implementatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036550&artikel=2). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 december 2015. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 10 december 2015, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 10 december 2015. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2311,"b":"Besluit van 19 maart 2007, houdende aanwijzing van categorieën van beperkingenbesluiten waarop de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken van toepassing is (Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 december 2005, nr. DJZ2005203925, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016876&artikel=2), [artikel 28 van de Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391&artikel=28) en [artikel 39b van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=39b); De Raad van State gehoord (advies van 1 februari 2006, nr. W08.05.0574/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 maart 2007, nr. DJZ2007015942, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016876). Artikel 2 1. Aangewezen overeenkomstig [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016876&artikel=2) worden de categorieën van beperkingenbesluiten, genoemd in de bijlage bij dit besluit. 2. Van de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, is uitgezonderd een tot de betreffende categorie behorend beperkingenbesluit waaruit een gedoogplicht voortvloeit die minder dan zes maanden van kracht is. Artikel 3 Wijzigt het Besluit voorkeursrecht gemeenten. Artikel 4 Wijzigt het Besluit uniforme saneringen. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken van de bijlage bij dit besluit of onderdelen daar"},{"i":2663,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 november 2025, nr. 2025-0000614908 houdende vaststelling van beleidsregels inzake de toepassing van de Wet normering topinkomens met ingang van 1 januari 2026 (Beleidsregels WNT 2026) Gelet op [artikel 1.10 van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.10); Besluit: Artikel I De als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels zijn voor het jaar 2026 van toepassing op de uitvoering van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) berustende bepalingen, daaronder begrepen de uitvoering en handhaving door of namens de Ministers van die wet en de daartoe door hen aangewezen ambtenaren. Artikel II Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels WNT 2026. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Bijlage. bij [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051741&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van de Beleidsregels WNT 2026 Beleidsregels WNT 2026 § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) wordt in deze beleidsregels aangehaald met de afkorting ‘WNT’. Artikel 2. Toepassingsgebied Deze beleidsregels zijn met ingang van 1 januari 2026 van toepassing op de uitvoering van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop berustende bepalingen, daaronder begrepen de uitvoering en handhaving door of namens de Ministers en bij de uitoefening van toezicht op de naleving van de WNT en de daarop berustende bepalingen door de daartoe door hen aangewezen ambtenaren. § 2. Reikwijdte van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) Artikel 3. Overheidsverenigingen of -stichtingen Van een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1.3, eerste lid, onderdeel b, van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.3) is onder meer sprake, indien een of meer krachtens p"},{"i":4448,"b":"Boekwerk heffingen bij invoer, Deel II Onderwerp: Wijziging van de gecombineerde nomenclatuur; toevoeging van een aanvullende aantekening op hoofdstuk 39 en 40 H.B.I.-II-2643 Aan de hoofden van de directies en de eenheden van de Belastingdienst A. Algemeen Hierbij deel ik u mede dat met ingang van 27 juni 2002 de gecombineerde nomenclatuur (hierna: GN) wordt gewijzigd. De wijziging is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 969/2002 (PbEG L149 van 7 juni 2002) en betreft de toevoeging van een aanvullende aantekening op hoofdstuk 39 en op hoofdstuk 40. B. Toevoeging van een aanvullende aantekening op hoofdstuk 39 en 40 van de GN 1. De volgende nieuwe aanvullende aantekening (GN) 1, wordt aan hoofdstuk 39 toegevoegd: 2. De volgende nieuwe aanvullende aantekening (GN) 1, wordt aan hoofdstuk 40 toegevoegd: C. Strekking van de maatregel Bij [verordening (EG) Nr. 1783/2001](32001R1783) van 10 augustus 2001 ((PbEG L 241 van 11 september 2001) werd de strekking verduidelijkt van post 6111, de onderverdelingen 6116 10 20 en 6116 10 80, alsmede de posten 6209 en 6216 van de GN. Deze posten en onderverdelingen omvatten handschoenen, wanten en dergelijke, van textiel, geïmpregneerd, bekleed of bedekt met kunststof met celstructuur of met rubber met celstructuur. Indien de textielstof enkel als drager dient, vallen genoemde producten onder hoofdstuk 39 en 40. Om te bewerkstelligen dat de GN op uniforme wijze wordt toegepast, moest een nadere uitleg worden gegeven met betrekking tot handschoenen, wanten en dergelijke, van textiel, geïmpregneerd, bekleed of bedekt met kunststof met celstructuur of met rubber met celstructuur en waarvan de textielstof enkel als drager dient. Om deze reden is een aanvullende aantekening (GN) 1 aan hoofdstuk 39 en een aanvullende aantekening (GN) 1 aan hoofdstuk 40 toegevoegd. D. Datum toepassing [Verordening (EG) Nr. 969/2002](32002R0969) treedt in werking op 27 juni 2002."},{"i":3680,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 9 december 2014, nr. IENM/BSK-2014/264151, tot verlening van mandaat aan de directeur van de HISWA Vereniging voor de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet pleziervaartuigen Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), en [10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [artikel 12, eerste lid, van de Wet pleziervaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008366&artikel=12); Gezien het schriftelijke verzoek van de directeur van de HISWA Vereniging van 23 oktober 2014, Kenmerk H/0149/JH; BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **HISWA:** HISWA Vereniging te Amsterdam; - b. **minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - c. **ministerie:** Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Artikel 2 1. Aan de directeur van de HISWA wordt mandaat verleend om namens de minister besluiten te nemen in het kader van de uitvoering van [artikel 12, eerste lid, van de Wet pleziervaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008366&artikel=12). 2. De directeur van de HISWA kan van het in het eerste lid aan hem verleende mandaat ondermandaat verlenen aan één of meerdere onder hem ressorterende medewerkers. Artikel 3 1. Bij de uitvoering van de werkzaamheden waarvoor de directeur van de HISWA is gemandateerd neemt hij de in de [Wet pleziervaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008366) opgenomen regels in acht. 2. De directeur van de HISWA verstrekt het ministerie desgevraagd inlichtingen omtrent zijn taakuitoefening. 3. De directeur van de HISWA verstrekt het ministerie binnen twee maanden na elk kalenderjaar – voor de eerste maal per peildatum 31 december 2015 – een volledige opgave van de uitgegeven fabriekscodes. Artikel 4 1. De directeur van de HISWA geeft de fabriekscode af uiterlijk tien werkdagen na aanvraag."},{"i":3796,"b":"Besluit van 10 november 1998, houdende vaststelling regels ter uitvoering van artikel 4.10 van de Telecommunicatiewet betreffende nummerportabiliteit (Besluit nummerportabiliteit) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 mei 1998, nr. HDTP/98/1551/HW, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post; Gelet op [richtlijn nr. 97/33/EG](31997L0033) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (PbEG L 199), en op [artikel 4.10, eerste en achtste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.10); De Raad van State gehoord (advies van 13 augustus 1998, no. W09.98.0222); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 3 november 1998, nr. HDTP/98/3280/JWD, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking als artikel 4.10 van de Telecommunicatiewet in werking treedt. Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **geografisch nummer:** nummer dat uitsluitend uit cijfers bestaat en krachtens een nummerplan is bestemd voor: - 1. het bereiken van gebruikers van een openbare elektronische communicatiedienst op een vaste locatie, waarbij die dienst wordt geboden via een netwerkaansluitpunt dat zich bevindt in het bij het nummer behorende netnummergebied, of - 2. het bereiken van gebruikers van een openbare elektronische communicatiedienst waarbij de abonnee van die dienst een woon- of vestigingsplaats heeft in het bij het nummer behorende netnummergebied; - –. **niet-geografisch nummer:** nummer dat uitsluitend uit cijfers bestaat, niet zijnde een geografisch nummer; - –. **nummerplan:** nummerplan als bedoeld in [artikel 4.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.1);"},{"i":2330,"b":"Algemeen mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit Defensie 2022 Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ministerie:** Ministerie van Defensie; - b. **bewindspersoon:** Minister van Defensie of Staatssecretaris van Defensie, afhankelijk van wie het aangaat; - c. **Secretaris-Generaal:** de Secretaris-Generaal van het ministerie, waaronder mede begrepen de functionaris die door de Secretaris-Generaal schriftelijk is aangewezen om bij afwezigheid van de Secretaris-Generaal diens functie waar te nemen; - d. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon besluiten te nemen; - e. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - f. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging aan Secretaris-Generaal; uitgezonderde bevoegdheden 1. Aan de Secretaris-Generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in het [Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746). 2. De verlening van bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, omvat niet: - a. de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, tenzij bij de verlening van die bevoegdheid in mandaatverlening is voorzien; - b. de bevoegdheid tot het beslissen op een bezwaarschrift indien het besluit waartegen het bezwaar zich richt door een bewindspersoon of door de Secretaris-Generaal is genomen; - c. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten of tot het verrichten van andere handelingen, neergelegd in een document, gericht tot: - 1°. de Koning; - 2°. de Raad van State of de Raad van State van het Koninkrijk, in gevallen waarin de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen t"},{"i":4570,"b":"Besluit van 26 november 2009, houdende regels ter uitvoering van de Dienstenwet met betrekking tot het centraal loket (Dienstenbesluit centraal loket) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 15 mei 2009, nr. WJZ / 9082391; Gelet op de artikelen 6, 8 en 21 van richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU L 376), en [artikel 5, derde lid, van de Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=5); De Raad van State gehoord (advies van 3 juni 2009, nr. W10.09.0158/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 23 november 2009, nr. WJZ / 9207240; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **bijstandsbericht:** een informatieverzoek als bedoeld in [artikel 23 van de Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=23) of een bericht dat tot afhandeling daarvan dient; - **procedurebericht:** een bericht dat op procedures en formaliteiten betrekking heeft. § 2. Het centraal loket ten behoeve van de transactiefunctie Artikel 2 Het centraal loket is zodanig ingericht dat: - a. een bevoegde instantie of een dienstverrichter kan beschikken over een aansluiting op dat loket met behulp waarvan procedureberichten via dat loket verzonden en ontvangen kunnen worden; - b. een bevoegde instantie of een dienstverrichter via het centraal loket ook een procedurebericht kan verzenden of ontvangen, indien door die bevoegde instantie of dienstverrichter daaraan een functionaliteit is verbonden die de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van dat bericht vergroot; - c. de ononderbroken werking van het centraal loket zo goed mogelijk wordt gewaarborgd, ook tijdens werkzaamheden betreffende onderhoud, vervanging of uitbreiding van voorzieningen die van het centraal loket deel uitmaken; - d. de kans op onvoorziene storingen in de werkin"},{"i":4236,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 21 september 2025, nr. BZ252014 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Oekraïne partnerfaciliteit 2025) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1) en [7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) met het oog op subsidiëring van activiteiten die bijdragen aan het herstel en de wederopbouw van Oekraïne, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2026 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Oekraïne partnerfaciliteit 2025 worden ingediend vanaf 30 januari 2026 10:00 uur tot en met 30 april 2026 17:00 uur Nederlandse tijd. 2. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Oekraïne partnerfaciliteit 2025 worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden1[https://english.rvo.nl/subsidies-programmes/ukraine-partnership-facility-upf](https://english.rvo.nl/subsidies-programmes/ukraine-partnership-facility-upf). 3. Voorafgaand aan het indienen van de aanvraag voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Oekraïne partnerfaciliteit 2025 dient de aa"},{"i":6987,"b":"Burgerlijk Wetboek Boek 7A, Bijzondere overeenkomsten (vervolg) Boek 7a. Bijzondere overeenkomsten; vervolg Vijfde titel A. Van koop en verkoop op afbetaling Afdeling 1. Van koop en verkoop op afbetaling in het algemeen Artikel 1576 Vervallen Artikel 1576a Vervallen Artikel 1576b Vervallen Artikel 1576c Vervallen Artikel 1576d Vervallen Artikel 1576e Vervallen Artikel 1576f Vervallen Artikel 1576g Vervallen Afdeling 2. Van huurkoop Artikel 1576h Vervallen Artikel 1576i Vervallen Artikel 1576j Vervallen Artikel 1576k Vervallen Artikel 1576l Vervallen Artikel 1576m Vervallen Artikel 1576n Vervallen Artikel 1576q Vervallen Artikel 1576r Vervallen Artikel 1576s Vervallen Artikel 1576t Vervallen Artikel 1576u Vervallen Artikel 1576v Vervallen Artikel 1576w Vervallen Artikel 1576x Vervallen titel Zevende. Van huur en verhuur afdeeling Eerste. Algemeene bepaling Artikel 1584 Vervallen Artikel 1585 Vervallen afdeeling Tweede. Van de regelen, welke gemeen zijn aan verhuringen van huizen en van andere zaken Artikel 1586 Vervallen Artikel 1587 Vervallen Artikel 1588 Vervallen Artikel 1589 Vervallen Artikel 1590 Vervallen Artikel 1591 Vervallen Artikel 1592 Vervallen Artikel 1593 Vervallen Artikel 1594 Vervallen Artikel 1595 Vervallen Artikel 1596 Vervallen Artikel 1598 Vervallen Artikel 1599 Vervallen Artikel 1600 Vervallen Artikel 1602 Vervallen Artikel 1603 Vervallen Artikel 1604 Vervallen Artikel 1605 Vervallen Artikel 1606 Vervallen Artikel 1607 Vervallen Artikel 1608 Vervallen Artikel 1609 Vervallen Artikel 1610 Vervallen Artikel 1611 Vervallen Artikel 1612 Vervallen Artikel 1614 Vervallen Artikel 1615 Vervallen Artikel 1616 Vervallen afdeeling Derde. Van de regelen welke bijzonder betrekkelijk zijn tot huur van huizen en huisraad Artikel 1619 Vervallen Artikel 1620 Vervallen Artikel 1621 Vervallen Artikel 1622 Vervallen Artikel 1623 Vervallen afdeling Vierde. Van de regelen welke bijzonder betrekkelijk zijn tot huur en verhuur van woonruimte Artikel 1623a Vervallen Artik"},{"i":4430,"b":"Bestuursreglement Onderzoeksraad voor veiligheid Gelet op [artikel 17 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=17), Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit Bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. Rijkswet: de [Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613); - b. Rijksbesluit: het [Rijksbesluit Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017680); - c. Besluit: het [Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017681) - d. Informatiestatuut: het Informatiestatuut Onderzoeksraad voor veiligheid; - e. Regeling: de [Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017940); - f. Minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - g. Ministerie: het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - h. de Onderzoeksraad: de Onderzoeksraad voor veiligheid zoals genoemd in [artikel 2, eerste lid van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=2); - i. de raad: de raad bestaande uit de vijf leden genoemd in [artikel 6 eerste lid van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=6). Hoofdstuk 2. Organisatie Artikel 2. Raad 1. De raad komt ten minste tien maal per jaar in vergadering bijeen en overigens zo vaak als een goede taakuitvoering dit noodzakelijk maakt. 2. Voor zover dit Reglement niet voorziet in de organisatie en werkwijze neemt de raad beslissingen ter zake. 3. De raad kan personen die geen lid zijn uitnodigen om een bepaald onderdeel van de vergadering bij te wonen. Artikel 3. Voorzitter van de raad 1. De Voorzitter roept de raad in vergadering bijeen en geeft leiding aan de vergaderingen. 2. De Voorzitter ziet toe op de eenheid van de Onderzoeksraad en zijn organisatie. 3. De Algemeen Secretaris draagt zorg voor het secretariaat van de raad. Artikel 4. Commissies 1."},{"i":2070,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 19 april 2022, nr. IENW/BSK-2021/329303, houdende vaststelling van regels voor subsidie ter stimulering van de aanschaf van nieuwe emissieloze vrachtauto’s (Aanschafsubsidieregeling zero-emissie trucks AanZET) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onder b en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanschaf:** verkrijging van de eigendom, bedoeld in [artikel 3:84, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=84) krachtens koop of financial leasing, als bedoeld in [paragraaf 3.2 van het Besluit Omzetbelasting. Leasing](onbekend) van 25 januari 2007, nr. CPP2006/2847M, Stcrt 2007, nr. 24; - **aanvrager:** onderneming of non-profitinstelling, niet zijnde een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid, een provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als bedoeld in de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740), die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, met een vestiging in Nederland en die een subsidie aanvraagt op grond van deze regeling; - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); - **bakwagenchassis:** motorvoertuig als bedoeld in voertuigcategorie N2 of N3 volgens [verordening (EU) 2018/858](32758R2018) waarop een laadmogelijkheid gecreëerd kan worden; in ieder geval wordt als bakwagenchassis aangemerkt een voertuig"},{"i":5784,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 juni 2023, nr. VO/1410371, houdende regels voor subsidieverstrekking voor Statushouders en de stap naar de klas (Subsidieregeling Statushouders en de stap naar de klas) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **beroep van leraar:** beroep van leraar als bedoeld in[artikel 31a van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=31a), [artikel 31a van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=31a) of [artikel 7.8 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=7.8); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **Nuffic:** stichting als bedoeld in [artikel 3a van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=3a); - **Oekraïense ontheemde:** persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van [Richtlijn 2001/55/EG](32001L0055), en t"},{"i":4615,"b":"Gewijzigde tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026 gelet op de [artikelen 1.2, eerste lid aanhef en onder c en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999&artikel=1.2), en [1.4 van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999&artikel=1.4); besluit: vast te stellen de navolgende Gewijzigde tijdelijke subsidieregels Aangepast Lezen 2023–2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regels wordt verstaan onder: - –. **aangepaste leesvormen:** leesvormen genoemd in artikel 2 onder c van de Regeling toegankelijke lectuur voor mensen met een leesbeperking 2022–2024; - –. **CBCT:** Certificeringsorganisatie Bibliotheek, Cultuur en Taal (CBCT); - –. **doelgroep:** personen als bedoeld in [artikel 15m onder a van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15m), te weten personen: - a. die blind zijn; - b. met een visuele handicap die niet zodanig kan worden verbeterd dat de personen het gezichtsvermogen krijgen dat wezenlijk gelijk is aan dat van personen zonder een dergelijke handicap en waardoor de personen niet in staat zijn in wezenlijk dezelfde mate als personen zonder een dergelijke handicap gedrukte werken te lezen; - c. met een waarnemings- of andere leeshandicap waardoor de personen niet in staat zijn in wezenlijk dezelfde mate als personen zonder een dergelijke handicap gedrukte werken te lezen; of - d. die anderszins, ten gevolge van een fysieke handicap, niet in staat zijn een boek vast te houden of te hanteren, dan wel scherp te zien of hun ogen te bewegen in een mate die gewoonlijk voor het lezen noodzakelijk wordt geacht; - –. **KB:** Koninklijke Bibliotheek; - –. **openbare (lokale) bibliotheek:** een bibliotheekvoorziening als bedoeld in [artikel 1, eerste lid onder c, van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035878&artikel=1), te weten een organisatie met rechtspersoonlijkheid die een of meerdere voo"},{"i":4578,"b":"Besluit van 20 december 2023 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten (Eindejaarsbesluit 2023) Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Artikel III Wijzigt het Besluit fiscale eenheid 2003. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IV Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. Artikel V Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Artikel VI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel VII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel VIII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. Artikel IX Wijzigt het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken. Artikel X Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns. Artikel XI Wijzigt het Besluit belasting- en invorderingsrente. Artikel XII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990. Artikel XIII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES. Artikel XIV 1. Een rechtspersoon als bedoeld in [artikel II, eerste lid, onderdeel a, van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049127&artikel=II) die als gevolg van de toepassing van dat artikel niet langer kwalificeert als beleggingsinstelling als bedoeld in [artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) en waarbij de toepassing van artikel II, eerste lid, van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling plaatsvindt in de loop van het boekjaar, mag dat boekjaar splitsen in twee afzonderlijke boekjaren, waarbij het eerste boekjaar eindigt op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de toepassing van artikel II, eerste lid, van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling. 2. Een lichaam dat als gevolg van de inwerkingtreding van [artikel I va"},{"i":2492,"b":"Beleidsregel prioriteringsbeleid handhavingsverzoeken IGJ 1. Inleiding Iedereen moet in Nederland op goede en veilige zorg en jeugdhulp kunnen vertrouwen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt in dat kader toezicht op de naleving van een groot aantal wetten. De IGJ heeft slechts een beperkte capaciteit om dit toezicht uit te oefenen. Daarom strekt het toezicht van de IGJ zich vooral uit tot het bewaken van de belangen van goede en veilige gezondheidszorg en jeugdhulp voor zover die belangen uitstijgen boven het belang van een individuele betrokkene.1Kamerstukken II 2009/10, 32 402, nr. 3, p. 153–155 (MvT) Dat maakt dat de IGJ niet verplicht is om naar elke mogelijke normschending onderzoek te doen en handhavend op te treden.2Vergelijk artikel 24 lid 6 Wkkgz en artikel 9.2 lid 5 Jeugdwet De IGJ ontvangt meer verzoeken om handhaving dan zij gelet op haar onderzoekscapaciteit in onderzoek kan nemen. Om doelmatig te kunnen handhaven wordt onderscheid gemaakt in de wijze waarop de IGJ uitvoering geeft aan haar handhavingstaak. De IGJ maakt keuzes en zet haar capaciteit in op de plekken waar de risico’s voor de volksgezondheid het grootst zijn. Dit doet de IGJ op basis van dit prioriteringsbeleid. Met dit beleid maakt de IGJ inzichtelijk waarom het ene handhavingsverzoek wel en het andere handhavingsverzoek niet wordt onderzocht. Dit prioriteringsbeleid is niet van toepassing op handhavingsverzoeken die uitsluitend betrekking hebben op wetgeving over geneesmiddelen en medische technologie, alsmede andere wet- en regelgeving die een implementatie van het Unierecht vormt. 2. Verzoek om handhaving of melding Onder een verzoek om handhaving verstaat de IGJ een aanvraag tot handhavend optreden tegen overtreding van een wettelijke norm en daartoe een besluit te nemen in de zin van [artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3). Als de IGJ een verzoek om handhaving ontvangt, gaat zij allereerst na of"},{"i":2493,"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister voor Natuur en Stikstof en de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 14 juli 2022, NVWA/2022/5640, over het prioriteringsbeleid bij de behandeling van handhavingsverzoeken De Minister en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister voor Natuur en Stikstof en de Minister van Economische Zaken en Klimaat, Gelet op[artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), [artikel 13 Tabaks- en rookwarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=13), [artikelen 11-116 Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=11), [artikel 8 Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=8), [artikelen 8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1), [8.10 tot en met8.12 Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.10), [artikel 47 Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=47), [artikel 22 plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=22), [artikel 82 Wet gewasmiddelenbescherming en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=82), [artikelen 54 a – 62 Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=55), [artikel 48a Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=48a), [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=15) en [18 Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=18), [artikelen 20](ht"},{"i":3761,"b":"Besluit van de Centrale Commissie Dierproeven van 19 december 2014, ref 2014-04, houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging van de Centrale Commissie Dierproeven (Besluit mandaat, volmacht en machtiging van de Centrale Commissie Dierproeven CCD 2014) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **CCD:** de Centrale Commissie Dierproeven als bedoeld in [art. 18 van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=18); - c. **Ondersteunend bureau dierproeven en alternatieven:** de organisatie van het personeel als bedoeld in [artikel 18 zevende lid van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=18); - d. **de voorzitter:** de voorzitter van de Centrale Commissie Dierproeven als bedoeld in [artikel 18 tweede lid van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=18); - e. **de plaatsvervangend voorzitter:** het lid dat door de voorzitter is aangewezen om in geval van afwezigheid van de voorzitter als zijn plaatsvervanger te fungeren; - f. **het lid:** het lid van de Centrale Commissie Dierproeven als bedoeld in [artikel 18 tweede lid van de Wet op de dierproeven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003081&artikel=18); - g. **de algemeen secretaris:** de algemeen secretaris is belast met het geven van leiding aan het Ondersteunend bureau dierproeven en alternatieven; - h. **de plaatsvervangend algemeen secretaris:** de senior medewerker die door de algemeen secretaris is aangewezen om in geval van afwezigheid van de algemeen secretaris als zijn plaatsvervanger te fungeren; - i. **de jurist:** de jurist belast met het behandelen van een bezwaarschrift en/of een (hoger) beroep en werkzaam voor het Ondersteunend bureau dierpr"},{"i":2408,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 27 december 2023, nr. ILT-2023/58667, inzake de toepassing van regels van Verordening 1071/2009/EG en Verordening (EU) 2016/403, de Wet personenvervoer 2000 en het Besluit personenvervoer 2000 houdende bepalingen in verband met de uitvoering van de evenredigheidstoets en het sanctioneren van de vervoerder en de vervoersmanager verlies van betrouwbaarheid in het busvervoer (Beleidsregel evenredigheidstoets en sanctionering bij verlies betrouwbaarheid busvervoer 2024) Gelet op artikel 6 van [Verordening 1071/2009/EG](32009R1071), artikel 1 van [Verordening (EU) 2016/403](32016R0403) en van [Verordening (EU) 2022/694](32022R0694), de [artikelen 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=4b) en [5 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=5), de [artikelen 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=23) en [23a van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=23a) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en inleidende bepalingen Artikel 1. Definitiebepaling In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **meest ernstige overtredingen:** meest ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage I van [Verordening 2016/403](32303R2016); - b. **heel ernstige overtredingen:** heel ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage I van [Verordening 2016/403](32303R2016); - c. **ernstige overtredingen:** ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage I van [Verordening 2016/403](32303R2016); - d. **strafpunten:** punten die aan de vervoerder of vervoersmanager worden toegerekend als gevolg van het plegen van een meest ernstige, heel ernstige of ernstige overtreding als bedoeld in dit artikel onder a, b e"},{"i":2433,"b":"Beleidsregel Handhavingsstrategie Omgevingsrecht, Rijkswaterstaat De Directeur-Generaal Rijkswaterstaat heeft op 1 juli 2016 de Landelijke Handhavingsstrategie als beleidsregel vastgesteld. Vanaf 1 januari 2024 zal Rijkswaterstaat conform de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) werken. De inwerkingtreding van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) is de aanleiding voor het vaststellen van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht als beleidsregel. Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid behoren interventies door verschillende bestuursorganen in vergelijkbare situaties op eenzelfde wijze te worden toegepast. Interveniëren is daarbij breder dan het opleggen van sancties; ook aanspreken, waarschuwen en informeren kunnen in een concreet geval passende interventies zijn. De LHSO biedt een afwegingsinstrument om in concrete gevallen afgestemd, eenduidig, effectief en evenredig te kunnen interveniëren. De strategie is door alle handhavingspartners samen tot stand gekomen en wordt nu door de verschillende partijen als eigen beleid vastgesteld. De Directeur-Generaal Rijkswaterstaat is bevoegd om de Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht als beleidsregel vast te stellen op grond van [artikel 18.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.2), [artikel 18.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.3) en [artikel 18.20 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.20) juncto [artikel 4.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=4.30), [artikel 13.1, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=13.1), [artikel 13.3, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=13.3) en [artikel 13.5, van het Omgevingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041278&artikel=13.5), [artikel 40 Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=40), [artikel 158 We"},{"i":3820,"b":"Besluit van de voorzitter van de directie van KIWA N.V., houdende verlening van ondermandaat en ondermachtiging KIWA Register B.V. (Besluit Ondermandaat en ondermachtiging Kiwa Register B.V. (I)) gelet op: het [Besluit mandaat en machtiging Kiwa N.V. (I)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027827); [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); de overeenkomsten tussen de Staat der Nederlanden en Kiwa N.V. d.d. 10 juli 2009 en 27 mei 2010. besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - b. **de Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat; - c. **de voorzitter:** de voorzitter van de directie van Kiwa N.V.; - d. **de General Manager:** de General Manager van Kiwa Register B.V.; - e. **de overeenkomst(en):** Overeenkomsten overdracht taken van de toenmalige Inspectie Verkeer en Waterstaat, thans de Inspectie Leefomgeving en Transport, aan Kiwa N.V., aangegaan tussen de Staat der Nederlanden en Kiwa N.V. d.d.10 juli 2009 en 27 mei 2010. Artikel 2. Ondermandaat en ondermachtiging Aan de General Manager wordt ondermandaat en ondermachtiging verleend ten aanzien van alle bevoegdheden die op grond van het [Besluit mandaat en machtiging KIWA N.V. (I)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027827) aan de voorzitter zijn verleend. Artikel 3. Ondertekening 1. Het in een document vastleggen van een besluit of hetgeen op basis van de machtiging wordt verricht, geschiedt op briefpapier waarop het desbetreffende Rijkslogo en het logo van Kiwa N.V. is geplaatst. 2. Een document als bedoeld in het eerste lid, vastgesteld door een functionaris, vermeldt aan het slot: ‘DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT, namens deze,’ dan wel ‘DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT, namens deze,’ gevolgd door de functieaanduiding, de handtekening en de naam van de betrokken function"},{"i":2453,"b":"Beleidsregel kosten aanvraag deskundigenoordeel 2013 Gelet op [artikel 32a, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32a); Besluit: Artikel 1 Aan de werkgever of de werknemer die heeft verzocht om het instellen van een onderzoek als bedoeld in [artikel 32, eerste, tweede, derde of vierde lid van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32) brengt het UWV kosten in rekening ten bedrage van: - a. € 400 indien de verzoeker de werkgever is; - b. € 100 indien de verzoeker de werknemer is. Artikel 2 Het Besluit kosten aanvraag deskundigenoordeel 2005 wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel kosten aanvraag deskundigenoordeel 2013. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032639&artikel=1&z=2015-07-01&g=2015-07-01) brengt het UWV geen kosten in rekening aan de werkgever wiens verzoek om het instellen van een onderzoek is gedaan ten behoeve van het indienen van een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in [artikel 671b, vierde en vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671b). Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2469,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 september 2024, nr. 47647868 over het niet verschuldigd zijn van wettelijke rente bij betalingsregelingen uit hoofde van OCW-regelgeving Gelet op [artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=11.5), [artikel 8.3 van de Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=8.3), [artikel 11.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=11.4) en [artikelen 4:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [4:101 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:101); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen - **Betalingsregeling:** beschikking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin is neergelegd dat een betalingsplichtige een achterstallige schuld binnen een bepaalde periode in termijnen betaalt; - **Wettelijke rente:** rente als bedoeld in de [artikelen 119, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=119), en [120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=120) en als bedoeld in [artikel 119, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028749&artikel=119), en [120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028749&artikel=120). Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op betalingsregelingen met betrekking tot vorderingen op natuurlijke personen die voortkomen uit: - a. de [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453); - b. de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393); - c. de [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438); - d. de [Les- en cursusgeldwet](http"},{"i":4201,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 26 november 2020, nr. IENW/BSK-2020/179366, houdende vaststelling van het subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling LNG Gelet op [artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8) en [artikel 5, tweede lid, van de Subsidieregeling LNG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042893&artikel=5); BESLUIT: artikel Enig Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Subsidieregeling LNG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042893&artikel=5) wordt voor 2021 vastgesteld op € 4.600.000. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4747,"b":"Inwerkingtreding van het besluit tot wijziging van het verrekenprijsbesluit van 21 augustus 2004, nr. IFZ2004/680M De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Paragraaf 7 van het besluit van 21 augustus 2004, nr. IFZ2004/680M (‘het besluit’), houdende een wijziging van het besluit Verrekenprijzen, toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) van 30 maart 2001, nr. IFZ2001/295M, luidt als volgt: ‘Dit besluit treedt in werking met ingang van heden.’ De vraag is naar voren gekomen of dit besluit ook op per 15 augustus 2004 niet definitief vaststaande aanslagen kan worden toegepast. Paragraaf 1 van het besluit ziet op concerndiensten en aandeelhoudersactiviteiten en omvat een lijst van activiteiten die als aandeelhoudersactiviteiten worden aangemerkt. Ik keur goed dat voor per 15 augustus 2004 niet definitief vaststaande aanslagen aansluiting kan worden gezocht bij de in deze paragraaf beschreven regeling. Paragraaf 2 van het besluit omvat een regeling voor ‘ondersteunende’ diensten. Ik keur goed dat de regeling in paragraaf 2 van het besluit op per 15 augustus 2004 niet definitief vaststaande aanslagen wordt toegepast; dit kan echter niet leiden tot een in aanmerking te nemen vergoeding voor concerndiensten die lager is dan de vergoeding die daadwerkelijk in rekening is gebracht aan de betreffende groepsmaatschappijen. Conform par. 9 van het Besluit Voorschriften inzake het ambtshalve verlenen van verminderingen of teruggaven van 6 december 2001, nr. CPP2001/3435M, wordt op 15 augustus 2004 onherroepelijk vaststaande aanslagen niet teruggekomen. Voor situaties waarin sprake is van dubbele belasting, kan op grond van internationale regelingen ter voorkoming van dubbele belasting een verzoek bij de competente autoriteit worden ingediend. De paragrafen 3, 4, 5 en 6 van het besluit omvatten de vastlegging van standpunten die door de Belastingdienst in vo"},{"i":3855,"b":"Besluit van de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken van 19 november 2024, nr. MD202478INSTAC, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken 2025) Gelet op [artikel 19 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=19); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur-generaal:** de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken; - b. **de plaatsvervangend directeur-generaal:** de plaatsvervangend directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken; - c. **de hoofddirecteur:** de hoofddirecteur Transities, de hoofddirecteur Dienstverlening en de hoofddirecteur Organisatie; - d. **de directeur:** de directeur van een directie binnen een hoofddirectie; - e. **de afdelingsmanager:** de manager van een afdeling; - f. **de teammanager:** de manager van een team; - g. **de opgavemanager:** de manager van een opgave binnen de directies van de hoofddirectie Transities; - h. **de senior jurist:** de senior jurist werkzaam bij de afdeling Juridische Zaken; - i. **de jurist:** de jurist werkzaam bij de afdeling Juridische Zaken; - j. **de procescoördinator:** de met de roepnaam procescoördinator in P-Direkt vermelde verantwoordelijke voor de end-to-end operationele sturing van het uitvoeringsproces van een regeling; - k. **de programmacoördinator:** de met de roepnaam programmacoördinator in P-Direkt vermelde verantwoordelijke voor de end-to-end operationele sturing van het uitvoeringsproces van een programma; - l. **de uitvoeringsexpert:** de met de roepnaam uitvoeringse"},{"i":2482,"b":"Beleidsregel ontheffingsregeling voor een Commercial Cruising Vessel Gelet op [artikel 5, tweede lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Dat voor een zeeschip schip, waarvan de lengte als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van [Bijlage I, van het Schepenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&bijlage=I), 12 meter of meer bedraagt en waarvan de gemeten tonnage 500GT of minder is en uitsluitend bestemd is om bedrijfsmatig passagiers te vervoeren voor recreatieve doeleinden en dit schip of: - a. een zeilschip is als genoemd in [artikel 1, eerste lid, van het Schepenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=1) met ten hoogste 36 passagiers of: - b. een motor schip is (uitsluitend dan wel hoofdzakelijk voortbewogen door mechanische voortstuwing) met ten hoogste 12 passagiers, ontheffing verleend kan worden van de eisen als bedoeld in de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=3), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=33), [45, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=45), [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=46), [50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=50), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=52), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=59), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=62), [64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=64), [167 t/m 171, van het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=167), indien voldaan wordt aan de eisen gesteld in de `Voorschriften voor Commercial Cruising Vessels'. Artikel 2 1. Het voldoen aan de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027553&artikel=1&z=2004-04-06&g=2004-04-06), bedoelde voorwaarde voor ontheffing kan worden aangetoond indien: - a. voo"},{"i":678,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 februari 2012, nr. G&VW/GW/2012/2776, houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de gefaseerde invoering van het stelsel van certificatie (fase 2) Gelet op de [artikelen 1.5a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5a), [1.5b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5b), [1.5d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5d), [1.5e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5e), [1.5f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5f), [1.5h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5h), [1.5i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5i), en [6.14a, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=6.14a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Arbeidsomstandighedenregeling. Artikel II Voor brandweerduikers en brandweerduikploegleiders blijven tot 1 november 2012 van toepassing de [artikelen 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=6.3), [6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=6.4), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=6.5). en [6.6 van de Arbeidsomstandighedenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008587&artikel=6.6), zoals die luidden op 30 juni 2012. Artikel III 1. Deze regeling met de bijbehorende bijlagen treedt, met uitzondering van [artikel I, onderdelen L en U](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031362&artikel=I&z=2012-11-01&g=2012-11-01), in werking met ingang van 1 juli 2012. 2. [Artikel I, onderdelen L en U](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031362&artikel=I&z=2012-11-01&g=2012-11-01), treedt in werking met ingang van 1 november 2012. Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6321,"b":"Wet van 8 juli 1999 tot samenvoeging van de gemeenten Bergen, Egmond en Schoorl Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Bergen, Egmond en Schoorl samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Bergen, Egmond en Schoorl opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Bergen ingesteld, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 De nieuwe gemeente Bergen bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Bergen, Egmond en Schoorl. Paragraaf 2. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Bergen wordt de op te heffen gemeente Bergen aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Bergen, Egmond en Schoorl wordt de nieuwe gemeente Bergen aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 6 1. Voor de nieuwe gemeente Bergen wordt een tussen"},{"i":6603,"b":"Besluit van 26 november 2025 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven [KetenID WGK027736] Op de voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid van 10 juli 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6535503, gedaan mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [artikel 2, vijfde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=2) en de [artikelen 257b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257b) en [257ba van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257ba); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 september 2025, nr. W16.25.00213/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 21 november 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6862259, uitgebracht mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Artikel II Wijzigt het Besluit OM-afdoening. Artikel III [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051940&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01) heeft geen gevolgen voor gedragingen die hebben plaatsgevonden voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7545,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 januari 2024, ZK-0000047490, inhoudende openbaarmaking van de subsidiegegevens Gemeenschappelijk landbouwbeleid over het EU-boekjaar 2023 Gelet op: Artikelen 98, 99, 100 en 104 van [Verordening (EU) nr. 2021/2116](32021R2116) van het Europees Parlement en de Raad inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306)(PBEU 2021; L435); Artikelen 58 tot en met 61 en 64 van [Uitvoeringsverordening (EU) 2022/128](32022R0128) van de Commissie van 21 december 2021 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor [Verordening (EU) 2021/2116](32021R2116) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, controles, zekerheden en transparantie (PbEU 2022, L20); De artikelen 111 tot en met 114 van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van [Verordeningen (EEG) nr. 352/78](31978R0352), [(EG) nr. 165/94](31994R0165), [(EG) nr. 2799/98](31998R2799), [(EG) nr. 814/2000](32000R0814), [(EG) nr. 1290/2005](32005R1290) en [(EG) nr. 485/2008](32008R0485) van de Raad (PbEU 2013, L347); De artikelen 57 tot en met 62 van [Verordening (EU) nr. 908/2014](32014R0908) van de Commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie (PbEU 2014, L255); Artikel 6 van [Verordening (EU) nr. 2016/679](32016R0679) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in ve"},{"i":4124,"b":"Besluit van 29 november 2006, nr. 2006-0000381422, tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 2004 Mede namens de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9) en [artikel 6 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2004 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020877&bijlage=1&z=2006-12-30&g=2006-12-30) bij dit besluit. Artikel 2 Voor het uitkeringsjaar 2004 worden de bedragen, bedoeld in [artikel 6 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=6), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020877&bijlage=2&z=2006-12-30&g=2006-12-30) bij dit besluit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage 1 De bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), over het uitkeringsjaar 2004 (bijlage bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020877&artikel=1&z=2006-12-30&g=2006-12-30)) | Nr. | Maatstaven | Bedragen (euro’s) | | --- | --- | --- | | 1 | OZB (per eenheid van € 2268) | –4,99 | | 2 | Inwoners | 138,43 | | 3 | Inwoners *bodemfactor buitengebied | 0,66 | | 4 | Jongeren | 184,66 | | 5 | Ouderen | 46,69 | | 6-a | Inwoners Waddengemeenten, eerste schijf | 188,32 | | 6-b | Inwoners Waddengemeenten, tweede schijf | 147,19 | | 6-c | Inwoners Waddengemeenten, derde schijf | 32,38 | | 7 | Lage inkomens | 343,85 | | 8 | Bijstandsontvangers | 4"},{"i":4509,"b":"Circulaire procedureregels bij benoeming commissaris van de Koningin I. Het openstellen van de vacature Il. Het schetsen van een profiel III. De sollicitatiebrief IV. Het inwinnen van inlichtingen door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties V. De instelling, samenstelling en werkwijze van een vertrouwenscommissie VI. De handelwijze bij het niet-naleven van hetgeen in V is bepaald Besteden de staten of de vertrouwenscommissie naar het oordeel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onvoldoende zorg aan de in V omschreven punten, dan bepaalt de minister hoe verder gehandeld wordt. VII. De selectie van kandidaten ten behoeve van de vertrouwenscommissie VIII. De bevindingen van de vertrouwenscommissie IX. De aanbeveling van de staten X. Het motiveren van de afwijking van de aanbeveling van de staten"},{"i":3993,"b":"Besluit van 6 juli 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur inzake samenloop wettelijke regelingen als bedoeld in artikel 4 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1984, 94) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 30 maart 1984, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. DVV/BV-U 4911 I; Gelet op [artikel 4 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=4) (**Stb.** 1984, 94); De Raad van State gehoord (advies van 16 mei 1984, nr. W 13.84.0154/24.4.19.); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 21 juni 1984, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. DVV/BV-U5203; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664) (**Stb.** 1984, 94). Artikel 2 Artikel 4, aanhef en onder **b**, van de wet is niet van toepassing op: - a. het burger-oorlogsslachtoffer dat recht heeft op een buitengewoon pensioen krachtens [artikel 4 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=4) (**Stb.** 1986, 575), krachtens [artikel 3 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=3) (**Stb.** 1986, 576) of krachtens [artikel 6 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=6) (**Stb.** 1986, 360), dat is berekend naar een invaliditeitspercentage respectievelijk arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 80; - b. de nabestaande van het burger-oorlogsslachtoffer, die recht heeft op een buitengewoon pensioen krachtens [artikel 4 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=4), krachtens [artikel 3"},{"i":4409,"b":"Bestuursreglement ACNL gelet op [artikel 8a.65 van de Wet Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.65), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a). **ACNL:** het zelfstandig bestuursorgaan Airport Coordination Netherlands, bedoeld in [artikel 8a.64 Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.64); - b). **De directie:** de directie van ACNL, bedoeld in [artikel 8a.66 Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.66); - c). **Kaderwet:** [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - d). **De Minister:** de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - e). **Slotverordening:** [Verordening nr. 95/93](31993R0095) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van «slots» op communautaire luchthavens (PbEG L 14). Artikel 2. Directie 1. De directie wordt gevormd door een directeur. 2. De directeur kan onder zijn verantwoordelijkheid de vertegenwoordiging zoals bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043369&artikel=3&z=2020-04-10&g=2020-04-10) opdragen aan andere personen. 3. In geval van schorsing of ontstentenis van de directeur voorziet de Minister in de waarneming van de functie door een tweede aan te stellen directeur. Artikel 3. Taken directie 1. De directie is belast met de dagelijkse leiding van ACNL, waaronder in ieder geval worden begrepen: - a.). benoemen en ontslaan van medewerkers van ACNL; - b.). het vaststellen van de beloning van de medewerkers; - c.). het vaststellen en actueel houden van de interne organisatiestructuur, waaronder de functies, taken en bevoegdheden van de personeelsleden; - d.). de uitvoering van alle in de Slotverordening, de [Wet Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) en het [Besluit Slotallocatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009035) opg"},{"i":3749,"b":"Besluit mandaat, volmacht en machtiging NCG voor informatieverstrekking ACVG Gelet op het [Tijdelijk besluit mandaat, volmacht en machtiging herstel schade en versterking Groningen van 14 november 2024 II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050393), Besluit Artikel 1 Aan de algemeen directeur van de Dienst Nationaal Coördinator Groningen wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om aan het Adviescollege Veiligheid Groningen de informatie te verstrekken die zij nodig heeft voor de uitvoering van haar taak. Artikel 2 De algemeen directeur van de Dienst Nationaal Coördinator Groningen kan aan onder haar werkende medewerkers ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen om aan het Adviescollege Veiligheid Groningen de informatie te verstrekken die zij nodig heeft voor de uitvoering van haar taak. Artikel 3 Met dit besluit wordt bevestigd dat alle eerdere (informatie)verstrekkingen vanaf 1 maart 2025 onder de werking van dit besluit vallen en daarmee alsnog rechtsgeldig worden verklaard. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst."},{"i":4601,"b":"Fiscale positie van de ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (2006) De Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de Minister van Financiën het volgende besloten: Er bestaat, zo is mij gebleken, behoefte aan nadere informatie over de fiscale positie van ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Gemeenschappen. Onder intrekking van het [besluit van 22 februari 1983](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003575), nr. 083-38, deel ik u het volgende mede. 1. De instellingen van de Europese Gemeenschappen (EG) De EG kent de volgende instellingen: alsmede comités, diensten en andere instellingen. Tevens is door de Lid- Staten opgericht de Europese Investeringsbank (zie het Verdrag tot instelling van een Raad en een Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben) en de Europese Centrale Bank (zie het Verdrag betreffende de Europese Unie). 2. Toepassing van de woonplaatsbepaling Artikel 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen van 8 april 1965 voorziet in een fictieve woonplaatsbepaling ten aanzien van de ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna te noemen ‘de personeelsleden van de EG’). Hieronder zijn, voor de toepassing van dit besluit, mede te verstaan: Artikel 14 van het Protocol bepaalt dat: ‘De ambtenaren en overige personeels leden van de Gemeenschappen, die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van de Gemeenschappen vestigen op het grondgebied van een andere lidstaat dan de staat van de fiscale woonplaats, welke zij bezitten op het ogenblik van hun indiensttreding bij de Gemeenschappen, worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen de lidstaten van de Gemeenschappen gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in de staat waar zij zich gevestigd hebben als in de staat van de fiscale woonplaats, geacht hun"},{"i":3775,"b":"Besluit van 18 november 2014, houdende regels inzake de schriftelijke mededeling van rechten ten behoeve van aangehouden verdachten (Besluit mededeling van rechten in strafzaken) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 25 juni 2014, nr. 532606; Gelet op [artikel 27c, derde lid, onderdeel g, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=27c); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 juni 2014, nr. W03.14.0205/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 13 november 2014, nr. 580912; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De schriftelijke mededeling, bedoeld in [artikel 27c, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=27c), omvat informatie over: - a. het bepaalde in [artikel 27 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=27); - b. het bepaalde in artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van het op 24 april 1964 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen (Trb. 1981, 143); - c. het bepaalde in [artikel 32 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006589&artikel=32). Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mededeling van rechten in strafzaken Artikel 3 De Wet van 5 november 2014 tot implementatie van de richtlijn nr. 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PbEU L 142) (Stb. 2014, 433) en dit besluit treden in werking met ingang van 1 januari 2015. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7957,"b":"Aanwijzing tarievenbeleid 1998 voor de farmaceutische hulp Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Gelezen de brief van het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, (brief van 22 oktober 1997, kenmerk HV/tbk/A/97/121), vastgesteld in de vergadering van 20 oktober 1997; Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 27 april 1998, kenmerk VPZ/P-981372); Besluiten: Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (Cotg) stelt voor prestaties van personen en instellingen, die in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=2), [aanhef en onder a, van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](onbekend) als orgaan voor gezondheidszorg zijn aangewezen, zodanige beleidsregels vast dat met een neerwaartse aanpassing van de tarieven een opbrengst (incl. BTW) van f 100 miljoen in 1998 wordt bewerkstelligd en vanaf 1999 structureel f 150 miljoen per jaar. Het aanvaardbare kostenniveau van het totaal van de in rekening te brengen tarieven voor farmaceutische hulp is – uitgaande van de raming voor 1998 in het JOZ 1998 – maximaal f 4093,6 miljoen (excl. BTW) minus inkomsten stimulans en minus buiten Wtg-middelen. Artikel 2 Met het oog op de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009621&artikel=1&z=1998-05-27&g=1998-05-27) genoemde aanpassing neemt het Cotg generieke maatregelen. In afwijking van de eerste volzin kan het Cotg op voorstel van representatieve organisaties van organen voor gezondheidszorg en van ziektekostenverzekeraars besluiten om bepaalde geneesmiddelen van de te nemen maatregel uit te zonderen, met dien verstande dat de kortingen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009621&artikel=1&z=1998-05-27&g=1998-05-27) zijn gewaarborgd. Artikel 3 In de bedoelde beleidsregels ter uitvoering van onderhavige aanwijzing wordt bepaald dat het Cotg bij het ontbreken van een"},{"i":7962,"b":"Bekendmaking beleid overtredingen Wet ziekenhuisvoorzieningen Circulaire aan alle besturen van instellingen van gezondheidszorg I. Inleiding Bij [circulaire van 12 april 1991](onbekend), DGVgZ/ZZT/AFEJZ nr. 328928 is u bekend gemaakt welk beleid door mij zal worden gevoerd inzake overtredingen van de verbodsbepalingen van de [Wet ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753) (WZV). Het betreft de verbodsbepalingen weergegeven in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=6), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=18) en [18a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=18a) van die wet. Volgens die artikelen is het verboden: De verbodsbepaling als vermeld onder a. ziet ook toe op het aanvangen van de bouw dan wel de exploitatie van een ziekenhuisvoorziening of de bouw ten behoeve van een artikel 18 WZV-functie voordat of nadat daarvoor een verklaring (maar nog geen vergunning) ex [WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753) is afgegeven. Deze verklaring geeft in de regel immers niet meer aan dan dat door mij de behoefte aan een dergelijke voorziening wordt onderschreven. Het is eveneens verboden anders of meer te bouwen dan wel te exploiteren dan in een afgegeven vergunning ex [WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753) is opgenomen. Met het oog op de kwaliteit, doelmatigheid en kostenbeheersing in de gezondheidszorg is het noodzakelijk er nauwlettend op toe te zien dat onverkort aan alle ingevolge de [WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753) voorgeschreven procedures uitvoering wordt gegeven en dat ongewenste bouw, exploitatie of (uitbreiding van) het gebruik van bijzondere functies niet plaatsvindt. Dit houdt in dat een vergunning: Overtreding van de hierboven onder a, b en c genoemde artikelen is als economisch delict strafbaar op grond van [artikel 27 WZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753&artikel=27), juncto [artikel 1, ond"},{"i":7401,"b":"Wet van 23 januari 1997 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de herziening van de voorlopige maatregelen van kinderbescherming Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de voorlopige maatregelen ter bescherming van minderjarigen, in het bijzonder ten aanzien van de rechtswaarborgen, herziening behoeven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de Jeugdhulpverlening. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen. ARTIKEL V Wijzigt de Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, uitvoering van het op 25 oktober 1980 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen alsmede algemene bepalingen met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van ontvoerde kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan (Stb. 1990, 202). ARTIKEL VI Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL VII Wijzigt de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. ARTIKEL VIII Op de voorlopige toevertrouwing van een minderjarige aan de raad voor de kinderbescherming die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet heeft plaatsgevonden, is het voor de inwerkingtreding van deze wet geldende recht van toepassing, behoudens de [artikelen IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008509&artikel=IX&z=1999-02-17&g=1999-02-17) en [X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008509&artikel=X&z=1999-02-17&g"},{"i":5831,"b":"Subtaak- en ondermandaatbesluit Hoofddirectie Financiën en Control 2022 Gelet op [artikel 26 van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746&artikel=26) en op [artikel 3 van het Ondermandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit SG Defensie 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046552&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** Minister van Defensie of Staatssecretaris van Defensie, afhankelijk van wie het aangaat; - b. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon besluiten te nemen; - c. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Organisatie van de Hoofddirectie Financiën en Control De Hoofddirectie Financiën en Control bestaat uit: - a. de Directie Begroting, waaronder ressorteren: - 1. de Afdeling Begrotingszaken; - 2. de Afdeling Toezicht en Beleidscontrol. - b. de Directie Managementinformatie en Beheer, waaronder ressorteren: - 1. de Afdeling Managementinformatie; - 2. de Afdeling Financieel Beheer; - 3. de Afdeling Financiële Systemen. - c. het Kabinet. Artikel 3. Directie Begroting De Directie Begroting staat onder leiding van de Directeur Begroting. Deze is belast met de volgende taken: - a. geeft ambtelijke leiding aan de Directie Begroting met inachtneming van de aanwijzingen en richtlijnen van de Hoofddirecteur Financiën en Control; - b. voert de bij en krachtens de [Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429) gestelde regels uit; - c. stelt de BPB-nota, de Beleidsbrief, de ontwerpbegroting, de suppletoire begrotingen en het jaarverslag op en bewaakt, borgt en verbetert de begrotingsvoorbereiding, -uitvoering en -verantwoording; - d. werkt binnen de i"},{"i":7970,"b":"Besluit directie van het CBR houdende vaststelling van een beleidsregel betreffende het afgeven en intrekken van aanwijzingen van keurend medisch specialisten (beleidsregel aanwijzing keurend medisch specialisten) Gelet op de [artikelen 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [133, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=133), en [101, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=101); ARTIKEL I Vastgesteld wordt de volgende beleidsregel: **Beleidsregel aanwijzing keurend medisch specialisten** **Versie 1.1** Hoofdstuk 1. Toelichting op de beleidsregel In deze beleidsregel staan de eisen die worden gesteld aan medisch specialisten om aangewezen te kunnen worden als voor het CBR keurend medisch specialist in de procedure tot beoordeling van de rijgeschiktheid. Bij het opstellen van de vereisten zijn de volgende informatiebronnen als uitgangspunten genomen: In deze beleidsregel wordt ingegaan op de positie van de Divisie Rijgeschiktheid, de aanmeldingsprocedure voor de aanwijzing als keurend medisch specialist, de vereisten, de geldigheidsduur, de wijze waarop kwaliteit van de keuringen bewaakt wordt en hoe beroep en bezwaar geregeld zijn. Wijzigingen in deze beleidsregel worden door de Divisie Rijgeschiktheid (periodiek) vastgesteld en actief gecommuniceerd. De keurende medisch specialisten dienen voortdurend te handelen volgens de laatst geldende beleidsregel. Hoofdstuk 2. Positie en werkzaamheden van de Divisie Rijgeschiktheid Hoofdstuk 3. Aanmeldingsprocedure Unit Medisch behandelt aanvragen in de zogenoemde Gezondheidsverklaringsprocedure. Reden voor insturen van een Gezondheidsverklaring zijn met name het afleggen van een rijexamen, vernieuwing van een verlopen of ongeldig rijbewijs en een (vrijwillige) melding van twijfel aan de rijgeschiktheid bij geldig rijbewijs. De kosten van een medis"},{"i":7990,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief Directie Verzetsdeelnemers, Vervolgden en Burgeroorlogsgetroffenen en Projectbureau Tegoeden Tweede Wereldoorlog Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en taakvoorgangers, 1946-2004 (2010) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 4 mei 2023, met kenmerk 37764889. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Directie Verzetsdeelnemers, Vervolgden en Burgeroorlogsgetroffenen en Projectbureau Tegoeden Tweede Wereldoorlog van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en haar taakvoorgangers, 1946-2004 (2010). Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummer: | beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 399 | 2042 | | 484 | 2078 | | 487 | 2076 | | 524 | 2059 | | 525 | 2061 | | 531 | 2066 | | 532 | 2061 | | 533 | 2067 | | 534 | 2063 | | 535 | 2063 | | 537 | 2063 | | 574 | 2044 | | 593 | 2083 | | 625 | 2035 | | 630 | 2037 | | 642 | 2076 | | 720 | 2078 | | 721 | 2075 | | 722 | 2074 | | 723 | 2074 | | 724 | 2074 | | 725 | 2074 | | 726 | 2074 | | 727 | 2074 | | 728 | 2074 | | 729 | 2075 | | 730 | 2079 | | 731 | 2075 | | 732 | 2075 | | 733 | 2078 | | 734 | 2080 | | 735 | 2079 | | 736 | 2074 | | 737 | 2079 | | 738 | 2078 | | 739 | 2083 | | 740 | 2082 | | 741 | 2079 | | 742 | 2078 | | 743 | 2078 | | 744 | 2079 | | 745 | 2078 | | 746 | 2077 | | 747 | 2084 | | 748 | 2078 | | 749 | 2080 | | 750 | 2077 | | 751 | 2079 | | 752 | 2080 | | 7"},{"i":7999,"b":"Besluit van 1 augustus 1995, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 3, derde lid, en 4, tweede lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 april 1995, PAO/GZ-952378; Gelet op de [artikelen 3, derde lid, en 4, tweede lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005699&artikel=3); Gezien het advies van de Gezondheidsraad (advies van 7 september 1994); De Raad van State gehoord (advies van 27 juni 1995, no. W13.95.0195); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 juli 1995, no. PAO/GZ/95-6771; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet op het bevolkingsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005699). Artikel 2 1. Onderzoek bij een persoon in het kader van een bevolkingsonderzoek als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de wet mag slechts worden verricht: - a. indien de te onderzoeken persoon de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en onderdeel **c** niet van toepassing is: met de schriftelijke toestemming van de betrokkene; - b. indien de te onderzoeken persoon minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaar heeft bereikt en onderdeel **c** niet van toepassing is: met de schriftelijke toestemming van de betrokkene alsmede de schriftelijke toestemming van de ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen of van zijn voogd; - c. indien de te onderzoeken persoon twaalf jaar of ouder is en niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake: met de schriftelijke toestemming van de ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen of van de voogd dan wel, indien hij meerderjarig is, van de wettelijke vertegenwoordiger of van de echtgenoot of andere levensgezel van de betrokkene; - d. indien de te onderzoeken persoon de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bere"},{"i":8002,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juli 2012, nr. CZ-3120160, houdende instelling van de Commissie inkomens medisch specialisten en vaststelling van de vergoeding van de commissieleden (Besluit Commissie inkomens medisch specialisten) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), Besluit: Artikel 1 Er is een Commissie inkomens medisch specialisten. Artikel 2 De Commissie inkomens medisch specialisten heeft tot taak een inventarisatie op te stellen van beleidsopties om de norminkomens van Nederlandse medisch specialisten meer in lijn te brengen met die van hun collega's in andere landen. Artikel 3 1. De Commissie inkomens medisch specialisten bestaat uit: - a. Mevrouw P.L. Meurs, tevens voorzitter; - b. De heer M. Bontje, - c. De heer H. Borstlap, - d. De heer J. Legemaate. 2. De benoeming van de leden geschiedt tot uiterlijk 1 oktober 2012. Artikel 4 1. De leden van de Commissie inkomens medisch specialisten worden benoemd, geschorst en ontslagen door de minister. 2. Aan de voorzitter wordt een vergoeding toegekend van 332 euro per vergadering. Aan de overige leden van de commissie wordt een vergoeding toegekend van 256 euro per vergadering. 3. De minister draagt zorg voor het secretariaat van de Commissie inkomens medisch specialisten. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie. Artikel 5 De Commissie inkomens medisch specialisten stelt haar eigen werkwijze vast. Artikel 6 De Commissie inkomens medisch specialisten zendt uiterlijk 1 oktober 2012 een eindrapportage omtrent haar bevindingen aan de minister. Artikel 7 De archiefbescheiden van de Commissie inkomens medisch specialisten worden na haar opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgedragen aan het archief van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en S"},{"i":8004,"b":"Besluit van 24 maart 2021, houdende regels met betrekking tot de preventie en bestrijding van dierziekten en tot wijziging van het Besluit dierlijke producten, het Besluit diergeneesmiddelen, het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Besluit diergezondheid) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 november 2020, nr. WJZ / 20277340, gedaan in overeenstemming met Onze Minister voor Medische Zorg en Sport en na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid («diergezondheidswetgeving») (PbEU 2016, L 84), Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU 2003, L 325), [Richtlijn 2003/99/EG](32003L0099) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönosen en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van [Richtlijn 92/117/EEG](31992L0117) van de Raad (PbEU 2003, L 325), Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG 2002, L 31, Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 998/2003](32003R0998) (PbEU 2013, L 178) en de [artikelen 2.2, tiende lid](https://wetten.overh"},{"i":8014,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 26 februari 2015, nr. IENM/BSK-2015/10332, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging ter uitvoering van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 en de Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Besluit en Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu van 23 februari 2015, kenmerk 070/2015 DG AvdZ/WvdW; BESLUIT: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Besluit:** [Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090); - **doelbewuste introductie in het milieu:** doelbewuste introductie als bedoeld in [artikel 1.3 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=1.3); - **ingeperkt gebruik:** ingeperkt gebruik als bedoeld in [artikel 1.2 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&artikel=1.2); - **Regeling:** [Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035072). Artikel 2 1. De directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu wordt ten aanzien van het ingeperkt gebruik mandaat verleend tot: - a. het nemen van alle tot de bevoegdheid van de Minister van Infrastructuur en Milieu behorende besluiten ter uitvoering van [titel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035090&tit"},{"i":8015,"b":"Besluit van 24 april 2020, houdende regels met betrekking tot de herverwerking en het verder gebruik van hulpmiddelen voor eenmalig gebruik in de zin van artikel 17 van Verordening (EU) 2017/745 en nadere regels over het gebruik van medische hulpmiddelen (Besluit medische hulpmiddelen) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg, van 17 september 2019, kenmerk 1576326-194806-WJZ; Gelet op [artikel 3, eerste en tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=3), en [artikel 5, tweede lid, van de Wet medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755&artikel=5); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 oktober 2019, no.W13.19.0290/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 23 april 2020, kenmerk 1576318-194806-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 3, eerste lid, van de Wet medische hulpmiddelen in werking treedt. Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **herbruikbaar invasief hulpmiddel:** een hulpmiddel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 6, van Verordening (EU) 2017/745 dat bestemd is voor meermalig gebruik; - **wet:** [Wet medische hulpmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042755). Artikel 2. Implantaatkaart Zorginstellingen als bedoeld in artikel 2, zesendertigste lid, van Verordening (EU) 2017/745 verstrekken aan een patiënt bij wie een implanteerbaar hulpmiddel is ingebracht een implantaatkaart als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van Verordening (EU) 2017/745 en nemen daarbij het bepaalde, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van Verordening (EU) 2017/745 in acht. Artikel 3. Rimpelvuller De toepassing van een permanente rimpelvuller die levenslang in het lichaam aanwezig blijft, is verboden voor andere dan reconstructieve doeleinden. Artikel 4. Verbodsbepalingen herverwerking Herverwerking van een medisch hulpmiddel voor eenmalig gebruik is verboden, indien: - a."},{"i":15467,"b":"Verordening op de kennistoets Gelet op de [artikelen 3, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=3), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5), [19, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19), en [30, tweede lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=30); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: - −. **CPB:** Centraal Planbureau, bedoeld in [artikel 2, eerste lid van de Wet voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002029&artikel=2); - −. **kennistoets:** onderzoek waarbij het bestuur in het kader van de beoordeling van de kwaliteit van de beroepsuitoefening van een accountant, zijn kennis over een bepaald kennisgebied of onderwerp toetst; - −. **organisatie:** onderneming of een instelling, een accountantspraktijk en een accountantsafdeling daaronder begrepen. Artikel 2 1. Het bestuur kan het met goed gevolg afleggen van een kennistoets verplicht stellen. 2. Het bestuur bepaalt aan welke accountants de verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd. Artikel 3 1. Het bestuur kan op aanvraag een organisatie aanwijzen voor het afnemen van een kennistoets. 2. Een organisatie kan uitsluitend een kennistoets afnemen op basis van vragen welke door het bestuur ter beschikking zijn gesteld. 3. Onverminderd de toepassing van het tweede lid, verbindt het bestuur voorwaarden aan de in het eerste lid bedoelde aanwijzing en maakt afspraken over de daaraan verbonden kosten. Artikel 4 1. Het bestuur kan een klacht indienen bij de accountantskamer indien de accountant niet aan het bepaalde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037027&artikel=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01) voldoet. 2. Alvorens een klacht wordt ingediend, stelt het bestuur de accountant een termijn om alsnog a"},{"i":8040,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 13 maart 2026, nr. nvwa/2026/010018635, houdende vaststelling en bekendmaking van de lijst aardappelrassen met bijbehorend resistentieniveau, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Regeling plantgezondheid Gelet op [artikel 36, eerste lid, van de Regeling plantgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044863&artikel=36); Besluit: Artikel 1 Als lijst aardappelrassen met bijbehorend resistentieniveau tegen aardappelmoeheid als bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de Regeling plantgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044863&artikel=36) wordt vastgesteld de lijst in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Het [Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 15 april 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050991), nr. nvwa/2025/010028268, houdende vaststelling en bekendmaking van de lijst aardappelrassen met bijbehorend resistentieniveau, bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de Regeling plantgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044863&artikel=36) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052458&artikel=1&z=2026-03-27&g=2026-03-27) Lijst van de in 2026 in Nederland toegelaten aardappelrassen met het bijbehorende resistentieniveau tegen aardappelmoeheid (Resistentieniveau tegen één of meer virulentiegroepen van het aardappelcystenaaltje) Ro**= Globodera rostochiensis** Pa **= Globodera pallida** Score = Resistentieniveau uitgedrukt in een klasse (score) 1 (vatbaar) t/m 9 (resistent) | Virulentiegroep | Ro1 | Ro2,3 | Ro5 | Pa2 | Pa3 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Ras | score | score | score | score | score | | 7FOUR7 | 9 | | | | | | AADIA | 9 | 9 | | 9 | 9 | | ABBOT | 9 | | | | | | ABILENE RUSSET | 9 | 3 | | | | | ACCENT |"},{"i":8050,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein ‘Coördinatie algemeen regeringsbeleid vanaf 1945’ (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 januari 2009 bca-2009.05163/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ‘Coördinatie algemeen regeringsbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8057,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Landbouwkwaliteit en voedselveiligheid vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 april 2006, arc-2006.02834/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Landbouwkwaliteit en voedselveiligheid en kwaliteit van het uitgangsmateriaal en biotechnologie over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8062,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 oktober 2006, arc-2006.03203/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Minister van Buitenlandse Zaken, en Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. vanaf 1945 Versie november 2006 1. Lijst van afkortingen AID: Algemene Inspectiedienst AmvB: Algemene maatregel van bestuur art.: artikel BZK: (ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties BSD: Basis selectie document CAS: Centrale Archief Selectiedienst CBNE: Commissie voor de Opvoeding tot de Natuurbeschermingsgedachte CCD: Centrale Controle Dienst CIM: Coördinatiecommissie Internationale Milieuvraagstukken COCOS: Coördinatiecommissie Ontwikkelingssamenwerking COCO-VNGO: Coördinatiecommissie Verenigde Naties en Geassocieerde Organisaties CRM: (minister(ie) van) Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk EHS: Economische Hoofdstructuur EZ: (ministerie van) Economische Zaken IKC: Informatie- en Kennis Centrum Natuurbeheer, onderdeel van de Directie NBLF ITBON: Stichting voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur IUCN: International Union for the Conservation of Nature en Natural Resources IVN: Instit"},{"i":8068,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Relatienotabeleid over de periode vanaf 1974 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 27 oktober 2006, arc-2006.03203/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein **Relatienotabeleid over de periode vanaf 1974’** en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Financiën op het beleidsterrein Relatienotabeleid vanaf 1974 Versie november 2006 Ministerie van VWS 1. Lijst van afkortingen AID: Algemene Inspectiedienst AMvB: Algemene maatregel van bestuur art.: artikel BZK: (ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties BSD: Basis selectie document CAS: Centrale Archief Selectiedienst CBNE: Commissie voor de Opvoeding tot de Natuurbeschermingsgedachte CCD: Centrale Controle Dienst CIM: Coördinatiecommissie Internationale Milieuvraagstukken COCOS: Coördinatiecommissie Ontwikkelingssamenwerking COCO-VNGO: Coördinatiecommissie Verenigde Naties en Geassocieerde Organisaties CRM: (minister(ie) van) Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk EHS: Economische Hoofdstructuur EZ: (ministerie van) Economische Zaken IKC: Informatie- en Kennis Centrum Natuurbeheer, onderdeel van de Directie NBLF ITBON: Stichting voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur IUCN: International Union for the Conservation of Nature en Natural Resources IVN: Instituut voor Natuurbeschermingseducatie KB: Koninklijk Besluit KNH"},{"i":8071,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Toerisme vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 september 2006, nr. arc-2006.03149/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde [selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Toerisme, over de periode vanaf 1945](onbekend), en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8076,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren beleidsterrein Telecommunicatie en Post vanaf 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 5 februari 2009 nr. bca-2008.05120/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit behorende ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Telecommunicatie en Post over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8080,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 maart 2022, kenmerk 3341535-1026728-WJZ, houdende de verlening van een uitsluitend recht aan het Landelijk Referentiecentrum Bevolkingsonderzoeken voor het verlenen van diensten ten behoeve van de borging en optimalisatie van de kwaliteit van bevolkingsonderzoek naar borstkanker in Europees en Caribisch Nederland aan de Staat der Nederlanden Overwegende: dat het Landelijk Referentiecentrum Bevolkingsonderzoeken, in opdracht van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), dat onderdeel is van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, diensten uitvoert ten behoeve van de borging en optimalisatie van de kwaliteit van bevolkingsonderzoek naar borstkanker die van essentieel belang zijn voor tijdige opsporing van borstkanker en daarmee de volksgezondheid; dat de door het Landelijk Referentiecentrum Bevolkingsonderzoeken uitgevoerde diensten samenhangen met de door de Minister op grond van de [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) aan het RIVM opgedragen taak voor de regie op en de coördinatie van de uitvoering, alsmede de registratie, bewaking en evaluatie van de bevolkingsonderzoeken waarvoor een vergunning is verleend op grond van [artikel 3 van de Wet op het bevolkingsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005699&artikel=3), waaronder het bevolkingsonderzoek naar borstkanker; dat de door het Landelijk Referentiecentrum Bevolkingsonderzoeken uitgevoerde diensten van belang zijn voor de borging en optimalisatie van de medisch- inhoudelijke en fysisch-technische kwaliteit van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker; dat voortzetting van de dienstverlening door het Landelijk Referentiecentrum Bevolkingsonderzoeken, noodzakelijk is omwille van de tijdige opsporing van borstkanker en daarmee de bescherming van de volksgezondheid; dat het derhalve is uitgesloten in deze een nationale of Europese aanbestedingsprocedure te volgen; gele"},{"i":8087,"b":"Call for proposals Take-off HBO – fase 1: haalbaarheidsstudies – Ronde 3 – Juni 2017 – Regieorgaan SIA 1. Inleiding 1.1. Achtergrond Hogescholen voeren praktijkgericht onderzoek uit, mede mogelijk gemaakt door onderzoeksfinanciering van Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA (hierna Regieorgaan SIA). Waardevolle onderzoeksresultaten dreigen echter onbenut te blijven omdat kennis en innovaties lastig hun weg vinden naar de markt. Voor het starten van innovatieve, nieuwe bedrijvigheid is financiering nodig om de kloof tussen het onderzoek en de markt te overbruggen. Deze zogenaamde vroegefase-financiering vormt een knelpunt: private investeerders en banken vinden het een te groot risico om te investeren in deze idee- en planfase. Het programma Take-off hbo overbrugt deze ‘funding gap’ in de vroege fase van een onderneming. Aan het einde van het traject zouden anderen – private of publieke investeerders – bereid moeten zijn de volgende fase te financieren. Het programma Take-off hbo richt zich op het faciliteren en stimuleren van innovatieve bedrijvigheid die voortkomt uit kennisontwikkeling door onderzoekers verbonden aan hogescholen. Het programma Take-off hbo bestaat uit twee fases: Deze call for proposals heeft betrekking op fase 1, haalbaarheidsstudies. Voor fase 2: vroegefasetrajecten, wordt doorverwezen naar NWO-domein TTW die dit deel van het programma uitvoert. Voor meer informatie zie: www.nwo.nl/takeoff. 1.3. Beschikbaar budget Het beschikbare budget voor deze 3e ronde is € 400.000,–. Per aanvraag kan minimaal € 20.000,– en maximaal € 25.000,– worden aangevraagd. 1.4. Geldigheidsduur call for proposals Aanvragen kunnen worden ingediend tot dinsdag 3 oktober 2017, 14.00 uur Nederlandse tijd. 2. Doel Take-off hbo – fase 1 Het programma Take-off hbo stelt middelen ter beschikking voor financiering van de vroege fase van innovatieve, nieuwe bedrijvigheid. Stimulering van maatschappelijk en economisch relevante innovaties en ondernemerschap past bij"},{"i":8255,"b":"Wet van 9 oktober 2008, houdende bepalingen over de zorg voor de publieke gezondheid (Wet publieke gezondheid) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, ter implementatie van de herziene Internationale Gezondheidsregeling en om beter voorbereid te zijn op infectieziektecrises, wenselijk is voor de infectieziektebestrijding regels te stellen betreffende de organisatie ervan en de informatieverplichtingen en de bevoegdheden tot optreden uit te breiden; dat het wenselijk is om deze regels samen met de bestaande bepalingen onder te brengen in één wet opdat een samenhangend geheel ontstaat; dat daarom de [Wet collectieve preventie volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004760), de [Infectieziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009684) en de [Quarantainewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002343) kunnen worden ingetrokken en worden vervangen door een wet voor de publieke gezondheid; dat het daarnaast wenselijk is om in deze wet een bepaling op te nemen omtrent een verplichte digitale gegevensopslag bij de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de Internationale Gezondheidsregeling:** de Internationale Gezondheidsregeling met Bijlagen (Trb. 2007, 34); - b. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **publieke gezondheidszorg:** de gezondheidsbeschermende en gezondheidsbevorderende maatregelen voor de bevolking of specifieke groepen daaruit, waaronder begrepen het voorkómen en het vroegtijdig opsporen van ziekten; - d. **jeugdgezondheidszorg:** de publieke gezondheidszorg, waarbij een landelijk preventief gezondheidszorgpakket actief wordt aang"},{"i":8103,"b":"Gewijzigde Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2024 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). Op grond van [artikel 56a, tweede lid, onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a) geeft de NZa op aanvraag toepassing aan artikel 56a, eerste tot en met negende lid, van de Wmg. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist als bedoeld in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051329&artikel=1&z=2025-07-26&g=2025-07-26) van deze beleidsregel, een vijftal aanwijzingen op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Deze aanwijzingen dateren van 17 september 2012, 17 oktober 2013, 6 juli 2016, 26 juni 2018 en 6 juli 2020 en hebben respectievelijk als [kenmerk MC-U-3131142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032024), [132010-106827-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034146), [984591-152516-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038287),[1355023-177350-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041116) en [1713658-207569-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043858). Deze aanwijzingen zijn gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 20041, 30705, 36918, 37253 en 37007. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de ziekenhuisopleidingen als bedo"},{"i":8106,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 december 2004, nr. IBE/BO-2543902, houdende de goedkeuring van het besluit CCSF 8-2004 betreffende inschrijving buitenslands gediplomeerde ziekenhuisapothekers Gelet op: – [artikel 14, tweede lid, onder f, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); – artikel 7, eerste lid van de Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten in de Pharmacie; Besluit: Het besluit – **CCSF 8-2004** inzake inschrijving van ziekenhuisapothekers met een buitenlands diploma ziekenhuisfarmacie in het register van ziekenhuisapothekers goed te keuren. Dit besluit zal samen met het desbetreffende besluit van het Centraal College Specialisten Farmacie worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":8112,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Financiën van 2 december 2003, FEZ-U-2432028, houdende instelling van de baten–lastendienst Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu wordt de status van baten–lastendienst, als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10), verleend. 2. De tenaamstelling van de baten–lastendienst komt te luiden: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten–lastendienst Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8118,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 17 oktober 2023, nr. IENW/BSK-2023/288283, houdende de instelling van de Expertgroep Gezondheid IJmond Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); BESLUIT: Artikel 1. (Begripsbepaling) In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Expertgroep:** Expertgroep Gezondheid IJmond, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048808&artikel=2&z=2025-12-19&g=2025-12-19); - b. **Groenstaalplan:** de complete set aan plannen van het bedrijf Tata Steel om schoon en duurzaam staal te gaan produceren; - c. **Ministerie:** Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - d. **Maatwerkafspraak:** een wederkerige bindende afspraak tussen de rijksoverheid en een bedrijf als bedoeld in het Coalitieakkoord 2021 – 2025, Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst; - e. **Staatssecretaris:** Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat; - f. **IJmond:** de gemeenten Velsen, Beverwijk en Heemskerk. Artikel 2. (Instelling en taak) 1. Er is een Expertgroep Gezondheid IJmond. 2. De expertgroep heeft tot taak: - a. gevraagd en ongevraagd de Staatssecretaris te adviseren over de milieu en leefomgevingsonderzoeken, afspraken, adviezen of plannen die betrekking hebben op de IJmond en in het bijzonder de verduurzaming van Tata Steel; - b. verifiëren of alle relevante aspecten op het gebied van gezondheid- en milieu en leefomgeving zijn en worden meegenomen in de uit te voeren onderzoeken; - c. verifiëren hoeveel milieu en gezondheidswinst het tussen- en eindbeeld van het groenstaalplan oplevert; - d. adviseren over de vraag hoeveel milieu en gezondheidswinst in de IJmond voldoende is, bijvoorbeeld door de daarbij behorende maximale emissies van Tata Steel of andere bronnen in de IJmond in kaart te brengen; - e. adviseren over eventuele aanvullende maatregelen die nodig zijn om de milieu e"},{"i":8132,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2016, nr. VO/1102619, houdende regels voor de aanvullende bekostiging van scholen in het voortgezet onderwijs voor de eerste opvang van nieuwkomers (Regeling aanvullende bekostiging eerste opvang nieuwkomers vo 2017) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken, Gelet op de [artikelen 85a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=85a), en [89 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=89) en [artikel 2.2.3, eerste, tweede en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3), Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) of [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **BRP:** basisregistratie personen, bedoeld in [artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.2); - **DUO:** Dienst Uitvoering Onderwijs; - **eerste inschrijfdatum:** eerste inschrijfdatum van een nieuwkomer bij een school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1.1 van de Wet voorgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1), of [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **eerste opvang:** het verzorgen van voortgezet onderwijs voor en het bieden van onderwijsvoorzieningen aan nieuwkomers; - **indicatie nieuwkomersbekostiging:** de indicatie waarmee de instelling aangeeft of de inschrijving voor nieuwkomersbekostiging in aanmerking ma"},{"i":8138,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 1 juli 2022, nr. VO/33196495, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende en bijzondere bekostiging als tegemoetkoming voor scholen in het voortgezet onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs en vavo-instellingen voor de organisatie en uitvoering van de maatregelen voor het eindexamen 2022 (Regeling aanvullende en bijzondere bekostiging eindexamens 2022) Gelet op [artikel 82, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=82), [artikel 117, tweede lid van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117), en de [artikelen 2.2.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3) en [2.2a.3, eerste lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2a.3); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen - **aoc:** agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in [artikel 1.3.3 van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.3.3), met dien verstande dat vanaf 1 augustus 2022 hiermee wordt bedoeld een school voor voorbereidend beroepsonderwijs die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap die van rechtswege zijn ontstaan na de omzetting op grond van [artikel 12.2.4 van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=12.2.4); - **aoc-leerling:** leerling als bedoeld in [artikel 2.1.2, onderdeel g, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.1.2), zoals dat onderdeel luidde op 31 juli 2022; - **bevoegd gezag** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) en [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1.1 onder w van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00076"},{"i":8140,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2 oktober 2007, nr. MEVA/BO-2798652, houdende aanwijzing buitenlandse diploma’s volksgezondheid (Regeling aanwijzing buitenlandse diploma’s volksgezondheid) Gelet op: [Richtlijn nr. 2005/36/EG](32005L0036) van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU, L 255); Overeenkomst van Oporto van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1993,132); Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat anderzijds, betreffende het vrije verkeer van personen (PbEU, L 114) Artikel 32, eerste lid, Algemene Wet erkenning EG-beroepskwalificaties en de [artikelen 41, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=41), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=44) en [46 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=46). Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. richtlijn: de [Richtlijn nr. 2005/36/EG](32005L0036) betreffende de erkenning van beroepskwalificaties; - c. EER-overeenkomst: de Overeenkomst van Oporto van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte - d. lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie; - e. andere overeenkomstsluitende staat: een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de EER-overeenkomst of bij de overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat anderzijds. Artikel 2 Bij het gebruik maken van een academische titel verleend in de lidstaat van oorsprong dient deze titel gevolgd te worden door de naam en de plaats van de instelling of van de examencommissie die de titel heeft verleend. Hoofdstuk 2. Artsen A"},{"i":8149,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 augustus 2009, nr. DBV/IenA/I 2952710, houdende beperking van de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van het Directoraat-Generaal Volksgezondheid, over de periode (1913) 1946–1982 (1989) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel derden worden de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026369&artikel=2&z=2009-09-15&g=2009-09-15) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026369&artikel=3&z=2009-09-15&g=2009-09-15) genoemde beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Directoraat-Generaal Volksgezondheid van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en haar taakvoorgangers, over de periode (1913) 1946–1982 (1989), die zijn opgenomen in de inventaris onder de in kolom 1 van onderstaande tabel genoemde inventarisnummers. Deze beperkingen gelden tot 1 januari van het in kolom 2 van onderstaande tabel genoemde jaartal. | inventarisnummer: | niet openbaar vóór 1 januari: | | --- | --- | | 1179 | 2025 | | 1247–1249 | 2022 | | 1252 | 2035 | | 1262–1265 | 2023 | | 2274–2276 | 2046 | | 2425–2427 | 2052 | Artikel 2 Raadpleging van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026369&artikel=1&z=2009-09-15&g=2009-09-15) bedoelde archiefbescheiden is slechts mogelijk na ondertekening van het door het Nationaal Archief gehanteerde ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. Artikel 3 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van archiefbescheiden uit dossiers"},{"i":8156,"b":"Regeling van de Minister voor Jeugd en Gezin van 13 juli 2010, nr. PG/JFB 3.011.321, houdende eisen voor de software als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet publieke gezondheid Gelet op [artikel 5, derde lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Ten behoeve van de digitale gegevensopslag, bedoeld in [artikel 5, derde lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=5), draagt het college van burgemeester en wethouders ervoor zorg dat gebruik wordt gemaakt van software die digitale overdracht en uniforme registratie mogelijk maakt en die ten minste de volgende rubrieken bevat: - •. Dossierinformatie - •. Niet gespecificeerde gegevens - •. Persoonsgegevens - •. Gezinssamenstelling - •. Zorggegevens - •. Verantwoordelijke JGZ-organisatie - •. Huisarts - •. Andere betrokken organisaties/hulpverleners - •. Ontvangen zorg - •. Voor- of buitenschoolse voorzieningen/school - •. Informatie over werkwijze JGZ - •. Externe documenten - •. Erfelijke belasting en ouderkenmerken - •. Bedreigingen uit de directe omgeving - •. Zwangerschap - •. Bevalling - •. Pasgeborene en eerste levensweken - •. Zorgplan - •. Activiteit - •. Meldingen - •. Terugkerende anamnese - •. Algemene indruk - •. Functioneren - •. Huid/haar/nagels - •. Hoofd/hals - •. Romp - •. Bewegingsapparaat - •. Genitalia/seksuele ontwikkeling - •. Groei - •. Psychosociale en cognitieve ontwikkeling - •. Motorische ontwikkeling - •. Spraak- en taalontwikkeling - •. Inschatten verhouding draaglast-draagkracht - •. Voorlichting, advies, instructie en begeleiding - •. Hielprik pasgeborenen - •. Oogonderzoek - •. Hartonderzoek - •. Gehooronderzoek - •. Rijksvaccinatieprogramma en andere vaccinaties - •. Van Wiechen Ontwikkelingsonderzoek - •. Baecke-Fassaert Motoriektest - •. Screening psychosociale problemen - •. SDQ 7-12 - •. Conclusies en vervolgstappen - •. Screening logopedie Artikel 2 Deze re"},{"i":8157,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 18 juni 2013, nr.394024, houdende nadere regels betreffende een geneeskundig onderzoek en een psychologisch onderzoek voor benoeming als rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding (Regeling geneeskundig onderzoek en psychologisch onderzoek rechterlijke macht) Gelet op [artikel 2e, zesde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=2e); Besluit: (hernieuwd) geneeskundig onderzoek Artikel 1 De kosten voor het geneeskundig onderzoek en voor het hernieuwd geneeskundig onderzoek, bedoeld in [artikel 2e, tweede lid onderdeel b, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=2e), komen voor rekening van het in artikel 2e, tweede lid, onderdeel b van dat besluit bedoelde gezag dat heeft bepaald dat het geneeskundig onderzoek dient plaats te vinden. De betrokkene ontvangt voor ten behoeve van het onderzoek gemaakte reis- en verblijfkosten een vergoeding overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 2 De uitslag van het geneeskundig onderzoek wordt uiterlijk binnen twee weken na vaststelling aan de betrokkene medegedeeld. Artikel 3 De betrokkene kan binnen twee weken nadat hem de uitslag van het geneeskundig onderzoek is medegedeeld, een hernieuwd geneeskundig onderzoek aanvragen. Artikel 4 Een hernieuwd geneeskundig onderzoek mag niet worden verricht door de arts die het geneeskundig onderzoek heeft verricht. Psychologisch onderzoek Artikel 5 Aan de betrokkene die is onderworpen aan een psychologisch onderzoek als bedoeld in [artikel 2e, tweede lid onderdeel a, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=2e), wordt op zijn verzoek binnen twee weken na d"},{"i":8160,"b":"Regeling gezondheidscontroles visserijproducten BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Artikel 1 De bevoegde instantie stelt controles in ten einde na te gaan of tijdens het totale proces van de behandeling van visserijproducten binnen het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan de bij het [Besluit visserij producten 1999 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028480) en andere toepasselijke regelingen gegeven voorschriften wordt voldaan. Artikel 2 De controle omvat in het bijzonder: - a. de vissersvaartuigen, niet zijnde fabrieksvaartuigen, met dien verstande dat deze controle tijdens het verblijf van het betreffende vaartuig in de haven kan geschieden; - b. de aanvoer van de visserijproducten en de overdracht aan de inrichting waar het fabricageproces of de voortzetting daarvan zal plaatsvinden; - c. de inrichtingen, met inbegrip van fabrieksvaartuigen, met dien verstande dat daarin met regelmaat wordt nagegaan of: - 1. nog steeds aan de voorwaarden waaronder zij erkend zijn wordt voldaan, - 2. bij de be- en verwerking, de verpakking en elke andere wijze van behandeling van de visserijproducten de voorschriften in acht worden genomen, - 3. aan de voorschriften betreffende de reiniging van ruimten, installaties, gereedschappen en overig materieel wordt voldaan, - 4. aan de voorschriften betreffende de hygiëne van het personeel wordt voldaan, en - 5. de merken en identificaties op de juiste wijze op de verpakkingen worden aangebracht; - d. de opslag en het vervoer. Artikel 3 De bevoegde instantie ziet erop toe dat de personen, belast met de controle, de noodzakelijke scholing heeft gekregen ten einde in staat te zijn om de door een ondernemer ingediende documenten betreffende de in diens inrichting toegepaste interne controlesystemen te onderzoeken en op grond daarvan over de deugdelijkheid of ondeugdelijkheid en de eventuele specifieke geb"},{"i":8171,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 30 september 2022, nr. PO/FenV/34026576, houdende vaststelling van de bedragen voor de bepaling van de overgangsregeling herverdeeleffect bekostiging primair onderwijs (Regeling overgangsbekostiging vereenvoudiging bekostiging WPO en WEC) Gelet op de [artikelen 116, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=116), en [121, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=121), de [artikelen 114, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=114), en [119, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=119), de [artikelen 13, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=13), [14, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=14), [17 derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=17), [18, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=18), en [19, tweede lid, van het Besluit bekostiging WPO 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=19) en de [artikelen 13, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046160&artikel=13), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046160&artikel=14), [15, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046160&artikel=15), en [16, vierde lid, van het Besluit bekostiging WEC 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046160&artikel=16); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **achterstandsscore:** achterstandsscore als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=1); - **basisschool:** basisschool als bedoeld in [artikel 1 WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1); - **leerling met een niet-Ned"},{"i":8178,"b":"Regeling subsidiëring medische haalbaarheidsonderzoeken in letselschadezaken Gelet op [artikel 4:23, derde lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. letselschadezaak: juridische zaak tussen de rechtzoekende en een wederpartij ter vaststelling van aansprakelijkheid en het verkrijgen van schadevergoeding verband houdende met een ongeval, arbeidsomstandigheid, medisch onzorgvuldig handelen of geweldsdelict; - c. medisch haalbaarheidsonderzoek: onderzoek naar de medische haalbaarheid van een letselschadezaak door een medicus die is ingeschreven in een register als bedoeld in de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251), resulterend in een schriftelijke conclusie; - d. medisch deskundigenbericht: schriftelijk rapport van een onafhankelijk medisch specialist die is ingeschreven in een register als bedoeld in de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251), waarin de medische uitgangspunten voor de letselschadeafwikkeling worden vastgesteld. 2. [Artikel 1 van de wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1) is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 1. Onze Minister verstrekt overeenkomstig de bepalingen van deze regeling aan een rechtzoekende een subsidie voor de kosten van een medisch haalbaarheidsonderzoek. 2. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan een natuurlijk persoon wiens financiële draagkracht de in [artikel 34 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34) genoemde bedragen niet overschrijdt, ten behoeve van wie een toevoeging in de letselschadezaak is of wordt verleend en die anderszins geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van de kosten van een"},{"i":8185,"b":"Regeling 'Transitie huisartsenlaboratoria en zelfstandige trombosediensten' Op grond van [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) jo. [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg) heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vastgesteld. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op huisartsenlaboratoria en zelfstandige trombosediensten die tot en met 2013 begrotingsgefinancierd waren en zorg verrichten, c.q. leveren, op het gebied van eerstelijnsdiagnostiek. Artikel 2. Doel van de regeling Deze regeling stelt voorschriften met betrekking tot de invoering en werking van de prestatiebekostiging voor huisartsenlaboratoria en zelfstandige trombosediensten. Artikel 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **eerstelijnsdiagnostiek (ELD):** diagnostisch onderzoek op aanvraag van een eerstelijns zorgaanbieder. - b. **zorgaanbieder:** natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - c. **zelfstandige trombosedienst:** zorgaanbieder, tevens instelling1Het gaat hier dus niet om trombosediensten, waarvan de omzet c.q. productie deel uitmaakt van de totale omzet c.q. productie van een (academisch) ziekenhuis of ZBC, maar om zelfstandige instellingen, die beschikken over een eigen toelating op grond van de WTZi. Dit sluit overigens niet uit, dat een zelfstandige trombosedienst in fysieke zin is gehuisvest in een gebouw of bouwdeel van een (academisch) ziekenhuis of ZBC. voor medisch specialistische zorg als bedoeld in [artikel 1.2, sub 3, van het Uitvoeringsbesluit WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=1.2), die zorg bij of krachtens de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) levert welke zorg bestaat uit de geregelde controle van het stollend vermogen van het bloed van personen die antistoll"},{"i":8192,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 9 juli 2018, kenmerk 1376127-178814-WJZ, houdende de zelfstandige bevoegdheid van verpleegkundig specialisten tot het verrichten van handelingen die zijn voorbehouden aan bepaalde beroepen (Regeling zelfstandige bevoegdheid verpleegkundig specialisten) Gelet op[artikel 36, eerste lid, onder e, derde lid, onder c, vierde lid, onder d, vijfde lid, onder e, zesde lid, onder d, negende lid, onder c, tiende lid, onder c en veertiende lid, onder e, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=36); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251). Artikel 2 Als bevoegd tot het verrichten van handelingen als bedoeld in [artikel 36, eerste, derde, vierde, vijfde, zesde, negende, tiende en veertiende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=36), wordt aangewezen de verpleegkundig specialist algemene gezondheidszorg. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Als bevoegd tot het verrichten van handelingen als bedoeld in [artikel 36, vijfde, zesde en veertiende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=36), wordt aangewezen de verpleegkundig specialist geestelijke gezondheidszorg. Artikel 5 Vervallen Artikel 6 De verpleegkundig specialisten bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041163&artikel=2&z=2023-07-01&g=2023-07-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041163&artikel=3&z=2023-07-01&g=2023-07-01), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041163&artikel=4&z=2023-07-01&g=2023-07-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041163&artikel=5&z=2023-07-01&g=2023-07-01) zijn bevoegd tot het verrichten van de in die artikelen genoemde handelingen voor zover: - a. die handelingen plaatsvinden binnen de uitoefening van het deelgebied van het"},{"i":8198,"b":"Selectielijst Gezondheidsraad Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 1 september 1997, nr. arc-97.6795/1); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen binnen het beleidsterrein advisering in de gezondheidszorg, inzake de Gezondheidsraad over de periode 1940-1995, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":8206,"b":"Besluit van 5 april 2017, houdende regels inzake de opleiding, deskundigheid en tijdelijke zelfstandige bevoegdheid tot het verrichten van voorbehouden handelingen van de bachelor medisch hulpverlener (Tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid bachelor medisch hulpverlener) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 mei 2016, kenmerk 968842-150439-WJZ; Gelet op [artikel 36a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=36a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 juni 2016, no. W13.16.0122/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 maart 2017, kenmerk 968832-150439-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. **Centraal register opleidingen hoger onderwijs:** het register, genoemd in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13); - c. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007397&artikel=1); - d. **studiepunten:** studiepunten als bedoeld in [artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.4). § 2. Aanwijzing en titel Artikel 2 1. Als bevoegd tot het verrichten van handelingen als bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039466&paragraaf=5&artikel=7&z=2019-04-01&g=2019-04-01) wordt de bachelor medisch hulpverlener aangewezen. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt voor een termijn van vijf jaar. 3. Door Onze Minister wordt een tijdelijk re"},{"i":8209,"b":"Transitie huisartsenlaboratoria en zelfstandige trombosediensten Op grond van [artikel 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) jo. [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg) heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vastgesteld. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op huisartsenlaboratoria en zelfstandige trombosediensten die tot en met 2013 begrotingsgefinancierd waren en zorg verrichten, c.q. leveren, op het gebied van eerstelijnsdiagnostiek. Artikel 2. Doel van de regeling Deze regeling stelt voorschriften met betrekking tot de invoering en werking van de prestatiebekostiging voor huisartsenlaboratoria en zelfstandige trombosediensten. Artikel 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **eerstelijnsdiagnostiek (ELD):** diagnostisch onderzoek op aanvraag van een eerstelijns zorgaanbieder. - b. **zorgaanbieder:** natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1). - c. **zelfstandige trombosedienst:** zorgaanbieder, tevens instelling1Het gaat hier dus **niet** om trombosediensten, waarvan de omzet c.q. productie deel uitmaakt van de totale omzet c.q. productie van een (academisch) ziekenhuis of ZBC, maar om zelfstandige instellingen, die beschikken over een eigen toelating op grond van de WTZi. Dit sluit overigens niet uit, dat een zelfstandige trombosedienst in fysieke zin is gehuisvest in een gebouw of bouwdeel van een (academisch) ziekenhuis of ZBC. voor medisch specialistische zorg als bedoeld in [artikel 1.2, sub 3, van het Uitvoeringsbesluit WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=1.2), die zorg bij of krachtens de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) levert welke zorg bestaat uit de geregelde controle van het stollend vermogen van het bloed van personen die antistollingsthe"},{"i":8217,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Geneesmiddelen en medische hulpmiddelen vanaf 1945 (minister van Economische Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 1 juni 2006 nr. arc-2006.02898/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Geneesmiddelen en medische hulpmiddelen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8223,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, beleidsterrein Volkshuisvesting 1945–1996 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 april 2005, nr. arc-2005.02131/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Volkshuisvesting over de periode 1945–1996](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘lijst van houdende opgaaf van voor vernietiging – c.q. voor bewaring – in aanmerking komende stukken in de archieven van het Ministerie van maatschappelijk werk en in de archieven van de onder dat ministerie ressorterende takken van dienst, colleges, commissiën en ambtenaren, vastgesteld door de minister van Onderwijs en Wetenschappen d.d. 23 april 1959 nr. ON 64841, voorzover het betreft het woonwagenbeleid’, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8225,"b":"Vaststellingsbesluit Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 november 2004, nr. arc-2004.1462/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport als vakminister op het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting over de periode 1940–1993’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. R&B/OSA/2001/3031 d.d. 3 september 2001 (gepubliceerd in de Staatscourant 2001, 194 d.d. 8 oktober 2001)) wordt ingetrokken, voor wat betreft de handelingen 10, 80, 281, 288, 295, 296, 302, 305, 337, 340, 343, 351, 353, 357, 365, 368 en 369 van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basis selectiedocument 1. Inleiding Het nu voor u liggende Basisselectiedocument Beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting vormt een aanvulling op het in 1996 vastgestelde Basisselectiedocument **Beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting, 1940–1993** (Stcrt. 96; 22 mei 1996). Bij het samenstellen van deze actualisering is, naast het voornoemde BSD uit 1996, ook gebruik gemaakt van het PIVOT- institutioneel onderzoeksrapport (RIO) nr. 15, **Per slot van rijksrekening. (Den Haag 1994)**. Dit RIO i"},{"i":8231,"b":"Verdrag betreffende het geneeskundig onderzoek van vissers De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 3 juni 1959 in haar drieënveertigste zitting; Besloten hebbende tot het aanvaarden van bepaalde voorstellen met betrekking tot het geneeskundig onderzoek van vissers, welk onderwerp is vervat in het vijfde punt van de agenda der zitting; Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm zullen krijgen van een internationaal Verdrag; neemt heden, de 19e juni 1959, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende geneeskundig onderzoek (vissers), 1959”: Artikel 1 1. In dit Verdrag omvat de term „vissersvaartuig” alle schepen en boten, van welke aard dan ook, hetzij publiek dan wel particulier eigendom, welke gebezigd worden voor de zee- en de kustvisserij in zoute wateren. 2. In overleg met de betrokken organisaties van visserijreders en van vissers, indien zodanige organisaties bestaan, kan het bevoegde gezagsorgaan vrijstellingen van de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag verlenen ten aanzien van vaartuigen welke gewoonlijk niet gedurende tijdvakken langer dan drie dagen op zee blijven. 3. Dit Verdrag is niet van toepassing op de visserij in havengebieden en havens of in riviermondingen, noch op personen die vissen bij wijze van sport of voor ontspanning. Artikel 2 Niemand wordt voor tewerkstelling in enigerlei hoedanigheid aan boord van een vissersvaartuig aangenomen zonder overlegging van een attest inzake zijn lichamelijke geschiktheid voor de arbeid welke hij op zee moet verrichten, ondertekend door een geneeskundige die erkend is door het bevoegde gezagsorgaan. Artikel 3 1. In overleg met de betrokken organisaties van visserijreders en van vissers, indien zodanige organisaties bestaan, schrijft het bevoegde gezagsorgaan de aard van het in te stellen geneeskundig onderzoek voor, alsmede"},{"i":8237,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Wereldgezondheidsorganisatie inzake de Eenheid in Bilthoven van het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie The Government of the Kingdom of the Netherlands and The World Health Organization (hereinafter referred to as the \"Contracting Parties\"), Considering the Agreement between the Government of the Netherlands and the World Health Organization of 13 June 19901)[Red.: De tekst van dit Verdrag ligt ter inzage op de Directie Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.], Taking into account that the Agreement provides for the establishment of a Unit of the Regional Office for Europe of the World Health Organization, at Bilthoven, the Netherlands, Bearing in mind that Article VI of the aforesaid Agreement provides that the legal status, privileges and immunities of the Unit shall be governed by the Convention on the Privileges and Immunities of the Specialized Agencies, and Annex VII, adopted by the First World Health Assembly on 17 July 1948, and that individual or specific privileges, not covered by this Convention, make further provisions necessary; Desiring, therefore, to conclude an Agreement for the purpose of determining such individual or specific privileges to be granted by the Government of the Kingdom of the Netherlands with respect to the Unit of the Regional Office for Europe of the WHO; Have agreed as follows: Article 1. Definitions a. \"the Agreement of 1990\" means the Agreement between the Government of the Netherlands and the World Health Organization of 13 June 1990; b. \"the Government\" means the Government of the Kingdom of the Netherlands; c. \"the WHO\" means the World Health Organization; d. \"the Regional Office\" means the Regional Office for Europe of the WHO; e. \"Member\" means a Member or an Associate Member of WHO, as well as a territory or group of territories which, without being an Associate Member, is represented and participates in the Regional Committee of"},{"i":8241,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 augustus 2018 tot vervanging personele archiefbescheiden Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Gelet op: [Artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). [Artikel 6 eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6). [Artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b). Besluit: Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op papier die behoren of zullen gaan behoren tot de personeelsdossiers van het kerndepartement van het Ministerie van Volksgezondheid en van de diensten, de instellingen en de secretariaten van de raden en commissies, zoals genoemd in het [Organisatiebesluit VWS 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045133). Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Deze vervanging betreft alle papieren archiefbescheiden die betrekking hebben op de personeelsgegevens en salarisgegevens zoals beschreven in het ‘Basisselectiedocument P-dossier is Mens-en-werk, 1945–’. Artikel 2 De digitale reproductie geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in de bijlage als ook in het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Bijlage Deze bijlage bevat een samenvatting van het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers conform [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) (wijziging 17 december 2012). Het volledige handboek ligt ter inzage bij de bibliotheek van het Minist"},{"i":8246,"b":"Wet van 26 februari 1998, houdende regelen inzake medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede in verband met de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=10) en [11 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=11), wenselijk is regelen te stellen met betrekking tot medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. wetenschappelijk onderzoek: medisch-wetenschappelijk onderzoek waarvan deel uitmaakt het onderwerpen van personen aan handelingen of het opleggen aan personen van een bepaalde gedragswijze; - c. proefpersoon: de persoon, bedoeld onder b; - d. onderzoeksprotocol: de volledige beschrijving van een voorgenomen wetenschappelijk onderzoek waaronder de doelstellingen, de opzet, de methodologie, de statistische aspecten en de organisatie van het wetenschappelijk onderzoek; - e. facilitaire instelling: instelling of bedrijf waar handelingen ter uitvoering van een wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden; - f. degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht: een persoon, bedrijf, instelling of organisatie die de verantwoordelijkheid op zich neemt voor het starten, het beheer of de financiering van het wetenschappelijk onderzoek; - g. degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert: een arts of een in [artikel 3, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&paragraaf=2&artikel=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01), bedoelde persoon, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van he"},{"i":8260,"b":"Besluit van 17 juni 2021, houdende wijziging van het Besluit verplichte verzekering bij medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen 2015 in verband met medisch-wetenschappelijk onderzoek gericht op zwangeren en wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in de paragrafen 4 en 5 van de Embryowet Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 februari 2021, kenmerk 1828228-218462-WJZ; Gelet op [artikel 7, eerste en derde lid, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=7); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 maart 2021, no. W13.21.0040/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 juni 2021, kenmerk 2345820-1006369-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit verplichte verzekering bij medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen 2015. Artikel II Op medisch-wetenschappelijk onderzoek dat gericht is op zwangeren en wordt uitgevoerd met een zwangere proefpersoon of wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in [paragraaf 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013797&paragraaf=4) of [5 van de Embryowet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013797&paragraaf=5) dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds is aangevangen of aanvangt, blijven de regels van toepassing die op het moment van aanvang van het onderzoek golden. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":8267,"b":"Wijziging van de Regeling veiligheid zeeschepen in verband met de integratie van de regelgeving betreffende de medische uitrusting aan boord van zeeschepen en vissersvaartuigen Gelet op de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=46), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=58) en [65 van het Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=65), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=6.5), [6.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=6.11), [6.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=6.12), [7.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=7.17), [7.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=7.20) en [7.23 van het Vissersvaartuigenbesluit 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013342&artikel=7.23) en [93 van het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=93), alsmede op [richtlijn nr. 92/29/EEG](31992L0029) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling veiligheid zeeschepen. Artikel II De [Regeling medische uitrusting aan boord van zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007663) en de Regeling medische uitrusting aan boord van vissersvaartuigen worden voor Nederland ingetrokken. Artikel III De kapitein dan wel de schipper draagt ervoor zorg dat de medische uitrusting uiterlijk op het moment van de eerstvolgende inspectie van die uitrusting in overeenstemming is met de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017728&artikel=25) en [49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017728&artikel=49) en [bijlage 2 bij de Regeling veiligheid zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017728&bijlage=2) zoals die luiden na"},{"i":15484,"b":"Verordening ringen Overwegende dat het gewenst is regelen te stellen met betrekking tot het functioneren van de ringen; Gelet op [artikel 86 van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=86); Gezien het ontwerp van het bestuur met bijbehorende toelichting; Gelet op de adviezen van de kamers van toezicht; Gelet op de adviezen van de ringen; stelt de navolgende verordening vast: Bestuur Artikel 1 1. Voor de verkiezing van ringbestuursleden doet het ringbestuur een niet-bindende voordracht aan de ringvergadering van een of meer personen voor de functie van voorzitter, van plaatsvervangend voorzitter en voor de andere vacatures. 2. De verkiezing van de leden van het bestuur geschiedt door de ringvergadering. 3. De zittingstermijn vangt aan op de eerste dag van de maand volgende op die van de ringvergadering waarin het ringbestuurslid is gekozen of zoveel later als het ringbestuurslid dat wordt opgevolgd defungeert. Als een bestuurslid in een vacature is gekozen vangt de zittingstermijn direct na de verkiezing aan. 4. Een bestuurslid defungeert: - a. door het ontslag dat het lid, al dan niet op zijn verzoek, wordt verleend door de ringvergadering; - b. wanneer het bestuurslid geen lid meer is van de ring waardoor hij gekozen is. 5. De ringvergadering kan een bestuurslid te allen tijde schorsen voor een periode van ten hoogste drie maanden. 6. Het bestuur wijst uit zijn midden een secretaris en een penningmeester aan en stelt voor elk ringbestuurslid diens portefeuille vast. De functies van secretaris en penningmeester kunnen in één persoon verenigd worden. Ringvergaderingen Artikel 2 1. De ringvergadering komt ten minste viermaal per jaar bijeen op een door de ringvoorzitter te bepalen plaats en tijd en voorts wanneer de ringvoorzitter of het ringbestuur dit nodig acht. 2. De oproeping tot de ringvergadering geschiedt door het ringbestuur ten minste tien dagen voor de vergadering per brief, fax of met behulp van datacommunicatie a"},{"i":8274,"b":"Wet van 14 oktober 2020 tot wijziging van de Politiewet 2012 en de Wet op de medische keuringen in verband met het screenen van personen die ambtenaar van politie willen worden of zijn en personen die krachtens overeenkomst werkzaamheden voor de politie, de rijksrecherche of de Politieacademie gaan verrichten of verrichten (screening ambtenaren van politie en politie-externen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het onderzoek naar de betrouwbaarheid van personen die ambtenaar van politie willen worden of zijn te wijzigen alsmede te komen tot de invoering van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van personen die krachtens overeenkomst werkzaamheden gaan verrichten of verrichten voor de politie, de rijksrecherche of de Politieacademie; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Politiewet 2012. Artikel II Wijzigt de Wet op de medische keuringen. Artikel IIa Onze Minister van Justitie en Veiligheid zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8295,"b":"Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend, Gelet op de [Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721) - hierna te noemen de Overeenkomst - en in het bijzonder op de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721&artikel=21) en [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721&artikel=34) daarvan; Verlangende te streven naar een verdere harmonisering op het gebied dat door de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721) wordt bestreken, door haar aan te vullen met bepalingen die voorzien in een Europese procedure ter regeling van geschillen, Zijn overeengekomen als volgt: TITEL I Artikel 1 1. Indien een vonnis is gewezen tegen een Staat die partij is bij de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721) en die Staat aan dit vonnis geen gevolg geeft, kan de partij die zich op dit vonnis beroept, vorderen dat uitspraak wordt gedaan over de vraag of aan het vonnis gevolg moet worden gegeven overeenkomstig de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721&artikel=20) of [25 van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721&artikel=25) door het voor te leggen: - (a). hetzij aan de bevoegde rechter van die Staat overeenkomstig [artikel 21 van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721&artikel=21); - (b). hetzij aan de Europese Rechtbank, ingesteld overeenkomstig de bepalingen van Titel III van dit Protocol, mits die Staat partij is bij het Protocol en niet de verklaring heeft afgelegd, bedoeld in Titel IV. De keuze tussen deze beide mogelijkheden is definitief. 2. Indien de Staat het voornemen koestert de zaak voor te leggen aan zijn rechter overeenkomstig het bepaalde in [artikel 21, eerste lid, van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003721&artikel=21), moet hij de partij"},{"i":8296,"b":"Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst inzake de uitwisseling van reagentia voor weefseltypering De Lid-Staten van de Raad van Europa, die de [Europese Overeenkomst inzake de uitwisseling van reagentia voor weefseltypering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004016) (hierna te noemen „de Overeenkomst”) en dit Aanvullend Protocol hebben ondertekend, Gelet op het bepaalde in [artikel 5, eerste lid, van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004016&artikel=5), waarin wordt gesteld dat „de Overeenkomstsluitende Partijen alle nodige maatregelen treffen ten einde de hun door andere Partijen ter beschikking gestelde reagentia voor weefseltypering vrij te stellen van alle invoerrechten”; Overwegende dat, wat de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap betreft, de verplichting tot het verlenen van bedoelde vrijstelling een zaak is van de Gemeenschap, die krachtens haar oprichtingsverdrag beschikt over de daartoe vereiste bevoegdheden; Overwegende derhalve dat, voor de toepassing van het bepaalde in [artikel 5, eerste lid, van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004016&artikel=5), het noodzakelijk is dat de Europese Economische Gemeenschap Partij kan worden bij de Overeenkomst, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De Europese Economische Gemeenschap kan Partij worden bij de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004016) door deze te ondertekenen. Artikel 2 Dit Aanvullend Protocol staat open voor ondertekening door de Staten die de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004016) hebben ondertekend en die Partij kunnen worden bij het Aanvullend Protocol overeenkomstig de procedure aangegeven in [artikel 7 van de Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004016&artikel=7). Artikel 3 Geen enkele Staat kan Partij worden bij de [Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004016) zonder gelijktijdig Partij te worden bij dit Aanvullend Protocol, dat een int"},{"i":8302,"b":"Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara ondertekende Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije Preambule Zijne Majesteit de Koning der Belgen, De President van de Bondsrepubliek Duitsland, De President van de Franse Republiek, De President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, en de Raad van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en De President van de Republiek Turkije, anderzijds, Overwegende dat de [Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004316) na de voorbereidende fase een overgangsfase van de Associatie voorschrijft, Vaststellende dat de voorbereidende fase in hoge mate en in overeenstemming met de doelstellingen van de [Associatieovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004316) heeft bijgedragen tot het versterken van de economische betrekkingen in het algemeen, en tot de uitbreiding van het handelsverkeer in het bijzonder, tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, Van oordeel zijnde dat de voorwaarden voor de overgang van de voorbereide2)[Red: Lees: voorbereidende.]fase naar de overgangsfase zijn vervuld, Vastbesloten de bepalingen betreffende de voorwaarden, de wijze en het ritme van de verwezenlijking van deze overgangsfase vast te stellen in de vorm van een Aanvullend Protocol, Overwegende dat gedurende de overgangsfase de Overeenkomstsluitende Partijen op de grondslag van wederkerige en tegen elkaar opwegende verplichtingen zorg dragen voor het geleidelijk tot stand brengen van een douane-unie tussen Turkije en de Gemeenschap alsmede voor het nader tot elkaar brengen van het economisch beleid van Turkije en dat van de Gemeenschap, ten einde de goede werking van de Associatie en de ontwikkeling van de hiertoe benodigde gemeenschappelijke maatreg"},{"i":5357,"b":"Regeling van de minister van Verkeer en Waterstaat in verband met de invoering van markttoezicht op het aanbod van dienstverlening door registerloodsen en een herziening van de loodsgeldtariefstructuur (Regeling markttoezicht registerloodsen) Gelet op de [artikelen 27b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27b), [27c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27c), [27d, derde en vierde lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27d) en [27j, tweede lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27j), [artikel 14a, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=14a) en [artikel VII, tweede lid, van de Wet markttoezicht registerloodsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023140&artikel=VII); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing openbare lichamen Voor de toepassing van [artikel 27b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27b), [27c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27c), en [27j, tweede lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27j) worden vertegenwoordigers van de volgende rechtspersonen, betrokken bij het bestuur van een of meer zeehavens aangewezen: - a. Havenschap Delfzijl/Eemshaven (Groningen Seaports); - b. Port of Harlingen; - c. het Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied; - d. het Havenbedrijf Amsterdam N.V. namens de gemeente Amsterdam; - e. Port of Den Helder; - f. het Havenbedrijf Rotterdam NV namens de gemeente Rotterdam; - g. de haven van Dordrecht; - h. Havenbedrijf Moerdijk N.V.; en - i. North Sea Port Netherlands N.V. Artikel 2. Aanwijzing representatieve organisaties Voor de toepassing van [artikel 27b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27b), [27c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=27c), en [27j, tweede lid, van de Lood"},{"i":7208,"b":"Verdrag inzake de overdracht van gevonniste personen en van de tenuitvoerlegging van veroordelingen opgelegd bij vonnissen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federale Republiek Brazilië Het Koninkrijk der Nederlanden en de Federale Republiek Brazilië (hierna te noemen de Partijen); Geleid door de wens de internationale samenwerking op het gebied van het strafrecht te ontwikkelen en de mogelijkheid te scheppen dat onderdanen van een van de Partijen die gedetineerd zijn als gevolg van het plegen van een strafbaar feit hun veroordelingen binnen hun eigen samenleving ondergaan; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „veroordeling”: elke straf of maatregel door een rechter of tribunaal opgelegd en met zich medebrengende vrijheidsbeneming wegens een strafbaar feit; - b. „vonnis”: een beslissing of bevel van een rechter of tribunaal waarbij een veroordeling wordt uitgesproken; - c. „de Staat van veroordeling”: de Staat waarin de veroordeling werd uitgesproken tegen de persoon. Voor wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft wordt onder de Staat van veroordeling verstaan, Nederland, de Nederlandse Antillen, of Aruba, al naargelang het deel van het Koninkrijk waar het vonnis is gewezen; - d. „de Staat van tenuitvoerlegging”: de Staat waarnaar de gevonniste persoon: Voor wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft wordt onder de Staat van tenuitvoerlegging verstaan, Nederland, de Nederlandse Antillen, of Aruba, al naargelang het deel van het Koninkrijk waar de gevonniste persoon zijn hoofdverblijf heeft, tenzij dit Verdrag anders bepaalt; - i. kan worden of reeds is overgebracht teneinde zijn veroordeling te ondergaan, of, voor de toepassing van [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003113&artikel=14&z=2011-08-01&g=2011-08-01), - ii. is gevlucht of op andere wijze is teruggekeerd wegens een tegen hem of haar lopende strafvervolging in de Staat van veroordeling of,"},{"i":4844,"b":"Besluit van de directeur Divisie Individuele Zaken van 26 september 2023, nr. 4924760, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan de onder de directeur Divisie Individuele Zaken ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit directeur Divisie Individuele Zaken 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1, onder e, van het Mandaatbesluit plv directeur-generaal DJI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047762&artikel=1) aan de directeur Divisie Individuele Zaken verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden bedoeld in het tweede lid, met uitzondering van hetgeen in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048691&artikel=2&z=2023-10-07&g=2023-10-07) is bepaald, ondermandaat verleend aan: - a. het hoofd Afdeling Individuele Zaken Forensische Zorg; - b. het hoofd Afdeling Individuele Zaken Jeugd, Capaciteit, Internationaal en Divisieondersteuning; en - c. het hoofd Afdeling Individuele Zaken Gevangeniswezen en Vreemdelingenbewaring. 2. Aan het hoofd bedoeld in het eerste lid, onder a, b en c, wordt ondermandaat verleend ten aanzien van de aangelegenheden die de eigen afdeling betreffen. 3. De in het eerste lid, onder a, b en c genoemde hoofden wordt toegestaan elkaar te vervangen. Zij treden daarbij in elkaars, in dit besluit genoemde bevoegdheden. Artikel 2 Aan de directeur Divisie Individuele Zaken is voorbehouden het nemen van ministeriële beslissingen aangaande: - a. beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op grond van [artikel 6:2:22 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:2:22); - b. beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders op grond van [artikel 6:2:20 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":3547,"b":"Besluit van 14 juni 2024, houdende regels met betrekking tot de grondslag van het verplicht elektronisch procederen in civiele zaken (Besluit grondslag verplicht elektronisch procederen in civiele zaken); Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 10 april 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5386193 Gelet op [artikel 33, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=33); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 mei 2024, nr. W16.24.00085/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 7 juni 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5482137; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een partij verplicht is langs elektronische weg te procederen, met uitzondering van: - 1. natuurlijke personen; - 2. verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte; tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit grondslag verplicht elektronisch procederen in civiele zaken. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5827,"b":"Subtaak- en ondermandaatbesluit Defensiestaf 2022 Gelet op [artikel 26 van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746&artikel=26) en op [artikel 3 van het Ondermandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit SG Defensie 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046552&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Definities 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** Minister van Defensie of Staatssecretaris van Defensie, afhankelijk van wie het aangaat; - b. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon besluiten te nemen; - c. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt begrepen onder: - a. **krijgsmacht:** de Defensiestaf, het Commando Zeestrijdkrachten, het Commando Landstrijdkrachten, het Commando Luchtstrijdkrachten, het Defensie Cybercommando en het (NLD) Special Operations Command en tevens de Defensie Materieel Organisatie, het Defensie Ondersteuningscommando en de Koninklijke Marechaussee voor zover het de verantwoordelijkheid betreft van de Minister van Defensie; - b. **defensieonderdelen:** het Commando Zeestrijdkrachten, het Commando Landstrijdkrachten, het Commando Luchtstrijdkrachten, het Commando Koninklijke Marechaussee, de Defensie Materieel Organisatie en het Defensie Ondersteuningscommando. Artikel 2. Organisatie van de Defensiestaf 1. De Defensiestaf bestaat uit: - a. het kabinet; - b. de directie Aansturen Operationele Gereedheid; - c. de taskforce Logistiek; - d. de directie Plannen; - e. de directie Financiën & Control CDS; - f. de directie Internationale Militaire Samenwerking; - g. de directie Operaties; - h. het Militair Strategisch Element; - i. de afdeling Evaluaties; - j. het Transitieteam;"},{"i":5830,"b":"Subtaak- en ondermandaatbesluit Directoraat-Generaal Beleid 2022 Gelet op [artikel 26 van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746&artikel=26) en [artikel 3 van het Ondermandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit SG Defensie 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046552&artikel=3) Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** Minister van Defensie of Staatssecretaris van Defensie, afhankelijk van wie het aangaat; - b. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon besluiten te nemen; - c. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - e. **directeuren:** de directeur Strategie en Kennis, de directeur Operationeel Beleid en Plannen, de directeur Bedrijfsvoering en Evaluatie, de hoofddirecteur Personeel, de directeur Materieel, Vastgoed en Duurzaamheid, de chief Information Officer, de directeur Internationale Aangelegenheden, de directeur Veiligheid en de chef Kabinet DGB. Artikel 2. Organisatie van het Directoraat-Generaal Beleid (DGB) 1. Het Directoraat-Generaal Beleid, genoemd in [artikel 4 van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746&artikel=4), bestaat uit: - −. de Directie Strategie en Kennis; - −. de Directie Operationeel Beleid en Plannen; - −. de Directie Bedrijfsvoering en Evaluatie; - −. de Hoofddirectie Personeel; - −. de Directie Materieel, Vastgoed en Duurzaamheid; - −. de Chief Information Office; - −. de Directie Internationale Aangelegenheden; - −. de Directie Veiligheid; - −. het Kabinet DGB. 2. Het organogram van het Directoraat-Generaal Beleid is opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Artikel 3. De Directie Strategie en Kennis (DSK) De Direct"},{"i":5297,"b":"Regeling beleidsregels ter verdeling besteedbare middelen beheerskosten zorgverzekeraars AWBZ 2009 Gelet op [artikel 91, eerste lid Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=91), [artikel 4.4, eerste en tweede lid van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.4) en gelet op de [Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024986); Heeft in zijn vergadering van 15 december 2008 besloten: Artikel 1 Dit besluit verstaat onder: - a. zorgverzekeraar: een zorgverzekeraar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=1); - b. verbindingskantoor: een verbindingskantoor als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003585&artikel=1). Artikel 2 Het college verdeelt in het jaar 2009 een totaal bedrag van 3,743 miljoen euro over de zorgverzekeraars. Ter bepaling van de middelen die voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk voor het kalenderjaar 2009 ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten besteedbaar zijn voor beheerskosten [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614), anders dan in de hoedanigheid van verbindingskantoor, stelt het college, voorafgaand aan het budgetjaar, voor ieder van hen een voorlopig budget vast. Artikel 3 Het college verdeelt het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025239&artikel=2&z=2010-03-08&g=2010-03-08) genoemde totaalbedrag als volgt: - a. een derde deel van het bedrag, welk deel geacht wordt betrekking te hebben op de op verzekerden gerichte administratiedelen, verdeelt het college over de zorgverzekeraars op basis van het aantal bij hen ingeschreven verzekerden dat aanspraak kan maken op verstrekkingen en uitkeringen ingevolge de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - b. t"},{"i":6475,"b":"Besluit van 8 juni 2022 tot wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 in verband met de jaarlijkse indexering van de vergoedingen voor psychiaters en psychologen Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 5 november 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3623135; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=3) en [6, eerste lid, van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 december 2021, nr. W16.21.0331/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 2 juni 2022, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4015635; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Artikel II De in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046766&artikel=I&z=2022-06-18&g=2022-06-18) vastgestelde tarieven gelden voor opdrachten die zijn verstrekt op of na 1 januari 2022. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2022. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6472,"b":"Besluit van 27 november 2017 tot wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 in verband met de indexering van de vergoedingen Artikel I Wijzigt het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Artikel II De bij dit besluit vastgestelde tarieven gelden voor opdrachten die op of na 1 september 2016 zijn verstrekt. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt voor [artikel I, onderdelen A tot en met E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040330&artikel=I&z=2017-12-09&g=2017-12-09), terug tot en met 1 september 2016. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 september 2017, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2131499; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=3), en [6, eerste lid, van de Wet tarieven in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&artikel=6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 oktober 2017, Nr. W03.17.0320/II); Gezien het nader rapport van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 november 2017, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2150423; Hebben goedgevonden en verstaan: Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5811,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 juli 2023, nr. WJZ/39385155, houdende regeling voor subsidieverstrekking ter implementatie van de Uitvoeringsagenda Faro (Subsidieregeling Uitvoeringsagenda Faro) Gelet op de [artikelen 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.1) juncto [7.7, tweede lid, van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.7), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Faro-kernwaarden:** kernwaarden, zoals omschreven in hoofdstuk 5 van de Uitvoeringsagenda Faro: - a. Participatie in de volle breedte, - b. Open houding voor andere erfgoedopvattingen, - c. Erfgoed midden in de samenleving; - **Faro-netwerk:** aan het Faro-programma van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gelieerd dynamisch netwerk van natuurlijke personen en rechtspersonen die het gedachtegoed van het verdrag van Faro willen implementeren in de Nederlandse erfgoedzorg; - **Faro-thema:** een van de 16 thema’s, genoemd in de paragrafen 6.2 tot en met 6.6 van de Uitvoeringsagenda Faro; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **selectievoorstel Uitvoeringsagenda Faro:** door het Faro-netwerk opgestelde lijst van initiatieven als bedoeld in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048419&artikel=8&z=2025-11-25&g=2025-11-25); - **Selectielijst Uitvoeringsagenda Faro:** door de Minister per aanvraagronde vastgestelde lijst, die als bijlage bij d"},{"i":3057,"b":"Besluit van 17 mei 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet afbreking zwangerschap Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 3 augustus 1983, nr. 184458, DG/Vgz/GBO/MBO; Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003396&artikel=4), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003396&artikel=5), [6, eerste lid, onder b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003396&artikel=6), [11, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003396&artikel=11), en [13 van de Wet afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003396&artikel=13) (Stb. 1981, 257); Gezien de adviezen van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid, van de Gezondheidsraad en van de Emancipatieraad; De Raad van State gehoord (advies van 22 december 1983, nr. W13.83.0417/33.3.51); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 14 mei 1984, DG Vgz/GBO/MBO, nr. 70 034; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: wet: de [Wet afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003396) (**Stb.** 1981, 257); behandeling: een behandeling, gericht op het afbreken van zwangerschap. § 2. Algemene voorschriften met betrekking tot het afbreken van zwangerschappen in ziekenhuizen en klinieken Artikel 2 1. Het ziekenhuis dat behandelingen verricht en de abortuskliniek dragen ervoor zorg dat medewerking van deskundigen op psychologisch en maatschappelijk gebied in voldoende mate beschikbaar is. 2. Aan deze deskundigen wordt voldoende tijd en ruimte in het ziekenhuis of de kliniek ter beschikking gesteld. Artikel 3 1. Het ziekenhuis en de kliniek dragen ervoor zorg dat de arts één of meer gesprekken met de vrouw voert om te komen tot een zorgvuldige besluitvorming overeenkomstig [artikel 5 van de wet](https://wet"},{"i":6250,"b":"Wet van 14 mei 2014 tot samenvoeging van de gemeenten Alkmaar, Graft-De Rijp en Schermer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Alkmaar, Graft-De Rijp en Schermer samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Alkmaar, Graft-De Rijp en Schermer opgeheven. artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Alkmaar ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Alkmaar, Graft-De Rijp en Schermer, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Alkmaar wordt de op te heffen gemeente Alkmaar aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Alkmaar, Graft-De Rijp en Schermer wordt de nieuwe gemeente Alkmaar aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit e"},{"i":4589,"b":"Besluit van 24 december 1975, houdende regeling van examengeld, verschuldigd voor toelating tot een der examens ter verkrijging van certificaten als bedoeld in artikel 23 van het Reglement betreffende de Radioberichtgeving, behorende bij het Internationale Verdrag betreffende de Verreberichtgeving (Montreux 1965; Trb. 201 - 1966) Op voordracht van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 9 december 1975, nummer 751209/1, Centrale Directie der PTT; Overwegende dat het wenselijk is de regeling van het examengeld, dat verschuldigd is voor de toelating tot een der examens ter verkrijging van certificaten, als bedoeld in bovengenoemd Reglement, opnieuw vast te stellen; De Raad van State gehoord (advies van 17 december 1975, nr. 23); Gezien het nader rapport van voornoemde staatssecretaris van 23 december 1975, nr. 751223/3; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor iedere toelating tot een van de examens ter verkrijging van certificaten, als bedoeld in artikel 23 van het Reglement betreffende de Radioberichtgeving behorende bij het in 1965 te Montreux gesloten Internationaal Verdrag betreffende de Verreberichtgeving, wordt onder nader door de directeur-generaal der Posterijen, Telegrafie en Telefonie vast te stellen voorwaarden, een examengeld betaald als hieronder aangegeven: - a. voor het examen ter verkrijging van het Rijkscertificaat Radio-officier der 2e klasse: 45 gulden; - b. voor het examen ter verkrijging van het Rijkscertificaat Radio-officier der 1e klasse: 60 gulden; - c. voor het examen ter verkrijging van het bijzonder Certificaat Radiotelegrafie: 45 gulden; - d. voor het examen te verkrijging van het Algemeen Certificaat Radiotelefonie: 20 gulden; - e. voor het examen ter verkrijging van het Beperkt Certificaat Radiotelefonie: 15 gulden. Artikel 2 Het Besluit van 3 december 1969 (**Stb.** 610) wordt hiermede ingetrokken. Artikel 3 Dit Besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1976. Het kan worden aangehaald als \"Examengeldenbesluit"},{"i":8363,"b":"Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen Artikel 1 1. In alle lidstaten worden de leden van het Europees Parlement volgens een stelsel van evenredige vertegenwoordiging, hetzij volgens het lijstenstelsel, hetzij volgens het stelsel van één overdraagbare stem, gekozen. 2. De lidstaten kunnen het uitbrengen van voorkeurstemmen toestaan, overeenkomstig de bepalingen die zij vastleggen. 3. De leden van het Europees Parlement worden gekozen door middel van rechtstreekse, algemene, vrije en geheime verkiezingen. Artikel 2 Afhankelijk van de specifieke nationale kenmerken kunnen de lidstaten kiesdistricten voor de verkiezing van het Europees Parlement instellen of voorzien in andere kiesindelingen, evenwel zonder dat over het geheel genomen afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van evenredige vertegenwoordiging. Artikel 3 De lidstaten kunnen bepalen dat er een minimumdrempel voor de verdeling van de zetels wordt vastgesteld. Die drempel mag niet hoger dan 5 % van de op nationaal niveau uitgebrachte stemmen zijn. Artikel 4 Elke lidstaat kan een maximum vaststellen voor de uitgaven van de kandidaten in verband met de verkiezingscampagne. Artikel 5 1. De periode van vijf jaar waarvoor de leden van het Europees Parlement zijn gekozen begint bij de opening van de eerste zitting na iedere verkiezing. Zij wordt uitgebreid of bekort overeenkomstig artikel 11, lid 2, tweede alinea. 2. Het mandaat van ieder lid van het Europees Parlement begint en eindigt tegelijk met de in lid 1 bedoelde periode. Artikel 6 1. De leden van het Europees Parlement brengen hun stem individueel en persoonlijk uit. Zij mogen niet gebonden zijn door instructies en geen bindend mandaat aanvaarden. 2. De leden van het Europees Parlement genieten de voorrechten en immuniteiten die op hen van toepassing zijn uit hoofde van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen. Ar"},{"i":6266,"b":"Wet van 14 juli 2021 tot samenvoeging van de gemeenten Boxmeer, Cuijk, Grave, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Boxmeer, Cuijk, Grave, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis samen te voegen tot de nieuwe gemeente Land van Cuijk; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet samenvoeging gemeenten Boxmeer, Cuijk, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis in werking treedt (Stb. 2021/375). § 1. Opheffing, instelling en rechtsopvolging Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Boxmeer, Cuijk, Grave, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Land van Cuijk ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Boxmeer, Cuijk, Grave, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Land van Cuijk wordt de op te heffen gemeente Boxmeer aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Boxmeer, Cuijk, Grave, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis wordt de nieuwe gemeente Land van Cuijk aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wet"},{"i":3499,"b":"Besluit van 15 juni 2020, houdende regels over het experiment met een gesloten coffeeshopketen (Besluit experiment gesloten coffeeshopketen) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg en Onze Minister van Justitie en Veiligheid, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 15 november 2019, kenmerk 1440818-183499-WJZ; Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=3), [5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=5), [6, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=6), [7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=7), [8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=8a), [9a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=9a), en [11, tweede lid van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=11); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 maart 2020, no.W13.19.0369/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg en Onze Minister van Justitie en Veiligheid, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 juni 2020, kenmerk 1440812-183499-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aangewezen teler:** krachtens [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=5) aangewezen teler; - **aanvraag om aanwijzing als teler:** aanvraag als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=5); - **coffeeshophouder:** houder van een coffeeshop die in een deelnemende gemeente door de burgemeester van die gemeente is toegestaan als bedoeld in [artikel 6a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl"},{"i":4811,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 1 januari 2020, nr. 4091295, houdende mandaat, volmacht en machtiging voor het Ministerie van Algemene Zaken Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gelet op [artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister-President, Minister van Algemene Zaken; - b. **de secretaris-generaal:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken; - c. **de plaatsvervangend secretaris-generaal:** de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken; - d. **Ministerie:** het Ministerie van Algemene Zaken; - e. **dienst:** Kabinet Minister-President, secretariaat ministerraad, directoraat-generaal Rijksvoorlichtingsdienst, Dienst Publiek en Communicatie, Bureau van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, directie Bedrijfsvoering, directie Financieel-Economische Zaken; - f. **diensthoofd:** degene die is belast met de leiding van een dienst; - g. **mandaat:** de bevoegdheid om namens de Minister besluiten te nemen, stukken af te doen en te ondertekenen; - h. **medewerker:** de ambtenaar in de zin van de [Wet normalisering rechtspositie ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039393) die werkzaam is bij het Ministerie; - i. **organisatiebesluit:** [Organisatiebesluit Ministerie van Algemene Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040546); - j. **Topmanagementgroep:** de Topmanagementgroep, bedoeld in hoofdstuk 17 van de CAO Rijk; - k. **CAO Rijk:** de laatstelijk afgesloten collectie"},{"i":6130,"b":"Besluit van 17 februari 2016, houdende vaststelling van het Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm 2016 en wijziging van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten (Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm 2016) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 2015, nr.2015-0000309180; Gelet op [richtlijn nr. 2014/29](32014L0029)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukvaten van eenvoudige vorm (herschikking) (PbEU 2014, L 96), alsmede op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=5), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7), [7a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=7a), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) en [32b van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=32b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 januari 2016, nr. W12.15.0459/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van17 februari 2016, nr. 2016-0000017842; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepaling 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **richtlijn:** [richtlijn nr. 2014/29](32014L0029)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukvaten van eenvoudige vorm (herschikking) (PbEU 2014, L 96); - b. **accreditatie:** hetgeen artikel 2 van de richtlijn daaronder verstaat; - c."},{"i":7375,"b":"Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mede in verband met de evaluatie van de Wet openstelling huwelijk en de Wet geregistreerd partnerschap Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige bepalingen met betrekking tot het geregistreerd partnerschap in overeenstemming te brengen met die omtrent het huwelijk alsmede enige andere aanpassingen in het Burgerlijk Wetboek en het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II. ([Boek 6 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289)) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel III. ([Boek 10 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068)) Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 10. Artikel IV. ([Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827)) Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel V. (Overgangsrecht) [Artikel 199, onderdeel a en b, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=199) zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van de wijziging van dit artikel, blijft van toepassing op kinderen die reeds geboren zijn voor dit tijdstip. Artikel VI. (Samenloop met het wetsvoorstel tot wijziging van [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie) Wijzigt deze wet, het Burgerlijk Wetboek Boek 1 en de Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek Boek 1 (juridisch ouderschap vr"},{"i":8386,"b":"Benelux-verdrag betreffende grensoverschrijdende samenwerking inzake wegvervoerinspectie Het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door: De Federale Regering, De Vlaamse Regering, De Waalse Regering, De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Het Groothertogdom Luxemburg en Het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen”, Gelet op [artikel 6, tweede lid, onder f), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003087&artikel=6), Gezien [artikel 3, tweede lid, onder a), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003087&artikel=3), alsmede hoofdstuk 3.5 van het Gemeenschappelijk Werkprogramma 2013-2016, Gezien Beschikking M (2013) 6 van het Benelux Comité van Ministers van 18 november 2013 betreffende grensoverschrijdende samenwerking tussen de inspectiediensten inzake wegvervoer, Overwegende dat [Verordening (EG) nr. 1071/2009](32009R1071) van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van [Richtlijn 96/26/EG](31996L0026) van de Raad, de bestuurlijke samenwerking tussen lidstaten en wederzijdse bijstand bepaalt, Overwegende dat [Richtlijn 2006/22/EG](32006L0022) van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de [Verordeningen (EEG) nr. 3820/85](31985R3820) en [(EEG) nr. 3821/85](31985R3821) van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van [Richtlijn 88/599/EEG](31988L0599) van de Raad, intracommunautaire contacten in de vorm van uitwisseling van gegevens, ervaringen en inlichtingen tussen de lidstaten aanmoedigt, Overwegende dat [Richtlijn 2000/30/EG](32000L0030) van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2000 betreffende de technische controle langs de weg"},{"i":7056,"b":"Overeenkomst inzake de aanduiding van geslachtsnamen en voornamen in de registers van de burgerlijke stand De Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, geleid door de wens de eenvormige aanduiding van geslachtsnamen en voornamen in de registers van de burgerlijke stand te verzekeren, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Deze Overeenkomst is van toepassing op de aanduiding van geslachtsnamen en voornamen in de registers van de burgerlijke stand, van alle personen, ongeacht hun nationaliteit. De Overeenkomst tast de toepassing van de in de Overeenkomstsluitende Staten van kracht zijnde rechtsregels betreffende de vaststelling van geslachtsnamen en voornamen niet aan. De Overeenkomst laat veranderingen in de geslachtsnamen en voornamen, welke rechtsgeldig tot stand zijn gekomen nadat de akten of stukken zijn opgemaakt, die voor het opmaken van een nieuwe akte worden overgelegd, onverlet. De Overeenkomst verhindert de autoriteit die een nieuwe akte moet opmaken, niet om kennelijke schrijffouten in geslachtsnamen en voornamen die in de haar overgelegde akten of stukken staan, in de nieuwe akte te verbeteren. Artikel 2 Wanneer een akte moet worden opgemaakt in een register van de burgerlijke stand door een autoriteit van een Overeenkomstsluitende Staat en hiervoor een afschrift of een uittreksel van een akte van de burgerlijke stand of een ander stuk wordt overgelegd, waarin de geslachtsnamen en voornamen in dezelfde lettertekens worden vermeld als die van de taal waarin de akte moet worden opgemaakt, dan worden die geslachtsnamen en voornamen letterlijk weergegeven, zonder wijziging of vertaling. De in deze geslachtsnamen en voornamen voorkomende tekens die de juiste uitspraak van een letterteken aanduiden (diacritische tekens), worden onveranderd weergegeven, ook indien deze tekens niet bestaan in de taal waarin de akte moet worden opgemaakt. Artikel 3 Wanneer een akte moet worden opgemaakt in e"},{"i":7032,"b":"Wet van 22 december 2005 tot aanpassing van de wetgeving aan en invoering van de wet tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Invoeringswet titel 7.17 en titel 7.18 Burgerlijk Wetboek) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering te regelen van de wet tot vaststelling van [titel 7.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&titeldeel=17) (verzekering) en [titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek](onbekend) en in verband daarmee de wetgeving aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Koophandel. Artikel III Wijzigt de Wet op de kansspelen. Artikel IV Wijzigt de wet van 22 december 2005 tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Artikel V Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet. Artikel VI Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel VII Wijzigt de Zee- en luchtvaartverzekeringswet 1939. Artikel VIII Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel IX Op een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gelegd beslag op de rechten uit een sommenverzekering, een voor dat tijdstip uitgesproken faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen zijn de artikelen III en IV van de wet van 22 december 2005 tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Stb. 700) niet van toepassing en blijft het tevoren geldende recht ook na dit tijdstip van toepassing. Artikel X 1. Onze Minister van Justitie stelt de nummering van de artikelen van het bij koninklijke boodschap van 16 mei 1986 ingediende voorstel van w"},{"i":7037,"b":"Besluit van 18 januari 1969, houdende uitvoering van artikel 2, eerste lid van de Wet van 23 april 1879, Stb. 72, tot regeling der heffing van regten wegens de verrigtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 1 november 1967, nr. F 67/U 1973, Afdeling Financiën Binnenlands Bestuur; Gelet op artikel 2, eerste lid van de Wet van 23 april 1879, **Stb.** 72, tot regeling der heffing van regten wegens verrigtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand, sedert gewijzigd; De Raad van State gehoord (advies van 22 november 1967, nr. 30); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 16 januari 1969, nr. F 69/4182, Afdeling Financiën Binnenlands Bestuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het recht, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Wet rechten burgerlijke stand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001851&artikel=2) bedraagt: - a. voor de onder a, b, d en e genoemde stukken € 17,80; - b. voor de onder c genoemde stukken € 31,10; - c. voor de onder f genoemde stukken € 17,80 waar het een meertalig modelformulier van een van de in [artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002644&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde stukken betreft en € 24,00 waar het een meertalig modelformulier van de onder c genoemde stukken betreft. 2. De in het eerste lid genoemde bedragen worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex, geldend voor de maand april van het voorafgaande jaar, daartoe aanleiding geeft. De bedragen, naar boven afgerond op 10 eurocent, worden vóór 1 september van het voorafgaande jaar bekend gemaakt. 3. Onder de consumentenprijsindex wordt verstaan de consumentenprijsindex reeks: Alle huishoudens, totaal, op meest recente tijdsbasis, zoals dat wordt berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek en gepubliceerd in het Statistisch bulletin van het Centr"},{"i":7585,"b":"Besluit vervreemding archiefbescheiden (papieren dossiers met gegevens beroepsbeoefenaren ex artikel 34 Wet BIG in register SKP (periode 2000–2012)) De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, besluit, na verkregen machtiging van 17 januari 2013 met kenmerk 11.049 van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en gelet op [artikel 7 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=7), over te gaan tot vervreemding van de navolgende archiefbescheiden aan de Stichting Kwaliteitsregister Paramedici (SKP): papieren dossiers met de door het CIBG ingevoerde gegevens van beroepsbeoefenaren ex [artikel 34 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34) (Wet BIG) in het register van de SKP, over de periode 2000–2012, met een omvang van ca. 29 meter. De belangen, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2), worden op onderstaande wijze gewaarborgd: De deskundigen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=3) die zijn betrokken bij de voorbereiding van dit besluit: Het met hen gevoerde overleg had de volgende inhoud: Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7057,"b":"Overeenkomst inzake de belastingheffing van wegvoertuigen welke voor internationaal vervoer van personen worden gebezigd De Overeenkomstsluitende Partijen, Verlangende de ontwikkeling van het internationale toerisme te bevorderen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan: - a). onder „voertuigen”, alle van een mechanisch voortbewegingsmiddel voorziene wegvoertuigen en alle aanhangwagens en opleggers, bestemd om aan zodanige voertuigen te worden gekoppeld en met het voertuig zelf dan wel afzonderlijk ingevoerd; - b). onder „internationaal vervoer van personen”, het vervoer van personen en hun eventuele bagage tegen betaling, beloning of ander materieel voordeel, alsmede ieder vervoer dat wordt verricht door middel van voertuigen welke voor het vervoer van personen worden gebezigd en welke meer dan acht zitplaatsen hebben buiten de zitplaats van de bestuurder, wanneer de gevolgde route ten minste één grens tussen twee landen overschrijdt; - c). onder „belastingen of heffingen op het vervoer”: - Omzetbelasting en daarmede overeenkomende belastingen, zoals bijvoorbeeld de belasting op de toegevoegde waarde; - Vergoedingen voor de afgifte van vervoersvergunningen of andere vereiste documenten; - Heffingen of aanvullende heffingen, die ter zake van de desbetreffende vervoersprestatie kunnen worden gevorderd boven de heffingen die verschuldigd zijn enkel wegens het houden of het in verkeer brengen van het voertuig. Artikel 2 Voertuigen welke zijn ingeschreven op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen en welke bij internationaal vervoer van personen tijdelijk worden ingevoerd in het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij zijn onder de hierna omschreven voorwaarden vrijgesteld van belastingen en heffingen die verschuldigd zijn wegens het rijden met of het houden van voertuigen op het grondgebied van laatstbedoelde Overeenkomstsluitende Partij. De vrijstelling strekt zich niet uit"},{"i":4316,"b":"Besluit van 27 februari 1997, houdende verlenging van het recht op premievrijstelling van een banenpool op grond van de voormalige Wet ter bevordering van de werkgelegenheid voor werkzoekenden die zeer langdurig werkloos zijn Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 4 februari 1997, nr. WDB97/37M, gedaan mede namens onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 35, derde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=35); De Raad van State gehoord (advies van 13 februari 1997, nr. W06.97.0060); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 21 februari 1997, nr. WDB97/49 M, uitgebracht mede namens onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In afwijking in zoverre van [artikel 35, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=35) vervalt een recht op premievrijstelling van een banenpool als bedoeld in de Rijksbijdrageregeling banenpools, ontstaan in de periode van 1 september 1990 tot en met 31 december 1993 op grond van artikel 2 van de Wet ter bevordering van de werkgelegenheid van werkzoekenden die zeer langdurig werkloos zijn, op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt doch uiterlijk op 1 januari 1998. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":3080,"b":"Besluit van 19 november 2010, houdende wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft en het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Besluit beheerst beloningsbeleid Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 1 oktober 2010, FM/2010/17235 M; Generale Thesaurie, directie Financiële Markten, Afdeling Marktgedrag en Effectenverkeer; Gelet op de [artikelen 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [artikel 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel c, onder 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), [artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onderdeel b onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:15), [artikel 4:22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:22), en [artikel 4:25, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:25); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 oktober 2010, no. W 06.10.0469/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 16 november 2010, FM/2010/17457 U; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel III. Inwerkingtreding De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beheerst beloningsbeleid Wft. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6612,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 14 november 2025, nr. IENW/BSK-2025/280122, houdende wijziging van de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk in verband met herstel van een omissie [KetenID WGK028388] Gelet op [artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=2.1.1); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling aanwijzing vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Artikel II Consumentenvuurwerk dat reeds in het bezit was van een particulier voordat deze regeling in werking trad, blijft aangewezen als consumentenvuurwerk tot 1 februari 2026. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 december 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8433,"b":"Briefwisseling houdende een Protocol bij de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie Het Koninkrijk België de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannie en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten\" genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna de „Gemeenschappen\" genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds, Gelet op de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie, en daarmee tot de Gemeenschap, op 1 mei 2004, Overwegende hetgeen volgt: De Stabilisatie- en Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Voormalige Joegoslavische Republiek Mace"},{"i":8421,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 18 november 2019, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidieverstrekking voor activiteiten van MKB-ondernemingen gericht op de bevordering van duurzaam internationaal ondernemen (Vouchers internationaal ondernemen) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2) Besluit: Artikel 1 1. Voor subsidieverstrekking in het kader van Vouchers internationaal ondernemen geldt voor de periode vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 een subsidieplafond van € 4.150.000,–, waarvan ten minste € 180.000,– beschikbaar is voor het verstrekken van kickstartvouchers en Brexitvouchers en ten minste € 20.000,– voor het verstrekken van vouchers voor deelname aan een collectieve activiteit en het verstrekken van financiële ondersteuning voor individuele beursdeelname. 2. Ten aanzien van de verdeling van de in het eerste lid bedoelde middelen die beschikbaar zijn voor het verstrekken van vouchers voor deelname aan een collectieve activiteit en het verstrekken van financiële ondersteuning voor individuele beursdeelname geldt in aanvulling op het bepaalde in [artikel 3 van de Regeling vouchers internationaal ondernemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038507&artikel=3)2Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 8 september 2016, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidieverstrekking voor activiteiten van MKB-ondernemingen gericht op de bevordering van duurzaam internationaal ondernemen (Vouchers internationaal ondernemen), Stcrt. 2016, nr. 48327. dat aanvragen voor deelname aan een collectieve activiteit of individuele beursdeelname die plaatsvindt in 2020 voorrang krijgen ten opzic"},{"i":4591,"b":"Faillissementskosten De plv. Directeur-Generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Op 30 juni jl. heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak – waarin overigens de Belastingdienst geen partij was – waarin o.a. ter discussie stond welke kosten in aanmerking moeten worden genomen bij de omslag van de faillissementskosten (artikel 182 Faillissementswet (Fw)) jegens een hypotheekhouder die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht om op grond van artikel 57, eerste lid, Fw zelf over te gaan tot executie van (in casu) het verhypothekeerde erfpachtsrecht (HR 30 juni 1995, RvdW 1995, 148). De beschikking die de Hoge Raad in deze zaak heeft gegeven, is ook voor de invordering van belastingen van belang. Uit de beschikking van de Hoge Raad kan het volgende worden afgeleid. De begrippen ‘faillissementskosten’ en ‘boedelschulden’ zijn synoniemen. Faillissementskosten kunnen slechts worden onderscheiden in algemene faillissementskosten en bijzondere faillissementskosten. Voor een derde catego-rie ‘overige boedelschulden’ zoals men die tot op heden in de literatuur vaak tegenkomt, is geen plaats. Alle algemene faillissementskosten vallen onder de omslag van artikel 182 Fw. Wanneer de curator op grond van artikel 57, derde lid, tweede volzin, Fw voor faillissementsschulden gelden heeft geïncasseerd van de bezitloos pandhouder van bodemzaken, kan een uitkering aan de ontvanger alleen plaatsvinden onder de last van de omslag ex artikel 182 Fw. Wanneer de boedel onvoldoende baten bevat om alle faillissementskosten te voldoen, vallen de door de curator van de pandhouder geïncasseerde gelden volledig toe aan de boedelschuldeisers en ontvangt de ontvanger geen enkele uitkering op de belastingschuld ten behoeve waarvan de curator de opbrengst heeft opgeëist. Uiteraard kan de ontvanger wel (een deel van) de opbrengst tegemoet zien in het geval hij tevens boedelschuldeiser is, ongeacht voor welke belastingsoort. Boedelschulden worden"},{"i":2849,"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1987 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1986 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1985; Gelet op artikel 402a, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1987 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 1,3. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1987."},{"i":3573,"b":"Besluit van 6 augustus 2009, houdende vaststelling van het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 17 april 2009, directie Wetgeving, nr. 5596690/09/6; Gelet op de [artikelen 27b, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=27b), en [55c, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55c), [artikel 28, zesde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=28), [artikel 22, vijfde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=22), [artikel 33, zesde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=33), en [artikel 17, eerste en zesde lid, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=17); De Raad van State gehoord (advies van 3 juni 2009, nr. W03.09.0137/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 3 augustus 2009, directie Wetgeving, nr. 5606689/09/6; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsomschrijvingen § 2. De strafrechtsketendatabank § 2. De strafrechtsketendatabank § 4. De berichtenvoorziening ten behoeve van de strafrechtsketen Artikel 11 1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is verantwoordelijk voor de inrichting en instandhouding van een berichtenvoorziening voor de strafrechtsketen met behulp waarvan de voorzieningen, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder c en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=3) kunnen worden geraadpleegd. Hij stelt voor de berichtenvoorziening een systeembeschrijving op die de onderdelen, bedoeld in [artikel 3 van het Besluit burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022829&artikel=3), bevat en zor"},{"i":3339,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 26 september 2022 nr. BOACAT2022/072, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Westerwolde Gelezen het verzoek van gemeente Westerwolde van 21 september 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); [de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047241&artikel=2&z=2022-10-05&g=2022-10-05). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker toezicht en handhaving in dienst van de gemeente Westerwolde, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlag"},{"i":8439,"b":"Briefwisseling tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht inzake het verlenen van nadere voorrechten en immuniteiten I a). In addition to the privileges and immunities accorded to staff members of the Permanent Bureau, the Secretary-General shall, together with members of the family forming part of his or her household, not being private servants, enjoy the privileges and immunities to which a head of a diplomatic mission in the Netherlands is entitled, unless he or she is a Netherlands national. b). The Secretary-General shall not practise for personal profit any professional or commercial activity in the Netherlands outside his or her official functions with the Conference. c). The members of the family forming part of the household of the Secretary-General shall not, when they practise a professional or commercial activity for personal profit in the Netherlands enjoy immunity from administrative and civil jurisdiction in respect of acts performed in the course of, or in connection with, the practice of such activity. However, the immunity with regard to the execution of a judgement will stand, unless waived by the Conference. (d). With regard to activities referred to in paragraph (c), the persons concerned shall not enjoy any fiscal exemption or privilege or exemption from Netherlands social security provisions. II The Permanent Bureau shall notify the Government of the Kingdom of the Netherlands of: - a). the appointment of a Secretary-General and of other staff-members of the Permanent Bureau, their arrival and their final departure, or the termination of their functions with the Permanent Bureau, as well as address and change of address. - b). the arrival and final departure of members of the families forming part of the households of the persons referred to in paragraph (a) and, where appropriate, the fact that a person has ceased to form part of the household. III a). In the event that the"},{"i":5943,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 november 2025, kenmerk 4239603-1089799-Z, houdende vaststelling van een tweede nadere aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2025 (Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2025) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2025 is voor de beheerskosten [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 2,005 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050875&artikel=1). Artikel 2 Van het bedrag in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051748&artikel=1&z=2025-11-14&g=2025-11-14) genoemd van € 2,005 miljoen is € 0,654 miljoen bestemd voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), en € 1,351 miljoen voor de overige bij of krachtens die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken van Wlz-uitvoerders. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2025. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8457,"b":"Cultureel Verdrag tussen Nederland en Noorwegen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Noorwegen, Verlangende een verdrag te sluiten, teneinde, door middel van vriendschappelijke samenwerking en van uitwisselingen, een zo innig mogelijke verbinding tussen hun onderscheidene landen op het gebied van wetenschap, literatuur, kunst, universitair en schoolonderwijs, alsmede het begrip ten aanzien van elkaars instellingen en maatschappelijk leven te bevorderen, Hebben derhalve tot dit doel gevolmachtigden benoemd, die, daartoe behoorlijk gemachtigd door hun onderscheidene Regeringen, het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 De Verdragsluitende Partijen zullen al het mogelijke doen om op universiteiten of andere inrichtingen van hoger onderwijs op hun grondgebied regelmatig cursussen te doen houden, handelend over de taal, de literatuur en de geschiedenis van het andere land, alsmede over andere onderwerpen welke daarop betrekking hebben. Artikel 2 De Verdragsluitende Partijen zullen zoveel mogelijk de uitwisseling bevorderen van hoogleraren en leden van de wetenschappelijke staf van instellingen van hoger onderwijs, van leraren, studenten, scholieren en vertegenwoordigers van andere beroepen en van andere groepen personen werkzaam op cultureel, opvoedkundig en wetenschappelijk gebied, alsmede op het gebied van de kunst. Artikel 3 De Verdragsluitende Partijen zullen de uitwisseling van hoogleraren, onderzoekers en leden van wetenschappelijke instellingen bevorderen. De Gemengde Commissie, welke zal worden ingesteld overeenkomstig artikel 13 van dit Verdrag, zal het aantal hoogleraren of sprekers die jaarlijks voor uitwisseling in aanmerking kunnen komen, vaststellen en eventueel hun verdeling over de universiteiten of wetenschappelijke instellingen bepalen. Artikel 4 Elke Verdragsluitende Partij zal subsidies en studiebeurzen ter beschikking stellen, teneinde afgestudeerden en studerenden uit het andere land in staat te stellen,"},{"i":3081,"b":"Kennisgeving van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 4 april 2022, nr. DE/ 22138904, inzake de bekendmaking van het demografisch bereik van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio ten behoeve van de verdeling van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep kavels B01 t/m B54 Gelet op [artikel 1, onderdeel e, van de Regeling voorwaardelijke veiling niet-landelijke commerciële vergunningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044725&artikel=1); Maakt bekend: Artikel 1 Het demografisch bereik van de vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio bedraagt het bij de betrokken kavel bepaalde percentage in onderstaande tabel. Van deze percentages dient te worden uitgegaan ter bepaling van de beschikbare demografische ruimte, bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, van de Regeling voorwaardelijke veiling niet-landelijke commerciële vergunningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044725&artikel=1), bij het indienen van een aanvraag om in aanmerking te komen voor de verdeling van vergunningen voor niet-landelijke commerciële radio-omroep kavels B01, B03, B04, B06 t/m B26, B35 en B37. | Kavel | Demografisch bereik | | --- | --- | | **B01** | 14,63% | | **B02** | 7,84% | | **B03** | 4,36% | | **B04** | 4,50% | | **B05** | 16,07% | | **B06** | 15,95% | | **B07** | 3,27% | | **B08** | 6,02% | | **B09** | 1,18% | | **B10** | 2,32% | | **B11** | 1,10% | | **B12** | 2,44% | | **B13** | 2,63% | | **B14** | 2,18% | | **B15** | 2,57% | | **B16** | 6,64% | | **B17** | 1,23% | | **B18** | 1,74% | | **B19** | 1,25% | | **B20** | 2,67% | | **B21** | 5,32% | | **B22** | 2,29% | | **B23** | 1,62% | | **B24** | 1,49% | | **B25** | 1,52% | | **B26** | 1,37% | | **B27** | 0,02% | | **B28** | 0,18% | | **B29** | 0,23% | | **B30** | 0,14% | | **B31** | 0,10% | | **B32** | 0,09% | | **B33** | 0,38% | | **B34** | 0,11% | | **B35** | 0,35% | | **B36** | 0,52% | | **B37** | 0,18% | | **B38** | 0,19% | | **B39** | 0,012% | | **B40** | 0,117% | | **"},{"i":3582,"b":"Besluit van 15 februari 2019 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de implementatie van Verordening (EU) nr. 2017/1131 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake geldmarktfondsen (PbEU 2017, L 169) (Besluit implementatie verordening geldmarktfondsen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 24 januari 2018, 2019-0000011163, directie Financiële Markten; Gelet op Verordening (EU) nr. 2017/1131 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake geldmarktfondsen (PbEU 2017, L 169) en de [artikelen 1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1.79, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), en [1:81, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord advies van 6 februari 2019, nr. No.W06.19.0021/III; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 12 februari 2019, 2019-0000023647, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit implementatie verordening geldmarktfondsen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4150,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 16 februari 2024, nr. Min-BuZa.2024.20391-9, houdende het opnieuw vaststellen van beleidsregels voor het verstrekken van subsidie in het kader van onderdeel 1 van het Dutch Trade and Investment Fund (Dtif herpublicatie) Gelet op [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6); Gelet op [artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=7.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverstrekking in het kader van onderdeel 1 van het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) door de Minister van Buitenlandse Zaken, met het oog op het stimuleren van investeringen in DTIF-landen door ondernemingen, door middel van het verstrekken van financiering, gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Artikel 2 1. Voor de toepassing van dit besluit geldt voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2031 een subsidieplafond van in totaal € 100.000.000. Dit bedrag is uitgesplitst naar een deelplafond voor de op grond van de beleidsregels te verstrekken leningen ter hoogte van € 66.700.000 en een deelplafond voor de op grond van de beleidsregels te verstrekken aanspraken op garantstelling ter hoogte van € 33.3000.000. 2. Niet benutte middelen van een deelplafond kunnen worden toegevoegd aan het andere deelplafond. 3. Bij de berekening van het voor subsidieverstrekking ten laste van dit plafond beschikbare bedrag worden verstrekte middelen die op grond van de met de subsidie samenhangende verplichtingen door de subsidieontvangers aan de Minister zijn terugbetaald toegerekend aan het plafond. 4. Aan dit plafond is het voorbehoud, bedoeld in [artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:34), verbonden dat door de begrotingswetgever voldoende gelden ter beschikking word"},{"i":3097,"b":"Besluit van 9 december 2021, houdende voorschriften inzake de bekostiging van basisscholen in Caribisch Nederland (Besluit bekostiging WPO BES 2022) Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 30 september 2021, nr. WJZ/29122231 (12547), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=46), [66, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=66), [68, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=68), [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=77), [99, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=99), [100, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=100), [102, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=102), [114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=114), [119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=119), en [121, derde lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=121); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 november 2021, nr. W05.21.0294/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 7 december 2021, nr. WJZ/30169969 (12547), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen: In dit besluit wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** wat betreft: - a. een openbare school: - 1°. het bestuurscollege van het betreffende openbaar lichaam, voor zover de eilandsraad niet anders bepaalt, en, indien de eilandsraad dit besluit, met inachtneming van door hem te stellen regelen; - 2°. de openbare rechtspersoon, bedoeld in [artikel 53 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=53); dan wel - 3°. de stichting, bedoeld in [artikel 54 van de wet](https://we"},{"i":8495,"b":"Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen Roemenië, enerzijds, en de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, anderzijds Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „Lid-Staten\" te noemen, en de Europese Economische Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, hierna „de Gemeenschap\" te noemen, enerzijds, en Roemenië anderzijds, Gelet op het belang van de traditionele banden tussen de Gemeenschap, haar Lid-Staten en Roemenië, en hun gemeenschappelijke waarden, Erkennende dat de Gemeenschap en Roemenië deze banden wensen te versterken en nauwe, duurzame betrekkingen tot stand willen brengen op grond van wederkerigheid, waardoor Roemenië zal kunnen deelnemen aan het proces van Europese integratie, en aldus de betrekkingen versterken en uitbreiden die in het verleden tot stand zijn gebracht, met name door de op 22 oktober 1990 ondertekende Overeenkomst inzake handel en commerciële en economische samenwerking, Gelet op de mogelijkheden die het ontstaan van een nieuwe democratie in Roemenië biedt voor betrekkingen van een nieuw gehalte, Gelet op de verbintenis van de Gemeenschap en haar Lid-Staten en van Roemenië tot versterking van de politieke en economische vrijheden, die de grondslag van de associatie vormen, Erkennende de noodzaak om met bijstand van de Gemeenschap voort te gaan met, en te zorgen voor de voltooiing van de overgang van Roemeni"},{"i":8511,"b":"Europees Verdrag inzake de algemene gelijkstelling van tijdvakken van universitaire studie De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die Partij zijn bij het [Europees Cultureel Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005098), die het onderhavige Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn leden tot stand te brengen; Gelet op het [Europees Verdrag inzake de gelijkstelling van tijdvakken van universitaire studie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005357), voor ondertekening opengesteld te Parijs op 15 december 1956, dat van toepassing is op het gebied van de moderne talen; Ervan overtuigd dat een belangrijke bijdrage zou worden geleverd tot een goede verstandhouding tussen de volken van Europa, indien een groter aantal studenten in alle studierichtingen tijdvakken van studie in het buitenland zou kunnen doorbrengen en indien de door die studenten tijdens die tijdvakken afgelegde examens en gevolgde cursussen door hun eigen instelling zouden kunnen worden erkend; Vastbesloten hiertoe het beginsel van de algemene gelijkstelling van tijdvakken van universitaire studie in te stellen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag worden onder „instellingen voor hoger onderwijs” verstaan: - a. universiteiten; - b. andere instellingen voor hoger onderwijs die voor de toepassing van dit Verdrag als zodanig worden erkend door de bevoegde autoriteiten van de Partij op het grondgebied waarvan zij gevestigd zijn. Artikel 2 1. De Partijen stellen, voor zover de Staat de ter zake bevoegde autoriteit is op hun grondgebied, ieder tijdvak van studie dat een student heeft doorgebracht aan een instelling voor hoger onderwijs van een andere Partij gelijk aan eenzelfde tijdvak doorgebracht aan zijn eigen instelling, mits: - -. er vooraf overeenstemming is bereikt tussen, enerzijds, de eigen instelling voor hoger onderwijs of de bevoegde autoriteit van de Partij"},{"i":8546,"b":"Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen De Staten die partij zijn bij dit Protocol, Erop wijzend dat het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) opnieuw het vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de mens en in de gelijke rechten van mannen en vrouwen bevestigt, Tevens erop wijzend dat de [Universele Verklaring van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) verkondigt dat alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en in rechten zijn geboren en dat een ieder aanspraak heeft op alle daarin genoemde rechten en vrijheden, zonder enig onderscheid van welke aard dan ook, waaronder onderscheid naar geslacht, Eraan herinnerend dat de Internationale Verdragen inzake de rechten van de mens en andere internationale instrumenten inzake de rechten van de mens discriminatie op grond van geslacht verbieden, Tevens eraan herinnerend dat het [Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002909) („het Verdrag”), waarin alle Staten die daarbij partij zijn discriminatie van vrouwen in alle vormen veroordelen en overeenkomen onverwijld met alle passende middelen een beleid te voeren, gericht op uitbanning van discriminatie van vrouwen, Opnieuw hun vastbeslotenheid bevestigend het volledige en gelijke genot van alle rechten van de mens en fundamentele vrijheden door vrouwen te verzekeren en doeltreffende maatregelen te nemen om schendingen van deze rechten en vrijheden te voorkomen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Een Staat die partij is bij dit Protocol erkent de bevoegdheid van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen („het Comité”) om kennisgevingen te ontvangen en te bestuderen die zijn gedaan in overeenstemming met artikel 2. Artikel 2 Kennisgevingen kunnen worden gedaan door of in naam van personen of"},{"i":8547,"b":"Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel De Staten die Partij zijn bij dit Protocol, In herinnering roepend de bepalingen van het [Verdrag inzake de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001519), gedaan te New York op 9 december 1994, Ernstig bezorgd over de aanhoudende aanslagen gericht tegen VN-personeel en geassocieerd personeel, Erkennende dat voor VN-operaties die worden uitgevoerd ten behoeve van het verlenen van humanitaire, politieke of op ontwikkeling gerichte hulp bij vredesopbouw en het verlenen van humanitaire noodhulp die bijzondere risico’s voor VN-personeel en geassocieerd personeel met zich meebrengen, uitbreiding van de reikwijdte van de juridische bescherming van dergelijk personeel uit hoofde van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001519) vereist is, Overtuigd van de noodzaak te beschikken over een doeltreffend stelsel om te waarborgen dat de plegers van aanslagen tegen VN-personeel en geassocieerd personeel dat betrokken is bij VN-operaties, berecht worden, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Verhouding Dit Protocol vult het [Verdrag inzake de veiligheid van VN-personeel en geassocieerd personeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001519), gedaan te New York op 9 december 1994 (hierna te noemen „het Verdrag’’) aan, en het Verdrag en het Protocol worden door de Partijen bij dit Protocol gelezen en uitgelegd als een enkel instrument. Artikel II. Toepassing van het Verdrag op VN-operaties 1. De Partijen bij dit Protocol passen het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001519), in aanvulling op de operaties als omschreven in [artikel 1, onderdeel c, van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001519&artikel=1), toe op alle andere VN-operaties opgezet door een bevoegd orgaan van de Verenigde Naties in overeenstemming met het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.ov"},{"i":8560,"b":"Geavanceerde Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds Preambule Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, en de Europese Unie, enerzijds, en De Republiek Chili, hierna „Chili” genoemd, anderzijds, hierna gezamenlijk „de Partijen” genoemd, Gezien de sterke culturele, politieke, economische op samenwerking gebaseerde banden die hen binden, Opnieuw bevestigende dat zij de democratische beginselen, mensenrechten en fundamentele vrijheden, de rechtsstaat en goed bestuur aanhangen, en zich inzetten voor de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling en het aanpakken van klimaatverandering, wat het uitgangspunt vormt voor hun partnerschap en samenwerking, Delende de mening dat de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel statelijke als niet-statelijke actoren, een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale vrede en veiligheid vormt, Indachtig de belangrijke bijdrage voor de versterking van die banden die is geleverd door de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, ondertekend te Brussel op 18 november 2002 („Associatieovereenkomst”), Benadrukkend"},{"i":8582,"b":"Handelsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en Japan, anderzijds De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van het Koninkrijk België, krachtens bestaande overeenkomsten mede in naam van de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, Handelende tezamen op grond van het op 9 december 1953 tussen hen gesloten Protocol inzake de handelspolitiek, enerzijds, en de Regering van Japan, anderzijds, Bezield door de wens het handelsverkeer tussen hun grondgebieden zoveel mogelijk te bevorderen, Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel I Inzake douanerechten en enigerlei kosten geheven van of in verband met invoer of uitvoer, of geheven van internationale overmakingen ter betaling van ingevoerde of uitgevoerde goederen, en inzake de wijze waarop deze rechten en kosten worden geheven, en inzake alle regelingen en formaliteiten in verband met invoer en uitvoer, en inzake de toepassing van binnenlandse belastingen op uitgevoerde goederen, en inzake alle binnenlandse belastingen of enigerlei andere binnenlandse kosten geheven van of in verband met ingevoerde goederen, en inzake alle wetten, bepalingen en voorschriften betreffende de binnenlandse verkoop, aanbod ten verkoop, koop, distributie of gebruik van ingevoerde goederen, wordt ieder voordeel, iedere gunst, ieder voorrecht en iedere vrijstelling die thans of in de toekomst door één der Overeenkomstsluitende Partijen worden verleend aan enig produkt dat afkomstig is uit of bestemd is voor enig derde land, onmiddellijk en onvoorwaardelijk verleend aan het overeenkomstige produkt afkomstig uit of bestemd voor de andere Overeenkomstsluitende Partij. Artikel II 1. Geen der Overeenkomstsluitende Partijen beperkt of verbiedt de invoer van enig produkt van de andere Overeenkomstsluitende Partij, of de uitvoer van enig produkt naar het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, tenzij de invoer van het overeenkomstige produk"},{"i":8664,"b":"Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 De Verdragsluitende Regeringen, Geleid door de wens de beveiliging van mensenlevens op zee te bevorderen door in onderlinge overeenstemming hiertoe dienende eenvormige beginselen en voorschriften vast te stellen, Overwegend dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Verdrag ter vervanging van het Internationale Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee, 1960, met inachtneming van de ontwikkelingen sedert dat Verdrag werd gesloten, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag (a). De Verdragsluitende Regeringen verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag, en van de Bijlage daarbij, die een integrerend deel vormt van dit Verdrag. Elke verwijzing naar dit Verdrag houdt terzelfder tijd een verwijzing naar de Bijlage in. (b). De Verdragsluitende Regeringen verbinden zich, alle wetten, besluiten, beschikkingen en voorschriften uit te vaardigen en alle andere maatregelen te nemen, die nodig zijn voor de volledige tenuitvoerlegging van dit Verdrag ten einde te verzekeren dat, uit een oogpunt van de beveiliging van mensenlevens, een schip geschikt is voor de dienst waarvoor het is bestemd. Artikel II. Toepassing Dit Verdrag is van toepassing op schepen die gerechtigd zijn de vlag te voeren van Staten waarvan de Regeringen Verdragsluitende Regeringen zijn. Artikel III. Wetten, Voorschriften De Verdragsluitende Regeringen verbinden zich aan de Secretaris-Generaal van de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (hierna te noemen de Organisatie) toe te zenden en aldaar te deponeren: - (a). een lijst van niet-gouvernementele organisaties die gemachtigd zijn namens hen te handelen bij de toepassing van maatregelen betreffende de beveiliging van mensenlevens op zee, ten einde deze lijst mede te delen aan de Verdragsluitende Regeringen, die haar ter kennis brengen van hun ambtenaren; - (b). de te"},{"i":8665,"b":"Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen Preambule De regeringen waarvan de naar behoren gemachtigde vertegenwoordigers dit Verdrag hebben onderschreven, rekening houdend met hun wederzijds belang in de populaties van tonijnen en tonijnachtigen aangetroffen in de Atlantische Oceaan, en verlangend samen te werken om deze vispopulaties op een peil te houden dat maximale duurzame vangst voor voeding en andere doeleinden mogelijk maakt, hebben besloten een Verdrag voor de instandhouding van de bestanden van Atlantische tonijnen en tonijnachtigen te sluiten en zijn daartoe het volgende overeengekomen: Artikel I Het gebied waarop dit Verdrag van toepassing is, hierna te noemen „het verdragsgebied”, omvat alle wateren van de Atlantische Oceaan, met inbegrip van de aangrenzende zeeën. Artikel II Geen enkele bepaling van dit Verdrag wordt geacht afbreuk te doen aan de rechten, aanspraken of standpunten van enige verdragsluitende partij met betrekking tot de grenzen van de territoriale wateren of de omvang van de rechtsmacht inzake visserij overeenkomstig het internationale recht. Artikel III 1. De verdragsluitende partijen besluiten hierbij tot de oprichting en de instandhouding van een commissie, de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (hierna te noemen „de Commissie”), die tot taak heeft de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken. 2. Elke verdragsluitende partij wordt in de Commissie vertegenwoordigd door ten hoogste drie afgevaardigden. Deze afgevaardigden mogen zich laten bijstaan door deskundigen en adviseurs. 3. Behalve wanneer in dit Verdrag anders is bepaald, worden de besluiten van de Commissie genomen met een meerderheid van stemmen van de verdragsluitende partijen; elke verdragsluitende partij heeft één stem. Het quorum wordt gevormd door twee derde van de verdragsluitende partijen. 4. De Commissie komt om de twee jaar in gewone zitting bijeen. Buitengewone zittingen kunnen te allen tijde w"},{"i":8666,"b":"Internationaal Verdrag voor de vereenvoudiging van douaneformaliteiten Wenschende de toepassing te verzekeren van het beginsel van de rechtvaardige behandeling van den handel, zooals dat is neergelegd in artikel 23 van het Volkenbondverdrag; Overtuigd, dat bevrijding van den internationalen handel van den last van onnoodige, overdreven of willekeurige douane- of dergelijke formaliteiten een belangrijke stap naar de bereiking van dit doel zou beteekenen; Overwegende, dat de beste wijze om het voorgestelde doel te bereiken is een internationale overeenkomst tot stand te brengen, gegrond op een rechtvaardige wederkeerigheid; Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten; Weshalve de Hooge Verdragsluitende Partijen als haar Gevolmachtigden hebben benoemd: . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . die, na mededeeling van hunne volmachten, welke in goede orde zijn bevonden, het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 Teineinde onderling het beginsel en de bepalingen van artikel 23 van het Volkenbondverdrag, voorzoover betreft de rechtvaardige behandeling van den handel, toe te passen, verbinden de Verdragstaten zich hun handelsbetrekkingen niet te belemmeren door overdreven, onnoodige of willekeurige douane- of dergelijke formaliteiten. Te dien einde verbinden de Verdragstaten zich, door alle gepaste wetgevende of administratieve maatregelen de herziening te bevorderen van de bepalingen, neergelegd in hun wetten of reglementen of in de voorschriften en instructies van hun administratieve autoriteiten, voor zoover betreft de douane- en dergelijke formaliteiten, teneinde deze te vereenvoudigen en van tijd tot tijd aan te passen aan de behoeften van de handelsbetrekkingen met het buitenland en daarbij iedere belemmering te vermijden, die niet noodzakelijk zou zijn voor de bescherming van de wezenlijke belangen van het land. Artikel 2 De Verdragstaten verbinden zich het beginsel van de rechtvaardige behandeling nauwlettend in acht te"},{"i":8667,"b":"Internationale Koffieovereenkomst 2001 Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2006/76 gesteld op 30 september 2007. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2007/218 gesteld op 30 september 2008. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2010/71 gesteld op 30 september 2010. HOOFDSTUK I. DOELSTELLINGEN Artikel 1. Doelstellingen Vervallen HOOFDSTUK II. DEFINITIES Artikel 2. Definities Vervallen HOOFDSTUK III. ALGEMENE VERBINTENISSEN VAN DE LEDEN Artikel 3. Algemene verbintenissen van de leden Vervallen HOOFDSTUK IV. LIDMAATSCHAP Artikel 4. Lidmaatschap van de organisatie Vervallen Artikel 5. Afzonderlijk lidmaatschap voor aangewezen gebieden Vervallen Artikel 6. Groepslidmaatschap Vervallen HOOFDSTUK V. INTERNATIONALE KOFFIEORGANISATIE Artikel 7. Zetel en structuur van de Internationale Koffieorganisatie Vervallen Artikel 8. Voorrechten en immuniteiten Vervallen HOOFDSTUK VI. INTERNATIONALE KOFFIERAAD Artikel 9. Samenstelling van de Internationale Koffieraad Vervallen Artikel 10. Bevoegdheden en taken van de Raad Vervallen Artikel 11. Voorzitter en vice-voorzitters van de Raad Vervallen Artikel 12. Zittingen van de Raad Vervallen Artikel 13. Stemmen Vervallen Artikel 14. Stemprocedure in de Raad Vervallen Artikel 15. Besluiten van de Raad Vervallen Artikel 16. Samenwerking met andere organisaties Vervallen HOOFDSTUK VII. BESTUURSRAAD Artikel 17. Samenstelling en vergaderingen van de Bestuursraad Vervallen Artikel 18. Verkiezing van de Bestuursraad Vervallen Artikel 19. Bevoegdheden van de Bestuursraad Vervallen Artikel 20. Procedure bij het stemmen in de Bestuursraad Vervallen HOOFDSTUK VIII. PARTICULIERE KOFFIESECTOR Artikel 21. Wereldkoffieconferentie Vervallen Artikel 22. Adviesraad voor de Particuliere Sector Vervallen HOOFDSTUK IX. FINANCIËN Artikel 23. Financiën Vervallen Artikel 24. Vaststelling van de huishoudelijke begroting en van de bijdragen Vervallen Artikel 25. Betaling van de bijdragen Vervallen Artikel 26. Aansprakelijkheid Vervallen Artikel 27. Accountant"},{"i":8668,"b":"Internationale Overeenkomst, bestemd om te allen tijde en aan alle Mogendheden het vrije gebruik van het Kanaal van Suez te verzekeren IN NAAM VAN DEN ALMACHTIGEN GOD. Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg enz., Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Koning van Pruissen, Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk, Koning van Boheme enz. en Apostolisch Koning van Hongarije, Zijne Majesteit de Koning van Spanje en in Zijnen naam de Koningin Regentes van het Koninkrijk, de President der Fransche Republiek, Hare Majesteit de Koningin van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, Keizerin van Indië, Zijne Majesteit de Koning van Italië, Zijne Majesteit de Keizer aller Russen en Zijne Majesteit de Keizer der Ottomanen; willende door middel eener overeenkomst de vaststelling verzekeren eener blijvende regeling, strekkende om ten allen tijde en aan alle Staten het vrije gebruik van het zeekanaal van Suez te waarborgen en zoodoende de regeling aan te vullen, waaraan de vaart door dit kanaal onderworpen is door de »Firman” van Zijne Keizerlijke Majesteit den Sultan, gedagteekend van 22 Februari 1866 (2 Zilkadé 1282), tot goedkeuring der door Zijne Hoogheid den Khedive ingewilligde concessiën, hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg enz.: den heer GUSTAAF KEUN, Hoogstdeszelfs Zaakgelastigde; Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Koning van Pruissen: den heer JOZEF VON RADOWITZ, Hoogstdeszelfs Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur; Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk, Koning van Boheme enz. en Apostolisch Koning van Hongarije: den heer HEINRICH baron VON CALICE, Hoogstdeszelfs Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur; Zijne Majesteit de Koning van Spanje en in Zijnen naam de Koningin Regentes van het Koninkrijk: den heer DON MIGUEL FLOREZ Y GARCIA, Hoogstdeszelfs Zaakgelastigde; De President der Fransche Republiek: den heer GUSTAAF L"},{"i":8718,"b":"Notawisseling houdende een interimzetelverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het College van Eurojust Ministerie van Buitenlandse Zaken Treaties Division DJZ/VE-401/02 The Hague, 13 December 2002 The Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands presents its compliments to the College of Eurojust and has the honour to propose, in order to facilitate the work of Eurojust that pending the entry into force of the Seat Agreement with Eurojust, an interim agreement regarding the status of Eurojust in the Netherlands be concluded which shall read as follows: Article I Vervallen Article II Vervallen Article III Vervallen Article IV Vervallen Article V Vervallen Article VI Vervallen If this proposal is acceptable to the College of Eurojust, the Ministry proposes that this note and the affirmative note of the College of Eurojust shall constitute an Agreement between the Kingdom of the Netherlands and Eurojust, which shall enter into force on the date of receipt of the affirmative note of the College of Eurojust. The Ministry of Foreign Affairs avails itself of this opportunity to renew to the College of Eurojust the assurances of its highest consideration. **The College of Eurojust** **Maanweg 174** **2516 AB Den Haag**"},{"i":8759,"b":"Overeenkomst betreffende de opneming van de Internationale Populierencommissie in het kader van de F.A.O De overeenkomstsluitende staten, Gelet op de statuten van de Internationale Populierencommissie, opgericht in 1947 op voorstel van de Franse Regering na afloop van een in Parijs gehouden internationale populierenweek, de bedoeling van de oprichters van de Internationale Populierencommissie deze te plaatsen onder auspiciën van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, de door de Conferentie van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties in haar negende zitting in Resolutie nr. 47/57 tot uitdrukking gebrachte inzichten betreffende de wenselijkheid om iedere onzekerheid te vermijden ten aanzien van de rechtspositie van de onder bescherming van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties staande lichamen en om de rechtsbetrekkingen die tussen deze lichamen en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties bestaan nauwkeurig te omschrijven, en Opnieuw bevestigende de wenselijkheid om de internationale samenwerking te bevorderen bij de bestudering van alle wetenschappelijke, technische, sociale en economische vraagstukken die betrekking hebben op de populierenteelt, zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Status De Internationale Populierencommissie (hierna genoemd „de Commissie”) wordt opgenomen in het kader van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (hierna genoemd „de Organisatie”) en deze Overeenkomst, die voor dit doel is opgesteld, is onderworpen aan de bepalingen van artikel XIV van het Statuut van de Organisatie. Artikel II. Leden 1. Leden van de Commissie zijn de Lid-Staten of Geassocieerde Leden van de Organisatie, die deze Overeenkomst volgens de bepalingen van artikel XIII daarvan aanvaarden. 2. De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. Artikel III. Taak De Commissie heeft de volgende taak: - (a). het bestuderen van de wetenschappelijke, technische, sociale en economi"},{"i":8802,"b":"Overeenkomst inzake de invoer van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard **Preambule** De Overeenkomstsluitende Staten, Overwegende dat de vrije uitwisseling van denkbeelden en kennis, en, in het algemeen, de verbreiding op zo ruim mogelijke schaal van de verschillende manieren waarop de beschavingen zich kenbaar maken, van het allergrootste belang zijn zowel voor de intellectuele vooruitgang als voor een goede internationale verstandhouding en mitsdien voor het handhaven van de wereldvrede; Overwegende dat deze uitwisseling voornamelijk tot stand wordt gebracht door middel van boeken, publicaties en materiaal van opvoedkundige, wetenschappelijke en culturele aard; Overwegende dat het [Statuut van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003155) aandringt op de samenwerking tussen de naties op alle gebieden van intellectuele werkzaamheid met inbegrip van „de uitwisseling van publicaties, voorwerpen van belang uit artistiek en wetenschappelijk oogpunt en ander materiaal dat tot voorlichting kan dienen” en anderzijds bepaalt, dat de Organisatie zal „medewerken aan het bevorderen van de kennis en het begrip der volken onderling door alle middelen van volksvoorlichting en te dien einde iedere internationale overeenkomst aanbevelen, die dienstig kan zijn om de ongestoorde loop der denkbeelden door woord en beeld te vergemakkelijken”, Erkennen, dat een internationale overeenkomst strekkend om de ongestoorde loop van boeken, publicaties en van materiaal van opvoedkundige, wetenschappelijke en culturele aard te vergemakkelijken, een doeltreffend middel zal zijn om deze doeleinden te verwezenlijken; Hebben te dien einde overeenstemming bereikt t.a.v. de volgende bepalingen: Artikel I 1. De Overeenkomstsluitende Staten verplichten zich geen douanerechten en andere heffingen te doen gelden op of in verband met de invoer van: - (a). Boeken, publicaties en documenten, opgesomd i"},{"i":8811,"b":"Overeenkomst inzake de soevereiniteit, onafhankelijkheid, territoriale integriteit en onschendbaarheid, neutraliteit en nationale eenheid van Kambodja Australië, Brunei Darussalam, Canada, de Volksrepubliek China, de Republiek der Filipijnen, de Franse Republiek, de Republiek India, de Republiek Indonesië, Japan, de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, Kambodja, de Democratische Volksrepubliek Laos, Maleisië, de Republiek Singapore, het Koninkrijk Thailand, de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Verenigde Staten van Amerika en de Socialistische Republiek Vietnam, In aanwezigheid van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, Ervan overtuigd dat een uitgebreide politieke regeling voor Kambodja van wezenlijk belang is voor de verwezenlijking van het op lange termijn nagestreefde doel, de handhaving van vrede en veiligheid in Zuidoost-Azië, Herinnerend aan hun verplichtingen krachtens het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en andere regels van internationaal recht, Overwegend dat volledige naleving van de beginselen van niet-inmenging en niet-interventie in de binnenlandse en buitenlandse aangelegenheden van Staten van het grootste belang is voor de handhaving van internationale vrede en veiligheid, Opnieuw het onvervreemdbare recht van Staten bevestigend om vrij hun eigen politieke, economische, culturele en sociale stelsel te bepalen in overeenstemming met de wil van hun volk, zonder inmenging, ondermijning, dwang of bedreiging van welke aard ook van buitenaf, Geleid door de wens de eerbiediging en inachtneming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overeenkomstig het [Handvest der Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) en andere toepasselijke internationale documenten te bevorderen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. Kambodja neemt hierbij plechtig de verplichting op zich zijn s"},{"i":8812,"b":"Overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van de artikelen 55 en 56 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op het [Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047), ondertekend te 's-Gravenhage op 3 februari 1958 en met name de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047&artikel=2), [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047&artikel=55) en [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047&artikel=56) daarvan, Overwegende, dat zij op grond van [artikel 55 van genoemd Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047&artikel=55) verplicht zijn bij overeenkomst de voorwaarden te bepalen, waaraan het binnenkomen, het verlaten, de bewegingsvrijheid, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de onderdanen van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij kunnen worden onderworpen op grond van overwegingen, die verband houden met de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden, Overwegende, dat zij krachtens [artikel 56 van bedoeld Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047&artikel=56) voorts moeten onderzoeken in hoeverre de behandeling van de onderdanen van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dient te worden neergelegd in nader vast te leggen voorschriften aangaande die wettelijke en gerechtelijke bescherming van hun persoon, hun rechten en hun belangen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De onderdanen van elk der Verdragsluitende Partijen kunnen het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partijen binnenkomen, mits zij in het bezit zijn van een identiteitsbewijs. De aard van dit document zal worden bepaald door het Comité van Ministers, ingesteld bij [artikel 15 van"},{"i":8813,"b":"Overeenkomst inzake de toelating van stagiaires in Frankrijk en in Nederland De Regering van de Franse Republiek en De Regering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Verlangende de vorming van Nederlandse en Franse stagiaires wat hun beroep betreft te bevorderen, Komen als volgt overeen: Artikel 1 Deze Overeenkomst is van toepassing op stagiaires, te weten op onderdanen van een van beide landen, die zich voor een bepaalde tijd naar het andere land begeven ten einde hun kennis van de taal en/of van de handels- of beroepsgewoonten van dat land te vervolmaken, terwijl zij daar te lande een betrekking vervullen. Het is de stagiaires vergund een betrekking te vervullen overeenkomstig de voorwaarden als bepaald in de volgende artikelen, zonder dat de toestand van de arbeidsmarkt, voorzover deze hun beroep betreft, in overweging genomen zal worden. Artikel 2 Stagiaires kunnen van het manlijk of van het vrouwelijk geslacht zijn. In het algemeen mogen zij niet ouder zijn dan 30 jaar. Artikel 3 In beginsel wordt de vergunning verleend voor de tijd van één jaar. Bij uitzondering kan deze termijn voor zes maanden worden verlengd. Artikel 4 Het aantal stagiaires hetwelk in elk der beide Staten kan worden toegelaten, mag ten hoogste jaarlijks 500 bedragen. Deze maximum grens heeft geen betrekking op de stagiaires van een van beide Staten, die reeds in het gebied van de andere Staat verblijven. Zij mag bereikt worden ongeacht de duur van de tijd voor welke vergunningen, in de loop van een jaar afgegeven, zijn verleend en gedurende welke van deze vergunningen gebruik gemaakt is. Indien dit contingent van 500 vergunningen door de stagiaires van één van beide Staten in de loop van een jaar niet wordt bereikt, mag deze Staat het aantal vergunningen aan de stagiaires van de andere Staat verleend niet verminderen; evenmin mag hij het niet gebruikte restant van zijn contingent voegen bij dat van het volgend jaar. Het contingent van 500 stagiaires is geldig voor de tijd van een"},{"i":8814,"b":"Overeenkomst inzake de toelating van stagiaires in Nederland en in Noorwegen De Nederlandse Regering en de Noorse Regering, Verlangend op doelmatige wijze de vorming van Nederlandse en Noorse stagiaires te bevorderen, zowel wat hun beroep als wat de taal betreft, Komen als volgt overeen: Artikel 1 Deze Overeenkomst is van toepassing op stagiaires, dat is op onderdanen van een van beide landen, die zich voor een bepaalde tijd naar het andere land begeven ten einde hun vorming te vervolmaken wat hun beroep of de taal betreft, terwijl zij daar te lande een betrekking vervullen. Het is de stagiaires vergund een betrekking te vervullen overeenkomstig de voorwaarden als hieronder bebepaald, zonder dat de toestand van de arbeidsmarkt in overweging zal worden genomen. Artikel 2 Stagiaires kunnen van het manlijk of van het vrouwelijk geslacht zijn. Zij kunnen handenarbeid of hoofdwerk verrichten. In het algemeen mogen zij niet ouder zijn dan 30 jaar. Artikel 3 In beginsel wordt de vergunning verleend voor de tijd van een jaar. Bij uitzondering kan deze termijn voor zes maanden worden verlengd. Artikel 4 Behoudens bijzondere vergunning van de bevoegde instanties, in ieder geval afzonderlijk, mogen stagiaires geen enkele andere bezoldigde arbeid verrichten of beroep uitoefenen dan de arbeid of het beroep waarvoor de vergunning is verleend. Artikel 5 Werkvergunningen ten gunste van stagiaires worden slechts afgegeven, indien de werkgevers, die hen in dienstbetrekking wensen te nemen, zich tegenover de bevoegde instanties verplichten hun, op voorwaarde dat zij normale arbeid verrichten, een loon uit te betalen, hetzij overeenkomstig de bij collectieve arbeidsovereenkomsten vastgestelde tarieven, hetzij, bij gebreke van zodanige overeenkomsten, overeenkomstig de voor het beroep en in de streek normale en gangbare loonschalen. In alle andere gevallen verbinden de werkgevers zich, hun een beloning te geven welke overeenkomt met hun diensten en welke hen ten minste in staat moet ste"},{"i":8815,"b":"Overeenkomst inzake de uitwisseling van officiële publikaties en regeringsdocumenten tussen Staten De Algemene Vergadering van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, van 4 november tot 5 december 1958 te Parijs bijeengekomen voor haar tiende zitting, Ervan overtuigd dat voor een vrije uitwisseling van gedachten en kennis tussen de volken van de wereld uitbreiding van de internationale uitwisseling van publikaties onontbeerlijk is, Overwegende het belang dat het [Statuut van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003155) aan de internationale uitwisseling van publikaties hecht, Gelet op de bepalingen ten aanzien van de uitwisseling van officiële publikaties, zoals opgenomen in het Verdrag inzake de internationale uitwisseling van officiële documenten en van wetenschappelijke en litteraire publikaties en in het Verdrag nopens de onmiddellijke uitwisseling van staatscouranten en parlementaire annalen en documenten, gesloten te Brussel op 15 maart 1886, alsmede in verschillende regionale overeenkomsten inzake de uitwisseling van publikaties, Gezien de behoefte aan een nieuwe internationale overeenkomst inzake de uitwisseling tussen Staten van officiële publikaties en regeringsdocumenten, Kennis genomen hebbende van de voorstellen inzake de uitwisselingen tussen Staten van officiële publikaties en regeringsdocumenten, welk onderwerp punt 15.4.1 van de agenda van de zitting vormt, Besloten hebbende tijdens haar negende zitting, dat deze voorstellen internationaal geregeld dienen te worden door aanvaarding van een internationale overeenkomst, Aanvaardt heden, de derde december 1958, deze Overeenkomst. Artikel 1. Uitwisseling van officiële publikaties en regeringsdocumenten De Overeenkomstsluitende Staten geven uiting aan hun bereidheid hun officiële publikaties en regeringsdocumenten op basis van wederkerigheid uit te wisselen overeenkomstig de bepalingen van de"},{"i":8816,"b":"Overeenkomst inzake de uitwisseling van stagiaires tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk Denemarken; Verlangende de opleiding van Nederlandse en Deense stagiaires, wat hun vakkennis en hun kennis van de taal betreft, te bevorderen; Zijn overeengekomen als volgt; Artikel 1 a). Deze Overeenkomst is van toepassing op stagiaires, dat wil zeggen op onderdanen van een van beide Staten die zich voor een beperkte tijdsduur naar het grondgebied van de andere Staat begeven ten einde hun vakkennis en hun kennis van de taal te verbeteren door het vervullen van een dienstbetrekking. b). Stagiaires kunnen van beiderlei kunne zijn en kunnen zowel als handarbeider als als hoofdarbeider worden tewerkgesteld. Als algemene regel zullen zij de leeftijd van 18 jaar moeten hebben bereikt en niet ouder mogen zijn dan 30 jaar. Artikel 2 De stagiaires wordt toegestaan onder de in de volgende artikelen vastgestelde voorwaarden een dienstbetrekking te vervullen, onafhankelijk van de stand van de Arbeidsmarkt in het algemeen en in het desbetreffende beroep. Artikel 3 a). Het aantal vergunningen dat aan stagiaires van elk der beide Staten krachtens deze Overeenkomst zal kunnen worden verleend, mag ten hoogste 100 per kalenderjaar bedragen. b). Deze beperking is niet afhankelijk van het aantal stagiaires dat reeds op het grondgebied van een van beide Staten verblijft als gevolg van de verlenging van hun stage onder de in artikel 4 genoemde voorwaarden en houdt evenmin verband met de duur waarvoor de in een bepaald jaar afgegeven vergunningen zijn verleend, noch met de tijd gedurende welke er gebruik van wordt gemaakt. c). Indien het toegestane quotum in de loop van een jaar niet werd bereikt door de stagiaires van een Staat, mag deze Staat het aantal vergunningen bestemd voor stagiaires van de andere Staat niet verminderen, noch het niet gebruikte deel van zijn quotum naar het volgende k"},{"i":8817,"b":"Overeenkomst inzake de uitwisseling van stagiaires tussen Nederland en Finland De Regering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en De Regering van de Republiek Finland, Verlangende de uitwisseling van stagiaires tussen haar landen te bevorderen, komen als volgt overeen: Artikel 1 Deze Overeenkomst is van toepassing op „stagiaires”, dat is op onderdanen van een van beide landen, die zich voor een bepaalde tijd naar het andere land begeven ten einde hun kennis te vervolmaken wat de taal of hun beroep betreft, terwijl zij een betrekking vervullen. Het is de stagiaires vergund een betrekking te vervullen overeenkomstig de voorwaarden bij de artikelen hieronder bepaald, zonder dat de toestand van de arbeidsmarkt in overweging zal worden genomen. Artikel 2 Stagiaires kunnen van het manlijk of van het vrouwelijk geslacht zijn. In het algemeen mogen zij niet ouder zijn dan 30 jaar. Artikel 3 In beginsel wordt de vergunning verleend voor de tijd van een jaar. Bij uitzondering kan deze termijn voor zes maanden worden verlengd. Artikel 4 Het aantal stagiaires die in elk van beide Staten kunnen worden toegelaten mag ten hoogste jaarlijks 50 bedragen. Deze grens geldt niet voor stagiaires van een van beide Staten, die reeds in het gebied van de andere Staat verblijven. Zij mag bereikt worden ongeacht de duur van de tijd voor welke vergunningen, in de loop van een jaar afgegeven, zijn verleend en gedurende welke van deze vergunningen gebruik is gemaakt. Indien het contingent van 50 stagiaires van een van beide Staten in de loop van een jaar niet wordt bereikt, mag deze het aantal vergunningen, aan de stagiaires van de andere Staat verleend, niet verminderen; evenmin mag hij het niet gebruikte restant van zijn contingent voegen bij dat van het volgend jaar. Het contingent van 50 stagiaires geldt voor het jaar lopend van 1 Januari tot 31 December. Het kan later worden gewijzigd krachtens een overeenkomst welke, op een daartoe door een van beide Staten gedaan voorstel, uit"},{"i":8818,"b":"Overeenkomst inzake de vaststelling van een gemeenschappelijk douanetarief voor de produkten voorkomende op lijst A1 van bijlage IV van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM) De Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom), hierna genoemd Gemeenschap; Gezien de bepalingen van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Gemeenschap, hierna genoemd Verdrag, met name de bepalingen van artikel 94 **a** en **c**; Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen stellen in het raam van en overeenkomstig de bepalingen van de Naamlijst van Brussel (Naamlijst voor de classificatie van goederen in de douanetarieven - 1955) een gemeenschappelijk douanetarief vast, dat voor de produkten van lijst A, Bijlage IV, van het Verdrag in de bij deze Overeenkomst behorende Bijlage is opgenomen. Artikel 2 Na 1 januari 1959 kunnen de onderhavige Overeenkomst en Bijlage worden gewijzigd volgens een overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag vast te stellen procedure. Artikel 3 In afwachting van de inwerkingtreding van de douanetarieven welke zijn gebaseerd op de Naamlijst van Brussel, zullen België, Italië, Luxemburg en Nederland het gemeenschappelijk douanetarief in het raam van de thans bestaande douanetarieven toepassen. Artikel 4 De Lid-Staten welke deze Overeenkomst ondertekenen onder voorbehoud van parlementaire goedkeuring, zullen deze goedkeuring zo spoedig mogelijk aan de Commissie mededelen. De Lid-Staten die de goedkeuring niet vóór 1 januari 1959 hebben kunnen mededelen, zullen vanaf deze datum de bepalingen van deze Overeenkomst voorlopig toepassen, overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen. De Lid-Staten stellen de Commissie op de hoogte van de maatregelen welke met het oog op de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst zijn genomen. Artikel 5 De onderhavige Overeenkomst, opgemaakt in één exemplaar in de Duitse, Franse, Italiaanse en Nederla"},{"i":8819,"b":"Overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een hechtere eenheid tussen zijn leden, Verlangend een registratiestelsel in het leven te roepen dat een erflater de mogelijkheid biedt zijn testament te doen registreren ten einde, aan de ene kant, het risico te verkleinen dat het bestaan van het testament onbekend blijft of te laat bekend wordt en, aan de andere kant, na het overlijden van de erflater, de opsporing van het testament te vergemakkelijken, Overtuigd dat een zodanig stelsel met name de opsporing van in het buitenland gemaakte testamenten zou vergemakkelijken, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Staten verbinden zich tot het overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst vaststellen van een registratiestelsel voor testamenten, ten einde na het overlijden van de erflater de opsporing van diens testament te vergemakkelijken. Artikel 2 Ter uitvoering van deze Overeenkomst worden door elk der Overeenkomstsluitende Staten een of meer organen in het leven geroepen of aangewezen, die belast worden met de bij deze Overeenkomst voorgeschreven registratie en met het beantwoorden van verzoeken om inlichtingen overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, tweede lid. Artikel 3 1. Ter vergemakkelijking van de internationale samenwerking wijst elk der Overeenkomstsluitende Staten een nationaal orgaan aan, dat rechtstreeks: - (a). regelingen treft voor de in artikel 6 bedoelde registratie in andere Overeenkomstsluitende Staten; - (b). verzoeken om inlichtingen in ontvangst neemt, afkomstig van de nationale organen van andere Overeenkomstsluitende Staten en die beantwoordt onder de in artikel 8 bedoelde voorwaarden. 2. Elk der Overeenkomstsluitende Staten geeft aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa kennis van de naam en het adres van het ing"},{"i":8821,"b":"Overeenkomst inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Republiek Turkije, Geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de investeerders van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan zulke investeringen toe te kennen behandeling, het kapitaalverkeer en de uitwisseling van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren en dat een billijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst: - (a). betekent „investeerder” - (i). een natuurlijke persoon die onderdaan is van een Overeenkomstsluitende Partij krachtens haar van toepassing zijnde wet; - (ii). een rechtspersoon, opgericht of ingesteld of anderszins naar behoren opgezet krachtens de van toepassing zijnde wetten en voorschriften van een Overeenkomstsluitende Partij. - (b). betekent „investering” alle vermogensbestanddelen zoals actief vermogen, schulden, vorderingen, dienstverlenings- en investeringsovereenkomsten, en omvat onder meer: - (i). stoffelijke en onstoffelijke zaken, daaronder begrepen rechten zoals hypotheken, verhaalsrechten en pandrechten; - (ii). aandelen of andere belangen in een onderneming of belangen in de activa daarvan; - (iii). een financiële vordering of een vordering ten aanzien van een prestatie, die economische waarde bezit en verband houdt met een investering; - (iv). industriële eigendomsrechten, daaronder begrepen rechten ten aanzien van octrooien, handelsmerken, handelsnamen, industriële ontwerpen, technische ke"},{"i":8822,"b":"Overeenkomst inzake de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van het zeevervoer van nucleaire stoffen De Hoge Overeenkomstsluitende Partijen, Overwegende dat het [Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001020) en het [Aanvullend Protocol bij dat Verdrag van 28 januari 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001019) (hierna te noemen: „het Verdrag van Parijs”) en het Verdrag van Wenen van 21 mei 1963 inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade (hierna te noemen: „het Verdrag van Wenen”) erin voorzien dat in geval van schade, veroorzaakt door een kernongeval dat zich voordoet tijdens het zeevervoer van nucleaire stoffen waarop deze Verdragen van toepassing zijn, de exploitant van een kerninstallatie de voor zodanige schade aansprakelijke persoon is, Overwegende dat soortgelijke bepalingen voorkomen in de van kracht zijnde nationale wetgeving van enkele Staten, Overwegende dat de toepassing van elke eerdere internationale Overeenkomst op het gebied van zeevervoer evenwel wordt gehandhaafd, Geleid door de wens te bewerkstelligen dat uitsluitend de exploitant van een kerninstallatie aansprakelijk zal zijn voor schade veroorzaakt door een kernongeval dat zich voordoet tijds het zeevervoer van nucleaire stoffen, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Elke persoon die krachtens een internationale overeenkomst of een nationale wet betreffende zeevervoer aansprakelijk kan worden gesteld voor schade die is veroorzaakt door een kernongeval, wordt van deze aansprakelijkheid ontheven: - a. indien de exploitant van een kerninstallatie voor zodanige schade aansprakelijk is krachtens het [Verdrag van Parijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001020) of het Verdrag van Wenen, of - b. indien de exploitant van een kerninstallatie voor zodanige schade aansprakelijk is krachtens een nationale wet die de aansprakelijkheid voor zodanige schade regelt, mit"},{"i":7063,"b":"Overeenkomst nopens handelsschulden van personen woonachtig in Turkije De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk Zweden, de Zwitserse Bondsstaat en de Turkse Republiek (hieronder genoemd de „Turkse Regering”); Overwegende dat zij Lid zijn van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (hieronder genoemd de „Organisatie”); Overwegende dat, op 29 juli 1958, de Raad van de Organisatie een Resolutie betreffende het Turkse stabilisatieprogramma (hieronder genoemd de „Resolutie”) heeft aangenomen, waarin hij nota nam van een verklaring van de Turkse Regering dat een wijziging moest worden aangebracht in de dienst van schulden van personen woonachtig in Turkije aan personen woonachtig in de andere landen der andere Overeenkomstsluitende Partijen; Vaststellende dat na afloop van het transfermoratorium, waarvan de Organisatie nota genomen had in haar resolutie, de Turkse Regering in staat zal zijn om, binnen het kader van de onderhavige Overeenkomst, op de data voorzien in de Overeenkomst, de transfer te hervatten van de betalingen voor bepaalde categorieën van schulden van personen woonachtig in Turkije; Erkennende dat hiervoor een gemeenschappelijke inspanning noodzakelijk blijkt; Overwegende dat de Organisatie in haar resolutie aan de belanghebbende regeringen heeft gevraagd regelingen te treffen met betrekking tot de terugbetaling van dergelijke schulden, die vervallen zijn of in de loop van de eerstkomende jaren zullen vervallen, en een spreiding van de terugbetaling daarvan over een periode, rekening houdend met de betalingsmogelijkheden van Turkije, in verband met de behoeften en de verwachte resultaten van het stabilisatieprogramma van dat land; V"},{"i":8968,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bolivia inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Bolivia, Geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen uit te breiden en te intensiveren, in het bijzonder met betrekking tot investeringen door onderdanen van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, Erkennend dat overeenstemming omtrent de aan zodanige investeringen toe te kennen behandeling de kapitaalstroom en de overdracht van technologie, alsmede de economische ontwikkeling van de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen TEN BLIJKE WAARVAN, de ondertekenende vertegenwoordigers, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend. GEDAAN in twee exemplaren, te La Paz, Republiek Bolivia op 10 maart 1992 in de Nederlandse, de Spaanse en de Engelse taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek. In geval van geschillen omtrent de uitlegging is de Engelse tekst doorslaggevend. (w.g.) H. C. R. M. PRINCEN **Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden** (w.g.) C. ITURRALDE BALLIVAN **Voor de Regering van de Republiek Bolivia,**"},{"i":8970,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cyprus betreffende het internationale wegvervoer De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Cyprus, hierna te noemen „de Overeenkomstsluitende Partijen”, Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, het goederenvervoer over de weg tussen hun beide landen en het transitovervoer over hun grondgebied te bevorderen; Besloten hebbende een Overeenkomst te sluiten ten einde bestaande faciliteiten te bevestigen en verdere faciliteiten te scheppen; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Elk der Overeenkomstsluitende Partijen staat vervoerders die op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij zijn gevestigd en die zijn gemachtigd internationaal goederenvervoer over de weg uit te voeren overeenkomstig de wetten en voorschriften van de andere Overeenkomstsluitende Partij, toe zonder bijzondere vergunningen goederen te vervoeren: - a. tussen enige plaats op haar grondgebied en enige plaats buiten dat grondgebied. - b. in doorvoer over haar eigen grondgebied. Artikel 2 Niets in deze Overeenkomst wordt geacht vervoerders die op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen zijn gevestigd, toe te staan goederen te vervoeren die zijn geladen op enige plaats op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij naar enige andere plaats op hetzelfde grondgebied. Artikel 3 Tenzij in deze Overeenkomst anders is bepaald, dienen vervoerders die op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen zijn gevestigd, de wetten en voorschriften van de andere Overeenkomstsluitende Partij na te leven. Artikel 4 In geval van overtreding van de bepalingen van deze Overeenkomst door een vervoerder die op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen is gevestigd, kan de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied de overtreding plaatsvond, hiervan kennisgeven aan de andere Overeenkomstsluitende Partij, die de"},{"i":8974,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Guinee-Bissau inzake de tewerkstelling van Nederlandse vrijwilligers De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Guinee-Bissau, Geleid door de wens de goede verstandhouding en de vriendschappelijke betrekkingen tussen de volken van beide landen te versterken door middel van uitwisseling van kennis en beroepservaring, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen EN FOI DE QUOI les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Accord. FAIT à Bissau, le 15 avril 1981, en deux exemplaires, en langue française. **Pour le Gouvernement du** **Royaume des Pays-Bas,** (s.) J. B. HOEKMAN J. B. Hoekman Ambassadeur **Pour le Gouvernement de la** **République de Guinée-Bissau,** (s.) I. SEMEDO Inácio Semedo Directeur Général de la Coopération Internationale"},{"i":8975,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië inzake Westelijk Nieuw-Guinea (West Irian) Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië, Indachtig de belangen en het welzijn van de volkeren van het gebied Westelijk Nieuw-Guinea (West Irian), hierna te noemen ,,het gebied”, Verlangend hun geschil betreffende het gebied te regelen, Zijn mitsdien overeengekomen als volgt: Bekrachtiging der Overeenkomst en Resolutie der Algemene Vergadering van de Verenigde Naties Artikel I Nadat deze Overeenkomst tussen Nederland en Indonesië door beide Overeenkomstsluitende Partijen is ondertekend en bekrachtigd, zullen Nederland en Indonesië gezamenlijk een ontwerp-resolutie bij de Verenigde Naties indienen, bij welke de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties kennis neemt van deze Overeenkomst, de rol in deze Overeenkomst opgedragen aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties erkent en hem machtigt de hem bij deze Overeenkomst toevertrouwde taken uit te voeren. Overdracht van het bestuur Artikel II Na de aanvaarding van de in artikel I bedoelde resolutie, draagt Nederland het bestuur over het gebied over aan een Tijdelijk Bestuursorgaan van de Verenigde Naties (United Nations Temporary Executive Authority; UNTEA), ingesteld door en onder gezag staand van de Secretaris-Generaal, zodra de ingevolge artikel IV benoemde Bestuurder der Verenigde Naties ter plaatse zal zijn aangekomen. Het UNTEA draagt op zijn beurt het bestuur over aan Indonesië, overeenkomstig artikel XII. Het bestuur door de Verenigde Naties Artikel III Teneinde, na de aanvaarding van de resolutie door de Algemene Vergadering, de overdracht van het bestuur aan het UNTEA te vergemakkelijken, nodigt Nederland de Secretaris-Generaal uit, een vertegenwoordiger te zenden om gedurende korte tijd met de Nederlandse Gouverneur van het gebied vóór diens vertrek overleg te plegen. De Nederlandse Gouverneur vertrekt vóór de aankomst van de Bestuurder der Verenigde Naties. Artik"},{"i":9011,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake het wederzijds meerekenen van voorraden ruwe aardolie, halffabrikaten van aardolie en aardolieprodukten De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Groothertogdom Luxemburg Overwegende dat: de richtlijn 68/414/EEG van 20 december 1968 van de Raad van de Europese Gemeenschappen de Lid-Staten van de EG ertoe verplicht een minimumvoorraad van 65 dagen ruwe aardolie en/of aardolieprodukten in opslag te houden en dat, meer inzonderheid, artikel 6 - lid 2 - van deze richtlijn voorziet in het meerekenen van de voorraden gelegen op het grondgebied van een andere Lid-Staat in het kader van bijzondere intergouvernementele overeenkomsten; de richtlijn 72/425/EEG van 19 december 1972 van de Raad der Europese Gemeenschappen de referentie-periode om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieprodukten in opslag te houden, van 1 januari 1975 af, op 90 dagen brengt; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I Voor de toepassing van het bij of krachtens deze Overeenkomst bepaalde wordt verstaan onder: „Voorraden”: voorraden ruwe aardolie, halffabrikaten van aardolie en aardolieprodukten; „Voorraadplicht”: - -. in het Koninkrijk der Nederlanden: de verplichting tot het aanhouden van voorraden, zoals deze voortvloeit uit de Wet voorraadvorming aardolieprodukten van 21 oktober 1976 (**Stbl.**1976, 569), en - -. in het Groothertogdom Luxemburg: de verplichting tot het aanhouden van voorraden, zoals deze voortvloeit uit het Groothertogelijk Reglement van 31 oktober 1973 met betrekking tot de voorraadverplichtingen van aardolieprodukten (Mémorial A 1973 pagina 1424); „Nederlandse, onderscheidenlijk Luxemburgse voorraadplichtige”: hij, die onderworpen is aan de Nederlandse, onderscheidenlijk Luxemburgse voorraadplicht. Artikel II In Nederland opgeslagen voorraden kunnen in het raam der navolgende bepalingen worden meegerekend door Luxemburgse voorraadplichtigen. Artikel III"},{"i":9029,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake internationaal vervoer over de weg De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Oekraïne, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen, Geleid door de wens, in het belang van hun economische betrekkingen, de ontwikkeling te bevorderen van het vervoer van goederen en personen over de weg in, naar en vanuit hun landen en in doorvoer over hun grondgebied, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Toepassingsgebied 1. De bepalingen van deze Overeenkomst zijn van toepassing op het internationaal vervoer van goederen en personen over de weg tegen betaling of voor eigen rekening tussen de Overeenkomstsluitende Partijen, in doorvoer over hun grondgebied, naar of van derde landen, en op het vervoer van goederen en personen binnen het grondgebied van een van beide Overeenkomstsluitende Partijen, hierna te noemen cabotage, verricht door vervoerders met voertuigen zoals omschreven in artikel 2. 2. De Overeenkomstsluitende Partijen waarborgen de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit eventueel tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne te sluiten overeenkomsten. De Overeenkomstsluitende Partij die lidstaat is van de Europese Gemeenschappen zal deze Overeenkomst toepassen in overeenstemming met haar verplichtingen ingevolge de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap zoals gewijzigd of aangevuld. Artikel 2. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - 1. „vervoerder\": een persoon (met inbegrip van een rechtspersoon) die in een der Overeenkomstsluitende Partijen gevestigd is en die overeenkomstig de desbetreffende nationale wetten en voorschriften in het land van vestiging wettig is toegelaten tot de markt voor het vervoer van goederen of personen over de weg tegen betaling of voor eigen rekening; - 2. „voertuig\": een motorvoertuig of combinatie van voertuigen waarvan ten minste het motorvoertuig is geregistreerd in een der Ove"},{"i":9037,"b":"Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, herzien te Stockholm op 14 juli 1967 Artikel 1 1). De landen waarvoor deze Overeenkomst geldt vormen een bijzondere Unie. 2). Zij aanvaarden met het oog op de inschrijving van merken een zelfde classificatie van waren en diensten. 3). Deze classificatie wordt gevormd door: - a). een lijst van de klassen, - b). een alfabetische lijst van de waren en diensten met vermelding van de klassen waarin zij zijn ingedeeld. 4). De lijst van de klassen en de alfabetische lijst van waren zijn die, welke in 1935 zijn uitgegeven door het Internationale Bureau voor de bescherming van de industriële eigendom. 5). De lijst van de klassen en de alfabetische lijst van waren en diensten kunnen worden gewijzigd of aangevuld door de krachtens artikel 3 van deze Overeenkomst ingestelde commissie van deskundigen en op de door genoemd artikel vastgestelde wijze. 6). De classificatie wordt in de Franse taal opgesteld en, op verzoek van ieder overeenkomstsluitend land, kan daarvan een officiële vertaling in zijn taal wonden openbaar (gemaakt door het Internationale Bureau van de intellectuele eigendom (hierna te noemen het „Internationale Bureau”), bedoeld in het [Verdrag ter oprichting van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004328) (hierna te noemen de „Organisatie”) in overeenstemming met de betrokken nationale Administratie. Elke vertaling van de lijst van de waren en diensten vermeldt bij de waren of diensten, behalve het rangnummer van de alfabetische opsomming in de desbetreffende taal, ook het rangnummer waaronder het op de in de Franse taal opgestelde lijst voorkomt. Artikel 2 1). Onder voorbehoud van de door deze Overeenkomst opgelegde verplichtingen is de betekenis van de internationale classificatie die, welke daaraan door elk overeenkomstsluitend land wordt toegekend. In het"},{"i":9036,"b":"Overeenkomst van Nice betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten waarop fabrieks- of handelsmerken betrekking hebben, ondertekend op 15 juni 1957 Artikel 1 (1). De landen, waarvoor deze Overeenkomst geldt, vormen een bijzondere Unie. (2). Zij aanvaarden met het oog op de inschrijving van merken eenzelfde classificatie van waren en diensten. (3). Deze classificatie wordt gevormd door: - a). een lijst van de klassen; - b). een alfabetische lijst van de waren en diensten met vermelding van de klassen, waarin zij zijn ingedeeld. (4). De lijst van de klassen en de alfabetische lijst van waren zijn die, welke in 1935 zijn uitgegeven door het Internationaal Bureau voor de bescherming van de industriële eigendom. (5). De lijst van de klassen en de alfabetische lijst van waren en diensten kunnen worden gewijzigd en aangevuld door de krachtens artikel 3 van deze Overeenkomst ingestelde commissie van deskundigen op de door genoemd artikel vastgestelde wijze. (6). De classificatie zal in de Franse taal worden opgesteld en, op verzoek van ieder Overeenkomstsluitend land, zal daarvan een officiële vertaling in zijn taal kunnen worden openbaar gemaakt door het Internationaal Bureau in overleg met de betrokken nationale Administratie. Elke vertaling van de lijst van waren en diensten zal bij de waren of diensten, behalve het rangnummer van de alfabetische opsomming in de desbetreffende taal, ook het rangnummer van de in de Franse taal opgestelde lijst vermelden. Artikel 2 (1). Onder voorbehoud van de door deze Overeenkomst opgelegde verplichtingen is de betekenis van de internationale classificatie die, welke daaraan door elk Overeenkomstsluitend land wordt toegekend. In het bijzonder bindt de internationale classificatie de Overeenkomstsluitende landen noch wat betreft de beoordeling van de omvang der bescherming van het merk, noch wat betreft de erkenning van de dienstmerken. (2). Elk der Overeenkomstsluitende landen behoudt zich het recht voor om de int"},{"i":9038,"b":"Overeenkomst van Parijs De Partijen bij deze Overeenkomst, Partij zijnde bij het [Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering](onbekend), hierna te noemen „het Verdrag”, Overeenkomstig het Platform van Durban voor versterkte maatregelen dat bij Besluit 1/CP.17 van de zeventiende zitting van de Conferentie van de Partijen bij het [Verdrag](onbekend) is ingesteld, Strevende naar het doel van het [Verdrag](onbekend) en geleid door de beginselen ervan, waaronder het beginsel van billijkheid en gezamenlijke, doch verschillende, verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden, in het licht van uiteenlopende nationale omstandigheden, De noodzaak erkennende van een doeltreffende en toenemende reactie op de urgente dreiging van klimaatverandering op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke kennis, Tevens erkennende dat rekening dient te worden gehouden met de specifieke behoeften en bijzondere omstandigheden van Partijen die ontwikkelingslanden zijn, met name die welke bijzonder kwetsbaar zijn voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering, zoals bepaald in het [Verdrag](onbekend), Ten volle rekening houdende met de specifieke behoeften en bijzondere omstandigheden van de minst ontwikkelde landen wat de financiering en de overdracht van technologie betreft, Erkennende dat Partijen mogelijk niet alleen door klimaatverandering worden getroffen, maar ook door de gevolgen van de maatregelen die als reactie daarop worden genomen, Het intrinsieke verband benadrukkende tussen maatregelen en optreden naar aanleiding van klimaatverandering en de gevolgen ervan enerzijds en de billijke toegang tot duurzame ontwikkeling en uitbanning van armoede anderzijds, Erkennende dat het waarborgen van voedselzekerheid en het beëindigen van honger fundamentele prioriteiten zijn en dat voedselproductiesystemen bijzonder kwetsbaar zijn voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering, Rekening houdende met de noodzaak van een rechtvaardige transitie voor de beroepsbe"},{"i":9039,"b":"Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende het internationaal depot van tekeningen of modellen van nijverheid van 6 november 1925, herzien te Londen op 2 juni 1934 en te 's-Gravenhage op 28 november 1960 De Overeenkomstsluitende Staten, geleid door de wens om aan de ontwerpers van tekeningen of modellen van nijverheid de mogelijkheid te bieden door middel van een internationaal depot een doeltreffende bescherming in een groter aantal staten te verkrijgen; van mening dat te dien einde de Overeenkomst betreffende het internationaal depot van tekeningen of modellen van nijverheid, ondertekend te 's-Gravenhage op 6 november 1925 en herzien te Londen op 2 juni 1934, behoort te worden herzien; zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. De Overeenkomstsluitende Staten vormen een bijzondere Unie voor het internationaal depot van tekeningen of modellen van nijverheid. 2. Slechts de Lid-Staten van de Internationale Unie voor de bescherming van de intellectuele eigendom kunnen partij zijn bij deze Overeenkomst. Artikel 2 In deze Overeenkomst dient te worden verstaan onder: Overeenkomst van 1925: De Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende het internationaal depot van tekeningen of modellen van nijverheid van 6 november 1925. Overeenkomst van 1934: De Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende het internationaal depot van tekeningen of modellen van nijverheid van 6 november 1925, herzien te Londen op 2 juni 1934. Deze Overeenkomst: De Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende het internationaal depot van tekeningen of modellen van nijverheid, zoals neergelegd in deze akte. Het Reglement: Het reglement van uitvoering van deze Overeenkomst. Internationaal Bureau: Het Internationale Bureau voor de intellectuele eigendom. Internationaal Depot: Een depot dat bij het Internationaal Bureau is verricht. Nationaal Depot: Een depot dat bij de nationale administratie van een Overeenkomstsluitende Staat is verricht. Meervoudig Depot: Een depot dat verscheidene tekeningen of modellen om"},{"i":9061,"b":"Protocol betreffende de nationale behandeling bij de aanbesteding van werken en de aankoop van goederen De Regeringen van Nederland, België en Luxemburg, Gelet op hoofdstuk IV, punt 3, van het Protocol van Oostende van 31 juli 1950, betreffende de nationale behandeling inzake openbare aanbestedingen; Gelet op de beginselen, nedergelegd in artikel VI van het op 15 october 1949 ondertekende Voor-Unie Accoord, alsmede in punt 5 van het daarbij behorende Protocol van Ondertekening; Bezield door de wens te komen tot een volledige toepassing van het beginsel der nationale behandeling in het raam der Economische Unie; Erkennende dat dit doel slechts geleidelijk kan worden bereikt; Zijn ter verwezenlijking van een eerste stap in deze richting het navolgende overeengekomen: Voor voorlopige toepassing zie ook Trb. 1958/137. Voor voorlopige toepassing zie ook Trb. 1958/137. Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 A. De ondernemingen, welke wensen deel te nemen aan onderhandse aanbestedingen, worden op haar verzoek door de overheidsinstellingen op de lijsten van gegadigden geplaatst. De keuze van de tot inschrijving uit te nodigen gegadigden wordt gemaakt zonder dat tussen de ondernemingen uit de drie landen wordt gediscrimineerd; B. Voor zover de belanghebbenden niet in de gelegenheid worden gesteld aanwezig te zijn bij de opening der inschrijvingsbiljetten, maken de overheidsinstellingen het resultaat der door hen gehouden onderhandse aanbestedingen bekend, indien deze een bedrag van f 40.000 of 500.000 F te boven gaan doch met uitzondering van de gevallen, waarin de betrokken overheidsinstellingen een dringende reden hebben zulks niet te doen. De hiervoor genoemde bedragen kunnen worden gewijzigd door het Comité van Ministers. Deze bekendmaking behelst het bedrag, waartegen de order is gegund en geschiedt hetzij in de pers, hetzij schriftelijk aan de inschrijvers wier aanbod niet werd aanvaard. Artikel 4 A. De Nederlandse aannemers, die in België of Luxemburg werke"},{"i":9063,"b":"Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten \"EUMETSAT\" The States parties to the [Convention for the Establishment of a European Organisation for the Exploitation of Meteorological Satellites (EUMETSAT)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002717), opened for signature at Geneva on 24 May 1983 (hereinafter referred to as the \"Convention\"); Wishing to define the privileges and immunities in accordance with [Article 12 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002717&artikel=12); Affirming that the purpose of the privileges and immunities set forth in this Protocol is to ensure the efficient performance of the official activites of EUMETSAT; Have agreed as follows: Article 1. Use of terms For the purposes of this Protocol: - a). \"Member State\" means a State party to the [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002717); - b). \"archives\" means all records, including correspondence, documents, manuscripts, photographs, films, optical and magnetic recordings, data recordings and computer programmes, belonging to or held by EUMETSAT; - c). \"official activities\" of EUMETSAT means all activities carried out by EUMETSAT in pursuance of its objectives as defined in [Article 2 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002717&artikel=2) and includes its administrative activities; - d). \"property\" means anything that may be subject to a right of ownership as well as contractual rights; - e). \"representatives\" of Member States means representatives and their advisers; - f). \"staff members\" means the Director-General and all persons employed by EUMETSAT, holding permanent appointments and who are subject to its Staff Rules; - g). \"expert\" means a person other than a staff member appointed to carry out a specific task on behalf of EUMETSAT and at its expense. Article 2. Legal Personality EUMETSAT shall have legal personality in accordance with"},{"i":9080,"b":"Protocol bij de Overeenkomst tot instelling van een douane-unie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek San Marino, anderzijds, betreffende de deelname van de Republiek Kroatië als overeenkomstsluitende partij na de toetreding tot de Europese Unie het Koninkrijk België de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland hierna “de lidstaten” genoemd alsmede de Europese Unie, enerzijds, en de Republiek San Marino, anderzijds, Gezien de [Overeenkomst tot instelling van een douane-unie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek San Marino, anderzijds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002917), van 16 december 1991 (hierna “de overeenkomst” genoemd), die op 1 april 2002 van kracht is geworden, Gezien de toetreding op 1 juli 2013 van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie, Overwegende dat de Republiek Kroatië een overeenkomstsluitende partij bij de [overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002917) wordt, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Republiek Kroatië treedt toe als overeenkomstluitende partij bij de [overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002917). Artikel 2 Dit protocol maakt integrerend deel uit van de [overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002917). Artikel 3 1. Dit protocol wordt door de overeenkomstsluitende partijen volge"},{"i":9122,"b":"Protocol No. 13 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, inzake de afschaffing van de doodstraf onder alle omstandigheden De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend, Ervan overtuigd dat het recht van eenieder op leven een fundamentele waarde vormt in een democratische samenleving en dat de afschaffing van de doodstraf essentieel is voor de bescherming van dit recht en voor de volledige erkenning van de inherente waardigheid van alle mensen; Geleid door de wens de bescherming van het recht op leven dat gewaarborgd wordt door het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000), ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen „het Verdrag\") te versterken; In aanmerking nemend dat het [Zesde Protocol bij het Verdrag, inzake de afschaffing van de doodstraf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001037), ondertekend te Straatsburg op 28 april 1983, de doodstraf niet uitsluit voor feiten begaan in tijd van oorlog of onmiddellijke oorlogsdreiging; Vastbesloten de definitieve stap te zetten teneinde de doodstraf onder alle omstandigheden af te schaffen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Afschaffing van de doodstraf De doodstraf is afgeschaft. Niemand wordt tot een dergelijke straf veroordeeld of terechtgesteld. Artikel 2. Verbod op afwijking Afwijking van de bepalingen van dit Protocol krachtens [artikel 15 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=15) is niet toegestaan. Artikel 3. Verbod op voorbehouden Het maken van enig voorbehoud met betrekking tot de bepalingen van dit Protocol krachtens [artikel 57 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=57) is niet toegestaan. Artikel 4. Territoriale werkingssfeer 1. Elke Staat kan op het tijdstip van ondertekening of van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuri"},{"i":6410,"b":"Besluit van 5 juli 2001 tot wijziging van het Besluit drukapparatuur houdende regels inzake de samenbouw van druksystemen en de ingebruikneming van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen en tot wijziging van enige andere besluiten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 15 maart 2001, Directie Arbeidsomstandigheden, nr. ARBO/APM/01/12169, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 16 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=16), de [artikelen 1, eerste lid, aanhef, en onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=2), [3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=3), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=6) en [12, derde lid, van de Wet op de gevaarlijke werktuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087&artikel=12), [artikel 9, eerste lid, onder a, van de Mijnwet 1903](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001870&artikel=9), [artikel 26, eerste lid, onder b, van de Mijnwet continentaal plat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002504&artikel=26), [artikel 8.40 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=6) en [21, aanhef en onderdeel c, van de Stoomwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108&artikel=21); De Raad van State gehoord (advies van 15 mei 2001, no. W12.01.0156/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F."},{"i":6366,"b":"Wijziging Subsidieplafond Nederlands Fonds voor de Film voor kalenderjaar 2011 Gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Het totale subsidieplafond in het kalenderjaar 2011 van het Nederlands Fonds voor de film is 35 miljoen euro voor activiteiten. Voor de deelregeling buitenlandse arthousefilm geldt voor het kalenderjaar 2011 een subsidieplafond van 310.000 euro. Voor de deelregeling Suppletieregeling geldt voor het kalenderjaar 2011 een subsidieplafond van 11.750.000 euro."},{"i":6354,"b":"Wijziging Hoofdstuk VI ARAR 1. Inleiding Middels deze circulaire informeer ik u – onder verwijzing naar het werkpakket [WAO](onbekend) dat door de USZO BV onder de werkgevers is verspreid – over het tot stand komen van het [koninklijk besluit](onbekend) van 9 december 1997, nummer 97.004481 (Stb. 1998, 5), naar de inhoud waarvan ik kortheidshalve verwijs. In deze circulaire ga ik successievelijk in op een aantal aspecten die verband houden met de aanspraken van ambtenaren bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Daarnaast treft u in het werkpakket [WAO](onbekend) informatie aan over: Het werkpakket [WAO](onbekend) kunt u per fax (045-579.5929) bestellen bij de USZO BV onder vermelding van uw naam, organisatie, adres en woonplaats. 2. Totstandkoming van regelgeving Met ingang van 1 januari 1998 is de [Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](onbekend) (Stb. 1997, 768 en 769) in werking getreden. Met het koninklijk besluit van 9 december 1997 worden de noodzakelijke aanpassingen in de regelingen van de sector Rijk aangebracht tengevolge van de inwerkingtreding van de [Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen](onbekend). De wijzigingen die met het [koninklijk besluit](onbekend) van 9 december 1997 worden aangebracht hebben een technisch karakter. 3. Aanpassingen in verband met de [Arbeidsomstandighedenwet](onbekend) Met het [koninklijk besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009100) van 9 december 1997 is tevens gebruik gemaakt van de gelegenheid om de terminologie van [hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&hoofdstuk=VI) aan te passen aan die van de Arbeidsomstandighedenwet. Voor wat de inhoud van de wijzigingen betreft, verwijs ik kortheidshalve naar de [circulaire](onbekend) van 26 juni 1997, nummer AD97/U520. In het eerste lid van artikel 36a is aangegeven in welke gevallen de ambtenaar kan worden verplicht om zich te onderwerpen aan een arbeidsgezondheidskundig on"},{"i":19423,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 4 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/156904, houdende aanwijzing van DAEB-activiteiten Dienst Wegverkeer (RDW) Gelet op de artikelen 14 en 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het Besluit (EU) Nr. 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (‘DAEB-Vrijstellingsbesluit’), [artikel 4b van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4b) en [artikel 2 van de Regeling taken Dienst Wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008144&artikel=2); BESLUIT: Artikel 1 Als Diensten van Algemeen Economisch Belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, worden de volgende diensten aangewezen: - 1. Het ter beschikking stellen van de testfaciliteiten op het RDW-testcentrum ten behoeve van economische activiteiten die: - a. bijdragen aan de bescherming van de gezondheid op het gebied van mobiliteit, - b. bijdragen aan de bevordering van de verkeersveiligheid, - c. bijdragen aan de bevordering van de duurzaamheid van de mobiliteit, - d. bijdragen aan de bevordering van kennis op het gebied van voertuigtechniek, de interactie met de infrastructuur, de omgeving en personen, en innovatieve toepassingen, of - e. op enigerlei andere wijze bijdragen aan de bescherming van het openbaar belang. - 2. Overige activiteiten die noodzakelijk zijn voor het efficiënt uitvoeren van de activiteiten genoemd in het eerste onderdeel. Artikel 2 Met de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049816&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) aangewezen Diensten van Algemeen Economisch Belang wordt belast de Die"},{"i":17598,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 juli 2008, nr. MEVA/ABA/2860370, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor de tegemoetkoming in de kosten voor vaccinatie tegen Hepatitis B voor leerlingen in het zorgonderwijs (Subsidieregeling vaccinatie stageplaatsen zorg) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister voor Langdurige Zorg en Sport; - b. onderwijsinstelling: instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1, onderdeel b, onder 1° en 2°, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1) die ingevolge [artikel 2.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.3) voor bekostiging in aanmerking is gebracht of hogeschool als bedoeld in [artikel 1.3, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.3) die is vermeld op de [bijlage genoemd in artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](onbekend); - c. zorgopleiding: - 1°. beroepsopleidende leerweg als bedoeld in [artikel 7.2.2., tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2) van een beroepsopleiding als bedoeld in [artikel 1.1.1, onderdeel i, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1) die ingevolge [artikel 2.1.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.1) voor bekostiging in aanmerking komt en die voor het desbetreffende studiejaar met een in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024188&bijlage=1&z=2026-03"},{"i":9243,"b":"Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie Artikel I. Oprichting van de Organisatie Partijen hierbij richten een Internationale Organisatie voor Atoomenergie op (hierna te noemen „de Organisatie”), op hierna uiteen te zetten voorwaarden. Artikel II. Doelstellingen De Organisatie zal er naar streven de bijdrage van de atoomenergie tot de vrede, de gezondheid en de welvaart in de gehele wereld op te voeren en te verhogen. Zij zal er, naar vermogen, voor zorgdragen dat hulp welke door, of op verzoek, of onder toezicht of controle van de Organisatie wordt verleend niet wordt aangewend ten behoeve van enig militair doel. Artikel III. Functies A. De Organisatie is gemachtigd: - 1. het wetenschappelijk onderzoek inzake de vreedzame toepassingen van de atoomenergie, alsmede de ontwikkeling en de praktische toepassingen daarvan voor vreedzaam gebruik over de gehele wereld te stimuleren en te helpen bevorderen; en, desgevraagd, haar bemiddeling te verlenen om het verrichten van diensten of het leveren van materialen, uitrusting of installaties door een lid van de Organisatie voor of aan een ander lid te verzekeren; en alle handelingen of diensten te verrichten welke het wetenschappelijk onderzoek inzake de vreedzame toepassingen van atoomenergie, of de ontwikkeling of de praktische toepassingen daarvan voor vreedzaam gebruik, ten goede kunnen komen; - 2. overeenkomstig dit Statuut te voorzien in voldoende materialen, uitrusting, installaties en diensten voor de behoeften van wetenschappelijk onderzoek inzake het vreedzame gebruik van atoomenergie, alsmede van de ontwikkeling en de praktische toepassingen daarvan voor vreedzaam gebruik, daarbij inbegrepen de produktie van elektriciteit en met voldoende inachtneming van de behoeften der onderontwikkelde gebieden; - 3. de uitwisseling van wetenschappelijke en technische gegevens betreffende het vreedzaam gebruik van atoomenergie te bevorderen; - 4. de uitwisseling en opleiding van wetenschappelijke werkers en de"},{"i":9242,"b":"Statuut van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht De Regeringen van de hierna genoemde landen: De Bondsrepubliek Duitsland, Oostenrijk, België, Denemarken, Spanje, Finland, Frankrijk, Italië, Japan, Luxemburg, Noorwegen, Nederland, Portugal, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Zweden en Zwitserland; Gelet op het permanente karakter van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht; Geleid door de wens dat karakter te benadrukken; Het daartoe wenselijk geoordeeld hebbend de Conferentie van een Statuut te voorzien; Zijn de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 Het doel van de Haagse Conferentie is te werken aan de geleidelijke eenmaking van de regels van internationaal privaatrecht. Artikel 2 1. Leden van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht zijn de Staten die reeds hebben deelgenomen aan een of meer Zittingen van de Conferentie en die dit Statuut aanvaarden. 2. Lid kunnen worden alle andere Staten wier deelneming uit juridisch oogpunt van belang is voor het werk van de Conferentie. Over de toelating van nieuwe Lidstaten wordt door de Regeringen van de deelnemende Staten, op voorstel van één of meer van hen, bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen beslist binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop dit voorstel aan de Regeringen is voorgelegd. 3. De toelating krijgt zijn beslag door de aanvaarding van dit Statuut door de betrokken Staat. Artikel 3 1. De Lidstaten van de Conferentie kunnen, tijdens een vergadering betreffende algemene zaken en beleid waarbij de meerderheid van de Lidstaten aanwezig is, bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen, besluiten eveneens als Lid toe te laten elke regionale organisatie voor economische ontwikkeling die een verzoek om lidmaatschap bij de Secretaris-Generaal heeft ingediend. Verwijzingen naar de Leden ingevolge dit Statuut omvatten mede deze organisaties die Lid zijn, behoudens waar uitdrukkelijk anders is bepaald. De toel"},{"i":9262,"b":"Tarievenbesluit 2014 Raad voor Accreditatie Het bestuur van de Stichting Raad voor Accreditatie (RvA) heeft, gelet op [artikel 7 van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591&artikel=7) voor haar dienstverlening, op 9 december 2013 het volgende tarievenbesluit vastgesteld. Besluit vast te stellen het Tarievenbesluit 2014 Raad voor Accreditatie en de daarbij horende tarieventabel: Artikel 1 De RvA brengt tarieven in rekening voor haar dienstverlening op grond van de [Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026591) zoals vermeld in dit besluit en de daarbij horende tarieventabel. Artikel 2 De tarieven worden in rekening gebracht aan de aanvrager dan wel degene voor wie de dienst wordt verleend. Artikel 3 1. Het jaarlijks tarief wordt in januari van het lopende jaar in rekening gebracht. 2. Vooronderzoeken en initiële onderzoeken worden voorafgaande aan het onderzoek door middel van voorschotfacturen, op basis van de ingeschatte tijdbesteding gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Indien na de uitvoering van het onderzoek blijkt dat de tijdinschatting niet juist is geweest, vindt nafacturering dan wel creditering plaats. 3. Andere activiteiten kunnen voorafgaande aan de uitvoering volledig of gedeeltelijk worden gefactureerd en pas na ontvangst van de betaling uitgevoerd. Artikel 4 De in rekening gebrachte tarieven moeten binnen 30 dagen na dagtekening worden betaald. Artikel 5 1. Indien een instelling (aanvrager) in de loop van het jaar wordt geaccrediteerd, wordt er een equivalent deel van het van toepassing zijnde jaarlijks tarief geheven over de resterende periode van het jaar. 2. Indien de accreditatie in de loop van het jaar eindigt of beëindigd wordt, vindt geen restitutie van het jaarlijks tarief plaats. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Bijlage | Onderwerp (zie ook de toelichting) | Tarief voor 2"},{"i":9312,"b":"Wet van 8 januari 1975, tot uitvoering van het op 15 november 1965 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er aanleiding is om voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 15 november 1965 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt onder \"het verdrag\" verstaan het op 15 november 1965 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken, waarvan de Franse en Engelse tekst in **Tractatenblad** 1966, 91 en de vertaling in het Nederlands in **Tractatenblad** 1969, 55 is geplaatst. Artikel 2 1. Als centrale autoriteit, bedoeld in artikel 2 van het verdrag, wordt voor Nederland aangewezen de officier van justitie bij het arrondissementsparket ’s-Gravenhage. 2. Tot het ontvangen en afdoen van aanvragen om betekening of kennisgeving overeenkomstig de artikelen 3-6 van het verdrag buiten het arrondissement Den Haag is tevens bevoegd de officier van justitie bij het desbetreffende arrondissementsparket. Artikel 3 Oordeelt de officier van justitie tot wie de aanvrage is gericht, dat artikel 13 van het verdrag toepasselijk is, dan zendt hij de stukken onder opgaaf van redenen aan Onze Minister van Justitie, die, zo nodig na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken, beslist. Artikel 4 Behoudens het bepaalde in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":9313,"b":"Wet van 11 december 1980, houdende uitvoering van het op 18 maart 1970 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er aanleiding bestaat om voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 18 maart 1970 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt onder \"het verdrag\" verstaan: het op 18 maart 1970 te 's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken, waarvan de Franse en de Engelse tekst in **Tractatenblad** 1969, nr. 94 alsmede de vertaling in het Nederlands in **Tractatenblad** 1979, nr. 38 is geplaatst. Artikel 2 Als centrale autoriteit, bedoeld in artikel 2 van het verdrag, wordt voor Nederland aangewezen de rechtbank Den Haag. Artikel 3 Rogatoire commissies, waarvan de toezending niet is geschied overeenkomstig de voorschriften van het verdrag, worden door de ontvanger onder opgaaf van redenen toegezonden aan de centrale autoriteit. Artikel 4 1. Als de autoriteit door welke overeenkomstig de bepalingen van het verdrag de uitvoering geschiedt van rogatoire commissies, afkomstig uit de Staten waar het verdrag van kracht is, wordt aangewezen de rechtbank. 2. De rechter voert de rogatoire commissie onverwijld uit. Hoofdstuk II. De behandeling van uit een verdragsstaat ontvangen rogatoire commissies Artikel 5 1. De centrale autoriteit gaat na of de rogatoire commissie voldoet aan de bepalingen van het verdrag. 2. Is de centrale autoriteit van oordeel dat de rogatoire commissie voldoet aan de be"},{"i":9315,"b":"Wet van 4 mei 1972, houdende uitvoering van het op 27 september 1968 te Brussel tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap tot stand gekomen Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met Protocol Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er aanleiding is om voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 27 september 1968 te Brussel tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap tot stand gekomen Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met Protocol. Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt onder \"het verdrag\" verstaan, het op 27 september 1968 te Brussel tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap gesloten Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met Protocol (**Trb.** 1969, 101). Artikel 2 1. Ten aanzien van het verlof tot tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 31 van het verdrag, zijn de [artikelen 985-991 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=985) niet van toepassing. 2. Het in het eerste lid bedoelde verlof wordt gevraagd bij verzoekschrift, dat in de Nederlandse taal is gesteld, onverminderd [artikel 7 van de Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002219&artikel=7). Het wordt ter griffie ingediend door een advocaat en houdt tevens in de keuze van een woonplaats binnen het arrondissement van de rechtbank. Het verzoekschrift wordt behandeld en beslist door de voorzieningenrechter van de rechtbank. 3. Onverminderd het bepaalde bij artikel 48, eerste"},{"i":9314,"b":"Wet van 6 november 1991, houdende regels betreffende de uitvoering van het Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van het Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa en het daarvan een integrerend deel uitmakend Protocol inzake inspectie, mede gelet op [artikel 12 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=12), noodzakelijk is regels te stellen omtrent medewerking van een ieder aan verrassingsinspecties alsmede het binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner in verband met verificatie van het bij het Verdrag overeengekomene; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. het Verdrag: het Verdrag van 19 november 1990 inzake conventionele strijdkrachten in Europa en het daarvan een integrerend deel uitmakend Protocol inzake inspectie (**Trb.** 1991, 31); - b. inspecteurs: inspecteurs als bedoeld in paragraaf 1, letter E, van Titel I van het Protocol inzake inspectie; - c. begeleidingsteam: het begeleidingsteam als bedoeld in paragraaf 1, letter H, van Titel I van het Protocol inzake inspectie; - d. verrassingsinspectie: de verrassingsinspectie bedoeld in Titel VIII van het Protocol inzake inspectie. Artikel 2 1. Het hoofd van het begeleidingsteam is bij een verrassingsinspectie bevoegd van een ieder alle medewerking te vorderen die nodig is voor de uitvoering van de taken die bij het Verdrag zijn opgedragen aan de inspecteurs en het begeleidingsteam. 2. Hij die opzettelijk niet voldoet aan een vordering als bedoeld in het eerste lid, alsmede hij die bij gelegenheid van een verrassingsinspectie opzettelijk enige handeling door een inspecteur dan wel een lid van het begeleidingsteam ondernomen ter uitvoering"},{"i":9316,"b":"Wet van 17 maart 2021, houdende regels ter uitvoering van de EU-verordening betreffende het programma voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en de EU-verordening betreffende het programma Europees Solidariteitskorps (Uitvoeringswet Erasmusprogramma en Europees Solidariteitskorps) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen in verband met de uitvoering van verordeningen inzake het programma voor onderwijs opleiding, jeugd en sport en het programma Europees Solidariteitskorps; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - **Erasmusverordening:** door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan te wijzen verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport op grond van artikel 165, vierde lid en artikel 166, vierde lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - **Erasmusprogramma:** programma voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport als bedoeld in de Erasmus-verordening; - **programmaperiode:** in een Erasmusverordening of een Verordening Europees Solidariteitskorps vastgestelde periode waarvoor een programma wordt opgesteld; - **Verordening Europees Solidariteitskorps:** door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan te wijzen verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma «Europees Solidariteitskorps» op grond van artikel 165, vierde lid en artikel 166, vierde lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Artikel 2. De nationale autoriteit 1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap treedt op als nationale autoriteit als bedoeld in de Er"},{"i":9328,"b":"Uitvoeringswet van het tussen Nederland en Groot-Britannië gesloten verdrag, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen BES Algemene bepaling Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. **het verdrag:** het op 31 Mei 1932 te Londen tusschen Nederland en Groot-Brittannië gesloten verdrag, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken; - b. **de bevoegde Nederlandsche consulaire ambtenaar:** de Nederlandsche consul-generaal te Londen of degeen, die hem vervangt. 2. In afwijking in zooverre van het bepaalde in deze wet, is ten aanzien van Sint Eustatius en Saba, een vertaling in het Nederlandsch van in de Engelsche taal gestelde exploiten en stukken niet verplicht. Mededeeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in Curaçao Artikel 2 Oordeelt de rechter in eerste aanleg, wien eene aanvrage om mededeeling van eenig stuk overeenkomstig artikel 3 van het verdrag is toegezonden of doorgezonden, dat het geval, bedoeld bij letter f van dat artikel, aanwezig is, dan zendt hij de bescheiden onder opgaaf van redenen aan de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die zoo noodig, na nader onderzoek, beslist. Artikel 3 1. De mededeeling van eening stuk door den rechter in eerste aanleg ingevolge artikel 3 van het verdrag geschiedt door eenvoudige afgifte tegen bewijs van ontvangst. 2. Is bij de aanvrage om mededeeling van het stuk verzocht deze op eene bijzondere wijze te doen geschieden, dan volgt de rechter in eerste aanleg deze wijze van mededeeling, mits deze niet in strijd is met het geldende recht. Artikel 4 Alle stukken, opgemaakt om gevolg te geven aan het verzoek om mededeeling van een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk, zijn vrij van de rechten van zegel en registratie. Mededeeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken van uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba Artikel 5 1. Om o"},{"i":9329,"b":"Wet van 25 maart 1981, tot uitvoering van artikel IV van het op 10 april 1972 te Londen, Moskou en Washington tot stand gekomen Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens (Trb. 1972, 142) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van artikel IV van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens (**Trb.** 1972, 142); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet worden onder biologische agentia verstaan: - a. levende organismen die zich in mens, dier of plant kunnen vermenigvuldigen; - b. uit die organismen verkregen infectieuze bestanddelen, die zich in mens, dier of plant kunnen vermenigvuldigen; - c. stoffen, die door levende micro-organismen worden geproduceerd, met inbegrip van stoffen met identieke of analoge structuur en werking, welke langs chemische weg vervaardigd zijn; voor zover die organismen, bestanddelen of stoffen ziekte of dood kunnen veroorzaken bij mens, dier of plant. 2. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, ieder voor zoveel het hem aangaat, aangewezen ambtenaren. Artikel 2 1. Onze Minister van Landbouw en Visserij dan wel Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan, na overleg met zijn genoemde ambtgenoot en in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, de ontwikkeling, de produktie, het in voorraad hebben, de verwervi"},{"i":9330,"b":"Wet van 8 juni 1995, houdende regels betreffende de uitvoering van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op [artikel 12 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=12), noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. verdrag: het op 13 januari 1993 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens (**Trb.** 1993, 162); - b. stoffen: chemische elementen en hun verbindingen, zoals zij voorkomen in hun natuurlijke toestand of bij de produktie ontstaan, met inbegrip van de additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit van het produkt en de onzuiverheden ten gevolge van het produktieprocédé; - c. giftige stoffen: stoffen die door hun fysische of chemische inwerking op levensprocessen van mensen en dieren de dood, tijdelijke functie-aantasting of blijvende schade kunnen veroorzaken; - d. voorlopers: chemische reagentia die zijn betrokken bij enigerlei stap in de produktie van een giftige stof, ongeacht de wijze van produktie, waartoe mede behoren hoofdbestanddelen van binaire of verscheidene bestanddelen bevattende chemische systemen; - e. chemische wapens: - 1. giftige stoffen en hun voorlopers, die niet zi"},{"i":9353,"b":"Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Verlangend gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen, Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Onverminderd het bepaalde bij de artikelen 3, 4 en 5, derde lid, van dit Verdrag zijn de rechterlijke en administratieve autoriteiten van de Staat, waar een minderjarige zijn gewone verblijf heeft, bevoegd maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van zijn persoon of goed. Artikel 2 De in artikel 1 als bevoegd aangewezen autoriteiten nemen de in hun interne wet voorkomende maatregelen. Deze wet bepaalt de voorwaarden waaronder die maatregelen worden genomen, gewijzigd en beëindigd. Zij beheerst tevens de gevolgen van die maatregelen, zowel wat betreft de betrekkingen tussen de minderjarige en de personen of instellingen aan wier zorg hij is toevertrouwd als ten opzichte van derden. Artikel 3 Een gezagsverhouding die van rechtswege voortvloeit uit de interne wet van de Staat waarvan de minderjarige onderdaan is, wordt in alle Verdragsstaten erkend. Artikel 4 De autoriteiten van de Staat waarvan de minderjarige onderdaan is, kunnen indien zij dit in het belang van de minderjarige oordelen, met toepassing van hun interne wet maatregelen tot bescherming van zijn persoon of goed nemen, nadat zij het voornemen daartoe aan de autoriteiten van de Staat van het gewone verblijf van de minderjarige kenbaar hebben gemaakt. De genoemde wet bepaalt de voorwaarden waaronder die maatregelen worden genomen, gewijzigd of beëindigd. Zij beheerst tevens de gevolgen van die maatregelen, zowel wat betreft de betrekkingen tussen de minderjarige en de personen, of instellingen aan wier zorg hij is toevertrouwd als ten opzichte van derden. De autoriteiten van de"},{"i":9411,"b":"Verdrag en Statuut nopens het Internationale Zeehavenregime Duitschland, België, Brazilië, Groot-Britannië (met Nieuw-Zeeland en Britsch-Indië), Bulgarije, Chili, Denemarken, Spanje, Estland, Griekenland, Hongarije, Italië, Japan, Lithauen, Noorwegen, Nederland, Salvador, het Koninkrijk der Serven, Kroaten en Slovenen, Siam, Zweden, Zwitserland, Tsjechoslowakije en Uruguay, Wenschende in zoo groot mogelijke mate de vrijheid van verkeer als bedoeld in art. 23 **e** van het Volkenbondverdrag te verzekeren door in de onder haar souvereiniteit of autoriteit geplaatste zeehavens ten bate van den internationalen handel aan de vaartuigen van alle Verdragstaten, hun goederen en hun passagiers gelijkheid van behandeling te waarborgen; Overwegende, dat de beste wijze om het voorgestelde doel te bereiken is het sluiten van een algemeen verdrag, waartoe later een zoo groot mogelijk aantal Staten zal kunnen toetreden; Overwegende, dat de Conferentie, welke op 10 April 1922 te Genua bijeenkwam, in een resolutie, die met goedkeuring van den Raad en de Vergadering van den Volkenbond is overgelegd aan de bevoegde organen van den Bond, verzocht heeft, dat de internationale verdragen met betrekking tot het verkeerswezen voorzien in de vredesverdragen zoo spoedig mogelijk zouden worden gesloten en in werking gesteld, en voorts, dat art. 379 van het Verdrag van Versailles en de overeenkomstige artikelen van de andere verdragen de uitwerking van een algemeen verdrag nopens het internationale havenregime hebben voorzien; De uitnoodiging aangenomen hebbende van den Volkenbond om aan een te Genève op 15 November 1923 bijeengeroepen Conferentie deel te nemen; Wenschende de bepalingen van het Statuut nopens het internationale zeehavenregime, dat aldaar is aangenomen, in werking te doen treden, en te dien einde een algemeen verdrag te sluiten, hebben de Hooge verdragsluitende Partijen tot hare gevolmachtigden benoemd: **(Zie de namen der gevolmachtigden in den tekst van het verdrag.)** die, na"},{"i":9424,"b":"Verdrag inzake de bescherming van de Schelde De Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, de Franse Reρubliek, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Gewest, Partijen bij dit Verdrag inzake de bescherming van de Schelde, Ernaar strevend de kwaliteit van de Schelde te waarborgen, door zich ervoor in te spannen verdere verontreiniging te voorkomen en de huidige toestand te verbeteren, Ervan overtuigd dat dit een dringende taak is, Verlangend de bestaande samenwerking te versterken tussen de Staten en Gewesten die betrokken zijn bij de bescherming en het gebruik van het Scheldewater, in de geest van het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren, gesloten te Helsinki op 17 maart 1992, Gelet op het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu van de Noordoost-Atlantische Oceaan, gesloten te Parijs op 22 september 1992, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsbepalingen Vervallen Artikel 2. Doel van het Verdrag Vervallen Artikel 3. Beginselen van de samenwerking Vervallen Artikel 4. Kwaliteit van de waterbodem Vervallen Artikel 5. Taken van de Commissie Vervallen Artikel 6. Samenstelling en werkwijze van de Commissie Vervallen Artikel 7. Waarnemers Vervallen Artikel 8. Kosten van de Commissie Vervallen Artikel 9. Inwerkingtreding Vervallen Artikel 10. Latere toetreding Vervallen Artikel 11. Opzegging Vervallen Artikel 12. Authentieke teksten Vervallen OPGEMAAKT te Charleville-Mézières, op 26 april 1994"},{"i":7547,"b":"Besluit inzake lijst van verwerkingen van persoonsgegevens waarvoor een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA) verplicht is, Autoriteit Persoonsgegevens Besluit De Autoriteit Persoonsgegevens, gelet op artikel 35, vierde lid, in samenhang bezien met artikel 57, eerste lid, onder k, van de Algemene verordening gegevensbescherming; gezien de “Richtsnoeren voor gegevensbeschermingseffectbeoordelingen en bepaling of een verwerking “waarschijnlijk een hoog risico inhoudt” in de zin van [Verordening 2016/679](32579R2016)” d.d. 4 april 2017, laatstelijk gewijzigd en vastgesteld op 4 oktober 2017, van de European Data Protection Board (hierna: de Richtsnoeren); **overwegende:** dat in de Richtsnoeren negen criteria zijn vermeld die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA) moet worden uitgevoerd, te weten in het geval dat sprake is van: dat voor alle soorten verwerkingen van persoonsgegevens die op de lijst staan, is aangegeven welk criterium uit de Richtsnoeren in aanmerking is genomen; dat voor alle soorten verwerkingen van persoonsgegevens die op de lijst staan, onverkort geldt dat moet worden voldaan aan alle verplichtingen die de Algemene verordening gegevensbescherming stelt; dat de lijst omschrijvingen van soorten verwerkingen bevat waarbij het uitgangspunt is dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA) uit te voeren voordat met de verwerking van persoonsgegevens wordt begonnen; dat de lijst niet uitputtend is en dat het kan zijn dat een verwerking van persoonsgegevens niet op de lijst staat, maar gelet op de aard, de omvang, de context en de doeleinden een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen en aldus een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA) moet worden gedaan; dat de Autoriteit Persoonsgegevens op grond van artikel 35, zesde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming het in artikel 63 van"},{"i":13738,"b":"Wet van 31 januari 1996, houdende regels betreffende de financiële verstrekkingen ten laste van de begroting van het Ministerie van Financiën Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijk kader te scheppen voor de financiële verstrekkingen ten laste van de begroting van het Ministerie van Financiën; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; - b. ondernemer: - 1°. een natuurlijk persoon die belastbare winst uit onderneming in de zin van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) geniet; - 2°. een belastingplichtige in de zin van de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672); - c. verstrekking van financiële middelen: de terbeschikkingstelling van financiële middelen, anders dan als betaling voor zaken of diensten of ter voldoening aan een verplichting tot schadevergoeding. Artikel 2 In overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken kan Onze Minister subsidies in de vorm van garanties verlenen in verband met aan ondernemers te verstrekken financiële middelen door financiële ondernemingen met zetel in Nederland die een vergunning hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van bank ingevolge de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en die voldoen aan nader door Onze Minister te stellen regels. Artikel 3 1. In overeenstemming met Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking kan Onze Minister verzekeringen afsluiten en garanties afgeven ter dekking van risico’s verbonden aan het handels- en dienstenverkeer van ondernemers met landen buiten Nederland. 2. In o"},{"i":6411,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 mei 2018, nr. IENW/BSK-2018/76657, houdende wijziging van het Besluit erkende organisaties Schepenwet in verband met de actualisatie van erkende organisaties en keuringsinstanties en de intrekking van de aanwijzing van Register Holland B.V. als keuringsinstantie Handelende in overeenstemming met de Minister van Toerisme, Communicatie en Primaire Sector van Aruba, de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning van Curaçao en de Minister van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie van Sint Maarten; Gelezen het verzoekschrift van Register Holland B.V. van 27 maart 2018 waarin wordt verzocht de aanwijzing als keuringsinstantie in te trekken; Gelet op [artikel 6, tweede lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=6) en [artikel 6 van het Schepenbesluit 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002501&artikel=6), alsmede de [artikelen 23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=23), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=36) en [59, eerste lid, van het Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=59); BESLUIT: Artikel I Wijzigt het Besluit erkende organisaties Schepenwet. Artikel II Verzoeken tot het uitvoeren van de onderzoeken, bedoeld in [artikel 2, vierde, vijfde en zevende lid, van het Besluit erkende organisaties Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019673&artikel=2) die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit worden uitgevoerd door Register Holland B.V. te Steenwijk. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten worden geplaatst."},{"i":9449,"b":"Verdrag inzake de herziening van het Verdrag betreffende de bescherming van het moederschap (herzien), 1952 De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen op 30 mei 2000 in haar achtentachtigste zitting, en Gelet op de noodzaak het Verdrag betreffende de bescherming van het moederschap (herzien), 1952 en de Aanbeveling betreffende de bescherming van het moederschap, 1952, te herzien teneinde de gelijkheid van alle vrouwen van de beroepsbevolking en de gezondheid en veiligheid van moeder en kind verder te bevorderen en teneinde de verschillen in de economische en sociale ontwikkeling van de Leden alsmede de diversiteit van ondernemingen en de ontwikkeling van de bescherming van het moederschap in het nationale recht en de nationale praktijk te onderkennen, en Gelet op de bepalingen van de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) (1948), het [VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002909) (1979), het [VN-Verdrag inzake de rechten van het kind](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002508) (1989), de Verklaring van Peking en het Platform voor Actie (1995), de Verklaring inzake gelijkheid van kansen voor en gelijke behandeling van vrouwelijke arbeiders (1975) van de Internationale Arbeidsorganisatie, de Verklaring inzake fundamentele beginselen en rechten in verband met werk en haar follow-up (1998) van de Internationale Arbeidsorganisatie, alsmede de internationale arbeidsverdragen en aanbevelingen gericht op het waarborgen van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers, in het bijzonder het [Verdrag betreffende arbeiders met gezinsverantwoordelijkheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002363), 1981, en Rekening houdend met de omstandigheden van vrouwelijke w"},{"i":9451,"b":"Verdrag inzake de institutionalisering van het Latijnsamerikaanse Parlement De aan de Intergouvernementele Conferentie voor de Institutionalisering van het Latijnsamerikaanse Parlement deelnemende Staten, door middel van hun gevolmachtigde, naar behoren geaccrediteerde vertegenwoordigers, Ervan overtuigd zijnde dat de integratie van Latijns-Amerika als gemeenschappelijk doel van onze landen een historisch proces is, dat versneld en verdiept dient te worden; Ermede rekening houdende dat de participatie van de Latijnsamerikaanse volkeren door de verscheidenheid van hun politieke en ideologische stromingen, vertegenwoordigd in hun nationale parlementen, de democratische grondslag van de integratie bevestigt; Geïnspireerd door de tradities van de helden en grondleggers van de Latijnsamerikaanse vaderlanden op het gebied van de verdediging van de onafhankelijkheid en de volledige uitoefening van de volkssouvereiniteit en de nationale souvereiniteit, en Overwegende dat er een Latijnsamerikaans Parlement bestaat, ingesteld te Lima op 10 december 1954 en dat het raadzaam is dit te institutionaliseren door middel van een internationaal verdrag, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Institutionalisering Door middel van het onderhavige Verdrag komen de Staten die Partij zijn de institutionalisering overeen van het regionale, permanente, uit één kamer bestaande lichaam, dat bekend staat als het Latijnsamerikaanse Parlement en dat voortaan \"het Parlement\" genoemd wordt. Artikel 2. Grondbeginselen Het Parlement heeft de volgende permanente en onveranderlijke grondbeginselen: - a. De verdediging van de democratie; - b. De Latijnsamerikaanse integratie; - c. De non-interventie; - d. Het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren om voor hun binnenlands bestuur vrijelijk het politieke, economische en sociale systeem aan te nemen, waartoe zij in vrijheid besluiten; - e. De politieke en ideologische pluraliteit als basis van een Latijnsamerikaanse democratisch georganiseerde gemeens"},{"i":9466,"b":"Verdrag inzake de slavernij Albanië, Duitschland, Oostenrijk, België, het Britsche Rijk, Canada, het Gemeenebest Australië, de Zuid-Afrikaansche Unie, het Dominion Nieuw-Zeeland en Indië, Bulgarije, China, Columbia, Cuba, Denemarken, Spanje, Estland, Ethiopië, Finland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Letland, Liberia, Lithauen, Noorwegen, Panama, Nederland, Perzië, Polen, Portugal, Roemenië, het Koninkrijk der Serven, Kroaten en Slovenen, Zweden, Tsjechoslowakije en Uruguay, Overwegende, dat de Staten, die de algemeene Akte van de Conferentie van Brussel van 1889-1890 geteekend hebben, verklaard hebben gelijkelijk bezield te zijn door het vaste voornemen een einde te maken aan den slavenhandel in Afrika; Overwegende, dat de Staten, die het verdrag van St. Germain-en-Laye van 1919 hebben geteekend, welk verdrag tot doel had de herziening van de algemeene Akte van Berlijn van 1885 en van de algemeene Akte en van de Verklaring van Brussel van 1890, hun voornemen te kennen hebben gegeven de algeheele onderdrukking van de slavernij in al haar vormen, evenals van den slavenhandel te land en ter zee te verzekeren; In overweging nemende het rapport van de Tijdelijke Commissie inzake de slavernij, benoemd door den Raad van den Volkenbond op 12 Juni 1924; Wenschende het ingevolge de Akte van Brussel volbrachte werk aan te vullen en tot ontwikkeling te brengen en een middel te vinden om in de geheele wereld practisch effect te verleenen aan de bedoelingen, welke met betrekking tot den slavenhandel en de slavernij tot uitdrukking zijn gebracht door de Staten, die het verdrag van St. Germain-en-Laye hebben geteekend en erkennende, dat het noodig is te dien einde meer uitgewerkte regelingen te sluiten dan die, welke in dat verdrag voorkomen; Van oordeel bovendien, dat het noodig is te voorkomen, dat gedwongen arbeid leidt tot toestanden overeenkomende met slavernij; Hebben besloten een verdrag te sluiten en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: **[Zie de Engels"},{"i":14112,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 augustus 2009, nr. DBV/IenA/I 2952703, houdende beperking van de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van de Directie Verzetsdeelnemers, Vervolgden en Burgeroorlogsgetroffenen en taakvoorgangers, over de periode 1946–1999 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel derden worden de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026371&artikel=2&z=2009-09-15&g=2009-09-15) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026371&artikel=3&z=2009-09-15&g=2009-09-15) genoemde beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Directie Verzetsdeelnemers, Vervolgden en Burgeroorlogsgetroffenen en taakvoorgangers van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en haar taakvoorgangers, over de periode 1946–1999, die zijn opgenomen in de inventaris onder de in kolom 1 van onderstaande tabel genoemde inventarisnummers. Deze beperkingen gelden tot 1 januari van het in kolom 2 van onderstaande tabel genoemde jaartal. | inventarisnummer: | niet openbaar vóór 1 januari: | | --- | --- | | 170 | 2060 | | 174 | 2062 | | 193 | 2031 | | 194–288 | 2055 | Artikel 2 Raadpleging van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026371&artikel=1&z=2009-09-15&g=2009-09-15) bedoelde archiefbescheiden is slechts mogelijk na ondertekening van het door het Nationaal Archief gehanteerde ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. Artikel 3 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van archiefbescheide"},{"i":6443,"b":"Besluit van 2 mei 1994, houdende aanpassing van enige algemene maatregelen van bestuur in verband met de Kaderwet bestuur in verandering Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 12 november 1994, nr. VBO 93/3/U3, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Gelet op de [Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375), de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) en de Wet personenvervoer; De Raad van State gehoord (advies van 21 februari 1994, No. W04.93.0744; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 27 april 1994, nr. VB093/3/5, directoraat-generaal Openbaar Bestuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. [Wet op de ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375) artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk 2. [Wet Milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IXX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XXI Bevat wijzigingen in andere regelgevi"},{"i":5695,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 27 februari 2021, nr. WJZ/20120093, tot vaststelling van een regeling voor de verstrekking van subsidie voor het lokaal en gezamenlijk opwekken van hernieuwbare elektriciteit (Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2), en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3) en [artikel 77, tweede lid, onderdeel e, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=77); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze regeling en voor zover van toepassing in de besluiten, bedoeld in de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&paragraaf=2&artikel=2&z=2026-03-01&g=2026-03-01), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&paragraaf=3&artikel=4&z=2026-03-01&g=2026-03-01), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&paragraaf=3&artikel=5&z=2026-03-01&g=2026-03-01), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&paragraaf=3&artikel=6&z=2026-03-01&g=2026-03-01), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&paragraaf=3&artikel=8&z=2026-03-01&g=2026-03-01), en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&paragraaf=3&artikel=9&z=2026-03-01&g=2026-03-01), wordt verstaan onder: - **aansluiting:** aansluiting als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1); - **allocatiepunt:** een punt achter een aansluiting, waarmee een productie-installatie is aangesloten op het elektriciteitsnet, waar wordt gemeten en waaraan een marktpartij als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035971&artikel=1) is gekoppeld; - **coöperatie:** coöperatie als bed"},{"i":7525,"b":"Besluit bezoldiging commissie onderzoek elektronisch stemmen Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De leden van de commissie onderzoek elektronisch stemmen in het stemlokaal ontvangen een vaste vergoeding afgeleid van schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), met een deeltijdfactor 0,1. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7542,"b":"Besluit van 10 december 2003, houdende uitvoering van artikel 33, tweede, derde en vierde lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek (Besluit gegevensverwerving CBS) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 12 november 2003, nr. WJZ 3064266; Gelet op [artikel 33, tweede, derde en vierde lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=33); Gehoord de Centrale commissie voor de statistiek; De Raad van State gehoord (advies van 18 november 2003, nr. W.10.03.0472/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 9 december 2003, nr. WJZ 3070399; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 33 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek in werking treedt. § 1. Aanwijzing semi-publiekrechtelijk rechtspersonen Artikel 1 Krachtens [artikel 33, tweede lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=33) worden aangewezen: - a. instellingen die een bij of krachtens de [Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714) dan wel de [Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338) geregelde taak uitoefenen; - b. de Stichting Inschrijving Eigen Vervoer SIEV, gevestigd te Zoetermeer; - c. de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie NIWO, gevestigd te Rijswijk; - d. de Stichting Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg Nivel, gevestigd te Utrecht; - e. het landelijk onderzoeks- en informatiecentrum voor de zorgverzekeraars Vektis CV, gevestigd te Zeist. § 2. Aanwijzing categorieën van ondernemingen, vrije beroepsbeoefenaren, instellingen en rechtspersonen Artikel 2 Krachtens [artikel 33, derde lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=33) worden aangewezen ondernemingen, vrije beroepsbeoefenaren, instellingen en r"},{"i":6464,"b":"Besluit van 2 maart 1994, houdende wijziging van het Besluit subsidies energiebesparingstechnieken Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 30 september 1993, WJA/JZ 93069624; Gelet op artikel 2 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ; De Raad van State gehoord (advies van 11 januari 1994, nr. W10.930649); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 22 februari 1994, nr. WJA/JZ 94007144; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Met betrekking tot subsidies die vóór 1 januari 1994 zijn toegezegd, is het Besluit subsidies energiebesparingstechnieken van toepassing zoals het luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit. 2. De in artikel 7, eerste lid, bedoelde rangschikking wordt in het jaar 1994, voor zover het gaat om aanvragen met betrekking tot voorzieningen, aangewezen in categorie 1.1, toegepast op aanvragen die worden ontvangen in de maanden januari tot en met april, en, voor zover het gaat om aanvragen met betrekking tot voorzieningen, aangwezen in categorie 1.2, toegepast op aanvragen die worden ontvangen in de maanden januari tot en met juni. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":7540,"b":"Besluit van 29 november 2024 tot uitvoering van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (Besluit gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden) en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van die wet en van de Wet van 26 juni 2024 tot wijziging van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden in verband met het waarborgen van de parlementaire betrokkenheid bij de aanwijzing van andere samenwerkingsverbanden (Stb. 2024, 254) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5546793; Gelet op de [artikelen 1.1, derde streepje](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=1.1), [1.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=1.4), [1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=1.8), [1.9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=1.9), [1.10, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=1.10), [2.3, eerste lid, onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=2.3), [2.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=2.4), [2.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=2.6), [2.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=2.7), [2.11, eerste lid, onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=2.11), [2.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=2.12), [2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=2.14), [2.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=2.16), [2.19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=2.19), [2.22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=2.22), [2.23, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=2.23), [2.24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049962&artikel=2.24), [2."},{"i":9515,"b":"Verdrag inzake postale financiële diensten Gelet op [artikel 22.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004459&artikel=22) van de op 10 juli 1964 te Wenen tot stand gekomen [Constitutie van de Wereldpostunie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004459), hebben de ondergetekenden, gevolmachtigden van de regeringen van de lidstaten van de Wereldpostunie (hierna de „Unie”), in gemeenschappelijk overleg en onder voorbehoud van [artikel 25.4 van genoemde Constitutie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004459&artikel=25), het volgende Verdrag vastgesteld, dat aansluit bij de beginselen van genoemde Constitutie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van financiële inclusie en het tot stand brengen van een veilige en toegankelijke postale financiële dienst die is toegesneden op een zo groot mogelijk aantal gebruikers op basis van systemen die interoperabiliteit met de netwerken van de aangewezen aanbieders mogelijk maken. DEEL I. ALGEMENE BEGINSELEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN OP DE POSTALE FINANCIËLE DIENSTEN HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag 1. Met inachtneming van het onder 2 bepaalde stelt elke lidstaat al het mogelijke in het werk om ervoor te zorgen dat de volgende postale financiële diensten op zijn grondgebied langs elektronische weg worden aangeboden of geaccepteerd: - 1.1. Contante postwissel: de afzender biedt geld aan op het servicetoegangspunt en verzoekt om contante betaling van het volledige bedrag aan de geadresseerde, zonder enige inhouding. - 1.2. Betaalpostwissel: de afzender geeft opdracht tot debitering van zijn rekening en verzoekt om contante betaling van het volledige bedrag aan de geadresseerde, zonder enige inhouding. - 1.3. Stortingspostwissel: de afzender biedt geld aan op het servicetoegangspunt en verzoekt om storting ervan op de rekening van de geadresseerde, zonder enige inhouding. - 1.4. Overschrijving: de afzender geeft opdracht tot debitering van zijn rekening en verzoekt om crediter"},{"i":7408,"b":"Wet van 21 maart 2002 tot wijziging van enige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in verband met de problematiek van vermissing van personen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, teneinde een meer adequate oplossing te bieden voor de problematiek van vermissing van personen, wenselijk is enige bepalingen van [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) en van het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel III Op verzoeken, bedoeld in [artikel 413 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=413), die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangig zijn, is [artikel 74 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565&artikel=74) van overeenkomstige toepassing. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7604,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 15 april 2015, nr. WJZ/15023462, houdende instelling van de besturing van een afsprakenstelsel elektronische toegangsdiensten (Instellingsbesluit besturing elektronische toegangsdiensten) Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **Afsprakenstelsel elektronische toegangsdiensten:** de laatst vastgestelde versie van het geheel van afspraken op het gebied van organisatie, beheer, architectuur, toepassingen, techniek, procedures en het netwerk voor elektronische toegangsdiensten; - –. **deelnemer:** een partij die conform het Afsprakenstelsel elektronische toegangsdiensten één of meer rollen vervult binnen het netwerk voor elektronische toegangsdiensten; - –. **dienstverlener:** een overheidsorganisatie, een privaatrechtelijke rechtspersoon of een onderneming niet zijnde een privaatrechtelijke rechtspersoon die elektronische diensten aanbiedt; - –. **elektronische toegangsdiensten:** diensten ten behoeve van het authenticeren en vaststellen van bevoegdheid bij en het ondertekenen van transacties in het kader van elektronische diensten van dienstverleners; - –. **gebruiker:** een overheidsorganisatie, een privaatrechtelijke rechtspersoon of een natuurlijk persoon die conform het Afsprakenstelsel elektronische toegangsdiensten elektronische toegangsdiensten afneemt. - –. **minister:** de Minister van Economische Zaken; - –. **toehoorder:** vertegenwoordiger in het Strategisch Beraad van een rechtspersoon die niet is toegetreden tot het Afsprakenstelsel elektronische toegangsdiensten; - –. **waarnemer:** ambtenaar ressorterend onder de minister; - –. **afgevaardigde:** een vertegenwoordiger die namens een dienstverlener, deelnemer of gebruiker zitting heeft in het Strategisch Beraad, het Tactisch Beraad of het Operationeel Beraad. Paragraaf 2. Het Strategisch Beraad Artikel 2 1. Er is een Strategisch Beraad ten behoeve van het strategisch beheer van het Afsprakenstelsel ele"},{"i":6194,"b":"Wet van 11 november 2021 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met een vereenvoudiging van de bestuurlijke inrichting van het stelsel voor beroepsonderwijs door omvorming van het aoc tot verticale scholengemeenschap en een andere invulling van bevoegd gezag (Wet bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bestuurlijke inrichting van het stelsel voor beroepsonderwijs te stroomlijnen door het agrarisch opleidingscentrum voortaan vorm te geven als een verticale scholengemeenschap en voor bijzondere instellingen de rechtspersoon die de instelling in stand houdt als normadressant in de wet aan te duiden (bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Artikel III. Wijziging [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel V. Wijziging [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438) Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel VI. Wijziging [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel VII. Wijziging [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt"},{"i":9541,"b":"Verdrag nopens het verbod van witte (gele) phosphorus bij het vervaardigen van lucifers Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Koning van Pruissen; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken; de President der Fransche Republiek; Zijne Majesteit de koning van Italië; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hertog van Nassau; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; de Zwitsersche Bondsraad, de ontwikkeling der bescherming van den arbeid wenschende te vergemakkelijken door de aanneming van gemeenschappelijke voorschriften, hebben besloten te dien einde een verdrag nopens het gebruik van witten (gelen) phosphorus bij het vervaardigen van lucifers te sluiten, en hebben tot hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Koning van Pruissen: Zijne Excellentie den heer ALFRED VON BÜLOW, Hoogstdeszelfs Kamerheer en Werkelijken Geheimen Raad, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te Bern; den heer CASPAR, Directeur aan het Staatssecretariaat van Binnenlandsche Zaken van het Rijk; den heer FRICK, Opper-Geheimen Regeeringsraad en Voordragenden Raad aan het Pruissisch Ministerie van Handel en Nijverheid; den heer ECKARDT, Werkelijken Raad van Legatie en Voordragenden Raad aan het Staatssecretariaat van Buitenlandsche Zaken van het Rijk; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken: den heer HENRIK VEDEL, Afdeelingschef aan het Ministerie van Binnenlandsche Zaken; de President der Fransche Republiek: Zijne Excellentie den heer PAUL RÉVOIL, Ambassadeur te Bern; den heer ARTHUR FONTAINE, Directeur van den Arbeid aan het Ministerie van Handel, Nijverheid en Arbeid; Zijne Majesteit de Koning van Italië: Zijne Excellentie graaf ROBERTO MAGLIANO DI VILLAR SAN MARCO, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te Bern; den heer professor GIOVANNI MONTEMARTINI, Directeur der Afdeeling Arbeid aan het Koninklijk Ministerie van Landbouw en Handel; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hertog van Nassau: den"},{"i":6363,"b":"Wijziging Regeling procedure inzake het omgaan met een vermoeden van een misstand Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling procedure inzake het omgaan met een vermoeden van een misstand. Artikel II Deze regeling treedt in werking op 31 december 2001. Dit besluit met toelichting zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5735,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 september 2018, nr. 2018-0000130650, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ten behoeve van maatschappelijke initiatieven die erop zijn gericht (ex-)kankerpatiënten zonder werk meer kans te geven op een terugkeer naar werk (Subsidieregeling Kanker & Werkzoekenden) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanvraagtijdvak:** door de minister vastgesteld tijdvak waarin aanvragen voor subsidie op grond van deze regeling worden ontvangen; - b. **aanvrager:** organisatie met rechtspersoonlijkheid, die ingeschreven staat in het handelsregister, genoemd in [artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=2) en die de in het projectplan aangegeven activiteiten verricht of laat verrichten; - c. **deelnemer:** (ex-)kankerpatiënt zonder werk die deelneemt aan een op basis van deze regeling gesubsidieerd project; - d. **de-minimisverklaring:** verklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de de-minimisverordening; - e. **de-minimisverordening:** Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352); - f. **kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - g. **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - h. **projectperiode:** periode gelegen tussen de datum waarop de subsidie is verleend en de datum waarop het project uiterlijk moet zijn afgerond. Artikel 2. Toepasselijkheid [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Op deze"},{"i":5731,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport van 29 juni 2022, kenmerk 3389067-1031676-GMT, houdende regels voor de subsidiëring van activiteiten die binnen de reikwijdte van Important Projects of Common European Interest op het gebied van Health vallen (Subsidieregeling IPCEI Health) Gelet op [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraagtijdvak 1:** de periode die twee dagen na de publicatie van de Subsidieregeling IPCEI Health in de Staatscourant aanvangt om 09:00 uur en duurt tot en met 12 augustus 2022, 17:00 uur; - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** Verordening (EU) nummer 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023 tot wijziging van [Verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU, 2023, L 167/2); - **AMR:** antimicrobiële resistentie; - **directe partner:** een onderneming als bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046873&artikel=5&z=2024-07-26&g=2024-07-26); - **eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten:** activiteiten als bedoeld in paragraaf 3.2.3, onderdelen 23 en 24, van het IPCEI-steunkader; - **eerste wave:** Europese belangrijke projecten die vallen binnen de thematiek van het manifesto; - **Europees belangrijk project:** project als bedoeld in paragraaf 3.1 van het IPCEI-steunkader dat is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit en wordt uitgevoerd door een Europees samenwerkingsverband; - **Europees goedkeuringsbesluit:** besluit waarin de Europese Commissie een project heeft gekwalificeerd als belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang en overheidssteun voor één of meer ondernemingen die deelnem"},{"i":5737,"b":"Subsidieregeling Kenniscentrum Grote Steden Gelet op [artikel 2 van de Wet overige BiZa-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009055&artikel=2) en [artikel 34 van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238&artikel=34); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de minister: de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties; - b. het Kenniscentrum: Stichting Kenniscentrum Grotestedenbeleid; - c. de overige betrokken departementen: de departementen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Volkhuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Economische Zaken, Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Verkeer en Waterstaat, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Justitie; - d. de Steden: de gemeenten genoemd in [artikel 1, onderdeel b, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018238&artikel=1); - e. het basisprogramma Grote Steden: het door het Rijk en de Steden gezamenlijk te subsidiëren programma voor een bepaald kalenderjaar, waarin de aard, de omvang en de doelstelling van de activiteiten worden beschreven. Artikel 2 1. De Minister verstrekt jaarlijks een subsidie aan het Kenniscentrum overeenkomstig deze regeling ten behoeve van het uitvoeren van het door het Kenniscentrum opgestelde basisprogramma Grote Steden. 2. De minister keurt het basisprogramma Grote Steden goed na overleg met de overige betrokken departementen en de Steden. § 2. De subsidieverlening en vaststelling Artikel 3 1. Het Kenniscentrum dient de aanvraag tot subsidieverlening voor het volgende jaar uiterlijk in op 15 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft. 2. De aanvraag gaat vergezeld van: - a. het bedrag waarvoor subsidie wordt gevraagd; - b. het basisprogramma Grote Steden; - c. een raming van de kosten en de baten (b"},{"i":9549,"b":"Verdrag ter bevordering van de economische betrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en de Regering van IJsland Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en de Regering van IJsland, Overwegend dat het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en de Regering van IJsland („de partijen”) een [verdrag inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003504) hebben ondertekend; Aangezien zowel het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, als de Regering van IJsland zich verplicht heeft zich in te zetten voor een internationaal financieel stelsel dat vrij is van verstoringen ten gevolge van een gebrek aan transparantie en het ontbreken van een doeltreffende uitwisseling van informatie bij belastingzaken; Aangezien de Regering van IJsland het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, wenst bij te staan bij het diversifiëren van hun economie; Zijn de partijen thans het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist: - a. wordt verstaan onder de uitdrukking „IJsland” IJsland; gebezigd in geografische zin omvat deze uitdrukking het grondgebied van IJsland, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten de territoriale zee waarbinnen IJsland, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsmacht of soevereine rechten uitoefent met betrekking tot de zeebodem, de ondergrond daarvan en de bovengelegen wateren en hun natuurlijke rijkdommen; - b. wordt verstaan onder de uitdrukking „de Nederlandse Antillen” dat deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat is gelegen in de Caribische Zee en bestaat uit de eilandgebieden Bonaire, Curaçao, Saba, St. Eustatius en (het Nederlandse deel van) St. Maarten, met inbegrip van de territoriale wateren daarvan en het deel van de z"},{"i":14157,"b":"Regeling co-financiering uitfasering doelstelling 1 Flevoland Gelet op [artikel 3 van het Besluit co-financiering EFRO-programma's](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012390&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Als Europees programma als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Besluit co-financiering EFRO-programma's 2000/06](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012390&artikel=3) wordt aangewezen het enkelvoudig programmeringsdocument voor de structurele bijstandsverlening van de Gemeenschap in het kader van doelstelling 1 in de regio Flevoland in Nederland, goedgekeurd bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 2000 (C(2000) 1507). Artikel 2 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de provincie Flevoland. Artikel 3 Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op grond van het [Besluit co-financiering EFRO-programma's 2000/06](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012390) wordt voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012504&artikel=1&z=2002-06-13&g=2002-06-13) bedoelde programma vastgesteld op € 15.882.307,56. Artikel 4 1. Een aanvraag wordt ingediend voor 1 oktober 2001. 2. In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag om subsidie in de kosten van het project Geomatica Business Park ingediend voor 1 juli 2002. Artikel 5 De minister geeft een beschikking binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij een redelijke termijn waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien. Artikel 6 De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag: - a. indien in de financiering van het programma niet wordt bijgedragen vanwege de Commissie van de Europese Gemeenschappen, - b. indien overigens in de financiering van het programma niet of in onvoldoende mate wordt bijgedragen door de aanvrager of anderen die het, gelet op de aard van het programma, mede aangaat."},{"i":9561,"b":"Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regelen betreffende aanvaring Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Koning van Pruisen, in naam van het Duitsche Rijk; de President van de Argentijnsche Republiek; Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk, Koning van Bohemen, enz. en Apostolisch Koning van Hongarije, voor Oostenrijk en voor Hongarije; Zijne Majesteit de Koning der Belgen; de President der Vereenigde Staten van Brazilië; de President der Republiek Chili; de President der Republiek Cuba; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken; Zijne Majesteit de Koning van Spanje; de President der Vereenigde Staten van Amerika; de President der Fransche Republiek; Zijne Majesteit de Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland en der Britsche overzeesche bezittingen, Keizer van Indië; Zijne Majesteit de Koning der Hellenen; Zijne Majesteit de Koning van Italië; Zijne Majesteit de Keizer van Japan; de President der Vereenigde Mexicaansche Staten; de President der Republiek Nicaragua; Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; Zijne Majesteit de Koning van Portugal en der Algarven; Zijne Majesteit de Koning van Rumenië; Zijne Majesteit de Keizer van alle Ruslanden; Zijne Majesteit de Koning van Zweden; de President der Republiek Uruguay, het nut erkennende om in gemeen overleg eenige eenvormige regelen betreffende aanvaring vast te stellen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten, en hebben tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Koning van Pruisen, in naam van het Duitsche Rijk: den heer KRACKER VON SCHWARTZENFELDT, zaakgelastigde van Duitschland te Brussel; den heer dr. STRUCKMANN, geheim Opper-Regeeringsraad, verslaggevend Raad bij het Keizerlijk Departement van Justitie; de President der Argentijnsche Republiek: Zijne Excellentie den heer A. BLANCAS, buitengewoon gezant en gevolmachtigd Minister der Argentijnsche Republiek bij Zijne Majes"},{"i":9564,"b":"Verdrag tot instelling van de Benelux Unie Preambule Het Koninkrijk België, Vertegenwoordigd door: de Federale Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Waalse Regering, de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Duitstalige Gemeenschapsregering Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, Overwegende dat zij, in het verlengde van de op 5 september 1944 te Londen ondertekende Nederlandsch-Belgisch-Luxemburgsche Douane-overeenkomst, op 3 februari 1958 het [Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047) hebben gesloten; Overwegende dat het Verdrag van 3 februari 1958 op 16 maart 1971, op 26 januari 1976 en op 16 februari 1990 is gewijzigd; Overwegende dat het Benelux comité van ministers op 20 november 1995 op basis van het rapport van een comité van wijzen de taakstelling van de Benelux Economische Unie heeft aangepast; Voorts overwegende dat [artikel 99, eerste lid, van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047&artikel=99) van 3 februari 1958 stelt, dat dit voor een tijdvak van vijftig jaar is gesloten, welk tijdvak een einde neemt op 31 oktober 2010; Verwijzend naar de [Overeenkomst nopens de instelling van een Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004827) van 5 november 1955 en het Protocol tot aanvulling van deze Overeenkomst van 3 februari 1958, alsmede naar het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof van 31 maart 1965 en nadere verdragen ter wijziging en uitvoering daarvan; Vaststellend dat zij, in het kader van de Benelux Economische Unie, op basis van het Verdrag van 3 februari 1958 en in de praktijk een dynamische invulling hebben gegeven aan hun onderlinge samenwerking in een zich wijzigende internationale context, waaronder de toenemende integratie binnen de Europese Unie; Vaststellend dat zij op basis van hun onderlinge samenwerking met succes i"},{"i":9563,"b":"Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, **Vast besloten** de economische banden tussen Hunne landen nauwer aan te halen door een vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en diensten tot stand te brengen; **Verlangend** een gecoördineerd beleid te voeren op economisch, financieel en sociaal gebied, teneinde naar gelang van de economische omstandigheden het meest bevredigende peil van de werkgelegenheid en de hoogste levensstandaard te bereiken welke verenigbaar zijn met het behoud van de monetaire stabiliteit; **Verlangend** een gemeenschappelijke handelspolitiek te volgen, erop gericht, de uitwisseling van goederen en diensten met derde landen tot een zo gunstig mogelijke ontwikkeling te brengen door middel van een zo vrij mogelijk handelsverkeer; **Zich ervan bewust,** dat de economische vooruitgang, welke het hoofddoel van Hun Unie vormt, moet leiden tot het bevorderen van het persoonlijk en maatschappelijk welzijn van Hunne volkeren; **Erkennende,** dat ingevolge [artikel 233 van het op 25 maart 1957 te Rome ondertekende Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506&artikel=233) en [artikel 202 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033&artikel=202) de bepalingen van deze Verdragen geen beletsel vormen voor het bestaan en de voltooiing ener Economische Unie tussen Hunne landen, voor zover de doelstellingen van deze Unie niet bereikt zijn door toepassing van bedoelde Verdragen; **Besloten hebbende** tussen Hunne landen de Economische Unie in te stellen die werd voorzien in de op 5 september 1944 te Londen ondertekende Douaneovereenkomst, verduidelijkt en uitgelegd overeenkomstig het op 14 maart 1947 te 's-Gravenhage ondertekende Protocol; Hebben hiertoe als Hun"},{"i":9584,"b":"Verdrag tot oprichting van het Internationaal Instituut voor democratie en verkiezingsondersteuning De Partijen die ondertekenaar zijn van dit Verdrag, Vaststellende dat de begrippen democratie, pluralisme en vrije en eerlijke verkiezingen wereldwijd vaste voet aan de grond krijgen; Vaststellende dat democratie van wezenlijk belang is voor het bevorderen en waarborgen van de mensenrechten en dat deelname aan het politieke leven, waaronder de regering, deel uitmaakt van de mensenrechten, vastgelegd in en gewaarborgd door internationale verdragen en verklaringen; Tevens vaststellende dat duurzame democratie, behoorlijk bestuur, verantwoording en transparantie een centrale plaats zijn gaan innemen in het beleid voor nationale en internationale ontwikkeling; Erkennende dat versterking van de democratische instellingen op nationale, regionale en mondiale schaal een gunstig klimaat schept voor preventieve diplomatie, waarmee de totstandbrenging van een betere wereldorde wordt bevorderd; Beseffende dat democratische en verkiezingsprocessen continuïteit en toekomstperspectief vereisen; Geleid door de wens alom gehanteerde normen, waarden en gebruiken meer ingang te doen vinden en in de praktijk te brengen; Zich ervan bewust dat pluralisme veronderstelt dat er actoren en nationale en internationale organisaties zijn met duidelijk onderscheiden taken en mandaten, die niet bij andere kunnen worden ondergebracht; Beseffende dat een ontmoetingsplaats voor alle betrokkenen zou kunnen leiden tot instandhouding en bevordering van deskundigheid en systematische vergroting van capaciteit; Overwegende dat er behoefte is aan een aanvullend internationaal instituut op dit gebied. Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Oprichting, vestigingsplaats en rechtspositie 1. De Partijen bij dit Verdrag richten hierbij het Internationale Instituut voor democratie en verkiezingsondersteuning op als internationale organisatie, hierna te noemen „het Instituut\" of „Internationaal IDEA\". 2. De z"},{"i":19302,"b":"Wetboek van Strafvordering Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een nieuw Wetboek van Strafvordering vast te stellen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Worden vastgesteld de navolgende bepalingen welke zullen uitmaken het Wetboek van Strafvordering Boek Eerste. Algemeene bepalingen Titel I. Strafvordering in het algemeen afdeeling Eerste. Inleidende bepaling Artikel 1 Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien. afdeeling Tweede. Relatieve bevoegdheid van de rechtbanken tot kennisneming van strafbare feiten Artikel 2 1. Van de rechtbanken zijn gelijkelijk bevoegd: die binnen welker rechtsgebied het feit is begaan; die binnen welker rechtsgebied de verdachte woon- of verblijfplaats heeft; die binnen welker rechtsgebied de verdachte zich bevindt; die binnen welker rechtsgebied de verdachte zijne laatst bekende woon- of verblijfplaats heeft gehad; die bij welke tegen de verdachte een vervolging ter zake van een ander feit is aangevangen; die welker rechtsgebied grenst aan de territoriale zee alsmede de rechtbank Amsterdam, indien het feit is begaan ter zee buiten het rechtsgebied van een rechtbank of aan boord van een vaartuig dat buitengaats wordt gebracht; de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbank Rotterdam, indien de officier van justitie bij het landelijk parket met de vervolging van het strafbare feit is belast; de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbank Rotterdam, indien de officier van justitie bij het functioneel parket met de vervolging van het strafbare feit is belast. 2. In geval van gelijktijdige vervolging bij meer dan ééne rechtbank blijft uitsluitend bevoegd de rechtbank die in deze rangschikking eerde"},{"i":4599,"b":"Fiscale beleidsregels oktober 2004 De Staatssecretaris van Financiën geeft kennis van het volgende. In de maand oktober 2004 zijn de volgende beleidsregels op de website www.minfin.nl geplaatst. In verband met het bepaalde in [artikel 2:14, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14) liggen deze beleidsregels, vanaf datum publicatie op de website, tevens ter inzage bij de afdeling Bibliotheek en documentatie van het Ministerie van Financiën, Korte Voorhout 7 te Den Haag. Vennootschapsbelasting; fiscale eenheid Besluit van 22 september 2004 nr. CCP2004-812M Omzetbelasting en verschotten en doorlopende posten Besluit van 23 september 2004 nr. DGB2004/4800M [Vrijstelling van inkomstenbelasting voor functionarissen van internationale organisaties](onbekend) Besluit van 23 september 2004 nr. IFZ2004/764M Vervanging uitvoeringsvoorschriften en formulieren bij diverse Nederlandse belastingverdragen Besluit van 28 september 2004 nr. IFZ2004/668M Nederlandse uitvoeringsvoorschriften belastingverdragen, uitgezonderd die met België, Frankrijk, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland Besluit van 28 september 2004 nr. IFZ2004/687M Energie-investeringsaftrek; onderdeel bedrijfsmiddel; grens € 450 Besluit van 28 september 2004 nr. CPP2004/1136M Afhandeling bezwaarschriften aankoopkosten Besluit van 29 september 2004 nr. DGB2004/4945M Overgangsrecht bijleenregeling bij vervreemding eigen woning Besluit van 1 oktober 2004 nr. CPP2004/1696M Verruiming indieningstermijn doorlopende fiscale eenheid Besluit van 3 oktober 2004 nr. CPP2004/1113M Verruiming indieningstermijn aansluitende fiscale eenheid Besluit van 3 oktober 2004 nr. CPP2004/1114M Samenloop overgangsrecht en nieuw regime fiscale eenheid Besluit van 3 oktober 2004 nr. CPP2004/1259M Rechtsvorm; moeder/dochterrichtlijn Besluit van 5 oktober 2004 nr. CPP2004/1515M [Autodealer-besluit 2004](onbekend) Besluit van 5 oktober 2004 nr. CPP2004/2051M Stroomlijnin"},{"i":19219,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 december 2016, nr. MinBuza-2016.822620, houdende beperkende maatregelen tegen personen en entiteiten die banden hebben met ISIS en Al Qaida (Sanctieregeling ISIS en Al Qaida 2016) Gelet op Besluit (GBVB) 2016/1693 van de Raad van 20 september 2016 betreffende beperkende maatregelen tegen ISIS (Da’esh) en Al Qaida en daarmee verbonden personen, groepen, ondernemingen en entiteiten, en tot intrekking van Gemeenschappelijke Standpunt 2002/402/GBVB (Pb EU L 255); Gelet op [Verordening (EG) nr. 881/2002](32002R0881) van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa'ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 467/2001](32001R0467) van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan (Pb EG L 139); Gelet op Verordening (EU) nr. 2016/1686 van de Raad van de Europese Unie van 20 september 2016 tot vaststelling van bijkomende beperkende maatregelen tegen ISIS (Da’esh) en Al Qaida en daarmee verbonden natuurlijke en rechtspersonen, entiteiten of lichamen (Pb EU L 255); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Het is verboden om militaire goederen, alsmede militaire technologie, aangewezen in de Uitvoeringsregeling strategische goederen 2012, dan wel onderdelen daarvan, direct of indirect te verkopen of te leveren aan, door of uit te voeren naar, dan wel over te dragen aan, daaronder begrepen over te brengen naar, de natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten die v"},{"i":18028,"b":"Besluit beperkende bepalingen archiefbescheiden archief Statische Archieven Overzeese Rijksdelen 1925–1980 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief overgebrachte archiefbescheiden van het archief Statische Archieven Overzeese Rijksdelen 1925–1980, de volgende beperking gesteld: - 1). Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in het inventarisnummer 34 is slechts mogelijk na toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. - 2). Toestemming, zoals bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a). de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op zichzelf; - b). de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c). de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie het dossier betrekking heeft toestemming geeft tot inzage; - d). er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3). Toestemming, zoals bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Nationaal Archief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, in overeenstemming met het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"i":17627,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 oktober 2022, nr. IENW/BSK-2021/66906, houdende regels voor een specifieke uitkering ten behoeve van gemeentelijke OV-ambassadeurprojecten in de periode van 2023–2025 (Tijdelijke regeling specifieke uitkering OV-ambassadeurprojecten 2023) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), [artikel 6, zesde lid, van de Wet Mobiliteitsfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044860&artikel=6), de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en [artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **doelgroep:** personen met een mobiliteitsbeperking en personen die om andere dan financiële redenen een drempel ervaren bij het gebruik maken van het openbaar vervoer; - **minister:** de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **openbaar vervoer:** voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig; - **OV-ambassadeurproject:** gemeentelijk project, gericht op het stimuleren van deelname aan het openbaar vervoer door de doelgroep met de inzet van OV-ambassadeurs; - **uitkeringsplafond:** het bedrag dat voor de specifieke uitkering beschikbaar is gesteld onder aftrek van de uitkeringskosten. Artikel 2. Toepasselijkheid [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381) Op deze regeling zijn de [artikelen 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [8, derde li"},{"i":17085,"b":"Eerste Technisch Accoord bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale verzekering TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen TITEL II. Bijzondere bepalingen HOOFDSTUK 1. ZIEKTEVERZEKERING Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen HOOFDSTUK 2. ONGEVALLENVERZEKERING Artikel 11 Vervallen I. Uitkeringen in geld Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen II. Verstrekkingen in natura Artikel 14 Vervallen HOOFDSTUK 3. RENTENVERZEKERINGEN A. Vaststelling der uitkeringen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen B. Betaling der uitkeringen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Vervallen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen Artikel 23 Vervallen Artikel 24 Vervallen TITEL III. Diverse bepalingen Artikel 25 Vervallen Artikel 26 Vervallen Artikel 27 Vervallen Artikel 28 Vervallen Artikel 29 Vervallen"},{"i":13058,"b":"Besluit van de directeur van het Bureau beheer landbouwgronden van 12 mei 2024, DGRTLG/ 52716928, houdende verlening van volmacht en machtiging Bureau beheer landbouwgronden 2024 (Besluit volmacht en machtiging directeur Bureau beheer landbouwgronden 2024) Gelet op [artikel 2, tweede lid, van het Besluit aanwijzing directeur Bureau beheer landbouwgronden 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049500&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Het [Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048047) is wat betreft volmacht en machtiging en de vertegenwoordiging van het Bureau beheer landbouwgronden van overeenkomstige toepassing op medewerkers van het directoraat-generaal die werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de directeur Bureau beheer landbouwgronden. Artikel 2 Het [Besluit volmacht en machtiging directeur van het Bureau beheer landbouwgronden 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036394) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit volmacht en machtiging directeur Bureau beheer landbouwgronden 2024. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9707,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitse Rijk houdende vaststelling van een ontginningsgrens voor de aan beide zijden van de grens langs de Worm gelegen steenkolenmijnen Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de Duitsche Rijkskanselier, door den wensch geleid, de winning van steenkolen in de aan beide zijden van de Nederlandsch-Duitsche grens langs de Worm gelegen steenkolenmijnen te vergemakkelijken, hebben ten einde een daartoe strekkend verdrag te sluiten, tot Hunne Gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden Mr. NESTORIUS CHRISTIAAN COUVÉE, Raadadviseur bij het Ministerie van Waterstaat; de Duitsche Rijkskanselier Dr. CONRAD ROEDIGER, „Vortragende Legationsrat” bij het Ministerie van Buitenlandsche Zaken, die, na elkander hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, het navolgende zijn overeengekomen: Artikel 1 Ten behoeve van de steenkolenmijnen, welke volgens de bij dit verdrag gevoegde kaart (bijlage1[Red: Niet opgenomen.]), tusschen de punten 1 en 11 aan de Worm grenzen, wordt onafhankelijk van de Rijksgrens, voor het ondergrondsch bedrijf een ontginningsgrens overeengekomen. Zij is op de kaart door een gebroken roode lijn aangeduid. Artikel 2 (1). De ontginningsgrens vervangt de tot dusver bestaande begrenzing der mijnvelden. De door de ontginningsgrens afgescheiden gedeelten worden met het aan de andere zijde der ontginningsgrens liggende aangrenzende mijnveld vereenigd. (2). De rechtstoestand der afgescheiden gedeelten wordt bepaald door dien van het mijnveld waarmede zij vereenigd worden, in zooverre in dit verdrag niet anders is bepaald. (3). Door de vereeniging gaan alle bestaande rechten op het afgescheiden gedeelte te niet. Alle rechten verbonden aan het mijnveld, waarmede het gedeelte vereenigd wordt, strekken zich ook uit over dit gedeelte. (4). In de door de ontginningsgrens afgescheiden gedeelten, die aan gebied grenzen, waarvoor nog geen ontginningsrechten verle"},{"i":9710,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Europees Ruimte Agentschap inzake het Europees Centrum voor onderzoek en technologie-ontwikkeling op ruimtevaartgebied The Kingdom of the Netherlands, and the European Space Agency Having regard to the [Convention for the establishment of a European Space Agency](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003813) of 30 May 1975, and in particular to its[Article VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003813&artikel=VI) and its[Annex I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003813&bijlage=I)on Privileges and Immunities; Having regard to the [Agreement between the European Space Agency and the Kingdom of the Netherlands concerning the European Space Research Technology Centre](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001369)of 10 February 1999; Having regard to the [Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the European Space Agency regarding the registration of apprentices, who have been accepted by the European Space Agency into its apprenticeship programme in the Netherlands](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001675) of 23 July 2004; Considering the need to adapt the [Agreement between the European Space Agency and the Kingdom of the Netherlands concerning the European Space Research Technology Centre](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001369) of 10 February 1999 to the present circumstances; Having regard in particular to [Article XV.3 of the Convention for the establishment of a European Space Agency](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003813&artikel=XV) of 30 May 1975 and to [Article XXVIII of Annex I thereto](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003813&artikel=XXVIII); Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purposes of this Agreement: - a). “[Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003813)” means the Convention for the establishment of a European Space Agency of 30 May 1975; - b). “Director General” means the Director General referred to in"},{"i":9721,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot verbetering van de verbinding tussen het Julianakanaal en het Albertkanaal Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, erkend hebbende dat het nodig geworden is tussen het Julianakanaal en het Albertkanaal een betere verbinding tot stand te brengen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot hun gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Jonkheer E. Teixeira de Mattos, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur der Nederlanden te Brussel; Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Zijne Excellentie de Heer P. Wigny, Minister van Buitenlandse Zaken; die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Een directe verbinding tussen het Julianakanaal en het Albertkanaal zal worden verwezenlijkt volgens de bij dit Verdrag als bijlage I gevoegde tekening. Artikel 2 § 1. — Om de in artikel 1 genoemde verbinding tot stand te brengen zullen de volgende werken worden uitgevoerd: - a). het bouwen, ten oosten van de bestaande tweelingsluis te Ternaaien, van een sluis met de volgende afmetingen: Het bovenhoofd van deze sluis zal in dezelfde lijn liggen als het bovenhoofd van de bestaande tweelingsluis. Over het benedenhoofd van de nieuwe sluis zal een brug worden gelegd en, erbij aansluitend, een brug over het hierna onder b) beschreven verbindingskanaal; - —. nuttige lengte: 136 m; - —. nuttige breedte: 16 m; - —. bovenpeil: het peil van het aansluitend pand van het Albertkanaal, d.i. 57,68 m + N.A.P. of (+ 60,00) Staf, met een doorvaarthoogte van 7 m daarboven; - —. benedenpeil: het hierna onder h) vermelde stuwpeil, d.i. 44,00 m + N.A.P. of (+ 46,32) Staf, met een doorvaarthoogte van 7 m boven 46,48 m + N.A.P. of (+ 48,80) Staf, overeenkomende met het hierna onder h) vermelde vaarpeil. - b). het graven, over de l"},{"i":9750,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en de Internationale Financieringsmaatschappij inzake de vestiging en het functioneren van een kantoor op Sint Maarten Preamble The Kingdom of the Netherlands, in respect of Sint Maarten, on the one side, and the International Bank for Reconstruction and Development (IBRD) and the International Finance Corporation (IFC) (together the “World Bank Group Organizations”), on the other side; Having regard to the Articles of Agreement of the International Bank for Reconstruction and Development of 27 December 1945, as amended, effective 27 June 2012 (in particular, Article VII on IBRD’s status, immunities and privileges); the Articles of Agreement of the International Finance Corporation of 11 April 1955, as amended, effective 16 April 2020 (in particular, Article VI on IFC’s status, immunities and privileges); Considering that the Kingdom of the Netherlands has acceded to the Convention on the Privileges and Immunities of the Specialized Agencies with respect to IBRD as of July 21, 1949; Noting that as of October 10, 2010, Sint Maarten is a constituent country within the Kingdom of the Netherlands; Noting that the World Bank Group Organizations have established or may establish an Office (as defined in Article I) in Sint-Maarten; and Desiring to further define the status, privileges and immunities of such Office (as defined in [Article I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006975&artikel=I&z=2022-10-19&g=2022-10-19)) in Sint Maarten and to enable the World Bank Group Organizations to fulfill their purposes and functions in Sint Maarten; Have agreed as follows: Article I. Definitions Section 1. Capitalized terms used in this Agreement have the meanings given to them in this Article I, unless the context requires otherwise. Section 2. For the purpose of this Agreement: - a). “Agreement” means this Establishment Agreement between the"},{"i":9805,"b":"Verklaring houdende erkenning van het recht tot het voeren van een vlag door Staten zonder zeekust Barcelona, the twentieth day of April nineteen hundred and twenty-one, done in a single copy, of which the English and French texts shall be authentic."},{"i":9806,"b":"Verklaring ten aanzien van de artikelen 2 en 4 van de internationale Overeenkomst van 14 maart 1884 tot bescherming der onderzeese telegraafkabels Fait à Paris, le 1er Décembre 1886 et le 23 Mars 1887 par l'Allemagne."},{"i":9807,"b":"Verklaring tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk België betreffende de grensregeling in het Kanaal van Gent naar Terneuzen De Regeering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de Regeering van Zijne Majesteit den Koning der Belgen, de uit de verbreeding van het kanaal van **Gent** naar **Terneuzen** volgende noodzakelijkheid erkend hebbende om zekere grenssteenen te verplaatsen, waarvan de plaatsing is geconstateerd door het op 28 Juni 1900 onderteekend proces-verbaal van grensscheiding tusschen de gemeenten **Selzaete (België)** en **Sas van Gent (Nederland)** tusschen den tusschenpaal n°. 12 en den grenspaal n°. 309, en de op 5 Januari 1888 te **Brussel** onderteekende Verklaring herzien hebbende, zijn omtrent de volgende bepalingen overeengekomen: Artikel 1 Het op 18 Mei 1909 onderteekende proces-verbaal van grensscheiding tusschen de gemeenten **Selzaete (België)** en **Sas van Gent (Nederland)**, tusschen den tusschenpaal n°. 11 en den grenspaal n°. 309, wordt goedgekeurd. Artikel 2 Het ontwerp-proces-verbaal van beschrijving der internationale grensscheiding vanaf het fort **St. Anthony** tot het gehucht de **Stuyver** onder de gemeente **Selzaete** wordt vervangen door het op 10 October 1910 door de internationale commissie te **Selzaete** gezien en vastgesteld proces-verbaal. De processen-verbaal die in de bovenbedoelde artikelen 1 en 2 genoemd worden alsmede de bij het proces-verbaal van grensscheiding gevoegde topographische kaart zullen bij de tegenwoordige verklaring gevoegd blijven en zullen dezelfde kracht en waarde hebben, alsof zij daarin in hun geheel waren opgenomen. En foi de quoi, les soussignés, Envoyé Extraordinaire et Ministre Plénipotentiaire de Sa Majesté la Reine des Pays-Bas et Ministre des Affaires Etrangères de Sa Majesté le Roi des Belges, dûment autorisés, ont signé la présente Déclaration et y ont apposé le sceau de leurs armes. Fait en double à Bruxelles, le 10 janvier 1912."},{"i":3661,"b":"Besluit mandaat Dienst Regelingen Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006 In overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. Dienst Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. Besluit: [Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872). Artikel 2 1. De teammanagers uitvoering en de regelingsmanagers van Dienst Regelingen zijn bevoegd om namens de Minister besluiten te nemen en stukken te ondertekenen met betrekking tot primaire beslissingen inzake: - a. het toekennen van een definitieve bijdrage als bedoeld in [artikel 22, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872&artikel=22); - b. het toekennen van een voorlopige bijdrage als bedoeld in [artikel 21, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872&artikel=21). 2. De teammanagers uitvoering en de regelingsmanagers van Dienst Regelingen zijn bevoegd om namens de Minister stukken af te doen met betrekking tot: - a. de ontvangst van de aanmelding, bedoeld in [artikel 12 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872&artikel=12); - b. de ontvangst van de declaratie, bedoeld in [artikel 13 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872&artikel=13); - c. het instellen van een nader onderzoek, bedoeld in [23, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872&artikel=23); - d. het toekennen en betaalbaar stellen van een voorlopige bijdrage, bedoeld in [artikel 21, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020872&artikel=21); - e. het toekennen en betaalbaar stellen van een definitieve bijdrage, bedoeld in [artikel 22, e"},{"i":9817,"b":"Vierde Aanvullend Protocol bij het Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa The Governments signatory hereto, being Members of the Council of Europe, Considering that, under the terms of [Article 59 of the Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=59), signed at Rome on 4th November 1950 (hereinafter referred to as “the Convention”), the members of the European Court of Human Rights (hereinafter referred to as “the Court”) are entitled, during the discharge of their functions, to the privileges and immunities provided for in [Article 40 of the Statute of the Council of Europe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005506&artikel=40) and in the Agreements made thereunder; Considering that it is necessary to specify and define the said privileges and immunities in a Protocol to the [General Agreement on Privileges and Immunities of the Council of Europe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005781), signed at Paris on 2nd September, 1949; Have agreed as follows: Article 1 For the purposes of this Protocol, the term “judges” means judges elected in accordance with [Article 39 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=39) as well as any **ad hoc** judge appointed by a State party concerned in pursuance of [Article 43 of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001000&artikel=43). Article 2 The judges shall, while exercising their functions and during journeys made in the exercise of their functions, enjoy the following privileges and immunities: - (a). immunity from personal arrest or detention and from seizure of their personal baggage, and, in respect of words spoken or written and all acts done by them in their official capacity, immunity from legal process of every kind; - (b). exemption in respect of themselves and their spouses as regards any restrictions on their freedom of movement on e"},{"i":9822,"b":"Voedselhulpverdrag 1999 Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2000/20 gesteld op 30 juni 2002. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2006/55 gesteld op 30 juni 2003. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2008/72 gesteld op 30 juni 2008. Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2009/117 gesteld op 30 juni 2010. DEEL I. DOELSTELLING EN DEFINITIES Artikel I. Doelstellingen Vervallen Artikel II. Definities Vervallen DEEL II. BIJDRAGEN EN BEHOEFTEN Artikel III. Hoeveelheden en kwaliteit Vervallen Artikel IV. Producten Vervallen Artikel V. Equivalentie Vervallen Artikel VI. Voorwaartse en achterwaartse compensatie Vervallen Artikel VII. In aanmerking komende ontvangers Vervallen Artikel VIII. Behoeften Vervallen Artikel IX. Vormen van en voorwaarden voor voedselhulp Vervallen Artikel X. Vervoer en aflevering Vervallen Artikel XI. Kanalisering Vervallen Artikel XII. Lokale aankopen en trilaterale transacties Vervallen Artikel XIII. Doeltreffendheid en invloed Vervallen Artikel XIV. Informatie en coördinatie Vervallen DEEL III B. ADMINISTRATIE Artikel XV. Comité inzake Voedselhulp Vervallen Artikel XVI. Bevoegdheden en taken Vervallen Artikel XVII. Voorzitter en vice-voorzitter Vervallen Artikel XVIII. Zittingen Vervallen Artikel XIX. Secretariaat Vervallen Artikel XX. Niet-nakoming van verplichtingen en geschillen Vervallen DEEL IV B. SLOTBEPALINGEN Artikel XXI. Depositaris Vervallen Artikel XXII. Ondertekening en bekrachtiging Vervallen Artikel XXIII. Toetreding Vervallen Artikel XXIV. Inwerkingtreding Vervallen Artikel XXV. Werkingsduur en opzegging Vervallen Artikel XXVI. Internationale Graanovereenkomst Vervallen Artikel XXVII. Authentieke teksten Vervallen DONE at London, 13 April Nineteen Ninety-Nine."},{"i":6447,"b":"Besluit van 12 september 2011 houdende wijziging van het Besluit periodieke registratie Wet BIG in verband met de uitbreiding van de reikwijdte van dat besluit met de registers van vijf categorieën van beroepsbeoefenaren en houdende wijziging van het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 juli 2011, kenmerk DWJZ/JBA&J 3072952; Gelet op de [artikelen 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=8), [41, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=41), [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=94) en [111 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=111); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 augustus 2011, no. W13.11.0305/III); Gezien en het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 september 2011, DWJZ/JBA&J-3079694; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit periodieke registratie Wet BIG. Artikel II Indien een ingeschrevene in een register als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder d tot en met h, van het Besluit periodieke registratie Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024841&artikel=2) in het bezit is van een getuigschrift, verklaring of erkenning als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=8), welke is verkregen vóór 1 januari 2012, geldt in afwijking van artikel 8, tweede lid, onder a, van de wet 1 januari 2012 als aanvangsdatum van de eerste vijfjaarlijkse registratieperiode. Artikel III Wijzigt het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7888,"b":"Bijdragen gemoedsbezwaarden als bedoeld in w.a.-verzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 1998: Categorie 1: f 280 voor voor vierwielige personenauto’s en bestelauto’s; Categorie 2: f 95 voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; Categorie 3: f 280 voor autobussen en vrachtauto’s; Categorie 4: f 280 voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; Categorie 5: f 560 voor trekkers met opleggers; Categorie 6: f 95 voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; Categorie 7: f 95 voor landbouwwerktuigen; Categorie 8: f 95 voor rijwielen met hulpmotor. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1998. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6456,"b":"Besluit van 2 februari 2012 tot wijziging van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 ten behoeve van de implementatie van Richtlijn 96/82/EG van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG 1997, L 10), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 (PbEU 2008, L 311) (toepassing van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 op de ondergrondse opslag van gevaarlijke stoffen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 27 september 2011, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, nr. IenM/BSK-2011/128366, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op [Richtlijn 96/82/EG](31996L0082) van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG 1997, L 10), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 (PbEU 2008, L 311) en de [artikelen 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.8), [2.22, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.22), de [artikelen 8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [8.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.41), [8.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42), [19.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=19.3), en [21.8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.8), [artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346"},{"i":6305,"b":"Wet van 6 maart 2003, houdende bepalingen met betrekking tot het toezicht op collectieve beheersorganisaties voor auteurs- en naburige rechten (Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat regels gesteld worden met betrekking tot het toezicht op collectieve beheersorganisaties voor auteurs- en naburige rechten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **het College van Toezicht:** het College van Toezicht, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014779&artikel=2&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - c. **algemene voorwaarden:** voorwaarden als bedoeld in [artikel 231, onderdeel a, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=231); - d. **collectieve beheersorganisatie:** elke organisatie die in Nederland gevestigd is en die bij wet of door middel van overdracht, licentieverlening of een andere overeenkomst door meer dan één rechthebbende is gemachtigd met als hoofddoel auteursrecht of naburige rechten te beheren ten behoeve van één of meer van hen, in het gezamenlijk belang van deze rechthebbenden en die onder zeggenschap staat van zijn leden of is ingericht zonder winstoogmerk; - e. **onafhankelijke beheersorganisatie:** iedere organisatie, niet zijnde een collectieve beheersorganisatie, die in Nederland gevestigd is en die bij wet of door middel van overdracht, licentieverlening of een andere overeenkomst door meer dan één rechthebbende is gemachtigd met als hoofddoel auteursrechten of naburige rechten te beheren, ten behoeve van één of meer rechthebbenden, in het gezamenlij"},{"i":9864,"b":"Wet van 11 december 1968, tot vergoeding van door NAVO-motorrijtuigen veroorzaakte schade Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het sedert het in werking treden van de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415) wenselijk is een nadere wettelijke regeling tot stand te brengen inzake de vergoeding van door NAVO-motorrijtuigen veroorzaakte schade; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: Verdrag: het op 19 juni 1951 gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (**Trb.** 1951, 114), alsmede het op 28 augustus 1952 gesloten Protocol bij dit Verdrag nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantische Verdrag (**Trb.** 1953, 11); krijgsmacht en civiele dienst: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Verdrag; NAVO-motorrijtuigen: een motorrijtuig in de zin van [artikel 1 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=1), dat als dienstvoertuig in gebruik is bij een krijgsmacht of bij een civiele dienst. Artikel 2 Het bepaalde in [artikel 2 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=2) is niet van toepassing ten aanzien van een NAVO-motorrijtuig. Artikel 3 1. Indien met een NAVO-motorrijtuig in Nederland schade is toegebracht waarvoor de eigenaar, houder of bestuurder van dat motorrijtuig of een persoon die daarmede wordt vervoerd, aansprakelijk is, wordt die schade door de Staat vergoed, voorzover bovengenoemden voor de vergoeding van die schade aansprakelijk zijn. 2. Voor de toepassing van het vori"},{"i":9866,"b":"Wijziging Besluit algemene richtlijnen post in verband met richtlijn nr. 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PbEG 1998, L 15), het rapport ‘Markt en Overheid-toets op de postmarkt’ (Kamerstukken II 1999/2000, 24 036, nr. 142) en een aantal technische wijzigingen Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit algemene richtlijnen post. Artikel II 1. De houder van de concessie geeft voor de eerste maal uitvoering aan de verplichtingen in de onderdelen 2.18 en 2.19 over het jaar 2001, en voor de eerste maal uitvoering aan de verplichtingen in onderdeel 2.20 in het jaar 2002 voor 1 april van dat jaar. 2. Onderdeel 2.18 van het Besluit algemene richtlijnen post, zoals dit luidt tot de datum waarop het onderhavige wijzigingsbesluit in werking treedt, blijft van af die datum van kracht tot en met 31 december 2000. 3. De houder van de concessie is verplicht voor 1 april 2001 het college te informeren over de wijze waarop hij over de onder b. aangegeven periode van het jaar 2000 uitvoering heeft gegeven aan het onder b. bedoelde onderdeel 2.18, en aan het college de uitkomsten over te leggen van de over die periode gehouden metingen over de overkomstduur van het postvervoer van binnenlandse brieven met de standaard overnight service, vergezeld van een motivering daarvan en een nauwkeurige omschrijving van de toegepaste meetsystematiek. Artikel III 1. De houder van de concessie legt een ontwerp van het toerekeningssysteem, bedoeld in onderdeel 6.3, onder a, binnen twee maanden na inwerkingtreding van dit besluit ter instemming voor aan het college. 2. De houder van de concessie legt voor de eerste maal na inwerkingtreding van dit besluit aan het college een rapportage als bedoeld in § 7, onderdelen 7.1 tot en met 7.5 over, waarbij toepassing is gegeven aan de wijziging"},{"i":6398,"b":"Besluit van 8 juli 2011, houdende wijziging van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft in verband met de uitvoering van Richtlijn nr. 2009/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 maart 2009 tot wijziging van Richtlijn 94/19/EG inzake de depositogarantiestelsels wat dekking en uitbetalingstermijn betreft Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 7 juni 2011, kenmerk FM/2011/8944 M; Gelet op de [artikelen 3:259, derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:259), en [3:261, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:261), De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 juni 2011, No. W06.0199/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 1 juli 2011, kenmerk FM/2011/9267 M. Hebben goed gevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft. Artikel II Dit besluit is van toepassing op depositogarantieregelingen die in werking worden gesteld op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":9902,"b":"Wet van 9 oktober 2013 tot wijziging van de Wet op de naburige rechten in verband met de omzetting van Richtlijn 2011/77/EU van het Europees Parlement en de Europese Raad van 27 september 2011 tot wijziging van de Richtlijn 2006/116/EG betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en bepaalde naburige rechten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921) te wijzigen in verband met de omzetting van [Richtlijn 2011/77](32011L0077)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011 tot wijziging van [Richtlijn 2006/116/EG](32006L0116) betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en bepaalde naburige rechten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de naburige rechten. Artikel II. (Samenloop) Wijzigt deze wet. Artikel III. (Overgangsbepalingen) 1. Overeenkomsten die behelzen de gehele of gedeeltelijke overdracht van rechten van een uitvoerende kunstenaar aan een producent van fonogrammen en zijn gesloten voor 1 november 2013 worden geacht van kracht te blijven tot het tijdstip waarop de uitvoerende kunstenaar niet langer beschermd is volgens [artikel 12 lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=12) zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet. 2. Op uitvoerende kunstenaars die op 1 november 2013 nog beschermd zijn, zijn [artikel 9b, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=9b), van overeenkomstige toepassing. Artikel IIIa Wijzigt de Auteurswet. Artikel IV. (Inwerkingtreding) Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Sta"},{"i":9905,"b":"Zetelovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Internationale Nikkel Studie Groep De bepalingen van de Overeenkomst zullen ingevolge artikel 18 nog van toepassing zijn tot 30 juni 2006. Article 1. Definitions Vervallen Article 2. Legal status Vervallen Article 3. Inviolability of the premises Vervallen Article 4. Inviolability of the archives Vervallen Article 5. Immunity from juridical proceedings Vervallen Article 6. Communications Vervallen Article 7. Publications Vervallen Article 8. Exemption from taxes and duties Vervallen Article 9. Freedom of assets from restriction Vervallen Article 10. Representatives of members Vervallen Article 11. Secretary-General Vervallen Article 12. Staff members Vervallen Article 13. Experts Vervallen Article 14. Notification Vervallen Article 15. Social security Vervallen Article 16. General provisions Vervallen Article 17. Implementation, modification and revision Vervallen Article 18. Termination Vervallen Article 19. Entry into force Vervallen IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, duly authorized thereto, have signed this Agreement. DONE at The Hague on 28 May 1991 in duplicate, in the English language. **For the Government of the Kingdom of the Netherlands,** (sd.) Y. VAN ROOY **For the International Nickel Study Group,** (sd.) GLENN WITTUR"},{"i":9906,"b":"Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland Het Koninkrijk der Nederlanden en het Internationaal Strafhof, Overwegend dat het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, aangenomen op 17 juli 1998 door de Diplomatieke Conferentie van Gevolmachtigden van de Verenigde Naties, het Internationaal Strafhof de bevoegdheid verleent rechtsmacht uit te oefenen over personen met betrekking tot de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap met zorg vervullen; Overwegend dat in artikel 3, eerste en tweede lid, van het Statuut van Rome, wordt bepaald dat de zetel van het Hof wordt gevestigd te Den Haag, Nederland, respectievelijk dat het Hof met het Gastland een zetelverdrag sluit, dat dient te worden goedgekeurd door de Vergadering van Staten die Partij zijn en vervolgens door het Hof in naam van het Hof wordt gesloten; Overwegend dat in artikel 4 van het Statuut van Rome wordt bepaald dat het Hof internationale rechtspersoonlijkheid bezit alsmede de handelingsbevoegdheid die benodigd is voor de uitoefening van zijn taken en de verwezenlijking van zijn doelstellingen; Overwegend dat in artikel 48 van het Statuut van Rome wordt bepaald dat het Hof op het grondgebied van elke Staat die Partij is de voorrechten en immuniteiten geniet die noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taken; Overwegend dat in artikel 103, vierde lid, van het Statuut van Rome wordt bepaald dat indien geen Staat wordt aangewezen ingevolge het eerste lid van dat artikel, de opgelegde gevangenisstraf wordt ondergaan in een penitentiaire inrichting die door het Gastland ter beschikking is gesteld overeenkomstig de voorwaarden vermeld in het zetelverdrag; Overwegend dat de Vergadering van Staten die Partij zijn, tijdens haar eerste vergadering gehouden van 3 tot en met 10 september 2002, de grondbeginselen van een door het Hof en het gastheerland overeen te komen zetelverdrag heeft aangenomen, en het Verdrag betreffende de privileges en immuniteiten van het Intern"},{"i":13661,"b":"Instellingsregeling Begeleidingscommissie DIMS Besluit: § 1. Definities Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **begeleidingscommissie:** de begeleidingscommissie van het Drugs Informatie en Monitoring Systeem,en de Monitor Drugs Incidenten; - c. **DIMS:** het Drugs Informatie en Monitoring Systeem van het Trimbos-instituut dat tot taak heeft de aanbodzijde van de drugsmarkt te monitoren en indien gewenst preventieactiviteiten te ontwikkelen; - d. **MDI:** de Monitor Drugs Incidenten, waarin als onderdeel van het DIMS gegevens worden verzameld over drugsgerelateerde gezondheidsincidenten in een aantal peilregio’s in Nederland. § 2. Instelling commissie Artikel 2 1. Er is een begeleidingscommissie DIMS/MDI. 2. De begeleidingscommissie heeft tot taken: - a. de activiteiten van het DIMS en de MDI te begeleiden vanuit het perspectief van de volksgezondheid; - b. het toetsen en bewaken van de voortgang en de kwaliteit van het DIMS; en - c. het toetsen en bewaken van de voortgang en kwaliteit van de MDI. § 3. Samenstelling Artikel 3 1. De begeleidingscommissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste acht andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de Staatssecretaris benoemd. 3. De Staatssecretaris kan voor elk lid van de begeleidingscommissie, behoudens de voorzitter, een plaatsvervangend lid benoemen. 4. Bij vertrek van een lid of plaatsvervangend lid kan de Staatssecretaris een ander lid, dan wel een ander plaatsvervangend lid, benoemen. 5. De voorzitter en overige leden en plaatsvervangend leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de Staatssecretaris door middel van een gemotiveerd besluit. 6. De Staatssecretaris verleent leden of plaatsvervangende leden van de begeleidingscommissie in ieder geval ontslag, indien een lid of plaatsvervangend lid daarom verzoekt. Artikel 4 1. Tot lid van de begeleidingscommissie worden benoemd: - a. de heer drs. B"},{"i":13655,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 25 oktober, nr. 203166, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Vermogensverdeling (Instellingsbesluit Werkgroep IBO Vermogensverdeling) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045961&artikel=2&z=2021-12-02&g=2021-12-02). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Vermogensverdeling. 2. De werkgroep heeft tot taak een interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren conform de taakopdracht zoals gepubliceerd in bijlage 18 van de Miljoenennota 2022 (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2021-2022, 35 925, nr. 2). 3. Het onderzoek moet resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties in kaart worden gebracht op het betreffende beleidsterrein. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en een aantal leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 4. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd mevrouw Laura van Geest, thans werkzaam bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM). 5. Voor de duur van de werkgroep worden tot lid van de werkgroep benoemd: - –. Rens Nissen (ministerie van Financiën) - –. Sander Veldhuizen (ministerie van Financiën) - –. Karin van Boetzelaer (ministerie van Algemene Zaken) - –. Elise Splint (ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) - –. Sjef Ederveen (ministerie van Economische Zaken en Klimaat) - –. Hans Ton (ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - –. Jochem van der Veen (ministerie v"},{"i":13788,"b":"Wet van 19 december 1991, tot het uitgeven en belenen van schatkistpapier en het aangaan van geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden in 1992 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is Onze Minister van Financiën te machtigen in 1992 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd in 1992 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan ter voorziening in de financieringsbehoefte van de Staat alsmede uit monetaire overwegingen. Artikel 2 De looptijd van de geldleningen zal ten hoogste vijftig jaar zijn. Artikel 3 Onze Minister van Financiën stelt met inachtneming van het bepaalde in de Wet schatkistpapier (**Stb.** 1976, 110) en deze wet de voorwaarden vast, waarop schatkistpapier wordt uitgegeven en beleend en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden worden aangegaan. Artikel 4 Onze Minister van Financiën kan aan bemiddelaars in onderhandse geldleningen over het nominale bedrag van door hun tussenkomst tot stand gekomen onderhandse geldleningen een provisie toekennen van ten hoogste 1/8% (een achtste ten honderd). Artikel 5 Het recht tot opvordering van een hoofdsom van de overeenkomstig deze wet aangegane vaste schuld, welke aflosbaar is gesteld, verjaart tien jaar na de eerste dag, waarop de hoofdsom aflosbaar is. Artikel 6 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1992; zij kan worden aangehaald als: Leningwet 1992. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zull"},{"i":9928,"b":"Besluit van 28 september 2010, houdende aanwijzing van de autoriteiten, bedoeld in de artikelen 27 van de Vervoersnoodwet en 22 van de Havennoodwet alsmede actualisering van de aanwijzing krachtens artikel 16 van de Prijzennoodwet (Aanwijzingsbesluit noodwetgeving Verkeer en Waterstaat) Op de voordracht van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Defensie van 14 juli 2010, nr. CEND/HDJZ-2010/1006 sector AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 27, eerste lid, van de Vervoersnoodwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002391&artikel=27), [22, eerste lid, van de Havennoodwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002410&artikel=22) en [16, tweede lid, van de Prijzennoodwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003734&artikel=16); De Raad van State gehoord (advies van 17 augustus 2010, nr. W09.10.0351/IV); Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Defensie van 22 september 2010, nr. CEND/HDJZ-2010/1309 sector AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder het regionale organisatieonderdeel: het regionale organisatieonderdeel van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, ingesteld krachtens [artikel 2, eerste lid, onder b, van het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=2). Artikel 2 1. Als de autoriteiten, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van de Vervoersnoodwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002391&artikel=27) worden voor Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen de hoofdingenieur-directeuren van de regionale organisatieonderdelen, ieder voor het gezagsgebied van het regionale organisatieonderdeel waarvoor hij is aangesteld. 2. Als de autoriteiten, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van de Vervoersnoodwet](https://wetten.overhei"},{"i":9961,"b":"Beleidsregel toetsingskader waterkwaliteit Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) in samenhang met de [artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=2.1), [6.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=6.6), [6.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=6.20) en [6.21 van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=6.21), Besluit: Artikel 1 1. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van [artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=8.84), worden de stroomschema’s doorlopen zoals die zijn opgenomen in het in de bijlage bij dit besluit opgenomen Toetsingskader waterkwaliteit. 2. Tenzij in het nationale waterprogramma toepassing wordt gegeven aan [artikel 2.17, vierde lid, al dan niet in samenhang met het vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=2.17), wordt een aanvraag uitsluitend ingewilligd als op grond van deze stroomschema’s, rekening houdend met de op grond daarvan eventueel te nemen aanvullende maatregelen, het oordeel gegeven wordt dat er ten gevolge van de aangevraagde handeling geen onacceptabele negatieve effecten zijn te verwachten op de fysisch-chemische of biologische kwaliteitselementen of op de chemische toestand van de betrokken oppervlaktewaterlichamen. 3. Op grond van [artikel 5.34, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.34) worden in elk geval de op basis van deze stroomschema’s nodige voorschriften aan de vergunning verbonden. Artikel 2 Bij het vaststellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in [artikel 4.5 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.5), word"},{"i":11572,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, nummer 1327919, van 6 maart 2018, houdende wijziging van de Regeling regio-indeling samenwerkingsverbanden passend onderwijs PO en VO Gelet op [artikel 18a, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=18a) en [artikel 17a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=17a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling regio-indeling samenwerkingsverbanden passend onderwijs PO en VO. Artikel II [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040706&artikel=I&z=2018-03-15&g=2018-03-15) is voor het eerst van toepassing op de bekostiging voor het schooljaar 2018–2019. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10050,"b":"Besluit van 18 juni 2020, houdende implementatie van enkele bepalingen van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (PbEU L 150/109) (Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen) Op de voordracht van Onze Minister voor Milieu en Wonen van 7 april 2020, nr. IENW/BSK-2019/269999, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van [Richtlijn 2008/98/EG](32008L0098) betreffende afvalstoffen (PbEU L 150/109) en de [artikelen 8.40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [9.2.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), [9.5.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2), [10.29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.29), en [10.41 tot en met 10.43 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.41) en [artikelen 4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), en [5.1, tweede lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 mei 2020, nr. W17.20.0101/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 12 juni 2020, nr. IenW/BSK-2020/86006, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen in werking treedt. Artikel 1 De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, bij de uitvoering van [artikel 10.21 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.21), zorg voor gescheiden inzameling van ten minste de volgende bestanddelen van huishoudelijke afva"},{"i":10104,"b":"Besluit van de algemeen directeur van de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van 21 december 2018, nr. 19001141, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019) Gelet op [artikel 19 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=19); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de algemeen directeur:** de algemeen directeur van de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - b. **de Chief Financial Officer:** de Chief Financial Officer van de Dienst ICT Uitvoering, tevens directeur bedrijfsvoering van de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - c. **de directeuren:** de directeuren van de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - d. **het DT-Dienst ICT Uitvoering:** het DT van de Dienst ICT Uitvoering bestaande uit het collectief van onder a tot en met c bedoelde functionarissen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - e. **de divisiemanagers:** de divisiemanagers van de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - f. **de teamleiders:** de teamleiders van de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - g. **de dienstverantwoordelijken:** de dienstverantwoordelijken van de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - h. **de officemanager:** de officemanager van de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - i. **de clusterleiders:** de clusterleiders van de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - j. **de cryptobeh"},{"i":10111,"b":"Besluit van de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van 21 april 2026, nr. WJZ /105713755, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2026) Gelet op [artikel 14 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2026](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052019&artikel=14); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **directeur:** directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **MT-lid:** MT-lid binnen de directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **hoofd Juridische ondersteuning:** hoofd Juridische ondersteuning van de directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **teamleider:** teamleider van de Woo-unit, onderdeel van de afdeling Bestuur en Kwaliteit van de directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **coördinerend jurist staatssteun:** coördinerend jurist staatssteun van de afdeling Economische Zaken van de directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - **bedrag:** bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW). § 2. Taakverdeling tussen de directeur en de onder hem ressorterende functionarissen Artikel 2 Aan de directeur is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende aangelegenheden die door een MT-lid aan de directeur ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de directeur door ee"},{"i":10142,"b":"Besluit toegestane marktactiviteiten Rijkswaterstaat in bijzondere gevallen Gelet op aanwijzing 24 van de Aanwijzingen van de Minister-President inzake het verrichten van marktactiviteiten door organisaties binnen de rijksdienst van 8 mei 1998 (Stcrt. 1998, 95), Besluit: Artikel 1 De navolgende producten of diensten mogen door het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat aangeboden worden aan organisaties en personen buiten de rechtspersoon Staat: - a. het opslaan van baggerspecie; - b. het (doen) exploiteren van veerverbindingen over rijkswateren; - c. het verrichten van advies- of ingenieursdiensten - 1. voor provincies, gemeenten of waterschappen voor aanleg, beheer of onderhoud van infrastructuur, watersystemen of waterkeringen die één geheel vormen dan wel nauw samenhangen met die waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, en waarvoor het uit dien hoofde doelmatig is deze diensten voor hen te verrichten of - 2. benodigd voor de verdere ontwikkeling en de instandhouding van de opdrachtgeversdeskundigheid van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat of - 3. waarvoor op zich niet unieke deskundigheid alleen binnen het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat organisatorisch gebundeld voorhanden is of - 4. voor de N.V. Westerscheldetunnel voor aanleg en voorbereiding van onderhoud van de Westerscheldetunnel c.a.; - d. het leveren van deskundigheid aan Nederlandse bedrijven die opdrachten (willen gaan) uitvoeren in het buitenland, voorzover deze niet elders in Nederland beschikbaar is; - e. het ter beschikking stellen aan provincies, gemeenten en waterschappen van nationale gegevens(-bestanden) voor beheer of onderhoud van infrastructuuur of verkeersbeheersing daarop; - f. het leveren van onderzoekscapaciteit aan derden wanneer deze niet of niet in voldoende mate elders beschikbaar is of indien het leveren van de capaciteit wenselijk is voor het verder ontwikkelen of instandhouden van de eigen expertise. Artikel 2 1. De tarieven voor de producten en diensten vermeld in [artikel"},{"i":10175,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Luchtverkeersleiding Nederland vanaf 1993 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de Luchtverkeersleiding Nederland over de periode vanaf 1993 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst neerslag handelingen Minister van Justitie beleidsterrein Burgerluchtvaart vanaf 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024423), **Stcrt**. 2008, nr. 169 wordt afgesloten vanaf 1 januari 1993 voor de actor Luchtverkeersleiding Nederland. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":2685,"b":"Beschikking Casinospelen 1996 Gelet op de [artikelen 27h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27h), [27i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27i), [30z](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30z) en [34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34), en [artikel 11 van het Speelautomatenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=11); Gelezen het advies van het College van toezicht op de kansspelen van 22 september 1997; Besluiten: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. **de Wet:** de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. **de Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - c. **de Kansspelautoriteit:** de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - d. **de vergunninghouder:** de rechtspersoon aan welke in artikel 2 vergunning wordt verleend; - e. **speelcasino:** een inrichting als bedoeld in [artikel 27g, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27g); - f. **speelzaal:** een zich binnen een speelcasino bevindende ruimte bestemd voor de organisatie van casinospelen of de opstelling van kansspelautomaten; - g. **kansspelautomaat:** kansspelautomaat zoals bedoeld in [artikel 30, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30); - h. **spelreglement:** reglement als bedoeld in [artikel 4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009234&artikel=4&z=2017-12-01&g=2017-12-01); - i. **huisreglement:** reglement als bedoeld in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009234&artikel=10&z=2017-12-01&g=2017-12-01); - j. **incidenten:** alle situaties die het vertrouwen van de consument in de vergunde kansspelen kunnen schaden; - k. **compliance officer:** de functionaris als bedoeld in"},{"i":3696,"b":"Besluit van de voorzitter van de Toetsingscommissie inzet bevoegdheden van 15 mei 2019, nr. 4063348 houdende mandaat, machtiging en volmacht voor de tot het secretariaat behorende functionarissen van de Toetsingscommissie inzet bevoegdheden (Besluit mandaat, machtiging en volmacht Toetsingscommissie inzet bevoegdheden 2019) Gelet op het [Besluit volmacht en machtiging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042202) met nr. 4062112; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **commissie:** de Toetsingscommissie inzet bevoegdheden, bedoel in [artikel 32 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=32); - b. **voorzitter:** de voorzitter van de commissie; - c. **secretariaat:** het secretariaat van de commissie, bedoeld in [artikel 34 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=34); - d. **secretaris:** de secretaris van de commissie; - e. **plaatsvervangend secretaris:** de plaatsvervangend secretaris van de commissie; - f. **mandaat:** de bevoegdheid om namens de voorzitter van de commissie besluiten te nemen ten aanzien van personeelsaangelegenheden; - g. **volmacht:** om namens de voorzitter van de commissie voor de Staat privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - h. **machtiging:** om namens de voorzitter handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Mandaat 1. Aan de secretaris wordt mandaat verleend ten aanzien van besluiten, verband houdende met beslissingen op het gebied van personeelsbeleid, met uitzondering van aanstelling, schorsing en ontslag, voor de onder hem ressorterende tot het secretariaat behorende personen. Artikel 3. Volmacht De secretaris en de plaatsvervangend secretaris zijn voor de uitvoering van hun taken bevoegd namens de commissie privaatrechtelijke recht"},{"i":4246,"b":"Besluit ter vaststelling van de waarde van varkensrecht, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Marktprijzen-besluit) Gelet op [artikel 8, derde lid, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042634&artikel=8), Gelet op het advies van Wageningen Economic Research en DLV-Advies, Besluit Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot en met 20 november 2019."},{"i":2557,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 april 2010, nr. DK/204280, inzake de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 4:46, tweede lid, en 4:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht tot het lager vaststellen onderscheidenlijk het verlagen van bij of krachtens de Wet op het specifiek cultuurbeleid verleende instellingssubsidies bij te late indiening van verantwoordingsbescheiden (Beleidsregel verlaging cultuursubsidies) Gelet op de [artikelen 4:46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:46), [4:48, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:48), en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 2.15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597&artikel=2.15), en [2.22, eerste lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597&artikel=2.22); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), - **jaarlijkse instellingssubsidie:** subsidie als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&artikel=1), - **vierjaarlijkse instellingssubsidie:** subsidie als bedoeld in de [artikelen 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4a), [4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4b) en [4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4c), en - **Rsc:** [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597). Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel heeft betrekking op de wijze waarop de minister gebruik maakt van de bevoegdheid tot het: - a. lager vaststellen"},{"i":10222,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 25 september 2017, nr. MINBUZA-2017.1033708, tot vaststelling van een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Tweede openstelling Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op [artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=5.1); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water geldt voor aanvragen bedoeld in [artikel 2, derde lid, van het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 18 juli 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038441&artikel=2), nr. IGG-2016.380605, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water)1Stcrt. 2016, nr. 44953. voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2018 een subsidieplafond van € 20 miljoen. Artikel 2 Wijzigt het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die tijd zijn verleend. Dit besluit zal met de bijlage, inclusief de annexen, in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10364,"b":"Luchtvaartovereenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Ministerraad van de Socialistische Republiek van de Unie van Birma De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Ministerraad van de Socialistische Republiek van de Unie van Birma, Geleid door de wens de Luchtvaartovereenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Unie van Birma, ondertekend te Rangoon op 6 september 1951, te vervangen door een nieuwe Overeenkomst ten einde rechtstreekse luchtverbindingen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden te bevorderen, Hebben dienovereenkomstig daartoe gemachtigde vertegenwoordigers aangewezen die het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 1. Tenzij in de tekst van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlage anders is bepaald, hebben de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - (a). Onder „luchtvaartautoriteiten” wordt wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, verstaan de Directeur-Generaal van de Burgerluchtvaart in Nederland of elke persoon of instelling die bevoegd is enige functie te vervullen die thans door voornoemde luchtvaartautoriteit wordt vervuld, en wat de Unie van Birma betreft, het Departement van de Burgerluchtvaart van het Ministerie van Verkeer en Verbindingen of elke persoon of instelling die bevoegd is enige functie te vervullen die thans door het voornoemde Ministerie van Verkeer en Verbindingen wordt vervuld. - (b). Onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij” wordt verstaan een luchtvaartmaatschappij die door een Overeenkomstsluitende Partij wordt aangewezen door middel van een schriftelijke mededeling aan de andere Overeenkomstsluitende Partij, overeenkomstig het bepaalde in Artikel 3 van deze Overeenkomst, voor de exploitatie van luchtdiensten op de in een dergelijke mededeling omschreven routes. - (c). Onder „grondgebied” wordt verstaan de betekenis die daaraan wordt gegeven in Artikel 2 van het Verdrag inzake de Internationale Burgerlijke Luchtva"},{"i":10365,"b":"Luchtvaartovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Ierland De Regering van Nederland en de Regering van Ierland, Wensende een Overeenkomst te sluiten met het doel luchtdiensten tussen Nederland en Ierland in te stellen. Hebben dienovereenkomstig tot dat doel gevolmachtigden benoemd, die, daartoe behoorlijk gemachtigd, het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij de rechten vermeld in de Bijlage van deze Overeenkomst, met het doel de daarin omschreven luchtdiensten (hierna te noemen „de overeengekomen diensten”) in te stellen. De overeengekomen diensten kunnen onmiddellijk worden geopend, dan wel op een later tijdstip, naar verkiezing van de Overeenkomstsluitende Partij, waaraan de rechten zijn verleend. Artikel 2 (1). Elk van de overeengekomen diensten kan in exploitatie worden genomen, zodra de Overeenkomstsluitende Partij, waaraan de rechten zijn verleend, een of meer luchtvaartmaatschappijen voor de aangegeven route of routes heeft aangewezen en de Overeenkomstsluitende Partij, welke de rechten verleent, is overeenkomstig het bepaalde in paragraaf (2) van dit Artikel en in Artikel 6 verplicht onverwijld aan de betreffende luchtvaartmaatschappij(en) de passende exploitatievergunning te verlenen. (2). Van de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) kan worden verlangd, dat zij ten genoege van de bevoegde luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij, welke de rechten verleent, aantoont (aantonen), dat zij in staat is (zijn) de bepalingen na te komen, welke worden gesteld op grond van de wetten en voorschriften, welke gewoonlijk door die autoriteiten met betrekking tot de exploitatie van commerciële luchtvaartmaatschappijen worden toegepast. Artikel 3 (1). De kosten voor het gebruik van luchthavens en andere faciliteiten, welke elk der Overeenkomstsluitende Partijen in rekening kan brengen of doen brengen aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere"},{"i":10381,"b":"Wet van 15 januari 1958, houdende nieuwe regelen omtrent de luchtvaart Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regelen omtrent de luchtvaart te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder - a. luchtvaart: het gebruik van luchtvaartuigen; - b. luchtvaartuig: toestel, bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=1.1); - c. vliegtuigen: luchtvaartuigen zwaarder dan lucht en voorzien van een voortstuwingsinrichting; - d. exploitant van een luchtvaartterrein: degene, te wiens name ingevolge deze wet een luchtvaartterrein wordt aangewezen; - e. vervallen; - f. buitenlandse luchtvaartuigen: luchtvaartuigen, ingeschreven in een buitenlands luchtvaartuigregister; - g. luchtvaartterreinen: een aangewezen terrein ingericht voor het opstijgen en landen van luchtvaartuigen; - h. luchtvaartmaatschappijen: eigenaren van ondernemingen, die geheel of gedeeltelijk hun bedrijf maken van het vervoer van personen, dieren of goederen met luchtvaartuigen; - i. verkeersvlucht: een vlucht, die vervoer door een luchtvaartmaatschappij ten doel heeft; - j. Onze Minister: voor wat de burgerluchtvaart en de algemene verkeersveiligheid in de lucht betreft: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: voor wat de militaire luchtvaart betreft: Onze Minister van Defensie; Artikel 2 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt mede verstaan onder - a. gezagvoerder: hij, die een luchtvaartuig alleen bedient; - b. bedienen van een luchtvaartuig: het verrichten van handelingen aan boord van een luchtvaartuig ten behoeve van het gebruik van dat luchtvaartuig; - c. t"},{"i":10479,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zuid-Afrika inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zuid-Afrika, partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ter ondertekening opengesteld te Chicago op de zevende december 1944; geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart; geleid door de wens een overeenkomst te sluiten met het doel luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden in te stellen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij de context anders vereist, hebben in deze Overeenkomst de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. onder „luchtvaartautoriteiten\" wordt verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Verkeer en Waterstaat; wat de Republiek Zuid-Afrika betreft, de voor de burgerluchtvaart verantwoordelijke minister; of, in beide gevallen, elke persoon of instelling die bevoegd is om functies te vervullen die thans door de genoemde minister worden uitgeoefend; - b. onder „overeengekomen dienst\" en „omschreven route\" wordt onderscheidenlijk verstaan: een internationale luchtdienst overeenkomstig artikel 2 van deze Overeenkomst en de route omschreven in het desbetreffende gedeelte van de Bijlage bij deze Overeenkomst; - c. onder „Overeenkomst\" wordt verstaan: deze Overeenkomst, de ter toepassing daarvan opgestelde Bijlage en alle wijzigingen op de Overeenkomst of de Bijlage; - d. de termen „luchtdienst\", „internationale luchtdienst\", „luchtvaartmaatschappij\" en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden\" hebben onderscheidenlijk de betekenis die daaraan is toegekend in artikel 96 van het Verdrag; - e. onder „vliegtuiguitrusting\" wordt verstaan: goederen, niet zijnde boordproviand en niet vast aangebrachte onderdelen, voor gebruik aan boord van een vliegtuig tijdens de vlucht, met inbegrip van eerste-hul"},{"i":10504,"b":"Protocol 1, gehecht aan de Universele Auteursrecht-Conventie, zoals herzien te Parijs op 24 juli 1971, inzake de bescherming van werken van staatlozen en vluchtelingen De Staten, die partij zijn bij de [Universele Auteursrecht-Conventie herzien te Parijs op 24 juli 1971](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003491) (hierna te noemen „de Conventie van 1971”) en ook partij zijn bij dit Protocol, Zijn het volgende overeengekomen: 1 Staatlozen en vluchtelingen, die hun vast verblijf hebben in een bij dit Protocol aangesloten Staat, worden voor de toepassing van de [Conventie van 1971](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003491) met onderdanen van die Staat gelijkgesteld. 2 - (a). Dit Protocol zal worden ondertekend en moet worden bekrachtigd of aanvaard door de ondertekenende Staten; toetreding is mogelijk, overeenkomstig de bepalingen van [artikel VIII van de Conventie van 1971](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003491&artikel=VIII). - (b). Dit Protocol treedt voor iedere Staat in werking op de datum van de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding door de betrokken Staat, mits deze Staat reeds partij is bij de [Conventie van 1971](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003491). - (c). Op de datum van inwerkingtreding van dit Protocol voor een Staat die geen partij is bij [Protocol 1 gehecht aan de Conventie van 1952](onbekend), wordt laatstgenoemd Protocol geacht voor deze Staat in werking te zijn getreden. IN FAITH WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Protocol. DONE at Paris, this twenty-fourth day of July 1971, in the English, French and Spanish languages, the three texts being equally authoritative, in a single copy which shall be deposited with the Director-General of the United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization. The Director-General shall send certified copies to the signatory States, and to the Secretary-General of the United Nations for registration."},{"i":10515,"b":"Protocol inzake de voorrechten en immuniteiten van de Internationale Zeebodemautoriteit The States Parties to this Protocol, Considering that the [United Nations Convention on the Law of the Sea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172) establishes the International Seabed Authority, Recalling that [article 176 of the United Nations Convention on the Law of the Sea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&artikel=176) provides that the Authority shall have international legal personality and such legal capacity as may be necessary for the exercise of its functions and the fulfilment of its purposes, Noting that [article 177 of the United Nations Convention on the Law of the Sea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&artikel=177) provides that the Authority shall enjoy in the territory of each State Party to the Convention the privileges and immunities set forth in [section 4, subsection G of Part XI of the Conventio](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&deel=XI)n and that the privileges and immunities of the Enterprise shall be those set forth in [annex IV, article 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&artikel=13), Recognizing that certain additional privileges and immunities are necessary for the exercise of the functions of the International Seabed Authority, Have agreed as follows: Article 1. Use of terms For the purposes of this Protocol: - a). “Authority\" means the International Seabed Authority; - b). “[Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172)\" means the United Nations Convention on the Law of the Sea of 10 December 1982; - c). “[Agreement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001149)\" means the Agreement relating to the Implementation of Part XI of the United Nations Convention on the Law of the Sea of 10 December 1982. In accordance with the Agreement, its provisions and [Part XI of the Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003172&deel=XI) are to be interpreted and appl"},{"i":10560,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 18 november 2022, nr. IENW/BSK-2022/203483, houdende vaststelling van de Regeling bodemkwaliteit 2022 Gelet op de [artikelen 8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=8a), [9, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=9), [10, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=10), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=11), [12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=12), [17, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=17), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=19), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=20), [25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25), [25b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25b), [25g, eerste, zesde, zevende, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25g), en [25h, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929&artikel=25h); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel VII van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (Stb. 2021/98) in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. (begripsomschrijvingen) 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **andere relevante parameter:** parameter, niet zijnde een stof of bodemvreemd materiaal, die een partij van een bouwstof of een partij grond of baggerspecie ongeschikt kan maken voor het toepassen op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam volgens [artikel 2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=2.11) en [paragraaf 4.123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&paragraaf=4.123), onderscheidenlijk [paragraaf 4.124, van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR004133"},{"i":10633,"b":"Regeling signalering reddingmiddelen en vluchtwegen aan boord van vissersvaartuigen Gelet op [artikel 150, eerste lid, onderdeel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=150), [artikel 175, eerste lid, onderdeel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=175), en [artikel 200, onderdeel 3, van het Vissersvaartuigenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=200); Besluit: Artikel 1 Ter zake van signaleringen van voorzieningen voor ontsnapping wordt aan boord van een vissersvaartuig gebruik gemaakt van het drieëntwintigste tot en met het vijfentwintigste symbool, aangegeven in de bij deze regeling opgenomen bijlage van de op 4 november 1993 aangenomen Resolutie A.760(18) van de Internationale Maritieme Organisatie. Artikel 2 Ter zake van bedieningsaanwijzingen voor de groepsreddingmiddelen en tewaterlatingsmiddelen wordt aan boord van een vissersvaartuig waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, gebruik gemaakt van: - a. het eerste tot en met het achtste symbool, aangegeven in de bij deze regeling opgenomen bijlage van de op 4 november 1993 aangenomen Resolutie A.760(18) van de Internationale Maritieme Organisatie, voor zover van toepassing; - b. het eerste tot en met het tweeëntwintigste symbool, aangegeven in de bijlage, bedoeld onder a, voor zover van toepassing. Artikel 3 Deze regeling treedt voor Nederland en Aruba in werking met ingang van 23 november 1995. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling signalering reddingmiddelen en vluchtwegen aan boord van vissersvaartuigen. Bijlage Ligt ter inzage bij het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken te Rijswijk. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant en het Afkondigingsblad van Aruba worden geplaatst, met uitzondering van de bij deze regeling opgenomen bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Bordewijkstraat 4, te Rijswijk. Van de terinzagelegging in Aruba zal m"},{"i":10644,"b":"Regeling teboekgestelde luchtvaartuigen 2005 Gelet op de [artikelen 8, tweede, lid, tweede zin, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=8), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=12), [14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=14), [15, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=17), [44, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=44), [92, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=92), juncto [artikel 85, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=85), [94, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=94), juncto [artikel 72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=72), [98, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=98), [99, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=99), [107, tweede lid, eerste zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=107), juncto [artikel 102, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=102), [107, tweede lid, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=107), [115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=115) en [116 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=116), de [artikelen 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005259&artikel=30), [34, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005259&artikel=34), en [38 van het Kadasterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005259&artikel=38), alsmede op de [artikelen 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008233&artikel=12), en [15 van de Maatregel teboekgestelde luchtvaartuigen 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000823"},{"i":10648,"b":"Regeling uitvoering Besluit typekeuring luchtverontreiniging trekkers en motoren voor mobiele machines Gelet op [richtlijn nr. 97/68/EG](31997L0068) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PbEG 1998, L 59), en op [richtlijn nr. 2000/25/EG](32000L0025) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 mei 2000 (PbEG L 173) inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door motoren bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers en houdende wijziging van [Richtlijn 74/150/EEG](31974L0150) van de Raad en op de [artikelen 1, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012169&artikel=1), [5, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012169&artikel=5), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012169&artikel=6), en [7, derde lid, van het Besluit typekeuring luchtverontreiniging trekkers en motoren voor mobiele machines](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012169&artikel=7); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit typekeuring luchtverontreiniging motoren voor mobiele machines](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012169); - **binnenschip:** binnenschip als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 97/68; - **categorie:** categorie als bedoeld in artikel 9 van richtlijn 97/68. Artikel 2 De Dienst Wegverkeer te Zoetermeer wordt aangewezen als keuringsinstantie als bedoeld in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012169&artikel=1). De aanwijzing heeft geen betrekking op binnenschepen en spoorvoertuigen. Artikel 3 De keuring, bedoeld in [artikel 3, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":10665,"b":"Regeling vluchten militaire onbemande luchtvaartuigen Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op [artikel 56 van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=56), Besluit: Artikel 1 Deze regeling berust op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=4) en [20 van het Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=20). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit van 1 december 1998, houdende enige voorzieningen met betrekking tot onbemande luchtvaartuigen (Stb. 1998, 674) in werking treedt. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vluchten militaire onbemande luchtvaartuigen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a 1. Ten aanzien van vluchten met door de Minister van Defensie ingevolge [artikel 5.7 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.7) aangewezen onbemande luchtvaartuigen, waarvan de totale startmassa meer dan 25 kilogram bedraagt en waarbij door de aard van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht niet kan worden voldaan aan paragraaf SERA.2005, paragraaf SERA.3215, paragraaf SERA.5025 en deel 5 van de bijlage bij [verordening (EU) nr. 923/2012](32012R0923) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=2), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=11), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=13), [23, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=23), en [24 van het Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=24), gelden de volgende nadere regels: - a. de vlucht: - 1°. wordt uitgevoerd in een gebied waar het uitoefenen van de burgerluchtvaart is verboden tijdens het gebruik van het gebied ten behoeve van militaire oefeningen; - 2°. wordt afgestem"},{"i":10676,"b":"Besluit van 27 maart 1963 ter uitvoering van artikel 60 van de Luchtvaartwet (Schadeloosstellingsregeling Luchtvaartwet) Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 11 augustus 1960, afdeling wetgeving en publiekrecht, nr. 202.620/6B, mede namens Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Financiën; Gelet op [artikel 60 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=60); De Raad van State gehoord (advies van 15 november 1960, nr. 37); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 12 maart 1963, afd. wetgeving en publiekrecht nr. 202.620/8X; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De schadeloosstelling als bedoeld in [artikel 60 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=60) wordt vastgesteld overeenkomstig de hiernavolgende bepalingen. Artikel 2 Rechthebbenden op de schadeloosstelling zijn de eigenaar, de zakelijk gerechtigde, de pachter, de huurder, de huurkoper, degene die executoriaal beslag heeft gelegd en - zo het goed tot zekerheid in eigendom is overgedragen - de houder van het goed, voorzover zij schade lijden als rechtstreeks en redelijkerwijs niet te vermijden gevolg van een maatregel, krachtens de [artikelen 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=58) of [59 van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=59) genomen, hierna te noemen: een maatregel. Artikel 3 1. Voorzover bij de hiernavolgende bepalingen geen bijzondere of afwijkende regelen zijn gegeven, wordt de schadeloosstelling vastgesteld op het geldelijk nadeel, hetwelk is ontstaan als rechtstreeks gevolg van een maatregel. 2. De schadeloosstelling kan worden verminderd, indien en voorzover de rechthebbende op de schadeloosstelling redelijkerwijs de mogelijkheid heeft gehad de schade te beperken, reeds uit andere hoofde vergoeding terzake heeft ontvangen of aanspraken daarop geldend kan maken. Artikel 4 1. Indien tengevolge van een maatregel het gebruik va"},{"i":10697,"b":"Besluit van 23 november 1990, houdende regels inzake tarieven voor geregeld luchtvervoer Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 23 maart 1990, nr. JBZ/L 90.002813, Rijksluchtvaartdienst; Overwegende dat de Raad van de Europese Gemeenschappen op 14 december 1987 een richtlijn heeft vastgesteld betreffende de tarieven voor geregelde luchtdiensten tussen de Lid-Staten, welke in de Nederlandse wetgeving dient te worden geïmplementeerd (**PbEG** L 374/12); Gelet op artikel 76, eerste lid, onder **j,** van de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) (**Stb.** 1958, 47); De Raad van State gehoord (advies van 4 juli 1990 nr. W09.90.0129); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 november 1990, nr. JBZ/L 90.011811, Rijksluchtvaartdienst; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: EEG-Verdrag: het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap van 25 maart 1957 (Trb. 1957, 91); tarief: prijs in euro’s die wordt berekend voor luchtvervoer tussen een gegeven plaats van vertrek en een gegeven plaats van bestemming alsmede de voorwaarden waaronder deze prijs geldt, met inbegrip van de vergoeding en de voorwaarden voor agentschappen en andere bijkomende diensten; communautaire luchtvaartmaatschappij: een luchtvaartmaatschappij met een geldige, door een Lid-Staat overeenkomstig [Verordening (EEG) nr. 2407/92](31992R2407) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1992 betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen (PbEG L 240/1) afgegeven exploitatievergunning. Artikel 1a Voor tarieven die worden berekend door communautaire, Zweedse en Noorse luchtvaartmaatschappijen voor luchtdiensten tussen een luchthaven in Nederland en een luchthaven gelegen in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap, in het Koninkrijk Zweden of in het Koninkrijk Noorwegen geldt het bepaalde in de [verordening (EEG) nr."},{"i":10730,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel vanaf 1945 (Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 19 december 2005, nr. arc-2005.02658/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Het BSD vervangt handeling 71 van de selectielijst Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel (Stcrt. 2002, 222). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17103,"b":"Huishoudelijk Reglement van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie 2019 gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gelet op het [Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039127); met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 oktober 2019; Besluit: vast te stellen het Huishoudelijk Reglement van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet op specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904); - b. **het Fonds:** Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - c. **raad van toezicht:** de raad van toezicht als bedoeld in artikel 11 van de statuten; - d. **het bestuur:** het bestuur van het Fonds, zoals bedoeld in artikel 5 van de statuten; - e. **de minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - f. **statuten:** de statuten van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; Artikel 2. Inrichting van de organisatie Het Fonds kent: - a. een bestuur; - b. een raad van toezicht; - c. de medewerkers van het Fonds; - d. (leden en voorzitters van) de adviescommissies; - e. een bezwarenadviescommissie. Artikel 3. Het bestuur 1. Het Fonds wordt bestuurd door het bestuur, bestaande uit een door de raad van toezicht vast te stellen aantal van ten minste één en ten hoogste drie natuurlijke personen. 2. Indien het bestuur uit één bestuurder bestaat, is die bestuurder met het gehele bestuur belast. Indien het bestuur uit meer dan één persoon bestaat, stelt de raad van toezicht een voorzitter aan. 3. Het bestuur stelt een regeling voor mandaat/volmacht op. 4. In geval van ontstentenis of belet van een of meer leden van het bestuur, zullen de overblijvende leden van het bestuur met het gehele bestuur zijn belast. 5. Indien het aantal leden van het bestuur daalt ond"},{"i":19515,"b":"Regeling aanwijzing bevoegde autoriteiten Wet toezicht effectenverkeer 1995 Gelet op de [richtlijnen 79/279/EEG](31979L0279), [80/390/EEG](31980L0390), [82/121/EEG](31982L0121), [87/345/EEG](31987L0345), [89/298/EEG](31989L0298), [90/211/EEG](31990L0211), de richtlijn kapitaaltoereikendheid en de richtlijn beleggingsdiensten, alsmede op de [artikelen 27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=27), en [40, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=40); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Het Euronext Rule book I en het Rule book II van Euronext Amsterdam N.V. geeft, tezamen met deze regeling, uitvoering aan [richtlijn nr. 2001/34/EG](32001L0034). Artikel 3 Euronext Amsterdam N.V. wordt aangewezen als de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 105, eerste lid, van [richtlijn nr. 2001/34/EG](32001L0034), behoudens voorzover het de artikelen 68, tweede en derde lid, 69, 81, tweede tot en met vierde lid, 82, 83 en 84 van deze richtlijn betreft. Artikel 4 Euronext Amsterdam N.V. neemt alle geoorloofde en dienstige maatregelen om te voorkomen dat de personen die bij haar werkzaam zijn of zijn geweest de vertrouwelijke informatie die zij uit hoofde van hun functie ontvangen of hebben ontvangen aan iemand bekendmaken, tenzij zulks krachtens wettelijk voorschrift geschiedt. Artikel 5 Overeenkomstig artikel 106 van [richtlijn nr. 2001/34/EG](32001L0034), brengt Euronext Amsterdam N.V. de dienstige samenwerking tot stand met de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten. Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingang van 31 december 1995. Artikel 9 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing bevoegde autoriteiten toezicht effectenverkeer. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10761,"b":"Verdrag betreffende de oprichting van het functioneel luchtruimblok „Europe Central” tussen de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Republiek Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat De Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Republiek Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat **De Verdragsluitende Staten**, Gelet op de Verordeningen betreffende het Gemeenschappelijk Europees Luchtruim van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, de relevante uitvoeringsbepalingen, de verklaring van de Lidstaten over militaire kwesties die verband houden met het Gemeenschappelijk Europees Luchtruim en de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer; Gelet op de haalbaarheidsstudie betreffende het Functioneel Luchtruimblok „Europe Central” (**Functional Airspace Block Europe Central,** FABEC) van 18 september 2008; Gelet op de gezamenlijke intentieverklaring voor het creëren van een Functioneel Luchtruimblok „Europe Central” van 18 november 2008; Overwegende dat het luchtruim boven het grondgebied en dat onder de verantwoordelijkheid van de Verdragsluitende Staten van het FABEC behoren tot de meest complexe luchtverkeersgebieden van Europa; Overwegende dat een meer geïntegreerde aanpak van de luchtverkeersbeveiliging een belangrijke stap is om te voldoen aan de behoeften van het civiele en militaire luchtverkeer in dit gebied; Overwegende dat nauwe samenwerking tussen de verleners van luchtvaartnavigatiediensten voldoet aan de behoeften van het civiele en militaire luchtverkeer in dit gebied; Overwegende dat de oprichting van het FABEC noodzakelijkerwijs een verbeterde en toenemende grensoverschrijdende verlening van luchtvaartnavigatiediensten met zich meebrengt; Overwegende de „Just Culture” context zoals die tot uitdrukking komt in de internationale en Europese wetgeving; In aanmer"},{"i":10769,"b":"Verdrag inzake de Europese groep van luchtmachten van 6 juli 1998, zoals gewijzigd bij het Protocol bij genoemd Verdrag De Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna te noemen de “Partijen”; Gelet op het Verdrag tussen Staten die Partij zijn bij het [Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004785), gedaan te Londen op 19 juni 1951 alsmede de aanvullende overeenkomsten, Gelet op het [Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506) en, in het bijzonder, [artikel 234](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506&artikel=234), Rekening houdend met de aankondiging van de oprichting van de Frans-Britse Europese groep van luchtmachten (Franco-British European Air Group) tijdens de Top van Chartres 1994 en de gezamenlijke verklaring afgegeven op 27 juni 1995 door de minister van Defensie van de Franse Republiek en de staatssecretaris van Defensie van het Verenigd Koninkrijk tot oprichting van de Frans-Britse Europese groep van luchtmachten, met ingang van 1 januari 1998 hernoemd tot Europese groep van luchtmachten, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Oprichting van de Europese groep van luchtmachten (EAG) 1. Doel van dit Verdrag is het vastleggen van de juridische, administratieve en financiële bepalingen ten aanzien van de functionering en instandhouding van de Europese groep van luchtmachten. 2. Het [Verdrag tussen Staten die Partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004785), gedaan te Londen op 19 juni 1951 (NAVO Statusverdrag) alsmede de aanvullende overeenkomsten daarbij, waarop dit Verdrag een aanvulling vormt, zijn op de EAG van toepassing. Artikel 2. Doelstelling van de Europese groep van luchtmachten Doelstelling van de Europese groep van luchtmacht"},{"i":10777,"b":"Verdrag inzake het recht betreffende het gebruik van internationale waterlopen anders dan voor scheepvaart De Partijen bij dit Verdrag, Zich bewust van het belang van internationale waterlopen en van hun gebruik voor andere doeleinden dan voor scheepvaart in tal van regio's ter wereld. Indachtig artikel 13, eerste lid, letter a) van het Handvest van de Verenigde Naties, waarin wordt bepaald dat de Algemene Vergadering het initiatief neemt tot studies en aanbevelingen doet ten behoeve van de progressieve ontwikkeling en de codificatie van het internationaal recht, Overwegende dat een geslaagde codificatie en progressieve ontwikkeling van de internationale rechtsregels waarin het gebruik van waterlopen anders dan voor scheepvaart wordt geregeld, zou bijdragen aan de bevordering en de uitvoering van de in de artikelen 1 en 2 van het Handvest vervatte doelstellingen en beginselen, Rekening houdend met de problemen waardoor tal van internationale waterlopen worden getroffen en die, onder meer, voortvloeien uit de toegenomen vraag en vervuiling, De overtuiging uitsprekend dat een kaderverdrag het mogelijk maakt de internationale waterlopen te gebruiken, te ontwikkelen, te behouden, te beheren en te beschermen en het optimale en duurzame gebruik daarvan voor de huidige en toekomstige generaties te bevorderen, Bevestigend het belang van internationale samenwerking en goed nabuurschap op dit gebied, Zich bewust van de bijzondere situatie en behoeften van ontwikkelingslanden, In herinnering roepend de bij de Conferentie van de Verenigde Naties inzake Milieu en Ontwikkeling van 1992 in de Verklaring van Rio en Agenda 21 aangenomen beginselen en aanbevelingen, Eveneens in herinnering roepend de bilaterale en multilaterale akkoorden inzake het gebruik van internationale waterlopen anders dan voor scheepvaart, Gelet op de waardevolle bijdrage van zowel gouvernementele als niet-gouvernementele internationale organisaties aan de codificatie en progressieve ontwikkeling van het inte"},{"i":10823,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Madagaskar inzake luchtdiensten **preamble** The Kingdom of the Netherlands and The Republic of Madagascar, hereinafter referred to as the Contracting Parties, Being parties to the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Desiring to contribute to the progress of international aviation; Desering to conclude an Agreement for the purpose of establishing air services, supplementary to the Convention; have agreed as follows: CHAPTER I. INTRODUCTION Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement - a). the term “Aeronautical Authorities” means: for the Kingdom of the Netherlands, the Minister of Transport, Public Works and Water Management; for the Republic of Madagascar: the Ministry of Transport, or in either case any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said Authorities; - b). the terms “Agreed Service” and “Specified Route” mean: international air service pursuant to this Agreement and the route specified in the Annex to this Agreement respectively; - c). the term “Agreement” means: this Agreement, its Annex drawn up in application thereof, as well as any amendment to the Agreement or the Annex; - d). the terms “Air Service”, “International Air Service”, “Airline” and “Stop for non-traffic purposes” shall have the meaning respectively assigned to them in Article 96 of the Convention; - e). the term “Change of Aircraft” means: the operation of one of the Agreed Services by a Designated Airline in such a way that one or more sectors of the Specified Route are flown by different aircraft; - f). the term “the Convention” means: the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on 7 December 1944, and includes any Annex adopted under Article 90 of that Convention and any amendment of the Annexes or the Convention under Articles 90 and 94 thereof, insofar as those Annexes and ame"},{"i":10835,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Nepal inzake luchtdiensten The Kingdom of the Netherlands and His Majesty's Government of Nepal, hereinafter referred to as the “Contracting Parties\"; Being Parties to the Convention on International Civil Aviation and the International Air Services Transit Agreement opened for signature at Chicago on the 7th day of December 1944, and Desiring to promote their mutual relations in the field of civil aviation and to conclude an agreement for the purpose of establishing air services between and beyond their respective territories; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement, unless the context otherwise requires, the term: - a). “Convention\" means the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago on the seventh day of December, 1944, and includes any Annexes adopted under Article 90 of the Convention and any amendment of the Annexes or the Convention under Article 90 and 94 thereof so far as those Annexes and amendments have become effective for or been ratified by both Contracting Parties; - b). “Aeronautical Authorities\" means in the case of Nepal, the Director General of the Department of Civil Aviation, and in the case of the Netherlands, The Minister of Transport, Public Works and Water Management of the Netherlands, or, in both cases, any authority or person empowered to perform the functions presently exercised by the said authorities; - c). “Designated Airline\" means an airline which has been designated and authorized in accordance with Article 5 of this Agreement; - d). “Territory\" has the meaning assigned to it in Article 2 of the Convention; - e). “Air Service\", “international air service\", “airline\" and “stop for non-traffic purposes\" have the meanings respectively assigned to them in Article 96 of the Convention; - f). “Tariffs\" means the prices to be paid for the carriage of passengers, baggage and cargo and the conditions unde"},{"i":10838,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake de afvoer van het water van de Maas Het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest, hierna te noemen de Partijen, Wensend een nadere regeling te treffen voor: De wateraftappingen uit de Maas via de Zuid-Willemsvaart te Maastricht; De vermindering van de waterverliezen van de Maas in geval van lage afvoeren; De samenwerking bij het onderzoek en de ontwikkeling van de Gemeenschappelijke Maas; en De compensatie van de zoetwaterverliezen van de Kreekraksluizen; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „bevoegde overheden”: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister die bevoegd is voor de Waterstaat, en wat het Vlaams Gewest betreft, de minister die bevoegd is voor de Openbare Werken; - b. „afvoer”: gemiddelde afvoer per etmaal; - c. „Maasafvoer”: de som van de afvoer van de Maas te Maastricht/St.-Pieter en het debiet in het Albertkanaal te Kanne; - d. „Gemeenschappelijke Maas”: de rivier de Maas tussen Borgharen/Smeermaas (grenspaal 106) en Stevensweert/Kessenich (grenspaal 126); - e. „Nederlands gebruik”: de voeding van de Zuid-Willemsvaart via Lozen en van het Julianakanaal; en - f. „Vlaams gebruik”: de voeding van het gedeelte van het Albertkanaal gelegen in het Vlaams Gewest en van de Kempense kanalen. HOOFDSTUK II. DE AFVOER VAN HET WATER VAN DE MAAS Artikel 2. Wateraftappingen uit de Maas 1. Ten behoeve van het Vlaams Gewest leidt het Koninkrijk der Nederlanden een hoeveelheid Maaswater over zijn grondgebied naar het Vlaams Gewest. Deze hoeveelheid bedraagt ten minste 8 m3/s. Dit water wordt door het Koninkrijk der Nederlanden te Maastricht op de Zuid-Willemsvaart gebracht en dient om de Kempense kanalen van water te voorzien. 2. Ten behoeve van het Koninkrijk der Nederlanden voert het Vlaams Gewest een hoeveelheid Maaswater over zijn grondgebied door. Deze hoeveelheid bedra"},{"i":10839,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Jamaica inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden The Kingdom of the Netherlands and Jamaica; being parties to the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago on the 7 December, 1994; desiring to contribute to the progress of international civil aviation; desiring to conclude an Agreement for the purpose of establishing air services between and beyond their respective territories, have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement and its Annex, unless the context otherwise requires: - a). the term \"the Convention\" means the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on 7 December 1944, and includes any Annex adopted under Article 90 of that Convention and any amendment of the Annexes or the Convention under Articles 90 and 94 thereof, in so far as those Annexes and amendments have become effective for, or been ratified by both Contracting Parties; - b). the term \"aeronautical authorities\" means: for the Kingdom of the Netherlands the Minister of Transport, Public Works and Water Management; for Jamaica the Minister responsible for Civil Aviation and the Air Transport Licensing Board or in either case any person or body authorized to perform any functions at present exercised by the said Minister; - c). the term \"designated airline\" means an airline which has been designated and authorized in accordance with Article 4 of this Agreement ; - d). the term \"territory\" in relation to a State has the meaning assigned to it in Article 2 of the Convention; - e). the terms \"air service\", \"international air service\", \"airline\" and \"stop for non-traffic purposes\" have the meaning respectively assigned to them in Article 96 of the Convention; - f). the terms \"agreed service\" and \"specified route\" mean international air service pursuant to article 2 of this Agreement and the route specified in the appropriate Sect"},{"i":10840,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake internationale juridische samenwerking met betrekking tot misdrijven die verband houden met het neerhalen van vlucht MH17 van Malaysia Airlines op 17 juli 2014 Het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne (hierna „de partijen”), **In herinnering roepend** het neerhalen van vlucht MH17 van Malaysia Airlines op 17 juli 2014 in Donetsk Oblast, Oekraïne, dat leidde tot het tragische verlies van 298 levens; **Overwegende** dat in Resolutie 2166 (2014) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties wordt geëist dat de verantwoordelijken voor het neerhalen van vlucht MH17 van Malaysia Airlines ter verantwoording worden geroepen en dat alle staten volledig meewerken aan inspanningen om dit te bewerkstelligen; **Gelet op het feit** dat Australië, het Koninkrijk België, Maleisië, het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne samenwerken in een **Joint Investigation Team** (JIT) om het internationale strafrechtelijk onderzoek te coördineren, met als doel de daders voor de rechter te brengen; **Overwegende** dat de staten die deelnemen aan het JIT hebben besloten dat het in het belang van een goede rechtsbedeling is dat de vervolging en berechting van misdrijven die verband houden met het neerhalen van vlucht MH17 van Malaysia Airlines in het Koninkrijk der Nederlanden worden geconcentreerd; **Gelet op het feit** dat de justitiële autoriteiten van de staten die deelnemen aan het JIT zijn overeengekomen met elkaar te overleggen over de vervolging of daarmee samenhangende maatregelen die verband houden met het neerhalen van vlucht MH17 van Malaysia Airlines; **Rekening houdend** met het Verdrag inzake samenwerking tussen Oekraïne en Eurojust, gedaan te Brussel op 27 juni 2016 en het Verdrag tussen Oekraïne en Europol inzake operationele en strategische samenwerking, gedaan te Den Haag op 14 december 2016; Zijn het volgende overeengekomen: DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van"},{"i":10841,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, en de Verenigde Staten van Amerika inzake de veiligheid van de burgerluchtvaart voor voorinspectie-operaties op de internationale luchthaven Koningin Beatrix in Aruba Overwegende dat op 2 december 1994 te Washington een [Verdrag is gesloten tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden met betrekking tot Aruba inzake douanevoorinspectie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001956), dat gewijzigd is op 22 mei 2008 (hierna te noemen „het Verdrag van 1994/2008”); Overwegende dat de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Aruba, (hierna te noemen „de partijen”) als gezamenlijk doel hebben de administratieve en operationele samenwerking ten behoeve van de veiligheid van de burgerluchtvaart, met name op het gebied van voorinspectie-operaties, te bevorderen en ontwikkelen; Overwegende dat de partijen het [Verdrag van 1994/2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001956) erkennen als een afzonderlijk verdrag dat zij wensen aan te vullen met samenwerking op het gebied van voorinspectie-operaties ten behoeve van de veiligheid van de burgerluchtvaart; Overwegende dat de partijen bevestigen er gezamenlijk belang bij te hebben dat toegestaan wordt dat passagiers die na voorinspectie middels Amerikaanse douane-, immigratie- en andere grenscontroles op de internationale luchthaven Koningin Beatrix (hierna te noemen „de voorinspectieluchthaven”) hun luchtvaartuig verlaten in de steriele zone van luchthavens op het grondgebied van de Verenigde Staten; Overwegende dat de partijen erkennen dat toegang tot de steriele zone op een Amerikaanse luchthaven afhankelijk is van de vraag of er op de voorinspectieluchthaven gedegen screeningnormen worden gehanteerd bij de controles van passagiers op een niveau dat verenigbaar is met de screeningnormen die gehanteerd worden op Amerikaanse luchthavens; Overwegende dat de partijen de uitwisseling van i"},{"i":10837,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake luchtdiensten tussen en via de Britse overzeese gebieden Anguilla, de Bermuda-eilanden, de Britse Maagdeneilanden, de Caymaneilanden, Montserrat en de Turks- en Caicoseilanden, enerzijds, en de Nederlandse Antillen, anderzijds The Kingdom of the Netherlands and the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland (hereinafter referred to as the “Contracting Parties\"); Being parties to the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago on 7 December 1944; Desiring to conclude an Agreement supplementary to the said Convention for the purpose of establishing air services between and beyond the United Kingdom Overseas Territories of Anguilla, Bermuda, the British Virgin Islands, the Cayman Islands, Montserrat and the Turks and Caicos Islands on the one hand, and the Netherlands Antilles on the other; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement, unless the context otherwise requires: - a). the term “the Chicago Convention\" means the Convention on International Civil Aviation, opened for signature at Chicago on 7 December 1944 and includes: - (i). any amendment thereof and has been ratified by both Contracting Parties; and - (ii). any Annex or any amendment thereto adopted under Article 90 of that Convention, insofar as such amendment or annex is at any given time effective for both Contracting Parties; - b). the term “aeronautical authorities\" means in the case of the United Kingdom, the Secretary of State for the Environment, Transport and the Regions, and for the purpose of Article 7 of this Agreement, the Civil Aviation Authority and in the case of the Kingdom of the Netherlands, the Minister of Transport and Communications of the Netherlands Antilles, or, in both cases, any person or body who may be authorised to perform any functions at present exercisable by the above-mentioned aut"},{"i":10842,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden ten behoeve van de Nederlandse Antillen en het Koninkrijk België inzake luchtvervoer The Kingdom of the Netherlands, in respect of the Netherlands Antilles, and The Kingdom of Belgium, hereinafter referred to as the “Contracting Parties”; Being parties to the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago, on the 7th day of December, 1944; Desiring to conclude an agreement, supplementary to the said Convention, for the purpose of establishing air services between and beyond their respective territories; Desiring to ensure the highest degree of safety and security in international air transport; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement, unless the context otherwise requires: - a). the term “Convention” means the Convention on International Civil Aviation opened for signature at Chicago on the seventh day of December 1944 and includes any Annex adopted under Article 90 of that Convention and any amendment of the annexes or of the Convention under Articles 90 and 94 thereof so far as those Annexes and amendments have been adopted or ratified by both Contracting Parties; - b). the term “Agreement” means this Agreement, the Annex attached thereto, and any modifications to the Agreement or to the Annex; - c). the term “aeronautical authorities” means: in the case of the Kingdom of Belgium, the Ministry of Communications and Infrastructure, and in the case of the Kingdom of the Netherlands, the Minister of Transport and Communications of the Netherlands Antilles or, in both cases, any other authority or person empowered to perform the functions now exercised by the said authorities; - d). the terms “Air Service”, “International Air Service”, “Airline” and “Stop for non-traffic purposes” have the meaning respectively assigned to them in Article 96 of the Convention; - e). the term “Territory” in the case of the Kingdom of Belgium means the land areas and the ter"},{"i":10854,"b":"Wet van 21 mei 2012 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 op een aantal punten van uiteenlopende aard, van de Wet personenvervoer 2000 ten aanzien van het openbaar-vervoerverbod en enkele technische wijzigingen, van de Wet advies en overleg verkeer en waterstaat in verband met wijzigingen in de vorm waarin betrokkenen en organisaties bij het beleidsproces worden betrokken, wijziging van de Wet op de economische delicten, de Wet luchtvaart, de Binnenvaartwet, de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot, de Wet belastingen op milieugrondslag, de Waterwet, de Invoeringswet Waterwet, de Waterschapswet en de Crisis- en herstelwet op enkele punten van technische aard, alsmede van de Telecommunicatiewet ter herstel van een abuis (Verzamelwet Verkeer en Waterstaat 2010) Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel V Wijzigt de Binnenvaartwet. Artikel VI Wijzigt de Wet overleg verkeer en waterstaat. Artikel VII Wijzigt de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot. Artikel VIII Vervallen Artikel IX Wijzigt de Waterwet. Artikel X Wijzigt de Invoeringswet Waterwet. Artikel XI Wijzigt de Waterschapswet. Artikel XII Vervallen Artikel XIII Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel XIV Wijzigt de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (invoering recidiveregeling ernstige verkeersdelicten (puntenstelsel)). Artikel XIVa Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel XV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van de [artikelen I, onderdelen Aa en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031614&artikel=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031614&artikel=XI&z=2013-01-01&g=2013-01-01). 2. De [artikelen I, onderdelen Aa en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031614&artikel=I&z=2013-01-01&g=2013"},{"i":10872,"b":"Wet van 18 december 2019 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het om de uitstoot van broeikasgassen in Nederland terug te dringen wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IX Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel X Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XI Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XIII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XIV Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XV Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XVI Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XVII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XVIII Wijzigt de Wet uitwerking Autobrief II. Artikel XIX Wijzigt Overige fiscale maatregelen 2018. Artikel XX Wijzigt deze wet. Artikel XXI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XXII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XXIII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XXIV Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XXV Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XXV"},{"i":10873,"b":"Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze minister:** Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **bestuurscollege:** bestuurscollege van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - c. **eilandsraad:** eilandsraad van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - d. **commissie:** de commissie, genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&hoofdstuk=II&artikel=3&z=2019-01-01&g=2019-01-01); - e. **beheersinstantie:** de instantie bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&hoofdstuk=II&artikel=5&z=2019-01-01&g=2019-01-01); - f. **wetenschappelijke autoriteit:** autoriteit, bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028434&hoofdstuk=II&artikel=6&z=2019-01-01&g=2019-01-01) - g. **inheemse fauna en flora:** de op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of in de wateren van de genoemde openbare lichamen van nature voorkomende dieren en planten; - h. **soort:** elke soort, ondersoort of een geografisch geïsoleerde populatie van flora of fauna; - i. **Verdrag van Ramsar:** de op 2 februari 1971 te Ramsar tot stand gekomen Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats van watervogels (Trb. 1975, 84); - j. **CITES-verdrag:** de op 3 maart 1973 te Washington gesloten Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantsoorten, met bijlagen (Trb. 1975, 23) alsmede de Resoluties van de Conferentie van Partijen behorende bij dit verdrag; - k. **Bonn-conventie:** het op 23 juni 1979 te Bonn tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten, met bijlagen (Trb. 1981, 6); - l. **SPAW-protocol:** het op 18 januari 1990 te Kingston getekende protocol betreffende de bijzondere beschermde gebieden en de in de"},{"i":10874,"b":"Wet van 31 mei 1937 Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is den Rijksstudiedienst voor de Luchtvaart om te zetten in een Stichting en dat het in verband daarmede noodig is een regeling te treffen, als bedoeld in artikel 89 **a** van de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075) 1927 (**Staatsblad** No. 259); Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Ministers van Waterstaat, van Defensie, van Koloniën, van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en van Financiën worden gemachtigd om voor en namens het Rijk met de Vereeniging van Nederlandsche Vliegtuigfabrikanten, gevestigd te **’s-Gravenhage**, de N. V. Koninklijke Luchtvaartmaatschappij voor Nederland en Koloniën, gevestigd te **’s-Gravenhage**, de N. V. Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaartmaatschappij, gevestigd te **Amsterdam** en de Koninklijke Nederlandsche Vereeniging voor Luchtvaart, gevestigd te **’s-Gravenhage**, een Stichting, genaamd \"Nationaal Luchtvaartlaboratorium\", in het leven te roepen overeenkomstig de bepalingen van de bij deze wet gevoegde ontwerp-akte van oprichting. Artikel 2 Onze Ministers van Waterstaat en van Financiën worden gemachtigd om voor en namens het Rijk met het Bestuur van de Stichting een overeenkomst aan te gaan overeenkomstig het bij deze wet gevoegd model. Onze Ministers van Economische Zaken en Klimaat en Financiën worden gemachtigd overeenkomsten tot wijziging van de in dit artikel bedoelde overeenkomst met het Bestuur van de Stichting aan te gaan. Wijzigingen van deze overeenkomst zullen onverwijld door de zorg van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat aan de Staten-Generaal worden medegedeeld. Artikel 3 1. Aan de stichting wordt jaarlijks door Onze Minister van Econom"},{"i":10893,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 17 april 2003, nr. SB/BM 2003012186, houdende wijziging van de Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu en vaststelling van subsidieplafonds voor het verlenen van subsidies als bedoeld in die regeling (subsidieplafonds 2003 SMOM) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1 I. Het subsidieplafond voor het jaar 2003 voor het verlenen van projectsubsidies als bedoeld in de [Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010671) bedraagt € 6.070.000,–. II. Van het bedrag, genoemd in het eerste lid, is: - A. voor projecten als bedoeld in [artikel 6, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010671&artikel=6), van de in het eerste lid genoemde regeling ten hoogste € 2.447.000,– beschikbaar; - B. voor projecten als bedoeld in [artikel 6, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010671&artikel=6), van de in het eerste lid genoemde regeling ten hoogste € 1.121.000,– beschikbaar, en - C. voor projecten als bedoeld in [artikel 6, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010671&artikel=6), van de in het eerste lid genoemde regeling ten hoogste € 2.502.000,– beschikbaar. Artikel 2 Het subsidieplafond voor het jaar 2003 voor het verlenen van programmasubsidies als bedoeld in de [Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010671) bedraagt € 1.418.000,–. Artikel 3 Wijzigt de Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu1. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10943,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 22 maart 2017, nr. IENM/BSK-2017/58678, tot wijziging van de Regeling erkenning opleidingsinstellingen en examinering vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht in verband met enkele actualiseringen Gelet op [artikel 6.56, eerste en derde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.56); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling erkenning opleidingsinstellingen en examinering vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht. Artikel II Voor houders van een E-erkenning die thans tevens een aanvullende A-erkenning hebben ten behoeve van het aanbieden van klasse 7 stoffen, geldt dat deze erkenningen ambtshalve worden omgezet in een E-erkenning, inclusief de bevoegdheid om in opdracht van derden op te treden als afzender en verpakker van klasse 7 stoffen. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10986,"b":"Wet van 29 april 1999, houdende wijziging van de Wet Luchtverkeer (luchtvaartuigen en vluchtuitvoering) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het kader van de herziening van de luchtvaartwetgeving de regels met betrekking tot inschrijving van luchtvaartuigen en tot luchtwaardigheid met inbegrip van type-certificaten, bewijzen van luchtwaardigheid en erkenningen van bedrijven opnieuw vast te stellen en dat het wenselijk is in dat kader regels met betrekking tot de vluchtuitvoering vast te stellen; dat het voorts wenselijk is de Veiligheids Advies Commissie Schiphol bij wet in te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 januari 1997. Artikel I Wijzigt de Wet Luchtverkeer. Artikel II Vervallen Artikel III Vervallen Artikel IV 1. Type-certificaten, bewijzen van luchtwaardigheid, en erkenningen, afgegeven op grond van de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) en geldig op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden aangemerkt als afgegeven op grond van de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555), zoals die wet komt te luiden na inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010445&artikel=I&z=2010-07-07&g=2010-07-07), van deze wet. 2. Ontheffingen, verleend op grond van [artikel 4, tweede lid, onder b, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=4), behouden gedurende een termijn van drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet hun geldigheid. 3. Indien de houder van een ontheffing als bedoeld in het tweede lid, gedurende de in dat lid genoemde termijn een aanvraag heeft ingediend voor een van de in het eerste lid genoemde documenten of voor een ontheffing op grond van de"},{"i":12642,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 19 oktober 2017, nr. 2141459 tot geheimverklaring van de opdracht in het kader van een dronedetectie- en verstoringssysteem ten behoeve van de Dienst Justitiële Inrichtingen Gelet op [artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23); Besluit: Tot geheimverklaring van (de) opdracht(en) in het kader van een dronedetectiesysteem ten behoeve van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit Besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13385,"b":"Instelling Beleidscommissie Remote Sensing Gezien mijn beschikking inzake de instelling van de Beleidscommissie Remote Sensing van 29 mei 1986, (Stcrt. 1986, nr. 223) en de wijziging van deze beschikking van kracht sedert 1 november 1989; Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen inzake het besluit van de Ministerraad op 7 mei 1993 betreffende het Plan Gebruikersondersteu-ning 1993 - 1995; Gelet op het besluit van de Ministerraad van 1 december 1995, inzake het vervolg van het Nationaal Remote sensing Programma in samenhang met het vervolg van het Programma Gebruikersondersteuning vanaf 1996; Overwegende dat de Beleidscommissie Remote Sensing een gemotiveerd voorstel tot wijzigingen heeft ingediend; Besluit: Artikel 1 Er is een Beleidscommissie Remote Sensing. Artikel 2 1. De taak van de commissie is het coördineren en stimuleren van remote sensing activiteiten in Nederland als aangegeven in het Nationaal Remote sensing Programma 1996 - 2000 en in het Programma Gebruikersondersteuning 1996 - 2005. Hiertoe behoort: - 1. Het jaarlijks vaststellen van een voortschrijdend samenhangend meerjarenprogramma ter realisering van de in de voornoemde programma’s beschreven doelstellingen. - 2. Het jaarlijks vaststellen van de begroting voor beide programma’s. - 3. Het houden van toezicht op de realisering en voortgang van het samenhangend programma. 2. Daarnaast heeft de commissie tot taak: - 1. Het bieden van een communicatieforum voor in verschillende terreinen werkzame instellingen. - 2. Het leveren van inhoudelijke inbreng in de standpuntbepaling van Nederland bij deelneming aan remote sensing activiteiten in internationaal verband, in het bijzonder in het kader van het Europese Ruimteagentschap ESA en van de Europese Commissie. - 3. Het behartigen van de belangen van de verschillende bij remote sensing onderzoek en toepassingen betrokken instellingen. - 4. Het uitbrengen van adviezen. 3. De commissie vergadert tenminste driemaal"},{"i":11081,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 juni 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in China, ambassade Peking, Besluit Beperking Openbaarheid China (1955) 1975–2013 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 10 mei 2023, referentie 177141; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 46 | 2065 | | 145 | 2057 | | 147 | 2092 | | 238 | 2068 | | 243 | 2049 | | 244 | 2044 | | 245 | 2068 | | 246 | 2044 | | 247 | 2044 | | 248 | 2029 | | 249 | 2034 | | 250 | 2033 | | 251 | 2040 | | 252 | 2025 | | 318 | 2087 | | 320 | 2089 | | 343 | 2077 | | 364 | 2064 | | 365 | 2050 | | 366 | 2050 | | 367 | 2049 | | 368 | 2040 | | 379 | 2077 | | 384 | 2087 | | 385 | 2075 | | 387 | 2087 | | 388 | 2084 | | 389 | 2063 | | 392 | 2084 | | 409 | 2061 | | 425 | 2073 | | 428 | 2081 | | 430 | 2068 | | 431 | 2103 | | 432 | 2078 | | 433 | 2073 | | 434 | 2070 | | 435 | 2055 | | 437 | 2066 | | 442 | 2079 | | 444 | 2081 | | 445 | 2104 | | 517 | 2088 | | 577 | 2084 | | 581 | 2085 | | 609 | 2083 | | 614 | 2083 | | 616 | 2081 | | 617 | 2088 | | 618 | 2088 | | 622 | 2087 | | 624 | 2087 | | 625 | 2085 | | 637 | 2067 | | 642 | 2083 | | 649 | 2066 | | 652 | 2057 | | 665 | 2075 | | 674 | 2080 | | 679 | 2078 | | 688 | 2081 | | 692 | 2072 | | 694 | 2073 | | 703 | 2079 | | 704 | 2081 | | 705 | 2047 | Artike"},{"i":11084,"b":"Besluit beperking termijn openbaarheid van naar de rijksarchiefbewaarplaatsen over te brengen dossiers archief diplomatieke vertegenwoordiging in India, (1908) 1975–2013 Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op [artikel 15, vierde lid Aw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 De termijn van beperking van de openbaarheid van de volgende naar de rijksarchiefbewaarplaats over te brengen inventarisnummers in het archief van de diplomatieke vertegenwoordiging in India, (1908) 1975–2013 van het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt vastgesteld voor 100 jaar na afsluiting van het betreffende dossier: | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 178 | 2108 | | 201 | 2112 | | 202 | 2112 | | 821 | 2113 | | 822 | 2112 | | 823 | 2114 | | 824 | 2114 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":13207,"b":"Deelregeling Mobiel Erfgoed Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het stimuleren van bijzondere projecten door organisaties op het gebied van de zorg voor het mobiel erfgoed, waardoor de relatie met de burger wordt versterkt. Dit gebeurt door het verstrekken van bijdragen voor projectvormen gericht op de fysieke en virtuele zichtbaarheid, draagvlakvergroting en educatie die bijdragen aan de professionalisering en versterking van de sector mobiel erfgoed als geheel. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Bijdragen voor bijzondere eenmalige projecten op het gebied van mobiel erfgoed kunnen worden verstrekt aan Nederlandse privaatrechtelijke organisaties of Nederlandse publiekstoegankelijke instellingen die gericht zijn op behoud en instandhouding van mobiel erfgoed. 2. Een tegemoetkoming voor een publicatie of documentaire kan uitsluitend verstrekt worden als deze onderdeel uitmaakt van een groter project en daar onlosmakelijk mee verbonden is. 3. In de toelichting bij het aanvraagformulier zijn het minimale bedrag van de tegemoetkoming en de hoogte van de eigen bijdrage genoemd. Artikel 3. Aanvraag Naast de bepalingen vastgesteld in het [Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038798), in het aanvraagformulier en de toelichting daarop dient de aanvraag vergezeld te gaan van: - •. een projectplan, - •. een presentatieplan, waarin toegelicht wordt hoe een passend publiek wordt betrokken, - •. een communicatieplan waarin toegelicht wordt hoe dit wordt bereikt, - •. een motivering, - •. een begroting met offertes, - •. indien van toepassing toezeggingen van uitnodigende of deelnemende partijen. Artikel 4. Beoordeling 1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een bijdrage mobiel erfgoed geeft het bevoegd adviesorgaan een oordeel over het bijzondere belang van het projectvoorstel voor het mobiel erfgoed en de burger. - •. of het voorgelegde"},{"i":13238,"b":"Wet van 11 november 1993, tot wijziging van een aantal wetten met het oog op de uitvoering van de Overeenkomst tussen de EEG, EGKS en hun Lid-Staten enerzijds en de EVA-Staten met uitzondering van Zwitserland anderzijds betreffende de Europese Economische Ruimte Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de uitvoering van de op 2 mei 1992 te Oporto tot stand gekomen en bij Protocol van 17 maart 1993 aangepaste Overeenkomst tussen de EEG, de EGKS en hun Lid-Staten enerzijds en de EVA-Staten met uitzondering van Zwitserland anderzijds betreffende de Europese Economische Ruimte een aantal wetten dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Justitie Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk 2. Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk 3. Ministerie van Financiën Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk 4. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Artikel XIV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Hoofdstuk 5. Ministerie van Verkeer en Waterstaat Artikel XVI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVII Bevat"},{"i":13315,"b":"Wet van 26 september 1996 tot goedkeuring van de op 15 juni 1990 te Dublin tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de op 15 juni 1990 te Dublin tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De op 15 juni 1990 te Dublin tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend, waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in **Tractatenblad** 1991, 129, wordt goedgekeurd voor Nederland. Artikel 2 1. Een ontwerp van een besluit dat beoogt het Koninkrijk te binden, wordt, voordat daaromtrent enige besluitvorming door het in artikel 18 van de Overeenkomst bedoelde Comité plaatsvindt, terstond nadat de tekst van dat ontwerp tot stand is gekomen, openbaar gemaakt en aan de Staten-Generaal voorgelegd. 2. Een ontwerp van een besluit als bedoeld in het eerste lid kan in afwijking van het bepaalde in dat lid ter vertrouwelijke kennisneming aan de leden van de Staten-Generaal worden voorgelegd indien buitengewone omstandigheden van dwingende aard het bepaald noodzakelijk maken dat het ontwerp een gehei"},{"i":13593,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 1 juli 2014, nr. MinBuZa.2014.303289, houdende instelling van het Nationaal Contact Punt voor de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (Instellingsbesluit NCP 2014) Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. - b. **het NCP:** het Nationaal Contact Punt voor de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. - c. **de mede betrokken bewindspersonen:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Artikel 2 1. Er is een Nationaal Contact Punt voor de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (NCP). 2. Het NCP heeft tot taak: - a. het uitdragen en interpreteren van de inhoud en betekenis van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen om te stimuleren dat bedrijven deze implementeren; - b. het behandelen van meldingen van vermeende schendingen van (onderdelen van) de richtlijnen en het faciliteren van een dialoog om vermeende schendingen van (onderdelen van) de richtlijnen op te lossen. Artikel 3 1. Het NCP bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier andere leden. 2. De leden worden door de minister benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar en zijn herbenoembaar. De leden dragen uit hun midden een voorzitter voor. 3. De minister draagt zorg voor openbaarmaking van een vacature in het NCP. 4. De leden worden, na overleg met de mede betrokken bewindspersonen en met vertegenwoordigers van bedrijven en maatschappelijke organisaties, benoemd op grond van deskundigheid op het gebied van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, bemiddelingsbekwaamheid e"},{"i":13276,"b":"Wet van 18 december 2024 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2025) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2025 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel V Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel VI Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel VII Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel VIII Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel IX Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel X Wijzigt de Invorderingswet 1990. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XI Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel XII Wijzigt de Wet op het kindgebonden budget. Artikel XIIa Wijzigt de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen. Artikel XIIb Wijzigt Kamerstukken 36 154. Artikel XIII Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2025, met dien verstande dat: - a. de bevoegdheid om aan een ander dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete op te leggen niet herleeft, indien die bevoegdheid bij inwerkingtreding van [artikel IX, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050594&artikel=IX&z=2025-01-01&g=2025-01-01), reeds is vervallen. - b. [artikel X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050594&artikel=X&z=2025-01-01&g=2025-01-01) in werking tr"},{"i":11105,"b":"Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 20 februari 2013, kenmerk DSO/OO-050/13, houdende mandatering van bevoegdheden tot uitvoering van enkele programma’s op het gebied van het Internationaal Onderwijs Gelet op de [artikelen 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.4) en [6.5 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.5) en [afdeling 10.1.1.van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de Stichting Nuffic (Nederlandse Organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs) wordt mandaat en machtiging verleend om namens de minister: - a. besluiten te nemen inzake subsidieverstrekking op grond van de [artikelen 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.4) en [6.5 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.5), overeenkomstig het [besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 10 december 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032484), DCO/OO-388/12, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Beleidsregels en subsidieplafond voor het Netherlands Fellowships Programme (NFP), het Netherlands Fellowship Programme – Middle-East North-Africa (NFP-MENA) en het Netherlands Initiative for Capacity Development in Higher Education (NICHE) - b. te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld onder a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door hem in mandaat is genomen. 2. De voorzitter kan van zijn op grond van het eerste lid gemandateerde bevoegdheden, ondermandaat en machtiging verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen van d"},{"i":11978,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief directie Algemene Fiscale Zaken Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief zonder datum, met kenmerk 31278616. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het **archief van de directie Algemene Fiscale Zaken, periode 1965 – 2000** Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Deze dossiers bevatten onderzoeken naar personen, de behandeling van klachten en fraudezaken en gerechtelijke gegevens, waarmee een beperking van de openbaarheid gerechtvaardigd is. Daar waar mogelijk is gekozen voor een beperkingstermijn van geboortedatum plus honderd jaar. In het geval dat er geen geboortedatum vermeld staat, is er uitgegaan van de sluitingsdatum van het dossiers plus vijfenzeventig jaar. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 144 | 2075 | | 321 | 2066 | | 379 | 2071 | | 1063 | 2069 | | 1064 | 2069 | | 1065 | 2069 | | 1066 | 2069 | | 1068 | 2067 | | 1069 | 2067 | | 1076 | 2076 | | 1078 | 2072 | | 1079 | 2074 | | 1080 | 2074 | | 1085 | 2064 | | 1091 | 2072 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047169&artikel=1&z=2022-09-22&g=2022-09-22), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047169&artikel=1&z=2022-09-22&g=2022-09-22), i"},{"i":363,"b":"Regeling van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 juni 2012, nr. 2012- 0000316382, tot het vaststellen van de hoogte van de vergoeding voor consignatie en van de toelage voor onregelmatige dienst voor Rijksambtenaren BES (Regeling consignatie en TOD Rijksambtenaren BES) Gelet op de [artikelen 25a, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=25a), en [25b, tweede lid, onder a, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=25b); Besluit: Artikel 1 De vergoeding, bedoeld in [artikel 25a, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=25a), bedraagt voor ambtenaren in dienst van de staat USD 2,03 per uur waarop de ambtenaar beschikbaar is geweest. Artikel 2 De toelage, bedoeld in [artikel 25b, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=25b), bedraagt voor ambtenaren in dienst van de staat per gewerkt uur op: - a. maandag tot en met vrijdag tussen 0 en 6 uur en tussen 20 en 24 uur: USD 3,01; - b. zaterdag en zondag tussen 0 en 24 uur: USD 6,04; en - c. feestdagen tussen 0 en 24 uur: USD 12,05. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2012. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling consignatie en TOD Rijksambtenaren BES. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":418,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 januari 2012, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2011 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2011: Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":278,"b":"Italiaans-Nederlandse overeenkomst betreffende de aanwerving van Italiaanse arbeiders voor de ondergrondse bedrijven der Nederlandse kolenmijnen Artikel 1 De Italiaanse regering en de Koninklijke Nederlandse regering hebben terzake de aanwerving van Italiaanse werklieden als ondergrondse arbeiders in de Nederlandse Steenkolenmijnen de navolgende overeenkomst gesloten. Artikel 2 De aanwerving zal geschieden door de Italiaanse regering door bemiddeling van het Ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg, hetwelk hiertoe de provinciale bureaux zal inschakelen. Een Nederlandse Commissie zal over de definitieve aanname van de arbeiders in de selectiecentra beslissen. De Italiaanse regering zal zoveel mogelijk de taak van deze Commissie vergemakkelijken en haar de middelen en uitrusting, welke zij voor de medische keuring nodig heeft, in de selectiecentra ter beschikking stellen. De Nederlandse autoriteiten zullen vooraf mededelen welke ziekten en gebreken de arbeiders ongeschikt maken voor het verrichten van arbeid in de Nederlandse steenkolenmijnen. Artikel 3 Voor elke geaccepteerde arbeider, die naar Nederland vertrekt, zullen de Nederlandse Steenkolenmijnen de reiskosten van de selectiecentra tot het centrum van vertrek, n.l. Milaan en vandaar naar Nederland voor hun rekening nemen. Alle andere kosten zijn voor rekening van de Italiaanse autoriteiten. Voor elke arbeider die naar Nederland is vertrokken zullen de Nederlandse Steenkolenmijnen aan de Italiaanse autoriteiten een van te voren vastgesteld bedrag uitbetalen. Dit bedrag wordt bepaald door een speciale overeenkomst tussen de Nederlandse mijnen en de Italiaanse autoriteiten. Artikel 4 De Italiaanse arbeider verplicht zich tot het verrichten van ondergronds werk in de Nederlandse mijnen en hiertoe tekent hij een contract, waarvan de tekst in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst door de Italiaanse autoriteiten en de Nederlandse mijnen is vastgesteld. Het contract is één jaar geldig, te rekenen va"},{"i":286,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 december 2013 inzake verlening van machtiging aan de ambtenaren van politie belast met het vreemdelingentoezicht die werkzaam zijn bij het Nationaal Vreemdelingen Informatieknooppunt voor het vragen van gegevens en inlichtingen van andere bestuursorganen als bedoeld in artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Machtigingsbesluit politieambtenaren NVIK) Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1 Aan de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 47, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=47), werkzaam bij het Nationaal Vreemdelingen Informatie Knooppunt, wordt machtiging verleend met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid bedoeld in [artikel 107, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107) om aan andere bestuursorganen de gegevens en inlichtingen te vragen die de Minister van Veiligheid en Justitie behoeft voor de uitvoering van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2013, treedt het in werking met ingang van de dag na de uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 1 januari 2014. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Machtigingsbesluit politieambtenaren NVIK. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":283,"b":"Loonheffingen, extraterritoriale werknemers; 30%-regeling De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 21 oktober 2005, nr. CPP2005/2378M.** 1. Inleiding Met ingang van 1 januari 2012 is de 30%-regeling op verschillende onderdelen aangepast. De aanpassingen zijn opgenomen in [hoofdstuk 4A van het UBLB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&hoofdstuk=4a). Voor werkgevers die voor het regime van de vrije vergoedingen en verstrekkingen hebben gekozen, geldt [hoofdstuk 3 UBLB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&hoofdstuk=3) (zoals dat luidde op 31 december 2010). In het besluit van [20 december 2012 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsbesluiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032643), **Stb**. 2012, 694, zijn opnieuw enkele aanpassingen opgenomen in de 30%-regeling. Dit betreft zowel de huidige 30%-regeling als de 30%-regeling bij een keuze voor de regeling voor vrije vergoedingen en verstrekkingen. Deze aanpassingen werken terug tot en met 1 januari 2012. In dit beleidsbesluit zijn vragen en antwoorden opgenomen over de toepassing van de 30%-regeling. Het [besluit van 21 oktober 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018909), nr. CPP2005/2378M is daarbij geactualiseerd. Tenzij anders vermeld, zijn de hierna ingenomen standpunten overeenkomstig van toepassing bij een keuze voor de regeling voor vrije vergoedingen en verstrekkingen. Van het besluit van 21 oktober 2005 zijn de vragen 8 (vrije vergoeding) en 21 (naheffingsaanslag) vervallen vanwege onvoldoende belang. Vraag 22 (eindheffingsbestanddelen) is vervallen vanwege aanpassing in [artikel 10ea, eerste lid, onderdeel a, onder a, van het UBLB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489&artikel=10ea). Vraag 24 (nabetaalde inkomsten) is inhoudelijk gewijzigd (nu vraag 22), vanwege de aanpassingen in [artikel 10ea, eerste lid, onderdeel a, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002489"},{"i":405,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 februari 2017, nr. 2017-0000023137, tot vaststelling van de jaarlijkse bijdrage aan pensioenfonds Werk en (re)Integratie Gelet op [artikel 72 van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=72); Besluit: Artikel 1 De rijksbijdrage aan het pensioenfonds voor werknemers met een dienstbetrekking als bedoeld in [artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903&artikel=2), bedoeld in [artikel 72 van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=72), bedraagt jaarlijks € 10 miljoen. De rijksbijdrage wordt gestort in het Pensioenfonds Werk en (re)Integratie. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018 en vervalt met ingang van 1 januari 2057. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":284,"b":"Lumpsumbesluit ambtenaren BES 1. Definities Artikel 1 De in deze paragraaf vastgestelde begripsbepalingen zijn mede van toepassing op de uit kracht van dit besluit gegeven regelgeving. Artikel 2 In dit besluit wordt verstaan onder «bevoegd gezag»: - a. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor wat betreft overheidsdienaren in dienst van de staat; - b. het bestuurscollege, voor wat betreft de overheidsdienaren in dienst van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Artikel 3 In dit besluit worden onder «overheidsdienaren» dezelfden verstaan als in het [Wachtgeldbesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028541), met uitzondering van de secretarissen van de openbare lichamen. Artikel 4 In dit besluit wordt verstaan onder: - **lumpsum:** de geldsom, bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028476&titeldeel=4&artikel=20&z=2011-10-09&g=2011-10-09) van dit besluit; - **reorganisatie:** iedere wijziging of opheffing van een dienst, bedrijf of instelling, welke kan leiden tot ontslag als bedoeld in [artikel 4 van de Wachtgeldbesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028541&artikel=4), en waarmede een vermindering van het aantal in die dienst, dat bedrijf of die instelling benodigde arbeidsplaatsen met twee of meer te zelfder tijd of in een samenhangende periode wordt beoogd. 2. De uitnodiging tot vrijwillig ontslag Artikel 5 Indien het bevoegde gezag besluit tot een reorganisatie over te gaan, stelt het, op de wijze als in dit besluit nader bepaald, de overheidsdienaren die in de dienst, het bedrijf of de instelling welke door de voorgenomen reorganisatie wordt betroffen werkzaam zijn, in de gelegenheid om kenbaar te maken dat zij zelf het dienstverband wensen te beëindigen, alvorens aan een of meer van hen ontslag als bedoeld in [artikel 4 van de Wachtgeldbesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028541&artikel=4) te verlenen. Artikel 6 1. Het bev"},{"i":271,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 9 mei 2018, nr. 2018-69785, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt (Instellingsbesluit werkgroep IBO Jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040923&artikel=2&z=2018-05-24&g=2018-05-24). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt. 2. De werkgroep heeft tot taak interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren naar het beleid voor jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt, conform de taakopdracht zoals op 5 februari 2018 gepubliceerd (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2017 / 2018, 34 775 nr. 80). 3. Het onderzoek zal moeten resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties worden gegeven waarover vervolgens afweging kan plaatsvinden. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en 9 leden. 2. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd de heer prof. dr. B.J. ter Weel. 3. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: - –. mw. ir. M.J. Smit (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) - –. mw. drs. J. van den Bout (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) - –. mw. A.N. de Witte MSc. (Ministerie van Financiën) - –. mw. drs. I.M. Jansen (Ministerie van Algemene Zaken) - –. mw. mr. drs. I.J. Vossenaar MBA (Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap) - –. mw. L.P.M. Spoelman (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - –. mw. mr. L.M.P. de Bie (Ministerie van Justitie en Veiligheid) - –. mw. dr. ir. D. Lanser (Centraal Planbureau) - –. dhr."},{"i":258,"b":"Wet van 13 oktober 2004, houdende bepalingen in verband met de fusie van De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de hervorming van het toezicht op de financiële marktsector wenselijk is dat De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer fuseren tot: De Nederlandsche Bank N.V.; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Artikel 1 1. De Nederlandsche Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer, gevestigd te Apeldoorn, fuseren. Alle vermogensbestanddelen van de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer gaan onder algemene titel over op De Nederlandsche Bank N.V. zonder dat een besluit, akte of mededeling is vereist. De Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer houdt op te bestaan. 2. De Nederlandsche Bank N.V. doet de fusie, binnen acht dagen na inwerkingtreding van deze wet, inschrijven in de handelsregisters waar zijzelf en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer staan ingeschreven. 3. De Nederlandsche Bank N.V. doet binnen een maand na inwerkingtreding van deze wet opgave van de fusie aan de beheerders van andere openbare registers dan het handelsregister waarin de overgang van rechten of de fusie kan worden ingeschreven. De opgave vermeldt met betrekking tot elk van de fuserende rechtspersonen rechtsvorm, naam, adres en woonplaats, alsmede wie de verkrijgende rechtspersoon is en de dag waarop de fusie van kracht is geworden. De bewaarders van de openbare registers gaan na deze opgave over tot verandering van de tenaamstelling. 4. Ter zake van de overgang van vermogensbestanddelen blijft heffing van overdrachtsbelast"},{"i":260,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 december 2012, nr. IVV 51458, tot het gelijkstellen met arbeidsuren, de wijze waarop gelijkstelling geschiedt, het buiten beschouwing laten van arbeidsuren, het meerdere keren in aanmerking nemen van kalenderweken en beëindiging van uitkeringsrechten (Gelijkstellingsregeling arbeidsuren) Gelet op de [artikelen 1a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=1a), [17a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=17a) en [20, vijfde lid van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=20), en [artikel 1a, tweede lid van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=1a); Besluit: Artikel 1. Gelijkstellingen Met een arbeidsuur als bedoeld in [artikel 1a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=1a) en [artikel 1a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=1a) wordt gelijkgesteld een uur, gedurende een dienstbetrekking of daaruit voortvloeiend, waarover de werknemer geen inkomen uit arbeid heeft ontvangen, maar: - a. als gevolg van vakantie-, snipper-, of compensatieverlofdagen, hij een schadeloosstelling wegens loonderving of vakantiebonnen heeft ontvangen of hij daarmee overeenkomende aanspraken heeft ontvangen of verkregen; - b. hij als gevolg van feestdagen, een schadeloosstelling wegens loonderving heeft ontvangen; - c. dit het gevolg is van werktijdverkorting waarvoor op grond van [artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002014&artikel=8) ontheffing is verleend; - d. waarover hij een uitkering op grond van een vorstuitkeringsreglement dan wel een uitkering op grond van [artikel 18 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=18) heeft ontvangen; - e. waa"},{"i":435,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 februari 2017, nr. 2017-0000101161, tot vaststelling van de wisselkoers en consumentenprijsindex ten behoeve van Surinaamse pensioenen over de periode januari 2008 tot en met december 2016 (Regeling vaststelling wisselkoers en consumentenprijsindex Surinaamse pensioenen 2008/2016) Artikel 1 De wisselkoersen van de Surinaamse gulden, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel a, onder 2˚ en 3˚, van de Garantiewet Surinaamse pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006298&artikel=3) worden vastgesteld in de bij dit besluit behorende [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039311&bijlage=I&z=2026-04-15&g=2026-04-15). Artikel 2 1. De consumentenprijsindexcijfers, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel b, onder 2˚ en 3˚, van de Garantiewet Surinaamse pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006298&artikel=3), worden vastgesteld in de bij dit besluit behorende [Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039311&bijlage=II&z=2026-04-15&g=2026-04-15). 2. De breuk, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder b, van de Garantiewet Surinaamse pensioenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006298&artikel=3), is niet kleiner dan 1. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat de [bijlage behorende bij artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039311&bijlage=I&z=2026-04-15&g=2026-04-15) terugwerkt tot en met 1 januari 2008 en dat [de bijlage behorende bij artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039311&bijlage=II&z=2026-04-15&g=2026-04-15) terugwerkt tot en met 1 januari 2008. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling wisselkoers en consumentenprijsindex Surinaamse pensioenen. Bijlage I. Behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039311&artikel=1&z=2018-08"},{"i":301,"b":"Onderlinge regeling rechtsopvolging en boedelscheiding APNA alsmede de rechtsopvolging van een aantal niet kapitaal gefinancierde pensioen(vervangende) verplichtingen van het Land de Nederlandse Antillen Hierna gezamenlijk te noemen: ‘Partijen’; Partijen nemen in overweging: dat binnen het staatkundig proces waarin het Koninkrijk der Nederlanden zich bevindt, de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten gekozen hebben voor de status van land binnen het Koninkrijk en dat Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna ‘de BES-eilanden’) als openbare lichamen onderdeel zullen worden van het Nederlandse staatsbestel; dat als gevolg van voornoemde staatkundige ontwikkelingen de boedel van het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen over de landen Curaçao, Sint Maarten en Nederland (voor de BES-eilanden) moet worden verdeeld, hetgeen onderlinge afspraken vergt; dat in artikel 9 van het Rijksbesluit rechtsopvolging burgerlijke rechten en verplichtingen Nederlandse Antillen wordt bepaald dat de vaststelling van de omvang en de verdeling van dat vermogen geschieden overeenkomstig de daartoe in de Onderlinge regeling opvolging en boedelscheiding Algemeen Pensioenfonds Nederlandse Antillen en opvolging van enkele andere aanverwante regelingen vastgelegde afspraken; dat het daarom wenselijk is om afspraken te maken over toedeling van de pensioenverplichtingen van het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen naar de landen Curaçao, Sint Maarten en Nederland (voor de BES-eilanden) en over de, uitgaande van die toedeling, definitieve vaststelling en toedeling van het vermogen van het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen; dat het voorts wenselijk is dat de pensioenfondsen van de landen zich moeten kunnen voorbereiden op de overkomst van de verplichtingen per tijdstip van transitie en er dus een voorlopige vaststelling van de aan NL , Sint Maarten en Curaçao toevallende delen en een hierop gebaseerde betaling van voorschotten moet plaatsvinden; dat het boven"},{"i":321,"b":"Pensioenwet BES Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aanspraakgerechtigde:** persoon die begunstigde is voor een nog niet ingegaan pensioen; - –. **afkoop:** iedere handeling waardoor pensioenaanspraken of pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen; - –. **Bank:** De Nederlandsche Bank N.V.; - –. **bedrijfstakpensioenfonds:** een pensioenfonds ten behoeve van een of meer bedrijfstakken of delen van een bedrijfstak; - –. **bijdrage:** iedere onder de naam van bijdrage, premie, inleg, contributie, koopsom, dan wel, indien de betaling in termijnen is overeengekomen, aflossing, of onder welke andere naam ook, ineens of periodiek verschuldigde geldsom bestemd voor de verzekering van pensioen; - –. **deelnemer:** de werknemer of gewezen werknemer die op grond van een pensioenovereenkomst aanspraken verwerft jegens een pensioenuitvoerder; - –. **externe deskundige:** externe deskundige als bedoeld in [artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028744&artikel=121); - –. **gepensioneerde:** pensioengerechtigde voor wie het ouderdomspensioen is ingegaan; - –. **gewezen deelnemer:** de werknemer of gewezen werknemer door wie op grond van een pensioenovereenkomst geen pensioen meer wordt verworven en die bij beëindiging van de deelneming een pensioenaanspraak heeft behouden jegens een pensioenuitvoerder; - –. **Hof van Justitie:** Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - –. **ondernemingspensioenfonds:** een pensioenfonds verbonden aan een onderneming of aan een groepsmaatschappij als bedoeld in [Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028744); - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. **openbaar lichaam:** het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - –. **pensioen:** ouderdoms-, invaliditeits"},{"i":347,"b":"Regeling arbeidsloon gedetineerde Gelet op [artikel 47, vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=47); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 27 april 1998, kenmerk 693657/98; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709); - b. **zaalarbeid:** het verrichten van werkzaamheden op een werkzaal of andere tot gezamenlijke arbeid aangewezen plaats; - c. **taakarbeid:** het verrichten van werkzaamheden die leiden tot het uitvoeren van een door de directeur nader omschreven taak; - d. **stukarbeid:** het vervaardigen van producten op een werkzaal of een andere tot gezamenlijke arbeid aangewezen plaats; - e. **basisuurloon:** de basisbeloning voor het verrichten van arbeid gedurende een uur; - f. **extramurale arbeid:** arbeid, verricht buiten de inrichting ten behoeve van een derde, alsmede het volgen van een dagopleiding buiten de inrichting; - g. **taakloon:** de beloning voor het uitvoeren van een taak conform de daaraan door de directeur gestelde eisen; - h. **arbeidsloon:** het samenstel van basisuurloon, toeslagen en taakloon. § 2. Beloning van arbeid in de inrichting Artikel 2 1. Arbeid omvat zaalarbeid, taakarbeid of stukarbeid. De directeur bepaalt voor welke vorm van arbeid een gedetineerde in aanmerking komt. 2. De gedetineerde ontvangt voor verrichte zaalarbeid, taakarbeid of stukarbeid een arbeidsloon, een taakloon, of respectievelijk een stukloon. 3. Het basisuurloon bedraagt € 0,90. Dit bedrag wordt op 1 januari van elk jaar aangepast op basis van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor dat jaar vastgestelde index voor consumentenprijzen. Jaarlijks wordt het bedrag van het basisuurloon gepubliceerd op de internetsite van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. 4. De hoogte van het loo"},{"i":358,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 oktober 2016, 2016-0000214593, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden uit de archieven van de Commissie Gelijke Behandeling van Mannen en Vrouwen bij de arbeid en taakvoorganger over de periode 1980 t/m 1994 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 20 september 2016 met kenmerk #1042182 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Commissie Gelijke Behandeling van Mannen en Vrouwen bij de Arbeid en taakvoorgangers over de periode 1980-1994 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 986 | 2070 | | 988 | 2071 | | 990 | 2069 | | 991 | 2066 | | 994 | 2071 | | 996 | 2070 | | 998 | 2070 | | 999 | 2069 | | 1000 | 2068 | | 1001 | 2067 | | 1003 | 2066 | | 1004 | 2067 | | 1005 | 2066 | | 1006 | 2069 | | 1007 | 2065 | | 1008 | 2068 | | 1009 | 2070 | | 1010 | 2070 | | 1011 | 2066 | | 1012 | 2067 | | 1013 | 2067 | | 1014 | 2070 | | 1015 | 2069 | | 1016 | 2066 | | 1017 | 2066 | | 1018 | 2066 | | 1019 | 2071 | | 1020 | 2070 | | 1021 | 2070 | | 1022 | 2070 | | 1025 | 2066 | | 1026 | 2070 | | 1027 | 2068 | | 1028 | 2069 | | 1029 | 2070 | | 1030 | 2070 | | 1031 | 2066 | | 1032 | 2069 | | 1033 | 2069 | | 1034 | 2067 | | 1036 | 2069 | | 1044 | 2069 | | 1045 | 2069 | | 1046 | 2066 | | 1047 | 2069 | | 1048 | 2068 | | 1049 | 2069 | | 1056 | 2065 | | 1057 | 2066 | | 1058 | 2065 | | 1059 | 2066 | | 1061 | 2069 | | 1062 | 2070 | | 1063 | 2071 | | 1091 | 2067 | | 1092 | 2069 | | 1093"},{"i":309,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Italiaanse Republiek betreffende de aanwerving en de tewerkstelling van Italiaanse arbeiders in Nederland De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Italiaanse Republiek, Verlangend de tussen hun volken bestaande vriendschapsbanden in overeenstemming met de geest van Europese solidariteit te versterken, Beogend de volledige werkgelegenheid en een betere aanwending der economische hulpbronnen te bewerkstelligen, Ervan overtuigd dat het voor hen van gemeenschappelijk belang is deze doeleinden te bereiken teneinde de economische en de sociale vooruitgang van hun volken te bevorderen, Hebben deze Overeenkomst gesloten met het oog op de organisatie van de aanwerving en de tewerkstelling van Italiaanse arbeiders in Nederland. Algemene bepalingen Artikel 1 1. De aanwerving van Italiaanse arbeiders die in aanmerking komen voor tewerkstelling in Nederland behoort tot de bevoegdheid van de diensten van het „Ministero del Lavoro e della Previdenza Sociale” (hierna genoemd „Ministero del Lavoro”), terwijl hun tewerkstelling in Nederland behoort tot de bevoegdheid van de diensten van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid (hierna genoemd „Ministerie van Sociale Zaken”). 2. Met het doel de vraag naar en het aanbod van werk zo goed mogelijk in evenwicht te brengen, werken de beide Ministeries onderling samen en trachten de procedure van aanwerving en tewerkstelling te versnellen en te vereenvoudigen binnen het kader van de bepalingen van deze Overeenkomst en met de middelen die hiervoor dienstig en nodig geacht worden. Artikel 2 1. Het Ministerie van Sociale Zaken zendt een Commissie (hierna genoemd „Nederlandse Commissie”) naar Italië voor de vervulling van de in deze Overeenkomst voorziene taken; deze stelt haar plaats (en) van vestiging en de duur harer werkzaamheden vast in overleg met het „Ministero del Lavoro”. 2. Het „Ministero del Lavoro” stelt in"},{"i":406,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 maart 2008, nr. AV/IR/2008/5981, houdende vaststelling van een nieuwe regeling op grond van artikel 2, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 Handelend in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [artikel 2, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002014&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Het [Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002014) is niet van toepassing op de arbeidsverhouding van het personeel dat in een andere functie dan het geven van onderwijs is aangesteld of benoemd door het bevoegd gezag dan wel het bestuur van: - a. een school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) onderscheidenlijk [artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=1), - b. een instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1., onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1), - c. een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in [artikel 1.1.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1), - d. een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 68 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=68), [artikel 69 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=69) onderscheidenlijk [artikel 53b van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=53b), - e. een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 28b, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra](http"},{"i":11107,"b":"Besluit van 26 augustus 1986, houdende nadere voorschriften voor de erkende onderwijsinstellingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. N. J. Ginjaar-Maas, van 16 mei 1986, nr. 7263/3149A, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003821&artikel=9), [12, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003821&artikel=12), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003821&artikel=19), en [30, eerste lid, van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003821&artikel=30) (**Stb.** 1985, 407); Gehoord de Onderwijsraad (advies van 29 oktober 1985, nr. O.R. 4/114K); De Raad van State gehoord (advies van 16 juni 1986, nr. W05.86.0245); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, van 18 augustus 1986, nr. 7722/3149A, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepaling Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen; - b. de wet: de [Wet op de erkende onderwijsinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003821); - c. instelling: een instelling, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel **b**, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003821&artikel=1); - d. bevoegd gezag: het bevoegd gezag, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel **c**, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003821&artikel=1); - e. de inspectie: de inspectie bedoeld in [artikel 22 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003821&artikel=22), voor zover belast met taken op het gebied van het onderwijs waarop de wet van toepassing is; - f. gecommitteerde: een gecommitteerde in de zin van [artikel 13, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003821&artikel=13), belast met het toezicht op het exa"},{"i":434,"b":"Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 7 juli 2022, 2022-0000107346, houdende de vaststelling van een subsidieplafond tot eind 2022 voor de experimentele subsidie generieke werkgeversvoorzieningen Gelet op [artikel 5, vierde lid, van het Besluit experimentele subsidie generieke werkgeversvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045276&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Voor subsidies op grond van het [Besluit experimentele subsidie generieke werkgeversvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045276) is vanaf 1 juli 2022 € 0,– beschikbaar. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juli 2022. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":274,"b":"Wet van 7 december 2006 houdende invoering van de Pensioenwet (Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering van de Pensioenwet en enkele daarmee samenhangende onderwerpen te regelen, zulks onder intrekking van de [Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Definities 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. Pensioen- en spaarfondsenwet: de [Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089) en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op de peildatum; - –. peildatum: de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1). 2. De definities van [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1) zijn van overeenkomstige toepassing op de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020828&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020828&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020828&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020828&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2019-01-01&g=2019-01-01), het [eerste lid van de artikelen 11 tot en met 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020828&hoofdstuk=2&artikel=11&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020828&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020828&hoofdstuk=2&artikel=20&z=2019-01-01&g=2019-01-01)"},{"i":332,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 26 november 2020, nr. 394030, tot vaststelling van regels omtrent aanvullende arbeidsvoorwaarden voor vliegers en licentiehouders bij de politie (Regeling aanvullende arbeidsvoorwaarden luchtvaart politie) Gelet op [artikel 21, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=21); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bevoegd gezag:** het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - b. **licentiehouder:** de ambtenaar die beschikt over de licentie EASA part 66 B/C; - c. **luchtvaarttoelage:** de toelage, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044408&artikel=2&z=2026-03-17&g=2026-03-17) onderscheidenlijk [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044408&artikel=9&z=2026-03-17&g=2026-03-17); - d. **vlieger:** de ambtenaar werkzaam bij de afdeling Luchtvaart van de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties in de LFNP functie Politie Vlieger of Chef Vlieger; - e. **volledige betrekking:** een volledige betrekking als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1). Artikel 2. Luchtvaarttoelage vliegers 1. De vlieger heeft aanspraak op een maandelijkse bruto luchtvaarttoelage. 2. Aanspraak op de luchtvaarttoelage bestaat niet dan wel gedeeltelijk over de periode waarin de vlieger geen dan wel gedeeltelijk aanspraak heeft op de voor hem geldende bezoldiging, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1). 3. De hoogte van de luchtvaarttoelage is afhankelijk van een basisbedrag en een vermenigvuldigingsfactor, die afhankelijk is van de categorie waarin de vlieger is ingedeel"},{"i":291,"b":"Mandaatbesluit ambtenaren Douane Gelet op de instemming, bedoeld in [artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), van de Staatssecretaris van Financiën van 23 juni 2003; Besluit: Artikel 1 De ambtenaren van de Belastingdienst bevoegd inzake douane van het Ministerie van Financiën wordt mandaat verleend om namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij langs elektronische weg te besluiten betreffende de verklaring, bedoeld in [artikel 12, zevende lid, van de Regeling invoer, uitvoer en verkeer van planten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005997&artikel=12), voor de gevallen, bedoeld in [artikel 12, elfde lid, van de Regeling invoer, uitvoer en verkeer van planten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005997&artikel=12), voorzover de verklaring ziet op vrijgave van de ingevoerde snijbloemen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2003. Dit besluit wordt met toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":342,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 9 februari 2017, nummer 2042658 houdende de aanwijzing van het pensioenfonds bedoeld in artikel 113a, eerste lid, Wet op het Notarisambt Gelet op [artikel 113a, eerste lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=113a); Besluit: Artikel 1 Als pensioenfonds, bedoeld in [artikel 113a, eerste lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=113a), wordt aangewezen: Stichting Pensioenfonds Notariaat. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2017. Deze regeling met toelichting zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13266,"b":"Wet van 23 december 2010 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2010) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen, bijstellingen of technische reparaties aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel II Voor het kalenderjaar 2009 wordt in [artikel 9.4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=9.4), zoals dat onderdeel luidde in 2009, in plaats van «€ 43» gelezen: € 50. Artikel III Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IIIA Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IV Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel V Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IX Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel X Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XA Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XB Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XC Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XI Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel XII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XIII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XIIIA Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XIV Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel XV Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel XVA Wijzigt de Wet controle op rechtspersonen. Artikel XVB Dit ond"},{"i":431,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 januari 2025, kenmerk 4044062-1078303-WJZ, houdende vaststelling van de rekenfactor ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor het jaar 2024 Gelet op [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8) en [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d); Besluit: Artikel 1 De rekenfactor, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=8), alsmede in [artikel 35d, vijfde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=35d) bedraagt voor het jaar 2024: **100** 3.414 Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":370,"b":"Regeling instelling commissie conglomeraatvorming pensioenfondsen Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1 Er is een commissie conglomeraatvorming pensioenfondsen. Artikel 2 De commissie heeft tot taak: - het bezien of de huidige praktijk van conglomeraatvorming bij pensioenfondsen in lijn is met de visie en de uitgangspunten die het kabinet terzake heeft geformuleerd in de hoofdlijnennotitie nieuwe Pensioenwet (Kamerstukken II, 2001/02, 28 294, nr. 1); - het doen van concrete voorstellen voor wettelijk vast te leggen criteria inzake conglomeraatvorming bij pensioenfondsen. Artikel 3 De commissie bestaat uit 3 leden. Artikel 4 1. De commissie brengt voor 31 december 2003 haar advies uit aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2. Na het uitbrengen van het advies is de commissie opgeheven. Artikel 5 De archiefbescheiden van de commissie worden na haar opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, directie Arbeidsverhoudingen. Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin ze wordt geplaatst en vervalt met ingang van de dag nadat de commissie haar advies heeft uitgebracht. Artikel 7 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling instelling commissie conglomeraatvorming pensioenfondsen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11112,"b":"Besluit van 2 juni 2004 tot vaststelling van nadere regels inzake de organisatie, werkwijze en bekostiging van de politieonderwijsraad (Besluit politieonderwijsraad) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 1 april 2004, nr. EA2004/60035, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid; Gelet op [artikel 21, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014623&artikel=21); De Raad van State gehoord (advies van 22 april 2004, nr. W04.04.0156/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 10 mei 2004, nr. EA2004/63883, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder de raad: de politieonderwijsraad. § 2. Inrichting en werkwijze Artikel 2. Secretariaat 1. De raad wordt bijgestaan door een secretaris, die de leiding heeft over het secretariaat van de raad. 2. Het secretariaat van de raad is ondergebracht bij een ondersteunende dienst als bedoeld in [artikel 25, eerste lid, onderdeel c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25). 3. De secretaris en de overige leden van het secretariaat zijn geen lid van de raad. Artikel 3. Voorbereiding adviezen 1. De raad kan, ter voorbereiding van een advies, een of meer ad hoc-werkgroepen instellen. Een werkgroep adviseert uitsluitend aan de raad. 2. Aan de werkzaamheden van een werkgroep als bedoeld in het eerste lid, kunnen deskundigen deelnemen die geen lid zijn van de raad. 3. De raad benoemt een van zijn leden tot voorzitter van een werkgroep als bedoeld in het eerste lid. Artikel 4. Totstandkoming adviezen, minderheidsstandpunt 1. De raad beraadslaagt en besluit in vergadering over de uit te brengen adviezen. 2. Over de uit te brengen adviezen wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste de helft van de leden."},{"i":13003,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 november 2022, kenmerk 3467358-1039592-DMO, houdende verlenging van de termijn, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Instellingsbesluit Commissie Versterking kennis geschiedenis voormalig Nederlands-Indië Gelet op [artikel 5, tweede lid, van het Instellingsbesluit Commissie Versterking kennis geschiedenis voormalig Nederlands-Indië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045867&artikel=5); Besluit: artikel Enig De in [artikel 5, tweede lid, van het Instellingsbesluit Commissie Versterking kennis geschiedenis voormalig Nederlands-Indië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045867&artikel=5) genoemde termijn voor het uitbrengen voor het laatste adviesrapport aan de Staatssecretaris, wordt verlengd tot 1 april 2023."},{"i":13383,"b":"Instelling Begeleidingscommissie voor opleidingen voor het inrichtingswerk Gelet op de aanbeveling, gedaan in het door de Commissie Opleiding Justitieel Inrichtingswerk uitgebrachte eindrapport, Besluiten: 1. in te stellen een commissie, die tot taak zal hebben - de realisering en coördinatie van beroepsopleidingen voor de (semi-) residentiële hulpverlening in al haar facetten, te bevorderen onder meer door middel van het nader uitwerken van de aanbevelingen, welke zijn gedaan in het hiervoor genoemde rapport; - het begeleiden, het adviseren en het scheppen van voorwaarden voor de optimale ontwikkeling van de opleidingen voor het inrichtingswerk tegen de achtergrond van de behoefte van cursisten, opleiding en praktijk; - hen gevraagd en ongevraagd van advies te dienen inzake de ontwikkeling van de opleidingen voor het inrichtingswerk; 2. de commissie te machtigen tot het indienen van rapporten en voorstellen, die zij in verband met een juiste uitvoering van haar taak noodzakelijk acht; 3. de commissie te machtigen, indien zij dat nodig acht, deskundigen te raadplegen; 4. in de commissie te benoemen de leden: - dr. P.A. de Ruijter, tevens voorzitter, te Uithoorn; - mevr. mr. L. I. Wagenbuur-van Gils, tevens secretaris, namens de Minister van Justitie, te 's-Gravenhage; - A. Atter, namens de landelijke Werkgroep Middelbare Beroepsopleiding inrichtingswerk, te Hoofddorp; - drs. A. van Bemmel, namens het Nationaal Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid, te Oisterwijk; - J.J.E. van Dooremaal, namens de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, te 's-Gravenhage; - drs. B. van der Haer, namens de Nationale Federatie voor kinderbescherming, te Bunnik; - A.F.L. Harmsen, namens de Minister van Justitie, te Wassenaar; - drs. J.A.J.M. van Huijgevoort, coördinerend inspecteur van het sociaal pedagogisch onderwijs, te Loosdrecht; - drs. J.J.R. Kleinen, namens de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, te Lochem; - K. Manten, namens de Interakademiale Werkgroep H"},{"i":525,"b":"Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 4 juni 1958 in haar tweeënveertigste zitting; Besloten hebbende bepaalde voorstellen aan te nemen betreffende discriminatie in arbeid en beroep, welk onderwerp is vervat in het vijfde punt van de agenda der zitting; Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag; Overwegende dat de Verklaring van Philadelphia bevestigt dat alle mensen, ongeacht hun ras, geloof of geslacht, het recht hebben, in vrijheid en waardigheid, onder omstandigheden waarin economische zekerheid en gelijke kansen zijn gewaarborgd, hun materiële welvaart en hun geestelijke ontwikkeling na te streven; Voorts overwegende dat discriminatie een inbreuk vormt op de rechten neergelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, Neemt heden, 25 juni 1958, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende discriminatie (arbeid en beroep), 1958”. Artikel 1 1. Voor de toepassing van dit Verdrag omvat de uitdrukking „discriminatie”: - a). elk onderscheid, elke uitsluiting of voorkeur gebaseerd op ras, huidskleur, geslacht, godsdienst, politieke overtuiging, nationale afstamming of sociale afkomst, leidend tot ontzegging of aantasting van de gelijkheid van kansen of van de behandeling inzake arbeid of beroep; - b). elk ander onderscheid, elke andere uitsluiting of voorkeur leidend tot ontzegging of aantasting van die gelijkheid van kansen of van de behandeling in arbeid of beroep, als zodanig aangemerkt door het betrokken Lid na overleg met die representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties, zo deze bestaan, en met andere passende organen. 2. Onderscheid, uitsluiting of voorkeur ten aanzien van een bepaalde functie, voor zover gebaseerd op voor die functie vereiste bekwaamheden worde"},{"i":526,"b":"Verdrag betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen in haar vier en dertigste zitting op 6 Juni 1951, Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde, welk onderwerp het zevende punt van de agenda der zitting vormt, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag, neemt heden, de negen en twintigste Juni negentienhonderd een en vijftig, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende gelijke beloning, 1951”: Artikel 1 In dit Verdrag: - a. omvat de term „beloning” het gewone, basis- of minimumloon of salaris en alle bijkomende emolumenten, die direct of indirect door de werkgever in geld of in natura aan de werknemer uitgekeerd worden en voortvloeien uit de dienstbetrekking van de werknemer; - b. heeft de term „gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde” betrekking op bezoldigingstarieven, die vastgesteld zijn zonder onderscheid op grond van het geslacht. Artikel 2 1. Elk Lid dient door middelen, die passen bij de in gebruik zijnde methoden voor de vaststelling van de lonen, de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde ten aanzien van alle werknemers te bevorderen, en, in de mate als in overeenstemming met deze middelen is, een zodanige toepassing te waarborgen. 2. Dit beginsel kan toegepast worden door middel van: - a. nationale wetten of regelingen; - b. wettelijk vastgestelde of erkende stelsels voor het vaststellen van de bezoldiging; - c. collectieve arbeidsovereenkomsten tussen werkgevers en werknem"},{"i":11127,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 15 oktober 2024, nr. 48524386, tot vaststelling van de beleidsregel houdende het Onderzoekskader 2024 voor het toezicht op het hoger onderwijs Gelet op [artikel 13, eerste en derde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=13); Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 20 september 2024, nr 48117888; Besluit: Artikel I De volgende beleidsregel wordt vastgesteld: - 1. Onderzoekskader 2024 voor het toezicht op het hoger onderwijs (bijlage). Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Onderzoekskader 2024 Voor het toezicht op het hoger onderwijs September 2024 Inhoud 1. Over dit kader 1.1. Basis voor ons toezicht In het belang van ruim 4 miljoen leerlingen en studenten houdt de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) toezicht op het onderwijs in Nederland. Want elke leerling en iedere student heeft recht op goed onderwijs. Daarom houden wij toezicht op wat er goed gaat, wat er beter kan en wat er beter móet. Van de kinderopvang tot en met het hoger onderwijs; van de allerkleinsten tot de afgestudeerden. In dit onderzoekskader beschrijven we hoe het toezicht op het hoger onderwijs is ingericht. Wie heeft welke taak? Hoe voert de inspectie haar toezicht uit? Het onderzoekskader is bedoeld voor iedereen die met ons toezicht te maken heeft. Het beschrijft onze visie, missie en uitgangspunten voor het toezicht en de manier waarop we werken. Het toezicht door de inspectie is gegrond op [artikel 3 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=3) (hierna: WOT). Op grond van [artikel 13 van de WOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=13) is de inspectie verplicht om haar werkwijze vast te leggen in een onderzoekskader. Dit onderzoekskader is afgestemd met de Nederlands Vlaamse Accreditatieorganisatie (hierna: NVAO), de Commissie"},{"i":9939,"b":"Verordening van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming van 9 januari 2018, nr. ANVS-2018/137, houdende nadere regels ter bescherming van personen tegen de gevaren van blootstelling aan ioniserende straling (ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming) Gelet op [Richtlijn 2013/59](32013L0059)/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de [Richtlijnen 89/618](31989L0618)/Euratom, [90/641](31990L0641)/Euratom, [96/29](31996L0029)/Euratom, [97/43](31997L0043)/Euratom en [2003/122](32003L0122)/Euratom (PbEG L [13/1](31913L0001)); Gelet op de [artikelen 3.4, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.4), [3.6, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.6), [3.10, tweede lid, aanhef en onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.10), [3.11, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.11), [3.12, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.12), [3.17, vierde, zesde e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.17) n negende lid, [3.18, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.18), [3.19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.19), [3.21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.21), [3.23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=3.23), [4.2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=4.2), [4.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=4.3), [4.4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=4.4), [4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=4.5), [4.6, tweede lid](https://we"},{"i":13562,"b":"Regeling van de Raad voor Rechtsbijstand van 25 mei 2009, houdende de instelling van de klachtencommissie als bedoeld in artikel 16 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Instellingsbesluit klachtencommissie Wbtv) Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de commissie:** de klachtencommissie Wet beëdigde tolken en vertalers - b. **de Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand - c. **de Minister:** de Minister van Justitie - d. **de Wbtv:** de [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) van 11 oktober 2007 - e. **het Besluit:** het [besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896) van 11 december 2008. Artikel 2 Er is een onafhankelijke klachtencommissie beëdigde tolken en vertalers die tot doel heeft om over klachten ten aanzien van tolken en vertalers wiens werkzaamheden vallen onder de werking van de [Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704), te adviseren en deze te behandelen. Artikel 3 De grondslag voor het instellen van de commissie ligt in [artikel 16 lid 2 van de Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=16). De voorwaarden waaraan de commissie dient te voldoen staan vermeld in de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=18) en [19 van het Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&artikel=19). Artikel 4 - a. De leden van de commissie ontvangen vacatiegelden op basis van het [Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279) van 13 november 2008. - b. De leden ontvangen een vergoeding voor reis- en verblijfkosten overeenkomstig het [Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889). Artikel 5 -"},{"i":14101,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 28 november 2022, nummer CvTE-22.00977, houdende vaststelling van de regeling voor de procedure om te komen tot de beoordelingsnormen van de doorstroomtoetsen (Regeling beoordelingsnormen doorstroomtoetsen PO) Gelet op [artikel 3a, eerste lid, onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a); Gezien de goedkeuring van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, gegeven op 4 november 2022, nummer 1303595, Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel VIII, onderdeel B, van de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs, enz. (aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs) in werking treedt. Artikel 1. Beoordelingskader De regeling voor de procedure om te komen tot de beoordelingsnormen van de doorstroomtoetsen als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, onderdeel f van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a) wordt vastgesteld als opgenomen in de bijlage van deze regeling. Artikel 2. Technische specificaties levering van gegevens voor de beoordeling van de doorstroomtoetsen De technische specificaties voor de levering van de gegevens voor de beoordeling van de doorstroomtoetsen, als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047606&artikel=1&z=2026-01-06&g=2026-01-06), worden beschreven in het handboek doorstroomtoets en het handboek normering of aanvullingen daarop, zoals gepubliceerd op de website van het College voor toetsen en examens (cvte.nl/onderwerpen/toetsen-primair-onderwijs). Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel VIII, onderdeel B, van de Wet van 9 februari 2022 tot wijziging van een aantal onderwijswet"},{"i":13233,"b":"Wet van 12 november 2009 tot implementatie van Europese regelgeving betreffende het verkeer van diensten op de interne markt (Dienstenwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om te voorzien in wettelijke regels om uitvoering te geven aan richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU L 376); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1.1. Definities en reikwijdte Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **afnemer:** natuurlijke persoon die onderdaan is van een lidstaat of die rechten heeft die hem door communautaire besluiten zijn verleend, of een rechtspersoon in de zin van artikel 48 van het Verdrag die in een lidstaat is gevestigd en, al dan niet voor beroepsdoeleinden, van een dienst gebruik maakt of wil maken; - **Autoriteit Consument en Markt:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - **bevoegde instantie:** bestuursorgaan, een ander orgaan of een autoriteit, dat of die een toezichthoudende, vergunningverlenende of regelgevende rol vervult ten aanzien van diensten; - **centraal loket:** het centraal loket, bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **consument:** afnemer die een natuurlijke persoon is, niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf; - **dienst:** economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, als bedoeld in artikel 50 van het Verdrag; - **dienstve"},{"i":11163,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven vanaf 1 augustus 2015 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De selectielijst van de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven vanaf 1 augustus 2015 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11164,"b":"Besluit van 5 november 2014, houdende vaststelling van het tijdstip bedoeld in artikel 18.76 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 oktober 2014, nr. WJZ/665595(10509), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 18.76 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.76); Hebben goedgevonden en verstaan: Enig. artikel Het tijdstip, bedoeld in [artikel 18.76 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.76), wordt bepaald op 15 november 2014. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":11165,"b":"Besluit van 9 februari 2007, nr. OI/O 7015354, houdende de vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en de leden van de Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor voorbereidende werkzaamheden in het kader van de Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs, anders dan het bijwonen van een vergadering, ontvangen alle leden een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van: - a. 4 uur per aanvraag als bedoeld in [artikel 8 van de Subsidieregeling ondernemerschap en onderwijs 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021101&artikel=8); - b. 1,5 uur per aanvraag als bedoeld in [artikel 18 van de Subsidieregeling ondernemerschap en onderwijs 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021101&artikel=18); - c. 4 uur per uitwerking van de aanvraag als bedoeld in [artikel 21 van de Subsidieregeling ondernemerschap en onderwijs 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021101&artikel=21). Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13312,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 november 2003, IBE/BO-2426255, houdende de goedkeuring van de wijzigingsregeling van de KNMG van 24 juni 2003 inzake de opleiding en registratie van specialisten Gelet op [artikel 14, eerste en zesde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); Besluit: De datum van inwerkingtreding is de datum van uitgifte. Het besluit **Wijzigingsregeling specialisten geneeskunst** goed te keuren. Dit besluit zal samen met het desbetreffende besluit van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":11877,"b":"Wet van 2 februari 1955, houdende nieuwe regeling van de organisatie en procedure van de Centrale Raad van Beroep en de raden van beroep Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de organisatie en procedure van de Centrale Raad van Beroep en de raden van beroep opnieuw te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Titel I. De Centrale Raad van Beroep Artikel 1 Er is een Centrale Raad van Beroep, gevestigd te Utrecht. Artikel 2 1. Bij de Centrale Raad van Beroep zijn werkzaam: - a. leden met rechtspraak belast, en - b. gerechtsambtenaren. 2. De leden met rechtspraak belast, werkzaam bij de Centrale Raad van Beroep zijn: - a. senior raadsheren; - b. raadsheren; - c. raadsheren-plaatsvervangers. Artikel 3 Het bepaalde bij en krachtens de [afdelingen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&afdeling=1), [1A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&afdeling=1a), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&afdeling=2) en [6 van hoofdstuk 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&afdeling=6) is, met uitzondering van de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=3), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=9), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=11), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=20), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21), [21b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21b), [21c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21c) en [23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=23a), van overeenkomstige toepassing op de Centrale Raad van Bero"},{"i":11208,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 24 september 2020, nr. 2020-176697, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Onderwijshuisvesting (Instellingsbesluit Werkgroep IBO Onderwijshuisvesting) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044202&artikel=2&z=2020-10-13&g=2020-10-13). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Onderwijshuisvesting. 2. De werkgroep heeft tot taak interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren conform de taakopdracht zoals gepubliceerd in bijlage 18 van de Miljoenennota 2021 (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2020 / 2021, 35 570 nr. 2). 3. Het onderzoek zal moeten resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties worden gegeven waarover vervolgens afweging kan plaatsvinden. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en 5 leden. 2. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd mevrouw Katja Mur, werkzaam bij de Autoriteit Persoonsgegevens. 3. Tot eerste leden van de werkgroep worden benoemd: - –. Sylvia Teunissen (Ministerie van Financiën) - –. Danielle Schiet (Ministerie Algemene Zaken) - –. Elise Splint (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) - –. Jan Vermeer (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - –. Ria Westendorp (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) 4. De leden van de werkgroep werkzaam voor de overheid kunnen bij afwezigheid of verandering van baan vervangen worden door een collega van dezelfde werkgever. 5. De werkgroep kan besluiten externe leden uit te nodigen om deel te nemen aan de werkgroep. 6. De werkgroep wordt ingesteld per 15 september 2020."},{"i":11209,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 9 februari 2022, nr. 11359, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Sturing op kwaliteit van onderwijs (Instellingsbesluit Werkgroep IBO Sturing op kwaliteit van onderwijs) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046379&artikel=2&z=2022-03-04&g=2022-03-04). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Sturing op kwaliteit van onderwijs. 2. De werkgroep heeft tot taak een interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren conform de taakopdracht zoals gepubliceerd in de Najaarsnota 2021 (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2021-2022, 35 975, nr. 1). 3. Het onderzoek moet resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties in kaart worden gebracht op het betreffende beleidsterrein. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en een aantal leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de Minister benoemd. 4. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd Charles Wijnker. 5. Voor de duur van de werkgroep worden tot lid van de werkgroep benoemd: - –. Gijs van der Vlugt Ministerie van Financiën) - –. Timon Verheule (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) - –. Mirre Terpstra (Ministerie van Algemene Zaken) - –. Albert van der Horst (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) - –. Victor Joosen (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) - –. Mark Imandt (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) - –. Jonneke Bolhaar (Centraal Planbureau) 6. D"},{"i":13761,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 november 2013, nr. 2013-0000435969, houdende regels ter uitvoering van de Kieswet en het Kiesbesluit (Kiesregeling) Gelet op de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) en het [Kiesbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004632); Besluit: Artikel 1 1. Als de modellen, bedoeld in de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) en het [Kiesbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004632), worden de modellen vastgesteld die in de bijlage bij artikel 1 van deze regeling bij deze regeling zijn opgenomen. 2. De tekst van de modellen in de bijlage bij artikel 1 van deze regeling bij deze regeling kan redactioneel worden aangepast voor een specifieke doelgroep of voor de digitale toepassing, indien dat de leesbaarheid of doelmatigheid van het model ten goede komt. Artikel 2 De [Modellenregeling Kieswet en Kiesbesluit 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029003) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 december 2013. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Kiesregeling. Bijlage Model D 3-1. Registratieformulier voor kiezers buiten Nederland voor de verkiezing van de Tweede Kamer Model D 3-1. Registratieformulier voor kiezers buiten Nederland voor de verkiezing van de Tweede Kamer Model D 3-1 Model D 3-2 Model G 1-1 Model G 1-2 Model G 1-3 Model H 1 Model H 3-1 Model H 3-2 Model H 4 Model H 4 Model H 9 Model H 12 Model I 1 Model I 4 Model J 7. Stempas Model H 12 Model I 1 Model I 4 Model J 7. Stempas Model Model J 7. ([Wrr 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=59)) Stempas Model I 10. Ferbining kandidatelisten ta listkombinaasje Model Model J 7. ([Wrr 59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=59)) Stempas Model J 7 Model J 7-1 (Wrr 59-62). De technische eisen aan de stempas, de kiezerspas, het schriftelijk volmachtbewijs en het briefstembewijs Model J 16 (Wrr"},{"i":12001,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 februari 2008, nr. DDI/ST/reg. 008/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Nederlands gezantschap, later de ambassade in Sri Lanka van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Nederlands gezantschap, later de ambassade in Sri Lanka van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 98 | 2044 | | 305 | 2039 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023498&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023498&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de da"},{"i":11972,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse zaken van 23 april 2005, nr. DDI/ST/reg 002 /2005, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het consulaat, consulaat-generaal te Algiers alsmede het vice-consulaat Oran (1898–1954) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het consulaat, het consulaat-generaal te Algiers alsmede het vice-consulaat Oran (1898–1954), de inventarisnummers 12 en 20 pas geheel openbaar met ingang van 1 januari 2038 respectievelijk 2019. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder inventarisnummers 12 en 20 is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder inventarisnummers 12 en 20, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationale archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit wordt bekendgemaakt door kennisgeving daarvan in de Staatscourant. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ’Verklaring van Overbrenging van het archief van het archief van het consulaat, consulaat-generaal te Algiers alsmede het vice-consulaat Oran ("},{"i":13796,"b":"Wet van 7 juli 1988, houdende regels betreffende loodsen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de uitvoerende taken van de overheid ten aanzien van het loodsen van zeeschepen te beëindigen en in de plaats daarvan een openbaar lichaam voor beroep in te stellen als bedoeld in [artikel 134 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=134), daarbij regels stellend over de opleiding tot loods en de bevoegdheid tot uitoefening van dit beroep, aldus tevens de grondslag scheppend voor de uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, waaronder de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het loodsen van schepen door Noordzeeloodsen op de Noordzee en in het Kanaal (**Pb EG** L33/32); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - b. loods: - 1°. registerloods; - 2°. degene die voldoet aan de eisen met betrekking tot opleiding, kundigheid, ervaring en geschiktheid, bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&hoofdstuk=II&paragraaf=3&artikel=5&z=2022-01-01&g=2022-01-01); - c. corporatie: de Nederlandse loodsencorporatie, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&hoofdstuk=III&paragraaf=1&artikel=6&z=2022-01-01&g=2022-01-01); - d. algemene raad: de algemene raad van de Nederlandse loodsencorporatie; - e. register: het loodsenregister, bedoeld in [artikel 21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&hoofdstuk=V&artikel=21&z=2022-01-01&g=2022-01-01); - f. registerloods: degene die is ingeschreven in het register; -"},{"i":12516,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap houdende het opheffen van de beperking aan de openbaarheid van het archief van de commissies ‘Verzetsster Oost-Azië 1942–1945’, (1946) 1949–1957 (toegangsnummer 2.05.231) Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 02-02-2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021198) met het kenmerk DDI/ST/reg.005/2007, Gehoord hebbende de Minister van Buitenlandse Zaken, Besluit: Artikel 1 De beperking die is gesteld aan de openbaarheid van inventarisnummers 117 en 156 op te heffen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":13947,"b":"Wet van 19 december 2018 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2019) Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Natuurschoonwet 1928. Artikel V Wijzigt de Registratiewet 1970. Artikel VI Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel VII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel VIII Wijizgt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel IX Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel X Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XI Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel XII Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XIII Wijzigt de Wet wederzijdse bijstand in de Europese Unie bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 2012. Artikel XIV Wijzigt de Conjunctuurwet. Artikel XV Wijzigt de Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit. Artikel XVI Wijzigt het Belastingplan 2018. Artikel XVIa Wijzigt het Belastingplan 2018. Artikel XVII 1. [Artikel XII, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041761&artikel=XII&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is uitsluitend van toepassing op onverplichte handelingen die zijn verricht op of na 18 september 2018, 15.15 uur. 2. [Artikel XII, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041761&artikel=XII&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is uitsluitend van toepassing op schenkingen die tot stand zijn gekomen op of na 18 september 2018, 15.15 uur. Artikel XVIII Wijzigt deze wet. Artikel XIX Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2019, met dien verstande dat: - a. [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041761&artikel=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), terugwerkt tot en met 1 januari 2015; - b. [artikel XII, onderdelen C, D, E en F](https://wetten."},{"i":11221,"b":"Leerplichtwet BES § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Deze wet verstaat onder: - a. **Onze Minister**: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **school**: - 1°. een openbare of een uit openbare kas bekostigde bijzondere basisschool of school of een ingevolge [artikel 2.68 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.68) aangewezen instelling voor voortgezet onderwijs; - 2°. een ingevolge [artikel 2.66 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.66) aangewezen bijzondere school voor voortgezet onderwijs, in een openbaar lichaam; - 3°. een andere school die wat de inrichting van het onderwijs betreft, overeenkomt met de criteria, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030281&paragraaf=1&artikel=3&z=2025-08-01&g=2025-08-01), en wat de bevoegdheden van leraren betreft, overeenkomt met een of meer van de onder 1° bedoelde scholen; - 4°. een andere krachtens [artikel 2, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030281&paragraaf=1&artikel=2&z=2025-08-01&g=2025-08-01), voor de toepassing van deze wet als school aangewezen onderwijsinstelling; - c. **instelling**: - 1°. een instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in de [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395); - 2°. een andere krachtens [artikel 2, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030281&paragraaf=1&artikel=2&z=2025-08-01&g=2025-08-01), voor de toepassing van deze wet als instelling aangewezen cursus of instelling, waar onderwijs of vorming wordt gegeven; - d. **hoofd**: - 1°. hij die met de leiding van de school is belast; - 2°. hij die met de leiding van de instelling is belast; - e. **ambtenaar**: de ambtenaar, bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030281&paragraaf=5&artikel=28&z=2025-08-01&g=2025-08-01); - f. **startkwalifi"},{"i":11235,"b":"Opleiding leraar Nederlands als tweede taal in het basisonderwijs Inleiding Taal is een van de belangrijkste factoren bij het behalen van schoolsucces. Kinderen met een andere moedertaal dan het Nederlands moeten zich tijdens hun schoolloopbaan het Nederlands eigen maken en tegelijkertijd de reguliere schoolvakken leren. Het vergroten van hun onderwijskansen hangt daarom vooral samen met de vraag in hoeverre het onderwijs erin slaagt deze leerlingen het Nederlands als tweede taal aan te leren. Om het rendement van het onderwijs aan leerlingen met een andere moedertaal dan het Nederlands te verbeteren moet de school beschikken over deskundig opgeleide leraren die het Nederlands als tweede taal(NT2) kunnen verzorgen. Met het oog daarop is met ingang van het studiejaar 1995-1996 op initiatief van enige hogescholen een éénjarige post-hbo-opleiding tot leraar NT2 gestart. Gedurende de eerste drie cursusjaren heeft het departement een startsubsidie voor deze opleiding verleend. Het is gebleken dat de belangstelling voor deze opleiding de laatste jaren sterk is teruggelopen. Deze terugloop vindt zijn oorzaak in de geringe bekendheid bij de basisscholen met deze opleiding; daarnaast is mogelijk het wegvallen van de financiële bijdrage door het departement (de subsidiëring liep tot en met het schooljaar 1997-1998) mede van invloed geweest op de terugloop in de belangstelling. Voor de kwaliteit van het onderwijs aan tweetalige leerlingen is het van het grootste belang dat deze post- hbo-opleiding behouden blijft. In het kader van het onderwijskansenbeleid waarbinnen taalbeleid een hoge prioriteit heeft, mag ook worden verwacht dat de behoefte aan deze opleiding zal toenemen. Om de deelname aan de opleiding te stimuleren is besloten opnieuw een subsidie te verlenen voor de komende drie schooljaren en wordt door middel van deze publicatie opnieuw de aandacht gevestigd op de opleiding tot leraar Nederlands als tweede taal. In de verdere uitwerking van het onderwijskansenbeleid z"},{"i":11236,"b":"Opleiding lesgeven op onderwijskansenscholen Inleiding De leraar voor de klas is een zeer belangrijke succesfactor als het gaat om het verbeteren van de schoolprestaties van de leerlingen. Dit geldt voor alle scholen in het primair onderwijs en in het bijzondere voor scholen met leerlingen in achterstandssituaties. Hierbij kan het gaan om autochtone en allochtone leerlingen. Het lesgeven aan kinderen die in een weinig kansrijke positie verkeren vraagt veel van de leraar; deze leerlingen hebben extra aandacht en specifieke werkwijzen nodig om tot optimale onderwijsprestaties te komen en zodoende op een volwaardige manier hun plek in de samenleving te kunnen vinden. Het gaat hierbij niet alleen om kennis van de diverse vakgebieden maar ook om het ontwikkelen van sociale vaardigheden. De leraar zal behalve over extra motivatie en betrokkenheid met de problematiek van het lesgeven aan deze leerlingen, ook over specifieke deskundigheid en extra vaardigheden moeten beschikken om zijn werk goed te kunnen doen. Niet alle scholen met leerlingen in achterstandssituaties verkeren in de positie om de problemen op te lossen; de leraren voelen zich vaak overbelast door de vele eisen die aan hen worden gesteld. Voor leraren primair onderwijs die de kansen van kinderen in achterstandssituaties willen vergroten is een postinitieel opleidingstraject ontwikkeld dat specifiek is toegesneden op het lesgeven op scholen die grotendeels of in toenemende mate te maken hebben met leerlingen die extra zorg nodig hebben. Verder zal binnen de opleiding leraar basisonderwijs op basis van dit opleidingstraject een differentiatie ’Lesgeven aan kinderen in achterstandssituaties’ worden ontwikkeld. Deze problematiek beperkt zich niet tot de vier grote steden in Nederland, ook andere steden en regio’s hebben te maken met extra zorg en aandacht voor kinderen in achterstandssituaties. In het voorjaar van 2001 zijn een achttal kleinschalige pilotprojecten gestart rondom verschillende thema’s, gericht op"},{"i":13451,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en de Minister van Financiën van 7 oktober 2004, nr. 04R48972, tot instelling van de baten-lastendienst Dienst Publiek en Communicatie (Instellingsbesluit baten-lastendienst Dienst Publiek en Communicatie) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet](onbekend); Besluiten: Artikel 1 1. Aan de directie Publiek en Communicatie van de Rijksvoorlichtingsdienst van het Ministerie van Algemene Zaken wordt de status van baten-lastendienst als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet](onbekend), verleend. 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: Dienst Publiek en Communicatie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastendienst Dienst Publiek en Communicatie. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11242,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Mali betreffende samenwerking bij de opleiding van leraren voor het hoger landbouwonderwijs in Mali De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Republiek Mali (hierna te noemen „de Overeenkomstsluitende Partijen”), Verlangend de vriendschapsbanden die hun volken verenigen aan te halen en in het algemeen de goede betrekkingen tussen hun landen uit te breiden; Verlangend samen te werken in het kader van een project voor de opleiding van leraren voor het hoger landbouwonderwijs in Mali; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel I. Doelstellingen en duur van het project 1. De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich samen te werken in het kader van een project voor de opleiding van leraren voor het hoger landbouwonderwijs in Mali (hierna te noemen „het project”). 2. De algemene doelstellingen van het project zijn: - -. te zorgen voor de opleiding en de nascholing van leraren voor het „Institut Polytechnique Rural”; - -. te zorgen voor de opleiding en de nascholing van leraren voor de reeds bestaande of nog op te richten hogere landbouwscholen in Mali en eventueel in andere Sahellanden; - -. te zorgen voor de oprichting van het „Institut Supérieur de Pédagogie Rural Appliquée” (ISPRA). 3. De doelstellingen worden verwezenlijkt door de werkzaamheden zoals aangegeven in het Werkplan bedoeld in artikel VIII. 4. De duur van het project is voorshands bepaald op drie jaar. Artikel II. Bijdragen van iedere Overeenkomstsluitende Partij 1. De Nederlandse Regering verbindt zich ertoe: - -. het Nederlandse personeel beschikbaar te stellen nodig voor de uitvoering van de werkzaamheden bedoeld in het project; - -. het voor de uitvoering van het project benodigde materiaal, met inbegrip van de voertuigen, te verschaffen en de kost on van vervoer, verzekering, onderhoud en gebruik te betalen; - -. de kosten te dekken die zijn verbonden aan de opleiding van 15 studenten van de eerste leergang v"},{"i":11243,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de erkenning van equivalenties op het gebied van het hoger onderwijs Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk in de geest van de vriendschappelijke betrekkingen tussen beide Staten, geleid door de wens de toelating tot of de voortzetting van de studie voor studenten uit beide Staten in elk der Overeenkomstsluitende Staten te vereenvoudigen, zijn het volgende overeengekomen inzake de erkenning van studietijden en studieresultaten ten behoeve van de voortzetting van de studie aan instellingen van hoger onderwijs alsmede inzake het voeren van academische graden: Artikel 1 In deze Overeenkomst betekent: - (a). de uitdrukking „instellingen van hoger onderwijs”: alle universiteiten, hogescholen en andere instellingen van hoger onderwijs, die in het Koninkrijk der Nederlanden en in de Republiek Oostenrijk wettelijk worden beschouwd het karakter van hoger onderwijs te hebben en die gerechtigd zijn de doctorsgraad te verlenen, of waar studies met een academische graad of met een „staatsexamen” kunnen worden afgesloten; - (b). de uitdrukking „academische graad”: elk diploma of elke graad, die door een instelling van hoger onderwijs als bewijs van de voltooiing van een studie wordt verleend; - (c). de uitdrukking „examen” respectievelijk „staatsexamen”: zowel afsluitende examens als tussentijdse examens of deelexamens binnen het kader van een studie aan een instelling van hoger onderwijs. Artikel 2 1. Aan overeenkomstige studies, met inbegrip van de examens in de Republiek Oostenrijk wordt op verzoek in het Koninkrijk der Nederlanden een zelfde waarde toegekend als daaraan in de Republiek Oostenrijk werd toegekend. 2. Aan overeenkomstige studies, met inbegrip van de examens in het Koninkrijk der Nederlanden wordt op verzoek in de Republiek Oostenrijk een zelfde waarde toegekend als daaraan in het Koninkrijk der Nederlanden werd toegekend. Artikel 3 Academische graden en getuig"},{"i":11248,"b":"Overzicht publicaties primair onderwijs 2003 Voor u ligt het 'Overzicht publicaties voor het primair onderwijs 2003'. Het overzicht bevat publicaties die in het Gele katern van het blad Uitleg zullen verschijnen. De genoemde data in de kolom ’Streefdatum publicatie’ zijn veelal afhankelijk van advies- en overlegprocedures en/of het doen treffen van wettelijke maatregelen. Bijgaand overzicht is niet limitatief. In elk geval kunt u aanvullende regelgeving verwachten in het kader van een nieuwe CAO OCenW. Ook kunnen, als gevolg van het vaststellen van een nieuw Regeerakkoord, nog publicaties volgen die op dit moment nog niet zijn voorzien. Publicatieoverzicht primair onderwijs 2003"},{"i":11249,"b":"Overzicht publicaties voor het primair onderwijs in 2004 Algemeen Voor u ligt het ”Overzicht publicaties voor het primair onderwijs 2004”. Het overzicht bevat de voorgenomen publicaties die in het kalenderjaar 2004 vanuit de beleidsdirectie PO in het Gele Katern zullen verschijnen. De data die genoemd zijn in de kolom ”Streefdatum publicatie” zijn in veel gevallen afhankelijk van advies- en overlegprocedures en/of het doen treffen van wettelijke maatregelen. Het overzicht is niet uitputtend; er kunnen nog publicaties verschijnen die op dit moment niet zijn voorzien."},{"i":14203,"b":"Regeling doctorstitel godgeleerdheid of wijsbegeerte De Nederlandse kerkelijke instellingen van wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel XXIII van de overgangsbepalingen van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, waarvan het doctoraat in de godgeleerdheid of in de wijsbegeerte het recht geeft tot het voeren van de titel doctor, zijn de volgende: - 1. Faculteit der wijsbegeerte ‘Berchmanianum’, te Nijmegen; - 2. Faculteit van theologie ‘Canisianum’, te Maastricht; - 3. Academie, uitgaande van de Johannes Calvijnstichting, te Kampen; - 4. Theologische Hogeschool van de Gereformeerde kerken in Nederland, Broederweg 15, te Kampen."},{"i":11250,"b":"Overzicht publicaties voor het voortgezet onderwijs in 2004 Algemeen Voor u ligt het ”Overzicht publicaties voor het voortgezet onderwijs 2004”. Het overzicht bevat publicaties die in het Gele katern verschijnen (of in enkele gevallen al verschenen zijn) en die betrekking hebben op het kalenderjaar 2004 respectievelijk het schooljaar 2004 - 2005. De data in de kolom ”streefdatum publicatie” zijn veelal afhankelijk van advies- en overlegprocedures en/of Wetgevingstrajecten. Bijgaand overzicht is niet limitatief. Bijlage. Overzicht publicaties voortgezet onderwijs in 2004 | | Regeling | Streefdatum | Reeds verschenen | | --- | --- | --- | --- | | | Bekostiging | Bekostiging | Bekostiging | | 1 | Regeling exploitatiekosten scholen voor v.o. 2004 - 2005 | Jan-04 | zie Gele Katern 2004, nr. 2 | | 2 | Regeling Cultuurprofielen VO | Jan-04 | zie Gele Katern 2004, nr. 2 | | 3 | Regeling Schoolbudget 2004 | feb-04 | zie Gele Katern 2004, nr. 4 | | 4 | Inwerkingtreding regeling nr. 1 | mar-04 | | | 5 | Aanpassing bedragen landelijke gemiddelde personeelslast en bekendmaken opslagpercentages VF en PF 2004 - 2005 | mar-04 | | | 6 | Regeling bekostiging RVC en zorgbudget | mar-04 | | | 7 | Regeling vaststelling bedrag nascholing v.o. 2004 | apr-04 | | | 8 | Regeling innovatie vo | apr-04 | | | 9 | Aanvullende vergoeding arbeidsmarktknelpunten 2003-2005 | apr-04 | | | 10 | Regeling voor leerlingen die niet in aanmerking komen voor een LGF indicatie maar wel extra zorg behoeven | mei-04 | | | 11 | Regeling opleiden in de school | mei-04 | | | 12 | Regeling zij-instromers | jun-04 | | | 13 | Overgangsregeling bekostiging landelijke organen beroepsonderwijs i.v.m. leerwerken | sep-04 | | | 14 | Aanpassing bedragen landelijke gemiddelde personeelslast i.v.m. CAO 2004 | sep-04 | | | 15 | Overgangsregeling vereenvoudiging bekostiging vo | sep-04 | | | 16 | Aanpassing aanvullende vergoedingen vo en overgangsvoorzieningen i.v.m. vereenvoudiging bekostiging v.o. | sep-04 | | | 17 | Loon-"},{"i":11252,"b":"Protocol bij het Europese Verdrag betreffende de gelijkstelling van diploma's voor toelating tot universiteiten De Regeringen die dit Protocol hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Gelet op de oogmerken van het [Verdrag betreffende de gelijkstelling van diploma's voor toelating tot universiteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005097), dat op 11 december 1953 te Parijs is ondertekend, hierna te noemen „het Verdrag”; Overwegende dat de voordelen die zijn verbonden aan het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005097) mede ten nutte zouden kunnen komen van houders van diploma's het bezit waarvan een noodzakelijke vereiste is voor de toelating tot universiteiten, voor zover die diploma's worden verleend door instellingen die door een andere Verdragsluitende Partij buiten haar eigen grondgebied officieel worden gesteund en waarvan zij de diploma's gelijkstelt met de binnen haar grondgebied verleende diploma's; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. Iedere Verdragsluitende Partij erkent, met het oog op de toelating tot binnen haar grondgebied gelegen universiteiten waarvan de toelating aan staatstoezicht is onderworpen, de gelijkwaardigheid van diploma's die worden verleend door instellingen die door een Verdragsluitende Partij buiten haar eigen grondgebied officieel worden gesteund en waarvan zij de diploma's gelijkstelt met de binnen haar grondgebied verleende diploma's. 2. De toelating tot een universiteit is afhankelijk van het aantal beschikbare plaatsen. 3. Iedere Verdragsluitende Partij behoudt zich het recht voor, de bepalingen van lid 1 niet op haar eigen onderdanen toe te passen. 4. In gevallen waarin de toelating tot universiteiten, gelegen binnen het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, niet onderworpen is aan staatstoezicht, doet die Verdragsluitende Partij de tekst van dit Protocol toekomen aan de betrokken universiteiten en stelt alle pogingen in het werk om de aanvaarding van de in de voorgaande leden va"},{"i":11251,"b":"Programma van eisen gegevenslevering aan IB-Groep in verband met onderwijsnummer voortgezet onderwijs (vo) Op aangeven van de leveranciers van verschillende administratiepakketten binnen het VO is besloten om de technische specificaties op twee punten voor de periode tot 1-22003 aan te passen. Deze aanpassingen zijn opgenomen in het PvE versie 0.2. Het betreft de volgende twee aanpassingen: In de aangepaste versie van het PvE (versie 0.2) voor de periode tot 1-2-2003 zijn de aanpassingen gearceerd aangegeven (pagina 10 onder 5.2.2.3 en 18 onder 5.3.2.5). De aangepaste versie 0.2 ligt ter inzage bij de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs en is tevens te vinden op de site www.onderwijsnummer.nl."},{"i":14536,"b":"Regeling van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 mei 2011, nr. 2011-2000111221, houdende vaststelling van een regeling voor de overname van studieschuld (Regeling overname studieschuld BES) Gelet op [artikel 81, onder a, van de Wet materieel ambtenarenrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215&artikel=81); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder studieschuld: een schuld uit de [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) of uit de [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393) bij de Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 Deze regeling is alleen van toepassing op de ambtenaar die is aangesteld in dienst van de staat en - a. een middelbare of hogere beroepsopleiding of een universitaire studie met goed gevolg heeft afgesloten; en - b. studieschuld heeft en daarvan bewijsstukken kan overleggen die afkomstig zijn van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; en - c. in verband met zijn aanstelling naar het Caribisch deel van Nederland is verhuisd. Artikel 3 1. Aan de ambtenaar die op de dag van zijn indiensttreding een studieschuld heeft van ten minste USD 8840,00 wordt op zijn daartoe strekkend schriftelijk verzoek: - a. gedurende een periode van drie jaar een maandelijkse toelage van USD 65,00 netto toegekend, en - b. na drie aaneengesloten dienstjaren een eenmalige toelage van USD 6500,00 netto toegekend. 2. Aan de ambtenaar die op de dag van zijn indiensttreding een studieschuld heeft van ten minste USD 2340,00, maar minder dan USD 8840,00 wordt op zijn daartoe strekkend schriftelijk verzoek: - a. gedurende een periode van drie jaar een maandelijkse toelage van USD 65,00 netto toegekend, en - b. na drie aaneengesloten dienstjaren een eenmalige netto toelage toegekend ter grootte van het bedrag van zijn studieschuld op de dag van zijn indiensttreding minus USD 2340,00. 3. Aan"},{"i":12932,"b":"Besluit vaststelling Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012 (versie 2025)) Overwegende dat het wenselijk is de [Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050955&bijlage=1&z=2025-04-01&g=2025-04-01) te herzien en te publiceren; Besluit: Vast te stellen de in de bijgaande [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050955&bijlage=1&z=2025-04-01&g=2025-04-01) vervatte Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (versie 2025). Bijlage 1. Tekst van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012 (versie 2025)) Hoofdstuk I. Algemeen § 1. Aanduidingen, begripsbepalingen § 2. Van toepassing zijnde voorschriften, tegenstrijdige bepalingen Hoofdstuk II. Vertegenwoordiging van partijen § 3. Directie § 4. Gevolmachtigde van de aannemer Hoofdstuk III. Algemene verplichtingen van partijen § 5. Verplichtingen van de opdrachtgever § 6. Verplichtingen van de aannemer Hoofdstuk IV. Aanvang, uitvoeringsduur, oplevering § 7. Datum van aanvang § 8. Uitvoeringsduur, uitstel van oplevering § 8a. Beproeving § 9. Opneming en goedkeuring § 10. Oplevering § 11. Onderhoudstermijn § 12. Aansprakelijkheid van de aannemer na de oplevering Hoofdstuk V. Wijziging tijdstippen van uitvoering, schorsing, beëindiging in onvoltooide staat § 13. Wijziging tijdstippen van uitvoering § 14. Schorsing van het werk en beëindiging van het werk in onvoltooide staat Hoofdstuk VI. Werkterrein, reclame § 15. Werkterrein § 16. Afsluiting, reclame Hoofdstuk VII. Bouwstoffen § 17. Verwerking van bouwstoffen § 18. Keuring van bouwstoffen § 19. Eigendom van bouwstoffen § 20. Zorg voor bouwstoffen De aannemer draagt zorg voor de goedgekeurde en de door de opdrachtgever ter beschikking gestelde bouwstoffen, alsmede voor de uit het wer"},{"i":14054,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende nadere bepalingen met betrekking tot de afgifte van bromfietscertificaten alsmede de implementatie van richtlijn nr. 2005/55/EG inzake de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (Regeling afgifte bromfietscertificaten) Artikel 1 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 2 Wijzigt de de Kleine serie-regeling. Artikel 3 1. Indien artikel IVA van het bij koninklijke boodschap van 6 maart 2006 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en enkele verwante wetten op een aantal punten van uiteenlopende aard (Kamerstukken II 2005/06, 30 476) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020460&artikel=1&z=2006-12-08&g=2006-12-08) van deze regeling op hetzelfde tijdstip in werking en werkt terug tot en met 1 oktober 2006. 2. [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020460&artikel=2&z=2006-12-08&g=2006-12-08) treedt in werking met ingang van 9 november 2006. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 7 november 2006, treedt [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020460&artikel=2&z=2006-12-08&g=2006-12-08) in werking met ingang van de tweede dag na de datum van de Staatscourant waarin deze regeling wordt gepubliceerd en werkt deze wijziging terug tot en met 9 november 2006. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling afgifte bromfietscertificaten. Gelet op artikel VB, eerste lid, van de wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een bromfietsrijbewijs (Stb. 322); Gelet op [richtlijn nr. 2005/55/EG](32005L0055) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 september 2005 inzake de onde"},{"i":11885,"b":"Besluit van 11 maart 1982, houdende aanvulling van opschriften op het vaandel van het Regiment infanterie Oranje-Gelderland voor krijgsverrichtingen in het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea in het jaar 1962 Op de voordracht van Onze Minister van Defensie, van 3 maart 1982, nr. D/82/290/2423; Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel Het vaandel van het Regiment infanterie Oranje-Gelderland wordt aangevuld met het opschrift: NIEUW-GUINEA 1962 wegens: het deelnemen van zes compagnieën van het 6e Infanterie Bataljon, waarvan het Regiment infanterie Oranje-Gelderland de voortzetting is, aan krijgsverrichtingen in het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea. Hierbij hebben deze compagnieën zich in 1962 onder buitengewoon moeilijke omstandigheden bijzonder onderscheiden. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer."},{"i":13411,"b":"Instelling werkgroep Evaluatie en herziening fiscale tegemoetkomingen en faciliteiten voor ondernemers Overwegende dat het wenselijk is de werkgroep Evaluatie en herziening fiscale tegemoetkomingen en faciliteiten voor ondernemers in te stellen; Besluit: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een werkgroep Evaluatie en herziening fiscale tegemoetkomingen en faciliteiten voor ondernemers. Artikel 2 1. De werkgroep heeft tot taak om tegemoetkomingen en faciliteiten voor ondernemers in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting op hun doelmatigheid en doeltreffendheid te beoordelen. Indien de uitkomsten daartoe aanleiding geven doet de werkgroep in aanvulling hierop concrete aanbevelingen voor aanpassing van de regelgeving. 2. Bij deze taak neemt de werkgroep de volgende aspecten in haar beoordeling mee: - de mate waarin recente tegemoetkomingen en faciliteiten al voldoende lang werken om deze in de toetsing te betrekken; - de leeftijdsgrenzen die bij de verschillende tegemoetkomingen en faciliteiten worden gehanteerd; - het aspect van de administratieve lasten en de uitvoeringskosten. § 2. Samenstelling en werkwijze Artikel 3 1. Tot lid, tevens voorzitter van de werkgroep wordt benoemd: prof. dr. C.J. Oort 2. Tot lid, tevens secretaris van de werkgroep wordt benoemd: mr. C.C.J.P. Karman 3. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: - drs. M.H.J. Alink - drs. B.W.A. Bongers - mr. P.H.A. Dijckmeester - drs. M.A.H.G.M. Ooms - ir. L.S. Rietema - mr. Chr. Steketee - mr.drs. S.A.W.J. Strik - drs. R.H. de Swart - mr. A.J.M. Timmermans - drs. J.J. Urselmann - mw. drs. J.S. de Visser - mr. J.G.S. Warmerdam - drs. C.A. Woudt Artikel 4 Ter uitvoering van haar taak kan de werkgroep zich rechtstreeks tot derden wenden voor het verkrijgen van inlichtingen en hen zo nodig ter vergadering uitnodigen om hun mening nader uiteen te laten zetten. Artikel 5 De werkgroep legt haar uitkomsten en eventuele aanbevelingen voor aanpassing van de regelgeving zo mogelijk vóór 1 juli 1998"},{"i":13164,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 december 2014, nr. 2014-0000657970, houdende vaststelling van een controleprotocol voor de naleving van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Controleprotocol WNT) Gelet op [artikel 1.9, aanhef en onderdeel d, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.9); Besluit: Artikel 1 Een accountant als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393) verricht de controle van het financieel verslaggevingsdocument op de naleving van de [Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop berustende bepalingen met inachtneming van hetgeen is bepaald in het controleprotocol dat als bijlage bij deze regeling is gevoegd. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Controleprotocol WNT. Bijlage. behorend bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035989&artikel=1&z=2016-01-01&g=2016-01-01) van het Controleprotocol WNT A. De WNT en accountantscontrole: algemeen A. De [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en accountantscontrole: algemeen De [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) geeft voorschriften over het opnemen van verantwoordingsinformatie in het financieel verslaggevingsdocument. Dit protocol geeft nadere aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole op de naleving van de bepalingen van en op grond van de WNT. In dit protocol wordt onderscheid gemaakt tussen: De accountant van de WNT-instelling onderwerpt het financieel verslaggevingsdocument aan zijn oordeel. Indien de WNT-instelling niet op grond van een ander wettelijk voorschrift verplic"},{"i":11270,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 18 juni 2021, nr. 28415868, houdende andere bijdragen van studenten in het hoger onderwijs (Regeling andere bijdragen van studenten in het hoger onderwijs) Gelet op [artikel 7.50 van Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.50); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Uitvoeringsbesluit WHW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152); - **bijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 7.50, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.50), die de instelling bij een (aspirant-)student in rekening kan brengen; - **instelling:** een bekostigde instelling, opgenomen in de [bijlage van de wet](onbekend) onder a tot en met i; - **kostendekkende bijdrage:** bijdrage die de kosten dekt die door de instelling daadwerkelijk worden gemaakt; - **wet:** de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682). Artikel 2. Andere bijdragen aspirant-studenten in verband met de inschrijving 1. Het instellingsbestuur kan een bijdrage bij de aspirant-student in rekening brengen ten aanzien van de met de inschrijving verband houdende kosten voor: - a. de administratieve werkzaamheden die verband houden met het waarderen van een buitenlands diploma van de aspirant-student; - b. het toetsen van het taalniveau om te kunnen beoordelen of de aspirant-student met een buitenlands diploma voldoet aan het minimaal vereiste taalniveau; en - c. het afnemen van het toelatingsonderzoek als bedoeld in [artikel 7.29 van de WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.29) en sufficiëntie- en deficiëntietoetsen, indien de aspirant-student niet voldoet aan de vooropleidingseisen of niet in bezit is van een diploma dat recht geeft tot toelating. 2. De op grond van het eerste lid bij de aspirant-student"},{"i":11271,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 november 2011, nr. VO/BVB/2011/345581 tot bekendmaking van de gevallen waarin een leerling van een school voor voortgezet onderwijs meetelt voor de bekostiging als hij tijdelijk is geplaatst buiten de school waar hij staat ingeschreven (Regeling bekostiging leerlingen die tijdelijk buiten de school worden geplaatst) Gelet op [artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van het Bekostigingsbesluit WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672&artikel=7); Besluit: Artikel 1 De in [artikel 6.7, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.7) bedoelde gevallen betreffen leerlingen die tijdelijk verblijven in voorzieningen als bedoeld in: - a. de [Regeling regionaal zorgbudget en regionale verwijzingscommissie voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035215); - b. [artikel 19, onder a, van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaters en prestatiesubsidie vo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031387&artikel=19); en - c. [artikel 2.47, tweede en twaalfde lid van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.47). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2011. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bekostiging leerlingen die tijdelijk buiten de school worden geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a. Omhangbepaling Deze regeling berust op [artikel 6.7, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.7). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11277,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 december 2003, nr. DDI/ST/reg 6/2003, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van diplomatieke en consulaire posten (1856) 1945–1954 (1963) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van de archieven van diplomatieke en consulaire posten (1856) 1945–1954 (1963), de in kolom 1 van de onderstaande tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in kolom 2 van deze tabel genoemde jaartal: | 1. Inventaris- nummer | 2. Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | **Nederlandse ambassade te Bonn** **1945–1954** | **Nederlandse ambassade te Bonn** **1945–1954** | | 182 | 2030 | | 183 | 2030 | | 184 | 2030 | | 185 | 2030 | | 186 | 2030 | | 187 | 2030 | | 188 | 2030 | | 189 | 2030 | | 190 | 2030 | | 191 | 2030 | | 192 | 2030 | | 193 | 2030 | | 194 | 2030 | | 195 | 2030 | | 196 | 2030 | | 197 | 2030 | | 198 | 2030 | | 199 | 2030 | | 200 | 2030 | | 201 | 2030 | | 202 | 2030 | | 203 | 2030 | | 204 | 2030 | | 205 | 2030 | | 206 | 2030 | | 207 | 2030 | | 208 | 2030 | | 209 | 2030 | | 210 | 2030 | | 211 | 2030 | | 212 | 2030 | | 213 | 2030 | | 214 | 2030 | | 215 | 2030 | | 216 | 2027 | | 217 | 2027 | | 219 | 2026 | | 290 | 2025 | | 316 | 2022 | | 319 | 2027 | | 320 | 2027 | | 321 | 2027 | | 356 | 2029 | | 370 | 2026 | | 371 | 2026 | | 376 | 2027 | | 377 | 2028 | | 381 | 2030 | | 399 | 2022 | | 407 | 2023 | | 436 | 2027 | | 463 | 2030 | | 606 | 2027 | | 773 | 2030 | | | | | **Nederlandse militaire missie Berlijn 1945–1955** | **Nederlandse militaire missie Berlijn 1945–1955** | | 819 | 2028 | | 832 | 2030 | | 844 | 2029 | | 852 | 2026 | | 853 | 2026 | | 854 | 2026 | | 860 | 2030 | | | | | **Frankrijk 1943–1955** | **Frankrijk 1943–1955** | | 964 | 2025 | | 972 | 2024 | | 982 | 2026 | | 1000 |"},{"i":11281,"b":"Regeling centraal examen 2006 Gelet op: [artikel 39 van het eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.- m.a.v.o.-v.b.o.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004593&artikel=39); de beschikking van de Minister van onderwijs cultuur en wetenschap van 30 maart 2004, kenmerk, VO/OK/2004/13269, Besluit: Paragraaf 1. Centraal examen 2005 Artikel 1. Examenstof tekenen, handenarbeid, textiele werkvormen vwo en havo 1. Het thema voor het c.s.e. tehatex vwo 2005 is: kunst, kennis, kunde. Raakvlakken tussen kunst, wetenschap en techniek. 2. Het thema is uitgewerkt in de bundel ’Kunst, kennis en kunde I’, die ook heeft gegolden voor het centraal examen van 2003. 3. De eindtermen en stofbeperking van dit Thema staan in [bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024727&bijlage=5&z=2004-08-01&g=2004-08-01). Artikel 2. Centraal examen geschiedenis en aardrijkskunde vmbo 1. In september wordt een explicitering bekend gemaakt van de exameneenheden waarover het centraal examen zich in 2005 uitstrekt. 2. Een concept van deze explicitering wordt bekend gemaakt op www.cevo.nl Paragraaf 2. Centraal examen 2006 Artikel 3. Examenrooster 1. De dagen waarop in 2006 de centrale examens beginnen zijn: - a. het eerste tijdvak begint op 24 mei in de basisberoepsgerichte leerweg, op 19 mei in de kaderberoepsgerichte, de gemengde en de theoretische leerweg, en op 18 mei in het v.w.o. en h.a.v.o.; - b. het tweede tijdvak begint op 7 juni in de basisberoepsgerichte en de kaderberoepsgerichte leerweg en op 19 juni in de andere vormen van onderwijs; - c. het derde tijdvak begint op 7 augustus. - a. De dagen en uren waarop de toetsen van het centraal examen in het eerste tijdvak worden afgenomen zijn vastgesteld zoals vermeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024727&bijlage=1&z=2004-08-01&g=2004-08-01) bij deze regeling. - b. De dagen en uren waarop de toetsen van het centraal examen in het tweede tijdvak worden bekend gemaakt zijn vermeld in [bijlage 2](https://wetten.overhei"},{"i":13347,"b":"Wet van 2 december 2020 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met implementatie van Richtlijn 2019/878/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PbEU 2019, L 150) en ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2019, L 150) (Implementatiewet kapitaalvereisten 2020) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter implementatie van [Richtlijn 2019/878](32019L0878)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van [Richtlijn 2013/36](32013L0036)/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PbEU 2019, L 150) en ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakings"},{"i":13254,"b":"Wet van 22 maart 2017 tot wijziging van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector naar aanleiding van de wetsevaluatie (Evaluatiewet WNT) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben,dat het wenselijk is de [Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) op enkele punten te verbeteren naar aanleiding van de eerste evaluatie van die wet, inzake ondermeer de administratieve lasten voor rechtspersonen en instellingen die onder de reikwijdte van de wet vallen, de normering van ontslagvergoedingen, het tegengaan van wetsontwijking en de instrumenten voor monitoring en evaluatie van de wet; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. Artikel II 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. In dat besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan [artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=12). 2. In afwijking van het eerste lid treedt [Artikel I, onderdeel B, onderdeel I, onder 2, en onderdeel R, onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039454&artikel=I&z=2017-04-12&g=2017-04-12), in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013. 3. Aan [artikel I, onderdeel A, onder 3, onderdeel D, onderdeel P, onder 3, onderdeel Q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039454&artikel=I&z=2017-04-12&g=2017-04-12), onderdeel W, onderdeel X, onderdeel AE en onderdeel"},{"i":11295,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 19 december 2024, nr. IENW/BSK-2024/323975, tot vaststelling van het examenprogramma voor machinisten (Regeling examenprogramma machinisten) Gelet op [artikel 6, eerste lid, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=6); BESLUIT: Artikel 1 Het examenprogramma, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030006&artikel=6), wordt vastgesteld zoals is opgenomen in de bijlage van deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling examenprogramma machinisten. Bijlage. bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050604&artikel=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01) (examenprogramma machinisten) In deze bijlage wordt verstaan onder: ATB: Automatische treinbeïnvloeding; CBG: Centraal bediend gebied; ETCS: European train control system; EBP: Elektronische bedienpost; EBS: Elektronische beveiliging SIMIS (Microprocessor systeem van Siemens); ERTMS: European rail traffic management system; EU: Europese Unie; GEVI: Gevaar identificatienummers; IAM: Identity and access management; ILT: Inspectie Leefomgeving en Transport; NATO: North Atlantic Treaty Organisation; NCBG: Niet centraal bediend gebied; NX: Entrance–exit; OBI: Operationeel besturingscentrum infra; RID: Règlement concernant le transport international ferroviaire des marchandises dangereuses; TRS: Tijd-ruimte-slot; UN: United Nations. Examenprogramma Het examen bestaat uit een theorie-examen en een simulatie-examen. A. Theorie-examen B. Simulatie-examen C. Tijdsduur D. Normen Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13194,"b":"Deelregeling Internationale Samenwerking Erfgoedinstellingen 2017 Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het stimuleren en zichtbaar maken van nieuw onderzoek en nieuwe inzichten en internationale samenwerking op het gebied van cultureel erfgoed. Dit door bij te dragen aan projecten waarbij Nederlandse en buitenlandse erfgoedinstellingen samenwerken op gezamenlijke collectiegebieden, wat resulteert in nieuw onderzoek en nieuwe inzichten, die internationaal opvallen door hun belang. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een bijdrage internationale samenwerkingsprojecten tussen erfgoedinstellingen waarbij Nederlandse en buitenlandse erfgoedinstellingen intensief samenwerken in projecten die uitgaan van gezamenlijke collectiegebieden kan worden verstrekt aan een Nederlandse instelling of aan meerdere instellingen gezamenlijk, die publiekstoegankelijk zijn en cultureel erfgoed van nationaal belang tonen. 2. Het project moet zowel door de Nederlandse als door de internationale instelling zichtbaar worden gemaakt. 3. Een bijdrage kan worden toegekend in de ontwikkelfase voor reis- en verblijfkosten van onderzoekers en conservatoren betrokken bij de Nederlandse instellingen en voor de presentatiekosten in Nederland. 4. De bijdrage van bij het project betrokken buitenlandse instellingen dient in een aanvaardbare verhouding te staan tot de bijdragen van de Nederlandse instellingen en van het fonds. Artikel 3. Aanvraag Naast de bepalingen vastgesteld in het [Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038798), in het aanvraagformulier en in de toelichting daarop, dient de aanvraag te zijn voorzien van: - •. een projectplan, - •. een presentatieplan waarin wordt toegelicht hoe een passend publiek wordt betrokken, - •. een motivering, - •. een begroting met offertes, - •. een verklaring dat het onderzoek niet op andere wijze gefinancierd kan worden, -"},{"i":14116,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 december 2003, nr. DDI/ST/reg 5/2003, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Vertegenwoordiging in Quito over de periode 1955–1964 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van de Nederlandse Vertegenwoordiging in Quito, periode 1955–1964, de in kolom 1 van de onderstaande tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in kolom 2 van deze tabel genoemde jaartal: | 1. Inventaris- nummer | 2. Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 15 | 2034 | | 16 | 2037 | | 17 | 2038 | | 18 | 2035 | | 19 | 2031 | | 20 | 2030 | | 21 | 2034 | | 31 | 2035 | | 32 | 2037 | | 61 | 2063 | | 62 | 2037 | | 63 | 2032 | | 65 | 2039 | | 66 | 2038 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016153&artikel=1&z=2004-01-18&g=2004-01-18) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het **‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’**; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016153&artikel=1&z=2004-01-18&g=2004-01-18) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationale archief. De dire"},{"i":13649,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 24 september 2020, nr. 2020-177695, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Agentschappen (Instellingsbesluit Werkgroep IBO Agentschappen) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044198&artikel=2&z=2020-10-13&g=2020-10-13). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Agentschappen. 2. De werkgroep heeft tot taak interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren conform de taakopdracht zoals gepubliceerd in bijlage 18 van de Miljoenennota 2021 (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2020 / 2021, 35 570 nr. 2). 3. Het onderzoek zal moeten resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties worden gegeven waarover vervolgens afweging kan plaatsvinden. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en 9 leden. 2. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd de heer Theodor Kockelkoren werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. 3. Tot eerste leden van de werkgroep worden benoemd: - –. Koen Mijnen (Ministerie van Financiën) - –. Hans Monnickendam (Ministerie Algemene Zaken) - –. André Belonje (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) - –. Gerrit Wim Gerritsen (Ministerie van Justitie en Veiligheid) - –. Marisa Dijkstra (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) - –. Ad Schoonderwoerd (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - –. Regine Doornbos-Neyt (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) - –. Barbara Goezinne (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) - –. Claudia Deijl (Centraal Planbureau) 4. De leden van de werkgroep werkzaam voor de o"},{"i":12663,"b":"Besluit van 14 april 2026 houdende uitgestelde openbaarmaking volume uitgevoerde transacties met betrekking tot overheidsschuldinstrumenten in verband met Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 gelet op, artikel 11, derde lid, van de [Verordening (EU) nr. 600/2014](32014R0600) van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van [Verordening (EU) nr. 648/2012](32012R0648) (**MiFIR**); en [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049497&artikel=2), juncto [bijlage 10, van het Besluit EU-verordeningen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049497&bijlage=10); besluit: Artikel 1. Toepassingsbereik Dit besluit is van toepassing op transacties in door de Staat der Nederlanden uitgegeven overheidsschuldinstrumenten die zijn ingedeeld in Groep 1, zoals gedefinieerd in Tabel 2.2 van Bijlage III bij Gedelegeerde [Verordening (EU) 2017/583](32017R0583), Categorie 1, zoals gedefinieerd in Tabel 2.6 van Bijlage III bij Gedelegeerde [Verordening (EU) 2017/583](32017R0583). Artikel 2. Uitgestelde openbaarmaking Marktexploitanten en beleggingsondernemingen die een handelsplatform exploiteren maken het volume van individuele transacties in de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052598&artikel=1&z=2026-05-04&g=2026-05-04) bedoelde overheidsschuldinstrumenten uiterlijk aan het einde van de handelsdag openbaar. Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 4 mei 2026."},{"i":13307,"b":"Wet van 17 november 2011 tot goedkeuring van een ministeriële regeling tot aanpassing van wetten van Nederlands-Antilliaanse oorsprong voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en reparatie van een aantal BES-wetten op het terrein van OCW en IenM (Goedkeurings- en reparatiewet BES) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge [artikel 20, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=20) de Aanpassingsregeling BES-wetten BZK is vastgesteld en dat ingevolge [artikel 21, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=21) deze ministeriële regeling bij wet dient te worden goedgekeurd en dat het hiernaast wenselijk is enkele technische wijzigingen door te voeren in wetgeving voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I De Aanpassingsregeling BES-wetten BZK wordt goedgekeurd. Artikel II Wijzigt de Leerplichtwet BES. Artikel III Wijzigt de Mediawet BES. Artikel IV Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Artikel V Wijzigt de Wet primair onderwijs BES. Artikel VI Wijzigt de Wet voortgezet onderwijs BES. Artikel VII Wijzigt de Luchtvaartwet BES. Artikel VIII Wijzigt de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel IX Deze wet wordt aangehaald als: Goedkeurings- en reparatiewet BES. Artikel X Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de n"},{"i":11317,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 maart 2014, nr. JOZ/565292, houdende regels voor de uitgifte van getuigschriften van het voortgezet speciaal onderwijs alsmede de vaststelling van enige modellen voor dergelijke getuigschriften (Regeling modellen getuigschriften vso) Gelet op [artikel 14d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=14d) en [artikel 14g van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=14g); Besluit: Artikel 1. Modellen schooldiploma’s voortgezet speciaal onderwijs De modellen voor de schooldiploma’s voor het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel en het uitstroomprofiel dagbesteding, bedoeld in [artikel 14d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=14d) respectievelijk [artikel 14g van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=14g), worden vastgesteld volgens respectievelijk de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034906&bijlage=1&z=2026-03-14&g=2026-03-14) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034906&bijlage=2&z=2026-03-14&g=2026-03-14) bij deze regeling. Artikel 2. Regels voor het invullen van de modellen en beveiligen papier Regels voor het invullen van de modellen en het beveiligen van het papier dat wordt gebruikt voor de schooldiploma’s zijn vastgelegd in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034906&bijlage=3&z=2026-03-14&g=2026-03-14) bij deze regeling. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 augustus 2013. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling modellen schooldiploma’s vso. Bijlage 1. bij de Regeling modellen schooldiploma’s vso SCHOOLDIPLOMA VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS ARBEIDSMARKTGERICHT UITSTROOMPROFIEL De ondergetekenden verklaren dat ....................................., g"},{"i":11318,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 maart 2012, nr. BVE/Stelsel/294391, houdende vaststelling van modellen en technische veiligheidseisen voor diploma’s en resultatenlijsten mbo (Regeling modeldiploma mbo) Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625); - b. **examenkandidaat:** student of extraneus; - c. **waardepapier:** beveiligde papiersoort die wordt gebruikt voor diploma’s en resultatenlijsten; - d. **resultatenlijst:** het overzicht waarin de eindwaardering van de examenonderdelen, zoals bedoeld in [artikel 3 van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=3), zijn opgenomen. Artikel 2. Modeldiploma 1. Het model voor de diploma’s van beroepsopleidingen die worden uitgereikt in het kader van een beroepsopleiding waarvan het eerste studiejaar is gestart op of na 1 augustus 2016, wordt vastgesteld volgens [bijlage 1A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031616&bijlage=1a&z=2025-01-01&g=2025-01-01) bij deze regeling. 2. Regels voor het invullen van het diploma zoals in deze regeling genoemd, zijn vastgelegd in [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031616&bijlage=4&z=2025-01-01&g=2025-01-01) bij deze regeling. Artikel 3. Modelresultatenlijsten 1. Het model voor de resultatenlijsten van beroepsopleidingen die worden uitgereikt in het kader van een beroepsopleiding waarvan het eerste studiejaar is gestart op of na 1 augustus 2022, wordt vastgesteld volgens de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031616&bijlage=1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031616&bijlage=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031616&bijlage=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01) bij deze regeling. 2. Het model voor de resultatenlijsten van beroepsopleidingen die worden uit"},{"i":11332,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 februari 2026, nr. 50239766, houdende vaststelling van het onderwijsaccountantsprotocol voor de sectoren PO, VO en MBO in Caribisch Nederland (Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2025) Gelet op [artikel 125, vierde lid, tweede volzin, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=125), de [artikelen 6.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.12), en [6.19, zevende lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045787&artikel=6.19) en [artikel 5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029696&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Vaststelling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2025 Het protocol voor de controle en het onderzoek door de accountant over het jaar 2025 wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. 2. Deze regeling heeft betrekking op het jaar 2025 en vervalt met ingang van 1 januari 2032. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2025. Bijlage. bij de regeling onderwijsaccountantsprotocol ocw bes 2025 Versie 9 december 2025 Inleiding 1 december 2025 Dit is het onderwijsaccountantsprotocol OCW BES 2025. Dit protocol is afgeleid van het onderwijsaccountantsprotocol OCW 2025 en waar nodig aangepast aan de wet- en regelgeving zoals die op de BES-eilanden van toepassing is. Met ingang van het verslagjaar 2015 is het onderwijsaccountantsprotocol OCW BES ook van toepassing voor de Expertisecentra onderwijszorg (EOZ) op de BES-eilanden. De controle op de tijdige aanwezigheid van de VOG maakt met ingang van 2024 geen onderdeel meer uit van de verplichte jaar"},{"i":11334,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 januari 2008, nr. JOZ/94546, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap (Regeling onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=5), en [artikel 6, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024869&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Begrippen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - b. **Wet WIA:** [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057); - c. **WAO:** [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524); - d. **WAZ:** [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656); - e. **Wajong:** [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657); - f. **vervoersvoorziening:** voorziening als bedoeld in [artikel 19a, derde lid, van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a); - g. **persoon:** persoon als bedoeld in [artikel 19a, eerste lid, van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=19a). 2. Voor de toepassing van deze regeling wordt gelijkgesteld met: - a. **echtgenoot:** geregistreerde partner alsmede ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in [artikel 1, vierde en vijfde lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=1), tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad; - b. **ongehuwd persoon:** persoon die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is."},{"i":12834,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Kwaliteits Controle Bureau (KCB) over de periode vanaf 1977 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 14 september 2011, nr. arc-2011.06224/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Kwaliteits Controle Bureau (KCB) over de periode vanaf 1977’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11337,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juli 2020, nr. MBO/24897525, over de persoonlijke omstandigheden die worden betrokken bij afgifte van het bindend studieadvies in het middelbaar beroepsonderwijs (Regeling persoonlijke omstandigheden bindend studieadvies mbo) Gelet op [artikel 8.1.7a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.1.7a); Besluit: Artikel 1. Persoonlijke omstandigheden bij bindend studieadvies De persoonlijke omstandigheden, bedoeld in [artikel 8.1.7a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.1.7a), zijn: - a. ziekte van de student; - b. handicap of chronische ziekte van de student; - c. zwangerschap en bevalling van de student; - d. bijzondere familieomstandigheden; - e. het lidmaatschap van de studentenraad, bedoeld in [artikel 8a.1.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8a.1.2); - f. andere dan in de onderdelen a tot en met f bedoelde persoonlijke omstandigheden die, indien zij door het bevoegd gezag niet in de beoordeling zouden worden betrokken, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2020. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 augustus 2020, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling persoonlijke omstandigheden bindend studieadvies mbo. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11339,"b":"Regeling Professionalisering Cultuuronderwijs PO Gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 juni 2015; Besluit tot vaststelling van onderstaande regeling: Paragraaf 1. : Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **Bestuur:** het bestuur van het Fonds voor Cultuurparticipatie; - **Fonds voor Cultuurparticipatie:** de stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - **School:** basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het Primair Onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) of een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de Expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of een school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **Schoolbestuur:** het bevoegd gezag van een basisschool als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het Primair Onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **Locatie:** een in Nederland gelegen hoofd- of nevenvestiging als bedoeld in de [Wet op het Primair Onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); - **Samenwerkingsverband:** een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit tenminste twee schoolbesturen, waar ten minste 5 locaties onder vallen die deelnemen aan het project; - **Project:** een samenhangend geheel van activiteiten met betrekking tot de in [artikel 2.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036872&paragraaf=2&artikel=2.1&z=2015-10-14&g=2015-10-14) genoemde thema’"},{"i":14537,"b":"Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=7), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=9) en [10 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=10); Besluit: 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (definitiebepalingen) 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - de minister: de Minster van Veiligheid en Justitie; - de wet: de [Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973); - de korpschef: de korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); - de commandant: de commandant van de Koninklijke marechaussee; - een horecabedrijf: een horecabedrijf als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=1), of waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is bij het Bedrijfschap Horeca, of een bordeel, uitgezonderd logiesverstrekkende ondernemingen, voor zover het logiesverstrekking betreft; - de aanvraag: de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verkrijgen van erkenning van EU-beroepskwalificaties, bedoeld in de [Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066); - de aanvrager: de migrerende beroepsbeoefenaar die een aanvraag indient; - een gereglementeerd beroep: een beroep waarvoor ingevolge [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=8) of [artikel 10 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=10) opleidingseisen worden gesteld"},{"i":13321,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 30 juni 2008, nr. WJZ 8073559, betreffende de vaststelling van enkele gegevens betreffende het handelsregister (Handelsregisterregeling) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=4), [34, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=34), en [58 van Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=58); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder wet: de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777). Artikel 2 De termijn, bedoeld in [artikel 34, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=34), is twee werkdagen. Artikel 3 1. Als gegevens, bedoeld in [artikel 58 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=58), worden aangewezen: de gegevens die bij of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777) worden opgenomen over een onderneming of een rechtspersoon voor zover deze beschikbaar zijn bij de Belastingdienst. 2. In aanvulling op het eerste lid worden als gegevens, bedoeld in [artikel 58 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=58), aangewezen: de rechtsvormcode, een door de Kamer toegekend uniek nummer als bedoeld in de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021064) en het kvk-nummer. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Handelsregisterregeling Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2008. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 3a 1. Als publicatieblad, bedoeld in [artikel 24, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=24), wordt aangewezen, voor zover de publicatie betrekking heeft op een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aanspra"},{"i":13375,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden mediators 2019, versie 1.1 (ingaande per 1 juli 2019) (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 13 februari 2019 krachtens [artikel 15 van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15), goedgekeurd bij besluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 23 mei 2019). Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die in aanmerking willen komen voor verwijzingen vanuit de gerechten of vanuit het Juridisch Loket zich inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en volgende van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: In het onderstaande zijn deze voorwaarden uitgewerkt. De voorwaarden zijn op te vatten als algemeen verbindende voorschriften. Inschrijvingsvoorwaarden Artikel 1. Registratie/ opleidingsvereisten / evaluatie 1. De deelnemende mediator dient MfN1MfN is de afkorting van: Mediatorsfederatie Nederland. MfN-registermediators staan ingeschreven bij de Stichting Kwaliteit Mediators (SKM). De SKM is voor wat betreft het registerbeheer en de kwaliteitssystemen de rechtsopvolger van het NMI.-registermediator te zijn. Deze MfN- registermediator heeft een door de Stichting Kwaliteit Mediators afgenomen peer review met goed gevolg ondergaan én in de drie jaar voor de datum van inschrijving bij de Raad voor Rechtsbijstand negen mediations op basis van de Mediationovereenkomst voor de MfN-registermediator verricht.2Met betrekking tot de bedoelde negen mediations gelden de volgende eisen:–het moet gaan om mediations conform de condities van de MfN-registermediator (MfN-gedragsregels en MfN-reglement), aangevangen met een schriftelijke Mediationovereenkomst. Be"},{"i":11420,"b":"Schoolbudget, meer vrijheid voor eigen personeelsbeleid Schoolbudget Meer vrijheid voor eigen personeelsbeleid Met de invoering van het schoolbudget in 2001 hebben scholen en schoolbesturen de financiële middelen gekregen om een eigentijds personeelsbeleid te voeren. Een van de belangrijkste kenmerken van een dergelijk beleid is flexibiliteit. Elke school is anders, heeft te maken met andere knelpunten en wil oplossingen kiezen naar eigen inzicht, passend bij de eigen omstandigheden en wensen. De personele bekostiging volgens het formatiebudgetsysteem biedt daartoe slechts in geringe mate mogelijkheden. Het schoolbudget geeft die ruimte wel. Uit onderzoek is gebleken, dat onder andere door gebrek aan informatie relatief weinig schoolbesturen beleid ontwikkelen voor de besteding van het schoolbudget. Ook bestaat onduidelijkheid over de exacte scheiding tussen het formatiebudget en het schoolbudget. Vooral het ontwikkelen van beleid is van groot belang, omdat het schoolbudget de opmaat vormt naar de in 2005 in te voerenlumpsumfinanciering. In deze brochure worden daarom nog eens alle feiten over het schoolbudget op een rij gezet. Voordelen van het schoolbudget: Onderscheid formatiebudget en schoolbudget De reguliere bekostiging van het primair onderwijs kent twee categorieën: de personele vergoeding en de vergoeding voor materiële instandhouding. Voor de personele vergoeding krijgen de scholen formatieruimte toegekend in de vorm van formatierekeneenheden. Elke functie in de school wordt uitgedrukt in een aantal fre’s. Wat een leraar of een directeur verdient, doet niet ter zake. Niet het salaris, maar de maximale schaal van de functie bepaalt het fre-verbruik. De daarbij behorende salariskosten kunnen vervolgens bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen worden gedeclareerd. In principe is de school vrij in de besteding van de fre’s, mits het onderwijs wordt gegeven door bevoegde leraren. Zo kan een school besluiten de groepen zo klein mogelijk te make"},{"i":11422,"b":"Schoolbudget voor het schooljaar 2003 - 2004 Inleiding In deze publicatie wordt u geïnformeerd over de bedragen per leerling op grond waarvan de hoogte van het schoolbudget voor het schooljaar 2003-2004 kan worden berekend. De verhoging van de bedragen ten opzichte van die voor het schooljaar 2002-2003 is het gevolg van een prijsbijstelling (resulterend in een ophoging met 5,95%) en een verhoging van het bedrag dat beschikbaar is voor integraal personeelsbeleid (landelijk € 9 miljoen). Ook is in het schoolbudget, in overleg met de sociale partners, een bedrag opgenomen voor een scholingstoelage waarop iemand recht kan hebben in het kader van de regeling voor spaarverlof (landelijk € 2 miljoen), gepubliceerd in Uitleg Gele Katern nr.14 van 24 mei 2000 (kenmerk AB/A&A-1999/53786). In de decentrale CAO-PO worden nadere afspraken gemaakt over de voorwaarden om in aanmerking te komen voor deze scholingstoelage. Uitgangspunten bij de berekening van de omvang van het schoolbudget Bepaling van de omvang van het schoolbudget De omvang van het schoolbudget wordt per school vastgesteld op basis van: Bepaling van het aantal leerlingen Bij het bepalen van het aantal leerlingen wordt uitgegaan van het aantal leerlingen dat de school op 1 oktober 2002 bezocht, tenzij in deze publicatie anders is aangegeven. Voor basisscholen wordt het aantal leerlingen vastgesteld overeenkomstig [artikel 121 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=121), voor speciale scholen voor basisonderwijs geldt het bepaalde in [artikel 122 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=122), voor scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs het bepaalde in [artikel 118 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=118) en voor scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging geldt het bepaalde in [artikel 234 van de WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=234). Hierbij wordt uitgegaan van de gegevens zoals die"},{"i":11423,"b":"Schoolbudget voor ontwikkeling en ondersteuning per 1 augustus 2001 1. Inleiding Het streven is erop gericht om te komen tot deregulering en vereenvoudiging van regelgeving voor scholen in het primair onderwijs. Als eerste stap in de richting van een vereenvoudigd bekostigingsstelsel wordt u in deze publicatie geïnformeerd over het geïntegreerd toekennen van een aantal specifieke budgetten te weten het MOA-budget en de budgetten voor nascholing en integraal personeelsbeleid. Het MOA-budget zal evenals de andere twee budgetten worden toegekend in geld. Tevens komen de bestedingsverplichtingen van deze budgetten te vervallen . Naast informatie over het aldus tot stand gebrachte ’schoolbudget voor ontwikkeling en ondersteuning’, treft u in deze publicatie tevens informatie aan over een verhoging van het normale verzilveringstarief en de introductie van een derde verzilveringsdatum. Deze maatregel is de eerste stap in de richting van een eenvoudiger bekostigingsstelsel. Zodra duidelijkheid bestaat over volgende stappen, zult u daarvan op de hoogte worden gesteld. De maatregelen in deze nota hebben betrekking op basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Scholen en afdelingen voor speciaal voortgezet onderwijs voor lom en mlk en scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging zullen in een afzonderlijke publicatie worden geïnformeerd over de wijze waarop de betrokken budgetten zullen worden toegekend. 2. Opbouw van het budget Het schoolbudget wordt voor een deel samengesteld uit middelen die tot en met 31-07-2001 als afzonderlijke budgetten beschikbaar worden gesteld, te weten: Tevens wordt het budget verhoogd met: Deze laatste middelen komen beschikbaar vanwege de expiratie van de ’[regeling vergoeding schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening](onbekend)’ (PO/PJ-99/49497 Uitleg Gele katern nr. 4/5 van 16 februari 2000 met ingang van 1 augustus 2001). Voor het schooljaar 2001 - 2002 zal dit d"},{"i":11430,"b":"Specifieke aanpak wegwerken wachtlijsten toelating speciaal basisonderwijs De regering heeft, naar aanleiding van de inspectierapportage over de wachtlijsten voor toelating van leerlingen tot het speciaal basisonderwijs in het jaar 1999, besloten om extra middelen in te zetten om wachtlijsten aan te pakken. Eind van het jaar 2000 hebben alle samenwerkingsverbanden middelen gekregen (in totaal ƒ 18 miljoen, € 8,7 miljoen) om wachtlijsten te verminderen of te voorkomen. Ook wordt een wetswijziging voorbereid tot het openemen van drie verplichte plaatsingsdata (de eerse schooldag na de zomervakantie, de eerste schooldag na de Kerstvakantie en op 1 april) in de [Wet op primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) In oktober 2001 heeft de regering op basis van de rapportage van de expertgroep Plaatsingsbeleid opnieuw besloten om extra middelen in te zetten. De expertgroep Plaatsingsbeleid had de opdracht om samen met de samenwerkingsverbanden knelpuntenanalyses en plannen van aanpak te maken. De expertgroep heeft vastgesteld dat een aantal samenwerkingsverbanden zodanige problemen ondervindt dat deze niet op korte termijn met reguliere middelen zijn op te lossen. Er is een financiële impuls van ƒ 36 miljoen (€ 16,34 miljoen) aan alle samenwerkingsverbanden beschikbaar gesteld (Uitleg Gele katern, 14 november 2001, nummer 26). Samenwerkingsverbanden kunnen met deze impuls leemten in zorgcapaciteit en knelpunten ten aanzien van de wachtlijsten oplossen. Voor de hardnekkige knelpunten, die niet met reguliere middelen en de genoemde impuls op te lossen zijn, is een aparte aanpak ontwikkeld. Centrale doelstelling van deze zogenaamde specifieke aanpak is dat de wachtlijsten binnen twee jaar worden weggewerkt en structureel worden voorkomen. Dat wil zeggen: leerlingen worden op de wettelijk te regelen plaatsingsdata geplaatst. Voor de specifieke aanpak is in een periode van twee jaar in totaal maximaal € 5,2 miljoen beschikbaar. Om in aanmerking te komen"},{"i":13189,"b":"Deelregeling Digitale Cultuur **Introductie** Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie is het Rijkscultuurfonds voor architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Het fonds wil een wezenlijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van de professionele ontwerppraktijk binnen en vooral ook tussen de disciplines architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Onderdeel van dit streven is de interdisciplinaire wisselwerking tussen het culturele, maat-schappelijke en economische domein. Het Stimuleringsfonds ondersteunt bijzondere en vernieuwende projecten, onderzoek en activiteiten van ontwerpers, makers en culturele instellingen in binnen- en buitenland. gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), tot vaststelling van een deelregeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ter bevordering van de kwaliteit van digitale cultuur. Artikel 1. Doelstelling deelregeling digitale cultuur 1. Deze deelregeling is van toepassing op projecten die bijdragen aan het bevorderen van hoogwaardige kwaliteit, ontwikkeling en professionalisering van de hedendaagse Nederlandse digitale cultuur. 2. Deze deelregeling geldt in aanvulling op het [Subsidiereglement Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040298). Het in dat reglement bepaalde is van toepassing op subsidieverlening op grond van deze deelregeling, voor zover daar in deze deelregeling niet van wordt afgeweken. Artikel 2. Reikwijdte Het bestuur kan met toepassing van deze deelregeling projectsubsidies verstrekken. Subsidies kunnen verleend worden aan projecten, die voldoende bijdragen aan de doelstelling van deze deelregeling en gericht zijn op minstens een van de volgende doelstellingen: - a. bevorderen van experimenten en crossovers; - b. stimuleren van onderzoek, analyse en reflectie; - c. bevorderen van talentontwikkeling en artistieke kwaliteit; - d. bevorderen van maatschappelijk enga"},{"i":14202,"b":"Regeling van de Nederlandsche Bank N.V. van 24 april 2014 ter uitvoering van de artikelen 17b, 59a, 131 en 135a van het Besluit prudentiële regels Wft (Regeling DNB afwikkelondernemingen Wft) Na raadpleging van betrokken organisaties; Gelet op de [artikelen 17b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=17b), [59a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=59a), [131](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=131) en [135a van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=135a); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Besluit:** het [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420); - b. **DNB:** de Nederlandsche Bank N.V.; - c. **centrale bankgeld:** tegoeden of kredieten aangehouden bij een centrale bank die gebruikt kunnen worden bij het verlenen van afwikkeldiensten; - d. **deelnemers:** de partijen ten behoeve van wie een afwikkelonderneming haar diensten levert; - e. **verbinding:** het geheel van de contractuele en operationele afspraken tussen afwikkelondernemingen die werkzaamheden verrichten gericht op salderen welke afspraken ten behoeve van de overdracht van geldmiddelen en het nakomen van betalingsverplichtingen worden gemaakt; - f. **verevening:** bewerkstelligen dat de verplichtingen van een deelnemer worden nagekomen door het overboeken van een geldsom naar de rekening van een andere deelnemer bij een bank, een centrale bank of een andere instantie die aan deelnemers rekeningen ter beschikking stelt; - g. **herstelplan:** een door de afwikkelonderneming op te stellen plan voor herstel om de onderneming en haar afwikkeldiensten weer naar behoren te laten functioneren; - h. **afbouwplan:** een door de afwikkelonderneming op te stellen plan voor de gecontroleerde afbouw van de onderneming en haar afwikkeldiensten; - i. **wet:** de [Wet op het financieel toezicht](https://wette"},{"i":14158,"b":"Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid Gelet op de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=17), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=19), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=24), [103, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=103), [111 tot en met 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=111), [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=118), [145, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=145), [191](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=191) en [193 van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=193); Besluit: Artikel 1 1. De beperkingen met betrekking tot de rijbevoegdheid, bedoeld in de [artikelen 16 tot en met 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=16), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=19), [19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=19a), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=21), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=24), [103, vierde en tiende tot en met twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=103), [111 tot en met 116](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=111), [118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=118), [118a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=118a), [145, eerste lid, onderdeel i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=145), [192](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=192) en [193 van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=193), worden in het rijbewijs aangeduid met de coderingen die zijn vastgesteld in de bij deze regeling behorende bijlage. Indien in combinatie m"},{"i":11469,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 april 2014, nr. 4323604, houdende de vaststelling van vacatiegelden voor de voorzitter en leden van de klachtadviescommissie van de Inspectie van het onderwijs (Vacatiegeldenbesluit klachtadviescommissie Inspectie van het onderwijs) Gelet op [artikel 23 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=23) en [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Hoofdstuk 1. Vacatiegelden en secretariaat Artikel 1 1. De voorzitter en andere leden van de klachtadviescommissie, bedoeld in [artikel 23 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=23), voor zover niet vallend onder de uitzondering van [artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2), ontvangen per vergadering een vergoeding. 2. De vergoeding per vergadering van de leden van de commissie bedraagt 3% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 3. De vergoeding per vergadering van de voorzitter van de commissie bedraagt 130% van de hoogte van de vergoeding per vergadering die aan de andere leden van de commissie is toegekend. 4. De voorzitter en andere leden van de commissie ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 5. Twee of meer vergaderingen op dezelfde dag worden als één vergadering aangemerkt. Artikel 2 Het secretariaat van de klachtadviescommissie, bedoeld in [artikel 23 van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=23), is ondergebracht bij de Inspectie van het onderwijs. Hoofdstuk 2. Wijzigingen"},{"i":11472,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Kwaliteit van de Nederlandse wetgeving vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 december 2006, arc-2006.03247/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Kwaliteit van de Nederlandse wetgeving over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12653,"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2015 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2015 vastgesteld op 0,113412%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2015 vastgesteld op 0,127436%. Artikel 3 Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst en treedt in werking met ingang van 1 januari 2015."},{"i":11476,"b":"Vaststelling selectielijsten Openbare en Bijzondere Universiteiten Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 november 1997, nr. arc-97.1466/2); Besluit: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Openbare en Bijzondere Universiteiten op het beleidsterrein Wetenschappelijk Onderwijsvanaf 1985, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken de lijst van te bewaren en te vernietigen archiefbescheiden van de Rijksuniversiteiten (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Onderwijs, no. Fac/DBA 94049687 d.d. 01-12-1994 (gepubliceerd in Staatscourant 1995, 5)) Artikel 3 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd. Basisselectiedocument beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs, openbare en bijzondere universiteiten 1985 Toelichting Het rapport `Een academische zaak', een institutioneel onderzoek naar openbare en bijzondere universiteiten op het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs over de periode vanaf 1993, vormt de grondslag van dit basisselectiedocument (BSD). Het rapport beschrijft alle handelingen van de bestuursorganen op het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs en geeft daarnaast een overzicht van andere actoren die zich op dit beleidsterrein bewegen. Het basisselectiedocument is de verantwoording van het bewaar- en vernietigingsbeleid van de organisatie. Tevens vormt het voor de openbare universiteiten als overheidsorganen het wettelijke voorgeschreven selectieinstrument. Overeenkomstig het bestaande gebruik zal het BSD ook bij de bijzondere universiteiten, die als privaatrechtelijke organisatie niet onder de Archiefwet vallen, gehanteerd worden als selectieinstrument voor haar archieven. Het BSD bevat een vo"},{"i":13212,"b":"Deelregeling Residency Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het stimuleren van de verdieping van de artistieke ontwikkeling en praktijk van beeldend kunstenaars en bemiddelaars in het buitenland of in een andere omgeving door een verblijf in een door het fonds aangewezen atelier in binnen- of buitenland, waardoor ook nieuwe (inter-)nationale contacten en markten worden verkend, opdat werk tot stand komt dat een betekenisvolle bijdrage kan leveren aan de hedendaagse beeldende kunst en/of cultureel erfgoed in Nederland. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een kunstenaar die een aanvraag doet voor een projectinvestering dient minimaal één jaar als professioneel beeldend kunstenaar werkzaam te zijn. Daarbij geldt: - •. Indien de kunstenaar een hbo-bacheloropleiding met een beeldende kunstcurriculum heeft afgerond wordt de diplomadatum beschouwd als start van de professionele beroepspraktijk. Wanneer er een periode tussen de diplomadatum van de hbo-bacheloropleiding met beeldende kunstcurriculum en de start van de masteropleiding zit, wordt deze periode meegerekend als onderdeel van de professionele beroepspraktijk. - •. Indien de kunstenaar geen hbo-bacheloropleiding met een beeldende kunstcurriculum heeft afgerond wordt het moment waarop de kunstenaar voor het eerst werk presenteert binnen het circuit van de professionele beeldende kunst beschouwd als de start van de professionele beroepspraktijk. 2. Een bemiddelaar die een aanvraag doet voor een residency dient ten minste één jaar professioneel werkzaam te zijn als bemiddelaar op het gebied van de beeldende kunsten of het cultureel erfgoed. Dit moet worden aangetoond aan de hand van publicaties, tentoonstellingen, onderzoeken of geïnitieerde projecten. 3. Per aanvraagronde kan voor maximaal twee residencies een aanvraag worden ingediend. 4. Een bijdrage residency kan aan dezelfde aanvrager maximaal één kee"},{"i":12975,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 oktober 2012, nr. 2012-0000602646, houdende de vergoeding van de voorzitters en overige leden van vijf commissies Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Aan de voorzitter en de overige leden van de - a. Advies- en Arbitragecommissie (AAC), - b. Adviescommissie Grondrechten en Functie-uitoefening Ambtenaren (AGFA), - c. Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering (CABF), - d. Bezwarencommissie Veiligheidsonderzoeken (BVO), - e. Garantiewetcommissie (GWC) alsmede aan de secretaris van de GWC, en in voorkomende gevallen, aan personen die aan de werkzaamheden van een commissie deelnemen, wordt een vergoeding per vergadering toegekend overeenkomstig de [Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775), voor zover zij niet op grond van die wet van de toekenning van een vergoeding zijn uitgesloten. Artikel 2 De vergoeding, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032211&artikel=1&z=2012-11-14&g=2012-11-14), bedraagt 3% van het maximum van schaal 18, genoemd in [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en volgt de algemene salarisontwikkeling van het burgerlijk rijkspersoneel. Aan de voorzitters wordt een vergoeding toegekend ter grootte van 130% van het bedrag, bedoeld in de vorige volzin. Artikel 3 1. Het [Besluit vergoeding voorzitters en overige leden van een zestal commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027057) wordt ingetrokken. 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergoeding voorzitters en overige leden van een vijftal commissies. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktob"},{"i":9816,"b":"Veterinaire Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bulgarije De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Bulgarije, Verlangende de samenwerking op het gebied der diergeneeskunde tussen de beide landen zoveel mogelijk te vergemakkelijken; Verlangende de onderlinge handel in dieren en dierlijke produkten te ontwikkelen, met volledige veiligstelling van hun levensbelangen, in het bijzonder van de gezondheidstoestand der dieren; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 1. De invoer, uitvoer of doorvoer van in deze Overeenkomst genoemde levende dieren en produkten van dierlijke oorsprong kan aan de grens aan een veterinaire of sanitaire controle worden onderworpen door de bevoegde dienst van elk der Overeenkomstsluitende Partijen. 2. De grensposten, havens en luchthavens waar de veterinaire controle plaatsvindt, alsmede de dagen en uren van openstelling daarvan, worden door de bevoegde autoriteiten van ieder der Partijen vastgesteld en ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij. Artikel 2 1. De in deze Overeenkomst met betrekking tot dieren voorgeschreven certificaten van oorsprong en gezondheidscertificaten moeten de verklaring inhouden dat de dieren van het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen afkomstig zijn. Genoemde certificaten en de veterinaire gezondheidscertificaten voor vlees en andere produkten van dierlijke oorsprong moeten door de bevoegde dienst van het uitvoerende land worden afgegeven. 2. Genoemde certificaten worden in de Franse taal gesteld overeenkomstig door de centrale veeartsenijkundige diensten van beide Partijen in onderling overleg vast te stellen modellen. Artikel 3 1. Eenhoevige dieren, herkauwers, varkens en pluimvee moeten, om voor invoer te worden toegelaten, vergezeld zijn van een certificaat van oorsprong en van gezondheid, inhoudende de verklaring: - a. dat de dieren op het grondgebied van het land"},{"i":11497,"b":"Vaststellingsbesluit Selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 november 2004, nr. arc-2004.1462/5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, als vakminister en als vakminister in Londen, binnen het beleidsterrein Beheer van de Rijksbegroting (periode 1940–1993)’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, nr. 98.30.RWS/JW d.d. 8 januari 1998 (gepubliceerd in de Staatscourant 1998, 142 d.d. 30 juli 1998)) wordt ingetrokken, voor wat betreft de handelingen 10, 80, 281, 288, 295, 296, 302, 305, 337, 340, 343, 351, 353, 357, 365, 368 en 369 van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11498,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Waterstaat over de periode (1911–) 1945–2001 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 12 november 2003, nr. arc-2003.6257/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Waterstaat over de periode (1911–) 1945–2001’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijsten Minister van Verkeer en Waterstaat 1. Handeling: Integraal waterstaatsbeleid en algemene handelingen Handeling: Het voorbereiden, (mede)vaststellen, coördineren en evalueren van integraal waterstaatsbeleid. Periode: 1945– Waardering: B (1) Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen inzake het waterstaatsbeleid of onderdelen ervan. Periode: 1945– Waardering: B (3) Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van de Kamers der Staten Generaal inzake het waterstaatsbeleid of onderdelen ervan. Periode: 1945– Waardering: B (2,3) Handeling: Het verstrekken van informatie aan de Commissies voor de Verzoekschriften van de Staten Generaal, aan overige kamercommissies en aan de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten van burgers inzake het waterstaatsbeleid of onderdelen ervan. Periode: 1945– Waardering: B (3) Handeling: Het beslissen op beroepsschriften naar aanleiding van beschikkingen inzake het waterstaatsbeleid en het voeren van verweer in beroepsschriftenprocedures voor de Raad van State en/of kantonrechter. Periode: 1945– Waardering: B (3) Handeling: H"},{"i":11499,"b":"Vaststellingsbeschikking selectielijst Stichting Saxion en taakvoorganger Hogeschool Enschede vanaf 30 december 1988 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 november 2011, nr. arc-2011.06250/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van Stichting Saxion en taakvoorganger Hogeschool Enschede over de periode vanaf 30 december 1988’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.archief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11500,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijsten neerslag handelingen beleidsterreinen Energiebeleid en Energiedelfstoffen vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 april 2005, nr. arc-2005.02052/3 en arc-2005.0205/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijsten voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op de beleidsterreinen Energiebeleid en Energie Delfstoffen over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11501,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst handelingen beleidsterrein Coördinatie Integratiebeleid Minderheden over de periode 1978–1999, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 maart 2003, nr. arc-2002.4705/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Coördinatie Integratiebeleid Minderheden over de periode 1978–1999](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11502,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst neerslag handelingen Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (deelbeleidsterrein speciaal onderwijs 1950-1996) Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995; De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 17 februari 1998, nr. arc-98.1648/2); Besluit: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het deelbeleidsterrein speciaal onderwijs over de periode 1950-1996, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken de ‘Lijst van te vernietigen archiefbescheiden van het onder het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen ressorterende Directoraat-Generaal voor het Basis- en Speciaal Onderwijs’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Onderwijs en Wetenschappen d.d. 7 mei 1987, no. MMA/Ar U 2087 II), voor zover deze lijst betrekking heeft op het speciaal onderwijs. Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":11503,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst neerslag handelingen Onderwijsraad (beleidsterrein beroepsonderwijs en volwasseneneducatie vanaf 1945) Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995; De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 26 februari 1998, nr. arc-98.1649/2); Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Onderwijsraad op het beleidsterrein beroepsonderwijs en volwasseneneducatie over de periode vanaf 1945, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":11504,"b":"Vaststellingsregeling Selectielijst neerslag handelingen openbare en bijzondere universiteiten op het beleidsterrein Studiefinanciering over de periode 1945-1994, Universiteit Utrecht Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2004, nr. arc-6257/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde [‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Universiteit Utrecht en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Studiefinanciering over de periode 1945–1994’](onbekend) en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11505,"b":"Verantwoording en monitoring van het schoolbudget in het primair onderwijs Inleiding Met de invoering van het schoolbudget per 1 augustus 2001 is een belangrijke stap gezet in de richting van een vereenvoudigd bekostigingsstelsel voor het primair onderwijs. Het MOA-budget is daarbij samengevoegd met de budgetten voor nascholing en integraal personeelsbeleid alsmede met een aantal extra middelen die met ingang van 1 augustus 2001 beschikbaar worden gesteld voor integraal personeelsbeleid, bestuur en management en de bestrijding van arbeidsmarktknelpunten. De bestedingsverplichtingen van de afzonderlijke budgetten zijn komen te vervallen en het aldus ontstane schoolbudget wordt volledig toegekend in geld. Naar aanleiding van het akkoord dat in juni is bereikt tussen centrales voor overheids- en onderwijspersoneel en de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen in verband met de uitwerking van de maatregelen naar aanleiding van het rapport van de werkgroep Van Rijn en verlenging van de CAO sector onderwijs (PO, VO, BVE) 2000-2002, zijn aan het schoolbudget wederom extra middelen toegevoegd. In het overleg over het schoolbudget zijn verder afspraken gemaakt over een verhoging van het ’normale’ verzilveringstarief, de invoering van een structurele extra mogelijkheid om op 1 februari extra formatierekeneenheden te verzilveren of over te dragen en een verplichting voor scholen om medewerking te verlenen aan een opzet voor de verantwoording en monitoring van de besteding van het schoolbudget. In het vervolg van deze publicatie wordt uiteengezet op welke wijze de verantwoording en monitoring van de besteding van het schoolbudget zal plaatsvinden. Waarom? Door de toenemende bestedingsvrijheid die ontstaat als gevolg van bovenstaande ontwikkelingen ontstaat er gelijktijdig een groeiende behoefte aan een instrumentarium waarmee op een bepaald moment (einde van het kalenderjaar) en op globale wijze, dus niet op detailniveau, beoordeeld kan worden of scholen de rijksbijdra"},{"i":11506,"b":"Verbeteringen beloning schoolleiding per 1 maart 2001 Inleiding In de CAO sector onderwijs 2000 – 2002 is afgesproken het salaris van de schoolleiding in het basisonderwijs (basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs) en het ( voortgezet) speciaal onderwijs te versterken. Onlangs is in het georganiseerd overleg overeenstemming bereikt over de uitwerking van die CAO-afspraak. In deze publicatie wordt voorlichting verstrekt over de nieuwe structuur voor de beloning van de schoolleiding zoals die met ingang van 1 maart 2001 is overeengekomen. De maatregelen die in deze publicatie worden besproken treden in werking met ingang van 1 maart 2001. De bedragen die in deze publicatie of in de [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012246&bijlage=1&z=2001-03-01&g=2001-03-01) worden genoemd zijn gebaseerd op het loonpeil van 1 maart 2001. De in deze publicatie genoemde maatregelen zullen in de maand april 2001 in het CASO systeem worden uitgevoerd met terugwerkende kracht tot 1 maart 2001. De opbouw van deze publicatie is als volgt: 1. Nieuwe structuur Eén salarisschaal Directeuren en adjunct-directeuren worden met ingang van 1 maart 2001 direct ingepast in de salarisschaal die op grond van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012246&bijlage=1&z=2001-03-01&g=2001-03-01) bij de desbetreffende functie behoort. Het carrièrepatroon bevat dus één salarisschaal. Inbouw van de toelage schoolleiding De toelage die directeuren en adjunct-directeuren ontvangen op grond van [artikel I-Q209b van het Rpbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003771&artikel=I-Q209b), is in de nieuwe salarisschalen ’ingebouwd’ en derhalve vanaf 1 maart 2001 niet meer als afzonderlijke beloningcomponent zichtbaar. Salarisschalen directeur Op de normfunctie directeur is met ingang van 1 maart 2001 salarisschaal DA, DB of DC van toepassing. De nieuwe salarisschalen komen in de plaats van de huidige schalen 10, 11 en 12 inclusief de daarbij horende aanloopschalen. De bi"},{"i":11507,"b":"Verdrag betreffende de automatische erkenning van diploma’s in het hoger onderwijs Het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door: De Vlaamse Regering, De Regering van de Franse Gemeenschap, De Regering van de Duitstalige Gemeenschap, De Republiek Estland, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, Het Koninkrijk der Nederlanden, hierna te noemen „de Partijen”, Gezien het feit dat het op 11 april 1997 te Lissabon ondertekende Verdrag inzake de erkenning van diploma’s betreffende hoger onderwijs in de Europese regio, dat gezamenlijk is opgesteld door de Raad van Europa en de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (hierna te noemen „het Verdrag van Lissabon inzake erkenning”), voor elk van de Partijen bij onderhavig Verdrag in werking is getreden en dat de Partijen de bij het Verdrag van Lissabon inzake erkenning behorende teksten, die door het Comité van het Verdrag van Lissabon inzake erkenning zijn aangenomen, ten uitvoer leggen, Gezien het belang van de automatische erkenning van diploma’s, zoals herhaaldelijk is benadrukt in de communiqués die de bewindslieden tijdens de ministeriële conferenties van de Europese Hogeronderwijsruimte in het kader van het Bolognaproces hebben aangenomen, Overwegende dat in de aanbeveling van de Raad van de Europese Unie van 26 november 2018 betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland, de lidstaten van de Europese Unie onder meer worden opgeroepen de nodige stappen te zetten om tegen 2025 te komen tot automatische erkenning van diploma’s hoger onderwijs, Overwegende dat in het kader van de Benelux Unie en tussen de Republiek Estland, de Republiek Letland en de Republiek Litouwen reeds juridisch bindende wederzijdse akkoorden inzake de automatische erkenning van diploma’s hoger onderwijs zijn gesloten, namelijk: Beschi"},{"i":11508,"b":"Verdrag inzake de erkenning van getuigschriften betreffende hoger onderwijs in de Europese regio De Partijen bij dit Verdrag, Zich bewust van het feit dat het recht op onderwijs één der rechten van de mens is, en dat hoger onderwijs, als zijnde een hulpmiddel bij het streven naar en de bevordering van kennis, zowel voor individuele personen als voor de samenleving een goed van uitzonderlijk rijk cultureel en wetenschappelijk belang is; Overwegende dat hoger onderwijs een essentiële rol dient te spelen bij het bevorderen van vrede, wederzijds begrip en tolerantie, en in het scheppen van wederzijds vertrouwen tussen volken en landen; Overwegende dat de grote verscheidenheid aan onderwijsstelsels in de Europese Regio een afspiegeling vormt van haar culturele, sociale, politieke, levensbeschouwelijke, religieuze en economische verscheidenheid, een goed van buitengewone waarde, dat volledig dient te worden gerespecteerd; Geleid door de wens, alle mensen van de Regio in staat te stellen, volledig te profiteren van deze waardevolle verscheidenheid door de toegang tot de middelen van onderwijs van de andere Partijen te vergemakkelijken voor de inwoners van iedere Staat en voor de studenten van de onderwijsinstellingen van iedere Partij, in het bijzonder door hen in staat te stellen, hun opleiding voort te zetten of een studieperiode te voltooien aan instellingen voor hoger onderwijs op het grondgebied van die andere Partijen; Overwegende dat de erkenning van studies, certificaten, diploma's en graden behaald in een ander land van de Europese Regio, een belangrijke maatregel is ter bevordering van de academische mobiliteit tussen de Partijen; Veel belang hechtend aan het beginsel van autonomie van instellingen, en zich bewust van de noodzaak, dit beginsel te handhaven en te beschermen; Ervan overtuigd dat een billijke erkenning van kwalificaties een wezenlijk onderdeel vormt van het recht op onderwijs en een verantwoordelijkheid is van de samenleving; Gelet op de verdragen v"},{"i":11509,"b":"Verdrag inzake de samenwerking op het gebied van cultuur, onderwijs, wetenschappen en welzijn tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap in het Koninkrijk België Het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap in het Koninkrijk België, hierna te noemen de „Verdragsluitende Partijen\", Gelet op hun verbondenheid op het gebied van geschiedenis en cultuur alsmede hun gemeenschappelijke taal, Gelet op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake de Nederlandse Taalunie, Gelet op hun gemeenschappelijke belangen, inzonderheid in Europa, Geleid door de wil de culturele samenwerking in de ruimste zin te bevorderen en te ontwikkelen alsmede in dit kader internationaal gezamenlijk op te treden, Ervan overtuigd dat deze samenwerking zal bijdragen tot meer wederzijds begrip en vriendschap, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Verdragsluitende Partijen werken zo nauw mogelijk samen op het gebied van cultuur, onderwijs, wetenschappen en welzijn. Artikel 2 Tot dit doel voeren de Verdragsluitende Partijen een beleid dat zoveel mogelijk en op basis van wederkerigheid de rechtstreekse samenwerking op deze gebieden tussen overheden, personen, instellingen en organisaties bevordert. Dit geldt in het bijzonder voor de samenwerking in de grensgebieden. Artikel 3 De Verdragsluitende Partijen streven naar onderlinge afstemming en coördinatie en waar mogelijk en wenselijk naar een gemeenschappelijk beleid. Artikel 4 De Verdragsluitende Partijen streven naar samenwerking in en met derde landen. Artikel 5 De Verdragsluitende Partijen voeren, waar mogelijk, vooraf overleg over in Europese organen en multilaterale fora in te nemen standpunten. Artikel 6 Voor de bevordering van de wederzijdse bekendheid stimuleren de Verdragsluitende Partijen de uitwisseling van informatie en documentatie. Tevens wordt de uitwisseling van deskundigen aangemoedigd. Artikel 7 De Verdragsluitende Partijen stellen een Commissie in, paritair"},{"i":11510,"b":"Verdrag nopens de bestrijding van discriminatie in het onderwijs De Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Opvoeding, Wetenschap en Cultuur, van 14 november tot 15 december 1960 tijdens haar elfde zitting bijeen te Parijs, In herinnering brengend dat de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) het beginsel van non-discriminatie bevestigt en verklaart dat een ieder recht heeft op onderwijs, Overwegende dat discriminatie in het onderwijs een schending van de in [die Verklaring](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) vervatte rechten betekent, Overwegende dat krachtens de bepalingen van haar [Statuut de Organisatie van de Verenigde Naties voor Opvoeding, Wetenschap en Cultuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003155) zich ten doel stelt de volken te doen samenwerken teneinde voor een ieder te komen tot een algemene eerbiediging van de rechten van de mens en gelijke kansen ten aanzien van het onderwijs, Erkennende dat de Organisatie van de Verenigde Naties voor Opvoeding, Wetenschap en Cultuur, onder eerbiediging van de verscheidenheid der nationale onderwijssystemen, derhalve de plicht heeft niet alleen om iedere vorm van discriminatie in het onderwijs te bestrijden, doch ook om te bevorderen dat ten aanzien van het onderwijs een ieder gelijke kansen en een gelijke behandeling krijgt, In het bezit van voorstellen betreffende de verschillende aspecten van de discriminatie in het onderwijs, die punt 17.1.4 van de agenda van de zitting vormen, Besloten hebbende tijdens haar tiende zitting dat dit vraagstuk het onderwerp dient te vormen van een internationaal verdrag als ook van aanbevelingen aan de Lid-Staten, Aanvaardt dit Verdrag op de veertiende december 1960. Artikel 1 1. In dit Verdrag omvat de uitdrukking „discriminatie” ieder onderscheid dat, en iedere uitsluiting, beperking of voorkeur die, op grond van ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke o"},{"i":11511,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China inzake de wederzijdse erkenning van graden van instellingen voor hoger onderwijs en de toegang tot hoger onderwijs De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China, Overwegend hun wederzijds belang bij het bevorderen van samenwerking op het gebied van wetenschap en onderwijs en bij het vergemakkelijken van de uitwisseling van studenten; Geleid door de wens de kwaliteit van de banden op het gebied van onderwijs tussen de Volksrepubliek China en het Koninkrijk der Nederlanden te versterken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Reikwijdte en doel 1. Dit Verdrag heeft tot doel in beide landen, ten behoeve van studiedoeleinden, de toegang tot hoger onderwijs en de wederzijdse erkenning van graden die aan studenten zijn verleend door hun instellingen van hoger onderwijs te vergemakkelijken. 2. De reikwijdte van dit Verdrag is in beide landen beperkt tot de programma's waarmee een graad kan worden behaald. 3. Dienovereenkomstig worden in dit Verdrag de autonomie van onderwijsinstellingen alsmede de aanvullende voorwaarden voor toelating die door de ontvangende instellingen voor hoger onderwijs overeenkomstig relevante regelgeving worden gesteld, bijvoorbeeld inzake toelatingscapaciteit of taalvereisten, volledig gerespecteerd. 4. In de geest van dit Verdrag worden de bevoegde autoriteiten in beide landen aangemoedigd al het mogelijke in het werk te stellen om de kwalificaties te erkennen die zijn verstrekt ten behoeve van toegang tot de programma's behorend tot het stelsel van hoger onderwijs in beide landen, tenzij een substantieel verschil kan worden aangetoond tussen de algemene toegangseisen in het land waarin de kwalificatie is verkregen en het land waarin om erkenning daarvan wordt beoogd. 5. Dit Verdrag laat bestaande nationale wet- en regelgeving onverlet. Artikel 2. Graden van instellingen voor hoger onderwijs wa"},{"i":11512,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur inzake de zetel van het UNESCO-IHE instituut voor wateropleiding The Kingdom of the Netherlands and the United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization, Having regard to the Aide Memoire concluded on March 22, 2000, between the Director-General of UNESCO, the Minister of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands, the Minister for Development Cooperation of the Netherlands, the Minister of Education, Culture and Science of the Netherlands, the Vice Minister of the Ministry of Transport, Public Works and Water Management of the Netherlands, and the Chairman of the Board of Governors of the IHE (International Institute for Infrastructural, Hydraulic and Environmental Engineering)-Foundation, Mindful of the water-related challenges faced by humanity and the paramount role of education, training and awareness raising to prepare professionals and the public worldwide to solve the inherent technical, legal, administrative, social and management problems, as discussed and stated by the World Water Vision consultations and respective Reports, Framework for Action Document and deliberations of the Second World Water Forum and associated Ministerial Conference, Noting that the [Convention on the Privileges and Immunities of the Specialized Agencies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005536) adopted on 21 November 1947 by the United Nations General Assembly, to which the Kingdom of the Netherlands is a party, applies to UNESCO Officials servicing the UNESCO-IHE Institute for Water Education, and that individual or specific privileges not covered by this Convention make further provisions necessary, Desiring, therefore, to conclude an Agreement for the purpose of determining such individual or specific privileges to be granted by the Government of the Kingdom of the Netherlands with respect to the UNESCO-IHE Institute for Wate"},{"i":11513,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO) inzake de verlenging van de categorie-2-status onder auspiciën van UNESCO van het IHE Delft Institute for Water Education in Nederland Het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO), In herinnering roepend dat de Algemene Conferentie van UNESCO tijdens haar 39e zitting (Resolutie 39 C/19) in 2017 de oprichting van het IHE Delft Institute for Water Education in Nederland heeft goedgekeurd als een instituut van categorie 2 onder auspiciën van UNESCO en de Directeur-Generaal van UNESCO heeft gemachtigd het desbetreffende verdrag te ondertekenen; Gelet op het [Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO) inzake het IHE Delft Institute for Water Education in Nederland als een instituut onder auspiciën van UNESCO (categorie 2)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006713), gesloten te Parijs op 15 december 2017, dat op 26 juli 2018 in werking is getreden; In herinnering roepend dat de Uitvoerende Raad van UNESCO tijdens zijn 219e zitting (Besluit 219 EX/ SR.5) heeft besloten de status van het IHE Delft Institute for Water Education in Nederland als een instituut van categorie 2 onder auspiciën van UNESCO te hernieuwen en de Directeur-Generaal van UNESCO heeft gemachtigd het desbetreffende verdrag te ondertekenen; Geleid door de wens de voorwaarden voor het kader voor samenwerking tussen UNESCO en het Koninkrijk der Nederlanden te formuleren met betrekking tot de hernieuwing van het IHE Delft Institute for Water Education als een instituut van categorie 2 uit hoofde van dit Verdrag; Overwegend dat UNESCO en het IHE Delft Institute for Water Education in Nederland een Memorandum van Overeenstemming hebben ondertekend op 25 juli 2024, Zijn het volgende overeengekomen: De inwerki"},{"i":11514,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs Het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België, hierna te noemen: de Verdragsluitende Partijen, Overwegende dat: de Verdragsluitende Partijen de uitdrukkelijke wens hebben geuit te komen tot een Accreditatieorganisatie die zowel Nederlandse als Vlaamse opleidingen binnen het hoger onderwijs zal accrediteren; een accreditatieorgaan bij de Nederlandse Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is ingesteld; het wenselijk is dat die Accreditatieorganisatie naar Nederlands en Belgisch recht over de bevoegdheden beschikt die noodzakelijk of nuttig zijn voor de vervulling van haar opdracht, binnen de grenzen die daarvoor zijn gesteld in dit Verdrag en de nationale regelgeving; de Verdragsluitende Partijen ieder voor hun eigen hoger onderwijs verantwoordelijk blijven voor de inrichting en de kwaliteit van dat onderwijs; de Verdragsluitende Partijen de wederzijdse grondwettelijke vrijheden van het onderwijs volledig respecteren en dat dit Verdrag slechts binnen die kaders uitgelegd kan worden; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK 1. ACCREDITATIEORGANISATIE EN OPDRACHT Artikel 1 1. De Verdragsluitende Partijen belasten de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, hierna te noemen de Accreditatieorganisatie, met de taak opleidingen binnen het hoger onderwijs, verzorgd door in Nederland of in Vlaanderen gevestigde instellingen, een toets nieuwe opleiding te laten ondergaan of te accrediteren of deze instellingen een instellingstoets kwaliteitszorg, respectievelijk instellingsreview, af te nemen overeenkomstig de regels die bij of krachtens Nederlandse wet respectievelijk Vlaams decreet zijn gesteld. 2. De Verdragsluitende Partijen kunnen, na overleg, de Accreditatieorganisatie belasten met opdrachten die de opdracht, bedoeld in het eerste lid, ondersteunen of aanvu"},{"i":11515,"b":"Vergoedingenregeling Adviescommissie projecten ondernemerschap en onderwijs Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1), Besluit: Artikel 1 De voorzitter en de leden van de Adviescommissie projecten ondernemerschap en onderwijs ontvangen per vergadering een vergoeding van f 275,00. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling Adviescommissie projecten ondernemerschap en onderwijs. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11517,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 december 2015, houdende de vaststelling van de vergoedingen voor de leden van de politieonderwijsraad (Vergoedingenregeling leden politieonderwijsraad) Gelet op [artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt, in afwijking van [artikel 1, onder b, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=1), verstaan onder de commissie: de door de politieonderwijsraad ingestelde werkgroep als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Besluit politieonderwijsraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016802&artikel=3) Commissie Kennis en Onderzoek, Commissie Kwalificatiestructuur Politieonderwijs of Commissie Horizontale Afstemming en verantwoording. Artikel 2 1. De leden van de politieonderwijsraad, bedoeld in [artikel 19 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014623&artikel=19), ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding per vergadering ter hoogte van 3% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren, met uitzondering van de voorzitter van de politieonderwijsraad, de plaatsvervangend voorzitter van de politieonderwijsraad en het lid dat tevens voorzitter is van de commissie, die een vaste vergoeding per maand ontvangen. 2. Voor de voorzitter van de politieonderwijsraad geldt een arbeidsduurfactor van 4/36, voor de plaatsvervangend voorzitter van de politieonderwijsraad geldt een arbeidsduurfactor van 3/36 en voor het lid dat tevens voorzitter is van de commissie geldt een arbeidsduurfactor van 2/36. 3. Wanneer de voorzitter of plaatsvervangend voorzitter van de politieonderwijsraad tevens voorzitter van de commissie is, wordt de maandelijkse vergoeding verhoo"},{"i":11518,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 maart 2020, nr. 22593371, houdende de vaststelling van de deeltijdfactor voor de vergoeding van de leden en voorzitter van de Onderwijsraad (Vergoedingenregeling Onderwijsraad 2020) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter en leden van de Onderwijsraad ontvangen een vaste vergoeding. 2. De salarisschaal voor de voorzitter wordt vastgesteld op schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst Rijk. 3. De salarisschaal voor de leden wordt vastgesteld op schaal 16 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst Rijk. 4. De deeltijdfactor voor de voorzitter wordt vastgesteld op 0,87. 5. De deeltijdfactor voor de leden wordt vastgesteld op respectievelijk 0,13, 0,2 en 0,23. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2020. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11516,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 november 2014, nr. VO/689389, houdende de vaststelling van de vergoedingen van de voorzitter en overige leden van het College voor Toetsen en Examens (Vergoedingenregeling College voor toetsen en examens) Gelet op [artikel 4 van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=4); Mede gelet op [artikel 14 van de Kaderwet Zelfstandige Bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14); Besluit: Artikel 1 De voorzitter van het College voor Examens (sinds 1 augustus 2014: College voor toetsen en examens) ontvangt een vergoeding overeenkomstig salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De arbeidsduurfactor wordt van 1 oktober 2009 tot 1 oktober 2014 vastgesteld op 0,3 en vanaf 1 oktober 2014 op 0,2. Artikel 2 De overige leden van het College voor Examens (sinds 1 augustus 2014: College voor toetsen en examens) ontvangen een schadeloosstelling. De schadeloosstelling bestaat uit een bedrag per vergadering. Twee of meer vergaderingen op dezelfde dag worden als één vergadering aangemerkt. De hoogte van de schadeloosstelling van de leden wordt vastgesteld op 3% van salarisschaal 16 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt daarbij terug tot en met 1 oktober 2009. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling College voor toetsen en examens. Deze regeling zal met de bijbehorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14128,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 22 september 2022, nr. IENW/BSK-2022/203259, houdende vaststelling van regels voor de beveiliging van treinen die door de Kanaaltunnel rijden (Regeling beveiliging treinen Kanaaltunnel) Gelet op [artikel 27a, derde lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=27a); BESLUIT: Artikel 1. (definities) In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **beveiligingspersoneel:** personen in dienst van een met de uitvoering van de beveiliging belaste particuliere beveiligingsorganisatie, waaraan door de Minister van Justitie en Veiligheid een vergunning is verleend als bedoeld in [artikel 3 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008973&artikel=3); - –. **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - –. **spoorwegonderneming:** spoorwegonderneming die treinen door de Kanaaltunnel laat rijden; - –. **trein:** trein die bestemd is om door de Kanaaltunnel te rijden; - –. **zones:** als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047217&artikel=2&z=2022-10-01&g=2022-10-01). Artikel 2. (zones rondom trein) Een spoorwegonderneming stelt rondom het vertrekpunt van de trein afgesloten zones in die alleen toegankelijk zijn voor personen en goederen als er voldaan is aan de [artikelen 3 tot en met 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047217&artikel=3&z=2022-10-01&g=2022-10-01). Artikel 3. (controle passagiers) Een spoorwegonderneming draagt er zorg voor dat de trein alleen toegankelijk is voor passagiers die in het bezit zijn van een geldig vervoerbewijs voor de trein. Artikel 4. (controle van bagage en goederen) Een spoorwegonderneming draagt ten behoeve van de veiligheid in de Kanaaltunnel zorg voor de controle van de kleding van de passagiers en hun bagage, en overige goederen die aan boord van de trein worden gebracht. Artikel 5. (pas voor personeel en inhuur) 1. Een spoor"},{"i":13043,"b":"Besluit van 13 juli 2020, houdende verlenging van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten Op de voordracht van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 juli 2020, Directoraat-Generaal Koninkrijksrelaties, nr. 2020-0000382090; Gelet op [artikel 42, derde lid, van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I De termijn van twee jaar, bedoeld in het tweede lid van [artikel 42 van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42), zoals verlengd bij koninklijk besluit van 31 juli 2012, 14 juli 2014, 8 juli 2016 en 12 juli 2018, wordt met twee jaar verlengd. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 oktober 2020. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad, het Publicatieblad van Curaçao en het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst."},{"i":14168,"b":"Regeling van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 juni 2012, nr. 2012- 0000316382, tot het vaststellen van de hoogte van de vergoeding voor consignatie en van de toelage voor onregelmatige dienst voor Rijksambtenaren BES (Regeling consignatie en TOD Rijksambtenaren BES) Gelet op de [artikelen 25a, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=25a), en [25b, tweede lid, onder a, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=25b); Besluit: Artikel 1 De vergoeding, bedoeld in [artikel 25a, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=25a), bedraagt voor ambtenaren in dienst van de staat USD 2,11 per uur waarop de ambtenaar beschikbaar is geweest. Artikel 2 De toelage, bedoeld in [artikel 25b, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=25b), bedraagt voor ambtenaren in dienst van de staat per gewerkt uur op: - a. maandag tot en met vrijdag tussen 0 en 6 uur en tussen 20 en 24 uur: USD 3,13; - b. zaterdag en zondag tussen 0 en 24 uur: USD 6,28; en - c. feestdagen tussen 0 en 24 uur: USD 12,52. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2012. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling consignatie en TOD Rijksambtenaren BES. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11543,"b":"Wet van 11 september 2013 inzake regels voor subsidiëring van landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (2013)) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de taken van de Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling en de Stichting Leerplanontwikkeling wettelijk te verankeren en om de middelen voor onderwijsonderzoek doelmatiger en effectiever te organiseren en dat het in verband hiermee wenselijk is een nieuwe Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. **Begripsbepalingen** In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **instelling:** rechtspersoon die op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=2&z=2023-01-01&g=2023-01-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01), [3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=3a&z=2023-01-01&g=2023-01-01) of [3b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034162&artikel=3b&z=2023-01-01&g=2023-01-01) subsidie ontvangt, - **kennisveld:** instellingen waaraan beroepsonderwijs of een opleiding educatie als bedoeld in de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) wordt verzorgd of geëxamineerd, instellingen en academische ziekenhuizen als bedoeld in [artikel 1.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.2), en de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, - **Onze Minister:** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2. **Taken Stichting SLO** 1. Stichting leerplan"},{"i":11544,"b":"Wet van 26 april 2001, houdende intrekking van de Wet tegemoetkoming studiekosten en vervanging door de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet tegemoetkoming studiekosten te wijzigen als uitvloeisel van het regeerakkoord 1998 en van de nota «Meer voor meer»; dat het voorts wenselijk is de leesbaarheid van de Wet tegemoetkoming studiekosten te vergroten en aan te sluiten bij de terminologie van de [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453); dat het in verband met het grote aantal wijzigingen wenselijk is de Wet tegemoetkoming studiekosten in te trekken en te vervangen door een nieuwe wet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 september 2000. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: **achterstallige schuld**: achterstallige schuld als bedoeld in de [WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453), berekend op grond van [artikel 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=6&artikel=6.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), **AWIR**: [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472), **bovenbouw**: - a. voor havo: het vierde en vijfde leerjaar, of - b. voor vwo: het vierde, vijfde en zesde leerjaar, **havo**: hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.5 WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.5), **ho-student**: degene die hoger onderwijs volgt als bedoeld in de [artikelen 2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=2&paragraaf=2.4&artikel=2.11&z=2026-01-01&g=2026"},{"i":11545,"b":"Wet van 6 juli 2022 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs en Wet voortgezet onderwijs 2020 in verband met de inrichting van tijdelijke onderwijsvoorzieningen als gevolg van de massale toestroom van ontheemden als bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PbEU 2001, L212) (Wet tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat in verband met massale toestroom van ontheemden het wenselijk is om het mogelijk te maken om met spoed tijdelijke onderwijsvoorzieningen in te richten, indien dat noodzakelijk is om het recht op onderwijs voor leerplichtigen te waarborgen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II. [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel III. [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) Wijzigt de Wet voortgezet onderwijs 2020. Artikel IV. Evaluatiebepaling Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs zendt een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk aan de Staten-Generaal binnen een jaar nadat [artikel 180b van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=180b) of [artikel 9.5 van d"},{"i":11548,"b":"Wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en enkele andere wetten ter bevordering van de kansengelijkheid middels verbetering van de begeleiding naar duurzame economische zelfstandigheid van jongeren met een risico op een afstand tot de arbeidsmarkt (Wet van school naar duurzaam werk) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om jongeren tot 27 jaar beter te begeleiden naar duurzame economische zelfstandigheid en daartoe de bestaande regionale begeleidingsstructuur uit te breiden en loopbaanbegeleiding tijdens de opleiding en na diplomering door onderwijsinstellingen in het praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs en beroepsonderwijs te regelen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II. Wijziging [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Participatiewet. Artikel IIA. Wijziging [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel IIB. Wijziging [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel IIC. Wijziging [Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017) Wijzigt de Wet kinderopvang. Artikel III. Wijziging [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel IIIA. Wijziging [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel IV. Wijziging [W"},{"i":11550,"b":"Wet van 22 mei 2024 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet op de expertisecentra en de Wet medezeggenschap op scholen in verband met het versterken van de positie van leerlingen die extra ondersteuning behoeven en hun ouders (Wet versterking positie ouders en leerlingen in het passend onderwijs) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de positie van leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte en hun ouders te versterken door de basisondersteuningsvoorzieningen en het ondersteuningsaanbod van de school op te nemen in de schoolgids, door ouder- en jeugdsteunpunten verplicht te stellen en door leerlingen die extra ondersteuning behoeven in de gelegenheid te stellen hun mening naar voren te brengen bij de besluitvorming over het ontwikkelingsperspectief; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel II. Wijziging van de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel III. Wijziging van de [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280) Wijzigt de Wet primair onderwijs BES. Artikel IV. Wijziging van de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212) Wijzigt de Wet voortgezet onderwijs 2020. Artikel V. Wijziging van de [Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685) Wijzigt de Wet medezeggenschap op scholen. Artikel VI. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschille"},{"i":14185,"b":"Regeling Nederlands-Antilliaanse tarieven vaarbevoegdheidsbewijzen zeevaart 2009 Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen; Gelet op [artikel 72, eerste lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=72); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **vaarbevoegdheidsbewijs:** bewijs als bedoeld in [artikel 1, onderdeel i, van het Bemanningsbesluit Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013361&artikel=1); - b. **vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning:** bewijs van erkenning als bedoeld in [artikel 33, tweede lid, van het Bemanningsbesluit Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense zeeschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013361&artikel=33). § 2. Aanvragen Artikel 2 De kosten van de behandeling van een aanvraag voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs bedragen: - a. ANG 170,– voor elk vaarbevoegdheidsbewijs waarop ten minste één van de volgende functies voorkomt: - 1°. kapitein; - 2°. eerste stuurman; - 3°. wachtstuurman; - 4°. kapitein schepen minder dan 3000 GT; - 5°. eerste stuurman schepen minder dan 3000 GT; - 6°. hoofdwerktuigkundige; - 7°. tweede werktuigkundige; - 8°. wachtwerktuigkundige; - 9°. hoofdwerktuigkundige schepen minder dan 3000 kW; - 10°. tweede werktuigkundige schepen minder dan 3000 kW; - 11°. eerste maritiem officier; - 12°. eerste maritiem officier kleine schepen; - 13°. maritiem officier; - 14°. maritiem officier kleine schepen; - 15°. radio-operator; - 16°. gezel; - b. ANG 160,– voor elk vaarbevoegdheidsbewijs waarop de onder a genoemde functies niet voorkomen; - c. ANG 140,– voor elk duplicaat van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld onder a of b. Artikel 3 De kosten van de behandeling van een aanvraag voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning bedragen: - a. ANG 170,–"},{"i":11569,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 december 2013, nr. WJZ/571596 (10425), tot wijziging van de Regeling Cultuurkaart voortgezet onderwijs in verband met wijzigingen in de uitvoering Gelet op [artikel 2 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2) en [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling Cultuurkaart voortgezet onderwijs. Artikel II 1. De [Regeling Cultuurkaart voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024250) wordt ingetrokken met ingang van 1 november 2014. 2. Voor zover na de datum, bedoeld in het eerste lid, nog sprake is van enige bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze plaats overeenkomstig de regeling zoals die luidde voor de datum, bedoeld in het eerste lid. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11571,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 oktober 2016, nr. VO/940415, tot wijziging van de Regeling lerarenbeurs voor scholing, zij-instroom en bewegingsonderwijs 2009–2017 in verband met enkele technische aanpassingen Gelet op [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2), jo [artikel 4, eerste lid, van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling lerarenbeurs voor scholing, zij-instroom en bewegingsonderwijs 2009–2017. Artikel II Alle subsidies die op grond van [artikel 26 van de Regeling lerarenbeurs voor scholing, zij-instroom en bewegingsonderwijs 2009–2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025844&artikel=26) zijn verstrekt voor inwerkingtreding van deze regeling, worden geacht te zijn vastgesteld, voor zover ze niet reeds zijn vastgesteld bij beschikking. Artikel III De [Regeling subsidies voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010583) wordt ingetrokken. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11581,"b":"Wet van 6 december 2001 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het sociaal-fiscaalnummer en het onderwijsnummer als persoonsgebonden nummer in het onderwijs in te voeren; dat het daarom wenselijk is enkele onderwijswetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel III Vervallen Artikel IV Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel V Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel VI Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel VII Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel VIII Wijzigt de Les- en cursusgeldwet. Artikel IX Wijzigt de Leerplichtwet 1969. ArtikeL X Wijzigt de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank. Artikel XI Vervallen Artikel XIa Vervallen Artikel XII Vervallen Artikel XIII Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57. De Informatie Beheer Groep verstrekt uiterlijk op 31 december van het jaar, bedoeld in [artikel XIa, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013105&artikel=XIa&z=2022-08-01&g=2022-08-01), aan de instellingsbesturen het burgerservicenummer dan wel het onderwijsnummer van een bij die instelling ingeschreven student of extraneus, zoals dit gegeven is opgenomen in het basisregister onderwijs, bedoeld in [artikel 9a van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006320&artikel=9a). Het instellingsbestuur neemt dit nummer op in de administratie van de instelling. Artikel XIV Vervallen Artikel XV Vervallen Artikel XVI Vervallen. Dit"},{"i":13095,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 22 januari 2016, nummer WBV 2016/1, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 Gelet op de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), het [Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en het [Voorschrift Vreemdelingen 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002); Besluit: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingencirculaire 2000 (C). Artikel II De gewijzigde regeling blijft buiten toepassing ten aanzien van de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht zoals dat gold vóór 25 november 2015 niet kon worden beëindigd, tenzij die vreemdeling wegens een nadien gepleegd misdrijf dat relevant is voor de beoordeling of er sprake is van een bijzonder ernstig dan wel ernstig misdrijf. De IND trekt een reeds verleende verblijfsvergunning alleen in op basis van het [gewijzigde C2/10.3](onbekend), indien ten minste één van de strafbare feiten is gepleegd op of na 25 november 2015. Dit besluit treedt in werking een dag na publicatie, en werkt terug tot en met 25 november 2015. Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14166,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 februari 2019, nr. 2019-0000023811, houdende regels met betrekking tot de compensatie van de transitievergoeding bij een einde van de arbeidsovereenkomst na langdurige arbeidsongeschiktheid (Regeling compensatie transitievergoeding) Gelet op [artikel 673e, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673e); Besluit: Artikel 1 Deze regeling berust op [artikel 673e, zevende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673e). Artikel 1a. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Aanvraag van compensatie na langdurige arbeidsongeschiktheid**: verzoek van de werkgever tot verstrekking van de vergoeding, bedoeld in [artikel 673e, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673e); - **Aanvraag van compensatie vanwege de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming**: verzoek van de werkgever tot verstrekking van de vergoeding, bedoeld in [artikel 673e, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1° of 3°, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=673e); - **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - **werkgever, werknemer en arbeidsovereenkomst:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610). Artikel 2. Aanvraagtermijn De aanvraag van compensatie na langdurige arbeidsongeschiktheid wordt afgewezen, indien deze wordt ingediend: - a. voordat de volledige vergoeding in verband met het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer is verstrekt; of - b"},{"i":11590,"b":"Wet van 5 oktober 2016, houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en enkele andere wetten ter invoering van een vroegtijdige aanmelddatum voor en toelatingsrecht tot het beroepsonderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter vermindering van de uitval en het bevorderen van een goede doorstroom bij de overstap van het voortgezet onderwijs naar het beroepsonderwijs onder meer een landelijke aanmelddatum voor en toelatingsrecht tot het beroepsonderwijs in te voeren en daartoe onder meer de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel III. Wijziging [Wet op de experticecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel IV. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Artikel V. Evaluatiebepaling Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VI. Inwerkingtreding De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad z"},{"i":13059,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 16 december 2020, kenmerk 1799530-215983-WJZ, houdende het verlenen van volmacht en machtiging aan de directeur van de Projectdirectie Antonie van Leeuwenhoek-terrein Gelet op [artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.6) en [artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1 De directeur van de Projectdirectie Antonie van Leeuwenhoek-terrein heeft volmacht - met het recht van substitutie - en machtiging voor het verrichten van alle rechtshandelingen en feitelijke handelingen, zowel strekkende tot beheer als beschikking, ten laste van de Staat de Nederlanden, die noodzakelijk zijn voor, of dienstbaar zijn aan, (i) de uitgifte van aandelen aan de Staat door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intravacc B.V., statutair gevestigd te Bilthoven, met adres: (3721 MA) Bilthoven, Antonie van Leeuwenhoeklaan 9, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 73887757, waarvan de Staat enig aandeelhouder is, (ii) de inbreng op die aandelen van de vermogensbestanddelen die behoren tot het tot de Projectdirectie behorende onderdeel 'Intravacc' (inclusief de activa en overige rechtsverhoudingen) en (iii) het aangaan van een of meer overeenkomsten ter zake die uitgifte en inbreng en het uitvoeren daarvan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":12561,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 november 2004, nr. TRCJZ/2004/5727, houdende vaststelling van Rode lijsten flora en fauna Gelet op de artikelen 1 en 3 van het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke leefmilieu in Europa van 19 september 1979 (Trb. 1979, 175); Besluit: Artikel 1 Als nationale lijst van verdwenen, ernstig bedreigde, bedreigde, kwetsbare en gevoelige dier- en plantensoorten, waaraan bijzondere aandacht moet worden besteed voor de instandhouding, worden de in de bijlage bij dit besluit opgenomen lijsten vastgesteld. Artikel 2 De [regeling van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 27 januari 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006428) (Stcrt. 1994, 20), de [regeling van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 27 januari 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007220) (Stcrt. 1995, 23), en de [Rode lijst reptielen en amfibieën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008312), [Rode lijst zoetwatervissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009710), [Rode lijst dagvlinders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007192), [Rode lijst krekels en sprinkhanen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009528), [Rode lijst libellen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009530), [Rode lijst korstmossen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009527) en [Rode lijst paddestoelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008311) worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Rode lijsten flora en fauna. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017434&artikel=1&z=2024-10-03&g=2024-10-03) van het Besluit Rode lijsten flora en fauna | **Ernstig Bedreigd** | | | --- | --- | | Salamandra salamandra ssp. terrestris | Vuursalamander | | |"},{"i":14274,"b":"Regeling geautomatiseerde bijhouding 2014 Gelet op [artikel 8, tweede lid, onder b van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen - **Dienst:** de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); - **Geautomatiseerde bijhouding:** de bijhouding van een rechtszekerheidsregistratie op geautomatiseerde wijze, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onderdeel a, derde lid, onderdeel a, vijfde lid, onderdeel a, zesde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016017&artikel=4) en [artikel 5, eerste lid, onderdeel a van de Regeling tarieven Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016017&artikel=5). Artikel 2. Geautomatiseerde bijhouding 1. Geautomatiseerde bijhouding is mogelijk indien het stuk is opgemaakt door middel van één van de kadasterstylesheets die ter inzage liggen ten kantore van de Dienst of bekend gemaakt zijn op de site van de Dienst. 2. In afwijking van het eerste lid kan de Dienst de rechtszekerheidsregistratie geautomatiseerd bijhouden indien een beperkingenbesluit als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022131&artikel=3) in elektronische vorm ter inschrijving wordt aangeboden. Voor inschrijving van dat beperkingenbesluit is verschuldigd het tarief dat krachtens [artikel 4, zesde lid, onderdeel a, van de Regeling tarieven Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016017&artikel=4) geldt bij geautomatiseerde bijhouding van een rechtszekerheidsregistratie. 3. In afwijking van het eerste lid staat geautomatiseerde bijhouding niet open voor een akte van overdracht betreffende een object of objecten met een koopsom van meer dan vijf miljoen euro of een hypotheekakte met een hoofdsom van meer dan vijf miljoen euro. Artikel 3. Intrekk"},{"i":11617,"b":"Wet van 15 mei 1997 tot wijziging van onder meer de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs inzake schoolbegeleiding (regeling schoolbegeleiding) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wettelijke regels te stellen betreffende de verantwoordelijkheid van gemeentebesturen voor schoolbegeleiding en voor de instandhouding van schoolbegeleidingsdiensten; Dat het tevens wenselijk is daartoe tijdelijk een wettelijke basis te bieden voor een specifieke uitkering voor de subsidiëring van schoolbegeleidingsactiviteiten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE WBO Wijzigt de Wet op het basisonderwijs. ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE ISOVSO Wijzigt de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs. ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE WVO Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. ARTIKEL IV. WIJZIGING VAN DE WET PRIVATISERING ABP Wijzigt de Wet privatisering ABP. ARTIKEL V. OVERIGE BEPALINGEN Vervallen. Vervallen. Vervallen. Vervallen. Vervallen. Vervallen. Vervallen. Vervallen. Vervallen. Vervallen. Vervallen. Vervallen. ARTIKEL VI. EVALUATIE Vervallen ARTIKEL VII. INWERKINGTREDING Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1997. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":14099,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2015, kenmerk 885614-145412-PG, houdende instelling van een commissie voor de beoordeling van gemelde gevallen van late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen (Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen) Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **beoordelingscommissie:** de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037570&artikel=2&z=2024-02-01&g=2024-02-01) genoemde commissie; - b. **late zwangerschapsafbreking:** behandeling gericht op het afbreken van een zwangerschap na 24 weken met als beoogd gevolg het overlijden van de ongeboren vrucht, omdat bij de ongeborene sprake is van een aandoening of een combinatie van aandoeningen die van zodanige aard is of zijn dat na de geboorte zou worden afgezien van een medische behandeling; - c. **pasgeborene:** een kind dat de leeftijd van één jaar nog niet heeft bereikt; - d. **kind:** kind dat de leeftijd van één jaar heeft bereikt, maar de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt; - e. **ouders:** ouder of ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen over dan wel de voogd of voogden van de ongeborene, de pasgeborene of het kind; - f. **levensbeëindiging:** het toedienen van farmaca met als doel het leven van een pasgeborene of een kind te beëindigen omdat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden; - g. **arts:** de arts die de verrichting heeft gedaan die heeft geleid tot late zwangerschapsafbreking of levensbeëindiging bij een pasgeborene of een kind; - h. **inspectie:** Inspectie gezondheidszorg en jeugd; - i. **college:** College van procureurs-generaal; - j. **de Ministers:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 2 Er is een beoordelingscommissie die tot taak heeft: - a. het beoordelen van de"},{"i":13768,"b":"Klachtenregeling MIVD Gelet op [hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) en [paragraaf 7.2.3. van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&sub-paragraaf=7.2.3); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **directeur:** de directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - b. **MIVD:** de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - c. **minister:** de Minister van Defensie; - d. **secretaris-generaal (SG):** de secretaris-generaal van het ministerie van Defensie; - e. **leidinggevende:** de persoon die de hoogste zeggenschap uitoefent binnen een team of afdeling; - f. **klager:** de indiener van een klacht; - g. **klacht:** uiting van ongenoegen over de wijze waarop een bestuursorgaan dan wel een persoon die werkzaam is onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan zich heeft gedragen; - h. **klachtbehandeling:** het onderzoeken van een klacht met inachtneming van [afdeling 9.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=9.1.2). en [9.1.3. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=9.1.3); - i. **klachtafdoening:** de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis stellen van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht alsmede van de eventuele conclusies die daaraan worden verbonden als bedoeld in [artikel 9:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:12); - j. **klachtcoördinatiepunt MIVD:** centraal punt binnen de MIVD, onder leiding van de klachtcoördinator, waar alle klachten binnenkomen. Het klachtcoördinatiepunt MIVD is telefonisch, per e-mail en per post te bereiken aangaande klachten; - k. **interne commissie klachtbehandeling:** één of twee juristen, een beleidsondersteunend medewerker en een ondersteunend medewerker; - l. **klachtcoördinator:** een door de dir"},{"i":14150,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 september 2006, nr. 2006-0000249708, DGV/POL/BJZ In overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op [artikel 48, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=48); Besluit: Artikel 1 1. De politie en de Koninklijke marechaussee maken gebruik van de informatie- en communicatievoorzieningen C2000 en het Gemeenschappelijk Meldkamer Systeem (GMS). 2. De korpschef draagt zorg voor het tactische en operationele beheer van de in het eerste lid bedoelde voorzieningen. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2006. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling C2000 en GMS. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a Deze regeling berust op [artikel 23, eerste lid, onder a, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=23). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11623,"b":"Wet van 14 februari 1997, houdende wijziging van enkele onderwijswetten in verband met het opnemen van een document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies in het onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is wettelijke regelen te stellen gericht op het bevorderen van evenredige arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen in het onderwijs voor wat betreft de deelname van vrouwen in leidinggevende functies; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE WET OP HET PRIMAIR ONDERWIJS Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE WET OP DE EXPERTISECENTRA Wijzigt de Wet op de expertisecentra. ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. ARTIKEL IV. WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. ARTIKEL V. WIJZIGING VAN DE WET OP HET HOGER ONDERWIJS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. ARTIKEL VI. OVERGANGSREGELING Vervallen ARTIKEL VII. EVALUATIE Vervallen ARTIKEL VIII. INWERKINGTREDING Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":14225,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende regels omtrent erkenning en toezicht op erkende instanties inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen (Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen) Gelet op de [artikelen 10a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=10a) en [34 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=34); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **erkenning:** erkenning als bedoeld in [artikel 10a van de Wvgs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=10) of [artikel 6.51a van de Wlv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=6.51a); - **erkende instantie:** onderneming die beschikt over een geldige erkenning; - **IBC’s:** Intermediate Bulk Containers; - **IMSBC-Code:** de bij resolutie MSC.268(85) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties aangenomen Internationale Maritieme Code voor het vervoer van vaste lading in bulk (International Maritime Solid Bulk Cargoes Code); - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **onderneming:** onderneming als bedoeld in [artikel 5 van de Handelsregisterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=5), met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid; - **Technische Voorschriften:** Technische Voorschriften als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013514&artikel=1); - **VBG:** [Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010115); - **VLG:** [Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010054); - **VSG:** [Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010053); - **Wlv:** [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":11629,"b":"Wet van 28 maart 1996, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering, houdende aanpassing van de collegegeldbepalingen en de afschaffing van verblijfsduurbeperkingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat van het stelsel van de studiefinanciering een regulerende werking uitgaat op de verblijfsduur van studerenden in het hoger onderwijs, dat als gevolg daarvan niet langer de behoefte bestaat aan afzonderlijke wettelijke bepalingen die die verblijfsduur regelen of beïnvloeden, en dat het gewenst is de mogelijkheid voor instellingen om zelf de hoogte van de onderwijsbijdrage te bepalen te verruimen; dat het voorts, gelet op de beperkte overheidsmiddelen, noodzakelijk is het wettelijk voltijds collegegeld te verhogen, welke verhoging in drie fasen zal worden ingevoerd en wel zodanig dat de volledige verhoging in het studiejaar 1998–1999 zal worden bereikt; dat in verband daarmee wijziging van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682), alsmede de [Wet op de studiefinanciering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003955), noodzakelijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel II Wijzigt de Wet op de studiefinanciering. Artikel III De Wet van 7 juli 1988 (**Stb**. 334) wordt ingetrokken. Artikel IV Vervallen Artikel V Vervallen ARTIKEL VI Vervallen ARTIKEL VIA Vervallen Artikel VII Vervallen ARTIKEL VIII Deze wet treedt in werking met ingang van 1 september 1996. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand"},{"i":10018,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 maart 2017 nr. BOACAT2017/022, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij DCMR Milieudienst Rijnmond Gelezen het verzoek van DCMR Milieudienst Rijnmond van 9 maart 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039378&artikel=2&z=2017-08-01&g=2017-08-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Inspecteur, Beleidsadviseur, Beleidsondersteunend medewerker en vakspecialist in dienst van DCMR Milieudienst Rijnmond, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in"},{"i":11652,"b":"Aanbestedingswet 2012 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is [richtlijn nr. 2004/17/EG](32004L0017) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PbEU L 134) en [richtlijn nr. 2004/18/EG](32004L0018) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEU L 134) opnieuw te implementeren ten behoeve van een goede uitvoering en naleving van de uit deze richtlijnen voortvloeiende voorschriften, en ten behoeve van verbetering en vereenvoudiging van de integriteitstoetsing en van voorschriften van administratieve aard, en voorts ook enige regels van inhoudelijke en administratieve aard te stellen met betrekking tot andere opdrachten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Deel 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanbestedende dienst:** de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een publiekrechtelijke instelling dan wel een samenwerkingsverband van deze overheden of publiekrechtelijke instellingen; - **aanbestedingsstukken:** alle stukken die door de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf worden opgesteld of vermeld ter omschrijving of bepaling van onderdelen van de aanbesteding of de procedure; - **aankoopcentrale:** een aanbestedende dienst die of speciale-sectorbedrijf dat een gecentraliseerde aankoopactiviteit en eventueel een aanvullende aankoopactiviteit verricht; - **aannemer:** een ieder die de uitvoering v"},{"i":11651,"b":"Wet van 1 juli 1992, houdende wijziging van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs en de Wet op het hoger beroepsonderwijs, in verband met verhoging van het collegegeld voor deeltijdstudenten en het examengeld voor extraneï Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op de beperkte overheidsmiddelen voor het onderwijs, noodzakelijk is een hogere bijdrage van de deelnemers aan het onderwijs te vragen; dat in verband hiermee wijziging van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (**Stb.** 1986, 414) en de Wet op het hoger beroepsonderwijs (**Stb.** 1986, 289) noodzakelijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. In afwijking van artikel 32**a**, tweede lid, onder **b**, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs bedraagt het collegegeld voor in deeltijdse vorm verzorgde studierichtingen dan wel opleidingen van de tweede fase: - a. wat het studiejaar 1992-1993 betreft f 1475; - b. wat het studiejaar 1993-1994 betreft f 1550; - c. wat het studiejaar 1994-1995 betreft f 1625. 2. In afwijking van artikel 32**a**, vijfde lid, bedraagt het examengeld voor extraneï: - a. wat het studiejaar 1992-1993 betreft f 1120; - b. wat het studiejaar 1993-1994 betreft f 1180; - c. wat het studiejaar 1994-1995 betreft f 1240. Artikel IV 1. In afwijking van artikel 37, vierde lid, onder **b**, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs bedraagt het collegegeld voor in deeltijdse studierichtingen, deeltijdse cursussen hoger beroepsonderwijs dan wel opleidingen van de tweede fase: - a. wat het studiejaar 1992-1993 betreft f 1475; - b. wat het studiejaar 1993-1994 betreft f 1550; - c. wat het studiejaar 1994-1995 betreft f 1625. 2. In afwijking van artikel 42, vierde lid"},{"i":11657,"b":"Wet van 20 december 1996 tot wijziging van de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, alsmede de Wet waardering onroerende zaken (Aanpassingswet Wet waardering onroerende zaken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de op de voet van de [Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119) vastgestelde waarde van toepassing te doen zijn voor de gemeentelijke onroerende-zaakbelastingen en de waterschapsomslagen ter zake van gebouwde onroerende zaken en deze waarde stapsgewijs te gaan benutten voor de eigen woning in de inkomstenbelasting en in de vermogensbelasting, en in verband hiermee de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) aan te passen, en voorts dat het wenselijk is enige wijzigingen aan te brengen in de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) teneinde het tarief van de gemeentelijke onroerende-zaakbelastingen voor woningen en niet-woningen in beperkte mate te kunnen differentiëren, alsmede enige wijzigingen aan te brengen in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 teneinde te komen tot een jaarlijkse bijstelling van het huurwaardeforfait en tenslotte enige wijzigingen aan te brengen in de [Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Gemeentewet. ARTIKEL II Wijzigt de Waterschapswet. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Artikel IV Vervallen ARTIKEL V Wijzigt de Wet op de vermogensbelasting 1964. Artikel VI Vervallen ARTIKEL VII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. ARTIKEL VIII Wijzigt de Wet waardering onroerende"},{"i":13310,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2004, nr. IBE/BO-2542736, houdende de goedkeuring van de Regeling inzake instelling van specialismen, volgend op het basisberoep Verpleegkundige, van de Algemene Vereniging van Verpleegkundigen en Verzorgenden (AVVV) Gelet op [artikel 14, lid 1, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); Besluit: De Regeling inzake instelling van specialismen, volgend op het basisberoep Verpleegkundige, van de Algemene Vereniging van Verpleegkundigen en Verzorgenden, goed te keuren. Dit besluit en voornoemde regeling zullen worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":13528,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 juni 2006, tot instelling van de Commissie vangnet lumpsum Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - b. commissie: de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019952&artikel=2&z=2006-07-19&g=2006-07-19). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie vangnet lumpsum. 2. De commissie heeft tot taak de minister te adviseren over het verstrekken van bijzondere bekostiging voor personeelskosten als bedoeld in [artikel 123, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=123) en [artikel 120, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=120), in gevallen waarin de continuïteit van het onderwijs van scholen bedreigd wordt als gevolg van de invoering van lumpsumbekostiging. Artikel 3. Instellingsduur De commissie wordt ingesteld voor de periode van 1 juni 2006 tot 1 augustus 2011. Artikel 4. Informatieplicht De commissie verstrekt aan de minister desgevraagd de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Artikel 5. Leden 1. Tot leden van de commissie worden benoemd: - a. de heer mr. H.C. Naves, tevens voorzitter, - b. de heer H. Rüger, - c. de heer J. van Setten. 2. De commissie wordt bijgestaan door een secretaris. De secretaris is geen lid van de commissie. 3. Onverminderd het vierde en vijfde lid geschiedt de benoeming voor de duur van de commissie. 4. De leden kunnen tussentijds hun lidmaatschap aan de commissie beëindigen. 5. De minister kan tussentijds de samenstelling van de commissie wijzigen. Artikel 6. Werkwijze 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. 2. De commissie kan zich door andere personen doen bijstaan voorzover dat voor de vervulling van haar taak nodig is. Artikel 7. Advies 1. De commissie brengt binnen 6 weken na"},{"i":11990,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief H.C. van Hallinstituut te Groningen 1893 – 1995 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 22 juli 2021, met kenmerk 25609968. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van H.C. van Hallinstituut te Groningen en voorgangers. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per | | --- | --- | | 88 | 1-1-2035 | | 229 | 1-1-2043 | Artikel 2 De beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045576&artikel=1&z=2021-09-04&g=2021-09-04), vervallen op het moment dat een verzoeker ten genoegen van de rijksarchivaris in de provincie Groningen heeft aangetoond dat de persoon op wie dat inventarisnummer betrekking heeft, is overleden. Artikel 3 Raadpleging van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045576&artikel=1&z=2021-09-04&g=2021-09-04), is tot openbaarwording slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Groningen. De rijksarchivaris in de provincie Groningen kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045576&artikel=1&z=2021-09-04&g=2021-09-04) is tot openbaarwording slechts mogelijk met toestemming van de rijksarchivaris in de provincie Groningen. Deze kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 5 Dit beslui"},{"i":11680,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 juni 2021, kenmerk 2353779-1007921-WJZ, houdende regels ter uitvoering van de Alcoholwet (Alcoholregeling) Gelet op de [artikelen 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=8), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=10), [11a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=11a), [11f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=11f), [26, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=26), [29, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=29), [30a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=30a), [35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=35), en [41, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van de Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=41), [artikel 24, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=24), [artikel 3.31, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.31), [artikel 7a, vijfde lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=7a), [artikel 11 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=11) en [artikel 2, tweede lid, van de Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=2); Besluit: Hoofdstuk 1. Verbindingslokaliteit slijterij Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **loopafstand:** de afstand, gemeten langs een denkbeeldige, kortst realiseerbare lijn tussen twee punten, waarover op een afstand van ten minste 0,30 m van constructieonderdelen kan worden gelopen en waarbij de loopafstand over een trap samenvalt met de klimlijn; - –. **verbindin"},{"i":13575,"b":"Instellingsbesluit ministeriële commissie voor marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 25, eerste lid, van het Reglement van Orde voor de Ministerraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006501&artikel=25); Besluit: Artikel 1 Er is een ministeriële commissie voor marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit. Artikel 2 1. De commissie heeft ten aanzien van bestaande en voorgenomen wet- en regelgeving tot taak het ten behoeve van de ministerraad doen van voorstellen: - a. tot verbetering van de wetgevingskwaliteit, waarin begrepen de rechtshandhaving; - b. tot verbetering van de marktwerking; - c. tot vermindering van uit wet- en regelgeving voortvloeiende onevenredig zware lasten voor burgers, bedrijven en instellingen. 2. Met betrekking tot voorgenomen wet- en regelgeving heeft de commissie tot taak aan te geven in welke mate aandacht moet worden gegeven aan aspecten die een evenwichtige belangenafweging bevorderen in het licht van de doelstellingen van de commissie. Artikel 3 1. Vaste leden van de commissie zijn: - a. de Minister-President, tevens voorzitter; - b. de Minister van Justitie; - c. de Minister van Financiën; - d. de Minister van Economische Zaken. 2. Afhankelijk van de agenda wordt de commissie aangevuld met de voor het te behandelen onderwerp eerstverantwoordelijke minister. 3. Andere dan de genoemde ministers kunnen desgewenst de vergadering van de commissie bijwonen. 4. De in het tweede en derde lid genoemde ministers hebben dezelfde rechten als de vaste leden. Artikel 4 1. Als secretaris wordt aangewezen een ambtenaar van het Ministerie van Algemene Zaken. 2. Als adjunct-secretarissen worden aangewezen een ambtenaar van het Ministerie van Justitie en een ambtenaar van het Ministerie van Economische Zaken. Artikel 5 Het [Instellingsbesluit ministeriële commissie voor wetgevingsbeleid en rechtshandhaving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":12599,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 22 december 2005, nr. TP/MO 5728300, houdende het tijdelijk voor toekenning beschikbaar stellen van nummer 14020 (Besluit tijdelijk voor toekenning beschikbaar stellen van nummer 14020) Gelet op [artikel 4.2, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder nummerplan verstaan het Nummerplan Telefoon- en ISDN- dienst. Artikel 2 1. Het college kan, in afwijking van het bepaalde in bijlage 1 van het nummerplan, het nummer 14020 toekennen voor de bestemming contactcentra van de gemeenten. 2. De mogelijkheid om op grond van dit besluit een nummer toe te kennen als bedoeld in het eerste lid, vervalt op de datum van inwerkingtreding van het in voorbereiding zijnde besluit tot wijziging van het nummerplan met dezelfde strekking, dan wel op de datum dat wordt afgezien van deze wijziging. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijk voor toekenning beschikbaar stellen van nummer 14020. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13221,"b":"Deelreglement Distributie van de Stichting Nederlands Fonds voor de film gelet op het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, lid 4, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op [artikel 2 van het Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050596&artikel=2), met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van **4 november 2024**, besluit: Algemeen Artikel 1. - Definities - In deze regeling wordt verstaan onder: - **arthouse film:** een speelfilm waarbij de nadruk op de artistieke kwaliteit ligt en het eindresultaat dusdanig eigenzinnig en bijzonder is dat dit nationaal en/of internationaal herkend en gewaardeerd wordt; - **bestuur:** het bestuur van het Fonds; - **bioscoop:** een publiek toegankelijke uitgaansgelegenheid die op continue basis gericht is op de commerciële vertoning van filmproducties; - **bioscoopexploitant:** de rechtspersoon die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit met als hoofddoel de exploitatie van één of meer bioscopen in Nederland; - **bioscoopuitbreng:** de landelijke distributie van een filmproductie, die na de première – maar voorafgaand aan de non theatrical release – in een significant aantal bioscopen en/of filmtheaters voor een betalend publiek in Nederland wordt uitgebracht; - **bijzondere distributieactiviteit:** een innovatieve activiteit ter versterking van de marketing & promotie en distributie van Nederlandse filmproducties en versterking van een divers distributie en vertoningsklimaat in Nederland in het algemeen: - **crossmediaal marketing & distributieplan:** een gedetailleerd plan van alle activiteiten op het gebied van marketing en distributie, waarbij gebruik gemaakt wordt van alle mogelijke vormen van promotie, publiciteit en (social) media, ten behoeve van de bioscoopuitbreng en verdere exploitatie van de filmproductie; - **DCP:**"},{"i":12143,"b":"Besluit van 29 oktober 2022, houdende instelling van de De Ruytermedaille (Besluit De Ruytermedaille) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 19 oktober 2022, nr. IenW/BSK-2022/235952, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op het advies van de Kanselier der Nederlandse Orden van 6 oktober 2022; Overwegende dat het bij het [koninklijk besluit van 23 maart 1907](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037185), no 1, ingestelde en bij het koninklijk besluit van 21 februari 1949, no 63, aangevulde ereteken geschikt is gebleken voor het belonen van schippers, stuurlieden en verdere leden van de bemanning van koopvaardij- en vissersschepen en andere personen die zich door verdienstelijke daden voor de Nederlandse scheepvaart hebben onderscheiden, doch dat het noodzakelijk is gebleken dit besluit, met handhaving van zijn beginselen, te herzien; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **het ereteken:** De Ruytermedaille; - **modelversiersel:** het ereteken dat wordt uitgereikt; - **miniatuurversiersel:** verkleinde versie van het ereteken; - **draagteken:** het draagteken voor dagelijks gebruik. Artikel 2 Dit besluit is van toepassing binnen Europees en Caribisch Nederland. Artikel 3 1. Er is een ereteken voor schippers, stuurlieden en verdere leden van de bemanning van koopvaardij- en vissersschepen en andere personen die zich door verdienstelijke daden voor de Nederlandse scheepvaart hebben onderscheiden. 2. Het ereteken is ingesteld ter gelegenheid van de herdenking van de geboorte van Michiel Adriaanszoon de Ruyter, luitenant-admiraal-generaal van Holland en West-Friesland, geboren te Vlissingen op 24 maar 1607. 3. Het ereteken zal de naam dragen van «De Ruytermedaille». 4. Het ereteken kan worden toegekend in goud, zilver of brons. Artikel 4 Het ereteken wordt op voordracht van Onze Minister door Ons toegekend a"},{"i":11681,"b":"Wet van 7 oktober 1964, tot regeling van de uitoefening van de bedrijven en de werkzaamheid, waarin of in het kader waarvan alcoholhoudende drank wordt verstrekt Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Drankwet (**Stb.** 1931, 476) en de voor de horecabedrijven en het slijtersbedrijf geldende vestigingsregelingen te vervangen door een nieuwe wet, welke ten aanzien van het verstrekken van alcoholhoudende drank zowel uit sociaal-hygiënisch als uit sociaal-economisch oogpunt regelen stelt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: – Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; – horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse; – slijtersbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen; – lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting; – horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse; – slijtlokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van of samenval"},{"i":13402,"b":"Instelling Kwaliteitscollege Studiekeuze Informatie overwegende, – dat bij het streven naar versterking van de positie van de student in het Hoger Onderwijs een belangrijke factor wordt gevormd door de mate waarin aanstaande studenten bij de keuze van een opleiding beschikken over relevante, onafhankelijk verzamelde, kwalitatief onomstreden en daardoor gezaghebbende informatie over onder andere de kwaliteit van het aangeboden onderwijs; – dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen reeds enkele jaren de Keuzegids Hoger Onderwijs subsidieert om relevante, onafhankelijk verzamelde studiekeuze-informatie voor studenten beschikbaar te maken, maar dat deze gids een beperkte toegankelijkheid kent en te weinig functionaliteit biedt om het studiekeuzeproces op een eigentijdse wijze te ondersteunen; – dat na een Europese aanbestedingsprocedure is besloten om aan Choice – een samenwerkingsverband van het Hoger Onderwijs Persbureau en Research voor Beleid – de uitvoering te gunnen voor het verzamelen, consolideren en het verspreiden van studiekeuze-informatie; – dat het wenselijk is om de kwaliteit van het verzamelen, consolideren en het verspreiden van studiekeuze-informatie te waarborgen en signalen te verzamelen over maatschappelijke behoefte en draagvlak te creëren door instellingen te betrekken bij verbeteringen; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, - b. uitvoerder: de organisatie die in opdracht van de minister studiekeuze- informatie verzamelt, consolideert en beschikbaar stelt aan derden. Artikel 2. Instelling en duur 1. Er is een Kwaliteitscollege Studiekeuze Informatie. 2. Het Kwaliteitscollege Studiekeuze Informatie wordt ingesteld voor de duur van het contract met de uitvoerder, te weten een periode van drie jaar, eventueel te verlengen met een termijn van drie jaar. Artikel 3. Taak 1. Het Kwaliteitscollege Studiekeuze Informatie houdt toezi"},{"i":13660,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie van 28 juni 2006, nr. 5427438/06/NCTb, tot instelling van een Afstemmingsoverleg voor het stelsel van speciale eenheden (Instellingsregeling Afstemmingsoverleg stelsel van speciale eenheden) Besluiten: Artikel 1. Begripsbepaling In het kader van deze regeling wordt verstaan onder Dienst Speciale Interventies, hierna te noemen DSI, de eigenstandige organisatie van de DSI met daarbij inbegrepen de eenheden die onder operationele aansturing van de commandant interventie DSI kunnen worden ingezet. Artikel 2. Afstemmingsoverleg Er is een Afstemmingsoverleg voor het stelsel van speciale eenheden, in samenhang met de DSI, hierna te noemen het Afstemmingsoverleg. Artikel 3. Taken van het Afstemmingsoverleg 1. Het Afstemmingsoverleg is een afstemmingsorgaan, zonder operationele taken, dat aan de betrokken ministers adviseert over het beleid en het beheer ten aanzien van het stelsel van speciale eenheden. 2. De advisering heeft in ieder geval betrekking op: - a. de beleidsvoorbereiding en -vorming, ten aanzien van de DSI, hetgeen o.a. omvat het beleid ten aanzien van: - –. de personele vulling van de DSI; - –. de opleiding en training van het personeel van de DSI; - –. de inzetcriteria van de DSI; - –. de ondersteuning van de DSI door middelen die niet organiek binnen de DSI zijn ingebracht; - –. de systematiek van evaluatie en auditing; - b. de vast te stellen begroting van de DSI en overige diensten en onderdelen voor zover van belang voor het stelsel; - c. de vast te stellen jaarplannen van (de eenheden binnen) de DSI; - d. de vast te stellen beleidsplannen ten aanzien van de DSI; - e. de vast te stellen jaarverslagen van de DSI; - f. de afstemming bij de beheercyclus van (de betrokken eenheden binnen) binnen het stelsel; - g. de voorbereiding en actualisering van de ministeriële regelingen betrekking hebbende op de DSI. Artikel 4. Werkwijze 1. Het"},{"i":12019,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 april 2024, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Eritrea, Ambassade Asmara 1994–2011, Besluit Beperking Openbaarheid, Asmara 1994–2011 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris van 18 april 2024, referentie 100882; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 4 | 2075 | | 6 | 2074 | | 37 | 2079 | | 39 | 2079 | | 54 | 2080 | | 65 | 2080 | | 66 | 2084 | | 75 | 2085 | | 76 | 2084 | | 78 | 2083 | | 87 | 2084 | | 95 | 2086 | | 99 | 2105 | | 100 | 2086 | | 171 | 2081 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 46 | 2053 | | 53 | 2035 | | 74 | 2038 | | 82 | 2041 | | 101 | 2032 | | 104 | 2038 | | 107 | 2037 | | 109 | 2037 | | 120 | 2039 | | 121 | 2039 | | 123 | 2039 | | 124 | 2039 | | 127 | 2040 | | 140 | 2041 | | 179 | 2038 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049643&artikel=1&z=2024-05-02&g=2024-05-02), is, tot openbaring, uitsluitend mogelijk na voorafgaa"},{"i":12987,"b":"Besluit van 15 april 2002 tot uitvoering van de artikelen 21 en 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 17 december 2001, Directie Wetgeving, nr. 5139778/01/6; Gelet op de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) en [23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23); Gelet op [artikel 1 van de Consulaire Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001847&artikel=1); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 7 maart 2002, nr. W03.01.0682/I/K); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 9 april 2002, Directie Wetgeving, nr. 5156838/02/6; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. – Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk; - b. Rijkswet: de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738); - c. optie: verkrijging van het Nederlanderschap, als bedoeld in hoofdstuk 3 en in [artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28), alsmede in [artikel V, eerste lid van de Rijkswet van 21 december 2000, Stb. 618, tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V); - d. naturalisatie: verlening van het Nederlanderschap, als bedoeld in [hoofdstuk 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=4); - e. intrekking: intrekking van het Nederlanderschap, als bedoeld in [hoofdstuk 5 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=5); - f. basisadministratie: - 1°. de basisregistratie personen,"},{"i":12696,"b":"Besluit van 12 februari 2013, houdende vaststelling van de beeldenaar van de Nederlandse nationale zijde van de munt van twee euro die in 2013 wordt uitgegeven ter gelegenheid van de aankondiging van de afstand van de troon door Koningin Beatrix Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 8 februari 2013, FM/2013/242 M, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 3, eerst lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2013/5283. Artikel 1 1. De beeldenaar van de Nederlandse nationale zijde van de munt van twee euro die in 2013 wordt uitgegeven ter gelegenheid van de aankondiging van de afstand van de troon door Koningin Beatrix is, overeenkomstig onderstaande afbeelding, in de kern binnen de ring met twaalf sterren: Onze beeltenis met op de achtergrond gedeeltelijk zichtbaar de beeltenis van de Prins van Oranje met omgeven door een parelrand het omschrift «WILLEM-ALEXANDER PRINS VAN ORANJE BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN, het teken van de Munt , het jaartal 2013 en het teken van de Muntmeester »; boven het jaartal staat de datum 28 januari: 2. Het randschrift van de twee-euromunt is «GOD * ZIJ * MET * ONS *». Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12688,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg en de Minister van Justitie en Veiligheid van 16 april 2024, kenmerk 3793320-1063387-WJZ, houdende vaststelling van het aanvangstijdstip van de overgangsfase van het experiment gesloten coffeeshopketen Gelet op [artikel 37 van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=37); Besluiten: De fase van voorbereiding van het experiment, als bedoeld in [artikel 37, eerste lid, van het Besluit experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043738&artikel=37), vangt voor de coffeeshophouders in de deelnemende gemeenten aan op 17 juni 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11682,"b":"Besluit van de Sociaal-Economische Raad van 6 februari 2009, houdende machtiging aan het dagelijks bestuur en enkele commissies (Algemeen machtigingsbesluit SER) Gelet op [artikel 44 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=44) en [artikel 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Raad: Sociaal-Economische Raad; - b. wet: [Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058). § 2. Machtigingen Artikel 2 1. Het dagelijks bestuur is gemachtigd namens de Raad te besluiten over de toewijzing van de behandeling van adviesaanvragen aan commissies. 2. Het dagelijks bestuur is gemachtigd om bij de toewijzing van de behandeling van een adviesaanvraag aan een commissie te bepalen dat de commissie op grond van [artikel 44 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=44) namens de Raad van advies dient. 3. Het dagelijks bestuur informeert de Raad regelmatig over de gebruikmaking van de bevoegdheden in het eerste en tweede lid van dit artikel. Artikel 3 Het dagelijks bestuur is gemachtigd namens de Raad voordrachten te doen voor benoeming van leden en plaatsvervangende leden van adviesorganen van de Europese Unie, indien daartoe een verzoek wordt ontvangen. Artikel 4 1. De Pensioencommissie is gemachtigd namens de Raad van advies te dienen over de verplichtstelling van beroepspensioenregelingen ingevolge de [Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831). 2. De in het eerste lid bedoelde adviezen van de Pensioencommissie worden voorbereid door haar Subcommissie Verplichtstelling Beroepspensioenregelingen. 3. De Pensioencommissie kan de Subcommissie Verplichtstelling Beroepspensioenregelingen machtigen namens haar de adviezen uit te brengen. Artikel 5 1. De Commissie Arbeids- en Ond"},{"i":11683,"b":"Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **deelregeling:** een op deze regeling gebaseerde regeling waarin nadere regels zijn opgenomen over de verstrekking van subsidies; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; Artikel 2. Doel 1. Het bestuur verstrekt, in overeenstemming met artikel 3 van de statuten van het Fonds Podiumkunsten, subsidies voor activiteiten die bijdragen aan het bevorderen van de kwaliteit en diversiteit van het scheppen, produceren en programmeren van de professionele podiumkunsten in Nederland en het opbouwen van een publiek daarvoor. 2. Het bestuur kan een of meer deelregelingen vaststellen waarin nadere bepalingen zijn opgenomen voor het verstrekken van subsidie. Artikel 3. Toepasbaarheid 1. Het bepaalde in deze regeling is van toepassing op alle subsidies die het bestuur verstrekt, tenzij in een deelregeling wordt afgeweken van hetgeen in onderhavige regeling bepaald is. 2. Het bestuur kan bepalingen in de door hem vastgestelde subsidieregelingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken, indien de onverkorte toepassing van deze bepalingen, gelet op de gevolgen voor subsidieontvangers van de uitbraak van het Coronavirus en de maatregelen ter bestrijding ervan, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 4. Kring van aanvragers 1. Een subsidie aan of ten behoeve van een natuurlijk persoon wordt slechts verstrekt als deze artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd is in de professionele podiumkunstpr"},{"i":13453,"b":"Instellingsbesluit baten-lastendienst FMHaaglanden Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Aan FMHaaglanden wordt de status van baten-lastendienst verleend, als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10). 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: baten-lastendienst FMHaaglanden. 3. Het [Instellingsbesluit tijdelijke baten-lastendienst FMHaaglanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027676) van 22 april 2010, Nr. 2010-0000276351 wordt ingetrokken. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastendienst FMHaaglanden. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13404,"b":"Instelling Landelijke Coördinatiecommissie Dijkversterkingen Gezien de nog uit te voeren werken voor de beveiliging van het land tegen overstromingen, in het bijzonder de versterking van de waterkeringen in het rivieren- en IJsselmeergebied; Gelet op de doelstellingen van de Regering met betrekking tot de tijdstippen voor de realisering van de werken; Overwegende dat in overleg op landelijk niveau prioriteiten worden gesteld bij de versterking van de waterkeringen; Besluit: Artikel 1 Er is een Landelijke Coördinatiecommissie Dijkversterkingen. Artikel 2 De commissie heeft tot taak: - a. Het zorg dragen voor de landelijke afstemming van de versterking van de waterkeringen, in het bijzonder van de rivier- en IJsselmeerdijken, op grond van de [Deltawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002283) en de subsidieregeling rivierdijkversterkingen binnen de door het Rijk aan te geven financiële randvoorwaarden; - b. het adviseren van de minister van Verkeer en Waterstaat over het jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma; - c. het adviseren over onderwerpen van algemene aard met betrekking tot de voortgang van de werken; - d. het signaleren van zich voordoende knelpunten met betrekking tot de voortgang van de werken. Artikel 3 In de commissie worden benoemd: - a. tot **lid en voorzitter:** de heer J. W. Remkes, lid van Gedeputeerde Staten van Groningen; - b. tot **leden:** als vertegenwoordigers van de Unie van Waterschappen: de heer K. J. A. baron Collot d'Escury, lid van het dagelijks bestuur van de Unie van Waterschappen; de heer D. N. P. Tap, lid van het dagelijks bestuur van de Unie van Waterschappen; als vertegenwoordigers van het Interprovinciaal Overleg: mevrouw drs. I. Günther, lid van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland; de heer B. J. Blikman, lid van Gedeputeerde Staten van Flevoland; drs. J. de Geus, lid van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant; de heer J. van Dijkhuizen, lid van Gedeputeerde Staten van Gelderland; Als vertegenwoordiger van de minist"},{"i":13525,"b":"Instellingsbesluit Commissie van Wijzen Bewoners Aanspreekpunt Schiphol Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Bas:** Bewoners Aanspreekpunt Schiphol; - b. **Commissie:** Commissie van Wijzen Bewoners Aanspreekpunt Schiphol als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026111&artikel=2&z=2009-07-17&g=2009-07-17); - c. **Verzoekschrift:** schriftelijke uiting van ongenoegen over de wijze waarop Bas zich in een bepaalde aangelegenheid jegens verzoeker heeft gedragen, als bedoeld in het klachtenregelement van Bas, artikel 6.5. - d. **Verzoeker:** degene die een verzoekschrift indient bij de Commissie. Artikel 2. Instelling Commissie van Wijzen 1. Er is een Commissie van Wijzen Bewoners Aanspreekpunt Schiphol. 2. De Commissie is bevoegd verzoekschriften in behandeling te nemen. 3. De Commissie is niet ondergeschikt aan enig bestuursorgaan. 4. De Commissie ontvangt ter zake van de uitoefening van haar werkzaamheden geen instructiesin het algemeen of voor een enkel geval. Artikel 3. Taak 1. De Commissie onderzoekt verzoekschriften en beoordeelt of het bestuur van Bas zich in een bepaalde kwestie behoorlijk heeft gedragen. 2. De Commissie verwoordt haar oordeel naar de gegrondheid van een klacht over het bestuur van Bas in de vorm van een rapport. 3. De Commissie bewaakt haar onafhankelijkheid naar eigen inzicht en beste vermogen. Artikel 4. Samenstelling en aanstelling Commissie van Wijzen 1. De Commissie bestaat uit drie leden die worden benoemd door de Minister van Verkeer en Waterstaat. 2. De Minister van Verkeer en Waterstaat benoemt uit de leden de voorzitter. 3. Als leden van de Commissie worden de volgende personen benoemd: - a. mw. J. van Nieuwenhoven als voorzitter; - b. mw. mr. dr. M.T.A.B. Laemers als lid; - c. mw. drs. J.M.C. Meulenbroek als lid. 4. De leden van de Commissie stellen zelf een reglement van orde vast. Artikel 5. Onverenigbare betrekkingen en integriteit 1. De leden van de Commi"},{"i":14100,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 28 november 2022, nummer CvTE-22.00976, houdende vaststelling van het beoordelingskader voor de doorstroomtoets in het primair onderwijs (Regeling beoordelingskader doorstroomtoets PO) Gelet op [artikel 3a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a); Gezien de goedkeuring van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, gegeven op 4 november 2022, nummer 1303595, Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel VIII, onderdeel B, van de Wet van 9 februari 2022 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (Stb. 2022, 135) in werking treedt. Artikel 1. Beoordelingskader Het beoordelingskader voor de doorstroomtoets als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, onderdeel g van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a) wordt vastgesteld als opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047614&bijlage=1&z=2026-01-06&g=2026-01-06) van deze regeling. Artikel 2 De technische specificaties voor de levering van de gegevens voor de beoordeling van de doorstroomtoetsen staan in het handboek normering en het handboek gezamenlijk anker. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel VIII, onderdeel B, van de Wet van 9 februari 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046751&artikel=VIII) tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystem"},{"i":13656,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 maart 2013, kenmerk 347449, houdende instelling van de Werkgroep publieksbelang filantropie (Instellingsbesluit Werkgroep publieksbelang filantropie) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **de Werkgroep:** de Werkgroep publieksbelang filantropie. Artikel 2. Instelling Er is een Werkgroep publieksbelang filantropie. Artikel 3. Taak De Werkgroep heeft tot taak: - a. Voor één maart 2013 een toetsingskader te ontwikkelen met betrekking tot het validatiestelsel dat is gericht op het publieksbelang inzake filantropie; - b. het validatiestelsel, nadat dit is ontwikkeld, aan het toetsingskader te toetsen en; - c. hierover advies uit te brengen aan het bestuurlijk overleg van de ondertekenende partijen van het convenant ‘**Ruimte voor geven**’. Artikel 4. Samenstelling 1. De Werkgroep bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zeven andere leden. 2. De Werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van organisaties die het publieksbelang vertegenwoordigen, een vertegenwoordiger van het Ministerie van Financiën en een vertegenwoordiger van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. 3. De leden van de Werkgroep worden op eigen aanvraag door de Minister tussentijds ontslagen. 4. De leden kunnen voorts door de Minister worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. 5. Nieuwe leden van de Werkgroep worden, op aanbeveling van de voorzitter, door de Minister benoemd. Artikel 5. Leden Als leden van de Werkgroep worden benoemd: - a. De heer drs. G. de Jong, oud-lid van de Algemene Rekenkamer, thans gepensioneerd, tevens voorzitter; - b. De heer professor dr. Th. Schuyt, hoogleraar filantropische studies; - c. De heer professor dr. mr. M. Pheijffer RA, hoogleraar accountancy en forensische accountancy; - d. De heer drs. A.J.J. Kemps, directeur Centraal Bureau Fondsenwerving; - e. De"},{"i":13785,"b":"Wet van 1 december 1988, tot het uitgeven en belenen van schatkistpapier en het aangaan van geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden in 1989 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is Onze Minister van Financiën te machtigen in 1989 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd in 1989 schatkistpapier uit te geven en te belenen en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden aan te gaan ter voorziening in de financieringsbehoefte van de Staat alsmede uit monetaire overwegingen. Artikel 2 De looptijd van de geldleningen zal ten hoogste vijftig jaar zijn. Artikel 3 Onze Minister van Financiën stelt met inachtneming van het bepaalde in de Wet schatkistpapier (**Stb.** 1976, 110) en deze wet de voorwaarden vast, waarop schatkistpapier wordt uitgegeven en beleend en geldleningen ten laste van de Staat der Nederlanden worden aangegaan. Artikel 4 1. Onze Minister van Financiën kan ter zake van geldleningen welke door middel van openbare inschrijvingen worden aangegaan, aan bankiers, makelaars in effecten en commissionairs in effecten over het nominale bedrag, toegewezen op de door hun tussenkomst gedane inschrijvingen, waarvoor het verschuldigde is gestort, een provisie toekennen van ten hoogste 1/2% (een half ten honderd). 2. Onze Minister van Financiën kan aan bemiddelaars in onderhandse geldleningen over het nominale bedrag van door hun tussenkomst tot stand gekomen onderhandse geldleningen een provisie toekennen van ten hoogste 1/8% (een achtste ten honderd). Artikel 5 Het recht tot opvordering van een hoofdsom van de overeenkomstig deze wet aangegane vaste schuld, welke aflosbaar is"},{"i":12149,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24-5-2016, kenmerk 921411, houdende deelneming in de Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum ‘Groninger Archieven’ Gelet op [artikel 97, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=97); Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de [Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum ‘Groninger Archieven’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042022). Artikel 2 Het [Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 maart 2001, nr. DCE/01/1720](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012374) (Stcrt. 2001, 206) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op een bij besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te bepalen tijdstip."},{"i":12020,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 mei 2018, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Hongarije, Ambassade Boedapest (Besluit beperking openbaarheid ambassade Boedapest) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d 19 april 2018, kenmerk 1245107; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 84 | 2077 | | 85 | 2075 | | 86 | 2086 | | 87 | 2086 | | 93 | 2050 | | 94 | 2079 | | 95 | 2088 | | 96 | 2078 | | 97 | 2071 | | 100 | 2079 | | 101 | 2081 | | 102 | 2085 | | 103 | 2086 | | 104 | 2085 | | 105 | 2084 | | 106 | 2086 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 470 | 2026 | | 478 | 2046 | | 482 | 2060 | | 517 | 2057 | | 518 | 2061 | | 519 | 2075 | | 520 | 2075 | | 522 | 2079 | | 579 | 2032 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040931&artikel=1&z=2018-05-25&g=2018-05-25) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. 2. Raadple"},{"i":12159,"b":"Besluit departementale herindeling kinderopvang Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 14 oktober 2010, kenmerk 3096356; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van kinderopvang, voor zover deze voor 14 oktober 2010 was opgedragen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 De taken van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028850&artikel=1&z=2010-10-20&g=2010-10-20) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028850&artikel=2&z=2010-10-20&g=2010-10-20) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":14399,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 3 september 2014, nr. IENM/BSK-2014/196488, houdende vaststelling van regels met betrekking tot kinderbeveiligingssystemen (Regeling kinderbeveiligingsmiddelen 2014) Gelet op Uitvoerings[richtlijn 2014/37](32014L0037)/EU van de Commissie van 27 februari 2014 tot wijziging van [Richtlijn 91/671/EEG](31991L0671) van de Raad betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen in voertuigen (PbEU 2014, L 59/32) en [artikel 22, eerste en vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **VN-reglement 44/03:** reglement 44/03 behorende bij de Overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (‘VN/ECE’) betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen (Trb. 1996,151); - –. **VN-reglement 129:** reglement 129 behorende bij de Overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (‘VN/ECE’) betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen (Trb. 1996,151); - –. **Richtlijn 77/541/EEG:** [richtlijn 77/541/EEG](31977L0541) van de Raad van 28 juni 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen (PbEG 1977, L 220); - –. **Verordening (EG) nr. 661/2009:** [verordening (EG) nr. 661/2009](32009R0661) van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften"},{"i":11974,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 mei 2008, nr. DDI/ST/reg. 036/2008, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het consulaat-generaal te Singapore 1945–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het consulaat-generaal te Singapore 1945–1954, openbaar met ingang van 1 januari van jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 196 | 2026 | | 197 | 2027 | | 198 | 2027 | | 201 | 2022 | | 202 | 2026 | | 205 | 2025 | | 209 | 2026 | | 220 | 2024 | | 235 | 2030 | | 236 | 2030 | | 237 | 2029 | | 239 | 2029 | | 240 | 2029 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023887&artikel=1&z=2008-05-29&g=2008-05-29), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023887&artikel=1&z=2008-05-29&g=2008-05-29), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtek"},{"i":12586,"b":"Besluit Tarieven Ctgb 2007 Gelet op [artikel 8, eerste lid, sub b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=8), en [artikel 10, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=10) (Stb 2007, 125); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. de wet: [Wet op de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670) (Stb. 2007, 125); - b. College: het in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=3) bedoelde College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - c. Onze Minister: de in [artikel 1, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=1) bedoelde Minister. Hoofdstuk 2. Gewasbeschermingsmiddelen op basis van in Bijlage I bij [Richtlijn 91/414/EEG](31991L0414) opgenomen werkzame stoffen § 1. Aanvraag Artikel 2. algemeen Voor de indiening van de navolgende aanvragen zijn de volgende bedragen verschuldigd: - a. een toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=28) en [35 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=35) alsmede een verlenging daarvan en een voorlopige toelating als bedoeld in [artikel 34 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=34): € 4.420,– - b. een toelating van een gewasbeschermingsmiddel in het kader van een herregistratie nadat een werkzame stof is geplaatst op bijlage I bij [Richtlijn 91/414/EEG](31991L0414): € 2.460,– - c. wederzijdse erkenning van een toelating als bedoeld in [artikel 36 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=36): € 1.640,– - d. een afgeleide toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in [artikel 32 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=32) alsmede een verlenging d"},{"i":13569,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 24 april 2020 2020-0000070153, directie Financiële Markten, houdende instelling van de Kwartiermakers toekomst accountancysector (Instellingsbesluit Kwartiermakers toekomst accountancysector) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Financiën; - **kabinetsreactie:** brief van de Minister van Financiën van 20 maart 2020 aan beide Kamers der Staten-Generaal houdende de reactie van het kabinet op het eindrapport van de Commissie toekomst accountancysector (Kamerstukken II 2019/20, 33 977, nr. 29); - **kwartiermakers:** kwartiermakers, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043446&artikel=2&z=2023-12-16&g=2023-12-16). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er zijn Kwartiermakers toekomst accountancysector. 2. De kwartiermakers hebben gezamenlijk tot taak om, ter uitvoering van de kabinetsreactie, zorg te dragen voor: - a. de opstelling van **audit quality indicators**en het geven van een oordeel over de juridische verankering daarvan; - b. een inventarisatie van de effecten van het **audit only**-model, met inbegrip van het afschermen van de verdiensten van de **audit**-tak (**ring fencing**) van de accountantsorganisatie en het **joint audit**-model op basis van gegevens uit Nederland en uit het buitenland; - c. de totstandkoming en uitvoering van een experiment met het intermediairmodel; - d. de uitvoering van kwaliteitbevorderende maatregelen bij accountantsorganisaties ten aanzien van: - 1°. de bevordering en borging van de cultuurverandering binnen accountantsorganisaties; - 2°. het toevoegen van forensische expertise aan het controleteam indien nodig; - 3°. het gebruik van nieuwe technologieën en innovatie stimuleren en waar nodig belemmeringen wegnemen; - e. de aansluiting van de oplei"},{"i":12695,"b":"Besluit van 24 maart 2014, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de Nederlandse nationale zijde van de munt van twee euro met de beeltenis van Koning Willem-Alexander en Prinses Beatrix Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 19 maart 2014, FM/2014/0506 M, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 3, eerst lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2014/13278. Artikel 1 1. De beeldenaar van de Nederlandse nationale zijde van de munt van twee euro die in 2014 wordt uitgegeven ter herinnering aan het afscheid van de voormalig vorstin is, overeenkomstig onderstaande afbeelding, in de kern binnen de ring met twaalf sterren: Onze beeltenis met op de achtergrond gedeeltelijk zichtbaar de beeltenis van Prinses Beatrix met het omschrift «WILLEM-ALEXANDER KONING DER NEDERLANDEN BEATRIX PRINSES DER NEDERLANDEN, het teken van de Munt , het jaartal 2014 en het teken van de Muntmeester »: . 2. Het randschrift van de twee-euromunt is «GOD * ZIJ * MET * ONS *». Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 22 mei 2014. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13567,"b":"Instellingsbesluit Kwaliteitsinstituut beëdigde tolken en vertalers De Raad voor Rechtsbijstand, Besluit: Waar in dit reglement sprake is van de Raad, wordt bedoeld de Raad voor Rechtsbijstand. Waar sprake is van het Kwaliteitsinstituut, wordt bedoeld het Kwaliteitsinstituut beëdigde tolken en vertalers. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 Er is een Kwaliteitsinstituut beëdigde tolken en vertalers. Het Kwaliteitsinstituut adviseert de minister van Veiligheid en Justitie en/of de Raad voor Rechtsbijstand gevraagd en ongevraagd over beleid en activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) (Wbtv). Artikel 2 In het Kwaliteitsinstituut hebben in elk geval zitting: - –. vertegenwoordigers van de beroepsgroepen tolken en vertalers; - –. een of meer vertegenwoordigers van het tolk- en vertaalonderwijs; - –. een of meer vertegenwoordigers van de wetenschap; - –. deskundigen uit de sfeer van het straf- en vreemdelingenrecht; - –. vertegenwoordigers van een of meer andere domeinen waar tolken en vertalers actief zijn. Artikel 3 De Raad benoemt een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter en de overige leden van het Kwaliteitsinstituut. Benoeming vindt in beginsel plaats voor een periode van vier jaar en kan eenmaal worden verlengd. De Raad ontslaat de voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en de overige leden tussentijds indien deze daarom verzoeken of daar aanleiding toe ontstaat. Ontslag vindt slechts plaats wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie dan wel wegens andere zwaarwegende redenen, waaronder onder meer vallen belangenverstrengeling, ondercuratelestelling, faillissement, schuldsanering of een veroordeling wegens misdrijf. Benoeming vindt plaats op persoonlijke titel. De leden functioneren zonder last en ruggespraak. Artikel 4 De Raad voor Rechtsbijstand stelt een reglement vast waarin nadere r"},{"i":11684,"b":"Algemeen Reglement Mondriaan Fonds 2021 Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 In deze regeling en de hierop te baseren deelregelingen wordt verstaan onder: - a. **het fonds:** het Mondriaan Fonds, - b. **het bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds, - c. **deelregeling:** een op deze regeling gebaseerde regeling waarin nadere regels zijn opgenomen over de verstrekking van een subsidie, - d. **beeldend kunstenaar:** degene die op professionele wijze werk maakt binnen het kader van de beeldende kunsten, - e. **bemiddelaar:** degene die professioneel werkzaam is zoals een curator, criticus, theoreticus of beschouwer, op het gebied van de beeldende kunsten en/of cultureel erfgoed en die projecten wil uitvoeren die leiden tot kennisverdieping en/of zichtbaarheid en inzichtelijkheid van de hedendaagse beeldende kunst en cultureel erfgoed in Nederland, - f. **beeldende kunst:** hedendaagse en actuele vormen van verbeelding die door beeldend kunstenaars worden vervaardigd binnen één of meer van de volgende terreinen: - •. teken-, schilder- en grafische kunsten, - •. beeldhouwkunst, (sociale) sculptuur en installatiekunst, - •. conceptuele kunst, performancekunst, artistiek onderzoek, - •. niet-traditionele vormen van beeldende kunst, - •. fotografie, - •. audiovisuele, digitale, geluids -en (nieuwe) mediakunst, - •. beeldende kunsttoepassingen, - •. kunst in de openbare ruimte. - g. **cultureel erfgoed:** alles wat cultuurhistorische waarde heeft en gezamenlijk de materiële en immateriële erfenis vormt van de Nederlandse samenleving. Hiermee worden bijvoorbeeld bedoeld voorwerpen in musea, archeologische vondsten, archieven en/of de daarmee verbonden gebruiken, gewoonten en verhalen, waarbij het moet gaan om een object, traditie of ritueel, - h. **Kunstpodium:** een organisatie met rechtspersoonlijkheid gevestigd in Nederland, die"},{"i":11939,"b":"Besluit van 7 juni 1910, houdende bepalingen omtrent den doorvoer van absint Op de voordracht van Onze Ministers van Financiën van 15 April 1910, n°. 50, Afdeeling Accijnzen, en van Binnenlandsche Zaken van 21 April 1910, n°. 595, afdeeling Volksgezondheid en Armwezen; Gezien [artikel 2 der Absintwet 1909](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001877&artikel=2) (**Staatsblad** n°. 402); Den Raad van State gehoord (advies van 24 Mei 1910, n°. 25); Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 30 Mei 1910, n°. 53, Afdeeling Accijnzen, en van 3 Juni 1910, n°. 1958, Afdeeling Volksgezondheid en Armwezen; Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen: Artikel 1 Doorvoer van absint is bij inkomen aan de zeezijde geoorloofd op den voet van de Algemeene Wet van 26 Augustus 1822 (**Staatsblad** n°. 38), laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 Juli 1909 (**Staatsblad** n°. 251), en van het Koninklijk besluit van 26 Maart 1872 (**Staatsblad** n°. 19), laatstelijk gewijzigd bij Ons besluit van 8 Juli 1907 (**Staatsblad** n°. 180); bij inkomen aan de landzijde op den voet van het genoemde gewijzigd Koninklijk besluit; een en ander met inachtneming van de bepalingen der volgende twee artikelen. Artikel 2 Absint, dat zal worden doorgevoerd, moet in alle aangiften en documenten met name vermeld worden. Artikel 3 Gedurende het transport van het eerste kantoor tot aan het verlaten van het Nederlandsch grondgebied behoort het absint te zijn onder verzegeling, aangebracht door ambtenaren der invoerrechten. Artikel 4 In de daartoe leidende gevallen kan doorvoer van absint, met inachtneming van het bepaalde bij de artt. 2 en 3 van het tegenwoordig besluit, ook geschieden op de wijze, vastgesteld bij internationale regeling. Onze voornoemde Ministers zijn belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State."},{"i":12712,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 juli 2017, 617-165745-CZ, houdende vaststelling van beleidsregels voor het subsidiëren van overige instellingen voor medisch specialistische zorg, voor het stimuleren van elektronische gegevensuitwisseling tussen patiënt en zorgaanbieder (Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 2) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1 De beleidsregels voor het verstrekken van subsidies aan overige instellingen voor medisch specialistische zorg en Zelfstandige Klinieken Nederland voor het stimuleren van gestandaardiseerde elektronische gegevensuitwisseling tussen patiënt en zorgaanbieder worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Wijzigt de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Artikel 3 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. 2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 april 2020. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 2. Bijlage. bij het Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional fase 2 1. Inleiding In vervolg op het [Besluit vaststelling Beleidskader subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038920) (Stcrt. 21december 2016, nr. 68985 ), waarbij ziekenhuizen in aanmerking kunnen komen voor een subsidie zodat zij uiterlijk 2020 gestandaardiseerd informatie kunnen uitwisselen met de patiënt (verder VIPP fase 1), b"},{"i":13961,"b":"Regeling van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid van 7 september 2001, houdende regels in verband met de verstrekking van reisdocumenten door de burgemeesters Gelet op de artikelen 2, eerste lid, onder g, tweede en derde lid, 3, eerste, derde, vierde en zevende lid, 16, tweede lid, 26, eerste lid, onder d en derde lid, 27, eerste lid, 30, eerste lid, 31, derde lid, 40, eerste lid, onder d en zesde lid, 43, 57 en 59 van de Paspoortwet en artikel 3 van het Besluit paspoortgelden; Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen § 1. Definities en reikwijdte Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212); - b. **aanvraag, weigering, verstrekking, uitreiking, houder, wijziging, inhouding, vervallen of vervallenverklaring en vermissing:** hetgeen ingevolge [artikel 1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=1) daaronder wordt verstaan; - c. **aanvrager:** degene die een aanvraag als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=1) indient of op wie een dergelijke aanvraag betrekking heeft; - d. **register paspoortsignaleringen:** het register, bedoeld in [artikel 25, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=25); - e. **signalerende autoriteit:** de autoriteit, bedoeld in de [artikelen 18 tot en met 24 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=18), die op grond van [artikel 25 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=25) een verzoek tot weigering of vervallenverklaring heeft ingediend; - f. **basisadministratie:** de basisregistratie personen, dan wel een basisadministratie als bedoeld in [artikel 2 van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028208&artikel=2); - g. **basisregister reisdocumenten:** het register, bedoeld in [artikel 4c van de wet]"},{"i":14398,"b":"Regeling kinder-, kostwinner- en detacheringstoelage BES § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** ambtenaar in dienst van de staat; - b. **bezoldiging:** bezoldiging bedoeld in [artikel 17 van de Wet materieel ambtenarenrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215&artikel=17). Artikel 2 De toelagen, bedoeld in de [paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028783&paragraaf=2&z=2011-10-09&g=2011-10-09) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028783&paragraaf=4&z=2011-10-09&g=2011-10-09) worden aan de ambtenaar toegekend door het gezag, dat bevoegd is de bezoldiging aan de ambtenaar toe te kennen of in de toegekende bezoldiging wijziging te brengen. § 2. Kindertoelage Artikel 3 1. De kindertoelage bedraagt per jaar USD 67,04 voor één kind, USD 100,56 voor twee kinderen en USD 134,08 voor meer dan 2 kinderen, vermeerderd met het in onderstaande kolom 1 aangegeven percentage van bezoldiging en met inachtneming van de in de onderstaande kolommen 2 en 3 aangegeven minima en maxima: | Aantal | 1 | 2 | 3 | | --- | --- | --- | --- | | Kinderen | percentage | minima | maxima | | 1 | 5 | USD 87,15 | USD 368,72 | | 2 | 9,5 | USD 174,30 | USD 703,91 | | 3 | 13,5 | USD 261,45 | USD 1005,59 | | 4 | 16,5 | USD 348,60 | USD 1173,18 | | 5 | 19 | USD 435,75 | USD 1340,78 | | 6 | 21,5 | USD 522,91 | USD 1508,38 | | 7 | 24 | USD 610,06 | USD 1675,98 | | 8 | 26,5 | USD 697,21 | USD 1843,58 | | 9 | 29 | USD 784,36 | USD 2011,17 | | 10 | 31,5 | USD 871,51 | USD 2178,77 | 2. Wanneer het aantal kinderen meer dan 10 bedraagt, wordt het in kolom 1 vermeld percentage van 31½ verhoogd met 2½, voor elk kind boven het getal 10 en worden de in de kolommen 2 en 3 vermelde bedragen van USD 871,51 en USD 2178,77 verhoogd met USD 87,15 onderscheidenlijk USD 167,60 voor elk kind boven het getal 10. 3. Het totaal bedrag aan kindertoelage wordt naar boven afgerond tot het naaste bedrag in guldens, dat een veelvoud is van twaalf. A"},{"i":11935,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 14 maart 2017 nr. 2049837, houdende de benoeming van en vaststelling van de vergoeding van de leden van de taskforce lijkschouw en gerechtelijke sectie (Besluit benoeming en vergoeding leden taskforce lijkschouw en gerechtelijke sectie) Gelet op [artikel 6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6), en [artikel 19, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=19); Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. (Begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **Taskforce:** de taskforce lijkschouw en gerechtelijke sectie. Artikel 2. (Samenstelling) 1. Tot leden van de tasktaree worden benoemd: - a. mr. I.R. Adema, burgemeester van Lelystad, tevens voorzitter; - b. drs. R. Duzijn, vertegenwoordiger van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst (KNMG) en directeur van de Koepel Artsen Maatschappij en Gezondheid (KAMG); - c. mr. W.G.H.M.van der Putten, juridisch adviseur gespecialiseerd in het lijkbezorgingsrecht en het bestuursrecht; - d. prof. dr. C.J. de Poot, bijzonder hoogleraar Criminalistiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam en onderzoeker bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie; - e. prof. dr. U.J.L. Reijnders, bijzonder Hoogleraar Eerstelijns Forensische Geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam/AMC en forensisch arts bij de GGD Amsterdam; - f. dr. Tj.G. Wiersma, huisarts en senior wetenschappelijk medewerker bij het Nederlands Huisartsen Genootschap. 2. Als ambtenaren die de taskforce met inlichtingen en advies terzijde zullen staan, worden aangewezen: - a. mr. C. Westerling-Diderich, forensisch officier van justitie; - b. J.A.J.T. Visser"},{"i":11685,"b":"Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds Gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifieke cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Gelet op de statuten van de Stichting Nederlands Letterenfonds; Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **aanvraag:** een aanvraag voor een subsidie; - 2. **bestuur:** het bestuur van het Letterenfonds; - 3. **deelregeling:** een op dit Algemeen reglement gebaseerde regeling waarin nadere regels worden gesteld over de aard, omvang en samenstelling van subsidies, alsmede over het aanvragen, beoordelen, verlenen en vaststellen van subsidies; - 4. **het Letterenfonds:** de Stichting Nederlands Letterenfonds; - 5. **Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - 6. **project:** een activiteit met een incidenteel en in tijd beperkt karakter op het terrein van de literatuur; - 7. **raad van advies:** een raad als bedoeld in het Huishoudelijk reglement van het Letterenfonds; - 8. **subsidie:** een subsidie in de zin van [artikel 4:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:21) (hierna Awb); - 9. **uniform subsidiekader:** [Regeling vaststelling Aanwijzingen voor subsidieverstrekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027023) van 15 december 2009; - 10. **wet:** de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904). Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Het Algemeen reglement is van toepassing op alle aanvragen die bij het bestuur worden ingediend en de subsidies die het Letterenfonds verstrekt. 2. Het Algemeen reglement is van toepassing naast en in aanvulling op de deelregelingen, tenzij in de betreffende deelregeling anders is bepaald. 3. [Titel 4.2 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":13522,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 23 maart 2021, nr. Min-Buza.2021.7678-22, houdende instelling van de Commissie van onderzoek inzake het Non Lethal Assistance (NLA) programma dat de Nederlandse regering van 2015 tot 2018 in Syrië heeft uitgevoerd (Instellingsbesluit Commissie van onderzoek NLA-programma in Syrië) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Buitenlandse Zaken; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044978&artikel=2&z=2022-09-16&g=2022-09-16). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie van onderzoek naar het Non Lethal Assistance (NLA) programma, dat de Nederlandse regering van 2015 tot 2018 in Syrië heeft uitgevoerd (Commissie van onderzoek NLA-programma in Syrië). 2. De commissie heeft tot taak: - a. onafhankelijk en naar eigen inzicht onderzoek te doen naar het in lid 1 van dit artikel genoemde NLA-programma; - b. in ieder geval de volgende aspecten mee te nemen in het onderzoek: - I. het ambtelijke en politieke besluitvormingsproces; - II. de juridische risico’s; - III. de mate waarin de door de regering aan de steun gestelde voorwaarden zijn nagekomen; - IV. de informatievoorziening aan de Kamer; en - c. uit het onderzoek lessen te trekken voor de toekomst. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit vier leden, waaronder een voorzitter. 2. De leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie onafhankelijk en onpartijdig uit. 3. De voorzitter wordt door de minister benoemd, de andere leden worden op voordracht van de voorzitter door de minister benoemd. 4. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie. 5. De voorzitter en overige leden kunnen (op eigen verzoek of wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op a"},{"i":12029,"b":"Besluit beperking openbaarheid archiefbescheiden bij overbrenging naar archiefbewaarplaats Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) Besluit: Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Bureau Secretaris-Generaal 1944–1975 (1980), niet openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Niet openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 60 | 2049 | | 61 | 2049 | | 62 | 2050 | | 63 | 2050 | | 64 | 2050 | | 65 | 2051 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Bureau Secretaris-Generaal 1944–1975 (1980), beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 18 | 2051 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026230&artikel=2&z=2009-08-12&g=2009-08-12), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening van de verzoeker van het **Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven.** De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Het vervaardigen van reproducties van documenten, danwel het publiceren van gegevens uit archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026230&artikel=2&z=2009-08-12&g=2009-08-12), is, tot openbaarwording, slechts mogelijk na voorafgaan"},{"i":13256,"b":"Financieel besluit Loodswezen Gelet op [artikel 15a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=15a), en [artikel 15b, eerste en derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=15b); Besluit: De aanwijzing en voorschriften als bedoeld in [artikel 15a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=15a), en [artikel 15b, eerste en derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=15b) worden vastgesteld als volgt: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. organisatie: de organisatie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007549&artikel=2&z=2015-03-26&g=2015-03-26); - b. samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2 van de Dienstverleningsverordening registerloodsen; - c. algemene raad: het orgaan van de corporatie, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=6); Artikel 2 1. De organisatie, bedoeld in de [artikelen 15a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=15a), en [15b, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=15b) is: Nederlands Loodswezen B.V., statutair gevestigd te Rotterdam. 2. De organisatie dient met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens dit besluit zorg te dragen voor de inning van de loodsgelden en de loodsgelden aan te wenden voor de betalingen volgens het bepaalde bij of krachtens dit besluit en de [Financiële verordening Loodswezen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007548). De algemene raad kan de organisatie verplichten tot het laten stellen van zekerheid door of namens degene die de loodsgelden verschuldigd is. De organisatie is, uitsluitend in overeenstemming met de algemene raad, bevoegd om het recht op verschuldigde loodsgelden en op de inning van de loodsgelden toe"},{"i":13398,"b":"Instelling dienst Informatievoorziening Overheidspersoneel Besluit: I. Er is een dienst Informatievoorziening Overheidspersoneel (IVOP). IVOP ressorteert organisatorisch rechtstreeks onder de plv. directeur-generaal Management en Personeelsbeleid (plv. DGMP). De plv. DGMP is verantwoordelijk voor die zaken waarbij de politieke en beheersmatige aanspreekbaarheid van de Minister betreffende IVOP en het Interdepartementale Personeelsinformatie Automatiseringssysteem (IPA-systeem) in het geding kan zijn. De taakuitvoering ten aanzien van het IPA-systeem en de bedrijfsvoering van IVOP vindt feitelijk plaats onder de verantwoordelijkheid van de Algemene Vergadering van Deelnemers (AVD) van het samenwerkingsverband IPA-systeem. De AVD heeft een Bestuur gekozen dat zorgdraagt voor de dagelijkse aansturing van IVOP. De plv. DGMP is voorzitter van dit Bestuur. II. De doelstelling van IVOP is: Het ontwerpen, ontwikkelen, bouwen, in stand houden en exploiteren van personeelsinformatiesystemen als instrumenten voor het personeelsmanagement, zowel op het terrein van de salarisadministratie, als op het terrein van personeelsbeleid en het personeelsbeheer. III. IVOP bestaat uit: - 1. de directeur; - 2. het directiebureau; - 3. de afdeling Salarisinformatiesystemen; - 4. de afdeling Personeelsinformatie; - 5. de afdeling Exploitatie. IV. De onder III genoemde organisatie-eenheden zijn belast met de volgende taken: - ad 1. De directeur is belast met de leiding van de dienst. - ad 2. Het directiebureau is verantwoordelijk voor: de ondersteuning van de afdelingen in alle facetten van de uitvoering van hun taken. Uit deze verantwoordelijkheid vloeit voort, dat het zorg draagt voor: - het voorbereiden en mede uitvoeren van een intern beleid; - het voorbereiden en mede uitvoeren van een extern beleid binnen de gestelde kaders, waarin de voorlichting, acquisitie en externe profilering gestalte krijgen; - het kwaliteitsbeleid, waarin normen en methoden worden ontwikkeld; - het personeelsbel"},{"i":11686,"b":"Algemeen Reglement van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film gelet op het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrech](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)t (Awb), gelet op [artikel 10, lid 4, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van **4 november 2024**, besluit: Artikel 1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: - **activiteitenplan:** het plan van de aanvrager tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van filmactiviteiten niet zijnde een filmproductie; - **afwerking:** het voor (bioscoop)vertoning en verdere exploitatie gereed maken van een filmproductie na voltooiing van de werkkopie; - **animatie:** een filmproductie die een kunstmatige filmtechniek hanteert waarbij door het na elkaar afspelen van verschillende stilstaande beelden de illusie van beweging ontstaat; - **arthouse film:** een speelfilm waarbij de nadruk op de artistieke kwaliteit ligt en het eindresultaat dusdanig bijzonder is dat dit in potentie nationaal of internationaal herkend en gewaardeerd wordt; - **begroting:** de gedetailleerde financiële onderbouwing van de kosten van een filmproductie of filmactiviteit; - **bestuur:** het bestuur van het Fonds; - **bioscoopuitbreng:** de landelijke distributie van een filmproductie, die na de première -voorafgaand aan de non-theatrical release – in een significant aantal bioscopen of filmtheaters voor een betalend publiek in Nederland wordt uitgebracht; - **categorie:** een soort filmproductie; - **code diversiteit & inclusie:** de gedragscode gericht op een gelijkwaardige en toegankelijke cultuursector voor makers, producenten, werkenden en publiek, zoals van tijd tot tijd gepubliceerd op de website van het Fonds; - **coproductie:** een filmproductie, waaraan twee of meer coproducenten risicodragend, op basis van een door alle partijen goedgekeurd filmplan of scenario een inhoudelijk"},{"i":12569,"b":"Besluit routinematige vervanging inkomende post KNAW 2021 Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26a) en [26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b), artikel 3.2.8, onder b, van de Mandatenregeling KNAW en artikel 12 van de Regeling Archiefbeheer KNAW, BESLUIT, vast te stellen onder kenmerk ARCHIEF/JME/1419, Artikel 1. Routinematige vervanging - a. Over te gaan tot routinematige vervanging door digitale reproducties van ontvangen analoge archiefbescheiden die op grond van de actuele selectielijst van de KNAW voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna de analoge archiefbescheiden worden vernietigd. Dit houdt in dat papieren archiefbescheiden, ontstaan in het kader van werkprocessen van de KNAW, worden vervangen door digitale reproducties, welke na vernietiging van de papieren stukken als originele archiefbescheiden zullen worden aangemerkt; - b. Reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde ‘Handboek voor routinematige vervanging van inkomende post van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW)’; - c. Dit besluit is niet van toepassing op documenten die, overeenkomstig paragraaf 3.4 van het in onderdeel b genoemde handboek, van vervanging worden uitgesloten. Artikel 2. Inwerkingtreding - a. Dit besluit vervangt het Besluit tot vervanging van de personeelsdossiers van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) van 4 juli 2018 voor zover het de routinematige vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden in de personeelsdossiers betreft. Dat besluit van 2018 blijft wel van toepassing op de retrospectieve vervanging (vervanging met terugwerkende kracht) van de personeelsdossiers; - b. Dit beslu"},{"i":14215,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 27 maart 2012, nr. IENM/BSK-2012/20629, houdende aanwijzing van de richtlijn of onderdelen daarvan in verband met de eisen die moeten worden gesteld aan examinatoren bij praktijkexamens (Regeling eisen examinatoren) Gelet op richtlijn nr. 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PbEU L 403) en [artikel 4z1 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4z1); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A tot en met L, van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994, enz. (implementatie derde rijbewijsrichtlijn) in werking treedt. Artikel 1 Bij de toepassing van de taken op het gebied van de beoordeling van de rijvaardigheid neemt het CBR bijlage IV bij richtlijn nr. 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 2006 (PbEU L 403) betreffende het rijbewijs in acht. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel I, onderdelen A tot en met L, van de wet van 26 januari 2012 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in verband met de implementatie van de derde rijbewijsrichtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031264&artikel=I) (Stb. 2012, 39) in werking treedt. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eisen examinatoren. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13234,"b":"Dienstplichtwet BES Titel I. Dienstplicht Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: - a. **krijgsmacht:** de krijgsmacht van het Koninkrijk; - b. **werkelijke dienst:** dienst in de krijgsmacht; - c. **dienstplicht:** de verplichting tot het vervullen van werkelijke dienst; - d. **dienstplichtige:** hij, die ingevolge deze wet tot werkelijke dienst kan worden opgeroepen; - e. **Onze Minister:** Onze Minister van Defensie. 2. Onder de ingevolge deze wet voor de dienstplicht in te schrijven personen worden uitsluitend mannelijke personen verstaan. 3. Waar in deze wet wordt gesproken van personen, die ongeschikt zijn verklaard, van dienstplicht zijn vrijgesteld of uitgesloten of te wier aanzien een rechterlijke uitspraak heeft plaats gehad, worden hieronder – voor zover het tegendeel niet blijkt – verstaan diegenen omtrent wie het desbetreffende besluit of de desbetreffende uitspraak onherroepelijk is geworden. 4. Waar in deze wet wordt gesproken van het oproepen in werkelijke dienst, wordt daaronder ten aanzien van hen, die zich reeds in werkelijke dienst bevinden, verstaan het houden in werkelijke dienst. Artikel 2 [Vervallen] Artikel 3 Alle stukken, die in verband met de bepalingen van deze wet of te harer uitvoering gegeven voorschriften en uitgevaardigde besluiten en beschikkingen worden gevorderd, ingediend, overgelegd of uitgereikt, zijn vrij van het recht van zegel. Artikel 4 1. Hij, die voor de dienstplicht is ingeschreven, kan niettemin, ook al is hij als dienstplichtige in werkelijke dienst, worden toegelaten tot een vrijwillige verbintenis bij de krijgsmacht. Onze Minister bepaalt in hoeverre betrokkene, na voldoening aan zijn vrijwillige verbintenis, geacht kan worden zijn dienstplicht te hebben vervuld. 2. Gedurende de staat van oorlog en beleg behoeft de in het eerste lid bedoelde dienstplichtige voorafgaande toestemming van Onze Minister. 3. De bepalingen van deze wet zijn, tenzij anders is ove"},{"i":11996,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie tot beperking van de openbaarheid van het naar het Nationaal Archief over te brengen archief Naturalisatie- en Nationaliteitsaangelegenheden van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (1850) 1947–1989 (1995) Overwegende dat een deel van de dossiers in het archief **Naturalisatie en Nationaliteitsaangelegenheden van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, (1850) 1947–1989 (1995),**toegangsnummer NA 2.09.128, bijzondere persoonsgegevens bevat als bedoeld in de [Wet bescherming persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011468); Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 21 juli 2015, kenmerk Na/2015/15421; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokken personen, zijn de thans naar het Nationaal Archief over te brengen dossiers uit het archief ‘Naturalisatie en Nationaliteitsaangelegenheden van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, (1850) 1947–1989 (1995)’, die betrekking hebben op verzoeken tot verkrijging van verlof voor het treden in vreemde staats- of krijgsdienst en verzoeken om verkrijging van het Nederlanderschap (lettergroep NT/NTR, inventarisnummers 10339-10594), ‘verlies Nederlanderschap’ (lettergroep VN, inventarisnummers 9281-9671) en ‘wegneming staatloosheid’ (lettergroep WS, inventarisnummers 9672-10003), na overbrenging beperkt openbaar. Deze beperking geldt tot 100 jaar na geboortedatum van de persoon op wie het dossier betrekking heeft, dan wel, in geval van het ontbreken van een geboortedatum, tot 75 jaar na afsluiting van het dossier. De beperking vervalt indien ten genoegen van de beheerder van het Nationaal Archief, de algemene rijksarchivaris, is aangetoond dat de persoon op wie het dossier betrekking"},{"i":14022,"b":"Tijdelijk Besluit vrijstelling van dienst ambtenaren en werknemers BES Artikel 1 1. De bepalingen van dit besluit en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften vinden slechts toepassing voor zover niet anders is of wordt bepaald. 2. De [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&hoofdstuk=IV&z=2026-05-14&g=2026-05-14), [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&hoofdstuk=V&z=2026-05-14&g=2026-05-14) en [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&hoofdstuk=VI&z=2026-05-14&g=2026-05-14) zijn niet van toepassing op ambtenaren die niet regelmatig dienst doen. Artikel 2 1. Aanstelling geschiedt in vaste of in tijdelijke dienst. 2. Aan de aanstelling in vaste dienst gaat in de regel vooraf een aanstelling in tijdelijke dienst. 3. Aanstelling in tijdelijke dienst kan slechts plaats hebben: - a. indien mag worden aangenomen, dat de werkzaamheden, waarmede de ambtenaar zal worden belast, van aflopende aard zijn. Wanneer werkzaamheden als in de vorige volzin bedoeld elkaar in een aaneensluitende reeks opvolgen, wordt de aanstelling in tijdelijke dienst van de ambtenaar, die met die werkzaamheden is belast, na vijf jaren door een aanstelling in vaste dienst vervangen, indien mag worden aangenomen, dat deze werkzaamheden tenminste nog vijf jaren zullen voortduren. De aanstelling in tijdelijke dienst wordt in elk geval na tien jaren dienst als zodanig door een aanstelling in vaste dienst vervangen; - b. indien een wijziging van de taak van de betrokken dienst is voorgenomen; - c. van personen, in dienst genomen ter vervanging van tijdelijk afwezig personeel; - d. van personen in opleiding; - e. van personen als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2026-05-14&g=2026-05-14); - f. voor een proeftijd van niet langer dan één jaar, ten hoogste met nog één jaar te verlengen. In bijzondere gevallen kan op verzoek van de ambtenaar de proeftijd na twee jaren nog uiterlijk met één jaar worden"},{"i":14267,"b":"Regeling betreffende de formulieren bestemd voor het opmaken van de in verband met de aangifte van de geboorte over te leggen verklaring van een arts of een verloskundige en de daarbij behorende enveloppe Gelet op [artikel 27, derde lid, van het Besluit burgerlijke stand 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=27); Besluit: Artikel 1 De verklaring van een arts of een verloskundige, bedoeld in [artikel 19e, elfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=19), wordt opgemaakt door invulling van een formulier ingericht overeenkomstig het als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007014&bijlage=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01) aangehechte model (formaat A4, 297 × 210 mm). Het formulier wordt vervaardigd als doordrukformulier met twee kopieën, waarvan de ene door de arts of de verloskundige kan worden gehouden en de andere aan de moeder of de aangever kan worden uitgereikt. Artikel 2 De in artikel 27, tweede lid, van het Besluit burgerlijke stand bedoelde enveloppe is ingericht overeenkomstig het als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007014&bijlage=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01) aangehechte model (formaat A5, 162 × 229 mm). Artikel 3 Indien de Wet van 14 oktober 1993 tot herziening van Titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en wijziging van enige andere bepalingen van Boek 1 van dat wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafvordering in werking treedt, treedt deze regeling op dezelfde datum in werking. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Bijlage 1. Verklaring van geboorte ex [artikel 19e, elfde lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=19), op te maken door een arts of een verloskundige 1. Kind 2. Moeder De ondergetekende verklaart: Opgemaakt op ... (datum) door ... (geslachtsnaam en voorletters) bevoegd: arts/verloskundige 1doorhal"},{"i":13749,"b":"Kavelbesluit kavel Beta windenergiegebied IJmuiden Ver I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3) en gelet op de [Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552), besluit de Minister voor Klimaat en Energie in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Natuur en Stikstof als volgt: II. Toelichting kavelbesluit Beta windenergiegebied IJmuiden Ver 1. Inleiding 1.1. Nut en noodzaak De Rijksoverheid neemt maatregelen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Daarnaast moet de verdere opwarming van de aarde beperkt worden. Hiervoor zijn nationale en internationale doelen afgesproken. In 2016 heeft de Europese Unie mede namens Nederland het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Doel van het akkoord is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. Om de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs te halen zijn afspraken in Europa gemaakt. De EU-lidstaten hebben met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 55 procent minder CO2 moet uitstoten dan in referentiejaar 1990. In 2050 wil de Europese Unie klimaatneutraal zijn. Dat betekent dat er dan netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten. De Nederlandse klimaatdoelen zijn vastgelegd in de [Klimaatwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042394). Windenergie op zee is een belangrijke pijler onder het klimaat- en energiebeleid. In de (oorspronkelijke) routekaart windenergie op zee 20301Kamerstukken II, 2017/18, 33 561, nr. 42., zijn de hoofdlijnen geschetst voor de uitrol van windenergie op zee voor de periode tot 2030. De routekaart voorziet in de uitgifte van een vermogen van 11 GW tot en met 2030. Hiertoe worden kavels vastgesteld binnen de grenzen van de windenergiegebieden Borssele, Hollandse Kust (zuid), Hollandse Ku"},{"i":12046,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 1 oktober 2025, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Sovjet-Unie/Rusland, ambassade Moskou (1958) 1975–2013 (2017) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 12 september 2025, met kenmerk 54334941. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van archiefbestand, nummer 2.05.468 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | **Inventarisnummers:** | **Beperkt openbaar tot 1 januari:** | | --- | --- | | 61 | 2047 | | 84 | 2069 | | 119 | 2069 | | 142 | 2046 | | 164 | 2076 | | 166 | 2076 | | 175 | 2046 | | 185 | 2037 | | 186 | 2046 | | 196 | 2046 | | 262 | 2082 | | 513 | 2096 | | 518 | 2078 | | 551 | 2077 | | 564 | 2076 | | 673 | 2080 | | 674 | 2047 | | 692 | 2051 | | 693 | 2047 | | 706 | 2046 | | 718 | 2060 | | 725 | 2082 | | 728 | 2043 | | 729 | 2053 | | 730 | 2057 | | 734 | 2050 | | 741 | 2042 | | 744 | 2057 | | 752 | 2033 | | 755 | 2045 | | 762 | 2060 | | 780 | 2081 | | 781 | 2057 | | 798 | 2075 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | **Inventarisnummers:** | **Beperkt openbaar tot 1 januari:** | | --- | --- | | 41 | 2043 | | 47 | 2043 | | 55 | 2043 | | 81"},{"i":13313,"b":"Wet van 1 december 2021, houdende goedkeuring van het koninklijk besluit van 16 augustus 2021, houdende de derde verlenging van de geldingsduur van bepalingen van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Stb. 2021, 393) (Goedkeuringswet derde verlenging geldingsduur Twm covid-19) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ter uitvoering van [artikel VIII, vierde lid, van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044337&artikel=VIII), een regeling te treffen inzake de goedkeuring van een krachtens het derde lid van voornoemd artikel vastgesteld koninklijk besluit; Zo is het, dat Wij, met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het koninklijk besluit van 16 augustus 2021, houdende de derde verlenging van de geldingsduur van bepalingen van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Stb. 2021, 393), wordt goedgekeurd. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze wet wordt aangehaald als: Goedkeuringswet derde verlenging geldingsduur Twm covid-19. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":13205,"b":"Deelregeling Kunstpodia 2020-2024 Gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **het fonds:** het Mondriaan Fonds; - b. **het bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds; - c. **kunstpodium:** een organisatie al dan niet met rechtspersoonlijkheid gevestigd in Nederland, zonder collectie, die een publiekstoegankelijk podium biedt voor de presentatie van vernieuwend of experimenteel aanbod van hedendaagse beeldende kunst en tot primair doel heeft hedendaagse beeldende kunst te presenteren waarbij winst niet het primair oogmerk is; - d. **programma:** een serie van inhoudelijk samenhangende activiteiten gericht op presentatie, experiment, opinie en debat, zoals tentoonstellingen, discussiebijeenkomsten en lezingen; - e. **beeldend kunstenaar:** degene die op professionele wijze werk maakt binnen het kader van de beeldende kunsten; - f. **beeldende kunst:** hedendaagse en actuele vormen van verbeelding die door beeldend kunstenaars worden vervaardigd binnen één of meer van de volgende terreinen: - •. teken-, schilder- en grafische kunsten, - •. beeldhouwkunst, (sociale) sculptuur en installatiekunst, - •. conceptuele kunst, performancekunst, artistiek onderzoek, - •. niet-traditionele vormen van beeldende kunst, - •. fotografie, - •. audiovisuele, digitale, geluids- en (nieuwe) mediakunst, - •. beeldende kunsttoepassingen, - •. kunst in de openbare ruimte; - g. **aanvrager:** een kunstpodium dat een aanvraag doet; - h. **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten inclusief de bijzondere gemeentes Bonaire, Sint-Eustatius en Saba; - i. **bevoegd adviesorgaan:** een onder welke benaming dan ook door het bestuur aangewezen adviseur of adviescommissie aan wie is opgedragen aanvragen op grond van een of meer deelregelingen te"},{"i":9238,"b":"Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Montenegro, anderzijds Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verdragsluitende partijen bij het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), het [Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033) en het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507), hierna „lidstaten” genoemd, en de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „de Gemeenschap” genoemd, enerzijds, en de Republiek Montenegro, hierna „Montenegro” genoemd, anderzijds, tezamen „de partijen” genoemd, Gelet op de sterke banden tussen de partijen en de waarden die zij gemeen hebben, hun verlangen deze banden nog te versterken en op wederkerigheid en wederzijds belang gebaseerde nauwe en langdurige betrekkingen tot stand te brengen die Montenegro in staat moeten stellen de betrekkingen met de Gemeenschap en haar lidstaten te versterken en uit te breiden; Gelet op het belang van deze overeenkomst voor het stabilisatie- en associatieproces (SAP) met de landen van Zuidoost-Europa voor de totstandbrenging en handhaving van een op samenwerking gebaseerde stabiele orde in Europa, waarvan de Euro"},{"i":13598,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 2 februari 2018, houdende instelling van de Onderzoekscommissie WODC I inzake deugdelijkheid drugsonderzoeken (Instellingsbesluit Onderzoekscommissie WODC I inzake deugdelijkheid drugsonderzoeken) In overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Besluit: Vindt toepassing met ingang van 15 januari 2018. Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **Commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040615&artikel=2&z=2018-02-13&g=2018-02-13). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een onafhankelijke Onderzoekscommissie WODC I inzake deugdelijkheid drugsonderzoeken. 2. De Commissie heeft tot taak onderzoek te verrichten naar: - a). het rapport ‘Het Besloten club- en het Ingezetenencriterium voor coffeeshops’ uit 2013; - b). het rapport ‘Internationaal recht en cannabis’ uit 2014; en - c). het rapport ‘Coffeeshops, toeristen en lokale markt’ uit 2014. 3. De Commissie beoordeelt of: - a). in de totstandkoming van de in het tweede lid genoemde rapporten in de ruimste zin, in ieder geval in het proces van opdrachtformulering, de keuze van de methodologie, de uitvoering en begeleiding, sprake is geweest van onbehoorlijke beïnvloeding die de onafhankelijkheid van de onderzoekers heeft aangetast; - b). de rapporten tot stand zijn gekomen volgens de standaarden voor beleidsonderzoek die destijds golden; - c). de samenvattingen van de rapporten een correcte en volledige weergave zijn van de resultaten in de rapporten volgens de standaarden voor beleidsonderzoek die destijds golden; en - d). de conclusies in de rapporten worden gedragen door de onderzoeken. 4. De Commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan haar opdracht. 5. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies is"},{"i":13566,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 10 december 2013, nr. 462409, houdende instelling van de kwaliteitscommissie Bibob (Instellingsbesluit kwaliteitscommissie Bibob) Overwegende dat het wenselijk is een externe kwaliteitscommissie Bibob in te stellen om de kwaliteit van de adviezen van het Bureau Bibob, alsmede de zorgvuldigheid waarmee deze tot stand komen, periodiek te toetsen; Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** de Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **Wet Bibob:** [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798); - c. **De directeur:** de directeur van de Dienst Justis, tevens directeur van het Bureau Bibob; - d. **Het Bureau:** het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, zoals bedoeld in [artikel 8 van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=8); - e. **Adviezen:** de adviezen van het Bureau zoals bedoeld in [artikel 9 van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=9); - f. **De kwaliteitscommissie:** de kwaliteitscommissie Bibob. Artikel 2. Instelling Er is een kwaliteitscommissie Bibob. Artikel 3. Samenstelling 1. De kwaliteitscommissie bestaat uit personen met uiteenlopende deskundigheid en ervaring, bij voorkeur op het terrein van het openbaar bestuur, het bestuursrecht, de politie en het openbaar ministerie. 2. De kwaliteitscommissie kent een voorzitter en maximaal vier overige leden. 3. De kwaliteitscommissie ontvangt ondersteuning van een ambtelijk secretaris. De ambtelijk secretaris is geen lid van de kwaliteitscommissie en legt voor de uitvoering van zijn taak verantwoording af aan de voorzitter. 4. Voor aanstelling als voorzitter of als overig lid komen niet in aanmerking: - a. ambtenaren of andere personen, indien hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid hetzij door hun positie, hetzij door de aard van hun werk"},{"i":12607,"b":"Besluit van 16 oktober 2023, houdende de toekenning van een standaard aan het Regiment Huzaren Prinses Catharina-Amalia Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 10 oktober 2023, nr. BS2023028621, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Gelet op het koninklijk besluit van 22 Augustus 1925, nr. 27, betreffende de omschrijving van het model van vaandels en standaarden; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Regiment Huzaren Prinses Catharina-Amalia voert een standaard. Artikel 2 1. Onder het monogram WA is in goud geborduurd: **1814** **REGIMENT HUZAREN** **PRINSES CATHARINA-AMALIA** 2. Op de voorzijde zijn in goud geborduurd drie opschriften: **QUATRE-BRAS 1815** **WATERLOO 1815** **TIENDAAGSE VELDTOCHT 1831** Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Afschrift van dit besluit zal worden gezonden aan Onze Adjudant-Generaal, tevens Chef van Ons militair Huis."},{"i":12549,"b":"Besluit van 8 januari 1946, houdende regelen nopens het beheer van het Grootboek 1946 Op de voordracht van Onzen Minister van Financiën d.d. 19 December 1945, Generale Thesaurie, Afd. Geldwezen, No. 178; Overwegende, dat het wenschelijk is regelen te stellen nopens het beheer van het Grootboek 1946, als bedoeld in Ons besluit van 14 November 1945 (**Staatsblad** No. F 268); Gelet op artikel 3, derde lid van Ons evengemeld besluit; Den Raad van State gehoord (advies van 27 December 1945, No. 20); Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Financiën d.d. 2 Januari 1946, Generale Thesaurie, Afd. Geldwezen, No. 142; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onder het opperbeheer van Onzen Minister van Financiën is de zorg voor het houden van het Grootboek 1946 en voor de vervulling der daarbij te verrichten werkzaamheden opgedragen aan den Directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld, hieronder te noemen Directeur. Artikel 2 1. De inschrijvingen worden geboekt op naam van de schuldeischers of, zoo de eigenaren van de inschrijving onbekend zijn, met zoodanige aanwijzing, dat daaruit blijkt aan welke eischen moet worden voldaan om als schuldeischer te worden erkend. 2. Onder voorwaarden door Onze Minister van Financiën te stellen worden inschrijvingen of gedeelten van inschrijvingen omgezet in schuldbewijzen aan toonder en kunnen schuldbewijzen aan toonder worden omgezet in inschrijvingen. Artikel 3 De inschrijvingen bedragen honderd gulden of veelvouden daarvan. Artikel 4 Hij, te wiens name in het Grootboek 1946 een rekening is geopend, wordt aangemerkt als eigenaar der op die rekening geboekte inschrijving. Opening van een nieuwe rekening, alsmede bijschrijving op een bestaande rekening tengevolge van eigendomsovergang ener inschrijving is toegestaan met inachtneming van de door Onze Minister van Financiën te stellen voorwaarden. De Directeur is bevoegd misstellingen op de door hem te bepalen wijze te doen herstellen. Artikel 4a Verhandeling van inschrijvinge"},{"i":13406,"b":"Instelling Projectdirectie De Maaswerken 1 Gelet op [artikel 8 van het Organiek Besluit Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002743&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Instelling 1. Er is een Projectdirectie De Maaswerken, in dit besluit te noemen: de projectdirectie. 2. De projectdirectie maakt deel uit van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat. Artikel 2. Taak De projectdirectie heeft tot taak het realiseren van: - a. het gewenste beschermingsniveau tegen hoogwater in de Maas; - b. natuurontwikkeling; - c. grindwinning, en - d. verbetering van de vaarroute, een en ander als een duurzaam concept met een goede en evenwichtige integratie van alle belangen in het gebied, waaronder de landbouw, de recreatie, de zand- en grindwinning en de drinkwatervoorziening. Artikel 3. Organisatie De projectdirectie bestaat uit: - a. de projectdirecteur; - b. de groep Plan- en besluitvorming; - c. realisatiegroepen; - d. stafbureaus en - e. de controller. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst. Artikel 1a Dit besluit berust mede op [artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit directoraat generaal Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=2)."},{"i":12670,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 11 juli 2022, nr. WJZ/ 22233441, houdende aanwijzing van terreinen met populaties van half wilde paardachtigen die zijn uitgezonderd van de identificatieplicht (Besluit uitzondering identificatieplicht half wilde paardachtigen) Gelet op artikel 60 van [verordening (EU) 2019/2035](32035R2019) van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32329R2016) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (Pb EU 2019, L 314) en [artikel 4.8 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032334&artikel=4.8); Besluit: Artikel 1 Als populaties van paardachtigen als bedoeld in artikel 60 van [verordening (EU) 2019/2035](32035R2019) van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32329R2016) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (Pb EU 2019, L 314), worden de populaties die leven in één van de volgende terreinen aangewezen: | Afferdense en Deestse uiterwaarden | Waalbandijk 65 (rondom), 6654 KC Afferden | | --- | --- | | Amerongse bovenpolder | Amerongse Bovenpolder/Onderlangs 3958 BK Amerongen | | Ballastplaat | Strandweg te Lauwersoog | | Bemmelse waard | Ten noorden van Buitenpolder 20 6685 MA Haalderen | | Blauwe Kamer | Blaauwe Kamer (600 meter vanaf nr. 16) 6702 PA Wageningen | | Bourtangerveld | Bisschopsweg 9545 TN Bourtange | | De Houtwiel | Schwartzenbergloane 7 9108 AL Broeksterwoude | | De Rug | Maaseikerweg 42 6116 AG Roosteren | | Delleboersterheide | Aan de Oosterwoldseweg 53, 8421 RP Olderberkoop | | Duingebied Dunea (Meijendel en Berkheide) | Meijendelseweg 3 2243 GN"},{"i":12497,"b":"Besluit van de clusterdirecteur Inning van de directie Centrale Administratieve Processen van 18 november 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en teamleiders binnen het cluster Inning wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":13970,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 november 2003, nr. IBE 2431923, houdende een regeling voor transplantatie van eilandjes van Langerhans Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=2) en [5 van de Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=5); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder transplantatie van eilandjes van Langerhans: het uitnemen bij een donor van de pancreas, het uit de pancreas oogsten van delen of celgroepen die insuline afscheiden en het inbrengen van delen of celgroepen ervan in het lichaam van de ontvanger. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Voor het uitvoeren of gaan uitvoeren van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015947&artikel=1&z=2009-02-06&g=2009-02-06) genoemde verrichting gelden de voorwaarden, aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015947&bijlage=1&z=2009-02-06&g=2009-02-06). Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij is geplaatst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Planningsregeling transplantatie eilandjes van Langerhans. Bijlage 1 Voor het uitvoeren of gaan uitvoeren van transplantatie van eilandjes van Langerhans gelden de volgende voorwaarden: Het transplanteren van eilandjes van Langerhans is slechts toegestaan aan een instelling die daartoe een vergunning van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bezit. De beoordeling van een aanvraag om een vergunning zal gebeuren met inachtneming van het Planningsbesluit orgaantransplantatie en wordt alleen verleend aan een centrum dat als orgaantransplantatiecentrum aangewezen is op basis van dat planningsbesluit. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13754,"b":"Kavelbesluit V windenergiegebied Hollandse Kust (noord) I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3) en de [Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552), besluit de Minister van Economische Zaken en Klimaat in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit als volgt: II. Toelichting kavelbesluit V windenergiegebied Hollandse Kust (noord) Opgesteld door **Rijkswaterstaat** In opdracht van **Ministerie van Economische Zaken en Klimaat** 1. Inleiding 1.1. Nut en noodzaak Nederland voert al enige kabinetten lang een klimaatbeleid dat binnen de Europese Unie is afgestemd met de andere lidstaten. Hierbij gaan het streven naar het sterk verminderen van de uitstoot van CO2 en het besparen van energiegebruik en het ontwikkelen van bronnen van duurzame energie hand in hand. Doel is het beperken van de opwarming van de atmosfeer tot 2 graden Celsius om aldus ernstige maatschappelijke en economische gevolgen van klimaatverandering af te wenden. Nevendoel is het minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen, met name die uit politiek instabiele regio’s afkomstig zijn. Het uiteindelijke doel is om in 2050 een nagenoeg CO2-neutrale economie te bereiken. Bij het akkoord over het Klimaat- en Energie Beleidsraamwerk voor 20301Kamerstukken II, 2014/15, 21 501-20, nr. 922. is een Europees bindend doel van 27% hernieuwbare energie afgesproken. In het Energieakkoord voor duurzame groei2SER, Energieakkoord voor duurzame groei, september 2013. (hierna: Energieakkoord) is een pakket aan maatregelen afgesproken, waaronder de bouw van grootschalige windparken in de Noordzee. Specifiek voor windparken op zee is afgesproken dat er 4.450 MW operationeel vermogen in 2023 gerealiseerd is. Door de grootschalige uitrol van windenergie op zee wo"},{"i":14102,"b":"Regeling bepaling biochemisch zuurstofverbruik Gelet op [artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1); Besluit: Artikel 1 Het biochemisch zuurstofverbruik, bedoeld in [artikel 1.1., eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), wordt bepaald onder omstandigheden die zijn gespecificeerd in NEN 6634, uitgave juni 1991. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 1996. Artikel 3 Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling bepaling biochemisch zuurstofverbruik. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11696,"b":"Wet van 23 juni 2005 tot harmonisatie van inkomensafhankelijke regelingen (Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is inkomensafhankelijke regelingen, zoals die op het punt van wonen, kinderen en zorg, zoveel mogelijk te harmoniseren door een aantal algemene begrippen in die regelingen onder te brengen in één nieuwe wet, en de uitvoering van deze regelingen te stroomlijnen door deze waar mogelijk te laten plaatsvinden door de Belastingdienst/Toeslagen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Deze wet geldt voor berekeningsjaren die aanvangen op of na 1 januari 2006. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Paragraaf 1. Toepassingsgebied Artikel 1. Toepassingsgebied 1. Deze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen. 2. In afwijking van het eerste lid is deze wet op inkomensafhankelijke regelingen die vóór 1 januari 2006 van kracht zijn, slechts van toepassing voor zover dit in de desbetreffende inkomensafhankelijke regeling is bepaald. 3. Onder inkomensafhankelijke regelingen worden verstaan bij of krachtens wet vastgestelde regelingen die natuurlijke personen aanspraak geven op een financiële bijdrage van het Rijk in kosten of bijdrageverplichtingen, waarbij de hoogte van de bijdrage in die regelingen afhankelijk is gesteld van draagkracht. Paragraaf 2. Begrippen Artikel 2. Definities 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder: - a. belastbaar loon: het belastbare loon bedoeld in [artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=9), met uitzondering van loon dat als een eindheffingsbestanddeel in de zin van [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471) is belast; - b. berekenings"},{"i":11698,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666193 op grond van artikel 3.121 van de Energiewet, en artikel 12f van de Gaswet juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet over de allocatie van gascapaciteit (Allocatiecode systeembeheerders gas) De Autoriteit Consument en Markt, Gelet op [artikel 12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f) en [artikel 3.121 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.121); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen 1. Werkingssfeer en definities Hoofdstuk 2. Allocatie 2. Tijdschema allocatie 2.1. Near-real-time allocatie 2.2. Maandelijkse allocatie 2.3. [vervallen] – 2.4. Maandelijkse allocatie: Allocatiegegevens op de 6e werkdag na afloop van de maand 2.5. Maandelijkse allocatie: Allocatiegegevens op de 16e werkdag na afloop van de maand 2.6. Maandelijkse allocatie: Allocatiegegevens op de 10e werkdag van de vierde maand na afloop van de maand 2.7. Consistentie van de aangeleverde gegevens Hoofdstuk 3. Tijdschema reconciliatie Hoofdstuk 4. Het allocatieproces voor systeemgebieden 4.0. Toegestane programmaverantwoordelijken 4.1. Verstrekking van basisgegevens door de transmissiesysteembeheerder 4.1a. Verstrekking van basisgegevens door de distributiesysteembeheerder 4.1b. Decentrale Invoeding 4.2. Allocatie per systeemgebied 4.4. Samenstellen van de allocatiegegevens door distributiesysteembeheerder 4.5. Restenergie 4.6. Correcties op allocaties 4.7. Bijzondere omstandigheden 4.8. Verstrekking van maandelijkse allocatiegegevens (offline allocatiegevens) 4.9. Vaststelling te alloceren systeemverliezen Hoofdstuk 4a. Het allocatieproces voor overige entry- en exitpunten van het transmissiesysteem Met uitzondering van de exitpunten waar het transmissiesysteem is verbonden met een systeemgebied voert de transmissiesysteembeheerder voor alle entry- en exitpunten van het transmissiesysteem de allocatie uit. De transmis"},{"i":13736,"b":"Wet van 3 juli 1996, houdende algemene regels over de advisering in zaken van algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk (Kaderwet adviescolleges) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, mede in verband met [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79), algemene regels te stellen over de advisering in zaken van algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. adviescollege: een college dat krachtens publiekrecht tot taak heeft de regering te adviseren over algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk; - b. Onze Minister: Onze Minister wie het aangaat. Artikel 2 Geen adviescollege in de zin van deze wet is: - a. een college als bedoeld in [artikel 1:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:1); - b. een college dat voor meer dan de helft bestaat uit ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een daaronder ressorterende instelling, dienst of bedrijf, en die in verband met hun werkzaamheden in dat college zitting hebben. Artikel 3 De [hoofdstukken 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&hoofdstuk=3&z=2022-07-01&g=2022-07-01) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&hoofdstuk=5&z=2022-07-01&g=2022-07-01) en [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&hoofdstuk=6&artikel=28&z=2022-07-01&g=2022-07-01) gelden niet ten aanzien van adviescolleges waarvan de adviestaak, bedoeld in [artikel 1, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2022-07-01&g=2022-07-01), niet de hoofdtaak is."},{"i":13463,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 13 maart 2012, nr. IENM/BSK-2011/166751, houdende de instelling van de Begeleidingscommissie voor het Planbureau voor de Leefomgeving Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **begeleidingscommissie:** begeleidingscommissie voor het Planbureau voor de Leefomgeving, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031379&artikel=2&z=2018-02-09&g=2018-02-09); - –. **Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - –. **planbureau:** Planbureau voor de Leefomgeving, bedoeld in [artikel 16 van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat](onbekend). Artikel 2 Er is een begeleidingscommissie voor het planbureau. Artikel 3 De begeleidingscommissie heeft tot taak: - a. toezicht houden op de wetenschappelijke kwaliteit van het werk van het planbureau, waaronder in ieder geval de zorg voor periodieke visitaties wordt verstaan, en - b. toezicht houden op de maatschappelijke relevantie van het werk van het planbureau. Artikel 4 1. De Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de andere leden van de begeleidingscommissie, na overleg met de directeur van het planbureau en in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad. 2. De begeleidingscommissie bestaat uit ten hoogste 10 leden die niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de Minister of een andere belanghebbende minister. 3. De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een tijdvak van vier jaar. 4. Een lid dat is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd had moeten aftreden. 5. De Minister ontslaat een lid tussentijds: - a. op diens verzoek; - b. op verzoek van de instantie op wier voordracht hij is benoemd, of - c. indien hij niet langer voldoet aan de hoedanigheden op grond waarvan hij werd benoemd. 6. De directeur van het planbureau kan de vergaderingen van de begeleidingscommissie b"},{"i":13354,"b":"Informatiemodel Uitvoeringsverslag (UV) Zvw 2015 met oplevering in 2016 december 2014 het informatiemodel ligt bij de NZa ter inzage Vooraf Zorgverzekeraars leveren jaarlijks vóór 1 juli hun uitvoeringsverslag aan bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Het voorliggende informatiemodel Uitvoeringsverslag (UV) Zvw 2015 dient op grond van [artikel 3.1 van de Regeling Zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=3.1) als leidraad voor de inrichting van dit uitvoeringsverslag. De NZa wil de beweging maken naar meer principle based toezicht; dus minder detail in de (verantwoordings)voorschriften. De voorlopig positieve resultaten uit het vereveningsonderzoek Zvw 2013 bieden hiervoor op dit moment in elk geval voor de controletaken de ruimte. Uit dit onderzoek is gebleken dat zorgverzekeraars hun controletaken in het algemeen op een voldoende niveau hebben gebracht. De NZa zet in op een meer principle based uitwerking van de normenkaders voor formele controle, materiele controle, gepast gebruik en fraude. Dit zal in beginsel ook leiden tot een meer principle based verantwoording over deze onderwerpen in het uitvoeringsverslag Zvw. De hiervoor genoemde normenkaders worden opgenomen in de Nadere Regeling controle en administratie zorgverzekeraars, die de NZa momenteel aan het actualiseren is. De NZa streeft ernaar om de geactualiseerde Nadere Regeling zo spoedig mogelijk in het eerste kwartaal van 2015 te publiceren. Mede op verzoek van veldpartijen brengt de NZa het informatiemodel dit keer eerder uit dan in voorgaande jaren. Op dit moment zijn de verantwoordingsconsequenties van een aantal wijzigingen in 2015 echter nog niet duidelijk. Zo kan aanname van het wetsvoorstel tot wijziging van [artikel 13 Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=13) leiden tot aanvullende verantwoordingseisen ten aanzien van het inkoopbeleid van zorgverzekeraars. Daarnaast is het mogelijk dat uit de overheveling van verstrekkingen van de [AWBZ]("},{"i":11743,"b":"Beleidsregel behandeling concentratierisico opkomende landen Gelet op de [artikelen 3:17 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17) en de [artikelen 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=23), [24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=24a) en [25a van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=25a); Na overleg met de Nederlandse Vereniging van Banken; Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **het Besluit:** het [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420) - b. **onderneming:** een bank in de zin van [artikel 23, tweede lid, tweede volzin van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=23); - c. **landenrisico:** het risico waarbij een leningnemer in een staat niet aan zijn kredietverplichtingen kan voldoen wegens transfer- of omzettingsrisico’s en het risico op verliezen gerelateerd aan ontwikkelingen in een specifiek land, waarop de overheid in enige mate invloed kan hebben, maar private bedrijven of individuen zeker niet.1Stijn Claessens en Geert Embrechts (2002), ‘Basel II, Sovereign Ratings and Tranfer Risk: External versus Internal ratings’, gepresenteerd tijdens Basel II Conference: An Economic Assessment, Bank for International Settlements.; - d. **materiële landenconcentratie:** het bedrag van het totaal van de niet naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling ten aanzien van leningnemers uit dezelfde staat, als dit groter is dan 5% van het totaal van de niet naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling. Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op materiële landenconcentraties waarvan het landenrisico niet te verwaarlozen is. Artikel 3 Voor de toepassing van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027921&artikel=4&z=2010-07-17&g=2010-07-17) mag de materiële landenconcentratie"},{"i":13290,"b":"Gemeenschappelijke Regeling Noord-Hollands Archief Gelet op [hoofdstukken VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=VIII) en [I van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=I); Besluiten: tot het treffen van de navolgende gemeenschappelijke regeling tot de instelling van een openbaar lichaam dat de archiefbescheiden en collecties beheert die berusten in de gemeentelijke archiefbewaarplaatsen van de gemeenten Haarlem en Velsen en in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Noord-Holland; Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **de gemeenten:** de gemeenten Haarlem en Velsen; - c. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - d. **collecties:** de verzameling historische voorwerpen, boeken en overige schriftelijke en elektronische bescheiden in de meest ruime zin des woords, niet zijnde archiefbescheiden, in eigendom of beheer bij de Minister en de gemeenten voor zover het betreft voorwerpen of bescheiden bij de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Noord-Holland en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten; - e. **college(s):** de college(s) van burgemeester en wethouders van de gemeenten Velsen en Haarlem; - f. **provincie:** de provincie Noord-Holland; - g. **de wet:** de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740); - h. **regeling:** deze gemeenschappelijke regeling. Hoofdstuk 2. Het openbaar lichaam Artikel 2. Belang van de regeling 1. De regeling wordt getroffen met het doel de belangen van de Minister en de colleges bij alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden, collecties, individuele documenten en dergelijke die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats"},{"i":9940,"b":"Verordening van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming van 20 november 2024 nr. ANVS-2024/9570, houdende nadere regels met betrekking tot nucleaire veiligheid, beveiliging en ontmanteling (ANVS-Verordening nucleaire drukapparatuur, beveiliging en ontmanteling) Gelet op het op 3 maart 1980 te Wenen/New York tot stand gekomen Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (Trb. 1981, 7), zoals gewijzigd bij het op 8 juli 2005 te Wenen tot stand gekomen Verdrag tot wijziging van het voornoemde verdrag (Trb. 2006, 81); Gelet op de IAEA Nuclear Security Series No. 13, Nuclear Security Recommendations on Physical Protection of Nuclear Material and Nuclear Facilities (INFCIRC/225/Revision 5, IAEA Nuclear Security Series-13” (STI/PUB/1481 (iaea.org)); Gelet op de [artikelen 21, tweede, derde, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=21), [22, zevende tot en met negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=22), [22a, eerste lid, onderdeel a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=22a), [22h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=22h), [22j, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=22j), en [30d, tweede lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=30d), de [artikelen 1d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=1d), en [1h van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002668&artikel=1h), [artikel 19 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002667&artikel=19) in samenhang met [artikel 4.2 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040179&artikel=4.2), en [artikel 2, tweede lid, van de Regeling nucleaire drukapparatuur](https://wetten"},{"i":11776,"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen voor ergotherapie Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59 aanhef en onder b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met de brief van 25 augustus 2016, met kenmerk 942707-148296-MC, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van ergotherapeutische zorg. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op ergotherapeutische zorg als omschreven bij of krachtens [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. op het terrein van ergotherapeutische zorg, uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van personen, ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) (Wet BIG) of door personen als bedoeld in [artikel 34 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":11778,"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen voor fysiotherapie Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59 aanhef en onder b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dan wel de Minister voor Medische zorg met brieven van 12 november 2007, met [kenmerk MC-U 2805004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022894), 9 januari 2008, met kenmerk CZ/EKZ-2822885, 29 augustus 2008, met [kenmerk CZ/TSZ-2873530](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024503), en van 29 juni 2020, met [kenmerk 1708250 207156 PZO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043857), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel aanwijzingen op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van fysiotherapeutische zorg. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op fysiotherapeutische zorg als omschreven bij of krachtens [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. op het terrein van de fysiotherapeutische zorg, u"},{"i":11779,"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen voor logopedie Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59 aanhef en onder b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met brief van 19 mei 2016, met [kenmerk 954065-149176-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037979), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Artikel 1. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van logopedische zorg. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op logopedische zorg als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. op het terrein van logopedische zorg, uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van personen, ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) (Wet BIG) of door personen als bedoeld in [artikel 34 van de Wet BIG](https:"},{"i":13088,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 16 februari 2011, nr. ETM/IT10180293, houdende wijziging van het Nationaal Frequentieplan 2005 in verband met het verlengings- en digitaliseringsbeleid commerciële radio Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 3.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.1); Besluit: Artikel I Wijzigt het Vaststellingsbesluit Nationaal Frequentieplan 2005. Artikel II In afwijking van de kolom ‘beleid’ voor de frequentieband van 87.5 MHz tot 104.9 MHz in het NFP kan de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie in de frequentieband van 87.5 MHz tot 104.9 MHz vergunningen voor netgebonden frequenties tevens op volgorde van binnenkomst verlenen, indien de aanvraag voldoet aan de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019813&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019813&artikel=3) en [5 van de Beleidsregel optimalisatie commerciële FM-vergunningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019813&artikel=5), de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op grond van [artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:84) afwijkt van genoemde beleidsregel of een rechterlijke uitspraak hiertoe aanleiding geeft. Artikel III 1. Dit besluit treedt, met uitzondering van [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029632&artikel=I&z=2011-09-01&g=2011-09-01), voor zover het de frequentieband 226.504 MHz - 228.216 MHz betreft, in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. 2. [Artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029632&artikel=I&z=2011-09-01&g=2011-09-01), voor zover het de frequentieband 226.504 MHz-228.216 MHz betreft, treedt in werking op 1 september 2011. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant word"},{"i":13370,"b":"Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2022, versie 1.00 (Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 3 november 2021 krachtens [artikel 15 van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15), goedgekeurd bij besluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 23 november 2021). Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat advocaten die rechtsbijstand in de zin van de wet willen verlenen zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De Raad stelt dan ook als voorwaarde voor het toevoegen van (beginnende) advocaten op basis van de Wrb dat een verzoek om inschrijving bij de Raad eerst volledig is behandeld en is ingewilligd. Het bestuur van de Raad kan op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=14) en [15 van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=15) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op de organisatie van het kantoor waar de rechtsbijstandverlener werkzaam is, de verslaglegging van de advocaat omtrent de door hem/haar verleende bijstand, het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks kan worden toegevoegd en de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden. Deze inschrijvingsvoorwaarden van de Raad zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar advocaten die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. Er bestaan algemene voorwaarden die voor alle ingeschreven advocaten gelden en bijzondere voorschriften voor rechtsbijstand op specifieke rechtsgebieden. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft Gedragsregels1Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten. en verordeningen vastgesteld waarnaar advocaten zich behoren te richten. De deken in een arrondissement is belast met het toezicht op advocaten die kantoor houden in dat arrondisse"},{"i":11794,"b":"Beleidsregel respijttermijnen voor gewasbeschermingsmiddelen gelet op het bepaalde in artikel 46, van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) en [artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begrippen Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Aflevertermijn:** Binnen deze termijn mogen bestaande voorraden van het gewasbeschermingsmiddel nog op de markt worden gebracht, worden gedistribueerd, verwijderd, opgeslagen of opgebruikt. - b. **Gewasbeschermingsmiddel:** gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van [Verordening (EG) Nr. 1107/2009](https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32009R1107) - c. **Ctgb:** Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. - d. **Expiratie:** Het eindigen van de toelating van een gewasbeschermingsmiddel door verstrijken van de in de toelating gegeven toelatingstermijn. - e. **Opgebruiktermijn:** Binnen deze termijn mogen bestaande voorraden van het gewasbeschermingsmiddelen nog worden verwijderd, opgeslagen of opgebruikt. - f. **Referentiemiddel:** Gewasbeschermingsmiddel waarvoor in Nederland reeds een toelating is verleend. - g. **Respijttermijn:** Aflever- en opgebruiktermijn. - h. **Verordening (EG) nr. 1107/2009:** [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de [richtlijnen 97/117/EEG](31997L0117) en [91/414/EEG](31991L0414) van de Raad (PbEU 2009, L 309). Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op besluiten tot (gedeeltelijke) intrekking, wijziging of (gedeeltelijke) niet-verlenging van de toelating van een in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel op grond van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107). Artikel 3. Werkwijze voor vaststelling van een respijttermijn De we"},{"i":11801,"b":"Beleidsregel ter uitvoering van artikel 6 van het Loodsplichtbesluit 1995 Artikel 1 Met deze beleidsregel wordt nadere invulling gegeven aan de begrippen “constructie” en “gebruikt of zal worden gebruikt”, als bedoeld in [artikel 1, onderdelen j en k, van het Loodsplichtbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=1). Bij beoordeling door de regionale autoriteit van aanvragen als bedoeld in [artikel 6, derde lid, van het Loodsplichtbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512&artikel=6) om als lage kruiplijn-coaster of binnen/buiten-schip te worden ingeschreven in het Register loodsplicht kleine zeeschepen worden bij toetsing de navolgende criteria aangehouden: **Binnen/buiten-schip (Loodsplichtbesluit 1995, artikel 1, onder j):** - 1. Lengte over alles van minder dan 115 meter; - 2. Blijkens zijn constructie vergelijkbaar is met een binnenschip; - a. geringe diepgang: zomerdiepgang van minder dan of gelijk aan 5,5 meter; - b. lage opbouw (airdraft): hoogte van minder of gelijk aan 18 meter, gemeten van de kiel tot het hoogste vaste punt van het schip; - c. relatief lang en slank schip: verhouding lengte/breedte is groter of gelijk aan 6,0. - 3. Aangetoond wordt dat het schip gebruikt wordt of zal worden gebruikt voor de vaart op de binnenwateren die niet zijn opgenomen in de [bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet](onbekend) (dus op niet-loodsplichtige binnenwateren) en in een beperkt vaargebied op zee, in het bijzonder de kustwateren (binnen 200 nautische mijlen uit de kust). **Lage kruiplijn-coaster (Loodsplichtbesluit 1995, artikel 1, onder k):** - 1. Lengte over alles van minder dan 115 meter; - 2. een zodanige vorm of constructie heeft dat het geschikt is voor de vaart op niet-loodsplichtige binnenwateren en daarvoor wordt gebruikt of zal worden gebruikt: - a. geringe diepgang: zomerdiepgang van minder dan of gelijk aan 5,5 meter; - b. lage opbouw (airdraft): hoogte van minder of gelijk aan 9,1 meter, gemeten vanaf de w"},{"i":11802,"b":"Beleidsregel van de directeur-generaal van de statistiek van 12 juli 2021, nr. CSB-2021-072, houdende de criteria voor het verlenen van toegang aan instellingen tot microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (Beleidsregel toegang instellingen tot microdata CBS) Gelet op [artikel 41 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=41); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **CBS:** Centraal bureau voor de statistiek. - **directeur-generaal:** directeur-generaal van de statistiek; - **hoofdvestiging:** indien een instelling vestigingen heeft in meer dan één land, is de hoofdvestiging de plaats waar de centrale administratie van de instelling is gelegen, tenzij de beslissingen over de doelstellingen van en de middelen voor de verwerking van microdata van het CBS worden genomen in een andere vestiging van de instelling, en die tevens gemachtigd is die beslissingen uit te voeren, in welk geval de vestiging waar die beslissingen worden genomen als de hoofdvestiging wordt beschouwd; - **microdata:** gepseudonimiseerde koppelbare data die kenmerken bevatten van eenheden binnen een populatie, zoals personen, adressen of bedrijven en die worden gebruikt om geaggregeerde informatie samen te stellen; - **verwerkingsvestiging:** vestiging van een instelling waar de verwerking van microdata van het CBS plaatsvindt; - **Wet CBS:** [Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926) Artikel 2 1. Op verzoek kan de directeur-generaal een instellingsmachtiging verstrekken aan een instelling voor toegang tot microdata van het CBS. 2. Per onderzoeksproject dient een instelling een separaat verzoek in tot het verkrijgen van projecttoestemming. Artikel 3 1. Een instellingsmachtiging voor een instelling waarop [artikel 41, tweede lid, onderdeel a, b, c of d, van de Wet CBS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=41) van toepassing is"},{"i":11869,"b":"Beperkende bepalingen openbaarheid archiefbescheiden 2001 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van het archief van de Raad van Advies en van Toezicht op het Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf 1913 - 1983, de volgende beperking gesteld: - 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 31, 76, 80, 81 en 82 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen Rijksarchief gehanteerde **Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven;** een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. - 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op hemzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie een dossier betrekking heeft toestemming geeft voor inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, overeenkomstig het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscour"},{"i":12622,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Uruzgan 2007» aan het Regiment Limburgse Jagers Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016433, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Regiment Limburgse Jagers wordt toegevoegd het opschrift «Uruzgan 2007» in verband met de gevechtsoperaties in Uruzgan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12623,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Uruzgan 2007» aan het Regiment Stoottroepen Prins Bernhard Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016436, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Regiment Stoottroepen Prins Bernhard wordt toegevoegd het opschrift «Uruzgan 2007» in verband met de gevechtsacties in Uruzgan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12624,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Zuid-Afghanistan 2006-2010» aan het Regiment Verbindingstroepen Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016441, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan het opschrift in het vaandel van het Regiment Verbindingstroepen wordt toegevoegd het opschrift «Zuid-Afghanistan 2006-2010» in verband met het garanderen van commandovoering te velde en zijn bijdrage met elektronische oorlogvoering. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12640,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 15 april 2022 tot geheim-verklaring van de opdracht voor beveiligingsdiensten voor bedreigd personeel binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen Gelet op [artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23); Besluit: Tot geheimverklaring van de opdracht voor beveiligingsdiensten voor bedreigd personeel binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit Besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11822,"b":"Beleidsregel van het College gerechtelijk deskundigen van 17 juni 2021 over de visitatie en erkenning van een opleiding tot gerechtelijk deskundige en een deskundigheidsbevorderingssysteem (Beleidsregel visitatie en erkenning NRGD) Met het instrument van de visitatie en erkenning geeft het College invulling aan de beoordelingsruimte van [artikel 12, tweede lid, van het Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190&artikel=12). Het College beheert conform zijn wettelijke taak een register met gerechtelijk deskundigen die aan de wettelijk voorgeschreven kwaliteitseisen voldoen. Het is aan het College om de toetsingsprocedure nader in te vullen en vast te stellen. Het College meent dat de verantwoordelijkheid voor het opleiden en op peil houden van deskundigheid primair hoort te liggen bij de instantie waarvoor de deskundige werkzaam is. Door een opleiding of deskundigheidssysteem van de betreffende instantie te visiteren en, bij positief resultaat, te erkennen kan de dubbele toetsing die in de praktijk plaatsvindt, bij zowel de instantie als bij het NRGD, komen te vervallen. In geval van erkenning vindt de inhoudelijke toets alleen nog bij de instantie plaats, met een gecommitteerde van het NRGD in de toetsingscommissie. Het NRGD handelt de aanvragen om (her)registratie dan uitsluitend op basis van een administratieve toets af. Erkenning betekent dus ook dat het College meer op afstand komt te staan. Dat kan alleen wanneer het College het vertrouwen heeft dat de kwaliteit van de gerechtelijk deskundigen die staan ingeschreven in het NRGD is gewaarborgd. Daarom stelt het College strikte voorwaarden aan de erkenning en kwaliteitseisen aan een opleiding en deskundigheidsbevorderingssysteem alsmede de examinering. Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1:1. Begripsbepalingen In dit Beleidskader wordt verstaan onder: - a. **College:** het College gerechtelijk deskundigen; - b. **NRGD:** het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen; -"},{"i":11824,"b":"Beleidsregel uitvoering weggedragtest van de Dienst Wegverkeer bij toelating en wijziging constructie van voertuigen (Beleidsregel weggedrag) Gelet op [artikelen 3.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.2), [3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.3), [3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.7), [3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=3.11) en [6.3, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=6.3) en de [bijlagen IIIA, artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIa), [IIIB, artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIIb), [IIID, artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IIId), [bijlage IV, artikel 8, eerste en tweede lid van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&bijlage=IV); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu tot wijziging van de Regeling voertuigen in verband met de toevoeging van technische eisen met betrekking tot de toelating van elektrisch aangedreven en hybride elektrische voertuigen tot het Nederlandse verkeer en in verband met de toevoeging van nationale toelatingseisen betreffende het weggedrag van motorvoertuigen in werking treedt. Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op de behandeling van aanvragen voor nationale kleine serie typegoedkeuringen en individuele goedkeuringen van voertuigen, als bedoeld in de [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22) respectievelijk [26 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=26), voorzover het gaat om de voertuigcategorieën personenauto, bedrijfsauto, bus, motorfiets, bromfiets en driewielig motorrijtuig. Artikel 2 De Dienst Wegverkeer voert een weggedragtest uit: - a. indien de te"},{"i":11826,"b":"Beleidsregelbesluit ’Van WGGA naar WG’ Het Ctgb, Gelet op het bepaalde in Overwegende dat Stelt het volgende beleidsregelbesluit vast inzake de uitvoering van het project ’Omzetting Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing naar een Wettelijk gebruiksvoorschrift, ter vervanging van het [beleidsregelbesluit ‘Van WGGA naar WG’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031369) d.d. 7 maart 2012’: 1. Toepasselijkheid Dit beleidsregelbesluit is van toepassing op alle toelatingen voor in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddelen waarvan het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing (vanaf hier afgekort tot WGGA) nog niet is omgezet in een Wettelijk Gebruiksvoorschrift (vanaf hier afgekort tot WG) alsmede op aanvragen tot toelating van gewasbeschermingsmiddelen waarbij door de aanvrager bij het indienen van de aanvraag een WGGA is voorgesteld. 2. Aanvragen omzetting WGGA naar WG Aanvragers die vóór 1 september 2011 een toelatingsaanvraag voor een herbicide hebben ingediend, hebben deze aanvraag ingediend met een WGGA. Aan deze toelatinghouders wordt gevraagd om ter vervanging van het WGGA ook een WG in te dienen. Betreffende aanvragers zijn via een brief hierover geïnformeerd. Indien de aanvrager geen WG binnen de gestelde termijn indient zet het Ctgb het WGGA ambtshalve om naar een WG. 3. Besluiten tot omzetting WGGA Het College zal besluiten nemen over het omgezette WG zoals bedoeld in artikel 2, onder a. Daarbij zullen de besluiten per groep middelen (zoals herbiciden, fungiciden, insecticiden, nematiciden etc.) gefaseerd plaatsvinden. In de besluitvorming wordt onderscheid gemaakt tussen een besluit op ‘aanvraag’ en een ‘ambtshalve’ besluit middels een zienswijze procedure. De toelatinghouder heeft de keuze tussen deze twee mogelijkheden. Besluit op aanvraag. Van de toelatinghouders wordt verwacht dat zij zelf het WGGA omzetten naar een WG zoals beschreven in de handleiding en het addendum, en bij het Ctgb een aanvraag indienen tot aanpassing v"},{"i":11825,"b":"Beleidsregel van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden van 1 januari 2024, houdende de werkwijze voor de vergelijkende evaluatie gewasbeschermingsmiddelen Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, Gelet op artikel 50 van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107), in samenhang gelezen met de [artikelen 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), **Besluit:** Artikel 1. Begrippen Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Ctgb:** College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - b. **Verordening (EG) nr. 1107/2009:** [Verordening (EG) Nr. 1107/2009](32009R1107) van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de [Richtlijnen 79/117/EEG](31979L0117) en [91/414/EEG](31991L0414) van de Raad (PbEU, L 309); - c. **Gewasbeschermingsmiddel:** gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107); - d. **Werkzame stof:** werkzame stof als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107); - e. **Gebruik:** gebruiksdoeleinde overeenkomstig artikel 33(1) en artikel 50(1) van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107); - f. **Kandidaat voor vervanging:** een werkzame stof die is goedgekeurd als stof die in aanmerking komt om te worden vervangen, overeenkomstig artikel 24 van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107); - g. **Wettelijk gebruiksvoorschrift:** wettelijke bepalingen voor gebruik en gebruiksaanwijzing; - h. **Niet-chemische maatregel of methode:** een manier om een gewas te beschermen tegen een plaag die geen gewasbeschermingsmiddel betreft (bijvoorbeeld een mechanische methode zoals schoffelen of de inzet van natuurlijke vijanden). - i. **NVWA:** Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - j."},{"i":11827,"b":"Beleidsregels artikel 5 Besluit Interoperabiliteit, Onafhankelijke Post en Telecommunicatieautoriteit (OPTA) Gelet op [artikel 6.5 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=6.5) en [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016700&artikel=1) en [5 van het Besluit Interoperabiliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016700&artikel=5). Besluit: afdeling Eerste. – Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. **het college:** het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatieautoriteit; - b. **artikel 5 BI:** [artikel 5 van het Besluit Interoperabiliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016700&artikel=5); - c. **geografisch nummer:** een geografisch nummer als genoemd in [artikel 1, onderdeel d, van het BI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016700&artikel=1); - d. **niet-geografisch nummer:** een nummer zoals genoemd in [artikel 5, lid 2, van het BI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016700&artikel=5); - e. **tariefmodel:** de wijze waarop tarieven zijn gestructureerd en de wijze waarop betalingen tussen de verschillende partijen verlopen; - f. **informatiedienst:** een dienst, niet zijnde een elektronische communicatiedienst, die door een service provider wordt geleverd over een telecommunicatienetwerk; - g. **extra kosten:** de extra kosten van aanbieders van elektronische communicatiediensten voor oproepen naar niet-geografische nummers ten opzichte van de kosten voor oproepen naar geografische nummers; - h. **geografisch tarief:** het retailtarief voor oproepen naar geografische nummers bepaald op het niveau van een individuele oproep; - i. **aanbieder:** een aanbieder in de keten tussen de beller en de nummergebruiker die ook actief is als aanbieder die de toegang tot eindgebruikers controleert; - j. **originerende aanbieder:** de aanbieder van openbare telefoondiensten waar de oproepen origineren; - k. **service provider:** een aan"},{"i":11828,"b":"Beleidsregels beoordelingskader poortwachter Gelet op de artikelen 34a, eerste lid, en 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Regeling procesgang eerste ziektejaar; Besluit: Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de beoordeling van de door werkgever en werknemer geleverde re-integratie-inspanningen als bedoeld in [artikel 65 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=65), [artikel 34a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=34a), het beoordelingskader zoals vastgelegd in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. bij Beleidsregels beoordelingskader poortwachter Kader voor de beoordeling van reïntegratie-inspanningen Kader voor inzet en beoordeling van re-integratie-inspanningen **Hoe toetst het UWV?** 1. Inleiding Op 29 december 2005 is de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)1De WAO blijft bestaan voor werknemers die vóór 1 januari 2004 ziek zijn geworden. In enkele situaties kan ook later nog een WAO-uitkering worden toegekend, zoals bijvoorbeeld bij toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar (artikel 43a WAO). opgevolgd door de [Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), de Wet WIA. Bij de [Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) staat ‘werken naar vermogen’ centraal. Het gaat er niet langer om wat mensen niet meer kunnen, maar vooral om wat mensen nog wel kunnen ondanks hun functionele beperkingen. Uitgangspunt is dat een ieder die arbeidsongeschikt is geworden zijn of haar resterende arbeidsmogelijkheden zo volledig mogelijk benut. Bij de beoordeling van het recht op uitkering dient het UWV daarom te kijken naar wat de aanvrager"},{"i":11831,"b":"Beleidsregels controle informatieverstrekkingen uit het kentekenregister Hoofdstuk 1. – Toelichting op controle inzake informatieverstrekkingen uit het kentekenregister 1.1. Toelichting Dit is het algemeen deel met betrekking tot controle en toezicht inzake informatieverstrekkingen uit het kentekenregister (hierna: het toezichtbeleid). Dit toezichtbeleid is onderdeel van het verstrekkingenbeleid van de RDW. Het kentekenregister kent gevoelige en niet-gevoelige gegevens. Niet-gevoelige gegevens zijn voor een ieder te raadplegen, onder andere op www.rdw.nl en via open data. Gevoelige gegevens zijn geclassificeerd in persoonsgegevens, fraudegevoelige gegevens en concurrentiegevoelige gegevens, zoals vastgelegd in de [Beleidsregel gevoelige gegevens kentekenregister](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036178). Gevoelige gegevens worden slechts aan bepaalde ontvangers voor een bepaalde doelbinding verstrekt. Deze ontvangers dienen zorgvuldig met gevoelige gegevens om te gaan. De RDW houdt hier toezicht op. Hoe en waarom de RDW toezicht houdt op de informatieverstrekking, is vastgelegd in dit document. 1.2. Indeling Het algemeen deel van het toezichtbeleid bevat algemene informatie voor iedere ontvanger. De bijlagen bevatten specifieke informatie voor bepaalde categorieën ontvangers. Voor een ontvanger geldt dus zowel het algemene deel als de bijlage die voor hem van toepassing is. 1.3. Titel Dit deel is getiteld: Toezichtbeleid inzake informatieverstrekkingen uit het kentekenregister – Algemeen deel. 1.4. Categorieën ontvangers De RDW onderscheidt de volgende categorieën ontvangers van gevoelige gegevens uit het kentekenregister: Hoofdstuk 2. – Positie van de RDW 2.1. Basis van controle op gebruik van gegevens De RDW voert controles uit op het gebruik van gegevens uit het kentekenregister op basis van [artikel 45a van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=45a), het [Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":11832,"b":"Beleidsregels van het Commissariaat voor de Media van 26 september 2017 over de governance en interne beheersing van de NPO, de RPO en de landelijke en regionale publieke media-instellingen (Beleidsregels governance en interne beheersing 2017) gelet op de [artikelen 2.142a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.142a) en [2.178 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.178) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), overwegende: dat het Commissariaat voor de Media onder meer is belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen in de [artikelen 2.142a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.142a) en [2.178 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.178); dat deze [artikelen 2.142a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.142a) en [2.178 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.178) gericht zijn op effectief bestuur en toezicht, de beheersing van risico's en de administratieve organisatie, hetgeen uitwerking vergt in de inrichting van organisatie en governance van de NPO, de RPO en de landelijke en regionale publieke media-instellingen; dat genoemde artikelen vergen dat invulling wordt gegeven aan algemene beginselen van goed bestuur, daaronder begrepen regels over integer en transparant handelen door het bestuur, onafhankelijk toezicht door de raad van toezicht en het afleggen van verantwoording daarover; dat het wenselijk is om de strekking van genoemde artikelen nader te duiden en met het oog daarop beleidsregels vast te stellen over de wijze waarop het Commissariaat voor de Media uitleg geeft aan de wettelijke eisen; dat de naleving van genoemde artikelen bijdraagt aan het vertrouwen in het functioneren van de NPO, de RPO en de landelijke en regionale publieke media-instellingen bij de vervulling van hun publieke media-"},{"i":11833,"b":"Beleidsregels informatieplicht gelet op [artikel 5.1, tweede lid, van het Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=5.1) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), besluit de volgende beleidsregels vast te stellen: Paragraaf 1. Definities en toepassing Artikel 1.1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - 1. **Besluit:** [Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773); - 2. **CRUKS:** het centraal register uitsluiting kansspelen als bedoeld in [artikel 33h van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33h); - 3. **CDB:** controledatabank als bedoeld in [artikel 5.3 Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=5.3); - 4. **raad van bestuur:** raad van bestuur als bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - 5. **Regeling:** [Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767); - 6. **vergunning:** een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand als bedoeld in [artikel 31a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a); - 7. **vergunninghouder(s):** houder(s) van een vergunning; - 8. **wet:** [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); Artikel 1.2. Toepassing Deze beleidsregels hebben betrekking op het informeren van de raad van bestuur op grond van [artikel 5.1, tweede lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=5.1). Paragraaf 2. Algemene bepalingen Artikel 2.1. Wijze van informeren De Kansspelautoriteit maakt de wijze waarop vergunninghouders de raad van bestuur moeten informeren bekend op de website van de Kansspelautoriteit. Paragraaf 3. Relevante wijzigingen Artikel 3.1. Informeren over relevante wijzigingen De vergunninghouder informeert de raad van bes"},{"i":2797,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2008 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2008, doch niet later dan 15 november 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,748 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2008 en eindigende met 15 november 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl"},{"i":12938,"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de leden van de Adviescommissie subsidieregeling prijsvraag verbetering architectuur bestaande bedrijventerreinen Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie Architectuurprijsvraag ontvangt voor het bijwonen van een vergadering geen vergoeding. 2. De andere leden van de Adviescommissie Architectuurprijsvraag ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 124,79. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van de [Subsidieregeling prijsvraag verbetering architectuur bestaande bedrijventerreinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018741) ontvangen alle leden van de Adviescommissie architectuurprijsvraag uitgezonderd de voorzitter een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief, dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), en op een beoordelingstijd van 10 minuten per aanvraag. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14152,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 29 maart 2026, houdende nadere regels ten behoeve van de operationalisering van het mechanisme voor een koolstofcorrectie aan de grens (Regeling CBAM) Gelet op de [artikelen 16c.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16c.3), en [16c.5 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16c.5); Besluit: Artikel 1 Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 16c.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16c.3), en [16c.5 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16c.5). Artikel 2 1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 10 bis, vierde lid, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens. 2. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 2, eerste lid, 20, eerste lid, 21, vierde, vijfde en zevende lid, en 23, vierde, vijfde en zevende lid, van de [Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486](32025R0486) van de Commissie van 17 maart 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor [Verordening (EU) 2023/956](32023R0956) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorwaarden en procedures in verband met de status van toegelaten CBAM-aangever. 3. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, eerste tot en met derde lid, 7, 8 en 10 van de [Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2210](32025R2210) van de Commissie van 3 november 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor [Verordening (EU) 2023/956](32023R0956) van het Europees Parlement en de Raad voor goederen en veredelingsproducten die naar het continentaal plat of de exclusieve economische zone van lidstaten worden gebracht. Artikel 3 Voor de toepassing van het criterium, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens, kan het bestuur van de emissieautoriteit bij de toelatingsaanvraag, bedoeld in artikel 5 van die verordening, verzoeken om overleg"},{"i":11838,"b":"Beleidsregels van het Commissariaat voor de Media van 1 januari 2016 houdende beleidsregels omtrent nevenactiviteiten publieke media-instellingen (Beleidsregels nevenactiviteiten 2016) gelet op de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028), gelet op de [Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040), gelet op de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=8) en [10 van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=10), gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), Besluit: Artikel 1. Definities en reikwijdte In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - –. **wet:** de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - –. **besluit:** het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); - –. **regeling:** de [Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040); - –. **Awb:** de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - –. **Commissariaat:** het Commissariaat voor de Media; - –. **nevenactiviteiten:** activiteiten als bedoeld in [artikel 2.132, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.132); - –. **experimentele nevenactiviteiten:** activiteiten als bedoeld in [artikel 2.132, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.132); - –. **netto omzet:** netto omzet als bedoeld in [artikel 2:377, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=377); - –. **ACM:** Autoriteit Consument & Markt; - –. **onderwijsinstelling:** een instelling die is erkend door het Ministerie van OC&W en is opgenomen in één van de registers van OC&W. Artikel 2 Overeenkomstig [artikel 2.132, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.132) kan alleen toestemming worden gegeven voor een nevenac"},{"i":11844,"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 12 oktober 2021, kenmerk 2021031251, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2022 (Beleidsregels Risicoverevening 2022) gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), en [34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34); Besluit: Hoofdstuk 1. I Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - **AVI:** AVI als bedoeld in [artikel 1, onderdeel s, van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - **BASIC:** databestand van Vektis met zorgkosten en kenmerken van Zvw-verzekerden; - **belastingdienstbestand:** het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand met inkomensgegevens en gepseudonimiseerde adresgegevens per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar; - **Bzv:** [Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492); - **COVID-19:** de ziekte die door het virus SARS-CoV-2 veroorzaakt wordt; - **COVID-correctiefactor:** een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor de effecten van COVID-19. Er zijn COVID-correctiefactoren voor de criteria FKG_C, DKG_C, HKG_C en FDG_C. Deze correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2022 die gepubliceerd wordt op de website [www.zorginstituutnederland.nl](onbekend); - **criterium:** een vereveningscriterium; - **DKG_C:** DKG’s als bedoeld in [artikel 1, onderdeel r, van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - **DKG_G:** DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel ee, van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - **FDG_C:** FDG’s als bedoeld in [artikel 1, onderdeel jj, van het Bzv](https://wetten.overheid.nl"},{"i":13288,"b":"Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Limburg 2020 Gelet op de [hoofdstukken I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=I) en [VIII van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=VIII); Overwegende dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen heeft besloten toe te treden tot deze gemeenschappelijke regeling; Besluiten: De [Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum Limburg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039744) te vervangen door een nieuwe gemeenschappelijke regeling: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **de gemeenten:** de gemeenten Heerlen en Maastricht - c. **archiefbescheiden:** archiefbescheiden als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=1); - d. **collecties:** de verzameling historische voorwerpen, boeken en overige schriftelijke en elektronische bescheiden in de meest ruime zin des woords, niet zijnde archiefbescheiden, in eigendom van of in beheer bij de Minister en de gemeenten voor zover het betreft voorwerpen of bescheiden bij de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten; - e. **colleges B&W:** de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, en - f. **provincie:** de provincie Limburg Hoofdstuk II. Historisch Centrum Limburg Artikel 2 1. De regeling wordt getroffen met het doel de belangen van de Minister en de colleges B&W bij alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden, collecties, individuele documenten en dergelijke die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten, in gezamenlijkheid te behartigen. 2. Het Historisch Centrum Limburg voert bij de behartiging van de belangen, bedoeld in het"},{"i":14232,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 20 maart 2019, 2019-0000041462, directie Financiële Markten, houdende regels ten aanzien van de erkenning van beroepskwalificaties van financieel adviseurs (Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties financieel adviseur) Gelet op de [artikelen 33, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33), en [36 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=36); BESLUIT: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** migrerende beroepsbeoefenaar die erkenning van beroepskwalificaties voor financieel adviseur vraagt; - **CDFD:** College Deskundigheid Financiële Dienstverlening; - **diploma:** diploma of certificaat als bedoeld in [artikel 9, onderdeel a tot en met d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=9); - **financieel adviseur:** persoon als bedoeld in [artikel 6, onderdeel b, onder 2°, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=6); - **wet:** [Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066). Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de erkenning van beroepskwalificaties met het oog op de toegang tot de uitoefening van het gereglementeerde beroep financieel adviseur. Artikel 3 De taken en bevoegdheden van de Minister van Financiën, bedoeld in [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=11), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=13), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=19), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":14237,"b":"Regeling erkenning opleidingen Gelet op [artikel 39, tweede lid van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=39) (Stb. 1978, 99), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 juli 1987 (Stb. 1987, 449); Besluit: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder een erkende opleiding: Een instelling die door de Minister van Verkeer en Waterstaat is erkend voor het geven van een opleiding voor examens ter verkrijging van bewijzen van bevoegdheid, zoals aangegeven in het bewijs van erkenning. Artikel 2 Vervallen Hoofdstuk II. De aanvraag Artikel 3 1. De aanvraag tot het verlenen, opnieuw verlenen of wijzigen van een erkenning moet worden ingediend bij de Minister van Verkeer en Waterstaat (per adres de divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat) met behulp van een behoorlijk ingevuld en ondertekend formulier waarvan exemplaren bij de divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat verkrijgbaar zijn, aangevuld met de volgende gegevens: - a. een overzicht en het curriculum vitae van het bij de opleiding betrokken leidinggevend en onderwijzend personeel; - b. selectiecriteria voor het onder a, genoemde personeel; - c. het leerplan van de opleiding; - d. een voorbeeld van het in gebruik zijnde beoordelingssysteem; - e. een overzicht van namen en eindresultaten van de leerlingen die, gedurende drie jaar voorafgaande aan de datum van aanvraag, bij de instelling een opleiding volgden; - f. een overzicht van de in gebruik zijnde leslokaliteiten en leermiddelen; - g. een overzicht van de in gebruik zijnde lesvliegtuigen en/of vluchtnabootsers (voorzover van toepassing); - h. de toelatingsregeling (voorzover van toepassing). 2. Teneinde de erkenning tijdig opnieuw te kunnen verlenen, moet de aanvraag hiertoe uiterlijk 60 dagen, doch niet eerder dan 90 dagen voor de vervaldatum van de geldende erkenning worden ingediend. Hoofdstuk III. De eisen Artikel 4 De erkende opleiding moet beschikken o"},{"i":14260,"b":"Regeling houdende nadere regels ter uitvoering van de Wet financiële markten BES en het Besluit financiële markten BES (Regeling financiële markten BES 2012) Gelet op de [artikelen 1:10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=1:10), [1:26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=1:26), [4:19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=4:19), en [6:1, eerste lid, van de Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=6:1) en de [artikelen 2:17, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=2:17), [3:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=3:4), [3:18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=3:18), [6:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=6:3), [7:17, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=7:17), en [8:1, eerste lid, van het Besluit financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=8:1); Besluit: § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1:1. (begripsbepalingen) In deze regeling wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder**besluit** : [Besluit financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636). Artikel 1:2. (tarieven eenmalige toezichthandelingen) 1. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een beschikking op grond van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883) is het ingevolge [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031617&bijlage=1&z=2026-04-01&g=2026-04-01) toepasselijke tarief verschuldigd. 2. De toezichtautoriteit brengt het tarief, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk, direct na ontvangst van de aanvraag in rekening. 3. De toezichtautoriteit kan afwijken van de in het eerste lid bedoelde tarieven voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang van een reële en rechtvaardige kostendoorberekening,"},{"i":14123,"b":"Regeling betaling kadastraal recht **14 april 1994/Nr. KAZ14494010** **Dienst voor het kadaster en de openbare registers** Gelet op [artikel 108, vierde lid, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=108); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Organisatiewet Kadaster in werking treedt. Artikel 1 Het verschuldigde kadastraal recht wordt binnen drie weken na dagtekening van de nota, die ter zake van de verrichte werkzaamheden wordt verstrekt, voldaan of verrekend door betaling door middel van overmaking of storting op een op de nota vermelde bankrekening. Het verschuldigde recht voor de in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=4) en [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=11) bedoelde inzages en inlichtingen kan evenwel worden voldaan door betaling ten kantore van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, waar de inzage is verleend onderscheidenlijk de inlichtingen zijn verstrekt. Het verschuldigde recht voor via het in paragraaf 3.6 van de technische handleiding genoemde internetadres aangevraagde en geleverde producten kan ook worden voldaan door middel van een elektronische betaling. 2. In bijzondere gevallen kan worden gevorderd dat voorafgaand aan het verrichten van de werkzaamheden ten gunste en genoegen van de Dienst zekerheid wordt gesteld voor de betaling. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop de Organisatiewet Kadaster in werking treedt. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling betaling kadastraal recht. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13215,"b":"Deelregeling Talentontwikkeling Creatieve Industrie **Introductie** Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie is het Rijkscultuurfonds voor architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Het fonds wil een wezenlijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van de professionele ontwerppraktijk binnen en vooral ook tussen de disciplines architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Onderdeel van dit streven is de interdisciplinaire wisselwerking tussen het culturele, maat-schappelijke en economische domein. Het Stimuleringsfonds ondersteunt bijzondere en vernieuwende projecten, onderzoek en activiteiten van ontwerpers, makers en culturele instellingen in binnen- en buitenland. gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), tot vaststelling van een deelregeling, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ter bevordering van talentontwikkeling op het gebied van architectuur, vormgeving en digitale cultuur. Artikel 1. Doelstelling deelregeling talentontwikkeling creatieve industrie 1. De doelstelling van de deelregeling talentontwikkeling creatieve industrie is het bevorderen van talentontwikkeling door het stimuleren van de verdere artistieke en professionele ontwikkeling van individuele talenten, werkzaam in architectuur, vormgeving of digitale cultuur, waarbij deze verdere ontwikkeling gepaard gaat met het versterken van het eigen cultureel ondernemerschap. 2. Deze deelregeling geldt in aanvulling op het Subsidiereglement Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 2018. Het in dat reglement bepaalde is van toepassing op subsidieverlening op grond van deze deelregeling, voor zover daar in deze deelregeling niet van wordt afgeweken. Artikel 2. Reikwijdte Het bestuur kan met toepassing van deze deelregeling projectsubsidies verstrekken. Subsidies kunnen verleend worden aan projecten, die voldoende bijdragen aan de doelstelling van deze deelregeling en gericht zijn op het bevorderen van ta"},{"i":7422,"b":"Wet van 8 november 2001, houdende wijziging van de Huursubsidiewet (introductie van het beperkt huursubsidiebericht voor bepaalde huurders) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659) te wijzigen teneinde aan bepaalde huurders een beperkt huursubsidiebericht te doen toekomen, de bijdrage wegens overschrijding van de huursubsidie-uitgavennorm slechts aan verhuurders op te leggen indien deze norm landelijk wordt overschreden en enkele andere wijzigingen in die wet aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 juli 2001. Artikel I Wijzigt de Huursubsidiewet. Artikel II 1. Indien de zending van beperkte huursubsidieberichten, bedoeld in [artikel 30a, eerste lid, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=30a), de zending van gegevens, bedoeld in [artikel 30aa, eerste lid, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=30aa), het stellen van een termijn, bedoeld in [artikel 30aa, tweede lid, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=30aa), of de verstrekking van gegevens ten behoeve van het opstellen van beperkte huursubsidieberichten, bedoeld in [artikel 30b, eerste lid, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=30b), plaatsvindt vóór de inwerkingtreding van deze wet, wordt die zending van beperkte huursubsidieberichten, die zending van gegevens, dat stellen van een termijn of die gegevensverstrekking aangemerkt als te hebben plaatsgevonden ingevolge het betrokken genoemde artikellid, zoals dit komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet. 2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, zijn de [artikelen 22a](https:"},{"i":12957,"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie valorisatieprogramma Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: artikel Enig 1. Aan de voorzitter van de Adviescommissie valorisatieprogramma wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,041. 2. Aan de andere leden van de Adviescommissie valorisatieprogramma wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,041. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14209,"b":"Regeling eenmalig project herintroductie otters Gelet op de [artikelen 6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=6), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=11) en [12 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009027&artikel=12); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Het is verboden om in de natuurgebieden en bijbehorende wateren Oldematen, Wieden en Weerribben in de provincie Overijssel en de natuurgebieden en bijbehorende wateren Rottige Meenthe en Lindevallei in de provincie Friesland te vissen met een fuik die niet is voorzien van een stopgrid of keerwant. Artikel 3 1. De minister kent een visser, die gedurende de looptijd van het project schade lijdt of zal lijden als gevolg van het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013851&artikel=2&z=2002-07-07&g=2002-07-07) opgenomen verbod op aanvraag schadevergoeding toe. 2. De schadevergoeding voor een beroepsvisser wordt toegekend met inachtneming van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013851&artikel=4&z=2002-07-07&g=2002-07-07), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013851&artikel=6&z=2002-07-07&g=2002-07-07), [8 tot en met 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013851&artikel=8&z=2002-07-07&g=2002-07-07). 3. De schadevergoeding voor een visser, niet zijnde een beroepsvisser, wordt toegekend met inachtneming van de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013851&artikel=5&z=2002-07-07&g=2002-07-07), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013851&artikel=7&z=2002-07-07&g=2002-07-07), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013851&artikel=8&z=2002-07-07&g=2002-07-07), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013851&artikel=10&z=2002-07-07&g=2002-07-07) en [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013851&artikel=11&z=2002-07-07&g=2002-07-07). Artikel 4 1. Een beroepsvisser komt in aanmerking voor vergoeding van"},{"i":14228,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties van 30 juni 2008, nr. STAF/CZW/WVOB 2008-0000002982, houdende regels betreffende de beroepserkenning van brandweerpersoneel (Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties brandweerpersoneel) Gelet op de [artikelen 27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=27), en [33, eerste en tweede lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=33); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: [Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066); - b. Minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. aanvrager: migrerende beroepsbeoefenaar die erkenning van een beroepskwalificatie vraagt; - d. dienstverrichter: dienstverrichter als bedoeld in [artikel 21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=21); - e. diploma: een diploma of certificaat als bedoeld in [artikel 9, onderdeel a tot en met d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=9); - f. lidstaat van oorsprong of herkomst: lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese economische ruimte of Zwitserland. Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op: - a. de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verlenen van erkenning van een beroepskwalificatie voor de toegang tot de uitoefening van een gereglementeerde functie bij de brandweer; - b. de verklaring vooraf, bedoeld in [artikel 23 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023066&artikel=23), van een dienstverrichter die een gereglementeerd beroep als bedoeld in onderdeel a, wil uitoefenen. Artikel 3 Bij de aanvraag tot erkenning van een beroepskwalificatie worden de volgende gegevens en documenten verschaft: - a. een bewijs van nationaliteit van de aanvrager alsmede: - 1°. indien de definit"},{"i":14240,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 april 2021 , nr. WJZ/ 20328658 , houdende een erkenningensystematiek van laboratoria op veterinair terrein (Regeling erkenning veterinaire laboratoria) Gelet op [Verordening (EG) nr. 999/2001](32001R0999) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PbEG L 147), Verordening (EU) nr. 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (diergezondheidsverordening) (PbEU 2016, L 84), Verordening (EU) nr. 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), (EU) [nr. 1151/2012](32012R1151), (EU) [nr. 652/2014](32014R0652), (EU) [2016/429](32329R2016) en (EU) [2016/2031](32031R2016) van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen [(EG) nr. 1/2005](32005R0001) en [(EG) nr. 1099/2009](32009R1099) van de Raad en de Richtlijnen [98/58/EG](31958R0098), [1999/74/EG](31974R1999), [2007/43/EG](31943R2007), [2008/119/EG](32019R2008) en [2008/120/EG](32020R2008) van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen [(EG) nr. 854/2004](32004R0854) en [(EG) nr. 882/2004](32004R0882) van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen [89/608/EEG](32508R0089), [89/662/EEG](32562R0089), [90/425/EEG](32325R0090), [91/496/EEG](32396R0091), [96/23/EG](31923R00"},{"i":13293,"b":"Gemeenschappelijke Regeling Regionaal Historisch Centrum Het Flevolands Archief Gedeputeerde staten van de provincie Flevoland, Het dagelijks bestuur van het waterschap Zuiderzeeland, De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Dronten, Lelystad, Urk en Zeewolde; Gelet op [hoofdstuk VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=VI) en [VIII van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&hoofdstuk=VIII), Overwegende dat: zij op 1 februari 2004 samen met het bestuur van de stichting Nieuw Land en het bestuur van de stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders de gemeenschappelijke regeling tot de instelling van een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid dat de collecties en archiefbescheiden die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Flevoland, de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten Lelystad, Dronten, Urk en Zeewolde, het waterschap Zuiderzeeland, het Nieuw Land Poldermuseum en het Sociaal Historisch Centrum voor Flevoland beheert alsmede taken van het archeologisch depot van de provincie Flevoland uitoefent, hebben getroffen; dat de regeling per 23 maart 2017 technisch is gewijzigd als gevolg van de [wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039353) (Stcrt 2017, 15726); het bestuur van de stichting Nieuw Land en het bestuur van de stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders hebben besloten dat zij uit de gemeenschappelijke regeling treden; gedeputeerde staten van de provincie Flevoland alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden en collecties die berusten in de provinciale archiefbewaarplaats wil overdragen aan het openbaar lichaam dat de collecties en archiefbescheiden die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Flevoland, de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten Lelystad, Dronten, Urk en Zeewolde en de archiefbewaarplaats van het w"},{"i":13357,"b":"Informatiestatuut Onderzoeksraad voor veiligheid Gelet op de [artikelen 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=26), en [83, tweede lid, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=83); Besluit: Treedt in werking op het krachtens artikel 97, eerste lid, eerste volzin, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid vastgestelde tijdstip. § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. rijkswet: [Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613); - b. rijksbesluit: [Rijksbesluit Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017680); - c. besluit: [Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017681); - d. minister: Minister van Justitie en Veiligheid. § 2. Algemeen Artikel 2 1. De informatieverstrekking door de raad aan de minister, onderscheidenlijk door de minister aan de raad, geschiedt schriftelijk. 2. In spoedeisende gevallen wordt informatie op de meest passende en snelle wijze verstrekt en zo nodig beperkt tot vitale informatie, met dien verstande dat de volledige informatie zo spoedig mogelijk wordt nagezonden. 3. Ten minste een maal per jaar overlegt de minister met de voorzitter van de raad. § 3. Informatieverstrekking door de minister ten behoeve van de taakuitoefening van de raad Artikel 3 1. Onder de inlichtingen, bedoeld in [artikel 26, tweede lid, van de rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017613&artikel=26), die de raad voor de taakuitoefening in het algemeen nodig heeft, wordt in elk geval informatie begrepen betreffende: - a. ontwikkelingen die voortvloeien uit overleg met de Staten-Generaal met betrekking tot het onderzoek van voorvallen; - b. ontwikkelingen met betrekking tot het personeelsbeleid, de informatievoorziening en de bedrijfsvoering bij de rijksoverheid; - c. voornemens, voorstellen en besluiten in v"},{"i":12931,"b":"Besluit van 10 december 2014 tot vaststelling van de tijdstippen, bedoeld in de artikelen 22, eerste en vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 15, derde lid, en 31, vijfde lid, van de Wet werk en bijstand Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 december 2014, nr. 2014-0000181336; Gelet op de [artikelen 22, eerste en vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=22), [15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=15), en [31, vijfde lid, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=31); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Als tijdstip, bedoeld in [artikel 22, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=22) wordt vastgesteld 31 december 2014. 2. Als tijdstip, bedoeld in de [artikelen 22, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=22), [15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=15), en [31, vijfde lid, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=31) wordt vastgesteld 1 oktober 2016. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12924,"b":"Besluit vaststelling Specifiek Interventiebeleid Productveiligheid van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (IB02-SPEC 45, versie 6) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit:"},{"i":13225,"b":"Delegatie bevoegdheden inzake opvang asielzoekers Besluit: Artikel 1 Het bestuur van de Interimstichting Opvang Asielzoekers en het bestuur van de Stichting Projecten Opvang Asielzoekers zijn bevoegd om de volgende beslissingen af te doen en te ondertekenen namens de minister: te beslissen ten aanzien van asielzoekers (of daaraan gelijk te stellen personen) die in een opvangcentrum in de zin van de ROA verblijven, dat de verstrekkingen die in het kader van de ROA worden geboden hen geheel of gedeeltelijk worden onthouden ingevolge artikel 4 van de ROA, overeenkomstig het bepaalde in het Reglement Onthouding Verstrekkingen. Artikel 2 Het bestuur van de Interimstichting Opvang Asielzoekers en het bestuur van de Stichting Projecten Opvang Asielzoekers kunnen de bevoegdheid bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006537&artikel=1&z=1994-03-30&g=1994-03-30) geheel of gedeeltelijk overdragen aan medewerkers die in dienst zijn van hun organisatie, conform de afspraken die daartoe zijn neergelegd in het Reglement Onthouding Verstrekkingen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13346,"b":"Wet van 8 oktober 2025 tot wijziging van de Wet houdbare overheidsfinanciën in verband met de implementatie van Richtlijn 2024/1265 tot wijziging van Richtlijn 2011/85/EU betreffende voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten (Implementatiewet herziene Europese begrotingsregels) [KetenID WGK27231] Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter uitvoering van [Richtlijn 2024/1265](32024L1265) tot wijziging van [Richtlijn 2011/85/EU](32011L0085) betreffende voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet houdbare overheidsfinanciën. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als Implementatiewet herziene Europese begrotingsregels. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":12639,"b":"Besluit van 16 augustus 2006, houdende regels ter zake van de uitvoering van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Besluit toezicht accountantsorganisaties) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 22 juni 2006, nr. FM 2006-1525 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Marktgedrag en Effectenverkeer; Gelet op [richtlijn nr. 2006/43/EG](32006L0043) van 17 mei 2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de wettelijke accountantscontrole van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen en tot wijziging van de [Richtlijnen 78/660/EEG](31978L0660) en [83/349/EEG](31983L0349) van de Raad (PbEU L 157), de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=8), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=11), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=15), [18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=19), [21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=21), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=22), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=25), [26, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=26), [41, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=41), en [55, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=55); De Raad van State gehoord (advies van 20 juli 2006, no. W06.06.0253/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 8 augustus 2006, nr. FM 2006-1908 U; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - beroepsorganisatie: Nederlandse beroepsorganisatie van accountants, bedoeld in [artikel 2,"},{"i":14160,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 augustus 2013, 2013-0000110985, tot cofinanciering van sectorplannen (Regeling cofinanciering sectorplannen) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3) en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aantal arbeidsjaareenheden:** het aantal bij de organisatie gedurende een jaar voltijds werkende werknemers op grond van een arbeidsovereenkomst of een aanstelling in openbare dienst, waarbij deeltijdarbeid in fracties van arbeidsjaareenheden wordt uitgedrukt, en dienstverbanden op grond van een BBL niet worden meegerekend; - –. **aanvraagtijdvak:** een door de minister vastgesteld tijdvak waarin aanvragen tot cofinanciering van sectorplannen kunnen worden ingediend; - –. **algemene opleiding:** een interne of externe opleiding, niet zijnde bedrijfsspecifieke training, teneinde de leerling vakspecifieke beroepsvaardigheden aan te leren; - –. **arbeidsmarktregio:** een arbeidsmarktregio die is opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033761&bijlage=1&z=2018-11-14&g=2018-11-14) bij deze regeling; - –. **arbeidsorganisatie:** iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent; - –. **BBL:** beroepsbegeleidende leerweg als bedoeld in [artikel 7.2.2, tweede lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2); - –. **branche:** een tak van een handel of nijverheid binnen een sector; - –. **CAO:** een collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001937&artikel=1); - –. **centrale werkgeversorganisatie:** ee"},{"i":14452,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 29 januari 2008, nr. 5519777/07/DJI, houdende regels over de melding van ongeoorloofde afwezigheid uit penitentiaire inrichtingen, inrichtingen voor verpleging van ter beschikking gestelden en justitiële jeugdinrichtingen Gelet op [artikel 5a, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=5a), [artikel 7a, tweede lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=7a) en [artikel 5, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze Regeling wordt verstaan onder: - a. ongeoorloofde afwezigheid: het na aanvang van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel bedoeld in de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709), de [Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765) en de [Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756) zich hieraan onttrekken op een wijze als genoemd in respectievelijk [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023428&hoofdstuk=2&z=2025-09-04&g=2025-09-04), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023428&hoofdstuk=3&z=2025-09-04&g=2025-09-04) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023428&hoofdstuk=4&z=2025-09-04&g=2025-09-04) van deze regeling; - b. de DJI: de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie; - c. de divisiedirecteur ForZo/JJI: de directeur van de divisie Forensische Zorg en Justitiële Jeugdinrichtingen van de DJI; - d. de divisiedirecteur GW/VB: de directeur van de divisie Gevangeniswezen en Vreemdelingenbewaring van de DJI; - e. de divisiedirecteur IZ: de directeur van de divisie Individuele Za"},{"i":14453,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 oktober 2018, nr. MBO/1336499, houdende nadere voorschriften ten aanzien van de melding tot het voornemen een beroepsopleiding te starten of te beëindigen (Regeling melding starten of stoppen van een beroepsopleiding 2018) Gelet op [artikel 6.1.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen **In deze regeling wordt verstaan onder:** - **bbl-opleiding:** beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg als bedoeld in [artikel 7.2.7, vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.7); - **bol-opleiding:** beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg als bedoeld in[artikel 7.2.7, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.7); - **brinnummer:** registratienummer van de instelling; - **crebocode:** code van een kwalificatie of kwalificatiedossier, bedoeld in [artikel 6.4.1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.4.1); - **melding:** melding omtrent het voornemen tot starten of beëindigen van een beroepsopleiding als bedoeld in [artikel 6.1.2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.2); - **wet:** [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625). Artikel 2. Tijdstip melding 1. Een melding voor een bol-opleiding wordt uiterlijk achttien maanden voorafgaand aan het studiejaar waarin wordt beoogd de bol-opleiding te starten of te beëindigen gedaan. 2. Een melding voor een bbl-opleiding wordt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het studiejaar waarin wordt beoogd de bbl-opleiding te starten of te beëindigen gedaan. 3. Indien door onvoorziene omstandigheden een melding als bedoeld in het eerste of het tweede lid, niet tijdig kan worden gedaan doet een instelling deze melding zo spoedig mogelijk. Art"},{"i":14454,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 september 2008, nr. K&K 2008087862, houdende vaststelling van een formulier voor het doen van een mededeling in verband met de uitvoering van het Besluit beheer batterijen en accu’s 2008 (Regeling mededelingenformulier batterijen en accu’s 2008) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van het Besluit beheer batterijen en accu’s 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024491&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De producent, bedoeld in [artikel 1 van de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024492&artikel=1), maakt bij het indienen van de melding, bedoeld in [artikel 4 van het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044197&artikel=4), gebruik van het in de bijlage bij deze regeling opgenomen formulier. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling meldingsformulier batterijen en accu’s. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024500&artikel=1&z=2023-07-01&g=2023-01-01) **Formulier mededeling** De in dit formulier gestelde vragen moeten zo volledig mogelijk worden beantwoord. Indien u bij de uitvoering van uw verplichtingen gebruik maakt van de diensten van derden, noemt u dan ook altijd de namen van de inzamelaars, vervoerders, verwerkers of anderen die door u zijn gecontracteerd. Ter ondersteuning van uw ingevulde mededeling kunt u eventuele bijlagen bijvoegen. De in dit formulier gestelde vragen moeten zo volledig mogelijk worden beantwoord. Indien u bij de uitvoering van uw verplichtingen gebruik maakt van de diensten van derden, noemt u dan ook altijd de namen van de inzamelaars, vervoerders, verwerkers of anderen die door u zijn gecontracteerd. Ter ondersteuning van uw ingevulde melding k"},{"i":14266,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 mei 2005, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, nr. MJZ2005052804, houdende vaststelling van de modellen, bedoeld in artikel 15, tweede en vierde lid, van de Leegstandwet (Regeling formulieren Leegstandwet) Gelet op [artikel 15, tweede lid, van de Leegstandwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403&artikel=15); Besluit: Artikel 1 De aanvraag van een vergunning tot tijdelijke verhuur van een leegstaande woning of een leegstaand gebouw als bedoeld in [artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403&artikel=15) wordt gedaan met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018303&bijlage=I&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze regeling. Artikel 2 De aanvraag tot verlenging van de vergunning tot tijdelijke verhuur van een leegstaande woning of een leegstaand gebouw, bedoeld in [artikel 15, zesde lid, van de Leegstandwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403&artikel=15), wordt gedaan met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018303&bijlage=II&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze regeling. Artikel 3 De [regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 5 november 1985, houdende vaststelling van de modellen, bedoeld in artikel 15, tweede en vierde lid, van de Leegstandwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003876) (Stcrt. 221) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling formulieren Leegstandwet. Bijlage I Bijlage II. bij [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018303&artikel=2&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van de Regeling formulieren Leegstandwet Deze regeling zal met de t"},{"i":14455,"b":"Regeling merkstoffen kneedspringstoffen Gelet op [artikel 2 van de Wet inzake het merken van kneedspringstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009407&artikel=2); Besluiten: Artikel 1 Als opsporingsmiddel als bedoeld in [artikel 2 van de Wet inzake het merken van kneedspringstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009407&artikel=2) wordt aangewezen het middel 2, 3-dimethyl-2, 3-dinitrobutaan, ook aangeduid als DMNB (C6H12(No2)2). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op de dag waarop de [Wet inzake het merken van kneedspringstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009407) in werking treedt. Deze regeling zal met de bijbehorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12784,"b":"Besluit vaststelling personele ondermandaten Logius gelet op [artikel 6.5 van het Mandaatbesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=6.5), Besluit tot vaststelling van de personele ondermandaat regeling binnen Logius, zoals vermeld in de bijlage bij dit besluit. Dit besluit treedt in werking met ingang van 5 februari 2024. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling personele ondermandaten Logius (Onder)mandaat personele aangelegenheden Logius + rollen **Disclaimer: Voor financieel mandaat geldt een aparte regeling** | Personele aangeledenheden | wet- en regelgeving | secretaris-generaal BZK | algemeen directeur Logius | directeur / CIO / Algemeen Manager KOOP | afdelingshoofd / afdelingsmanager KOOP | HR-manager / clustermanager | Product Manager+ / Teammanager | Opmerkingen | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | **Organisatie en formatie** | | | | | | | | X = eindverantwoordelijke/mandaathouder t = tekenbevoegdheid | | Vaststellen formatie | Mandaatbesluit BZK 2025 | X | | | | | | | | Vaststellen capaciteitsplannen binnen vastgesteld formatief kader | Mandaatbesluit BZK 2025 | | X | | | | | | | Optreden als bestuurder in de zin van de WOR | Mandaatbesluit BZK 2025 | | X | | | | | | | Vaststellen functie(her)waardering | Mandaatbesluit BZK 2025 | | X | | | | | Topformatie valt onder bevoegdheid sg | | Toekennen representatievergoeding | §11.3 CAO Rijk | X | | | | | | | | **Personeelsgesprekken** | | | | | | | | | | Voeren personeelsgesprek | §12.1 CAO Rijk | | X | X | X | X | X | | | Opstellen beoordeling over functioneren | §12.2 CAO Rijk | | X | X | X | X | X | | | Vaststellen verslag personeelsgesprek | §12.1 CAO Rijk | | X | X | X | X | X | | | Beoordeling vaststellen / optreden als beoordelingsautoriteit | §12.2 CAO Rijk | | X | X | | | | Minimaal 1 hiërarchisch niveau hoger dan opsteller beoordeling | | **Aannemen personeel en ontslag** | | | | | | | | | | Afnemen eed/belofte | Mandaatbesluit BZK 2"},{"i":14254,"b":"Regeling Festivals creatieve industrie 2025–2028 gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen De in deze regeling gebruikte begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597). Binnen deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **aanvrager:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon die op grond van deze regeling een subsidieaanvraag doet bij het Stimuleringsfonds; - 2. **adviescommissie:** een onafhankelijke, door het bestuur aangestelde commissie van externe deskundigen; - 3. **beschikking:** de brief waarmee het bestuur formeel besluit over het al dan niet toekennen van de subsidie; - 4. **beschikkingsdatum:** de datum zoals vermeld op de beschikking; - 5. **bestuur:** de bestuurder van het Stimuleringsfonds, bedoeld in [artikel 5 van de statuten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047849&artikel=5); - 6. **cofinanciering:** aanvullende financiering voor het project in de vorm van een andere subsidie, sponsoring, investering, eigen inkomsten uit bijvoorbeeld kaartverkoop of bijdrage van een externe partij, naast de gevraagde subsidie van het Stimuleringsfonds. Eigen bijdragen in de vorm van investeringen of doorberekende kortingen worden niet gerekend tot cofinanciering; - 7. **creatieve industrie:** het werkterrein van de vakgebieden vormgeving, architectuur en digitale cultuur inclusief mogelijke cross-overs tussen deze vakgebieden; - 8. **culturele instelling of -organisatie:** een non-profit- privaatrechtelijke rechtspersoon met een ondersteunende, producerende of initiërende functie binnen de creatieve industrie; - 9. **festival:** een programma van onderling samenhangende voor publiek toegankelijke activiteiten die gedurende een in tijd beperkte period"},{"i":13756,"b":"Kavelbesluit VII windenergiegebied Hollandse Kust (west) I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3) en gelet op de [Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552), besluit de Minister van Economische Zaken en Klimaat in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit als volgt: II. Toelichting kavelbesluit VII windenergiegebied Hollandse Kust (west) 1. Inleiding 1.1. Nut en noodzaak Nederland voert al enige kabinetsperiodes lang een klimaatbeleid dat binnen de Europese Unie is afgestemd met de andere lidstaten. Hierbij gaan het streven naar het sterk verminderen van de uitstoot van broeikasgassen (met name CO2), het besparen op energieverbruik en het ontwikkelen van bronnen van duurzame energie hand in hand.1Bij het akkoord over het Klimaat- en Energie Beleidsraamwerk voor 2030 is een Europees bindend doel van 27 procent hernieuwbare energie afgesproken. Zie Kamerstukken II, 2014/15, 21 501-20, nr. 922. Doel is het beperken van de opwarming van de atmosfeer tot 2 graden Celsius om ernstige maatschappelijke en economische gevolgen van klimaatverandering af te wenden. Nevendoel is het minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen, met name die uit politiek instabiele regio’s afkomstig zijn. Het Energieakkoord voor duurzame groei2Energieakkoord voor duurzame groei, Kamerstukken II, 2012/13, 30 196, nr. 202. (hierna: Energieakkoord) bevat afspraken tussen de overheid, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties over het aandeel duurzame energie in 2023. Windenergie op zee speelt daarin een prominente rol. Specifiek voor windparken op zee is afgesproken dat in 2023 circa 4,5 GW operationeel vermogen gerealiseerd is. Ook is vastgelegd dat het kabinet zorgdraagt voor een robuust wettelijk kader om de opschaling"},{"i":14491,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 oktober 2024, nr. MBO/46958859, houdende de vaststelling van de niveaubeschrijvingen per NLQF-niveau, de NLQF-niveaus van formele opleidingen en van de leges voor inschaling van non-formele opleidingen (Regeling NLQF) Gelet op de [artikelen 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058&artikel=2.1) en [3.2, tweede lid, van de Wet NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050058&artikel=3.2), de [artikelen 7.4.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.6), en [7.4.6a, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.6a) en [artikel 2, derde lid, van het Besluit NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050303&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **opleiding vavo:** opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in [artikel 7.3.1, eerst lid, onderdeel a, van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.3.1), of [artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, van de WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.3.1); - **WEB:** [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625); - **WEB BES:** [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395); - **WHW:** [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - **WVO 2020:** [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212). Artikel 2. Vaststelling niveaubeschrijvingen per NLQF-niveau De niveaubeschrijving behorend bij elk NLQF-niveau, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit NLQF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050303&artikel=2) zijn in termen van kennis, vaardigheden, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid, opgenomen in de bijlage. Artikel 3. Vaststelling"},{"i":14492,"b":"Regeling Nationaal Noodnet Gelet op [artikel 45 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=45), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **Noodcommunicatievoorziening:** het telecommunicatienetwerk dat door Koninklijke KPN N.V. is ontwikkeld als noodcommunicatievoorziening. Artikel 2 1. Elke eenheid heeft ten minste twee aansluitingen op de Noodcommunicatievoorziening. 2. De jaarlijkse abonnementskosten voor twee aansluitingen op het Noodcommunicatievoorziening worden door de Minister van Veiligheid en Justitie vergoed. Artikel 3 De gelden voor de jaarlijkse abonnementskosten van twee aansluitingen voor elke eenheid worden toegevoegd aan en opgenomen in de algemene bijdrage, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van het Besluit financieel beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036711&artikel=9). Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Noodcommunicatievoorziening. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden geplaatst. Artikel 3a Deze regeling berust op [artikel 23, eerste lid, onder a, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=23). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden geplaatst."},{"i":14496,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 december 2014, nr. HO&S/695142, houdende onder meer het vaststellen van de normbedragen in de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten alsmede de Wet studiefinanciering BES voor het jaar 2015 (Regeling normen WSF 2000, WTOS en WSF BES, voor het jaar 2015) Gelet op de [artikelen 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=6.3), [7.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=7.4), en [11.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=11.1), [artikel 17 van het Besluit studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011545&artikel=17), de [artikelen 8.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=8.1), en [11.1, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=11.1), [artikel 5 van het Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012645&artikel=5) en de [artikelen 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=4.3), [5.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=5.2), en [8.1 van de Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=8.1); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **BSF 2000:** [Besluit studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011545); - **BTOS:** [Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012645); - **WSF 2000:** [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453); - **WSF BES:** [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393); - **WTOS:** [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkost"},{"i":14500,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 20 februari 2014, nr. WJZ/14033284, houdende vaststelling van tarieven voor werkzaamheden van de NVWA (Regeling NVWA-tarieven) Gelet op [verordening (EG) nr. 882/2004](32004R0882) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PbEU L 165); Gelet op de [artikelen 10, eerste en tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=10), [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=94), [94a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=94a) en [94b van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005662&artikel=94b) en [artikel 9.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=9.1); Gelet op [artikel 6a van de Plantenziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002075&artikel=6a); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - **aanbieder:** degene die werkzaamheden laat verrichten, degene die daartoe het verzoek doet of degene ten behoeve van wie werkzaamheden worden verricht; - **algemeen erkende feestdag:** de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei; - **certificaat:** schriftelijke of elektronische door of vanwege de NVWA afgegeven verklaring naar aanleiding van de werkzaamheden; - **Chief Veterinary Officer:** Chief Veterinary Officer, werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - **doorvoer:** doorvoer als bedoeld in artikel 3, onderdeel 44, van [verordening (EU) 2017/625](32525R2017); - **geleidebiljet:** schriftelijk of elektronisch document, door of vanwege de NVWA opgemaakt, d"},{"i":12910,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting Vervangingsfonds over de periode vanaf 1992 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs, over de periode vanaf 1992’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12953,"b":"Besluit van 22 november 2006, nr. OI PI/6100483, houdende de vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en de leden van de Adviescommissie innoWATOR Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie innoWATOR ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De andere leden van de Adviescommissie innoWATOR ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Artikel 2 Voor voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van de Subsidieregeling innoWATOR-module van de Experimentele kaderregeling innovatieprojecten ontvangen alle leden van de Adviescommissie innoWATOR een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en op een voorbereidingstijd van 1,5 uur per aanvraag. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12627,"b":"Besluit van 26 augustus 1999, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter en de leden van het Adviescollege besteding Nederlandse bijdrage aan het Nazi Persecutee Relief Fund Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 augustus 1999, kenmerk TTW/IA-U-991702; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3): Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 18 juni 1999. Artikel 1 1. Aan de voorzitter van het Adviescollege besteding Nederlandse bijdrage aan het Nazi Persecutee Relief Fund wordt in plaats van een vacatiegeld een vaste beloning van negenduizend gulden per jaar toegekend. 2. Aan de leden van het Adviescollege besteding Nederlandse bijdrage aan het Nazi Persecutee Relief Fund wordt in plaats van een vacatiegeld een vaste beloning van vierduizend gulden per jaar toegekend. 3. Indien de voorzitter of een lid van Adviescollege besteding Nederlandse bijdrage aan het Nazi Persecutee Relief Fund niet gedurende het gehele jaar de functie van voorzitter of lid bekleedt, wordt zijn beloning, genoemd in het eerste, respectievelijk tweede lid, naar evenredigheid vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 18 juni 1999. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":14526,"b":"Regeling opvang asielzoekers Overwegende dat het met het oog op de invoering van een gewijzigd opvangmodel en met het oog op de wijziging van de vreemdelingencirculaire, strekkende tot invoering van de gedoogdenverklaring, wenselijk is de Regeling opvang asielzoekers (Stcrt. 1987, 75) te wijzigen; Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: a. de minister: de Minister van Justitie; b. asielaanvraag: een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28); c. asielzoeker: een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland niet is geweigerd en door wie of ten behoeve van wie een asielaanvraag is ingediend; d. kind: een persoon, jonger dan 21 jaar, die niet samenwoont met een (huwelijks)partner en die een (stief)kind is van de asielzoeker dan wel met de asielzoeker in gezinsverband leeft en te zijnen laste komt; e. woonruimte: 1º. een besloten ruimte die bestemd en geschikt is voor bewoning en voorzien is van een eigen toegang alsmede van alle noodzakelijke woonfuncties; 2º. een kamer in een ruimte als beschreven onder 1° van dit onderdeel. 2. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder asielzoeker tevens verstaan een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland niet is geweigerd en die een verzoek heeft ingediend tot verlening van een vergunning om in Nederland te verblijven ten behoeve van de gezinshereniging met een asielzoeker aan wie met toepassing van deze regeling opvang wordt geboden. 3. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder ‘rechtmatig verwijderbare vreemdeling’ een vreemdeling op wiens asielaanvraag in eerste aanleg in negatieve zin is beslist, tenzij: - a. de uitzetting van betrokkene ingevolge de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) of een rechterlijke uitspraak achterwege dient te blijven, of - b."},{"i":11861,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 december 2024, nr. 2024-0000016490 houdende vaststelling van beleidsregels inzake de toepassing van de Wet normering topinkomens met ingang van 1 januari 2025 (Beleidsregels WNT 2025) De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, handelend in overeenstemming met de Ministers van Buitenlandse Zaken, van Defensie, van Economische Zaken, van Financiën, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Infrastructuur en Waterstaat, van Justitie en Veiligheid, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, van Asiel en Migratie, van Klimaat en Groene Groei, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, alsmede de staatssecretarissen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Defensie, van Financiën, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Infrastructuur en Waterstaat, van Justitie en Veiligheid, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 1.10 van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.10); Besluit: Artikel I De als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels zijn voor het jaar 2025 van toepassing op de uitvoering van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) berustende bepalingen, daaronder begrepen de uitvoering en handhaving door of namens de Ministers van die wet en de daartoe door hen aangewezen ambtenaren. Artikel II Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels WNT 2025. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Bijlage. bij [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050560&artikel=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01) van de Beleidsregels WNT 2025 Beleidsregels WNT 2025 § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalinge"},{"i":14183,"b":"Regeling Cultuureducatie met Kwaliteit 2021–2024 Caribisch Nederland gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gelet op [artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); gelet op het [Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039127); met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 november 2020; besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **Fonds:** het Fonds voor Cultuurparticipatie; - b). **activiteitenkosten:** de kosten die gemaakt worden voor de uitvoering van het project. Niet zijnde de kosten voor coördinatie, kennisdeling, monitoring en evaluatie. Reis- en verblijfkosten vallen onder activiteitenkosten; - c). **adhesieverklaring:** schriftelijke steunbetuiging van het openbaar lichaam aan de aanvrager voor het programma Cultuureducatie met Kwaliteit 2021-2024 Caribisch Nederland. Dit is een verklaring die de penvoerder bij de aanvraag aanlevert; - d). **adviescommissie:** een interne adviescommissie zoals bedoeld in het [Huishoudelijk Reglement van Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042690); - e). **Algemeen Subsidiereglement:** [Algemeen Subsidiereglement stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039127); - f). **beleidsprogramma Cultuureducatie met Kwaliteit:** programma geïnitieerd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ter waarborging van de landelijke kwaliteit van cultuureducatie in het onderwijs; - g). **Caribisch Nederland:** de drie openbare lichamen van het land Nederland, zijnde de eilanden: Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - h). **CBS:** Centraal Bureau voor de Statistiek; - i). **CEST:** Central European Summer Time; - j"},{"i":19633,"b":"Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationale verkeer ter zee De Verdragsluitende Regeringen: Verlangend het verkeer ter zee te vergemakkelijken door de met de aankomst, het verblijf en het vertrek van schepen die internationale reizen maken, samenhangende formaliteiten, vereiste documenten en procedures te vereenvoudigen en tot een minimum te beperken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I De Verdragsluitende Regeringen nemen de verplichting op zich overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en de daarbij behorende Bijlage, alle passende maatregelen te nemen om het internationale verkeer ter zee te vergemakkelijken en te bespoedigen, en om onnodige vertragingen voor de schepen en de zich aan boord daarvan bevindende personen en goederen te voorkomen. Artikel II 1. De Verdragsluitende Regeringen nemen de verplichting op zich, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, samen te werken bij het opstellen en uitvoeren van maatregelen voor het vergemakkelijken van de aankomst, het verblijf en het vertrek van schepen. Deze maatregelen mogen, voor zover ook maar enigszins mogelijk, niet minder gunstig zijn dan maatregelen die van toepassing zijn ten aanzien van andere internationale middelen van vervoer; wel kunnen zij, ten gevolge van bijzondere eisen, van die maatregelen verschillen. 2. De maatregelen voor het vergemakkelijken van het internationale verkeer ter zee voorzien in dit Verdrag en de daarbij behorende Bijlage zijn zowel van toepassing op schepen van kuststaten als op die van andere dan kuststaten, voor zover de Regeringen van die landen Partij zijn bij dit Verdrag. 3. De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op oorlogsschepen of plezierjachten. Artikel III De Verdragsluitende Regeringen nemen de verplichting op zich samen te werken bij het tot stand brengen van een zo groot mogelijke uniformiteit in de formaliteiten, vereiste documenten en procedures in alle aangelegenheden waarbij deze uniformiteit leidt tot vergemakkelij"},{"i":14530,"b":"Regeling overbrenging notariële archiefbescheiden naar de algemene bewaarplaats Gelet op [artikel 58, derde lid, van de Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=58), Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 58 van de Wet op het notarisambt in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388); - b. **algemene bewaarplaats:** de algemene bewaarplaats, bedoeld in [artikel 57, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=57); - c. **bewaarder:** de bewaarder, bedoeld in[artikel 57, tweede lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=57). Artikel 2 Bij iedere overbrenging naar de algemene bewaarplaats van protocollen of gedeelten daarvan op grond van [artikel 58 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=58) zondert de notaris de akten betreffende uiterste willen en zo mogelijk de daarop betrekking hebbende kaartsystemen af van de overige bestanddelen van het protocol. De notaris voegt daarbij een door hem gewaarmerkte kopie of uittreksel van het repertorium of een andere door hem gewaarmerkte staat, waarin de gegevens uit het repertorium van de desbetreffende akten zijn vermeld. Artikel 3 De notaris en de bewaarder van de algemene bewaarplaats stellen gezamenlijk de datum vast waarop de kaartsystemen zullen worden afgesloten in verband met de overbrenging van het protocol of gedeelten daarvan naar de algemene bewaarplaats. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel 58 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=58) in werking treedt. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling overbrenging notariële archiefbescheiden naar de algemene bewaarplaats. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12981,"b":"Besluit houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Mijnraad Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de Mijnraad wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 van[bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,078. 2. Aan de andere leden van de Mijnraad wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 16 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en de arbeidsduurfactor op 0,078. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2016. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergoedingen voorzitter en leden van de Mijnraad. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen."},{"i":14532,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende beleidsregels ten aanzien van het verlenen van subsidies aan samenwerkingsgebieden ten behoeve van de kosten gemoeid met de uitvoering van het convenant VERDI voor het jaar 2004 en ten behoeve van de aanloopkosten van het verhogen van de drempel van de gebundelde doeluitkering voor infrastructuurprojecten alsmede verlening van eenmalige specifieke uitkeringen aan de provincies ten behoeve van de aanloopkosten van het verhogen van de drempel van de gebundelde doeluitkering voor infrastructuurprojecten (Regeling overdracht personele middelen convenant VERDI en ophoging GDU 2004) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. samenwerkingsgebied: samenwerkingsgebied als bedoeld in [artikel 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=2), waarop [artikel 2 van de Kaderwet bestuur in verandering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006620&artikel=2) van toepassing is verklaard; - c. fte: full-time equivalent; - d. convenant VERDI: het op 29 maart 1996 gesloten convenant tussen het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, het Ministerie van Binnenlandse Zaken, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten ter uitwerking van het hoofdlijnenakkoord inzake de decentralisatie en regionalisering van het verkeer en vervoer. § 2. Subsidie ten behoeve van de samenwerkingsgebieden Artikel 2 De minister verleent voor het jaar 2004 aan de samenwerkingsgebieden een subsidie in het kader van de ontwikkeling van regionaal verkeer- en vervoerbeleid ten behoeve van de personeelskosten die verbonden zijn aan de overdracht van fte’s in het kader van het convenant VERDI en ten behoeve van de aanloopkosten van de ophoging van de drempel van de"},{"i":14534,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 oktober 2010, nr. BJZ2010027165, houdende regels betreffende overige pyrotechnische artikelen (Regeling overige pyrotechnische artikelen) Gelet op [richtlijn nr. 2007/23/EG](32007L0023) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 mei 2007 betreffende het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen (PbEU L 154) en de [artikelen 9.2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.1), [9.2.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.2.4), [9.2.3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.2.3.2)en [21.6 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. In de handel brengen § 1. Algemene bepalingen § 2. Verbodsbepalingen § 3. Conformiteitsbeoordelingsprocedure § 4. Ce-markering § 5. Etikettering § 6. Aangewezen instantie Artikel 26 1. De Minister kan een instantie, die hiertoe een verzoek heeft ingediend overeenkomstig [artikel 26a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028868&hoofdstuk=2&paragraaf=6&artikel=26a&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aanwijzen die bevoegd is tot het uitvoeren van de conformiteitsbeoordelingsprocedure. De Minister meldt de aangewezen instantie aan overeenkomstig artikel 21 van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen. 2. De aangewezen instantie voldoet aan de eisen, genoemd in de [artikelen 26a tot en met 26i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028868&hoofdstuk=2&paragraaf=6&artikel=26a&z=2024-01-01&g=2024-01-01). 3. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden ter uitvoering van de eisen, genoemd in de [artikelen 26a tot en met 26i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028868&hoofdstuk=2&paragraaf=6&artikel=26a&z=2024-01-01&g=2024-01-01). Artikel 27 1. De aangewezen instantie voert conformiteitsbeoordelingen uit. Zij voldoet aan de eisen die in bijlage II bij"},{"i":13341,"b":"Besluit van 8 april 2022, houdende regels met betrekking tot de registratie van uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies ter implementatie van artikel 31 van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn (Implementatiebesluit registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 21 december 2021, 2021-0000257758, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; Gelet op de [artikelen 5, tweede lid, derde lid, onderdeel f en vierde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=6), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=7), [8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=8), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=9), [10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=10) en [18, tweede lid van de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 februari 2022, nr. W06.21.0386/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 6 april 2022, 2022-0000054066, directie Financiële Markten, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definities In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder wet verstaan: [Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046156). Artikel 2. Doelen trust Uit het register volgt voor welk van de volge"},{"i":13201,"b":"Deelregeling Kunst Opdracht Gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Doel Het stimuleren van opdrachtgevers om relevante artistiek inhoudelijke projecten tot stand te brengen die publiek toegankelijk zijn. Dit moet leiden tot meer betrokkenheid van (markt)partijen bij de totstandkoming van beeldende kunst en daarmee tot het vergroten van de kwaliteit en de zichtbaarheid van de hedendaagse Nederlandse beeldende kunst voor een passend publiek. Artikel 2. Toepasselijkheid 1. Een bijdrage kan worden verstrekt aan instellingen voor beeldende kunst en cultureel erfgoed en (markt)partijen voor een bijzondere samenwerking met kunstenaars. 2. Een bijdrage kan worden verstrekt in de vorm van: - a. een flexibele bijdrage voor een concrete opdracht in de kosten die rechtstreeks met de opdracht te maken hebben zoals productie- en presentatiekosten, - b. een vaste bijdrage voor een bijzondere langlopende samenwerking met een kunstenaar zoals het intensief volgen van het werk, het aankopen en/of de productie van nieuwe werken voor een periode van maximaal vier jaar, - c. een tegemoetkoming in de ontwikkelfase van een opdracht. 3. Een opdracht dient betrekking te hebben op een kunstenaar die artistiek inhoudelijk actief is in de beeldende kunsten en in die hoedanigheid ingebed is in de professionele praktijk van de hedendaagse beeldende kunst in Nederland. 4. De opdracht dient betrekking te hebben op een kunstenaar die minimaal één jaar als professioneel beeldend kunstenaar werkzaam is. Daarbij geldt: - •. Indien de kunstenaar een hbo-bacheloropleiding met een beeldende kunstcurriculum heeft afgerond wordt de diplomadatum beschouwd als start van de professionele beroepspraktijk. Wanneer er een periode tussen de diplomadatum van de hbo-bacheloropleiding met beeldende kunstcurriculum en de start van de masteropleiding zit, wordt deze periode meegerekend als onderdeel van de"},{"i":14552,"b":"Regeling protonentherapie Op grond van de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), alsmede de beleidsregel ‘Prestaties en tarieven protonentherapie’, stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vast. Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die op grond van een vergunning ex [artikel 2 WBMV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=2), afgegeven door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), gerechtigd zijn om protonentherapie aan te bieden en te leveren. Artikel 2. Doel van de regeling In deze regeling legt de NZa regels vast die zorgaanbieders als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037204&artikel=1&z=2015-11-19&g=2015-11-19) in acht moeten nemen bij het aanbieden en leveren van protonentherapie. Artikel 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **DBC-zorgproduct voor protonentherapie:** een declarabele prestatie in het kader van protonentherapie. - b. **Protonentherapie:** een vorm van radiotherapie, waarbij protonen uit waterstofkernen worden toegepast.1Artikel 1 Regeling protonentherapie. Artikel 4. Algemeen De begrips-, registratie- en declaratiebepalingen zoals opgenomen in de [Regeling ‘Medisch specialistische zorg’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036896) zijn van overeenkomstige toepassing op de aanbieders van protonentherapie, tenzij in de onderhavige regeling anders is bepaald. Artikel 5. Registratiebepalingen 1. Een DBC-zorgproduct voor protonentherapie wordt geregistreerd op het moment dat de eerste activiteit in dit kader plaatsvindt gericht op een nieuwe zorgvraag van de patiënt. 2. Het DBC-zorgproduct ‘Follow-up na protonenbehandeling’"},{"i":14553,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 22 november 2024, nr. WJZ/89410470, houdende specifieke uitkeringen aan provincies ten behoeve van de beëindiging van veehouderijlocaties ter ondersteuning van de gebiedsgerichte aanpak voor natuur, stikstof, water en klimaat (Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **beekdalen:** 2.500 meter zones rond lijnvormige langzaam en snelstromende wateren; - –. **diersoorten met productierecht:** melkvee, kippen, kalkoenen en varkens; - –. **kosten derden:** kosten, waarvoor een onderneming een factuur van een derde ontvangt en in haar administratie bewaart; - –. **landbouwhuisdier:** zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken; - –. **landbouwonderneming:** onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt; - –. **landbouwsteunkader:** Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (PbEU 2022, C 485); - –. **marktwaarde:** het geschatte bedrag waartegen een onroerende zaak tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper na behoorlijke markwerking in een zakelijke transactie zou worden overgedragen op de taxatiedatum, waarbij de partijen met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang zouden hebben gehandeld; - –. **minister:** Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - –. **Natura 2000-gebied:** Natura 2000-gebied als bedoeld in de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885); - –. **natuurvergunning:** omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&arti"},{"i":14570,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 2 oktober 2025, nr. MBO/53160358, houdende voorschriften inzake het terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters in de jaren 2026 tot en met 2029 en de verbetering van de stap van school naar werk (Regeling regionaal programma en Doorstroompuntfunctie 2026–2029) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 9.2.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=9.2.4), [9.2.8, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=9.2.8), [9.2.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=9.2.10), en [9.2.11, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=9.2.11), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5), artikel 2.1, eerste en vijfde lid, van het Besluit van school naar duurzaam werk en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Treedt in werking op het moment waarop artikel I, onderdeel II, van de Wet van school naar duurzaam werk (Stb. 2025/210) in werking treedt. Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **afspraken:** afspraken als bedoeld in [artikel 9.2.8, derde lid, onderdeel b, WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=9.2.8); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag van een bekostigde school of instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1), [artikel 1 WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 WVO 2020](https://wetten.ov"},{"i":7602,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Financiën van 18 februari 2008, nr. TRCJZ/2008/270, houdende instelling van de baten-lastendienst Dienst ICT Uitvoering Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Aan de Dienst ICT Uitvoering te ’s-Gravenhage wordt de status van baten-lastendienst als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10) verleend. 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: baten-lastendienst Dienst ICT Uitvoering Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastendienst Dienst ICT Uitvoering. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7603,"b":"Instellingsbesluit baten-lastendienst SSC-ICT Den Haag Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Aan SSC-ICT Den Haag wordt de status van baten-lastendienst verleend, als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10). 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: baten-lastendienst SSC-ICT. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastendienst SSC-ICT Den Haag. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7823,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 2 november 2012 kenmerk: FM/2012/1554 M, tot benoeming van en toekenning van vergoedingen aan de Commissie Structuur Nederlandse banken (Benoemingsbesluit Commissie Structuur Nederlandse banken) Gelet op [artikel 6, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6) en [artikel 2, eerste en derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder commissie: de Commissie Structuur Nederlandse banken, ingesteld bij de [Regeling instelling Commissie Structuur Nederlandse banken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032195). Artikel 2 1. Tot leden van de commissie worden benoemd: - –. prof. dr. B.E. Baarsma, directeur van SEO Economisch Onderzoek; - –. J.H.A.S. Biesheuvel, voorzitter MKB-Nederland; - –. prof. dr. A.W.A. Boot, hoogleraar ondernemingsfinanciering en financiële markten; - –. prof. dr. R.G.C. van den Brink, hoogleraar financial institutions; - –. drs. B.R. Combée, algemeen directeur Consumentenbond; - –. prof. dr. S.C.W. Eijffinger, hoogleraar financiële economie en hoogleraar Europese financiële en monetaire integratie; - –. dr. W.M. van den Goorbergh, voorzitter Raad van Commissarissen NIBC en lid Raad van Commissarissen Bank Nederlandse gemeenten; - –. prof. dr. A.F. Harmsen, hoogleraar knowledge management; - –. drs. F. Meijs ACA, accountant en partner banking and capital markets bij PwC; - –. drs. M. Scheltema, lid Raad van Commissarissen Triodos en ASR en extern lid Audit Commissie ABP; - –. prof. dr. D. Schoenmaker, decaan Duisenberg School of Finance; - –. prof. dr. H.H.F. Wijffels, hoogleraar duurzame ontwikkeling; - –. prof. dr. S.J.G. baron van Wijnbergen, hoogleraar macro-economie. 2. Prof. dr. H.H.F. Wijffels is tevens voorzitter van de commissie. Artikel 3 Tot secretarissen van de commissie worden benoemd: - –. drs. S. van der"},{"i":14579,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 mei 2015, nr. 636335, houdende voorschriften betreffende de berekening en uitkering van de rente, toegevoegd aan de bijzondere rekeningen van deurwaarders in Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling rente bijzondere rekeningen deurwaarders BES) Gelet op [artikel 12a, zevende lid, van de Deurwaarderswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028261&artikel=12a), Besluit: Artikel 1 De rente wordt berekend aan de hand van het rentepercentage dat in het normale economische verkeer, mede gelet op het gemiddelde bedrag op de bijzondere rekening of rekeningen, gebruikelijk is. Artikel 2 Tenzij de deurwaarder en de rechthebbende schriftelijk anders zijn overeengekomen, wordt de aan het aandeel van de rechthebbende op de bijzondere rekening(en) toegevoegde rente zo snel mogelijk, doch uiterlijk gelijk met het aandeel aan de rechthebbende uitgekeerd. Artikel 3 1. Indien het aandeel van de rechthebbende op de bijzondere rekening(en) bij aanvang van iedere eerste dag van twee opeenvolgende maanden hoger is dan 500 USD, wordt de rente per maand berekend over de helft van de som van het aandeel bij aanvang van genoemde dagen. 2. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt bij de vaststelling van de hoogte van het aandeel niet betrokken het aandeel van de rechthebbende in ontvangen bedragen, voor zover dat aandeel aan de rechthebbende is uitgekeerd binnen vijf dagen nadat het bedrag op de bijzondere rekening(en) is ontvangen. 3. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt de rente die gedurende enige maand over het aandeel van de rechthebbende is gekweekt, geacht aan dat aandeel te zijn toegevoegd op de tweede dag van de dag van de daarop volgende maand. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het aandeel van de rechthebbende in ontvangen bedragen groter dan 10.000 USD, dat niet aan de rechthebbende is uitgekeerd binnen vijf dagen nadat het bedrag op de bijzondere rekening(en) is ontvangen. In dat gev"},{"i":14587,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 11 december 2012, Z-3145784, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2013 (Regeling risicoverevening 2013) Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Regels ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) ten behoeve van een zorgverzekeraar Hoofdstuk 4. Aanvullingen op de vereveningsbijdrage aan een zorgverzekeraar Hoofdstuk 5. Betaling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraar door het College zorgverzekeringen Hoofdstuk 6. Wijziging van de [Regeling risicoverevening 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030863) Hoofdstuk 2. Regels ten behoeve van de toekenning van de vereveningsbijdrage (ex ante) aan een zorgverzekeraar Artikel 24 In afwijking van hetgeen daarover in [artikel 3.12, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.12) zoals dat met betrekking tot het jaar 2010 gold en van hetgeen daarover in [artikel 3.11, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.11) zoals dat met betrekking tot het jaar 2011 gold, was geregeld, merkt het Zorginstituut kosten van prestaties die overeenstemmen met prestaties waarop de zorgverzekering recht geeft en die de verzekerde buiten Nederland heeft gemaakt aan als kosten van het cluster ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar’ of kosten van het cluster 'geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar of ouder' indien uit de specificatie blijkt dat zij gelden als kosten van geneeskundige zorg die gericht is op herstel van een psychische aandoening en, voor zover die zorg daarmee gepaard gaat, kosten van verblijf. Artikel 25 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling risicoverevening 2013. A"},{"i":4557,"b":"Deelregeling internationaliseringssubsidies Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 3 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=3); Besluit: Paragraaf 1. : Algemeen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **festival:** reeks van onderling samenhangende activiteiten die gedurende een in de tijd beperkte periode onder een gemeenschappelijk noemer worden georganiseerd; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **groep:** een samenwerkingsverband van podiumkunstenaars dat regelmatig in vaste samenstelling onder een vaste naam voorstellingen of concerten verzorgt; - **Nederland:** Het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - **Europees Nederland:** Het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden; - **Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden:** Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - **performer:** een podiumkunstenaar die regelmatig onder een vaste naam voorstellingen of concerten verzorgt; - **podiumkunstenaar:** iemand die artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd is in de professionele podiumkunstpraktijk in Nederland. Artikel 1.2. Subsidievormen Het bestuur kan subsidie verstrekken in de volgende vormen: - a. subsidie Nederlandse voorstellingen of concerten in het buitenland; - b. subsidie buitenlandse voorstellingen of concerten in Nederland; - c. subsidie voor internationale coproducties; - d. subsidie reiskosten buitenlandse voorstellingen of concerten (via snelloket); Artikel 1.3. Beperking Een aanvrager kan nooit voor dezelfde activiteit meerdere"},{"i":14592,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 september 2017, kenmerk 1224864-167311-Z, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2018 (Regeling risicoverevening 2018) Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Regels ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) ten behoeve van een zorgverzekeraar Hoofdstuk 4. Aanvullingen op de vereveningsbijdrage aan een zorgverzekeraar Hoofdstuk 5. Betaling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraar door het zorginstituut Hoofdstuk 6. Wijziging van de [Regeling risicoverevening 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038554) Artikel 20 Wijzigt de Regeling risicoverevening 2017. Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Bijlage 1. Normbedragen vereveningsmodel variabele zorgkosten (behorende bij [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040055&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2017-10-10&g=2016-09-30) van de Regeling risicoverevening 2018) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2. Normbedragen vereveningsmodel GGZ (behorende bij [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040055&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2017-10-10&g=2016-09-30) van de Regeling risicoverevening 2018) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 3. Normbedragen vereveningsmodel voor de eigen betalingen onder het verplicht eigen risico Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 4. Toewijzing FKG’s diabetes 2018 op basis van farmaciegebruik voor diabetes en hypertensie Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Gelet op [artikel 32, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en de [artikelen 1, onderdelen i, j, aa en ii](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1), [3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.1), [3.2, eerste en tweede lid](https://wetten.overhe"},{"i":14593,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 24 september 2018, kenmerk 1418368-180788-Z, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2019 (Regeling risicoverevening 2019) De Minister voor Medische Zorg, Gelet op [artikel 32, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en de [artikelen 1, onderdelen i, j, aa en ii](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1), [3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.1), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.2), [3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.4), [3.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.6), [3.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.8), [3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.10), [3.11, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.11), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.13), [3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.14), [3.15, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.15), [3.19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.19), en [3.22, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.22); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **dure intramurale geneesmiddelen:** intramurale geneesmiddelen die de zorg, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4) krachtens het tweede lid van dat artikel, of [artikel 2.4a, eerste lid, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4a) niet omvat. Artikel 2 1. Het macro-prestatiebedrag vo"},{"i":14596,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 november 2022, kenmerk 3465547–1039405–Z, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2022 (Regeling risicoverevening 2022) Gelet op [artikel 32, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en de [artikelen 1, onderdelen i, j, aa en ii](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1), [3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.1), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.22), [3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.4), [3.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.6), [3.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.8), [3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.10), [3.11, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.11), [3.12a, eerste, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.12a), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.13), [3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.14), [3.15, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.15), [3.19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.19), en [3.22, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.22); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **HSM:** historische somatische morbiditeit, een vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden worden ingedeeld in klassen op basis van hun morbiditeit in het verleden; - b. **MFK:** meerjarige farmaciekosten, een vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden worden ingedeeld in klassen op basis"},{"i":14597,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 april 2025, kenmerk 4083470-1081010-Z houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2023 (Regeling risicoverevening 2023) Gelet op [artikel 32, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en de [artikelen 1, onderdelen i, j, aa en ii](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1), [3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.1), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.2), [3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.4), [3.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.6), [3.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.8), [3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.10), [3.11, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.11), [3.12a, eerste, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.12a), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.13), [3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.14), [3.15, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.15), [3.19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.19), en [3.22, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.22); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **IBZ:** indicatie bevallingen en zwangerschappen, een vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden die bevallen in het vereveningsjaar worden onderscheiden van de overige verzekerden; - **verstrekking van een duur intramuraal geneesmiddel:** verstrekking van een intramuraal geneesmiddel die krachtens [arti"},{"i":14610,"b":"Regeling schorsing geldigheid kentekenbewijs Gelet op de [artikelen 67, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=67), [69, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=69), en [70, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=70) alsmede op [artikel 50, tweede lid, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=50); Besluit: Artikel 1 De aanvraag van een schorsing op de wijze, bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=50) alsmede de aanvraag van beëindiging van de schorsing op de wijze, bedoeld in [artikel 51, eerste lid onder a, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=51), geschiedt bij een bij een erkend bedrijf tenaamstellen voertuigen voor derden als bedoeld in [artikel 4 van het Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=4) of een erkend bedrijf tenaamstellen voertuigen vanuit bedrijfsvoorraad als bedoeld in [artikel 5 van het Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=5) of een daartoe door de Dienst Wegverkeer aangewezen vestiging van deze dienst. Artikel 2 Indien een schorsing betrekking heeft op een reeds geschorste tenaamstelling en plaatsvindt op de in [artikel 50, eerste lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=50) aangegeven wijze, geldt de datum waarop de reeds bestaande schorsing zou eindigen vermeerderd met een jaar, twee jaar of drie jaar in de aantekening van schorsing wordt vermeld, indien de aanvraag plaatsvindt uiterlijk twee maanden voor de datum waarop de reeds lopende schorsing eindigt. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald al"},{"i":14611,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 december 2006, nr. WJZ 6107378, houdende regels inzake de schriftelijke kennisgeving bij de uitvoering van werkzaamheden aan kabels (Regeling schriftelijke kennisgeving aanleg kabels) Gelet op [artikel 5.3, zesde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=5.3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950). Artikel 2 De schriftelijke kennisgeving, bedoeld in [artikel 5.3, eerste en tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=5.3) bevat in elk geval de volgende informatie: - a. naam en adres van de aanbieder van het openbare elektronische communicatienetwerk; - b. de rechtsgrond van de gedoogplicht; - c. het doel van de kennisgeving; - d. de voorgenomen plaats van de uit te voeren werkzaamheden; - e. het voorgenomen tijdstip van de uit te voeren werkzaamheden; - f. de voorgenomen werkwijze van de uit te voeren werkzaamheden; - g. een omschrijving van de kabels en werken waarop de werkzaamheden betrekking hebben; - h. een omschrijving van de procedure, bedoeld in [artikel 5.3, tweede en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=5.3); - i. vermelding van de termijnen, bedoeld in [artikel 5.3, tweede en derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=5.3). Artikel 3 De schriftelijke kennisgeving wordt door middel van een aangetekende brief met ontvangstbevestiging verstuurd. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2007. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling schriftelijke kennisgeving aanleg kabels. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14612,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 17 december 2003, AGT2003-2237N, houdende bepalingen ter zake van schuldregisters voor geldleningen ten laste van het Rijk (Regeling schuldregisters Nederlandse staatsleningen 2003) Gelet op [artikel 1 van de Wet van 13 januari 1949, houdende instelling schuldregisters voor geldleningen ten laste van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002045&artikel=1) (Stb. J 23), en de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002053&artikel=1) en [7 van de Wet van 30 november 1949, houdende regelen nopens het beheer van schuldregisters voor geldleningen ten laste van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002053&artikel=7) (Stb. J 529); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. schuldregister: een register van leningen ten laste van de Staat der Nederlanden, waarin de uit die leningen voortvloeiende schulden aan rechthebbenden worden ingeschreven; - b. Agentschap: het Agentschap van het Ministerie van Financiën te Amsterdam. Artikel 2 1. De aflossing van een in een schuldregister ingeschreven schuld geschiedt overeenkomstig de voorwaarden van de lening, waaruit de schuld voortvloeit. 2. Een aflossing wordt betaald door overboeking van het verschuldigde bedrag op één door de rechthebbende opgegeven rekening, die bestemd is voor girale betaling. Artikel 3 1. De rente wordt overeenkomstig de voorwaarden van de desbetreffende lening vastgesteld op basis van het saldo van de ingeschreven schuld direct voorafgaand aan de renteverschijndag. 2. Rente wordt betaald onder aftrek van de in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016174&artikel=5&z=2004-05-01&g=2004-05-01) genoemde kosten door overboeking op de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016174&artikel=2&z=2004-05-01&g=2004-05-01) genoemde rekening. Artikel 4 Alle handelingen met betrekking tot aflossing en mutaties van de ingeschreven schulden kunnen uitsluitend geschieden in bedragen van de klei"},{"i":14625,"b":"Regeling van het Commissariaat voor de Media van 27 maart 2018 houdende beleidsregels ten aanzien van sponsoring van publieke media-instellingen en regels ten aanzien van titelsponsoring (Beleidsregel sponsoring publieke media-instellingen 2018) Gelet op [afdeling 2.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&afdeling=2.5.3) en [artikel 7.11 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.11), [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 13 van het Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036&artikel=13); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **audio:** elektronisch product met geluidinhoud dat één geheel vormt en als zodanig herkenbaar onder een afzonderlijke titel wordt verspreid; - **besluit:** [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); - **CCC:** crossmediale content classificatiesysteem, op grond waarvan de NPO media-aanbod van de landelijke publieke media-instellingen indeelt; - **crowdfunding:** vorm van financiering waarbij de afzonderlijke financiële bijdragen zijn opgehaald via een doorgaans online platform; - **(co)producent:** bedrijf dat of instelling die zich gewoonlijk bezighoudt met de verzorging van mediadiensten of media-aanbod en die het media-aanbod (mede) heeft vervaardigd; - **evenementensponsor:** natuurlijk persoon of onderneming die een financiële of andere bijdrage heeft verstrekt ten behoeve van de totstandkoming van een evenement; - **leader:** inleidend gedeelte van een programma; - **pagina:** al het media-aanbod dat op internet op één browserscherm, op teletekst onder één paginanummer en op andere typen elektronische distributievormen op één scherm wordt getoond; - **video:** elektronisch product met bewegende beeldinhoud, dat één geheel vormt en als zodanig herkenbaar onder een afzonderlijke titel wordt verspreid; - **wet:** [Med"},{"i":14626,"b":"Regeling stimulering Bèta/techniek Gelet op: • [artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet overige OCenW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4); Besluit Artikel 1. Doelstellingen Het doel van deze regeling is het subsidiëren van de Stichting Platform Bèta/techniek voor het uitvoeren van haar werkzaamheden voorzover deze betrekking hebben op: - a. het versterken van de aandacht voor wetenschap en bèta/techniek in het primair en voortgezet onderwijs; - b. het bevorderen van systematisch en doelgericht werken aan het maximaliseren van leerprestaties in het primair en voortgezet onderwijs (‘opbrengstgericht werken’); - c. het bevorderen van excellentie in het primair en voortgezet onderwijs; - d. het interesseren van meer jongeren voor een vervolgstudie of loopbaan in de bèta/technieksector; - e. het verbeteren van de aansluiting van het technisch beroepsonderwijs op het (regionale) bedrijfsleven; - f. het duurzaam behouden van personen werkzaam in de bèta/technieksector voor die arbeidsmarkt en; - g. het bevorderen en faciliteren van excellentie in het hoger onderwijs. Artikel 2. Subsidieverlening 1. Aan de Stichting Platform Bèta/techniek wordt jaarlijks een subsidie verleend. 2. Grondslag voor de jaarlijkse subsidieverlening vormt de begroting voor het komende boekjaar en een door de Stichting Platform Bèta/techniek jaarlijks bij te stellen en ter goedkeuring aan de minister voor te leggen meerjarig beleidskader. Dit beleidskader bevat: - a. Een compleet overzicht van de voorgenomen activiteiten en een daaraan gekoppelde begroting. Beide bevatten een meerjarig perspectief. - b. Een indicatie voor de wijze waarop en de mate waarin deze activiteiten een bijdrage zullen leveren aan de doelstellingen van deze regeling. - c. Een overzicht van de begrote cofinanciering van de voorgenomen activiteiten. - d. Een overzicht van de uitvoeringskosten van de Stichting. - e. Een overzicht van de jaarlijks ontvangen rente op de ontvangen sub"},{"i":14627,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 6 februari 2026, nr. IENW/BSK-2026/15802, houdende regels ter stimulering van het uitvoeren van projecten in het kader van de Programmatische Aanpak Grote Wateren (Regeling stimulering projecten PAGW) [KetenID WGK027450] Gelet op [artikel 7.22d, tweede en derde lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.22d), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=2), [3, eerste lid, aanhef en onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5), en de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2) en [4, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4) juncto [artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **grote wateren:** rijkswateren als bedoeld in de bijlage bij [artikel 1.1 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=1.1); - **PAGW:** Programmatische aanpak grote wateren; - **project:** project in het kader van de Programmatische Aanpak Grote Wateren dat is opgenomen in de bijlage bij deze regeling; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **P85-waarde:** de waarde bij een kostenraming waarbij de kans 85% is dat de werkelijke kosten van een fase van het project op of binnen die waarde vallen; - **planuitwerkingsfase:** fase volgend op de verkenningsfase, waarin het voorkeursalternatief voor een project wordt uitgewerkt; - **realisatiefase:** fase volgend op de planuitwerkingsfase, waarin het project wordt uitgevoerd; - **fase na realisatie:** fase"},{"i":14623,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 juni 2024, nr. 5531723, tot wijziging van de Regeling kansspelen op afstand en de Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen inzake speellimieten en aanvullende maatregelen ten behoeve van bewuster speelgedrag (Regeling speellimieten en bewuster speelgedrag) Gelet op de [artikelen 2.1, derde lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=2.1), en [4.24 van het Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=4.24) en [2a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=2a), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=10), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=16) en [18, vierde lid, van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033412&artikel=18); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling kansspelen op afstand. Artikel II Wijzigt de Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen. Artikel III 1. De houder van een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand treft passende maatregelen die waarborgen dat alle voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling bij hem ingeschreven spelers: - a. in de leeftijdscategorie tussen 18 en 24 jaar, die een bedrag gelijk aan of meer dan: - 1°. € 150 per maand als stortingslimiet hebben ingesteld; of - 2°. € 37,50 per week als stortingslimiet hebben ingesteld zonder een stortingslimiet per maand; of - 3°. € 5,35 per dag als stortingslimiet hebben ingesteld zonder een stortingslimiet per maand en per week; - b. in de leeftijdscategorie van 24 jaar of ouder, die een bedrag gelijk aan of meer dan: - 1°. € 350 per maand als stortingslimiet hebben ingesteld; of - 2°. € 87,50 per week als stortingslimiet hebben ingesteld zonder een stortingslimiet per week; of - 3°. € 12,50 per dag als stortingslimiet hebben ingesteld zonder een stortingslimiet per maand of"},{"i":14628,"b":"Regeling Stoppen-met-rokenprogramma Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van Stoppen-met-rokenprogramma. Artikel 1. Begripsbepalingen - 1.1. **Stoppen-met-rokenprogramma** Zorg zoals huisartsen, medisch specialisten, verloskundigen en klinisch psychologen die bieden en farmacotherapeutische interventies ter ondersteuning van gedragsverandering met als doel te stoppen met roken. De programmatische aanpak bij stoppen met roken bestaat altijd uit begeleiding gericht op gedragsverandering en wordt indien nodig aangevuld met farmacologische ondersteuning. De zorgmodule Stoppen met Roken en de richtlijn Behandeling van tabaksverslaving en stoppen met roken ondersteuning worden hierbij als uitgangspunt gehanteerd. - 1.2. **Zorgaanbieder** De natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, als bedoeld in [artikel 1 aanhef en onder c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) voor zover deze zorg aanbiedt als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041248&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze regeling. - 1.3. **Zorgmodule** De zorgmodule Stoppen met Roken is een generieke module opgesteld door de stichting Partnership Stop met roken die de norm voor de zorg bij de zorgvraag stoppen met roken functioneel omschrijft.De zorgmodule bevat een zorginhoudelijke en organisatorische uitwerking van het programma. De module dient om cliënten inzicht te geven in kwaliteitsnormen en faciliteert verzekeraars en aanbieders bij het sluiten van overeenkomsten. - 1.4. **Richtlijnbehandeling van tabaksverslaving en stoppen met roken ondersteuning** De Richtlijn behandeling van tabaksvers"},{"i":14629,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 18 oktober 2009, nr. WJZ/9182058, houdende regels voor het behandelen van meldingen over storing in uitrusting (Regeling storingsmeldingen) Gelet op de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021041&artikel=20) en [22 van het Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021041&artikel=22) en [artikel 20 van het Besluit randapparaten en radioapparaten 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021037&artikel=20) en de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=4), en [5 van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010334&artikel=5); Besluit: § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **storing:** elektromagnetische storing, ondervonden in uitrusting of radioapparaten als gevolg van het gebruik van uitrusting of radioapparaten; - c. **beschermingseisen:** de beschermingseisen, bedoeld in [artikel 4, eerste en tweede lid, van het Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021041&artikel=4) of de beschermingseisen, bedoeld in [artikel 5, eerste en tweede lid, van het Besluit randapparaten en radioapparaten 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021037&artikel=5); - d. **Radioreglement:** Radioreglement (Trb. 1981, 78), behorende bij het op 22 december 1992 te Genève tot stand gekomen Statuut en Verdrag van de Internationale Unie voor Telecommunicatie met de daarbij behorende bijlagen en reglementen (Trb. 1993, 138); - e. **Rijksinspectie Digitale Infrastructuur:** Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. § 2. Storingsmelding en beoordeling Artikel 2 1. Een melding aan de minister over storing kan naar keuze van degene die de melding doet telefonisch, schriftelijk,"},{"i":14631,"b":"Regeling structurele informatieverstrekking bedrijfsvoering Wmg Gelet op [artikel 62 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) (Wmg), kan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) regels stellen inhoudende welke gegevens en inlichtingen regelmatig moeten worden verstrekt dan wel onder welke omstandigheden deze moeten worden verstrekt door zorgaanbieders. Gelet op [artikel 68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), kan de NZa regels stellen inhoudende aan wie daarbij te bepalen gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 62, moeten worden verstrekt, het tijdstip en de wijze waarop en de vorm waarin de gegevens en inlichtingen moeten worden verstrekt, of door wie en de wijze waarop de gegevens moeten worden bewerkt, of door wie en de wijze waarop de gegevens dan wel de bewerkingen van die gegevens moeten worden bekendgemaakt. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **bedrijfsvoering:** de besturing en beheersing van bedrijfsprocessen door de zorgaanbieder. - **boekjaar:** kalenderjaar waarop de jaarverantwoording betrekking heeft. - **CIBG:** uitvoeringsorganisatie die valt onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. - **IGJ:** Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. - **gegevens en inlichtingen:** gegevens en inlichtingen betreffende de bedrijfsvoering van zorgaanbieders, waaronder financiële gegevens en inlichtingen. - **jaarverantwoording:** de jaarverantwoording als bedoeld in [artikel 40b, tweede lid van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=40b). - **NZa:** Nederlandse Zorgautoriteit. - **Wmg:** Wet marktordening gezondheidszorg. - **zorgaanbieder:** natuurlijk persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg in de zin van de Wmg verleent als bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c van de Wmg](https://wetten.ov"},{"i":14624,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 april 2009, nr. BVE/Stelsel/111464 houdende nadere regels voor de samenvoeging of splitsing van bekostigde instellingen in het Beroepsonderwijs en de Volwassenen Educatie (BVE) en samenvoeging van een agrarisch opleidingscentrum met een school voor voorbereidend beroepsonderwijs in de sector landbouw (Regeling fusie- en splitsingstoets BVE) Gelet op [artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.3); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving, Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - **wet:** [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625); - **instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - **splitsing:** elke rechtshandeling van een rechtspersoon die een bekostigde instelling in stand houdt die ertoe leidt dat twee of meer instellingen ontstaan door splitsing van een instelling. § 2. Fusie Artikel 2. Voorwaarden aanvraag Vervallen Artikel 3. Fusie-effectrapportage Vervallen Artikel 4. Instemmingssvereisten Vervallen § 3. Splitsing Artikel 5. Voorwaarden aanvraag De rechtspersoon dient een aanvraag als bedoeld in [artikel 2.1.4, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.4) in bij de minister. De aanvraag: - a. gaat vergezeld van een door de rechtspersoon opgestelde effectrapportage splitsing; - b. gaat vergezeld van een schriftelijk advies over de splitsing van de betrokken medezeggenschapsraden; en - c. vermeldt of de te splitsen instelling deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap. Artikel 6. Effectrapportage"},{"i":14638,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 april 2020, kenmerk 1665225-201979-LZ, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor de realisatie van aardbevingsbestendige zorg in Groningen (Regeling subsidies aardbevingsbestendige zorg) Gelet op [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **aardbevingsgebied Groningen:** de gemeenten Delfzijl, Appingedam, Loppersum, Het Hogeland, Midden-Groningen, Oldambt en Groningen, voor wat betreft het grondgebied van de plaats Ten Boer; - **bouwteam:** een projectgebonden samenwerkingsverband tussen een opdrachtgever en één of meerdere personen waarbinnen wordt samengewerkt aan het ontwerp van de te realiseren nieuwbouw en het realiseren van nieuwbouw, bedoeld in [artikel 4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043386&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-04-17&g=2026-04-17), van deze subsidieregeling; - **bouwteamovereenkomst:** een overeenkomst van het bouwteam waarin prijsafspraken zijn vastgelegd voor het realiseren van nieuwbouw, bedoeld in [artikel 4.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043386&hoofdstuk=4&artikel=4.2&z=2026-04-17&g=2026-04-17), van deze subsidieregeling; - **CBS tabel bouwkosten nieuwbouwwoningen:** de tabel ‘Nieuwbouwwoningen; inputprijsindex bouwkosten 2021=100’ van het Centraal Bureau voor de Statistiek; - **Definitief ontwerp:** het document waarin de initiatiefnemers van een nieuwbouwproject het uiteindelijke ontwerp van de nieuwbouw, een visie op de daar te leveren zorg en de wijze waarop dit zal worden georganiseerd vastleggen; - **dagbestedingsplaats:** een plaats die wordt gerealiseerd binnen een zorglocatie, die toe te rekenen is aan één cliënt en waar begeleiding in groepsverband wordt geboden aan meerder"},{"i":14637,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Medische Zorg van 18 juni 2019, kenmerk 1540378-191839 CZ, houdende regels voor het subsidiëren van regionale partnerschappen voor het stimuleren van digitale informatie-uitwisseling in de geboortezorgketen in Nederland (Beleidsregel subsidiëring Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional Babyconnect) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **basisgegevensset Zorg (BGZ):** de minimale set van patiëntgegevens, gedefinieerd met behulp van zorginformatiebouwstenen, die specialisme-, ziektebeeld- en beroepsgroep overstijgend relevant is en van belang voor de continuïteit van zorg; - **derde tranche;** regio Amsterdam, Amstelland en Almere, bestaande uit zeven VSV’s en regio Noord-Nederland, bestaande uit drie VSV’s, die subsidie hebben aangevraagd en verleend hebben gekregen in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 december 2020; - **dienstverlener zorgaanbieder:** levert diensten aan een zorgaanbieder gerelateerd aan de uitwisseling tussen zorggebruiker en zorgaanbieder en committeert zich hiervoor aan de naleving van de afspraken van het MedMij Afsprakenstelsel; - **eerste tranche:** regio Rotterdam-Rijnmond, bestaande uit zes VSV’s en regio Noord-Holland Noord, bestaande uit vijf VSV’s, die subsidie hebben aangevraagd en verleend hebben gekregen in de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 september 2019; - **geboortezorgketen:** alle zorgverleners en zorgverlenende instanties die betrokken zijn bij de zorg vanaf het moment van preconceptieconsult tot en met 8 weken post partum en overdracht naar de jeugdgezondheidszorg; - **gebruikersgroepen:** vier verschillende overlegstructuren van zorggebruikers, zorgverleners, zorgorganisaties en statistiek en wetenschap, opgezet en ondersteund door het programmabureau Babyconnect, waarin de kaders ten aanzien van digital"},{"i":14636,"b":"Regeling voor subsidiëring van projecten in het kader van het programma Lang Leve Kunst. Op weg naar Age Friendly Cities Het doel van deze regeling is cultuurparticipatie door ouderen op lokaal niveau te verduurzamen door samen met gemeenten op te trekken binnen het programma ‘Lang Leve Kunst. Op weg naar Age Friendly Cities’. Daarbinnen verduurzaamt het Fonds succesvolle artistiek inhoudelijk gedreven ouderenparticipatieprojecten die eerder door haarzelf of een van haar landelijke partners uit het samenwerkingsverband Lang Leve Kunst zijn gesubsidieerd. De gemeenten zullen daarnaast een flankerend programma ontwikkelen om het project en cultuurparticipatie door ouderen sterker lokaal in te bedden. Een culturele instelling, waarmee het Fonds of een van de andere Lang Leve Kunst partners een eerdere subsidie- dan wel een donatierelatie heeft gehad die aansluit bij het doel van deze regeling, kan een aanvraag indienen voor een artistiek gedreven ouderenparticipatieproject. De aanvraag wordt slechts in behandeling genomen indien: De aanvraag wordt digitaal ingediend via de website van het Fonds met behulp van een door het bestuur opgesteld formulier. De subsidie bedraagt maximaal € 20.000,– per project per jaar met een maximale looptijd van twee jaar. In aansluiting hierop zal de gemeente waarin de culturele instelling is gevestigd jaarlijks € 20.000,– matchen voor de uitvoering van een flankerend projectplan voor nieuwe activiteiten op het terrein van ouderenparticipatie, waardoor het project een duurzame inbedding krijgt. De afspraken rond deze matching worden vastgelegd in een convenant tussen het Fonds en de gemeente. De subsidie wordt bij toekenning direct beschikt voor twee jaar. Het subsidieplafond voor 2017/2018 bedraagt € 240.000,– Het bestuur is voornemens het programma in 2019 en 2020 met meerdere gemeentes uit te breiden en zal in dat geval voor die jaren nieuwe subsidieplafonds vaststellen. Projecten starten niet eerder dan 1 februari 2017 en eindigen op 3"},{"i":14639,"b":"Regels op grond van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=2), [6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6), [13, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=13), [16, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=16), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=19), [26, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=26), [28, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=28), [33, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=33), [45, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=45), [46, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=46), [50, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=50), [52, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=52), [54, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=54), [62, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=62), [64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=64), [66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=66), [67, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=67), [68, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=68), en [77, eerste en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=77), de [artikelen 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013061&artikel=127) en [128 van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013061&artikel=128), de [arti"},{"i":18541,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 13 februari 2024, kenmerk 4644372, inzake het strategisch kader informatiebeveiliging voor de meldkamervoorzieningen die door de hoofdgebruikers worden gebruikt bij de uitvoering van hun meldkamerfunctie en worden beheerd door de beheerder (Strategisch kader informatiebeveiliging meldkamervoorzieningen) Gelet op [artikel 23, eerste en tweede lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=23); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit strategisch kader wordt verstaan onder: - a). **meldkamervoorzieningen:** alle gemeenschappelijke voorzieningen, waaronder ICT voorzieningen, die gebruikt worden door een of meer hoofdgebruikers bij de uitvoering van hun meldkamerfunctie én die door de beheerder worden beheerd; - b). **beheer:** facilitaire dienstverlening, huisvesting, inrichting, onderhoud en ontwikkeling van gemeenschappelijke ICT-voorzieningen ten behoeve van de meldkamers en het ICT-beheer ten behoeve van de meldkamerfuncties; - c). **beheerder meldkamervoorzieningen:** korpschef van de politie, bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=1); - d). **Landelijke Meldkamer Samenwerking:** het onderdeel van de politie waar het beheer van de meldkamers, bedoeld in [artikel 25a van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25a), is ondergebracht; - e). **partijen:** de Minister voor Medische Zorg en de Regionale Ambulancevoorzieningen voor zover het de ambulancezorg betreft, de besturen van de veiligheidsregio’s voor zover het de brandweertaak, de rampenbestrijding, de crisisbeheersing en de geneeskundige hulpverlening hierbij betreft, de Minister van Defensie voor zover het de Koninklijke marechaussee betreft, de Minister van Justitie en Veiligheid en de politie; - f). **hoofdgebruikers:** de hulpdiensten politie, ambulance, brandweer en de Koninklijke Marechaussee. Defen"},{"i":3553,"b":"Besluit van 23 augustus 2004, houdende algemene regels voor havenontvangstvoorzieningen (Besluit havenontvangstvoorzieningen) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 mei 2004, nr. HDJZ/SCH/2004-1241, Hoofddirectie Juridische Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op Bijlagen I, II, IV en V van het op 2 november 1973 te Londen totstandgekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975, 147) en met het op 17 februari 1978 te Londen totstandgekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb. 1978, 188), [richtlijn nr. 2000/59/EG](32000L0059) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332) en de [artikelen 6, eerste, tweede en derde lid](onbekend), [6a, zevende lid](onbekend), en [6b van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 28 juni 2004, nr. W09.04.0216/V); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 augustus 2004, nr. HDJZ/SCH/2004-1691, Hoofddirectie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepaling Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **frequent een haven aandoen:** met een schip minstens eenmaal per veertien dagen dezelfde haven aandoen; - **geregeld verkeer:** verkeer op basis van een gepubliceerde of geplande lijst van vertrek- en aankomsttijden tussen bepaalde havens of terugkerende overtochten die een herkenbare regeling vormen; - **GISIS:** Global Integrated Shipping Information System dat door de Internationale Maritieme Organisatie is opgezet; - **regelmatig een haven aandoen:** met hetzelf"},{"i":14741,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Defensie houdende regels omtrent de deelname van valschermen aan het luchtverkeer (Regeling valschermspringen 2010) Gelet op de [artikelen 1a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=1a), [3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=3), en [44, vierde lid, van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=44); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: **cluster:** groep van valschermspringgebieden als bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027968&bijlage=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze regeling; **doelgebied**: gebied waarin de valschermspringer beoogt neer te komen; **incidenteel valschermspringgebied**: valschermspringgebied dat niet is opgenomen in de lijst van valschermspringgebieden, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027968&bijlage=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij deze regeling; **klimgebied**: kolom luchtruim in de vorm van een cilinder met een straal van 9,26 km rond het middelpunt van het doelgebied en een hoogte gelijk aan de voorgenomen springhoogte in het luchtruim; **NOTAM:** bericht als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling Burgerluchtvaartinlichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010154&artikel=1) (Notice to Airmen); **valscherm**: scherm dat dient om de daalsnelheid van een persoon zodanig te beperken, dat deze veilig het aardoppervlak kan bereiken; **valschermspringen**: uit een zich in de lucht bevindend luchtvaartuig springen met een valscherm; **valschermspringgebied**: kolom luchtruimte in de vorm van een cilinder met een straal van 3,7 km rond het middelpunt van het doelgebied en een hoogte die ten minste gelijk is aan de voorgenomen springhoogte; **vast valschermspringgebied**: valschermspringgebied opgenomen in de lijst van valschermspringgebieden, bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid"},{"i":14772,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 19 maart 2010, nr. WJZ/10043132, houdende vaststelling van de definitieve correcties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2009 (Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2009) Gelet op de [artikelen 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), en [31, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **besluit:** het [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - b. **regeling 2008:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - c. **regeling 2009:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - d. **basisbedrag:** het basisbedrag, bedoeld in [artikel 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), en [28, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28). § 2. Correctiebedragen voorschotverlening [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566) Artikel 2 1. De correcties op het basisbedrag voor subsidie-ontvangers als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de regeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566&artikel=3) worden voor 2009 als volgt vastgesteld: - a. € 0,050 per kWh voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14); - b. € 0 voor wat betreft de correcties, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14). 2. De correcti"},{"i":14828,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 24 oktober 2016, nr. WJZ/16143227, tot vaststelling van de correcties voor de voorschotverlening duurzame energieproductie 2017 (Regeling vaststelling voorschotverlening duurzame energieproductie 2017) Gelet op [artikelen 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), en [47, vijfde lid, van het Besluit stimulering duurzame energie productie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **basisbedrag:** basisbedrag, bedoeld in [artikel 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), en [artikel 44, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44); - –. **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - –. **regeling 2008:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - –. **regeling 2009:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - –. **regeling 2010:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - –. **regeling 2011:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030034) - –. **regeling 2012:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031291); - –. **regeling 2013:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032881); - –. **regeling 2014:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproducti"},{"i":14889,"b":"Regeling visserijproducten 1998/2 BES Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze ministeriële regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Warenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028619); - b. **bevoegde instantie:** Voedsel en Waren Autoriteit; - c. **Commissie:** de Commissie van de Europese Gemeenschappen; - d. **Raad:** de Raad van de Europese Gemeenschappen of, in voorkomende gevallen, de Raad van de Europese Unie; - e. **Richtlijn laboratoriumpraktijken:** richtlijn nr. 88/320/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 juni 1988 inzake de inspectie en de verificatie van goede laboratoriumpraktijken (PbEG L 145); - f. **Richtlijn veterinaire controles:** richtlijn nr. 90/675/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 december 1990 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG L 373); - g. **Richtlijn visserijproducten:** [richtlijn nr. 91/493/EEG](31991L0493) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1991 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van visserijproducten (PbEG L 268); - h. **ondernemer:** de persoon die verantwoordelijk is voor hetgeen in een inrichting of fabrieksvaartuig, of uit hoofde van het bedrijf dat in die inrichting, onderscheidenlijk in dat vaartuig wordt uitgeoefend plaatsvindt; - i. **inrichting:** iedere ruimte waar visserijproducten worden gekoeld, ingevroren, bewerkt, verwerkt, verpakt of opgeslagen; - j. **fabrieksvaartuig:** vaartuig aan boord waarvan visserijproducten worden gefileerd, in moten verdeeld, gestroopt, gehakt, ingevroren of verwerkt, of meer dan een van deze handelingen ondergaan, en daarna al dan niet worden verpakt; vissersvaartuigen aan boord waarvan slechts wordt ingevroren wo"},{"i":14914,"b":"Regeling vrijstelling machtiging zendinrichtingen niet-ingezetenen Gelet op artikel D.4.1 van het Besluit radio-elektrische inrichtingen (Stb. 1988, 552); Besluit: I. Landmobiele radiocommunicatie Artikel 1 Een niet-ingezetene, die tijdelijk in Nederland verblijft en in een van de landen van de Conference Européenne des Administrations des Postes et des Télécommunications (CEPT) is gemachtigd om een zendinrichting bestemd voor landmobiele radiocommunicatie, niet zijnde een zendinrichting voor satellietcommunicatie dan wel een zendinrichting voor algemene radiocommunicatie in de 27 MHz-band, te gebruiken, is vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanleg en aanwezigheid van deze inrichting voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004456&hoofdstuk=I&artikel=2&z=1998-01-01&g=1998-01-01). Artikel 2 1. De zendinrichting mag niet worden ingeschakeld of gebruikt. 2. De in het land van machtigingenuitgifte afgegeven machtigingsbescheiden, dienen op eerste aanzegging van een toezichthouder te worden getoond. Ia. Landmobiele satellietcommunicatie Artikel 2a Een niet-ingezetene die tijdelijk in Nederland verblijft en in één van de landen van de CEPT overeenkomstig de Recommandatie T/R 21-07 is gemachtigd voor het aanwezig hebben en gebruiken van een zendinrichting, bestemd voor landmobiele communicatie door middel van satellietverbindingen, is vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van deze inrichting voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in [artikel 2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004456&hoofdstuk=Ia&artikel=2b&z=1998-01-01&g=1998-01-01). Artikel 2b 1. De zendinrichting mag uitsluitend worden gebruikt voor zakelijk berichtenverkeer. 2. Het in het land van machtigingsuitgifte afgegeven machtigingsbewijs conform het in CEPT-verband overeengekomen model dient op eerste aanzegging van een toezichthouder te worden getoond. Artikel 2c In"},{"i":14925,"b":"Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997 Gelet op artikel 3a, eerste en vierde lid, van de Wet wapens en munitie; Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt begrepen onder: personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn voor de krijgsmacht: - a. Nederlandse en niet-Nederlandse militairen in werkelijke dienst; - b. burgerambtenaren in dienst van de Minister van Defensie, belast met de uitoefening van de beveiligings- of bewakingstaak; - c. burgerambtenaren in dienst van de Minister van Defensie, werkzaam bij een materieelbeproevings- of onderhoudsafdeling danwel werkzaam bij een schietinrichting, depot of vervoersdienst van wapens en munitie; - d. burgerambtenaren in dienst van de Minister van Defensie, werkzaam als explosievenspring- of schietinstructeur; - e. civiele contractspartijen, voor zover deze door de Minister van Defensie zijn belast met het vervoer van wapens of munitie; - f. civiele contractspartijen, voor zover deze door de Minister van Defensie zijn belast met explosievenspring- of schietinstructie; - g. vrijwilligers werkzaam bij een door Defensie erkende historische wapen- of dienstvakcollectie, regimentsverzameling, traditiekamer of bij de rekwisietencommissie Koninklijke landmacht, bestaande uit: - 1°. burgerambtenaren in dienst van de Minister van Defensie, - 2°. voormalig defensiepersoneel dat als vrijwilliger is geregistreerd in het personeelssysteem. Artikel 2 1. De categorie van personen, genoemd in [artikel 1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008473&artikel=1&z=2025-01-23&g=2025-01-23), is gerechtigd tot: - a. voor zover de uitoefening van de dienst zulks vereist: - 1°. het vervaardigen, transformeren, herstellen, beproeven, voorhanden hebben, vervoeren, doen binnenkomen en uitgaan van een wapen of munitie van de categorieën II en III; - 2°. het dragen van een wapen van de categorieën II en III; - 3°. het dragen, vervaardigen, transformeren, herstellen en beproeven van een wapen van categorie I"},{"i":12492,"b":"Besluit van de algemeen directeur van de directie Informatievoorziening van 1 september 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan het hoofd Bureau Directeursondersteuning binnen de directie Informatievoorziening wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":12535,"b":"Besluit van 10 september 2010, houdende regels inzake de structuur van het overleg betreffende de rechtstoestand van ambtenaren (Besluit overlegstelsel BES) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 februari 2010, 2010-0000109033, CZW Gelet op [artikel 101 van de Wet materieel ambtenarenrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215&artikel=101); De Raad van State gehoord, advies van 10 maart 2010, nummer WO4.10.0061/I; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 september 2010, nummer 2010-0000580940; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1.1 In dit besluit wordt verstaan onder - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215&artikel=1); - c. Sectorale Overlegcommissie BES: de Commissie, bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028779&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2021-03-30&g=2021-03-30); - d. Decentrale Overlegcommissie: de Decentrale Overlegcommissie Bonaire, Sint Eustatius respectievelijk Saba, bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028779&hoofdstuk=3&artikel=3.1&z=2021-03-30&g=2021-03-30); - e. bestuurscollege: het bestuurscollege, bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=36); - f. openbaar lichaam: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - g. dienstonderdeel op rijksniveau: het Regionaal Service Centrum, dan wel een door Onze Minister aan te wijzen onderdeel van het Regionaal Service Cen"},{"i":14962,"b":"Reglement Adviescommissie Toetsing Inschrijvingsvoorwaarden in aanmerking nemend [artikel 8 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8), Besluit: De samenstelling en de werkwijze van de Adviescommissie Toetsing Inschrijvingsvoorwaarden als volgt te regelen1De Adviescommissie Toetsing Inschrijvingsvoorwaarden is bij besluit van 24 mei 2011 ingesteld. Met het onderhavig besluit van 29 september 2016 zijn de taken van adviescommissie uitgebreid.: Taak Artikel 1 De Adviescommissie Toetsing Inschrijvingsvoorwaarden, hierna te noemen ‘de Commissie’, heeft tot taak het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (verder: het bestuur van de Raad) op zijn verzoek te adviseren over: - a. een voornemen van het bestuur van de Raad om [artikel 17, tweede lid, van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=17) toe te passen. Daaronder wordt in dit reglement verstaan: het voornemen om de inschrijving van een advocaat – al dan niet tijdelijk en/of voorwaardelijk – door te halen; - b. een voornemen tot beëindiging van de samenwerking met een advocatenkantoor op basis van High-Trust, dan wel het omzetten van steekproefsgewijze controle naar een op een controle. Samenstelling Artikel 2 1. De Commissie bestaat uit minimaal drie leden en drie plaatsvervangende leden. 2. Tot lid van de Commissie zijn benoembaar advocaten. 3. De leden van de Commissie worden op persoonlijke titel bij besluit door de Raad benoemd en ontslagen. 4. Alle Commissieleden zijn in de uitoefening van hun taak onafhankelijk, en functioneren in zoverre zonder last of ruggespraak. Artikel 3 1. De leden van de Commissie worden benoemd voor een periode van vier jaar. 2. Aftredende leden zijn éénmaal herbenoembaar voor een nieuwe periode van vier jaar. 3. De Commissie wijst uit haar midden een voorzitter aan. Artikel 4 De Commissie wordt bij de uitoefening van haar taken ondersteund door een secretaris. De secretaris is geen lid van de Commissie. De Raad w"},{"i":14955,"b":"Regelingen voorbehoud auteursrecht Gelet op [artikel 15b Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b), Artikel 1 Met betrekking tot de ontwerpen van de Nederlandse zijde van de euromunten, als opgenomen in de bijlage bij deze regeling, maakt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage die ter inzage wordt gelegd op de afdeling Bibliotheek en Documentatie van het Ministerie van Financiën. Bijlage Ligt ter inzage bij het Ministerie van Financiën."},{"i":14987,"b":"Besluit van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie van 2 januari 2017, tot vaststelling van een reglement (Reglement werkwijze NIWO) Gezien de goedkeuring van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 13 december 2016; Gelet op [artikel 4.2 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.2); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Aanwijzende organisatie:** een organisatie, instelling, stichting, vereniging of andere entiteit die op grond van dit reglement bevoegd is om een lid aan te wijzen voor de Sectorraad; - **directie:** de directie van de NIWO, bedoeld in [artikel 4.3 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.3); - **Kaderwet:** [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - **Minister:** de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **Ministerie:** het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; - **NIWO:** het zelfstandig bestuursorgaan Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie, bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=1.1); - **Sectorraad:** voorziening van gebruikers als bedoeld in [artikel 19, lid 2 van de Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=19); - **Wwg:** [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800). Hoofdstuk 2. Organen van de niwo Artikel 2 De NIWO heeft een directie, een raad van advies en een sectorraad. Hoofdstuk 3. Directie Artikel 3. Samenstelling 1. De Minister, gehoord de raad van advies, benoemt, schorst en ontslaat de leden van de directie en stelt de bezoldiging van de leden van de directie vast. 2. Het lidmaatschap van de directie is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van advies. Artikel 4. Taken 1. De directie is belast met de dagelijkse leiding van de NIWO. 2. De directie is voorts b"},{"i":13377,"b":"(Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand van 28 oktober 2020 krachtens artikel 33b van de Wet op de Rechtsbijstand, goedgekeurd bij besluit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 20 november 2020) Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die mediation in de zin van de wet willen verrichten zich daartoe inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad). De gerechten en het Juridisch Loket verwijzen alleen door naar mediators die staan ingeschreven bij de Raad voor Rechtsbijstand en die aan de gestelde eisen in de inschrijvingsvoorwaarden voldoen. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en volgende van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: In het onderstaande zijn deze inschrijvingsvoorwaarden uitgewerkt. Deze inschrijvingsvoorwaarden zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar mediators die zich bij de Raad inschrijven zich behoren te richten. De Raad en het MfN-register hebben in 2018 een informatieprotocol afgesloten waarin afspraken zijn gemaakt omtrent het uitwisselen van informatie die van belang kan zijn voor de inschrijving bij de Raad dan wel de registratie bij het MfN-register en die als doel heeft de kwaliteit van mediators binnen het stelsel te borgen. Deze afspraken worden jaarlijks geëvalueerd en zo nodig aangepast. Door zich bij de Raad in te schrijven stemt de mediator met deze afgesproken informatie uitwisseling in en geeft hij daarvoor toestemming aan de Raad. De Raad heeft voorts een privacyverklaring opgesteld waarin is aangegeven op welke wijze zij persoonsgegevens verwerkt.1http://www.rvr.org/Informatie-over-de-raad/organisatie/privacy/privacy-raad-voor-rechtsbijstand.html Inschrijvingsvoorwaa"},{"i":13325,"b":"Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 1 maart 2007, houdende vaststelling bestemmingsheffing ten behoeve van de sector zaaizaden van voedergewassen in Nederland voor het jaar 2007 (Heffingsverordening GZP fonds zaaizaad van voedergewassen jaar 2007) Gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126, eerste en vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=8) en [19 van het Instellingsbesluit akkerbouwproductschappen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016234&artikel=19); Besluit: Werkt terug met uitzondering van de toepassing van de Verordening GZP algemene bepalingen 2003. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 Deze verordening verstaat onder: | a. | Productschap: | Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten; | | --- | --- | --- | | b. | secretaris: | secretaris van het productschap; | | c. | ondernemer: | natuurlijke- of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; | | d. | voedergewassen: | voederbieten, mergkool, stoppelknollen, grassen, bladkool, klaver, luzerne, bladrammenas (Raphanus sativus var. oleiferus), duizendkoppige kool (Brassica oleracea var. laciniata), lupine (Lupinus spec.) serradella (Omithopus sativus), spurrie (Spergula arvensis var. sativa), voederwikke (Vicia sativa), voederwortel (Daucus carota), gele mosterd (Sinapisalba), phacelia (Phacelia tanacetifolia) en zandwikke (Vicia villosa); | | e. | omzet: | de financiële jaaromzet behaald over zaaizaad van de producten, genoemd onder d, exclusief de rechten verkregen uit licenties uit het buitenland. | § 2. Heffing Artikel 2 1. De ondernemer, die in het jaar 2007 werkzaamheden verricht in het kweekbedrijf voor zaaizaad van voedergewassen en/of met betrekking tot de be- en verwerking en/of met betrekking tot het in de handel brengen van zaaizaad van"},{"i":13523,"b":"Instellingsbesluit Commissie van onderzoek teruggevonden F-16 videobeelden Hawija (Irak) Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commissie:** de commissie zoals bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051045&artikel=2&z=2025-11-04&g=2025-11-04); - b. **minister:** de Minister van Defensie; - c. **ministerie:** Ministerie van Defensie; - d. **secretariaat:** de secretaris, het onderzoeksteam, externe deskundigen en andere personen. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een externe onafhankelijke commissie van onderzoek teruggevonden F-16 videobeelden Hawija (Irak), die naar eigen inzicht onderzoek doet. 2. De commissie heeft als onderwerp van onderzoek: De teruggevonden videobeelden – de zogenaamde tweede BDA – gemaakt vanuit (een) Nederlands(e) F-16 toestel(len) in de ochtend van 3 juni 2015, gerelateerd aan de daaraan voorafgaande wapeninzet met Nederlandse F-16 toestellen tegen een ISIS-autobommenfabriek in de stad Hawija (Irak) in de nacht van 2 op 3 juni 2015. 3. De commissie heeft de volgende onderzoekstaak: - a. Het opstellen en vaststellen van een feitenreconstructie met onderliggende tijdlijn (tijdsperiode: 3 juni 2015 t/m 27 maart 2025) teneinde duidelijkheid te verkrijgen wat er met de teruggevonden F-16 videobeelden is gebeurd nadat deze zijn gemaakt en te verklaren waarom deze videobeelden niet eerder zijn teruggevonden. Bij de feitenreconstructie worden in elk geval betrokken: - •. De afdoening binnen het Ministerie van Defensie van de verzoeken tot ontvangst van deze videobeelden door de Commissie van onderzoek Wapeninzet Hawija gedurende haar onderzoek; - •. De informatie die is gebruikt en de bronnen daarvan, bij de totstandkoming van het **Mission report**, het **After Action Report** en het interne memorandum “Onderzoek CIVCAS melding 2 juni 2015 VBIED Facility” van 30 juni 2016, opgesteld voor de Commandant der Strijdkrachten; - •. Het feitenrelaas als uitkomst van het interne defensieonder"},{"i":14999,"b":"Wet van 13 december 2010 tot wijziging van een aantal wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid teneinde wetstechnische gebreken te herstellen en een aantal verduidelijkingen aan te brengen (Reparatiewet SZW 2011) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om wetstechnische gebreken te herstellen en een aantal verduidelijkingen aan te brengen in de wetgeving op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel II. Wijziging van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel III. Wijziging van de [Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170) Wijzigt de Beroepswet. Artikel IV. Wijziging van de [Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007891) Wijzigt de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria. Artikel V. Wijziging van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VI. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel VII. Wijziging van de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel VIII. Wijzing van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel IX. Wijziging van de [Wet inkomensvoorziening oud"},{"i":3688,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 november 2014, houdende verlening mandaat en machtiging aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland subsidieverstrekkingTopsector Life Sciences and Health (Besluit mandaat en machtiging Rijksdienst Ondernemend Nederland subsidieverstrekking Topsector Life Sciences and Health) Gelet op de [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gelezen de instemming van de directeur kernprocessen NL en Juridische Zaken van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van 11 november 2014. Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **Rijksdienst voor Ondernemend Nederland:** baten-lastendienst van het Ministerie van Economische Zaken, bedoeld in [artikel 1 van het Instellingsbesluit baten-lastenagentschap Rijksdienst voor Ondernemend Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034567&artikel=1); - c. **Algemeen directeur RVO.nl:** algemeen directeur van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, welke functienaam tot 1 maart 2015 luidde ‘directeur- generaal van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland’; - d. **Topsector Life Sciences and Health:** de samenwerking van publiek-private partijen in de sector Life Sciences and Health die zich richt op betere oplossingen voor de patiënt en de reductie van zorgkosten. Artikel 2 Aan de algemeen directeur RVO.nl wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten tot subsidieverstrekking op grond van de [Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455) voor zover het gaat om bestedingen van middelen die bestemd zijn voor activiteiten van de Topsector Life Sciences and Health; - b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 3 1. De algemeen directeur R"},{"i":4683,"b":"Instellingsbeschikking Adviescommissie evaluatie ontwikkeling gemeentelijk milieubeleid Besluit: Artikel 1 Voor de duur van twee jaren wordt ingesteld de Adviescommissie evaluatie ontwikkeling gemeentelijk milieubeleid, verder te noemen: de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak: - 1. Advies uit te brengen over de ontwikkeling van het gemeentelijk milieubeleid. - 2. Het advies dient er mede op gericht te zijn dat op of omstreeks 1 maart 1993 een besluit kan worden gekomen omtrent de vervroegde overheveling van de budgetten voor de gemeentelijke apparaatskosten van de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer naar het Gemeentefonds. Artikel 3 De commissie bestaat tenminste uit de volgende leden: - prof. dr. A. B. Ringeling, voorzitter — hoogleraar Bestuurskunde aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam; - mr. C. L. Pol, secretaris — beleidsmedewerker directie Bestuurszaken, VROM/DGM; - drs. J. Cley — directeur milieudienst van Amsterdam; - ir. P. A. E. van Erkelens — burgemeester van Winterswijk, tevens voorzitter milieucommissie VNG; - F. N. M. Hilterman — beleidsmedewerker VNG; - H. H. Jansen — wethouder van Zwolle; - ir. H. Pluckel — hoofd afdeling Ruimtelijke Ordening, Verkeer en Milieu van de VNG; - drs. H. N. Rosman — beleidsmedewerker VNG; - mevrouw mr. M. E. Bierman-Beukema Toe Water — regionaal inspecteur milieuhygiëne in de provincie Zuid-Holland; - mr. J. H. van den Heuvel — hoofd afdeling bestuurlijke betrekkingen en gebiedenbeleid van VROM/DGM; - mr. dr. J. A. Peters directeur Bestuurszaken VROM/DGM; - dr. P. H. J. Th. Ververgaert plv. hoofdinspecteur voor de milieuhygiëne. Artikel 4 1. De commissie regelt naar eigen inzicht haar werkwijze. De commissie stelt hiertoe een werkplan vast. 2. De commissie kan in het kader van haar opdracht al het door haar noodzakelijk geachte onderzoek laten verrichten door derden. Voor zover daaraan financiële verplichtingen voor het Rijk verbonden zijn, is daarvoor eve"},{"i":13350,"b":"Wet van 5 oktober 2016 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van richtlijn nr. 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PbEU 2014, L 257) (Implementatiewet toegang basisbetaalrekening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van richtlijn nr. 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PbEU 2014, L 257) noodzakelijk is om regels te stellen met betrekking tot basisbetaalrekeningen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet toegang basisbetaalrekening. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":14227,"b":"Regeling met betrekking tot de erkenning en aanwijzing van rechtspersonen, bevoegd tot het verrichten van onderzoeken als bedoeld in hoofdstuk III van het Schepenbesluit 1965 Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen en de Minister van Vervoer en Communicatie van Aruba; Gelet op het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157), op [richtlijn nr. 94/57/EG](31994L0057) van de Raad van de Europese Unie van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor de met inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PbEG L 319) en op [artikel 6, derde en vierde lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=6); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **Algemene Vergadering:** de gelijknamige vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties; - **erkende beveiligingsorganisatie:** rechtspersoon, bevoegd tot het verrichten van bij of krachtens [artikel 19 van het Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=19) voorgeschreven onderzoeken; - **keuringsinstantie in verband met de afgifte van het nationaal veiligheidscertificaat:** rechtspersoon, bevoegd tot het verrichten van bij of krachtens [artikel 15, vierde lid, van het Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=15) voorgeschreven onderzoeken; - **keuringsinstantie voor de zeegaande zeilende beroepsvaart:** rechtspersoon, bevoegd tot het verrichten van onderzoeken gericht op de certificering van zeilschepen van minder dan 500 GT, gebruikt voor het vervoer van ten hoogste 36 passagiers, die op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren; - **keuringsinstantie voor opblaasbare reddingmiddelen:** rechtspersoon,"},{"i":13246,"b":"Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 9 november 2025, nr. WJZ/102130805, houdende regels ter uitvoering van de Energiewet en het Energiebesluit (Energieregeling) Gelet op de [artikelen 1.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.3), [2.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.7), [2.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.8), [2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.13), [2.14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.14), [2.15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.15), [2.17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.17), [2.18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.18), [2.26, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.26), [2.27, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.27), [2.28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.28), [2.35, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.35), [2.36, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.36), [2.38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.38), [2.39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.39), [2.40, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.40), [2.45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.45), [2.50, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.50), [2.52, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.52), [3.23, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.23), [3.41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.41), [3.42, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.42), [3.4"},{"i":15037,"b":"Speelautomatenregeling 2000 Gelet op de [artikelen 30a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30a), [30j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30j), [30o, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30o), [30q, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30q), [30r, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30r) en [30x van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30x) en de [artikelen 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=6), [10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=10), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=12), [13, eerste lid, onder w, en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=13), en [17, eerste lid, van het Speelautomatenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=17); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: § 2. Kermisautomaten Artikel 2 Als typen van speelautomaten als bedoeld in artikel 30a, tweede lid, van de wet worden aangewezen de automaten omschreven in bijlage I bij deze regeling. § 3. Exploitatievergunningen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 1. De in artikel 30j, eerste lid, van de wet bedoelde aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen kunnen voor iedere afzonderlijke vergunning verschillend zijn, mits de omstandigheden van het geval hiertoe aanleiding geven. 2. Voorschriften en beperkingen als bedoeld in het eerste lid kunnen een tijdelijk karakter hebben. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op wijziging, aanvulling of intrekking van aan een vergunning verbonden voorschriften of beperkingen. 4. Aan een vergunning worden in ieder geval voorschriften verbonden inzake: - a. de jaarlijkse melding door de vergunninghouder aan de toezichthouder van de op"},{"i":13550,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 16 mei 2013, nr. 382509, houdende instelling van de Financial Intelligence Unit – Nederland (Instellingsbesluit FIU-Nederland 2013) Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **FIU-Nederland:** Financial Intelligence Unit Nederland, zijnde de Financiële inlichtingen eenheid, bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=12) en het meldpunt ongebruikelijke transacties als bedoeld in [artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=3.1); - b. **Minister:** Minister van Veiligheid en Justitie; - c. **korpschef:** korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); - d. **hoofd van de FIU-Nederland:** hoofd van de financiële inlichtingeneenheid als bedoeld in [artikel 12, derde lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=12) en het meldpunt, bedoeld in [artikel 3.1, derde lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=3.1); - e. **Wwft:** [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282). Artikel 2 1. Er is een FIU-Nederland. 2. Het hoofd van de FIU-Nederland is op grond van de in de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) en de [Wwft BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824) toegekende taken zelfstandig en exclusief bevoegd tot het: - a. verdacht verklaren van ongebruikelijke transacties; - b. formuleren en implementeren van het uitvoeringsbeleid en de innovatie daarvan; - c. geven van bindende aanwijzingen aan de meldende instellingen met b"},{"i":13232,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 27 november 2009, nr. WJZ/9214712, houdende regels met betrekking tot het centraal loket en het interne markt informatiesysteem (Dienstenregeling centraal loket en interne markt informatiesysteem) Gelet op de artikelen 6, 8 en 21 van [richtlijn nr. 2006/123/EG](32006L0123) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU L 376), de beschikking 2009/739/EG van de Commissie van 2 oktober 2009 tot vaststelling van de praktische regels voor de uitwisseling van informatie via elektronische middelen tussen de lidstaten uit hoofde van hoofdstuk VI van [richtlijn nr. 2006/123/EG](32006L0123) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU L 376), en de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=10), [13, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=13), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=14), [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=21), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=52) en [60 van de Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759&artikel=60), [artikel 8, van het Dienstenbesluit centraal loket](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026761&artikel=8) en [artikel 2:15, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:15); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **berichtenbox:** een beveiligde elektronische postbus die deel uitmaakt van de elektronische omgeving van het centraal loket; - b. **toegangsgegevens:** gegevens die toegang verschaffen tot een berichtenbox; - c. **webinterface berichtenbox:** een applicatie die toegankelijk is via de website die deel uitmaakt van het centraal loke"},{"i":14075,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 14 juni 2012, nr. IENM/BSK-1012/109051, houdende vaststelling van regels met betrekking tot het bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk (Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk) Gelet op [artikel 3B.7 van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=3B.7); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **afsteekplaats:** gedeelte van het afsteekterrein waar het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht; - **afsteekterrein:** terrein waar de stellingen voor het tot ontbranding brengen van vuurwerk worden opgebouwd en het vuurwerk wordt geïnstalleerd, bewerkt en tot ontbranding wordt gebracht; - **afsteker:** toepasser of een persoon in het bezit van een geldig certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in [artikel 4.9, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.9) die onder verantwoordelijkheid van de toepasser werkt; - **assistenten:** personen die onder verantwoordelijkheid van de toepasser meewerken aan het vuurwerkevenement en onder toezicht van de afsteker staan; - **blindganger:** vuurwerk dat niet volledig tot ontbranding is gekomen; - **gevaarlijke stoffen:** stoffen en voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de International Maritime Dangerous Goods Code; - **grondvuurwerk:** vuurwerk waarbij de effectlading meteen tot ontbranding komt vanuit het vuurwerk; - **luchtvuurwerk:** vuurwerk waarbij de effectlading eerst wordt uitgestoten vanuit het vuurwerk en daarna tot ontbranding komt; - **melding:** melding van het tot ontbranding brengen als bedoeld in [artikel 3B.4, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=3B.4); - **ponton:** deksch"},{"i":13577,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 29 november 2013, nr. WJZ / 13183060, houdende instelling van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code Handelende in overeenstemming met de Ministers van Veiligheid en Justitie en van Financiën; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Overwegende dat het wenselijk is de instelling van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code, die tot taak heeft de actualiteit en bruikbaarheid van de Nederlandse corporate governance code te bevorderen, te herzien; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **commissie:** de Monitoring Commissie Corporate Governance Code. Artikel 2 1. Er is een Monitoring Commissie Corporate Governance Code. 2. De commissie heeft tot taak de actualiteit en bruikbaarheid van de op grond van [artikel 391a, tweede lid, onderdeel e, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=391a) bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gedragscode, de Nederlandse corporate governance code, te bevorderen. 3. De commissie voert haar taak onder meer uit door: - a. het ten minste jaarlijks inventariseren op welke wijze en in welke mate de voorschriften van de gedragscode worden nageleefd; - b. zich op de hoogte te stellen van internationale ontwikkelingen en gebruiken op het terrein van corporate governance met het oog op convergentie van nationale codes; - c. het signaleren van leemtes en onduidelijkheden in de code of overlap met wet- en regelgeving. 4. De commissie kan de code gemotiveerd herzien. Artikel 3 De commissie doet ten minste eenmaal per jaar verslag aan de minister en de Ministers voor Rechtsbescherming en van Financiën van haar bevindingen, vergezeld van commentaar op het gebruik van de gedragscode door vennootschappen en op de toereikendheid van"},{"i":13517,"b":"Instellingsbesluit Commissie van Advies inzake wetenschappelijk, statistisch en historisch onderzoek en onderzoeksjournalistiek SVB Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **De SVB:** de Sociale Verzekeringsbank, genoemd in [artikel 3, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=3); - 2. **De Raad van Bestuur:** het met de dagelijkse leiding van de SVB belaste orgaan, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6); - 3. **De Commissie:** Commissie van Advies voor de Sociale Verzekeringsbank inzake wetenschappelijk, statistisch en historisch onderzoek en onderzoeksjournalistiek in dossiers betreffende uitvoering wetten verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046164&artikel=2&z=2022-01-12&g=2022-01-12); - 4. **Begeleidende instellingen:** Stichting 1940–1945, Stichting Joods Maatschappelijk Werk, Stichting Pelita; - 5. **De PUR:** de Pensioen- en Uitkeringsraad, genoemd in [artikel 1 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=1). Artikel 2 Er is een Commissie van Advies voor de Sociale Verzekeringsbank inzake wetenschappelijk, statistisch en historisch onderzoek en onderzoeksjournalistiek betreffende de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. Artikel 3. Taken van de Commissie 1. De Commissie heeft tot taak te adviseren over aanvragen voor wetenschappelijk, statistisch en historisch onderzoek en onderzoeksjournalistiek in dossiers betreffende de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. 2. De Commissie baseert haar advies op het ‘Protocol Wetenschappelijk Onderzoek in dossiers betreffende uitvoering wetten verzetsdeelnemers en oo"},{"i":13353,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, met kenmerk ACM/DC/2016/202148, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 22, eerste lid, van de Gaswet (Informatiecode elektriciteit en gas) Gelet op [artikel 55 van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=55) en [artikel 23 van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=23); Besluit: 1. Algemene bepalingen 1.1. Werkingssfeer en definities 1.1.1 Deze code bevat de voorwaarden bedoeld in [artikel 54 eerste lid van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=54) en [artikel 22 eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=22). 1.1.2 De in deze code gebruikte begrippen die ook in de [Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755) of de [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440) worden gebruikt, hebben de betekenis die daaraan in de desbetreffende wet is toegekend. Van de overige in deze code gebruikte begrippen is de betekenis vastgelegd in de [Begrippencode elektriciteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037938) of de [Begrippencode gas](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037923). 1.1.3 In deze code wordt, in geval van gas, onder net mede verstaan gastransportnet. 1.1.4 Tenzij anders vermeld, worden de in deze code beschreven processen toegepast per aansluiting en, voor zover van toepassing, voor elektriciteit en gas afzonderlijk. 1.1.5 Voor de beheerder van het landelijk gastransportnet zijn van deze code uitsluitend de volgende bepalingen van toepassing: [1.1.1 tot en met 1.1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037934&hoofdstuk=1&paragraaf=1.1&artikel=1.1.1&z=2025-01-01&g=2025-01-01), [1.1.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037934&hoofdstuk=1&paragraaf=1.1&artikel=1.1.11&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en de [paragr"},{"i":13257,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 28 oktober 2019, nr. WJZ/19238585, houdende vaststelling van de retributies verbonden aan het inzien van het handelsregister (Financiële regeling handelsregister 2019) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034829&artikel=1), en [2 van het Financieel besluit handelsregister 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034829&artikel=2) en [artikel 41, zevende lid, van de Handelsregister 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=41); Besluit: Artikel 1 Voor het inzien van het handelsregister en de bescheiden die daarbij krachtens wettelijk voorschrift zijn gedeponeerd, worden de volgende tarieven berekend: - a. voor het telefonisch vragen van inlichtingen over hetgeen in het handelsregister is ingeschreven of krachtens wettelijk voorschrift daarbij is gedeponeerd: € 0,90 per tijdseenheid van 1 minuut, waarbij de vergoeding van een gedeelte van een minuut naar rato wordt berekend; - b. voor het door middel van internet inzien van een Uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel®, een KvK Handelsregister historie van hetgeen is opgenomen in het handelsregister of een overzicht van deponeringen: € 2,95 per uittreksel, historie of overzicht van deponeringen; - c. voor het door middel van internet inzien van KVK Handelsregister concernrelaties uit het elektronisch bestand: € 3,40 per concernrelatie directe relaties en € 3,40 per concernrelatie totale concern; - d. voor het door middel van internet inzien van een jaarrekening of ander gedeponeerd document: € 3,90 per document; - e. voor het door middel van internet ontvangen van een digitaal gewaarmerkte jaarrekening of ander gedeponeerd document: € 9,60 per document; - f. voor het door middel van internet ontvangen van een digitaal gewaarmerkt Uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel®: € 9,60 per uittreksel; - g. voor het door middel van internet ontvangen van een digitaal gewaarmer"},{"i":13531,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van 10 september 2014, kenmerk DP&O/14/545670, houdende instelling van de Commissie Van Werk Naar Werk Ministerie van Veiligheid en Justitie (Instellingsbesluit Commissie VWNW VenJ) Gehoord hebbende de centrales van overheidspersoneel, Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Commissie:** Commissie Van Werk Naar Werk Ministerie van Veiligheid en Justitie als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035544&artikel=2&z=2014-09-18&g=2014-09-18); - b. **VWNW:** Van Werk Naar Werk; - c. **het VWNW-beleid;** de afspraken tussen de Minister voor Wonen en Rijksdienst en de centrales van overheidspersoneel als bedoeld in de Overeenkomst Sociaal Beleid Rijk van 11 april 2013 en [hoofdstuk VIIbis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&hoofdstuk=VIIbis); - d. **Minister:** Minister van Veiligheid en Justitie. Artikel 2. Instelling Er is een Commissie Van Werk Naar Werk Ministerie van Veiligheid en Justitie, hierna te noemen: Commissie. Artikel 3. Taak De Commissie heeft tot taak: - a. toezicht te houden op en op verzoek uitspraken doen ten behoeve van een juiste toepassing en uitvoering van VWNW-beleid binnen het ministerie, onverlet het bepaalde in [artikel 49uu, tweede lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=49uu); - b. het monitoren van: - i. het aantal VWNW-kandidaten en hun periode van VWNW-begeleiding; - ii. de plaatsing (waar, hoe snel) van VWNW-kandidaten in een nieuwe functie; - iii. de mate waarin VWNW-kandidaten kiezen voor verzilvering van hun algemene voorzieningen; - iv. de inzet van specifieke voorzieningen; - v. bij de commissie gemelde knelpunten. Artikel 4. Samenstelling, benoeming en ontslag 1. De Commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zes andere leden. Ten minste de helft van de andere lede"},{"i":13259,"b":"Wet van 21 oktober 1996, houdende regels inzake de financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten (Financiële-verhoudingswet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen inzake de financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Ministers: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Financiën; - b. uitkeringsjaar: het kalenderjaar waarover het recht op uitkering ontstaat; - c. Onze Minister wie het aangaat: Onze Minister die een specifieke uitkering heeft verstrekt. Artikel 2 1. Indien beleidsvoornemens van het Rijk leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door provincies of gemeenten, wordt in een afzonderlijk onderdeel van de bijbehorende toelichting met redenen omkleed en met kwantitatieve gegevens gestaafd, welke de financiële gevolgen van deze wijziging voor de provincies of gemeenten zijn. 2. In de toelichting wordt tevens aangegeven via welke bekostigingswijze de financiële gevolgen voor de provincies of gemeenten kunnen worden opgevangen. 3. Over de toepassing van het eerste en tweede lid vindt tijdig overleg plaats met Onze Ministers. HOOFDSTUK 2. HET PROVINCIEFONDS EN HET GEMEENTEFONDS Paragraaf 2.1. Algemeen Artikel 3 1. Er is een provinciefonds en een gemeentefonds. De fondsen zijn begrotingsfondsen. 2. Onze Ministers beheren de begroting van de fondsen. Artikel 4 1. Bij wet wordt ten aanzien van ieder uitkeringsjaar een bedrag aan middelen van het Rijk ten behoeve van elk van de fondsen afgezonderd. 2. De uitgaven en de ontvangsten van de fondsen zijn over ieder uitkeringsjaar aan elkaa"},{"i":15044,"b":"Standaarden voor Kwaliteitsmanagement 2025 Kwaliteitsmanagementstandaarden als bedoeld in [artikel 12 van de Verordening accountantsorganisaties 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050613&artikel=12) en [artikel 24 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034635&artikel=24). Preambule Het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (NBA) onderschrijft de strategische doelstelling van de International Federation of Accountants (IFAC) om een accountantsberoep te ontwikkelen en te bevorderen dat in staat is op uniforme wijze diensten te verlenen van hoge kwaliteit ten behoeve van het algemeen belang. Als lid van de International Federation of Accountants (IFAC) is de NBA verplicht de Standaarden van de IAASB in wet- en regelgeving te implementeren, voor zover dat onder de Nederlandse wet- en regelgeving mogelijk is. In december 2020 heeft de IFAC via de International Auditing and Assurance Standards Board (IAASB) de Final Pronouncement van de International Standard on Quality Management (ISQM) 1 gepubliceerd. De NBA heeft de vertaling daarvan opgenomen in deze standaarden (Standaard voor kwaliteitsmanagement 1). Het bestuur van de NBA is van oordeel dat regels voor accountantskantoren omtrent de stemrechten, de beleidsbepalers, de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en de waarneming, welke geen deel uitmaken van SKM1, dienen te blijven gehandhaafd. Deze regels zijn opgenomen in Standaard voor Kwaliteitsmanagement 3N, en vormen een voortzetting van de eisen die voorheen op grond van de [Nadere voorschriften kwaliteitssystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038869) worden gesteld. De leden gehoord: Standaard voor kwaliteitsmanagement 1 Kantoren kunnen besluiten om een langere bewaartermijn te hanteren, bijvoorbeeld met het oog op de in Nederland bestaande mogelijkheid om binnen een periode van 10 jaar een tuchtklacht in te dienen. Het werven, ontwikkelen en behouden van per"},{"i":15048,"b":"Standards Forensic Toxicology (004.1) Version: 3.0 Date of approval: 12 December 2016 Date of effect: 12 December 2016 De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Part I. General Introduction to Standards § 1. Background to and aim of the Standards Reporting forensic experts play a crucial role in the administration of justice. The NRGD aims to ensure justified confidence in forensic expertise for stakeholders. This confidence must be based on the demonstrable independently safeguarded quality of forensic investigators and their reports on the basis of (inter)national forensic-specific standards. The NRGD is managed by the Board of Court Experts (hereinafter: Board). The Board’s core task is to rule on the applications for registration or repeat registration in the register of the NRGD (register). To that end the Board first defines the field of expertise. This is important in order to inform applicants, assessors and users of the register (e.g. judge, public prosecutor and attorney) about the activities an expert in the field of expertise in question engages in and about the activities that fall outside the field of expertise. The demarcation of the field of expertise is set out in [Part II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039083&deel=II&z=2016-12-12&g=2016-12-12) of these Standards. The Board also determines the criteria on the basis of which an assessment is made for each field of expertise as to whether an application complies with the quality requirements. The generic requirements are set out in the Register of Court Experts in Criminal Cases Decree ([Besluit register deskundige in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026190)). These requirements are elaborated further for each field of expertise. This elaboration is set out in [Part III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039083&deel=III&z=2016-12-12&g=2016-12-12) of these Standards. Furthermore the Board determines the assessment procedure. This procedure is d"},{"i":15062,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 7 mei 2006, nr. WJZ/2006/4662 (8175), houdende regels inzake het agentschap Nationaal Archief (Statuut agentschap Nationaal Archief) Gelet op [artikel 25, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=25) en [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - b. ministerie: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, - c. het Nationaal Archief: de rijksarchiefdienst, bedoeld in [artikel 25, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=25). Artikel 2 Het agentschap Nationaal Archief is een baten-lastendienst als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10). Artikel 3 Het Nationaal Archief richt de bedrijfsvoering met inachtneming van deze regeling, naar eigen inzicht in, onverminderd het [Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018382) en onverminderd de bevoegdheid van de secretaris-generaal tot het vaststellen van regelingen die voor het gehele ministerie gelden. Artikel 4 1. Het Nationaal Archief heeft tot taak: - a. het uitvoeren van de bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) vastgestelde taken, en - b. het ondersteunen van de minister in diens bestuurlijke en wetgevende taken. 2. De taken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, omvatten: - a. het adviseren van de minister inzake het archiefbeleid en de wetgeving op het terrein van de archieven, - b. het verrichten van onderzoek en het ontwikkelen van methoden en technieken op het terrein van de archieven, - c. het functioneren als kenniscentrum op het gebied van digitalisering, c"},{"i":12885,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Orde van Octrooigemachtigden vanaf 1936 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 september 2010, nr. bca 2010.05919/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Orde van Octrooigemachtigden over de periode vanaf 1936’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.archief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13382,"b":"Instelling begeleidingscommissie computercriminaliteit Gelet op de huidige ontwikkelingen met betrekking tot computercriminaliteit; Overwegende: dat het wenselijk is meer inzicht te krijgen in het te vormen beleid inzake het verschijnsel computercriminaliteit; dat in drie korpsen een pilot-project computercriminaliteit van start is gegaan; dat een landelijke gecoördineerde begeleiding van dit project wenselijk is. Besluiten: Artikel 1 Ingesteld wordt de begeleidingscommissie computercriminaliteit hierna te noemen de begeleidingscommissie. Artikel 2 De begeleidingscommissie heeft tot taak: - a. zorg te dragen voor de begeleiding van het project computercriminaliteit; - b. zorg te dragen voor de evaluatie van het project; - c. advies te geven op dit beleidsterrein en/of advisering met betrekking tot de bestrijding van de criminaliteit, waarbij sprake is van misbruik van informatietechnologie; - d. ter zake deskundigen te raadplegen bij voorkomende problemen. Artikel 3 1. De begeleidingscommissie is als volgt samengesteld: - Mw. mr. J. C. M. Couzijn, advocaat-generaal te 's-Gravenhage, voorzitter; - B. de Blouw, hoofd afdeling Onderwijsuitvoering Rechercheschool; - F. E. Jansen, coördinator van het team centrale recherche, Gemeentepolitie Haarlem; - R. Meijer, beleidsmedewerker bij de hoofdafdeling politiële criminaliteitspreventie van het Ministerie van Justitie; - drs. J. G. H. van Oortmerssen, beleidsmedewerker bij de directie politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken; - Ir. H. J. J. Hardy, Gerechtelijk Laboratorium; - Mr. C. D. Schaap, plaatsvervangend hoofd fraudecentrale CRI; - Mr. A. Teerds, beleidsmedewerker bij de directie politie van het Ministerie van Justitie (tevens secretaris); 2. Indien de begeleidingscommissie dat wenselijk oordeelt kunnen deskundigen voor vergaderingen van de begeleidingscommisie worden uitgenodigd. 3. De begeleidingscommissie kan ten behoeve van de haar gestelde taken overgaan tot het instellen van één of meer werkgroepen, met"},{"i":15053,"b":"Statuten Mondriaan Fonds 2026 Statuten Artikel 1. Begripsbepalingen In deze statuten hebben de volgende begrippen de daarachter vermelde betekenissen: - **‘directie’** betekent bestuur van de Stichting; - **‘Raad van Toezicht’** betekent de Raad van Toezicht van de stichting; - **‘schriftelijk’** betekent bij brief, e-mail, of bij boodschap die via een ander gangbaar communicatiemiddel wordt overgebracht en op schrift kan worden ontvangen; - **‘stichting’** betekent Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed; - **‘minister’** betekent de minister die het cultuurbeleid in zijn portefeuille heeft, thans de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **'hij'** betekent tevens iedere andere genderaanduiding die door de betreffende persoon als geëigend wordt ervaren. Artikel 2. Naam en zetel 1. De stichting draagt de naam: **Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed**. De verkorte naam van de stichting luidt: Mondriaan Fonds. 2. Zij heeft haar zetel in de gemeente Amsterdam. Artikel 3. Doel en middelen 1. De stichting heeft ten doel: het in stand houden, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van de vraag naar en de productie van beeldende kunst en cultureel erfgoed in het Koninkrijk der Nederlanden en uit het Koninkrijk der Nederlanden in of met andere landen, onder andere door het bevorderen van vraag en aanbod en het bevorderen van een voor de beeldende kunst en cultureel erfgoed ontvankelijk klimaat en verder al hetgeen daarmee verband houdt, of daaraan een bijdrage kan leveren, alles in de ruimste zin van het woord. 2. De stichting tracht dit doel onder meer te bereiken door: - a. het verstrekken van financiële en andere ondersteuning voor activiteiten op het gebied van de beeldende kunst en cultureel erfgoed die gericht zijn op het scheppen, distribueren, presenteren en afnemen daarvan; - b. het ondernemen van alle andere wettige activiteiten die aan deze"},{"i":15054,"b":"Statuten 2007 van de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) zoals deze zijn goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 27 november 2007 Algemeen Artikel 1 De Stichting draagt de naam: “Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw”, bij afkorting Naktuinbouw; zij is gevestigd te Roelofarendsveen (gemeente Kaag en Braassem). Artikel 2 1. De Statuten en Reglementen van de Stichting nemen over de terminologie van de [Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040) en de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften, tenzij anders bepaald. 2. Naktuinbouw is voor de uitvoering van de in [artikel 3 lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035048&artikel=3&z=2013-04-19&g=2013-04-19) bedoelde werkzaamheden als inspectie-instelling aangewezen als bedoeld in de [Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040) dan wel zijn de daartoe bij Naktuinbouw in dienst zijnde nader omschreven functionarissen gemandateerd door de Minister van Economische Zaken. Doel en middelen Artikel 3 De Stichting stelt zich ten doel: - 1. te bevorderen dat betrouwbaar teeltmateriaal van bloemisterij-, boomkwekerij- en groentegewassen wordt voortgebracht, in het verkeer gebracht, verder verhandeld en uitgevoerd; - 2. het gebruik van betrouwbaar teeltmateriaal als in lid 1 van dit artikel omschreven alsmede de verbetering van dat teeltmateriaal te bevorderen; - 3. om op basis van hetzij de wet, hetzij een ministerieel mandaat controle- en inspectiewerkzaamheden te verrichten op planten en plantaardige producten. Onder deze werkzaamheden worden in het bijzonder begrepen het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de [Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040) en [Plantenziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002075) gestelde voorschriften en de uitvoering van fytosanitaire inspecties en het verstrekken"},{"i":13359,"b":"Wet van 18 juni 1953, houdende regeling inzake de inkwartiering en het onderhoud van militairen en de transporten en leverantiën voor de legers en verdedigingswerken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is nieuwe regelen te stellen ter uitvoering van [artikel 194 der Grondwet](onbekend), alsmede regelen te stellen ter voorziening in de behoeften aan inkwartiering, onderhoud, transporten en leverantiën van de strijdkrachten van de met het Koninkrijk verbonden mogenheden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; - b. militairen: de leden van de zee-, land- en luchtstrijdkrachten van het Koninkrijk, alsmede van die der met het Koninkrijk verbonden mogendheden voor zover zij zich te eniger tijd op het grondgebied van Nederland bevinden of last ontvangen hebben zich op weg daarheen te begeven; - c. legers: de zee-, land- en luchtstrijdkrachten van het Koninkrijk, alsmede die der met het Koninkrijk verbonden mogendheden voor zover zij zich te eniger tijd op het grondgebied van Nederland bevinden of last ontvangen hebben zich op weg daarheen te begeven; - d. inwoners: zowel de natuurlijke personen en de rechtspersonen, welke in de gemeente gevestigd zijn, als die, welke buiten die gemeente gevestigd zijn doch in die gemeente de beschikking over of het gebruik van goederen hebben, ten aanzien waarvan een vordering krachtens deze wet kan plaats hebben. Artikel 2 In deze wet worden onder militairen mede verstaan: - a. zij die blijkens regeling van Onze Minister uit de aard van hun betrekking moeten geacht worden bij de legers te behoren; - b. zij die zich op weg bevinden teneinde zich voor de werkelijke dienst aan te melden; - c. zij die zic"},{"i":15063,"b":"Wet van 12 juli 1821, houdende de grondslagen van het stelsel van 's Rijks belastingen, met den jare 1822 Alzoo Wij in overweging genomen hebben den uitslag der deliberatien van de kommissie, door Ons, bij besluit van den 23sten Januari des jaars 1820, n°. 17, tot herziening van het bestaande stelsel der In- en Uitgaande Regten en Accijnsen benoemd, en daardoor de noodzakelijkheid hebben ingezien, om in dat stelsel belangrijke wijzigingen daar te stellen, en hetzelve tevens, in zoo verre het voor de schatkist onvoldoende is, door zoodanige middelen aan te vullen, als daartoe het meest dienstig kunnen geacht worden; Artikel 1 1. Met den jare 1822, zal het stelsel van ’s Rijks belastingen, zoo en in dier voege zijn ingerigt, als bij de navolgende artikelen is omschreven. 2. Voor zoo verre door het niet genoegzaam tijdig arresteren der te vervaardigen speciale wetten, aan de voorschrevene tijdsbepaling niet mogt kunnen worden voldaan, zal de termijn, tot de gelijktijdige invoering derzelven, nader door Ons worden vastgesteld; voorbehoudens de bepaling hierna bij [art. 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001826&artikel=7&z=1821-08-01&g=1821-08-01), § A gemaakt, in het geval dat de nieuwe wet op de patenten, niet gelijktijdig met de overige belastingen mogt kunnen worden ingevoerd. Artikel 2 Het voorschreven stelsel, zal bestaan uit de navolgende belastingen: - I. DIRECTE BELASTINGEN. - a. Op de ongebouwde en gebouwde eigendommen, zoodanig als dezelve volgens de wetten en verordeningen op die belastingen bestaande, worden geheven tot eene hoofdsom van f 16,028,160.00, welke over de provincien zal worden omgeslagen, behoudens zoodanige bepalingen, als deswege bij volgende wetten nader mogten worden vastgesteld. Boven deze hoofdsom zullen op dezelve nog geheven worden twee opcenten tot goedmaking der niet inkomende posten. - b. Op het personeel, welke belasting op de zes volgende grondslagen zal worden berekend: - 1°. De huurswaarde, **Vier guldens** van iedere **h"},{"i":15064,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 10 november 2022, nr. 2022-0000598384, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering aan medeoverheden ter stimulering van het realiseren van flex- en transformatiewoningen (stimuleringsregeling flex- en transformatiewoningen) Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) juncto [artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **betaalbare woonruimte:** - 1°. sociale huurwoning: huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens als bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13); of - 2°. huurwoning voor middenhuur: huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13), en in 2020 ten hoogste € 1.000, of, indien er voor een geliberaliseerde woning voor middenhuur als bedoeld in [artikel 1.1.1, onderdeel j, van het Besluit ruimtelijke ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023798&artikel=1.1.1) in de gemeentelijke verordening ten hoogste een aanvangshuurprijs is bepaald die lager is dan € 1.000, ten hoogste dat bedrag. De in de vorige zin bedoelde bovengrens van € 1.000 wordt met ingang van elk kalenderjaar gewijzigd met het percentage waarmee het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag wordt gewijzigd. - b. **college:** college van burgemeester en wethouders; - c. **flexwoning:** bouwwerk ten behoeve van huisvesting van personen, geschikt voor verplaatsing en gebruik op een volgende locatie; - d. **gemeenten:** gemeen"},{"i":15065,"b":"Stimuleringsregeling gecombineerd goederenvervoer 2000 Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=4) en [6 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Subsidie 1. De Minister kan ter bevordering van het gebruik van het gecombineerd goederenvervoer subsidie verlenen voor de koop of lease van specifiek op het gecombineerd goederenvervoer afgestemd nieuw vervoermaterieel indien het betreft: - a. wissellaadbakken met speciale voorzieningen; - b. containers, tenminste twee Euro-pallets breed; - c. draaisystemen voor wissellaadbakken als bedoeld onder a; - d. wissellaadbakken van ten minste 20 ft, voorzien van rollerbaansysteem voor het vervoer van 3 meter hoge main-deck luchtvrachtpallets; - e. wissellaadbakken van ten minste 40 ft, voorzien van rollerbaansysteem voor het vervoer van 3 meter hoge main-deck luchtvrachtpallets; - f. Huckepack-opleggers; - g. wissellaadketels en tankcontainers; - h. druk- en bulk-containers van minimaal 30 ft; - i. ECO-carriers. 2. De verplichting tot koop of lease van het in het eerste lid genoemde materieel wordt aangegaan uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening, waarbij de levering en de betaling of, ingeval van lease, de betaling van de eerste termijn in ieder geval plaatsvinden in de periode van 15 oktober 1999 tot en met 14 oktober 2000. 3. Onverminderd [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010927&artikel=5&z=1999-12-12&g=1999-12-12), bedraagt de subsidie voor materieel genoemd in het eerste lid, onder: a : f 1.750,- per eenheid; b: f 1.750,- per eenheid; c: f 5.000,- per eenheid; d: f 5.000,- per eenheid; e: f 10.000,- per eenheid; f: f 3.500,- per eenheid; g: f 10.000,- per eenheid; h: f 10.000,- per eenheid; i:"},{"i":15083,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, van 23 april 2026, nr. WJZ/105608552, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor het nemen van extensiveringsmaatregelen op melkveehouderijbedrijven (Subsidieregeling extensivering melkveehouderij) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijving - **besluit:** [Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796); - **fosfaatrecht:** hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ten hoogste met melkvee mag worden geproduceerd; - **graasdieren:** runderen, uitgezonderd andere vleeskalveren dan rosékalveren, schapen, geiten, paardachtigen, hertachtigen en waterbuffels; - **grasland:** het voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbare deel van de tot de melkveehouderij behorende oppervlakte landbouwgrond dat gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september van een kalenderjaar onafgebroken beteeld is met gras bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer; - **GVE:** grootvee-eenheid, zoals opgenomen in de tabel in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052578&bijlage=1&z=2026-04-29&g=2026-04-29); - **melk- en kalfkoeien:** koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die worden gehouden voor de productie van melk voor menselijke consumptie of verwerking of voor de fokkerij van runderen voor de melkveehouderij, ook als ze drooggezet zijn om een kalf te krijgen, of worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken; - **melkveehouder:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een melkveehouderij drijft; - **melkveehouderij:** onderneming voor het houden van melk- en kalfkoeien voor de productie van melk; - **minister:** Minister van Landbouw, Visserij"},{"i":15084,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 juni 2025, nr. 2025-0000135813, houdende regels voor subsidieverstrekking aan werkgevers in het midden- en kleinbedrijf ter ondersteuning bij de aanschaf van inclusiviteitstechnologie (Subsidieregeling inclusiviteitstechnologie voor het mkb) [KetenID WGK026974] Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **activiteitenplan:** activiteitenplan als bedoeld in [artikel 3.4 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=3.4); - –. **arbeidsbeperking:** een langdurige lichamelijke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperking die voor een persoon drempels opwerpt voor het participeren op de arbeidsmarkt; - –. **de-minimisverordening:** [Verordening (EU) 2023/2831](32023R2831) van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun; - –. **inclusiviteitstechnologie:** fysieke of digitale technologie die zich richt op het ondersteunen van personen met een arbeidsbeperking tijdens het werk en bijdraagt aan het compenseren van een functionele beperking op lichamelijk, sociaal of persoonlijk vlak; - –. **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - –. **mkb-verklaring:** verklaring waarmee een werkgever verklaart een werkgever te zijn als bedoeld in deze regeling; - –. **staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. **werkgever:** een onderneming waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt. Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling Op het aanvragen en verstrekken van sub"},{"i":15086,"b":"Regeling van 21 december 2005, nr. DJZ/BR/1307-2005, houdende nadere regels met betrekking tot de verstrekking van subsidies door de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking (Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=2) en [3 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=3); Besluiten: Afdeling 1. Algemeen Paragraaf 1. Begripsomschrijving Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. ontwikkelingslanden: landen, vermeld in de door het Development Assistence Committee (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) meest recent vastgestelde List of Recipients of Official Development Assistence; - b. Kaderwet: [Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010178); - c. Subsidiebesluit: [Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039). Afdeling 2. Mensenrechten, goed bestuur, internationale rechtsorde, internationale samenwerking Paragraaf 1. Mensenrechten Artikel 2.1 De Minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten die niet op grond van een van de overige bepalingen van deze regeling voor subsidie in aanmerking kunnen komen en die strekken tot of dienstig zijn aan de bevordering van de naleving van mensenrechten. Paragraaf 2. Maatschappelijke transformatie Artikel 2.2 De minister kan met het oog op de bevordering van de sociale en politieke aspecten van transformatieprocessen naar een democratisch en marktgeoriënteerd bestel subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die niet op grond van een van de overige bepalingen van deze regeling voor subsidie in aanmerking kunnen komen en die strekken tot of dienstig zijn aan: - a. vestiging en versterking van pluriforme, democratische rechtsstaten; - b. de opbouw van een maatsch"},{"i":15087,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 mei 2026, nr. 63286153, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan startende ondernemingen in het kader van het Nationaal Groeifondsproject Big Chemistry (Subsidieregeling start-ups Big Chemistry) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); **Besluit:** Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** startende onderneming die subsidie aanvraagt op grond van deze regeling; - **AGVV:** [Verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Europese Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187/1); - **Big Chemistry:** Nationaal Groeifondsproject Big Chemistry dat zich richt op een nieuwe aanpak van moleculair onderzoek die chemie verbindt met big data en kunstmatige intelligentie; - **kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **project:** geheel van activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op grond van deze regeling; - **startende onderneming:** startende onderneming als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de AGVV; - **toepassingsgebied:** - a. polymeren; - b. emulsies en surfactanten; - c. coatings en colloïden; - d. smaak- en geurstoffen; of - e. lijmen en elektrolyten. Artikel 2. Toepassing [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Deze regeling geldt in aanvulling op de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW"},{"i":15089,"b":"Subtaakbesluit Commando Landstrijdkrachten 2015 gelet op [artikel 25 van het Algemeen Organisatiebesluit Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034157&artikel=25), Besluit: Artikel 1. De Koninklijke Landmacht 1. De Koninklijke Landmacht staat onder leiding van de Commandant Landstrijdkrachten. Onverminderd [artikel 15 van het Algemeen Organisatiebesluit Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034157&artikel=15) is de Commandant Landstrijdkrachten belast met: - a. het geven van leiding aan het Commando Landstrijdkrachten; - b. het optreden als adviseur Landoptreden richting de CDS; - c. het participeren in overlegfora op topniveau binnen de Bestuursstaf; - d. het representatief optreden bij activiteiten; - e. het bewaken van het protocol en de tradities van de Koninklijke Landmacht. 2. De Plaatsvervangend Commandant Landstrijdkrachten is belast met: - a. het, in één bestuurlijke eenheid met de Commandant Landstrijdkrachten, geven van leiding aan het Commando Landstrijdkrachten; - b. het geven van leiding aan de Staf Commando Landstrijdkrachten; - c. het optreden als Gouverneur van de Hoofdstad; - d. het optreden als Inspecteur Reservepersoneel Koninklijke Landmacht. 3. Het Commando Landstrijdkrachten vormt samen met de Duitse Landmacht het geïntegreerde commando van het 1 (GE/NL) Corps. Onverminderd de wederzijdse soevereiniteit is de Senior National Officer (NL) belast met: - a. het uitoefenen van de bevoegdheden en het uitvoeren van de taken zoals vastgesteld in ‘Annex B to the Agreement between the Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the Federal Republic of Germany on the Organization and the Activities of the 1 (German – Netherlands) Corps and the Air Operations Coordination Center’; - b. het uitoefenen van de bevoegdheden als Commandant Nederlandse Troepen in Duitsland. Het gezamenlijke 1 (GE/NL) Corps – hoofdkwartier is gevestigd te Münster. 4. Het Commando Landstrijdkrachten vormt samen met de bui"},{"i":15090,"b":"Subtaakbesluit Koninklijke Marechaussee 2019 gelet op [artikel 25 van het Algemeen Organisatiebesluit Defensie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034157&artikel=25), Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling 1. Het Commando Koninklijke Marechaussee staat onder leiding van de Commandant Koninklijke Marechaussee (KMar). Tot het Commando Koninklijke Marechaussee behoren tevens die militairen die namens het Commando Koninklijke Marchaussee bij andere defensieonderdelen dienen. Artikel 2. Organisatie van het Commando Koninklijke Marechaussee 1. De Commandant Koninklijke Marechaussee vormt samen met de Plaatsvervangend Commandant Koninklijke Marechaussee één bestuurlijke eenheid in het geven van leiding aan het Commando Koninklijke Marechaussee. 2. De Koninklijke Marechaussee bestaat uit de volgende onderdelen: - 1. de Staf CKMar (STC), waaronder ressorteren: - a. de commandogroep Staf CKMar; - b. de directie Operaties (DOPS): - 1. de commandogroep DOPS; - 2. het bureau Regie en Besturing; - 3. het cluster Bewaken en Beveiligen; - 4. het cluster Grens Management; - 5. het cluster Handhaving en Opsporen; - 6. het cluster Defensie en Internationale Samenwerking. - c. de directie Personeel en Bedrijfsvoering (DPB): - 1. de commandogroep DPB; - 2. de stafgroep Vraag- en Aanbodmanagement; - 3. het cluster Personeel en Organisatie; - 4. het cluster Informatievoorziening; - 5. het cluster Facilitair Logistiek Management; - 6. het cluster Projecten. - d. de afdeling Financiën en Control (AFC): - 1. het cluster Begrotingszaken en Managementinformatie; - 2. het cluster Dedicated Control. - e. de afdeling Kabinet (KAB): - 1. het cluster Integriteit; - 2. het cluster Integrale Plannen en Advies; - 3. het cluster Juridische Zaken; - 4. het cluster Communicatie, Ceremonieel en Evenementen; - 5. het cluster Persoonlijke Staf. - 2. Het Landelijk Tactisch Commando (LTC), waaronder ressorteren: - a. de staf LTC: - 1. de commandogroep LTC; - a. het bureau Bestuursondersteuning / Secre"},{"i":15091,"b":"Suppletieregeling Filminvesteringen Nederland / Subsidieregeling van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904); Besluit: § 1. Doelstelling Artikel 1 1. Deze subsidieregeling heeft ten doel het bevorderen van de totstandkoming van bioscoopfilms, die een culturele waarde hebben, omdat zij bijdragen aan de diversiteit van cultuuruitingen in Nederland, én door hun toegankelijkheid in staat zijn grotere groepen van de bevolking te bereiken. Daartoe hanteert deze subsidieregeling als graadmeter voor toegankelijkheid de door marktpartijen in deze bioscoopfilms toegezegde investeringen, voor zover die gelet op het taalgebied waarop deze bioscoopfilms zijn gericht onvoldoende zijn om de met de voortbrenging gemoeide productiekosten vooraf te dekken. 2. Een bioscoopfilm heeft een culturele waarde, indien de bioscoopfilm beschikt over tenminste drie van de volgende zeven kenmerken: - –. het scenario waarop de bioscoopfilm is gebaseerd speelt zich in overwegende mate af in Nederland, of in een andere Lidstaat van de Europese Unie, of in een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland; - –. tenminste één van de hoofdpersonages behoort tot de Nederlandse cultuur of het Nederlandse taalgebied; - –. het scenario waarop de bioscoopfilm is gebaseerd is in hoofdzakelijk de Nederlandse taal geschreven; - –. het scenario van de bioscoopfilm is gebaseerd op een van origine Nederlandstalig literair werk; - –. het hoofdthema van de bioscoopfilm heeft betrekking op kunst dan wel kunstenaars; - –. het hoofdthema van de bioscoopfilm heeft betrekking op historische figuren of gebeurtenissen; - –. het hoofdthema van de bioscoopfilm heeft betrekking op voor de Nederlandse bevolking relevante actuele, culturele, maatschappelijke dan wel politieke kwesties. § 2. Definities Artikel 2 In deze regeling en de daarbij behorende bijlage wordt versta"},{"i":15129,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 4 november 2025 nr. 2025-0000035295, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van de stimulering van de bouw van betaalbare woningen (Tijdelijke regeling realisatiestimulans) Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2), en [artikel 3 van het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen - **betaalbare woning:** - a. **sociale huurwoning:** huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13); - b. **huurwoningen voor middenhuur:** huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in [artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13), en ten hoogste: - 1°. het bedrag, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=2); - 2°. het onder i bedoelde bedrag met inbegrip van een vermeerdering als bedoeld in [artikel 8a, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=8a), indien het gaat om een huurwoning als bedoeld in die leden; - c. **betaalbare koopwoning:** koopwoning met een koopprijs vrij op naam bij eerste verkoop van ten hoogste de bovengrens, bedoeld in [artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel"},{"i":2819,"b":"Beschikking vaststelling examenprogramma In overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, dr. A. Veerman, Gelet op [artikel 4, eerste lid, van het Examenbesluit accountants-administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002923&artikel=4) (Stb. 1974, 304), Besluit: Artikel 1 Het examen omvat het volgende programma: - I. **Mondeling gedeelte** - A. kennis van beroep en functie: - 1. het beroep van accountant-administratieconsulent; - 2. uitoefening van de functie; - B. kennis van het midden- en kleinbedrijf in de onderscheiden sectoren van het maatschappelijk bestel: - 1. omschrijving en betekenis van het midden- en kleinbedrijf; - 2. ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf; - 3. produktie- en afzetbevordering; - 4. persoonlijke relaties in het midden- en kleinbedrijf; - 5. wetgeving; - 6. instellingen ten behoeve van het midden en kleinbedrijf. - II. **Schriftelijk gedeelte** - A. kennis van de hoofdzaken van de administratieve organisatie en van de administratieve techniek (waaronder de controlemogelijkheden), in het bijzonder ten aanzien van het midden- en kleinbedrijf: - 1. administratieve organisatie; - 2. informatieverstrekking en -verwerking; - 3. hulpmiddelen ten dienste van de administratieve organisatie; - 4. controlemogelijkheden; - 5. speciale onderzoekingen; - B. kennis van de toepassing der fiscale wetgeving; - C. kennis van het sociaal recht; - D. kennis van het privaatrecht, een en ander zoals deze laatste drie onderdelen nader zijn omschreven in het Programma, Eerste gedeelte, onder E, en Tweede gedeelte, onder D, vastgesteld bij het Koninklijk besluit van 25 augustus 1949 (Stb. 407) tot instelling van een Staatspraktijkdiploma voor Bedrijfsadministratie, overeenkomstig de op 30 april 1974 geldende tekst van dat besluit. Artikel 2 Bij de voorbereiding van het in 1974 af te nemen examen dient als leidraad te worden gebezigd de bij deze beschikking als bijlage behorende litteratuurlijst. Artikel 3 1. De"},{"i":4640,"b":"Besluit van 19 november 2021 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en enkele andere besluiten ter implementatie van de Richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen (Implementatiebesluit prudentieel toezicht beleggingsondernemingen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 8 september 2021, 2021-0000179037, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2019/2033](32033R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 314), [Richtlijn (EU) 2019/2034](32019L2034) van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van [Richtlijnen 2002/87/EG](32002L0087), [2009/65/EG](32009L0065), [2011/61](32011L0061)/EU, [2013/36](32013L0036)/EU, [2014/59](32014L0059)/EU en [2014/65](32014L0065)/EU (PbEU 2019, L 314) en de [artikelen 1:19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:19), [1:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:17), [3:53, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:53), [3:57, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:57), [3:63, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:63), [3:72, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:72), [3:74a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:74a), [4:14, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14) en [4:86 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":4217,"b":"Besluit vaststelling Subsidieplafonds 2024 Stichting Nederlands Fonds voor de Film Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904), en gelet op [artikel 7 van het Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=7), [artikel 3 van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047791&artikel=3), [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044508&artikel=3) en [4 van het Deelreglement Ontwikkeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044508&artikel=4), [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048532&artikel=19), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048532&artikel=20) en [24 van het Deelreglement Realisering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048532&artikel=24), [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047796&artikel=13) en [16 van het Deelreglement Distributie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047796&artikel=16) en de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049021&artikel=12) en [23 van het Deelreglement Filmactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049021&artikel=23); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel I Het subsidieplafond van het [Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047791) voor filmproducties voor het kalenderjaar 2024 is € 27.500.000,– (zegge: zevenentwintig miljoen vijfhonderdduizend euro). (€ 7.700.000,– (zegge: zeven miljoen zevenhonderdduizend euro) voor de eerste aanvraagronde en € 6.600.000,– (zegge: zes miljoen zeshonderdduizend euro) per volgende aanvraagronde). Per aanvraagronde worden als eerste alle internationale coproducties gehonoreerd tot maximaal 70% van het budget. Artikel II Het subsidieplafond van het [Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00477"},{"i":4285,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 12 oktober 2020, nr. IENW/BSK-2020/193715, houdende verhoging van het subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten voor het jaar 2020 Gelet op [artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8) en [artikel 4, derde lid, van de Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038539&artikel=4); BESLUIT: artikel Enig Het bij [besluit van 17 maart 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043327), nr. IENW/BSK-2020/29116, op grond van [artikel 4, derde lid, van de Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038539&artikel=4) voor 2020 vastgestelde subsidieplafond voor project a, project b en project c, van € 1.000.000 wordt verhoogd tot € 1.900.000. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15138,"b":"Tijdelijke Stimuleringsregeling CWI Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Subsidie stimulering totstandkoming en instandhouding CWI 1. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken ter stimulering van de totstandkoming en instandhouding in 2001 van een CWI op een plaats van vestiging, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Tijdelijk besluit samenwerking CWI. 2. De subsidie wordt per afzonderlijk CWI aangevraagd door een daartoe door de samenwerkende partijen aangewezen rechtspersoon. 3. De subsidie wordt verstrekt aan de subsidieaanvrager. 4. De [Algemene Regeling SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009211) is van toepassing. Artikel 3. Subsidieaanvraag 1. Bij de subsidieaanvraag wordt overgelegd: - a. een door de samenwerkende partijen ondertekend document, waaruit blijkt dat de rechtspersoon die de subsidie aanvraagt daartoe door hen is aangewezen; - b. een activiteitenplan en een daarbij behorende postgewijze begroting van de CWI-kosten; - c. het verslag, bedoeld in [artikel 5 van de Stimuleringsregeling SWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009210&artikel=5), betrekking hebbend op het SWI-centrum in de betrokken regio. 2. De aanvraag wordt ingediend uiterlijk op 30 juni 2001. Artikel 4. Subsidievoorwaarden 1. Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover de CWI-kosten noodzakelijk zijn, mede gelet op de kosten, die in de betrokken regio al zijn gemaakt ten behoeve van de totstandkoming van een SWI. 2. Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover voor de subsidiabele activiteiten geen financiering uit anderen hoofde beschikbaar is. 3. Geen subsidie wordt verleend voor activiteiten ten behoeve van communicatie, public relations, beeldvorming, informatie- en communicatietechnologie. Artikel 5. Omvang subsidie De subsidie bedraagt 100% van de werkelijk gemaak"},{"i":15139,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 16 november 2023, nr. IENW/BSK-2023/60021, houdende regels voor toekenning van specifieke uitkeringen in verband met specifieke afspraken voor slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van infrastructuur (Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023–2027) Gelet op [artikel 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), juncto [artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, d en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), en [artikel 5, aanhef en onderdelen a tot en met f, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **afsprakenlijst:** lijst van afspraken, gemaakt in een Bestuurlijk Overleg, dat heeft plaatsgevonden in de jaren 2022 tot en met 2027 over de financiering van maatregelen of maatregelenpakketten met betrekking tot activiteiten als bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048944&artikel=3&z=2023-11-25&g=2023-11-25), die door de Minister is aangeboden aan de Tweede Kamer; - **Bestuurlijk Overleg:** Bestuurlijk Overleg MIRT of Bestuurlijk Overleg Leefomgeving; - **Bestuurlijk Overleg MIRT:** Bestuurlijk Overleg MIRT Noord-Nederland, Bestuurlijk Overleg MIRT Oost-Nederland, Bestuurlijk Overleg MIRT Zuid-Nederland, Bestuurlijk Overleg MIRT Zuidwest-Nederland, Bestuurlijk Overleg MIRT Noordwest-Nederland of Bestuurlijk Overleg goederenvervoercorridors; - **Bestuurlijk overleg Leefomgeving:** Bestuurlijk Overleg Leefomgeving Noord-Nederland, Bestuurlijk Overleg Leefomgeving Oost-Nederland, Bestuurlijk Overleg Leefomgeving Zuid-Nederland, Bestuurlijk Overleg Leefomgeving Zuidwest-Nederland of Bestuurlijk Overleg Leefomgeving Noordwest-Nederland; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **MIRT:*"},{"i":15150,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 18 augustus 2015, 15115580, houdende tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden ter bescherming van de teelt van wintergraan, graszaad, aardappelen, koolgewassen, wortelen en overige wortel- en knolgewassen (Tijdelijke vrijstelling ter bescherming van de onbedekte teelt van wintergraan, graszaad, aardappelen, koolgewassen, wortelen en overige wortel- en knolgewassen 2015) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=38) en artikel 53 van de [Verordening nr. (EG) 1107/2009](32009R1107) van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de [Richtlijnen nr. 79/117/EEG](31979L0117) en [nr. 91/414/EEG](31991L0414) van de Raad (PbEU 2009, L 309); Besluit: Artikel 1 Tijdelijke vrijstelling als bedoeld in [artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=38) en biociden en artikel 53 van [Verordening (EG) nr. 1107/2009](32009R1107) wordt verleend voor het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel Luxan Mollentabletten (**8717N**) ter bescherming van de onbedekte teelt van wintergraan, graszaad, aardappelen, koolgewassen, wortelen en de overige wortel- en knolgewassen. Artikel 2 De vrijstelling is slechts van toepassing bij naleving van de gebruiksvoorschriften in de bijlage bij dit besluit. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt na 120 dagen, doch uiterlijk op 15 december 2015. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: (Tijdelijke vrijstelling voor het gewasbeschermingsmiddel Luxan Mollentabletten ter bescherming van de onbedekte teelt van wintergraan, grasz"},{"i":14109,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 december 2003, nr. DDI/ST/reg 3/2003, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging te Bulgarije 1907–1941, van het archief van het gezantschap te Bulgarije (Sofia), 1947–1953 en van het archief van het gezantschap te Bulgarije (Sofia), gevestigd te Belgrado, (1940–1941) 1947–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van de Nederlandse diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging te Bulgarije 1907–1941, van het archief van het gezantschap te Bulgarije (Sofia), 1947–1953 en van het archief van het gezantschap te Bulgarije (Sofia), gevestigd te Belgrado, (1940–1941) 1947–1954, de in kolom 1 van onderstaande tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in kolom 2 van deze tabel genoemde jaartal: | 1. Inventaris- nummer | 2. Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | **Diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging te Bulgarije (1907–1941)** | **Diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging te Bulgarije (1907–1941)** | | 35 | 2011 | | 36 | 2008 | | 39 | 2016 | | 40 | 2007 | | 41 | 2009 | | 43 | 2006 | | 44 | 2008 | | 45 | 2010 | | 46 | 2014 | | 47 | 2014 | | 48 | 2015 | | 78 | 2010 | | 79 | 2010 | | 83 | 2014 | | 85 | 2013 | | 86 | 2025 | | 514 | 2011 | | 516 | 2012 | | | | | **Gezantschap te Bulgarije (Sofia) 1947–1953** | **Gezantschap te Bulgarije (Sofia) 1947–1953** | | 890 | 2029 | | 891 | 2029 | | 892 | 2029 | | 893 | 2029 | | 894 | 2029 | | 895 | 2029 | | 896 | 2027 | | 897 | 2025 | | 898 | 2025 | | | | | **Gezantschap te Bulgarije (Sofia), gevestigd te Belgrado, (1940–1941) 1947–1954** | **Gezantschap te Bulgarije (Sofia), gevestigd te Belgrado, (1940–1941) 1947–1954** | | 757 | 2025 | | 7"},{"i":13332,"b":"Herziene regeling projectwerkbeurzen voor literaire vertalers Regeling van het bestuur van de Stichting Nederlands Letterenfonds als bedoeld in [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en artikel 5 lid 2 van het Algemeen reglement van de Stichting Nederlands Letterenfonds, afdeling Huddestraat. 1. Doelstelling 2. Wie kunnen projectwerkbeurzen aanvragen? 3. Welke en hoeveel vertaalprojecten komen in aanmerking? 4. Formele toetsing Een aanvraag die niet voldoet aan het gestelde onder 1,2 of 3 wordt afgewezen. 5. Waar, hoe en wanneer moet de aanvraag worden ingediend? 6. Het aanvraagdossier De aanvraag bevat in ieder geval de volgende informatie: 7. Advisering door de Adviescommissie Projectwerkbeurzen Nadat is vastgesteld dat de aanvraag aan alle voorwaarden voor behandeling voldoet, wordt de beoordeling van de aanvragen voorbereid door een Adviescommissie Projectwerkbeurzen, bestaande uit minimaal drie en maximaal zeven leden van de Adviesraad van het Fonds, die daarbij gebruik kan maken van (pre)adviezen van externe deskundigen. 8. Beoordelingscriteria Bij het nemen van de beslissingen wordt rekening gehouden met de volgende (combinatie van) factoren, waarvan de kwaliteitsfactor voorop staat: 9. De hoogte van de projectwerkbeurzen; mogelijkheid tot gespreide opname voor langlopende vertaalprojecten 10. Mentoraat Indien het bestuur besluit tot verlening van een eerste projectwerkbeurs voor een tweede of derde vertaalproject, wordt de literair vertaler daarmee tevens toegelaten tot het mentoraatsprogramma van het Nederlands Letterenfonds en het Expertisecentrum Literair Vertalen. Het Nederlands Letterenfonds betaalt eenmalig de begeleidingskosten van een ervaren vertaler. Deelname aan het mentoraatsprogramma geschiedt op vrijwillige basis. De voorwaarden waaronder en de termijn waarbinnen gebruik kan worden gemaakt van het mentoraatsprogramma worden vermeld in het besluit op de aanvraag. 1"},{"i":12538,"b":"Besluit postzendingen BES Artikel 1 Het gewicht en de afmetingen van postzendingen op en tussen het grondgebied van de openbare lichamen, die de houder van de concessie ingevolge [artikel 2, tweede lid, onder a, van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=2) verplicht is te vervoeren, bedragen, behoudens het in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028349&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bepaalde: - a. tien kilogram; - b. wat grootste afmeting betreft honderd centimeter en wat de overige afmetingen betreft vijftig centimeter, zulks met een tolerantie van twee millimeter. Artikel 2 [vervallen] Artikel 3 De aansprakelijkheid van de houder van de concessie bedoeld, in [artikel 7, vierde lid, van de Wet Post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=7), strekt zich niet verder uit dan tot: - a. een bedrag van USD 45 bij registratie als aangetekende postzending; - b. een bedrag van USD 50 bij registratie als postpakket; - c. het bedrag van de aangegeven waarde bij registratie met aangifte van de waarde van een postzending met dien verstande dat de aansprakelijkheid een bedrag van USD 6705 niet te boven gaat. Artikel 4 Dit besluit berust op de [artikelen 2, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=2), en [7, vierde lid, van de Wet post BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028263&artikel=7). Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit postzendingen BES."},{"i":13940,"b":"Wet van 23 december 2010 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2011) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2011 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen, bijstellingen alsmede enkele technische reparaties aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IA Vervallen Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IIA Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V 1. Ingeval in het laatste jaar dat aanvangt vóór de inwerkingtreding van deze wet [artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=12b) met betrekking tot een octrooi-activum reeds toepassing vindt, wordt ingeval de belastingplichtige daarvoor kiest het op grond van het zesde lid van dat artikel bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen saldo van de nog in te lopen voortbrengingskosten aan het einde van dat jaar nog verminderd met een in het volgende lid aangeduid bedrag, voor zover dit bedrag niet uitgaat boven dit saldo. 2. Het in het eerste lid bedoelde bedrag is gelijk aan de voordelen uit hoofde van het in het eerste lid bedoelde octrooi-activum genoten in de periode met ingang van het jaar van aanvraag van het octrooi tot en met het jaar voorafgaande aan het jaar van verlenen van het octrooi. 3. In aanvulling op het zevende lid, laatste volzin, van [artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wet"},{"i":13962,"b":"Wet van 26 oktober 1988, houdende regels betreffende de overgang van personeel van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie naar de naamloze vennootschap PTT Nederland NV Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de overgang van personeel van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie naar de naamloze vennootschap PTT Nederland NV; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. het Staatsbedrijf: het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie; - b. overgangsdatum: de datum waarop de naamloze vennootschap PTT Nederland NV wordt opgericht; - c. personeelslid: degene die op de dag voor de overgangsdatum in dienst is bij het Staatsbedrijf, hetzij als ambtenaar, hetzij krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, met uitzondering van degene ten aanzien van wie voor de overgangsdatum een besluit tot verplaatsing binnen de rijksdienst is genomen; - d. de NV PTT: de naamloze vennootschap PTT Nederland NV, daaronder mede begrepen een vennootschap waarin PTT Nederland NV voor meer dan de helft in het geplaatste kapitaal deelneemt; - e. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 1. Ieder personeelslid heeft het recht om op de overgangsdatum op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht over te gaan in dienst van de NV PTT. 2. De in het eerste lid bedoelde arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd, indien het personeelslid bij het Staatsbedrijf is aangesteld als ambtenaar in vaste dienst of aldaar werkzaam is krachtens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. 3. Voor het personeelslid dat bij het Staatsbedrijf is aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst of aldaar werkzaam i"},{"i":15152,"b":"Wet van 26 mei 2021 tot wijziging van de Wet publieke gezondheid in verband met het stellen van tijdelijke regels over de inzet van coronatoegangsbewijzen bij de bestrijding van het virus SARS-CoV-2 (Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de verspreiding van het SARS-CoV-2-virus zoveel mogelijk te belemmeren en dat de tijdelijke inzet van een bewijs van een testuitslag omtrent infectie met dat virus, een bewijs van vaccinatie tegen dat virus en een bewijs van herstel van een infectie met dat virus kunnen bijdragen aan het verantwoord openen of geopend houden van onderdelen van de samenleving; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet publieke gezondheid. Artikel II 1. In afwijking van [artikel 454, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=454) en [artikel 454, derde lid, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028751&artikel=454): - a. bewaart een hulpverlener een dossier dat uitsluitend betrekking heeft op een testuitslag waaruit blijkt of een persoon op het moment van afname van de test was geïnfecteerd met het virus SARS-CoV-2 gedurende een bij ministeriële regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te bepalen termijn van minimaal zes maanden en ten hoogste een jaar, gerekend vanaf het moment dat de test is afgenomen; - b. vernietigt een hulpverlener een dossier dat uitsluitend betrekking heeft op een testuitslag als bedoeld in onderdeel a, indien de termijn, bedoeld in onderdeel a, is verstreken vanaf het moment van inwerkingtreding van dit artikel. 2. De gemeentelijke gezondheidsdiensten, bedoeld in [artikel 14 van de Wet publieke"},{"i":12551,"b":"Besluit van 11 oktober 1988, houdende een regeling betreffende coördinatie met betrekking tot civiele zeegaande vaartuigen van de rijksoverheid danwel door deze gesubsidieerde stichtingen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, coördinerend minister voor Noordzee-aangelegenheden van 5 oktober 1988, nr. S/J 31.715/88, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken; Overwegende, dat de bestaande regeling inzake het toezicht op rijksvaartuigen niet meer overeenkomt met de organisatie van het bestuur van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, in het bijzonder van het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken van dit ministerie, en het derhalve wenselijk is deze regeling te vervangen door een nieuwe regeling; Gezien het bij brief van 6 maart 1986, no. 7058 aan de Minister van Verkeer en Waterstaat, coördinerend minister voor Noordzee-aangelegenheden, uitgebracht advies van de Interdepartementale Coördinatiecommissie voor Noordzee-aangelegenheden (ICONA), met name de daarin neergelegde aanbeveling betreffende de versterking van het materieel beheer voor civiele zeegaande vaartuigen van de rijksoverheid, danwel door deze gesubsidieerde stichtingen, welke aanbeveling vervolgens in de Ministerraad is aanvaard; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: vaartuigen: civiele zeegaande vaartuigen, zowel bestaand als in aanbouw, eigendom van of in gebruik bij de rijksoverheid dan wel stichtingen of andere instellingen, die geheel of overwegend door de rijksoverheid worden gesubsidieerd; beheerder: degene die met de verwerving van en het beheer over één of meer vaartuigen is belast, dan wel feitelijk het beheer voert; Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 Onze Minister is belast met de zorg voor de coördinatie bij het bevorderen van een doelmatige opbouw en een efficiënt gebruik van de vloot vaartuigen. Artikel 3 Ter uitvoering van het bepaald"},{"i":11964,"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Justitie, C-dossiers (1856) 1953–2005 (2012), (1856) 1953–2005 (2012), toegangsnummer 2.09.92 Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van 17 oktober 2023 van de Minister van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048798), met kenmerk 3177126, Gehoord hebbende de Minister van Justitie en Veiligheid, Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar op 1 januari: | | --- | --- | | 55 | 2102 | | 56 | 2103 | | 57 | 2102 | | 58 | 2103 | | 59 | 2104 | | 60 | 2104 | Artikel 2 De algemene rijksarchivaris stelt de inventarisnummers genoemd in de bijlagen bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052587&artikel=1&z=2026-05-01&g=2026-05-01) beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 3 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefbescheiden gesteld zijn, opgeheven. Dit is van toepassing voor zover de archiefbescheiden een persoonsdossier betreffen. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":13977,"b":"Wet van 24 maart 1961, houdende regelen op het gebied van de prijzen van goederen en diensten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de mogelijkheid te openen regelen te stellen op het gebied van de prijzen van goederen of diensten, ingeval de ontwikkeling dier prijzen daartoe aanleiding geeft; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Deze wet verstaat onder: producten: roerende zaken in de zin van het Burgerlijk Wetboek; diensten: alle diensten, in de ruimste zin, met inbegrip van de verrichtingen, welke het voorwerp zijn van een verzekerings- of garantieovereenkomst, doch met uitzondering van die, welke het voorwerp zijn van een arbeidsovereenkomst; Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. 2. Deze wet verstaat onder prijzen niet de vergoedingen voor diensten op het gebied van het bankwezen, in de ruimste zin, en van de geld- en kapitaalmarkt, voor zover zij het karakter van rentevergoeding dragen. Artikel 2 1. Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, indien er naar zijn oordeel als gevolg van een zich plotseling voordoende noodsituatie van de nationale economie, veroorzaakt door een of meer schoksgewijs optredende factoren, sprake is van een zodanig versnellende inflatie - of indien er aanwijsbare omstandigheden zijn, op grond waarvan hij kan vermoeden dat een dergelijke versnellende inflatie zal ontstaan -, dat het nemen van een zodanige maatregel is vereist: - a. voor producten en diensten in het algemeen verbieden, voor zover het de binnenlandse markt betreft, het aanbieden, verkopen, verhuren, krachtens verkoop leveren of krachtens verhuur verschaffen van het genot van producten, onderscheidenlijk het aanbieden of verrichten van diensten of het zich verbinden deze te verrichten, te"},{"i":12504,"b":"Besluit van 14 september 2010, houdende regels met betrekking tot het verlenen van onderstand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit onderstand BES) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juli 2010, nr. IVV/I/2010/13018, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 18.3, eerste, vierde en vijfde lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.3); De Raad van State gehoord (advies van 12 augustus 2010, nr. W12.10.0343/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 september 2010, nr. IVV/I/2010/16119, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **minimumloon:** bruto minimumuurloon, genoemd in [artikel 9 van de Wet minimumlonen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028170&artikel=9), vermenigvuldigd met 80 uur; - –. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. **openbaar lichaam/openbare lichamen:** openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - –. **pensioengerechtigde leeftijd:** leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat op grond van de [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459). Artikel 2. Gezamenlijke huishouding 1. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huis"},{"i":13968,"b":"Planningsbesluit klinisch genetisch onderzoek en erfelijkheidsadvisering Gezien de adviezen van de Gezondheidsraad (advies van 28 april 1998 inzake DNA-diagnostiek, advies van 27 mei 1999 inzake Klinisch-genetisch onderzoek en erfelijkheidsadvisering. Nadere advisering voor een nieuwe planningsregeling en advies inzake IVF: afrondende advisering van 1998); en het advies van het College voor zorgverzekeringen (advies inzake Evaluatie planningsregeling klinisch genetisch onderzoek en erfelijkheidsadvisering van 1998); Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=5) en [6, tweede lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008974&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Er is behoefte aan ten hoogste acht centra voor het uitvoeren van klinisch genetisch onderzoek en erfelijkheidsadvisering als bedoeld in [artikel 1, onderdeel h, van het Besluit aanwijzing bijzondere medische verrichtingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022191&artikel=1). Artikel 3 De wijze waarop in de behoefte kan worden voorzien en de voorschriften waaraan bij het uitvoeren van de in [artikel 1, onderdeel h, van het Besluit aanwijzing bijzondere medische verrichtingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022191&artikel=1) bedoelde verrichtingen dient te worden voldaan, zijn neergelegd in de bijlage bij deze regeling. Artikel 4 De Regeling klinisch genetisch onderzoek en erfelijkheidsadvisering van 30 maart 1994 (Stcrt. 68) wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Planningsbesluit klinisch genetisch onderzoek en erfelijkheidsadvisering. Bijlage. bij [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014594&artikel=3&z=2024-06-05&g=2024-06-05) van het Plann"},{"i":12518,"b":"Besluit opheffen van de beperking aan de openbaarheid van inventarisnummer 9107 in het archief van het KdK 1898–1945 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gehoord hebbende de voormalig zorgdrager, Besluit: De beperking aan de openbaarheid van het inventarisnummer 9107 in het archief van het Kabinet der Koningin 1898–1945 (toegang 2.02.14) vervalt. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":14107,"b":"Regeling beperking geluidhinder militaire helikopters die gebruik maken van de oefen- en schietfaciliteiten van het Infanterie Schietkamp te Harskamp (Regeling beperking geluidhinder militaire helikopters Infanterie Schietkamp Harskamp) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 2 van het Besluit van 21 mei 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003404&artikel=2), Stb. 1981, 343, houdende vaststelling van enige regels ter beperking van geluidhinder door luchtvaartuigen; Besluit: Artikel 1. Algemeen Met betrekking tot het uitvoeren van vluchten met militaire helikopters die gebruik maken van de oefen- en schietfaciliteiten van het Infanterie Schietkamp te Harskamp gelden de volgende regels ter beperking van geluidhinder: - a. vluchten worden niet uitgevoerd tussen 00.00 uur lokale tijd en het aanbreken van de uniforme daglichtperiode; - b. vluchten worden niet uitgevoerd op vrijdagen na 16.00 uur, noch op zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen; - c. vluchten worden niet uitgevoerd in formaties van meer dan twee helikopters. Artikel 2. Vluchtprocedures helikopters 1. Bij het vliegen van de naderings- en vertrekroutes met de helikopters van en naar het Infanterie Schietkamp worden de woonkernen rondom het Infanterie Schietkamp zoveel mogelijk vermeden. 2. De helikopters maken voor het oefenen en schieten gebruik van circuitpatronen die zijn gelegen boven het Infanterie Schietkamp. 3. Hoveren met helikopters vindt plaats boven het Infanterie Schietkamp gedurende hoogstens twee oefensessies per dag met maximaal twee helikopters per sessie. Per oefensessie wordt maximaal 40 minuten per helikopter gehoverd. Artikel 3. Geluidsbelasting 1. De geluidsbelasting vanwege de activiteiten genoemd in [artikel 2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035659&artikel=2&z=2012-07-24&g=2012-07-24), op de vastgestelde referentiepunten nabij de woonkernen Harskamp, Otterloo en Hoenderlo"},{"i":13956,"b":"Participatiewet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving en ter versterking van de verantwoordelijkheid der gemeenten voor de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en de verlening van bijstand gewenst is te komen tot een Wet werk en bijstand, waarin de [Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333), de [Wet financiering Abw, IOAW en IOAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011670), de [Wet inschakeling werkzoekenden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009083) en het [Besluit in- en doorstroombanen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010994) zijn geïntegreerd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen § 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. college: het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in [artikel 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&hoofdstuk=5&paragraaf=5.1&artikel=40&z=2026-04-03&g=2026-04-03); - c. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - d. Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - e. Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in [artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=63); - f. inrichting: - 1°. een"},{"i":15171,"b":"Translation Grants for Foreign Gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); Gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Gelet op het [Algemeen reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **bestuur:** het bestuur van het Letterenfonds. - 2. **het Letterenfonds:** Stichting Nederlands Letterenfonds. - 3. **aanvrager:** een niet in de landen van de Nederlandse Taalunie gevestigde rechtspersoon die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit met als doel onder meer de uitgave van literaire werken. - 4. **uitgave-overeenkomst:** een overeenkomst tussen een Nederlandse uitgeverij en de aanvrager betreffende de exploitatierechten op de vertaling van een uitgave waarin minimaal bepalingen over het royalty-percentage en de licentie zijn overeengekomen. - 5. **een uitgave:** uitgave van een werk in papieren of digitale vorm. - 6. **een werk:** een vertaling van oorspronkelijk in Nederlandse of Friese taal geschreven kwalitatief hoogstaande literaire (non-)fictie, waaronder poëzie en kinder- en jeugdliteratuur, alsmede anderstalige klassiekers die tot de Nederlandse literatuur worden gerekend. - 7. **Nederlandse literatuur:** Nederlands- of Friestalige literaire werken geschreven door een auteur met de Nederlandse nationaliteit, een stateloze auteur of een auteur met een vreemde nationaliteit, mits die in een nauwe betrekking tot Nederland staat. Artikel 2. Doelstelling Deze regeling beoogt de bekendheid en verspreiding van Nederlandse literatuur buiten de landen van de Nederlandse Taalunie te bevorderen door subsidie te verstrekken voor (een deel van) de kosten van een aanvrager voor de uitgave van werken. Artikel 3. Vereisten aanvrager De aanvrager heeft, indien er nog auteursrechten op het werk rusten, een uitgave-overeenkomst afgesloten. Ar"},{"i":15199,"b":"Besluit van 18 december 1933, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, ter uitvoering van de wet op de strandvonderij van 27 juli 1931, Stb. 321 Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Waterstaat van 20 April 1933, 1ste afdeeling C, n°. 878, en van 25 April 1933, afdeeling Vervoer- en Mijnwezen, La. C; Den Raad van State gehoord (advies van 30 Mei 1933, n°. 31); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 6 December 1933, 1ste Afdeeling C, n°. 893 en van 13 December 1933, La. K., Afdeeling Vervoer- en Mijnwezen; Gelet op de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001951&artikel=21) en [23 van de wet op de strandvonderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001951&artikel=23) van 27 Juli 1931 (**Staatsblad** n°. 321); Hebben goedgevonden en verstaan: met ingang van den dag, waarop de [wet op de strandvonderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001951) van 27 Juli 1931 (**Staatsblad** n°. 321) in werking treedt, de volgende bepalingen vast te stellen: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: \"de Wet\", de [wet op de strandvonderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001951) van 27 Juli 1931 (**Staatsblad** n°. 321); \"Onze Minister\", Onze Minister van Waterstaat. Artikel 2 1. Voor de toepassing van de Wet worden de Dollart, de Eems, de Lauwerszee, de Waddenzee en het IJsselmeer in hun geheel, de Doorgraving, het Scheur, de Westgeul, de Oude- en Nieuwe Maas en de Dordtse Kil, het Malle Gat en de Krabbegeul in hun geheel, alsmede de overige Zuidhollandse en Zeeuwse stromen, begrensd in het noorden door de noordelijke oever van het Haringvliet, het Vuile Gat en het Hollands Diep tot de spoorbrug bij Moerdijk, in het oosten door het vasteland van Noord-Brabant van genoemde spoorbrug tot de Nederlands-Belgische grens, in het zuiden door de Nederlands-Belgische grens in de Schelde en door het vasteland van Zeeuws-Vlaanderen, beschouwd tot de zee en de stranden en oevers d"},{"i":15211,"b":"Uitvoeringsregeling fiscaliteit in overgangsperiode BES Gelet op [artikel 13b, vijfde lid, van de Wet geldstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=13b) Besluit: Treedt volgens artikel 13a, onderdeel a, van de Wet geldstelsel BES (Stb. 2010/363) in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Deze regeling verstaat onder: - a. **wet:** de [Wet geldstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551), en - b. **overgangsperiode:** de in [artikel 13a, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=13a) bedoelde periode. Hoofdstuk II. Specifieke leesaanwijzingen § 1. In de overgangsperiode als wet van toepassing zijnde Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 Artikel 2 1. Voor de toepassing van de in [artikel 13b, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=13b) bedoelde verordening die in de overgangsperiode als wet van toepassing is, wordt gedurende die overgangsperiode in de tekst van de verordening onder het genoemde in kolom II het genoemde in kolom III verstaan: | | II | III | | --- | --- | --- | | a. | ‘Aruba, Nederland’ | Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Nederland | | b. | ‘strafrechter van de Nederlandse Antillen’ | strafrechter die bevoegd is op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba | | c. | ‘geldsommen betaald aan het Land de Nederlandse Antillen’ | geldsommen betaald aan het Rijk | | d. | ‘Belastingregeling voor het Koninkrijk’ | Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland, bedoeld in [artikel 13f, tweede lid, van de Wet geldstelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028551&artikel=13f) | | e. | ‘waarde van de woning voor de toepassing van de grondbelasting’ | waarde van de woning voor de toepassing van de in de vo"},{"i":15214,"b":"Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken A.G.M. van de Vondervoort; Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179&artikel=6) en [7 van het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179&artikel=7); Besluit: Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179&artikel=6) en [7 van het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179&artikel=7). 2. In deze regeling wordt verstaan onder a. de wet: de [Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119); b. het besluit: het [Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007179). Artikel 2 Vervallen Artikel 3 1. Het college van burgemeester en wethouders verzamelt, analyseert en registreert voortdurend de waarderelevante objectgegevens. 2. Het college van burgemeester en wethouders verifieert de waarderelevante objectgegevens van woningen bij de eigenaar van die woning. Waarderelevante objectgegevens zijn in ieder geval: - a. de in de waarde betrokken primaire objectkenmerken; - b. de in de waarde betrokken"},{"i":15247,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, van 14 juli 2011, nr. 218837, houdende samenvoeging en vereenvoudiging van diverse regelingen op het gebied van de zeevisserij (Uitvoeringsregeling zeevisserij) Gelet op verordening nr. 3440/84; verordening nr. 894/97; verordening nr. 850/98; verordening nr. 1434/98; verordening nr. 2549/2000; verordening nr. 1035/2001; verordening nr. 1936/2001; verordening nr. 2056/2001; verordening nr. 494/2002; verordening nr. 2347/2002; verordening nr. 2371/2002; verordening nr. 882/2003; verordening nr. 1185/2003; verordening nr. 1954/2003; verordening nr. 1984/2003; verordening nr. 26/2004; verordening nr. 600/2004; verordening nr. 601/2004; verordening nr. 811/2004; verordening nr. 812/2004; verordening nr. 827/2004; verordening nr. 1415/2004; verordening nr. 2115/2005; verordening nr. 2187/2005; verordening nr. 388/2006; verordening nr. 1198/2006; verordening nr. 1967/2006; verordening nr. 520/2007; verordening nr. 1098/2007; verordening nr. 1386/2007; verordening nr. 199/2008; verordening nr. 517/2008; verordening nr. 734/2008; verordening nr. 1005/2008; verordening nr. 1006/2008; verordening nr. 1342/2008; verordening nr. 302/2009; verordening nr. 1010/2009; verordening nr. 1224/2009; verordening nr. 1288/2009; verordening nr. 201/2010; verordening nr. 640/2010; verordening nr. 1013/2010; verordening nr. 1236/2010; verordening nr. 57/2011 en uitvoeringsverordening nr. 404/2011; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003144&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003144&artikel=4) en [5, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003144&artikel=5) en op [artikel 3 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009353&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanlandcontingent:** in kilo"},{"i":15266,"b":"Wet van 30 juni 1976, tot uitvoering van de op 7 juni 1968 te Londen tot stand gekomen Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht (Trb. 1968, 142) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van de op 7 juni 1968 te Londen tot stand gekomen Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht (**Trb.** 1968, 142); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Justitie wijst bij in de **Nederlandse Staatscourant** openbaar te maken besluit de onder zijn Ministerie ressorterende dienst aan, welke wordt belast met de taak van ontvangend orgaan en verzendend orgaan als bedoeld in artikel 2 van de op 7 juni 1968 tot stand gekomen Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht (**Trb.** 1968, 142). Artikel 2 Als rechterlijke autoriteiten in de zin van artikel 3 van de in het voorgaande artikel genoemde overeenkomst gelden de rechterlijke macht en het openbaar ministerie alsmede alle overige personen of colleges welke in Nederland bij de wet met rechtspraak zijn belast, daaronder begrepen de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State. Artikel 3 Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen dag. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15283,"b":"Wet van 29 januari 2025 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/2631 betreffende Europese groene obligaties en optionele openbaarmakingen voor obligaties die als ecologisch duurzame obligaties op de markt worden gebracht en voor aan duurzaamheid gekoppelde obligaties (Uitvoeringswet verordening Europese groene obligaties) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van [Verordening (EU) 2023/2631](32023R2631) van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 betreffende Europese groene obligaties en optionele openbaarmakingen voor obligaties die als ecologisch duurzame obligaties op de markt worden gebracht en voor aan duurzaamheid gekoppelde obligaties (PbEU 2023, L 2631); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet verordening Europese groene obligaties. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":3844,"b":"Besluit van de directeur van Kiwa CBS B.V. van 22 maart 2019, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor Kiwa CBS B.V. (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging Kiwa CBS B.V. 2019) Gelet op [artikel 4 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur Kiwa CBS B.V. betreffende het classificeren van slachtrunderen en slachtvarkens](onbekend); Besluit: Artikel 1 Aan de classificateurs van Kiwa CBS B.V. wordt, ieder voor zich, ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met het classificeren van slachtrunderen en slachtvarkens ingevolge de [artikelen 2:18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=2:18), [2:20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=2:20), [2:23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=2:23), [2:26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=2:26), [3:20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=3:20), [3:23a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=3:23a), [3:24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=3:24) en [3:26, onderdeel b, van de Regeling marktordening vlees](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034313&artikel=3:26). Artikel 2 Aan de sectormanager en de juridisch medewerkers wordt ondermandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042082&artikel=1&z=2019-04-02&g=2019-04-02), waaronder het instellen van en het voeren van beroep, hoger beroep en voorlopige voorzieningen procedures. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondermanda"},{"i":15285,"b":"Wet van 17 maart 2005 tot uitvoering van verordening (EG) Nr. 2157/2001 van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [Verordening (EG) 2157/2001](32001R2157) van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (PbEG L 294) moet worden uitgevoerd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van de [artikelen 2 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018114&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2017-09-01&g=2017-09-01) van deze wet wordt onder «Verordening» verstaan de [Verordening (EG) nr. 2157/2001](32001R2157) van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (PbEG L 294). Artikel 2 Een vennootschap in de zin van artikel 2, vijfde lid, van de Verordening kan deelnemen aan de oprichting van een Europese naamloze vennootschap met statutaire zetel in Nederland. Artikel 3 Ten behoeve van de verplaatsing van de statutaire zetel naar een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap, legt een Europese naamloze vennootschap met statutaire zetel in Nederland een voorstel tot zetelverplaatsing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Verordening neer ten kantore van het handelsregister. De Europese naamloze vennootschap kondigt in een landelijk verspreid dagblad aan dat het voorstel is neergelegd, met opgave van het handelsregister waar het voorstel ligt en van het adres waar krachtens artikel 8, vierde lid, van de Verordening van het voorstel kennis kan worden genomen. Artikel 4 1. Een Europese naamloze vennootschap met statutaire zetel in Nederland"},{"i":18501,"b":"Rijkswet van 24 mei 1989, houdende machtiging tot deelneming door het Koninkrijk der Nederlanden in de algemene kapitaalsverhoging van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling 1988 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat het Koninkrijk der Nederlanden deelneemt in de verhoging van het aandelenkapitaal van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling in het kader van de in 1988 door het College van Bewindvoerders goedgekeurde algemene verhoging van het aandelenkapitaal van deze instelling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Financiën wordt gemachtigd om het nodige te verrichten, opdat het Koninkrijk der Nederlanden deelneemt in de verhoging van het aandelenkapitaal van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling tot een bedrag van $ 1 879 252 030 in het kader van de in 1988 tot stand gekomen algemene verhoging van het kapitaal van deze instelling, overeenkomstig artikel 2 van de Overeenkomst tot oprichting van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (**Stb.** G. 278. blz. 108-182). Artikel 2 Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad**, in het **Publicatieblad van de Nederlandse Antillen** en in het **Afkondigingsblad van Aruba** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19296,"b":"Wet van 12 juli 2012 tot implementatie van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PbEU L 327), van kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PbEU L 337) en van kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 26 februari 2009 tot wijziging van kaderbesluit 2002/584/JBZ, kaderbesluit 2005/214/JBZ, kaderbesluit 2006/783/JBZ, kaderbesluit 2008/909/JBZ en kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces (PbEU L 81) (Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de implementatie van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PbEU L 327), van kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PbEU L 337) en van kaderbesluit 2009/299/JBZ van de R"},{"i":17708,"b":"Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen Nederland of „de verdragsluitende partij”) en de Regering van de Volksrepubliek China (hierna te noemen China of „de verdragsluitende partij”), Ernaar strevend de vriendschappelijke betrekkingen tussen Nederland en China te ontwikkelen, en Geleid door de wens hun wederzijdse samenwerking op het gebied van sociale zekerheid te bevorderen, met name ter voorkoming van dubbele verzekering van bepaalde elementen uit hoofde van de stelsels van sociale zekerheid van beide landen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. de uitdrukking „grondgebied”, wat de Volksrepubliek China betreft, het volledige grondgebied van de Volksrepubliek China waarop de **Socialezekerheidswet van de Volksrepubliek China** en overige relevante wet- en regelgeving van toepassing zijn, met inbegrip van haar landgebied, binnenwateren, territoriale zee en het luchtruim daarboven, alsmede elk gebied buiten haar territoriale zee waarbinnen de Volksrepubliek China soevereine rechten uitoefent of rechtsmacht heeft in overeenstemming met het internationale recht en haar nationale recht; en wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, het Europese deel van Nederland, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten en grenzend aan zijn territoriale zee waarbinnen het Koninkrijk der Nederlanden, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent; - b. de uitdrukking „wetgeving”, wat China betreft, de wetten, de administratieve, ministeriële en lokale regels en voorschriften en de overige wettelijke bepalingen met betrekking tot de socialezekerheidsstelsels die onder de reikwijdte van dit Verdrag vallen [als genoemd] in [artikel 2, eerste lid, onderdeel i](https://wette"},{"i":15295,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2007, nr. OHW-U-2816643-U, houdende de toekenning van een vacatiegeld aan de voorzitter en leden van de Toetsingscommissie behoud en toegankelijkheid erfgoed van de oorlog Gelet op [artikel 1, tweede lid, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Te rekenen vanaf 17 oktober 2007 wordt aan de voorzitter van de Toetsingscommissie behoud en toegankelijkheid erfgoed van de oorlog, een vacatiegeld toegekend van 260 euro voor iedere dag, waarop deze één of meer vergaderingen van de toetsingscommissie heeft bijgewoond. Artikel 2 Te rekenen vanaf 17 oktober 2007 wordt aan de niet-ambtelijke leden van de Toetsingscommissie behoud en toegankelijkheid erfgoed van de oorlog, een vacatiegeld toegekend van 200 euro voor ieder dag, waarop zij één of meer vergaderingen van de toetsingscommissie hebben bijgewoond. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Vacatiegeldenbesluit Toetsingscommissie behoud en toegankelijkheid erfgoed van de oorlog. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15305,"b":"Vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20) (Stb. 1984, 269); Besluit: 1. Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering beloopt voor het jaar 1988: Categorie 1 f 70,00 voor vierwielige personenauto's, bestelauto's; Categorie 2 f 14,00 voor aanhangwagens bij auto's behorend tot categorie 1; Categorie 3 f 82,00 voor autobussen, vrachtauto's; Categorie 4 f 78,00 voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorend tot categorie 3; Categorie 5 f 190,00 voor trekkers met opleggers; Categorie 6 f 12,00 voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 t/m 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; Categorie 7 f 12,00 voor landbouwwerktuigen; Categorie 8 f 12,00 voor rijwielen met hulpmotor. 2. Deze regeling wordt in de Nederlandse Staatscourant geplaatst."},{"i":4264,"b":"Besluit van 25 november 2013, houdende regels inzake de in het kader van de Kernenergiewet in rekening te brengen kosten (Besluit vergoedingen Kernenergiewet) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 1 oktober 2013, nr. WJZ / 13162708; Gelet op [artikel 74 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=74); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 oktober 2013, nr. W.15.13.0348/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 19 november 2013, nr. WJZ / 13189981; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **bedrag:** bedrag als bedoeld in [artikel 74 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=74); - –. **gecompliceerd besluit:** een besluit dat betrekking heeft op: - a. de veiligheidsfuncties van een inrichting als bedoeld in [artikel 15, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) of - b. meerdere technische of organisatorische processen van een inrichting als bedoeld in [artikel 15, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15); - –. **gecompliceerde vergunning:** een vergunning die betrekking heeft op: - a. de veiligheidsfuncties van een inrichting als bedoeld in [artikel 15, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) of - b. meerdere technische of organisatorische processen van een inrichting als bedoeld in [artikel 15, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15); - –. **wet:** de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402). Artikel 2 Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning als bedoeld in [artikel 15, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=15) voor het vervoer van splijtstoffen, genoemd in [bijlage I van de Regeling beveiliging nucleaire inrich"},{"i":4104,"b":"Besluit van 2 juni 1993, houdende nadere regels in het belang van een goede uitvoering van de Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. EB93/562, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer; Gelet op [artikel 38, eerste lid, van de Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005643&artikel=38); Gezien het advies van het tijdelijk georganiseerd overleg rampbestrijders van 22 januari 1993, nr. EB93/186; De Raad van State gehoord (advies van 28 april 1993, nr. W04.93.0167); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 17 mei 1993, nr. EB93/982, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005643). Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 De geneeskundig adviseur kan ter voorbereiding van het advies, bedoeld in artikel 35 van de wet, de rampbestrijder ook in andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 9, tweede lid, en 15 van de wet aan een geneeskundig onderzoek onderwerpen. Artikel 5 Indien de rampbestrijder reeds op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) of de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) aan een ingevolge die wetten ingesteld of in te stellen geneeskundig onderzoek dan wel in een ander verband aan een geneeskundig onderzoek is of wordt onderworpen, kunnen de gegevens die bij dat onderzoek zijn of worden verkregen mede ten dienste zijn van een geneeskundig onderzoek als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006008&artikel=4&z=1994-01-01&g=1994-01-01). Artikel 6 Vervallen Artikel 7 De aanvrager van een beschikki"},{"i":15327,"b":"Vaststelling selectielijst Flora en fauna Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 oktober 1998, nr. arc-98.2041/2), Besluiten: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ’flora en fauna’ over de periode 1945-1994, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 In te trekken de categorie Jacht (1.827), nummers 95, 96 en 97 van de ’Lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in de archieven van het Ministerie van Landbouw en Visserij en in de archieven van de onder dat Ministerie ressorterende commissies en ambtenaren’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, nr. PAZ 400, Afdeling Post- en Archiefzaken d.d. 29 december 1966 en beschikking nr. 133349, Afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming d.d. 3 februari 1967, laatstelijk gewijzigd bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, nr. [98.814.RD](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010016) d.d. 20 november 1998 (gepubliceerd in de Staatscourant nummer 22 van 2 februari 1999). Voorts wordt de lijst ingetrokken voor wat betreft archiefbescheiden binnen het beleidsterrein ’flora en fauna’. Artikel 3 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":13483,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 22 april 2016, nr. WJZ/16042425, tot instelling van de Commissie bijzondere situaties (Instellingsbesluit Commissie bijzondere situaties) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **commissie:** Commissie bijzondere situaties; - **Instituut:** Instituut Mijnbouwschade Groningen, bedoeld in artikel 2 van de Tijdelijke wet Groningen; - **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **Onafhankelijke Raadsman:** in opdracht van de minister werkzame Onafhankelijke Raadsman; - **Nationale ombudsman:** Nationale ombudsman, bedoeld in artikel 2 van de Wet Nationale ombudsman. Artikel 2 1. Er is een Commissie bijzondere situaties. 2. De commissie heeft tot taak het geven van adviezen aan het Instituut over hulp in bijzondere situaties als bedoeld in [artikel 1 van het Tijdelijk besluit mandaat, volmacht en machtiging IMG voor hulp in bijzondere situaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045609&artikel=1). Artikel 3 Vervallen Artikel 4 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd voor een termijn van drie jaar en zijn herbenoembaar. De voorzitter en de andere leden kunnen door de minister worden geschorst en ontslagen. 3. De voorzitter en de andere leden brengen op persoonlijke titel hun kennis en ervaring in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep. 4. De Nationale ombudsman en de Onafhankelijke Raadsman kunnen de vergaderingen van de commissie bijwonen teneinde de commissie te adviseren. Artikel 5 1. De commissie stelt haar werkwijze schriftelijk vast in afstemming met het Instituut. 2. Het Instituut voorziet in het secretariaat van de commissie. 3. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de co"},{"i":13607,"b":"Instellingsbesluit Projectorganisatie Ruimte voor de Rivier Gelet op [artikel 8 van het Organiek Besluit Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002743&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Instelling 1. Er is een Projectorganisatie Ruimte voor de Rivier, in dit besluit te noemen: de projectorganisatie. 2. De projectorganisatie maakt deel uit van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat. Artikel 2. Taak De projectorganisatie heeft tot taak het beschrijven van maatregelpakketten bestaande uit ruimtelijke en technische maatregelen, waarmee de maatgevende afvoer van de Rijntakken, die per 2001 is vastgesteld, uiterlijk in 2015 binnen de thans geldende veiligheidsnormen kan worden verwerkt. Artikel 3. Organisatie De projectorganisatie bestaat uit: - -. de projectdirecteur, - -. de plaatsvervangend projectdirecteur, en - -. het landelijk projectbureau. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst. Artikel 1a Dit besluit berust mede op [artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit directoraat generaal Rijkswaterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026953&artikel=2)."},{"i":13222,"b":"deelreglement Filmactiviteiten van de Stichting Nederlands Fonds voor de film gelet op het bepaalde in de [Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, lid 4, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op [artikel 2 van het Algemeen Reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050596&artikel=2), met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van **4 november 2025**, besluit: Algemeen Artikel 1. - definities - In dit deelreglement wordt verstaan onder: - **atelier:** een creatief ontwikkeltraject voor filmprojecten en makers in samenwerking met coaches of andere experts; - **bestuur:** het bestuur van het Fonds; - **broedplaats/talenthub:** een regionaal ingebed ontwikkeltraject voor filmprofessionals in aansluiting op zowel de specifieke behoeften uit het veld als organisaties en opleidingen in de regio; - **filmactiviteit:** een activiteit op het gebied van film, concreet in de tijd afgebakend, die niet als filmproductie kan worden aangemerkt en dient ter versterking van de professionele filmsector; - **filmbijeenkomst:** een incidentele en op film betrekking hebbende samenkomst voor filmprofessionals met als doel kennisontwikkeling en -verspreiding over en profilering en promotie van de professionele Nederlandse film; - **filmdistributeur:** een rechtspersoon die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit met als hoofddoel de distributie en exploitatie van filmproducties in de Nederlandse bioscoop en via andere distributiekanalen. De rechtspersoon is ten tijde van de subsidieaanvraag en gedurende minimaal twee jaar daarvoor gevestigd en actief geweest in Nederland, in een lidstaat van de Europese Unie, of in een staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland; - **filmeducatiehub:** een sterk regionaal ingebedde organisatie voor film met als één van de hoof"},{"i":15361,"b":"Besluit van 28 januari 2004, houdende vaststelling van de bestanddelen van de tien-euromunt die in 2004 wordt uitgegeven ter gelegenheid van de geboorte van Prinses Catharina-Amalia Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 23 januari 2004, FM 2004-00102 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Algemeen en Internationaal; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2004/27. Artikel 1 1. De beeldenaar van de tien-euromunt die in 2004 wordt uitgegeven ter gelegenheid van de geboorte van Prinses Catharina-Amalia, draagt op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: Onze beeltenis en «beatrix», «koningin der nederlanden», «grootmoeder van prinses amalia», alsmede het teken van de Munt en het teken van de muntmeester. 2. De beeldenaar draagt op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: - a. een portret van Prinses Catharina-Amalia met van midden links onderlangs naar midden rechts het omschrift «catharina-amalia * 7.12.2003», en geheel bovenin de waardeaanduiding «10 euro» met onder het woord «euro» «2004»; - b. een portret van de Prins van Oranje als de munt om zijn verticale as naar links wordt gedraaid; - c. een portret van Prinses Máxima als de munt om zijn verticale as naar rechts wordt gedraaid. 3. De tien-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS *». 4. Met dezelfde beeldenaar voor voor- en keerzijde worden tevens uitgegeven twintig-euromunten en vijftig-euromunten. Deze munten hebben een geribbelde rand. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12814,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Commissie Eindtermen Accountantsopleidingen (CEA) vanaf 2005 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Selectielijst voor de archiefbescheiden van de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) geldig vanaf 2005 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten afgesloten of ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13302,"b":"Gewenste risicobeheersing ter zake van back-to-backleningen In het kader van de gewenste risicobeheersing, meer in het bijzonder in de sfeer van de back-to-backleningen, wijst de Nederlandsche Bank NV (hierna: de Bank) u op de bestaande verplichting dat bescheiden en verklaringen, door de instelling opgemaakt en/of afgegeven, overeenkomen met de werkelijke situatie. Bovendien wijst de Bank u erop dat enigerlei vorm van kredietverlening waarbij de essentialia, waaronder de zekerheden, niet in de overeenkomst zijn opgenomen, niet geoorloofd is. Daarnaast is het naar het oordeel van de Bank noodzakelijk dat de instelling bij het onderzoek naar de achtergronden en het doel van het aangevraagde krediet de afweging maakt, of met het krediet niet onoorbare doelstellingen worden nagestreefd, zoals het witwassen van geld of fiscaal ongeoorloofde constructies. Omdat back-to-backleningen naar hun aard gevoelig kunnen zijn voor onoorbare situaties, acht de Bank het van belang dat kredietinstellingen bij het verstrekken van deze leningen volledige transparantie betrachten. De transparantie geldt de vastlegging van de volledige overeenkomst, alsook het hebben van inzicht in de motieven van de kredietnemer voor het aanvragen van een back-to-backlening, en een adequate vastlegging hiervan. De eerste aan een back-to-backlening te stellen voorwaarde is een deugdelijke vastlegging van de overeenkomst met vermelding van de gestelde essentiële zekerheden. Het begrip essentiële zekerheden is voor het eerst gebruikt in de Slavenburg-beschikkingen van de Hoge Raad uit 1986. De in de leningovereenkomst beschreven zekerheden dienen de essentiële zekerheden te zijn, dat zijn de zekerheden zonder welke het krediet niet zou zijn afgesloten en die dienen ter veiligstelling van de voldoening van de hoofdsom, rente en kosten van het verleende krediet. Alle overeenkomsten die ter zake van het krediet en de essentialia daarvan worden gesloten dienen volledig transparant te zijn, hetgeen betekent dat"},{"i":15370,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie vanaf 2013 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie vanaf 2013 (1996) en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst - •. Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie en de onder hem ressorterende actoren, de Stichting Beroepsopleiding Notariaat, de Bewaarders en de Notarissen op het beleidsterrein Notariaat over de periode na 1975, Stcrt. 2005, 212. wordt afgesloten per 1 januari 2013 voor de actoren waarvoor de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie zorgdrager is. - •. Uit de Selectielijst neerslag handelingen Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie beleidsterrein Notarissen vanaf 1945 worden de handelingen met betrekking tot het centraal testamentenregister (handeling 73, 131 en 132, actor KNB) afgesloten per 1 januari 2013, Stcrt. 2007, 220. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage De selectielijst behorend bij deze beschikking zal beschikbaar gesteld worden via www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten Een belanghebbende kan tegen dit besluit beroep instellen bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar hij zijn woonplaats heeft. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":15379,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Militaire Operatiën periode vanaf 1945 (Minister van Financiën) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 7 januari 2005, nr. arc-2004.01772/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Financiën en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Militaire Operatiën over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18826,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 januari 2022 nr. BOACAT2022/003, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij DUO Plus Gelezen het verzoek van DUO Plus van 21 december 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046260&artikel=2&z=2022-02-02&g=2022-02-02). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van DUO Plus, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsp"},{"i":15389,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 17 februari 2009, nr. DJZ/BR-1189/08, houdende vaststelling van een vergoeding voor de voorzitter en leden van de Adviescommissie Fonds voor Economische Opbouw Uruzgan Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2) en [4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4); Besluit: 1. De voorzitter van de Adviescommissie Fonds voor Economische Opbouw Uruzgan ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 260,00. 2. De niet-ambtelijke andere leden van de commissie, genoemd in het eerste lid, ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 200,00. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13051,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 4 januari 2018 inzake volginnovatie 2017 II Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 3.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.9), [3.10.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.10.2), [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.4), [3.4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.8), [3.4.15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.15a), [3.4.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.20), [3.5.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.5.17), [3.9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [4.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.9), [4.2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.23), [4.2.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.58), [4.2.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.65), [4.2.107](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.107) en [4.2.113 van de Regeling Nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.113); Gelet op [artikel 1, tweede lid, van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038863&artikel=1): Gelet op [artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=8); Besluit: Artikel 1 1. Op grond van het vorenstaande worden van alle verleende innovatiegelden in het kader van de uitvo"},{"i":15424,"b":"Besluit van 1 november 2001 tot vaststelling van de Vergoedingenregeling Commissie van deskundigen gerechtsdeurwaarders Op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 25 oktober 2001, nr. 5127199/801; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988 (Stb. 1988, 205)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 2001. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de Commissie: de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 6 van de Interim-beleidsregels vestiging gerechtsdeurwaarders en [artikel 6, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=6). Artikel 2 De voorzitter en de leden van de Commissie ontvangen een vaste jaarlijkse vergoeding. Artikel 3 De vergoeding van de voorzitter wordt vastgesteld op € 4.610,–. Artikel 4 De vergoeding van de leden wordt vastgesteld op € 3.688,–. Artikel 5 De vergoeding van de plaatsvervangend leden wordt na rato van deelname vastgesteld op een evenredig deel van de vergoeding van de leden. Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Indien de voorzitter of een lid van de Commissie niet gedurende het hele jaar de functie van voorzitter of lid bekleedt, wordt de vergoeding, genoemd in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012955&artikel=3&z=2025-11-19&g=2025-11-19) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012955&artikel=4&z=2025-11-19&g=2025-11-19) naar evenredigheid vastgesteld. Artikel 8 De voorzitter en de leden hebben recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten in het binnenland en buitenland overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 9 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 2001. Artikel 10 Deze"},{"i":15426,"b":"Besluit van 6 januari 2003 tot vaststelling van de Vergoedingenregeling Hof van Discipline 2002 (Vergoedingenregeling Hof van Discipline 2002) Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 10 december 2002, nr. 5194695/802; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3) (Sb. 1988, 205) en [artikel 60, eerste lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=60); Hebben goedgevonden en verstaan: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder het Hof: het Hof van Discipline zoals bedoeld in [artikel 51 van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=51). Artikel 2 De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitters van het Hof ontvangen per zitting een vergoeding gelijk aan die van raadsheer plaatsvervanger als bedoeld in [artikel 38 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=38). Artikel 3 De (plaatsvervangend) kroonleden van het Hof ontvangen per zitting een vergoeding gelijk aan die van een rechter plaatsvervanger als bedoeld in [artikel 38 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=38). Artikel 4 Van toekenning van een vergoeding als bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014567&artikel=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014567&artikel=3&z=2020-01-01&g=2020-01-01) worden uitgesloten functionarissen in dienst van het Rijk of van een door het Rijk in het leven geroepen instelling, dan wel een instelling welker personeelskosten door het Rijk worden vergoed, indien hun benoeming haar oorzaak vindt in de functie die zij vervullen. Artikel 5 Een bestuurlijke vergadering van het Hof wordt met een zitting gelijkgesteld. Artikel 6 De genoemden in de [artikelen 2](https://wetten.over"},{"i":15446,"b":"Verordening accountantsorganisaties 2025 Gelet op [artikel 19, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Overwegende dat het wenselijk is de bestaande regels inzake de onafhankelijkheid, het stelsel van kwaliteitsbeheersing en de integere bedrijfsvoering van accountantsorganisaties te herzien, Overwegende dat de **International Auditing and Assurance Standards Board** nieuwe standaarden rondom de kwaliteit van de beroepsuitoefening in 2022 heeft uitgebracht, waarmee kwaliteitsmanagement is ingevoerd ter vervanging van vereisten rondom kwaliteitsbeheersing; Overwegende dat de invoering van die internationale standaarden in Nederland meer handvatten aan accountantsorganisaties geeft over kwaliteitsmanagement, wat daarbij kan bijdragen aan het borgen en verhogen van de kwaliteit van wettelijke controles, en in de nabije toekomst de kwaliteit van assurance-onderzoeken van duurzaamheidsrapportering. Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: - •. **accountantsorganisatie:** accountantsorganisatie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1); - •. **externe accountant:** externe accountant als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1); - •. **medewerker:** medewerker als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020184&artikel=1); - •. **wet:** [Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468); - •. **wettelijke controle:** wettelijke controle als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=1). Hoofdstuk 2. Kwalite"},{"i":15453,"b":"Verordening commissie bezwaarschriften Stimuleringsfonds Creatieve Industrie gelet op [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13) (Awb); besluit vast te stellen de volgende verordening: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: - a. **het Fonds:** het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie; - b. **verwerend orgaan:** bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen; - c. **commissie:** vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften; - d. **voorzitter:** de voorzitter van de commissie en - e. **secretaris:** de secretaris van de commissie. Artikel 2. Inleidende bepaling commissie Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren tegen besluiten van het bestuur. Artikel 3. Samenstelling van de commissie 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden. 2. De voorzitter en de leden worden door het bestuur benoemd, geschorst en ontslagen. 3. Het bestuur benoemt overeenkomstig het tweede lid een genoegzaam aantal plaatsvervangende leden. 4. De voorzitter en de leden van de commissie kunnen niet in dienst zijn van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het Fonds. Artikel 4. Secretaris De secretarissen van de commissie zijn door het bestuur aangewezen medewerkers van het Fonds. Artikel 5. Zittingsduur 1. De voorzitters en de leden van de commissie worden benoemd voor een periode van een jaar, welke kan worden verlengd tot in totaal een periode van vier jaar. 2. De voorzitters en de leden van de commissie kunnen op elk moment ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het bestuur. 3. De aftredende of ontslagnemende voorzitters of leden van de commissie blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien. Artikel 6. Ingediend bezwaarschrift 1. Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst aangetekend."},{"i":15454,"b":"Verordening experimenteerbepaling resultaatgerelateerde beloning Overwegende, Dat het gewenst is [artikel 2 van de Verordening op de praktijkuitoefening (onderdeel Resultaatgerelateerde Beloning)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013311&artikel=2) te wijzigen met het oog op het mogelijk maken van een experiment met bepaalde vormen van resultaatgerelateerde beloning; Gelet op [artikel 28 Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=28); Gezien het ontwerp van de algemene raad met bijbehorende toelichting; Gelet op het advies van de raad van advies; Gehoord de adviescommissie regelgeving; Stelt de volgende verordening vast: Artikel I Wijzigt de Verordening op de Praktijkuitoefening (onderdeel Resultaatgerelateerde Beloning). Artikel II Telkens na een termijn van twee jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening brengt de algemene raad aan het college van afgevaardigden verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk. Artikel III Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening experimenteerbepaling resultaatgerelateerde beloning. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2014."},{"i":15504,"b":"Vervangingsbesluit Donor archief 1998–2010 CIBG Gelet op: [Artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). [Artikel 6 eerste lid van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6). [Artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b). Besluit: Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op papier die behoren tot het donor archief van het CIBG. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Deze vervanging betreft alle papieren donorformulieren die betrekking hebben op de donor registraties in de periode 1998–2010 zoals beschreven in de [selectielijst van het CIBG en de Stichting Donorgegevens kunstmatige bevruchting 1995–](onbekend). Artikel 2 De digitale reproductie geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in het Handboek substitutie Donorregister 1998–2010. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit Donor archief 1998–2010 CIBG. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van het Handboek substitutie Donorregister 1998–2010. Het handboek ligt ter inzage bij het CIBG."},{"i":15465,"b":"Verordening op de beroepsprofielen 2025 De ledenvergadering van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants; Gelet op [artikel 19, tweede lid, aanhef en onderdeel k van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - a. **aantekening:** aantekening als bedoeld in [artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=36); - b. **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - c. **accountantsregister:** accountantsregister als bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=36); - d. dit onderdeel is nog niet in werking getreden; - e. **eindtermen:** eindtermen als bedoeld in [artikel 49, tweede lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49); - f. **wet:** [Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573); - g. **Wet op het hoger onderwijs:** [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682). Artikel 2 De beroepsprofielen als bedoeld in [artikel 19, tweede lid, onderdeel k van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19) bestaan uit de volgende onderdelen: - a. de werkvelden en werkzaamheden van de accountant; - b. de kerncompetenties van de accountant; - c. de opleiding tot accountant; en - d. de continue professionele ontwikkeling van de accountant. Hoofdstuk 2. De werkvelden en werkzaamheden van de accountant Artikel 3. de werkvelden van de accountant 1. De meest voorkomende werkvelden zijn: - a. audit en assurance; - b. samenstelwerkzaamheden en advies; - c. finance en control; en - d. strategie en bestuur. 2. Accountants kunnen, al dan niet gelijktijdig, wer"},{"i":15474,"b":"Verordening op de ledenvergadering Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5), en [19, tweede lid, onder d, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573); - –. **voorzitter:** voorzitter als bedoeld in [artikel 4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=4). Hoofdstuk 2. Bijeenroepen van de vergadering en agenda Artikel 2 1. Het bestuur draagt er zorg voor dat de volgende punten ieder jaar ten minste één maal geagendeerd worden: - a. vaststelling van de notulen van de vorige bijeenkomst van de ledenvergadering; - b. behandeling van het verslag van het bestuur, bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=33); - c. vaststelling van de rekening en verantwoording van het bestuur over het beheer van de financiën in het afgelopen boekjaar; - d. vaststelling van de begroting van de NBA voor het komende boekjaar, alsmede zo nodig van een aanvullende begroting voor het lopende boekjaar; - e. het bestuursverslag als bedoeld in [artikel 1a van de Verordening op het bestuur](onbekend); - f. benoeming uit de leden van een accountant, die belast is met de controle op de financiële verantwoording, benevens een plaatsvervanger voor deze; - g. benoeming van bestuursleden; - h. benoeming uit de leden van het bestuur van de voorzitter, alsmede van een plaatsvervangende voorzitter. 2. Indien omtrent enig geagendeerd onderwerp genoemd in het eerste lid geen besluit kan worden genomen in de betreffende bijeenkomst van de ledenvergadering, wordt dit agendapunt behandeld op de eerstvolgende ledenvergadering en kan hierover rechtsgeldig worden besloten. Artikel 3 1. Indien het bestuur een verzoek, als bedo"},{"i":15499,"b":"Vervanging openbare registers door microfoto's te Amsterdam Gelet op [artikel 9 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=9) (Stb. 1991, 570); Besluit: Artikel 1 De inhoud van het register van inschrijving van feiten die betrekking hebben op schepen en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, gehouden aan het kantoor van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers te Amsterdam, wordt vervangen door afschriften daarvan in dubbel in de vorm van microfoto's, voor zover het betreft: - a. de van 1 april 1950 tot en met 16 juni 1993 verschenen delen van het register Hypotheken 3 voor de inschrijving van stukken inzake hypotheken en beslagen, alsmede inzake alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die betrekking hebben op hypotheken en beslagen, zijnde delen 10 tot en met 177; - b. de sedert 1 april 1950 verschenen delen van het register Hypotheken 3 voor de inschrijving van stukken inzake hypotheken en beslagen, alsmede inzake alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die betrekking hebben op hypotheken en beslagen, inzake de voormalige kantoren van de hypotheken, het kadaster en de scheepsbewijzen te Alkmaar, Amersfoort, Arnhem, Haarlem, Hoorn, Nijmegen, Tiel, Utrecht en Zutphen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1994 en wordt opgenomen in de Staatscourant."},{"i":15507,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 01-01-2018, nr. 3976193 met betrekking tot digitale vervanging van personele archiefbescheiden (Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden AZ) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6), [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) en [artikel 2, derde lid, onder a en onder c van het Besluit van de Minister van Algemene Zaken van 17 september 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026523&artikel=2), nr. 3457336 tot het verlenen van machtiging aan P-Direkt (Stcrt. 2009, 15587); Besluit: Artikel 1. Archiefbescheiden Dit besluit heeft betrekking op routinematige vervanging door digitale reproducties van de archiefbescheiden die op grond van het Basisselectiedocument P-dossier ‘**Mens en Werk’** 1945 voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze archiefbescheiden worden vernietigd. Artikel 2. Digitale vervanging De digitale vervanging geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit en op de wijze zoals beschreven in het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers van P-Direkt van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3. Uitvoering De digitale reproductie wordt uitgevoerd door P-Direkt. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden AZ. Bijlage. bij het Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden AZ Deze bijlage bevat de eisen waaraan de uitvoering van het vervangingsproces ten minste zal voldoen, een en ander overeenkomstig [artikel"},{"i":15529,"b":"Wet van 14 juli 2021 tot wijziging van verschillende wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met voornamelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 2021) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om op gebundelde wijze diverse vooral wetstechnische en redactionele wijzigingen aan te brengen in met name de wetten die onder de verantwoordelijkheid vallen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093) Wijzigt de Advocatenwet. Artikel II. [Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018259) Wijzigt de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing. Artikel III. [Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628) Wijzigt de Leerplichtwet 1969. Artikel IV. [Leerplichtwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030281) Wijzigt de Leerplichtwet BES. Artikel V. [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691) Wijzigt de Mededingingswet. Artikel VI. [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel VII. [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Artikel VIII. [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel IX. [Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573) Wijzigt de Wet op het accountantsberoep. Artikel X. [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappeli"},{"i":15558,"b":"Wet van 30 mei 1963, houdende nieuwe regelen omtrent de visserij Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving op het gebied van de visserij aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen § 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1 1. Voor het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. \"De Kamer\": de Kamer voor de Binnenvisserij bedoeld in [artikel 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&hoofdstuk=V&afdeling=II&paragraaf=2&artikel=45&z=2024-04-01&g=2024-04-01); - c. \"de rechthebbende op het visrecht\": de gerechtigde tot vissen uit welken hoofde ook, behalve de houder van een schriftelijke toestemming, als bedoeld in [artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&hoofdstuk=IV&artikel=7&z=2024-04-01&g=2024-04-01), of van een schriftelijke toestemming, als bedoeld in [artikel 21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&hoofdstuk=V&afdeling=I&paragraaf=4&artikel=21&z=2024-04-01&g=2024-04-01). 2. Voor het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder \"vis\": - a. vissen van de door Onze Minister aangewezen soorten en delen van deze vissen; - b. schaal- en schelpdieren van de door Onze Minister aangewezen soorten, delen van deze dieren, alsmede zeesterren en zee- of koraalmos; - c. kuit en broed van de onder **a** bedoelde vissen; - d. broed en zaad van de onder **b** bedoelde schaal- en schelpdieren. 3. Voor het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder \"vissen\": - a. het te water brengen, te water hebben, lichten of ophalen van vistuigen alsmede het op enigerlei andere wijze pogen om vis uit het water te bemachtig"},{"i":15560,"b":"Besluit van 11 januari 2002, houdende veiligheidsvoorschriften voor vissersvaartuigen (Vissersvaartuigenbesluit 2002) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 september 2001, nr. DGG/J-01/003872, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving, bestuurlijke en juridische zaken; Gelet op [richtlijn nr. 92/29/EEG](31992L0029) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113), [richtlijn nr. 93/103/EG](31993L0103) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (PbEG L 307), [richtlijn nr. 97/70/EG](31997L0070) van de Raad van de Europese Unie van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt (PbEG 1998, L 34) en [richtlijn nr. 1999/19/EG](31999L0019) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 maart 1999 (PbEG L 83) tot wijziging van [Richtlijn 97/70/EG](31997L0070) van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt, alsmede op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=3), [3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=3a), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=5) en [9 van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=9); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 7 december 2001, nr. W09.01.0493/V/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 januari 2002, nr. DGG/J-01/008960, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving, bestuurlijke en juridische Zaken; De bepalingen van het Sta"},{"i":15578,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van de desinfectiemiddelen op oppervlakken in verband met de uitbraak COVID-19 (Vrijstelling desinfectiemiddelen oppervlakken COVID-19 2020) Handelende in overeenstemming met de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gezien het verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 maart 2020 (kenmerk 1663405-203259-PG) tot vrijstelling van het verbod op de distributie en het gebruik van in Nederland toegelaten desinfectiemiddelen voor oppervlakken op basis van de werkzame stoffen alcoholen, natriumhypochloriet en natriumdichloorisocyanuraat, door de professionele zorgaanbieder ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS- CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van desinfectiemiddelen voor oppervlakken die de werkzaamheden van de professionele zorgaanbieders en de farmaceutische industrie compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en het door professionele zorgaanbieders en de farmaceutische industrie gebruiken van middelen die vo"},{"i":15600,"b":"Vuurwapenwet BES Artikel 1 Voor de toepassing van deze wet worden: - 1°. onder vuurwapenen mede verstaan bommen, handgranaten en dergelijke voor ontploffing of voor het verspreiden van vergiftige, verstikkende of weerloosmakenden gassen bestemde wapenen, vlammenwerpers, zomede, naar ministeriële regeling te stellen regelen, alarmpistolen en andere soortgelijke voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen; - 2°. onder vuurwapenen begrepen onderdelen van vuurwapenen; - 3°. onder munitie begrepen onderdelen van munitie. Artikel 2 Bij ministeriële regeling kunnen invoer, doorvoer en vervoer van vuurwapenen en munitie worden verboden alsook ontheffing van voornoemde verboden worden verleend. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden en de eis dat zekerheid voor de nakoming van die voorwaarden wordt gesteld, worden verbonden. Artikel 3 1. Het is verboden een vuurwapen of munitie voorhanden te hebben, behoudens de uitzonderingen in het volgend lid genoemd. 2. De bevoegdheid om een vuurwapen voorhanden te hebben, komt enkel toe: - 1°. aan een publiekrechtelijk lichaam; - 2°. aan hem, die het wapen voor een publiekrechtelijk lichaam onder zich heeft; - 3°. aan hem, die ingevolge de «[Wapenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028756)» het wapen bij zich mag hebben; - 4°. aan schietverenigingen, met volledige rechtsbevoegdheid zolang de in [artikel 2a van de Wapenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028756&artikel=2a) bedoelde vergunning van kracht is, benevens aan de weerkorpsen, bedoeld in de [Wet op de weerkorpsen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028240); - 5°. aan hem, die het wapen voorhanden heeft met algemene of bijzondere machtiging van de betrokken gezaghebber. Aan de machtiging kunnen voorwaarden worden verbonden. Zij wordt alleen verleend voor zover enig redelijk belang dat vordert en misbruik van de machtiging of van het vuurwapen niet is te vrezen. Zij kan tot bepaalde tijden en plaatsen worden beperkt. 3. De machtiging bedo"},{"i":15602,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 11 juni 2020, nr. WJZ/ 19042169, houdende vaststelling van regels omtrent het waarborgen van edelmetalen voorwerpen (Waarborgregeling 2019) Gelet op de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284&artikel=2), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284&artikel=4), [7, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284&artikel=7), [8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284&artikel=8), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284&artikel=16) en [17 van de Waarborgwet 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284&artikel=17); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **betrokken waarborginstelling:** waarborginstelling die het desbetreffende voorwerp ter waarborging aangeboden krijgt; - **munt:** voorwerp dat in enig land: - a. als wettig betaalmiddel is of was aangemerkt; - b. bij wet als munt, niet zijnde een wettig betaalmiddel, is of was aangemerkt en waarvan het gehalte, het gewicht en de beeldenaar bij wet zijn of waren geregeld, mits vervaardigd door een daartoe bevoegde instelling; - **penning:** van afbeelding of opschrift voorzien schijfvormig voorwerp, niet zijnde een munt, een draagteken of een gebruiksvoorwerp; - **wet:** [Waarborgwet 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284). Hoofdstuk 2. Hogere gehalten die door een gehaltemerk gewaarborgd worden Artikel 2 De hogere gehalten die door een gehaltemerk worden gewaarborgd, bedoeld in [artikel 7, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042284&artikel=7), zijn: - a. voor platina voorwerpen: 950 en 900 duizendsten; - b. voor gouden voorwerpen: 916, 833 en 750 duizendsten; - c. voor zilveren voorwerpen: 925 en 835 duizendsten. Hoofdstuk 3. Samengestelde voorwerpen Artikel 3 1. Indien een voorwerp bestaat uit een opvulling van een edelmetaal als bedoeld in [a"},{"i":15606,"b":"Wapenregeling BES Treedt in werking om 00:00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06:00 uur in het Europese deel van Nederland. Artikel 1 1. De machtiging, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028756&artikel=4) juncto [artikel 2, onderdeel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028756&artikel=2), en [artikel 3 van de Wapenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028756&artikel=3) wordt ingericht volgens het aan deze regeling gehechte model. 2. Deze regeling berust op [artikel 4 van de Wapenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028756&artikel=4). Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Wapenregeling BES. Bijlage Ingevolge [artikel 3 van de Wapenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028756&artikel=3) Register No. ........... Archief No. ........... Aan........... geboren te ........... de ........... wonende of verblijvende te ........... wordt machtiging verleend om op den openbaren weg of op enige voor het publiek toegankelijke plaats in het openbaar lichaam........... ........... gedurende het kalenderjaar ........... bij zich te hebben een ........... Merk........... No. ........... Kaliber ........... Nadere omschrijving ........... ........... Met verbod om de dieren te doden aan de achterzijde dezes vermeld. ........... de ........... De Gezaghebber, Handtekening houder: ........... N.B. Deze machtiging is uitsluitend geldig voor het hierin aangeduide wapen en vervalt aan het einde van het kalenderjaar, waarvoor zij is verleend. Vraagt voor de vervaldatum een nieuwe machtiging aan, eventuele strafvervolging en inbeslagneming van het wapen wordt daarmede voorkomen. - I. Herten (Biná); - II. De volgende vogelsoorten: - a. Natatores. Pelicanus Cinereus. Pelikaan. - b. Galinae. Columba passernia L. Totolika. - c. Passerini. Tringilla cinerea L. Moffi. Icterus Cur. (tropicus). Troepiaal. Parsu L. (luteslus). Para di misa. Certhia longerostris major. Para carpinteer. Certhia longerostris m"},{"i":15611,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 17 november 2020, 1777448-213780-VGP, houdende vaststelling van regels inzake chemische productveiligheid (Warenwetregeling algemene chemische productveiligheid) Gelet op: artikel 67, eerste lid, en bijlage XVII van [Verordening (EG) nr. 1907/2006](32006R1907) van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van [Richtlijn 1999/45/EG](31999L0045) en houdende intrekking van [Verordening (EEG) nr. 793/93](31993R0793) van de Raad en [Verordening (EG) nr. 1488/94](31994R1488) van de Commissie alsmede [Richtlijn 76/769/EEG](31976L0769) van de Raad en de [Richtlijnen 91/155/EEG](31991L0155), [93/67/EEG](31993L0067), [93/105/EG](31993L0105) en [2000/21/EG](32000L0021) van de Commissie (PbEU 2007, L 136); [artikel 2 van het Warenwetbesluit algemene chemische productveiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006447&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De stoffen, groepen van stoffen, mengsels of voorwerpen aangeduid in de bijlage worden aangewezen als stoffen, groepen van stoffen, mengsels of voorwerpen als bedoeld in [artikel 2 van het Warenwetbesluit algemene chemische productveiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006447&artikel=2). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling algemene chemische productveiligheid. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a Het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) en het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum worden aangewezen als de organen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van [Verordening (EG) nr. 1272/2008](32008R1272) van het Europees parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etiketteri"},{"i":15616,"b":"Uitvoering Wet op de gevaarlijke werktuigen en Besluit containers Gelet op artikel 4, tweede lid, eerste zin, vijfde en zesde lid, artikel 5, derde en vierde lid, artikel 11, eerste lid, en artikel 12, eerste lid, eerste zin, van de Wet op de gevaarlijke werktuigen (Stb. 1952 104), alsmede [artikel 2, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003584&artikel=2), [artikel 8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003584&artikel=8), en [artikel 15, derde lid, van het Besluit containers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003584&artikel=15) (Stb. 1983, 177). Besluit: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. container, aangewezen instelling en wet: hetgeen daaronder wordt verstaan in het [Warenwetbesluit containers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003584); - b. P: de maximaal toelaatbare massa van de lading; - c. R: de maximaal toelaatbare massa van de container tezamen met zijn lading; - d. g: de standaardversnelling van de zwaartekracht (9,8 m/s²); - e. Pg: het maximaal toelaatbare gewicht van de lading; - f. Rg: het maximaal toelaatbare gewicht van de container tezamen met zijn lading. Artikel 2 Als wissellaadbakken, bedoeld in [artikel 1a, onder 3°, van het Warenwetbesluit containers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003584&artikel=1a), worden aangemerkt containers die: - a. niet stapelbaar zijn en niet toegerust zijn met bovenhoekstukken en tevens - b. ontworpen zijn en worden gebruikt voor vervoer uitsluitend over de weg of uitsluitend over rails en over de weg dan wel, geplaatst op een rail- of wegvoertuig, worden vervoerd over zee, met uitzondering van oceaankruisend vervoer. Hoofdstuk II. Keuring Artikel 3 De beproevingen, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van het Warenwetbesluit containers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003584&artikel=8), worden uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in de [artikelen 4 tot en met 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":15621,"b":"Warenwetregeling enzymen in brood en meel Gelet op [artikel 4, eerste lid, van het Warenwetbesluit Meel en brood](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009669&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De volgende enzymen mogen worden toegevoegd aan meel en bij de bereiding van brood: - a. glucose-oxidase; - b. lipase; - c. asparaginase van Aspergillus niger. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling Enzymen in meel en brood. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15628,"b":"Warenwetregeling levende tweekleppige weekdieren Gelet op bijlage II, hoofdstuk II, van [Verordening (EG) nr. 854/2004](32004R0854) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 139) en [artikel 10 van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018823&artikel=10); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit wijziging enkele algemene maatregelen van bestuur (opheffen van de product- en bedrijfschappen en aanpassing van het Warenwetbesluit cosmetische producten 2011) (Stb. 2014, 81) in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende besluiten wordt verstaan onder: - **12-mijlszone:** de maritieme grens die 12 zeemijlen zeewaarts loopt vanaf de basislijn, die voorkomt op de meest recente uitgave van de middelgroot- en grootschalige kaarten van de Noordzee van de Dienst der Hydrografie; - **basislijn:** nul-meter-lijn van de Nederlandse kust die voorkomt op de meest recente grootschalige kaart van de Noordzee van de Dienst der Hydrografie en voortvloeit uit de [Wet grenzen Nederlandse territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003748); - **kokkels:** tweekleppige weekdieren van de soort **Cerastoderma edule;** - **Nederlands continentaal plat:** de grenzen van de exclusieve economische zone van Nederland, die samenvallen met de grens van de territoriale zee van Nederland, de 12-mijlszone en de grenzen van het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentaal plat, bedoeld in het [Besluit grenzen Nederlandse exclusieve economische zone](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011219); - **NVWA:** Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - **pecten:** tweekleppige weekdieren van de soort **Pecten maximus**(Sint-Jakobsschelp) en **Pecten jacobaeus** (Grote Ka"},{"i":15637,"b":"Regeling Residuen van bestrijdingsmiddelen Gelet op [artikel 1 van het Residubesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002449&artikel=1) (Stb. 1964, 319)1Laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 april 1975 (Stcrt. 250)., Gehoord de Bestrijdingsmiddelencommissie; Besluiten: Artikel 1 1. De uit een oogpunt van volksgezondheid en goed landbouwkundig gebruik toelaatbare hoeveelheid van bestrijdingsmiddelen, bestanddelen daarvan of omzettingsproducten, aanwezig op of in: - a. onbewerkte of bewerkte eet- of drinkwaren, met uitzondering van: voor zover de producten uit de genoemde productgroepen onder 1 en 2 niet met name in [Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003658&bijlage=II&z=2016-07-20&g=2016-07-20) zijn genoemd, mag niet hoger zijn dan in de desbetreffende bijlage met inachtneming van de daarbij gestelde aanwijzingen is aangegeven; - 1. specerijen, bedoeld in het [Warenwetbesluit Specerijen en kruiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009540); - 2. de waren, bedoeld in het [Warenwetbesluit Visserijproducten, slakken en kikkerbillen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007216); - 3. volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding, bewerkte levensmiddelen op basis van granen en babyvoeding, bedoeld in Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en tot intrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EG en 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (PbEU 2013, L 181); - b. bewerkte eet- of drinkwaren, waarvoor in [Bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003658&bijlage=II&z=2016-07-20&g=2016-07-20) geen afzonderlijk toegelaten gehalte is aangegeve"},{"i":15641,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 21 november 2019, 1609688-198450-VGP, houdende vaststelling van regels in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2017/625 en tot wijziging en intrekking van enkele Warenwetregelingen (Warenwetregeling uitvoering verordening officiële controles en andere officiële activiteiten) Gelet op: Verordening (EU) 2017/625 van het Europees parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), (EU) [nr. 1151/2012](32012R1151), (EU) [nr. 652/2014](32014R0652), (EU) [2016/429](32329R2016) en (EU) [2016/2031](32031R2016) van het Europees parlement en de Raad, de Verordeningen [(EG) nr. 1/2005](32005R0001) en [(EG) nr. 1099/2009](32009R1099) van de Raad en de Richtlijnen [98/58/EG](31958R0098), [1999/74/EG](31974R1999), [2007/43/EG](31943R2007), [2008/119/EG](32019R2008) en [2008/120/EG](32020R2008) van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen [(EG) nr. 854/2004](32004R0854) en [(EG) nr. 882/2004](32004R0882) van het Europees parlement en de Raad, de Richtlijnen [89/608/EEG](32508R0089), [89/662/EEG](32562R0089), [90/425/EEG](32325R0090), [91/496/EEG](32396R0091), [96/23/EG](31923R0096), [96/93/EG](31993R0096) en [97/78/EG](31978R0097) van de Raad en Besluit [92/438/EEG](32338R0092) van de Raad (verordening officiële controles) (PbEU 2017, L 95); Gedelegeerde verordening (EU) 2019/625 van de Commissie van 4 maart 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees parlement en de Raad wat betreft voorwaarden voor de binnenkomst in de Unie van zendingen van bepaalde voor menselijke consum"},{"i":15644,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn van 14 maart 2014, kenmerk 328583-117560-VGP, houdende vaststelling van de Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen die in contact komen met levensmiddelen (Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen) Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=3), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=4), en [6a, tweede lid, van het Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=6a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder het besluit: het [Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370). Artikel 2 Als materialen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018370&artikel=3), van het besluit worden aangewezen: - a. kunststoffen; - b. papier en karton; - c. rubberproducten; - d. metalen; - e. glas en glaskeramiek; - f. keramische materialen en emails; - g. textielproducten; - h. folie van geregenereerde cellulose; - i. hout en kurk; - j. deklagen; - k. kleurstoffen en pigmenten; - l. epoxypolymeren. Artikel 3 Een materiaal, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034991&artikel=2&z=2026-05-29&g=2026-05-29), is vervaardigd uit de voor dat materiaal in de bij deze regeling behorende bijlage aangegeven stoffen, welke voldoen aan de daarin voor die stoffen gestelde regels. Artikel 4 Bij de vervaardiging van verpakkingen en gebruiksartikelen mogen grond- en hulpstoffen voor zover ter zake van de aanwending daarvan in de bij deze regeling behorende bijlage regels zijn gesteld, niet op een andere wijze dan in die bijlage is aangegeven worden aangewend. Artikel 5 Verpakkingen en gebruiksartikelen, vervaardigd uit materiaal als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034991&artikel=2&z=2026-05-29&g=2026-05-29), mo"},{"i":15479,"b":"Verordening op de voorzitter Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5), en [19, tweede lid, onder d, van de Wet op het accountsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 1. De voorzitter is het voornaamste aanspreekpunt voor leden van het bestuur, de directie en de hoogste leidinggevenden van het bureau alsmede voor leden van de beroepsorganisatie over het functioneren van de leden van het bestuur en de directie. 2. De plaatsvervangend voorzitter fungeert als aanspreekpunt voor leden van het bestuur, de directie en de hoogste leidinggevenden van het bureau over het functioneren van de voorzitter. 3. De voorzitter bevordert dat: - a. de contacten van het bestuur met de directie, het medezeggenschapsorgaan en de ledenvergadering naar behoren verlopen; - b. bestuursleden een introductie-, opleidings- of trainingsprogramma volgen; - c. bestuursleden tijdig alle informatie ontvangen die nodig is voor de goede uitoefening van hun taak; - d. voldoende tijd bestaat voor de beraadslaging en besluitvorming door de bestuursleden; - e. het bestuur en zijn commissies naar behoren functioneren; en - f. het bestuur signalen uit de beroepsorganisatie opvangt en zorgt dat (vermoedens van) materiële misstanden en onregelmatigheden onverwijld aan het bestuur worden gerapporteerd. 4. De voorzitter draagt standpunten van de beroepsorganisatie uit en vormt het aanspreekpunt voor de leden. 5. De voorzitter wordt bij de uitoefening van zijn taken bijgestaan door een bestuurssecretaris. 6. De voorzitter voert regelmatig overleg met de directie. Artikel 2 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot 1 juli 2013. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op de voorzitter."},{"i":15483,"b":"Verordening restitutie contributie Accountants-Administratieconsulenten Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5) en [19, tweede lid, aanhef en onderdeel m, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19) en [artikel 2, eerste lid, van de Verordening op het surplusvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031881&artikel=2); Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - –. **accountant:** een accountant als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=1); - –. **Accountant-Administratieconsulent:** de accountant die met de vermelding van de beroepstitel van Accountant-Administratieconsulent is ingeschreven in het accountantsregister; - –. **accountantsregister:** het accountantsregister, bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=36); - –. **contributiegroep:** een contributiegroep als bedoeld in [artikel 2 van de Algemene contributieverordening 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031866&artikel=2). Artikel 2 1. Aan de Accountant-Administratieconsulent die gedurende geheel 2013 ingeschreven is geweest in het accountantsregister, wordt een korting op de contributie verleend welke wordt vastgesteld op grond van de [Contributieverordening 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033779). 2. De korting bedraagt voor: - –. de Accountant-Administratieconsulent welke op 1 januari 2013 was ingedeeld in de contributiegroep voor openbaar accountants: € 782,–. - –. de Accountant-Administratieconsulent welke op 1 januari 2013 was ingedeeld in de contributiegroep voor intern accountants en overheidsaccountants: € 523,– - –. de Accountant-Administratieconsulent welke op 1 januari 2013 was ingedeeld in de contributiegroep voor accountants in business: € 262,"},{"i":15656,"b":"Wet van 31 juli 1930, houdende vaststelling van voorschriften omtrent openbare wegen Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is voorschriften vast te stellen omtrent openbare wegen, hetgeen ingevolge [artikel 190 der Grondwet](onbekend) bij de wet zal moeten geschieden; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen Artikel 1 1. Deze wet is uitsluitend van toepassing op openbare wegen. 2. Onder wegen worden in deze wet mede verstaan: - I. voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik; - II. bruggen. Artikel 2 Onder waterschappen worden in deze wet begrepen veenschappen en veenpolders. Artikel 3 Onder rechthebbende wordt in deze wet verstaan de rechthebbende krachtens burgerlijk recht. Hoofdstuk II. De openbaarheid Artikel 4 1. Een weg is openbaar: - I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest; - II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een waterschap; - III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven. 2. Het onder I en II bepaalde lijdt uitzondering wanneer, loopende den termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is. 3. Dit kenbaar maken kan geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of doo"},{"i":15660,"b":"Werkwijze geschilbeslechting energie 2026 Gelet op [artikel 5.4 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=5.4) en [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=7) en [12w van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=12w); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. afdeling Eerste. – algemeen Artikel 1. – Definities In deze werkwijze wordt verstaan onder: - a. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - c. **geschil:** een geschil als bedoeld in [artikel 5.4 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=5.4); - d. **klacht:** een klacht omvat een aanvraag om een besluit te nemen op grond van [artikel 5.4 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=5.4); - e. **klager:** een natuurlijk persoon of rechtspersoon die bij de ACM een klacht indient; - f. **systeembeheerder:** een systeembeheerder als bedoeld in [artikel 1.1 van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.1); - g. **derde:** een natuurlijk persoon of rechtspersoon, niet zijnde de klager of systeembeheerder. Artikel 2. – Algemene bepaling 1. De [Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) is van toepassing op de termijnen die in deze werkwijze worden genoemd. 2. De correspondentie vindt in het Nederlands plaats. Van de stukken die niet in de Nederlandse taal zijn opgesteld, dient een Nederlandse vertaling beschikbaar te zijn die ook leidend is. afdeling Tweede. – de klacht Artikel 3. – De klacht 1. Voor het indienen van een klacht maakt de klager gebruik van het daarvoor door de ACM vastgestelde formulier. 2. D"},{"i":15662,"b":"Wet van 5 november 2012 tot wijziging van de Wet personenvervoer 2000 teneinde inbesteding van openbaar vervoer mogelijk te maken in een plusregio die de gemeente Amsterdam, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat (Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470) aan te passen opdat het mogelijk wordt voor een plusregio die de gemeente Amsterdam, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat, een concessie voor het openbaar vervoer te verlenen zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel IA Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanbestedingsvrijheid OV grote steden. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15667,"b":"Wet van 23 juni 2021 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers onder meer in verband met de harmonisering van het partnerpensioen en het wezenpensioen met de regelingen voor het overheidspersoneel alsmede tot wijziging van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer, de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen, de Wet rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman, de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement, de Gemeentewet en de Provinciewet betreffende de rechtspositie van politieke ambtsdragers, en aanpassing van de Wet privatisering ABP (Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2021) Artikel I Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel II Wijzigt de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer. Artikel III Wijzigt de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer. Artikel IV Wijzigt de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen. Artikel V Wijzigt de Wet rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman. Artikel VI Wijzigt de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement. Artikel VII Wijzigt de Gemeentewet. Artikel VIII Wijzigt de Provinciewet. Artikel IX Wijzigt de Wet Privatisering ABP. Artikel IXa Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht, de Wet Nationale ombudsman, de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, de Wet normering topinkomens, de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement, de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding en de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer. Artikel X Wijzigt deze wet. Artikel XI Wijzigt de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers. Artikel XII 1. Deze wet, met uitzondering van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045388&artikel=I&z=2022-10-12&g=2022-10-12), treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van"},{"i":15670,"b":"Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet in verband met aanpassing van het financieel toetsingskader voor pensioenfondsen (Wet aanpassing financieel toetsingskader) Allen, die deze zullen zien of horen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het financieel toetsingskader voor pensioenfondsen aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Pensioenwet. Artikel II Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel III Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet. Artikel IIIa 1. Een langetermijnherstelplan als bedoeld in [artikel 138 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=138) dan wel [artikel 133 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=133) of een kortetermijnherstelplan als bedoeld in [artikel 140 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=140) dan wel [artikel 135 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=135), zoals deze artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel P](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036084&artikel=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01), dan wel [artikel II, onderdeel N](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036084&artikel=II&z=2015-01-01&g=2015-01-01), vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel P, dan wel artikel II, onderdeel N. Een op het kortetermijnherstelplan gebaseerde vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten waarvan de effectuering zal plaatsvinden na het tijdstip van inwerkingtreding wordt alsnog uitgevoerd conform het kortete"},{"i":15685,"b":"Wet administratieve rechtspraak BES Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Hof:** het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. **Gerecht:** het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. **griffier:** de griffier van het Hof onderscheidenlijk van het Gerecht. 2. De algemene maatregel van rijksbestuur bedoeld in [artikel 39 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=39) is van toepassing op de administratieve rechtspraak, tenzij in deze wet anders is bepaald. Artikel 2 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder bestuursorgaan verstaan een persoon of een college met enig openbaar gezag bekleed, met uitzondering van: - a. de kamers en de verenigde vergadering van de Staten-Generaal; - b. de eilandsraden en de kiescolleges voor de Eerste Kamer, tenzij het betreft het nemen van beschikkingen, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028455&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2018-08-01&g=2018-08-01); - c. onafhankelijke, bij wet of rijkswet ingestelde, organen die met rechtspraak zijn belast; - d. de hoofdstembureaus en stembureaus, bedoeld in de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627). 2. Onder de organen, bedoeld in het eerste lid, zijn begrepen de voorzitters, de leden, de commissies uit hun midden, de griffiers en de secretarissen. Artikel 3 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder beschikking: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is. 2. Met een beschikking wordt een weigering om een beschikking te geven gelijk gesteld. 3. Wanneer de wettelijk gestelde termijn voor het geven van een beschikking is verstreken zonder dat een beschikking is gegeven of – bij het"},{"i":15463,"b":"Verordening van de Sociaal-Economische Raad van 26 september 2024 houdende regels voor de samenstelling en de werkwijze van bedrijfscommissies (Verordening op de bedrijfscommissies 2024) Gelet op [artikel 36 van de Wet op de Sociaal-Economische Raad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=36); Gelet op [artikel 39 van de Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=39); Gehoord de Commissie Bevordering Medezeggenschap; Besluit: § 1. Definities Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747); - b. **de Minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - c. **de Raad:** de Sociaal-Economische Raad. Artikel 2 1. De leden en de plaatsvervangende leden van een bedrijfscommissie worden benoemd voor een zittingsperiode van vier jaar. Zij treden tegelijk af en kunnen terstond opnieuw worden benoemd. 2. Het tijdstip waarop de eerste zittingsperiode aanvangt, wordt bepaald door de Raad. 3. Degene die tot lid of tot plaatsvervangend lid van een bedrijfscommissie is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene, in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden. 4. Ten minste zes maanden voor het begin van iedere zittingsperiode wint de Raad het advies in van de bedrijfscommissie over de vraag of er grond bestaat voor een wijziging in de benoemingsgerechtigde organisaties dan wel in het aantal leden dat elke aangewezen organisatie kan benoemen. Artikel 3 1. Van de benoeming van een lid of een plaatsvervangend lid doet de organisatie die de benoeming verrichtte, mededeling aan de bedrijfscommissie. De organisatie doet dit binnen twee maanden nadat zij verzocht is een of meer (plaatsvervangende) leden te benoemen en uiterlijk vier weken voor het begin van de zittingsperiode van de bedrijfscommissie. 2. Als de organisatie niet tijdig mededelingen doet v"},{"i":15690,"b":"Wet van 18 december 2019 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 met het oog op afschaffing van de fiscale aftrek van scholingsuitgaven (Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat afschaffing van de fiscale aftrek van scholingsuitgaven en omzetting hiervan in een niet-fiscale uitgavenregeling een effectievere en doelmatigere inzet van budgettaire middelen mogelijk maakt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt deze wet. Artikel III 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De voordracht voor het koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien binnen deze termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van deze wet bij wet wordt geregeld, wordt geen voordracht gedaan. 2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043046&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01), in werking met ingang van 1 januari 2031. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15694,"b":"Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk Allen den genen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij hebben in overweging genomen, dat **de algemeene bepalingen**, vervat bij de wet van den 14den Juni 1822 (**staatsblad** n°. 10), niet **bij uitsluiting** toepasselijk zijn op het burgerlijk wetboek; Dat daarenboven art. 1 over eene stoffe handelt, welke hare plaats zal behooren te vinden in eene afzonderlijke wet; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, Hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan te bepalen hetgeen volgt: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene terugwerkende kracht. Artikel 5 Eene wet kan alleen door eene latere wet, voor het geheel of gedeeltelijk, hare kracht verliezen. Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 De strafwetten en de verordeningen van policie, zijn verbindende voor allen die zich op het grondgebied van het Koningrijk bevinden. Artikel 9 Het burgerlijk regt van het Koningrijk is hetzelfde voor vreemdelingen als voor de Nederlanders, zoo lange de wet niet bepaaldelijk het tegendeel vaststelt. Artikel 10 Vervallen Artikel 11 De regter moet volgens de wet regt spreken: hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordeelen. Artikel 12 Geen regter mag bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak doen in zaken welke aan zijne beslissing onderworpen zijn. Artikel 13 De regter die weigert regt te spreken, onder voorwendsel van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid der wet, kan uit hoofde van **regtsweigering** vervolgd worden. Artikel 13a De regtsmagt van den regter en de uitvoerbaarheid van regterlijke vonnissen en van authentieke akten worden beperkt door de uitzonderingen in het volkenregt erkend. Artikel 14 Vervallen Lasten en bevelen da"},{"i":15777,"b":"Wet van 29 mei 2017, houdende additionele regels ten behoeve van een verantwoorde groei van de melkveehouderij (Wet grondgebonden groei melkveehouderij) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de grondgebondenheid van de melkveehouderij te behouden en waar mogelijk te versterken en deze regels wettelijk te borgen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Meststoffenwet. Artikel Ia [Artikel 21, vijfde lid, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=21) en de op dat lid gebaseerde bepalingen, zoals dat lid en die bepalingen luidden voor inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op het kalenderjaar 2016. Artikel II Deze wet treedt in werking op een koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15799,"b":"Wet, houdende bepalingen tegen verstekelingen BES Artikel 1 Hij, die zich bevindt of bevonden heeft aan boord van eenig vaartuig, met het oogmerk zich daarmede te doen vervoeren zonder voorafgaande vergunning van den eigenaar, huurder of schipper, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de eerste categorie. Artikel 2 De feiten, krachtens [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028576&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) strafbaar gesteld, worden beschouwd als misdrijven. Artikel 3 Deze wet wordt aangehaald als: Wet, houdende bepalingen tegen verstekelingen BES."},{"i":15800,"b":"Wet van 11 maart 1972, houdende verklaring van het algemeen nut der onteigening van percelen, erfdienstbaarheden en andere zakelijke rechten ten behoeve van de inrichting van een buisleidingenstraat vanaf Pernis langs Klundert naar de Schelde nabij de Nederlands-Belgische grens Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de inrichting van een buisleidingenstraat vanaf Pernis langs Klundert naar de Schelde nabij de Nederlands-Belgische grens in het algemeen belang nodig is, dat daarvoor de [onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842) behoort te worden toegepast en dat enkele andere wettelijke voorzieningen gewenst zijn; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het algemeen nut vordert de onteigening ten name van de Staat van percelen, erfdienstbaarheden en andere zakelijke rechten, nodig voor de inrichting van een buisleidingenstraat vanaf Pernis langs Klundert naar de Schelde nabij de Nederlands-Belgische grens, een en ander in de gemeenten Rotterdam, Poortugaal, Rhoon, Heinenoord, Mijnsheerenland, Westmaas, Klaaswaal, Numansdorp, Strijen, Klundert, Zevenbergen, Standdaarbuiten, Oud en Nieuw Gastel, Roosendaal en Nispen, Wouw, Bergen op Zoom en Woensdrecht, zoals op de bij deze wet behorende kaart met een grijze strook globaal is aangegeven. Artikel 2 De vordering tot onteigening van hetgeen niet in der minne is verkregen moet worden ingesteld binnen twee jaren na dagtekening van de **Staatscourant** waarin Ons besluit, bedoeld in [artikel 14 der onteigeningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001842&artikel=14), is openbaar gemaakt. Deze termijn kunnen Wij, bij een in de **Staatscourant** te plaatsen besluit, met ten hoogste twee jaren verlengen. Artikel 3 1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wordt gemachtigd, in overeenstemming"},{"i":15810,"b":"Wet van 22 december 2005 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het stellen van een inburgeringsvereiste bij het toelaten van bepaalde categorieën vreemdelingen (Wet inburgering in het buitenland) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) te wijzigen in verband met het stellen van een inburgeringsvereiste bij het toelaten van bepaalde categorieën vreemdelingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet inburgering in het buitenland. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15817,"b":"Wet van 21 juni 2024, houdende voorstel van wet van de leden Bikker, Westerveld, Krul, Diederik van Dijk, Dobbe, Kostić, Van der Plas en Joseph tot wijziging van de Wet publieke gezondheid ter bevordering en verankering van integrale suïcidepreventie (Wet integrale suïcidepreventie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat suïcide jaarlijks veel mensenlevens kost, terwijl er effectieve interventies bestaan, dat duurzame, brede (aandacht voor) suïcidepreventie echter moeizaam tot stand komt en blijft en dat het daarom wenselijk is de [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) te wijzigen teneinde zowel de rijksoverheid als de gemeenten blijvend op te dragen integraal beleid voor suïcidepreventie op te stellen en uit te voeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet publieke gezondheid. Artikel II 1. De eerste vaststelling van het integraal beleid, bedoeld in [artikel 12l, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=12l), vindt zo spoedig mogelijk plaats na inwerkingtreding van deze wet. 2. Indien de eerste vaststelling van het integraal beleid, bedoeld in [artikel 12l, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=12l), plaatsvindt meer dan een jaar voor de vaststelling van de eerstvolgende nota gemeentelijk gezondheidsbeleid, bedoeld in [artikel 13, tweede lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=13), geeft de gemeenteraad binnen een jaar aan wat ten aanzien van het integraal beleid de gemeentelijke doelstellingen, de te ondernemen acties en de gewenste resultaten zijn als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van die wet. Artikel III Wijzigt de Wet pub"},{"i":15827,"b":"Wet van 26 maart 1998, houdende regels inzake gemeenschappelijke wisselkoersarrangementen van de euro, alsmede wijziging van enkele andere wetten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is met het oog op de deelneming van Nederland aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie wetgeving aan te passen en daarbij een nieuwe voorziening te treffen met betrekking tot de wisselkoers van de euro ten opzichte van de valuta van lid-staten die niet tot het eurogebied behoren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking met ingang van de dag waarop de Europese Centrale Bank (ECB) en het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) in werking treedt. Volgens Stb. 1998/313 is dat op 1 juni 1998. HOOFDSTUK 1 Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. wisselkoersarrangementen: regelingen betreffende de wisselkoers als bedoeld in artikel IV, sectie 2, van de Artikelen van Overeenkomst van het Internationale Monetaire Fonds; - b. lid-staat: een staat die lid is van de Europese Gemeenschap; - c. lid-staten van het eurogebied; lid-staten die, conform [artikel 109J, lid 4](onbekend), of [artikel 109K, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap](onbekend), de gemeenschappelijke munt genaamd euro hebben aangenomen; - d. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; - e. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V. Artikel 2 Onze Minister is gemachtigd, met het oog op het voeren van één wisselkoersbeleid door de lid-staten van het eurogebied, na overleg met de Bank en de Tweede Kamer der Staten-Generaal, namens Nederland gezamenlijk met de lid-staten van het eurogebied wisselkoersarrangementen te sluiten betreffende de wisselkoers van de euro ten opzichte van de valuta's van lid-staten die niet tot het eurogebied behoren. Artikel 3 Onze M"},{"i":15849,"b":"Wet van 23 december 1987, houdende machtiging tot deelneming door Nederland in de Tweede Aanvulling der Middelen van het Internationale Fonds voor Agrarische Ontwikkeling (IFAD) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, ten laste van 's Rijks schatkist bij te dragen in de Tweede Aanvulling der Middelen van het Internationale Fonds voor Agrarische Ontwikkeling; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister voor Ontwikkelingssamenwerking wordt gemachtigd om het nodige te verrichten, opdat ten laste van 's Rijks schatkist voor een totaal bedrag van f 41 009 460 (EENENVEERTIG MILJOEN NEGENDUIZEND VIERHONDERD ZESTIG GULDEN) wordt bijgedragen in de Tweede Aanvulling der Middelen van het Internationale Fonds voor Agrarische Ontwikkeling. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15857,"b":"Wet van 15 april 1896, houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 152, 2de lid, der Grondwet Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, volgens artikel 152, 2de lid, der [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840), het gebruik van eigendom tot het voorbereiden en het stellen van militaire inundatiën, wanneer dit wegens oorlog of oorlogsgevaar wordt gevorderd, bij de wet moet worden geregeld; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de [artikelen 1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001863&artikel=1a&z=2017-09-01&g=2017-09-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001863&artikel=2&z=2017-09-01&g=2017-09-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001863&artikel=3&z=2017-09-01&g=2017-09-01) in werking worden gesteld. 2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen. 3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld. 4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten. 5. Het besluit, bedoeld in het"},{"i":15858,"b":"Wet van 16 maart 2022 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet milieubeheer voor de invoering van een minimum CO2-prijs bij elektriciteitsopwekking (Wet minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is vanwege de aardopwarming om de emissie van broeikasgassen te verminderen door een nationale belasting op de emissie van CO2 bij elektriciteitsopwekking in te voeren; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel II Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat zendt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk, met name in relatie tot de ontwikkelingen in het Europese klimaatbeleid. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 2020, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Artikel VII Deze wet wordt aangehaald als: Wet minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":15863,"b":"Wet van 30 juni 2004 tot wijziging van de Mededingingswet en van enige andere wetten in verband met de implementatie van EG-verordeningen 1/2003 en 139/2004 (Wet modernisering EG-mededingingsrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om enige bepalingen van [verordening (EG) nr. 1/2003](32003R0001) van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG 2003, L 1) en van EG-[verordening nr. 139/2004](32004R0139) van de Raad van de Europese Unie van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PbEG L 24), door middel van aanpassing van enige wetten te implementeren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Artikel I Wijzigt de Mededingingswet. Artikel II Wijzigt de Wet uitvoering EG-mededingingsverordeningen. Artikel IIa Wijzigt de Handelsregisterwet 1996. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IIIa 1. Ontheffingen van het verbod van [artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=6) die zijn verleend op grond van [artikel 17 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=17), zoals dat luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel dA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016945&artikel=I&z=2004-08-01&g=2004-08-01), van deze wet, blijven van kracht voor de tijd waarvoor zij zijn verleend met een maximum resterende tijd van 5 jaar. 2. Op de in het vorige lid bedoelde ontheffingen is [artikel 23 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":15875,"b":"Wet van 15 november 2012, houdende regels inzake de normering van bezoldigingen van topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector (Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat de regels betreffende de openbaarmaking van topinkomens in de publieke en semipublieke sector worden uitgebreid met regels betreffende de hoogte van deze inkomens; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen § 2. Bezoldigingsmaximum Artikel 2.1 1. Partijen komen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan de maximale bezoldiging, bedoeld in [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&paragraaf=2&artikel=2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01). 2. In geval van een dienstverband met een kleinere omvang dan het bij de verantwoordelijke gebruikelijk voltijdse dienstverband, komen partijen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan de maximale bezoldiging, bedoeld in [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&paragraaf=2&artikel=2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), vermenigvuldigd met het aantal uren waarop het dienstverband betrekking heeft en gedeeld door het aantal uren van een voltijds dienstverband. 3. In geval van een dienstverband met een kortere duur dan een kalenderjaar, komen partijen geen bezoldiging overeen die meer bedraagt dan de maximale bezoldiging, bedoeld in [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&paragraaf=2&artikel=2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop het dienstverband betrekking heeft en gedeeld door 365. 4. In geval de functie van topfunctionaris in een periode van achttien maanden voor meer dan twaalf maanden wordt vervuld anders dan op"},{"i":15964,"b":"Wet van 14 mei 1992, houdende regeling met betrekking tot de oprichting van de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij en wijziging van titel II van de Wet op de kansspelen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is tot verzelfstandiging van de Nederlandse Staatsloterij over te gaan, daartoe de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) te wijzigen en de Minister van Financiën te machtigen tot de oprichting van een stichting waaraan de organisatie van de Staatsloterij kan worden opgedragen en waarin de vermogensbestanddelen van de Staat, welke kunnen worden toegerekend aan de Directie der Staatsloterij, worden ingebracht, dat voor de oprichting van deze stichting op grond van [artikel 40 van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003075&artikel=40) 1976 (**Stb.** 671) een wettelijke machtiging vereist is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën; - b. de stichting: de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005510&hoofdstuk=2&artikel=2&z=1992-06-14&g=1992-06-14); - c. de overgangsdatum: de datum van oprichting van de stichting; - d. personeelslid: degene die op de dag voor de overgangsdatum in dienst is bij het Ministerie van Financiën, de Directie der Staatsloterij, hetzij als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, met uitzondering van de in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005510&hoofdstuk=3&artikel=10&z=1992-06-14&g=1992-06-14) bedoelde personen. Hoofdstuk 2. Machtiging Artikel 2 1. Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat der Nederlanden op te richten de Sti"},{"i":16011,"b":"Wet van 15 april 2010, houdende regeling van de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen door de Pensioen- en Uitkeringsraad en de Sociale verzekeringsbank (Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de continuïteit en de kwaliteit van de dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen te waarborgen en daartoe nieuwe regels te treffen voor de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **Raad:** de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3&z=2016-01-01&g=2016-01-01); - c. **Sociale verzekeringsbank:** de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - d. **Cliëntenraad:** de Cliëntenraad verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, genoemd in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=10&z=2016-01-01&g=2016-01-01); - e. **wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen:** de [Wet buitengewoon pensioen 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032), de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035), de [Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968), de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844) en de [Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoff"},{"i":16037,"b":"Wet van 6 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht (Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) de regeling van het bewijsrecht te wijzigen om de geschiloplossing te vergemakkelijken en procedures sneller en efficiënter te laten verlopen en in verband daarmee enkele andere wetten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel V Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet. Artikel VI Wijzigt de Onteigeningswet. Artikel VII Wijzigt de Uitvoeringswet Bewijsverdrag. Artikel VIII Wijzigt de Uitvoeringswet Bewijsverkrijgingsverordening. Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringswet Rechtsvorderingsverdrag 1905. Artikel X Wijzigt de Uitvoeringswet Rechtsvorderingsverdrag 1954. Artikel XI Wijzigt de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005. Artikel XIIa Ten aanzien van de verdere behandeling door een rechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet met een dagvaarding aanhangig zijn dan wel met een verzoekschrift zijn ingediend, blijft het recht zoals dat gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing. Artikel XIIb Deze wet wordt geëvalueerd vijf jaar na inwerkingtreding. Artikel XIII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastg"},{"i":16040,"b":"Wet van 13 november 2008, houdende regeling van de vergoedingen voor adviescolleges en commissies (Wet vergoedingen adviescolleges en commissies) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels met betrekking tot de vergoeding van de leden van adviescolleges en bij of krachtens wet, bij koninklijk besluit of bij ministerieel besluit ingestelde commissies te harmoniseren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **een adviescollege:** een adviescollege als bedoeld in de [Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159), met uitzondering van adviescolleges waarvan de adviestaak, bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=1) niet de hoofdtaak is; - b. **een commissie:** een bij of krachtens wet, bij koninklijk besluit of bij ministerieel besluit ingestelde commissie, niet zijnde een adviescollege of een zelfstandig bestuursorgaan als bedoeld in de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - c. **Onze Minister:** Onze Minister wie het aangaat. Artikel 2 1. Bij besluit van Onze Minister kan een vergoeding per vergadering of een vaste vergoeding per maand worden toegekend aan: - a. de leden, met inbegrip van de voorzitter, van een adviescollege onderscheidenlijk een commissie; - b. de secretaris en adjunct-secretaris van een commissie; - c. personen die aan de werkzaamheden van een adviescollege onderscheidenlijk een commissie deelnemen. 2. De in het eerste lid genoemde personen ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van de regeling voor de ambtenaren die op grond van een arbeidsovereenkomst met de Staa"},{"i":16041,"b":"Wet van 8 juli 2011 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten in verband met de invoering van een verhoogd collegegeld voor langstudeerders (Wet verhoging collegegeld langstudeerders) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een grondslag te creëren voor de invoering van een gedifferentieerd wettelijk collegegeld waarbij studenten die langer in het hoger onderwijs zijn ingeschreven dan wenselijk is, een hoger collegegeld zijn verschuldigd, en in verband daarmee onder meer de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel II Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (uitbreiden mogelijkheden selectie studenten, verhoging collegegeld, aanscherpen toelatingsvereisten aansluitende masteropleidingen) (ruim baan voor talent)(Kst. 32253). Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000. Artikel V Wijzigt de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing. Artikel VI Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VII Deze wet wordt aangehaald als: Wet verhoging collegegeld langstudeerders. Artikel VIII Deze wet treedt in werking met ingang van 1 september 2011. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16042,"b":"Wet van 1 mei 1987, houdende verhoging van een aantal daglonen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet Werkloosheidsvoorziening en de Werkloosheidswet voor bepaalde categorieën werknemers Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de verlaging van de uitkeringspercentages ingevolge de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) en de [Wet Werkloosheidsvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002470) en het vervallen van de dagloonkortingen per 1 januari 1985 wenselijk is om voor bepaalde categorieën werknemers de daglonen ingevolge die wetten te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. WAO: [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) (**Stb.** 1977, 492); - b. WWV: [Wet Werkloosheidsvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002470) (**Stb.** 1964, 485); - c. WW: [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) (**Stb.** 1967, 421). Artikel 2 1. De daglonen welke ten grondslag liggen aan uitkeringen ingevolge de WAO en de WWV die zijn ingegaan na 31 december 1983, doch vóór 1 januari 1985 en die zijn gebaseerd op loon uit hoofde van een dienstbetrekking - a. terzake waarvan de Wet salarisverlaging overheidspersoneel 1984 (**Stb.** 1983, 660) toepassing heeft gevonden, - b. in de zin van de Wet Sociale Werkvoorziening (**Stb.** 1967, 687), dan wel - c. bij een werkgever voor wie op de dag waarop het recht op uitkering ontstond een aanwijzing krachtens de Tijdelijke Wet Arbeidsvoorwaarden collectieve sector (**Stb.** 1982, 453) gold, worden verhoogd door vermenigvu"},{"i":16043,"b":"Wet verklaringen van overlijden BES Artikel 1 1. De geneeskundigen geven bij het vaststellen hunnerzijds van het overlijden van een persoon en van de geboorte van een dood kind ten behoeve van de ambtenaar van de burgerlijke stand een verklaring van overlijden respectievelijk van levenloze geboorte af. 2. Zij geven de in het vorige lid bedoelde verklaringen niet dan na zich door persoonlijke schouwing overtuigd te hebben van het overlijden respectievelijk van de levenloze geboorte. 3. Indien het overlijden het gevolg was van de toepassing van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding als bedoeld in [artikel 306, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=306), onderscheidenlijk [artikel 307, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570&artikel=307) geeft de behandelend geneeskundige geen verklaring van overlijden af en doet hij van de oorzaak van het overlijden onverwijld door invulling van een formulier mededeling aan de op grond van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028199&artikel=4&z=2011-10-04&g=2011-10-04) door het bestuurscollege aangewezen geneeskundige. Bij de mededeling voegt de geneeskundige een beredeneerd verslag inzake de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in [artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410). Artikel 2 1. De geneeskundige, die de verklaring van overlijden of levenloze geboorte als bedoeld in het [eerste lid van artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028199&artikel=1&z=2011-10-04&g=2011-10-04) afgeeft, doet ten behoeve van de statistiek afzonderlijk opgave van de doodsoorzaak. 2. De verklaring, behelzende de opgave van de doodsoorzaak, wordt tegelijk met de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028199&artikel=1&z=2011-10-04&g=2011-10-04) bedoelde verklaring in een gesloten omslag aan de ambtenaar van de burg"},{"i":16044,"b":"Wet van 23 december 2014, houdende aanpassing van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector in verband met de verlaging van het wettelijke bezoldigingsmaximum van 130% naar 100% van de bezoldiging van een Minister (Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het wettelijke bezoldigingsmaximum voor topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector, zoals neergelegd in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector, te verlagen van 130% naar 100% van de bezoldiging van een Minister; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij dat besluit kunnen de in [artikel I, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036047&artikel=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01), genoemde bedragen overeenkomstig dat onderdeel worden gewijzigd. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16045,"b":"Wet van 19 december 2003, houdende verlenging van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever bij ziekte (Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een verlenging van de wachttijd in de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) in te voeren, de bepalingen over de loondoorbetalingverplichting van de werkgever in het [Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) en de duur van de uitkering op grond van de [ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) in verband daarmee aan te passen alsmede enige andere wijzigingen aan te brengen met het oog op verbetering van de procesgang tijdens het tweede ziektejaar van de werknemer en een heldere verantwoordelijkheidsverdeling van werkgevers, werknemers, arbodiensten en uitvoeringsinstanties daarbij; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Artikel I. [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel II. [Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel III. [Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002565) Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel IV. [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) Wijzigt de Ziektewet. Artikel V. Overheidspersoneel - A. Wijzigt de Wet terugdringing ziekteverzuim. - B. De wijzigingen in [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290), bedoeld in [a"},{"i":16046,"b":"Wet van 4 juni 1980, houdende verlening van vorderingsbevoegdheid in verband met verontreiniging van gronden in Lekkerkerk Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is vorderingsbevoegdheid aan de overheid te verlenen in verband met ernstige verontreiniging van gronden in Lekkerkerk; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd in het belang van de zuivering van de bodem ten behoeve van de Staat, andere lichamen of personen het eigendomsrecht op of een recht tot gebruik van onroerende zaken gelegen in de gemeente Lekkerkerk te vorderen in verband met de aldaar gebleken verontreiniging van de bodem. Artikel 2 1. De [Vorderingswet 1962](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002393) is van toepassing met dien verstande dat: - 1°. de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003321&artikel=3&z=1980-06-05&g=1980-06-05), 5, 9, derde lid, en 13, derde lid, tweede zin, buiten toepassing blijven; - 2°. de bevoegdheid bedoeld in artikel 29 toekomt aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken. 2. Bij de bepaling van de schadevergoeding blijft de verontreiniging van de bodem buiten beschouwing. 3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan een voorschot op de schadevergoeding toekennen. Artikel 3 Indien degene van wie de vordering is gedaan ter zake van de ten gevolge van de verontreiniging geleden schade rechten tegen derden heeft, gaan die rechten bij wege van subrogatie over op de Staat indien en voor zover deze die schade vergoedt. Artikel 4 Deze wet treedt in werking op de dag na die van de uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks"},{"i":16047,"b":"Wet van 2 juni 1965, houdende vernieuwing van hypothecaire inschrijvingen en van overschrijvingen van processen-verbaal van beslag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen inzake vernieuwing van hypothecaire inschrijvingen en van overschrijvingen van processen-verbaal van beslag; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Met afwijking van artikel 1236 van het Burgerlijk Wetboek zijn de vóór 1 juli 1948 genomen hypothecaire inschrijvingen onderworpen aan vernieuwing binnen een tijdvak van twee jaren, aanvangend op een door onze Minister van Financiën vast te stellen en in de **Nederlandse Staatscourant** bekend te maken tijdstip. 2. De vernieuwing geschiedt door herinschrijving van het hypothecaire verband in de daartoe bestemde openbare registers. 3. Het bepaalde in het eerste en het tweede lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vóór 1 juli 1948 overgeschreven processen-verbaal van beslag. Artikel 2 1. Om de vernieuwing van een hypothecaire inschrijving te bewerkstelligen worden door tussenkomst van een notaris bij de bewaarder van de hypotheken, het kadaster en de scheepsbewijzen, binnen wiens ambtsgebied het onroerend goed is gelegen of te wiens kantore het schip is teboekgesteld, ter inschrijving ingeleverd twee door of namens de schuldeiser ondertekende borderellen. 2. Deze borderellen bevatten: - a. de woordelijke inhoud van het ingeschreven borderel en de dagtekening, het deel en het nummer van de inschrijving, zomede de bij die inschrijving gestelde aantekeningen; - b. ingeval de schuldeiser een ander is dan die welke uit de oorspronkelijke inschrijving blijkt: een opgave van zijn naam en de wijze waarop of van de titels uit welke hij zijn recht heeft verkregen; - c. de door de tegenwoordige schuldei"},{"i":16048,"b":"Wet van 5 juni 1878, tot vernieuwing der bestaande hypothecaire inschrijvingen Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om, met afwijking van de bepaling van art. 1236 van het Burgerlijk Wetboek, de bestaande hypothecaire inschrijvingen te onderwerpen aan vernieuwing en bepalingen te maken omtrent de vernieuwing der overschrijving van processen-verbaal van inbeslagneming; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Met afwijking van de bepaling van art. 1236 Burgerlijk Wetboek zijn alle bij het in werking treden dezer wet bestaande hypothecaire inschrijvingen binnen twee jaren na dat in werking treden onderworpen aan vernieuwing. Artikel 2 1. De aanvraag tot vernieuwing geschiedt door den schuldeischer of door een derde namens hem. 2. Te dien einde worden ten kantore van bewaring overgelegd twee door hem, die de aanvraag doet, onderteekende borderellen, bevattende: - 1°. den woordelijken inhoud van het ingeschreven borderel, met vermelding van de dagteekening waarop en het deel en nommer waarin de inschrijving daarvan heeft plaats gehad, zoomede van de nevens die inschrijving gestelde kantteekeningen; - 2°. het verlangen des schuldeischers tot geheele of gedeeltelijke vernieuwing der inschrijving, met aanduiding van den aard en de ligging der goederen waarop de hypotheek is gevestigd, naar aanleiding van de kadastrale indeeling dier goederen op het tijdstip der vernieuwing, onverminderd het bepaalde bij het tweede lid van art. 1219 Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van tiend- en grondrenten; - 3°. opgaven van de wijze waarop of van de titels uit welke de opvolgende schuldeischer regt op inschrijving heeft verkregen. 3. Bij de borderellen wordt overgelegd een uittreksel van den kadastralen legger, waarin bij veranderde kadastrale aanwijzing, nevens"},{"i":16049,"b":"Wet van 10 juli 1952, houdende voorzieningen aangaande de verplaatsing van bevolking voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden, bepalingen vast te stellen betreffende de verplaatsing van bevolking in het belang van haar veiligheid, van de instandhouding van het maatschappelijk leven of van de uitoefening van de taak van de krijgsmacht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet begrijpt onder: verplaatsing van bevolking: de gehele of gedeeltelijke ontruiming van een gebied en de daaruit voortvloeiende afvoer, huisvesting en verzorging van bevolking en de daarmede samenhangende registratie, alsmede de voorbereidingen hiertoe; Onze Ministers: Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Defensie gezamenlijk. Artikel 2 1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de [artikelen 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=2a&z=2023-04-20&g=2023-04-20), [2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=2b&z=2023-04-20&g=2023-04-20), [2c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=2c&z=2023-04-20&g=2023-04-20), [2e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=2e&z=2023-04-20&g=2023-04-20), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=3&z=2023-04-20&g=2023-04-20), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":16062,"b":"Wet van 16 maart 1995, houdende regelen met betrekking tot de vervaardiging, het in de handel brengen en de in-, uit- en doorvoer van bepaalde chemicaliën ter voorkoming van misbruik Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van [richtlijn 92/109/EEG](31992L0109) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 december 1992 inzake de vervaardiging en het in de handel brengen van bepaalde stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (**PbEG** L 370) en in verband met de uitvoering van [verordening (EEG) nr. 3677/90](31990R3677) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1990, houdende maatregelen om te voorkomen dat bepaalde stoffen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (**PbEG** L 357) noodzakelijk is bij de wet regelen te stellen ten aanzien van de vervaardiging en het in de handel brengen van bepaalde chemicaliën alsmede ten aanzien van de op het terrein van in-, uit- en doorvoer te verlenen vergunningen en de sanctionering van de overtreding van de bepalingen van de verordening; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepaling Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. [Verordening nr. 273/2004](32004R0273): [verordening (EG) nr. 273/2004](32004R0273) van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU L 47); - c. [Verordening nr. 111/2005](32005R0111): [verordening (EG) nr. 111/2005](32005R0111) van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (PbEU L 22); - d. *"},{"i":16096,"b":"Wijziging Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva1997) Gelet op [artikel 12 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685&artikel=12); Gelet op de inwerkingtreding van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de noodzaak de Rva 1997 aan die wet aan te passen; Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997. Artikel II Onder `rechtmatig verwijderbare vreemdeling' als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder b, zoals dat komt te luiden na de inwerkingtreding van deze regeling, wordt ook verstaan een vreemdeling op wiens asielaanvraag in eerste aanleg of in bezwaar in negatieve zin is beslist, tenzij de betrokkene in afwachting is van een rechterlijke uitspraak op een binnen de vertrektermijn ingediend verzoek om voorlopige voorziening tegen de beslissing dat de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland mag worden afgewacht, tenzij dit verzoek op grond van de Vreemdelingencirculaire 1994 niet hier te lande mag worden afgewacht. Artikel III Indien er ten aanzien van de asielzoeker: - a. vóór 10 februari 2000 op diens asielaanvraag in eerste aanleg of in bezwaar in negatieve zin is beslist; - b. een last tot uitzetting is gegeven, en - c. door de korpschef van de politieregio waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft is meegedeeld dat hij Nederland moet verlaten, eindigen de verstrekkingen na de inwerkingtreding van deze regeling, in afwijking van artikel 8, op de dag waarop de asielzoeker Nederland ingevolge de mededeling van de korpschef dient te verlaten. Artikel IV Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) (Stb. 2000, 495) in werking treedt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16124,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 1 september 2004, nr. TP-MO 4053351, houdende wijziging Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten in verband met het beschikbaar stellen van nummers voor toegang tot ondernemingen en instellingen Gelet op [artikel 4.1 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.1); Besluit: Artikel I Wijzigt het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten. Artikel II Nummers voor toegang tot ondernemingen en instellingen worden met de inwerkingtreding van dit besluit aangewezen als nummers van uitzonderlijke economische waarde. Deze aanwijzing vervalt zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit. Op aanvragen die binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit bij het college zijn ingediend is de procedure van veilen van toepassing. Artikel III Dit besluit treedt in werking op 21 oktober 2004. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16149,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 januari 2021, nr. 26718194, tot wijziging van de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19 in verband met een tweede aanvullend steunpakket Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&artikel=3) en [4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&artikel=4) Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19. Artikel II 1. Voor zover er na 31 december 2021 ter zake van de [Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043634) nog sprake is van enige bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze overeenkomstig die regeling plaats. 2. Op 31 december 2021 bestaande aanspraken en verplichtingen op grond van de [Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043634) blijven na die datum in stand. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16173,"b":"Regeling tot wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid in verband met de invoering van twee nieuwe educatieve maatregelen Gelet op de [artikelen 130, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130), [131, eerste, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131), en [134, zevende en negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=134) en [artikel 16, tweede lid, onderdeel b, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=16); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid. Artikel II Wijzigt de Regeling rijonderricht motorrijtuigen. Artikel III Mededelingen die zijn gebaseerd op een of meer gedragingen opgenomen in [Bijlage 1 bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008003&bijlage=1) die zijn geconstateerd vóór de inwerkingtreding van deze regeling, worden afgedaan overeenkomstig de bepalingen zoals die golden voor de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2008. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16226,"b":"Verordening tot wijziging van de Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995 Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=4), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15) en [16 van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=16); Besluit: Artikel I Wijzigt de Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995. Artikel II Het bestuur van de regionale loodsencorporatie Rotterdam-Rijnmond plaatst de tot die regionale loodsencorporatie behorende registerloodsen, met ingang van de datum waarop deze verordening van kracht is, in de [artikel 9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=9), genoemde bevoegdheden, zodanig dat de krachtens artikel 9, vijfde lid, toegekende bevoegdheid zoveel mogelijk overeenkomt met de bevoegdheid van de registerloods op de dag voorafgaande aan de inwerkingtredingsdatum van deze verordening. Artikel III Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Deze verordening wordt geplaatst in de Staatscourant. **Aldus vastgesteld in de ledenvergadering van de Nederlandse Loodsencorporatie.**"},{"i":16248,"b":"Wet van 1 december 2011 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten (Wijzigingswet financiële markten 2012) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) te wijzigen teneinde regels te stellen in verband met de intrekking van de [Wet inzake de geldtransactiekantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013816), het laten vervallen van het verbod op het dekken van oorlogsmolest in het buitenland voor schadeverzekeraars en het wijzigen van de biedingsregels alsmede technische verbeteringen en enige andere wijzigingen in de Wet op het financieel toezicht en andere wetgeving op het terrein van de financiële markten aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II. Wijziging van de [Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508) Wijzigt de Bankwet 1998. Artikel III. Wijziging van de [Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296) Wijzigt de Sanctiewet 1977. Artikel IV. Wijziging van de [Wet handhaving consumentenbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020586) Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel V. Wijziging van de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI. Wijziging van de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel VII. Wijziging van de ["},{"i":16264,"b":"Wet van 1 juni 2022 tot wijziging van de Kieswet in verband met de definitieve invoering van het nieuwe stembiljet voor kiezers buiten Nederland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de op grond van de [Tijdelijke experimentenwet stembiljetten en centrale stemopneming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033598) bestaande regelgeving ten aanzien van een stembiljet voor kiezers buiten Nederland in de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) vast te leggen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Kieswet. Artikel II De logo’s die op grond van [artikel 4 van de Tijdelijke experimentenwet stembiljetten en centrale stemopneming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033598&artikel=4) in de registers bedoeld in [artikel G 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=G_1) en [artikel Y 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Y_2) juncto G 1 van de Kieswet zijn geregistreerd, worden geacht op basis van [artikel G 1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=G_1a) respectievelijk artikel Y 2 juncto G 1a van de Kieswet te zijn geregistreerd. Artikel IIa Wijzigt de Woningwet. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Wijzigt de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten. Artikel V Wijzigt deze wet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VI Wijzigt de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VII Wijzigt deze wet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VIII a. Wijzigt deze wet of b. Wijzigt de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel IX Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te"},{"i":16272,"b":"Wet van 2 juli 2009 tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met onder meer de erkenning en de financiering van de publieke omroep Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is uitvoering te geven aan de in de brief van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 oktober 2007 (Kamerstukken II 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 14) aangekondigde voornemens onder meer inzake de erkenning van omroepverenigingen, de positie van taakorganisaties, de toetreding van nieuwe omroepverenigingen tot het publieke bestel, de samenwerking binnen het publieke bestel en de uittreding van omroepverenigingen uit het publieke bestel; dat in verband hiermee de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel Ia Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel II De omroepverenigingen waaraan in 2005 een erkenning als bedoeld in [artikel 31 van de Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=31) of een voorlopige erkenning als bedoeld in [artikel 37 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149&artikel=37) is verleend, worden in het kader van een aanvraag om verlening van een erkenning als bedoeld in [artikel 2.24 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.24) voor de erkenningperiode 2010–2015 beoordeeld overeenkomstig de bepalingen van de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028), zoals die luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel III De leden van het bestuur van de Nederlandse Programma Stichting, bedoeld in [artikel 2.36 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.36), zoals [dat"},{"i":16274,"b":"Wet van 16 maart 2016 tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de publieke mediadienst toekomstbestendig te maken en dat het daarvoor nodig is de publieke mediaopdracht aan te scherpen, de regels over het verzorgen en plaatsen van media-aanbod door de landelijke publieke mediadienst zodanig aan te passen dat meer openheid, pluriformiteit en creatieve competitie kan ontstaan, de sturing door de NPO te versterken om meer gemeenschappelijkheid en herkenbaarheid te bereiken, en in samenhang met het voorgaande de governance van de landelijke publieke mediadienst bij te stellen, alsmede een nieuwe bestuursstructuur voor de regionale publieke mediadienst in te voeren, en daarnaast enige overige maatregelen te treffen, en dat het daarvoor nodig is de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel II Archiefbescheiden van de stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele omroepproducties gaan met ingang van de datum van inwerkingtreding van [artikel I, onder W](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037768&artikel=I&z=2017-01-01&g=2017-01-01), over naar de NPO, voor zover zij niet overeenkomstig de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. In dat besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan [artikel 12 van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":16280,"b":"Wet van 13 november 1997 tot wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met een herziening van de organisatiestructuur van de landelijke publieke omroep Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de organisatiestructuur van de landelijke publieke omroep te herzien, teneinde door middel van een professionalisering van het bestuur waarborgen te scheppen voor een nauwere samenwerking tussen de landelijke omroepinstellingen en verdere coördinatie van de programmering op en tussen de verschillende radio- en televisienetten, met behoud van de rechten en plichten die voortvloeien uit de verleende concessies voor landelijke publieke omroep; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Mediawet. ARTIKEL II Wijzigt de Mediawet. ARTIKEL III Degenen die op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze wet lid zijn van het algemeen bestuur van de Nederlandse Omroep Stichting, onder wie de voorzitter van de NOS, zijn vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet lid, onderscheidenlijk voorzitter, van de raad van toezicht van de Nederlandse Omroep Stichting. ARTIKEL IV Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, in gevallen waarin deze wet niet voorziet, regels worden gesteld met betrekking tot de invoering van artikelen van deze wet of onderdelen daarvan. ARTIKEL V De tekst van de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) wordt in het **Staatsblad** geplaatst. ARTIKEL VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvo"},{"i":16286,"b":"Wet van 15 september 2005 tot wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is in de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054) door bestuurlijke boetes en strafrecht gehandhaafde beperkingen te stellen aan de op of in de bodem gebrachte hoeveelheid stikstof en fosfaat in meststoffen ter voldoening aan onder meer [richtlijn nr. 91/676/EEG](31991L0676) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEG L 375) en mede met het oog op de doelstellingen van [richtlijn nr. 2000/60/EG](32000L0060) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Meststoffenwet. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel IV Wijzigt de Wet herstructurering varkenshouderij. Artikel V Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI De [wet van 2 mei 1997 houdende wijziging van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008670) wordt ingetrokken. Artikel VII De [wet van 7 december 2000 houdende wijziging van de Meststoffenwet in verband met een aanscherping van de normen van het stelsel van regulerende mineralenheffingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) wordt ingetrokken. Artikel VIII De [wet van 10 december 2003 tot wijziging van de Meststoffenwet en van de Wet herstructurering varkenshouderij in verband met het schrappen van de tweede generieke korting en het aanbrengen van enkele praktische"},{"i":16290,"b":"Wet van 29 januari 2025 tot wijziging van de Opiumwet in verband met het toevoegen van een derde lijst met als doel het tegengaan van de productie van en de handel in nieuwe psychoactieve stoffen en enkele andere wijzigingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) te wijzigen om een derde lijst toe te voegen met als doel de productie van en de handel in nieuwe psychoactieve stoffen tegen te gaan, en daarmee de volksgezondheid en de openbare orde te beschermen en dat het wenselijk is een extra grondslag op te nemen voor het verlenen van een ontheffing op grond van de Opiumwet voor industriële doeleinden waarbij het eindproduct voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens de Opiumwet; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Opiumwet. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16294,"b":"Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Remigratiewet (heroverweging Remigratiewet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424) zodanig te wijzigen dat de basisvoorzieningen vervallen, de leeftijdsgrens voor remigratievoorzieningen wordt verhoogd, de duur van uitkeringsgerechtigdheid wordt verlengd, de duur van rechtmatig verblijf in Nederland wordt verlengd, de remigratievoorzieningen worden beperkt tot de eerste generatie migranten, de mogelijkheid tot het aanvragen van remigratievoorzieningen eindigt op 1 januari 2025 en er een sluitend systeem inzake het opleggen van een bestuurlijke boete en het schorsen, intrekken en terugvorderen van remigratievoorzieningen wordt opgenomen in de wet; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Remigratiewet. Artikel Ia [vervallen] Artikel II De [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=3), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=4), [6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=6), en [8g, tweede lid, van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8g), zoals die luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op personen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet: - a. zijn geremigreerd of - b. een ontvankelijke aanvraag tot toekenning van de basisvoorzieningen of de remigratievoorzieningen in de zin van genoemde artikelen bij de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6), hebben ingediend. Artikel III Deze w"},{"i":16299,"b":"Wet van 1 december 2011 tot wijziging van de Tracéwet met het oog op de versnelling en verbetering van besluitvorming over infrastructurele projecten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147) te wijzigen teneinde nieuwe regels te geven omtrent de voorbereiding van besluitvorming inzake infrastructurele projecten met het oog op de versnelling en verbetering van die besluitvorming; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Tracéwet. Artikel II Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening. Artikel III 1. Indien door Onze Minister een beslissing is genomen op grond van [artikel 2, tweede lid, van de Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&artikel=2), zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, zijn [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&hoofdstuk=II), [artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&artikel=9), voor zover het de termijnstelling betreft, en [artikel 10, vierde lid, van de Tracéwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&artikel=10), zoals die luiden na de inwerkingtreding van deze wet, niet van toepassing op het desbetreffende project. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op door Onze Minister binnen een jaar na inwerkingtreding van deze wet aan te wijzen projecten waarvoor de in het eerste lid bedoelde beslissing nog niet is genomen maar waarvan de verkenning zich reeds in gevorderd stadium bevindt. 3. Ten aanzien van een tracébesluit waarvoor een ontwerp voor de inwerkingtreding van deze wet ter inzage is gelegd, is [artikel 10, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&artikel=10), en [artikel 23 van de Tracéwet](https://wetten.overhe"},{"i":16301,"b":"Wet van 29 mei 2009 tot wijziging van de Uitvoeringswet EG-betekeningsverordening ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken («de betekening en de kennisgeving van stukken»), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 (PbEU L 324/79) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Uitvoeringswet EG-betekeningsverordening te wijzigen ter uitvoering van [Verordening (EG) nr. 1393/2007](32007R1393) van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken («de betekening en de kennisgeving van stukken»), en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 1348/2000](32000R1348) (PbEU L 324/79); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringswet EG-betekeningsverordening. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel III 1. In geval van een rechtstreekse verzending door de deurwaarder aan degene voor wie het stuk bestemd is, overeenkomstig artikel 14 van de [verordening (EG) nr. 1348/2000](32000R1348) van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PbEG L 160/37) of artikel 14 van de [verordening (EG) nr. 1393/2007](32007R1393) van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken («de beteke"},{"i":16309,"b":"Wet van 19 juni 2003 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000, alsmede van enkele andere wetten teneinde enkele technische verbeteringen aan te brengen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, mede naar aanleiding van de jurisprudentie, de [Vreemdelingenwet 2000 (Stb. 2000, 495)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) op enkele onderdelen te wijzigen alsmede de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685) en de [Huisvestingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005674) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II 1. [Artikel I, onderdeel L, sub-onderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015251&artikel=I&z=2003-09-01&g=2003-09-01), is slechts van toepassing op een beschikking op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), die wordt bekendgemaakt op of na de dag waarop deze wet in werking treedt. 2. [Artikel 82, tweede lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=82), blijft buiten toepassing indien de aanvraag, die op grond van [artikel 30, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30) is afgewezen, voor 1 september 2003 is ingediend. Artikel IIA Wijzigt de Huisvestingswet. Artikel III De tekst van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) wordt in het Staatsblad geplaatst. Artikel IV Wijzigt de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat"},{"i":16312,"b":"Wet van 1 november 2001 tot wijziging van de Warenwet met het oog op de incorporatie van productveiligheidsvoorschriften uit de Wet op de gevaarlijke werktuigen, zulks onder intrekking van deze wet en de Stoomwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Warenwet te wijzigen, teneinde de voorschriften ten aanzien van productveiligheid uit de Wet op de gevaarlijke werktuigen daarin te incorporeren, zulks onder intrekking van deze wet en de Stoomwet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Warenwet. Artikel II 1. De [Wet op de gevaarlijke werktuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087) wordt ingetrokken. 2. De [Stoomwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002108) wordt ingetrokken. 3. Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de op grond van de [Wet op de gevaarlijke werktuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002087), en de op grond van de in het vierde lid genoemde algemene maatregelen van bestuur verrichte keuringen, afgegeven certificaten van goedkeuring, aangebrachte merken van goedkeuring, verleende ontheffingen, gegeven beschikkingen en genomen besluiten op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1), [1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1a), [3 tot en met 11a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=3), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14) en [16 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=16). 4. Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de volgende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1), [1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1a), [3 tot en met 11"},{"i":16313,"b":"Wet van 25 januari 2001 tot wijziging van de Wet algemene regels herindeling, de Provinciewet en de Gemeentewet (Wijziging procedurele bepalingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter bevordering van een doelmatige en zorgvuldige voorbereiding van wijzigingen van de gemeentelijke en van de provinciale indeling de procedurele bepalingen ter zake van herindeling te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet algemene regels herindeling. Artikel II Wijzigt de Provinciewet. Artikel III Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IV Vervallen Artikel V Wijzigt de Wet op het basisonderwijs. Artikel VI Wijzigt deze wet. Artikel VII 1. De [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718) zoals gewijzigd bij deze wet is niet van toepassing op wijzigingen van gemeentegrenzen en van provinciegrenzen waarvan de voorbereiding op grond van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718) is aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van deze wet. 2. Wijzigingen van gemeente- of provinciegrenzen als bedoeld in het eerste lid worden afgewikkeld met toepassing van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718), de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) en de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) zoals deze luiden voor de inwerkingtreding van deze wet. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718) zoals gewijzigd bij deze wet van toepassing op wijzigingen van de gemeentelijke of de provinciale indeling waarvan de voorbereidingen nog niet hebben geleid tot een voorstel van gedeputeerde staten aan provin"},{"i":16317,"b":"Wet van 22 december 1999 tot wijziging van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf naar aanleiding van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit, alsmede naar aanleiding van een evaluatie van de doelmatigheid van de wet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet assurantiebemiddelingsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993) te wijzigen in verband met de bevindingen van een onderzoek van de wet in het kader van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit, alsmede naar aanleiding van een evaluatie van de doelmatigheid van de wet; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf. Artikel II 1. Wijzigt de Wet op de economische delicten. 2. In afwijking van het eerste lid blijft de in dat lid bedoelde zinsnede, zoals deze luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, van toepassing met betrekking tot verzekeringsovereenkomsten waarop [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011030&artikel=III&z=2002-04-01&g=2002-04-01) van toepassing is. Artikel III In afwijking van [artikel I, onderdelen D tot en met H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011030&artikel=I&z=2002-04-01&g=2002-04-01), blijft het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=13), [14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=15), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=17) en [18 van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=18), zoals deze bepalingen voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel luidden, tot het"},{"i":16321,"b":"Wet van 23 augustus 2016 tot wijziging van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek in verband met de selectieve woningtoewijzing ter beperking van overlastgevend en crimineel gedrag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is te voorzien in selectieve woningtoewijzing om de overlast en criminaliteit in complexen, straten en gebieden met een grootstedelijke problematiek te beperken en de huidige praktijk te voorzien van een wettelijk kader; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek. Artikel II Wijzigt de Huisvestingswet 2014. Artikel III In gebieden die door Onze Minister op grond van [artikel 5 van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019388&artikel=5) voor de inwerkingtreding van deze wet zijn aangewezen voor de toepassing van de maatregelen uit [hoofdstuk 3 van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019388&hoofdstuk=3), kunnen voor de periode van de aanwijzing de maatregelen uit de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019388&artikel=8) en [9 van die Wet worden toegepast](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019388&artikel=9). Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16327,"b":"Wet van 5 juli 2006, houdende wijziging Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227) te wijzigen in verband met de herijking van regelgeving, de decentralisatie en aanpassing van de procedure tot het verlenen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting en de introductie van de nieuwe dosismaat Lden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet geluidhinder. Artikel II Wijzigt de Spoedwet wegverbreding. Artikel III Wijzigt de Wet bereikbaarheid en mobiliteit. Artikel IV Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel V Wijzigt de Wet geluidhinder. Artikel VI Na inwerkingtreding van deze wet berust: - a. het [Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003459) mede op [artikel 110a van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=110a); - b. het [Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003508) mede op de [artikelen 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=45) en [47 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=47); - c. het [Besluit op de ruimtelijke ordening 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003889) mede op [artikel 43 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=43); - d. het [Besluit saneringsmaaatregelen industrieterreinen 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007107) mede op de [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=62) en [64 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artik"},{"i":16335,"b":"Wet van 11 april 2018 tot wijziging van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (evaluatie WION en regeling bevoegde rechter) Artikel I Wijzigt de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. Artikel II Vervallen. Artikel III De [artikelen 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=32), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=33) en [34 van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=34) zoals die luidden tot inwerkingtreding van deze wet blijven van toepassing op de verplichtingen, bedoeld in artikel 32 van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken, zoals die luidden tot inwerkingtreding van deze wet. Artikel IIIa Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. [Artikel IIIa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040872&artikel=IIIa&z=2019-01-01&g=2019-01-01) werkt terug tot en met 1 januari 2018. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het naar aanleiding van de opgedane ervaring met de [Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023775) wenselijk is die wet te wijzigen ten aanzien van de regels over de informatie-uitwisseling betreffende de ligging van aansluitleidingen, de regels over de registratie van beheerders en de regels over het treffen van voorzorgsmaatregelen alsmede de rechtbank Rotterdam en het College van Beroep voor het bedrijfsleven als exclusief bevoegde rechter aan te wijzen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgev"},{"i":16339,"b":"Wet van 10 april 1997 tot wijziging van de Wet inzake bloedtransfusie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de werkingssfeer van de Wet inzake bloedtransfusie aan te passen aan de werking van het recht van de Europese Gemeenschappen, in welk verband met name nog uitvoering moet worden gegeven aan enkele onderdelen van [richtlijn nr. 89/381/EEG](31989L0381) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1989 tot uitbreiding van de werkingssfeer van de [Richtlijnen 65/65/EEG](31965L0065) en [75/319/EEG](31975L0319) betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten en tot vaststelling van bijzondere bepalingen voor uit menselijk bloed of plasma bereide geneesmiddelen (**PbEG** L 181), alsmede aan [richtlijn nr. 92/28/EEG](31992L0028) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende reclame voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik (**PbEG** L 113) voor wat betreft uit menselijk bloed of plasma bereide geneesmiddelen en aan [Verordening (EEG) nr. 2309/93](31993R2309) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (**PbEG** L 214); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet inzake bloedtransfusie. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. ARTIKEL III Ten aanzien van het Centraal Laboratorium en de regionale stichtingen welke bij de inwerkingtreding van artikel 25**a** reeds ingevolge een erkenning krachtens artikel 13 van de Wet inzake bloedtransfusie zoals dat luidde vóór h"},{"i":16340,"b":"Wet van 5 februari 2020 tot wijziging van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken teneinde die beperkingen beter kenbaar te maken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken te wijzigen teneinde die beperkingen beter kenbaar te maken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel II Wijzigt de Erfgoedwet. Artikel III Wijzigt de Kadasterwet. Artikel IV Vervallen Artikel V De [Invoeringswet Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021607), het [Uitvoeringsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021934) en de [Uitvoeringsregeling Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022131) worden ingetrokken. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16344,"b":"Wet van 24 april 2019 tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inzake de bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en de beoordeling voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening Artikel I Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel II Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel III Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel IV Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel V Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel VI Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Artikel VII Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen. Artikel VIII Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel IX Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel X Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel XI Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel XII Wijzigt de Ziektewet. Artikel XIIa Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel XIII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met uitzondering van artikel I, onderdeel K, dat in werking treedt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en terugwerkt tot 1 januari 2019. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een abonnementstarief in te voeren voor maatschappelijke ondersteuning om de stapeling van zorgkosten te voorkomen en regels te stellen over de beoordeling van het college bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij dez"},{"i":16350,"b":"Wet van 28 november 2002 tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van een leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra (regeling leerlinggebonden financiering) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor leerlingen met een handicap een leerlinggebonden financiering in te voeren en regionale expertisecentra te vormen en dat het in verband daarmee gewenst is een aantal wijzigingen aan te brengen in de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549), de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) en de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel II Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel III Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.. Artikel IV. Overgangsbepaling regulier onderwijs Vervallen Artikel V. Overgangsbepaling leerlingen (voortgezet) speciaal onderwijs Vervallen Artikel VI. Programma's van eisen Vervallen Artikel VII. Expertisebekostiging voor bestaande scholen voor meervoudig gehandicapten Vervallen Artikel VIII. Omzetting afdelingen voor zeer moeilijk lerende kinderen Vervallen Artikel IX. Overgangsbepaling indicatiestelling Vervallen Artikel X. Formatiegarantie Vervallen Artikel XI. Overgangsbepaling aanvraag formatie t.b.v. leerlingen residentiële instellingen, nevenvestigingen en verbrede toelating Vervallen Artikel XII. Adviescommissie toelating en begeleiding Vervallen Artikel XIII. Verplicht advies Vervallen Artikel XIV. Experiment Almere Vervallen Artikel XV. Overgangsbepaling Vervallen Artikel XVI."},{"i":16353,"b":"Wet van 3 december 1992, tot wijziging van bepalingen van de Wet op de kansspelen betreffende sportprijsvragen en de lotto Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een herstructurering van de verkooporganisatie alsmede een grotere flexibiliteit in de bedrijfsvoering mogelijk te maken van de rechtspersoon aan welke vergunning is verleend krachtens de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=16) en [27**b** van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27b); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Het Besluit van 17 augustus 1974, **Stb.** 477 (Lotto-toto-besluit) wordt ingetrokken. Artikel III Binnen twee jaren nadat deze wet in werking is getreden zenden Onze Ministers van Justitie en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur een rapport aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, betreffende de werking van deze wet en de op basis daarvan verleende vergunningen. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16358,"b":"Wet van 13 april 1995, houdende regeling van de medezeggenschap van het overheidspersoneel in de Wet op de ondernemingsraden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de medezeggenschap van het overheidspersoneel te regelen in de [Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Overgangs- en slotbepalingen Artikel II - A. Uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van deze wet dient voor ondernemingen, waarvoor krachtens deze wet een verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad ontstaat, een ondernemingsraad te zijn ingesteld. De bestaande dienstcommissies en medezeggenschapscommissies houden op te bestaan op de datum waarop de ondernemer voor het organisatieonderdeel waarvoor de dienstcommissie of medezeggenschapscommissie is ingesteld of mede voor dat organisatieonderdeel, een ondernemingsraad heeft ingesteld, doch uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van deze wet. - B. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. - C. Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16360,"b":"Wet van 22 december 1993 tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het interventie-instrumentarium in de [Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375) en in samenhang daarmee dat voor andere regelgeving te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V 1. [Artikel 38 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=38), zoals dat luidde onmiddellijk vóór het tijdstip waarop de bij deze wet voorziene wijziging van dat artikel in werking is getreden, en in samenhang daarmee artikel 39 van die wet, zoals dat op dat tijdstip luidde, blijven van toepassing ten aanzien van besluiten als bedoeld in dat artikel 38, die vóór dat tijdstip zijn genomen. 2. [Artikel 65 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=65), zoals dat luidde onmiddellijk vóór het tijdstip waarop de bij deze wet voorziene wijziging van dat artikel in werking is getreden, blijft van toepassing ten aanzien van besluiten als bedoeld in dat artikel die vóór dat tijdstip zijn genomen. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16371,"b":"Wet van 12 juni 2008 tot wijziging van de Wet op het kindgebonden budget in verband met de vaststelling van de hoogte van het kindgebonden budget met ingang van 2009 en de wijziging van het afbouwpercentage Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het bedrag van het kindgebonden budget vanaf 2009 in de wet op te nemen en het afbouwpercentage te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751) Wijzigt de Wet op het kindgebonden budget. Artikel II. Wijziging van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III. Overgangsbepaling [artikel 3.100 Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.100) De kindertoeslag, bedoeld in [artikel 6a, van de Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751&artikel=6a), behoort niet tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen, bedoeld in [artikel 3.100 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.100). Artikel IV. Inwerkingtreding De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld en kunnen terugwerken tot en met een in het desbetreffende besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16375,"b":"Wet van 18 maart 2004 tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met een verlaging van het maximale aantal leden van de Raad voor cultuur en een verhoging van het maximale aantal leden van commissies van die Raad Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen dat het wenselijk is in de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904) een wijziging aan te brengen in het maximale aantal leden van de Raad voor cultuur; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Artikel II De Raad voor cultuur, bedoeld in [artikel 2a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=2a), heeft in afwijking van [artikel 10, eerste volzin, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=10), tot en met 31 december 2004 ten hoogste 18 andere leden. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16378,"b":"Wet van 25 juni 2014 tot wijziging van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen in verband met aanvulling van de bepaling over de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging Allen, die deze zullen zien of horen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de procedure betreffende de onmiddellijke tenuitvoerlegging van een in een vreemde staat opgelegde vrijheidsbenemende sanctie, bedoeld in [artikel 43 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004028&artikel=43), nadere uitwerking behoeft; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. Artikel II Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel III Deze wet is van toepassing op verzoeken tot tenuitvoerlegging die zijn ingediend na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16380,"b":"Wet van 6 maart 2019 tot wijziging van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven in verband met het opheffen van de rechtspersoonlijkheid van het fonds, uitbreiding van de taakuitoefening tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba alsmede verduidelijking van de regeling van uitkeringen door het Schadefonds en het vorderingsrecht van het slachtoffer jegens derden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rechtspersoonlijkheid van het Schadefonds Geweldsmisdrijven op te heffen teneinde beter aan te sluiten bij de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495), de taakuitoefening van het Schadefonds uit te breiden tot Caribisch Nederland en de regeling van uitkeringen door het Schadefonds en het vorderingsrecht van het slachtoffer na uitkering te verduidelijken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goed vinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel III [Artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=20) is van toepassing indien het geweldsmisdrijf bedoeld in dit artikel is gepleegd op of na 1 januari 2017, tenzij het naasten betreft als bedoeld in artikel 20, tweede lid, in samenhang met [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=3). Artikel IV Indien en voor zover het naasten betreft als bedoeld in [artikel 20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=20), in samenhang met [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=3), is artikel 20 van toepassing indien het geweldsmisdrijf is gepleegd op of na de datum van inwerkingtreding van de wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het [Wetboek van Strafvor"},{"i":16384,"b":"Wet van 30 september 2010 tot wijziging van de Wet toelating en uitzetting BES Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat met de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overeengekomen dat zij een staatsrechtelijke positie krijgen binnen het Nederlandse staatsbestel en het in verband hiermee wenselijk is de Nederlands-Antilliaanse Landsverordening toelating en uitzetting, die ingevolge de [Invoeringswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063) als wet van toepassing blijft in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen I en II van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treden. Artikel I Wijzigt de Wet toelating en uitzetting BES. Artikel II 1. Een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldige verblijfstitel, verklaring van verblijf van rechtswege of een verklaring, inhoudende dat de Landsverordening toelating en uitzetting niet op de houder ervan van toepassing is, afgegeven door of namens de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, wordt op dat tijdstip met inachtneming van het tweede tot en met het vijfde lid van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd, dan wel verklaring van verblijf van rechtswege, op grond van de [Wet toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571). 2. Een vergunning tot tijdelijk verblijf met als beperking een woonplaats, gelegen op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, wordt, onder handhaving van de beperkingen en de geldigheidsduur, aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in de [Wet toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid"},{"i":16386,"b":"Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en enige andere wetten in verband met de totstandkoming van een basisnet (Wet basisnet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, ter bevordering van sturing op het risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, in de [Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606) regels op te nemen voor risicobegrenzing en de routeringsbevoegdheden te herzien; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Artikel II 1. Provinciale staten dragen er zorg voor dat een krachtens [artikel 16 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=16), zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze wet, vastgesteld provinciaal netwerk uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming is met [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033712&artikel=I&z=2015-04-01&g=2015-04-01), artikel 23, van deze wet. 2. De gemeenteraad draagt er zorg voor dat een krachtens [artikel 18 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=18), zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze wet, vastgesteld routeringsbesluit uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming is met [artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033712&artikel=I&z=2015-04-01&g=2015-04-01), artikel 24, van deze wet. 3. Een krachtens [artikel 16 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606&artikel=16), zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze wet, vastgesteld provinci"},{"i":16387,"b":"Wet van 2 februari 2006 tot wijziging van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Wet op de economische delicten ter uitvoering van een drietal EG-verordeningen inzake handel in drugsprecursoren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van [verordening (EG) nr. 273/2004](32004R0273) van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU L 47), [verordening (EG) nr. 111/2005](32005R0111) van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (PbEU L 22) en [verordening (EG) nr. 1277/2005](32005R1277) van de Commissie van 27 juli 2005 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van [Verordening nr. 273/2004](32004R0273) van het Europees Parlement en de Raad inzake drugsprecursoren en van [Verordening nr. 111/2005](32005R0111) van de Raad houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (PbEU L 202) noodzakelijk is bij wet regels te stellen ten aanzien van de uitvoering en de sanctionering van bepalingen in de desbetreffende verordeningen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Artikel II Vergunningen en registraties die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn verleend op basis van [Verordening nr. 3677/90](31990R3677), worden aangemerkt als vergunningen en registraties op basis van [Verordening nr. 111/2005](32005R0111), met uitzondering van de vergunningen en registraties die zijn verleend op grond van artikel 5, derde lid, en artikel 5bis, derde lid, van [Verordening nr. 3677/90](31990R3677). Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag n"},{"i":16388,"b":"Wet van 9 december 2004, houdende wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en van enige andere wetten (meer doelmatige uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een meer doelmatige uitvoering van de [Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Artikel I Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel II Wijzigt de Waterschapswet. Artikel III Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IIIA Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel IIIB Wijzigt de Gaswet. Artikel IIIC Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel IV Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel V Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VI Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VII Wijzigt de Waterschapswet. Artikel VIII Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IX Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel X 1. De op de voet van de [Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119) vastgestelde waarde voor het tijdvak dat aanvangt op 1 januari 2005 geldt, indien bij het begin van het kalenderjaar 2007 of 2008 [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017663&artikel=IV&z=2008-01-01&g=2008-01-01) niet in werking is getreden, ook voor het kalenderjaar 2007 respectievelijk 2008. 2. Indien bij de aanvang van het kalenderjaar 2008 [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017663&artikel=IV&z=2008-01-01&g=2008-01-01) niet in werking is getreden, kan met betrekking tot het kalenderjaar 2008 geen vermindering als bedoeld in [artikel 220i, eerste lid, van de"},{"i":16396,"b":"Besluit ingevolge artikel 18, tweede lid, Wet politiegegevens van de Minister van Justitie en Veiligheid, kenmerk 4858192 van 3 oktober 2023 houdende toestemming aan de korpschef tot het verstrekken van politiegegevens aan journalisten en publicisten voor journalistieke doeleinden (Wpg-machtigingsbesluit persalarmering) Overwegende: Het instrument persalarmering wordt door de meldkamers (waarin de hulpdiensten politie, ambulance en brandweer werkzaam zijn) gebruikt om journalisten en publicisten (hierna tezamen journalisten genoemd) automatisch en **near real-time** te informeren bij bepaalde incidenten. Journalisten worden door de persalarmering geïnformeerd over de aard van het incident, de locatie (bij benadering) en de prioriteit die de meldkamer aan het incident geeft. De persalarmeringen zijn per 1 april 2023 stopgezet voor zover zij in hun huidige vorm in strijd zijn met de geldende wet- en regelgeving (zie **Kamerstukken II** 2022/23, 29 517, nrs. 227 en 245). Dit betekent dat de persalarmeringen ten aanzien van de ambulancezorg zijn stopgezet. Voor de persalarmeringen ten aanzien van de inzet van politie ontbreekt een juridische grondslag. Vanwege het belang dat het kabinet hecht aan de belangrijke maatschappelijke taak die journalisten in dezen verrichten, wordt nu nader onderzoek gedaan naar de haalbaarheid en proportionaliteit van een structurele oplossing voor persalarmeringen. Hiermee zal de nodige tijd zijn gemoeid. Het kabinet acht het niet wenselijk dat het instrument persalarmering grotendeels niet meer zou kunnen worden toegepast totdat de verkenning naar een langetermijnoplossing is afgerond en duidelijk wordt of er een structurele oplossing komt en die eventuele structurele oplossing is gerealiseerd. Met het onderhavige besluit wordt daarom voorzien in een tijdelijke juridische grondslag voor de politie om een beperkte hoeveelheid politiegegevens te kunnen verstrekken voor journalistieke doeleinden. Bij dit vraagstuk spelen verschillende – met e"},{"i":16398,"b":"Wet van 19 juli 1934, tot vaststelling van bepalingen omtrent de opruiming van vaartuigen en andere voorwerpen, in openbare wateren gestrand, gezonken of aan den grond geraakt of in waterkeeringen of andere waterstaatswerken vastgeraakt Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodig is wettelijke bepalingen vast te stellen omtrent de opruiming van vaartuigen en andere voorwerpen, in openbare wateren gestrand, gezonken of aan den grond geraakt of op of in waterkeeringen of andere waterstaatswerken vastgeraakt; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Vaartuigen, overblijfselen van vaartuigen en alle andere voorwerpen in openbare wateren gestrand, gezonken of aan den grond geraakt, of vastgeraakt op of in waterkeeringen of andere waterstaatswerken, kunnen door den beheerder van het water of dien van het waterstaatswerk worden opgeruimd, zonder dat deze door belanghebbenden bij het vaartuig, of het opgeruimde voorwerp dan wel de zaken aan boord van of in of op het voorwerp aansprakelijk kan worden gesteld voor door die opruiming aan hen toegebrachte schade. 2. Als openbare wateren onder beheer van het Rijk worden in deze wet mede aangemerkt de territoriale wateren. 3. Onder waterkeeringen worden in deze wet begrepen alle daarin of daaraan gelegen kunstwerken. 4. Waar in het eerste lid sprake is van waterkeeringen of andere waterstaatswerken, worden slechts bedoeld die, welke onder beheer van het Rijk, eene provincie, eene gemeente, een waterschap, veenschap of veenpolder staan. Artikel 2 1. Van het besluit van de beheerder dat opruiming noodzakelijk is, wordt ter plaatse waar het vaartuig of ander op te ruimen voorwerp zich bevindt of anders in de naaste omgeving daarvan mededeling gedaan, met herinnering aan het verbod in het tweede lid van dit artikel oms"},{"i":16403,"b":"Wet van 15 October 1953, houdende nadere voorschriften ter wegneming van beletselen voor de viering van en ter verzekering van de openbare rust op de Zondag en enige Christelijke feestdagen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de wet van 1 Maart 1815, **Staatsblad** no. 21, houdende voorschriften ter viering van de dagen aan de openbare Christelijke Godsdienst toegewijd, te vervangen door nadere voorschriften ter wegneming van beletselen voor de viering van en ter verzekering van de openbare rust op de Zondag en enige Christelijke feestdagen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze wet worden de Hemelvaartsdag en de eerste Kerstdag met de Zondag gelijkgesteld. 2. Voor de toepassing van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002120&artikel=2&z=1994-04-01&g=1994-04-01) worden de tweede Paas-, Pinkster- en Kerstdag, de Goede Vrijdag en de Nieuwjaarsdag met de Zondag gelijkgesteld. Artikel 2 1. Het is verboden op Zondag in de nabijheid van kerken of andere gebouwen voor de openbare eredienst in gebruik, zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, waardoor de godsdienstoefening wordt gehinderd. 2. De burgemeester treft de nodige maatregelen teneinde te voorkomen, dat op Zondag door het verkeer op land- en waterwegen in de nabijheid van kerken of andere gebouwen voor de openbare eredienst in gebruik, meer voor de godsdienstoefeningen hinderlijk gerucht wordt veroorzaakt dan met het oog op de eisen van dat verkeer redelijkerwijze onvermijdelijk is. Hij is bevoegd daartoe verbiedend of bevelend op te treden of te doen optreden. Artikel 3 1. Het is verboden op Zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is. 2. Het be"},{"i":16406,"b":"Aanpassing rekenregels zorgformatie en extra vergoeding materiële instandhouding speciale scholen voor basisonderwijs 1. Inleiding De aanspraak op zorgformatie van sbo’s is geregeld in [artikel 122 van de Wet op het primair onderwijs](onbekend) (WPO). De aanspraak op een extra vergoeding voor materiële instandhouding (m.i.) is geregeld in [artikel 115 van de WPO](onbekend). Op grond van deze artikelen wordt de gezamenlijke sbo’s in een samenwerkingsverband zorgformatie, respectievelijk extra m.i. toegekend voor 2% van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Deze zorgformatie en extra m.i. wordt over de afzonderlijke sbo’s binnen een samenwerkingsverband verdeeld naar rato van het aantal leerlingen van elk van die scholen op genoemde datum. Met ingang van het schooljaar 2000-2001 zal de rekenregel voor de vaststelling van de wettelijke aanspraak van sbo’s op zorgformatie worden aangepast. De rekenregel voor de extra m.i. zal met ingang van het jaar 2001 worden aangepast. De aanpassing van de rekenregels heeft betrekking op de afrondingen die moeten worden toegepast en kan ten opzichte van de oude rekenregels alleen verschil maken voor sbo’s die tezamen met één of meer andere sbo’s aan hetzelfde samenwerkingsverband deelnemen. Als zich een verschil voordoet is dat doorgaans beperkt tot enkele fre’s (zorgformatie) of enkele tientallen guldens (m.i.) per sbo meer of minder. Tot deze aanpassingen is besloten omdat de nieuwe rekenregels beter aansluiten bij de wettelijk geregelde aanspraak op zorgformatie en m.i. dan de oude rekenregels. De nieuwe rekenregel voor de zorgformatie zal worden opgenomen in het [Formatiebesluit WPO](onbekend). De nieuwe rekenregel voor m.i. zal worden opgenomen in de Programma’s van eisen basisonderwijs voor het jaar 2001. 2. Aanpassing rekenregels zorgformatie en extra m.i. Rekenregel zorgformatie Met ingang van het schooljaar 2000-2001 zal het aantal fre’s zorgformatie dat een sbo in e"},{"i":16413,"b":"Aanvullend Akkoord ter toepassing van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid De Lid-Staten van de Raad van Europa welke het [Europees Verdrag inzake sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003473) en dit aanvullend Akkoord hebben ondertekend, Overwegende dat overeenkomstig [artikel 80, eerste lid van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003473&artikel=80), de toepassing van dit Verdrag bij een aanvullend Akkoord wordt geregeld, Zijn het volgende overeengekomen: TITEL I. Algemene Bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit aanvullend Akkoord: - a). wordt onder „Verdrag” verstaan het [Europees Verdrag inzake sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003473); - b). wordt onder „Akkoord” verstaan het aanvullend Akkoord ter toepassing van het Verdrag; - c). wordt onder „Comité” verstaan het Comité van deskundigen inzake sociale zekerheid van de Raad van Europa of ieder ander Comité dat door het Comité van Ministers van de Raad van Europa met de in artikel 2 van het Akkoord bedoelde taken kan worden belast; - d). wordt onder „seizoenarbeider” verstaan een werknemer die zich begeeft naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die, op het grondgebied waarvan hij woont, teneinde aldaar voor rekening van een onderneming of een werkgever van deze Partij seizoenarbeid te verrichten voor een tijdvak dat niet langer dan acht maanden zal duren en die gedurende zijn werkzaamheden op het grondgebied van bedoelde Partij verblijft; onder seizoenarbeid wordt verstaan arbeid die van het seizoen afhankelijk is en elk jaar automatisch terugkeert; de hoedanigheid van seizoenarbeider wordt bewezen door overlegging van de arbeidsovereenkomst, voor gezien getekend door de diensten voor arbeidsbemiddeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de seizoenarbeider werkzaamheden komt verrichten, of van een door deze diensten voor gezien getekend document waari"},{"i":16416,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 juni 2023, kenmerk 3611583-1049617-PZo, inzake de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 22 maart 2023 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2022/23, 29 282, nr. 511) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - –. **Bijlage:** [bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit](onbekend); - –. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **opleidende zorgaanbieder:** een zorgaanbieder die een samenwerkingsovereenkomst heeft met een door de minister in het kader van de [Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) (BIG) aangewezen opleidingsinstelling; - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op activiteiten verricht in het kader van de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut als bedoeld in [onderdeel B, aanhef, onder 1, sub a, onder 4 van de Bijlage](onbekend). Artikel 3. Verstrekken beschikbaarheidbijdrage De zorgautoriteit verstrekt jaarlijks beschikbaarheidbijdragen op basis van het vastgestelde verdeelplan en het opleidingsoverzicht die gelden in het desbetreffende subsidiejaar voor activiteiten als bedoe"},{"i":16426,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 13 november 2020, kenmerk 1776599-213723-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de aanwijzing ambulancezorg - Amsterdam Medical Services en de prestatie onderlinge dienstverlening Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 15 september 2020 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2020/21, 35 471, nr. 34) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gezien de inbreng van de vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het verslag van een schriftelijk overleg over de brief van 15 september 2020 (**Kamerstukken II** 2020/21, 35 741, nr. 36). Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **regionale ambulancevoorziening;** Regionale Ambulancevoorziening zoals genoemd in [artikel 4 van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=4); - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op ambulancezorg verleend door of vanwege de Regionale Ambulancevoorziening en door een zorgaanbieder vanaf Schiphol. Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen en tarieven De zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2021 de prestatiebeschrijving onderlinge dienstverlening met een vrij tarief vast. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing met de toelichting in de Staatscourant."},{"i":16428,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 juli 2014, 642423-123512-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake bekostiging huisartsenzorg en multidisciplinaire zorgverlening Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 19 mei 2014 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2013/14, 33 578, nr. 6); Besluit: Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg. Multidisciplinaire zorg betreft zorg, waarvan huisartsenzorg een onderdeel is, die door zorgaanbieders van diverse disciplines in onderlinge samenhang wordt verleend. Artikel 2. prestaties en tarieven 1. De Nederlandse Zorgautoriteit stelt met ingang van 1 januari 2015: - a. prestatiebeschrijvingen en maximumtarieven vast voor het segment basis huisartsenzorg; - b. prestatiebeschrijvingen en vrije tarieven vast voor het segment multidisciplinaire zorg; - c. prestatiebeschrijvingen en vrije tarieven vast voor het segment zorgvernieuwing en resultaatbeloning; - d. prestatiebeschrijvingen en vrije tarieven vast voor onderlinge dienstverlening. 2. Voor zorg die nog niet aan één van de in het eerste lid genoemde segmenten toegewezen is, blijven de bestaande tariefsoorten gelden. Artikel 3. macrobeheersing 1. De Nederlandse Zorgautoriteit stelt jaarlijks voor zowel huisartsenzorg als multidisciplinaire zorg voor alle zorgaanbieders van de betreffende zorg een macrogrens vast als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). Deze macrogrenzen worden bepaald op basis van de door de minister per brief te verstrekken bedragen. 2. O"},{"i":16455,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Medische Zorg van 29 juni 2020, kenmerk 1708250-207156-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de resterende overheveling van de geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 27 mei 2019 en 29 mei 2020 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2018/19, 33 578, nr. 65 en **Kamerstukken II** 2019/20, 33 578, nr. 80) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **eerstelijnsverblijf:** zorg als bedoeld in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), voor zover het gaat om verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg, zoals huisartsen en klinisch-psychologen die plegen te bieden en paramedische zorg, al dan niet gepaard gaande met verpleging of verzorging; - –. **fysio- en oefentherapie:** paramedische zorg zoals fysiotherapeuten en oefentherapeuten die plegen te bieden; - –. **geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen:** generalistische geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen in de eerste lijn als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet; - –. **geriatrische revalidatiezorg:** zorg als bedoeld in [artikel 2.5c van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.5c); - –. **macrobeheersinstrument:** het systeem van macrogrenzen als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50) en de daarop ambtshalve per individuele zorgaanbieder afzonderlijk vastgestelde individuele bovengrenzen en de eventueel daarop volgende a"},{"i":16462,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 december 2013, kenmerk 176506-114151-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake voortzetting van het macrobeheersinstrument voor geriatrische revalidatiezorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 3 juli 2013 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2010/11, 30 597, nr. 366); Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. **geriatrische revalidatiezorg:** revalidatiezorg zoals een specialist ouderengeneeskunde pleegt te bieden en waarop ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1, onder d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1) aanspraak bestaat; - d. **jaar t:** het kalenderjaar waarop een macrogrens en individuele grenzen betrekking hebben, waarbij 2014 het eerste jaar t is. Artikel 2. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geriatrische revalidatiezorg. Artikel 3. opdracht De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2014 regels of beleidsregels vast, alsmede de grenzen, bedoeld in de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034321&artikel=5&z=2014-02-01&g=2014-02-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034321&artikel=6&z=2014-02-01&g=2014-02-01) van deze aanwijzing. Artikel 4. financieel kader Ik deel de zorgautoriteit tijdig schriftelijk voor aanvang van het jaar t het financi"},{"i":16468,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 november 2022, kenmerk 3458392-1038667-PZO op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake een bekostigingsexperiment in de cosmetische mondzorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Na op 19 september 2022 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II** 2021/22, 33 578, nr. 89) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit inzake het invoeren van een experiment voor bekostiging in de cosmetische mondzorg. Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **cosmetische mondzorg:** niet tandheelkundig-medisch noodzakelijke behandelingen, die het uiterlijk, de kleur, de vorm of de positie van de normale kenmerken van de weefsels in en of rondom de mond herzien of veranderen; - –. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **reguliere mondzorg:** de mondzorg die wordt gedeclareerd via de prestatiebeschrijvingen van de Nederlandse Zorgautoriteit zoals omschreven in de: - –. [Beleidsregel tandheelkundige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047300); - –. Beleidsregel tandtechniek in eigen beheer; - –. **vrije tarieven:** tarieven als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op cosmetische mondzorg. Artikel 3. Opdracht experiment De zorgautorit"},{"i":16476,"b":"Aanwijzing inzake lokale component verpleging en verzorging Gelet op [artikel 13 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=13); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brieven van 13 mei 2004, kenmerk Z/P-2479829 en Z/P-2479833); Besluit: Artikel 1 Dit besluit is van toepassing op organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1, onder A, nummer 10 van het Besluit werkingssfeer Wtg 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1) en die zijn toegelaten voor behandeling en verblijf voor verzekerden met een somatische dan wel psychogeriatrische aandoening of beperking en op organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1, onder A, nummer 10 van het Besluit werkingssfeer Wtg 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1) en die op 31 december 2002 in het bezit waren van een toelating als thuiszorginstelling van het [Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149). Artikel 2 Het College tarieven gezondheidszorg stelt voor de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016874&artikel=1&z=2004-06-23&g=2004-06-23) bedoelde organen zodanige beleidsregels vast dat voor het jaar 2004 middelen ter beschikking worden gesteld voor een lokale component (zorgvernieuwing) met een maximum van € 40,4 miljoen. Ieder in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016874&artikel=1&z=2004-06-23&g=2004-06-23) bedoeld orgaan krijgt naar rato van de in het jaar 2003 bestede middelen zijn aandeel. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin ze wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2004. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst. Bijlage Op grond van [artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1) kan het CTG binnen ze"},{"i":16481,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3081217, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake kapitaallasten transitiemodel prestatiebekostiging medisch specialistische zorg 2012 Onder verwijzing naar de considerans van de [Aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3072825, van 29 juli 2011 inzake transitiemodel prestatiebekostiging medisch specialistische zorg 2012 (Stcrt. 2011, 13950)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030318); Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **minister:** de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c. **zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - d. **aanwijzing transitiemodel:** de [Aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. MC-U-3072825, van 29 juli 2011 inzake transitiemodel prestatiebekostiging medisch specialistische zorg 2012 (Stcrt. 2011, 13950)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030318); - e. **transitiemodel prestatiebekostiging:** het transitiemodel geschetst in de aanwijzing transitiemodel; - f. **transitiebedrag:** bedrag als bedoeld in [artikel 5 van de aanwijzing transitiemodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030318&artikel=5); - g. **verrekenbedrag:** bedrag als bedoeld in [artikel 6 van de aanwijzing transitiemodel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030318&artikel=6); - h. **aanwijzing overgangsregeling kapitaallasten:** de [Aanwijzing inzake overgangsregeling kapitaallasten algemene en academische ziekenhuizen van 22 juni 2010 (Stcrt. 2010, nr. 10255)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027853); - i. **overgangsregeling kapitaallasten:** de overgangsregeling kapitaallasten als bedoeld in d"},{"i":16485,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 13 december 2011, nr. MC-U-3096073, houdende een macrobeheersmodel instellingen voor medisch specialistische zorg Gelet op de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) en [59 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59)1Zoals de Wet marktordening gezondheidszorg komt te luiden nadat het bij koninklijk besluit op 25 mei 2010 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg en enkele andere wetten in verband met de aanvulling met instrumenten voor bekostiging (Wet aanvulling instrumenten bekostiging WMG) (Kamerstukken 32 393) tot wet is verheven en in werking is getreden.; Na in de brieven van 14 maart 2011, getiteld ‘Zorg die loont’2Kamerstukken II 2010/11, 32 620, nr. 6., en op 15 juli 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal3Kamerstukken II 2010/11, 29 248, nr. 216.als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) inzake het voornemen de zorgautoriteit een aanwijzing te geven over macrobeheersing bij instellingen voor medisch specialistische zorg; Gelet op de brief van de Eerste Kamer der Staten Generaal van 16 september 2011, kenmerk 148140.04u, de Memorie van antwoord bij het voorstel van wet Aanvulling instrumenten bekostiging WMG van 9 november 2011 (Kamerstukken I 2011/12, 32 393, C) en de behandeling van voornoemd wetsvoorstel door die Kamer op 29 november 2011; Gelet op het Verslag van het schriftelijk overleg over de brief van 5 juli 2011 inzake het Bestuurlijk hoofdlijnenakkoord 2012–2015 van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra, Zelfstandige Klinieken Nederland en Zorgverzekeraars Nederland (Kamerstukken II 2010/10,"},{"i":16488,"b":"Aanwijzing opsporingsambtenaren Gelet op de [artikelen 1 onder 2° en 17, eerste lid onder 2°, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1), Besluit: in overeenstemming met de Ministers van Economische Zaken en Volksgezondheid en Milieuhygiëne: - 1. de controleurs van de Economische Controledienst van het Ministerie van Economische Zaken aan te wijzen als ambtenaren belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij of krachtens de [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356); - 2. te bepalen dat deze beschikking zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en in werking zal treden met ingang van de dag volgend op die der bekendmaking."},{"i":16493,"b":"Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 11 oktober 2023, kenmerk 3702634-1054857-PZO, inzake het terugdraaien van de verwerking van coalitieakkoordmaatregelen over het kwaliteitskader verpleeghuiszorg en het meerjarig contracteren voor het jaar 2024 in de Wlz Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 19 september 2023 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II 2023–2024**, 31 765, nr. 796) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over de coalitieakkoordmaatregelen over het kwaliteitskader verpleeghuiszorg en meerjarig contracteren en budgetafspraken voor het jaar 2024; Besluit: artikel Enig De Nederlandse Zorgautoriteit geeft voor het jaar 2024 geen uitvoering aan de maatregelen ‘meerjarige contracten en budgetafspraken’ en ‘doorontwikkeling van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg’ uit het Coalitieakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruit kijken naar de toekomst’1Bijlage bij Kamerstuk 35 788, nr. 77. zoals beschreven in de aanwijzing van 22 juni 20232Aanwijzing van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 14 juni 2023, kenmerk 3604293–1049249-PZO, Stcrt. 2023, nr. 17290.. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing met de toelichting in de Staatscourant."},{"i":16495,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 2020, nr. 2020-0000023728, tot Aanwijzing toezichthouders WNT Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Gelet op de [artikelen 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.1) en [5.3 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), alsmede [titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **WNT:** de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249); - b. **Eenheid toezicht WNT:** de als zodanig aangeduide eenheid, bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c van het Besluit BZK-toezicht en handhaving WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042396&artikel=1). Artikel 2. Gebundeld toezicht op de naleving van de WNT 1. De ambtenaren werkzaam bij de Eenheid toezicht WNT worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) ten aanzien van rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen waarvoor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de WNT is aangewezen als Onze Minister wie het aangaat. 2. De bevoegdheid om namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inlichtingen te vorderen van de organisaties genoemd in [artikel 5.3 van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.3), wordt uitgeoefend door het Hoofd TEA die leiding geeft aan de Eenheid toezicht WNT. Artikel 3. Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juni 2019. 2. Het besluit [Aanwijzing toezichthouder WNT Ministerie van SZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036"},{"i":16512,"b":"Aanwijzingsbesluit toezichthouders zorgverzekeringen Gelet op [artikel 1x, eerste lid, van de Ziekenfondswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460&artikel=1x); heeft in zijn vergadering van 3 april 2001 besloten. Artikel 1 1. Als medewerkers die belast zijn met het uitvoeren van het toezicht worden aangewezen: - a. de algemeen directeur en de andere directeur of directeuren, bedoeld in [artikel 6 van het Bestuursreglement CTZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012391&artikel=6); - b. R.M. Pfeiffer, geboren op 6 juli 1943, woonachtig te Wilnis; - c. F.W. Westerveld, geboren op 16 oktober 1945, woonachtig te Amsterdam; - d. de personen in dienst van het College van toezicht op de zorgverzekeringen en werkzaam in de sector Rechtmatigheidsonderzoek onderscheidenlijk de sector Doelmatigheid en Thematisch Onderzoek onderscheidenlijk de Sector Productontwikkeling onderscheidenlijk de Sector Strategische Beleidsontwikkeling. 2. De aanwijzing vervalt bij ontslag door het College van toezicht op de zorgverzekeringen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van heden en werkt terug tot 1 april 2001."},{"i":16516,"b":"Accountantsprotocol Verantwoordingen Zorg- en beheerskosten gemaakt t.b.v. verdragsgerechtigden **Zorg- en beheerskosten gemaakt in Nederland t.b.v. gerechtigden t.l.v. het buitenland.** **Geldig voor oplevering vanaf 2019 door het orgaan van de verblijfsplaats en het bevoegd orgaan voor de gezondheidszorg van verdragsgerechtigden wonend in het buitenland** 1. Uitgangspunten 1.1. Inleiding De Minister van VWS heeft het Zilveren Kruis aangewezen als “orgaan van de verblijfsplaats” voor de toepassing van [Verordening (EG) Nr. 883/2004](32004R0883) en de bilaterale verdragen inzake de sociale zekerheid. Ook is het Zilveren Kruis aangewezen als het bevoegd orgaan voor de gezondheidszorg van verdragsgerechtigden wonend in het buitenland. Dit protocol heeft betrekking op de jaarlijkse verantwoording die beide organen moeten opstellen en die met een accountantsproduct wordt uitgevraagd: Dit protocol is voor onbepaalde tijd opgesteld. De raad van bestuur van de NZa heeft op 16 juli 2019 dit protocol vastgesteld. Dit protocol treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit protocol wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019. U kunt dit protocol en alle andere in dit protocol genoemde documenten raadplegen op www.nza.nl. 1.2. Kader Op grond van [artikel 16 k. van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=16) houdt de NZa toezicht op de rechtmatige uitvoering door de organen van de verblijfsplaats, het bevoegd orgaan en het orgaan van de woonplaats van hetgeen is geregeld bij of krachtens [artikel 123 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=123) alsmede, voor zover het zorg betreft, de socialezekerheidsverordening, de toepassingsverordening en de verdragen inzake sociale zekerheid waarbij Nederland partij is. Het onderzoek naar de juistheid van de door de orgaan van de verblijfplaats en het bevoegd orgaan voor de gezondheidszorg van verdragsgerechtig"},{"i":16523,"b":"Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid Ter uitvoering van de artikelen 15, tweede lid, 17, zesde lid, 31, eerste lid en 32 van het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië inzake sociale zekerheid (hierna aangeduid met de term „Verdrag”), hebben de bevoegde Nederlandse en Kaapverdische autoriteiten in gemeen overleg de volgende bepalingen vastgesteld: TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Akkoord hebben de in [artikel 1 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002964&artikel=1) omschreven termen de hun in genoemd artikel toegekende betekenis. Artikel 2 Voor de toepassing van dit Akkoord worden als „verbindingsorganen” aangewezen: - 1. van Nederlandse zijde: - a). voor de verstrekkingen in geval van ziekte en moederschap: het Zorginstituut te Diemen of zijn rechtsopvolger; - b). voor de ouderdomspensioenen en pensioenen aan nagelaten betrekkingen, alsmede voor de kinderbijslagen: de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen of zijn rechtsopvolger; - c). in alle overige gevallen: het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, te Amsterdam of zijn rechtsopvolger. - 2. van Kaapverdische zijde: Instituto Nacional da Previdência Social (nationaal instituut voor sociale voorzieningen). Artikel 3 1. In het in [artikel 7, letter a) onder i), van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002964&artikel=7) bedoelde geval reikt de hierna genoemde instelling van het land waarvan de wetgeving van toepassing blijft, de werknemer op verzoek een detacheringsbewijs uit waarin wordt verklaard dat op hem de wetgeving van dit land van toepassing blijft. 2. Dit bewijsstuk wordt opgemaakt: - -. in Nederland: door de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen; - -. in Kaap"},{"i":16530,"b":"Administratieve Schikking voor de toepassing van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien) TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Definities Voor de toepassing van deze Administratieve Schikking - a). wordt onder „Verdrag” verstaan het Verdrag van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden; - b). wordt onder „Schikking” verstaan de Administratieve Schikking voor de toepassing van het Verdrag van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden; - c). hebben de in artikel 1 van het Verdrag omschreven termen de hun in genoemd artikel toegekende betekenis. Artikel 2. Modelformulieren - inlichtingen over de wetgevingen - handleidingen 1. Het model van de formulieren en alle andere documenten welke voor de toepassing van het Verdrag en van deze Schikking nodig zijn worden door het Administratief Centrum vastgesteld in het Duits, het Frans en het Nederlands. 2. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde documenten kunnen door andere documenten, die door het Administratief Centrum als gelijkwaardig zijn erkend, worden vervangen. 3. Op verzoek van de bevoegde autoriteit of de bevoegde autoriteiten van elke Verdragsluitende Partij kan het Administratief Centrum inlichtingen verzamelen betreffende de bepalingen van de wetgevingen waarop het Verdrag van toepassing is. 4. Het Administratief Centrum kan handleidingen samenstellen met het doel de belanghebbenden voor te lichten over hun rechten en de administratieve formaliteiten welke zij dienen te vervullen. Artikel 3. Bijlagen 1. Bijlage 1 vermeldt de bevoegde autoriteit of de bevoegde autoriteiten van elke Verdragsluitende Partij. 2. Bijlage 2 vermeldt de bevoegde organen van elke Verdragsluitende Partij. 3. Bijlage 3 vermeldt de organen van de woonplaats en de organen van de verblijfplaats van elke Verdragsluitende Partij. 4. Bijlage 4 vermeldt de door de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen aangewezen verbindingsorganen. 5. Bijlage"},{"i":16532,"b":"Akkoord inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Québec De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Québec, verlangende hun onderscheiden onderdanen de voordelen te bieden van een afstemming van de wetgevingen inzake sociale zekerheid van Nederland en Québec, zijn het volgende overeengekomen: TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij uit de context anders blijkt, wordt in dit Akkoord verstaan onder: - a. „bevoegde autoriteit”, ten aanzien van Québec, de minister die belast is met de uitvoering van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001609&titeldeel=I&artikel=2&z=2004-01-01&g=2004-01-01) bedoelde wetgeving; en ten aanzien van Nederland de minister die belast is met de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001609&titeldeel=I&artikel=2&z=2004-01-01&g=2004-01-01) bedoelde wetgeving; - b. „bevoegd orgaan”, ten aanzien van Québec, de minister of instantie die belast is met de uitvoering van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001609&titeldeel=I&artikel=2&z=2004-01-01&g=2004-01-01) bedoelde wetgeving; en ten aanzien van Nederland, het orgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001609&titeldeel=I&artikel=2&z=2004-01-01&g=2004-01-01) bedoelde wetgeving; - c. „verzekeringstijdvak”, ten aanzien van Québec, elk jaar waarin premies zijn betaald of een invaliditeitsuitkering is uitbetaald uit hoofde van de „**Loi sur le régime de rentes\"** van Québec of elk ander jaar dat daaraan gelijk wordt gesteld; en ten aanzien van Nederland, een tijdvak van premiebetaling, verzekering, arbeid of wonen krachtens de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001609&titeldeel=I&artikel=2&z=2004-01-01&g=2004-01-01) bedoelde wetgeving; - d. „uitkering”, een pensioen, rente, forfaitair bedrag, of elke andere geldelijke uitkering voorzien in de wetgeving van elk der Partijen, met"},{"i":16570,"b":"Beleidsregel College tarieven gezondheidszorg Gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=13) en [14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14); Na schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brieven van 5 april 2004, kenmerk Z/P-2472136 en Z/P-2472134); Besluit: Artikel 1 Het College tarieven gezondheidszorg stelt voor organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1, onder A, nummers 10, 16a, 16b en 17 van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1), zodanige beleidsregels vast dat de indieningstermijn voor primaire productieafspraken met betrekking tot het boekjaar 2004 op 5 april 2004 wordt vastgesteld. Artikel 2 Het College tarieven gezondheidszorg stelt voor organen voor gezondheidszorg als vermeld in [artikel 1, onder A, nummers 10, 16a, 16b en 17 van het Besluit werkingssfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342&artikel=1), zodanige beleidsregels vast dat verzoeken tot het verwerken van aanvullende productieafspraken in de tarieven met betrekking tot het boekjaar 2004 kunnen worden ingediend en gehonoreerd voorzover het financiële effect daarvan wordt gecompenseerd door bijstelling van het totaal aan productieafspraken van vorenbedoelde organen voor gezondheidszorg. Artikel 3 1. In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016712&artikel=1&z=2004-05-16&g=2004-05-16) en [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016712&artikel=2&z=2004-05-16&g=2004-05-16), kunnen verzoeken tot het verwerken van productieafspraken in de tarieven met betrekking tot het boekjaar 2004 ten gevolge van bouw op grond van de [Wet Ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753) en de [Tijdelijke Verstrekkingenwet Maatschappelijke Dienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002957) worden ingedien"},{"i":16617,"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven modulaire zorg 2022 **Grondslag** Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **modulair pakket thuis (mpt):** het mpt bestaat uit één of meer losse vormen van zorg of dienst als bedoeld in [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) (Wlz): - –. het schoonhouden van de woonruimte van de cliënt; - –. persoonlijke verzorging; - –. begeleiding; - –. verpleging; - –. behandeling, omvattende geneeskundige zorg van specifiek medische, specifiek gedragswetenschappelijke of specifiek paramedische aard die noodzakelijk is in verband met de aandoening, beperking, stoornis of handicap van de cliënt; - –. vervoer naar een plaats waar de cliënt gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt; - –. logeeropvang. - **paramedische zorg:** onder paramedische zorg wordt verstaan fysiotherapie, ergotherapie, logopedie en diëtetiek, voor zover sprake is van Wlz-zorg. Voor een duiding van paramedische zorg binnen de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) verwijzen wij naar het Wlz-Kompas van Zorginstituut Nederland. - **dagbehandeling:** Behandeling in groepsverband die in dagdelen wordt aangeboden. Alle zorg die nodig is tijdens de dagbehandeling, zoals persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, hoort bij de dagbehandeling. Individuele behandeling kan onderdeel uitmaken van behandeling in groepsverband - **dagbesteding, begeleiding in groepsverband:** dagbesteding (ook dagactiviteit genoemd) is een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de cli"},{"i":6452,"b":"Besluit van 27 januari 2025, houdende wijziging van het Besluit publieke gezondheid vanwege de invoering van een vergunningplicht en een meldplicht ter zake van het verrichten van handelingen met poliovirus Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 september 2024, kenmerk 3974544-1072665-WJZ; Gelet op de [artikelen 12b, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=12b), [12c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=12c), en [12i, eerste en tweede lid, van de Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705&artikel=12i), [artikel 11, eerste lid, van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023864&artikel=11) en [artikel 5, eerste lid, van de Wet afbreking zwangerschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003396&artikel=5); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 oktober 2024, no. W13.24.00267/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 januari 2025, kenmerk 3990796-1072665-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit publieke gezondheid. Artikel II Wijzigt het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet. Artikel III 1. Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050725&artikel=I&z=2025-10-25&g=2025-10-25) van dit besluit reeds handelingen verricht met een in [artikel 17a, eerste lid, van het Besluit publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024708&artikel=17a) aangewezen type poliovirus mag de betreffende handelingen voortzetten, indien: - a. diegene zich op vorenbedoeld tijdstip reeds heeft gemeld bij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd in haar hoedanigheid als National Authority for Containment als bedoeld in [artikel 36, eerste lid, onderdeel d,"},{"i":7382,"b":"Wet van 9 juli 2004 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met aanpassing van de structuurregeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de structuurregeling aan te passen en in verband daarmee ook de rechten van aandeelhouders en certificaathouders te versterken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. Artikel III Als grensbedrag, bedoeld in de [artikelen 63b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=63b), [153](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=153) en [263 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=263), geldt 16 miljoen euro, totdat het overeenkomstig die artikelen wordt verhoogd of verlaagd. Als datum sedert welke de ontwikkeling van het prijsindexcijfer wordt vastgesteld, geldt de datum van het in werking treden van deze wet. Artikel IV 1. Het bestuur van de vennootschap waarvan de statuten op de datum van inwerkingtreding van deze wet de wijze van benoeming en ontslag van commissarissen en de taak en bevoegdheden van de raad van commissarissen regelen met toepassing van de [artikelen 158 tot en met 164](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=158) onderscheidenlijk [268 tot en met 274](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=268), doet in de eerstvolgende algemene vergadering die wordt gehouden nadat zes maanden zijn verstreken na de inwerkingtreding van deze wet het voorstel de wijze van benoeming en ontslag van commissarissen en de taak en bevoegdheden van de raad van commissarissen in de statuten te regelen zonder toepassing van de genoemde artikelen, dan wel het voorstel deze artikelen te blijven toepas"},{"i":4452,"b":"Capaciteitsraming, provinciale opvangopgave en indicatieve verdeling per gemeente 2024 De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=2) en [3 van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=3) en [artikelen 2.1](onbekend) en [2.2 van het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](onbekend); Maakt bekend: Het aantal opvangplaatsen voor asielzoekers waaraan in de volgende twee jaren naar verwachting behoefte zal zijn, als bedoeld in [artikel 2, eerste lid van de Wet gemeentelijke mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=2), bedraagt in totaal 96.000 opvangplaatsen. De verdeling van het benodigd aantal opvangplaatsen over alle provincies, zoals bedoeld in [artikel 3, tweede lid van de Wet gemeentelijke mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=3) jo. [artikel 2.1, tweede lid van het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](onbekend), bedraagt het aantal opvangplaatsen per provincie zoals opgenomen in tabel 1. De indicatieve verdeling van het benodigd aantal opvangplaatsen per gemeente, zoals bedoeld in [artikel 3, tweede lid van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049307&artikel=3) jo. [artikel 2.2, eerste lid van het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen](onbekend), bedraagt het aantal opvangplaatsen zoals opgenomen in tabel 2."},{"i":16669,"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2010 Gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34) en [96 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=96) en [Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3), [Hoofdstuk 3 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&hoofdstuk=3) en [artikel II van de Regeling van de Minister van VWS van 19 juli 2009, nr. Z/VV-2944170, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering, ter nadere invulling van de maatregelen om wanbetalers voor hun zorgverzekering te laten betalen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026210&artikel=II) Gelezen de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 september 2009 Z/F-2958947; Heeft in zijn vergadering van 6 oktober 2009 besloten: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. **college:** het College voor zorgverzekeringen; - b. **risicoklasse naar leeftijd en geslacht:** een één- of meerjarige leeftijdsklasse, verdeeld naar geslacht, overeenkomstig tabel B4.1 van [Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4), tabel B5.2 van [Bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5), tabel B6A.1 van [Bijlage 6A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6a) en tabel B7.1 van [Bijlage 7 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=7); - c. **risicoklasse naar farmacie kostengroep (FKG):** een klasse gebaseerd op geneesmiddelengebruik gekoppeld aan aandoeningen overeenkomstig tabel B4.2 van [Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) en tabel B6A.2 van [Bijlage 6A van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage"},{"i":16791,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 22 juli 2015 nr. BOACAT2015/030, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Stichting Veiligheidszorg Noord Gelezen het verzoek van de Directeur van de Stichting Veiligheidszorg Noord van 13 juli 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036904&artikel=2&z=2015-08-01&g=2015-08-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van OV-steward in dienst van Stichting Veiligheidszorg Noord, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar Vervoer, zie [9.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein. Artikel 4 Op grond van dit besluit kunnen maximaa"},{"i":5748,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 23 mei 2025, nr. FEZ/50777613, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor de pilot meer uren werken in het primair onderwijs (Subsidieregeling Meerurenmaatwerk) Gelet op de [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71) en [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) en [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **fte:** full-time equivalent van 40 uur per week; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **keuzeopties:** keuzeopties als bedoeld in [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051093&artikel=3&z=2025-06-11&g=2025-06-11), die aangeboden worden aan leraren voor uitbreiding of behoud van het aantal uren in hun contract; - **leraar:** degene die voldoet aan de bevoegdheidseisen gesteld in [artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=3) of [artikel 3 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=3); - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **primair onderwijs:** onderwijs dat gegeven wordt op een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) of op een school of instelling als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":13026,"b":"Besluit vervanging archiefbescheiden NVAO 2019 Gelet op: de regeling van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161 (10265), tot wijziging van de [Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041) in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; [artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). Besluit: Artikel 1 1. Over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van de Selectielijst voor de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) en diens taakvoorganger de Nederlandse Accreditatieorganisatie (NAO) vanaf 1 januari 2013 voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd. 2. Reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde Handboek vervanging archiefbescheiden NVAO Artikel 2 Dit besluit treed in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vervanging archiefbescheiden NVAO 2019. Bijlage Handboek vervanging archiefbescheiden **Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie** Definitief vastgesteld dagelijks bestuur NVAO d.d. 2 december 2019 Samenstelling Antony Fokker Ondersteuning DOCFactory Status vastgesteld Versie: 1.0 Datum: 2 december 2019 1. Inleiding 1.1. Aanleiding Sinds 2005 functioneert de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) als zelfstandig bestuursorgaan ter borging van de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. De informatiehuishouding die is verbonden aan het uitvoeren van de wettelijke taken laat een hybride situatie zien: in de dagelijkse praktijk is een verregaande digitalisering doorgevoerd, doch wettelijk gezien moet de NVAO de neerslag van zijn activiteiten op papier bewaren. Deze situatie is aanleiding te onderzoeken hoe de overgang naar formeel digitaal we"},{"i":16827,"b":"Besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 11 maart 2005, nr. DDS 5337205 tot instelling van het interventieteam veiligheid en jeugd Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de minister: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie; - b. het interventieteam: het interventieteam veiligheid en jeugd, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018097&artikel=2&z=2005-03-18&g=2005-03-18); - c. de drie andere interventieteams: het interventieteam toegankelijkheid; het interventieteam interetnische spanningen; het interventieteam relationele druk en geweld; - d. FORUM: het Instituut voor multiculturele ontwikkeling te Utrecht. Artikel 2 1. Er is een interventieteam veiligheid en jeugd. 2. Het interventieteam wordt ingesteld voor de duur van twee jaar. Artikel 3 Het interventieteam heeft tot taak: - a. het signaleren van ontwikkelingen aangaande het thema veiligheid en jeugd en het jaarlijks schriftelijk rapporteren over deze ontwikkelingen aan de minister; - b. het brengen van bezoeken aan en het voeren van overleg met gemeenten, instellingen of gemeenschappen waar zich problemen rondom dit thema voordoen, waarbij het interventieteam – in het geval één van de bij de problemen betrokken partijen daarom vraagt – bemiddelt tussen bedoelde partijen en deze partijen voorstellen doet om de problemen niet verder te laten escaleren, te voorkomen, dan wel op te lossen; - c. het gevraagd en ongevraagd doen van voorstellen aan gemeenten, instellingen of gemeenschappen voor de aanpak en oplossing van problemen rondom dit thema; - d. het stimuleren van contacten tussen en binnen de verschillende etnische groepen en van contacten tussen bedoelde groepen en gemeenten en relevante instellingen. Artikel 4 1. Het interventieteam bestaat uit een voorzitter en ten minste zes en ten hoogste acht andere leden. 2. Tot lid van het interventieteam zijn met ingang van 20 december 2004 benoemd: - –. de heer drs. P. Lan"},{"i":2730,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, februari 2004 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 58 derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en gelet op artikel 31 onderdeel l, op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand februari 2004, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel 1. van die regeling, stelt op 16 februari 2004, doch niet later dan 15 maart 2004 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,785 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 februari 2004 en eindigende met 15 maart 2004 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":19038,"b":"Besluit van de directeur-generaal Politie en Veiligheidsregio’s van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 28 januari 2021, nr. DGPenV/3196075, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de directeur-generaal ressorterende functionarissen (Mandaatbesluit DG Politie en Veiligheidsregio’s Ministerie van Justitie en Veiligheid 2021) Gelet op [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1), [artikel 3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3), paragraaf 1.3 van de CAO Rijk en [artikel 3.3 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=3.3); BESLUIT Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de directeur-generaal Politie en Veiligheidsregio’s verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel, portefeuille of programma betreffen, ondermandaat verleend aan: - a. de directeur Politieorganisatie en -middelen en Staf; - b. de directeur Politieel Beleid en Taakuitvoering; - c. de directeur Veiligheidsregio’s, Crisisbeheersing en Meldkamer; 2. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de directeur-generaal Politie en Veiligheidregio’s verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=5), ondermandaat verleend aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken. Artikel 2 1. Van het ingevolge [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":16866,"b":"Besluit van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 4 juli 2022, nr. 2021-0000346891, tot openstelling en vaststelling uitkeringsplafond aanvraagtijdvak van de vierde tranche van de Woningbouwimpuls Gelet op [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) en [artikel 3, tweede lid, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=3); Artikel 1 Conform [artikel 4, eerste lid, van het Besluit woningbouwimpuls 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043540&artikel=4) wordt het vierde aanvraagtijdvak van de woningbouwimpuls vastgesteld voor de periode van 19 augustus 2022 tot en met 25 september 2022. Artikel 2 Het uitkeringsplafond van dit aanvraagtijdvak is € 300.000.000. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19283,"b":"Wet van 27 september 2012 tot introductie van de bestuurlijke boete bij niet naleving van bijzondere meldingsplichten bij rijkssubsidies (Wet bestuurlijke boete meldingsplichten door ministers verstrekte subsidies) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op het tegengaan van mogelijk misbruik wenselijk is te voorzien in de mogelijkheid subsidieontvangers een bestuurlijke boete op te leggen bij niet naleving van aan een subsidie van een minister verbonden bijzondere meldingsplichten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet is van toepassing op door Onze Ministers verstrekte subsidies waarop ingevolge de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537)[titel 4.2 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) van toepassing is. Artikel 2 Indien voor een subsidie een datum geldt waarop de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend uiterlijk moeten zijn verricht alsmede een datum waarop de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld, verbindt Onze Minister die het aangaat aan de subsidiebeschikking de bijzondere meldingsplicht voor de subsidieontvanger om, zodra de eerstgenoemde datum is verstreken zonder dat de activiteiten geheel zijn verricht, daarvan onverwijld een schriftelijke melding te doen bij Onze Minister. Artikel 3 Indien bij de verlening van een subsidie tevens voorschotten van in totaal per jaar gemiddeld € 200 000 of meer ambtshalve worden verleend, kan Onze Minister die het aangaat aan de subsidie de bijzondere meldingsplicht verbinden om, indien de gemaakte subsidiabele kosten in bij die beschikking te bepalen periodes 75% of minder bedragen van de voor de desbetreffende periode begrote subsidiabele kosten, dit binnen twee maanden na afloop van die periode schrif"},{"i":18615,"b":"Wet van 1 april 2008, houdende regels over de parlementaire enquête (Wet op de parlementaire enquête 2008) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op [artikel 70 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=70), wenselijk is de huidige [Wet op de Parlementaire Enquête](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001841) te moderniseren en te vervangen door een nieuwe Wet op de parlementaire enquête, onder meer met het oog op de uitbreiding en verduidelijking van de bevoegdheden van de enquêtecommissie en met het oog op de verbetering en verduidelijking van de positie van personen die verplicht zijn tot medewerking aan een parlementaire enquête, de samenloop met ander onderzoek en de regeling van de openbaarheid dan wel vertrouwelijkheid bij een parlementaire enquête; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. Kamer: Eerste Kamer, Tweede Kamer of de verenigde vergadering der Staten-Generaal; - b. commissie: commissie als bedoeld in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023825&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-02-12&g=2025-02-12); - c. document: schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. 2. In deze wet wordt mede verstaan onder ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1) en de dienstplichtige als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Kaderwet dienstplicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008589&artikel=1). Hoofdstuk 2. De instelling van een parlementaire enquête Artikel 2 1. De Kamer kan op voorstel van één of meer leden besluiten een parlementaire enquête te houden. 2. Een"},{"i":17429,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 september 2024, nr. 2024- 0000114196, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van woondeals derde tranche (Regeling specifieke uitkering ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van woondeals derde tranche) Gelet op [artikel 2, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=2), en [artikel 3 van het Besluit van 29 oktober 2022, houdende het stellen van regels over het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten die passen in het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047481&artikel=3) (Stb. 2022, 452); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Minister:** de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - **woondeals:** regionale bestuurlijke afspraken tussen de Minister, provincie(s), gemeenten en andere relevante regionale partijen over woningbouw en verwante woononderwerpen. Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De Minister verstrekt een specifieke uitkering aan een provincie voor de inhuur van capaciteit of expertise om intern ondersteuning te bieden, voor het maken van proceskosten of om gemeenten te ondersteunen in het opstellen en uitvoeren van de woondeals. 2. De hoogte van de specifieke uitkering, bedoeld in het eerste lid, is per provincie vastgesteld en bedraagt (inclusief BTW): - a. Drenthe: € 666.000,–; - b. Flevoland: € 726.000,–; - c. Friesland: € 677.000,–; - d. Gelderland: € 900.000,–; - e. Groningen: € 697.000,–; - f. Limburg: € 700.000,–; - g. Noord-Brabant: € 1.021.000,–; - h. Noord-Holland: € 1.106.000,–; - i. Overijssel: € 744.000,–; - j. Utrecht: € 846.000,–; - k. Zeeland: € 667.000,–; - l. Zuid-Holland: € 1.250.000,–; 3. Alleen activiteiten die sinds 1 januari 2024 zijn uitgevoerd, komen in a"},{"i":18066,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 oktober 2022, nr. 23457860, houdende het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van het archief van het Rijksmuseum Boerhaave, 1927–1994 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief van 3 oktober 2022, nr. 33993328; Besluit: Tot het stellen van de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van Rijksmuseum Boerhaave, 1927–1994. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 69 | 2034 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047362&artikel=1&z=2022-10-26&g=2022-10-26), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder het inventarisnummer genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047362&artikel=1&z=2022-10-26&g=2022-10-26), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt voorts als bijlage gevoegd bij de Verklaring van Overbrenging van het archief van het Rijksmuseum Boerhaave, over de periode 1927–1944."},{"i":17117,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 april 2015, kenmerk 755292-135599-DMO, houdende instelling van de Adviescommissie participatie en emancipatie Sinti en Roma (Instellingsbesluit Adviescommissie participatie en emancipatie Sinti en Roma) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036597&artikel=2&z=2015-05-12&g=2015-05-12). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Adviescommissie participatie en emancipatie Sinti en Roma. 2. De commissie heeft tot taak om, aan de hand van de criteria vastgesteld in het Beleidskader voor de subsidiëring van projecten en activiteiten ten behoeve van de participatie en emancipatie van de Sinti en Roma in Nederland, de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te adviseren over: - a. de afdoening van aanvragen om subsidie voor projecten als bedoeld in het eerdergenoemde subsidiekader; - b. de afdoening van aanvragen om subsidie als tegemoetkoming voor scholing of studie als bedoeld in het eerdergenoemde subsidiekader; - c. andere aspecten en aangelegenheden die verband houden met de uitleg en toepassing van het eerdergenoemde subsidiekader. 3. De commissie heeft voorts tot taak om: - a. een goede en effectieve toepassing van het eerdergenoemde subsidiekader te stimuleren en daartoe contacten te leggen en te onderhouden met andere partners en overheden; - b. voorlichting over het eerdergenoemde subsidiekader en de werkzaamheden van de commissie te verzorgen. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en vier andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de Staatssecretaris benoemd. 3."},{"i":18253,"b":"Besluit van 26 oktober 1983, tot vaststelling van een reglement houdende bepalingen ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan Deel I Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.01. Betekenis van enkele uitdrukkingen In dit reglement wordt verstaan onder: - 1°. **schip**: elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water; - 2°. **motorschip**: schip dat gebruik maakt van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, met uitzondering van een schip waarvan de motor slechts wordt gebruikt ter verbetering van zijn bestuurbaarheid, wanneer het wordt gesleept of geduwd; - 3°. **groot schip**: schip niet zijnde een klein schip; - 4°. **klein schip**: schip waarvan de lengte minder dan 20 m bedraagt, waartoe als de lengte wordt aangemerkt de afstand van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste vaste deel van de romp, zonder de boegspriet, de papegaaistok en het trimvlak, zulks met uitzondering van - a. een schip dat een groot schip sleept, assisteert, duwt of langszijde vastgemaakt meevoert; - b. een passagiersschip; - c. een veerpont die vaart op een vaarweg van klasse II of hoger, zoals vastgesteld door de Conférence Européenne des Ministres de Transport en opgenomen in de Richtlijnen vaarwegen zoals periodiek vast te stellen door de Minister van Infrastructuur en Milieu; - d. een vissersschip; - e. een duwbak; - 5°. **snel schip**: groot motorschip, dat met een snelheid van meer dan 40 km per uur ten opzichte van het water kan varen; - 6°. **passagiersschip**: schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren; - 7°. **zeegaand schip**: groot schip dat, nadat het van zee is gekomen dan wel voordat het naar zee vertrekt, deelneemt aan de scheepvaart op een der in [bijlage 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&bijlage=11&z=2025-07-01&g=2025-07-01) genoemd"},{"i":16955,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 april 2019, kenmerk 1517626-189561-DMO, houdende de vaststelling van de Beleidsregels inzake de subsidiëring van projecten en activiteiten ten behoeve van de participatie en emancipatie van de Sinti en Roma in Nederland (Besluit vaststelling beleidsregels inzake de subsidiëring van projecten en activiteiten ten behoeve van de participatie en emancipatie van de Sinti en Roma in Nederland) Gelet op [artikel 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De beleidsregels inzake de subsidiëring van projecten en activiteiten ten behoeve van de participatie en emancipatie van de Sinti en Roma in Nederland worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Voor subsidieverlening op grond van dit besluit is per jaar een bedrag van € 500.000 beschikbaar. Subsidie voor studiebeurzen zijn hiervan uitgezonderd. Artikel 3 Het [Besluit vaststelling subsidieplafond en vaststelling beleidsregels inzake Beleidskader voor de subsidiëring van projecten en activiteiten ten behoeve van de participatie en emancipatie van de Sinti en Roma in Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036514), van 8 april 2015, wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2019. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidsregels inzake de subsidiëring van projecten en activiteiten ten behoeve van de participatie en emancipatie van de Sinti en Roma in Nederland. Bijlage Deze bijlage hoort bij het Besluit vaststelling beleidsregels inzake de subsidiëring van projecten en activiteiten ten behoeve van de participatie en emancipatie van de Sinti en Roma in Nederland. Beleidsregels voor de subsidiëring van projecten en activiteiten"},{"i":19495,"b":"Onderlinge regeling Nederland, Curaçao en Sint Maarten ex art. 38, eerste lid, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (samenwerking op het gebied van transport gedetineerden tussen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) Overwegende, dat het transport van gedetineerden tussen Sint Eustatius en Saba enerzijds en Bonaire anderzijds noodzakelijkerwijs via de landen Sint Maarten en/of Curaçao loopt, waarbij in voorkomende gevallen in die landen moet worden overnacht; Overwegende, dat wanneer een gedetineerde zich bevindt op het grondgebied van een van de landen, de Minister van Justitie van dat land verantwoordelijk is voor de beveiliging en het welzijn van die gedetineerde; Gelet op [artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38); Komen het volgende overeen: Artikel 1. Toepassing van deze regeling 1. Deze regeling is van toepassing op de overplaatsing van personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen op grond van een bevel tot inverzekeringstelling, een bevel tot voorlopige hechtenis of een veroordeling tot een vrijheidsstraf, hierna ook aangeduid als gedetineerden. 2. De toepassing van deze regeling is beperkt tot het transport van gedetineerden waarbij zowel de beginbestemming als de eindbestemming Bonaire, Sint Eustatius of Saba betreffen. Artikel 2. Kosten Nederland vergoedt de kosten die voortvloeien uit de toepassing van deze regeling. De landen verlenen elkaar alle medewerking om de uitoefening van de wettelijke verantwoordelijkheden jegens de gedetineerde te kunnen verzekeren. Artikel 3. Inspanningen van Nederland Bij toepassing van deze regeling streven de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ernaar het vervoer van een gedetineerde op één dag te laten plaatsvinden, zodat een overnachting op Curaçao dan wel Sint Maarten niet nodig is. Artikel 4. Procedure 1. Het openbaar ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba stelt door tussenkomst van de procureur-"},{"i":19105,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 28 februari 2013, met nr. 349706 houdende aanwijzing van de vermogenstraceerders werkzaam bij het Openbaar Ministerie, de buitengewone opsporingsambtenaren werkzaam bij de politie en de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, als ambtenaren in de zin van de artikelen 556, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering Gelet op de [artikel 556, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=556); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren die kunnen worden belast met de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen of beslissingen van het openbaar ministerie, als bedoeld in [artikel 556, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=556), worden aangewezen: - a. de vermogenstraceerders, werkzaam bij het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM), die op grond van [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142) zijn aangewezen; - b. de bij de politie werkzame buitengewone opsporingsambtenaren, die op grond van [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder a van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142) zijn aangewezen en - c. de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, als bedoeld in [artikel 141, aanhef en onder d van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) en [artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2). Artikel 2 Deze regeling berust op [artikel 6:1:5, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:1:5). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tot aa"},{"i":18746,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 14 juli 2022, kenmerk 2702133 houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de A-dossiers en haar voorlopers van het Ministerie van Justitie, (1923) 1948–1987 (2005) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) in lijn met het advies van het Nationaal Archief d.d. 25 november 2021 met kenmerk 3579914 en zaaknummer 100525 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de A-dossiers en haar voorlopers van het Ministerie van Justitie, (1923) 1948–1987 (2005), toegangsnummer 2.09.105 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de bijlage, in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047165&artikel=1&z=2022-09-21&g=2022-09-21), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047165&artikel=1&z=2022-09-21&g=2022-09-21), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief van de A-dossiers en haar voorlopers van het Ministerie van Justi"},{"i":18176,"b":"Besluit van 22 juli 1965, houdende overbrenging van de aangelegenheden betreffende de doelmatige organisatie in de rijksdienst van het departement van Financiën naar het departement van Binnenlandse Zaken Op de voordracht van Onze minister-president, minister van Algemene Zaken, mede namens Onze minister van Binnenlandse Zaken en Onze minister van Financiën van 21 juli 1965, nr. 163443; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Gezien de beschikking van Onze minister-president, minister van Algemene Zaken van 8 april 1954, nr. 37975, betreffende de bevordering van de doelmatige organisatie in de rijksdienst, alsmede de beschikking van Onze minister van Financiën van 20 januari 1955, afdeling Personeel, nr. 178, betreffende de instelling van een bureau van de adviseur organisatie rijksdienst; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig De aangelegenheden betreffende de doelmatige organisatie in de rijksdienst gaan, voorzover zij thans ressorteren onder het departement van Financiën, met ingang van 1 september 1965 over naar het departement van Binnenlandse Zaken. Onze ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze ministers, aan de Raad van State, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Kamers der Staten-Generaal."},{"i":18571,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Algemeen Wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 2 oktober 2003, nr. arc-2003.6459/1); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Algemeen Wetenschappelijke voorbereiding van het regeringsbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18752,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief betreffende bureaus Kabinet en Juridische Zaken van de afdeling Politie ressorterend onder het Ministerie van Justitie (1932–) 1945–1952 (–1968), (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archief bureaus Kabinet en Juridische Zaken van de afdeling Politie ressorterend onder het Ministerie van Justitie (1932–) 1945–1952 (–1968) bevattende de hierboven genoemde archieven, de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":17097,"b":"Gedragscode bewindvoerders Wsnp II De Minister van Veiligheid en Justitie, namens deze de Raad voor Rechtsbijstand, stelt vast de Gedragscode bewindvoerders Wsnp II:"},{"i":18323,"b":"Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden tussen Nederland en Sint Maarten inzake de verdeling van de opbrengsten van het octrooibestel Overwegende dat de voormalige Nederlandse Antillen zijn toegetreden tot het Europees Octrooiverdrag; Europese octrooien vanaf 4 april 2007 van kracht zijn geworden op de voormalige Nederlandse Antillen; het van kracht worden van Europese octrooien op de voormalige Nederlandse Antillen aanleiding heeft gegeven om de opbrengsten van de instandhoudingstaksen van die octrooien te verdelen; voor de verdeling van deze opbrengsten is besloten geen onderscheid te maken tussen taksen verschuldigd voor Europese en rijksoctrooien; de opbrengsten van de instandhoudingstaksen voor Europese en rijksoctrooien, op grond van de onderlinge regeling tussen Nederland en de Nederlandse Antillen inzake de verdeling van de opbrengsten van het octrooibestel van 17 september 2010, te rekenen vanaf april 2007 werden verdeeld naar rato van het inwonertal van Nederland enerzijds en de voormalige Nederlandse Antillen anderzijds; bij de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen van 7 september 2010 de Nederlandse Antillen op 10 oktober 2010 zijn opgeheven en Curaçao en Sint Maarten op die datum de hoedanigheid van land in het Koninkrijk hebben verkregen; het Europees Octrooiverdrag met ingang van 10 oktober 2010 medegelding heeft verkregen in de landen Curaçao en Sint Maarten; de onderlinge regeling is geëindigd met ingang van 10 oktober 2010; de verdeling van de opbrengsten tussen Nederland, Curaçao en Sint Maarten te rekenen vanaf 10 oktober 2010 opnieuw moet worden vastgesteld; de voormalige Minister van Economische Zaken van Nederland bij brief van 22 september 2010 aan de voormalige Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen heeft bevestigd dat de wijziging van de inwonertallen als gevolg van de opheffing van de Nederlandse Antillen tot april"},{"i":17899,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 1 juni 2015, nr. 709474, houdende wijziging van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs BES in verband met het uitbreiden van de reikwijdte van de regeling tot de Expertisecentra Onderwijszorg in Caribisch Nederland, de introductie van een continuïteitsparagraaf, alsmede enige andere wijzigingen Gelet op [artikel 2, eerste en vierde lid van het Besluit informatievoorziening WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029578&artikel=2), [artikel 17, vijfde lid, van het Bekostigingsbesluit WVO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029598&artikel=17) en de [artikelen 1.3.1, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=1.3.1) en [2.3.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.3.2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling jaarverslaggeving onderwijs BES. Artikel II Wijzigt de Regeling jaarverslaggeving onderwijs BES. Artikel III Voor het onderdeel continuïteitsparagraaf wordt het jaarverslag 2014 als overgangsjaar beschouwd. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt daarbij terug tot en met 1 januari 2014 in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17628,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 20 mei 2022, nr. IENW/BSK-2022/48111, houdende regels voor toekenning van specifieke uitkeringen voor intelligente verkeersregelinstallaties (Tijdelijke regeling specifieke uitkeringen intelligente verkeersregelinstallaties) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) en [artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **intelligente verkeersregelinstallatie:** verkeersregelinstallatie die kan communiceren met voertuigen en verkeersdeelnemers en de wegbeheerder de mogelijkheid biedt om verkeerstromen efficiënter te regelen; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **ontvanger:** een gemeente of een provincie; - **specifieke uitkering:** specifieke uitkering als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046687&artikel=4&z=2022-05-24&g=2022-05-24). Artikel 2. [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381) De [artikelen 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [8, derde lid, onderdelen a, b en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, eerste, derde en vierde lid, onderdelen a tot en met d en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=11), [12, onderdelen b tot en met f en i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=12), [14, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=14), [17, eerste lid, onderdelen a tot en met c en e, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=17), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=18), [20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":18491,"b":"Rijkswet van 7 juli 2010 tot wijziging van verschillende rijkswetten in verband met de verkrijging van de hoedanigheid van land binnen het Koninkrijk door Curaçao en Sint Maarten en de toetreding van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot het Nederlandse staatsbestel (Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, verschillende rijkswetten te wijzigen in verband met de verkrijging van de hoedanigheid van land binnen het Koninkrijk door Curaçao en Sint Maarten en de toetreding van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot het Nederlandse staatsbestel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Hoofdstuk 1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1.1 Wijzigt de Paspoortwet. Artikel 1.2 Wijzigt het Reglement voor de Gouverneur van Aruba. Artikel 1.3 Wijzigt de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid. Artikel 1.4 Wijzigt de Rijkswet houdende schadeloosstelling en financiële voorzieningen lid van Raad van State. Artikel 1.5 Wijzigt de Rijkswet tot vaststelling zeegrens tussen Nederlandse Antillen en Aruba. Artikel 1.6 Wijzigt de Rijkswet houdende regeling pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba. Artikel 1.7 Wijzigt de Rijkswet tot wijziging Wet Instelling van de Orde van Oranje-Nassau enz. Artikel 1.8 Wijzigt de Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning. Artikel 1.9 - a. Wijzigt deze wet. - b. Wijzigt de Rijkswet tot wijziging Paspoortwet (herinrichten reisdocumentenadministratie) (Stb. 2009/252)"},{"i":18531,"b":"Wet van 1 juli 1909, houdende bepalingen ter voorkoming van scheepsrampen, tot het instellen van een onderzoek omtrent voorgekomen scheepsrampen en omtrent maatregelen van tucht ten opzichte van kapiteins, stuurlieden of machinisten Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is bepalingen vast te stellen ter voorkoming van scheepsrampen, tot het instellen van een onderzoek omtrent voorgekomen scheepsrampen en omtrent maatregelen van tucht ten opzichte van schippers, stuurlieden of machinisten; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze rijkswet wordt verstaan onder: **buitengaats brengen**, voor zover het betreft het verlaten van - a. het Europese deel van het Nederlandse gebied en het Duitse gebied, gelegen aan de landzijde van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen lijn: het brengen van een schip aan de buitenzijde van deze lijn; - b. de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba: het verlaten van een der havens in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - c. Aruba, Curaçao of Sint Maarten: het verlaten van een der havens in Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten; - d. andere gebieden dan vermeld onder **a**, **b** en **c**: het brengen van een schip aan de buitenzijde van de lijn zoals deze door de overheid ter plaatse voor het buitengaats brengen is vastgesteld, dan wel volgens plaatselijke gewoonte wordt aangenomen. **het ondernemen van eene reis**: het buitengaats brengen van een schip; **Onze Minister**: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; **schepelingen**: allen, die zich als scheepsofficieren of scheepsgezellen aan boord bevinden of zich als zoodanig hebben verbonden; **kapitein**: elk gezagvoerder van een schip of die dezen verv"},{"i":18388,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 21 november 2017, houdende regels over een periodiek interdepartementaal overleg met betrekking tot financieel-economische aangelegenheden bij het Rijk (Regeling IOFEZ van het Rijk) Gelet op [artikel 4.20, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.20); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Auditdienst Rijk:** het dienstonderdeel, bedoeld in [artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=1.1); - **directeur FEZ:** de persoon die binnen een ministerie leiding geeft aan het centrale dienstonderdeel dat belast is met financieel-economische zaken; - **IOFEZ:** het interdepartementaal overleg met betrekking tot financieel-economische aangelegenheden. § 2. Organisatie en samenstelling Artikel 2. Samenstelling 1. Er is een IOFEZ. 2. De leden van het IOFEZ zijn: - a. de directeur-generaal van de Rijksbegroting van het Ministerie van Financiën; - b. de directeur Begrotingszaken van het Ministerie van Financiën; - c. de directeur Inspectie der Rijksfinanciën van het Ministerie van Financiën; - d. de directeuren FEZ van de ministeries. 3. De voorzitter van het IOFEZ is de directeur-generaal van de Rijksbegroting. Bij diens afwezigheid treedt de plaatsvervangend directeur-generaal van de Rijksbegroting als voorzitter op. Artikel 3. Secretaris 1. De voorzitter benoemt een ambtelijk secretaris. 2. De secretaris stelt voor elke vergadering van het IOFEZ in overleg met de voorzitter een agenda op. 3. De secretaris stelt van elke vergadering een verslag op en is belast met het archief van het IOFEZ. Artikel 4. Vergaderingen 1. Het IOFEZ vergadert ten minste vier keer per jaar. 2. De voorzitter kan een aanvullende vergadering bijeenroepen voor zover hij dit nodig acht of tenminste twee leden, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onder d](https://wette"},{"i":18638,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 24 november 2022, nr. 4307172, houdende wijziging van de Regeling politielegitimatiebewijs Gelet op [artikel 51 van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=51); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling politielegitimatiebewijs. Artikel II Politielegitimatiebewijzen die aan de in [artikel 1, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006559&artikel=1), bedoelde ambtenaren zijn uitgereikt voor 1 januari 2023, zullen gefaseerd doch uiterlijk op 1 januari 2025 worden ingenomen en vervangen door een nieuw politielegitimatiebewijs en behouden tot dat moment hun geldigheid. Artikel III Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2023. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatcourant worden gepubliceerd."},{"i":18680,"b":"Aanwijzingsbesluit Keuringsdienst van de Dienst Specialistische Recherche Toepassingen van het Korps landelijke politiediensten als keuringsdienst technische hulpmiddelen strafvordering Gelet op [artikel 22 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=22); Besluit: Artikel 1 De keuringsdienst van de Dienst specialistische operaties van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie wordt aangewezen als instantie voor de uitvoering van de keuring, bedoeld in [artikel 22 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020444&artikel=22). Artikel 2 Dit besluit kan worden aangehaald als Aanwijzingsbesluit keuringsdienst technische hulpmiddelen strafvordering. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17532,"b":"Regels vrijwillige werkloosheidsverzekering 2007 Gelet op [artikel 59 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=59) en [artikel 73, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=73); Besluit: Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Wet: de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); - b. vrijwillige verzekering: de vrijwillige verzekering op grond van [hoofdstuk III van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=III) - c. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Hoofdstuk II. Aanmelding Artikel 2 Een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering geschiedt met gebruikmaking van een door het UWV ter beschikking gesteld aanvraagformulier. Artikel 3 Bij de aanmelding voor de vrijwillige verzekering van degene, die is bedoeld in [artikel 53, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=53), wordt een verklaring overgelegd, waaruit ten genoegen van het UWV blijkt, welke nationaliteit betrokkene bezit, welke werkzaamheden betrokkene verricht en door welke organisatie betrokkene wordt uitgezonden. Hoofdstuk III. Aanvang en einde vrijwillige verzekering Artikel 4 Het UWV geeft van de op de aanvraag genomen beslissing schriftelijk kennis aan de aanvrager onder mededeling van het tijdstip waarop de vrijwillige verzekering een aanvang neemt. Artikel 5 1. Het UWV geeft aan de persoon, die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering, schriftelijk kennis van het tijdstip waarop de vrijwillige verzekering wordt beëindigd. 2. Het eindigen van de vrijwillige verzekering heeft geen invloed op de uitkeringen welke krachtens die verzekering lopen op het tijdstip waarop de verzekering een einde neemt. Hoofdstuk IV. Dagloon en premie vrijwillige verzekering Artikel 6 1. Onverminderd het bepaalde in [artikel 58, eerste"},{"i":18152,"b":"Besluit van 27 december 1995, houdende het machtigen van Onze Minister van Defensie tot het bevorderen van militairen die een officiersrang bekleden Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 20 december 1995, nr. PAV0670/95023057; Gelet op [artikel 27, tweede lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=27); Hebben goedgevonden en verstaan: onbenoemd Onze Minister van Defensie te machtigen officieren beneden de rang van kapitein ter zee/kolonel te bevorderen. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":18477,"b":"Rijkswet van 7 juli 2010, houdende Reglement voor de Gouverneur van Sint Maarten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, in verband met het verkrijgen van de hoedanigheid van land in het Koninkrijk door Sint Maarten, uitvoering te geven aan het bepaalde in [artikel 2, tweede en derde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=2); Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. afdeling Eerste. **Benoeming en ontslag van de Gouverneur** Artikel 1 1. De Gouverneur is vertegenwoordiger van de Koning in diens hoedanigheid van hoofd van de regering van Sint Maarten. Hij is tevens vertegenwoordiger van de regering van het Koninkrijk. 2. De Gouverneur wordt bij koninklijk besluit voor de tijd van zes jaren benoemd. Bij het verstrijken van deze termijn kan hij eenmaal worden herbenoemd voor de tijd van ten hoogste zes jaren. 3. De Gouverneur kan te allen tijde bij koninklijk besluit worden ontslagen. 4. Bij algemene maatregel van rijksbestuur wordt zijn materiële positie geregeld. 5. Het pensioen van de Gouverneur en zijn nagelaten betrekkingen wordt bij rijkswet geregeld. 6. Alle uitgaven, verband houdende met de uitoefening van het ambt van Gouverneur, komen ten laste van het land Nederland, behoudens de verrekening bedoeld in [artikel 35 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=35). Artikel 2 De Gouverneur legt in handen van de Koning of van degene, door de Koning hier"},{"i":16989,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Landbouwkwaliteit en voedselveiligheid vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 april 2006, arc-2006.02834/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Landbouwkwaliteit en voedselveiligheid en kwaliteit van het uitgangsmateriaal en biotechnologie over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19380,"b":"Wet van 8 november 1993 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wegenverkeerswet en de Wet op de economische delicten in verband met herziening van de raadkamerprocedure Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele bepalingen van het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), de Wegenverkeerswet en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) te wijzigen met betrekking tot de raadkamerprocedure, in het bijzonder betreffende de openbaarheid van deze procedure. Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I-III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV De artikelen I tot en met [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006231&artikel=III&z=1994-01-01&g=1994-01-01) hebben geen gevolgen voor procedures die reeds aanhangig zijn voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**, waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17972,"b":"Wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wet op de rechtsbijstand houdende herijking van de verlening van rechtsbijstand door de raden voor rechtsbijstand en de invoering van een lichte adviestoevoeging, alsmede de regeling van de vergoeding van mediation Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een duidelijke scheiding aan te brengen tussen de publieke en de private functie van de gesubsidieerde rechtsbijstand door herijking van de verlening van rechtsbijstand door de raden voor rechtsbijstand door invoering van de verlening van rechtshulp door de raden en overdracht van de taken die verband houden met de verdergaande verlening van rechtsbijstand aan de advocatuur, alsmede de regeling van de vergoeding van mediation; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel Ia Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel II Op aanvragen om een toevoeging, die door de raad zijn ontvangen voor inwerkingtreding van deze wet is het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18958,"b":"Besluit van 15 december 1967, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 539n, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 12 oktober 1967, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 369/667; Gelet op [artikel 539**n**, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=539n); De Raad van State gehoord (advies van 8 november 1967, nr. 39); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 6 december 1967, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 442/667; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Dit besluit heeft betrekking op verdachten die met toepassing van [artikel 539**k** van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=539k) van hun vrijheid zijn beroofd. Artikel 2 1. De ruimte waar de verdachte verblijft moet zodanig zijn ingericht, dat zoveel mogelijk wordt vermeden wat gelegenheid zou kunnen geven tot contact met derden, ontvluchting, vernieling of zelfmoord. 2. De verblijfsruimte mag niet door vochtigheid voor de gezondheid schadelijk zijn en moet aan redelijke eisen van reinheid voldoen. Voor voldoende verwarming en luchtverversing behoort te worden zorg gedragen. 3. In de verblijfsruimte moet een behoorlijk nachtleger aanwezig zijn. Artikel 3 1. In de voeding van de verdachte moet naar behoren worden voorzien. 2. De verdachte moet in staat worden gesteld zich regelmatig te wassen en te verschonen. Artikel 4 Indien de omstandigheden zulks toelaten, wordt de verdachte in de gelegenheid gesteld zich uit eigen gelden voeding te doen verschaffen, zich bezig te houden met de arbeid die hij verkiest en twee maal per dag gedurende een half uur beweging in de open lucht te nemen. Artikel 5 1. Degene in wiens handen de verdachte zich bevindt kan, nadat hij de verdachte heeft gehoord, wegens het begaan van feiten die onverenigbaar zijn met de goede orde en tucht uitsluit"},{"i":18027,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 februari 2017, nr. 2017-0000064263, houdende benoeming van de leden van de staatscommissie voor het parlementair stelsel en toekenning van een vergoeding aan die leden Gelet op [artikel 6, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. (Begripsbepaling) In dit besluit wordt verstaan onder staatscommissie: de staatscommissie voor het parlementair stelsel zoals bedoeld in [artikel 1 van het Instellingsbesluit staatscommissie parlementair stelsel](onbekend). Artikel 2. (Leden) 1. Voorzitter, tevens lid, van de staatscommissie is: J.W. (Johan) Remkes. 2. De andere leden van de staatscommissie zijn: - −. C.C. (Carla) van Baalen; - −. E.J. (Eric) Janse de Jonge; - −. J. (Jacob) Kohnstamm; - −. R.A. (Ruud) Koole; - −. E.F. (Flora) Lagerwerf-Vergunst; - −. T.W.G. (Tom) van der Meer; - −. A.C. (Nanneke) Quik-Schuijt. Artikel 3. (Secretaris) 1. Secretaris van de staatscommissie is: M.H. (Meine Henk) Klijnsma. 2. Plaatsvervangend secretaris van de staatscommissie is: A. (Ardaan) van Ravenzwaaij. Artikel 4. (Vergoeding) De voorzitter en de andere leden ontvangen een vaste vergoeding per maand, afgeleid van het maximum van schaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B), met een deeltijdfactor 0,1. Artikel 5. (Inwerkingtreding) 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. 2. Dit besluit vervalt op het moment dat de staatscommissie wordt opgeheven. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18613,"b":"Rijkswet van 14 juni 1990, tot herziening van het militair tuchtrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gedragsregels van het militair tuchtrecht vast te stellen bij de wet, alsmede nieuwe voorschriften te geven inzake de tuchtstraffen en de behandeling van tuchtzaken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 De zowel in deze rijkswet als in het [Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869) voorkomende uitdrukkingen hebben in beide dezelfde betekenis. [Artikel 61 van het Wetboek van Militair Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001869&artikel=61) is van toepassing. Artikel 2 De straffen, in deze rijkswet voorzien, zijn van toepassing op de militair die een gedragsregel van deze rijkswet schendt. Artikel 3 1. De gedragsregels van deze rijkswet zijn van toepassing: - a. gedurende de tijd waarin de militair dienst doet of behoort te doen; - b. op een militaire plaats; - c. anders dan in de gevallen, genoemd onder a en b, indien en voorzover de rijkswet de toepassing voorschrijft. 2. Onder de tijd waarin de militair dienst doet of behoort te doen, wordt in deze rijkswet mede verstaan de tijd waarin de militair in uniform gekleed gaat. 3. Onder militaire plaats wordt in deze rijkswet verstaan een gebouw, terrein, vaartuig, luchtvaartuig of voertuig, dat in gebruik is bij of ten behoeve van de krijgsmacht, of dat de militair tot verblijf of gebruik dient bij de vervulling van zijn taak in internationaal verband of waar de militair zich in krijgsgevangenschap bevindt. Artikel 4 1. In deze rijkswet wordt onder commandant verstaan de militair die ingevolge [artikel 49](ht"},{"i":19342,"b":"Wet van 28 oktober 1999, houdende opneming in de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet inzake de wisselkantoren, de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996 en de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994, van bepalingen betreffende handhaving door middel van een dwangsom of een bestuurlijke boete en van bepalingen betreffende de rechtsgang Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Wet toezicht beleggingsinstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004809), de [Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657), de [Wet toezicht kredietwezen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792), de [Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007477), de [Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509), de [Wet inzake de wisselkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007125), de [Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008369) en de [Wet financiële betrekkingen buitenland 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006547) bepalingen op te nemen betreffende handhaving door middel van een dwangsom of een bestuurlijke boete en van bepalingen betreffende de rechtsgang, teneinde de effectiviteit van de handhaving van deze wetgeving te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht beleggingsinstellingen. Artikel II Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Artikel III Wijzigt de Wet toezicht kredietwez"},{"i":18324,"b":"Onderlinge regeling inzake Samen Opleiden en Professionaliseren van Leraren in Opleiding in het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden Overwegende dat: Partijen elkaar op grond van [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=36) en [38, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38), van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden hulp en bijstand kunnen verlenen, en onderling regelingen kunnen treffen; Partijen het van belang vinden dat er voldoende bekwame leraren in het Caribisch deel van het Koninkrijk worden opgeleid om in de lokale vraag te voorzien; Partijen continu de onderwijs- en opleidingspraktijk in het Caribisch deel van het Koninkrijk onderzoeken en verbeteren en hierin samen willen optrekken teneinde het opleiden en professionaliseren van leraren te verbeteren; Partijen de verbetering van de opleiding van aanstaande leraren en de professionalisering van zittende leraren zien als één van de sleutels tot kwaliteitsverbetering in het onderwijs; de lerarenopleidingen nog niet goed op de beroepspraktijk aansluiten waardoor startende leraren een beroepsschok ervaren; Partijen gezamenlijk het onderwijsconcept Samen Opleiden en Professionaliseren in Aruba, Bonaire en Curaçao willen voortzetten om zo de samenhang, aansluiting op de praktijk en borging van de kwaliteit van de begeleiding in de opleidingen te verbeteren; het onderwijsconcept Samen Opleiden en Professionaliseren zich richt op de samenwerking tussen hoger onderwijsinstellingen, scholen en schoolbesturen waardoor leraren optimaal worden voorbereid op de praktijk en worden ondersteund in (de start van) hun loopbaan; het Partnerschap Kibrahacha sinds 2019 met een bijdrage van Aruba, Curaçao en Nederland het onderwijsconcept Samen Opleiden en Professionaliseren uitvoert en succesvolle samenwerkingen tussen de lerarenopleidingen en scholen ontplooit; Partijen hun waardering uitspreken voor het Partnerschap Kibrahacha en hun steun willen"},{"i":18181,"b":"Besluit van 8 september 1998, houdende regels betreffende de Rijksgebouwendienst (Besluit Rijksgebouwendienst 1999) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 september 1998, nr. 980264, Rijksgebouwendienst, Directie Huisvestingsbeleid, gedaan in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Hebben goedgevonden en verstaan: HOOFDSTUK 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie; - b. dienst: Rijksgebouwendienst, genoemd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009888&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=2&z=2008-10-01&g=2008-10-01); - c. huisvesting: ingebruikgeving en beheer van gebouwen, werken en daarbij behorende terreinen; - d. afnemer: lichaam of organisatie als bedoeld in de [artikelen 3, onderdelen a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009888&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=3&z=2008-10-01&g=2008-10-01), en [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009888&hoofdstuk=2&afdeling=1&artikel=4&z=2008-10-01&g=2008-10-01). Hoofdstuk 2. De Rijksgebouwendienst AFDELING 1. Instelling, taken en bevoegdheden Artikel 2 1. Er is een Rijksgebouwendienst, die in organisatorische zin ressorteert onder het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De dienst heeft de status van agentschap. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt de kaders vast ten aanzien van het rijksbrede beleid inzake de rijkshuisvesting. 3. Onze Minister is verantwoordelijk voor de uitvoeringspraktijk van de rijkshuisvesting. Artikel 3 De dienst heeft tot taak: - a. de zorg voor de huisvesting van de hoge colleges van staat, de onderscheidene ministeries, de daaronder ressorterende rijksdiensten en agentschappen; - b. de zorg voor de huisvesting van internationale organisaties, voorzover Onze Minister, dan wel Onze Ministe"},{"i":17258,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 29 augustus 2008, nr. CZ/TSZ-2873530, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake uitbreiding segment met vrije prijzen medisch specialistische zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 11 juni 2008 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2007/2008, 29 248, nr. 48); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg zoals instellingen voor medisch specialistische zorg die bieden. Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, met ingang van 1 januari 2009 beleidsregels vast. Artikel 2 De beleidsregels houden in dat met betrekking tot het in rekening brengen van de volgende zorg sprake is van een tarief waarop [artikel 57, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) van toepassing is: - a. zorg gerelateerd aan diagnosecodes, zoals opgenomen in de bijlage bij deze aanwijzing, voor zover daarvoor prestatiebeschrijvingen zijn vastgesteld; - b. zorg geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg dan wel medisch specialisten voor zover die niet als onderdeel van een diagnose behandelingscombinatie in rekening wordt gebracht: - 1. eerstelijnspsychologische zorg niet verricht door huisartsen; - 2. paramedische zorg zoals fysiotherapeuten die bieden; - 3. paramedische zorg zoals oefentherapeuten die bieden; - 4. dieetadvisering zoals diëtisten die bieden. Artikel 3 1. De zorgautoriteit stelt het (kapitaallasten)budget van individuele instellingen neerwaarts bij, rekening houdend met de omvang van het segment met zorg waarop [artikel 57, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR002"},{"i":17126,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 december 2025, kenmerk 4319407-1092199-J, houdende instelling van de Commissie van Deskundigen ten behoeve van de uitvoering van de Hervormingsagenda Jeugd (Instellingsbesluit Commissie van Deskundigen Rijk|VNG Hervormingsagenda Jeugd 2027) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Commissie:** de Commissie van Deskundigen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051987&artikel=2&z=2025-12-20&g=2025-12-20); - b. **ministerie:** het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **Partijen:** het Rijk, vertegenwoordigd door de staatssecretaris, en gemeenten, vertegenwoordigd door de VNG; - d. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - e. **VNG:** de Vereniging Nederlandse Gemeenten; - f. **Hervormingsagenda:** de Hervormingsagenda Jeugd 2023–2028 en de aanvullend gemaakte afspraken zoals vastgelegd in de Voorjaarsnota 2025, de Kamerbrief over voortgang beleid jeugdzorg van juni 2025 en de nog in ontwikkeling zijnde routekaart. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie van Deskundigen. 2. De Commissie heeft tot taak een zwaarwegend maatgevend advies uit te brengen aan Partijen over de uitvoering van de maatregelen en de gepleegde inspanningen uit de Hervormingsagenda, mede in relatie tot de uitgavenontwikkeling. Het advies ziet op: - a. of de beweging in het jeugdstelsel die de vijf betrokken groepen – Rijk, gemeenten, aanbieders, professionals en cliëntorganisaties en jongerenvertegenwoordigers – met elkaar willen maken door de uitvoering van de voornemens en maatregelen wordt gerealiseerd; - b. een beoordeling op basis van afspraken in de Hervormingsagenda, de inspanningen van Rijk en gemeenten en de bijbehorende opbrengsten, zowel landel"},{"i":19364,"b":"Wet van 23 december 1992, tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wettelijke voorzieningen te treffen ter verbetering van de positie van het slachtoffer van een strafbaar feit; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen verschillend kan zijn. 2. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat deze wet of bepaalde artikelen daaruit slechts van toepassing zijn in bij dat koninklijk besluit aan te wijzen arrondissementen. Behoudens eerdere intrekking vervalt deze aanwijzing twee jaar na het in het eerste lid bedoelde tijdstip. Artikel IX 1. De artikelen I tot en met [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005789&artikel=VI&z=1993-04-01&g=1993-04-01) van deze wet zijn niet van toepassing op strafbare feiten die zijn begaan voor het tijdstip van inwerkingtreding. 2. Artikel VII van deze wet is niet van toepassing op verzoeken, gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige ui"},{"i":17464,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 januari 2007, nr. MC/U-2736874, houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet toelating zorginstellingen Gelet op [artikel 35 van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=35); Besluit: Artikel 1 Als personen, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) naast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd, worden aangewezen: - a. van het College bouw zorginstellingen, voor zover het betreft de [artikelen 11, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=11), en [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=12): - –. de bestuursleden van het college; - –. de hoofden van de afdelingen Care en Cure en hun plaatsvervangers; - –. het hoofd van de sectie Bouwbegeleiding; - –. de medewerkers van de sectie Bouwbegeleiding; - –. de als secretaris-jurist benoemde medewerker. - b. van het College sanering zorginstellingen, voor zover het betreft: - 1°. de [artikelen 17, eerste en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=17), en [18, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=18); - 2°. de aan de toelating verbonden voorschriften inzake behoud van waarde van onroerende zaken voor de zorg: - –. de bestuursleden van het college; - –. de directeur/secretaris van het college en diens plaatsvervanger; - –. de gemachtigden van het college (onder verantwoordelijkheid van het college). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2006. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toezicht Wet toelating zorginstellingen. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18359,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 februari 2006, nr. KICK 2652266, houdende beperking van de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van het Ministerie van Maatschappelijk Werk over de periode 1952–1965 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019526&artikel=2&z=2006-02-11&g=2006-02-11) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019526&artikel=3&z=2006-02-11&g=2006-02-11) genoemde beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Ministerie van Maatschappelijk Werk over de periode 1952–1965, die zijn opgenomen in de institutionele toegang onder de in kolom 1 van onderstaande tabel genoemde inventarisnummers. Deze beperkingen gelden tot 1 januari van het in kolom 2 van onderstaande tabel genoemde jaartal. | Inventarisnummer: | Niet openbaar vóór 1 januari: | | --- | --- | | 743 | 2033 | | 746, 751 | 2034 | | 748 | 2035 | | 747, 754–756 | 2036 | | 745, 749–750, 752–753, 757–758, 814–815 | 2037 | | 744, 813 | 2038 | Artikel 2 Raadpleging van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019526&artikel=1&z=2006-02-11&g=2006-02-11) bedoelde archiefbescheiden is slechts mogelijk na ondertekening van het door het Nationaal Archief gehanteerde ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. Artikel 3 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van archiefbescheiden uit dossiers waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn, zonder toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan voorwaarden verbinden aan het verlenen van zijn toestemming. Ar"},{"i":18773,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 13 april 2023, kenmerk 4347283, houdende beperking van de openbaarheid van het archief wettigingdossiers (WE-dossiers) 1951–1997 van het Ministerie van Justitie Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 30 maart 2023, met kenmerk 1297092. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief wettigingdossiers (WE-dossiers) 1951–1997. Artikel 1 Gelet op het feit dat in de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming zijn deze inventarisnummers met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnr. | Openbaar 1 januari | Inventarisnr. | Openbaar 1 januari | Inventarisnr. | Openbaar 1 januari | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | 2047 | 47 | 2048 | 93 | 2046 | | 2 | 2062 | 48 | 2063 | 94 | 2054 | | 3 | 2061 | 49 | 2049 | 95 | 2044 | | 4 | 2060 | 50 | 2053 | 96 | 2041 | | 5 | 2045 | 51 | 2079 | 97 | 2050 | | 6 | 2045 | 52 | 2069 | 98 | 2054 | | 7 | 2052 | 53 | 2069 | 99 | 2046 | | 8 | 2055 | 54 | 2056 | 100 | 2052 | | 9 | 2043 | 55 | 2066 | 101 | 2044 | | 10 | 2060 | 56 | 2068 | 102 | 2053 | | 11 | 2046 | 57 | 2067 | 103 | 2053 | | 12 | 2053 | 58 | 2051 | 104 | 2050 | | 13 | 2053 | 59 | 2047 | 105 | 2047 | | 14 | 2053 | 60 | 2064 | 106 | 2047 | | 15 | 2040 | 61 | 2065 | 107 | 2050 | | 16 | 2047 | 62 | 2067 | 108 | 2044 | | 17 | 2053 | 63 | 2050 | 109 | 2045 | | 18 | 2047 | 64 | 2058 | 110 | 2049 | | 19 | 2056 | 65 | 2051 | 111 | 2048 | | 20 | 2046 | 66 | 2098 | 112 | 2046 | | 21 | 2047 | 67 | 2060 | 113 | 2050 | | 22 | 2046 | 68 | 2097 | 114 | 2050 | | 23 | 2039 | 69 | 2093 | 115 | 2050 | | 24 | 2044"},{"i":17668,"b":"Vaststelling selectielijst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) vanaf (2002) 1 mei 2024 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De volgende selectielijst wordt afgesloten: - •. [Selectielijst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid](onbekend) (SZW) voor de periode vanaf (2002) 2006, Staatscourant 2025, nr. 32240 Met terugwerkende kracht zullen de volgende werkprocessen uit de [selectielijst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid](onbekend) (SZW) voor de periode vanaf (2002) 2006, Staatscourant 2025, nr. 32240 worden ingetrokken: - •. Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en haar taakvoorgangers vanaf 2002. - ○. Voor de NLA betreft het de inspectieprocessen 6.2.3, 7.3, 7.6, 7.7, 7.8 en 7.9 in de af te sluiten ‘[Selectielijst Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid](onbekend) (SZW) voor de periode vanaf (2002) 2006’, (Staatscourant 2025, nr. 32240); - •. Directie Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving (UAW) vanaf 2006. - ○. Voor UAW betreft het werkproces 10.1.1 in de af te sluiten \"[Selectielijst Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid](onbekend) (SZW) voor de periode vanaf (2002) 2006\", (Staatscourant 2025, nr. 32240). - ○. N.B. Voor de overige directies wordt het proces 10.1.1 van de Selectielijst SZW uit 2015 niet ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17768,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Griekenland inzake sociale zekerheid Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning der Hellenen Bezield door de wens de betrekkingen inzake sociale verzekering tussen de beide Staten te regelen; Hebben besloten een daartoe strekkend Verdrag te sluiten en hebben te dien einde Hun gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Baron van Lynden, Ambassadeur der Nederlanden; Zijne Majesteit de Koning der Hellenen: Jean Toumbas, Minister van Buitenlandse Zaken, die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt: TITEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing: - a. in Nederland op de wettelijke regelingen betreffende: - 1. de ziekteverzekering (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte en moederschap); - 2. de verzekering inzake invaliditeit, ouderdom en vroegtijdig overlijden voor werknemers, met inbegrip van de bijslagen op de renten; - 3. de algemene ouderdomsverzekering; - 4. de algemene weduwen- en wezenverzekering; - 5. de verzekering inzake arbeidsongevallen en beroepsziekten met inbegrip van de bijslagen op de renten; - 6. de werkloosheidsverzekering; - 7. de kinderbijslagen; - 8. de bijzondere regelingen voor personen, werkzaam bij ondernemingen die steenkolenmijnen exploiteren; - b. in Griekenland op de wettelijke regelingen betreffende: - 1. de sociale verzekering voor de werknemers of met hen gelijkgestelden, betreffende ziekte en moederschap, invaliditeit, arbeidsongevallen en beroepsziekten, ouderdom en overlijden; - 2. de bijzondere verzekeringsstelsels voor bepaalde groepen werknemers tegen vorengenoemde risico's; - 3. de werkloosheidsverzekering der werknemers; - 4. de kinderbijslagen. Onder de term „wettelijke regelingen” zijn, in voorkomend geval eveneens begrepen reglementen en vorderingen. 2. Dit Verdrag is eveneens van"},{"i":17883,"b":"Besluit van 9 december 2008, houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met actualisatie van de regels over de vereveningsbijdrage Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 november 2008, kenmerk Z/F-2893521; Gelet op de [artikelen 32, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), en [34, derde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34); De Raad van State gehoord (advies van 26 november 2008, no. W.13.08.0496/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 december 2008, kenmerk Z/F- 2898399; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit zorgverzekering. Artikel II Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft. Artikel III Het [Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492) zoals dat luidde op 14 september 2008, blijft van toepassing op de toekenning en vaststelling van vereveningsbijdragen over jaren gelegen voor 2009. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 15 september 2008. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":19191,"b":"Richtlijn voor strafvordering zakkenrollerij Beschrijving Zakkenrollerij -waaronder begrepen diefstal uit een (hand)tas- is een delict waarbij de daders zich dicht bij het slachtoffer begeven en daardoor ook het veiligheidsgevoel van de burger meer aantasten dan bij andere kale diefstalvormen. Bij diefstal van bescheiden speelt ook de rompslomp (passen blokkeren, opnieuw aanvragen e.d.) het berooid achterlaten van een slachtoffer en het bederven van iemands tijd en plezier (denk aan toeristen). Bij dit delict geldt een verzwaarde recidiveregeling. Basiscasus/delict Zakkenrollerij van portefeuille met geld, rijbewijs en andere pasjes, alleen gepleegd. Legenda Afkortingen TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Voor een toelichting op de onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](onbekend)."},{"i":17025,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 21 december 2025, nr. 2025-0000700637 tot vaststelling van het uitkeringsplafond en aanvraagtijdvak van de tweede tranche van de Regeling specifieke uitkering woningbouwversnelling Metropoolregio Eindhoven Gelet op de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051209&artikel=4), en [6, tweede lid, van de Regeling specifieke uitkering woningbouwversnelling Metropoolregio Eindhoven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051209&artikel=6); Besluit: Artikel 1 De aanvraagperiode, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de Regeling specifieke uitkering woningbouwversnelling Metropoolregio Eindhoven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051209&artikel=6), wordt voor het jaar 2026 vastgesteld voor de periode van 27 februari tot en met 19 maart. Artikel 2 Het uitkeringsplafond van de aanvraagperiode, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052163&artikel=1&z=2026-02-01&g=2026-02-01), is € 33.750.000,– inclusief btw. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":17278,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 augustus 2016, nr. 2016-0000466322, houdende regels inzake bijzondere uitkeringen voor de verbetering van de positie van kinderen in Caribisch Nederland (Regeling bijzondere uitkering kinderrechten BES) Gelet op [artikel 92, vijfde lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028151&artikel=92); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bijzondere uitkering kinderrechten:** eenmalige bijzondere uitkering als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038430&artikel=2&z=2016-08-25&g=2016-08-25); - b. **project:** project als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038430&artikel=2&z=2016-08-25&g=2016-08-25). Artikel 2. Doel bijzondere uitkering kinderrechten De minister kan aan de openbare lichamen een bijzondere uitkering kinderrechten verstrekken voor projecten die de verbetering van de positie en rechten van kinderen in het Caribische deel van Nederland ten doel hebben onder meer door: - a. de bestrijding van de oorzaken en gevolgen van armoede van kinderen; - b. de bestrijding van de oorzaken en gevolgen van geweld tegen kinderen, of - c. het verbeteren van de participatie van kinderen aan sociale en culturele activiteiten. Artikel 3. Totale beschikbare bedrag 1. Het totale bedrag voor bijzondere uitkeringen kinderrechten bedraagt voor 2016 en 2017 € 1.400.000. 2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Artikel 4. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een bijzondere uitkering kinderrechten wordt uiterlijk 31 oktober 2017 ingediend door het bestuurscollege van het openbaar lichaam met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld formulier. 2. De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen: - a. een beschrijving van het project of"},{"i":18261,"b":"Wet van 19 mei 2011 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet op de rechterlijke indeling, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enkele andere wetten naar aanleiding van de evaluatie van de modernisering van de rechterlijke organisatie en in verband met de regeling van het klachtrecht inzake gedragingen van rechterlijke ambtenaren (Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is naar aanleiding van de evaluatie van de modernisering van de rechterlijke organisatie en mede in functie en perspectief van een herziening van de gerechtelijke kaart diverse wijzigingen aan te brengen in de wetgeving op het terrein van de rechterlijke organisatie en de rechterlijke indeling en dat het voorts wenselijk is de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830) aan te vullen met een regeling van het klachtrecht inzake gedragingen van rechterlijke ambtenaren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel II Wijzigt de Wet op de rechterlijke indeling. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel V Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel VI Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel VII Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VIII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel IX Wijzigt de Wet organisatie en bestuur gerechten. Artikel X Wijzigt de Beroepswet. Artikel XI Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel XII Wijzigt de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie. Artikel XIII Wijzigt de Advocatenwet. Artikel XIV Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet. Art"},{"i":18123,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 23 mei 2018 nr.: 201803/ KPCN/18 strekkende tot aanwijzing van buitengewoon agenten van politie bij de KMAR/Caribisch Nederland Gelezen het verzoek van de commandant KMAR/Caribisch Nederland van 23 april 2018 en het daaropvolgende advies van de hoofdofficier van justitie; Gelet op: [Artikel 184, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184); Het [Besluit buitengewoon agent van politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029175); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon agent van politie: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040951&artikel=2&z=2018-06-04&g=2018-06-04). Artikel 2 Maximaal 50 personen werkzaam bij KMAR/Caribisch Nederland in de functie van medewerker grensbewaking, senior medewerker grensbewaking, coördinator grensbewaking of teamleider grensbewaking, zijn aangewezen als buitengewoon agent van politie. Artikel 3 De buitengewoon agent van politie is bevoegd tot het opsporen van: - 1. Alle strafbare feiten voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de betreffende functie en het daaraan gekoppelde takenpakket; - 2. Verordeningen en/of Keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen; - 3. Andere strafbare feiten, indien hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek of voor een concreet project door een officier van justitie wordt belast voor de duur van dat onderzoek of project. Artikel 4 De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. Artikel 5 De buitengewoon agent van politie kan de in [artikel 13, eerste en derde lid, van de Rijkswet Politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=13) omschreven bevoegdheden uitoefenen. Artike"},{"i":18973,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 juli 2025, kenmerk 6500732, inzake het openstellen van de tijdelijke maatregelen in verband met het verlichten van capaciteitsproblemen binnen het gevangeniswezen Gelet op [artikel 33a, eerste en tweede lid, van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010171&artikel=33a); Besluit: Artikel 1 Gedurende de periode van 15 juli 2025 tot 31 december 2026 kunnen gedetineerden in aanmerking komen voor eindverlof zoals geregeld in [hoofdstuk 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010171&hoofdstuk=4a) en in het bijzonder [artikel 33c van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010171&artikel=33c). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17471,"b":"Regeling van de Minister van Justitie tot uitvoering van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3), en [35, tweede en vierde lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Besluit: Artikel 1 1. Het normbedrag dat geldt voor de bepaling van de hoogte van het voorschot dat in elk kwartaal wordt verstrekt aan door de raad ingeschreven advocaten wordt vastgesteld op € 669,–. 2. Het kwartaalvoorschot bedraagt niet meer dan € 41.800,–. 3. Het kwartaalvoorschot wordt op nihil gesteld, indien minder dan tien toevoegingen zijn afgegeven in de referentieperiode, bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2006. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tot vaststelling van de normbedragen voor voorschotverlening in 2006 op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18147,"b":"Besluit van 2 juli 2024 nr. 2024001705, houdende instelling van een Ministerie van Asiel en Migratie Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 2 juli 2024, kenmerk 4404108; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er is een Ministerie van Asiel en Migratie. Artikel 2 Onze Minister van Asiel en Migratie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van asiel en migratie voor zover deze voor 2 juli 2024 waren opgedragen aan Onze Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 3 De taken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 4 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049928&artikel=2&z=2024-07-06&g=2024-07-06) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049928&artikel=3&z=2024-07-06&g=2024-07-06) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Asiel en Migratie, Onze Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 2 juli 2024. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":17159,"b":"Besluit van 23 augustus 2007, houdende regels omtrent de hoogte en duur van de op te leggen administratieve maatregelen op grond van de socialezekerheidswetten (Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 juli 2007, nr. SV/R&S/07/21943; Gelet op de [artikelen 27, tiende lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=27), [45, zesde lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=45), [29, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=29), [90, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=90), [47, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=47), [39, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=39), [14, zesde lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=14), [17b, zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=17b), [38, zesde lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=38), en [17, zesde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=17); De Raad van State gehoord (advies van 25 juli 2007, nummer W12.07.0188/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 augustus 2007, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/R&S/07/26337; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Algemene begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. maatregel: een besluit waarmee een uitkering op grond van een in onderdelen b tot en met m genoemde wet, onderscheidenlijk een remigratievoorziening"},{"i":17162,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 juli 2009, nr. MEVA/ICT-2939365, houdende verlening van mandaat en machtiging aan SenterNovem ter uitvoering van de Subsidieregeling zorginnovatie Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en de schriftelijke instemming van de algemeen directeur van SenterNovem van 19 juni 2009, kenmerk ZJZ0913460; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **mandaat:** bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen; - b. **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **Agentschap NL:** baten-lastendienst van het Ministerie van Economische Zaken, bedoeld in [artikel 1 van het Instellingsbesluit baten-lastendienst Agentschap NL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026918&artikel=1); - d. **gemandateerde:** degene aan wie mandaat is verleend; - e. **machtiging:** bevoegdheid om in naam van de Minister handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. Aan de algemeen directeur van Agentschap NL wordt mandaat en machtiging verleend met betrekking tot het verstrekken van subsidies en vouchers op grond van de [Subsidieregeling zorginnovatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026090). 2. De algemeen directeur van Agentschap NL is gemachtigd ten aanzien van verweerschriften, beroepschriften en het vertegenwoordigen van de Minister in administratiefrechtelijke procedures. Artikel 3 1. De algemeen directeur van Agentschap NL is bevoegd aan één of meerdere onder hem ressorterende functionarissen ondermandaat en machtiging te verlenen tot het geheel of gedeeltelijk uitoefenen van zijn op grond van dit besluit toegekende bevoegdheden. 2. De algemeen directeur van Agentschap NL draagt zorg voor verzending van afschrif"},{"i":18329,"b":"Besluit van de Minister-President, de Minister van Algemene Zaken van 14 december 2017, nr. 3973240, houdende de vaststelling van het Organisatiebesluit van het Ministerie van Algemene Zaken Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister-President, de Minister van Algemene Zaken; - b. **ministerie:** het Ministerie van Algemene Zaken; - c. **ressorteren:** vallend onder het gezagsbereik van de genoemde functionaris. § 2. Hoofdstructuur van de organisatie Artikel 2 Het Ministerie van Algemene Zaken bestaat uit de volgende onderdelen: - a. de Algemene Leiding; - b. het Kabinet Minister-President, secretariaat Ministerraad; - c. het Directoraat-Generaal Rijksvoorlichtingsdienst; - d. het agentschap Dienst Publiek en Communicatie; - e. het bureau van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid; - f. de stafdirecties. § 3. Algemene Leiding Artikel 3 De Algemene Leiding bestaat uit: - a. de Secretaris-Generaal (SG); - b. de plaatsvervangend Secretaris-Generaal (pSG). Artikel 4 De Algemene Leiding ressorteert onder de minister. Artikel 5 De SG is ambtelijk eindverantwoordelijk voor de leiding van de onder [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040546&paragraaf=2&artikel=2&z=2018-01-27&g=2018-01-27) genoemde onderdelen en is verantwoordelijk voor de coördinatie van aangelegenheden met betrekking tot de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Artikel 6 De pSG vervangt de SG bij diens afwezigheid. § 4. Kabinet Minister-President, secretariaat Ministerraad Artikel 7 Het Kabinet Minister-President, secretariaat Ministerraad is belast met: - a. adviseren en ondersteunen van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, bij de uitvoering van de hem opgedragen taken; - b. het secretariaat van de Raad van Ministers, alsmede de secr"},{"i":17999,"b":"Aanpassing kostenvergoedingen Eerste- en Tweede-Kamerleden Besluit: Gelet op [artikel 19 van de Wet vergoeding leden Eerste Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=19) bedraagt de vergoeding van de beroepskosten, bedoeld in [artikel 16, eerste lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=16), voor het jaar 2002 € 1.992,13 op jaarbasis. Gelet op [artikel 19 van de Wet vergoeding leden Eerste Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=19) bedraagt de vergoeding van de beroepskosten, bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=16), voor het jaar 2002 € 4.150,27 op jaarbasis. Gelet op [artikel 10 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=10) bedraagt de vergoeding van de beroepskosten, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=9), voor het jaar 2002 € 2.091,90 op jaarbasis. Gelet op [artikel 10 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=9) bedraagt de vergoeding van de beroepskosten, bedoeld in [artikel 9, tweede lid, van genoemde wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=9), voor het jaar 2002 € 4.358,13 op jaarbasis. Gelet op [artikel 19 van de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=19) luiden de bedragen, bedoeld in [artikel 18, tweede en derde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=18) op jaarbasis vanaf 1 januari 2002 als volgt: | **Reisafstand** | **Ingevolge art. 18 lid 2** | **Ingevolge art. 18 lid 3** | | --- | --- | --- | | 0 km | € 234,- | € 488,- | | 10 km | € 2.339,- | € 4.873,- | | 75 km | € 4.679,- | € 9.748,- | | 150 km | € 7.604,- | € 15. 842,- | Gelet op [artikel 10 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer]("},{"i":19457,"b":"Besluit van 4 november 1994, houdende bepalingen met betrekking tot het verkeersbegeleidingstarief Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 mei 1994, nr. J 30.865/94, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 15**c**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=15c), tweede lid, [15**d**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=15d), tweede lid, en [36, eerste lid, eerste volzin, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=36); De Raad van State gehoord (advies van 22 augustus 1994, nr. W.09.94.0304); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 oktober 1994, nr. J 32.242/94, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. het tarief: het verkeersbegeleidingstarief, bedoeld in [artikel 15**c**, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=15c); - b. een tariefgebied: een verkeersbegeleidingstariefgebied als bedoeld in artikel 2, eerste lid; - c. de lengte: de lengte, zoals bepaald in artikel 1, onderdeel **m**, van de [Meetbrievenwet 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378) en vermeld in een Internationale Meetbrief (1969) als bedoeld in artikel 1, onderdeel **i** van die wet. Hoofdstuk II. Verschuldigdheid en maatstaven Artikel 2 1. Het bij ministeriële regeling vastgestelde tarief is verschuldigd voor de vaart met een zeeschip in de volgende verkeersbegeleidingstariefgebieden: - a. Eems; - b. Den Helder; - c. Noordzeekanaal; - d. Nieuwe Waterweg; - e. Westerschelde. 2. De tariefgebieden omvatten de op de kaart in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007006&bijlage=I&z=1996-01-12&g=1996-01-"},{"i":19411,"b":"Aanwijzingsregeling Stichting Waarborgfonds Motorverkeer als Schadevergoedingsorgaan Gelet op de [artikelen 27k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=27k), en [27n van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=27n); Besluiten: De Stichting Waarborgfonds Motorverkeer, statutair gevestigd te Rijswijk, met ingang van 15 juli 2003 aan te wijzen als Schadevergoedingsorgaan dat tot taak heeft in de gevallen, genoemd in artikel 27o, eerste lid van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, schade te vergoeden aan benadeelden. De vergoeding van deze schade wordt bekostigd uit de ingevolge artikel 24 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen aan de Stichting Waarborgfonds Motorverkeer betaalde bedragen. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18493,"b":"Rijkswet van 8 mei 2003, houdende regeling van cassatie in Antilliaanse en Arubaanse uitleveringszaken (Cassatieregeling in uitleveringszaken voor de Nederlandse Antillen en Aruba) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomstig de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=3) en [23 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=23) een regeling te geven tot invoering van het rechtsmiddel van cassatie door de Hoge Raad der Nederlanden ten aanzien van einduitspraken omtrent de toelaatbaarheid van verzoeken tot uitlevering gedaan door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Algemene bepalingen Artikel 1 In deze rijkswet wordt verstaan onder: - a. Gemeenschappelijk Hof: het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - b. einduitspraak: het advies van het Gemeenschappelijk Hof, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (Pb. 1983, 84), voor zover dit advies betreft de toelaatbaarheid van de uitlevering en de afgifte dan wel teruggave van in beslag genomen voorwerpen; - c. Gouverneur: de Gouverneur van Aruba, de Gouverneur van Curaçao en de Gouverneur van Sint Maarten die op grond van artikel 18, eerste lid, van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten over het verzoek tot uitlevering beslissen; - d. Wetboek: het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) van het Europese deel van"},{"i":19214,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 6 februari 2024, nr. MinBuZa.2024.20449-9, houdende beperkende maatregelen ten aanzien van Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad (Sanctieregeling Hamas en PIJ 2024) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; Gelet op [Verordening (EU) 2024/386](32024R0386) van de Raad van de Europese Unie van 19 januari 2024 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen degenen die gewelddadige acties door Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad steunen, faciliteren of mogelijk maken (PbEU 19 januari 2024, nummer 00386) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder **Verordening (EU) 2024/386**: [Verordening (EU) 2024/386](32024R0386) van de Raad van de Europese Unie van 19 januari 2024 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen degenen die gewelddadige acties door Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad steunen, faciliteren of mogelijk maken (PbEU 19 januari 2024, nummer 00386). Artikel 2 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 8, eerste lid, en 9, eerste lid, van [Verordening (EU) 2024/386](32024R0386). 2. Een verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 3, eerste lid, 4, eerste of tweede lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, of 7 van [Verordening (EU) 2024/386](32024R0386) van toepassing is. Artikel 3 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 4, tweede en derde lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van [Verordening (EU) 2024/386](32024R0386) is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard, met dien verstande dat in"},{"i":18391,"b":"Regeling van de Minister voor Veiligheid en Justitie van 13 december 2012, nr. 330698, houdende nadere regels over de behandeling van klachten over gedragingen van ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, onderdelen a tot en met c, van de Politiewet 2012 (Regeling klachtbehandeling politie) Gelet op [artikel 68, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=68); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **de wet:** de [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788); - c. **ambtenaren van politie:** de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onderdelen a, b en c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2); - d. **Landelijke eenheden:** de landelijke eenheden, bedoeld in [Artikel 25, eerste lid, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25); - e. **ondersteunende dienst:** een ondersteunende dienst als bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=28) of [artikel 36 van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=36); - f. **klachtencommissie:** een commissie als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032607&artikel=2&z=2025-09-04&g=2025-09-04); - g. **nationale klachtencommissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032607&artikel=4&z=2025-09-04&g=2025-09-04); - h. **klachtencommissies:** de commissies, bedoeld in de [artikelen 2, eerste lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032607&artikel=2&z=2025-09-04&g=2025-09-04), en [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032607&artikel=4&z=2025-09-04&g=2025-09-04). Artikel 2 1. Er is een klachtencommissie voor de landelijke eenheden en voor iedere regionale eenheid. De klachte"},{"i":19063,"b":"Besluit van het MT-lid Juridische en Internationale Zaken van de directie Advies, Regie en Centrale autoriteit van het directoraat-generaal Straffen en Beschermen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 20 augustus 2024, kenmerk nr. 5609434, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de onder het MT-lid ressorterende functionarissen (Mandaatbesluit JIZ/DARC/DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024) Het MT-lid Juridische en Internationale Zaken van de directie Advies, Regie en Centrale autoriteit van het directoraat-generaal Straffen en Beschermen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en [artikel 1, aanhef en onder b, van het Mandaatbesluit DARC/DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048087&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, aanhef en onder b, van het Mandaatbesluit DARC/DGSenB Ministerie van Justitie en Veiligheid 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048087&artikel=1) aan het MT-lid Juridische en Internationale Zaken verleende ondermandaat wordt aan de functionarissen, bedoeld in onderdeel B van [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050163&bijlage=1&z=2024-08-29&g=2024-08-29) bij dit besluit, ondermandaat verleend ten aanzien van de aangelegenheden als vermeld in datzelfde onderdeel bij de betreffende functionarissen met uitzondering van de aangelegenheden vermeld in onderdeel A van bijlage 1 die voorbehouden blijven aan het MT-lid Juridische en Internationale Zaken. Artikel 2 1. Het MT-lid Juridische en Internationale Zaken verleent ondermandaat aan het plaatsvervangend MT-lid Juridische en Internationale Zaken om bij afwezigheid of verhindering diens bevoegdheden uit te oefenen, voor zover een plaatsvervangend MT-lid is aangewezen. 2. Bij afwe"},{"i":18882,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 juli 2023 nr. BOACAT2023/043, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het team Beveiliging, Bewaking en Vervoer (BB&V) van de rechtbank Amsterdam Gelezen het verzoek van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048472&artikel=2&z=2023-10-01&g=2023-10-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van (senior) medewerker BB&V en (coördinerend) groepschef BB&V in dienst van de rechtbank Amsterdam bij het team BB&V, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbar"},{"i":18492,"b":"Rijkswet van 27 september 2001, houdende aanpassing van rijkswetten in verband met de vervanging van de gulden door de euro (Rijkswet aanpassing rijkswetten euro) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de rijkswetgeving aan te passen in verband met de vervanging van de gulden door de euro; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Artikel 1 Wijzigt de Wet herziening Wet instelling Militaire Willems-Orde. Hoofdstuk II. Ministerie van Buitenlandse Zaken artikel Enig Wijzigt de Wet op de Kanselarijrechten 1948. Hoofdstuk III. Ministerie van Defensie artikel Enig Wijzigt de Marinescheepsongevallenwet 1935 en de Wet militair tuchtrecht . Hoofdstuk IV. Ministerie van Economische Zaken Artikel Enig Wijzigt de Rijksoctrooiwet. Hoofdstuk V. Ministerie van Verkeer en Waterstaat Artikel 1 Wijzigt de Rijkswet Noodvoorzieningen Scheepvaart, de Schepenwet en de Wet behoud scheepsruimte 1939. Artikel 2 Wijzigt de Rijkswet Noodvoorzieningen Scheepvaart. Artikel 3 Wijzigt de Schepenwet. Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 1 Indien het bedrag van een door een bestuursorgaan op te leggen geldboete, dan wel van een tuchtrechtelijke geldboete, ingevolge deze wet of een ander wettelijk voorschrift in verband met de vervanging van de gulden door de euro wordt gewijzigd, is [artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=1) van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Artikel 3 Deze wet wordt aangehaald als: Rijkswet aanpassing rijkswet"},{"i":19538,"b":"Regeling exameneisen theorie beroeps- en verkeersvlieger Gelet op [artikel 23, derde lid van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=23); Besluit: Artikel 1 De eisen inzake kennis voor de bewijzen van bevoegdheid als beroepsvlieger en als verkeersvlieger, beide voor de categorieën vleugelvliegtuigen of hefschroefvliegtuigen en voor de bevoegdverklaring blindvliegen, worden hierbij vastgesteld in de vorm van de bij deze regeling behorende bijlage 5/1995. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1996. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling exameneisen theorie beroeps- en verkeersvlieger. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage die ter inzage wordt gelegd bij de Rijksluchtvaartdienst, Saturnusstraat 71 in Hoofddorp."},{"i":18895,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 februari 2023 nr. BOACAT2023/007, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Midden-Nederland Gelezen het verzoek van de korpschef van 3 februari 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047898&artikel=2&z=2024-07-17&g=2024-07-17). Artikel 2 1. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Midden-Nederland. 2. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de vrijwil"},{"i":19552,"b":"Regeling van de Nederlandsche Bank N.V. van 8 december 2015 ter uitvoering van artikel 26b van het Besluit prudentiële regels Wft (Regeling Oversight goede werking betalingsverkeer) Na raadpleging van betrokken organisaties; Gelet op [artikel 26b van het Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=26b); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Retail betalingsverkeer:** het geheel van betaalinstrumenten, betaaldiensten, betalingstransacties, procedures en betaalsystemen ter facilitering van de geldcirculatie, voor zover het gaat om particuliere transacties. - b. **Instelling:** bank, betaalinstelling of elektronischgeldinstelling als bedoeld in [artikel 1:1 Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) met zetel in Nederland. - c. **Tijdkritische betaalopdracht:** een betaalopdracht waarbij de goedkeuring van de aangeboden betaalopdracht onmiddellijk op het moment van initiatie van de betaalopdracht door de betaler en begunstigde wordt verwacht. - d. **Particuliere transacties**: transacties geïnitieerd door natuurlijke personen niet handelend in kader van beroep of bedrijf. Artikel 2 1. Deze regeling ziet op het retail betalingsverkeer binnen Nederland, voor zover instellingen via giraal betalingsverkeer betaalinstrumenten als bedoeld in [artikel 1:1 Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) aan hun klanten aanbieden. 2. Deze regeling is van toepassing op banken, betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen die 120 miljoen of meer girale particuliere transacties per kalenderjaar verrichten. Hoofdstuk 2. De goede werking van het retail betalingsverkeer Artikel 3 Onverminderd het bepaalde in [artikel 23 Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=23) dient een instelling: - 1. Te beschikken over een deugdelijke, duidelijke en afdwingbare juridische grondslag voor haar activ"},{"i":19557,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 17 december 2004, nr. WJZ 4078560, houdende bepalingen met betrekking tot de statistieken van goederenverkeer (Regeling statistieken goederenverkeer) Gelet op [artikel 38c, eerste en derde lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=38c); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926); - b. CBS: Centraal bureau voor de statistiek. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 1. Voor het doen van de opgave, bedoeld in [artikel 38c, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=38c) wordt gebruik gemaakt van de online applicatie IDEP+ die het CBS daarvoor beschikbaar heeft gesteld. 2. In afwijking van het eerste lid kan, indien de informatieplichtige niet beschikt over apparatuur waarmee een opgave op de wijze als in dat lid bedoeld kan worden gedaan, voor de opgave gebruik worden gemaakt van de originele door het CBS beschikbaar gestelde formulieren, waarvan het model is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 4 Vervallen Artikel 5 1. De vereenvoudigingsmethoden, bedoeld in [artikel 38c, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=38c) zijn de methoden, bedoeld in bijlage V, afdeling 31, derde, vijfde, zevende en negende punt, van [Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1197](33097R2020) van de Commissie van 30 juli 2020 tot vaststelling van technische specificaties en regelingen overeenkomstig [Verordening (EU) 2019/2152](32152R2019) van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese bedrijfsstatistieken en tot intrekking van tien rechtshandelingen op het gebied van bedrijfsstatistieken (PbEU 2020, L 271). 2. De in het eerste lid genoemde vereenvoudigingsmethoden gelden voor de jaren 2025, 2026 en 2027. Artikel 6 1. Uiterlijk"},{"i":19603,"b":"Besluit van 13 november 2019 tot wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met de tijdelijke verlenging van de geldigheidsduur van het rijbewijs in bepaalde gevallen (Tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in bepaalde gevallen) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 21 oktober 2019, nr. IenW/BSK-2019/217581 Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=122) en [126, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=126); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 november 2019, no. W17.19.0331/IV;) Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 12 november 2019, nr. IenW/BSK-2019/237844, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement rijbewijzen. Artikel II 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. 2. De [artikelen 25aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=25aa), [103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=103a), [145a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=145a), [148a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=148a) en [152a van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=152a) vervallen met ingang van 1 juni 2021. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in bepaalde gevallen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3203,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 15 maart 2024 nr. BOACAT2024/018, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Apeldoorn Gelezen het verzoek van de gemeente Apeldoorn van 28 februari 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049486&artikel=2&z=2024-12-19&g=2024-12-19). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van controleur openbare ruimte in dienst van de gemeente Apeldoorn, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan"},{"i":4560,"b":"Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024 Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2); Besluit Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **festival:** reeks van onderling samenhangende activiteiten die gedurende een in de tijd beperkte periode onder een gemeenschappelijke noemer worden georganiseerd; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, inclusief het Caribisch deel daarvan; - **liquiditeit:** vlottende activa gedeeld door vlottende passiva; - **programmeringskosten:** de kosten in de vorm van uitkoopsommen, honoraria en gages voor de professionele podiumkunstprogrammering; - **solvabiliteit:** het eigen vermogen gedeeld door het vreemd vermogen. Artikel 1.2. Doel Het bestuur kan meerjarige subsidies verstrekken aan festivalorganisaties voor activiteiten die bijdragen aan een kwalitatief hoogwaardig en pluriform aanbod van professionele podiumkunsten in Nederland in de jaren 2021 tot en met 2024 en het opbouwen en bereiken van een publiek daarvoor in hun omgeving. Artikel 1.3. Subsidieperiode 1. Subsidie wordt verstrekt voor een periode van vier jaar. 2. Het bestuur kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid subsidie verlenen voor een kortere periode als de financiële gegevens met betrekking tot de aanvrager daartoe aanleiding geven. 3. Een instelling kan slechts een aanvraag indienen. Artikel 1.4. Subsidieplafonds 1. Voor de periode 2021–2024 zijn per kalenderjaar de volgende bedragen beschikbaar voor het verstrekken van meerjarige subsidies aan instellingen: Landsdeel No"},{"i":3278,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 juli 2022 nr. BOACAT2022/050, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Leidschendam-Voorburg Gelezen het verzoek van gemeente Leidschendam-Voorburg van 11 juli 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046963&artikel=2&z=2022-09-01&g=2022-09-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerker Handhaving 1, 2, 3, 4 en 5 in dienst van gemeente Leidschendam-Voorburg, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen"},{"i":4055,"b":"Besluit van 31 augustus 2006, houdende vaststelling van de toeslag en het maximumbedrag van de toeslag voor de premie van verzekering tegen ziektekosten voor gerechtigden op basis van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Besluit toeslag premie ziektekostenverzekering Wubo en Wuv) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2006, kenmerk OHW-U-2693908; Gelet op [artikel 20, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=20), en [artikel 21, eerste en tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=21) en [artikel 14, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=14), en [artikel 15, eerste en tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=15); De Raad van State gehoord (advies van 2 augustus 2006, nummer W13.06.0304/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 augustus 2006, kenmerk OHW-U-2707908; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, enz. (vereenvoudiging systematiek toeslag premie ziektekostenverzekering) in werking treedt. Artikel 1 De toeslag, bedoeld in de [artikelen 20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=20), en [21, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=21) en de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=14), en [15, eerste lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=15), wordt vastgesteld op: - a. € 114 per 1 januari 2026: € 2"},{"i":4087,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 26 april 2011, nr. WJZ / 11060103, tot uitgifte van vergunningen voor landelijke commerciële radio-omroep betreffende de kavels A7 en A8 in de FM-band en digitale radio-omroep in band III Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; Gelet op [artikel 3.3, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3) en [artikel 3 van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=3); Besluit: § 1. Inleiding § 2. Wijze van verdeling van A7 en A8 § 3. Gelijktijdige uitgifte van twee vergunningen voor digitale radio-omroep in band III § 4. Nadere bestemming als bedoeld in [artikel 3.3, 5e lid Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3) § 5. Hoofdlijnen verdeelprocedure § 6. Start aanvraagprocedure"},{"i":4790,"b":"Loonheffingen, diverse onderwerpen De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 10 april 2014, nr. BLKB2014/0549M, over de tabel voor bijzondere beloningen, een studentenkaart, eindheffing en de pseudo-eindheffing voor hoog loon. In dit besluit zijn de achterhaalde onderdelen uit het voorgaande besluit, over eindheffing en de pseudo-eindheffing voor hoog loon, niet meer opgenomen.** 1. Inleiding Dit besluit bevat enkele uiteenlopende onderwerpen over de loonheffingen. Het betreft een actualisering van het [besluit van 10 april 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035052), nr. BLKB2014/0549M. Nog van belang zijn de onderdelen over de levensloopregeling, de tabel voor bijzondere beloningen en de studentenkaart. In dit besluit zijn de achterhaalde onderdelen niet meer opgenomen. Dit betreft de eindheffing onder de [Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012059) (voorheen [onderdeel 5](onbekend)) en de pseudo eindheffing voor hoog loon 2013 en 2014 (voorheen [onderdeel 6](onbekend)). 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 2. Levensloopregeling (overgangsrecht) De goedkeuring in het [besluit van 14 december 2010, nr. DGB 2010/7826M, onder 2](onbekend), blijft van toepassing voor werknemers die volgens het overgangsrecht nog een aanspraak hebben ingevolge een levensloopregeling (zie [artikel 39d, eerste lid, van de Wet LB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=39d)). 3. Toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen De inhouding van loonheffing over bepaalde beloningen vindt plaats met toepassing van een tabel voor bijzondere beloningen (zie [artikel 26 van de Wet LB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=26)). De toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen kan tot een hoger heffingspercentage leiden dan het percentage dat past bij het loon over het lopende jaar in de volgende twee gevallen. Op grond v"},{"i":3616,"b":"Besluit van 26 januari 2021, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet kansspelen op afstand (Besluit kansspelen op afstand) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 3 juli 2020, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2962454; Gelet op de [artikelen 4a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=4a), [21, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=21), [25, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=25), [27ja, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27ja), [30u, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30u), [30v, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30v), [31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31), [31a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a), [31b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31b), [31c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31c), [31d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31d), [31g, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31g), [31h, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31h), [31i, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31i), [31j, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31j), [31k, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31k), [31l, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31l), [31m, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31m), [33h, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33h), [34k, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34k), [34l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34l) en [35d van de Wet"},{"i":3662,"b":"Besluit mandaat Dienst Regelingen Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1999 In overeenstemming met de Minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. Dienst Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. besluit: [Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700). Artikel 2 1. De teammanagers uitvoering en de regelingsmanagers van Dienst Regelingen zijn bevoegd om namens de minister besluiten te nemen en stukken te ondertekenen met betrekking tot. primaire beslissingen inzake: - a. het toekennen van een definitieve bijdrage als bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700&artikel=17); - b. het toekennen van een voorlopige bijdrage als bedoeld in [artikel 20, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700&artikel=20). 2. De teammanagers uitvoering en de regelingsmanagers van de Dienst Regelingen zijn bevoegd om namens de minister stukken af te doen met betrekking tot: - a. de ontvangst van de aanmelding, als bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700&artikel=3a); - b. de ontvangst van de declaratie, als bedoeld in [artikel 13, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700&artikel=13); - c. het instellen van een nader onderzoek, als bedoeld in [artikel 17, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700&artikel=17); - d. het toekennen en betaalbaar stellen van een definitieve bijdrage, als bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010700&artikel=17); - e. het toekennen en betaalbaar stellen van een voorlopige bijdrage, als bedoeld in [artikel 20, eerste lid"},{"i":3704,"b":"Besluit mandaat Rijksbouwmeester Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. mandaat: bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen; - b. minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - c. Rijksbouwmeester: Rijksbouwmeester, bedoeld in [artikel 13 van het Besluit Rijksgebouwendienst 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009888&artikel=13); - d. wet: [Wet op de architectentitel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189). Artikel 2 Aan de Rijksbouwmeester wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten met betrekking tot: - a. het verlenen van ontheffing wegens ‘uitzonderlijke bekwaamheid’, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onder g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=9); - b. de aanwijzing van diploma’s, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onder j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004189&artikel=9). Artikel 3 Een document waarmee op grond van dit mandaat een besluit wordt vastgelegd vermeldt aan het slot: ‘De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor deze: de Rijksbouwmeester,’. Artikel 4 1. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat Rijksbouwmeester. 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4511,"b":"Circulaire risicobeheersing lithium-ion energiedragers 1. Aanleiding en doel 1.1. Aanleiding De energietransitie betekent onder meer een intensivering van het batterijgebruik. Vooral het gebruik van de efficiënte, oplaadbare lithium-ion energiedragers heeft een stevige vlucht genomen. De verwachting is dat het gebruik van deze energiedragers exponentieel zal toenemen in veelsoortige toepassingen: in huishoudens, voertuigen en energiesopslagsystemen (EOS’en). Hoewel lithium-ion energiedragers niet een heel groot risico vormen bij juist gebruik, zijn er risico’s aan verbonden. Zo kan bijvoorbeeld door oververhitting een zogeheten thermal runaway ontstaan die leidt tot een felle, lastig te bestrijden brand en het vrijkomen van giftige stoffen. Bij incidenten waarbij dit type energiedrager betrokken raakt, zijn ook risico’s voor de omgeving niet uitgesloten. Dit speelt vooral als het om grotere hoeveelheden energiedragers gaat, die in elkaars nabijheid geplaatst zijn. In de praktijk gaat het daarbij enerzijds om de opslag van lithium-ion energiedragers, in afwachting of na afloop van gebruik en anderzijds om de toepassing van lithium-ion energiedragers in een groter energieopslagsysteem (EOS). Gebleken is dat er met urgentie behoefte is aan richtsnoeren die de veiligheid (verder) verhogen. In de brief aan de Tweede Kamer1Brief van de minister voor Milieu en Wonen aan de Tweede Kamer van 28 januari jl. (Kamerstukken II, 2019/20, 31 209, nr. 223).https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/01/28/strategische-aanpak-batterijen heb ik onderhavige circulaire aangekondigd. Zie daarvoor in het bijzonder de bij die brief gevoegde bijlage 1. Ik heb dit bevestigd in mijn brief van 3 juni 2020 aan de Tweede Kamer2Kamerstukken II, 2019/20, 28 089, 171. inzake Omgevingsveiligheid en milieurisico’s. 1.2. Doel Vooruitlopend op regelgeving en in afwachting van de totstandkoming van de PGS-373In ontwikkeling zijnde aflevering uit de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen (PGS"},{"i":4006,"b":"Besluit SONT tarieven en voorwerpen thuiskopievergoeding 2023–2024 De tarieven en voorwerpen (apparaten) van de thuiskopievergoeding voor de periode 2023–2024 komen als volgt te luiden: **Voor refurbished voorwerpen die door een onderneming worden aangeboden aan eindgebruikers, geldt een tarief dat met 40% verlaagd is ten opzichte van het tarief in de tabel.**"},{"i":3012,"b":"Besluit van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank van 22 mei 2023, houdende de aanwijzing van toezichthouders als bedoeld in artikel 55a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Besluit aanwijzing toezichthouders SVB 2023) Overwegende dat het noodzakelijk is dat gecontroleerd wordt of de regels van de aan de SVB opgedragen wetten en regelingen worden nageleefd, teneinde rechtmatige verstrekking van uitkeringen te bevorderen en misbruik dan wel fraude te voorkomen én te bestrijden; Gelet op de [artikelen 34, eerste lid, onder a en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34), [34a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34a), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=54), [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=55) en [55a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=55a) en [artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:11); Besluit: Artikel I Tot toezichthouder, belast met het toezicht op de naleving van de in [artikel 34, eerste lid, onderdelen a en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34) en [34a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34a) bedoelde wet- en regelgeving en de [artikelen 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=54) en [55 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=55), worden aangewezen: - a. alle personen die werkzaam zijn in een functie binnen de afdeling Preventie & Handhaving van de Directie Dienstverlening Sociale Verzekeringen; en - b. bij eventuele wijziging van de SVB organisatie, de medewerkers met een vergelijkbare functie en taakveld binnen de SVB organisatie. Art"},{"i":2987,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 september 2021, nr. IENW/BSK-2021/183819, houdende aanwijzing van ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de Wet implementatie EETS-richtlijn (Besluit aanwijzing toezichthouder Wet implementatie EETS-richtlijn) Gelet op [artikel 41 van de Wet implementatie EETS-richtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586&artikel=41); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet implementatie EETS-richtlijn in werking treedt. Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen, genoemd in [artikel 41 van de Wet implementatie EETS-richtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586&artikel=41), worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet implementatie EETS-richtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586) in werking treedt. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouder Wet implementatie EETS-richtlijn. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3050,"b":"Besluit van 28 juni 2011, houdende actualisering van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 19 april 2011, nr. 5693390/11/6; Gelet op de [artikelen 145, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=145) en de [artikelen 5d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=5d), en [54 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=54); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord advies van 26 mei 2011, No. W03.11.0141/II; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 14 juni 2011, nr. 5698599/11/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2011. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit actualisering Bora. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4760,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 8 februari 2016, nr. 694813, houdende vaststelling van een gezamenlijke kaderregeling voor subsidieverstrekking (Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS) Gelet op de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4), en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5), de [artikelen 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=70), [116, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=116), [123, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=123), en [164a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=164a), de [artikelen 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67), [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=69), [98, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=98), [103, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=103), en [130, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=130), de [artikelen 71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71), [113, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=113), [120, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=120), en [146a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=146a), de [artikelen 74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=74), [85a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=85a), [89, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":4459,"b":"Circulaire Aankoop effecten met spaarloon Circulaire aan de Ministers Bij besluit van 6 april 1994, nr.AD94/U464, is de [Spaarloonregeling rijkspersoneel](onbekend) van kracht geworden. In genoemde regeling is onder andere bepaald dat op het salaris van de ambtenaar die dit wenst in gelijke maandelijkse termijnen dan wel eenmalig in een kalenderjaar een bedrag wordt ingehouden ten behoeve van zijn spaarloonregeling. Ook kan het ingehouden bedrag worden aangewend ten behoeve van een levensverzekering. Na verloop van tijd werd geconstateerd dat er bij de uitvoering van de regeling technische problemen ontstonden. Mede naar aanleiding hiervan is de spaarloonregeling in overleg met de departementen geëvalueerd. Een aantal meer technische zaken zal interdepartementaal worden opgepakt. Voorts heb ik een onderzoek doen instellen naar de mogelijkheid om de aankoop van effecten te regelen. Uit dit onderzoek is mij gebleken dat de aankoop van effecten met spaarloon ook binnen de [Spaarloonregeling Rijkspersoneel](onbekend) mogelijk is. Het kopen van effecten met spaarloon is mogelijk te maken, omdat in de belastingwet op het spaarloon, de effecten gekocht met spaarloon opgevat worden als spaarloon. Dat wil zeggen dat de aangekochte effecten, net als het ’gewone’ spaarloon, geblokkeerd dienen te blijven (voor in totaal 4 jaar). De controle op de blokkade op de effecten kan echter onverkort en op dezelfde manier worden toegepast als op de ’gewone’ spaartegoeden in geld. Om het kopen (en verkopen) van effecten mogelijk te maken behoeft de regelgeving zoals vastgelegd in mijn eerder genoemd besluit niet aangepast te worden. Het feit dat in de [Spaarloonregeling Rijkspersoneel](onbekend) niet is gekozen voor het aangaan van een contract met één financiële instelling, heeft er namelijk toe geleid dat in [artikel 3, tweede lid, van de Spaarloonregeling Rijkspersoneel](onbekend), de deelnemers wordt gevraagd een schriftelijke verklaring van de financiële instelling te overleggen waar"},{"i":2566,"b":"Beleidsregel van de Inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 april 2024, over de verzoekcertificering van herkauwers en varkens in het kader van export naar derde landen Gelet op [artikel 4:5, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) en [4:81, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), artikel 87, onder b, en 88, eerste lid, van [verordening (EU) 2017/625](32017R0625), [artikel 6.3, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3) en [artikelen 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=2a) en [6, zevende lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6);Besluit: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **E-certNL:** systeem voor elektronische uitwisseling van im- en exportgegevens waarin door de NVWA goedgekeurde modelverzoekcertificaten worden beschikbaar gesteld; - –. **Exclusieve verzoekcertificaat:** verzoekcertificaat opgesteld met gebruikmaking van een door een aanvrager opgesteld model ten behoeve van de export van een specifieke zending van een of meer herkauwers of varkens en alleen geschikt om voor die betreffende zending te worden gebruikt; - –. **Herkauwers:** dieren van de onderorde Ruminantia; - –. **NAW-gegevens:** naam, adres en woonplaats; - –. **NVWA:** Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - –. **Modelcertificaat:** een exclusief of publiek verzoekcertificaat vastgesteld volgens een door de NVWA vastgestelde lay-out en met daarop door de NVWA beoordeelde verklaringen, welk model bij een exportaanvraag niet kan worden gewijzigd, en welk model wordt gebruikt bij de aanvraag van een publiek of exclusief verzoekcertificaat voor de export van specifieke zending herkauwers of varkens; - –. **Publiek verzoe"},{"i":4714,"b":"Instellingsbesluit Commissie Feiten en Tarieven, Openbaar Ministerie Geldend vanaf: 12 januari 2022 Datum vaststelling door het College van procureurs-generaal: 12 januari 2022 Inleiding Voor bepaalde veelvoorkomende overtredingen en misdrijven op het gebied van onder meer verkeer, milieu, openbare orde, leefbaarheid, en enkele bijzondere wetten kunnen de zaken door gebruikmaking van een feitcode geautomatiseerd in de strafrechtketen worden verwerkt. Deze feiten zijn opgenomen in de [Bijlage bij de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](onbekend) (Wahv), de [Bijlagen bij het Besluit OM-afdoening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022233&bijlage=I) en de bij de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen behorende bijlagen met OM-feiten. Aan een strafbepaling wordt een codering – de zogeheten feitcode – verbonden die gekoppeld is aan een concrete omschrijving van het strafbare feit of Muldergedraging met het bijbehorende artikel en – met uitzondering van de OM-strafbeschikkingsfeiten – een vast tarief dat op het betreffende feit is gesteld. Voor de meest voorkomende feiten zijn tevens door de commissie gevalideerde standaardteksten opgesteld ten behoeve van het proces-verbaal. De Commissie Feiten en Tarieven adviseert het College over dit feitgecodeerde stelsel. Taken De commissie heeft de volgende taken: Samenstelling en benoeming Slotbepaling Aldus vastgesteld te Den Haag op 12 januari 2022 door het College van procureurs-generaal."},{"i":2962,"b":"Besluit van 25 november 2013 tot aanwijzing van lokale spoorwegen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 13 november 2013, nr. IenM/BSK-2013/251482, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=2); Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 1 van de Wet lokaal spoor in werking treedt. Artikel 1 Als lokale spoorweg, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&artikel=3), worden aangewezen de spoorwegen, niet zijnde spoorwegen die uitsluitend in gebruik zijn ten behoeve van strikt historisch of toeristisch vervoer en niet zijnde spoorwegen in particulier eigendom die uitsluitend door de eigenaar voor diens goederenvervoer gebruikt worden, gelegen binnen de gemeenten Albrandswaard, Amstelveen, Amsterdam, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Delft, Den Haag, Diemen, Lansingerland, Leidschendam-Voorburg, Maassluis, Nieuwegein, Ouder-Amstel, Pijnacker-Nootdorp, Rotterdam, Rijswijk, Schiedam, Spijkenisse Uithoorn, Utrecht, Vlaardingen, Westland, IJsselstein en Zoetermeer, alsmede de daaraan verbonden spoorwegen naar de terreinen van werkplaatsen en remises. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [hoofdstuk 1 van de Wet lokaal spoor](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034363&hoofdstuk=1) in werking treedt. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2942,"b":"Besluit van 30 september 2013, houdende aanwijzing aan Gouverneur van Sint Maarten tot het gelasten van onderzoek naar het functioneren van het openbaar bestuur van Sint Maarten Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 september 2013, nr. 2013-0000428875; Overwegende, dat het wenselijk is de Gouverneur van Sint Maarten een aanwijzing te geven tot het doen instellen van een onderzoek naar het behoorlijk en integer functioneren van het openbaar bestuur van Sint Maarten; Gelet op de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028096&artikel=15) en [20 van het Reglement voor de Gouverneur van Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028096&artikel=20) juncto [artikel 43 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=43); [Artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=10) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De Gouverneur gelast een onafhankelijk onderzoek. Dit onderzoek richt zich op het behoorlijk en integer functioneren van het openbaar bestuur zoals dat een democratische rechtsstaat betaamt. 2. Het onderzoeksrapport bevat tevens aanbevelingen met betrekking tot geconstateerde knelpunten en tekortkomingen in het functioneren van het openbaar bestuur als bedoeld in het eerste lid. 3. De Gouverneur legt binnen zes maanden na de opdrachtverlening, door tussenkomst van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het onderzoeksrapport voor aan de raad van ministers van het Koninkrijk. Binnen drie maanden na de opdrachtverlening brengt hij tussentijds rapport over de voortgang uit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende toeli"},{"i":4871,"b":"Besluit van het hoofd van de afdeling Toegang Rechtsbestel van het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 13 januari 2026 nr. 7018151 houdende verlening van ondermandaat aan de in dit besluit genoemde coördinator Kwartiersmakersteam landelijk dekkend netwerk sociaaljuridische dienstverlening (Mandaatbesluit Kwartiermakersteam landelijk dekkend netwerk sociaaljuridische dienstverlening 2026) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en [artikel 3 Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 3 van het Mandaatbesluit DGRR Ministerie van Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050069&artikel=3) aan het afdelingshoofd Toegang Rechtsbestel verleende ondermandaat, wordt aan de coördinator Kwartiermakersteam landelijk dekkend netwerk sociaaljuridische dienstverlening, werkzaam bij de afdeling Toegang Rechtsbestel, ondermandaat verleend voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven tot € 5.000,00 per uitgave, voor aangelegenheden betreffende het Kwartiermakersteam. Artikel 2 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026. 2. Dit besluit vervalt op 1 maart 2027. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Kwartiermakersteam landelijk dekkend netwerk sociaaljuridische dienstverlening 2026. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2904,"b":"Besluit van 18 december 2013, houdende aanpassing van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in verband met de wijziging van de vergoeding van rechtsbijstandverleners in geval van tweede of volgende aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning van vreemdelingen (Besluit aanpassing vergoeding tweede of volgende aanvragen vreemdelingen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 juli 2013, nr. 407989; Gelet op [artikel 37, vijfde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 september 2013, nr. W03.13.0254/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 december 2013, nr. 465856; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel II Het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op toevoegingen afgegeven vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. 2. In afwijking van het eerste lid, treedt [artikel I, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034551&artikel=I&z=2014-04-01&g=2014-04-01), in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel IV Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanpassing vergoeding tweede of volgende aanvragen vreemdelingen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2541,"b":"Beleidsregel veiligheid zeeschepen Gelet op [artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Toepassing van resoluties en circulaires uitgegeven door de Internationale Maritieme organisatie (IMO) Bij de toepassing van de bij of krachtens de [Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876) geldende voorschriften uit het SOLAS-verdrag1Het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen.en de daarbij behorende Codes en verplichte resoluties, zullen de nadere invullingen, interpretaties en aanbevelingen worden gehanteerd zoals vervat in de in onderstaande tabellen 1 tot en met 3 genoemde resoluties en circulaires van de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties. | No. | Omschrijving | Grondslag internationaal | Grondslag nationaal | | --- | --- | --- | --- | | A.265(VIII) | Regulations on subdivision and stability of passenger ships as an equivalent to part B of chapter II of the International Convention for the Safety of Life at Sea, 1960 | SOLAS hoofdstuk II-1 voorschrift 4 t/m 25 (=Part B) | [Artikelen 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=40), en [41, eerste en tweede lid, van het Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=41) | | A.266(VIII) | Recommendation on a standard method for establishing compliance with the requirements for cross-flooding arrangements in passenger ships | SOLAS hoofdstuk II-1 voorschrift 8.5 | [Artikelen 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=40), en [41, eerste en tweede lid, van het Schepenbesluit 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016880&artikel=41) | | A.601(15) | Provision and display of manoeuvring information on board ships | SOLAS hoofdstuk II-1 voorschrif"},{"i":4517,"b":"Circulaire toepassing Herzieningswet Kadasterwet I 1. Inleiding Hierbij treft u aan de Circulaire toepassing Herzieningswet Kadasterwet I. Op 1 september 2005 treedt de [Herzieningswet Kadasterwet I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017989) (hierna: HKW I) in werking. De [HKW I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017989) ziet op de aanpassing van de [Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541), de [Invoeringswet Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005107), de [Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463) en enige andere wetten en maakt het onder meer mogelijk om informatie- en communicatietechnologie toe te passen in het berichtenverkeer dat verbonden is aan het houden van de openbare registers en het verstrekken van inlichtingen daaruit. De lagere regelgeving (het [Kadasterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005259), de [Uitvoeringsregeling 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006596) en de Kadasterregeling 1994) zullen op 1 september a.s. nog niet aangepast zijn aan de [HKW I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017989). Deze regelingen zullen medio september 2005 ter notificatie worden toegezonden aan de Europese Commissie en naar verwachting in januari 2006 in werking treden. Nu de Dienst voor het kadaster en de openbare registers (hierna: de Dienst) en zijn cliënten hun bedrijfsvoering reeds geruime tijd geleden hebben afgestemd op de [HKW I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017989), willen het bestuur van de Dienst en haar cliënten vooruitlopend op de inwerkingtreding van de lagere regelgeving reeds aanvangen met de toepassing van informatie- en communicatietechnologie in het berichtenverkeer met de Dienst. De Minister van VROM wil het bestuur van de Dienst en zijn cliënten deze mogelijkheid bieden. In hoofdstuk 2, paragrafen 3.2 tot en met 3.3, hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 van deze circulaire wordt beschreven onder welke voorwaarden de cliënten va"},{"i":4837,"b":"Besluit van het hoofd van de Afdeling Contraterrorisme 1 van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 januari 2024, nr. 5164835, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan het plaatsvervangend hoofd van Afdeling Contraterrorisme 2 (Mandaatbesluit Contraterrorisme 2 NCTV 2023) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1, onderdeel b, van het Mandaatbesluit Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart NCTV 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049335&artikel=1) aan het hoofd van de Afdeling Contraterrorisme 2 verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die die afdeling betreffen ondermandaat verleend aan het plaatsvervangend hoofd van de Afdeling Contraterrorisme 2. Artikel 2 Het [Mandaatbesluit Versterken CT keten nationaal en internationaal NCTV 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047461) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2022. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Contraterrorisme 2 NCTV 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2855,"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2002 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens [artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), per 30 september 2001 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 2000; Gelet op [artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=402a), Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 2002 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 4,6. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 2002."},{"i":4392,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 19 januari 2024, nr. IENW/BSK-2023/352920, tot wijziging van de samenstelling van de raad van toezicht van het KNMI Gelet op [artikel 6, vierde en vijfde lid, van de Wet taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=6) in samenhang met [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); BESLUIT: Artikel 1. Benoeming 1. De heer mr. J.H. Oosters te benoemen als lid, tevens voorzitter, van de raad van toezicht, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de Wet taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=6). 2. De heer dr. rer. nat. A.P.H. Oth te benoemen als lid van de raad van toezicht, bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van de Wet taken meteorologie en seismologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037074&artikel=6). Artikel 2. Periode De benoeming geschiedt voor de periode van 1 januari 2024 tot 1 januari 2028. Artikel 3. Ontslag Met ingang van 1 januari 2024 eervol ontslag te verlenen aan de heer drs. F.J.M. Crone. Artikel 4. Vergoeding 1. De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht ontvangen per vergadering een vergoeding. 2. De vergoeding per vergadering van de leden van de raad van toezicht bedraagt 3% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de vergoeding van de voorzitter van de raad van toezicht per vergadering 130% van de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid. Artikel 5. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betr"},{"i":4887,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 februari 2016, nr. WJZ/879065, houdende de verlening van mandaat en machtiging aan de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I) in verband met de instelling van DUS-I en de invoering en toepassing van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (Mandaatbesluit OCW DUS-I) Gelet op [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4) en [artikel 11 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=11); Gezien de instemming van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de kwartiermaker van de Dienst Uitvoering Subsidies voor Instellingen van 4 februari 2016; Besluit: Artikel 1 Aan de directeur van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (verder DUS-I) wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om alle noodzakelijke besluiten te nemen en alle noodzakelijke handelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van DUS-I. Artikel 2 Aan de directeur van DUS-I wordt toegestaan om met betrekking tot het mandaat, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037605&artikel=1&z=2016-07-15&g=2016-07-15), zelf ondermandaat te verlenen. Het vierde lid van [artikel 11 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=11) is hierbij van overeenkomstige toepassing. Artikel 3 1. De behandeling van bezwaarschriften, gericht tegen besluiten door of namens de directeur van DUS-I genomen, geschiedt, onder toepassing van de [Regeling behandeling bezwaarschriften OCW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023195), bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. 2. De Dienst Uitvoering Onderwijs draagt eveneens zorg voor de noodzakelijke procesvertegenwoordiging bij"},{"i":3000,"b":"Besluiten van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister voor Natuur en Stikstof, en de Minister voor Klimaat en Energie, van 20 december 2023, nr. IENW/BSK-2023/333572, houdende aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren ter vervanging van het Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving, (Besluit aanwijzing toezichthouders fysieke leefomgeving) Gelet op de [artikelen 48 van de Drinkwaterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026338&artikel=48); [18.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.6), [18.6a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.6a), en [18.7 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.7); [25a, zevende lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=25a); [28 van de Wet bescherming Antarctica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009449&artikel=28); [22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet explosieven voor civiel gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803&artikel=22); [1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.1), en [18.1a, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.1a) in verband met [18.6, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.6); [5, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008331&artikel=5); [26 van de Wet Windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=26);en [1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360&artikel=1.1.1) en EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, EG-verordening overbrenging van afvalstoffen en EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen; BESLUITEN: Artikel 1. Inspectie Leefomgeving en Transport 1. Ambtenaren van de Inspectie"},{"i":2937,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 29 november 2013, nr. WJZ/13175315, houdende aanwijzing en taakvervulling toezichthouders Kernenergiewet 2013 (Besluit aanwijzing toezichthouders en taakvervulling Kernenergiewet 2013) Handelende mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Defensie en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op onderdeel 4, onder b, van bijlage II bij de op 4 maart 1970 te Almelo tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake samenwerking bij de ontwikkeling van het gas-ultra-centrifuge-procedé voor de productie van verrijkt uranium (Trb. 1970, 41), artikel I, onder h, van het Verdrag van Cardiff van 12 juli 2005 tussen de Regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake samenwerking op het gebied van ultracentrifugetechnologie (Trb. 2005, 266), en de [artikelen 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=58) en [65 van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=65); Besluit: § 1. Aanwijzing toezichthouders Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) zijn belast de ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen van het Ministerie van Economische Zaken voor zover het hun werkterrein betreft. Artikel 3 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) zijn belast de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken voor zover het hun werkterrein betreft. Artikel 4 1. Met het toezicht op de naleving van het bepa"},{"i":6648,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 november 2010, nr. R&P/RA/2010/22533, tot wijziging van de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien) Gelet op de [artikelen 3, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5) en [8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=8); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien). Artikel II Wijzigt de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien). Artikel III Wijzigt de Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien). Artikel IV De wijzigingen in [artikel I (onderdeel A en B)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029036&artikel=I&z=2011-01-01&g=2011-01-01) zijn van toepassing op alle projecten waarvoor op of na 1 januari 2011 een subsidieaanvraag wordt ingediend. Voor de overige projecten geldt met betrekking tot de wijzigingen in artikel I (onderdeel A en B) de tekst van de regeling, zoals die luidde vóór 1 januari 2011. Artikel V Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2011. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3450,"b":"Besluit van 28 november 2017 tot het bepalen van het moment en de wijze van het omzetten van het dagloon van de resterende uitkeringsrechten gebaseerd op de Werkloosheidswet zoals deze luidde voor 1 juli 2015 (Besluit eindconversie WW) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 oktober 2017, nr. 2017-0000157109; Gelet op de [artikelen 1b, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=1b), en [130z, tweede lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=130z); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 oktober 2017, no.W12.17.0332/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 november 2017, nr. 2017-0000160975; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepaling 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **arbeidsuur:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=1a); - **dagloon:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1b van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=1b); - **inkomen:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1b van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=1b); - **oWW-uitkering:** een recht op uitkering op grond van [hoofdstuk II van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II), dat is toegekend voor 1 juli 2015; - **uitkering:** het recht op een uitkering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045). 2. [Artikel 25 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033471&artikel=25) is van toepassing op een recht op uitkering dat op grond van [artikel 130z, tweede lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=130z), wordt omgezet. Artikel 2. Wijze van omzetten"},{"i":4131,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 9 oktober 2020, nr. WJZ/ 20244506, houdende vaststelling van de beleidsregel extern salderen Handelende mede namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat; Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), de [artikelen 1.3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=1.3), en [2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=2.7), [artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038662&artikel=1.3), [artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1), de [artikelen 2.2aa, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027464&artikel=2.2aa), en [6.10a, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027464&artikel=6.10a) en [artikel 5 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=5); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - −. **extern salderen:** op verzoek van de saldogever inperken of intrekken van een toestemmingsbesluit voor een project, waardoor de veroorzaakte stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten in een Natura 2000-gebied afneemt, ten gunste van een project op een andere locatie dat stikstofdepositie veroorzaakt op dezelfde stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten in een Natura 2000-gebied; - −. **verleasen:** op verzoek van de verleaser tijdelijk inperken van het toestemmingbesluit voor een project, waardoor de veroorzaakte stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten in een Natura 2000-gebied afneemt, ten gunste van een tijdelijk project op een andere locatie dat stikstofdepositie veroorzaakt op dezelfde stikstofgevoel"},{"i":3857,"b":"Besluit van de kwartiermakend directeur-generaal Realisatie Groene Groei, ZK 0000094156, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Realisatie Groene Groei in oprichting (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Realisatie Groene Groei in oprichting) Gelet op [artikel 19 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=19); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **de directeur-generaal:** de kwartiermakend directeur-generaal Realisatie Groene Groei - –. **de directeuren:** de directeuren, de programmadirecteur Aanpak Netcongestie en de projectdirecteur Delta Rijn Corridor van het directoraat-generaal Realisatie Groene Groei in oprichting; - –. **de MT-leden van een directie:** de leden van het managementteam van een directie van het directoraat-generaal Realisatie Groene Groei in oprichting; - –. **het bedrag:** het bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW). § 2. Taakverdeling tussen de directeur-generaal en de directeuren Artikel 2 Aan de directeur-generaal is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden: - a. onderwerpen die twee of meer directies van het dienstonderdeel raken, tenzij daarover tussen de betrokken directeuren overeenstemming bestaat; - b. aangelegenheden op het werkterrein van een directeur: - 1°. ten aanzien waarvan de directeur-generaal in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of - 2°. die door een directeur aan de directeur-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de directeur-generaal door een andere directeur moeten worden behandeld. Artikel 3 1. Aan de directeuren wordt,"},{"i":2584,"b":"Beleidsregels aanwijzen en toezicht accountantsopleidingen Voor inschrijving in het accountantsregister van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) dienen kandidaten op grond van [artikel 38 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=38) (Wab) een opleiding gevolgd te hebben die voldoet aan de in [artikel 49 Wab, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49) bedoelde eindtermen. Aan de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) komt op grond van [artikel 49 Wab, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49) de bevoegdheid toe opleidingen aan te wijzen die geheel of gedeeltelijk voldoen aan de in artikel 49 Wab, eerste lid, onder a bedoelde eindtermen, met uitzondering van de eindtermen die betrekking hebben op de praktijkopleiding, voor zover deze opleidingen niet zijn geaccrediteerd overeenkomstig [artikel 5a.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=5a.9) of niet de toets nieuwe opleiding overeenkomstig [artikel 5a.11 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=5a.11) met positief gevolg hebben ondergaan. Op grond van [artikel 50 Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=50) dienen de opleidingsinstituten wier opleiding op grond van [artikel 49, tweede lid, onderdeel b Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49), is aangewezen desgevraagd alle inlichtingen die de commissie voor haar taakuitvoering nodig heeft te verstrekken. De commissie kan voorwaarden verbinden aan de aanwijzing, bedoeld in artikel 49, tweede lid, onderdeel b Wab. De commissie kan de aanwijzing, bedoeld in [artikel 49, tweede lid, onderdeel b Wab](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=49), intrekken indien de opleiding niet voldoet aan de eindte"},{"i":4374,"b":"Besluit van 8 december 1989, houdende regels inzake vrijstelling gemoedsbezwaarden aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 6 juni 1989, nr. BGW89-1600, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen, Afdeling Verzekeringswezen; Gelet op [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=18), eerste lid, en [artikel 19, derde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=19); De Raad van State gehoord (advies van 23 augustus 1989, nr. W06.89.0312); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 4 december 1989, nr. BGW89-3034; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Een vrijstelling van de verplichting tot het sluiten van een verzekering als bedoeld in [artikel 18, eerste lid, tweede volzin, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=18) (**Stb.** 1984, 269) kan aan een rechtspersoon worden verleend indien de natuurlijke personen die behoren tot het orgaan dat ingevolge de wet of de statuten bevoegd is te besluiten de vrijstelling aan te vragen, in meerderheid overwegende gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering. Artikel 2 Een vrijstelling wordt aan de rechtspersoon verleend voor vijf jaren. Met ingang van de datum waarop een vrijstelling na verloop van de in de eerste volzin bedoelde periode is vervallen, kan desgevraagd een nieuwe vrijstelling worden verleend. Artikel 3 Bij intrekking van een vrijstelling verleend aan een natuurlijk persoon of een rechtspersoon kan de Minister van Financiën bepalen dat een verzoek om vrijstelling, gedaan binnen twee jaren na de dagtekening van de intrekking, enkel op die grond niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Artikel 4 Een voor de inwerkingtreding van dit besluit aan een rechtspersoon verleende vrijstelling vervalt na verloop van vijf jaren na de datum van inwerkingtredi"},{"i":19636,"b":"Verdrag nopens het wegverkeer De Verdragsluitende Staten, verlangend de ontwikkeling en de veiligheid van het internationale wegverkeer te bevorderen door het tot stand brengen van gelijkvormige voorschriften, zijn de navolgende bepalingen overeengekomen: HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Onder voorbehoud van het recht regelen te stellen betreffende het gebruik van hun wegen komen de Verdragsluitende Staten overeen, dat hun wegen onder de in dit Verdrag vervatte voorwaarden voor internationaal verkeer gebruikt kunnen worden. 2. De Verdragsluitende Staten zijn niet gehouden het voorrecht van de bepalingen van dit Verdrag toe te kennen aan motorrijtuigen, aanhangwagens of bestuurders, die langer dan een jaar achtereen op hun grondgebied zijn verbleven. Artikel 2 1. De Bijlagen van dit Verdrag worden geacht daarvan onverbrekelijk deel uit te maken met dien verstande echter, dat iedere Staat bij de ondertekening of de bekrachtiging van het Verdrag, bij de toetreding tot het Verdrag, dan wel te allen tijde daarna kan verklaren de toepasselijkheid van het Verdrag uit te sluiten, voorzover betreft de Bijlagen 1 en 2. 2. Iedere Staat kan te allen tijde ter kennis van de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties brengen, dat hij met ingang van de datum dier kennisgeving door de overeenkomstig het eerste lid van dit artikel uitgesloten Bijlagen is gebonden. Artikel 3 1. Maatregelen, welke alle Verdragsluitende Staten of sommige van hen mochten zijn overeengekomen, of in de toekomst overeenkomen te treffen, ten einde het internationale wegverkeer te vergemakkelijken door vereenvoudiging van de formaliteiten op het stuk van douane, politie, gezondheid of anderszins, worden beschouwd in overeenstemming te zijn met het doel van dit Verdrag. - a. Elke Verdragsluitende Staat kan zekerheid vorderen voor de betaling van invoerrechten of invoerbelasting, welke zonder zodanige zekerheid voor de invoer van tot het internationale wegverkeer toegelaten motorrijtuigen zouden zij"},{"i":11865,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 20 mei 2017, nr. WJZ/17066950, houdende de benoeming van de leden van de Commissie knelgevallen fosfaatrechten (benoemingsbesluit Commissie knelgevallen fosfaatrechten) Gelet op [artikel 6, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Economische Zaken; - b. **commissie:** de Commissie knelgevallen fosfaatrecht, ingesteld bij het [Instellingsbesluit Commissie knelgevallen fosfaatrechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039606). Artikel 2 Te rekenen vanaf 1 april 2017 wordt tot en met het uitbrengen van het eindadvies aan de Staatssecretaris tot lid van de commissie benoemd: - a. de heer drs. C. J. Kalden te Gouda, tevens voorzitter, - b. mevrouw mr. J.L.D. Heukers te Voorschoten, - c. de heer G.J. Doornbos te Leiden, - d. de heer ing. D.S. Schoonman te Brummen. Artikel 3 De commissie verstrekt aan de Staatssecretaris desgevraagd de door haar gewenste inlichtingen. De Staatssecretaris kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig is. Artikel 4 Rapporten, notities, verslagen, adviezen en andere producten die door of namens de commissie worden vervaardigd of vergaard, worden niet door de commissie openbaar gemaakt, maar uitsluitend aan de Staatssecretaris uitgebracht of overgedragen. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Benoemingsbesluit Commissie knelgevallen fosfaatrechten. Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2017. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen."},{"i":11862,"b":"Beleidsregels van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit inzake het gebruik van het woordmerk door houders van een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand (Beleidsregels woordmerk kansspelen op afstand) gelet op [artikel 4.34 van het Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=4.34) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), besluit de volgende beleidsregels vast te stellen: Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - –. **kansspelinterface:** het geheel van elektronische communicatie waarmee de vergunninghouder de vergunde kansspelen aanbiedt; - –. **raad van bestuur:** de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, als bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - –. **spelersinterface:** het voor de speler na aanmelding toegankelijke gedeelte van de kansspelinterface; - –. **vergunning:** een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand als bedoeld in [artikel 31a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=31a); - –. **vergunninghouder:** de houder van een vergunning; - –. **wet:** de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2. Woordmerk 1. De raad van bestuur stelt een woordmerk ter beschikking aan vergunninghouders, om hen te ondersteunen bij het voldoen aan de verplichtingen op grond van [artikel 4.34, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=4.34), en artikel 4.34, vierde lid, van het Besluit kansspelen op afstand. 2. Indien de vergunninghouder gebruikmaakt van het woordmerk, moet dit worden geplaatst op het voor een ieder toegankelijke deel van de kansspelinterface en op de spelersinterface. Het is niet toegestaan om het woordmerk te gebruiken in en bij wervings- en reclameactiviteiten. 3. Indien de vergunninghouder overeenk"},{"i":12010,"b":"Besluit van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van het archief van de Secretaris-Generaal en zijn organisatie-eenheden (1955) 1976–1991 bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Overwegende dat een aantal dossiers in de archieven van de Secretaris-Generaal en zijn organisatie-eenheden (1955) 1976–1991 beperkingen aan de openbaarheid behoeft: Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 21-07-2016, met kenmerk edoc-#1022691-V1. Besluit: Artikel 1 Het [besluit beperking openbaarheid van archieven van de Secretaris-Generaal en zijn organisatie-eenheden (1955) 1976–1991](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040123) van 18 oktober 2017, zoals gepubliceerd op 31 oktober 2017 in nr. 61652 van de Staatscourant wordt ingetrokken vanwege een onjuiste termijn bij twee inventarisnummers. Artikel 2 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 103 | 2067 | | 147 | 2056 | | 148 | 2056 | | 149 | 2056 | | 150 | 2056 | | 151 | 2056 | | 152 | 2056 | | 153 | 2056 | | 154 | 2056 | | 155 | 2057 | | 156 | 2057 | | 157 | 2057 | | 158 | 2057 | | 159 | 2057 | | 160 | 2057 | | 161 | 2057 | | 162 | 2057 | | 163 | 2058 | | 164 | 2058 | | 165 | 2058 | | 166 | 2058 | | 167 | 2058 | | 168 | 2058 | | 169 | 2059 | | 170 | 2059 | | 171 | 2059 | | 172 | 2059 | | 173 | 2059 | | 174 | 2059 | | 175 | 2060 | | 176 | 2060 | | 177 | 2060 | | 178 | 2060 | | 179 | 2060 | | 180 | 2060 | | 181 | 2061 | | 182 | 2061 | | 183 | 2061 | | 184 | 2061 | | 185 | 2061 | | 186 | 2061 | | 187 | 2061 | | 188 | 2062 | | 189 | 2062 | | 190 |"},{"i":12755,"b":"Besluit tot vaststelling van de factoren L en r voor het boekjaar 2014 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2014 vastgesteld op 0,114785%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2014 vastgesteld op 0,208427%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2014. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":14214,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 december 2012, nr. BVE/431518, inzake het vaststellen van de eindtermen voor de opleidingen Nederlands als tweede taal en de opleidingen Nederlandse taal en rekenen (Regeling eindtermen educatie 2013) Gelet op [artikel 7.3.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.3.3); Besluit: Artikel 1. Algemene bepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **Wet:** [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625). Artikel 2. Eindtermen 1. De eindtermen voor de opleidingen Nederlandse taal en rekenen, gericht op alfabetisering en op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs, als bedoeld in [artikel 7.3.1, eerste lid, onder b, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.3.1) worden als volgt vastgesteld: - a. de eindtermen voor de opleiding Nederlandse taal gericht op alfabetisering, zoals opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032543&bijlage=1&z=2022-01-01&g=2022-01-01) bij deze regeling; - b. de eindtermen voor de opleiding Nederlandse taal gericht op het ingangsniveau beroepsonderwijs, zoals opgenomen in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032543&bijlage=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01) bij deze regeling; - c. de eindtermen voor de opleiding Rekenen gericht op alfabetisering, zoals opgenomen in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032543&bijlage=3&z=2022-01-01&g=2022-01-01) bij deze regeling; - d. de eindtermen voor de opleiding Rekenen gerichte op het ingangsniveau beroepsonderwijs, zoals opgenomen in [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032543&bijlage=4&z=2022-01-01&g=2022-01-01) bij deze regeling. 2. De eindtermen voor de opleidingen Nederlands als tweede taal I en II, die opleiden voor het diploma Nederlands als tweede taal, bedoe"},{"i":14204,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 april 2015 tot vaststelling van regels voor het documentair informatiemanagement van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Regeling documentair informatiemanagement VWS 2015) Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. : Algemene bepalingen Artikel 1. , Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **Archiefbeherend onderdeel:** een organisatieonderdeel van het kerndepartement of een buitendienst dat specifiek als taak heeft om werkzaamheden te verrichten die gericht zijn op het beheer van documentaire informatie. - 2. **Archiefbesluit:** het [Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748) of indien dit besluit is ingetrokken, het dan geldende Archiefbesluit. - 3. **Archiefvormend onderdeel:** het kerndepartement of een buitendienst dat op basis van zijn taakuitoefening afzonderlijk documentaire informatie verzamelt, ontvangt, creëert, verzendt of beheert. - 4. **Archiefwet:** de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) of indien deze wet is ingetrokken, de dan geldende Archiefwet. - 5. Buitendienst: - 1°. een in het [Organisatiebesluit VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032104) genoemde dienst of instelling die niet tot het kerndepartement behoort; - 2°. een in het [Organisatiebesluit VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032104) genoemd secretariaat van een raad of commissie, alsmede - 3°. een niet in het [Organisatiebesluit VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032104) genoemd secretariaat van een door de minister ingestelde commissie dat berust bij een ambtenaar van een buitendienst als bedoeld onder 1° of 2°. - 6. **Conversie:** het overzetten van digitale documentaire informatie naar andere programmatuur met behulp van standaardprogrammatuur met behoud van authenticiteit. - 7. **Document:** geheel v"},{"i":14277,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 23 november 2006, nr. WJZ 6098739, houdende regels omtrent de eisen bij het gebruik van in Europese richtlijnen opgenomen en in het Meetinstrumentenbesluit I en Meetinstrumentenbesluit II geregelde meetinstrumenten en houdende enkele voorschriften inzake de installatie van die instrumenten (Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten) Gelet op de[artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019897&artikel=9) en [14 van het Meetinstrumentenbesluit I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019897&artikel=14) en [artikel 8 van het Meetinstrumentenbesluit II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020554&artikel=8); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. gasmeter: in [artikel 5, onderdeel a, van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=5) bedoelde gasmeter; - b. volumeherleidingsinstrument: in [artikel 5, onderdeel a, van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=5) bedoelde volumeherleidingsinstrument; - c. kilowattuurmeter: in [artikel 5, onderdeel b, van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=5) bedoelde kilowattuurmeter; - d. vloeistofmeetinstallatie: in [artikel 5, onderdeel d, van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=5) bedoelde vloeistofmeetinstallatie; - e. automatisch weeginstrument: in [artikel 5, onderdeel e, van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=5) bedoelde automatisch weeginstrument; - f. taxameter: in [artikel 5, onderdeel f, van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037835&artikel=5) bedoelde taxameter; - g. multidimensionaal meetinstrument: in [artikel 5, onder"},{"i":13195,"b":"Deelregeling Internationale Werkreis voor Individuen Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze Deelregeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **podiumkunstenaar:** een natuurlijk persoon die meerderjarig is, artistiek uitvoerend dan wel artistiek scheppend actief is in de professionele podiumkunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd en volledig actief is in de professionele podiumkunstpraktijk in Nederland; - **activiteit:** een doelgerichte, tijdelijk in het buitenland plaatsvindende activiteit die rechtstreeks bijdraagt aan de artistiek-inhoudelijke oriëntatie dan wel de verdieping van vakinhoudelijke expertise van een podiumkunstenaar, waaronder begrepen, maar niet beperkt tot, het bijwonen van een conferentie, deelname aan internationale netwerkbijeenkomsten die openstaan voor niet-leden van het netwerk, bezoek aan een internationaal festival anders dan gericht op verkoop of optreden, het bijwonen van lezingen of workshops of een panelgesprek; - **artistiek scheppend:** betrekking hebbend op het maakproces van een artistiek werk. Hieronder worden verstaan functies die primair verantwoordelijk zijn voor de inhoudelijke en artistieke totstandkoming van het werk. Tot deze functies behoren in ieder geval, maar niet uitsluitend: componist, theaterauteur, librettist en choreograaf; - **artistiek uitvoerend:** betrekking hebbend op het tonen van artistiek werk. Hieronder worden verstaan functies die primair verantwoordelijk zijn voor het tonen van het werk. Tot deze functies behoren in ieder geval, maar"},{"i":14258,"b":"Regeling financieel beheer infiltratie Gelet op [artikel 9 Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=9), Artikel 1. Definities Artikel 2. Verantwoordelijkheden 1. De hoofdofficier van justitie, hoofd van het landelijk parket, draagt er zorg voor dat bij het korps Landelijke Politie Diensten (divisie CRI, Afdeling Nationale Coördinatie Politiële Infiltratie) een centrale registratie met zaaksnummers van door het College geaccordeerde aanvragen voor infiltratieoperaties wordt bijgehouden. 2. De hoofdofficier van justitie doet een adequate financiële administratie voeren van door het College geaccordeerde infiltratie-operaties. Hij geeft daartoe de nodige aanwijzingen. 3. Deze financiële administratie dient inzicht te geven in de met de, door het College geaccordeerde, infiltratie-operatie gemoeide ontvangsten. Artikel 3. Verantwoording 1. Na afloop van de infiltratie stelt de aanvrager een financiële rapportage op. Op basis hiervan vindt in aanwezigheid van het hoofd Politie Infiltratie Team (PIT) respectievelijk het hoofd van het Landelijk Infiltratie Team (LIT) en de behandelend officier van justitie een financiële evaluatie plaats. 2. De aanvrager en uitvoerder leggen per infiltratie-actie op basis van de uitgebrachte evaluatie verantwoording af aan de hoofdofficier over de uitgevoerde werkzaamheden en de in dat kader afgedragen criminele ontvangsten. Artikel 4. Ontvangsten door infiltratie 1. De hoofdofficier van justitie draagt er zorg voor dat de uit infiltratie verkregen ontvangsten worden afgedragen aan het Korps Landelijke Politiediensten, divisie CRI, ANCPI. 2. De korpschef van het Korps Landelijke Politie Diensten doet de uit infiltratie verkregen ontvangsten aan de begroting Veiligheid en Justitie (artikel 01.02 geheime ontvangsten) ter beschikking stellen. Hij bedient zich hiervoor van de ANCPI. 3. De directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving is verantwoordelijk voor het beheer van de onder dit begrotin"},{"i":14122,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat tot het geven van de bestemming van openbare weg aan de wegen door de Westerscheldetunnel en aan de aansluitende wegen Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Tunnelwet Westerschelde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009930&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De wegen door de Westerscheldetunnel en de volgende aansluitende wegen zijn met ingang van 14 maart 2003 openbaar: - a. de weg die de wegen door de Westerscheldetunnel aansluit op de N254, zoals aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014785&bijlage=1&z=2003-03-12&g=2003-03-12) bij deze regeling, - b. de weg die de wegen door de Westerscheldetunnel aansluit op de rotonde in de N61, zoals aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014785&bijlage=1&z=2003-03-12&g=2003-03-12) bij deze regeling, - c. de toeritten van de Herbert H. Dowweg naar de oostelijke, onderscheidenlijk westelijke rijbaan van de weg, bedoeld in onderdeel b, zoals aangegeven in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014785&bijlage=2&z=2003-03-12&g=2003-03-12) bij deze regeling, en - d. de afritten van de oostelijke, onderscheidenlijk westelijke rijbaan van de weg, bedoeld in onderdeel b, naar de Herbert H. Dowweg, zoals aangegeven in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014785&bijlage=2&z=2003-03-12&g=2003-03-12) bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bestemming openbare weg Westerscheldetunnel. Bijlage 1. behorende bij de Regeling bestemming openbare weg Westerscheldetunnel Bijlage 2. behorende bij de Regeling bestemming openbare weg Westerscheldetunnel Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19669,"b":"Besluit van 8 december 2008, houdende wijziging van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en het Voertuigreglement in verband met wijzigingen op het gebied van verkeersregelaars alsmede enkele technische wijzigingen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat 26 september 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1268 sector AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=2), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=14) en [71 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=71); De Raad van State gehoord (advies van 6 november 2008, nr. W09.08.0416/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 december 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1610 sector AWW, Hoofddirectie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW). Artikel II Wijzigt het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Artikel III Wijzigt het Voertuigreglement. Artikel IV 1. Aanstellingen van verkeersregelaars afgegeven voor de inwerkingtreding van dit besluit behouden hun geldigheid zolang hun geldigheidsduur niet is verstreken of, indien geen geldigheidsduur is vastgesteld, tot vijf jaren na inwerkingtreding van dit besluit, dan wel tot zij zijn vervangen door een aanstelling op grond van [artikel 56 van het BABW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004826&artikel=56), zoals dit komt te luiden na inwerkingtreding van dit besluit. 2. Aanvragen om als verkeersregelaar te worden aangesteld, ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit, worden na dat tijdstip behandeld overeenkomstig de voorschriften zoals deze golden voor de datum van in"},{"i":13342,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 24 november 2021, 2021-0000228988, directie Financiële Markten, tot wijziging van de Vrijstellingsregeling Wft en de Regeling bekostiging financieel toezicht eenmalige handelingen in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2020/1504 en Verordening (EU) 2020/1503 (Implementatieregeling Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven) Artikel I Wijzigt de Vrijstellingsregeling Wft. Artikel II Wijzigt de Regeling bekostiging financieel toezicht eenmalige handelingen. Artikel III 1. Van [artikel 3:5, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:5) zijn tot en met 10 november 2022 vrijgesteld personen die opvorderbare gelden aantrekken of ter beschikking verkrijgen door middel van een publiekslening als bedoeld in [artikel 2a, tweede lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=2a), alsmede personen die als gevolg van een zodanige aantrekking of verkrijging opvorderbare gelden ter beschikking hebben, mits: - a. zij van het aantrekken of ter beschikking verkrijgen van de opvorderbare gelden niet hun bedrijf maken; - b. het aantrekken of ter beschikking verkrijgen van de opvorderbare gelden niet geschiedt met het oogmerk om kredieten te verlenen; - c. het aantrekken of ter beschikking verkrijgen van de opvorderbare gelden geschiedt door tussenkomst van een persoon die over een ontheffing beschikt als bedoeld in [artikel 4:3, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:3); en - d. het totale bedrag aan opvorderbare gelden dat per publiekslening door de persoon, bedoeld in de aanhef, over een periode van 12 maanden wordt aangetrokken of ter beschikking wordt verkregen ten hoogste € 2,5 miljoen bedraagt. 2. Onderdeel c van het eerste lid is niet van toepassing, indien een persoon als bedoeld in de aanhef van het eerste"},{"i":13570,"b":"Besluit van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 16 mei 2023, nr. 2023-0000254706, houdende instelling van de landelijke versnellingstafel woningbouw (Instellingsbesluit landelijke versnellingstafel woningbouw) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **bestuurlijke woningbouwafspraken:** afspraken tussen Rijk en medeoverheden over het aantal te bouwen woningen, het aandeel betaalbaar en de doelgroepen waarvoor wordt gebouwd; - –. **landelijke versnellingstafel:** de landelijke versnellingstafel woningbouw; - –. **landsdelen:** regionale groepering van een aantal provincies; - –. **medeoverheden:** provincies en gemeenten; - –. **minister:** de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - –. **woningmarktpartijen:** woningcorporaties, projectontwikkelaars, bouwbedrijven. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een landelijke versnellingstafel woningbouw die als doel heeft om te zorgen dat sneller meer woningen worden gebouwd. 2. De landelijke versnellingstafel jaagt de versnelling van de woningbouw aan door overheden, woningcorporaties en marktpartijen te ondersteunen bij: - a. het realiseren van de gemaakte bestuurlijke woningbouwafspraken in de woondealregio’s; en - b. het aandragen van mogelijke versnellingsopties en de aanpak daarvan. 3. De landelijke versnellingstafel heeft de volgende kerntaken: - a. aanjagen van de voortgang van de bestuurlijke woningbouwafspraken in de woondealregio's; - b. interveniëren bij knelpunten die de voortgang van de bestuurlijke woningbouwafspraken in de woondealregio's belemmeren en het doorbreken van impasses; - c. stimuleren van samenwerking tussen partijen in de woondealregio’s en deze partijen adviseren over een aanpak en oplossingen die noodzakelijk zijn voor het tijdig realiseren van de gemaakte bestuurlijk"},{"i":13250,"b":"Erkenningsregeling Beroepservaringperiode Gelet op [artikel 30 van de Regeling Beroepservaringperiode](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032509&artikel=30); Gezien de goedkeuring van de Minister voor Wonen en Rijksdienst d.d. 16 juli 2013, de Staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 5 juli 2013 en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 21 juni 2013; Besluit: Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanbieder:** instelling of organisatie die zich bezighoudt met het verzorgen van een geïntegreerd beroepservaringprogramma of van beroepservaringmodules; - b. **commissie beroepservaringperiode:** commissie beroepservaringperiode als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Regeling Beroepservaringperiode](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032509&artikel=4); - c. **programmacommissie:** commissie van de aanbieder, die zich bezighoudt met de ontwikkeling en kwaliteitsbewaking van een geïntegreerd beroepservaringprogramma of van beroepservaringmodules. Hoofdstuk II. Erkenning van een aanbieder Artikel 2 1. Erkenning van een aanbieder van een geïntegreerd beroepservaringprogramma of van beroepservaringmodules geschiedt, op schriftelijk verzoek van de aanbieder, door het bureau architectenregister, gehoord de commissie beroepservaringperiode. 2. Het verzoek wordt vergezeld van een door de aanbieder opgesteld kwaliteitsplan als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033701&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2013-09-01&g=2013-09-01). 3. Op het verzoek wordt door het bureau architectenregister binnen acht weken beslist. Artikel 3 Erkenning van een aanbieder vindt slechts plaats indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: - a. de aanbieder beschikt over een kwaliteitsplan als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033701&hoofdstuk=II&artikel=4&z=2013-09-01&g=2013-09-01), dat is goedgekeurd door het bureau architectenregister, gehoord de commissie beroepservaringperio"},{"i":12925,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 18 april 2026, nr. IENW/BSK-2026/49552, houdende vaststelling van het subsidieplafond op grond van de Tijdelijke mbo-verduurzamingsregeling Gelet op [artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8) en [artikel 6, vijfde lid, van de Tijdelijke mbo-verduurzamingsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051739&artikel=6); BESLUIT: Artikel 1 Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051739&artikel=6), wordt voor het jaar 2026 vastgesteld op € 3.306.000. Artikel 2 Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051739&artikel=6), wordt voor het jaar 2026 vastgesteld op € 4.959.000. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13242,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 19 december 2024 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen (Eindejaarsregeling 2024) Handelende voor wat betreft de wijziging van de [Regeling CO2-heffing industrie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044637) in overeenstemming met de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu; Gelet op de [artikelen 1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.5), [3.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.22), [4.17c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.17c), [5.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14), [6.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.17) en [10.6ter van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6ter), de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=13), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=25), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31), [31a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=31a) en [38p van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=38p), [artikel 13ab van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ab), [artikel 1.2 van de Wet bronbelasting 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&artikel=1.2), de [artikelen 35c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35c) en [35e van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35e), de [artikelen 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=2a), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=15), [25b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=25b) en [tabel II van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&bijlage=II), [artik"},{"i":13549,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 januari 2016, houdende de instelling van het Forum Biotechnologie en Genetica voor de jaren 2016 en 2017 (Instellingsbesluit FBG 2016–2017) Besluit; Artikel 1. Begrippen In deze regeling wordt verstaan onder het FBG: het Forum Biotechnologie en Genetica. Artikel 2. Instellingsduur Het FBG wordt ingesteld voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 3. Doelstelling Het FBG heeft als doelstelling een bijdrage te leveren aan informatie-uitwisseling, meningsvorming en beleidsontwikkeling op de terreinen van medische biotechnologie en humane genetica. Artikel 4. Taken Om zijn doelstelling te bereiken organiseert het FBG, in overleg met het ministerie van VWS, thematische bijeenkomsten en doet verslag van de uitkomsten van die bijeenkomsten. Artikel 5. Werkwijze 1. Het FBG stelt in overleg met het ministerie van VWS de werkwijze in het FBG vast. 2. Het FBG zorgt per met het ministerie van VWS afgesproken thema en werkwijze voor het samenbrengen van uit te nodigen personen in bijeenkomsten, waarbij informatie-uitwisseling en meningsvorming centraal staan zonder gerichtheid op eensluidende conclusies. 3. Het FBG zorgt er voor dat op de eigen website ook voor derden de uitkomsten van informatie-uitwisseling en discussie beschikbaar zijn. Artikel 6. Samenstelling 1. Het FBG heeft een onafhankelijk voorzitter, mevrouw prof. dr. M. de Visser. 2. Het FBG wijst een eigen secretaris aan. 3. Deelnemers aan het FBG worden per thema uitgenodigd en kunnen onder meer afkomstig zijn uit de wetenschap, de zorg, de zorgverzekeringen, de belangenbehartiging van patiënten, de relevante industrie, adviesorganen, onderzoeksorganisaties en de overheid. Artikel 7. Voorzitter 1. De voorzitter is eindverantwoordelijk voor de realisatie van de doelstelling genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037601&artikel=3&z=2016-02-11&g=2016-02-11). 2. Speci"},{"i":13322,"b":"Wet van 22 maart 2007, houdende regels omtrent een basisregister van ondernemingen en rechtspersonen (Handelsregisterwet 2007) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van een goede vervulling van publiekrechtelijke taken wenselijk is om het handelsregister uit te breiden en om te vormen tot een basisregister van ondernemingen en rechtspersonen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Hoofdstuk 2. Het handelsregister Hoofdstuk 2. Het handelsregister Hoofdstuk 4. De verstrekking en het gebruik van gegevens Hoofdstuk 5. Verstrekking van gegevens aan bestuursorganen en gebruik van gegevens door bestuursorganen Hoofdstuk 6. Wijziging van de in het handelsregister opgenomen gegevens Hoofdstuk 7. Kwaliteitscontrole van het handelsregister Hoofdstuk 8. Toezicht en handhaving Hoofdstuk 9. Financiën Hoofdstuk 10. Overige bepalingen Hoofdstuk 11. Wijziging andere wetten Artikel 53 Wijzigt de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997. Artikel 54 Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel 55 Wijzigt de Wet op de bedrijfsorganisatie. Artikel 55a Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2 en de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen. Artikel 55b Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel 55c Wijzigt het Wetboek van Koophandel. Artikel 55d Wijzigt de Wet documentatie vennootschappen. Artikel 55e Wijzigt de Uitvoeringswet verordening Europese coöperatieve vennootschap, de Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap en de Uitvoeringswet Verordening tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden. Artikel 55f Wijzigt de Kieswet. Artikel 55g Wijzigt de Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting. Artikel 55h Wijzigt de Uitvoeringswet Visserijverdrag 1967. Artikel 55i Wijzigt de Wet inkomensvoorzi"},{"i":13252,"b":"Wet van 28 maart 2013 tot wijziging van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur naar aanleiding van de evaluatie van die wet, alsmede uitbreiding van de reikwijdte ervan en wijziging van enige andere wetten (Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob) Allen, die deze zullen zien of horen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het naar aanleiding van de evaluatie van de [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) wenselijk is gebleken die wet te wijzigen in verband met de uitbreiding van de reikwijdte ervan en het aanbrengen van enkele verbeteringen en de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469), de [Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194) en de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) in verband hiermee te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel II Wijzigt de Wet op de kansspelen. Artikel III Wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel IV Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel IVA Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel IVAA Wijzigt de Wet strategische diensten. Artikel IVAB Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel IVAC Wijzigt de Huisvestingswet. Artikel IVAD Vervallen Artikel IVB Wijzigt de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (kst. 32211). Artikel IVC Wijzigt deze wet. Artikel IVD Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob. Artikel VI De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen t"},{"i":13283,"b":"Wet van 22 december 2011 tot wijziging van enkele belastingwetten (Geefwet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een aantal belastingwetten wijzigingen aan te brengen met het oog op verduidelijking en verbetering van de fiscale faciliteiten ter stimulering van het geven aan goede doelen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II In afwijking van [artikel 6.31, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.31) zijn op verzoek drukkende onderhoudskosten waarvan de belastingplichtige kan aantonen dat hij ter zake reeds verplichtingen is aangegaan vóór 1 januari 2012 en de uitgaven zijn gedaan vóór 1 januari 2014, aftrekbaar volgens artikel 6.31, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dat artikel luidde op 31 december 2011. Artikel III Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel IV Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel VII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VIII Instellingen die op de voet van [artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.33), zoals dat onderdeel luidde op 31 december 2011, zijn aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling, worden met ingang van 1 januari 2012 aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling als bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel m, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2). Artikel IX Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2012, met dien ver"},{"i":13319,"b":"Wet van 5 juli 1921, houdende bepalingen omtrent de handelsnaam Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is wettelijke bepalingen vast te stellen omtrent den handelsnaam; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Onder handelsnaam verstaat deze wet de naam waaronder een onderneming wordt gedreven. Artikel 2 De handelsnaam gaat over bij erfopvolging en is vatbaar voor overdracht, doch een en ander slechts in verbinding met de onderneming, die onder die naam wordt gedreven. Artikel 3 1. Het is de eigenaar ener onderneming verboden een handelsnaam te voeren, die in strijd met de waarheid aanduidt, dat de onderneming, geheel of gedeeltelijk aan een ander zou toebehoren. 2. Het eerste lid is mede van toepassing, indien de in de handelsnaam voorkomende aanduiding slechts in zo geringe mate van de naam van die ander afwijkt, dat dientengevolge bij het publiek verwarring van deze met de eigenaar der onderneming, te duchten is. 3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de handelsnaam en de onderneming afkomstig zijn van iemand, die die naam heeft gevoerd niet in strijd met deze wet. Artikel 4 1. Het is verboden een handelsnaam te voeren, die in strijd met de waarheid aanduidt, dat de onderneming zou toebehoren aan een of meer personen, handelende als een vennootschap onder een firma, als een vennootschap en commandite of een rederij, of wel aan een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een onderlinge waarborgmaatschappij, een coöperatie, een vereniging of aan een stichting. 2. In de handelsnaam duidt de vermelding van meer dan één persoon, ook al worden hun namen niet genoemd, aan, dat de onderneming toebehoort aan personen, handelende als een vennootschap onder een firma; de woorden \"en compagnie\", dat de"},{"i":13208,"b":"Deelregeling #NieuweStukken Fonds Podiumkunsten Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **kandidaat:** een schrijver die is toegelaten tot een ontwikkeltraject; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland:** Het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Artikel 2. Doel Het bestuur verstrekt een financiële bijdrage ten behoeve van een ontwikkeltraject van een getalenteerde schrijver om bij te dragen aan het maken en presenteren van nieuwe, andere verhalen binnen het Nederlandse podiumkunstenveld. Artikel 3. Commissie Het bestuur vraagt advies over ingediende aanvragen. Adviseurs beoordelen de aan hen voorgelegde aanvragen met inachtneming van het bepaalde in deze regeling. Artikel 4. Voorwaarden voor toelating tot het ontwikkeltraject Voor toelating tot het ontwikkeltraject komen schrijvers in aanmerking die: - 1. de Nederlandse nationaliteit hebben ofwel op het moment van aanmelding in Nederland wonen en werken; - 2. geen kunstvakopleiding hebben gevolgd; - 3. wiens werk niet eerder is gepubliceerd bij een erkende literaire uitgeverij dan wel is uitgevoerd door een professionele podiumkunsteninstelling. Artikel 5. Aanvrager 1. Een aanvraag kan worden ingediend door een instelling die primair gericht is op het zelf ontwikkelen en produceren van voorstellingen of concerten op het terrein van de podiumkunsten of het presenteren daarvan. 2. Het bestuur kan per aanvraagronde instellingen aanwijzen die als enige aanvragen mogen indienen. 3. Het bestuu"},{"i":13535,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 19 januari 2022, nr. 3576949, houdende instelling van de Commissie Wet wapens en munitie (Instellingsbesluit Commissie Wet wapens en munitie) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046248&artikel=2&z=2022-10-07&g=2022-10-07). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie Wet wapens en munitie. 2. De commissie heeft tot taak: - a. Het maken van een probleem-inventarisatie ten aanzien van het functioneren van de [Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804) en de onderliggende regelgeving. De commissie betrekt hierbij in ieder geval de onderwerpen die zijn opgenomen in de brief van 18 december 2020, inzake de voortgang van de herziening Wet wapens en munitie (Kamerstukken II 2020/21, 33 033, nr.29); - b. Naar aanleiding van de probleem-inventarisatie de mogelijkheden in kaart te brengen, met (eventuele) voor- en nadelen, op welke wijze de [Wet wapens en munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804) en onderliggende regelgeving gemoderniseerd kunnen worden op een wijze die past bij het doel van de Wet wapens en munitie, namelijk de openbare orde en veiligheid te waarborgen door het illegale bezit van wapens en munitie te bestrijden en het legale bezit zoveel mogelijk te beheersen; 3. De commissie zal zo veel als mogelijk aangeven in hoeverre de mogelijkheden proportioneel zijn ten opzichte van het te verwachten resultaat, de te verwachten impact ervan en de te verwachten kosten bij implementatie en uitvoering 4. De commissie zal zo veel als mogelijk inzichtelijk maken hoe de mogelijkheden zijn afgebakend en op welke wijze zij te i"},{"i":13327,"b":"Wet van 12 september 1990, houdende wijziging van de gemeentelijke indeling van Midden-Limburg Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling van Midden-Limburg te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1 Artikel 1 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Baexem, Beegden, Grathem, Haelen, Heel en Panheel, Heythuysen, Herten, Horn, Linne, Maasbracht, Melick en Herkenbosch, Montfort, Neer, St. Odiliënberg, Ohé en Laak, Posterholt, Roermond, Roggel, Stevensweert, Vlodrop en Wessem opgeheven. 2. Met ingang van de datum van herindeling worden de volgende nieuwe gemeenten gevormd: - A. Haelen, bestaande uit het gebied van de op te heffen gemeente Horn, behoudens gedeelten, die overgaan naar de nieuwe gemeenten Roermond, Heythuysen en Heel, voorts uit het gebied van de op te heffen gemeente Haelen, behoudens gedeelten die overgaan naar het grondgebied van de nieuwe gemeente Heythuysen en de gemeente Swalmen, alsmede uit delen van de op te heffen gemeenten Beegden, Heythuysen, Roggel, Neer en Roermond met dien verstande dat de grens komt te lopen als volgt: - 1°. Grens met de nieuwe gemeente Roggel Beginnende in het snijpunt van het midden van de rivier de Maas en het voetpunt van de loodlijn, neergelaten uit het meest zuidelijke hoekpunt van het perceel, kadastraal bekend gemeente Neer, sectie N, nr. 169, volgt de grens in ongeveer noord-westelijke richting deze loodlijn tot in het punt waar deze loodlijn de bestaande gemeentegrens tussen de gemeenten Haelen en Neer ontmoet. Vanaf dit punt volgt de grens in zuid-westelijke richting deze gemeentegrens en het verlengde van deze gemeentegrens tot in het snijpunt van dit verlengde met de oostelijke grens van het perceel, kadastraal bekend gemeente Buggenum, sectie"},{"i":13335,"b":"Huishoudelijk reglement NRO 2025 Vastgesteld door de raad van bestuur van NWO op 9 juli 2025 1. Inleiding Artikel 1.1. – Begripsbepalingen In dit huishoudelijk reglement wordt verstaan onder: - a. **Bestuursreglement:** het geldende [NWO bestuursreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039246); - b. **Bevoegdhedenregeling:** de geldende [NWO bevoegdhedenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045229); - c. **Directeur:** de directeur van NRO zoals bedoeld in [artikel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039246&artikel=5.1) jo. [6.4 van het Bestuursreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039246&artikel=6.4) en artikel 6 lid 1 van het Convenant; - d. **Convenant:** het door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en NWO op 8 juni 2020 gesloten Convenant Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek 2020–2030; - e. **Kennisbenuttingsraad:** raad ten behoeve van het beleid en de activiteiten voor kennisbenutting en communicatie zoals bedoeld in artikel 3 aanhef en onder f van het Convenant; - f. **Mandaat:** de bevoegdheid om namens de raad van bestuur of een, ten opzichte van de gemandateerde, hoger gelegen orgaan van NWO besluiten te nemen. De mandaatgever blijft zelf bevoegd; - g. **Stuurgroep:** het bestuur van het regieorgaan als bedoeld in artikel 4 van het Convenant; - h. **Programmaraad voor Wetenschappelijk Onderwijsonderzoek (Prowo):** raad ten behoeve van de programmering van onderzoek zoals bedoeld in artikel 3 aanhef en onder d van het Convenant; - i. **Raad van bestuur:** de raad van bestuur van NWO, zoals bedoeld in [artikel 2 van het Bestuursreglement](onbekend); - j. **Regieorgaan:** een orgaan zoals bedoeld in [artikel 5 van het Bestuursreglement](onbekend), belast met een specifieke NWO-activiteit; - k. **NRO:** het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek; - l. **NWO:** de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, zoals genoemd in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":13343,"b":"Wet van 16 april 2015 tot implementatie van de Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG en uitvoering van de Verordening (EU) nr. 524/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG (Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is te voorzien in wettelijke regels om uitvoering te geven aan [Richtlijn 2013/11](32013L0011)/EU van het Europees parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en [Richtlijn 2009/22/EG](32009L0022) (PbEU 2013, L165) alsmede aan Verordening (EU) Nr. 524/2013 van het Europees parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en [Richtlijn 2009/22/EG](32009L0022) (PbEU 2013, L165); Zo is het, dat Wij, de Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsbereik Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: - a. **consument:** iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen; - b. **ondernemer:** iedere natuurlijke of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit, al dan niet mede via een andere persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt; - c. **koopovereenkomst:** de overeenkomst, bedoel"},{"i":13303,"b":"Gewijzigd besluit redelijk rendement warmteleveranciers **Uitwerking van de methode van het redelijk rendement voor warmteleveranciers over de periode 2018–2022 en 2023–2025 ten behoeve van de rendementstoets warmte** 1. Samenvatting 2. Inleiding 3. Uitgangspunten van het redelijk rendement op basis van de WACC 4. Kostenvoet eigen vermogen 4.1. Risicovrije rente 4.2. Marktrisicopremie 4.3. Systematisch risico 4.4. Conclusie 5. Kostenvoet vreemd vermogen 87. De kostenvoet vreemd vermogen betreft de vergoeding die vreemd vermogensverschaffers van warmteleveranciers eisen voor het ter beschikking stellen van hun vermogen. De kostenvoet vreemd vermogen is van belang voor het bepalen van het redelijk rendement op basis van de WACC, aangezien de WACC het gewogen gemiddelde is van de kostenvoet vreemd vermogen en de kostenvoet eigen vermogen. 5.1. Methode 5.2. Gebruikte gegevens 5.3. Berekening kostenvoet vreemd vermogen 5.4. Conclusie 5a. Onderzoek naar opslagen KVV (en KEV) 5a.1. Beroepsprocedure 5a.2. Kostenvoet vreemd vermogen, differentiatie naar grootte leverancier 5a.3. Verzameling en verwerking van data 5a.4. Classificatie naar grootte 5a.5. Definitie variabelen 5a.6. Beschrijving dataset 5a.7. Resultaten 5a.8. Additionele analyses 5a.9. Conclusie 5b. Opslag asymmetrisch reguleringsrisico 6. Gearing en belastingvoet 6.1. Gearing 6.2. Belastingvoet 7. Vaststelling van de hoogte van het redelijk rendement 8. Dictum Bijlage 1. Samenvatting en reactie zienswijzen 1.1. Inleiding 1.2. Ontvankelijkheid 1.3. Zienswijzen **Zienswijze 1: ‘‘Het normrendement mag niet met terugwerkende kracht worden toegepast’’** **Zienswijze 2: ‘‘De ACM moet rekening houden met de governance van het warmtebedrijf’’** 1.4 Zienswijzen op de WACC **Hoogte en looptijd van de WACC** **Zienswijze 3: ‘‘De ACM heeft de WACC voor warmteleveranciers te laag vastgesteld’’** **Zienswijze 4: ‘‘Looptijd van de WACC’’** **Zienswijze 5: ‘‘De ACM heeft bij het vaststellen van de WACC onvoldoende rekening geho"},{"i":13554,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 juni 2006, nr. POI2006267349, tot instelling van het beraad voor Geo-Informatie (Instellingsbesluit GI-beraad) Overwegende dat: – Het belang van de geo-informatie voor de totstandkoming van een efficiënte en effectieve overheid steeds groter wordt; – Een aantal belangrijke basisregistraties voor geo-informatie waaronder die voor adressen, gebouwen, kadaster en topografie en mogelijk die van de grootschalige topografie en de ondergrond, de komende jaren worden opgebouwd en onderdeel gaan uitmaken van het stelsel van basisregistraties; – De ontsluiting en het (her)gebruik van geo-informatie in de publieke sector, maar ook in andere sectoren, moet worden bevorderd, bijvoorbeeld de inzet bij de openbare orde en veiligheid. – Een aantal internationale ontwikkelingen rond standaardisatie en ontsluiting het noodzakelijk maakt, dat Nederland daarbij aansluit. Gelet op het [besluit Informatievoorziening Rijksoverheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004976) uit 1991, dat de Minister van VROM de coördinerend bewindspersoon is voor de vastgoedinformatie (in recente terminologie: geo-informatie); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. het GI-beraad: het beraad voor de Geo-informatie; - b. de minister: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - c. geo-informatie: geografische informatie, informatie met een ruimtelijke component. Artikel 2 Er is een GI-beraad. Artikel 3 Het GI-beraad heeft tot taak: - a. Het doen van aanbevelingen aan de minister, overige ministers en overheidsorganen over de strategische onderwerpen op het gebied van de geo-informatie in de publieke sector in Nederland. - b. De minister, overige ministers en overheidsorganen te adviseren over en kaders te stellen voor - 1. de organisatie van de coördinatie; - 2. de infrastructuur en voorwaarden voor ontsluiting; - 3. het stimuleren van gebruik en - 4. standaardisa"},{"i":13227,"b":"Derde tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van de desinfectiemiddelen op oppervlakken in verband met de uitbraak COVID-19 (Derde tijdelijke vrijstelling desinfectiemiddelen oppervlakken COVID-19 2021) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; In aanmerking genomen de toegenomen vraag naar desinfectiemiddelen als gevolg van de uitbraak van COVID-19, in overleg met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS- CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van desinfectiemiddelen voor oppervlakken die de werkzaamheden in de professionele zorgsector en in de farmaceutische industrie compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en het door professionele zorgaanbieders en de farmaceutische industrie gebruiken van de middelen genoemd in de bijlage; - b). artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012 toegestaan dat de in de bijlage genoemde middelen onder de daarin genoemde voorwaarden op de markt worden aangeboden en gebruikt. Artikel 2 Aan de vrijstelling en toestemming, bedoeld in [artikel 1, onderdelen a ondersc"},{"i":13547,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 10 maart 2017, nr. WJZ/17007829, tot instelling van de EZ commissie monitoring VWNW (Instellingsbesluit EZ commissie monitoring VWNW) Handelende in overeenstemming met de Minister van Wonen en Rijksdienst; Gelet op onderdeel 17 van de Overeenkomst Sociaal Beleid Rijk: van werk naar werk (VWNW)beleid van 11 april 2013; Gehoord het Departementaal Georganiseerd Overleg EZ (DGO EZ) van 11 maart 2014; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Economische Zaken; - b. **commissie:** de EZ commissie monitoring VWNW; - c. **DGO-EZ:** Departementaal Georganiseerd Overleg bij het ministerie van Economische Zaken; - d. **overeenkomst:** de Overeenkomst Sociaal Beleid Rijk: van werk naar werk (VWNW) beleid; - e. **Besluiten:** Besluit van werk naar werkbeleid voor de sector Rijk 2013–2015 en Besluiten verlenging van werk naar werkbeleid voor de sector Rijk. Artikel 2 1. Er is een EZ commissie monitoring VWNW. 2. De commissie heeft tot taak de uitvoering van de overeenkomst en de Besluiten voor het departement te monitoren en daarover twee maal per jaar te rapporteren aan de minister. Artikel 3 De Minister van Wonen en Rijksdienst kan de commissie via de minister verzoeken om tussentijdse rapportages. Artikel 4 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en de volgende leden: - a. twee vertegenwoordigers van het ministerie van Economische Zaken; - b. twee vertegenwoordigers van de aan het DGO-EZ deelnemende centrales van overheidspersoneel. 2. De voorzitter wordt door de minister benoemd. De voorzitter kan door de minister worden geschorst en ontslagen. Artikel 5 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast. 2. De minister voorziet in het secretariaat van de commissie. 3. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van"},{"i":14110,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 december 2003, nr. DDI/ST/reg 8/2003, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het gezantschap te Bulgarije (Sofia) gevestigd te Belgrado, (1940–1941) 1947–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het gezantschap te Bulgarije (Sofia) gevestigd te Belgrado, (1940–1941) 1947–1954, de in kolom 1 van onderstaande tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in kolom 2 van deze tabel genoemde jaartal. | Inventaris- nummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 33 | 2026 | | 34 | 2030 | | 35 | 2028 | | 36 | 2030 | | 37 | 2027 | | 38 | 2029 | | 39 | 2029 | | 40 | 2028 | | 41 | 2023 | | 42 | 2025 | | 43 | 2030 | | 44 | 2030 | | 45 | 2028 | | 46 | 2026 | | 47 | 2028 | | 48 | 2028 | | 50 | 2024 | | 51 | 2026 | | 52 | 2028 | | 53 | 2027 | | 54 | 2024 | | 55 | 2029 | | 56 | 2025 | | 134 | 2023 | | 135 | 2026 | | 136 | 2012 | | 138 | 2023 | | 139 | 2023 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016159&artikel=1&z=2004-01-18&g=2004-01-18) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het **‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’**; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](h"},{"i":14142,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 11 december 2006, nr. TRCJZ/2006/3802, houdende regeling bijzondere restituties bij uitvoer bepaalde soorten rundvlees Gelet op [Verordening (EEG) nr. 32/82](31982R0032) van de Commissie van 7 januari 1982 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van bijzondere restituties bij uitvoer in de rundvleessector; Gelet op [Verordening (EEG) nr. 1964/82](31982R1964) van de Commissie van 20 juli 1982 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van bijzondere restituties bij uitvoer van bepaalde soorten rundvlees zonder been; Gelet op [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003360&artikel=11) en [artikel 13, eerste lid, van het In- en uitvoerbesluit landbouwgoederen 1980](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003360&artikel=13); Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: Minister van Economische Zaken; - b. NVWA: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken; - c. [verordening 32/82](31982R0032): [verordening (EEG) nr. 32/82](31982R0032) van de Commissie van 7 januari 1982, tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van bijzondere restituties bij uitvoer in de rundvleessector (PbEG L 4); - d. [verordening 1964/82](31982R1964): [verordening (EEG) nr. 1964/82](31982R1964) van de Commissie van 20 juli 1982, tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van bijzondere restituties bij uitvoer van bepaalde soorten rundvlees zonder been (PbEG L 212); - e. [verordening 853/2004](32004R0853): [verordening (EG) nr. 853/2004](32004R0853) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU L 139); - f. karkas: het geslachte dier, zonder kop en zonder poten, zonder de organen in de borst- en"},{"i":12754,"b":"Besluit vaststelling factoren L en r boekjaar 2013 Gelet op [artikel 4, zesde en zevende lid, van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De factor L, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2013 vastgesteld op 0,209545%. Artikel 2 De factor r, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011500&artikel=3), wordt voor het boekjaar 2013 vastgesteld op 0,183961%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12301,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 19 oktober 2011, nr. VGP/3085423, houdende goedkeuring van de Code voor de hygiënische productie en verpakking van kristalsuiker, versie augustus 2011 Gelezen het verzoek van de Suikerstichting Nederland van 25 augustus 2011; Gelet op [artikel 4, tweede en vijfde lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018823&artikel=4); Gehoord het advies van de Voedsel en Waren Autoriteit van 8 september 2011 met kenmerk VWA/2011/11065; Besluit: Artikel 1 1. De Code voor de hygiënische productie en verpakking van kristalsuiker, versie augustus 2011, die bij brief van 25 augustus 2011 door de Suikerstichting Nederland is voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, wordt goedgekeurd als hygiënecode, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018823&artikel=4). 2. De goedkeuring van 3 november 2001, GZB/VVB 2227722, van de Code voor de hygiënische productie en -verpakking van kristalsuiker, versie oktober 2001, wordt ingetrokken. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 november 2011. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13281,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, kenmerk ACM/DE/2016/202167, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 12b van de Gaswet (Gebiedsindelingscode gas) Gelet op artikel [12f, eerste lid van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12f); Besluit: 1. Algemene bepalingen 1.1. Werkingssfeer en definities 1.1.1 Deze code bevat de gebiedsindeling van de netbeheerders, zoals bedoeld in [artikel 12b, eerste lid, onderdeel f, van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=12b). 1.1.2 Uiterlijk op 1 juli van elk oneven jaar dienen de gezamenlijke netbeheerders, uitgaande van de situatie op 31 december van voorgaand jaar, een voorstel tot actualisering van de gebiedsindeling in bij de Autoriteit Consument en Markt. 1.1.3 [Vervallen] 1.1.4 De in deze code gebruikte begrippen die ook in de [Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440) worden gebruikt, hebben de betekenis die daaraan in de Gaswet is toegekend. Van de overige in deze code gebruikte begrippen is de betekenis vastgelegd in de [Begrippencode gas](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037923). 2. Het landelijk gastransportnet 2.1. De netbeheerder van het landelijk gastransportnet 2.1.1 Het landelijk gastransportnet wordt beheerd door: Gasunie Transport Services B.V. (GTS), gevestigd te Groningen. 2.2. De gebiedsaanduiding van het landelijk gastransportnet 2.2.1 Het gebied van de in [2.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037927&hoofdstuk=2&paragraaf=2.1&artikel=2.1.1&z=2017-11-16&g=2017-11-16) genoemde netbeheerder omvat heel Nederland, doch uitsluitend voor aansluitpunten zoals bedoeld in [artikel 10, zesde lid, onderdeel b, van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=10). 3. De regionale gastransportnetten 3.1. De netbeheerders van de regionale gastransportnetten 3.1.1 De regionale gastransportnetten worden beheerd door de volgende netbeheerders: - a. Coteq Netbehee"},{"i":11859,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 oktober 2022, nr. 2022-0000445575 houdende vaststelling van beleidsregels inzake de toepassing van de Wet normering topinkomens met ingang van 1 januari 2023 (Beleidsregels WNT 2023) Gelet op [artikel 1.10 van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.10) Besluit: Artikel I De als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels zijn voor het jaar 2023 van toepassing op de uitvoering van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) berustende bepalingen, daaronder begrepen de uitvoering en handhaving door of namens de ministers van die wet en de daartoe door hen aangewezen ambtenaren. Artikel II Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels WNT 2023. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Bijlage. bij [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047418&artikel=I&z=2023-01-01&g=2023-01-01) van de Beleidsregels WNT 2023 Beleidsregels WNT 2023 § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) wordt in deze beleidsregels aangehaald met de afkorting ‘WNT’. Artikel 2. Toepassingsgebied Deze beleidsregels zijn met ingang van 1 januari 2023 van toepassing op de uitvoering van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop berustende bepalingen, daaronder begrepen de uitvoering en handhaving door of namens de ministers en bij de uitoefening van toezicht op de naleving van de WNT en de daarop berustende bepalingen door de daartoe door hen aangewezen ambtenaren. § 2. Reikwijdte van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) Artikel 3. Overheidsverenigingen of -stichtingen Van een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1.3, eerste lid, onderdeel b, van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.3) is onder meer sprake, indien een of meer krachtens pu"},{"i":19462,"b":"Besluit vervanging archiefbescheiden RDW 2017 De digitale vervanging van archiefbescheiden heeft betrekking op te bewaren en te vernietigen papieren archiefbescheiden van de RDW tot en met tien jaar na inwerkingtreding van dit besluit. Gelet op: de regeling van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161 (10265), tot wijziging van de Archiefregeling in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; [artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). Besluit: Artikel 1 1. Over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van papieren archiefbescheiden die op grond van de ‘Selectielijst Dienst Wegverkeer (RDW) 2017: Voor het selecteren van te vernietigen en permanent te bewaren informatie vanaf 1996’ voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna deze papieren archiefbescheiden worden vernietigd. 2. Reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde ‘Handboek Digitale Vervanging RDW’. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vervanging archiefbescheiden RDW 2017."},{"i":17682,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, beleidsterrein Monumentenzorg 1945–1990 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 april 2005, nr. arc-2005.02131/3; Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Monumentenzorg over de periode 1945–1990’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bsd monumentenzorg 1945–1990 Inleiding Archiefbescheiden kunnen verschillende functies vervullen. Overheidsorganen kunnen archiefbescheiden opmaken of gebruiken voor de bedrijfsvoering, om zichzelf te verantwoorden of een ander ter verantwoording te roepen en als bewijsmiddel. Voor burgers is het belang van archiefbescheiden gelegen in het streven naar democratische controle (de burger moet de overheid ter verantwoording kunnen roepen), in de mogelijke functie van archiefbescheiden als bewijsmiddel en in het feit dat archiefbescheiden deel uitmaken van het cultureel erfgoed en voor historisch onderzoek van belang zijn. Vanuit het bedrijfsvoerings- en verantwoordingsbelang van archiefbescheiden geredeneerd, kan elk archiefstuk vernietigd worden op het moment dat het voor het archiefvormend orgaan niet meer nuttig is. Het historisch belang van bepaalde bescheiden kan echter van blijvende aard zijn. Om dat belang te beschermen schrijft de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) aan de Nederlandse overheidsorganen voor dat zij archiefbescheiden slechts mogen vernietigen op grond van een officieel"},{"i":17190,"b":"Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douane-administraties De Hoge Overeenkomstsluitende Partijen, lidstaten van de Europese Unie, Verwijzend naar de akte van de Raad van de Europese Unie van 18 december 1997, Memorerend dat de verplichtingen in de overeenkomst inzake wederzijdse bijstand tussen de onderscheiden douane-administraties, ondertekend te Rome op 7 september 1967, moeten worden versterkt, Overwegende dat de douane-administraties op het douanegebied van de Gemeenschap, met name op de plaats van binnenkomst en de plaats van vertrek, verantwoordelijk zijn voor de voorkoming, de opsporing en de bestrijding van inbreuken, niet alleen op communautaire regelingen, maar ook op nationale wetten, in het bijzonder in de gevallen als bedoeld in de artikelen 36 en 223 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Overwegende dat de zich steeds verder ontwikkelende illegale handel van allerlei aard een ernstige bedreiging van de volksgezondheid, openbare zedelijkheid en openbare veiligheid vormt, Overwegende dat er regels moeten worden opgesteld voor de bijzondere samenwerkingsvormen die grensoverschrijdende acties meebrengen ter voorkoming, opsporing en bestrijding van bepaalde inbreuken op zowel de nationale wetgeving van de lidstaten als de communautaire douaneregelgeving; dat dergelijke grensoverschrijdende acties steeds moeten worden uitgevoerd met inachtneming van het legaliteitsbeginsel (dat wil zeggen overeenkomstig het toepasselijke recht van de aangezochte lidstaat en de richtsnoeren van de bevoegde autoriteiten van die lidstaat), het subsidiariteitsbeginsel (dergelijke acties mogen slechts worden gevoerd wanneer andere vormen van actie met minder verstrekkende gevolgen niet geschikt blijken te zijn) en het evenredigheidsbeginsel (bij de vaststelling van de omvang en de duur van de actie moet worden uitgegaan van de ernst van de vermoede"},{"i":17683,"b":"Vaststelling selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](onbekend); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/2 en arc-2003.6517/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18653,"b":"Wet van 19 april 1999 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, het Wetboek van Strafvordering, de Politiewet 1993 en andere wetten (reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een reorganisatie van het openbaar ministerie tot stand te brengen, teneinde het openbaar ministerie in staat te stellen zijn taken en bevoegdheden op adequate wijze uit te oefenen, alsmede dat het wenselijk is binnen het openbaar ministerie een landelijk parket in te stellen, teneinde de kwaliteit van de opsporing en de vervolging van ernstige vormen van criminaliteit te verbeteren, en dat het in verband daarmee gewenst is de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), de [Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299) en andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. ARTIKEL II Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. ARTIKEL III Wijzigt de Beroepswet. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. ARTIKEL V Wijzigt de Wet op de studiefinanciering. ARTIKEL VI Wijzigt de Wet van 16 augustus 1951 (Stb. 386) tot openstelling van rechterlijke betrekkingen, advocatuur en notariaat voor bepaalde groepen van Indische juristen, notarissen en candidaat-notarissen. ARTIKEL VII Wijzigt de Advocatenwet. ARTIKEL VIII Wijzigt de Wetboek van Strafvordering. ARTIKEL IX Wijzigt de Politiewet 1993. ARTIKEL X Wijzigt de Arbeidswet 1919. ARTIKEL XI Wijzigt de Pachtwet. ARTIKEL XII Wijzigt de Vreemdelingenwet. ARTIKEL XIII Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving v"},{"i":18625,"b":"Wet van 28 september 2022, houdende wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet en de Comptabiliteitswet 2016 in verband met het afschaffen van de decentrale rekenkamerfunctie en het uitbreiden van de bevoegdheden van de rekenkamers (Wet versterking decentrale rekenkamers) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor de versterking van het decentrale rekenkameronderzoek wenselijk is de rekenkamerfunctie voor gemeenten en provincies af te schaffen en de bevoegdheden van de rekenkamers uit te breiden met betrekking tot overheidsdeelnemingen en inkooprelaties die goederen en diensten leveren die betrekking hebben op de uitvoering van een publieke taak en daartoe de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416), de [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) en de [Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II Wijzigt de Provinciewet. Artikel IIa Wijzigt de Waterschapswet. Artikel III Wijzigt de Comptabiliteitswet 2016. Artikel IV 1. Indien in een gemeente op een datum voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet een verordening gold als bedoeld in [artikel 81oa van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=81oa), zoals dat luidde op die datum, behoudt deze verordening haar rechtskracht tot uiterlijk een jaar na die datum of bij eerdere intrekking van de verordening, tot de datum van intrekking. 2. [Artikel 81a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=81a) en [Hoofstuk IVb van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&hoofdstuk=IVb), zoals deze luidden op de datum voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet,"},{"i":17379,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 16 oktober 2003, nr. W&B/WWB/2003/78560, Directie Werk en Bijstand, houdende nadere regels terzake van enkele in de Wet werk en bijstand en het Besluit WWB geregelde onderwerpen (Regeling WWB) Gelet op de [artikelen 31, tweede lid, onderdeel l, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=31), [75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=75), [77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=77), en [78, tweede lid, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=78), [10, vierde lid, van het Besluit WWB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015709&artikel=10), en [4.1, vijfde lid, van het Besluit SUWI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013267&artikel=4.1); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. wet: [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703); - c. vangnetuitkering: de vangnetuitkering, bedoeld in [artikel 74 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=74); - d. toetsingscommissie: de toetsingscommissie vangnet Participatiewet, bedoeld in [artikel 73 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=73); - e. IOAW: [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044); - f. IOAZ: [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163); - g. Bbz 2004: [Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015711). § 2. Beeld van de uitvoering Artikel 2. Verslag over de uitvoering en accountantsverklaring Vervallen Artikel 3. Geen accountantsverklaring Vervallen Artikel 4. Beeld van de uitvoering 1. Het"},{"i":19307,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 14 januari 2004, kenmerk 5263664/DBZ/04, strekkende tot wijziging van het besluit buitengewoon opsporingsambtenaren reinigingsagenten Dienst Stadstoezicht Amsterdam 2000 Handelende in overeenstemming met de betrokken Ministers; Gelezen het verzoek van de directeur van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam; Gelet op: – [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder ten tweede, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); – [artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=8); – [artikel 142, eerste lid, onder b en c, en het derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); – het [Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013); Besluit: Artikel 1 Wijzigt het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Reinigingsagenten Dienst Stadstoezicht Amsterdam 2000 Artikel 2 De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging en de overige benoemingsbescheiden van de buitengewoon opsporingsambtenaren die in dienst van de dienst Stadstoezicht Amsterdam de functie van reinigingsagent vervullen, worden voor de duur van hun geldigheid of tot daarover nader zal zijn beslist, geacht te zijn akten en overige benoemingsbescheiden afgegeven mede op basis van onderhavige besluit. Artikel 3 Dit besluit treed in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden geplaatst."},{"i":18374,"b":"Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2023 Met verwijzing naar de [artikelen 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=21), [132](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=132) en [140 van het Reglement van Orde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=140) wordt de volgende Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2023 vastgesteld: Artikel 1. (Definitiebepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **College van Voorzitter en Ondervoorzitters:** College van Voorzitter en Ondervoorzitters, bedoeld in [artikel 12 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=12); - b. **Fractie:** fractie, bedoeld in de [artikelen 17 tot en met 21 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=17); - c. **Bijdrage:** bijdrage, berekend overeenkomstig [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049016&artikel=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van deze regeling; - d. **Fusie:** een samengaan van fracties als bedoeld in [artikel 18 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=18); - e. **Splitsing:** de situatie waarin [artikel 20 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=20) is toegepast; - f. **Zitting:** zitting, als bedoeld in [artikel 1 onder f van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=1); - g. **Auditdienst Rijk:** Auditdienst Rijk, bedoeld in [artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=1.1). Artikel 2. (Bestemming bijdrage) 1. Fracties ontvangen van de Eerste Kamer een bijdrage als tegemoetkoming in de kosten die nodig zijn voor de bekostigi"},{"i":19268,"b":"Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Justitie en Veiligheid Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), [artikel 6, eerste lid, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); met inachtneming van de Regeling van de Minister van Justitie van 19 april 2010, nr. DDS-nummer 5646604 inzake de vervanging van papieren door digitale personeelsdossiers ([Regeling digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Justitie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775)). Besluit: Artikel 1. Reikwijdte Dit besluit heeft betrekking op archiefbescheiden op papier die behoren of zullen gaan behoren tot het personeelsdossier van de medewerkers van de Justitiële ICT Organisatie. Deze archiefbescheiden worden vervangen door digitale reproducties. Deze vervanging betreft alle papieren archiefbescheiden die betrekking hebben op personeelsgegevens en salarisgegevens zoals beschreven in het ‘Basisselectiedocument P-dossier is Mens-en-werk, 1945. Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt ten minste overeenkomstig de specificaties en instellingen zoals deze zijn opgenomen in de bijlage en op de wijze zoals beschreven in het Handboek Digitale Vervanging Personeelsdossiers. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Artikel 4 De digitale reproductie wordt uitgevoerd door P-Direkt. Artikel 5 Deze regeling kan worden aangehaald als Vervangingsbesluit personele archiefbescheiden Justitie en Veiligheid. Bijlage Deze bijlage bevat de eisen waaraan de uitvoering van het vervangingsproces ten minste zal voldoen, een en ander overeenkomstig [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b). [Artikel 26b van de Archiefregeling](https://w"},{"i":17192,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake wederzijdse bijstand tussen de onderscheiden douane-administraties De Regeringen van de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap, Overwegende, dat strafbare feiten op het stuk van de douanewetten nadeel toebrengen aan de economische en fiscale belangen van hun onderscheiden landen alsook aan de rechtmatige belangen van handel, nijverheid en landbouw, en dat zij de doeleinden van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen in gevaar brengen, Overwegende, dat het, om eenvormige toepassing van bij die Verdragen voorziene tarieven te waarborgen, van belang is een juiste heffing van douanerechten te verzekeren, Ervan overtuigd, dat de strijd tegen strafbare feiten op het stuk van de douanewetten en het streven naar grotere juistheid in de toepassing van de douanerechten doeltreffender worden door samenwerking tussen de douane-administraties, Verlangende de ontwikkeling en de werking van de douane-unie tussen de Overeenkomstsluitende Staten veilig te stellen door nauwe samenwerking tussen de douane-administraties, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Vervallen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen Artikel 23 Vervallen Artikel 24 Vervallen Artikel 25 Vervallen TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend. GEDAAN te Rome, de 7 september 1967."},{"i":18337,"b":"Proclamatie van 29 December 1954, houdende plechtige afkondiging van de nieuwe rechtsorde voor het Koninkrijk, zoals deze is vervat in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en van de acte van bevestiging van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden Op heden de vijftiende December negentienhonderd vier en vijftig, in plechtige bijeenkomst in de Ridderzaal te 's-Gravenhage; Gelet op artikel 218 van de Grondwet en op [artikel 61 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=61); Overwegende, dat een nieuwe rechtsorde voor het Koninkrijk der Nederlanden is neergelegd in een Statuut, dat is opgesteld door de uit vertegenwoordigers der bevolkingen van Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen samengestelde Conferentie Nederland-Suriname-Nederlandse Antillen; dat het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) vrijwillig langs democratische weg is aanvaard: door Nederland bij de wet van 28 October 1954, na goedkeuring in elk der Kamers van de Staten-Generaal met een meerderheid van meer dan twee derden der uitgebrachte stemmen; door Suriname bij besluit van de Staten van 9 September 1954 met een meerderheid van meer dan twee derden der uitgebrachte stemmen; door de Nederlandse Antillen bij besluit van de Staten van 26 Augustus 1954 met een meerderheid van meer dan twee derden der uitgebrachte stemmen; dat hiermede de nieuwe rechtsorde, zoals deze in genoemd Statuut is vervat, overeenkomstig het eerste lid van artikel 218 van de Grondwet is aanvaard en dat mitsdien die nieuwe rechtsorde door Ons kan worden bevestigd; dat het door Ons bevestigde [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) krachtens vorenaangehaalde bepalingen plechtig dient te worden afgekondigd in het gehele Koninkrijk; BEVESTIGEN de nieuwe rechtsorde, zoals deze is vervat in het [Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden"},{"i":18216,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein bedrijfsvoering rechterlijke macht vanaf 2002 (Raad voor de Rechtspraak) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 december 2007, nr. aca-2007.04229/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Raad voor de Rechtspraak en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein bedrijfsvoering rechterlijke macht over de periode vanaf 2002](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18235,"b":"Besluit van 24 oktober 2016, nr. 2016001830, houdende vaststelling van een selectielijst voor de Algemene Rekenkamer, het Kabinet van de Koning, de Kanselarij der Nederlandse Orden en de Nationale Ombudsman op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier, voor de periode vanaf 1945 Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 oktober 2016, kenmerk NA/16/1075022, agentschap Nationaal Archief, gedaan in overeenstemming met de betrokken zorgdragers; Gelet op [artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst voor de Algemene Rekenkamer, het Kabinet van de Koning, de Kanselarij der Nederlandse Orden en de Nationale Ombudsman op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier, voor de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier, voor de periode vanaf 1945’ (gepubliceerd in de Staatscourant 2007, 225) wordt voor de [Algemene Rekenkamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022850), [het Kabinet van de Koning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022849), [de Kanselarij der Nederlandse Orden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022843) en [de Nationale Ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022845) ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18430,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 oktober 2015, nr. WJZ/831752 (6806) houdende vaststelling van de tarieven van rijksarchiefbescheiden (Regeling tarieven rijksarchiefbescheiden) Gelet op [artikel 19 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=19); Besluit: Artikel 1 Bij het in rekening brengen van kosten als bedoeld in de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=14) en [18, zesde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=18) zijn de in de bijlage opgenomen tarieven van toepassing. Artikel 2 De [Regeling tarieven rijksarchiefdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012608) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tarieven rijksarchiefbescheiden. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Bijlage | Nummer | Omschrijving reproductie | € | Toelichting | | --- | --- | --- | --- | | 1 | zwart-witkopie A4 zelfbediening | 0,20 | | | 2 | zwart-witkopie A3/folio zelfbediening | 0,30 | | | 3 | zwart-witkopie A4 opdracht | 0,50 | | | 4 | zwart-witkopie A3/folio opdracht | 0,60 | | | 5 | kleurkopie A4 zelfbediening | 0,60 | | | 6 | kleurkopie A3/folio zelfbediening | 1,20 | | | 7 | kleurkopie A4 opdracht | 0,90 | | | 8 | kleurkopie A3/folio opdracht | 1,50 | | | 9 | Zwart-wit kopie A2-A0 | 15,00 | | | 10 | kleurkopie A2-A0 Kleur | 20,00 | | | 11 | microfilmprint A4 zelfbediening | 0,80 | | | 12 | microfilmprint A3 zelfbediening | 1,20 | | | 13 | microfilmprint A4 opdracht | 1,50 | | | 14 | microfilmprint A3 opdracht | 2,00 | | | 15 | microfilmprint A2 opdracht | 3,00 | | | 16 | afschrift/uittreksel akte/bijlagen BS | 12,10/21,70 | [Legesbesluit akten BS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002644) | | 17 | afschrift/uittreksel akte overig | 12,10 | Op basis van [Legesbesluit akten BS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002644) | | 19 | scans in opdracht | |"},{"i":18257,"b":"Deelneming Rijk gemeenschappelijke regeling Midden-Delfland Gelet op [artikel 94 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=94); Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers; Besluit: Artikel 1 Het Rijk neemt deel aan de gemeenschappelijke regeling waarbij een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, genaamd Recreatieschap Midden-Delfland wordt ingesteld. Artikel 2 Ten laste van het Rijk komt 50% van het nadelig saldo over enig boekjaar, exclusief de kapitaalslasten, die voortvloeien uit de investeringen waarin het Rijk rechtstreeks minimaal 50% heeft bijgedragen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na die van zijn bekendmaking in de Staatscourant."},{"i":18121,"b":"Besluit van 1 maart 1993, houdende het bijeenroepen van een conferentie over de toekomstige verhoudingen tussen de landen van het Koninkrijk Op de voordracht van Onze Minister-President en van Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van 26 februari 1993, nr. 40722; Gelet op de conclussie van het overleg tussen de landen van het Koninkrijk op 28 september 1992; Artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er wordt een conferentie bijeengeroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de Nederlandse Antillen, de eilandengebieden van de Nederlandse Antillen, Aruba en Nederland, die zal beginnen op 8 maart 1993 te Willemstad. Artikel 2 De regeringen van de Nederlandse Antillen, Aruba en Nederland, alsmede de eilandsraden van de eilandgebieden Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten benoemen vertegenwoordigers ter deelneming aan de conferentie. Zij kunnen zich doen bijstaan door adviseurs. Artikel 3 De delegaties van regeringen van de Nederlandse Antillen, Aruba en Nederland, alsmede de onderscheiden eilandgebieden van de Nederlandse Antillen wijzen ieder uit hun midden een woordvoerder aan. Artikel 4 De Staten-Generaal en de Staten van de Nederlandse Antillen en van Aruba kunnen uit hun midden waarnemers aanwijzen ter bijwoning van de conferentie. Artikel 5 De voorzitter van de Raad van Ministers van het Koninkrijk is belast met het voorzitterschap van de conferentie. Artikel 6 De voorzitter regelt de orde der werkzaamheden tijdens de vergaderingen. Artikel 7 Bij het begin van haar vergadering stelt de conferentie haar agenda vast. Artikel 8 De conferentie heeft een secretariaat bestaande uit een algemeen secretaris, aangewezen door de voorzitter, en een door ieder van de aan de conferentie deelnemende partijen aan te wijzen secretaris. Artikel 9 1. De besluitvorming vindt plaats in de plenaire vergadering van de conferentie. 2. Bij de besluitvorming ter conferentie br"},{"i":19432,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 29 januari 2018, nr. IENM/BSK-2017/273324, houdende beperking aan de openbaarheid van het Archief van de Raad voor de Scheepvaart: dossiers uitspraken en beschikkingen (1908) 1909–2010 (Besluit beperking openbaarheid Archief Raad voor de Scheepvaart, (1908) 1909–2010) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10), en het advies van de algemene rijksarchivaris van 18 december 2017, met kenmerk EDOC-#1287549; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het Archief van de Raad voor de Scheepvaart: dossiers uitspraken en beschikkingen (1908) 1909–2010: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de scheepsdossiers geborgen onder de inventarisnummers 571 tot en met 2171 en de fiches met strafmaat van personen geborgen onder inventarisnummer 2195 tot 75 jaar na sluiting van de dossiers beperkt openbaar. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040657&artikel=1&z=2018-02-27&g=2018-02-27), is tot het moment van vervallen van de beperkingen aan de openbaarheid uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijk verkregen toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De verlening van toestemming tot inzage en de inzage zelf geschieden volgens de daarvoor bij het Nationaal Archief geldende procedures. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit de dossiers geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040657&artikel=1&z=2018-02-27&g=2018-02-27), is tot het moment van het vervallen"},{"i":17758,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Republiek Vietnam inzake samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Republiek Vietnam, hierna te noemen „de verdragsluitende partijen” en elk afzonderlijk „de verdragsluitende partij”, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid, openbare orde en handel van de verdragsluitende partijen; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen, bedreigde dier- en plantensoorten, gevaarlijke stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen wettelijke bepalingen; Gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand, de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand (Verklaring van Cyprus) en de Resolutie inzake veiligheid en facilitatie van de internationale logistieke keten, aangenomen door de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisatie, in respectievelijk december 1953, juni 2000 en juni 2002; Gelet op internationale overeenkomsten die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaa"},{"i":17202,"b":"Wet van 1 oktober 2025 tot wijziging van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen in verband met het op onderdelen in balans brengen van deze wetten tussen bestaanszekerheid, re-integratie en handhaving (Participatiewet in balans) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Participatiewet op onderdelen als hard wordt ervaren, dat belanghebbenden hierdoor bestaansonzekerheid kunnen ondervinden, dat uitvoerders te weinig ruimte zien om belanghebbenden in individuele gevallen te kunnen helpen en belanghebbenden te weinig ondersteuning ervaren richting arbeidsmarkt; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Participatiewet. Artikel II. [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel III. [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel IV. [Wet gemeentelijke schuldhulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031331) Wijzigt de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel IVa Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V. Inwerkingtreding 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te b"},{"i":19222,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 26 februari 2016, nr. MinBuza-2016.1102262, houdende beperkende maatregelen jegens Libië (Sanctieregeling Libië 2016) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Financiën; Gelet op Verordening (EU) nr. 2016/44 van de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2016 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 204/2011 (Pb EU L12); Gelet op Besluit (GBVB) 2015/1333 van de Raad van 31 juli 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van Besluit 2011/137/GBVB (Pb EU L 206); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3), Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 2 bis, eerste lid, artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 3 bis, artikel 4, artikel 5, eerste tot en met vierde lid, artikel 15, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en artikel 18, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2016/44 van de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2016 (Pb EU L 12). 2. Een verbod als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 2, derde, vierde of vijfde lid, artikel 2 bis, derde lid, artikel 3, derde tot en met achtste lid, artikel 5, vijfde lid, artikel 7, artikel 8, artikel 9, artikel 10, artikel 11, artikel 12, artikel 13, artikel 14 of artikel 15, derde en vijfde lid, van Verordening (EU) nr. 2016/44 van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2, vierde lid, artikel 3, vierde en zesde lid, van [Verordening (EU) nr. 2016/44](32016R0044), is de Minister van Buitenlandse Zaken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2 bis, derde, vierde en vijfde lid, van [Vero"},{"i":18422,"b":"Regeling reüniefaciliteiten Defensie Gelet op [artikel 3 van het Veteranenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035237&artikel=3), [artikel 168 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=168), [artikel 52, eerste lid, onder i, van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018191&artikel=52) en [artikel 16, onder d, van het Inkomstenbesluit militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007816&artikel=16); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **belangenvereniging** voor deze regeling wordt onder een belangenvereniging verstaan een vereniging die militaire ambtenaren of ambtenaren van het Ministerie van Defensie als leden heeft en die is aangesloten bij een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, Besluit georganiseerd overleg sector Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006042&artikel=4); - **defensieonderdeel** het Commando Zeestrijdkrachten, het Commando Landstrijdkrachten, het Commando Luchtstrijdkrachten, de Koninklijke Marechaussee, het Defensie Ondersteuningscommando, het Commando Materieel en IT dan wel de Bestuursstaf van het Ministerie van Defensie; - **hoofd defensieonderdeel** het hoofd defensieonderdeel, bedoeld in het [Besluit toedeling uitvoerende personele bevoegdheden Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039990); - **militaire oorlogs- en dienstslachtoffers** de betrokkene, bedoeld in [artikel 1, onder a, Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008406&artikel=1); - **postactieven** gewezen militairen die ten minste zes jaar tot het beroeps- of reservepersoneel hebben behoord, en burgerlijke ambtenaren van Defensie die ten minste zes jaar een vaste aanstelling als burgerlijk ambtenaar bij Defensie hebben gehad; - **rechthebbenden** - a. veteranen, mil"},{"i":19271,"b":"Wet van 22 augustus 2022 tot wijziging van enkele wetten op het gebied van Justitie en Veiligheid in verband met aanpassingen van overwegend technische aard (Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2022) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in enkele wetten op het terrein van Justitie en Veiligheid wijzigingen en correcties van wetstechnische of anderszins beperkte aard aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel II Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel III Wijzigt de Auteurswet. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel V Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel VI Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel VII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel VIII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 8. Artikel IX Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 10. Artikel X Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel XI Wijzigt de Faillissementswet. Artikel XII Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet. Artikel XIII Wijzigt de Politiewet 2012. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel XIV Wijzigt de Registratiewet 1970. Artikel XV Wijzigt de Successiewet 1956. Artikel XVI Wijzigt de Uitleveringswet. Artikel XVII Wijzigt de Uitvoeringswet EG-betekeningsverordening. Artikel XVIII Wijzigt de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen. Artikel XIX Wijzigt de Uitvoeringswet E.G.-verordening inzake het Gemeenschapsmerk. Artikel XX Wijzigt de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming. Artikel XXI Wijzigt de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering. Artikel XXII Wijzigt de Uitvoeringswet Rotterdam Rules. Artikel XXIII Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel XXIV Wijzigt de Wegenverkeerswet"},{"i":18345,"b":"Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep Gelet op [artikel 378, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=378), [395, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=395), [426d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=426d), en [499, tweede lid, van Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=499), en [artikel 48, eerste lid, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=48), Bepaalt: Artikel 1 De aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in [artikel 378, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=378) dient de navolgende gegevens te bevatten: - a. inhoud van de telastlegging (verwezen kan worden naar de dagvaarding en eventueel naar de nadere opgave, bedoeld bij [art. 374 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=374), met vermelding van nadere opgave ter terechtzitting); in geval van bewezenverklaring: - a. alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt); - b. de bewezenverklaring (verwezen kan worden naar onder a, met aanduiding van de eventuele beperking of uitlegging); - c. de kwalificatie van het (de) strafbare feit(en) dat (die) het bewezenverklaarde oplevert met de gronden daarvoor; - d. de wettelijke voorschriften die zijn toegepast; - e. beslissi"},{"i":19427,"b":"Besluit van 26 juli 1990, houdende vaststelling van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 mei 1989, nr. RW 26148, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de Wegenverkeerswet (Stb. 1935, 554); De Raad van State gehoord (advies van 5 december 1989, nr. W09.89.0261); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 juli 1990, nr. RW 65900, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **begeleidingsvoertuig:** bedrijfsauto als bedoeld in [artikel 1.1, van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=1.1), met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg dat is bestemd voor de begeleiding van exceptionele transporten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Besluit ontheffingverlening Dienst Wegverkeer exceptionele transporten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680&artikel=1); - b. **verkeersregelaar met in het kader van zijn beroep verkeersregelende taken:** verkeersregelaar, niet zijnde transportbegeleider of verkeersregelaar die tot taak heeft eenvoudige verkeersregelende werkzaamheden te verrichten bij evenementen, die uit hoofde van zijn beroep verkeersregelende werkzaamheden verricht; - c. **bevoegd gezag:** gezag als bedoeld in [artikel 18, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=18); - d. **gezichtsveldverbeterende voorziening:** voorziening als bedoeld in [artikel 5.3.45, zesde en elfde lid, van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=5.3.45); - e. **wegvak:** gedeelte van een weg tussen twee zijwegen of – indien geen zijweg aanwezig is – tussen twee punten waarop een verke"},{"i":17152,"b":"Klachtenregeling bewindvoerders Wsnp II Gelet op: [Artikel 48c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48c) en [48d van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48d) (Staatsblad 1998, nr. 447); [Hoofdstuk 4B van de Wijzigingswet Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&hoofdstuk=4B), Staatsblad 2013, 96); [Artikel 5 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033711&artikel=5) (Staatsblad 2013, nr. 308); [Titel III van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&titeldeel=III) (Staatsblad 1998, nrs. 445 en 447); [Regeling van de Minister van Justitie van 23 juli 2009, nr.5612426/09 houdende verlening van mandaat aan de Raad voor rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch betreffende het verlenen van subsidies en het vaststellen van beleidsregels dienaangaande](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026208) (Staatscourant 2009, 11554); [Besluit ondermandatering Raad voor Rechtsbijstand Wsnp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031025) (Staatscourant 30 december 2011, 23891); Art 1, lid 2 van het Reglement register bewindvoerder Wsnp II; [Artikel 13 van de Wet op de Rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=13) (Staatsblad 1993, 775); stelt vast de volgende regels over de behandeling, het onderzoek en de afdoening van klachten betreffende geregistreerde bewindvoerders Wsnp als bedoeld in [artikel 287 lid 3 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=287): § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de minister van Veiligheid en Justitie; - b. **Wet:** de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) (Staatsblad 1998, nrs. 445 en 447 en Staatsblad 2007, 192 en 222); - c. **Klachtenregeling:** de [Klachtenregeling bewindvoerders Wsnp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":17980,"b":"Wet van 14 juni 2014 tot wijziging van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 in verband met het vervallen van de grondslag naar het inkomen in Indonesisch courant Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de grondslag voor de uitkering ingevolge de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844) niet langer naar het inkomen in Indonesisch courant vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Artikel II 1. In afwijking van [artikel 61, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=61) is de Sociale verzekeringsbank bevoegd beschikkingen ambtshalve te wijzigen wegens het vervallen van de grondslag, bedoeld in [artikel 8, derde lid, onder b, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=8) zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van deze wet. 2. In afwijking van [artikel 61, derde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=61) zijn de [artikelen 30 tot en met 32b van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=30) niet van overeenkomstige toepassing op de ambtshalve wijziging als bedoeld in het eerste lid. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 20 december 2012. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18754,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 mei 2025, kenmerk 6097438, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden van het Ministerie van Justitie, 2000–2004, (1997) 2001–2002 (2004) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 17 april 2025, met proza-zaaknummer 1334003. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden van het Ministerie van Justitie. Besluit ook gepubliceerd in Stcrt. 2025/37235. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventaris nummer | Openbaar op 1 januari | Inventaris nummer | Openbaar op 1 januari | Inventaris nummer | Openbaar op 1 januari | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 44 | 2078 | 160 | 2078 | 208 | 2078 | | 46 | 2078 | 175 | 2078 | 209 | 2078 | | 92 | 2078 | 195 | 2078 | 210 | 2078 | | 158 | 2078 | 203 | 2078 | 211 | 2078 | | 159 | 2078 | 207 | 2078 | 227 | 2078 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051078&artikel=1&z=2025-06-04&g=2025-06-04) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden"},{"i":18284,"b":"Instellingsbesluit Commissie Openbaar Ministerie Overwegende dat het Openbaar Ministerie de afgelopen jaren is geconfronteerd met een groeiende en in ernst toenemende criminaliteit en met een uitbreiding van de taken en bevoegdheden; Overwegende dat het Openbaar Ministerie een cruciale positie heeft bij de rechtshandhaving en de criminaliteitsbestrijding. Ten slotte overwegende dat er gelet op de nieuwe politie-organisatie en de ontwikkelingen betreffende de (her)indeling van het binnenlands bestuur aanleiding is om de indeling en de organisatie van het Openbaar Ministerie aan een nader onderzoek te onderwerpen; Besluit: Artikel 1 Een Commissie Openbaar Ministerie in te stellen, hierna te noemen de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak om: - a. Een overzicht te geven van de reeds genomen maatregelen en in voorbereiding zijnde maatregelen gericht op de versterking van het Openbaar Ministerie; - b. Aan te geven welke de (te verwachten) effecten zijn van deze maatregelen en voornemens voor de organisatie en het functioneren van het Openbaar Ministerie, mede in relatie tot de politie, de rechtsprekende macht en het Ministerie van Justitie, waarbij in ieder geval aandacht zal worden gegeven aan het ontstaan en de achtergronden van de zogenaamde vormfouten; - c. Te onderzoeken of – mede gelet op het onder a en b gestelde – de politiek-beleidsmatige aansturing van het Openbaar Ministerie, de indeling en organisatie van het Openbaar Ministerie en de bedrijfsprocessen binnen het Openbaar Ministerie in voldoende mate zijn toegesneden op de cruciale positie van het Openbaar Ministerie bij de rechtshandhaving en de criminaliteitsbestrijding; - d. Ten aanzien van bovengenoemde punten aanbevelingen te doen die het toekomstig functioneren van het Openbaar Ministerie kunnen versterken. Artikel 3 Tot leden van de commissie worden benoemd: - mr. J. P. H. Donner. tevens voorzitter dr. Ph. Eijlander, - mr. R. J. Hoekstra - prof.dr. U. Rosenthal - prof.ir. W. C. L. Zegveld In"},{"i":17233,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 16 november 2010, nr. MC-U-3032852, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake efficiëntietaakstelling ambulancezorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 19 maart 2009 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2009/10, 29 835, nr. 61) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gelet op het verslag van een schriftelijk overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede kamer der Staten-Generaal van 20 mei 2010 (Kamerstukken II 2009/10, 29 835, nr. 64); Besluit: Artikel 1 1. Deze aanwijzing is van toepassing op ziekenvervoer per ambulance als omschreven bij en krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), hierna te noemen: ambulancezorg. 2. De Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen zorgautoriteit, stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig regels en beleidsregels vast. Artikel 2 Voor ambulancezorg wordt per 1 januari 2011 voor drie achtereenvolgende jaren een efficiëntietaakstelling opgelegd die bestaat uit: - a. een bevriezing van het aantal ritten (gewogen/ongewogen) en van het aantal verreden kilometers op het niveau van de realisatie 2010, alsmede - b. de structurele middelen die op grond van het landelijk referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid 2008 ter beschikking zijn gesteld (17 miljoen euro), blijven beschikbaar totdat het landelijk referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid 2008 is herijkt - c. een ex ante korting op de budgetten - inclusief de middelen, bedoeld onder b- van cumulatief 0,5 procentpunt per jaar. Artikel 3 1. De zorgautoriteit hanteert bij de uitvoering van deze aanwijzing de volgende uitgangspunten: - a. de efficienc"},{"i":18833,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 december 2015 nr. BOACAT2015/066, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij GVB Exploitatie B.V Gelezen het verzoek van GVB Exploitatie B.V., afdeling Metro/Service & Veiligheid van 19 november 2015 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037357&artikel=2&z=2015-12-30&g=2015-12-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Senior Handhaver Wet Personenvervoer en Handhaver Wet Personenvervoer in dienst van GVB Exploitatie B.V. afdeling Metro/Service & Veiligheid, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, als genoemd in [onderdeel 9.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036694). 2. De op"},{"i":18074,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 maart 2009, nr. DDI/ST/reg. 007/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de Raad van Europa te Straatsburg van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de Raad van Europa te Straatsburg van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 241 | 2050 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025598&artikel=1&z=2009-04-02&g=2009-04-02), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025598&artikel=1&z=2009-04-02&g=2009-04-02), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekenin"},{"i":19240,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 maart 2011, nr. DJZ/BR/0204-011, houdende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Tunesië (Sanctieregeling Tunesië 2011) Gelet op [Verordening 101/2011](32011R0101) van de Raad van de Europese Unie van 4 februari 2011 betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Tunesië (Pb 2011, L31); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, 2 bis en 9 van [Verordening 101/2011](32011R0101) van de Raad van de Europese Unie van 4 februari 2011 betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Tunesië (Pb 2011, L31) 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, van [Verordening 101/2011](32011R0101), geldt niet in gevallen waarin artikel 4, eerste lid, 4 bis, eerste, tweede of derde lid, 5, eerste lid, 6, eerste lid, of 7 van [Verordening 101/2011](32011R0101) van toepassing is. Artikel 2 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 4 bis, tweede en derde lid, 5, eerste lid, artikel 6, tweede lid, 7 en 9, eerste lid, van [Verordening 101/2011](32011R0101) is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van bevroren tegoeden. 2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 4 bis, tweede en derde lid, 5, eerste lid, en 7 van [Verordening 101/2011](32011R0101) is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Sanctieregeling Tunesië 2011. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na"},{"i":19121,"b":"Richtlijn voor Strafvordering Binnenvaart Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op overtredingen van voorschriften op het gebied van de scheepvaart op de binnenwateren (beroeps- en recreatievaart). De tarieven zijn afgerond volgens de systematiek van de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036337). I. Algemeen **Dit hoofdstuk bevat essentiële achtergrondinformatie voor alle in de navolgende hoofdstukken opgenomen richtlijnen.** 1. Achtergrond Het strafvorderingsbeleid voor binnenvaart wijkt op een aantal punten af van het ‘Kader voor strafvordering’ en het gebruikelijke strafprocesrecht. De reden hiervoor ligt in het internationale recht. De wet- en regelgeving op de Nederlandse binnenwateren verschilt per water.1Voor een introductie in de wet- en regeling op de Nederlandse binnenwateren, en het onderwerp Rijnvaart in het bijzonder, wordt verwezen naar de Aanwijzing Binnenvaart. Op enkele scheepvaartwegen zijn een specifiek verdrag en bijbehorende voorschriften van toepassing. Van belang is met name de Herziene Rijnvaartakte (HRA, ook wel: Akte van Mannheim 1868), die in Nederland geldt op de Rijn, het Pannerdensch Kanaal, de Lek en de Waal (de zgn. ‘Aktewateren’). De HRA heeft een eigen sanctieregime. Zo berust de bevoegdheid om recht te spreken bij zgn. ‘Rijnvaartrechters’ (art. 34 HRA) en kent artikel 32 van de Herziene Rijnvaartakte **uitsluitend een geldboete** als sanctie. Dit betekent dat bij overtredingen op de internationale Rijn ingevolge [artikel 94 Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=94) geen ruimte is voor oplegging van vervangende hechtenis. Hetzelfde geldt voor taakstraffen, verbeurdverklaring of ontzegging van de vaarbevoegdheid. De op te leggen geldboete is sinds 1 november 2011 gemaximeerd op 25.000 euro. De in deze richtlijn opgenomen tarieven zijn vergeleken met de **Bussgeldkatalog** van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) in Straatsburg.2"},{"i":17328,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 december 2014, nr. 590600, houdende regels omtrent de verzending en ontvangst van berichten inzake jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering (Regeling justitiële keteninformatisering Jeugdwet) Gelet op de [artikelen 7.3.11, vijfde lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.3.11) en [5.33, vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=5.3.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **CORV:** collectieve opdracht routeervoorziening als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035936&artikel=2&z=2021-01-30&g=2021-01-30); - –. **foutmelding:** melding dat een bericht in CORV niet is gerouteerd of door de ontvanger niet goed kan worden verwerkt; - –. **justitiële ketenpartner:** - a. Veilig Thuis: Veilig Thuis-organisatie als bedoeld in [artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.1.1); - b. college: college als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - c. gecertificeerde instelling: gecertificeerde instelling als bedoeld in [artikel 1.1 Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - d. raad voor de kinderbescherming: raad voor de kinderbescherming als bedoeld in [artikel 238, eerste lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=238); - –. **Minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - –. **verkeersgegevens:** gegevens over de aard en status van berichten die via CORV zijn verzonden en ontvangen, inclusief gegevens over foutmeldingen. Artikel 2. CORV 1. Er is een collectieve opdracht routeervoorziening waarmee justitiële ketenpart"},{"i":19330,"b":"Wet van 1 november 2001 tot wijziging van de regelingen betreffende de waarborgen rond de vervolging Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de mogelijkheid om zich over het niet vervolgen van strafbare feiten te beklagen in ruimere mate open te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel l Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel ll Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel lll Kennisgevingen van niet verdere vervolging en beschikkingen waarin verklaard wordt dat de zaak geëindigd is welke van voor de inwerkingtreding van deze wet dateren, hebben de rechtsgevolgen die daar ten tijde van hun totstandkoming aan worden toegekend. Artikel lV De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18667,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het wenselijk is het [Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001532) (ETS nr. 173, hierna te noemen „het Verdrag\") aan te vullen teneinde corruptie te voorkomen en te bestrijden; Tevens overwegende dat dit Protocol een bredere uitvoering mogelijk maakt van het Actieprogramma tegen Corruptie uit 1996. Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Protocol: - 1. wordt het begrip **„arbiter\"**uitgelegd op basis van het nationale recht van de Staten die Partij zijn bij dit Protocol, maar omvat het in elk geval een persoon die uit hoofde van een arbitrageovereenkomst is verzocht een juridisch bindende uitspraak te doen in een geschil dat door de partijen bij de overeenkomst aan hem of haar is voorgelegd; - 2. wordt onder **„arbitrageovereenkomst\"** verstaan elke door het nationale recht erkende overeenkomst waarbij de partijen overeenkomen een geschil ter beslechting aan een arbiter voor te leggen; - 3. wordt het begrip **„jurylid\"** uitgelegd op basis van het nationale recht van de Staten die Partij zijn bij dit Protocol, maar omvat het in elk geval leken die optreden als leden van een college dat belast is met het doen van een uitspraak over de schuld van een verdachte in het kader van een proces; - 4. mag de Staat die vervolging instelt in het geval van een procedure waarbij een buitenlandse arbiter of een buitenlands jurylid betrokken is, de omschrijving van scheidsman of jurylid alleen toepassen voor zover deze omschrijving verenigbaar is met zijn nationale recht. HOOFDSTUK II. MAATREGELEN TE NEMEN OP NATIONAAL NIVEAU Artikel 2. Actieve omkoping van nationale arbiters Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die n"},{"i":19383,"b":"Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en enkele andere wetten met betrekking tot het beroep in cassatie in strafzaken (uitsluiting beroep in lichte overtredingszaken en invoering verplichte schriftuur van een advocaat) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling met betrekking tot het beroep in cassatie in strafzaken te wijzigen en de instroom van zaken te beperken teneinde de doelmatigheid en de kwaliteit van de rechtsbedeling in cassatie te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Wijzigt de Uitleveringswet. Artikel V Wijzigt de Wet Oorlogsstrafrecht. Artikel VI Wijzigt de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. Artikel VII [Artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010806&artikel=I&z=2000-10-01&g=2000-10-01), [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010806&artikel=II&z=2000-10-01&g=2000-10-01) en [artikel III, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010806&artikel=III&z=2000-10-01&g=2000-10-01), zijn niet van toepassing op zaken waarin op het moment van inwerkingtreding van deze wet het betrokken vonnis of arrest reeds is gewezen. Op deze zaken worden de voor het moment van inwerkingtreding geldende bepalingen toegepast. Artikel VIII [Artikel I, onderdeel B, C, D, E, onderdeel 1, F en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010806&artikel=I&z=2000-10-01&g=2000-10-01), [artikel III, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010806&artikel=III&z=2000-10-01&g=2000-10-01), [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":18269,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 26 juli 2004, nr. 5296620/804, houdende regels inzake individuele keuzen in het arbeidsvoorwaardenpakket (IKAP) voor de sector Rechterlijke Macht Gelet op [artikel 38k, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=38k); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **IKAP:** Individuele Keuzen in het Arbeidsvoorwaardenpakket; - b. **arbeidsduur, arbeidsduurfactor, vakantie:** hetgeen daaronder wordt verstaan bij of krachtens de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365); - c. **peildatum:** de eerste dag van de maand waarin de rechterlijk ambtenaar op grond van dit besluit een aanvraag heeft ingediend; - d. **salaris, salaris per uur, vakantie-uitkering:** hetgeen daaronder wordt verstaan bij of krachtens de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365); - e. **jaarsalaris:** het salaris gedurende het kalenderjaar waarin van dit besluit gebruik wordt gemaakt; - f. **plaats van tewerkstelling:** de gebruikelijke ingang van het gebouw, gebouwencomplex, terrein of vaartuig waar de betrokkene gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht, dan wel, indien de uitoefening van het ambt zich uitstrekt over een ambtsgebied, de door de functionele autoriteit aangewezen plaats. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2004. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a. Algemene bepalingen 1. De rechterlijk ambtenaar maakt zijn keuze(n) in het kader van IKAP kenbaar door middel van een aanvraag. De aanvraag wordt ingediend op een door de functionele autoriteit aangegeven wijze. 2. De rechterlijk ambtenaar kan zijn keuze(n) maandelijks kenbaar maken. 3. De aanvraag dient te wor"},{"i":19101,"b":"Regeling toepassing mechanische middelen in penitentiaire inrichtingen Gelet op [artikel 33, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=33); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 19 mei 1998 (nr. 697452/98); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: wet: de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709). Artikel 2 1. Als mechanisch middel in de zin van [artikel 33, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=33) worden slechts toegepast, de middelen die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling. 2. Indien de toestand van de gedetineerde dit vereist, kunnen meerdere mechanische middelen tegelijkertijd worden toegepast. Artikel 3 1. De toepassing van mechanische middelen beperkt de gedetineerde niet verder in zijn vrijheid dan voor de afwending van het van de gedetineerde uitgaande ernstig gevaar voor diens gezondheid of veiligheid of die van anderen noodzakelijk is. 2. Bij de keuze voor de toepassing van bepaalde mechanische middelen wordt zoveel mogelijk voorkomen dat de gedetineerde wordt belemmerd in de zelfstandige uitoefening van de lichaamsfuncties eten, drinken, urineren en ontlasten. Artikel 4 Een mechanisch middel voldoet aan de volgende eisen: - a. het middel kan snel en gemakkelijk worden bevestigd; - b. het middel heeft geen scherpe, ruwe of puntige onderdelen; - c. correcte toepassing van het middel leidt niet tot lichamelijke beschadiging of tot ongemak dat langer duurt dan noodzakelijkerwijs samenhangt met de toepassing van het middel; - d. het middel kan eenvoudig gereinigd worden. Artikel 5 1. De directeur stelt voor de toepassing van mechanische middelen een protocol vast. 2. Het protocol omvat in elk geval: - a. welke mechanische middelen in de inrichting aanwezig zijn en op welke wijze zij worden toegepast; - b. de voorschriften voor de toepassing van de mechanische mi"},{"i":18857,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 27 december 2021 nr. BOACAT2021/066, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Landschap Noord-Holland Gelezen het verzoek van Landschap Noord-Holland van 26 november 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046177&artikel=2&z=2022-03-08&g=2022-03-08). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van boswachter of senior boswachter in dienst van Landschap Noord-Holland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein, II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bij"},{"i":18921,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 januari 2024 nr. BOACAT2023/088, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland Gelezen het verzoek van de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland van 18 december 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049281&artikel=2&z=2024-02-18&g=2024-02-18). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Inspecteur in dienst van de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk"},{"i":19493,"b":"Nieuwe voorziening woon–werkverkeer 1. **Inleiding** In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2007–2010 is afgesproken om – in het kader van de ontwikkeling van het vervoermanagement – te komen tot een adequate voorziening voor het woon–werkverkeer, waarbij bijzondere aandacht aan het gebruik van de fiets wordt besteed. Naar aanleiding daarvan is onderzocht op welke wijze hieraan optimaal invulling kan worden gegeven. Op grond van de resultaten van dat onderzoek en met inachtneming van de voorstellen die in 2006 in het kader van de CAO-onderhandelingen zijn gedaan is met de Samenwerkende Centrales voor Overheidspersoneel op 6 februari 2008 overeenstemming bereikt over de inhoud van de in deze circulaire beschreven voorziening voor het woon–werkverkeer. Met betrekking tot het in die voorziening opgenomen begrip ‘niet doelmatig openbaar vervoer’ is de afspraak gemaakt dat voor eventuele vervoersproblemen in de regio waar de ambtenaar woonachtig is, die met name worden veroorzaakt door een tekortschietend openbaar vervoer, voor 1 januari 2009 naar een oplossing zal worden gezocht. Indien dit mocht leiden tot een aanpassing van de nieuwe voorziening voor woon–werkverkeer, dan zal deze met terugwerkende kracht tot en met 1 oktober 2008 plaatsvinden. In verband hiermee wordt de ministeries verzocht vanaf juli 2008 tot uiterlijk 1 januari 2009 bij te houden in welke gevallen er sprake is van deze problematiek. Ook is inzicht in situaties gewenst, waarin een beroep is gedaan op de hardheidsclausule als bedoeld in [artikel 15 van het Verplaatsingskostenbesluit 1989](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004630&artikel=15). De ministeries zal bij afzonderlijke brief gevraagd worden daarover te rapporteren. 2. **Voorgeschiedenis** Met ingang van 1 januari 2004 zijn de tegemoetkomingen in de reiskosten woning–werk aangepast aan de fiscaal vrijgestelde bedragen zoals die voor het jaar 2003 golden. Op dat moment wijzigde echter ook de fiscale regelgeving met betrekking"},{"i":17579,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 november 2015, kenmerk 841612-141698-J, houdende regels voor het subsidiëren van huisvestingslasten van aanbieders van gesloten jeugdhulp voor de periode 2016 tot en met 2020 (Subsidieregeling huisvestingslasten gesloten jeugdhulp) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **accommodatie:** gesloten accommodatie als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1) die op 1 januari 2015 overeenkomstig [artikel 6.2.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.2.1) in een openbaar register is opgenomen; - b. **capaciteit:** vermogen tot het verlenen van gesloten jeugdhulp in een accommodatie, uitgedrukt in aantal voltijdsplaatsen op jaarbasis; - c. **capaciteitsbezetting:** bezette capaciteit van het jaar t-2; - d. **gesloten jeugdhulp:** gesloten jeugdhulp als bedoeld in [artikel 1.1. van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - e. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - f. **normatieve huisvestingscomponent:** vast bedrag van € 16.001 per capaciteitsplaats ten behoeve van de huisvestingslasten; - g. **organisatie:** aanbieder van gesloten jeugdhulp in een accommodatie. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 1. De minister kan aan een organisatie jaarlijks ten behoeve van het bieden van gesloten jeugdhulp een subsidie verlenen voor de huisvestingslasten van de accommodaties die de organisatie in stand houdt. 2. De subsidie wordt verstrekt voor de jaren 2016 tot en met 2020. Artikel 4 1. De subsidie bedraagt per capaciteitsplaats een percentage van het bedrag van de normatieve huisvestingscomponent vermeerderd met een percentage van het bedrag dat omgerekend naar capaciteitsplaats is toegekend op grond van de Subsidieregeling hui"},{"i":19012,"b":"Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen Gelet op [artikel 35, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=35); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 19 mei 1998 (nr. 697460/98); Besluit: Artikel 1 In deze instructie wordt verstaan onder: - a. **meerdere:** de ambtenaar of medewerker die uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel geeft over de taakuitvoering; - b. **selectiefunctionaris:** een persoon belast met de plaatsing en overplaatsing van gedetineerden als bedoeld in [artikel 15, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=15); - c. **eenheid:** een eenheid bij de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid van het onderdeel Landelijke Dienst Specialistische Taken van de Dienst Vervoer en Ondersteuning van de Dienst Justitiële Inrichtingen; - d. **geweld:** elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken; - e. **aanwenden van geweld:** het gebruiken van geweld of het dreigen met geweld, waaronder niet wordt begrepen het uit voorzorg ter hand nemen van een vuurwapen; - f. **geweldsmiddel:** - 1°. het semi-automatische schoudervuurwapen SIG SAUER MCX RATTLER, kaliber 7.62 x 35 millimeter; - 2°. het semi-automatische schoudervuurwapen FN SCAR, kaliber 7.62 x 35 millimeter; - 3°. een semi-automatisch pistool van het merk Walther P99Q, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter; - 4°. een korte of lange wapenstok van een door de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type; - 5°. CS-traangasgranaten of traangasverspreidende middelen van een door de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type; - 6°. pepperspray van een door de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type. - g. **vrijheidsbeperkende middelen:** - 1°. handboeien van een door de Minister voor Rechtsbescherming goedgekeurd merk en type; - 2°. een broe"},{"i":18149,"b":"Besluit van 28 september 1972, houdende invoering van een onderscheidingsvlag voor de ministers, met uitzondering van de minister van Defensie Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 15 september 1972, nr. 206322; De Hoge Raad van Adel gehoord; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel 1 Onze goedkeuring te verlenen aan de invoering van een onderscheidingsvlag voor de ministers, met uitzondering van de minister van Defensie, als aangegeven in de bij dit besluit behorende afbeelding en waarvan de beschrijving als volgt luidt: \"Zeven banen van rood, wit, blauw, wit, rood, wit en blauw, waarvan de hoogten zich verhouden als 1:1:1:6:1:1:1 met op het midden een gele, gekroonde leeuw, rood getongd en genageld, houdende in zijn rechtervoorklauw een wit zwaard met geel gevest en in zijn linker- een bundel van zeven witte pijlen met gele punten en te zamen gebonden door een geel lint\". Bijlage Onze Minister-President is belast met de uitvoering van dit besluit hetwelk in het **Staatsblad** zal worden opgenomen en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de ministers en aan de Hoge Raad van Adel."},{"i":19512,"b":"Protocol nopens de verkeerstekens De Staten, Partij bij dit Protocol, verlangend de veiligheid van het wegverkeer te verzekeren en het internationale wegverkeer te vergemakkelijken door een gelijkvormig stelsel van verkeerstekens, zijn de volgende bepalingen overeengekomen: DEEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 De Partijen bij dit Protocol aanvaarden het daarin omschreven stelsel van verkeerstekens en verbinden zich hetzelve zo spoedig mogelijk in te voeren. Zij plaatsen daartoe de in dit Protocol opgenomen verkeerstekens zo dikwijls nieuwe tekens geplaatst of de thans bestaande vernieuwd moeten worden. De volledige vervanging van de verkeerstekens, welke niet met het in dit Protocol voorgeschreven stesel overeenkomen, vindt plaats binnen tien jaren na het tijdstip, waarop dit Protocol voor de onderscheidene Partijen in werking treedt. Artikel 2 De Verdragsluitende Partijen verbinden zich die verkeerstekens, welke weliswaar hetzelfde kenmerkend uiterlijk hebben als een teken, behorend tot het in dit Protocol voorgeschreven stelsel, doch met een andere strekking dan die welke dat verkeersteken in dit stelsel heeft worden gebruikt, te vervangen zodra dit Protocol in werking treedt. DEEL II. Verkeerstekens langs de weg HOOFDSTUK I Artikel 3 Het internationale stelsel van verkeerstekens langs de weg omvat drie categorieën van tekens en wel: - a. gevaarstekens; - b. tekens, welke een bepaald voorschrift weergeven, onderscheiden in: - 1. verbodstekens; - 2. gebodstekens. - c. tekens, welke een enkele aanduiding inhouden, onderscheiden in: - 1. aanwijzingstekens; - 2. richtingvooraanduidings- en richtingaanduidingstekens; - 3. plaatsaanduidings- en wegaanduidingstekens. Artikel 4 Voor elke categorie van tekens heeft het verkeersbord een afzonderlijke vorm. Artikel 5 1. De symbolen van de verkeerstekens, zoals deze in de bij dit Protocol behorende tabellen zijn weergegeven, worden door de Partijen aanvaard als de grondslag voor hun verkeerstekens langs de weg. Als regel bli"},{"i":19339,"b":"Wet van 16 december 1998 tot wijziging van de Wet Justitie-subsidies in verband met het opnemen van een tijdelijke grondslag voor de subsidiëring van de reclassering Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met [artikel 4:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23), om een wettelijke basis te scheppen voor de subsidiëring van de reclassering en in verband daarmee een tijdelijke voorziening te treffen in de Wet Justitie-subsidies; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet Justitie-subsidies. ARTIKEL II Na de inwerkingtreding van deze wet berusten hoofdstuk 4 van de Reclasseringsregeling 1995 en hoofdstuk 3 van de Uitvoeringsregeling reclassering op [artikel 48e van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48e). ARTIKEL III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17490,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 oktober 2016, kenmerk 1020430-155302-WJZ, houdende vaststelling per 1 januari 2017 van bedragen krachtens het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 Gelet op de [artikelen 3.3.1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.1.7) en [3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.3.2.3) en [3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.7) en [artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.13), [6, eerste lid, onderdeel b, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=6) en [19 van het Bijdragebesluit zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=19) en [8.3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.3), en [8.4, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.4); Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit langdurige zorg. Artikel II Wijzigt de Regeling langdurige zorg. Artikel III Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Artikel V 1. Dit artikel is van toepassing op de berekening van de bijdrage in de kosten die krachtens de [artikelen 8.3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.3), en [8,4, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=8.4) aan het college verschuldigd is. 2. De in [artikel 1a, zesde lid, van het Bijdragebesluit zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=1) genoemde bedragen worden vastgesteld op: € 10.090. 3. Het in [artikel 4, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008253&artikel=4) genoemde bedrag w"},{"i":17728,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Chili inzake wederzijdse administratieve bijstand ten behoeve van de juiste toepassing van de douanewetgeving en de voorkoming, opsporing en bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Chili, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en andere belastingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving van verboden, beperkingen en controlemaatregelen; Overwegende dat inbreuken op de douanewetgeving hun economische, fiscale, sociale en culturele belangen en hun volksgezondheids- en handelsbelangen schaden; Overwegende dat de grensoverschrijdende handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, gevaarlijke stoffen, bedreigde diersoorten en giftig afval een gevaar voor de samenleving vormt; Erkennende de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van duidelijke wettelijke bepalingen; Gelet op de van belang zijnde instrumenten van de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Wereld Douane Organisatie, in het bijzonder de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand van 5 december 1953; Tevens gelet op verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag, - 1. wordt onder „douaneadministratie\" verstaan: wat de Republiek Chili betreft: de Servicio Nacional de Aduanas; wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft: de centrale administratie die verantwoordelijk is voor de toepassin"},{"i":17154,"b":"Klachtenregeling Zorginstituut Nederland 2022 gelet op [artikel 9:2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:2) en [artikel 15 van het Bestuursreglement Zorginstituut Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035079&artikel=15) heeft in zijn vergadering van 12 april 2022 besloten: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **coördinator klachtbehandeling:** door de voorzitter van de Raad van Bestuur van het Zorginstituut aangewezen functionaris, die toeziet op de correcte afhandeling van klachten; - –. **klacht:** iedere mondelinge of schriftelijke uiting van onvrede over de wijze waarop het Zorginstituut zich jegens de klager heeft gedragen. De gedraging van een persoon, werkzaam onder verantwoordelijkheid van het Zorginstituut wordt aangemerkt als een gedraging van het Zorginstituut; - –. **klager:** degene die een klacht heeft over een gedraging van het Zorginstituut. Dit kunnen zowel externen zijn als medewerkers van het Zorginstituut; - –. **lid van de Raad van Bestuur:** elk lid van de Raad van Bestuur bedoeld in [artikel 1, onder c, van het Bestuursreglement Zorginstituut Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035079&artikel=1); - –. **medewerker:** een ieder die onder verantwoordelijkheid van het Zorginstituut werkzaamheden verricht voor het Zorginstituut, ongeacht of hij in dienst is van het Zorginstituut of anderszins werkzaam is voor het Zorginstituut; - –. **voorzitter van de Raad van Bestuur:** de voorzitter van de Raad van Bestuur bedoeld in [artikel 1, onder d van het Bestuursreglement Zorginstituut Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035079&artikel=1); - –. **Zorginstituut:** Zorginstituut Nederland, genoemd in [artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58). Artikel 2 1. Deze regeling heeft tot doel om ieder handelen en nal"},{"i":17243,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 juli 2025, kenmerk 4148261-1084926-PZO, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg, inzake tariefmaatregel samenhangend met Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Na op 3 juni 2025 en op 26 juni 2025 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2024–2025, 29 389, nr. 153 en Kamerstukken II, 2024–2025, 29 389, nr. 155) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over de tariefmaatregel samenhangend met Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg; Gezien de procedurevergadering van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 juni 2025 en 2 juli 2025; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **bandbreedtetarief:** een bedrag dat ligt tussen of gelijk is aan het bedrag dat ten minste en het bedrag dat ten hoogste (bovengrens) als tarief in rekening mag worden gebracht als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - –. **component voor niet-beïnvloedbare factoren:** prestaties met een component voor niet-beïnvloedbare factoren en een bandbreedtetarief die vallen onder de reikwijdte van de aanwijzing niet-beïnvloedbare factoren verpleeghuiszorg van 5 juli 2019 (Staatscourant 2019, 39108); - –. **HLO:** Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg; - –. **maximumtarief:** tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel c van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - –. **vpt:** prestatiebeschrijving volledig pakket thuis; - –. **V&V:** sector Verpleging en Verzorging; - –. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - –. **W"},{"i":19048,"b":"Besluit van het lid dienstleiding Dienst Justitiële Inrichtingen verantwoordelijk voor het Gevangeniswezen, Vreemdelingenbewaring en Veiligheid en Vervoer en Ondersteuning van 24 december 2025, nr. 7034897, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan de onder het lid dienstleiding ressorterende directeuren (Mandaatbesluit DJI lid dienstleiding verantwoordelijk voor het Gevangeniswezen, Vreemdelingenbewaring en Veiligheid en Vervoer en Ondersteuning) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en [artikel 1 van het Mandaatbesluit directeur-generaal DJI 2026](onbekend); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit directeur-generaal DJI 2026](onbekend) aan het lid dienstleiding verantwoordelijk voor het Gevangeniswezen, Vreemdelingenbewaring en Veiligheid en Vervoer en Ondersteuning verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de directeur Gevangeniswezen en Vreemdelingenbewaring; - b. de directeur van de Dienst Vervoer en Ondersteuning; - c. de directeur Veiligheid. Artikel 2 Het lid dienstleiding verantwoordelijk voor het Gevangeniswezen, Vreemdelingenbewaring en Veiligheid en Vervoer en Ondersteuning wordt bij afwezigheid vervangen door een ander lid dienstleiding voorzover het andere aangelegenheden betreft dan de directie Gevangeniswezen en Vreemdelingenbewaring betreffende. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit DJI lid dienstleiding verantwoordelijk voor het Gevangeniswezen, Vreemdelingenbewaring en Veiligheid en Vervoer en Ondersteuning. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17316,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 mei 2011, nr. WJZ/303095 (2770), houdende het geven van regels voor het beslechten van geschillen tussen de deelnemers van het samenwerkingsverband zorg door een geschillencommissie (Regeling geschillen zorg BES) Gelet op [artikel 26, zesde lid, van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=26), [artikel 67, zesde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=67), en [artikel 3.2, zesde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=3.2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in de [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280), de [Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284), de [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) of het bestuur van het projectbureau, bedoeld in de [Wet sociale kanstrajecten jongeren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028506) dan wel het bestuur van het expertisecentrum onderwijszorg, bedoeld in deze wetten; - **geschillencommissie:** de geschillencommissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030073&artikel=2&z=2011-08-01&g=2011-08-01); - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **openbaar lichaam:** openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - **Rijksvertegenwoordiger:** Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen; samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in [artikel 26 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=26), [artikel 67 van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=67), en [artikel 3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wet"},{"i":19390,"b":"Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter implementatie van de richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (implementatie richtlijn Europees onderzoeksbevel) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [richtlijn 2014/41](32014L0041)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken ter implementatie in de Nederlandse wetgeving op te nemen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II A. De [artikelen 5.4.1 tot en met 5.4.31 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=5.4.18) treden in de relatie met een andere lidstaat van de Europese Unie in de plaats van de [artikelen 552h tot en met 552q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=552h), en [552jj tot en met 552vv van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=552jj) voor zover ze handelen over hetzelfde onderwerp. B. De [artikelen 5.4.1 tot en met 5.4.31 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=5.4.18) treden in de relatie met de lidstaten van de Europese Unie, in de plaats van corresponderende bepalingen uit: - a. het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de Raad van Europa van 20 april 1959, alsmede de twee aanvullende protocollen, en de overeenkomstig artikel 26 van dat verdrag gesloten bilaterale overeenkomsten; - b. de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen"},{"i":17992,"b":"Wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Wet op de zorgtoeslag en enige andere wetten, houdende maatregelen om ook wanbetalers voor hun zorgverzekering te laten betalen (structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen opdat ook wanbetalers premie voor hun zorgverzekering betalen, zodat voorkomen wordt dat zij onverzekerd raken of dat verplichtingen afgewenteld worden op anderen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel II Wijzigt de Wet op de zorgtoeslag. Artikel III Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel IV Wijzigt de Beroepswet. Artikel V Vervallen Artikel VI Wijzigt de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945. Artikel VII Wijzigt de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945. Artikel VIII Na inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026276&artikel=I&z=2011-09-01&g=2011-09-01) van deze wet berust het [Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492) mede op de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=19) en [21 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=21). Artikel IX 1. Indien op de datum van inwerkingtreding van deze wet ten aanzien van een zorgverzekering volgens de administratie van een zorgverzekeraar reeds een premieschuld van twee of meer maanden bestaat, doet deze zorgverzekeraar, in afwijking van [artikel 18a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18a) het in dat artikel bedoelde aanbod zo spoedig mogelijk. 2. Indien de verzekeringnemer een ander heeft verzekerd en ten aanzien van diens verzekeri"},{"i":17597,"b":"Subsidieregeling stichtingen rechtsbijstand 2002 De raden voor rechtsbijstand in de hofressorten Amsterdam, Arnhem, 's-Gravenhage, 's-Hertogenbosch en Leeuwarden besluiten gezamenlijk, gelet op [artikel 42b, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=42b), de volgende regeling vast te stellen. Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet**: de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. **de raad**: de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - c. **rechtsbijstand**: rechtskundige bijstand aan een rechtzoekende ter zake van een rechtsbelang dat hem rechtstreeks en individueel aangaat, voor zover in de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) en de daarop rustende bepalingen geregeld, de rechtskundige bijstand als bedoeld in [artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=19) aan een benadeelde als bedoeld in [artikel 51a Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en de rechtskundige bijstand aan milieugroeperingen; - d. **de stichting**: de stichting bedoeld in [artikel 18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=18) met uitzondering van de Stichting Rechtsbijstand Asiel; - e. **het bureau**: het aan de stichting verbonden bureau bedoeld in [artikel 18, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=18) - f. **het werkplan**: het werkplan bedoeld in [artikel 23, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=23); - g. **de rechtzoekende**: de rechtzoekende bedoeld in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1); - h. **de subsidie**: de subsidie bedoeld in [artikel 2, vierde lid, van de wet](https://w"},{"i":17377,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2009, nr. IVV/FB/2009/26897, tot regels ter uitvoering van de Wet participatiebudget (Regeling participatiebudget) in overeenstemming met de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [artikel 5, vierde lid, van de Wet participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025039&artikel=5) en [artikel 2, derde lid, van het Besluit participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025044&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Beeld van de uitvoering Vervallen Artikel 2. Peiljaren en gewichten voor verdeelmaatstaven Voor de verdeelmaatstaven, bedoeld in [bijlage 1 bij het Besluit participatiebudget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025044&bijlage=1), gelden de volgende peiljaren en gewichten: | Verdeelmaatstaf | Peiljaar | Gewicht | | --- | --- | --- | | Aantal bijstandsontvangers | 2011 | 1,62 | | Aantal WW-ontvangers | 2011 | -0,20 | | Omvang beroepsbevolking | 2010-2012 | -0,01 | | Kwalitatieve discrepantie laaggeschoolde arbeid | 2010-2012 | 0,31 | Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling participatiebudget. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a. Statistiek re-integratie door gemeenten 1. Indien de gegevens, bedoeld in [artikel 3 van de Regeling statistiek WWB, IOAW, en IOAZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031830&artikel=3), op de in dat artikel genoemde tijdstippen niet zijn ontvangen of niet volledig zijn, schort de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de betaling van het participatiebudget op voor het lopende vergoedingsjaar met ingang van de eerste kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin de Minister van Sociale Zaken en Werkgelege"},{"i":18896,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 20 augustus 2025 nr. BOACAT2025/166, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij regionale eenheid Midden-Nederland Gelezen het verzoek van de regionale eenheid Midden-Nederland van 19 augustus 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051412&artikel=2&z=2025-08-28&g=2025-08-28). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2) en die werkzaam zijn in de functie van generalist meldkamer, senior meldkamer en operationeel expert meldkamer die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Midden-Nederland. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsp"},{"i":19023,"b":"Wet van 1 april 2015 tot vaststelling van een nieuwe Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming 2015) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rechtsprekende taak van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming te versterken door de toetsingsgronden voor penitentiaire rechtspraak uit te breiden, de mogelijkheid tot cassatie in het belang der wet in te voeren en de rechtsprekende en adviserende taak van de Raad scherper te scheiden en daartoe de Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming opnieuw vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Veiligheid en Justitie; - b. **vrijheidsstraf:** gevangenisstraf, hechtenis, vervangende hechtenis, militaire detentie, jeugddetentie en vervangende jeugddetentie; - c. **vrijheidsbeperkende straf:** voorwaardelijke vrijheidsstraf en taakstraf; - d. **vrijheidsbenemende maatregel:** voorlopige hechtenis, vreemdelingenbewaring, gijzeling, terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging, plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, plaatsing in een justitiële jeugdinrichting of een gesloten accommodatie als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1) in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging als bedoeld in de [artikelen 6.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.1.2) en [6.1.3 van de Jeugdwe](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.1.3)t, plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders en vrijhei"},{"i":17856,"b":"Wijziging bepalingen Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 Gelet op artikel 10, zesde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1984, 94), Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Indien het burger-oorlogsslachtoffer geen onderwijs heeft kunnen volgen of het gevolgde onderwijs beperkt is gebleven tot basisonderwijs, wordt de grondslag vastgesteld op het bedrag bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder a, van de wet, tenzij de leeftijd van het burger-oorlogsslachtoffer, zijn verworven bekwaamheid en zijn persoonlijke instelling ten tijde van de aanvraag duidelijk redenen vormen om daarvan af te wijken. Artikel 3 Indien het burger-oorlogsslachtoffer lager of middelbaar beroepsonderwijs dan wel algemeen voortgezet of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs heeft gevolgd, wordt de grondslag vastgesteld naar het inkomen dat hij na voltooiing van zijn opleiding uit arbeid in een met die opleiding overeenstemmende werkkring zou hebben verworven. Artikel 4 1. Indien het burger-oorlogsslachtoffer hoger beroepsonderwijs of wetenschappelijk onderwijs heeft gevolgd en de desbetreffende opleiding heeft voltooid, wordt de grondslag vastgesteld naar het inkomen dat hij, gezien de aard van de voltooide opleiding, uit arbeid in een met die opleiding overeenstemmende werkkring zou hebben verworven. 2. Indien het burger-oorlogsslachtoffer de in het eerste lid bedoelde opleiding niet heeft kunnen voltooien, kan de grondslag, gezien de aard en de duur van die opleiding, en mede gezien zijn leeftijd, verworven bekwaamheid en persoonlijke instelling ten tijde van de aanvraag, worden vastgesteld als ware die opleiding voltooid. Artikel 5 Indien het burger-oorlogsslachtoffer, na beëindiging van zijn al dan niet voltooide opleiding, arbeid heeft aanvaard welke niet in overeenstemming is met het niveau van het gevolgde onderwijs, en het burger-oorlogsslachtoffer uit die arbeid een inkomen geniet of heeft genoten dat ten t"},{"i":19503,"b":"Overeenkomst tussen de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden met betrekking tot grenscontroles op het treinverkeer tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk via de vaste kanaalverbinding De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, (hierna te noemen „de Overeenkomstsluitende Partijen”), Geleid door de wens het treinverkeer tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk dat door de vaste kanaalverbinding gaat te vergemakkelijken; Gelet op de noodzaak, te dien einde, de bevoegde autoriteiten van elk van de Overeenkomstsluitende Partijen in staat te stellen om grenscontroles uit te voeren of voorzieningen te treffen om dergelijke controles uit te voeren, op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, ter zake van passagiers die per trein reizen tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk via de vaste kanaalverbinding; Na hun verplichtingen (met de steun van de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Koninkrijk België), te hebben vastgelegd in een intentieverklaring van 18 juli 2018 om een Overeenkomst te sluiten waarin een voorziening wordt getroffen voor dergelijke controles; Gelet op het Verdrag tussen de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de bouw en de exploitatie door privé-concessionarissen van een vaste kanaalverbinding, gedaan te Canterbury op 12 februari 1986, dat op 29 juli 1987 in werking is getreden; de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België, de Regering van de Franse Republiek en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland met betrekking tot het treinverkeer tussen België en het Verenigd Koninkrijk via de vaste kanaalverbinding met Protocol, gedaan te Brussel op 15 december 1993, die op 1 december 1997 in werking is getreden (de Tripartiete Overeen"},{"i":2025,"b":"Wet van 17 december 1998, houdende wijziging van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en de Wet op de inkomstenbelasting 1964 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de scholing van werknemers en kinderopvang mede langs fiscale weg verder te bevorderen, de afdrachtvermindering en de doorstroomafdrachtvermindering lage lonen te verhogen in het kader van de compensatie van bedrijven voor de lastenverzwaring die voortvloeit uit de verhoging van de regulerende energiebelasting, alsmede om het van toepassing zijnde voltijdscriterium voor de verschillende afdrachtverminderingen met elkaar in overeenstemming te brengen en daartoe de [Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746) en de Wet op de inkomstenbelasting 1964 te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I, onderdeel I werkt terug tot en met 1 januari 1998. ARTIKEL I Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. ARTIKEL IV In afwijking van [artikel 6, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=6) wordt met betrekking tot de werknemer voor wie de inhoudingsplichtige op 31 december 1998 in aanmerking kwam voor de afdrachtvermindering langdurig werklozen voor de toepassing van [artikel 6, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=6) de volledige arbeidsduur voor een kalenderweek gesteld op 32 uren. De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de werknemer nadi"},{"i":2027,"b":"Wet van 16 december 2020 tot wijziging van de Wet vliegbelasting Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is het bij koninklijke boodschap van 13 mei 2019 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag ([Wet vliegbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044580)) (Kamerstukken 35 205) op een enkel punt aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet vliegbelasting in werking treedt. Artikel I Wijzigt de Wet vliegbelasting. Artikel II Indien deze wet tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt het bedrag, genoemd in het in [artikel I, onderdeel A, subonderdeel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044583&artikel=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), opgenomen [artikel 77 van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=77), bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit andere bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in [artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2), die van toepassing is bij het begin van het kalenderjaar 2018 en vervolgens consecutief met die van de daaropvolgende kalenderjaren tot het tijdstip waarop deze wet in werking treedt. Het aldus verkregen bedrag wordt afgerond tot drie decimalen. Artikel III Indien het bij koninklijke boodschap van 13 mei 2019 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag ([Wet vliegbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044580)) (Kamerstukken 35 205) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt, treedt deze wet op hetzelfde tij"},{"i":19708,"b":"Wet van 8 juli 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het ongeldig maken van getuigschriften van vakbekwaamheid en getuigschriften van nascholing ter uitvoering van Richtlijn 2003/59/EG betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen (PbEU 2003, L 226) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is dat in de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend) wordt bepaald dat getuigschriften van vakbekwaamheid en getuigschriften van nascholing die in weerwil van [Richtlijn 2003/59/EG](32003L0059) zijn vermeld op de rijbewijzen van bestuurders met een geboortedatum van vóór 1 juli 1955 ongeldig zijn indien de benodigde basiskwalificatie niet is behaald of geen nascholing is gevolgd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II De einddatum van het ongeldig geworden getuigschrift, bedoeld in [artikel 124a, vierde lid, eerste zin, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=124a), wordt voor de vaststelling van de einddatum van een op een af te geven rijbewijs te vermelden getuigschrift van nascholing in het rijbewijzenregister vastgesteld op de datum waarop deze wet in werking treedt. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19707,"b":"Wet van 24 oktober 2008 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten (puntenstelsel) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) de grondslag op te nemen voor een recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten (puntenstelsel); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Wijzigt deze wet. Artikel III Indien de [Wet van 7 juli 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074) (Wet OM-afdoening) (Stb. 330) tot wet is verheven en die wet in werking is getreden voor of op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt in strafzaken waarin voor de datum van inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel O, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020074&artikel=II) voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn gesteld overeenkomstig [artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74), met een strafbeschikking als bedoeld in [artikel 123b, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=123b) gelijkgesteld het voldoen aan voorwaarden die door de officier van justitie ter voorkoming van strafvervolging zijn gesteld. Artikel IV Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel V Indien deze wet in werking treedt of is getreden voor het tijdstip waarop de [Wet van 7 juli 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wette"},{"i":17667,"b":"Vaststelling selectielijst Stichting Administratie Indonesische Pensioenen en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake overzeese pensioenen en uitkeringen voor de periode vanaf 1951 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Stichting Administratie Indonesische Pensioenen en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake overzeese pensioenen en uitkeringen over de periode vanaf 1951 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst: - •. [Basisselectiedocument Oorlogsgetroffenen vanaf 1945 handelingen 185 en 250](onbekend), **Stcrt.** 2007, 98 wordt ingetrokken voor de actoren Stichting Administratie Indonesische Pensioenen en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":16,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 16 mei 2024, kenmerk 5414074, houdende aanwijzing van functionarissen en ambtenaren van de Dienst Vervoer en Ondersteuning voor de uitvoering van de dienst bij de gerechten en het transport van personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd (Aanwijzingsbesluit ambtenaren Dienst Vervoer en Ondersteuning) Gelet op de [artikelen 36d, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36d), [124, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=124), [373](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=373), [391](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=391), [541, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=541), en[6:1:5, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:1:5) en [artikel 9, zesde lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=9); Besluit: Artikel 1 In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - **ambtenaren van de Dienst Vervoer en Ondersteuning:** ambtenaren werkzaam bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning van de Dienst Justitiële Inrichtingen, in de functie van: - a. (inrichtings)beveiliger - b. (inrichtings)beveiliger transport - c. (inrichtings)beveiliger Extra Beveiligd Vervoer - d. (inrichtings)beveiliger Beveiligd Vervoer Internationale Strafhoven - e. (inrichtings)beveiliger Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid - f. (inrichtings)beveiliger Bijzonder Ondersteuningsteam - g. (inrichtings/arrestanten)beveiliger Artikel 2 In de arrondissementen, bedoeld in [artikel 4 tot en met 13 van de Wet op de rechterlijke indeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002080&artikel=4), zijn de ambtenaren van de Dienst Vervoer en Ondersteuning, bevoegd tot: - a. het verrichten van de dienst bij de gerechten, bedoeld in [artikel 124, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00019"},{"i":4115,"b":"Besluit van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 28 november 2022, nr. 2022-0000643137, tot vaststelling aanvraagperiode Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting in 2023 Gelet op [artikel 6, tweede lid, van de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045929&artikel=6); Besluit: artikel Enig De aanvraagperiode voor 2023 wordt vastgesteld voor de periode van 16 januari 2023 tot en met 31 oktober 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4661,"b":"Wet van 29 september 2021 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Faillissementswet in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PbEU 2019, L 314), alsmede in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 314) (Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter implementatie van [Richtlijn (EU) 2019/2034](32019L2034) van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van [Richtlijnen 2002/87/EG](32002L0087), [2009/65/EG](32009L0065), [2011/61](32011L0061)/EU, [2013/36](32013L0036)/EU, [2014/59](32014L0059)/EU en [2014/65](32014L0065)/EU (PbEU 2019, L 314), alsmede in verband met de uitvoering van Verordening (EU) [2019/2033](32019L2033) van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. [1093/2010](32993L2010), (EU) nr. [575/2013](32475L2013), (EU) nr. [600/2014](32500L2014) en (EU) nr. [806/2014](32706L2014) (PbEU 2019, L 314); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II"},{"i":2828,"b":"Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1975 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen vastgesteld krachtens [artikel 9, achtste lid, der Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=9), per 30 september 1974 ten minste één procent afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1973; Gelet op artikel 402a van Boek I van het Burgerlijk Wetboek, Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1975 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 16. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijziging percentage levensonderhoud 1975."},{"i":19232,"b":"Regeling van 19 februari 2003 betreffende een aantal beperkende maatregelen ten aanzien van Somalië Gelet op [Verordening (EG) nr. 147/2003](32003R0147) van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 betreffende een aantal beperkende maatregelen ten aanzien van Somalië (Pb EG L 24); Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van de Europese Unie van 10 december 2002 (2002/960/GBVB) betreffende beperkende maatregelen tegen Somalië (Pb EG L 334); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3), Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 1, 2, 3 bis, 3 ter, eerste lid, en 3 quater, eerste lid, van [Verordening (EG) nr. 147/2003](32003R0147) van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 betreffende een aantal beperkende maatregelen ten aanzien van Somalië (Pb EG L 24). 2. Het verbod te handelen in strijd met artikel 1 van [Verordening (EG) nr. 147/2003](32003R0147) is niet van toepassing in geval toepassing is gegeven aan artikel 3, eerste, tweede en vierde lid, van de verordening. 3. Het verbod te handelen in strijd met artikel 3 ter, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 147/2003 is niet van toepassing in geval artikel 3 ter, derde lid, van de verordening van toepassing is. Artikel 2 1. Het is verboden om militaire goederen, alsmede militaire technologie, aangewezen in de [Uitvoeringsregeling strategische goederen 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030610), dan wel onderdelen daarvan, direct of indirect te verkopen of te leveren aan, door of uit te voeren naar, over te dragen aan, daaronder begrepen over te brengen naar, entiteiten of personen in Somalië of voor gebruik in Somalië, ongeacht het land van herkomst. 2. Het eerste lid is niet van toepassing in geval het een levering, verkoop of overdracht betreft van: - a. materieel dat uitsluitend bestemd is voor de re"},{"i":17762,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake wederzijdse administratieve bijstand ten behoeve van de juiste toepassing van de douanewetgeving en de voorkoming, opsporing en bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving Het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen; Erkennende de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en andere belastingen die bij invoer of uitvoer worden geïnd en van het waarborgen van een juiste handhaving van verboden, beperkingen en controlemaatregelen; Overwegende dat inbreuken op de douanewetgeving hun economische, fiscale, sociale en culturele belangen en hun handelsbelangen schaden; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door nauwe samenwerking tussen hun douane-administraties op basis van duidelijke wettelijke bepalingen; Gelet op de van belang zijnde akten van de Internationale Douaneraad, in het bijzonder de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand van 5 december 1953; Tevens gelet op verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. wordt onder „douane-administratie\" verstaan: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de centrale administratie die verantwoordelijk is voor de toepassing van de douanewetgeving; wat de Verenigde Staten van Amerika betreft, de Douanedienst van de Verenigde Staten, Ministerie van Financiën; - 2. wordt onder „douanewetgeving\" verstaan: alle wettelijke en administratieve bepalingen die door de douane-administraties van beide Verdragsluitende Partijen worden toegepast of ge"},{"i":19428,"b":"Besluit van 13 december 1993, houdende vaststelling van administratieve bepalingen inzake het scheepvaartverkeer Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 januari 1993, nr. RVR 138115, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=2), [4, eerste lid, onderdelen **b** en **c**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=2), [6, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=6), [7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=7), en [8 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=8); De Raad van State gehoord (advies van 30 maart 1993, nr. W09.93.0015); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 december 1993, nr. RVR 164104, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364); - b. verkeersbesluit: - 1°. een besluit tot het aanbrengen of verwijderen van een verkeersteken dat een gebod of verbod dan wel de opheffing van een gebod of verbod aangeeft; - 2°. een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken als bedoeld onder 1°. 2. In dit besluit wordt onder bevoegd gezag mede verstaan degene die de desbetreffende bevoegdheid uitoefent vanwege dat gezag. Hoofdstuk 2. Verkeerstekens en bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken § 1. Verkeerstekens Artikel 2 Het bevoegd gezag brengt slechts verkeerstekens aan opgenomen in: - a. voor wat betreft het [Binnenvaartpolitiereglement](onbekend) met uitzondering van de Waddenzee, de bij dat besluit behorende [bijlagen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&bijlage=7) en [8"},{"i":516,"b":"Verdrag betreffende de gedeeltelijke herziening van de door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie in haar eerste achtentwintig zittingen aangenomen Verdragen, welk Verdrag ten doel heeft te voorzien in de toekomstige uitoefening van bepaalde administratieve functies, die de Secretaris-Generaal van de Volkenbond bij die Verdragen waren opgedragen en in bedoelde Verdragen bepaalde aanvullende wijzigingen aan te brengen, die door de opheffing van de Volkenbond en door de wijziging van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie noodzakelijk zijn geworden De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie; Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau te Montreal bijeengeroepen en aldaar bijeengekomen op 19 September 1946 in haar negen en twintigste zitting; Besloten hebbende bepaalde voorstellen te aanvaarden betreffende de gedeeltelijke herziening van de door de Conferentie in haar eerste acht en twintig zittingen aangenomen verdragen, welke voorstellen ten doel hebben te voorzien in de toekomstige uitoefening van bepaalde administratieve functies, die de Secretaris-Generaal van de Volkenbond bij die verdragen waren opgedragen en daarin bepaalde aanvullende wijzigingen aan te brengen, die door de opheffing van de Volkenbond en door de wijziging van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie noodzakelijk zijn geworden, welke aangelegenheid begrepen is in punt 2 van de agenda der zitting; Overwegende, dat die voorstellen de vorm moeten aannemen van een internationaal Verdrag; Neemt heden de negende dag van October negentienhonderd zes en veertig het volgende Verdrag aan, hetwelk genoemd zal worden „Verdrag tot herziening der slotartikelen, 1946”: Artikel 1 1. Wijzigt alle door de Internationale Arbeidsconferentie in de loop van haar eerste vijfentwintig zittingen aangenomen verdragen. 2. De registratie door de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau van de bekrachtigingen van verd"},{"i":521,"b":"Verdrag betreffende de nachtarbeid van vrouwen in de nijverheid werkzaam De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te San Francisco en aldaar bijeengekomen in haar een en dertigste zitting op 17 Juni 1948. Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de gedeeltelijke herziening van het verdrag „Nachtarbeid van vrouwen, herzien 1934” door de Conferentie in haar achttiende zitting aangenomen, welk onderwerp het negende punt van de agenda der zitting is, Overwegende, dat die voorstellen de vorm moeten aannemen van een internationaal verdrag, Neemt heden de 9de Juli 1948 het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden „Verdrag nachtarbeid van vrouwen, herzien 1948”; DEEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van dit verdrag worden als „nijverheidsondernemingen” met name beschouwd. - a. mijnen, groeven en alle andere inrichtingen voor het winnen van minerale stoffen uit de aardbodem; - b. ondernemingen, waarin goederen worden vervaardigd, veranderd, gereinigd, hersteld, versierd, afgewerkt, tot verkoop geschikt gemaakt, gesloopt of vernietigd, of waarin stoffen een verandering ondergaan, hieronder begrepen scheepsbouwondernemingen, ondernemingen voor de voortbrenging, transformatie en overbrenging van electriciteit en alle andere beweegkracht; - c. bouwondernemingen en ondernemingen voor de burgerlijke bouwwerken, daaronder begrepen bouw- en herstel-, onderhouds-, veranderings- en slopingswerkzaamheden. 2. De bevoegde autoriteit zal de scheidingslijn aangeven tussen nijverheid enerzijds, landbouw, handel en andere niet-industriële werkzaamheden anderzijds. Artikel 2 Voor de toepassing van dit verdrag wordt onder „nacht” verstaan: een tijdruimte van ten minste elf achtereenvolgende uren, waarin een door de bevoegde autoriteit te bepalen tijdsverloop van ten minste zeven achtereenvolgende uren, liggende tussen tien uur 's avonds en z"},{"i":586,"b":"Wet van 6 november 1986, houdende het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers van wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een inkomensvoorziening te treffen voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers van wie het recht op een uitkering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is geëindigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. college: het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&hoofdstuk=II&paragraaf=3&artikel=11&z=2026-02-04&g=2026-02-04); - c. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - d. Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - e. het Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in [artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=63); - f. netto minimumloon: het netto minimumloon, bedoeld in [artikel 37, eerste lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=37); - g. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatrege"},{"i":4387,"b":"Besluit van 14 april 2014, houdende wijziging van diverse besluiten in verband met de overname van taken van de bedrijfslichamen Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 20 februari 2014, nr. WJZ / 14012112, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en na overleg met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [richtlijn nr. 2007/45](32007L0045) van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van regels betreffende nominale hoeveelheden voor voorverpakte producten, tot intrekking van de [Richtlijnen 75/106/EEG](31975L0106) en [80/232/EEG](31980L0232) van de Raad en tot wijziging van [Richtlijn 76/211/EEG](31976L0211) van de Raad (PbEU 2007, L 247), [richtlijn 90/167/EEG](31990L0167) van de Raad van 26 maart 1990 tot vaststelling van de voorwaarden voor de bereiding, het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders met medicinale werking (PbEG 1990, L 092), [artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=2), [artikel 3 van de Plantenziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002075&artikel=3) en de [artikelen 2.20, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.20), [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.1), [7.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.3), [7.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.4), [7.5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.5), [7.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.6), [7.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.8) en [7.9, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.9); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 maart 2014, nr. W15.14.0049/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 9 april 2014, nr."},{"i":13089,"b":"Besluit van 1 november 1971, houdende wijziging van de regeling betreffende de coördinatie van de civiele verdediging en van de taakverdeling van departementen Op voordracht van Onze minister-president, minister van Algemene Zaken, en van Onze minister van Binnenlandse Zaken, d.d. 26 oktober 1971, nr. 199431, in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I 1. De verantwoordelijkheid van Onze minister-president, minister van Algemene Zaken, voor de coördinatie van het beleid met betrekking tot de civiele verdediging gaat over op Onze Minister van Binnenlandse Zaken. 2. Uit hoofde van zijn coördinerende taak bevordert hij een evenwichtige opbouw van de civiele verdediging en draagt hij zorg voor de noodzakelijke samenhang van de verschillende activiteiten op het gebied van de civiele verdedigingsvoorbereiding. Hij stelt de algemene beleidsplannen op en wordt betrokken bij de voorbereiding van de daartoe benodigde deelplannen. Hij is bevoegd op de departementen alle informaties in te winnen die noodzakelijk zijn voor het vervullen van zijn coördinerende taak. Artikel II 1. De Staf voor de Civiele Verdediging staat als centraal coördinerend orgaan ten dienste van Onze minister van Binnenlandse Zaken bij de uitoefening van zijn taak als bedoeld in [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002790&artikel=I&z=1971-11-01&g=1971-11-01). 2. De chef van de Staf voor de Civiele Verdediging wordt aangewezen door Ons. Artikel III 1. De Staf voor de Civiele Verdediging gaat van het departement van Algemene Zaken over naar het departement van Binnenlandse Zaken. 2. De personeelsleden van de onder 1 vermelde Staf gaan over in dienst van het departement van Binnenlandse Zaken; de roerende en onroerende zaken van deze staf gaan in materieel beheer over naar dat departement. Artikel IV Ons besluit van 26 september 1960, nr. 2, wordt hierbij ingetrokken. Artikel V Dit besluit treedt"},{"i":621,"b":"Wet van 28 april 1994, tot vaststelling van regels met betrekking tot de verevening van pensioenrechten bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed (Wet verevening pensioenrechten bij scheiding) en daarmede verband houdende wijzigingen in andere wetten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling te treffen met betrekking tot de verevening van pensioenrechten bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed en in verband hiermee enige andere wetten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I De volgende bepalingen worden vastgesteld, die kunnen worden aangehaald als[Wet verevening pensioenrechten bij scheiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641): Artikel II Wijzigt Boek 1 Burgerlijk Wetboek. Artikel III Wijzigt de Pensioen- en Spaarfondsenwet. Artikel IV Wijzigt de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds. Artikel V Wijzigt de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen, dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":12344,"b":"Besluit identiteitskaarten BES Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet identiteitskaarten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028279); - b. **openbaar lichaam:** het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - c. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 1a 1. Het model van de identiteitskaart wordt voor ieder openbaar lichaam vastgesteld bij ministeriële regeling. 2. Onze Minister draagt zorg voor de vervaardiging van de blanco identiteitskaarten en de distributie daarvan naar de gezaghebbers van de openbare lichamen. Onze Minister draagt tevens zorg dat de gezaghebbers beschikken over de apparatuur en overige materialen in verband met het personaliseren van de blanco identiteitskaarten. 3. Een identiteitskaart die wordt verstrekt aan een vreemdeling vermeldt tevens de verblijfsstatus van betrokkene. 4. De op de identiteitskaart aan te brengen foto voldoet aan de daaraan bij ministeriële regeling te stellen vereisten. Bij ministeriële regeling wordt tevens bepaald van welke vereisten kan worden afgezien indien op grond van godsdienstige, levensbeschouwelijke of medische redenen van betrokkene niet kan worden gevergd dat hij daaraan voldoet. Bij gerede twijfel aan de medische redenen kan van betrokkene worden verlangd, dat deze daartoe een door een bevoegde arts of medische instelling ondertekende verklaring overlegt. 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot andere op de identiteitskaart aan te brengen gegevens en gegevensdragers. Artikel 2 1. De gezaghebber van een openbaar lichaam houdt van de ontvangen blanco identiteitskaarten een voorraadadministratie bij. 2. Uit de voorraadadministratie dient te allen tijde, met vermelding van de documentnummers, te blijken hoeveel blanco identiteitskaarten: - a. in de voorraad aanwezig zijn; - b. aan de voorraad zijn toegevoegd; - c. aan de voorraad zijn"},{"i":12359,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 26 juni 2023, nr. OWB/39165914, houdende de instelling van een adviescommissie inzake de benoeming van leden van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie Gelet op [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a). **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b). **commissie:** Adviescommissie benoeming leden (AWTI). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een commissie die tot taak heeft de minister te adviseren over de benoeming van de voorzitter en leden van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie, kortweg AWTI. 2. De commissie neemt daarbij het relevante wettelijke kader in acht. Artikel 3. Leden 1. Tot de leden van de commissie worden benoemd: - a. de heer prof. dr. ir. W. van Saarloos, tevens voorzitter; - b. mevrouw prof. dr. P.A. Dykstra; - c. de heer prof. dr. M.A. Ikram. 2. Bij het ontstaan van vacatures in de commissie benoemt de minister nieuwe leden. 3. Bij het ontstaan van vacatures bij de AWTI kan de minister de samenstelling van de commissie gedeeltelijk of geheel wijzigen. Artikel 4. Werkwijze en vergoeding 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. 2. De leden en de voorzitter van de commissie ontvangen voor het bijwonen van vergaderingen en overige bijeenkomsten in het kader van hun werkzaamheden vacatiegelden overeenkomstig [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2). De hoogte van de vergoeding wordt daarbij vastgesteld op 3% van het maximum van schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten cao Rijk. De vergoeding van de voorzitter bedraagt 130% van de vergoeding die aan de andere leden wordt toegekend. Voorts ontvangen de leden voor hun werkzaamheden vergoeding van reis- en"},{"i":12340,"b":"Besluit van 29 augustus 2006, houdende toestemming om drie vaandels van voorheen zelfstandige onderdelen van de Koninklijke Marine te blijven voeren Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 21 augustus 2006, nr. DO 018/2006016831, bureau secretaris-generaal, sectie onderscheidingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de Marine Luchtvaartdienst van de Koninklijke Marine wordt toestemming verleend om het vaandel, bedoeld in het koninklijk besluit van 18 augustus 1962, houdende toekenning van een vaandel aan de marineluchtvaartdienst, onder gelijktijdige intrekking van de vlag van die dienst (Stb. 348), te blijven voeren. Het vaandel met de daaraan verbonden handhaving van de aan dit veldteken gerelateerde tradities wordt onder de hoede gesteld van een door de Commandant Zeestrijdkrachten te benoemen groepsoudste. Artikel 2 Aan de Onderzeedienst van de Koninklijke Marine wordt toestemming verleend om het vaandel, bedoeld in het koninklijk besluit van 18 augustus 1962, houdende toekenning van een vaandel aan de onderzeedienst der Koninklijke Marine (Stb. 347), te blijven voeren. Het vaandel met de daaraan verbonden handhaving van de aan dit veldteken gerelateerde tradities wordt onder de hoede gesteld van een door de Commandant Zeestrijdkrachten te benoemen groepsoudste. Artikel 3 Aan de Mijnendienst van de Koninklijke Marine wordt toestemming verleend om het vaandel, bedoeld in het koninklijk besluit van 22 februari 1980, houdende toekenning van een vaandel aan de mijnendienst der Koninklijke Marine, te blijven voeren. Het vaandel met de daaraan verbonden handhaving van de aan dit veldteken gerelateerde tradities wordt onder de hoede gesteld van een door de Commandant Zeestrijdkrachten te benoemen groepsoudste. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota"},{"i":12364,"b":"Instellingsbesluit begeleidingscommissie fenomeenonderzoek ernstige ordeverstoringen bij grootschalige evenementen en gebeurtenissen Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) (Stb. 2008, 495) en [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2) (Stb. 2009, 50) Besluit: Vast te stellen de hierna volgende regeling. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de commissie:** de begeleidingscommissie Fenomeenonderzoek ernstige ordeverstoringen bij grootschalige evenementen en gebeurtenissen - b. **de Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Er is een begeleidingscommissie ‘Fenomeenonderzoek ernstige ordeverstoringen bij grootschalige evenementen en gebeurtenissen’, kortweg genaamd: ‘Begeleidingscommissie Fenomeenonderzoek’. Artikel 3 De commissie heeft tot taak: - a. het bewaken van de voortgang, uitvoering en kwaliteit van het onderzoek - b. waar nodig het geven van aanwijzingen en aanbevelingen aan de onderzoekers - c. een antwoord te geven op de vraag of het fenomeenonderzoek op adequate wijze is volbracht. Artikel 4 In de commissie hebben zitting: - a. als voorzitter: - –. mevrouw mr. E. Kalsbeek, voorzitter Raad van Bestuur, Altra - b. als leden: - –. mevrouw mr. M.R. Sarucco, directeur openbare orde en veiligheid, gemeente Amsterdam - –. de heer mr. drs. A. Littooij, directeur Veiligheid, gemeente Rotterdam - –. de heer mr. S. Broers, directeur Bestuurszaken, gemeente Den Haag - –. de heer mr. W. van Leeuwen, plv. directeur Veiligheid, gemeente Utrecht - –. mevrouw dr. ir. A.M.C. van Rijn, directeur Veiligheid en Bestuur, ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - –. de heer mr. G.T. Hofstee, hoofdofficier van het arrondissementsparket Den Haag - –. de heer drs. F. Paauw, plaatsvervangend korpschef van de politieregio Haaglanden - –"},{"i":12346,"b":"Besluit Incidentbestrijdingsplan Noordzee Handelend in overeenstemming met de Ministers van Defensie, Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Financiën, Veiligheid en Justitie alsmede Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Gelet op [artikel 11, eerste lid, van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005444&artikel=11); Besluit: Artikel 1 De bestrijding van schadelijke gevolgen van ongevallen, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005444&artikel=11), wordt georganiseerd en gecoördineerd overeenkomstig het Incidentbestrijdingsplan Noordzee, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd. Artikel 2 Wijzigt de Regeling uitvoering artikel 11, tweede lid, Wet bestrijding ongevallen Noordzee. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Incidentbestrijdingsplan Noordzee. Bijlage Ligt ter inzage bij het Noordzeeloket van de dienst Noordzee van Rijkswaterstaat. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Noordzeeloket van de dienst Noordzee van Rijkswaterstaat."},{"i":12343,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 april 2024, nr. WJZ/ 52639951, tot aanwijzing van diersoorten die gehouden mogen worden (Besluit huis- en hobbydierenlijst) Gelet op de [artikelen 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2), en [10.1, eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.1); Besluit: Artikel 1. Aanwijzing dieren Als diersoorten als bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2) worden aangewezen: | Soort (Nederlands) | Soort (Latijn) | | --- | --- | | Afrikaanse dwergrelmuis | Graphiurus murinus | | Algerijnse gerbil | Gerbillus nanus | | Alpaca | Vicugna pacos | | Bleke gerbil | Gerbillus perpallidus | | Bruine rat | Rattus norvegicus (forma domestica) | | Bunzing | Mustela putorius | | Cavia | Cavia porcellus | | Chinese dwerghamster | Cricetulus barabensis / griseus / pseudogriseus | | Chinese waterree | Hydropotes inermis | | Dwergrenmuis | Gerbillus amoenus | | Ezel | Equus asinus | | Fret | Mustela putorius furo | | Geit | Capra aegagrus hircus | | Goudhamster | Mesocricetus auratus (forma domestica) | | Grote Egyptische renmuis | Gerbillus pyramidum | | Harrington’s gerbil | Taterillus harringtoni | | Hond | Canis lupus familiaris | | Huiskat | Felis silvestris catus | | Huismuis | Mus musculus (forma domestica) | | Kameel | Camelus bactrianus | | Konijn | Oryctolagus cuniculus domesticus | | Lama | Lama glama | | Mongoolse gerbil | Meriones unguiculatus (forma domestica) | | Noordafrikaanse renmuis | Gerbillus garamantis | | Paard | Equus caballus | | Rund | Bos taurus | | Schaap | Ovis aries | | Varken | Sus scrofa domesticus | | Waterbuffel | Bubalus arnee bubalis | | Woestijnslaapmuis | Eliomys melanurus | Artikel 2. Algemene vrijstellingen voor het houden van dieren van niet aangewezen soorten Aan de volgende houders wordt vrijstelling verleend van het verbod, b"},{"i":12341,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 augustus 2016, nr. 2016-0000471252, houdende vergoeding van de voorzitter en leden van de bezwaaradviescommissie Referendumcommissie Gezien het [besluit van de Referendumcommissie van 5 februari 2016 tot instelling van een bezwaaradviescommissie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037663) (**Stcrt.** 2016, 7176); Besluit: Artikel 1 1. De leden van de bezwaaradviescommissie referendumcommissie ontvangen per vergadering, waarin meerdere hoorzittingen kunnen worden gehouden, een vergoeding van 3% van het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B). 2. De voorzitter en fungerend voorzitter van de bezwaaradviescommissie referendumcommissie ontvangt per vergadering een vergoeding van 130% van de hoogte van de vergoeding per vergadering die aan de andere leden van de commissie is toegekend. 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als een vergadering beschouwd twee of meer vergaderingen die op dezelfde dag vallen. 4. Daar waar een advies van de commissie geheel buiten een hoorzitting als bedoeld onder het eerste lid tot stand komt, bedraagt de vergoeding de helft van het op grond van het eerste en tweede lid te vergoeden bedrag. Dit geldt ook, voor zover een lid een hoorzitting niet heeft bijgewoond, maar aan de totstandkoming van een advies wel zijn noodzakelijk zijnde bijdrage heeft geleverd. Artikel 2 De voorzitter en de andere leden van de bezwaaradviescommissie referendumcommissie ontvangen een vergoeding van reiskosten overeenkomstig het [Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 13 februari 2016. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en"},{"i":5275,"b":"Regeling van de Minster van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, 2014-0000157774, tot Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in het Buitenland 2015 Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 3, eerste lid, onder d, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182&artikel=3) en [artikel 4b, eerste lid, onder d, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004613&artikel=4b); Besluiten: Artikel 1 Als volkenrechtelijke organisatie als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder d, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010182&artikel=3) en [artikel 4b, eerste lid, onder d, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004613&artikel=4b) wordt aangewezen: - 1. de Europese Octrooi-organisatie (EPO); - 2. het Europees Centrum voor weersvoorspellingen op Middellange Termijn (ECMWF); - 3. het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN); - 4. de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (EUROCONTROL); - 5. het Europees Universitair Instituut (EUI); - 6. de Verenigde Naties, inclusief de gespecialiseerde organisaties; - 7. de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA); - 8. de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO); - 9. het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie (EMBL); - 10. de Intergouvernementele Commissie voor Migratie (ICEM); - 11. de Europese Unie (EU) inclusief haar instellingen, bureaus en andere organen; - 12. de Raad van Europa; - 13. het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA); - 14. de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO); - 15. de Organisatie voor"},{"i":5981,"b":"Besluit van 26 februari 2025 tot wijziging van het Besluit EU-verordeningen Wft in verband met de implementatie van Verordening (EU) 2024/886 betreffende instantovermakingen in euro’s (KetenID WGK026841) (Uitvoeringsbesluit verordening instantovermakingen in euro’s) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 8 januari 2025, 2024-0000569554, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2024/886](32024R0886) van het Europese Parlement en de Raad van 13 maart 2024 tot wijziging van [Verordeningen (EU) nr. 260/2012](32012R0260) en [(EU) 2021/1230](32021R1230) en [Richtlijnen 98/26/EG](31998L0026) en [(EU) 2015/2366](32015L2366) en de [artikelen 1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), en [1:80, aanhef en onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 februari 2025, nr. W06.25.00005/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 24 februari 2025, 2025-0000031965, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit EU-verordeningen Wft. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit verordening instantovermakingen in euro’s. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4869,"b":"Besluit van de Directeur Ketenvoorzieningen en Innovatie van de Justitiële Informatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 4 februari 2022, nr. Alg. 6261, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de directeur ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Ketenvoorzieningen en Innovatie Justid 2022) gelet op [artikel 6 van het Mandaatbesluit Justid 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046430&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit Justid 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046430&artikel=1) aan de Directeur Ketenvoorzieningen en Innovatie van de Justitiële Informatiedienst verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de manager Innovatie; - b. de manager Ketenvoorzieningen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2021. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Ketenvoorzieningen en Innovatie Justid 2022. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3472,"b":"Besluit van 23 oktober 1986, houdende regels betreffende de vergoeding van ziektekosten, bedoeld in artikel 15 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 17 juli 1986, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. U 8604 III; Gelet op [artikel 15 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=15) (**Stb.** 1986, 360); Gehoord de Buitengewone Pensioenraad en de Stichting Pelita; De Raad van State gehoord (advies van 27 augustus 1986, nr. W13.86.0403); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 13 oktober 1986, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. 8872; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968) (**Stb.** 1986, 360); - b. Onze Minister: Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; - c. de belanghebbende: de deelnemer aan het verzet in de zin van de wet. Artikel 2 De behandeling en verpleging als bedoeld in artikel 15 van de wet omvatten naast genees- en heelkundige voorzieningen, voorzieningen van medisch-sociale aard, alsmede al hetgeen geacht kan worden dienstig te zijn voor het herstel, het behoud of de bevordering van de geschiktheid van de belanghebbende tot werken, voor zover die geschiktheid is verminderd ten gevolge van verwonding, verminking, ziekten of gebreken, welke het recht op buitengewoon pensioen hebben doen ontstaan. Artikel 3 1. De kosten van de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004038&artikel=2&z=2002-01-01&g=2002-01-01) bedoelde behandeling en verpleging worden slechts vergoed, voor zover de belanghebbende niet op grond van andere voorschriften of krachtens overeenkomst op volledige of gedeeltelijke vergoeding van die kosten aanspraak kan maken. Daarbij wordt de in het derde lid bedo"},{"i":4506,"b":"Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik Geacht College, Na de totstandkoming van het [Vuurwerkbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013360) en het [Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016767), restte, ter invulling van het kabinetsstandpunt vuurwerkramp, nog een klein stukje regelgeving ten aanzien van de externe veiligheid van ontplofbare stoffen: de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierbij moet u denken aan de opslag van ontplofbare stoffen die worden gebruikt voor het slopen van gebouwen en fundaties, het uitvoeren van seismisch onderzoek en dergelijke. Ook zwart buskruit – soms aanwezig bij wapenhandelaren – valt onder het begrip ontplofbare stof voor civiel gebruik. Op grond van het beleid dat in deze circulaire is vastgelegd, dient rond iedere opslagplaats voor ontplofbare stoffen een veiligheidsafstand te worden aangehouden tot kwetsbare objecten zoals woningen, kantoren en winkels. Deze veiligheidsafstand moet in het bestemmingsplan worden vastgelegd. De grootte van de veiligheidsafstand is afhankelijk van de hoeveelheid ontplofbare stof die wordt opgeslagen en van eventueel effectbeperkende maatregelen die zijn getroffen. De circulaire gaat hier in meer detail op in. De circulaire is alleen relevant voor u als er binnen de grenzen van uw gemeente opslag van ontplofbare stoffen plaatsvindt. Als dat zo is, dan verzoek ik u deze circulaire te gebruiken bij de vergunningverlening in het kader van de [Wet Milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) en bij het opstellen van bestemmingsplannen. Daarnaast vraag ik u aan de hand van deze circulaire na te gaan of de veiligheidssituatie van bestaande opslagplaatsen binnen uw gemeente voldoende is. Wanneer dit niet het geval is verzoek ik u waar nodig corrigerende maatregelen te nemen. In paragraaf 5.2 van de circulaire wordt uiteengezet op welke wijze dit kan geschieden. De datum van inwerkingtreding ligt"},{"i":5980,"b":"Besluit van 8 november 2021 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de uitvoering van de verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen en de verordening verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van banken en beleggingsondernemingen (Uitvoeringsbesluit verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 25 augustus 2021, 2021-0000155450, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2021/23](31923R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de [Verordeningen (EU) nr. 1095/2010](32010R1095), [(EU) nr. 648/2012](32012R0648), [(EU) nr. 600/2014](32014R0600), [(EU) nr. 806/2014](32014R0806) en [(EU) 2015/2365](32365R2015), en de [Richtlijnen 2002/47/EG](32002L0047), [2004/25/EG](32004L0025), [2007/36/EG](32007L0036), [2014/59](32014L0059)/EU en (EU) [2017/1132](32017L1132) (PbEU 2021, L 22), Verordening (EU) [2019/877](32019L0877) van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) [nr. 806/2014](32706L2014) met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (PbEU 2019, L 150), Verordening (EU) [nr. 600/2014](32500L2014) van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) [nr. 648/2012](32548L2012) (PbEU 2014, L 173), en de [artikelen 1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81) en [1:94, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op het f"},{"i":5286,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 mei 2019, kenmerk 2019-0000078866, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor het jaar 2019 (Regeling bekostiging financieel toezicht 2019) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9); BESLUITEN: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder geconsolideerde jaarrekening: jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van personen die een groep of groepsdeel vormen en andere in de consolidatie meegenomen personen, als één geheel zijn opgenomen. Artikel 2 1. Voor het kalenderjaar 2019 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9), voor de personen die onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten vallen, bedoeld in [bijlage 1, onderdeel A, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&bijlage=1), als volgt vastgesteld: | Toezichtcategorie | Maatstaf | Bandbreedtes | Tarieven | | --- | --- | --- | --- | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >0 tot en met 5.000 PC | € 2.251 vermeerderd met: € 6,81 per PC | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >5.000 tot en met 10.000 PC | in voorkomend geval vermeerderd met: € 4,76 per PC | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk al"},{"i":5518,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 5 september 2016 nr. 26130, tot vaststelling van een Tijdelijke subsidieregeling voor vernieuwende journalistiek 2017 (The Challenge) Handelende na overleg met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: Hoofdstuk 1. Te subsidiëren activiteiten Artikel 1. Te subsidiëren activiteiten en kosten 1. Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve van de versterking en vernieuwing van de journalistiek in Nederland subsidie verstrekken voor activiteiten die voldoen aan één of meer van de volgende eisen: - a. Zij hebben betrekking op een of meer - a. Nieuwe journalistieke producten of diensten; - b. Nieuwe combinaties van nieuwe journalistieke producten of diensten; - c. Nieuwe combinaties van bestaande journalistieke producten of diensten; - d. Nieuwe combinaties van nieuwe met bestaande journalistieke producten of diensten; - b. Zij hebben betrekking op nieuwe modellen of platforms om nieuwe journalistieke producten of diensten te realiseren. 2. Voor subsidieverstrekking komen slechts kosten van de subsidieontvanger in aanmerking die rechtstreeks verband houden met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend en die gemaakt zijn na de subsidieverlening. 3. Het Stimuleringsfonds kan nadere richtlijnen omtrent de aard van de kosten vaststellen. Deze richtlijnen worden gepubliceerd op de website van het Stimuleringsfonds www.svdj.nl. Artikel 2. Voorronde 1. Belangstellenden die in aanmerking willen komen voor subsidie op grond van deze regeling dienen eerst een projectplan in voor deelname aan een voorronde. 2. Belangstellenden die een projectplan willen indienen, dienen te voldoen aan de volgende voorwaarden: - a. Zij volgen of hebben een hogere opleiding gevolgd aan een instelling die is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO); - b. Zij bevinden zich in he"},{"i":5292,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van kenmerk 2025-0000145875, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor het jaar 2025 (Regeling bekostiging financieel toezicht 2025) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9); BESLUITEN: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder geconsolideerde jaarrekening: jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van personen die een groep of groepsdeel vormen en andere in de consolidatie meegenomen personen, als één geheel zijn opgenomen. Artikel 2 1. Voor het kalenderjaar 2025 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9), voor de personen die onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten vallen, bedoeld in [bijlage 1, onderdeel B, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&bijlage=1), als volgt vastgesteld: | Toezichtcategorie | Maatstaf | Bandbreedtes | Tarieven | | --- | --- | --- | --- | | 1. Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | | € 2.979 vermeerderd met: | | 1. Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | 0 tot en met 5.000 PC | € 9,01 per PC | | 1. Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | >5.000 tot en met 10.0"},{"i":1718,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw, d.d. 1juli 2004, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van hoveniersbedrijven voor het jaar 2005 (Verordening PT heffing hoveniersbedrijven 2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Sectorcommissie voor hovenierswerkzaamheden, d.d. 25 mei 2004; BESLUIT: Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | hovenierswerkzaamheden | : | het aanleggen, het aanbrengen van wijzigingen in en het onderhouden van siertuinen, begraafplaatsen, groenstroken, parken, plantsoenen, landgoederen en openbaar groen in stad en landschap, inclusief werkzaamheden op sportterreinen en in bossen, met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, met inbegrip van de voorbereidende en grondwerkzaamheden; | | --- | --- | --- | --- | | b. | everingen | : | de bij de werkzaamheden behorende levering van levende en dode materialen; | | c. | ondernemen | : | natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin hovenierswerkzaamheden worden verricht; | | d. | omzet | : | het bruto-omzetbedrag van hovenierswerkzaamheden en leveringen over het jaar 2004. | Artikel 2 1. De ondernemer is in 2005 een heffing aan het Productschap Tuinbouw verschuldigd ten behoeve van promotionele en marketingactiviteiten, economische aangelegenheden, kwaliteitsaangelegen"},{"i":5857,"b":"Besluit van 30 oktober 2023, houdende tijdelijke regels voor experimenten met nieuwe stembiljetten (Tijdelijk experimentenbesluit nieuwe stembiljetten) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 juli 2023, nr. 2023-0000360559; Gelet op [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=3), [artikel 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=4), en [artikel 16 van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=16); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 september 2023, nr. W04.23.00209/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 oktober 2023, nr. 2023-0000592650; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **Experimentenwet:** [Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212); Artikel 2. Toepassingsbereik Dit besluit is van toepassing op een experiment met een nieuw stembiljet als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Experimentenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047212&artikel=2). Hoofdstuk 2. Het stembiljet Artikel 3. Het model stembiljet bij het experiment 1. Bij een experiment wordt een model stembiljet gebruikt, op basis waarvan een kiezer stemt door op het stembiljet eerst de lijst te kiezen waartoe de kandidaat van zijn keuze behoort, en vervolgens het nummer van de kandidaat van zijn keuze op die lijst te kiezen. 2. Bij een verkiezing van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «de kiezer» wordt gelezen: het statenlid of het kiescollegelid. 3. Bij ministeriële regeling wordt een model vastgesteld voor het stembiljet, bedoeld in het eerste lid. Hoofdstuk 3. Experiment met een ni"},{"i":5483,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 30 januari 2012, houdende vaststelling van het premiepercentage voor de algemene wet bijzondere ziektekosten 2012 Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt voor het jaar 2012 vastgesteld op 12,15. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2012. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage AWBZ 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5718,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 23 september 2021, nr. VO/29518735, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor heterogene brugklassen (Subsidieregeling heterogene brugklassen) Gelet op [artikel 75a van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=75a), [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71) en [127e van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=127e), de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1) en de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) of [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1); - **brugklas:** eerste klas of klassen waarin een leerling terecht komt die van het primair naar het voortgezet onderwijs gaat, voordat een leerling wordt toegewezen aan een schoolsoort of leerweg, en die ten hoogste de duur van de onderbouw van het voortgezet onderwijs, bedoeld in [artikel 2.14 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.14) of [artikel 8 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045020&artikel=8) beslaat; - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **heterogene brugklas:** brugklas waarin leerlingen van twee of meer schoolsoorten of leerwegen bij elkaar zitten, waaronder mede inbegrepen CCSLC, CSEC en CVQ"},{"i":2154,"b":"Aanwijzing geweldsaanwending opsporingsambtenaar Samenvatting Opsporingsambtenaren zijn bevoegd om – in overeenstemming met de geweldsinstructie1De geweldsinstructie is gedefinieerd in artikel 90novies Sr. – geweld te gebruiken indien een situatie dit vereist. Geweldgebruik moet worden toegepast binnen de grenzen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid. Bij de toepassing van geweld wordt inbreuk gemaakt op grondrechten van burgers. In alle gevallen waarin geweldstoepassing ernstige gevolgen heeft gehad, wordt daarom effectief, onafhankelijk en voortvarend onderzoek gedaan naar de toedracht onder gezag van het OM. Deze aanwijzing bevat regels voor het onderzoek naar en de beoordeling van functiegerelateerd geweldgebruik door opsporingsambtenaren en voor het informeren van slachtoffers en nabestaanden in dergelijke zaken. 1. Achtergrond Met de inwerkingtreding van de **Wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar** (hierna: de wet)2**Stb.** 2021, 233. en de wijziging van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: **Ambtsinstructie**)3**Stb**. 2021, 46. tweede tranche op 1 juli 2022 is de stelselherziening geweldsaanwending opsporingsambtenaar voltooid. De gedachte achter de stelselherziening is dat geweldgebruik door opsporingsambtenaren langs de juiste meetlat moet worden gelegd. Indien een opsporingsambtenaar zich in de uitoefening van zijn functie genoodzaakt ziet geweld te gebruiken, kan daardoor de delictsomschrijving van een algemeen geweldsdelict zoals mishandeling of doodslag worden vervuld. Opsporingsambtenaren zijn echter niet alleen bevoegd om (gepast) geweld te gebruiken; in voorkomende gevallen wordt dit juist van hen verwacht. Waar burgers zich uit een gevaarlijke situatie kunnen terugtrekken, wordt van opsporingsambtenaren juist verwacht dat zij actief optreden om de situatie te beëindigen. Dit betekent dat zij zich in een kwetsbare positie bevinden. Aan die positie wo"},{"i":1729,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2002, houdende de vaststelling van een heffing over de teelt van groenten en fruit, voor het jaar 2003 (Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de sectorcommissie voor Groenten en Fruit, d.d. 20 juni 2002; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](onbekend) en [2 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de voorzitter | : | de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | het bestuur | : | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | c. | de ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de teelt van groenten en fruit, uitgangsmateriaal daaronder begrepen, wordt uitgeoefend; | | d. | het bewerken | : | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaald, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen, wassen en centrifugeren; | | e. | het verduurzamen | : | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze producten, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden; | | f. | de productwaarde teelt | : | de verkoopsom van de door de ondernemer gedurende een kalenderjaar in Nederland geteelde groenten en fruit , ongeacht de bestemming daarvan; voor zover de ondernemer de door hem geteelde groenten en fruit verduurzaamt of bewerkt, wordt voor het bepalen van de verkoopsom de theoretische kostprijs gehanteerd; daaro"},{"i":1730,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2003, houdende de vaststelling van een heffing over de teelt van groenten en fruit, voor het jaar 2004 (Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2004) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14),[15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=15) en [19 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](onbekend); gehoord de Sectorcommissie voor groenten en fruit, d.d. 26 juni 2003; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. de voorzitter: | de voorzitter van het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | | b. het bestuur: | het bestuur van het Productschap Tuinbouw; | | c. de ondernemer: | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de teelt van groenten en fruit, uitgangsmateriaal daaronder begrepen, wordt uitgeoefend; | | d. het bewerken: | alle handelingen waarbij van groenten en fruit gebruiksklare artikelen worden gemaakt, zoals schonen, schillen, schrappen, snijden, mengen. wassen en centrifugeren; | | e. het verduurzamen: | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze producten, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden; | | f. de productwaarde teelt: | de verkoopsom van de door de ondernemer gedurende een kalenderjaar in Nederland geteelde groenten en fruit, ongeacht de bestemming daarvan; voor zover de ondernemer de door he"},{"i":5694,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 november 2021, nr. 2021-0000584993, houdende regels voor de subsidiëring van de Stichting COELO (Subsidieregeling COELO) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdeel f, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), en [24, vijfde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=24); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **Stichting:** Stichting COELO. Artikel 2 1. De minister kan aan de Stichting subsidie verstrekken ten behoeve van activiteiten in het kader van het doen van onderzoek naar en laagdrempelige informatievoorziening over economische en financiële aspecten van decentrale overheden. 2. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 3 De subsidie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045860&artikel=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01), bedraagt ten hoogste het bedrag dat uit de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties blijkt. Artikel 4 De Stichting dient de aanvraag tot subsidieverlening uiterlijk in op 31 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft. Artikel 5 De minister verstrekt op de subsidie een voorschot dat gelijk is aan de verleende subsidie. In de beschikking tot subsidieverlening wordt vermeld in welke termijnen het voorschot wordt uitbetaald. Artikel 6 Voor de toepassing van [artikel 24, eerste lid, onder b, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=24) volstaat de reguliere controleverklaring bij de jaarstukken van de Stichting"},{"i":5394,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 november 2023, kenmerk 3726212-1056819-J, houdende regels inzake de verstrekking van een specifieke uitkering in verband met de compensatie van gemeenten na wijziging van het begrip woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet (Regeling specifieke uitkering niet beoogde kosten jeugdzorg vanwege verblijf in gemeente) Gelet op [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aaneengesloten jeugdhulp met verblijf:** jeugdhulp waarbij de jeugdige gedurende een periode van drie of meer maanden, minimaal vijf dagen per week in een instelling verblijft en de jeugdige wordt ingeschreven in de BRP op het adres van die instelling; - **BRP:** basisregistratie personen als bedoeld in [artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.2); - **instelling:** een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1), een instelling voor opvang of beschermd wonen als bedoeld in de [Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) of een instelling voor verblijf als bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onder a, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1); - **jeugdhulp:** jeugdhulp als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **jeugdige:** jeugdige als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **moeder:** moeder als bedoeld in [artikel 198, eerste lid, onder a, van Boek 1 van het Burgerlijk Wet"},{"i":5438,"b":"Regeling termijnverlenging behandeling vergunningaanvragen overgangsregime Wet op het financieel toezicht Gelet op [artikel 31, tweede lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020616&artikel=31); Besluit: Artikel 1 De termijn van twaalf maanden, bedoeld in de [eerste volzin van artikel 31, tweede lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020616&artikel=31), wordt voor de tweede maal met zes maanden verlengd. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2007. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5653,"b":"Besluit van de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking van 18 december 2002, kenmerk DCO/OC-870/02 tot vaststelling van een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op de [artikelen 1.1.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&artikel=1.1.6), [1.1.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&artikel=1.1.10) en op [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&hoofdstuk=II), [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&afdeling=4), [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&paragraaf=3), [artikel 2.4.7. van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&artikel=2.4.7) Besluit: Artikel 1 1. Voor subsidieverlening op grond van [hoofdstuk II, afdeling 4, paragraaf 3, artikel 2.4.7., van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173&artikel=2.4.7) geldt voor het programma Onderzoek voor de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 een subsidieplafond van € 500.000,- 2. Het beleidsvoornemen voor het programma Onderzoek 2003, gepubliceerd op 16 december 2002, Staatscourant nr. 242, blijft overigens onverminderd van kracht. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2152,"b":"Aanwijzing gebieden als speciale beschermingszone in kader EG-Vogelrichtlijn Besluit: Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand, 79/409/EEG (Pb. EG L 103) worden de volgende gebieden aangewezen: - a. het op bijlage A van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Biesbosch’; - b. het op bijlage B van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Dwingelderveld’; - c. het op bijlage C van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Kil van Hurwenen en omstreken’; - d. het op bijlage D van deze beschikking op kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ’Nederlandse Zwingebied’. 2. De aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, gaan vergezeld van een toelichtende nota, welke deel uitmaakt van deze beschikking. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":1739,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 28 juni 2005, houdende de vaststelling van een heffing op verduurzaamde producten voor het jaar 2006 (Verordening PT heffing teelt groenten en fruit 2006) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 7 juni 2005; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. het verduurzamen | : | alle handelingen met betrekking tot groenten en fruit waardoor deze producten, al dan niet voorlopig, langer houdbaar worden; | | --- | --- | --- | | b. de fabrikant | : | de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin fruit, groenten, of daaruit verkregen producten worden verduurzaamd; | | c. de omzet | : | de verkoopwaarde af fabriek van de door de fabrikant gedurende een kalenderjaar verduurzaamde groenten en fruit, met uitzondering van de in de bij deze verordening behorende bijlage genoemde producten; | § 2. Heffingsplich"},{"i":7900,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 november 2012 kenmerk: FM/2012/1553 M, tot instelling van de Commissie Structuur Nederlandse banken (Regeling instelling Commissie Structuur Nederlandse banken) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste en derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032195&artikel=2&z=2012-11-10&g=2012-11-10); - b. **de minister:** de Minister van Financiën. Artikel 2 Er is een Commissie Structuur Nederlandse banken. Artikel 3 1. De commissie krijgt tot opdracht onderzoek te doen naar en te rapporteren over: - a. de aanbevelingen van de commissie-Liikanen en de toepasbaarheid daarvan in Nederland, waaronder het – in lijn met de ‘Volcker rule’ – beperken van risico’s volgend uit handel voor eigen rekening; en - b. de wijze waarop de scheidbaarheid van Nederlandse banken gerealiseerd kan worden voor het geval zich een deconfiture van een bank voordoet en in het bijzonder de noodzaak om in dergelijke gevallen de continuïteit van de systeemrelevante activiteiten van een bank te kunnen blijven garanderen, zoals het betalingsverkeer. Daarbij zal de commissie werken vanuit de reeds genomen maatregelen dienaangaande, zoals de [Interventiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031641). 2. De commissie zal rekening houden met: - a. de noodzaak om de banksector dienstbaar te laten zijn aan de internationaal georiënteerde economie, met in het bijzonder aandacht voor kredietverlening aan consumenten en bedrijven; - b. de noodzaak om bij te dragen aan het herstel van vertrouwen tussen de bankensector en de maatschappij; - c. het Europese regelgevende kader, evenals de vraag of aanvullende maatregelen beter op EU- dan na"},{"i":5447,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 11 december 2019, nr. IENW/BSK-2019/255555, houdende vaststelling van regels inzake het toezicht op rechtstreeks bindende Europese regels op het gebied van de toegang tot dienstvoorzieningen en spoorbonden diensten (Regeling toezicht uitvoeringsverordening toegang tot dienstvoorzieningen en spoorbonden diensten) Gelet op Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177 van de Europese Commissie van 22 november 2017 betreffende de toegang tot dienstvoorzieningen en spoorgebonden diensten en [artikel 81, eerste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=81); BESLUIT: Artikel 1 1. De Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving van de artikelen 4 tot en met 13 en 15 van uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177 van de Commissie van 22 november 2017 betreffende de toegang tot dienstvoorzieningen en spoorgebonden diensten (PbEU 2017, L 307/1). 2. [Artikel 76, tweede lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=76) is van toepassing op overtreding van de in het eerste lid genoemde artikelen. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020 en werkt terug tot en met 1 juni 2019. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toezicht uitvoeringsverordening toegang tot dienstvoorzieningen en spoorgebonden diensten. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1743,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2007, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van vollegrondsgroenten voor het jaar 2008 (Verordening PT heffing vollegrondsgroenten 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor groenten en fruit, d.d. 19 juni 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. het braakland: de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld - b. de cultuurgrond: beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025686&paragraaf=3&artikel=4&z=2009-03-29&g=2009-03-29) genoemde gewassen of producten kunnen worden geteeld, of ten tijde van het tijdvak als bedoeld in de Regeling Landbouwtelling, nog niet b"},{"i":5495,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 november 2024, kenmerk 3973534-1072564-Z, houdende vaststelling van de standaardpremie en de bestuursrechtelijke premies voor 2025 (Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2025) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4) en de [artikelen 18d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d), en [18e, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18e); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie, bedoeld in de [Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451), bedraagt voor het berekeningsjaar 2025 € 2.112,–. Artikel 2 Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5333,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 december 2016, nr. 2021822, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken Gelet op [artikel 11:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=11:2) en [artikel 2 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899&artikel=2); Besluit: Artikel I Wijzgt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzgt het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel III Wijzgt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel IV 1. [Artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:41) zoals dat lid luidde voor 1 januari 2017 blijft van toepassing indien het beroepschrift voor die datum is ontvangen. Indien de eerste volzin van toepassing is en na 2016 een ander beroepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen hetzelfde besluit, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere beroepschrift. 2. [Artikel 8:109, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:109) zoals dat lid luidde voor 1 januari 2017 blijft van toepassing indien het hogerberoepschrift voor die datum is ontvangen. Indien de eerste volzin van toepassing is en na 2016 een ander hogerberoepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen dezelfde uitspraak, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere hogerberoepschrift. 3. [Onderdeel B van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht](onbekend) zoals dat onderdeel luidde voor 1 januari 2017 blijft van toepassing op een voor die datum ontvangen bezwaar- of beroepschrift. Indien de eerste volzin van toepassing is en na 2016 een ander bezwaar- of beroepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen hetzelfde besluit, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere bezwaar- of beroeps"},{"i":5484,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 februari 2013, Kenmerk Z-3152334, houdende vaststelling van het premiepercentage voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten 2013 Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt voor het jaar 2013 vastgesteld op 12,65. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2013. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage AWBZ 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7897,"b":"Regeling AFM en DNB nadere voorschriften Wfm BES en Wwft BES 2012 Gelet op de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883) (Stb. 2011, 612), in het bijzonder [hoofdstuk 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&paragraaf=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&paragraaf=3), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&paragraaf=5) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&paragraaf=7); Gelet op het [Besluit financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636) (Stb. 2012, 238), in het bijzonder [hoofdstuk 3, paragrafen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&paragraaf=2) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&paragraaf=3), [hoofdstuk 4, paragrafen 2 tot en met 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&paragraaf=2), en [hoofdstuk 5, paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&paragraaf=2); Gelet op [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=3.13) en [hoofdstuk 5 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&hoofdstuk=5) (Stb. 2011, 613), in samenhang met [afdeling 7 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&afdeling=7); Besljuiten: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (definities) In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **DNB:** de Nederlandsche Bank N.V.; - b. **AFM:** Stichting Autoriteit Financiële Markten; - c. **CBCS:** Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, alsmede haar rechtsvoorgangster, de Bank van de Nederlandse Antillen; - d. **deopenbare lichamen of Caribisch Nederland:** de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - e. **de Wfm BES:** de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883) (Stb. 2011, 612); - f. **het Bfm BES:** het [Besluit financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636"},{"i":7898,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Autoriteit Financiële Markten van 16 september 2021 houdende regels met betrekking tot het beheerst beloningsbeleid van banken, beleggingsondernemingen en premiepensioeninstellingen (Regeling beheerst beloningsbeleid Wft 2021) Gelet op [artikel 1:117, vierde lid en vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:117); Gelet op [Richtlijn (EU) nr. 2016/2341](32016L2341) van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IORP II-richtlijn) (herschikking), in het bijzonder artikel 23, [Richtlijn (EU) nr. 2019/878](32019L0878) van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019, strekkende tot wijziging van [Richtlijn nr. 2013/36](32013L0036)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van [richtlijn nr. 2002/87/EG](32002L0087) en tot intrekking van de [richtlijnen nr. 2006/48/EG](32006L0048) en [nr. 2006/49/EG](32006L0049) (richtlijn kapitaalvereisten), in het bijzonder de artikelen 92 tot en met 96, en Richtlijn (EU) [2019/2034](32019L2034) van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen [2002/87/EG](32002L0087), [2009/65/EG](32009L0065), [2011/61](32011L0061)/EU, [2013/36](32013L0036)/EU, [2014/59](32014L0059)/EU en [2014/65](32014L0065)/EU (richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen), in het bijzonder de artikelen 30 tot en met 34; Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel N, van de Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling w"},{"i":5397,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 december 2021, nr. 2021-0000578548, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van de huisvesting van vergunninghouders (Regeling specifieke uitkering vergunninghouders) Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) juncto [artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **college:** college van burgemeester en wethouders; - b. **project:** project als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045989&artikel=2&z=2021-12-08&g=2021-12-08); - c. **vergunninghouder:** vreemdeling die in Nederland een verblijfsvergunning asiel heeft aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning heeft ontvangen als bedoeld in [artikel 8, onderdeel a, b, c, of d, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8); - d. **Minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. - f. **betaalbare woning:** ruimte die ter bewoning voor verhuur wordt aangeboden tegen een prijs: - 1°. die niet hoger is dan de bedragen, genoemd in [artikel 20, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=20); - 2°. die niet hoger is dan de maximaal redelijke aanvangshuurprijs voor die woonruimte op basis van de bij of krachtens [artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10) bepaalde waardering; en - 3°. waarvan het maximale huurverhogingspercentage bedraagt het in [artikel 10, derde lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10) vastg"},{"i":5481,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 december 2009, nr. Z/F-2973354, houdende vaststelling van het premiepercentage voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten 2010 Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt voor het jaar 2010 vastgesteld op 12,15. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage AWBZ 2010. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5321,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 21 januari 2015, nr. WJZ / 15004833, houdende regels voor de verlening van vergunningen voor de publieke mediadienst boven het wettelijk minimum (Regeling extra vergunningen publieke mediadienst) Gelet op [artikel 3.8 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.8); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **allotment:** geografisch afgebakend deel van de frequentieband 174 – 230 MHz; - –. **DVB-T-vergunning:** vergunning voor het gebruik van frequentieruimte met een bandbreedte van 8 MHz in de frequentieband 470–790 MHz voor in het bijzonder het digitaal uitzenden van drie algemene televisieprogrammakanalen; - –. **lokale publieke media-instelling:** lokale publieke media-instelling als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - –. **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - –. **programmakanaal:** programmakanaal als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - –. **radioprogramma:** radioprogramma als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - –. **regionale publieke media-instelling:** regionale publieke media-instelling als bedoeld in [artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=1.1); - –. **resterende capaciteit DVB-T-vergunning:** capaciteit die resteert bij het gebruik van de DVB-T-vergunning voor het digitaal uitzenden van televisieprogrammakanalen, bedoeld in [artikel 3.7, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.7); - –. **wet:** [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950). Artikel 2 1. Voor de verlening van een vergunning als bedoeld in [artikel 3.8 van de wet](https://wet"},{"i":5436,"b":"Regeling ter uitvoering van de Wet Openbaarheid van bestuur (VW) Overwegende dat de toepassing van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) (Stb. 1991, 703) aanleiding geeft tot het vaststellen van een regeling ter uitvoering van die wet, Besluit: Vast te stellen de volgende regeling ter uitvoering van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252). Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Register 1. Er is een register waarin worden opgenomen: - a. de onder verantwoordelijkheid van de minister werkzame instellingen, diensten en bedrijven - b. de niet-ambtelijke adviescommissies. 2. Het register vermeldt de namen, adressen en informatiepunten van de instellingen, diensten en bedrijven 3. Het register ligt voor een ieder ter inzage bij de Directie Juridische Zaken en bij de Directie Voorlichting Documentatie en Bibliotheek. 4. Met het bijhouden van het register is belast de Directie Juridische Zaken. Artikel 3. Gemachtigd ambtenaar Als gemachtigd ambtenaar wordt aangewezen de Secretaris-Generaal, en bij diens afwezigheid of ontstentenis, de plv. Secretaris-Generaal. Artikel 4. Informatiepunten 1. Het informatiepunt binnen het ministerie is de Bibliotheek. 2. De informatiepunten voor de in het register vermelde instellingen, diensten en bedrijven worden aangewezen door de leiding daarvan. Hoofdstuk II. Informatie op verzoek Artikel 5 1. Het behandelen van verzoeken om informatie en vragen daaromtrent geschiedt door de dienstonderdelen die met voorlichting zijn belast, voor zover het niet door de minister zelf geschiedt, of door hem in bepaalde gevallen aan anderen is opgedragen. 2. Het in het eerste lid gestelde doet geen afbreuk aan de uit de normale taakuitoefening voortvloeiende plicht van de ambtenaar om aan particuliere personen en instanties met wie hij door zijn functie in contact komt, informatie op verzoek te verschaffen over de daarbij aan"},{"i":5361,"b":"Regeling monitoring beschikkingen persoonsgebonden budget en uitgaven individueel aangepaste Wlz-hulpmiddelen 2026 Gelet op de [artikelen 62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62) en [68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van informatieverstrekking voor de monitoring van zorguitgaven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **persoonsgebonden budget:** een subsidie waarmee de cliënt onder de bij of krachtens [artikel 3.3.3 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) (Wlz) en [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2) gestelde voorwaarden aan hem te verlenen zorg kan inkopen. - **individueel aangepaste Wlz-hulpmiddelen:** Persoonsgebonden hulpmiddelen, en mobiliteitshulpmiddelen voor individueel gebruik als bedoeld in [artikel 3.1.2 van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.1.2). - **verleningsbeschikking pgb:** de beschikking waarin wordt aangegeven welk bedrag aan pgb in enig jaar wordt toegekend, een en ander conform het gestelde in [afdeling 4.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.3). - **zorgkantoor:** een ingevolge [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4) voor een bepaalde regio aangewezen Wlz-uitvoerder. Het zorgkantoor is voor alle cliënten die wonen in de regio waarvoor hij is aangewezen, belast met de verstrekking van het pgb. Voor overige begrippen wordt verwezen naar de Beleidsregel definities Wlz. Artikel 2. Doel van de regeling Deze regeling beoogt het stellen van regels over de informatie die Wlz-uitvoerder/zorgkantoren als genoemd in [artikel 3](https://wetten."},{"i":5489,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 20 november 2018, kenmerk 1445257-183953-Z, houdende de vaststelling van de standaardpremie en de bestuursrechtelijke premies voor 2019 (Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2019) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4) en de [artikelen 18d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d), en [18e, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18e); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=1), wordt voor het berekeningsjaar 2019 vastgesteld op € 1.609. Artikel 2 Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2019. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5331,"b":"Regeling incidentele projectsubsidies Koninklijke Bibliotheek gelet op [artikel 1.2, eerste lid, onder a, in samenhang met het derde lid, van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039469&artikel=1.2); besluit: vast te stellen de navolgende Regeling verstrekking projectsubsidies incidentele activiteiten Koninklijke Bibliotheek Artikel 1. Verhouding [Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039469) Voor zover in deze regeling niet iets anders is bepaald, is het bepaalde in het [Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039469) van toepassing. Artikel 2. Subsidiabele activiteiten In het kader van de activiteit ‘het aansturen van het netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen’ als bedoeld in [artikel 1.2, eerste lid, onder a, van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039469&artikel=1.2), kan het Algemeen bestuurscollege projectsubsidies verlenen voor incidentele activiteiten die vallen buiten de reikwijdte van de overige vastgestelde regels als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2015. Artikel 3. Subsidieaanvraag Een aanvraag om subsidieverlening wordt voor afronding van het project ingediend en gaat vergezeld van de documenten die zijn vermeld in de [artikelen 2.3 tot en met 2.7 van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039469&artikel=2.3). Artikel 4. Subsidiebedrag Het Algemeen bestuurscollege bepaalt per aanvraag welke kosten voor subsidie in aanmerking komen. Artikel 5. Weigeringsgronden Naast de gronden om een subsidie te weigeren als genoemd in het [Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039469), wordt de subsidie tevens geweigerd wanneer de activiteiten: - a. niet passen binnen het door de KB vastgestelde be"},{"i":5391,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 11 november 2021 (nr. 2021-024089) houdende regels voor de verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten voor verlening van hulp aan gedupeerde rechthebbenden op kinderopvangtoeslag (Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021) Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) en [artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - −. **College:** het college van burgemeester en wethouders van een gemeente; - −. **Directoraat-Generaal Toeslagen:** het Directoraat-Generaal Toeslagen van het Ministerie van Financiën, daaronder begrepen de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen; - −. **Driegesprek:** een gesprek tussen een gemeente, de (potentieel) gedupeerde(n), en de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, of in de plaats daarvan: met een door de Minister aangewezen derde, dat is gericht op het nemen van maatregelen ter bevordering van het kunnen maken van een nieuwe start in het kader van herstel van die (potentieel) gedupeerde(n); - −. **Gedupeerden:** personen, inclusief hun gezin, die zich bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen hebben gemeld en door die Uitvoeringsorganisatie zijn erkend als gedupeerde(n) van het kinderopvangtoeslagenstelsel; - −. **Gegevens:** gegevens van personen die de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen uitsluitend met gemeenten deelt en waarmee gemeenten in staat zijn om vast te kunnen stellen welke personen zij in aanmerking kunnen brengen voor hulp op grond van deze regeling en gedurende welke periode; - −. **Minister:** de Minister van Financiën; - −. **Niet-gedupeerden:** personen, inclusief hun gezin, die zich bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen als gedup"},{"i":5323,"b":"Besluit van 27 februari 1987, houdende intrekking en vervanging van de Regeling financiële voorzieningen overgang Surinaamse krijgsmacht Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 1 december 1986, Directie Juridische Zaken, nr. C 86/842; Overwegende, dat door de regering bij nota van 16 december 1982 (**Stcrt.** van 20 december 1982, nr. 245) aan het Militair Gezag in Suriname onder meer is meegedeeld dat het koninklijk besluit van 9 december 1977 (**Stb.** 1977, 710), inzake de Regeling financiële voorzieningen overgang Surinaamse krijgsmacht zal worden ingetrokken en worden vervangen door een nieuw besluit, zodat geen suppletiebetalingen zullen plaatsvinden aan militairen in actieve Surinaamse krijgsdienst; De Raad van State gehoord (advies van 27 februari 1987, no. W07.86.0642); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 25 februari 1987, nr. C 86/842; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze minister: Onze Minister van Defensie; - b. regeling: de Regeling financiële voorzieningen overgang Surinaamse krijgsmacht; - c. uitkering: de uitkering, genoemd in de [aanhef van artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004120&artikel=3&z=1982-12-08&g=1982-12-08); - d. de gewezen militair: de gewezen militair, genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004120&artikel=3&z=1982-12-08&g=1982-12-08). Artikel 2 De regeling wordt ingetrokken. Artikel 3 Onze minister verstrekt een uitkering aan de gewezen militair van de Surinaamse krijgsmacht: - a. aan wie in de maand voorafgaande aan die van inwerkingtreding van dit besluit op grond van artikel 2 van de regeling een uitkering werd uitbetaald; - b. aan wie op grond van artikel 11 van de regeling een vervangende uitkering was toegekend. Artikel 4 1. De uitkering aan de gewezen militair, bedoeld in [artikel 3, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004120&artikel=3&z=1982-12-08&g=1982-12-08), is gelij"},{"i":5487,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 november 2016, kenmerk 1046186-158039-Z, houdende de vaststelling van de standaardpremie 2017 en de aanpassing van de bestuursrechtelijke premie in de Zorgverzekeringswet (Regeling vaststelling standaardpremie 2017 en aanpassing bestuursrechtelijke premies) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4) en de [artikelen 18d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d) en [18e, tweede lid van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18e); Artikel 1 De standaardpremie wordt voor het jaar 2017 vastgesteld op € 1.530. Artikel 2 Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie 2017 en aanpassing bestuursrechtelijke premies. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5428,"b":"Regeling subsidievoorwaarden rechts- en wetswinkels 2022 Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, wil gelet op [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c) subsidie verlenen aan rechts- en wetswinkels en heeft daartoe de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1). **De Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - 2). **Een rechts- of wetswinkel:** een rechtspersoon die zonder winstoogmerk, in hoofdzaak met vrijwilligers, rechtsbijstand verleent aan minderdraagkrachtige personen of groepen van personen; - 3). **Rechtsbijstand:** sociaaljuridische hulpverlening. Daartoe rekent de Raad ook activiteiten zoals: voorlichting, preventie en andere activiteiten, gericht op het signaleren, voorkomen en tegengaan van tekortkomingen en leemten in de door het recht te verlenen bescherming van belangen van minderdraagkrachtige rechtzoekenden; - 4). **Een subsidie:** subsidie als bedoeld in [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c); - 5). **Een activiteitenverslag:** een verslag van de activiteiten in 2021, waaruit blijkt dat de rechts- of wetswinkel gedurende de daarin beschreven periode heeft voorzien in een behoefte aan rechtsbijstand als hiervoor bedoeld. Uit het verslag dient ook te blijken dat de rechts- of wetswinkel voldoende aandacht heeft besteed aan de kwaliteitsborging van de dienstverlening; - 6). **Een financieel verslag:** een verslag van de rechts- of wetswinkel over het financieel beheer in 2021, waaruit blijkt dat de verstrekte subsidie doelmatig is besteed aan rechtsbijstand; Artikel 2 De Raad kan onder de volgende voorwaarden subsidie verlenen; - 1). De rechts- of wetswinkel heeft in 2020 en/of 2021 subsidie ontvangen van de Raad; - 2). De rechts- of wetswinkel die in 2020 en/of 2021 subsidie heeft ontvangen van de Raad, komt niet in aanmerking voor (extra) subsidie voor door deze rechts- of wetsw"},{"i":5478,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 oktober 2006, nr. Z/F-2720297, houdende vaststelling van het premiepercentage voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten 2007 (Regeling vaststelling premiepercentage AWBZ 2007) Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt voor het jaar 2007 vastgesteld op 12,00. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage AWBZ 2007. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5434,"b":"Regeling ter uitvoering van de Wet openbaarheid van bestuur (Binnenlandse Zaken) Overwegende, dat de interim-rapportage van de Evaluatiecommissie Wet openbaarheid van bestuur van 26 oktober 1981 aanleiding geeft tot wijziging van de bij de beschikking van 29 april 1980, nr. SG80/U347 vastgestelde Regeling ter uitvoering van de Wet openbaarheid van bestuur, Besluit Voor het departement van Binnenlandse Zaken vast te stellen de navolgende Regeling ter uitvoering van de Wet openbaarheid van bestuur; Algemeen Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - **de wet:** de Wet openbaarheid van bestuur van 9 november 1978, Staatsblad 581; - **het besluit:** het Besluit openbaarheid van bestuur van 12 oktober 1979, Staatsblad 590; - **aanwijzing:** het desbetreffende onderdeel van de Aanwijzingen inzake openbaarheid van bestuur, vastgesteld bij besluit van de minister-president van 21 december 1979, Staatscourant nr. 6 van 9 januari 1980, nadien gewijzigd; - **het departement:** het departement van Binnenlandse Zaken (in de zin van artikel 86 van de Grondwet); - **het ministerie:** het te 's-Gravenhage gevestigde, met de leiding van het departement belaste, deel van het departement. Registers Artikel 2 2.1. Er is voor het departement een register van instellingen, diensten en bedrijven, als bedoeld in artikel 1, tweede lid van het besluit. 2.2. Het register vermeldt de namen, adressen en informatiepunten van de instellingen, diensten en bedrijven. 2.3. Het register ligt ter inzage op de leeszaal van de afdeling Documentatie en Bibliotheek en bij de stafafdeling Voorlichting van het ministerie. 2.4. Het hoofd van de stafafdeling Voorlichting is belast met het bijhouden van dit register. Artikel 3 3.1. Er is voor het departement een register van niet-ambtelijke adviescommissies, als bedoeld in artikel 3 van de wet. 3.2. Het register ligt ter inzage op de leeszaal van de afdeling Documentatie en Bibliotheek en bij de stafafdeling Voorlichting. 3.3. Het hoofd van het bure"},{"i":2153,"b":"Aanwijzing gemeente Haarlemmermeer als vestigingsplaats casino Gelet op [artikel 27p van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27p); Gezien de voordracht van de Raad voor de Casinospelen dd. 22 januari 1993; Overwegende dat blijkens mededeling van Burgemeester en Wethouders van Haarlemmermeer dd. 23 september 1994, de gemeenteraad van Haarlemmermeer heeft ingestemd met de aanwijzing van die gemeente als vestigingsplaats van een casino; Besluiten: Artikel 1 1. De gemeente Haarlemmermeer wordt aangewezen als gemeente waarvoor ingevolge de Beschikking Casinospelen (Stcrt. 1988, 139) vergunning is verleend tot het organiseren van een speelcasino. 2. Aan deze aanwijzing wordt de voorwaarde verbonden dat het speelcasino wordt gevestigd op het gedeelte van het terrein van de N.V. Luchthaven Schiphol, dat wordt aangemerkt als douanegebied in de zin van de Wet inzake de Douane (Stb. 1992, 54) en de daarop gebaseerde regelingen. Artikel 2 Deze beschikking wordt in de Staatscourant gepubliceerd en treedt in werking met ingang van de dag na die van haar bekendmaking."},{"i":7894,"b":"Wet van 11 september 1985, houdende regelen betreffende de overgang van personeel van het Staatsbedrijf der PTT en de Rijkspostspaarbank naar de Postbank N.V Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelingen te treffen met betrekking tot de overgang van het personeel van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie en van de Rijkspostspaarbank dat werkzaam is bij de Postcheque- en Girodienst of de Rijkspostspaarbank naar de Postbank N.V.; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. Staatsbedrijf: het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie; - b. overgangsdatum: de datum waarop [artikel 7 van de Postwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004423&artikel=7) 1954 (**Stb.** 592) vervalt en de Rijkspostspaarbank wordt opgeheven; - c. personeelslid: degene, die op de dag voor de overgangsdatum in dienst is van het Staatsbedrijf of van de Rijkspostspaarbank, hetzij als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, en die werkzaam is bij de Postcheque- en Girodienst of de Rijkspostspaarbank. Artikel 2 1. Ieder personeelslid heeft het recht om in dienst te treden bij de Postbank N.V. op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht ingaande op de overgangsdatum. 2. Een arbeidsovereenkomst, als in het eerste lid bedoeld, geldt voor onbepaalde tijd indien het personeelslid was aangesteld in vaste dienst, dan wel werkzaam was voor onbepaalde tijd op arbeidsovereenkomst. 3. De arbeidsovereenkomst geldt voor de niet verstreken tijd van de tijdelijke dienst of de arbeidsovereenkomst, indien het personeelslid was aangesteld of werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd. 4. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die overeenkomt"},{"i":1749,"b":"Besluit van het bestuur van het ProductschapTuinbouw van 4 mei 2004, houdende de vaststelling van een aan telers van en handelaren in bloembollen (leverbaar) op te leggen heffing voor het oogstjaar 2004/2005 (Verordening PT vakheffing bloembollen leverbaar oogstjaar 2004/2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95), en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Sectorcommissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, d.d. 30 maart 2004; Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | bloembollen | : | bollen of knollen van bloemgewassen; | | e. | bloembollen- leverbaar | : | soorten en variëteiten bloembollen die in de lijst, welke als bijlage bij deze verordening is gevoegd, rijn vermeld en waarvan de maat ligt op of boven de daarachter vermelde minimummaat, alsmede alle andere bloembollen, ongeacht de maat; | | f. | handelskaarthouder: | : | ieder die in het bezit is van een op zijn naam gestelde handels kaart als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016680&paragraaf=3&artikel=4&z=2004-06-01&g=2004-06-01); | | g. | factuurbedr"},{"i":1790,"b":"Wet van 19 december 2018 tot wijziging van de Wet op de kansspelbelasting voor landgebonden weddenschappen op de sport (Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aantal wijzigingen aan te brengen in de kansspelbelasting voor landgebonden weddenschappen op de sport; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7343,"b":"Wet van 13 mei 2004 tot aanvulling van de Auteurswet 1912 inzake de thuiskopie tot invoering van verlengde aansprakelijkheid voor verkopers Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de naleving van de regels inzake een vergoeding voor het verveelvoudigen van beeld- en geluidsopnamen voor eigen oefening, studie of gebruik te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Auteurswet 1912. Artikel II Wijzigt de Wet op de naburige rechten. Artikel III De [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016727&artikel=I&z=2004-09-01&g=2004-09-01) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016727&artikel=II&z=2004-09-01&g=2004-09-01) zijn niet van toepassing op voorwerpen waarvan de verkoper aantoont dat hij de voorwerpen ten tijde van inwerkingtreding van deze wet reeds in zijn bezit had. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7895,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 30 september 2019, 2019-0000158813, directie Financiële Markten, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Wft in verband met het invoeren van een maximum kredietvergoedingspercentage bij het via internet aanbieden van flitskredieten door in andere lidstaten gevestigde financiële ondernemingen aan consumenten in Nederland (Regeling aanpak flitskrediet) Gelet op [artikel 1:16, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:16); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling Wft. Artikel II [Artikel 1a van de Uitvoeringsregeling Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020537&artikel=1a) is niet van toepassing op overeenkomsten inzake krediet die zijn gesloten voor 1 januari 2020. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel IV Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanpak flitskrediet. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7578,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting vanaf 23 juli 2003 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (Sdkb) voor de periode vanaf 23 juli 2003 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De onderstaande processen van Sdkb in de Generieke Selectielijst voor de archiefbescheiden van het CIBG Dienst voor registers vanaf 1995- vallend onder het zorgdragerschap van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting vanaf 1995 ([Staatscourant 2018, 47836](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041263)) worden ingetrokken: - •. [10.11.1](onbekend) Het registreren en beheren van gegevens van sperma-, eicel, en embryodonoren, alsmede het verstrekken van gegevens hierover. - •. [10.11.2](onbekend) Het afgeven van een meemoederverklaring en een verklaring juridisch ouderschap. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst. van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (Sdkb) voor de periode vanaf 23 juli 2003 Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Staatssecretaris van Cultuur en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":1754,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 24 maart 2009, houdende de vaststelling van een aan telers van en handelaren in bloembollen op te leggen heffing voor het oogstjaar 2009 (Verordening PT vakheffing bloembollen oogstjaar 2009) § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van artikel 1 en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | bloembollen: | 1. bollen of knollen van bloemgewassen; | | --- | --- | --- | | | | 2. afgebroeide bloembollen; | | | | 3. geholde en gesneden hyacinten; | | | | 4. eenjarige bollen van geholde en gesneden hyacinten, voor zover verhandeld per bed of per mand; | | | | 5. bollen van hyacinten, die zijn verkocht onder uitdrukkelijke voorwaarde dat deze zullen worden gebruikt als werkbollen, in welk geval deze voorwaarde op het koopbriefje dient te worden vermeld; | | | | 6. groen te velde per bed of per mand voor 15 juni van het kalenderjaar waarin het koopseizoen aanvangt verhandelde hyacinten, geplant in de maat onder zift 10, droog gesorteerd; | | | | 7. schubbollen van lelies; | | | | 8. voortkwekingsmateriaal, voor zover bestemd voor de teelt van bloembollen, met uitzondering van zaden; | | b. | factuurbedrag: | het bedrag van de factuur, exclusief behandelingskosten en exclusief kosten kleinverpakkingsmateriaal; | | c. | veiling: | Hobaho BV, Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale (b.a.), en Floralia; | | d. | koopseizoen: | de peri"},{"i":5479,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 januari 2008, nr. Z/F-2825634, houdende vaststelling van het premiepercentage voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten 2008 Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt voor het jaar 2008 vastgesteld op 12,15. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2008. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage AWBZ 2008. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1756,"b":"Verordening van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2001, houdende de vaststelling van aan telers van en handelaren in bloembollen op te leggen heffing voor het jaar 2002 (Verordening PT Vakheffing Bloembollen Plantgoed 2002) gelet op [artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); op voorstel van de Sectorcommissie voor bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 2](onbekend) en [3 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | bloembollen | : | bollen of knollen van bloemgewassen; | | e. | bloembollen plantgoed | : | 1e. soorten en variëteiten van bloembollen die in de lijst, welke als bijlage bij de Verordening PT Vakheffing Bloembollen Leverbaar 2002 is gevoegd, zijn vermeld voorzover deze beneden de daarachter genoemde minimum-maten zijn verhandeld; | | | | | 2e. afgebroeide bloembollen; | | | | | 3e. geholde en gesneden hyacinten; | | | | | 4e. eenjarige bollen van geholde en gesneden hyacinten, voorzover verhandeld per bed of per mand; | | | | | 5e. bollen van hyacinten, die zijn verkocht onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat deze zullen worden gebruikt als werkbollen, in welk geval deze voorwaarde op het koopbriefje dient te worden vermeld; | | | | | 6e. groen te velde per bed of per mand voor 15 juni van het kalenderjaar waarin het koopseizoen aanvangt verhandelde hyacinten, geplant in de maat onder zif"},{"i":5486,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 november 2020, nr. 2020-0000602571, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van de huisvesting van kwetsbare doelgroepen Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **college:** college van burgemeester en wethouders; - b. **gemeenten:** gemeenten, genoemd in de bijlage bij artikel 2; - c. **kwetsbare doelgroepen:** dak- en thuislozen, arbeidsmigranten en overige spoedzoekers; - d. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De minister verstrekt een specifieke uitkering aan de gemeenten voor het versneld realiseren van projecten die in de huisvesting van kwetsbare doelgroepen voorzien. 2. De specifieke uitkering bedraagt de in de bijlage per gemeente opgenomen bedragen. 3. De specifieke uitkering wordt in één keer en uiterlijk op 31 december 2020 uitbetaald. 4. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor BTW verschuldigd over kosten voor de uitvoering van projecten, bedoeld in het eerste lid, voor zover het bedrag van de BTW in aanmerking komt voor compensatie op grond van de [Wet op het BTW-compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817) of voor zover de kosten in aanmerking komen voor aftrek op grond van de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629). 5. De gemeente besteedt de specifieke uitkering aan de in de bijlage voor die betreffende gemeente opgenomen projecten. 6. De minister kan op verzoek van het college toestaan dat de specifieke uitkering wordt besteed aan het versneld realiseren van andere projecten dan de projecten genoemd in de bijlage bij artikel 2, voor zover die projecten tevens voorzien in het versneld real"},{"i":5364,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 23 april 2015, IENM/BSK-2015/11533, houdende de vaststelling van regels voor op afstand bestuurde luchtvaartuigen Gelet op [artikel 2.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.10), [3.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=3.24), [4:8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=4.8) en [5:10, eerste lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=5.10), [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=5), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=9), [10 tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=10), [14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=14), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=15), en [artikel 16, eerste lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010629&artikel=16), [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=13), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=16) en [18, tweede lid, van het Besluit luchtvaartuigen 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=18), [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035889&artikel=4), [artikel 19, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=19) en [artikel 20 van het Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=20) en [artikel 4, tweede lid, van het Besluit vluchtuitvoering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020111&artikel=4); BESLUIT: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat - **modelluchtvaartuig:** luchtvaartuig, niet in staat een mens te dragen, en uitsluitend gebruikt voor l"},{"i":5362,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies) Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=7), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=10), [12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=12), [13, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=14), [14a, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=14a), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), [18, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), [21, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=21), [23, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=23), [23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=23), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25), [30, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=30), [32, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=32), [33, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=33), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=34), [42, eerste en tweede li"},{"i":5490,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 19 november 2019, kenmerk 1595061-197094-Z, houdende vaststelling van de standaardpremie en de bestuursrechtelijke premies voor 2020 (Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2020) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4) en de [artikelen 18d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d), en [18e, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18e); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=1), bedraagt voor het berekeningsjaar 2020 € 1.642. Artikel 2 Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2020. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5466,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 9 maart 2024, nr. WJZ/ 40936042, houdende regels met betrekking tot het bedrag verschuldigd door de houder van de vergunning voor Public Acces Mobile Radio in de 450 – 470 MHz-band (Regeling vaststelling bedrag gedeeltelijke verlenging PAMR-vergunning 2024) Gelet op [artikel 3.15 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.15); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **PAMR-vergunning:** dat deel van de vergunning met dossiernummer 5749257 voor het gebruik van de frequentieruimte 451,76875 – 454,76875 MHz gepaard met 461,76875 – 464,76875 MHz ten behoeve van PAMR (Public Access Mobile Radio) dat op grond van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047499&artikel=1) juncto [2, tweede lid, van het Besluit gedeeltelijke verlengbaarheid PAMR-vergunning 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047499&artikel=2) verlengbaar is; - c. **wet:** [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950). Artikel 2 De houder van de PAMR-vergunning waarvan de geldigheidsduur is verlengd op grond van de [Regeling aanvraag gedeeltelijke verlenging PAMR-vergunning 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049460) voor de periode van 18 november 2024 tot en met 30 juni 2035 is een bedrag verschuldigd ter hoogte van: € 2.355.535. Artikel 3 1. De houder van de PAMR-vergunning betaalt het op grond van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049463&artikel=2&z=2024-03-15&g=2024-03-15) verschuldigde bedrag in zijn geheel op een bij beschikking te bepalen datum. 2. De betaling wordt verricht door overmaking op het bankrekeningnummer 705001199, IBAN: NL41 INGB0705001199, BIC: INGBNL2A, ten name van Rijksinspectie Digitale Infrastructuur, onder vermelding van ‘gedeeltelijke verlenging PAMR-vergunning’. 3. De minister kan een geldschuld jegens de vergu"},{"i":5690,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 21 december 2018, kenmerk 1463057-185477-CZ, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor het operatief plaatsen van borstprothesen bij transvrouwen (Subsidieregeling borstprothesen transvrouwen) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **transvrouw:** een man-vrouw transgender met genderdysforie die als man geboren is, en in transitie is om als vrouw te leven; - c. **BIG-geregistreerde arts:** een zorgverlener die is ingeschreven in het register, bedoeld in [artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3). Artikel 2 Op deze regeling is de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) niet van toepassing. Artikel 3 De Minister kan aan een transvrouw eenmalig een subsidie verstrekken ten behoeve van een behandeling van plastisch-chirurgische aard die strekt tot borstconstructie bij een transvrouw en die voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk en de medisch noodzakelijke kosten die samenhangen met deze behandeling. Artikel 4 Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan transvrouwen die: - –. Ingezetene zijn in Nederland; - –. Ouder zijn dan 18 jaar; - –. Op voorschrift van een BIG-geregistreerde arts: - ○. minimaal een jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag met genderbevestigende hormoonbehandelingen gestart zijn als onderdeel van een genderbevestigende behandeling; of - ○. op medische gronden geen genderbevestigende hormoonbehandelingen kunnen ondergaan; of - ○. om medische redenen binnen de tijdspanne van een jaar zijn gestopt met de hormoontherapie; - –. Geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van een behandeling van plastisch-chirurgische aard die strekt tot borstconstruct"},{"i":4297,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 januari 2021, kenmerk 1800960-216132-OBP, houdende het verlenen van ondermandaat en ondervolmacht aan de Directeur COVID-19 Vaccinaties Gelet op de [artikelen 16a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a) en [artikel 17 van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17); Besluit: Artikel 1 Voor de duur van het programma COVID-19 Vaccinaties wordt aan de Directeur COVID-19 Vaccinaties, momenteel vervuld door drs. O.L. Scheidel en drs. R.B. Jansen, de bevoegdheid verleend om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma COVID-19 Vaccinaties, met inachtneming van de kaders zoals beschreven in de [Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923) en de [Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2020. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2616,"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 juli 2016, kenmerk 782071, betreffende de verlening van niet-incidentele kansspelvergunningen door de raad van bestuur van de kansspelautoriteit op grond van artikel 3 van de Wet op de kansspelen voor het organiseren van loterijen (Beleidsregels niet-incidentele artikel 3 loterijvergunningen) Gelet op [artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21) en [artikel 3 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - –. **aanvrager:** aanvrager van een vergunning; - –. **afdracht:** afdracht als bedoeld in [artikel 2, onder b, van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=2); - –. **algemeen belang:** algemeen belang als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3), niet-zijnde een particulier of een commercieel belang; - –. **ANBI-status:** omstandigheid dat een instelling is aangemerkt als algemeen nut beogende instelling als bedoeld in [artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5b); - –. **begunstigde:** begunstigde als bedoeld in [artikel 2, onder b, van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=2); - –. **incident:** situatie die het vertrouwen van de consument in vergunde kansspelen kan schaden; - –. **opbrengst:** opbrengst van de door de vergunninghouder verkochte deelnemingsbewijzen verminderd met het prijzengeld en de noodzakelijke kosten; - –. **prijzen en premies:** prijzen en premies als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), waaronder in ieder geval prijzen en premies in natura; - –. **raad van bestuur:** de raad van bes"},{"i":5691,"b":"Regeling van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 20 november 2023, kenmerk 3721349-1056574-S, houdende regels voor de subsidiëring van de bouw, de verbouwing en het onderhoud van sportaccommodaties, de aanschaf of het onderhoud van sportmaterialen en activiteiten die bijdragen aan verduurzaming en het verbeteren van de toegankelijkheid van sportaccommodaties (Subsidieregeling BOSA) Gelet op [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [artikel 5 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **amateursport:** sport die voldoet aan de voorwaarden van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048993&artikel=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **amateursportorganisatie:** organisatie die voldoet aan de voorwaarden van [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048993&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **energieprestatie:** berekende of gemeten hoeveelheid energie die nodig is om aan de vraag naar energie te voldoen die verband houdt met een normaal gebruik van een gebouw, waaronder energie die wordt gebruikt voor verwarming, koeling, ventilatie, warmwatervoorziening en verlichting; - **gezamenlijke aanvraag:** aanvraag ingediend door één amateursportorganisatie waarin de kosten van de subsidiabele activiteiten van meerdere amateursportorganisaties zijn samengevoegd; - **ledenlijst NOC*NSF:** lijst van landelijke sportorganisaties die lid zijn van NOC*NSF, niet zijnde geassocieerde leden; - **Minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **POS:** Platform Ondernemende Sportaanbieders; - **sportaccommodatie:** accommodatie die voldoet aan de voorwaarden van [artikel 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048993&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **sportbeoefenaar:** persoon die amateursport beoefent; - **sportmaterialen:** stoffelijke materialen di"},{"i":5719,"b":"Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 21 augustus 2023, nr. VO/40200768, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor het uitvoeren van projecten van het programma Impuls open Leermateriaal (Subsidieregeling Impuls open leermateriaal) Gelet op [artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=71), [artikel 5.11 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.11), [artikel 71 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=71), [artikel 67 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=67), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en[5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bekostigde onderwijsinstelling:** uit ’s Rijks kas bekostigde school of instelling als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1 van de WPO BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **beoordelingscommissie:** door de minister ingestelde commissie die de minister adviseert over de subsidieaanvragen; - **bevoegd gezag:**bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), [artikel 1.1 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":2414,"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 18 juli 2018, nr. WJZ/18044127, houdende regels over de toepassing van artikel 21b van de Meststoffenwet op jongvee voor de vleesveehouderij (beleidsregel fosfaatrechten jongvee) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en de [artikelen 1, eerste lid, onderdeel kk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1), [21b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=21b) en [23, derde lid, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=23); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **wet:** [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054); - **zoogkoe:** koe, niet zijnde melk- of kalfkoe, die tenminste eenmaal heeft gekalfd en wordt gehouden voor de productie van een of meer kalveren voor de vleesveehouderij. Artikel 2 Voor de toepassing van de [artikelen 1, eerste lid, onderdeel za](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1), [21b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=21b), [22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=22a), [23, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=23) en [33Ab, tweede en vierde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33Ab), wordt onder ‘vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar’ als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, onder 2°, van de wet verstaan jongvee jonger dan 1 jaar, dat bestemd is om zoogkoe te worden. Artikel 3 Voor de toepassing van de [artikelen 1, eerste lid, onderdeel za](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1), [21b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=21b), [22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=22a), [23, derde, vijfde en zesde"},{"i":5699,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 19 augustus 2020, kenmerk 1733131-209016-GMT, houdende regels voor het verstrekken van subsidie aan ziekenhuizen voor de inzet van professionals die betrokken zijn bij donatie in ziekenhuizen (Subsidieregeling donatie in ziekenhuizen) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-Subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [artikel 1.3 Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **donatieregio:** een regio bestaande uit een universitair medisch centrum, één of meer clusters met kernziekenhuizen en eventueel daaraan verbonden satellietziekenhuizen; - **fte (fulltime-equivalent):** een rekeneenheid waarmee de personeelssterkte of de omvang van een betrekking wordt uitgedrukt; - **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); - **kernziekenhuis:** een ziekenhuis binnen een cluster op IC-niveau waar een donatie-intensivist en een donatiecoördinator vanuit de IC verantwoordelijk zijn voor de implementatie en ondersteuning van ziekenhuizen binnen het cluster op het gebied van orgaan- en weefseldonatie; - **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - **NTS:** Nederlandse Transplantatie Stichting. Artikel 2. Toepasselijkheid [Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037336) Op deze regeling is de [Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) van toepassing. Artikel 3. Staatssteun 1. Het uitvoeren van de activiteiten, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044035&artikel=4&z=2025-08-22&g=2025-08-22), wordt aangewezen als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 2. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de aanvrager met de Staat"},{"i":4296,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 27 september 2011, nr. DDS 5711509, tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging ter uitvoering van de Regeling tegemoetkoming adoptiekosten Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gezien de schriftelijke instemming van de plaatsvervangend secretaris-generaal van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 augustus 2011; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Regeling tegemoetkoming adoptiekosten in werking treedt. Artikel 1 Aan de directeur van het Agentschap SZW wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van alle benodigde handelingen ter uitvoering van de [Regeling tegemoetkoming adoptiekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030483). Artikel 2 Aan de directeur van het Agentschap SZW wordt: - a. mandaat verleend tot het nemen van besluiten op bezwaar tegen besluiten bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030481&artikel=1&z=2012-01-01&g=2012-01-01), voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door hem in mandaat is genomen; - b. volmacht en machtiging verleend tot het verrichten van alle benodigde handelingen, die betrekking hebben op bezwaar- en beroepsprocedures, voor zover deze verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030481&artikel=1&z=2012-01-01&g=2012-01-01). Artikel 3 De directeur van het Agentschap SZW kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, genoemd in [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030481&artikel=1&z=2012-01-01&g=2012-01-01) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030481&artikel=2&z=2012-01-01&g=2012-01-01), ondermandaat, volmacht en machtiging in een door hem te bepalen omvang verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 4 Indien uitvoering wordt gegeven aan dit besluit luidt de ondertekening: De Staatssec"},{"i":2405,"b":"Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 2 juli 2007, nr. WJZ 7079770, houdende vaststelling van de elektronische aanvraagprocedure voor subsidies via Senterloket Gelet op de [artikelen 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:15); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. aanvraagapplicatie: toepassing van de website die de mogelijkheid biedt om elektronisch subsidieaanvragen in te dienen; - b. certificaat: elektronisch document dat waarborgen biedt omtrent de identiteit van de gebruiker met een geldigheid van twee jaar; - c. certificaathouder: degene aan wie het certificaat is afgegeven en de bezitter van de private sleutel; - d. DigiD-inlogcode: de combinatie van gebruikersnaam en bijbehorend wachtwoord, verkregen via www.digid.nl; - e. uitvoerder: SenterNovem of de EVD internationaal ondernemen en samenwerken; - f. website: website van SenterNovem voor het elektronisch indienen van subsidieaanvragen. Artikel 2 1. De [artikelen 4 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022183&paragraaf=2&artikel=4&z=2009-04-10&g=2009-04-10) van deze beleidsregel zijn van toepassing op het elektronisch indienen van een aanvraag met betrekking tot subsidieverstrekking met authenticatie door middel van een certificaat. 2. Het elektronisch indienen van een subsidieaanvraag overeenkomstig deze paragraaf is mogelijk indien de subsidieregeling daartoe is opengesteld via de website. Artikel 3 Vervallen § 2. De aanvraagprocedure Artikel 4 1. Om toegang te krijgen tot de aanvraagapplicatie is een certificaat en pincode vereist. 2. Op de website kan een certificaat worden opgevraagd en geïnstalleerd. 3. Bij het aanvragen van het certificaat geeft certificaathouder zijn pincode op aan de uitvoerder. 4. Door middel van het installeren van het certificaat ontvangt de certificaathouder het certificaat met daarin opgeslagen de private sleutel. Artik"},{"i":1764,"b":"Besluit van het bestuur van het ProductschapTuinbouw van 1 juli 2004, houdende de vaststelling van een vakheffing voor bloemkwekerijproducten voor het jaar 2005 (Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2005) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 19 mei 2004; BESLUIT: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. het productschap: | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | | b. het bestuur: | het bestuur van het productschap; | | c. de voorzitter: | de voorzitter van het productschap; | | d. de bloemkwekerijproducten: | siergewassen, bloemzaden daaronder begrepen, in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van: | | e. het uitgangsmateriaal: | planten en plantendelen van bloemkwekerijproducten welke bestemd zijn voor de teelt van gebruiksklare (voor de consument geschikte) bloemkwekerijproducten, zoals stekken, zaaikisten en weefselkweekplanten | | f. het kweken van bloemkwekerijproducten of uitgangsmateriaal: | 1. het ter verkrijging van een oogst brengen, hebben of houden in een al dan niet overdekt groeimedium van bloemkwekerijproducten of uitgangsmateriaal; 2. het ter bevordering van het verkrijgen van een oogst verrichten van alle"},{"i":6931,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 11 maart 2026, nr. 9851947 houdende vaststelling van de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden 2026 (ARIV-2026) Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Besluit: Artikel 1 Vastgesteld worden de bij dit besluit gevoegde Algemene Rijksinkoopvoorwaarden 2026 (ARIV-2026). Artikel 2 Het [besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 2 mei 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040889), nr. 3219106 (Stc. 2018, 26414), wordt voor het deel dat betrekking heeft op de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden 2018 (ARIV-2018) ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het met de bijbehorende bijlage wordt geplaatst. Bijlage. Algemene Rijksinkoopvoorwaarden 2026 (ARIV-2026) **Vastgesteld bij besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 11 maart 2026, nr. 9851947** Artikel 1. Begrippen In deze Inkoopvoorwaarden worden de navolgende begrippen met een beginhoofdletter gebruikt. Onder deze begrippen wordt verstaan: Artikel 2. Toepassing Artikel 3. Aflevering en eigendomsoverdracht Artikel 4. Garantie Artikel 5. Keuring Artikel 6. Contactpersonen Artikel 7. Status van mededelingen, toezeggingen of afspraken Mededelingen, toezeggingen of afspraken die van belang zijn voor de uitvoering van de Overeenkomst, binden Partijen alleen als deze schriftelijk of per e-mail door een daartoe bevoegde persoon zijn gedaan of bevestigd. Onder ‘e-mail’ wordt verstaan elektronische communicatie: In geval van afspraken moet bovendien het moment van het tot stand komen van de afspraak met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld. Artikel 8. Geheimhouding Artikel 9. Verwerking gegevens Artikel 10. Prijzen De prijs voor het Product is vast en inclusief kosten van vervoer, belastingen, invoerrechten, overige heffingen, verzekeringen, verpakkingskosten, verwijderingkosten en eventuele installatie-"},{"i":1768,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2007, houdende de vaststelling van een vakheffing voor bloemkwekerijproducten voor het jaar 2008 (Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2008) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 16 mei 2007; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020002&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | bloemkwekerijproducten: | siergewassen, bloemzaden daaronder begrepen, in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van: 1. winterharde houtgewassen in hun geheel voorzover niet vervroegd of verlaat, alsmede kerstbomen zonder wortels en delen van winterharde houtgewassen welke voor vermeerdering zijn bestemd; 2. voor zover in groene toestand de Japanse azalea's, alsmede variëteiten en hybriden daarvan; 3. dahliastekken, begonia- en gloxiniaplantjes, uitsluitend bestemd voor de teelt van knollen, en 4. aquariumpla"},{"i":1769,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van i juli 2008, houdende de vaststelling van een vakheffing voor bloemkwekerijproducten voor het jaar 2009 (Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2009) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 12 tot en met 14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=12); gehoord de Commissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 15 mei 2008; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de Verordening PT algemene bepalingen 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022738&hoofdstuk=3) 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. bloemkwekerijproducten: | siergewassen, bloemzaden daaronder begrepen, in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van: | | --- | --- | | b. teeltmateriaal: | planten en plantendelen (m.u.v. bloemzaden) die bestemd zijn om voor de teelt van bloemkwekerijproducten of ter vermeerdering te dienen dan wel daartoe gebruikt worden; | | c. het kweken van bloemkwekerijproducten of teeltmateriaal: | 1°. het ter verkrijging van een oogst brengen, hebben of houden in een al dan niet overdekt groeimedium van bloemkwekerijprodu"},{"i":7892,"b":"Besluit van de minister van Financiën houdende de instelling van een commissie van onderzoek (Instellingsbesluit commissie van onderzoek DSB Bank) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **AFM:** Stichting Autoriteit Financiële Markten; - **DNB:** de Nederlandsche Bank N.V.; - **wet:** [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 2 Er is een onafhankelijke commissie die tot taak heeft onderzoek te doen naar de gang van zaken bij DSB Bank N.V., de handelwijze van (voormalige) bestuurders en commissarissen van deze bank, de handelwijze van DNB en de AFM ten aanzien van DSB Bank N.V. en hun onderlinge samenwerking ter zake, de rol van het ministerie van Financiën en de toereikendheid van de relevante regels uit hoofde van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 3 Als leden van de commissie worden benoemd: de heer prof.mr.dr. M. Scheltema, voorzitter; de heer S.L.J. Graafsma RA; de heer prof.dr. C.G. Koedijk; de heer prof.dr. C.E. du Perron. Artikel 4 De leden van de commissie ontvangen voor de duur van het onderzoek een vaste vergoeding, gebaseerd op salarisschaal 18, trede 10, van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en een arbeidsduurfactor van: 90% voor de heer prof.mr.dr. M. Scheltema; 90 % voor de heer S.L.J. Graafsma RA; 90% voor de heer prof.dr. C.G. Koedijk; en 90 % voor de heer prof.dr. C.E. du Perron. Artikel 5 1. De commissie richt het onderzoek naar eigen inzicht in. 2. De commissie verricht haar werkzaamheden op persoonlijke titel. 3. De commissie kan zich laten ondersteunen door personen en instanties die zij nodig acht. Artikel 6 1. De leden van de commissie kunnen zich binnen het kader van de taak van de commissie rechtstreeks wenden tot alle instanties en personen die aan het uitvoeren van haar taak een bijdrage kunnen leveren. 2. De leden van de commissie zijn voor zov"},{"i":5488,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 21 november 2017, kenmerk 1258503-170318-Z, houdende de vaststelling van de standaardpremie en de bestuursrechtelijke premies voor 2018 (Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2018) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4) en de [artikelen 18d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d), en [18e, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18e); BESLUIT: Artikel 1 De standaardpremie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=1), wordt voor het berekeningsjaar 2018 vastgesteld op € 1.546. Artikel 2 Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2018. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5390,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 11 juli 2022, nr. 4098572, houdende een specifieke uitkering voor gemeenten in verband met de versterking van de lokale integrale aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme in 2023 – 2026 Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **Eenjarig project:** een project met een duur van maximaal één jaar gericht op de lokale integrale aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme, niet zijnde een preventieproject; - –. **Basis op orde taken:** een pakket taken dat de basis is voor de lokale integrale aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046954&artikel=2&z=2022-07-24&g=2022-07-24); - –. **hoofdaanvrager:** de gemeente die mede namens andere gemeenten in zijn regio een aanvraag indient; - –. **preventieproject:** een preventieproject van een gemeente als bedoeld in [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046954&artikel=3&z=2022-07-24&g=2022-07-24): - –. **minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - –. **radicalisering:** radicalisering naar extremisme en terrorisme; - –. **extremisme:** fenomeen waarbij personen of groepen vanuit ideologisch motief bereid zijn in ernstige mate de wet te overtreden of activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen; - –. **terrorisme:** het uit ideologische motieven (voorbereiden van het) plegen van op mensenlevens gericht geweld, of het veroorzaken van maatschappij-ontwrichtende schade, met als doel (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen, maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen, en/of politieke besluitvorming te beïnvloeden. Artikel 2. Specifieke uitkering De minister kan in 2023 tot en met 2026 op aanvraag aan een gemeente een specifieke uit"},{"i":5389,"b":"Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 30 juni 2022, nr. WJZ/ 22076980, houdende regels over het verstrekken van eenmalige specifieke uitkeringen ten behoeve van extra ondersteuning voor toezicht op en handhaving van de energiebesparingsplicht Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **additionele capaciteit:** de capaciteit die door een omgevingsdienst wordt ingezet in aanvulling op de reeds ingezette en geplande capaciteit voor toezicht- en handhavingsactiviteiten op de energiebesparingsplicht, met uitzondering van geplande capaciteit in het kader van de VUE; - **energiebesparingsplicht:** de energiebesparingsplicht, bedoeld in [artikel 5.15 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=5.15) en [artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=3.84); - **EU ETS-deelnemer:** bedrijf of instelling waarop [artikel 16.5 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.5) van toepassing is; - **fte:** fulltime-equivalent, de rekeneenheid voor de omvang van een baan of voor de totale personeelssterkte, waarbij één fte gelijk staat aan een werkweek van 36 uur; - **informatieplicht:** de verplichting tot het verstrekken van gegevens en bescheiden als bedoeld in [artikel 5.15a van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=5.15a) en [artikel 3.84a van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=3.84a); - **kwaliteitscriteria VTH:** de kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving, bedoeld in Kwaliteitscriteria 2.2 zoals vastgesteld door het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; - **minister:**"},{"i":5437,"b":"Regeling termijnverlenging behandeling vergunningaanvragen ex art. 80, vierde lid, Wet toezicht accountantsorganisaties Gelet op [artikel 80, vierde lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=80); Besluit: Artikel 1 De termijn van twaalf maanden, bedoeld in de [tweede volzin van artikel 80, vierde lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=80), wordt verlengd met een half jaar. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2007. De regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5430,"b":"Regeling subsidievoorwaarden rechts- en wetswinkels 2024 wil gelet op [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c) subsidie verlenen aan rechts- en wetswinkels en heeft daartoe de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1). **De Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - 2). **Een rechts- of wetswinkel:** een rechtspersoon die zonder winstoogmerk, in hoofdzaak met vrijwilligers, rechtsbijstand verleent aan minderdraagkrachtige personen of groepen van personen; - 3). **Rechtsbijstand:** sociaaljuridische hulpverlening. Daartoe rekent de Raad ook activiteiten zoals: voorlichting, preventie en andere activiteiten, gericht op het signaleren, voorkomen en tegengaan van tekortkomingen en leemten in de door het recht te verlenen bescherming van belangen van minderdraagkrachtige rechtzoekenden; - 4). **Een subsidie:** subsidie als bedoeld in [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c); - 5). **Een activiteitenverslag:** een verslag van de activiteiten in 2023, waaruit blijkt dat de rechts- of wetswinkel gedurende de daarin beschreven periode heeft voorzien in een behoefte aan rechtsbijstand als hiervoor bedoeld. Uit het verslag dient ook te blijken dat de rechts- of wetswinkel voldoende aandacht heeft besteed aan de kwaliteitsborging van de dienstverlening; - 6). **Een financieel verslag:** een verslag van de rechts- of wetswinkel over het financieel beheer in 2023, waaruit blijkt dat de verstrekte subsidie doelmatig is besteed aan rechtsbijstand; Artikel 2 De Raad verleent onder de volgende voorwaarden subsidie; - 1). De rechts- of wetswinkel heeft in 2022 en/of 2023 subsidie ontvangen van de Raad; - 2). De rechts- of wetswinkel die in 2022 en/of 2023 subsidie heeft ontvangen van de Raad, komt niet in aanmerking voor (extra) subsidie voor door deze rechts- of wetswinkel te openen nieuwe spreekuurlocaties; Artikel"},{"i":5435,"b":"Regeling ter uitvoering van de Wet openbaarheid van bestuur (justitie) Overwegende, dat de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252), die in werking treedt met ingang van 1 mei 1980, nadere regelingen voor het Ministerie van Justitie nodig maakt, Besluit: voor het Ministerie van Justitie vast te stellen de navolgende [regeling ter uitvoering van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005461). Algemeen Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: Registers Artikel 2 1. Er is een register van instellingen, diensten en bedrijven als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het besluit. 2. Dit register is opgenomen in bijlage 1 van deze beschikking. 3. Het ligt ter inzage bij het Stafbureau Voorlichting en de Centrale bibliotheek. 4. Het stafbureau is belast met het bijhouden van dit register. Artikel 3 1. Er is een register van niet-ambtelijke adviescommissies als bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=3). 2. Dit register is opgenomen in bijlage 2 van deze beschikking. 3. De bepalingen van het [derde lid en vierde lid van artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003309&artikel=2&z=1980-10-28&g=1980-10-28) zijn van toepassing. Gemachtigde ambtenaar Artikel 4 1. De secretaris-generaal is gemachtigd om vanwege de Minister te beslissen op verzoeken om informatie als bedoeld in aanwijzing 6. Dit zijn verzoeken, die door ambtenaren die daarop in eerste instantie hebben gereageerd, niet zijn afgedaan - a. hetzij omdat die verzoeken volgens deze ambtenaren op grond van de geldende voorschriften niet behoren te worden ingewilligd terwijl de verzoeker zijn verzoek handhaaft; - b. hetzij omdat deze ambtenaren weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden dat de terzake geldende voorschriften ruimte laten voor verschillende uitleg omtrent de vraag of een verzoek om informatie al dan niet behoort te worden ingewilligd. 2. Als plaatsvervangend gemacht"},{"i":5322,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 29 juni 2021, nr. 3378999, houdende een eenmalige specifieke uitkering voor gemeenten in verband met het stimuleren van versnelde huisvesting en begeleiding van grote gezinnen vergunninghouders die verblijven op de opvanglocaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Financiële impuls huisvesting grote gezinnen vergunninghouders) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **COA:** Centraal Orgaan opvang asielzoekers; - –. **staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; - –. **gemeenten:** de gemeenten Achtkarspelen, Apeldoorn, Arnhem, Bergen op Zoom, Breda, Capelle aan den IJssel, Doetinchem, Echt-Susteren, Haarlemmermeer, Hoogeveen, Kampen, Krimpen aan den IJssel, Leudal, Maastricht, Nissewaard, Oss, Rijssen-Holten, Roermond, Rotterdam, ’s-Gravenhage, Sittard-Geleen, Staphorst, Veere en Zevenaar; - –. **grote gezinnen:** gezinnen van 8 of meer personen, zoals geregistreerd aan de hand van plaatsingeenheidsnummers van het COA, in wier huisvesting de gemeente dient te voorzien; - –. **vergunninghouders:** vreemdelingen die in Nederland een verblijfsvergunning asiel hebben aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning hebben ontvangen als bedoeld in [artikel 8, onderdeel a, b, c, of d, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en die als gevolg van de procedure die heeft geleid tot deze vergunning verblijven bij het COA als zijnde bewoners. Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De staatssecretaris verleent een eenmalige specifieke uitkering aan de gemeenten ten behoeve van de versnelde huisvesting en begeleiding van vergunninghouders die een groot gezin vormen. 2. De specifieke uitkering bedraagt per gemeente: - –. Achtkarspelen: € 32.500; - –. Apeldoorn: €"},{"i":5429,"b":"Regeling subsidievoorwaarden rechts- en wetswinkels 2023 Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, wil gelet op [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c) subsidie verlenen aan rechts- en wetswinkels en heeft daartoe de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 De Raad verleent onder de volgende voorwaarden subsidie; Artikel 3 Een rechts- of wetswinkel komt met inachtneming van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048144&artikel=2&z=2023-05-09&g=2023-05-09) in aanmerking voor subsidie in 2023. Hierbij gelden de volgende aanvullende voorwaarden: Artikel 4 Aan een rechts- of wetswinkel die voor 1 juni 2023 aan de hiervoor onder [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048144&artikel=2&z=2023-05-09&g=2023-05-09) vermelde voorwaarden heeft voldaan, kan de Raad in 2023, rekening houdend met zijn activiteiten en financiële positie, een subsidie toekennen. De subsidie aan een rechts- of wetswinkel in 2023 bedraagt nooit meer dan de bijdrage die is toegekend in 2021 of 2022. Het totaalbedrag van de subsidie is gemaximeerd op € 115.000 voor alle rechtswinkels gezamenlijk. Aldus vastgesteld door het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand."},{"i":5332,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 december 2022, nr. 4343031, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht Gelet op [artikel 11:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=11:2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel II Wijzigt het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel III [Artikel 4:113 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:113) zoals dat artikel luidde voor 1 januari 2023 blijft van toepassing als de aanmaning betrekking heeft op een voor die datum ontstane betalingsverplichting. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5360,"b":"Regeling van de Minister van Justitie, houdende vaststelling van het model van de aankondiging van de beschikking en eisen van het model van de beschikking inzake administratieve sancties als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en van het formulier van de oproeping van de verdachte om ter terechtzitting te verschijnen en het formulier van de kennisgeving van de voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](onbekend), [artikel 388, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=388) en [artikel 8, derde lid, van het Transactiebesluit 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006664&artikel=8); Besluit: Artikel 1 Het model van de aankondiging van beschikking, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=4), de aankondiging van de strafbeschikking, bedoeld in [artikel 257c, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257c), het formulier van de oproeping van de verdachte, bedoeld in [artikel 388, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=388) en het formulier van de kennisgeving, bedoeld in [artikel 8, derde lid, van het Transactiebesluit 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006664&artikel=8), worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 1. Het model van de beschikking, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=4) vermeldt in ieder geval: - a. de naam van de overtreder; - b. de gedraging, alsmede het overtreden voorschrift; - c. het te betalen sanctiebedrag; - d. de termijn wa"},{"i":5431,"b":"Regeling subsidievoorwaarden rechts- en wetswinkels 2025 Gelet op [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c), waarin is bepaald dat het bestuur met het oog op de verlening van rechtsbijstand een subsidie kan verstrekken voor bijzondere doeleinden en projecten, BESLUIT De volgende subsidieregeling vast te stellen: Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **activiteitenplan:** plan zoals bedoeld in [artikel 4:62 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:62); - b. **activiteitenverslag:** verslag zoals bedoeld in [artikel 4:80 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:80); - c. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - d. **begroting:** overzicht zoals bedoeld in [artikel 4:63 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:63); - e. **bestuur:** het bestuur van de Raad, zoals bedoeld in [artikel 3, eerste lid Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - f. **financieel verslag:** verslag zoals bedoeld in [artikel 4:76 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:76); - g. **Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand, bedoeld in [Hoofdstuk II Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&hoofdstuk=II); - h. **rechtshulp:** rechtshulp zoals genoemd in [artikel 1, eerste lid, Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1) alsmede activiteiten zoals: belangenbehartiging en eenvoudige procesbijstand ten behoeve van de rechtzoekende; - i. **rechts- en wetswinkel:** een rechtspersoon dan wel een project van een instelling of onderwijsinstelling, welke zonder winstoogmerk, in hoofdzaak met vrijwilligers, rechtshulp verleent aan minderdraagkrachtige personen of groepen van personen; - j. **rechtzoekende:** natuurlijke persoon die zich tot de rechts- en wetswinkel richt voor rechtshulp; - k. **Wrb:** [W"},{"i":5439,"b":"Regeling termijnverlening ex Art. 80, vierde lid, Wet toezicht accountantsorganisaties Gelet op [artikel 80, vierde lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=80); Besluit: Artikel 1 De termijn van twaalf maanden, bedoeld in [artikel 80, vierde lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=80), wordt voor de tweede maal verlengd met een half jaar. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2008. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5432,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 2025-0000248607, directie Financiële Markten, houdende regels met betrekking tot de taakuitoefening en samenwerking van financiële toezichthouders Gelet op de [artikelen 1:24, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:51e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:51e), [1:65, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:65), en [1:69, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:69), alsmede de in de [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051495&bijlage=1&z=2025-10-01&g=2025-10-01) bij deze regeling aangehaalde EU-richtlijnen; BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder **wet**: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 2. Toezichthouders De toezichthouders nemen bij de uitoefening van hun taken op grond van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en bij de samenwerking met buitenlandse of Europese instanties de in de [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051495&bijlage=1&z=2025-10-01&g=2025-10-01) bij deze regeling genoemde richtlijnbepalingen in acht. Artikel 3. Intrekking De [Regeling taakuitoefening en grensoverschrijdende samenwerking financiële toezichthouders Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032529) wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling taakuitoefening toezichthouders Wft. Bijlage 1. [Richtlijn 2002/87/EG](32002L0087) (FICOD – financiële conglomeraten) **Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de raad van 16 december 2"},{"i":5388,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 september 2014, nr. MBO/653498, tot vaststelling van regio’s en aanwijzing van contactgemeenten educatie (Regeling regio’s en contactgemeenten educatie) Gelet op [artikel 2.3.1, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.3.1), Besluit: Artikel 1. Vaststelling regio’s De regio’s, bedoeld in [artikel 2.3.1, tweede lid, eerste volzin, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.3.1) worden vastgesteld als aangegeven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035618&bijlage=1&z=2025-07-12&g=2025-07-12) bij deze regeling. Artikel 2. Aanwijzing contactgemeenten De contactgemeenten, bedoeld in [artikel 2.3.1, tweede lid, tweede volzin, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.3.1) worden aangewezen als aangegeven in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035618&bijlage=2&z=2025-07-12&g=2025-07-12) bij deze regeling. Artikel 3. [Uitvoeringsregeling WEB 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024795) Wijzigt de Uitvoeringsregeling WEB 2007. Artikel 4. Intrekken regeling De [Regeling contacturen opleidingen educatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032449) wordt ingetrokken. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling regio’s en contactgemeenten educatie. Artikel 6. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Bijlage 1. Vaststelling regio’s, behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035618&artikel=1&z=2025-07-12&g=2025-07-12) van de Regeling regio’s en contactgemeenten educatie | | De regio educatie | omvat de volgende gemeenten: | | --- | --- | --- | | **1** | **Groningen** | Aa en Hunze, Assen, Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen, Noordenveld, Oldambt, Pekela, Stadskanaal, Tynaarlo, Vee"},{"i":5365,"b":"Regeling openbaarheid van bestuur (Defensie) Overwegende dat de toepassing van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) (Stb. 1991, 703) aanleiding geeft tot het vaststellen van een regeling ter uitvoering van [die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252), Besluit: Vast te stellen de volgende regeling ter uitvoering van de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252). Hoofdstuk I Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Register 1. Er is een register waarin worden opgenomen: - a. de onder verantwoordelijkheid van de minister werkzame instellingen, diensten en bedrijven; - b. de niet-ambtelijke adviescommissies. 2. Het register vermeldt de namen, adressen en informatiepunten van de instellingen, diensten en bedrijven. 3. Het register ligt voor een ieder ter inzage bij de Directie Voorlichting te 's-Gravenhage. 4. Met het bijhouden van het register is de Directeur Voorlichting belast. Artikel 3. Gemachtigd ambtenaar Als gemachtigd ambtenaar wordt aangewezen de Secretaris-Generaal en bij diens afwezigheid of ontstentenis de plaatsvervangend Secretaris-Generaal. Artikel 4. Informatiepunten 1. Als informatiepunt binnen het ministerie fungeert het Defensie-voorlichtingscentrum te 's-Gravenhage. 2. De informatiepunten voor de in het register vermelde instellingen, diensten en bedrijven worden aangewezen door de leiding daarvan. Hoofdstuk II. Informatie op verzoek Artikel 5 1. Het behandelen van verzoeken om informatie en vragen daaromtrent geschiedt door de dienstonderdelen die met voorlichting zijn belast, voor zover het niet door de bewindspersonen zelf geschiedt, of door hen in bepaalde gevallen aan anderen is opgedragen. 2. Het in het eerste lid gestelde doet geen afbreuk aan de uit de normale taakuitoefening voortvloeiende plicht van de ambtenaar om aan particuliere personen en instanties met wie hij door zijn functie in contacten komt, informatie o"},{"i":5363,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 mei 2013, nr. HO&S/504498, houdende de normering van de studievoortgang voor buitenlandse studenten met een verblijfsvergunning in verband met studie (Regeling normering studievoortgang vanwege verblijfsvergunning in verband met studie) Gelet op [artikel 3.87a, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.87a); Besluit: Artikel 1. Studievoortgangsnorm De norm voor voldoende studievoortgang, als bedoeld in [artikel 3.87a, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.87a), is de norm zoals vastgelegd in artikel 5.5 van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op 1 juni 2013. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 mei 2013, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 juni 2013. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: regeling normering studievoortgang vanwege verblijfsvergunning in verband met studie Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5871,"b":"Tijdelijke regeling van de StaatssecretarisKoninkrijksrelaties en Digitalisering van 14 juni 2024 nr. 2024-0000317622, houdende subsidie voor maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden Handelende in overeenstemming met de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Financiën, de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister voor Klimaat en Energie en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3) en [4, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=7), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14) en [20 van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=20); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); - **gemeenschap:** de nazaten van tot slaaf gemaakten en de groep mensen met wie ze op basis van gedeelde kenmerken, belangen of een gevoel van saamhorigheid verbonden zijn; - **initiatieven:** projecten als bedoeld in [artikel 6]"},{"i":1724,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 10 november 2010, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van hoveniersbedrijven (Verordening PT heffing hoveniersbedrijven 2011) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=13) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Commissie voor hovenierswerkzaamheden, d.d. 11 oktober 2010; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verslaan onder: | a. | bestuur: | het bestuur van het productschap; | | --- | --- | --- | | b. | bosbouw: | uitvoering van werkzaamheden met betrekking tot bossen of andere houtopstanden en andere dienstverlening, daaronder begrepen de bijlevering van materialen zoals spuitmiddelen; | | c. | hovenierswerkzaamheden: | het aanleggen, het aanbrengen van wijzigingen in en het onderhouden van siertuinen, begraafplaatsen, groenstroken, parken, plantsoenen, landgoederen en openbaar groen in stad en landschap, inclusief boomverzorging, werkzaamheden op sportterreinen en in bossen, met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, met inbegrip van de voorbereidende en grondwerkzaamheden; | | d. | leveringen: | de bij de werkzaamheden behorende levering van levende en dode materialen; | | e. | omzet: | het bruto-omzetbedrag van hovenierswerkzaamheden en leveringen per kalenderjaar; | | f. | ondernemer: | natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin hovenierswerkzaamheden worden verricht; | | g. | productschap: | het Productschap Tuinbouw; | | h. | secretaris: | de secretaris van het productschap. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De ondernemer is jaarlijks een heffing aan het"},{"i":1988,"b":"Wet van 24 december 1992, tot wijziging van een aantal belastingwetten in het kader van het belastingplan 1993 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het kader van het belastingplan 1993 een aantal belastingwetten en een daarmee verband houdende wet te wijzigen met het oog op het werkgelegenheids- en inkomensbeleid, het afschaffen van de fiscale grenzen binnen de Europese Gemeenschappen, en de Tussenbalans; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI 1. De omzetbelasting die op of na 1 januari 1993 wordt verschuldigd ter zake van vóór die datum verrichte prestaties waarvoor het omzetbelastingtarief verandert op grond van [artikel IV, onderdelen B.1, B.2, B.3 en B.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005805&artikel=IV&z=1993-02-16&g=1993-02-16), wordt berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip waarop de prestatie wordt verricht. 2. Ingeval omzetbelasting vóór 1 januari 1993 wordt verschuldigd ter zake van op of na deze datum te verrichten prestaties als bedoeld in het eerste lid, wordt hetgeen meer verschuldigd zou zijn geweest indien de belasting zou zijn berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip waarop de prestatie wordt verricht, alsnog verschuldigd op 1 januari 1993. Artikel XII 1. Halfzware olie, gasolie en"},{"i":5491,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 20 november 2020, kenmerk 1757159-211906-Z, houdende vaststelling van de standaardpremie en de bestuursrechtelijke premies voor 2021 (Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2021) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4) en de [artikelen 18d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18d), en [18e, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=18e); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=1), bedraagt voor het berekeningsjaar 2021 € 1.705. Artikel 2 Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie en bestuursrechtelijke premies 2021. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5668,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 november 2017, nr. Minbuza-2017.1277810, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Creative Twinning 2018–2020) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) en [7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7); Gelet op de [artikelen 8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.1) en [8.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.2); Besluit: Artikel 1 Voor subsidieverlening op grond van [artikel 8.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.1) en [artikel 8.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=8.2) in het kader van het internationaal cultuurbeleid (Subsidieprogramma Creative Twinning 2018–2020) gelden voor het tijdvak vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels en een subsidieplafond van € 5,2 miljoen. Artikel 2 De verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats door behandeling van de aanvragen op volgorde van binnenkomst. Artikel 3 Aanvragen worden ingediend aan de hand van een daartoe door de minister vastgesteld formulier en voorzien van de op het formulier vermelde bescheiden.1Het aanvraagformulier wordt geplaatst op www.rvo.nl/CreativeTwinning. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat het van toepassing blijft op voor die datum verleende subsidies. Bijlage. Subsidieprogramma creative twinning 2018–2020 1. Inleiding Het subsidieprogramma vo"},{"i":1794,"b":"Wet van 20 april 2016 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten in verband met het van toepassing worden van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269) (Wet aanpassingen aan het Douanewetboek van de Unie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is enkele bepalingen over douane in de [Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746), de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203), de [Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168), de [Uitvoeringswet verdrag chemische wapens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007434), de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629), de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251), de [Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802), de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168), de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320), de [Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770), de [Meetbrievenwet 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003378), de [Wet vervoer over zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003528), de [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969) en de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) aan te passen in verband met het van toepassing worden van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269), de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement"},{"i":1798,"b":"Wet van 29 oktober 2025 tot wijziging van het Belastingplan 2025 in verband met het behoud van het verlaagde btw-tarief op cultuur, media en sport en een beperking van de jaarlijkse indexering van een aantal bedragen die gelden voor de inkomstenbelasting of de loonbelasting door middel van het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor (Wet behoud verlaagd btw-tarief op cultuur, media en sport) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het verlaagde btw-tarief op cultuur, media en sport te behouden, om wettelijk vast te leggen dat het bijbehorende overgangsrecht alleen toepassing vindt op het verstrekken van logies en vanwege het behoud van het hiervoor bedoelde verlaagde btw-tarief de jaarlijkse indexering van een aantal bedragen die gelden voor de inkomstenbelasting of de loonbelasting te beperken door middel van het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Belastingplan 2025. Artikel II 1. Bij de toepassing van de [artikelen 10.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1), [10.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.3), en [10bis.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10bis.12) en de [artikelen 20a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=20a), en [22d van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=22d) bij het begin van het kalenderjaar 2026 worden de betreffende bedragen niet vermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactor, maar met 1,01653. 2. Bij de toepassing van [artikel 10.1, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":1816,"b":"Wet van 18 december 2019 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de dividendbelasting 1965 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde landen (PbEU 2017, L 144/1) (Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672), de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en de [Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515) aan te passen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van de Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde landen (PbEU 2017, L 144/1); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2020, met dien verstande dat [artikel I, onderdelen C en E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042934&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01), voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2020. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":1822,"b":"Wet van 24 december 1992, houdende invoering van en aanpassing van wetgeving aan de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat in verband met het vervallen van de accijnsheffing van alcoholvrije dranken, van suiker en suikerhoudende produkten en van pruimtabak en snuiftabak en de inwerkingtreding van de [Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005802) het wenselijk is de wetten waarin naar de accijns wordt verwezen aan te passen, alsmede overgangsmaatregelen te treffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII De bepalingen van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) blijven van toepassing met betrekking tot feiten die leiden tot de verschuldigdheid van accijns of de verplichting tot voldoening van accijns alsmede tot het verlenen van teruggaaf van accijns van alcoholvrije dranken, van suiker en suikerhoudende produkten of van pruimtabak en snuiftabak die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 1993 en met betrekking tot strafbare feiten die hebben plaatsgevonden vóór die datum. Artikel IX 1. Op grond van de [Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) verleende vergunningen voor een accijnsgoederenplaats voor alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak, met uitzondering van verg"},{"i":1826,"b":"Wet van 31 oktober 1991, houdende vereenvoudiging en uniformering van de accijnswetgeving Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de accijnswetgeving te moderniseren, te vereenvoudigen en op een aantal punten technisch te herzien en dat het voorts wenselijk is de heffing van de accijnzen onder te brengen in één heffingswet en het stelsel zodanig te uniformeren dat een einde wordt gemaakt aan de grote verscheidenheid in regelgeving welke kenmerkend is voor de huidige accijnswetgeving; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Afdeling 1. Belastbaar feit Artikel 1 1. Onder de naam accijns wordt een belasting geheven van: - a. bier; - b. wijn; - c. tussenproducten; - d. overige alcoholhoudende producten; - e. minerale oliën; en - f. tabaksproducten. 2. De accijns wordt verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van de in het eerste lid bedoelde goederen. Artikel 1a 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **accijnsgoed:** een goed als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&hoofdstuk=I&afdeling=1&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - –. **accijnsgoederenplaats:** iedere plaats in Nederland waar op grond van de bepalingen van deze wet accijnsgoederen onder schorsing van accijns mogen worden geproduceerd, mogen worden verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen worden opgeslagen, mogen worden ontvangen of mogen worden verzonden; - –. **accijnsschorsingsregeling:** belastingregeling die geldt voor het produceren, verwerken, voorhanden hebben, opslaan en overbrengen van accijnsgoederen waarbij de accijns is geschorst; - –. **belastingentrepot:** iedere plaats op het grondgebied van de Unie buiten Nederland waar op grond van de wettelijke bepalingen van de lidst"},{"i":2909,"b":"Besluit van 13 oktober 2012, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Besluit aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving) Hoofdstuk I. Werknemersverzekeringen, volksverzekeringen en sociale voorzieningen Artikel I Wijzigt het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Artikel II Wijzigt het Besluit WWB 2007. Artikel III Wijzigt het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Hoofdstuk II. Arbeidsbesluiten Hoofdstuk II. Arbeidsbesluiten Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juli 2012, nr. NAL/FA/2012/11220, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 14a, tiende lid, van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=14a), [27a, tiende lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=27a), [48, tiende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=48), [21, tiende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=21), [29a, tiende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=29a), [2:69, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:69), en [3:40, tiende lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:40), [91, tiende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=91), [45a, tiende lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=45a), [17a, negende lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=17a), [39, negende lid, van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten."},{"i":4071,"b":"Besluit tot vaststelling van de bedragen per eenheid voor de uitkering uit het gemeentefonds over het uitkeringsjaar 2007 Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9) en [artikel 6 van de invoeringswet Financiële verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Voor het uitkeringsjaar 2007 worden de bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026473&bijlage=1&z=2009-10-08&g=2009-10-08). Artikel 2 Voor het uitkeringsjaar 2007 worden de bedragen, bedoeld in [artikel 6 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291&artikel=6), vastgesteld overeenkomstig [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026473&bijlage=2&z=2009-10-08&g=2009-10-08). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage 1 De bedragen per eenheid, bedoeld in [artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=9), over het uitkeringsjaar 2007. | Nr. | Maatstaven | Bedragen € | | --- | --- | --- | | 1 | OZB (won. eig. eenheid € 2500) | –2,34 | | 1 | OZB (niet won. gebr. eenheid € 2500) | –2,42 | | 1 | OZB (niet won. eig. eenheid € 2500) | –3,00 | | 2 | Inwoners | 124,89 | | 2a | Inwoners potlood nieuw | 0,22 | | 3 | Eénouder huishoudens | 144,68 | | 4 | Jongeren | 218,89 | | 5 | Ouderen | 80,30 | | 5-a | Ouderen 75–85 jaar | 26,67 | | 6-a | Waddengemeenten t/m 2500 inwoners | 187,99 | | 6-b | Waddengemeenten van 2501 t/m 7500 inwoners | 146,94 | | 6-c | Waddengemeenten vanaf 7501 inwoners | 32,29 | | 7 | Lage inkomens | 84,01 | | 7-a | Lage inkomens (drempel) | 3"},{"i":2547,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 6 juli 2022, nr. DGKE-PDG/ 22285713, betreffende de vergoeding van meerkosten van aardbevingsbestendig bouwen in Groningen 2022 Gelet op [artikel 52g, derde lid, van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=52g) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **aardbevingsbelasting:** belasting op een gebouw door een aardbeving als bedoeld in NPR 9998; - **basisontwerp:** ontwerp van een gebouw dat binnen een bouwproject één of meerdere malen, eventueel met kleine niet-constructieve variaties, wordt gebouwd en waarvan de berekeningen of het voldoet aan de veiligheidsnorm ook wanneer het meerdere keren wordt gebouwd éénmaal volledig hoeven te worden gemaakt; - **gebouw:** gebouw als bedoeld in [artikel 1 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=1); - **grondgebonden woning:** een gebouw met een woonfunctie dat geheel of gedeeltelijk voor permanente bewoning is ontworpen en gebouwd, en waarvan de constructie bestendig met de grond verbonden is; - **Minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **NPR 9998:** praktijkrichtlijn NPR 9998 uitgave NPR 9998:2020, van de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut; - **NPR-webtool:** webtool die behoort bij NPR 9998, versie 6; - **piekgrondversnelling:** amplitude van de grootste absolute versnelling geregistreerd op een locatie tijdens een aardbeving op maaiveldniveau; - **projectonderdeel met gelijke piekgrondversnelling:** onderdeel van een bouwproject dat ziet op de bouw van één of meerdere gebouwen door één partij op één locatie met dezelfde piekgrondversnelling en dezelfde voor de NPR 9998 relevante grondomstandigheden; - **veiligheidsnorm:** veiligheidsnorm, bedoeld in [artikel 1.3a.3, eerste lid, van de Mijnbo"},{"i":4390,"b":"Besluit van 7 december 2017 tot wijziging van de grenzen van de gemeenten Eijsden-Margraten en Maastricht, alsmede de grens van de provincie Limburg Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 augustus 2017, nr. 2017-0000387516; Gelet op de [artikelen 3, derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=3), en [13, tweede lid, van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=13); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 september 2017, nr. W04.17.0254/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 december 2017, nr. 2017-0000592862; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de grenzen van de gemeenten Eijsden-Margraten en Maastricht, alsmede de grens van de provincie Limburg, gewijzigd zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende kaart. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Bijlage. kaart, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040427&artikel=1&z=2017-12-23&g=2017-12-23) Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":2534,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 september 2023, nr. HO&S/40146017, houdende de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming aan een instelling voor hoger onderwijs om een deel van een associate degree-opleiding door een bve-instelling te laten uitvoeren (Beleidsregel uitvoering deel associate degree-opleiding door bve-instelling) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 7.8a, eerste en tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.8a); Besluit: Paragraaf 1. Definiëring en reikwijdte Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - b. **Ad:** associate degree-opleiding als bedoeld in [artikel 7.8a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.8a); - c. **bve-instelling:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1) dan wel een andere instelling voor beroepsonderwijs als bedoeld in [artikel 1.4.1 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4.1); - d. **instellingsbestuur:** instellingsbestuur als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel j, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - e. **instelling voor hoger onderwijs:** instelling als bedoeld in [artikel 1.1, onderdeel g, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - f. **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2. Reikwijdte beleidsregel Deze beleidsregel heeft betrekking op: - a. de wijze waarop de Minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot het verlenen van goedkeuring op aanvraag van een instellingsbestuur om een deel"},{"i":2808,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 7 december 2009, nr. 5631620/09/DSP, houdende verlening van een vergunning tot het organiseren van een loterij (Beschikking SNL Loterij 2009) Gelezen het verzoek van de Stichting Samenwerkende non-profit Loterijen van 20 juli 2009 haar vergunning te verlenen voor het openstellen van een gelegenheid als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1); Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5), en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=2) en [5 van het Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067&artikel=5); Gezien het advies van het College van toezicht op de kansspelen van 30 september 2009, nr. C.697/09; Besluit: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. **de wet:** [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. **het besluit:** het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) - c. **de minister:** de Minister van Justitie; - d. **de stichting:** de Stichting Samenwerkende non-profit Loterijen, gevestigd te Tilburg; - e. **het college:** het College van toezicht op de kansspelen bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - f. **SNL Loterij:** een kansspel als bedoeld in [artikel 1, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=1), georganiseerd door de stichting, waarbij de deelnemers mededingen naar prijzen die door trekking worden verkregen. - g. **trekking:** aanwijzing van één of meerdere winnende deelnamebewijzen. Artikel 2 1. Aan de stichting wordt voor de duur van vijf jaren, te rekenen vanaf 1 januari 2010 tot en met 31 december 2014 vergunning verleend tot het organiseren van de SNL Loterijen. 2. De S"},{"i":5924,"b":"Beleidsregel ITS Gelet op [artikel 145g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=145g) en [158, eerste lid, van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=158), [artikel 5.1 van de ITS-regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036478&artikel=5.1), [artikel 2, onderdelen cc en dd van de Regeling taken Dienst Wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008144&artikel=2) in samenhang met het [Besluit aanwijzing toezichthouder artikel 145g Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036483) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 De beleidsregels inzake het toezicht op de naleving van de verplichtingen [verordening nr. 885/2013](32013R0885) en de [verordening nr. 886/2013](32013R0886) zijn opgenomen in de bijlage van deze beleidsregel. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 juli 2015. Artikel 3 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Toezichtbeleid ITS Bijlage. Toezichtbeleid ITS Intelligent Transport Systems (ITS); verkeersveiligheidsinformatie (actie C) en vrachtwagenparkeerinformatie (actie E) Datum: 18 juni 2015 1. Toelichting op het Toezichtbeleid ITS 1.1. Inleiding Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (hierna: min. IenM) heeft op 1 april 2015 de RDW aangewezen om als nationaal orgaan de toezichttaak ITS (Intelligent Transport Systems) uit te voeren op informatieverzameling en -verstrekking door derden in het kader van wegverkeersinformatiediensten verkeersveiligheid (prioriteitsactie C) en vrachtwagenparkeerplaatsen langs met name snelwegen (prioriteitsactie E). Deze taak is vastgelegd in de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) en lagere regelgeving. Hoe en waarom de RDW toezicht houdt, is vastgelegd in het toezichtbeleid ITS. 1.2. Titel Dit beleid is getiteld: Toezichtbeleid ITS. 1.3. Wettelijk basis ITS De wettelijke"},{"i":5889,"b":"Tijdelijke regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 maart 2025, nr. IENW/BSK-2025/66061, houdende vaststelling van regels voor de subsidiëring van activiteiten ter voorbereiding op de omschakeling naar de verwerking van circulaire plastics 2025 (Tijdelijke subsidieregeling omschakeling naar verwerking circulaire plastics 2025) [KetenID WGK027569] Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [15, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), en [22, tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **biogebaseerd plastic:** plastic waarvan de polymeerfractie voor minimaal 25 massaprocent afkomstig is uit biologische grondstoffen, inclusief bijproducten en reststromen die vrijkomen bij verwerking van biologische grondstoffen. - **circulaire plastics:** plasticrecyclaat en biogebaseerd plastic; - **compounder:** ondernemer die compounds maakt door additieven of vulstoffen toe te voegen aan polymeren om de gewenste eigenschappen te bereiken; - **fossiele grondstoffen:** aardolie, aardgas of steenkool; - **fossiel plastic:** plastic gemaakt op basis van fossiele grondstoffen en niet van plasticrecyclaat; - **groep:** groep als bedoeld in [artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=24b); - **"},{"i":5904,"b":"Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 4 april 2023, nr. WJZ/ 22558560, houdende tijdelijke regels inzake subsidie voor tegemoetkoming in energiekosten voor bewoners achter een blokaansluiting voor elektriciteit of warmte Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst; Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. (begripsbepalingen) In deze regeling wordt verstaan onder: - **aansluiting:** aansluiting als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=1) of [artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Gaswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011440&artikel=1); - **accountant:** accountant of accountant-administratieconsulent als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393); - **bewoner:** natuurlijk persoon die een zelfstandige of onzelfstandige wooneenheid die op een blokaansluiting is aangesloten, bewoont en die een betalingsverplichting heeft voor de kosten voor elektriciteit of warmte voor de wooneenheid of die een de huurovereenkomst heeft die meer omvat dan het enkele gebruik van de woonruimte en bij die overeenkomst slechts de hoogte van de betalingsverplichtingen en niet de hoogte van de huurprijs en het voorschot van de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter en de servicekosten, is vastgesteld; - **blokaansluiting:** blokaansluiting voor warmte of elektriciteit; - **blokaansluiting voor elektriciteit:** aansluiting als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009755&artikel=1), die is geregistreerd in het centraal aansluitingenregister, die in bedrijf is, en die mede bestemd is voor de levering van elektriciteit aan één"},{"i":5888,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 18 juni 2018, nr. IENW/BSK-2018/30175, houdende tijdelijke regels voor de subsidieverstrekking aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek ten behoeve van het Meerjarenprogramma Topsector Logistiek (Tijdelijke subsidieregeling NWO onderzoek Topsector Logistiek 2017–2021) Gelet op [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, eerste en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [10, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [15, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), en [24, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **anticiperende beschikking:** de beschikking van 14 juli 2017, nummer 5000003337; - **incidentele beschikking:** de beschikking van 19 december 2014, nummer 5000002801, zoals gewijzigd bij beschikking van 12 november 2015, nummer 5000002801A, en bij beschikking van 14 oktober 2016, nummer 5000002801B; - **kaderregeling O&O&I:** Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2014, C 198); - **meerjarenprogramma:** Meerjarenprogramma Topsector Logistiek 2015-2020; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **NWO:** Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek; - **onderzoeksorganisatie:** org"},{"i":6915,"b":"Besluit tarieven in burgerlijke zaken BES Algemene bepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het Hof:** het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - b. **het Gerecht:** het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. **de griffier:** de griffier van het Hof onderscheidenlijk het Gerecht; - d. **Onze Minister:** Onze Minister van Justitie; - e. **het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:** het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496). Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 59 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=59). afdeling Eerste. Deurwaarders Artikel 2 1. De deurwaarders mogen, uit welke hoofde en onder welk voorwendsel ook, geen andere of hogere rechten of beloningen vorderen of ontvangen, of doen vorderen of ontvangen, dan die, welke bij dit besluit zijn vastgesteld. 2. Bij overtreding zijn zij tot teruggave en vergoeding van kosten, schaden en interessen verplicht, onverminderd de toepassing van de strafwet, indien daartoe termen aanwezig zijn. Artikel 3 1. Aan de deurwaarder is verschuldigd: - a. voor het doen van elk exploot dat betrekking heeft op een geding voor het Gerecht en voor het Hof, uitgebracht voor de einduitspraak in het geding, of, buiten eigenlijk rechtsgeding, op een zaak voor het Gerecht te behandelen of in behandeling 6 USD, en voor het doen van elk ander exploot 10 USD; - b. voor de redactie van een exploot 3 USD; - c. voor de overhandiging van afschriften van een exploot: 1 USD voor het eerste, 2 USD voor elk volgend afschrift; - d. voor nazoeking, informatie en correspondentie, indien een en ander, of een van deze, moet plaats hebben met het oog op de redactie of het doen van exploten 2 USD; - e. voor bespreking van de zaak met de lastgever, indien deze bespreking voor de redactie of het doen van ex"},{"i":7076,"b":"Overeenkomst tussen de Regeringen van de Beneluxstaten (het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg) en de Regering van de Republiek Bulgarije betreffende de overname van onregelmatig verblijvende personen (Overnameovereenkomst) De Regeringen van de Beneluxstaten (het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg), die krachtens de bepalingen van de op 11 april 1960 gesloten [Benelux-Overeenkomst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005246) gemeenschappelijk optreden, en de Regering van de Republiek Bulgarije hierna genoemd „de Overeenkomstsluitende Partijen”, ernaar strevend de overname van personen die zich illegaal op het grondgebied van de Staat van een andere Overeenkomstsluitende Partij ophouden, d.w.z. die niet of niet meer voldoen aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst of verblijf, en de doorgeleiding van te repatriëren personen in een geest van samenwerking en op basis van wederkerigheid te vergemakkelijken, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Definities en werkingssfeer 1. In deze Overeenkomst dient te worden verstaan onder grondgebied van: - (1). de Benelux: het gezamenlijke grondgebied in Europa van het Koninkrijk België, van het Koninkrijk der Nederlanden en van het Groothertogdom Luxemburg; - (2). de Republiek Bulgarije: het grondgebied van de Republiek Bulgarije; 2. In deze Overeenkomst dient te worden verstaan: - (1). onder „derde Staten”: elke Staat die geen Beneluxstaat en niet de Republiek Bulgarije is; - (2). onder „onderdaan van een derde Staat”: eenieder die geen onderdaan van één der Beneluxstaten of van de Republiek Bulgarije is; - (3). onder „buitengrenzen”: - a). de eerst overschreden grens die niet een gemeenschappelijke grens van de Overeenkomstsluitende Partijen is; - b). iedere binnen een Beneluxstaat of op het grondgebied van de Republiek Bulgarije gelegen lucht- of zeehaven, waar personenverkeer van of naar een derde Staat plaatsvindt. Artike"},{"i":1903,"b":"Besluit van 15 december 2005, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 in verband met een herziening van de vrijstelling voor sociale en culturele prestaties alsmede met een aanpassing op enkele onderdelen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november 2005, DV 2005-00137M; Gelet op de [artikelen 9, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=9), [11, eerste lid, aanhef en onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=11), [29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=29), [29a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=29a), en [39 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=39); De Raad van State gehoord (advies van 1 december 2005, nr. W06.05.0510/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 14 december 2005, DV 2005-00219U; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Artikel II Voor de toepassing van [bijlage B, onderdeel c, bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&bijlage=B), wordt: - a. een ondernemer die was genoemd in [bijlage B, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&bijlage=B), zoals dat onderdeel luidde onmiddellijk voor 1 januari 2006; - b. een ondernemer aan wie schriftelijk te kennen is gegeven dat het voornemen bestaat om te bevorderen dat de ondernemer zal worden opgenomen in [bijlage B, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002633&bijlage=B), zoals dat onderdeel luidde onmiddellijk voor 1 januari 2006; aangemerkt als een instelling die door de inspecteur is erkend als een instelling van sociale of culturele aard. Hierbij blijven de voorwaarden en beperkingen van kracht die met betrekking tot het verlenen van de vrijstelling zijn gesteld. Artikel III Dit besluit treedt in wer"},{"i":6918,"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 448, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES Artikel 1 Het bedrag, bedoeld in [artikel 448, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=448) wordt gesteld op telkens 279 USD. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ter uitvoering van artikel 448, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES."},{"i":1914,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 31 december 2020 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen Artikel I Wijzigt de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel II [Artikel I, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044593&artikel=I&z=2022-01-01&g=2022-01-01), is niet van toepassing op onderhandse akten van schenking die uiterlijk op 31 december 2020 tot stand zijn gekomen. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Artikel V Wijzigt de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990. Artikel VI Wijzigt de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Artikel VII De [Regeling verstrekking jaarloongegevens 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022374) wordt ingetrokken. Artikel VIII De [Regeling verstrekking jaarloongegevens 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023732) wordt ingetrokken. Artikel IX Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Artikel X Wijzigt de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Artikel XI Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965. Artikel XII Wijzigt de Uitvoeringsregeling Registratiewet 1970. Artikel XIII Wijzigt de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Artikel XIV Wijzigt de Algemene douaneregeling. Artikel XV Wijzigt de Uitvoeringsregeling accijns. Artikel XVI Wijzigt de Uitvoeringsregeling verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Artikel XVII Wijzigt de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel XVIII Wijzigt de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. Artikel XIX Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Artikel XX Wijzigt de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Artikel XXI Wijzigt de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst. Artikel"},{"i":5401,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 april 2023, 2023-000083586, houdende aanwijzing van standaarden voor publicatie van besluiten en andere rechtsfiguren op grond van de Omgevingswet (Regeling standaarden publicaties Omgevingswet) Gelet op [artikel 19, vijfde lid, van de Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=19) en de [artikelen 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045037&artikel=2.1) en [3.8 van het Besluit elektronische publicaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045037&artikel=3.8); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **de wet:** de [Bekendmakingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287); - **publicatieblad:** een in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=1) of [2 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004287&artikel=2) genoemd publicatieblad dat elektronisch worden uitgegeven, met uitzondering van het Staatsblad. Artikel 2. Aanwijzing technische standaarden 1. De in [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048085&bijlage=4&z=2026-04-30&g=2026-04-30) genoemde besluiten en andere rechtsfiguren, en ontwerpen daarvan waarvan mededeling wordt gedaan, worden door de betrokken bestuursorganen voor publicatie in een publicatieblad elektronisch vormgegeven overeenkomstig de standaarden, genoemd in: - a. [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048085&bijlage=1&z=2026-04-30&g=2026-04-30); en - b. [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048085&bijlage=3&z=2026-04-30&g=2026-04-30). 2. De standaarden, bedoeld in het eerste lid, worden toegepast overeenkomstig het in [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048085&bijlage=4&z=2026-04-30&g=2026-04-30) genoemde toepassingsprofiel voor het betrokken besluit of de betrokken andere rechtsfiguur. 3. De besluiten en andere rechtsfiguren, bedoeld in het eerste lid, worden voor publicatie a"},{"i":4643,"b":"Besluit van 18 april 2024 tot wijziging van het Binnenvaartbesluit ter implementatie van Richtlijn 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad (Implementatiebesluit richtlijn beroepskwalificaties binnenvaart) Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 3 juli 2023, nr. IENW/BSK-2023/166882, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [Richtlijn 2017/2397](32017L2397) van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de [richtlijnen 91/672/EEG](31991L0672) en [96/50/EG](31996L0050) van de Raad en de [artikelen 23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=23), [25, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=25), [26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=26), [26a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=26a), [28, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=28), [29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=29), [30, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=30), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=34), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=35), [35a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=35a), [35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=35b) en [35c, eerste lid, van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=35c); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 september 2023, nr. W17.23.00164/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 april 2024, nr. IENW/BSK-2024/94998, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Za"},{"i":3605,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 23 juni 2017, nr. 1214771 tot intrekking van toezichtkaders onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017 Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800&artikel=13); Gezien de voordracht van de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 12 juni 2016 Besluit: Artikel 1 De volgende beleidsregels worden vastgesteld: - a. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op de voorschoolse educatie en het primair onderwijs ([bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039788&bijlage=I&z=2021-08-01&g=2021-08-01)); - b. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs ([bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039788&bijlage=II&z=2021-08-01&g=2021-08-01)); - c. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs ([bijlage III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039788&bijlage=III&z=2021-08-01&g=2021-08-01)); en - d. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs ([bijlage IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039788&bijlage=IV&z=2021-08-01&g=2021-08-01)). Artikel 2 De volgende beleidsregels worden ingetrokken: - a. [Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op de voorschoolse educatie en het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039177&bijlage=I), zoals gepubliceerd in Staatscourant 2017, 5924; - b. [Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039177&bijlage=II), zoals gepubliceerd in Staatscourant 2017, 5924; - c. [Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039177&bijlage=III), zoals gepubliceerd in Staatscourant 2017, 5924; en - d. [Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039177&bijlage=IV)"},{"i":1961,"b":"Wet van 20 december 1996 tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1997) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het kader van het belastingplan 1997 de werkgelegenheid te bevorderen, het inkomens-, energie-, cultuur- en verkeers- en vervoersbeleid te ondersteunen, de tabaksaccijns te verhogen en het niveau van het huurwaardeforfait vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel XIII, onderdeel A, H, K, onder 2, L, onder 2 en N, werkt terug tot en met 1 januari 1996. ARTIKEL I Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. ARTIKEL II Wijzigt de Wet van 15 december 1995, Stb. 642, houdende wijziging van enige belastingwetten (belastingplan 1996). ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet van 15 december 1995, Stb. 642, houdende wijziging van enige belastingwetten (belastingplan 1996). ARTIKEL V Wijzigt de Successiewet 1956. ARTIKEL VI Wijzigt de Wet op de accijns. ARTIKEL VII Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ARTIKEL VIII Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. ARTIKEL IX Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. ARTIKEL X 1. De accijns van sigaretten wordt met ingang van 1 februari 1997, met ingang van 1 januari 1998 en met ingang van 1 januari 1999 zodanig verhoogd dat de totale accijns voor de meest gevraagde prijsklasse sigaretten met ingang van: 1 februari 1997 f 140,52 per 1000 stuks bedraagt; 1 januari 1998 f 146,52 per 1000 stuks bedraagt; 1 januari 1999 f 152,52 per 1000 stuks bedraagt. Indien op vorengenoemde tijdstippen het daarbij vermelde bedrag lager is dan het bedrag dat overeenkomt met 57 percent van de kleinhandelsprijs van de meest gevraagde prijsklasse sigaretten, berekend per 1000 stuks, op dat tijdstip, geldt"},{"i":4391,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 oktober 2022, nr. WJZ/32371149, houdende wijziging van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008 in verband met een wijziging in de bekendmaking van algemene ondermandaten en de inwerkingtreding van de Wet open overheid Artikel I Wijzigt het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008. Artikel II De op het moment van inwerkingtreding van dit besluit geldende algemene ondermandaten in de zin van [artikel 11 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=11) die niet eerder in de Staatscourant zijn geplaatst, blijven van kracht tot het moment waarop zij op grond van dat artikel worden ingetrokken of vervangen dan wel op grond van het derde lid van diezelfde bepaling alsnog in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel III 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag volgend op de dag waarop dit besluit in de Staatscourant wordt geplaatst. 2. [Onderdeel C van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047298&artikel=I&z=2022-10-15&g=2022-10-15) treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 mei 2022. Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1969,"b":"Wet van 8 november 2007 tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168) te wijzigen teneinde de regelgeving te vereenvoudigen, in de praktijk toegepaste gedragslijnen in de wet vast te leggen en de wetgeving beter op de uitvoeringspraktijk te laten aansluiten, de energiebelasting aan te passen aan ontwikkelingen op de energiemarkt en de implementatie van EU-regelgeving aan te vullen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel II Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel III Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V De tekst van de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168) wordt in het Staatsblad geplaatst zoals deze luidt per 1 januari 2008, of indien deze wet in werking treedt op een latere datum, zoals deze luidt per die datum. Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister van Financiën de nummering van de artikelen, hoofdstukken en afdelingen van de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168) opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, hoofdstukken en afdelingen met de nieuwe nummering in overeenstemming. Artikel VI Ingeval de samenloop van onderhavig wetsvoorstel en wetten die wijzigingen aanbrengen in de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168) en die eerder dan onderhavig wetsvoorstel, nadat het tot wet is verheven, in het Staatsblad zijn of worden gepubliceerd, niet of niet juist is geregeld, of als gevolg van die samenloop onjuistheden ontstaan in"},{"i":1971,"b":"Wet van 23 december 1994, tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168) een permanente verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Artikel 12, onderdelen **f**, **g** en **h**, alsmede [Hoofdstuk III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&hoofdstuk=III), [Afdeling 4**a**, van de Wet belastingen op milieugrondslag](onbekend) vervallen met ingang van 1 januari 1998. 2. Het in artikel 18, onderdeel **a**, opgenomen tarief wordt verlaagd met f 0,55 met ingang van de datum waarop de in het eerste lid bedoelde bepalingen vervallen. Artikel III Vervallen Artikel IV Vervallen Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat indien dit tijdstip is gelegen na het tijdstip waarop de te wijzigen bepalingen in de [Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168) in werking treden, zij terugwerkt tot en met het laatstbedoelde tijdstip met uitzondering van [artikel I, onderdeel F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007170&artikel=I&z=2002-01-01&g=2002-01-01). Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7352,"b":"Wet van 6 april 1995, tot nadere regeling van het gezag over en van de omgang met minderjarige kinderen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het ouderlijk gezag over en de omgang met minderjarige kinderen nader te regelen en in verband daarmee de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III. Overgangsbepalingen 1. Een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door de rechter getroffen regeling inzake de gezamenlijke ouderlijke macht na gerechtelijke ontbinding van het huwelijk of na scheiding van tafel en bed geldt met ingang van dat tijdstip als een regeling inzake het gezamenlijk gezag als bedoeld in artikel 251, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. 2. Een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door de rechter gegeven beslissing inzake de uitoefening van de ouderlijke macht door ongehuwde en nimmer met elkaar gehuwd geweest zijnde ouders die niet is aangetekend in het voogdijregister, blijft tot zes maanden na dat tijdstip van kracht. Indien binnen die termijn geen aantekening is gedaan als bedoeld in artikel 252, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, is van rechtswege de moeder alleen met het gezag over het kind belast. 3. Een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet door de rechter gegeven beslissing inzake de uitoefening van de ouderlijke macht door één der ouders of inzake de uitoefening van de voogdij door een ouder geldt met ingang van dat tijdstip als een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag door een der ouders."},{"i":2146,"b":"Aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 juli 2011, nr. MC-U-3072372, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ Hoofdstuk 1. Algemeen Hoofdstuk 1. Algemeen Hoofdstuk 3. GGZ-instellingen en kinderdagcentra Hoofdstuk 4. Slot Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 1 juni 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2010/11, 30 597, nr. 187) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gelet op het algemeen overleg over de GGZ met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 30 juni 2011 en het plenaire debat op 30 juni 2011 naar aanleiding van het verslag van dat overleg; Gelet op de brief van de staatssecretaris van 1 juli 2011 (DLZ-U-3071383) ten behoeve van het verslag van het schriftelijk overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en het daaropvolgende mondeling overleg met die commissie op 5 juli 2011; Besluit: Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **de zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - b. **de AWBZ:** de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614); - c. **zzp:** zorgzwaartepakket; - d. **nhc:** normatieve huisvestingscomponent in verband met de huisvesting van cliënten, alsmede overige ruimtes van een zorginstelling; - e. **instelling:** een zorginstelling die is toegelaten in de zin van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906); -"},{"i":4516,"b":"Circulaire Terugbelverzoeken binnen penitentiaire inrichtingen, Dienst Justitiële Inrichtingen Aanleiding Binnen de penitentiaire inrichtingen is een aantal jaren geleden de wens ontstaan een alternatieve werkwijze te hanteren voor het doen van terugbelverzoeken met betrekking tot gedetineerden. In deze inrichtingen konden relaties van gedetineerden -met uitzondering van acute noodsituaties- uitsluitend nog terugbelverzoeken indienen middels het achterlaten van een voicemailbericht (via de MyTelio-app of het 0900-nummer) aan de gedetineerde. Deze werkwijze gold ook voor de advocatuur. Over het gebruik van terugbelverzoeken middels voicemailberichten is op 31 augustus 2020 de circulaire 'Terugbelverzoeken middels voicemail' bekend gemaakt (Circulaire van 31 augustus 2020, kenmerk 3014987). In deze circulaire zijn tevens diverse evaluatiemomenten over de praktische uitvoerbaarheid voor de advocatuur opgenomen. Evaluatie heeft uitgewezen dat er vanuit de advocatuur een sterke wens is om naast het gebruik van de MyTelio-app of het 0900-nummer toch ook terugbelverzoeken bij de penitentiaire inrichting te kunnen indienen. De advocatuur heeft daarbij aangegeven dat het uitsluitend gebruik maken van de MyTelio-app of het 0900-nummer niet altijd (praktisch) haalbaar is. Daarnaast heeft evaluatie onder de inrichtingen van DJI uitgewezen dat exclusief gebruik van de MyTelio-app geen brede ingang heeft gevonden, en waar dat wel gebeurd is, niet heeft geleid tot de beoogde verlichting van de administratieve lasten. Werkwijze Om die reden beoogt deze circulaire het beleid vast te stellen dat terugbelverzoeken van advocaten zowel bij de penitentiaire inrichting als via voicemailfunctionaliteiten (via de MyTelio-app of het 0900-nummer) in kunnen worden gediend. Zowel de oude werkwijze (terugbelverzoeken indienen bij de inrichting), als de nieuwe werkwijze (gebruik van voicemailfunctionaliteiten) zullen aldus naast elkaar blijven bestaan. Voor het gebruik van de voicemailfunctionali"},{"i":2012,"b":"Wet van 16 december 2010 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de implementatie van de Richtlijn 2009/162/EU van de Raad van 22 december 2009 tot wijziging van enkele bepalingen van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (implementatie Technische Herzieningsrichtlijn) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de wetgeving inzake omzetbelasting op hoofdzakelijk technische punten aan te passen overeenkomstig [Richtlijn 2009/162](32009L0162)/EU van de Raad van 22 december 2009 tot wijziging van enkele bepalingen van [Richtlijn 2006/112/EG](32006L0112) betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel II Ten aanzien van uitgaven in verband met onroerende zaken die deel uitmaken van het vermogen van het bedrijf van een ondernemer en door de ondernemer zowel voor de activiteiten van het bedrijf als voor zijn privégebruik of voor het privégebruik van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en waarvoor op basis van [artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=15) zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet recht op volledige of gedeeltelijke aftrek is ontstaan, blijft die bepaling van toepassing zoals die luidde vóór dat tijdstip. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":3251,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 26 januari 2024 nr. BOACAT2024/009, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Heemstede Gelezen het verzoek van de gemeente Heemstede van 23 januari 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en[artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41), tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar; [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049321&artikel=2&z=2024-02-06&g=2024-02-06). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Boa team toezicht en handhaving in dienst van gemeente Heemstede, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerst"},{"i":2024,"b":"Wet van 24 december 1993, houdende wijziging van de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (verhoging van de ondernemingsvrijstelling, wijziging van de teruggaafregeling inzake beperking van de gezamenlijke druk van inkomstenbelasting en vermogensbelasting, verhoging van de belastingvrije sommen en vrijstelling van natuurschoonwetlandgoederen in de vermogensbelasting, wijziging van de loon- en inkomstenbelasting in verband met uitstel van loon, alsmede wijziging van de fictief-rendementsregeling in de inkomstenbelasting) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de ondernemingsvrijstelling voor de vermogensbelasting en de belastingvrije sommen voor die belasting te verhogen, te komen tot een algehele vrijstelling voor die belasting voor landgoederen in de zin van de [Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939) alsmede tot een wijziging van de teruggaafregeling inzake de beperking van de gezamenlijke druk van inkomstenbelasting en vermogensbelasting en een verlaging van het percentage van die regeling en voorts dat het wenselijk is enige wijzigingen aan te brengen in de loon- en inkomstenbelasting in verband met ongewenst uitstel van loon, alsmede enige wijzigingen in de inkomstenbelasting wat betreft de fictief-rendementsregeling voor aandelen in buitenlandse beleggingsmaatschappijen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vermogensbelasting 1964. Artikel II Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel III Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Artikel IV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1994. 2. In geval van oprichting van een vennootschap voor 27 oktober 1992 vinden de in [artikel III](https://wetten"},{"i":2051,"b":"Besluit van 13 december 2012, houdende aanpassing van diverse besluiten in verband met de vermindering van het aantal ressorten en arrondissementen (Aanpassingsbesluit herziening gerechtelijke kaart) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 15 november 2012, nr. 322808; Gelet op de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830), de [Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), de [Boeken 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) en [4 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002761), de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), de [Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416), de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), het [Besluit machtiging tot vestigen schuldverplichtingen ten laste van Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002016), de [Wet installaties Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002467), de [Wet van 2 december 1982, Stb. 679, houdende bepalingen ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers, alsmede met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van buitenlandse werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003546), de [Wet op de Accountants-Administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002856), de [Wet op de Registeraccountants](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002374), de [Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012410), de [Locaalspoor- en Tramwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001866), het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854), de [Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765) en de [Landbou"},{"i":2695,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 28 april 2006, nr. L.O. 640/0073/0653168, tot afgifte van de Beschikking instantloterij Overwegende dat de geldigheidsduur van de [Beschikking instantloterij 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009240) op 30 april 2006 verstrijkt; Gelezen het verzoek van de Stichting de Nationale Sporttotalisator (De Lotto) van 2 maart 2006 haar opnieuw vergunning te verlenen voor het organiseren van de instantloterij; Gehoord het advies van het College van toezicht op de kansspelen van 23 maart 2006, nr. C.274/06; Gelet op de [artikelen 14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14b), [14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c) en [34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34) (Stb. 1964, 483); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - b. de minister: de Minister van Justitie; - c. de stichting: Stichting de Nationale Sporttotalisator; - d. het college: het College van toezicht op de kansspelen als bedoeld in [artikel 33 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33); - e. instantloterij: een loterij als bedoeld in [artikel 14a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14a); - f. verkooppunt: een inrichting als bedoeld in [artikel 14c, tweede lid, onder b. van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c); - g. uitgifte van deelnamebewijzen: het door de stichting afgeven van deelnamebewijzen aan de verkooppunten; - h. prijzenreserve: een reservering die is opgebouwd uit niet geïnde prijzen. Artikel 2 1. Aan de stichting wordt voor de duur van vijf jaren, te rekenen van 1 mei 2006 tot en met 30 april 2011 vergunning verleend tot het organiseren van instantloterijen. 2. Aan de in het eers"},{"i":3379,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 september 2023 nr. BOACAT2023/062, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de provincie Overijssel Gelezen het verzoek van de provincie Overijssel van 12 september 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17), van de Wet op de economische delicten; de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048678&artikel=2&z=2023-10-17&g=2023-10-17). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder eenheid PD of toezichthouder vaarwegbeheer WK in dienst van de provincie Overijssel, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructu"},{"i":3382,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 27 maart 2017 nr. BOACAT2017/023, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Samenwerkingsverband Sociale Recherche van de gemeente Groningen Gelezen het verzoek van het hoofd van de afdeling Handhaving/directie Inkomensdienstverlening van de gemeente Groningen van 20 februari 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039423&artikel=2&z=2017-04-25&g=2017-04-25). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van sociaal rechercheur in dienst van de afdeling Handhaving/directie Inkomensdienstverlening van de gemeente Groningen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, als genoemd in [onderdeel 10.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken."},{"i":4182,"b":"Besluit vaststelling selectielijst voor de gemeentelijke en intergemeentelijke organen over de periode vanaf 1 januari 2017 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de archiefbescheiden van gemeentelijke en intergemeentelijke organen opgemaakt of ontvangen over de periode vanaf 1 januari 2017 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld voor de in Bijlage 1 bij de selectielijst genoemde gemeentelijke organen en in Bijlage 2 bij de selectielijst genoemde intergemeentelijke organen. Artikel 2 De [selectielijst voor de neerslag van de handelingen van gemeentelijke en intergemeentelijke organen over de periode vanaf 1 januari 1996 (actualisatie)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031657) (vastgesteld **Stcrt. 2012, 11906**) wordt afgesloten met ingang van 1 januari 2017. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":6131,"b":"Besluit van 26 maart 1996 houdende regels inzake de veiligheid van verpakkingen onder druk (Warenwetbesluit drukverpakkingen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 juli 1995, nr. DGVgz/VVP/P 951612, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op [Richtlijn nr. 94/1/EG](31994L0001) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 januari 1994, houdende technische aanpassing van [richtlijn 75/324/EEG](31975L0324) van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende aërosols (**PbEG** L 23), op de [artikelen 1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=1), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=4), [6, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=6), [8, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=11), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=13) en [14 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=14), op artikel II, eerste lid, van de Wijzigingswet 1988 Warenwet, alsmede op de [artikelen 34, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=34), [36, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=37), [39, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=39), en [60, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003892&artikel=60); Gezien het advies van de Adviescommissie Warenwet van 30 maart 1995, no. 14854/(32)5; De Raad van State gehoord (advies van 17 januari 1996, nr. W13.95.0470); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 maart 1996, nr"},{"i":2097,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 november 2019, kenmerk 1608564-198346-PZo inzake bekostigingsexperiment aanvullende beroepen ggz/fz Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Gezien het Bestuurlijk akkoord Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) 2019 t/m 2022 en de Meerjarenovereenkomst forensische zorg 2018–2021 (Kamerstukken II 2017–2018, 25 424, nr. 420 respectievelijk Kamerstukken II 2017–2018, 33 628, nr. 34); Na op 1 juli 2019 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 25 424, nr 480) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8), waarbij de eerdere voorhangbrief van 23 oktober 2018 (Kamerstukken II, 25 424, nr 428) is ingetrokken, over het voornemen een aanwijzing te geven over een experiment met aanvullende beroepen in de GGZ; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a). **aanvullende beroepsbeoefenaar:** zorgverlener die onder supervisie van een regiebehandelaar gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg levert of onder supervisie forensische zorg levert en die de daarvoor ingezette tijd niet kan afleiden naar een Diagnose Behandelcombinatie, respectievelijk een Diagnose Behandel Beveiligingscombinatie; - b). **DBC:** Diagnose Behandelcombinatie; - c). **DBBC:** Diagnose Behandel Beveiligingscombinatie; - d). **forensische zorg:** zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1) (Wfz); - e). **gespecialiseerde ggz:** geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), niet zijnde generalistische basis-ggz; - f). **wet:** [Wet marktordening gezondheidsz"},{"i":4044,"b":"Besluit van 31 maart 2011, houdende regels betreffende de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en de daartoe te verrichten aanpassingen (Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 juni 2010, DWJZ-3009435, gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 8, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915&artikel=8); De Raad van State gehoord (advies van 8 oktober 2010, nummer W.13. 10. 0269/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 maart 2011, DWJZ-3050799, uitgebracht mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **wet:** [Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915); - c. **beheerder:** een natuurlijke of rechtspersoon, die verantwoordelijk is voor de inrichting en het gebruik van een halte of station dat dient voor het betreden, gebruiken of verlaten van het openbaar vervoer, daaronder begrepen in een gebouw te onderscheiden ruimten; - d. **concessiegebied:** een gebied waar openbaar vervoer wordt verricht als bedoeld in [artikel 25 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=25); - e. **exploitant van reisinformatie:** degene die verzoekt om reisinformatie ten behoeve van het voeden en actualiseren van een reisinformatiesysteem als bedoeld in [artikel 10 van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=10); - f. **concessieverlener:** een overheid als bedoeld in [artikel 20, tweede en derde lid, van de W"},{"i":2098,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2020, kenmerk 1713813-207587-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake bekostigingsexperiment vermindering administratieve lasten tijdschrijven ggz/fz Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 9 juni 2020 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2019-2020, 29 515, nr. 445) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gezien de afspraken in het Bestuurlijk akkoord geestelijke gezondheidszorg (GGZ) 2019 t/m 2022 en de Meerjarenovereenkomst Forensische Zorg 2018-2021 over de vermindering van regeldruk; Gelet op het verslag schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 26 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020-2021, 29 515, nr. 450); Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **Beroepentabel:** tabel waarin beroepsgroepen zijn opgenomen van zorgaanbieders die bevoegd en bekwaam zijn om een rol te vervullen in de behandeling van patiënten in de ggz en fz; - –. **directe tijd:** tijd waarin de zorgaanbieder direct contact heeft met de patiënt of diens naasten; - –. **forensische zorg:** forensische zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1., tweede lid, van de Wet forensische zorg (Wfz)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1); - –. **gespecialiseerde ggz:** geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet (Zvw)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450), niet zijnde generalistische basis-ggz; - –. **indirecte tijd:** tijd waarin de zorgaanbieder geen direct contact heeft met de patiënt of diens naasten; - –. **wet:** [W"},{"i":5151,"b":"Protocol Accountantsonderzoek CAK Bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2025 1. Inleiding De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) steunen bij het uitvoeren van hun toezichtstaken op de controlewerkzaamheden van de accountant van het CAK. Dit Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2025 (hierna: protocol)1Op basis van artikel 31 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) kan de NZa regels stellen voor de inhoud en inrichting van de controleverklaring en van het accountantsverslag zoals bedoeld in artikel 4.3.1 van de Wet langdurige zorg (Wlz). Artikel 6.2.6 (lid 1) van de Wlz geeft aan dat artikel 4.3.1 (lid 1 tot en met 4) van de Wlz van overeenkomstige toepassing is op het CAK. beschrijft de minimale werkzaamheden van de accountant alsook de op te leveren accountantsproducten. De NZa heeft in het [Model jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052219) (hierna: model) voorschriften opgenomen voor de inrichting van de bestuurlijke verantwoording burgerregelingen van het CAK2Artikel 27 van de Wmg en artikel 6.2.6 van de Wlz juncto artikel 4.3.1 van de Wlz.. Dit protocol geeft richtlijnen voor het door de accountant uit te voeren onderzoek naar de in de bestuurlijke verantwoording burgerregelingen 2025 opgenomen financiële overzichten van de baten en lasten en activa en passiva en toelichtingen daarop. Het onderzoek betreft in de basis een controleopdracht conform [Standaard 800 van de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden](onbekend) (NV COS). De overige onderdelen van de bestuurlijke verantwoording worden voor dit onderzoek aangemerkt als ‘andere informatie’, waarop [Standaard 720 van de NV COS](onbekend) van toepassing is. In de bestuurlijke verantwoording burgerregelingen legt het CAK verantwoording af met betrekking tot de uitvoering van 18 wettelijke regelingen en taken."},{"i":2920,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 5 juli 2022, nr. WJZ/22233288, houdende aanwijzing van de beheerautoriteit en de auditautoriteit voor het Programma EFRO 2021-2027 Zuid-Nederland Gelet op [artikel 3 van de Uitvoeringswet EFRO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034784&artikel=3); Gezien het verzoek van het College van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, gedaan in overeenstemming met de Colleges van gedeputeerde staten van de provincie Limburg en de provincie Zeeland van 14 oktober 2021, kenmerk C2262051/4947940 en het verzoek van de Auditdienst Rijk van 24 mei 2022, kenmerk 2022-0000135794; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **verordening 2021/1060:** [Verordening (EU) Nr. 2021/1060](32960R2021) van het Europees parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231); - –. **Programma EFRO 2021-2027 Zuid-Nederland:** programma als bedoeld in artikel 21 van [verordening 2021/1060](32960R2021) dat de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland beslaat. Artikel 2 1. Het College van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant wordt aangewezen als beheerautoriteit, bedoeld in artikel 71, eerste lid, van [verordening 2021/1060](32960R2021) voor het Programma EFRO 2021–2027 Zuid-Nederland. 2. De directeur van de Auditdienst Rijk, wordt aangewezen als auditautoriteit, bedoeld in artikel 71, eerste lid, van [verordening 2021/1060](32960R2021) voor het Programma EFRO 2021-2027 Zuid-Nederland. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na"},{"i":2120,"b":"Besluit van de Inspecteur-Generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van 25 februari 2021, NVWA/2021/1133, houdende de aanwijzing van bevoegde functionarissen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit voor de gegevensverwerking in kader van de Wet politiegegevens (Aanwijzing bevoegd functionarissen Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) Gelet op [Artikelen 6, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=6), en [46, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=46), [artikel 2:10 van het Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=2:10), [artikel 1, onderdeel c, onder 3° van het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026117&artikel=1), [artikelen 1, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041971&artikel=1) en [2 van het Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041971&artikel=2) en [artikel 6, eerste lid van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Als functionaris bedoeld in de [artikelen 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=9), [10, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=10), [11, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=11), en [13, derde lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=13) worden aangewezen: - a. ten aanzien van gegevens die door de Inlichtingen- en Opsporingsdienst worden verwerkt in een onderzoek of analyse als bedoeld in [artikel 9, eerste lid van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=9), de teamleider die met de leiding van dat onderzoek of die analyse is belast, respectievelijk diens als zodanig aangewezen plaatsve"},{"i":2132,"b":"Aanwijzing ‘de Deurnese Peelgebieden’ als wetland Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad: Gezien de uitgebrachte adviezen: Besluit: Artikel 1 1. Voor opneming in de lijst van watergebieden van internationale betekenis als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005801&artikel=2&z=1993-01-01&g=1993-01-01) van de op 2 februari 1971 te Ramsar, Iran, tot stand gekomen Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels (Trb. 1975, 84 en Trb. 1980, 90), wordt aangemeld het op de als bijlage bij dit besluit behorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam ‘de Deurnese Peelgebieden’. 2. De aanmelding, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een bij dit besluit behorende toelichtende nota. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst."},{"i":4729,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 25 oktober, nr. 203166, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Publieke investeringen in een politiek bestuurlijke context (Instellingsbesluit Werkgroep IBO Publieke investeringen in een politiek bestuurlijke context) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045962&artikel=2&z=2021-12-02&g=2021-12-02). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Publieke investeringen in een politiek bestuurlijke context. 2. De werkgroep heeft tot taak een interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren conform de taakopdracht zoals gepubliceerd in bijlage 18 van de Miljoenennota 2022 (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2021-2022, 35 925, nr. 2). 3. Het onderzoek moet resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties in kaart worden gebracht op het betreffende beleidsterrein. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en een aantal leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 4. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd mevrouw Alida Oppers, thans werkzaam bij de Inspectie van het Onderwijs. 5. Voor de duur van de werkgroep worden tot lid van de werkgroep benoemd: - –. Niels Muselaers (ministerie van Financiën) - –. Erik Schmieman (ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) - –. Remko ter Weijden (ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - –. Sylvia Bijl (ministerie van Defensie) - –. Suzanne Kok (ministerie van Economische"},{"i":3762,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 11 april 2019, nr. WJZ/ 19063146, houdende regels betreffende het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging inzake de Vereffeningsorganisatie voormalige publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Vereffeningsorganisatie PBO 2019) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en de Projectmanager Vereffening PBO van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; Besluit: Artikel 1 1. Aan de secretaris-generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&hoofdstuk=4) en de [artikelen XLIX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&artikel=XLIX), [L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&artikel=L) en [LI van de Wet opheffing bedrijfslichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&artikel=LI). 2. Aan de secretaris-generaal wordt voorts mandaat, volmacht en machtiging verleend voor de P&O-aangelegenheden ten aanzien van: - a. medewerkers van de Vereffeningsorganisatie PBO; en - b. medewerkers van de voormalige product- en bedrijfschappen die tot en met 31 december 2014 een arbeidsovereenkomst hadden met een product- of bedrijfschap en die vanaf 1 januari 2015 vallen onder de sociale plannen van de voormalige product- en bedrijfschappen en die te rekenen vanaf 1 januari 2019 vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Artikel 2 1. Aan de Projectmanager Vereffening Product- en Bedrijfschappen van het"},{"i":2143,"b":"Aanwijzing ex artikel 14 w.t.g. inzake Tubakorting algemene ziekenhuizen Gelet op [artikel 14 van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=14), laatstelijk gewijzigd bij wet van 20 november 1991; Gehoord het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (advies van 28 maart 1995, kenmerk Ho/mvd/A/95/019, vastgesteld in de vergadering van 20 maart 1995); Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 10 april 1995, kenmerk VMP/O-951170) Besluiten: Artikel 1 Het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg (verder te noemen: Cotg) wijzigt voor de prestaties van instellingen, die in [artikel 1, onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007356&artikel=1&z=1996-02-25&g=1996-02-25), nummer 1 (voor zover het de algemene ziekenhuizen betreft), van het Besluit werkingssfeer [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356) 1992 als organen voor gezondheidszorg zijn aangewezen, de richtlijnen per 1 januari 1995 zodanig dat op de aanvaardbare kosten structureel een verlaging wordt gerealiseerd van f 22,5 mln. en incidenteel voor het jaar 1995 een verlaging wordt gerealiseerd van f 45 mln. Artikel 2 - a. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007356&artikel=1&z=1996-02-25&g=1996-02-25) bedoelde structurele verlaging zal worden geconcretiseerd: - door een verlaging met 1,24% van de richtlijnen voor neurochirurgie, neonatologie, brandwonden, chronisch intermitterende beademing, aids, hartchirurgie, PTCA, IVF, beenmergtransplantatie, dialyse en radiotherapie; - door voor het resterende bedrag een verlaging te realiseren van de bedragen, die in de richtlijn ’Functiegerichte budgettering’ zijn vastgesteld voor de parameters gewogen opnamen, verpleegdag, gewogen 1e polikliniekbezoek, dagverpleging, de poliklinische bevallingen (M9) en de poliklinische infuusverstrekkingen cytostatica (M14). Daartoe zullen de maximumbedragen worden"},{"i":4018,"b":"Besluit van de algemene raad van 15 november 2022 tot vaststelling van een subsidieplafond (Besluit subsidieplafond 2023) gelet op [afdeling 4.2.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.2); gelet op [artikel 2.36c van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.36c); gelet op [artikel 3 van de Beleidsregel subsidies NOvA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039970&artikel=3); stelt de navolgende bepalingen vast: Artikel 1. Subsidieplafond 2023 1. Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 2.36c, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.36c) en [artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel subsidies NOvA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039970&artikel=3) wordt voor subsidieverleningen in het boekjaar 2023 van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 vastgesteld op € 3.500.000. 2. De algemene raad verlaagt het subsidieplafond indien: - a. de financiële bijdrage voor het betreffende kalenderjaar lager dan het voorstel wordt vastgesteld; - b. er lopende het boekjaar substantiële tekorten of financiële tegenvallers ontstaan ten opzichte van de begroting; Artikel 2. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidieplafond 2023."},{"i":2995,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 24 december 2025, nr. 2025-000534738, houdende de aanwijzing van toezichthouders van de Nederlandse Emissieautoriteit ten behoeve van het mechanisme voor een koolstofcorrectie aan de grens (Besluit aanwijzing toezichthouders CBAM) Gelet op [18.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.4); Besluit: Artikel 1 Ambtenaren werkzaam bij de Dienst Nederlandse Emissieautoriteit worden belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [titels 16c.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&titeldeel=16c.1) en [16c.2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&titeldeel=16c.2). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders CBAM. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4603,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 28 november 2025, nr. 2025-23416 over het fonds voor gemene rekening en een transparant fonds (Fondsenbesluit 2025) **De Staatssecretaris van Financiën,** **Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;** **Besluit:** 1. Inleiding Dit besluit vervangt het [besluit van 27 november 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050546), nr. 2024-9447 (Stcrt. 2024, 38389). De wijzigingen ten opzichte van het besluit van 27 november 2024 staan toegelicht in onderdeel 1.1. hierna. [Artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=2) (tekst met ingang van 1 januari 2025) geeft een deels nieuwe definitie van het fonds voor gemene rekening. Met ingang van 1 januari 2025 is het zogenoemde toestemmingsvereiste ten aanzien van de verhandelbaarheid van de bewijzen van deelgerechtigdheid vervallen in de definitie. Het toestemmingsvereiste is daarmee niet langer een onderscheidend criterium voor de zelfstandige vennootschapsbelastingplicht van een fonds voor gemene rekening. Een nieuw onderscheidend criterium is dat een fonds voor gemene rekening moet zijn aangemerkt als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1). [Artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.14bis) (tekst met ingang van 1 januari 2025) geeft een definitie van een transparant fonds. Een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden, is een transparant fonds als het geen fond"},{"i":3246,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 februari 2024, nr. BOACAT2023/085, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Haarlem Gelezen het verzoek van de gemeente Haarlem van 1 december 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27) waaruit blijkt dat de noodzaak tot het wijzigen van het eerder genoemde categoriale besluit aanwezig is; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049410&artikel=2&z=2026-02-26&g=2026-02-26). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van integraal handhaver of parkeerhandhaver in dienst van de afdeling Veiligheid & Handhaving van de gemeente Haarlem, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporin"},{"i":3617,"b":"Besluit van 17 oktober 2005, houdende nadere regels betreffende de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen in strafzaken (Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 16 september 2005, nr. 5374604/05/6; Gelet op de [artikelen 532](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=532), [588, eerste lid, onderdeel a, en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=588), en [588a, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=588a); De Raad van State gehoord (advies van 5 oktober 2005, nr. W03.05.0410/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 10 oktober 2005, nr. 5379369/05/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de Wijzigingswet Wetboek van Strafvordering (betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken) in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder de wet: het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903). Artikel 2 1. De in [artikel 36e, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36e) bedoelde uitreiking in persoon geschiedt mede ingeval aan een verdachte een dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen wordt betekend en aan deze persoon blijkens raadpleging van de strafrechtsketendatabank anders dan in verband met de strafzaak waarop de mededeling betrekking heeft, in Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen dan wel aan deze persoon ingevolge een machtiging als bedoeld in [artikel 28 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=28) in Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Dit vereiste geldt niet indien de strafzaak wordt vervolgd voor de kantonrechter. 2. Uitreiking in p"},{"i":3051,"b":"Besluit van 12 december 2000, houdende actualisering van het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO alsmede wijziging van het Besluit informatievoorziening WVO Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, K.Y.I.J. Adelmund, van 22 september 2000, nr. 2000/34848 (3737), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikel 92, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=92), [artikel 90, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=90), alsmede de [artikelen 76c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=76c), en [103 van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=103); De Raad van State gehoord (advies van 15 november 2000, No.WO5 00.0449/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, K. Y. I. J. Adelmund, van 7 december 2000, nr. 2000/45640 (3737), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. Wijziging [Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008562) Wijzigt het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO. Artikel II. Wijziging[Besluit informatievoorziening WVO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008948) Wijzigt het Besluit informatievoorziening WVO. Artikel III. Overgangsbepaling afdelingen IOBK Ten aanzien van een afdeling voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters als bedoeld in [artikel XXXIX van de Wet van 2 april 1998 (Stb. 228)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009525&artikel=XXXIX) is van toepassing het bepaalde in onderdeel m van de tabel in artikel 4, zoals luidend voor inwerkingtreding v"},{"i":3603,"b":"Besluit van 7 mei 2004, houdende regels met betrekking tot interoperabiliteit van openbare elektronische communicatiediensten, toegang tot de Europese telefoonnummeringsruimte en landsgrensoverschrijdende toegang tot niet-geografische nummers (Besluit interoperabiliteit) Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 10 juli 2003, nr. WJZ 3025200; Gelet op artikel 5 van [richtlijn nr. 2002/19/EG](32002L0019) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (PbEG L108) en de artikelen 27 en 28 van [richtlijn nr. 2002/22/EG](32002L0022) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (PbEG L108), alsmede de [artikelen 6.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=6.3), [6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=6.5) en [18.2 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=18.2); De Raad van State gehoord (advies van 25 september 2003, nr. W 10.03.0307/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 3 mei 2004, nr. WJZ 4028513; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 in werking treedt. De datum van inwerkingtreding is vastgesteld onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. NEN-EN 301160: norm inzake het routeren van oproepen naar de Europese telefoonnummeringsruimte, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-Instituut; - c. niet-geografisch nummer: nummer uit een door Onze Minister krachtens [a"},{"i":4820,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 10 juni 2020, nr. DGPenV/ICA/2923896, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de korpschef van het landelijk politiekorps inzake het beheer van het recherchesamenwerkingsteam (Mandaatbesluit beheer recherchesamenwerkingsteam 2020) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), artikel 3, vierde lid, onder d, artikel 12, derde lid en artikel 18, van het Protocol inzake gespecialiseerde recherchesamenwerking tussen de landen van het Koninkrijk; Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **korpschef:** korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); - c. **teamchef:** het hoofd van het recherchesamenwerkingsteam, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Protocol; - d. **politie:** het landelijk politiekorps, bedoeld in [artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25); - e. **Protocol:** Protocol inzake gespecialiseerde recherchesamenwerking tussen de landen van het Koninkrijk; - f. **recherchesamenwerkingsteam:** het team, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Protocol; 2. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld het verlenen van: - a. **volmacht:** bevoegdheid om namens de staat, voor zover het betreft het recherchesamenwerkingsteam, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - b. **machtiging:** bevoegdheid om namens de staat, voor zover het betreft het recherchesamenwerkingsteam, handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, waaronder in ieder geval het vertegenwoordigen v"},{"i":4334,"b":"Besluit van de directeur Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel van 12 augustus 2020, kenmerk 1727403-208568-OBP, houdende de verlening van ondermandaat en ondervolmacht aan de kwartiermaker/manager van Flex|Beleid Gelet op [artikel 16, tweede lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16) en [artikel 16, tweede lid, onder a, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=16); Besluit: Artikel 1 Aan de kwartiermaker/manager van Flex|Beleid wordt de bevoegdheid verleend om namens de Minister besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten tot een maximum van € 25.000 exclusief btw, voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van de functie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2020. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2194,"b":"Wet inzake spaarbewijzen: Aanwijzing representatieve organisaties Gelet op [artikel 1, onder d, van de Wet inzake spaarbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003797&artikel=1) (Stb. 1985, 293); De Nederlandsche Bank N.V. gehoord; Besluit: Artikel I Als representatieve organisatie met betrekking tot de uitvoering van de [Wet inzake spaarbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003797) wordt aangewezen: - a. voor de algemene banken, met uitzondering van de Postbank N.V.: de Nederlandse Bankiersvereniging; - b. voor de coöperatief georganiseerde banken: de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A.; - c. voor de effectenkredietinstellingen: de Vereniging voor de Effectenhandel; - d. voor de spaarbanken: de Nederlandse Spaarbankbond; - e. voor de hypotheekbanken: de Nederlandse Vereniging van Hypotheekbanken. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Nederlandse Staatscourant waarin zij wordt bekendgemaakt."},{"i":1986,"b":"Wet van 23 december 1994, tot wijziging van de Wet op de dividendbelasting 1965 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tegemoetkoming wegens in het buitenland geheven bronbelasting op deelnemingsdividenden bij dooruitdeling) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het mede met het oog op het fiscale vestigingsklimaat in Nederland wenselijk is bij dooruitdeling van uit het buitenland ontvangen deelnemingsdividenden een tegemoetkoming te verlenen ter zake van de onder verdragen ter voorkoming van dubbele belasting door het buitenland over deze dividenden geheven bronbelasting; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III In afwijking van [artikel 11, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=11) worden de aldaar genoemde percentages voor de kalenderjaren 1995 en 1996 gesteld op 2,5. Artikel IV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1995. Indien het **Staatsblad** waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1994, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 1995. 2. Voor een vermindering van op aangifte af te dragen belasting als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=11) worden slechts in aanmerking genomen de op of na 1 januari 1995 ontvangen winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeuri"},{"i":1840,"b":"Wet van 19 december 1985, tot intrekking van de Wet agglomeratie Eindhoven Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is te komen tot opheffing van het openbaar lichaam agglomeratie Eindhoven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: - a. de datum van opheffing: de datum van inwerkingtreding van deze wet; - b. de agglomeratie: het openbaar lichaam agglomeratie Eindhoven, bedoeld in artikel 2 van de Wet agglomeratie Eindhoven; - c. gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant; - d. rechten en verplichtingen: alle rechten en verplichtingen behoudens die welke voortvloeien uit het dienstverband met personeel. Artikel 2 1. De Wet agglomeratie Eindhoven wordt ingetrokken. 2. De agglomeratie wordt opgeheven. § 2. Rechtskracht voorschriften en uitoefening bevoegdheden van de agglomeratie Artikel 3 De door de agglomeratie gegeven voorschriften, geldende op de dag voorafgaande aan de datum van opheffing, behouden gedurende twee jaren na die datum hun rechtskracht, voor zover het ten aanzien van die voorschriften bevoegde gezag deze voorschriften voor zijn grondgebied niet eerder vervallen verklaart. Artikel 4 Richtlijnen als bedoeld in artikel 52 en aanwijzingen als bedoeld in artikel 53 van de Wet agglomeratie Eindhoven vervallen met ingang van de datum van opheffing. Artikel 5 In afwijking van het bepaalde in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003904&paragraaf=2&artikel=3&z=1994-01-01&g=1994-01-01) wordt een door de raad van de agglomeratie vastgesteld structuurplan als bedoeld in [artikel 7 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=7) geacht te zijn vastgesteld door de raden van de gemeente"},{"i":2198,"b":"Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden Samenvatting De officier van justitie kan onder meer op gronden aan het algemeen belang ontleend beslissen om niet of niet verder te vervolgen. De zaak wordt dan geseponeerd. In alle gevallen wordt het motief voor de sepotbeslissing – de sepotgrond – vastgelegd. Deze aanwijzing geeft regels voor de wijze waarop sepotgronden gehanteerd en geregistreerd worden. De bijlage bevat een opsomming van de sepotgronden, elk voorzien van een cijfercode en een toelichting. 1. Inleiding 1.1. De wijzigingen ten opzichte van de vorige aanwijzing De aanwijzing is redactioneel herzien. Ook is de bijlage aangepast. Sepotcode 04 ‘burgerlijk rechter niet bevoegd’ is na heroverweging geschrapt omdat deze geen toegevoegde waarde heeft naast de andere codes of afdoeningsmogelijkheden. Voor de overdracht van een zaak naar arrondissementsparket Oost-Nederland (om daar als militaire zaak te worden afgedaan) is niet vereist dat het overdragende parket seponeert. Bij sepotcode 58 ‘corporatie wordt vervolgd’ en sepotcode 59 ‘leidinggever wordt vervolgd’ is ter verduidelijking een toelichting opgenomen. 2. Seponeren 2.1. Niet (verder) vervolgen om technische of beleidsmatige redenen Onder **sepot** wordt in deze aanwijzing verstaan: de beslissing om niet of niet verder te vervolgen. Bij het seponeren van een strafzaak wordt onderscheid gemaakt tussen technische sepots en beleidssepots. Indien op grond van het onderzoek geconcludeerd moet worden dat niet vervolgd kan worden of een veroordeling niet haalbaar is, dan wordt geseponeerd met een ‘**technisch sepot**’. Indien een vervolging (technisch) mogelijk is, maar op gronden aan het algemeen belang ontleend onwenselijk is, dan wordt een ‘**beleidssepot**’ toegepast. In [art. 167 lid 2 Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=167) is aan het OM expliciet de bevoegdheid toegekend om van vervolging af te zien op gronden aan het algemeen belang ontleend (opportuniteitsbeginsel). Ook wanneer"},{"i":2197,"b":"Aanwijzing seksuele misdrijven Samenvatting Deze aanwijzing geeft een kader en regels voor de strafrechtelijke aanpak van seksuele misdrijven zoals genoemd in [Boek 2 Titel XIV Seksuele misdrijven van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIV) alsmede van zedenmisdrijven zoals genoemd in Boek 2 Titel XIV Misdrijven tegen de zeden, de regelgeving die tot 1 juli 2024 gold. 1. Achtergrond Uitgangspunten bij de aanpak van seksuele misdrijven respectievelijk zedenmisdrijven zijn: 1.1. Seksuele misdrijven In 2024 is de titel ‘Misdrijven tegen de zeden’ in het [wetboek van strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) vervangen door de titel ‘Seksuele misdrijven’. Waar tot 1 juli 2024 gesproken werd van zedenmisdrijven wordt in deze aanwijzing in lijn met de vernieuwde titel gesproken van ‘seksuele misdrijven’. Afhankelijk van de pleegdatum zijn de strafbaarstellingen van de oude titel dan wel de strafbaarstellingen van de nieuwe titel van toepassing. Waar de oude titel van toepassing is wordt met zedenmisdrijven hetzelfde bedoeld als met seksuele misdrijven. Seksuele misdrijven zijn ernstige schendingen van de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Een seksueel misdrijf is daarmee een ingrijpende gebeurtenis die vaak veel emoties oproept. Seksuele misdrijven zijn niet alleen ingrijpend voor slachtoffers, maar hebben ook grote impact op de omgeving van slachtoffers en de samenleving als geheel. Ook ten onrechte beschuldigd worden van een seksueel misdrijf is ingrijpend. Gedurende het opsporingsonderzoek – dat gericht is op waarheidsvinding – en de vervolging, dient rekening te worden gehouden met al deze belangen. Dit vraagt om uiterste zorgvuldigheid tijdens onderzoek en vervolging. Overal waar in deze aanwijzing gesproken wordt van slachtoffers wordt in het geval het gaat om minderjarigen ook hun wettelijk vertegenwoordigers bedoeld voor zover het gaat om rechten en plichten die slachtof"},{"i":2199,"b":"Aanwijzing slachtoffers in het strafproces Samenvatting De aanwijzing bevat een uitwerking van de taken en bevoegdheden die het openbaar ministerie heeft in relatie tot slachtoffers. In de aanwijzing staan de uitgangspunten over de verhouding tussen het openbaar ministerie en slachtoffers en de wijze waarop recht wordt gedaan aan de belangen van slachtoffers. Meer in het bijzonder bevat de aanwijzing regels over de omgang met het slachtoffer bij aangifte en het verhoor, bij vervolging en bij het onderzoek ter terechtzitting en over informatievoorziening aan slachtoffers, kennisneming van processtukken door slachtoffers, de schadebehandeling en het slachtoffer in relatie tot onderwerpen als bijstand, bemiddeling, beslag en internationale samenwerking. 1. Uitgangspunten 1.1. Recht doen aan belangen vanaf eerste contact Het openbaar ministerie doet recht aan de belangen van het slachtoffer en geeft uitvoering aan de wettelijke rechten van het slachtoffer vanaf het eerste moment dat het slachtoffer contact heeft met de politie en het openbaar ministerie.1Waar in de aanwijzing politie staat, worden ook andere opsporingsdiensten bedoeld. 1.2. Definitie slachtoffer Een slachtoffer van een strafbaar feit kan verschillende hoedanigheden hebben. Het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) kent rechten toe aan een bepaalde hoedanigheid van het slachtoffer. Die hoedanigheden zijn: slachtoffer zoals gedefinieerd in [artikel 51a Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a), benadeelde partij, rechtstreeks belanghebbende, spreekgerechtigde, klachtgerechtigde, getuige, nabestaande en familielid. Welke rechten een slachtoffer van een strafbaar feit heeft, hangt af van zijn hoedanigheid. In deze Aanwijzing wordt met slachtoffer bedoeld het slachtoffer zoals gedefinieerd in [artikel 51a Sv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a), tenzij anders aangegeven. Onder artikel 51a lid 1 onder a Sv vallen twee cate"},{"i":3604,"b":"Besluit tot intrekking aanwijzing B3 status van inactieve B3-lichamen gelet op het bepaalde in [artikel 3, tweede lid, van de Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791&artikel=3); Besluit Artikel 1 De aanwijzing van de in de bijlage genoemde inactieve lichamen in te trekken als aangewezen lichamen in de zin van [art. 2, derde lid, sub b of c van de Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791&artikel=2). Waarbij onder [art. 2, derde lid, sub b van de Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791&artikel=2) tevens bedoeld wordt de aanwijzingen van [artikel 3, eerste lid, van de Wet privatisering ABP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007791&artikel=3). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Bijlage. bij besluit 8 inactieve ABP-werkgeversnummers. Deze ABP-werkgeversnummers horen bij inactieve (onderdelen van) B3 lichamen, die eerder aangewezen zijn als overheidswerkgever in de zin van de WPA, maar op welk werkgeversnummer inmiddels geen deelnemers meer aangesloten zijn, die verplicht pensioen opbouwen bij ABP: | 5315391 | Stichting tot Beheer en Exploitatie van Accommodaties Uit Montfoort | | --- | --- | | 5315528 | BV Fryslan Milieu Zuid-West | | 5315778 | Essent Personeel Service B.V. (groep) | | 5315716 | Stichting Streekmuziekschool Alphen aan den Rijn | | 5315731 | Stichting Personeel de Stroming | | 5315594 | Twente Milieu Bedrijven BV | | 5315603 | Stadstoezicht Almelo BV | | 5315260 | Stichting Maatschappelijke Belangen |"},{"i":4479,"b":"Circulaire bezoldiging en ambtstoelage burgemeesters, wedde en (onkosten)vergoeding wethouders, (onkosten)vergoeding raads- en commissieleden per 1 januari 2013 Door middel van deze circulaire wordt u, zoals elk jaar gebruikelijk, geïnformeerd over de wijzigingen van de bedragen van de (onkosten)vergoedingen voor burgemeesters, wethouders, raadsleden en commissieleden. In deze circulaire wordt ook gesproken over de werkkostenregeling. Over de toepassing van de werkkostenregeling bent u eerder geïnformeerd bij [circulaire van 8 maart 2011, nr. 2011-40998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029757). 1. Bezoldiging burgemeesters. Op grond van [artikel 8, derde lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006743&artikel=8) wijzigt de bezoldiging van burgemeesters overeenkomstig de wijziging van de bezoldiging van het personeel in de sector Rijk. De op dit moment geldende arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor het rijkspersoneel is overeengekomen voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010. Op dit moment is er nog geen uitkomst bekend van het overleg over een nieuwe arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk. De op dit moment geldende arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor het rijkspersoneel geldt dus nog. Als een volgende overeenkomst wordt vastgesteld, informeer ik u over de gevolgen daarvan voor de bezoldiging van burgemeesters. U bent over de bezoldiging van de burgemeesters voor het laatst geïnformeerd bij [circulaire van 30 november 2010, kenmerk 2010-693951](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029057). U kunt vooralsnog uitgaan van de bezoldiging voor burgemeesters zoals beschreven in die circulaire. Voor de volledigheid vermeld ik de bezoldigingsbedragen voor burgemeesters die gelden per 1 januari 2010 en die tot de eerstvolgende wijziging blijven gelden: 2. Eindejaarsuitkeringen burgemeesters 3. Ambtstoelage burgemeesters In [artikel 16, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters](h"},{"i":4009,"b":"Besluit van 5 juni 2024, houdende aanwijzing van groepen woningzoekenden met wie een huurovereenkomst voor bepaalde tijd kan worden aangegaan (Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 april 2024, nr. 2024-0000159345; Gelet op [artikel 271, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=271) en [artikel IV van de Wet vaste huurcontracten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049266&artikel=IV); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 mei 2024 nr. W04.24.00067/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 3 juni 2024, nr. 2024-0000333682; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De categorieën van personen, bedoeld in [artikel 271, tweede lid, eerste zin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=271) zijn: - a. personen die voor hun studie tijdelijk in een andere gemeente binnen Nederland willen wonen of afkomstig zijn uit het buitenland en in Nederland studeren; - b. huurders die in verband met dringende werkzaamheden of renovatie als bedoeld in [artikel 220, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=220), hun woonruimte moeten verlaten en tijdelijk andere woonruimte moeten betrekken; - c. personen afkomstig uit maatschappelijke opvang als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke opvang 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=1.1.1), of in een sociale noodsituatie met een aantoonbaar urgente huisvestingsbehoefte; - d. huurders met wie de verhuurder een tweede-kans-huurovereenkomst aangaat; - e. personen die als nabestaande van een overleden huurder niet de huur van de woonruimte, waarin zij op het tijdstip van overlijden van die huurder hun hoofdverblijf hadden, kunnen voor"},{"i":2315,"b":"Aanwijzingsregeling centrale autoriteit in gevallen van internationale ontvoeringen van kinderen (3) Overwegende dat artikel 4, eerste lid, van de Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, uitvoering van het op 25 oktober 1980 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, alsmede algemene bepalingen met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van ontvoerde kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan (Stb. 202), voorschrijft dat Onze Minister van Justitie bij in de Nederlandse Staatscourant openbaar te maken besluit de onder zijn Ministerie ressorterende dienst aanwijst, welke wordt belast met de taak van centrale autoriteit, bedoeld in artikel 2 van het Europese verdrag en in artikel 6 van het Haagse verdrag en tevens met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst; Besluit: Artikel I De Directie Preventie, Jeugd en Sanctiebeleid, stafbureau Juridische Zaken, wordt aangewezen als centrale autoriteit, belast met de uitvoering van de in het Europese verdrag en het Haagse verdrag bedoelde taken en tevens met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst. Artikel II Dit besluit werkt terug tot 1 januari 1998. Met ingang van datzelfde tijdstip vervalt het besluit, kenmerk 511387/95/JR, van 23 augustus 1995. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":3527,"b":"Besluit van 25 augustus 2009, houdende regels betreffende de inrichting van en de onafhankelijke bijstandsverlening door antidiscriminatievoorzieningen alsmede de verslaglegging over de door de antidiscriminatievoorziening geregistreerde klachten door gemeenten (Besluit gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 juni 2009 (nr. 2009-0000340189), gedaan mede namens Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie; Gelet op de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026168&artikel=2), en [3, tweede lid, van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026168&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 22 juli 2009, nr. W04.09.0236/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 augustus 2009, nr. 2009-0000425051, uitgebracht mede namens Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **antidiscriminatievoorziening:** antidiscriminatievoorziening als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026168&artikel=1); - b. **beklaagde:** degene tegen wie de klacht is gericht; - c. **klacht:** klacht als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026168&artikel=2); - d. **klachtbehandelaar:** persoon, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een antidiscriminatievoorziening, die onafhankelijke bijstand verleent bij de afwikkeling van klachten; - e. **klager:** persoon die een klacht wil indienen of heeft ingediend; - f. **wet:** [Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026168). Artikel 2 1. Een klachtbehandelaar is niet tevens lid van het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, voor zover hij werkzaam is onder de verantwoor"},{"i":4816,"b":"Besluit van het Hoofd Bedrijfsvoering van de Justitiële Informatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 4 februari 2022, nr. Alg. 6261, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder het hoofd ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit Bedrijfsvoering Justid 2022) Besluit: Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit Justid 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046430&artikel=1) aan het Hoofd Bedrijfsvoering van de Justitiële Informatiedienst verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdeel betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de manager Financiën; - b. de manager Juridisch Cluster; - c. de manager Stafbureau. Artikel 2 Het [Mandaatbesluit Strategie en Middelen Justid 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036931), evenals het [Mandaatbesluit manager Stafbureau 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036930) en het [mandaatbesluit teamleider Stafbureau 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036929) worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2021. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Bedrijfsvoering Justid 2022. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5303,"b":"Regeling bezwaarschriftenprocedure Awb NVAO Gelet op [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13); Overwegende dat het wenselijk is een adviescommissie in te stellen voor de behandeling van bezwaarschriften tegen voor bezwaar vatbare besluiten van het bestuur van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO), voor zover deze besluiten betrekking hebben op de Nederlandse rechtsorde; BESLUIT De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Stb. 1992, 315, zoals nadien gewijzigd); - b. **NVAO:** als bedoeld in [artikel 1.1 onder p van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1) (Stb. 2002, 302, zoals nadien gewijzigd) in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs, met bijlage; Den Haag 3 september 2003 (Trb 2003, 167, als nadien gewijzigd); - c. **bureau van de NVAO:** de ambtelijke ondersteuning van de NVAO; - d. **de commissie:** adviescommissie als bedoeld in [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13); - e. **voorzitter:** de voorzitter van de commissie; - f. **secretaris:** de secretaris dan wel adjunct-secretaris als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047857&artikel=4&z=2023-01-01&g=2023-01-01); - g. **bezwaar:** een bezwaar als bedoeld in [artikel 7:1 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1); - h. **bezwaarschrift:** een bezwaarschrift als bedoeld in [artikel 6:5 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5) (vormvereis"},{"i":2329,"b":"Beleidsregel van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister en Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister voor Natuur en Stikstof, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Justitie en Veiligheid van 19 december 2023, nr. NVWA/2023/5424, tot vaststelling van het algemene toezichts- en interventiekader voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Algemeen interventiebeleid NVWA 2024) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 25 van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25), [artikel 18.4 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.4), [artikel 13 van de Tabaks- en rookwarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=13), [artikel 41 van de Alcoholwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458&artikel=41), [artikel 100 van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=100), [artikel 8 van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=8), [artikel 8.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1), [artikel 47 van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=47), [artikel 22 van de Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194&artikel=22), [artikel 82 van de Wet gewasmiddelenbescherming en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=82), [artikel 54a van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=54a), [artikel 48a van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=48a), [artikel 15 van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":2334,"b":"Algemene aanwijzingen aangelegenheden ministerraad en onderraden Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde [Algemene aanwijzingen inzake aangelegenheden van de ministerraad en onderraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005471) worden vastgesteld. Artikel 2 De [Algemene aanwijzingen inzake aangelegenheden van de ministerraad en onderraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005471) van 16 februari 1983, nr. 328927a worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 1992. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst. Algemene aanwijzingen inzake aangelegenheden van de ministerraad en onderraden, vastgesteld bij besluit van de Minister-President, handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad A. Taak en werkwijze van de ministerraad (algemeen) 1 In het eerste lid van artikel 4 van het Reglement van Orde (RvO) van de ministerraad (Stb. 1979, 264) is geregeld dat de ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en de eenheid van dat beleid bevordert. Volgens de nota van toelichting bij het RvO is aan de interpretatie van de raad zelf overgelaten wat onder algemeen regeringsbeleid dient te worden verstaan. Wel zijn in het tweede lid van artikel 4 verscheidene onderwerpen opgesomd die in ieder geval in de raad moeten worden behandeld. De tekst van artikel 4 luidt als volgt: - 1. De Raad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid. Hij bevordert de eenheid van dat beleid. - 2. Te dien einde beraadslaagt en besluit de Raad onder meer: - a. over de ontwerpen van rijkswet en van wet en over de ontwerpen van algemene maatregelen van rijksbestuur en van bestuur alvorens deze de Raad van State worden toegezonden. Tenzij de spoed die de behandeling mocht vereisen nader overleg in de Raad niet toelaat, beraadslaagt de raad opnieuw indien een ontwerp belangrijk wordt gewijzigd of hetgeen bij de verdere be"},{"i":5265,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 december 2015 nr. DB 2015/451 tot aanwijzing van rechtsgebieden ten behoeve van de eerste identificatie van financiële rekeningen met het oog op de automatische uitwisseling van inlichtingen op basis van de Common Reporting Standard (Regeling aanwijzing rechtsgebieden Common Reporting Standard) Gelet op [artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469&artikel=11); Besluit: Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469&artikel=11). Artikel 2. Definitiebepaling Deze regeling verstaat onder besluit: [Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469). Artikel 3. Aanwijzing rechtsgebieden Als rechtsgebieden als bedoeld in [artikel 11 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037469&artikel=11) worden aangewezen: Albanië, Andorra, Anguilla, Antigua en Barbuda, Argentinië, Armenië, Aruba, Australië, Azerbeidzjan, Bahamas, Bahrein, Barbados, België, Belize, Bermuda, Brazilië, Britse Maagdeneilanden, Brunei Darussalam, Bulgarije, Canada, Chili, China, Colombia, Cook Eilanden, Costa Rica, Curaçao, Cyprus, Denemarken, Dominica, Duitsland, Ecuador, Estland, Faröer Eilanden, Finland, Frankrijk, Georgië, Ghana, Gibraltar, Grenada, Griekenland, Groenland, Guernsey, Hongarije, Hong Kong, Ierland, IJsland, India, Indonesië, Israël, Italië, Jamaica, Japan, Jersey, Kaaimaneilanden, Kameroen, Kazachstan, Kenia, Koeweit, Korea, Kroatië, Letland, Libanon, Liberia, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Macau, Malediven, Maleisië, Malta, Isle of Man, Marokko, Marshall Eilanden, Mauritius, Mexico, Moldavië, Monaco, Mongolië, Montenegro, Montserrat, Nauru, Nieuw-Caledoni"},{"i":3878,"b":"Besluit van 10 april 2010, houdende nadere regels voor subsidiëring van cultuuruitingen (Besluit op het specifiek cultuurbeleid) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 november 2009, nr. WJZ/164386 (8253), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 8, eerste lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=8); De Raad van State gehoord (advies van 23 december 2009, nr. W05.09.0464/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 maart 2010, nr. WJZ/199438 (8253), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Subsidies ten behoeve van cultuuruitingen Artikel 1 1. Onze Minister kan ten behoeve van cultuuruitingen als bedoeld in [artikel 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=4) projectsubsidies verstrekken. 2. Een projectsubsidie is een subsidie die anders dan per boekjaar wordt verstrekt. Artikel 2 Een subsidie of een specifieke uitkering als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&hoofdstuk=2&artikel=5&z=2017-04-11&g=2017-04-11) ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in [artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:34). Artikel 3 1. Onze Minister kan subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende categorieën van activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt. 2. Als Onze Minister een subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid vaststelt, wordt tegelijkertijd vermeld op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld. Artikel 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot subsidieverstrekking als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027600&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2017-04-11&g=2017-"},{"i":2550,"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 6 juni 2012, nr. 267278, houdende vaststelling van beleidsregels inzake schelpdierverplaatsingen Gelet op [artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641&artikel=19d); Besluit: Hoofdstuk I. Definities Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Economische Zaken; - **probleemsoorten:** een soort waarvan op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis kan worden aangenomen dat deze een significant negatief effect kan hebben voor de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied. Hoofdstuk II. Importvoorwaarden Oosterschelde Artikel 2 De minister kan voor het importeren en uitzaaien in de Oosterschelde van mariene schelpdieren een vergunning op grond van [artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=2.7) verlenen als is voldaan aan de volgende voorwaarden: - 1. De vergunningaanvraag heeft betrekking op mariene schelpdieren afkomstig uit kustgebieden uit OSPAR regio II (Noordzee) en regio III (Keltische zee). - 2. Er is aangetoond dat voldoende maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat probleemsoorten levend in de Oosterschelde terecht kunnen komen. - 3. Er is gebruik gemaakt van een integrale risicobeoordeling en er zijn kritische beheerspunten opgesteld in een control- en managementplan. - 4. Het control- en managementplan bevat een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie van het herkomstgebied waaruit blijkt dat er geen probleemsoorten voor het importgebied in het herkomstgebied zijn aangetroffen. - 5. Onderdeel van het control- en managementplan is een retrospectieve monitoring om te bewaken dat er toch geen probleemsoorten zijn of worden geïntroduceerd in het importgebied. - 6. Indien uit de retrospectieve monitoring blijkt dat probleemsoorten of in potentie probleemsoorten worden gevonden dan dienen er corrigerende maa"},{"i":9852,"b":"Wet van 30 oktober 2007 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van richtlijn markten voor financiële instrumenten (Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) te wijzigen in verband met de implementatie van [richtlijn nr. 2004/39/EG](32004L0039) van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de [Richtlijnen nr. 85/611/EEG](31985L0611) en [93/6/EEG](31993L0006) van de Raad en van [Richtlijn nr. 2000/12/EG](32000L0012) van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van [Richtlijn 93/22/EEG](31993L0022) van de Raad (PbEU L 145), [richtlijn nr. 2006/73/EG](32006L0073) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van [Richtlijn 2004/39/EG](32004L0039) van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PbEU L 241) en [verordening nr. 1287/2006](32006R1287) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van [Richtlijn 2004/39/EG](32004L0039) van het Europese Parlement en de Raad wat de voor beleggingsonderneming geldende verplichtingen betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn betreft (PbEU L 241); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzig"},{"i":3468,"b":"Besluit van 21 februari 1972, tot uitvoering van artikel 11a der Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 12 januari 1972, Afdeling Buitengewone Pensioenen en Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (A.O.R.), nr. U 7310, mede namens Onze Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Sociale Zaken; Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=3), [11**a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=11a) en [46 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=46) (**Stb.** 1947, H 313); Gezien de adviezen van de Buitengewone Pensioenraad en de Stichting 1940-1945; De Raad van State gehoord (advies van 26 januari 1972, nr. 16); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris voornoemd van 18 februari 1972, nr. 7563; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: de wet: de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) (**Stb.** 1986, 575); Onze Minister: Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); de belanghebbende: de deelnemer aan het verzet in de zin van [artikel 1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=1), alsmede degene die behoort tot een van de categorieën van personen, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet. Artikel 2 De behandeling en verpleging als bedoeld in artikel 11**a** der wet, omvat naast genees- en heelkundige voorzieningen, voorzieningen van medisch-sociale aard alsmede al hetgeen geacht kan worden dienstig te zijn voor het herstel, het behoud of de bevordering van de geschiktheid tot werken, voor zover die geschiktheid is v"},{"i":3496,"b":"Besluit van 19 februari 1990, ter uitvoering van artikel 951f van het Wetboek van Koophandel Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 20 oktober 1989, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 543/689; Gelet op [artikel 951**f** van het Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=951f); De Raad van State gehoord (advies van 21 december 1989, no. W03.89.0613); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 8 februari 1990, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 5439/690; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het bedrag van het in [artikel 951**f** van het Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838&artikel=951f) genoemde fonds beloopt - a. wanneer het vorderingen betreft terzake van dood of letsel die niet zijn vorderingen als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004716&artikel=2&z=1995-02-01&g=1995-02-01) (personenfonds): - 1°. voor een schip, niet bestemd tot het vervoer van zaken, in het bijzonder een passagiersschip, 200 rekeneenheden per kubieke meter waterverplaatsing tot het vlak van de grootst toegelaten diepgang, vermeerderd voor schepen voorzien van mechanische voortbewegingswerktuigen met 700 rekeneenheden voor elke kilowatt van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen; - 2°. voor een schip dat is bestemd voor het vervoer van zaken, 200 rekeneenheden per ton laadvermogen van het schip, vermeerderd voor schepen voorzien van mechanische voortbewegingswerktuigen met 700 rekeneenheden voor elke kilowatt van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen; - 3°. voor een duw- of sleepboot, 700 rekeneenheden voor elke kilowatt van het vermogen van de voortbewegingswerktuigen; - 4°. voor een duwboot die op het tijdstip waarop de schade is veroorzaakt, hecht met duwbakken in een duweenheid was gekoppeld, wordt het overeenkomstig 3° berekende bedrag vermeerderd met 100 rekeneenheden per ton laadvermogen van de geduwde bakken; deze"},{"i":5299,"b":"Regeling beperking geluidhinder oefen- en testvluchten militaire op afstand bestuurde luchtvaartuigen Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu; Gelet op [artikel 2 van het Besluit houdende vaststelling van enige regels ter beperking van de geluidhinder door luchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003404&artikel=2) (Stb. 1981, 343); Besluit: Artikel 1. Definitie In deze regeling wordt verstaan onder RPA: op afstand bestuurd luchtvaartuig (remotely piloted aircraft), onbemand. Artikel 2. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op oefen- en testvluchten met militaire RPA’s, behorende tot of in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die worden gelanceerd met behulp van een mobiele lanceerinstallatie. Artikel 3. Uitvoering van vluchten Voor het uitvoeren van oefen- en testvluchten met militaire RPA’s gelden de volgende regels ter beperking van geluidhinder: - a. het uitvoeren van oefen- en testvluchten is niet toegestaan op werkdagen na 00.00 uur plaatselijke tijd tot 07.00 uur plaatselijke tijd of zoveel eerder als de uniforme daglichtperiode aanbreekt, en op vrijdagen na 17.00 uur plaatselijke tijd, zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen; - b. het aantal uit te voeren vliegtuigbewegingen op maandag tot en met donderdag na 18.00 uur plaatselijke tijd is beperkt tot maximaal vier vliegtuigbewegingen per dag per oefening dan wel test; - c. de locaties waar de lancering en de landing plaatsvinden, liggen op minimaal 350 meter van woonbebouwing; - d. de startrichting wordt zodanig gekozen dat tot aan het bereiken van de minimum vlieghoogte, bedoeld in deel 3, hoofdstuk 1, en deel 5 van de bijlage bij Verordening (EU) [nr. 923/2012](32012R0923) van de Commissie van 26 september 2012 tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures"},{"i":2397,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 8 september 2025, nr. WJZ/ 98207351, over de beoordeling van aanvragen van certificaten voor handel binnen de Europese Unie en van aanvragen van uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten voor in gevangenschap geboren en gefokte tijgers en tijgerproducten (Beleidsregel certificaten EU-handel, uitvoer en wederuitvoer tijgers en tijgerproducten) Gelet op de artikelen 4, eerste en vijfde lid, 5, eerste en derde lid, en 8, eerste en derde lid, van [verordening (EG) nr. 338/97](31997R0338) inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997 L 61), de [artikelen 11.25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.25), en [11.93, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=11.93), [artikel 3.69, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041313&artikel=3.69) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **CITES-basisverordening:** [Verordening (EG) nr. 338/97](31997R0338) inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61); - **CITES-uitvoeringsverordening:** [Verordening (EG) nr. 865/2006](32006R0865) houdende uitvoeringsbepalingen van [Verordening (EG) nr. 338/97](31997R0338) van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166); - **derde land:** land, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; - **dierentuinrichtlijn:** [Rich"},{"i":6308,"b":"Wet van 7 november 2018, houdende regels met betrekking tot het verlenen van trustdiensten en het toezicht daarop (Wet toezicht trustkantoren 2018) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels met betrekking tot het toezicht op trustkantoren te herzien, door een uitbreiding van de normen inzake de integere en beheerste bedrijfsvoering van trustkantoren, een aanscherping van de verplichtingen inzake het verrichten van cliëntenonderzoek en het uitbreiden van het instrumentarium voor toezicht en handhaving, en daartoe de [Wet toezicht trustkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016189) te vervangen, ten einde de integriteit van het financiële stelsel in Nederland te bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **algemene verordening gegevensbescherming:** verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046) (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, 119); - **belastingadvies:** adviseren over de opzet, inrichting of werking van structuren van rechtspersonen en vennootschappen gericht op de toepassing van internationaal en nationaal belastingrecht; - **bijkantoor:** duurzaam in een andere staat dan de staat van de zetel aanwezig onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid van een trustkantoor; - **cliënt:** natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap met wie een zakelijke relatie wordt aangegaan of die een trustdienst laat verric"},{"i":4129,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 juni 2024, nr. WJZ/46649123, houdende vaststelling van beleidsregels inzake subsidiëring ter stimulering van de onderzoeksinfrastructuur voor E-RIHS voor cultuurgoederen in Nederland (Besluit vaststelling Beleidskader subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS cultuurgoederen) Gelet op [artikel 7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.1) juncto [artikel 7.7, tweede lid, van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=7.7) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Vaststellen beleidskader Het Beleidskader subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS cultuurgoederen wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Subsidieplafond 1. Voor subsidieverstrekking op grond van dit besluit is in 2024 in totaal een bedrag van € 300.000,– beschikbaar. 2. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verdeelt het beschikbare bedrag door middel van een onderlinge afweging van de aanvragen aan de hand van de in de bijlage bij dit besluit opgenomen afwegingscriteria. Artikel 3. Afwijkingen [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) 1. In afwijking van [artikel 3.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=3.1) wordt de subsidie op grond van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049953&artikel=1&z=2024-07-10&g=2024-07-10) bedoelde beleidskader aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat is bekendgemaakt op [https://www.cultureelerfgoed.nl](https://www.cultureelerfgoed.nl). 2. In afwijking van [artikel 9.1, vierde lid, onderdeel a, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":4631,"b":"Herziening besluit inzake overdracht van aandelen in het kader van een kasgeld- c.q. holdingconstructie De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. 1. Kasgeldbeleid In het Besluit van 27 juni 1986, nr. 286-9356, Infobulletin 86/378, is het zogenoemde kasgeldbeleid gepubliceerd. Het aldaar geformuleerde beleid heeft betrekking op constructies waarbij aandeelhouders, met behoud van hun belang bij de onderneming van de vennootschap, na afsplitsing van de reserves in een zogenoemde kasgeldvennootschap zich die reserves doen toekomen door middel van de verkoop van de aandelen in de kasgeldvennootschap aan een onafhankelijke derde. Naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 11 juli 1990, rolnrs. 25 579, 25 655, 25 687 en 26 306, BNB 1990/290* tot en met 293*, is het Besluit inzake overdracht van aandelen in het kader van een kasgeld- c.q holdingconstructie van 13 juni 1991, nr. DB91/2743 (nr. 1.51.67), BNB 1991/216, uitgevaardigd. Vervolgens is dit Besluit herzien bij het Besluit van 23 februari 1993, nr. DB93/84, BNB 1993/131. 2. Arresten Op 11 juli 1990 heeft de Hoge Raad de arresten BNB 1990/290* (rolnr. 25 579) en BNB 1990/293* (rolnr. 26 306) gewezen. In deze arresten heeft de Hoge Raad onder meer beslist dat het leerstuk van de wetsontduiking kan worden toegepast op kasgeldconstructies. Het kasgeldbeleid houdt in dat met toepassing van genoemd leerstuk in deze gevallen wordt geconstateerd dat inkomsten uit vermogen zijn genoten. Met betrekking tot het tarief geldt ingevolge deze arresten voor de met toepassing van het leerstuk van de wetsontduiking genoten inkomsten het volgende. Indien alle aandelen in een kasgeldvennootschap worden vervreemd, dient in het algemeen de vervreemding voor wat betreft het tarief te worden behandeld als een naar het (hoge) bijzondere tarief van artikel 57, eerste lid, letter f, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1995; hierna: de Wet) te belasten liquidatie dan wel als een naar het (hoge) bijzond"},{"i":3750,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 27 september 2021, nr. WJZ/ 19262804, houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging voor het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Nederlandse Emissieautoriteit 2021) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), [artikel 3:60 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=60) en [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Gezien de schriftelijke instemming van het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit; Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **CAO Rijk:** de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren, werkzaam binnen de sector Rijk; - **Minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **NEa:** de Nederlandse Emissieautoriteit; - **P&O-aangelegenheden:** aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget. § 2. Mandaat, volmacht en machtiging Artikel 2 Aan het bestuur van de NEa wordt mandaat verleend voor het verlenen van instemming voor deelname aan projectactiviteiten, als bedoeld in [artikel 16.46b van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.46b). Artikel 3 1. Aan het bestuur van de NEa wordt volmacht en machtiging verleend voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en daarmee samenhangende handelingen op zijn werkterrein, waaronder begrepen P&O-aangelegenheden. 2. Aan het bestuur van de NEa wordt volmacht en machtiging verleend voor het inschrijven van de Dienst Ne"},{"i":2489,"b":"Beleidsregel tot vaststelling van voorwaarden die gelden tijdens de overgangsperiode na afloop van de proef met langere of langere en zwaardere vrachtautocombinaties voor ontheffingen verleend ten tijde van die proef (Beleidsregel overgangsperiode proef ontheffingverlening LZV) Gelet op [artikel 149a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), het [Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018680), het [Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098) en de [Beleidsregel ontheffingverlening LZV 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019724); Besluiten: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. proef LZV: de met ingang van 16 januari 2004 tot en met 31 oktober 2006 geldende proef met langere of langere en zwaardere vrachtautocombinaties op grond van de [Beleidsregel ontheffingverlening LZV 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019724) en het [Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098); - b. deelnemer aan de proef: aanvrager voor deelname aan de proef LZV met een of meer vrachtautocombinaties waarvoor door de Ambtelijke adviescommissie LZV een positief advies is gegeven als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016098&artikel=4). Artikel 2 De Dienst Wegverkeer zal een of meer ontheffingsbesluiten van een deelnemer aan de proef LZV onder de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020292&artikel=3&z=2006-09-21&g=2006-09-21) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020292&artikel=4&z=2006-09-21&g=2006-09-21) geformuleerde voorwaarden verlengen tot 1 november 2007 indien: - a. de deelnemer aan de proef LZV uiterlijk 30 september 2006 per aangevraagd ontheffingsbesluit schriftelijk aan de Ambtelijke advi"},{"i":6921,"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 878, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES Artikel 1 1. Als ambtenaren, bedoeld bij [artikel 878, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=878) worden voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba de betrokken gezaghebber of een door deze aan te wijzen ambtenaar aangewezen. 2. Bewijzen van onvermogen voor op andere dan in het eerste lid van dit artikel genoemde plaatsen wonende, in [artikel 876 van genoemd Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=876) bedoelde personen worden door de daartoe bevoegde macht hunner woonplaats afgegeven en door de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg op het betrokken eiland voor gezien getekend. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ter uitvoering van artikel 878, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES."},{"i":6914,"b":"Besluit van 22 augustus 1957, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, ter uitvoering van artikel 9 van de Wet verplaatsing bevolking Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie van 8 juli 1957, no. U 10017, Directie Openbare Orde en Veiligheid, Afdeling Algemene Zaken, Bureau Juridische Zaken; Gelet op [artikel 9 van de Wet verplaatsing bevolking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097&artikel=9); De Raad van State gehoord (advies van 30 juli 1957, no. 34); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie van 9 augustus 1957, no. 10130, Directie Openbare Orde en Veiligheid, Afdeling Algemene Zaken, Bureau Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: - a. \"Onze Minister\": de Minister van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie; - b. \"verplaatste personen\": de personen die ingevolge de [Wet verplaatsing bevolking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002097) zijn verplaatst, alsmede degenen die tot het gezin van een verplaatste persoon komen te behoren. Artikel 2 1. Onze Minister kan bepalen, dat tot registratie van verplaatste personen wordt overgegaan, dan wel, dat de bestaande registratie wordt beëindigd. 2. Hij stelt regelen met betrekking tot deze registratie, de bijhouding van de aan te leggen registers en het verstrekken van inlichtingen uit die registers. 3. De in het tweede lid bedoelde registers maken geen deel uit van de basisregistratie personen. Artikel 3 Onze Minister kan bepalen, dat in alle of in door hem aan te wijzen gemeenten, op de door hem aan te geven wijze, een onderzoek wordt ingesteld naar de aanwezigheid in en de afwezigheid uit de gemeenten van verplaatste personen. Artikel 4 Wanneer Onze Minister heeft bepaald, dat tot registratie wordt overgegaan, is ieder"},{"i":3926,"b":"Besluit van 18 maart 1994, houdende regels inzake de erkenning van en de verstrekking van subsidies aan particuliere participatiemaatschappijen Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 24 november 1993, nr. WJA/JZ 93088661; Gelet op artikel 2 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ; De Raad van State gehoord (advies van 15 februari 1994, nr. W10.93 0777); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde minister van 14 maart 1994, nr. WJA/JZ 94020460; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. bank: de Nederlandsche Bank N.V.; - b. accountant: een accountant als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393); - c. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden, - 1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect: - -. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan, - -. volledig aansprakelijk vennoot is van of - -. overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en - 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen. Artikel 2 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder een participatie verstaan: - a. de aandelen in het kapitaal van een vennootschap die de particuliere participatiemaatschappij rechtstreeks van de vennootschap uit een en dezelfde emissie heeft verkregen: - 1°. tegen volstorting van die aandelen in geld, - 2°. door omzetting van een participatie, als bedoeld in onderdeel **b**, die is geregistreerd als bedoeld in [artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006526&hoofdstuk=3&artikel=15&z=2009-07-01&g=2009-07-01), of een deel daarvan, of - 3°. door omzetting van een met het oog op de verkrijging van die aandelen door de particuliere participatiemaatschappij aan de vennootschap, of aan de v"},{"i":3630,"b":"Besluit van 17 november 1993, houdende regels voor het verhaal van kosten van invordering van kinderalimentaties Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 24 september 1993, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 395202/93/6; Gelet op [artikel 408, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=408); De Raad van State gehoord, advies van 26 oktober 1993, no. W03.93.0643; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 5 november 1993, nr. 406755/93/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Onverminderd de kosten van gerechtelijke vervolging en executie, geschiedt het verhaal van kosten van invordering van een uitkering, bedoeld in [artikel 408 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=408), door verhoging van die uitkering, zoals deze is vastgelegd in een rechterlijke beslissing, met een bedrag per maand van € 19,00 dan wel vijftienhonderdste deel van de uitkering, indien het deel meer is dan € 19,00. 2. Indien door een onderhoudsgerechtigde of door een onderhoudsplichtige ten behoeve van meer dan één minderjarige of meerderjarige die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt, een verzoek tot invordering van de uitkering is gedaan, wordt het verhaal van kosten overeenkomstig het eerste lid berekend over het totale bedrag van de uitkeringen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de wet houdende wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de advisering over en inning van kinderalimentaties in werking treedt. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties en partneralimentaties. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":3801,"b":"Besluit van 14 januari 2021, houdende regels in verband met de onafhankelijke uitoefening van het toezicht door de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (Besluit onafhankelijke uitoefening toezicht Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 juli 2020, kenmerk 1652649-202330-WJZ; Gelet op [artikel 24, tweede lid van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=24); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 september 2020, no. W13.20.0282/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 januari 2021, kenmerk 1652643-202330-WJZ;. Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 22 maart 2017 tot wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen en de Geneesmiddelenwet in verband met de uitvoering van verordening 536/2014 op het gebied van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik in werking treedt (Stb. 2017/147). Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **ondersteunende taak:** taak, bedoeld in [artikel 17a, eerste lid, onderdeel e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=17a); - **toezichttaak:** taak, bedoeld in [artikel 24, eerste lid, eerste volzin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408&artikel=24); - **wet:** [Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009408). Artikel 2 De centrale commissie draagt ervoor zorg dat de ondersteunende taak en de toezichthoudende taak gescheiden van elkaar worden uitgevoerd. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit onafhankelijke uitoefening toezicht Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 22 maart 2017 tot wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk ond"},{"i":2908,"b":"Besluit van 17 december 2025 tot wijziging van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart in verband met enkele aanpassingen ten aanzien van de bewijzen van bevoegdheid voor ASO en FISO (Besluit aanpassingen eisen voor ASO’s en FISO’s) [KetenID WGK026305] Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 7 september, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie, nr. IenW/BSK-2025/205360, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.2), en [2.3, zesde lid, van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=2.3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 oktober 2025, nr. W17.25.00263/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 15 december 2025, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie, nr. IenW/BSK-2025/287271, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart. Artikel II Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanpassingen eisen voor ASO’s en FISO’s. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":8350,"b":"Administratief Akkoord tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Bangladesh inzake het project \"Char Development and Settlement Project III (CDSP III)\" Inwerkingtreding voorheen volgens Trb. 2006/23 gesteld op 30 juni 2009. Article I. (The Project) Vervallen Article II. (The contribution by the Netherlands Party) Vervallen Article III. (The contribution by the Bangladesh Party) Vervallen Article IV. (The Executive Authorities) Vervallen Article V. (Delegation) Vervallen Article VI. (The CTA/TL) Vervallen Article VII. (The Schedule of Operations) Vervallen Article VIII. (Status of the Netherlands Staff) Vervallen Article IX. (Equipment and Materials) Vervallen Article X. (Reporting) Vervallen Article XI. (Evaluation) Vervallen Article XII. (Settlement of disputes) Vervallen Article XIII. (Entry into force and duration) Vervallen DONE at Dhaka on 27 September 2005 in two originals in the English language both texts being equally autentic. **For and on behalf of the Netherlands Minister for Development Co-operation** K. BEEMSTERBOER Ambassador Embassy of the Kingdom of The Netherlands Dhaka **For and on behalf of the Government of the People’s Republic of Bangladesh, the Economic Relations Division of the Ministry of Finance** S. ISLAM Joint Secretary"},{"i":7956,"b":"Aanwijzing opsporingsambtenaren Wet Ziekenhuisvoorzieningen Gelet op de [artikelen 1, onder 4, en 17, eerste lid, onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1), Besluit: in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, - 1. de regionale geneeskundige inspecteurs van de Volksgezondheid en de regionale geneeskundige inspecteurs voor de geestelijke volksgezondheid aan te wijzen als ambtenaren, belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gesteld bij of krachtens de [Wet Ziekenhuisvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002753), voorzover deze overtredingen economische delicten zijn in de zin van [artikel 1 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=1); - 2. te bepalen, dat deze beschikking zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant en in werking zal treden met ingang van de dag volgende op die der bekendmaking."},{"i":6289,"b":"Wet van 4 juni 2010 tot samenvoeging van de gemeenten Margraten en Eijsden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Margraten en Eijsden samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Margraten en Eijsden opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Eijsden-Margraten ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Margraten en Eijsden zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Eijsden-Margraten wordt de op te heffen gemeente Margraten aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Margraten en Eijsden wordt de nieuwe gemeente Eijsden-Margraten aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit en gas. Artikel 5 1. Voor de nieuwe gemeente Eijsden-Margraten wordt e"},{"i":7967,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 1 december 2022, nr. 4297634, houdende een eenmalige specifieke uitkering voor de pilotgemeenten in verband met de bekostiging van de pilot Landelijke Vreemdelingen Voorziening in 2022 (Bekostigingsregeling pilot Landelijke Vreemdelingen Voorziening 2022) Gelet op [artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; - b. **LVV:** Landelijke Vreemdelingen Voorziening, een begeleidings- en onderdakvoorziening die tot doel heeft bestendige oplossingen te vinden voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang; - c. **pilotgemeente:** de gemeente waar op grond van de respectievelijke ‘convenanten pilot-LVV’ een LVV-pilot wordt uitgevoerd, te weten Amsterdam, Eindhoven, Groningen, Rotterdam en Utrecht. Artikel 2. Verstrekking van een specifieke uitkering De Staatssecretaris verstrekt een eenmalige specifieke uitkering aan een pilotgemeente ten behoeve van de bekostiging van de LVV-pilot over 2022. Artikel 3. Hoogte van de uitkering De hoogte van de specifieke uitkering, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047582&artikel=2&z=2022-12-07&g=2022-12-07), is als volgt: - a. Amsterdam: € 5.090.000; - b. Eindhoven: € 1.945.000; - c. Groningen: € 4.330.000; - d. Rotterdam: € 1.660.000; - e. Utrecht: € 3.275.000. Artikel 4. Voorschot Uiterlijk op 31 december 2022 wordt aan de pilotgemeenten een voorschot betaald van 100% van de specifieke uitkering. Artikel 5. Voorwaarden De gemeenten besteden de specifieke uitkering gedurende de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 aan de bekostiging van de LVV-pilot. Artikel 6. Verantwoording en vaststelling 1. De gemeenten nemen de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie"},{"i":7981,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 oktober 2003, Z/P-2420993, houdende aanpassing en normering in bekostiging van huisartsendienstenstructuren Gelet op [artikel 13, eerste lid, van de Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356&artikel=13); Gehoord het College tarieven gezondheidszorg (CTG), (brief van 28 augustus 2003, kenmerk VM/es/V/550 vastgesteld in de vergadering van 25 augustus 2003); Na schriftelijke mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (brief van 24 september 2003, kenmerk Z/P- 2411233). Besluit: Artikel 1 Het CTG dient voor de prestaties van instellingen zoals bedoeld in artikel 29 c van het [Besluit werkingsfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342) per 1 juli 2004 beleidsregels vast te stellen waarmee overgegaan wordt tot genormeerde (maximum-)tarieven, zodanig dat tevens nacalculatie van mogelijke over/onderdekking van de infrastructurele kosten per gelijke datum wordt beëindigd. Artikel 2 Het CTG stelt voor de prestaties van instellingen zoals bedoeld in artikel 29 c van het [Besluit werkingsfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342) zodanige beleidsregels vast dat dit in totaliteit resulteert in een budgetverlaging van gemiddeld 5 % per 1 januari 2004. Hierbij wordt uitgegaan van een macrobedrag voor het infrastructurele deel ad 116 miljoen euro. Artikel 3 Het CTG stelt voor de prestaties van instellingen zoals bedoeld in artikel 29 c van het [Besluit werkingsfeer WTG 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005342) per 1 juli 2004 zodanige beleidsregels vast dat de totaal aanvaardbare kosten van 68 miljoen euro (niveau 2001) voor infrastructuur en 98,1 miljoen euro voor honorarium (niveau 2003), beide te indexeren naar niveau 2004, niet worden overschreden. Artikel 4 In de bedoelde beleidsregel ter uitvoering van onderhavige beleidsregel wordt bepaald dat het CTG bij het ontbreken van een verzoek"},{"i":4091,"b":"Besluit van 23 november 1972, tot uitvoering van artikel 2, achtste lid van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (aanwijzing van landen) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 5 oktober 1972, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 495/672; Gelet op [artikel 2, achtste lid, der Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 10 oktober 1972, nr. 13); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 13 november 1972, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 569/672; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415); - b. richtlijn: [Richtlijn 2009/103/EG](32009L0103) van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PbEU 2009, L 263), zoals gewijzigd. Artikel 2 Ter uitvoering van [artikel 2, achtste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=2) worden aangewezen de landen: a. Andorra; b. België; c. Bondsrepubliek Duitsland; d. Bosnië en Herzegovina; e. Bulgarije; f. Cyprus; g. Denemarken, met inbegrip van de Faeröer; h. Estland; i. Finland; j. Frankrijk en Monaco; k. Griekenland; l. Hongarije; m. Ierland; n. Italië, San Marino en Vaticaanstad; o. Kroatië; p. Letland; q. Litouwen; r. Luxemburg; s. Malta; t. Montenegro; u. Noorwegen; v. Oostenrijk w. Polen; x. Portugal; y. Roemenië; z. Servië; aa. Slovenië; bb. Slowaakse Republiek; cc. Spanje; dd. Tjechische Republiek; ee. Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland, de Kanaaleilanden, het eiland Man en Gibraltar; ff. IJsland; gg. Zweden; hh. Zwitserland en Liechtenstein. Artikel 3 1. Van"},{"i":3019,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 27 juni 2018, nr. WJZ/18139565, houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Besluit aanwijzing toezichthouders Wet bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken) Gelet op [artikel 32, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=32); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen, bedoeld in [artikel 32, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040728&artikel=32), worden aangewezen de ambtenaren met de functiebenamingen coördinerend/specialistisch inspecteur, senior inspecteur en inspecteur/medewerker toezicht, alsmede de ambtenaren met de functiebenamingen medewerker behandelen en ontwikkelen en senior adviseur van de directies Apparatuur, Infrastructuur en Digitale Weerbaarheid van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Artikel 2 Het [Besluit aanwijzing toezichthouders Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024088) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2018. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":2750,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2005 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,50 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2005, doch niet later dan 15 augustus 2005 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,725 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2005 en eindigende met 15 augustus 2005 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"i":8041,"b":"Besluit vaststelling selectielijst archiefbescheiden commissaris van de Koning als rijksorgaan ontvangen of opgemaakt vanaf 1 januari 2014 tot 1 januari 2020 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De selectielijst voor archiefbescheiden van de commissaris van de Koning als rijksorgaan ontvangen of opgemaakt vanaf 1 januari 2014 tot 1 januari 2020 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [selectielijst voor archiefbescheiden van de commissaris van de Koning als rijksorgaan 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040373), vastgesteld in de Staatscourant van 14 december 2017, nr. 71588, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8042,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Centraal Orgaan opvang asielzoekers vanaf 1 juli 1994 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van Centraal Orgaan opvang asielzoekers voor de periode vanaf 1 juli 1994 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijsten: - •. Basis Selectiedocument – instrument voor de selectie ter vernietiging dan wel blijvende bewaring van de administratieve neerslag van het handelen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers in de periode 1994–2012. Vastgesteld in Staatscourant van 21 februari 2005, nr. 356, gewijzigd bij besluit van 15 augustus 2014, nr. 23119; - •. [Selectielijst voor de neerslag van het handelen (de processen) van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), periode (2011) 2013-](onbekend). Vastgesteld in Staatscourant van 15 augustus 2014, 23119. worden ingetrokken vanaf 1 juli 1994. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Staatssecretaris van Cultuur en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8043,"b":"Besluit vaststelling selectielijst commissaris van de Koning als rijksorgaan vanaf 1 januari 2020 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Commissaris van de Koning over de periode 2020 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘[Selectielijst voor archiefbescheiden van de commissaris van de Koning als rijksorgaan 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034674)’, vastgesteld in de Staatscourant van 17 januari 2014, nr. 1050, en opnieuw vastgesteld in de Staatscourant op [14 december 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040373), nr. 71588, wordt afgesloten. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8044,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Medisch-Ethische Toetsingscommissies (METC’s) voor de periode vanaf 1999 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 13 september 2012, nr. aca-2012.06582/2; Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Medisch-Ethische Toetsingscommissies (METC’s) van algemene ziekenhuizen en zelfstandige stichtingen in Nederland en de Vrije Universiteit te Amsterdam, over de periode vanaf 1999’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld voor de in Bijlage 1 van het bij de selectielijst behorende Rapport Institutioneel Onderzoek genoemde toetsingscommissies. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8067,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Prijsbeleid, vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 september 2007, nr. aca-2007.03991/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Prijsbeleid, over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdragers **Minister van Economische Zaken,** **Minister van Algemene Zaken,** **Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,** **Minister van Buitenlandse Zaken,** **Minister van Defensie,** **Minister van Financiën,** **Minister van Justitie,** **Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,** **Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,** **Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,** **Minister van Verkeer en Waterstaat,** **Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en** **Minister van VROM.** op het beleidsterrein Prijsbeleid 1945– **Versie Staatscourant** **Oktober 2007** Lijst van afkortingen **Het prijsbeleid** ECD: Economische Controledienst ESB: Economisch-Statistische Berichten WED: [Wet op de Economische Delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) DG: Directeur/directoraat-generaal AMVB: Algemene maatregel van bestuur Stb: Staatsblad Stcrt: Staatscourant SER: Sociaal-Economische Raad MG: Militair Gezag Vb: Verordeningblad voor de bezette gebieden HdTK: Handelingen"},{"i":8075,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voorlichting van de rijksoverheid, 1945- (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 april 2007, nr. arc-2007.03707/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Voorlichting van de rijksoverheid, over de periode 1945–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De ‘selectielijst neerslag handelingen Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid over de periode 1945–1999’ (vastgesteld bij beschikking van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. [C/S&A/05/1365](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018549) d.d. 5 juli 2005 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 245 d.d. 16 december 2005)) wordt ingetrokken, uitsluitend voor handeling 312 Het behandelen van aangelegenheden met beroep op grond van de [Wet Openbaarheid van Bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) (WOB). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8084,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 januari 2016, kenmerk 877053-144693-MEVA, houdende de wettelijke erkenning van de specialistentitel openbaar apotheker en de instemming met het Besluit opleidingseisen openbare farmacie en de Besluiten registratie en herregistratie openbare farmacie Gelezen de aanvraag d.d. 26 november 2014 met kenmerk MB 20140348 MK van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) om te bepalen dat de titel van openbaar apotheker als wettelijk erkende specialistentitel wordt aangemerkt, Gelet op [artikel 14, eerste, tweede en vierde lid van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14) (Wet BIG), Overwegende dat voldaan is aan de in [artikel 14, tweede lid, onder a tot en met e genoemde voorwaarden van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14) en dat de wettelijke erkenning van de specialistentitel openbaar apotheker wenselijk is ter bevordering van de goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg, Besluit: - a). dat de titel openbaar apotheker wordt aangemerkt als wettelijk erkende specialistentitel; - b). in te stemmen met de volgende besluiten van het Centraal College Specialismen Farmacie: het Besluit opleidingseisen openbare farmacie (no.8) van 14 januari 2014; de Besluiten registratie en herregistratie openbare farmacie (no. 2 en 3) van 25 september 2014. Van deze instemming wordt conform [artikel 14, twaalfde lid, van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14) mededeling gedaan in de Staatscourant."},{"i":8095,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 juni 2025, nr. PO/FenV/52581744, houdende aanpassing van de bedragen voor bekostiging primair onderwijs voor het kalenderjaar 2025 en het vaststellen van de bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs kalenderjaar 2025 (Definitieve regeling bekostiging WPO en WEC 2025) Gelet op de [artikelen 116, zesde en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=116), [119, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=119), [121, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=121), [122, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=122), en [124, derde en vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=124), de [artikelen 114, zesde en tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=114), [117, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=117), en [119, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=119), [artikel 5.15, derde en vijfde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.15), de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=5), [13, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=13), [14, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=14), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=15), [16, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=16), [17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=17), [18, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=18), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046159&artikel=19), [20, derde lid](https://wett"},{"i":15471,"b":"Verordening op de kwaliteit Overwegende dat het gewenst is regelen te stellen met betrekking tot de kwaliteit en de integriteit van de notaris en de kandidaat-notaris; Gelet op [artikel 61 a, Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=61a); Gezien het ontwerp van het bestuur met bijbehorende toelichting; Gezien de adviezen van de Kamers van Toezicht; Gezien de adviezen van de ringen; Stelt de navolgende verordening vast: Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: - a. **notaris:** de notaris, genoemd in [artikel 1, onder b, Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=1), alsmede de kandidaat-notaris, genoemd in [artikel 1, onder b, Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=1), tenzij uit de aard van de bepaling anders voortvloeit; - b. **bestuur:** het bestuur van de KNB, genoemd in [artikel 64, eerste lid, Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=64); - c. **eigen verklaring:** door de notaris ondertekende verklaring overeenkomstig het door het bestuur vastgestelde model; - d. **intercollegiale kwaliteitstoetsing:** onafhankelijk onderzoek door notariële deskundigen naar de wijze waarop de notaris voldoet aan de voor hem geldende normen van kwaliteit en integriteit, op basis van gesprekken en het doornemen van dossiers met de notaris en medewerkers van de notaris; - e. **nadere toetsing:** nadere intercollegiale kwaliteitstoetsing; - f. **toetser:** notariële deskundige die door de KNB is opgeleid om in opdracht van het bestuur intercollegiale kwaliteitstoetsingen te verrichten. Artikel 2 1. Notarissen verstrekken desgevraagd aan het bestuur of de namens het bestuur optredende personen inlichtingen over de wijze waarop zij . voldoen aan de bij of krachtens de [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388) gegeven bepalingen of een op deze wet berustende verordening, - •. de zorg bet"},{"i":8124,"b":"Overeenkomst betreffende de uitwisseling van oorlogsverminkten tussen de bij de Raad van Europa aangesloten landen ten behoeve van medische behandeling De Regeringen welke deze Overeenkomst hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Overwegende dat de verbetering der geneeswijzen een belangrijk aspect vormt van de sociale vooruitgang, waarvan de bevordering in de betrokken landen wordt vermeld in de preambule en in [artikel 1 van het Statuut van de Raad van Europa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005506&artikel=1) als een der belangrijkste doelstellingen van de Raad; Gezien het beginsel van gelijke sociale verzorging en gelijke medische behandeling van onderdanen van landen-leden, dat bij de ondertekening van de Interim-Overeenkomsten betreffende sociale zekerheid en van het [Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005096), voorop stond; Verlangend aan elke oorlogsverminkte die onderdaan is van een der landen-leden alle in deze landen bestaande geneeswijzen ter beschikking te stellen en derhalve de hoop uitsprekend dat de volkeren van Europa een stelsel van onderlinge uitwisseling, niet alleen van verminkten, doch eveneens van medische behandelingswijzen en van medisch personeel, zullen invoeren; Overwegende dat zulke uitwisselingen belangrijk zouden bijdragen tot de bevordering onder de volkeren van Europa van een geest van saamhorigheid en algemeen begrip, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 In de zin van deze Overeenkomst worden onder de uitdrukking „verminkten” verstaan alle militairen en burgers die, als gevolg van oorlog, een amputatie hebben ondergaan of aan motorische storingen lijden. De bepalingen van deze Overeenkomst kunnen te zijner tijd worden uitgebreid tot andere categorieën invaliden door een briefwisseling tussen twee of meer der Overeenkomstsluitende Partijen. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen zullen, door tussenkomst van de Secretaris-Generaal van de Raa"},{"i":8130,"b":"Regelen voor het bevoegd gezag ex artikel 6 Noodwet Geneeskundigen Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758&artikel=6) (Stb. 1971, 396); Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers; De Raad voor de buitengewone geneeskundige en farmaceutische voorziening gehoord (advies van 29 mei 1980, Nr. 75487/CV), Besluit: Artikel 1 Het bevoegd gezag houdt aan de hand van de gegevens die hem worden verstrekt uit het register, bedoeld in [artikel 29 van de Noodwet Geneeskundigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002758&artikel=29), een overzicht bij van de geneeskundigen die in zijn ambtsgebied woonachtig zijn. Artikel 2 1. Het ten aanzien van artsen bevoegde gezag stelt op grondslag van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003479&artikel=1&z=2018-08-01&g=2018-08-01) bedoelde overzicht en aan de hand van de in dat artikel bedoelde gegevens een plan op ter voorziening in het tekort aan artsen voor de geneeskundige verzorging van de bevolking, dat naar zijn oordeel zal ontstaan in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden. 2. Het past tenminste eenmaal per zes maanden het plan aan, aan wijzigingen in de [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003479&artikel=1&z=2018-08-01&g=2018-08-01) bedoelde gegevens. Artikel 3 In het plan wordt tenminste rekening gehouden met: - a. de opnamecapaciteit van de Ziekenhuisorganisatie in buitengewone omstandigheden, neergelegd in de in het kader van die organisatie voor het betrokken gebied opgestelde hospitalisatiestreekplannen; - b. de bezettingsnormen voor specialisten in ziekeninrichtingen, vastgesteld door de Directeur-Generaal van de Volksgezondheid; - c. de behoefte aan artsen voor het formeren van de nodige mobiele chirurgische teams, vastgesteld door de Directeur-Generaal van de Volksgezondheid. Artikel 4 Indien het bevoegd gezag in he"},{"i":8154,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 25 januari 2022, nr. WJZ/ 22015438, houdende regels over diergeneesmiddelen (Regeling diergeneesmiddelen 2022) Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [Verordening (EU) 2019/6](31906R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van [Richtlijn 2001/82/EG](32001L0082) (PbEU 2019, L 4), [Verordening (EU) 2019/4](31904R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van gemedicineerde diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [Richtlijn 90/167/EEG](31990L0167) van de Raad (PbEU 2019, L 4), [Verordening (EU) 2016/429](32329R2016) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidswetgeving’) (PbEU 2016, L 84), [Richtlijn 96/22/EG](31996L0022) van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van β-agonisten en tot intrekking van de [Richtlijnen 81/602/EEG](31981L0602), [88/146/EEG](31988L0146) en [88/299/EEG](31988L0299) (PbEG 1996, L 125), de [artikelen 2.20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.20), [6.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.2), [6.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.4), [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.1), [7.6, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=7.6), en [9.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=9.1), d"},{"i":8186,"b":"Regeling urineonderzoek verpleegden Gelet op [artikel 24, tweede lid, Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=24), Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 13 mei 1998, nr. 98/694836; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Algemeen Het anders dan door een arts, tandarts of verloskundige voorgeschreven gebruik van gedragsbeïnvloedende middelen is tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel niet toegestaan. Artikel 3. Afname van urinemonsters 1. De afname van urine gebeurt bij voorkeur ‘s ochtends vroeg. 2. Alvorens de urine wordt afgenomen wordt de reden van het urineonderzoek aan de verpleegde medegedeeld en wordt aan de verpleegde uitleg gegeven over de te volgen procedure. 3. De verpleegde urineert bij voorkeur onder direct visueel toezicht van een personeelslid of medewerker in een daartoe aan hem verstrekte opvangbeker. 4. Indien de verpleegde niet direct tot afgifte van de urine in staat is, wordt hij gedurende een periode van vier uur alsnog hiertoe in de gelegenheid gesteld. De verpleegde verblijft gedurende deze periode bij voorkeur in een ruimte waarin geen mogelijkheden aanwezig zijn de resultaten van de analyse te beïnvloeden. 5. In het bijzijn van de verpleegde verdeelt een personeelslid of medewerker de urine over twee afzonderlijke buizen, sluit de buizen af en controleert of de buizen goed zijn afgesloten. Vervolgens plakt het personeelslid of de medewerker stickers met een uniek registratienummer op de twee buizen. 6. In het bijzijn van de verpleegde controleert het personeelslid of de medewerker of het aanvraagformulier goed en volledig is ingevuld alsmede of het nummer op de buizen overeenstemt met het nummer op het aanvraagformulier. 7. Het aanvraagformulier dient in ieder geval een opgave van de volledige naam en voorletters van de verpleegde, het registratienummer"},{"i":8195,"b":"Richtlijn decontaminatie apparatuur ziekenhuisafval 1. Inleiding 1.1. Steriliseren of desinfecteren In het najaar van 2005 heeft het RIVM voor VROM een onderzoek uitgevoerd om vast te stellen welke decontaminatiemethoden geschikt zijn voor ziekenhuisafval. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat, op basis van de informatie die toen beschikbaar was, desinfectie en sterilisatie met verzadigde vochtige hitte het meest geschikt zijn. Zowel de effectiviteit als de reproduceerbaarheid van processen die met verzadigde vochtige hitte werken zijn hoog. Een samenvatting van het relevante deel uit het rapport aan VROM staat in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022549&bijlage=1&z=2007-10-01&g=2007-10-01). 1.2. Batch versus continue procesvoering Decontaminatieprocessen kunnen zowel batchgewijs als continu worden bedreven. Deze richtlijn is voor beide typen processen toepasbaar. 2. Reikwijdte Deze richtlijn geeft de eisen, waaraan de apparatuur én het proces voor de microbiologische decontaminatie van ziekenhuisafval door verzadigde vochtige hitte moeten voldoen. De afvalverwerker kan aanvullende acceptatiecriteria stellen aan het gedecontamineerde materiaal. Voor de aanschaf van een decontaminatie-apparaat moet met de beoogde afvalverwerker overeengekomen worden dat de output van het apparaat door de afvalverwerker wordt geaccepteerd en aan welke randvoorwaarden moet worden voldaan. Met deze richtlijn wordt het gebruik van een decontaminatietechniek die niet werkt met verzadigde vochtige hitte, niet uitgesloten. In dat geval kan deze richtlijn wel als leidraad worden gebruikt, maar zal per onderdeel van de richtlijn moeten worden bepaald of de eisen voor de andere techniek afwijken. Zeker op het punt van de effectiviteit zullen er aanvullende gegevens nodig zijn ter onderbouwing. 3. Definities Ten behoeve van deze richtlijn zijn de volgende termen gedefinieerd: De eindverwerker van het gedecontamineerde materiaal. Het behandelen van ziekenhuisafval met ve"},{"i":8203,"b":"Statuut van de Wereldgezondheidsorganisatie De Staten, die partij zijn bij dit Statuut, verklaren in overeenstemming met het Handvest van de Vereenigde Naties, dat de volgende beginselen een noodzakelijke grondslag zijn voor het geluk, de harmonieuze verhoudingen en veiligheid van alle volken: Gezondheid is een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn en niet slechts de afwezigheid van ziekte of zwakheid. Het genot van een zoo goed mogelijken gezondheidstoestand is een van de grondrechten van ieder menschelijk wezen zonder onderscheid van ras, godsdienst, politiek geloof, economische of sociale positie. De gezondheid van alle volken is een noodzakelijke voorwaarde voor het bereiken van vrede en veiligheid en is afhankelijk van de meest volledige samenwerking van individuen en Staten. Hetgeen een Staat bereikt op het gebied van bevorderen en beschermen van de gezondheid is van waarde voor allen. Ongelijke ontwikkeling in de verschillende landen in het bevorderen van de gezondheid en het bestrijden, van ziekten, in het bijzonder van besmettelijke ziekten, is een gemeenschappelijk gevaar. Een gezonde ontwikkeling van het kind is van fundamenteel belang; geschiktheid om harmonieus te leven in een geheel veranderende omgeving is een essentieele voorwaarde voor zoodanige ontwikkeling. Het verbreiden onder alle volken van de weldaden der medische, psychologische en aanverwante wetenschappen is van essentieel belang voor het bereiken van een zoo hoog mogelijk gezondheidspeil. Een goed voorgelichte openbare meening en actieve medewerking van de zijde van het publiek zijn van het grootste belang voor de verbetering van de volksgezondheid. Regeeringen dragen verantwoordelijkheid voor de gezondheid van haar volken, aan welke verantwoordelijkheid alleen kan worden voldaan door het nemen van doeltreffende maatregelen, zoowel op gezondheidsgebied, als op sociaal gebied. Deze beginselen aanvaardende en met het doel samen te werken met elkander en met anderen"},{"i":8239,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 4 december 2013, 175522-113938-GMT, houdende vaststelling van de vergoedingen van de verkenners extramurale farmacie Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 5 van het Besluit aanstelling en taakopdracht verkenners farmaceutische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034768&artikel=5); Besluit: Artikel 1 Aan de verkenners extramurale farmaceutische zorg, ingesteld bij het Besluit aanstelling en taakopdracht verkenners extramurale farmaceutische zorg, wordt voor de maanden januari en februari 2013 een vaste vergoeding per maand toegekend die gelijk is aan een bezoldiging van 20/36 aanstelling in de hoogste trede van schaal 18 BBRA. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit verkenners extramurale farmacie. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Een afschrift zal worden gezonden aan de in het besluit genoemde leden."},{"i":8244,"b":"Wet van 25 januari 1996, houdende regels omtrent de vaststelling van maximumprijzen voor geneesmiddelen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van de volksgezondheid wenselijk is de beschikbaarheid van geneesmiddelen tegen redelijke prijzen te waarborgen, dat de prijzen van geneesmiddelen in overwegende mate ten laste van de gemeenschap komen, dat het in verband daarmee wenselijk is de prijzen van geneesmiddelen te kunnen beheersen, dat de prijzen van geneesmiddelen in Nederland aanzienlijk uitgaan boven de prijzen van vergelijkbare geneesmiddelen in andere lidstaten van de Europese Unie en dat het derhalve wenselijk is regels te stellen die het mogelijk maken voor geneesmiddelen maximumprijzen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. geneesmiddel: een geneesmiddel als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1) waarvoor een handelsvergunning of een parallelhandelsvergunning geldt die is verleend krachtens de [Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505) dan wel krachtens de verordening, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder fff, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1), of Verordening (EEG) nr. 2309/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (PbEG L 214); - c. vergelijkbaar geneesmidde"},{"i":8252,"b":"Wet van 26 november 2014, houdende instelling van een vast college van advies op het terrein van volksgezondheid en samenleving (Wet op de Raad voor volksgezondheid en samenleving) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een vast college van advies van het Rijk in te stellen op het terrein van volksgezondheid en samenleving en dat het in verband met [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79) en in samenhang met de [Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159) noodzakelijk is daartoe wettelijke bepalingen vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Er is een Raad voor volksgezondheid en samenleving. 2. De Raad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste negen andere leden. Artikel 2 De Raad heeft tot taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over het te voeren beleid op het gebied van volksgezondheid en samenleving waarbij alle aspecten die van invloed zijn op de volksgezondheid en het functioneren van burgers in de samenleving worden betrokken, met bijzondere aandacht voor de rol van de decentrale overheden en veranderingen in het aanbod van zorg en welzijn. Artikel 3 De [Wet op de Raad voor de volksgezondheid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008518) en de [Wet op de Raad voor maatschappelijke ontwikkeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008519) worden ingetrokken. Artikel 4 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 5 Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Raad voor volksgezondheid en samenleving. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks a"},{"i":8264,"b":"Wijzigingsregeling Regeling medische uitrusting aan boord van vissersvaartuigen Gelet op de [artikelen 218, dertiende lid, onderdeel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=218), [221, tweeënveertigste lid, onderdeel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=221), [223, elfde lid, onderdeel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=223), [231, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=231), [237](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=237), en [317, derde lid, van het Vissersvaartuigenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=317); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling medische uitrusting aan boord van vissersvaartuigen. Artikel II De kapitein draagt ervoor zorg dat de medische uitrusting uiterlijk op het moment van de eerstvolgende inspectie van die uitrusting in overeenstemming is met de [Regeling medische uitrusting aan boord van vissersvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027071) zoals die luidt na de inwerkingtreding van deze regeling. Tot dat moment mogen vissersvaartuigen uitgerust blijven met medische uitrusting voorgeschreven door de Regeling medische uitrusting aan boord van vissersvaartuigen zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel III Deze regeling treedt voor Nederland en Aruba in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en voor de Nederlandse Antillen op een nader te bepalen tijdstip. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant, in de Curaçaosche Courant en in het Afkondigingsblad van Aruba worden geplaatst."},{"i":8278,"b":"Wet van 1 februari 2000, houdende wijziging van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de apotheker van een ziekenhuis ook geneesmiddelen mag bereiden en afleveren aan of ten behoeve van anderen dan de in het ziekenhuis opgenomen patiënten en het inwonende personeel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de geneesmiddelenvoorziening. Artikel II Na de inwerkingtreding van deze wet berust de Beschikking van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 15 juli 1963, gepubliceerd in de Staatscourant van 15 juli 1963, nr. 48, op [artikel 13, tweede lid, van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002290&artikel=13), zoals die na de inwerkingtreding van deze wet komt te luiden. Artikel III Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":8287,"b":"Wet van 23 december 2009 tot aanpassing van diverse wetten ter implementatie van richtlijn 2006/123/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU L 376/6) (Aanpassingswet dienstenrichtlijn) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is diverse wetten aan te passen aan de [Dienstenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026759) of te wijzigen ter implementatie van [richtlijn 2006/123/EG](32006L0123) van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU L 376/6); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen. Artikel Ia Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel II Wijzigt de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IIIa Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IIIb Wijzigt de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties. Artikel IIIc Wijzigt de Monumentenwet 1988. Artikel IIId Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel IIIe Wijzigt de Wet op de architectentitel. Artikel IV Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel V Wijzigt de Wet geurhinder en veehouderij. Artikel VI Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel VII Wijzigt de Colportagewet. Artikel VIII Wijzigt de Dienstenwet. Artikel VIIIa Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel IX Wijzigt de Flora- en faunawet. Artikel X De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel XI Deze wet wordt aangehaald als: Aanpas"},{"i":8288,"b":"Wet van 6 februari 2003 tot aanpassing van de Tabakswet aan richtlijn nr. 2001/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (PbEG L 194) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter uitvoering van [richtlijn nr. 2001/37/EG](32001L0037) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (PbEG L 194) noodzakelijk is de [Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Tabakswet. Artikel II 1. Verpakkingen van sigaretten die niet aan [artikel 3e van de Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=3e) voldoen, mogen nog tot 30 september 2004 worden verkocht, mits zij zijn gefabriceerd vóór 30 september 2003. 2. Verpakkingen van andere tabaksproducten dan sigaretten die niet aan [artikel 3e van de Tabakswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=3e) voldoen, mogen nog tot 30 september 2005 worden verkocht, mits zij zijn gefabriceerd vóór 30 september 2003. Artikel III Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwke"},{"i":8289,"b":"Aanvullend Protocol betreffende de toetreding van Nederland tot de wijzigingen, welke door het Verdrag van Versailles zijn aangebracht in de Conventie van Mannheim van 1868 Met het oog op de verschillende opvattingen over de uitleg, welke gegeven moet worden aan de bepalingen betreffende de besluiten van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, en ten einde in afwachting van de inwerkingtreding van de herziene Akte, bedoeld in artikel 354 van het Verdrag van Versailles, praktisch de uitoefening van de werkzaamheden dier Commissie te verzekeren, zijn de ondergetekende Gedelegeerden van de Regeringen van België, Frankrijk, Groot-Britannië, Italië en Nederland overeengekomen de bedoelde bepalingen op de volgende wijze toe te passen: De Franse tekst van het Protocol is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. 1923/332. De vertaling is gepubliceerd in Stb. 1923/456. Fait à Paris, le vingt-neuf mars 1923, en six exemplaires."},{"i":3849,"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen 2021. Besluit van de directeur van de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen van 19 februari 2021, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen 2021) Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging keuringsdiensten 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044854); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **de NAK:** de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen; - c. **de wet:** de [Plantgezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043194); - d. **de regeling:** de [Regeling plantgezondheid](onbekend). Artikel 2 1. Aan de managers, de technisch coördinator, de regiohoofden, de teamleiders en de vakspecialisten van de NAK wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor: - a. de registratie, bedoeld in artikel 65 van [verordening 2016/2031](32031R2016); - b. het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de verklaring, bedoeld in [artikel 10, tweede lid,van de regeling](onbekend); - c. het opleggen van een teeltverbod en maatregelen als bedoeld in [artikel 30, tweede en derde lid](onbekend), van de regeling en het opheffen van een teeltverbod als bedoeld in [artikel 33 van de regeling](onbekend); - d. het geven van een ontheffing als bedoeld in [artikel 41 van de regeling](onbekend"},{"i":8322,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de bescherming van de mensenrechten en de waardigheid van de mens met betrekking tot de toepassing van de biologie en de geneeskunde betreffende het verbod van klonen van mensen The member States of the Council of Europe, the other States and the European Community Signatories to this Additional Protocol to the [Convention for the Protection of Human Rights and Dignity of the Human Being with regard to the Application of Biology and Medicine](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005627), Noting scientific developments in the field of mammal cloning, particularly through embryo splitting and nuclear transfer; Mindful of the progress that some cloning techniques themselves may bring to scientific knowledge and its medical application; Considering that the cloning of human beings may become a technical possibility; Having noted that embryo splitting may occur naturally and sometimes result in the birth of genetically identical twins; Considering however that the instrumentalisation of human beings through the deliberate creation of genetically identical human beings is contrary to human dignity and thus constitutes a misuse of biology and medicine; Considering also the serious difficulties of a medical, psychological and social nature that such a deliberate biomedical practice might imply for all the individuals involved; Considering the purpose of the [Convention on Human Rights and Biomedicine](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005627), in particular the principle mentioned in [Article 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005627&artikel=1) aiming to protect the dignity and identity of all human beings, Have agreed as follows: Article 1 1. Any intervention seeking to create a human being genetically identical to another human being, whether living or dead, is prohibited. 2. For the purpose of this article, the term human being “genetically identical” to another human being means a human being sharing with an"},{"i":8345,"b":"Additioneel artikel gevoegd bij de Overeenkomst tussen Nederland en België betreffende de grensscheiding, gesloten te Maastricht op 8 augustus 1843 Het is de bedoeling, dat de vrijdom van regten, vermeld in artikel twintig van het tractaat van den derden Mei achttien honderd vijftien, tusschen Rusland en Oostenrijk, aangehaald in artikel zeven en dertig der tegenwoordige overeenkomst, alleen van toepassing is, in geval van vervoer van de plaats der voortbrengst, naar den hoofdzetel der bebouwing van de landerijen welke door de grens worden doorsneden. Arrêté et signé à la Haye, le vingt sept Septembre mil huit cent quarante trois, entre le baron Schimmelpenninck van der Oye, Ministre de l'intérieur, chargé, par intérim, des fonctions de Ministre des affaires étrangères de Sa Majesté le Roi des Pays-Bas, et le Général Prisse, Envoyé extraordinaire et Ministre plénipotentiaire de Sa Majesté le Roi des Belges. (**L. S.**) SCHIMMELPENNINCK VAN DER OIJE. (**L. S.**) PRISSE."},{"i":5942,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 november 2024, kenmerk 3972579-1071339-Z, houdende vaststelling van een tweede nadere aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2024 (Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2024) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2024 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 4,573 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049358&artikel=1). Artikel 2 Van het bedrag, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050461&artikel=1&z=2024-11-27&g=2024-11-27), is € 3,276 miljoen bestemd voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), en € 1,297 miljoen voor de overige bij of krachtens die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken van Wlz-uitvoerders. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8423,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 23 januari 2023, nr. WJZ/34943353, houdende verlenging van het experiment accreditatie onvolledige opleidingen Gelet op [artikel 1.7a, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.7a); Besluiten: Artikel 1 Het experiment accreditatie onvolledige opleidingen, bedoeld in [hoofdstuk 3 van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037837&hoofdstuk=3), wordt verlengd tot het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 20 juni 2022 bij de Tweede Kamer ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, houdende de verankering van eenheden van leeruitkomsten in die wet (Wet leeruitkomsten hoger onderwijs) (36 136), tot wet is verheven en in werking treedt, dan wel tot het tijdstip waarop dit voorstel van wet wordt ingetrokken of wordt verworpen door een der Kamers van de Staten-Generaal. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 30 juni 2022. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8429,"b":"Bijzondere Overeenkomst inzake het voorleggen aan het Internationale Gerechtshof van een geschil tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de afbakening tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland van het continentaal plat in de Noordzee The Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the Federal Republic of Germany, Considering that the delimitation of the coastal continental shelf in the North Sea between the Kingdom of the Netherlands and the Federal Republic of Germany has been laid down by a Convention concluded on 1 December 1964, Considering that in regard to the further course of the boundary disagreement exists between the Netherlands and the German Governments, which could not be settled by detailed negotiations, Intending to settle the open questions in the spirit of the friendly and good-neighbourly relations existing between them, Recalling the obligation laid down in Article 1 of the Netherlands-German Treaty of Conciliation and Arbitration of 20 May 1926 to submit to a procedure of conciliation or to judicial settlement all controversies which cannot be settled by diplomacy, Bearing in mind the obligation assumed by them under Articles 1 and 28 of the European Convention for the Peaceful Settlement of Disputes of 29 April 1957 to submit to the judgment of the International Court of Justice all international legal controversies to the extent that no special arrangement has been or will be made, By virtue of the fact that the Kingdom of the Netherlands is a party to the Statute of the International Court of Justice, and of the Declaration of acceptance of the jurisdiction of the International Court of Justice made by the Federal Republic of Germany on 29 April 1961 in conformity with Article 3 of the Convention of 29 April 1957 and with the Resolution adopted by the Security Council of the United Nations on 15 October 1946 concerning the “Conditions under which the In"},{"i":6062,"b":"Verordening van de Sociaal-Economische Raad van 21 december 2012 tot delegatie van diverse bestuurlijke bevoegdheden en instelling van de Bestuurskamer en de Toezichtkamer, alsmede regelen betreffende de taken, bevoegdheden en werkwijze van deze commissies (Verordening bestuurlijke taken SER) Gelet op de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=19), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=35), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=37), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=42) en [44 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=44); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder Raad: Sociaal-Economische Raad. § 2. Dagelijks bestuur Artikel 2 De taken en bevoegdheden die bij of krachtens de Wet op de ondernemingsraden zijn toegekend aan de Raad worden, met uitzondering van de bevoegdheid tot het stellen van nadere regelen bij verordening, gedelegeerd aan het dagelijks bestuur. § 3. Bestuurskamer Artikel 3 Het dagelijks bestuur wordt belast met de voorbereiding van door de Raad uit te brengen adviezen die de taken van de Raad als bestuursorgaan betreffen. Artikel 4 De taken en bevoegdheden die in het [Besluit opheffing Landbouwschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011674) zijn toegekend aan de Raad worden gedelegeerd aan het dagelijks bestuur. Artikel 5 De taken en bevoegdheden die op grond van [artikel LIII van de Wet opheffing bedrijfslichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&artikel=LIII) en de [artikelen 126, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en [134, tweede lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=134), zoals die luidden onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van de [Wet opheffing bedrijfslichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083), zijn"},{"i":6619,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 20 maart 2013, nr. WJZ/13037503, houdende wijziging van de Regeling LNV-subsidies en het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2013 (garantstelling aquacultuur en vermindering fijn stof) Gelet op [verordening (EG) nr. 1857/2006](32006R1857) van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 (PbEU L 358); [verordening (EG) nr. 736/2008](32008R0736) van de Commissie van 22 juli 2008 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die visserijproducten produceren, verwerken en afzetten (PbEU L 201); de [artikelen 2](onbekend), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009194&artikel=4) en [7 van de Kaderwet LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009194&artikel=7); [artikel 1:3 van de Regeling LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021281&artikel=1:3); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling LNV-subsidies. Artikel II Wijzigt het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2013. Artikel III De [Regeling LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021281) zoals deze luidde voor inwerkingtreding van deze regeling blijft van toepassing op aanvragen die voor 21 juli 2012 zijn ingediend op grond van [hoofdstuk 4, titel 4, paragraaf 4, van de Regeling LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021281&paragraaf=4). Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6600,"b":"Besluit van 3 april 2009, houdende wijziging van het Warenwetbesluit Voedingswaarde-informatie levensmiddelen in verband met richtlijn 2008/100/EG Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 maart 2009, VGP/VV 2917126, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en van Economische Zaken; Gelet op [richtlijn nr. 2008/100/EG](32008L0100) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 28 oktober 2008 (PbEU L 285) tot wijziging van [richtlijn 90/496/EEG](31990L0496) van de Raad inzake de voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen wat betreft de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden, de omrekeningsfactoren en de definities, alsmede op [artikel 8, eerste lid, onder c, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=8); De Raad van State gehoord (advies van 18 maart 2009, no. W13.09.0077/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 maart 2009, VGP/VV 2921471, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Warenwetbesluit Voedingswaarde-informatie levensmiddelen. Artikel II Eet- en drinkwaren ten aanzien waarvan voedingswaarde-etikettering plaatsvindt met inachtneming van het [Warenwetbesluit Voedingswaarde-informatie levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006135) zoals dat luidde onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van dit besluit, mogen verhandeld worden tot 31 oktober 2012. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2009. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":8442,"b":"Brochure Stimulering Europees Onderzoek (SEO) 1. Inleiding 1.1. Achtergrond Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt, in afstemming met het Ministerie van Economische Zaken, met ingang van 2015 extra financiering beschikbaar ten behoeve van publiek gefinancierde kennisinstellingen die Europese middelen verwerven binnen Horizon 2020. Deze financiering wordt verstrekt via de zogeheten regeling ‘Stimulering Europees Onderzoek’ (hierna: de SEO-regeling). De SEO-regeling is een tegemoetkoming voor de inspanningen die door instellingen geleverd worden voor het verwerven van EU-contracten. Gelet op het advies van de Adviescommissie Bekostiging Hoger Onderwijs en Onderzoek stopt de SEO-regeling in zijn huidige vorm. Daarmee is deze Brochure de laatste die door NWO wordt uitgevoerd. 1.2. Beschikbaar budget Voor 2019 bedraagt het budget 84 miljoen euro. Dit bedrag is inclusief de restanten uit voorgaande jaren en exclusief beheer- en afwikkelkosten. 1.3. Geldigheidsduur brochure Voor Horizon 2020 EU-contracten, die in de EU-contractendatabank (hierna: Ecorda-database) zijn geregistreerd voor 31 december 2019, zullen middelen worden toegekend. Op 29 februari 2020 zal de Ecorda-database worden geraadpleegd ten behoeve van de uitkering. Contracten van voor 31 december 2019, die na 29 februari 2020 geregistreerd worden in de Ecorda-database, vallen niet onder de reikwijdte van deze brochure. 2. Doel De regeling ‘Stimulering Europees Onderzoek’ beoogt de Nederlandse deelname van de publiek gefinancierde kennisinstellingen binnen EU-programma’s voor onderzoek en innovatie te vergroten en vormt onderdeel van het beleid om het Nederlandse kennis- en innovatiesysteem te versterken. Succesvolle kennisinstellingen krijgen met deze middelen op een effectieve en efficiënte wijze een tegemoetkoming in de kosten naast de Europese projectsubsidies die ze hebben weten te verwerven. De actieve deelname van de publiek gefinancierde instellingen in Europese onderzoeksprogramma’s"},{"i":6920,"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 862, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES Artikel 1 Het bedrag, bedoeld in [artikel 862, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=862) wordt gesteld op 5587 USD. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ter uitvoering van artikel 862, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES."},{"i":3240,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 15 november 2022 nr. BOACAT2022/077, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Goes Gelezen het verzoek van gemeente Goes van 2 november 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047502&artikel=2&z=2022-11-24&g=2022-11-24). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Handhaver Leefbaarheid in dienst van gemeente Goes, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten b"},{"i":7400,"b":"Wet van 3 juli 1996, houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de Ambtenarenwet in verband met het verbod tot het maken van onderscheid tussen werknemers naar arbeidsduur Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het maken van onderscheid tussen werknemers op grond van de arbeidsduur te verbieden en mede daartoe het Burgerlijk Wetboek en de [Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL II Wijzigt de Ambtenarenwet. ARTIKEL III 1. Het maken van onderscheid op grond van een verschil in arbeidsduur is verboden bij de voorwaarden waaronder een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, voortgezet dan wel beëindigd, en bij de voorwaarden waaronder een aanstelling wordt verleend, verlengd dan wel beëindigd, tenzij een dergelijk onderscheid objectief is gerechtvaardigd. 2. Een beding in strijd met het eerste lid is nietig. ARTIKEL IV Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. ARTIKEL V In geval een natuurlijk persoon, rechtspersoon of bevoegd gezag een ander onder zijn gezag arbeid laat verrichten, anders dan krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of ambtelijke aanstelling, is artikel 648 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing. ARTIKEL VI Wijzigt deze wet. ARTIKEL VII Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de vierde kalendermaand na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. ARTIKEL Va 1. [Artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0"},{"i":4740,"b":"Wet van 20 november 2006, houdende invoering van de Wet op het financieel toezicht en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht) Hoofdstuk 1. Overgangsmaatregelen Afdeling 1. Inleidende bepalingen Afdeling 1. Inleidende bepalingen Afdeling 3. [Wet financiële dienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018329) § 3.1. Vergunningen § 2.1. Toezichtkosten § 3.3. Verbod § 3.4. Notificatie § 2.2. Register Artikel 31 1. Het is een financiële dienstverlener als bedoeld in [artikel 102, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018329&artikel=102), alsmede een financiële dienstverlener die financiële diensten verleent ten aanzien van betaalrekeningen of beleggingsobjecten, bemiddelt in spaarrekeningen of optreedt als herverzekeringsbemiddelaar, die overeenkomstig [artikel 102, tweede lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018329&artikel=102) onderscheidenlijk [artikel 20, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling Wfd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019322&artikel=20) een vergunning of ontheffing heeft aangevraagd, op welke aanvraag op het tijdstip van inwerkingtreding van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) nog niet is beslist, toegestaan zonder vergunning of ontheffing zijn werkzaamheden voort te zetten totdat de Autoriteit Financiële Markten op die aanvraag heeft beslist. 2. De Autoriteit Financiële Markten beslist binnen twaalf maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de [Wet financiële dienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018329) op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid. Bij regeling van Onze Minister kan deze termijn ten hoogste twee maal worden verlengd met een termijn van telkens maximaal zes maanden. De Autoriteit Financiële Markten past op de aanvraag de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) to"},{"i":4533,"b":"Circulaire wapens en munitie 2019 A. Algemeen deel 1. Hoofdlijnen van de wapenwetgeving De nationale regelgeving met betrekking tot wapens en munitie wordt gevormd door: Voor de thans geldende teksten van deze regelgeving wordt verwezen naar: www.overheid.nl Naast dit formele kader is voor de uitvoering van de wapenwetgeving van belang de Circulaire wapens en munitie. De circulaire heeft een tweetal functies: In [onderdeel ‘C’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043120&bijlage=C&z=2020-02-01&g=2020-02-01) is een aantal bijlagen opgenomen. 1.1. Inleiding De wapenwet- en regelgeving houdt het volgende in: Genoemde aspecten van de regelgeving met betrekking tot wapens en munitie worden hieronder bij de aangegeven paragrafen nader uitgewerkt. 1.2. Categorieën wapens en munitie De [WWM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804) heeft ten doel de openbare orde en veiligheid te waarborgen door het illegale bezit van wapens en munitie te bestrijden en legaal bezit zoveel mogelijk te beheersen. In de wapenwetgeving is omschreven welke voorwerpen als wapen worden aangemerkt en wat onder munitie moet worden verstaan. Wapens en munitie zijn ingedeeld in verschillende categorieën. Voor elke categorie is in de [WWM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804) aangegeven welke handelingen met betrekking tot de wapens en munitie uit die categorie verboden zijn en op wie en wanneer dit van toepassing is. Ook is vastgelegd wanneer daarop een uitzondering van toepassing is. De bepalingen van de WWM zijn niet alleen van toepassing op wapens en munitie, maar tevens op bepaalde (essentiële) onderdelen van wapens en munitie. 1.2.1. Wapens In [artikel 2, eerste lid, van de WWM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008804&artikel=2) is de categoriale indeling voor wapens te vinden. In [artikel 2 van de RWM](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008800&artikel=2) is een aantal wapens nader gedefinieerd. In het onderstaande overzicht is in het kort aangegeven welke wa"},{"i":5982,"b":"Besluit van 13 januari 2025 tot wijziging van het Besluit EU-verordeningen Wft ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1623 betreffende kapitaalvereisten voor banken (Uitvoeringsbesluit verordening kapitaalvereisten 2025) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 5 november 2024, 2024-0000501151, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2024/1623](32024R1623) van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van [Verordening (EU) nr. 575/2013](32013R0575) wat betreft vereisten inzake kredietrisico, risico van aanpassing van de kredietwaardering, operationeel risico, marktrisico en de output floor en de [artikelen 1:3a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:3a), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), en [1:81 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 december 2024, nr. W06.24.00315/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 6 januari 2025, 2024-0000553192, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit EU-verordeningen Wft. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2024, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit verordening kapitaalvereisten 2025. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4243,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 25 oktober 2025, nr. WJZ/101444591, tot vaststelling van de correcties voor de voorschotverlening coöperatieve energieopwekking 2026 (Besluit vaststelling voorlopige correctiebedragen Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2026) [KetenID 28331] Gelet op [artikel 9 van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=9); Besluit: Artikel 1. (begripsbepalingen) In dit besluit wordt verstaan onder: - **netlevering:** elektriciteit die op het elektriciteitsnet wordt ingevoed; - **niet-netlevering:** elektriciteit die op een installatie wordt ingevoed; - **openstellingsbesluit 2021:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044883); - **openstellingsbesluit 2022:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046275); - **openstellingsbesluit 2023:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047507); - **openstellingsbesluit 2024:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049501); - **openstellingsbesluit 2025:** [Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050795); - **regeling:** [Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882); - **voorlopige correctiebedrag:** bedrag als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044882&artikel=9). Artikel 2. (vaststelling voorlopige correctiebedrag) Voor een categorie productie-installaties als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, wordt het voorlopige correctiebedrag voor 2026 vastgesteld op het bedrag dat is genoemd"},{"i":4434,"b":"Bestuursreglement UWV 2021 Gelet op [artikel 6, zesde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6); Besluit: Artikel 1. (Definities) In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. **Wet:** de [Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060); - b. **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=2); - c. **Raad van bestuur:** Raad van bestuur van het UWV als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6); - d. **voorzitter:** het ingevolge [artikel 6, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6) als zodanig benoemde lid van de Raad van bestuur; - e. **bestuursleden:** de ingevolge [artikel 6, tweede lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6) als zodanig benoemde leden van de Raad van bestuur; - g. **Onze Minister:** Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - h. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van het UWV besluiten te nemen; - i. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van het UWV privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - j. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van het UWV handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. (Taak en bevoegdheden) 1. De Raad van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) of enige andere wet- of regelgeving aan het UWV zijn opgedragen. 2. De Raad van bestuur regelt de onderlinge verhouding en de taakverdeling tussen de bestuursleden. 3. De Raad van bestuur is bevoegd het UWV te vertegenwoordigen, zowel in als buiten rechte. De bevoegdheid tot vertegenwoordiging komt mede aan de voorzitter toe."},{"i":4013,"b":"Besluit van 24 juni 2008, houdende regels ten aanzien van de in-, uit- en doorvoer van goederen voor tweeërlei gebruik en militaire goederen (Besluit strategische goederen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 30 oktober 2007, nr. WJZ 7122174, gedaan na overleg met de Staatssecretaris van Financiën; Gelet op [verordening (EG) nr. 1334/2000](32000R1334) van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 2000 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik en de [artikelen 1:4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=1:4), en [3:1 van de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=3:1); De Raad van State gehoord (advies van 10 april 2008, nr. W10.07.0401/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 23 juni 2008, nr. WJZ 8056339; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Algemene douanewet in werking treedt. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **algemene doorvoervergunning:** een bij ministeriële regeling verleende toestemming aan in Nederland gevestigde beschikkingsbevoegden voor de doorvoer van militaire goederen door Nederland; - –. **algemene overdrachtsvergunning:** een bij ministeriële regeling verleende toestemming aan in Nederland gevestigde beschikkingsbevoegden voor de overdracht van militaire goederen aan in een andere lidstaat gevestigde ontvanger; - –. **algemene uitvoervergunning:** een bij ministeriële regeling verleende toestemming aan in Nederland gevestigde beschikkingsbevoegden voor de uitvoer van militaire goederen uit Nederland naar een derde land; - –. **beschikkingsbevoegde:** een natuurlijke persoon of rechtspersoon die bevoegd is over militaire goederen te beschikken; - –. **derde land:** een land niet zijnde een lidstaat; - –. **doorvoer"},{"i":8724,"b":"Notawisseling houdende een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Tsjechië inzake privileges en immuniteiten voor verbindingsofficieren die door Tsjechië bij Europol te 's-Gravenhage gedetacheerd worden 1. Begripsomschrijvingen In dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „verbindingsofficier\", elke functionaris die in overeenstemming met artikel 14 van het Samenwerkingsverdrag bij Europol wordt geplaatst; - b. „Regering\", de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden; - c. „autoriteiten van de gastheerstaat\", autoriteiten van de centrale of gemeentelijke overheid of andere autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden, naar gelang het geval is, in het kader van en in overeenstemming met de wetten en gebruiken die in het Koninkrijk der Nederlanden van toepassing zijn; - d. „zendstaat\" de Tsjechische Republiek; - e. „archief van de verbindingsofficier\", alle dossiers, correspondentie, documenten, manuscripten, computer- en mediagegevens, foto's, films, video- en geluidsopnamen die toebehoren aan of in het bezit zijn van de verbindingsofficier, alsmede enig ander soortgelijk materiaal dat naar het unanieme oordeel van de zendstaat en de Regering deel uitmaakt van het archief van de verbindingsofficier. 2. Voorrechten en immuniteiten 1. Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag genieten de verbindingsofficier en zijn gezinsleden die deel uitmaken van zijn huishouding en niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, in en ten aanzien van het Koninkrijk der Nederlanden dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke worden verleend aan de leden van het diplomatieke personeel door het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer. 2. De immuniteit die aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde personen wordt verleend, strekt zich niet uit tot: - i. civiele vorderingen van derden wegens schade, met inbegrip van lichamelijk letsel of overlijden ten gevolge van verkeersongevallen die door deze personen zijn veroorzaakt; of - ii. strafrecht"},{"i":18585,"b":"Wet van 13 mei 2004 tot partiële wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de Wet op de rechterlijke indeling, de Beroepswet, de Wet op de economische delicten en enige andere wetten (Veegwet modernisering rechterlijke organisatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830), de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365), de [Beroepswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002170), de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) en enige andere wetten enkele wijzigingen van technische of ondergeschikte aard aan te brengen als gevolg van de modernisering van de rechterlijke organisatie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel II Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel III Wijzigt de Wet op de rechterlijke indeling. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel V Wijzigt de Beroepswet. Artikel VI Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel VII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel VIII Wijzigt de Deltawet. Artikel IX Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden. Artikel X Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel XI Wijzigt de Kadasterwet. Artikel XII Wijzigt de Wet oorlogsstrafrecht. Artikel XIII Wijzigt de Wet organisatie en bestuur gerechten. Artikel XIV Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel XIVA Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel XV Wijzigt diverse wetten. Artikel XVI Wijzigt diverse wetten. Artikel XVII Wijzigt diverse wetten. Artikel XVIII Wijzigt de Wet van 30 janu"},{"i":3452,"b":"Besluit van 15 oktober 2020, houdende regels voor het langs elektronische weg procederen in het civiele recht en in het bestuursrecht (Besluit elektronisch procederen) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 10 juli 2020, nr. 2968352; directie Wetgeving en Juridische Zaken, Gelet op: de [artikelen 33, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=33), en [125, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=125); de [artikelen 30c, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=30c), [30f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=30f) en [30n, achtste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=30n) zoals dat luidt voor de procedures en vorderingen voor de Hoge Raad waarvoor de [Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038353) (Stb. 2016, 288) in werking is getreden; de [artikelen 8:36b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:36b), [8:36d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:36d), [8:36f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:36f), en [8:40a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:40a); en [artikel 46, tweede lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=46); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 september 2020, nr. W16.20.0245/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 15 oktober 2020; nr. 3051637, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artik"},{"i":8865,"b":"Overeenkomst op grond van Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst) De Hoge Overeenkomstsluitende Partijen, Lid-Staten van de Europese Unie, Gelet op de akte van de Raad van de zesentwintigste juli negentienhonderd vijfennegentig, Zich bewust van de dringende problemen die zich voordoen ten gevolge van terrorisme, illegale drughandel en andere ernstige vormen van internationale criminaliteit; Overwegende dat meer solidariteit en samenwerking tussen de Lid-Staten van de Europese Unie vereist is, in het bijzonder door verbetering van de politiële samenwerking tussen de Lid-Staten; Overwegende dat door vooruitgang op die gebieden de bescherming van de openbare veiligheid en orde nog verbeterd moet kunnen worden; Overwegende dat het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992 voorziet in de oprichting van een Europese Politiedienst (Europol); Gezien het besluit van de Europese Raad van 29 oktober 1993 om Europol in Nederland te vestigen, met Den Haag als zetel; Herinnerend aan de gemeenschappelijke doelstelling van een betere politiële samenwerking op het gebied van terrorisme, illegale drughandel en andere ernstige vormen van internationale criminaliteit door middel van een voortdurende, vertrouwelijke en intensieve uitwisseling van gegevens tussen Europol en de nationale eenheden van de Lid-Staten; Ervan uitgaande dat de in deze Overeenkomst vastgelegde vormen van samenwerking geen afbreuk mogen doen aan andere vormen van multilaterale of bilaterale samenwerking; Ervan overtuigd dat ook op het gebied van de politiële samenwerking scherp moet worden toegezien op het beschermen van de rechten van het individu, in het bijzonder op de bescherming van zijn persoonsgegevens; Overwegende dat de werkzaamheden van Europol op grond van deze Overeenkomst geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van de Europese Gemeenschappen, en overwegende dat Europol en de Europese Gemeenschappen er i"},{"i":18880,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 juni 2021 nr. BOACAT2021/027, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer Gelezen het verzoek van de Dienst Wegverkeer van 21 april 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van het CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045402&artikel=2&z=2021-09-23&g=2021-09-23). Artikel 2 1. De personen, werkzaam als Buitengewoon opsporingsambtenaren bij de RDW, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporin"},{"i":17633,"b":"Toepassing oudedagsvrijstelling bij WUV-uitkering De plv. Directeur-Generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Aan de hand van vragen is gebleken dat onduidelijkheid bestaat over de behandeling van een uitkering op grond van de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (hierna: de WUV-uitkering) bij de bepaling van de oudedagsvrijstelling voor de heffing van de vermogensbelasting. Rechten op een WUV-uitkering zijn naar mijn oordeel niet aan te merken als rechten die zijn bedoeld in artikel 16b, eerste lid, onder 1° tot en met 4°, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (hierna: een oudedagsvoorziening). Een korting op de oudedagsvrijstelling wegens het recht op een WUV-uitkering dient derhalve achterwege te blijven. Het komt voor dat de WUV-uitkering te samen met een pensioenuitkering in één bedrag wordt uitgekeerd. In zo’n situatie dient het bedrag te worden gesplitst. De pensioenuitkering wordt uiteraard aangemerkt als een oudedagsvoorziening. Voormeld standpunt geldt ook voor de met de WUV-uitkering op dit punt vergelijkbare uitkeringen zoals de uitkeringen die zijn genoemd in artikel 11, eerste lid, onderdelen h, j, m en p, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965."},{"i":14830,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 30 oktober 2018, nr. WJZ/ 18264901, tot vaststelling van de correcties voor de voorschotverlening duurzame energieproductie 2019 (Regeling vaststelling voorschotverlening duurzame energieproductie 2019) Gelet op [artikelen 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [39, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=39), [47, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47), en [54, vijfde lid, van het Besluit stimulering duurzame energie productie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=54); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **basisbedrag:** basisbedrag, bedoeld in [artikel 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), en [artikel 44, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44); - –. **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - –. **regeling 2008:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - –. **regeling 2009:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - –. **regeling 2010:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - –. **regeling 2011:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030034); - –. **regeling 2012:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012](https://wetten.overheid"},{"i":17961,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met de verbeteringen die worden doorgevoerd in het tuchtrecht alsmede verbeteringen ten aanzien van het functioneren van de wet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) te wijzigen zodat het tuchtrecht toekomstbestendig wordt en zodat het functioneren van de wet in het algemeen verbeterd wordt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel II Wijzigt de Geneesmiddelenwet. Artikel III Wijzigt de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel IV Wijzigt de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg. Artikel V Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel VI Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel VIa Wijzigt de Wet medisch tuchtrecht BES. Artikel VII Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel VIII Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel IX A. [Artikel 55, derde lid van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=55) zoals dat luidde direct voor de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel DD](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041261&artikel=I&z=2019-04-01&g=2019-04-01), blijft van toepassing op voorzitters en hun plaatsvervangers van de tuchtcolleges, indien zij voor de inwerkingtreding van dat onderdeel zijn benoemd. B. Op zaken die bij een regionaal tuchtcollege of het centraal tuchtcollege aanhangig waren op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel Y](https://wetten.overh"},{"i":9124,"b":"Protocol No. III betreffende het toezicht op de bewapening Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Franse Republiek, President van de Franse Unie, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Italiaanse Republiek, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Hare Majesteit de Koningin van Groot-Britannië en Noord-Ierland en van Haar andere Rijken en Gebieden, Hoofd van het Gemenebest, ondertekenaars van het Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel, Hebben als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen Zijne Excellentie de Heer Paul-Henri Spaak, Minister van Buitenlandse Zaken, De President van de Franse Republiek, President van de Franse Unie Zijne Excellentie de Heer Pierre Mendès-France, Voorzitter van de Ministerraad, Minister van Buitenlandse Zaken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland Zijne Excellentie de Heer Konrad Adenauer, Bondskanselier, Bondsminister van Buitenlandse Zaken, De President van de Italiaanse Republiek Zijne Excellentie de Heer Gaetano Martino, Minister van Buitenlandse Zaken, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg Zijne Excellentie de Heer Joseph Bech, Minister van Staat, Minister van Buitenlandse Zaken, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden Zijne Excellentie de Heer Johan Willem Beyen, Minister van Buitenlandse Zaken, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en van haar andere Rijken en Gebieden, Hoofd van het Gemenebest voor het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland Zijne Excellentie Sir Anthony Eden, K.G., M.C., Lid van het Parlement, Minister van Buitenlandse Zaken, Zijn het volgende overeengekomen: Deel I. - Wapenen welke niet mogen worden vervaardigd. Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Deel II. - Wapens waarop toezicht zal worden uitgeoefend. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel"},{"i":9125,"b":"Protocol No. IV betreffende het Agentschap van de West-Europese Unie voor het toezicht op de bewapening Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Franse Republiek, President van de Franse Unie, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Italiaanse Republiek, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en van Haar andere Rijken en Gebieden, Hoofd van het Gemenebest, ondertekenaars van het Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel, Overeengekomen zijnde in overeenstemming met artikel IV van het Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag, een Agentschap in te stellen voor het toezicht op de bewapening, Hebben als hun gevolmachtigden aangewezen: Zijne Majesteit de Koning der Belgen Zijne Excellentie de Heer Paul-Henri Spaak, Minister van Buitenlandse Zaken, De President van de Franse Republiek, President van de Franse Unie Zijne Excellentie de Heer Pierre Mendès-France, Voorzitter van de Ministerraad, Minister van Buitenlandse Zaken, De President van de Bondsrepubliek Duitsland Zijne Excellentie de Heer Konrad Adenauer, Bondskanselier, Bondsminister van Buitenlandse Zaken, De President van de Italiaanse Republiek Zijne Excellentie de Heer Gaetano Martino, Minister van Buitenlandse Zaken, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg Zijne Excellentie de Heer Joseph Bech, Minister van Staat, Minister van Buitenlandse Zaken, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden Zijne Excellentie de Heer Johan Willem Beyen, Minister van Buitenlandse Zaken, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en van haar andere Rijken en Gebieden, Hoofd van het Gemenebest voor het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland Zijne Excellentie Sir Anthony Eden, K.G., M.C., Lid van het Parlement, Minister va"},{"i":9129,"b":"Protocol nr. 14 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentale vrijheden, betreffende wijziging van het controlesysteem van het Verdrag Preambule De lidstaten van de Raad van Europa, die dit Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen „het Verdrag\") hebben ondertekend, Gelet op Resolutie nr. 1 en de Verklaring aangenomen op de Europese Ministeriële Conferentie inzake de rechten van de mens die op 3 en 4 november 2000 plaatsvond te Rome; Gelet op de Verklaringen aangenomen door het Comité van Ministers op 8 november 2001, 7 november 2002 en 15 mei 2003 tijdens respectievelijk de honderdnegende, honderdelfde en honderdtwaalfde zitting; Gelet op opinie nr. 251 (2004) aangenomen door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 28 april 2004; Overwegende dat het dringend noodzakelijk is een aantal bepalingen van het Verdrag te wijzigen teneinde de doeltreffendheid van het controlesysteem voor de lange termijn te handhaven en te verbeteren, voornamelijk gezien de toenemende werkdruk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Comité van Ministers van de Raad van Europa; In het bijzonder overwegende de noodzaak te waarborgen dat het Hof zijn preëminente rol bij de bescherming van de mensenrechten in Europa kan blijven spelen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Wijzigt het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Rome, 04-11-1950. Artikel 2 Wijzigt het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Rome, 04-11-1950. Artikel 3 Wijzigt het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Rome, 04-11-1950. Artikel 4 Wijzigt het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Rome, 04-11-1950. Artikel 5 Wijzigt het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens"},{"i":9183,"b":"Regeling ex artikel 10 Richtlijn van de Raad van de EG Gelet op het bepaalde in artikel 10, eerste, tweede en vierde lid, van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1976 houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden van verzekeringsagent en assurantiemakelaar (ex groep 630 CITI) en houdende met name overgangsmaatregelen voor deze werkzaamheden (nr. 77/92/EEG, Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1977, nr. L 26, blz. 14, van 31 januari 1977), Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt onder ‘Richtlijn’ verstaan: de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1976 houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden van verzekeringsagent en assurantiemakelaar (ex groep 630 CITI) en houdende met name overgangsmaatregelen voor deze werkzaamheden (nr. 77/92/EEG, Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1977, nr. L 26, blz. 14 van 31 januari 1977). Artikel 2 De burgemeester wordt aangewezen als de instantie die bevoegd is tot afgifte van een bewijs van betrouwbaarheid als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Richtlijn. Als bewijs van betrouwbaarheid dient de verklaring omtrent het bedrag, afgegeven ingevolge de [Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002195) (Stb. 1955, 395). Artikel 3 Ter vervanging van het in artikel 10, eerste lid, van de Richtlijn bedoelde document dat dient tot het bewijs dat geen faillissement heeft plaatsgehad, wordt aangewezen een door een notaris afgegeven afschrift van een authentieke akte, waarin het afleggen van een verklaring als bedoeld in het tweede lid van voornoemd artikel is geconstateerd. Artikel 4 Dit besluit zal in de Nederlandse Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9213,"b":"Rijkswet van 15 juni 2006, houdende goedkeuring van het op 25 april 2005 te Luxemburg totstandgekomen Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (met Akte, Protocol, Slotakte en Bijlagen); Trb. 2005, 196 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 25 april 2005 te Luxemburg totstandgekomen Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (met Akte, Protocol, Slotakte en Bijlagen) ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 25 april 2005 te Luxemburg totstandgekomen Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (met Akte, Protocol, Slotakte en Bijlagen), waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in Tractatenblad 2005, 196, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 De goedkeuring door de Staten-Generaal van de verdragen, welke als noodzakelijk en rechtstreeks gevolg van het in artikel 1 genoemde Verdrag gesloten worden tussen de lid-staten van de Europese Unie onderling, danwel tussen de lid-staten, al dan niet gezamenlijk met de Europese Gemeenschappen enerzijds en derde staten of internationale organisaties anderzijds, is niet vereist. Artikel 3 Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal"},{"i":9211,"b":"Rijkswet van 19 december 2001, houdende goedkeuring van het op 26 februari 2001 te Nice totstandgekomen Verdrag van Nice houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, met Protocollen (Trb. 2001, 47) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 26 februari 2001 te Nice tot stand gekomen Verdrag van Nice houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, met Protocollen, ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 26 februari 2001 te Nice tot stand gekomen Verdrag van Nice houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, met Protocollen, waarvan de tekst is geplaatst in Tractatenblad 2001, 47, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 Met de verklaringen gehecht aan de Slotakte van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013236&artikel=1&z=2008-07-25&g=2008-07-25) genoemde Verdrag wordt ingestemd, voor zover deze een nadere uitleg bevatten van bepalingen van het Verdrag. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad van"},{"i":9212,"b":"Rijkswet van 17 december 1992, houdende goedkeuring van het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Verdrag betreffende de Europese Unie, met Protocollen, en een Overeenkomst betreffende de sociale politiek tussen de Lidstaten van de EG, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Verdrag betreffende de Europese Unie, met Protocollen, en een Overeenkomst betreffende de sociale politiek tussen de Lidstaten van de EG, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91), de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeven alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Verdrag betreffende de Europese Unie, met Protocollen, en een Overeenkomst betreffende de sociale politiek tussen de Lidstaten van de EG, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in **Tractatenblad** 1992, 74, worden goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 Met de verklaringen gehecht aan de Slotakte van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005772&artikel=1&z=2008-07-25&g=2008-07-25) genoemde Verdrag wordt ingestemd, voor zover deze een nadere uitleg bevatten van bepalingen van het Verdrag. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Wanneer op grond van artikel 103, vierde lid, van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005772&artikel=1&z=2008-07-25&g=2008-07-25) genoemde Verdrag door de Raad wordt besloten om tot Nederlan"},{"i":12643,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 september 2017, nr. MinBuza-2017.976436, tot geheimverklaring van opdrachten in het kader van onderhoud van het Vredespaleis Gelet op [artikel 2.23, aanhef en onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23); Besluit: Opdrachten in het kader van onderhoud van het Vredespaleis en de daarbij behorende gebouwen en terreinen worden geheim verklaard in de zin van de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203). Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16670,"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2011 Gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en [34, vierde lid van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34), [hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3) en [hoofdstuk 3 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&hoofdstuk=3); Heeft in zijn vergadering van 17 januari 2011 besloten: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. **college:** het College voor zorgverzekeringen; - b. **risicoklasse naar leeftijd en geslacht:** een één- of meerjarige leeftijdsklasse, verdeeld naar geslacht, overeenkomstig tabel B4.1 van [Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4), tabel B5.2 van [Bijlage 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5), tabel B6A.1 van [Bijlage 6A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6a) en tabel B7.1 van [Bijlage 7 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=7); - c. **risicoklasse naar farmacie kostengroep (FKG):** een klasse gebaseerd op geneesmiddelengebruik gekoppeld aan aandoeningen overeenkomstig tabel B4.2 van [Bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) en tabel B6A.2 van [Bijlage 6A van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=6a); - d. **risicoklasse naar farmacie kostengroep voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (FKG-GGZ):** een klasse gebaseerd op geneesmiddelengebruik gekoppeld aan aandoeningen overeenkomstig tabel B5.4 van [Bijlage 5 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=5); - e. **risicoklasse naar diagnose kostengroep (DKG):** een klasse gebaseerd op kostenhomogene aandoeningengroepen, overeenkomstig tabel B4.3"},{"i":9369,"b":"Verdrag betreffende de rol van beroepskeuzevoorlichting en beroepsopleiding bij de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen in haar zestigste zitting op 4 juni 1975; Besloten hebbende bepaalde voorstellen aan te nemen betreffende de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen: beroepskeuzevoorlichting en beroepsopleiding, hetgeen het zesde punt is op de agenda der zitting; Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, aanvaardt heden, de drieëntwintigste juni negentienhonderd vijfenzeventig, het volgende Verdrag, dat kan worden aangehaald als „Verdrag betreffende de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen, 1975”: Artikel 1 1. Ieder Lid dient uitgebreide en gecoördineerde beleidslijnen en programma's voor beroepskeuzevoorlichting en beroepsopleiding te aanvaarden en te ontwikkelen in nauwe samenhang met de werkgelegenheidssituatie, in het bijzonder met behulp van de openbare arbeidsbureaus. 2. In dit beleid en deze programma's dient rekening te worden gehouden met: - (a). de behoeften, de mogelijkheden en de problemen op het gebied van de werkgelegenheid zowel op regionaal als op nationaal niveau; - (b). het stadium en het niveau van de economische, sociale en culturele ontwikkeling; - (c). het verband tussen de doelstellingen van de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen en andere economische, sociale en culturele doelstellingen. 3. Dit beleid en deze programma's dienen te worden uitgevoerd door middel van methoden die zijn afgestemd op de nationale omstandigheden. 4. Dit beleid en deze programma's dienen te worden gericht op de verruiming van de mogelijkheden van de mens om zijn sociale omgeving te begrijpen en deze, zowel individueel als collectief, te beïnvloeden. 5. Dit beleid en deze programma's dienen alle mensen op voet van gelijkheid en zo"},{"i":9399,"b":"Verdrag betreffende plaatsing van zeelieden De Algemene Conferentie van de Internationale Organisatie van de Arbeid, bijeengeroepen te Genua door de Raad van Beheer van het Internationaal Bureau van Arbeid, de 15 Juni 1920, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende: toezicht op de monsteringsvoorwaarden van zeelieden; plaatsing; toepassing op zeelieden van het Verdrag en de Aanbevelingen, aangenomen te Washington in November van het vorige jaar, inzake werkloosheid en verzekering tegen werkloosheid, welk vraagstuk het tweede punt uitmaakt van de agenda van de te Genua gehouden zitting der Conferentie, en besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een Internationaal Verdrag, neemt het volgende Verdrag aan, dat genoemd zal worden Verdrag betreffende plaatsing van zeelieden, ter bekrachtiging door de Leden van de Internationale Organisatie van de Arbeid, in overeenstemming met de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag worden onder „zeelieden” verstaan alle personen als lid der equipage werkzaam aan boord van schepen, die de zee bevaren, met uitzondering van de officieren. Artikel 2 1. De Arbeidsbemiddeling voor zeelieden mag door geen persoon, vennootschap of instelling als bedrijf uitgeoefend worden met het doel winst te maken. Terzake van arbeidsbemiddeling zal geen zeeman, van welk schip ook, ooit betaling verschuldigd zijn, direct noch indirect, aan enige persoon, vennootschap of instelling. 2. In ieder land zal overtreding van de bepalingen van dit artikel bij de wet strafbaar gesteld worden. Artikel 3 1. In afwijking van het bepaalde in art. 2 mag een persoon, vennootschap of instelling, die tot dusverre de arbeidsbemiddeling als bedrijf met het doel winst te maken heeft uitgeoefend, met vergunning der Regering tijdelijk dit bedrijf voortzetten, onder voorwaarde dat op zijn of haar handelingen toezicht wordt uitgeoefend door de Regering t"},{"i":9416,"b":"Verdrag inzake bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties **Preambule** De Partijen, Overwegende dat omkoping bij internationale zakelijke transacties, waaronder begrepen handel en investeringen, een wijdverbreid verschijnsel is dat aanleiding geeft tot ernstige ethische en politieke bezorgdheid, goed bestuur en economische groei ondermijnt en internationale mededingingsomstandigheden vervalst; Overwegende dat alle landen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van omkoping bij internationale zakelijke transacties; Gelet op de Herziene Aanbeveling inzake de Bestrijding van Omkoping bij Internationale Zakelijke Transacties, aangenomen door de Raad van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) op 23 mei 1997, C(97)123/FINAL, die, onder andere, opriep tot doeltreffende maatregelen om omkoping van buitenlandse ambtenaren in verband met internationale zakelijke transacties te ontmoedigen, te voorkomen en te bestrijden, en in het bijzonder tot de onmiddellijke strafbaarstelling van deze omkoping, zulks op doeltreffende en samenhangende wijze en in overeenstemming met de overeengekomen gemeenschappelijke elementen genoemd in bovenbedoelde Aanbeveling en met de rechtsbevoegdheidsbeginselen en andere fundamentele juridische beginselen van ieder land; Verwelkomend andere recente ontwikkelingen die internationale overeenstemming en internationale samenwerking met betrekking tot de bestrijding van omkoping van ambtenaren, met inbegrip van acties van de Verenigde Naties, de Wereldbank, het Internationale Monetaire Fonds, de Wereldhandelsorganisatie, de Organisatie van Amerikaanse Staten, de Raad van Europa en de Europese Unie, verder bevorderen; Verwelkomend de inspanningen van bedrijven, handelsorganisaties, vakbonden, alsmede andere niet-gouvernementele organisaties teneinde omkoping te bestrijden; Erkennende de rol van regeringen bij de voorkoming van de verleiding tot omkoping door per"},{"i":6916,"b":"Besluit van 15 september 2023, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur in verband met de technische eenmaking van enkele artikelen in enige algemene maatregelen van bestuur (Besluit technische eenmaking Burgerlijke Rechtsvordering) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 7 juli 2023, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 4764665; Gelet op de [artikelen 11 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=11), [2, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=2), [434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=434a), [37, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=39) en [41, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=41) en [16 van de Uitvoeringswet grondkamers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021912&artikel=16); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2023, nr. W16.23.00178/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 12 september 2023, nr. 4858063; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit orde van dienst gerechten. Artikel II Wijzigt het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Artikel III Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Artikel IV Wijzigt het Uitvoeringsbesluit pacht. Artikel V Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2023. Artikel VI Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit technische eenmaking Burgerlijke Rechtsvordering. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5513,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 juli 2021, nr. MBO/28142118, houdende vaststelling van de subsidieplafonds van de Subsidieregeling praktijkleren voor het studiejaar 2020-2021, alsmede wijziging van de Subsidieregeling praktijkleren in verband met het definiëren van het begrip ‘hoofdactiviteit’, het toevoegen van conjunctuurgevoelige sectoren die in aanmerking komen voor aanvullende subsidie, het opnemen van een coulancebepaling, alsmede de toevoeging van een aanvullende subsidie voor praktijkleerplaatsen in het hbo Gelet op [artikel 2.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.7), [artikel 4 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [artikel 14, eerste lid, van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=14); Besluit: Artikel 1. Vaststelling subsidieplafonds [Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144) 2020–2021 Voor subsidieverstrekking op grond van de [Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144) zijn voor het studiejaar 2020–2021 ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar: - a. voor subsidies als bedoeld in [artikel 4 van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=4): € 251.529.000; - b. voor subsidies als bedoeld in [artikel 6 van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=6): € 17.700.000; - c. voor subsidies als bedoeld in [artikel 8 van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=8): € 2.200.000; en - d. voor subsidies als bedoeld in de [artikelen 9a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=9a), [9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034144&artikel=9c) en [10 van de Subsidieregeling praktijkleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":9455,"b":"Verdrag inzake de Internationale Maritieme Organisatie De Staten die partij zijn bij dit Verdrag richten hierbij op de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie, welke verder zal worden aangeduid met „de Organisatie”. HOOFDSTUK I. Doeleinden van de Organisatie Artikel 1 De doeleinden van de Organisatie zijn: - a). Het verschaffen van een gelegenheid tot samenwerking tussen Regeringen op het gebied van overheidsmaatregelen en -gebruiken die betrekking hebben op technische aangelegenheden van iedere soort betreffende de internationale koopvaardij; het aanmoedigen en vergemakkelijken van de algemene aanvaarding van de hoogst bereikbare maatstaven ten aanzien van de veiligheid ter zee, de doeltreffendheid van de navigatie en de voorkoming en bestrijding van de verontreiniging van de zee door schepen alsmede het behandelen van bestuurlijke en juridische aangelegenheden, die verband houden met de doeleinden die in dit artikel zijn gesteld; - b). het aanmoedigen van de opheffing van discriminatoire maatregelen en onnodige beperkingen vanwege Regeringen met betrekking tot de internationale koopvaardij, teneinde de beschikbaarheid zonder discriminatie van scheepvaartdiensten voor de wereldhandel te bevorderen; steun en aanmoediging door een Regering verleend voor de ontwikkeling van haar nationale koopvaardij en ten behoeve van haar nationale veiligheid betekenen op zichzelf geen discriminatie, mits dergelijke steun en aanmoediging niet hun grond vinden in maatregelen die beogen de vrijheid van de scheepvaart van alle vlaggen om deel te nemen aan het internationale verkeer te beperken; - c). het in overweging nemen door de Organisatie van aangelegenheden betreffende deloyale belemmerende praktijken van scheepvaart-ondernemingen in overeenstemming met het bepaalde in Hoofdstuk II; - d). Het in overweging nemen door de Organisatie van iedere aangelegenheid betreffende de scheepvaart en de gevolgen van de scheepvaart voor het mariene milieu, die aan haar door eni"},{"i":9467,"b":"Verdrag inzake de sluikhandel over zee, ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen De lidstaten van de Raad van Europa, die hun instemming tot uitdrukking hebben gebracht te worden gebonden door het op 20 december 1988 te Wenen tot stand gekomen [Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001103), hierna te noemen „het Verdrag van Wenen”, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Overtuigd van de noodzaak een gemeenschappelijk strafrechtelijk beleid te voeren dat is gericht op bescherming van de samenleving; Overwegende dat de bestrijding van de zware criminaliteit, die een steeds groter internationaal probleem is geworden, een nauwe samenwerking vereist op internationaal niveau; Geleid door de wens hun samenwerking zoveel mogelijk uit te breiden teneinde de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee tegen te gaan, in overeenstemming met het internationale zeerecht en met volledige eerbiediging van het beginsel van vrijheid van scheepvaart; Overwegende derhalve dat [artikel 17 van het Verdrag van Wenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001103&artikel=17) dient te worden aangevuld met een regionaal verdrag teneinde hieraan uitvoering te geven en de doeltreffendheid daarvan te vergroten, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „tussenkomende staat”: een staat die partij is en die een andere partij heeft verzocht dan wel voornemens is te verzoeken te worden gemachtigd om op grond van dit Verdrag maatregelen te nemen tegen een vaartuig dat de vlag voert of de nationaliteitskentekens toont van de andere staat die partij is; - b. „primaire rechtsmacht”, wann"},{"i":9472,"b":"Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, Erop wijzend dat het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) opnieuw het vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de mens en in de gelijke rechten van mannen en vrouwen bevestigt, Erop wijzend dat de [Universele Verklaring van de rechten van de mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) het beginsel van de ontoelaatbaarheid van discriminatie bevestigt en verkondigt dat alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en in rechten zijn geboren en dat een ieder aanspraak heeft op alle daarin genoemde rechten en vrijheden, zonder enig onderscheid van welke aard ook, waaronder begrepen ieder onderscheid naar geslacht, Erop wijzend dat de Staten die partij zijn bij de Internationale Verdragen inzake de rechten van de mens verplicht zijn het gelijke recht van mannen en vrouwen op het genot van alle economische, sociale, culturele, burgerlijke en politieke rechten te verzekeren, In aanmerking nemend de internationale overeenkomsten gesloten onder auspiciën van de Verenigde Naties en de gespecialiseerde organisaties ter bevordering van de gelijkgerechtigdheid van mannen en vrouwen, Tevens wijzend op de resoluties, verklaringen en aanbevelingen aangenomen door de Verenigde Naties en de gespecialiseerde organisaties ter bevordering van de gelijkgerechtigdheid van mannen en vrouwen, Evenwel verontrust over het feit dat ondanks deze verschillende akten wijdverbreide discriminatie van vrouwen nog steeds bestaat, Eraan herinnerend dat discriminatie van vrouwen schending van de beginselen van gelijkgerechtigdheid en eerbied voor de menselijke waardigheid is, de deelneming van vrouwen op gelijke voet met mannen aan het politieke, sociale, economische en culturele leven van hun land in de weg staat, de toename van de welvaart van de maatschappij en het gezin belemmert en de"},{"i":9473,"b":"Verdrag inzake de uitoefening van de visserij op de Noordatlantische Oceaan De Regeringen van België, Canada, Denemarken, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, IJsland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, de Poolse Volksrepubliek, Portugal, Spanje, Zweden, de Verenigde Staten van Amerika, de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Verlangende orde en tucht op de visgronden van het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan te verzekeren; Zijn als volgt overeengekomen: Artikel 1 1. Dit Verdrag is van toepassing op de Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee en de daarmede in verbinding staande, in Bijlage I van dit Verdrag nader omschreven, zeeën. 2. In dit Verdrag wordt verstaan onder: - „vissersvaartuig”, elk vaartuig dat wordt gebruikt voor het vangen van vis; - „vaartuig”, elk vissersvaartuig en elk vaartuig dat, op commerciële voet, wordt gebruikt voor de verwerking van vis, het bevoorraden van, of het verlenen van diensten aan vissersvaartuigen. Artikel 2 Geen enkele bepaling van dit Verdrag wordt geacht de rechten, aanspraken of zienswijzen van een Verdragsluitende Partij met betrekking tot de grenzen van territoriale wateren, de nationale visgrenzen of de grenzen van de rechtsbevoegdheid van een kuststaat in visserij aangelegenheden aan te tasten. Artikel 3 1. De vissersvaartuigen van iedere Verdragsluitende Partij worden, overeenkomstig de wettelijke voorschriften van die Partij, ingeschreven en gemerkt, zodat op zee hun identiteit kan worden vastgesteld. 2. De bevoegde autoriteit van iedere Verdragsluitende Partij stelt voor elke haven of elk district een of meer letters en een reeks cijfers vast. 3. Iedere Verdragsluitende Partij stelt een lijst van deze letters op. 4. Deze lijst, alsmede alle daarin nadien eventueel aangebrachte wijzigingen, worden ter kennis van de andere Verdragsluitende Partijen gebracht. 5. De bepalingen van Bijlage II van dit Verdrag zijn"},{"i":9475,"b":"Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag) Preambule De Verdragsluitende Staten, Geleid door de wens de samenwerking tussen de Europese Staten op het gebied van de bescherming van uitvindingen te bevorderen, Geleid door de wens een dergelijke bescherming in die Staten te verwezenlijken door een eenvormige procedure voor het verlenen van octrooien en door het opstellen van bepaalde eenvormige regels inzake de aldus verleende octrooien, Geleid door de wens daartoe een Verdrag te sluiten waarbij een Europese Octrooiorganisatie wordt opgericht en welk Verdrag een bijzondere overeenkomst vormt in de zin van [artikel 19 van het Verdrag tot Bescherming van de Industriële Eigendom](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004120&artikel=19), ondertekend te Parijs op 20 maart 1883 en laatstelijk herzien op 14 juli 1967, benevens een regionaal octrooiverdrag in de zin van [artikel 45, eerste lid, van het Verdrag tot Samenwerking inzake Octrooien](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004680&artikel=45) van 19 juni 1970, Zijn het volgende overeengekomen: DEEL I. ALGEMENE EN INSTITUTIONELE BEPALINGEN HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Europees recht voor de verlening van octrooien Bij dit Verdrag wordt een voor de Verdragsluitende Staten gemeenschappelijk recht voor de verlening van octrooien voor uitvindingen in het leven geroepen. Artikel 2. Europees octrooi 1. De op grond van dit Verdrag verleende octrooien worden Europese octrooien genoemd. 2. Het Europees octrooi heeft in elk van de Verdragsluitende Staten waarvoor het is verleend, dezelfde werking en is onderworpen aan dezelfde bepalingen als een nationaal octrooi dat door die Staat is verleend, voor zover dit Verdrag niet anders bepaalt. Artikel 3. Territoriale werking De verlening van een Europees octrooi kan worden aangevraagd voor één of meer Verdragsluitende Staten. Artikel 4. Europese Octrooiorganisatie 1. Bij dit Verdrag wordt een Europese Octrooiorganisatie, hierna te"},{"i":2040,"b":"Aanpassing bedragen in Besluit woninggebonden subsidies 1995 (BWS 1995) en Besluit locatiegebonden subsidies (BLS) Geacht college, geacht bestuur, De stichtingskostengrenzen voor (sociale) nieuwbouwwoningen en de hierop betrekking hebbende regelingen worden jaarlijks geactualiseerd. De aanpassingen komen voort uit [artikel 24 van het Besluit woninggebonden subsidies 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950&artikel=24) en uit [artikel 6 van het Besluit locatiegebonden subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425&artikel=6). Daartoe dienen bijgaande MG en Besluit. De in het [BWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) genoemde stichtingskostengrens wordt ook in de [Huisvestingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005674) genoemd als koopprijsgrens ([art. 6, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005674&artikel=6)). Aanpassing van de [BWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) grens heeft derhalve ook consequenties voor de [Huisvestingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005674). In het [BWS 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) en in het [BLS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425) is de categorie sociale woningen opgenomen. Voor deze categorie geldt thans dat de geraamde kosten voor het in eigendom verkrijgen daarvan niet hoger zijn dan € 96.849,-. Gelet op de prijsontwikkeling van het bouwen van woningen is het wenselijk om met ingang van 1 januari 2004 dit bedrag te verhogen. Het nieuwe verhoogde bedrag in het [BWS 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) en in het [BLS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006425) wordt verhoogd van € 96.849,- naar € 101.449,-. Bij ministeriële regeling zijn de bedragen in de genoemde besluiten aangepast. Een afschrift van deze regeling is bij deze circulaire gevoegd. Met ingang van 2005 zullen het [BWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006950) en huidige [BLS](https://wetten.overheid.nl"},{"i":5879,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 8 april 2025, nr. IENW/BSK-2023/256354, houdende vaststelling van regels voor de subsidiëring van de uitvoering van activiteiten ten behoeve van de aanpassing van goederenlocomotieven aan of de ontwikkeling van goederenlocomotieven met inachtneming van ETCS systeemversie 2.0 of hoger (Tijdelijke subsidieregeling ERTMS goederenlocomotieven) [KetenID WGK025919] Gelet op de [artikelen 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5 van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5), en de [artikelen 4 eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, tweede lid, onderdeel b, en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8, eerste en derde lid, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=21), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), [23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23), en [24, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanpassing:** aanpassing van een goederenlocomotief aan ETCS systeemversie 2.0 of hoger, door middel van upgrade of retrofit; - **ATB:** automatische treinbeïnvloeding; - **ETCS systeemversie 2.0 of hoger:** versie van het treinbesturings- en seingevingssysteem van de Europese Unie (ETCS) geschikt voor ETCS level 2; - **ERTMS:** European Rail Traffic Management System; - **hoofdspoorweg:** spoorw"},{"i":9483,"b":"Verdrag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen De Staten, die dit Verdrag hebben ondertekend, Verlangend gemeenschappelijke regels omtrent de oplossing van wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen op te stellen, Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Een testamentaire beschikking is wat de vorm betreft geldig, indien zij beantwoordt aan de eisen van het interne recht. - a). van de plaats waar de testateur beschikte, of - b). van een Staat waarvan de testateur de nationaliteit bezat, hetzij op het ogenblik waarop hij beschikte, hetzij op het ogenblik van zijn overlijden, of - c). van een plaats waar de testateur zijn woonplaats had, hetzij op het ogenblik waarop hij beschikte, hetzij op het ogenblik van zijn overlijden, of - d). van de plaats waar de testateur zijn gewoon verblijf had, hetzij op het ogenblik waarop hij beschikte, hetzij op het ogenblik van zijn overlijden, of - e). voor onroerende goederen, van de plaats van hun ligging. Indien in de Staat waarvan de testateur de nationaliteit bezat, meer dan één rechtsstelsel bestaat, dan wordt voor de toepassing van dit Verdrag het toepasselijke recht aangewezen door de regels, die in die Staat gelden en bij gebreke van zodanige regels door dat recht uit die Staat, met hetwelk de testateur de nauwste band bezat. De vraag of de testateur woonplaats had op een bepaalde plaats wordt beheerst door het recht van die plaats. Artikel 2 Artikel 1 is ook van toepassing op testamentaire beschikkingen, waarbij een vroegere testamentaire beschikking wordt herroepen. De herroeping is wat de vorm betreft ook geldig, indien zij beantwoordt aan de vereisten van één der rechtsstelsels volgens welke, bij toepassing van artikel 1, de herroepen testamentaire beschikking geldig was. Artikel 3 Dit Verdrag maakt geen inbreuk op bestaande of toekomstige regels van de verdragsluitende Staten, ingevolge welke testamentai"},{"i":9486,"b":"Verdrag inzake duurzame ontwikkeling tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Costa Rica De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Costa Rica; Overtuigd van het cruciale belang van een ontwikkeling die in de huidige behoeften voorziet, zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien; Geleid derhalve door de wens de uitvoering te bevorderen van de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling en van Agenda 21, aangenomen door de Conferentie van de Verenigde Naties over Milieu en Ontwikkeling, die van 3 tot 14 juni 1992 in Rio de Janeiro plaatsvond; Overtuigd van de noodzaak een nieuwe en gelijkwaardige wereldalliantie te vestigen, door middel van het creëren van nieuwe niveaus van samenwerking tussen Staten, maatschappelijke sleutelsectoren en personen; Geleid voorts door de wens uitvoering te geven aan de Intentieverklaring die op 11 juni 1992 in Rio de Janeiro is ondertekend door de vertegenwoordigers van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Costa Rica; Beseffende hoe moeilijk het is duurzame ontwikkeling te verwezenlijken, gegeven de verschillen in economisch ontwikkelingsniveau, aanwezige bestaansbronnen, sociale en politieke systemen, en culturen; Erkennend dat ontwikkeling alleen duurzaam kan zijn indien zij economische, sociale, culturele, civiele en politieke, evenals religieuze en ecologische aspecten omvat; Geleid door het voorzorgsprincipe, krachtens hetwelk het ontbreken van volledige wetenschappelijke zekerheid niet kan worden gebruikt als argument voor het uitstellen van efficiënte maatregelen die aantasting van het milieu voorkomen of tot een minimum beperken, indien er gevaar van ernstige en onomkeerbare schade bestaat; Overwegende dat Staten moeten samenwerken in een geest van mondiale solidariteit teneinde het ecosysteem van de Aarde te behouden, te beschermen en te herstellen, aangezien"},{"i":5926,"b":"Toezichtbeleid erkenninghouders RDW 2017 Gelet op de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), het [Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951), de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671), het [Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386), het [Besluit Personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982) en [artikel 4:83 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83); Besluit: Artikel 1 1. Het toezichtbeleid erkenninghouders RDW wordt vastgesteld volgens [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039328&bijlage=I&z=2017-04-01&g=2017-04-01). 2. [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039328&bijlage=I&z=2017-04-01&g=2017-04-01) bestaat uit: Algemeen Deel Bijlage Erkenninghouder APK 2017; Bijlage Erkenninghouder Tachografen 2017; Bijlage Erkenninghouder Gasinstallatie 2017; Bijlage erkenninghouder Boordcomputer Taxi 2017; Bijlage Erkenning Tenaamstelling 2017; Bijlage Export Dienstverlening 2017; Bijlage Bedrijfsvoorraad & Handelaarskentekenbewijzen 2017; Bijlage Bevoegdheid Versnelde inschrijving 2017; Bijlage Erkenning Kentekenplaatfabrikanten en/of Lamineerder (GAIK) 2017; Bijlage APK Keurmeester 2017. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 april 2017. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Toezichtbeleidsbrief erkenninghouders RDW 2017. Deze beleidsregel wordt met toelichting in de Staatscourant geplaatst. De directie van de Dienst Wegverkeer, Bijlage I Algemeen Deel Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW 2017 Hoofdstuk 1. – Toelichting op de Toezichtbeleidsbrief 1.1. Toelichting Dit is het Algemeen Deel van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. Als erkenninghouder bent u gerechtigd een aantal taken uit te voeren namens de RDW. Het uitvoeren van deze taken kent een grote verantwoordelijkheid. De RDW houdt hier toezicht op. Hoe en waarom de RDW toezicht houdt, is vastgel"},{"i":9499,"b":"Verdrag inzake het merkenrecht Artikel 1. Verkorte uitdrukkingen Tenzij uitdrukkelijk anders vermeld, wordt voor de toepassing van dit Verdrag verstaan onder: - i. „bureau\": de instelling die door een Verdragsluitende Partij is belast met de inschrijving van merken; - ii. „inschrijving\": de inschrijving van een merk door een bureau; - iii. „aanvrage\": een aanvrage om inschrijving; - iv. „persoon\": zowel een natuurlijke persoon als een rechtspersoon; - v. „rechthebbende\": de persoon die blijkens het merkenregister rechthebbende op de inschrijving is; - vi. „merkenregister\": de verzameling gegevens, bijgehouden door een bureau, die de inhoud van alle inschrijvingen en alle met betrekking tot alle inschrijvingen geregistreerde gegevens bevat, ongeacht de informatiedrager waarin deze gegevens zijn opgeslagen; - vii. „Verdrag van Parijs\": het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, ondertekend te Parijs op 20 maart 1883, zoals herzien en gewijzigd; - viii. „Classificatie van Nice\": de classificatie vastgesteld bij de Overeenkomst van Nice betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, ondertekend te Nice op 15 juni 1957, zoals herzien en gewijzigd; - ix. „Verdragsluitende Partij\": een Staat of intergouvernementele organisatie die Partij is bij dit Verdrag; - x. „akte van bekrachtiging\" tevens akten van aanvaarding en goedkeuring; - xi. „Organisatie\": de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO/OMPI); - xii. „Directeur-Generaal\": de Directeur-Generaal van de Organisatie; - xiii. „Reglement\": het in artikel 17 bedoelde Reglement van dit Verdrag. Artikel 2. Merken waarop dit Verdrag van toepassing is 1. **[Aard van de merken]** - a. Dit Verdrag is van toepassing op merken die uit zichtbare tekens bestaan, met dien verstande dat uitsluitend Verdragsluitende Partijen die driedimensionale merken aanvaarden voor inschrijving, verplicht zijn dit Verdrag op die merken toe te pa"},{"i":9506,"b":"Verdrag inzake het voorkomen van staatloosheid met betrekking tot statenopvolging Preambule De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat het voorkomen van staatloosheid een van de belangrijkste zorgen van de internationale gemeenschap op het gebied van nationaliteit is; Vaststellend dat statenopvolging een van de belangrijkste oorzaken van gevallen van staatloosheid is; Erkennend dat het [Europees Verdrag inzake nationaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001475) (ETS nr. 166) dat op 6 november 1997 te Straatsburg werd opengesteld voor ondertekening uitsluitend algemene beginselen bevat en geen specifieke regels inzake nationaliteit in het geval van statenopvolging; Indachtig het feit dat andere internationale instrumenten inzake staatloosheid met betrekking tot statenopvolging ofwel niet bindend zijn ofwel bepaalde belangrijke kwesties niet regelen; Overtuigd dat er op grond van de voornoemde redenen een allesomvattend internationaal instrument inzake statenopvolging en het voorkomen van staatloosheid nodig is dat indachtig de beginselen van het [Europees Verdrag inzake nationaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001475) wordt uitgelegd en toegepast; Rekening houdend met richtlijn nr. R (99) 18 van het Comité van Ministers inzake het voorkomen en beperken van staatloosheid alsmede de ervaringen die de afgelopen jaren in de praktijk zijn opgedaan met statenopvolging en staatloosheid; Gelet op andere bindende internationale instrumenten, namelijk de Verdragen van de Verenigde Naties betreffende de status van staatlozen en tot beperking der staatloosheid en de [Verdragen van Wenen inzake statenopvolging met betrekking tot verdragen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003934) en inzake statenopvolging met betrekking tot staatseigendom, archieven en schulden; Voorts gelet op de ontwerpartikelen inzake de nationaliteit van natuurlijke personen met betrekking tot statenopvolging, o"},{"i":5426,"b":"Regeling subsidievoorwaarden rechts- en wetswinkels 2020 wil gelet op [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c) subsidie verlenen aan rechts- en wetswinkels en heeft daartoe de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1). **De Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand; - 2). **Een rechts- of wetswinkel:** een rechtspersoon die zonder winstoogmerk, in hoofdzaak met vrijwilligers, rechtsbijstand verleent aan minderdraagkrachtige personen of groepen van personen; - 3). **Rechtsbijstand:** sociaaljuridische hulpverlening. Daartoe rekent de Raad ook activiteiten zoals: voorlichting, preventie en andere activiteiten, gericht op het signaleren, voorkomen en tegengaan van tekortkomingen en leemten in de door het recht te verlenen bescherming van belangen van minderdraagkrachtige rechtzoekenden; - 4). **Een subsidie:** subsidie als bedoeld in [artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c); - 5). **Een activiteitenverslag:** een verslag van de activiteiten in 2019, waaruit blijkt dat de rechts- of wetswinkel gedurende de daarin beschreven periode heeft voorzien in een behoefte aan rechtsbijstand als hiervoor bedoeld. Uit het verslag dient ook te blijken dat de rechts- of wetswinkel voldoende aandacht heeft besteed aan de kwaliteitsborging van de dienstverlening; - 6). **Een financieel verslag:** een verslag van de rechts- of wetswinkel over het financieel beheer in 2019, waaruit blijkt dat de verstrekte subsidie doelmatig is besteed aan rechtsbijstand; Artikel 2 De Raad kan onder de volgende voorwaarden subsidie verlenen; - 1). De rechts- of wetswinkel heeft in 2018 en/of 2019 subsidie ontvangen van de Raad; - 2). De rechts- of wetswinkel die in 2018 en/of 2019 subsidie heeft ontvangen van de Raad, komt niet in aanmerking voor (extra) subsidie voor door deze rechts- of wetswinkel te openen nieuwe spreekuurlocaties; Art"},{"i":4325,"b":"Besluit van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, van 1 september 2023, nr. 2023-0000416168, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in het kader van de subsidiëring vanuit het Nationale Groeifonds voor het programma Toekomstbestendige Leefomgeving Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9), en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Gezien de schriftelijke instemming van de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van 11 juli 2023, kenmerk MD202329INSTAC; BESLUIT: Artikel 1 1. Aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening op grond van [artikel 2, eerste lid, onder e, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=2) besluiten te nemen in het kader van de subsidiëring voor het Nationale Groeifonds programma Toekomstbestendige Leefomgeving; 2. Het mandaat, de volmacht en de machtiging, bedoeld in het eerste lid, hebben mede betrekking op alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en ter uitvoering van de besluiten, daaronder begrepen het nemen van besluiten op bezwaarschriften, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in mandaat is genomen, en op het instellen en het voeren van beroep, hoger beroep en voorlopige voorziening procedures. Artikel 2 De algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in [art"},{"i":2812,"b":"Beschikking Sporttotalisator Gelet op de [artikelen 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=16), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=21), [27b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27b), [27c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27c) en [34 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=34); Gelezen het advies van het College van toezicht op de kansspelen; Besluiten: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Aan de stichting wordt voor de duur van vijf jaren, te rekenen van 12 december 1999 tot en met 11 december 2004, vergunning verleend tot het organiseren van de sportprijsvraag, de lotto en het cijferspel. 2. Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning worden de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009239&artikel=3&z=2002-05-31&g=2002-05-31) tot en met [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009239&artikel=18&z=2002-05-31&g=2002-05-31) vervatte voorschriften verbonden, die zonodig kunnen worden gewijzigd en aangevuld. Artikel 3 1. De sportprijsvragen en de lotto, alsmede het aan deze kansspelen verbonden cijferspel, worden georganiseerd met inachtneming van de statuten en reglementen van de stichting. 2. De statuten en reglementen van de stichting, alsmede wijziging daarvan, behoeven de voorafgaande goedkeuring van de ministers, gehoord het college. 3. De reglementen behelzen in ieder geval bepalingen inzake de deelnamevoorwaarden, de prijzenschema’s, de wijze van bepaling van vervangende uitslagen, de prijzenreserve, de voorschriften en vergoedingen voor medewerkende verenigingen. Artikel 4 1. De stichting zorgt voor een doelmatige administratie, organisatie en uitvoering van de krachtens deze vergunning georganiseerde kansspelen. 2. De stichting neemt de nodige maatregelen met het oog op de naleving van de aan deze vergunning verbonden voorschriften en de op grond daarvan opgestelde re"},{"i":5264,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 september 2005, nr. DJZ2005179518, houdende aanwijzing van pyrotechnische artikelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 2°, van de Wet explosieven voor civiel gebruik Gelet op [richtlijn nr. 2004/57/EG](32004L0057) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 april 2004 betreffende het identificeren van pyrotechnische voorwerpen en bepaalde munitie voor de doeleinden van [richtlijn nr. 93/15/EEG](31993L0015) van de Raad betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PbEU L 127) en [artikel 2, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 2°, van de Wet explosieven voor civiel gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803&artikel=2); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet explosieven voor civiel gebruik (implementatie richtlijn identificeren pyrotechnische voorwerpen en controle op explosieven voor civiel gebruik) in werking treedt. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 De voorwerpen, genoemd in bijlage II bij [richtlijn nr. 2004/57/EG](32004L0057) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 april 2004 betreffende het identificeren van pyrotechnische voorwerpen en bepaalde munitie voor de doeleinden van [richtlijn 93/15/EEG](31993L0015) van de Raad betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PbEU L 127), voorzover die voorwerpen worden gebruikt in combinatie met voorwerpen die zijn opgenomen in bijlage I bij die richtlijn, zijn aangewezen als pyrotechnische artikelen als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 2°, van de Wet explosieven voor civiel gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006803&artikel=2). Artikel 2 Deze regeling treedt in wer"},{"i":6919,"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 5, eerste lid, van de Faillissementswet BES artikel Enig De in [artikel 5, lid 1 van de Faillissementswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028917&artikel=5) bedoelde oproeping door de griffier geschiedt door middel van de post, van de telegraaf of van een dienaar van de openbare macht. Indien de griffier de oproeping per post verzendt, geschiedt de verzending per aangetekende brief. Indien de griffier de oproeping doet door middel van de telegraaf voorziet hij het telegram van de aanwijzing «kennisgeving van aflevering» of «P.C.». Indien de griffier de oproeping verzendt door middel van een dienaar van de openbare macht, doet hij de oproeping in een gesloten omslag, waarop hij als afzender wordt genoemd; zo nodig vermeldt de omslag het adres van de schuldenaar. De bezorging geschiedt tegen een door of namens de geadresseerde te ondertekenen ontvangstbewijs, waarop dag en uur van de ontvangst moeten worden vermeld. Wordt de brief niet aangenomen, dan laat de dienaar van de openbare macht aan het aangewezen adres een kennisgeving achter, dat de brief ter griffie van het in de kennisgeving vermelde gerecht kan worden afgehaald. Zo spoedig mogelijk wordt het ontvangstbewijs of, in geval van niet-afgifte van de brief, deze zelf ter griffie bezorgd. De griffier kan ook aan een dienaar van de openbare macht opdracht geven de oproeping te doen bij exploit. Deze laat afschrift van het exploit aan de persoon of aan de woonplaats van de schuldenaar en doet het oorspronkelijke zo spoedig mogelijk aan de griffier toekomen."},{"i":9527,"b":"Verdrag nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend; Verlangend gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen met het oog op de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen; Hebben besloten daartoe een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Dit Verdrag heeft ten doel de wederkerige erkenning en tenuitvoerlegging door de verdragsluitende Staten te verzekeren van beslissingen, gegeven op een verzoek dan wel een vordering tot het verkrijgen van onderhoud door een wettig, niet wettig of geadopteerd kind, dat ongehuwd is en niet de volle leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, zulks ongeacht de vraag of het verzoek dan wel de vordering in de internationale dan wel in de nationale rechtssfeer lag. Indien een beslissing uitspraken bevat over een ander punt dan de onderhoudsverplichting, werkt het Verdrag slechts ten aanzien van de uitspraak over de onderhoudsverplichting. Het Verdrag is niet van toepassing op beslissingen in zaken betreffende onderhoud tussen personen, die elkaar in de zijlinie bestaan. Artikel 2 De beslissingen, die in zaken betreffende onderhoud in een van de verdragsluitende Staten zijn gegeven, moeten, zonder herziening ten gronde, in de andere verdragsluitende Staten worden erkend en uitvoerbaar verklaard, indien: - 1. de autoriteit, die de beslissing heeft gegeven, bevoegd was overeenkomstig dit Verdrag; - 2. de verweerder wettig opgeroepen of vertegenwoordigd is geweest volgens de wet van de Staat van de autoriteit, die de beslissing heeft gegeven; niettemin kunnen ingeval de beslissing bij verstek is gegeven, de erkenning en de uitvoerbaarverklaring worden geweigerd, indien de autoriteit aan wie de uitvoerbaarverklaring wordt gevraagd, gelet op de omstandigheden, van oordeel is, dat het niet aan de schuld van de niet verschenen partij te wijten is geweest, dat deze geen k"},{"i":6932,"b":"Besluit vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 2000 ex art. 20 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20), Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2000: | Categorie 1 | f 280,- | voor vierwielige personenauto’s en bestelauto’s; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | f 95,- | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | f 280,- | voor autobussen en vrachtauto’s; | | Categorie 4 | f 280,- | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 5 | f 560,- | voor trekkers met opleggers; | | Categorie 6 | f 95,- | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | f 95,- | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | f 95,- | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2000. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":9542,"b":"Verdrag nopens zekere vragen betreffende wetsconflicten inzake nationaliteit **[Zie voor een opsomming van Staatshoofden de Engelse tekst.]** Overwegende dat het van belang zou zijn, bij internationale overeenkomst de vragen betreffende wetsconflicten nopens de nationaliteit te regelen; Overtuigd dat het in het algemeen belang van de internationale gemeenschap is, dat door alle leden van deze gemeenschap wordt erkend, dat ieder persoon een nationaliteit en wel slechts één nationaliteit behoort te bezitten; Dientengevolge erkennende, dat het ideaal, waarnaar de menschheid op dit gebied moet streven, is de opheffing van alle gevallen van staatloosheid en van dubbele nationaliteit; Van oordeel, dat onder de economische en maatschappelijke omstandigheden, die op het oogenblik in de verschillende landen aanwezig zijn, het niet mogelijk is, reeds thans over te gaan tot een eenvormige regeling van alle bovenbedoelde vraagstukken; Desniettemin verlangend dit groote werk te beginnen met een eerste poging tot geleidelijke codificatie door het regelen van die vragen met betrekking tot de wetsconflicten nopens de nationaliteit, waaromtrent op dit oogenblik een internationale regeling mogelijk is, Hebben besloten een Verdrag te sluiten en te dien einde als hun gevolmachtigden benoemd: **[Zie voor de lijst van gevolmachtigden de Engelse tekst.]** Die, na hun in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: HOOFDSTUK I. — Algemeene beginselen. Artikel 1 Het behoort tot de bevoegdheid van iederen Staat in zijn wetgeving te bepalen, wie zijn onderdanen zijn. Deze wetgeving moet door de andere Staten worden erkend, voor zoover zij in overeenstemming is met de internationale verdragen, de internationale gewoonte en de algemeen erkende rechtsbeginselen ter zake van nationaliteit. Artikel 2 Iedere vraag of een persoon de nationaliteit van een Staat bezit, moet worden beantwoord overeenkomstig de wetgeving van de"},{"i":5241,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 29 mei 2024, nr. 5458273, tot aanwijzing van aanvullende documenten waarmee ten behoeve van de uitoefening van het kiesrecht in Bonaire, Sint Eustatius en Saba de identiteit kan worden vastgesteld (Regeling aanwijzing documenten vaststellen identiteit Kieswet BES 2024) Gelet op [artikel 2, tweede lid, van de Wet identificatieplicht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028575&artikel=2); Besluit: Artikel 1 1. Voor het vaststellen van de identiteit van een als ingezetene van Bonaire, Sint Eustatius of Saba geregistreerde kiezer op grond van [artikel Ya 1 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=Ya_1) in samenhang met [artikel J 24, eerste lid, onderdeel a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=J_24) worden naast de in [artikel 2, eerste lid, van de Wet identificatieplicht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028575&artikel=2) genoemde identiteitsdocumenten de volgende identiteitsdocumenten aangewezen: - a. een Nederlandse identiteitskaart en een vervangende Nederlandse identiteitskaart; - b. een identiteitskaart en een nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort uitgegeven in een land dat lid is van de Europese Unie; - c. een identiteitskaart en een nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort uitgegeven in Liechtenstein, Noorwegen, IJsland of Zwitserland. 2. De identiteitsdocumenten, aangewezen in [artikel 2, eerste lid, van de Wet identificatieplicht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028575&artikel=2) en in het eerste lid, mogen op de dag van de stemming, bedoeld in [artikel J 1, eerste lid, van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=J_1), maximaal vijf jaren hun geldigheid hebben verloren. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing documenten vaststellen identiteit Kieswet BES 2024. Artikel 3 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de St"},{"i":9544,"b":"Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken Artikel I 1. Dit Verdrag is van toepassing op de erkenning en tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke uitspraken, gewezen op het grondgebied van een andere Staat dan die waar de erkenning en tenuitvoerlegging van zodanige uitspraken wordt verzocht, en voortvloeiende uit geschillen tussen natuurlijke of rechtspersonen. Het is eveneens van toepassing op scheidsrechterlijke uitspraken die niet beschouwd worden als nationale uitspraken in de Staat waar hun erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht. 2. De uitdrukking „scheidsrechterlijke uitspraken” omvat niet alleen uitspraken, gewezen door voor een bepaald geval benoemde scheidsmannen, doch tevens uitspraken, gewezen door permanente scheidsrechterlijke instanties waaraan partijen zich hebben onderworpen. 3. Bij het ondertekenen of bekrachtigen van of het toetreden tot dit Verdrag of bij het mededelen van de uitbreiding daarvan overeenkomstig artikel X kan iedere Staat op basis van wederkerigheid verklaren, dat hij het Verdrag slechts zal toepassen op de erkenning en tenuitvoerlegging van uitspraken gewezen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat. Hij kan ook verklaren, dat hij het Verdrag slechts zal toepassen op geschillen welke voortvloeien uit al dan niet contractuele rechtsbetrekkingen die volgens het nationale recht van de Staat die de verklaring aflegt, als handelsrechtelijk worden beschouwd. Artikel II 1. Iedere Verdragsluitende Staat erkent de schriftelijke overeenkomst waarbij partijen zich verbinden aan een uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen alle of bepaalde geschillen welke tussen hen zijn gerezen of welke tussen hen zouden kunnen rijzen naar aanleiding van een bepaalde al dan niet contractuele rechtsbetrekking en betreffende een geschil, dat vatbaar is voor beslissing door arbitrage. 2. Onder „schriftelijke overeenkomst” wordt verstaan een compromissoir beding in een overeenkomst of"},{"i":9546,"b":"Verdrag strekkende tot hernieuwing van het op 12 maart 1933 te Sana'a gesloten Verdrag van vriendschap tussen Nederland en Jemen Zijne Majesteit de Koning van Jemen IMAAM JAHJA BIN AL IMAAM MOHAMMAD BIN JAHJA HAMIED AD-DIEN en Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden Overwegende, dat het wenschelijk is de hernieuwing te bevorderen van het verdrag van vriendschap tusschen Jemen en Nederland, gesloten te San 'â' op 12 Maart 1933, met overeenkomstige bepalingen en voor denzelfden tijd als vermeld in artikel vijf daarvan, Hebben besloten opnieuw een verdrag van vriendschap in dien zin te sluiten, En hebben daartoe tot Hunne gevolmachtigden benoemd: Zijne Majesteit de Koning van Jemen QADHI MOHAMMAD RAGHIB BIN RAFIEK, Minister van Buitenlandsche Zaken van Jemen, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden den Heer C. ADRIAANSE, Zaakgelastigde te Djeddah, Welke in onderlinge overeenstemming de navolgende artikelen hebben opgesteld: Artikel Een Tusschen het Koninkrijk Jemen en het Koninkrijk der Nederlanden, zoomede tusschen de onderdanen van Beide Partijen, zullen onschendbare vrede en zuivere vriendschap heerschen. Artikel Twee Beide Hooge Verdragsluitende Partijen zullen diplomatieke en consulaire betrekkingen tusschen elkander instellen op het tijdstip, dat Zij daartoe zullen bepalen. De diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers van de Eene Partij zullen alsdan in het gebied der Andere Partij eene behandeling genieten op den voet der internationaal te dezen geldende beginselen. Artikel Drie De onderdanen van elk der Beide Hooge Verdragsluitende Partijen, die handel wenschen te drijven in het gebied der Andere Partij, zullen onderworpen zijn aan de plaatselijke verordeningen en wetten, zullende zij in alle opzichten dezelfde behandeling genieten als de onderdanen der meestbegunstigde natie. Ook de schepen van elk der Beide Verdragsluitende Partijen en derzelver ladingen zullen in de havens der Andere Partij in ieder opzicht dezelfde behandeling genieten als de sche"},{"i":5733,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 27 mei 2025, nr. 2025-0000045420, houdende de vaststelling van subsidieregels voor isolatie en ventilatie van gebouwen, woonboten en woonwagens in de provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Tynaarlo en Noordenveld (Subsidieregeling isolatie en ventilatie gebouwen, woonboten en woonwagens provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo) Gelet op de [artikelen 6, aanhef en vijfde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=9), [11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14) en [20 van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=20) en [artikel 4, eerste lid, onderdelen a, b, c, f en m, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aangewezen gebied:** gebied, bestaande uit alle postcodes in de provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo, met uitzondering van het versterkingsgebied; - **adres:** adres als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=1); - **Ag:** de totale oppervlakte van het gebouw binnen de thermische schil; - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187), laatstelijk gewijzigd door [Verordening (EU) 202"},{"i":5724,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 september 2012, nr. WJZ/387165 (10152), houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor de instandhouding van rijksmonumenten (Subsidieregeling instandhouding monumenten) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032036&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **eigenaar:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht heeft op een rijksmonument, - b. **groen monument:** rijksmonument of zelfstandig onderdeel zijnde een aanleg die geheel of gedeeltelijk bestaat uit beplanting, zoals een park- of tuinaanleg, met dien verstande dat verdedigingswerken zonder een rijksbeschermde groenaanleg niet worden aangemerkt als groen monument, - c. **herbouwwaarde:** kosten om een rijksmonument of zelfstandig onderdeel in zijn geheel opnieuw te vervaardigen, met dezelfde constructie, materiaalsoorten en detaillering, - d. **inspectierapport:** rapport dat de technische of fysieke staat van een rijksmonument of zelfstandig onderdeel beschrijft, en dat is opgesteld door een ter zake deskundige persoon of instantie, - e. **instandhoudingsplan:** plan als bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032075&hoofdstuk=2&paragraaf=2.2&artikel=10&z=2025-11-19&g=2025-11-19), - f. **kerkelijk dienstgebouw in kerkelijk gebruik:** rijksmonument of zelfstandig onderdeel dat functioneel bij een gebouw hoort dat in oorsprong uitsluitend of voor een overwegend deel is vervaardigd voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging, vanwege het rechtstreeks met die gezamenlijke belijdenis in dat gebouw verbonden huidige gebruik, - g. **kerkgebouw:** rijksmonument of zelfstandig onderdeel, dat in oorsprong uitsluitend of voor een overwegend deel is vervaar"},{"i":7140,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 mei 2014, nr. 2014-0000261552, inzake de vertrouwenspersonen integriteit en de klachtencommissie ongewenste omgangsvormen rijksambtenaren in Caribisch Nederland (Regeling vertrouwenspersonen integriteit en Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen rijksambtenaren BES) Gelet op [artikel 77, onder a, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=77) en [artikel 9:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=9:14); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **misstand:** - 1°. schending van wettelijke voorschriften of beleidsregels; - 2°. gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu; - 3°. onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten, die een gevaar vormt voor het goed functioneren van de openbare dienst. - c. **ongewenste omgangsvormen:** ongewenst gedrag in onderlinge verhoudingen en contacten in de arbeidssituatie, waaronder discriminatie, seksuele en andere vormen van intimidatie, fysiek geweld, verbale agressie en pesten; - d. **intern onderzoek:** onderzoek binnen de Rijksdienst Caribisch Nederland bij een vermoeden van plichtsverzuim als bedoeld in [artikel 78, eerste en tweede lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=78); - e. **klacht:** een schriftelijke klacht over ongewenste omgangsvormen; - f. **vertrouwenspersoon:** de vertrouwenspersoon, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035123&paragraaf=1&artikel=2&z=2014-05-23&g=2014-05-23); - g. **klachtencommissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035123&paragraaf=2&artikel=5&z=2014-05-23&g=2014-05-23); - h. **melder:** de ambtenaar of de gewezen ambtenaar"},{"i":17310,"b":"Regeling van de Minister van Justitie, houdende regels betrekking hebbende op de geestelijke verzorgers van moslims, hindoes en boeddhisten die, anders dan bij wijze van ambtelijke aanstelling, aan justitiële inrichtingen verbonden zijn Gelet op [artikel 41, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=41), [artikel 27 van de Penitentiaire maatregel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009398&artikel=27), [artikel 40, vierde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008765&artikel=40), [artikel 39 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008690&artikel=39), [artikel 46, vierde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011756&artikel=46) en [artikel 54 van het Reglement justitiële jeugdinrichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012647&artikel=54); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Deze regeling is niet van toepassing op de zeer beperkt beveiligde penitentiaire inrichtingen. Artikel 3 1. Een geestelijk verzorger kan slechts anders dan bij wijze van ambtelijke aanstelling aan de inrichting worden verbonden indien er een antecedentenonderzoek heeft plaatsgevonden op grond waarvan is vastgesteld dat hiertegen geen bezwaar is. Het antecedentenonderzoek wordt gedaan door het Bureau Integriteit en Veiligheid op verzoek van de portefeuillehouder overige stromingen. 2. Een geestelijk verzorger kan slechts anders dan bij wijze van ambtelijke aanstelling aan de inrichting worden verbonden indien hij: - a. in het bezit is van een geldige verblijfs- en werkvergunning; - b. in het bezit is van een Nederlandse universitaire titel in de theologie dan wel met goed gevolg een afsluitend examen heeft afgelegd op het terrein van de theologie binnen het Nederlands hoger beroepsonderwijs; - c. een verklaring o"},{"i":14748,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 januari 2020, MBO-17983694 houdende vaststelling van een aantal kwalificaties op grond waarvan een landelijk deel kan worden ontwikkeld (Regeling vaststelling aanvullende kwalificaties experiment ruimte voor de regio) Gelet op [artikel 5, vijfde lid, van het Besluit experiment geregionaliseerde beroepsopleidingen en kwalificaties mbo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041819&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Aanwijzen kwalificaties Op de volgende kwalificaties kan naast de kwalificaties genoemd in de [bijlage bij het Besluit experiment geregionaliseerde beroepsopleidingen en kwalificaties mbo](onbekend), ook een landelijk deel worden gebaseerd: - a. Expert IT systems and devices (25606); - b. Monteur werktuigkundige installaties (25350); - c. Mbo-Verpleegkundige (25655). Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling aanvullende kwalificaties experiment ruimte voor de regio. Deze regeling wordt met toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":17763,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Brazilië betreffende kosteloze rechtsbijstand Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Republiek der Verenigde Staten van Brazilië, verlangende door middel van een verdrag wederkerig kosteloze rechtsbijstand aan hun onderdanen te verzekeren, hebben te dien einde besloten een Verdrag betreffende kosteloze rechtsbijstand te sluiten en hebben daartoe hun Gevolmachtigden aangewezen, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Zijne Excellentie Jonkheer Mare Willem van Weede, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur der Nederlanden te Rio de Janeiro; en Zijne Excellentie de President van de Republiek der Verenigde Staten van Brazilië, Zijne Excellentie de Heer Francisco Negrão de Lima, Minister van Buitenlandse Zaken, die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, het volgende zijn overeengekomen: Artikel I De onderdanen van elk der Hoge Verdragsluitende Partijen zullen op het grondgebied van de andere kosteloze rechtsbijstand genieten; deze zal onder dezelfde voorwaarden op het stuk van de strafwetgeving en de burgerlijke, militaire en arbeidswetgeving voor de rechterlijke colleges worden verleend aan de onderdanen van elk der Hoge Verdragsluitende Partijen. Artikel II 1. Hij die zich in Brazilië bevindt en die kosteloze rechtsbijstand verzoekt, zal moeten aantonen, door middel van een in Brazilië door de politieautoriteiten of het hoofd der gemeente afgegeven bewijs, dat zijn financiële omstandigheden hem niet veroorloven de proceskosten en het honorarium van een advocaat te betalen zonder zijn bestaan en dat van zijn gezin in gevaar te brengen. In het Federale District en in de hoofdsteden der Staten en Gebieden zal de verklaring kunnen worden afgegeven door uitdrukkelijk door het Hoofd der gemeente aangewezen autoriteiten. 2. Hij die in Nederland verblijft en die kosteloze rechtsbijstand verzoekt, zal moeten bewijzen niet"},{"i":5504,"b":"Regeling van het Stimuleringsfonds voor de pers van 21 december 2012, nr. 22765 tot vaststelling van subsidieplafonds voor het jaar 2013 Gelet op [artikel 8.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10) en [artikel 22 van de Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040&artikel=22); Besluit: Artikel 1. Subsidieverlening op grond van [artikelen 8.10 tot en met 8.15 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.10) 1. Voor subsidieverstrekking voor de activiteiten ten behoeve van persorganen en onderzoek bedoeld in deze artikelen is in 2013 een bedrag van ten hoogste € 2 000 000 beschikbaar; 2. Subsidie voor de in artikel 1 genoemde activiteiten is alleen beschikbaar indien: - a. de start of voortzetting van de activiteiten of van de bij de aanvraag betrokken persorganen zonder subsidie niet mogelijk is en gestaakt moet worden; - b. de aanvrager aannemelijk maakt alles in het werk te hebben gesteld om de activiteiten te starten of voort te zetten; - c. de aanvrager tenminste de helft van de totale kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd voor zijn rekening neemt dan wel door derden laat meefinancieren; en - d. de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de start of voortzetting van de activiteiten de versterking of vernieuwing van de Nederlandse journalistieke infrastructuur zeer ten goede komt; of - e. de start of voortzetting van de activiteiten de pluriformiteit van de pers zeer ten goede komt. Artikel 2. Subsidieverlening op grond van [artikel 8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a) 1. Voor subsidieverstrekking op grond van [titel 8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a) voor door het Stimuleringsfonds vast te stellen regelingen voor andere activiteiten dan die bedoeld in de [artikelen 8.11 tot en met 8.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artike"},{"i":5246,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 juni 2012, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de overheveling van geriatrische revalidatiezorg van de AWBZ naar de Zorgverzekeringswet Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 13 mei 2011 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) (Kamerstukken II 2010/11, 30 597, nr. 184); Gelet op het verslag van een schriftelijk overleg met de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 22 juni 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 30 597, nr. 200); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - b. **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3); - c. **specialist ouderengeneeskunde:** arts die als verpleeghuisarts of specialist ouderengeneeskunde is geregistreerd door de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratiecommissie; - d. **geriatrische revalidatiezorg:** revalidatiezorg zoals een specialist ouderengeneeskunde pleegt te bieden; - e. **dbc:** diagnose-behandelingcombinatie; - f. **zzp:** zorgzwaartepakket; - g. **Aanwijzing nhc’s:** [Aanwijzing inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ van 12 juli 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030282) (Stcrt. 2011, 13319), zoals gewijzigd bij de Aanwijzing houdende wijziging van de aanwijzing inzake normatieve huisvestingscomponenten in tarieven intramurale AWBZ van 8 augustus 2011 (Stcrt. 2011, 16189); - h. **nhc:** normatieve huisves"},{"i":9713,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag: - a. wordt onder de term „investeringen\" verstaan: alle soorten vermogenbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - (i). roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - (ii). rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - (iii). aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft; - (iv). rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en know-how; - (v). rechten verleend krachtens het publiekrecht of bij overeenkomst, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen; - b. omvat de term „onderdanen\" met betrekking tot elk van beide Verdragsluitende Partijen: - (i). natuurlijke personen die de nationaliteit van die Verdragsluitende Partij hebben; - (ii). rechtspersonen die zijn opgeric"},{"i":12593,"b":"Besluit televisie- en radioreclame voor sterke drank BES Artikel 1 Voor de toepassing van deze algemene maatregel van bestuur wordt verstaan onder «sterke drank»: - (a). drank, die bij een temperatuur van vijftien graden van de honderddelige schaal meer dan een en twintig volumen procenten alcohol bevat; - (b). onvermengde, door overhaling verkregen alcoholhoudende drank, alsmede likeur en bitter, voor zover niet reeds vallende onder de onder (a) bedoelde definitie van sterke drank. Artikel 2 1. Reclame boodschappen voor sterke drank mogen niet gericht zijn tot minderjarigen. 2. Reclame boodschappen voor sterke drank mogen slechts uitgezonden worden tussen 22.00 en 01.00 uur. Artikel 3 De tijdsduur van een reclame boodschap voor sterke drank mag nimmer de duur van 60 seconden overschrijden, terwijl tussen twee zodanige boodschappen tenminste 10 minuten moeten verlopen. Artikel 4 Vervallen Artikel 5 1. Het bepaalde in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028414&artikel=2&z=2011-02-17&g=2011-02-17) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028414&artikel=3&z=2011-02-17&g=2011-02-17) geldt evenzeer voor het indirect aanprijzen van sterke drank. 2. Onder indirect aanprijzen van sterke drank wordt onder meer verstaan: - –. het aanprijzen van niet- of zwak-alcoholhoudende drank tezamen met sterke drank; - –. het uitloven van sterke drank als prijs of geschenk; - –. het aanbieden van geschenken of prijzen ter stimulering van de verkoop van sterke drank. Artikel 6 Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 2, derde lid, van het Landsbesluit houdende algemene maatregelen van de 24ste november 1972 ter uitvoering van artikel 5, lid 1, onder f, van de Televisie-landsverordening (P.B. 1971, no. 33) (P.B. 1972, no. 237) of op grond van het Besluit televisie- en radioreclame voor sterke drank BES, geldt tot en met een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het [Mediabesluit BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029602). Artikel 7"},{"i":9716,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, houdende vaststelling van een ontginningsgrens voor de aan beide zijden van de grens langs de Maas gelegen steenkolenmijnen Hare majesteit de Koningin der Nederlanden, enerzijds, en Zijne Koninklijke Hoogheid de Koninklijke Prins, anderzijds, Geleid door de wens, de winning van steenkolen in de aan beide zijden van de Nederlands-Belgische grens langs de Maas gelegen steenkolenmijnen te vergemakkelijken en daardoor het verlies van ontginbare steenkolen tot een minimum te beperken, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie Baron B. Ph. van Harinxma thoe Slooten, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur der Nederlanden te Brussel, Zijne Koninklijke Hoogheid de Koninklijke Prins: De Heer Paul van Zeeland, Minister van Buitenlandse Zaken, Die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 1. Ten behoeve van de steenkolenmijnen van de „Société Anonyme des Charbonnages de Limbourg-Meuse” in België en van de Staatsmijn Maurits in Nederland, welke zich onder de Maas tussen de Punten 64**a** en 152 volgens de bij dit verdrag gevoegde kaart (bijlage) uitstrekken tot de Rijksgrens ter plaatse, wordt, onafhankelijk van genoemde Rijksgrens, voor het ondergronds bedrijf een ontginningsgrens overeengekomen. Zij is op de kaart door een gebroken rode lijn aangeduid. 2. De coördinaten van de knikpunten in deze lijn zijn in de bijlage aangegeven zowel in het stelsel van het Belgische Rijksdriehoeksnet als in dat van het Nederlandse Rijksdriehoeksnet. Artikel 2 1. Ter begrenzing van het gebied, waarbinnen slechts in gemeen overleg werken mogen worden uitgevoerd, als bedoeld in artikel 12 van het verdrag van 12 Mei 1863, zullen in afwijking van de in dat artikel vastgestelde lijnen op 150 el afstand uit de thal"},{"i":11868,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 3 juli 2015, kenmerk 2015-0000355372, houdende de (her)benoeming van de leden van de Transitiecommissie Sociaal Domein Gelet op het [Instellingsbesluit Transitiecommissie Sociaal Domein](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035330) en gelet op het [Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279), Besluit: Artikel 1 1. Tot lid van de Transitiecommissie Sociaal Domein wordt benoemd: - a. Mw. J.A.H. (Jenneke) van Veen. 2. Tevens worden tot lid van de Transitiecommissie Sociaal Domein herbenoemd: - a. Dhr. H.C.P. (Han) Noten, tevens voorzitter; - b. Dhr. D. (Doekle) Terpstra. 3. De benoeming geldt voor de periode 3 juli 2015 tot 1 september 2016. Artikel 2 1. De leden van de Transitiecommissie Sociaal Domein ontvangen een vaste vergoeding per maand. 2. De vergoeding van de leden wordt gebaseerd op het maximum van salarisschaal 18 van [bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) voor de arbeidsduurfactor van 0,22 fte. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Benoemingsbesluit leden Transitiecommissie Sociaal Domein. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden verzonden aan betrokkenen."},{"i":13150,"b":"Compensatieregeling Coronacrisis Musea meer dan 100.000 bezoekers Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en op [paragraaf 3 van de Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 juni 2020 nr. 24686911, houdende voorschriften over aanvullende ondersteuning van de culturele en creatieve sector in verband met gederfde inkomsten in die sectoren als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en de maatregelen ter bestrijding ervan (Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043634&paragraaf=3), Besluit: Artikel 1. Definities In de regeling wordt verstaan onder: - 1. **het fonds:** het Mondriaan Fonds, - 2. **het bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds, - 3. **eigen inkomsten:** de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening: Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten: - a. publieksinkomsten; en - b. overige inkomsten, zijnde: - 1. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten; - 2. indirecte opbrengsten; - 3. overige bijdragen. - a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; - b. overige bijdragen uit publieke middelen; - c. rentebaten; - d. bijdragen in natura; - e. kapitalisatie van vrijwilligers; - f. waardering vrijkaarten; en - g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap. - 4. **reserves:** vrij besteedbaar vermogen, behorende tot: - a. de algemene reserve; - b. het stichtingskapitaal; en - c. het bestemmingsfonds OCW; Artikel 2. Doel Het fonds kan subsidie verstrekken in de vorm van een bijdrage aan musea die van belang zijn voor de regio en een landelijke uitstraling hebben en die acute liquiditeitsproblemen hebben, ter aanvulling van aan die instellingen in het kader van de COVID-19-crisis door gemeenten of provincies verst"},{"i":3579,"b":"Besluit van 20 december 2017 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit gereglementeerde markten Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten ter implementatie van richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU (herschikking) (PbEU 2014, L 173), de gedelegeerde richtlijn (EU) 2017/593 van de Commissie van 7 april 2016 tot aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het vrijwaren van financiële instrumenten en geldmiddelen die aan cliënten toebehoren, productgovernanceverplichtingen en de regels die van toepassing zijn op het betalen of het ontvangen van provisies, commissies en geldelijke of niet-geldelijke tegemoetkomingen (PbEU 2017, L 87) en ter uitvoering van gedelegeerde verordening (EU) 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PbEU 2017, L 87) en verordening nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2014, L 173) (Besluit implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 14 november 2017, 2017-0000212682, directie Financiële Markten; Gelet op [richtlijn 2014/65](32014L0065)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten e"},{"i":12648,"b":"Besluit van de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad van 22 december 1999 tot instelling van een bedrijfscommissie voor de Metaalindustrie en Elektrotechnische Industrie Gelet op de [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=37) en [38 van de Wet op de ondernemingsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=38); Gelet op [artikel 3 van de Delegatieverordening Bestuurskamer](onbekend) (RE 7/1994); Gehoord de naar het oordeel van de Raad voor het desbetreffende deel van het bedrijfsleven representatieve organisaties van ondernemers en van werknemers; Besluit: Artikel 1 Dit besluit verstaat onder metaalindustrie en elektrotechnische industrie: de ondernemingen van werkgevers die zijn ingeschreven bij de sector Metaalindustrie of de sector Elektrotechnische Industrie (voorheen Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie). Artikel 2 1. Er wordt ingesteld een bedrijfscommissie voor de Metaalindustrie en Elektrotechnische Industrie. 2. De bedrijfscommissie telt 12 leden en 12 plaatsvervangende leden 3. Van deze leden en plaatsvervangende leden worden de volgende aantallen benoemd door de daarbij vermelde organisaties: - a. organisaties van ondernemers - 6 leden en 6 plaatsvervangende leden door de Vereniging FME-CWM, vereniging van ondernemingen in de metaal-, kunststof-, elektronica- en elektrotechnische industrie en aanverwante sectoren; - b. organisaties van werknemers - 4 leden en 4 plaatsvervangende leden door FNV Bondgenoten; - 1 lid en 1 plaatsvervangend lid door CNV Bedrijvenbond; - 1 lid en 1 plaatsvervangend lid door De Unie/VHP Metalektro. Artikel 3 Het besluit van 20 februari 1976 tot instelling van een Bedrijfscommissie voor de Metaalindustrie en de Elektrotechnische Industrie (RE 06/1976) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2000."},{"i":6521,"b":"Besluit van 29 november 2018 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Besluit financiële markten BES en het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft (Wijzigingsbesluit financiële markten 2018) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 17 oktober 2018, 2018-0000165261, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 3A:71, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3a:71), [4:9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9), [4:14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), [4:16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:16) en [4:20, derde lid, aanhef en onderdeel b, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:20) en [artikel 3:17, vijfde lid, van de Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883&artikel=3:17); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 november 2018, nr. W06.18.0318/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 26 november 2018, 2018-0000202078, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel III Wijzigt het Besluit financiële markten BES. Artikel IV Wijzigt het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft. Artikel V Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VI Dit besluit wordt aangehaald als: Wijzigingsbesluit financiële markten 2018. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van t"},{"i":5160,"b":"Rechten bij invoer, economische douaneregeling actieve veredeling schorsingssysteem; alternatief bewijs wederuitvoer Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein Douanewetgeving De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Aan mij is de vraag voorgelegd over alternatief bewijs voor de wederuitvoer bij de economische douaneregeling actieve veredeling schorsingssysteem. De vraag en het antwoord zijn hierna opgenomen. Vraag De economische douaneregeling actieve veredeling schorsingssysteem wordt beëindigd als aan de invoergoederen of de veredelingsproducten een nieuw toegestane douanebestemming wordt gegeven. Wederuitvoer is een nieuw toegestane douanebestemming. Deze bestemming wordt aangetoond met exemplaar nummer 3 voor de afzender/exporteur van het formulier Enig document EX 3. Dit exemplaar wordt echter niet altijd overgelegd. Antwoord"},{"i":7848,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2016 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2016 vastgesteld op 5,88%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2016. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":5152,"b":"Protocol inzake de Versterking grenstoezicht in de Caribische landen van het Koninkrijk van 05-02-2021 **Overwegende:** dat de Partijen binnen het Koninkrijk al geruime tijd samenwerken in het kader van grenstoezicht waarvoor diverse afspraken zijn gemaakt: **10 januari 2005** Protocol Gemeenschappelijk Grenscontrole Teams tussen Nederland en de Nederlandse Antillen voor de periode van 2 jaar; **25 februari 2008** Rijkswet van 25 februari 2008, houdende regeling van de taken en bevoegdheden, alsmede het beheer en beleid van de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba (Rijkswet Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba); **19 januari 2012** Protocol inzake de inzet van personeel uit de flexibel inzetbare pool Koninklijke Marechaussee tussen Nederland, Curaçao en Sint Maarten voor de periode van 1 januari 2011 tot 30 juni 2015; **14 juni 2014** Protocol inzake de inzet van personeel uit de flexibel inzetbare pool Koninklijke Marechaussee tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten voor een periode van 31 juli 2015 tot 31 december 2019; **23 november 2017** Onderlinge regeling van Sint Maarten en Nederland als bedoeld in [artikel 38, eerste lid, van het Statuut van Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) tot versterking van het grenstoezicht van Sint Maarten afgesloten tussen Nederland en Sint Maarten voor een periode van 1 januari 2018 tot 1 januari 2020; **23 januari 2019** Protocol inzake de inzet van personeel uit de flexibel inzetbare pool Koninklijke Marechaussee tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten voor onbepaalde tijd; **2 november 2020** Onderlinge regeling Landspakket Curaçao tussen Curaçao en Nederland als bedoeld in [artikel 38, eerste lid, van het statuut van Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38) waarmee uitvoering dient worden gegeven aan de maatregelen die in het landspakket beschreven staan waaronder voorwaarde H.11 Versterking"},{"i":13133,"b":"Call for proposals, Onderzoekstalent 2018 Den Haag, juni 2017 Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek 1. Inleiding 1.1. Achtergrond Deze **call for proposals**levert informatie over het indienen van een onderzoeksvoorstel voor Onderzoekstalent bij het NWO Domein Sociale en Geesteswetenschappen (SGW) voor het wetenschapsterrein maatschappij- en gedragswetenschappen. Onderzoekstalent is een financieringsprogramma met vrije competitie voor hoogwaardig promotieonderzoek voor getalenteerde, aankomende onderzoekers die een aantoonbare ambitie hebben een carrière als wetenschapper op te bouwen, hierna genoemd de “kandidaat(-promovendus)”. 1.2. Beschikbaar budget Voor de ronde 2018 bedraagt het totale budget circa 6,25 miljoen euro. 1.3. Geldigheidsduur call for proposals De deadline voor het indienen van aanvragen is **6 maart 2018**, om 14:00 uur CE(S)T. 2. Doel Onderzoekstalent biedt de gelegenheid de ambitie te verwezenlijken van uitmuntende studenten binnen de maatschappij- en gedragswetenschappen om promotieonderzoek te doen. Deze ambitie blijkt onder andere uit de gevolgde opleiding, de gevolgde vakken, behaalde resultaten en ontplooide wetenschappelijke activiteiten. Hoogleraren (of universitair hoofddocenten met promotierecht) binnen de maatschappij- en gedragswetenschappen kunnen voor deze kandidaten een vooraanmelding indienen. Per 1 januari 2017 zijn de NWO gebieden Maatschappij- en Gedragswetenschappen en Geesteswetenschappen samengaan in het nieuwe domein Sociale en Geesteswetenschappen (SGW). In het jaar 2017 is er nog sprake van een overgangssituatie en staat deze ronde van Onderzoekstalent alleen open voor aanvragen op het gebied van het wetenschapsterrein Maatschappij- en Gedragswetenschappen. Dit wetenschapsterrein komt overeen met het werkterrein van het voormalige NWO gebied Maatschappij- en Gedragswetenschappen. In paragraaf 6.1 vindt u een opsomming van de disciplines die binnen het wetenschapsterrein maatschappij- en gedragswetenschap"},{"i":7583,"b":"Besluit van 26 januari 2000, houdende regels voor de verstrekking van gegevens door aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten met het oog op het onderzoek van telecommunicatie (Besluit verstrekking gegevens telecommunicatie) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 mei 1998, nr. HDTP/98/1553/HW, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op de [artikelen 13.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=13.1), 13.2, derde lid, 13.4, derde lid, en 20.18 van de Telecommunicatiewet; De Raad van State gehoord (advies van 19 augustus 1998, nr. W09.98.0215); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 januari 2000, nr. DGTP/99/3602/JdJ, Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - b. informatiepunt: het Centraal informatiepunt onderzoek telecommunicatie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011123&artikel=2&z=2022-03-02&g=2022-03-02); - c. aanbieder: de aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst; - d. bevoegde autoriteit: - 1°. de rechter-commissaris in strafzaken, de officier van justitie, de korpschef, bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27), of het hoofd van een opsporingsdienst, dan wel de door de korpschef voor zijn korps of door het hoofd voor zijn dienst aangewezen opsporingsambtenaar, - 2°. het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, of de door hem aangewezen ambtenaar, - 3°. het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdi"},{"i":3813,"b":"Besluit van de Raad voor de Praktijkopleidingen houdende regels inzake ondermandaat en machtiging aan NBA stagebureau (Besluit ondermandaat en machtiging Raad voor de Praktijkopleidingen aan NBA stagebureau) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gelet op het [Besluit mandaat en machtiging bestuur NBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034104); Besluit als volgt: Artikel 1 De Raad voor de Praktijkopleidingen verleent ondermandaat en machtiging aan NBA stagebureau om besluiten te nemen en handelingen te verrichten ter uitvoering van de bevoegdheden of taken van het bepaalde in: - –. de [artikelen 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=8), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=20), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=22) en [27 van de Verordening op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033795&artikel=27); - –. de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=2), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=5), [8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=11), [18, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=18), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=19), [20, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=20), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=22), [24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=24), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=26), [58, tweede lid, van de Nadere voorschriften op de praktijkopleidingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035049&artikel=58). Artikel 2 Het krachtens ondermandaat of machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: Het best"},{"i":10107,"b":"Besluit van de directeur Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van nr. 18325042, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2019 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2019) Gelet op [artikel 10 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=10); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur:** de directeur Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **de MT-leden:** de leden van het managementteam van de directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met uitzondering van de directeur; - c. **het MT-FEZ:** het collectief van de onder a en b bedoelde functionarissen; - d. **het bedrag:** het bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW). § 2. Taakverdeling tussen de directeur en de onder hem ressorterende functionarissen Artikel 2 Aan de directeur is voorbehouden het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden: - a. onderwerpen waarover binnen het MT-FEZ geen overeenstemming bestaat; - b. onderwerpen die aan hem zijn voorbehouden; - c. het afwijken van de voor financiële faciliteiten bestaande criteria; - d. onderwerpen, ten aanzien waarvan hij mededeling heeft gedaan, dat zij door hem zullen worden behandeld. Artikel 3 1. Aan de MT-leden wordt, ieder voor zich, ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op zijn werkterrein met dien verstande dat het aangaan van fi"},{"i":10118,"b":"Besluit van de directeur-generaal Landelijk Gebied en Stikstof van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 maart 2023, nr. DGLGS/26715606, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Landelijk Gebied en Stikstof van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2023 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat Landelijk Gebied en Stikstof van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2023) Gelet op [artikel 10 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=10); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **DGLGS:** het directoraat-generaal Landelijke Gebied en Stikstof van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **de directeur-generaal:** de directeur-generaal van het **DGLGS**; - c. **de directeuren:** de directeuren van het **DGLGS**; - d. **de programmadirecteur:** de programmadirecteur NPLG en Transitiefonds; - e. **de managers:** de managers van het **DGLGS**; - f. **het DT:** het managementteam van het **DGLGS** dat bestaat uit de in de onderdelen b tot en met e genoemde functionarissen; - g. **het bedrag:** het bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW) § 2. Taakverdeling tussen de directeur-generaal en de onder hem ressorterende functionarissen Artikel 2 Aan de directeur-generaal is voorbehouden het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden: - a. onderwerpen die zijn dienstonderdeel raken, tenzij daarover tussen de betrokken directeuren overeenstemming bestaat; - b. aangelegenheden: - 1°. ten aanzien waarvan de directeur-generaal in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of - 2°. die door ee"},{"i":10099,"b":"Besluit van 2 juli 2024, nr. 2024001704, houdende naamswijziging van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 2 juli 2024, kenmerk 4404107; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: De naam van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te wijzigen in: het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de ministeries."},{"i":10110,"b":"Besluit van de directeur Strategie, Kennis en Innovatie van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van datum 21 juni 2024, nr. ZK-0000067109, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Strategie, Kennis en Innovatie van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2024 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Strategie, Kennis en Innovatie van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2024) Gelet op [artikel 10 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=10); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **directeur:** directeur Strategie, Kennis en Innovatie van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **MT-lid:** MT-lid binnen de directie Strategie, Kennis en Innovatie van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. **bedrag:** bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW) § 2. Taakverdeling tussen de directeur-generaal en de onder hem ressorterende functionarissen Artikel 2 Aan de directeur is voorbehouden het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende aangelegenheden ten aanzien waarvan de directeur in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of die door een lid van het MT aan de directeur ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de directeur door een ander MT-lid moeten worden behandeld. Artikel 3 1. Aan de MT-leden wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op zijn werkterrein met dien verstande dat het aangaan van financiële verplichtingen een bedrag van € 100.000 per verplichting niet te boven gaat. 2. Aan de MT-leden wordt voorts, ieder voor zich, vo"},{"i":10112,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van 22 november 2022, betreffende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging aan de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) Gelet op [artikel 19, eerste en derde lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=19); Gelet op de [artikelen 10:3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), en [10:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeuren:** - 1. de directeur van de Directie Infrastructuur van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur; - 2. de directeur van de Directie Apparatuur van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur; - 3. de directeur van de Directie Digitale Weerbaarheid van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur; - 4. de directeur van de Directie Bestuur, Juridische Zaken en Communicatie van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur; - 5. de directeur van de Directie Mens en Middelen van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur; - b. **CIO:** plaatsvervangend directeur Mens en Middelen; - c. **de teammanagers:** de leidinggevenden van de teams die behoren tot een directie; - d. **de P&O-aangelegenheden:** de aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie; - e. **een bedrag:** een bedrag exclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW); - f. **de machtigingenbeheerders eHerkenningsmiddelen:** de machtigingenbeheerders eHerkenningsmiddelen van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; Artikel 2 Aan de inspecteur-generaal is voorbehouden: het nemen van be"},{"i":10121,"b":"Besluit ondervolmacht personele aangelegenheden BZK Kerndepartement Gelet op [artikel 1.2 sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=1.2) en [artikel 3.4 lid 1 en 2 van het Mandaatbesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=3.4) besluit ondervolmacht te verlenen voor personele aangelegenheden binnen het BZK Kerndepartement zoals vermeld in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048700&bijlage=1&z=2023-10-06&g=2023-10-06) bij dit besluit. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondervolmacht personele aangelegenheden BZK Kerndepartement. Bijlage 1 **Bevoegdheden ten aanzien van personele aangelegenheden.** | Personele aangelegenheden | Regelgeving | SG | pSG | DGOBDR, DGVB, DGRO, DGDOO, DGKR, clusterdirecteuren M&M en BO | Directeuren | Hoofden | Opmerking | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Taken en meldingen in P-direkt | | x | x | x | x | x | | | Ingediende medewerkersaanvragen in P-Direkt | | x | x | x | x | x | | | **Organisatie en formatie** | | | | | | | | | Het vaststellen van de formatie (capaciteitsplannen) | [Art. 4.2 lid 1, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=4.2) en [5.2 lid 1, onderdeel b Mandaatbesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=5.2) | x | | | | | | | Het vaststellen van de matchingsplaat | | x | | | | | | | Het aangaan, wijzigen en beëindigen van een arbeidsovereenkomst met clusterdirecteuren M&M en BO1 | [Art. 4.2 lid 1, onderdeel b Mandaatbesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=4.2) | x | x | | | | | | Het aangaan, wijzigen en beëindigen van een arbeidsovereenkomst met directeuren van het betreffende DG waarvoor de directeur-generaal benoemd is1 | [Art. 4.2 lid 1, onderdeel b Mandaatbesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":10132,"b":"Besluit van 25 juli 1984, houdende instelling van een Rijksmilieuhygiënische commissie Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 april 1984, nr. 0834021; Overwegende, dat het wenselijk is door een betere onderlinge afstemming te komen tot een grotere samenhang tussen de regeringsmaatregelen die van betekenis zijn voor het beleid op het gebied van de milieuhygiëne; dat een daartoe ingestelde interdepartementale coördinatiecommissie hiertoe een doelmatige bijdrage kan leveren; dat het in afwachting van de instelling van een zodanige commissie bij de wet, wenselijk is een voorlopige voorziening ter zake te treffen; De Raad van State gehoord (advies van 9 mei 1984, nr. W08.84.0195/16.4.18); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 juli 1984; DGMH/B nr. 0764039; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er is een Rijksmilieuhygiënische commissie, hierna te noemen de commissie. Artikel 2 De commissie heeft tot taak ter bevordering van de samenhang in het regeringsbeleid op het gebied van de milieuhygiëne, over onderwerpen op dat gebied interdepartementaal overleg te voeren en adviezen uit te brengen aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en desgevraagd aan Onze andere Ministers. Artikel 3 1. Over voornemens tot het treffen van wettelijke maatregelen en van andere maatregelen, die van betekenis zijn voor het regeringsbeleid op het gebied van de milieuhygiëne, alsmede over voornemens waarvan de uitvoering belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor de milieuhygiëne, horen Onze Ministers onder wier verantwoordelijkheid die maatregelen onderscheidenlijk de uitvoering van die voornemens tot stand komen, vooraf de commissie. 2. In afwijking van het eerste lid wordt de commissie niet gehoord over maatregelen en voornemens die worden behandeld in de Centrale Landinrichtingscommissie, ingevolge [artikel 7 van de Lan"},{"i":10172,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 7 oktober 2019, nr. WJZ/19222267, houdende vaststelling van de rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het voormalig Bedrijfschap voor bosbouw, bosbeheer, natuurbeheer en houtteelt Gelet op [artikel XLVI van de Wet opheffing bedrijfslichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&artikel=XLVI); Besluit: Artikel 1 De rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het voormalig Bedrijfschap voor bosbouw, bosbeheer, natuurbeheer en houtteelt wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum na die waarop het is bekendgemaakt. Bijlage Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het Bedrijfschap voor bosbouw, bosbeheer, natuurbeheer en houtteelt (Bosschap) Met de inwerkingtreding van de [Wet opheffing bedrijfslichamen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083) (Wob) op 1 januari 2015 zijn de zeventien Product- en bedrijfschappen opgeheven. In [artikel XXXIX, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&artikel=XXXIX), werd de Minister van EZ bevoegd alle rechtshandelingen te verrichten met het oog op de vereffening van het vermogens van de schappen. Op 1 januari 2019 is de Wob aangepast en werd de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister) verantwoordelijk voor de laatste fase van de vereffening van de vermogens van de schappen. Voor u ligt de Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het Bedrijfschap voor bosbouw, bosbeheer, natuurbeheer en houtteelt (Bosschap). Het schriftelijk verslag, opgenomen in Deel I, gaat vergezeld van een slotbalans op 31 december 2017 en een rekening van baten en lasten over de periode 2015–2017 die zijn opgenomen in Deel II, en een bijlage waarin het stappenplan van de vereffening wordt toegelicht. Het Ontwerp van de Rekening en verantwoording heeft"},{"i":6908,"b":"Besluit van 14 december 2000, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet personenvervoer 2000 (Besluit personenvervoer 2000) Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, van 10 juli 2000, Centrale Directie Juridische Zaken, nr. CDJZ/WVW/2000-767; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=3), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=9), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=14), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=27), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=28), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=29), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=30), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=31), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=32), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=35), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=44), [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=46), [49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=49), [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=70), [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=74), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=82), [83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=83), [86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=86), [99](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=99), [102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=102) en [104 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=104), de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622), [artikel 5:12, tweede lid, van de Arbeidstijd"},{"i":12360,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 maart 2023, nr. 33945522, houdende instelling van de Adviescommissie tot benoeming van leden van de Adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en [artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; b. **de Restitutiecommissie:**Adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog; c. **de commissie:**Adviescommissie benoeming leden van de Restitutiecommissie. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een commissie die tot taak heeft de minister te adviseren over de benoeming van leden van de Restitutiecommissie. 2. De commissie doet op verzoek van de minister een benoemingsvoorstel, uitgaande van de gewenste samenstelling van de Restitutiecommissie en op basis van profielschetsen voor de verschillende functies. De commissie neemt daarbij het relevante wettelijke kader in acht. Artikel 3. Leden 1. Tot de leden van de commissie worden benoemd: - a. Mevrouw mr. H. Troostwijk (tevens voorzitter) - b. De heer drs. V. G. Moolenaar - c. De heer prof. dr. Stolwijk 2. Bij het ontstaan van tussentijdse vacatures in de commissie benoemt de minister nieuwe leden. Artikel 4. Werkwijze en vergoeding 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. 2. De leden en de voorzitter van de commissie ontvangen voor het bijwonen van vergaderingen en overige bijeenkomsten in het kader van hun werkzaamheden vacatiegelden overeenkomstig [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2). Voorts ontvangen zij voor hun werkzaamheden vergoeding van r"},{"i":2803,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, september 2007 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand september 2007, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,75 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 september 2007, doch niet later dan 15 oktober 2007 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,550 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 september 2007 en eindigende met 15 oktober 2007 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overh"},{"i":10374,"b":"Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Tsjechische Republiek The Kingdom of the Netherlands, in respect of Curaçao, and the Czech Republic Hereinafter referred to as the “Contracting Parties”; Being Parties to the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), opened for signature at Chicago on 7 December 1944; and Desiring to conclude an agreement for the purpose of developing air services between and beyond their respective territories; Have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement, unless the context otherwise requires: - a). the term “Convention” means the [Convention on International Civil Aviation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), opened for signature at Chicago on 7 December 1944, and includes any Annex adopted under [Article 90 of that Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=90) and any amendment of the Annexes or of the Convention under Articles 90 and [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507&artikel=94), so far as those Annexes and amendments have been adopted by both Contracting Parties; - b). the term “aeronautical authorities” means in the case of the Czech Republic the Ministry of Transport and, in the case of the Kingdom of the Netherlands, in respect of Curaçao, the Minister responsible for Civil Aviation of Curaçao, or, in both cases, any other authority legally empowered to perform the functions exercised by the said aeronautical authorities; - c). the term “designated airline” means each airline that one Contracting Party has designated in writing to the other Contracting Party and which has been authorized in accordance with [Article 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006779&artikel=3&z=2022-04-01&g=2022-04-01) of this Agreement to operate the agreed services on the specified routes in conformity with [paragraph 1. of Article 2](https://wetten.overheid"},{"i":14798,"b":"Regeling vaststelling invorderingskosten Gelet op [artikel 9a van het Besluit tenuitvoerlegging geldboetevonnissen, artikel 11a van het Besluit tenuitvoerlegging ontnemings- en schadevergoedingsmaatregelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008537&artikel=11a) en [artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006847&artikel=11a), Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling betreffen de handelingen van de gerechtsdeurwaarder die worden verricht ter zake van de invordering van geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen en administratieve sancties, bedoeld in de [Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581) 1994, geen ambtshandelingen als bedoeld in het Besluit tarieven gerechtsdeurwaarders. Artikel 2 Onverminderd [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012653&artikel=3&z=2020-01-01&g=2020-01-01) bedragen de kosten van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012653&artikel=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01) genoemde niet-ambtshandelingen voor de invordering van: - a. administratieve sancties als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=2): € 45,28; - b. geldboetes: € 80,41; - c. schadevergoedingsmaatregelen: € 145,34; - d. ontnemingsmaatregelen: € 145,34. Artikel 3 Indien de uitvoering van een niet-ambtshandeling terzake van de invordering van ontnemingsmaatregelen langer dan drie uur en drie kwartier heeft geduurd, worden de kosten verhoogd met € 20,54 voor elk kwartier dat die uitvoering langer dan drie uur en drie kwartier heeft geduurd. Artikel 4 Deze regeling berust op [artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006847&artikel=11a) en [artik"},{"i":10765,"b":"Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren Preambule De Partijen bij dit Verdrag, Zich ervan bewust dat de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren taken van groot belang en hoge prioriteit zijn, en dat doeltreffende uitvoering ervan alleen kan worden gewaarborgd door intensievere samenwerking, Verontrust over de nadelige gevolgen die veranderingen in de toestand van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren op korte of lange termijn hebben of dreigen te hebben voor het milieu, de economie en het welzijn van de lidstaten van de Economische Commissie voor Europa (ECE), Beklemtonend dat krachtigere nationale en internationale maatregelen geboden zijn ter voorkoming, beheersing en vermindering van de lozing van gevaarlijke stoffen in het aquatische milieu en ter vermindering van vermesting en verzuring, alsmede van verontreiniging van het mariene milieu, met name in kustgebieden, vanaf het land, Verheugd over de inspanningen die de Regeringen van de lidstaten van de ECE reeds hebben geleverd om op bilateraal en multilateraal niveau hun samenwerking te intensiveren, gericht op de voorkoming, beheersing en vermindering van grensoverschrijdende verontreiniging, op duurzaam waterbeheer, het behoud van watervoorkomens en de bescherming van het milieu, Herinnerend aan de desbetreffende bepalingen en beginselen van de Verklaring van de Conferentie inzake het menselijk leefmilieu te Stockholm, de Slotakte van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE), de Slotdocumenten van de Bijeenkomsten te Madrid en te Wenen van Vertegenwoordigers van de Staten die deelnemen aan de CVSE, en de Regionale Strategie voor de bescherming van het milieu en het rationeel gebruik van de natuurlijke rijkdommen in de lidstaten van de ECE voor het tijdvak tot het jaar 2000 en daarna, Zich bewust van de rol van de Economische Commissie voor Europa van de Vereni"},{"i":17312,"b":"Regeling Geestelijk Verzorgers Defensie Gelet op [artikel 168 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=168); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **geestelijk verzorger:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=1), die is aangesteld om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger werkzaam te zijn; - **Hoofd van Dienst:** de geestelijk verzorger, die ambtsinhoudelijk leiding geeft aan een van de Diensten Geestelijke Verzorging; - **zendende instantie:** de door de rijksoverheid erkende institutie, of diens gemachtigde, die een of meerdere kerkgenootschappen of genootschappen op grondslag van levensbeschouwing vertegenwoordigt en bevoegd is goedkeuring te verlenen aan het werkzaam zijn van een ambtsdrager als geestelijk verzorger bij Defensie. Artikel 2. Aanstelling 1. In de akte van aanstelling tot geestelijk verzorger wordt de militaire rang vermeld waarmee deze in rang wordt gelijkgesteld. 2. Een aanstelling tot geestelijk verzorger vindt niet plaats, voordat de zendende instantie schriftelijk haar goedkeuring daaraan heeft verleend. 3. Aan de in het tweede lid bedoelde goedkeuring kunnen bepalingen en bedingen worden verbonden die als additionele aanstellingsvereisten gelden. 4. Een schriftelijke intrekking door de zendende instantie van de in het tweede lid bedoelde goedkeuring staat gelijk aan het verlies van een aanstellingsvereiste. 5. Op een aanstelling tot geestelijk verzorger is de leeftijdsgrens op grond van [artikel 7, zevende lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=7) niet van toepassing. Artikel 3. Eed of belofte In afwijking van de [Regeling ambtseed burgerambtenaren Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041484), legt de geestelijk verzorger de eed of belofte af ten o"},{"i":10801,"b":"Verdrag tot verbod van de plaatsing van kernwapens en andere wapens voor massale vernietiging op de zeebedding en de oceaanbodem en in de ondergrond daarvan De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, Zich bewust van het belang van de mensheid bij de voortgang van het onderzoek en het gebruik van de zeebedding en de oceaanbodem voor vreedzame doeleinden, Overwegende dat het voorkomen van een nuclaire bewapeningswedloop op de zeebedding en de oceaanbodem in het belang is van de handhaving van de wereldvrede, de internationale spanningen vermindert en de vriendschappelijke betrekkingen tussen de Staten versterkt, Overtuigd dat dit Verdrag een stap betekent in de richting van het uitsluiten van de zeebedding, de oceaanbodem en de ondergrond daarvan van de bewapeningswedloop, Overtuigd dat dit Verdrag een stap betekent in de richting van een verdrag inzake algemene en volledige ontwapening onder strenge en doeltreffende internationale controle, en vastbesloten de daarop gerichte onderhandelingen voort te zetten, Overtuigd dat dit Verdrag de doeleinden en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties zal bevorderen op een wijze die verenigbaar is met de beginselen van het volkenrecht en zonder de vrijheden van de volle zee geweld aan te doen, Zijn als volgt overeengekomen: Artikel I 1. De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag nemen de verplichting op zich geen kernwapens of andere soorten van wapens voor massale vernietiging, noch bouwsels, lanceerinrichtingen of andere voorzieningen die speciaal ontworpen zijn voor het opslaan, beproeven of gebruiken van zodanige wapens op te stellen of te plaatsen op de zeebedding en de oceaanbodem en in de ondergrond daarvan, buiten de buitenste grens van een zeebeddingszone als omschreven in artikel II. 2. De verplichtingen van lid 1 van dit artikel zijn eveneens van toepassing op de in dat lid bedoelde zeebeddingszone, behalve dat zij binnen die zeebeddingszone niet van toepassing zijn voor de kuststaat of op de zeebedding ond"},{"i":10805,"b":"Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Regering van de Verenigde Arabische Emiraten inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Regering van de Verenigde Arabische Emiraten (hierna te noemen de „verdragsluitende partijen”); Partij zijnde bij het [Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944 (hierna te noemen te noemen „het Verdrag van Chicago”); Geleid door de wens een verdrag te sluiten, in overeenstemming met en ter aanvulling van het voornoemde [Verdrag van Chicago](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005507), ten behoeve van het instellen en exploiteren van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden; Erkennend het belang van luchtvervoer als middel om vriendschap, begrip en samenwerking tussen de volkeren van beide landen tot stand te brengen en te bevorderen; Geleid door de wens de uitbreiding van de mogelijkheden voor het internationaal luchtvervoer te vergemakkelijken; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist: - a. wordt onder „luchtvaartautoriteit” verstaan, wat het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, betreft, de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning van Curaçao; wat de Verenigde Arabische Emiraten, betreft, de Algemene Burgerluchtvaartautoriteit; of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen waar dit Verdrag betrekking op heeft; - b. wordt onder „overeengekomen diensten” verstaan geregelde internationale luchtdiensten tussen en via de onderscheiden grondgebieden van Curaçao en de Verenigde Arabische Emiraten voor het vervoer van passagiers, bagage en vracht, met inbegrip van post, afzonderlijk of"},{"i":10932,"b":"Besluit van 29 oktober 2019 tot wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en het Kentekenreglement in verband met de harmonisatie van milieuzones Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 8 juli 2019, nr. IENW/BSK-2019/24211, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=14), en [42, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=42); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 september 2019, nr. W17.19.0190/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 24 oktober 2019, nr. IENW/BSK-2019/198406, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Artikel II Wijzigt het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer. Artikel III Wijzigt het Kentekenreglement. Artikel IV 1. Gemeenten met een milieuzone voor personen-, bedrijfs- of vrachtauto’s of bussen met een dieselmotor, ingesteld voor 1 januari 2020, voldoen uiterlijk één jaar na vaststelling van dit besluit aan [artikel 86d van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=86d). 2. In afwijking van het eerste lid voldoen gemeenten met op 29 juni 2018 een reeds bestaande milieuzone voor taxi’s als bedoeld in [artikel 1.1 van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=1.1), met een dieselmotor, uiterlijk 1 januari 2025 aan [artikel 86d van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&artikel=86d), indien met de betreffende milieuzone taxi’s worden geweerd die niet met een milieuzone voor personen- en bedrijfsauto’s, bedoe"},{"i":10990,"b":"Wet van 19 april 2012 tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden (PbEU L 140) en de uitvoering van verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU L 302) en verordening (EU) nr. 920/2010 van de Commissie van 7 oktober 2010 inzake een gestandaardiseerd en beveiligd registersysteem overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking nr. 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 270) (herziening EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ter implementatie van [richtlijn nr. 2009/29/EG](32009L0029) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 tot wijziging van [Richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden (PbEU L 140) en ten behoeve van de uitvoering van verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig [Richtlijn 2003/87/EG](32003L0087) van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU L 302) en verordening"},{"i":11057,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 26 juni 2015, kenmerk 511434, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Auditdienst en taakvoorganger van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de periode (1975) 1986–2007 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder c van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10)en het advies van het Nationaal Archief d.d. 15 juni 2015, met kenmerk 14.120; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Auditdienst en taakvoorganger; Artikel 1 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot | Motivatie | | --- | --- | --- | | 71 | 2050 | Waarborging van het belang van het toezichthoudende bestuursorgaan en van de met naam genoemde organisaties en de betrokken personen binnen de organisaties die werden gecontroleerd. | | 72 | 2050 | Waarborging van het belang van het toezichthoudende bestuursorgaan en van de met naam genoemde organisaties en de betrokken personen binnen de organisaties die werden gecontroleerd. | | 75 | 2050 | Waarborging van het belang van het toezichthoudende bestuursorgaan en van de met naam genoemde organisaties en de betrokken personen binnen de organisaties die werden gecontroleerd. | | 76 t/m 107 | 2050 | Waarborging van het belang van het toezichthoudende bestuursorgaan en van de met naam genoemde organisaties en de betrokken personen binnen de organisaties die werden gecontroleerd. | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl"},{"i":4279,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 25 november 2014, kenmerk 8789, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van de vriendenloterij Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan de VriendenLoterij N.V., gevestigd te Amsterdam met KvK-nummer 41126395 (hierna: de vergunninghouder), een vergunning voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016. Aan deze vergunning zijn de volgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de kansspelen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Bestuursstructuur B. Aangeboden kansspel C. Afdracht ten behoeve van het algemeen belang D. Bescherming van consumenten E. Toezicht en controle F. Rapportage en verslaglegging G. Overig"},{"i":3802,"b":"Besluit Onderlinge overlegprocedures De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Dit besluit bevat een nadere beschrijving en invulling van de onderlinge overlegprocedure op grond van de [Wet fiscale arbitrage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042409), een bilateraal belastingverdrag of het EU-arbitrageverdrag. Hoofdstuk 1. Inleiding 1.1. Afkortingenlijst 1.2. Aanleiding voor het besluit Dit besluit vervangt het [besluit van 29 september 2008, nr. IFZ2008/248M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024542). Dit besluit sluit aan bij recente ontwikkelingen, waaronder de totstandkoming van een internationale minimumstandaard voor geschilbeslechting in Actieplan 14 van het BEPS-project van de OESO, de inwerkingtreding van de arbitragerichtlijn1Pb EU L 265/1 van 14 oktober 2017. en de totstandkoming van het MLI. Belangrijke wijzigingen ten opzichte van het voorgaande besluit zijn: 1.3. Algemeen Meerdere regelingen geven een belanghebbende de mogelijkheid om een (dreigend) geschil over de toepassing of uitleg van een belastingverdrag voor te leggen aan de bevoegde autoriteiten met het verzoek om in onderling overleg het geschil op te lossen. Op grond van de bilaterale regelingen ter voorkoming van dubbele belastingen kan ook een verzoek worden ingediend om het sluiten van een bilaterale of multilaterale verrekenprijsafspraak (BAPA of MAPA). Het is de intentie van de Nederlandse bevoegde autoriteit om dergelijke verzoeken voortvarend te behandelen, waarbij het streven is om de belastingheffing in strijd met het verdrag zo spoedig mogelijk weg te nemen. Vanzelfsprekend is dit mede afhankelijk van de opstelling van de andere bevoegde autoriteit. In dit besluit leg ik uit op welke grondslagen een verzoek om een onderlinge overlegprocedure kan worden gebaseerd. Voorts geef ik aan **hoe** en **wanneer** een belanghebbende een verzoek om een onderlinge overlegprocedure op een van de toepasselijke grondslagen kan indienen en leg ik uit hoe de onderl"},{"i":12051,"b":"Besluit beperking van de openbaarheid van de archieven van de Bedrijfsvereniging voor de Leder- en Lederverwerkende Industrie en van de Bedrijfsvereniging voor de Horeca, Pension- en Aanverwante Bedrijven Gelet op [artikel 15, eerste lid onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Het UWV is zorgdrager van de archieven van - a. Bedrijfsvereniging voor de Leder- en Lederverwerkende Industrie (BV07) over de periode (1930) 1951–1988 met een omvang van 4,06 strekkende meter; - b. Bedrijfsvereniging voor de Horeca, Pension- en Aanverwante Bedrijven (BV22) over de periode 1950–1997 met een omvang van 5,62 strekkende meter; Artikel 2 1. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027436&artikel=1&z=2010-03-30&g=2010-03-30) genoemde archieven wordt door UWV ter verdere bewaring naar het Nationaal Archief te Den Haag overgebracht. 2. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de in de eerste kolom genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede kolom genoemde jaartal. | Inventarisnummers: | Geheel openbaar met ingang van januari: | | --- | --- | | 57 | 2033 | | 43 | 2034 | | 33, 44 en 58 | 2035 | | 59 | 2036 | | 34 en 45 | 2037 | | 60 | 2038 | | 35, 46 en 61 | 2039 | | 36 en 62 | 2040 | | 63 | 2041 | | 37 en 47 | 2042 | | 38 en 64 | 2043 | | 48 en 65 | 2044 | | 39 en 49 | 2045 | | 50, 66, 67 en 68 | 2046 | | 40, 51, 69 en 70 | 2047 | | 52, 53, 71 en 72 | 2048 | | 41, 54 en 73 | 2049 | | 42, 55 en 74 | 2050 | | 85 en 86 | 2051 | | 87 | 2052 | | 88 | 2053 | | 89 | 2054 | | 90 | 2055 | | 91 | 2056 | | 92 en 93 | 2057 | | 94, 95 en 96 | 2058 | | 97 en 98 | 2059 | | 99, 100, 101 en 102 | 2060 | | Inventarisnummers: | Geheel openbaar met ingang van januari: | | --- | --- | | 60 | 2029 | | 61 | 2030 | | 6"},{"i":12595,"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 40 Begrafeniswet BES Artikel 1 1. Het vervoer van een lijk naar een der openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba of uit een der openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba is toegelaten mits: - a. het lijk hetzij door balsemen hetzij door toepassing van een andere conserveringsmethode behoorlijk is geconserveerd, besloten is in een van ondoordringbaar materiaal vervaardigde, hermetisch gesloten en van absorberend materiaal voorziene kist, in de kist niets anders wordt vervoerd dan het lijk en bijbehorende kleding, verpakkingsmateriaal en persoonlijke bezittingen van de overledene en de kist, ten genoegen van de door het bestuurscollege aangewezen geneeskundige, deugdelijk is verpakt in een goed sluitende kist; - b. op de kist duidelijk waarneembaar zijn aangebracht de naam, de voornamen en de geboortedatum van de overledene, de datum en plaats van overlijden en de plaats van bestemming; - c. bij aankomst van het lijk worden overgelegd of bij vervoer uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba ten behoeve van de autoriteiten in het land of eiland van bestemming worden afgegeven: - 1°. een geneeskundige verklaring betreffende de overledene afgegeven door de daartoe bevoegde geneeskundige in het land of eiland waar het overlijden plaatsvond, of een uittreksel van de desbetreffende akte van overlijden of een daarmee overeenstemmend document; - 2°. een verklaring afgegeven door de persoon die het lijk heeft gebalsemd of anderszins heeft geconserveerd met vermelding van de wijze waarop het balsemen of de conservering heeft plaatsgehad; - 3°. een verklaring afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteit van het land of eiland waar het overlijden plaatsvond, behelzende de wijze waarop en de route waarlangs het vervoer zal plaatsvinden. 2. De geneeskundige verklaring als bedoeld in het eerste lid onder c, 1° moet tenminste bevatten de naam, de voornamen en de plaats en datum van geboorte van de overledene of de le"},{"i":11085,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 januari 2025, nr. BOACAT2024/126, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Regionaal Bureau Leerplicht Brabant Noordoost Gelezen het verzoek van Regionaal Bureau Leerplicht Brabant Noordoost van 19 december 2024; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050686&artikel=2&z=2025-03-26&g=2025-03-26). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van leerplichtambtenaar in dienst van Regionaal Bureau Leerplicht Brabant Noordoost, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein III, Onderwijs, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het"},{"i":13134,"b":"Call for proposals Stichting Van Moorsel en Rijnierse – SGW Den Haag, juli 2017 Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek Inleiding en doel Het doel van de Stichting Van Moorsel en Rijnierse is het stimuleren van onderzoek naar het Christendom in Egypte, in het Nijldal dan wel elders in het Midden-Oosten, in zijn kunsthistorische, archeologische, kerkhistorische, historische en filologische aspecten. De middelen voor dit financieringsinstrument worden ter beschikking gesteld door voornoemde stichting en zijn afkomstig uit het legaat van mevrouw. J.A. Rijnierse (Sloten, 5 februari 1917 – Leiden, 23 september 2013). Het fonds waarover de stichting beschikt, bedraagt € 499.402 en wordt beheerd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) te Den Haag. Mevrouw Rijnierse heeft bij testament bepaald, dat per kalenderjaar een tiende van de middelen uit de nalatenschap via NWO besteed zal worden aan onderzoek en onderwijs op de hierboven vermelde terreinen. Meer informatie treft u aan op www.nwo.nl/stichting-van-moorsel. Wie kan aanvragen Conform de NWO-Regeling subsidieverlening kunnen onderzoekers van de volgende door NWO erkende kennisinstellingen aanvragen indienen: Daarnaast geldt voor dit financieringsinstrument, dat alleen senior-onderzoekers als aanvrager kunnen optreden die werkzaam zijn op de hierboven aangegeven onderzoeksgebieden. Senior-onderzoekers zijn ervaren gepromoveerde onderzoekers (hoogleraren, universitair hoofddocenten of universitair docenten) met een aanstelling aan een van de bovenstaande door NWO erkende onderzoeksinstellingen (zie voor meer informatie www.nwo.nl/regelingsubsidieverlening). Wat kan aangevraagd worden Het jaarlijks beschikbare budget bedraagt € 50.000,–. Beurzen kunnen worden aangevraagd voor een bedrag van minimaal € 5.000,- en maximaal € 25.000,–. De aan te vragen middelen betreffen alleen materiële kosten die direct gerelateerd zijn aan onderzoek op het gebied waarop deze call zich richt. He"},{"i":7903,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 september 2010, nr. Z/M-3020417, houdende nadere regels omtrent een goede afwikkeling van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 met betrekking tot de uitvoering van de wachtgeldregeling van het personeel van de Stichting Uitvoering Omslagregelingen Gelet op [artikel 2.2.2, zevende lid van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.2); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830); - b. **de Stichting Uitvoering Omslagregelingen:** de rechtspersoon bedoeld in [artikel 2.2.2, vijfde en zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018830&artikel=2.2.2), die is belast met de uitvoering van de wachtgeldregeling van het personeel van de Stichting Uitvoering Omslagregelingen; - c. **Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 1. Het bestuur van de Stichting Uitvoering Omslagregelingen bestaat uit ten hoogste drie leden, onder wie de voorzitter. 2. De bestuursleden worden benoemd, geschorst en ontslagen door de Minister. 3. De bestuursleden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden. Bij de toepassing van dit lid wordt vanaf 1 januari 2011 vervulling van het bestuurslidmaatschap voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze regeling mede in aanmerking genomen. 4. Een lid van het bestuur vervult geen nevenfuncties of andere werkzaamheden die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van zijn functie of de handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen daaarin. 5. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt tussentijds door overlijden, ontslag op eigen verzoek of ontslag om zwaarwichtige redenen door de Minister. Artikel 3 1. Aan de bestu"},{"i":12377,"b":"Besluit van de Sociaal-Economische Raad van 15 december 1995 houdende de instelling van de Commissie Vakproeven Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf Gelet op [artikel 4, achtste lid, laatste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=4), en [artikel 21, zevende lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=21), en [artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=21); Gelet op de [Verordening Verklaringen Vakbekwaamheid Gevolmachtigde Agent](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007751); Gelet op de Verordening Verklaringen Vakbekwaamheid Assurantiebemiddelingsbedrijf 1995; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de raad: | de Sociaal-Economische Raad; | | --- | --- | --- | | b. | de commissie: | de Commissie Vakproeven Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf. | § 2. Samenstelling Artikel 2 1. Er is een Commissie Vakproeven Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf. 2. De commissie telt zes leden. Voor elk lid kan een plaatsvervanger worden benoemd. 3. De leden van de commissie worden benoemd door de raad. 4. Het secretariaat van de commissie wordt vervuld door het secretariaat van de raad. § 3. Taken Artikel 3 1. De commissie neemt de vakproeven af die zijn voorzien in de [Verordening Vakbekwaamheid Gevolmachtigde Agent](onbekend) en de Verordening Verklaringen Vakbekwaamheid Assurantiebemiddelingsbedrijf 1995. 2. Een vakproef wordt afgenomen door drie leden van de commissie. 3. De commissie kan nadere regelen stellen met betrekking tot haar werkwijze. § 4. Slotbepalingen Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1996. Artikel 6 Dit besluit wordt aangehaald als Besluit Instelling Commissie Vakproeven Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf."},{"i":11146,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Nationale ombudsman (1964) 1982– (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 augustus 2007, nr. aca-2007.03943/5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Nationale ombudsman over de periode (1964) 1982–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11956,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 3 december 2020, kenmerk 2700707, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken 1967–2001 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 28 augustus 2020, met kenmerk PROZA 100612. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken 1967–2001 Artikel 1 Gelet op het feit dat in de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) voorkomen zijn deze inventarisnummers met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 80 | 2077 | | 81 | 2077 | | 82 | 2076 | | 83 | 2077 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044699&artikel=1&z=2021-01-14&g=2021-01-14), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044699&artikel=1&z=2021-01-14&g=2021-01-14), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin"},{"i":13746,"b":"Kavelbesluit IV windenergiegebied Borssele I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3), de [Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641) en de [Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640), besluit de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu als volgt: Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 24 maart 2016 De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp Belanghebbenden die een zienswijze naar voren hebben gebracht of die redelijkerwijs niet verweten kan worden tegen het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, kunnen tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA, Den Haag. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. Op grond van [artikel 8 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=8) is op dit besluit [hoofdstuk 1, afdeling 2, van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&afdeling=2) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de belanghebbende in het beroepschrift moet aangeven welke beroepsgronden hij aanvoert tegen het besluit. Indien hij dit niet doet, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Het wordt aanbevolen in het beroepschrift te vermelden dat de [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431) van toepassing is. II. Toelichting kavelbesluit IV windenergiegebied Borssele Opgesteld door **Rijkswaterstaat** In opdracht van **Ministerie van Economische Zaken** 1. Inleiding 1.1. Nut en noodzaak Op grond van [ric"},{"i":12858,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Internationale Monetaire en Financiële Zaken 1945- (Minister van Algemene Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2007, nr. arc-2007.03507/9); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Algemene Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Internationale Monetaire en Financiële Zaken 1945–](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13099,"b":"Besluitvorming aanvulling taallijst (1) **Overwegende dat:** de Adviescommissie Talen Wbtv zijn grondslag vindt in de [Regeling van de Raad voor Rechtsbijstand van 6 augustus 2015, houdende de instelling van de Adviescommissie Talen Wbtv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036939) (Stcrt 2015, nr. 25102); de Adviescommissie Talen Wbtv advies uitbrengt over de wettelijke competentie Taalvaardigheid; de Raad voor Rechtsbijstand aanleiding heeft gezien om advies in te winnen bij de Adviescommissie Talen Wbtv omtrent het aanvullen van de taallijst; De Adviescommissie Talen Wbtv op 9 oktober 2020 advies heeft uitgebracht; **Stelt vast dat:** Het Bobo niet ruim schriftelijk wordt gebruikt; Het Albanees (Kosovaars) een variant is van het Albanees zoals dat wordt gesproken en gebruikt in Albanië en Kosovo; Het Chimini, ook wel Chimwiini genoemd, een variant is van het Swahili; Het Chimini voornamelijk een gesproken taal is; Het Oostelijk Min Chinees een niet-voorkeursnaam is voor het Chinees (Min Dong); Het Wenzhounees een niet-voorkeursnaam is voor het Chinees (Wenzhou); Het Chinees (Wenzhou) behoort tot de Wu-talen; Het Dangbe en het Adangbe niet-voorkeursnamen zijn voor het Dangme; Het Dangme niet ruim schriftelijk wordt gebruikt; Het Ana, het Kamboli en het (Noordelijk) Nago niet-voorkerusnamen zijn voor het Ede; Het Koerdisch (Feyli) behoort tot de Zuid-Koerdische talen; Het Koerdisch (Feyli) in de door de Raad voor Rechtsbijstand gehanteerde taallijst is opgenomen als de niet-voorkeursnaam voor het Lori. Het Mina een niet-voorkeursnaam is voor het Gen; Het Seraiki, het Sairaiki, het Multani, het Riasti, het Bahwalpuri, het Derawali en het Westelijk (niet Zuidelijk) Panjabi niet-voorkeursnamen zijn voor het Siraiki; Het Sarnami ook wel het Sarnami Hindi en het Sarnami Hindoestani wordt genoemd; Het Patoiseen niet-voorkeursnaam is voor het Creools Frans, dat wordt gesproken in Haïti; Het Zuidelijk Min Chinees een niet-voorkeursnaam is voor het Chinees (Min Nan). *"},{"i":14364,"b":"Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie en de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 17 december 2003, nr. 5257327, houdende de instelling van de Commissie Evaluatie Vreemdelingenwet 2000 Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1 Er is een Commissie Evaluatie Vreemdelingenwet 2000, verder te noemen de commissie. Artikel 2 1. De commissie heeft tot taak: - a. het bewaken van de doelstellingen van de evaluatie en het adviseren bij de uitwerking ervan in deelonderzoeken; - b. het houden van toezicht op de voortgang en de bewaking van de samenhang tussen de deelonderzoeken; - c. het adviseren van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum bij het samenstellen van deelcommissies, die als begeleidingscommissie functioneren bij de verschillende deelonderzoeken naar de gevolgen van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) voor de kwaliteit van primaire besluiten op asielaanvragen, de duur van de asielprocedure, het vreemdelingentoezicht en de terugkeer van vreemdelingen; - d. het bespreken van de eindrapportages met het oog op de doelstellingen van de evaluatie; - e. drie maanden na het gereed komen van het onderzoek advies en verslag uit te brengen. 2. Het verslag van de commissie bestaat uit een verslag van werkzaamheden alsmede een eigen advies in aanvulling op de resultaten van het evaluatieonderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum. Artikel 3 De commissie bestaat uit zeven leden, waaronder een voorzitter. Artikel 4 1. De commissie brengt haar verslag en advies uit aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. 2. De werkzaamheden van de commissie worden voortgezet tot het moment, waarop het eindrapport zal worden aangeboden. Hierna wordt de commissie opgeheven. Artikel 5"},{"i":14329,"b":"Regeling Immerse\\Interact Het bestuur van de stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Taakopvatting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie 1. De taak van het Stimuleringsfonds is om, vanuit het culturele perspectief, de rijke ontwerptraditie die Nederland heeft, te continueren en te vernieuwen door het proces van experimenteren, onderzoeken en maken te stimuleren en goed opdrachtgeverschap te bevorderen. 2. Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie verstrekt, in overeenstemming met zijn [statuten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047849) en volgens bepalingen vastgesteld in de wet en subsidieregelingen, subsidies aan natuurlijke personen en rechtspersonen die bijdragen aan het bevorderen van hoogwaardige kwaliteit, ontwikkeling en professionalisering van de hedendaagse creatieve industrie binnen het Koninkrijk. Artikel 2. Begrippen De in deze regeling gebruikte begrippen hebben dezelfde betekenis als in de [Regeling op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027597). Specifiek binnen deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **Bestuur:** de directeur-bestuurder van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, als bedoeld in [artikel 5 van de statuten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047849&artikel=5); - 2. **Creatieve industrie:** het werkterrein van de disciplines vormgeving, architectuur, digitale cultuur en specifiek binnen deze regeling ook film en media, inclusief mogelijke crossovers tussen deze disciplines; - 3. **Maker:** een natuurlijk persoon die de artistieke regie voert over een productie; - 4. **Producent:** een productiemaatschappij, organisatie of studio binnen de film, audio-visuele se"},{"i":13358,"b":"Inkomstenregeling militairen Gelet op het [Inkomstenbesluit militairen](onbekend) (IBM); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **besluit:** het [Inkomstenbesluit militairen](onbekend); - b. **luchtvarende:** de militair die in het bezit is van één of meer van de volgende, hem door de commandant operationeel commando toegekende brevetten: het marinevliegbrevet of groot militair vliegbrevet, het brevet van waarnemer, boordwerktuigkundige, vliegtuigsensoroperator, boordgevechtsleider, boordgevechtsleider-assistent, boordmonteur, loadmaster, boom operator, boordvliegproefkundige, flight engineer of cabin attendant alsmede de militair die op 1 september 2010 in het bezit was van het brevet luchtfotograaf; - c. **vliegende eenheid:** een eenheid van het Commando Zeestrijdkrachten (CZSK) dan wel van het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK) gericht op het opereren met vliegtuigen of het opleiden van militairen voor het opereren met vliegtuigen dan wel een vliegtuig of een verband van vliegtuigen van CZSK, CLSK, de Kustwacht Nederland of de Kustwacht Nederlandse Antillen & Aruba; - d. **groep 1:** - 1°. voor de militair van de Koninklijke marine: de militair met een hoger salaris dan dat van een sergeant-majoor met salaristrede 3; - 2°. voor de overige militairen: de militair met een hoger salaris dan dat van een sergeant-majoor met salaristrede 10; - e. **groep 2:** - 1°. voor de militair van de Koninklijke marine: de militair met een hoger salaris dan dat van een korporaal met salaristrede 0, maar welk salaris niet hoger is dan dat van een sergeant-majoor met salaristrede 3; - 2°. voor de overige militairen: de militair met een hoger salaris dan dat van een korporaal der eerste klasse met salaristrede 4 maar welk salaris niet hoger is dan dat van een sergeant-majoor met salaristrede 10; - f. **groep 3:** de militair die niet behoort tot"},{"i":13226,"b":"Besluit houdende regels inzake delegatie van kwaliteitsonderzoek aan de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (Delegatie- en uitvoeringsbesluit Verordening Kwaliteitsonderzoek) Het bestuur van de Orde Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants maakt, gelet op [artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:42), onderstaand besluit bekend welke op 11 december 2008 door het bestuur is genomen. Besluit als volgt: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - a. **aanbevelingen:** de aanbevelingen, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de Verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=11); - b. **accountant:** de accountant, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); - c. **accountantsafdeling:** de accountantsafdeling, bedoeld in de Verordening gedragscode; - d. **accountantskantoor:** het accountantskantoor, bedoeld in de Verordening gedragscode; - e. **College:** het College Kwaliteitsonderzoek, bedoeld in [artikel 21 van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=21); - f. **NOvAA:** de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten, bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002856&artikel=2); - g. **periodiek onderzoek:** het periodiek onderzoek, bedoeld in [artikel 1, onderdeel o, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); - h. **systeem van kwaliteitsborging:** het systeem van kwaliteitsborging, bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van de Verordening Kwaliteitsonderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025091&artikel=1); - i. **vervolgonderzoek:** het vervolgonderzoek, bedoeld in [artikel 1, onderdeel s, van de Verordening Kwaliteitsonder"},{"i":11177,"b":"Deelregeling Cultuureducatie in het vmbo en het praktijkonderwijs gelet op [artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); gelet op het [Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039127); gelet op de overeengekomen samenwerking met het bestuur van het Prins Bernhard Cultuurfonds; met goedkeuring van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 februari 2017; besluit: vast te stellen de Regeling Cultuureducatie in het vmbo en het praktijkonderwijs. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities - a. **Aanvrager:** de culturele instelling met rechtspersoonlijkheid zonder winstoogmerk die subsidie aanvraagt; - b. **Adviescommissie:** een externe adviescommissie als bedoeld in [artikel 8 van het Huishoudelijk Reglement van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037544&artikel=8); - c. **Algemeen Subsidiereglement:** het [Algemeen Subsidiereglement van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039127); - d. **Awb:** de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - e. **Bestuur:** het bestuur van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - f. **Cultuureducatie:** activiteiten die gericht zijn op de kerndoelen en eindtermen van het leergebied kunst en cultuur, kunstvakken 1 (CKV) en eventueel keuzevakken beeldende vorming, muziek, dans en drama; - g. **Doorlopende leerlijn:** een leerlijn is een beredeneerde opbouw van tussendoelen en inhouden naar een einddoel. Doorlopende leerlijnen worden ontwikkeld om meer samenhang en continuïteit door leerjaren heen te geven. - h. **Fonds voor Cultuurparticipatie:** Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - i. **Praktijkonderwijs:** door het Ministerie van OCW bekostigd praktijkonderwijs; - j. **Prins Bernhard Cultuurfonds:** Stichting Prins Bernhard C"},{"i":13331,"b":"Wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de Wet toezicht trustkantoren 2018 en enige andere wetten in verband met het herstel van gebreken en omissies bij de implementatie van Europese regelgeving op het terrein van de financiële markten (Herstelwet financiële markten 2020) Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel III Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren 2018. Artikel IV Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel V Wijzigt de Faillissementswet. Artikel Va Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van de [artikelen I, onderdeel S](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044214&artikel=I&z=2021-06-30&g=2021-06-30), [II, onderdeel H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044214&artikel=II&z=2021-06-30&g=2021-06-30), en [III, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044214&artikel=III&z=2021-06-30&g=2021-06-30), reeds uiteindelijk belanghebbende is in de zin van [artikel 3:9a van de Wet op het financieel toezicht](onbekend), [23h, derde lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=23h), of [10, vierde lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=10), wordt vermoed te voldoen aan de in die artikelen opgenomen geschiktheids- en betrouwbaarheidseisen, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een beoordeling. Artikel VII 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van de [artikelen I, onderdelen I, J, S en II, subonderdeel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044214&artikel=I&z=2021-06-3"},{"i":13708,"b":"Wet van 10 juli 2018 tot intrekking van de Wet raadgevend referendum Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de voorziening van een nationaal raadgevend referendum af te schaffen en daartoe de Wet raadgevend referendum in te trekken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I De [Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443) wordt ingetrokken. Artikel II Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Wijzigt de Tijdelijke experimentenwet stembiljetten en centrale stemopneming. Artikel IV De [Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443), de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) en de [Tijdelijke experimentenwet stembiljetten en centrale stemopneming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033598) zoals die luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op wetten en stilzwijgende goedkeuringen van verdragen ten aanzien waarvan voorafgaand aan de dag waarop deze wet in werking is getreden de termijn voor het afleggen van ondersteuningsverklaringen ten behoeve van het definitieve verzoek tot het houden van een referendum, is verlopen. Artikel V Op deze wet is de [Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443) niet van toepassing. Artikel VI Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met het tijdstip van de bekrachtiging van het voorstel van deze wet. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zull"},{"i":7849,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2017 Gelet op [artikel 75, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=75); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) wordt voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld op 6,16%. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2017. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":11202,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 augustus 2015, nr. MBO/803345, tot het instellen van een commissie macrodoelmatigheid voor het beroepsonderwijs (Instellingsbesluit Commissie macrodoelmatigheid mbo) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op [artikel 6.1.4a, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.4a); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625); - b. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036973&artikel=2&z=2025-01-30&g=2025-01-30) van dit besluit; - d. **zorgplicht arbeidsmarktperspectief:** de zorgplicht bedoeld in [artikel 6.1.3, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.3); - e. **zorgplicht doelmatigheid:** de zorgplicht bedoeld in [artikel 6.1.3, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6.1.3); - f. **beleidsregel:** de Beleidsregel macrodoelmatigheid beroepsonderwijs; - g. **NVAO:** Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie macrodoelmatigheid mbo. 2. De commissie heeft tot taak: - a. om op verzoek van de minister een onderzoek in te stellen naar de naleving van de zorgplicht doelmatigheid dan wel de zorgplicht arbeidsmarktperspectief; - b. op basis van het onderzoek naar naleving van de zorgplicht doelmatigheid of de zorgplicht arbeidsmarktperspectief de minister te adviseren over het nemen van maatregelen; - c. op verzoek van de minister thematisch het opleidingenaanbod in het beroepsonderwijs door te lichten in verband met de naleving van de zorgplicht arbeidsmarktperspectief en zorgplicht doelmatigheid en op basis van deze doorlic"},{"i":11217,"b":"Leerplichtregeling 1995 Handelende in overeenstemming met de minister van landbouw, natuurbeheer en visserij; Gelet op de [artikelen 16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=16), en [29, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=29); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen Deze regeling verstaat onder: - a. minister: de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen en, voor wat betreft het landbouwonderwijs, de minister van landbouw, natuurbeheer en visserij; - b. wet: de Leerplichtwet 1969; - c. leerling: - 1. leerplichtige jongere, - 2. partieel leerplichige jongere. Artikel 2. Verantwoordelijkheid hoofd Het hoofd, bedoeld in artikel 1 van de wet, draagt zorg voor een administratie van de ingeschreven leerlingen. Artikel 3. Verantwoordelijkheid burgemeester en wethouders 1. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor een administratie van de leerlingen die als ingezetenen met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven. 2. Indien van een leerling in de basisregistratie personen een adres in een andere gemeente wordt opgenomen, zenden burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling laatstelijk zijn adres had de administratieve gegevens van de leerling aan die andere gemeente. Artikel 4. Kennisgevingen 1. De kennisgevingen, bedoeld in de [artikelen 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=18), en [21 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=21), dienen te geschieden ten aanzien van de leerlingen. 2. De kennisgevingen, bedoeld in [artikel 18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002628&artikel=18), worden gezonden aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling als ingezetene met een adres in de basisregistratie personen is ingeschreven. 3. Bij de kennisgeving van de inschrijving, bedoeld in [artikel 18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":12590,"b":"Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 11 oktober 2025, nr. WJZ/101291496, over de verstrekking van een tegemoetkoming voor schade aan particuliere woningeigenaren door bodembeweging als gevolg van de voormalige steenkoolwinning in Limburg (Besluit tegemoetkoming particuliere woningeigenaren mijnbouwschade steenkoolwinning Limburg) Gelet op [4:81 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2025/35002 gesteld op 1 januari 2026. Artikel 1. algemene bepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **acuut onveilige situatie:** een situatie in het mijnbouwschadegebied, waarin als gevolg van de bouwkundige staat van een woning een acuut gevaar bestaat voor de gezondheid of veiligheid van personen; - **bouwdepot:** bedrag dat door een door de minister aangewezen partij wordt beheerd, waaruit namens de minister betalingen worden gedaan voor werkzaamheden ten behoeve van herstelmaatregelen die in opdracht van de aanvrager zijn getroffen; - **Instellingsbesluit:** [Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043624); - **kleine mijnbouwschade:** mijnbouwschade waarvan de hoogte is vastgesteld op een bedrag tot € 10.000,–; - **Limburg kamer van de Commissie Mijnbouwschade:** de Limburg kamer van de Commissie Mijnbouwschade, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Instellingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043624&artikel=2); - **mijnbouwonderneming:** exploitant van een mijnbouwwerk; - **mijnbouwschade:** - a. fysieke schade aan woningen waarvan voldoende aannemelijk is dat deze het gevolg is van bodembeweging door de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van steenkoolwinning; en - b. materiële schade die het directe gevolg is van de in onderdeel a bedoelde fysieke schade of het herstel daarvan, met in achtneming van [bijlage 2 bij het Instellingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR004"},{"i":11244,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Universiteit van de Verenigde Naties inzake het Instituut voor nieuwe technologieën van de Universiteit van de Verenigde Naties The Government of the Kingdom of the Netherlands and the United Nations University, Recalling that the Netherlands is a party to the [Convention on the Privileges and Immunities of the United Nations](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005561), adopted by the General Assembly of the United Nations on 13 February 1946; Condisering that the said [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005561) is applicable to the United Nation University in accordance with Article XI of its Charter; Noting that the Council of the United Nations University decided at its 31st session held in Brasilia from 26 to 30 July 1988 to establish the Institute for New Technologies (INTECH) as a research and training centre of the University and to accept the offer of the Government of the Netherlands to host the said Institute in Maastricht, the Netherlands; Considering that the Institute for New Technologies (INTECH) is part of the United Nations University; Desiring to ensure by means of a supplemental agreement to the said [Convention](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005561) that the Institute's legal status in the Netherlands, as well as the content of the privileges and immunities and the measures for their implementation shall be satisfactorily regulated; Have agreed as follows: Article I. **Definitions** In this Agreement: - a. \"the University\" means the United Nations University, established by Resolution 2951 (XXVII) of the General Assembly of the United Nations of 11 December 1972; - b. \"Government\" means the Government of the Netherlands; - c. \"the Institute\" means the Institute for New Technologies, also to be known as INTECH, a research and training centre of the University; - d. \"the Rector\" means the Rector of the University and, during his absence, any official designat"},{"i":11254,"b":"Publicatie Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO) 2003 - 2004 De Informatie Beheer Groep is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het Centraal Register Opleideingen Hoger Onderwijs (CROHO) en met het verstrekken van informatie uit het register. Op grond van de Accreditatiewet, Staatsblad 2002 302, schrijft de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) voor dat vóór 1 juli 2003 het CROHO wordt bekendgemaakt, dat betrekking heeft op het studiejaar 2003 - 2004 en waarin de wijzigingen ten opzichte van het CROHO 2002 - 2003 en het voorlopig CROHO 2003 -2004 zijn opgenomen. Het CROHO 2003 - 2004 wordt daarom in boekvorm en op diskette toegezonden aan: Belangstellenden kunnen schriftelijk een exemplaar van het CROHO aanvragen bij: Bij deze aanvragen geldt dat voor een standaardlevering (inclusief diskette) een bedrag van € 136,13 (exclusief BTW) verschuldigd is. Wenst u een andere selectie uit het CROHO, dan zullen de kosten daarvan apart worden berekend. U ontvangt daarvoor een offerte. U wordt verzocht in uw aanvraag aan te geven:"},{"i":11255,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 23 juli 2024, nummer CvTE-24.01024, houdende vaststelling van regels voor een aangepaste wijze of vorm van examineren bij studenten met een handicap of chronisch ziekte bij centrale examens in het mbo (Regeling aangepaste wijze of vorm van examineren centrale examens mbo 2024) Gelet op [artikel 3 van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3), en [artikel 6, eerste lid, onderdeel i, van het Examen- en kwalificatiebesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 23 juli 2024, kenmerk 47043649, Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen - **college:** het College voor toetsen en examens - **examencommissie:** examencommissie als bedoeld in [art. 7.4.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.5); - **student:** student als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1). Artikel 2. Aanpassingen 1. De examencommissie kan zonder nadere eisen voor studenten aanpassingen doen die niet raken aan de voorgeschreven wijze of vorm van afname of de inhoud van het examen. 2. De examencommissie kan aanpassingen doen aan de wijze of vorm van afname van het examen ten behoeve van een student die vanwege een handicap of chronische ziekte het examen niet op de voorgeschreven wijze kan afleggen, voor zover deze aanpassingen niet raken aan de inhoud van het examen. 3. Indien een aanpassing als bedoeld in het tweede lid bestaat uit de verlenging van de duur van het examen, kan dit met maximaal 30 minuten bovenop de voorgeschreven toetsduur. 4. Tenzij er sprake is van een beperking op grond van een handicap die van zintuiglijke of lichamelijke aard is of van een beperking die voortvloeit uit een chronische ziekte van somatische aard, dien"},{"i":12388,"b":"Besluit instelling Expertgroep drugsprecursoren Gelet op [artikel 4a, tweede lid, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007286&artikel=4a); Besluiten: Artikel 1 1. Er is een Expertgroep drugsprecursoren. 2. De Expertgroep drugsprecursoren heeft tot taak aan de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gevraagd en ongevraagd rapport uit te brengen over de vraag of bij stoffen die in Nederland zijn aangetroffen, dan wel waarvan wegens internationale ontwikkelingen de verwachting bestaat dat deze stoffen in de nabije toekomst in Nederland zullen worden aangetroffen, wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in [artikel 4a, tweede lid, van de Wet voorkoming misbruik van chemicaliën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007286&artikel=4a). 3. De taak van de Expertgroep strekt zich niet uit tot geregistreerde stoffen of een op een lijst van niet-geregistreerde stoffen geplaatste stof als bedoeld in [Verordening nr. 273/2004](32004R0273) en [Verordening nr. 111/2005](32005R0111). Artikel 2 1. De Expertgroep drugsprecursoren bestaat uit: - a. Een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie, - b. Een vertegenwoordiger van de Nationale Politie, - c. Een vertegenwoordiger van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, - d. Een vertegenwoordiger van het Nederlands Forensisch Instituut, - e. Een vertegenwoordiger van de Douane, - f. Een vertegenwoordiger van de Koninklijke Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie, - g. Een vertegenwoordiger van het Verbond van Handelaren in Chemische Producten, 2. De Expertgroep drugsprecursoren stelt haar werkwijze vast. 3. De Expertgroep drugsprecursoren wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie. 4. De Minister van Justitie en Veiligheid voorziet in het secretariaat van de Expertgroep drugsprecursoren. 5. De Expertgroep drugsprecursoren kan ten behoeve van de uitvoering van haar taak inlichtingen inwinnen"},{"i":13742,"b":"Kavelbesluit II windenergiegebied Borssele I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3), de [Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641) en de [Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640), besluit de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu als volgt: Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. **‘s-Gravenhage, 24 maart 2016** **De Minister van Economische Zaken,** **H.G.J. Kamp** Rechtsbescherming Belanghebbenden die een zienswijze naar voren hebben gebracht of die redelijkerwijs niet verweten kan worden tegen het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, kunnen tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA, Den Haag. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. Op grond van [artikel 8 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=8) is op dit besluit [hoofdstuk 1, afdeling 2, van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&afdeling=2) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de belanghebbende in het beroepschrift moet aangeven welke beroepsgronden hij aanvoert tegen het besluit. Indien hij dit niet doet, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Het wordt aanbevolen in het beroepschrift te vermelden dat de [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431) van toepassing is. II. Toelichting kavelbesluit II windenergiegebied Borssele Opgesteld door **Rijkswaterstaat** In opdracht van **Ministerie van Economische Zaken** 1. Inleiding 1.1. Nut"},{"i":11784,"b":"Beleidsregel quota commerciële media-instellingen 2023 Gelet op de [artikelen 3.20 tot en met 3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.20), [artikel 3.29c van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.29c) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: I. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028); - b. **besluit:** het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); - c. **regeling:** [Mediaregeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025040); - d. **catalogus:** de ordening van het audiovisueel media-aanbod in een databank die audiovisueel media-aanbod voor de gebruiker toegankelijk maakt; - e. **Europese producties:** producties als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder n en artikel 1, tweede, derde en vierde lid, van de Richtlijn; - f. **Richtlijn:** [Richtlijn 2010/13](32010L0013)/EU van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele media-diensten; - g. **onafhankelijke producent:** de producent van een onafhankelijke productie als bedoeld in [artikel 3.22, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=3.22); - h. **ondertiteling:** Nederlands-of Friestalig programma-aanbod voorzien van Nederlandstalige ondertiteling; - i. **producent:** degene die programma-aanbod vervaardigt; - j. **programma-aanbod:** televisieprogramma-aanbod; - k. **programmakanaal:** televisieprogrammakanaal; - l. **recente productie:** een onafhankelijke productie die niet ouder is dan vijf jaar. Artikel 2. Europese producties 1. Een **producent** als bedoeld in artikel 1, derde en vierde lid, van de Richtlijn wordt geacht in een lidstaat geve"},{"i":11958,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 juni 2018, houdende de beperking van de openbaarheid van een aantal inventarisnummers van het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Italië te Rome, (1955) 1975–2013, en het consulaat-generaal in Italië te Milaan, (1949) 1975–2013, bij overbrenging naar het Nationaal Archief (Besluit beperking openbaarheid archief ambassade Rome en CG Milaan) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, b en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de nationale rijksarchivaris d.d 22 mei 2018, kenmerk 1250990; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 148 | 2049 | | 152 | 2081 | | 154 | 2083 | | 155 | 2086 | | 156 | 2089 | | 157 | 2085 | | 158 | 2075 | | 159 | 2077 | | 160 | 2080 | | 161 | 2077 | | 162 | 2061 | | 163 | 2073 | | 164 | 2066 | | 165 | 2070 | | 166 | 2068 | | 167 | 2075 | | 168 | 2069 | | 169 | 2081 | | 170 | 2072 | | 171 | 2070 | | 172 | 2068 | | 173 | 2072 | | 174 | 2059 | | 175 | 2067 | | 176 | 2077 | | 177 | 2075 | | 178 | 2077 | | 179 | 2069 | | 180 | 2071 | | 181 | 2055 | | 182 | 2069 | | 183 | 2077 | | 184 | 2077 | | 185 | 2063 | | 186 | 2073 | | 187 | 2053 | | 188 | 2051 | | 189 | 2077 | | 190 | 2073 | | 191 | 2078 | | 192 | 2073 | | 193 | 2072 | | 194 | 2071 | | 195 | 2077 | | 196 | 2066 | | 197 | 2077 | | 198 | 2078 | | 199 | 2055 | | 200 | 2075 | | 201 | 2058 | | 202 | 2055 | | 203 | 2075 | | 204 | 2069 | | 205 | 2081 | | 206 | 2075 | | 207 | 2061 | | 208 | 2078 | | 209 | 2068 | | 210 | 2078 | | 211 | 2075 |"},{"i":11291,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 juli 2017, nr. WJZ/1171880/7226, houdende regels en beleidsregels ten behoeve van de uitvoering van de fusietoets in het onderwijs (Regeling en beleidsregels fusietoets in het onderwijs 2017) handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken. Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), de [artikelen 64b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=64b), en [64c, derde en vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=64c), de [artikelen 66b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=66b), en [66c, derde en vierde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=66c), de [artikelen 53g, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=53g), en [53h, vierde en vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=53h), de [artikelen 2.1.10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.10), en [2.1.11, tweede en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.11) en de [artikelen 16.16a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=16.16a), en [16.16b, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=16.16b); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **commissie:** adviescommissie, bedoeld in [artikel 64c, derde lid, van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=64c), [artikel"},{"i":12383,"b":"Besluit van 14 april 1965, houdende instelling van een departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, opheffing van het departement van Maatschappelijk Werk en naamsverandering van departementen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, dd. 14 april 1965, nr. 162268; Gelet op artikel 86 van de Grondwet, Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel 1. in te stellen een departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk; 2. de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk te belasten met de behartiging van alle aangelegenheden tot op heden behorende tot de taak van: - a. het departement van Maatschappelijk Werk, - b. de afdelingen Kunsten, Oudheidkunde en Natuurbescherming, Vrijetijdsbesteding, Jeugdvorming, Bijzonder Jeugdwerk in internaatsverband, Volksontwikkeling, Lichamelijke Vorming en Sport, Radio, Televisie en Pers van het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen; 3. het departement van Maatschappelijk Werk op te heffen; 4. de naam van het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen te wijzigen in: departement van Onderwijs en Wetenschappen; 5. de naam van het departement van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid te wijzigen in: departement van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant** en afschrift zal worden gezonden aan de Raad van Ministers, de Hoge Colleges van Staat, de Gevolmachtigde Ministers van Suriname en van de Nederlandse Antillen en de departementen van algemeen bestuur."},{"i":11309,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 december 2014, nr. MBO/664185, houdende regels voor het verhogen van de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs (Regeling kwaliteitsafspraken mbo) Gelet op [artikel 2.2.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3); Besluit: Artikel I. Regeling kwaliteitsafspraken mbo Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **investeringsbudget:** aanvullende bekostiging als bedoeld in [artikel 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=I&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2016-07-20&g=2016-07-20); - b. **kwaliteitsplan:** kwaliteitsplan als bedoeld in [artikel 1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=I&hoofdstuk=1&artikel=1.4&z=2016-07-20&g=2016-07-20); - c. **minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, de Minister van Economische Zaken; - d. **resultaatafhankelijk budget:** aanvullende bekostiging als bedoeld in [artikel 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=I&hoofdstuk=3&artikel=3.2&z=2016-07-20&g=2016-07-20); - e. **wet:** de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625). Artikel 1.2. Doelstelling De minister verstrekt aan instellingen voor de kalenderjaren 2015 tot en met 2018 jaarlijks een aanvulling op de bekostiging ten behoeve van activiteiten die erop zijn gericht de kwaliteit van het onderwijs van de instelling te verhogen. Artikel 1.3. Investeringsbudget De aanvulling op de bekostiging, bedoeld in [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035923&artikel=I&hoofdstuk=1&artikel=1.2&z=2016-07-20&g=2016-07-20), bestaat uit het investeringsbudget en het resultaatafhankelijk budget. Artikel 1.4. Kwaliteitsplan 1. De instellingen stellen voor"},{"i":11310,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 oktober 2024, nr. 48828559, houdende regels inzake voltijdse opleidingen met een substantiële praktijkcomponent in het wetenschappelijk onderwijs en instemming van docenten met het gebruik van eenheden van leeruitkomsten Gelet op [artikel 7.3, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel B, van de Wet leeruitkomsten hoger onderwijs in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Clustermelding:** een gezamenlijke melding door een instelling voor twee of meer opleidingen; - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **Praktijkcomponent:** een onderdeel dat bestaat uit het uitvoeren van een of meer leeractiviteiten en het verzamelen van bewijsmateriaal voor het voldoen aan een of meer leeruitkomsten voor de opleiding in en met de praktijk; - **Wet:** [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682). Artikel 2. Voltijdse wo opleidingen met een substantiële praktijkcomponent De voltijdse opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs met een substantiële praktijkcomponent die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling, kunnen geheel of gedeeltelijk bestaan uit eenheden van leeruitkomsten. Artikel 3. Procedurele voorschriften voltijdse wo opleidingen met een substantiële praktijkcomponent 1. Een opleiding wordt in de bijlage opgenomen nadat het instellingsbestuur daartoe bij de minister deze opleiding elektronisch heeft aangemeld en uit de melding en de daarbij op grond van het tweede lid aan te leveren bescheiden blijkt dat sprake is van een opleiding met een substantiële praktijkcomponent. 2. De melding gaat vergezeld van de volgende bescheiden: - –. de gegevens in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld i"},{"i":11307,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 december 2007, nr. WJZ/2007/50507, houdende nadere voorschriften voor de inrichting van de jaarverslaggeving van door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dan wel de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bekostigde onderwijsinstellingen (Regeling jaarverslaggeving onderwijs) Gelet op: – [artikel 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018065&artikel=2)en [artikel 4, van het Besluit informatievoorziening WPO/WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018065&artikel=4), – [artikel 18, vijfde lid, van het Bekostigingsbesluit W.V.O.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005672&artikel=18), – [artikel 2.5.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.3), [artikel 2.5.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.4). en [artikel 2.5.10 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.10) en de [artikelen 5.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=5.2.1) en [5.2.2 van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=5.2.2) – [artikel 2.14 van de Wet op het Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=2.14), Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. onderwijsinstelling: een bekostigde school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), een bekostigde school als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), een bekostigd regionaal expertisecentrum als bedoeld in [artikel 28b van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=28b), een school als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overh"},{"i":11872,"b":"Beperkende bepalingen t.a.v. de openbaarheid van archiefbescheiden Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van de archieven van de Opbouwdienst/Afwikkelingsbureau Opbouwdienst/Nederlandse Arbeidsdienst/Arbeidsdienst voor Meisjes/Bureau Afwikkeling Nederlandse Arbeidsdienst, 1940-1968, de volgende beperking gesteld: - 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 57-130, 135-206, 237, 238, 256-665, 684, 685, 687-756, 772-776, 840-853 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen Rijksarchief gehanteerde Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. - 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op hemzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie een dossier betrekking heeft toestemming geeft voor inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. - 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, overeenkomstig het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000"},{"i":13092,"b":"Besluit van 1 augustus 1963, houdende wijziging van de taakverdeling van departementen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken dd. 29 juli 1963, nr. 153986; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: onbenoemd De aangelegenheden betreffende de bezitsvorming en de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie onder te brengen bij het Departement van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Dit besluit wordt geacht in werking te zijn getreden op 24 juli 1963. Afschrift van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant**, zal worden gezonden aan de Raad van Ministers, de Hoge Colleges van Staat, de Gevolmachtigde Ministers van Suriname en van de Nederlandse Antillen en de Departementen van Algemeen Bestuur."},{"i":11345,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 november 2023, nr. MBO/39770712, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende middelen voor de verbetering van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt door publiek-private samenwerking (Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027) Gelet op artikel [2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.3), [artikel 2.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=2.2.3) en [artikel 5.9 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **arbeidsorganisatie:** eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent; - **beoordelingscommissie:** commissie als bedoeld in [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048883&paragraaf=3&artikel=18&z=2025-05-20&g=2025-05-20); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1), [artikel 1.1.1 van de WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=1.1.1) of [artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045020&artikel=1) - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **georganiseerd bedrijfsleven:** representatieve organisatie van werkgevers of representatieve organisatie van werknemers; - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **O&O-fonds:** Opleidings- en Ontwikkelfonds, opgericht bij een bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst; - **onderwijsinstelling:** - a. instelling als bedoeld in [artikel 1.1.1 van de WEB](https://wetten"},{"i":12617,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Noord-Kandahar en Uruzgan 2006» aan het Regiment Infanterie Johan Willem Friso Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016431, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Regiment Infanterie Johan Willem Friso wordt toegevoegd het opschrift «Noord-Kandahar en Uruzgan 2006» in verband met de gevechtsacties in 2006 als onderdeel van de **Deployment Task Force** en **Battle Group**-1 in Noord-Kandahar en Uruzgan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":10106,"b":"Besluit van de directeur Europese en Internationale Zaken van 9 januari 2019, nr. 19009690, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Europese en Internationale Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Europese en Internationale Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019) Gelet op [artikel 19 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=19); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur:** de directeur Europese en Internationale Zaken; - b. **de MT-leden:** de leden van het managementteam van de directie Europese en Internationale Zaken; - c. **het MT-DEIZ:** het collectief van de onder a en b bedoelde functionarissen; - d. **het bedrag:** het bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW). § 2. Taakverdeling tussen de directeur en de onder hem ressorterende functionarissen Artikel 2 Aan de directeur is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden: - a. onderwerpen waarover binnen het MT-DEIZ geen overeenstemming bestaat; - b. aangelegenheden: - 1°. ten aanzien waarvan de directeur in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of; - 2°. die door een lid van het MT-DEIZ aan de directeur ter afhandeling worden voorgelegd. Artikel 3 1. Aan de MT-leden wordt, ieder voor zich, ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op zijn werkterrein met dien verstande dat het aangaan van financiële verplichtingen een bedrag van € 50.000 per verplichting niet te boven gaat. 2. Aan de MT-leden wordt tevens, ieder voor zich, voor de onder hen ressorterende medewerk"},{"i":11932,"b":"Besluit van Staatssecretaris van Economische Zaken van 21 augustus 2015 inzake benoeming en vergoeding leden adviescommissie EFMZV 2016 Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Gelet op [artikel 2 van het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 21 augustus 2015 houdende benoeming en vergoeding van leden van de adviescommissie EFMZV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036977&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Te rekenen vanaf 1 september 2015 tot en met 31 december 2015 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor de voorzitter en de overige leden van de adviescommissie EFMZV vastgesteld op 0,0. Artikel 2 1. Met ingang van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor de voorzitter van de adviescommissie EFMZV vastgesteld op 0,024. 2. Met ingang van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 wordt de arbeidsduurfactor voor de vergoeding voor de overige leden van de adviescommissie EFMZV vastgesteld op 0,022. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen."},{"i":12616,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Noord-Kandahar 2006 en Uruzgan 2006-2009» aan het Regiment Van Heutsz Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016434, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Regiment Van Heutsz wordt toegevoegd het opschrift «Noord-Kandahar 2006 en Uruzgan 2006-2009» in verband met de verdediging van de **Forward Operating Base** «Martello» in 2006, de gevechtsoperaties in Uruzgan van 2006–2009 alsmede de inzet van de **doorgunners** voor de transporthelikopters. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":11419,"b":"Samenwerking voortgezet onderwijs (vo) en voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) Uit accountantscontrole, inspectietoezicht en vragen van gemeenten en onderwijsinstellingen blijkt dat er onduidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot samenwerking tussen voortgezet onderwijs en voortgezet algemeen volwassenenonderwijs. Het betreft de toepassing van een niet-toegestane constructie waarbij leerlingen, overwegend in de leeftijdsgroep 18-23 jaar, voor de bekostiging worden ingeschreven op een vo-school, maar feitelijk (vavo-)onderwijs volgen op een ROC. Dit vavo-onderwijs wordt bekostigd uit de rijksbijdrage van de vo-school. De bovengenoemde vo/vavo-constructie is, zoals eerder in het Gele katern van 15 maart 2000, nr. 6/7 (voorlichtingspublicatie) is vermeld, niet toegestaan, en is ook niet noodzakelijk. Jongeren die nog geen vo-diploma hebben gehaald maar vanwege hun leeftijd niet meer geschikt zijn om volledig dagonderwijs te volgen op een reguliere vo-school, kunnen worden ingeschreven op een ROC om daar mbo- of vavo-onderwijs te volgen. Vavo-onderwijs kan afhankelijk van de prioriteiten van de gemeente geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit het gemeentelijke educatiebudget. De vo-school die leerlingen via de vo/vavo-constructie onderwijs laat volgen handelt in strijd met de strekking van de [Wet op het voortgezet onderwijs](onbekend) (WVO). Op grond van deze wet wordt geregeld in welke gevallen wel kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat het onderwijsop de school van inschrijving zelf plaatsvindt (zie bijvoorbeeld het [tiende lid, onderdeel d, van artikel 10b](onbekend) en [10d](onbekend) en [artikel 30 van de WVO](onbekend)). De betreffende leerlingen die via de vo/vavo-constructie onderwijs volgen, kunnen op grond van [artikel 7, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit W.V.O.](onbekend) niet in de leerlingentelling van de vo-school worden meegenomen, omdat ze niet ”werkelijk schoolgaand” zijn in de zin van dat lid. Dit zal een belangrijk aa"},{"i":11421,"b":"Schoolbudget voor het primair onderwijs per 1 augustus 2001 1. Inleiding In juli is een akkoord bereikt tussen centrales voor overheids- en onderwijspersoneel en de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen in verband met de uitwerking van de maatregelen naar aanleiding van het rapport van de werkgroep Van Rijn en verlenging van de CAO sector onderwijs (PO, VO, BVE) 2000-2002. Over de gevolgen van dat akkoord voor onder andere de omvang van het schoolbudget zoals dat per 1 augustus 2001 wordt toegekend aan basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs, wordt u in deze publicatie geïnformeerd. Scholen en afdelingen voor specaal voortgezet onderwijs voor lom en mlk en scholen voor praktijkonderwijs met declaratiebekostiging zullen in een afzonderlijke publicatie worden geïnformeerd over de gevolgen die het akkoord heeft voor het schoolbudget. Opbouw van deze publicatie Deze publicatie vervangt de eerdere publicatie over het schoolbudget per 1 augustus 2001 met uitzondering van paragraaf 8 (de in die paragraaf beschreven overgangsregeling is daarmee van toepassing op het gehele schoolbudget zoals dat per 1 augustus wordt toegekend), die is gepubliceerd in Uitleg Gele Katern nr. 11 van 11 april met kenmerk PO/PJ/01-142447. De publicatie is als volgt opgebouwd. Na de inleiding volgen in paragraaf 2 de uitgangspunten op basis waarvan de omvang van het schoolbudget per school wordt berekend. In paragraaf 3 treft u informatie aan over de eenmalige extra verhoging van het schoolbudget in verband met eventuele extra kosten die zouden kunnen voortvloeien uit een inhaalinvestering i.v.m. de nieuwe mogelijkheid voor werknemers om op grond van een beoordeling van het functioneren een beloningsverschil dat is ontstaan door loopbaanonderbreking, te kunnen inlopen. Paragrafen 4, 5 en 6 bevatten respectievelijk voor basisscholen, scholen voor speciaal basisonderwijs en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs de formules"},{"i":11995,"b":"Besluit Beperking Openbaarheid archief Mondriaan Fonds Gelet op [artikel 15, lid 1 onder a. Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 3 februari 2025 met kenmerk 49720539. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Stichting Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst en de Mondriaan Stichting, 1987–2012. Artikel 1 Met het oog op de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom van tabel 1 in de bijlage, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. gewone persoonsgegevens van (mogelijk) nog levende personen. Met het oog op de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom van tabel 2 in de bijlage, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van (mogelijk) nog levende personen. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051644&artikel=1&z=2025-10-23&g=2025-10-23), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051644&artikel=1&z=2025-10-23&g=2025-10-23), i"},{"i":13108,"b":"Besluitvorming schrijfwijze Koerdisch Kurmandji De Raad voor Rechtsbijstand, **Overwegende dat:** **Stelt vast dat:** **Besluit dat:** Slotbepalingen Dit besluit wordt aangehaald als **‘Besluitvorming schrijfwijze Koerdisch Kurmandji’.** Bekendmaking vindt plaats door publicatie in de Staatscourant. Dit besluit treedt in werking één dag na publicatie in de Staatscourant."},{"i":12378,"b":"Besluit instelling Commissie van Advies inzake bezwaar de beoordeling Overwegende, dat in de praktijk is gebleken dat het voor een optimaal functioneren van de Commissie van Advies inzake bezwaar tegen de beoordeling gewenst is, dat deze een permanent karakter draagt; Overwegende dat deze commissie zal bestaan uit een voor onbepaalde tijd te benoemen voorzitter, een aantal plaatsvervangend voorzitters, een aantal leden als vertegenwoordigers van de Minister en de Algemeen Inspecteur van het Korps Rijkspolitie, alsmede een aantal leden als vertegenwoordigers van de tot de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren en als vertegenwoordigers van de tot de Commissie voor georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken toegelaten verenigingen van politieambtenaren afdeling rijkspolitie; Overwegende dat de commissie in zijn werkzaamheden zal worden bijgestaan door een voor onbepaalde tijd te benoemen aantal beoordelingsadviseurs, een secretaris en een plaatsvervangend secretaris; Gelet op de artikelen 8 en 9 van het Beoordelingsvoorschrift Ministerie van Justitie 1987 alsmede op de artikelen 8 en 9 van het Beoordelingsvoorschrift Rijkspolitie 1990; Besluit: Artikel I. Instelling Er is een Commissie van Advies inzake bezwaar tegen de beoordeling ten behoeve van de behandeling in tweede aanleg van bezwaren van ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Justitie en de Algemene Inspectie van het Korps Rijkspolitie, tegen de over hen uitgebrachte beoordeling. Artikel II. Taakstelling De Commissie van Advies gaat na of er, bij het opmaken van de beoordeling alsmede bij de behandeling van de daartegen ingebrachte bezwaren door de ambtenaren, een juiste interpretatie en hantering van de geldende beoordelingsvoorschriften heeft plaatsgevonden. Voorts of de beoordeling op voldoende feitelijke grondslag berust en of de beoordelaars en de beoordelingsautoriteit, alle overigens relevant te achten omstandighede"},{"i":13397,"b":"Instelling Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs Besluit: Artikel 1 1. Er is een Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs, verder genoemd het CAM. 2. Het CAM heeft tot taak ervoor zorg te dragen dat nieuwe drugs aan een risicoschatting worden onderworpen volgens vastgelegde procedures en criteria. Op basis van de uitkomst van deze risicoschatting geeft het CAM advies aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over toepasselijke maatregelen. 3. Het CAM heeft tevens een coördinerende taak bij het vroegtijdig signaleren van nieuwe drugs, daarbij gebruik makend van de diverse monitoringssystemen die reeds voorhanden zijn. Het CAM rapporteert aan de verantwoordelijke beleidsdirectie. Indien een nieuwe synthetische drug wordt gesignaleerd dient het CAM, op basis van risicoschatting, ook melding te doen aan het Europees Waarnemingscentrum voor Drugs en Drugsverslaving via het Focal Point (Trimbos instituut) en aan Europol. 4. Het CAM is ondergebracht bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM). Artikel 2 1. Het CAM bestaat uit: - a. een coördinator die kennis en ervaring heeft op het terrein van drugs en drugsgebruik en vaardigheden op het terrein van de organisatie en coördinatie van werkzaamheden; - b. administratieve en inhoudelijke ondersteuning. Artikel 3 Eenieder die betrokken is bij de uitvoering van dit besluit en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij/zij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem/haar tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit besluit tot bekendmaking voortvloeit. Artikel 4 Het CAM beheert de bescheiden betreffende zijn werkzaamheden overeenkomstig de werkwijze van het RIVM. Artikel 5 Deze regelin"},{"i":13663,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 11 juni 2021 houdende instelling van een tijdelijke commissie voor beoordeling van verzoeken om aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade (Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade) Gelet op [artikel 49e van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=49e); Besluit: Artikel 1. Grondslag Deze regeling berust op [artikel 5.2 van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=5.2). Artikel 2. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **commissie:** commissie, genoemd in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045235&artikel=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - **minister:** Minister van Financiën; - **ministerie:** Ministerie van Financiën; - **secretariaat:** het secretariaat, bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045235&artikel=6&z=2025-01-01&g=2025-01-01); - **wet:** [Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436). Artikel 3. Instelling en taak 1. Er is een Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade. 2. De commissie is een adviseur als bedoeld in artikel 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht en heeft tot taak: - a. het onafhankelijk adviseren van de Dienst Toeslagen over aanvragen tot toekenning van aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als bedoeld in [artikel 2.1, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.1); - b. het onafhankelijk adviseren van de Dienst Toeslagen over aanvragen tot toekenning van een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade als bedoeld in [artikel 2.6, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.6); - c. het onafhankelijk adviseren van de Dienst Toeslagen over aanvragen tot toekenning van aanvullende compensatie voor de werkeli"},{"i":13654,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 26 september 2020, nr. 2020-176698, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Ruimtelijke Ordening (Instellingsbesluit Werkgroep IBO Ruimtelijke Ordening) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044203&artikel=2&z=2020-10-13&g=2020-10-13). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Ruimtelijke Ordening. 2. De werkgroep heeft tot taak interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren conform de taakopdracht zoals gepubliceerd in bijlage 18 van de Miljoenennota 2021 (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2020 / 2021, 35 570 nr. 2). 3. Het onderzoek zal moeten resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties worden gegeven waarover vervolgens afweging kan plaatsvinden. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en 9 leden. 2. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd de heer André de Jong werkzaam bij ABD Topconsult. 3. Tot eerste leden van de werkgroep worden benoemd: - –. Gijs van der Vlugt (Ministerie van Financiën) - –. Ben Geurts (Ministerie Algemene Zaken) - –. Titus Livius (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) - –. Sander Band (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) - –. Vincent van der Werff (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - –. Ruud Cino (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) - –. Christianne Mattijssen (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) - –. Ries van der Wouden (Planbureau voor de Leefomgeving) - –. Koen van Ruijven (Centraal Planbureau) 4. De leden van de werkgroep werkzaam voor de overheid kunnen bij afwezighe"},{"i":11473,"b":"Vaststelling selectielijst Wetenschappelijk onderwijs Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 22 februari 1999, nr. arc-98.2212/2); Besluit: Artikel 1 Vast te stellen de selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het beleidsterrein ’wetenschappelijk onderwijs’ over de periode 1960-1997, overeenkomstig de bij dit Besluit gevoegde bijlage. Artikel 2 Dit Besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd."},{"i":11477,"b":"Vaststelling theoretische exameneisen voor bewijs van bevoegdheid als privé-vlieger Gelet op [artikel 23, derde lid van de Regeling Toezicht Luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002309&artikel=23) (Stb. 1978, 99), zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 juli 1987, 449), Besluit: Artikel 1. Vaststelling Voor het bewijs van bevoegdheid als privé-vlieger worden in Bijlage 2/1989 eisen inzake kennis vastgesteld. Artikel 2. Intrekking De eisen inzake kennis van de navolgende Bijlagen: - 2. – Beperkt Vliegbewijs A – vleugelvliegtuigen, vastgesteld op 20 augustus 1982 met besluit LI/12478, zoals dit sindsdien is gewijzigd; - 3. – Vliegbewijs A – vleugelvliegtuigen, vastgesteld op 20 augustus 1982 met besluit LI/12478, zoals dit sindsdien is gewijzigd; - 4. – Vliegbewijs A – hefschroefvliegtuigen, vastgesteld op 23 november 1970 met besluit LI/21756, zoals dit sindsdien is gewijzigd, worden ingetrokken. Artikel 3. In werking treding Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1990 en zal worden geplaatst in de Nederlandse Staatscourant."},{"i":13117,"b":"Bevoegdhedenregeling registerloodsen regio Scheldemonden Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=4) en de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=3), [4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=4), [4a tot en met 4d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=4a) en [14, derde lid, van de Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. bestuur: het bestuur van de Regionale Loodsencorporatie Scheldemonden; - b. Loa (Loodsen op afstand): de functie-uitoefening vanaf de wal, genoemd in [artikel 2, tweede lid, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=4); - c. Loa-loods: de registerloods die bevoegd is tot het geven van Loa; - d. registerloods: de registerloods van de Regionale Loodsencorporatie Scheldemonden; - e. opleiding Nautische communicatie: de opleiding gericht op te hanteren procedures en gespreksdiscipline; - f. herhaalopleiding Nautische communicatie: de periodiek te herhalen opleiding Nautische communicatie welke noodzakelijk is om de specialisatie als genoemd in [artikel 11, onderdeel b, van de Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=11) te behouden; - g. verordening: [Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399). Hoofdstuk 2. Toelating tot een hogere bevoegdheid of een specialisatie Artikel 2. Toelating tot een hogere bevoegdheid: training Voor toelating tot de bevoegdheden genoemd in [artikel 10, eerste lid, onderdelen d, e, g en h, en artikel 10, tweede lid, onderdelen d, e en g, van de verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=10) heeft de registerloods de door het b"},{"i":11493,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Wetenschappelijk onderwijs 1945-1986 (Rijksuniversiteit Groningen) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 april 2005 nr. arc-2005.02052/5); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Rijksuniversiteit Groningen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Wetenschappelijk onderwijs over de periode 1945–1986](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12379,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juni 2019, nr. 2019-0000251071, houdende instelling van de Commissie van onderzoek inzake misstanden ProDemos-Huis voor democratie en rechtsstaat Overwegende dat in overleg met de Voorzitter van de Tweede Kamer is besloten een onafhankelijk extern onderzoek te laten doen naar de meldingen die binnen ProDemos - Huis voor Democratie en Rechtsstaat zijn gedaan van grensoverschrijdend gedrag door een van haar medewerkers; Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commissie:** commissie, genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042349&artikel=2&z=2019-07-02&g=2019-07-02); - b. **minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **ministerie:** Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - d. **ProDemos:** Stichting ProDemos - Huis voor democratie en rechtsstaat. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een onafhankelijke Commissie van onderzoek inzake misstanden ProDemos-Huis voor democratie en rechtsstaat. 2. De commissie heeft tot taak om: - a. onderzoek te doen naar de meldingen van misstanden bij ProDemos en de daarbij gevolgde procedures; - b. onderzoek te doen naar de cultuur en algemene werkwijze binnen ProDemos waarbinnen de misstanden zijn ontstaan; - c. onderzoek te doen naar de governance van ProDemos en specifiek de relatie met de minister, als subsidiegever, en de relatie met de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, als verstrekker van een bijdrage aan het Activiteitenprogramma van ProDemos; - d. een oordeel te geven en aanbevelingen te doen aan de minister en de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal naar aanleiding van de uitkomsten van de onderzoeken, genoemd in het tweede lid. Artikel 3. Samenstelling"},{"i":11547,"b":"Wet van 21 juli 1890, tot regeling van het Militair Onderwijs bij de Landmacht, voor zoover daarbij de opleiding voor den officiersrang en de hoogere vorming van den officier zijn betrokken Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het noodig is - ter vervanging van de voorloopige regeling van het onderwijs bij de Koninklijke Militaire Academie, vastgesteld bij de Wet van 30 Mei 1877 (**Staatsblad** n°. 141), met intrekking van die Wet en van de Wetten van 11 Juli 1882 (**Staatsblad** n°. 100), van 25 December 1887 (**Staatsblad** n°. 217), van 4 Augustus 1888 (**Staatsblad** n°. 107) en van 28 Augustus 1889 (**Staatsblad** n°. 111) - eene algemeene regeling vast te stellen van het Militair Onderwijs bij de Landmacht, voor zoover daarbij de opleiding voor den officiersrang en de hoogere vorming van den officier zijn betrokken; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk Eerste. Inrichtingen van Militair Onderwijs Artikel 1 De opleiding voor den officiersrang bij de Landmacht, ook - voor zooveel die opleiding in Nederland plaats heeft - ten behoeve van den dienst in de Koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen, geschiedt: - a. voor de Infanterie, de Cavalerie, de Artillerie en de Genie, aan de Koninklijke Militaire Academie; - b. voor de Infanterie en de Militaire Administratie, aan den Hoofdcursus. Artikel 1bis Aan de Koninklijke Militaire Academie en aan den Hoofdcursus is tijdelijk tevens verbonden een applicatieschool tot het voltooien der studiën van de na 1914 tot officier benoemde cadetten en onderofficieren-leerlingen voor zooverre zij, naar Ons oordeel, ten gevolge van de schorsing bedoeld in [Artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001857&hoofdstuk=Tweede&artikel=12&z=1933-09-16&g=1933-09-16), niet de volledige opleiding als b"},{"i":12611,"b":"Besluit van 25 februari 2002, houdende de toekenning van een vaandel aan het eskader der Koninklijke marine Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 20 februari 2002, nr. C2002/218 directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het eskader van de Koninklijke marine voert een vaandel, bestaande uit een vaandeldoek en een vaandelstang. Artikel 2 1. Het vaandeldoek is een vierkant doek van oranje zijde, omzoomd met gouden franje. De lengte en de breedte van het vaandeldoek zijn zevenentachtig centimeter. 2. Op de voorzijde is in goud geborduurd een gestileerde gekroonde B, de kroon in de kleuren van het Koninklijk wapen. Onder de B is in goud geborduurd: 1488 ESKADER In het eerste kwartier is in goud geborduurd: KRIJGSVERRICHTINGEN 's LANDS VLOOT 1597–1795 In het tweede kwartier is in goud geborduurd: KRIJGSVERRICHTINGEN 's LANDS VLOOT 1816–1870 In het derde kwartier is in goud geborduurd: NEDERLANDS-INDIË 1817–1927 In het vierde kwartier is in goud geborduurd: TWEEDE WERELDOORLOG 1940–1945 Het geheel van de gekroonde B, naam en jaartal van instelling van 's lands vloot en de vermelding van de wapenfeiten, is omgeven door een doorlopende oranjetak. 3. Op de achterzijde is in kleuren geborduurd het Koninklijk wapen zonder de daarbij behorende mantel. Het Koninklijk wapen is omgeven door twee met een lint samengebonden takken van sinopel, ter linkerzijde een eikentak, ter rechterzijde een lauwertak. Het lint is uitgevoerd in de kleuren behorende bij het lint van de Militaire Willemsorde. Het geheel is omgeven door een doorlopende oranjetak. Artikel 3 1. De vaandelstang is een zwarte stok, lang tweehonderdenvijftig centimeter, waarvan het gedeelte dat boven in de broeking van het vaandel komt, bestaat uit een bus met inwendige schroefdraad waarop de vaandeltop wordt geschroefd. 2. De vaandeltop bestaat uit een doosvormig voetstuk, met een daarop rustende leeuw en daaronder een eikenkrans. 3. De rustende leeuw"},{"i":14305,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 7 mei 2003, nr. 5220137/DBz/03 tot vaststelling van het formulier met behulp waarvan verzoekschriften tot gratie moeten worden ingediend (Regeling gratieformulier) Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Gratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004257&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Het formulier met behulp van waarvan verzoekschriften tot gratie moeten worden ingediend, als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Gratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004257&artikel=3), wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 2 Deze Regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2003. Bijlage Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12609,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het standaardopschrift «Uruzgan 2006-2010» aan het Regiment Huzaren van Boreel Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016437, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de opschriften in de standaard van het Regiment Huzaren van Boreel wordt toegevoegd het opschrift «Uruzgan 2006-2010» in verband met zijn inlichtingen- en manoeuvretaak door de inzet van ISTAR-modules, verkenningspelotons en een infanteriecompagnie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":12628,"b":"Besluit van 2 september 1998, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter en de leden van het Adviescollege besteding vierde tranche Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 augustus 1998, kenmerk TTW/VTG-U-98344; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 19 juni 1998. Artikel 1 1. Aan de voorzitter van het Adviescollege besteding vierde tranche wordt in plaats van een vacatiegeld een vaste beloning ten bedrage van achtienduizend gulden per jaar toegekend. 2. Aan de leden van het adviescollege, genoemd in het eerste lid, wordt in plaats van een vacatiegeld een vaste beloning ten bedrage van achtduizend gulden per jaar toegekend. 3. Indien de voorzitter of een lid van het adviescollege, genoemd in het eerste lid, niet gedurende het hele jaar de functie van voorzitter of lid bekleedt, wordt zijn beloning, genoemd in respectievelijk het eerste en tweede lid, naar evenredigheid vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 19 juni 1998. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is belast met de uitvoering van dit besluit."},{"i":11968,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 1 december 2004, nr. DDI/ST/reg 02/2004, houdende beperking van de openbaarheid van het archief ‘Collectie Van Kleffens II 1947–1951’ Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is van het archief ‘Collectie Van Kleffens II 1947–1951’ het inventarisnummer 337 pas geheel openbaar met ingang van 1 januari 2010. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017603&artikel=1&z=2005-06-01&g=2005-06-01) genoemde inventarisnummer, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017603&artikel=1&z=2005-06-01&g=2005-06-01) genoemde inventarisnummer, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Archief kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven Dit besluit wordt bekendgemaakt door kennisgeving daarvan in de Staatscourant. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de **Verklaring van"},{"i":11585,"b":"Wet van 25 januari 2017 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake aanscherping van de eisen met betrekking tot examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs en een technische aanpassing Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van de kwaliteit van de examinering wenselijk is om de eisen met betrekking tot examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs aan te scherpen en daartoe de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) en de [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel III. Intrekking [artikel IV van Wet overgang wettelijke taken kenniscentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036592&artikel=IV) Wijzigt de Wijzigingswet Wet educatie en beroepsonderwijs, enz. (overgang wettelijke taken van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven). Artikel IIIA. Evaluatiebepaling Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IV. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen en onderdelen"},{"i":11598,"b":"Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met diverse maatregelen gericht op het versterken van de positie van mbo-studenten (Wet versterken positie mbo-studenten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de positie van studenten die een beroepsopleiding volgen te versterken door het instellen van een mbo-studentenfonds, maatregelen te treffen voor zwangere studenten, mbo-instellingen te verplichten een mbo-verklaring af te geven als aan een student geen diploma of mbo-certificaat kan worden uitgereikt, maar de student wel een deel van de opleiding heeft gevolgd en de wettelijke benaming te wijzigen van studenten die een beroepsopleiding volgen van deelnemer naar student en voorts dat het wenselijk is om nadere vooropleidingseisen niet verplicht te stellen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Artikel III. Wijziging [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel IV. Wijziging [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) Wijzigt de Wet op het onderwijstoezicht. Artikel V. Wijziging [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel Va. Wijziging [Wet register onderwijsdeelnemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042012) Wijzigt de Wet register onderwijsd"},{"i":13096,"b":"Besluit van 7 juli 2022, houdende verlenging van de samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten Op de voordracht van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie van 4 juli 2022, Directoraat-Generaal Koninkrijksrelaties; nr. 2022-0000355007 Gelet op [artikel 42, derde lid, van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I De termijn van twee jaar, bedoeld in het [tweede lid van artikel 42 van de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028136&artikel=42), zoals verlengd bij [koninklijk besluit van 31 juli 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031894), [14 juli 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035407), [8 juli 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038352), [12 juli 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041211) en [13 juli 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043970) wordt met twee jaar verlengd. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 oktober 2022. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad, het Publicatieblad van Curaçao en het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst."},{"i":11611,"b":"Wet van 1 december 1994, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs inzake de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in niet-Nederlandse taal en cultuur Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in de Wet op het basisonderwijs en in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs een regeling te treffen voor de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in niet-Nederlandse taal en cultuur; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: In opdracht van artikel LV-3 van Stb. 1998/228 zijn de in considerans en in de artikelen III, IV en V voorkomende verwijzingen naar artikelen van de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs omgezet naar de daarmee overeenkomende verwijzingen van artikelen van de Wet op het primair onderwijs en Wet op de expertisecentra. Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Vervallen Artikel IV Bevat wijzigingen in deze regelgeving. Artikel V Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1994. Indien het **Staatsblad** waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 juli 1994, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11614,"b":"Wet van 2 april 1998 tot wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het totstandbrengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een deel van het speciaal onderwijs tezamen met het basisonderwijs te regelen in een [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), om een deel van het voortgezet speciaal onderwijs tezamen met het voortgezet onderwijs te regelen in de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399), om het overige speciaal en voortgezet speciaal onderwijs te regelen in een [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) en om enige technische wijzigingen aan te brengen in enkele andere wetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 1. WIJZIGING, INTREKKING EN PLAATSING IN STAATSBLAD VAN DIVERSE WETTEN ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE WET OP HET BASISONDERWIJS Vervallen ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE INTERIMWET OP HET SPECIAAL ONDERWIJS EN HET VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS Vervallen ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS Vervallen ARTIKEL IV. WIJZIGING VAN DE WET MEDEZEGGENSCHAP ONDERWIJS 1992 Vervallen ARTIKEL V. INTREKKING OWBO; OVERGANGSBEPALING 1. Vervallen. 2. Vervallen. 3. Met ingang van het jaar 1986 ontvangt het bevoegd gezag van een bijzondere basisschool gevestigd in gebouwen en lokalen bedoeld in de artikelen 62, 126 en 127 van de Kleuteronderwijswet en de artikelen 84, 205 en 205bis van de Lager-onderwijswet 1920 jaarlijks van de gemeente een vergoeding. 4. Burgemeester en wethouders kunnen de jaarlijkse vergoeding bedoeld in het derde lid, vervangen door een uitkering ineens, indien"},{"i":11619,"b":"Wet van 30 november 1995 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in verband met de invoering van de wettelijke verplichting tot het vaststellen van een directiestatuut omtrent de uitoefening van taken en bevoegdheden door de schoolleiding (verplichting vaststellen directiestatuut) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is duidelijkheid te scheppen inzake de uitoefening door de leiding van een school voor basisonderwijs, voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, voor voortgezet onderwijs of voor beroepsbegeleidend onderwijs, van taken en bevoegdheden die bij wettelijk voorschrift aan het bevoegd gezag van die school zijn opgedragen; dat het in verband met die duidelijkheid wenselijk is de vaststelling van een directiestatuut door het bevoegd gezag voor te schrijven; dat in verband hiermee wijziging van de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549), de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399), de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs en de [Wet medezeggenschap onderwijs 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005746) wenselijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II. Wijziging [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III. Wijziging [Wet op het"},{"i":11618,"b":"Wet van 3 december 1992, houdende wijziging van onder meer de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het leerlingwezen en de Wet op de onderwijsverzorging in verband met onder meer de invoering van de mogelijkheid van bestuursaanstelling, het decentraal georganiseerd overleg, de invoering van de mogelijkheid van centrale diensten en de uitbreiding van de bevoegdheden van de commissies van beroep (regelingen i.v.m. invoering FBS) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wettelijke belemmeringen voor de mogelijkheid van bestuursaanstelling weg te nemen; Overwegende dat het tevens wenselijk is de wettelijke bepalingen aan te vullen die betrekking hebben op georganiseerd overleg op schoolniveau; Overwegende dat het voorts wenselijk is de bevoegde gezagsorganen in staat te stellen rechtspersonen op te richten ten behoeve van centrale dienstverlening; Overwegende dat het verder wenselijk is de bevoegdheden van de commissies van beroep uit te breiden in verband met de invoering van het formatiebudgetsysteem in het primair en voortgezet onderwijs; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Art"},{"i":13634,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 april 2008, nr. AV/A&Z/2008/8410, tot instelling van de Taskforce DeeltijdPlus (Instellingsbesluit Taskforce DeeltijdPlus) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Ministerie: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - b. Minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2. Instelling 1. Er is een Taskforce DeeltijdPlus. 2. De Taskforce DeeltijdPlus wordt ingesteld voor een periode van twee jaar, die aanvangt op 1 april 2008. Artikel 3. Doel De Taskforce DeeltijdPlus heeft tot doel te bevorderen dat de omvang van de arbeidsdeelname in uren van met name vrouwen wordt vergroot. Artikel 4. Taken 1. Ter verwezenlijking van zijn doelstelling zal de Taskforce DeeltijdPlus bij individuele werkgevers, werknemers, sociale partners en de samenleving aandacht vragen voor kansen, mogelijkheden en belemmeringen voor met name vrouwen om te gaan werken dan wel meer te gaan werken. 2. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden knelpunten blijken die het gevolg zijn van maatregelen van de overheid dan wel het ontbreken van maatregelen van de overheid, kan de Taskforce DeeltijdPlus daarvoor bij de Minister aandacht vragen. Artikel 5. Werkzaamheden 1. De Taskforce DeeltijdPlus verricht zijn taken in het bijzonder door het stimuleren van debat en van verzameling, verspreiding en uitwisseling van informatie. 2. De Taskforce DeeltijdPlus stelt voor de duur van zijn instelling zijn werkprogramma vast ter goedkeuring door de Minister. Uiterlijk 15 juni 2008 wordt het werkprogramma voor de duur van de werkzaamheden ter goedkeuring voorgelegd. 3. De Taskforce DeeltijdPlus overlegt periodiek met de Minister over de voortgang van de werkzaamheden. 4. De werkzaamheden van de Taskforce DeeltijdPlus worden afgesloten met een eindrapportage met aanbevelingen, die binnen twee maanden na afloop van de werkzaamheden van de Taskforce DeeltijdPlus aan de Minister w"},{"i":13747,"b":"Kavelbesluit IV windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3) en de [Wet Natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552), besluit de Minister van Economische Zaken en Klimaat in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als volgt: ’s-Gravenhage, 10 januari 2018 Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes Belanghebbenden die een zienswijze naar voren hebben gebracht of die redelijkerwijs niet verweten kan worden tegen het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, kunnen tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA, Den Haag. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. Op grond van [artikel 8 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=8) is op dit besluit [hoofdstuk 1, afdeling 2, van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&afdeling=2) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de belanghebbende in het beroepschrift moet aangeven welke beroepsgronden hij aanvoert tegen het besluit. Indien hij dit niet doet, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Het wordt aanbevolen in het beroepschrift te vermelden dat de [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431) van toepassing is. II. Toelichting kavelbesluit IV windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) Opgesteld door **Rijkswaterstaat** In opdracht van **Ministerie van Economische Zaken en Klimaat** 1. Inleiding 1.1. Nut en noodzaak Nederland voert al enige kabinetten lang een klimaatbeleid dat binnen de Europese Unie is afge"},{"i":12589,"b":"Koninklijk besluit van 24 september 1822, no. 22, betreffende taxa voor titelerkenning Gezien de voordragten van den Hoogen raad van Adel van den 23 juli ll, en van den 18 dezer No 1145/381 en 1771; Gelet op Ons besluit van den 22 Februarij 1821 No 69; Hebben goedgevonden en verstaan, bij ampliatie van het daarbij bepaalde vast te stellen, dat aan personen zijnde van een geslacht, hetwelk voorheen in de ridderschap van eenige Provincie des Rijks is geadmitteerd geweest in den titel van Baron in de Maatschappij voerde, van nu voortaan wegens de erkenning van dien titel een Diploma zal worden uitgereikt, en dat van zoodanig Diploma voor Taxa **Honderd Guldens** ƒ 100 en voor Leges **vijftig guldens** ƒ 50 zal worden betaald. Afschrift dezes zal worden gezonden aan den Hoogen Raad van Adel, ten fine van executie en aan de administratie der algemeene leges kas, alsmede aan Onzen Minister van Financien tot informatie"},{"i":11625,"b":"Wet van 3 april 1999 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, houdende aanpassingen in het systeem van selectie voor opleidingen waarvoor een toelatingsbeperking is vastgesteld Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de selectie voor opleidingen waarvoor toelatingsbeperkingen van kracht zijn, zodanig te wijzigen dat gegadigden voor deze opleidingen meer dan voorheen in staat zullen zijn zelf hun kans op toelating te vergroten, en dat het wenselijk is het aantal malen dat gegadigden aan de selectieprocedure kunnen deelnemen, te beperken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ARTIKEL III Vervallen ARTIKEL IV Vervallen ARTIKEL V 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010384&artikel=II&z=2005-08-03&g=2005-08-03), dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2000, met dien verstande dat de bepalingen van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) zoals die door dat artikel worden gewijzigd voor de eerste maal worden toegepast met betrekking tot het studiejaar 2000–2001. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":13745,"b":"Kavelbesluit III windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3) en de [Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552), besluit de Minister van Economische Zaken en Klimaat in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als volgt: ’s-Gravenhage, 10 januari 2018 Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes Rechtsbescherming Belanghebbenden die een zienswijze naar voren hebben gebracht of die redelijkerwijs niet verweten kan worden tegen het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, kunnen tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA, Den Haag. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. Op grond van [artikel 8 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=8) is op dit besluit [hoofdstuk 1, afdeling 2, van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&afdeling=2) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de belanghebbende in het beroepschrift moet aangeven welke beroepsgronden hij aanvoert tegen het besluit. Indien hij dit niet doet, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Het wordt aanbevolen in het beroepschrift te vermelden dat de [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431) van toepassing is. II. Toelichting kavelbesluit III windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) Opgesteld door **Rijkswaterstaat** In opdracht van **Ministerie van Economische Zaken en Klimaat** 1. Inleiding 1.1. Nut en noodzaak Nederland voert al enige kabinetten lang een klimaatbeleid dat binnen de E"},{"i":11624,"b":"Wet van 21 april 1993, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs, ten behoeve van de opheffing of vermindering van onderwijsachterstanden (regeling onderwijsvoorrangsgebieden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot maatregelen voor het opheffen of verminderen van onderwijsachterstanden van leerlingen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Vervallen Artikel V 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de onderscheiden artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden bepaald. 2. Het eerste tijdvak, bedoeld in de artikelen 111**a**, vierde lid, onderdeel **f**, van de [Wet op het basisonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), 107**a**, vierde lid, onderdeel **f** van de [Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) en 102**b**, vierde lid, onderdeel **f** van de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399), vangt aan op 1 augustus 1993. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11626,"b":"Wet van 11 november 1993, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en regeling van de overname van het economisch claimrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de instellingen voor hoger beroepsonderwijs grotere beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de huisvestingsvoorzieningen te verschaffen; dat in verband met de overdracht van de beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de huisvesting voor het hoger beroepsonderwijs een verrekening met het Rijk moet plaatsvinden ten aanzien van de bestaande huisvesting van de instellingen voor hoger beroepsonderwijs; dat in verband daarmee wijziging van de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) (**Stb.** 1992, 593) wenselijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Vervallen Artikel III Vervallen Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel I, onder D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006250&artikel=I&z=2005-08-03&g=2005-08-03), voor zover het betreft artikel 2.17, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 1994. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11628,"b":"Wet van 2 april 1998, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is uitvoering te geven aan in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen, waartoe wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering noodzakelijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I, onderdeel FFFa werkt terug tot en met 19 maart 1997 wat betreft de openbare universiteiten. Artikel I, onderdeel FFFa werkt terug tot en met 11 juli 1997 wat betreft de Open Universiteit. Artikel VIIa werkt terug tot en met 1 augustus 1997. Artikel I onderdeel N onder 2 werkt terug tot en met 1 september 1997. Artikel I Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel IA Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Artikel II Vervallen Artikel III Wijzigt de Wet op de studiefinanciering. Artikel IIIa Vervallen Artikel IV Vervallen Artikel V Vervallen Artikel VI Vervallen Artikel VII Vervallen Artikel VIIa Vervallen Artikel VIII Vervallen Artikel VIIIa Vervallen Artikel VIIIb Vervallen Artikel VIIIc Vervallen Artikel VIIId Vervallen Artikel IX 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 september 1998, met dien verstande dat de bepalingen, genoemd in het tweede tot en met negende lid, in werking treden met ingang van de in die leden vermelde tijdstippen. 2. Uitsluitend met het oog op de toepassing van de artikelen VIIIb en VIIIc werkt [artikel I onderdelen P](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009524&artikel=I&z=2005-08-03&g=2005-08-03) en Pa betreffende"},{"i":12633,"b":"Besluit toelating en uitzetting BES Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen § 1. Definitiebepalingen Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **luchtvaartuig:** hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267); - b. **schip:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=1); - c. **vliegtuig:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1, eerste lid, onder c, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=1); - d. **zeeschip:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1, tweede lid, onder c, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=1); - e. **de Wet:** de [Wet toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571); - f. **herhaalde aanvraag:** een aanvraag die met toepassing van [artikel 8 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=8) kan worden afgewezen; - g. **toerist:** iedere vreemdeling die niet langer dan drie maanden in de openbare lichamen verblijft voor ontspanning, sport, gezondheidsredenen, familieaangelegenheden, studie, godsdienstige doeleinden of zakenbezoeken en die tijdens zijn verblijf in de openbare lichamen geen werkzaamheden tegen beloning verricht; - h. **vertegenwoordiging:** diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland; - i. **vermissing:** ieder geval waarin de houder niet meer de feitelijke beschikking heeft over een op zijn naam gesteld reisdocument of verblijfsdocument, anders dan door of ten behoeve van handelingen van een daartoe bevoegde autoriteit; - j. **minderjarigheid:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=233). Ar"},{"i":11975,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 mei 2007, nr. DDI/ST/reg. 009/2007, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het consulaat-generaal, later de ambassade van Algerije, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het consulaat-generaal, later de ambassade van Algerije, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 41 | 2021 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021977&artikel=1&z=2007-06-02&g=2007-06-02), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021977&artikel=1&z=2007-06-02&g=2007-06-02), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit zal met de daarbij behorende bijl"},{"i":13752,"b":"Kavelbesluit kavel I-A windenergiebied Nederwiek (zuid) I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3) en gelet op de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), besluit de Minister van Klimaat en Groene Groei in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur als volgt: II. Toelichting kavelbesluit I-A windenergiegebied Nederwiek (zuid) Leeswijzer Het voorliggende kavelbesluit bestaat uit vier delen: Deel II, de toelichting op het kavelbesluit, begint in hoofdstuk 1 met een uiteenzetting van het nut en de noodzaak van maatregelen tegen klimaatverandering, in lijn met nationale en internationale doelen, waaronder het Klimaatakkoord van Parijs. Daarnaast wordt het uitgiftestelsel van kavels voor windparken besproken. Hoofdstuk 2 behandelt de [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752) en de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885), die essentieel zijn voor de regulering van windparken op zee. Ook komen de relevante beleidskaders aan bod. Hoofdstuk 3 biedt een inzicht in de procedures en afwegingen die ten grondslag liggen aan het besluitvormingsproces rondom windenergie op zee. Het behandelt de rol van de procedure voor de milieueffectrapportage (mer) en de afstemming met belanghebbenden. Hoofdstuk 4 schetst de kenmerken van kavel I-A binnen het windenergiegebied Nederwiek (zuid). Hieronder vallen o.a. de ligging, bodemsamenstelling en natuurwaarden. Daarnaast worden de verkaveling en de onderdelen van het windpark beschreven. Als laatste komt in dit hoofdstuk de fasering van het project (bouw, exploitatie en verwijdering) aan bod. In hoofdstuk 5 wordt het milieueffectrapport (MER) voor kavel I-A belicht, waarbij de gebruikte bandbreedte in het MER wordt aan"},{"i":12641,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 augustus 2013, tot geheimhouding aanbesteding met betrekking tot vervanging van de Closed-circuit television/Videomatrix van Unit 5 van de Extra Beveiligde Inrichting in Vught Overwegende: dat het bij de Extra Beveiligde Inrichting in Vught noodzakelijk is de Closed-circuit television (CCTV)/Videomatrix van Unit 5 te vervangen opdat de continuïteit van dit veiligheidssysteem kan worden geborgd; het bepaalde in [artikel 6 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011558&artikel=6); dat de bijzondere veiligheidsaspecten van deze installatie gelet op het specifieke karakter van de Extra Beveiligde Inrichting in Vught het noodzakelijk maken geheimhouding te betrachten met betrekking tot de functionele en technische specificaties, teneinde het risico van inbreuk door derden op het veiligheidssyteem te minimaliseren; dat het derhalve uitgesloten is in deze de nationale en Europese aanbestedingsprocedures te volgen; Gelet op [artikel 2.23, eerste lid, onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23) Besluit: Tot geheimverklaring van de aanbesteding voor de vervanging van de Closed-circuit television/Videomatrix van Unit 5 van de Extra Beveiligde Inrichting in Vught. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit Besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11664,"b":"Aanwijzing opsporingsbevoegdheden Hoofdstuk 1. Algemeen 1.1. [Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010478) Op 1 februari 2000 is de [Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010478) (hierna: Wet BOB) in werking getreden. Deze wet introduceerde in [Boek I van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&boek=Eerste) een regeling voor nieuwe opsporingsbevoegdheden en daarmee samenhangende procedures. Deze wet was een uitvloeisel van het onderzoek dat door de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (PEC) is verricht naar de praktijk van de opsporing en de door deze commissie gedane normeringvoorstellen. Deze [Wet BOB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010478) bevat: Met deze wet kregen opsporingsmethoden die risicovol zijn voor de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing, dan wel die naar huidig inzicht een meer dan beperkte inbreuk kunnen maken op grondrechten van burgers, een specifieke basis in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903). De bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn opgenomen in de [titels IVa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&titeldeel=IVA) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&titeldeel=V). Inhoudelijk gezien komt de omschrijving van de in deze titels opgenomen opsporingsbevoegdheden nagenoeg overeen en gelden vrijwel ook dezelfde procedurele voorschriften.1Uitzonderingen hierop zijn de artt. 126l/126s Sv en artt. 126m/126t Sv. In de artt. 126l en 126m Sv geldt niet het vereiste dat verdachte aan het gesprek moet deelnemen, terwijl in de artt. 126s en 126t Sv het vereiste is opgenomen dat uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat de betrokkene bij het georganiseerd verband wel aan de gesprekken deelneemt die opgenomen zullen worden. Alleen het verdenkingscriterium op basis waarvan de in de titels IVa en V opgenomen"},{"i":12384,"b":"Besluit van 8 april 2024, 2024000767, houdende instelling en benoeming van Adviescollege huis- en hobbydierenlijst (Besluit instelling en benoeming Adviescollege huis- en hobbydierenlijst 2023) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 22 maart 2024, nr. WJZ/43515226, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 5, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=5) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er is een Adviescollege huis- en hobbydierenlijst. Artikel 2 Het adviescollege heeft tot taak Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te adviseren over: - a. de beoordeling van diersoorten of diercategorieën ten behoeve van aanwijzing op grond van [artikel 2.2., eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.2), of de intrekking van een aanwijzing, aan de hand van de reeds hiertoe ontwikkelde systematiek; - b. de beoordeling van aanvragen zoals bedoeld in [artikel 2.2., van de Regeling houders van dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035248&artikel=2.2); - c. eventuele aanpassing van de onder a genoemde systematiek. Artikel 3 Het adviescollege bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste tien leden, onder wie de voorzitter. Artikel 4 Te rekenen vanaf 22 juli 2023 worden voor een periode van twee jaar benoemd tot lid van het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst: - a. de heer mr. drs. J. Staman, te Utrecht, tevens voorzitter; - b. de heer dr. J.J.M. van Alphen, te Leiden; - c. de heer ir. M.S.P. Damen, te Rotterdam; - d. de heer prof. Dr. J.M. Koolhaas, te Groningen; - e. mevrouw drs. T. Kramer, te Wageningen; - f. de heer ing. D.R. Lammertsma, te Ede. Artikel 5 1. Aan de voorzitter wordt een vaste vergoeding p"},{"i":11665,"b":"Besluit van de algemene rijksarchivaris van 30 april 2026, nr. NA/57503035, houdende de aanwijzing van de juiste wijze van verzenden van berichten aan het Nationaal Archief in de zin van de artikelen 2:13 en 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Nationaal Archief) Gelet op [artikel 2:13, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), en [2:14 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14) en [artikel 26, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=26); **Besluit:** Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. **bericht:** een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. **kanaal:** een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). - c. **Nationaal Archief:** Nationaal Archief, agentschap van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2. Algemene bepalingen 1. Dit aanwijzingsbesluit geeft aan op welke wijze burgers, bedrijven, stichtingen en andere rechtspersonen het Nationaal Archief digitaal kunnen benaderen. Burgers en bedrijven (en andere rechtspersonen) houden de mogelijkheid om op andere manieren te communiceren met het Nationaal Archief, zoals per telefoon, per post, of via een afspraak op locatie. 2. Voor berichten die de verzender uit eigen beweging verzendt, worden in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052623&bijlage=1&z=2026-05-19&g=2026-05-19) voor het Nationaal Archief de kanalen aangewezen. 3. Voor berichten die op verzoek van het Nationaal Archief worden verzonden, wordt het in de uitnodiging aangewezen kanaal gebruikt. 4. In afwijking van het eerste lid wordt, voor berichten w"},{"i":9394,"b":"Verdrag betreffende inheemse en in stamverband levende volken in onafhankelijke landen De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen op 7 juni 1989 tijdens haar 76e zitting, en Opmerkend de internationale normen vervat in het Verdrag en de Aanbeveling inzake de inheemse bevolking en volksstammen, 1957, en Herinnerend aan de bewoordingen van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de vele internationale akten inzake de voorkoming van discriminatie, en Overwegend dat de ontwikkelingen die sinds 1957 in het internationale recht hebben plaatsgevonden en de ontwikkelingen in de omstandigheden van inheemse en in stamverband levende volken in alle delen van de wereld aanleiding geven tot het aannemen van nieuwe internationale normen ter zake, ten einde de op assimilatie gerichte tendens van eerdere normen weg te nemen, en Erkennend de aspiraties van deze volken om zeggenschap te hebben over hun eigen instellingen, leefwijze en economische ontwikkeling, en hun identiteit, hun taal en hun godsdienst te behouden en tot ontwikkeling te brengen binnen het kader van de Staten waarin zij leven, en Opmerkend dat in vele delen van de wereld deze volken niet in dezelfde mate hun fundamentele mensenrechten kunnen genieten als de rest van de bevolking van de Staten waarin zij leven, en dat hun wetten, waarden, gewoonten en vooruitzichten vaak zijn aangetast, en Aandacht vragend voor de duidelijk eigen bijdrage van inheemse en in stamverband levende volken aan de culturele verscheidenheid en de maatschappelijke en ecologische harmonie van de mensheid en aan de internationale samenwerking en begrip, en Opmerkend dat de hierna volgende bepalingen zijn opgesteld met medewerking van de Verenigde Naties,"},{"i":12702,"b":"Besluit van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 20 februari 2023, kenmerk 3515405-1043206-LZ, houdende vaststelling van het beleidskader en het subsidieplafond inzake het subsidiëren van de uitvoering van gespecialiseerde cliëntondersteuning (Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring uitvoering gespecialiseerde cliëntondersteuning) Gelet op de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Vaststellen beleidskader Het beleidskader inzake subsidiëring van de uitvoering van gespecialiseerde cliëntondersteuning wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Subsidieplafond 1. Voor de subsidieverlening op grond van dit besluit is een totaalbedrag van € 81.635.000 beschikbaar. 2. De Minister voor Langdurige Zorg en Sport verleent het beschikbare bedrag na onderlinge weging van de aanvragen aan één aanvrager, overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 3. Dienst van algemeen economisch belang De gespecialiseerde cliëntondersteuning, zoals bedoeld in de bijlage bij dit besluit wordt aangewezen als een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Artikel 4. Inwerkingtreding en vervaldatum Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 30 juni 2029 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de subsidie die verleend is onder dit besluit en beleidskader. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidskader subsidiëring uitvoering gespecialiseerde cliëntondersteuning. Bijlage. Beleidskader inzake subsidiëring van de uitvoering van gespecialiseerde cliëntondersteuning Deze bijlage hoort bij het Besluit vaststelling beleidskader"},{"i":13753,"b":"Kavelbesluit V (innovatiekavel) windenergiegebied Borssele I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3), de [Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641) en de [Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640), besluit de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu als volgt: Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 24 maart 2016 De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp Rechtsbescherming Belanghebbenden die een zienswijze naar voren hebben gebracht of die redelijkerwijs niet verweten kan worden tegen het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, kunnen tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA, Den Haag. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. Op grond van [artikel 8 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=8) is op dit besluit [hoofdstuk 1, afdeling 2, van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&hoofdstuk=1) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de belanghebbende in het beroepschrift moet aangeven welke beroepsgronden hij aanvoert tegen het besluit. Indien hij dit niet doet, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Het wordt aanbevolen in het beroepschrift te vermelden dat de [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431) van toepassing is. II. Toelichting kavelbesluit V (innovatiekavel) windenergiegebied Borssele Opgesteld door **Rijkswaterstaat** In opdracht van **Ministerie van Economische Zaken**"},{"i":12013,"b":"Besluit beperking openbaarheid archief toegangsnummer 2.08.106 Directoraat-generaal Fiscale Zaken, periode (1954) 1990 – 2004, (1955) 1990 – 1994 (2004) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 1 april 2025, met kenmerk 51423391. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief met toegangsnummer 2.08.106 van het Directoraat-generaal voor Fiscale Zaken, periode (1954) 1990 – 2004, (1955) 1990 – 1994 (2004): Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 726 | 2045 | | 727 | 2045 | | 728 | 2045 | | 729 | 2045 | | 730 | 2045 | | 731 | 2045 | | 732 | 2045 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052467&artikel=1&z=2026-03-28&g=2026-03-28), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052467&artikel=1&z=2026-03-28&g=2026-03-28), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van"},{"i":11738,"b":"Beleidsregel van de Stichting Autoriteit Financiële Markten inzake het aanbieden van beleggingsinstellingen of icbe’s onder verschillende namen (Beleidsregel Aanbieden beleggingsinstellingen of icbe’s onder verschillende namen 2013) Wettelijk kader Ingevolge [artikel 1:107, tweede lid, onder a, ten achtste, Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:107) (Wft) worden beleggingsinstellingen of icbe’s die worden beheerd door beheerders van beleggingsinstellingen of van icbe’s waaraan een vergunning is verleend, ingeschreven in het register. Vanuit verschillende instellingen is de vraag naar voren gekomen of een beleggingsinstelling of icbe, die is ingeschreven in het register, ook kan worden aangeboden onder andere namen. Een van de redenen om dit te doen is tussenpersonen in staat te stellen hun eigen naam aan de beleggingsinstelling of icbe te verbinden. Ten aanzien van het aanbieden van beleggingsinstellingen of icbe’s onder verschillende namen is het beleid van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) reeds in een eerder stadium bekend gemaakt11 Beleidsregel Wet op het financieel toezicht 06-13 van de Stichting Autoriteit Financiële Markten van 12 december 2006 inzake het aanbieden van beleggingsinstellingen onder verschillende namen (Beleidsregel Aanbieden beleggingsinstellingen onder verschillende namen), Staatscourant 2006, 251.. Deze beleidsregel kan worden aangemerkt als een technische en beleidsneutrale omzetting in het kader van de implementatie van de [Richtlijn nr. 2011/61](32011L0061)/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen in Nederland (AIFM-richtlijn). Dit is een beleidsregel als bedoeld in [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) (Awb). De bevoegdheid van de AFM tot het vaststellen van deze beleidsregel is gebaseerd op [artikel 4:81,"},{"i":12822,"b":"Besluit vaststelling selectielijst IBKI voor de periode vanaf 1985 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van IBKI voor de periode vanaf 1985 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Staatssecretaris van Cultuur en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":11747,"b":"Beleidsregel CBP richtsnoeren ANPR De toepassing van automatische kentekenherkenning door de politie Door middel van automatische nummerplaatherkenning, ANPR, kan de politie gescande kentekens op automatische wijze vergelijken met de kentekens die in bestanden zijn opgeslagen waarover zij reeds beschikt. Als sprake is van een ‘hit’ kan de politie vervolgens direct effectief optreden: een auto in beslag nemen of een boete innen. In de uitvoering van de dagelijkse politietaak past de politie ANPR in de praktijk al enige tijd toe, terwijl de juridische aspecten van het middel nog niet zijn uitgekristalliseerd. Tussen korpsen onderling kunnen verschillen in toepassing optreden. Onduidelijkheid over wet- en regelgeving kan ten koste gaan van de bescherming van de gegevens van burgers die door ANPR worden verkregen. Deze publicatie van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) geeft invulling aan de wettelijke normen voor correcte en zorgvuldige omgang met persoonsgegevens die bij de toepassing van ANPR moeten worden nageleefd. De overheid is, vaak met de beste bedoelingen, geneigd om steeds meer gegevens over burgers te verzamelen, te gebruiken en uit te wisselen. Het risico bestaat dat deze gegevensstromen leiden tot disproportionele monitoring van burgers, zeker omdat de informatie- en communicatietechnologie (ICT) steeds verdergaande mogelijkheden biedt om gegevens te analyseren, te combineren en te verrijken. Dit kan leiden tot oordelen over burgers die niet noodzakelijkerwijs in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. ICT-ontwikkelingen hebben in toenemende mate eveneens gevolgen voor de werkwijze van de politie.1**Kamerstukken II** 2005–2006, 30 327, nr. 3, p. 1 e.v. Een van de ICT-toepassingen die de politie steeds vaker inzet is automatische kenteken- of nummerplaatherkenning, naar de Engelse benaming Automatic Number Plate Recognition kortweg aangeduid als ANPR. De ontwikkeling en toepassing van ANPR in de praktijk door de diverse politiekorpsen, waarbij"},{"i":11951,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 juni 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Bolivia, Ambassade La Paz (1974–2013), Besluit Beperking Openbaarheid, ambassade La Paz (1974–2013) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris 10 mei 2023, referentie 100866; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 43 | 2099 | | 48 | 2085 | | 85 | 2050 | | 86 | 2066 | | 87 | 2079 | | 97 | 2061 | | 98 | 2093 | | 101 | 2073 | | 128 | 2106 | | 129 | 2070 | | 130 | 2074 | | 131 | 2065 | | 134 | 2066 | | 135 | 2066 | | 136 | 2106 | | 147 | 2088 | | 151 | 2089 | | 152 | 2108 | | 155 | 2056 | | 198 | 2104 | | 246 | 2057 | | 268 | 2067 | | 271 | 2039 | | 272 | 2069 | | 286 | 2027 | | 316 | 2057 | | 332 | 2054 | | 392 | 2076 | | 404 | 2080 | | 441 | 2085 | | 458 | 2068 | | 475 | 2053 | | 504 | 2076 | | 521 | 2086 | | 534 | 2059 | | 535 | 2066 | | 628 | 2076 | | 504 | 2086 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 60 | 2035 | | 62 | 2035 | | 82 | 2061 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de"},{"i":11985,"b":"Besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 2 februari 2007, nr. DDI/ST/reg003/2007, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het gezantschap te Oslo (Noorwegen) 1945–1954 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn van het archief van het gezantschap te Oslo (Noorwegen) 1945–1954, de in de eerste tabel genoemde inventarisnummers pas geheel openbaar met ingang van 1 januari van het in de tweede tabel genoemde jaartal: | Inventarisnummer: | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 248 | 2021 | | 251 | 2023 | | 255 | 2029 | | 346 | 2030 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021196&artikel=1&z=2007-02-11&g=2007-02-11) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de in de tabel bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021196&artikel=1&z=2007-02-11&g=2007-02-11) genoemde inventarisnummers, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage"},{"i":12598,"b":"Besluit van 22 mei 2012 houdende regels ter uitvoering van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES (Besluit ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, mede namens Onze Minister van Veiligheid en Justitie, van 2 november 2011, nr. FM 2011-9926; Gelet op de [artikelen 2.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=2.2), [2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=2.5), [2.8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=2.8), [2.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=2.9), [5.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=5.11), en [5.12, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=5.12) en de [artikelen 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18), en [23, tweede lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=23); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 januari 2012, nr. W06.11.0469/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën, uitgebracht mede namens Onze Minister van Veiligheid en Justitie, van 16 mei 2012, nr. FM 2011-10036 U; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES in werking treedt. § 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824). § 2. Cliëntenonderzoek Artikel 2 1. Categorieën van natuurlijke personen die in elk geval moeten worden aangemerkt als uiteindelijk belanghebbende zijn: - a. in het geval van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een naamloze venn"},{"i":12370,"b":"Besluit instelling Bureau REACH Overwegende dat op grond van [Verordening (EG) nr. 1907/2006](32006R1907) van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van [Richtlijn 1999/45/EG](31999L0045) en houdende intrekking van [Verordening (EEG) nr. 793/93](31993R0793) van de Raad en [Verordening (EG) nr. 1488/94](31994R1488) van de Commissie alsmede [Richtlijn 76/769/EEG](31976L0769) van de Raad en de [Richtlijnen 91/155/EEG](31991L0155), [93/67/EEG](31993L0067), [93/105/EG](31993L0105) en [2000/21/EG](32000L0021) van de Commissie (PbEU L 396) (hierna: [verordening nr. 1907/2006](32006R1907)) aan de bevoegde instantie taken zijn toegekend die voor de goede uitvoering van [verordening nr. 1907/2006](32006R1907) noodzakelijk zijn; Overwegende dat de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in artikel 9.3.2 van de Wet milieubeheer is aangewezen als bevoegde instantie; Overwegende dat in [verordening nr. 1907/2006](32006R1907) aan Nederland taken zijn toegekend, voor de uitvoering waarvan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer eerstverantwoordelijk is; Overwegende dat het noodzakelijk is dat ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden voortvloeiend uit deze taken een bureau wordt ingesteld zonder dat daarmee de bestaande interdepartementale verantwoordelijkheidsverdeling voor het beleid ten aanzien van chemische stoffen wordt gewijzigd; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. directeur: directeur Stoffen, Afvalstoffen, Straling van het Directoraat-Generaal Milieubeheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; - b. bureau: Bureau REACH als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021645&artikel=2&z=2008-06-01&"},{"i":13091,"b":"Besluit van 14 oktober 1952, houdende wijziging van de taak van de Departementen van Economische Zaken en van Buitenlandse Zaken Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, dd. 11 October 1952, Nr. 33131; Overwegende, dat het wenselijk is over te gaan tot overdracht van de werkzaamheden van het Regeringscommissariaat voor het Economische en Militaire Hulpprogramma aan het Hoofd van het Departement van Buitenlandse Zaken; Gelet op [artikel 79 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=79); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig De werkzaamheden van het Regeringscommissariaat voor het Economische en Militaire Hulpprogramma worden met ingang van 1 November 1952 overgedragen aan de zorg van het Hoofd van het Departement van Buitenlandse Zaken. Onze Ministers van Economische Zaken en van Buitenlandse Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** en de **Staatscourant** zal worden geplaatst."},{"i":12584,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 augustus 2017, kenmerk 1193476-166555-WJZ, houdende regels voor de taakuitoefening van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd (Besluit taakuitoefening IGJ) Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voor zover van toepassing Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **secretaris-generaal:** secretaris-generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of plaatsvervangend secretaris-generaal; - c. **inspectie:** Inspectie gezondheidszorg en jeugd; - d. **inspecteur-generaal:** inspecteur-generaal van de inspectie; - e. **werkplan:** plan waarin de activiteiten van de inspectie voor de periode van een kalenderjaar zijn vastgesteld; - f. **jaarverslag:** jaarlijkse rapportage over de uitvoering van het werkplan en de overige werkzaamheden van de inspectie, de bedrijfsvoering en financiële verantwoording en de bevindingen op basis van de uitgevoerde werkzaamheden. Artikel 2 De inspecteur-generaal draagt zorg voor een systematische, consistente en toegankelijke werkwijze van de inspectie en waarborgt een verantwoorde taakuitoefening door de inspectie. Artikel 3 1. Een aanwijzing die betrekking heeft op de inspectie, wordt schriftelijk gegeven door de minister aan de inspecteur-generaal. 2. Een algemene aanwijzing wordt in de Staatscourant geplaatst. 3. De minister geeft aan de inspectie geen bijzondere aanwijzingen die zien op: - a. het weerhouden van de inspectie om een specifiek onderzoek te verrichten of af te ronden; - b. de wijze waarop de inspectie een specifiek onderzoek verricht, of - c. de bevindingen, oordelen en adviezen van de inspectie. 4. Indien de minister een bijzondere aanwijzing geeft doet hij daarvan onverwijld mededeling aan de beide Kamers der Staten-Generaal. 5. De bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen aan de inspectie wordt niet gemandateerd. 6. Het tweede, derde"},{"i":11387,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 24 juni 2024, nummer CvTE-24.00935, houdende vaststelling van toegestane hulpmiddelen voor de centrale examens van de eindexamens en de staatsexamens vo in 2026 (Regeling toegestane hulpmiddelen voor de centrale examens vo 2026) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); besluit: Artikel 1. Hulpmiddelen vmbo De hulpmiddelen die in 2026 bij de centrale examens voor vmbo zijn toegestaan, worden vastgesteld als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049969&bijlage=1&z=2025-08-01&g=2025-08-01) bij deze regeling. Artikel 2. Hulpmiddelen havo en vwo De hulpmiddelen die in 2026 bij de centrale examens voor havo en vwo zijn toegestaan, worden vastgesteld als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049969&bijlage=2&z=2025-08-01&g=2025-08-01) bij deze regeling. Artikel 3. Wijziging [Regeling toegestane hulpmiddelen 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048461) Wijzigt de Regeling toegestane hulpmiddelen voor de centrale examens vo 2025. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2025, en vervalt op 31 december 2026, met uitzondering van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049969&artikel=3&z=2025-08-01&g=2025-08-01), dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toegestane hulpmiddelen voor de centrale examens vo 2026. Bijlage 1 Bijlage 2 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Toegestane hulpmiddelen voor de centrale examens vmbo 2026 als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049969&artikel=1&z=2025-08-01&g=2025-08-01) Hulpmiddelen vmbo 2026 1. Wat is anders in 2026"},{"i":14363,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 3 mei 2021, nr. 3291895, houdende instelling van het adviescollege toekomstbestendig stelsel bewaken en beveiligen Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1 Er is een adviescollege toekomstbestendig stelsel bewaken en beveiligen. Artikel 2 Het adviescollege heeft tot taak het stelsel bewaken en beveiligen te beoordelen en voorstellen te doen om het toekomstbestendig te maken, zodat zij het hoofd kan blijven bieden aan huidige en toekomstige dreigingen in een steeds complexer wordende samenleving. Artikel 3 Het adviescollege bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. Artikel 4 1. Het adviescollege brengt zijn advies uit voor 1 juli 2021 aan de minister van Justitie en Veiligheid. 2. Na het uitbrengen van het advies is wordt het adviescollege opgeheven. 3. De voorzitter kan tot 1 juni 2021 aan de Minister van Justitie en Veiligheid om uitstel verzoeken voor wat betreft het uitbrengen van het eindrapport. 4. Een verzoek tot uitstel van het eindrapport is met redenen omkleed en vermeldt een nieuwe einddatum die redelijk is ten opzichte van de in lid 1 genoemde datum. Artikel 5 De archiefbescheiden van het adviescollege worden na zijn opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van de NCTV van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van het uitbrengen van het eindrapport van het adviescollege. Artikel 7 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling instelling adviescollege toekomstbestendig stelsel bewaken en beveiligen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11834,"b":"Beleidsregels van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit inzake de beoordeling van het levensgedrag bij vergunningen voor de exploitatie van speelautomaten (Beleidsregels levensgedragtoets) gelet op [artikel 30h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30h), [30i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30i), [30k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30k) en [30l van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30l) en [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=4) en [7 van het Speelautomatenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=7), besluit de volgende beleidsregels vast te stellen: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - 1. **aanvraag:** aanvraag voor een vergunning; - 2. **aanvrager:** de (rechts)persoon die een vergunning aanvraagt; - 3. **besluit:** het [Speelautomatenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373); - 4. **levensgedragtoets:** de beoordeling of de aanvrager, vergunninghouder, bedrijfsleiders en beheerders van een exploitatie in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn, als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=4), en [artikel 7 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011373&artikel=7); - 5. **raad van bestuur:** raad van bestuur als bedoeld in [artikel 33a van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - 6. **vergunning:** vergunning voor het exploiteren van speelautomaten als bedoeld in [artikel 30h van de Wok](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30h); - 7. **vergunninghouder:** de (rechts)persoon die een vergunning heeft; - 8. **Wok:** [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2. Toepassing 1. De raad van bestuur voert in alle gevallen een levensgedragtoets uit: - a. bij een aanvra"},{"i":12353,"b":"Besluit inschrijvingsvoorwaarden mediators 2017 Inleiding Uitgangspunt van de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) (Wrb) is dat mediators die in aanmerking willen komen voor verwijzingen vanuit de gerechten of vanuit het Juridisch Loket zich inschrijven bij de Raad voor Rechtsbijstand. Indien een mediator niet ingeschreven staat, kan hij geen toevoegingen voor de rechtzoekende aanvragen. De Raad kan op grond van de [artikelen 33 a en volgende van de Wrb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a) voorwaarden aan de inschrijving verbinden die betrekking hebben op: In het onderstaande zijn deze voorwaarden uitgewerkt. De voorwaarden zijn op te vatten als algemeen verbindende voorschriften. Inschrijvingsvoorwaarden Artikel 1. Registratie/ opleidingsvereisten / evaluatie 1. De deelnemende mediator dient MfN1MfN is de afkorting van: Mediatorsfederatie Nederland. MfN-registermediators staan ingeschreven bij de Stichting Kwaliteit Mediators (SKM). De SKM is voor wat betreft het registerbeheer en de kwaliteitssystemen de rechtsopvolger van het NMI. – registermediator te zijn. Deze MfN – registermediator heeft een door de Stichting Kwaliteit Mediators afgenomen peer review met goed gevolg ondergaan én in de drie jaar voor de datum van inschrijving bij de Raad voor Rechtsbijstand negen mediations op basis van de Mediationovereenkomst voor de MfN-registermediator verricht.2Met betrekking tot de bedoelde negen mediations gelden de volgende eisen:–het moet gaan om mediations conform de condities van de MfN-registermediator (MfN-gedragsregels en MfN-reglement), aangevangen met een schriftelijke Mediationovereenkomst. Bemiddelingen, in welke vorm dan ook, tellen niet mee voor een inschrijving bij de Raad;–van de negen mediations moeten er minimaal drie met een vaststellingsovereenkomst zijn afgesloten;–co-mediations in een gelijkwaardige positie tellen mee tot een maximum van drie van de negen; van de overige zes dienen tenm"},{"i":11843,"b":"Beleidsregels RCN-unit SZW uitvoering Wav BES Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037446&artikel=6) en [9 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Werknemersregelingen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037446&artikel=9); Besluit: 1. Inleiding In de [Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) (Wav BES) is bepaald op welke wijze het toelatingsbeleid van vreemdelingen tot de lokale arbeidsmarkt zal plaatsvinden. Doel van de Wav BES is de bescherming van de lokale arbeidsmarkt, het tegengaan van verdringing van lokale arbeidskrachten en het tegengaan van illegale tewerkstelling. Doordat een tewerkstellingsvergunning voor werknemers van buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba alleen wordt afgegeven als geen lokaal aanbod aanwezig is, krijgen lokale arbeidskrachten de kans om te gaan werken en in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Daarnaast moet de Wav BES de arbeidsverhoudingen beschermen en oneerlijke concurrentie tegengaan door te borgen dat arbeidsmigranten marktconform beloond worden en ten minste het minimumloon ontvangen. De Wav BES is een van de instrumenten om illegale tewerkstelling te voorkomen en te bestrijden. Kern van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) is [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=2), waarin staat dat het een werkgever verboden is een vreemdeling arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Om omzeiling van het werkgeverschap te voorkomen, hanteert de wetgever een ruim werkgeversbegrip. In [artikel 1, onder b van de Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=1) is een werkgever gedefinieerd als: De [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) geldt hiermee zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen. Het ruime werkgeversbegrip uit zich ook daarin dat het niet uitmaakt in welke (juridische) vorm of in welke v"},{"i":11848,"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 7 oktober 2025, kenmerk 2025015883, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2026 (Beleidsregels Risicoverevening 2026) gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), en [34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34); Besluit: 1 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities Deze Beleidsregels verstaan onder: - **aanpassingsklasse:** een klasse waarvan het gewicht in verband met de toepassing van criteriumneutraliteit wordt aangepast; - **AVI:** AVI als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - **belastingdienstbestand:** het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand met inkomensgegevens en gepseudonimiseerde adresgegevens per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar; - **Bzv:** [Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492); - **correctiefactor:** een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor bijzondere situaties. De toelichtingen op de bijzondere situatie en de correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2026 die gepubliceerd wordt op de website [www.zorginstituutnederland.nl](http://www.zorginstituutnederland.nl); - **criterium:** een vereveningscriterium; - **criteriumneutraliteit:** criteriumneutraliteit corrigeert ongewenste effecten van hogere of lagere (ex post) landelijke verzekerdenaantallen dan ex ante verwacht per vereveningskenmerk. Bij toepassing van criteriumneutraliteit worden een of meer gewichten van het betreffende vereveningscriterium bij de vaststelling aangepast zodat het effect van een (landelijk) verschil tussen raming en realisatie van de verzekerdenaantallen"},{"i":11849,"b":"Beleidsregels van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 januari 2019, nr 2018-0000172386, tot vaststelling van beleidsregels op grond van het Besluit onderstand BES (Beleidsregels toepassing Besluit onderstand BES 2019) Gelet op de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=5), [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=6), [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=7), [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=9), [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=10), [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=12), [artikel 18, tweede lid onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=18), [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=20), [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=30), [artikel 32, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=32), en [artikel 33 van het Besluit onderstand BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028595&artikel=33); Besluit van te stellen: **Beleidsregels toepassing Besluit onderstand BES 2019** Hoofdstuk 1. Inhoudsopgave Artikel 1. Inhoudsopgave Met deze beleidsregels wordt voorzien in het regelen van de volgende onderwerpen: In [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01) ‘Kring van rechthebbenden’ - –. Onderstand teruggekeerde eilandskinderen ([artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-01-01&g=2025-01-01)) - –. Opname inrichting buiten Caribisch Nederland ([artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01)) In [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041881&hoofdstuk=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01) ‘Verplichtingen arbeidsinschakeling’ - –. Inspanningsverp"},{"i":11910,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 januari 2006, nr. WJZ/2006/288(8182), houdende bekendmaking van spellingregels en een lijst van woorden betreffende de schrijfwijze van de Nederlandse taal waartoe het Comité van Ministers op 25 april 2005 heeft beslist (Besluit bekendmaking spellingvoorschriften 2005) Gezien de beslissing van 25 april 2005 van het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie betreffende de schrijfwijze van de Nederlands taal; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Spellingwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018784&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Met ingang van 1 augustus 2006 geschiedt de schrijfwijze van de Nederlandse taal bij de in [artikel 2 van de Spellingwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018784&artikel=2) bedoelde overheidsorganen, bij de uit de openbare kas bekostigde onderwijsinstellingen en bij de examens waarvoor wettelijke voorschriften zijn vastgesteld, volgens: - a. de leidraad die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit hoort, en - b. de woordenlijst die ter inzage is gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekendmaking spellingvoorschriften 2005. Bijlage behorende bij [artikel 1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019422&artikel=1&z=2006-05-01&g=2006-05-01), van het Besluit bekendmaking spellingvoorschriften 2005 Leidraad **Inhoudsopgave** **Inleiding** **1. Beginselen van de Nederlandse spelling** **2. Klinkers** **3. Medeklinkers** **4. Accenttekens** **5. Klemtoonteken en uitspraaktekens** **6. Los, aaneen of met een koppelteken?** **7. Klinkerbotsing** **8. Samenstelling met tussenletters** **-e-** **of** **-en-** **9. Afleiding met tussenletters** **-e-** **of** **-en-** **10. Samenstelling of afleiding met of zonder tussenletter** **-s-** **11. Werkwoorden** **12. Engelse woorden in het Nederlands** **13. Speciale meervouden van zelfstandige naamwoorden**"},{"i":12315,"b":"Besluit van 2 juli 1999, houdende herindeling van departementale taken Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 25 juni 1999, nr. 99M005355; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt belast met de toekenning van bijdragen aan publiekrechtelijke lichamen ter zake van de kosten van opsporing of ruiming van als gevolg van de Tweede Wereldoorlog achtergebleven explosieven voorzover deze taak tot 1 januari 2000 was opgedragen aan Onze Minister van Financiën. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2000. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad en de ministeries."},{"i":13077,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 30 maart 2011, nr. 5690605/11, houdende de instelling van de Werkgroep Advies Wet wapens en munitie en de benoeming van de leden van de werkgroep (Besluit Werkgroep Advies Wet wapens en munitie) Gelet op de complexiteit van de wapenproblematiek en de bevordering van een geïntegreerde aanpak; Besluit: Artikel 1 Er is een Werkgroep Advies Wet wapens en munitie, hierna te noemen: de werkgroep. Artikel 2 De werkgroep bestaat uit de volgende leden: - a. mr. J.H. van der Meij, officier van Justitie, arrondissementsparket Amsterdam, tevens voorzitter; - b. mr. R.K. Nanhkoesingh, officier van Justitie, arrondissementsparket Zeeland/West-Brabant, tevens plaatsvervangend voorzitter; - c. A. van Iersel, expert A en Coördinator Regionaal Bureau Wapens en Munitie, Nationale Politie, Eenheid Zeeland West-Brabant; - d. F. Damme, brigadier Bijzondere Wetten en Explosieven, Nationale Politie, Eenheid Rotterdam; - e. D.T. Ooms, recherchespecialist A, Nationale Politie, Eenheid Den Haag; - f. J.W. Blokland, coördinator Wapens en Munitie, Nationale Politie, Eenheid Oost- Brabant; - g. R. Hermsen, onderzoeksmedewerker Wet wapens en munitie, Nederlands Forensisch Instituut; - h. E. Putter, vraagbaak strategische Goederen en Wet wapens en munitie, Douane Landelijk Kantoor; - i. A.M.A. Moeskops, adviseur Korpscheftaken, Politieacademie; - j. J.A.J.M. Waaijer, projectleider Explosieven Veiligheid en Wapens, Nationale Politie, Eenheid Amsterdam-Amstelland; - k. B.J.H.A. Korte, operationeel Specialist B, Coördinator Landelijk Platvorm Vuurwapens, Nationale Politie, Landelijke Eenheid; - l. N.O.B. Klein, vakspecialist Bureau Wapens, munitie en explosieven, Nationale Politie, Eenheid Rotterdam; - m. M. Hempenius, medewerker Korpscheftaken, Nationale Politie, Eenheid Noord Nederland; - n. A. Benne, senior medewerker Opsporing, Nationale Politie, Eenheid Noord Nederland; - o. J.G. van Doormolen, medewerker Bureau Wapens, Munitie en Ex"},{"i":11954,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 6 juli 2023, kenmerk 4236958, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de A-dossiers 1988–2005 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 10 mei 2023, met kenmerk 101015. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de A-dossiers van het Ministerie van Justitie, 1988–2005. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van (mogelijk) nog levende personen. | Inventaris- nummer | Openbaar 1 januari | Inventaris- nummer | Openbaar 1 januari | Inventaris- nummer | Openbaar 1 januari | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 650 | 2081 | 5551 | 2067 | 10368 | 2082 | | 1407 | 2075 | 5681 | 2079 | 10397 | 2067 | | 1476 | 2066 | 6121 | 2080 | 10398 | 2066 | | 1480 | 2074 | 6178 | 2075 | 10421 | 2076 | | 1499 | 2068 | 6196 | 2067 | 10422 | 2076 | | 1500 | 2068 | 6197 | 2068 | 10719 | 2071 | | 2078 | 2069 | 6209 | 2071 | 10720 | 2071 | | 1530 | 2055 | 6395 | 2072 | 10721 | 2071 | | 1531 | 2055 | 7131 | 2073 | 10722 | 2071 | | 2371 | 2068 | 7132 | 2077 | 11055 | 2074 | | 2388 | 2069 | 7225 | 2084 | 11250 | 2078 | | 2389 | 2069 | 7226 | 2084 | 11366 | 2079 | | 2390 | 2069 | 7227 | 2084 | 11367 | 2079 | | 2391 | 2069 | 7228 | 2084 | 11368 | 2080 | | 2434 | 2076 | 7248 | 2066 | 11920 | 2081 | | 2435 | 2078 | 7252 | 2072 | 11921 | 2081 | | 2436 | 2079 | 7253 | 2074 | 11944 | 2081 | | 2437 | 2082 | 7345 | 2073 | 11954 | 2081 | | 2983 | 2065 | 73465 | 2073 | 12731 | 2075 | | 3006 | 2076 | 7750 | 2072 | 12732 | 2075 | | 3007 | 2078 | 7813 | 2074 | 12733"},{"i":12601,"b":"Besluit tijdelijke mogelijkheid tot toekenning van een IMSI-nummer voor GSM-R Gelet op [artikel 4.2, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Het college kan, in afwijking van het bepaalde in [artikel 1, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013143&artikel=1&z=2001-12-20&g=2001-12-20), en de bijlage van het nummerplan, een vijf- dan wel zescijferig IMSI-nummer toekennen voor de bestemming GSM-R beginnende met de cijfers 204. 2. De mogelijkheid om op grond van dit besluit een IMSI-nummer toe te kennen als bedoeld in het eerste lid vervalt een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, dan wel indien het in voorbereiding zijnde besluit tot wijziging van het nummerplan met dezelfde strekking als dit besluit eerder in werking treedt, op die eerdere datum van inwerkingtreding van bedoelde nummerplanwijziging. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijke mogelijkheid tot toekenning van een IMSI-nummer voor GSM-R. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14421,"b":"Regeling Leesbevordering Nederlands Letterenfonds gelet op het bepaalde in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement Nederlands Letterenfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735). Besluit: De volgende Regeling Leesbevordering Nederlands Letterenfonds vast te stellen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bestuur:** het bestuur van het Nederlands Letterenfonds; - b. **Cariben:** het Caribische deel van het Koninkrijk - c. **Engels:** de Engelse taal zoals door moedertaalsprekers wordt gehanteerd in het Caribisch deel van het Koninkrijk. - d. **instelling of organisatie:** culturele instellingen en culturele organisaties of rechtspersonen die in het Koninkrijk actief zijn in de culturele sectoren; - e. **Koninkrijk:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk, te weten de zelfstandige landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba; - f. **leesbevordering:** het stimuleren van het lezen en/of leesplezier in brede zin; literatuur: literatuur in het Nederlands, Engels, Fries, Papiaments en de Nederlandse Gebarentaal (NGT); - g. **het Letterenfonds:** Stichting Nederlands Letterenfonds; - h. **Papiaments:** Papiamento en Papiamentu. - i. **Technisch lezen:** het koppelen van leestekens aan klanken voor een vloeiende leesvaardigheid, waarbij woorden en zinnen in één oogopslag worden herkend; Artikel 2. Doel Met deze regeling wil het Letterenfonds projecten op het gebied van leesbevordering stimuleren en ondersteunen die vanwege hun vernieuwend karakter of innovatief concept een aanvulling vormen op het bestaande aanbod. Ook wil het Letterenfonds de impact van die projecten onderzoeken. Artikel 3. Activiteiten 1. Subsidie"},{"i":14096,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 maart 2016, nr. 2016-0000081792, tot benoeming van de voorzitter van het Kennisplatform Werk & Inkomen Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2) en [4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **CBS:** Centraal Bureau voor de Statistiek; - b. **KWI:** Kennisplatform Werk en Inkomen, waarin het UWV, de SVB, de gemeenten Amsterdam en Amersfoort, Divosa, het SCP, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Nederlandse Arbeidsinspectie met elkaar samenwerken in de kennisontwikkeling op het gebied van werk en inkomen, met het CBS als adviserend lid; - c. **Minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - d. **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - e. **voorzitter:** voorzitter van het Kennisplatform Werk en Inkomen; - f. **SCP:** Sociaal en Cultureel Planbureau; - g. **stuurgroep:** de stuurgroep van het KWI, bestaande uit de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Inspecteur-Generaal van de Nederlandse Arbeidsinspectie, de voorzitter van de raad van bestuur van het UWV, de directeur van het SCP, de voorzitter van de raad van bestuur van de SVB en de voorzitter van Divosa; - h. **SVB:** Sociale verzekeringsbank. Artikel 2. Instelling voorzitter - a. Er is een voorzitter van het KWI. - b. De voorzitter wordt benoemd en kan worden ontslagen door de Minister. - c. De benoeming geschiedt voor tenminste twee jaren, na afloop van welke termijn direct herbenoeming mogelijk is. Artikel 3. Taken voorzitter 1. De voorzitter heeft tot taak: - a. De bijeenkomsten van het KWI te leiden aan de hand van een vooraf met"},{"i":14425,"b":"Regeling van het Commissariaat voor de Media van 9 augustus 2011 houdende regels voor de publieke media-instellingen omtrent het bepaalde in artikel 14a, onder c, van het Mediabesluit 2008 in verband met vermijdbare uitingen in het kader van liefdadigheidsacties (Regeling liefdadigheidsacties) Gelet op [artikel 2.89, tweede lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.89), alsmede [artikel 14a, onder c, van het Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036&artikel=14a); Gelet op het feit dat het wenselijk is voor de uitoefening van de toezichthoudende taak van het Commissariaat voor de Media om nadere regels te stellen over en invulling te geven aan voornoemde reclamebepalingen uit de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) en het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); Besluit: Artikel 1. Strekking van de regeling Deze regeling heeft betrekking op de wettelijke voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Definities en reikwijdte In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **besluit:** het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); - b. **wet:** de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028). Artikel 3 Onder een liefdadigheidsactie als bedoeld in [artikel 14a, onder c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036&artikel=14a) wordt in deze regeling verstaan een actie waarbij het publiek wordt opgeroepen tot het schenken van geld of goederen of tot het op andere wijze leveren van een bijdrage ten behoeve van een goed doel. Artikel 4. Toegestane uitingen Onverminderd het bepaalde in de [artikelen 9 tot en met 14 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036&artikel=9) zijn vermijdbare uitingen in het media-aanbod in het kader van een liefdadigheidsactie toegestaan, voor zover - a. de vermijdbare uitingen uitsluitend zijn opgenomen in me"},{"i":13147,"b":"Compensatieregeling Coronacrisis Meerjarige Kunstpodia Vijfde Steunmaatregel Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en op de [Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043634). Besluit: Artikel 1. Definities In de regeling wordt verstaan onder: - 1. **het fonds:** het Mondriaan Fonds, - 2. **het bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds, - 3. **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de bijzondere gemeentes Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. - 4. **eigen inkomsten:** de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening: Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten: - a. publieksinkomsten; en - b. overige inkomsten, zijnde: - 1. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten; - 2. indirecte opbrengsten; en - 3. overige bijdragen. - a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; - b. overige bijdragen uit publieke middelen; - c. rentebaten; - d. bijdragen in natura; - e. kapitalisatie van vrijwilligers; - f. waardering vrijkaarten; en - g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap. - 5. **reserves:** vrij besteedbaar vermogen, behorende tot: - a. de algemene reserve; en - b. het stichtingskapitaal. Artikel 2. Doel Het fonds kan subsidie verstrekken in de vorm van een bijdrage aan instellingen die tot primair doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren en die als gevolg van COVID-19-maatregelen worden geconfronteerd met inkomstenderving als een gedeeltelijke tegemoetkoming in deze gederfde inkomsten. Artikel 3. Doelgroep 1. Subsidie voor instellingen waaraan in de jaren 2021–2024, waaronder in elk geval in 2021, voor tenminste twee aaneengesloten jaren op basis van een positief advies"},{"i":12369,"b":"Besluit van 30 Maart 1944, houdende instelling van den Bronzen Leeuw Op de voordracht van Onze Ministers van Algemeene Zaken a.i., van Oorlog, van Marine, van Waterstaat, van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Koloniën, d.d. 27 Maart 1944 No. 76; Overwegende, dat het wenschelijk is een onderscheiding in te stellen tot belooning van bijzonder moedige en beleidvolle daden in den strijd tegenover den vijand, welke nog niet voor een beloning met een onderscheiding in de Militaire Willemsorde in aanmerking komen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Er wordt ingesteld de **Bronzen Leeuw**. Artikel 2 De Bronzen Leeuw wordt door Ons toegekend aan militairen in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden, die zich in den strijd tegenover den vijand door het bedrijven vam bijzonder moedige en beleidvolle daden hebben onderscheiden. Artikel 3 De Bronzen Leeuw kan, om redenen, vermeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036405&artikel=2&z=2015-07-01&g=2015-07-01), mede worden toegekend aan: - 1. niet-militairen, Nederlander of Nederlandsch onderdaan zijnde; - 2. vreemdelingen, indien hun optreden heeft gestrekt ten behoeve van den Nederlandschen Staat. Artikel 4 Het versiersel van den Bronzen Leeuw, waarvan het model nader zal worden vastgesteld, bestaat uit een kruis uitgevoerd in brons en gedekt door een cirkelvormig schild. Op de voorzijde is en relief aangebracht de gekroonde Nederlandsche Leeuw. De keerzijde van het kruis is vlak en zonder versiering. Het kruis is bevestigd aan een 37 millimeter breed zijnden lint verdeeld in negen gelijke verticale banen, afwisselend oranje en Nassausch blauw, de banen aan de randen beide Nassausch blauw. Artikel 5 Zij, aan wie de Bronzen Leeuw reeds eenmaal is toegekend, en die daarna wederom door gelijkwaardige daden in aanmerking komen voor die onderscheiding, dragen het Arabisch cijfer „2” in goud op het lint van den Bronzen Leeuw. Bij een volgende gelijkwaardige daad kan het cijfer „2” worden verhoogd t"},{"i":12718,"b":"Besluit van 16 maart 2020, houdende vaststelling van de bestanddelen van de beeldenaar van de munten van vijf en tien euro die in 2020 worden uitgegeven ter gelegenheid van 75 jaar vrijheid Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 13 maart 2020, nr. 2020-0000036067, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Muntwet 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013064&artikel=4); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De bestanddelen van de beeldenaar van de zilveren vijf-euromunt en de gouden tien-euromunt die worden uitgegeven ter gelegenheid van 75 jaar vrijheid: - a. op de voorzijde, overeenkomstig onderstaande afbeelding: in het midden Onze beeltenis en profil, afgebeeld door een lint, met ter linkerzijde, verticaal weergegeven, de tekst «WILLEM-ALEXANDER» en «KONING DER NEDERLANDEN; - b. op de keerzijde, overeenkomstig onderstaande afbeeldingen: in het midden het getal «75», afgebeeld door een lint, met daarin de tekst «JAAR» en «VRIJHEID», ter linkerzijde het muntmeestersteken en «2020», en aan de bovenzijde respectievelijk «10 €» en «5 €» en het muntteken. 2. De vijf-euromunt heeft een gladde rand en draagt het randschrift «GOD * ZIJ * MET * ONS». 3. De tien-euromunt heeft een fijngeribbelde rand. Artikel 2 De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) maakt een voorbehoud als bedoeld in [artikel 15b van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15b) met betrekking tot de beeldenaars van de munten, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043374&artikel=1&z=2020-05-05&g=2020-05-05). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 5 mei 2020. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 4 mei 2020, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 5 mei 2020. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van"},{"i":12710,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 juni 2017, kenmerk 1143247-164699-CZ, houdende vaststelling van beleidsregels voor het subsidiëren van eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties 2018 en intrekking van het Beleidskader eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties Gelet op [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1 1. De beleidsregels voor het verstrekken van subsidies voor het subsidiëren van eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties 2018 worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. 2. Deze beleidsregels vervallen met ingang van 1 januari 2025, met dien verstande dat dit beleidskader van toepassing blijft op subsidies die op grond hiervan worden verstrekt. Artikel 2 Het Beleidskader eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties, vastgesteld op 19 januari 2015, vervalt met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat dit beleidskader van toepassing blijft op subsidies die op grond hiervan zijn verstrekt. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. bij het Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties 2018 en intrekking van het Beleidskader eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties Beleidskader eerstelijnscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties 2018 Inleiding De zorg binnen de eerstelijn kenmerkt zich door een generalistische zorgverlening en laagdrempelige toegang. Deze zorg in de buurt is gericht op de mens in zijn omgeving en heeft een ambulant karakter. Geïntegreerde eerstelijnszorg betreft multidisciplinaire eerstelijnszorg, die door meerdere zorgaanbieders met verschillende disciplinaire achtergronden in samenhang wordt geleverd. De gebruikelijke manier waarop geïntegreerde eerstelijnszorg tot stand komt is"},{"i":12581,"b":"Besluit van 20 december 2001 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en in verband daarmee van enige andere socialezekerheidswetten (Besluit SUWI) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 19 oktober 2001, Nr SUWI/SEC/2001/71128; Gelet op de [artikelen 13, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=13), [25, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=25), [28, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=28), en[73, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=73), de [artikelen 125, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=125), en [145, eerste lid, van de Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=145), de [artikelen 48, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=48), en [64, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=64), de [artikelen 48, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=48), en [64, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=64), de [artikelen 8, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=8), [10, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=10), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=14), [15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009565&artikel=15), en[33a, vierde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten](htt"},{"i":12582,"b":"Besluit van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 1 oktober 2025, nr. INC003, tot vaststelling van een Oproep Digitale Autonomie Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek, Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Gelet op de [artikelen 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3) en [8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: 2. Journalistiek probleem Het Stimuleringsfonds roept op tot deelname aan een Incubator gericht op het zoeken van oplossingen voor het volgende journalistieke probleem: Het mediagebruik van het publiek verschuift in toenemende mate naar platformen, zoals die van Meta, TikTok en Google. De zichtbaarheid en het bereik van journalistiek worden daarmee ook in toenemende bepaald door deze platformen. Deze platformen worden gestuurd door ondoorzichtige algoritmen, waar redacties geen grip op hebben. Daardoor wordt het lastiger voor de journalistiek om rechtstreeks digitaal een band op te bouwen met het publiek. Dit verkleint de digitale autonomie van journalistieke organisaties. Als Stimuleringsfonds zetten we ons in om de kwaliteit, diversiteit en onafhankelijkheid van de journalistiek in Nederland te versterken. Elke burger zou toegang moeten hebben tot journalistiek die aansluit bij diens gebruiksbehoefte en daarmee bijdraagt aan een sterke democratische informatiepositie. Deze oproep is voortgekomen uit gesprekken met journalistieke organisaties en met experts en onderzoekers op het gebied van technologie en journalistiek. Zij onderschrijven de noodzaak dat journalistieke organisaties meer zeggenschap krijgen over digitale distributie en over directe kanalen met het publiek. Onder digitale autonomie verstaan we dat journalistieke organisaties de directe relatie met hun publiek zelf kunnen vormgeven. Dat betekent zelf zeggenschap houden over de kanalen, de data en"},{"i":14465,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 25 september 2025, nr. 5460249 houdende vaststelling van het model huisregels voor de afdeling voor intensief toezicht en de extra beveiligde inrichting Gelet op [artikel 5, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=5); Gezien het advies van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming van 3 april 2025, kenmerk 6230876; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Penitentiaire beginselenwet (aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie) in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **wet:** [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709). Artikel 2 1. De directeur van een afdeling voor intensief toezicht of een extra beveiligde inrichting stelt, in aanvulling op de bij of krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709) gegeven regels, met inachtneming van het model opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051594&bijlage=1&z=2025-11-01&g=2025-11-01) en de daarbij gegeven aanwijzingen huisregels voor zijn afdeling of inrichting vast. 2. De directeur stelt de huisregels binnen twee dagen na inwerkingtreding van deze regeling vast. Artikel 3 De ‘[Regeling model huisregels Extra Beveiligde Inrichting/Afdeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047620)’ wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze Regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [wet van 14 juli 2025 houdende wijziging van de Penitentiaire beginselenwet in verband met aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051297) (Stb. 2025, 197) in werking treedt. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling model huisregels AIT en EBI. Bijlage 1. Model huisregels AIT Huisregels afdeling voor intensief toezicht (naam penitentiaire inrichting"},{"i":14464,"b":"Regeling houdende nadere regels ten aanzien van het register van mobiele objecten (Regeling mobiele-objectenregister) Gelet op [artikel 70l van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=70l); Besluit: Artikel 1. Inhoud van het register 1. Het register van mobiele objecten, bedoeld in [artikel 70l van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=70l), bevat gegevens ten aanzien van diefstal, verduistering of vermissing in Nederland van de volgende objecten: - a. niet-gekentekende en niet-kentekenplichtige motorrijtuigen en aanhangwagens; - b. buitenlands gekentekende motorrijtuigen of aanhangwagens; - c. pleziervaartuigen. 2. Onder de in het eerste lid bedoelde gegevens die, voor zover bekend, worden geregistreerd worden verstaan: - a. soort object; - b. model- en typebeschrijving; - c. voertuig identificatienummer, framenummer, motornummer, hull identification number, craft identification number of andere zichtbare kenmerken van het object; - d. naam, adres, woonplaats en telefoonnummer van degene die aangifte heeft gedaan van de diefstal, verduistering of vermissing van een object als bedoeld in het eerste lid; - e. datum van de diefstal, verduistering of vermissing; - f. plaats van aangifte, en - g. proces-verbaalnummer van de aangifte. Artikel 2. Verstrekking van gegevens 1. Uit het register van mobiele objecten worden op door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze gegevens verstrekt aan: - a. de politie binnen Nederland, ten behoeve van de opsporing van gestolen, verduisterde en vermiste mobiele objecten alsmede het traceren van de eigenaar van de mobiele objecten; - b. de Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit, ten behoeve van het formuleren van strategisch beleid op nationaal- en internationaal niveau met betrekking tot gestolen of vermiste mobiele objecten; - c. de Stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit, ten behoeve van schade-afwikkeling, fraudebestrijding en criminalitei"},{"i":11870,"b":"Beperkende bepalingen openbaarheid archiefbescheiden Bureau invordering Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief overgebrachte archiefbescheiden van het archief van het Bureau Invordering van het ministerie van Binnenlandse Zaken (1942) 1945-1960 (1976), de hierna volgende beperking gesteld. 1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 1 tot en met 1984 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen Rijksarchief gehanteerde Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. 2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien: - a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op hemzelf; - b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden; - c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie een dossier betrekking heeft toestemming geeft voor inzage; - d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen. 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken. Artikel 2 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, overeenkomstig het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staat"},{"i":14498,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 22 november 2013, nr. 2013 – 0000717365, houdende vaststelling van de indeling van de toegelaten instellingen volkshuisvesting in klassen met daarbij toepasselijke bezoldigingsmaxima ten aanzien van hun topfunctionarissen (Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen toegelaten instellingen volkshuisvesting 2014) Gelet op de [artikelen 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.7) en [2.9 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.9); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **toegelaten instelling:** krachtens [artikel 19, eerste lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=19) toegelaten rechtspersoon; - b. **wet:** [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249). Artikel 2. Indeling in bezoldigingsklassen Een toegelaten instelling wordt ingedeeld in een bezoldigingsklasse overeenkomstig de bij deze regeling behorende tabel. Artikel 3. Bezoldigingsmaxima De bezoldiging van een topfunctionaris van een toegelaten instelling bedraagt per bezoldigingsklasse in 2026 ten hoogste: | Bezoldigingsklasse | Maximale bezoldiging | | --- | --- | | A | € 123.000 | | B | € 140.000 | | C | € 155.000 | | D | € 164.000 | | E | € 192.000 | | F | € 219.000 | | G | € 245.000 | | H | De maximale bezoldiging, bedoeld in [artikel 2.3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.3). | Artikel 4. Indeling in een andere klasse 1. Een aanvraag als bedoeld in [artikel 2.7, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.7) van een toegelaten instelling om met ingang van een kalenderjaar te worden ingedeeld in een andere klasse dan die waarin zij volgens de bij deze regeling behorende tabel is ingedeeld, wordt ingediend voor 1 maart van het kalenderjaar. 2."},{"i":11993,"b":"Besluit van de Minister van Financiën d.d. 15 januari 2009, nr. BenC 2009-108 N, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archief van de Liquidatie van Verwalthung Sarphatistraat (LVVS) en van de Vermögensverwaltungs- en Rentenanstalt (VVRA), over de periode (1929) 1941–1958. De archiefbescheiden betreffen een aanvulling op de archiefbescheiden die ingevolge het besluit van 18 oktober 2004, nr. IAZ/2004/881 reeds naar het Nationaal Archief zijn overgebracht en zijn afkomstig van het Agentschap van het ministerie van Financiën Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gezien het advies van het Nationaal Archief d.d. 6 januari 2009 nr. C/S&A/08/2478; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Liquidatie van de Verwalthung Sarphatistraat (LVVS) en van de Vermögensverwaltungs- en Rentenananstalt (VVRA) over de periode (1929) 1941–1958, met het inventarisnummers zoal opgenomen in de bijlage, de in het volgende artikel genoemde beperkingen gesteld voor een termijn van vijfenzeventig jaren gerekend vanaf vanaf de datum vermeld op de archiefbescheiden, echter minimaal durende tot 2019 en maximaal durende tot 2041. Artikel 2 Raadpleging van de in het [vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025275&artikel=1&z=2009-02-08&g=2009-02-08) genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruik gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. Artikel 3 Deze"},{"i":14504,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 30 november 2015, nummer CvTE-15.02159, houdende vaststelling van regels voor de omzetting van scores in cijfers bij centrale examens en de rekentoets in het voortgezet onderwijs (Regeling omzetting scores in cijfers centrale examens en rekentoets VO 2016) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel e, en lid 2a van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 19 januari 2016, nummer 868228; Besluit: Artikel 1. centrale examens VO De omzetting van scores in cijfers bij centrale examens VO, bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2) geschiedt op de in de [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037590&bijlage=1&z=2024-03-09&g=2024-03-09) bij deze regeling vastgestelde wijze. Artikel 2. rekentoets VO Vervallen Artikel 3. tijdelijke speelruimte centraal schriftelijk en praktisch examen Vervallen Artikel 4. inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5. intrekking De [Regeling omzetting scores in cijfers centrale examens en rekentoets VO 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036522) van 9 februari 2015, wordt ingetrokken. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling omzetting scores in cijfers VO. Bijlage 1. Wijze van omzetting van scores in cijfers bij centrale examens VO als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037590&artikel=1&z=2024-03-09&g=2024-03-09) De instructies die het CvTE toepast om tot de N-termen te komen 1. Uitgangspunt De normering van de centrale examens dient er zorg voor te dragen dat in opeenvolgende jaren aan kandidaten bij eenzelfde centraal examen (vak en schoolty"},{"i":12068,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 26 februari 2018, houdende de beperking van de openbaarheid van een aantal inventarisnummers van het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Ierland te Dublin, 1975–2013, bij overbrenging naar het Nationaal Archief (Besluit beperking openbaarheid Dublin, 1975–2013) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris, d.d. 22 februari 2018, nummer 1250974; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 1 | 2079 | | 5 | 2082 | | 6 | 2081 | | 7 | 2081 | | 8 | 2080 | | 13 | 2079 | | 95 | 2081 | | 97 | 2081 | | 99 | 2082 | | 115 | 2071 | | 127 | 2076 | | 137 | 2081 | | 138 | 2084 | | 146 | 2079 | | 210 | 2054 | | 214 | 2055 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 132 | 2059 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040696&artikel=1&z=2018-03-13&g=2018-03-13), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. 2. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd"},{"i":14531,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende het verlenen van subsidie aan de samenwerkingsgebieden en aan de Vereniging Nederlandse Gemeenten ten behoeve van de personele en bestuurslasten die voortvloeien uit het convenant VERDI voor het jaar 2003 (Regeling overdracht personele middelen convenant VERDI 2003) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009196&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de minister van Verkeer en Waterstaat; - b. **samenwerkingsgebied:** een samenwerkingsgebied als bedoeld in [artikel 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=2), waarop [artikel 2 van de Kaderwet bestuur in verandering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006620&artikel=2) van toepassing is verklaard; - c. **VNG:** de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; - d. **fte:** full-time equivalent; - e. **kenniscentrum:** het instituut om de kennisuitwisseling tussen de overheden op het gebied van verkeer en vervoer te stimuleren en te faciliteren; - g. **convenant VERDI:** het op 29 maart 1996 gesloten convenant tussen het ministerie van Verkeer en Waterstaat, het ministerie van Binnenlandse Zaken, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten ter uitwerking van het hoofdlijnenakkoord inzake de decentralisatie en regionalisering van het verkeer en vervoer. Artikel 2 De minister verleent: - a. aan de samenwerkingsgebieden voor het jaar 2003 een subsidie in het kader van de ontwikkeling van regionaal verkeers- en vervoerbeleid ten behoeve van de personeelskosten die verbonden zijn aan de overdracht van fte's in het kader van het convenant VERDI; - b. aan de VNG voor het jaar 2003 een subsidie ten behoeve van de financiering van de personele middelen en de overige lasten die verbonden zijn aan de uitvoering van de taken van het kenniscentrum. Artikel 3 1. De subsi"},{"i":9941,"b":"Bekendmaking wijziging methoden van onderzoek kennisgevingen Wet milieugevaarlijke stoffen Gelet op [richtlijnen nr. 92/69/EEG](31992L0069) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 31 juli 1992 houdende zeventiende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek en [nr. 93/21/EEG](31993L0021) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 27 april 1993 houdende achttiende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van [Richtlijn 67/548/EEG](31967L0548) van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 383 en PbEG L 110) en op [artikel 4, eerste lid, van het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004050&artikel=4); Besluiten: Voor de toepassing van [artikel 4, eerste lid, van het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004050&artikel=4) treden ten aanzien van bijlage V van de richtlijn, genoemd in dat artikel, in werking: - a. met ingang van 30 oktober 1993: de wijziging die wordt aangebracht door [richtlijn nr. 92/69/EEG](31992L0069) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 31 juli 1992 houdende zeventiende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van [Richtlijn 67/548/EEG](31967L0548) van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 383); - b. met ingang van 1 juli 1994: de wijziging die wordt aangebracht door [richtlijn nr. 93/21/EEG](31993L0021) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 27 april 1993 houdende achttiende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van [Richtlijn 67/548/EEG](31967L0548) van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L"},{"i":14808,"b":"Regeling vaststelling modellen meetbrieven Gelet op [artikel 6, eerste lid, van het Meetbrievenbesluit 1981](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003417&artikel=6); Besluit: Artikel 1 1. De Internationale Meetbrief (1969) wordt vastgesteld volgens het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I. 2. De bijzondere meetbrief wordt vastgesteld volgens het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage II. 3. De bijzondere meetbrief voor pleziervaartuigen wordt vastgesteld volgens het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage III. 4. De bijzondere meetbrief voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 15 meter wordt vastgesteld volgens het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage IV. Artikel 2 Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling vaststelling modellen meetbrieven. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1993. Deze regeling zal met de toelichting worden geplaatst in de Staatscourant. De bij deze regeling behorende bijlagen liggen voor een ieder ter inzage bij de Scheepsmetingsdienst te Rotterdam en bij de bibliotheek van het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken te Rijswijk."},{"i":14635,"b":"Regeling van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 juni 2005, nr. TRCJZ/2005/1614, houdende regels met betrekking tot de subsidiering van het Actieplan BBI-Matra 2005–2008 en tot wijziging van de Regeling diverse subsidieplafonds en aanvraagperioden LNV Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken; Gelet op [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009194&artikel=2) en [4 van de Kaderwet LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009194&artikel=4); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. Dienst Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. Actieplan: Actieplan BBI-Matra 2005–2008; - c. kandidaat-lidstaten: Europese staten die op grond van [artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie](onbekend) een verzoek hebben ingediend om lid te worden van de Europese Unie, welk verzoek door de Raad van de Europese Unie in behandeling is genomen; - d. oosterbuurlanden: Russische Federatie, Oekraïne, Wit-Rusland, Moldavië, Georgië en Armenië; - e. doellanden: kandidaat-lidstaten, de oosterbuurlanden, Servië, Montenegro, Kroatië en Marokko; - f. project: geheel van activiteiten gericht op concrete resultaten ter verwezenlijking van de in deze regeling omschreven subsidiedoelstellingen alsmede gericht op samenwerking, communicatie en kennisoverdracht. Artikel 2 Op de voet van deze regeling kan de minister op aanvraag subsidie verstrekken in de kosten van projecten die een bijdrage leveren aan de uitvoering van het Actieplan. Artikel 3 Voor subsidie komen in aanmerking in Nederland gevestigde privaatrechtelijke rechtspersonen en rechtspersonen naar Nederlands publiekrecht, waarvan de doelstelling past binnen het doel van de subsidieverstrekking en die naar het oordeel van de Minister voldoende kunnen aantonen dat zij in één of meer van de doellanden samenwerken met en ondersteuni"},{"i":14621,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 23 september 2019, houdende regels met betrekking tot de implementatie en invoering van specifieke bepalingen en opties en discreties uit de richtlijn en verordening kapitaalvereisten (Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR 2019) Na overleg met de representatieve organisaties en consultatie; Gelet op de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), in het bijzonder [artikel 3:62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:62a); Gelet op het [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420), in het bijzonder de [artikelen 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=105), [105a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=105a) en [105e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=105e); Gelet op [artikel 2 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032230&artikel=2); Gelet op [Richtlijn nr. 2013/36](32013L0036)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van [Richtlijn 2002/87/EG](32002L0087) en tot intrekking van de [Richtlijnen 2006/48/EG](32006L0048) en [2006/49/EG](32006L0049); in het bijzonder de artikelen 128 en 141; Gelet op Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, in het bijzonder de artikelen 89 lid 3, 178 lid 1, 282 lid 6, 380, 400 lid 2, 471 lid 1, 473 lid 1, 478 lid 3 en 486 lid 6; Gelet op Richtsnoer (EU) nr. 2017/697 van de Europese Centrale Bank van 4 april 2017 betreffende de wijze waarop nationale bevoegde autoriteiten met betrekking tot minder belangrijke instellingen gebruikm"},{"i":14622,"b":"Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 28 oktober 2021 houdende regels met betrekking tot de berekening van het solvabiliteitsvereiste uit de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen voor beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s die tevens beleggingsdiensten verlenen, en regels met betrekking tot de implementatie van specifieke bepalingen uit de richtlijn prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en de uitvoering van specifieke bepalingen van de verordening kapitaalvereisten (Regeling specifieke bepalingen IFR en IFD) Na overleg met de representatieve organisaties en consultatie; Gelet op het [Besluit prudentiële regels Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420), in het bijzonder [artikel 59, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020420&artikel=59); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel N, van het Implementatiebesluit prudentieel toezicht beleggingsondernemingen in werking treedt. Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen Artikel 1:1. – definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - b). **IFD:** Investment Firm Directive of richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, oftewel [Richtlijn (EU) 2019/2034](32019L2034) van het Europees parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van [Richtlijnen 2002/87/EG](32002L0087), [2009/65/EG](32009L0065), [2011/61](32011L0061)/EU, [2013/36](32013L0036)/EU, [2014/59](32014L0059)/EU en [2014/65](32014L0065)/EU (PbEU 2019, L 314); - c). **IFR:** Investment Firm Regulation of verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, oftewel [Verordening (EU) 2019/2033](32033R2019) van het Europees parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van [Verordeningen (EU) nr. 1093/2010](32010R1093), [(EU) nr. 575/2013](32013R0575),"},{"i":11899,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 28 februari 2014, kenmerk, 00.022.537 tot instelling van een externe adviesraad Gelet op [artikel 10 van het Bestuursreglement kansspelautoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033146&artikel=10); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **adviesraad:** externe Adviesraad kansspelautoriteit als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034924&artikel=2&z=2014-03-18&g=2014-03-18); - b. **raad:** raad van bestuur van de kansspelautoriteit, bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - c. **wet:** [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2 Er is een externe Adviesraad kansspelautoriteit. Artikel 3 De adviesraad heeft tot taak de raad gevraagd en ongevraagd te adviseren over ontwikkelingen die op langere termijn de werkzaamheden van de kansspelautoriteit kunnen beïnvloeden en daarbij tijdig te wijzen op omissies, tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten, probleemstellingen te formuleren ten aanzien van grote beleidsvraagstukken, en beleidsalternatieven aan te geven. Artikel 4 In het licht van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034924&artikel=3&z=2014-03-18&g=2014-03-18) geformuleerde taakstelling beziet de adviesraad jaarlijks de begroting, het werkplan, het jaarverslag en andere van belang zijnde publicaties van de kansspelautoriteit. Artikel 5 1. De adviesraad bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en vier onafhankelijke leden. 2. De raad benoemt en ontslaat de voorzitter en de leden van de adviesraad. 3. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar en kunnen ten hoogste twee maal worden herbenoemd. Artikel 6 De adviesraad komt zo vaak bijeen als de voorzitter van de adviesraad wenselijk acht, maar ten minste twee keer per jaar. Artikel 7 De raad stelt voor de werkzaamheden van de voorzitter"},{"i":14632,"b":"Regeling studiefinanciering 2000 Gelet op de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.3), [2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=2.12), [2.14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=2.14), [3.7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.7), [3.24, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.24), [3.26, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.26), [3.27, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.27), [3.28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.28), [3.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.29), [6.9, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=6.9), en [7.4, vijfde en zesde lid, van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=7.4); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Drager:** drager als bedoeld in [artikel 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011595&hoofdstuk=4&artikel=4.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **Persoonlijk online account:** persoonlijk account in de webomgeving van RSR, waarin een student met reisrecht zijn reisproduct kan koppelen aan een drager; - **wet:** [Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453). Hoofdstuk 2. Regeling omtrent aanvraag Artikel 2.1. Formulieren Gegevens die nodig zijn voor de toekenning van studiefinanciering, worden door de student, diens partner of diens ouders, verstrekt door invulling en inlevering of elektronische verzending van daartoe bestemde door de Minister te verstrekken formulieren. Artikel 2.2. De studentenchipkaart Vervallen Artikel 2.3. Aanvraagprocedure 1. In de aanvraag om toekenning van studiefinanci"},{"i":14633,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 juni 2011, nr. 303947 (4903), houdende regelen omtrent de studiefinanciering BES (Regeling studiefinanciering BES) Gelet op de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=1.1), [2.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=2.3), [4.7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=4.7), [4.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=4.9), [5.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=5.2), en [7.2 van de Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=7.2); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - •. **de Minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;. - •. **wet:** [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393); - •. **WHW:** [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682); - •. **WEB BES:** [Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395). Hoofdstuk 2. Criteria opleidingen anders dan opleidingen als bedoeld in de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) en de [WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) Artikel 2. Criteria 1. Voor opleidingen vergelijkbaar met opleidingen als bedoeld in de [WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) en de [WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395) gelden de volgende criteria: - a. de opleiding wordt verzorgd in of op de Amerikaanse Maagdeneilanden, Anguilla, Antigua en Barbuda, Aruba, Bahama’s, Barbados, Belize, Bermuda, de Britse Maagdeneilanden, Canada, Colombia, Costa Rica, Cuba, Curaçao, Dominica, Dominicaanse Republiek, Grenada, Guadeloupe, Haïti, Jamaica, de Kaaimaneilanden, Montserrat, Navassa, Puerto Rico, Sint Bartholomeus"},{"i":14764,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 20 november 2023, 2024-0000257460, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2024 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); BESLUIT: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2024: | Categorie 1 | € 37,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 3 | € 37,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 6 | € 12,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1, 3, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 12,50 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 12,50 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14822,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 december 2013, kenmerk 178078-114442-Z, houdende vaststelling van de standaardpremie 2014 (Regeling vaststelling standaardpremie 2014) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie wordt voor het jaar 2014 vastgesteld op € 1329,–. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie 2014. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14823,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 28 november 2014, kenmerk 695128-130214-Z, houdende vaststelling van de standaardpremie 2015 (Regeling vaststelling standaardpremie 2015) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie wordt voor het jaar 2015 vastgesteld op € 1408,–. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14766,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 25 november 2025, 2025-0000534806, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2026 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); BESLUIT: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2026: | Categorie 1 | € 37,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 3 | € 37,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 6 | € 12,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1, 3, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 12,50 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 12,50 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3427,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 18 juli 2019, kenmerk 2583709 betreffende de digitale vervanging van archiefbescheiden van het bestuursdepartement van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Besluit digitale vervanging archiefbescheiden bestuursdepartement Justitie en Veiligheid 2019) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **archiefbescheiden:** - 1. bescheiden, ongeacht hun vorm, door de overheidsorganen ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - 2. bescheiden, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op enig overheidsorgaan zijn overgegaan; - b. **bestuursdepartement:** de departementsleiding alsmede de beleids-, staf- en bedrijfsvoeringonderdelen ter ondersteuning van de departementsleiding; - c. **vervanging:** het vervangen van archiefbescheiden door digitale reproducties, teneinde de aldus vervangen archiefbescheiden te vernietigen. Artikel 2. Reikwijdte 1. Dit besluit is van toepassing op archiefbescheiden zoals bedoeld in [artikel 1 onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042473&artikel=1&z=2019-07-31&g=2019-07-31) van dit besluit. 2. Dit besluit is niet van toepassing op: - a. archiefbescheiden die in verband met de aard, inhoud, vorm of fysieke toestand van de bescheiden niet geschikt zijn om te worden vervangen door digitale reproducties; - b. archiefbescheiden die krachtens verdragen of op grond van wettelijke bepalingen in hun oorspronkelijke vorm moeten worden bewaard. Artikel 3. Vervangen en"},{"i":4679,"b":"Instelling Commissie van Externe Deskundigen voor Subsidieprogramma Transportpreventie Gelet op het Programma Transportpreventie (Staatscourant 2000, nr. 37); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011367&artikel=2&z=2004-01-29&g=2004-01-29); - b. **Minister:** Minister van Verkeer en Waterstaat; - c. **programma:** door de Minister vastgesteld Programma Transportbesparing; - d. **programmabeheerder:** het agentschap van het Ministerie van Economische Zaken ‘Senter’; - e. **subsidie:** subsidie in het kader van het Programma Transportbesparing. Artikel 2 Er is een Adviescommissie van het Programma Transportbesparing. Artikel 3 De commissie heeft tot taak de minister: - a. te adviseren omtrent aanvragen om subsidie; - b. op verzoek van de minister te adviseren omtrent overige zaken betreffende het programma. Artikel 4 1. De leden van de commissie worden benoemd en ontslagen door de minister. Zij worden voor vier jaar benoemd. 2. Ter gelegenheid van de instelling van de commissie worden tot lid van de commissie benoemd: - prof. drs. jhr. M.J. Ploos van Amstel, tevens voorzitter - mr. drs. R. de Bondt - dr. H. Geerlings - ing. F.J. de Groot. Artikel 5 De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. Artikel 6 Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en de vaststelling van advies indien hij: - a. uit anderen hoofde dan zijn taak bij de commissie betrokken is bij een aanvraag om subsidie in het kader van het programma; - b. belang heeft bij het inwilligen dan wel afwijzen van de aanvraag om subsidie. Artikel 7 Ter uitvoering van haar taak kan de commissie bepaalde personen: - a. ter vergadering uitnodigen om hun mening uiteen te zetten of inlichtingen te verstrekken; - b. verzoeken inlichtingen te verstrekken. Artikel 8 Een ieder die betrokken is bij de werkzaamheden van het college en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij he"},{"i":2577,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Klimaat en Energie van 12 december 2023, nr. WJZ/ 37829962, houdende beleidsregels inzake de wijziging van de vergunningen windenergie op zee voor de kavels Alpha en Beta in windenergiegebied IJmuiden Ver (Beleidsregel wijziging van de vergunningen windenergie op zee voor kavels Alpha en Beta in windenergiegebied IJmuiden Ver) Gelet op [artikel 17, vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **aanvraag:** aanvraag om wijziging van een vergunning als bedoeld in [artikel 17, vierde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=17); - **kavel Alpha:** kavel Alpha als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling vergunningverlening kavel Alpha in windenergiegebied IJmuiden Ver](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049179&artikel=1); - **kavel Beta:** kavel Beta als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling vergunningverlening kavel Beta in windenergiegebied IJmuiden Ver](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049182&artikel=1); - **minister:** Minister voor Klimaat en Energie; - **wet:** [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752). Artikel 2 Deze beleidsregel is van toepassing op de aanvraag voor een wijziging van een vergunning die overeenkomstig [artikel 25b van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=25b) is verleend voor kavel Alpha of kavel Beta. Artikel 3 1. Een aanvraag gaat vergezeld van toelichting die inzichtelijk maakt wat de invloed van de beoogde wijziging van de vergunning is op: - a. de locatie van de productie-installatie; - b. het geïnstalleerde vermogen van de productie-installatie; - c. de mate waarin wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, van de"},{"i":3332,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 21 oktober 2022 nr. BOACAT2022/073, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Vlaardingen Gelezen het verzoek van de gemeente Vlaardingen van 22 september 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047379&artikel=2&z=2022-10-29&g=2022-10-29). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhavers/Boa in dienst van gemeente Vlaardingen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlij"},{"i":4117,"b":"Besluit van 23 november 1972, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 24 van de wet van 15 juni 1972, Stb. 449, tot gemeentelijke herindeling van Noordwest-Overijssel Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken a.i. van 24 juli 1972, nr. AW71/2694, Directoraat-Generaal Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1972, **Stb.** 449, tot gemeentelijke herindeling van Noordwest-Overijssel; De Raad van State gehoord (advies van 30 augustus 1972, nr. 10); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 13 november 1972, nr. AW72/2424, Directoraat-Generaal Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Dit besluit verstaat onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet (**Stb.** 1986, 540); - c. pensioen: een pensioen in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet; - d. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens. Artikel 2 1. Dit besluit verstaat onder **betrokkene**: - a. de ambtenaar in tijdelijke dienst wiens dienstverband minder dan vijf jaren heeft geduurd dan wel van kennelijk tijdelijke aard was; - b. de werknemer in dienst op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, terwijl hem door het rijk ter zake van zijn arbeidsverhouding invaliditeitspensioen is verzekerd, dan wel zal zijn verzekerd indien het met hem voor langer dan zes maanden of voor onbepaalde tijd aangegane dienstverband zes maanden heeft geduurd, die ten gevolge van een wet tot herindeling van gemeenten wordt ontsla"},{"i":4118,"b":"Besluit van 23 november 1972, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 23 van de wet van 15 juni 1972, Stb. 449, tot gemeentelijke herindeling van Noordwest-Overijssel Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken a.i. van 24 juli 1972, nr. AW71/2694, Directoraat-Generaal Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden; Gelet op artikel 23 van de wet van 15 juni 1972, **Stb**. 449, tot gemeentelijke herindeling van Noordwest-Overijssel; De Raad van State gehoord (advies van 30 augustus 1972, nr. 10); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 13 november 1972, nr. AW72/2424, Directoraat-Generaal Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Dit besluit verstaat onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; - b. betrokkene: - (1). de ambtenaar in vaste dienst; - (2). de ambtenaar in tijdelijke dienst, mits dit dienstverband ten minste 5 jaren heeft geduurd en de aanstelling niet is geschied in een betrekking van kennelijk tijdelijke aard, die ten gevolge van een wet tot herindeling van gemeenten wordt ontslagen of geacht wordt ontslagen te zijn; - c. pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet (**Stb.** 1986, 540); - d. pensioen: een pensioen in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet; - e. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens. Artikel 2 1. Dit besluit verstaat onder **diensttijd**: de diensttijd die aan het ontslag voorafgaat en die medetelt voor de pensioenberekening krachtens de pensioenwet of als zodanig zou medetellen, wanneer die tijd door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verk"},{"i":4120,"b":"Besluit van 17 augustus 1974, tot vaststelling van het bedrag, bedoeld in artikel 7b, zevende lid, van de Wet op de kansspelen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 8 juli 1974, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 336/674, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op [artikel 7**b**, zevende lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=7b); De Raad van State gehoord (advies van 24 juli 1974, nr. 8); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 12 augustus 1974, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 378/674, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het bedrag, dat ingevolge [artikel 7**b**, zevende lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=7b) bij het indienen van een aanvraag om een vergunning voor het houden van een winkelweekaktie moet worden betaald aan de Kamer van Koophandel, wordt vastgesteld op f 50,-. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip bedoeld in artikel III, eerste lid, van de Wet van 2 juli 1974 (**Stb.** 441) tot wijziging van de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Lasten en bevelen dat dit besluit in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":14740,"b":"Regeling vacatiegelden leden Centrale Landinrichtingscommissie, commissie beheer landbouwgronden, provinciale commissie beheer landbouwgronden en geschillencommissie Gelet op artikel 12 van het Besluit van 11 september 1985, houdende nadere regelen betreffende de taak, werkwijze en samenstelling van de Centrale Landinrichtingscommissie (Stb. 521), artikel 10 van het Besluit van 30 oktober 1981, houdende voorschriften betreffende de samenstelling en de werkwijze van de Commissie Beheer Landbouwgronden (Stb. 677) en [artikel 1, tweede lid, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Gezien het advies van de Centrale Landinrichtingscommissie en de Commissie Beheer Landbouwgronden; Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Paragraaf 2. Vacatiegelden commissie beheer landbouwgronden Artikel 2 1. Aan de leden en adviserende leden van de commissie beheer landbouwgronden, niet zijnde functionarissen in dienst van het Rijk, van een ander publiekrechtelijk lichaam dan het Rijk of van een door het Rijk in het leven geroepen instelling dan wel van een instelling, welker personeelskosten door het Rijk worden vergoed, indien hun benoeming haar oorzaak vindt in de functie die zij vervullen, wordt voor het bijwonen van een vergadering van de commissie dan wel voor het afleggen van een terreinbezoek een vergoeding van € 72,60 toegekend. 2. Twee of meer vergaderingen dan wel terreinbezoeken op dezelfde dag gelden als één vergadering dan wel terreinbezoek. 3. Aan de fungerend voorzitter van de commissie beheer landbouwgronden, niet zijnde een functionaris in dienst van het Rijk, van een ander publiekrechtelijk lichaam dan het Rijk of van een door het Rijk in het leven geroepen instelling dan wel een instelling, welker personeelskosten door het Rijk worden vergoed, indien zijn benoeming haar oorzaak vindt in de functie die hij vervult, wordt voor het bijwonen van een vergadering naast de i"},{"i":13894,"b":"Onderzoeksprotocol Huis voor Klokkenluiders Het bestuur van het Huis voor klokkenluiders heeft op 15 maart 2021 dit onderzoeksprotocol vastgesteld, met de Wet Huis voor klokkenluiders van 14 april 2016 als basis en in navolging van wat in artikel 3h van die wet is bepaald. Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de [Wet bescherming klokkenluiders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852) (hierna: wet) is dit protocol aangepast op 19 december 2023. De aanpassingen zien vooral op de definitie misstand. Het Huis voor klokkenluiders (hierna: het Huis) is bedoeld voor personen in Nederland1De Wet bescherming klokkenluiders geldt niet in Caribisch Nederland (Bonaire Sint Eustatius, Saba); in de Wet bescherming klokkenluiders is geen expliciete bepaling opgenomen waardoor de wet van toepassing zou zijn in Caribisch Nederland. die melding willen doen van (een redelijk vermoeden van) een werkgerelateerde misstand. Het Huis draagt bij aan een betere bescherming van melders, degene die een melder bijstaat en de betrokken derde. Dit doet het Huis door het geven van advies, het doen van onderzoek en door organisaties te stimuleren hun integriteit te bewaken. De afdeling Onderzoek van het Huis kan, na een positieve beoordeling van de onderzoekstoets2Uit artikel 3a, derde lid, onderdeel a, van de Wet bescherming klokkenluiders volgt dat de afdeling Onderzoek tot taak heeft te beoordelen of een verzoek om een onderzoek in behandeling kan worden genomen met inachtneming van de criteria uit artikel 6 van de Wet bescherming klokkenluiders., onderzoek verrichten naar een vermoeden van een misstand. Ook kan de afdeling Onderzoek van het Huis onderzoek doen naar de bejegening van de melder van een vermoeden van een misstand. De onderzoekstaak van de afdeling Onderzoek van het Huis wordt in [artikel 3a, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037852&artikel=3a) als volgt beschreven: Indien er een schijn van belangenverstrengeling kan ontstaan bij de beh"},{"i":14755,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 28 november 2014, FM 2014/1823 M, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2015 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2015: | Categorie 1 | € 187,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 3 | € 187,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 6 | € 62,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1,3, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 62,50 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 62,50 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14757,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 22 november 2016, 2016-203662, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2017 (Regeling vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden 2017) Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2017: | Categorie 1 | € 37,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 3 | € 37,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 6 | € 12,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1, 3, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 12,50 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 12,50 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14786,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 januari 2019, nr. 2018-0000159940, tot vaststelling van de formulieren in gebruik bij het landelijk register kinderopvang 2019 Gelet op [artikel 5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030892&artikel=5), en [artikel 7, vijfde lid, van het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030892&artikel=7); Besluit: Artikel 1 Als aanvraagformulieren voor exploitatie van een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang, voor exploitatie van een gastouderbureau en voor exploitatie van een gastouderopvang, worden vastgesteld de bij deze regeling gevoegde [bijlagen 1 tot en met 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041844&bijlage=1&z=2022-01-01&g=2022-01-01). Artikel 2 Als formulieren voor het doorgeven van wijzigingen aan de gemeente door een houder van een geregistreerd kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang, voor het doorgeven van wijzigingen aan de gemeente door een houder van een geregistreerd gastouderbureau en voor het doorgeven van wijzigingen aan de gemeente door een houder van het geregistreerde gastouderbureau waarbij de voorziening van gastouderopvang is ingeschreven, worden vastgesteld de bij deze regeling gevoegde [bijlagen 4 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041844&bijlage=4&z=2022-01-01&g=2022-01-01). Artikel 3 De [regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 februari 2018, 2018-0000024858, tot vaststelling van de formulieren in gebruik bij het landelijk register kinderopvang 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040667), Stcrt. 2018, 10828, vervalt. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2019. Bijlage 1. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041844&artikel=1&z=2022-01-01&g=2022-01-01) van de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Za"},{"i":14818,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 december 2009, nr. ZF-2971027, houdende vaststelling van de standaardpremie 2010 (Regeling vaststelling standaardpremie 2010) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie wordt voor het jaar 2010 vastgesteld op € 1262,–. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie 2010. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14802,"b":"Regeling vaststelling L-bord Gelet op [artikel 108,tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=108) en op de [artikelen 7, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=7), [8, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=8), [9, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=9), [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=79), [80, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=80), en [81, onderdeel c, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=81); Besluit: Artikel 1 De aanduiding, bedoeld in de [artikelen 7, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=7), [8, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=8), [9, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=9), [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=79), [80, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=80), en [81, onderdeel c, van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=81), bestaat uit een witte hoofdletter ’L’ op een lichtblauwe, vierkante achtergrond, die niet retroreflecterend is. Artikel 2 1. Voor motorrijtuigen op meer dan twee wielen moet de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008048&artikel=1&z=1996-06-01&g=1996-06-01) bedoelde aanduiding zodanig zijn aangebracht dat deze zowel voor het tegemoetkomende als voor het achteropkomende verkeer duidelijk en goed zichtbaar is. 2. Bij motorrijtuigen op twee wielen moet de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008048&artikel=1&z=1996-06-01&g=1996-06-01) bedoelde aanduiding zodanig zijn aangebracht dat deze voor het achteropkomende verkeer duidelijk en goed zichtbaar is. Artikel 3 De afmetingen van achtergrond en letter worden als volgt vastg"},{"i":14829,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 24 oktober 2017, nr. WJZ/17158349, tot vaststelling van de regeling voorschotverlening duurzame energieproductie 2018 Gelet op [artikelen 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [39, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=39), [47, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47), en [54, vijfde lid, van het Besluit stimulering duurzame energie productie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=54); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **basisbedrag:** basisbedrag, bedoeld in [artikel 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), en [artikel 44, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44); - –. **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - –. **regeling 2008:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - –. **regeling 2009:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - –. **regeling 2010:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - –. **regeling 2011:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030034) - –. **regeling 2012:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031291); - –. **regeling 2013:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame ener"},{"i":14773,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 17 maart 2011, nr. WJZ / 11038483, houdende vaststelling van de definitieve correcties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2010 (Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2010) Gelet op de [artikelen 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), en [31, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **besluit:** het [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - b. **regeling 2008:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - c. **regeling 2009:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - d. **regeling 2010:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - e. **basisbedrag:** het basisbedrag, bedoeld in de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), en [28, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28). § 2. Correctiebedragen [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566) Artikel 2 1. De correcties op het basisbedrag voor subsidie-ontvangers als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de regeling 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566&artikel=3) worden voor 2010 als volgt vastgesteld: - a. € 0,051 per kWh voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14); - b. € 0 voor wat betreft de correc"},{"i":14821,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 4 december 2012, Z-3141539, houdende vaststelling van de standaardpremie 2013 (Regeling vaststelling standaardpremie 2013) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie wordt voor het jaar 2013 vastgesteld op € 1478,–. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie 2013. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14820,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 24 november 2011, nr. Z/F-3091396, houdende vaststelling van de standaardpremie 2012 (Regeling vaststelling standaardpremie 2012) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie wordt voor het jaar 2012 vastgesteld op € 1426,–. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14793,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 15 oktober 2018, kenmerk 1422127-181094-Z, houdende vaststelling van de geraamde gemiddelde nominale premie voor 2019 Gelet op [artikel 2b, tweede lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b); Besluit: Artikel 1 De geraamde gemiddelde nominale premie, bedoeld in [artikel 2b, eerste lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b) wordt voor het jaar 2019 vastgesteld op € 1.432. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14762,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 6 januari 2022, 2021-0000263329, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2022 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); BESLUIT: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2022: | Categorie 1 | € 37,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 3 | € 37,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 6 | € 12,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1, 3, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 12,50 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 12,50 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14794,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 30 oktober 2019, kenmerk 1606463-197902-Z, houdende vaststelling van de geraamde gemiddelde nominale premie voor 2020 Gelet op [artikel 2b, tweede lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b); Besluit: Artikel 1 De geraamde gemiddelde nominale premie, bedoeld in [artikel 2b, eerste lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b) wordt voor het jaar 2020 vastgesteld op € 1.421. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14813,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 26 april 2005, nr. WJZ 5024324, houdende vaststelling schadeloosstellingen leden CCS (Regeling vaststelling schadeloosstellingen leden CCS) Gelet op [artikel 24, tweede lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=24); Besluit: Artikel 1 De schadeloosstelling voor de voorzitter van de Centrale commissie voor de statistiek wordt vastgesteld op € 25.000,– per jaar. Artikel 2 De schadeloosstelling voor de leden van de Centrale commissie voor de statistiek, die tevens lid zijn van de Kleine Commissie, wordt vastgesteld op € 12.200,–, reiskosten daarin begrepen. Artikel 3 De schadeloosstelling voor de leden van de Centrale commissie voor de statistiek wordt vastgesteld op € 7400,–, reiskosten daarin begrepen. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 3 januari 2004. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14795,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 12 oktober 2020, kenmerk 1756590-211630-Z, houdende vaststelling van de geraamde gemiddelde nominale premie voor 2021 Gelet op [artikel 2b, tweede lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b); Besluit: Artikel 1 De geraamde gemiddelde nominale premie, bedoeld in [artikel 2b, eerste lid, van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008222&artikel=2b) wordt voor het jaar 2021 vastgesteld op € 1.473. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14758,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 27 november 2017, 2017-223197, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2018 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); BESLUIT: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2018: | Categorie 1 | € 37,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 3 | € 37,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 6 | € 12,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1, 3, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 12,50 | | | Categorie 8 | € 12,50 | voor landbouwwerktuigen; voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14777,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 24 maart 2015, nr. WJZ/15018116, houdende vaststelling van de definitieve correcties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2014 (Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2014) Gelet op de [artikelen 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [31, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31) en [47, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **basisbedrag:** het basisbedrag, bedoeld in de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28) of [artikel 44, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44); - b. **besluit:** het [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - c. **regeling 2008:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - d. **regeling 2009:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - e. **regeling 2010:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - f. **regeling 2011:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030034); - g. **regeling 2012:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031291); - h. **regeling 2013:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013](http"},{"i":14783,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 17 maart 2011, nr. WJZ / 11039880, houdende regels met betrekking tot het eenmalig bedrag verschuldigd door verkrijgers of houders van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte bestemd voor landelijke commerciële radio-omroep (Regeling vaststelling eenmalig bedrag landelijke commerciële radio-omroep 2011) Gelet op [artikel 3.3a, eerste en tweede lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3a); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - b. **kavel:** de frequentie of het samenstel van frequenties voor het gebruik waarvan een vergunning kan worden verleend; - c. **vergunning voor kavel A1:** de vergunning voor kavel A1 die verleend is op grond van de [Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen commerciële radio-omroep 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014741); - d. **vergunning voor kavel A2:** de vergunning voor kavel A2 die verleend is op grond van de [Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen commerciële radio-omroep 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014741); - e. **vergunning voor kavel A3:** de vergunning voor kavel A3 die verleend is op grond van de [Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen commerciële radio-omroep 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014741); - f. **vergunning voor kavel A6:** de vergunning voor kavel A6 die verleend is op grond van de [Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen commerciële radio-omroep 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014741); - g. **vergunning voor digitale radio-omroep:** een vergunning voor het gebruik van 1/9 deel van de capaciteit van de frequentieruimte binnen het frequentiebereik 219,584 - 221,120 MHz. 2. De vergunning voor kavel A2 wordt geacht mede te omvatten de vergunning inzake de steunzender 95,5"},{"i":14744,"b":"Regeling van 6 januari 2005 ter uitvoering van artikel 3, eerste lid, onder f, Opiumwet 1960 BES Artikel 1 Als middelen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onder f, van de Opiumwet 1960 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028519&artikel=3) worden aangewezen de middelen, die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. De bijlage bevat in lijst I een opsomming van harddrugs en in lijst II van soft drugs. Artikel 2 Ingetrokken worden de volgende beschikkingen: - a. de Ministeriële beschikking van de 27ste augustus 1986 (P.B. 1986, no. 116) ter uitvoering van artikel 3, eerste lid onder g van de Opiumlandsverordening (P.B. 1960, no. 65); - b. de Ministeriële beschikking van de 22ste mei 1987 (P.B. 1987, no. 50) tot vaststelling van een nieuwe lijst behorende bij de Ministeriële Beschikking 27ste augustus 1986 (P.B. 1986, no. 116) ter uitvoering van artikel 3, eerste lid onder g van de van de Opiumlandsverordening (P.B. 1960, no. 65); - c. de Ministeriële beschikking van de 10de augustus 1988 (P.B. 1988, no. 58) ter uitvoering van artikel 3, eerste lid onder g van de van de Opiumlandsverordening (P.B. 1960, no. 65); en - d. de Ministeriële beschikking van de 23ste juli 1990 (P.B. 1990, no. 59) ter uitvoering van artikel 3, eerste lid, onder g van de van de Opiumlandsverordening (P.B. 1960, no. 65). Artikel 3 Deze regeling wordt in de Staatscourant geplaatst. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van uitgifte van de Staatscourant, waarin zij geplaatst is. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling van 6 januari 2005 ter uitvoering van artikel 3, eerste lid, onder f, Opiumwet 1960 BES. Bijlage behorende bij de Regeling van 6 januari 2005 ter uitvoering van artikel 3, eerste lid, onder f, Opiumwet 1960 BES * De door de Wereldgezondheidsorganisatie vastgestelde generieke benaming. Paddo’s Paddo’s A:. paddenstoelen die van nature de stof psilocine of psilocybine bevatten: Preparaten die één of meer van de"},{"i":14804,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 7 mei 2013, nr. 382047, directoraat-generaal Politie, programma Arbeidsvoorwaarden in verband met de vaststelling van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (Regeling vaststelling LFNP) Gelet op [artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=6); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **ambtenaar:** ambtenaar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - b. **barema:** de som van de scores per niveau-indicator of specifiek waarderingsinstrument die na conversie is verkregen met toepassing van het waarderingsinstrument Fuwa-Pol LFNP; - c. **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006516&artikel=1); - d. **functie:** functie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - e. **functiebeschrijving:** de omschrijving van de ambtenaar opgedragen functie; - f. **het LFNP:** het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - g. **de Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 2 Het bevoegd gezag kan de Minister een voorstel doen tot wijziging van de bij de regeling behorende bijlagen. De Minister geeft ten behoeve hiervan de korpschef een aanwijzing als bedoeld in [artikel 31 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=31) met het oog op het verplichte gebruik van het door hem aangewezen systeem om functies te beschrijven respectievelijk te waarderen. Artikel 3 1. De aanduiding van de functies, onderverdeeld naar de domeinen leidin"},{"i":14801,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 oktober 2013, kenmerk BVE-548927 houdende vaststelling van de kwalificaties uit de kwalificatiedossiers en van de opleidingsdomeinen BES (Regeling vaststelling kwalificaties en opleidingsdomeinen BES) Gelet op de [artikelen 7.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.2.4) en [11.6b van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=11.6b); Besluit: Artikel 1. Vaststelling kwalificaties De kwalificaties uit de kwalificatiedossiers, bedoeld in [artikel 7.2.4, tweede lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4), die zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034068&bijlage=I&z=2025-03-01&g=2025-03-01), worden bij deze regeling vastgesteld. Artikel 2. Vaststelling opleidingsdomeinen BES De volgende opleidingsdomeinen BES, bedoeld in [artikel 7.2.4, tweede lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.2.4), worden vastgesteld: - a. Bouw en infra; - b. Afbouw, hout en onderhoud; - c. Techniek en procesindustrie; - d. Media en vormgeving; - e. Informatie en communicatietechnologie; - f. Mobiliteit en voertuigen; - g. Handel en ondernemerschap; - h. Economie en administratie; - i. Veiligheid en sport; - j. Horeca en bakkerij; - k. Toerisme en recreatie; - l. Zorg en welzijn. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling kwalificaties en opleidingsdomeinen BES. Bijlage I. als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034068&artikel=1&z=2021-08-01&g=2021-08-01) van de Regeling vaststelling kwalificaties en opleidingsdomeinen BES | Kwalificatie | Niveau | Crebocode"},{"i":14796,"b":"Regeling vaststelling grondslagen IOAW Gelet op [artikel 5, zesde en zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=5), Besluit: Artikel 1 1. De grondslag voor de werkloze werknemer en de echtgenoot die beiden 21 jaar of ouder zijn wordt vastgesteld op: € 2.303,12. 2. De grondslag voor de alleenstaande werkloze werknemer, die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, wordt vastgesteld op: € 1.151,56. 3. De grondslag voor de alleenstaande werkloze werknemer wordt vastgesteld op: € 1.776,11. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking per 1 januari 1996. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: [Regeling vaststelling grondslagen IOAW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007762). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a Vervallen Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14826,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 april 2016, nr. 2016-0000217051, houdende vaststelling van de voor de uitvoeringsinformatie te gebruiken taakvelden en regeling van de verstrekking van de informatie voor derden (Regeling vaststelling taakvelden en verstrekking informatie voor derden) Gelet op de [artikelen 66, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014606&artikel=66), en [artikel 71, eerste, tweede en vijfde lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014606&artikel=71); Besluit: Artikel 1 Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders gebruiken voor de uitvoeringsinformatie, bedoeld in [artikel 66 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014606&artikel=66), de taakvelden die in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037873&bijlage=1&z=2019-07-01&g=2019-07-01) bij deze regeling zijn opgenomen. Artikel 2 1. Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders verstrekken aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Centraal bureau voor de statistiek de in het vierde, vijfde en zesde lid bedoelde informatie voor derden door invulling van de desbetreffende onderdelen van de verdelingsmatrix, het model voor het EMU-saldo, de tabellen voor de kengetallen en beleidsindicatoren en het overzicht van balansstanden, die door het Centraal bureau voor de statistiek beschikbaar worden gesteld. De verstrekking gaat vergezeld van een door gedeputeerde staten respectievelijk het college van burgemeester en wethouders ondertekende brief aan het Centraal bureau voor de statistiek. 2. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks uiterlijk vóór 1 juli gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders in kennis van de vindplaats en inhoud van de ver"},{"i":14770,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 2 november 2015, nr. WJZ/15147884, tot vaststelling van de correcties voor de voorschotverlening duurzame energieproductie 2016 (Regeling vaststelling correcties voorschotverlening duurzame energieproductie 2016) Gelet op de [artikelen 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), en [47, vijfde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **basisbedrag:** basisbedrag, bedoeld in [artikel 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), en [artikel 44, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44); - –. **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - –. **regeling 2008:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - –. **regeling 2009:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - –. **regeling 2010:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - –. **regeling 2011:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030034) - –. **regeling 2012:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031291); - –. **regeling 2013:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR"},{"i":14763,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 16 januari 2023, 2023-0000004930, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2023 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); BESLUIT: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2023: | Categorie 1 | € 37,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 3 | € 37,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 6 | € 12,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1, 3, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 12,50 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 12,50 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14768,"b":"Regeling vaststelling constanten regressieformules en waarden gemiddelde CO2-uitstoot benzine- en dieselauto’s 2014 en 2015 Gelet op [artikel 8 van het Besluit etikettering energiegebruik personenauto' s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011761&artikel=8) van 3 november 2000 en de [Regeling relatieve zuinigheid personenauto’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032215) van 31 oktober 2012; Besluit: De constanten voor de in de Regeling relatieve zuinigheid personenauto's opgenomen regressieformules en de daarbij behorende waarden van de gemiddelde CO2-uitstoot voor personenauto's met benzine als brandstof, alsmede voor personenauto's met diesel als brandstof voor de kalenderjaren 2014 en 2015, als volgt vast te stellen: Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14815,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2006 Z/F-2735760, houdende vaststelling van de standaardpremie 2007 (Regeling vaststelling standaardpremie 2007) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie wordt voor het jaar 2007 vastgesteld op € 1 059. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie 2007. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14819,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 1 december 2010, nr. Z/F- 3036511, houdende vaststelling van de standaardpremie 2011 (Regeling vaststelling standaardpremie 2011) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie wordt voor het jaar 2011 vastgesteld op € 1375,–. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14776,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 19 maart 2014, nr. WJZ / 14035672, houdende vaststelling van de definitieve correcties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2013 (Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2013) Gelet op de [artikelen 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [31, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31) en [47, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47); Besluit: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **basisbedrag:** het basisbedrag, bedoeld in de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28) of [artikel 44, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44); - a. **besluit:** het [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - b. **regeling 2008:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - c. **regeling 2009:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - d. **regeling 2010:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - e. **regeling 2011:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030034); - f. **regeling 2012:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031291); - g. **regeling 2013:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013](ht"},{"i":14817,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 december 2008, nr. Z/F-2897495, houdende vaststelling van de standaardpremie 2009 (Regeling vaststelling standaardpremie 2009) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie wordt voor het jaar 2009 vastgesteld op € 1 209. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14827,"b":"Regeling vaststelling vergoeding commissie Advocatuur Gelet op het [besluit van de Minister van Justitie en de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 4 mei 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018305), nr. 5350850/05/DTR, gepubliceerd in de Staatscourant 25 mei 2005, nr. 98, pag. 11; Gelet op het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317), (Stb. 1988, 205) en de daarop voor het ministerie van Justitie geldende bepalingen; Besluit: Artikel 1 De leden van de Commissie Advocatuur ontvangen vacatiegelden, voor elke dag waarop zij één of meer vergaderingen van genoemde commissie bijwonen, op basis van het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317) en de daarop voor het ministerie van Justitie geldende bepalingen. De Commissie wordt als ‘zwaar college’ in de zin van het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317) aangemerkt. De voorzitter van de commissie Advocatuur zal derhalve € 260,00 per voorgezeten vergadering ontvangen en ieder afzonderlijk lid zal € 200,00 per bijgewoonde vergadering ontvangen. Artikel 2 Daarnaast hebben zij recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten overeenkomstig het [Reisbesluit Binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889) (Stb. 1993, 144) Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met de publicatie van het [instellingsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018305) van de Commissie op 4 mei 2005 en vervalt bij het opheffen van de Commissie. Artikel 4 Dit besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":14749,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 27 september 2012, nr. 299607, houdende vaststelling van de administratiekosten bedoeld in artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 en artikel 9b van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten, alsmede wijziging van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie (Regeling vaststelling administratiekosten 2012) Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=4), [artikel 257c, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257c), [artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006847&artikel=11a) en [artikel 9b van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006717&artikel=9b); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel II, onderdelen B, C en D en artikel VI van de Wijzigingswet Wetboek van Strafrecht, enz. (strafbaarstelling deelnemen en meewerken training terrorisme, uitbreiding mogelijkheden ontzetting uit beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen) in werking treden. Artikel 1 De administratiekosten, bedoeld in [artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006847&artikel=11a), bedragen per administratieve sanctie € 9. Artikel 2 De administratiekosten, bedoeld in [artikel 9b van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006717&artikel=9b), bedragen per geldboete € 9. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Wijzigt de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie. Artikel 5 Deze regeling berust mede op [artikel 4:11 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke besliss"},{"i":14800,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 februari 2016 nr. MBO/839405, houdende vaststelling van kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen (Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2016) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 7.2.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4), [7.2.4a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4a), en [7.2.5a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.5a) en de [artikelen 2.2.2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.2.2), en [2.2.3, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.2.3); BESLUIT: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **prijsfactor:** de prijsfactor, bedoeld in [artikel 2.2.2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.2.2), en [artikel 2.2.3, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.2.3); - **wet:** [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625). Paragraaf 2. Vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen Artikel 2. Vaststelling opleidingsdomeinen 2016 De volgende opleidingsdomeinen worden vastgesteld: - a. Bouw en Infra; - b. Afbouw, hout en onderhoud; - c. Techniek en procesindustrie; - d. Ambacht, laboratorium en gezondheidstechniek; - e. Media en vormgeving; - f. Informatie en communicatietechnologie; - g. Mobiliteit en voertuigen; - h. Transport, scheepvaart en logistiek; - i. Handel en ondernemerschap; - j. Economie en administratie; - k. Veiligheid en sport; - l. Uiterlijke verzorging; - m. Horeca en bakkerij; - n. Toerisme en recreatie; - o. Zorg en welzijn; - p. Voedsel, natuur en leefomgeving. Artikel"},{"i":14761,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 16 december 2020, 2020-0000245827, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2021 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); BESLUIT: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2021: | Categorie 1 | € 37,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 3 | € 37,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 6 | € 12,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1, 3, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 12,50 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 12,50 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14781,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 27 maart 2019, nr. WJZ/ 19069857, tot vaststelling van de definitieve correcties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2018 (Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2018) Gelet op [artikelen 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [22, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [31, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [39, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=39), [47, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47), en [54, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=54); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **basisbedrag:** het basisbedrag, bedoeld in de [artikelen 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28) of [artikel 44, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44); - –. **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - –. **regeling 2008:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - –. **regeling 2009:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - –. **regeling 2010:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - –. **regeling 2011:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030034); - –. **regeling 2012:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012](https://wetten.overheid."},{"i":14784,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 26 april 2011, nr. WJZ / 11060091, houdende regels met betrekking tot het eenmalig bedrag verschuldigd door een verkrijger of houder van de vergunningen voor kavel A7 en voor frequentieruimte in band III (Regeling vaststelling eenmalig bedrag uitgifte kavel A7 2011) Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 3.3a, eerste lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; - b. **Regeling aanvraag:** [Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen kavels A7 en A8 in de FM-band en aanvraag vergunningen voor frequentieruimte in band III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029915); - c. **kavel A7:** kavel A7 zoals bepaald in [artikel 1 van de Regeling aanvraag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029915&artikel=1); - d. **vergunning voor digitale radio-omroep:** vergunning voor digitale radio-omroep zoals bepaald in [artikel 1 van de Regeling aanvraag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029915&artikel=1). Artikel 2 1. De verkrijger of houder van een vergunning voor kavel A7 en van een vergunning voor digitale radio-omroep welke verleend is met toepassing van de [Regeling aanvraag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029915), is voor het gebruik van de desbetreffende frequentieruimte gedurende de periode van 1 september 2011 tot en met 31 augustus 2017 een eenmalig bedrag verschuldigd, waarvan de hoogte is: € 17.563.200,–. 2. Indien de verlening van de vergunningen met toepassing van de [Regeling aanvraag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029915) plaats vindt na 1 september 2011, is voor de resterende periode tot en met 31 augustus 2017 een eenmalig bedrag verschuldigd waarvan de hoogte wordt bepaald d"},{"i":14753,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 juni 2023, kenmerk 3616715-1050039-PDCIC houdende het vaststellen van bewaartermijnen voor testuitslagen van een testuitslag waaruit blijkt of een persoon op het moment van afname van de test was geïnfecteerd met het virus SARS-CoV-2 Gelet op [artikel II, eerste lid, onder a, van de Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045176&artikel=II); Besluit: Artikel 1 De termijn, bedoeld in [artikel II, eerste lid, onder a, van de Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045176&artikel=II) bedraagt één jaar. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze regeling vervalt op het tijdstip waarop [artikel II van de Tijdelijke wet coronatoegangsbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045176&artikel=II) vervalt. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14771,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 27 maart 2009, nr. WJZ/9058635, houdende vaststelling van de definitieve correcties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2008 (Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2008) Gelet op de [artikelen 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), en [31, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **besluit:** het [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - b. **regeling:** de [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - c. **basisbedrag:** het basisbedrag, bedoeld in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11) of in [artikel 28 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28). § 2. Correctiebedragen productie van hernieuwbare elektriciteit Artikel 2 De correcties op het basisbedrag voor subsidie-ontvangers als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566&artikel=3) worden voor 2008 als volgt vastgesteld: - a. € 0,078 per kWh voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14); - b. € 0 voor wat betreft de correcties, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14). Artikel 3 De correcties op het basisbedrag voor subsidie-ontvangers als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566&artikel=9) worden voor 2008 als volgt vastgesteld: - a. € 0,220 per kWh voor wat betreft de elektriciteit"},{"i":14831,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 18 oktober 2019, nr. WJZ/ 19239732, tot vaststelling van de correcties voor de voorschotverlening duurzame energieproductie 2020 (Regeling vaststelling voorschotverlening duurzame energieproductie 2020) Gelet op [artikelen 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), [22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=22), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=31), [39, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=39), [47, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=47), en [54, vijfde lid, van het Besluit stimulering duurzame energie productie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=54); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **basisbedrag:** basisbedrag, bedoeld in [artikel 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=11), [artikel 28, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=28), en [artikel 44, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=44); - –. **besluit:** [Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735); - –. **regeling 2008:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566); - –. **regeling 2009:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025570); - –. **regeling 2010:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027115); - –. **regeling 2011:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030034); - –. **regeling 2012:** [Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012](https://wetten.overheid"},{"i":14788,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 31 januari 2019, houdende de vaststelling van de gelijkwaardige inspanning van de decentrale overheden inzake het EMU-saldo Handelende in overenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [artikel 3 van de Wet houdbare overheidsfinancien](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034360&artikel=3); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begrippen De definities van [artikel 1 van de Wet houdbare overheidsfinancien](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034360&artikel=1) zijn van overeenkomstige toepassing op deze regeling. Artikel 2. EMU-norm 2019–2022 Het collectieve aandeel van de decentrale overheden gezamenlijk in het EMU-saldo, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034360&artikel=3), wordt als volgt vastgesteld: - a. voor 2019 –0 4 procent van het bruto binnenlands product; - b. voor 2020 –0 4 procent van het bruto binnenlands product; - c. voor 2021 –0,4 procent van het bruto binnenlands product; - d. voor 2022 –0,4 procent van het bruto binnenlands product. Artikel 3. Onderverdeling naar overheidslaag Het collectieve aandeel van de decentrale overheden in het EMU-saldo, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041899&artikel=2&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt uitgesplitst naar: - a. een aandeel voor de provincies gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld: - 1°. voor 2019 –0,08 procent van het bruto binnenlands product; - 2°. voor 2020 –0,08 procent van het bruto binnenlands product; - 3°. voor 2021 –0,08 procent van het bruto binnenlands product; - 4°. voor 2022 –0,08 procent van het bruto binnenlands product; - b. een aandeel voor de gemeenten gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld: - 1°. voor 2019 –0,27 procent van het bruto binnenlands product; - 2°. voor 2020 –0,27 proce"},{"i":14745,"b":"Regeling van het Fonds Podiumkunsten voor podia voor aanvullende ondersteuning in verband met gederfde inkomsten als gevolg van COVID-19-maatregelen Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Artikel 1. Definities 1. In dit reglement wordt verstaan onder: - **bestuur:** de directeur-bestuurder van het Fonds Podiumkunsten; - **Fonds Podiumkunsten:** Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland/NL:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten. 2. Onder eigen inkomsten worden in deze regeling de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening, verstaan: - a. publieksinkomsten; en - b. overige inkomsten, zijnde: - 1°. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten; - 2°. indirecte opbrengsten; en - 3°. overige bijdragen. 3. Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten: - a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; - b. overige bijdragen uit publieke middelen; - c. rentebaten; - d. bijdragen in natura; - e. kapitalisatie van vrijwilligers; - f. waardering vrijkaarten; en - g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap. Artikel 2. Doel Het bestuur kent in het kader van deze regeling financiële bijdrages toe aan podia die een vitale en cruciale functie vervullen in de infrastructuur in Nederland om hen tegemoet te komen in de omzetderving als gevolg van de COVID-19-crisis. Artikel 3. Vereisten aanvragers 1. Een bijdrage in het kader van deze regeling kan worden toegekend aan podia die: - a. acute liquiditeitsproblemen hebben als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19; - b. voor zover mogelijk"},{"i":14824,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 november 2015, kenmerk 873778-144254-Z, houdende vaststelling van de standaardpremie 2016 (Regeling vaststelling standaardpremie 2016) Gelet op [artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=4); Besluit: Artikel 1 De standaardpremie wordt voor het jaar 2016 vastgesteld op € 1468,–. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling standaardpremie 2016. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3008,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 mei 2025, kenmerk 4046340-1078446, houdende aanwijzing van toezichthouders op de naleving van hoofdstuk 2 van de Warenwet en het verlenen van mandaat voor de uitvoering en handhaving van hoofdstuk 2 van de Warenwet Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1) en [artikel 35c van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=35c), Gezien de instemming van de inspecteur-generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur en de Minister van Economische Zaken; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Implementatiewet toegankelijkheidsvoorschriften producten en diensten in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **Wet:** [Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969). Artikel 2 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=35) en [35a van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=35a) zijn belast de ambtenaren met de functiebenamingen inspecteur, senior inspecteur, coördinerend/specialistisch inspecteur en inspecteur/medewerker toezicht van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken. Artikel 3 1. Aan de Inspecteur-Generaal van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur wordt mandaat verleend om namens de Minister: - a. een last onder bestuursdwang als bedoeld in [artikel 35d van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=35d) of overeenkomstig [artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:32) een last onder dwangsom op te leggen; - b. een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 35e van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":14848,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 april 2023 tot vaststelling van de hoogte van de vergoedingen van de voorzitter en overige leden van de Kiesraad (Regeling vergoeding leden Kiesraad) Gelet op [artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=14); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **CAO Rijk:** laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 2 De voorzitter van de Kiesraad ontvangt een vaste vergoeding, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 zoals overeengekomen in de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,34. De voorzitter ontvangt tevens een vergoeding van reis- en verblijfskosten zoals overeengekomen in de CAO Rijk. Artikel 3 De overige leden van de Kiesraad ontvangen een vaste vergoeding, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18 zoals overeengekomen in de CAO Rijk en de arbeidsduurfactor op 0,17. De overige leden ontvangen tevens een vergoeding van reis- en verblijfskosten zoals overeengekomen in de CAO Rijk. Artikel 4 Het [Besluit vergoeding leden Kiesraad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038581) wordt ingetrokken. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vergoeding leden Kiesraad. Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":17058,"b":"Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen Gelet op artikel 19, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, artikel 28, vierde lid, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, artikel 41, vijfde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, artikel 164, derde lid, van de Invaliditeitswet en [artikel 50, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=50); Besluit: Artikel 1 Organen als bedoeld in [artikel 50, zesde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=50) of [artikel 67, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=67), die belast wensen te worden met de betaalbaarstelling van door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toegekende dan wel toe te kennen uitkeringen op grond van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524) of betaalbaarstelling van uitkeringen waarop op grond van de [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) recht bestaat, kunnen daartoe toestemming vragen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Artikel 2 Voor een vergunning als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003812&artikel=1&z=2007-01-01&g=2007-01-01) kunnen slechts in aanmerking komen: - a. publiekrechtelijke lichamen: - b. krachtens de wet in het leven geroepen fondsen; - c. bedrijfstak- en ondernemingspensioenfondsen als bedoeld in [artikel 1 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1); - d. instellingen, welke de pensioenbetaling verzorgen voor een of meer lichamen of fondsen, bedoeld onder a tot en met c. Artikel 3 1. Een vergunning als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":14877,"b":"Regeling vervanging referentierentes Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010132&artikel=1) en [2, eerste lid, van de Wet vervanging referentierentes](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010132&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Ter vervanging van de Amsterdam Interbank Offered Rate en andere daarmee vergelijkbare referentierentes als bedoeld in [artikel 1 van de Wet vervanging referentierentes](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010132&artikel=1), wordt aangewezen de Euro Interbank Offered Rate. Artikel 2 Ter vervanging van de overnight Amsterdam Interbank Offered Rate en andere daarmee vergelijkbare referentierentes als bedoeld in [artikel 1 van de Wet vervanging referentierentes](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010132&artikel=1), wordt aangewezen de Euro OverNight Index Average. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 1999. De [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010192&artikel=3&z=2002-01-01&g=2002-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010192&artikel=4&z=2002-01-01&g=2002-01-01) vervallen met ingang van 1 januari 2002. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14895,"b":"Vaststelling van regels als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding voor de berekening in geval van waarde-overdracht Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Defensie; Gelet op [artikel 7, vierde lid, van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641&artikel=7); Gezien het advies van de Verzekeringskamer; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet verevening pensioenrechten bij scheiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641); - b. waarde-overdracht: overdracht van de afkoopsom van de aanspraken op pensioen ter verwerving van met de waarde van die afkoopsom overeenkomende aanspraken in de regeling van het overnemende uitvoeringsorgaan; - c. overdragende uitvoeringsorgaan: het uitvoeringsorgaan, dat een regeling uitvoert als bedoeld in de leden vier tot en met acht van [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641&artikel=1), en dat de waarde overdraagt; - d. overnemende uitvoeringsorgaan: het uitvoeringsorgaan, dat een regeling uitvoert als bedoeld in de leden vier tot en met acht van [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006641&artikel=1), en waaraan de waarde wordt overgedragen; - e. deelnemingsjaren: het aantal jaren tot het tijdstip van scheiding gedurende welke de tot verevening verplichte echtgenoot deelnemer was in de pensioenregelingen, die door het overdragende en het overnemende uitvoeringsorgaan worden uitgevoerd en die als deelnemingsjaren voor de vaststelling van het pensioen meetellen; - f. huwelijksjaren: de jaren tot het tijdstip van scheiding waarin de tot verevening verplichte echtgenoot gehuwd was met de tot verevening gerechtigde echtgenoot en de tot verevening verplichte echtgenoot deelnemer was in de pensioenregelingen van het overdragende en het overnemende uitvoeringsorg"},{"i":14896,"b":"Regeling voor muziekhubs op het gebied van pop, hiphop en dance Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **landsdelen:** Noord (Groningen, Friesland en Drenthe), Oost (Overijssel en Gelderland), Midden (Utrecht en Flevoland), Zuid (Zeeland, Noord-Brabant en Limburg) en West (Noord-Holland en Zuid-Holland); - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - **Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden:** Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Artikel 1.2. Doel Het bestuur kent in het kader van deze regeling subsidies toe aan samenwerkingsverbanden voor talentontwikkeling op het gebied van popmuziek, hiphopmuziek en dancemuziek. De subsidie is bedoeld om, via samenwerkende partners en verspreid over het land, talenten ruimte voor ontwikkeling en presentatiemogelijkheden te bieden. Daarnaast is de subsidie bedoeld om de samenwerking tussen de partners te faciliteren, kennisdeling in de sector te stimuleren en daarmee bij te dragen aan de professionalisering van de gehele muzieksector. Artikel 1.3. Subsidieperiode Subsidie wordt verstrekt voor de periode 2026 tot en met 2028. Artikel 1.4. Subsidieplafonds 1. Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling geldt een subsidieplafond van 2.000.000 euro per kalenderjaar voor de periode 2026–2028 met deelplafonds per landsdeel. 2. De deelplafonds per landsdeel bedragen voor de periode 2026–2028 per kalenderjaar: - a. Landsdeel Noord 285.714 euro - b. Landsdeel Oost 285.714 euro - c. Lands"},{"i":14897,"b":"Regeling van 12 december 2006, nr. HDJZ/SCH/2006-1945, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende nadere regels ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Regeling voorkoming verontreiniging door schepen) Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=1), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=11), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=15), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=32), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=35), [38 van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020762&artikel=38), [artikel 2 van het Besluit havenontvangstvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017136&artikel=2), [artikel 13, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=13),[14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=14), en [30 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=30), alsmede op de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020786&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2025-09-17&g=2025-09-17) van deze regeling genoemde richtlijnen en verordeningen; Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. besluit: [Besluit voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003936); - b. [richtlijn 2013/53](32013L0053)/EU: [richtlijn nr. 2013/53](32013L0053)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende pleziervaartuigen en waterscooters en tot intrekking van [richtlijn nr. 94/25/EG](31994L0025); - c. [richtlijn 96/98/EG](31996L0098): [richtlijn nr. 96/98/EG](31996L0098) van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG 1997, L 46); - d. [ri"},{"i":14899,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 januari 2005, nr. GMT/MT2551254, houdende voorschriften inzake de bloedvoorziening (Regeling voorschriften bloedvoorziening) Gelet op [richtlijn 2002/98/EG](32002L0098) van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong en tot wijziging van [Richtlijn 2001/38/EG](32001L0038) (PbEU L 33) alsmede op de [artikelen 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=3), [5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=5), en [9, tweede lid, van de Wet inzake bloedvoorziening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009079&artikel=9); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. bloed: volbloed dat bij een donor is afgenomen en behandeld is met het oog op transfusie of verdere verwerking; - b. bloedbestanddeel: een therapeutisch bestanddeel van bloed, te weten rode bloedcellen, witte bloedcellen, bloedplaatjes, plasma, dat door middel van verschillende methoden kan worden bereid; - c. ziekenhuisbloedbank: een ziekenhuisafdeling die bloed en bloedbestanddelen, alleen bestemd voor gebruik in ziekenhuizen, onder meer voor transfusieactiviteiten in een ziekenhuis, opslaat en distribueert, en daar compatibiliteitstests op mag uitvoeren; - d. ernstig ongewenst voorval: een ongewenst voorval in verband met het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen dat voor een patiënt overlijden, levensgevaar, invaliditeit of arbeidsongeschiktheid tot gevolg kan hebben, dan wel leidt tot opname in een ziekenhuis of de duur van de ziekte verlengt; - e. ernstige ongewenste bijwerking: een onbedoelde reactie bij de donor of de patiënt in verband met het inzamelen of de transfusie van bloed of bloedbestanddelen, die dodelijk is, levensgevaar oplev"},{"i":14900,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 maart 2017, 2017-0000055159, houdende voorwaarden met betrekking tot een voorgestelde stukloonnorm door een werkgeversorganisatie en wijze van publicatie van een stukloonnorm (Regeling voorwaarden en publicatie stukloonnorm) Gelet op [artikel 12a, derde lid, onderdeel b, en zevende lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=12a); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **stukloonnorm:** de berekening van de tijd die redelijkerwijs met de uitvoering van de te verrichten arbeid is gemoeid en de elementen die zijn meegewogen in deze berekening, waaronder begrepen de vaststelling van de arbeidsduur ter uitvoering van die arbeid door een gemiddeld productieve werknemer, bedoeld in [artikel 12a, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=12a). - b. **wet:** [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638). Artikel 2. Goedkeuring stukloonnorm 1. Een voorgestelde stukloonnorm door een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie of organisaties van werkgevers, bedoeld in [artikel 12a, derde lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=12a), dient te worden goedgekeurd door een toetsingscommissie als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039424&artikel=3&z=2018-01-01&g=2018-01-01), alvorens deze stukloonnorm overeenkomstig artikel 12a, derde lid, aanhef, van de wet aan de Stichting van de Arbeid wordt verstrekt. 2. Een verzoek van de Stichting van de Arbeid als bedoeld in [artikel 12a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=12a), wordt niet door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in behandeling genomen indien een stukloonnorm niet overeenkomstig het eerste lid is goedgekeurd. Artikel 3. Toetsingscommissie 1."},{"i":14904,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 28 augustus 2020, nr. PO/17898051, houdende regels voor de voorzieningenplanning bij scholen in het primair onderwijs (Regeling voorzieningenplanning po 2021) Gelet op de [artikelen 74, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=74), [74a, eerste, derde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=74a), [75, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=75), [84a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=84a), [170, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=170) en [194e, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=194e); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** bevoegd gezag dat bij de minister een aanvraag indient voor bekostiging van een openbare of een bijzondere school; - **basisgeneratie:** het totaal aantal kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 11 jaar, vermeerderd met 30 procent van het aantal kinderen in de leeftijd van 12, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek; - **belangstellingsmeting:** belangstellingsmeting als bedoeld in [artikel 74a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=74a); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); - **instellingscode:** door de minister gehanteerd nummer van de school in de Basisregistratie Instellingen van DUO; - **DUO:** Dienst Uitvoering Onderwijs; - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **nevenvestiging:** nevenvestiging als bedoeld in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); - **ouder:** ouder als bedoeld in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420); - **samenwerkingsverband:** samenwerkingsverband als bedoeld in"},{"i":14911,"b":"Regeling vrijgave real-time GNSS-data Gelet op [artikel 3.1 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=3.1), [artikelen 3, eerste lid, onder c en j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=3), [108, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=108), en [109 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=109); Besluit: Artikel 1 Het bestuur gaat, na afstemming hierover met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en diverse marktpartijen, over tot openbaarmaking van de real-time GNSS-data van stations voor satellietbepaling, met ingang van 1 juli 2024. De openbaarmaking van de real-time GNSS-data vindt plaats op de wijze zoals op de website van de Dienst bekend wordt gemaakt. Artikel 2 De openbaarmaking van de real-time GNSS-data heeft tot doel om hergebruik van de real-time GNSS-data onder voorwaarden mogelijk te maken. Artikel 3 Wijzigt de Tarievenregeling Kadaster. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049821&artikel=3&z=2024-07-01&g=2024-07-01) dat in werking treedt per 1 juli 2024. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18820,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 10 september 2025 nr. BOACAT2025/172, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Ministerie van Financiën, Directie DFEI (i.o) Gelezen het verzoek van de directeur van DFEI van 6 augustus 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Den Haag en de directeur van DFEI; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051509&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Behandelfunctionaris, in dienst van DFEI zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, inkomen en zorg, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn pro"},{"i":12576,"b":"Besluit van 1 november 1984, ingevolge artikel 13, vierde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk, houdende voorschriften ten opzichte van de staatsraad, benoemd op grond van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel Op de voordracht van Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse Zaken van 20 juli 1984, nr. 7553, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken; Overwegende, dat het wenselijk is uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 13, vierde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk; De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 8 oktober 1984, nr. W01.84.0395/04.4.40); Gezien het nader rapport van Onze Ministers voor Nederlands-Antilliaanse Zaken en van Binnenlandse Zaken van 16 oktober 1984, nr. 8073; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Arubaans lid:** het ingevolge [artikel 13, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=13) op voordracht van de regering van Aruba bij koninklijk besluit benoemde lid van de Raad van State van het Koninkrijk; - b. **Curaçaos lid:** het ingevolge [artikel 13, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=13) op voordracht van de regering van Curaçao bij koninklijk besluit benoemde lid van de Raad van State van het Koninkrijk; - c. **Sint Maartens lid:** het ingevolge [artikel 13, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=13) op voordracht van de regering van Sint Maarten bij koninklijk besluit benoemde lid van de Raad van State van het Koninkrijk. Artikel 2 1. De [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=3), en [3a van de Wet op de Raad van State](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002367&artikel=3a) (**Stb.** 1962, 88) zijn niet van toepassing op het"},{"i":12027,"b":"Besluit van 17 februari 2011, CDC/IVENT/DCDI/SSA nr. 2011002834 van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden van de archieven van de Generale Staf/Staf van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten en de daarbij gedeponeerde archieven (1903) 1945–1972 (1979), bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief; Besluit: Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten is het inventarisnummer, van de archieven van de **Generale Staf/Staf van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten en de daarbij gedeponeerde archieven (1903) 1945–1972 (1979)**, genoemd in de eerste kolom, niet openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Niet openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 4624 | 2034 | Artikel 2 Ontheffing van het gestelde in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029973&artikel=1&z=2011-05-21&g=2011-05-21) wordt niet verleend. Artikel 3 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de **Generale Staf/Staf van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten en de daarbij gedeponeerde archieven (1903) 1945–1972 (1979)**, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 2664 | 2034 | | 2836 | 2020 | | 2854 | 2028 | | 2855 | 2028 | | 2856 | 2028 | | 2862 | 2030 | | 2863 | 2028 | | 2864 | 2025 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029973&artikel=3&z=2011-05-21&g=2011-05-21), is, tot openbaarwording, slec"},{"i":15137,"b":"Tijdelijke regeling vervroegd uittreden 2026 Gelet op [artikel 168 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=168); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **diensttijd:** de diensttijd, bedoeld in [artikel 8, vijfde lid, van de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039881&artikel=8); - **RVU-ontslag:** een ontslag op aanvraag op grond van [artikel 113, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=113) om gebruik te maken van de Tijdelijke regeling vervroegd uittreden 2026. Artikel 2. Voorwaarden RVU-ontslag 1. Een RVU-ontslag wordt verleend, indien de ambtenaar: - a. op de datum van het RVU-ontslag ten hoogste 36 maanden is verwijderd van de datum van de pensioengerechtigde leeftijd die voor de ambtenaar geldt; - b. op de datum van het RVU-ontslag een diensttijd heeft van tenminste 35 jaar; en - c. tot de datum van het RVU-ontslag en over de afgelopen tien jaar werkzaamheden heeft verricht, waarbij jaarlijks regelmatig sprake was van: - 1°. een arbeidsverrichting tijdens een nachtdienst als bedoeld in [artikel 30a, onder e, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=30a); - 2°. munitieruimen als bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder categorie A, van de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039881&artikel=4); of - 3°. bezwarende arbeidsomstandigheden als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, onder b, van de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039881&artikel=5). 2. De aanvraag voor een RVU-ontslag wordt uiterlijk vier maanden voor de beoogde ontslagdatum ingediend bij het bevoegd gezag. 3. De ambtenaar op wie de overgangsbepaling functioneel leeftijdsontslag, bedoeld in [arti"},{"i":15213,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 1 november 2022, nr. WJZ/22031065, houdende de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor wat betreft de rechtstreekse betalingen en de conditionaliteiten (Uitvoeringsregeling GLB 2023) Gelet op [Verordening (EU) nr. 2021/2115](32115R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van [Verordeningen (EU) nr. 1305/2013](32013R1305) en [(EU) nr. 1307/2013](32013R1307) (PbEU 2021, L435) en [Verordening (EU) nr. 2021/2116](32116R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) (PbEU 2021, L435) en de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=15), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=27) en [28 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=28); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - −. **aanvraagjaar:** kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan; - −. **administratieve sanctie:** verlagen van de betaling naar aanleiding van een niet-naleving; - −. **areaalmonitoring:** systeem als bedoeld in artikel 65, vierde lid, onderdeel b, van [verordening (EU) 2021/2116](32021R2116); - −. **Belastingdienst:** Belastingdienst als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR001450"},{"i":13127,"b":"Bijstellingsregeling 2008 Artikel I 1. Voor de berekening van de bij het begin van het kalenderjaar 2008 toe te passen tabelcorrectiefactor als bedoeld in [artikel 10.2 van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2) worden als prijsindexcijfers over de dertigste tot en met vijfentwintigste aan het kalenderjaar voorafgaande maand in aanmerking genomen de prijsindexcijfers van de reeks 2000 = 100, vermenigvuldigd met de verhouding van de prijsindexcijfers van 2006 van de reeks 2006 = 100 tot de prijsindexcijfers van 2006 van de reeks 2000 = 100 en worden als prijsindexcijfers over de vierentwintigste tot en met de negentiende aan het kalenderjaar voorafgaande maand in aanmerking genomen de prijsindexcijfers van de reeks 2006 = 100. 2. Voor de berekening van de bij het begin van het kalenderjaar 2008 toe te passen factor i h als bedoeld in [artikel 10.3 van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.3) wordt als indexcijfer van de woninghuren over juli van het tweede voorafgaande kalenderjaar in aanmerking genomen het indexcijfer over die maand zoals dat door het Centraal Bureau voor de Statistiek is gepubliceerd in de eerste publicatie van het indexcijfer van de woninghuren over juli van het voorafgaande kalenderjaar. 3. Voor de berekening bij het begin van het kalenderjaar 2008 van het bedrag ter vervanging van het in de [artikelen 3.97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.97) en [3.114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.114) vermelde bedrag, zoals bepaald in [artikel 10.6 van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.6), wordt als indexcijfer van de woninghuren over juli van het tweede voorafgaande kalenderjaar in aanmerking genomen het indexcijfer over die maand zoals dat door het Centraal Bureau voor de Statistiek is gepubliceerd in de eerste publicatie van het indexcijfer van de woninghuren over juli van het voorafgaand"},{"i":4116,"b":"Besluit vaststelling Aanwijzingen voor de rijksdienst inzake toepassing van uitzondering inzake het algemeen belang Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Mededingingswet (invoering regels ondernemingen die deel uitmaken van een publiekrechtelijke rechtspersoon of hiermee zijn verbonden) in werking treedt. Artikel 1 Vastgesteld worden de als bijlage bij dit besluit gevoegde aanwijzingen inzake het vaststellen voor de rijksdienst dat economische activiteiten of het bevoordelen van een overheidsbedrijf plaatsvinden respectievelijk plaatsvindt in het algemeen belang. Artikel 2 Het [Besluit van de Minister-President van 8 mei 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009603)/Nr. 98M004561 (Stcrt. 1998, 95) en de als [bijlage bij dat besluit](onbekend) gevoegde aanwijzingen inzake het verrichten van marktactiviteiten door organisaties binnen de rijksdienst worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wijziging van de Mededingingswet ter invoering van regels inzake ondernemingen die deel uitmaken van een publiekrechtelijke rechtspersoon of die hiermee verbonden zijn (aanpassing Mededingingswet ter invoering van gedragsregels voor de overheid)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029818) (Stb. 2011, 162) in werking treedt. Bijlage Aanwijzingen voor de rijksdienst inzake toepassing van uitzondering inzake het algemeen belang Begripsbepalingen Aanwijzing 1 In deze aanwijzingen wordt verstaan onder: Toelichting: Onderdeel a: Onder ‘[wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691)’ wordt in deze aanwijzingen verstaan de Mededingingswet, zoals gewijzigd bij de [Wet aanpassing Mededingingswet ter invoering van gedragsregels voor de overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029818) (Staatsblad 2011, 162). Onderdeel b: Onder een organisatieonderdeel binnen de rijksdienst wordt verstaan een tot het centrale bestuur behore"},{"i":17634,"b":"Toepassing toezicht (meldingsplichtige besluiten, nevenactiviteiten), verkoop van huurwoningen en invoering euro (sociale-huursector) Geacht college/bestuur, I. Algemene inleiding Met deze circulaire wil ik uw aandacht vragen voor drie onderwerpen, te weten: Kerntaken en nevenactiviteiten c.a. A. Aanleiding Bij [MG-circulaire 99-23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010820) d.d. 3 november 1999 (BBSH, toepassing van het toezicht bij nevenactiviteiten) en [MG 2001-04](onbekend) (BBSH, toepassing van het toezicht m.b.t. buitenlandse activiteiten) heb ik u geïnformeerd over de wijze waarop ik in de periode tot aan de uit de NMWW voortvloeiende regelgeving toezicht zou houden op de werkzaamheden van de toegelaten instellingen (t.i.). In die MG's is onder meer aangegeven, dat veranderende woonwensen en de integraliteit van de aanpak van die nieuwe woonwensen kunnen leiden tot verbreding van de activiteiten van de t.i's. In de NMWW wordt ingespeeld op mogelijk toekomstige ontwikkelingen. Aldaar wordt op pagina 242 het werkdomein omschreven als: werkzaam op het gebied van wonen, woondiensten en woonmilieus, welk werkdomein op de pagina's 244 en 245 nader wordt aangeduid. Uit dat werkdomein vloeien zowel de nieuwe kerntaken, aldaar de maatschappelijke opdracht genoemd, als de overige toegestane activiteiten voort. Dit werkdomein is uitgebreider dan het 'volkshuisvestingsbelang', zoals dat nu is beschreven in het [BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686). Deze circulaire is er dan ook mede voor bedoeld om vooruitlopend op de Woonwet en in lijn met de NMWW corporaties meer mogelijkheden te bieden ten opzichtte van dat [BBSH](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005686) en [MG 99-23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010820). Naar aanleiding van een aantal door t.i's aan mij voorgelegde voorgenomen nevenactiviteiten, waaruit blijkt dat in de praktijk niet in alle gevallen duidelijk is welke nevenactiviteiten al dan niet onder de huidige [Woningw"},{"i":18961,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 april 2020 tot geheimverklaring van een programma met gebouwelijke en technologische maatregelen gericht op het beperken van contrabande, reduceren van geweldsdreiging en van voortgezet crimineel handelen door gedetineerden in detentie, binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen Gelet op [artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23); Besluit: Tot geheimverklaring van (de) opdracht(en) binnen een programma met gebouwelijke en technologische maatregelen gericht op het beperken van contrabande, reduceren van geweldsdreiging en van voortgezet crimineel handelen door gedetineerden in detentie, binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit Besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10119,"b":"Besluit van de directeur-generaal Natuur en Visserij van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 april 2023, nr. 27629288, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Natuur en Visserij van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2023 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Natuur en Visserij van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2023) Gelet op [artikel 10 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=10); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur-generaal:** de directeur-generaal Natuur en Visserij van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **de directeuren:** de directeur Natuur, de directeur Visserij en Grote Wateren en de directeur Beheerautoriteit Waddenzee van het directoraat-generaal Natuur en Visserij van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. **de MT-leden:** de leden van het managementteam en de programmamanager Klimaatopgave van het directoraat-generaal Natuur en Visserij van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met uitzondering van de directeur-generaal en de directeuren; - d. **de programmamanager Klimaatopgave:** de programmamanager van het departementale programma Klimaatopgave Landbouw, Natuur en Voedsel, ondergebracht bij het directoraat-generaal Natuur en Visserij van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. - e. **het bedrag:** bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW). § 2. Taakverdeling tussen de directeur-generaal en de onder hem ressorterende medewerkers Artikel 2 Aan de directeur-generaal is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling bet"},{"i":4705,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 november 2004, nr. PG/ZP 2.528.045, tot instelling van een bestuurlijk afstemmingsoverleg infectieziektebestrijding Besluit: Artikel 1 Er is een Bestuurlijk afstemmingsoverleg infectieziektebestrijding (hierna: het BAO). Artikel 2 1. In het geval van een (potentiële) crisis op het terrein van de infectieziekten beoordeelt het BAO de maatregelen die het Centrum infectieziektebestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna resp.: het Centrum infectieziektebestrijding en het ministerie) voorstelt op bestuurlijke haalbaarheid en wenselijkheid. 2. In overige gevallen pleegt het BAO overleg over de bestuurlijke aspecten betreffende de infectieziektebestrijding, en evalueert in het bijzonder het bestuurlijke optreden tijdens eerdere (potentiële) crises. 3. Naar aanleiding van het overleg, bedoeld in het eerste en tweede lid, brengt het BAO zijn bevindingen over aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister). Artikel 3 1. Het BAO bestaat uit de volgende leden: - a. de Directeur-generaal van de Volksgezondheid van het ministerie, tevens voorzitter; - b. de directeur van het Centrum infectieziektebestrijding; - c. een vertegenwoordiger van de Directie Publieke Gezondheid van het ministerie, tevens secretaris; - d. een vertegenwoordiger van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; - e. door de minister te benoemen vertegenwoordigers van de GHOR-burgemeesters, GGD-Nederland en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; - f. de bij het onderwerp van de vergadering betrokken lokale bestuurders; - g. zij die op uitnodiging van de voorzitter van het BAO de vergaderingen bijwonen. Hieronder wordt met name verstaan een vertegenwoordiger van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. 2. De minister benoemt de in het eerste lid, onderdeel e, genoemde personen en hun plaatsvervangers, op voordracht van de organisaties"},{"i":3446,"b":"Besluit van 21 juni 1973, houdende nadere regelen met betrekking tot de tegemoetkoming in bijzondere kosten en de bepaling van de financiële draagkracht ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 Op de voordracht van Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 19 april 1973, Directie Bijstandszaken, nr. 964-Bu; Gelet op [artikel 21, vierde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=21) (**Stb.** 1972, 669); Gezien de adviezen van de Uitkeringsraad, alsmede van de Stichting Joods Maatschappelijk Werk, de Stichting Pelita en de Stichting 1940-1945; De Raad van State gehoord (advies van 9 mei 1973, nr. 17); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 14 juni 1973, Directie Bijstandszaken, nr. 3527; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844). Artikel 2 1. Bij het bepalen van de financiële draagkracht van de vervolgde ter zake van de toekenning van een tegemoetkoming in kosten van voorzieningen als bedoeld in [artikel 21, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=21) wordt als zijn inkomen aangemerkt: - a. de uitkering berekend op grond van [hoofdstuk II, paragraaf 3, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&paragraaf=3) met uitzondering van de toeslagen, bedoeld in de [artikelen 10, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=10), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=15) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=16); - b. de inkomensbestanddelen welke op grond van [artikel 19 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=19) op de uitkering in mindering worden gebracht indien een uitkering wordt genoten, dan w"},{"i":12281,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 4 september, nr. IENM/BSK-2017/217047, houdende vaststelling tot geheimverklaring van de opdracht voor de operatie en het onderhoud van het nieuwe regeringsvliegtuig (Boeing BBJ 737 PH-GOV) Gelet op [artikel 2.23, eerste lid, onder e, van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=2.23), Besluit: Artikel 1 De opdracht voor de operatie en het onderhoud van het nieuwe regeringsvliegtuig (Boeing BBJ 737 PH-GOV), inclusief tijdelijke vervangende toestellen en inclusief het zorgdragen voor vliegvervoer dat door het regeringsvliegtuig moet worden verricht in de periode totdat het nieuwe toestel gereed is, wordt geheim verklaard in de zin van de [Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van plaatsing in de Staatscourant. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12069,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 februari 2006, nr. DDI/ST/reg 001/2006, houdende beperking van de openbaarheid van de emigratiekaarten gevormd door de Nederlandse consulaire vertegenwoordigingen in Australie (1946–1991) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de emigratiekaarten gevormd door de Nederlandse consulaire vertegenwoordigingen in Australië (1946–1991) pas geheel openbaar met ingang van 50 jaar na aankomst van de betreffende personen in Australië. De kaarten van inmiddels overleden personen zijn openbaar. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder het in de tabel bij artikel 1 genoemd inventarisnummer, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder het in de tabel bij artikel 1 genoemde inventarisnummer, is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit zal met de daarbij behorende bijlage in de Staatscourant worden geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van de emigratiekaarten gevormd door de Nederlandse co"},{"i":17056,"b":"Besluit van 28 juni 2005, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 11, 20, 22, 32, 34 en 89, van de Zorgverzekeringswet (Besluit zorgverzekering) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 april 2005, kenmerk Z/VV-2577868; Gelet op de [artikelen 11, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=20), [22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=22), [32, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), [34, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34), en [89, vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=89); De Raad van State gehoord (advies van 20 juni 2005, nr. W13.05.0153/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juni 2005, kenmerk Z/VV-2596179; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - b. **verblijf:** verblijf gedurende het etmaal; - c. **eigen bijdrage:** een eigen bijdrage als bedoeld in [artikel 11, derde lid van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=11); - d. **geregistreerd geneesmiddel:** een geneesmiddel waarvoor een handelsvergunning of parallelhandelsvergunning is verleend krachtens de [Geneesmiddelenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505) dan wel krachtens de verordening, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder fff, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021505&artikel=1); - e. **in-vitrofertilisatiepoging:** zorg volgens de in-vitrofertilisatiemethode, inhoudende: - 1°. het door hormonale behandeling bevorderen van de rijpi"},{"i":19237,"b":"Regeling inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [Verordening (EG) nr. 2580/2001](32001R2580) van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344); Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3), Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, eerste lid, 4, eerste lid, van [Verordening (EG) nr. 2580/2001](32001R2580) van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344). 2. Het verbod te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, eerste lid, 4, eerste lid, van [Verordening (EG) nr. 2580/2001](32001R2580) is niet van toepassing in geval toepassing is gegeven aan artikel 2 bis, eerste lid, artikel 2 ter, eerste lid, artikel 2 quater, eerste lid, artikel 5 eerste of tweede lid of artikel 6, eerste of tweede lid, van de verordening. 3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 2 bis, eerste lid, 2 ter, eerste lid, 2 quater, eerste lid, en 6, tweede en derde lid, van [Verordening (EG) 2580/2001](32001R2580), is de Minister van Financiën dan wel de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking elk voor het gebied waartoe hun competentie zich uitstrekt. 4. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van [Verordening (EG) 2580/2001](32001R2580), is de Minister van Financiën, met dien verstande dat instellingen als bedoeld in [artikel 10, tweede lid, onder a, c, e tot en met j en, voor zover het een bank"},{"i":18701,"b":"Beleidsregel boete werkgevers ZW Gelet op de [artikelen 38, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38), [38a, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38a), [38b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38b) en [63c, tweede lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=63c) en gelet op de [artikelen 2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011708&artikel=2b) en [2c van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011708&artikel=2c), Besluit: Artikel 1. Definities: In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Melding:** een mededeling als bedoeld in [artikel 38, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38), [artikel 38a, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38a), [artikel 38b, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38b), [artikel 38aa, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=38aa), en [artikel 63c, tweede lid, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=63c). - b. **Digipoort:** een landelijk werkend digitaal systeem voor gegevensverwerking, waarin de onder a bedoelde meldingen worden verwerkt. - c. **Verzuimmelder:** een UWV internetapplicatie die het mogelijk maakt meldingen als bedoeld onder a, te doen. - d. **Storing:** het (tijdelijk) slecht of niet functioneren van het systeem als bedoeld onder b of c, waardoor de digitale aanlevering van meldingen als bedoeld onder a, niet mogelijk is. Algemeen Artikel 2 Een te late melding is verwijtbaar als de oorzaak van de te late melding binnen de invloedssfeer van de werkgever ligt. Artikel 3 De boete die is berekend met toepassing van de [artikelen 2b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011708&artikel=2b) of [2c van het Boetebesluit socialezekerheid"},{"i":17354,"b":"Regeling macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2026 Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van verpleging en verzorging, indien de minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2026 verkregen uit declaratie van de prestaties verpleging en verzorging. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2025 ontvangt van de minister, met daarin voor 2026 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - **macro-omzetgrens:** de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - **minister:** de Minister van Vo"},{"i":15439,"b":"Verlenging tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van Biobor JF ten behoeve van het behandelen van kerosine in vliegtuigen (Verlenging vrijstelling Biobor JF voor vliegtuigen 2021) Handelende in overeenstemming met de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gezien het verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, directie Luchtvaart van 18 augustus 2020 (IENW/BSK-2020/162084) tot vrijstelling van het verbod op het gebruik van de biocide Biobor JF in kerosine in vliegtuigen, ten behoeve van het voorkomen en bestrijden van bacteriegroei in het brandstofsysteem van vliegtuigen; Gelet op het uitvoeringsbesluit (EU)2021/739 van de Europese Commissie van 04 mei 2021 betreffende de verlenging van de maatregelen die Nederland heeft getroffen voor het op de markt aanbieden en het gebruik van de biocide Biobor JF; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de behandeling tegen bacteriegroei in het brandstofsysteem van vliegtuigen, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en gebruiken van de biocide Biobor JF in vliegtuigen, en - b). artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012 toegestaan dat de in het onderdeel a genoemde biocide op de markt wordt aangeboden en gebruikt. Artikel 2 Aan de vrijstelling en toestemming, bedoeld in [artikel"},{"i":12660,"b":"Besluit tot wijziging en inwerkingtreding van Uitvoeringsregeling lange speelfilm en Suppletieregeling filminvesteringen Nederland Gelet op de goedkeuring van de Europese Commissie nr. C(2007) 3231 def; Gelet op [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022005&artikel=6) en artikel [37.1 van de Uitvoeringsregeling lange speelfilm](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022005&artikel=37) en op [artikel 22, eerste lid, van de Suppletieregeling filminvesteringen Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022008&artikel=22); Besluit: Artikel I Het subsidieplafond, zoals bedoeld in [artikel 6 van de Uitvoeringsregeling lange speelfilm](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022005&artikel=6) 15,3 miljoen bedraagt; Artikel II Wijzigt de Uitvoeringsregeling lange speelfilm. Artikel III Wijzigt de Suppletieregeling filminvesteringen Nederland. Artikel IV Dat de [Uitvoeringsregeling lange speelfilm](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022005) en de [Suppletieregeling filminvesteringen Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022008) in werking treden met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit geplaatst is."},{"i":15506,"b":"Besluit van het bestuur van Luchtverkeersleiding Nederland houdende de (wijze van) vervanging van papieren archiefbescheiden (Vervangingsbesluit papieren archiefbescheiden LVNL 2024) Gelet op: de regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161 (10265), tot wijziging van de Archiefregeling in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; [artikel 7 van de Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). Besluit(en): Artikel 1 1. Over te gaan tot vervanging door digitale reproducties van de analoge archiefbescheiden die op grond van ‘Selectielijst voor de archiefbescheiden van LVNL vanaf 1993’, voor vernietiging in aanmerking komen, waarna deze analoge archiefbescheiden worden vernietigd; 2. Reproductie geschiedt op de wijze zoals omschreven in het vastgestelde ‘Handboek vervanging papieren archiefbescheiden LVNL’; 3. De vervanging is met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2004 van toepassing. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: ‘Vervangingsbesluit papieren archiefbescheiden LVNL 2024’."},{"i":15487,"b":"Verordening van de Sociaal-Economische Raad van 15 december 1995 houdende regelen krachtens welke de afgifte plaatsvindt van de in artikel 21, zevende lid van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf bedoelde verklaringen Gelet op [artikel 36 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747&artikel=36); Gelet op [artikel 21, zevende lid van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=21); Besluit: Artikel 1 In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. | de raad: | de Sociaal-Economische Raad; | | --- | --- | --- | | b. | de wet: | de [Wet assurantiebemiddelingsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993); | | c. | verklaring: | de verklaring bedoeld in [artikel 21, zevende lid, tweede volzin, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=21), inhoudende dat degene op wiens naam de verklaring is gesteld, voldoet aan de vakbekwaamheidseisen bedoeld in [artikel 21, eerste lid onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004993&artikel=21), uitsluitend voor wat de eisen ter waarborging van een vakkundige uitoefening van het verzekeringsbedrijf betreft. | Artikel 2 1. De in deze verordening voorziene vakbekwaamheidsproeven worden mondeling afgelegd ten overstaan van de [Commissie Vakproeven Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf](onbekend). 2. De proeven hebben betrekking op alle onderdelen van het verzekeringsbedrijf, waarvan de aanvrager ingevolge de vereisten van [artikel 6](onbekend) van deze verordening kennis dient te hebben. Artikel 3 Op aanvraag geeft de raad een verklaring af aan degene die bij de afgifte een onmiddellijk redelijk belang heeft en tevens voldoet aan de in deze verordening omschreven vereisten. Artikel 4 De raad geeft een verklaring slechts af indien de aanvrager, gezien zijn persoonlijke omstandigheden, in het verleden redelijkerwijs niet in de gelegenheid is geweest een krachte"},{"i":15521,"b":"Wet van 25 april 2018 tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Verzamelwet EZK en LNV 2018) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in enkele wetten op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijzigingen van wetstechnische of anderszins ondergeschikte aard aan te brengen in verband met geconstateerde verschrijvingen, onjuiste verwijzingen, gebreken en leemten. Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. (Aanbestedingswet 2012) Wijzigt de Aanbestedingswet 2012. Artikel II. (Elektriciteitswet 1998) Wijzigt de Elektriciteitswet 1998. Artikel III. (Gaswet) Wijzigt de Gaswet. Artikel IV. (Gezondheids- en welzijnswet voor dieren) Wijzigt de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Artikel V. (Kaderwet EZ-subsidies) Wijzigt de Kaderwet EZ-subsidies. Artikel VI. (Meststoffenwet) Wijzigt de Meststoffenwet. Artikel VII. (Mijnbouwwet) Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel VIII. (Telecommunicatiewet) Wijzigt de Telecommunicatiewet. Artikel IX. (Wet dieren) Wijzigt de Wet dieren. Artikel X. (Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden) Wijzigt de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Artikel XI. (Wet handhaving consumentenbescherming) Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel XII. (Wet natuurbescherming) Wijzigt de Wet natuurbescherming. Artikel XIII. (Wet op de economische delicten) Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel XIV. (Wet op de Kamer van Koophandel) Wijzigt de Wet op de Kamer van Koophandel. Ar"},{"i":15531,"b":"Wet van 16 december 2010 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2011) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om enige wijzigingen op het terrein van de wetgeving van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel II. Wijziging van de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. Wijziging van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel IV. Wijziging van de [Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809) Wijzigt de Pensioenwet. Artikel V. Wijziging van de [Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043) Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VI. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel VIa. Wijziging van de [Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008) Wijzigt de Wet arbeid en zorg. Artikel VII. Wijziging van de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel VIII. Wijziging van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel IX. Wijziging van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000416"},{"i":6897,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 november 2015, nr. HO&S/844922, tot het intrekken van een tweetal aanwijzingen van personen belast met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 Gelet op [artikel 9.1a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=9.1a); Besluit: Artikel 1 De personen werkzaam bij: - –. Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord-Holland Noord; - –. Sociale Recherche Twente; zijn met ingang van 1 december niet langer belast met het toezicht als bedoeld in [artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5) op de naleving van artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 bedoeld in [artikel 9.1a van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=9.1a). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":6892,"b":"Besluit huwelijksgoederenregister BES Artikel 1 1. Wanneer een inschrijving wordt verlangd in het huwelijksgoederenregister, moeten de volgende stukken aan de griffier worden overgelegd: - a. ter inschrijving van bepalingen in huwelijkse voorwaarden: een authentiek afschrift of uittreksel van de akte waarbij die bepalingen zijn vastgesteld; - b. ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in de [artikelen 86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=86) en [90 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=90): een authentiek afschrift van de uitspraak; - c. ter inschrijving van het verzoek tot opheffing van de gemeenschap, bedoeld in [artikel 110 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=110): een authentiek afschrift van het verzoekschrift; - d. ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in de [artikelen 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=112) en [173 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=173): een authentiek afschrift van de uitspraak alsmede de verklaring van de griffier, strekkende tot bewijs dat tegen de uitspraak door geen wettig middel kan worden opgekomen. 2. Van een verklaring houdende afstand van een huwelijksgemeenschap, bedoeld in de [artikelen 104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=104) en [105 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=105), maakt de griffier een akte op, die degene die afstand doet in persoon of bij gevolmachtigde ondertekent. 3. Van een verklaring van de echtgenoten dat zij wensen dat de scheiding van tafel en bed door verzoening zal ophouden te bestaan, bedoeld in [artikel 177 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028743&artikel=177), maakt de griffier een akte op, die d"},{"i":15555,"b":"Vierde tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van de desinfectiemiddelen op oppervlakken in verband met de uitbraak COVID-19 (Vierde tijdelijke vrijstelling desinfectiemiddelen oppervlakken COVID-19 2021) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; In aanmerking genomen de toegenomen vraag naar desinfectiemiddelen als gevolg van de uitbraak van COVID-19, in overleg met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528); BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS- CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van desinfectiemiddelen voor oppervlakken die de werkzaamheden in de professionele zorgsector en in de farmaceutische industrie compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528), in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en het door professionele zorgaanbieders en de farmaceutische industrie gebruiken van de middelen genoemd in de bijlage; - b). artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528) toegestaan dat de in de bijlage genoemde middelen onder de daarin genoemde voorwaarden op de markt worden aangeboden en gebruikt. Artikel 2 Aan de vrijstelling en toestemming,"},{"i":15556,"b":"Vierde tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van de biociden in verband met de uitbraak COVID-19 (Vierde tijdelijke vrijstelling handdesinfectie COVID-19 2021) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; In aanmerking genomen de toegenomen vraag naar desinfectiemiddelen als gevolg van de uitbraak van COVID-19, in overleg met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528); BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de bestrijding van infecties ten tijde van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 en in verband met de bij deze bestrijding dreigende tekorten van handdesinfectiemiddelen die de werkzaamheden in een bedrijfs- of beroepsmatige omgeving compromitteren ten tijde van deze uitbraak, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste en tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528), in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en gebruik van handdesinfectiemiddelen genoemd in de bijlage; - b). artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528) toegestaan dat de in de bijlage genoemde middelen onder de daarin genoemde voorwaarden op de markt worden aangeboden en gebruikt. Artikel 2 Aan de vrijstelling en toestemming, bedoeld in [artikel 1, onderdelen a onderscheidenlijk b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045497&artikel=1&z=2021-09-01&g=2021-09-0"},{"i":3076,"b":"Besluit van 9 december 2003, houdende vaststelling van regels met betrekking tot het beheer van autobanden, alsmede wijziging van een aantal besluiten in verband met het schrappen van bepalingen met betrekking tot de in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure (Besluit beheer autobanden) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 juni 2003, nr. MJZ2003048943, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op artikel 5, eerste lid, van [richtlijn nr. 2000/53/EG](32000L0053) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269) en de [artikelen 10.15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.15), en [10.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.17); De Raad van State gehoord (advies van 8 augustus 2003, nr. W08.03.0214/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 december 2003, nr. MJZ 2003120206, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. voertuig: - 1°. bedrijfsauto als bedoeld in de regeling op grond van [artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21), met een gewicht van niet meer dan 3.500 kg; - 2°. personenauto als bedoeld in de regeling op grond van [artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=21); of - 3°. vervoermiddel dat bestemd is om te worden voortbewogen door een voertuig als bedoeld onder 1° of 2°; - b. autobanden: banden die bestemd zijn voor voertuigen; - c. de producent: degene onder wiens verantwoordelijkheid in de uitoefening van zijn bero"},{"i":3075,"b":"Besluit van 17 januari 2003, houdende de voorschriften voor de begrotings- en verantwoordingsdocumenten, uitvoeringsinformatie en informatie voor derden van provincies en gemeenten (Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 juli 2002, nr. FO2002/U78569; Gelet op [artikel 190 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=190) en [artikel 186 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=186); De Raad van State gehoord (advies van 4 december 2002, nr. W04.02.0300/1); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 januari 2003, nr. FO2002/U100707 Hebben goedgevonden en verstaan: Bij Stb. 2003/27 is in artikel 78 een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd. Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. uitzettingen: alle uitgezette middelen; - b. verbonden partij: een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie waarin de provincie onderscheidenlijk gemeente een bestuurlijk en een financieel belang heeft; - c. financieel belang: een aan de verbonden partij ter beschikking gesteld bedrag dat niet verhaalbaar is indien de verbonden partij failliet gaat onderscheidenlijk het bedrag waarvoor aansprakelijkheid bestaat indien de verbonden partij haar verplichtingen niet nakomt; - d. bestuurlijk belang: zeggenschap, hetzij uit hoofde van vertegenwoordiging in het bestuur hetzij uit hoofde van stemrecht; - e. deelneming: een participatie in een besloten of naamloze vennootschap, waarin de provincie onderscheidenlijk gemeente aandelen heeft; - f. CBS: Centraal bureau voor de statistiek; - g. rentetypische looptijd; als gedefinieerd in de [Wet fido, artikel 1, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011987&artikel=1); - h. vaste schuld: het gezamenlijk bedrag van: - 1°. de schuld uit hoofde van geldle"},{"i":3072,"b":"Besluit van 10 december 2001, houdende bepalingen inzake het afleggen van de eed of belofte door en de vergoeding van buitengriffiers en waarnemend griffiers (Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 november 2001, Directie Wetgeving, nr. 5134479/01/6; Gelet op de [artikelen 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=14), en[73, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=73); De Raad van State gehoord (advies van 29 november 2001, nr. W03.01.0616/I); Gezien het nader rapport van onze Minister van Justitie van 5 december 2001, Directie Wetgeving, nr. 5137512/01/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De buitengriffier, bedoeld in [artikel 14, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=14), legt de eed of belofte af ten overstaan van het bestuur van het gerecht. Bij het afleggen van de eed of belofte is een getuige aanwezig. De eed of belofte wordt afgelegd volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in de bijlage bij dit besluit. 2. Na het afleggen van de eed of belofte, bedoeld in het eerste lid, wordt het formulier ondertekend door de buitengriffier, de getuige en een lid van het bestuur ten overstaan van wie de eed of belofte is afgelegd. 3. Het bestuur van het gerecht houdt een register bij waarin de formulieren betreffende de door de buitengriffiers afgelegde eed of belofte worden bewaard. 4. De buitengriffier ontvangt van het bestuur van het gerecht een afschrift van het formulier betreffende de door hem afgelegde eed of belofte. Artikel 2 1. De waarnemend griffier, bedoeld in [artikel 73, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=73), legt de eed of belofte af ten overstaan van de president van de Hoge Raad. Bij het afleggen van de eed"},{"i":15573,"b":"Vreemdelingencirculaire 2000 (B) B1. Regulier algemeen 1. Inleiding 1.1. Machtiging tot voorlopig verblijf 2. Erkenning als referent 2.1. De erkenning als referent 1.1.3. Aanvraagprocedure 1.1.4. Verzoek om advies 1.1.4.1. Regelingen naar aanleiding van uitspraak ABRS 12 januari 2004 A. Overgangsregeling 2.2. Schorsen en intrekken van de erkenning als referent Op grond van [artikel 2f, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2f) juncto [artikel 1.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.22) schorst de IND de erkenning als referent omdat ernstige twijfels bestaan over de betrouwbaarheid van de erkend referent als één van de volgende omstandigheden zich voordoet: Op grond van [artikel 2f, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2f) juncto [artikel 1.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.22) schorst de IND de erkenning als referent omdat ernstige twijfels bestaan over de betrouwbaarheid van de erkend referent als één van de volgende omstandigheden zich voordoet: 1.1.5. Afgifte machtiging tot voorlopig verblijf 2.3. Beoordeling continuïteit en solvabiliteit van de onderneming 2.3. Beoordeling continuïteit en solvabiliteit van de onderneming 2.3. Beoordeling continuïteit en solvabiliteit van de onderneming 2.3. Beoordeling continuïteit en solvabiliteit van de onderneming 3.2. Aanvraag tot erkenning als referent 3.2. TEV-procedure 3.2.1. Begin van de TEV-procedure 3. Aanvraagprocedures 3. Aanvraagprocedures 3.1. Biometrische gegevens 3. Aanvraagprocedures 3. Aanvraagprocedures 3.1. Biometrische gegevens 3.2. Aanvraag tot erkenning als referent 3.3.1. Begin van de TEV-procedure 3.3. TEV-procedure 3.3. TEV-procedure 3.3.1. Algemeen 3.3.1.1. Begin van de TEV-procedure 3.3.3. Aanvraagprocedure mvv door de referent in Nederland 3.3.2. Aanvraagprocedure mvv door de vreemdeling 3.3.4. Afgifte mvv en inreis in Nederland 3.3.5. Ambtshalve verlening verblijfsvergunning"},{"i":15576,"b":"Tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van Biobor JF ten behoeve van het conserveren van vliegtuigen (Vrijstelling Biobor JF voor conserveren vliegtuigen 2020) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gezien het verzoek van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, directie Luchtvaart van 23 april 2020 (kenmerk IENW/BSK-2020/75142) tot vrijstelling van het verbod op het gebruik van de biocide Biobor JF in de in Nederland geconserveerde vliegtuigen, ten behoeve van de preventieve behandeling tegen bacteriegroei in het brandstofsysteem van luchtvaartuigen die tijdelijk buiten gebruik worden gesteld; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012; BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van de preventieve behandeling tegen bacteriegroei in het brandstofsysteem van luchtvaartuigen die tijdelijk buiten gebruik worden gesteld, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 528/2012, in dit geval inzake het onder voorwaarden op de markt aanbieden en gebruiken van de biocide Biobor JF in de in Nederland geconserveerde vliegtuigen, en; - b). artikel 55 van Verordening (EU) nr. 528/2012 toegestaan dat de in het onderdeel a genoemde middel op de markt worden aangeboden en gebruikt. Artikel 2 Aan de vrijstelling en toestemming, bedoeld in [artikel 1, onderdelen a onderscheidenlijk b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043469&artik"},{"i":15581,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 19 mei 2026, nr. IENW/BSK-2026/89530 houdende tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor het gebruik van Huwa-San TR-50 ter bestrijding van mogelijke infectie Andres-Hantavirus op het schip MV Hondius (Vrijstelling Huwa-San TR-50) Gelezen het verzoek van de directeur Infectieziektenbeleid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (verder: VWS) van 18 mei 2026 tot vrijstelling van het verbod op het gebruik van de biocide Huwa-San TR-50, voor het bestrijden van mogelijke infectie van her Andres-hantavirus op het schip de Hondius; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) en artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528); BESLUIT: Artikel 1 Ten behoeve van het bestrijden van Andres-Hantavirus op het, wordt op grond van: - a). [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=43), om in strijd te handelen met artikel 17, eerste lid, van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528), voor het onder voorwaarden op de Nederlandse markt aanbieden en gebruiken van de biocide VectoBac WG, en - b). artikel 55 van [Verordening (EU) nr. 528/2012](32012R0528) toegestaan dat de in het onderdeel a genoemde biocide op de Nederlandse markt wordt aangeboden en gebruikt. Artikel 2 Aan de vrijstelling en toestemming, bedoeld in [artikel 1, onderdelen a onderscheidenlijk b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052631&artikel=1&z=2026-05-20&g=2026-05-20), zijn de in de bijlage bij dit besluit opgenomen beperkingen en voorschriften verbonden. Artikel 3 Dit besluit"},{"i":15586,"b":"Vrijstelling op grond van artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden inzake de biocide Vectobac WG (Vrijstelling Vectobac WG exotische muggen 2023) Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op [artikel 46, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46); BESLUIT: Artikel 1 Vrijstelling als bedoeld in [artikel 46 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021670&artikel=46) wordt verleend voor het professioneel gebruik van de biocide VectoBac WG voor de bestrijding van exotische muggen in binnenruimten, met uitzondering van ruimten die bedoeld zijn of gebruikt worden voor menselijk verblijf. Artikel 2 Aan de vrijstelling zijn de in de bijlage bij dit besluit opgenomen voorschriften en beperkingen verbonden. Artikel 3 De vrijstelling wordt verleend van 8 mei 2023 tot en met 3 november 2023. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vrijstelling VectoBac WG exotische muggen 2023. Bijlage. bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048165&artikel=2&z=2023-05-15&g=2023-05-15) Hieronder zijn het gebruiksvoorschrift en de risicobeperkende maatregelen vanuit de wettelijke voorschriften voor het gebruik van VectoBac WG opgenomen. Hier moet de professionele gebruiker zich aan houden. gebruiksvoorschrift De volgende aanbevelingen moeten worden geïmplementeerd om voldoende werkzaamheid te bewerkstelligen: risicobeperkende maatregelen Dit besluit zal met bijlage en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15601,"b":"Besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 januari 2009, nr. DWJZ/SWW-2907432, houdende enkele kleine wijzigingen van regelingen op het terrein van VWS, alsmede intrekking van diverse regelingen op dat terrein die hun betekenis hebben verloren (VWS veegregeling 2009) Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling stamceltransplantatie. Artikel II Wijzigt de Regeling transplantatie eilandjes van Langerhans. Artikel III De volgende regelingen worden ingetrokken: - a. [Regeling van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 12 juni 1989, nr. OB/U/1461, houdende regeling gestructureerd overleg maatschappelijke opvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004573) (Stcrt. 1989, 113); - b. [Regeling van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 21 december 1993, nr. DGB/HOAG939084, houdende wijziging van de Subsidieregeling gehandicaptenbeleid 1993 in verband met de wijziging van de subsidiegrondslag voor de landelijke ouderverenigingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006340) (Stcr. 1993, 250); - c. [Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, van 22 juni 1995, nr. DGVgz/VVP/C951020, houdende wijziging van de Stoffenregeling cosmetica](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007461)(Stcrt. 1995, 126); - d. [Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 september 1996, nr. GMV/MHB 964745, houdende wijziging van de Regeling bloedprodukten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008241) (Stcrt. 1996, 188); - e. [Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 augustus 1998, nr. TTW/VTG-U-98346, houdende instelling van het Adviescollege besteding vierde tranche](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009872) (Stcrt. 1998, 164); - f. [Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 september 1999, nr. TTW/IA-U-991704, houdende instelling van het Advies"},{"i":15604,"b":"Waarnemingsregeling SG Overwegende dat voor de situatie dat de Secretaris-Generaal en de Plaatsvervangend Secretaris-Generaal van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beiden afwezig zijn, het wenselijk is het navolgende te regelen: Besluit: 1. Naar rangorde van de lengte van de periode dat zij bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werkzaam zijn als Directeur-Generaal (Kerndepartement) is een van hen belast met de waarneming van de taken en bevoegdheden van de Secretaris-Generaal indien en zolang de Secretaris-Generaal en de Plaatsvervangend Secretaris-Generaal beiden afwezig zijn. 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van ondertekening ervan en zal worden gepubliceerd in de Staatscourant."},{"i":15613,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 augustus 2014, 648963-124382-VGP houdende vaststelling van regels inzake verplichte allergeneninformatie niet-voorverpakte levensmiddelen (Warenwetregeling allergeneninformatie niet-voorverpakte levensmiddelen) Gelet op Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van [Verordeningen (EG) nr. 1924/2006](32006R1924) en [(EG) nr. 1925/2006](32006R1925) van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [Richtlijn 87/250/EEG](31987L0250) van de Commissie, [Richtlijn 90/496/EEG](31990L0496) van de Raad, [Richtlijn 1999/10/EG](31999L0010) van de Commissie, [Richtlijn 2000/13/EG](32000L0013) van het Europees Parlement en de Raad, [Richtlijnen 2002/67/EG](32002L0067) en [2008/5/EG](32008L0005) van de Commissie, en [Verordening (EG) nr. 608/2004](32004R0608) van de Commissie (PbEU 2011, L 304) en [artikel 10, onderdeel e, van het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033323&artikel=10); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **niet-voorverpakte levensmiddelen:** levensmiddelen die niet voorverpakt aan de eindverbruiker of aan grote cateraars te koop worden aangeboden of levensmiddelen die op de plaats van verkoop op verzoek van de consument worden verpakt of met het oog op de onmiddellijke verkoop worden voorverpakt; - b. **allergeneninformatie:** de vermelding, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EU) 1169/2011. Artikel 2 1. Op de plaats waar niet-voorverpakte levensmiddelen te koop worden aangeboden, wordt duidelijk zichtbaar vermeld waar de allergeneninformatie over deze niet-voorverpakte levensmiddelen beschikbaar is. 2. Indien niet-voorverpakte levensmiddelen te koop worden aangeboden op meerdere plaatsen binnen eenzelfde pand, wordt de vermelding, bedoeld in het eerste lid,"},{"i":15623,"b":"Warenwetregeling gedehydrateerde melk 2003 Gelet op [richtlijn nr. 2001/114/EG](32001L0114) van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2001 inzake bepaalde voor menselijke voeding bestemde, geheel of gedeeltelijk gedehydrateerde verduurzaamde melk (PbEG 2002, L 15), alsmede op [artikel 4, tweede lid, onder a, van het Warenwetbesluit Zuivel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006982&artikel=4); Besluit: § 1. algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **melk:** melk bestemd voor de bereiding van producten op basis van melk, bedoeld in [artikel 1, onder k, van het Warenwetbesluit Zuivel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006982&artikel=1); - b. **geheel gedehydrateerde melk:** de poedervormige waar die wordt verkregen door het onttrekken van water aan: - 1°. melk; - 2°. geheel of gedeeltelijk afgeroomde melk; - 3°. room; of - 4°. een mengsel van de onder 1°, 2° en 3° bedoelde waren; met een vochtgehalte van het eindproduct van ten hoogste 5,0 gewichtsprocent; - c. **gedeeltelijk gedehydrateerde melk:** de vloeibare, al dan niet gesuikerde waar, die wordt verkregen door het gedeeltelijk onttrekken van water aan: - 1°. melk; - 2°. geheel of gedeeltelijk afgeroomde melk; of - 3°. een mengsel van de onder 1° en 2° bedoelde waren; waaraan eventueel room of geheel gedehydrateerde melk zijn toegevoegd, met dien verstande dat de hoeveelheid toegevoegde geheel gedehydrateerde melk in het eindproduct ten hoogste 25% bedraagt van het totale gehalte aan van melk afkomstige droge stof; - d. **sacharose:** halfwitte suiker, witte suiker, of geraffineerde witte suiker; - e. verordening (EG) 853/2004: verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU L 139 en L 226); - f. melkretentaat: het product dat wordt verkregen door het concentreren van melkeiwit door ultrafiltrat"},{"i":15638,"b":"Warenwetregeling sterkte-eisen frisdrankflessen Gelet op [artikel 8, tweede lid, van het Warenwetbesluit drukverpakkingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007965&artikel=8); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: a. fles: een glazen fles als verpakking voor een koolzuurhoudende drinkwaar; b. beschermde fles: een fles, voorzien van een blijvende, op de buitenzijde ervan aangebrachte bescherming van kunststof; c. ommantelde fles: een fles, voorzien van een losse mantel van een ander materiaal dan glas, welke een functionele eenheid vormt met deze fles en deze ten minste van de bodem tot en met het begin van de schouder strak omsluit, zodanig dat bij omvallen het onbeschermde glazen halsgedeelte het grondvlak niet raakt. 2. Op verzoek van de belanghebbende worden bij ministeriële regeling, normen aangewezen die gelijkwaardig zijn aan het in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008848&artikel=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008848&artikel=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008848&artikel=4&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008848&artikel=5&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008848&artikel=6&z=2014-01-01&g=2014-01-01) bepaalde. Artikel 2 1. Een fles met een strijkvolle inhoud van 700 ml of meer bij 200 C moet gemeten bij 200C een wanddikte hebben van ten minste 2,0 mm. 2. Een beschermde fles moet zodanig zijn, dat bij een val zoals omschreven in de bij deze regeling gevoegde [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008848&bijlage=I&z=2014-01-01&g=2014-01-01), het totale gewicht van de delen van de beschermde fles, verzameld binnen de in de [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008848&bijlage=I&z=2014-01-01&g=2014-01-01) genoemde metalen band, ten minste 95% bedraagt van het oorspronkelijke gewicht van de beschermde fles. 3. Een ommant"},{"i":15478,"b":"Verordening op de Raad voor Geschillen Het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants maakt, gelet op [artikel 23, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=23), onderstaande verordening bekend, welke door de ledenvergadering op 16 december 2013 is vastgesteld. Gelet op [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=5) in samenhang met [artikel 19 eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=19); Stelt de volgende verordening vast: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 Er is een Raad voor Geschillen, hierna te noemen: de Raad. Artikel 2 1. De Raad bestaat uit de volgende leden: - a. een voorzitter en een of meer plaatsvervangend voorzitters; - b. vier accountants met de beroepstitel Registeraccountant; - c. vier accountants met de beroepstitel Accountant-Administratieconsulent. 2. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter zijn rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast. 3. De Raad wordt bijgestaan door een secretaris en een plaatsvervangend secretaris. Voor benoeming tot secretaris of plaatsvervangende secretaris komt in aanmerking degene: - a. aan wie door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) betrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of - b. die aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de [Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682) betrekking heeft, het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen. 4. De leden, de secretaris en de plaatsvervangend secretaris worden benoemd door het"},{"i":15652,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 20 augustus 2018, 1364645-177989-VGP, houdende het verlenen van vrijstelling voor de aanwezigheid van bepaalde vitamines in voedingssupplementen (Warenwetregeling vrijstelling voedingssupplementen) Gelet op: [Richtlijn 2002/46/EG](32002L0046) van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PbEG 2002, L 183); [artikel 16, eerste en vierde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=16); [artikel 10, eerste lid, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005758&artikel=10); [artikel 3, eerste lid, van het Warenwetbesluit voedingssupplementen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014814&artikel=3); en [artikel 10, aanhef en onderdeel b, van het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033323&artikel=10); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder voedingssupplementen: eet- of drinkwaren als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Warenwetbesluit voedingssupplementen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014814&artikel=1). Artikel 2 Onverminderd het bij of krachtens het [Warenwetbesluit voedingssupplementen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014814) bepaalde wordt vrijstelling verleend van [artikel 10, eerste lid, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005758&artikel=10), wat betreft de aanwezigheid van vitamines in voedingssupplementen, onder de in de volgende artikelen opgenomen voorschriften. Artikel 3 In voedingssupplementen zijn geen vitamines aanwezig in hoeveelheden die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid. Artikel 4 1. Voedingssupplementen bevatten per dagelijks volgens de gebruiksaanwijzing te nuttigen hoeveelheid ten hoogste 1.200 µg RE vitamin"},{"i":15654,"b":"Wet van 17 juni 2013, houdende regels omtrent de levering van warmte aan verbruikers (Warmtewet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, omwille van de bescherming van de verbruikers, met inachtneming van het belang van een betrouwbaar, duurzaam, milieuhygiënisch verantwoord en een doelmatig functioneren van de warmtevoorziening een regeling tot stand te brengen met betrekking tot de levering van warmte aan verbruikers; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Inwerkingtreding voorheen door Stb. 2013/325 gesteld op 1 november 2013. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aansluiting:** een individuele of centrale aansluiting; - –. **afleverset voor warmte:** installatie waarmee ten behoeve van warmtelevering aan een verbruiker energieoverdracht plaatsvindt tussen een warmtenet en een binneninstallatie of een inpandig leidingstelsel; - –. **Autoriteit Consument en Markt:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - –. **bindende gedragslijn:** een zelfstandige last die niet wegens een overtreding wordt opgelegd; - –. **binneninstallatie:** leidingen, installaties en hulpmiddelen, niet zijnde de afleverset voor warmte of de meetinrichting, die zijn gelegen in een onroerende zaak als bedoeld in [artikel 16, onderdelen a en c tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=16) van een verbruiker en bestemd voor toe- en afvoer van warmte ten behoeve van die onroerende zaak, met uitzondering van leidingen, installaties en hulpmiddelen die strekken tot doorlevering van warmte naar ee"},{"i":15668,"b":"Wet van 26 november 2009, houdende regeling voor aanpassing van bedragen in de Wet op het kindgebonden budget en niet-indexering van kinderbijslagbedragen en bedragen kindgebonden budget in de jaren 2010 en 2011 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de beheersing van de uitgaven aan kinderbijslag en kindgebonden budget de bedragen voor de kinderbijslag en het kindgebonden budget niet te indexeren in de jaren 2010 en 2011 en overigens in de [Wet kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751) de inkomensgrenzen en andere bedragen aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het kindgebonden budget. Artikel II 1. De bedragen, bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=12) en [41b, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=41b), worden met ingang van 1 januari 2010 in de kalenderjaren 2010 en 2011 niet herzien met toepassing [artikel 13, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13). 2. Voor de herziening van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, met ingang van 1 januari 2012 wordt voor de toepassing van [artikel 13, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=13) onder «de consumentenprijsindex, waarop de laatste herziening is gebaseerd» verstaan: de consumentenprijsindex over de maand april 2011. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,"},{"i":4585,"b":"Besluit van 3 november 2025, houdende regels over energiemarkten en energiesystemen (Energiebesluit) Op de voordracht van Onze Minister van Klimaat en Groene Groei van 18 juni 2025, nr. WJZ / 99237560; Gelet op de [artikelen 1.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.4), [1.7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=1.7), [2.2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.2), [2.5, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.5), [2.6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.6), [2.18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.18), [2.21, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.21), [2.25, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.25), [2.34, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.34), [2.46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.46), [2.50, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.50), [2.51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.51), [2.53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.53), [2.56, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.56), [2.68, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=2.68), [3.8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.8), [3.18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.18), [3.26, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.26), [3.27, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.27), [3.36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.36), [3.40, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=3.40), [3.41, tweede"},{"i":17409,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 25 juni 2020, nr. WJZ/ 20152865, houdende eenmalige specifieke uitkering in verband met de uitvoering van de MKB-deals (Regeling specifieke uitkering MKB-deals) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen - **minister:** de Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **MKB-deal:** een convenant dat door de minister en een dealpartner is gesloten naar aanleiding van de oproep voor voorstellen voor MKB-deals; - **dealpartner:** een provincie of gemeente die partij is bij een MKB-deal; - **regionale cofinanciering:** voor de uitvoeringsactiviteiten beschikbaar gestelde bijdragen, door een dealpartner, een ander bestuursorgaan, een andere publieke rechtspersoon, of private partijen voor zover een dealpartner daarover kan beschikken, niet zijnde de financiële bijdrage van de minister voor de uitvoeringsactiviteiten; - **uitvoeringsactiviteiten:** activiteiten ter uitvoering van een MKB-deal zoals omschreven in een MKB-deal. Artikel 2. Specifieke uitkering De minister verstrekt een eenmalige specifieke uitkering voor uitvoeringsactiviteiten aan een dealpartner. Artikel 3. Hoogte van de specifieke uitkering 1. Een specifieke uitkering bedraagt minimaal € 100.000.– en maximaal € 400.000,– per MKB-deal. 2. Een specifieke uitkering bedraagt maximaal 50 procent van het in een MKB-deal opgenomen bedrag voor de uitvoeringsactiviteiten inclusief de compensabele BTW, doch ten hoogste een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat aan regionale cofinanciering beschikbaar wordt gesteld. 3. Het bedrag exclusief compensabele BTW wordt bij beschikking toegekend aan de dealpartner en via een specifieke uitkering betaald. Het bedrag aan compensabele BTW stort de minister in het BTW-compensatiefonds. Artikel 4. Beslistermijn De minister verleent de specifieke uitkering uiterlijk vier weken na 30 oktober 2020. A"},{"i":6279,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot samenvoeging van de gemeenten Haarlemmerliede en Spaarnwoude en Haarlemmermeer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Haarlemmerliede en Spaarnwoude en Haarlemmermeer samen te voegen tot de nieuwe gemeente Haarlemmermeer; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Haarlemmerliede en Spaarnwoude en Haarlemmermeer opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Haarlemmermeer ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Haarlemmerliede en Spaarnwoude en Haarlemmermeer, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Haarlemmermeer wordt de op te heffen gemeente Haarlemmermeer aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Haarlemmerliede en Spaarnwoude en Haarlemmermeer wordt de nieuwe gemeente Haarlemmermeer aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":13139,"b":"CBP Richtsnoeren Actieve openbaarmaking en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer Inleiding In december 2007 heeft het CBP algemene richtsnoeren gepubliceerd over de publicatie van persoonsgegevens op internet (hierna: de Richtsnoeren I).1Stcrt 2007, nr. 240, p. 27.http://www.cbpweb.nl/downloads_rs/rs_20071211_persoonsgegevens_op_internet_definitief.pdf?refer=true&theme=purple. Met die richtsnoeren heeft het CBP het voor particulieren, ondernemingen, organisaties en instellingen die van plan zijn persoonsgegevens op internet te publiceren eenvoudiger willen maken te beoordelen of die publicatie is toegestaan en zo ja, aan welke voorwaarden daarbij moet worden voldaan. Het CBP ontvangt nog regelmatig signalen en vragen over ontwikkelingen op internet in relatie tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het algemeen, en ten aanzien van de zorgvuldige omgang met persoonsgegevens op internet in het bijzonder. Het publiceren van persoonsgegevens op internet neemt almaar toe. Bijvoorbeeld door bestuursorganen die uit eigen beweging tot het op internet openbaarmaken van overheidsinformatie overgaan. Soms bevat die overheidsinformatie persoonsgegevens. De wens om een transparante, controleerbare overheid te hebben ligt aan het publiceren van die persoonsgegevens ten grondslag. Het CBP erkent zonder meer het belang van openbaarheid. Die openbaarheid is onmisbaar voor een goed functionerende democratische samenleving. Dat betekent alleen niet dat informatie van de overheid altijd op internet moet worden gepubliceerd. En het betekent zeker niet dat persoonsgegevens, voor zover die in overheidsinformatie zijn vervat, klakkeloos op internet kunnen worden geplaatst. Dat stelt burgers namelijk bloot aan grote risico’s. Openbaarmaking van hun persoonsgegevens op internet zou bijvoorbeeld tot identiteitsfraude kunnen leiden. Door publicatie op internet wordt het verspreidingsgebied van de informatie enorm vergroot. De gegevens zijn wereldwijd beschikbaar voor ieder"},{"i":16694,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 november 2012, CZ-3137178, houdende aanwijzing van Ambulance Amsterdam B.V. voor de regio Amsterdam-Amstelland als de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Ambulance Amsterdam B.V. is voor regio Amsterdam-Amstelland de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in [artikel 4 van de Tijdelijke wet ambulancezorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031557&artikel=4). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":16790,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 19 augustus 2022 nr. BOACAT2022/059, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Stichting Veiligheidszorg Drenthe, Dienst Justis Gelezen het verzoek van de directeur van de Stichting Veiligheidszorg Drenthe van 9 augustus 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047072&artikel=2&z=2024-04-04&g=2024-04-04). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van BOA openbare ruimte in dienst van de Stichting Veiligheidszorg Drenthe, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot he"},{"i":2404,"b":"Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 mei 2021 nr. MBO/25782734, houdende beleid over de wijze waarop de bevoegdheid wordt uitgeoefend tot het verlenen van het recht op diploma-erkenning als bedoeld in artikel 1.4a.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs voor opleidingen overige educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b tot en met f, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Beleidsregel diploma-erkenning opleidingen overige educatie (2021)) Gelet op [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 1.4a.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4a.1); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt. Artikel 1. Beleidsregel De beleidsregel voor het beslissen op aanvragen tot het verlenen van het recht op diploma-erkenning als bedoeld in [artikel 1.4a.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.4a.1) voor opleidingen overige educatie als bedoeld in [artikel 7.3.1, eerste lid, onder b tot en met f, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.3.1) wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. Artikel 2. Intrekking vorige beleidsregel De [Aanvraagprocedure diploma-erkenning voor opleidingen Nederlandse taal en/of rekenen en digitale vaardigheden (overige educatie)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044193) van 5 oktober 2018 (Staatscourant 2018, 55481) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770) in werking treedt. Artikel 4. Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel diploma-erkenning opleidingen overige educatie (2021). Bijlage. behore"},{"i":16818,"b":"Besluit van 22 juli 2002, houdende de herindeling van de ministeriële taak met betrekking tot de zorg voor voorzieningen van gehandicapten Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 22 juli 2002, kenmerk 02M435324; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 22 juli 2002. Artikel 1 Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de zorg voor voorzieningen van gehandicapten voorzover deze zorg voor 22 juli 2002 was opgedragen aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2 De taken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 22 juli 2002. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbijbehorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de ministerraad, de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba en de ministeries."},{"i":16820,"b":"Besluit van 21 juni 1999, houdende overdracht van de zorg voor de Kernenergiewet Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 15 juni 1999, nr. 99M005356; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig 1. De zorg voor de [Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) en voor de op de[Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402) gebaseerde regelgeving, voorzover deze thans behoort tot de taak van Onze Minister van Economische Zaken, gaat met ingang van 1 juli 1999 over naar Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. In afwijking van het eerste lid blijft de zorg voor het [Besluit registratie splijtstoffen en ertsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002673) en de Aangiftebeschikking splijtstoffen en ertsen behoren tot de taak van Onze Minister van Economische Zaken. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Economische Zaken en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16821,"b":"Besluit van 19 mei 2000, houdende de overdracht van de zorg voor het quotumbeleid voor uitgenodigde vluchtelingen Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 16 mei 2000, nr. 00M384913; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 maart 2000. Enig artikel 1. Onze Minister van Justitie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de eerste opvang van uitgenodigde vluchtelingen, voor zover deze zorg voor de inwerkingtreding van dit besluit was opgedragen aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met dien verstande dat de verantwoordelijkheid voor de in het kader van deze zorg tot die datum verstrekte subsidies blijft bij Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 2. De taak van beide ministeries wordt dienovereenkomstig gewijzigd. 3. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 maart 2000. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":16853,"b":"Besluit van 1 juli 2024, houdende instelling van de medaille voor hulpverlening en bijstand bij crises, rampen of grootschalige incidenten Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 12 juni 2024, nr. 5448826; Overwegende dat het uitreiken van medaille bijdraagt aan de waardering voor de persoon die zich op bijzondere wijze verdienstelijk heeft gemaakt gedurende een crisis, ramp of grootschalig incident in het Koninkrijk; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemeen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Crisis:** een crisis als bedoeld in [artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=1); - **Gedecoreerde:** de persoon aan wie de medaille en of gesp(en) is toegekend en uitgereikt. - **Grootschalig incident:** incidenten met een gelijkwaardige uitstraling en/of gelijkwaardige impact als een crisis of ramp. - **Kandidaat:** de persoon die wordt voorgedragen voor de medaille. - **Onze minister:** Onze Minister van Justitie en Veiligheid; - **Ramp:** een ramp als bedoeld in [artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=1). Artikel 2 Er is een medaille voor hulpverlening en bijstand bij crisis, rampen of grootschalige incidenten. Artikel 3 De medaille wordt toegekend aan personen vanwege een buitengewone inzet tijdens een ramp, crisis of grootschalig incident binnen het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden of, in uitzonderlijke gevallen, buiten het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden onder gezag van het Koninkrijk der Nederlanden. Artikel 4 De medaille kan zowel worden toegekend aan Nederlanders, alsmede aan vreemdelingen. Artikel 5 De medaille kan postuum worden toegekend. Artikel 6 1. De medaille is gemaakt van messing en heeft een ronde vorm met een doorsnede van ca. 35 mm. 2. Op de voorzijde van de medaille is een afbeelding te zien van een hulpverlenende hand en de tekst: «onderscheidend in hulpverlening». 3"},{"i":16856,"b":"Besluit neerslag selectielijst handelingen Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie vanaf (2008) 2009 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 20 september 2010, nr. bca 2010.05856/3); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie over de periode vanaf (2008) 2009’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Fonds voor de Amateurkunst en Podiumkunsten en voorgangers op het beleidsterrein Kunsten over de periode vanaf 1945 (vastgesteld bij [beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nr. C/S&A/07/1032](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021951) d.d. 19-4-2007 en gepubliceerd in de Staatscourant nr. 101 d.d. 30-5-2007) wordt vanaf 2009 ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Gepubliceerd op www.archief.nl. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":16877,"b":"Besluit van 9 juni 2010, houdende de overdracht van de zorg voor de Pandhuiswet 1910 Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 3 juni 2010, nr. 3092737; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De zorg voor de [Pandhuiswet 1910](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001880), voor zover deze thans behoort tot de taak van Onze Minister van Financiën, gaat over naar Onze Minister van Economische Zaken. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2010. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Financiën en van Economische Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":11992,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 9 maart 2020, nr. 17846177, houdende beperking aan de openbaarheid van het archief van het Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis, 1816–1944 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van deArchiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10)en het advies van het Nationaal Archief d.d. 5 februari 2020, met kenmerk 19884148; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van Archief Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis, 1816–1944: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 441 | 2043 | | 487 | 2043 | | 488 | 2044 | | 490 | 2025 | | 491 | 2043 | | 492 | 2025 | | 493 | 2043 | | 494 | 2043 | | 506 | 2038 | | 518 | 2043 | | 519 | 2043 | | 520 | 2043 | | 522 | 2043 | | 524 | 2043 | | 561 | 2043 | | 563 | 2045 | | 609 | 2039 | | 610 | 2037 | | 626 | 2020 | | 627 | 2021 | | 628 | 2022 | | 635 | 2039 | | 638 | 2038 | | 645 | 2040 | | 647 | 2037 | | 648 | 2023 | | 649 | 2024 | | 650 | 2025 | | 651 | 2026 | | 652 | 2027 | | 654 | 2039 | | 655 | 2039 | | 659 | 2029 | | 661 | 2030 | | 663 | 2031 | | 666 | 2020 | | 679 | 2034 | | 685 | 2038 | | 706 | 2036 | | 707 | 2035 | | 716 | 2021 | | 718 | 2034 | | 719 | 2033 | | 722 | 2020 | | 725 | 2021 | | 728 | 2023 | | 729 | 2024 | | 730 | 2025 | | 731 | 2026 | | 732 | 2027 | | 733 | 2028 | | 734 | 2029 | | 738 | 2030 | | 742 | 2031 | | 753 | 2032 | | 755 | 2022 | | 760 | 2043 | | 763 | 2028 | | 767 | 2030 | | 778 | 2040 | | 783 | 2035 | | 784 | 2035 | | 787 | 2040 | | 795 | 2040 | | 797 | 2040 | | 799 | 2038 | | 804 | 2038 | | 819 | 2021 | | 824 | 2021 | | 825 | 2021 | | 827 | 2021 | | 830 |"},{"i":18821,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 juli 2022, nr. BOACAT2022/046, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, Penitentiaire Inrichting Middelburg Gelezen het verzoek van de Directeur-generaal van de Dienst Justitiële Inrichtingen van 29 juni 2022 en de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Landelijk Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046946&artikel=2&z=2022-07-20&g=2022-07-20). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van arrestantenverzorgers in dienst van de Dienst Justitiële Inrichtingen, Penitentiaire Inrichting Middelburg, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengew"},{"i":17776,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden, en Oekraïne, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving, met inbegrip van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten, schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid, veiligheid en handel van de Verdragsluitende Partijen; overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt; erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen internationaalrechtelijke bepalingen; gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand, de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand (Verklaring van Cyprus) en de Resolutie inzake veiligheid en facilitatie van de internationale logistieke keten, aangenomen door de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisatie, in respectievelijk december 1953, juli 2000 en juni 2002; gelet op internationale verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen bevatten; tevens gelet op de Universele Verklaring van de Re"},{"i":14799,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 februari 2016, nr. MBO/845264 houdende vaststelling van keuzedelen welke onderdeel uitmaken van de kwalificatiestructuur van het middelbaar beroepsonderwijs (Regeling vaststelling keuzedelen) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op [artikel 7.2.4, tweede lid, onderdeel d, en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4), en [7.2.7, negende lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.7) en [artikel 17d, eerste lid, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=17d); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder wet: [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625). Paragraaf 2. Vaststelling keuzedelen Artikel 2.1. Keuzedelen 1. De keuzedelen en de studielast daarvan worden vastgesteld op de wijze bedoeld in de [bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037674&bijlage=1&z=2026-05-01&g=2026-05-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037674&bijlage=3&z=2026-05-01&g=2026-05-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037674&bijlage=5&z=2026-05-01&g=2026-05-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037674&bijlage=7&z=2026-05-01&g=2026-05-01), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037674&bijlage=9&z=2026-05-01&g=2026-05-01), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037674&bijlage=11&z=2026-05-01&g=2026-05-01), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037674&bijlage=13&z=2026-05-01&g=2026-05-01), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037674&bijlage=15&z=2026-05-01&g=2026-05-01), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037674&bijlage=17&z=2026-05-01&g=2026-05-01), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037674&bijlage=19&z=2026-05-01&g=2"},{"i":14797,"b":"Regeling vaststelling grondslagen IOAZ Gelet op [artikel 5, zesde en zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=5), Besluit: Artikel 1 1. De grondslag voor de gewezen zelfstandige en de echtgenoot wordt vastgesteld op: € 2.303,12. 2. De grondslag voor de alleenstaande gewezen zelfstandige, die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft wordt vastgesteld op: € 1.151,56. 3. De grondslag voor de alleenstaande gewezen zelfstandige, wordt vastgesteld op: € 1.776,11. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking per 1 januari 1996. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: [Regeling vaststelling grondslagen IOAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007763). Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a Vervallen Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18133,"b":"Besluit van 6 juni 1995, houdende regelen omtrent eenmalige uitkeringen als bedoeld in artikel XVIII van de Wet van 4 februari 1994 (Stb. 81) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 15 februari 1995, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 481965/95/6; Gelet op artikel XVIII van de Wet van 4 februari 1994 (**Stb.** 81) tot wijziging van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten (wijziging bezoldigingsstructuur); De Raad van State gehoord (advies van 25 april 1995, nr. W03.95.0086); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 30 mei 1995, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 497402/95/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. de Wet: de Wet van 4 februari 1994 (**Stb.** 81) tot wijziging van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten (wijziging bezoldigingsstructuur); - b. VUT-uitkering: een uitkering op grond van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden. Artikel 2 1. Een eenmalige uitkering als bedoeld in artikel XVIII, eerste of tweede lid, van de Wet is gelijk aan het overeenkomstig het derde lid berekende verschil tussen, enerzijds, het hogere salarisbedrag, bedoeld in artikel XVIII, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de Wet, en, anderzijds, het werkelijk genoten salaris. 2. Onder salaris wordt in het eerste lid verstaan: het salaris over de periode 1 mei 1991 tot 1 juni 1992 of, indien de datum van ontslag of overlijden eerder viel, tot die eerdere datum. 3. Het verschil wordt berekend tegen eindwaarde per 1 april 1994 op basis van een rekenrente van 7%. Artikel 3 1. Een eenmalige uitkering als bedoeld in artikel XVIII, derde lid, van de Wet: - a. wordt, voor zover deze in verband met gederfde pensioenaanspraken wordt toegekend, berekend op gelijke wijze als een eenmalige uitkering als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007430&artikel=2&z=1995-06-28&g=1995-06-28)"},{"i":18993,"b":"Besluit van 4 april 2003, houdende de vaststelling van de vergoedingen van de leden van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (Tijdelijk besluit vergoedingen Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 27 november 2002, directie Wetgeving, nr. 5198842/02/6; Gelet op [artikel 7 van de Tijdelijke instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011940&artikel=7); De Raad van State gehoord (advies van 20 december 2002, no. W03.02.0542/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 14 maart 2003, directie Wetgeving, nr. 5210116/03/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Raad:** de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming; - b. **wet:** de[Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036510); - c. **ondervoorzitter:** de ondervoorzitter, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011940&artikel=4); - d. **leden:** de leden,bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011940&artikel=4); - e. **buitengewone leden:** de buitengewone leden, bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011940&artikel=4); - f. **voorzitter van de Raad:** de voorzitter van de Raad, bedoeld in [artikel 4, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011940&artikel=4); - g. **voorzitter van de Afdeling rechtspraak:** de voorzitter van de Afdeling rechtspraak, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011940&artikel=27); - h. **beroepscommissie:** commissie aan wie de rechtsprekende taak van de Raad is opgedragen; - i. **vergadering:** een bijeenkomst van leden of buitengewone leden van de Afdeling rechtspraak ten behoev"},{"i":17765,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië inzake de export van socialeverzekeringsuitkeringen Het Koninkrijk der Nederlanden en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, geleid door de wens betrekkingen op het gebied van de sociale zekerheid tot stand te brengen; geleid door de wens de samenwerking tussen de twee Staten te regelen ter waarborging van de naleving van de wetgeving van het ene land in het andere; zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „grondgebied\", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; - b. „bevoegde autoriteit\", met betrekking tot het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië: de minister van Arbeid/de Voorzitter van de Raad van Bestuur van de Socialezekerheidscorporatie, en met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland; - c. „bevoegd orgaan\", met betrekking tot het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië: de Socialezekerheidscorporatie, en met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de takken van sociale verzekering bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c: het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, p/a GAK Nederland BV, en betreffende de takken van sociale verzekering bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, e en f: de Sociale Verzekeringsbank of elk lichaam dat bevoegd is taken te verrichten die thans worden uitgevoerd door de genoemde organen; - d. „wetgeving\", de wetgeving met betrekking tot de takken van sociale zekerheid genoemd in artikel 2; - e. „uitkering\", elke uitkering of elk pensioen krachtens de wetgeving; - f. „uitkeringsgerechtigde\", een persoon die een uitkering aanvraagt of recht heeft op een uitkering; - g. „gezinslid\", een persoon die als zodanig wordt omschreven of aangemerkt door de wetgeving; - h. „wonen\", re"},{"i":19368,"b":"Wet van 4 februari 1994, tot aanvulling en wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met onttrekking aan de tenuitvoerlegging van vrijheidsbeneming Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen teneinde het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van vrijheidsbeneming tegen te gaan en daartoe een dergelijke onttrekking op te nemen als grond voor het uitstellen of achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling en voorts, teneinde de bevrijding dan wel hulp bij zelfbevrijding van een gevangene tegen te gaan, de strafbaarheid te verhogen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II [Artikel I onder A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006452&artikel=I&z=1994-02-18&g=1994-02-18) is niet van toepassing voor zover veroordeelden zich voor de inwerkingtreding van deze wet aan de tenuitvoerlegging van hun straf hebben onttrokken of hiertoe een poging hebben gedaan. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17918,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 18 oktober 2019, kenmerk 1594729-197076-Z, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met het vaststellen van de woonlandfactoren voor het jaar 2020 ten behoeve van de gedifferentieerde berekening van de bijdrage voor verdragsgerechtigden Artikel I Wijzigt de Regeling zorgverzekering. Artikel II In afwijking van [bijlage 4 van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&bijlage=4) is het in [artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018715&artikel=6.3.1) bedoelde verhoudingsgetal voor Duitsland voor het jaar: - a. 2017: 0,7532; - b. 2018: 0,8595; - c. 2019: 0,7827. Artikel III 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020, met uitzondering van [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042702&artikel=II&z=2020-01-01&g=2020-01-01) dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst. 2. [Artikel II, onderdelen a, b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042702&artikel=II&z=2020-01-01&g=2020-01-01), werkt terug tot en met respectievelijk 1 januari 2017, 1 januari 2018 en 1 januari 2019. Gelet op [artikel 69, derde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69) en [artikel 3, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018451&artikel=3); Besluit: Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18990,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Ministerie van Justitie en Veiligheid en rechtsvoorgangers over de periode vanaf 5 mei 1945 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en rechtsvoorgangers over de periode vanaf 5 mei 1945 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijsten - •. 001, [Coördinatie algemeen regeringsbeleid vanaf 1945](onbekend), **Stcrt**. 2009/53 - •. 002, [Medische Beroepen en Opleidingen over de periode vanaf 1945](onbekend), **Stcrt**. 2009/54 - •. 003, [Oorlogsgetroffenen vanaf 1945](onbekend), **Stcrt**. 2007/98 - •. 004, Telecommunicatie en Post in Nederland vanaf 1945-1990, **Stcrt**. [2009/43](onbekend), **Stcrt**. [2009/48](onbekend), **Stcrt**. [2009/68](onbekend) - •. 006, [Planning Voorzieningen gezondheidszorg vanaf 1945](onbekend), **Stcrt**. 2007/100 - •. 007, [Bekostiging en verzekering van de gezondheidszorg vanaf 1941](onbekend), **Stcrt**. 2006/232 - •. 008, [Vaststelling van tarieven in de gezondheidszorg vanaf 1945](onbekend), **Stcrt**. 2007/222 - •. 010, [Gefinancierde Rechtsbijstand vanaf 1945](onbekend), **Stcrt**. 2008/49 - •. 010, [Zorg voor de rechtspleging 1945-2002](onbekend), **Stcrt**. 2008/54 - •. 011, [Nationaliteiten over de periode vanaf 1945](onbekend), **Stcrt**. 2003/86. Rectificatie, **Stcrt**. 2011/7152 - •. 012, [Kwaliteit van de Nederlandse wetgeving vanaf 1945](onbekend), **Stcrt**. 2007/32 - •. 015, [Beheer van de Rijksbegroting vanaf 1945](onbekend), **Stcrt**. 2006/176 - •. 015, Beheer van de rijksbegroting 1945-1993, **Stcrt**. 2001/194 - •. 016, [Burgerluchtvaart vanaf 1945](onbekend), **Stcrt**. 2008/169 - •. 020, [Militair materieel vanaf 1945](onbekend), **Stcrt**. 2007/79 - •. 021, [Scheepvaart en maritieme zaken over de periode vanaf 1945](onbekend), **Stcrt**. 2008/128 - •."},{"i":17390,"b":"Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 30 juni 2022, nr. WJZ/ 22076980, houdende regels over het verstrekken van eenmalige specifieke uitkeringen ten behoeve van extra ondersteuning voor toezicht op en handhaving van de energiebesparingsplicht Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **additionele capaciteit:** de eigen capaciteit van een omgevingsdienst die wordt ingezet in aanvulling op de toezichts- en handhavingscapaciteit die reeds is ingezet en gepland met middelen van gemeenten en provincies; - **energiebesparingsplicht:** de energiebesparingsplicht, bedoeld in [artikel 5.15 van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=5.15) en [artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=3.84); - **EU ETS-deelnemer:** bedrijf of instelling waarop [artikel 16.5 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=16.5) van toepassing is; - **fte:** fulltime-equivalent, de rekeneenheid voor de omvang van een baan of voor de totale personeelssterkte, waarbij één fte gelijk staat aan een werkweek van 36 uur; - **informatieplicht:** de verplichting tot het verstrekken van gegevens en bescheiden als bedoeld in [artikel 5.15a van het Besluit activiteiten leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041330&artikel=5.15a) en [artikel 3.84a van het Besluit bouwwerken leefomgeving](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041297&artikel=3.84a); - **kwaliteitscriteria VTH:** de kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving, bedoeld in Kwaliteitscriteria 2.2 zoals vastgesteld door het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; - **minister:** Minister van Klimaat en Groene Groei; - **nulsituatie:** de sta"},{"i":18929,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 mei 2017 nr. BOACAT2017/033, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Sportvisserij MidWest Nederland Gelezen het verzoek van Sportvisserij MidWest Nederland van 4 mei 2017 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039556&artikel=2&z=2017-07-01&g=2017-07-01). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Boa Domein Milieu, Welzijn en Infrastructuur in dienst van de Sportvisserij MidWest Nederland, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in [onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor"},{"i":19096,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 juni 2009, nr. IVV/I/2009/13367, houdende regels omtrent tenuitvoerlegging van bestuurlijke boeten en terugvordering van onverschuldigde betalingen op grond van een aantal socialezekerheidswetten (Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen) Handelende in overeenstemming met de Minister voor Jeugd en Gezin en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de [artikelen 17c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=17c) en [24b van de Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=24b), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=41) en [55 van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=55),[17e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=17e) en [24b van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=24b), [14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=14c) en [20b van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=20b), [27c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=27c) en [36b van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=36b), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=42) en [57 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=57), [50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=50) en [65 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=65), [29c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=29c) en [57b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=57b), [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=79) en [93 van de Wet werk en"},{"i":17950,"b":"Wet van 17 maart 2011 tot wijziging van de Wet bodembescherming (wijziging financiële bepalingen in verband met de decentralisatie-uitkering) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een aantal financiële bepalingen van de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) te wijzigen in verband met de decentralisatie-uitkering; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet bodembescherming. Artikel II Het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 76 tot en met 76iii](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=76), [76n tot en met 76o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=76n) en [77a van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=77a), zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op de verplichtingen die voor dat tijdstip op grond van die artikelen zijn aangegaan. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18297,"b":"Instellingsbesluit Visitatiecommissie Defensie en Veiligheid Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Defensie; - b. **de commissie:** de Visitatiecommissie Defensie en Veiligheid. § 2. Taak en samenstelling van de commissie Artikel 2 Er is een Visitatiecommissie Defensie en Veiligheid. Artikel 3 De commissie heeft tot taak jaarlijks op onafhankelijke wijze de voortgang en de doelbereiking van het plan van aanpak ‘Een veilige defensieorganisatie’ voor de periode 2018–2020 te toetsen. Artikel 4 1. De commissie bestaat uit vier leden, de voorzitter daaronder begrepen. 2. De leden van de commissie worden benoemd, geschorst en ontslagen door de Minister. Artikel 5 1. Tot lid van de commissie worden benoemd: - a. mevrouw G.A. Verbeet tevens voorzitter; - b. Generaal-majoor der mariniers (bd) P. Cammaert; - c. mevrouw ir. J.P.M. van Doorn-Spronken; - d. de heer prof. dr. I. Helsloot. 2. De commissie kan zich door andere personen doen bijstaan voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is. 3. Het secretariaat van de commissie wordt verzorgd door, of door tussenkomst van, het ministerie van Defensie. De secretaris van de commissie is voor de inhoudelijke uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de voorzitter van de commissie. § 3. Werkwijze van de commissie Artikel 6 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. 2. Gedurende de visitatieperiode hanteren de commissieleden verschillende visitatiemethoden, zoals overleg met medewerkers van Defensie, beoordeling van op schrift gestelde informatie en werkbezoek aan Defensieonderdelen. 3. De commissie heeft in het kader van haar taak onbelemmerd toegang tot locaties in beheer bij het Ministerie van Defensie. De commissie is in het kader van haar taak bevoegd zakelijke inlichtingen en inzage in zakelijke gegevens en bescheiden te vorderen. 4. Medewerkers van het Ministerie van Defensie zijn verplicht om de leden v"},{"i":14752,"b":"Regeling vaststelling bedrag vrijstelling uit vermogen ingevolge de wetten voor oorlogsgetroffenen per 1 januari 1998 Gelet op [artikel 18, zevende lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=18), alsmede op de [artikelen 12a van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12a), [12 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=12), [17 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=17) en [27 van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=27); Besluit: Artikel 1 De bedragen, genoemd in [artikel 19, vijfde lid, onder a, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=19), alsmede in de [artikelen 12, tweede lid, onder b, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12), [11, tweede lid, onder b, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=11), [16, tweede lid, onder b, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=16) en bedoeld in [artikel 28, vierde lid, onder a, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=28), worden als volgt herzien: - a. het bedrag, genoemd in [artikel 19, vijfde lid, onder a, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=19), wordt verhoogd tot f 1.332,-; - b. het bedrag, genoemd in de [artikelen 12, tweede lid, onder b, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12), [11, tw"},{"i":18413,"b":"Regeling politiehonden Handelende in overeenstemming met de Minister van Justitie; Gelet op [artikel 49 van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=49); Besluit: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **aanhoudings- en ondersteuningsteam:** een team als bedoeld in [artikel 11, onder a, van het Besluit beheer politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036705&artikel=11); - b. ambtenaar van politie: ambtenaar als bedoeld in [artikel 24, eerste en tweede lid, van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=24); - c. AOT-hond: hond als bedoeld in [artikel 23, onder b, van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=23); - d. explosieven: door de minister aangewezen springstoffen; - e. geleider: ambtenaar van politie die toestemming heeft van de korpschef om dienst te doen met een politiespeurhond, politiesurveillancehond of AOT-hond; - f. keuringsreglement: als [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019728&bijlage=1&z=2020-05-15&g=2020-05-15) opgenomen reglement op grond waarvan keuringen plaatsvinden; - g. minister: Minister van Veiligheid en Justitie; - h. politiespeurhond: hond als bedoeld in [artikel 23, onder c, van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=23); - i. politiesurveillancehond: hond als bedoeld in [artikel 23, onder a, van het Besluit bewapening en uitrusting politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032136&artikel=23); - j. verdovende middelen: producten vermeld op de bij de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941) behorende [lijsten I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&bijlage=I) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941&bijlage=II). Paragraaf 2. Algemene bepalingen Artikel 2 Vervallen Artikel 3. Uitrusti"},{"i":17034,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 september 2017, nr. O&B/1230274, tot het verlenen van machtiging aan het Financieel Dienstencentrum (FDC) van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **ministerie:** ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - c. **FDC:** het per 1 juni 2015 opgerichte interdepartementale samenwerkingsverband onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - d. **PSG:** de plaatsvervangend Secretaris-generaal van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - e. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. De PSG wordt gemachtigd tot het verrichten van feitelijke handelingen die verband houden met de dienstverlening van het FDC aan het ministerie. 2. Met betrekking tot de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) wordt de PSG gemachtigd: - a. om op basis van het daartoe strekkende besluit van de minister papieren documenten door reproducties te vervangen teneinde de aldus vervangen papieren documenten te vernietigen, overeenkomstig [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); - b. om papieren documenten te (laten) scannen en de gescande documenten aan het digitale dossier toe te voegen, waarbij de originele papieren documenten worden bewaard totdat vervanging als bedoeld in het tweede lid, onder a, is toegestaan; - c. om op basis van een daartoe strekkend besluit van of namens de minister de archiefbescheiden te verni"},{"i":17118,"b":"Regeling van de Raad voor Rechtsbijstand van 1 april 2018, houdende de instelling van de Adviescommissie Permanente Educatie Wsnp BESLUIT vast te stellen de taken en samenstelling van de Adviescommissie Permanente Educatie Wsnp, zoals bedoeld in de toelichting van artikel 2.4.5 – 2.4.6 van de [Beleidsregels voor inschrijving bewindvoerders Wsnp en bewindvoerderorganisaties Wsnp in het register](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037325). Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **de commissie:** de Adviescommissie Permanente Educatie Wsnp; - 2. **leden:** leden van de Adviescommissie Permanente Educatie Wsnp; - 3. **de Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand. Artikel 2 1. Er is een Adviescommissie Permanente Educatie Wsnp. 2. De commissie adviseert de Raad desgevraagd over verzoeken tot toekenning van Permanente educatie punten aan scholingsactiviteiten. Voorts adviseert de commissie in overige gevallen waarin de Raad om advies vraagt. Artikel 3 1. De commissie bestaat uit drie leden, bij voorkeur: - −. een lid van de Branchevereniging Bewindvoerders - −. een lid van Recofa - −. een afgevaardigde uit de onderwijswereld 2. De Raad benoemt en ontslaat de leden van de commissie; 3. De benoeming geldt voor vier jaren. Herbenoeming is maximaal eenmaal mogelijk; 4. De Raad zorgt voor de ambtelijke ondersteuning van de commissie. Artikel 4 1. De leden ontvangen per kalenderjaar € 200,00 aan vergoeding. Dit ongeacht het bijwonen van fysieke vergaderingen of het aantal gegeven adviezen; 2. De leden ontvangen een vergoeding voor reiskosten overeenkomstig het [Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889). Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als Instellingsbesluit Adviescommissie Permanente Educatie Wsnp en treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2018."},{"i":19527,"b":"Regeling houdende vaststelling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën B en E bij B (Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën B en E bij B) Gelet op [richtlijn nr. 2000/56/EG](32000L0056) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 14 september 2000 tot wijziging van [richtlijn nr. 91/439/EEG](31991L0439) van de Raad betreffende het rijbewijs (PbEG L 237) en [artikel 111, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=111); Besluit: Artikel 1 De aanvrager van het praktijkexamen dient blijk te geven in staat te zijn na te gaan of er met het examenvoertuig veilig gereden kan worden. De hierna genoemde punten komen aan de orde: - a. het verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding; - b. het afstellen van de spiegels, de hoofdsteun en de veiligheidsgordel; - c. nagaan of de portieren gesloten zijn. Artikel 2 Naast de punten genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015600&artikel=1&z=2013-12-31&g=2013-12-31) moet de aanvrager in staat zijn een selectie van de hierna genoemde handelingen uit te voeren: - a. controle van de banden en bandenspanning; - b. controle van de verlichting, reflectoren en richtingaanwijzers; - c. controle van de stuurinrichting; - d. controle van de positie en functie van de diverse bedieningsorganen, schakelaars, controlelampjes en meters; - e. controle van de remmen; - f. controle van het oliepeil; - g. controle van de claxon; - h. controle van de koelvloeistof, remvloeistof, ruitensproeiervloeistof en accu. Artikel 3 Tijdens het praktijkexamen dient de aanvrager blijk te geven in staat te zijn om in verkeerssituaties op veilige wijze: - a. de kant van de weg of de parkeerruimte te verlaten; - b. op het juiste weggedeelte en met aanpassing van de snelheid aan de weg- en verkeersomstandigheden aan het verkeer deel te nemen; - c. te rijden op rechte weggedeelten; - d. bochten te rijden; - e. afstand te houden ten opzichte van"},{"i":17766,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins-Regent der Belgen, in naam van zijne Majesteit de Koning der Belgen, gelijkelijk bezield door de wens elkanders onderdanen gelijk te stellen voor de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering en om de gevolgen te regelen voor elkanders onderdanen van het naast elkaar werken dier wetgevingen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Willem Drees, Hoogstderzelver Minister van Sociale Zaken; Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins-Regent der Belgen, in naam van Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Léon-Eli Troclet, Hoogstdeszelfs Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg, die, daartoe behoorlijk gemachtigd, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: De Nederlandse tekst van het Verdrag is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. 1949/J 435. Het Verdrag is in werking getreden op 1 oktober 1949, zie Trb. 1951/13. Het Verdrag is gewijzigd door Trb. 1958/1. AFDELING I. Beginselen Artikel 1 1. De bepalingen van dit verdrag hebben betrekking op de verschillende, bestaande of toekomstige, Belgische en Nederlandse sociale wetten en voorschriften betreffende: - 1°. De geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood; - 2°. ziekte; - 3°. invaliditeit; - 4°. geneeskundige verzorging; - 5°. onvrijwillige werkloosheid; - 6°. het stelsel der gezinsvergoedingen; - 7°. geboortegeld; - 8°. beroepsziekten; - 9°. het stelsel van de pensioenen der mijnwerkers en der met dezen gelijkgestelden. 2. Dit verdrag laat onverlet de regeling inzake de vergoeding voor de schade tengevolge van bedrijfsongevallen, waarop het Belgisch-Nederlands verdrag van 9 februari 1921 betreffende ongevallenverzekering van toepassing i"},{"i":19290,"b":"Wet nopens de beëdiging en legitimatie van opsporingsambtenaren BES Artikel 1 De ambtenaren of personen, die krachtens de [artikelen 184](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184) en [185 van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=185), belast zijn met de opsporing der strafbare feiten en in wier beëdiging als opsporingsambtenaar niet in enige andere wettelijke regeling is voorzien, leggen bij de aanvaarding van hun bediening in handen van de gezaghebber de volgende eed of de met deze eed gelijkgestelde belofte af: «Ik zweer (beloof), dat ik geen enkele gift, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, zal aannemen van iemand, die – naar ik kan weten of vermoeden – is of zal worden betrokken bij een rechtszaak, waarbij mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen; dat ik mijn post zal waarnemen met eerlijkheid, nauwgezetheid, onzijdigheid en zonder aanzien van personen en dat ik mij in de uitoefening van mijn bediening gedragen zal zoals het aan eerlijke ambtenaren, belast met het opsporen van strafbare feiten, betaamt. Zo waarlijk helpe mij God almachtig. (Dat beloof en verklaar ik).». Artikel 2 1. Aan de ambtenaren of personen, belast met de opsporing der strafbare feiten, verstrekt Onze Minister van Justitie een legitimatiebewijs. 2. De vorm en de inrichting van het legitimatiebewijs worden bij ministeriële regeling vastgesteld. 3. Onze Minister van Veiligheid en Justitie stelt bij ministeriële regeling bepalingen vast betreffende de wijze van afgifte en administratie der legitimatiebewijzen. 4. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde ambtenaren en personen zijn verplicht hun legitimatiebewijs bij de uitoefening van hun opsporingstaak desgevraagd duidelijk zichtbaar te tonen. Artikel 3 De ambtenaren of personen die reeds als opsporingsambtenaar zijn beëdigd leggen bij de inwerkingtreding van deze wet niet opnieuw de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":18908,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 9 november 2022 nr. BOACAT2022/074, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Regionale eenheid Oost-Brabant Gelezen het verzoek van de korpschef van 6 oktober 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047476&artikel=2&z=2024-07-17&g=2024-07-17). Artikel 2 1. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Oost-Brabant. 2. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de vrijwillig ambtenaren"},{"i":19032,"b":"Besluit van het hoofd van de afdeling Benoemingen, Burgercorrespondentie, Ondersteuning en Parlementaire zaken van het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, van 30 juli 2024 nr. 5521129 houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder het hoofd ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit BBOP Justitie en Veiligheid 2024) Gelet op [artikel 3, tweede lid van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3) en [artikel 1, onderdeel c van het Mandaatbesluit DJOA Justitie en Veiligheid 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050098&artikel=1); Besluit: Artikel 1 Aan de als plaatsvervangend hoofd aangewezen medewerker van de afdeling Benoemingen, Burgercorrespondentie, Ondersteuning en Parlementaire zaken wordt ondermandaat verleend voor: - a. het ondertekenen van brieven ter beantwoording van burgercorrespondentie; - b. het ondertekenen van besluiten en andere correspondentie inzake de benoeming en het ontslag van bepaalde functionarissen binnen de juridische vrije beroepen en andere commissies en organen die onder de beleidsverantwoordelijkheid van het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving vallen. Artikel 2 Het [Mandaatbesluit BBOP Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044804) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 9 mei 2024. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit BBOP Justitie en Veiligheid 2024. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17904,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 november 2024, kenmerk 4007531-1074376-LZ, houdende wijziging van de Regeling langdurige zorg om de hoogte van het persoonsgebonden budget af te stemmen op een passende zorginzet Gelet op [artikel 3.6.2, derde lid, van het Besluit langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035948&artikel=3.6.2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling langdurige zorg. Artikel II Voor verzekerden aan wie in 2024 het maximumbedrag, bedoeld in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&bijlage=H), is toegekend, geldt deze regeling met ingang van 1 januari 2028. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17499,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 december 2018, kenmerk 1458885-184664-Z, houdende Regeling vaststelling premiepercentage Wlz Handelende in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Gelet op [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Het premiepercentage, bedoeld in [artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=11), wordt met ingang van 1 januari 2019 vastgesteld op 9,65%. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling premiepercentage Wlz. Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17884,"b":"Besluit van 13 oktober 2012, houdende wijziging van onder meer het Besluit zorgverzekering en het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met maatregelen 2013 in het zorgpakket Artikel I Wijzigt het Besluit zorgverzekering. Artikel II Wijzigt het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Artikel III Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. Artikel IV 1. Een verzekerde die op 31 december 2012 drieënveertig jaar of ouder was en bij wie een in-vitrofertilisatiepoging uiterlijk op die datum was aangevangen, heeft recht op afronding van die poging voor rekening van de zorgverzekering. 2. [Artikel 11 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=11), zoals dat artikel luidde op 31 december 2012, blijft van toepassing op vóór 1 januari 2013 door een instelling in bruikleen verstrekte verpleegartikelen tot ten hoogste zesentwintig weken nadat de bruikleen is aangevangen. Artikel V Wijzigt het Besluit zorgverzekering. Artikel VI Wijzigt het Invoeringsbesluit ambulancezorg. Artikel VII 1. Met uitzondering van [artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032147&artikel=V&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032147&artikel=VI&z=2013-01-01&g=2013-01-01) treedt dit besluit in werking met ingang van 1 januari 2013. 2. [Artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032147&artikel=V&z=2013-01-01&g=2013-01-01) treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt: - a. wat betreft de wijziging van de [artikelen 2.7, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.7), [2.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.9), [2.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12), en [2.16 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.16) terug tot en met 1 januari 2006; - b. wat betreft de wijz"},{"i":18839,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 27 oktober 2021 nr. BOACAT2021/035, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Inspectie Leefomgeving en Transport Gelezen het verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport van 7 juli 2021 en het advies van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045763&artikel=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01). Artikel 2 De personen in dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast en niet zijn aangewezen als algemeen opsporingsambtenaar, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend) aangevuld met de wetten op het werkterrein van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat dan wel op het werkterrein van andere ministeries zoals bedoeld in [artikel 2, vierd"},{"i":17083,"b":"Besluit van de Sociale verzekeringsbank van 13 november 2023 houdende controlevoorschriften als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Algemene ouderdomswet (Controlevoorschriften AOW) Gelet op [artikel 15, eerste lid, van de Algemene ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=15); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de AOW:** de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221); - b. **SVB:** de Sociale verzekeringsbank; - c. **ouderdomspensioen:** ouderdomspensioen of toeslag ingevolge [Hoofdstuk III van de AOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&hoofdstuk=III); - d. **de pensioengerechtigde:** degene aan wie ouderdomspensioen is toegekend; - e. **de partner:** degene die op grond van [artikel 1, tweede en derde lid AOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=1) als echtgenoot van de pensioengerechtigde wordt beschouwd. Artikel 2 1. Dit besluit is van toepassing op: - a. de pensioengerechtigde; - b. de partner van de pensioengerechtigde; - c. de wettelijke vertegenwoordiger van de pensioengerechtigde; - d. de instelling waaraan ingevolge [artikel 20 AOW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=20) ouderdomspensioen wordt uitbetaald. 2. Dit besluit is ook van toepassing als de in het eerste lid bedoelde personen in het buitenland wonen en als de in het eerste lid bedoelde instelling in het buitenland is gevestigd. Hoofdstuk 2. Verplichtingen Artikel 3 Degene die in aanmerking wil komen voor een uitkering dient via de webdienst van de SVB ([www.svb.nl](onbekend)), een aanvraag in. Artikel 4 1. De in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048938&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2023-11-24&g=2023-11-24), bedoelde persoon of instelling stelt de SVB onverwijld in kennis van een wijziging in het adres van de pensioengerechtigde of diens partner. 2. De kennisgeving bedoeld in het eerste lid kan bij"},{"i":19553,"b":"Regeling publicatie modellen Dienst Wegverkeer Gelet op [artikel 19, eerste lid, van het Besluit erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051671&artikel=19) en [artikel 5 van de Regeling erkenningen wegverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051669&artikel=5); Besluit: Artikel 1 1. Vanaf de buitenkant van iedere vestiging of van een bedrijf waarvoor een basiserkenning is verleend, is een schild zichtbaar volgens de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052009&bijlage=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van dit besluit opgenomen modellen met uitzondering van een bedrijf met alleen de erkenning Tenaamstellen voertuigen voor derden. 2. Door middel van het in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052009&bijlage=II&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van dit besluit opgenomen model sticker is vanaf de buitenkant van ieder loket duidelijk zichtbaar waarvoor een erkenning geldt. 3. Indien een overeenkomst RDW-fotograaf is aangegaan met het bedrijf, is aan de buitenzijde van elke locatie behorende bij de overeenkomst een sticker zichtbaar volgens het in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052009&bijlage=II&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van dit besluit opgenomen model. Artikel 2 Gebruik door erkenninghouders dan wel degenen met wie een overeenkomst RDW-fotograaf is aangegaan van een illustratie van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052009&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde model schild en modellen stickers, is uitsluitend voor bedrijfsmatige reclame uitingen toegestaan indien de in artikel 1 genoemde modellen via elektronische wijze van de RDW worden verkregen en deze illustraties niet op de ware grootte van de modellen worden gebruikt. Artikel 3 Bij verlening van de erkenning bedrijfsvoorraad, de erkenning inschrijven met onderzoek, de erkenning inschrijven zonder onderzoek of de erkenning tenaamstellen voertuigen bedrijfsvoorraad of importeursvoorraad verstrekt de Dienst"},{"i":14765,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 3 december 2024, 2024-0000530812, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2025 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); BESLUIT: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2025: | Categorie 1 | € 37,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's | | --- | --- | --- | | Categorie 3 | € 37,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers | | Categorie 6 | € 12,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1, 3, 7 of 8 behorende motorrijtuigen | | Categorie 7 | € 12,50 | voor landbouwwerktuigen | | Categorie 8 | € 12,50 | voor rijwielen met hulpmotor | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8859,"b":"Overeenkomst inzake veranderingen van geslachtsnamen en voornamen De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat en de Republiek Turkije, leden van de Internationale Commissie voor de burgerlijke stand, wensende in gemeenschappelijk overleg een regeling vast te stellen met betrekking tot de veranderingen van geslachtsnamen en voornamen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Deze Overeenkomst betreft de door de bevoegde autoriteit toegestane veranderingen van geslachtsnamen of voornamen, met uitsluiting van veranderingen welke uit een wijziging van de staat der personen of uit de verbetering van een fout voortvloeien. Artikel 2 Iedere Overeenkomstsluitende Staat verbindt zich om veranderingen van geslachtsnamen of voornamen niet toe te staan aan onderdanen van een andere Overeenkomstsluitende Staat, tenzij zij tevens eigen onderdanen zijn. Artikel 3 De in een van deze Staten gegeven eindbeslissingen welke een verandering van geslachtsnaam of voornamen toestaan, hetzij aan zijn onderdanen, hetzij aan staatlozen of vluchtelingen in de zin van het [Verdrag van Genève](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002) van 28 juli 1951, indien deze hun woonplaats of, bij gebreke daarvan, hun verblijfplaats op zijn grondgebied hebben, zijn van rechtswege uitvoerbaar op het grondgebied van elk van de Overeenkomstsluitende Staten mits zij niet strijdig zijn met de openbare orde aldaar. Deze beslissingen worden zonder verdere formaliteiten vermeld op de kant van de akten van de burgerlijke stand, welke op de bedoelde personen betrekking hebben. Artikel 4 De in het vorige artikel vervatte bepalingen zijn van toepassing op beslissingen, welke een verandering van geslachtsnaam of voornamen vernietigen of herroepen. Artikel 5 Met afwijking van de artikelen 3 en 4 kan elke Overeenkomstsluitende Staat bepalen, dat op zijn grondgebied geen rechtsgevo"},{"i":2753,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juli 2008 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juli 2008, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juli 2008, doch niet later dan 15 augustus 2008 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,411 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juli 2008 en eindigende met 15 augustus 2008 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:B"},{"i":3576,"b":"Besluit van 14 juni 2019 tot wijziging van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft, het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten en het Vrijstellingsbesluit overnamebiedingen Wft in verband met de implementatie van Verordening (EU) nr. 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PbEU 2017, L 168) (Besluit implementatie prospectusverordening) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 6 mei 2019, 2019-0000068735, directie Financiële Markten; Gelet op Verordening (EU) nr. 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van [Richtlijn 2003/71/EG](32003L0071) en de [artikelen 1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:80, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [1:97, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:97), [5:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:3)en [5:81, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:81); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 mei 2019, nr. W06.19.0117/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 12 juni 2019, 2019-0000089886, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit bestuurlijk"},{"i":4842,"b":"Mandaatbesluit directeur 3W Gezien het protocol van overdracht d.d. 24 maart 2014; Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van: - a. volmacht om namens een bewindspersoon voor de Staat privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - b. machtiging om namens een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 1. Aan de directeur van 3W, de shared service organisatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, (hierna: 3W) wordt mandaat verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de uitvoering van het [Voorzieningenstelsel Uitzendingen Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024265) (VUBZK), het [Voorzieningenstelsel Buitenlandtoeslagen Rechterlijke Ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031747) (VBRA) en de [Regeling vergoedingen bij uitzending deskundigen voor korte duur naar het Caribisch deel van het Koninkrijk 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033883) (KU) ten aanzien van degene, op wie één van bovengenoemde regelingen van toepassing is of van toepassing is verklaard. 2. Aan de directeur van 3W wordt tevens mandaat verleend voor het behandelen van geschillen met dan wel bezwaarschriften van werknemers over aangelegenheden als bedoeld in het eerste lid. 3. Aan de plaatsvervangend Secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt mandaat verleend voor het nemen van beslissingen ten aanzien van geschillen over dan wel op bezwaarschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid. 4. Aan de directeur van 3W wordt mandaat verleend voor het instellen van hoger beroep ten aanzien van aangelegenheden als"},{"i":3120,"b":"Besluit beperking openbaarheid RGD, VGD en PGD 1917 (1941–2014) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 21 augustus 2017; Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van **Rantsoeneringbureau voor Gedistilleerde Dranken (RGD), de Vakorganisatie Gedistilleerde Dranken (VGD), het Productschap voor Gedistilleerde Dranken (PGD), 1917 (1941–2014)** Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | **Nummer 22** | **2020** | | **Nummer 25** | **2020** | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040365&artikel=1&z=2017-09-30&g=2017-09-30), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040365&artikel=1&z=2017-09-30&g=2017-09-30), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van ‘Verklaring van Overbrenging van Rantsoeneringbureau voor Gedistilleerde Dranken (RGD), de Vakorganisatie Gedistilleerde Dran"},{"i":3665,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 juli 2010, nr. GMT/IB 3010709, houdende verlening van mandaat en machtiging aan Agentschap NL Gelezen de instemming van de algemeen directeur van het Agentschap NL van 14 juni 2010; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **Agentschap NL:** baten-lastendienst van het Ministerie van Economische Zaken, bedoeld in [artikel 1 van het Instellingsbesluit baten-lastendienst Agentschap NL](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026918&artikel=1); - c. **algemeen directeur:** algemeen directeur van het Agentschap NL; - d. **FES:** Fonds Economische Structuurversterking. Artikel 2 De algemeen directeur heeft mandaat tot het verstrekken van subsidies op grond van de [Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455) voor zover het gaat om bestedingen uit het FES ten behoeve van Life Sciences and Health en Gezond Ouder Worden en mandaat tot het beslissen op bezwaarschriften voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 3 1. De algemeen directeur is gemachtigd tot het afdoen van stukken die betrekking hebben op besluiten als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027939&artikel=2&z=2010-07-20&g=2010-07-20). 2. De algemeen directeur is gemachtigd ten aanzien van verweer- en beroepschriften in administratiefrechtelijke procedures, gericht tot een administratieve rechter, ten behoeve van het vertegenwoordigen van de minister in administratiefrechtelijke procedures bij de administratieve rechter en tot het afdoen van alle stukken die daarop betrekking hebben. Artikel 4 1. De algemeen directeur is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en machtiging aan onder hem ressorterende functionarissen tot het geheel of gedeeltelijk uitoefenen van zijn op grond van dit besluit toegekende bevoegdheden. 2. Besluiten tot verlening van on"},{"i":19658,"b":"Wet van 23 december 2004, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een brede doeluitkering aan provincies en regionaal openbare lichamen ten behoeve van de uitvoering van een integraal verkeer- en vervoerbeleid (Wet BDU verkeer en vervoer) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 3. Berekening van de uitkering Hoofdstuk 2. Verstrekking van de uitkering Hoofdstuk 5. Verantwoording over de uitkering Hoofdstuk 6. Wijziging andere wetten Artikel 16 Wijzigt de Wet personenvervoer 2000. Artikel 17 Wijzigt de Kaderwet bestuur in verandering. Artikel 18 Wijzigt de Wet Infrastructuurfonds. Artikel 19 Wijzigt de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Artikel 20 Wijzigt de Spoorwegwet. Artikel 21 Wijzigt de Wet kabelbaaninstallaties. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Hoofdstuk 7. Overgangsrecht Hoofdstuk 8. Slotbepalingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is verscheidene uitkeringen voor aspecten van het verkeer- en vervoerbeleid samen te voegen tot een gebundelde doeluitkering om de effectiviteit van het beleid te vergroten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - b. openbaar lichaam: een openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=20); - c. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam; - d. uitkering: een brede doeluitkering als bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017828&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2018-01-01&g=2018-01-01); - e. uitkeringsjaar: het kalenderjaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt; - f."},{"i":13125,"b":"Bijdrageregeling preventiebeleid 2001-2004 voor jongeren uit etnische minderheidsgroepen Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Indien een gemeentebestuur uiterlijk 1 mei 2002 de minister een meerjarig plan van aanpak voorlegt ten behoeve van het voorkomen van marginalisering en criminalisering van jongeren dat naar zijn oordeel voldoet aan de in de artikelen 3, 4 en 5 genoemde voorwaarden, ontvangt het gemeentebestuur een bijdrage voor de uitvoering van dat plan in de periode 2002 tot en met 2004. De hoogte van de bijdrage is mede afhankelijk van de mate waarin aan de bedoelde voorwaarden is voldaan. 2. Ten behoeve van de ontwikkeling, de voorbereiding en de start van het meerjarig plan van aanpak: - a. ontvangt het gemeentebestuur voor het jaar 2001 een bedrag van f 700.000,- (€ 317.646,15); en - b. verstrekt het gemeentebestuur aan het ondersteuningspunt dat door de minister wordt ingesteld, de door dit ondersteuningspunt gevraagde informatie. Artikel 3 Aan het meerjarig plan van aanpak legt het gemeentebestuur de volgende doelstelling ten grondslag: het voorkomen van marginalisering en criminalisering van jongeren door middel van het tegengaan van risicofactoren die het integratieproces van jongeren belemmeren en het stimuleren van beschermende factoren die het integratieproces van jongeren bevorderen. Artikel 4 1. Het gemeentebestuur geeft in het meerjarig plan van aanpak, met het oog op het bereiken van de in artikel 3 genoemde doelstelling: - a. een beschrijving van de omvang en de samenstelling van de groep jongeren; en - b. een kwalitatieve en kwantitatieve beschrijving van de bestaande maatregelen ter voorkoming van marginalisering en criminalisering van jongeren en de met deze maatregelen behaalde resultaten. 2. Het gemeentebestuur geeft in het meerjarig plan van aanpak een beschrijving van de maatregelen en de daarmee te behalen resultaten die met het oog op de in artikel 3 genoemde doelstelling worden genomen en een duide"},{"i":13748,"b":"Kavelbesluit kavel Alpha windenergiegebied IJmuiden Ver I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3) en gelet op de [Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552), besluit de Minister voor Klimaat en Energie in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Natuur en Stikstof als volgt: II. Toelichting Kavelbesluit Alpha windenergiegebied IJmuiden Ver 1. Inleiding 1.1. Nut en noodzaak De Rijksoverheid neemt maatregelen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Daarnaast moet de verdere opwarming van de aarde beperkt worden. Hiervoor zijn nationale en internationale doelen afgesproken. In 2016 heeft de Europese Unie mede namens Nederland het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Doel van het akkoord is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. Om de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs te halen zijn afspraken in Europa gemaakt. De EU-lidstaten hebben met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 55 procent minder CO2 moet uitstoten dan in referentiejaar 1990. In 2050 wil de Europese Unie klimaatneutraal zijn. Dat betekent dat er dan netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten. De Nederlandse klimaatdoelen zijn vastgelegd in de [Klimaatwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042394). Windenergie op zee is een belangrijke pijler onder het klimaat- en energiebeleid. In de (oorspronkelijke) routekaart windenergie op zee 20301Kamerstukken II, 2017/18, 33 561, nr. 42., zijn de hoofdlijnen geschetst voor de uitrol van windenergie op zee voor de periode tot 2030. De routekaart voorziet in de uitgifte van een vermogen van 11 GW tot en met 2030. Hiertoe worden kavels vastgesteld binnen de grenzen van de windenergiegebieden Borssele, Hollandse Kust (zuid), Hollandse"},{"i":12596,"b":"Besluit ter uitvoering van artikel 6 Wet winkelsluiting BES Artikel 1 Het verbod vervat in [artikel 2 van de Wet winkelsluiting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028197&artikel=2) is niet van toepassing op: - a. een winkel, die deel uitmaakt van een woning en bedreven wordt vanuit een raam van die woning, mits de vloeroppervlakte van de ruimte die voor het gebruik als winkel gebezigd wordt niet meer bedraagt dan 16 m2 en de gezamenlijke verkoopwaarde van de voor verkoop bestemde goederen in of op het perceel, waarvan bedoelde winkel deel uitmaakt, niet meer bedraagt dan USD 280; - b. een winkel van waaruit uitsluitend bereide spijzen en dranken te verkrijgen zijn anders dan voor verbruik ter plaatse. Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 14 van de Wet winkelsluiting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028197&artikel=14). Artikel 2 Dit landsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na die zijner afkondiging en werkt terug tot en met 1 juni 1969. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ter uitvoering van artikel 6 Wet winkelsluiting BES."},{"i":17717,"b":"Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, Besloten hebbende samen te werken op sociaal gebied, Bevestigende het beginsel, dat de onderdanen van een der Verdragsluitende Partijen krachtens de wettelijke regelingen betreffende de sociale zekerheid van de andere Partij op gelijke wijze zullen worden behandeld als de onderdanen van laatstgenoemde Partij, Verlangende aan dit beginsel uitvoering te geven en regelingen te treffen, krachtens welke haar eigen onderdanen, die zich van het grondgebied van de ene Partij naar dat van de andere Partij begeven, òf de rechten behouden, welke zij ingevolge de wettelijke regelingen van eerstgenoemde Partij hebben verkregen, dan wel overeenkomstige rechten genieten, krachtens de wettelijke regelingen van laatstgenoemde Partij, Verlangende verder regelingen te treffen terzake van een samentelling van verzekeringstijdvakken, vervuld krachtens de wettelijke regelingen van elk der beide Partijen, ter vaststelling van het recht op uitkering, Zijn overeengekomen als volgt: TITEL I. Begripsbepalingen en werkingssfeer Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen TITEL II. Algemene bepalingen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen TITEL III. Bijzondere bepalingen HOOFDSTUK EERSTE. Ziekengeld-, moederschaps- en werkloosheidsuitkeringen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Artikel 15 Vervallen HOOFDSTUK TWEEDE. Invaliditeitsrenten Artikel 16 Vervallen Artikel 17 Vervallen Artikel 18 Vervallen HOOFDSTUK DERDE. Ouderdomsrente Artikel 19 Vervallen Artikel 20 Vervallen Artikel 21 Vervallen Artikel 22 Vervallen Artikel 23 Vervallen Artikel 24 Vervallen HOOFDSTUK VIERDE. Weduwen- en wezenrenten Artikel 25 Verv"},{"i":18803,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 6 september 2022 nr. BOACAT2022/064, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het arrondissementsparket Oost-Brabant Gelezen het verzoek van het arrondissementsparket Oost-Brabant van 16 augustus 2022; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047148&artikel=2&z=2026-01-08&g=2026-01-08). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van vermogenstraceerder in dienst van het arrondissementsparket Oost-Brabant, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoe"},{"i":19275,"b":"Besluit van 21 december 2000, houdende regels met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder een bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichte deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds verleent, kan verlenen, intrekt en kan intrekken (Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 11 oktober 2000, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/V&P/00/64573; Gelet op [artikel 13, derde lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=13); De Raad van State gehoord (advies van 26 oktober 2000, no. W12.00.0477/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 18 december 2000, nr. SV/V&P/00/72196; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. wet: de [Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092); - b. verplichtstelling: verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van [artikel 2, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=2); - c. vrijstelling: vrijstelling, bedoeld in [artikel 13 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012092&artikel=13); - d. fusie: de fusie, bedoeld in [Boek 2, titel 7, afdeling 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&afdeling=2) en [3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&afdeling=3) of het samengaan van twee of meer ondernemingen via een activa- en passivatransactie waardoor bedrijfsactiviteiten samensmelten zonder dat een of meer van de fuserende rechtspersonen ophoudt te bestaan; - e. nieuwe werkgever: de werkgever bij wie de werknemers voor wie vrijstelling was verleend na een fusie in dienst komen; - f. oude werkgever: de voor een fusie bestaande werkgever b"},{"i":18783,"b":"Besluit beperking termijn openbaarheid van naar de rijksarchiefbewaarplaats over te brengen dossiers archief Hoofdafdeling Privaatrecht Ministerie van Justitie inzake geslachtsnaamswijzigingen, 1921–1972 Gelet op [artikel 15, vierde lid Aw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en gelet op het [besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid dd 26-02-2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043215), Staatscourant nr. 2020, 10389 Besluit: Artikel 1 De termijn van beperking van de openbaarheid van de in de bijlage genoemde, naar de rijksarchiefbewaarplaats over te brengen inventarisnummers in het archief van de Hoofdafdeling Privaatrecht van het Ministerie van Justitie inzake geslachtsnaamswijzigingen, 1921 – 1972 wordt vastgesteld voor 100 jaar na geboorte van de betrokken persoon in het betreffende dossier. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. bij het Besluit inzake de termijn van beperking van de openbaarheid van de naar de rijksarchiefbewaarplaatsen over te brengen dossiers in het archief van de Hoofdafdeling Privaatrecht van het Ministerie van Justitie inzake geslachtsnaamswijzigingen, 1921 – 1972 | 49 | 157 | 212 | 272 | 322 | 383 | 440 | 494 | 542 | 598 | 654 | 720 | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 50 | 158 | 213 | 273 | 324 | 384 | 441 | 495 | 543 | 600 | 657 | 721 | | 51 | 160 | 215 | 274 | 325 | 389 | 442 | 496 | 545 | 603 | 658 | 723 | | 52 | 162 | 216 | 275 | 326 | 394 | 443 | 499 | 546 | 604 | 659 | 724 | | 53 | 163 | 217 | 276 | 327 | 395 | 444 | 500 | 547 | 605 | 660 | 725 | | 54 | 164 | 219 | 277 | 328 | 398 | 445 | 501 | 548 | 606 | 661 | 726 | | 55 | 166 | 220 | 279 | 330 | 399 | 446 | 502 | 549 | 607 | 662 | 727 | | 56 | 167 | 222 | 280 | 331 | 400 | 447 | 503 | 550 | 609 | 665 | 729 | | 58 | 168 | 223 | 281 | 332 | 401 | 451 | 504 | 551 | 610 | 667 | 730 | | 63 | 169 |"},{"i":18611,"b":"Wet van 19 juni 2013, houdende intrekking van de Wet overleg minderhedenbeleid in verband met de herijking van de overlegvorm over het integratiebeleid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de herijking van de wijze van overleg over het integratiebeleid wenselijk is dat de [Wet overleg minderhedenbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008755) wordt ingetrokken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I De [Wet overleg minderhedenbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008755) wordt ingetrokken. Artikel II De krachtens [artikel 6, derde lid, van de Wet overleg minderhedenbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008755&artikel=6) vastgestelde ministeriële regeling blijft van kracht tot de bij regeling van Onze Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel te bepalen datum van intrekking daarvan, en berust vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet op dit artikel. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19360,"b":"Wet van 7 maart 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht BES met het oog op de verruiming van de mogelijkheden tot strafrechtelijke aanpak van huwelijksdwang, polygamie en vrouwelijke genitale verminking Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854), het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en het [Wetboek van Strafrecht BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028570) te wijzigen ter verruiming van de mogelijkheden tot strafrechtelijke aanpak van huwelijksdwang, polygamie en vrouwelijke genitale verminking; Zo is het, dat Wij, de Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Vervallen Artikel IV Wijzigt het Wetboek van Strafrecht BES. Artikel V [Artikel I, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033015&artikel=I&z=2013-07-01&g=2013-07-01), en [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033015&artikel=III&z=2013-07-01&g=2013-07-01) zijn van toepassing op strafbare feiten die zijn gepleegd voor de datum van inwerkingtreding van deze wet. Artikel Va Wijzigt deze wet. Artikel VI De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":14812,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 21 augustus 2017, nr. IENM/BSK-2017/28365, houdende regels betreffende de eisen inzake ecologisch ontwerp van verwarmingstoestellen Gelet op [Richtlijn 92/42/EEG](31992L0042) van de Raad van 21 mei 1992 betreffende de rendementseisen voor nieuwe olie- en gasgestookte centrale-verwarmingsketels (PbEG 1992, L167), Verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie van 2 augustus 2013 tot uitvoering van [Richtlijn 2009/125/EG](32009L0125) van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft (PbEU 2013, L239) en de [artikelen 9.4.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.4.4), [9.4.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.4.5) en [11a.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11a.2) juncto [artikel 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.6); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij:** aanbieder van een dienst zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van [Richtlijn (EU) 2015/1535](32015L1535) van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241); - **aangemelde instantie:** conformiteitsbeoordelingsinstantie waaraan ter krachtens[artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039921&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) een erkenning is verleend en die overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van [richtlijn 92/42/EEG](31992L0042) bij de Europese Commissie is aangemeld; - **accreditatie:** accreditatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, van verordening (EG) Nr. 765/2008 van het Eur"},{"i":18508,"b":"Rijkswet van 25 februari 2008, houdende regeling van de taken en bevoegdheden, alsmede het beheer en beleid van de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba (Rijkswet Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, gelet op [artikel 38, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=38), alsmede op [artikel 3, eerste lid, onder a en b, van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=3), te voorzien in een structurele regeling betreffende de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; - b. Kustwacht: Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - c. kustwachtschip: enig vaartuig door de Kustwacht gebezigd voor de uitoefening van enige bij deze rijkswet omschreven taak, dat de daarvoor vastgestelde uiterlijke kentekenen voert, dan wel duidelijk kenbaar in gebruik is bij de krijgsmacht van het Koninkrijk; - d. kustwachtluchtvaartuig: enig luchtvaartuig door de Kustwacht gebezigd voor de uitoefening van enige bij deze rijkswet omschreven taak, dat de daarvoor vastgestelde uiterlijke kentekenen voert, dan wel duidelijk kenbaar in gebruik is bij de krijgsmacht van het Koninkrijk; - e. commandant: diegene die krachtens aanstelling of aanwijzing het bevel voert over een kustwachtschip of kustwachtluchtvaartuig; - f. opvarende: ieder die zich aan boord bevindt van ee"},{"i":19120,"b":"Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders) Samenvatting Deze richtlijn regelt het strafvorderingsbeleid bij meerderjarige veelplegers, in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders. 1. Achtergrond 1.1. De ISD-maatregel Het beleid ten aanzien van meerderjarige stelselmatige daders is er primair op gericht het criminele gedrag feitelijk onmogelijk te maken door middel van langdurige vrijheidsbeneming, als maatregel opgelegd (het insluitingseffect). De [artt. 38m t/m 38p van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38m) (Sr) maken het mogelijk om stelselmatige daders maximaal twee jaar de vrijheid te benemen door plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD). Deze maatregel biedt tegelijkertijd de mogelijkheid op gedragsverandering om daarmee het risico van recidive te beperken. Ook kan doorplaatsing naar de geestelijke gezondheidszorg plaatsvinden of kan plaatsing volgen in een bijzondere zorgvoorziening binnen het gevangeniswezen. Het beeld van de ISD-maatregel als ultimum remedium wordt in de uitvoeringspraktijk als achterhaald beschouwd.1ECLI:NL:RBAMS:2023:2004 en ‘Inzet van de ISD-maatregel bij jongvolwassen veelplegers: resultaat van vier regionale pilots’, Bureau Alpha, 2019. Onderzoeken wijzen uit dat het vroeg inzetten van de ISD-maatregel een positief effect heeft op de recidivecijfers en dat de maatregel meer moet worden gezien als optimum remedium dan als ultimum remedium. 1.2. Wijzigingen De richtlijn is aangepast naar aanleiding van de inwerkingtreding van de [Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039301) (Wet USB) en de wijziging van het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) (Sv) naar aanleiding daarvan. Het betreft met name een wijziging van forum bij een vordering tot"},{"i":18408,"b":"Regeling parlementair en extern onderzoek Eerste Kamer Hoofdstuk 1. Algemeen en definities Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. onderzoek: een onderzoek door of voor de Kamer op basis van een besluit door de Kamer, - b. parlementair onderzoek: onderzoek door de Kamer, - c. extern onderzoek: onderzoek voor de Kamer. - d. parlementaire enquêtecommissie: een commissie als bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de parlementaire enquête 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023825&artikel=2) en [artikel 102 van het Reglement van Orde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=102), - e. parlementaire onderzoekscommissie: een commissie als bedoeld in [artikel 103 van het Reglement van Orde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048272&artikel=103). 2. Er zijn vier vormen van onderzoek: - a. parlementair onderzoek door een parlementaire enquêtecommissie, - b. parlementair onderzoek door een parlementaire onderzoekscommissie, - c. extern onderzoek in opdracht van de Kamer uitgevoerd door derden, en - d. extern onderzoek op verzoek van de Kamer uitgevoerd door derden. Artikel 2 Bij parlementair onderzoek draagt de Kamer verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het onderzoek. De Kamer legt de uitvoering van parlementair onderzoek in handen van een door de Kamer in te stellen parlementaire enquêtecommissie of parlementaire onderzoekscommissie. Artikel 3 1. Bij extern onderzoek is de uitvoerder verantwoordelijk voor de uitvoering en de uitkomsten. 2. De Kamer kan geen bevoegdheden aan derden overdragen in het kader van extern onderzoek. 3. Bij extern onderzoek kan een klankbordgroep van leden uit de meest betrokken commissie worden ingesteld. De begeleiding van de uitvoerder is in handen van de Griffier. Hoofdstuk 2. Besluitvorming Artikel 4 1. Door een of meer leden of een commissie wordt een onderzoeksvoorstel opgesteld. 2. Het onderzoeksvoorstel bevat in ieder geval: - a. de aanleiding voor het onderzoek, - b. een vastomlijnde on"},{"i":18081,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 8 november 2005, nr. BenC 2005–1990 N, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het directoraat-generaal Rijksbegroting, (1940) 1945–1979 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en gezien het advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats van 20 oktober 2005; Besluit: 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden, worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het directoraat-generaal Rijksbegroting, (1940) 1945–1979 met de inventarisnummers 3086 en 3041 tot en met 3080, de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld tot 1 januari 2021. 2. Raadpleging van de in het vorige lid genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruik gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. 3. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt gepubliceerd."},{"i":17700,"b":"Verdrag betreffende minimum-normen van sociale zekerheid De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 4 Juni 1952 in haar vijf en dertigste zitting, Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende minimum-normen van sociale zekerheid, welk onderwerp vervat is in het vijfde punt van de agenda der zitting, Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag, neemt heden, de 28ste Juni 1952, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de sociale zekerheid (minimum-normen), 1952”: DEEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a). „voorgeschreven”: voorgeschreven bij of krachtens de nationale wetgeving; - b). „verblijf”: het gewone verblijf op het grondgebied van het Lid; „inwoner”: degene, die gewoonlijk op het grondgebied van het Lid verblijf houdt; - c). „echtgenote”: een echtgenote, die ten laste van haar man is; - d). „weduwe”: een vrouw, die ten laste van haar echtgenoot was op het tijdstip van diens overlijden; - e). „kind”: een kind beneden de leeftijd, waarop de leerplicht een einde neemt, of jonger dan 15 jaar, naargelang zal worden voorgeschreven; - f). „wachttijd”: hetzij een tijdvak van premiebetaling, hetzij een tijdvak van arbeid, hetzij een tijdvak van verblijf, hetzij een combinatie van deze tijdvakken, naargelang zal worden voorgeschreven. 2. Voor de toepassing van de artikelen 10, 34 en 49 wordt onder „verstrekkingen” verstaan hetzij rechtstreeks verleende verstrekkingen, hetzij indirect verleende verstrekkingen, bestaande in een vergoeding van de door de belanghebbende gedragen kosten. Artikel 2 Ieder Lid, te wiens aanzien dit Verdrag van kracht is, moet: - a). toepassen: - i). Deel I; - ii). ten minste drie der Delen II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX en X, waarto"},{"i":17301,"b":"Regeling eenmalige uitkering zelfstandigen 1987 Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw en Visserij en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Overwegende, dat het wenselijk is met het oog op de inkomenssituatie van zelfstandigen in 1987 een eenmalige uitkering te verlenen aan zelfstandigen die in 1984, 1985, 1986 en 1987 alleen dan wel te zamen met een of meer anderen over niet meer dan een minimuninkomen beschikken; Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: a. minister: minister van Economische Zaken; b. CIMK: Stichting Coördinerend Instituut Midden- en Kleinbedrijf; c. STULM: Stichting tot Uitvoering van Landbouwmaatregelen; d. Wet op de inkomstenbelalsting 1964: Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Stb. 519), zoals die geldt voor het belastingjaar 1987; e. kinderbijslag: kinderbijslag als bedoeld in de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) (Stb. 1980, 1). 2. In deze regeling wordt verstaan onder: a. gehuwde: degene, die met een ander een gezamenlijke huishouding voert; b. echtgenoot: degene, met wie de gehuwde een gezamenlijke huishouding voert; c. ongehuwde: degene, die niet met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Artikel 2 1. In deze regeling wordt als zelfstandige aangemerkt de natuurlijke persoon die: - a. anders dan in dienstbetrekking gedurende enig moment in de periode van 1 augustus tot en met 31 december 1987 in Nederland een bedrijf of beroep heeft uitgeoefend; - b. op 31 december 1987 in Nederland woonde en - c. op 31 december 1987 een eigen huishouding voerde. 2. Het wonen in Nederland als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, wordt voor de toepassing van deze regeling niet als zelfstandige beschouwd degene voor wie de uitoefening van het in dat lid bedoelde bedrijf of beroep slechts een bijkomstige bron van inkomen v"},{"i":17892,"b":"Besluit van 24 september 2025, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en het Besluit langdurige zorg in verband met het afbouwen van de compensatie vervallen ouderentoeslag en het afschaffen van de extra vermogensvrijstelling [KetenID WGK026946] Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juni 2025, kenmerk 4133714-1078891-WJZ; Gelet op [artikel 2.1.4a, zevende lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=2.1.4a) en [artikel 3.2.5 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.2.5); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 juli 2025, no. W13.25.00146/III); Gezien het nader rapport van Onze Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 september 2025, kenmerk 4171479-1078891-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel II Wijzigt het Besluit langdurige zorg. Artikel III 1. De [artikelen 3.13, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 4° en 5°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.13), en [3.14a van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.14a) zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit, blijven gedurende twee jaren van toepassing op bijdragen in de kosten van een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen als bedoeld in het [Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733), met dien verstande dat: - a. de compensatie vervallen ouderentoeslag in het eerste en tweede jaar respectievelijk twee derde en een derde bedraagt van het bedrag berekend overeenkomstig [artikel 3.2a van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035733&artikel=3.2a) zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit; en - b. de bedragen, genoemd in de [a"},{"i":17896,"b":"Regeling van 14 november 2025, nr. 6825974 van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid houdende de wijziging van de inkomens- en vermogensgrenzen, in de Wet op de rechtsbijstand en het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, eigen bijdragen en basisbedragen, bedoeld in het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, het Besluit vergoedingen rechtsbijstand en het Besluit toevoeging mediation, en vaststelling van het normbedrag en het bedrag van het voorschot voor advocaten als bedoeld in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op [artikel 34, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34), [artikel 3, tweede lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025277&artikel=3), [artikel 4, vierde lid van het Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830&artikel=4), [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=3), en [artikel 35, tweede en vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Besluit: Artikel 1 Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand. Artikel 2 Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Artikel 3 Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Artikel 4 Wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Artikel 5 Wijzigt het Besluit toevoeging mediation. Artikel 6 Wijzigt het Besluit toevoeging mediation. Artikel 7 1. Met ingang van 1 januari 2026 wordt het normbedrag als bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op € 1.093. 2. Met ingang van 1 januari 2026 wordt het voorschot als bedoeld in [artikel 35, vierde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35) vastgesteld op: ten hoogste 10% van € 67.200. Artikel 8 Wijzigt h"},{"i":18827,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 augustus 2024 nr. BOACAT2024/092, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij EBS Public Transportation BV Gelezen het verzoek van EBS Public Transportation BV van 23 juli 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie van het Parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050126&artikel=2&z=2024-12-11&g=2024-12-11). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van handhaver/BOA in dienst van EBS Public Transportation BV, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling"},{"i":17525,"b":"Regeling Wlz-indiceerbaren Gelet op [artikel 11.1.1, zesde lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.1.1); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **ADL, ADL-assistentie en ADL-woning:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 34 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=34); - –. **begeleiding:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=6); - –. **behandeling:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 8 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=8); - –. **indicatiebesluit:** indicatiebesluit als bedoeld in [artikel 1 van het Zorgindicatiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008946), dat ten minste geldig is tot en met 1 oktober 2014; - **intensieve kindzorg:** verpleging van kinderen tot twintig jaar, die nodig is vanwege complexe somatische problematiek of een lichamelijke handicap, waarbij: - 1°. sprake is van behoefte aan permanent toezicht, of - 2°. vierentwintig uur per dag zorg in de nabijheid beschikbaar moet zijn en die zorg gepaard gaat met een of meer specifieke verpleegkundige handelingen; - –. **kinderdienstencentrum:** een instelling als bedoeld in de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) die krachtens die wet is toegelaten voor het verlenen van begeleiding of behandeling, en die zorg verleent als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036418&artikel=5&z=2015-03-19&g=2015-03-19); - –. **kortdurend verblijf:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 9a van het Besluit zorgaanspraken AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014149&artikel=9a); - –. **palliatief terminale zorg:** zorg die betrekking heeft op de levensfase waarin de levensverwachting van de verz"},{"i":17622,"b":"Tijdelijke Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 23 april 2026, nr. IENW/BSK-2026/68755, houdende regels voor het verstrekken van een specifieke uitkering ter stimulering van de realisatie van Clean Energy Hubs (Tijdelijke regeling specifieke uitkering Clean Energy Hubs 2026–2030) [KetenID WGK028222] Gelet op de [artikelen 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5, onderdelen a tot en met h, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en [artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **Clean Energy Hub:** een openbaar toegankelijke tank-, laad- of bunkerfaciliteit voor de weg of binnenvaart die minimaal één hernieuwbare brandstof en minimaal één zero-emissie energiedrager aanbiedt; - **compensabele btw:** verschuldigde omzetbelasting die op grond van de [Wet op het BTW-compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817) in aanmerking komt voor compensatie; - **goederenvervoer corridorprovincie:** Limburg, Noord-Brabant, Zeeland, Zuid-Holland, Noord-Holland en Gelderland; - **learning community:** samenwerkingsverband waarin het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, de goederenvervoer corridorprovincies en de niet-goederenvervoer corridorprovincies samenwerken aan de uitrol van Clean Energy Hubs; - **niet-goederenvervoer corridorprovincie:** Utrecht, Flevoland, Overijssel, Drenthe, Groningen en Friesland; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **verrekenbare btw:** verschuldigde omzetbelasting die op grond van de [Wet op de Omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) in aanmerking komt voor verrekening; - **voertuigcategorie:** voertuigcategorie als bedoeld in [Verordening (EU) 2018/858](32018R0858); - **zwaar wegtransport:** v"},{"i":18976,"b":"Besluit opheffen beperking openbaarheid inventarisnummers 1617 en 2302 archief Ministerie van Justitie, Gratiebeleid en uitvoering, (1827) 1947–1988 (1998), toegangsnummer 2.09.116 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van 10 oktober 2019 van de Minister van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042630) (nr. 54019), Gehoord hebbende de Minister van Justitie en Veiligheid, Besluit: Artikel 1 De beperking die is gesteld aan de openbaarheid van inventarisnummers 1617 en 2302 op te heffen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":18134,"b":"Besluit van 22 juli 2000, houdende regels inzake het gebruik van geweld door defensiepersoneel in de uitoefening van de bewakings- en beveiligingstaak (Besluit geweldgebruik defensiepersoneel in de uitoefening van de bewakings- en beveiligingstaak) Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 19 juli 1999, nr. CWW88/014, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving; Gelet op [artikel 1, zesde lid, van de Rijkswet geweldgebruik defensiepersoneel in de uitoefening van de bewakings- en beveiligingstaak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007949&artikel=1); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 18 oktober 1999, no. W07.99.0370/II/K.); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 14 juli 2000, nr. CWW88/014/2000003070; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1 Dit besluit berust op [artikel 3, derde lid, van de Rijkswet geweldgebruik bewakers militaire objecten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014738&artikel=3). Artikel 2 Dit besluit is niet van toepassing op het gebruik van geweld door bewakers in de uitoefening van de bewakings- en beveiligingstaak tijdens een internationaal gewapend conflict of een intern gewapend conflict als bedoeld in de gemeenschappelijke artikelen 2 en 3 van de op 12 augustus 1949 tot stand gekomen Verdragen van Genève (Trb. 1951, 72 t/m 75), alsmede de op 12 december 1977 te Bern tot stand gekomen Aanvullende Protocollen (Trb. 1980, 87 en 88). Paragraaf 2. Algemene geweldsbepalingen Artikel 3 Het gebruik van een geweldmiddel ter uitvoering van de bewakings- en beveiligingstaak is uitsluitend toegestaan aan een bewaker: - a. aan wie dat geweldmiddel rechtens is toegekend, en - b. die in het gebruik van dat geweldmiddel is geoefend. Artikel 4 Indien de bewaker onder leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere optreedt, gebruikt hij geen geweld dan na een vooraf gegeven uitdrukkelijke"},{"i":17467,"b":"Regeling tot vaststelling van de normbedragen voor voorschotverlening in 2002 op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 Gelet op de artikelen 3, tweede lid, en 35, tweede en vierde lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Besluit: Artikel 1 1. Het normbedrag dat geldt voor de bepaling van de hoogte van het voorschot dat in elk kwartaal wordt verstrekt aan door de raad ingeschreven advocaten wordt vastgesteld op € 600,– (f 1.325,–). 2. Het kwartaalvoorschot bedraagt niet meer dan € 37.500,– (f 83.000,–). 3. Het kwartaalvoorschot wordt op nihil gesteld, indien minder dan tien toevoegingen zijn afgegeven in de referentieperiode, bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2002. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tot vaststelling van de normbedragen voor voorschotverlening in 2002 op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18744,"b":"Besluit van 24 december 1925, tot bepaling van den duur der gevangenisstraf als bedoeld in artikel 487, tweede lid en artikel 501, eerste lid, in verband met artikel 376, eerste lid, van het nieuwe Wetboek van Strafvordering Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van den 27 November 1925, 2de Afdeeling A, n°. 917; Gelet op de artikelen 487, tweede lid, en 501, eerste lid, van het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); Den Raad van State gehoord (advies van 15 December 1925, n°. 12); Gelet op de nadere voordracht van Onzen voornoemden Minister van 19 December 1925, 2de Afdeeling A, n°. 910; Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen: Artikel 1 De duur der gevangenisstraf als bedoeld in artikel 487, tweede lid, en artikel 501, eerste lid, in verband met artikel 376, eerste lid, van het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), wordt bepaald op zes maanden. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking tegelijk met het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903). Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State."},{"i":17196,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake de invordering van sociale verzekeringspremies Het Koninkrijk der Nederlanden en Het Groothertogdom Luxemburg Geleid door de wens de bevoegde organen van ieder van de Overeenkomstsluitende Partijen in staat te stellen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij de premies voor de sociale zekerheid in te vorderen, Ernaar strevend een regeling te treffen ter toepassing van artikel 92 van Verordening (E.E.G.) no. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Deze Overeenkomst regelt de invordering van alle premies die ingevolge de in artikel 4 van Verordening (E.E.G.) no. 1408/71 bedoelde stelsels van sociale zekerheid zijn verschuldigd aan organen van een van de Overeenkomstsluitende Partijen door natuurlijke personen of rechtspersonen of door vennootschappen die zich op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij bevinden, daar hun zetel hebben of daar bezittingen hebben. Artikel 2 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder: - a). „bevoegde autoriteit”: - de in artikel 1, letter 1, van Verordening (E.E.G.) no. 1408/71 bedoelde autoriteit; - b). „bevoegd orgaan”: - voor Nederland: - de Nederlandse organen of autoriteiten aan wie de premies zijn verschuldigd; - voor het Groothertogdom Luxemburg: - het „Centre d'informatique, d'affiliation et de perception des cotisations de la sécurité sociale” te Luxemburg; - c). „aangezocht orgaan”: - voor Nederland voor alle premies die zijn verschuldigd aan een Luxemburgs orgaan: - de „Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging” te Amsterdam; - voor het Groothertogdom Luxemburg voor alle premies die zijn verschuldigd aan de Nederlandse organen of een Nederlandse autoriteit: - het „Centre d'informatique, d'affiliation et de p"},{"i":18954,"b":"Besluit van 6 oktober 2016, houdende regels betreffende het gebruik van elektronische stukken (Besluit digitale stukken Strafvordering) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 6 juli 2016, nr. 780412, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=12), [32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=32), [36a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36a), [36f, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=36f), [51a, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51a), [artikel 51b, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=51b), [138f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=138f), [149a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=149a), [163, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=163), [257e, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257e), [410, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=410), [450, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=450), [552a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=552a), [552ab tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=552ab), [552b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=552b), en [artikel 153, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=153), [artikel 49 van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=49) en [artikel 11 van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=11); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 5 september 2016, nr. W03.16.0182/II; Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veili"},{"i":17991,"b":"Wet van 30 maart 2016 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet teneinde de bekostiging van anonieme e-mental health structureel te regelen en de anonieme financiering van zorg aan ernstig bedreigde cliënten mogelijk te maken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bekostiging van eerstelijns psychologische zorg ten behoeve van anonieme verzekerden en de anonieme financiering van zorg aan ernstig bedreigde cliënten te regelen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel II (Vervallen) Artikel III (Vervallen) Artikel IV (Vervallen) Artikel V (Vervallen) Artikel VA Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt in overeenstemming met Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst binnen twee jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19452,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 18 februari 2025, nr. IENW/BSK-2025/44009, houdende vaststelling van het eerste aanvraagtijdvak van 2025 en het daarbij behorende plafond voor rijksbijdragen als bedoeld in de Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 2025–2030 Gelet op [artikel 5, tweede lid, van de Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 2025–2030](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050667&artikel=5); BESLUIT: Artikel 1 Het eerste aanvraagtijdvak van 2025 wordt overeenkomstig [artikel 5, tweede lid, van de Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 2025–2030](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050667&artikel=5) vastgesteld voor de periode van 26 februari 2025 00:00 uur tot en met 9 april 2025 23:59 uur. Artikel 2 Het plafond voor de toekenning van rijksbijdragen, bedoeld in [artikel 5, tweede lid, van de Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 2025–2030](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050667&artikel=5) wordt voor het eerste aanvraagtijdvak van 2025 vastgesteld op € 125.000.000,–. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 15 januari 2025. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18734,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 maart 2017, nr. 2050307, tot aanwijzing van een reclasseringsinstelling voor de toepassing van de technische voorziening, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding Gelet op [artikel 2a, vierde lid, van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039210&artikel=2a); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van de technische voorziening, bedoeld in [artikel 2a, eerste lid, van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039210&artikel=2a), wordt aangewezen: Stichting Reclassering Nederland. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":75,"b":"Beleidsregel Protocol Externe Jobcoach UWV 2025 Besluit: Artikel 1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen van personen voor de toepassing van de voorziening persoonlijke ondersteuning, ook wel Externe Jobcoaching genoemd, het Protocol Externe Jobcoach UWV 2025 als weergegeven in de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De [Beleidsregel Protocol UWV Jobcoach 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042556), van 20 augustus 2019 gepubliceerd in de Staatscourant van 18 september 2019, nummer 51108, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel Protocol Externe Jobcoach UWV 2025. Beleidsregel Protocol Externe Jobcoach UWV 2025 Inhoud Begripsbepalingen De [Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050043) bevat o.a. de erkenningseisen waaraan een organisatie moet voldoen, wil zij erkend worden als Jobcoachorganisatie. Met de Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2024 wordt in het kader van het Protocol Externe Jobcoach 2025 gelijkgesteld eventuele beleidsregels die de eerder genoemde beleidsregel in de toekomst vervangen. Een dienstbetrekking in de zin van [artikel 3 ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=3)/[WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=3)/[WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=3) of een op grond van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=4) of [5 ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=5)/[WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=4)/[WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=4) daarmee gelijkgestelde arbeidsverhouding. De natuur"},{"i":78,"b":"Beleidsregel RCN-unit SZW toepassing arbeidsmarkttoets Wav BES Saba Beleidsregel van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 november 2018, 2018-0000178490, tot vaststelling van beleidsregels op grond van de [Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) (Beleidsregel RCN-unit SZW toepassing arbeidsmarkttoets Wav BES Saba) De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Gelet op [artikel 5, zevende lid, onderdeel b, van de Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=5) en de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037446&artikel=6) en [9, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Werknemersregelingen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037446&artikel=9); Besluit: Artikel 1. Inleiding In de [Wet arbeid vreemdelingen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) (Wav BES) is bepaald op welke wijze het toelatingsbeleid van vreemdelingen tot de lokale arbeidsmarkt zal plaatsvinden. Doel van de [Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437) is de bescherming van de lokale arbeidsmarkt, het tegengaan van verdringing van lokale arbeidskrachten en het tegengaan van illegale tewerkstelling. Doordat een tewerkstellingsvergunning (TWV) voor werknemers van buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba alleen wordt afgegeven als geen lokaal aanbod aanwezig is, krijgen lokale arbeidskrachten de kans om te gaan werken en in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Daarnaast moet de Wav BES de arbeidsverhoudingen beschermen en oneerlijke concurrentie tegengaan door te borgen dat arbeidsmigranten marktconform beloond worden en ten minste het minimumloon ontvangen. [Artikel 5, zevende lid, onderdeel b, van de Wav BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028437&artikel=5) biedt de mogelijkheid een aanvraag voor tewerkstellingsvergunning onmiddellijk in behandeling te nemen, indien het vanwege het sp"},{"i":115,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2024, nr. 2024-0000039826, houdende aanwijzing van Stichting Nederlands Duikcentrum Registratie Instelling (hierna: NDC-RI) als verwerker als bedoeld in artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming en verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan NDC-RI ter uitvoering van het beheer van het Register Civiele Duikarbeid Gelet op de [artikelen 1.5k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=1.5k), [6.14a, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=6.14a), [6.14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=6.14b), [6.16, derde, zesde en zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=6.16), artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gelet op de instemming van de secretaris van NDC-RI met de mandaatverlening; Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - 1.1. **AVG:** [Verordening (EU) 2016/679](32016R0679) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de [Richtlijn 95/46/EG](31995L0046); - 1.2. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Staatssecretaris handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - 1.3. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Staatssecretaris besluiten te nemen; - 1.4. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - 1.5. **persoonsgegevens:** alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke per"},{"i":119,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 oktober 2018, nr. IENW/BSK-2018/224867, houdende aanwijzing van ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen) Gelet op [artikel 25, eerste lid, van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=25); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 25 van de Wet beveiliging netwerk-en informatiesystemen in werking treedt. Artikel 1 De ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de [Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515). Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel 25 van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041515&artikel=25) in werking treedt. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":121,"b":"Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende aanwijzing ambtenaren Divisie Rail belast met het toezicht, bedoeld in artikel 34, eerste lid, Wet kabelbaaninstallaties (Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Wet kabelbaaninstallaties) Gelet op [artikel 34, eerste lid, van de Wet kabelbaaninstallaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016366&artikel=34); Besluit: Artikel 1 De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht, bedoeld in [artikel 34, eerste lid, van de Wet kabelbaaninstallaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016366&artikel=34). Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Wet kabelbaaninstallaties. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":170,"b":"Besluit van 15 december 1997, houdende de overgang van de beheersverantwoordelijkheid over het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken naar Onze Minister van Binnenlandse Zaken, alsmede de overgang van het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken naar het ministerie van Binnenlandse Zaken Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 11 december 1997 nr. 97M009780; Gelet op [artikel 44, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken, thans behorende tot de beheersverantwoordelijkheid van Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken komt met ingang van 1 januari 1998 onder de beheersverantwoordelijkheid van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en gaat daarmee over naar het ministerie van Binnenlandse Zaken. Artikel 2 1. Onze Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken is belast met de beleidsmatige aspecten van de coördinatie van aangelegenheden de Nederlandse Antillen en Aruba betreffende en met de beleidsmatige aspecten van de zorg voor de aan de Nederlandse Antillen en aan Aruba te verlenen hulp en bijstand. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de beheersmatige aspecten van de coördinatie van aangelegenheden de Nederlandse Antillen en Aruba betreffende en met de beheersmatige aspecten van de zorg voor de aan de Nederlandse Antillen en aan Aruba te verlenen hulp en bijstand. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1998. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1997, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 1998. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken is"},{"i":193,"b":"Besluit van 30 november 2020, tot vaststelling van een eenmalige uitkering in december 2018 alsmede, in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2020, tot vaststelling van eenmalige uitkeringen in augustus 2019 en augustus 2020 en tot wijziging van enige besluiten, alsmede wijzigingen ten behoeve van personeel dat de loonontwikkeling volgt in de sector Rijk en een aantal andere wijzigingen Hoofdstuk 1. Formalisering van een eenmalige uitkering in december 2018 aan het defensiepersoneel Hoofdstuk 1. Formalisering van een eenmalige uitkering in december 2018 aan het defensiepersoneel Hoofdstuk 3. Formalisering van de uitkering premievrijval aftoppingsgrens pensioengevend inkomen vanaf 1 januari 2015 Artikel 3.1 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Artikel 3.2 Wijzigt het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Hoofdstuk 3. Formalisering van de uitkering premievrijval aftoppingsgrens pensioengevend inkomen vanaf 1 januari 2015 Hoofdstuk 5. Wijzigingen met ingang van 1 oktober 2018 Hoofdstuk 5. Wijzigingen met ingang van 1 oktober 2018 Hoofdstuk 4. Wijzigingen met ingang van 1 juli 2018 Hoofdstuk 6. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2019 Hoofdstuk 5. Wijzigingen met ingang van 1 oktober 2018 Hoofdstuk 7. Wijzigingen met ingang van 1 april 2019 Hoofdstuk 6. Wijzigingen met ingang van 1 januari 2019 Hoofdstuk 9. Wijzigingen met ingang van 1 augustus 2019 Hoofdstuk 7. Wijzigingen met ingang van 1 april 2019 Artikel 4.1 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Hoofdstuk 8. Wijzigingen met ingang van 1 juli 2019 Artikel 5.1. Eindejaarsuitkering Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen en het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Hoofdstuk 9. Wijzigingen met ingang van 1 augustus 2019 Artikel 6.1 Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen. Hoofdstuk 9. Wijzigingen met ingang van 1 augustus 2019 Artikel 7.1 Wijzigt het Besluit personenchauffeurs defensie. Artikel 7.2 W"},{"i":213,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 mei 2021, kenmerk 2359346-1008298-WJZ, houdende de verlening van mandaat en machtiging aan de toezichthoudende ambtenaren van de douane in verband met het voorkomen van illegale handel in tabak (Besluit verlening van mandaat en machtiging aan de toezichthoudende ambtenaren van de douane in verband met het voorkomen van illegale handel in tabak) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op [artikel 13, eerste en tweede lid, van de Tabaks- en rookwarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=13) en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Gezien de instemming van de gemandateerden; Besluit: Artikel 1 Aan de ambtenaren van de douane wordt mandaat verleend tot: - a. het nemen van besluiten in de zin van [artikel 11b van de Tabaks- en rookwarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=11b), en - b. te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld onder a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen. Artikel 2 Aan de ambtenaren van de douane wordt machtiging verleend: - a. tot het verrichten van de met de in [artikel 1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045174&artikel=1&z=2021-06-01&g=2021-06-01), verband houdende handelingen ter bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens de [artikelen 4a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=4a), [4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=4b), [4c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=4c), [4e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=4e), [4h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=4h), [4i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=4i) en [11 van de Tabaks- en rook"},{"i":214,"b":"Besluit Verplicht gebruik ontslagaanvraagformulieren UWV Gelet op [artikel 32, lid 1 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32), de [artikelen 7: 671a lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a) en [7:669, leden 1 en 3, onderdelen a en b van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=669), [artikel 2, lid 1 van de Regeling UWV Ontslagprocedure](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036593&artikel=2) en de [artikelen 4:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4) en [4:5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **toestemming:** toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van [artikel 669, derde lid, onderdeel a of b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=669); - b. **verzoek:** verzoek als bedoeld in [artikel 671a, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=671a); - c. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5). Artikel 2. Wijze indiening verzoek om toestemming 1. Een verzoek om toestemming wordt ingediend met gebruikmaking van de ontslagaanvraagformulieren, welke UWV via haar website uwv.nl beschikbaar stelt. 2. Een verzoek om toestemming wordt niet in behandeling genomen als deze niet op de wijze, bedoeld in het eerste lid, is ingediend. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verplicht gebruik ontslagaanvraagformulieren UWV. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2015. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":217,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 juli 2020, nr. 20 tot het verlenen van volmacht en machtiging aan functionarissen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met bevoegdheden ten aanzien van attachés en lokale werknemers van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Besluit volmacht en machtiging attachés en lokale werknemers Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Gelet op [artikel 1.2 van de Legal Status (Local Staff) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042874&artikel=1.2); Besluit: De datum van inwerkingtreding in de publicatie ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Volmacht en machtiging 1. Aan de bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkzame secretaris-generaal, de directeuren van bedrijfsvoeringsdirecties en uitvoeringsorganisaties en hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland alsmede hun plaatsvervangers wordt volmacht en machtiging verleend voor het verrichten van rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met de uitvoering van: - a. de Aanvullende CAO Rijk Uitzendingen en de rechtsopvolgers daarvan en - b. de [Legal Status (Local Staff) Regulations 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042874) en de rechtsopvolgers daarvan inclusief het afhandelen van daarmee verband houdende geschillen bij een geschillencommissie of rechterlijke instantie ten aanzien van uitgezonden werknemers en lokale werknemers die vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. De in het eerste lid bedoelde functionarissen kunnen schriftelijk besluiten dat onder hen ressorterende functionarissen mede bevoegd zijn uitvoering te geven aan de in het eerste lid bedoelde volmacht en machtiging. 3. De in het eerste lid bedoelde functionarissen oefenen hun in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden uit met inachtneming van de terzake: - a. door of namens de Minister van Bi"},{"i":239,"b":"Circulaire toepassen Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2018–2020 Op 13 juli jongstleden hebben de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de vakbonden FNV Overheid, Ambtenarencentrum, CNV Overheid en CMHF de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2018–2020 gesloten. Met deze circulaire informeer ik u over de inhoud van deze overeenkomst en wordt aangegeven op welke wijze moet worden omgegaan met daarin gemaakte afspraken. De overeenkomst is als bijlage bij deze circulaire gevoegd. De salarisbedragen van de [bijlagen A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=A) en [B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) (BBRA 1984) worden met ingang van 1 juli 2018 met 3%, 1 juli 2019 met 2% en 1 januari 2020 met 2% verhoogd. Toelagen, toeslagen en vergoedingen die zijn toegekend met toepassing van het [BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630) dienen over het algemeen in verband met algemene salarisverhogingen te worden aangepast. Veelal vindt de verhoging automatisch plaats doordat de toelagen, toeslagen of vergoedingen gerelateerd zijn aan de (verhoogde) salarisbedragen. Het gaat hier om toelagen, toeslagen en vergoedingen die als percentage van het (maand)salaris zijn uitgedrukt. Voorbeelden hiervan zijn de toelage onregelmatige dienst, de incidentele toeslag op basis van [artikel 22a BBRA 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&artikel=22a) op basis van de staffel van een kwart, half, driekwart of heel (maand)salaris en de overwerkvergoeding. Automatische aanpassing vindt niet plaats bij nominale toelagen, toeslagen en vergoedingen. Bijvoorbeeld de nominale toeslag toelage onregelmatige dienst. Uitzondering hierop vormt de periodieke toeslag op basis van artikel 22a BBRA 1984, die als nominaal bedrag is toegekend. Indien deze toeslag niet in aanmerking komt voor aanpassing met de algemene salarisverhoging, bijvoorbeel"},{"i":5919,"b":"Toeslagen, pleeggezinnen en opvang van uitgeprocedeerde alleenstaande minderjarige vreemdelingen De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten: Dit besluit valt onder de werking van de [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472) (hierna: Awir) en heeft in de praktijk uitsluitend betrekking op het recht op een toeslag in de zin van de [Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659). Het besluit is in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tot stand gekomen. 1. Inleiding Ingevolge de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. In aanvulling daarop is in de [Awir (artikel 9)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=9) bepaald dat indien een partner of een medebewoner van de belanghebbende een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van [artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), de belanghebbende geen aanspraak heeft op een tegemoetkoming. Deze bepaling is in overeenstemming met de regeling in de voormalige [Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659). Minderjarige vreemdelingen kunnen op verzoek van de overheid worden opgevangen in pleeggezinnen. Een alleenstaande minderjarige vreemdeling heeft rechtmatig verblijf als hij in afwachting is van de beslissing op zijn asielaanvraag. In dat geval is er geen beperking van uitkeringsrechten voor het gezin waar de vreemdeling verblijft. Zodra de minderjarige vreemdeling uitgeprocedeerd is, vervalt dit rechtmatig verblijf en daarmee het recht voor het pleeggezin op een tegemoetkoming onder"},{"i":6768,"b":"Wet van 7 april 2005 tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en van de Faillissementswet in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PbEG L 125) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan [richtlijn nr. 2001/24/EG](32001L0024) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PbEG L 125), teneinde regels te geven met betrekking tot grensoverschrijdende aspecten van insolventieprocedures waaraan kredietinstellingen kunnen worden onderworpen en dat het mede naar aanleiding daarvan wenselijk is de in de [Wet toezicht kredietwezen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792) opgenomen bepalingen inzake de liquidatie van kredietinstellingen over te hevelen naar de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht kredietwezen 1992. Artikel II Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III Op de afhandeling van een noodregeling als bedoeld in [hoofdstuk X van de Wet toezicht kredietwezen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005792&hoofdstuk=X) of van een faillietverklaring die wordt vastgesteld onderscheidenlijk uitgesproken vóór de datum waarop deze wet in werking treedt, blijft het voor die datum geldende recht van toepassing. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeuri"},{"i":6302,"b":"Wet speelvergunningsrecht hazardspelen BES Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder - a. **speelvergunningsrecht:** het bij hazardspelen als bedoeld in de Wet hazardspelen I ten behoeve van het openbaar lichaam te heffen recht; - b. **vergunninghouder:** degene aan wie een vergunning is verleend op grond van [artikel 1 van de Wet hazardspelen BES I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028450&artikel=1). Artikel 2 Het speelvergunningsrecht is aan het openbaar lichaam verschuldigd dat de vergunning heeft verleend aan de vergunninghouder. Artikel 3 1. Het speelvergunningsrecht wordt per boekjaar geheven van het uit de vergunning voortvloeiende bruto-bedrag der ontvangsten volgens een bij eilandsverordening vast te stellen tarief. 2. Indien krachtens dezelfde vergunning meerdere gelegenheden voor hazardspelen worden geëxploiteerd, wordt het speelvergunningsrecht geheven als ware voor elk van deze gelegenheden afzonderlijk een vergunning verleend. 3. Onder het bruto-bedrag der ontvangsten worden mede begrepen de niet geïncasseerde speelschulden. Artikel 4 1. De vergunninghouder is verplicht een boekhouding en administratie in te richten en te voeren waaruit het bruto-bedrag der ontvangsten onweerlegbaar blijkt. 2. Indien krachtens dezelfde vergunning meerdere gelegenheden voor hazardspelen worden geëxploiteerd, is de vergunninghouder verplicht voor elk van die gelegenheden een afzonderlijke boekhouding en administratie in te richten en te voeren waaruit het bruto-bedrag der ontvangsten van de desbetreffende gelegenheid onweerlegbaar blijkt. Artikel 5 Bij eilandsverordening worden voorschriften vastgesteld betreffende de invordering en betaling van het te heffen speelvergunningsrecht. Artikel 6 1. Overtreding van enige bepaling van deze wet of van op grond hiervan uitgevaardigde algemene maatregelen van bestuur, wordt beschouwd als overtreding en gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 2. Indien het strafbaar feit geplee"},{"i":481,"b":"Vaststelling aanwijzingen inzake inzage ministerraadsnotulen door ambtenaren Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, Besluit: tot het vaststellen van de bij dit besluit gevoegde [aanwijzingen inzake inzage van ministerraadsnotulen door ambtenaren](onbekend). [Aanwijzingen inzake inzage van ministerraadsnotulen door ambtenaren](onbekend) - 1. Aan door de secretaris-generaal aangewezen ambtenaren die geen vertrouwensfunctie, categorie A, bekleden, kan onder verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal inzage worden gegeven in bepaalde gedeelten uit de notulen van de ministerraad, onderraden uit de ministerraad of andere commissies uit de ministerraad, die op zichzelf geen staatsgeheim inhouden, voor zover die kennisneming noodzakelijk is voor de goede voortgang van de beleidsvoorbereiding van een bepaald onderwerp. - 2. De aangewezen ambtenaren ondertekenen een verklaring, inhoudende dat zij bekend zijn met de verplichtingen ten aanzien van de beveiliging en geheimhouding van de hun ter inzage gegeven gedeelten van notulen. De verklaringen worden door de secretaris-generaal bewaard."},{"i":490,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Centrale organisatie Werk en Inkomen en rechtsvoorganger Arbeidsvoorzieningenorganisatie 1997–2004 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 9 november 2005, nr. arc-2005.02537/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst ingediend door de Centrale organisatie Werk en Inkomen als aanvullend selectiedocument voor de neerslag van handelingen van de Centrale organisatie Werk en Inkomen en van de rechtsvoorganger de Arbeidsvoorzieningenorganisatie over de periode 1997–2004’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Het BSD fungeert als nieuw selectie-instrument voor de Centrale organisatie Werk en Inkomen voor de periode vanaf 1997. De selectielijst geldt als aanvulling op de [selectielijst voor de neerslag van handelingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie over de periode 1991–1997](onbekend), die op 10 juli 2000 is vastgesteld (Stcrt. 2000, 155). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Aanvullend selectiedocument voor de neerslag van de handelingen van de arbeidsvoorzieningsorganisatie en de centrale organisatie werk en inkomen over de periode (1991) 1997– Lijst van afkortingen AVW: Arbeidsvoorzieningswet BBA: Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen CAO: Collectieve Arbeidsovereenkomst CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek CWI: Centrale organisatie werk en inkomen EEG: Europese Economische Gemeenschap EG: Europese Gemeenschap IAO: Internationale Arbeidsorganisatie ILO: International Labour Organisation IWI: Inspectie voor Werk en Inkomen KB: Koninklijk Besluit MISEP: Mutual Information System on Employment Policies NOM: Nationale Ombudsman OCenW: Onderwijs Cultuur en Wetenschappen (Ministerie van) OR: Ondernemingsraad PB:"},{"i":491,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Arbeidsvoorzieningenbeleid over de periode vanaf 1945 (Ministerie van EZ) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 oktober 2004, nr. arc-2004.01462/3); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Economische Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Arbeidsvoorzieningenbeleid over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13072,"b":"Besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie en de Nederlandse minister van Verkeer en Waterstaat, houdende vaststelling van het 'Besluit vrijstelling loodsplicht Scheldereglement' Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van het Scheldereglement; Besluiten: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - 1º. lengte over alles: de lengte over alles volgens Lloyd’s Register of Ships; - 2º. Vlissingen-Rede: het gedeelte van de Westerschelde dat in het [Scheepvaartreglement Westerschelde 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005393) als redegebied Vlissingen is omschreven; - 3°. Rijnschip, Denemarkenvaarder, binnen/buiten-schip, register: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Nederlandse [Loodsplichtbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007512). - 4°. Gross Tonnage: Gross Tonnage volgens Lloyd’s Register of Ships. Artikel 2 Onverminderd de bepalingen van of krachtens artikel 11 van het Scheldereglement, zijn de gezagvoerders van de volgende categorieën schepen vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Scheldereglement: - 1º. binnenschepen, als ze zich niet zeewaarts Vlissingen-Rede bevinden; - 2º. estuaire vaart: binnenschepen, die uitsluitend in een beperkt vaargebied langs de Belgische kust varen, en als zodanig door de Belgische overheid zijn geregistreerd; - 3º. fluviomaritieme vaart: binnenschepen, die over een zeebrief beschikken, die uitsluitend in een beperkt gebied op zee mogen varen en als zodanig door de Belgische of de Nederlandse overheid zijn geregistreerd; - 4º. zeeschepen die ten anker liggen, met uitzondering van zeeschepen met een Gross Tonnage van 60.000 of meer of met een diepgang van 130 decimeter of meer als zij zich niet zeewaarts Vlissingen Rede bevinden; - 5º. Rijnschepen, Denemarkenvaarders en binnen/buiten-schepen die bij of krachtens de in Nederland geldende wettelijke voorschriften zijn vrijgesteld van de loodsplicht en die als zodanig zijn inges"},{"i":494,"b":"Besluit van 13 december 2001, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, van het tijdstip waarop enige artikelen van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 vervallen en van het tijdstip waarop het Tijdelijk besluit samenwerking CWI vervalt Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 10 december 2001, nr. SUWI/SEC/2001/360; Gelet op [artikel 87, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=87), de [artikelen 27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013061&artikel=27), en [132, eerste lid, van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013061&artikel=132) en artikel 6 van het Tijdelijk besluit samenwerking CWI; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De[Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060) treedt in werking met ingang van 1 januari 2002, met dien verstande dat: - a. de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=4) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=5), voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank, in werking treden met ingang van 1 januari 2003; - b. de [artikelen 21, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=21), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=28) en [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=29), voorzover het betreft aanvragen van uitkering op grond van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":583,"b":"Wet van 6 juli 2011 inzake implementatie van het op 23 februari 2006 te Genève tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op het Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 en [Richtlijn 2009/13/EG](32009L0013) van de Raad van de Europese Unie van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (EFT) inzake het Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 en tot wijziging van [Richtlijn 1999/63/EG](31999L0063) (PbEG L 124), noodzakelijk is regels te stellen ter verbetering van de rechtspositie van zeevarenden alsmede dat het wenselijk is de daarop betrekking hebbende bepalingen te moderniseren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Ministerie van Infrastructuur en Milieu Artikel I. [Zeevaartbemanningswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124) Wijzigt de Zeevaartbemanningswet. Artikel II. [Wet havenstaatcontrole](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008999) Wijzigt de Wet havenstaatcontrole. Artikel III. [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel IV. [Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746) Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel V. [Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746) Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Artikel VI. [Wet ruimtevaartactiviteiten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021418) Wijzigt de Wet ruimtevaartactiviteiten. Artikel VII. Omhangbepalingen Na de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel JJ](https://"},{"i":584,"b":"Wet van 20 december 2017 tot implementatie van de wijzigingen van de Code en aanhangsels bij het Maritiem Arbeidsverdrag 2006, die door de Internationale Arbeidsconferentie zijn goedgekeurd op 11 juni 2014 (Trb. 2016, 85) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de implementatie van de op 11 juni 2014, tijdens de 103de zitting van de Internationale Arbeidsconferentie goedgekeurde wijzigingen van de normen A2.5 (repatriëring) en A4.2 (aansprakelijkheid van de reder) in het op 20 augustus 2013 in werking getreden Maritiem Arbeidsverdrag (Trb. 2007, 93) [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) en de [Wet zeevarenden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124) te wijzigen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II Wijzigt de Wet zeevarenden. Artikel III Op een certificaat maritieme arbeid als bedoeld in [artikel 48c, eerste lid, van de Wet zeevarenden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009124&artikel=48c), dat geldig is op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, is [artikel II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040578&artikel=II&z=2018-02-01&g=2018-02-01), van deze wet niet van toepassing. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":616,"b":"Wet van 13 december 2000 tot regeling van het conflictenrecht met betrekking tot verevening pensioenrechten bij scheiding Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling te geven van het conflictenrecht met betrekking tot de verevening van pensioenrechten bij echtscheiding, scheiding van tafel en bed, dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze; ARTIKEL I Wijzigt de Wet conflictenrecht huwelijksvermogensregime. ARTIKEL II Wijzigt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. ARTIKEL III 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze wet is van toepassing op de verevening van pensioenrechten van echtgenoten wier echtscheiding of scheiding van tafel en bed op of na de datum van inwerkingtreding wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":13109,"b":"Besluitvorming wijziging taalbenaming Witrussisch De Raad voor Rechtsbijstand, **Overwegende dat:** **Stelt vast dat:** **Besluit dat:** Slotbepalingen Dit besluit wordt aangehaald als ‘**Besluitvorming wijziging taalbenaming Witrussisch’.** Bekendmaking vindt plaats door publicatie in de Staatscourant. Dit besluit treedt in werking één dag na publicatie in de Staatscourant."},{"i":717,"b":"Wet van 15 december 1993, houdende maatregelen in verband met de financiële positie van het Spoorwegpensioenfonds Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te nemen in verband met de toenemende algemene reserve van het Spoorwegpensioenfonds, zulks mede in het kader van matiging van de ontwikkeling van de collectieve uitgaven; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II De pensioenbijdrage bedoeld in artikel C 3, eerste lid, van de Spoorwegpensioenwet wordt, behoudens vermindering uit anderen hoofde, verminderd met een en zestiende procent van de som der bijdragegrondslagen. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de twintigste dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006322&artikel=I&z=1994-01-19&g=1994-01-19) werkt terug tot en met 1 januari 1987, met dien verstande dat over de aanwending van het bedrag dat is gemoeid met de intrekking van de annuïteiten, voor zover deze betrekking heeft over de jaren 1987 tot en met 1989, nader zal worden besloten indien de Spoorwegpensioenwet zal worden ingetrokken dan wel enig ander besluit terzake van de positie van het Spoorwegpensioenfonds zal worden genomen. 3. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006322&artikel=II&z=1994-01-19&g=1994-01-19) werkt terug tot en met 1 januari 1986. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":719,"b":"Wet van 12 december 1991, tot wijziging van het fiscale regime voor onderhoudsvoorzieningen en spaarvormen alsmede van het fiscale regime voor verzekeraars en de directiepensioenlichamen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen met betrekking tot onderhoudsvoorzieningen en spaarvormen, wenselijk is te komen tot een herziening van de belastingheffing ter zake van lijfrenten en kapitaalverzekeringen en voorts dat het wenselijk is te komen tot een herziening van het fiscale regime voor de instellingen waarbij dergelijke voorzieningen worden ondergebracht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III - A. De Wet Belastingherziening 1950 (**Stb.** K423) wordt ingetrokken. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII 1. Hetgeen is voldaan ter verkrijging van een stamrecht en heeft geleid tot een afneming als bedoeld in artikel 44**f,** eerste lid, onderdeel **c**, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 1991, komt voor de toepassing van die wet niet in aanmerking als persoonlijke verplichtingen. 2. Verzekeringen welke zijn gesloten na 31 december 1991 doch voor 1 juli 1992 en die niet aanstonds voldoen aan de voorwaarden welke zijn gesteld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, worden geacht vanaf de aanvang van de verzekering aan die voorwaarden te voldoen indien de verzekeringsovereenkomst voor 1 juli 1992, voor zover nodig met terugwerkende kracht tot het aangaan van de overeenkomst, alsnog aan die voorwaarden voldoet. ARTIKEL VIIA 1. Indien een lich"},{"i":720,"b":"Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen en de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PbEU 2011, L 343) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) en de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) te wijzigen in verband met de implementatie van [Richtlijn 2011/98](32011L0098)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PbEU 2011, L 343); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel II Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel III Op aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning of aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking «arbeid in loondienst» of «lerend werken» die zijn ingediend voor 25 december 2013 en waarop op het tijdstip van inwerkingtreding nog niet is beslist, is het recht en het bijbehorende legesbedrag van toepassing zoals dat gold op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding"},{"i":1167,"b":"Loonheffingen, inkomstenbelasting, heffingsaspecten stagiairs De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 15 december 2006, nr. CPP2006/1461M, Stcrt. nr. 249. De wijzigingen hebben betrekking op de kleinebanenregeling en de nieuwe Verordening (EG) nr. 883/2004.** 1. Inleiding De arbeidsverhouding van een stagiair is onder omstandigheden een (fictieve) dienstbetrekking. In dergelijke gevallen moet de stageverlener als inhoudingsplichtige een of meer loonheffingen inhouden. Dit besluit gaat in op de algemene heffingsaspecten met betrekking tot inkomsten van stagiairs. Hierbij komt onder meer de situatie aan de orde waarin een stagevergoeding niet ten goede komt aan een (binnenlandse of buitenlandse) stagiair. Het besluit bevat enkele goedkeuringen. Dit besluit vervangt het [besluit van 15 december 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020790), nr. CPP2006/1461M. Hierbij zijn de volgende onderdelen gewijzigd: 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen De in de begripsomschrijvingen cursief opgenomen begrippen zijn later zelf omschreven. 2. Algemeen 2.1. Wettelijke regeling De arbeidsverhoudingen met stagiairs zijn in drie groepen te verdelen. Deze groepen licht ik hierna toe. 2.1.1. de ‘echte’ (civielrechtelijke of publiekrechtelijke) dienstbetrekking Een stageverhouding kan deel uitmaken van een ‘echte’ civiel- of publiekrechtelijke dienstbetrekking (zie [artikel 2 van de Wet LB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=2)). Voorbeeld: Een werknemer volgt binnen zijn dienstverband een cursus en voert in het kader van die cursus praktijkopdrachten (stage-opdrachten) uit bij de werkgever waar hij in dienst is. Als een stagiair voor de aan de stage bestede uren een normaal te achten loon ontvangt is sprake van een echte dienstbetrekking. De stageverlener moet als inhoudingsplichtige loonheffingen inhouden. Zie voor de premieheffing werknemersverzekeringen onderdeel 5 van dit be"},{"i":1004,"b":"Bijstellingsregeling accijns, motorrijtuigenbelasting en belastingen op milieugrondslag 2011 Gelet op de [artikelen 27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84c) en [84c van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84c), [artikel 81a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006324&artikel=81a) en [artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=90) in samenhang met de [artikelen 10.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.1) en [10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2); Besluit: Artikel I Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel II Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel III Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel IV [Artikel 84a van de Wet op de accijns](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=84a) vindt geen toepassing op de in [artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029337&artikel=I&z=2011-01-01&g=2011-01-01), opgenomen verhogingen van de accijns. Artikel V 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. 2. Deze regeling wordt aangehaald als: Bijstellingsregeling accijns, motorrijtuigenbelasting en belastingen op milieugrondslag 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":747,"b":"Besluit van 20 december 2000 tot aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november 2000, nr. WDB2000/874M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Gelet op [artikel 61 van Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=61), de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=4), [5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=5a), [15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=15a), [18g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18g), [18h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=18h), [19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=19a), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=33) en [35c van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=35c), [artikel 39 van de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=39), artikel III van de Wet van 30 september 1986 (Stb. 479), de [artikelen 14c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14c), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=28) en [29 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=29), [artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002740&artikel=15), [artikel 28 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=28) en op [hoofdstuk 2, artikelen I, onderdeel Ra, en IV, onderdeel B, derde lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 13 december 2000, nr. W.06.00.0536/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2000, nr. WDB2000/964U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Bel"},{"i":1127,"b":"Instelling Werkgroep voor aspecten van rechtsbescherming in het belastingrecht Overwegende dat het wenselijk is een Werkgroep voor aspecten van rechtsbescherming in het belastingrecht in te stellen; Besluit: § 1. Instelling en taak Artikel 1 Er is een Werkgroep voor aspecten van rechtsbescherming in het belastingrecht. Artikel 2 De Werkgroep onderzoekt, tegen de achtergrond van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), of de rechtspositie van de belastingplichtige op voldoende en evenwichtige wijze in het fiscale recht is gewaarborgd. Op basis van haar bevindingen kan de Werkgroep aanbevelingen en voorstellen doen tot aanpassing van de wetgeving. De Werkgroep houdt bij haar onderzoek rekening met de ontwikkelingen op het terrein van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) en betrekt daarbij mede internationale aspecten, in het bijzonder het [Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden](onbekend), alsook het [Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten](onbekend). § 2. Samenstelling en werkwijze Artikel 3 Tot leden van de Werkgroep worden benoemd: - prof. mr. C. Flinterman - prof. mr. Ch.P.A. Geppaart Artikel 4 De Werkgroep wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris. Artikel 5 Indien daaraan behoefte bestaat, kan de Werkgroep een niet-ambtelijk medewerker aanstellen. Artikel 6 Ter uitvoering van haar taak kan de Werkgroep: - a. zich wenden tot een klankbordgroep, bestaande uit ambtenaren van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Justitie en de Belastingdienst. Indien daaraan behoefte bestaat, kan uitbreiding van de klankbordgroep plaatsvinden, zowel ambtelijk als daarbuiten. - b. zich rechtstreeks tot derden wenden voor het verkrijgen van inlichtingen en hen zonodig ter vergadering uitnodigen om hun mening nader uiteen te laten zetten. Artikel 7 De Werkgroep doet uiterlijk eind 1996 aan de Staatssecretaris v"},{"i":5173,"b":"Besluit van 15 september 2004 tot vaststelling van de rechtspositie van de voorzitter en de leden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (Rechtspositiebesluit WRR 2004) Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 25 juni 2004, nr. 04M466956; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [artikel 5 van de Instellingswet W.R.R.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003043&artikel=5); De Raad van State gehoord (advies van 23 juli 2004, nr. W01.04.0319/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 9 september 2004, nr. 04M468673; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken; - b. Raad: de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid; - c. lid: degene die bij koninklijk besluit is benoemd tot voorzitter of lid van de Raad; - d. rijksambtenaren: degenen die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Artikel 2 1. Het salaris van het lid dat tot voorzitter van de Raad is benoemd, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 19 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 2. Het salaris van de overige leden van de Raad wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat is verbonden aan het hoogste salarisnummer van schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 3. Het salaris van een lid met een onvolledige werktijd wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een volledige werktijd overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 4. Een lid heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op d"},{"i":5211,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2014, nr. WJZ / 14189036, tot aanwijzing van bestuursorganen waarvoor de in artikel 30 van de Handelsregisterwet 2007 bedoelde verplichting geldt Gelet op [artikel 59, eerste lid, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=59); Besluit: Artikel 1 De verplichting, bedoeld in [artikel 30 van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=30), geldt uitsluitend voor het Centraal Bureau voor de Statistiek. Artikel 2 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2021. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":993,"b":"Besluit verlenen ondermandaat aan de Chief Data Officer Douane inzake de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022 (RINFIN 2022) Gelet op [artikel 3 van het Besluit tot het verlenen van ondermandaat inzake de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022 (RINFIN 2022)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047747&artikel=3); Gelet op [artikel 5, derde lid, van de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=5); Gelet op [artikel 6, eerste lid, sub c, jo, artikel 6, derde lid, van de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=6); Besluit: Artikel 1 Aan de Chief Data Officer Douane (CDO Douane) wordt ondermandaat verleend voor de verantwoordelijkheden als bedoeld in [artikel 6, tweede lid, Regeling Informatiehuishouding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=6). Artikel 2 Aan de CDO Douane wordt ondermandaat verleend voor het beheer van overheidsinformatie als bedoeld in [Hoofdstuk 3 van de Regeling Informatiehuishouding Financiën 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&hoofdstuk=3) - −. vervanging, conform [RINFIN2022 artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=11) - −. vernietiging, conform [RINFIN2022 artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=12) - −. overbrenging naar Nationaal Archief, conform [RINFIN2022 artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=13) - −. conversie, migratie en emulatie, conform [RINFIN2022 artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=14) - −. vervreemding, conform [RINFIN2022 artikel 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=15) - −. overdracht bij organisatieveranderingen conform [RINFIN2022 artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046157&artikel=16) Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin"},{"i":748,"b":"Wet van 3 april 2008, houdende Aanpassingswet Algemene douanewet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de inwerkingtreding van de [Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746), de [Statistiekwet 1950](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002064), de [In- en uitvoerwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002376) en de [Douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007632) in te trekken alsmede de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) en andere wetten aan te passen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Algemene Zaken Artikel I Wijzigt de Noodwet voedselvoorziening. Buitenlandse Zaken Artikel II Wijzigt de Sanctiewet 1977. Economische Zaken Artikel III Wijzigt de Wet beschikbaarheid goederen. Artikel IV Wijzigt de Prijzennoodwet. Artikel V Wijzigt de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens. Artikel VI Wijzigt de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001. Artikel VII Wijzigt de Mijnbouwwet. Financiën Artikel VIII Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel IX Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel X Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XI Wijzigt de Wet op de accijns. Artikel XII Wijzigt de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten. Artikel XIII Wijzigt de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994. Artikel XIIIb Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel XIIId Wijzigt de Algemene douanewet. Justitie Artikel XIV Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel XV Wijzigt de Wet op de kansspelen. Artikel XVI Wijzigt de Wet wapens en munitie. Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Artikel XVII Wijzigt de Landbouwwet. Artikel XVIII Wijzigt de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Ar"},{"i":1131,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 12 juli 2019, (kenmerk 2019-116721), houdende instelling van de Adviescommissie Uitvoering Toeslagen bij de Belastingdienst (Instellingsbesluit Adviescommissie uitvoering Toeslagen) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Ministerie:** het Ministerie van Financiën; - b. **Staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Financiën; - c. **commissie:** de adviescommissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042439&artikel=2&z=2019-07-24&g=2019-07-24). Artikel 2. Instelling Er is een Adviescommissie uitvoering Toeslagen. Artikel 3. Taak 1. De commissie heeft tot taak: het uitbrengen van advies over de wijze waarop de Belastingdienst/ Toeslagen in het algemeen, en bij kinderopvangtoeslag in het bijzonder, beter rekening kan houden met de gerechtvaardigde belangen van de toeslaggerechtigden, alsmede het uitbrengen van advies over de mogelijkheden voor de Belastingdienst/Toeslagen om binnen de wettelijke kaders en de grenzen van de uitvoerbaarheid – waar nodig – maatwerk te bieden aan burgers. 2. De adviesaanvraag valt uiteen in drie deelvragen: - a. Welke beleids- en beoordelingsruimte heeft Toeslagen naar het oordeel van de commissie in de verdere afhandeling van de zogenoemde CAF 11-zaken en in aanverwante zaken, mede in het licht van recente jurisprudentie; - b. Wat is het oordeel van de commissie in meer algemene zin over het handelen van Toeslagen in andere zaken waarin vermoedens van georganiseerde fraude aan de orde zijn; - c. Hoe is het volgens de commissie in algemene zin met de praktische rechtsbescherming van de toeslaggerechtigden gesteld; 3. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies is de commissie bevoegd aanbevelingen te doen. Artikel 4. Samenstelling, benoeming 1. De commissie bestaat uit de"},{"i":755,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2017, kenmerk MC-U-165504, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake vereenvoudiging NZa procedures en wijziging tariefsoort van vast naar maximum Gelet op [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) jo. [57 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57); Na op 24 mei 2017 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2016-2017, 29 515, nr. 417) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8); Gezien de inbreng van de vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het verslag van een schriftelijk overleg over de brief van 24 mei 2017 (2017D17678). Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a. **de Wlz:** de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917); - b. **de zorgautoriteit:** de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg zoals geregeld bij of krachtens de [Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917), welke wordt geleverd in natura zoals geregeld in de [artikelen 3.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.1) en [3.3.2 van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.2) en voor zover deze zorg bekostigd wordt uit de contracteerruimte die de Minister van VWS jaarlijks vaststelt op grond van [artikel 49e van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=49e). Artikel 3. Opdracht Vanaf 1 januari 2018 verlicht de zorgautoriteit de regeldruk voor zorgaanbieders door maximumtarieven als bedoel"},{"i":756,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 april 2024, nr. IENW/BSK-2024/117424, houdende aanwijzing van de beheerder van het register voor de vrachtwagenheffing, als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet vrachtwagenheffing (Aanwijzingsbesluit beheerder register voor de vrachtwagenheffing) Gelet op [artikel 24, tweede lid, van de Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=24); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 24, tweede lid, van de Wet vrachtwagenheffing in werking treedt. Artikel 1. (beheerder van het register) Als beheerder van het register, bedoeld in [artikel 24, tweede lid, van de Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=24), wordt aangewezen de Dienst Wegverkeer. Artikel 2. (citeertitel) Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit beheerder register voor de vrachtwagenheffing. Artikel 3. (inwerkingtreding) Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel 24, tweede lid, van de Wet vrachtwagenheffing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047082&artikel=24) in werking treedt. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":757,"b":"Accijns, beleidsregels accijnswetgeving **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit is een actualisering van het beleidsbesluit van 11 april 2023, nr. 2023-7713,** **Stcrt. 2023, 11419** **, dat hiermee wordt ingetrokken.** **De volgende beleidsregels zijn ingetrokken:** Gebruikte begrippen en inhoudsopgave In dit beleidsbesluit wordt verstaan onder: De hoofdstukindeling van dit besluit is voor zover mogelijk gelijk aan de hoofdstukindeling van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251). De inhoudsopgave ziet er daarom als volgt uit: De beleidsregels zijn onder de desbetreffende hoofdstukken (1 t/m 6) opgenomen. 1. Inleidende bepalingen 1.1. Tijdelijk buiten de AGP brengen Indien accijnsgoederen tijdelijk buiten een AGP worden gebracht om ze elders een bewerking te laten ondergaan is op grond van [artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=2) sprake van uitslag tot verbruik. Indien de goederen weer binnen de AGP worden gebracht, kan de accijns worden teruggevraagd. Op grond van [artikel 81 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251&artikel=81) kan worden toegestaan dat gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak en tabaksproducten tijdelijk buiten de AGP worden gebracht om elders een bewerking te ondergaan, zonder dat dit wordt aangemerkt als uitslag tot verbruik. Een dergelijke toestemming is niet voor andere accijnsgoederen in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005251) opgenomen. Ik keur goed dat de inspecteur toestaat dat ook andere accijnsgoederen dan gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak en tabaksproducten tijdelijk buiten de AGP worden gebracht om elders een bewerking te ondergaan. Dit wordt dan niet aangemerkt als uitslag tot verbruik. De toestemming wordt in de vergunning voor de AGP opgenomen en kan worden verleend onder de volgende voorwaarden en beperkingen: 1.2. Vermelding van een code in plaats van het adres van"},{"i":6243,"b":"Wet van 12 maart 1998, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (Wet overige OCenW-subsidies) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de totstandkoming van de derde tranche van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) het noodzakelijk maakt een wettelijk kader te scheppen voor de verstrekking van subsidies op de beleidsterreinen van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, voorzover een dergelijk kader ontbreekt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 januari 1998. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder Onze Minister verstaan: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of Onze Minister die belast is met de zorg voor een of meer onderdelen van het beleid, genoemd in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&paragraaf=1&artikel=2&z=2019-01-01&g=2019-01-01). Artikel 2. Subsidiebevoegdheid 1. Onze Minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten die passen in het beleid inzake: - a. het onderwijs, - b. het onderzoek, - c. de cultuur, - d. de emancipatie. 2. Bij de subsidieverstrekking aan onderwijsinstellingen wordt geen onderscheid gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs en wordt voorzien in een behandeling van die instellingen naar dezelfde maatstaf. Artikel 3. Reikwijdte 1. Deze wet is niet van toepassing op subsidie die Onze Minister verstrekt krachtens een andere wet, behoudens de tweede volzin en het tweede lid. De [artikelen 4 tot en met 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&deel=I&hoofdstuk=1&artikel=4&z=2010-01-01&g=2010-01-01) zijn van toepassing op subsidie die Onze Minister verst"},{"i":6242,"b":"Wet van 29 augustus 1991, houdende overbrenging in beheer en onderhoud bij de gemeente Kortgene van de in die gemeente gelegen voormalige Vissershaven te Colijnsplaat met bijbehorende werken Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bij het Rijk in beheer en onderhoud zijnde, in de gemeente Kortgene gelegen, voormalige Vissershaven te Colijnsplaat met bijbehorende werken in beheer en onderhoud over te brengen bij de gemeente Kortgene; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Het Rijk brengt bij de gemeente Kortgene in beheer en onderhoud over de in die gemeente gelegen voormalige Vissershaven te Colijnsplaat met bijbehorende werken. 2. De in het eerste lid bedoelde waterstaatswerken zijn aangegeven op de bij deze wet behorende tekening. 3. Het beheer en onderhoud van de in het eerste lid bedoelde waterstaatswerken worden overgebracht voor zoveel deze bij het Rijk berusten. Artikel 2 De gemeente Kortgene treedt door de overbrenging in beheer en onderhoud van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005185&artikel=1&z=1991-12-01&g=1991-12-01) bedoelde waterstaatswerken tegenover derden in de rechten en verplichtingen van het Rijk te dier zake. Artikel 3 Wegens de overbrenging in beheer en onderhoud bij de gemeente Kortgene van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005185&artikel=1&z=1991-12-01&g=1991-12-01) bedoelde waterstaatswerken vergoedt het Rijk aan die gemeente een bedrag van f 4 035 655. Bijlage Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":995,"b":"Besluit van 21 december 2000, houdende vaststelling van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën 20 november 2000, nr. IFZ2000/1293M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken; Gelet op [artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=38); De Raad van State gehoord (advies van 13 december 2000, nr. W06.000541/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 19 december 2000, nr. IFZ2000/1397U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Reikwijdte en definities Artikel 1. Reikwijdte 1. Dit besluit is van toepassing voor de heffing van de navolgende belastingen: - a. inkomstenbelasting; - b. loonbelasting; - c. vennootschapsbelasting; - d. erfbelasting; - e. schenkbelasting; - f. kansspelbelasting; - g. bankenbelasting. 2. Dit besluit vindt slechts toepassing voorzover niet op andere wijze in het voorkomen van dubbele belasting is voorzien. Artikel 2. Vaste inrichting In dit besluit wordt onder vaste inrichting verstaan een vaste inrichting als bedoeld in [artikel 3, vierde lid, onderdeel b, en vijfde tot en met twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 196](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=3)9. Artikel 3. Uitbreiding begrip Mogendheid 1. In dit besluit wordt onder Mogendheid mede verstaan: een bestuurlijke eenheid. 2. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen worden de landen van het Koninkrijk der Nederlanden aangemerkt als afzonderlijke Mogendheden. Artikel 4. Gebied van een andere Mogendheid In dit besluit wordt onder gebied van een andere Mogendheid verstaan: het grondgebied van die Mogendheid, daaronder begrepen het gebied buiten de territoriale zee van die Mogendheid waar deze in overeenstemming met het internationale recht"},{"i":998,"b":"Besluit van 25 april 2001, houdende vaststelling van het Besluit voorkoming dubbele belasting Nederland en Taiwan Op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 9 maart 2001, nr. IFZ 2001/189 M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken; Gelet op [artikel 37 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=37); De Raad van State gehoord (advies van 23 maart 2001, nr. 01.001283); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 april 2001, nr. IFZ 2001/290 M; Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Internationale Fiscale Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 16 mei 2001. Artikel 1 Ter voorkoming van dubbele belasting en ter voorkoming van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen vindt de op 27 februari 2001 tussen het Taipei Representative Office in the Netherlands en het Netherlands Trade and Investment Office in Taipei gesloten overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting toepassing indien deze overeenkomst overeenkomstig wordt toegepast in Taiwan. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 3 Dit Besluit houdt op van toepassing te zijn: - a. ingeval het beginsel van wederkerigheid niet in acht wordt genomen; of - b. op het moment waarop de bepalingen van de overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting die op 27 februari 2001 is gesloten door het Taipei Representative Office in the Netherlands en het Netherlands Trade and Investment Office, geen toepassing meer vinden. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorkoming dubbele belasting Nederland en Taiwan. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":999,"b":"Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, nr. WJZ/87130177 tot vaststelling van voorlopige tarieven GLB 2024 en tarief zeldzame landbouwhuisdierrassen GLB 2024 Gelet op de [artikelen 2, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=2), [14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=14), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=17), [27, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=27), en [31, derde lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047444&artikel=31); Besluit: Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":1052,"b":"Heffing van omzetbelasting ten aanzien van creditcards De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Er zijn organisaties die zgn. credit-cards uitgeven. Deze kaarten geven de houder het recht in een aantal hotels, restaurant en winkels in verschillende landen goederen of diensten te betrekken zonder daarvoor contant te betalen. De voor de goederen of diensten verschuldigde prijs wordt door de organisatie die de kaarten uitgeeft, aan de leverancier c.q. dienstverrichter betaald. De houder van de kaart krijgt van de organisatie periodiek een afrekening waarop de door hem verrichte aankopen in rekening worden gebracht. De organisatie die de kaarten uitgeeft berekent aan de houder van de kaart een bedrag aan entreegeld en een jaarlijkse vergoeding. Voorts wordt aan de ondernemer die op vertoon van de kaart aan de houder daarvan goederen levert of diensten verricht een vergoeding in rekening gebracht die doorgaans afhankelijk is van de voor de goederen of diensten berekende prijs. Deze vergoeding wordt geëffectueerd door bij betaling van de prijs aan de ondernemer het aan de organisatie toekomende bedrag in mindering te brengen. De vraag is gesteld of ter zake van de vergoedingen, die door de organisatie die de kaarten uitgeeft worden ontvangen, omzetbelasting verschuldigd is. Met betrekking tot de van de kaarthouders ontvangen bedragen is naar mijn oordeel sprake van een vergoeding voor een dienst, bestaande uit het gelegenheid geven tot het betrekken van goederen en diensten zonder directe betaling. Deze dienst heeft het karakter van krediet-verlening en valt als zodanig onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter j, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Ten aanzien van de vergoedingen die van ondernemers die de kaarten accepteren worden ontvangen, ben ik van mening dat deze eveneens de vergoeding vormen voor een dienst. Mede gelet op hetgeen in het Raadgevend Comité voor de BTW met betrekking tot d"},{"i":1156,"b":"Israëlische voorschriften tot uitvoering van de op 2 juli 1973 tussen Nederland en Israël gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting, zoals deze is gewijzgd bij het protocol van 16 janauri 1996 Regeling inzake vermindering van Israëlische belasting op dividenden, interest en royalty's, genoten door inwoners van Nederland Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 2 juli 1973 tussen Nederland en Israël gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 1974, nr. 39), zoals deze is gewijzigd bij het op 16 januari 1996 te Jeruzalem gesloten Protocol tot wijziging van de genoemde Overeenkomst (Trb. 1996, nr. 30), kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst en onderdelen van het Protocol: a. vermindering tot 15 percent van de Israëlische belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Israël is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 11, tweede lid, onderdeel b); b. vermindering tot 10 percent van de Israëlische belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner van Israël is aan een lichaam waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat inwoner is van Nederland, indien dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is en het onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het Israëlische lichaam dat de dividenden betaalt en deze dividenden worden betaald uit winst die, op grond van de bepalingen in de Israëlische wetgeving ter bevordering van investeringen in Israël, van belastingheYng is vrijgesteld of is onderworpen aan belastingheYng naar een tarief dat lager is dan het algemene tarief dat wordt geheven van de winst van het Israëlische lichaam dat de dividenden betaalt (arti"},{"i":966,"b":"Besluit subsidieplafond 2025 Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027 gelet op [artikel 1.2, tweede lid onder a sub ii en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999&artikel=1.2) en [artikel 1.4, van het Subsidiereglement Koninklijke Bibliotheek 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048999&artikel=1.4), gelet op [artikel 6, tweede lid, op een na laatste zin van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049025&artikel=6), gelet op het feit dat het beschikbare bedrag van € 509.464,- voor het kalenderjaar 2024 niet volledig is verleend aan subsidieontvangers als bedoeld in de regeling [Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049025), gelet op [artikel 3, tweede en vierde lid van de Regeling ter uitvoering van artikel 6, tweede lid van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](onbekend), besluit: vast te stellen het subsidieplafond als bedoeld in [artikel 3, tweede en vierde lid van de Regeling ter uitvoering van artikel 6, tweede lid van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](onbekend) voor het kalenderjaar 2025. Artikel 1 Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2025 als bedoeld in [artikel 3, tweede en vierde lid van de Regeling ter uitvoering van artikel 6, tweede lid van de Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Koninklijke Bibliotheek 2024–2027](onbekend) bedraagt € 89.480,–. Artikel 2. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidieplafond 2025 Tijdelijke subsidieregels samenwerking Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en"},{"i":1073,"b":"Ierse voorschriften tot uitvoering van de op 11 februari 1969 tussen Nederland en Ierland gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Regeling inzake vrijstelling van Ierse belasting op interest, royalty's, pensioenen en lijfrenten, genoten door inwoners van Nederland, alsmede ter zake van persoonlijke aftrekken waarop inwoners van Nederland met betrekking tot de heffing van Ierse income tax aanspraak kunnen maken. Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 11 februari 1969 tussen Nederland en Ierland gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het vermogen (Trb. 1969, 37) kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van Overeenkomst: - a. vrijstelling van Ierse income tax op interest (daaronder begrepen uitdelingen op winstdelende obligaties), afkomstig uit Ierland (artikel 9); - b. vrijstelling van Ierse income tax op royalty's, afkomstig uit Ierland (artikel10); - c. vrijstelling van Ierse income tax op pensioenen, betaald vanuit Ierland (artikel 17), met uitzondering van overheidspensioenen (artikel 18); - d. vrijstelling van Ierse income tax op lijfrenten, afkomstig uit Ierland (artikel 19); - e. toekenning van dezelfde aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen als waarop Ierse staatsburgers die niet in Ierland wonen recht hebben (artikel 23, eerste lid). De onder de onderdelen a en b van dit artikel vermelde vrijstellingen zijn niet van toepassing, indien de genieter van de interest of de royalty's in Ierland een vaste inrichting heeft en de vordering uit hoofde waarvan de interest verschuldigd is dan wel het recht of de zaak uit hoofde waarvan de royalty's verschuldigd zijn tot het bedrijfsvermogen v"},{"i":1050,"b":"Griekse voorschriften tot uitvoering van de op 16 juli 1981 tussen Nederland en Griekenland gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting Besluit: Door plaatsing in de Staatscourant het navolgende ter kennis van belanghebbende inwoners van Nederland te brengen: Regeling inzake vermindering van Griekse belasting op dividenden, interest, royalty’s en enige andere soorten van inkomsten uit Griekse bron, genoten door inwoners van Nederland Artikel 1. Aanspraken van inwoners van Nederland Aan de op 16 juli 1981 tussen Nederland en Griekenland gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 1981, nr. 178) kunnen inwoners van Nederland onder meer de volgende aanspraken ontlenen, geregeld in de hieronder tussen haakjes vermelde artikelen van de Overeenkomst: - a. Vermindering tot 35% van de Griekse belasting op dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner van Griekenland is aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 10, tweede lid, onderdeel b). - b. Vermindering tot 8% van de Griekse belasting op uit Griekenland afkomstige interest, indien deze wordt betaald aan een bank of een financiële instelling in Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 11, tweede lid). - c. Vermindering tot 10% van de Griekse belasting op niet onder onderdeel b vallende interest, afkomstig uit Griekenland en betaald aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daarvan is (artikel 11, tweede lid). - d. Vermindering tot 5% van de Griekse belasting op culturele royalty’s (vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap, daaronder begrepen bioscoopfilms), afkomstig uit Griekenland en betaald aan een inwoner van Nederland die de uiteindelijk gerechtigde daa"},{"i":12986,"b":"Besluit verklaringen van overlijden BES Artikel 1 1. De formulieren van de verklaringen van overlijden en van levenloze geboorte, bestemd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand, bedoeld in [artikel 1, eerste lid van de Wet verklaringen van overlijden BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028199&artikel=1), worden vastgesteld volgens de bij dit besluit gevoegde modellen A respectievelijk B. 2. De formulieren van de verklaringen van overlijden en van levenloze geboorte, behelzende de opgave van de doodsoorzaak ten behoeve van de statistiek, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet verklaringen van overlijden BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028199&artikel=2) worden vastgesteld volgens de bij dit besluit gevoegde modellen C respectievelijk D. 3. Verklaring A of B wordt door de geneeskundige ingesloten in een enveloppe conform het bij dit besluit gevoegde model E. Deze enveloppe wordt, na door de geneeskundige op de achterzijde over de sluiting heen van zijn handtekening te zijn voorzien, tegelijk met verklaring C of D, onder achterhouding van het voor hem bestemde gedeelte van de verklaring, in een enveloppe overeenkomstig model F toegezonden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. De ambtenaar van de burgerlijke stand zendt de enveloppe overeenkomstig model F, onder achterhouding van de strook, ongeopend, doch voorzien van het nummer van kaart A of B en van de overige op de achterzijde verzochte gegevens, aan de Inspecteur van de Volksgezondheid. Artikel 2 Dit besluit berust op [artikel 2, derde lid, van de Wet verklaringen van overlijden BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028199&artikel=2). Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verklaringen van overlijden BES. Bijlage Model A. (P.B. 1959, No. 4) VERKLARING VAN OVERLIJDEN als bedoeld in [artikel 1, lid 1 van de Wet verklaringen van overlijden BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028199&artikel=1). Model B. (P.B. 1959, No. 4) VERKLARING VAN LEVENLOZE GE"},{"i":12985,"b":"Besluit verklaring derdenbeslag BES Artikel 1 Het model voor het formulier, bedoeld in [artikel 475, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=475), wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage. Artikel 2 1. De verklaring, bedoeld in [artikel 476b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=476b) wordt tot de in dat artikel bedoelde deurwaarder of advocaat gericht door: - a. overhandiging aan de deurwaarder of advocaat van een ingevuld formulier naar het model, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028511&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - b. een gewone of aangetekende brief, inhoudende een ingevuld formulier als bedoeld in onderdeel a; - c. een telefax, inhoudende een ingevuld formulier als bedoeld in onderdeel a, indien in dat formulier het telefaxnummer van de deurwaarder of advocaat is opgegeven; - d. elk ander door de deurwaarder of advocaat als verklaring aanvaard geschrift. 2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, geeft de deurwaarder of advocaat aan de derde terstond een schriftelijk ontvangstbewijs af. In andere gevallen zendt de deurwaarder of advocaat de derde onverwijld een zodanig bewijs toe. Artikel 3 Dit besluit berust op [artikel 475, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=475) en [artikel 476b, eerste lid, Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&artikel=476b). Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verklaring derdenbeslag BES. Bijlage. behorende bij het Besluit verklaring derdenbeslag BES Verklaring derdenbeslag"},{"i":759,"b":"Afronding belastbaar bedrag vennootschapsbelasting De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Mij is de volgende vraag gesteld over de afronding van het belastbare bedrag of het belastbare Nederlandse bedrag als bedoeld in art. 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Voorafgaande aan de invoering van de euro werd het belastbare bedrag of het belastbare Nederlandse bedrag dat als grondslag dient voor de berekening van de verschuldigde vennootschapsbelasting door de Belastingdienst om uitvoeringstechnische redenen naar beneden afgerond op hele tientallen guldens. Hoe wordt hier met ingang van het jaar 2002 mee omgegaan bij de euro? Tot 2002 vond de in de vraagstelling bedoelde afronding plaats in guldens, ook in het geval er in euro’s aangifte werd gedaan. De afronding naar beneden bij de bepaling van de definitieve aanslag vindt met ingang van het jaar 2002 plaats op hele vijftallen euro’s."},{"i":763,"b":"Algemene wet inzake rijksbelastingen, erfbelasting, tijdelijke maatregel belastingrente **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit beëindigt de tijdelijke maatregel belastingrente van 19 maart 2018 per 1 januari 2021. Voor overlijdens in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020 blijft een goedkeuring van kracht.** 1. Inleiding De Belastingdienst is voor overlijdens vanaf 1 januari 2017 overgegaan naar een nieuw systeem van kantoorautomatisering voor de erfbelastingprocessen. Door vertraagde oplevering van dit automatiseringssysteem heeft de Belastingdienst meer tijd nodig gehad voor de verwerking van de aangiften erfbelasting. Om te voorkomen dat erfgenamen hierdoor meer belastingrente moeten betalen dan wanneer alle processystemen op orde zouden zijn geweest, heb ik eerder goedgekeurd dat de Belastingdienst voor overlijdens vanaf 1 januari 2017 tijdelijk geen belastingrente in rekening brengt ([besluit van 19 maart 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040764), nr. 2018-25029, Stcrt. 2018, 17312). Het automatiseringssysteem van de erfbelasting en het uitvoeringsproces zijn inmiddels op orde om de aangiften erfbelasting tijdig te verwerken. Het besluit van 19 maart 2018 wordt daarom ingetrokken. Vanaf 1 januari 2021 zal overeenkomstig de wettelijke systematiek belastingrente worden berekend. De wet hanteert een drempeltijdvak van acht maanden na overlijden. Voor overlijdens vanaf 1 januari 2021 betekent dit dat vanaf 1 september 2021 belastingrente kan spelen. Voor de periode dat het automatiseringssysteem leidde tot vertraging in de verwerking van de aangiften, blijft een tegemoetkoming gewenst. Daarom keur ik in dit besluit goed dat de Belastingdienst geen belastingrente in rekening brengt bij belastingaanslagen erfbelasting voor overlijdens in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020. De goedkeuring geldt ook als de gebeurtenis die heeft geleid tot het opleggen van de volgende twee s"},{"i":764,"b":"Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorschrift informatie fiscus/banken De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Dit besluit vervangt het [besluit van 28 januari 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029530), nr. BLKB2011/109M. **In de praktijk bleek dat** [§ 7.1 van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029530&paragraaf=7.1) **aanleiding gaf tot interpretatieverschillen. Om discussies op dit punt tussen de Belastingdienst en de banken te voorkomen wordt deze paragraaf ingetrokken. Dit houdt in dat het verkrijgen van inzage in het krediet- of cliëntendossier zal plaatsvinden overeenkomstig de wettelijke bepalingen. Verder zijn er enkele aanpassingen van redactionele aard aangebracht.** 1. Inleiding Banken beschikken over veel informatie die van belang is of kan zijn voor de belastingheffing van derden. Een belangrijk deel van die informatie dienen zij ingevolge [artikel 53, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53) (hierna AWR), uit eigen beweging te verstrekken aan de inspecteur. Op grond van bepalingen, hierna genoemd onder Reikwijdte, zijn banken ook gehouden om op verzoek informatie te verstrekken ten behoeve van de belastingheffing van derden. In deze gevallen gaat het om een individuele derde of groepen van derden. Het voorschrift bevat regels om die gegevensverstrekking zo efficiënt mogelijk en op voor de banken minst belastende wijze te effectueren en beoogt op geen enkele wijze de wettelijke bevoegdheden in te perken of te verruimen. Het Voorschrift informatie fiscus/banken bevat beleidsregels met betrekking tot de toepassing van de [artikelen 53, eerste lid, onder a, van de AWR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=53), [artikel 62 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=62), de inlichtingenbepalingen in de Europeesrechtelijke, internationale, interregionale en"},{"i":1001,"b":"Besluit Wet op de inkomstenbelasting BES De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **In dit besluit heb ik het beleid neergelegd voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting BES. De goedkeuringen in dit besluit zijn een voortzetting van het uitvoeringsbeleid zoals dat onder het staatsbestel van de Nederlandse Antillen was geformuleerd voor de uitvoering van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943. Uitvoeringsregels die door wijzigingen in de wetgeving en/of het vervallen van de winstbelasting hun belang hebben verloren zijn in dit besluit niet opgenomen.** 1. Inleiding Dit besluit bevat twee goedkeuringen voor de toepassing van de [Wet op de inkomstenbelasting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029281). De Wet op de inkomstenbelasting BES is gebaseerd op de Nederlands Antilliaanse Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943. Slechts op enkele onderdelen is deze landsverordening in de [Invoeringswet fiscaal stelsel BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029268) aangepast. Op termijn wordt de Wet inkomstenbelasting BES vervangen door een definitieve inkomstenbelasting voor de BES eilanden. Tot dat moment wordt het bestaande uitvoeringsbeleid voor de Nederlands Antilliaanse Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 grotendeels gehandhaafd. De goedkeuringen in dit besluit zijn dan ook een voortzetting van het uitvoeringsbeleid zoals dat van toepassing was voor de Nederlands Antilliaanse Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943. Uitvoeringsregels die door wijzigingen in de wetgeving en/of het vervallen van de winstbelasting hun belang hebben verloren zijn in dit besluit niet opgenomen. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.2. Voorgaande regelingen De volgende Nederlands Antilliaanse uitvoeringsregelingen zijn in dit besluit verwerkt: 2. Berekening investeringsaftrek en desinvesteringsbijtelling bij toepassing van vervangingsreserve of ruilarresten. Op grond van [artikel 9A van de Wet](https://we"},{"i":1199,"b":"Omzetbelasting, heffing van omzetbelasting bij invoer De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Dit besluit is een samenvoeging en actualisering van het beleid op het gebied van de heffing van omzetbelasting bij invoer. In het besluit worden goedkeuringen op het gebied van tandtechnische werken ingetrokken met ingang van 1 januari 2008. 1. Inleiding Dit besluit is een samenvoeging en actualisering van het beleid over de heffing van omzetbelasting bij invoer. Daarbij zijn beschrijvende onderdelen van de ingetrokken besluiten niet meer opgenomen. Actualisering is nodig in verband met Europese jurisprudentie (Hof van Justitie EG van 7 december 2006, zaak C-240/05) en nationale jurisprudentie (Hoge Raad van 11 april 2003, BNB 2003/210). 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen In [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=1) en in [hoofdstuk III van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&hoofdstuk=III) zijn bepalingen opgenomen over de belastingheffing bij invoer. [Artikel 1, aanhef en letter d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=1), geeft aan dat ter zake van het belastbare feit ‘invoer van goederen’ belasting is verschuldigd. [Artikel 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=18), geeft aan wat onder ‘invoer van goederen’ moet worden begrepen: In [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=1) en in [hoofdstuk III van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&hoofdstuk=III) zijn bepalingen opgenomen over de belastingheffing bij invoer. [Artikel 1, aanhef en letter d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=1), geeft aan dat ter zake van het belastbare feit ‘invoer van goederen’ belasting is verschuldigd. [Artikel 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&artikel=18), geeft aan wat onder ‘invoer van goederen’ moet worden begrepen: Het tweede lid"},{"i":6462,"b":"Besluit van 29 juli 1994, tot wijziging van het Besluit subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 10 juni 1994, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 442834/94/6; Gelet op [artikel 89 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89) en [artikel 61 van de Wet op de jeugdhulpverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004608&artikel=61); De Raad van State gehoord (advies van 11 juli 1994, nr. W03.94.0361); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 18 juli 1994, no. 448822/94/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II 1. Indien het bedrag per capaciteitsplaats, bepaald volgens artikel 3, eerste lid, aanmerkelijk lager is dan het bedrag per jeugdige bepaald volgens dit artikellid, zoals het luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, kan Onze Minister gedurende ten hoogste drie jaren vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, gelet op de bijzondere omstandigheden van de inrichting, een aanvullende subsidie verlenen. 2. Indien het bedrag per capaciteitsplaats, bepaald volgens artikel 3, eerste lid, aanmerkelijk hoger is dan het bedrag per jeugdige bepaald volgens dit artikellid, zoals het luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, kan Onze Minister gedurende ten hoogste drie jaren vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, om een geleidelijke verhoging van het bedrag per jeugdige te bewerkstelligen, het subsidie op een lager bedrag vaststellen. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 1994. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst."},{"i":1292,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 23 oktober 2015, nr. DB/2015/366M houdende regels voor het elektronische berichtenverkeer met de Belastingdienst (Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst) Gelet op [artikel 3a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=3a), [artikel 7c van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=7c), [artikel 13 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=13) en [artikel 28 van de Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=28); Besluit: Hoofdstuk 1. Elektronisch berichtenverkeer Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 3a, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=3a), [artikel 7c, tweede en derde lid, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=7c) en [artikel 13, tweede en derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=13). Artikel 2. Van verplichting tot verzending berichten langs elektronische weg uitgezonderde groepen Voor de volgende groepen kan het berichtenverkeer, bedoeld in de [artikelen 3a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=3a), [artikel 7c, van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=7c) en [artikel 13 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=13) anders dan langs elektronische weg plaatsvinden: - a. belanghebbenden die de leeftijd van 14 jaar nog niet hebben bereikt; - b. nabestaanden van overleden belanghebbenden, voor zover het aangelegenheden betreft inzake de heffing of invordering van belastingen of inzake tegem"},{"i":1332,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 22 februari 2016, nr. IENM/BSK-2016/6326, houdende vaststelling van regels voor een goede uitvoering van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Regeling tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15) Gelet op [Richtlijn 1999/62/EG](31999L0062) van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PbEG 1999, L 187), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij [Richtlijn 2013/22](32013L0022)/EU van de Raad van 13 mei 2013 (PbEU 2013, L 158), en [artikel 5, eerste en vijfde lid, van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517&artikel=5); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - **hoofdweg:** auto- of autosnelweg in beheer bij het Rijk; - **Minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **wegvak waar tol wordt geheven:** een wegvak als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, onder a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517&artikel=2); - **wet:** [Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037517). Hoofdstuk 2. Tol Artikel 2. (hoogte toltarief) 1. Het toltarief voor de Blankenburgverbinding bedraagt, uitgaande van het prijspeil 2026: - a. voor voertuigen met een maximaal toegestaan gewicht van 3.500 kg of voor emissievrije voertuigen met een maximaal toegestaan gewicht van 4.250 kg: € 1,57; - b. voor voertuigen met een maximaal toegestaan gewicht van meer dan 3.500 kg, uitgezonderd emissievrije voertuigen als bedoeld onder a: € 9,49. 2. Het toltarief voor de ViA15 bedraagt, uitgaande van het prijspeil 2026: - a. voor"},{"i":1333,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende toepassing van de artikelen 6, eerste lid en 8, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor de verontreinigingsheffing rijkswateren Gelet op [artikel 20, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002682&artikel=20), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002729&artikel=19) en [20, van het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002729&artikel=20) en de [artikelen 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), en [8, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=8); Besluit: Artikel 1 Het uitnodigen tot het doen van aangifte, bedoeld in [artikel 6, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=6), geschiedt door het uitreiken van een aangiftebiljet. Artikel 2 Het doen van aangifte, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onderdeel a, Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=8), geschiedt door het inleveren van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde beschieden. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a Deze regeling berust mede op [artikel 7.5, eerste lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.5)."},{"i":1209,"b":"Omzetbelasting, vaste inrichting De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit is een actualisering van het besluit van 21 november 2003, nr. DGB2003/6237M. Het besluit is onder meer aangepast in verband met de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 september 2014, zaak C-7/13 (Skandia America Corp. (USA) filial Sverige) en 24 januari 2019, zaak C-165/17 (Morgan Stanley & Co International plc). Verder is het besluit in lijn gebracht met en aangevuld vanwege de Uitvoeringsverordening van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2011, nr. 282/2011. Daarnaast is het besluit aangepast in verband met wijzigingen in de Nederlandse btw-regelgeving, zoals de implementatie van de richtlijn harmonisatie en vereenvoudiging handelsverkeer tussen lidstaten1Wet van 18 december 2019, Stb. 2019, 515.. Ook zijn redactionele wijzigingen aangebracht.** 1. Inleiding Voor de toepassing van de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) is het van belang vast te stellen of een ondernemer die de zetel van zijn bedrijfsuitoefening2Zie artikel 10 van de Uitvoeringsverordening va de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2011, nr. 282/211. in het buitenland heeft in Nederland beschikt over een vaste inrichting. De aanwezigheid van een vaste inrichting in Nederland is onder meer relevant voor de btw-heffing bij prestaties die de vaste inrichting aan derden verricht en het doen van btw-aangifte voor deze prestaties. Verder is het beschikken over een vaste inrichting in Nederland onder andere van belang voor de aftrek van btw bij de vaste inrichting en het al dan niet verleggen van de btw-heffing naar Nederlandse ondernemers die prestaties afnemen van de buitenlandse ondernemer. Voor de toepassing van de [Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) is het van belang vast te stellen of een ondernemer die de zetel van zijn bedrijfsuitoefening2Zie artikel 10 van de Uitvoe"},{"i":1301,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 31 december 2018 tot aanwijzing van laagbelastende staten en staten die zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden) Gelet op [artikel 13ab van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ab); Besluit: Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling geeft uitvoering aan [artikel 13ab van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ab) en [artikel 1.2 van de Wet bronbelasting 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042952&artikel=1.2). Artikel 2 Als staten als bedoeld in [artikel 13ab, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ab) worden aangewezen: - a. op grond van [artikel 13ab, derde lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ab): Anguilla, Bahama’s, Bahrein, Bermuda, Britse Maagdeneilanden, Guernsey, Isle of Man, Jersey, Kaaimaneilanden, Turkmenistan, Turks- en Caicoseilanden, Vanuatu; en - b. op grond van [artikel 13ab, derde lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=13ab): Amerikaanse Maagdeneilanden, Amerikaans Samoa, Anguilla, Fiji, Guam, Palau, Panama, Russische Federatie, Samoa, Trinidad en Tobago en Vanuatu. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019 en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 2a Als s"},{"i":1362,"b":"Schenk- en erfbelasting, vrijstellingen, omzetting, fusie of taakafsplitsing De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. **Dit besluit vervangt het besluit van 29 november 2018, nr. 2018-194402. Onderdeel 8 is geactualiseerd naar aanleiding van de verlaging van de eenmalige verhoogde vrijstelling schenkbelasting voor schenkingen ten behoeve van een eigen woning per 1 januari 2023 en de afschaffing daarvan per 1 januari 2024. Verder is in dit besluit de goedkeuring ter voorkoming van samenloop van vennootschapsbelasting en schenkbelasting uitgebreid en is een nieuwe goedkeuring opgenomen voor het terugkrijgen van schenkbelasting.** 1. Inleiding Dit besluit bevat het beleid over de vrijstellingen van de [artikelen 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=32) en [33 Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=33). Ook wordt behandeld de belastingheffing bij een omzetting, fusie of taakafsplitsing. De goedkeuring in onderdeel 6 ter voorkoming van samenloop van vennootschapsbelasting en schenkbelasting is uitgebreid. De eenmalige verhoogde vrijstelling van schenkbelasting voor een schenking ten behoeve van de eigen woning wordt afgeschaft. Per 1 januari 2023 is deze vrijstelling verlaagd tot het bedrag van de eenmalige verhoogde vrijstelling zonder bestedingseis. Per 1 januari 2024 volgt afschaffing. Onderdeel 8, dat het beleid inzake de eenmalige verhoogde vrijstelling schenkbelasting bevat, is geactualiseerd naar aanleiding van vorenbedoelde wetswijzigingen. Voor schenkingen vanaf 1 januari 2023 geldt dit besluit. Voor schenkingen van voor die datum, blijft het besluit van 28 november 2018, nr. 2018-194402 gelden. In onderdeel 8.a tot en met 8.c wordt de afschaffing van de eenmalige verhoogde vrijstelling schenkbelasting ten behoeve van de eigen woning beschreven. De onderdelen 8.1.1 en 8.1.2 blijven van belang voor de vrijstelling van [artikel 33, onderdeel 5° van de Successiewet 1956](https://wetten"},{"i":1396,"b":"Wet van 17 december 2025, houdende Tweede wijziging van de Wet minimumbelasting 2024 in verband met de in december 2023, juni 2024 en januari 2025 internationaal overeengekomen administratieve richtsnoeren en een aantal overige technische wijzigingen (Tweede wet aanpassing Wet minimumbelasting 2024) Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om aanpassingen te doen in de [Wet minimumbelasting 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111) met het oog op de internationaal afgesproken administratieve richtsnoeren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet minimumbelasting 2024. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van 31 december 2025, met dien verstande dat: - a. [artikel I, onderdelen A, B, D, onder 2, F, H, onder 2, I, J, K, L, onder 2 en 3, N, onder 1 en O, onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052033&artikel=I&z=2025-12-31&g=2025-12-31), terugwerkt tot en met 31 december 2023 en voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2023; - b. [artikel I, onderdeel M, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052033&artikel=I&z=2025-12-31&g=2025-12-31), terugwerkt tot en met 31 december 2024 en voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2024; - c. [artikel I, onderdelen C, D, onder 1, E, G, H, onder 1, L, onder 1 en 4, M, onder 2, N, onder 2, O, onder 1, P en Q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052033&artikel=I&z=2025-12-31&g=2025-12-31) voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2025. Artikel III Deze"},{"i":1397,"b":"Uitvoering van de voorrangsregeling voor de vennootschapsbelasting Mij is gebleken dat het gestelde in punt 2 van het besluit van 18 januari 1985 nr. 584-30849 (Vpb’69, nr. 1.00.48) aanleiding geeft tot misverstanden. Met de tweede volzin in genoemd punt van het besluit is bedoeld aan te geven op welke wijze in het algemeen moet worden gehandeld met goed verzorgde en complete aangiftebiljetten, die niet voor 1 juli zijn ingeleverd, maar waarvoor wel voorrang is verzocht omdat een teruggaaf wordt verwacht vanwege verrekening van voorheffingen of verliesverrekening. De verwerking van die posten dient zodanig te zijn dat binnen acht maanden na inlevering van de aangifte de teruggaaf wordt gerealiseerd door middel van een (voorlopige c.q. definitieve) aanslag of voorlopige teruggaaf. Deze regeling is eerst van kracht geworden na publikatie van het besluit Vpb’69, nr. 1.00.48. Dit houdt in, dat de aangiftebiljetten die vóór de datum van publikatie bij de inspecteur zijn ingeleverd, niet onder de regeling vallen. De voorrangsregeling zal t.z.t. in de instructie vennootschapsbelasting worden opgenomen."},{"i":5933,"b":"Besluit van 12 juli 1979, houdende regelen krachtens artikel 13, derde lid, Landbouwkwaliteitswet Op de voordracht van Onze Ministers van Landbouw en Visserij en van Justitie van 8 februari 1979 (Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, no. J 435, en van Justitie van 8 maart 1979, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, no. 127/679); Gelet op [artikel 13, derde lid, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=13) (**Stb.** 1971, 371); De Raad van State gehoord (advies van 21 maart 1979, no. 14); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 5 juli 1979 (Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, no. J 2299); Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene Bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: \"bestuur\"; het orgaan van de controle-instelling, overeenkomstig de statuten of reglementen belast met de leiding, dan wel de dagelijkse leiding van de controle-instelling; \"tuchtgerecht\": orgaan van de controle-instelling, overeenkomstig de statuten of reglementen belast met de uitoefening van de tuchtrechtspraak over de betrokkenen; \"centraal tuchtgerecht\": het orgaan van de controle-instelling, overeenkomstig de statuten of reglementen belast met de behandeling van het beroep tegen een tuchtbeschikking, gegeven door een tuchtgerecht; \"tuchtreglement\": het door de controle-instelling vastgestelde reglement, regelende het aantal, de samenstelling en bevoegdheden van de met de uitoefening van tuchtrechtspraak belaste organen, alsmede de rechtsgang van het tuchtrechtelijk geding; \"voorzitter\": de voorzitter van een tuchtgerecht, onderscheidenlijk centraal tuchtgerecht, dan wel degene die als zodanig optreedt; \"betrokkene\": degene als bedoeld in [artikel 13, eerste lid, van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=13). Artikel 2 De controle-instelling is gehouden bij de vaststelling van haar tuchtreglement het bij dit besluit bepaalde in acht t"},{"i":5895,"b":"Regeling van het stimuleringsfonds voor de pers van 30 maart 2012, nr. 21969, tot vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling persinnovatie 2012 Gelet op [artikel 8.3, tweede lid, onder a, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Te subsidiëren activiteiten en kosten 1. Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve van de versterking en vernieuwing van de journalistieke infrastructuur in Nederland subsidie verstrekken voor activiteiten die voldoen aan ten minste twee van de volgende eisen: - a. zij hebben als doel burgers bij de journalistiek te betrekken; - b. zij hebben betrekking op nieuwe of nieuwe combinaties van of met bestaande journalistieke producten, diensten, markten, organisaties of organisatieprocessen; - c. zij hebben betrekking op nieuwe journalistieke modellen of platforms; - d. zij hebben betrekking op nieuwe bedrijfsmodellen; - e. zij hebben betrekking op lokale of regionale journalistieke activiteiten. 2. Voor subsidieverstrekking komen slechts kosten van de subsidieontvanger in aanmerking die rechtstreeks verband houden met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend en die gemaakt zijn na de subsidieverlening. 3. Het Stimuleringsfonds kan nadere richtlijnen omtrent de aard van de kosten vaststellen. Deze richtlijnen worden gepubliceerd op de website van het Stimuleringsfonds www.stimuleringsfondspers.nl. Artikel 2. Subsidieaanvrager 1. Subsidie kan worden aangevraagd door de voor de desbetreffende activiteiten verantwoordelijke rechtspersoon of rechtspersonen dan wel rechtspersoon of rechtspersonen in oprichting, die in Nederland actief is of zijn. 2. In afwijking van het gestelde onder het eerste lid kan voor projecten tot maximaal € 50.000 subsidie worden aangevraagd door natuurlijke personen. Artikel 3. Subsidieplafond 1. Voor subsidieverlening op grond van deze regeling is € 800.000 beschikbaar. 2. Per aanvraag kan subsidie worden verstrekt voor"},{"i":6724,"b":"Wet van 9 december 2015 tot wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779) aan te vullen met bepalingen gericht op kwaliteitsbevordering en versterkte samenwerking in de uitvoering van taken en bevoegdheden inzake in het bijzonder de omgevingsvergunning en de handhaving van het bepaalde bij of krachtens enkele wetten op het gebied van het omgevingsrecht met als doel de resultaten van het proces van kwaliteitsbevordering en versterkte samenwerking wettelijk te borgen en daarmee de fragmentatie en de vrijblijvendheid in de samenwerking verder te beperken. Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel II Wijzigt de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Artikel III 1. Wijzigt de Monumentenwet 1988. 2. Wijzigt de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. Artikel IV Wijzigt de Waterwet. Artikel V Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI Wijzigt de Woningwet. Artikel VII 1. Wijzigt deze wet. 2. Wijzigt de Wet natuurbescherming. Artikel VIII Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zendt in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IX De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen da"},{"i":4293,"b":"Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 december 2024, kenmerk 4016475-1075953-OBP, houdende het verlenen van bijzonder ondermandaat en ondervolmacht aan de programma DG van het programma Goed Verbonden Gelet op [artikel 16a, eerste lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=16a), [artikel 17, eerste lid, van de Volmachtregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010710&artikel=17) en [artikel 10 van de Volmachtregeling personele aangelegenheden VWS 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042768&artikel=10); BESLUIT Artikel 1 Voor de duur van het programma Goed Verbonden heeft de programma DG van het programma Goed Verbonden de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma. Artikel 2 Voor de duur van het programma Goed Verbonden heeft de verantwoordelijke programma DG een daartoe aangewezen plaatsvervanger, de programmamanager van het programma Goed Verbonden als bedoeld in [artikel 2, aanhef en onder e, van het Organisatiebesluit VWS 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048616&artikel=2) van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij afwezigheid of verhindering van de programma DG de bevoegdheid om in naam van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluiten te nemen en privaatrechtelijke rechtshandelingen tot een maximum van € 33.000 exclusief btw per handeling te verrichten voor zover deze betrekking hebben op het werkterrein van het programma. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2024. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6281,"b":"Wet van 14 juli 2021 tot samenvoeging van de gemeenten Heerhugowaard en Langedijk Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Heerhugowaard en Langedijk samen te voegen tot de nieuwe gemeente Dijk en Waard; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en rechtsopvolging Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Heerhugowaard en Langedijk opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Dijk en Waard ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Heerhugowaard en Langedijk, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Dijk en Waard wordt de op te heffen gemeente Heerhugowaard aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Heerhugowaard en Langedijk wordt de nieuwe gemeente Dijk en Waard aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41) in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorziening van drinkwater, elektriciteit"},{"i":6273,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot samenvoeging van de gemeenten Geldermalsen, Lingewaal en Neerijnen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Geldermalsen, Lingewaal en Neerijnen samen te voegen tot de nieuwe gemeente West Betuwe; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente West Betuwe ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Geldermalsen, Lingewaal en Neerijnen, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente West Betuwe wordt de op te heffen gemeente Geldermalsen aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Geldermalsen, Lingewaal en Neerijnen wordt de nieuwe gemeente West Betuwe aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtinge"},{"i":7184,"b":"Vaststelling bijdrage gemoedsbezwaarden als bedoeld in art. 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 1990 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20) (Stb. 1984, 269); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering beloopt voor het jaar 1990: - Categorie 1 f 70,00 voor vierwielige personenauto's, bestelauto's; - Categorie 2 f 14,00 voor aanhangwagens bij auto's behorend tot categorie 1; - Categorie 3 f 82,00 voor autobussen, vrachtauto's; - Categorie 4 f 78,00 voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorend tot categorie 3; - Categorie 5 f 190,00 voor trekkers met oplegger; - Categorie 6 f 12,00 voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 t/m 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; - Categorie 7 f 12,00 voor landbouwwerktuigen; - Categorie 8 f 12,00 voor rijwielen met hulpmotor. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1990. Artikel 3 Deze regeling wordt in de Staatscourant geplaatst."},{"i":1688,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2002, houdende de vaststelling van aan exporteurs van bloembollen op te leggen heffing voor de export van bloembollen naar Japan, voor het jaar 2003 (Verordening PT heffing export bloembollen naar Japan 2003) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126), en gelet op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); gehoord de sectorcommissie Bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen, 4 juni 2002; BESLUIT: Abusievelijk is de terugwerkende kracht gesteld op 1 januari 2003. § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 2](onbekend) en [3 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend). 2. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | het Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | bloembollen | : | bollen of knollen van bloemgewassen; | | e. | koopseizoen | : | de periode van 1 juni 2002 tot en met 31 mei 2003. | § 2. Heffingsplicht Artikel 2 1. De exporteur van bloembollen is over de door hem naar Japan uitgevoerde bloembollen aan het productschap een heffing verschuldigd. 2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over de koopseizoenen voorzover zij in het jaar 2002 vallen, ten behoeve van de financiering van de controles van de bloembollen, die naar Japan worden uitgevoerd. 3. De heffing als bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd bij wege van een aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde. Artikel 3 1. Ter uitvoering van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":7330,"b":"Besluit van 18 februari 2025 tot wijziging van het Besluit van 29 november 1996 ter uitvoering van artikel 1065 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 1996, 587) (KetenID WGK027146) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken van 9 december 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5985621, gedaan mede namens de Minister van Infrastructruur en Waterstaat; Gelet op [artikel 1065 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1065); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 januari 2025, no. W16.24.00354/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 11 februari 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6097826, uitgebracht mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1065, Boek 8 Burgerlijk Wetboek. Artikel II Dit besluit is slechts van toepassing ten aanzien van aansprakelijkheid voortvloeiende uit ongevallen die zich na de inwerkingtreding van dit besluit hebben voorgedaan. Artikel III Dit besluit treedt in werking op 1 maart 2025. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5886,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 9 februari 2026, nr. IENW/BSK-2026/15968, houdende tijdelijke regels ter stimulering van demonstraties binnen het Maritiem Masterplan 2026 (Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan 2026) [KetenID WGK 028498] Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3) en de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=9), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [15, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), [23, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23) en [26, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=26); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **experimentele ontwikkeling:** ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **grote onderneming:** onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **Human Capital-activiteiten:** activiteiten als bedoeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052305&bijlage=2&z=2026-02-20&g=2026-02-20); - **industrieel onderzoek:** onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **DS-JMDP:** Digitale Samenwerking-Joint Maritime Digital Platform als bedoeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR005"},{"i":6306,"b":"Wet van 28 september 2006, houdende regels inzake het toezicht op en de handhaving van de voorschriften voor financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen alsmede tot wijziging van enige wetten (Wet toezicht financiële verslaggeving) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat een verbetering van het toezicht op de naleving en de handhaving van de voorschriften voor de financiële verslaggeving van effectenuitgevende instellingen gewenst is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Definities en reikwijdte Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt – voor zover niet anders is bepaald – verstaan onder: - a. Autoriteit Financiële Markten: de Stichting Autoriteit Financiële Markten; - b. effectenuitgevende instelling: uitgevende instelling als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is als bedoeld in [artikel 5:25a, eerste lid, onderdeel c, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:25a): - 1°. met statutaire zetel in Nederland waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), of de handel op een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is, als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1), die gelegen is of functioneert in een staat die niet een lidstaat is van de Europese Unie; - 2°. Met statutaire zetel in een andere lidstaat of een staat die geen lidstaat is waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel"},{"i":6274,"b":"Wet van 19 juni 2003 tot samenvoeging van de gemeenten Geldrop en Mierlo Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Geldrop en Mierlo samen te voegen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Opheffingen instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Geldrop en Mierlo opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Geldrop-Mierlo ingesteld. Artikel 3 De nieuwe gemeente Geldrop-Mierlo bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Geldrop en Mierlo, met dien verstande dat de grens van de nieuwe gemeente komt te lopen zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 2. Grenswijzigingen van een gemeente die niet wordt opgeheven Artikel 4 De grenzen van de gemeente Eindhoven worden gewijzigd, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. Paragraaf 3. Overige bepalingen Artikel 5 Voor de nieuwe gemeente Geldrop-Mierlo wordt de op te heffen gemeente Geldrop aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 6 Voor de op te heffen gemeenten Geldrop en Mierlo wordt de nieuwe gemeente Geldrop-Mierlo aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappel"},{"i":6271,"b":"Wet van 11 juli 2018 tot samenvoeging van de gemeenten Dongeradeel, Ferwerderadiel en Kollumerland en Nieuwkruisland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Dongeradeel, Ferwerderadiel en Kollumerland en Nieuwkruisland samen te voegen tot de nieuwe gemeente Noardeast-Fryslân; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing, instelling en grenswijziging van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Dongeradeel, Ferwerderadiel en Kollumerland en Nieuwkruisland opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Noardeast-Fryslân ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Dongeradeel, Ferwerderadiel en Kollumerland en Nieuwkruisland, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Noardeast-Fryslân wordt de op te heffen gemeente Dongeradeel aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Dongeradeel, Ferwerderadiel en Kollumerland en Nieuwkruisland wordt de nieuwe gemeente Noardeast-Fryslân aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappe"},{"i":3777,"b":"Besluit van 5 juli 2008, houdende regels voor de medezeggenschap van het defensiepersoneel (Besluit medezeggenschap Defensie 2008) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 17 maart 2008, nr. P/2008006246; Gelet op [artikel 125, eerste lid, onder i, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [artikel 12, onder l, van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=12); De Raad van State gehoord (advies van 24 april 2008, nr. WO7.08.0100/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 25 juni 2008, nr. P/2008012640; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In dit Besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; - b. secretaris-generaal: de secretaris-generaal van het ministerie van Defensie; - c. werknemer: - 1°. de militair in werkelijke dienst, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder c, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=1), - 2°. de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=1), - 3°. degene die in het kader van de werkzaamheden van de diensteenheid daarin ten minste 24 maanden werkzaam is op grond van detachering of een uitzendovereenkomst als bedoeld in [artikel 690 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=690). - d. **defensieonderdeel**: de Bestuursstaf, het Commando Zeestrijdkrachten, het Commando Landstrijdkrachten, het Commando Luchtstrijdkrachten, de Koninklijke Marechaussee, het Commando DienstenCentra onderscheidenlijk de Defensie Materieelorganisatie; - e. **hoofd defensieonderdeel**: de plaatsvervangend secretaris-generaal voor de bestuursstaf van het ministerie van Defensie, de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdk"},{"i":3776,"b":"Besluit van 21 maart 2018, houdende regels inzake het medegebruik van antenne-opstelpunten, antennesystemen en antennes bestemd voor omroepzendernetwerken en medegebruik van fysieke infrastructuur ter bevordering van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid (Besluit medegebruik omroepzendernetwerken en fysieke infrastructuur) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 8 december 2017, nr. WJZ / 17196656; Gelet op [richtlijn 2014/61](32014L0061)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid (PbEU 2014, L 155) en de [artikelen 5a.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=5a.3), [5a.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=5a.14) en [5a.15 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=5a.15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 december 2017, No.W18.17.0389/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 15 maart 2018, nr. WJZ/18013189; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **houder:** houder van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte die is bestemd voor het verspreiden van programma’s alsmede degene die in opdracht van die houder door middel van zijn openbaar elektronisch communicatienetwerk dat bestaat uit radioapparaten die geschikt zijn voor het verspreiden van programma's een programma verspreidt; - **ontvanger:** aanbieder van bijbehorende faciliteiten, houder of netwerkexploitant, die een verzoek tot medegebruik heeft ontvangen; - **verzoeker:** aanbieder van bijbehorende faciliteiten of"},{"i":5843,"b":"Besluit van 6 oktober 2023, houdende de toekenning van een eenmalig bedrag aan ouderen van Surinaamse herkomst (Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst) Op de voordracht van Onze Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 7 juli 2023, nr. 2023-0000513605, Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3) en [9 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=9) en [artikel 54, elfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=54); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 september 2023 nr. W12.23.00174/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 4 oktober 2023, nr. 2023-0000526908, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **SVB:** Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - **Toescheidingsovereenkomst:** de op 25 november 1975 te Paramaribo ondertekende Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname. Artikel 2. Doel van het besluit Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00022"},{"i":5848,"b":"Besluit van 22 februari 2017, houdende vaststelling van het Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet (Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 november 2016, nr. 2016-0000231828; Gelet op [artikel 83, eerste, tweede en derde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=83); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 januari 2017, nummer W12.16.0367/III); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 februari 2017, nr. 2017-0000027375; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder: - –. **deelnemer:** alleenstaande of gezin, rechthebbende op een uitkering op grond van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), die vrijwillig deelneemt aan een door de gemeente waarin hij woonachtig is uit te voeren experiment; - –. **experimentgroepen:** aan het experiment deelnemende en onderscheiden groepen van deelnemers, te weten een controlegroep en, al naar gelang de inhoud van het experiment, tevens een ontheffingsgroep als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039258&artikel=5&z=2019-10-01&g=2019-10-01), een intensiveringsgroep als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, een vrijlatinggroep als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, en mogelijk één of twee combinatiegroepen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d; - –. **wet:** [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703). Artikel 2. Aanwijzing gemeenten 1. Onze Minister kan een gemeente aanwijzen, die bij wijze van experiment gedurende een periode van drie jaar na inwerkingtreding van dit besluit naar aanleiding van het door het college van die gemeente ingediende verzoek op basis van dit besluit, voor een periode van maxim"},{"i":5993,"b":"Besluit van 4 juli 2024 tot wijziging van het Besluit EU-verordeningen Wft ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/2845 (Uitvoeringsbesluit wijziging verordening centrale effectenbewaarinstellingen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 18 april 2024, 2024-0000223989, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2023/2845](32023R2845) van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2023 tot wijziging van [Verordening (EU) nr. 909/2014](32014R0909) wat betreft afwikkelingsdiscipline, grensoverschrijdende verrichting van diensten, samenwerking op toezichtgebied, de verlening van bancaire nevendiensten en vereisten voor centrale effectenbewaarinstellingen van derde landen en tot wijziging van [Verordening (EU) nr. 236/2012](32012R0236) (PbEU L 2023/2845), en de [artikelen 1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:50a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:50a), [1:79, eerste lid, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), en [1:81, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 juni 2024, nr. W06.24.00093/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 1 juli 2024, 2024-0000353942, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit EU-verordeningen Wft. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit wijziging verordening centrale effectenbewaarinstellingen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het S"},{"i":5994,"b":"Besluit van 13 november 2023, nr. 2023002190 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de uitvoering van de Verordening (EU) 2023/606 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (Uitvoeringsbesluit wijzigingsverordening Europese langetermijnbeleggingsinstellingen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 18 september 2023, 2023-0000195648, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2023/606](32023R0606) van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2023 tot wijziging van [Verordening (EU) 2015/760](32015R0760) wat betreft de vereisten in verband met het beleggingsbeleid en de voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening van Europese langetermijnbeleggingsinstellingen en het toepassingsgebied van in aanmerking komende beleggingsactiva, de vereisten inzake de samenstelling en diversificatie van de portefeuille en het lenen van contanten en andere fondsregels (PbEU 2023, L 80) en de [artikelen 1:79, eerste lid, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), en [1:81 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 oktober 2023, nr. W06.23.00286/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 8 november 2023, 2023-0000243172, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Artikel II Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 januari 2024. Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit wijzigingsverordening Europese langetermijnbeleggingsinstellingen. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":5985,"b":"Besluit van 21 februari 1997 tot vaststelling van het drempelbedrag, bedoeld in artikel 76c, eerste lid, onder b, ten tweede, van de Wet op het voortgezet onderwijs, alsmede van enige minimum bruto vloeroppervlakten voor het basisonderwijs, het speciaal en het voortgezet speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs (Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 12 november 1996, nr. 96028721/3702, directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikel 66, tweede lid, van de Wet op het basisonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=66), [artikel 74, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=74), [artikel 76c, eerste lid, onder b, ten tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=76c), alsmede [artikel 76c, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=76c); De Raad van State gehoord (advies van 20 december 1996, No. W05.960541); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 13 februari 1997, nr. 97000450/3702, directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 januari 1997. Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - a. wet: de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - b. vwo: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in [artikel 2.4 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.4); - c. mavo: middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in [artikel 2.6 van de wet](https://wetten.ove"},{"i":5989,"b":"Besluit van 19 juli 2013, houdende regels ter uitvoering van de artikelen 5:3:3, tweede lid, en 5:3:10, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 25 juni 2013, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 401981; Gelet op de [artikelen 5:3:3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=5:3:3), en [5:3:10, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=5:3:10); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 juli 2013, nr. W03.13.0187/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 16 juli 2013, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 409394; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wetboek van Strafvordering (implementatie kaderbesluit 2009/829/JBZ (toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis) (Stb. 2013/250)) in werking treedt. Artikel 1 Als verplichting die op grond van [artikel 5:3:3, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=5:3:3) in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd, wordt aangewezen: de verplichting tot het ondergaan van elektronisch toezicht. Artikel 2 De lijst met feiten of soorten van feiten, bedoeld in [artikel 5:3:10, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=5:3:10), luidt als volgt: - 1. Deelneming aan een criminele organisatie - 2. Terrorisme - 3. Mensenhandel - 4. Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie - 5. Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen - 6. Illegale handel in wapens, munitie en explosieven - 7. Corruptie - 8. Fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen word"},{"i":5847,"b":"Besluit van 20 februari 2017, houdende tijdelijke regels voor een experiment met een vervroegde no-riskpolis (Tijdelijk besluit experiment vervroegde inzet no-riskpolis Ziektewet) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2016, nr. 2016-0000267747; Gelet op [artikel 82a, eerste lid, aanhef en onderdeel k, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=82a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 februari 2017, nr. W12.16.0427/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 februari 2017, nr. 2017-0000018816; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **UWV:** Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; - **werknemer:** de verzekerde, bedoeld in [artikel 29, tweede lid, onderdelen b, c en d, van de ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=29); - **ZW:** [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888). Artikel 2. Doelstelling experiment Bij wijze van experiment als bedoeld in [artikel 82a, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=82a), wordt met het oog op onderzoek naar de effectiviteit van de vervroegde verstrekking van ziekengeld als bedoeld in [artikel 29b van de ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=29b), afgeweken van het bepaalde in dat artikel overeenkomstig de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039261&artikel=3&z=2017-03-15&g=2017-03-15), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039261&artikel=4&z=2017-03-15&g=2017-03-15) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039261&artikel=5&z=2017-03-15&g=2017-03-15). Artikel 3. Doelgroep en recht op ziekengeld 1. Het UWV kan, in zoverre in afwijking van de [artikelen 29b](https://wette"},{"i":5986,"b":"Besluit van 6 augustus 1999, houdende vaststelling van de algemene berekeningswijze van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs, de educatie en de landelijke organen, alsmede vaststelling van voorschriften over het informatieverkeer, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs (Uitvoeringsbesluit WEB) Op de voordrachten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 8 maart 1999, nr. 1998/8716 (3704) en van 31 maart 1999, nr. 1999/14257 (3693), directie Wetgeving en Juridische Zaken, de eerste voordracht gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op de [artikelen 2.2.1, eerste lid en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.1), [2.2.4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.4), [2.2.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.2.12), [2.3.1, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.3.1), [2.3.6, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.3.6), [2.4.1, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.4.1), [2.4.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.4.2), [2.5.3, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.3), [2.5.5, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.5), [2.5.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.5.10), en [2.6a van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.6a), alsmede [artikel 19, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=19); De Raad van State gehoord (adviezen van 29 april 1999, nr. W05.99.0160/II en van 6 mei 1999, nr. W05.99/0111/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 22 juli 1999, nr. 1999/30854"},{"i":5849,"b":"Besluit van 6 maart 2023 tot vaststelling van tijdelijke regels betreffende de opzet, inhoud en evaluatie van experimenten in de rechtspleging en het tijdstip van inwerkingtreding van Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging (Tijdelijk besluit experimenten rechtspleging) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 4 november 2021, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3620704; Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790&artikel=2), en [8 Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790&artikel=8); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 december 2021, nr. W16.21.0333/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming, van 24 februari 2023, nr. 4492383; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepaling Artikel 1. – Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - **de wet:** de [Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790); - **de wetten:** het bepaalde bij of krachtens de wetten, genoemd in [artikel 1, eerste en tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790&artikel=1); - **algemene maatregel van bestuur:** een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790&artikel=1); - **experiment:** een experiment als bedoeld in de [artikelen 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790&artikel=1), en [5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790&artikel=5), zoals vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur; - **experimentele procedure:** de procedure die wordt toegepast in het experiment; - **andere tijdelijke procedure:** een gerechtelijke procedure die op basis van [artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=96) tijdelijk door een bep"},{"i":5851,"b":"Tijdelijk besluit mandaat, volmacht en machtiging herstel schade en versterking Groningen II Gelet op [artikel 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit Artikel 1 Mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die op 1 juli 2024 van kracht waren ten behoeve van functionarissen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en andere organisaties ten aanzien van de aangelegenheden op het terrein van de zorg voor het herstel van aardbevingsschade, bestaande uit schadeafhandeling, de versterking van gebouwen in Groningen en het bieden van toekomstperspectief voor de regio op sociaal en economisch gebied en de verantwoordelijkheid over de (publiekrechtelijke en privaatrechtelijke) procedures (NAM) die voortkomen uit het verhalen van de kosten van de schadeafhandeling en versterking, die de hieronder bedoelde dienstonderdelen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en andere organisaties betroffen, worden aangemerkt als mandaten, volmachten en machtigingen verleend door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan: - a. de secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - b. plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - c. de programmadirecteur-generaal Groningen en Ondergrond; - d. de programmadirectie Schadeherstel en Gaswinning Groningen; - e. de programmadirectie Versterken en Perspectief Groningen; - f. de algemeen directeur van de Dienst Nationaal Coördinator Groningen; - g. het Instituut Mijnbouwschade Groningen; - h. overige hoofden van dienst van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - i. de functionarissen aan wie door of namens bovengenoemden ondermandaat, volmacht of machtiging is verleend; ten aanzien van aangelegenheden die bovengenoemde terreinen betreffen. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatsc"},{"i":5996,"b":"Besluit van 6 december 2012 tot uitvoering van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Uitvoeringsbesluit WNT) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 oktober 2012, nr. 2012 - 0000578978, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, Afdeling Wetgeving Staatsinrichting en Bestuur; Gelet op de [artikelen 1.3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.3), [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.11), [3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=3.8), [5.6, tweede lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=5.6), [artikel 190, eerste lid, van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=190), [artikel 186, eerste lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=186), [artikel 98a, eerste lid, van de Waterschapswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005108&artikel=98a) en [artikel 2, vierde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 november 2012, nr. W04.12.0427/1); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 november 2012, nr. 2012-0000648640, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, Afdeling Wetgeving Staatsinrichting en Bestuur; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt onder «wet» verstaan: [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249). Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Het bedrag van de in [artikel 5.6, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/j"},{"i":5869,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 november 2017, nr. 2017-0000541638, houdende tijdelijke verlening van mandaat, volmacht en machtiging op het terrein van de ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening, de Omgevingswet en het Kadaster (Tijdelijke regeling mandaat, volmacht en machtiging ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening, de Omgevingswet en het Kadaster) Besluit: Artikel 1 Mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die op 25 oktober 2017 van kracht waren ten behoeve van functionarissen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu ten aanzien van de aangelegenheden op het terrein van de ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening, de Omgevingswet en het Kadaster, worden, voor zover het de bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreft, aangemerkt als mandaten, volmachten en machtigingen die zijn verleend door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aan: - a. de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. de directeur-generaal Bestuur en Wonen; - c. de directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving; - d. de directeur van de directie Ruimtelijke ontwikkeling; - e. de programmadirecteur van de programmadirectie Eenvoudig Beter; - f. de programmadirecteur Omgevingsrecht van de Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; - g. de directeur van de directie Gebieden en Projecten; - h. de directeur van de directie Water en Bodem; - i. de directeur-generaal Rijkswaterstaat; - j. de hoofddirecteur van de hoofddirectie Financiën, Management en Control; - k. de functionarissen aan wie door of namens de directeur-generaal Rijkswaterstaat en de directeuren, genoemd in de onderdelen d tot en met j, ondermandaat, volmacht of machtiging is verleend ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienstonderdelen betreffen. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van d"},{"i":5846,"b":"Besluit van 20 januari 2025, houdende tijdelijke regels ten behoeve van een experiment met een procedure bij de regelrechter (Tijdelijk besluit experiment regelrechter) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 18 oktober 2024, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5847391, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op [artikel 1, eerste lid, van de Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790&artikel=1); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 december 2024, nr. No. W16.24.00299/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken, van 13 januari 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5985426 uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. – Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **wet:** de [Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790); - **experiment:** het experiment in de zin van [artikel 1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790&artikel=1), zoals vastgelegd in dit besluit; - **experimentele procedure:** de procedure zoals vastgelegd in dit besluit, die wordt toegepast in het experiment; - **reguliere procedure:** de dagvaardingsprocedure zoals geregeld in de [tweede titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&titeldeel=Tweede); - **regelrechter:** de kantonrechter behorend tot een van de rechtbanken, genoemd in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050709&artikel=3&z=2025-03-01&g=2025-03-01), die overeenkomstig dit besluit zaken in behandeling neemt. Artikel 2. – Doelstelling experiment Het experiment heeft tot doel om te bezien of toepassing van de experimentele procedure doo"},{"i":5853,"b":"Besluit van 6 maart 2023, tijdelijk besluit houdende nadere regels inzake de Toetsingscommissie experimenten rechtspleging (Tijdelijk besluit Toetsingscommissie experimenten rechtspleging) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming, van 4 november 2021, nr. 3620606, mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 6, derde lid, van de Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790&artikel=6); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 december 2021, nr. W16.21.0332/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming, van 24 februari 2023, nr. 4492395, mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 6, derde lid, van de Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **wet:** de [Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790); - **voorstel voor een experiment:** een experiment als bedoeld in de [artikelen 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790&artikel=1), en [5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790&artikel=5), zoals vastgelegd in een voorstel voor een algemene maatregel van bestuur; - **Toetsingscommissie:** de Toetsingscommissie experimenten rechtspleging, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043790&artikel=6). Artikel 2 1. De Toetsingscommissie bestaat uit minimaal zeven en maximaal negen onafhankelijke leden, onder wie de voorzitter. De leden worden bij koninklijk besluit benoemd op voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming. 2. De voorzitter is rechterlijk ambtenaar als bedoeld in [artikel 1, onder b, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artike"},{"i":6003,"b":"Wet van 4 mei 2015 tot wijziging van de Wet financieel toezicht en enige andere wetten in verband met Verordening (EU) Nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PbEU 2013, L 287) (Uitvoeringswet verordening bankentoezicht) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) aan te passen in verband met Verordening (EU) Nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PbEU 2013, L 287); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel Ia Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel Ib Wijzigt de Faillissementswet. Artikel II Een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van bank, verleend op grond van [artikel 2:11 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:11), zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel CC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036649&artikel=I&z=2015-06-12&g=2015-06-12), wordt voor de toepassing van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) gelijkgesteld met een door de Europese Centrale Bank verleende vergunning. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet"},{"i":5987,"b":"Besluit van 30 oktober 2007, houdende regels ter uitvoering van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties (Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 23 februari 2007; nr. 5470921/07/6; Gelet op de implementatie van het kaderbesluit nr. 2005/214/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PbEU L 76), op [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022604&artikel=7), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022604&artikel=10) en [17, eerste lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022604&artikel=17) en op [artikel 2 van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006713&artikel=2); De Raad van State gehoord (advies van 21 maart 2007, nr. W03.07.0057/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 18 oktober 2007, nr. 5510993/07/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties in werking treedt. Artikel 1 Onze Minister voor Rechtsbescherming draagt zorg voor de ondersteuning van de officier van justitie bij zijn taken met betrekking tot de [Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022604). Artikel 2 Het model van het certificaat, bedoeld in de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022604&artikel=7), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022604&artikel=17), en [31, eerste lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie](https://wetten.overheid."},{"i":5997,"b":"Besluit van 17 maart 2021, houdende regels ter uitvoering van de Wet toetreding zorgaanbieders (Uitvoeringsbesluit Wtza) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 18 december 2020, kenmerk 1793312-215180-WJZ; Gelet op de [artikelen 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=2), [3, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=3), [4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=4), [5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=5), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=7), en [17, tweede lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=17) en de [artikelen 4.0.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.0.1), en [10.0, tweede lid, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=10.0); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 februari 2021, no.W13.20.0498/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 15 maart 2021, kenmerk 1793305-215180-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **interne toezichthouder:** interne toezichthouder als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043797&artikel=3); - –. **Regionale Ambulancevoorziening:** Regionale Ambulancevoorziening als bedoeld in [artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043925&artikel=4); - –. **verklaring omtrent het gedrag:** verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in [artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=28); - –. **wet:** [Wet toetreding zorgaanbieders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00"},{"i":5984,"b":"Besluit van 21 december 2022, houdende verzamel- en verificatievereisten voor rapporterende platformexploitanten met het oog op de automatische uitwisseling van inlichtingen ten aanzien van de digitale platformeconomie (Uitvoeringsbesluit verzamel- en verificatievereisten voor rapporterende platformexploitanten) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november 2022, nr. 2022-0000261458; Gelet op [artikel 10i van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](onbekend); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord 30 november 2022, no. W06.22.00167/III; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 20 december 2022, nr. 2022-0000302916; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Reikwijdte 1. Dit besluit en de daarop berustende bepalingen geeft uitvoering aan [artikel 10i van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10i). 2. Dit besluit verstaat onder wet: de [Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954). Hoofdstuk 2. Verzamel- en verificatievereisten Artikel 2. Verzamelen van inlichtingen over verkopers 1. Met het oog op de rapportage, bedoeld in de [artikelen 10j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10j), en [10l, derde en vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=10l), verzamelt de rapporterende platformexploitant ten aanzien van iedere verkoper die een natuurlijke persoon en geen uitgesloten verkoper is de volgende inlichtingen: - a. voor- en achternaam; - b. het hoofdadres; - c. elk aan die verkoper afgegeven fiscale identificatienummer, met vermelding van elke lidstaat van afgifte, en bij gebrek daaraan, de geboorteplaats van die verkoper; - d. het btw-identificatienummer indien van toepassing; - e. de gebo"},{"i":5998,"b":"Besluit van 3 november 2005, houdende uitvoering van enige bepalingen van de Wet toelating zorginstellingen (Uitvoeringsbesluit WTZi) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 september 2004, kenmerk Z/PB-2519449; Gelet op de [artikelen 1, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=1), [5, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=6), [7, derde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=7), [9, eerste lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=9), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=16) en [17, vierde lid, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=17); De Raad van State gehoord (advies van 23 november 2004, nr. W13.04.0473/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 oktober 2005, kenmerk MC/MO-2625487; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet toelating zorginstellingen in werking treedt. Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen Artikel 1.1 In dit besluit wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: - a. de wet: de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906); - b. Wlz-verblijf: het verblijf, bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1); - c. Zvw-verblijf: het verblijf, omschreven in [artikel 2.12 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.12); - d. kleinschalige woonvoorziening: instelling die: - –. bestaat uit een of meerdere zelfstandige woningen, dat wil zeggen woningen die naast één of meer privévertrekken een eigen voordeur, een eigen keuken, een eigen toilet en een eigen badkamer hebben; - –."},{"i":5999,"b":"Besluit van 14 oktober 2021, houdende nadere regels over de inrichting, examinering en bekostiging van en deelname aan het voortgezet onderwijs (Uitvoeringsbesluit WVO 2020) Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 6 juli 2021, nr. WJZ/27929139 (6797), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212), de [artikelen 7.3.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.3.4), [7.4.11, derde en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.11), en de [artikelen 7.3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.3.3), en [7.4.13, derde en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.4.13); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 augustus 2021, nr. W05.21.0191/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 12 oktober 2021, nr. WJZ/29176009 (6797), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanvullende bekostiging:** aanvullende bekostiging als bedoeld in de [artikelen 5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.5), [5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.9) en [5.10 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=5.10); - **accountant:** accountant als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393) of een deskundige als bedoeld in [artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028744&artikel=121); - **algemeen vak:** vak,"},{"i":5867,"b":"Tijdelijke regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 september 2025, nr. 2025-0000558699, houdende de gefaseerde inwerkingtreding van de verplichting uit artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Tijdelijke regeling gefaseerde inwerkingtreding artikel 2:13 Awb) [KetenID: WGK027218] Gelet op [artikel 2:13, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Besluit: Artikel 1. Immigratie- en Naturalisatiedienst [Artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13) is niet van toepassing op de volgende aan de Minister van Asiel en Migratie, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretarissen van Justitie en Veiligheid gerichte berichten, waarbij de Immigratie- en Naturalisatiedienst gelet op een mandaat, volmacht en/of machtiging is belast met de afhandeling van dat bericht. | Wettelijke regeling | Onderdeel | Toelichting | | --- | --- | --- | | [Artikel 2c Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2k) | Erkenning als referent | Officiële berichten die worden ingediend in een procedure omtrent de erkenning van een referent of het intrekken, schorsen of wijzigen van deze erkenning, zoals de aanvraag en de inzending van aanvullende stukken. | | [Artikel 2k Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2k) | De machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het terugkeervisum | Officiële berichten die worden ingediend in een procedure omtrent het verlenen, wijzigen, intrekken of annuleren van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) dan wel terugkeervisum, zoals de aanvraag en de inzending van aanvullende stukken. | | [Artikel 3 Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3) | Toegang vreemdelingen | Officiële berichten die worden ingediend in een procedure omtrent (het uitstellen van) het beslu"},{"i":1744,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 1 juli 2008, houdende de vaststelling van een heffing ten behoeve van de teelt van vollegrondsgroenten voor het jaar 2009 (Verordening PT heffing vollegrondsgroenten 2009) § 1. Begripsbepalingen § 1. Begripsbepalingen § 3. Grondslag en hoogte Artikel 3 De heffing die is verschuldigd wordt opgelegd naar de grondslag grondgebruik, daaronder begrepen de witloftrek, over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009, één en ander overeenkomstig de volgende artikelen. Artikel 4 De heffing naar de grondslag grondgebruik wordt berekend naar de oppervlakte van de bij de onderneming behorende cultuurgrond en bedraagt voor: | Groep 1: | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van groen te oogsten erwten, stamsperziebonen, snijbonen en tuinbonen: | € 1,67 per ha; | | --- | --- | --- | | Groep 2: | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van Waspeen, bospeen, winterpeen en suikermaïs: | € 1,67 per ha; | | Groep 3: | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van herfst-, vroege-, en bewaarkool: | € 4,18 per ha; | | Groep 4: | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van spinazie, kroten, knolselderij, en schorseneren: | € 1,67 per ha; | | Groep 5: | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van spruitkool: | € 4,18 per ha; | | Groep 6; | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van broccoli: | € 4,18 per ha; | | Groep 7: | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van bloemkool: | € 4,18 per ha; | | Groep 8: | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van prei: | € 4,18 per ha; | | Groep 9: | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van witlofwortel: | € 0,00 per ha; | | Groep 10: | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van sla: | € 4,18 per ha; | | Groep 11: | cultuurgrond, in gebruik voor de teelt in de open grond van asperges: | € 6,67 per ha; | | Groep 12: | cu"},{"i":6000,"b":"Besluit van 17 juli 2018, houdende nadere regels met betrekking tot uiteindelijk belanghebbenden en politiek prominente personen, het vaststellen van indicatoren voor het melden van ongebruikelijke transacties en tot wijziging van enige andere besluiten in verband met de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn en de verordening betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie (Uitvoeringsbesluit Wwft 2018) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 31 mei 2018, 2018-0000071536, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid; Gelet op de [artikelen 1, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=1), [15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=15), en [31, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=31), de [artikelen 2:3b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:3b), [2:10b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:10b), en [4:10, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:10), [artikel 30, derde lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=30), [artikel 3.22, vierde lid, van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.22) en [artikel 127, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=127) en richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [Richtlijn 2005/60/EG](32005L0060) van het Europees Parlement en de Raad en [Richtlijn 2006/70/EG](32006L0"},{"i":5991,"b":"Besluit van 16 januari 1997, houdende uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 30 oktober 1996, nr. WDB96/492M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A.G.M. van de Vondervoort; Gelet op [artikel 44 van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=44); De Raad van State gehoord (advies van 3 december 1996, nr. WO6.96.0506); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 6 januari 1997, nr. WDB96/602U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A.G.M. van de Vondervoort; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Dit besluit geeft uitvoering aan [artikel 44 van de Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=44). 2. In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de [Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119). Artikel 2 Indien een op de voet van [hoofdstuk IV van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&hoofdstuk=IV) vastgestelde waarde onherroepelijk is komen vast te staan doch binnen vijf jaren na het nemen van de beschikking terzake blijkt dat deze waarde tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vermindert de in [artikel 1, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007119&artikel=1) bedoelde gemeenteambtenaar, ingeval de waarde had behoren te zijn vastgesteld op een bedrag dat ten minste 20 percent, met een minimum van € 5000, lager is dan de te hoog vastgestelde waarde, zo spoedig mogelijk bij beschikking de te hoog vastgestelde waarde. Artikel 3 Indien een op de voet van hoofdstuk IV van de wet vastgestelde waarde ten gunste van een belanghebbende"},{"i":5992,"b":"Besluit van 22 september 1993, houdende uitvoeringsbepalingen van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, van 28 mei 1993, nr. 92077964/4685, directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Gelet op [artikel 6.13, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13); Gezien het advies van de Onderwijsraad (advies van 21 december 1992, nr. OR 92000271/3 T); De Raad van State gehoord (advies van 2 augustus 1993, No. W05.93.0338); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, van 21 september 1993, nr. 93064058/4685, directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **academisch ziekenhuis:** academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van de [bijlage van de wet](onbekend); - –. **accreditatieorgaan:** de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, bedoeld in artikel 1 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs, met bijlage; Den Haag, 3 september 2003 (Trb. 2003, 167); - –. **associate degree-opleiding:** associate degree-opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a); - –. **bacheloropleiding:** bacheloropleiding als bedoeld in [artikel 7.3a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a); - –. **bekostigde graad:** een graad als bedoeld in [artikel 4.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006152&hoofdstuk=4&afdeling=2&artikel=4.9&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - –."},{"i":6001,"b":"Uitvoeringsregeling subsidie vertaaldiensten 2009 De Raad voor Rechtsbijstand, Overwegende: Stelt de volgende beleidsregels vast: 1. Indienen van het verzoek tot het verstrekken van een vertaaldienst Een advocaat die ten behoeve van een cliënt stukken wil laten vertalen, richt zich tot Tvcn/Manpower. Als uitgangspunt geldt dat een vertaaldienst pas door Tvcn wordt verstrekt indien is vastgesteld dat recht bestaat op een dergelijke dienst. In de vormgeving van deze toets wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende rechtsgebieden. Per rechtsgebied zijn andere rechtmatigheideisen gesteld. De door Tvcn bij de aanvraag te onderscheiden rechtsgebieden betreffen: 2. Asielrechtsbijstand Voor de asielrechtsbijstand geldt als regel dat een vertaaldienst wordt verstrekt indien aan de volgende cumulatieve vereisten is voldaan: **Werkwijze:** 3. Strafrechtsbijstand Als regel wordt gehanteerd dat de door de Raad gesubsidieerde vertaaldiensten pas door Tvcn worden geleverd, na verstrekking van het toevoegnummer bij de aanvraag. Een complicerende factor daarbij is dat niet per definitie te allen tijde een beslissing over een toevoegaanvraag is genomen alvorens de dienst wordt geleverd. **Werkwijze:** 4. Civiele rechtsbijstand Idem aan werkwijze strafrechtsbijstand. Om zicht te kunnen houden op de omvang van de vertaaldiensten in het kader van de civiele rechtsbijstand, worden aanvragen vertaaldienst civiele rechtsbijstand door Tvcn separaat geregistreerd. 5. Omvang gesubsidieerde vertaaldiensten niet meer dan 2500 woorden Het verlenen van vertaaldiensten wordt om budgettaire redenen beperkt tot een maximum van 2500 woorden. Een groter aantal woorden wordt door Tvcn slechts vertaald indien de advocaat zich bereid verklaart een factuur voor het meerdere aan Tvcn te voldoen. Aldus vastgesteld,"},{"i":5866,"b":"Tijdelijke Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 14 november 2007, nr. DDS 5514603, houdende de toekenning van een eenmalige tegemoetkoming voor gemeenten ten behoeve van kosten ter afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet Gelet op [artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=2) en de [Regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet](onbekend); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Staatssecretaris: de Staatssecretaris van Justitie; - b. Regeling: de [Regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet](onbekend): de regeling als gepubliceerd in de Staatscourant van 13 juni 2007 (nr. 111 / pag. 12); - c. Taakstelling huisvesting: de (deel)taakstelling huisvesting statushouders o.g.v. de [Regeling ter afwikkeling van de nalatenschap oude Vreemdelingenwet](onbekend), als aangekondigd in de Bekendmaking van de prognose van het aantal te huisvesten personen in de Staatscourant (2007, nr. 64) van 30 maart 2007 en gepubliceerd in de Circulaire van 5 juli 2007 (5479816/SCV) en de volgende halfjaarlijkse opvolgers; - d. Huishouden: de sociale leefeenheid die uit één of meerdere personen bestaat en op één adres woont. - e. COA: het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers - f. VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten Artikel 2. Doel De Staatssecretaris verstrekt een financiële tegemoetkoming aan gemeenten ter zake van kosten voor de uitvoering van de [Regeling](onbekend). De verstrekking van deze tegemoetkoming voor gemeenten wordt gekoppeld aan de huisvesting van huishoudens in het kader van de [Regeling](onbekend) gedurende 2007, 2008 en 2009. Artikel 3. Plafond Het budget van de op grond van deze regeling te verlenen tegemoetkoming aan gemeenten bedraagt maximaal € 55 miljoen. Artikel 4. De hoogte van de tegemoetkoming De hoogte van de tegemoetkoming bedraagt € 3.400 per gehuisvest huishouden. Artikel 5. Tegemoetkoming op basis van"},{"i":6002,"b":"Uitvoeringsvoorschriften artikel 2.4 BRN De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Vindt met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 toepassing met betrekking tot dividenden die betaalbaar zijn gesteld op of na 1 januari 2011. **Deze regeling bevat de Nederlandse uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in artikel 2.4, vijfde lid van de Belastingregeling voor het land Nederland.** 1. Inleiding Gelet op de inwerkingtreding van de [Belastingregeling voor het land Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029675) met ingang van 5 maart 2011 en de terugwerkende kracht hiervan tot en met 1 januari 2011 stel ikde Nederlandse uitvoeringsvoorschriften voor de Belastingregeling voor het land Nederland vast. 2. Uitvoeringsvoorschriften voor de [Belastingregeling voor het land Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029675) Ter uitvoering van [artikel 2.4, vijfde lid van de Belastingregeling voor het land Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029675&artikel=2.4), zoals deze is opgenomen in het [Besluit van 26 februari 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029675), **Stb.** 2011, 107, stel ik de navolgende regeling vast: Artikel 1. Algemeen Deze regeling neemt over de begrippen van de [Belastingregeling voor het land Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029675). Artikel 2. Nederlandse dividendbelasting met betrekking tot dividenden genoten door pensioenfondsen (teruggaafprocedure) 1. Indien dividendbelasting is ingehouden van dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner is van Nederland aan een pensioenfonds dat inwoner is van de BES eilanden, welke voldoet aan de voorwaarden van [artikel 2.4, derde lid van de Belastingregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029675&artikel=2.4) voor het land Nederland, kan het pensioenfonds een verzoek om teruggaaf van hetgeen te veel aan dividendbelasting is ingehouden indienen. 2. Tot he"},{"i":5845,"b":"Besluit van 16 mei 2024 tot vaststelling van regels voor een experiment met de inspanningsplicht in de WW (Tijdelijk besluit experiment inspanningsplicht WW) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 februari 2024, nr. 2024-0000044967; Gelet op [artikel 130, eerste lid, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=130); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 april 2024, nr. W12.24.00041/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 mei 2024, nr. 2024-0000117973, Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **deelnemer:** een werknemer die recht heeft op een uitkering en ingevolge de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049720&artikel=4&z=2024-06-01&g=2024-06-01), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049720&artikel=5&z=2024-06-01&g=2024-06-01) en [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049720&artikel=6&z=2024-06-01&g=2024-06-01) van dit besluit is ingedeeld in een onderzoeksgroep ten behoeve van deelname aan het experiment met de inspanningsplicht in de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045); - **inspanningsplicht:** de plichten die gericht zijn op bevordering van inschakeling in de arbeid, als bedoeld in de [artikelen 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° en 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24) en [26, onderdelen e en f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=26); - **uitkering:** een uitkering op grond van [hoofdstuk II van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&hoofdstuk=II); - **wet:** [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045). Artikel 2. Doel experiment Bij wijze van experiment als bedoeld in [artikel 130, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=130) voert het UWV een onderz"},{"i":5707,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 10 juni 2013, nr. 2013-000329677, houdende regels voor de verstrekking van subsidies voor experimenten en kennisoverdrachtactiviteiten op het terrein van het rijksbeleid met betrekking tot het bouwen, het wonen en de woonomgeving (Subsidieregeling experimenten en kennisoverdracht wonen 2013) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdelen a, b, d en f, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, vijfde lid, onderdeel b, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), en [14 van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister voor Wonen en Rijksdienst; - b. **Commissie:** Commissie van de Europese Gemeenschappen; - c. **de-minimis verordening 1998/2006:** [verordening (EG) nr. 1998/2006](32006R1998) van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving Artikel 2 De minister kan subsidie verstrekken aan rechtspersonen die experimenten uitvoeren of kennisoverdrachtactiviteiten verrichten gericht op: - a. het scheppen van randvoorwaarden voor een goed functionerende woningmarkt, - b. het versterken van de positie van de woonconsument, - c. het bevorderen van de kwaliteit van de leefomgeving, of - d. het waarborgen van de minimale kwaliteit van gebouwen en het verbeteren van de kwaliteit van gebouwen, met inbegrip van het stimuleren van energiebesparing. § 2. Het subsidieplafond Artikel 3 1. Het subsidieplafond bedraagt ten hoogs"},{"i":1765,"b":"Besluit van het bestuur van het Productschap Tuinbouw van 28 juni 2005, houdende de vaststelling van een vakheffing voor bloemkwekerijproducten voor het jaar 2006 (Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2006) gelet op de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=95) en [126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126); gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=3), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=7) en [14 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=14); gehoord de Sectorcommissie voor bloemkwekerijproducten, d.d. 18 mei 2005; Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=1) en [2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016235&artikel=2). 2. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van [artikel 1:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=1:1) en [artikel 3:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&artikel=3:1), en de werkwijze zoals beschreven in [hoofdstuk 3 van de verordening PT algemene bepalingen 2003](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016684&hoofdstuk=3). 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: | a. de bloemkwekerijproducten | : | siergewassen, bloemzaden daaronder begrepen, in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van: | | --- | --- | --- | | b. het uitgangsmateriaal | : | planten en plantendelen van bloemkwekerijproducten welke bestemd zijn voor de teelt van gebruiksklare (voor de consument geschikte) bloemkwekerijproducten, zoals stekken, zaaikisten en weefselkweekplanten | | c. het"},{"i":5855,"b":"Besluit van 17 mei 2019, houdende tijdelijke regels inzake de opleiding, deskundigheid en tijdelijke zelfstandige bevoegdheid tot het verrichten van voorbehouden handelingen door de geregistreerd-mondhygiënist (Tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid geregistreerd-mondhygiënist) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 20 december 2018, kenmerk 1461389-185525-WJZ; Gelet op de [artikelen 5, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=5), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=11), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34), [36a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=36a), [36b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=36b), [42, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=42) en [94 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=94); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 maart 2019, no.W13.18.0406/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 16 mei 2019, kenmerk 1525675-185525-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling § 2. Opleiding § 3. Deskundigheid § 4. Voorbehouden handelingen § 5. Overige bepalingen Artikel 9 1. Alvorens een verklaring af te geven als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042257&paragraaf=1&artikel=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01), wint Onze Minister advies in van de commissie. 2. De commissie onderzoekt en laat Onze Minister weten of naar haar oordeel voldaan is aan de vereisten, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042257&paragraaf=1&artikel=3&z=2023-01-01&g=2023-01-01). 3. De [artikelen 3a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007397&artikel=3a), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007397&artikel=5), [6]"},{"i":5983,"b":"Besluit van 30 augustus 2025, houdende regels voor de openbaar te maken gegevens in geval van openbaarmaking van boetebesluiten van de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, wijziging van het Besluit politiegegevens met het oog op het introduceren van een grondslag voor gegevensdeling door de politie, alsmede vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 13 en 16 van de Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud (Uitvoeringsbesluit verordening terroristische online-inhoud) [KetenID WGK027198] Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 16 mei 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6378804; Gelet op de [artikelen 13, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048064&artikel=13), en [22 van de Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048064&artikel=22) en [artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=18); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 juni 2025 met nummer W16.25.00115/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 19 augustus 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6541114; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Definitie In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **wet:** [Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048064). Artikel 2. Plaats en duur openbaarmaking 1. Indien de Autoriteit besluit tot openbaarmaking van een beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete, wordt de beschikking, bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048064&artikel=12), door de Autoriteit geplaatst op een website met informatie van de Autoriteit. 2. Onderdelen van de beschikking, bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048064&art"},{"i":5862,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 23 oktober 2018, kenmerk 1436906-183117-GMT, houdende vaststelling van tijdelijke beleidsregels inzake de Wet geneesmiddelen prijzen in verband met het van toepassing worden van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/161 (Tijdelijke beleidsregels maximumprijzen geneesmiddelen in verband met gedelegeerde verordening 2016/161) Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867&artikel=3) en Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/161 van de Commissie van 2 oktober 2015 tot aanvulling van [Richtlijn 2001/83/EG](32001L0083) van het Europees Parlement en de Raad door de vaststelling van gedetailleerde regels voor de veiligheidskenmerken op de verpakking van geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PbEU 2016, L 32); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. **regeling:** de [Regeling maximumprijzen geneesmiddelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008023); - b. **apotheekinkoopprijs:** de prijs zoals deze is weergegeven in de G-Standaard van Z-Index per 1 oktober 2018, eventueel gecorrigeerd met de daarbij inbegrepen toelage voor eenheidsafleververpakking (EAV) of eenheidsafleveringsgeschikte verpakking (EAG); - c. **maximumprijs:** de maximumprijs die is opgenomen in de [bijlage bij de Regeling maximumprijzen geneesmiddelen](onbekend), zoals die gold op 1 oktober 2018. Artikel 2 1. Een verzoek als bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Wet geneesmiddelenprijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007867&artikel=3) wordt toegewezen indien: - a. de verzoeker voor het geneesmiddel waarop het verzoek betrekking heeft in 2018 een geschat volume heeft van minder dan 250.000 verpakkingen en - b. het verschil tussen de maximumprijs per verpakking en de apotheekinkoopprijs: - 1°. bij een geschat volume in 2018 van minder dan 100.000 verpakkingen kleiner is dan € 0,34 en € 0,34 3% of meer is van de apotheekinkoopprijs; - 2°. bij een geschat"},{"i":5856,"b":"Besluit van 17 oktober 2013, houdende tijdelijke regels inzake de opleiding, deskundigheid en tijdelijke zelfstandige bevoegdheid tot het verrichten van voorbehouden handelingen van de klinisch technoloog (Tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid klinisch technoloog) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 augustus 2013, nr. 142358-108606-WJZ; Gelet op [artikel 36a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=36a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 september 2013, no. W13.13.0304/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 oktober 2013, nr. 156089-111111-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251); - b. **Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs:** het register, genoemd in [artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.13); - c. **commissie:** de commissie, bedoeld in [artikel 1, onderdeel c, van het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007397&artikel=1). § 2. Aanwijzing en titel Artikel 2 1. Als bevoegd tot het verrichten van handelingen als bedoeld in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034177&paragraaf=5&artikel=7&z=2017-01-01&g=2017-01-01) wordt de klinisch technoloog aangewezen. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt voor een termijn van vijf jaar, en wordt slechts verlengd voor maximaal vijf jaar bij toepassing van [artikel 36a, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=36a). Artikel 3 1. Het recht tot het voeren van de titel klinisch technoloog is voorbehouden aan degen"},{"i":6004,"b":"Uniform reglement gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken De gerechtshoven zijn bij elkaar te rade gegaan teneinde in aanvulling op de wettelijke regels te voorzien in een eenvormig reglement voor de voortgang van rekestprocedures in familiezaken. De gerechtshoven hebben zich ten doel gesteld te komen tot een reglement dat bijdraagt aan een behoorlijke en doelmatige voortgang van de rekestprocedures in familiezaken. Daartoe gelden met ingang van 1 januari 2000 de volgende regels. Artikel 1. Wijze van indiening 1. Stukken in rekestzaken kunnen bij het hof worden ingediend op de volgende wijzen: - **Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch:** - a. per post, postbus 70583, 5201 CZ’ s-Hertogenbosch, - b. per fax, nummer 073-6204283 (liefst zonder bijlagen, met uitzondering van de beschikking waarvan beroep), - c. in handen aan de centrale info balie, Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch, kamer A-1.32 op werkdagen tussen 08.00 en 17.00 uur. - **Gerechtshof te Arnhem:** - a. per post, postbus 9030, 6800 EM Arnhem. - b. per fax, nummer 026-3592384 (liefst zonder bijlagen, met uitzondering van de beschikking waarvan beroep), - c. in handen, aan de Infobalie Paleis van Justitie, Walburgstraat 2-4, Arnhem, op werkdagen van 08.00 uur - 17.00 uur. - **Gerechtshof te ’s-Gravenhage:** Balie eerste etage. Openingstijden 8.30 u - 17.00 u op werkdagen - a. per post, postbus 20302, 2500 EH Den Haag. - b. per fax, nummer 070-3813256 (liefst zonder bijlagen, met uitzondering van de beschikking waarvan beroep), - c. in handen, aan de balie van de griffie, Prins Clauslaan 60, 2595 AJ Den Haag. - **Gerechtshof te Amsterdam:** - a. per post, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, - b. per fax, nummer 020-5413423 (liefst zonder bijlagen, met uitzondering van de beschikking waarvan beroep), - c. in handen, aan de balie van de griffie, Prinsengracht 436 te Amsterdam, kamer 17 op werkdagen tussen 9.00 en 15.00 uur. - **Gerechtshof te Leeuwarden:** - a. per post, postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden,"},{"i":5854,"b":"Besluit van 28 september 2023 ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2022/2576 inzake de bevordering van solidariteit via een betere coördinatie van de aankoop van gas, betrouwbare prijsbenchmarks en de uitwisseling van gas over de grenzen heen en Verordening (EU) nr. 2022/2578 tot vaststelling van een marktcorrectiemechanisme (Tijdelijk besluit uitvoering energiemarktverordeningen) Op voordracht van Onze Minister van Financiën van 17 juli 2023, 2023-0000160226, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister voor Klimaat en Energie; Gelet op [Verordening (EU) nr. 2022/2576](32576R2022) van de Raad van 19 december 2022 inzake de bevordering van solidariteit via een betere coördinatie van de aankoop van gas, betrouwbare prijsbenchmarks en de uitwisseling van gas over de grenzen heen (PbEU 2022, L 335) en [Verordening (EU) nr. 2022/2578](32578R2022) van de Raad van 22 december 2022 betreffende de vaststelling van een marktcorrectiemechanisme om de burgers van de Unie en de economie te beschermen tegen buitensporig hoge prijzen (PbEU 2022, L 335) en de [artikelen 1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:79, eerste lid, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), en [1:80, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 16 augustus 2023, nr. W06.23.00224/III); Gezien het nadere rapport van Onze Minister van Financiën van 12 september 2023, 2023-0000195336, directie Financiële Markten, uitgebracht mede namens Onze Minister voor Klimaat en Energie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **Verordening (EU) nr. 2022/2576:** [Verordening (EU) nr. 2022/2576](32576R2022) van de Raad van 19 december 2022 inzake de bevordering van solidariteit via een betere coördinatie"},{"i":5954,"b":"Besluit van 29 augustus 2005 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 15 augustus 2005, nr. WDB 2005/489M; Gelet op [artikel 38a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=38a); De Raad van State gehoord (advies van 24 augustus 2005, nr. W06.05.0382IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 26 augustus 2005, nr. WDB 2005/489M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Reikwijdte en definitie 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen [21b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=21b), [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=32), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=38), [38a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=38a) en [46 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=46). 2. Dit besluit verstaat onder: - a. wet: [Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472); - b. Hulp- en informatiepunt: een rechtspersoon die belanghebbenden hulp biedt bij het aanvragen van een tegemoetkoming en belanghebbenden informeert over een tegemoetkoming en waarmee de Dienst Toeslagen een overeenkomst als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming heeft gesloten; - c. Verordening (EG) nr. 883/2004: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166); - d. Verordening (EG) nr. 987/2009: Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de"},{"i":1807,"b":"Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten tot codificatie en aanvulling van het fiscale kwalificatiebeleid inzake buitenlandse rechtsvormen en tot afschaffing van de zelfstandige belastingplicht van de open commanditaire vennootschap (Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen om het fiscale kwalificatiebeleid inzake rechtsvormen wettelijk te verankeren en aan te vullen en tevens het toestemmingsvereiste bij de kwalificatie van rechtsvormen te laten vervallen waardoor geen zelfstandige vennootschapsbelastingplicht van personenvennootschappen meer mogelijk is; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel III wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel IV wijzigt de Wet bronbelasting 2021. Artikel V wijzigt de Successiewet 1956. Artikel VI wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VII wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel VIII wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. Artikel IX 1. Voor de toepassing van de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) wordt een open commanditaire vennootschap als bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2) zoals dat luidde op 31 december 2024, die als gevolg van deze wet met ingang van 1 januari 2025 niet langer onderworpen is aan de vennootschapsbelasting op grond van de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel"},{"i":5953,"b":"Uitvoering wachtgeldvutmaatregel en wachtgeldvutgarantie Circulaire aan de Ministers Inleiding Bij mijn [circulaire](onbekend) van 7 april 1995, nummer AD95/U289 informeerde ik U onder andere over de toepassing van de wachtgeldvutmaatregel en de wachtgeldvutgarantie gedurende de periode tussen 1 april 1995 en 1 januari 1996 en voor wat een aantal met name genoemde reorganisaties (Stb. 1996, 431) betreft, gedurende de periode tussen 1 april 1995 en 1 januari 1997. Zoals U bekend is, is de VUT-regeling per 1 april 1997 vervangen door een regeling van flexibel pensioen en uittreden (FPU). Om die reden is het vanaf 1 april 1997 voor ambtenaren die de wachtgeldvutmaatregel of de wachtgeldvutgarantie is toegezegd, niet meer mogelijk om de VUT-regeling in te stromen. In plaats daarvan ontvangen zij - zodra zij voldoen aan de gestelde criteria voor een VUT-uitkering1De ambtenaar kon aanspraak maken op een VUT-uitkering:–bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar indien hij een niet onderbroken diensttijd heeft van tenminste 10 jaren die direct voorafgaat aan de datum van het ontslag, of;–bij een diensttijd van 40 jaren een FPU-uitkering. Ambtenaren die reeds voor 1 april 1997 de VUT-regeling zijn ingestroomd blijven aanspraak maken op een VUT-uitkering. Middels deze circulaire informeer ik U thans over de uitvoering van de wachtgeldvutmaatregel en de wachtgeldvutgarantie vanaf 1 april 1997. Betekenis wachtgeldvutmaatregel en wachtgeldvutgarantie De wachtgeldvutmaatregel is een maatregel die op het niveau van het Centraal georganiseerd overleg in ambtenarenzaken is overeengekomen voor de gehele overheid. De maatregel is destijds neergelegd in de Wet van 28 september 1989 (Stb. 478) en voorziet erin dat ambtenaren van 55 jaar of ouder aan wie reorganisatie-ontslag is verleend met aanspraak op een wachtgelduitkering in kunnen stromen in de VUT regeling zodra zij voldoen aan de eisen voor een VUT-uitkering. De wachtgeldvutmaatregel heeft een werkingsduur van 1 juli 1987 tot e"},{"i":2410,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 12 september 2018, nr. IENW/BSK-2018/183049, houdende vaststelling van regels voor experimenten in het kader van vergaand geautomatiseerd varen op rijksvaarwegen (Beleidsregel experimenten vergaand geautomatiseerd varen rijksvaarwegen) Gelet op [artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.23) en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen en reikwijdte 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **experiment:** tijdelijke mogelijkheid om met een schip een praktijktest met vergaand geautomatiseerd varen uit te voeren; - –. **experimenteerpartij:** natuurlijk persoon of rechtspersoon die toestemming heeft gekregen om een experiment uit te voeren; - –. **experimenteerplan:** plan als bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041357&artikel=2&z=2018-10-01&g=2018-10-01); - –. **rijksvaarweg:** Nederlandse vaarweg waarvoor het Rijk de bevoegde autoriteit is; - –. **toestemming:** besluit als bedoeld in [artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=1.23) op grond waarvan een experiment mag worden uitgevoerd; - –. **vergaand geautomatiseerd varen:** varen met een schip waarbij bepaalde menselijke taken worden overgenomen door één of meerdere geautomatiseerde toepassingen. 2. Deze beleidsregel is van toepassing op een experiment waarbij met een schip vergaand geautomatiseerd wordt gevaren en door de te testen geautomatiseerde toepassing de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar kan worden gebracht. 3. Er worden geen experimenten met watervliegtuigen toegestaan. Artikel 2. Aanvraag 1. Een natuurlijk persoon of rechtspersoon kan een aanvraag voor een toestemming indienen bij de Directeur-Generaal Rijkswaterstaat. 2. Een to"},{"i":1821,"b":"Wet van 27 april 1989, houdende inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting en in aanvulling op die wet wijzigingen van de loonbelasting en de inkomstenbelasting inzake vaststelling van het tarief en beperking van de aftrekbaarheid van gemengde kosten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen voor de inwerkingtreding van de [Wet vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004536) en in aanvulling daarop voor die belastingen een tarief vast te stellen en beperkingen aan te brengen in de aftrekbaarheid van gemengde kosten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I A. De [Wet vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004536) (**Stb.** 1989, 122) treedt inwerking met ingang van 1 januari 1990, met dien verstande dat: - a. het in [artikel I, onderdeel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004537&artikel=I&z=1991-01-01&g=1991-01-01) GGG, van die wet opgenomen artikel 66**a** van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (**Stb.** 519) voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot middelingstijdvakken die op of na die datum aanvangen; - b. artikel III van die wet toepassing vindt met ingang van 1 januari 1991; - c. artikel IV van die wet voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot de heffing over het jaar dat aanvangt met of in het kalenderjaar 1990; - d. het in artikel V, onderdeel B, van die wet opgenomen [artikel 3, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002515&artikel=3) (**Stb.** 621) toepassing vindt met ingang van de datum van uitgifte van het"},{"i":1824,"b":"Wet van 20 december 2023 tot invoering van een minimumbelasting en wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PbEU 2022, L 328/1) (Wet minimumbelasting 2024) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter implementatie van [Richtlijn (EU) 2022/2523](32022L2523) van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PbEU 2022, L 328/1); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Vindt voor het eerst toepassing m.b.t. verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2023. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Minimumbelasting Onder de naam minimumbelasting worden van in Nederland gevestigde groepsentiteiten als bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&hoofdstuk=2&artikel=2.1&z=2026-04-11&g=2026-04-11), de volgende belastingen geheven: - a. binnenlandse bijheffing, volgens de regels van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&hoofdstuk=3&z=2026-04-11&g=2026-04-11); - b. inkomen-inclusiebijheffing, volgens de regels van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&hoofdstuk=4&z=2026-04-11&g=2026-04-11); - c. onderbelastewinstbijheffing, volgens de regels van [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049111&hoofdstuk=5&z=2026-04-11&g=2026-04-11). Artikel 1.2. Definities 1. Voor de toepassin"},{"i":6107,"b":"Vreemdelingencirculaire 2000 (C) C1. Asiel algemeen 1. Inleiding In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van de [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), [30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30a), [30b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30b), [30c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30c), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=36), [37 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=37) en van de [artikelen 3.107b tot en met 3.121 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.107). De IND behandelt de informatie die de vreemdeling verstrekt op grond van [artikel 31, tweede lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) strikt vertrouwelijk met inachtneming van de AVG en de privacyreglementen voor de geautomatiseerde informatiesystemen, waarin de vreemdeling is geregistreerd. De IND verstrekt geen informatie over de vreemdeling aan derden, anders dan op grond van wettelijke verplichtingen of met de uitdrukkelijke toestemming van de vreemdeling. De IND verzoekt de vreemdeling om toestemming om het dossier van de vreemdeling door te zenden naar de Officier van Justitie, in ieder geval als: De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen maakt op grond van [artikel 4.29 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) geen aantekeningen in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling over de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling. Dit geldt in ieder geval voor de vreemdeling: De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen mag een aantekening maken in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling over de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de vreemdeling geen asielpro"},{"i":1825,"b":"Wet van 24 december 1970, houdende vervanging van de wetgeving betreffende de registratie- en de zegelbelasting door een nieuwe wettelijke regeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving betreffende de registratie- en de zegelbelasting te vervangen door een meer overzichtelijke en aanzienlijk vereenvoudigde nieuwe wettelijke regeling, welke is aangepast aan de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) (**Stb.** 1959, 301) en aan de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (**Publikatieblad** van 3 oktober 1969); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepaling Artikel 1 Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven: - a. een overdrachtsbelasting; - b. een assurantiebelasting. Hoofdstuk II. Overdrachtsbelasting Afdeling 1. Belastbaar feit Artikel 2 1. Onder de naam 'overdrachtsbelasting' wordt een belasting geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder verkrijging mede begrepen de verkrijging van de economische eigendom. Onder economische eigendom wordt verstaan een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen, dat een belang bij die zaken of rechten vertegenwoordigt. Het belang omvat ten minste enig risico van waardeverandering en komt toe aan een ander dan de eigenaar of beperkt gerechtigde. Onder de verkrijging van de economische eigendom van onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen wordt mede verstaan de verkrijging v"},{"i":2954,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 september 2007, nr. MC-U- 2794140, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake afschaffen lumpsum externe honorering lokale initiatieven Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na in de brief ‘Voorhang aanwijzing uurtarief medisch specialisten’ (d.d. 9 februari 2007, Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800 XVI, nr. 129) en de brief van ‘Waardering voor betere zorg’ (d.d. 13 juni 2007, Kamerstukken II, 2006–2007, 29 248, nr. 37) schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal; Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op de zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw) die wordt geleverd door instellingen voor medisch specialistische zorg en zorgaanbieders die geneeskundige zorg leveren zoals medisch specialisten die bieden, te onderscheiden naar categorieën van specialismen overeenkomstig het onderscheid zoals dat wordt gemaakt in het specialistenregister van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, zoals dat register luidt op het tijdstip van vaststelling van een tarief of een prestatiebeschrijving door de Nederlandse Zorgautoriteit voor het desbetreffende specialisme. Artikel 2 De zorgautoriteit schaft, ter uitvoering van deze aanwijzing, per 1 januari 2008 de beleidsregels af die betrekking hebben op de lumpsum externe honorering lokale initiatieven vrijgevestigde medisch specialisten en vrijgevestigde psychiaters. Artikel 3 Voor de voorlopige en definitieve verrekening van de lumpsum over de jaren waarvoor VWS de raamovereenkomst heeft goedgekeurd, stelt de zorgautoriteit een afwikkelingstraject vast. Daarbij heeft de zorgautoriteit aandacht voor onderhandenwerk ultimo 2007. Artikel 4 Deze aanwijzing treedt terstond in werking en wordt m"},{"i":2746,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, januari 2010 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand januari 2010, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,875 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 januari 2010, doch niet later dan 15 februari 2010 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,221 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 januari 2010 en eindigende met 15 februari 2010 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.n"},{"i":1833,"b":"Wet van 21 juli 1966, houdende vervanging van de Motorrijtuigenbelastingwet (Stb. 1926, 464) door een nieuwe wettelijke regeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving betreffende de motorrijtuigenbelasting aan te passen aan de [Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320) en voorts op enkele punten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Belastbaar feit Artikel 1 Onder de naam \"motorrijtuigenbelasting\" wordt een belasting geheven ter zake van het gebruik van de weg: - a. met een motorrijtuig op twee wielen; - b. met een motorrijtuig dat op de voet van [artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=3) wordt aangemerkt als een personenauto; - c. met een ander motorrijtuig dan is bedoeld onder letter **a** of **b**, door daarmede op de weg te rijden. Artikel 2 1. Onder motorrijtuig wordt verstaan het rij- of voertuig dat is bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het rij- of voertuig zelf aanwezig. 2. Met afwijking van het eerste lid wordt niet als motorrijtuig aangemerkt een bromfiets in de zin van de wegenverkeerswetgeving. 3. Onder weg wordt verstaan elke voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande weg en elk zodanig pad, de in de weg of het pad liggende bruggen en duikers alsmede de tot de weg behorende paden en bermen of zijkanten. 4. Als weg wordt niet aangemerkt een weg of pad, niet in beheer bij een publiekrechtelijk lichaam. Artikel 3 1. De belasting wordt geheven voor elk motorrijtuig afzonderlijk. 2. Onze Minister kan, onder door hem te stellen voorwaarden, met betrekking tot motorrijtuigen"},{"i":1834,"b":"Wet van 16 december 1993, tot vaststelling van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002534) te vervangen door een wet ingevolge welke de motorrijtuigenbelasting voor personenauto's, bestelauto’s en motorrijwielen ter zake van het houden van die motorrijtuigen wordt geheven en voor andere motorrijtuigen ter zake van het rijden op de weg; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Afdeling 1. Belastbaar feit Artikel 1 1. Onder de naam «motorrijtuigenbelasting» wordt een belasting geheven ter zake van het houden van een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel, een vrachtauto of een autobus. 2. Voor motorrijtuigen die behoren tot een bedrijfsvoorraad en voor motorrijtuigen die voor het verrichten van werkzaamheden daaraan bij een herstelbedrijf zijn, kan de belasting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden met betrekking tot het gebruik, in afwijking van het eerste lid worden geheven ter zake van de ten behoeve van die motorrijtuigen opgegeven kentekens als bedoeld in [artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=37). Afdeling 2. Definities Artikel 2 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. motorrijtuig: een voertuig dat is bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig aanwezig, met uitzondering van: - 1°. een bromfiets in de zin van [artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1); - 2°. een fiets met traponder"},{"i":1836,"b":"Wet van 8 oktober 1969, houdende vervanging van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 door een nieuwe wettelijke regeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 door een meer overzichtelijke en op verschillende punten herziene wettelijke regeling te vervangen en in samenhang daarmede het Besluit op de Commissarissenbelasting 1941 te doen vervallen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Belastingplicht Artikel 1 Onder de naam 'vennootschapsbelasting' wordt een directe belasting geheven van de lichamen vermeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&hoofdstuk=I&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&hoofdstuk=I&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Artikel 2 1. Als binnenlandse belastingplichtigen zijn aan de belasting onderworpen de in Nederland gevestigde: - a. naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid; - b. coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag; - c. onderlinge waarborgmaatschappijen en verenigingen welke op onderlinge grondslag als verzekeraar of bank optreden; - d. verenigingen en stichtingen die op de voet van de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181) bij koninklijk besluit zijn toegelaten als instellingen die in het belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn; - e. hiervoor niet genoemde verenigingen en stichtingen alsmede kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd; - f. fondsen voor gemene rekening; - g. Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen, niet zijnde de Staat, die niet al op grond van de onderdelen a, b, c, d of e belastingplichtig zijn; - h. naar het recht van een an"},{"i":1835,"b":"Wet op de omzetbelasting 1968 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de richtlijnen van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelasting (**Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen** van 14 april 1967) aanleiding zijn de bestaande omzetbelasting volgens het cumulatieve cascadestelsel te vervangen door een omzetbelasting volgens het stelsel van heffing over de toegevoegde waarde; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1 Onder de naam 'omzetbelasting' wordt een belasting geheven ter zake van: - a. leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht; - b. intracommunautaire verwervingen van goederen onder bezwarende titel in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer en door rechtspersonen, andere dan ondernemers; - c. intracommunautaire verwervingen onder bezwarende titel, anders dan in de zin van onderdeel **b**, van nieuwe vervoermiddelen in Nederland; - d. invoer van goederen. Artikel 1a 1. [Artikel 1, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&hoofdstuk=I&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is niet van toepassing wanneer het verworven goed: - a. is geleverd door een ondernemer op wie de vrijstellingsregeling, bedoeld in artikel 284 van de BTW-richtlijn 2006, van toepassing is; - b. is geleverd in de zin van [artikel 3, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&hoofdstuk=II&afdeling=1&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - c. is geleverd met toepassing van [artikel 5a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&hoofdstuk=II&afdeling=1a&artikel=5a&z=2026-01-01&g=2026-"},{"i":3908,"b":"Besluit van 4 juli 1989, houdende vaststelling van het Besluit opneming buitenlandse pleegkinderen en wijziging van het Uitvoeringsbesluit Kinderbescherming Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 30 maart 1989, Hoofdafdeling Privaatrecht nr. 156/189; Gelet op de artikelen 4, onder **d**, 5, derde lid, 7, achtste lid, en 16, achtste lid, van de Wet houdende regelen inzake de opneming in Nederland van buitenlandse pleegkinderen met het oog op adoptie ([Wet opneming buitenlandse pleegkinderen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447))(**Stb.** 1988, 566); De Raad van State gehoord (advies van 27 juni 1989, nr. W03.89.0169); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 29 juni 1989, Hoofdafdeling Privaatrecht, nr. 309/189; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Vastgesteld worden de volgende bepalingen, die kunnen worden aangehaald als: Besluit opneming buitenlandse pleegkinderen. Artikel 1 Onze Minister wijst, ter uitvoering van [artikel 5, tweede lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=5), een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid aan, die krachtens zijn doelstelling tot taak heeft algemene voorlichting te verstrekken aan aspirant-adoptiefouders die een verzoek tot verlening van een beginseltoestemming hebben ingediend, hierna te noemen: aangewezen rechtspersoon. Artikel 2 De aan te wijzen rechtspersoon moet aan de volgende eisen voldoen: - a. hij heeft zich verzekerd van de diensten van geschoolde voorlichters die bekend zijn met de gang van zaken op het gebied van interlandelijke adoptie; - b. hij is op geen enkele wijze betrokken bij de bemiddeling inzake de opneming van buitenlandse kinderen ter adoptie en is ook overigens in staat tot een onafhankelijke vervulling van zijn taak; - c. zijn organisatie is op zodanige wijze opgezet dat redelijkerwijze te verwachten is dat zijn werkzaamheden kunnen worden bekostigd uit de bijdragen v"},{"i":2820,"b":"Beschikking van de Minister van Justitie van 22 september 1956, houdende vaststelling van bepalingen nopens het genot van een vacatiegeld van de door de Kroon benoemde leden van het Hof van Discipline bedoeld in de Advocatenwet Gelet op artikel 60, eerst lid, van de [Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093) (**Stb.** 1952, 365); Besluit: Artikel 1 De voorzitter van het Hof van Discipline bedoeld in de [Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093), geniet een vacatiegeld van f 150,- per 1 januari 1995: fl 380,-per 1 januari 1996 fl 560,- voor elke dag, waarop hij een vergadering bijwoont. Artikel 2 De overige door de Koningin benoemde leden en de door de Koningin benoemde plaatsvervangende leden van het Hof van Discipline genieten voor elke dag, waarop zij een vergadering bijwonen, een vacatiegeld van f 100,- per 1 januari 1995: fl 310,-per 1 januari 1996 fl 420,-, of voor zover zij de voorzitter vervangen, van f 150,- per 1 januari 1995: fl 380,-per 1 januari 1996 fl 560,-. Artikel 3 De beschikking van 28 april 1953 (**Stb.** 196) wordt ingetrokken. Artikel 4 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst"},{"i":2670,"b":"Beoordelingswijze piekgeluiden voor spoorwegemplacementen Circulaire aan: - Colleges van Burgemeesters en Wethouders - Colleges van Gedeputeerde Staten Geacht College, In deze circulaire adviseer ik u over de vergunningverlening aan spoorwegemplacementen op grond van [hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer](onbekend) (Wm) met betrekking tot activiteiten die piekgeluiden veroorzaken. Ik adviseer u deze geluiden in het vervolg te beoordelen op een nieuwe wijze die in deze circulaire wordt beschreven. Hiermee wordt de beoordelingswijze van piekgeluiden voor spoorwegemplacementen op basis van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening [3] (blz. 17 e.v.) op dit punt verlaten. De nieuwe beoordelingswijze van piekgeluiden geeft naar mijn oordeel afdoende bescherming tegen optredende schrik- en ontwaakreacties. Om de kans op schrikreacties te verkleinen, adviseer ik u zonodig een straffactor toe te passen op het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) voor de betreffende etmaalperiode, het aantal geluidgebeurtenissen met een stijgsnelheid groter dan 15 decibel per seconde (dB/s) te beperken en/of de stijgsnelheid zelf te beperken. Teneinde de kans op ontwaakreacties te beperken adviseer ik u om wanneer de noodzaak daartoe aanwezig is, een aanvullende eis te stellen aan het equivalente geluidsniveau gedurende de nachtperiode (Lnight). De in deze brief voorgestelde andere beoordelingswijze van piekgeluiden moet worden bezien in het licht van een bredere aanpak van de milieuproblematiek van het spoor. Kortheidshalve verwijs ik u in dit verband naar de gezamenlijke brief van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en ondergetekende die binnenkort aan de Voorzitter van de Tweede Kamer wordt verzonden. 1. Schets van de problematiek In ons land zijn ca. 100 spoorwegemplacementen die op grond van [hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=8)(Wm) vergunningplichtig zijn. Op deze spoorwegemplacementen vinden act"},{"i":6693,"b":"Wet van 28 maart 2013 tot wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met het permanent maken van de [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431) die wet voor onbepaalde tijd te verlengen alsmede die wet en diverse andere wetten te wijzigen met het oog op het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijziging en verlenging van de [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431) Hoofdstuk 2. Wijziging van diverse wetten § 2.1. Vermindering van lasten Artikel 2.1.1 Wijzigt de Gemeentewet. Artikel 2.1.2 Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998. Artikel 2.1.3 Wijzigt de Ontgrondingenwet. Artikel 2.1.4 Wijzigt de Spoedwet wegverbreding. Artikel 2.1.5 Wijzigt de Tracéwet. Artikel 2.1.6 Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 2.1.7 Wijzigt de Wet bodembescherming. Artikel 2.1.8 Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel 2.1.9 Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel 2.1.10 Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel 2.1.11 Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 2.1.12 Wijzigt de Wijzigingswet Wet luchtvaart (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens). § 2.2. Verbetering besluitvorming Artikel 2.2.1 Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 2.2.2 Wijzigt de Wet geluidhinder. Artikel 2.2.3 Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel 2.2.4 Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel 2.2.5 Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening. § 2.3. Stimuleren ontwikkeling en we"},{"i":7427,"b":"Wet van 13 december 2000 tot wijziging van de regeling in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het naamrecht, de voorkoming van schijnhuwelijken en het tijdstip van de totstandkoming van de scheiding van tafel en bed alsmede van enige andere wetten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling in [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) en enige andere wetten met betrekking tot het naamrecht, de voorkoming van schijnhuwelijken, het tijdstip van de totstandkoming van scheiding van tafel en bed en enkele andere onderwerpen te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze; Artikel I Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IV Wijzigt de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Artikel V Wijzigt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Artikel VI Op een beslissing tot scheiding van tafel en bed dan wel op een beëindiging van een scheiding van tafel en bed van rechtswege door verzoening van de echtgenoten die voor het tijdstip van het in werking treden van [artikel I, onderdeel K](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011937&artikel=I&z=2001-06-01&g=2001-06-01), kon worden ingeschreven in het in [artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=116) aangewezen huwelijksgoederenregister, maar daarin niet ingeschreven is, blijven [artikel 173](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=173), onderscheidenlijk de [artikelen 177](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=177) en [179, eerste lid, tweede volzin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wette"},{"i":7406,"b":"Wet van 4 februari 2010 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek (opneming verhuiskostenvergoeding bij renovatie) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor huurders die moeten verhuizen in verband met renovatie een verhuiskostenvergoeding in [titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&titeldeel=4) op te nemen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II Deze wet is van toepassing op verhuizingen waarvan de datum op of na de datum van inwerkingtreding ligt. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6751,"b":"Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet financiële markten BES en de Wet toezicht trustkantoren in verband met de introductie van de geschiktheidseis en de versterking van de samenwerking tussen de toezichthouders in het kader van de geschiktheidstoets en de betrouwbaarheidstoets Allen, die deze zullen zien of horen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de term deskundigheid in de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368), de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883) en de [Wet toezicht trustkantoren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016189) te wijzigen in de term geschiktheid en de samenwerking in het kader van de betrouwbaarheidstoets en de geschiktheidstoets tussen de toezichthouders te versterken door het afstemmingsproces in de Wet op het financieel toezicht en de Wet financiële markten BES aan te scherpen en dat de geschiktheid van commissarissen van financiële ondernemingen getoetst kan worden door de toezichthouders; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet financiële markten BES. Artikel III Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren. Artikel IV 1. De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet binnen een financiële onderneming als bedoeld in [artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1) deel uitmaken van een orgaan dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van die financiële onderneming, worden tot het einde van hun op dat tijdstip lopende benoemingstermijn, doch uiterlijk tot 1 januari 2016, geacht geschikt te zijn in de zin van [artikel 3:8, tweed"},{"i":6852,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 14 februari 2008, nr. BenC 2007-1191 M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen persoonsdossiers belangrijke personen van het Ministerie van Financiën over de periode 1856–1985 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gezien het advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats d.d. 1 juni 2007; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden, worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen persoonsdossiers van belangrijke personen van het Ministerie van Financiën over de periode 1856–1985 met de inventarisnummers zoals opgenomen in de Bijlage, de in het [volgende artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023736&artikel=2&z=2008-04-10&g=2008-04-10) genoemde beperkingen gesteld voor een termijn van maximaal honderd jaren gerekend vanaf de geboortedatum. Artikel 2 Raadpleging van de in het [vorige artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023736&artikel=1&z=2008-04-10&g=2008-04-10) genoemde bescheiden is mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruikt gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt gepubliceerd. Bijlage | Inv.Nr. | Naam | Geboorte- jaar | Beperkt tot 1 januari | | --- | --- | --- | --- | | 3 | Andriessen, mr. F.H.J.J. | 1929 | 2030 | | 4 | Andriessen, M.C.A. | 1907 | 2008 | | 10 | Blanc, dr. L.J.C.N. | 1946 | 2047 | | 18 | Dediger, prof. dr. J.G. | 1909 | 2010"},{"i":7381,"b":"Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels rond bestuur en toezicht voor naamloze en besloten vennootschappen aan te passen en daarbij een stelsel vast te leggen waarbij een vennootschapsorgaan zowel uitvoerende als toezichthoudende bestuurders kent; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II Wijzigt de Uitvoeringswet verordening Europese coöperatieve vennootschap. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV 1. De algemene vergadering kan, indien een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet is vertegenwoordigd door het bestuur of een bestuurder terwijl er een tegenstrijdig belang was met een of meer bestuurders, die vertegenwoordiging bekrachtigen door de vertegenwoordiger of vertegenwoordigers daartoe aan te wijzen op of na de datum van inwerkingtreding van de wet. 2. Tenzij uit de wet anders voortvloeit, kan geen beroep worden gedaan op een statutaire regeling die inhoudt dat de naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid wordt vertegenwoordigd door een ander dan het bestuur of een bestuurder in alle gevallen waarin de vennootschap een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders. Artikel V Op arbeidsovereenkomsten gesloten voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is [artikel 132 lid 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=132) niet van toepassing. Artikel VI De [artikelen 132a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&art"},{"i":6743,"b":"Wet van 22 mei 1991, tot wijziging van diverse wetten in verband met vereenvoudiging van regelgeving en vergroting van gemeentelijke en provinciale beleidsvrijheid Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ten behoeve van gemeenten en provincies wettelijke regels aan te passen, ter bevordering van vereenvoudiging van regelgeving en vergroting van gemeentelijke en provinciale beleidsvrijheid; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XVIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XIX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XXI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XXII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XXIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel XXV 1. Ter zake van voorzieningen die in gebruik zijn genomen dan wel zijn voltooid voordat een jaar na inwerkingtreding van deze w"},{"i":7272,"b":"Wet van 9 juli 2014 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en enige andere wetten in verband met het verstrekken van een koopkrachttegemoetkoming aan lage inkomens (Wet koopkrachttegemoetkoming lage inkomens) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) een grondslag op te nemen om in het jaar 2014 een koopkrachttegemoetkoming te verstrekken aan personen met een laag inkomen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) Wijzigt de Wet werk en bijstand. Artikel II. [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen. Artikel III. [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel IV. Samenloop [Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enige andere wetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035385) Wijzigt deze wet. Artikel V. Samenloop [Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enige andere wetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035385) Wijzigt de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten. Artikel VI. Citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet koopkrachttegemoetkoming lage inkomens. Artikel VII. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal word"},{"i":6784,"b":"Woonplaatsverklaring, dubbele woonplaats, Nederlandse BV in Verenigd Koninkrijk gevestigd De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten Naar aanleiding van een verzoek om voorlichting heb ik mij beraden op de vraag of ten behoeve van een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap (BV X) waarvan de feitelijke leiding zich in het Verenigd Koninkrijk (VK) bevindt, voor de toepassing van verdragen met andere landen dan het VK een woonplaatsverklaring dient te worden afgegeven. Dienaangaande heb ik het volgende standpunt ingenomen. Aangezien de werkelijke leiding van BV X zich in het VK bevindt, is in relatie tot dat land sprake van een dubbele woonplaats. Art. 4, derde lid van het verdrag met het VK leidt ertoe dat BV X voor de toepassing van dit Verdrag als inwoner van het VK wordt aangemerkt. Op grond van de toewijzingsbepalingen van het verdrag kan BV X in Nederland nog slechts voor bepaalde in het verdrag aangewezen binnenlandse bronnen in de heffing worden betrokken. Dit heeft tot gevolg dat BV X, hoewel zij op grond van art. 2, eerste lid, letter a juncto vierde lid van de Wet Vpb. 1969 binnenlandse belastingplichtige is en de meeste door Nederland gesloten belastingverdragen in beginsel aansluiten bij de nationale regels voor de binnenlandse belastingplicht, voor de toepassing van de belastingverdragen met andere landen dan het VK, in ieder geval voor zover deze verdragen een bepaling bevatten overeenkomstig art. 4, eerste lid van het OESO-modelverdrag 1977, naar mijn mening niet als inwoner van Nederland is aan te merken. In de slotzin van laatstgenoemde bepaling wordt namelijk een uitzondering gemaakt voor personen die slechts belast kunnen worden voor inkomsten uit bepaalde binnenlandse bronnen. Nu het Verdrag met het VK tot gevolg heeft dat de Nederlandse belastingplicht van BV X zich nog slechts uitstrekt tot binnenlandse bronnen, is op de vennootschap voor verdragen met derde landen de hierbove"},{"i":6722,"b":"Wet van 7 april 2021 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in verband met het niet meer opleggen van het alcoholslotprogramma in het bestuursrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de bepalingen over oplegging van het alcoholslotprogramma in het bestuursrecht te schrappen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994. Artikel II Wijzigt de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI Wijzigt de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994, enz. (invoeringrijbewijsplicht landbouw- en bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid (T-rijbewijs)). Artikel VII De bepalingen over het alcoholslotprogramma zoals die golden voor de inwerkingtreding van deze wet blijven van toepassing op de rijbewijshouder aan wie de verplichting is opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma tot het tijdstip waarop hij de beschikking heeft gekregen over een rijbewijs zonder de voor deelname aan het alcoholslotprogramma vastgestelde codering. Artikel VIII Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7452,"b":"Wet van 18 december 2024 tot wijziging van de Wet op de huurtoeslag (vereenvoudiging van de huurtoeslag) Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels omtrent de huurtoeslag te vereenvoudigen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de huurtoeslag. Artikel Ia* Wijzigt de Woningwet. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met uitzondering van [artikel I, onderdelen E, onder 2, en I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050583&artikel=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01), die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Artikel Ia Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6785,"b":"Ziektekostentegemoetkoming per 1 januari 1997 «Circulaire aan de Ministers» De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. I. Samenvatting In deze circulaire worden de ziektekostentegemoetkomingen bekendgemaakt zoals deze per 1 januari 1997 voor betrokkene (en zijn medebetrokkenen) gaan gelden. Het bedrag van de inkomenstoeslag en de aanvullende toeslag, als bedoeld in het [Besluit inkomenstoeslag rijkspersoneel](onbekend) (BIR), blijft ongewijzigd. II. Inleiding De tegemoetkoming die op basis van het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](onbekend) (BTZR) aan de desbetreffende ambtenaar wordt toegekend, is per maand gelijk aan de som van een basisbedrag en de helft van de MOOZ-omslagbijdrage en van de WTZpooling. Jaarlijks wordt deze tegemoetkoming per 1 januari aangepast. Het basisbedrag wordt gewijzigd overeenkomstig het gewogen gemiddelde van de procentuele wijziging van de premies die door een aantal niet op winst-gerichte ziektekostenverzekeraars worden vastgesteld voor een verzekering tegen ziektekosten. Deze door Zorgverzekeraars Nederland berekende wijziging bestaat per 1 januari 1997 – ten opzichte van 1 januari 1996 – uit een stijging van 1,7%. De MOOZ-omslagbijdrage is eveneens verhoogd. Voor een volwassene bedraagt deze thans f 12,90 (was f 8,30) per maand. Het bedrag van de WTZ-pooling blijft ongewijzigd en bedraagt voor een volwassene f 27,00 per maand. III. Ziektekostentegemoetkomingen per 1 januari 1997 De tegemoetkomingen per maand, zoals die gelden vanaf 1 januari 1997, worden als volgt vastgesteld: a Voor (mede-)betrokkenen (bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder a, BTZR](onbekend)): b Voor één medebetrokken kind jonger dan 16 jaar (bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder b, BTZR](onbekend)): c Voor medebetrokken kinderen tussen 16 respectievelijk 18 en 27 jaar (bedoeld in [artikel 4, eerste lid, onder c, BTZR](onbekend)): IV. Inkomenstoeslag per 1 januari 1997 Het bedrag van de inkomenstoeslag en de aanvullende t"},{"i":6791,"b":"Ziektekostentegemoetkoming per 1 januari 2003 I. Samenvatting In deze circulaire wordt het niveau van de tegemoetkoming in de ziektekosten op basis van het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](onbekend) (Btzr) vanaf 1 januari 2003 bekendgemaakt. II. Inleiding In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1 juni 1999 - 1 augustus 2000 is vastgelegd dat de Btzr-tegemoetkoming wordt gehandhaafd op het niveau van 1999 tot het moment waarop het totaal van de helft van de MOOZ-bijdrage, de helft van de WTZ-bijdrage en 50% van het bedrag van de component 'polis' van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Plan Bureau ten behoeve van het Centraal Economisch Plan wordt geraamd, hoger is dan het niveau van 1999. Met ingang van 1 januari 2003 is het totaal van de helft van de MOOZ-bijdrage, de helft van de WTZ-bijdrage en 50% van het bedrag van de component 'polis' hoger dan het niveau van 1999. Met ingang van 1 januari 2003 zal de Btzr- tegemoetkoming worden vastgesteld op 50% van het totaal van de MOOZ-bijdrage, de WTZ-bijdrage en het bedrag van de component 'polis' van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze ten behoeve van het Centraal Economisch Plan door het Centraal Plan Bureau wordt geraamd. III. Ziektekostentegemoetkomingen per 1 januari 2003 De MOOZ-bijdrage en de WTZ-bijdrage zijn voor het jaar 2003 vastgesteld op € 96,00 respectievelijk € 320,64 per jaar. Het bedrag van de component 'polis' van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis is door het Centraal Plan Bureau geraamd op € 1205,51 per jaar. Het bedrag van de tegemoetkoming per maand is vanaf 1 januari 2003: Ik verzoek u met het bovenstaande rekening te houden. Inlichtingen uitsluitend voor afdelingen Personeelszaken van geadresseerden bij mevrouw Van Ogtrop respectievelijk het secretariaat van de afdeling Pensioenen, Sociale Zekerheid en Zorg (telefoon 070-426 6900, respectievelijk 426 6996)."},{"i":7269,"b":"Wet van 15 december 2023 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Woningwet in verband met het bieden van huurbescherming aan weeskinderen (Wet huurbescherming weeskinderen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) en de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181) te wijzigen om betere huurbescherming te bieden aan weeskinderen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II Wijzigt de Woningwet. Artikel III Wijzigt de Woningwet. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet huurbescherming weeskinderen. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6729,"b":"Wet van 24 juni 2020 tot wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening ten behoeve van de uitwisseling van persoonsgegevens Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de taak van het college van burgemeester en wethouders omtrent vroegsignalering en van schuldhulpverlening te verduidelijken en ten behoeve daarvan noodzakelijke gegevensuitwisseling te faciliteren; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Wijzigt de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel II. Evaluatiebepaling Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III. Samenloopbepaling Wijzigt deze wet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel IV. Inwerkingtreding Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6794,"b":"Zonering vliegbasis Volkel Bekendmaking besluiten en terinzagelegging Bekendmaking inzake de terinzagelegging van het besluit tot het geven van aanwijzingen ex artikel VII van de Wet van 7 juni 1978, Stb. 354, houdende wijziging van de [Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267) (LVW), juncto [artikel 26 van de LVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=26) en [artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=37) (WRO) van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en het besluit tot vaststelling van de geluidszone ex artikel VII van de Wet van 7 juni 1978, Stb. 354, houdende wijziging van de [LVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267), juncto [artikel 25a van de LVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=25a) van de Staatssecretaris van Defensie, voor het luchtvaartterrein van de vliegbasis Volkel. Besluit tot het geven van aanwijzingen ex[artikel 26 van de LVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=26) juncto [artikel 37 van de WRO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=37) De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer maakt, ter voldoening aan het bepaalde in [artikel 37, derde lid, van de WRO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=37), bekend dat met ingang van de eerste dag na deze bekendmaking het besluit op grond van [artikel 26 van de LVW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=26) juncto [artikel 37 van de WRO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=37) tot het geven van aanwijzingen aan de raden van de gemeenten Boekel, Cuijk, Landerd, Mill en St. Hubert, Uden en Veghel, gedurende zes weken ter inzage zal liggen op het gemeentehuis van genoemde gemeenten en op het provinciehuis van de provincie Noord-Brabant. Het besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na datum van publicatie van"},{"i":7416,"b":"Wet van 17 mei 1999 tot wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte, de Wet op de huurcommissies en enkele andere wetten (introductie van een afzonderlijke huurcommissie-procedure ter bevordering van het opheffen van gebreken aan of tekortkomingen ten aanzien van de woonruimte, wijziging van de regeling met betrekking tot de aan de Staat verschuldigde vergoeding voor een advies of een uitspraak door de huurcommissie en wijziging van het toezicht op de huurcommissies) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221), de [Wet op de huurcommissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003222) en enkele andere wetten zodanig te wijzigen dat een verhuurder bij gebreken aan of tekortkomingen ten aanzien van de woonruimte via een aparte procedure bij de huurcommissie kan worden aangezet tot het opheffen daarvan, de regeling met betrekking tot de aan de Staat verschuldigde vergoeding voor een advies of een uitspraak door de huurcommissie te wijzigen, alsmede het toezicht op de huurcommissies anders in te richten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Huurprijzenwet woonruimte. Artikel II Wijzigt de Wet op de huurcommissies. Artikel III Wijzigt de Huisvestingswet. Artikel IV Wijzigt de Huursubsidiewet. Artikel V 1. Na de inwerkingtreding van deze wet berust: - a. het [Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237) mede op [artikel 26a, eerste en derde lid, van de Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221&artikel=26a); - b. de Beschikking van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 31 juli 1979, no. 0726937, betreffende vaststelling modellen, formulieren e.d. (Stcrt. 1979, 185"},{"i":6835,"b":"Besluit van 18 december 1992, houdende aanwijzing van de instanties of personen die de raden voor de kinderbescherming kosteloos inlichtingen verschaffen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 15 oktober 1992, stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 258531/92/6; Gelet op artikel 243, eerste lid, tweede volzin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; De Raad van State gehoord (advies van 30 november 1992, nr. W03.92.0494); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 11 december 1992, nr. 269145/92/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De instanties en personen die aan de raden voor de kinderbescherming kosteloos de inlichtingen verschaffen die noodzakelijk zijn voor een goede uitoefening van hun taak of van hun bevoegdheden op grond van een van de bepalingen van de [titels 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=9), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=15), en [17 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=17), zijn: - a. de Informatiseringsbank van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen; - b. de inspecteur der rijksbelastingen; - c. de Sociale Verzekeringsbank; - d. vervallen; - e. Bedrijfsverenigingen als bedoeld in de Organisatiewet Sociale Verzekering (**Stb.** 1989, 119). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1993. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":6695,"b":"Wet van 6 november 1997 tot wijziging van de Financiële-verhoudingswet en enkele andere wetten en regels inzake de invoering van deze wijziging in verband met een herziening van het verdeelstelsel voor het Provinciefonds Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen inzake de financiële verhouding tussen het Rijk en de provincies, deze regels op te nemen in de [Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290) en daartoe deze wet en andere wetten te wijzigen en regels te stellen inzake de invoering van deze nieuwe regels; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK I. WIJZIGING VAN ENKELE WETTEN Paragraaf 1.1. Wijziging [Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290) Artikel 1 Wijzigt de Financiële-verhoudingswet. Paragraaf 1.2. Wijziging [Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645) Artikel 2 Wijzigt de Provinciewet. Paragraaf 1.3. Wijziging [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Artikel 3 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Paragraaf 1.4. Wijziging [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904) Artikel 4 Wijzigt de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Paragraaf 1.5. Wijziging [Invoeringswet Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008291) Artikel 5 Wijzigt de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet. HOOFDSTUK II. EERSTE VASTSTELLING VAN DE VERDEELMAATSTAVEN VOOR HET PROVINCIEFONDS EN DE BEDRAGEN PER EENHEID DIE BEHOREN BIJ DE VERDEELMAATSTAVEN Paragraaf 2.1. Algemeen Artikel 6 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Ministers: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Financiën; - b. het CBS: h"},{"i":7489,"b":"Accountantsprotocol gegevensvraag Wlz-gegevens met oplevering vanaf 2019 1. Inleiding 1.1. Inleiding Dit accountantsprotocol heeft betrekking op gegevens die nodig zijn voor de risicoverevening [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Deze gegevens hebben betrekking op Wlz-geïndiceerden en worden daarom opgevraagd bij de Wlz-uitvoerders voor de aan hen toegewezen zorgkantoren (per zorgkantoorregio). Dit protocol is voor onbepaalde tijd opgesteld. In het ‘Handboek informatie zorgverzekeringswet’ van Zorginstituut Nederland zijn instructies voor de verantwoording opgenomen. De accountant geeft de bevindingen van zijn onderzoek weer in een rapport van feitelijke bevindingen. 1.2. Inwerkingtreding De raad van bestuur van de NZa heeft op 07 mei 2019 dit protocol vastgesteld. Dit protocol treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit protocol wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019. U kunt dit protocol en alle andere in dit protocol genoemde documenten raadplegen op www.nza.nl. 1.3. Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft de uitgangspunten weer van het accountantsprotocol. Hoofdstuk 3 gaat in op de overeengekomen specifieke werkzaamheden. In de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042243&bijlage=1&z=2019-05-28&g=2019-05-28) is een modeltekst opgenomen voor het rapport van feitelijke bevindingen. 2. Doelstelling en kader 2.1. Inleiding Het doel van dit accountantsprotocol is het verstrekken van duidelijkheid over de reikwijdte en diepgang van het accountantsonderzoek en het in dat kader af te geven rapport van feitelijke bevindingen. De accountant hanteert het accountantsprotocol als kader voor zijn werkzaamheden. Daarnaast laat hij zich leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de Verordening gedrags- en Beroepscode accountants (VGBA), de verordening inzake onafhankelijkheid van de accountant bij assuranceopdrachten (VIO) en de [Nadere voorschri"},{"i":6760,"b":"Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van de Wet openbaarheid van bestuur in verband met aanvullingen ter voorkoming van misbruik Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet openbaarheid bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) aan te vullen met bepalingen ter voorkoming van misbruik; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet openbaarheid van bestuur. Artikel Ia Wijzigt de Wet hergebruik van overheidsinformatie. Artikel Ib Wijzigt de Wet open overheid (Kst 33 328. Artikel Ic Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken zenden binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5890,"b":"Tijdelijke regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 24 mei 2024, nr. IENW/BSK-2024/144768, houdende vaststelling van regels voor de subsidiëring van activiteiten ter voorbereiding op de omschakeling naar de verwerking van circulaire plastics (Tijdelijke subsidieregeling omschakeling naar verwerking circulaire plastics) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=7), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [15, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=15), en [22, tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **biogebaseerd plastic:** plastic waarvan de polymeerfractie voor minimaal 25 massaprocent afkomstig is uit biologische grondstoffen, inclusief bijproducten en reststromen die vrijkomen bij de verwerking van biologische grondstoffen; - **circulaire plastics:** plasticrecyclaat en biogebaseerd plastic; - **fossiele grondstoffen:** aardolie, aardgas of steenkool; - **fossiele plastics:** plastics gemaakt op basis van fossiele grondstoffen en niet van plasticrecyclaat; - **Kaderbesluit:** [Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381); - **plastic:** een materiaal bestaande uit polymeren waaraan additieven of vulstoffen kunnen zijn toegevoegd; - **plasticrecyclaat:** plastics die verkregen zijn door een recyclingproces van kunststofafval dat afkom"},{"i":6683,"b":"Wet van 17 februari 2010 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en enige andere wetten in verband met de harmonisatie van de uitkeringsrechten en het onder de werking van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers brengen van de commissarissen van de Koning, de burgemeesters en de bestuurders van waterschappen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de uitkeringsrechten van politieke ambtsdragers worden geharmoniseerd en dat de commissarissen van de Koning en de burgemeesters onder de werking van de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) worden gebracht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Artikel II Wijzigt de Wet privatisering ABP. Artikel III Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel IV Wijzigt de Ziektewet. Artikel IV0 Wijzigt de Provinciewet. Artikel IV1 Wijzigt de Gemeentewet. Artikel IVa Wijzigt de Waterschapswet. Artikel IVb Wijzigt de Ambtenarenwet. Artikel V [Artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=6) en [artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=6), zoals die bepalingen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel T](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027303&artikel=I&z=2011-11-19&g=2011-11-19), blijven van toepassing ten aanzien van gewezen commissarissen van de Koning, burgemeesters en voorzitters van een waterschap, die zijn afgetreden voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel T. Artikel VI 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk bes"},{"i":6719,"b":"Wet van 24 juni 2004 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000, houdende verlenging van de tijdelijkheid van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de tijdelijkheid van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), te verlengen tot vijf jaar; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel II Deze wet is van toepassing, indien de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28), is aangevraagd na het tijdstip waarop deze wet in werking is getreden. Artikel III Wijzigt deze wet. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6866,"b":"BESLUIT van 25 November 1953, houdende regelen ter uitvoering van artikel 13, vierde lid, van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 28 Juli 1953, No. U 3496, Afdeling Openbare Orde en Veiligheid (Bureau Algemene en Juridische Zaken); Gelet op [artikel 13, vierde lid, van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&artikel=13) (Stb. 1952, 361); De Raad van State gehoord (advies van 1 September 1953, No. 15a); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 13 October 1953, No. 3802, Afdeling Openbare Orde en Veiligheid (Bureau Algemene en Juridische Zaken); Hebben goedgevonden en verstaan: Besluit is door de Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19 (Stcrt. 2021/4191 jo. Stcrt. 2021/7378) buiten werking gesteld geweest van 22 januari 2021 tot 3 maart 2021. Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan, met inachtneming van de voorschriften van de [Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982), bepalen, dat het vertoeven in de open lucht hetzij in het gehele Rijk, hetzij in een aaneengesloten gebied hetwelk grondgebied van meer dan één provincie omvat, gedurende door hem aan te geven gedeelten van een etmaal verboden is. Artikel 2 1. Onze Commissaris in de provincie kan, met inachtneming van de voorschriften van de [Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982), bepalen, dat het vertoeven in de open lucht hetzij in de gehele provincie, hetzij in een aaneengesloten gebied, hetwelk grondgebied van meer dan één gemeente omvat, gedurende door hem aan te geven gedeelten van een etmaal verboden is. 2. Alvorens van deze bevoegdheid gebruik te maken pleegt Onze Commissaris in de provincie zo mogelijk overleg met de betrokken burgemeesters. 3. Indien hij van deze bevoegdh"},{"i":7498,"b":"Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 juli 2014, nr. 2014-0000098169, tot vaststelling van de regels omtrent de openbaarmaking van inspectiegegevens door de Inspectie SZW bij zware of ernstige asbestovertredingen (Beleidsregel openbaarmaking inspectiegegevens bij zware of ernstige asbestovertredingen) Gelet op [artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=8); Besluit: Artikel 1 Deze beleidsregel is van toepassing op de volgende overtredingen: de [artikelen 4.45, eerste lid en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.45a), [4.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.46), [4.47a, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.47a), [4.48a, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.48a), [4.50, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.50), [4.51a, eerste tot en met het vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.51a), [4.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.54), [4.54a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.54a) en [4.54d, eerste, vijfde en zevende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008498&artikel=4.54d). Artikel 2 1. Het besluit tot openbaarmaking van de gegevens, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035357&artikel=3&z=2022-05-01&g=2022-05-01), wordt genomen met in achtneming van [artikel 5.1 van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=5.1). 2. Openbaarmaking vindt plaats op de website van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Artikel 3 1. De Nederlandse Arbeidsinspectie maakt in geval van overtreding van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035357&artikel=1&z=2022-05-01&g=2022-05-01) genoemde artikelen de vo"},{"i":6702,"b":"Wet van 23 maart 2016 tot wijziging van de Gemeentewet in verband met de verruiming van de bevoegdheid van de burgemeester tot de inzet van cameratoezicht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wijzigingen aan te brengen in de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) ter verruiming van de bevoegdheid van de burgemeester om in het kader van de handhaving van de openbare orde toezicht te houden in de publieke ruimte; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Lasten en bevelen dat deze wet in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6783,"b":"Wet van 10 oktober 1997 tot wijziging van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ten einde enige nadere regels te stellen inzake de toepasselijkheid van Afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van geschillen op grond van die wetten over aanspraken of daarmee overeenkomende uitkeringen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat een beschikking op bezwaar inzake een aanspraak of een daarmee overeenkomende uitkering ingevolge de [Ziekenfondswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460) of de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) niet wordt genomen dan nadat daaromtrent het advies van de Ziekenfondsraad is ingewonnen en dat het derhalve wenselijk is nadere regels te stellen inzake de toepasselijkheid van [afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=7.1) ten aanzien van beschikkingen inzake een zodanige aanspraak of uitkering; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Ziekenfondswet. ARTIKEL II Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. ARTIKEL III Voor de behandeling van een bezwaar inzake een aanspraak op zorg of daarmee overeenkomende uitkering ingevolge de [Ziekenfondswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002460) of de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is gemaakt, blijft het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing. ARTIKEL IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, aut"},{"i":7312,"b":"Besluit van 6 december 2006, houdende wijziging van het Besluit donorregister in verband met wijziging van de bijlage en de aanwijzing van categorieën personen die opnieuw een donorformulier zullen ontvangen Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 oktober 2006, kenmerk GMT/IB 2688646, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=10); De Raad van State gehoord (advies van 19 oktober 2006, nummer W13.06.0040/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 november 2006, kenmerk GMT/IB 2727713, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit donorregister. Artikel II Vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit toegezonden donorformulieren behouden hun gelding. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7311,"b":"Besluit van 17 december 2014 tot wijziging van het Besluit burgerlijke stand 1994 in verband met de Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 november 2014, nummer 586876; Gelet op de [artikelen 17c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=17c), [18, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=18), [18d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=18d), [19e, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=19e), [19h, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=19h), [20d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=20d), en [24b, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=24b); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 december 2014, nr. W03.14.0429/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 december 2014, nr. 594820; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit burgerlijke stand 1994. Artikel II 1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. Bij koninklijk besluit kan voor iedere gemeente worden bepaald dat de aangifte voor geboorte of overlijden of de melding van een voorgenomen huwelijk of voorgenomen geregistreerd partnerschap in elektronische vorm kan worden gedaan, alsmede dat akten van de burgerlijke stand elektronisch kunnen worden opgemaakt en uittreksels of afschriften daarvan elektronisch kunnen worden verstrekt. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6808,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen Preambule De Lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Protocol hebben ondertekend, Verlangend de toepassing van het [Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001039) dat op 21 maart 1983 te Straatsburg is opengesteld voor ondertekening (hierna te noemen „het Verdrag”) te vergemakkelijken en, in het bijzonder de daarin geformuleerde doeleinden van een goede rechtsbedeling en de reclassering van gevonniste personen na te streven; Zich ervan bewust dat veel Staten hun eigen onderdanen niet kunnen uitleveren; Overwegende dat het wenselijk is het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001039) in bepaalde opzichten aan te vullen; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Algemene bepalingen 1. De in dit Protocol gebruikte termen en uitdrukkingen dienen te worden uitgelegd in de zin van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001039). 2. De bepalingen van het [Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001039) zijn van toepassing voor zover zij verenigbaar zijn met de bepalingen van dit Protocol. Artikel 2. Personen die uit de Staat van veroordeling zijn gevlucht 1. Wanneer een onderdaan van een Partij die is veroordeeld bij onherroepelijk vonnis, uitgesproken op het grondgebied van een andere Partij, zich aan de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van de veroordeling in de Staat van veroordeling tracht te onttrekken door te vluchten naar het grondgebied van de eerstgenoemde Partij voordat hij de veroordeling heeft ondergaan, kan de Staat van veroordeling de andere Partij verzoeken de tenuitvoerlegging van de veroordeling over te nemen. 2. Op verzoek van de Staat van veroordeling kan de Staat van tenuitvoerlegging voorafgaand aan de ontvangst van de stukken ter ondersteuning van het verzoek of aan de beslissing op het verzoek, de gevonniste persoon aanhouden of andere m"},{"i":6807,"b":"Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof inzake de rechtsbescherming van de personen in dienst van de Benelux Economische Unie De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op het [Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117), ondertekend te Brussel op 31 maart 1965, Gelet op de Aanbeveling van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad van 15 januari 1965 en het door die Raad op 29 november 1968 uitgebrachte advies, Verlangende rechtsbescherming te verlenen aan de personen in dienst van de Benelux Economische Unie door instelling van een ambtenarenrechtspraak, Hebben tot dat doel besloten over te gaan tot het sluiten van een Aanvullend Protocol bij het [Verdrag betreffende de instelling van een Benelux-Gerechtshof](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004117), en zijn de volgende bepalingen overeengekomen: HOOFDSTUK I. Bevoegdheid Artikel 1 Voor de personen in dienst van de Benelux Economische Unie staat administratief-rechtelijk beroep open in de gevallen en op de wijze, voorzien in dit Protocol. Artikel 2 1. Aan het Benelux-Gerechtshof wordt de rechtsmacht toegekend om van het in artikel 1 bedoelde beroep kennis te nemen. 2. Deze rechtsmacht wordt uitgeoefend door een door het Hof uit zijn midden samengestelde Kamer, waarin drie rechters, van elk land één, voor een tijdvak van drie jaar zitting hebben. Het Hof wijst uit hun midden de Voorzitter en zijn plaatsvervanger aan. Het Hof kan voor elk der rechters een of meer plaatsvervangers aanwijzen. Artikel 3 Deze Kamer neemt kennis van het beroep ingesteld door: - a. de Secretaris-Generaal en de Adjunct-Secretarissen-Generaal alsmede de gewezen Secretarissen-Generaal en Adjunct-Secretarissen-Generaal tegen de besluiten, van algemene strekking dan wel betrekking hebbend op af"},{"i":7497,"b":"Beleidsregel van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van 21 oktober 2024, NVWA/2024/010073916, over het actief openbaar maken van inspectiegegevens van bedrijven en producten (Beleidsregel omtrent actieve openbaarmaking van inspectiegegevens door de NVWA 2024) Gelet op [titel 4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.3) en in het bijzonder [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 44 tot en met 44e van de Gezondheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002202&artikel=44), [artikel 2 van het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041861&artikel=2), [Hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&hoofdstuk=3), [artikelen 3.1 tot en met 3.5, van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754&artikel=3.1), [artikel 13a, eerste lid, van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en [artikel 6, zevende lid van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=6); Besluit: Artikel 1. definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - –. **besluit:** Besluit van 15 januari 2019, houdende vaststelling van regels ter uitvoering van de Gezondheidswet en de Jeugdwet over de openbaarmaking van informatie over naleving en uitvoering van regelgeving ([Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041861)); - –. **informatie:** Informatie over toezicht met betrekking tot de naleving van wet- en regelgeving door bedrijven of instellingen. Deze informatie kan van verschillende bronnen afkomstig zijn. Bij de publicatie van inspectiegeg"},{"i":6788,"b":"Ziektekostentegemoetkoming per 1 januari 2000 I. Samenvatting Het niveau van de tegemoetkoming in de ziektekosten op basis van het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006855) (Btzr) vanaf 1 januari 2000 is onveranderd ten opzichte van 1999. II. Inleiding In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1 juni 1999 – 1 augustus 2000 is vastgelegd dat de Btzr-bijdrage wordt gehandhaafd op het niveau van 1999 tot het moment waarop de Btzr-bijdrage het niveau bereikt van het totaal van de helft van de MOOZ-bijdrage, de helft van de WTZ-bijdrage en 50% van het bedrag van de component ‘polis’ van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Plan Bureau ten behoeve van het Centraal Economisch Plan wordt geraamd. Vervolgens wordt de Btzr-bijdrage jaarlijks vastgesteld op 50% van het totaal van de MOOZ-bijdrage, de WTZ-bijdrage en het bedrag van de component ‘polis’ van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Plan Bureau wordt geraamd. III. Berekening van de ziektekostentegemoetkomingen volgens de nieuwe systematiek De MOOZ-bijdrage en de WTZ-bijdrage zijn voor het jaar 2000 vastgesteld op f 18,50 respectievelijk f 33,00 per maand. Het bedrag van de component ‘polis’ van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis is door het Centraal Plan Bureau geraamd op f 167,58 per maand. Op basis van de nieuwe systematiek worden de bedragen: IV. Vaststelling van de ziektekostentegemoetkomingen per 1 januari 2000 Aangezien de bedragen zoals die zijn vastgesteld voor 1999 hoger zijn dan de bedragen berekend volgens de nieuwe systematiek worden de bedragen van 1999 in 2000 gehandhaafd. Het bedrag van de tegemoetkoming per maand is vanaf 1 januari 2000: Ik verzoek u met het bovenstaande rekening te houden. Inlichtingen uitsluitend voor afdelingen Personeelszaken van geadresseerden bij mevrouw Van Ogtrop respectievelijk het secret"},{"i":7504,"b":"Beleidsregels informatieplicht voor aanbieders over internetveiligheid (artikel 11.3 tweede lid van de Telecommunicatiewet) 1. Inleiding 1.1. Algemeen De [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950) geeft de Autoriteit Consument en Markt de bevoegdheid om op te treden tegen het niet-naleven van de informatieplicht over veiligheid en beveiliging van aangeboden diensten en netwerken. De Autoriteit Consument en Markt geeft in dit document invulling aan zijn handhavingsbeleid voor overtredingen van de informatieplicht en formuleert zijn specifieke bevoegdheid in dezen. Hierdoor wordt structuur gegeven aan de uitvoering van de handhaving van de informatieplicht en wordt willekeur voorkomen. Tevens geeft de Autoriteit Consument en Markt invulling aan zijn beleidsvrijheid ten aanzien van de keuze voor een bepaald handhavingsmiddel. In elke individuele situatie wordt rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van het betreffende geval. Een besluit om over te gaan tot handhaving en de keuze voor het handhavingsmiddel is immers altijd maatwerk. Dit handhavingsbeleid wordt extern bekend gemaakt door plaatsing ervan in de Nederlandse Staatscourant en op de website van OPTA.1Zie www.opta.nl. 1.2. Internetveiligheid Internetveiligheid is een onderwerp dat een brede maatschappelijke belangstelling kent. Iedereen die zich regelmatig op internet begeeft, wordt geconfronteerd met aanzienlijke aantallen ongewenste e-mailberichten.2In 2007 bestond naar schatting 90 tot 95 procent van het e-mailverkeer uit spam. Zie bijvoorbeeld http://www.nu.nl/news/1353927/50/'Slechts_1_op_20_e-mails_is_geen_spam'.html Vele Nederlanders zullen via het nieuws gehoord hebben over e-mails waarin argeloze PC-gebruikers wordt gevraagd hun inloggegevens voor elektronisch bankieren terug te sturen,3Klanten van banken krijgen met regelmaat e-mailberichten waarin om hun creditcardgegevens wordt gevraagd. Zie bijvoorbeeld het bericht van 22 juli 2008 op http://www.zdnet.nl/smar"},{"i":7246,"b":"Verklaring uitgewisseld tussen Nederland en België betreffende het achterwege laten der legalisatie van afschriften en uittreksels van akten van de Burgerlijke Stand, die in een der beide landen zijn opgemaakt en in het andere moeten worden overgelegd, onverschillig waarvoor zij moeten dienen De Regeering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, en de Regeering van Zijne Majesteit den Koning der Belgen, de legalisatie willende afschaffen van afschriften en uittreksels van akten van den Burgerlijken Stand, die in het eene land zijn afgegeven en bestemd zijn om in het andere te worden overgelegd, onverschillig waarvoor zij moeten dienen, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De afschriften en uittreksels van akten van den Burgerlijken Stand, opgemaakt in een der beide landen, behoeven, om in het andere land als bewijs te dienen, van geen enkele legalisatie te zijn voorzien, mits zij voor eensluidend zijn verklaard door den bewaarder der registers of zijn plaatsvervanger en de authenticiteit er van niet in twijfel kan worden getrokken. De in België opgemaakte afschriften en uittreksels van akten van den Burgerlijken Stand zullen bovendien den stempelafdruk dragen van de administratie der gemeente waar zij opgemaakt zijn of van de rechtbank door welker griffie zij zijn afgegeven. Artikel 2 Deze verklaring zal in werking treden op 15 Mei 1924. Ter oorkonde waarvan de ondergeteekenden, te weten: Jhr. Mr. H. A. VAN KARNEBEEK, Minister van Buitenlandsche Zaken van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, en Prins ALBERT DE LIGNE, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van Zijne Majesteit den Koning der Belgen te 's Gravenhage, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze verklaring hebben geteekend en van hun zegel voorzien. Gedaan te 's Gravenhage, den 2den Mei 1924, in dubbel, in Nederlandschen en Franschen tekst. (**L.S.**) V. KARNEBEEK. (**L.S.**) Prince ALBERT DE LIGNE."},{"i":7480,"b":"Wet van 13 mei 2004 tot aanpassing van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de economische delicten ter uitvoering van richtlijn nr. 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PbEG L 178) (Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het Burgerlijk Wetboek, het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827), het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en de [Wet economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) moeten worden aangepast aan [richtlijn 2000/31/EG](32000L0031) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel IV Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel V 1. Diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in [artikel 15d, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=15d), voldoen aan de daarvoor in de lidstaat van de Europese Unie van vestiging van de dienstverlener geldende bepalingen die vallen binnen het gecoördineerd gebied als bedoeld in [Richtlijn 2000/31/EG](32000L0031) van het Europees Parlement en de Raad van de Europe"},{"i":7325,"b":"Besluit van 22 november 2011 tot wijziging van het Consulair besluit in verband met het uitoefenen van consulaire bevoegdheden op het terrein van de burgerlijke stand en het notariaat Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 3 oktober 2011, nr. DJZ/BR/1052-11, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; Gelet op [artikel 1 van de Consulaire Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001847&artikel=1); De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 2 november 2011, nr. W02.11.0380/II/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 14 november 2011, nr. DJZ/BR/1270-11, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; De bepalingen van het Statuut van het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Consulair besluit. Artikel II 1. Het Consulair besluit, zoals luidend voor inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op verzoeken om de uitoefening van een consulaire bevoegdheid die zijn gedaan voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit. 2. Testamenten die op grond van [artikel 4 van het Consulair besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003460&artikel=4), zoals luidend voor inwerkingtreding van dit besluit, in bewaring zijn genomen, blijven bij de desbetreffende post in bewaring en kunnen aldaar met toepassing van [artikel 5, onder c, van het Consulair besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003460&artikel=5), zoals luidend voor inwerkingtreding van dit besluit, worden geopend. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst."},{"i":7470,"b":"Wet van 9 maart 2023 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten (tegengaan huwelijkse gevangenschap en enige andere onderwerpen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om onder meer het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en [Boek 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) en [Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068) te wijzigen in verband met het tegengaan van huwelijkse gevangenschap en het aanbrengen van technische en procedurele verbeteringen op het terrein van het personen- en familie(proces)recht; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 10. Artikel IIIa Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringswet Verordening huwelijksvermogensstelsels en Verordening vermogensrechtelijke gevolgen geregistreerde partnerschappen. Artikel V Wijzigt de Wijzigingswet Boek 1 Burgerlijk Wetboek, enz. (beperking omvang wettelijke gemeenschap van goederen). Artikel VI Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel VIa Onze Minister voor Rechtsbescherming zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk van de onderdelen van deze wet die gericht zijn op het voorkomen en tegengaan van huwelijkse gevangenschap. Artikel VII De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan"},{"i":7409,"b":"Wet van 24 november 2004 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met het bevorderen van de effectiviteit van surséance van betaling en faillissement Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de continuïteit te bevorderen van ondernemingen die in financiële moeilijkheden verkeren maar toch overlevingskansen hebben; Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Faillissementswet. Artikel II Wijzigt de Wet toezicht kredietwezen 1992. Artikel III Wijzigt de wet tot uitvoering van [Richtlijn nr. 2002/47/EG](32002L0047) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (kst. 28874). Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringswet EG-insolventieverordening. Artikel V Op de afhandeling van een faillissement of een surséance van betaling blijft het tevoren geldende recht van toepassing, indien vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet een verzoek of een vordering is ingediend of aangebracht. Artikel VI De tekst van de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad worden de ongenummerde leden van de artikelen genummerd en wordt de tekst overgebracht in de geldende spelling. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kan een ander tijdstip worden vastgesteld waarop [artikel 19, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=19), [artikel 19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=19a), [artikel 222a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=222a) en [artikel 222b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=222b) in werking treden. Lasten en"},{"i":6806,"b":"Aanvullend Protocol bij het op 25 september 1950 te Bern ondertekende Protocol inzake de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand De Hoge Contracterende Partijen welke het [Protocol van Bern van 25 September 1950 inzake de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005423) hebben ondertekend, Overwegende, dat de ontwikkeling der werkzaamheden van deze Commissie de toetreding doet voorzien van nieuwe Staten, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel Enig Vervallen En foi de quoi les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Protocole additionnel, qui sera déposé aux archives du Grand-Duché de Luxembourg et dont une copie, certifiée conforme, sera remise par la voie diplomatique à chacun des Hautes Parties Contractantes. Fait à Luxembourg, le 25 septembre 1952."},{"i":6763,"b":"Wet van 19 december 2018 tot wijziging van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 (wijzigingen naar aanleiding van evaluatie, nascholing beroepschauffeurs, bestuursrechtelijke handhaving en enkele verbeteringen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de [Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073) op een aantal onderdelen te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Artikel II De [wet van 24 oktober 2008 tot wijziging van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 naar aanleiding van de evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024674) (Stb. 2008, 432) wordt ingetrokken. Artikel IIa Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6756,"b":"Wet van 3 juli 2008 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met de uitvoering van Richtlijn nr. 2005/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 november 2005 betreffende herverzekering en houdende wijziging van Richtlijnen 73/239/EEG en 92/49/EEG van de Raad en van Richtlijnen 98/78/EG en 2002/83/EG (PbEU L 323) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan [Richtlijn nr. 2005/68/EG](32005L0068) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 november 2005 betreffende herverzekering en houdende wijziging van [Richtlijnen 73/239/EEG](31973L0239) en [92/49/EEG](31992L0049) van de Raad en van Richtlijnen [98/78/EG](31998L0078) en [2002/83/EG](32002L0083) (PbEG L 323), teneinde regels te stellen met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van herverzekeraar en het toezicht op de naleving van die regels; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II In de [artikelen III tot en met XVIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024391&artikel=III&z=2016-01-01&g=2016-01-01) wordt verstaan onder «de wet»: de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel III 1. Een herverzekeraar met zetel in Nederland die zijn bedrijf uitoefende onmiddellijk voorafgaand aan 10 december 2005, verkrijgt op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van rechtswege een vergunning als bedoeld in [artikel 2:26a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:26a) voor de uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar in de activiteit waarin hij zijn bedrijf op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet uitoefent. 2. De herverzekeraar legt binnen d"},{"i":7265,"b":"Wet van 14 april 2016 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met het stellen van nadere huurmaatregelen tot verdere bevordering van de doorstroming op de huurmarkt (Wet doorstroming huurmarkt 2015) Allen, die zullen zien of horen lezen saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) en enkele andere wetten zodanig te wijzigen dat nadere maatregelen worden genomen teneinde een verdere doorstroming op de huurmarkt te bevorderen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II Wijzigt de Huisvestingswet 2014. Artikel III Wijzigt de Leegstandwet. Artikel IV Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel V Wijzigt de Wet op de huurtoeslag. Artikel VI Wijzigt de Woningwet. Artikel VII Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel VIII Wijzigt deze wet. Artikel VIIIa Wijzigt de Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek Boek 7, enz. (aanvulling opzeggingsgrond dringend eigen gebruik voor tijdelijke huisvesting van jongeren). Artikel IX Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel X De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. In dat besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan [artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036443&artikel=12). Artikel XI Deze wet wordt aangehaal"},{"i":7420,"b":"Wet van 26 januari 2004 tot wijziging van de Huursubsidiewet en enkele andere wetten (introductie van een nieuwe procedure voor huurders die een aanvraag om toekenning van huursubsidie indienen) Artikel I Wijzigt de Huursubsidiewet. Artikel II 1. Indien de zending van huursubsidieberichten en beperkte huursubsidieberichten, bedoeld in [artikel 30a, eerste lid, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=30a), het met betrekking tot die zending zenden van gegevens, bedoeld in [artikel 30aa, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=30aa), het stellen van een termijn, bedoeld in [artikel 30aa, tweede lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=30aa), het verstrekken van gegevens ten behoeve van het opstellen van huursubsidieberichten of beperkte huursubsidieberichten, bedoeld in [artikel 30b, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=30b), of het uitbetalen van een voorschot, bedoeld in [artikel 31, derde lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=31), plaatsvindt vóór de inwerkingtreding van deze wet, wordt die zending van huursubsidieberichten of beperkte huursubsidieberichten, die zending van gegevens, dat stellen van een termijn, die gegevensverstrekking of die uitbetaling aangemerkt als te hebben plaatsgevonden ingevolge het betrokken genoemde artikellid van de [Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659), zoals dit komt te luiden na inwerkingtreding van deze wet. 2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, zijn de [artikelen 22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=22a) en [28 tot en met 30 van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=28), zoals zij laatstelijk luidde vóór de inwerkingtreding van deze wet, niet van toepassing. Artikel III 1. Een aanvraag om toekenning van huursubsidie wordt afgedaan overeenkomsti"},{"i":6810,"b":"Besluit van 7 december 2020 tot wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving en enkele andere algemene maatregelen van bestuur vanwege het opnemen van regels over landinrichting, voorkeursrecht en onteigening en een verdere aanpassing van de regels over kostenverhaal (Aanvullingsbesluit grondeigendom Omgevingswet) Op de voordracht van Onze Minister voor Milieu en Wonen van 27 maart 2020, nr. 2020-0000142581, Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Gelet op de [artikelen 2.24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24), [4.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=4.3), [12.24, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=12.24), [12.37, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=12.37), [13.11, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=13.11), [13.15, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=13.15), [13.17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=13.17), [13.20, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=13.20), [13.22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=13.20), [16.139, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=16.139), en [18.3 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.3), [artikel 44, eerste lid, van de Uitvoeringswet grondkamers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021912&artikel=44), [artikel 15, tweede lid, van de Vorderingswet 1962](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002393&artikel=15) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016876&artikel=2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies v"},{"i":7507,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 december 2022, nr. 4369109, tot benoeming van de voorzitter en de overige leden van de Adviescommissie VOG-Politiegegevens en houdende bepalingen inzake andere aangelegenheden die de adviescommissie aangaan (Benoemingsbesluit Adviescommissie VOG-Politiegegevens) Gelet, [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister voor Rechtsbescherming, - b. **commissie:** de Adviescommissie VOG-Politiegegevens, als bedoeld in [artikel 35a, vierde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=35a), - c. **Justis:** Justis, als bedoeld in [artikel 2, derde lid, onder b, sub 2, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=2). Artikel 2. Samenstelling 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier andere leden. 2. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 3. Als voorzitter van de commissie wordt benoemd: de heer mr. H.J. Moraal MPA. 4. Als andere leden van de commissie worden benoemd: - a. de heer mr. B.N. van Hoek; - b. mevrouw professor mr. L.A.J. Senden; - c. de heer mr. A. El Johari; - d. de heer mr. N.F. Aouragh. 5. De voorzitter en de andere in de commissie benoemde leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggenspraak. 6. De benoeming geschiedt voor een periode van vier jaren. Deze periode kan eenmaal door herbenoeming worden verlengd voor hooguit dezelfde periode. 7. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen. Artikel 3. De benoeming van een nieuwe voorzitter of overige leden 1. Voor de opvolging van de voorzitter of een ander lid van de commissie komen uitsluitend personen in aanmerking"},{"i":6744,"b":"Wet van 27 oktober 2011 tot wijziging van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek inzake aanpassing aan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191) aan te passen aan de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [NWO-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191) Wijzigt de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek. Artikel II. Overgangsrecht 1. Besluiten die zijn genomen op grond van [artikel 6, eerste en tweede lid, van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=6) onderzoek zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van deze wet, worden geacht te berusten op de [Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191) zoals die luidt na de inwerkingtreding van deze wet. 2. Voor zover er ter zake nog sprake is van enige bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze plaats overeenkomstig de [Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191) zoals die gold onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. 3. Bestaande aanspraken en verplichtingen bij, op grond of in het kader van de [Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191) zoals die gold onmiddellijk voorafga"},{"i":7501,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 september 2021, kenmerk 3281544 over de verstrekking van tenuitvoerleggingsgegevens (Beleidsregel verstrekking tenuitvoerleggingsgegevens) De Minister voor Rechtsbescherming, Gelet op [artikel 51c, tweede lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194&artikel=51c); Besluit: 1. Aanleiding De [Wet justitiële en strafvorderlijke persoonsgegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194) (Wjsg) is met ingang van 1 januari 2019 gewijzigd om uitvoering te geven aan de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging1[Richtlijn (EU) 2016/680](32016L0680) van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad, PbEU L119. (hierna: de Richtlijn). Deze omvat de verwerking van de persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreft een bijzondere Unierechtelijke regeling die naast de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) staat. De werkingssfeer van de gewijzigde [Wjsg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014194) is als gevolg van de implementatie van de Richtlijn uitgebreid met de verwerking van ‘tenuitvoerleggingsgegevens’. Tenuitvoerleggingsgegevens zijn de persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon inzake de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, die in een dossier of een ander gegevensbestand zijn of worden verwerkt.2Zie artikel 1, onder d, Wjsg. Dat betekent dat tenuitvoerleggingsgegevens de verwerking van gegevens van personen bij de u"},{"i":7259,"b":"Wet van 2 november 1995, houdende afwijking van het aanpassingsmechanisme in de Wet individuele huursubsidie voor de duur van het subsidietijdvak dat is aangevangen op 1 juli 1995 en loopt tot en met 30 juni 1996 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om voor het subsidietijdvak van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996 alsnog een wijziging aan te brengen in het mechanisme voor de jaarlijkse aanpassingen van de individuele huursubsidie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. In afwijking van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder **c**, van de Wet individuele huursubsidie vervangt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor de periode van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996 het tweede op de voorlaatste regel voorkomende bedrag alsmede het eerste op de laatste regel voorkomende bedrag, genoemd in artikel 7, derde lid, alsmede in artikel 7**a**, onder **c**, van die wet door een bedrag dat gelijk is aan het tweede op de voorlaatste regel voorkomende bedrag, vermeerderd met 4½% en tenslotte afgerond op het naasthogere veelvoud van f 5,-. 2. Het eerste lid geldt voor de toepassing van artikel 25, tweede lid, van de Wet individuele huursubsidie als toepassing van artikel 25, eerste lid, onder **c**, van die wet. Artikel 2 Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 1995. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7440,"b":"Wet van 5 oktober 2022 tot wijziging van de Wet basisregistratie personen in verband met de invoering van een centrale voorziening ter ondersteuning van de colleges van burgemeester en wethouders bij het onderzoek of een persoon als ingezetene in de basisregistratie personen op een adres in de gemeente dient te worden ingeschreven alsmede naar de juistheid van de gegevens betreffende het adres van een ingezetene in de basisregistratie personen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715) te wijzigen in verband met de invoering van een centrale voorziening ter ondersteuning van de colleges van burgemeester en wethouders bij het onderzoek of een persoon als ingezetene in de basisregistratie personen op een adres in de gemeente dient te worden ingeschreven alsmede naar de juistheid van de gegevens betreffende het adres van een ingezetene in de basisregistratie personen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet basisregistratie personen. Artikel Ia Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Onze Minister is bevoegd om gegevens te verwerken betreffende een onderzoek als bedoeld in [hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 4a van de Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&paragraaf=4a) dat is beëindigd of dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet is afgedaan. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad"},{"i":6654,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 21 mei 2012, nr. WJZ/12061523, houdende wijziging van de Subsidieregeling innoveren en van de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2012 Gelet op [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), en [25 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling innoveren. Artikel II Wijzigt de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2012. Artikel III Op aanvragen om subsidie, die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend en op subsidies die voor die datum zijn verstrekt, blijft [hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&hoofdstuk=4) van toepassing, zoals dat onmiddellijk voor dat tijdstip luidde. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 13 juni 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6738,"b":"Wet van 6 maart 2025 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de invoering van een verplichting voor het bestuursorgaan tot het verstrekken van een afschrift aan de minister bij afwijking van het circulair materialenplan en tot wijziging van het begrip landelijk afvalbeheerplan in circulair materialenplan Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is vanwege de transitie naar een circulaire economie om voor het bestuursorgaan een verplichting in te voeren tot het verstrekken van een afschrift aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat bij afwijking van het circulair materialenplan en om het begrip landelijk afvalbeheerplan te wijzigen in circulair materialenplan; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet milieubeheer. Artikel Ia Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het met [artikel I, onderdeel F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050895&artikel=I&z=2025-12-30&g=2025-12-30), van deze wet geïntroduceerde [artikel 10.14, vierde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=10.14) in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6663,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 1 juli 2024, BZ2402185, tot wijziging van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=2), [4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=4), en [9 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=9); Besluiten: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 Artikel II De [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366), zoals die luidde op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op subsidies die voor die datum zijn verstrekt en blijft van toepassing op voor inwerkingtreding van deze regeling bekendgemaakte beleidsregels en subsidieplafonds als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6). Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6712,"b":"Wet van 13 oktober 2022 tot wijziging van de Mijnbouwwet (aanpassing van het vergunningsstelsel voor opsporen en winnen van aardwarmte) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het vergunningstelsel voor het opsporen en winnen van aardwarmte aan te passen teneinde de procedure voor vergunningverlening te laten aansluiten bij de specifieke kenmerken van aardwarmte en directe winning na opsporing mogelijk te maken alsmede om de veiligheid van de opsporing en winning te bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Wijzigt deze wet. Artikel VI Wijzigt kst. 35462. Artikel VII Wijzigt kst. 35462. Artikel VIII Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel VIIIa Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel IX Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6875,"b":"Besluit van 6 september 1991, tot verhoging van de grensbedragen, genoemd in de artikelen 396 lid 1 en 397 lid 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 4 juni 1991 no. 131701/91/6; Overwegende dat economische en monetaire ontwikkelingen sedert 1984 de Raad van de Europese Gemeenschappen aanleiding hebben gegeven tot verhoging van de grensbedragen die in acht worden genomen bij de afbakening tussen kleine en middelgrote ondernemingen en tussen middelgrote en grote ondernemingen en dat de economische en monetaire ontwikkelingen in Nederland het rechtvaardigen de grensbedragen in de Nederlandse wet eveneens te verhogen; Gelet op de artikelen 11, 12 en 27 van de vierde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978 (78/660/EEG) betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (**Pb EG** L 222 van 14 augustus 1978), zoals deze luiden sinds de richtlijn van de Raad van 8 november 1990 (90/604/EEG) tot wijziging van [richtlijn 78/660/EEG](31978L0660) betreffende de jaarrekening en van [Richtlijn 83/349/EEG](31983L0349) betreffende de geconsolideerde jaarrekening in verband met de afwijkingen voor kleine en middelgrote vennootschappen en de openbaarmaking van deze jaarrekening in ecu; Gelet op [artikel 398 lid 4 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045); De Raad van State gehoord, advies van 26 juli 1991, no. W03.91.0286; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 16 augustus 1991, nr. 144176/91/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 De bedragen, genoemd in [artikel 396 lid 1 onder **a** en **b** van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=396) worden verhoogd tot onderscheidenlijk f 5 miljoen en f 10 miljoen. Artikel 2 De bedragen genoemd in [artikel 397 lid 1 onder **a** en **b** van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":6825,"b":"Beleidsregel van de raden voor rechtsbijstand houdende draagkrachtbeoordeling rechtspersonen in het kader van gesubsidieerde milieurechtsbijstand (Beleidsregel draagkrachtbeoordeling rechtspersonen milieurechtsbijstand) Gelet op [artikel 36, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=36); Besluiten: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: rechtspersoon: een groep of organisatie met rechtspersoonlijkheid die opkomt voor ideële belangen in het kader van het milieu, niet zijnde een rechtspersoon die een beroep of bedrijf uitoefent dan wel heeft uitgeoefend. Artikel 2 1. Indien een rechtspersoon beschikt over inkomsten of vermogen van € 10.000,– of meer, dan mag redelijkerwijs worden verwacht dat de rechtspersoon zelf de kosten van rechtsbijstand kan betalen uit eigen middelen. 2. Het in het eerste lid bedoelde vermogen ziet op het liquide vermogen in het jaar voorafgaand aan de aanvraag alsmede op vermogensbestanddelen die relatief eenvoudig liquide kunnen worden gemaakt. Hieronder worden in ieder geval begrepen vermogensbestanddelen in de vorm van vorderingen en effecten. Bij de vaststelling van het vermogen wordt geen rekening gehouden met negatieve vermogensbestanddelen. 3. Onder de in het eerste lid bedoelde inkomsten worden in ieder geval begrepen bijdragen van leden, betrokkenen en derden, alsmede subsidies van de overheid. Bij de vaststelling van deze inkomsten wordt geen rekening gehouden met negatieve inkomensbestanddelen zoals schulden. Artikel 3 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 2008. Artikel 4 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel draagkrachtbeoordeling rechtspersonen milieurechtsbijstand. Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7442,"b":"Wet van 24 december 1998, houdende wijziging van de Wet conflictenrecht namen in verband met de totstandkoming van de wet van 10 april 1997 tot wijziging van de artikelen 5 en 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en in verband daarmede van enige andere artikelen van dit Wetboek (Stb. 161) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de totstandkoming van de [wet van 10 april 1997 tot wijziging van de artikelen 5 en 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008632) (Stb. 161) wenselijk is de [Wet conflictenrecht namen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580) aan te vullen met een regeling betreffende de toepassing van de nieuwe bepalingen van Nederlands naamrecht in internationale gevallen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet conflictenrecht namen. ARTIKEL II 1. In het in artikel 5b, onder a, bedoelde geval kan, indien de erkenning of de wettiging heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van de [wet tot wijziging van de artikelen 5 en 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008632) en in verband daarmee van enige andere artikelen van dit wetboek, en voor de inwerkingtreding van deze wet, een verklaring houdende naamskeuze worden afgelegd tot twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet. 2. Indien, in het in artikel 5b, onder d, bedoelde geval, het kind is geboren na de inwerkingtreding van de [wet houdende wijziging van de artikelen 5 en 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008632) en in verband daarmede van enige andere artikelen van dit wetboek, en voor de inwerkingtreding van deze wet, kunnen de ouders gezamenlijk, tot twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet, een verklaring houdende"},{"i":6803,"b":"Wet van 8 maart 2007 tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Auteurswet 1912, de Wet op de naburige rechten, de Databankenwet, de Handelsnaamwet, de Wet van 28 oktober 1987, houdende regelen inzake de bescherming van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten (Stb. 484), de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 en de Landbouwkwaliteitswet ter uitvoering van Richtlijn nr. 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PbEG L 195) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827), de [Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886), de [Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921), de [Databankenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010591), de [Handelsnaamwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001906), de [Wet van 28 oktober 1987, houdende regelen inzake de bescherming van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004224) (Stb. 484), de [Zaaizaad- en plantgoedwet 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018040) en de [Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755) aan te passen aan [Richtlijn nr. 2004/48/EG](32004L0048) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PbEG L 195); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel II Wijzigt de Auteurswet 1912. Artikel III Wijzigt de Wet op de naburige rechten. Artikel IV Wijzigt de Databankenwet. Artikel V Wijzigt de Handelsnaamwet. Artikel"},{"i":7431,"b":"Wet van 29 juni 2006 tot wijziging van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en van de artikelen 252 en 253 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (eenzijdige legesheffing) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte te wijzigen teneinde de tweezijdige legesheffing te vervangen door een éénzijdige legesheffing en enkele andere wijzigingen in die wet aan te brengen en in de [artikelen 252](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=252) en [253 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=253) uitvoeringstechnische wijzigingen door te voeren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel II Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel III 1. De huurcommissie, bedoeld in [artikel 21 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=21), behandelt een bij haar aanhangig verzoek als bedoeld in [artikel 253 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=253) dat betrekking heeft op een voorstel tot verhoging van de huurprijs als bedoeld in [artikel 252 van dat boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=252) met ingang van 1 juli 2006 of een latere datum, met toepassing van het na de inwerkingtreding van deze wet geldende recht. 2. De huurcommissie behandelt in alle andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid een bij haar aanhangig verzoek met toepassing van het op het tijdstip van het bij haar aanhangig maken geldende recht. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 2006. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeri"},{"i":6779,"b":"Wet van 4 december 2003 tot wijziging van de Wet voorkeursrecht gemeenten (verbreding reikwijdte) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de reikwijdte van de [Wet voorkeursrecht gemeenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003391) uit te breiden tot alle gemeenten in Nederland; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Wijzigt Wet voorkeursrecht gemeenten. Artikel 2 Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel 3 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6740,"b":"Wet van 10 maart 2021 tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op [richtlijnen 92/43/EEG](31992L0043) en [2009/147/EG](32009L0147), wenselijk is om de depositie van stikstof op daarvoor gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden te verminderen en om de natuur in die gebieden te verbeteren, met behulp van in regelgeving vastgestelde omgevingswaarden en een programma met maatregelen, om de tijdelijke stikstofemissies door activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing te kunnen laten bij de Natura 2000-vergunning en om voorheen vergunningvrije projecten met een geringe depositie te legaliseren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet natuurbescherming. Artikel II Wijzigt de Omgevingswet. Artikel III 1. Een programma stikstofreductie en natuurverbetering, vastgesteld op grond van [artikel 1.12b van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=1.12b), wordt aangemerkt als een programma als bedoeld in [artikel 3.9, vierde lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=3.9). 2. Een programma, vastgesteld op grond van [artikel 1.13a, tweede lid, van de Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&artikel=1.13a), wordt aangemerkt als een programma als bedoeld in [artikel 22.21, tweede lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=22.21). Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaat"},{"i":6873,"b":"Besluit van 17 juni 1896, houdende voorschriften ter uitvoering van artikel 19 der Faillissementswet Op de voordracht van den Minister van Justitie van den 22 April 1896, n°. 127, 1e afdeeling; Gelet op [artikel 19 der Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=19); Den Raad van State gehoord (advies van den 19 Mei 1896, n°. 12); Gezien het nader rapport van den Minister van Justitie van den 11 Juni 1896, n°. 134, 1e afdeeling; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Het register bedoeld in [artikel 19 der Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=19) wordt ingericht volgens het bij dit besluit behoorende model. 2. Alle inschrijvingen in het register worden door den griffier onderteekend. Artikel 2 Het register wordt kosteloos van wege het Rijk verstrekt. Model Register bedoeld in art. 19 der [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860). De Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State."},{"i":6855,"b":"Besluit van 11 september 1997, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (Besluit bijzondere akten van de burgerlijke stand) Op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 29 januari 1997, Directie Wetgeving, nr. 603203/97/6; Gelet op artikel 19**j**, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; De Raad van State gehoord (advies van 24 maart 1997, nr. WO3.97.0046); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 5 september 1996, Directie Wetgeving, nr. 621491/97/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Wanneer ten gevolge van een verbod van verkeer of ten gevolge van andere buitengewone omstandigheden de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente, waar een persoon is geboren of overleden, ontbreekt of niet bereikbaar is, kan een voorlopige akte van geboorte of overlijden worden opgemaakt buiten de registers van de burgerlijke stand door een ambtenaar van de burgerlijke stand van een andere gemeente, een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand, de burgemeester, de secretaris of een wethouder van de gemeente waar de geboorte of het overlijden plaatsvond, een notaris, of een ten kantore van een notaris werkzame kandidaat-notaris, een advocaat, een door Onze Minister van Defensie aangewezen officier van de krijgsmacht of een door Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaar. 2. De in het eerste lid bedoelde persoon die de akte opmaakt, beoordeelt of de daar vermelde omstandigheden zich voordoen. 3. Hij neemt bij het opmaken van de akte, zoveel als het naar zijn oordeel mogelijk is, de bepalingen van de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008900&artikel=4&z=2014-04-01&g=2014-04-01) tot en met [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008900&artikel=9&z=2014-04-01&g=2014-04-01), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008900&artikel=11&z=2014-04-01&g=2014-04-01), [13](https://wetten.overhei"},{"i":6761,"b":"Wet van 22 mei 2024 tot wijziging van de Wet publieke gezondheid vanwege de invoering van een vergunningplicht en een meldplicht ter zake van het verrichten van handelingen met poliovirus en enkele andere wijzigingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) aan te passen om ter zake van het verrichten van handelingen met poliovirus een vergunningplicht en een meldplicht in te voeren en om enkele andere wijzigingen door te voeren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet publieke gezondheid. Artikel II Wijzigt de Gezondheidswet. Artikel III Wijzigt de Uitvoeringswet verdrag biologische wapens. Artikel IV Wijzigt de Wet luchtvaart. Artikel V Wijzigt de Wet op de lijkbezorging. Artikel VI Wijzigt de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Artikel VIa Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van [artikel I, onderdelen E, J en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049769&artikel=I&z=2025-03-01&g=2025-03-01) en [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049769&artikel=II&z=2025-03-01&g=2025-03-01) van deze wet in de praktijk. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6762,"b":"Wet van 15 december 2021 tot wijziging van de Wet publieke gezondheid vanwege het opnemen daarin van een gemeentelijke taak om prenataal huisbezoek te verrichten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet publieke gezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024705) aan te passen, opdat daarin een gemeentelijke taak voor prenataal huisbezoek wordt opgenomen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet publieke gezondheid. Artikel Ia Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zendt twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6715,"b":"Wet van 14 november 1996 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs inzake de bestuursvorm van het openbaar onderwijs Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de bestuursvorm van het openbaar onderwijs nader gestalte te geven; dat in verband hiermee wijziging van de [Wet op het basisonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) en de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) noodzakelijk is; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op het basisonderwijs. ARTIKEL II Wijzigt de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. ARTIKEL IV Vervallen ARTIKEL V Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het **Staatsblad**waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad**zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7481,"b":"Aanwijzing toezichthouders gebruik gegevens kentekenregister Gelet op [artikel 45a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=45a); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht als bedoeld in [artikel 45a, eerste lid van de Wegenverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=45a) zijn belast de ambtenaren van de Dienst Wegverkeer, Divisie Registratie & Informatie, afdeling Informatieverstrekking en -analyse, unit Informatieverstrekking. Artikel 2 Deze aanwijzing treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: ‘Aanwijzing toezichthouders gebruik gegevens kentekenregister’. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd."},{"i":6782,"b":"Wet van 5 oktober 2016, houdende wijziging van de Wet wegvervoer goederen in verband met omvorming van de Stichting NIWO tot publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het omwille van een verbeterd toezicht door de centrale overheid op zelfstandige bestuursorganen wenselijk is om de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie om te vormen naar een krachtens publiekrecht ingesteld zelfstandig bestuursorgaan; Zo is het, dat Wij, de Afdeling Advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet wegvervoer goederen. Artikel II Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gaan de vermogensbestanddelen van de Stichting NIWO onder algemene titel over op de NIWO. Artikel III Archiefbescheiden van de Stichting NIWO betreffende zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn afgedaan, worden overgedragen aan de NIWO voor zover zij niet overeenkomstig de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Artikel IV In wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij de Stichting NIWO is betrokken, treedt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de NIWO in de plaats van de Stichting NIWO. Artikel V Bij de eerste samenstelling van de raad van advies van de NIWO benoemt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, in afwijking van [artikel 4.3b, vijfde lid, van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=4.3b), de voorzitter van de raad van advies zonder dat hij de raad hoort. Artikel VI Deze wet treedt in werking met ingang van een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministe"},{"i":7276,"b":"Wet van 21 December 1951, houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 van de \"Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië\" Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ingevolge [artikel 2, lid 8 van de \"Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060&artikel=2)\" nodig is Ons besluit van 27 Juni 1950 (**Staatsblad** No. K 268) tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 2 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060&artikel=2), te bevestigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepaling Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder: \"Garantiewet\": de [Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060); \"overheidsdienaren\": hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van de Garantiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002060&artikel=1); \"activiteitswedde\": de nominale activiteitswedde, vermeerderd met voor pensioen medetellende toelagen, welke op het tijdstip van dienstbeëindiging wordt dan wel zou zijn genoten op basis van de op 5 Augustus 1949 bestaande bezoldigingsregeling; \"normaal pensioen\": het pensioen, waarop recht wordt verkregen bij het bereiken van een diensttijd van 20 en een leeftijd van 50 jaar onderscheidenlijk van een diensttijd van 25 en een leeftijd van 55 jaar, naar gelang de betrokken overheidsdienaar volgens de op 5 Augustus 1949 voor hem van kracht zijnde pensioenregeling behoort tot pensioengroep I onderscheidenlijk pensioengroep II. Hoofdstuk II. Van de onderstand, bedoeld in artikel 2, lid 4 van de Garantiewet Afdeling I. Van de onderstand aan overheidsdienaren in vaste dienst § 1. Aflopende onderstand Artikel 2 Aan overheidsdienaren in vaste die"},{"i":6837,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 april 2012, nr. HO&S/399254, tot aanwijzing van personen belast met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 Gelet op [artikel 9.1a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=9.1a); Besluit: Artikel 1 De personen, werkzaam bij Investiga BV, Langhenkel Beheer B.V., de dienst Projecten van SVLand en de afdeling Handhaving van Sagènn Professionals B.V. vanaf 1 januari 2012 te belasten met het toezicht bedoeld in [artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5). Artikel 2 De personen, werkzaam bij het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord-Holland Noord vanaf 1 januari 2012 in de provincie Noord-Holland te belasten met het toezicht bedoeld in [artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5)."},{"i":6746,"b":"Wet van 15 november 2012 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet giraal effectenverkeer en het Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code van 30 mei 2007 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om, naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code van 30 mei 2007, over te gaan tot wijziging van de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) in verband met aanpassing van de drempelwaarden voor melding van zeggenschap in beursgenoteerde ondernemingen en opname van een verplichting voor aandeelhouders en andere stemgerechtigden tot melding van hun intenties, tot wijziging van de [Wet giraal effectenverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003109) in verband met identificatie van investeerders op effecten en tot wijziging van het [Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045) in verband met aanpassing van het percentage kapitaalbezit dat is benodigd voor het recht om onderwerpen te agenderen voor de algemene vergadering; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet giraal effectenverkeer. Artikel III Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel IV [Vervallen] Artikel V Een ieder die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, naar hij weet of behoort te weten, beschikt over tenminste drie procent van het kapitaal of tenminste drie procent van de stemmen in een uitgevende instelling als bedoeld in [artikel 5:33, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=5:33) kan uitbrengen en daarvan niet eerder melding heeft gedaan aan de Stichting"},{"i":6653,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 23 februari 2011, nr. WJZ/11019095, houdende wijziging van de Subsidieregeling innoveren en de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2011 in verband met herziening van hoofdstuk 4 (Innovatieprestatiecontracten) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=16), [17, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), [23, aanhef en onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=23), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=44), [48, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=48), [50, tweede tot en met vierde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=50); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling innoveren. Artikel II Wijzigt de Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2011. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel IIa Op subsidies die zijn aangevraagd of verstrekt op grond van [hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling innoveren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024855&hoofdstuk=4) vóór de inwerkingtreding van deze regeling, blijft hoofdstuk 4 van toepassing zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling, met dien verstande dat met ingang van 16 mei 2011: - a. een accountantsverklaring bij een aanvraag om vaststelling van een subsidie niet meer behoeft"},{"i":6749,"b":"Wet van 15 oktober 2009 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, het Burgerlijk Wetboek en de Wet inzake geldtransactiekantoren en intrekking van de Wet op het grensoverschrijdend betalingsverkeer ter implementatie van richtlijn nr. 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt en tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG (PbEU L 319) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [richtlijn nr. 2007/64/EG](32007L0064) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende betalingsdiensten in de interne markt en tot wijziging van de [Richtlijnen 97/7/EG](31997L0007), [2002/65/EG](32002L0065), [2005/60/EG](32005L0060) en [2006/48/EG](32006L0048), en tot intrekking van [Richtlijn 97/5/EG](31997L0005) (PbEU L 319), welke voorziet in een vergunningenstelsel voor betaaldienstverleners, informatieverplichtingen omtrent betaaldiensten en rechten en plichten van verleners en gebruikers van betaaldiensten, in Nederland dient te worden geïmplementeerd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2 en het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III Wijzigt de Wet inzake de geldtransactiekantoren. Artikel IV Wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Artikel V Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel VI De [Wet grensoverschrijdende betaaldiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010003) wordt ingetrokken. Artikel VIa Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming. Artikel VIb Wijzigt de Sanctiewet 1977. Artikel VII 1. Op rechtspersonen die geen kredietinstelling zijn in de zin van [artikel 1:1"},{"i":6697,"b":"Wet van 30 juni 2005 tot wijziging van de Gemeentewet en de Wet politieregisters in verband met de invoering van regels omtrent het gebruik van camera’s ten behoeve van toezicht op openbare plaatsen (cameratoezicht op openbare plaatsen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is in de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) regels op te nemen omtrent het gebruik van camera’s ten behoeve van toezicht op openbare plaatsen alsmede in verband daarmee de [Wet politieregisters](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004798) te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II Wijzigt de Wet politieregisters. Artikel III [Artikel 151c van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=151c) blijft buiten toepassing gedurende een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ten aanzien van camera’s ten behoeve van de handhaving van de openbare orde die geplaatst zijn voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel IV Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7415,"b":"Wet van 14 februari 1994, houdende wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte, de Wet op de huurcommissies en het Burgerlijk Wetboek in verband met de uitbreiding van de huurprijs- en huurbescherming tot overeenkomsten van huur en verhuur van woonwagens en woonwagenstandplaatsen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op het streven naar een gelijke behandeling van woonwagenbewoners en andere burgers wenselijk is de regels betreffende de huurprijs- en huurbescherming van toepassing te doen zijn op overeenkomsten van huur en verhuur van woonwagens en woonwagenstandplaatsen en in verband hiermede de [Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221), de [Wet op de huurcommissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003222) en het Burgerlijk Wetboek te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij de rechter aanhangige zaken betreffende huur en verhuur van woonwagens of standplaatsen worden beslist met toepassing van het recht dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6818,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 12 februari 2018 tot aanwijzing van categorieën van personen, openbare diensten en rechtspersonen met een publiekrechtelijke taak op het terrein van politie, justitie of veiligheid, waarvoor de Politieacademie werkzaamheden kan verrichten op het gebied van het ontwikkelen en verzorgen van politieonderwijs, het ontwikkelen van kennis over de politie of de politietaak en het bijdragen aan de ontwikkeling van de uitoefening van de politietaak waarop het politieonderwijs is gericht (Aanwijzingsbesluit personen, andere openbare diensten of rechtspersonen waarvoor de Politieacademie werkzaamheden kan verrichten) Gelet op [artikel 74, derde lid, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=74); Besluit: Artikel 1 Als categorie van personen, andere openbare diensten of rechtspersonen als bedoeld in [artikel 74, derde lid, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=74) worden aangewezen de categorie van personen, andere openbare diensten of rechtspersonen, opgenomen in de bijlage behorende bij dit besluit. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit personen, andere openbare diensten of rechtspersonen waarvoor de Politieacademie werkzaamheden kan verrichten. Bijlage. bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040659&artikel=1&z=2018-02-27&g=2018-02-27) van het Aanwijzingsbesluit personen, andere openbare diensten of rechtspersonen waarvoor de Politieacademie werkzaamheden kan verrichten 1. Ministeries Het Ministerie van Justitie en Veiligheid: de Dienst Justitiële Inrichtingen, het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, de Immigratie- en Naturalisatiedienst, het Centr"},{"i":7383,"b":"Wet van 26 juni 2019 tot wijziging van de Handelsregisterwet 2007 in verband met de evaluatie van die wet, alsmede regeling van enkele andere aan het handelsregister gerelateerde onderwerpen in het Burgerlijk Wetboek, de Handelsregisterwet 2007 en de Wet op de Kamer van Koophandel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777) te wijzigen naar aanleiding van de evaluatie van die wet, alsmede enkele andere aan het handelsregister gerelateerde onderwerpen in het Burgerlijk Wetboek, de Handelsregisterwet 2007 en de [Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331) op te nemen, zodat ter versterking van de rechtszekerheid in het economisch verkeer, de kwaliteit van het handelsregister en de slagvaardigheid van de Kamer van Koophandel bij de uitvoering van de handelsregistertaak worden vergroot; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel II Wijzigt de Handelsregisterwet 2007. Artikel III Wijzigt de Wet op de Kamer van Koophandel. Artikel IIIa Wijzigt de Wet normering topinkomens. Artikel IV Wijzigt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van toezicht, opsporing, naleving en handhaving (kst. 33980). Artikel V Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de kansspelen, enz. (organiseren van kansspelen op afstand). Artikel Va Wijzigt deze wet. Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel Vb Wijzigt de Wet bescherming bedrijfsgeheimen. Artikel VI Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillen"},{"i":6685,"b":"Wet van 23 december 1993, tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht alsmede nadere aanpassing van een aantal wetten aan de Algemene wet bestuursrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de invoering van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) wenselijk is dat de andere wetten daarmee in overeenstemming worden gebracht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: 1. Wijziging van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) artikel 1 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 2. Wijziging van de Wet voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie artikel 2 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 3. Wijziging van de Wet tot wijziging van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) en enkele andere wetten in verband met de regeling van een procedure voor de voorbereiding en totstandkoming van besluiten en aanpassing van de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245) en enkele andere wetten aan de eerste tranche van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) artikel 3 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 4. Wijziging aanpassingswetten eerste tranche [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) artikel 4 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 5. Aanpassing van bijzondere wetten aan de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) artikel 5 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 6. Slotbepalingen Artikel 1 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen van de wet verschillend kan worden vastgesteld. Artikel 2 1. Voor de bekendmaking"},{"i":6793,"b":"ZKOO-bedragen per 1 januari 2001 Inleiding In deze publicatie stel ik u op de hoogte van de tegemoetkomingen in de ziektekosten die per 1 januari 2001 op grond van het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007326) (ZKOO) van toepassing zijn. In de CAO sector Onderwijs (PO, VO, BVE) 2000-2002 is vastgelegd dat de tegemoetkomingen in de zin van de [ZKOO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007326) nominaal gehandhaafd worden op het niveau van 2000, tot het moment is bereikt dat de vergoeding gelijk is geworden aan de helft van de gemiddelde ziektekostenpremie zoals deze door het Centraal Planbureau in elk kalenderjaar wordt gehanteerd ten behoeve van het Centraal Economisch Plan, de helft van de verschuldigde omslagbijdrage ingevolge [artikel 5 van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003933&artikel=5) en de helft van de verschuldigde omslagbijdrage ingevolge [artikel 6h van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003934&artikel=6h). De [ZKOO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007326) is daartoe ingaande 1 januari 2001 gewijzigd. De middelen die als gevolg van deze maatregel vrijvallen worden jaarlijks teruggesluisd naar de arbeidsvoorwaardenruimte ten behoeve van een structurele procentuele eindejaarsuitkering. Over deze eindejaarsuitkering wordt u afzonderlijk geïnformeerd. ZKOO-bedragen per 1 januari 2001 Teneinde inkomenseffecten te voorkomen, wordt het bedrag van de tegemoetkoming in de ziektekosten vanaf 1 januari 2001 tenminste gelijkgesteld op het niveau van 2000. Zodra het bedrag van de tegemoetkoming, berekend op basis van het CPB-premiegemiddelde, hoger is dan het bedrag over 2000, zal deze bodem uit de [ZKOO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007326) worden verwijderd. Op grond van het bovenstaande gelden vanaf 1"},{"i":7486,"b":"Besluit van de Autoriteit Persoonsgegevens van 9 december 2025 tot aanwijzing van elektronische kanalen voor het indienen van berichten in de zin van artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht besluit: Artikel 1. Definities Dit besluit verstaat onder: - a. Bericht: een bericht als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); - b. Kanaal: een aangewezen wijze van elektronisch verzenden van berichten als bedoeld in [artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13). Artikel 2. Aanwijzing kanalen - a. Voor berichten aan de AP dient gebruik te worden gemaakt van de webformulieren en mailadressen zoals die zijn opgenomen in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052016&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van dit besluit - b. Voor berichten waarvoor in de [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052016&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) geen kanaal is genoemd, dient gebruik te worden gemaakt van het algemene e-mailadres van de Autoriteit Persoonsgegevens: info@autoriteitpersoonsgegevens.nl Artikel 3. Inwerkingtreding besluit Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2026. Artikel 4. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Autoriteit Persoonsgegevens 2026. Bijlage 1. Webformulieren en mailadressen voor formele berichten | Naam | URL-webformulier | | --- | --- | | Formulier tip of klacht over een privacyschending | [klachten.autoriteitpersoonsgegevens.nl/](https://klachten.autoriteitpersoonsgegevens.nl/) | | Meldformulier datalekken | [datalekken.autoriteitpersoonsgegevens.nl/](https://datalekken.autoriteitpersoonsgegevens.nl/) | | Aanmeldingsformulier functionaris gegevensbescherming (FG) | [www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/aanmeldingsformulier-functionaris-gegevensbescherming-fg](https://www.autoriteitpersoonsgegevens."},{"i":6730,"b":"Wet van 6 maart 2025, houdende wijziging van de Wet inburgering 2021 in verband met het mogelijk maken van het opstellen van een nadere voorlopige uitkering aan gemeenten voor de kosten van voorzieningen die bijdragen aan het voldoen aan de inburgeringsplicht en het creëren van een grondslag voor de specifieke uitkering onderwijsroute Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een wettelijke grondslag te creëren voor het opstellen van een nadere voorlopige uitkering aan gemeenten voor de kosten van voorzieningen die bijdragen aan het voldoen aan de inburgeringsplicht en in een wettelijke grondslag te voorzien voor het opstellen van een specifieke uitkering voor de onderwijsroute en daartoe de [Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770) dient te worden gewijzigd; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inburgering 2021. Artikel II Na de inwerkingtreding van deze wet berust de [Regeling specifieke uitkering onderwijsroute](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047474) (Stcrt. 2022, 30604), de wijziging van de Regeling specifieke uitkering onderwijsroute in verband met aanvullende financiële middelen (Stcrt. 2023, 27881) en de wijziging van de Regeling specifieke uitkering onderwijsroute in verband met het opnemen van financiële middelen voor de jaren 2024 en 2025 (Stcrt. 2023, 32706) op [artikel 42a, eerste en tweede lid, van de Wet inburgering 2021](onbekend). Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6656,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 september 2013, nr. WJZ/532353 (10379), houdende wijziging van de Subsidieregeling instandhouding monumenten in verband met aanpassing van de bepalingen voor professionele organisaties voor monumentenbehoud en een overgangsregime voor voormalige aangewezen organisaties voor monumentenbehoud Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling instandhouding monumenten. Artikel II 1. Besluiten tot aanwijzing als professionele organisatie voor monumentenbehoud op grond van [artikel 30 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032075&artikel=30), die zijn genomen voor inwerkingtreding van deze regeling, worden geacht een vermelding als bedoeld in artikel 30, derde lid, van die regeling te hebben. 2. Personen die op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling lid waren van de commissie, bedoeld in [artikel 36 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032075&artikel=36) zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze regeling, worden geacht te zijn benoemd als lid van een commissie van de Raad als bedoeld in [artikel 2c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=2c). De periode van de benoeming eindigt op de dag waarop de benoeming in het benoemingsbesluit op grond van artikel 36, tweede lid, van de Subsidieregeling instandhouding monumenten zoals dat luidde voor inwerkingtreding van deze regeling, zou eindigen. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en [artikel I, onderdelen C, D, E en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033915&artikel=I&z=2013-09-28&g=2013-09-28), werkt terug tot en met 1 januari 2013. Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032036&artikel"},{"i":6728,"b":"Wet van 9 juli 2014 tot wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en een aantal andere wetten in verband met de dualisering van het gemeente- en provinciebestuur en de invoering van een bedrijfsvoeringsorganisatie met rechtspersoonlijkheid, alsmede regeling van diverse andere onderwerpen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de[Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) aan te passen in verband met de dualisering van het gemeente- en provinciebestuur, de invoering van een bedrijfsvoeringsorganisatie met rechtspersoonlijkheid, almede diverse andere onderwerpen te regelen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel II Wijzigt de Gemeentewet. Artikel III Wijzigt de Provinciewet. Artikel IIIa Wijzigt de Waterschapswet. Artikel IV Wijzigt de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel V Wijzigt de Wet Nationale ombudsman. Artikel VI Wijzigt de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten. Artikel VII Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel VIIa Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken. Artikel VIII Op een regeling die op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035457&artikel=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01), van deze wet bepaalt dat het bestuur van het openbaar lichaam onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan kan besluiten tot uitbreiding van de overgedragen bevoegdheden, blijft [artikel 10, tweede lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=10), zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, tot uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van toepassing. Artikel IX Op een algemeen bestuur dat"},{"i":6817,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 augustus 2017, kenmerk 2017-0000385971, houdende aanwijzing van de huurcommissie als instantie tot buitengerechtelijke geschillenbeslechting in de zin van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten (Aanwijzingsbesluit huurcommissie) Gelet op [artikel 16, eerste lid, van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036550&artikel=16); Besluit: Artikel 1 De huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a), wordt aangewezen als geschilleninstantie in de zin van de [Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036550). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit huurcommissie. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7495,"b":"Beleidsregel kenbaarheid internetsnelheden Gelet op de [artikelen 15.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.1), [15.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.2) en [15.4 van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=15.4), de artikelen 4, eerste lid onder d, en 5 van de op grond van artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde verordening van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende open internettoegang en [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), Besluit: Treedt in werking met ingang van 1 januari 2018 ten aanzien van contracten die na 27 november 2017 worden gesloten tussen eindgebruikers en een aanbieder van een internettoegangsdienst. Treedt in werking met ingang van 1 maart 2018 ten aanzien van contracten die op of voor 27 november 2017 zijn gesloten tussen eindgebruikers en een aanbieder van een internettoegangsdienst. afdeling Eerste. – Begripsbepalingen Artikel 1. Begrippen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. **Download- en uploadsnelheid:** de download- en uploadsnelheid als bedoeld in de netneutraliteitsverordening; - c. **Aanbieder van een internettoegangsdienst:** een aanbieder van een internettoegangsdienst als bedoeld in de netneutraliteitsverordening; - d. **Netneutraliteitsverordening:** de op grond van artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde verordening van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende open internettoegang. afdeling Tweede. – Internetsnelheid op vaste netwerken Artikel 2. Minimale download- en uploadsnelheid op vaste netwerken 1. De ACM ver"},{"i":6672,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 5 oktober 2011, nr. WJZ / 11137471, tot wijziging van de Subsidieregeling sterktes in de regio in verband met intrekking van Hoofdstuk 2. Pieken in de delta Gelet op [artikel 4 van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In de [Subsidieregeling Sterktes in de regio](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024884) komt [Hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024884&hoofdstuk=2). Pieken in de delta te vervallen, met dien verstande dat dat hoofdstuk van toepassing blijft op de aanvragen om subsidie die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend en op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2012."},{"i":5884,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 26 februari 2018, nr. IENW/BSK-2018/36474, houdende bepalingen inzake het verstrekken van subsidie aan de stichting Knowledge and Development Centre Mainport Schiphol voor de jaren 2018 tot en met 2022 (Tijdelijke subsidieregeling KDC 2018–2022) Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3); BESLUIT: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **KDC:** de stichting Knowledge and Development Centre Mainport Schiphol; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **plan van aanpak:** plan van aanpak beheer KDC voor het boekjaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. 2. Het plan van aanpak wordt aangemerkt als activiteitenplan als bedoeld in [artikel 4:61, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:61). Artikel 2 De minister kan op aanvraag per boekjaar subsidie verstrekken aan KDC voor het beheer en de administratieve ondersteuning van het uitvoeren van onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s en projecten in het kader van de ontwikkeling van een Gemeenschappelijk Europees Luchtruim en de uitvoering van de Luchtvaartnota en de Luchtruimvisie. Artikel 3 De [artikelen 4:61 tot en met 4:63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:61), [4:65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:65), [4:66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:66), [4:68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:68) en [4:72 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:72) zijn van toepassing. Artikel 4 De voor de jaren 2018 tot en met 2022 beschikbare subsidie bedraagt ten hoogste € 190.000,–. Artikel 5 1. KDC richt de subsidieaanvraag aan de minister, ter attentie van de directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, Postbus 2"},{"i":6834,"b":"Besluit van 25 juni 1993, houdende regeling betreffende verlening aan burgerlijke ambtenaren in dienst van het Ministerie van Defensie van een aanvulling op arbeidsongeschiktheidsuitkering bij onvrijwillige werkloosheid Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 1 februari 1993, nr. PAV 2210/93002671; Gelet op [artikelen 125, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [134, eerste lid van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=134) 1929 en op [artikel A4 van de Algemene burgerlijke pensioenwet](onbekend); De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 1993, nr. WO7.93.0073); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 16 juni 1993, nr. PAV2210/93008948; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; - b. wachtgeld: elke uitkering ter zake van onvrijwillige werkloosheid; - c. arbeidsongeschiktheidsuitkering: elke uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid; - d. invaliditeitspensioen: invaliditeitspensioen krachtens de [Algemene burgerlijke pensioenwet](onbekend); - e. betrokkene; - 1°. de gewezen ambtenaar in de zin van het [Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040), met uitzondering van hem op wie [hoofdstuk VI van dat reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&hoofdstuk=4) niet van toepassing was, aan wie wegens blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van zijn betrekking ontslag is verleend met dadelijk ingaand recht op invaliditeitspensioen; - 2°. de gewezen ambtenaar in de zin van het [Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040), die op grond van [artikel 62 van dat reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=62) aanspraak heeft op een uitkering overeenkomstig de normen van de [Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":7412,"b":"Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) wordt aangepast ter verbetering van de aansluiting van de gemeentelijke schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Faillissementswet. Artikel II Deze wet is van toepassing op verzoekschriften tot toepassing van de schuldsaneringsregeling die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn ingediend bij de rechtbank en waarop nog niet is beslist. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7240,"b":"Verdrag tussen Nederland en Groot-Brittannië, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, en Zijne Majesteit de Koning van Groot-Britannië, Ierland en de Britsche Overzeesche Gewesten, Keizer van Indië, wenschende binnen hun wederzijdsch grondgebied het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken, die bij hunne rechterlijke autoriteiten aanhangig zijn of vermoedelijk zullen worden, wederzijds te vergemakkelijken; Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en hebben tot hunne gevolmachtigden benoemd: Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Jonkheer R. de Marees van Swinderen, Ridder-Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau, Commandeur in de Orde van den Nederlandschen Leeuw, Ridder-Grootkruis in de Victoria-Orde, Hoogst Derzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te Londen; en Zijne Majesteit de Koning van Groot-Britannië, Ierland en de Britsche Overzeesche Gewesten, Keizer van Indië: Voor Groot-Britannië en Noord-Ierland: The Right Honourable Sir John Allsebrook Simon, G.C.S.I., K.C.V.O., O.B.E., K.C., M.P., Hoogst Deszelfs Eersten Staatssecretaris voor Buitenlandsche Zaken; die, na elkander hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, zijn overeengekomen als volgt: I. Inleidende bepalingen. Artikel 1 (a). Dit Verdrag is uitsluitend van toepassing op burgerlijke en handelszaken. (b). In dit Verdrag zijn de woorden „grondgebied van de eene (of van de andere) Hooge Verdragsluitende Partij” te verstaan als op elk oogenblik bedoelende elk der gebiedsdeelen van een der Hooge Verdragsluitende Partijen, waarop alsdan het Verdrag toepasselijk mocht zijn verklaard. II. Mededeeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken. Artikel 2 Wanneer met het oog op rechtsgedingen, die aanhangig zijn of, naar te verwachten is, in de toekomst zullen worden bij de rechterlijke autoriteiten binnen het"},{"i":7255,"b":"Wet van 7 juni 2012 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Wet financiële markten BES in verband met het invoeren van een aansprakelijkheidsbeperking voor de toezichthouders op de financiële markten en het opnemen van regels met betrekking tot de beloning van dagelijks beleidsbepalers van financiële ondernemingen die staatsteun genieten (Wet aansprakelijkheidsbeperking DNB en AFM en bonusverbod staatsgesteunde ondernemingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is om de [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368) en de [Wet financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030883) te wijzigen teneinde een aansprakelijkheidsbeperking in te voeren voor De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Autoriteit Financiële Markten en dat het voorts wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de beloning van dagelijks beleidsbepalers van financiële ondernemingen die staatssteun genieten in verband met de stabiliteit van het financieel stelsel; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet financiële markten BES. Artikel III [Artikel 1:25d van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25d) is niet van toepassing op een handelen of nalaten van De Nederlandsche Bank N.V., de stichting Autoriteit Financiële Markten, de leden van hun organen en hun werknemers dat vóór het in werking treden van deze wet heeft plaatsgevonden. Artikel IV Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel V Vervallen Artikel Va In afwijking van [artikel 1:102, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:"},{"i":7421,"b":"Wet van 21 december 2000 tot wijziging van de Huursubsidiewet en de Huurprijzenwet woonruimte (vervallen van het vervolgaanvraagformulier voor bepaalde huurders) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten; Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659) en de [Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221) te wijzigen teneinde het vervolgaanvraagformulier voor bepaalde huurders te laten vervallen en enkele andere wijzigingen in eerstgenoemde [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659) aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Werkt terug tot en met 1 juli 2000. Artikel I Wijzigt de Huursubsidiewet. Artikel II Indien de zending van huursubsidieberichten, bedoeld in [artikel 30a, eerste lid, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=30a), of de verstrekking van gegevens, bedoeld in [artikel 30b, eerste lid, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=30b), plaatsvindt vóór de inwerkingtreding van deze wet, wordt die zending of gegevensverstrekking aangemerkt als te hebben plaatsgevonden ingevolge het betrokken genoemde artikellid. Artikel III Wijzigt de Huurprijzenwet woonruimte. Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juli 2000. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7304,"b":"Wet van 24 oktober 1973, houdende regelen inzake wettelijke aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire schepen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake wettelijke aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire schepen, welke mede strekken ter uitvoering van het Verdrag van Brussel van 25 mei 1962 inzake de aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire schepen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. **nucleair schip:** een schip, dat is uitgerust met een nucleaire krachtinstallatie; - b. **exploitant:** hij, aan wie door een staat vergunning is verleend tot exploitatie van een nucleair schip onder zijn vlag, of een staat, die een nucleair schip exploiteert; - c. **splijtstoffen:** alle stoffen, die het vermogen bezitten energie voort te brengen door middel van een zich zelf onderhoudende kettingreactie van kernsplijtingen en die worden gebruikt of bestemd zijn te worden gebruikt op een nucleair schip; - d. **radioactieve produkten of afvalstoffen:** alle stoffen, met inbegrip van splijtstoffen, die radioactief zijn geworden door blootstelling aan bestraling door neutronen, verband houdende met het gebruik van splijtstoffen aan boord van een nucleair schip; - e. **kernschade:** schade door overlijden, schade aan personen en verlies van of schade aan goederen of vermogen, voortkomende uit of het gevolg zijnde van radioactieve eigenschappen of een combinatie van radioactieve eigenschappen met giftige, explosieve of andere gevaarlijke eigenschappen van splijtstoffen of radioactieve produkten of afvalstoffen; - f. **kernongeval:** elk feit, of elke opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, waardoor kernschade wordt vero"},{"i":7254,"b":"Wet van 11 juni 1975, tot uitvoering van het op 29 november 1969 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, met Bijlage (Trb. 1970, 196) alsmede regeling van die aansprakelijkheid in overeenstemming met dat Verdrag Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, in verband met de bekrachtiging van het op 29 november 1969 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie (**Trb.** 1970, 196) regelen vast te stellen tot uitvoering van dat Verdrag en, in afwachting van de inwerkingtreding van dat Verdrag, reeds in overeenstemming daarmede regelen vast te stellen betreffende de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie afkomstig van olietankschepen en betreffende daarmede samenhangende onderwerpen: Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - a. \"Onze Minister\": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; - b. «Verdrag»: het op 27 november 1992 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie 1992, met Bijlage (**Trb**. 1994, 229); - c. «schip»: alle zeeschepen en andere zeegaande vaartuigen, van welk type ook, gebouwd of aangepast voor het vervoer van olie in bulk als lading, met uitzondering van oorlogsschepen of andere schepen in eigendom van of geëxploiteerd door een Staat ten tijde dat zij uitsluitend worden gebruikt in dienst van de overheid voor andere dan handelsdoeleinden, en met dien verstande dat een schip dat olie en andere soorten lading kan vervoeren"},{"i":6775,"b":"Wet van 1 juli 1992, houdende regelen met betrekking tot de verzelfstandiging van de Verzekeringskamer Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is over te gaan tot de beheersmatige verzelfstandiging van de Verzekeringskamer en dat in verband daarmee wijziging van de [Wet toezicht verzekeringsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509), de [Pensioen- en spaarfondsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002089), de [Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002830) en het treffen van enkele andere wettelijke voorzieningen noodzakelijk zijn; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V De in de [artikelen VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005580&artikel=VI&z=1992-09-01&g=1992-09-01), [VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005580&artikel=VII&z=1992-09-01&g=1992-09-01), [VIII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005580&artikel=VIII&z=1992-09-01&g=1992-09-01) en [IX](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005580&artikel=IX&z=1992-09-01&g=1992-09-01) zonder nadere aanduiding met arabische cijfers aangehaalde bepalingen zijn die van de [Wet toezicht verzekeringsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509), zoals zij luiden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel VI Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden gemachtigd om namens de Staat der Nederlanden een stichting op te richten die zij overeenkomstig artikel 2**a** kunnen aanwijzen als Verzekeringskamer. Artikel VII"},{"i":6696,"b":"Wet van 4 december 2008, houdende wijziging van de Gemeentewet in verband met het afschaffen van het raadplegend burgemeestersreferendum Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het raadplegend referendum ten behoeve van de aanbeveling inzake de benoeming van de burgemeester af te schaffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II Indien de gemeenteraad vóór de dag van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig [artikel 61, tweede lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=61) heeft besloten dat een raadplegend referendum deel van de procedure uitmaakt, blijven de [artikelen 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=61), [61c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=61c) en [61e van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=61e) van toepassing. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7281,"b":"Wet van 18 december 1957, houdende een nieuwe regeling van de samenstelling der burgerlijke gerechten en van de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regelingen te treffen aangaande de samenstelling van de Hoge Raad, de gerechtshoven, de arrondissements-rechtbanken en de kantongerechten en van de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wet op de samenstelling van de burgerlijke gerechten Zie voor de tekst de bovengenoemde wet. Artikel II Vervallen Overgangsbepalingen Artikel III 1. De kinderrechter of het lid van een economische kamer bij meer dan een arrondissements-rechtbank als kinderrechter onderscheidenlijk als lid van een of meer economische kamers werkzaam, wordt geacht tot het verrichten van zijn werkzaamheden in de arrondissements-rechtbank of de arrondissements-rechtbanken, waarin hij tot rechter-plaatsvervanger is benoemd, een opdracht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de samenstelling der burgerlijke gerechten te hebben ontvangen. 2. De kantonrechter, die de tijdelijke vergoeding geniet, bedoeld in artikel 5**a**, tweede lid, van de wet van 18 december 1947 (**Stb.** H 430) en de kantonrechter, die op grond van artikel 6 van die wet opdracht heeft ontvangen de werkzaamheden van kantonrechter van een of meer nabijgelegen kantons waar te nemen, wordt geacht tot het verrichten van zijn werkzaamheden in het andere kanton of de andere kantons een opdracht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de samenstelling der burgerlijke gerechten te hebben ontvangen. 3. De griffier van een kantongerecht, die op grond van artikel 7 van de wet van 18 december 1947 (**Stb.** H 430) de opdracht heeft ontvangen de werkzaamheden va"},{"i":7418,"b":"Wet van 14 februari 1994, houdende wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte in verband met de decentralisatie van de subsidiëring van de volkshuisvesting en de liberalisatie van huurprijzen van duurdere woningen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enige wijzigingen aan te brengen in de [Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221) in verband met de decentralisatie van de subsidiëring van de volkshuisvesting en dat het wenselijk is ter vermindering van het aantal dwingende of richtingbepalende wettelijke voorschriften voor de huurprijsvorming bij dure woningen de [Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221) en enkele andere wetten zodanig aan te passen dat voor zelfstandige woningen in die sector de huurprijsvorming zoveel mogelijk aan de werking van de markt wordt overgelaten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V 1. [Artikel I, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006464&artikel=I&z=1998-12-04&g=1998-12-04), is niet van toepassing op huurovereenkomsten van woonruimte die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn totstandgekomen, met uitzondering van huurovereenkomsten waarop onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet [artikel 7**a**, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003237&artikel=7a) (**Stb.** 1979, 216) van toepassing was. 2. [Artikel I, onderdeel B en onderdelen D tot en met F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006464&artikel=I&z=1998-12-04&g=1998-12"},{"i":6870,"b":"Besluit van 11 maart 1991, ter uitvoering van artikel 1182 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 18 juli 1990, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek nr. 24355/690; Gelet op [artikel 1182 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1182); De Raad van State gehoord (advies van 27 augustus 1990, nr. W03.90.0334); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 februari 1991, Stafafdeling Wetgeving Nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 46943/91/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De schadevergoeding die de verhuizer op grond van een door hem aangegane verhuisovereenkomst mogelijkerwijs is verschuldigd wegens het niet nakomen van de op hem uit hoofde van de [artikelen 1173](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1173) en [1174](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1174) rustende verplichtingen, is beperkt tot een bedrag van € 23 000. 2. Indien de verhuizer in één en dezelfde overeenkomst op zich neemt meer dan één inboedel te verhuizen is zijn in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid beperkt tot een bedrag van € 23 000 per inboedel. Artikel 2 Een bedrag van € 23 van de geleden schade blijft voor risico van de opdrachtgever. Artikel 3 Het besluit van 15 juli 1983, **Stb.** 353 wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek in werking treedt. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":6773,"b":"Wet van 9 oktober 2003 tot wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 in verband met het actualiseren van de solvabiliteitseisen voor het verzekeringsbedrijf Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is [richtlijn nr. 2002/13/EG](32002L0013) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 maart 2002 betreffende de solvabiliteitsmargevereisten voor schadeverzekeringsondernemingen (PbEG L 77) en [richtlijn nr. 2002/12/EG](32002L0012) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 maart 2002 betreffende de solvabiliteitsmargevereisten voor levensverzekeringsondernemingen (PbEG L 77) in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 te verwerken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Artikel II 1. Op verzekeraars die op 20 maart 2002 in het bezit waren van een vergunning om het verzekeringsbedrijf uit te oefenen, blijven tot 20 maart 2007 de bij of krachtens de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509&artikel=68) of [96 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509&artikel=96) gestelde eisen van toepassing zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 2. Indien een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid op 20 maart 2007 nog niet volledig voldoet aan de eisen die bij of krachtens de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509&artikel=68) of [96 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509&artikel=96) gelden, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer daartoe een aanvullende termijn van ten hoogste twee jaar toestaan, mits de verzekeraar voor genoemde datum de maatregelen die hij voornemens is te nemen om d"},{"i":6776,"b":"Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van de gemeentelijke indeling in een deel van de provincie Fryslân Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling in een deel van de provincie Fryslân te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden opgeheven de gemeenten Boarnsterhim, Gaasterlân-Sleat, Heerenveen, Leeuwarden, Lemsterland en Skarsterlân. Artikel 2 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de volgende nieuwe gemeenten ingesteld: - a. De Friese Meren; - b. Heerenveen; - c. Leeuwarden. 2. De nieuwe gemeente De Friese Meren bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Gaasterlân-Sleat, Lemsterland en Skarsterlân en een deel van de op te heffen gemeente Boarnsterhim, waarbij de grens van de nieuwe gemeente komt te lopen zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart, met dien verstande dat tevens het grensbeloop met de op te heffen gemeente Heerenveen wordt gewijzigd. 3. De nieuwe gemeente Heerenveen bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeente Heerenveen en een deel van de op te heffen gemeente Boarnsterhim, waarbij de grens van de nieuwe gemeente komt te lopen zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart, met dien verstande dat tevens het grensbeloop met de op te heffen gemeente Skarsterlân wordt gewijzigd. 4. De nieuwe gemeente Leeuwarden bestaat uit het grondgebied van de op te heffen gemeente Leeuwarden en een deel van de op te heffen gemeente Boarnsterhim, waarbij de grens van de nieuwe gemeente komt te lopen zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Grenswijziging van een gemeente die niet wordt opgeheven Artikel 3 Met ingang van de datum van he"},{"i":7279,"b":"Wet van 25 november 2013, houdende regels omtrent de Kamer van Koophandel (Wet op de Kamer van Koophandel) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot één Kamer van Koophandel en in verband daarmee nieuwe regels te stellen omtrent bestuur, taken en financiering daarvan; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. **Algemeen** Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. **de Kamer:** de Kamer van Koophandel, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2021-07-01&g=2021-07-01). 2. Onze Minister wijst de naar zijn oordeel algemeen erkende centrale algemene werkgeversorganisaties en de naar zijn oordeel algemeen erkende centrale algemene werknemersorganisaties aan als centrale werkgeversorganisaties onderscheidenlijk centrale werknemersorganisaties in de zin van deze wet. 3. De Kamer wijst de naar zijn oordeel in de desbetreffende regio algemeen erkende werkgeversorganisaties en de naar zijn oordeel in de desbetreffende regio algemeen erkende werknemersorganisaties aan als regionale werkgeversorganisaties onderscheidenlijk regionale werknemersorganisaties in de zin van deze wet. 4. Onze Minister en de Kamer doen mededeling in de Staatscourant van aanwijzing als bedoeld in het tweede onderscheidenlijk derde lid. Hoofdstuk 2. **Instelling en indeling van de Kamer** Artikel 2 1. Er is een Kamer van Koophandel die tot doel heeft het stimuleren van economische ontwikkeling door middel van het informeren en ondersteunen op het gebied van ondernemen en innovatie van personen die een onderneming drijven of overwegen een onderneming op te richten. 2. De Kamer is"},{"i":7499,"b":"Beleidsregel UWV gebruik adresgegevens Gelet op de [artikelen 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.7) en [2.34 van de Wet op de basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.34); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **UWV:** het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in [hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=5); - b. **Wet BRP:** de [Wet basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715); - c. **ingezetene:** de ingezetene, bedoeld in [artikel 1.1, onder f, van de Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.1); - d. **woonadres:** het adres, bedoeld in [artikel 1.1, aanhef, en onder o, van de Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.1); - e. **briefadres:** het adres, bedoeld in [artikel 1.1, aanhef, en onder p, van de Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=1.1); - f. **BRP-adres:** het woonadres of het briefadres; - g. **verblijfadres:** een adres waar de betrokkene feitelijk verblijft, niet zijnde het BRP-adres; - h. **correspondentieadres:** een door de betrokkene gekozen adres voor het ontvangen van post, niet zijnde het BRP-adres; - i. **terugmelding:** een mededeling, bedoeld in [artikel 2.34, lid 1, van de wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.34). Artikel 2. Gebruik BRP-adres 1. UWV maakt bij de vervulling van zijn taak gebruik van het BRP-adres. 2. In afwijking van het eerste lid maakt UWV geen gebruik, dan wel niet uitsluitend gebruik van het BRP-adres, indien: - a. de betrokkene overeenkomstig de [Controlevoorschriften Ziektewet 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027957), de [Controlevoorschriften arbeidsongeschiktheidswetten 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020115), het [Uitkeringsreglement WW 200"},{"i":6742,"b":"Wet van 18 mei 1995, tot wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met het instellen van een College van toezicht op de kansspelen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een vast college van toezicht en advies inzake de uitvoering van de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) in te stellen en in verband daarmee te komen tot vereenvoudiging van Titel IV **b** (Casinospelen) van de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469), alsmede enige andere wijzigingen aan te brengen in de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469) en de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III De vergunningen verleend krachtens de [artikelen 27**p**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=27p) en [30**g** van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=30g), zoals deze artikelen luidden voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven van kracht tot uiterlijk drie maanden nadat deze wet in werking is getreden. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6684,"b":"Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat wenselijk is in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) een nieuwe regeling te treffen voor de coördinatie van samenhangende besluiten en enige andere wijzigingen aan te brengen in verband met de inwerkingtreding van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) en enkele wetten aan te passen met het oog op de invoering van de algemene regeling over nadeelcompensatie in [titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.5); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Wijziging van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) Artikel 1 Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk 2. Wijziging van de [Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885) en enkele bepalingen van bijzondere wetten Hoofdstuk 3. Aanpassing van bijzondere nadeelcompensatieregelingen aan [titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.5) Hoofdstuk 4. Wijzigingen in verband met de aanpassing van [artikel 5:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:20) § 1. Algemene Zaken Artikel 4.1 Wijzigt de Vorderingswet. Artikel 4.2 Wijzigt de Wet beschikbaarheid goederen. § 2. Buitenlandse Zaken Artikel 4.3 Wijzigt de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken. § 3. Justitie en Veiligheid Artikel 4.4 Wijzigt de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming. Artikel 4.5 Wijzigt de Vreemdelingenwet 2000. Artikel 4.6"},{"i":6718,"b":"Wet van 18 maart 1996, houdende wijziging van enige wetten op het gebied van de mijnbouw in verband met de uitvoering van de richtlijn nr. 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de produktie van koolwaterstoffen (PbEG L 164) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de uitvoering van de [richtlijn nr. 94/22/EG](31994L0022) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de produktie van koolwaterstoffen (PbEG L 164) noodzakelijk is wijziging te brengen in de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285), de [Mijnwet 1903](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001870), de [Mijnwet continentaal plat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002504) en de [Wet opsporing delfstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002579); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285). ARTIKEL II Wijzigt de Mijnwet 1903. ARTIKEL III Wijzigt de Mijnwet continentaal plat. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet opsporing delfstoffen. ARTIKEL V Wijzigt de Wet op de economische delicten. ARTIKEL VI 1. Ten aanzien van de overdracht, wijziging en intrekking van een concessie, die is verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285) en de [Mijnwet 1903](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001870), zoals deze golden vóór dat tijdstip, van toepassing. 2. Indien een concessie wordt verleend op grond van [artikel 8e, eerste lid, van de Mi"},{"i":7290,"b":"Wet van 7 oktober 2015 tot wijziging van Boek 1 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de huwelijksleeftijd, de huwelijksbeletselen, de nietigverklaring van een huwelijk en de erkenning van in het buitenland gesloten huwelijken (Wet tegengaan huwelijksdwang) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is huwelijksdwang tegen te gaan, en voorts te verduidelijken wanneer de erkenning van rechtsgeldig in het buitenland gesloten huwelijken in strijd is met fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde, en dat daartoe [Boek 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) en [Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068) dienen te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 10. Artikel III A. [Artikel 31 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=31) zoals het gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, is ook na dit tijdstip van toepassing indien de aangifte of aankondiging van het huwelijksvoornemen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand voor dit tijdstip heeft plaatsgehad. B. [Artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) is niet van toepassing op hen die voor de inwerkingtreding van deze wet als gevolg van het sluiten van een huwelijk of geregistreerd partnerschap meerderjarig zijn geworden. Voor deze personen blijft het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel IVa Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen vier jaar n"},{"i":6843,"b":"Besluit van 25 april 1994, houdende aanwijzing van de personen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Politiewet 1993, over wie de politietaak van de Koninklijke marechaussee zich mede uitstrekt Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 25 november 1993, nr. CWW 85/008, Directie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 6, tweede lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=6); De Raad van State gehoord (advies van 29 december 1993, nr. W07.93.0795.); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 15 april 1994, nr. CWW 85/008, Directie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Als personen, bedoeld in de [artikelen 4, tweede lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=4) en [5, tweede lid, van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=5), worden aangewezen: - a. de echtgenoten van de personen die behoren tot de andere strijdkrachten of internationale militaire hoofdkwartieren, voor zover deze echtgenoten niet de Nederlandse nationaliteit bezitten; - b. de kinderen van die personen, voor zover zij voor hun onderhoud van hen afhankelijk zijn. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 april 1994. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst. Artikel 3 Dit besluit berust op de [artikelen 4, tweede lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=4) en [5, tweede lid, van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=5). Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing van personen over wie de politietaak van de Koninklijke marechaussee zich mede uitstrekt. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting"},{"i":6874,"b":"Besluit van 22 augustus 1991, tot uitvoering van de artikelen 249 lid 1 en 252 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 februari 1991, Stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 45775/91/6; Gelet op [artikel 249 lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=249) en [artikel 252 van Boek 3 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=252); De Raad van State gehoord (advies van 3 april 1991, nr. W03.91.0099); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 14 augustus 1991, Stafafdeling Wetgeving nieuw Burgerlijk Wetboek, nr. 143738/91/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De mededeling bedoeld in [artikel 249 lid 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=249), en de kennisgeving bedoeld in [artikel 252 van dat boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=252) geschieden schriftelijk. 2. In elk geval zijn voldoende: - a. een gewone of aangetekende brief; - b. een telegram, telex of telefax. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1992. Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State."},{"i":6720,"b":"Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te voorzien in een wettelijke regeling teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Vreemdelingenwet. ARTIKEL II Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. ARTIKEL III Wijzigt de Wet op de expertisecentra. ARTIKEL IV Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. ARTIKEL V Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. ARTIKEL VI Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. ARTIKEL VII Wijzigt de Wet individuele huursubsidie. ARTIKEL VIII Wijzigt de Huisvestingswet. ARTIKEL IX Wijzigt de Werkloosheidswet. ARTIKEL X Wijzigt de Ziektewet. ARTIKEL XI Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. ARTIKEL XII Wijzigt de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. ARTIKEL XIII Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. ARTIKEL XIV Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. ARTIKEL XV Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. ARTIKEL XVI Wijzigt de Toeslagenwet. ARTIKEL XVII Wijzigt de Algemene bijstandswet (Stb. 1995, 199). ARTIKEL XVIII Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. ARTIKEL XIX Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. ARTIKEL XX Wijzigt de Ziekenfondswet. ARTIKEL XXI Wijzigt de Algemen"},{"i":7278,"b":"Wet van 24 april 1997, houdende nieuwe regels over het verstrekken van huursubsidies (Huursubsidiewet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet individuele huursubsidie te herzien, ter matiging van de huurlasten van huishoudens met lagere inkomens, ter vereenvoudiging van de wettelijke bepalingen, alsmede ter vergroting van de doelmatigheid van de huursubsidieverstrekking; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Definities Artikel 1 In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder: - a. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente waar de woning is gelegen waarop de huurtoeslag betrekking heeft; - b. huurcommissie: de huurcommissie, bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - c. huurder: persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een door hem gehuurde woning, daaronder begrepen een woonwagen, tenzij: - 1°. de overeenkomst van huur en verhuur een gebruik van de woning betreft dat naar zijn aard slechts van korte duur is, of - 2°. de woning onderdeel uitmaakt van een hotel-, pension-, kamp- of vakantiebestedingsbedrijf, ongeacht de duur van de huurovereenkomst; - d. huurprijs: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning; - e. huurtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=2) in de kosten van het huren van een woning; - f. onderhuurder: persoon als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.ov"},{"i":7410,"b":"Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is dat de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) wordt gewijzigd teneinde de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen te vereenvoudigen en de toegang tot de regeling beheersbaar te houden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Faillissementswet. Artikel Ia Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel Ib Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel Ic Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel Id Wijzigt de Wet op het consumentenkrediet. Artikel II Wijzigt de Wijzigingswet Faillissementswet (bevorderen effectiviteit surséance van betaling en faillissement)(Kamerstuk 27244). Artikel III Wijzigt de Faillissementswet. Artikel IV 1. Ten aanzien van schuldenaren op wie de schuldsaneringsregeling voorlopig van toepassing is verklaard, blijft het recht van toepassing zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, totdat onherroepelijk op het verzoek is beslist. Nadat onherroepelijk is beslist, blijft [artikel 350, derde lid, onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=350), buiten toepassing. 2. Op een saneringsplan dat op de datum van inwerkingtreding van deze wet door de rechter reeds is vastgesteld, blijft het recht van toepassing zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet. 3. Indien na de datum van inwerkingtreding van deze wet de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op grond van [artikel 356, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=356), is [artikel 358, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&arti"},{"i":6739,"b":"Wet van 18 juni 1998 tot wijziging van de Wet Nationale ombudsman en de Wet openbaarheid van bestuur Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet Nationale ombudsman te wijzigen in verband met het aanpassen van de bevoegdheidsomschrijving van de Nationale ombudsman, het openen van de mogelijkheid van vrijwillige aansluiting door gemeenten, provincies, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen bij de klachtvoorziening die de Wet Nationale ombudsman biedt, enkele wijzigingen van technische aard aan te brengen alsmede enkele overgangsmaatregelen te treffen en de Wet openbaarheid van bestuur te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet Nationale ombudsman. ARTIKEL II 1. Vervallen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is beëindigd op een datum gelegen voor 1 januari 1998. 3. Het eerste lid vervalt met ingang van de dag, waarop een besluit als bedoeld in [artikel 1b, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=1b) in werking treedt. ARTIKEL III Tot een jaar na de beëindiging van een aanwijzing van bestuursorganen van een provincie, gemeente of waterschap op grond van de [Wet Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372), zoals deze wet luidde voor inwerkingtreding van deze wet, kan met betrekking tot een gedraging van het desbetreffende bestuursorgaan die heeft plaatsgevonden voordat de aanwijzing werd beëindigd, een verzoekschrift als bedoeld in [artikel 12 bij de Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003372&artikel=12) worden ingediend. ARTIKEL IV Het Aanwijzingsbesluit bestuursorganen Wob en WNo, het koninklijk besluit van 1 september 1993 houdende aanwijzing van"},{"i":7250,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 21 mei 2014, nr. WJZ/13163215, houdende het vaststellen van een vrijstelling voor de verkoop van ongesorteerde eieren (Vrijstellingsregeling verkoop ongesorteerde eieren) Gelet op bijlage VII, deel VI, artikel I, onderdeel 2, van de verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013 L 347), [artikel 10.1., eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=10.1); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **eieren:** eieren als bedoeld in artikel 1, onder k, van [verordening 589/2008](32008R0589); - **eindverbruiker:** een eindverbruiker als bedoeld in artikel 1, onder r, van [verordening 589/2008](32008R0589); - **productie-inrichting:** een inrichting die zich toelegt op de productie van eieren; - **verordening 589/2008:** [verordening (EG) nr. 589/2008](32008R0589) van de Commissie van 23 juni 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van [Verordening (EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad, wat betreft de handelsnormen voor eieren (PbEU 2008 L 163). Artikel 2 Eieren die door de producent rechtstreeks aan de eindverbruiker worden verkocht behoeven niet naar kwaliteit en gewicht te worden ingedeeld, mits de verkoop plaatsvindt: - a. in een productie-inrichting; - b. op een lokale openbare markt, of - c. bij huis-aan-huisverkoop. Artikel 3 Een producent die gebruik wenst te maken van deze vrijstellingsregeling meldt dit bij de Stichting COKZ. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Artikel 5 Deze regeling wordt aangehaald als: Vrijstellingsregeling verkoop ongesorteerde eieren. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepl"},{"i":7277,"b":"Wet van 24 december 1992, tot vaststelling van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de opheffing van de fiscale grenzen binnen de Europese Gemeenschap wenselijk is het stelsel van heffing van de bijzondere verbruiksbelastingen van personenauto’s en van motorrijwielen te herzien, alsmede om deze belastingen op te nemen in een afzonderlijke wet en voorts dat het gewenst is in het tarief te differentiëren naar een milieu- en een energiegrondslag en het begrip personenauto nader te definiëren; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Afdeling 1. Belastbaar feit Artikel 1 1. Onder de naam 'belasting van personenauto’s en motorrijwielen' wordt een belasting geheven met betrekking tot personenauto's, motorrijwielen en bestelauto's. 2. De belasting is verschuldigd ter zake van de inschrijving van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto. 3. Ingeval een ingeschreven motorrijtuig zodanig wordt veranderd dat het de hoedanigheid verkrijgt van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto, is de belasting verschuldigd ter zake van de wijziging van de inschrijving in personenauto, motorrijwiel of bestelauto dan wel, indien de inschrijving niet wordt gewijzigd in personenauto, motorrijwiel of bestelauto, ter zake van de aanvang van het gebruik als personenauto, motorrijwiel of bestelauto van de weg. 4. Ingeval een motorrijtuig als bedoeld in [artikel 9c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&hoofdstuk=III&afdeling=2&artikel=9c&z=2026-01-01&g=2026-01-01) in een zodanige staat wordt gebracht dat deze niet meer voldoet aan de in dat artikel genoemde voorwaarden, is de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dit motor"},{"i":7439,"b":"Wet van 4 september 1996 tot wijziging van de Wet aansprakelijkheid olietankschepen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet aansprakelijkheid olietankschepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002976) te wijzigen in verband met de toetreding tot het op 27 november 1992 te Londen tot stand gekomen Protocol tot wijziging van het op 29 november 1969 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1969, met bijlage, waarvan de Engelse en Franse tekst en de vertaling in het Nederlands zijn geplaatst in **Tractatenblad** 1994, 229; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet aansprakelijkheid olietankschepen. ARTIKEL II. OVERGANGSBEPALING 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: - a. «Aansprakelijkheidsverdrag 1969»: het op 29 november 1969 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, met Bijlage (**Trb**. 1970, 196); - b. «Gewijzigd Aansprakelijkheidsverdrag 1992»: het op 27 november 1992 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, met Bijlage (**Trb**. 1994, 229); - c. «Fondsverdrag 1971»: het op 18 december 1971 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie (**Trb**. 1973, 101). 2. Gedurende de periode waarin Nederland partij is bij zowel het Aansprakelijkheidsverdrag 1969 als het Gewijzigd Aansprakelijkheidsverdrag 1992, wordt bij de afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel VII, tweede lid, van zowel het Aansprak"},{"i":7313,"b":"Besluit van 13 december 2007 tot wijziging van het Besluit etikettering energiegebruik personenauto’s in verband met de aanpassing van energielabels voor nieuwe personenauto’s met een reeds bij de fabriek geïnstalleerde aardgas- of LPG-installatie Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 17 juli 2007, nr. WJZ 7085700, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [richtlijn nr. 1999/94/EG](31999L0094) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's (PbEG 2000, L 12), en op [artikel 6 van de Wet energiebesparing toestellen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003916&artikel=6); De Raad van State gehoord (advies van 16 augustus 2007, nr. W10.07.0255/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 11 december 2007, nr. WJZ 7143763, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit etikettering energiegebruik personenauto’s. Artikel II Vervallen Artikel III Wijzigt het Tijdelijk besluit subsidies milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie door middel van warmtekrachtkoppeling. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang 1 januari 2008. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":7249,"b":"Verzending tekst latere vermeldingen bij dubbelen akten burgerlijke stand Gelet op [artikel 31 van het Besluit burgerlijke stand 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=31), Stb. 1994, 160; Besluit: Artikel 1 1. De tekst van de op grond van [Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656) en het [Besluit burgerlijke stand 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493) opgemaakte latere vermeldingen behorende bij de dubbelen of afschriften van de akten van de burgerlijke stand, wordt maandelijks toegezonden aan de centrale bewaarplaats, als bedoeld in [artikel 30 van het voormelde besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=30). 2. De toezending van de tekst van de latere vermeldingen behorend bij de dubbelen of afschriften van consulaire akten van de burgerlijke stand aan de in het eerste lid bedoelde centrale bewaarplaats geschiedt met inachtneming van het bepaalde in [artikel 35 van het Besluit burgerlijke stand 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=35). Artikel 2 1. Voor de toezending van de tekst van de latere vermeldingen bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011426&artikel=1&z=2021-08-28&g=2021-08-28), mogen uitsluitend worden gebruikt: - a. formulieren ingericht overeenkomstig het als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011426&bijlage=1&z=2021-08-28&g=2021-08-28) aangehechte model (formaat A4) of - b. een CD-ROM die voldoet aan de normen van ISO 9660 en ISO 10149. 2. De formulieren en de CD-ROM gaan vergezeld van een begeleidende brief volgens het als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011426&bijlage=2&z=2021-08-28&g=2021-08-28) aangehechte model (formaat A4). 3. Voor de verpakking van een CD-ROM mag uitsluitend gebruik gemaakt worden van een kunststof verpakking waardoor beschadiging van de CD-ROM bij normaal vervoer per post redelijkerwijze is uitgesloten. 4. De toezending van de formulie"},{"i":7308,"b":"Wetboek van Koophandel Algemeene bepaling Artikel 1 Het Burgerlijk Wetboek is, voor zoo verre daarvan bij dit Wetboek niet bijzonderlijk is afgeweken, ook op de in dit Wetboek behandelde onderwerpen toepasselijk. Boek Eerste. Van den koophandel in het algemeen titel Eerste. Van kooplieden en van daden van koophandel Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen titel Tweede. Vervallen. Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen titel Derde. Van de vennootschap onder ene firma en van die bij wijze van geldschieting of \"en commandite\" genaamd Artikel 14 Vervallen Artikel 15 De in dezen titel genoemde vennootschappen worden geregeerd door de overeenkomsten van partijen, door dit Wetboek en door het Burgerlijk Regt. Artikel 16 De vennootschap onder eene firma is de maatschap, tot de uitoefening van een bedrijf onder eenen gemeenschappelijken naam aangegaan. Artikel 17 1. Elk der vennooten, die daarvan niet is uitgesloten, is bevoegd ten name der vennootschap te handelen, gelden uit te geven en te ontvangen, en de vennootschap aan derden, en derden aan de vennootschap te verbinden. 2. Handelingen welke niet tot de vennootschap betrekkelijk zijn, of tot welke de vennooten volgens de overeenkomst onbevoegd zijn, worden onder deze bepaling niet begrepen. Artikel 18 In vennootschappen onder eene firma is elk der vennooten, wegens de verbindtenissen der vennootschap, hoofdelijk verbonden. Artikel 19 1. De vennootschap bij wijze van geldschieting, anders **en commandite** genaamd, wordt aangegaan tusschen eenen persoon, of tusschen meerdere hoofdelijk verbonden vennoten, en eenen of meer andere personen als geldschieters. 2. Eene vennootschap kan alzoo te gelijker tijd zijn eene vennootschap onder eene firma, ten aanzien van de vennooten onder de firma, en eene vennootschap bij wijze van geldschieting, ten aanzien van den ge"},{"i":6802,"b":"Wet van 8 september 2005 tot aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat enige aanpassingen van het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en enige andere wetten nodig zijn; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt de Faillissementswet. Artikel III Wijzigt de Kadasterwet. Artikel IV Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel V Wijzigt de Wet politieregisters. Artikel VI Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Artikel VII Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel VIIa Wijzigt de Wet tarieven in burgerlijke zaken. Artikel VIII Wijzigt de Wet toezicht kredietwezen 1992. Artikel IX Wijzigt de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf. Artikel X Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Artikel Xa Wijzigt de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening. Artikel XI Wijzigt de Vaststellingswet afdeling 7.1.12 (huurkoop van onroerende zaken) en het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Artikel XII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2, de Douanewet, het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering. Artikel XIII 1. Op de verdere behandeling door een gerecht van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet bij dat gerecht aanhangig zijn, blijft het recht van toepassing zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet. 2. Op de mogelijkheid van en de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een beslissing van een gerecht, die voor de datum van inwerkingtreding in deze wet is tot stand gekomen, blijft het recht van toepassing zoals het go"},{"i":6849,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 7 maart 2024, kenmerk 2979693, houdende beperking van de openbaarheid van de aanvulling op het archief van de Hoofdafdeling Privaatrecht, huwelijksdispensaties 1950–1999 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 29 februari 2024, met kenmerk 100626-1 Besluit beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Hoofdafdeling Privaatrecht, het archiefblok Huwelijksdispensaties 1950–1999 Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummer | openbaar 1 januari | Inventarisnummer | openbaar 1 januari | Inventarisnummer | openbaar 1 januari | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 2 | 2076 | 51 | 2073 | 100 | 2068 | | 3 | 2078 | 52 | 2073 | 101 | 2060 | | 4 | 2049 | 53 | 2072 | 102 | 2073 | | 5 | 2074 | 54 | 2072 | 103 | 2075 | | 6 | 2081 | 55 | 2076 | 104 | 2080 | | 7 | 2079 | 56 | 2081 | 105 | 2071 | | 8 | 2078 | 57 | 2070 | 106 | 2070 | | 9 | 2045 | 58 | 2055 | 107 | 2074 | | 10 | 2075 | 59 | 2079 | 108 | 2072 | | 11 | 2083 | 60 | 2064 | 110 | 2066 | | 12 | 2072 | 61 | 2081 | 112 | 2068 | | 13 | 2074 | 62 | 2049 | 113 | 2031 | | 14 | 2069 | 63 | 2068 | 114 | 2075 | | 15 | 2078 | 64 | 2061 | 115 | 2040 | | 16 | 2079 | 65 | 2069 | 116 | 2050 | | 17 | 2079 | 66 | 2070 | 117 | 2074 | | 18 | 2082 | 67 | 2071 | 118 | 2071 | | 19 | 2079 | 68 | 2061 | 119 | 2067 | | 20 | 2076 | 69 | 2072 | 120 | 2071 | | 21 | 2039 | 70 | 2077 | 121 | 2073 | | 22 | 2078 | 71 | 2071 | 122 | 2063 | | 23 | 2071 | 72 | 2074 | 123 | 2052 | | 24 | 2080 | 73 | 2013 | 124 | 20"},{"i":6681,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 juni 2012, nr. VGP 3118079, houdende wijziging van diverse regelingen gezien de overdracht van taken van CPE naar COKZ Gelet op [artikel 25a, eerste, derde en vierde lid, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25a); Besluit: Artikel I Wijzigt de Warenwetregeling aanwijzing en werkwijze toezichthouders COKZ en CPE. Artikel II Wijzigt de Warenwetregeling procedures registratie en erkenning van levensmiddelenbedrijven. Artikel III Wijzigt de Warenwetregeling taakverdeling toezichthouders Warenwet voor levensmiddelen. Artikel IV Wijzigt de Regeling mandaat aan IG-NVWA inzake het verlenen, schorsen en intrekken van bepaalde erkenningen. Artikel V Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 juli 2012 blijft van toepassing op bezwaar- en beroepsprocedures naar aanleiding van voor 1 juli 2012 genomen besluiten op grond van: - a. [artikel 2, eerste lid, van de Warenwetregeling aanwijzing en werkwijze toezichthouders COKZ en CPE](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019227&artikel=2); - b. [artikel 3 van de Regeling mandaat aan IG-VWA inzake het verlenen, schorsen en intrekken van bepaalde erkenningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019229&artikel=3); zoals de desbetreffende bepaling luidde onmiddellijk voor 1 juli 2012. Artikel VI Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7414,"b":"Wet van 16 juni 1994, houdende wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte en van de Wet op de huurcommissies Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere regels te stellen inzake enkele categorieën van verzoeken aan de huurcommissies; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV 1. Deze wet is niet van toepassing op zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij de huurcommissie of de rechter aanhangig zijn. 2. Deze wet is voorts niet van toepassing op na inwerkingtreding van deze wet ingevolge [artikel 14 van de Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221&artikel=14) aan de kantonrechter gedane verzoeken tot vaststelling van de betalingsverplichting met betrekking tot de in artikel 12, eerste lid, van genoemde wet bedoelde kosten, een en ander indien de huurcommissie de zaak heeft behandeld met toepassing van genoemde wet zoals deze luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 3. Verzoeken als bedoeld in [artikel 13, eerste lid, van de Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221&artikel=13), ter zake van betalingsverplichtingen, bedoeld in artikel 12 van genoemde wet, welke betrekking hebben op een tijdvak dat op zijn laatst twaalf maanden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is geëindigd, kunnen nog tot uiterlijk twee jaar na genoemd tijdstip worden gedaan ingeval toepassing van de [Huurprijzenwet woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003221) zoals die wet luidt met ingang van het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, zou leiden tot een kortere termijn."},{"i":6708,"b":"Wet van 18 december 2013 tot wijziging van onder meer de Mediawet 2008 in verband met onder meer aanpassing van de rijksmediabijdrage en overheveling van het budget voor de bekostiging van de regionale omroepen van het provinciefonds naar de mediabegroting Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is met ingang van het begrotingsjaar 2014 het bedrag van de rijksmediabijdrage aan te passen en het budget voor de bekostiging van de regionale omroepen over te hevelen van het provinciefonds naar het onderdeel van de rijksbegroting betreffende de media; dat daartoe de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Mediawet 2008. Artikel II Wijzigt deze wet. Artikel III Wijzigt de Wijzigingswet Mediawet 2008 (verspreiding televisie- en radioprogrammakanalen, en vaststelling minimale omvang standaardpakket televisie- en radioprogrammakanalen). Artikel IV Wijzigt deze wet. Artikel V Wijzigt de Wijzigingswet Mediawet 2008 (moderniseren van het stelsel van de landelijke publieke omroep). Artikel VI Wijzigt de Wijzigingswet Mediawet 2008 (moderniseren van het stelsel van de landelijke publieke omroep). Artikel VIa Wijzigt de Wijzigingswet Mediawet 2008 (moderniseren van het stelsel van de landelijke publieke omroep). Artikel VII Wijzigt de Wijzigingswet Mediawet 2008, enz. (aanpassing rijksmediabijdrage, beëindiging wettelijke taken Stichting Radio Nederland Wereldomroep en aanpassingen van meer technische aard). Artikel VIII 1. In afwijking van [artikel 2.144, eerste lid, tweede volzin, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.144) wordt de rijksmediabijdrage vermeerderd met € 93,160 miljoen voor het jaa"},{"i":6786,"b":"Ziektekostentegemoetkoming per 1 januari 1998 Circulaire aan de ministers I. Samenvatting In deze circulaire worden de ziektekostentegemoetkomingen bekendgemaakt zoals deze per 1 januari 1998 voor betrokkene (en zijn medebetrokkenen) gaan gelden. II. Inleiding De tegemoetkoming die op basis van het [Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel](onbekend) (BTZR) aan de desbetreffende ambtenaar wordt toegekend, is per maand gelijk aan de som van een basisbedrag en de helft van de MOOZ-omslagbijdrage en van de WTZ-pooling. Jaarlijks wordt deze tegemoetkoming per 1 januari aangepast. Het basisbedrag wordt gewijzigd overeenkomstig het gewogen gemiddelde van de procentuele wijziging van de premies die door een aantal niet op winst-gerichte ziektekostenverzekeraars worden vastgesteld voor een verzekering tegen ziektekosten. Deze door Vektis BV berekende wijziging bestaat per 1 januari 1998 – ten opzichte van 31 december 1997 – uit een stijging van 6,5%. De MOOZ-omslagbijdrage en de WTZ-pooling zijn eveneens verhoogd. Voor een volwassene bedraagt de MOOZ-omslagbijdrage thans f 13,90 (was f 12,90) per maand. Het bedrag van de WTZ-pooling bedraagt voor een volwassene f 30,00 (was f 27,00) per maand. III. Ziektekostentegemoetkomingen per 1 januari 1998 De tegemoetkomingen per maand, zoals die gelden vanaf 1 januari 1998, worden als volgt vastgesteld: Ik verzoek u met het bovenstaande rekening te houden. Inlichtingen uitsluitend voor afdelingen Personeelszaken van geadresseerden bij de heer Martens respectievelijk het secretariaat van de afdeling Arbeidsvoorwaarden en Sociaal Beleid (telefoon (070) 302 69 04 respectievelijk 302 68 47)."},{"i":7262,"b":"Wet van 26 juni 2024 tot wijziging van de Wet goed verhuurderschap, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en enige andere wetten in verband met de regulering van huurprijzen en de bescherming van rechten van huurders (Wet betaalbare huur) Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een groter segment huurwoningen te reguleren en de rechten van huurders beter te waarborgen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet goed verhuurderschap. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel III Wijzigt de Huisvestingswet 2014. Artikel IV Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel V Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Artikel Va Wijzigt de Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten. Artikel VI Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt binnen vijf jaar en vervolgens elke vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de betaalbaarheid van huren voor middeninkomens, de investeringen in nieuwbouw en verduurzaming van middenhuurwoningen door particulieren, investeerders en woningcorporaties, de gevolgen voor de omvang van de diverse huursegmenten alsmede de gevolgen voor de woonkansen van verschillende groepen woningzoekenden op de woningmarkt, de uitvoerbaarheid van de middenhuurregulering voor de Huurcommissie en gemeenten en andere effecten van de middenhuurregulering voor huurders en verhuurders. Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onde"},{"i":6711,"b":"Wet van 23 september 2015 tot wijziging van de Metrologiewet en de Waarborgwet 1986 houdende aanpassingen in het toezicht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het toezicht op de naleving van de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) en de [Waarborgwet 1986](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009275) over te laten gaan naar het Rijk, de kosten voor toezicht op grond van de Metrologiewet te kunnen doorberekenen en om periodieke herkeuring mogelijk te maken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Metrologiewet. Artikel II Wijzigt de Waarborgwet 1986. Artikel III 1. Aanvragen, klachten en bezwaarschriften, ingediend bij de op grond van [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=27) aangewezen rechtspersoon, worden na inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als aanvragen, klachten en bezwaarschriften, ingediend bij Onze Minister. 2. Een besluit op grond van de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) of de [Waarborgwet 1986](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009275), genomen door de op grond van [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=27) aangewezen rechtspersoon, wordt na inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een besluit van Onze Minister. 3. In beroepsprocedures op grond van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) waarbij de op grond van [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&artikel=27) aangewezen rechtspersoon is betrokken, treedt op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet Onze Minister in de plaats van de aangewezen rechtspersoon. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijd"},{"i":6677,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 mei 2005, Directie Arbeidsmarktbeleid, nr. AM/SAM/2005/31207, houdende wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling stimuleren leeftijdsbewust beleid Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Artikel I Wijzigt de Tijdelijke subsidieregeling stimuleren leeftijdsbewust beleid. Artikel II 1. Wijzigt de Tijdelijke subsidieregeling stimuleren leeftijdsbewust beleid. 2. Tot uiterlijk 30 juni 2005 kunnen aanvragen als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Tijdelijke subsidieregeling stimuleren leeftijdsbewust beleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017328&artikel=5) ook worden ingediend onder gebruikmaking van het formulier, bedoeld in [artikel 5, derde lid, van die regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017328&artikel=5), zoals dat formulier luidde onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze regeling. De aanvrager verstrekt desgevraagd aan de minister in aanvulling op dat formulier de van toepassing zijnde BIK-code hoofdactiviteit. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 1 en 2 bij deze regeling worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling ter inzage gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag."},{"i":6828,"b":"Beleidsregel van de Minister van Verkeer en Waterstaat inzake toepassing van regels van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur op de toetsing van vergunningen personenvervoer (Beleidsregel toetsing vergunningen personenvervoer aan de Wet Bibob) gelet op de [artikelen 3, eerste en zesde lid van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=3), en de [artikelen 6, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=6) en [99, eerste lid, onder c, en tweede lid van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=99); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en toepassing Artikel 1.1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Bureau Bibob**: Bureau, bedoeld in de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=8) en [9, eerste lid, van de Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798&artikel=9); - b. **Minister**: Minister van Verkeer en Waterstaat; - c. **Wet Bibob**: [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798); - d. **Besluit Bibob**: [Besluit bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](onbekend); - e. **misdrijf**: strafbare feiten als bedoeld in het [Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede) en [artikel 2, eerste, tweede, derde lid en vijfde lid, van de Wet economische delicten](onbekend); - f. **strafbaar feit**: feit dat aanleiding kan zijn tot strafvervolging en is bedreigd met een strafrechtelijke sanctie; - g. **vergunning**: vergunning voor het verrichten van besloten busvervoer, taxivervoer, openbaar vervoer per trein en openbaar vervoer anders dan per trein als bedoeld in [artikel 4, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&ar"},{"i":7386,"b":"Wet van 24 maart 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het inroepen van een bedenktijd door het bestuur van een beursvennootschap Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat het bestuur van een beursvennootschap een bedenktijd kan inroepen ten behoeve van een zorgvuldige beleidsbepaling en dat daartoe [Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045) dient te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Burgerlijk Wetboek Boek 2. Artikel Ia Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7469,"b":"Wet van 2 juni 2014 tot wijziging van Boek 3, Boek 6 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek en het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de modernisering van het Arbitragerecht Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om[Boek 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291), [Boek 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289) en [Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068) en het [Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&boek=Vierde) te wijzigen in verband met de modernisering van het arbitragerecht; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 3. Artikel Ia Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6. Artikel II Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 10. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel IV 1. Deze wet is van toepassing op arbitrages die aanhangig zijn geworden op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet. 2. Op arbitrages die aanhangig zijn of waren voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft het [Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&boek=Vierde) van toepassing, zoals dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet gold. 3. Deze wet is van toepassing op zaken die bij de rechter aanhangig zijn gemaakt door het uitbrengen van een inleidende dagvaarding of door het indienen van een inleidend verzoekschrift indien en voorzover het arbitrages betreft als bedoeld in het eerste lid. 4. Deze wet is niet van toepassing op zaken die bij de rechter aanhangig zijn gemaakt of waren door het uitbrengen van een inleidende dagvaar"},{"i":7264,"b":"Wet van 8 mei 2003, houdende regels over de documentatie van vennootschappen (Wet documentatie vennootschappen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de documentatie van gegevens over vennootschappen te regelen ten behoeve van de afgifte van verklaringen van geen bezwaar door de Minister van Justitie op grond van [Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045), alsmede het gebruik van bedoelde gegevens ten behoeve van de voorkoming en bestrijding van het misbruik van vennootschappen, waaronder het plegen van misdrijven en overtredingen van financieel-economische aard door of door middel van vennootschappen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie; - b. registratie: de verzameling van gegevens die verwerkt worden ten behoeve van het doeleinde beschreven in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015049&paragraaf=1&artikel=2&z=2018-09-19&g=2018-09-19); - c. gegeven: persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 1, van de Algemene verordening gegevensbescherming en elk ander gegeven dat verband houdt met het bestuur van een vennootschap; - d. risicomelding: verstrekking uit de registratie die een constatering van een verhoogd risico op misbruik van een rechtspersoon bevat en waarvan de risicoanalyse, die bestaat uit gegevens uit de registratie die in samenhang worden gepresenteerd, onderdeel is; - e. rechtspersoon: - 1°. naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, stichting, Europese naamloze vennootschap, E"},{"i":7425,"b":"Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van de Leegstandwet in verband met de verruiming van de mogelijkheden voor tijdelijke verhuur bij leegstand van gebouwen en woningen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Leegstandwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403) zodanig te wijzigen dat de mogelijkheden om tijdelijk te verhuren bij leegstand van gebouwen en woningen worden verruimd; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Leegstandwet. Artikel Ia Op de vergunningen, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Leegstandwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403&artikel=15), die zijn verleend voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven [artikel 2.8 van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&artikel=2.8) en het [negende tot en met twaalfde lid van artikel 16, van de Leegstandwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003403&artikel=16), zoals die leden luidden laatstelijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing. Artikel II Wijzigt de Crisis- en herstelwet. Artikel IIa Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6694,"b":"Wet van 29 april 2010 tot aanpassing van EZ-instellingswetten aan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691), de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517), de [Waarborgwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009275), de [Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatie autoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008807), de [Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009276) en de [Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926) aan te passen aan de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. (CBS/[Wet op het Centraal bureau voor de statistiek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926)) Wijzigt de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek. Artikel II. (kamers van koophandel/[Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009276)) Wijzigt de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997. Artikel III. (NMa/[Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691)) Wijzigt de Mededingingswet. Artikel IV. (OPTA/[Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatie autoriteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008807)) Wijzigt de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit. Artikel V. (Verispect/[Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517)) Wijzigt de Metrologiewet. Artikel VI. (waarborginstellingen/[Waarborgwet 1986](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009275)) Wijzigt de Waarborgwet 1986. Artikel VII. (nieuwe grondslag uitvoeri"},{"i":6824,"b":"Beleidsregel van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hieronder te noemen: ‘de toezichthouder’) van 19 september 2006, voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van personen ingevolge de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) en het Besluit toezicht accountantsorganisaties (Bta), hieronder gezamenlijk dan wel ieder afzonderlijk te noemen: ‘de toezichtwet’ Gelet op onder meer de [artikelen 15 Wta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019468&artikel=15) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020184&artikel=5), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020184&artikel=6), [7 Bta](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020184&artikel=7); Besluit als volgt: Artikel 1. Omtrent de uitleg van wettelijke voorschriften 1. Onder betrouwbaarheid wordt voor de toepassing van de toezichtwet verstaan het zich onthouden van één of meer gedragingen die naar het oordeel van de toezichthouder in de weg staan aan het vervullen van de functie van (mede)beleidsbepaler. 2. Tot de in het eerste lid bedoelde gedragingen behoren in ieder geval gedragingen die blijk geven van het niet hebben van eigenschappen als waarheidslievendheid, verantwoordelijkheidszin, wetsgetrouwheid, openheid, oprechtheid, prudentie, punctualiteit, onkreukbaarheid, discretie en rechtschapenheid. Artikel 2. Omtrent de vaststelling van de feiten 1. De beoordeling van de betrouwbaarheid geschiedt door op basis van voornemens, handelingen en antecedenten (hierna gezamenlijk te noemen: antecedenten) te toetsen of betrokkene blijk geeft of heeft gegeven van zodanige gedragingen dat daardoor naar het oordeel van de toezichthouder diens betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat. 2. De bij de beoordeling van de betrouwbaarheid in acht te nemen antecedenten zijn: - –. strafrechtelijke antecedenten ([bijlage A1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020318&bijlage=A1&z=2006-10-01&g=2006-10-01) en [bijlage A2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020318&bijlage=A2&z=2006-10-01&g=2006-1"},{"i":6827,"b":"Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 23 november 2025, nr. WJZ/ 44383631, over de benodigde kennis, opleiding en bijscholing van gekwalificeerde personen (Beleidsregel kennis, opleiding en bijscholing van gekwalificeerde personen) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en bijlage III, sectie IV, hoofdstuk I, van [verordening (EG) nr. 853/2004](32004R0853) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 139); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit van 18 november 2024, houdende een wijziging van het Besluit dierlijke producten in verband met nadere regelgeving over gekwalificeerde personen (Stb. 2024, 405), in werking treedt. Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen - **gekwalificeerd persoon:** persoon als bedoeld in bijlage III, sectie IV, hoofdstuk I, van [verordening (EG) 853/2004](32004R0853); - **jachtakte:** jachtakte als bedoeld in [artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de Flora- en Faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640&artikel=38), zoals die luidde op 31 december 2016, of artikel 3.26, eerste lid, onderdeel a van de Wet natuurbescherming, zoals die luidde op 31 december 2023; - **minister:** Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - **omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit:** omgevingsvergunning inzake jachtgeweeractiviteiten als bedoeld in [artikel 5.1, eerste lid, onderdeel f, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.1); - **opleidingsinstantie:** instantie die ten genoegen van de minister de opleiding tot gekwalificeerd persoon verzorgt, bedoeld in bijlage III, sectie IV, hoofdstuk 1, onderdeel 5, van [verordening (EG) 853/2004](32004R0853); - **verordening (EG)"},{"i":7243,"b":"Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake uitvoeringen en fonogrammen (WPPT) (1996) Preambule De Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de bescherming van de rechten van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen op een zo doeltreffend en eenvormig mogelijke wijze te ontwikkelen en te handhaven, Erkennend de noodzaak tot invoering van nieuwe internationale regels ten einde adequate oplossingen te vinden voor de vraagstukken die zijn ontstaan als gevolg van nieuwe economische, maatschappelijke, culturele en technologische ontwikkelingen, Erkennend dat de ontwikkeling en de convergentie van informatie- en communicatietechnologieën een ingrijpende invloed hebben op de productie en het gebruik van uitvoeringen en fonogrammen, Erkennend de noodzaak tot behoud van het evenwicht tussen de rechten van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen en het grotere algemeen belang, met name op het gebied van onderwijs, onderzoek en toegang tot informatie, Zijn het volgende overeengekomen: HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Verhouding tot andere Verdragen 1. Niets in dit Verdrag houdt een afwijking in van bestaande verplichtingen die de Verdragsluitende Partijen met elkaar zijn aangegaan krachtens het [Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004329), tot stand gekomen te Rome op 26 oktober 1961 (hierna te noemen het „Verdrag van Rome”). 2. De krachtens dit Verdrag toegekende bescherming laat onverlet en is op generlei wijze van invloed op de bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst. Derhalve mag geen bepaling van dit Verdrag zo worden uitgelegd dat daardoor aan deze bescherming afbreuk zou worden gedaan. 3. Dit Verdrag staat niet in verband met andere verdragen en doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit andere verdragen. Artikel 2."},{"i":7508,"b":"Beschikking toewijzing radio-frequenties ten behoeve van de concessiehouder van de telecommunicatie-infrastructuur Gelet op artikel 3 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520); Besluit: 1. Algemeen Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: 2. Voorschriften met betrekking tot het etherbeheer en -gebruik Artikel 2 Aan de houder van de concessie voor de telecommunicatie-infrastructuur worden de in de bijlage, behorende bij deze beschikking, opgenomen frequenties voor de daarbij aangegeven toepassingsdoeleinden toegewezen. Artikel 3 Indien één of meer toegewezen frequenties of frequentie-banden in het kader van een doelmatige uitoefening van de concessie niet meer nodig zijn, kan de toewijzing ten aanzien van de betreffende frequenties of frequentiebanden worden ingetrokken. Artikel 4 1. De houder van de concessie is belast met de uitvoering van het door de Minister vastgelegde beleid ten aanzien van de verdeling, het beheer en het gebruik van de onderscheidenlijk aan hem toegewezen frequentiebanden. 2. Tot de in het eerste lid bedoelde taak behoren onder meer: - a. het bepalen van het toelatingsbeleid en het toewijzen van frequenties voor het gebruik; - b. het voorbereiden van gebruiks- en technische voorschriften; - c. het verzorgen van de frequentieadministratie en het verlenen van medewerking aan den Hoofddirectie Telecommunicatie en Post bij de nationale en internationale registratie en de internationale notificatie; - d. zo nodig plegen van overleg met de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post, met andere organen en instellingen, aan wie frequentiebanden ter beschikking zijn gesteld, met beheersinstanties van andere hetlanden en het deelnemen aan overleg in internationale organisaties; - e. het verlenen van medewerking aan de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post bij het voorbereiden en ontwerpen van wettelijke voorschriften inzake ethergebruik. 3. Voorschriften met betrekking tot de inrichting Artikel 5 1. De houder van de concess"},{"i":6795,"b":"Aanpassing legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen Aan: de ambtenaren van de burgerlijke stand en de ambtenaren van de gemeentelijke basisadministratie Hierbij deel ik u, mede namens de Ministers van Buitenlandse Zaken en voor Grote Steden- en Integratiebeleid mee, dat in verband met de inwerkingtreding van de [Vreemdelingenwet 2000](onbekend) op 1 april 2001, [onderdeel 2.4, onder a tot en met d (blz. 3 en 4) van de genoemde circulaire](onbekend) met ingang van 1 april 2001 vervangen wordt door de hierna volgende tekst: Voorts is er aanleiding om een vreemdeling behorende tot een van de hierna onder a, b, c of d genoemde categorieën vrij te stellen van het legalisatievereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen legalisatie. De reden hiervoor is dat het in deze gevallen onverantwoord is de betrokkene te verplichten contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Indien er twijfel bestaat omtrent de vraag of de betrokkene behoort tot een van de hierna genoemde categorieën, dient er contact opgenomen te worden met de desbetreffende vreemdelingendienst. a. Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd De betrokkene is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van [artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000](onbekend), hetgeen blijkt uit zijn verblijfsdocument (verblijfsdocument IV). Hierbij zij aangetekend dat in het geval van naturalisatie van de betrokkene tot Nederlander er niet van uitgegaan mag worden dat de betrokkene door het enkele feit van de naturalisatie nadien niets meer te vrezen heeft van de autoriteiten van het land waar hij oorspronkelijk vandaan komt. Per geval zal moeten worden bezien of er nog gronden voor bezwaar tegen legalisatie van stukken aanwezig zijn. b. Verblijfvergunning asiel voor bepaalde tijd De betrokkene is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van [artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000](onbekend)"},{"i":6851,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 31 mei 2005, nr. BenC 2005-631 M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Directie Bewindvoering (1940) 1953–1965 (1982) van het Ministerie van Financiën Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Directie Bewindvoering (1940) 1953–1965 (1968) met de inventarisnummers 4, 6, 14, 16, 17, 21, 27, 28, 30, 39, 55, 126, 127, 143, 149, 152 t/m 179, 182, 183, 188, 195, 202, 209, 214, 215, 216, 217, 218, 233, 241, 243, 251, 263, t/m 278, 285, 286, 287 t/m 296, 298 t/m 303, 305, 307, 310 t/m 314, 318, 319, 330 t/m 359, 362, 366 t/m 425, 445, 483 t/m 499, 501, 503, 504, 508, 510, 586 de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld tot 1 januari 2040, zijnde een termijn van vijfenzeventig jaren gerekend vanaf 1 januari 1965. 2. Raadpleging van de in het vorige lid genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruikt gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. 3. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt gepubliceerd."},{"i":7474,"b":"Wet van 30 september 2015 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de werking van de inschrijving van de koop van een registergoed in de openbare registers te verbeteren Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) te wijzigen teneinde de werking van de inschrijving van de koop van een registergoed in de openbare registers te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel II Deze wet is niet van toepassing op een beslag op als bedoeld in [artikel 475h, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=475h), gelegd voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7305,"b":"Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES Artikel A In dit wetboek en de daarop berustende nadere regelingen en uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder: - –. **algemeen erkende feestdagen, onderscheidenlijk met de zondag gelijkgestelde dagen:** de in de Algemene termijnenlandsverordening, de Algemene termijnenverordening onderscheidenlijk de Algemene termijnenwet als zodanig genoemde en de bij of krachtens die landsverordening onderscheidenlijk wet daarmee gelijkgestelde dagen; - –. **Burgerlijk Wetboek:** Het Burgerlijk Wetboek van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. - –. **Gerecht in eerste aanleg en rechter in eerste aanleg:** Gerecht in eerste aanleg en rechter in eerste aanleg van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - –. **hier te lande:** in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba; - –. **Hof van Justitie en Hof:** het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; - –. **in het buitenland:** buiten Aruba, Curaçao, Sint Maarten, of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Boek 1. De wijze van procederen voor de Gerechten in eerste aanleg en voor het Hof van Justitie Titel 1. Algemene bepalingen Afdeling 1. Exploten van oproeping, aanzegging en betekening Artikel 1 1. Elk exploot wordt gedaan door een deurwaarder die daartoe bevoegd is; hij laat afschrift van het exploot aan de persoon of aan de woonplaats van de geëxploiteerde. 2. Het afschrift geldt voor degene die het ontvangen heeft, als het oorspronkelijke. 3. Indien de geëxploiteerde weigert het afschrift in ontvangst te nemen, wordt hij geacht het afschrift in persoon te hebben ontvangen. De deurwaarder vermeldt die weigering op het exploot. [Artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028496&boek=1&titeldeel=1&afdeling=1&artikel=2&z=2015-07-01&g=2015-07-01) is van toepa"},{"i":7426,"b":"Wet van 12 mei 2011 tot wijziging van de Overleveringswet, de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties 2008 en het Wetboek van Strafvordering ter implementatie van kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 26 februari 2009 tot wijziging van kaderbesluit 2002/584/JBZ, kaderbesluit 2005/214/JBZ, kaderbesluit 2006/783/JBZ, kaderbesluit 2008/909/JBZ en kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces (PbEU L 81) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de implementatie van kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 26 februari 2009 tot wijziging van kaderbesluit 2002/584/JBZ, kaderbesluit 2005/214/JBZ, kaderbesluit 2006/783/JBZ, kaderbesluit 2008/909/JBZ en kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces (PbEU L 81) noodzaakt tot wijziging van de [Overleveringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016664), de [Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022604) en het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Overleveringswet. Artikel II Wijzigt de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties 2008. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IV 1. Deze wet heeft geen gevolg"},{"i":6758,"b":"Wet van 26 januari 1996, houdende wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (bestuursorganisatie van en medezeggenschap in hogescholen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bestuursorganisatie van en de medezeggenschap in hogescholen te versterken; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Vervallen Artikel III Vervallen Artikel IV Vervallen Artikel V Vervallen Artikel VI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VIII Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IX Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7404,"b":"Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht aan te passen teneinde de vergoeding van schade door letsel en overlijden te verruimen; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Vervallen Artikel IV Wijzigt de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Artikel IVa [Artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040908&artikel=IV&z=2020-01-01&g=2020-01-01) is van toepassing indien het geweldsmisdrijf, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=3), is gepleegd na inwerkingtreding van deze wet. Artikel IVb Wijzigt deze wet. Artikel IVc Wijzigt deze wet en de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7245,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 12 mei 2003, nr. 5221467 tot vaststelling van de hoogte van de vergoeding, als bedoeld in artikel 2 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges, van de voorzitter en leden van de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht Gelet op [artikel 3 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008353&artikel=3) en op [artikel 2 van de Wet adviesstelsel Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008808&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De vergoeding per vergadering als bedoeld in [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2) wordt voor de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht, genoemd in [artikel 2 van de Wet adviesstelsel Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008808&artikel=2), als volgt vastgesteld: - –. voor de voorzitter: € 130, - –. voor de overige leden: € 100, - –. voor de secretaris en adjunct-secretaris: € 100. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 2003. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6815,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van 12 januari 2005, nr. 5328242/04/DJJ, houdende aanwijzing van categorieën andere minderjarigen als bedoeld in de artikelen 241, zevende lid, en 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Gelet op de [artikelen 241, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=241), en [302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=302); Besluit: Artikel 1 Als ‘categorieën andere minderjarigen’, als bedoeld in de [artikelen 241, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=241), en [302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=302), worden aangewezen: - a. minderjarige vreemdelingen die jonger dan twaalf jaren zijn en voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) en [28 Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) nog niet is ingediend om reden van het ontbreken van een wettelijke vertegenwoordiger; - b. minderjarige vreemdelingen van wie de moeder onder voogdij staat van een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=302) en door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), is ingediend; - c. minderjarige vreemdelingen die op Nederlands grondgebied worden aangetroffen en slachtoffer zijn geworden van mensenhandel en door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) met toepassing van"},{"i":7397,"b":"Wet van 26 oktober 2016 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uitbreiding van de aansprakelijkheid voor de voldoening van het verschuldigde loon aan de werknemer die arbeid verricht ter uitvoering van een overeenkomst van goederenvervoer over de weg of een overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen over de weg Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele wijzigingen aan te brengen in [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) in verband met het uitbreiden van de aansprakelijkheid voor de voldoening van het verschuldigde loon aan de werknemer die arbeid verricht ter uitvoering van een overeenkomst van goederenvervoer over de weg of een overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen over de weg; Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II Deze wet is niet van toepassing ten aanzien van loon dat is verschuldigd over een tijdvak dat ligt voor het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038698&artikel=I&z=2017-01-01&g=2017-01-01). Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6771,"b":"Wet van 13 juli 2022 tot wijziging van de Wet toezicht trustkantoren 2018 in verband met een spoedmaatregel om trustdienstverlening aan cliënten in de Russische Federatie of de Republiek Belarus te verbieden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om spoedig maatregelen te treffen om het faciliteren van Russische geldstromen door trustkantoren te verbieden in verband met de agressie tegen Oekraïne; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren 2018. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Trustkantoren met zetel in Nederland die over een vergunning beschikken als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=6), voldoen binnen vier weken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan [artikel 23a, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet toezicht trustkantoren 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041583&artikel=23a). Artikel IV Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":6680,"b":"Wijzigingsregeling Vrijstellingsregeling Wft en Regeling vaststelling bedragen voor eenmalige toezichthandelingen Artikel I Wijzigt de Vrijstellingsregeling Wft. Artikel II Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling voldoen aan [artikel 11, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020536&artikel=11), kunnen tot 1 oktober 2008 voldoen aan [artikel 11, derde lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020536&artikel=11). Artikel III Wijzigt de Regeling vaststelling bedragen 2008 ex artikelen 2 en 3, Besluit bekostiging financieel toezicht. Artikel IV 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2008. In afwijking van de vorige volzin treden de volgende onderdelen van [artikel 35a van de Vrijstellingsregeling Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020536&artikel=35a) in werking met ingang van 1 oktober 2008: - a. het eerste lid, onderdeel g, voor zover het betreft [artikel 51a van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=51a); - b. het eerste lid, onderdeel h, voor zover het betreft de [artikelen 58a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=58a), [58b, eerste lid, onderdelen a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=58b), [58c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=58c) en [58e van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=58e); - c. het eerste lid, onderdeel i; en - d. het derde lid, onderdeel a. 2. [Artikel III, onderdeel A, onderdeel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024044&artikel=III&z=2008-07-01&g=2008-07-01), werkt terug tot en met 17 januari 2008. Gelet op de [artikelen 2:104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:104), [3:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:3) en [4:7 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:7) en [artikel 9 van het Besluit bekostiging fi"},{"i":3570,"b":"Besluit van 3 maart 2015, houdende aanwijzing hogesnelheidsnet en vaststelling van regels voor HSL-heffing 2015 (Besluit HSL-heffing 2015) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 24 november 2014, nr. IenM/BSK-2014/248736, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 62, tweede en achtste lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=62); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 december 2014, nr. W14.14.0436/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 26 februari 2015, nr. IenM/BSK-2014/274968, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **diensten:** diensten, bedoeld in bijlage II, eerste en tweede lid, behorende bij [richtlijn 2001/14/EG](32001L0014); - **gerechtigde:** gerechtigde als bedoeld in [artikel 57 van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=57); - **hogesnelheidsnet:** hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036412&artikel=2&z=2015-03-18&g=2015-03-18); - **HSL-kilometer:** door een trein af te leggen kilometer op het hogesnelheidsnet waarvoor met een toegangsovereenkomst aan een gerechtigde capaciteit is toegedeeld, overeenkomstig het daarvoor door de beheerder gebruikte registratiesysteem; - **pad:** pad als bedoeld in [artikel 1, onder c, van het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017627&artikel=1). Artikel 2 Als hoofdspoorweginfrastructuur in de zin van [artikel 62, tweede lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=62) wordt aangewezen de volgende hogesnelheidslijnen, die zijn uitgerust voor snelheden van gewoonlijk ten minste 250 km per uur: - a. Hoofddorp – Rotterdam West; - b. Barendrecht – Belgische grens. Artikel 3"},{"i":7825,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 september 2018, kenmerk 1415905-180575-OBP houdende houdende aansluiting bij de bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden BZK Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsomschrijving Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de Minister:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - b. **het ministerie:** het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **een medewerker:** degene die op basis van een ambtelijke aanstelling werkzaamheden verricht of heeft verricht bij het ministerie; - d. **een bezwaar:** een bezwaar als bedoeld in [artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1); - e. **de Commissie BZK:** de bezwarencommissie personele aangelegenheden Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als bedoeld in het [Besluit instelling bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden BZK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026519). Hoofdstuk 2. De Commissie BZK Artikel 2 De Commissie BZK adviseert de Minister over de te nemen beslissing op een bezwaar van een medewerker. Artikel 3 Het [Besluit instelling bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden BZK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026519) is van toepassing. Artikel 4 Van de voordrachten van de Minister in het kader van [artikel 3, vierde lid, tweede en derde volzin, van het Besluit instelling bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden BZK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026519&artikel=3), vindt er ten minste één plaats op basis van een voordracht door het Departementaal Georganiseerd Overleg van het ministerie. Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 5 Over bezwaren waarover de VWS-commissie bezwaarschriften personeel Awb bij inwerkingtreding van dit besluit nog geen advies heeft uitgebracht, adviseert de Commissie BZK. Artikel 6 Het [Besluit VWS-commissie bezwaarschriften personeel Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1"},{"i":5878,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 26 maart 2026 nr. IENW/BSK-2026/34761, houdende vaststelling van de Tijdelijke subsidieregeling energietransitie binnenvaartmotoren (Tijdelijke subsidieregeling energietransitie binnenvaartmotoren 2026–2027) [KetenID WGK028335] Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [8, eerste lid en tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=9), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22) en [23, vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraag:** subsidieaanvraag op grond van deze regeling; - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard; - **binnenschip:** schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren als bedoeld in artikel 3, onder c van de [richtlijn (EU) 2016/1629](32016L1629); - **binnenvaartmotor:** motor van het type IWP, IWA of NRE als bedoeld in de NRMM-verordening of EURO VI als bedoeld in [Verordening (EG) nr.595/2009](32009R0595), goedgekeurd voor het gebruik in de binnenvaart; - **EICB:** Expertise- en InnovatieCentrum Binnenvaart; - **experimenteel ontwikkelingsproject:** samenhangend geheel van activiteiten, gericht op het verwerven, combineren, vormgeven of gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke of andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procedés of diensten, vo"},{"i":1891,"b":"Besluit van 17 december 2021 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten Artikel I Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt het Besluit fiscale eenheid 2003. Artikel III Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Artikel IV Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Artikel V Wijzigt het Besluit belasting- en invorderingsrente. Artikel VI Wijzigt het Algemeen douanebesluit. Artikel VII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns. Artikel VIII Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel IX Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag. Artikel X Wijzigt het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken. Artikel XI Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Artikel XII De **artikelen 1a en 1b** van het [Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018707) zoals deze luidden op 31 december 2020 blijven van toepassing met betrekking tot berekeningsjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2021. Artikel XIII 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat: - a. de [artikelen XI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046118&artikel=XI&z=2023-07-01&g=2023-07-01) en [XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046118&artikel=XII&z=2023-07-01&g=2023-07-01) terugwerken tot en met 1 januari 2021; - b. de [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046118&artikel=IV&z=2023-07-01&g=2023-07-01) en [IX, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046118&artikel=IX&z=2023-07-01&g=2023-07-01), terugwerken tot en met 1 juli 2021. 2. In afwijking van het eerste lid: - a. treedt [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046118&artikel=II&z=2023-07-01&g=2023-07-01) in werking met ingang van de"},{"i":4673,"b":"Inspectiekader KB-stelsel 1. Inleiding Dit inspectiekader bevat een nadere operationalisering van het **Toezichtkader stelsel Kwaliteitsborging Bouw**en werkt uit hoe de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) haar reguliere inspecties inricht en uitvoert ten aanzien van het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen (KB-stelsel)1[Toezichtkader KB-stelsel | Publicatie | Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw](https://www.tlokb.nl/binaries/tlokb/documenten/publicaties/2023/8/14/index/Toezichtkader%2BKB-stelsel.pdf) 1.1. Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw De TloKB is een zelfstandig bestuursorgaan en heeft hoofdtaken ten aanzien van drie stelsels: kwaliteitsborging bouw, erkende kwaliteitsverklaringen en werkzaam- heden aan gasverbrandingsinstallaties. Binnen het KB-stelsel, zie figuur 1, voert de TloKB de volgende deeltaken uit, die tot doel hebben de verbetering van de bouwkwaliteit aan de hand van aantoonbare kwaliteit van bouwwerken en het vermogen om stelselmatig te leren van tekortkomingen: 1.2. Doel inspectiekader Het inspectiekader geeft instrumentaanbieders, kwaliteitsborgers, opdrachtnemers (bouwers) en het bevoegd gezag inzicht in de verschillende reguliere inspecties die de TloKB onderscheidt en wat zij van de TloKB-inspecties kunnen verwachten. Daarbij concretiseert de TloKB in dit inspectiekader ook de inspectieonderwerpen, inspectiecriteria, hoofdvragen en inspectievragen. 1.3. Wettelijke basis inspectiekader Dit inspectiekader is op te vatten als een beleidsregel. [Artikel 4:83 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83) (Awb) bepaalt dat de bekendmaking van een beleidsregel zijn wettelijke basis vermeldt. De wettelijke basis voor deze beleidsregel is [artikel 7ak van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ak) (Wonw). Dit artikel regelt onder meer de toezichttaak van de TloKB in het kader van de [Afdeling 1a. Kwaliteitsborging voor het bouwen v"},{"i":5941,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 maart 2024, kenmerk 3759986-1060733-Z, houdende vaststelling van een tweede nadere aanwijzing voor de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2023 (Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2023) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2023 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 1,8 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048750&artikel=1). Artikel 2 Van het genoemde bedrag in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049457&artikel=1&z=2024-03-15&g=2024-03-15) is € 1,8 miljoen bestemd voor de Sociale verzekeringsbank. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2023. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4418,"b":"Besluit van het College voor Toetsen en Examens van 8 februari 2021, nummer CvTE-21.00407, tot vaststelling van het Bestuursreglement College voor Toetsen en Examens (Bestuursreglement College voor Toetsen en Examens) Gelet op [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [7 van de Wet College voor Toetsen en Examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=7); Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 23 maart 2021, nummer 27264001, Besluit: Hoofdstuk 1. Organisatie- en mandaatregeling Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **afdelingshoofd:** degene onder wiens directe verantwoordelijkheid de afdeling Nt2, mbo en po (samen nmp), vo of staf valt; - **college:** het College voor Toetsen en Examens; - **clustermanager:** degene onder wiens directe verantwoordelijkheid een cluster valt; - **DUO:** Dienst Uitvoering Onderwijs; - **kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - **lid:** een lid van het College voor Toetsen en Examens, of waar van toepassing zijn plaatsvervanger; - **secretaris-directeur:** de directeur als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=5) en [artikel 1, onderdeel h, van het Organisatie en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=1); - **teamleider:** degene onder wiens directe verantwoordelijkheid een team valt; - **vaststellingscommissie:** een vaststellingscommissie van het College voor Toetsen en Examens als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling beoordelingsnormen en bijbehorende scores bij centrale examinering mbo (2015)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037082&artikel=1); - **vakcommissie:** een vakcommissie van het College voor Toetsen en Exa"},{"i":4642,"b":"Besluit van 9 september 2020 tot wijziging van het Handelsregisterbesluit 2008 en het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 in verband met de registratie van uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten ter implementatie van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn (Implementatiebesluit registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 20 december 2019, 2019-0000216315, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat; Gelet op de [artikelen 15a, tweede lid, onderdeel e, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=15a), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=23), [28, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=28), en [38, tweede lid, van de Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=38) en [artikel 10a, derde lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282&artikel=10a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 februari 2020, nr. W06.19.0430/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 7 september 2020, 2020-0000159084, directie Financiële Markten, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Handelsregisterbesluit 2008. Artikel II Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 27 september 2020. Artikel IV Dit besluit wordt aangehaald als: Implementatiebesluit registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in he"},{"i":2943,"b":"Besluit aanwijzing gemeenten Tijdelijk experimentenbesluit Kiezen op Afstand (Europees Parlement 4 juni 2009/2) Gelet op de [artikelen 1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016095&artikel=1), en [3 van de Experimentenwet Kiezen op Afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016095&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Tijdens de verkiezing van de leden van het Europees Parlement op 4 juni 2009 wordt een experiment als bedoeld in [artikel 1 van de Experimentenwet Kiezen op Afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016095&artikel=1) gehouden met stemmen in een stemlokaal naar eigen keuze als bedoeld in [hoofdstuk 2 van het Tijdelijk experimentenbesluit Kiezen op Afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016645&hoofdstuk=2) in de volgende gemeenten: Gemeente Kaag en Braassem Gemeente Albrandswaard. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3977,"b":"Besluit van 12 oktober 2006, houdende bepalingen ter uitvoering van de artikelen 1:10, 1:11, 3:5, 3:36 en 3:110 van de Wet op het financieel toezicht (Besluit Reikwijdtebepalingen Wft) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 juli 2006, no. FM 2006-01704 M; Gelet op de [artikelen 1:10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:10), [1:11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:11), [3:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:5), [3:36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:36) en [3:110 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:110); De Raad van State gehoord (advies van 17 augustus 2006, no. W06.06.0333/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 9 oktober 2006, FM 2006-02265 U; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. wet: [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368); - b. Zwitserland: Zwitserse Bondsstaat. Hoofdstuk 2. Reikwijdte Afdeling 2.1. Bepalingen ter uitvoering van de [artikelen 1:10, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:10), en [3:36, zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:36) § 2.1.1. Onderlinge waarborgmaatschappijen met zetel in Nederland Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen § 2.1.2. Ondernemingen of instellingen op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland Artikel 14 Vervallen Afdeling 2.2. Bepalingen ter uitvoering van [artikel 1:10, aanhef en onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:10) Artikel 15 Het bepaalde in"},{"i":6494,"b":"Besluit van 6 december 1996, houdende wijziging van het Besluit voorkoming olieverontreiniging door schepen en het Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen in bulk vervoerde schadelijke vloeistoffen in verband met de invoering van een geharmoniseerd systeem van onderzoek en certificering, alsmede enkele technische aanpassingen Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 juli 1996, nr. DGSM/J-96005603, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en juridische zaken; Gelet op de Resolutie van de Mariene Milieu Commissie van de Internationale Maritieme Organisatie 39(29) (Trb. 1995, 158) en op de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=7), 8 en [39 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003642&artikel=39); De Raad van State gehoord (advies van 30 oktober 1996, nr. W09.96.0316); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 november 1996, nr. DGSM/J-96008685, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en juridische zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Wijzigt het Besluit voorkoming olieverontreiniging door schepen. ARTIKEL II Wijzigt het Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen in bulk vervoerde schadelijke vloeistoffen. ARTIKEL III Zolang zij hun geldigheid niet hebben verloren, blijven op certificaten die zijn afgegeven krachtens het [Besluit voorkoming olieverontreiniging door schepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003936) en het [Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen in bulk vervoerde schadelijke vloeistoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004306), deze besluiten van toepassing, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van dit besluit. ARTIKEL IV Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van t"},{"i":6759,"b":"Wet van 25 juni 1997 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de positiebepaling van de Open Universiteit binnen het hoger onderwijs en wijziging van de bestuursorganisatie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is te komen tot een herbezinning op de taak en positie van de Open Universiteit en dat het in verband daarmee wenselijk is haar taak op het gebied van de vernieuwing van het hoger onderwijs te versterken; dat het voorts wenselijk is de bestuurskracht van de Open Universiteit te versterken door onder meer het instellen van een eenhoofdig bestuursorgaan en een raad van toezicht; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. ARTIKEL II Vervallen ARTIKEL III Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":5938,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 november 2017, kenmerk 1251358-169790, houdende tweede nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2017 (Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Voor het jaar 2017 is voor de beheerskosten Wlz van de Wlz-uitvoerders en de Sociale verzekeringsbank € 6,225 miljoen meer beschikbaar dan geregeld in [artikel 1 van de Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039430&artikel=1). Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040233&artikel=1&z=2017-11-28&g=2017-11-28) genoemde bedrag is € 2,025 miljoen bestemd voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), € 1,500 miljoen voor de overige bij of krachtens die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) geregelde taken van Wlz-uitvoerders, en € 2,700 miljoen voor de uitvoering door de Sociale verzekeringsbank van de taak, bedoeld in [artikel 3.3.3, zevende lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4600,"b":"Fiscale beleidsregels september 2004 De Staatssecretaris van Financiën geeft kennis van het volgende. In de maand september 2004 zijn de volgende beleidsregels op de website www.minfin.nl geplaatst. In verband met het bepaalde in [artikel 2:14, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:14) liggen deze beleidsregels, vanaf datum publicatie op de website, tevens ter inzage bij de afdeling Bibliotheek en documentatie van het Ministerie van Financiën, Korte Voorhout 7 te Den Haag. Premieheffing. Verordening (EEG); nr. 1408/71; detachering Besluit van 27 augustus 2004, nr. CPP2004-1755M Waardering vordering ouderlijke boedelverdeling Besluit van 6 september 2004, nr. CPP2004-1380M Meldingsprocedure energie-investeringsaftrek Besluit van 6 september 2004, nr. CPP2004-1538M Vrije vergoeding voor reiskosten Besluit van 6 september 2004 nr. CPP2004-183M Bemiddelingskosten kinderopvang Besluit van 8 september 2004 nr. CPP2004-1227M Herbestedingsreserve en investeringsaftrek Besluit van 10 september 2004 nr. CPP2004-1536M Deelnemingsvrijstelling en compartimentering Besluit van 10 september 2004 nr. CPP2004-1656M Koffiegeld en loonbelasting Besluit van 15 september 2004 nr. CPP2004-1033M Afgeleide identificatie Besluit van 12 september 2004 nr. DGB2004-4429M Inkomstenbelasting. [Partnerregeling](onbekend); gewezen partner in de zin van de [Wet IB 2001](onbekend) Besluit van 22 september 2004 nr. CPP2004-1376M Omzetbelasting; tarief kookcursus Besluit van 22 september 2004 nr. CPP2004-1811M"},{"i":5932,"b":"Besluit van 20 mei 1997, houdende regelen inzake tuchtrechtspraak en maatregelen wegens ongeschiktheid (Tuchtrechtbesluit BIG) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 juli 1996, nr. CSZ/BenO-966209, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie; Gelet op de [artikelen 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=52), [53, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=53), [54, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=54), [65, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=65), [70, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=70), [73, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=73), [79, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=79), [83, dertiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=83), [84, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=84), en [94 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=94); De Raad van State gehoord (advies van 19 november 1996, no. W13.96.0306) Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 april 1997, CSZ/BenO-976120, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALING Artikel 1 ln dit besluit wordt verstaan onder «de wet»: de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251). HOOFDSTUK 2. TUCHTRECHT Paragraaf 1. Regionale tuchtcolleges Artikel 2 1. Het rechtsgebied van het regionale tuchtcollege dat is gevestigd te Amsterdam omvat de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland. 2. Het rechtsgebied van het regionale tuchtcollege dat is gevestigd te ’s-Hertogenbosch omvat de provincies Limburg, Noord-Brabant, Utrecht en Zeeland. 3. Het rechtsgebied van het regionale tu"},{"i":3328,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 11 februari 2026 nr. BOACAT2026/004, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Veenendaal Gelezen het verzoek van gemeente Veenendaal van 3 december 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052303&artikel=2&z=2026-03-10&g=2026-03-10). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Senior handhaver, Wijkhandhaver, Jeugdboa en Integraal handhaver in dienst van gemeente Veenendaal zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Rui"},{"i":5979,"b":"Besluit van 26 februari 2025 tot wijziging van het Besluit EU-verordeningen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/2631 betreffende Europese groene obligaties en optionele openbaarmakingen voor obligaties die als ecologisch duurzame obligaties op de markt worden gebracht en voor aan duurzaamheid gekoppelde obligaties (Uitvoeringsbesluit verordening Europese groene obligaties) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 15 januari 2025, 2024-0000563560, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2023/2631](32023R2631) van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 betreffende Europese groene obligaties en optionele openbaarmakingen voor obligaties die als ecologisch duurzame obligaties op de markt worden gebracht en voor aan duurzaamheid gekoppelde obligaties en de [artikelen 1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [1:94, eerste lid, aanhef en onderdeel i,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:94) en [1:97, derde lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:97); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 februari 2025, nr. W06.25.00014/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 24 februari 2025, 2025-0000040677, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit EU-verordeningen Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel III Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële onde"},{"i":6532,"b":"Besluit van 25 januari 2006, houdende wijziging van het Kadasterbesluit, de Maatregel teboekgestelde schepen 1992, de Maatregel te boek gestelde luchtvaartuigen 1996 en het Arbeidstijdenbesluit vervoer (wijziging in verband met de inwerkingtreding van de Herzieningswet Kadasterwet I en enige andere wetten, alsmede in verband met de kadastrale aanduiding van kabelnetten) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 juli 2005, nr. MJZ2005163368, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie, van Verkeer en Waterstaat en van Financiën; Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=2), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=10), [45, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=45), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=56), [57, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=57), [59, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=59), [73, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=73), [87, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=87), [89, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=89), [94, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=94), [96, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=96), en [105, eerste lid en tweede lid, tweede zin, van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=105), en de [artikelen 231](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=231), [841](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=841), [1303, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1303), en [1321 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005034&artikel=1321); De Raad van State"},{"i":2142,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 november 2025, kenmerk 4253146-1090325-WJZ, houdende regels met betrekking tot de aanwijzing van de elektronische verzendwijze van formele berichten aan VWS (Aanwijzing elektronische verzendwijzen VWS) Gelet op [artikel 2:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13); Besluit: Artikel 1. Verzendwijzen Een formeel bericht als bedoeld in [artikel 2.13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=2:13), bestemd voor de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kan elektronisch worden verzonden op de in de bijlage vermelde wijze. Artikel 2. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 3. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing elektronische verzendwijzen VWS. Bijlage. behorend bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051926&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) - –. Per e-mail: WJZ.bezwaarenberoep@minvws.nl - –. Per web-formulier: [https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-volksgezondheid-welzijn-en-sport/contact/bezwaarschriften-vws/bezwaar-indienen-tegen-besluit-ministerie-van-volksgezondheid-welzijn-en-sport](https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-volksgezondheid-welzijn-en-sport/contact/bezwaarschriften-vws/bezwaar-indienen-tegen-besluit-ministerie-van-volksgezondheid-welzijn-en-sport) - –. Algemeen (corona verzoeken): _dienstpostbusWoo-corona-ondersteuning@minvws.nl - –. Algemeen (reguliere verzoeken): Vws.woo@minvws.nl - –. Woo contactpersoon (algemene informatieverzoeken): contactpersoonwoo@minvws.nl - –. Per web-formulier: [https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-volksgezondheid-welzijn-en-sport/contact/woo-verzoek-indienen](https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-volksgezondheid-welzijn-en-sport/contact/woo-verzoek-indienen) - –."},{"i":1992,"b":"Wet van 23 december 1994, tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (onbeperkte voorwaartse verrekening van ondernemingsverliezen en vaststelling van verliezen bij beschikking) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het mede met het oog op het fiscale vestigingsklimaat in Nederland wenselijk is, zowel voor de heffing van de inkomstenbelasting als voor de heffing van de vennootschapsbelasting, te bepalen dat ondernemingsverliezen onbeperkt voorwaarts kunnen worden verrekend, alsmede dat het wenselijk is te bepalen dat verliezen bij voor bezwaar vatbare beschikking worden vastgesteld; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III 1. Bij de heffing van de inkomstenbelasting over het kalenderjaar 1995 wordt, in afwijking in zoverre van artikel 51, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat luidt op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, met het inkomen van dat jaar verrekend een verlies uit het negende voorafgaande jaar voor zover dit is voortgevloeid uit een verlies uit onderneming. 2. Op een bij de aangifte inkomstenbelasting over het kalenderjaar 1995 gedaan verzoek, stelt de inspecteur het gezamenlijke bedrag van de in de negen aan dat jaar voorafgaande jaren geleden verliezen, voor zover deze zijn voortgevloeid uit verliezen uit onderneming, alsmede de aanloopverliezen van voor die jaren, vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het kalenderjaar 1995, een en ander voor zover deze verliezen nog niet zijn verrekend met de voor 1 januari 1995 genoten inkomens. 3. Het vastgestelde gezamenlijke bedrag wordt op het aanslag"},{"i":4016,"b":"Besluit van de algemene raad van 5 november 2018 tot vaststelling van een subsidieplafond (Besluit subsidieplafond 2019) gelet op [afdeling 4.2.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=4.2.2), gelet op [artikel 2.36c van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.36c), gelet op [artikel 3 van de Beleidsregel subsidies NOvA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039970&artikel=3), stelt de navolgende bepalingen vast: Artikel 1. Subsidieplafond 2019 Het subsidieplafond, bedoeld in [artikel 2.36c, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.36c) en [artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel subsidies NOvA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039970&artikel=3) wordt voor het boekjaar 2019 vastgesteld op € 3.250.000. Artikel 2. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidieplafond 2019."},{"i":6290,"b":"Wet van 5 juli 2006 tot samenvoeging van de gemeenten Medemblik, Noorder-Koggenland en Wognum en een wijziging van de grenzen van de gemeente Hoorn Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Medemblik, Noorder-Koggenland en Wognum samen te voegen, alsmede de grenzen van de gemeente Hoorn te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Medemblik, Noorder-Koggenland en Wognum opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Medemblik ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Medemblik, Noorder-Koggenland en Wognum, met dien verstande dat de grens van de nieuw te vormen gemeente komt te lopen zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Grenswijzigingen van een gemeente die niet wordt opgeheven Artikel 3 De grenzen van de gemeente Hoorn worden met ingang van de datum van herindeling gewijzigd, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 3. Overige bepalingen Artikel 4 Voor de nieuwe gemeente Medemblik wordt de op te heffen gemeente Noorder-Koggenland aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in [dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36). Artikel 5 Voor de op te heffen gemeenten Medemblik, Noorder-Koggenland en Wognum wordt de nieuwe gemeente Medemblik aangewezen in verband met de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https"},{"i":7275,"b":"Wet van 27 juni 2018 tot wijziging van de Faillissementswet en enige andere wetten in verband met het moderniseren van de faillissementsprocedure (Wet modernisering faillissementsprocedure) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860) te wijzigen, met als doel de faillissementsprocedure efficiënter te maken, geschikt te maken voor moderne communicatiemiddelen, alsmede maatwerk binnen de procedure te bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Faillissementswet. Artikel II Wijzigt de Wet adviesstelsel Justitie. Artikel III Wijzigt de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Artikel IV Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel V Voor faillissementen die voor het tijdstip van inwerkingtreden van deze wet zijn uitgesproken, geldt het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Artikel VI A. Wijzigt deze wet. B. Wijzigt de Wet continuïteit ondernemingen I (Kst 34 218). C. Wijzigt deze wet. D. Wijzigt de Wet continuïteit ondernemingen I (Kst 34 218). Artikel VII Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel VIII Deze wet wordt aangehaald als: Wet modernisering faillissementsprocedure. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":7323,"b":"Besluit van 9 november 2017, houdende wijziging van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 in verband met aanpassing van de salarissen die betrekking hebben op de Rijksschoonmaakorganisatie en enkele andere wijzigingen Artikel I 1. De ambtenaar, bedoeld in [artikel 25a, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&artikel=25a) die acht of meer dienstjaren heeft, ontvangt in november 2017 een eenmalige uitkering van 0,2% van het genoten salaris over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorafgaande kalenderjaar. 2. Bij het vaststellen van het aantal dienstjaren is [artikel 25a, derde lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&artikel=25a) van overeenkomstige toepassing. Artikel II Wijzigt het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. Artikel III 1. De [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040226&artikel=I&z=2017-11-23&g=2017-11-23) en [II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040226&artikel=II&z=2017-11-23&g=2017-11-23) van dit besluit treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 juli 2017. 2. In afwijking van het eerste lid werkt [Artikel II, onderdelen A, C, E, F en H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040226&artikel=II&z=2017-11-23&g=2017-11-23), terug tot en met 1 januari 2017. 3. In afwijking van het eerste lid werkt [Artikel II, onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040226&artikel=II&z=2017-11-23&g=2017-11-23), terug tot en met 1 december 2016. Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 september 2017, nr. 2017-0000457588; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125); De Afdeling advisering van de Raad"},{"i":2192,"b":"Aanwijzing rechtsmachtgeschillen bij strafprocedures Samenvatting In 2009 heeft de Raad van de Europese Unie een kaderbesluit vastgesteld over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures. Dit besluit bevat regels voor de justitiële autoriteiten van de lidstaten voor het voeren van rechtstreeks en gestructureerd overleg en tot nauwere samenwerking, wanneer tijdens een strafrechtelijk onderzoek (zowel opsporingsfase als vervolgingsfase) blijkt dat een parallel onderzoek wordt gevoerd in het buitenland tegen dezelfde persoon en wegens dezelfde feiten. In deze aanwijzing worden de procedures beschreven voor het leggen van contact en voor het voeren van overleg tussen leden van het Nederlandse Openbaar Ministerie en de bevoegde autoriteiten van andere EU lidstaten teneinde vast te stellen of er parallelle strafprocedures lopen wegens dezelfde feiten en ten aanzien van dezelfde personen. Naast het voorkomen van schending van het beginsel ‘ne bis in idem’, kan op deze wijze door de Nederlandse officier van justitie, bij voorkeur in een vroegtijdig stadium, een effectieve oplossing wordt bereikt in een strafzaak door samen te werken met partners in het buitenland. Achtergrond Aan deze aanwijzing liggen ten grondslag het Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures en [artikel 552l Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=552l). Dit kaderbesluit strekt tevens tot het voorkomen van schending van het beginsel ‘ne bis in idem.’1Zie ook artikel 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst. Het kaderbesluit treedt niet in de plaats van het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging, ondertekend te Straatsburg op 15 mei 1972 en laat ook andere regelingen betreffende de overdracht van strafvervolging tussen de lidstaten onverlet. Internationale strafrechtelij"},{"i":2193,"b":"Aanwijzing rechtspersoon belast met inning en verdeling vergoedingen Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, de heer drs. A. Nuis; Gelet op [artikel 15f van de Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15f) en [artikel 15a van de Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=15a); Gezien de statuten van de stichting ’Stichting Leenrecht’, gevestigd te Amstelveen, zoals gewijzigd bij notariële akte, verleden op 13 september 1996; Besluit: Als rechtspersoon die met uitsluiting van anderen belast is met de inning en de verdeling van de in [artikel 15c van de Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15c) bedoelde vergoeding, alsmede de in [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=2), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=6), [7a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=7a) en [8 van de Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921&artikel=8) bedoelde vergoeding, wordt aangewezen de stichting ’Stichting Leenrecht’ te Amstelveen. Dit besluit wordt in de Staatscourant bekendgemaakt. Het treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":2195,"b":"Aanwijzing review (tweede beoordeling) Achtergrond De aanwijzing review vloeit voort uit het `Programma Versterking Opsporing en Vervolging’ dat voorziet in een structurele inbedding van review (tweede beoordeling) bij Openbaar Ministerie en politie. Doel is in uitzonderlijke gevallen waarin het onderzoek vastloopt of dreigt vast te lopen, dan wel de bewijspositie in hoge mate problematisch is (bijvoorbeeld een ingetrokken bekentenis in combinatie met weinig substantieel technisch bewijs), vast te stellen of alle mogelijke opsporingsrichtingen in voldoende mate zijn uitgezocht. Ook benadeelden (slachtoffers/nabestaanden) kunnen belang hebben bij een review als een onderzoek geen duidelijk resultaat heeft opgeleverd. Deze aanwijzing ziet toe op beide groepen aanvragers. Daarmee komt de aanwijzing tweede beoordeling (‘second opinion’) opsporingsonderzoek te vervallen. Samenvatting Wanneer het strafrechtelijk onderzoek naar zware misdrijven die grote maatschappelijke beroering teweeg brengen, geen duidelijk resultaat heeft opgeleverd, is het belangrijk om vast te kunnen stellen of het onderzoek volgens de regelen van de kunst is uitgevoerd en er echt alles is uitgehaald. Dit is voor alle betrokkenen van belang en hoort bij een professionele benadering van opsporing en vervolging. In uitzonderlijke gevallen kan het daarbij noodzakelijk zijn om tot een review (tweede beoordeling) over te gaan. Zowel het Openbaar Ministerie als de politie als een benadeelde kan hierom verzoeken. Bij een review wordt een team samengesteld van deskundigen van Openbaar Ministerie en politie van buiten de politie-eenheid en het parket die het opsporingsonderzoek in de zaak hebben verricht, waar nodig aangevuld met externe deskundigen. Dit team verricht een diepgaande, systematische herbeoordeling van alle onderzoeksinformatie en beslissingen die op basis daarvan zijn genomen. Deze aanwijzing bevat een algemeen kader voor de inzet en uitvoering van een review door Openbaar Ministerie en politi"},{"i":1843,"b":"Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie en andere wetten in verband met de opheffing van de bedrijfslichamen (Wet opheffing bedrijfslichamen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, met inachtneming van [artikel 134, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=134), dat het wenselijk is de bedrijfslichamen op te heffen en taken van de bedrijfslichamen te beleggen bij de centrale overheid; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel I Voor de toepassing van de [hoofdstukken 4 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&hoofdstuk=4&z=2019-01-01&g=2019-01-01) wordt verstaan onder: - **bedrijfslichaam:** bedrijfslichaam als bedoeld in [artikel 66, vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=66), zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van [artikel II, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036083&hoofdstuk=2&artikel=II&z=2019-01-01&g=2019-01-01), van deze wet; - **Onze Minister:** Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Hoofdstuk 2. Wijziging van de [Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058) Artikel II Wijzigt de Wet op de bedrijfsorganisatie. Hoofdstuk 3. Wijziging en intrekking van diverse andere wetten in verband met de opheffing van de product- en bedrijfschappen § 1. Ministerie van Algemene Zaken Artikel III Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Artikel IV Wijzigt de Noodwet voedselvoorziening. § 2. Ministerie van Buitenlandse Zaken Artikel V Wijzigt de Sanctiewet 1977. § 3. Ministerie van Veiligheid en Justitie Artikel VI Wijzigt de Algemene wet b"},{"i":1842,"b":"Wet van 4 februari 1976, tot opheffing van het bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad op 21 juni 1974 uit eigen beweging uitgebrachte advies over te gaan tot opheffing van het bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Het Bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie, ingesteld bij het Mijnstatuut 1954 (**Stb.** 1954, 463), is opgeheven. 2. De door het bedrijfschap vastgestelde verordeningen en de op grond van [artikel 5 van de Overgangswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001834&artikel=5) bedrijfsorganisatie mijnbedrijf (**Stb.** 1954, 464) gehandhaafde verordeningen, voor zover nog van kracht bij de inwerkingtreding van deze wet, vervallen. 3. Ten aanzien van de werknemers die bij de inwerkingtreding van deze wet werkzaam zijn in een onderneming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder **a**, van het Mijnstatuut 1954, blijven voor de duur van hun werkzaamheden aldaar de lonen en de andere arbeidsvoorwaarden gelden die ingevolge de in het tweede lid bedoelde verordeningen van het bedrijfschap voor hen van kracht waren op de dag voorafgaande aan die van de opheffing van het bedrijfschap. 4. Tot het tijdstip waarop naar zijn oordeel in de in het vorige lid bedoelde ondernemingen de werkzaamheden ten behoeve van of verband houdende met de afbouw van steenkolenmijnen beëindigd zijn, worden de in het vorige lid bedoelde lonen en andere arbeidsvoorwaarden door Onze Minister van Sociale Zaken, de betrokken ondernemers en de betrokken organisaties van werknemers gehoord, op een door hem te bepalen wijze aangepast overeenkomstig de algemene wijzigingen in de lonen en de andere arbeidsvoorwaarden vun"},{"i":4859,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 november 2014, nr. MinBuZa.2014.656793, tot het verlenen van mandaat en machtiging aan het hoofd van de Visadienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie met betrekking tot visa kort verblijf (Mandaatbesluit Hoofd Visadienst 2014) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 Aan de directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt mandaat verleend om in zijn functie als hoofd van de Visadienst namens de Minister van Buitenlandse Zaken: - a. besluiten te nemen omtrent de visa, bedoeld in artikel 2, punten 2 tot en met 5, van de Visumcode1[Verordening (EG) nr. 810/2009](32009R0810) van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PbEU 2009, L 243); - b. besluiten te nemen omtrent de visa, bedoeld in de [Wet toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571), anders dan in [artikel 1, onder e en g, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=1); - c. te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in de onderdelen a en b, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen, en - d. rechtsmiddelen in te stellen en hem in rechte te vertegenwoordigen in rechterlijke procedures waarin hij voor het bestuursorgaan de Minister van Buitenlandse Zaken optreedt naar aanleiding van de besluiten, bedoeld in de onderdelen a, b en c. Artikel 2 De directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt in zijn functie als hoofd van de Visadienst gemachtigd tot: - a. het verrichten van alle benodigde werkzaamheden, niet zijnde instructies ten aanzien van functionarissen werkzaam op een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het bu"},{"i":5930,"b":"Toezichtkader stelsel Kwaliteitsborging Bouw 1. Inleiding Dit toezichtkader bevat een algemene toelichting op de toezichttaak van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) ten aanzien van het stelsel Kwaliteitsborging Bouw (KB-stelsel) en op de wijze waarop de TloKB invulling geeft aan deze taak. Dit toezichtkader maakt onder andere gebruik van de ex ante evaluatie die de TloKB heeft laten uitvoeren in 2022 en van eerder gepubliceerde stukken, zoals jaarplannen en jaarverslagen van de TloKB. 1.1. Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw De TloKB is een zelfstandig bestuursorgaan en heeft hoofdtaken ten aanzien van drie stelsels: kwaliteitsborging bouw, erkende kwaliteitsverklaringen en werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (zie figuur 1). 1.1.1. Kwaliteitsborging bouw Met het oog op verbetering van de bouwkwaliteit regelt de [Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181) (Wonw) [afdeling 1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&afdeling=1a). Kwaliteitsborging voor het bouwen, na inwerkingtreding van de [Wet kwaliteitsborging voor het bouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042732) (Wkb) een aantal taken voor de TloKB. Zij laat enerzijds instrumenten voor kwaliteitsborging bouw (KB-instrumenten) toe tot het KB-stelsel. Anderzijds houdt de TloKB toezicht op de aanbieders van toegelaten KB-instrumenten, de toepassing van deze KB-instrumenten door kwaliteitsborgers en op het functioneren van het KB-stelsel. De TloKB houdt een openbaar register bij van de instrumentaanbieders, de toegelaten KB-instrumenten en de kwaliteitsborgers. Voor haar dienstverlening (toelating, registratie en toezicht) stelt de TloKB tarieven vast. De TloKB heeft een voorlichtingstaak in de toepassing van de regels met betrekking tot de toelating van KB-instrumenten. Tot slot monitort en evalueert de TloKB het functioneren van het KB-stelsel en brengt hierover verslag uit aan de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO)"},{"i":2412,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 december 2025, houdende nadere regels voor het aanbieden van een flexibel beroepsgericht programma in de beroepsgerichte profielen in de basisberoepsgerichte, de kaderberoepsgerichte en de gemengde leerweg vmbo (Beleidsregel flexibel beroepsgericht programma) Gelet op [artikel 9.3 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=9.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **combinatieprofiel:** **combinatieprofiel als bedoeld in artikel 3, vierde lid;** - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **medezeggenschapsraad:** medezeggenschapsraad als bedoeld in [artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685&artikel=3); - **profiel:** profiel als bedoeld in [artikel 2.2.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.1) en [artikel 2.24, eerste lid, van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.24); - **profielmodule:** **profielmodule als bedoeld in artikel 3, tweede lid;** - **school:** vestiging van een school voor voortgezet onderwijs; - **WVO 2020:** [Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212); - **zeer zwakke school:** zeer zwakke school als bedoeld in [artikel 2.94 van de WVO 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=2.94). Artikel 2. Doel en inhoud van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om bevoegde gezagen meer ruimte te bieden in de opbouw van het beroepsgerichte programma in de basisberoepsgerichte, de kaderberoepsgerichte en de gemengde leerweg van het vmbo, zodat een meer flexibel beroepsgericht programma mogelijk wordt gemaakt om eigentijds en organiseerbaar onderwijs aan te bieden. Artikel 3. Vormgeving combinatieprofiel 1. Op grond van deze beleidsregel is het mogelijk om, indien de school in he"},{"i":6415,"b":"Besluit van 16 juli 2005 tot wijziging van het Besluit Financiële verhouding 2001 in verband met de wijziging van enkele verdeelmaatstaven Artikel I Wijzigt het Besluit financiële verhouding 2001. Artikel II Wijzigt het Besluit verfijningen algemene uitkering 1984. Artikel III De omvang van de waarden, bedoeld in [artikel I onder F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018612&artikel=I&z=2006-01-13&g=2006-01-13), wordt vastgesteld overeenkomstig de waarden zoals die gelden bij de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel IV Onze Ministers stellen een overgangsregeling vast waardoor de verhoging of verlaging van de algemene uitkering tengevolge van de afschaffing van de maatstaf stadsvernieuwing en de invoering van de compensatie voor de investeringen in het kader van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing wordt gespreid over 9 jaar. Artikel V 1. De maatstaf minderheden, opgenomen in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018612&bijlage=2&z=2006-01-13&g=2006-01-13) bij dit besluit onder nummer 12, treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. 2. Tot dat tijdstip worden voor de vreemdelingen die op grond van asiel verblijf houden de aantallen gehanteerd zoals vastgesteld per 1 januari 2001. Artikel VI Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en werkt terug: - a. [artikel 1 onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018612&artikel=I&z=2006-01-13&g=2006-01-13) tot en met 1 januari 2003; - b. het [eerste lid van artikel 1 onderdeel H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018612&artikel=I&z=2006-01-13&g=2006-01-13) tot en met 1 januari 2005; - c. het [eerste lid van artikel 1 onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018612&artikel=I&z=2006-01-13&g=2006-01-13) tot en met 1 januari 2003; - d. [artikel 1, onderdeel J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018612&artikel=I&z=2006-01-13&g=2006-01-13) tot en met 13 juli 2002; - e. [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BW"},{"i":2356,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, van 27 juni 2024, nr. 2024-362315, houdende beleidsregels over procesrechtelijke aspecten van de uitvoering van de hersteloperatie toeslagen (Beleid procesrecht herstel toeslagen) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Toepassingsbereik Deze beleidsregels zien op de procesrechtelijke aspecten van de uitvoering van de [Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436) en de toepassing van de[Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) door de Directie Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) als onderdeel van de Dienst Toeslagen. Artikel 1.2. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - **BAC:** Bezwaarschriftenadviescommissie, bedoeld in [artikel 3 van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045876&artikel=3); - **bezwaardossier:** de op de zaak betrekking hebbende stukken, als bedoeld in [artikel 7:4, tweede lid Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:4); - **clusterdirecteur:** clusterdirecteur van de directie Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, bedoeld in [artikel 7b, derde lid, van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&artikel=7b); - **CWS:** Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade, bedoeld in [artikel 3 van de Instellingsregeling commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045235&artikel=3); - **directeur:** directeur van de directie Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, bedoeld in [artikel 7b, eerste lid, van het"},{"i":3479,"b":"Besluit van 22 oktober 1949, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 3, derde lid, en in artikel 39 der Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers Op de voordracht van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken van 29 Juli 1949, No. 197564 Z; Gelet op [artikel 3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=3), [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=13) en [artikel 39 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=39) (**Staatsblad** 1947, No. H 420); De Raad van State gehoord (advies van 6 September 1949, No. 33); Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken van 3 October 1949, No. 206085 Z; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Inleidende bepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: de wet: de [Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035) (**Stb.** 1986, 576); Onze Minister: Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; de zeeman: de zeeman, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=1); de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [artikel 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6). Hoofdstuk II. Van het geneeskundig onderzoek Artikel 2 1. Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in [artikel 13 der wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=13), geschiedt door een geneeskundig adviseur, door de Raad of de Sociale verzekeringsbank aan te wijzen, of diens plaatsvervanger."},{"i":3062,"b":"Besluit ANBI **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **In dit besluit is nieuw beleid opgenomen over de regeling die geldt voor algemeen nut beogende instellingen. Ook zijn enkele onderdelen overgenomen uit het besluit van 19 december 2014, nr. BLKB2014/1415M (** **Stcrt. 2014, 36877** **), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 5 maart 2024, nr. 2024-4956 (** **Stcrt. 2024, 7392** **) en waar nodig geactualiseerd.** 1. Inleiding Een instelling – niet zijnde een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij of een ander lichaam waarin bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen worden uitgegeven – die aan de overige wettelijke vereisten voldoet kan, op verzoek, worden aangemerkt als algemeen nut beogende instelling. Deze voorwaarden zijn opgenomen in [artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=5b) en de [artikelen 1a tot en met 1e van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006736&artikel=1a). In dit besluit is beleid opgenomen over een aantal van deze voorwaarden, waarbij sommige onderdelen tot stand zijn gekomen naar aanleiding van een kennisgroepstandpunt. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen In dit besluit worden de begrippen ‘gift’ en ‘schenking’ naast elkaar gebruikt. Voor zover het de toepassing van de [Successiewet](onbekend) betreft, wordt met beide begrippen gedoeld op het schenkingsbegrip van [artikel 1, zevende lid, Successiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=1). 1.2. Overzicht onderdelen Dit besluit bevat de volgende inhoudelijke onderdelen. 2. Algemeen nut vereiste Een ANBI is een instelling die, zowel statutair als feitelijk, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt. Om te kunnen aannemen dat met de ontplooide werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut is beoogd, moet i"},{"i":3218,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 23 januari 2024 nr. BOACAT2024/007, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Coevorden Gelezen het verzoek van de gemeente Coevorden van 16 januari 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049315&artikel=2&z=2024-08-28&g=2024-08-28). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar openbare ruimte in dienst van gemeente Coevorden, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [b"},{"i":3723,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 24 juni 2014, nr. WJZ / 14104810, houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging aan het bestuur van de Stichting voor de Technische Wetenschappen betreffende de uitvoering van hoofdstuk 9a van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen (Besluit mandaat, volmacht en machtiging bestuur Stichting STW) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gezien de schriftelijke instemming van het bestuur van de Stichting voor de Technische Wetenschappen; Besluit: Artikel 1 Aan het bestuur van de Stichting voor de Technische Wetenschappen wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om besluiten te nemen, overeenkomsten tot geldlening te sluiten en daarmee samenhangende privaatrechtelijke handelingen, en overige feitelijke handelingen te verrichten met betrekking tot subsidieverstrekking op grond van [paragraaf 3.16.4 van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&paragraaf=3.16.4), voor zover het subsidies betreft die worden verstrekt aan academische innovatieve starters, hbo-innovatieve starters of TO2-innovatieve starters. Artikel 2 1. Aan het bestuur van de Stichting voor de Technische Wetenschappen wordt mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaarschriften gericht tegen besluiten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035243&artikel=1&z=2017-12-13&g=2017-12-13), waaronder het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep. 2. Aan het bestuur van de Stichting voor de Technische Wetenschappen wordt volmacht en machtiging verleend voor het instellen van beroep bij de burgerlijke rechter met betrekking tot de overeenkomsten tot geldlening als bedoeld in [paragraaf 3.16.4 van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&paragraaf=3.16.4), voor zover het ac"},{"i":4412,"b":"Bestuursreglement Bureau Financieel Toezicht Gelet op [110, zevende en negende lid, van de Wet op het Notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=110) en [artikel 11, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=11), Gelet op de vaststelling van het Bestuursreglement van het bestuur Bureau Financieel Toezicht d.d. 24 mei 2022, Gelet op de goedkeuring van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 12 juni 2023, Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit bestuursreglement wordt verstaan onder: - a. **Wna:** [Wet op het notarisambt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388); - b. **Gdw:** [Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197); - c. **Wwft:** [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282); - d. **BFT:** het Bureau Financieel Toezicht, zoals bedoeld in [artikel 110, eerste lid, van de Wna](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=110); - e. **Bestuur:** het bestuur van het BFT, zoals bedoeld in [artikel 110, derde, vierde, vijfde en zesde lid, van de Wna](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=110); - f. **Bestuurslid:** lid van het bestuur BFT; - g. **Voorzitter:** bestuurslid, tevens voorzitter van het bestuur van het BFT; - h. **Directeur:** de directeur BFT, zoals bedoeld in [artikel 110, zesde lid, van de Wna](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388&artikel=110); - i. **Minister:** de Minister van Rechtsbescherming. Artikel 2. Taken en werkzaamheden BFT 1. Het BFT vervult de taken die het BFT bij de [Wna](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010388), de [Gdw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197) en de [Wwft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024282) zijn opgedragen dan wel andere taken die wettelijk of bij algemene maatregel van bestuur aan het BFT worden toebedeeld. 2. Het BFT verricht de werkzaamheden"},{"i":4541,"b":"Circulaire Wijziging normbedragen constante en variabele exploitatiekosten huurstandplaatsen en huurprijzen woonwagens Circulaire aan budgethoudende bestuursorganen en colleges van b. en w. Geacht bestuur/college! 1. Herziening normbedragen standplaatsen Jaarlijks worden de subsidiebijdragen in de constante en variabele exploitatiekosten van huurstandplaatsen op voet van de Regeling geldelijke steun standplaatsen voor woonwagens 1992 aangepast aan opgetreden prijswijzigingen. In artikel 1 van bijgaande regeling zijn de bedragen voor 1997 vastgelegd. 2. Herziening huurprijzen voor woonwagens Voor de periode van 1 juli 1997 tot 1 juli 1998 wordt bij de berekening van de jaarlijkse bijdragen voor huurwoonwagens, verleend op voet van de Regeling geldelijke steun huurwoonwagens, uitgegaan van een subsidieafbraakpercentage van 5,5%, zoals U reeds is aangekondigd in MG 96-31 van 18 december 1996. In artikel 2 van bijgaande regeling is dit vastgelegd. 3. Inlichtingen Voor nadere informatie naar aanleiding van deze circulaire kunt U zich wenden tot de afdeling Uitvoering Volkshuisvestingsregelingen van de Directie RAC van het DGVH te Den Haag. Telefoonnummer 070-3392207."},{"i":8046,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bescherming van Persoonsgegevens 1968- (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 februari 2007, nr. arc-2007.03507/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Bescherming van Persoonsgegevens over de periode 1968-](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":8101,"b":"Gewijzigde Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2022 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a). Op grond van [artikel 56a, tweede lid, onder a, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a) geeft de NZa op aanvraag toepassing aan artikel 56a, eerste tot en met negende lid, van de Wmg. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist als bedoeld in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051325&artikel=1&z=2025-07-26&g=2025-07-26) van deze beleidsregel, een vijftal aanwijzingen op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Deze aanwijzingen dateren van 17 september 2012, 17 oktober 2013, 6 juli 2016, 26 juni 2018 en 6 juli 2020 en hebben respectievelijk als [kenmerk MC-U-3131142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032024), [132010-106827-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034146), [984591-152516-MC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038287),[1355023-177350-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041116) en [1713658-207569-PZo](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043858). Deze aanwijzingen zijn gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 20041, 30705, 36918, 37253 en 37007. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de ziekenhuisopleidingen als bedo"},{"i":8346,"b":"Additionele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België houdende uitbreiding tot de Nederlandse koloniën van het uitleveringsverdrag van 31 mei 1889 Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en in Hoogstderzelver naam Hare Majesteit de Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk, en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, nuttig geoordeeld hebbende het [verdrag betreffende de uitlevering van misdadigers](onbekend), den 31 Mei 1889 te Brussel gesloten, tot de Nederlandsche koloniën uit te strekken door middel eener additioneele overeenkomst, hebben te dien einde tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten: Hare Majesteit de Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk: den heer baron Gericke van Herwijnen, ridder Grootkruis der Orde van den Nederlandschen Leeuw, ridder 1ste klasse der Orde van den Gouden Leeuw van het Huis van Nassau, Grootkruis der Orde van Leopold van België enz. enz. Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden bij Zijne Majesteit den Koning der Belgen; en Zijne Majesteit de Koning der Belgen: den heer graaf van Merode Westerloo, ridder der Orde van Leopold, Grootkruis der Orden van den Verlosser van Griekenland, van de Ster van Rumenië enz. enz., lid van de Kamer van Vertegenwoordigers, Hoogstdeszelfs Minister van Buitenlandsche Zaken, die, na elkander hunne volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1 De bepalingen van het [verdrag, betreffende de uitlevering van misdadigers](onbekend) den 31sten Mei 1889 te Brussel gesloten, zullen van toepassing zijn op de koloniën en vreemde bezittingen der Nederlanden, doch, gegrondvest zijnde op de wetgeving van het moederland, zullen deze bepalingen slechts worden nageleefd voor zooverre zij bestaanbaar zijn met de wetten in die koloniën en bezittingen van kracht. In afwijking van [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV000"},{"i":4443,"b":"Besluit van de Minister voor Medische Zorg en de Minister van Justitie en Veiligheid van 1 maart 2020, kenmerk 1616044-199023-VGP, houdende de vaststelling van beleidsregels inzake het toepassen van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur in het kader van het Experiment gesloten coffeeshopketen (Bibob-beleid Experiment gesloten coffeeshopketen) Treedt in werking op het tijdstip dat de Wet experiment gesloten coffeeshopketen in werking treedt. Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81) en [artikel 5, vierde en vijfde lid, van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042818&artikel=5), Besluiten: § 1. Algemeen Het onderhavige beleid is uitsluitend van toepassing op de toepassing van de [Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) (hierna: Wet Bibob) door de ministers in het kader van het Experiment gesloten coffeeshopketen. In paragraaf 2 worden de doelstelling en uitgangspunten van de [Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) beschreven. In paragraaf 3 wordt vervolgens ingegaan op de beleidslijn van het experiment. De beleidslijn biedt een kader waarbinnen de Wet Bibob wordt toegepast door de ministers binnen het experiment. In dit beleid wordt verstaan onder: § 2. [Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) Bibob staat voor ‘Bevordering IntegriteitsBeoordelingen door het Openbaar Bestuur’. De [Wet Bibob](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013798) is een (preventief) bestuursrechtelijk instrument en is bedoeld om de eigen integriteit te beschermen door te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert door bijvoorbeeld vergunningen, overheidsopdrachten (aanbestedingen) of subsidies te verstrekken of vastgoedtransacties aan te gaan die gebruikt worden voor illegale praktijken zoals"},{"i":5094,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 maart 2025, nr. 2024-0000115427, houdende de inrichting van de programmadirectie Werk aan Uitvoering en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de programmadirecteur Werk aan Uitvoering (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit programmadirectie Werk aan Uitvoering 2023) Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050859&artikel=3), en [artikel 7 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit programma-directeur-generaal Werk aan Uitvoering 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050859&artikel=7); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **programmadirectie:** de directie Werk aan Uitvoering (WaU); - b. **programmadirecteur:** de functionaris die leidinggeeft aan de programmadirectie; - c. **afdelingshoofden:** het hoofd van de afdeling Programma’s en Projecten, het hoofd van de afdeling Strategie en Omgeving en het hoofd van de afdeling Leren en Evalueren; - d. **directiesecretaris:** de secretaris van het MT programmadirectie WaU en leidinggevende van het onderdeel Staf; - e. **MT programmadirectie WaU:** de programmadirecteur, de afdelingshoofden en directiesecretaris. § 2. Organisatie Artikel 2 De programmadirectie bestaat uit de volgende onderdelen: - a. de afdeling Programma’s en Projecten; - b. de afdeling Strategie en Omgeving; - c. de afdeling Leren en Evalueren; - d. Staf. § 3. Verantwoordelijkheden Artikel 3 Elk van de afdelingshoofden is verantwoordelijk voor: - a. het leiding geven aan de medewerkers van de eigen afdeling; - b. het formuleren en uitvoeren van jaarplannen voor de eigen afdeling binnen de door de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris- generaal, de programma-directeur- generaal en de programmadirecteur vastgestelde uitgangspunten; - c. het rapporteren en verantwoorden aan de programmadirecteur over de uitvoering van de j"},{"i":5172,"b":"Besluit van 4 februari 2010 tot vaststelling van de rechtspositie van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitters van de huurcommissie (Rechtspositiebesluit voorzitters huurcommissie 2010) Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 14 december 2009, nr. BJZ2009064960, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001947&artikel=125) en [artikel 3b, vierde lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3b); De Raad van State gehoord (advies van 6 januari 2010, W08.09.0534/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 1 februari 2010, nr. BJZ2010002164, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ambt:** voorzitterschap, plaatsvervangend voorzitterschap of zittingsvoorzitterschap van de huurcommissie; - b. **huurcommissie:** commissie, genoemd in [artikel 3a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - c. **Onze Minister:** Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie; - d. **plaatsvervangend voorzitter:** plaatsvervangend voorzitter van de huurcommissie als bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - e. **voorzitter:** voorzitter van de huurcommissie als bedoeld in [artikel 3a, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=3a); - f. **wet:** [Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315); - g. **zittingsvoorzitter:** zittingsvoorzitter van de huurcommissie als bedoel"},{"i":8401,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 april 2009, nr. DDI/ST/reg. 001/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) te Wenen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder b en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten en met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, is het inventarisnummer, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) te Wenen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum is het dossier onder dit inventarisnummer niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 197 | 2050 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) te Wenen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974’."},{"i":8425,"b":"Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Vooroverleg met een internationaal karakter over de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet op de dividendbelasting 1965, de Wet bronbelasting 2021 of de Wet minimumbelasting 2024 en vooroverleg over de toepassing van een bilateraal verdrag of regelingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing op inkomen en vermogen, voor zover verband houdend met de hiervoor genoemde wetten, vindt gecentraliseerd en op uniforme wijze plaats. Om de eenheid van beleid en uitvoering en de kwaliteit te waarborgen, wordt in dit besluit een College Internationale Fiscale Zekerheid geïntroduceerd. Alle afspraken die in vooroverleg worden gemaakt binnen de context van dit besluit, worden ter goedkeuring aan dit College voorgelegd. Voorts wordt in dit besluit geregeld welke onderwerpen in vooroverleg worden behandeld door het Behandelteam Internationale Fiscale Zekerheid en wanneer een verzoek tot vooroverleg aan het aanspreekpunt buitenlandse investeerders wordt gericht. Ook wordt uitgewerkt in welke gevallen geen toegang bestaat tot vooroverleg.** **Dit besluit vervangt de besluiten van 3 juni 2014, nrs. DGB 2014/3098, DGB 2014/3099 en DGB 2014/3101. Voor zover in het besluit van 3 juni 2014, nr. DGB 2014/3102 regels zijn opgenomen die betrekking hebben op vooroverleg of de totstandkoming van een ruling, zullen de regels van onderhavig besluit daarvoor in de plaats treden.** 1. Inleiding In dit besluit wordt invulling gegeven aan de door de Staatssecretaris in zijn brief van 22 november 2018 aangekondigde beleidsvoornemens over de vernieuwde rulingpraktijk. Een belanghebbende kan verzoeken om vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf. Het beleid voor vooroverleg is in algemene zin in het [BFB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039576) neergelegd. Dit besluit is een aanvulling op het BFB en is van toepassing op vooroverle"},{"i":8536,"b":"Europese Overeenkomst inzake de controle op de verwerving en het bezit van vuurwapens door particulieren De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden; Overwegende dat het groeiend gebruik van vuurwapens voor criminele doeleinden een bedreiging vormt; Zich bewust van het feit dat deze vuurwapens dikwijls in het buitenland worden verworven; Verlangende op internationaal vlak doeltreffende methoden in te voeren ter controle van het grensoverschrijdend verkeer van vuurwapens; Zich bewust van de noodzaak maatregelen te vermijden die de wettige internationale handel zouden kunnen hinderen of zouden kunnen resulteren in onuitvoerbare of buitengewoon bezwarende grenscontroles, in strijd met de moderne doelstellingen van vrijheid van verkeer van goederen en personen, Zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen en algemene bepalingen Artikel 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst: - a. heeft de term „vuurwapen” de betekenis die in Bijlage I bij deze Overeenkomst daaraan wordt toegekend; - b. wordt onder „persoon” tevens verstaan een rechtspersoon die een vestiging heeft op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij; - c. wordt onder „wapenhandelaar” verstaan een persoon wiens beroepswerkzaamheden geheel of gedeeltelijk bestaan uit de vervaardiging, verkoop, aankoop, uitwisseling of verhuur van vuurwapens; - d. wordt onder „ingezetene” verstaan een persoon die zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij, in de zin van Voorschrift nr. 9 van de Bijlage bij Resolutie (72) 1 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe elkaar wederzijds hulp te verlenen, via de desbetreffende administratieve autoriteiten, bij het terugdringen van de onwettige handel in vuurwapens en bij het opsporen"},{"i":8537,"b":"Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten Preambule De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is een hechter verband te scheppen tussen zijn Leden; Rekening houdende met het feit dat in het internationale recht een streven bestaat naar beperking van de gevallen waarin een Staat zich voor een buitenlandse rechter kan beroepen op immuniteit; Verlangende in hun onderlinge betrekkingen gemeenschappelijke regels vast te stellen inzake de omvang van de immuniteit die een Staat geniet ten aanzien van de rechtsmacht van rechters van een andere Staat, welke regels tevens zijn gericht op het verwezenlijken van het uitvoeren van vonnissen gewezen tegen een Staat; Overwegende dat de aanvaarding van zodanige regels zal leiden tot bevordering van de door de Lid-Staten van de Raad van Europa nagestreefde harmonisering op juridisch gebied; Zijn overeengekomen als volgt: HOOFDSTUK I. Immuniteit ten aanzien van rechtsmacht Artikel 1 1. Een Overeenkomstsluitende Staat die optreedt als eiser of die zich voegt in een geding voor de rechter van een andere Overeenkomstsluitende Staat, onderwerpt zich, wat betreft dat geding, aan de rechtsmacht van de rechter van die Staat. 2. Een zodanige Overeenkomstsluitende Staat kan geen beroep doen op immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht van de rechter van de andere Overeenkomstsluitende Staat met betrekking tot een eis in reconventie, indien: - (a). deze eis voortvloeit uit de rechtsverhouding of uit de feiten waarop de eis in conventie is gegrond; - (b). die Staat volgens de bepalingen van deze Overeenkomst niet gerechtigd zou zijn geweest zich te beroepen op immuniteit, indien tegen hem een afzonderlijk geding zou zijn ingesteld voor de rechter van de andere Staat. 3. Een Overeenkomstsluitende Staat die een eis in reconventie instelt voor de rechter van een andere Overeenkomstsluitende Staat, onderwerpt zich aan de rechtsmacht van de rechter van d"},{"i":8556,"b":"Gastlandverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende het Centre for Artificial Intelligence and Robotics in '-s Gravenhage van het United Nations Interregional Crime and Justice Research Institute Whereas UNICRI was established as a part of the United Nations by the Economic and Social Council (ECOSOC) and is presently ruled by the Statute adopted by ECOSOC with Resolution No. 1989/56 of 24 May 1989; Whereas the United Nations Interregional Crime and Justice Research Institute (UNICRI) wishes to establish a Centre for Artificial Intelligence and Robotics in The Hague, the Kingdom of the Netherlands to facilitate the implementation of its mandate; Whereas the Kingdom of the Netherlands wishes to facilitate the work of UNICRI in this regard; Desiring to lay down conditions concerning the privileges, immunities, facilities, and services of and related to the UNICRI Centre for Artificial Intelligence and Robotics in the territory of the Kingdom of the Netherlands as are necessary for the fulfillment of the purposes of the Centre; The Kingdom of the Netherlands and the United Nations have agreed as follows: PART 1. GENERAL PROVISIONS Article 1. Use of terms For the purpose of this Agreement: - a). “Agreement” means this Host State Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the United Nations; - b). “host State” means the Kingdom of the Netherlands; - c). “UNICRI” means the United Nations Interregional Crime and Justice Research Institute; - d). “Centre” means the UNICRI Centre for Artificial Intelligence and Robotics located in The Hague; - e). “Parties” means the United Nations and the host State; - f). “General Convention” means the [Convention on the Privileges and Immunities of the United Nations](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005561) adopted by the General Assembly of the United Nations on 13 February 1946, to which the Kingdom of the Netherlands acceded on 19 April 1948; - g). “Vienna Convention” means the [V"},{"i":987,"b":"Besluit vaststelling selectielijst Beleid en ondersteunende processen Belastingdienst vanaf 2007 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van de beleids- en ondersteunende processen van de Belastingdienst over de periode vanaf 2007 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De selectielijsten - •. [(Beheer van de) Rijksbegroting](onbekend), **Stcrt**. 2005, 62 - •. [Rijkshuisvesting](onbekend), **Stcrt**. 2007, 142 - •. [Voorlichting van de Rijksoverheid](onbekend), **Stcrt**. 2007, 112 - •. [Nationale Ombudsman](onbekend), **Stcrt**. 2007, 204 - •. Overheidspersoneel (Arbeidsverhoudingen bij de Rijksoverheid), **Stcrt**. 2001, 200 - •. Overheidspersoneel (Arbeidsvoorwaarden Rijkspersoneel), **Stcrt**. 2001, 200 - •. Overheidspersoneel (Formatiebeleid, arbeidsmarktbeleid en personeelsontwikkelingen en mobiliteit), **Stcrt**. 2001, 201 - •. Overheidspersoneel (Arbeidsomstandigheden bij de overheid), **Stcrt**. 2001, 201 - •. Overheidspersoneel (Personeelsinformatievoorziening en -administratie), **Stcrt**. 2001, 201 - •. [Overheidsinformatievoorziening](onbekend), **Stcrt**. 2004, 143 - •. [Cultuurbeheer](onbekend), **Stcrt**. 2004, 208 - •. [Organisatie van de Rijksoverheid](onbekend), **Stcrt**. 2005, 245 worden afgesloten vanaf 1 januari 2007 voor de actor Belastingdienst. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten."},{"i":1285,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 augustus 2024, nr. 5556841, houdende aanwijzing niet-coöperatieve of coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden Gelet op [artikel 391a, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=391a) en [artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van het Implementatiebesluit Richtlijn openbaarmaking winstbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049420&artikel=8); Besluit: Artikel 1 Als niet-coöperatieve rechtsgebieden als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van het Implementatiebesluit Richtlijn openbaarmaking winstbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049420&artikel=8) worden aangewezen: de Amerikaanse Maagdeneilanden, Amerikaans-Samoa, Anguilla, Fiji, Guam, Palau, Panama, de Russische Federatie, Samoa, Trinidad en Tobago en Vanuatu. Artikel 2 Als coöperatieve rechtsgebieden als bedoel in [artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van het Implementatiebesluit Richtlijn openbaarmaking winstbelasting](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049420&artikel=8) worden aangewezen: Belize, de Britse Maagdeneilanden, Eswatini, de Seychellen, Turkije en Vietnam. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en is van toepassing op verslagen inzake de winstbelasting die worden opgesteld over boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2025. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8557,"b":"Gastlandverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Internationaal Instituut voor Democratie en Verkiezingsondersteuning inzake de immuniteit en privileges van het Internationaal Instituut voor Democratie en Verkiezingsondersteuning en zijn functionarissen The Kingdom of the Netherlands and the International Institute for Democracy and Electoral Assistance (hereinafter referred to as “the Parties”), Bearing in mind the policy of the Kingdom of the Netherlands to promote the development of the international legal order; Welcoming the wish of the International Institute for Democracy and Electoral Assistance to establish an office in the Netherlands; Noting that the International Institute for Democracy and Electoral Assistance was established as an international intergovernmental organization at a conference held in Stockholm, Sweden, on 27 February 1995; Noting that Statutes of the Organization as amended were adopted at the Extraordinary session of International IDEA’s Council on 24 January 2006; Noting that according to Article X of the Statutes of the Organization, the status, privileges and immunities of the Organization and its Officials in the host country shall be specified in a Host Country Agreement; Further noting that the Parties have agreed to enter into such an Agreement; Desiring to lay down conditions concerning the immunity and privileges of the Organization and its Officials; have agreed as follows: Article 1. Definitions For the purpose of this Agreement, - a). “Government” means the Government of the Kingdom of the Netherlands; - b). “Organization” or “International IDEA” means the International Institute for Democracy and Electoral Assistance; - c). „Host Country” means the Kingdom of the Netherlands; - d). “Secretary-General” means the Secretary-General of the Organization and during his or her absence, any other Official specifically designated to act on his or her behalf; - e). ‘Head of Office” means the Official of the Organization w"},{"i":8558,"b":"Gastlandverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties betreffende het kantoor van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties in ‘s-Gravenhage The Kingdom of the Netherlands and The United Nations Development Programme, Whereas the United Nations Development Programme (UNDP) wishes to establish an Office in The Hague to facilitate the implementation of its mandate; Whereas the Kingdom of the Netherlands wishes to facilitate the work of UNDP in this regard; Desiring to lay down conditions concerning the privileges, immunities, facilities and services of and related to the UNDP Office in The Hague, as are necessary for the fulfilment of the purposes of the Office; The Kingdom of the Netherlands and UNDP have agreed as follows: PART I. GENERAL PROVISIONS Article 1. Use of terms For the purpose of this Agreement: - a). “Agreement” means this Host State Agreement between the Kingdom of the Netherlands and UNDP; - b). “host State” means the Kingdom of the Netherlands; - c). “Office” means UNDP’s office in The Hague; - d). “Parties” means UNDP and the host State; - e). “General Convention” means the [Convention on the Privileges and Immunities of the United Nations](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005561) adopted by the General Assembly of the United Nations on 13 February 1946, to which the Kingdom of the Netherlands acceded on 19 April 1948; - f). “Vienna Convention” means the [Vienna Convention on Diplomatic Relations](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004345) of 18 April 1961, to which the Kingdom of the Netherlands acceded on 7 September 1984; - g). “Head of the Office” means the person appointed by UNDP to head the Office; - h). “officials of the Office” means the Head of the Office and staff who are assigned by UNDP to serve as part of the Office; - i). “experts on mission” means persons, other than officials of the Office, who, on a temporary basis, perform missions for UNDP; - j). “intern"},{"i":2928,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 maart 2021, kenmerk 1842830-219548-GMT, houdende aanwijzing van de bevoegde autoriteit in het kader van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/442 in verband met een vergunningplicht voor de uitvoer van vaccins tegen aan SARS gerelateerde coronavirussen Gelet op artikel 1, vierde lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/442 van de Commissie van 11 maart 2021 tot onderwerping van de uitvoer van bepaalde producten aan de overlegging van een uitvoervergunning (PbEU 2021, L 85); Besluit: Artikel 1 Als de bevoegde autoriteit, belast met het nemen van besluiten over het verlenen van een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/442 van de Commissie van 11 maart 2021 tot onderwerping van de uitvoer van bepaalde producten aan de overlegging van een uitvoervergunning (PbEU 2021, L 85) zijn aangewezen: de inspecteur-generaal en de hoofdinspecteurs van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Artikel 2 Het [Besluit van de Minister voor Medische Zorg van 5 februari 2021, kenmerk 1823124-217921-GMT houdende aanwijzing van de bevoegde autoriteit in het kader van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/111 in verband met een vergunningplicht voor de uitvoer van vaccins tegen aan SARS gerelateerde coronavirussen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044783) (Stcrt. 2021, 7030) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 13 maart 2021. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8559,"b":"Gastlandverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Verenigde Naties inzake de vestiging van een kantoor van het United Nations Office for Project Services in Sint Maarten The Kingdom of the Netherlands, in respect of Sint Maarten, and the United Nations, Whereas the United Nations (UN), through its subsidiary organization the United Nations Office for Project Services (UNOPS), established by UN General Assembly decision 48/501 of 19 September 1994, wishes to establish an office in Philipsburg, Sint Maarten to facilitate the implementation of its mandate; Whereas the Kingdom of the Netherlands, in respect of Sint Maarten, wishes to facilitate the work of UNOPS in this regard; Desiring to lay down conditions concerning the privileges, immunities, facilities, and services of and related to the Office of UNOPS in the territory of Sint Maarten as are necessary for the fulfilment of the purposes of the Office; The United Nations and the Kingdom of the Netherlands, in respect of Sint Maarten, have entered into this Agreement in a spirit of friendly co-operation and agreed as follows: PART I. GENERAL PROVISIONS Article 1. Use of terms For the purpose of this Agreement: - a). “Agreement” means this Host State Agreement between the Kingdom of the Netherlands, in respect of Sint Maarten, and the United Nations; - b). “Host Country” means Sint Maarten, as a constituent country of the Kingdom of the Netherlands; - c). “UNOPS” means the United Nations Office for Project Services; - d). “Office” means the Office of UNOPS in Sint Maarten; - e). “Government” means the Government of Sint Maarten; - f). “Parties” means UNOPS and the Kingdom of the Netherlands, in respect of Sint Maarten, each of which shall be referred to herein as a “Party”; - g). “General Convention” means the [Convention on the Privileges and Immunities](onbekend) of the United Nations, adopted by the General Assembly of the United Nations on 13 February 1946, to which the Ki"},{"i":8586,"b":"Handelsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds Le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas, et Le Gouvernement du Royaume de Belgique, tant en son nom qu'au nom du Gouvernement du Grand-Duché de Luxembourg, en vertu d'accords existants, Ces Gouvernements agissant en commun en vertu du Protocole relatif à la politique commerciale conclu entre eux le 9 décembre 1953, d'une part, et Le Gouvernement du Royaume du Maroc, d'autre part, Animés du désir de favoriser, dans toute la mesure du possible, les échanges commerciaux entre leurs territoires, Sont convenus des dispositions suivantes: Article I Les Parties Contractantes continuent à s'accorder un traitement aussi favorable que possible dans l'octroi réciproque des autorisations d'importation et d'exportation. Article II Aux fins du présent Accord sont considérés comme produits belges, produits luxembourgeois et produits néerlandais, les produits originaires de l'Union Economique Belgo-Luxembourgeoise, du Ruanda Urundi et du Royaume des Pays-Bas et en provenance de l'un de ces territoires. Sont considérés comme produits marocains les produits qui sont originaires et en provenance du Maroc. Article III Les Autorités compétentes de l'Union Economique Belgo-Luxembourgeoise et du Royaume des Pays-Bas autorisent l'importation dans l'Union Economique Belgo-Luxembourgeoise et dans le Royaume des Pays-Bas des produits marocains figurant à la liste A annexée au présent Accord, au moins à concurrence des quantités ou des valeurs indiquées pour chacun d'entre eux. Article IV Les Autorités marocaines compétentes autorisent l'importation au Maroc des produits belges, luxembourgeois ou néerlandais figurant à la liste B annexée au présent Accord, au moins à concurrence des quantités ou des valeurs indiquées pour chacun d'entre eux. Article V Une Commission Mixte, composée de représentants des Gouvernements intéressés, se ré"},{"i":8685,"b":"Kaderovereenkomst inzake een partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de regering van Maleisië, anderzijds de Europese Unie, hierna „de EU” genoemd, en het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, lidstaten van de Europese Unie, hierna „lidstaten” genoemd, enerzijds, en de regering van Maleisië, hierna „Maleisië” genoemd, anderzijds, hierna ieder „de Partij” en gezamenlijk „de Partijen” genoemd, Gezien de traditionele vriendschapsbanden tussen de partijen en de nauwe historische, politieke en economische banden die hen verenigen; Gezien het bijzondere belang dat de partijen hechten aan het alomvattende karakter van hun wederzijdse betrekkingen; Overwegende dat deze Overeenkomst deel uitmaakt van bredere en samenhangende betrekkingen tussen hen, die tot stand zijn gekomen door overeenkomsten waarbij zij partij zijn; De waarde erkennend van tolerantie, aanvaarding en wederzijds respect binnen een diverse, rijk geschakeerde internationale gemeenschap, alsmede van het belang van gematigdheid; Bevestigend dat de partijen gehecht zijn aan de eerbiediging van de democratische beginselen en de mensenrechten, neergelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens, aangenomen door de [Algemene Vergadering van de Verenigde Naties](onbekend) („AVVN”) op 10 december 1948, en in andere relevante internationale mensenrechteninstrumenten die op hen van toepassing zijn; Bevestig"},{"i":8988,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende ontwikkelingssamenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Suriname, Zich baserende op de inhoud van het Protocol dat werd uitgegeven naar aanleiding van de van 18 tot en met 21 mei 1974 te 's-Gravenhage gehouden Regeringsconferentie tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen, Verlangende de Republiek Suriname in staat te stellen zich op zo kort mogelijke termijn zelfstandig te ontwikkelen, Zijn overeengekomen als volgt: Opgeschort per 16 december 1982 (Trb. 1983/6). De opschorting is herroepen per 3 mei 1988 (Trb. 1988/68). Artikel 1 Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname zullen zoveel mogelijk samenwerken op alle gebieden waarbij de economieën der beide landen aanvullend en stimulerend op elkaar kunnen inwerken, in die zin dat daardoor het welvaartsverschil tussen beide landen kan verminderen en de economische groei en goede welvaartsspreiding binnen de Republiek Suriname kunnen worden bevorderd, opdat de economische weerbaarheid van dit land op efficiënte wijze en zo snel mogelijk kan worden bereikt. Artikel 2 Uitgangspunt voor de ontwikkelingssamenwerking tussen beide landen is het Surinaamse meerjarenontwikkelingsprogramma zoals aangegeven in het Rapport van de Surinaams-Nederlandse commissie van deskundigen „Programma voor de sociaal-economische ontwikkeling van Suriname”, van januari 1975, met de daarbij behorende bijlagen. Het geheel van de projecten en de deelprogramma's die uitgevoerd worden op basis van dit meerjarenprogramma, zullen worden gericht op de vergroting van de economische weerbaarheid van de Republiek Suriname, vergroting van de werkgelegenheid, verbetering van de levensomstandigheden der gehele bevolking en de regionale spreiding. Artikel 3 Voor de uitvoering van het Surinaamse meerjarenontwikkelingsprogramma zullen worden aangewend Surinaamse besparingen en begrotingsmiddelen, Neder"},{"i":12637,"b":"Besluit van 26 oktober 1956, houdende toevoeging van de aangelegenheden van de bezitsvorming en de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie aan het departement van Binnenlandse Zaken en naamsverandering van dit departement in: Departement van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, namens de Raad van Ministers, van 23 oktober 1956, nr. 46004; Gelet op artikel 86 der Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: Enig artikel 1. Aan de zorg van het hoofd van het departement van Binnenlandse Zaken wordt, onder wijziging van de naam van dit departement in: Departement van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, de zorg voor de volgende aangelegenheden toegevoegd: - a. de bezitsvorming; - b. de bevordering van de totstandkoming van bedrijfslichamen als bedoeld in de [Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058) (**Stb.** 1950, K 22), de aangelegenheden betreffende de samenstelling en de inrichting van de Sociaal-Economische Raad en de andere bedrijfslichamen, daaronder begrepen het toezicht op verordeningen en andere besluiten van huishoudelijke aard, alsmede het behoud van de nodige eenheid van uitvoering van genoemde wet, van wetten tot instelling van bedrijfslichamen en van op die wetten steunende algemene maatregelen van bestuur. 2. Ons besluit van 25 september 1952, **Stb.** 480, komt te vervallen. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Ministers, de Raad van State, de Staten-Generaal en de Algemene Rekenkamer."},{"i":9152,"b":"Protocol tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake voorrechten en immuniteiten van de Nederlandse Taalunie Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, Overwegend dat de Nederlandse Taalunie (hierna te noemen „de Taalunie”) is opgericht bij het op 9 september 1980 te Brussel tot stand gekomen [Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake de Nederlandse Taalunie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002947) (hierna te noemen „het Verdrag”); Overwegend dat de Taalunie krachtens het op basis van [artikel 15 van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002947&artikel=15) door het Comité van Ministers op 1 maart 1984 te Oud-Turnhout genomen besluit haar zetel heeft te 's-Gravenhage; Verlangend uitvoering te geven aan [artikel 16, tweede lid, van het Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002947&artikel=16) dat bepaalt dat de Hoge Verdragsluitende Partijen een Protocol zullen sluiten waarin de voorrechten en immuniteiten worden vastgelegd welke nodig zijn voor de uitoefening van de functies en het bereiken van de doelstellingen van de Taalunie; Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 Zolang de Taalunie haar zetel te 's-Gravenhage dan wel elders in het Koninkrijk der Nederlanden heeft, wordt door het Koninkrijk der Nederlanden om niet onroerend goed ter beschikking gesteld ten behoeve van de huisvesting van het Algemeen Secretariaat van de Taalunie. Artikel 2 1. Binnen het raam van haar officiële werkzaamheden is de Taalunie ter zake van de verkrijging van onroerend goed ten behoeve van de huisvesting van het Algemeen Secretariaat van de Taalunie vrijgesteld van overdrachtsbelasting, mits de activiteiten die vanuit het onroerend goed worden verricht niet van commerciële aard zijn en het onroerend goed niet tot woning dient. 2. De Taalunie geniet vrijstelling van belastingen terzake van het feitelijk gebruik en het genot krachtens zakelijk recht van onroerend goed, bedoeld"},{"i":9157,"b":"Protocol van 1992 tot wijziging van het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1969 De Partijen bij dit Protocol, Bestudeerd hebbend het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1969, en het daarbij behorende Protocol van 1984, Vastgesteld hebbend dat het Protocol van 1984 bij dat Verdrag, waarbij wordt voorzien in een ruimere werkingssfeer van het Verdrag en in een verhoging van de vergoeding, niet in werking is getreden, Het belang bevestigend van de handhaving van de levensvatbaarheid van het internationale stelsel van aansprakelijkheid voor verontreiniging door olie en van vergoeding van schade, Zich bewust van de noodzaak de zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de inhoud van het Protocol van 1984 te verzekeren, Erkennend dat er bijzondere bepalingen nodig zijn in verband met de invoering van overeenkomstige wijzigingen van het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1971, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Het Verdrag dat door de bepalingen van dit Protocol wordt gewijzigd is het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1969, hierna te noemen het „Aansprakelijkheidsverdrag, 1969”. Ten aanzien van Staten die Partij zijn bij het Protocol van 1976 bij het Aansprakelijkheidsverdrag, 1969, wordt hiermee bedoeld het Aansprakelijkheidsverdrag, 1969, zoals gewijzigd bij dat Protocol. Artikel 2 Wijzigt het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1969; Brussel, 29 november 1969. Artikel 3 Wijzigt het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1969; Brussel, 29 november 1969. Artikel 4 Wijzigt het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aa"},{"i":9241,"b":"Statuut van de Europese Commissie voor de bestrijding van mond- en klauwzeer Preambule De deelnemende Regeringen, overwegende het grote belang van het voorkomen van nieuwe zware verliezen voor de Europese landbouw, veroorzaakt door het herhaald uitbreken van mond- en klauwzeer, stellen hierbij, in het kader van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, een Commissie in, welke bekend zal zijn als de Europese Commissie voor de bestrijding van mond- en klauwzeer, en welke ten doel heeft nationaal en internationaal maatregelen te bevorderen voor de preventie en bestrijding van mond- en klauwzeer in Europa. Artikel I. Lidmaatschap 1. Lidmaatschap van de Europese Commissie voor de bestrijding van mond- en klauwzeer (hierna genoemd „de Commissie”) staat open voor die Europese Statenleden van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, die Staten die als Lid deelnemen aan de Regionale Conferentie voor Europa van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties en bediend door het Regionaal Bureau voor Europa van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, en die Europese Statenleden van het Internationale Bureau voor besmettelijke veeziekten die lid zijn van de Verenigde Naties, welke dit Statuut aanvaarden in overeenstemming met de bepalingen van artikel XV. De Commissie kan, met een tweederdemeerderheid van de leden van de Commissie, die andere Europese Staten die lid zijn van de Verenigde Naties, elke van haar Gespecialiseerde Organisaties of de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, tot het lidmaatschap toelaten die een aanvraag daartoe hebben ingediend alsmede een in een officiële akte vastgelegde verklaring dat zij de verplichtingen van dit Statuut, zoals deze ten tijde van de toelating van kracht zijn, aanvaarden. 2. De Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (hierna genoemd „de Organisatie”), het Internationale Bureau voor besmettelijke veeziekten (hierna genoemd „het Bureau”), de Eur"},{"i":18305,"b":"Besluit van de Minister van BZK van 16 februari 2026, nr. 2026-0000002953, tot vaststelling van het Kader Topstructuur en Topfuncties Rijk 2026 Gelet op [artikel 3 van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Het kader voor de niveau-indeling van de topfuncties op schaal 16 en hoger is het Functiegebouw Rijk. Artikel 2 Over een voorgenomen wijziging van de topstructuur of topfuncties op schaal 16 en hoger van het ministerie of het wijzigen van de niveau-indeling van een topfunctie vragen de ministers advies aan een deskundige inzake het Functiegebouw Rijk. Artikel 3 1. Jaarlijks verantwoorden de ministers voor 15 februari aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de wijzigingen van de topstructuur en topfuncties op schaal 16 en hoger van het onder hen ressorterende ministerie in het voorafgaande jaar. 2. De verantwoording geschiedt door middel van een tabel waarin de topstructuur en topformatie van een ministerie per 31 december van het voorafgaande jaar zijn weergegeven en de wijzigingen ten opzichte van het daaraan voorgaande jaar zijn vermeld, voorzien van een korte toelichting. 3. Door middel van de verantwoording worden de wijzigingen van de topstructuur en topfuncties ter goedkeuring voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Indien naar het oordeel van de minister de gewijzigde topfuncties niet afdoende kunnen worden gebaseerd op het Functiegebouw Rijk, wordt de goedkeuring niet verleend. Artikel 4 De door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurde topstructuur en topformatie van de ministeries wordt jaarlijks aan de secretarissen-generaal gezonden. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst. Artikel 6 Dit besluit wordt aangehaald als: Kader Topstructuur en Topfunctie"},{"i":9361,"b":"Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Overwegende dat de eenheid bij de toepassing der rechtsregels, die België, Luxemburg en Nederland gemeenschappelijk hebben, bevorderd dient te worden, Hebben tot dat doel besloten over te gaan tot het sluiten van een Verdrag betreffende de instelling van een Benelux-Gerechtshof en hebben tot hun Gevolmachtigden benoemd: Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Zijne Excellentie de Heer H. Fayat, Minister, Adjunct voor Buitenlandse Zaken; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg: Zijne Excellentie de Heer P. Werner, Minister van Buitenlandse Zaken; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Zijne Excellentie de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken, die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, de volgende bepalingen zijn overeengekomen: HOOFDSTUK I. Instelling, doel en zetel van het Hof Artikel 1 1. Er wordt een Benelux-Gerechtshof opgericht, hierna genoemd het Hof. 2. Het Hof heeft tot taak de gelijkheid te bevorderen bij de toepassing van rechtsregels die gemeen zijn aan de Beneluxlanden. Ter uitvoering van deze taak beschikt het Hof over: - a. de bevoegdheid kennis te nemen van vragen betreffende de uitleg van rechtsregels; - b. rechtsprekende bevoegdheid; - c. adviserende bevoegdheid. 3. De bevoegdheden bedoeld in lid 2, onder (a) en (c), worden uitgeoefend ten aanzien van rechtsregels welke, hetzij bij verdrag, hetzij bij een beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Unie zijn aangewezen. 4. De bevoegdheid bedoeld in lid 2, onder (b), wordt uitgeoefend op specifieke gebieden die daartoe zijn aangewezen in een verdrag. Ten aanzien van deze verdragen winnen de Beneluxlanden het advies in van het Hof. 5. Het Hof heeft tevens de bevoegdheid om op grond van en met inachtnemi"},{"i":9371,"b":"Verdrag betreffende de Spitsbergen Archipel, met inbegrip van het Bereneiland De President van de Vereenigde Staten van Amerika; Zijne Majesteit de Koning van Groot-Britannië en Ierland en van de Britsche Overzeesche Gebieden, Keizer van Indië; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken; de President van de Fransche Republiek; Zijne Majesteit de Koning van Italië; Zijne Majesteit de Keizer van Japan; Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; Zijne Majesteit de Koning van Zweden, wenschende, om onder erkenning van de souvereiniteit van Noorwegen over den Spitsbergen-Archipel, met inbegrip van het Beereneiland, deze gebieden te voorzien van een rechtvaardig bestuur ten einde hun ontwikkeling en vreedzame exploitatie te verzekeren. Hebben tot Hunne respectievelijke gevolmachtigden benoemd om te dien einde een verdrag te sluiten: De President van de Vereenigde Staten van Amerika: den heer Hugh Campbell Wallace, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van de Vereenigde Staten van Amerika te Parijs; Zijne Majesteit de Koning van Groot-Britannië en Ierland en van de Britsche Overzeesche Gebieden, Keizer van Indië: The Right Honourable the Earl of Derby, K.G., G.C.V.O., C.B., Hoogstdeszelfs Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te Parijs; en voor het Overzeesche Gebied Canada: The Right Honourable Sir George Halsey Perley, K. C. M. G., Hoogen Commissaris voor Canada in het Vereenigd Koninkrijk; voor het Gemeentebest Australië: The Right Honourable Andrew Fisher, Hoogen Commissaris voor Australië in het Vereenigd Koninkrijk; voor het Overzeesche Gebied Nieuw-Zeeland: The Right Honourable Sir Thomas MacKenzie, K. C. M. G., Hoogen Commissaris voor Nieuw-Zeeland in het Vereenigd Koninkrijk; voor de Unie van Zuid-Afrika: den heer Reginald Andrew Blankenberg, O. B. E., waarnemend Hoogen Commissaris voor Zuid-Afrika in het Vereenigd Koninkrijk; voor Indië: The Right Honourable the Earl of Derby, K. G., G. C. V. O., C. B.; Zijne Majest"},{"i":5897,"b":"Tijdelijke subsidieregeling persinnovatie 2014 Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Te subsidiëren activiteiten en kosten 1. Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve van de versterking en vernieuwing van de journalistieke infrastructuur in Nederland subsidie verstrekken voor activiteiten die voldoen aan één van de volgende eisen: - a. Zij hebben betrekking op nieuwe of nieuwe combinaties van of met bestaande journalistieke producten, diensten, platforms of modellen om journalistieke informatie te produceren, te filteren, te distribueren, te verkopen of te presenteren; - b. Zij hebben betrekking op onderzoek naar de activiteiten genoemd onder a. 2. Voor subsidieverstrekking komen slechts kosten van de subsidieontvanger in aanmerking die rechtstreeks verband houden met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend en die gemaakt zijn na de subsidieverlening. 3. Het Stimuleringsfonds kan nadere richtlijnen omtrent de aard van de kosten en de activiteiten vaststellen. Deze richtlijnen worden gepubliceerd op de website van het Stimuleringsfonds www.persinnovatie.nl. Artikel 2. Subsidieaanvrager 1. Subsidie kan worden aangevraagd door de voor de desbetreffende activiteiten verantwoordelijke rechtspersoon of rechtspersonen dan wel rechtspersoon of rechtspersonen in oprichting, die in Nederland actief is of zijn en die zijn ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. 2. In afwijking van het gestelde onder het eerste lid kan voor projecten tot maximaal € 50.000 subsidie worden aangevraagd door natuurlijke personen. 3. De in de voorgaande leden bedoelde personen dienen voorafgaand aan de subsidieaanvraag een projectidee te hebben ingediend volgens de richtlijnen gepubliceerd op de website van het Stimuleringsfonds www.persinnovatie.nl dat is"},{"i":4780,"b":"Leerlingentelling voor groeiformatie basisscholen 1. Inleiding In verband met wijziging van het [Formatiebesluit WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005441) per 1 augustus 2000 is er met ingang van het schooljaar 2000-2001 een nieuw telformulier beschikbaar voor het melden van groeiformatie bij toename van het aantal leerlingen. Groeiformatie wordt toegekend als het aantal leerlingen van een school fors gegroeid is ten opzichte van het leerlingenaantal op de teldatum. Om voor groeiformatie in aanmerking te komen moet de school een leerlingentelling laten plaatsvinden. Deze publicatie geeft informatie over de te houden telling, alsmede de overige voorwaarden om voor groeiformatie in aanmerking te komen. 2. Doelgroep Deze publicatie is bedoeld voor basisscholen die op basis van [artikelen 15c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005441&artikel=15c) en [15c2 van het Formatiebesluit WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005441&artikel=15c2), zoals dat is gepubliceerd in het Staatsblad 2000 nr. 179, aanspraak willen maken op (bijzondere) groeiformatie. Om dit te bereiken moet voor de school een zogeheten ’telformulier voor groeiformatie van basisscholen bij toename van het aantal leerlingen’ worden ingediend. 3. Procedure Hieronder wordt de procedure van de leerlingentelling voor (bijzondere) groeiformatie geschetst met daarbij per stap enkele belangrijke aandachtspunten. 3.1. Indienen telformulier Als in de periode 1 augustus tot en met 31 maart van het schooljaar het aantal leerlingen (fors) is gestegen, kan de school mogelijk aanspraak maken op groeiformatie. Indien in de periode 1 april tot en met 31 mei van het schooljaar het aantal leerlingen (extreem) is toegenomen kan mogelijk aanspraak worden gemaakt op bijzondere groeiformatie. Groeiformatie in de periode 1 augustus tot en met 31 maart Een school heeft recht op groeiformatie als het aantal leerlingen tenminste 13 leerlingen hoger is dan het aantal leerlingen op de teldatum verhoogd met dr"},{"i":5925,"b":"Toezichtbeleidsbrief erkenninghouders RDW 2016 Gelet op de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622), het [Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951), de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671), het [Arbeidstijdenbesluit vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009386), het [Besluit Personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982) en [artikel 4:83 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83); Besluit: Artikel 1 1. Het toezichtbeleid erkenninghouders RDW wordt vastgesteld volgens [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037735&bijlage=1&z=2016-04-01&g=2016-04-01). 2. [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037735&bijlage=1&z=2016-04-01&g=2016-04-01) bestaat uit: - a. Algemeen Deel - b. Bijlage Erkenninghouder APK 2016 - c. Bijlage Erkenninghouder Controleapparaten 2016 - d. Bijlage Erkenninghouder Gasinstallatie 2016 - e. Bijlage Erkenninghouder Alcoholsloten 2016 - f. Bijlage erkenninghouder Boordcomputer Taxi 2016 - g. Bijlage Erkenning Tenaamstelling 2016 - h. Bijlage Export Dienstverlening 2016 - i. Bijlage Bedrijfsvoorraad & Handelaarskentekenbewijzen 2016 - j. Bijlage Bevoegdheid Versnelde inschrijving 2016 - k. Bijlage Erkenning Kentekenplaatfabrikanten en/of Lamineerder (GAIK) 2016 - l. Bijlage APK Keurmeester 2016. Artikel 2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 april 2016. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Toezichtbeleidsbrief erkenninghouders RDW 2016. Bijlage 1 a. Algemeen Deel Hoofdstuk 1. –Toelichting op de toezichtbeleidsbrief 1.1. Toelichting Dit is het Algemeen Deel van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. Als erkenninghouder bent u gerechtigd een aantal taken uit te voeren namens de RDW. Het uitvoeren van deze taken kent een grote verantwoordelijkheid. De RDW houdt hier toezicht op. Hoe en waarom de RDW toezicht houdt, is vastgelegd in he"},{"i":6298,"b":"Wet van 16 maart 2016 tot samenvoeging van de gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel samen te voegen vanwege de maatschappelijke, ruimtelijke en economische opgaven op lokaal en regionaal niveau; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Meierijstad ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Meierijstad wordt de op te heffen gemeente Veghel aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel wordt de nieuwe gemeente Meierijstad aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in ver"},{"i":9514,"b":"Verdrag inzake ontwikkelingssamenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Uganda Het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen „de Zendstaat\") en de Republiek Uganda (hierna te noemen „de Ontvangende Staat\"); Opnieuw de vriendschappelijke betrekkingen bevestigend die tussen beide Staten en hun volken bestaan; In het besef dat inachtneming van democratische beginselen, algemene internationale rechtsbeginselen, alsmede mensenrechten belangrijke beginselen zijn in de betrekkingen tussen de twee landen; Geleid door de wens samen te werken met het doel om ontwikkelingsprocessen te ondersteunen door middel van projecten en programma's en hiertoe, in aanvulling op de inspanningen die de Ontvangende Staat levert, het juridische en administratieve kader te scheppen voor de tewerkstelling van personeelsleden en de invoer van middelen vanuit de Zendstaat in de Ontvangende Staat; Zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit Verdrag: - 1. Wordt onder „personeelsleden\" verstaan personen die geen staatsburgers en geen ingezetenen van de Ontvangende Staat zijn en die: - –. in dienst zijn van de Zendstaat; of - –. in dienst zijn van bedrijven of instellingen waarmee de Zendstaat of de Ontvangende Staat een overeenkomst inzake de uitvoering van projecten en programma's heeft gesloten; of - –. in dienst zijn van de Ontvangende Staat als suppletie-deskundigen; ten aanzien van wie de Zendstaat voorstellen heeft gedaan ter zake van tewerkstelling in het kader van projecten en programma's, welke voorstellen door de Ontvangende Staat zijn aanvaard. - 2. Wordt onder „gezinsleden\" verstaan echtgenoten van personeelsleden en directe gezinsleden die van hen afhankelijk zijn en deel uitmaken van hun huishouden. - 3. Wordt onder „projecten en programma's\" verstaan ontwikkelingswerkzaamheden in de Ontvangende Staat waarvoor de Zendstaat onder meer de volgende onderdelen geheel of gedeeltelijk financiert uit de Nederlandse begrot"},{"i":6698,"b":"Wet van 22 december 2005 tot wijziging van de Gemeentewet in verband met het afschaffen van het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting (OZB) op woningen en het maximeren van de resterende OZB-tarieven (Afschaffing gebruikersdeel OZB op woningen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting op woningen af te schaffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-GeneraaI, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Gemeentewet. Artikel II Wijzigt de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek. Artikel III Wijzigt de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek. Artikel IV Wijzigt de Wijzigingswet Wet waardering onroerende zaken, enz. (doelmatige uitvoering Wet waardering onroerende zaken). Artikel IVa Ingeval de gemeenteraad ten behoeve van het kalenderjaar 2006 een besluit neemt, als bedoeld in [artikel 220g van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=220g), zoals dat artikel komt te luiden ingevolge [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019387&artikel=I&z=2006-01-01&g=2006-01-01), of gedeputeerde staten een besluit nemen omtrent ontheffing, worden die besluiten geacht te zijn genomen op basis van dat artikel zoals dat luidt na wijziging van de [Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416) ingevolge deze wet. Artikel V 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van [artikel I, onderdeel Ca](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019387&artikel=I&z=2006-01-01&g=2006-01-01), dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2007. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2005, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt g"},{"i":17035,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 september 2018, nr.2018-0000150801, tot het verlenen van mandaat en machtiging aan de directeur Internationale Zaken van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ten aanzien van het Tijdelijk Besluit bijzondere uitkeringen integrale projecten BES Gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 Aan de directeur Internationale Zaken van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt mandaat en machtiging verleend voor: - a. het verstrekken van een formulier als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Tijdelijk Besluit bijzondere uitkeringen integrale projecten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036411&artikel=3); - b. het nemen van een besluit als bedoeld in [artikel 3, vierde lid, van het Tijdelijk Besluit bijzondere uitkeringen integrale projecten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036411&artikel=3); - c. het verlenen van toestemming als bedoeld in [artikel 6, tweede lid, van het Tijdelijk Besluit bijzondere uitkeringen integrale projecten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036411&artikel=6). Artikel 2 De directeur Internationale Zaken van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan ondermandaat verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2018. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3369,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 mei 2026, nr. BOACAT2026/035, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Omgevingsdienst Utrecht (ODU) Gelezen het verzoek van Omgevingsdienst Utrecht (ODU) van 24 april 2026 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het Functioneel Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052621&artikel=2&z=2026-05-19&g=2026-05-19). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker handhaving 0,I,1.5 en II in dienst van Omgevingsdienst Utrecht (ODU) zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zo"},{"i":3217,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 25 mei 2023 nr. BOACAT2023/029, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Capelle aan den IJssel Gelezen het verzoek van de gemeente Capelle aan den IJssel van 15 mei 2023, en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048228&artikel=2&z=2023-06-06&g=2023-06-06). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Handhaving, allround medewerker Handhaving en senior medewerker Handhaving in dienst van de gemeente Capelle aan den IJssel, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten"},{"i":17834,"b":"Wet van 5 juli 1979, inzake de schadeloosstelling en de toekenning van uitkering en pensioen aan de leden en de gewezen leden van het Europees Parlement, alsmede van pensioen aan hun weduwen en wezen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een regeling te treffen voor de schadeloosstelling van de in Nederland gekozen leden van het Europese Parlement en voor toekenning van een uitkering en een pensioen aan de gewezen leden van het Europese Parlement, alsmede van een pensioen aan hun weduwen en wezen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet verstaat onder: - a. het Europese Parlement: de Vergadering bestaande uit de vertegenwoordigers van de volkeren van de in de Europese Gemeenschappen verenigde staten; - b. lid van het Europese Parlement: de in Nederland gekozen vertegenwoordiger in de onder **a** bedoelde vergadering; - c. schadeloosstelling: de schadeloosstelling voor de leden van het Europese Parlement, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003251&artikel=2&z=2021-07-10&g=2021-07-10). Artikel 2 1. De schadeloosstelling komt overeen met de schadeloosstelling, bedoeld in [artikel 2, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=2). 2. Op de schadeloosstelling wordt een bedrag van € 11 530,10 ingehouden. Artikel 2a 1. Indien voor de ambtenaren die op grond van een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een eenmalige uitkering is overeengekomen en daarbij is bepaald dat deze uitkering een algemeen karakter draagt, ontvangen de leden van het Europese Parlement een uitkering op gelijke voet. 2. De leden ontvangen een eindejaarsuitkeri"},{"i":17530,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2005, nr. Z/VV-2611957, houdende regels ter zake van de uitvoering van de Zorgverzekeringswet (Regeling zorgverzekering) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Gelet op de [artikelen 32, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), [35, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=35), [38, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=38), [39, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=39), [40, vijfde, tiende en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=40), [43, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=43), [45, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=45), [46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=46), [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=47), [50, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=50), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=52), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=53), [59, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=59), [68, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=68), [69, tweede en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69), [70, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=70), [75, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=75), [87, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=87), [88, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=88), [89, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=89), [106, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artik"},{"i":18869,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 juni 2024 nr. BOACAT2024/054, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij NS Groep N.V., Veiligheid en Service Gelezen het verzoek van NS Groep N.V., afdeling NS Security van 28 mei 2024 en de adviezen van hoofdofficier van justitie bij het Parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049791&artikel=2&z=2025-03-04&g=2025-03-04). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Medewerker Veiligheid en Service, Operationeel coördinator Veiligheid en Service of Teammanager Veiligheid en Service, in dienst van NS Groep N.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend"},{"i":13860,"b":"Nadere voorschriften ledengroep openbaar accountants Het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants maakt, gelet op [artikel 23, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=23), onderstaande nadere voorschriften bekend, welke door de ledengroep van openbaar accountants op 16 december 2013 zijn vastgesteld. De ledengroep van openbaar accountants; Gelet op [artikelen 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=17) en [20 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=20) en het bepaalde in de [Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813); Stelt de volgende nadere voorschriften vast: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze nadere voorschriften wordt verstaan onder: - –. **leden:** leden van een ledengroep als bedoeld in [artikel 16 van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=16); - –. **ledengroep:** ledengroep als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=2); - –. **ledengroepbestuur:** bestuur van een ledengroep als bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032573&artikel=17); - –. **ledengroepvergadering:** ledengroepvergadering als bedoeld in [artikel 1 van de Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813&artikel=1); - –. **verordening:** de [Verordening op de ledengroepen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033813); - –. **(plaatsvervangend) voorzitter:** de (plaatsvervangend) voorzitter van het ledengroepbestuur. Hoofdstuk 2. Bijeenroepen van de vergadering en agenda Artikel 2 1. Het ledengroepbestuur draagt er zorg voor dat de volgende punten ieder jaar ten minste één maal geagendeerd worden voor een ledengroepvergadering: - a. vastst"},{"i":7027,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 februari 2019, kenmerk 1486841-187330-PZO, houdende instelling van de Commissie onderzoek faillissementen ziekenhuizen Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6); Besluiten: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister voor Medische Zorg; - b. **commissie:** commissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041945&artikel=2&z=2019-02-27&g=2019-02-27). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Commissie onderzoek faillissementen ziekenhuizen, hierna te noemen: de commissie. 2. De commissie heeft tot taak onafhankelijk extern onderzoek te verrichten naar de gang van zaken rond de faillissementen van het MC Slotervaart en de MC IJsselmeerziekenhuizen en te onderzoeken welke signalen er waren en welke acties daarop zijn ondernomen en daarover aanbevelingen te doen. 3. Bij haar onderzoek adresseert de commissie in ieder geval de volgende hoofdvragen: - a. Hoe is het proces rondom de faillissementen verlopen? Welke partij wist en deed op welk moment wat? - b. In hoeverre hebben betrokken partijen goed gehandeld, conform wat van hen verwacht mocht worden gezien hun verantwoordelijkheden en op grond van beleid en wet- en regelgeving? - c. Welke lessen kunnen getrokken worden? Is bijvoorbeeld aanpassing van beleid of wet- en regelgeving wenselijk? 4. Op verzoek van de Tweede Kamer betrekt de commissie in haar onderzoek tevens de volgende vragen: - a. Over de faillissementen: - 1°. Hoe is het mogelijk dat de financiële positie van MC Slotervaart niet inzichtelijk was en uiteindelijk veel slechter was dan gedacht, gezien het feit dat er al jaren sprake was van structurele financiële problemen? - 2°. Waarom is de afbouw van zorg zo snel n"},{"i":7874,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2013 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 9,80%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,50%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032318&artikel=1&z=2013-01-01&g=2013-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2013 vastgesteld op 8,50%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,50%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2013. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7871,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2010 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt vastgesteld op 7,92%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,54%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026803&artikel=1&z=2010-01-01&g=2010-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor 2010 vastgesteld op 6,77%. Indien naast deze vrijwillige verzekering eveneens een vrijwillige verzekering op grond van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) is afgesloten, geldt een korting van 0,54%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2010. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":4982,"b":"Model jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording 2022 1. Algemeen 1.1. Inleiding Het CAK is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het CAK is belast met het uitvoeren van uit wetten en regelingen voortvloeiende publiekrechtelijke werkzaamheden. Het CAK dient zich over het jaar 2022 te verantwoorden over de uitvoering van de taken die worden gefinancierd vanuit verschillende domeinen. Hierbij treft u het Model Jaarverslaggeving CAK aan, ten behoeve van de door het CAK op te stellen bestuurlijke verantwoording over het jaar 2022. In dit model worden de criteria aangegeven waaraan de bestuurlijke verantwoording moet voldoen. Dit hoofdstuk beschrijft de verantwoordingsplicht van het CAK over de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) en de [Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) (Wmo), hierna samen benoemd als de ‘wettelijke taken’. Het CAK is belast met het uitvoeren van publiekrechtelijke werkzaamheden. De wettelijke taken bestaan uit 4 specifieke taken en regelingen. Dit betreft als volgt: **Doorlopende taken en regelingen:** De voormalige [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ), die per 1 januari 2015 is ingetrokken en verbonden is aan het Algemene Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ) die per 31 december 2022 door het Zorginstituut wordt afgewikkeld, betrof voor het CAK de uitvoering van de eigenbijdrageregelingen AWBZ-Zorg met Verblijf (ZmV), AWBZ-Zorg zonder Verblijf (ZzV) alsmede de financieringstaak voor AWBZ-zorginstellingen. Conform de overgangsbepalingen in de [Wlz in artikel 11.2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=11.2.8) heeft het CAK haar eindverslag over haar uitvoering van de AWBZ uitgebracht als integraal deel van haar bestuurlijke verantwoording 2020. De ontvangsten of eventuele correcties op nog resterende balan"},{"i":6272,"b":"Wet van 8 april 2015 tot samenvoeging van de gemeenten Edam-Volendam en Zeevang Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeenten Edam-Volendam en Zeevang samen te voegen vanwege de beperkte bestuurskracht van de gemeente Zeevang; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Opheffing en instelling van gemeenten Artikel 1 Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Edam-Volendam en Zeevang opgeheven. Artikel 2 Met ingang van de datum van herindeling wordt de nieuwe gemeente Edam-Volendam ingesteld, bestaande uit het grondgebied van de op te heffen gemeenten Edam-Volendam en Zeevang, zoals aangegeven op de bij deze wet behorende kaart. § 2. Overige bepalingen Artikel 3 Voor de nieuwe gemeente Edam-Volendam wordt de op te heffen gemeente Edam-Volendam aangewezen voor de toepassing van [artikel 36 van de Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=36), in verband met de toepassing van de instructies en reglementen, bedoeld in dat artikel. Artikel 4 Voor de op te heffen gemeenten Edam-Volendam en Zeevang wordt de nieuwe gemeente Edam-Volendam aangewezen voor de toepassing van de volgende bepalingen van de [Wet algemene regels herindeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718): - a. [artikel 39, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=39), in verband met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen; - b. [artikel 41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=41), in verband met de deelneming aan gemeenschappelijke regelingen; - c. [artikel 45, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003718&artikel=45), in verband met de overgang van rechten en verplichtingen in verband met de voorzieni"},{"i":9833,"b":"Wet van 24 februari 1955, houdende regeling van gedwongen tenuitvoerlegging van uitspraken en beschikkingen van Europese Gemeenschappen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het nodig is regelen te stellen betreffende de gedwongen tenuitvoerlegging van uitspraken en beschikkingen, die ingevolge het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie kunnen worden tenuitvoergelegd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 De aanvraag tot het doen aanbrengen van de formule tot gedwongen tenuitvoerlegging van uitspraken en beschikkingen, die ingevolge het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie kunnen worden tenuitvoergelegd, wordt in Nederland gericht tot Onze Minister van Justitie. Artikel 2 1. De aanvragende partij zendt aan Onze Minister van Justitie haar aanvraag en een exemplaar van de uitspraak of beschikking. 2. De uitspraak of beschikking moet in de vorm van een authentieke expeditie worden toegezonden. Indien bij het bestaan van authentieke teksten in meer dan één taal is bepaald, dat de tekst van de uitspraak of beschikking in een bepaalde taal ingeval van onderlinge tegenspraak beslissend is, dient de toezending van een authentieke expeditie in die taal te geschieden. 3. Voorzover deze stukken niet in de Nederlandse taal zijn gesteld, moet tevens een exemplaar in het Nederlands of een Nederlandse vertaling worden bijgevoegd, die door een bevoegd functionaris van de Instelling, waarvan de uitspraak of beschikking afkomstig is, of door een overeenkomstig de Nederlandse bepalingen beëdigd vertaler voor eensluid"},{"i":4985,"b":"Model jaarverslaggeving CAK bestuurlijke verantwoording 2025 Bestuurlijke verantwoording 2025 1. Inleiding Dit Model Jaarverslaggeving CAK vormt een uitwerking van de afspraken voor het financieel verslag als onderdeel van de bestuurlijke verantwoording 2025 van het CAK. Het CAK moet de verantwoordingsdocumenten vergezeld van de controleverklaring en het accountantsverslag vóór 1 juli van het jaar volgend op het verslagjaar toezenden aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)1Conform artikel 6.2.6 van de Wlz en artikel 27 van de Wmg.. De regels voor het accountantsonderzoek en de op te leveren accountantsproducten heeft de NZa vastgelegd in het Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2025 (verder: protocol). In de bestuurlijke verantwoording legt het CAK verantwoording af met betrekking tot de uitvoering van vier wettelijke regelingen en taken. Dit betreffen: De NZa houdt toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de vier hierboven genoemde wettelijke regelingen en taken door het CAK3Op grond van artikel 16 onderdelen d en f van de Wmg.. Op basis van [artikel 31 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=31) (Wmg) kan de NZa regels stellen over de wijze waarop het CAK haar verantwoordingsdocumenten inricht. Door middel van dit model wordt hier invulling aan gegeven. 2. Verantwoordingsstructuur De bestuurlijke verantwoording is onderdeel van het financieel verslag4Conform artikel 6.2.6 van de Wlz en artikel 27 van de Wmg. van het CAK. De bestuurlijke verantwoording bestaat uit drie componenten: De andere informatie in de bestuurlijke verantwoording bestaat minimaal uit bovengenoemde onderdelen a tot en met g. Onderdeel a spreekt hierbij voor zich. De verantwoording bij de overige onderdelen wordt onderstaand nader beschreven. In dit onderdeel beschrijft het CAK in hoeverre de organisatorische maatregelen ter borging van de rechtmatigheid gedurende het verantwoordingsjaar hebben gew"},{"i":4984,"b":"Model Jaarverslaggeving CAK Bestuurlijke verantwoording 2024 1. Inleiding Dit Model Jaarverslaggeving CAK vormt een uitwerking van de afspraken voor het financieel verslag als onderdeel van de bestuurlijke verantwoording 2024 van het CAK. Het CAK moet de verantwoordingsdocumenten vergezeld van de controleverklaring en het accountantsverslag vóór 1 juli van het jaar volgend op het verslagjaar toezenden aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)1Conform artikel 6.2.6 van de Wlz en artikel 27 van de Wmg.. De regels voor het accountantsonderzoek en de op te leveren accountantsproducten heeft de Nederlandse Zorgautoriteit vastgelegd in het Protocol accountantsonderzoek CAK bestuurlijke verantwoording 2024 (verder: protocol). In de bestuurlijke verantwoording legt het CAK verantwoording af met betrekking tot de uitvoering van vier wettelijke regelingen en taken. Dit betreffen: De NZa houdt toezicht op de rechtmatige en in voorkomende gevallen doelmatige uitvoering van de vier hierboven genoemde wettelijke regelingen en taken door het CAK3Op grond van artikel 16 onderdelen d en f van de Wmg.. Op basis van [artikel 31 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=31) kan de NZa regels stellen voor de wijze waarop het CAK haar verantwoordingsdocumenten inricht. Door middel van dit model wordt hier invulling aan gegeven. 2. Verantwoordingsstructuur Het financieel verslag4Conform artikel 6.2.6 van de Wlz. is opgenomen in de bestuurlijke verantwoording. De bestuurlijke verantwoording bestaat uit drie componenten: De andere informatie in de bestuurlijke verantwoording bestaat minimaal uit bovengenoemde onderdelen a tot en met g. Onderdeel a spreekt hierbij voor zich. De verantwoording bij de overige onderdelen wordt onderstaand nader beschreven. In dit onderdeel beschrijft het CAK in hoeverre de organisatorische maatregelen ter borging van de rechtmatigheid gedurende het verantwoordingsjaar hebben gewerkt. Voor een nadere toelichting op de minimaal voorgeschre"},{"i":5114,"b":"Besluit van 2 januari 1990, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Stb. 1985, 110) en vaststelling van overgangsmaatregelen bij de totstandkoming van de instelling \"het Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven\" Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 31 maart 1989, nr. 156011, directie Arbeidsvoorwaardenbeleid; Overwegende, dat het wenselijk is te komen tot vaststelling van de rechtspositie van het personeel dat werkzaam is bij de landelijke instelling voor de ondersteuning van de volwasseneneducatie het \"Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven\" (CIBB) en tot vaststelling van overgangsmaatregelen voor de overgang van personeel naar het CIBB vanuit instellingen waaraan de werkzaamheden in verband met de totstandkoming van het CIBB worden beëindigd; Gelet op artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie (**Stb.** 1985, 532); De Raad van State gehoord (advies van 29 mei 1989, nr. W05.89 0171); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 19 december 1989, nr. 156805, directie Arbeidsvoorwaardenbeleid; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I. Overgangsregeling CIBB Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling zijn de begripsbepalingen van het [Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003771) (**Stb.** 1985, 110) van overeenkomstige toepassing, behoudens het bepaalde in het tweede lid. 2. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. \"Rechtspositiebesluit\": het [Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003771); - b. \"instelling\": de landelijke instelling voor de ondersteuning van de volwasseneneducatie het \"Centrum voor de Innovatie voor Beroepsonderwijs Bedrijfsleven\"; - c. \"instituut\": de instelling het \"Pedagogisch Centrum Beroepsonderwijs Bedrijfsleven\" dan wel de instelling het \"Centraal Overleg Beroepsbegeleidend Onderwijs\" waaraan activiteiten die"},{"i":5109,"b":"Overeenkomst tot oprichting van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, gedaan te Khartoem op 4 augustus 1963, zoals gewijzigd bij Resolutie 05-79 aangenomen door de Raad van Bestuur op 17 mei 1979 De Regeringen namens wie deze Overeenkomst is ondertekend, Vastbesloten de Afrikaanse solidariteit te versterken door middel van economische samenwerking tussen Afrikaanse Staten, Overwegend de noodzaak van een versnelling van de ontplooiing en ontginning van respectievelijk de omvangrijke menselijke hulpbronnen en natuurlijke rijkdommen van Afrika ten einde de economische ontwikkeling en de sociale vooruitgang in dat gebied te stimuleren, Zich rekenschap gevend van het belang van een coördinatie van nationale plannen voor economische en sociale ontwikkeling voor de bevordering van de harmonische groei van de Afrikaanse economieën in hun geheel en voor de uitbreiding van de Afrikaanse buitenlandse handel en inzonderheid de handel tussen de Afrikaanse landen, Beseffend dat de oprichting van een financiële instelling voor alle Afrikaanse landen gezamenlijk, zou bijdragen tot de verwezenlijking van deze doeleinden, Ervan overtuigd dat een deelgenootschap van Afrikaanse en niet-Afrikaanse landen via een zodanige instelling een extra toestroming van internationaal kapitaal zal vergemakkelijken voor de economische ontwikkeling en sociale vooruitgang van het gebied, tot wederzijds voordeel van alle partijen bij deze Overeenkomst, Zijn overeengekomen hierbij op te richten de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (hierna te noemen „de Bank”), waarop de onderstaande bepalingen van toepassing zijn: HOOFDSTUK I. DOEL, TAKEN, LIDMAATSCHAP EN STRUCTUUR Artikel 1. Doel Het doel van de Bank is bij te dragen tot de duurzame economische ontwikkeling en de sociale vooruitgang van haar regionale leden – afzonderlijk en tezamen. Artikel 2. Taken 1. Om aan haar doel te beantwoorden, vervult de Bank de volgende taken: - a. het gebruiken van de te harer beschikking staande middelen voor de financiering van inve"},{"i":6954,"b":"Besluit van 16 januari 2023 tot vaststelling van het tijdstip, bedoeld in artikel 1.6, derde lid, van de Wet maatregelen huurwoningmarkt Caribisch Nederland voor het openbaar lichaam Bonaire Op voordracht van Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 10 januari 2023, nr. 2022-0000712513; Gelet op [artikel 1.6, derde lid, van de Wet maatregelen huurwoningmarkt Caribisch Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039553&artikel=1.6); Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig Voor het openbaar lichaam Bonaire is het tijdstip, bedoeld in [artikel 1.6, derde lid, van de Wet maatregelen huurwoningmarkt Caribisch Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039553&artikel=1.6), 31 januari 2023. Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":6955,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot het vaststellen van de tijdstippen, bedoeld in artikel 47, eerste en vijfde lid, van het Besluit basisregistratie personen en artikel 94, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 Gelet op [artikel 47, eerste en vijfde lid, van het Besluit basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=47) en [artikel 94, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012811&artikel=94); Besluit: Artikel 1 1. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 47, eerste lid, van het Besluit basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=47) waarop de onderzoeken uiterlijk dienen te geschieden is 31 december. 2. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 47, vijfde lid, van het Besluit basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306&artikel=47) waarop de uittreksels uiterlijk dienen te worden verzonden is 30 april, volgend op de uiterste datum waarop de onderzoeken dienen te geschieden. 3. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 94, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012811&artikel=94) waarop de controle uiterlijk dient plaats te vinden is 31 december. 4. Het tijdstip, bedoeld in [artikel 94, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012811&artikel=94) waarop de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties uiterlijk dient te zijn geïnformeerd is 30 april, volgend op de uiterste datum waarop de controle dient plaats te vinden. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na publicatie in de Staatscourant. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":6956,"b":"Besluit van 26 september 1879, tot regeling van de verantwoording der regten, geheven krachtens art. 2 der wet van 23 april 1879 (Staatsblad n°. 72) Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 20 Junij 1879, La. M, afdeeling Binnenlandsch bestuur; Overwegende, dat volgens artikel 3 der wet van 23 April 1879 (**Staatsblad** n°. 72) de verantwoording der regten, geheven krachtens artikel 2 dezer wet, moet worden geregeld; Den Raad van State gehoord (advies van 8 Julij 1879, n°. 20); Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemde Minister, van 24 September 1879, n°. 6, afdeeling Binnenlandsch bestuur; Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen: Artikel 1 De regten, geheven krachtens art. 2 der wet van 23 April 1879 (**Staatsblad** n°. 72), worden door den ambtenaar van den burgerlijken stand aan den gemeente-ontvanger uitgekeerd tegen bewijs van ontvangst door dezen af te geven. Artikel 2 Bij deze uitkeering wordt gevoegd een door den ambtenaar van den burgelijken stand, die de daarop te vermelden regten heeft ingevorderd, onderteekende lijst, ingerigt volgens het bij dit besluit behoorend model. Artikel 3 De in [art. 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001853&artikel=1&z=1879-10-26&g=1879-10-26) bedoelde uitkeering heeft plaats binnen de eerste vijf dagen van de maanden April, Julij, October en Januarij, telkens over het dan afgeloopen vierendeel jaars. Model der lijst,. bedoeld in artikel 2 van het Koninklijk besluit van 26 September 1879, n°. 5 (Staatsblad n°. 155) | Aard der akte waarvan afschrift of uittreksel is afgegeven | Afgegeven aan | Dagtekening der afgifte | Bedrag der regten | | --- | --- | --- | --- | | | | | | | | | Dit totaal f | | is heden ............ uitgekeerd aan den gemeente-ontvanger door mij, ambtenaar van den burgerlijken stand. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raa"},{"i":5116,"b":"Besluit van 16 januari 1984, houdende vaststelling van een overgangsregeling minimumbezoldiging, ingaande 1 juli 1983, voor militairen der zeemacht Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, drs. W.K. Hoekzema, van 21 november 1983, Afdeling Arbeidsvoorwaarden Militair Personeel, nr. D 81/780/32821; Gelet op artikel 12 van de Militaire Ambtenarenweg 1931 (**Stb.** 519); De Raad van State gehoord (advies van 22 december 1983, nr. W 07.83.0611/13.3.52); Gezien het nader rapport van de voornoemde Staatssecretaris van 9 januari 1984, nr. D 81/780/33212; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I In dit besluit wordt verstaan onder **belanghebbende**: de militair der zeemacht beneden de leeftijd van 23 jaar, die wordt bezoldigd volgens de schaal, behorende bij het Besluit herziening bezoldiging militairen zeemacht 1954 (**Stb.** 50), en die - a. op 30 juni 1983 als zodanig in werkelijke dienst was, of - b. na 30 juni 1983 als zodanig in werkelijke dienst is gekomen of komt en op genoemde datum in een betrekking elders bij de overheid in dienst was, dan wel - c. na 30 juni 1983 als zodanig in werkelijke dienst is gekomen of komt, voordien in het particuliere bedrijfsleven werkzaam was, en die op genoemde datum een loon genoot van tenminste het minimumjeugdloon of een evenredig deel daarvan. Artikel II Voor een belanghebbende, wiens bezoldiging minder bedraagt dan het bedrag per maand, vastgesteld volgens onderstaande tabel **naar zijn leeftijd op 30 juni 1983**, wordt die bezoldiging verhoogd met een bedrag, gelijk aan het verschil tussen die bezoldiging en het bedrag volgens die tabel. Leeftijd Bedrag per maand 22 jaar f 1843,90 21 jaar f 1639,- 20 jaar f 1434,20 19 jaar f 1229,30 18 jaar f 1075,60 17 jaar f 922,- 16 jaar f 819,50 15 jaar f 717,10 Artikel III Dit besluit blijft op een belanghebbende van toepassing tot het tijdstip waarop toepassing van artikel 3, vijfde lid, van het Besluit herziening bezoldiging militairen zeemacht 1954 voor hem voordeliger"},{"i":5121,"b":"Pensioenlichamen waarvan de bezittingen in enigszins belangrijke mate uit 29a-lichamen bestaan De plv. Directeur-Generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Ingevolge het bepaalde in het zesde lid van artikel 29a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 worden, ingeval de bezittingen van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna worden deze lichamen aangeduid als ‘binnenlandse lichamen’) in enigszins belangrijke mate bestaan uit aandelen als zijn bedoeld in het eerste en tweede lid en lidmaatschapsrechten als zijn bedoeld in het tweede lid van voormeld artikel 29a (hierna worden deze laatste aandelen en lidmaatschapsrechten aangeduid als ‘29a-aandelen’), die 29a-aandelen geacht toe te behoren aan degenen bij wie het belang in het binnenlandse lichaam berust. Tot de binnenlandse lichamen behoren ook lichamen als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en die voldoen aan de eisen gesteld in artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 (hierna aangeduid als ‘pensioenlichamen’). Ingevolge voornoemd artikel 3 kunnen degenen bij wie het belang in het pensioenlichaam berust, behalve een uitkering van ten hoogste 5% per jaar over het gestorte kapitaal, geen rechten doen gelden op de winst van het pensioenlichaam. Mij hebben vragen bereikt waaruit blijkt dat onverkorte toepassing van het zesde lid van eerder vermeld artikel 29a in dergelijke gevallen pensioenlichamen belemmert op de door hen wenselijk geachte wijze het benodigde kapitaal op te bouwen. Het voorgaande is voor mij aanleiding goed te keuren dat het bepaalde in artikel 29a, zesde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 buiten toepassing blijft ten aanzien van belangen in pensioenlichamen, voor zover de bezittingen van die pensioenlichamen bestaan uit ter beurze genoteerde 29a-lichamen. Of sprake is van een pensi"},{"i":5141,"b":"Profielen havo/vwo: vakken en deelvakken In deze publicatie wordt voorlichting gegeven over de volgende vraag: Kan een leerling een volledig vak X1,2 vervangen door het deelvak X1? Zoja hoe, onder welke voorwaarden? Daarnaast wordt ingegaan op een algemeen aspect betreffende deelvak/volledig vak in de profielstructuur, en op de specifieke situatie in dit verband van CKV (en lichamelijke opvoeding)."},{"i":5054,"b":"Besluit van de directeur-generaal van de AIVD van 17 februari 2026 houdende (onder)mandaatverlening voor het optreden als National Security Authority in civiele aangelegenheden ((Onder)mandaatbesluit NSA civiel) gelet op [artikel 2 van het Mandaatbesluit National Security Authority](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047897&artikel=2); gelet op het [Organisatiebesluit AIVD 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047903); gelet op de bilaterale beveiligingsverdragen inzake de uitwisseling en de beveiliging van gerubriceerde gegevens waarbij het Koninkrijk der Nederlanden partij is; gelet op de [Regeling Nationaal Bureau Industrieveiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050897); gelet op [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); handelende in overeenstemming met de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; besluit: Paragraaf 1. Ondermandaatverlening voor optreden als NSA in EU-, NAVO- en ESA-verband Artikel 1 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit National Security Authority](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047897&artikel=1) aan de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst verleende mandaat, volmacht en machtiging wordt ten aanzien van het nemen van besluiten op het gebied van industrieveiligheid ondermandaat verleend aan het hoofd van het Nationaal Bureau Industrieveiligheid. Artikel 2 Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit National Security Authority](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047897&artikel=1) aan de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst verleende mandaat, volmacht en machtiging wordt ten aanzien van alle andere civiele aangelegenheden dan die de industrieveiligheid betreffen ondermandaat, volmacht en machtiging verleend aan het hoofd van de Unit Weerbaarheid. Artikel 3 Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.n"},{"i":5018,"b":"Nadere regeling inzake de PEPP-toezichtrapportage Gelet op artikel 40, lid 2, onder a, van [Verordening (EU) 2019/1238](33138R2019)1 (de PEPP-verordening), besluit: **Inleidende bepalingen**: Nadere regels 1. De frequentie van de periodieke toezichtrapportage 2. Rapportagetermijnen 3. Inhoud van de PEPP-toezichtrapportage 3.1. De volgende punten komen aan de aan de orde in de PEPP-toezichtrapportage: 4. PEPP-toezichtrapportage: de PEPP-activiteiten 5. PEPP-toezichtrapportage: beleggingsstrategie en resultaat 6. PEPP-toezichtrapportage: risicobeheer en risicolimiteringstechnieken 7. PEPP-toezichtrapportage: aspecten in verband met het pakket aan prudentiële regels van de PEPP-aanbieder 8. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking de dag na publicatie in de Staatscourant. 9. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als Nadere regeling inzake de PEPP-toezichtrapportage. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7889,"b":"Bijdragen gemoedsbezwaarden w.a.-verzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 1995: | Categorie 1 | f 105 | voor vierwielige personenauto's, bestelauto's | | | --- | --- | --- | --- | | Categorie 2 | f 35 | voor aanhangwagens bij auto's behorende tot categorie 1 | | | Categorie 3 | f 105 | voor autobussen, vrachtauto's | | | Categorie 4 | f 105 | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3 | | | Categorie 5 | f 210 | voor trekkers met oplegger | | | Categorie 6 | f 35 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriërs en overige niet tot de categorieën 1 t/m 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen | | | Categorie 7 | f 35 | voor landbouwwerktuigen | | | Categorie 8 | f 35 | voor rijwielen met hulpmotor | | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995."},{"i":5019,"b":"Nadere regeling ontzegging bewindvoerdersubsidie Wsnp gezien: [Artikel 48c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48c) en [48d van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=48d) (Staatsblad 1998, nr. 447); Hoofdstuk 4B van de Wijzigingswet Wet Justitie-subsidies, Staatsblad 2013, 96); [Artikel 5 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033711&artikel=5) (Staatsblad 2013, nr. 308); [Hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037325&hoofdstuk=2) en [3 van de Beleidsregels voor inschrijving bewindvoerders Wsnp en bewindvoerderorganisaties Wsnp in het register](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037325&hoofdstuk=3) (Staatscourant 11 december 2015, 44924); [Titel III van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&titeldeel=III) (Staatsblad 1998, nrs. 445 en 447); [Regeling van de Minister van Justitie van 23 juli 2009, nr. 5612426/09 houdende verlening van mandaat aan de Raad voor rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch dienaangaande](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026208) (Staatscourant 2009, 11554); [Besluit ondermandatering Raad voor Rechtsbijstand Wsnp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031025) (Staatscourant 30 december 2011, 23891); De [Klachtenregeling bewindvoerders Wsnp II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034045) (Staatscourant 18 oktober 2013, 29038); De [Gedragscode bewindvoerder Wsnp II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034033) (Staatscourant 18 oktober 2013, 29039); stelt aanvullend beleid vast ten aanzien van de bewindvoerdersubsidie Wsnp. Artikel 1 De raad kan besluiten een aanspraak op bewindvoerdersubsidie geheel of gedeeltelijk te ontzeggen indien: - a. de bewindvoerder tekort schiet in zijn wettelijke verplichtingen, als vermeld in [artikel 316 van de Faillissementswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001860&artikel=316); - b. de bewindvoerder niet (geheel)"},{"i":5042,"b":"Ondermandaat, -volmacht en -machtigingsbesluit SG Defensie 2022 Gelet op [artikel 3, eerste lid, van het Algemeen mandaat, volmacht en machtigingsbesluit Defensie 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046551&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** Minister van Defensie of Staatssecretaris van Defensie, afhankelijk van wie het aangaat; - b. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon besluiten te nemen; - c. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Ondermandaat, -volmacht en -machtiging; uitgezonderde bevoegdheden 1. Aan de verantwoordelijken, genoemd in [artikel 1, eerste lid, onder b tot en met v, van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746&artikel=1), wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend met betrekking tot de aangelegenheden die ingevolge de [artikelen 3 tot en met 23 van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746&artikel=3) tot hun werkterrein behoren. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: - a. de bevoegdheid tot het beslissen op een bezwaarschrift indien het besluit waartegen het bezwaar zich richt door de verantwoordelijke of een door hem gemandateerde functionaris is genomen; - b. stukken, bestemd voor de Nationale ombudsman; - c. voordrachten voor onderscheidingen. Artikel 3. Doorverlenen bevoegdheden 1. De verantwoordelijke, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046552&artikel=2&z=2022-04-14&g=2022-04-14), kan zijn mandaat, volmacht of machtiging in een daarbij door hem te bepalen omvang doorverlenen aan: - a. een plaatsvervanger; - b. een hoofd van een onder hem r"},{"i":5043,"b":"Besluit van de algemeen directeur Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, van 2 februari 2015, nr. IENM/BSK-2014/254970, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Ondermandaatbesluit Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming 2015) Gelet op de [artikelen 23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=23), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=29) en [30 van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=30); Besluit: Artikel 1. : Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **algemeen directeur:** de algemeen directeur Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, genoemd in [artikel 20a, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=20a); - b. **directeur:** de directeur Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, genoemd in [artikel 20a, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=20a); - c. **afdelingshoofd:** een van de afdelingshoofden als bedoeld in [artikel 20a, derde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=20a); - d. **inspecteur:** een ambtenaar van de directie Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming die is aangewezen krachtens [artikel 58, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=58); - e. **aan de algemeen directeur verleende bevoegdheden:** de door de minister aan de algemeen directeur verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 23, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030951&artikel=23); en - f. **taken:** de taken, bedoeld in [arti"},{"i":5044,"b":"Besluit van de directeur-generaal Herstelbeleid van het programmadirectoraat-generaal Herstel van 30 juli 2024 (2024-395917) houdende het verlenen van ondermandaat en ondermachtiging aan de programmadirecteur Schulden, de vaktechnisch coördinatoren en de medewerkers bezwaar en beroep voor bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures ter zake van de schuldenaanpak en ondersteuning van ouders in het buitenland in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Ondermandaatbesluit bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures van de directeur-generaal Herstelbeleid inzake de schuldenaanpak en ondersteuning van ouders in het buitenland) Gelet op [artikel 1, tweede lid, van het Besluit verlening mandaat, volmacht en machtiging van de Minister van Financiën aan de directeur-generaal Herstelbeleid in het kader van de hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050061&artikel=1) (Stcrt. 2024, 24113); Besluit: Artikel 1. Bezwaar 1. Aan de programmadirecteur Herstelbeleid en Parlementaire Zaken van het programmadirectoraat-generaal Herstel wordt ondermandaat verleend om te beslissen op de bezwaren tegen besluiten die zijn genomen in het kader van de toepassing van de [artikelen 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.15), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=3.13), [4.1 tot en met 4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=4.1) en [9.1, tweede lid, onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=9.1). 2. Aan de programmadirecteur Herstelbeleid en Parlementaire Zaken van het programmadirectoraat-generaal Herstel wordt ondermandaat verleend om te beslissen op ingebrekestellingen, dwangsommen en andere brieven die samenhangen met de in lid 1 genoemde bevoegdheid. 3. Aan de vaktechnisch coördinatoren en aan de medewerkers bezwaar en beroep van het programmadirectoraat-generaal Herstel wordt ondermachtiging verleend voor het verrichten van alle voorbe"},{"i":5046,"b":"Besluit van de directeur Bestuursondersteuning van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, van 14 november 2023, nr. IENW/BSK-2023/311023, tot verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging (Ondermandaatbesluit directie Bestuursondersteuning Infrastructuur en Waterstaat 2023) Gelet op [artikel 27, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27); BESLUIT: Artikel 1. Verlening ondermandaat Aan de afdelingshoofden, bedoeld in [artikel 10, tweede, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=10), worden de door de Minister aan de directeur Bestuursondersteuning verleende bevoegdheden, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27), voor zover die behoren bij hun taken, bedoeld in [artikel 10, vijfde lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=10), in ondermandaat verleend. Artikel 2. Omvang ondermandaat Het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048942&artikel=1&z=2023-11-25&g=2023-11-25) verleende ondermandaat omvat niet de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar. Artikel 3. Intrekking Het Ondermandaatbesluit directie Bestuursondersteuning Infrastructuur en Milieu 2012 wordt ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Ondermandaatbesluit directie Bestuursondersteuning Infrastructuur en Waterstaat 2023. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":4897,"b":"Besluit van de algemeen directeur van de Raad voor de Kinderbescherming van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 7 juli 2022, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de algemeen directeur ressorterende functionarissen (Mandaatbesluit Raad voor de Kinderbescherming Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022) gelet op [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=2) en [3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); gelet op [artikel 63c van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=63c); gelet op [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041699&artikel=1); gelet op het [Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036636) en de wijziging daarvan bij besluit van 2 september 2020 (Stb. 2020, 357); gelet op [Afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit tot vaststelling van de volgende mandaat-, volmacht en machtigingsregeling: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder - a. **mandaat:** het verlenen van (onder)mandaat, (onder)volmacht en (onder)machtiging; - b. **minister:** de verantwoordelijke bewindspersoon, ofwel de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister voor Rechtsbescherming of de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, afhankelijk van wie het aangaat; - c. **directieleden:** de directeuren werkzaam voor de Raad voor de Kinderbescherming, anders dan de algemeen directeur; - d. **vestigingsmanager:** de werknemer van de Raad voor de Kinderbescherming die de functie van vestigingsmanager vervult; - e. **manager administratieve ondersteuning (AO):** de werknemer van de Raad"},{"i":5079,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 februari 2020, 2020-0000005689, houdende de inrichting van de directie Financieel-Economische Zaken alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Financieel-Economische Zaken (Organisatie-, mandaat en volmachtbesluit Directie Financieel-Economische Zaken 2020) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024991&artikel=3), en [11, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit secretaris-generaal SZW 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024991&artikel=11); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **ADR:** Auditdienst Rijk; - b. **CBS:** Centraal Bureau voor de Statistiek; - c. **directie FEZ:** de directie Financieel-Economische Zaken van het ministerie. § 2. Organisatie en taken Artikel 2 De directie FEZ bestaat uit de volgende afdelingen: - a. de afdeling Begroting; - b. de afdeling Kaderstelling, Control en Evaluatie; - c. de afdeling Voorzieningen en Uitvoering; - d. de afdeling Verzekeringen en Werk. Artikel 3 Het hoofd van de afdeling Begroting is verantwoordelijk voor: - a. het correcte verloop van de begrotingscyclus; - b. het tot stand komen, actueel houden en bewaken van het integraal budgettair kader; - c. de premievaststelling; - d. het coördineren van het ambtelijk overleg met het Ministerie van Financiën. Artikel 4 Het hoofd van de afdeling Kaderstelling, Control en Evaluatie is verantwoordelijk voor: - a. het toezicht op het financieel beheer en de uitvoering van departementale risico-analyses; - b. het coördineren van de interne planning- en controlcyclus; - c. het onderhouden van de contacten met en de coördinatie van de werkzaamheden voor de Algemene Rekenkamer en de ADR; - d. de ondersteuning van het departementale Audit Committee; - e. het toetsen van en adviseren over beleidsvoorstellen op budgettaire gevolgen en financie"},{"i":7026,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, mede namens de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 9 februari 2022, (nr. 2022-39796) houdende instelling van de Interdepartementale Commissie Verkoop Defensiematerieel (Instellingsbesluit Interdepartementale Commissie Verkoop Defensiematerieel) Gelet op [artikel 4.19 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=4.19) en [artikel 4 tot en met 7 van de Regeling materieelbeheer roerende zaken van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040285&artikel=4), Besluit: Artikel 1 - a. **de Commissie:** de Interdepartementale Commissie Verkoop Defensiematerieel; - b. **de Regeling:** de [Regeling materieelbeheer roerende zaken van het Rijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040285); - c. **strategische zaken:** zaken opgenomen in het Handboek Strategische Goederen en Diensten en zaken waaraan door één van de leden van de Commissie strategisch belang wordt toegekend; - d. **transactie:** het verkopen, het verhuren, het vernietigen, het inruilen of het schenken van strategische zaken. Artikel 2 Er is een Interdepartementale Commissie Verkoop Defensiematerieel (CVDM). Artikel 3 De Commissie geeft een positief of negatief oordeel over in [artikel 5 tot en met 7 van de Regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040285&artikel=5) bedoelde transacties die zien op strategische zaken en over andere transacties die door de leden in de Commissie worden ingebracht. Artikel 4 1. De Commissie bestaat uit de volgende leden: - −. een voorzitter, zijnde de directeur van Domeinen Roerende Zaken van het Ministerie van Financiën; - −. een vertegenwoordiger van het Directoraat-Generaal Beleid van het Ministerie van Defensie; - −. een vertegenwoordiger van het team Wapenexport van de Directie Veiligheidsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zake"},{"i":5153,"b":"Protocol Subsidieregeling overgang kapitaallasten 2015-2017 Subsidie- en verantwoordingsjaren 2015, 2016 en 2017 **Bij het aanvraagformulier vaststelling subsidie overgang kapitaallasten 2015, 2016 en 2017** Uitwerking [artikel 5.3 Subsidieregeling overgang kapitaallasten 2015–2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036017&artikel=5.3) Versie 1, 9 februari 2016 1. Uitgangspunten 1.1. Doelstelling Dit protocol geeft nadere invulling aan de werkzaamheden van de accountant bij de aanvraag tot vaststelling van subsidie voor kosten kapitaallasten over een subsidiejaar zoals bedoeld in de [Subsidieregeling overgang kapitaallasten 2015–2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036017) (hierna: de Subsidieregeling).1Dit protocol is opgesteld op basis van art. 5.3, eerste en tweede lid, van de Subsidieregeling overgang kapitaallasten 2015–2017. Dat artikel luidt:‘1.De subsidieontvanger doet het financieel verslag vergezellen van een controleverklaring van een accountant, opgesteld overeenkomstig een door de zorgautoriteit vastgestelde model met inachtneming van een door de zorgautoriteit vastgesteld protocol.2.Het financieel verslag gaat vergezeld van een rapport van feitelijke bevindingen omtrent de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen door de subsidieontvanger, opgesteld door een accountant overeenkomstig een door de zorgautoriteit vastgesteld model met inachtneming van een door de zorgautoriteit vastgesteld protocol.’De toelichting op dat artikel luidt (Staatscourant 2014, 36819): ‘De aanvraag tot vaststelling wordt gecontroleerd door de accountant. De modellen voor de door de accountant op te stellen stukken en de daartoe te hanteren protocollen zijn verkrijgbaar bij de NZa.’ De regelgeving en overige relevante documentatie over de [Subsidieregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036017) zijn te vinden op www.wetten.nl en op de website van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), www.nza.nl. Voor vragen over de [Subsidieregeling](ht"},{"i":7023,"b":"Instelling en benoeming stuurgroep schuldsanering natuurlijke personen Overwegende dat de invoering van het wetsvoorstel tot [wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009730) een groot aantal werkzaamheden met zich meebrengt, die in korte tijd en in nauwe samenspraak met de bij de schuldsanering betrokken organisaties moeten worden uitgevoerd; Besluit: Artikel 1 Er is een stuurgroep schuldsanering natuurlijke personen. Artikel 2 De stuurgroep heeft tot taak: - het bevorderen van aanpassingen van de organisatie en werkwijze van diegenen die bij de schuldsanering natuurlijke personen betrokken zijn met het oog op een goede invoering van het wetsvoorstel schuldsanering natuurlijke personen; - de minister van Justitie over de voortgang van de invoering te informeren. Artikel 3 In de stuurgroep hebben zitting: - a. als voorzitter: mr. N. P. Levenkamp, hoofd van de directie rechtsbijstand en juridische beroepen van het ministerie van Justitie; - b. als leden: - mr. P. J. M. van den Biggelaar, directeur van de raad voor rechtsbijstand ’s-Hertogenbosch; - H. G. Dix r.a., penningmeester van de raad voor rechtsbijstand ’s-Hertogenbosch; - prof. mr. J. J. H. Huls, voorzitter van de voorlopige commissie van advies inzake schuldsanering natuurlijke personen; - mr. G. H. Lankhorst, wetgevingsjurist bij de directie wetgeving van het ministerie van Justitie; - mw. mr. S. I. A. van Meerbeke, beleidsmedewerkster bij de directie rechtspleging van het ministerie van Justitie; - B. Riemens, hoofd van de afdeling operationele processen van de directie rechtsbijstand en juridische beroepen van het ministerie van Justitie; - J. W. Siebols, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet; - E. J. van der Vlis, secretaris, beleidsmedewerker bij de directie rechtsbijstand en juridische beroepen van het ministerie van Justitie. - c. als adviserend lid: mr. J. W. M. Tromp, rechter arr"},{"i":7022,"b":"Instelling en benoeming Commissie Huurders-Verhuurders Overwegende, dat het naast een vergroting van de zelfstandigheid van sociale verhuurders gewenst is de positie van huurders en hun organisaties nader te ordenen, dat daarom een herbezinning op de samenwerking en omgang tussen huurders en verhuurders in gelijkwaardigheid met inachtneming van elkaars verantwoordelijkheden nodig is; Besluit: I. in te stellen een Commissie Huurders-Verhuurders; II. de taak van de onder I genoemde commissie als volgt vaste te stellen: het doen van aanbevelingen met betrekking tot: - a. het benoemen van kwesties van gezamenlijk belang; - b. de wijze waarop partijen kwesties van gezamenlijk belang en conflicten dienaangaande bespreken, vastleggen of regelen; - c. de juridische verankering van het onder a en b genoemde alsmede de mogelijkheden voor het vereenvoudigen van bestaande (rijks)regelgeving met betrekking tot huurders en verhuurders; III. de Commissie Huurders-Verhuurders te verzoeken bij haar aanbevelingen te betrekken: - a. een onderscheid naar het niveau waarop de kwesties worden besproken, vastgelegd of geregeld, te weten: 1. het landelijke niveau, 2. het regionale niveau, 3, het lokale niveau, 4, het niveau van de verhuurder, 5. het niveau van een groep van bewoners, 6. het niveau van de individuele huurder; en daarbij aan te geven het organisatorische niveau van de deelnemende partijen, alsmede de daarbij te veronderstellen representativiteit van die partijen; - b. een onderscheid naar aard van de samenwerking te weten: 1. gezamenlijke bepaling, 2. initiërende bevoegdheden voor huurders en hun organisaties, 3. adviserende bevoegdheden voor huurders en hun organisaties, 4. het recht van huurders en hun organisaties om te worden gehoord 5. het recht van huurders en hun organisaties om te worden geïnformeerd; - c. de wijze waarop geschillen terzake kunnen worden geregeld; - d. een duiding van de kosten voor partijen voortvloeiend uit de beoogde samenwerking, alsmede de dekki"},{"i":5104,"b":"Organisatieregeling Kadaster 2008 Gelet op [artikel 4 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=4) en [artikel 7, eerste lid, van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=7); Besluit: Artikel 1 De kantoren van de Dienst zijn gevestigd in de gemeenten Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Eindhoven, Groningen, Rotterdam en Zwolle. Artikel 2 1. Voor aanbieding van stukken ter inschrijving in de openbare registers, zijn de kantoren, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023645&artikel=1&z=2022-03-31&g=2022-03-31), met uitzondering van de kantoren te Apeldoorn, op maandag tot en met vrijdag van 9.00 tot 15.00 uur voor het publiek opengesteld, met dien verstande dat stukken in papieren vorm ter inschrijving van feiten die betrekking hebben op luchtvaartuigen of op rechten waaraan die luchtvaartuigen zijn onderworpen, uitsluitend kunnen worden aangeboden aan het kantoor te Rotterdam. 2. Het kantoor te Apeldoorn, Hofstraat 110, is uitsluitend voor de aanbieding van in depot te nemen tekeningen en andere stukken die deel uitmaken van een stuk dat ter inschrijving in de openbare registers zal worden aangeboden, voor het publiek opengesteld op maandag tot en met vrijdag van 9.00 tot 15.00 uur. 3. De kantoren, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023645&artikel=1&z=2022-03-31&g=2022-03-31), zijn, met uitzondering van de kantoren te Apeldoorn, voor de verstrekking van informatie voor het publiek op afspraak opengesteld op maandag tot en met vrijdag van 9.00 tot 17.00 uur. 4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, zijn de aldaar genoemde kantoren voor het publiek gesloten op de nieuwjaarsdag, de Hemelvaartsdag, de christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Koningsdag en de vijfde mei die in een lustrumjaar valt. Artikel 3 De teboekstelling van schepen en luchtvaartuigen en daarmee samenhangende verrichtingen vinden plaats aan"},{"i":5176,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 november 2016, 2016-0000247113, tot vaststelling van de rechtspositie van de Raad van Bestuur SVB Gelet op [artikel 6, vierde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=6); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **SVB:** Sociale verzekeringsbank; - b. **Lid:** een lid van de Raad van bestuur van de SVB, waaronder de voorzitter; - c. **CAO:** collectieve arbeidsovereenkomst; - d. **WNT:** [Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249). Artikel 2. Beloning 1. De beloning wordt bij beschikking vastgesteld, waarbij de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) in acht wordt genomen. 2. Het bedrag van de beloning is inclusief een vakantie- en een eindejaarsuitkering overeenkomstig de bepalingen van de voor de SVB geldende CAO, en alle overige componenten die tot de beloning in de zin van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) worden gerekend. 3. De beloning, bedoeld in het eerste lid, wordt, met uitzondering van vakantie- en eindejaarsuitkering, uitbetaald in gelijke maandelijkse termijnen. De vakantie- en eindejaarsuitkering worden eens per jaar uitbetaald, in de maanden mei respectievelijk december van ieder jaar. 4. Het bedrag van de beloning kan worden aangepast aan de ontwikkeling van het bezoldigingsmaximum, bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid, van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=2.3). Artikel 3. Kostenvergoedingen 1. Een lid heeft recht op een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de regeling van de SVB voor het vergoeden van reis- en verblijfkosten. 2. Een lid heeft voor zakelijk verkeer recht op een dienstauto. Artikel 4. Verlof Een lid heeft aanspraak op de verloffaciliteite"},{"i":7875,"b":"Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2014 Gelet op [artikel 76, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=76); Besluit: Artikel 1 De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) wordt voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op 9,95%. Artikel 2 In afwijking van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034409&artikel=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) wordt de premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de [Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) voor de groep Alfahulpen van de sector Detailhandel en ambachten, van de sector Reiniging en van de sector Grootwinkelbedrijf voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op 8,80%. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2014. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering ZW 2014. Dit besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst."},{"i":7901,"b":"Regeling investeringsverzekeringen Gelet op [artikel 3, tweede en vijfde lid, van de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007886&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Definities 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Kaderwet:** de [Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007886); - b. **investeringsland:** een land buiten Nederland; - c. **investering:** de inbreng door een ondernemer van middelen in geld of in natura in een onderneming in een investeringsland, teneinde met die onderneming duurzaam verbonden te zijn ten dienste van de eigen werkzaamheid, voor een duur van tenminste drie jaren of indien het een geldlening betreft voor de duur van tenminste vier jaren; onder investering wordt mede begrepen de garantie die een ondernemer in aanvulling op de inbreng geeft, onder welke naam dan ook, tot betaling van hetgeen uit hoofde van een lening is verschuldigd in het geval dat de met de ondernemer duurzaam verbonden onderneming in een investeringsland in gebreke blijft; - d. **lening:** een door een geldgever, niet zijnde de onder c bedoelde ondernemer, in samenhang met een investering aan een onderneming in een investeringsland verstrekte lening, voor een duur van tenminste vier jaren en die, indien die geldgever in hoofdzaak op de financiële markten werkzaam is, tot doel heeft aan de onderneming duurzaam vermogen te verschaffen; - e. **geldgever:** - i. een bank als bedoeld in [artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:1); - ii. een onderneming als bedoeld in [artikel 3:2 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:2) die volgens haar statuten in Nederland haar zetel heeft en die deel uitmaakt van de groep waartoe die onderneming behoort; - iii. een ondernemer die haar bedrijf maakt van het ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van professi"},{"i":5937,"b":"Aanwijzing Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 november 2015, kenmerk Z-840692-141563, houdende tweede nadere aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten AWBZ 2014 (Tweede nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 Uit het bedrag, bedoeld in [artikel 1 van de Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036030&artikel=1), wordt aan de wettelijke opvolgers van de verbindingskantoren in totaal maximaal een bedrag van € 14,000 miljoen beschikbaar gesteld voor de kosten die zij moeten maken op grond van een sociaal plan voor medewerkers van wie als gevolg van de invoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz) het dienstverband uiterlijk in 2016 wordt beëindigd. De kosten worden naar werkelijke kosten en na goedkeuring van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vergoed. Indien niet alle kosten uit het bedrag kunnen worden vergoed worden de kosten naar evenredigheid van de in aanmerking komende en goedgekeurde kosten per wettelijke opvolger van het verbindingskantoor vergoed. Artikel 2 Uit het bedrag, bedoeld in [artikel 1 van de Nadere aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten AWBZ 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036030&artikel=1), wordt aan de wettelijke opvolgers van de verbindingskantoren in totaal maximaal een bedrag van € 14,400 miljoen beschikbaar gesteld voor kosten die na 2014 worden gemaakt en toe te schrijven zijn aan de afwikkeling van de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614). De kosten worden naar werkelijke kosten en na goedkeuring door de NZa vergoed. Indien niet alle kosten uit het bedrag kunnen worden vergoed worden de kosten naar evenredigheid van de in aanmerking komende en goedgekeurde kosten per wetteli"},{"i":6936,"b":"Ministeriële regeling houdende vaststelling bijdragen gemoedsbezwaarden als bedoeld in artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); Besluit: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2004: | Categorie 1 | € 72,– | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 2 | € 24,– | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 1; | | Categorie 3 | € 72,– | voor autobussen en vrachtauto's; | | Categorie 4 | € 72,– | voor aanhangwagens bij motorrijtuigen behorende tot categorie 3; | | Categorie 5 | € 144,– | voor trekkers met opleggers; | | Categorie 6 | € 24,– | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1 tot en met 5, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 24,– | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 24,– | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5066,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport, van 12 maart 2020, nr. ILT-2020/2848, houdende inrichting van de Inspectie Leefomgeving en Transport en verlening van mandaat, volmacht en machtiging (Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020) Gelet op [artikel 21, tweede lid, aanhef en onder a en b, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040610&artikel=21), [artikel 1, vierde lid, van het Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031032&artikel=1), [artikel 8, eerste en tweede lid, van het Besluit mandaat Autoriteit woningcorporaties en aanwijzing toezichthouders Woningwet en WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036749&artikel=8)en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); BESLUIT: Paragraaf 1. Algemene bepalingen organisatie en mandaat Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **aan de inspecteur-generaal gemandateerde bevoegdheden:** aan de inspecteur-generaal krachtens [artikel 27, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=27) gemandateerde bevoegdheden; - –. **directeuren:** de directeur Informatiepositie en programmeren, de directeur Omgeving en dienstverlening en vergunningen, de directeur Toezicht en opsporing tevens coördinerend directeur ILT-Luchtvaartautoriteit, de directeur Publieke instituties en control en de directeur Autoriteit woningcorporatie, zijnde dienstonderdeelhoofden als bedoeld in [artikel 1 van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048191&artikel=1); - −. **IG-team:** de inspecteur-genera"},{"i":6953,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Vermogensrecht vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 februari 2008 , nr. bca-2008.04373/2); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Vermogensrecht over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":7024,"b":"Instelling en benoeming voorlopige adviescommissie schuldsanering natuurlijke personen handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel 1 Er is een voorlopige commissie van advies schuldsanering natuurlijke personen. Artikel 2 De voorlopige commissie van advies schuldsanering natuurlijke personen heeft tot taak de minister van Justitie en de raden voor rechtsbijstand te adviseren inzake de voorgenomen invoering van het wetsvoorstel tot [wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009730). Artikel 3 In de voorlopige commissie van advies hebben zitting: - a. als voorzitter: prof. mr. N. J. H. Huls, voorzitter, hoogleraar recht en techniek aan de Technische Universiteit Delft; - b. als leden: - mr. J. C. van Apeldoorn, advocaat te Amsterdam; - J. W. van Beek, bedrijfsdirecteur van de Nationale Woningraad; - drs. J. M. van Eden, bestuurslid van de raad voor rechtsbijstand Amsterdam; - mr. F. van Nieuwstad, onderdirecteur bijzondere kredieten ABN/AMRO; - W. M. Pietersen, directeur van de Intergemeentelijke Kredietbank Enschede; - mw. mr. H. D. L. M. Schruer, advocaat te Rotterdam; - mw. G. W. M. van Viegen, wethouder gemeente Haarlem; - mr. J. W. M. Tromp, rechter arrondissementsrechtbank Arnhem; - mr. A. R. van der Winkel, vice-president arrondissementsrechtbank Almelo; - c. als secretaris: drs. H. von den Hoff, beleidsmedewerker bij de raad voor rechtsbijstand ’s-Hertogenbosch; - d. als adviserend lid: - mr. P. J. M. van den Biggelaar, directeur van de raad voor rechtsbijstand ’s-Hertogenbosch tevens projectleider invoering Wet schuldsanering natuurlijke personen; - mr. G. H. Lankhorst, wetgevingsjurist bij de directie wetgeving van het ministerie van justitie. Artikel 4 De voorlopige commissie van advies kan zich laten bijstaan door externe deskundigen. Artikel 5 Op de voorlopige commissie is het [Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wette"},{"i":6950,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Economische Mededinging en Industrieel Eigendom vanaf 1946 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 2007, nr. aca-2007.04045/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Economische Mededinging en Industrieel Eigendom over de periode vanaf 1946](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":6949,"b":"Vaststelling selectielijst van de Kamer van Koophandel voor de periode vanaf 2014 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Kamer van Koophandel over de periode 2014 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Het [Selectiedocument Kamer van Koophandel vanaf 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039688), vastgesteld in de Staatscourant nr. 34739, d.d. 23 juni 2017, wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Staatssecretaris van Cultuur en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":10102,"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019 van 4 februari 2019, nr. WJZ/18313389, voor de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019) Gelet op [artikel 18, derde lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=18); Besluit: Artikel 1 1. Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat wordt ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor beslissingen op bezwaarschriften inzake personeelsaangelegenheden voor zover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan de directeur Bedrijfsvoering van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. 2. Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat wordt voorts ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en beslissingen en het verrichten van overige handelingen ten aanzien van medewerkers voor wie salarisschaal 15 of hoger van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden betreffende: - a. het aanbieden van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor onbepaalde of bepaalde tijd en het beëindigen van een arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen het met wederzijds goedvinden beëindigen van de arbeidsovereenkomst en het opzeggen van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden in de zin van [artikel 7:677, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=677); - b. het toekennen van een hogere salarisschaal; - c. het verlenen van kortdurend en langdurend verlof ten behoeve van het vervullen van een functie bij een i"},{"i":10113,"b":"Besluit van de directeur van het Centraal Planbureau van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van 20 december 2018, nr. CPB-2018/611, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor het Centraal Planbureau van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor het Centraal Planbureau van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019) Gelet op [artikel 19 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=19); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur:** de directeur van het Centraal Planbureau van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - b. **de onderdirecteuren:** de onderdirecteuren van het Centraal Planbureau van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - c. **de sectorhoofden:** de sectorhoofden van het Centraal Planbureau van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - d. **de afdelingshoofden:** de hoofden van een afdeling van het Centraal Planbureau van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - e. **de coördinator Personeelsbeleid:** de coördinator Personeelsbeleid van het Centraal Planbureau van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - f. **de coördinator Managementondersteuning en bedrijfsvoering:** de coördinator Managementondersteuning en Bedrijfsvoering van het Centraal Planbureau van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - g. **de coördinator Communicatie:** de coördinator Communicatie van het Centraal Planbureau van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - h. **de medewerker Bibliotheek:** de medewerker Bibliotheek van het Centraal Planbureau van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; - i. **het bedrag:** het bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW). § 2. Taakverdeling tussen de directeur en de onder hem ressorterende functionarissen Artikel 2 Aan de directeu"},{"i":5083,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 december 2015, 2015-0000305412, houdende de inrichting van de directie Participatie en Decentrale Voorzieningen alsmede doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden van de directeur Participatie en Decentrale Voorzieningen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Participatie en Decentrale Voorzieningen 2015) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=3), en [10 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directeur-generaal Sociale Zekerheid en Integratie 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037432&artikel=10); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder directie Participatie en Decentrale Voorzieningen: de directie Participatie en Decentrale Voorzieningen van het ministerie. § 2. Organisatie en taken afdelingen Artikel 2 De directie Participatie en Decentrale Voorzieningen bestaat uit de volgende afdelingen: - a. de afdeling Generieke Participatievoorzieningen; - b. de afdeling Re-integratie en Participatie; - c. de afdeling Participatie en Arbeidsmarktregio’s; - d. de afdeling Participatie en Financiële Sturing. Artikel 3 Het hoofd van de afdeling Generieke Participatievoorzieningen is verantwoordelijk voor: - a. de rechten en plichten van de [Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), de [Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) en de [Wet Inkomensvoorziening oudere en arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163); - b. de beleidsvorming en totstandkoming van wet- en regelgeving op het terrein van armoede en schuldhulpverlening; - c. de vormgeving en organisatie van de bestuurlijke overleggen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Artikel 4 Het hoofd van de afdelin"},{"i":7880,"b":"Besluit van 9 december 2016, houdende toestemming als bedoeld in de artikelen 4, derde lid, en 9, aanhef en onderdeel c, van de Bankwet 1998 in verband met de overdracht van publieke taken betreffende munten aan De Nederlandsche Bank N.V Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 8 december 2016, 2016-0000217347, directie Financiële Markten; Gelet op de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=4), en [9, aanhef en onderdeel c, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan De Nederlandsche Bank N.V. wordt toestemming verleend om de volgende taken uit te voeren: - a. het verzorgen van de geldsomloop voor zover deze uit munten bestaat; - b. het fungeren als Nationaal Analysecentrum voor Munten. Artikel 2 Aan De Nederlandsche Bank N.V. wordt toestemming verleend om ter uitvoering van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038890&artikel=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01) genoemde taken de volgende werkzaamheden te verrichten: - a. het in omloop brengen en de recirculatie van euromunten; - b. de inname van bijzondere munten alsmede van euromunten en bijzondere munten die ongeschikt zijn voor circulatie; - c. het op verzoek van de Minister ontwaarden en vervolgens verkopen van euromunten en bijzondere munten; - d. het beheer van het staatsmuntdepot en de niet voor productie van Nederlandse euromunten, bijzondere munten met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel, beleggingsmunten en munten zonder de hoedanigheid van wettig betaalmiddel benodigde stempels en modellen. Artikel 3 Het [Besluit van 23 december 1992, tot uitvoering van artikel 21 van de Bankwet 1948](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005791) (Stb. 1992, 721) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaat"},{"i":10129,"b":"Besluit van 26 februari 1981, houdende overdracht van de aangelegenheden betreffende de centrale organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 25 februari 1981, nr. 306918, mede namens Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen en Onze Minister voor Wetenschapsbeleid; Gelet op de brief van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken inzake taken en bevoegdheden van de Minister voor Wetenschapsbeleid aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 5 september 1978 (Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 15 146, nummer 1); Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig De aangelegenheden betreffende de centrale organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek, voor zover deze thans zijn opgedragen aan Onze Minister van Financiën, gaan met ingang van de datum van dagtekening van dit besluit over op Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen met dienovereenkomstige wijziging van de taak van beide departementen. Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Nederlandse Staatscourant**, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de in dit besluit genoemden, de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen en de departementen van algemeen bestuur."},{"i":5934,"b":"Besluit van 2 augustus 2012 tot wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met de verhoging van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat (Tweede Aanpassingsbesluit inzake verhoging AOW-leeftijd) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juli 2012, nr. IVV/OOG/12/10290; Gelet op: voor wat betreft [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031883&artikel=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01): [artikel 18, eerste, derde en vierde lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=18); voor wat betreft [artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031883&artikel=II&z=2013-01-01&g=2013-01-01): [artikel 11, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=11); voor wat betreft [artikel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031883&artikel=III&z=2013-01-01&g=2013-01-01): [artikel 7, eerste lid, van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=7); voor wat betreft [artikel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031883&artikel=IV&z=2013-01-01&g=2013-01-01): de [artikelen 95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=95) en [96 van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=96); voor wat betreft [artikel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031883&artikel=V&z=2013-01-01&g=2013-01-01): de [artikelen 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=93) en [94 van de Provinciewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005645&artikel=94); voor wat betreft [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031883&artikel=VI&z=2013-01-01&g=2013-01-01): de [artikelen 3, eerste lid, onder d, en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3); voor wat betreft [artikel VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031883&a"},{"i":10261,"b":"Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 1. Inleiding In dit hoofdstuk is de aanleiding voor het opstellen van deze circulaire in 2006 en voor latere wijzigingen weergegeven. Tevens worden het onderwerp, de status, de reikwijdte en de werkingsduur van de circulaire toegelicht. Daarnaast is een overzicht opgenomen van de nieuwe en vervallen regelgeving die betrekking heeft op het onderwerp van de circulaire. 1.1. Aanleiding Op 1 januari 2006 is de [wet tot wijziging van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019284) (Wbb) in werking getreden. Met deze wetswijziging is uitvoering gegeven aan de beleidsvoornemens die in 2002 zijn geformuleerd in het kabinetsstandpunt Beleidsvernieuwing bodemsanering2Tweede Kamer, 2001–2002, 28 199, nr.1.. Hierop volgend is eind december 2003 een Beleidsbrief over de volgende stap in de vernieuwing van het bodembeleid aan de Tweede Kamer gezonden3Tweede Kamer, 2003–2004, 28 199, nr. 13., waarin beleidsvoornemens zijn verwoord die invloed hebben gehad op genoemde wetswijziging. Op 1 januari 2008 is de eerste fase van het [Besluit bodemkwaliteit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929) (Bbk) in werking getreden die het toepassen van grond en baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam (waterbodem) regelt. Op 1 juli 2008 is de tweede fase van het [Bbk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022929) van kracht geworden die het toepassen van grond en baggerspecie op landbodems en het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem en in een oppervlaktewaterlichaam regelt. In deze circulaire staat de uitwerking van het saneringscriterium centraal waarmee wordt vastgesteld of een spoedige sanering noodzakelijk is. Het milieuhygiënisch saneringscriterium (hierna genoemd saneringscriterium) is opgenomen in de gewijzigde tekst van [artikel 37 van de Wbb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=37). Daarnaast wordt in deze circulaire ingegaan op de uitwerking van de saneringsdoelstelling zoals die"},{"i":17866,"b":"Besluit van 23 augustus 2007, houdende wijziging van enkele besluiten in verband met de invoering van single information en single audit voor specifieke uitkeringen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 juni 2007, nr. 2007-0000209273, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers voor Jeugd en Gezin, van Justitie, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor Wonen, Wijken en Integratie, en van Economische Zaken; Gelet op [artikel 22 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=22), [artikel 5, tweede lid, van de Brandweerwet 1985](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003764&artikel=5), [artikel 39, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016637&artikel=39), [artikel 15.13, tweede lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13), [artikel 76g van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=76g), [artikel 20 van de Wet stedelijke vernieuwing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011788&artikel=20), [artikel 81, tweede lid, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=81), [artikel 50c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=50c) en [artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 4 juli 2007, nr. W04.07.0173/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 augustus 2007, nr. 2007-0000290288, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers voor Jeugd en Gezin, van Justitie, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor Wonen, Wijken en Integratie, en van Economische Zaken; Hebben goedgevo"},{"i":11071,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 september 2014, nr. FMICT/654481 (671307), houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Directie ICT in het Onderwijs over de periode 1997–2005 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 9 september 2014, met kenmerk 14.108; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot | | --- | --- | | 89 | 2050 | | 90 | 2050 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035557&artikel=1&z=2014-09-20&g=2014-09-20) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035557&artikel=1&z=2014-09-20&g=2014-09-20), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van het archief van de Directie ICT in het Onderwijs over de periode 1997–2005’."},{"i":11153,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein rijkshuisvesting vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/8); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein rijkshuisvesting over de periode vanaf 1945](onbekend)’ met de daarbij behorende toelichting wordt vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":12706,"b":"Besluit vaststelling Beleidsregel slotmobiliteit Gelet op: [Verordening (EEG) nr. 95/93](31993R0095) van de Raad van 18 januari 1993 inzake gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van slots op communautaire luchthavens; De Worldwide Airport Slot Guidelines (WASG); De [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555); De noodzaak tot verduidelijking betreffende slotmobiliteit; Overwegende dat: Het noodzakelijk is om de criteria vast te leggen betreffende slotmobiliteit; De Beleidsregel mobiliteit van slots deze criteria beschrijft en toepasbaar is op Amsterdam Airport Schiphol (AMS), Eindhoven Airport (EIN) en Rotterdam The Hague Airport (RTM); Besluit: Artikel 1 De Beleidsregel slotmobiliteit wordt vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met terugwerkende kracht tot en met 15 april 2021. Artikel 3 Dit besluit en de daarbij behorende [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052590&bijlage=1&z=2026-04-30&g=2026-04-30) worden gepubliceerd op de website van Airport Coordination Netherlands ([www.slotcoordination.nl](http://www.slotcoordination.nl)) en in de Staatscourant. Bijlage 1. Beleidsregel slotmobiliteit v1.0 (Nederlands) Beleidsregel slotmobiliteit Auteur: Airport Coordination Netherlands (ACNL) Datum: 4 februari 2026 Versie: 1.0 Inwerkingtreding: 15 april 2021 Airport Coordination Netherlands (ACNL) is een onafhankelijk bestuursorgaan naar publiek recht. In de Nederlandse [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) is ACNL aangewezen als de onafhankelijke coördinator voor slot gecoördineerde luchthavens in Nederland. ACNL is verantwoordelijk voor de toewijzing en monitoring van slots op Amsterdam Airport Schiphol (AMS), Rotterdam The Hague Airport (RTM) en Eindhoven Airport (EIN). Om de luchthavencapaciteit optimaal te benutten, is het onze missie om op een onpartijdige, niet-discriminerende en transparante manier slotcoördinatie- en monitoringdiensten te leveren. ACNL publiceert de volgende bele"},{"i":13626,"b":"Besluit van 28 maart 2026, nr. 2026000680, houdende instelling van een staatscommissie overheidsingrijpen in gezinnen in geval van kindermishandeling en ontwikkelingsbedreiging (Instellingsbesluit staatscommissie overheidsingrijpen bij kindermishandeling en ontwikkelingsbedreiging) Op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Langdurige Zorg, Welzijn en Sport van 23 maart 2026, nr. 7303421; Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6) HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder staatscommissie: de staatscommissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052476&artikel=2&z=2026-04-01&g=2026-04-01). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een staatscommissie overheidsingrijpen bij kindermishandeling en ontwikkelingsbedreiging. 2. De staatscommissie heeft tot taak de regering te adviseren over: - a. de rol en legitimiteit van betrokkenheid van dan wel ingrijpen door de overheid bij kindermishandeling en ontwikkelingsbedreiging van kinderen; - b. welke waarden interventies rechtvaardigen; en - c. welke alternatieve vormen van overheidsbetrokkenheid of -ingrijpen mogelijk zijn. 3. De staatscommissie geeft in haar advies in het bijzonder aandacht aan de noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit van betrokkenheid van dan wel ingrijpen door de overheid bij o.a. kindermishandeling, en ontwikkelingsbedreiging van kinderen in zowel het vrijwillig als gedwongen kader. 4. De staatscommissie betrekt kennis en ervaring uit de praktijk door klankbordgroepen te organiseren met ouders en jongeren Artikel 3. Samenstelling De staatscommissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste acht andere leden. Artikel 4. Eindrapport, tussenrapporten en uite"},{"i":11230,"b":"Notitie ’Helderheid in de bekostiging van het hoger onderwijs’ Inleiding Deze notitie is bedoeld om de bekostigde universiteiten en hogescholen helderheid te verschaffen over de interpretatie en toepassing van de bestaande bekostigingsregels voor de tellingen van de bekostigingsparameters van 1 oktober 2003 en volgende jaren. Daarvoor heb ik deze zomer voor het eerst het zogenaamde Bekostigingsoverleg met het hoger onderwijsveld gevoerd. Het overleg was er op gericht om mij duidelijkheid te verschaffen over eventuele ongewenste neveneffecten en administratieve lasten van door mij voorgenomen maatregelen. Die neveneffecten zijn in kaart gebracht en hebben geleid tot een definitief oordeel van mij op welke wijze de bestaande onhelderheid weggenomen kan worden. In de afgelopen jaren is duidelijk geworden dat de bekostigingsregels op een aantal punten inderdaad niet eenduidig zijn. Instellingen hebben daarom op onderdelen een eigen interpretatie moeten volgen. Die eigen interpretatie strookte niet altijd met de systematiek en de bedoeling van de wet- en regelgeving. Ik heb daarbij geconstateerd dat meer hogescholen dan universiteiten zich genoodzaakt zagen om tot een eigen interpretatie te komen. Een en ander heeft er overigens ook toe geleid dat de instellingen op onderdelen tot onderlinge afspraken en ook gedragscodes zijn gekomen of trachten te komen. Die gedragscodes - bij het HBO bijvoorbeeld wat betreft Uitbesteding en bij het WO wat betreft publiek/privaat - juich ik toe, maar kunnen uiteraard niet mijn eigen verantwoordelijkheid vervangen. Wel sluit ik, waar dat naar mijn opvatting verantwoord was, aan bij deze onderlinge afspraken en gedragscodes. De maatregelen doen niet af aan de bestaande verantwoordingslijnen. De verantwoordelijkheden van raden van toezicht, van colleges van bestuur, van bestuursraden, van examencommissies en andere organen van de instelling blijven volledig in stand. Ook het accreditatiestelsel, het toezicht door de Inspectie en de account"},{"i":12632,"b":"Besluit van 14 augustus 2018 van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, nr. ANVS-2018/12015, houdende toelating safeguards inspecteurs van het Internationaal Atoomenergieagentschap en Euratom (Besluit toelaten internationale inspecteurs) Gelet op artikel 81 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, het op 22 september 1998 te Wenen tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk Zweden, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, met bijlagen (Trb. 1999, nr. 147) en [artikel 65, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=65); Besluit: Artikel 1. Toelaten inspecteurs De volgende bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming aangemelde personen worden op grond van [artikel 65, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=65) toegelaten: - 1. de in artikel 81 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie bedoelde inspecteurs of - 2. de personen die door het Internationaal Atoomenergieagentschap zijn aangewezen om de naleving van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje, het Koninkrijk Zweden, de Europese Ge"},{"i":12610,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het standaardopschrift «Uruzgan 2007-2009» aan het Korps Rijdende Artillerie Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016439, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de opschriften in de standaard van het Korps Rijdende Artillerie wordt toegevoegd het opschrift «Uruzgan 2007-2009» in verband met de inzet van de **Forward Observers** en **Forward Air Controllers** als essentieel onderdeel van de vuursteunketen, alsmede de inzet van de mortiergroepen in 2007. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":11279,"b":"Regeling bevoegdheid (voortgezet) speciaal onderwijs voor buitenlandse diploma's Gelet op artikel 3, vierde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (Stb. 1984, 654); Overwegende dat het noodzakelijk is voorwaarden en beperkingen te stellen met betrekking tot het verlenen van de bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan scholen voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs aan personen die in het bezit zijn van een buiten Nederland behaald bewijs van bekwaamheid; De Onderwijsraad gehoord (advies van 9 maart 1987; nr. O.R. 1/310 P), Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2. Voorwaarden verkrijgen onderwijsbevoegdheid voor bepaalde tijd Aan de bezitter van een buiten Nederland behaald bewijs van bekwaamheid, waaraan in het land waarin dat bewijs is verkregen de bevoegdheid is verbonden tot het geven van onderwijs aan kinderen tot en met 12 jaar, tenzij het betreft een onderdaan van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen die in het bezit is van een diploma als bedoeld in de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van tenminste drie jaar worden afgesloten (PbEG L 019), wordt voor bepaalde tijd de bevoegdheid verleend tot het geven van onderwijs als bedoeld in artikel 12 van de ISOVSO aan scholen voor speciaal onderwijs, alsmede tot het geven van onderwijs als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de ISOVSO aan scholen voor voortgezet speciaal onderwijs indien: - a. de opleiding die ten grondslag ligt aan het bewijs van bekwaamheid voor wat betreft niveau en inhoud gelijkwaardig kan worden geacht aan de Nederlandse opleiding die ten grondslag ligt aan de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer, en - b. hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst, hetgeen blijkt uit het bezit van: - het ‘Certificaat Nederlands als"},{"i":12619,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Sar Regin 2008» aan het Regiment Infanterie Oranje Gelderland Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016432, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Regiment Infanterie Oranje Gelderland wordt toegevoegd het opschrift «Sar Regin 2008» in verband met de gevechten in de omgeving van Sar Regin in de Mirabad-vallei. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":11902,"b":"Besluit van 16 maart 1994, houdende vaststelling van de algemene rechtspositie van de politie Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 17 november 1993, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nummer EA93/U3170; Gelet op [artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=50); De Raad van State gehoord (advies van 7 februari 1994, nummer WO4.93.0765); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 11 maart 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nummer EA94/418; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Algemene bepaling Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **aandachtsgebied:** een verbijzondering van een werkterrein, dat wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan onderwerpen, waarvoor een specifieke inzet en inbreng geldt. Voor deze inzet kunnen nadere opleiding- en certificeringeisen worden gesteld; - **ambtenaar:** de aspirant, de ambtenaar in opleiding, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de vrijwillige ambtenaar, de ambtenaar van de rijksrecherche en de vakantiewerker; - **ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), met uitzondering van de aspirant gedurende het theoretische opleidingsdeel en de ambtenaar in opleiding gedurende het theoretisch opleidingsdeel, waarbij voor de toepassing van dit besluit de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak"},{"i":12634,"b":"Besluit van 7 november 1989, houdende het van toepassing verklaren van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 juli 1989, nr. S/J 31.149/89, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Hoofdafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; Overwegende dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, bedoeld in artikel 1 van het op 20 oktober 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, (**Trb.** 1974, 51) zoals gewijzigd; Gelet op de artikelen 4, 20 en 31, tiende lid, van de [Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364) (**Stb.** 1988, 352); De Raad van State gehoord (advies van 27 september 1989, nr. W09.89.0439); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 6 november 1989, nr. S/J 31.839/89, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Hoofdafdeling Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De voor Nederland van kracht zijnde Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, bedoeld in artikel 1 van het op 20 oktober 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, (**Trb.** 1974, 51) zoals gewijzigd, zijn van toepassing op: - a. alle schepen die op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren: - 1°. in volle zee; - 2°. in de Nederlandse territoriale zee waaronder begrepen de wateren zeewaarts van de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004644&artikel=4&z=2025-07-01&g=2025-07-01) vastgestelde lijn; - 3°. op alle niet-Nederlandse wateren die met de volle zee in verbinding staan en bevaarbaar zijn voor zeegaande schepen; - b. alle andere schepen in de Nederl"},{"i":11443,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 26 november 2018, nr. PO/1416144, houdende regels voor subsidieverstrekking als tegemoetkoming in de studiekosten en kosten van studieverlof voor het volgen van de opleiding tot leraar door een onderwijsassistent (Subsidieregeling onderwijsassistenten opleiding tot leraar) Gelet op [artikel 70 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=70); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), [artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1), [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1) of [artikel 1.1.1, onderdelen a en b van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; **instructeur:** personeelslid van een instelling, belast met onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in [artikel 4.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=4.2.2), niet zijnde een docent als bedoeld in artikel [4.1a.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=4.1a.1); **Kaderregeling:** [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603); **leraar:** degene die voldoet aan de bevoegdheidseisen gesteld in [artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=3), [artikel 3 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artik"},{"i":12579,"b":"Besluit van 3 februari 2011, houdende regels ter uitvoering van de Wet studiefinanciering BES (Besluit studiefinanciering BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 september 2010, nr. WJZ/236419 (1760), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden; Gelet op de [artikelen 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=6.1), [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=6.3) en [7.3 van de Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=7.3); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2010, No. W05.10.0453/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 januari 2011, nr. WJZ 256320 (1760), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder wet: [Wet studiefinanciering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393). Artikel 2. Uitbetaling opstarttoelage Vervallen Artikel 3. Uitbetaling studiefinanciering BES 1. Studiefinanciering BES wordt uitbetaald tussen de twintigste en dertigste dag van elke maand, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald. 2. Uitbetaling van het voorschot, bedoeld in [artikel 6.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=6.1), geschiedt tot maximaal 3 maanden voor aanvang van het studiejaar. 3. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in [artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028393&artikel=5.1) of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag aan studiefinanciering BES dat te weinig was toegekend, aan de betrokkene ineens uitbe"},{"i":11392,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 februari 2011, nr. WJZ/275507 (2756), houdende regels voor het vaststellen van de bedragen voor de materiële instandhouding primair onderwijs in Caribisch Nederland voor het jaar 2011 (Regeling vaststelling bedragen materiële instandhouding primair onderwijs BES 2011) Gelet op de [artikelen 97, vierde lid](onbekend), en [98 van de Wet primair onderwijs BES](onbekend); Besluit: Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280&artikel=1); - **wet:** [Wet primair onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030280). Artikel 2. Bedrag per school Het bedrag, bedoeld in [artikel 97, derde lid, onder a, van de wet](onbekend) wordt vastgesteld op USD 22,172.37. Artikel 3. Bedrag per leerling Het bedrag, bedoeld in [artikel 97, derde lid, onder c, van de wet](onbekend) wordt vastgesteld op USD 348.12 per leerling. Artikel 4. Aanvullende bekostiging: het overgangsbudget 1. Het bevoegd gezag ontvangt voor een school aanvullende bekostiging indien de som van de bedragen, bedoeld in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029688&artikel=2&z=2011-11-11&g=2011-11-11) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029688&artikel=3&z=2011-11-11&g=2011-11-11), voor de school minder bedraagt dan de uitgaven voor de materiële instandhouding van het jaar 2009 van die school zoals deze naar het oordeel van de minister worden vastgesteld. 2. De aanvullende bekostiging bedraagt het verschil tussen de materiële uitgaven van het jaar 2009 van de school zoals deze naar het oordeel van de minister zijn vastgesteld en de voor de school op grond van de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029688&artikel=2&z=2011-11-11&g=2011-11-11) en [3](htt"},{"i":13839,"b":"Wet van 2 februari 2006, houdende regels omtrent meeteenheden en omtrent het in de handel brengen en het gebruik van meetinstrumenten (Metrologiewet) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels met betrekking tot meeteenheden en het in de handel brengen en het gebruik van meetinstrumenten op een aan de eisen van deze tijd aangepaste en overzichtelijke wijze vast te stellen, daarbij onder meer rekening houdend met de implementatie van EG-regelgeving op het terrein van de metrologie en in het bijzonder van [richtlijn 2004/22/EG](32004L0022) van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende meetinstrumenten (PbEU L 135); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; - b. EU-besluit: bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europese Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Europese Commissie; - c. meetinstrument: apparaat of systeem met een meetfunctie; - d. onderdeel: apparaat dat onafhankelijk functioneert en dat samen met andere compatibele onderdelen of een compatibel meetinstrument, een meetinstrument vormt; - e. geregelde meettaak: meettaak ten behoeve van een specifieke toepassing, bedoeld in [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&hoofdstuk=3&artikel=5&z=2023-04-19&g=2023-04-19); - f. geregeld meetinstrument: meetinstrument bestemd voor een geregelde meettaak ten aanzien waarvan krachtens [artikel 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517&hoofdstuk=3&artikel=5&z=2023-04-19&g=2023-04-19), regels zijn gesteld; - g. conformiteitsbeoordeling: beoordeling van de overeenstemming van een meetins"},{"i":11697,"b":"Wet van 22 juni 1994, tot vaststelling van de Algemene wet op het binnentreden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het mede in verband met de verandering van de desbetreffende bepalingen in de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) wenselijk is te komen tot herziening en eenmaking van de wettelijke bepalingen inzake het binnentreden in woningen en het betreden van enkele bijzondere plaatsen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Binnentreden in woningen in het algemeen Artikel 1 1. Degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde in een woning binnentreedt, is verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Indien twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, rusten deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft. 2. Indien de naleving van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt ten aanzien van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, gelden deze verplichtingen slechts voor zover de naleving daarvan in die omstandigheden kan worden gevergd. 3. Een persoon in dienst van een bestuursorgaan die zich ingevolge het eerste lid legitimeert, toont een legitimatiebewijs dat is uitgegeven door of in opdracht van dat bestuursorgaan. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de houder en vermeldt diens naam en hoed"},{"i":13381,"b":"Instelling Begeleidingscommissie Bureau Medicinale Cannabis Besluit: Artikel 1 Er is een Begeleidingscommissie voor het Bureau voor Medicinale Cannabis. De commissie heeft tot taak, het op 1 maart 2000 bij het Ministerie van VWS ingestelde Bureau voor Medicinale Cannabis te ondersteunen en begeleiden. Artikel 2 Eenieder die betrokken is bij de uitvoering van dit besluit en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij/zij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem/haar tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit besluit tot bekendmaking voortvloeit. Artikel 3 1. In de begeleidingscommissie worden de volgende personen benoemd: - De heer dr. M. de Kort, seniorbeleidsmedewerker van de Directie Geestelijke Gezondheidszorg, Verslavingszorg en Maatschappelijke Opvang, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport - Mevrouw dr. H. M. van den Dungen, senior-inspecteur in algemene dienst voor Klinisch Onderzoek voor de Gezondheidszorg - De heer A. A. de Goei, afgevaardigde van HIV-vereniging Nederland - De heer F. Kingma, afgevaardigde van MS-vereniging Nederland - De heer W. Best, inspecteur voor Opiumwetzaken voor de Gezondheidszorg - De heer drs. J. H. van Meer, apotheker en farmacognost, Universiteit Utrecht - De heer dr. A. van der Kuy, apotheker. 2. De heer prof. dr. J. M. Minderhoud, neuroloog, wordt benoemd tot lid, tevens voorzitter. 3. Tot secretaris wordt benoemd: de heer drs. W.K. Scholten, apotheker en hoofd van het Bureau voor Medicinale Cannabis. 4. Aan de vergadering van de begeleidingscommissie kan worden deelgenomen door vertegenwoordigers van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 5. Aan de vergadering kan tevens worden deelgenomen door anderen dan bovengenoem"},{"i":13010,"b":"Besluit van de secretaris-generaal van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van 15 juni 2016, nummer 767058, houdende het verlenen van machtiging aan de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid Gelet op [artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Mandaatregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030842&artikel=3); Besluit: Artikel 1 De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid wordt machtiging verleend tot het vergaren van gegevens ten behoeve van besluiten bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3), [66a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=66a) en [67 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67) ter fine van toegangsweigering, het verbieden van de inreis dan wel ongewenstverklaring van een vreemdeling als bedoeld in [artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) indien deze een gevaar vormt voor de openbare orde. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2015. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13625,"b":"Besluit van 24 maart 2023, nr. 2023000802, houdende de instelling van een Staatscommissie MDMA (Instellingsbesluit Staatscommissie MDMA) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 maart 2023, kenmerk 3553439-10452240-VGP; Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op [artikel 6, eerste en derde lid, van de Kaderwet adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008159&artikel=6) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **MDMA:** 3,4-methyleendioxymethamfetamine; - b. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - c. **staatscommissie:** staatscommissie, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048065&artikel=2&z=2024-01-30&g=2024-01-30). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Staatscommissie MDMA, hierna te noemen: de staatscommissie. 2. De staatscommissie heeft tot taak de status van MDMA in het kader van de volksgezondheid te onderzoeken en de regering te adviseren over de voordelen en nadelen van medicinaal gebruik van MDMA, met inbegrip van een analyse vanuit verschillende disciplines van risico's voor de gezondheid, preventie en de Europese context en relevante verdragen. Artikel 3. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De staatscommissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste 9 andere leden. 2. De voorzitter en leden worden bij ministerieel besluit benoemd. Artikel 4. Instellingsduur 1. De staatscommissie brengt voor 30 april 2024 haar eindadvies uit aan de minister. 2. Twee weken na het uitbrengen van het eindadvies, bedoeld in het eerste lid, is de staatscommissie opgeheven. Artikel 5. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2023. Indi"},{"i":14089,"b":"Regeling van de Minister van Financiën en de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 31 mei 2023 kenmerk 2023-0000112901, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor het jaar 2023, en tot herstel van de normbedragen en woonlasten in de Regeling financiële markten BES 2012 (Regeling bekostiging financieel toezicht 2023) Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9) en [artikel 7:17, zesde lid, van het Besluit financiële markten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031636&artikel=7:17); BESLUITEN: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder geconsolideerde jaarrekening: jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van personen die een groep of groepsdeel vormen en andere in de consolidatie meegenomen personen, als één geheel zijn opgenomen. Artikel 2 1. Voor het kalenderjaar 2023 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&artikel=9), voor de personen die onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten vallen, bedoeld in [bijlage 1, onderdeel B, van dat besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042148&bijlage=1), als volgt vastgesteld: | Toezichtcategorie | Maatstaf | Bandbreedtes | Tarieven | | --- | --- | --- | --- | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | | € 2.460 vermeerderd met: | | Aanbieders van krediet | **Particuliere cliënten (PC)**: Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet | 0 tot en met 5.000 PC | €"},{"i":11988,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 mei 2007, nr. DDI/ST/reg. 010/2007, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het gezantschap, later de ambassade van Bolivia, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het gezantschap, later de ambassade van Bolivia, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 34 | 2021 | | 37 | 2040 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021974&artikel=1&z=2007-06-02&g=2007-06-02), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021974&artikel=1&z=2007-06-02&g=2007-06-02), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage Dit besluit zal met de daarbij behorende bijlag"},{"i":12657,"b":"Besluit van 12 april 2017 tot het verlengen van de beperking op de openbaarheid van het archief van het Nederlandse Beheersinstituut – Personeelsdossiers 1945–1967, nummer archiefinventaris 2.09.37 Gelet op [artikel 15, tweede lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer worden de beperkingen, gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden berustend in het archief van het Nederlandse Beheersinstituut – Personeelsdossiers 1945-1967, nummer archiefinventaris 2.09.37, verlengd. Artikel 2 De inventarisnummers genoemd in de eerste kolom worden openbaar op 1 januari van het jaar in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar op 1 januari | | --- | --- | | 1 | 2035 | | 2 | 2032 | | 3 | 2031 | | 4 | 2031 | | 5 | 2031 | | 6 | 2026 | | 7 | 2029 | | 8 | 2031 | | 9 | 2031 | | 10 | 2031 | | 11 | 2028 | | 12 | 2030 | | 13 | 2030 | | 14 | 2028 | | 15 | 2030 | | 16 | 2028 | | 17 | 2034 | | 18 | 2025 | | 19 | 2030 | | 20 | 2023 | | 21 | 2029 | | 22 | 2029 | | 23 | 2029 | | 24 | 2026 | | 25 | 2026 | | 26 | 2027 | | 27 | 2032 | | 28 | 2032 | | 29 | 2030 | | 30 | 2029 | | 31 | 2031 | | 32 | 2028 | | 33 | 2028 | | 34 | 2026 | | 35 | 2031 | | 36 | 2029 | | 37 | 2030 | | 38 | 2029 | | 39 | 2030 | | 40 | 2028 | | 41 | 2029 | | 42 | 2028 | | 43 | 2031 | | 44 | 2027 | | 45 | 2027 | | 46 | 2028 | | 47 | 2028 | | 48 | 2030 | | 49 | 2030 | | 50 | 2034 | | 51 | 2028 | | 52 | 2034 | | 53 | 2028 | | 54 | 2027 | | 55 | 2030 | | 56 | 2031 | | 57 | 2031 | | 58 | 2021 | | 59 | 2026 | | 60 | 2028 | | 61 | 2023 | | 62 | 2026 | | 63 | 2029 | | 64 | 2031 | | 65 | 2030 | | 66 | 2031 | | 67 | 2026 | | 68 | 2031 | | 69 | 2030 | | 70 | 2029 | | 71 | 2027 | | 72 | 2032 | | 73 | 2029 | | 74 | 2030 | | 75 | 2029 | | 76 | 2034 | | 77 | 2028 | | 78 | 2028 | | 79 | 2027 | | 80 | 2031 | | 81 | 2033 | | 82 | 2030 | | 83 | 2033 | | 84 | 2030 | | 85 | 2029 | | 86 | 2029 | | 87 | 2027 | | 88 |"},{"i":11775,"b":"Beleidsregel prestatiebeschrijving en tarieven advies crisis- en ondersteuningsteam (COT) 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **context:** - cliëntsituatie en -omgeving. - **crisis- en ondersteuningsteam (COT):** - een team waarvan de hulp ingeroepen kan worden via de crisisregisseur indien sprake is van een crisis bij een cliënt. Een crisis- en ondersteuningsteam (COT) is een multidisciplinair team, samengesteld uit ervaren professionals uit de sectoren verstandelijk gehandicaptenzorg (vg) en de geestelijke gezondheidszorg (ggz). Het COT richt zich op het aanvullen van de kennis en expertise van een zorgaanbieder bij het omgaan met en voorkomen van crisissituaties en biedt nazorg aan de zorgaanbieder. Het COT geeft verbeteradviezen aan de zorgaanbieder waar de crisis plaatsvond om deze te versterken en de context te verbeteren. - **crisis waarop COT ingezet kan worden:** - het COT kan alleen ingezet worden bij een crisis waarvoor binnen 48 uur een interventie noodzakelijk is. Het gaat bij de inzet van het COT niet om een acute crisis. Een acute crisis wordt gedefinieerd als een noodsituatie waar per direct een oplossing voor moet komen. - **crisisregisseur:** - de crisisregisseur is onafhankelijk en vervult in een regio de coördinerende rol voor de crisisaanvragen. In geval van een crisis waarbij handelingsverlegenheid is ontstaan, neemt de zorgaanbieder contact op met de crisisregisseur van de regio. De crisisregisseur maakt de keuze voor inzet COT, crisisplaatsing of een combinatie hiervan. - **penvoerder:** - zorgaanbieder die verantwoordelijk is voor de registratie en d"},{"i":12562,"b":"Besluit routinematige digitale vervanging archiefbescheiden Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7), Na machtiging van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, 22 augustus 2011, Kenmerk NA/1L/8325, Besluit: Artikel 1 De bestuurskern van ministerie van Infrastructuur en milieu bestaande uit alle organisatieonderdelen die vallen onder het verzorgingsgebied van SSO/IM waarbij digitale postkamer én DMS/TRIM is ingevoerd; gaat over tot routinematige, digitale vervanging archief bescheiden - A. die; - 1. zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, en zaken die nog niet zijn afgedaan of - 2. zullen worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit; - B. Volgens die specificaties, vastgelegd in de bijlagen (zoals beschreven in het Handboek digitale vervanging archiefbescheiden ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2011, met de wijzigingen van 11 augustus 2011, versie 4.1) behorende bij dit besluit; - C. Overeenkomstig de eisen, opgenomen in de bijlage van de Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden (Stcrt. 2008, 21); en - O. Met inachtneming van de waarde en het belang, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onderscheidenlijk d, van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2), alsmede wat daarover is, bepaald in [artikel 4, tweede en derde lid, van de Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023395&artikel=4) (Stcrt. 2008, 21)."},{"i":11906,"b":"Besluit van 10 maart 2010, houdende vaststelling van het eedformulier voor de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (Besluit beëdiging Gevolmachtigde Ministers) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 januari 2010, nr. 2010-0000002299, CZW/WSG; Gelet op [artikel 9 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=9); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 3 februari 2010, nr. W04.10.0010/I/K)); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 3 maart 2010, nr. 2010-0000136599; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, eerste lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. Artikel 1 Het formulier van de eed (verklaring en belofte) die de Gevolmachtigde Minister van Aruba ingevolge [artikel 9 van het Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154&artikel=9) aflegt alvorens zijn betrekking te aanvaarden, luidt als volgt: «Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot Gevolmachtigde Minister te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Staatsregeling van Aruba. Ik zweer (beloof) dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt, getrouw zal vervullen. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat verklaar en beloof ik!)» Artikel 2 Het formulier van de eed (verklaring en belofte), die de Gevolmachtigde Minister van Curaçao in"},{"i":11782,"b":"Beleidsregel Programma van eisen en besteksbepalingen voor ADL-clusterprojecten Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 44 AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=44) en [artikel 2.7.1 van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&artikel=2.7.1) alsmede artikel 2, sub b, van het Mandaterings- en volmachtbesluit College voor zorgverzekeringen; Heeft op 14 december 2006 besloten: Artikel 1 Een ADL-cluster als bedoeld in de [paragrafen 2.7 tot en met 2.9 van de Regeling subsidies AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019161&paragraaf=2.7) dient te zijn gebouwd in overeenstemming met de bij deze beleidsregel gevoegde bijlage met als titel Programma van eisen en besteksbepalingen voor ADL-clusterprojecten. Artikel 2 Deze beleidsregel kan worden aangehaald als Beleidsregel Programma van eisen en besteksbepalingen voor ADL-clusterprojecten en treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2007. Bijlage Ligt ter inzage in de bibliotheek van het College voor zorgverzekeringen. Deze beleidsregel zal met de toelichting maar zonder de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlage ligt met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin deze beleidsregel wordt geplaatst ter inzage in de bibliotheek van het College voor zorgverzekeringen."},{"i":13126,"b":"Bijstellingsregeling 2004 Gelet op [hoofdstuk 10, afdeling 10.1, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&afdeling=10.1), de [artikelen 30a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=30a),[31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=31) en [33 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007746&artikel=33), [artikel 35a van de Successiewet 1956](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002226&artikel=35a), [artikel 8 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002645&artikel=8), zoals dat luidt met ingang van 1 februari 2004 en [artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007230&artikel=2); Besluit: Artikel I 1. Voor de berekening van de bij het begin van het kalenderjaar 2004 toe te passen tabelcorrectiefactor als bedoeld in [artikel 10.2 van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.2) wordt als gemiddelde prijsindexcijfer over de dertigste tot en met negentiende aan het kalenderjaar voorafgaande maand in aanmerking genomen het gemiddelde van de prijsindexcijfers over die maanden uit de ‘Consumentenprijsindex, Alle Huishoudens, afgeleid’, reeks 2000 = 100, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, zoals deze zijn gepubliceerd in het nummer van het Statistisch Bulletin waarin het indexcijfer van de zevende aan het kalenderjaar voorafgaande maand voor het eerst is gepubliceerd. 2. Voor de berekening van de bij het begin van het kalenderjaar 2004 toe te passen factor ih als bedoeld in [artikel 10.3 van de Wet IB 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.3) wordt als indexcijfer van de woninghuren over juli van het tweede voorafgaande kalenderjaar in aanmerking genomen het indexcijfer over die maand zoals dat"},{"i":11845,"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 12 oktober 2022, kenmerk 2022039003, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2023 (Beleidsregels Risicoverevening 2023) gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), en [34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34); Besluit: Hoofdstuk 1. I Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - **aanpassingsklasse:** een klasse waarvan het gewicht in verband met de toepassing van criteriumneutraliteit wordt aangepast; - **AVI:** AVI als bedoeld in [artikel 1 van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - **BASIC:** databestand van Vektis met zorgkosten en kenmerken van Zvw-verzekerden; - **belastingdienstbestand:** het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand met inkomensgegevens en gepseudonimiseerde adresgegevens per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar; - **Bzv:** [Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492); - **COVID-19:** de ziekte die door het virus SARS-CoV-2 veroorzaakt wordt; - **COVID-correctiefactor:** een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor de effecten van COVID-19. Er zijn COVID-correctiefactoren voor de criteria FKG_C, DKG_C, HKG_C en FDG_C. Deze correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2023 die gepubliceerd wordt op de website [www.zorginstituutnederland.nl](onbekend); - **criterium:** een vereveningscriterium; - **DKG_C:** DKG’s als bedoeld in [artikel 1 van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - **DKG_G:** DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1 van het Bzv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - **FDG_C:** F"},{"i":11852,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 april 2013, nr. INDUIT13-273, houdende vaststelling van beleidsregels betreffende de vergoeding van tolken bij het horen van vreemdelingen in het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Beleidsregels tolkenvergoeding Immigratie- en Naturalisatiedienst) Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder tolken: zij die door de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid worden ingeschakeld bij het horen van vreemdelingen in het kader van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Artikel 2 1. Aan tolken wordt voor de duur van verrichte tolkwerkzaamheden vanaf 1 januari 2023 een vergoeding van € 55,00 per uur toegekend. 2. De duur van de tolkdienst wordt zonder afronding berekend in minuten. Artikel 3 1. Korte (koffie-)pauzes worden doorbetaald, langere (lunch-) pauzes worden niet vergoed. De duur van de lunchpauze bedraagt maximaal een uur en wordt voorafgaand aan de pauze door de Immigratie- en Naturalisatiedienst kenbaar gemaakt aan de tolk. 2. De tolk heeft recht op vergoeding vanaf het moment dat hij op de geplande tijd aanwezig is, totdat hem kenbaar wordt gemaakt dat er geen gebruik meer van zijn diensten zal worden gemaakt. De tijd tussen twee gehoren in wordt niet vergoed, tenzij expliciet aan de tolk is gevraagd zich ter beschikking te houden. Een tolk wordt niet aangemerkt als beschikbaar voor een tolkdienst indien hij tezelfdertijd al een andere (telefonische) tolkdienst verricht. 3. Indien de opdracht op locatie of per VC (met digitale beeld- en geluidverbinding) door de Immigratie- en Naturalisatiedienst korter dan 24 uur maar langer dan 4 uur voor de geplande aanvang wordt geannuleerd, heeft de tolk recht op vergoeding van 2 werkuren. Wanneer de tolkdienst 4 uur of korter van tevoren wordt geannuleerd, heeft de tolk recht op vergoeding van 2 werkuren en, wanneer het een opdracht op locatie bet"},{"i":13144,"b":"Compensatieregeling Coronacrisis Kunsthallen Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Artikel 1. Definities In de regeling wordt verstaan onder: - 1. **het fonds:** het Mondriaan Fonds, - 2. **het bestuur:** de directeur-bestuurder van het fonds, - 3. **eigen inkomsten:** de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de goedgekeurde jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening: Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten: - a. publieksinkomsten; en - b. overige inkomsten, zijnde: - 1. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten; - 2. indirecte opbrengsten; en - 3. overige bijdragen. - a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan; - b. overige bijdragen uit publieke middelen; - c. rentebaten; - d. bijdragen in natura; - e. kapitalisatie van vrijwilligers; - f. waardering vrijkaarten; en - g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap. - 4. **kunsthal:** een publiekstoegankelijke instelling zonder eigen collectie, die als kerntaak wisselende tentoonstellingen realiseert op het gebied van beeldende kunst, cultureel erfgoed, architectuur, vormgeving & design en/of eigentijdse beeldcultuur. Artikel 2. Doel Het fonds kan subsidie verstrekken in de vorm van een bijdrage aan kunsthallen die van vitaal belang zijn voor de lokale culturele infrastructuur en die liquiditeitsproblemen hebben of verwachten te krijgen, om deze kunsthallen zo veel mogelijk in stand te houden. Artikel 3. Doelgroep De bijdrage kan worden aangevraagd door een in Nederland gevestigde kunsthal die: - a. in de jaren 2018 en 2019 gemiddeld meer dan 30.000 betalende bezoekers trok; en - b. toegankelijk is met een Museumkaart, het Cultureel Jongeren Paspoort (CJP) en/of een ICOM-kaart; en - c. als primair doel geen winstoogmerk heeft; en - d. in het bezit is van de ANBI-status. Artikel 4. Voorwaarden"},{"i":12573,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 22 oktober 2013, nr. 439394, houdende toepassing van artikel 21b, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (Besluit sluiting overige zittingsplaatsen) Gelet op [artikel 21b, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21b); Gehoord de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal Besluit: Artikel 1 In dit Besluit wordt verstaan onder overige zittingsplaatsen: de zittingsplaatsen die op grond van [artikel CVI van de Wet herziening gerechtelijke kaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031789&artikel=CVI) zijn aangemerkt als zittingsplaatsen die krachtens [artikel 21b, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=21b) door de minister zijn aangewezen. Artikel 2 De aanwijzing van de volgende overige zittingsplaatsen wordt per 1 november 2013 beëindigd: Rechtbank Den Haag: Alphen aan den Rijn Rechtbank Gelderland: Groenlo Harderwijk Terborg Tiel Wageningen Rechtbank Limburg: Sittard-Geleen Venlo Rechtbank Midden-Nederland: Hilversum Rechtbank Oost-Brabant: Boxmeer Helmond Rechtbank Rotterdam: Den Briel Gorinchem Middelharnis Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Terneuzen Artikel 3 De aanwijzing van de volgende overige zittingsplaatsen wordt per 1 januari 2014 beëindigd: Rechtbank Den Haag: Delft Rechtbank Limburg: Heerlen Rechtbank Overijssel: Deventer Artikel 4 De aanwijzing van de volgende overige zittingsplaats wordt per 1 april 2014 beëindigd: Rechtbank Noord-Holland: Den Helder Artikel 5 De aanwijzing van de volgende overige zittingsplaats wordt per 1 juli 2014 beëindigd: Rechtbank Noord-Holland: Hoorn Artikel 6 Dit Besluit treedt in werking met ingang van 1 november 2013. Dit Besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12602,"b":"Besluit tijdelijke toekenning carrierselectie-nummers Gelet op [artikel 4.2, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.2); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Indien de carrierselectie-dienst met gebruikmaking van de daarvoor in het nummerplan bestemde, met de cijfers 1 en 6 beginnende viercijferige nummers, naar het oordeel van het college niet naar behoren kan worden verzorgd, kan het college, in afwijking van het bepaalde in bijlage 1 van het nummerplan, voor die bestemming een viercijferig nummer toekennen beginnende met de cijfers 1 en 7. 2. De mogelijkheid om op grond van dit besluit nummers toe te kennen als bedoeld in het eerste lid vervalt een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, dan wel indien het in voorbereiding zijnde besluit tot wijziging van het nummerplan met dezelfde strekking als dit besluit eerder in werking treedt, op die eerdere datum van inwerkingtreding van bedoelde nummerplanwijziging. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijke toekenning carrier-selectie-nummers. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14594,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 4 oktober 2019, kenmerk 1562477-193693-Z, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2020 (Regeling risicoverevening 2020) Gelet op [artikel 32, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32) en de [artikelen 1, onderdelen i, j, aa en ii](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1), [3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.1), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.2), [3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.4), [3.6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.6), [3.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.8), [3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.10), [3.11, derde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.11), [3.12a](onbekend), [3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.13), [3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.14), [3.15, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.15), [3.19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.19), en [3.22, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=3.22); Besluit: Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **dure intramurale geneesmiddelen:** intramurale geneesmiddelen die de zorg, bedoeld in [artikel 2.4, eerste lid, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4) krachtens het tweede lid van dat artikel, of [artikel 2.4a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4a), van dat besluit niet omvat. Artikel 2 1. Het macro-prestatiebedrag voor het ja"},{"i":17401,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 oktober 2020, nr. WJZ/20254079, houdende regels voor het verstrekken van eenmalige specifieke uitkeringen in verband met de uitvoering van het interbestuurlijk programma ‘Veenplan 1e fase’ (Regeling specifieke uitkering Impuls Veenweiden) Gelet op [artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **gebiedsplan Impuls Veenweiden:** plan per provincie waarin staat aangegeven op welke wijze invulling gegeven wordt aan een samenhangende, gebiedsgerichte aanpak in een of meerdere van de gebieden, waar het interbestuurlijk programma ‘Veenplan 1e fase’ zich op richt; - **interbestuurlijk programma ‘Veenplan 1e fase’:** programma voor de aanpak van de veenweideproblematiek, zoals beschreven in de brief van 13 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 32 813, nr. 562) en de activiteiten op grond van die brief; - **minister:** Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - **provincie:** provincie die uitvoering geeft aan het gebiedsplan Impuls Veenweiden; - **uitvoeringsactiviteiten:** activiteiten in het kader van het doel, de aanpak of de beoogde resultaten als bedoeld in een gebiedsplan Impuls Veenweiden, alsmede werkzaamheden ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht op die activiteiten. Artikel 2. Specifieke uitkering 1. De minister kan een eenmalige specifieke uitkering voor uitvoeringsactiviteiten verstrekken aan een provincie. 2. Er wordt per gebiedsplan Impuls Veenweiden één specifieke uitkering verstrekt. Artikel 3. Hoogte van de uitkering De specifieke uitkering bedraagt ten hoogste het bedrag, inclusief de BTW, opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Artikel 4. Aanvraag tot verlening 1. Een specifieke uitkering wordt op aanvraag verstrekt. 2. De aanvraag bevat in ieder geval: - a. de hoogte van de gevraagde specifieke uitker"},{"i":14647,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 6 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/243381, houdende vaststelling taken van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (Regeling taken Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen) Gelet op [artikel 4aa, derde lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aa), de [artikelen 27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=27), en [28, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=28), [artikel 2.8, vierde lid, van de Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800&artikel=2.8) en [artikel 11, eerste lid, onder c, van het Besluit inzamelen afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016530&artikel=11); BESLUIT: Artikel 1. Taken Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen Onverminderd [artikel 4aa, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=4aa) is het CBR belast met de volgende taken: - a. het ontwikkelen, afnemen en actueel houden van examens strekkende tot de beoordeling van de vakbekwaamheid voor de volgende beroepen in de sector transport en logistiek: - 1°. directiechauffeur; - 2°. goederenchauffeur in aanvulling op de wettelijke rijbewijs- en vakbekwaamheidsexamens; - 3°. taxichauffeur in aanvulling op de wettelijke vakbekwaamheidsexamens. - b. het certificeren van opleidingen ter voorbereiding op de onder a, aanhef en onder 1° tot en met 4°, bedoelde examens, het houden van toezicht op deze opleidingen en het registreren van opleidingsdagen voor deze opleidingen. - c. het met betrekking tot de opbouw en de beoordeling van de deskundigheid, bedoeld in [hoofdstuk 4a van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030215&hoofdstuk=4a), van bemanningsleden van binnenvaartschepen die vloeibaar aardgas als brandstof gebruiken: -"},{"i":14653,"b":"Regeling tarieven Airport Coordination Netherlands 2021 Gelet op [artikel 8a.67 Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.67), Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ACNL:** Airport Coordination Netherlands; - b. **algemene luchtvaart:** alle luchtvaart niet zijnde handelsverkeer; - c. **boekjaar 2021:** het jaar dat loopt van 1 april 2021 tot en met 31 maart 2022 - d. **gebruiker:** een luchtvaartmaatschappij alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij; - e. **handelsverkeer:** verkeersvluchten van luchtvaartmaatschappijen die open staan voor individuele boekingen voor passagiers, vracht of post, en die betreffen: geregelde vluchten, zijnde lijnvluchten of commerciële vluchten uitgevoerd op een vaste route volgens een gepubliceerde dienstregeling, en niet-geregelde vluchten, zijnde chartervluchten in het passagiers- en vrachtvervoer of commerciële vluchten met een ongeregeld karakter; - f. **luchthaven:** een luchthaven waarvoor ACNL is belast met de taken die de slotcoördinator op grond van de slotverordening heeft; - g. **slotverordening:** [Verordening nr. 95/93](31993R0095) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van slots op communautaire luchthavens (PbEG L14). Artikel 2 - 2.1. De vergoeding voor een gebruiker van een luchthaven per gebruikt slot bedraagt € 2,46. - 2.2. De gezamenlijke vergoeding voor het boekjaar 2021–2022 bedraagt voor de exploitanten van de luchthavens Amsterdam Airport Schiphol, Rotterdam-The Hague Airport en Eindhoven Airport € 729.500,=. De verdeling over deze luchthavens vindt plaats op basis van de met slots gerealiseerde of gefaciliteerde bewegingen in het boekjaar 2020–2021. - 2.3. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de vergoeding indien de gebruiker van een luchthaven het slot heeft gebruikt ten behoeve van de algemene luchtvaart € 0. Ar"},{"i":14654,"b":"Regeling tarieven Airport Coordination Netherlands 2022 Gelet op [artikel 8a.67 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.67), Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ACNL:** Airport Coordination Netherlands; - b. **algemene luchtvaart:** alle luchtvaart niet zijnde handelsverkeer; - c. **boekjaar 2022:** het jaar dat loopt van 1 april 2022 tot en met 31 maart 2023 - d. **gebruiker:** een luchtvaartmaatschappij alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij; - e. **handelsverkeer:** verkeersvluchten van luchtvaartmaatschappijen die open staan voor individuele boekingen voor passagiers, vracht of post, en die betreffen: geregelde vluchten, zijnde lijnvluchten of commerciële vluchten uitgevoerd op een vaste route volgens een gepubliceerde dienstregeling, en niet-geregelde vluchten, zijnde chartervluchten in het passagiers- en vrachtvervoer of commerciële vluchten met een ongeregeld karakter; - f. **luchthaven:** een luchthaven waarvoor ACNL is belast met de taken die de slotcoördinator op grond van de slotverordening heeft; - g. **slotverordening:** [Verordening (EEG) Nr. 95/93](31993R0095) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van slots op communautaire luchthavens (PbEG L14). Artikel 2 2.1. De vergoeding voor een gebruiker van een luchthaven per gebruikt slot bedraagt € 1,92. 2.2. De gezamenlijke vergoeding voor het boekjaar 2022 – 2023 bedraagt voor de exploitanten van de luchthavens Amsterdam Airport Schiphol, Rotterdam-The Hague Airport en Eindhoven Airport € 896.000,=. De verdeling over deze luchthavens vindt plaats op basis van de met slots gerealiseerde of gefaciliteerde bewegingen in het boekjaar 2021 – 2022. 2.3. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de vergoeding indien de gebruiker van een luchthaven het slot heeft gebruikt ten behoeve van de algemene luchtva"},{"i":14655,"b":"Regeling tarieven Airport Coordination Netherlands 2023 Gelet op [artikel 8a.67 Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.67), Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ACNL:** Airport Coordination Netherlands; - b. **algemene luchtvaart:** alle luchtvaart niet zijnde handelsverkeer; - c. **boekjaar 2023:** het jaar dat loopt van 1 april 2023 tot en met 31 maart 2024 - d. **gebruiker:** een luchtvaartmaatschappij alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij; - e. **handelsverkeer:** verkeersvluchten van luchtvaartmaatschappijen die open staan voor individuele boekingen voor passagiers, vracht of post, en die betreffen: geregelde vluchten, zijnde lijnvluchten of commerciële vluchten uitgevoerd op een vaste route volgens een gepubliceerde dienstregeling, en niet-geregelde vluchten, zijnde chartervluchten in het passagiers- en vrachtvervoer of commerciële vluchten met een ongeregeld karakter; - f. **luchthaven:** een luchthaven waarvoor ACNL is belast met de taken die de slotcoördinator op grond van de slotverordening heeft; - g. **slotverordening:** [Verordening nr. 95/93](31993R0095) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van slots op communautaire luchthavens (PbEG L14). Artikel 2 2.1. De vergoeding voor een gebruiker van een luchthaven per gebruikt slot bedraagt € 1,92. 2.2. De gezamenlijke vergoeding voor het boekjaar 2023–2024 bedraagt voor de exploitanten van de luchthavens Amsterdam Airport Schiphol, Rotterdam-The Hague Airport en Eindhoven Airport € 968.950,–. De verdeling over deze luchthavens vindt plaats op basis van de met slots gerealiseerde of gefaciliteerde bewegingen in het boekjaar 2022–2023. 2.3. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de vergoeding indien de gebruiker van een luchthaven het slot heeft gebruikt ten behoeve van de algemene luchtvaart € 0. Artikel"},{"i":14656,"b":"Regeling tarieven Airport Coordination Netherlands 2024 Gelet op [artikel 8a.67 Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.67), Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ACNL:** Airport Coordination Netherlands; - b. **algemene luchtvaart:** alle luchtvaart niet zijnde handelsverkeer; - c. **boekjaar 2024:** het jaar dat loopt van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025; - d. **gebruiker:** een luchtvaartmaatschappij alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij; - e. **handelsverkeer:** verkeersvluchten van luchtvaartmaatschappijen die open staan voor individuele boekingen voor passagiers, vracht of post, en die betreffen: geregelde vluchten, zijnde lijnvluchten of commerciële vluchten uitgevoerd op een vaste route volgens een gepubliceerde dienstregeling, en niet-geregelde vluchten, zijnde chartervluchten in het passagiers- en vrachtvervoer of commerciële vluchten met een ongeregeld karakter, inclusief positioneringsvluchten ter ondersteuning van lijnvluchten of chartervluchten; - f. **luchthaven:** een luchthaven waarvoor ACNL is belast met de taken die de slotcoördinator op grond van de slotverordening heeft; - g. **slotverordening:** [Verordening nr. 95/93](31993R0095) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van slots op communautaire luchthavens (PbEG L14). Artikel 2 1. De vergoeding voor een gebruiker van een luchthaven per gebruikt slot bedraagt € 1,88. 2. De gezamenlijke vergoeding voor het boekjaar 2024 – 2025 bedraagt voor de exploitanten van de luchthavens Amsterdam Airport Schiphol, Rotterdam-The Hague Airport en Eindhoven Airport € 968.293,=. De verdeling over deze luchthavens vindt plaats op basis van de met slots gerealiseerde of gefaciliteerde bewegingen in het boekjaar 2023 – 2024. 3. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de vergoeding indien de gebruiker van een"},{"i":14657,"b":"Regeling tarieven Airport Coordination Netherlands 2025 Gelet op [artikel 8a.67 Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.67), Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ACNL:** Airport Coordination Netherlands; - b. **algemene luchtvaart:** alle luchtvaart niet zijnde handelsverkeer; - c. **boekjaar 2025:** het jaar dat loopt van 1 april 2025 tot en met 31 maart 2026 - d. **gebruiker:** een luchtvaartmaatschappij alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij; - e. **handelsverkeer:** verkeersvluchten van luchtvaartmaatschappijen die open staan voor individuele boekingen voor passagiers, vracht of post, en die betreffen: geregelde vluchten, zijnde lijnvluchten of commerciële vluchten uitgevoerd op een vaste route volgens een gepubliceerde dienstregeling, en niet-geregelde vluchten, zijnde chartervluchten in het passagiers- en vrachtvervoer of commerciële vluchten met een ongeregeld karakter, inclusief positioneringsvluchten ter ondersteuning van lijnvluchten of chartervluchten; - f. **luchthaven:** een luchthaven waarvoor ACNL is belast met de taken die de slotcoördinator op grond van de slotverordening heeft; - g. **slotverordening:** [Verordening nr. 95/93](31993R0095) (EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van slots op communautaire luchthavens (PbEG L14). Artikel 2 1. De vergoeding voor een gebruiker van een luchthaven per gebruikt slot bedraagt € 1,63. 2. De gezamenlijke vergoeding voor het boekjaar 2025 – 2026 bedraagt voor de exploitanten van de luchthavens Amsterdam Airport Schiphol, Rotterdam-The Hague Airport en Eindhoven Airport € 864.800,=. De verdeling over deze luchthavens vindt plaats op basis van de met slots gerealiseerde of gefaciliteerde bewegingen in het boekjaar 2024 – 2025. 3. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de vergoeding indien de gebruiker van"},{"i":14658,"b":"Regeling tarieven Airport Coordination Netherlands 2026 Gelet op [artikel 8a.67 Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.67), Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ACNL:** Airport Coordination Netherlands; - b. **algemene luchtvaart:** alle luchtvaart niet zijnde handelsverkeer; - c. **boekjaar 2026:** het jaar dat loopt van 1 april 2026 tot en met 31 maart 2027 - d. **gebruiker:** een luchtvaartmaatschappij alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij; - e. **handelsverkeer:** verkeersvluchten van luchtvaartmaatschappijen die open staan voor individuele boekingen voor passagiers, vracht of post, en die betreffen: geregelde vluchten, zijnde lijnvluchten of commerciële vluchten uitgevoerd op een vaste route volgens een gepubliceerde dienstregeling, en niet-geregelde vluchten, zijnde chartervluchten in het passagiers- en vrachtvervoer of commerciële vluchten met een ongeregeld karakter, inclusief positioneringsvluchten ter ondersteuning van lijnvluchten of chartervluchten; - f. **luchthaven:** een luchthaven waarvoor ACNL is belast met de taken die de slotcoördinator op grond van de slotverordening heeft; - g. **slotverordening:** [Verordening nr. 95/93](31993R0095) (EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van slots op communautaire luchthavens (PbEG L14). Artikel 2 2.1. De vergoeding voor een gebruiker van een luchthaven per gebruikt slot bedraagt € 1,71. 2.2. De gezamenlijke vergoeding voor het boekjaar 2026 – 2027 bedraagt voor de exploitanten van de luchthavens Amsterdam Airport Schiphol, Rotterdam-The Hague Airport en Eindhoven Airport € 912.350,–. De verdeling over deze luchthavens vindt plaats op basis van de met slots gerealiseerde of gefaciliteerde bewegingen in het boekjaar 2025 – 2026. 2.3. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de vergoeding indien de gebruik"},{"i":14659,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2014, nr. IENM/BSK-2014/265143, houdende vaststelling van de tarieven inzake bewegwijzering (Regeling tarieven bewegwijzering) Gelet op [artikel 153a van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=153a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (ontwerpen voor bewegwijzering) in werking treedt. Artikel 1 Het tarief, bedoeld in [artikel 153a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=153a), bedraagt: - a. € 28 per kalenderjaar, per verkeersteken dat voor de desbetreffende wegbeheerder of eigenaar als bewegwijzeringsobject onderdeel uitmaakt van de categorie bewegwijzering, bepaald naar de peildatum van 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het tarief betrekking heeft, te betalen na ontvangst van de daarvoor opgemaakte factuur, binnen dertig dagen na ontvangst daarvan; - b. € 98, € 109 of € 120 per uur, voor opdrachten van wegbeheerders of eigenaren, door de Minister van Infrastructuur en Milieu te bepalen naar rato van de inzet bij de uitvoering van de opdracht van medewerkers op verschillende niveaus van ervaring en deskundigheid. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [wet van 9 juli 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035492), Stb. 313, tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de ontwerpen voor bewegwijzering, in werking treedt. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tarieven bewegwijzering. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14660,"b":"Regeling tarieven CBR 2012 Overwegende dat door de Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van de [regeling van 14 mei 1996](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008042), Staatscourant 101, goedkeuring is verleend aan de door het CBR te hanteren tarieven voor het jaar 2012; Besluit: Artikel 1 De tarieven van de CBR-examens op grond van de [Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622) luiden als volgt: | | | | | --- | --- | --- | | Eigen verklaring (voor Verklaring van geschiktheid) | € | 23,40 | | | | | | **Theorie-examen** | | | | Theorie-examen A, B en AM klassikaal | € | 34,00 | | Toeslag theorie-examen A, B en AM individueel | € | 37,55 | | Toeslag klassikaal theorie-examen andere talen | € | 5,30 | | | | | | **Praktijkexamen** | | | | AM (bromfiets) | € | 97,15 | | AM (brommobiel) | € | 97,15 | | A Voertuigbeheersing | € | 46,70 | | A Verkeersdeelneming | € | 109,35 | | B | € | 94,75 | | B-faalangst | € | 159,70 | | E bij B | € | 94,75 | | | | | | Toeslag spoedbehandeling | € | 16,45 | | Toeslag afroep-praktijkexamen A, B, E bij B | € | 16,45 | | | | | | **Tussentijdse toets** | | | | A Verkeersdeelneming | € | 94,75 | | B | € | 94,75 | | E bij B | € | 94,75 | | | | | | **Rijopleiding in Stappen: praktijkexamen B** | | | | Toets 3/tussentijdse toets | € | 94,75 | | Praktijkexamen B | € | 94,75 | | | | | | **Tarieven nader onderzoek rijvaardigheid** | | | | AM (Bromfiets) | € | 115,70 | | AM (Brommobiel) | € | 115,70 | | A Verkeersdeelneming | € | 134,70 | | B | € | 104,85 | | B-faalangst | € | 159,70 | | E bij B | € | 104,85 | | C | € | 174,90 | | D | € | 174,90 | | E bij C en D | € | 174,90 | | | | | | Toeslag spoedbehandeling | € | 16,45 | | Toeslag afroep-examen | € | 16,45 | | | | | | **Tussentijdse toets nader onderzoek rijvaardigheid** | | | | A Verkeersdeelneming | € | 104,85 | | B | € | 104,85 | | E bij B | € | 104,85 | | | | | | **Theorie-examen CCV** | | | | Theorie R/V1 (verkeer & techniek meerkeuzevragen) | € | 62,"},{"i":14661,"b":"Regeling Tarieven CBR 2014 Gelet op de [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009), [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555), [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), [Wet Personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470); [Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606) en [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Tarieven Artikel 1.1. Valuta De tarieven zijn weergegeven in euro en exclusief BTW. Artikel 1.2. Tarieven [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009) Tarieven van producten die hun grondslag vinden in de [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009) worden door de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld in de [Regeling tarieven scheepvaart 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017739) en zijn vermeld in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037648&bijlage=I&z=2014-01-01&g=2014-01-01). Artikel 1.3. Tarieven[Wegenverkeerswet 1994](onbekend) Tarieven van producten die hun grondslag vinden in de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend) en niet geregeld zijn in de [Regeling taken Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032377) zijn vermeld in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037648&bijlage=II&z=2014-01-01&g=2014-01-01). Artikel 1.4. Tarieven [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) Tarieven van producten die hun grondslag vinden in de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) en niet geregeld zijn in de [Regeling taken Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032377) worden door de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld en zijn vermeld in [bijlage III]("},{"i":14662,"b":"Regeling tarieven Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen 2015 Gelet op de [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009), [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555), [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), [Wet Personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470); [Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606) en [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800); Besluit: Hoofdstuk 1. Tarieven Artikel 1.1. Valuta De tarieven zijn weergegeven in euro en exclusief BTW. Artikel 1.2. Tarieven [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009) Tarieven van producten die hun grondslag vinden in de [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009) worden door de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld in de [Regeling tarieven scheepvaart 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017739) en zijn vermeld in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037649&bijlage=I&z=2015-01-01&g=2015-01-01). Artikel 1.3. Tarieven [Wegenverkeerswet 1994](onbekend) Tarieven van producten die hun grondslag vinden in de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend) en niet geregeld zijn in de [Regeling taken Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032377) zijn vermeld in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037649&bijlage=II&z=2015-01-01&g=2015-01-01). Artikel 1.4. Tarieven [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) Tarieven van producten die hun grondslag vinden in de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) en niet geregeld zijn in de [Regeling taken Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032377) worden door de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld en zijn vermeld in [bijlage III](https://wetten.overheid.nl"},{"i":14663,"b":"Regeling tarieven Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen 2026 Gelet op de [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009), [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555), [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245), [Wet Personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470); [Wet vervoer gevaarlijke stoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007606) en [Wet wegvervoer goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024800); Besluit: Hoofdstuk 1. Tarieven Artikel 1.1. Valuta De tarieven zijn weergegeven in euro en vrijgesteld van BTW. Artikel 1.2. Tarieven [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009) Tarieven van producten die hun grondslag vinden in de [Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009) zijn vermeld in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051913&bijlage=I&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Artikel 1.3. Tarieven [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), met uitzondering van de tarieven die hun grondslag vinden in de [artikelen 132a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132a), [132c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132c), [133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=133), [134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=134) en [149 Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149) Tarieven van producten die hun grondslag vinden in de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), met uitzondering van de tarieven voor de producten die hun grondslag vinden in de [artikelen 132a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132a), [132c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132c), [133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=133), [134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=134) en [149 Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":14664,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 april 2021, nr. WJZ/ 21073844, houdende vaststelling van tarieven van retributies voor identificatie en registratie Wet dieren (Regeling tarieven identificatie en registratie Wet dieren) Gelet op verordening (EU) nr. 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 999/2001](32001R0999), [(EG) nr. 396/2005](32005R0396), [(EG) nr. 1069/2009](32009R1069), [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107), (EU) [nr. 1151/2012](32012R1151), (EU) [nr. 652/2014](32014R0652), (EU) [2016/429](32329R2016) en (EU) [2016/2031](32031R2016) van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen [(EG) nr. 1/2005](32005R0001) en [(EG) nr. 1099/2009](32009R1099) van de Raad en de Richtlijnen [98/58/EG](31958R0098), [1999/74/EG](31974R1999), [2007/43/EG](31943R2007), [2008/119/EG](32019R2008) en [2008/120/EG](32020R2008) van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen [(EG) nr. 854/2004](32004R0854) en [(EG) nr. 882/2004](32004R0882) van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen [89/608/EEG](32508R0089), [89/662/EEG](32562R0089), [90/425/EEG](32325R0090), [91/496/EEG](32396R0091), [96/23/EG](31923R0096), [96/93/EG](31993R0096) en [97/78/EG](31978R0097) van de Raad en Besluit [92/438/EEG](32338R0092) van de Raad (verordening officiële controles) (PB EU 2017, L 095), en [artikel 9.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=9.1); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **geautomatiseerde gegevensbestand:** geautomatiseerd gegevensbestand als bedoeld in artikel 109 van verordening (EU) nr. 2016/429; - **in"},{"i":14665,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 20 juni 2012, nr. MEVA/BO-3118604, houdende de vaststelling van tarieven inzake de registratie van beroepsbeoefenaren van beroepen in de individuele gezondheidszorg Gelet op [artikel 4, tweede lid van het Registratiebesluit BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007648&artikel=4); Besluit: Artikel 1 Bij het indienen van een aanvraag als bedoeld in [artikel 5, eerste lid, eerste volzin van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=5) wordt door de aanvrager aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een bedrag van € 85,– betaald. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2012. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tarieven registratie beroepsbeoefenaren Wet BIG. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Artikel 1a Bij het indienen van een aanvraag van een verpleegkundige tot vermelding in het register van de bevoegdheid van de aanvrager de krachtens [artikel 36, veertiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=36), aangewezen UR-geneesmiddelen voor te schrijven, wordt door de aanvrager aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een bedrag van € 85,– betaald. Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14666,"b":"Regeling tarieven Schepenwet 1999 Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen en de Minister van Vervoer en Communicatie van Aruba; Gelet op [artikel 72, eerste lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=72); Besluit: Hoofdstuk 1. Tarieven certificaten geklasseerde schepen volgens het geharmoniseerde systeem van onderzoek en certificering Artikel 1 Tarieven certificaten geklasseerde schepen volgens het geharmoniseerde systeem van onderzoek en certificering Artikel 1 Voor het onderzoek van geklasseerde passagiersschepen en de verdere werkzaamheden nodig voor de eerste afgifte van certificaten, volgens het geharmoniseerde systeem van onderzoek en certificering, is het tarief verschuldigd, genoemd in onderstaande tabel: | | **Tonnage** | | | | | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Scheepstype | tot 500 GT | 500 tot 2000 GT | 2000 tot 6000 GT | 6000 tot 9000 GT | vanaf 9000 GT | | Passagiersschip | f 45307,- | f 61490,- | f 94413,- | f 132908,- | f 213728,- | Artikel 2 Voor het onderzoek van geklasseerde passagiersschepen en de verdere werkzaamheden nodig voor de hernieuwde afgifte van certificaten, volgens het geharmoniseerde systeem van onderzoek en certificering, is het tarief verschuldigd, genoemd in onderstaande tabel: | | **Tonnage** | | | | | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | Scheepstype | tot 500 GT | 500 tot 2000 GT | 2000 tot 6000 GT | 6000 tot 9000 GT | vanaf 9000 GT | | Passagiersschip | f 5878,- | f 6201,- | f 9637,- | f 12192,- | f 25364,- | Artikel 3 Voor het onderzoek van geklasseerde vracht- en tankschepen en de verdere werkzaamheden nodig voor de eerste afgifte van certificaten, volgens het geharmoniseerde systeem van onderzoek en certificering, is het tarief verschuldigd, genoemd in onderstaande tabel: | | **Tonnage** | | | | | --- | --- | --- | --- | --- | | Scheepstype | tot 2000 GT | 2000 tot 6000 GT | 6000 tot 9000 GT | vanaf 9000 GT | | Vrachtschip"},{"i":14667,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juni 2015, 2015-0000341400, houdende de vaststelling van tarieven voor veiligheidsonderzoeken als bedoeld in artikel 9a van de Wet veiligheidsonderzoeken (Regeling tarieven veiligheidsonderzoeken) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie, Gelet op [artikel 9a van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=9a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **werkgever:** de werkgever, bedoeld in [artikel 1, tweede en derde lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=1); - b. **aanmelding:** een aanmelding door de werkgever van een persoon die hij wil belasten met de vervulling van een vertrouwensfunctie, bedoeld in [artikel 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=4), of artikel [5, eerste lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=5); - c. **veiligheidsonderzoek:** een veiligheidsonderzoek als bedoeld in de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=7) en [9 van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=9); - d. **verklaring:** een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277&artikel=1). Artikel 2 1. Voor het verrichten van een veiligheidsonderzoek op A-niveau is de werkgever een tarief van € 3.113,– verschuldigd. 2. Voor het verrichten van een veiligheidsonderzoek op B-niveau is de werkgever een tarief van € 829,– verschuldigd. 3. Voor het verrichten van een veiligheidsonderzoek op C-niveau is de werkgever een tarief van € 688,– verschuldigd. 4. Voor het verrichten van een veiligheidsonderzoek burgerluchtvaart (BL) is de werkgever een tarief van € 189,– verschuldigd. Artikel 3 Een betaalverplichting voor de werkgever o"},{"i":14668,"b":"Regeling tarieven vissersvaartuigen 1999 Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen en de Minister van Vervoer en Communicatie van Aruba; Gelet op [artikel 72, eerste lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=72); Besluit: Artikel 1 1. De in deze regeling genoemde tarieven zijn verschuldigd voor het verrichten van werkzaamheden of diensten door ambtenaren van Aruba. 2. Indien de in deze regeling genoemde certificaten door de Scheepvaart-in-spectie van Aruba worden afgegeven, luiden de in deze regeling genoemde tarieven in het betaalmiddel van Aruba. Artikel 2 In deze regeling wordt verstaan onder certificaat: het certificaat van deugdelijkheid, bedoeld in [artikel 22 van het Vissersvaartuigenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=22). Artikel 3 1. Voor het onderzoek van vissersvaartuigen en de verdere werkzaamheden nodig voor de eerste afgifte van certificaten, is het tarief verschuldigd, genoemd in onderstaande tabel: | **lengte** | **niet-geklas-** **seerde vaar-** **tuigen** | **geklasseerde** **vaartuigen** | | --- | --- | --- | | tot 24 meter | f 11.512,- | - | | vanaf 24 meter | f 26.048,- | f 14.257,- | 2. Voor het onderzoek van niet-geklasseerde mosselvaartuigen met een lengte van 24 meter of meer en de verdere werkzaamheden nodig voor de eerste afgifte van certificaten is, in afwijking van het eerste lid, een tarief verschuldigd van f 22.428,-. 3. 3. Voor het onderzoek en de verdere werkzaamheden nodig voor de afgifte van certificaten voor een vissersvaartuig dat reeds eerder onderworpen is geweest aan een onderzoek als bedoeld in [artikel 12, eerste lid, onder 1°, van het Vissersvaartuigenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=12), is, in afwijking van het eerste lid, het tarief verschuldigd, genoemd in onderstaande tabel: | **lengte** | **niet-geklasseerde** **vaartuigen** | **geklasseerde** **vaartuigen** | | ---"},{"i":14669,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 juli 2010, MEVA/BO-3007958, houdende herziening van de Regeling tarifering kennis- en vaardighedentoets Gelet op [artikel 3a, tweede lid, van het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007397&artikel=3a); Besluit: Artikel 1 Het tarief voor het afleggen van een kennis- en vaardighedentoets voor artsen, apothekers, gezondheidzorgspsychologen, klinisch fysici, psychotherapeuten en tandartsen bedraagt: - a. € 650,– voor zover het betreft het algemene deel van de toets; - b. € 1700,– voor zover het betreft het beroepsinhoudelijke deel van de toets voor artsen; - c. € 1500,– voor zover het betreft het beroepsinhoudelijke deel van de toets voor tandartsen. Artikel 2 Het tarief voor het afleggen van een kennis- en vaardighedentoets voor verpleegkundigen bedraagt: - a. € 200,– voor zover het betreft het algemene deel van de toets; - b. € 400,– voor zover het betreft het beroepsinhoudelijke deel van de toets. Artikel 3 1. Het tarief voor het afleggen van een algemene kennis- en vaardighedentoets voor apothekersassistenten, diëtisten, ergotherapeuten, fysiotherapeuten, huidtherapeuten, logopedisten, mondhygiënisten, oefentherapeuten, optometristen, orthoptisten, podotherapeuten, radiotherapeutisch laboranten, radiodiagnostisch laboranten, tandprothetici, verloskundigen en verzorgenden in de individuele gezondheidszorg bedraagt € 200,–. 2. Het tarief voor de behandeling van een portfolio van apothekers, gezondheidszorgpsychologen, psychotherapeuten, apothekersassistenten, diëtisten, ergotherapeuten, fysiotherapeuten, huidtherapeuten, klinisch fysici, logopedisten, mondhygiënisten, oefentherapeuten, optometristen, orthoptisten, podotherapeuten, radiotherapeutisch laboranten, radiodiagnostisch laboranten, tandprothetici, verloskundigen en verzorgenden in de individuele gezondheidszorg bedraagt € 50,–. Artikel 4 1. De [Regeling tarifering kennis- en vaardigh"},{"i":14670,"b":"Vaststelling van de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 1 december 2014, nr. DB 2014/474M, houdende regels omtrent werkzaamheden en autorisaties van het team criminele inlichtingen FIOD (Regeling team criminele inlichtingen FIOD) Handelende in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie; Gelet op [artikel 12 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=12), de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=6) en [46 van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=46), [artikel 2:5 van het Besluit politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023086&artikel=2:5) en [artikel 7 van het Besluit verplichte politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032083&artikel=7); Besluit: Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **team criminele inlichtingen FIOD:** eenheid als bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten bij de Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=12); - b. **team nationale criminele inlichtingen:** landelijk team van de politie belast met coördinatie van de werkzaamheden betreffende zowel nationale als internationale criminele inlichtingen dat onderdeel vormt van de Eenheid landelijke opsporing en interventies van de politie; - c. **criminele inlichtingen:** gegevens als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=10); - d. **informantgegevens:** gegevens omtrent een informant als bedoeld in [artikel 12, zevende lid, van de Wet politiegegevens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022463&artikel=12), met inbegrip van de door die persoon verstrekte gegevens; - e. **tci-officier van justitie:** als zodanig aangewezen officier van justitie, verantwoordelijk voor de"},{"i":14671,"b":"Regeling teboekgestelde schepen 1994 **14 april 1994/Nr. KAZ15494003** **Dienst voor het kadaster en de openbare registers** Gelet op de [artikelen 8, tweede lid, tweede zin, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=8), [12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=12), [14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=14), [15, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=15), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=16), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=17), [44, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=44), [85, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=85), [87, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=87), juncto [artikel 72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=72), [91, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=91). [99, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=99), [106, tweede lid, eerste zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=106), juncto [artikel 102, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=102), [106, tweede lid, tweede zin, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=106), juncto [artikel 101, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=101), [115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=115) en [116 van de Kadasterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&artikel=116), alsmede op de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005259&artikel=25), [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005259&artikel=28), [29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005259&artikel=29), en [38 van het Kadasterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005259&artikel=38) en de [artikelen 34, tweede"},{"i":14672,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 20 juni 2017, nr. IENM/BSK-2017/124450 houdende regels over gebruiksinformatie en technische eisen aan oplaad- en tankpunten voor alternatieve brandstoffen in verband met de implementatie van richtlijn 2014/94/EU betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (Regeling technische eisen en gebruikersinformatie over de infrastructuur van alternatieve brandstoffen) Gelet op [artikel 5, onderdelen a, c, d, e, f en i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039567&artikel=5), en [artikel 6 van het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039567&artikel=6); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **bijlage II:** bijlage II bij [richtlijn 2014/94](32014L0094)/EU; - **NEN:** Nederlands Normalisatie-instituut; - **NEN-EN:** Europese norm die door NEN is aanvaard en wordt uitgegeven; - **oplaadpunt voor hoog vermogen:** oplaadpunt met een vermogen van meer dan 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig; - **oplaadpunt voor normaal vermogen:** oplaadpunt met een vermogen van hoogstens 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig, met uitzondering van voorzieningen met een vermogen van hoogstens 3,7 kW die in particuliere huishoudens zijn geïnstalleerd of waarvan de voornaamste doelstelling er niet in bestaat elektrische voertuigen op te laden en die niet publiek toegankelijk zijn. Artikel 2 Een publiek toegankelijk oplaadpunt voor normaal vermogen voor elektrische voertuigen, met uitzondering van een draadloos of inductief apparaat, voldoet aan de technische specificaties, bedoeld in bijlage II, onder 1.1. Artikel 3 Een publiek toegankelijk oplaadpunt voor hoog vermogen voor elektrische voertuigen, met uitzondering van een draadloos of i"},{"i":14673,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 13 december 2018, nr. 2423518, houdende vaststelling van de technische vereisten voor camera’s en het centrale opslagsysteem gebruikt bij het vastleggen en bewaren van kentekengegevens op grond van artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering door de politie gelet op [artikel 126jj, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=126jj) en [artikel 16 van het Besluit van 5 december 2018 tot vaststelling van nadere regels voor het vastleggen van kentekengegevens op grond van artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering door de politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041691&artikel=16) Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **camera:** de camera, bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit van 5 december 2018 tot vaststelling van nadere regels voor het vastleggen en bewaren van kentekengegevens op grond van artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering door de politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041691&artikel=1). - b. **126jj-gegevens:** de gegevens, bedoeld in [artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit van 5 december 2018 tot vaststelling van nadere regels voor het vastleggen en bewaren van kentekengegevens op grond van artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering door de politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041691&artikel=1). Artikel 2 De camera legt per voertuigpassage één registratie vast in het centrale opslagsysteem die de volgende gegevens bevat: - a. een overzichtsfoto; - b. een uitsnede van het kenteken uit de overzichtsfoto; - c. het herkende kenteken; - d. de coördinaten van de locatie volgens het WGS84 coördinatensysteem; - e. de datum en tijdvelden die zijn opgemaakt volgens de eisen van ISO 8601 en weergegeven in Coördinated Universal Time; - f. een unieke identificatiecode van de camera. Artikel 3 Het centrale opslagsysteem, dat wordt gebruikt ter ve"},{"i":14674,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van infrastructuur en milieu houdende technische voorschriften voor lieren, sleepauto’s en sleepkabels (Regeling technische voorschriften lieren, sleepauto’s en sleepkabels) Gelet op [artikel 21 van het Besluit luchtvaartuigen 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023922&artikel=21); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **lier:** installatie, ingericht voor het doen opstijgen van een zweefvliegtuig door middel van een sleepkabel, welke installatie tijdens de opstijging van het zweefvliegtuig niet van standplaats verandert en de kabel op een daartoe bestemde kabeltrommel wikkelt; - –. **sleepauto:** zichzelf, door middel van een krachtwerktuig, voortbewegend voertuig, ingericht voor het doen opstijgen van een zweefvliegtuig door middel van een sleepkabel, dat zich tijdens de opstijging van het zweefvliegtuig in de startrichting voortbeweegt en waarbij tussen voertuig en zweefvliegtuig de volle lengte van de sleepkabel beschikbaar blijft; - –. **sleepkabel:** geheel van onderdelen, dat de verbinding vormt tussen de sleephaak van het zweefvliegtuig en een lier onderscheidenlijk een sleepauto; - –. **breukstuk:** onderdeel van een sleepkabel, dat bij een van tevoren vastgestelde belasting bezwijkt, waardoor de verbinding tussen het zweefvliegtuig en de lier onderscheidenlijk de sleepauto wordt verbroken; - –. **lierman:** persoon die verantwoordelijk is voor de bediening van de lier; - –. **startman:** persoon die verantwoordelijk is voor de gang van zaken bij het doen opstijgen van een zweefvliegtuig door middel van een sleepauto. Hoofdstuk 2. Lieren Artikel 2. Algemeen 1. Een lier omvat in ieder geval: - a. een liermechanisme, bestaande uit een krachtbron, een kabeltrommel en daartussen een overbrengingsmechanisme; - b. een inrichting voor het doorsnijden of kappen van de kabel, hierna te noemen: kapinrichting; - c. een instrument voor het geleiden v"},{"i":14675,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 10 december 2014, nr. WJZ/14148909, houdende regels inzake de teelt van gewassen (Regeling teelt) Gelet op de [artikelen 6a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019210&artikel=6a), [6b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019210&artikel=6b) en 6c van het [Besluit verhandeling teeltmateriaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019210); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **aardappelen:** planten van de soort **Solanum tuberosum**; - **aardappelopslag:** aardappelplanten gegroeid uit op een perceel achtergebleven aardappelknollen of zaad; - **gg-gewassen:** toegelaten of vergunde genetisch gemodificeerde rassen van aardappelen, suikerbieten en maïs; - **ggo:** genetisch gemodificeerd organisme; - **ggo-teler:** degene die gg-gewassen teelt of laat telen, of voornemens is dat te doen; - **ggo-vrije teler:** degene die de aanwezigheid van ggo’s in zijn producten wil voorkomen en dit integraal in zijn bedrijfsvoering heeft doorgevoerd en kan aantonen dat zijn afnemers specifieke markteisen stellen met betrekking tot het voorkomen van de aanwezigheid van ggo’s in de eindproducten; - **isolatieafstand:** horizontaal gemeten afstand tussen het hart of de eerste plant van de rij met gg-gewassen en het hart respectievelijk de eerste plant van de rij met niet-gg gewassen van dezelfde plantensoort bij verschillende telers; - **maïs:** planten van de soort **Zea mays**; - **niet-ggo teler:** degene die geen gg-gewassen teelt en geen ggo-vrije teler is; - **suikerbieten:** planten van de soort **Beta vulgaris**; - **suikerbietenopslag:** suikerbieten gegroeid uit zaad gevallen op een perceel waarop in een voorafgaand teeltseizoen suikerbieten zijn geteeld; - **suikerbietenschieter:** suikerbieten die al in het eerste jaar tot de vorming van zaad zijn overgegaan; - **toegelaten:** overeenkomstig hoofdstuk 4 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen mi"},{"i":14676,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 27 september 2011, nr. DDS 5705907, houdende regels op grond waarvan adoptiefouders een tegemoetkoming kan worden verleend in de gemaakte kosten met betrekking tot interlandelijke adoptie (Regeling tegemoetkoming adoptiekosten) Gelet op [artikel 9a, tweede lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=9a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (tegemoetkoming gemaakte kosten interlandelijke adoptie) in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de Wet:** de [Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447); - b. **de Centrale autoriteit internationale kinderaangelegenheden:** de Centrale autoriteit internationale kinderaangelegenheden bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Artikel 2. Regels omtrent de aanvraag van de tegemoetkoming Op grond van [hoofdstuk 3A van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&hoofdstuk=3a) kan adoptiefouders een tegemoetkoming worden verleend in de gemaakte kosten met betrekking tot interlandelijke adoptie. Ten aanzien van de aanvraag van de tegemoetkoming gelden de volgende regels: - 1. De aanvraag voor een tegemoetkoming wordt ingediend bij de Centrale autoriteit internationale kinderaangelegenheden. - 2. De aanvraag kan worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van deze regeling. - 3. De aanvraag wordt schriftelijk of digitaal ingediend met gebruikmaking van een ondertekend formulier zoals dat verkrijgbaar is bij de Centrale autoriteit internationale kinderaangelegenheden. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet van 6 juli 2011 tot wijziging van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie in verband met het invoeren van een regeling op grond waa"},{"i":14677,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 maart 2014, nr. 2014-0000018380, tot het opnieuw vaststellen van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers teneinde deze uit te breiden met Asbestose (Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [9 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=9), en [34a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **asbest:** stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten: - a. actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4); - b. amosiet (Cas-nummer 12172-73-5); - c. anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5); - d. chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5); - e. tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6); - f. crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4); - –. **asbestose:** een aandoening die is gekenmerkt door verbindweefseling (longfibrose) van de long als gevolg van asbestblootstelling; - –. **huisgenoot:** de persoon met wie de werknemer een duurzaam hoofdverblijf heeft gehad in dezelfde woning ten tijde van de blootstelling aan asbest; - –. **Instituut Asbestslachtoffers:** Stichting Instituut Asbestslachtoffers te ‘s-Gravenhage; - –. **lasten:** - a. voorschot; - b. vergoedingen die door de SVB aan het Instituut Asbestslachtoffers worden verstrekt voor de advisering ten behoeve van deze regeling; - –. **maligne mesothelioom:** door blootstelling aan asbest veroorzaakte tumor van het longvlies, het buikvlies of het hartvlies als bedoeld in het protocol diagnostiek maligne mesothelioom; - –. **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. **nabestaanden:** - a. de langstlevende van de echtgenoten; - b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon, de minderjarige"},{"i":14678,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 december 2023, houdende de aanwijzing van de DAEB flexwoningen en regels over het verlenen van subsidie in de vorm van een garantie en het vaststellen van subsidie aan investeerders bij herplaatsing van flexwoningen (Regeling tegemoetkoming herplaatsing flexwoningen 2024–2029) Gelet op de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8) en [14 van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **college:** college van burgemeester en wethouders; - –. **DAEB flexwoningen:** een dienst van algemeen economisch belang die conform het Vrijstellingsbesluit DAEB voor deze regeling is opgericht, waarmee wordt beoogd een flexibele schil in de woningvoorraad te vormen ten behoeve van de versnelde huisvesting van de doelgroep. - 1°. artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en - 2°. het Besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen; - –. **doelgroep:** ontheemden en mensen die door hun inkomen of anderszins moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende huisvesting; - –. **flexwoning:** bouwwerk ten behoeve van huisvesting van personen, geschikt voor verplaatsing en gebruik op een volgende locatie; - –. **Minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - –. **ontheemde:** persoon die vreemdeling is en tijdelijke bescherming geniet als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/38"},{"i":14679,"b":"Regeling tegemoetkoming kosten rechtskundige hulp 2025 (RTKR 2025) Gelet op [artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=115) en [artikel 88 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=88); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - **ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006040&artikel=1); - **defensieambtenaar:** de ambtenaar respectievelijk de militair; - **derde:** een natuurlijk persoon, niet zijnde een ambtenaar of een militair, of een rechtspersoon; - **gerechtelijke procedure:** het geheel aan procedures, bestaande uit de procedure in eerste aanleg en in voorkomend geval de daaropvolgende procedure in hoger beroep en cassatie, inclusief de voorfases van deze procedures; - **militair:** de militair in werkelijke dienst, bedoeld in [artikel 1, eerste lid onder c, van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=1); - **procedure:** een juridische procedure waarbij een zaak aan een rechter wordt voorgelegd in eerste aanleg, in hoger beroep of in cassatie. Artikel 2. Toepassingsgebied 1. Deze regeling is van toepassing indien de defensieambtenaar: - a. in de uitoefening van diens ambt, functie of werkzaamheden handelingen heeft verricht of nagelaten, waardoor: - 1°. een derde schade heeft geleden en deze derde de Staat der Nederlanden of de betrokken defensieambtenaar als exponent van het Ministerie van Defensie naar burgerlijk recht aansprakelijk heeft gesteld voor de geleden schade; - 2°. het Ministerie van Defensie dan wel een van zijn dienstonderdelen, of de betrokken defensieambtenaar als exponent van het Ministerie van Defensie in strafrechtelijke zin als verdachte is aangemerkt; - 3°. zich dient te verantwoorden voor d"},{"i":14680,"b":"Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 november 2007, nr. SAS 2007115642, Directoraat Generaal Milieubeheer, Directie Stoffen, Afvalstoffen en Straling, houdende regels voor de verlening van een tegemoetkoming in de immateriële schade aan personen bij wie ten gevolge van de blootstelling aan asbest mesothelioom is geconstateerd en deze blootstelling niet heeft plaatsgevonden als gevolg van arbeid in loondienst (Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelet op de tweede suppletore begrotingswet van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor het jaar 2007 en op [artikel 31, tweede lid, onderdeel l, van de Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=31); Besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Infrastructuur en Milieu; - b. **asbest:** stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten: - 1°. actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4); - 2°. amosiet (Cas-nummer 12172-73-5); - 3°. anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5); - 4°. chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5); - 5°. tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6); - 6°. crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4); - c. **maligne mesothelioom:** door blootstelling aan asbest veroorzaakte tumor van het longvlies, het buikvlies of het hartvlies, als bedoeld in het protocol diagnostiek maligne mesothelioom; - d. **asbestose:** aandoening die is gekenmerkt door verbindweefseling (longfibrose) van de long ten gevolge van asbestblootstelling; - e. **protocol diagnostiek asbestose:** protocol diagnostiek asbestose, opgenomen in [bijlage 1 bij de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035006&bijlage=1); - f. **protocol diagnostiek maligne mesothelioom:** protoco"},{"i":14681,"b":"Regeling tegemoetkoming schade bij dijkdoorbraak te Wilnis 2003 Handelende in overeenstemming met de Ministers van Economische Zaken, van Financiën, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Verkeer en Waterstaat; Gelet op het [besluit van 18 september 2003 houdende de van toepassingverklaring van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen op de schade en kosten ten gevolge van de dijkdoorbraak op 26 augustus 2003 in Wilnis (Stb. 2003, 369)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015594); Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=1), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=7), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=9) en [12 van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=12) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010000&artikel=2) en [3 van het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010000&artikel=3); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de wet: de [Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637); - b. LASER: Dienst Landelijke service bij regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. schadebedrag: de omvang van de schade vastgesteld door de schade-expert, bedoeld in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=5), waarop in mindering zijn gebracht de schade die redelijkerwijs verzekerbaar is, de schade waarvoor uit anderen hoofde een tegemoetkoming is verkregen of kan worden verkregen en de schade die is veroorzaakt door eigen schuld of doordat"},{"i":14682,"b":"Regeling tegemoetkoming schade bij overstroming van de Maas in januari 2011 Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en met de Staatssecretarissen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Infrastructuur en Milieu; Gelet op de [artikelen 1, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=1), [6, tweede tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=6), en [7, eerste lid van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=7) en de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010000&artikel=2), en [3, derde lid, van het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010000&artikel=3); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637); - b. **schadegebied:** het gebied, bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=1), dat is gelegen in de winterbedding van de Maas tussen de landsgrens en de Koninginnebrug bij Well voor zover daar geen gereglementeerde waterkeringen aanwezig zijn; - c. **schadebedrag:** de omvang van de schade, vastgesteld door een schade-expert, waarop in mindering zijn gebracht de schades, bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4) juncto [artikel 5 van het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010000&artikel=5); - d. **kostenbedrag:** de gemaakte kosten, vastgesteld door een schade-expert, waarop in mindering zijn gebracht de kosten, bedoeld in [artikel 4, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4) juncto [artikel 5 van het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010000&artikel=5). A"},{"i":14683,"b":"Regeling tegemoetkoming schade bij overstroming van de Maas januari 2003 Handelende in overeenstemming met de Ministers van Economische Zaken, van Financiën, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=1), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=4), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=6), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=7), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=9) en [12 van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=12) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010000&artikel=2) en [3 van het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010000&artikel=3); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637); - b. **LASER:** Dienst Landelijke service bij regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; - c. **schadebedrag:** de omvang van de schade vastgesteld door de schade-expert, bedoeld in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=5), waarop in mindering zijn gebracht de schade die redelijkerwijs verzekerbaar is, de schade waarvoor uit andere hoofde een tegemoetkoming is verkregen of kan worden verkregen en de schade die is veroorzaakt door eigen schuld of doordat de gedupeerde onvoldoende maatregelen heeft getroffen ter voorkoming of beperking van de schade; - d. **kostenbedrag:** de gemaakte kosten vastgesteld door de schade-expert, bedoeld in [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009637&artikel=5), waarop in minde"},{"i":14684,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 november 2022, nr. 2022-0000185147, tot verlening van een tegemoetkoming aan werkenden en voormalig werkenden die lijden aan een beroepsziekte als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij het verrichten van arbeid (Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [9 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=9), en [34a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=34a); BESLUIT: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **beroepsziekte:** een ernstige aandoening die vermeld is op de bij deze regeling behorende Lijst beroepsziekten, opgenomen in de bijlage; - –. **Deskundigenpanel:** Deskundigenpanel beroepsziekten als bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047535&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047535&hoofdstuk=5&artikel=15&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - –. **gevaarlijke stof:** een stof die vermeld is op de bij deze regeling behorende Lijst beroepsziekten, opgenomen in de bijlage; - –. **ISBG:** stichting Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke stoffen, gevestigd te ’s-Gravenhage; - –. **Bureau Lexces:** Bureau Landelijk Expertisecentrum Stoffengerelateerde Beroepsziekten, ondergebracht bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, gevestigd te Bilthoven; - –. **minister:** Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - –. **nabestaanden:** - a. de langstlevende van de echtgenoten; - b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon, de minderjarige kinderen, tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond; - c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde perso"},{"i":14685,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 december 2006, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV06/97881, betreffende een tegemoetkoming voor personen die een uitkering ontvangen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Regeling tegemoetkoming Wajongers 2007) Gelet op [artikel 9a van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=9a); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijving Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder Wajong: [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657). Artikel 2. Hoogte, betaling en indexering tegemoetkoming 1. De jonggehandicapte, bedoeld in: - a. [artikel 2:15 van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:15), voor zover deze een inkomensvoorziening ontvangt; of - b. [artikel 3:3 van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:3), die op 1 januari van een kalenderjaar de leeftijd van 18, 19 of 20 jaar heeft bereikt, heeft met ingang van 1 januari van dat jaar gedurende dat jaar recht op een maandelijkse tegemoetkoming 2. De tegemoetkoming bedraagt: - a. voor een 18-jarige: € 24,29 - b. voor een 19-jarige: € 23,33 - c. voor een 20-jarige: € 14,00 3. In afwijking van het eerste lid heeft de jonggehandicapte, bedoeld in [artikel 2:15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:15) of [3:3 van de Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:3), aan wie in de loop van een kalenderjaar een inkomensvoorziening of uitkering op grond van de [Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) wordt toegekend, met ingang van de dag van toekenning recht op een bij zijn leeftijd op de dag van toekenning behorende tegemoetkoming, bedoeld in het tweede lid. 4. De betaling van de tegemoetkoming geschiedt tezamen met de betaling van de inkomensvoorziening of arbeidsonge"},{"i":14686,"b":"Regeling van de Pensioen- & Verzekeringskamer van 18 december 2003, nr. 0.851.3/03-8451, houdende uitvoering van de artikelen 2 lid 2 en 3 lid 3 van het Besluit integere bedrijfsvoering kredietinstellingen en verzekeraars (Regeling tegengaan van belangenverstrengeling en beheersing van integriteitsrisico's verzekeraars) Gelet op de [artikelen 2 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015712&artikel=2) en [3 lid 3 van het Besluit integere bedrijfsvoering kredietinstellingen en verzekeraars](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015712&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **verzekeraar**: de verzekeraar die in het bezit is van een vergunning hem door de Pensioen- & Verzekeringskamer verleend op grond van de [Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509) of de [Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007477) dan wel de verzekeraar waarvan deze vergunning is ingetrokken of vervallen; - b). **bestuurder**: het krachtens [artikel 29, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006509&artikel=29) of [artikel 18, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007477&artikel=18) getoetste lid van de raad van bestuur, het bestuur, de hoofddirectie, de directie dan wel andere beleidsbepalers van een verzekeraar; - c). **raad van commissarissen**: Een raad als bedoeld in [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=57) of [artikel 140 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=140) of een daarmee vergelijkbaar orgaan zoals een raad van toezicht of een raad van beheer; - d). **integriteitsrisico**: het risico dat de verzekeraar zich niet kenbaar houdt aan wettelijke normen, bestuursrechtelijke normen of door de verzekeraar zelf gestelde normen, voor"},{"i":14687,"b":"Regeling kentekenbewijzen Gelet op de [artikelen 36, derde en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36), en [50, eerste en vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=50) en de [artikelen 1, onderdelen f en i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=1), [21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=21), [27, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=27), [31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=31), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=32), [33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=33), [36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=36), en [37, vijfde en zesde lid, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=37); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: **personenauto, bedrijfsauto, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, motorfiets, bromfiets, driewielig motorrijtuig en aanhangwagen**: hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1.1 van de Regeling voertuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025798&artikel=1.1). Artikel 2. Modellen kentekenbewijzen en overige modellen 1. Voor kentekenbewijzen en delen daarvan worden de volgende, in de bijlage bij deze regeling opgenomen, modellen vastgesteld: - a. een kentekencard, afgegeven voor een personenauto, een motorfiets, een bromfiets, een driewielig motorrijtuig, een aanhangwagen, een bedrijfsauto, een landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid of een mobiele machine: model D.1; - b. een na 31 december 2013 afgegeven kentekenbewijs deel II: model D.2; - c. een kentekenbewijs, bevattende de enkele letter A, E, H, K, L, N, P, S, T, V, W of X en twee groepen van twee cijfers (kentekenbewijs voor weging en onderzoek): mo"},{"i":14688,"b":"Regeling ter beperking van de exploitatie van niet-geluid-gecertificeerde straalvliegtuigen Handelend in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op [artikel 4 van het Besluit van 21 mei 1981, houdende vaststelling van regels ter beperking van geluidhinder door luchtvaartuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003404&artikel=4) (Stb. 1981, 343); Gelet op de Richtlijn van 20 december 1979, 80/51/EEG, van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de beperking van de geluidhinder door subsonische luchtvaartuigen (Publikatieblad van de EG van 24 januari 1980, nr. L 18–26), laatstelijk gewijzigd met de Richtlijn van 21 april 1983, 83/206/EG (Publikatieblad van de EG van 4 mei 1983, nr. L 117-15); Gelet op de Richtlijn van 4 december 1989, 89/629/EEG, van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de beperking van de geluidsemissie van civiele subsonische straalvliegtuigen (Publikatieblad van de EG van 13 december 1989, nr. L 363/27); Gelet op de aanbeveling 12-3 van de Europese burgerluchtvaartconferentie (ECAC), zoals gewijzigd met aanbeveling 13-1 van 10 juni 1988; Gelet op de Richtlijn van 2 maart 1992, 92/14/EEG, van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de beperking van de exploitatie van de vliegtuigen van bijlage 16 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, Boekdeel 1, deel 2, hoofdstuk 2 tweede uitgave (1988); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 Het opstijgen van en landen op aangewezen luchtvaartterreinen is verboden voor subsonische straalvliegtuigen, tenzij het hoofdstuk 2 vliegtuigen of hoofdstuk 3 vliegtuigen zijn. Artikel 3 1. Met ingang van 1 november 1990 is het opstijgen van en landen op de aangewezen luchtvaartterreinen verboden voor hoofdstuk 2 (subsonische) straalvliegtuigen die op of na 1 november 1990 in het luchtvaartuigregister van een lid-staat zijn ingeschreven, dan wel zijn ingeschreven i"},{"i":14689,"b":"Regeling ter compensatie van de schade bij aanbieders van vrije podiumkunstproducties door de COVID-19-maatregelen Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **investeringslasten:** uitgaven ter voorbereiding van een vrije productie, waaronder in elk geval voorbereidings-, opstart-, verzekerings- en promotiekosten en eventuele meerkosten die zijn gemaakt om een vrije productie aan te passen aan COVID-19-maatregelen; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - **vrije productie:** productie op het gebied van de professionele podiumkunst die gefinancierd wordt uit de opbrengsten van de commerciële exploitatie van deze productie en alle daarmee samenhangende uitingen. Artikel 2. Doel Het bestuur kent subsidies toe aan aanbieders van podiumkunstenaanbod als compensatie voor investeringen in vrije producties die niet kunnen worden terugverdiend omdat geplande uitvoeringen niet of niet geheel kunnen doorgaan als gevolg van de COVID-19-maatregelen. Hiermee beoogt het bestuur aanvullende ondersteuning te bieden aan de culturele en creatieve sector, die als gevolg van de COVID-19-crisis en de maatregelen ter bestrijding daarvan worden geconfronteerd met investeringsverliezen. Artikel 3. Procedure 1. Aanvragen dienen uiterlijk op 5 februari 2021 om 17.00 uur te zijn ontvangen. 2. Het bestuur informeert de aanvrager uiterlijk binnen 8 weken na de datum uit het vorige lid schriftelijk over zijn besluit. 3. Het bestuur kan een of meer extra subsidierondes vaststellen. In dat geval wordt ook een datum en tijdsti"},{"i":14690,"b":"Regeling ter tegemoetkoming van geleden verlies bij culturele evenementen door 25%-COVID-19-maatregel Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Artikel 2. Doel Het bestuur kent subsidies toe aan professionele organisatoren van culturele evenementen als tegemoetkoming voor inkomstenverlies geleden door capaciteitsbeperkingen als gevolg van de COVID-19-maatregelen. Het bestuur beoogt met het subsidie eraan bij te dragen dat evenementen ondanks de capaciteitsbeperking kunnen doorgaan. Artikel 3. Procedure 1. Aanvragen dienen te worden ingediend in de periode van woensdag 17 november 2021 tot en met dinsdag 23 november 2021. 2. Het bestuur informeert de aanvrager uiterlijk binnen 13 weken na 23 november 2021 schriftelijk over zijn besluit. 3. Het bestuur kan besluiten om extra subsidierondes vast te stellen. In dat geval wordt ook een datum en tijdstip vastgesteld waarop aanvragen uiterlijk ontvangen dienen te zijn. Een dergelijk besluit wordt gepubliceerd op de website van het Fonds. Artikel 4. Budget 1. Het subsidieplafond bedraagt 15.000.000 euro. Het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld conform het bepaalde in deze regeling. 2. Indien het subsidieplafond door toepassing van het bepaalde in de regeling wordt overschreden, worden alle te verlenen subsidiebedragen per aanvrager naar rato verlaagd tot het niveau waarbinnen het totaal beschikbare bedrag volledig kan worden benut. Artikel 5. Aanvraag 1. De aanvraag wordt digitaal ingediend. 2. Een aanvraag wo"},{"i":14691,"b":"Regeling ter tegemoetkoming van geleden verlies door COVID-19-maatregelen bij concerten en voorstellingen in de periode van 1 februari tot en met 8 maart 2022 Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement Fonds Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland:** het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Artikel 2. Doel Het bestuur kent subsidies toe ter tegemoetkoming voor inkomstenverlies geleden door beperkingen in de podiumkunstensector als gevolg van de covid19-maatregelen. Het bestuur beoogt met het subsidie eraan bij te dragen dat concerten en voorstellingen ondanks de beperkingen kunnen doorgaan. Daarnaast wordt hiermee beoogd om zo breed mogelijk tegemoet te komen aan verloren opbrengsten uit kaartverkoop, waarbij nadrukkelijk de intentie is dat het subsidie via aanvragers ook zo snel mogelijk terechtkomt bij uitvoerenden en zzp’ers in verschillende functiegroepen. Artikel 3. Procedure 1. Aanvragen dienen te worden ingediend in de periode van maandag 25 april 2022 tot en met woensdag 11 mei 2022. 2. Het bestuur informeert de aanvrager uiterlijk binnen 13 weken na 11 mei 2022 schriftelijk over zijn besluit. 3. Het bestuur kan besluiten om extra subsidierondes vast te stellen. In dat geval wordt ook een datum en tijdstip vastgesteld waarop aanvragen uiterlijk ontvangen dienen te zijn. Een dergelijk besluit wordt gepubliceerd op de website van het Fonds. Artikel 4. Budget 1. Het subsidieplafond bedraagt 40.000.000 euro. Het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld conform het bepaalde in deze regeling. 2. Indien het subsidieplafond door toepassing van he"},{"i":14692,"b":"Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 31 augustus 2023, nr. WJZ/34404290, houdende tijdelijke regels betreffende subsidie voor aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven ter tegemoetkoming van gestegen energiekosten door opzegging contract SEFE Energy Ltd. (Regeling ter tegemoetkoming van gestegen energiekosten door opzegging contract SEFE Energy Ltd.) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanbestedende dienst:** aanbestedende dienst als bedoeld in [artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=1.1), uitgezonderd de Staat; - **gastarief:** leveringstarief voor gas, exclusief energiebelasting, opslag duurzame energie en verrekenbare omzetbelasting; - **minister:** Minister voor Klimaat en Energie; - **speciale-sectorbedrijf:** speciale-sectorbedrijf als bedoeld in [artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032203&artikel=1.1); - **tariefafspraak:** afspraak waarmee het gastarief per m3 voor een bepaalde periode wordt vastgelegd. Artikel 2. Subsidieverstrekking 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een aanbestedende dienst of speciale-sectorbedrijf als tegemoetkoming in de energiekosten, die door opzegging van een contract met SEFE Energy Ltd. zijn gestegen. 2. Per aanbestedende dienst of speciale-sectorbedrijf wordt slechts éénmaal subsidie verstrekt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. 3. De subsidie wordt verstrekt voor de energiekosten gemaakt in de periode van 10 oktober 2022, of indien dit later is de begindatum van een contract met een nieuwe energieleverancier, tot en met de oorspronkelijke einddatum van een gemaakte tariefafspraak met SEFE Energy Ltd. 4. De subsidie wordt niet verstrekt voor kosten die reeds uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd. Ar"},{"i":14693,"b":"Regeling ter uitvoering van artikel 5 van de Vaartuigenwet 1930 BES Artikel 1 Het register, bedoeld in [artikel 5 van de Vaartuigenwet 1930 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028292&artikel=5) bevat ten minste de volgende gegevens: - a. type, naam, bouwplaats en afmeting van het vaartuig; - b. naam en contactgegevens eigenaar; - c. datum van registratie; - d. gegevens met betrekking tot het casco; - e. type, merk en vermogen van de motor; - f. ligplaats; - g. letter en nummer, bedoeld in [artikel 2 van de Vaartuigenwet 1930 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028292&artikel=2); - h. gegevens met betrekking tot de vergunning, bedoeld in [artikel 6 van de Vaartuigenwet 1930 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028292&artikel=6). Artikel 2 Deze regeling berust op [artikel 5, tweede lid, van de Vaartuigenwet 1930 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028292&artikel=5)."},{"i":14694,"b":"Regeling houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES gestelde regels (Regeling ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES) Gelet op de [artikelen 2.3, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=2.3), [2.9, eerste lid, onderdelen b en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=2.9), [2.10, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=2.10), [2.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=2.12), [3.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=3.3), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=3.4), [3.11, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=3.11), en [4.2, tweede en zevende lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=4.2); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder de wet: de [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824). Artikel 2 Het bedrag bedoeld in [artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=2.3) wordt voor de diensten, bedoeld in de onderdelen f en m van [bijlage A bij de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&bijlage=A), vastgesteld op USD 11.000, voor de diensten, bedoeld in onderdeel j van die bijlage, op USD 3.000, en voor de overige diensten, bedoeld in die bijlage, op nihil. Artikel 3 Als land in de zin van [artikelen 2.10, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030824&artikel=2.10), en [3.11, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid"},{"i":14695,"b":"Regeling houdende vaststelling van het bedrag als bedoeld in artikel 78b van de Algemene bijstandswet en enige andere wetten Gelet op de [artikelen 78b van de Algemene bijstandswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=78b), [25b van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044&artikel=25b), [25b Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163&artikel=25b), [36 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=36), [33 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=33), [57 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=57), 48 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, [20 van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=20), [24 van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=24), [24 van de Algemene kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=24), [53 van de Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795&artikel=53), [63 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=63) en [55 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=55), Besluit: Artikel 1 Het bedrag als bedoeld in de [artikelen 36 van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=36), [35 van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=35), [33 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=33), [57 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=57), [artike"},{"i":14696,"b":"Regeling van de Minister van Justitie houdende vaststelling van de regels aangaande het tijdelijk verlaten van de inrichting bij wijze van verlof of strafonderbreking Gelet op [artikel 26, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=26), en [artikel 570b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=570b); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 6 november 1998 (nr. 724485/98); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. de minister: de Minister voor Rechtsbescherming; - b. wet: de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709); - c. besluit: de [Penitentiaire maatregel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009398); - d. ouder: de ouder van de gedetineerde, alsmede de stiefouder, pleegouder of grootouder, voor zover deze gedurende een langere tijd de ouderrol heeft vervuld; - e. kind: het kind van de gedetineerde, alsmede het stiefkind, pleegkind, kind van de levenspartner of kleinkind; - f. broer: de broer van de gedetineerde, alsmede de halfbroer of pleegbroer; - g. zuster: de zuster van de gedetineerde, alsmede de halfzuster of pleegzuster; - h. schoonouder: de schoonouder van de gedetineerde, alsmede de ouder van de levenspartner; - i. levenspartner: de echtgenoot van de gedetineerde, alsmede de persoon met wie een aantoonbaar duurzaam samenlevingsverband wordt onderhouden daterende van voor de aanvang van de detentie; - j. poliklinisch bezoek: bezoek aan een polikliniek van een algemeen ziekenhuis, specialist, fysiotherapeut of logopedist, dan wel aan een tandarts voor bijzondere tandheelkundige verrichtingen; - k. ambulante psychiatrische of psychotherapeutische behandeling: bezoek aan een psychiatrisch ziekenhuis, psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis, psychotherapeutisch instituut, RIAGG of pra"},{"i":14697,"b":"Regeling tijdelijke aanstelling militairen Gelet op [artikel 11a van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=11a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit tot wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement in verband met het invoeren van een nieuwe tijdelijke aanstelling als militair in het kader van het Dienjaar Defensie in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **AMAR:** het [Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482); - **bevoegd gezag:** de functionaris, bedoeld in het [Mandaatbesluit toedeling uitvoerende personele bevoegdheden defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039990); - **militair:** degene die tijdelijk is aangesteld op grond van [artikel 11a van het AMAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=11a). Artikel 2. Algemeen 1. Van het [Verplaatsingskostenbesluit Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032312) zijn de [artikelen 2 tot en met 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032312&artikel=2), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032312&artikel=21), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032312&artikel=22), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032312&artikel=23) niet van toepassing. 2. Voor de militair geldt dat onder het algemeen deel van de initiële opleiding, bedoeld in [artikel 3a van de Inkomstenregeling militairen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039974&artikel=3a), wordt verstaan: het succesvol afronden van de Algemene Militaire Basisopleiding. Artikel 3. Aan de aanstelling verbonden verplichting De militair is verplicht om gedurende één jaar deel uit te maken van het beroepspersoneel, met inbegrip van de voor de militair geldende initiële opleiding. Artikel 4. Functietoewijzing Aan de militair wordt door het bevoegd gezag een functie toegewezen voor de duur van diens aanstelling. Art"},{"i":14698,"b":"Regeling tijdelijke ondersteuning programmering middelgrote en kleine podia Fonds Podiumkunsten (Podiumstartregeling) Gelet op [artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10) en [artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030539&artikel=2) Besluit Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **bestuur:** de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Fonds Podiumkunsten:** de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten; - **Nederland:** Het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit Nederland inclusief Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Artikel 1.2. Doel Het bestuur verstrekt programmeringssubsidies aan podiumorganisaties voor het programmeren van voorstellingen en concerten van Nederlandse artiesten, bands en gezelschappen om bij te dragen aan een gevarieerd podiumkunstenaanbod in Nederland rekening houdend met de gevolgen van het COVID19-virus. Artikel 1.3. Beperking Het bestuur kan een aanvraag geheel of gedeeltelijk weigeren als het verstrekken van subsidie op enigerlei wijze tot een ondoelmatige inzet van subsidie zou leiden. Artikel 1.4. Subsidieplafond 1. Het bestuur kan een of meer subsidieplafonds vaststellen. Subsidieplafonds worden vastgesteld voor een bepaalde periode. Voor de periode 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2021 is € 6.320.000 beschikbaar. 2. Het bestuur kan eerder vastgestelde subsidieplafonds verhogen of verlagen. 3. Besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid worden bekendgemaakt via de website van het Fonds Podiumkunsten. Artikel 1.5. Algemene weigeringsgronden Het bestuur kan, onverminderd het bepaalde in [artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:35), subsidie weigeren: - a. als de aanvrager in de voorgaande"},{"i":14699,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 29 juni 2023, nr. WJZ/ 27870366, houdende regels ter uitvoering van de Tijdelijke wet Groningen en het Besluit Tijdelijke wet Groningen (Regeling Tijdelijke wet Groningen) Gelet op de [artikelen 2, twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=2), [13i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=13i), [13ia, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=13ia), [13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=13h), [13ib, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=13ib), [13ja](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=13ja), [13j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=13j), [13m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=13m), [22b, vierde en zesde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=22b) en [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043726&artikel=1), [10b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043726&artikel=10b), [10f, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043726&artikel=10f), en [10g, derde, vierde, vijfde en zesde lid, van het Besluit Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043726&artikel=10g); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **adres:** adres als bedoeld in [artikel 1, onderdeel a van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023466&artikel=1); - **appartementsrecht:** appartementsrecht als bedoeld in [artikel 106, vierde lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005288&artikel=106); - **benadeelde:** natuurlijk persoon die geen onderneming drijft of micro-onderneming als bedoeld in artikel 2, derde lid, van bijlage I van [Verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commi"},{"i":14700,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 30 maart 2023, kenmerk 4548783, betreffende de toegankelijkheid van het noodnummer 112 voor mensen met een communicatieve beperking ter uitvoering van artikel 4, achtste lid, van Richtlijn 2019/882/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PbEU 2019, L 151) (Regeling toegankelijkheid noodnummer 112) Gehoord de Regionale Ambulancevoorzieningen en de besturen van de veiligheidsregio’s, Gelet op [artikel 23, vierde lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=23); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **meldkamer:** een meldkamer als bedoeld in [artikel 25a van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25a). - –. **meldkamerfunctie:** het takenpakket, bedoeld in [artikel 25b van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=25b). Artikel 2 Deze regeling is van toepassing op de beantwoording van noodcommunicatie naar het noodnummer 112 door personen met een communicatieve beperking. Artikel 3 De Landelijke Meldkamer Samenwerking draagt er zorg voor dat de meldkamers beschikken over de voorzieningen om te voldoen aan de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048046&artikel=4&z=2023-04-08&g=2023-04-08) en [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048046&artikel=5&z=2023-04-08&g=2023-04-08). Artikel 4 Noodcommunicatie met het noodnummer 112 is voor personen met een communicatieve beperking laagdrempelig mogelijk op andere wijze(n) dan via een reguliere spraakoproep, in ieder geval via de alternatieve communicatiemiddelen emergency-SMS (e-SMS) en de app 112NL. Artikel 5 Indien noodcommunicatie naar het noodnummer 112 plaatsvindt via een communicatiemiddel als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048046&artikel=4&z=2023-04-08&g=2023-04-08), wordt deze initiee"},{"i":14701,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 4 april 2012, houdende vaststelling van regels betreffende de toegankelijkheid van het openbaar vervoer Gelet op de [artikelen 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029974&artikel=16), en [17, derde lid, van het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029974&artikel=17); Besluiten: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. **Definities en begrippen** Artikel 1.1:1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Besluit:** [Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029974); - b. **concessie:** recht om met uitsluiting van anderen openbaar vervoer te verrichten in een bepaald gebied gedurende een bepaald tijdvak; - c. **plusregio:** regionaal openbaar lichaam als bedoeld in [artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740&artikel=104); - d. **reisinformatiesysteem:** systeem dat reisinformatie in voertuigen of op haltes of stations, bedoeld in de [artikelen 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029974&artikel=9) onderscheidenlijk [10 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029974&artikel=10), genereert; - e. **richtlijn 2008/57/EG:** Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (PbEU, L 191). Artikel 1.1:2 1. Nieuwe voertuigen, haltes, stations en reisinformatiesystemen als bedoeld in [artikel 17, eerste lid, van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029974&artikel=17), zijn voertuigen, haltes, stations onderscheidenlijk reisinformatiesystemen die voor het eerst in gebruik worden genomen. 2. Vernieuwde of verbeterde voertuigen, halte"},{"i":14702,"b":"Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 17 juni 2015, nr. 0000336120, houdende nieuwe nadere regels betreffende toegelaten instellingen volkshuisvesting ter uitvoering van hoofdstuk IV van de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015) Gelet op de [artikelen 44a, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=44a), en [48, eerste lid, tweede volzin, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=48) en de [artikelen 1, eerste lid, begripsomschrijving van getaxeerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=1), [10, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=10), [13, eerste lid, onderdelen b en c, en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=13), [19, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=19), [23, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=23), [26, eerste lid, onderdeel a, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=26), [31, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=31), [45, eerste lid, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=45), [65, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=65), [73, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=73), [79, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=79), [84, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=84), [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=101), [104, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=104), [105, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036702&artikel=105), [107, tweede lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":14703,"b":"Regeling van het Commissariaat voor de Media van 17 mei 2016 houdende regels omtrent toegestane vermijdbare uitingen bij publieke media-instellingen (Regeling toegestane vermijdbare uitingen publieke media-instellingen 2016) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 14a van het Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036&artikel=14a); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **audio:** elektronisch product met geluidinhoud dat één geheel vormt en als zodanig herkenbaar onder een afzonderlijke titel wordt verspreid; - **auteursrechthebbende:** rechthebbende op het auteursrecht, bedoeld in [artikel 1 van de Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=1); - **besluit:** [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036); - **(beeld)merk:** benamingen, tekeningen, afdrukken, stempels, letters, cijfers, vormen van waren of van verpakkingen en alle andere voor grafische voorstelling vatbare tekens die dienen om de waren of diensten van een onderneming te onderscheiden; - **(co)producent:** bedrijf dat of instelling die zich gewoonlijk bezighoudt met de verzorging van mediadiensten of media-aanbod en die het media-aanbod (mede) heeft vervaardigd; - **facilitair bedrijf:** bedrijf dat of instelling die de technische realisatie van het media-aanbod (mede) heeft uitgevoerd of de levering van overige faciliteiten heeft verzorgd; - **locatie:** plaats waar opnamen voor een programma zijn of worden gemaakt; - **loterijen:** permanente landelijke goede doelenloterijen inclusief de sporttotalisator en de Staatsloterij, die een vergunning hebben op grond van de [Wet op de Kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469); - **naam:** persoonsnaam of, in geval van een bedrijf of instelling, de statutaire of handelsnaam; - **video:** elektronisch product met bewegende beeldinhoud dat één geheel vormt en a"},{"i":14704,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 september 2017, nr. DE/122061, houdende regels voor het instellen van een jury voor toekenning van de Joke Smitprijs, voor de werkwijze van de jury en voor de voordracht van de kandidaten (Regeling toekenning Joke Smitprijs) Gelet op [artikel 3 van het Besluit van 10 oktober 1985, tot instelling van de Joke Smitprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003859&artikel=3) en [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **gendergelijkheid:** gelijke behandeling, gelijke rechten en gelijke kansen van en voor mannen en vrouwen in de Nederlandse samenleving; - **Joke Smit aanmoedigingsprijs:** Joke Smit aanmoedigingsprijs als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van het Besluit van 10 oktober 1985, tot instelling van de Joke Smitprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003859&artikel=1) (Stb. 1985, 597); - **Joke Smit oeuvreprijs:** Joke Smit oeuvreprijs als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, van het Besluit van 10 oktober 1985, tot instelling van de Joke Smitprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003859&artikel=1) (Stb. 1985, 597); - **jury:** jury als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040060&artikel=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Artikel 2. Instelling en taak jury 1. De Minister stelt in het jaar van de beoogde toekenning van de Joke Smit oeuvreprijs een onafhankelijke jury in. De jury wordt opgeheven op de dag na de datum waarop het verslag, bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040060&artikel=12&z=2020-01-01&g=2020-01-01), is opgeleverd. 2. De jury, bedoeld in het eerste lid, heeft tot taak aan de Minister schriftelijk advies uit te brengen over de toekenning van de Joke Smit oeuvreprijs. De jury"},{"i":14705,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 april 2017, nr. DE/1155851, houdende regels voor het instellen van een jury voor toekenning van de Jos Brinkprijs, voor de werkwijze van de jury en voor de voordracht van de kandidaten (Regeling toekenning Jos Brinkprijs) Gelet op [artikel 3 van het Besluit instelling Jos Brinkprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024802&artikel=3); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit tot wijziging van het Besluit instelling Jos Brink homo emancipatieprijs in werking treedt. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - b. **Jos Brinkprijs:** de Jos Brinkprijs, bedoeld in [artikel 2 van het Besluit instelling Jos Brink prijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024802&artikel=2), die kan worden toegekend in de vorm van een oeuvreprijs en van een innovatieprijs; - c. **jury:** de jury, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039490&artikel=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - d. **LHBTI-personen:** lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgenders en intersekse personen; - e. **LHBTI-gelijkheid:** gelijke behandeling, gelijke rechten en gelijke kansen van en voor LHBTI-personen in de Nederlandse samenleving. Artikel 2. Instelling en taak jury 1. Elke twee jaar is er een onafhankelijke jury Jos Brinkprijs. 2. De jury wordt telkens ingesteld voor 1 december van het jaar voorafgaand aan de beoogde toekenning van de prijs en wordt opgeheven op de dag na de datum waarop het verslag, bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039490&artikel=12&z=2020-01-01&g=2020-01-01), wordt opgeleverd. De minister kan besluiten de jury op een latere datum in te stellen of op te heffen. 3. De jury heeft tot taak aan de minister schriftelijk advies uit te brengen over de toekenning van de Jos Brink oeuvreprijs en de toekenning van de Jos Brink innovat"},{"i":14706,"b":"Regeling toekenning radiofrequenties straalverbindingen aan de concessiehouder Gelet op [artikel 1 van het Besluit toekenning radiofrequenties voor straalverbindingen aan de concessiehouder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008349&artikel=1); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder de minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat. Artikel 2 1. Een aanvraag tot toekenning van radiofrequenties bestemd voor het tot stand brengen van een of meer verbindingen tussen vaste punten (straalverbindingen) geschiedt door middel van een bij de Rijksdienst voor Radio- communicatie van de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat verkrijgbaar aanvraagformulier alsmede een elektronische gegevensdrager. 2. Een aanvraag wordt ingediend bij de Rijksdienst voor Radiocommuni-catie. Artikel 3 Een aanvraag bevat per radiofrequentie de volgende gegevens: - a. de opstelplaats van de zenders en ontvangers; - b. frequentiebereik en -karakteristieken; - c. de te gebruiken apparatuur, en - d. doel en aard van de straalverbinding. Artikel 4 1. Op een aanvraag wordt door de Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag. 2. Indien niet kan worden beslist binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, stelt de Minister de aanvrager daarvan in kennis en geeft daarbij een termijn aan die niet langer zal zijn dan zes maanden waarbinnen een beslissing zal worden genomen. 3. Het verloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de Minister krachtens [artikel 4:7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7), of [artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) de aanvrager in de gelegenheid stelt zijn zienswijze over het voorgenomen besluit naar voren te brengen tot de dag waarop de aanvrager zijn zienswijze naar voren heeft gebracht of de krachtens [artikel 4:7, eerste lid](https://wet"},{"i":14707,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 25 november 2025, nr. 6882787, houdende nadere regels betreffende een toelage wegens bijzondere belastende werkomstandigheden bij de politie (Regeling toelage bijzondere belastende werkomstandigheden politie) Gelet op [artikel 21 van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=21); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **ambtenaar:** ambtenaar als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - **aspecten uit beoordelingskader:** bereikbaarheid, gevaar, geheimhouding en heimelijkheid; - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - **beoordelingskader:** kader waarmee beoordeeld wordt of de werkomstandigheden van een groep medewerkers die werkzaam is in een vergelijkbare situatie, aanleiding geven tot een toelage voor bijzondere belastende werkomstandigheden, opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051876&bijlage=1&z=2026-04-17&g=2026-04-17); - **commissie:** een door de korpschef landelijk ingesteld paritair adviesorgaan bestaande uit vertegenwoordigers van de werkgever en de politievakbonden; - **duiktoelage:** toelage voor werkzaamheden onder water waarbij niet zonder mechanische hulp kan worden geademd; - **toelage:** toelage voor bijzondere belastende werkomstandigheden die niet zijn meegewogen in de waardering van de functie of worden vergoed door middel van een andere toelage of vergoeding; - **eenheid LO:** eenheid Landelijke Opsporing en Interventies; - **forensisch duiker:** duiker die wordt ingezet bij een opsporingsonderzoek om bewijs veilig te stellen; - **functie:** functie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overh"},{"i":14708,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 4 oktober 2010 nr 5669054/10, tot vaststelling van de Regeling toelating en uitzetting BES Gelet op de [artikelen 7, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=7),[9, derde lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=9) en [24, derde lid, van de Wet toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028571&artikel=24) en de [artikelen 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=2.12), [3.3, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=3.3), [3.5, derde lid, onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=3.5), [3.10, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=3.10), [5.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.17), [5.19, vierde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.19), [5.20, tweede lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.20), [5.34, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.34), [5.35, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=5.35), [6.2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.2), [6.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.11) en [6.32, van het Besluit toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599&artikel=6.32); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet toelating en uitzetting BES in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **het besluit:** het [Besluit toelating en uitzetting BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028599); - b. **EVRM:** Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hoofdstuk 2. Visa als instrumenten van het toelatingsbeleid Artikel 2.1 Terzake van de afdoening van een aanvraag"},{"i":14709,"b":"Tijdelijke regeling van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Omroep Stichting, ook handelende onder de naam NPO van 25 maart 2009 over de toepasselijkheid van (nadere) bindende regelingen en overige brieven en schriftelijk vastgelegd beleid van de NPO in verband met de inwerkingtreding van de Mediawet 2008 (Regeling toepasselijkheid beleid NPO onder de Mediawet 2008) Gelet op de [artikelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.2), [2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.3), [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.10) en [2.11 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.11); Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Overwegende, dat per 1 januari 2009 de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) (Stb. 2008, 583) en het [Mediabesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036) (Stb. 2008, 584) in werking zijn getreden en de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) (Stb. 1987, 249) en het [Mediabesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004237) (Stb. 1987, 573) zijn ingetrokken; dat de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) en het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036) zowel inhoudelijke als technische wijzigingen van de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149), respectievelijk het [Mediabesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004237) bevatten; dat daarnaast het systeem en de vormgeving van de er in neergelegde bepalingen volledig is gewijzigd; dat tevens het begrippenkader is vernieuwd; dat de aanpassing van inhoud, nummering en begrippenkader van de beleidsregels, richtlijnen en (nadere) bindende regelingen van de NPO aan de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) en het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":14710,"b":"Tijdelijke regeling van het Commissariaat voor de Media van 13 januari 2009 houdende beleidsregels omtrent toepasselijkheid van de beleidsregels van het Commissariaat voor de Media in verband met de inwerkingtreding van de Mediawet 2008 (Regeling toepasselijkheid beleid onder de Mediawet 2008) Gelet op de [artikelen 7:11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.11) en [7:12 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.12); Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Overwegende: dat per 1 januari 2009 de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) (Stb. 2008, 583) en het [Mediabesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036) (Stb. 2008, 584) in werking zijn getreden en de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149) (Stb. 1987, 249) en het [Mediabesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004237) (Stb. 1987, 573) zijn ingetrokken; dat de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) en het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036) zowel inhoudelijke als technische wijzigingen van de [Mediawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004149), respectievelijk het [Mediabesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004237) bevatten; dat daarnaast het systeem en de vormgeving van de er in neergelegde bepalingen volledig is gewijzigd; dat tevens het begrippenkader is vernieuwd; dat de aanpassing van inhoud, nummering en begrippenkader van de beleidsregels van het Commissariaat voor de Media aan de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) en het [Mediabesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025036) niet is afgerond op 1 januari 2009; dat het om die reden noodzakelijk is een tijdelijke maatregel te treffen om de huidige beleidsregels van het Commissariaat voor de Media in overeenstemming te brengen met de ["},{"i":14712,"b":"Regeling toevoeging bijzondere curatoren Overwegende dat de werkzaamheden van bijzondere curatoren, die door de rechter zijn benoemd om rapport uit te brengen, krachtens de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368) door de Raad voor Rechtsbijstand kunnen worden vergoed; Overwegende dat voor het verrichten van werkzaamheden als bijzondere curator in zaken als bedoeld in [artikel 1:250 Burgerlijk Wetboek (BW)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=250) naast daarvoor speciaal ingeschreven advocaten en mediators ook anderen tot bijzondere curator kunnen worden benoemd, indien zij daartoe aan de gestelde bijzondere deskundigheidseisen hebben voldaan; Overwegende dat de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad) met deze andere personen overeenkomsten als bedoeld in [artikel 13 lid 1 sub c van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=13) aan kan gaan; Overwegende dat het nodig is daartoe regels vast te stellen; Stelt de volgende regeling vast: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **De Raad:** Raad voor Rechtsbijstand. - 2. **Bijzondere curator:** de bijzondere curator in [artikel 1:250 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=250) zaken die staat geregistreerd bij de Raad voor Rechtsbijstand. - 3. **Overeenkomst:** Overeenkomst ‘Toevoegen Bijzondere curator’ volgens de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=13) en [24 lid 1 sub c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=24). - 4. **Besluit vergoedingen:** [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr 2000)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018). - 5. **De Stichting:** De Stichting Bijzondere Curator Nederland. Artikel 2 1. De Raad kan een overeenkomst met bijzondere curatoren afsluiten die niet tevens een bij de Raad ingeschreven advocaat of mediator zijn, indien zij aan de volgende voorwaarden"},{"i":14713,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 november 2013, 2013-0000165360, tot aanpassing van de Regeling cofinanciering sectorplannen in verband met het vervallen van de RVU-tegemoetkoming alsmede enkele technische wijzigingen Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3) en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling cofinanciering sectorplannen. Artikel II Op sectorplannen die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, blijft [artikel 4.5 van de Regeling cofinanciering sectorplannen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033761&artikel=4.5) van toepassing zoals dat luidde voor die datum. Artikel III 1. Artikel I, onderdelen A, B en C van deze regeling treden in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werken terug tot en met 15 augustus 2013. 2. Artikel I, onderdeel D, en artikel II treden in werking met ingang van 1 januari 2014. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14714,"b":"Regeling tot instelling van de Centrale Overleggroep huisvesting gehandicapten Besluit: Artikel 1 1. Er is een Centrale Overleggroep huisvesting gehandicapten, hierna te noemen de Centrale Overleggroep. 2. De Centrale Overleggroep wordt ingesteld voor een tijdvak van vier jaar, welk tijdvak telkens met vier jaar door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, hierna te noemen de minister, kan worden verlengd. Artikel 2 De Centrale Overleggroep heeft tot taak het overleg te bevorderen tussen: - a. door de minister aangewezen vertegenwoordigers, - b. organisaties, die betrokken zijn met de huisvesting van gehandicapten, en met name bij de uitvoering van de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten 1989, en - c. organisaties die de doelgroep vertegenwoordigen, over het beleid met betrekking tot de huisvesting van gehandicapten in het algemeen en over de uitvoering van de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten 1989 in het bijzonder. Artikel 3 1. De Centrale Overleggroep bestaat uit: - a. twee door de minister aan te wijzen vertegenwoordigers van het Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting, waarvan een, als voorzitter optreedt; en - b. een vertegenwoordiging van: - 1º. elk van de volgende organisaties: - de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; - de Gemeenschappelijke Medische Dienst; - het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds; - de Stichting Nederlandse Gehandicaptenraad; - de Federatie van Bedrijfsverenigingen; - 2º. de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2. De minister kan op grond van gewijzigde verantwoordelijkheden betreffende de huisvesting van gehandicapten, tussentijds en na overleg met de in het eerste lid, onder b, genoemde vertegenwoordigers, de samenstelling van de Centrale Overleggroep wijzigen. Artikel 4 De minister draagt zorg voor ambtelijke ondersteuning van de Centrale Overleggroep. Artikel 5 De vergaderingen van de Centrale Overleggroep kunnen worden bijgewoond door vertegenwoordigers va"},{"i":14711,"b":"Regeling van het College voor toetsen en examens van 26 september 2022, nummer CvTE-22.00945, houdende vaststelling van de toetswijzer voor de doorstroomtoets in het primair onderwijs (Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO) Gelet op [artikel 3a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel VIII, onderdeel B, van de Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs, enz.(aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs) in werking treedt. Artikel 1. Toetswijzer De toetswijzer, bedoeld in [artikel 3a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3a) wordt vastgesteld als bijlage bij deze regeling. Artikel 2. Intrekking De [Regeling toetswijzer eindtoets PO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035687) wordt ingetrokken. Artikel 3. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel VIII, onderdeel B, van de Wet van 9 februari 2022 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046751&artikel=VIII) (Stb. 2022, 135) in werking treedt. Artikel 4. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO. Bijlage. De toetswijzer als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047245&artikel=1&z=2026-04-01&g=2026-04-01) Bijlage behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047245&"},{"i":14715,"b":"Regeling tot intrekking regeling geldelijke steun woonwagenbewoners bij verhuizing uit een krotwoonwagen Besluit: Artikel I De Regeling geldelijke steun woonwagenbewoners bij verhuizing uit een krotwoonwagen (Stcrt. 1989, 211) wordt ingetrokken, met dien verstande dat aanvragen om verstrekking van een bijdrage ineens op voet van die regeling, welke: - a. vóór de datum van inwerkingtreding van deze regeling bij de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn ingediend; of - b. na de datum van inwerkingtreding van deze regeling, doch uiterlijk op 31 maart 1992 bij de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden ingediend, nadat burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente op de betrokken aanvraag vóór 1 januari 1992 tot verstrekking van een bijdrage uit de kas van de gemeente hebben besloten, worden behandeld op voet van die regeling. Artikel II Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1992."},{"i":14716,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 20 mei 2023, nr. IENW/BSK-2023/19412, houdende vaststelling van de taak en samenstelling van de commissie bedoeld in artikel 8.34 van de Wet luchtvaart in verband met de transitie naar de Maatschappelijke Raad Schiphol (Regeling transitie CROS-MRS) Gelet op [artikel 8.23a, eerste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.23a), en [artikel 8.36 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.36); BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aspirant-lid:** lid dat naast de in [artikel 8.34 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.34) opgenomen leden is vertegenwoordigd in de commissie; - –. **Bestuurlijke Regie Schiphol:** samenwerkingsverband van gemeenten en provincies in de Schipholregio; - –. **bewonersorganisatie:** groep van bewoners, geheel of gedeeltelijk wonende binnen de 45 dB(A) Lden contour op basis van 500.000 vliegtuigbewegingen, die zich heeft verenigd met het doel actief mee te praten en te adviseren over de kwaliteit van de leefomgeving rondom Schiphol; - –. **commissie:** commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol; - –. **Maatschappelijke Raad Schiphol:** raad bedoeld in de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 17 oktober 2022 (Kamerstukken II 2022/23, 29 665, nr. 443); - –. **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - –. **pro forma-lid:** lid dat op grond van [artikel 8.34 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.34) in de transitieperiode totdat de Maatschappelijk Raad Schiphol is opgenomen in de [Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555) is vertegenwoordigd in de commissie, maar niet deelneemt aan de vergaderingen en werkzaamheden ten behoeve van de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048179&artikel=3&z=2023-07-01&g=2023-07-01) bedoelde taken; - –. **wet:** [Wet luchtvaart]("},{"i":14717,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 december 2006, nr. HDJZ/2006/1894, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de aanvraag en afgifte van transitokentekenbewijzen (Regeling transitokentekenbewijzen) Gelet op de [artikel 36, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=36) en [62, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=62), [artikel 24a van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=24a) en [artikel 4.6a van het Voertuigreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006746&artikel=4.6a); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder transitokenteken: kenteken als bedoeld in [artikel 4, derde lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006951&artikel=4). Artikel 2 De aanvraag voor een inschrijving en tenaamstelling ten behoeve de verkrijging van een transitokenteken wordt buiten behandeling gelaten indien in de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag een transitokenteken voor het voertuig is opgegeven. Artikel 3 [Artikel 72, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=72) is niet van toepassing op voertuigen waarvoor een transitokenteken is opgegeven. Artikel 4 1. De aanvrager die niet beschikt over, dan wel geen gebruik maakt van de erkenning inschrijven met onderzoek of de erkenning inschrijven zonder onderzoek, biedt het voertuig waarvoor hij de aanvraag indient aan bij een van de daartoe op grond van [artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling kentekenbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007090&artikel=4) aangewezen vestiging van de Dienst Wegverkeer, dan wel bij een andere locatie die voldoet aan de door deze dienst te stellen voorwaarden. 2. Indien sinds de datum waarop een ambulance of waarop een motorrijtuig of aanhangwagen, waarvan de toegestane maximale massa meer bedraagt dan 3500 kg, dan we"},{"i":14718,"b":"Regeling Translation Grants for Foreign Publishers gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **bestuur:** het bestuur van het Letterenfonds. - 2. **het Letterenfonds:** Stichting Nederlands Letterenfonds. - 3. **aanvrager:** een niet in de landen van de Nederlandse Taalunie gevestigde rechtspersoon die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit met als doel onder meer de uitgave van literaire werken. - 4. **een vertaling:** de uitgave in papieren of digitale vorm van een vertaling van oorspronkelijk in de Nederlandse of Friese taal geschreven kwalitatief hoogstaande literaire fictie, waaronder poëzie, (geïllustreerde) kinder- en jeugdliteratuur en beeldromans alsmede literaire non-fictie en anderstalige klassiekers die tot de Nederlandse literatuur worden gerekend. - 5. **uitgave-overeenkomst:** een overeenkomst tussen een Nederlandse uitgeverij en de aanvrager betreffende de exploitatierechten op de vertaling van een uitgave waarin minimaal bepalingen over het royalty-percentage en de licentie zijn overeengekomen. - 6. **Nederlandse literatuur:** Nederlands- of Friestalige literaire werken geschreven door een auteur met de Nederlandse nationaliteit, dan wel een stateloze auteur of een auteur met een vreemde nationaliteit, mits duurzaam woonachtig (geweest) in Nederland. Artikel 2. Doelstelling Deze regeling beoogt de internationale bekendheid en verspreiding van Nederlandse literatuur te bevorderen door subsidie te verstrekken in de kosten van vertalingen. Artikel 3. Vereisten aanvrager De aanvrager heeft, indien er nog auteursrechten op de vertaling rusten,"},{"i":14719,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 21 april 2021, nr. 2127629, houdende bepalingen voor de toekenning van een medaille of penning voor trouwe en langdurige dienst bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (Regeling trouwe en langdurige dienst DJI) Gelet op het advies van de Kanselier der Nederlandse Orden Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Minister:** de Minister van Justitie en Veiligheid; - b. **DJI:** de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; - c. **medaille:** draagmedaille, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045089&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2021-05-04&g=2021-05-04), zoals omschreven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045089&bijlage=1&z=2021-05-04&g=2021-05-04); - d. **penning:** de legpenning, bedoeld in [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045089&hoofdstuk=2&artikel=3&z=2021-05-04&g=2021-05-04), zoals omschreven in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045089&bijlage=2&z=2021-05-04&g=2021-05-04); - e. **jaarteken:** het teken met de aanduiding 25 (XXV), 40 (LV) of 50 (L), zoals omschreven in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045089&bijlage=3&z=2021-05-04&g=2021-05-04); - f. **baton:** het lint met een vast formaat van 27 x 11 mm, zoals omschreven in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045089&bijlage=1&z=2021-05-04&g=2021-05-04); - g. **oorkonde:** de oorkonde, zoals opgenomen in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045089&bijlage=3&z=2021-05-04&g=2021-05-04); - h. **ambtenaar:** degene die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat der Nederlanden werkzaam is bij DJI en bij deze organisatie is tewerkgesteld. 2. De bijlagen worden gepubliceerd op de internetsite van DJI. Artikel 2 Voor de toepassing van onderhavige regeling wordt de voor ambtenaren voorgeschreven dienstkleding geacht e"},{"i":14720,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 8 mei 2023, 2023-0000109118, directie Financiële Markten, houdende regels ten behoeve van de betaalbaarstelling van schadeloosstelling aan rechthebbenden in verband met de nationalisatie van SNS Reaal N.V. en SNS Bank N.V. (Regeling uitbetaling schadeloosstelling onteigening SNS REAAL) Gelet op [artikel 6:12, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=6:12); BESLUIT: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **recht:** recht op schadeloosstelling als bedoeld in [artikel 6:8, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=6:8); - **rechthebbende:** houder van een recht; - **Minister:** Minister van Financiën; - **wet:** [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 2. Toepassingsbereik Deze regeling is van toepassing op rechten die verband houden met het Besluit van de Minister van Financiën van 1 februari 2013 tot onteigening van effecten en vermogensbestanddelen SNS REAAL NV en SNS Bank NV in verband met de stabiliteit van het financiële stelsel, alsmede tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen ten aanzien van SNS REAAL NV (Stcrt. 2013, 3018). Artikel 3. Betaling 1. Betaling van de schadeloosstelling geschiedt: - a. voor rechten die volgens de procedure van [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048155&artikel=4&z=2023-05-15&g=2023-05-15) zijn geverifieerd: door bijschrijving op een rekening van Euroclear Bank S.A./N.V. of Clearstream Banking S.A.; - b. voor rechten die volgens de procedure van [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048155&artikel=5&z=2023-05-15&g=2023-05-15) zijn geverifieerd: door bijschrijving op een betaalrekening van de rechthebbende; - c. voor rechten die volgen uit onteigende SNS Participatie Certificaten serie 3 (uitgegeven in juni 2003) en die volgens de procedure van [artikel 6](https://wetten.overheid"},{"i":14721,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 4 februari 2015 nr. 596065 houdende de aanwijzing van enkele organisaties als afnameplichtige organisatie in de zin van artikel 28, eerste lid, Wet beëdigde tolken en vertalers (Regeling uitbreiding afnameplicht Wbtv) Gelet op [artikel 28, tweede lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=28); Besluit: Artikel 1 In aanvulling op de in [artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=28) genoemde diensten en instanties, maken de volgende diensten en instanties in het kader van het strafrecht en het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers: - a. de bijzondere opsporingsdiensten als bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019919&artikel=2); - b. Vluchtelingenwerk Nederland; - c. de Dienst Justitiële Inrichtingen; - d. advocaten, voor zover in het kader van de verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand als bedoeld in de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2015. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14722,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 juni 2023, nr. IENW/BSK-2023/158985, houdende vaststelling van nadere regels in verband met de uitvoering van het Besluit uitgebreide producentenverantwoordelijkheid textiel (Regeling uitgebreide producentenverantwoordelijkheid textiel) Gelet op [artikel 9.5.2, zevende lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2); BESLUIT: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **Besluit UPV:** [Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044197); - **Besluit UPV textiel:** [Besluit uitgebreide producentenverantwoordelijkheid textiel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048093); - **gemachtigd vertegenwoordiger:** een in Nederland gevestigde rechtspersoon of natuurlijke persoon die is aangewezen door een niet in Nederland gevestigde producent voor de uitvoering van zijn verplichtingen in verband met het [Besluit UPV textiel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048093) en het [Besluit UPV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044197). Artikel 2 De gemachtigd vertegenwoordiger beschikt over de benodigde informatie om namens de producent melding te kunnen doen en verslag te kunnen uitbrengen als bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048299&artikel=3&z=2025-01-01&g=2025-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048299&artikel=4&z=2025-01-01&g=2025-01-01), tenzij de producent is aangesloten bij een producentenorganisatie. Artikel 3 1. De producent, gemachtigd vertegenwoordiger of producentenorganisatie maakt voor de melding, bedoeld in [artikel 4 van het Besluit UPV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044197&artikel=4) gebruik van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048299&bijlage=I&z=2025-01-01&g=2025-01-01) opgenomen formulier. 2. De in Nederland gevestigde producent die niet is aangesloten bij een produc"},{"i":14723,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 5 november 2024, nr. IENW/BSK-2024/297838, houdende vaststelling van nadere regels in verband met de uitvoering van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor kunststofhoudend vistuig (Regeling uitgebreide producentenverantwoordelijkheid vistuig) Gelet op [artikel 9.5.2, zevende lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=9.5.2); BESLUIT: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 7 van het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **producent:** producent als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045257&artikel=1); - **producentenorganisatie:** organisatie als bedoeld in [artikel 1 van het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044197&artikel=1). Artikel 2 De gemachtigd vertegenwoordiger van een niet bij een producentenorganisatie aangesloten producent beschikt over de benodigde informatie om namens de producent melding te kunnen doen en verslag te kunnen uitbrengen als bedoeld in de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044197&artikel=4) respectievelijk [5 van het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044197&artikel=5). Artikel 3 1. De producent, gemachtigd vertegenwoordiger of producentenorganisatie maakt voor de melding, bedoeld in [artikel 4 van het Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044197&artikel=4), gebruik van het in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050381&bijlage=I&z=2024-12-31&g=2024-12-31) opgenomen formulier. 2. De producent of gemachtigd vertegenwoordiger vult het gehele formulier in, met uitzondering van [deel C, onderdeel 7"},{"i":14724,"b":"Regeling uitvoering artikel 11, tweede lid, Wet bestrijding ongevallen Noordzee Gelet op [artikel 11, tweede lid, van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005444&artikel=11); Besluit: Artikel 1 Als ambtenaren die zijn belast met het toezicht op de naleving van aanwijzingen, gegeven krachtens [artikel 5 van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005444&artikel=5), en met het uitvoeren van maatregelen, genomen krachtens [artikel 6 van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005444&artikel=6), worden aangewezen de directeur Kustwacht en de ambtenaren van de in de Kustwacht samenwerkende diensten die door hem zijn belast met de incidentenbestrijding overeenkomstig het Incidentbestrijdingsplan Noordzee. Artikel 2 De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 oktober 1992, nr. J 31.033/92 (Stcrt. 208), houdende de uitvoering van [artikel 11, tweede lid, van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005444&artikel=11) wordt ingetrokken. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 1997. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":14725,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 11 januari 2010, houdende regels voor de uitvoering van exportkrediet- en investeringsverzekeringsfaciliteiten van de Staat (Regeling uitvoering EKI) Gelet op [artikel 3, eerste, tweede, derde en vijfde lid van de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007886&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van het bij deze regeling bepaalde wordt verstaan onder: - **uitvoerder:** een ondernemer die de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027082&artikel=2&z=2010-01-21&g=2010-01-21) van deze regeling bedoelde uitvoeringswerkzaamheden namens de Staat verricht. Artikel 2 1. De Minister kan met een uitvoerder overeenkomen dat deze bepaalde uitvoeringswerkzaamheden verricht in verband met verzekeringen en garanties voor ondernemers ter dekking van aan het handels- en dienstenverkeer van die ondernemers met landen buiten Nederland verbonden risico’s of ter dekking van niet-commerciële risico’s verbonden aan investeringen van die ondernemers in een land buiten Nederland. 2. Aan de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, worden nadere vereisten gesteld en wordt een geldelijke vergoeding verbonden, die worden vastgelegd in een of meerdere overeenkomsten tussen de Staat en de uitvoerder. Artikel 3 Ondernemers, die verzekeringen of garanties bij de Staat wensen af te sluiten, wenden zich daartoe tot de uitvoerder. De verzekeringen en garanties zullen tussen de ondernemers en de Staat worden afgesloten en vastgelegd in door de uitvoerder in naam en voor rekening en risico van de Staat uitgereikte polissen respectievelijk garantiedocumenten. Artikel 4 De behandeling van verzekeringsaanvragen en van eventuele schadeclaims geschieden uitsluitend via de uitvoerder. Artikel 5 1. De Minister stelt periodiek vast welke risico’s de Staat in beginsel bereid is in verzekering te nemen. Het risico in verband met elke verzekerings- of garantieaanvraag wordt per geval op"},{"i":14726,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2022, nr. WJZ/ 21206194, tot uitvoering van verordening (EU) 2021/2115 en verordening (EU) 2021/2116 inzake het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (Regeling uitvoering NSP GLB 2023–2027) Gelet op: [Verordening (EU) 2021/1060](32960R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231); [Verordening (EU) 2021/2115](32115R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van [Verordeningen (EU) nr. 1305/2013](32013R1305) en [(EU) nr. 1307/2013](32013R1307) (PbEU 2021, L 435); [Verordening (EU) 2021/2116](32116R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) (PbEU 2021, L 435); en de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=15) en [19 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **interventie:** interventie als bedoeld in artikel 3, onderdeel 3)"},{"i":14652,"b":"Regeling tarieven Airport Coordination Netherlands 2020 Gelet op [artikel 8a.67 Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.67), Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ACNL:** Airport Coordination Netherlands; - b. **algemene luchtvaart:** alle luchtvaart niet zijnde handelsverkeer; - c. **gebruiker:** een luchtvaartmaatschappij alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij; - d. **handelsverkeer:** verkeersvluchten van luchtvaartmaatschappijen die open staan voor individuele boekingen voor passagiers, vracht of post, en die betreffen: geregelde vluchten, zijnde lijnvluchten of commerciële vluchten uitgevoerd op een vaste route volgens een gepubliceerde dienstregeling, en niet-geregelde vluchten, zijnde chartervluchten in het passagiers- en vrachtvervoer of commerciële vluchten met een ongeregeld karakter; - e. **luchthaven:** een luchthaven waarvoor ACNL is belast met de taken die de slotcoördinator op grond van de slotverordening heeft; - f. **slotverordening:** [Verordening nr. 95/93](31993R0095) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van slots op communautaire luchthavens (PbEG L14). Artikel 2 - 2.1. De vergoeding voor een gebruiker van een luchthaven per gebruikt slot bedraagt € 1,58. - 2.2. De vergoeding voor de exploitant van de luchthaven per met een slot gerealiseerde beweging in het vorige boekjaar bedraagt € 1,58. - 2.3. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de vergoeding indien de gebruiker van een luchthaven het slot heeft gebruikt ten behoeve van de algemene luchtvaart € 0. - 2.4. In afwijking van het tweede lid, bedraagt de vergoeding indien de beweging is gerealiseerd ten behoeve van de algemene luchtvaart € 0. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug"},{"i":14727,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 18 mei 2020, nr. WJZ/ 20127708, houdende enige bepalingen ter uitvoering van uitvoeringsverordeningen (EU) 2020/593, (EU) 2020/594 en (EU) 2020/599 (Regeling uitvoering uitvoeringsverordeningen (EU) 2020/593, (EU) 2020/594 en (EU) 2020/599) Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/593 van de Commissie van 30 april 2020 tot verlening van toestemming voor overeenkomsten en besluiten inzake marktstabiliserende maatregelen in de sector aardappelen (PbEU 2020, L 140/13), artikel 4, eerste en tweede lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/594 van de Commissie van 30 april 2020 tot verlening van toestemming voor overeenkomsten en besluiten inzake marktstabiliserende maatregelen in de sector levende planten en producten van de bloementeelt (PbEU 2020, L 140/20), artikel 4, eerste en tweede lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/599 van de Commissie van 30 april 2020 waarbij toestemming wordt verleend voor overeenkomsten en besluiten betreffende productieplanning in de sector melk en zuivelproducten (PbEU 2020, L 140/37) en de [artikelen 13, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=13), en [19 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19); Besluit: Artikel 1 1. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is de bevoegde autoriteit, bedoeld in: - a. artikel 4, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/593 van de Commissie van 30 april 2020 tot verlening van toestemming voor overeenkomsten en besluiten inzake marktstabiliserende maatregelen in de sector aardappelen (PbEU 2020, L 140/13); - b. artikel 4, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/594 van de Commissie van 30 april 2020 tot verlening van toestemming voor overeenkomsten en besluiten inzake marktstabiliserende maatregelen in de sector levende planten en producten van de bloementeelt (PbEU 2020, L 140/20); en -"},{"i":14728,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 31 maart 2016, nr. WJZ/15145152, houdende uitvoeringsbepalingen van de Wet implementatie Nagoya Protocol (Regeling uitvoering Wet implementatie Nagoya Protocol) Gelet op [artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wet implementatie Nagoya Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037150&artikel=2); Besluit: Artikel 1 De voorschriften, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet implementatie Nagoya Protocol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037150&artikel=2) zijn: - a. artikel 4, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde en achtste lid, artikel 7, tweede lid, en artikel 8, derde lid, van Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie (PbEU 2014, L 150); - b. artikel 3, eerste lid, tweede volzin, artikel 4, vierde lid, en artikel 5, eerste, tweede en derde lid, van de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1866 van de Commissie van 13 oktober 2015 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat het register van collecties, het toezicht op de naleving door gebruikers en beste praktijken betreft (PbEU 2015, L 275). Artikel 2 Een collectiehouder dient een verzoek om opneming van zijn collectie in het register van collecties in de Unie, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie (PbEU 2014, L 150) bij de Minister van Economische Zaken in. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald al"},{"i":14729,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 14 januari 2013 , nr. WJZ/12381149, houdende uitvoering Wet verbod pelsdierhouderij (Regeling uitvoering Wet verbod pelsdierhouderij) Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032739&artikel=5) en [6 van de Wet verbod pelsdierhouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032739&artikel=6); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet verbod pelsdierhouderij in werking treedt. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **Minister:** Minister van Economische Zaken; - –. **ministerie:** Ministerie van Economische Zaken; - –. **nerts:** dier behorend tot de diersoort Mustela vison; - –. **nertsenhouderij:** bedrijf of een gedeelte daarvan, als bedoeld in [artikel 1, onderdeel i, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1), dienende tot het houden van nertsen, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden; - –. **wet:** [Wet verbod pelsdierhouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032739). Artikel 2 1. Voor de melding, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032739&artikel=3) en [artikel 4, onderdeel e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032739&artikel=4), wordt gebruik gemaakt van het voor de desbetreffende melding door de Minister verstrekte formulier. 2. De melding geschiedt door toezending van een volledig ingevuld en ondertekend formulier en eventuele bijlagen. 3. De melding, bedoeld in [artikel 4, onderdeel e, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032739&artikel=4), vindt plaats binnen vier weken na de verplaatsing van de nertsenhouderij. Artikel 3 1. Uit een melding als bedoeld in [artikel 3, derde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032739&artikel=3) blijkt in verband met welke bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de wet de verkrijging plaatsvond. 2. De melding gaat vergezeld van een door de ver"},{"i":14730,"b":"Aanpassingsregeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van (datum) 2010, nr. 153989 houdende regels ter uitvoering van de Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES (Regeling uitvoering Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES) In overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028176&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028176&artikel=5) en [6, eerste lid, van de Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028176&artikel=6); Besluit: Artikel 1 De invoer in het vrije verkeer van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028841&bijlage=I&z=2010-10-15&g=2010-10-15) opgenomen werkzame stoffen of bestrijdingsmiddelen is verboden. Artikel 2 Het is verboden in een openbaar lichaam de in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028841&bijlage=II&z=2010-10-15&g=2010-10-15) opgenomen werkzame stoffen of bestrijdingsmiddelen te kopen of te gebruiken, tenzij daartoe vergunning is verleend door het desbetreffende bestuurscollege van dat openbaar lichaam. Artikel 3 1. Het is verboden een in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028841&bijlage=I&z=2010-10-15&g=2010-10-15) opgenomen werkzame stof of bestrijdingsmiddel aan te prijzen. 2. Het is verboden een in [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028841&bijlage=II&z=2010-10-15&g=2010-10-15) opgenomen werkzame stof of bestrijdingsmiddel aan te prijzen zonder daarbij te vermelden dat voor de aankoop en het gebruik van het betrokken bestrijdingsmiddel een vergunning van het bestuurscollege is vereist. Artikel 4 De Rijksdienst Caribisch Nederland wordt aangewezen als bevoegde instantie, bedoeld in [artikel 2 van de Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028176&artikel=2). Artikel 5 De Uitvoeringsregeling Wet voorschriften bestrijdingsmid"},{"i":14738,"b":"Regeling van 20 september 2018 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie houdende het stellen van regels met betrekking tot een Unit Veiligheidsonderzoeken (Regeling UVO 2018) Gelet op [artikel 86, vierde lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=86), Besluiten: Artikel 1. Algemene bepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **b-taak:** taakuitvoering van de diensten uit hoofde van [artikel 8, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=8), en [artikel 10, tweede lid, onder b, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&artikel=10); - –. **bestuursraad UVO:** de bestuursraad bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041396&artikel=4&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - –. **diensten:** Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD); - –. **UVO:** Unit Veiligheidsonderzoeken. Artikel 2. Taakomschrijving 1. Er is een UVO. 2. De UVO heeft tot taak het in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie zorgdragen voor de uitvoering van de b-taak. Artikel 3. Algemene leiding 1. De algemene leiding bestaat uit het hoofd van de UVO en het plaatsvervangend hoofd van de UVO. Het hoofd van de UVO is een ambtenaar van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het plaatsvervangend hoofd is een ambtenaar van het Ministerie van Defensie. 2. Het hoofd van de UVO is verantwoordelijk voor de dagelijkse aansturing en organisatie van de UVO. Er is tevens een plaatsvervangend hoofd die hem op zijn verzoek kan vervangen. 3. Onder dagelijkse aansturing en organisatie wordt in ieder geval verstaan: - a. de aansturing van de UVO op bedrijfsvoeringsaspecten en daarbij zorgdragen voor ef"},{"i":3663,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid van 25 april 2022, kenmerk 3804037 houdende verlening van mandaat aan de directeur Kustwacht voor het verlenen van toestemming aan scheepsbeheerders ten behoeve van het verrichten, toe te staan of mogelijk te maken van gewapende maritieme beveiligingswerkzaamheden Gelet op [artikel 4 van de Wet ter Bescherming Koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=4), [artikel 2.2 van het Besluit bescherming koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=2.2) en [artikel 10:3 lid 1 Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Justitie en Veiligheid; en - b. **mandaat:** bevoegdheid om in naam van de Minister besluiten te nemen. Artikel 2 1. Aan de directeur Kustwacht wordt mandaat verleend voor het verlenen en intrekken van toestemming zoals bedoeld in [artikel 3 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=3) jo. [artikel 4 Wet ter Bescherming Koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042278&artikel=4) jo. [artikel 2.2 van het Besluit bescherming koopvaardij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046155&artikel=2.2); 2. De directeur Kustwacht is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 3 1. Aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt mandaat en machtiging verleend om namens de Minister: - a. een besluit te nemen op een bezwaarschrift gericht tegen een besluit als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046635&artikel=2&z=2022-05-06&g=2022-05-06); - b. verweer te voeren ingeval beroep of hoger beroep is ingesteld ter zake van een besluit op bezwaar als bedoeld in onderdeel a; - c. verweer te voeren ingeval een voorlopige voorziening is ingesteld in het kader van een bezwaar,"},{"i":4119,"b":"Besluit van 1 februari 1952, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur inzake het instellen van een commissie, alsmede van de mogelijkheid van beroep tegen beslissingen van de commissie, als bedoeld in artikel 7 van de Garantiewet Militairen K.N.I.L Op de voordracht van Onze Staatssecretaris voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen van 14 December 1951, Afdeling Mil. Pers. Zaken, No. 30; Gelet op [artikel 7 van de Garantiewet Militairen K.N.I.L.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077&artikel=7), alsmede op Ons Besluit van 22 Juni 1950 (**Staatsblad** K 262). De Raad van State gehoord (advies van 8 Januari 1952, No. 76); Gezien het nader rapport van 24 Januari 1952, Afdeling Militaire Personeelszaken, No. 40; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: \"militairen\", \"beroepsmilitairen\", \"gewezen militairen\" en \"nagelaten betrekkingen\": hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 1 van de Garantiewet Militairen K.N.I.L.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077&artikel=1); \"Commissie\": de Commissie bedoeld in [artikel 7 van de Garantiewet Militairen K.N.I.L.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077&artikel=7) Artikel 2 Als Commissie treedt op de Garantiewetcommissie, bedoeld in artikel 2 van Ons besluit van 26 mei 1953 (**Stb.** 239), met dien verstande, dat voor de behandeling van zaken, de [Garantiewet Militairen K.N.I.L.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002077) betreffende, de leden en de plaatsvervangende leden door andere leden en plaatsvervangende leden kunnen worden vervangen. Artikel 3 Voor zover daarvan bij dit besluit niet nadrukkelijk wordt afgeweken, zijn de volgende artikelen van Ons besluit van 26 mei 1953 (**Stb.** 239) van overeenkomstige toepassing: - a. op de Commissie: de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002085&artikel=6&z=1997-01-29&g=1997-01-29), 13 tot en met 15, 16, leden 1 en 2, 20, lid 1 en 21, lid 1 sub **b** en lid 2, met dien versta"},{"i":14747,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 december 2018, 2018-0000171280, tot vaststelling van de aantallen beschut werk voor het jaar 2019 (Regeling vaststelling aantallen beschut werk 2019) Gelet op [artikel 10b, vierde lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=10b); Besluit: Artikel 1. Aantallen beschut werk Het aantal ten minste te realiseren dienstbetrekkingen, bedoeld in [artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=10b), wordt voor het jaar 2019 vastgesteld op het in de bijlage bij deze regeling bepaalde aantal per gemeente. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019 en vervalt met ingang van 1 januari 2020. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling aantallen beschut werk 2019. Bijlage. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041650&artikel=1&z=2019-01-01&g=2019-01-01): aantallen beschut werk ultimo 2019 Betreft indeling 2018 | CBS-code | Gemeente | | | --- | --- | --- | | 1680 | Aa en Hunze | 5 | | 738 | Aalburg | 5 | | 358 | Aalsmeer | 5 | | 197 | Aalten | 6 | | 59 | Achtkarspelen | 7 | | 482 | Alblasserdam | 5 | | 613 | Albrandswaard | 10 | | 361 | Alkmaar | 50 | | 141 | Almelo | 52 | | 34 | Almere | 65 | | 484 | Alphen aan den Rijn | 36 | | 1723 | Alphen-Chaam | 1 | | 60 | Ameland | 1 | | 307 | Amersfoort | 41 | | 362 | Amstelveen | 19 | | 363 | Amsterdam | 316 | | 200 | Apeldoorn | 62 | | 3 | Appingedam | 6 | | 202 | Arnhem | 127 | | 106 | Assen | 35 | | 743 | Asten | 4 | | 744 | Baarle-Nassau | 1 | | 308 | Baarn | 3 | | 489 | Barendrecht | 7 | | 203 | Barneveld | 10 | | 5 | Bedum | 4 | | 888 | Beek | 3 | | 370 | Beemster | 2 | | 889 | Beesel | 4 | | 1945 | Berg en Dal | 11 | | 1724 | Bergeijk | 5 | | 893 | Bergen L | 6 | | 373 | Bergen NH | 5 | | 748 | Bergen op Zoom | 27 | | 1859 | Berkelland | 13 | | 1721"},{"i":14759,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 26 november 2018, 2018-195628, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bijdragen gemoedsbezwaarden 2019 Gelet op [artikel 20 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=20); BESLUIT: Artikel 1 Het bedrag dat personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering, verschuldigd zijn voor het verkrijgen van een bewijs van vrijstelling van de verplichting van verzekering, beloopt voor het jaar 2019: | Categorie 1 | € 37,50 | voor vierwielige personenauto's en bestelauto's; | | --- | --- | --- | | Categorie 3 | € 37,50 | voor autobussen, vrachtauto’s en trekkers; | | Categorie 6 | € 12,50 | voor motorrijwielen, scooters, motorcarriers en overige niet tot de categorieën 1, 3, 7 of 8 behorende motorrijtuigen; | | Categorie 7 | € 12,50 | voor landbouwwerktuigen; | | Categorie 8 | € 12,50 | voor rijwielen met hulpmotor. | Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":12107,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden collectie archieven Strijdkrachten in Nederlands-Indië (2.13.132) en archieven Nederlandse Ambassade in België en Luxemburg (2.05.43) Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het besluit van: De Minister van Defensie van 1 april 2011 (Staatscourant 2011, nr. 2011006588), De Minister van Buitenlandse Zaken van 27 april 2009, houdende de beperking op de openbaarheid. Besluit: Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van de collectie archieven Strijdkrachten in Nederlands-Indië (1938 – 1939) 1941 – 1957, nummer archiefinventaris 2.13.132, die in de bijlage worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2028. Artikel 2 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers van de archieven van het Nederlandse Gezantschap / Nederlandse Ambassade in België (en Luxemburg), 1839-1954 (1961), 1924-1954, nummer archiefinventaris 2.05.43, die in de bijlage worden genoemd, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2025. Artikel 3 De algemene rijksarchivaris stelt de inventarisnummers genoemd in de bijlagen bij de artikelen 1 en 2 beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 4 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefbescheiden gesteld zijn, opgeheven. Dit is van toepassing voor zover de archiefbescheiden een persoonsdossier betreffen die geen afbreuk doet aan de persoonlijke sfeer van mogelijk nog levende derden in het dossier. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant"},{"i":12096,"b":"Besluit beperking tabaksgebruik BES Artikel 1 Waar in dit besluit sprake is van een ruimte of van een inrichting worden daaronder niet begrepen ruimten of delen van een inrichting, gelegen in de open lucht. Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028544&artikel=2), en [artikel 3 van de Wet beperking tabaksgebruik BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028544&artikel=3). Artikel 2 1. Als categorieën van ruimten waarin ingevolge [artikel 2, tweede lid, van de Wet beperking tabaksgebruik BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028544&artikel=2), een verbod om te gebruiken ingesteld en gehandhaafd dient te worden, worden aangewezen alle in de openbare gebouwen. 2. Het bevoegd gezag kan indien een afzonderlijke ruimte in een openbare gebouw is, besluiten deze ruimte van dit verbod uit te zonderen voor zover geen hinder van tabaksprodukten wordt ondervonden in de ruimten waarin het verbod geldt. 3. In de ruimten waarvoor een verbod om tabaksprodukten te gebruiken is ingesteld, dient zulks te worden aangeduid met de goed leesbare tekst «roken verboden», danwel met een begrijpelijke aanduiding, anders dan in letters, met dezelfde betekenis. Artikel 3 1. Degenen die – anders dan in een hoedanigheid als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Wet beperking tabaksgebruik BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028544&artikel=2) – het beheer hebben over inrichtingen voor gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening, sport, sociaal-cultureel werk of onderwijs, voor zover die inrichtingen behoren tot de in het tweede lid aangewezen categorieën, zijn verplicht maatregelen te treffen als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet beperking tabaksgebruik BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028544&artikel=3). 2. De categorieën, bedoeld in het eerste lid, zijn: - a. op het terrein van de gezondheidszorg: inrichtingen waarin instellingen voor gezondheidszorg gevestigd zijn zoals ziekenhuize"},{"i":12060,"b":"Besluit van het Ministerie van Defensie houdende de beperking aan de openbaarheid van archieven op het gebied van verbetering van de rechtspositie van en eerbetoon aan verzetsstrijders in de Tweede Wereldoorlog (‘collectie Vergroesen’), (1942) 1976–1989 (1994), bij overbrenging naar een archiefbewaarplaats Overwegende dat een aantal dossiers in de archieven op het gebied van verbetering van de rechtspositie van en eerbetoon aan verzetsstrijders in de Tweede Wereldoorlog (‘collectie Vergroesen’), (1942) 1976–1989 (1994) beperkingen aan de openbaarheid behoeft: Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Gehoord het advies van het Nationaal Archief d.d. 29-09-2017, met kenmerk 1225931. Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 11 | 2025 | | 15 | 2025 | | 38 | 2025 | | 61–225 | 2025 | | 240–380 | 2025 | | 384–476 | 2025 | | 478–485 | 2025 | | 487–489 | 2025 | | 503–505 | 2025 | | 509–511 | 2025 | | 513–514 | 2025 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040415&artikel=1&z=2017-12-21&g=2017-12-21), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijk verkregen toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Behandeling van verzoeken tot inzage en het verlenen van inzage zelf geschieden volgens de daarvoor bij het Nationaal Archief geldende procedures. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd i"},{"i":12077,"b":"Besluit van 19 juli 2016, houdende het stellen van een beperking aan de openbaarheid van inventarisnummer 6000 van het archief van de Ministerraad over de periode 1823–1990, nummer archiefinventaris 2.02.05.02 Gelet op [artikel 15, eerste en tweede lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Besluit: Artikel 1 Met het oog op het belang van Staat is het inventarisnummer 6000 beperkt openbaar tot 1 januari 2041. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van plaatsing in de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 januari 2016."},{"i":11359,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 februari 2018, nr. WJZ /16056394, houdende regels met betrekking tot subsidiëring van de kosten van sloop en ombouw nertsenhouderijen (Regeling subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij) Gelet op de [artikelen 3, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040594&artikel=3), [7, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040594&artikel=7), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040594&artikel=11), [14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040594&artikel=14), en [15, van het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040594&artikel=15), en op de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19) en [50 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=50); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definitie In deze regeling wordt verstaan onder: - **besluit:** [Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040594); - **grote onderneming:** onderneming als bedoeld in artikel 2, punt 26, van verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L193); - **strekkende meter:** een lengte van 1 meter, ongeacht de breedte, waarop en waaronder de sloopwerkzaamheden worden verricht; - **vierkante meter:** oppervlakte van een vierkante meter waarop en waaronder de sloopwerkzaamheden worden verricht. Hoofdstuk 2. Sloop Artikel 2. Subsidie voor sloop 1. Het be"},{"i":12093,"b":"Besluit van de Minster van Financiën d.d. 31 augustus 2010, nr. Bedr/2010/526 M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen gerubriceerd archief, over de periode (1903)1939–1975 (1983) Gelet op [artikel 15, lid 1a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gezien het advies van het Nationaal Archief dd. 23 augustus 2910, nr. NA/10/5.606; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen en het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden, worden aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen bescheiden van het gerubriceerd archief, over de periode (1903)1939–1975 (1983), met de inventarisnummers zoals opgenomen in de bijlage, de in het volgende artikel genoemde beperkingen gesteld. Artikel 2 Raadpleging of gebruik binnen de expiratieperiode van de in het vorige artikel bedoelde inventarisnummers is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruik gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van publicatie in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bijlage | Inventaris | Beschrijving | Expiratiedatum | | --- | --- | --- | | 213 | Verzoeken aan de Inspecteur der Belastingen om ingehouden dividendbelasting van leden van het Koninklijk Huis te betalen; periode 1949–953 | Jan. 2029 | | 273 | Voorzittersarchief van mr. J.R.H. van Schaik van de Commissie tot Zuivering van enkele ambtenaren van het departement van Financiën; periode 1945–1963 | Jan. 2025 |"},{"i":12098,"b":"Besluit beperkingen aan de openbaarheid supplement archief Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, 1999–2013 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en c, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 11 juli 2016, met kenmerk 2016-16553 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het supplement op het archief van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, 1999–2013. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 1290 | 2079 | | 1292–1298 | 2079 | | 1299–1306 | 2080 | | 1307–1315 | 2081 | | 1316–1322 | 2082 | | 1323–1331 | 2083 | | 1332–1339 | 2084 | | 1340–1345 | 2085 | | 1346 | 2081 | | 1356 | 2081 | | 1357 | 2085 | | 1358 | 2079 | | 1359 | 2080 | | 1360 | 2082 | | 1361 | 2083 | | 1362–1363 | 2085 | | 1364 | 2085 | | 1365–1368 | 2083 | | 1369 | 2081 | | 1370–1371 | 2083 | | 1372 | 2085 | | 1373 | 2083 | | 1374 | 2085 | | 1375 | 2086 | | 1376 | 2084 | | 1377 | 2085 | | 1378 | 2083 | | 1379 | 2085 | | 1380 | 2084 | | 1381 | 2083 | | 1382 | 2087 | | 1407 | 2079 | | 1408 | 2079 | | 1409 | 2079 | | 1410 | 2079 | | 1411 | 2079 | | 1412 | 2088 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039577&artikel=1&z=2016-08-03&g=2016-08-03) is, tot 20 jaar na sluiting van de betreffende dossiers, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 De inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039577&artikel=1&z=2016-"},{"i":12104,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 juli 2018, houdende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van Projectgroep 400 jaar vriendschappelijke betrekkingen Verenigde Staten - Nederland, 2008–2010 Nummer toegang: 2.05.428; Archiefbloknummer Z335 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d 25 juni 2018 nr. 1368645 Besluit Artikel 1 Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | BZ-2017.57037 | 2031 | | BZ-2017.62546 | 2031 | | BZ-2017.51047 | 2030 | | BZ-2017.52120 | 2030 | | BZ-2017.60636 | 2030 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041186&artikel=1&z=2018-07-24&g=2018-07-24), is tot openbaring uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041186&artikel=1&z=2018-07-24&g=2018-07-24), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring va"},{"i":11887,"b":"Besluit van 16 december 1977, houdende aanvullingen van opschriften op vaandels en standaarden van regimenten van de Koninklijke landmacht voor krijgsverrichtingen in het voormalige Nederlands-Indië gedurende de jaren 1945-1949 Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 2 december 1977, Landmachtstaf, nr. 456.108 D; Overwegende de wenselijkheid de vaandel-, c.q. standaardopschriften van regimenten van de Koninklijke landmacht aan te vullen met de krijgsverrichtingen van de stamonderdelen in het voormalige Nederlands-Indië gedurende de jaren 1945-1949; Gelet op de Koninklijke besluiten van: 7 augustus 1896, nr. 41 en 42; 14 juli 1909, nr. 82; 3 november 1913, nr. 70; 17 april 1919, nr. 24; 29 maart 1927, nr. 24; 3 juli 1945, nr. 28; 1 februari 1947, nr. 70; alsmede op Onze besluiten van: 13 juli 1949, nr. 42; 4 september 1951, nr. 27; 1 september 1955, nr. 25; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Het vaandel van het GARDEREGIMENT GRENADIERS wordt aangevuld met de opschriften: WEST-JAVA 1946-1949 OOST-JAVA 1947-1949 wegens: het deelnemen van vijf bataljons van het Regiment - later Garderegiment - Grenadiers aan krijgsverrichtingen in het voormalige Nederlands-Indië: 3e bataljon op West-Java van 1946 tot 1949; 4e bataljon op Oost-Java van 1947 tot 1949; 5e bataljon op de kleine Soenda-eilanden van 1947 tot 1949; 6e bataljon, ook genaamd 411e Bataljon Infanterie, op West- en Midden-Java van 1948 tot 1949; 7e bataljon, ook genaamd 431e Bataljon Infanterie, op West- en Midden-Java in 1949. Hierbij heeft het 3e bataljon zich bijzonder onderscheiden op West-Java en het 4e bataljon op Oost-Java (onder meer te Kediri). Artikel 2 Het vaandel van het GARDEREGIMENT JAGERS wordt aangevuld met de opschriften: WEST-JAVA 1946-1949 OOST-JAVA 1947-1949 wegens: het deelnemen van vijf bataljons van het Regiment - later Garderegiment - Jagers aan krijgsverrichtingen in het voormalige Nederlands-Indië: 1e bataljon op West-Java en rond Padang (Sumatra's Westkust) van 1946 to"},{"i":12092,"b":"Besluit beperking openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archief Schadefonds geweldmisdrijven, (1973)1976–2004(2014) gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) gehoord het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 10 mei 2016, met kenmerk NA/2016/16492. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van het Schadefonds Geweldsmisdrijven: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot de eerste januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 22 | 2044 | | 23 | 2045 | | 24 | 2038 | | 25 | 2041 | | 26 | 2043 | | 27 | 2059 | | 28 | 2059 | | 29 | 2064 | | 30 | 2059 | | 31 | 2048 | | 32 | 2065 | | 33 | 2060 | | 34 | 2030 | | 35 | 2040 | | 36 | 2070 | | 37 | 2069 | | 38 | 2047 | | 39 | 2070 | | 40 | 2067 | | 41 | 2065 | | 42 | 2058 | | 43 | 2051 | | 44 | 2073 | | 46 | 2050 | | 47 | 2038 | | 48 | 2029 | | 49 | 2043 | | 50 | 2020 | | 51 | 2047 | | 52 | 2043 | | 53 | 2051 | | 54 | 2050 | | 55 | 2025 | | 56 | 2049 | | 57 | 2025 | | 58 | 2049 | | 59 | 2029 | | 60 | 2040 | | 61 | 2035 | | 62 | 2058 | | 63 | 2018 | | 64 | 2032 | | 65 | 2070 | | 66 | 2025 | | 67 | 2059 | | 68 | 2028 | | 69 | 2047 | | 70 | 2043 | | 71 | 2035 | | 72 | 2067 | | 73 | 2035 | | 74 | 2032 | | 75 | 2061 | | 76 | 2037 | | 77 | 2024 | | 78 | 2059 | | 79 | 2065 | | 80 | 2048 | | 81 | 2058 | | 82 | 2037 | | 83 | 2065 | | 84 | 2062 | | 85 | 2044 | | 86 | 2055 | | 87 | 2051 | | 88 | 2054 | | 89 | 2065 | | 90 | 2056 | | 91 | 2050 | | 92 | 2062 | | 93 | 2061 | | 94 | 2059 | | 95 | 2061 | | 96 | 2070 | | 97 | 2023 | | 98 | 2068 | | 99 | 2023 | | 100 | 2075 | | 101 | 2058 | | 102 | 2067 | | 103 | 2065 | | 104 | 2053 | | 106"},{"i":12062,"b":"Besluit beperking openbaarheid bestand Bureau Secretaris-Generaal/Kabinet 1946–1999 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a en b Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 12 juli 2018, met kenmerk 1263879. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het bestand Bureau Secretaris-Generaal/Kabinet 1946-1999. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 31 | 2027 | | 54 | 2031 | | 57 | 2043 | | 68 | 2044 | | 195 | 2030 | | 214 | 2030 | | 220 | 2048 | | 230 | 2032 | | 231 | 2040 | | 272 | 2034 | | 275 | 2030 | | 289 | 2058 | | 322 | 2042 | | 490 | 2040 | | 491 | 2040 | | 499 | 2059 | | 500 | 2064 | | 501 | 2066 | | 532 | 2052 | | 598 | 2046 | | 1136 | 2030 | | 1285 | 2025 | | 1501 | 2025 | | 1507 | 2062 | | 1652 | 2030 | | 1665 | 2043 | | 2020 | 2022 | | 2021 | 2021 | | 2022 | 2021 | | 2023 | 2025 | | 2024 | 2025 | | 2027 | 2059 | | 2044 | 2030 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 18 | 2059 | | 19 | 2059 | | 38 | 2059 | | 40 | 2051 | | 56 | 2030 | | 82 | 2042 | | 88 | 2041 | | 89 | 2041 | | 90 | 2042 | | 91 | 2043 | | 92 | 2044 | | 93 | 2044 | | 94 | 2046 | | 95 | 2049 | | 96 | 2048 | | 97 | 2054 | | 98 | 2046 | | 99 | 2048 | | 100 | 2056 | | 103 | 2056 | | 107 | 2056 | | 116 | 2033 | | 118 | 2037 | | 119 | 2034 | | 120 | 2035 | | 121 | 2036 | | 138 | 2055 | | 141 | 2062 | | 197 | 2062 | | 208 | 2067 | | 212 | 2069 | | 267 |"},{"i":12095,"b":"Besluit beperking openbaarheid Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 3 oktober 2022, met kenmerk 33791353, Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief met toegangsnummer 2.08.112 van het Directoraat-Generaal Belastingdienst, inclusief bescheiden van Directoraat-Generaal Fiscale Zaken, Directie Bestuursondersteuning Belastingdienst en Directie Rechtstoepassingsbeleid, periode (1925) 1975–2008, Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 38, 39, 40, 42, 43, 44 | 2053 | | 367 | 2076 | De dossiers met inventarisnummers 38-40 en 42-44 bevatten persoonsgegevens van veroordeelde fraudeurs. De beperking geldt tot het jaar 2053, dit op basis van het geboortejaar van de jongste persoon (1952). Het dossier met inventarisnummer 367 wordt beperkt tot het jaar 2076 (75 jaar na einde dossier), omdat het fiscale identificatienummers bevat. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047450&artikel=1&z=2022-11-12&g=2022-11-12), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden Artikel 3 Het vervaardigen v"},{"i":12100,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid adoptiedossiers Raad voor de Kinderbescherming (aanvulling 2024) Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [Besluit beperkingen aan de openbaarheid van de Adoptiedossiers van de Raad voor de Kinderbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048982) van de Minister van Justitie en Veiligheid, gepubliceerd in de Staatscourant op 30 november 2023 met kenmerk 32787, Gelet op het [Besluit inzake de termijn van beperking van de openbaarheid van de naar de rijksarchiefbewaarplaats over te brengen dossiers van het archief adoptiedossiers van de raad voor de kinderbescherming, geboortejaren tot en met 1969 (nummer toegang 2.09.163)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048978) van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gepubliceerd in de Staatscourant op 30 november 2023, met kenmerk 32504, Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de Adoptiedossiers van de Raad voor de Kinderbescherming, geboortejaren tot en met 1969. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om dossiers met o.a. bijzondere persoonsgegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 673 | 2065 | | 1143 | 2068 | | 2634 | 2067 | | 8963 | 2065 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049843&artikel=1&z=2024-06-22&g=2024-06-22), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven"},{"i":12065,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 januari 2024, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Canada, ambassade Ottawa, Besluit Beperking Openbaarheid Canada (1957) 1975–2013 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 4 december 2023, referentie 37387512; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 45 | 2074 | | 59 | 2042 | | 60 | 2036 | | 62 | 2082 | | 114 | 2085 | | 179 | 2042 | | 198 | 2083 | | 200 | 2083 | | 210 | 2077 | | 254 | 2084 | | 256 | 2085 | | 258 | 2089 | | 259 | 2083 | | 260 | 2087 | | 261 | 2084 | | 262 | 2081 | | 263 | 2081 | | 264 | 2086 | | 265 | 2088 | | 266 | 2083 | | 267 | 2088 | | 268 | 2087 | | 269 | 2089 | | 270 | 2081 | | 271 | 2081 | | 272 | 2083 | | 273 | 2081 | | 274 | 2082 | | 275 | 2081 | | 276 | 2082 | | 277 | 2089 | | 278 | 2088 | | 279 | 2083 | | 285 | 2082 | | 307 | 2080 | | 312 | 2072 | | 313 | 2072 | | 324 | 2078 | | 338 | 2063 | | 341 | 2082 | | 342 | 2041 | | 348 | 2049 | | 349 | 2042 | | 354 | 2069 | | 355 | 2067 | | 366 | 2036 | | 370 | 2059 | | 371 | 2060 | | 373 | 2036 | | 375 | 2071 | | 376 | 2054 | | 377 | 2055 | | 378 | 2069 | | 381 | 2073 | | 454 | 2085 | | 460 | 2078 | | 466 | 2068 | | 472 | 2067 | | 483 | 2087 | | 531 | 2051 | | 541 | 2085 | | 552 | 2046 | | 554 | 2088 | | 568 | 2071 | | 609 | 2067 | | 636 | 2060"},{"i":12072,"b":"Besluit beperking openbaarheid IJZ Den Bosch Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. **17-10-2024**, met kenmerk **47660959** Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid **van IGJ Inventaris IJZ regio Zuid (Den Bosch), Toegangsnummer****2235** Uitgever: Brabants Historisch Informatie Centrum, 's-Hertogenbosch Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens en/of bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen, zoals medische gegevens over ouders en hun kinderen. | inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 83 | 2099 | | 19 | 2078 | | 15 | 2079 | | 43 | 2080 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050909&artikel=1&z=2025-04-02&g=2025-04-02) en/of 3, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in **artikel 2**, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Artikel 5 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisn"},{"i":12083,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 maart 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Nicaragua, ambassade Managua, Besluit Beperking Openbaarheid Managua 1990–2013 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 14 maart 2023, referentie 35828251; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 2 | 2068 | | 18 | 2063 | | 19 | 2063 | | 76 | 2055 | | 77 | 2081 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 131 | 2040 | | 132 | 2039 | | 166 | 2041 | | 167 | 2037 | | 172 | 2042 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047988&artikel=1&z=2023-03-25&g=2023-03-25), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. (De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken tot raadpleging in de inventarisnummers, volgens de procedures die gelden voor inzage in archieven met bijzondere persoon"},{"i":12105,"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in het archief van mr. M.H. Gelinck 1946–1974, nummer archiefinventaris 2.21.281.40 Gelet op [artikel 15, tweede lid en eerste lid onder a, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer wordt een beperking gesteld aan de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers 1 t/m 9, 9A, 11 en 17 van het archief van mr. G.H. Gelinck, nummer archiefinventaris 2.21.281.40. De archiefbescheiden geborgen onder deze inventarisnummers worden openbaar op 1 januari 2025. Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042094&artikel=1&z=2019-04-05&g=2019-04-05), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042094&artikel=1&z=2019-04-05&g=2019-04-05), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":12086,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 april 2021, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Burkina Faso en Niger, Ambassade Ouagadougou (1975) 1985–2013 (Besluit Beperking Openbaarheid Ouagadougou (1985–2013) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 8 april 2021, referentienr. 26772896; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing openbaarheid beperking per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 188 | 2078 | | 194 | 2081 | | 214 | 2062 | | 215 | 2076 | | 218 | 2080 | | 220 | 2068 | | 221 | 2066 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing openbaarheid beperking per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 55 | 2030 | | 57 | 2040 | | 93 | 2037 | | 105 | 2033 | | 111 | 2031 | | 112 | 2032 | | 140 | 2047 | | 196 | 2041 | | 207 | 2041 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045134&artikel=1&z=2024-01-19&g=2024-01-19) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. (De algemene rijksarchivaris behandelt verzoeken t"},{"i":12064,"b":"Besluit beperking openbaarheid – Bureau Certificatie Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 2 mei 2017 met kenmerk 1169333 Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het **Archief van de Nederlandsche Bank N.V., Bureau Certificatie, 1946–1966** Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 17587 | 2034 | | 17588 | 2034 | | 17589 | 2034 | | 17590 | 2034 | | 17591 | 2034 | | 17592 | 2034 | | 17593 | 2034 | | 17678 | 2047 | | 17679 | 2047 | | 17680 | 2047 | | 17681 | 2047 | | 17682 | 2047 | | 17683 | 2047 | | 17684 | 2047 | | 17685 | 2047 | | 17686 | 2047 | | 17687 | 2047 | | 17688 | 2047 | | 17689 | 2047 | | 17690 | 2047 | | 17691 | 2047 | | 17692 | 2047 | | 17693 | 2047 | | 17694 | 2047 | | 17695 | 2047 | | 17696 | 2047 | | 17697 | 2047 | | 17698 | 2047 | | 17699 | 2047 | | 17700 | 2047 | | 17701 | 2047 | | 17702 | 2047 | | 17703 | 2047 | | 17704 | 2047 | | 17705 | 2047 | | 17706 | 2047 | | 17707 | 2047 | | 17708 | 2047 | | 17709 | 2047 | | 17710 | 2047 | | 17711 | 2047 | | 17712 | 2047 | | 17713 | 2047 | | 17714 | 2047 | | 17715 | 2047 | | 17716 | 2047 | | 17717 | 2047 | | 17718 | 2047 | | 17719 | 2047 | | 17762 | 2027 | | 17771 | 2024 | | 17915 | 2024 | | 17916 | 2024 | | 17936 | 2030 | | 17937 | 2030 | | 17938 | 2030 | | 17939 | 2030 | | 17940 | 2030 | | 17941 | 2030 | | 17942 | 2030 | | 17943 | 2030 | | 17944 | 2030 | | 17945 | 2030 | | 17946 | 2030 | | 17947 | 2030 | | 17948 | 2030 | | 17949 | 2030 | | 17950 | 2030 | | 17951 | 2030 | | 17952 | 2030 | | 17953 | 2030 | | 17954 | 2030 | | 17955 | 2030"},{"i":12089,"b":"Besluit beperking openbaarheid taak- en personeelsarchief Ziekenfondsraad 1949-1999 respectievelijk 1966-1999 van archiefblok P79 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 25-10-2017, met kenmerk EDOC # 1242230, Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het taak- en personeelsarchief van de Ziekenfondsraad, 1949-1999 respectievelijk 1966-1999, van archiefblok P79: ‘Ziekenfondsraad’ (toegang 2.25.98: ‘Ziekenfondsraad en taakvoorgangers, [1919]1941-1999’) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 4295 | 2064 | | 5245 | 2075 | | | | | 875 | 2069 | | 945 | 2069 | | 946 | 2069 | | 949 | 2068 | | 975 | 2069 | | 1259 | 2069 | | 1260 | 2075 | | 1262 | 2068 | | 1263 | 2069 | | 1287 | 2068 | | 1295 | 2075 | | 1315 | 2070 | | 1336 | 2072 | | 1520 | 2072 | | 1612 | 2072 | | 2120 | 2071 | | 2275 | 2073 | | 2278 | 2046 | | 3443 | 2071 | | 3552 | 2075 | | 3553 | 2075 | | 3554 | 2075 | | 4202 | 2066 | | 5413 | 2072 | | 5425 | 2072 | | 5426 | 2068 | | 5553 | 2072 | | 5554 | 2072 | | 6040 | 2036 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden, geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043933&artikel=1&z=2020-07-25&g=2020-07-25), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten, geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":12073,"b":"Besluit beperking openbaarheid IJZ Haarlem Gelet op [artikel 15, lid 1, onder **a** Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. **17-10-2024**, met kenmerk **47663274**. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van **IGJ Inventaris IJZ regio Noord-West (Haarlem) toegangsnummer 957,** Uitgever: Noord-Hollands Archief, Haarlem Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens en/of bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen, zoals medische gegevens over ouders en hun kinderen. | inventarisnummer | Beperkt openbaar tot | | --- | --- | | 61 | 2074 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in artikel **1 en/of 3**, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in **artikel 2**, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Artikel 5 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050910&artikel=1&z=2025-04-02&g=2025-04-02), is, tot openbaarwording, uitsluitend moge"},{"i":12103,"b":"Besluit tot het stellen van beperkingen aan de openbaarheid archief Directie van het Openbaar Lichaam De Wieringermeer 1928–1963 Gelet op [artikel 15, eerste en tweede lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 De inventarisnummers 1663, 1666, 1667, 1669, 1671, 1672, 1674, 1675-1677, 1684, 1687, 1693 en 1815 van het archief Directie van het Openbaar Lichaam De Wieringermeer 1928–1963, welke berusten in het RHC Erfgoedcentrum Nieuw Land zijn met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt openbaar tot 75 jaar na einddatum van het dossier. Artikel 2 De rijksarchivaris in de provincie Flevoland kan toestemming verlenen tot raadpleging van de archiefbescheiden geborgen in de bovengenoemde inventarisnummers, onder toepassing van [artikel 24 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040940&artikel=24). Artikel 3 Indien raadpleging conform [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035564&artikel=2&z=2018-06-21&g=2018-06-21) van dit besluit is toegestaan, is het maken van reproducties van de geraadpleegde archiefbescheiden niet toegestaan. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":12085,"b":"Besluit beperking openbaarheid (MICIV) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder b Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 14 oktober 2019, met kenmerk 16683772. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de notulen en bescheiden van de rijksministerraad, de ministerraad, de onderraden en de ministeriële commissies als bedoeld in de verklaring van overbrenging van de notulen en bescheiden van de ministerraad en onderraden (1 januari 1993 - 1 januari 1994). Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten ([artikel 15, lid 1, sub b Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)) zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar 2069, genoemd in de tweede kolom. Op de stukken van de Ministeriële Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (MICIV) is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. Het betreft stukken die gerelateerd zijn aan de MICIV. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 6915 | 2069 | | 6916 | 2069 | | 6917 | 2069 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van de archiefbescheiden van de ministerraad jaargang 1993’."},{"i":12078,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 augustus 2019, houdende de beperking van de openbaarheid van een aantal inventarisnummers van het archief van het bureau Schadeclaims Indonesië, het bureau Schadeclaims Duitse Democratische Republiek en de sectie Uitvoering Compensatie Accoord Egypte (1947) 1962–1989 (2006), nummer toegang: 2.05.407, projectnummer: 20150057, bij overbrenging naar het Nationaal Archief (besluit beperking openbaarheid bureau Schadeclaims) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 25 februari 2019, nr. 909089, Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 109 | 2031 | | 116 | 2023 | | 117 | 2024 | | 134 | 2024 | | 140 | 2022 | | 144 | 2029 | | 157 | 2039 | | 159 | 2037 | | 164 | 2024 | | 184 | 2025 | | 198 | 2034 | | 233 | 2023 | | 251 | 2029 | | 292 | 2030 | | 297 | 2023 | | 309 | 2031 | | 320 | 2023 | | 322 | 2024 | | 325 | 2026 | | 337 | 2021 | | 347 | 2032 | | 392 | 2026 | | 409 | 2031 | | 473 | 2026 | | 511 | 2024 | | 522 | 2024 | | 527 | 2022 | | 532 | 2026 | | 538 | 2030 | | 560 | 2021 | | 593 | 2025 | | 594 | 2021 | | 605 | 2030 | | 609 | 2020 | | 640 | 2037 | | 643 | 2025 | | 648 | 2024 | | 657 | 2027 | | 663 | 2026 | | 677 | 2020 | | 680 | 2023 | | 688 | 2024 | | 689 | 2023 | | 694 | 2021 | | 707 | 2025 | | 718 | 2021 | | 731 | 2033 | | 734 | 2023 | | 735 | 2025 | | 737 | 2029 | | 738 | 2022 | | 777 | 2023 | | 779 | 2026 | | 780 | 2026 | | 787 | 2033 | | 788 |"},{"i":12090,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 februari 2024, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Tunesië, Ambassade Tunis (1946) 1975–2013, Besluit Beperking Openbaarheid, Tunis (1946) 1975–2013 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris van 19 januari 2024, referentie 100867; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 3 | 2040 | | 20 | 2052 | | 24 | 2060 | | 91 | 2070 | | 96 | 2071 | | 97 | 2050 | | 122 | 2088 | | 129 | 2050 | | 132 | 2071 | | 133 | 2060 | | 174 | 2039 | | 180 | 2039 | | 197 | 2097 | | 198 | 2075 | | 199 | 2075 | | 200 | 2078 | | 205 | 2067 | | 211 | 2087 | | 218 | 2085 | | 221 | 2062 | | 226 | 2075 | | 228 | 2038 | | 230 | 2083 | | 231 | 2078 | | 232 | 2054 | | 233 | 2041 | | 235 | 2070 | | 241 | 2063 | | 246 | 2074 | | 247 | 2073 | | 249 | 2076 | | 250 | 2072 | | 255 | 2103 | | 257 | 2095 | | 261 | 2085 | | 262 | 2054 | | 263 | 2080 | | 270 | 2049 | | 272 | 2056 | | 276 | 2052 | | 277 | 2072 | | 291 | 2067 | | 292 | 2077 | | 293 | 2077 | | 294 | 2038 | | 315 | 2082 | | 316 | 2089 | | 317 | 2079 | | 319 | 2045 | | 321 | 2059 | | 332 | 2079 | | 334 | 2079 | | 336 | 2087 | | 339 | 2081 | | 347 | 2063 | | 351 | 2081 | | 353 | 2076 | | 354 | 2075 | | 355 | 2088 | | 363 | 2079 | | 364 | 2080 | | 376 | 2067 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de St"},{"i":12082,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 27 mei 2019, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Maleisië, Ambassade Kuala Lumpur (1956) 1965–2013 (Besluit Beperking Openbaarheid Kuala Lumpur, 1965–2013) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 18 februari 2019, nr. 908108; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing openbaarheid beperking per 1 januari van het jaar | | --- | --- | | 8 | 2087 | | 12 | 2070 | | 14 | 2062 | | 86 | 2074 | | 87 | 2074 | | 98 | 2072 | | 108 | 2062 | | 123 | 2069 | | 141 | 2069 | | 143 | 2067 | | 144 | 2069 | | 145 | 2069 | | 146 | 2055 | | 147 | 2070 | | 148 | 2063 | | 161 | 2057 | | 167 | 2081 | | 183 | 2088 | | 186 | 2055 | | 190 | 2089 | | 240 | 2051 | | 241 | 2085 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Nummer: | Opheffing openbaarheid beperking per 1 januari van het jaar | | --- | --- | | 73 | 2030 | | 101 | 2025 | | 179 | 2042 | Artikel 3 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042318&artikel=1&z=2019-06-25&g=2019-06-25), is tot openbaring uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zij"},{"i":12061,"b":"Besluit tot het stellen van een beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden geborgen in het archief van het Ministerie van Justitie: Beleidsarchief Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) 1945-1955 (2.09.5026) Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het besluit van: De Directeur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 3 mei 2001, houdende de beperking op de openbaarheid. Besluit: Artikel 1 De openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen onder inventarisnummer 1998 van het archief van het Ministerie van Justitie: Beleidsarchief Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) 1945-1955, nummer archiefinventaris 2.09.5026, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot 1 januari 2038. Artikel 2 De algemene rijksarchivaris stelt dit inventarisnummer beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 3 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefbescheiden gesteld zijn, opgeheven. Dit is van toepassing voor zover de archiefbescheiden een persoonsdossier betreffen die geen afbreuk doet aan de persoonlijke sfeer van mogelijk nog levende derden in het dossier. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":12080,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 juni 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Soedan, Ambassade Khartoem, Besluit Beperking Openbaarheid Khartoem (1956) 1974–2013 (2014) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 1 juni 2023, referentie 190992; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 10 | 2083 | | 23 | 2053 | | 30 | 2083 | | 45 | 2102 | | 64 | 2080 | | 65 | 2061 | | 71 | 2061 | | 73 | 2065 | | 223 | 2048 | | 269 | 2107 | | 274 | 2092 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 18 | 2038 | | 27 | 2040 | | 137 | 2044 | | 169 | 2034 | | 396 | 2034 | | 408 | 2035 | | 425 | 2035 | | 579 | 2034 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048292&artikel=1&z=2023-06-20&g=2023-06-20), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. De algemene rijksarchivaris behand"},{"i":12084,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 maart 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in de Filipijnen, Ambassade Manilla(1963)1975–2013, Besluit Beperking Openbaarheid, Manilla (1948) 1975–2013 Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 14 maart 2023, referentie 35830727; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 31 | 2074 | | 37 | 2063 | | 61 | 2091 | | 62 | 2072 | | 91 | 2051 | | 104 | 2040 | | 108 | 2078 | | 134 | 2078 | | 151 | 2040 | | 152 | 2040 | | 219 | 2064 | | 220 | 2047 | | 221 | 2076 | | 253 | 2089 | | 272 | 2065 | | 273 | 2058 | | 274 | 2040 | | 275 | 2040 | | 276 | 2040 | | 277 | 2040 | | 278 | 2040 | | 279 | 2040 | | 280 | 2040 | | 281 | 2040 | | 300 | 2069 | | 301 | 2085 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 54 | 2025 | | 60 | 2027 | | 78 | 2033 | | 79 | 2035 | | 88 | 2034 | | 102 | 2056 | | 103 | 2057 | | 119 | 2056 | | 120 | 2056 | | 161 | 2045 | | 166 | 2042 | | 168 | 2035 | | 169 | 2057 | | 171 | 2056 | | 174 | 2057 | | 175 | 2057 | | 176 | 2057 | | 177 | 2057 | | 182 | 2038 | |"},{"i":12087,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 2 februari 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Bosnië-Herzegovina, Ambassade Sarajevo (1994–2013), Besluit Beperking Openbaarheid, Sarajevo (1994–2013) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 30 januari 2023, referentie 35026604; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 62 | 2084 | | 74 | 2083 | | 75 | 2081 | | 86 | 2103 | | 91 | 2083 | | 92 | 2078 | | 93 | 2081 | | 94 | 2073 | | 95 | 2074 | | 96 | 2076 | | 97 | 2082 | | 98 | 2084 | | 105 | 2080 | | 106 | 2080 | | 107 | 2081 | | 108 | 2081 | | 1700 | 2073 | | 1706 | 2074 | | 1707 | 2075 | | 1726 | 2079 | | 1738 | 2081 | | 1781 | 2074 | | 1880 | 2074 | | 1903 | 2084 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | | 12 | 2052 | | 22 | 2056 | | 23 | 2055 | | 24 | 2055 | | 25 | 2058 | | 26 | 2063 | | 1668 | 2046 | | 1669 | 2047 | | 1670 | 2050 | | 1671 | 2052 | | 1672 | 2053 | | 1673 | 2055 | | 1674 | 2059 | | 1792 | 2055 | | 1793 | 2056 | | 1794 | 2077 | | 1795 | 2055 | | 1796 | 2080 | | 1798 | 2056 | | 1803 | 2058 |"},{"i":12094,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 1 september 2022, kenmerk 2988943, houdende beperking van de openbaarheid van de aanvulling van de archieven van het Ministerie van Justitie: Verbaalarchief, (1853) 1915–1955 (1963); Kabinetsarchief, (1907) 1915–1940 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 18 augustus 2022, met kenmerk zaaknummer 1172843. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de archieven van het Ministerie van Justitie: Verbaalarchief, (1853) 1915–1955 (1963); Kabinetsarchief, (1907) 1915–1940. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 16891 | 2051 | | 16892 | 2051 | | 16893 | 2032 | | 16894 | 2026 | | 16895 | 2026 | | 16896 | 2027 | | 16897 | 2027 | | 16898 | 2028 | | 16899 | 2029 | | 16900 | 2028 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047163&artikel=1&z=2022-09-21&g=2022-09-21), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047163&artikel=1&z=2022-09-21&g=2022-09-21), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ing"},{"i":12088,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 maart 2018, houdende de beperking van de openbaarheid van een aantal inventarisnummers van het archief Stichting 400 jaar Nederland-Japan, bij overbrenging naar het Nationaal Archief (Besluit beperking openbaarheid Stichting 400 jaar Nederland-Japan) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 22 februari 2018, kenmerk 1253526; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Nummer: | Beperkt openbaarheid tot 1 januari: | | --- | --- | | 15 | 2029 | | 102 | 2030 | | 107 | 2076 | | 108 | 2076 | | 109 | 2076 | | 111 | 2075 | | 115 | 2031 | | 116 | 2031 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040746&artikel=1&z=2018-03-24&g=2018-03-24), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040746&artikel=1&z=2018-03-24&g=2018-03-24), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit b"},{"i":12108,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 29 augustus 2013, nr. 3720024 inzake beperkingen aan de openbaarheid van in de verklaring van overbrenging van de notulen en bescheiden van de ministerraad en onderraden (1 januari 1990 – 1 januari 1991) genoemde archiefbescheiden Gelet op [artikel 15, eerste lid en tweede lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **notulen en bescheiden:** notulen en bescheiden van de rijksministerraad, de ministerraad, de onderraden en de ministeriële commissies als bedoeld in de verklaring van overbrenging van de notulen en bescheiden van de ministerraad en onderraden (1 januari 1990 – 1 januari 1991); - b. **raadpleging:** inzage en gebruik ten behoeve van (wetenschappelijk) onderzoek; - c. **publicatie:** verspreiding van de geraadpleegde gegevens op enigerlei wijze, waaronder mondelinge, schriftelijke, elektronische en audiovisuele verspreiding, alsmede verlening van inzage aan derden; - d. **verklaring inzake raadpleging:** de inhoud van de verklaring inzake raadpleging die als bijlage bij dit besluit is gevoegd. Artikel 2 1. De notulen en bescheiden kunnen, zolang zij ouder zijn dan 20 jaar en jonger dan 25 jaar, alleen worden geraadpleegd na: - a. ondertekening door de onderzoeker van de verklaring inzake raadpleging en - b. voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. 2. Publicatie van de gegevens uit de geraadpleegde notulen en bescheiden als bedoeld in het vorige lid, kan alleen plaatsvinden na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris na overleg met de secretaris van de ministerraad. Artikel 3 Er worden geen kopieën of andere reproducties verstrekt van de notulen en bescheiden als bedoeld in de verklaring van overbrenging van de notulen en"},{"i":12058,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 februari 2008, nr. DDI/ST/reg. 004/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van de Nederlandse ambassade en de consulaten in Australië en de permanente vertegenwoordiger bij de South Pacific Commission van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse ambassade en de consulaten in Australië en de permanente vertegenwoordiger bij de South Pacific Commission van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 109 | 2017 | | 111 | 2021 | | 306 | 2051 | | 669 | 2048 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023504&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief met een verzoek tot inzage. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023504&artikel=1&z=2008-02-23&g=2008-02-23), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het"},{"i":11874,"b":"Beperking openbaarheid archiefbescheiden Stichting Landelijke Bezettingsschade (SLB) 1942-1945 en de Stichting Beheer Landbouwgronden (SBL) 1946-1982 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt aan de openbaarheid van de naar het Algemeen Rijksarchief over te brengen archiefbescheiden van het archief van Stichting Landelijke Bezettingsschade (SLB) 1942-1945 en de Stichting Beheer Landbouwgronden (SBL) 1946-1982, de volgende beperking gesteld: Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 136-137, 141-156, 188-194, 200, 204, 211, 220, 274, 275, 280-297, 303, 317, 322-325, 356-368, 372, 386-389, 394, 407-413, 429-433, 443-447, 454-458, 473-480, 496, 508, 512-514, 520, 525-528, 555-567, 599-604, 625-640, 658-661, 676, 687-689 en 694-704 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen Rijksarchief gehanteerde **Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven**; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. Artikel 2 De beperking aan de openbaarheid geldt tot 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier. Artikel 3 De directeur van het Algemeen Rijksarchief verplicht zich de archiefbescheiden in goede staat te bewaren of te doen bewaren, overeenkomstig het bij of krachtens de [Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376) bepaalde. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd. Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven Naam en voorletters: Bezoekersnummer: Adres: Postcode en woonplaats: bezig met een onderzoek na"},{"i":12099,"b":"Besluit van 30 juni 2021, houdende beperkingen aan het in Nederland op de markt brengen, verspreiden of het verkopen van turbo’s aan niet-professionele cliënten in verband met Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 en de Wet op het financieel toezicht (Besluit beperkingen aan turbo’s) gelet op, artikel 42 van de [Verordening (EU) nr. 600/2014](32014R0600) van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012; artikel 21 van de Gedelegeerde [Verordening (EU) 2017/567](32467R2017) van de Commissie van 18 mei 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot definities, transparantie, portefeuillecompressie en toezichtmaatregelen voor productinterventie en voor posities; [artikel 1:77f van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:77f); en [artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel m, van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032230&artikel=2), besluit: Artikel 1. Definities Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: - **‘retailcliënt’:** de niet-professionele belegger; - **‘turbo’:** een verhandelbare obligatie met een stop-losskenmerk en waarvan de waarde is afgeleid van een onderliggende waarde en de financiering van de onderliggende waarde of een ander verhandelbaar schuldinstrument met een stop-losskenmerk en waarvan de waarde is afgeleid van een onderliggende waarde en de financiering van de onderliggende waarde; - **‘uitgezonderd niet-geldelijke voordelen’:** ieder niet-geldelijk voordeel anders dan voorlichtings- en onderzoekstools voor zover die verband houden met turbo’s; - **‘notionele waarde’:** het product van de laatst bekende koers van de onderliggende waarde vermenigvuldigd met het aantal gehele of het aantal fracties van eenh"},{"i":12071,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 25 oktober 2022, kenmerk 3577266, houdende beperking van de openbaarheid op de geluidsbanden van de processen tegen P.N. Menten 1976–1980 toegang 2.09.133 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 16 december 2021, met kenmerk 1168291. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid op de geluidsbanden van de processen tegen P.N. Menten 1976–1980 toegang 2.09.133. Artikel 1 Gelet op het feit dat op de geluidsbanden bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de [Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252) voorkomen zijn deze geluidsbanden met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt openbaar tot het jaar 2030. Gelijk aan het [Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 december 2020, kenmerk 2618966, houdende beperking van de openbaarheid van het Archief van de processen tegen P.N. Menten 1976-1980](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044700). Gepubliceerd in de Staatscourant van 13 januari 2021 onder nr. 730 Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047453&artikel=1&z=2022-11-12&g=2022-11-12), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aan zijn toestemming voorwaarden kan verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047453&artikel=1&z=2022-11-12&g=2022-11-12), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris, die aa"},{"i":12079,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 februari 2023, houdende de beperking van de openbaarheid van de archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Indonesië, ambassade Jakarta, Besluit Beperking Openbaarheid Jakarta (1958) 1973–2013 (2014) Overwegende dat een aantal inventarisnummers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de rijksarchivaris d.d. 17 november 2022, referentie 34349322; BESLUIT: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste, derde en vijfde kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de kolom rechts van het inventarisnummer. | Inventarisnummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | Inventaris Nummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | Inventaris Nummer: | Opheffing beperking openbaarheid per 1 januari van het jaar: | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 1 | 2034 | 419 | 2070 | 1017 | 2047 | | 10 | 2031 | 430 | 2024 | 1026 | 2042 | | 16 | 2038 | 432 | 2032 | 1027 | 2048 | | 17 | 2080 | 434 | 2073 | 1029 | 2082 | | 18 | 2049 | 436 | 2034 | 1030 | 2101 | | 25 | 2038 | 438 | 2023 | 1032 | 2100 | | 33 | 2071 | 443 | 2077 | 1035 | 2067 | | 35 | 2036 | 448 | 2075 | 1037 | 2097 | | 36 | 2057 | 460 | 2084 | 1039 | 2049 | | 37 | 2039 | 461 | 2040 | 1041 | 2044 | | 38 | 2036 | 462 | 2049 | 1043 | 2057 | | 49 | 2060 | 463 | 2068 | 1050 | 2060 | | 53 | 2060 | 464 | 2067 | 1058 | 2077 | | 70 | 2028 | 474 | 2034 | 1061 | 2041 | | 81 | 2041 | 476 | 2052 | 1064 | 2034 | | 89 | 2035 | 478 | 2024 | 1065 | 2045 | | 96 | 2026 | 480 | 2029 | 1067 | 2050 | | 102 | 2051 | 482 | 2038 | 1071 | 2045"},{"i":11360,"b":"Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs, en Media van 6 juni 2019, nr. PO/1219075, houdende regels voor de subsidieverstrekking voor godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen (Regeling subsidieverstrekking voor godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs) Gelet op [artikel 33a van het Besluit bekostiging WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003862&artikel=33a) en [artikel 42a van het Besluit bekostiging WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004259&artikel=42a); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs. Artikel 2. Toepassing [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Deze regeling geldt in aanvulling op de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603). Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten De minister kan een instellingssubsidie aan de Stichting Dienstencentrum GVO en HVO verstrekken voor het faciliteren van het geven en verzorgen van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs als bedoeld in de [artikelen 50, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=50) en [53, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=53). Artikel 4. Criteria voor subsidieverstrekking 1. Het faciliteren van het geven en verzorgen van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042355&artikel=3&z=2022-04-01&g=2022-04-01), vindt slechts plaats indien de groepsgrootte per stroming minimaal zeven leerlingen bedraagt. 2. Het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs wordt gegeven op verzoek van ouders. 3. In bijzondere gevallen kan de minister afwijken van het eerste lid. Artikel 5. Aa"},{"i":11447,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juli 2023, nr. 37417750, houdende regels voor de subsidiëring van een verrijkte schooldag voor leerlingen in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs 2023–2025 (Subsidieregeling School en omgeving 2023–2025) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1) of [artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044212&artikel=1.1); - **buitenschoolse opvang:** buitenschoolse opvang als bedoeld in [artikel 1.1 van de Wet kinderopvang](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017017&artikel=1.1); - **categorie A-vestiging:** vestiging, opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048360&bijlage=1&z=2024-02-24&g=2024-02-24); - **categorie B-vestiging:** vestiging, opgenomen in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048360&bijlage=2&z=2024-02-24&g=2024-02-24); - **convenant Rijke Schooldag:** document waarin een lokale coalitie de samenwerking voor het uitvoeren en uitbreiden van een lokale verrijkte schooldag heeft vastgelegd en waarin is vastgelegd aan welke ambities de lokale coalitie zich committeert; - **DUS-I:** Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen; - **GKA:** Gelijke Kansen Alliantie; - **Kaderregel"},{"i":12057,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 april 2008, nr. DDI/ST/reg. 012/2008, houdende beperking van de openbaarheid van de archieven van de Nederlandse Ambassade (1955–1974) en het Consulaat-Generaal in Japan (1941–1974) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van de archieven van de Nederlandse Ambassade (1955–1974) en het Consulaat-Generaal in Japan (1941–1974) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Geheel openbaar met ingang van 1 januari: | | --- | --- | | 72 | 2030 | | 98 | 2038 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023784&artikel=1&z=2008-04-26&g=2008-04-26), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. Indiening van een verzoek tot inzage geschiedt door ondertekening door de verzoeker van het ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet openbare archieven’; een exemplaar van dit formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten uit, danwel het publiceren van gegevens uit de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023784&artikel=1&z=2008-04-26&g=2008-04-26), is slechts mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagte"},{"i":11882,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 13 november 2006, nr. FM 2006-02503 M, tot aanwijzing van staten waarin adequaat toezicht wordt uitgeoefend op banken, beleggingsinstellingen en clearinginstellingen (Besluit aangewezen staten Wft) Gelet op de [artikelen 2:6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:6), [2:8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:8), [2:66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:66), en [3:2, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=3:2), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020413&artikel=5) en [34 van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020413&artikel=34) en [27, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020419&artikel=27); Besluit: Artikel 1 Als staat in de zin van de [artikelen 2:6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:6), en [2:8, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=2:8) worden aangewezen: Australië, België, Canada, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Hongarije, Italië, Japan, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Zweden en Zwitserland, met dien verstande dat, wanneer in een staat een beleggingsonderneming bevoegd is het bedrijf van clearinginstelling uit te oefenen en uit dien hoofde toezicht wordt uitgeoefend op het uitoefenen van het bedrijf van clearinginstelling door die beleggingsonderneming, de aanwijzing van die staat slechts geldt voor zover de beleggingsonderneming een vergunning heeft die het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel a van de definitie van verrichten van een beleggingsactiviteit in [artikel 1:1 van de wet](https://wetten.overheid.nl"},{"i":12074,"b":"Besluit beperking openbaarheid IJZ hoofddirectie Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. **01-11-2024**, met kenmerk **47674727** Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid **van IGJ Inventaris IJZ Hoofddirectie**, toegangsnummer 2.27.152, Uitgever: Nationaal Archief, Den Haag Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens met eventueel medische gegevens van de (mogelijk) nog levende personen. | inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 963 | 2069 | | 912 | 2074 | | 700 | 2076 | | 260 | 2080 | | 274 | 2080 | | 708 | 2081 | | 223 | 2081 | | 713 | 2083 | | 498 | 2083 | | 561 | 2083 | | 715 | 2082 | | 68 | 2086 | | 70 | 2087 | | 1005 | 2077 | | 475 | 2086 | | 441 | 2088 | | 1080 | 2095 | | 1076 | 2107 | | 1075 | 2105 | | 676 | 2066 | | 1082 | 2101 | | 1069 | 2100 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050908&artikel=1&z=2025-04-02&g=2025-04-02)**en/of 3**, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in **artikel 2**, is, tot open"},{"i":12076,"b":"Besluit beperking openbaarheid IJZ Zwolle Gelet op [artikel 15, lid 1, onder **a** Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. **17-10-2024,** met kenmerk **47672141**. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van **IGJ Inventaris IJZ regio Noordoost (Zwolle) toegangsnummer 1802,** Uitgever: Collectie Overijssel, Zwolle Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot [datum] van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens en/of bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen, zoals medische gegevens over ouders en hun kinderen. | inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 48 | 2099 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in artikel **1 en/of 3**, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in **artikel 2**, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Artikel 5 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050912&artikel=1&z=2025-04-02&g=2025-04-02), is, tot openbaarwording, uitsluitend m"},{"i":12075,"b":"Besluit beperking openbaarheid IJZ Rijswijk Gelet op [artikel 15, lid 1, onder **a** Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. **17-10-2024**, met kenmerk **47674732** Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van **IGJ Inventaris IJZ regio West (Rijswijk) Den Haag en Rotterdam** toegangsnummer 3.22.88 Uitgever: Nationaal Archief, Den Haag Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot [datum] van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Het gaat om inventarisnummers met o.a. algemene persoonsgegevens en/of bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen, zoals medische gegevens over ouders en hun kinderen. | inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 4 | 2077 | | 21 | 2080 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in artikel **1 en/of 3**, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in **artikel 2**, is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van het hieronder vermelde overheidsorgaan. Artikel 5 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050911&artikel=1&z=2025-04-02&g=2025-04-02), is,"},{"i":12111,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid notulen en bescheiden ministerraad 1997 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder b Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15),[artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 3 oktober 2022, met kenmerk 34126833. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de notulen en bescheiden van de rijksministerraad, de ministerraad, de onderraden en de ministeriële commissies als bedoeld in de verklaring van overbrenging van de notulen en bescheiden van de ministerraad en onderraden (1 januari 1997 – 1 januari 1998). Artikel 1 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten ([artikel 15, lid 1, sub b Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15)) zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar 2073, genoemd in de tweede kolom. Op de stukken van de Ministeriële Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (MICIV) is een beperking van de openbaarheid opgelegd van 75 jaar. Het betreft stukken die gerelateerd zijn aan de MICIV. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 8174 | 2073 | | 8175 | 2073 | | 8176 | 2073 | | 8177 | 2073 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt als bijlage gevoegd bij de ‘Verklaring van Overbrenging van de archiefbescheiden van de ministerraad jaargang 1997’."},{"i":12106,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden Bureau Nationale Veiligheid (2.04.80) en Oorlogsmisdadigers (2.09.106) Gelet op [artikel 15, tweede en vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op de [besluiten van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 oktober 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013376) (Staatscourant 2002, nr. 18) en [de Minister van Justitie van 12 januari 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026700) (Staatscourant 2009, nr. 17859), houdende de beperking aan de openbaarheid, Besluit: Artikel 1 De openbaarheid van de in de bijlage bij dit besluit genoemde archiefbescheiden, geborgen onder de inventarisnummers van het archief van het Bureau Nationale Veiligheid (1930) 1945–1946 (1980), nummer archiefinventaris 2.04.80, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot maximaal 1 januari van het jaar vermeld in de tweede kolom van de bijlage bij dit besluit. Artikel 2 De openbaarheid van de in de bijlage bij dit besluit genoemde archiefbescheiden geborgen onder het inventarisnummer van het archief Oorlogsmisdadigers (1945) 1950–1955 (2002) van het Ministerie van Justitie, nummer archiefinventaris 2.09.106, wordt met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt tot maximaal 1 januari 2034. Artikel 3 De algemene rijksarchivaris stelt de inventarisnummers genoemd in de bijlagen bij de [artikelen 1 tot en met 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051248&artikel=1&z=2025-07-17&g=2025-07-17) beschikbaar volgens de richtlijnen die bij het Nationaal Archief gelden voor inzage in beperkt openbare archieven met bijzondere persoonsgegevens. Artikel 4 Wanneer een verzoeker aantoont dat de persoon op wie de archiefbescheiden betrekking hebben, is overleden vóór dat datum dat de openbaarheidsbeperking conform de bijlage bij dit besluit vervalt, worden de openbaarheidsbeperkingen die aan die archiefb"},{"i":17563,"b":"Rijkswet van 8 mei 2003 tot wijziging van de rijkswet van 20 december 1989, houdende regeling van pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba (Stb. 1990, 15) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het in de regeling van pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba bestaande onderscheid tussen mannen en vrouwen ongedaan te maken wat betreft de rechten die bij overlijden bestaan voor hun nabestaanden en aldus de beperkende voorwaarden op te heffen die zijn verbonden aan het recht op weduwnaarspensioen en tevens om de berekeningsgrondslag van de pensioenen en uitkeringen aan te passen aan de gewijzigde berekeningsgrondslag van de wedden van de Gouverneurs; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Rijkswet van 20 december 1989, houdende regeling van pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba. Artikel II De [onderdelen B, C, en D van artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015053&artikel=I&z=2003-06-04&g=2003-06-04) zijn niet van toepassing op de voor de datum van inwerkingtreding ingegane pensioenen en uitkeringen krachtens de [Rijkswet houdende regeling van pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004670) (Stb. 1990, 15). Artikel III De tekst van de [rijkswet van 20 december 1989, houdende regeling van de pensioenen en uitkeringen aan Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004670) wordt in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de"},{"i":12625,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 27 maart 2012, nr. 2012-0000134588, tot toekenning van vacatiegelden aan de postactieve leden van de werkgroep matching (Besluit toekenning vacatiegelden aan de postactieve leden van de werkgroep matching) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1 1. De postactieve leden van de werkgroep matching, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Regeling overgang naar een LFNP functie wordt met uitzondering van de voorzitter een vergoeding per vergadering toegekend. 2. De vergoeding per vergadering bedraagt 3% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. 3. De leden, bedoeld in het eerste lid, ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van de regeling voor het personeel werkzaam bij de sector Rijk. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op 1 april 2012 en werkt terug tot en met 1 maart 2012. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18518,"b":"Rijkswet van 13 juni 2002 tot wijziging van de bepalingen ten aanzien van octrooigemachtigden in de Rijksoctrooiwet en de Rijksoctrooiwet 1995 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de wettelijke regeling ten aanzien van de uitoefening van het beroep van octrooigemachtigde opnieuw vorm te geven en te plaatsen in de [Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118); Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Rijksoctrooiwet. Artikel II Wijzigt de Rijksoctrooiwet 1995. Artikel III Het register van octrooigemachtigden, bedoeld in [artikel 3 van het Octrooigemachtigdenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001975&artikel=3), berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op [artikel 23a van de Rijksoctrooiwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=23a). Artikel IV 1. De behandeling van een tegen een octrooigemachtigde gerezen bedenking die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet tot een beslissing van de Raad van Toezicht, bedoeld in [artikel 18 van het Octrooigemachtigdenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001975&artikel=18), heeft geleid, geschiedt vanaf dat tijdstip door de raad van toezicht overeenkomstig het bij of krachtens de [artikelen 23n tot en met 23x](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007118&artikel=23n) bepaalde. 2. Ten aanzien van de behandeling van een tegen een octrooigemachtigde gerezen bedenking die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds tot een beslissing van de Raad van Toezicht heeft geleid, blijven de [artikelen 15 tot en met 19 van het Octrooigema"},{"i":13647,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 10 maart 2020, tot instelling van de Werkgroep Discontovoet Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043389&artikel=2&z=2020-04-17&g=2020-04-17). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep Discontovoet. 2. De werkgroep heeft de taak om een advies uit te brengen en een aanbeveling te doen over de te hanteren discontovoet, conform de taakopdracht zoals op 13 december gepubliceerd (Kamerstukken Tweede Kamer Vergaderjaar 2019/2020 29 352 nr. 9). Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en 12 leden. 2. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd dhr. drs. H. Don. 3. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: - –. dhr. drs. D.S. Buytendorp (Ministerie van Financiën) - –. dhr. drs. A.P. Postma (Ministerie van Financiën) - –. dhr. drs. M. Stal (Ministerie van Algemene Zaken) - –. dhr. dr. S.B. Gerritsen (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) - –. dhr. drs. F.K. Reininga (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) - –. dhr. drs. J. Baeten (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) - –. dhr. ir. C.V. Neevel (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) - –. dhr. drs. R.P. ter Weijden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - –. dhr. M.I. Stel (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) - –. dhr. Prof. dr. D.W.G.A. Broeders - –. mw. dr. G. Renes (Planbureau voor de Leefomgeving) - –. dhr. dr. G. Romijn (Centraal Planbureau) 4. De leden van de werkgroep werkzaam voor de overheid kunnen bij afwezigheid of verandering van baan vervangen worden door een collega van dezelfde werkgever. 5. De werkgroep kan beslu"},{"i":14004,"b":"Raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR (1 augustus 2022) Hoofdstuk 1. Het raamwerk nascholings- cursussen code 95 en ADR Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde cursussen mogen nascholing voor de code 95 verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificering af te geven. Ook registreert het CBR verklaringen van nascholing voor chauffeurs die aan de nascholingsplicht hebben voldaan. Tot slot houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de nascholingscursussen. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR een raamwerk nascholingscursussen en ADR opgesteld. Dit raamwerk is een document zoals wordt bedoeld in [artikel 156s van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de nascholing daadwerkelijk aan deze eisen houdt. Is dit niet het geval? Dan legt het CBR een sanctie op. De verschillende sancties en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep vindt u in dit raamwerk terug. Het is toegestaan om bij de nascholing gebruik te maken van e-learning en simulatoren. De eisen die hierbij gelden zijn opgenomen in dit raamwerk. Tot slot is in dit raamwerk een overzicht met minimumeisen per nascholingscursus opgenomen. Het CBR wijzigt het raamwerk maximaal twee keer per jaar: op 1 januari en op 1 juli. Wijzigingen worden afgestemd met de opleidingsbranche en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en actief naar alle erkende opleiders gecommuniceerd. Worden de minimumeisen in het raamwerk aangepast en zijn de wijzigingen van invloed op de certificering van een nascholingscursus? Dan wordt dit expliciet vermeld en moeten opleidingsinstituten hun opleidingsplanne"},{"i":15081,"b":"Regeling van de Minister van Langdurige zorg, Jeugd en Sport, van 9 april 2026, kenmerk 4366014-1095423-DMO, houdende regels omtrent het verstrekken van subsidie voor de coördinatiekosten levensloopaanpak (Subsidieregeling coördinatiekosten levensloopaanpak) [KetenID WGK028610] Gelet op [rtikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Algemene bepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **levensloopaanpak:** begeleiding als omschreven in de Kwaliteitsstandaard – Ketenveldnorm levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg zoals vastgesteld door het Zorginstituut en gepubliceerd op [www.zorginzicht.nl/kwaliteitsstandaarden/ketenveldnorm-levensloopfunctie-en-beveiligde-intensieve-zorg](http://www.zorginzicht.nl/kwaliteitsstandaarden/ketenveldnorm-levensloopfunctie-en-beveiligde-intensieve-zorg); - –. **levensloopaanpakcoördinator:** natuurlijke persoon die de levensloopaanpak coördineert; - –. **minister:** de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport; - –. **Zorg- en Veiligheidshuis:** regionaal samenwerkingsverband van gemeenten, Openbaar Ministerie, Raad voor de Kinderbescherming, politie, Bureau Halt, reclassering, Bureau Jeugdzorg, Maatschappelijk werk, Slachtofferhulp, zorginstellingen en woningcorporaties. Artikel 2. Toepasselijkheid kaderregeling Op deze regeling is de [kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) niet van toepassing, met uitzondering van de artikelen [5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=5.1), [5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=5.2), [5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=5.3) en [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=5.4). Artikel 3. Subsidiabele activiteit De minister kan op aanvraag een subsidie verstrekken voor het coördineren van de levensloopaanpak van een persoon als bedoeld in [artikel 7, tweede lid](https:"},{"i":13985,"b":"Besluit van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 10 december 2025, nr. PLJ2627, tot vaststelling van een subsidieregeling Lokale Journalistieke Impact 2026–2027 Handelend in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.3) en [8.15a van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=8.15a); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a). **journalistiek handelen:** het vergaren, verwerken en verspreiden van informatie en nieuws, waarbij: - i. het gaat om onafhankelijk tot stand gekomen berichtgeving die bestemd is voor een breed publiek en die bestaat uit originele, eigen content die niet machine-gegenereerd is; - ii. gestreefd wordt naar zo accuraat en evenwichtig mogelijke berichtgeving; en - iii. verantwoording wordt afgelegd en transparant wordt gehandeld en waarbij de afzender van de content duidelijk wordt gemaakt. - b). **lokaal gebied:** Een niet-landelijk dekkend gebied met herkenbare gemeenschappelijke kenmerken op het gebied van taal, cultuur, bevolkingssamenstelling of institutionele structuur. - c). **lokale publieke media-instelling:** instelling die op grond van [titel 2.3 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&titeldeel=2.3) is aangewezen voor de verzorging van een lokale publieke mediadienst voor een of meer gemeenten; - d). **ontwikkelsubsidie:** subsidie voor kortlopende projecten ten behoeve van de financiële verduurzaming van private lokale mediaorganisaties; - e). **private lokale mediaorganisatie:** een private organisatie die zich al minimaal 5 jaar bezighoudt met het maken en leveren van een dienst of product waarbij: - i. de organisatie is gevestigd in Nederland; - ii. de organisatie is ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel; - iii. ten minste 25% van het product of de dienst tot sta"},{"i":14008,"b":"Raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Hoofdstuk 1. Het raamwerk nascholingscursussen code 95 en ADR Alleen door het CBR erkende opleidingsinstituten met gecertificeerde cursussen mogen nascholing voor de code 95 verzorgen. Het CBR is aangewezen om deze erkenning en certificering af te geven. Ook registreert het CBR verklaringen van nascholing voor chauffeurs die aan de nascholingsplicht hebben voldaan. Tot slot houdt het CBR toezicht op de uitvoering van de nascholingscursussen. Om hierover duidelijke afspraken te maken heeft het CBR een raamwerk nascholingscursussen en ADR opgesteld. Dit raamwerk is een document zoals wordt bedoeld in [artikel 156s van het Reglement rijbewijzen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008074&artikel=156s). In het raamwerk staat aan welke eisen een opleidingsinstituut moet voldoen om voor een erkenning en certificering in aanmerking te komen. Ook wordt de aanvraagprocedure beschreven. In het toezicht wordt gecontroleerd of het opleidingsinstituut zich bij de uitvoering van de nascholing daadwerkelijk aan deze eisen houdt. Is dit niet het geval? Dan legt het CBR een sanctie op. De verschillende sancties en de mogelijkheden voor bezwaar en beroep vindt u in dit raamwerk terug. Het is toegestaan om bij de nascholing gebruik te maken van e-learning en simulatoren. De eisen die hierbij gelden zijn opgenomen in dit raamwerk. Tot slot is in dit raamwerk een overzicht met minimumeisen per nascholingscursus opgenomen. Het CBR wijzigt het raamwerk maximaal twee keer per jaar: op 1 januari en op 1 juli. Wijzigingen worden afgestemd met de opleidingsbranche en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Wijzigingen worden gepubliceerd in de Staatscourant en actief naar alle erkende opleiders gecommuniceerd. Worden de minimumeisen in het raamwerk aangepast en zijn de wijzigingen van invloed op de certificering van een nascholingscursus? Dan wordt dit expliciet vermeld en moeten opleidingsinstituten hun opleidingsplannen binnen zes maanden"},{"i":13629,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, d.d. 18 februari 2010, nr. 85920, houdende instelling van de Stuurgroep Nationale Veiligheid verantwoordelijk voor de coördinatie van het regeringsbeleid op het gebied van nationale veiligheid en crisisbeheersing op nationaal niveau, handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Besluit: Artikel 1 Er is een Stuurgroep Nationale Veiligheid (SNV). Artikel 2 De SNV heeft, met inachtneming van de departementale verantwoordelijkheden en bevoegdheden, tot taak: - a. Het waken over samenhang tussen nationaal beleid, internationaal beleid en internationale ontwikkelingen op het terrein van nationale veiligheid en crisisbeheersing op rijksniveau; - b. Het vormen van een schakel op hoog ambtelijk niveau tussen regeringsbeleid en uitvoering; - c. Het bewaken van de integrale samenhang tussen de activiteiten die worden ontplooid door de diverse organisaties op het terrein van nationale veiligheid en crisisbeheersing op nationaal niveau. - d. Het verzorgen van ambtelijke afstemming voor en advisering aan de Raad voor de Nationale Veiligheid (RNV), respectievelijk de Raad voor de Veiligheid en Rechtsorde (RVR) voor zover het betreft de besluitvorming in die raden over beleid en uitvoering op het terrein van de nationale veiligheid en de crisisbeheersing op nationaal niveau; Artikel 3 1. De SNV is als volgt samengesteld: - a. Ambtelijke leden: - 1. de directeur-generaal Veiligheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voorzitter); - 2. vertegenwoordiger Kabinet van de Minister-President, ministerie van Algemene Zaken; - 3. vertegenwoordiger van het ministerie van Buitenlandse Zaken; - 4. vertegenwoordiger van het ministerie van Defensie; - 5. vertegenwoordiger van het ministerie van Economische Zaken; - 6. vertegenwoordiger van het ministerie van Financiën; - 7. vertegenwoordiger van het ministerie van Justitie; - 8. vertegenwoordiger van het ministerie van Landb"},{"i":12620,"b":"Besluit van 11 september 2019, tot toekenning van het vaandelopschrift «Uruzgan 2006–2007 & Helmand, Kandahar en Uruzgan 2009–2010» aan het Korps Commandotroepen Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 4 september 2019, nr. BS2019016435, directie juridische zaken, cluster wet- en regelgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de opschriften in het vaandel van het Korps Commandotroepen wordt toegevoegd het opschrift «Uruzgan 2006–2007 & Helmand, Kandahar en Uruzgan 2009–2010» in verband met het uitvoeren van speciale operaties. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2019. Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4627,"b":"Handhavingskader KB-stelsel 1. Inleiding Dit handhavingskader bevat een specifieke toelichting op de handhavingstaak van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) in het stelsel van Kwaliteitsborging Bouw (KB-stelsel) en de wijze waarop de TloKB invulling geeft aan deze taak. 1.1. Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw De TloKB is een zelfstandig bestuursorgaan en heeft hoofdtaken ten aanzien van drie stelsels: kwaliteitsborging bouw, erkende kwaliteitsverklaringen en werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Binnen het KB-stelsel, zie figuur 1, voert de TloKB de volgende deeltaken uit, die tot doel hebben de verbetering van de bouwkwaliteit aan de hand van aantoonbare kwaliteit van bouwwerken en het vermogen om stelselmatig te leren van tekortkomingen: 1.2. Doel handhavingskader Dit handhavingskader bevat een algemene toelichting op de handhavingstaak van de TloKB in het KB-stelsel en de wijze waarop de TloKB invulling geeft aan deze taak. 1.3. Wettelijke basis handhavingskader Dit handhavingskader is op te vatten als een beleidsregel. [Artikel 4:83 Algemene wet bestuurs- recht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83) bepaalt dat de bekendmaking van een beleidsregel zijn wettelijke basis vermeldt. De wettelijke basis voor deze beleidsregel is geregeld in [afdeling 1a, paragraaf 2, van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&paragraaf=2), in het bijzonder in [artikel 7ak Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=7ak), de beschrijving van de taken van de TloKB. 1.4. Missie en visie, kernwaarden en kwaliteiten Het handhavingskader bouwt voort op de missie, visie en kernwaarden en met inzet van de kwaliteiten van de TloKB. Het handhavingskader geeft invulling aan het wettelijke kader en draagt bij aan een beter vertrouwen in kwaliteit van bouwen. De TloKB ziet toe op het stelsel van kwaliteitsborging van bouwwerken, bouwproducten en werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallatie"},{"i":4447,"b":"Besluit van 18 maart 2009, houdende nadere regels voor de binnenvaart (Binnenvaartbesluit) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 21 mei 2008, nr. CEND/HDJZ/2008-459 sector SCH Hoofddirectie Juridische Zaken, Gelet op de [artikelen 5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=5), [7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=7), [14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=14), [22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=22), [23, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=23), [25, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=25), [26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=26), [28, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=28), [29, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=29), [30, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=30), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=34), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=35), [36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=36), [37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=37), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=38), en [39, vierde lid, van de Binnenvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023009&artikel=39), [artikel 2 van de Wet geluidhinder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003227&artikel=2), de [artikelen 4, eerste lid, onder a, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=9), [10, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=10), en [18 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=18), de [artikelen 8.40"},{"i":13741,"b":"Kavelbesluit I windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) I. Besluit Gelet op de [artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=3), de [Natuurbeschermingswet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009641) en de [Flora- en faunawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009640), besluit de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu als volgt: ’s-Gravenhage, 8 december 2016 De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp Rechtsbescherming Belanghebbenden die een zienswijze naar voren hebben gebracht of die redelijkerwijs niet verweten kan worden tegen het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, kunnen tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA, Den Haag. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. Op grond van [artikel 8 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=8) is op dit besluit [hoofdstuk 1, afdeling 2, van de Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431&afdeling=2) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de belanghebbende in het beroepschrift moet aangeven welke beroepsgronden hij aanvoert tegen het besluit. Indien hij dit niet doet, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Het wordt aanbevolen in het beroepschrift te vermelden dat de [Crisis- en herstelwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027431) van toepassing is. II. Toelichting kavelbesluit I windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) Opgesteld door **Rijkswaterstaat** In opdracht van **Ministerie van Economische Zaken** 1. Inleiding 1.1. Nut en noodzaak Bij het akkoord over het Klimaat- en Energie B"},{"i":12659,"b":"Besluit tot vervanging van papieren archiefbescheiden door digitale reproducties AFM 2026 Gelet op: de regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2012 nr. WJZ/466161 (10265), tot wijziging van de [Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041) in verband met het stellen van nadere regels omtrent vervanging; [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7). Besluit: Artikel 1 I. Over te gaan tot routinematige of retrospectieve digitale vervanging van analoge documenten (archiefbescheiden) van de AFM die volgens de geldende selectielijst voor bewaring of vernietiging in aanmerking komen, waarna de analoge documenten worden vernietigd. II. Reproductie, zoals bedoeld in lid 1, geschiedt op de wijze en conform de reikwijdte zoals omschreven in het vastgestelde AFM Handboek Vervanging 2026. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dag van bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant. Artikel 3 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit tot vervanging van papieren archiefbescheiden door digitale reproducties AFM 2026. Bijlage Het AFM Handboek Vervanging 2026 ligt ter inzage ten kantore van de AFM. De procedure om inzage te verkrijgen is te vinden op de website van de AFM."},{"i":17476,"b":"Regeling transparantie zorgaanbieders Ingevolge [artikel 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) en [39 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=39) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) regels vast met betrekking tot de informatieverplichting van zorgaanbieders. Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **zorg:** zorg als bedoeld in [artikel 1 aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) en [artikel 2 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=2); - b. **zorgaanbieder:** de natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, als bedoeld in [artikel 1 aanhef en onder c van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - c. **consument:** verzekeringsplichtige, verzekerde of patiënt als bedoeld in [artikel 1 sub i Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1); - d. **prestaties en diensten:** voor zover in deze regeling gesproken wordt van prestaties en diensten worden hiermee de prestaties en diensten bedoeld die onder de reikwijdte van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) vallen; - e. **informeren:** het mondeling, digitaal, schriftelijk of op enige andere wijze verstrekken van informatie. Artikel 2. Doel Het doel van deze regeling is duidelijk te maken welke informatie een zorgaanbieder moet verstrekken, en op welk moment, om de consument in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken om zorg of diensten van een zorgaanbieder te vergelijken en te ontvangen. Artikel 3. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders in de zin van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049988&artikel=1&z=2024-09-01&g=2024-09-01) van deze regeling. Artikel 4. Informatieverstrekking 1. De zorgaanbieder informeert de consument objectief en zakelijk over datgene dat voor de consument van be"},{"i":15436,"b":"Vergoedingsregeling tuchtcollege loodsen Gelet op [artikel 35 van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=35) (Stb. 1988, 353); Besluiten: Artikel 1 1. Het vacatiegeld voor de voorzitter van het tuchtcollege loodsen bedraagt € 2722,68 per jaar, en € 453,78 voor de behandeling van een zaak die tot een of meerdere zittingen van het tuchtcollege heeft geleid. Het vacatiegeld voor de plaatsvervangend voorzitter van het tuchtcollege loodsen bedraagt € 226,89 per ten behoeve van een zitting bestede dag. 2. De in het eerste lid genoemde bedragen worden met inbegrip van de daarop toegepaste correctie per kalenderjaar aangepast overeenkomstig de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfers voor regelingslonen. Artikel 2 Het vacatiegeld voor de leden van het tuchtcollege loodsen bedraagt per zittingsdag van het tuchtcollege: - a. voor de leden die tot een samenwerkingsverband als bedoeld in [artikel 15, eerste lid, onderdeel b, 2°, van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15) (Stb. 1988, 353) behoren: 1/173 van de pensioengrondslag van registerloodsen volgens het pensioenreglement van de Stichting Beroepspensioenfonds loodsen: - b. voor de leden die niet tot een samenwerkingsverband als bedoeld in onderdeel a behoren de uitkomst van de formule als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, onderdeel b, eerste volzin, van de Financiële verordening loodswezen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007548&artikel=2). Artikel 3 1. Het vacatiegeld voor de secretaris van het tuchtcollege loodsen bedraagt € 136,13 per aan het secretariaat bestede dag. 2. Op het in het eerste lid genoemd bedrag is [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004379&artikel=1&z=2022-07-06&g=2022-07-06), van toepassing. Artikel 4 De reis- en verblijfkosten van de voorzitter, de leden en de secretaris van het tuchtcollege loodsen, alsmede hun plaatsvervangers, in het binnenland worden vergoed volgens"},{"i":15700,"b":"Wet beëdigde vertalers BES Artikel 1 Hij, die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba bevoegd is tot het geven van middelbaar onderwijs in één of meer andere talen dan de Nederlandse, wordt op zijn schriftelijk gedaan verzoek, na overlegging van: - a. zijn geboorteakte; - b. de betrokken akte(n) van bekwaamheid; - c. een verklaring omtrent het gedrag; door Onze Minister als vertaler voor één of meer van die talen toegelaten, wanneer hij ter beoordeling van Onze Minister, tevens voldoende blijken geeft van kennis van de Nederlandse taal. Artikel 2 Degene die in het Europese deel van Nederland is beëdigd als vertaler wordt na een daartoe gedaan schriftelijk verzoek door Onze Minister als vertaler in de talen waarvoor hij is beëdigd toegelaten. Artikel 3 Na overlegging van de stukken, bedoeld in [artikel 1, onder a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028198&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10), zomede van een getuigschrift als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028198&artikel=4&z=2010-10-10&g=2010-10-10) worden anderen dan de in de artikelen 1 en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028198&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemden op hun schriftelijk gedaan verzoek door Onze Minister toegelaten als vertaler in de talen waarin zij voldoende bekwaam zijn. Artikel 4 1. Een getuigschrift, dat hij voldoende blijken van bekwaamheid heeft gegeven om voor de daarbij te vermelden vreemde taal als vertaler uit en in de Nederlandse taal op te treden, wordt uitgereikt aan ieder die voldaan heeft aan het schriftelijk en mondeling examen, hem afgenomen door de Inspecteur van het Onderwijs en twee door deze aan te wijzen leden van de examen-commissie, met bijstand en raadgevende stem van de president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba of een door deze aan te wijzen persoon. 2. Het in het eerste lid bedoelde examen kan in elk openbaar lic"},{"i":15950,"b":"Wet van 7 juli 1993, houdende herziening van de Wet rijonderricht motorrijtuigen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels inzake de bevoegdheid tot het geven van onderricht in het besturen van motorrijtuigen te herzien; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bromfiets:** hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend), niet zijnde een brommobiel; - **brommobiel:** bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie; - **bijscholing:** rijonderricht na de eerste afgifte van een certificaat als bedoeld in [artikel 13, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&hoofdstuk=III&paragraaf=3&artikel=13&z=2021-04-24&g=2021-04-24), gericht op het hernieuwd verkrijgen van een certificaat als in dat onderdeel bedoeld; - **instituut:** instituut, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&hoofdstuk=II&artikel=2&z=2021-04-24&g=2021-04-24); - **motorrijtuigcategorie:** categorie van motorrijtuigen vastgesteld op grond van [artikel 118, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=118); - **motorrijtuigen:** hetgeen daaronder wordt verstaan in de [Wegenverkeerswet 1994](onbekend); - **Onze Minister:** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; - **richtlijn vakbekwaamheid bestuurders:** [richtlijn nr. 2003/59/EG](32003L0059) van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en [Richtlijn 91/439/"},{"i":16107,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 juli 2012, nr. WJZ/420483 (10207), houdende wijziging van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog in verband met evaluatie van het restitutiebeleid Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluit: Artikel I Wijzigt het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog. Artikel II Verzoeken die zijn ingediend op grond van [artikel 2, eerste lid, van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022833&artikel=2), zoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, worden afgehandeld overeenkomstig dat besluit zoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16225,"b":"Wijzigingsverordening Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995 (2007) De ledenvergadering van de Nederlandse loodsencorporatie, Gelet op de [artikelen 4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=4), en [15 van de Loodsenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004365&artikel=15) (Stb. 1988, 353); Besluit: Artikel I Wijzigt de Bevoegdhedenverordening registerloodsen 1995. Artikel II Het bestuur van de regionale loodsencorporatie Noord plaatst de tot die regionale loodsencorporatie behorende registerloodsen, met ingang van de datum waarop deze verordening van kracht is, in de [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=6) genoemde bevoegdheden, zodanig dat de krachtens [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007399&artikel=6) toegekende bevoegdheid zoveel mogelijk overeen komt met de bevoegdheid van de registerloods op de dag voorafgaande aan de inwerkingtredingsdatum van deze verordening. Artikel III Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Aldus vastgesteld in de ledenvergadering van de Nederlandse Loodsencorporatie op 15 mei 2007 te Utrecht."},{"i":16548,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 december 2003, nr. Directie DAZ/B&ADIV/2003/8675, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van de Hoofddirectie Bijstand en Voorzieningen/Sector Uitkeringsbeleid (UKB), 1988–1994 (Archiefregeling voor de archieven op het beleidsterrein Sociale Voorzieningen) Gelet op [artikel 15, eerste lid , onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en [artikel 10 van het van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden wordt aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheid van de Hoofddirectie Bijstand en Voorzieningen/Sector Uitkeringsbeleid de in het volgende lid genoemde beperking gesteld voor de volledige duur van de in [artikel 15, vierde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) genoemde termijn. 2. Raadpleging van het bescheid dat geborgen is onder inventarisnummer 164 is slechts mogelijk na ondertekening door de verzoeker van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor het verkrijgen van toestemming tot het raadplegen van niet-openbare archieven. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Archiefregeling voor de archieven op het beleidsterrein Sociale Voorzieningen. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd."},{"i":7423,"b":"Wet van 29 april 1999 tot wijziging van de Huursubsidiewet (mogelijk maken van jaarlijkse verhoging van de maximale huurgrens en enkele andere wijzigingen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de maximale huurgrens in de Huursubsidiewet jaarlijks te laten stijgen en enkele andere wijzigingen in die wet aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ARTIKEL I Wijzigt de Huursubsidiewet. ARTIKEL II Wijzigt de Huursubsidiewet. ARTIKEL III 1. Als aan een huurder voor het subsidietijdvak dat loopt van 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999, omdat de rekenhuur in dat tijdvak hoger was dan de voor hem ingevolge [artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13) als laatstelijk luidend voor de inwerkingtreding van [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010444&artikel=I&z=1999-07-01&g=1999-07-01) van deze wet geldende maximale huurgrens, onder toepassing van [artikel 13, tweede lid, onderdeel c, en vierde lid, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13) als laatstelijk luidend voor die inwerkingtreding, huursubsidie is toegekend ter hoogte van 67 procent van het bedrag dat is berekend op de wijze, bedoeld in [artikel 21 van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=21) als laatstelijk luidend voor die inwerkingtreding, wordt die huursubsidie aangevuld tot 100 procent van dat bedrag. 2. Als aan een huurder voor een RBH-subsidietijdvak dat ligt tussen 30 juni 1998 en 1 juli 1999, omdat de rekenhuur in dat tijdvak hoger was dan de voor hem ingevolge [artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Huursubsidiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=13) als laatstelijk luidend voor de in"},{"i":14171,"b":"Regeling vaststelling internationaal taxivervoer Gelet op artikel 149, onderdeel c, van het Besluit personenvervoer (Stb. 1987, 506); Besluit: Artikel 1 Als controledocument dat in de auto aanwezig moet zijn voor het verrichten van internationaal taxivervoer als bedoeld in [artikel 117, onderdeel b, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=117), wordt vastgesteld het controledocument dat als bijlage bij deze regeling is gevoegd. Artikel 2 Ten behoeve van het toezicht op de naleving op [artikel 75, tweede lid, van het Besluit personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011982&artikel=75), zijn in de auto waarmee een beperkte taxidienst als bedoeld in de [Regeling taxibestuurders 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018667) wordt uitgevoerd, documenten aanwezig waarmee wordt aangetoond dat met die auto vervoer als bedoeld in [artikel 1, onder b, van de Regeling taxibestuurders 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018667&artikel=1) wordt verricht. Bijlage. Controledocument, als bedoeld in artikel 149, sub c, van het Besluit personenvervoer - A). Naam vervoerder: Adres: Vestigingsplaats: - B). Naam bestuurder: - C). Kenteken te bezigen motorrijtuigen: - D). Plaats van vertrek: Tijdstip: - E). Instapplaats reiziger(s): Tijdstip instappen: - F). Uitstapplaats reiziger(s): Tijdstip uitstappen: Aldus naar waarheid ingevuld. ......................, de ...................... **(handtekening vervoerder)** Dit document dient vóór het vertrek van elke rit te worden ingevuld. De gegevens onder E en F dienen te worden ingevuld op het moment dat de reizigers instappen respectievelijk uitstappen. Voorts dient dit document in het te bezigen motorrijtuig aanwezig te zijn en op verzoek van de met de controle belaste ambtenaren ter inzage worden gegeven. Deze regeling wordt met de bijlage in de Nederlandse Staatscourant geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling controledoc"},{"i":16819,"b":"Besluit van 4 juli 1957, houdende beperking van een uitkering, toegekend krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht (Stb. 1948, I 543) bij gelijktijdige aanspraak op een pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet Op de voordracht van Onze Minister voor Defensie van 8 maart 1957, Nr. P. 111.337/A/Conf en Nr. Minmar 467697/349595; Overwegende, dat het wenselijk is regelen te stellen ten aanzien van de beperking van de uitbetaling van een uitkering, toegekend krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht (**Stb.** 1948, I 543) bij gelijktijdige aanspraak op een pensioen krachtens de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221) (**Stb.** 1956, 281); De Raad van State gehoord (advies van 21 mei 1957, nr. 70). Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 28 juni 1957, Nr. 111.337/E/Conf. Nr. minmar 55281/254771; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. Waar in dit besluit zonder verdere toevoeging wordt gesproken van een uitkering, wordt daaronder verstaan een uitkering, toegekend krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht (**Stb.** 1948, I 543) 2. Onder ouderdomspensioen wordt in dit besluit verstaan een pensioen, als bedoeld in de [Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221). 3. Voor de toepassing van [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002249&artikel=2&z=2006-01-01&g=2006-01-01) wordt onder uitkering mede verstaan de daarop verleende algemene toeslag krachtens Ons besluit van 1 juli 1957, nr. 36. Artikel 2 1. Indien zowel aanspraak bestaat op een uitkering als op een ouderdomspensioen, wordt de uitbetaling van de uitkering op de voet van het bepaalde in het tweede lid beperkt. 2. De in het vorige lid bedoelde beperking van de uitbetaling vindt aldus plaats, dat op de uitkering een bedrag, gelijk aan een zodanig gedeelte van het ouderdomspensioen, voor de groep, waart"},{"i":7829,"b":"Besluit databank media- en opinieonderzoek Gelet op de aan overheidsvoorlichting te stellen eisen, tot uitdrukking komende in [artikel 8, tweede lid, Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=8), Overwegende dat kennis van en inzicht in de opinies die leven in de samenleving van belang zijn voor een goede en democratische bestuursvoering; Besluit: Artikel 1. (Databank media- en opinieonderzoek) Bij de Rijksvoorlichtingsdienst/Directie Toepassing Communicatietechniek wordt een databank ten behoeve van media- en opinieonderzoek ingericht. Artikel 2. (Reglement) Doel, verantwoordelijkheid, bevoegdheden en de wijze van gebruik met betrekking tot de databank worden vastgelegd in een reglement. Artikel 3. (Auteurs- en databankrechtelijk voorbehoud) 1. Het recht op de databank, bedoeld in [artikel 10, derde lid, Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=10), wordt overeenkomstig [artikel 15, onder b, Auteurswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886&artikel=15) uitdrukkelijk voorbehouden. 2. Het recht bedoeld in [artikel 2 Databankenwet](onbekend) wordt overeenkomstig [artkel 8, tweede lid, Databankenwet](onbekend) uitdrukkelijk voorbehouden. Artikel 4. (Inwerkingtreding) Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin wordt geplaatst. Afschrift van dit besluit zal worden gezonden aan de Staatscourant en de directeuren voorlichting van de ministeries."},{"i":17575,"b":"Subsidiebeleidsregeling van 27 juni 2022 inzake de Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd voor de regio Rotterdam-Rijnmond en Den Haag 2023 en 2024 1. Inleiding Op 28 juni 2019 heeft de Minister voor Rechtsbescherming de Tweede Kamer geïnformeerd over de aanpak van de jeugdcriminaliteit1TK 2018–2019, 28 741, nr. 53. Een van de onderdelen betreft het inzetten op meer maatwerk bij vrijheidsbeneming en nazorg bij justitiële jeugd. Daarbij is toegewerkt naar een stelsel waarbij, na een gerichte screening op basis van risicomanagement, jongeren met een vrijheidsbenemende titel in een laag beveiligde Kleinschalige Voorziening Justitiële Jeugd (KVJJ) kunnen worden geplaatst door Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). De KVJJ is onderdeel van het aanbod van DJI. DJI is verantwoordelijk voor de uitvoering van de KVJJ’s in het land. Dit is een vrij nieuwe modaliteit binnen het justitiële jeugd landschap. Daarom is de KVJJ onderdeel van het veranderprogramma Vrijheidsbeneming Op Maat (VOM). De inhoudelijke vormgeving en doorontwikkeling van de KVJJ is nadrukkelijk een onderdeel van dit programma. Vooruitlopend op een landelijke subsidieregeling wordt thans een subsidiebeleidskader voor de opvang van jongeren in de regio Rotterdam-Rijnmond (verder regio Rotterdam) en in de regio Den Haag gepubliceerd. Dit als gevolg van het verstrijken van de subsidieregeling voor 2020–2022 op 1 januari 2023. Geïnteresseerde aanbieders worden verzocht om een subsidieaanvraag in te dienen voor de ontwikkeling en exploitatie van de KVJJ’s in de regio Rotterdam en/of Den Haag. In [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046858&bijlage=1&z=2022-07-07&g=2022-07-07) wordt een opsomming gegeven van de gemeenten die behoren tot hetzij de regio Rotterdam hetzij de regio Den Haag. In dit subsidiebeleidskader worden de doelstelling en de uitgangpunten van de KVJJ’s, de grondslag van de subsidieverstrekking, (de beoordeling van) de subsidieaanvragen, het besluitvormingsproces van zowel de"},{"i":18250,"b":"Besluit van de Minister van Justitie van het Koninkrijk van 8 oktober 2010, nummer 2010/2, houdende diverse wijzigingen met betrekking tot de Handleidingen voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 in verband met de staatkundige hervorming van de Nederlandse Antillen per 10 oktober 2010 Gelet op [artikel 23, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23), [artikel 72 Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=72) en [artikel 2 van de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=2); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel I A. Wijzigt de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten. B. Wijzigt de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003. C. Wijzigt de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten. D. Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba. E. Wijzigt de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten. F. Wijzigt de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003. G. Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba. H. Wijzigt de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten. I. In afwijking op het voorgaande onder H wordt het onderzoeksverslag behorend bij het [Bericht omtrent Toelating](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831) (BOT), zoals genoemd in de [toelichting op artikel 1 onder g, RWN, paragraaf 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026494&paragraaf=5.1), op [artikel 6, eerst"},{"i":18346,"b":"Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 4 juli 2012, houdende de vaststelling van de hoogte van de algemene onkostenvergoeding voor de rechterlijke ambtenaren (Regeling algemene onkostenvergoeding rechterlijke ambtenaren) Gelet op [artikel 7, vijfde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006530&artikel=7); Besluit: Artikel 1 De bedragen van de algemene onkostenvergoeding worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van de afgeleide consumentenprijsindex, waarbij de bedragen worden afgerond naar de eerstvolgende euro. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 In de bij deze regeling behorende bijlage zijn, overeenkomstig de in [artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365&artikel=7) bedoelde indeling, de hoogten van de algemene onkostenvergoeding van de rechterlijke ambtenaren, die zijn aangesteld voor een volledige arbeidsduur, vermeld. Artikel 4 Aan de rechterlijke ambtenaren die zijn aangesteld of aangewezen voor het vervullen van minder dan de helft van een volledige arbeidsduur wordt een algemene onkostenvergoeding toegekend die een met hun werktijd overeenkomend deel bedraagt van de vergoeding die zij zouden hebben ontvangen indien zij in hetzelfde ambt zouden zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige arbeidsduur. Artikel 5 De rechterlijk ambtenaar heeft, wanneer aan hem voor 50% of meer van de arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld buitengewoon verlof voor ten minste een maand, al dan niet met behoud van bezoldiging, is verleend, gedurende de periode van het buitengewoon verlof aanspraak op de algemene onkostenvergoeding naar rato van het aantal uren dat hij geen buitengewoon verlof geniet. Artikel 6 De rechterlijk ambtenaar heeft, wanneer hij voor meer dan 50% van een volledige arbeidsduur ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, maar niet volledig arbeidsongeschikt is, na ommekomst v"},{"i":18761,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Kerkgenootschappen van de Hoofdafdeling Privaatrecht, Bureau Verenigingen en Stichtingen van het Ministerie van Justitie (1873) 1941–1988 (2000) (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van het naar het Nationaal Archief over te brengen archief Kerkgenootschappen van de Hoofdafdeling Privaatrecht, Bureau Verenigingen en Stichtingen van het Ministerie van Justitie (1873) 1941–1988 (2000), de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":18692,"b":"Beleidsregel van het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit van 23 mei 2024 tot de vaststelling van regels voor de hoogte van een bestuurlijke boete Gelet op de [artikelen 18.16a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16a), [18.16b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16b), [18.16c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16c) en [18.16s van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16s) en [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. – Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) - –. **bestuur:** het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit als bedoeld in [artikel 2.3 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=2.3); - –. **NEa:** de Nederlandse Emissieautoriteit; - –. **Wm:** de [Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245). Artikel 2. – Toepasselijkheid beleidsregel Deze beleidsregel is van toepassing op bestuurlijke boetes, die door het bestuur worden opgelegd op grond van de [artikelen 18.16a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16a), [18.16b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16b), [artikel 18.16c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16c) en [artikel 18.16s van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=18.16s). Deze beleidsregel is niet van toepassing op door het bestuur op te leggen bestuurlijke boetes waarvan de hoogte dwingend voortvloeit uit of gereguleerd is in Europese regelgeving. Dit zijn de bestuurlijke boetes die worden opgelegd op de volgende grondslagen: - –. [artikel 16.37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000324"},{"i":3500,"b":"Besluit van 15 december 2017, houdende bepalingen voor een experiment met instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie gericht op onder meer een vermindering van de lasten die gepaard gaan met de accreditatie in het hoger onderwijs (Besluit experiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 25 april 2017, nr. WJZ/1084526 (7158), directie Wetgeving en Juridische Zaken, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op de [artikelen 1.7a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.7a), en [5a.2, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=5a.2); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 augustus 2017, nr. W05.17.0122/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 december 2017, nr. 1262175 (7158), directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **accreditatiekader:** accreditatiekader als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - **deelnemende instelling:** instelling voor hoger onderwijs die op grond van [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040407&hoofdstuk=2&paragraaf=2.3&artikel=10&z=2019-02-01&g=2019-02-01) is geselecteerd voor deelname aan het experiment; - **erkenning ITK:** erkenning ITK als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - **instelling voor hoger onderwijs:** instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 1.1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.1); - **instellingsaccreditatie:** instellingsaccreditatie, verleend op grond van [artikel 11](https:"},{"i":12168,"b":"Besluit van 23 februari 2013, no. 13.000336 houdende departementale herindeling met betrekking tot publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 15 februari 2013, kenmerk3120867; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Economische Zaken wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie zoals deze voortvloeien uit de [Wet op de bedrijfsorganisatie, Tweede hoofdstuk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&hoofdstuk=Tweede) (Van de bedrijfslichamen). Artikel 2 De taken van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van het ministerie van Economische Zaken worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032961&artikel=1&z=2013-03-07&g=2013-03-07) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032961&artikel=2&z=2013-03-07&g=2013-03-07) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevolmachtigd Ministers van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten en de m"},{"i":4084,"b":"Besluit van 16 december 1998, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten houdende uitbreiding van de kring van studerenden voor de toepassing van die wet Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 2 december 1998, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/WV/98/38819; Gelet op [artikel 5, derde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=5); De Raad van State gehoord (advies van 10 december 1998, nr. W12.98.0561); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 14 december 1998, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/98/41142; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking als de Veegwet SZW 1998 in werking treedt. Artikel 1. Uitbreiding van de kring van studerenden 1. Voor de toepassing van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) wordt mede verstaan onder studerende de persoon die niet op grond van [artikel 1:4, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=1:4) als studerende wordt aangemerkt en die: - a. werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen de persoon, die als leerling van een instelling van onderwijs praktisch werkzaam is, alsmede de persoon die aan een bedrijfsschool opleiding ontvangt; - b. in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt van gemiddeld minder dan 213 klokuren per kwartaal en: - 1°. een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de [artikelen 1.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=1.8) of [6.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=6.9), dan"},{"i":17105,"b":"Informatiemodel UV zorgverzekeraars 2014 **De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) deelt mee het navolgende informatiemodel te hebben vastgesteld.** Vastgesteld op 24 juni 2014 Informatiemodel Uitvoeringsverslag Zorgverzekeraars 2014 **De Raad van Bestuur van de NZa heeft op 24 juni 2014 het in** [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035302&bijlage=1&z=2014-07-08&g=2014-07-08) **opgenomen Informatiemodel Uitvoeringsverslag Zorgverzekeraars 2014 (inclusief bijbehorende bijlagen) vastgesteld. Dit informatiemodel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit informatiemodel wordt geplaatst.** Bijlage 1. Informatiemodel UV zorgverzekeraars 2014 De zorgverzekeraars moeten zich verantwoorden tegen de achtergrond van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en de hieruit voortvloeiende normenkaders. Voor de inrichting van het Uitvoeringsverslag (UV)1Het is toegestaan het Informatiemodel Maatschappelijk Verslag van Zorgverzekeraars Nederland te hanteren. Het Informatiemodel UV NZa wordt hierin opgenomen. zijn de zorgverzekeraars gehouden aan dit informatiemodel. Op aspecten die niet in dit model zijn opgenomen zijn zorgverzekeraars vrij om het UV vorm te geven. Het informatiemodel UV zorgverzekeraars 2014 is opgenomen in bijlage 1. In de [bijlagen 2 tot en met 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035302&bijlage=2&z=2014-07-08&g=2014-07-08) is het model nader gespecificeerd voor de van toepassing zijnde onderdelen. De normenkaders waarover de zorgverzekeraar zich moet verantwoorden zijn opgenomen in de [bijlagen 4 tot en met 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035302&bijlage=4&z=2014-07-08&g=2014-07-08). Deze normenkaders zijn identiek aan die in het Protocol onderzoek Zvw met oplevering in 2015. [Bijlage 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035302&bijlage=8&z=2014-07-08&g=2014-07-08) bevat een model voor een bestuursverklaring. Alle bijlagen samen vormen integraal het informatiemodel UV"},{"i":19194,"b":"Besluit van 23 augustus 2010 betreffende nieuwe regels inzake de financiering van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijksbesluit financiering Gemeenschappelijk Hof van Justitie) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 2 december 2009, nr. 5630762/09/6, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Gelet op [artikel 55, eerste en tweede lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028070&artikel=55); De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 23 december 2009, nr. W03.09.0518/II/K); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 17 augustus 2010, nr. 5636986/10, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; De bepalingen van het [Statuut voor het Koninkrijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002154) in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 66 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie in werking treedt. Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **instroom:** instroom van te behandelen rechtszaken in een jaar onderverdeeld naar afzonderlijke zaakscategorieën; - **kostprijs:** de naar de zaakscluster gedifferentieerde kosten per product die worden gebruikt voor de vaststelling van instroomgerelateerde bijdrage van de landen aan het Hof; - **zaakscategorie:** een deel van de instroom dat door het Hof en de gerechten op gelijksoortige wijze wordt behandeld; - **zaakscluster:** een aantal op basis van de werklast samenhangende zaakscategorieën. Hoofdstuk 2. Ondersteunende systemen en modellen Artikel 2 1. Er is een systeem van meting van inkomende zaken"},{"i":16959,"b":"Besluit van 31 augustus 2020, houdende vaststelling van de decentralisatie- en integratie-uitkeringen aan de gemeenten en provincies voor het uitkeringsjaar 2017 alsmede wijziging van het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015 en het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2016 (Besluit vaststelling decentralisatie-en integratie-uitkeringen 2017) § 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten en provincies § 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten en provincies § 3. Wijziging van het [Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040102) Artikel 4 Wijzigt het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015. § 2. Integratie-uitkeringen aan gemeenten § 3. Wijziging van het [Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040102) Bijlage 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044226&paragraaf=1&artikel=1&z=2020-10-20&g=2015-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 1. Decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044226&paragraaf=1&artikel=1&z=2020-10-20&g=2016-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2. Decentralisatie-uitkeringen aan provincies als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044226&paragraaf=1&artikel=2&z=2020-10-20&g=2016-01-01) Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Artikel 5 Wijzigt het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2016. § 3. Wijziging van het [Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040102) Bijlage 3. Integratie-uitkeringen aan gemeenten als bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044226&paragraaf=2&artikel=3&z=2020-1"},{"i":17990,"b":"Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet in verband met de rechtsgang bij inhouding van de bijdrage van verdragsgerechtigden (rechtsgang bronheffing verdragsgerechtigden) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere regels te stellen voor de rechtsgang die is aangewezen ter zake van de inhouding van de bijdrage van verdragsgerechtigden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel II 1. Een beschikking tot het heffen of inhouden van de bijdrage, bedoeld in [artikel 69, tweede lid van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=69), door organen die pensioenen of renten uitkeren, dan wel het inhouden van die bijdrage zelf, geldt als beschikking van het College zorgverzekeringen, indien deze beschikking werd genomen of deze inhouding plaatsvond tussen 1 januari 2006 en de inwerkingtreding van deze wet. 2. Indien voor de inwerkingtreding van deze wet tegen de beschikking tot het heffen of inhouden van de bijdrage dan wel tegen die inhouding zelf: - a. bezwaar is ingediend waarop nog geen beslissing is genomen door het bevoegde bestuursorgaan, is [artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:15) van overeenkomstige toepassing; - b. een beslissing op bezwaar is genomen, geldt deze beslissing als een beslissing van het College zorgverzekeringen. 3. Tegen een voor de inwerkingtreding van deze wet door een pensioenfonds of een werkgever verrichte inhouding van de bijdrage bedoeld in het eerste lid, staat, tot dertien weken na de inwerkingtreding van deze wet, bezwaar open bij het College zorgverzekeringen. 4. Indien over de inhouding van de bijdrage een geschil aanhangig is gemaakt bij een"},{"i":19006,"b":"Boetetoemetingsbeleid AFM 2021 De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft besloten om de volgende beleidsregel vast te stellen met betrekking tot het bepalen van de hoogte van bestuurlijke boetes die worden opgelegd wegens overtreding van de bepalingen die zijn genoemd in [paragraaf 2 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026204&paragraaf=2) (Bbbfs), [hoofdstuk 10 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020892&hoofdstuk=10) (Besluit Pw en Wvb), onderdeel b van de [bijlage bij de Wet handhaving consumentenbescherming](onbekend) (Whc) en [bijlage 2 bij het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032230&bijlage=2): Artikel 1. – Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **omzetgerelateerde boete:** boete van ten hoogste een bij wet vastgesteld percentage van de netto-omzet van de overtreder in het boekjaar voorafgaand aan het boetebesluit; - b. **recidive:** de omstandigheid dat ten tijde van het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding; - c. **verkregen voordeel:** de inkomsten die de overtreder door de verboden gedraging heeft ontvangen minus door hem gemaakte kosten die in directe relatie staan tot de overtreding, alsook door de overtreding vermeden verliezen of door de overtreding voorkomen kosten; - d. **voordeelgerelateerde boete:** boete van ten hoogste een bij wet vastgesteld aantal maal het bedrag van het voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen; - e. **wettelijk basisbedrag:** het wettelijk vastgestelde basisbedrag van de boete, in de categorie 1, 2 of 3. Artikel 2. – Wettelijke boeteregimes In deze beleidsregel worden de volgende drie wettelijk vastgelegde boeteregimes onderscheiden: - 1). het regime van de"},{"i":18772,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de voorwaardelijke invrijheidstellingen van het Ministerie van Justitie, periode 1950−1978 Als bedoeld in [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) ; Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van het, naar het Nationaal Archief, over te brengen archief betreffende de voorwaardelijke invrijheidstellingen van het Ministerie van Justitie, 1950−1978 de volgende beperkingen gesteld: - 1. De archiefbescheiden van bovengenoemd archief, evenals de versie van de inventaris waarin de persoonsnamen zijn opgenomen, zijn niet openbaar vóór 1 januari 2054 - 2. Raadpleging van de archiefbescheiden is, gelet op [art. 15, derde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), slechts mogelijk na schriftelijk verkregen toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Voordat hij toestemming verleent, beoordeelt de algemene rijksarchivaris het verzoek. - •. de verzoeker doet een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot inzage van de archiefbescheiden, waarin wordt aangegeven: de omschrijving van het onderzoeksdoel, de onderzoeksopzet en de wijze waarop de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens zal worden gewaarborgd; - •. de verzoeker vult hiertoe het Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven van het Ministerie van Justitie in en ondertekent het formulier. De verzoeker verklaart daarmee tevens zich te zullen houden aan de in het formulier opgenomen bepalingen. Een exemplaar van het formulier is als bijlage bij dit besluit gevoegd. - 3. De algemene rijksarchivaris bereidt de beschikb"},{"i":18073,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 maart 2009, nr. DDI/ST/reg. 011/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Nederlandse Ambassade in het Verenigd Koninkrijk van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade in het Verenigd Koninkrijk van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar. | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 313 | 2050 | | 314 | 2039 | | 328 | 2042 | | 340 | 2048 | | 346 | 2039 | | 347 | 2039 | | 1396 | 2038 | | 1397 | 2039 | | 1401 | 2050 | 2. Met het oog op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, danwel van derden, zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade in het Verenigd Koninkrijk van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. Tot laatst bedoelde datum zijn de dossiers onder deze inventarisnummers niet openbaar | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 1009 | 2048 | | 1730 | 2045 | | 1731 | 2048 | | 1732 | 2050 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van de Nederlandse Ambassade in"},{"i":17742,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Mauritius inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Preambule Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Mauritius, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de openbare veiligheid en handel van de Verdragsluitende Partijen; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar vormt voor de samenleving; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen wettelijke bepalingen; Gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand, de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand (Verklaring van Cyprus) en de Resolutie inzake veiligheid en facilitatie van de internationale logistieke keten, aangenomen door de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisatie, in respectievelijk december 1953, juli 2000 en juni 2002; Gelet op verdragen die verboden, beperkingen en bijzondere controlemaatregelen bevatten met betrekking tot bepaalde goederen; Tevens gelet op de [Universele Verklaring van de Rechten van de Mens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001008) van d"},{"i":18290,"b":"Besluit van 13 december 2013, houdende instelling herinneringsmedaille «Medaille bezoek in 2013 aan het Caribisch deel van het Koninkrijk» Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 december 2013, nr. 2013-0000718611, Directoraat-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties, Directie Arbeidszaken Publieke Sector, afdeling Politieke Ambtsdragers; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Ter gelegenheid van Ons eerste bezoek aan het Caribisch deel van het Koninkrijk na Onze inhuldiging op 30 april 2013 wordt een herinneringsmedaille ingesteld, die de naam zal dragen van «Medaille bezoek in 2013 aan het Caribisch deel van het Koninkrijk» en die op voordracht van Onze Minister die het aangaat bij koninklijk besluit wordt toegekend. Artikel 2 1. De herinneringsmedaille, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034749&artikel=1&z=2014-01-31&g=2014-01-31), is met zilver vervaardigd en cirkelrond met een middellijn van 30 millimeter. Zij vertoont aan de voorzijde naar links gewend Onze beeldenaar en aan de keerzijde een gekroond monogram houdende de letters «W» en «A», de tekst «30 april 2013», alsmede als omschrift de woorden «Willem-Alexander Koning der Nederlanden». 2. De herinneringsmedaille wordt op de linkerborst gedragen aan een 27 millimeter breed Nassaublauw moiré lint, met in het midden vier verticale oranje banen, elk van 2 millimeter breed en 2 millimeter uiteen. Artikel 3 1. Het is aan hen, die met de herinneringsmedaille, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034749&artikel=1&z=2014-01-31&g=2014-01-31), begiftigd zijn, vergund, deze in verkleinde vorm aan het lint, dan wel alleen het lint te dragen. 2. Het is tevens aan vrouwen, die met de herinneringsmedaille begiftigd zijn, vergund, deze aan een strik van het in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034749&artikel=2&z=2014-01-31&g=2014-01-31), omschreven lint op de linkerschouder te dragen. A"},{"i":17262,"b":"Administratie- en declaratievoorschriften module samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten Gelet op [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), heeft de Nederlandse Zorgautoriteit de volgende regeling vastgesteld: Regeling Administratie- en declaratievoorschriften module samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnsproducten. 1. Reikwijdte regeling Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die zorg leveren als bedoeld in de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078) voor zover ze de modules samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorg leveren. 2. Doel van de regeling Deze regeling heeft tot doel het stellen van de navolgende voorschriften met betrekking tot de administratie en declaratie van gegevens met betrekking tot geïntegreerde eerstelijnszorgproducten: 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 4. Administratievoorschriften De zorgaanbieder administreert, indien de module ‘geïntegreerde eerstelijnszorg’ in rekening gebracht wordt, naast de in [artikel 36, lid 1 Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36) aangegeven administratie-eisen, de volgende gegevens volledig en naar waarheid: Per gecontracteerd zorgprestatie: 5. Declaratievoorschriften 6. Declaratiebepalingen voor het in rekening brengen van de modules geïntegreerde eerstelijnszorg 7. Intrekking Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze regeling wordt de [regeling Administratie- en declaratievoorschriften modules samenwerking en prestatie innovatieve zorgprestatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027050) (CU/NR-100.115 / CA-NR-100.114) ingetrokken. 8. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2012. Indien de Staatscourant waarin de mededeling als bedoeld in ["},{"i":14751,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2006, nr. OHWU- 2732433, houdende de vaststelling van het vrijstellingsbedrag inkomsten uit vermogen ingevolge de wetten voor oorlogsgetroffenen per 1 januari 2007 Gelet op [artikel 18, zevende lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=18), alsmede op de [artikelen 12a van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12a), [12 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=12), [17 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=17) en [27 van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=27); Besluit: Artikel I De bedragen, genoemd in [artikel 19, vijfde lid, onder a, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=19), alsmede in de [artikelen 12, tweede lid, onder c, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=12), [11, tweede lid, onder c, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002035&artikel=11), [16, tweede lid, onder b, ten derde, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003968&artikel=16) en bedoeld in [artikel 28, vierde lid, onder a, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003664&artikel=28), worden als volgt herzien: - a. het bedrag, genoemd in [artikel 19, vijfde lid, onder a, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002844&artikel=19), wordt verhoogd tot € 739,97; - b. het bedrag, genoemd in de [arti"},{"i":18240,"b":"Besluit vervanging personeelsdossiers openbaar ministerie Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **selectielijst:** de [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869) die op 16 augustus 2007 namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Justitie, kenmerk C/S&A/07/1516 is vastgesteld naar [artikel 5, tweede lid onder b van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5) (Stcr. 2007, 225); - b. **P-Direkt:** de baten-lastendienst, ingesteld bij [besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Financiën van 11 februari 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025362) (Stcrt. 2009, 43); - c. **regeling:** de [Regeling digitale vervanging personeelsdossiers Ministerie van Justitie 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775) (Stcrt. 2010, 9361). Artikel 2 De archiefbescheiden van het openbaar ministerie met betrekking tot de personeelsdossiers, zoals beschreven in de [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869), zijn en worden vervangen door reproducties met inachtneming van de [regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775). Artikel 3 De [selectielijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022869) en de [regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027775) bevat waarborgen met betrekking tot [artikel 2, eerste lid onder c en d van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2). Artikel 4 De digitale reproductie berust bij P-Direkt. Artikel 5 Het Handboek Substitutie voor het openbaar ministerie is als bijlage bij dit besluit gevoegd en wordt met dit besluit tevens vastgesteld. Bijlage Ligt ter inzage bij de hoofd- en nevenvestigingen van het openbaar ministerie. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd; de bijlage ligt voor d"},{"i":16998,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Planning Voorzieningen gezondheidszorg vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007, arc-2007.03635/6); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Planning Voorzieningen gezondheidszorg over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17136,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 9 februari 2022, nr. 11359, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Jeugdcriminaliteit (Instellingsbesluit Werkgroep IBO Jeugdcriminaliteit) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046370&artikel=2&z=2022-03-03&g=2022-03-03). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO Jeugdcriminaliteit. 2. De werkgroep heeft tot taak een interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren conform de taakopdracht zoals gepubliceerd in de Najaarsnota 2021 (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2021–2022, 35 975, nr. 1). 3. Het onderzoek moet resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties in kaart worden gebracht op het betreffende beleidsterrein. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en een aantal leden. 2. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd. 4. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd Maarten Ruys. 5. Voor de duur van de werkgroep worden tot lid van de werkgroep benoemd: - −. Hans de Pooter (Ministerie van Financiën) - −. Elke van Amelsforst (Ministerie van Justitie en Veiligheid) - −. Martijn Sanders (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) - −. Wijnand Stevens (Ministerie van Algemene Zaken) - −. Wendela Kuper (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) - −. Menno de Graaf (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - −. Karin Graver (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) 6. De leden van de werkgro"},{"i":18894,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 24 januari 2018 nr. BOACAT2018/008, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de regionale eenheid Midden-Nederland Gelezen het verzoek van de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27) van 22 december 2017 en het advies van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040572&artikel=2&z=2018-08-02&g=2018-08-02). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Midden-Nederland. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein VI, Generieke Opsporing, als genoemd in [onderdeel 11.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste"},{"i":18298,"b":"Instellingsbesluit Voorlichtingsraad Rijksoverheid Overwegende dat regeling van de adviestaken van de Voorlichtingsraad van de Rijksoverheid aanpassing behoeft, Besluit: Artikel 1. (De Raad) Er is een Interdepartementale Voorlichtingsraad, hierna te noemen 'de Raad'. Artikel 2. (Taken) 1. De Raad heeft tot taak de Minister-President en - via de Ministerraad - de Ministers desgevraagd of uit eigen beweging te adviseren over het communicatiebeleid van de Rijksoverheid. 2. Tot de in het vorige lid genoemde taak behoort mede: - de advisering over het beheer van de interdepartementale voorlichtingsinfrastructuur; - de advisering over de coördinatie en uitvoering van interdepartementale communicatieactiviteiten, waarvoor door het ministerie van Algemene Zaken en de overige ministeries financiële middelen ter beschikking zijn respectievelijk worden gesteld; - het opstellen van een Jaarprogramma Gemeenschappelijke Communicatie over te behandelen beleidsthema's. Artikel 3. (Samenstelling) 1. De directeuren Communicatie of Voorlichting van de Ministeries en de directeur-generaal van de Rijksvoorlichtingsdienst, zijn lid van de Raad. 2. De directeur-generaal Rijksvoorlichtingsdienst is voorzitter van de Raad. De Raad heeft twee vice-voorzitters, die voor de duur van twee jaar door de Raad, uit zijn midden worden gekozen. 3. De voorzitter, de beide vice-voorzitters en twee leden van de Raad vormen de Voorbereidingscommissie van de Raad. 4. Een lid kan zich zonodig laten vervangen door de plaatsvervangend directeuren Communicatie of Voorlichting. Artikel 4. (Besluitvorming Raad en Commissies) 1. De Raad en de Commissies als bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011710&artikel=5&z=2009-07-01&g=2009-07-01) kunnen geen besluiten nemen wanneer minder dan de helft van het aantal leden of hun plaatsvervangers aanwezig is. 2. De besluiten worden genomen met gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. 3. Bij staking van stemmen wordt de beslissing aangehoud"},{"i":18879,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 31 mei 2016 nr. BOACAT2016/038, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Dienst Wegverkeer Gelezen het verzoek van de Unitmanager Handhaving van de Dienst Wegverkeer van 11 april 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie van het CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038026&artikel=2&z=2019-08-07&g=2019-08-07). Artikel 2 1. De personen, werkzaam bij de unit Handhaving, in dienst van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. 2. Aan de buitengewoon opsporingsambtenaar, genoemd in het 1e lid wordt ontheffing verleend van het bepaalde in [artikel 16, eerste lid, van het besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=16), nader uitgewerkt in de [bijlage H, onder beperkte opsporingsbevoegdheid van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766&bijlage=H). Aan deze personen wordt ontheffing verleend van het examenonderdeel Gespreks- en benaderingstechnieken. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de"},{"i":18769,"b":"Besluit van de Minister van Justitie, houdende beperking van de openbaarheid van het archief betreffende Personele aangelegenheden onder het Ministerie van Justitie 1922–2000 (als bedoeld in artikel 10 van het Archiefbesluit 1995) Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen, worden op grond van [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archief van de Personele aangelegenheden bevattende de hierboven genoemde archieven, de volgende beperkingen gesteld:"},{"i":17309,"b":"Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 5 juli 2019, nummer 2628872, houdende de regels forensische zorg (Regeling forensische zorg) Gelet op de [artikelen 1.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=1.1), [2.7, van de Wet forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040634&artikel=2.7) en de [artikelen 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042326&artikel=1.2), [2.5, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042326&artikel=2.5), [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042326&artikel=3.1), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042326&artikel=3.2), [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042326&artikel=3.3), [3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042326&artikel=3.4), [3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042326&artikel=3.5), [3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042326&artikel=3.7), en [6.7 van het Besluit forensische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042326&artikel=6.7); Besluit: I Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **begeleiding:** activiteiten waarmee een persoon wordt ondersteund bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven; - b. **beschermd wonen:** wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische problemen of een verstandelijke beperking, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; - c. **beveiligingsniveau:** het niveau van de beveiliging die is georganiseerd tijdens het verblijf van de forensisch pati"},{"i":17852,"b":"Wet van 29 maart 2012, houdende wijziging van enkele socialezekerheidswetten in verband met aanpassing van de hoogte van de uitkering aan het woonland (Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, gelet op het karakter van de kinderbijslag, het kindgebonden budget, de nabestaandenuitkeringen en de vervolguitkering van de WGA-uitkering, te regelen dat deze worden aangepast aan het kostenniveau van een land waar een kind of de uitkeringsgerechtigde woont; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368) Wijzigt de Algemene Kinderbijslagwet. Artikel Ia Wijzigt deze wet. Artikel Ib Wijzigt de Verzamelwet SZW 2012. Artikel II. [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel III. [Wet op het kindgebonden budget](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022751) Wijzigt de Wet op het kindgebonden budget. Artikel IV. [Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel V. Inwerkingtreding 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. Bij het vaststellen van het in het eerste lid genoemde tijdstip van inwerkingtreding wordt in acht genomen dat, indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2011, [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031555&artikel=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01) of [artikel IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031555&artikel=Ia&"},{"i":18707,"b":"Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 17 februari 2026, nr. ILT-2025/544208, over vaststelling van boetebedragen voor overtredingen van de Arbeidstijdenwet met betrekking tot taxivervoer (Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (taxivervoer) 2026) Gelet op [artikel 10:7, zesde lid, tweede volzin, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:7) en [artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:46); BESLUITEN: Artikel 1. Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - **eerste bedrijfsinspectie:** bedrijfsinspectie die geen tweede bedrijfsinspectie of volgende bedrijfsinspectie is; - **eerste transportinspectie:** transportinspectie die geen tweede of volgende transportinspectie is; - **taxivervoer:** taxivervoer als bedoeld in [artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=1); tweede bedrijfsinspectie: bedrijfsinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na een eerste bedrijfsinspectie, waarbij de eerste bedrijfsinspectie heeft geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete die onherroepelijk is op de datum waarop de huidige bedrijfsinspectie aanvangt; - **tweede transportinspectie:** transportinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na een eerste transportinspectie waarbij de eerste transportinspectie heeft geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete die onherroepelijk is op de datum waarop de transportinspectie aanvangt; - **volgende bedrijfsinspectie:** bedrijfsinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na twee of meer bedrijfsinspecties, waarbij ten minste twee van deze bedrijfsinspecties hebben geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete en deze bestuurlijke boetes onherroepelijk zijn op de datum waarop de bedrijfsinspectie aanvangt; - **volgen"},{"i":19545,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 12 april 2020, nr. IENW/BSK-2019/250897, houdende vaststelling van regels betreffende het in de handel brengen, de indienststelling en het onderhoud van spoorvoertuigen op de hoofdspoorwegen (Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020) Gelet op richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2016, L 138) en richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PbEU 2016, L 138) en de [artikelen 26d, onderdelen a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26d), [26e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26e), [26f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26f), [26g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26g), [26o, onderdelen a tot en met d, f, en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26o), [26q, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26q), [26t, onderdelen a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26t), [26cc, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26cc), en [38, eerste en derde lid, van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=38); BESLUIT: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **ATB:** automatische treinbeïnvloeding; - **ATBEG:** automatische treinbeïnvloeding Eerste Generatie; - **ATBNG:** automatische treinbeïnvloeding Nieuwe Generatie; - **CLC:** Europese norm, opgesteld door het Europees Comité voor Elektrotechnische Standaardisatie CENELEC, in de versie, genoemd in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043393&bijlage=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **EN:** Europese norm, opgesteld door de Europese normalisatie-instellin"},{"i":19544,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 29 november 2011, nr. IENM/BSK-2011/154661, houdende vaststelling van het subsidieplafond sanering verkeerslawaai 2012 Gelet op [artikel 15.13, eerste, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel 1 Het tijdvak voor de subsidieverstrekking ten behoeve van sanering van verkeerslawaai als bedoeld in de Subsidieregeling sanering verkeerslawaai wordt vastgesteld voor de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012. Artikel 2 Het subsidieplafond voor het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030742&artikel=1&z=2012-11-21&g=2012-11-21) vastgestelde tijdvak ten behoeve van de sanering van verkeerslawaai wordt vastgesteld op: € 25.680.000. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19547,"b":"Regeling mandaatverlening directeur Waarborgfonds Motorverkeer inzake uitvoering vrijstellingsregeling Wam voor gemoedsbezwaarden Besluit: Artikel 1 Aan de Directeur van het Waarborgfonds Motorverkeer wordt mandaat verleend om namens de Minister van Financiën beslissingen te nemen en stukken te ondertekenen betreffende de uitvoering van de vrijstellingsregeling voor gemoedsbezwaarden als bedoeld in de [artikelen 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=18), [19, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=19), en [21 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002415&artikel=21) (Wam). Het in het eerste lid genoemde mandaat omvat tevens de bevoegdheid tot ondermandaatverlening en toekenning van tekenbevoegdheid aan functionarissen die werkzaam zijn bij het Waarborgfonds Motorverkeer in de gevallen waarin hiertoe door of namens de Minister van Financiën goedkeuring wordt verleend. Artikel 2 Het Waarborgfonds Motorverkeer ver-strekt het Ministerie van Financiën op een daartoe strekkend verzoek alle gevraagde gegevens alsmede tenminste jaarlijks een schriftelijk verslag inzake krachtens het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009783&artikel=1&z=1998-09-01&g=1998-09-01) genoemde mandaat uitgevoerde werkzaamheden. De uitvoering van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009783&artikel=1&z=1998-09-01&g=1998-09-01) genoemde mandaat geschiedt in overeenstemming met door of namens de Minister van Financiën opgestelde of op te stellen beleidsregels en eventuele aanwijzingen in individuele gevallen. Tenminste twee maal per jaar vindt overleg plaats over de uitvoering van de vrijstellingsregeling voor gemoedsbezwaarden tussen de Directeur van het Waarborgfonds Motorverkeer en het hoofd van de afdeling Verzekeringswezen van het Ministerie van Financiën. Artikel 3 In elk op grond van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":19546,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 4 juni 2019, nr. IENW/BSK- 2019/122715, houdende nadere implementatie van richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2016, L 138/44) en van richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PbEU 2016, L 138/102) (Regeling interoperabiliteit en veiligheid spoorwegen) Handelende in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid; Gelet op [richtlijn 2016/797](32016L0797)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2016, L 138/44), [richtlijn 2016/798](32016L0798)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PbEU 2016, L 138/102) en de [artikelen 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=3a), [16f, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=16f), [26b onderdelen a tot en met f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26b), [26d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26d), [26e, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26e), [26g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26g), [26j, onderdelen a, b en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26j), [26o, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26o), [26t, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26t), [26z, onderdelen a tot en met g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26z), [26cc, onderdelen a, b en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26cc), [35, onderdelen a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=35), [artikel 38, eerste lid, onderdelen a tot en me"},{"i":7390,"b":"Wet van 14 april 2016 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Huisvestingswet 2014 en de Woningwet (aanvulling van de opzeggingsgrond dringend eigen gebruik voor de tijdelijke huisvesting van jongeren) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk de in [Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290) opgenomen opzeggingsgrond dringend eigen gebruik te verruimen ten aanzien van het verhuren van woonruimte aan jongeren tot 28 jaar waarbij de huurovereenkomst in eerste instantie een duur heeft van maximaal vijf jaar en daarmee de doorstroming in voor jongeren bedoelde woonruimte te bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7. Artikel II Wijzigt de Huisvestingswet 2014. Artikel III Wijzigt de Woningwet. Artikel IV Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Artikel IVa Wijzigt de Wet doorstroming huurmarkt 2015. Artikel V Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie zendt binnen vijf jaar en vervolgens binnen tien jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":3347,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 18 mei 2022 nr. BOACAT2022/037, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Zutphen Gelezen het verzoek van gemeente Zutphen van 29 april 2022 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046702&artikel=2&z=2024-06-21&g=2024-06-21). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van Handhaver A, Handhaver B en Handhaver C in dienst van de gemeente Zutphen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan d"},{"i":5960,"b":"Besluit van 3 juli 2025 tot wijziging van het Besluit EU-verordeningen Wft en het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/2987 en Richtlijn (EU) 2024/2994 betreffende clearingmarkten (Uitvoeringsbesluit EMIR 3-verordening en EMIR 3-richtlijn) [KetenID WGK026839] Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 18 april 2024, 2025-0000086493, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2024/2987](32024R2987) van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 tot wijziging van de [Verordeningen (EU) nr. 648/2012](32012R0648), [(EU) nr. 575/2013](32013R0575) en [(EU) 2017/1131](32017R1131) voor wat betreft maatregelen ter beperking van buitensporige blootstellingen aan centrale tegenpartijen uit derde landen en ter verbetering van de efficiëntie van de clearingmarkten in de Unie, [Richtlijn (EU) 2024/2994](32024L2994) van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 tot wijziging van de [Richtlijnen 2009/65/EG](32009L0065), [2013/36/EU](32013L0036) en [(EU) 2019/2034](32019L2034) wat betreft de behandeling van het concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan centrale tegenpartijen en het risico van tegenpartijen bij centraal geclearde derivatentransacties en de [artikelen 1:24, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:24), [1:25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81) en [4:61, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:61); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 juni 2025, nr. W06.25.00097/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financ"},{"i":5961,"b":"Besluit van 19 juni 2018, houdende regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PbEU 2016, L252) en de daarop gebaseerde verordeningen van de Europese Commissie (Uitvoeringsbesluit EU-verordening emissiegrenswaarden voor motoren in niet voor de weg bestemde mobiele machines) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 12 maart 2018, nr. IenM/BSK-2017/287701, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op: verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van [Richtlijn 97/68/EG](31997L0068) (PbEU 2016, L 252); gedelegeerde verordening (EU) 2017/654 van de Commissie van 19 december 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de technische en algemene voorschriften betreffende de emissiegrenswaarden en de typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren (PbEU L 102/1); gedelegeerde verordening (EU) 2017/655 van de Commissie van 19 december 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de monitoring van de uitstoot van verontreinigende gassen door in gebruik zijnde interne verbrandingsmotoren die gemonteerd zijn in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PbEU L 102/"},{"i":5967,"b":"Besluit van 4 september 2023 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2021/1230 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Unie (codificatie) (Uitvoeringsbesluit grensoverschrijdende betalingen codificatie) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 6 juli 2023, 2023-0000158758, directie Financiële Markten; Gelet op [Verordening (EU) 2021/1230](32021R1230) van het Europees Parlement en de Raad van 14 juli 2021 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Unie (codificatie) (PbEU 2021, L 274) en de [artikelen 1:25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25), [1:25c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:25c), [1:79, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:79), [1:80, aanhef en onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80) en [1:81 van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2023, nr. W06.23.00185/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 30 augustus 2023, 2023-0000186506, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Artikel II Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit grensoverschrijdende betalingen codificatie. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":3911,"b":"Besluit van 21 april 2020, houdende regels ter uitvoering van de Wet op de orgaandonatie (Besluit orgaandonatie) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 19 februari 2020, kenmerk 1602717-197615-WJZ; Gelet op de [artikelen 10, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=10), [23, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=23), en [33, tweede lid, van de Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=33); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 maart 2020, no.W13.20.0041/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 16 april 2020, kenmerk 1659077-197615-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **donorformulier:** donorformulier, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=10); - –. **donorregister:** donorregister, bedoeld in [artikel 10, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=10); - –. **wet:** [Wet op de orgaandonatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066). Hoofdstuk 2. Donorformulier en donorregister Artikel 2 1. Er is een papieren en digitaal donorformulier. Een donorformulier bevat in ieder geval de volgende gegevens ten behoeve van de verwerking in het donorregister: - a. de persoonsgegevens van de betrokkene: - 1°. naam en voornamen; - 2°. geboortedatum; - 3°. geslacht; - 4°. burgerservicenummer; - 5°. adresgegevens; - 6°. handtekening. - b. de keuzemogelijkheden voor het na overlijden verwijderen van organen, bedoeld in [artikel 9, eerste en tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=9). - c. de organen waar de toestemming, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008066&artikel=9), betrekking op heeft, voor zover de betrokkene niet ande"},{"i":3694,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 juli 2010, nr. DJZ/BR-0492/2010, houdende verlening van mandaat inzake visumverlening aan de Gouverneurs van Curaçao, van Aruba en van Sint Maarten Gelet op het Soeverein Besluit van 1813; Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 De Gouverneur en de waarnemend Gouverneur van Curaçao, de Gouverneur en de waarnemend Gouverneur van Aruba en de Gouverneur en de waarnemend Gouverneur van Sint Maarten zijn namens de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd tot het nemen van besluiten inzake de verlening van visa voor de toegang tot Nederland (Schengenvisa) en bevoegd tot het nemen van besluiten inzake de verlening van visa voor de toegang tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027938&artikel=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemde gemandateerden kunnen ondermandaat verlenen aan de onder hen ressorterende functionarissen. Dit ondermandaat geschiedt schriftelijk. Artikel 3 Het [Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 juli 2006, nr. DJZ/BR-0716/2006, houdende verlening van mandaat inzake visumverlening aan de Gouverneur van de Nederlandse Antillen en aan de Gouverneur van Aruba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020107) wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 oktober 2010. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":3804,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport, van 25 juni 2015, nr. ILT- 2015/46345, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging Autoriteit woningcorporaties (Besluit ondermandaat Autoriteit woningcorporaties) Gelet op [artikel 8, eerste en tweede lid, van het Besluit mandaat Autoriteit woningcorporaties en aanwijzing toezichthouders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036749&artikel=8); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **afdelingshoofd:** afdelingshoofd van de afdeling Informatie en programmering en afdelingshoofd van de afdeling Vergunningverlening en afdelingshoofd van de afdeling Toezicht, bedoeld in de bij het [Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043289) behorende [bijlage](onbekend); - **directeur:** directeur Autoriteit woningcorporaties, bedoeld in de bij het [Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043289) behorende [bijlage](onbekend); - **inspecteurs:** strategisch inspecteur, coördinerend/specialistisch inspecteur, senior inspecteur en inspecteur/medewerker van de afdeling Informatie en programmering, de afdeling Vergunningverlening en de afdeling Toezicht, bedoeld in de bij het [Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043289) behorende [bijlage](onbekend); - **teamleiders:** teamleider van het team Toezicht 1 en teamleider van team Toezicht 2 van de afdeling Toezicht, bedoeld in de bij het [Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043289) behorende [bijlage](onbekend) Artikel 2 1. Aan de directeur, afdelingshoofden, teamleiders en inspecteurs worden, voor zover het behoort tot hun taken, de aan de inspecteur-generaal verleende bevoegdheden in ondermandaat verleend. 2. Het ondermandaat, bedoeld in h"},{"i":2996,"b":"Besluit aanwijzing toezichthouders Commissariaat voor de Media gelet op [artikel 7.11, tweede lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.11), alsmede [artikel 15, tweede lid, van de Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=15), Overwegende: dat er vanwege wijzigingen in de organisatiestructuur van het Commissariaat aanleiding is om een nieuw besluit te nemen teneinde medewerkers van het Commissariaat voor de Media aan te wijzen als toezichthouder in de zin van [artikel 5.11 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:11). Besluit: artikel Enig - 1. Met het toezicht bedoeld in [artikel 7.11, tweede lid, van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=7.11), zijn naast de voorzitter en de leden van het Commissariaat voor de Media de medewerkers van het Commissariaat voor de Media belast, met uitzondering van het hoofd en de medewerkers van de stafeenheid Bedrijfsvoering. - 2. Met het toezicht als bedoeld in [artikel 15, tweede lid, van de Wet op de vaste boekenprijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017452&artikel=15) zijn naast de voorzitter en de leden van het Commissariaat voor de Media de medewerkers van het Commissariaat voor de Media belast, met uitzondering van het hoofd en de medewerkers van de stafeenheid Bedrijfsvoering. - 3. Het [Besluit aanwijzing toezichthouders Commissariaat voor de Media](onbekend) van 12 september 2006 wordt ingetrokken. - 4. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 september 2013."},{"i":4672,"b":"Inspectiekader CO-stelsel 1. Inleiding Dit inspectiekader bevat een nadere operationalisering van het **Toezichtkader CO-stelsel** en werkt uit hoe de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) haar controles en inspecties inricht en uitvoert in het stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (CO-stelsel). 1.1. Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw De TloKB is een zelfstandig bestuursorgaan en heeft hoofdtaken ten aanzien van drie stelsels: kwaliteitsborging bouw, erkende kwaliteitsverklaringen en werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Binnen het CO-stelsel, zie figuur 1, voert de TloKB de volgende deeltaken uit, die tot doel hebben de kwaliteit te verbeteren van de werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties met het oog op reductie van koolmonoxide-ongevallen: 1.2. Doel inspectiekader Het kader geeft schemabeheerders, certificerende instellingen, de Raad voor Accreditatie en het bevoegd gezag inzicht in wat zij van de TloKB kunnen verwachten wat betreft inspecties. Dit kader beschrijft welke informatie de TloKB verzamelt en hoe de TloKB op basis van deze informatie komt tot een oordeel. 1.3. Wettelijke basis inspectiekader Dit inspectiekader is op te vatten als een beleidsregel. [Artikel 4:83 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:83) (Awb) bepaalt dat de bekendmaking van een beleidsregel zijn wettelijke basis vermeldt. De wettelijke basis voor deze beleidsregel is vastgelegd in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049702&artikel=2) en [3 van het Mandaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049702&artikel=3).2https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2024-15871.pdf In [artikel 2 van het Mandaat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049702&artikel=2) verleent de Minister mandaat aan het bestuur van de TloKB voor de uitoefening van de bevoegdheden, waaronder toezicht en handhaving, terzake: In [artikel 3 van het Mandaat](https://wett"},{"i":4404,"b":"Besluit van 13 januari 2020, houdende regels over de reikwijdte van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 en de inperking van de verplichting tot het instellen van een cliëntenraad (Besluit Wmcz 2018) Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 30 oktober 2019, kenmerk 1576496-194819-WJZ; Gelet op de [artikelen 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042294&artikel=1), en [3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042294&artikel=3) en [artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=9); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 december 2019, no.W13.19.0349/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 8 januari 2020, kenmerk 1576490-194819-WJZ; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 in werking treedt. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: [Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042294). Artikel 2 De [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042294) is niet van toepassing op de volgende instellingen: - a. instellingen die onderdeel zijn van de militair geneeskundige dienst, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Militaire Ambtenarenwet 1931](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001952&artikel=1), en geen zorg verlenen waarop aanspraak bestaat ingevolge [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450); - b. inrichtingen als bedoeld in de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709), instel"},{"i":3931,"b":"Besluit van 28 april 2000, houdende regels omtrent de geschiktheid van plaatsen waar groepen van personen bestuurlijk worden opgehouden (Besluit plaatsen bestuurlijke ophouding) Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 februari 2000, nr. EA2000/U58162; Gelet op [artikel 154a, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=154a), en [176a, derde lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=176a); De Raad van State gehoord (advies van 23 maart 2000, nr. W04.00.0088/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 april 2000, nr. EA2000/464269; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Begripsbepaling Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. opgehoudenen: personen die op basis van [artikel 154a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=154a), dan wel [artikel 176a, derde lid, van de Gemeentewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005416&artikel=176a) dan wel [artikel 158, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=158), dan wel [artikel 180, derde lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=180) tijdelijk worden opgehouden; - b. plaats van ophouding: door de burgemeester onderscheidenlijk de gezaghebber aangewezen plaats waar opgehoudenen tijdelijk worden opgevangen. Paragraaf 2. Eisen aan de plaats van ophouding Artikel 2 De burgemeester onderscheidenlijk de gezaghebber draagt er zorg voor dat voldoende maatregelen zijn genomen om de veiligheid van de opgehoudenen en andere op de plaats van ophouding aanwezigen, te waarborgen. Artikel 3 De burgemeester onderscheidenlijk de gezaghebber draagt er zorg voor dat de opgehoudenen kunnen beschikken over een redelijke bewegingsruimte. Artikel 4 1. De burgemeester onderscheidenlijk de gezaghebber treft voorzieningen opdat d"},{"i":2699,"b":"Beschikking houdende voorschriften inzake het organiseren van de instantloterij Voorzover nodig in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën, Gelet op de [artikelen 14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14b) en [14c van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=14c) (Stb. 1964, 483); Besluiten: Artikel 1 In deze beschikking wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Aan de Stichting Nationale Instantloterij wordt voor de duur van twee jaren en vier maanden, te rekenen van 1 januari 1994 tot en met 30 april 1996, vergunning verleend tot het organiseren van de instantloterij. 2. Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning worden de in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006381&artikel=3&z=1996-01-01&g=1996-01-01) tot en met [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006381&artikel=22&z=1996-01-01&g=1996-01-01) vervatte voorschriften verbonden, die zonodig kunnen worden gewijzigd en aangevuld. Artikel 3 1. De instantloterij wordt georganiseerd met inachtneming van de statuten en reglementen van de stichting. 2. De statuten en reglementen van de stichting, alsmede wijziging daarvan, behoeven de voorafgaande goedkeuring van de ministers, gehoord het college. 3. De reglementen behelzen in ieder geval bepalingen inzake de deelnamevoorwaarden, de prijzenschema's, de prijzenreserve de voorschriften en vergoedingen voor de verkooppunten alsmede de bestemming van de netto-opbrengst van de krachtens deze vergunning georganiseerde kansspelen. 4. De statuten bevatten in ieder geval de bepaling dat één door het bestuur van de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij aan te wijzen persoon deel zal uitmaken van het bestuur van de stichting. Bepalingen in de statuten die betrekking hebben op de vertegenwoordiging van de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij in het bestuur van de stichting, alsmede wijziging daarvan, behoeven tevens de voorafgaande goedkeuring van de Ministe"},{"i":4664,"b":"Besluit van 17 december 1997 tot vaststelling van regels als bedoeld in artikel 8, elfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Inkomensbesluit Waz) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 november 1997, nr. SV/WV/97/4413; Gelet op artikel 8, elfde lid, van de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656); De Raad van State gehoord (advies van 5 december 1997, no. W12.97.0713); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december 1997, nr. SV/WV/97/5234; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1. Algemeen In dit besluit wordt verstaan onder de Wet: de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656). Artikel 2. Winst zelfstandige 1. Voor de toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Wet worden onder winst mede verstaan: - a. algemene bijstand als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015711&artikel=2); - b. bijstand om niet als bedoeld in [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007335&artikel=3) en [21 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007335&artikel=21). 2. Onder winst worden niet verstaan de bestanddelen van de winst, bedoeld in [artikel 3.78, derde lid, onderdelen a, b en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.78). Artikel 3 Voor de toepassing van [artikel 8, derde lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=8) wordt voor de vaststelling van de grondslag waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend, onder inkomsten verstaan al hetgeen anders dan uit dienstbetrekking wordt genoten als belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, b"},{"i":19656,"b":"Wet van 20 maart 2008 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Advocatenwet en andere wetten in verband met het afschaffen van het procuraat in burgerlijke zaken en de invoering van elektronisch berichtenverkeer (Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is het procuraat in burgerlijke zaken af te schaffen alsmede elektronisch berichtenverkeer in te voeren en in verband hiermede wijzigingen aan te brengen in de [Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093), het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) en andere wetten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Advocatenwet. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel III Wijzigt de Algemene Wet bestuursrecht. Artikel IV Wijzigt de Algemene wet gelijke behandeling. Artikel V Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel VI Wijzigt de Belemmeringenwet Landsverdediging. Artikel VII Wijzigt de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel VIII Wijzigt het Burgerlijk Wetboek. Artikel IX Wijzigt de Faillissementswet. Artikel X Wijzigt de Gemeentewet. Artikel XI Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet. Artikel XII Wijzigt de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën. Artikel XIII Wijzigt de Herverkavelingswet Walcheren 1947. Artikel XIV Wijzigt de Infectieziektenwet. Artikel XV Wijzigt de Invorderingswet 1990. Artikel XVI Wijzigt de Kadasterwet. Artikel XVII Wijzigt de Landinrichtingswet. Artikel XVIII Wijzigt de Noodwet rechtspleging. Artikel XIX Wijzigt de Pachtwet. Artikel XX Wijzigt de Provinciewet. Artikel XXI Wijzigt de Reconstructiewet Midden-Delfland. Artikel XXII Wijzigt de Uitvo"},{"i":12680,"b":"Besluit van 3 september 2007, nr. 07.002753, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de voorzitter van de commissie van Overleg Sectorraden (Besluit vaste beloning voorzitter COS) Op voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 24 augustus 2007, nr. ASEA.DIR.2007.22769, directie Algemeen-Strategische en Economische Advisering; Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan de voorzitter van de Commissie van Overleg Sectorraden wordt in plaats van vacatiegelden een vaste beloning toegekend ten bedrage van € 24.136,20 per jaar, zijnde 23% van de jaarwedde, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Artikel 2 Indien de voorzitter, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022500&artikel=1&z=2007-09-14&g=2007-09-14), niet gedurende 1 jaar de functie van voorzitter bekleedt, wordt de beloning, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022500&artikel=1&z=2007-09-14&g=2007-09-14), naar evenredigheid vastgesteld. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2007. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaste beloning voorzitter COS. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":13652,"b":"Besluit van de Minister van Financiën, van 9 mei 2018, nr. 2018-69788, tot instelling van de Werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) grondvergoeding energievoorzieningen (Instellingsbesluit werkgroep IBO grondvergoeding energievoorzieningen) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Financiën; - b. **werkgroep:** werkgroep, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040924&artikel=2&z=2018-05-24&g=2018-05-24). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een werkgroep IBO grondvergoeding energievoorzieningen. 2. De werkgroep heeft tot taak interdepartementaal beleidsonderzoek uit te voeren naar alternatieven voor vergoedingen voor grondgebruik bij hernieuwbare energietechnieken, conform de taakopdracht zoals op 5 februari 2018 gepubliceerd (Kamerstukken Tweede Kamer vergaderjaar 2017 / 2018, 34 775 nr. 80). 3. Het onderzoek zal moeten resulteren in een rapport waarin één of meerdere beleidsopties worden gegeven waarover vervolgens afweging kan plaatsvinden. Artikel 3. Samenstelling werkgroep, benoeming leden en instellingsduur 1. De werkgroep bestaat uit een voorzitter en 6 leden. 2. Tot voorzitter van de werkgroep wordt benoemd de heer drs. P.W.A. Veld, 3. Tot leden van de werkgroep worden benoemd: - –. de heer drs. J.M.C. Smallenbroek (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat), - –. de heer ir. G.J. Weenink (Ministerie van Financiën) - –. de heer ir. B.M.E. Geurts (Ministerie van Algemene Zaken) - –. de heer drs. C.G. Holl (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) - –. de heer drs. R. Mol (Rijksvastgoedbedrijf) - –. de heer drs. ing. D.L.M. Slangen (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) 4. De leden van de werkgroep werkzaam voor de overheid kunnen bij afwezigheid of verandering van baan vervangen worden door een collega"},{"i":12091,"b":"Besluit van de minister van Financiën van 10 december 2012, kenmerk BEDR/2012/604, tot beperking van de openbaarheid van eerder aan het Nationaal Archief overgebrachte en aldaar aanwezige archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit (1930) 1945-1951 en 1983 haar taakvoorgangers en taakopvolgers De minister van Financiën heeft het volgende besloten. Besluit beperking openbaarheid De minister van Financiën, Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), genoemde belangen en overeenkomstig het advies van het Nationaal Archief referentie 10.496 d.d. 20 november 2012; **Besluit:** Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit (1930) 1945-1951 en 1983. Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot 1 januari 2026. | Inventaris | Beschrijving | Expiratiedatum | | --- | --- | --- | | 133 t/m 185 | Beheersdossiers geordend op naam van de gedwongen verkoop van kunstvoorwerpen geadresseerde inzake confiscatie, diefstal en gedwongen verkoop van kunstvoorwerpen | 1 januari 2026 | | 227 t/m 229 | Stukken betreffende het kopen van kunstvoorwerpen in de oorlog door Duitsers en Oostenrijker, met retroacta. | 1 januari 2026 | | 243 t/m 244 | Stukken betreffende het verzamelen van gegevens omtrent de verblijfplaats van de door de Duitse bezetters in de oorlog geroofde en onder dwang verkochte kunstvoorwerpen. | 1 januari 2026 | | 714 t/m 717 | Stukken betreffende de koop, verkoop van schilderijen in de oorlog. Met retroacta. 1945-1962 | 1 januari 2026 | | 1037 t/m 1054 | Beheersdossiers geordend op naam van de eigenaar betreffende de NV Kunsthandel J. Goudstikker | 1 januari 2026 | | 1071 | Stukken betreffende de opsporing en teruggave van kunstvoorwerpen die in de oorlog, geroofd, geconfisqueerd en zoekgeraakt zijn, 1945-1954. | 1 januari 2026 | | 1146 t/m 1147"},{"i":12081,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 april 2018, houdende de beperking van de openbaarheid van een aantal inventarisnummers van het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Kroatië, (1971) 1992–2013 (Besluit Beperking Openbaarheid Kroatië, (1971) 1992–2013) Overwegende dat een aantal dossiers in het archief beperkingen aan de openbaarheid behoeven; Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de algemene rijksarchivaris d.d. 26 maart 2018, kenmerk 1250717; Besluit Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 74 | 2061 | | 76 | 2051 | | 77 | 2076 | | 82 | 2057 | | 83 | 2078 | | 85 | 2074 | | 86 | 2058 | | 87 | 2049 | | 88 | 2087 | | 89 | 2089 | | 261 | 2072 | | 262 | 2075 | | 263 | 2084 | | 264 | 2085 | | 265 | 2089 | | 266 | 2089 | | 270 | 2079 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede klom. | Inventarisnummer: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 9 | 2056 | | 10 en CD-ROM 332 | 2056 | | 199 en CD-ROM 334 | 2063 | | 210 | 2027 | | 212 | 2027 | | 213 | 2027 | | 214 | 2027 | | 215 | 2027 | | 216 | 2027 | | 217 | 2037 | | 253 | 2027 | | 272 | 2028 | | 329 | 2055 | Artikel 3 1. Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers, genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040866&artikel=1&z=2018-05-02&g=2018-05-02), is tot openbaarwording uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming v"},{"i":14165,"b":"Regeling Commissie evaluatie Gerechtsdeurwaarderswet Overwegende dat [artikel 85 van de Gerechtsdeurwaarderswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197&artikel=85) een evaluatie voorschrijft van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG); Overwegende dat uit de door het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) opgestelde ‘Trendrapportage Gerechtsdeurwaarders 2006’ blijkt dat de goede onafhankelijke ambtsvervulling door gerechtsdeurwaarders als gevolg van commercialisering onder druk komt te staan; Overwegende dat het wenselijk is advies in te winnen over het functioneren van de KBvG en de wijze waarop een goede onafhankelijke ambtsvervulling kan worden gewaarborgd; Besluit: Artikel 1 Er is een Commissie evaluatie Gerechtsdeurwaarderswet, hierna te noemen de Commissie. Artikel 2 De Commissie heeft tot taak: - –. de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de KBvG te beoordelen; - –. te adviseren over de positie die de KBvG gelet op het waarborgen van een goede en onafhankelijke ambtsbediening door gerechtsdeurwaarders behoort in te nemen; - –. te bezien of het wenselijk is tot wijzigingen in de [Gerechtsdeurwaarderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012197) ofwel haar toepassing te komen. Artikel 3 De Commissie is als volgt samengesteld: - a. lid, tevens voorzitter: - –. Mr. A.R. van der Winkel, President Arrondissementsrechtbank Almelo; - b. als leden: - –. Mr. P.J.M. van den Biggelaar, directeur Raad voor Rechtsbijstand te Den Bosch; - –. Prof. mr. A.W. Jongbloed, hoogleraar executie- en beslagrecht, Universiteit van Utrecht; - –. Mr. B.C. de Nie, senior adviseur Nederlandse Vereniging van Banken te Amsterdam; - –. G. Wind, Gerechtsdeurwaarder te Deventer; - –. W.W.M. van de Donk, Gerechtsdeurwaarder te Eindhoven; - –. Mr. H.D.L.M. Schruer, advocate te Rotterdam; - c. als adviserend lid: - –. Mr. B. Rijkhoek, wetgevingsjurist b"},{"i":14181,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 juni 2025, nummer 2025-0000358619, houdende vaststelling van het Controleprotocol Wet normering topinkomens 2025 (Regeling Controleprotocol WNT 2025) Gelet op [artikel 1.9, onderdeel d, van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.9); Besluit: Artikel 1 Het protocol voor controle van het financieel verslaggevingsdocument door de accountant over het jaar 2025 op de naleving van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop berustende bepalingen wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2025. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Controleprotocol WNT 2025. Bijlage. bij de Regeling Controleprotocol WNT 2025 **Controleprotocol WNT 2025** Inhoudsopgave 1. Uitgangspunten 1.1. Doelstelling en inkadering protocol De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) (hierna: WNT) en de daarop gebaseerde regelgeving normeert de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector. De wet verplicht tevens tot openbaarmaking van de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van alle topfunctionarissen en daarnaast van de bezoldiging van niet-topfunctionarissen met een dienstbetrekking, indien de bezoldiging het algemeen bezoldigingsmaximum (naar rato van de omvang van het dienstverband) te boven gaat. De WNT schrijft voor welke gegevens WNT-instellingen moeten opnemen in het financieel verslaggevingsdocument. Wat onder financieel verslaggevingsdocument dient te worden verstaan, is gedefinieerd in [artikel 1.1, onder j, WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.1): jaarverslag als bedoeld in [artikel 2.31 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":17803,"b":"Wet van 27 november 2008 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om het voortgezet ouderschap na scheiding te bevorderen door het verplicht stellen van een ouderschapsplan en het expliciteren van de ouderlijke verantwoordelijkheid en voorts de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap af te schaffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel III Wijzigt de Wet rechten burgerlijke stand. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel V Deze wet wordt aangehaald als: Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18395,"b":"Regeling maaltijdvergoeding bij overwerk politie Gelet op [artikel 28 van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=28); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bevoegd gezag:** het bevoegd gezag, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - b. **ambtenaar:** de ambtenaar, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=1); - c. **overwerk:** hetgeen daaronder wordt verstaan in [artikel 27, derde lid, van het Besluit bezoldiging politie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006517&artikel=27). Artikel 2 1. Indien de dagelijkse diensttijd van de ambtenaar op de dag waarop overwerk wordt verricht met ten minste twee uren overwerk wordt verlengd, verstrekt het bevoegd gezag hem een lunch of diner met inachtneming van het tweede en derde lid. 2. De lunch wordt verstrekt als de ambtenaar tussen 12:00 uur en 14:00 uur overwerk verricht. 3. Het diner wordt verstrekt als de ambtenaar tussen 17:00 uur en 20:00 uur vanwege overwerk niet thuis kan eten. 4. Indien verstrekking van een lunch of diner door het bevoegd gezag niet mogelijk is, heeft de ambtenaar, onverminderd het tweede en derde lid, aanspraak op een vergoeding op basis van de werkelijk gemaakte kosten van ten hoogste € 21,65 voor de lunch en ten hoogste € 32,75 voor het diner. De ambtenaar legt van de gemaakte kosten bewijsstukken over. 5. De tarieven genoemd in het vierde lid worden per 1 januari van elk kalenderjaar gewijzigd, overeenkomstig de geschoonde consumentenprijsindex voor restaurants en accommodaties, vastgesteld door het Centraal bureau voor statistiek. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april"},{"i":19442,"b":"Besluit van het hoofd van de Scheepvaartinspectie, van 9 juli 2014, nr. IENM/ILT-2014/19916, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging (Besluit mandaat, volmacht en machtiging hoofd Scheepvaartinspectie 2014) Gelet op [artikel 1 van het Besluit terbeschikkingstelling scheepvaartinspecteurs Rijksdienst Caribisch Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029517&artikel=1) en de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **hoofd van de Scheepvaartinspectie:** hoofd van de Scheepvaartinspectie, genoemd in [artikel 10, tweede lid, van de Schepenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001876&artikel=10); - b. **inspecteur ILT:** inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Artikel 2. Mandaat 1. Aan de volgende functionarissen worden de aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie geattribueerde bevoegdheden, voor zover die behoren bij hun taken, in mandaat verleend: - a. de directeur Omgeving en dienstverlening en de directeur Toezicht en opsporing, bedoeld in de bij het [Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020 behorende bijlage](onbekend); - b. de afdelingshoofden van de afdeling Vergunningverlening ondersteuning en afhandeling, van de afdeling Vergunningverlening leefomgeving en scheepvaart en van de afdeling Toezicht veilige mobiliteit, bedoeld in de bij het [Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020 behorende bijlage](onbekend); - c. De teamleiders en inspecteurs van de ILT behorende tot de hierna te noemen teams zoals bedoeld in de bij het [Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport 2020 behorende bijlage](onbekend): , en - 1˚. OA Scheepvaart van de afdeling Vergunningverlening ondersteuning en afhandeling; - 2˚. Scheepvaart b"},{"i":19346,"b":"Wet van 25 juni 1997 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering omtrent de terbeschikkingstelling en de sanctietoepassing ten aanzien van geestelijk gestoorde delinquenten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele bepalingen van het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) omtrent de terbeschikkingstelling en de sanctietoepassing ten aanzien van geestelijk gestoorde delinquenten te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III [Artikel I, onder B, sub 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008766&artikel=I&z=1997-10-02&g=1997-10-02), heeft geen gevolgen ten aanzien van ter beschikking gestelden ten aanzien van wie de rechter voor het moment van inwerkingtreding van deze wet naast de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis heeft bevolen. Artikel IV [Artikel I, onder D, E, F en G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008766&artikel=I&z=1997-10-02&g=1997-10-02) heeft geen gevolgen ten aanzien van ter beschikking gestelden aan wie de rechter voor het moment van inwerkingtreding van deze wet een terbeschikkingstelling met aanwijzingen heeft opgelegd. De artikelen 38**b** en 38**c**, zoals deze luiden voor het moment van inwerkingtreding van deze wet, blijven in deze van toepassing. Artikel V Ten aanzien van ter beschikking gestelden ten aanzien van wie de Minister van Justitie de verpleging van overheidswege voor het moment van inwerkingtreding van deze wet voorwaardelijk heeft beëindigd, worden de voor het moment van inwerkingt"},{"i":17482,"b":"Besluit van 13 december 1948, houdende hernieuwde vaststelling van een regeling tot toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht Op de voordracht van Onze Ministers van Oorlog en van Marine a.i. van 23 Juni 1948, Directie Administratieve Diensten, Afdeling B 4, Bureau 1**a**, Nr. 192; Overwegende, dat het wenselijk is de regelingen tot toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht, vervat in de Koninklijke besluiten van 9 Mei 1931 (**Staatsblad** nos. 186 en 187), door een andere te vervangen; De Raad van State gehoord (advies van 29 Juni 1948, No. 15); Gezien het nader gemeenschappelijk rapport van Onze voornoemde Ministers van 4 December 1948, Directie Administratieve Diensten, Afdeling B 4, Bureau 1**a**, nr. 214; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Uitkeringen aan gewezen vrijwillig dienende militairen Artikel 1 Een vrijwillig dienend militair van land- of zeemacht, die met ingang van een datum vóór 1 Juli 1925 uit de militaire dienst is ontslagen en op de datum van zijn ontslag een werkelijke dienst in de zin der Pensioenwetten voor de land- en zeemacht 1922 kon doen gelden van ten minste: - a. tien jaren, voor zover hij vóór 1 Januari 1954 de leeftijd van zestig jaren had bereikt, - b. zeven jaren, voor zover hij op of na 1 Januari 1954 de onder **a** genoemde leeftijd heeft bereikt, - c. vijf jaren, heeft, behoudens het bepaalde in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002044&paragraaf=3&artikel=7&z=1974-07-27&g=1974-07-27), recht op een uitkering, mits: - 1°. hij niet is ontslagen onder omstandigheden, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 4 dezer wetten; - 2°. hij niet is of wordt herplaatst in een betrekking, welke uitzicht geeft op pensioen krachtens een der genoemde wetten, de Pensioenwet 1922 (**Stb.** 240), de Pensioenwet voor de Spoorwegambtenaren 1925 (**Stb.** 194), de Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet. Artikel"},{"i":18944,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 14 juli 2016 nr. BOACAT2016/050, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Sociale Verzekeringsbank Gelezen het verzoek van de Sociale Verzekeringsbank van 8 juli 2016 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038366&artikel=2&z=2016-10-28&g=2016-10-28). Artikel 2 De personen in dienst van de SVB en belast met de opsporing van strafbare feiten binnen het werkgebied van de Volksverzekeringen en de overige regelingen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein V, Werk, Inkomen en Zorg, als genoemd in [onderdeel 10.3 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. 3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het"},{"i":17091,"b":"Europese Code inzake sociale zekerheid **Preambule** De Regeringen die deze Code hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden, ten einde met name aldus hun sociale vooruitgang te bevorderen; Overwegende dat een van de doelstellingen van het sociale programma van de Raad van Europa is, alle Leden ertoe aan te sporen hun regelingen inzake sociale zekerheid verder tot ontwikkeling te brengen; De wenselijkheid erkennende de sociale lasten in de Lid-Staten te harmoniseren; Ervan overtuigd zijnde dat het gewenst is een Europese Code inzake sociale zekerheid in te stellen, waarvan de normen op een hoger niveau liggen dan de minimumnormen neergelegd in het Internationale Arbeidsverdrag nr. 102 betreffende de minimumnormen van sociale zekerheid; Zijn de volgende bepalingen, die zijn opgesteld met medewerking van het Internationale Arbeidsbureau, overeengekomen: DEEL I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van deze Code wordt verstaan onder: - (a). „het Comité van Ministers”: het Comité van Ministers van de Raad van Europa; - (b). „de Commissie”: de Commissie van deskundigen op het gebied der sociale zekerheid van de Raad van Europa of elke andere commissie die het Comité van Ministers kan belasten met de uitvoering van de taken omschreven in artikel 2, lid 3, artikel 74, lid 4 en artikel 78, lid 3; - (c). „Secretaris-Generaal”: de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa; - (d). „voorgeschreven”: voorgeschreven bij of krachtens de nationale wetgeving; - (e). „verblijf”: het gewone verblijf op het grondgebied van de Contracterende Partij; „inwoner”: degene die gewoonlijk op het grondgebied van de Contracterende Partij verblijf houdt; - (f). „echtgenote”: een echtgenote die ten laste van haar man is; - (g). „weduwe”: een vrouw die ten laste van haar echtgenoot was op het tijdstip van diens overlijden; - (h). „kind”: - (i). hetzij een kind ben"},{"i":17360,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 2 december 2011, nr. 194986, houdende vaststelling van de maximumbedragen voor de uitkeringen op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Regeling maximumbedragen uitkeringen schadefonds geweldsmisdrijven) Gelet op [artikel 4, tweede lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Maximumbedragen van de uitkeringen De bedragen, die ten hoogste uit het fonds kunnen worden uitgekeerd aan de personen, bedoeld in [artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=3), worden als volgt vastgesteld: - a. indien de uitkering betrekking heeft op vermogensschade: € 25 000; - b. indien de uitkering betrekking heeft op andere dan vermogensschade: € 10 000; - c. indien de uitkering betrekking heeft op zowel vermogensschade, als andere dan vermogensschade: € 35.000. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maximumbedragen uitkeringen schadefonds geweldsmisdrijven. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18703,"b":"Beleidsregel boete werknemer 2017 Gelet op [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=25) en [27a van de Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=27a), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=12) en [21 van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024394&artikel=21), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=31), [45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=45a) en [49 van de Ziektewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888&artikel=49), [29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=29a) en [80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524&artikel=80), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=48) en [70 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656&artikel=70), [2:69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=2:69) en [3:40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:40) en [3:74 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657&artikel=3:74), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=27), en [91 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057&artikel=91), [3:16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:16) en [3:27, eerste lid, onderdeel f, van de Wet arbeid en zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013008&artikel=3:27), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=12) en [14a van de Toeslagenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004043&artikel=14a), [titel 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=5.4) en het [Boetebesluit socialezekerheidswetten](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":17263,"b":"Administratie- en declaratievoorschriften ZZP-meerzorg Wlz Ingevolge de [artikelen 36, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [artikel 38 derde lid van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de registratie en declaratie van ZZP-meerzorg. 1. Reikwijdte Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders die op grond van de [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906) (WTZi) zijn toegelaten voor persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling als omschreven bij of krachtens de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz). Deze beleidsregel is tevens van toepassing op een natuurlijke persoon, indien en voor zover deze persoon een of meer van de navolgende vormen van zorg levert: persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en behandeling als bedoeld in [artikel 3.1.1, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1). 2. Doel Deze regeling beoogt dat rekeningen voor verrichte prestaties in het kader van ZZP-meerzorg worden gespecificeerd. Dit om inzichtelijke, rechtmatige declaraties te bevorderen en dubbele declaraties te voorkomen. 3. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 4. Administratievoorschriften 5. Declaratievoorschriften 6. Intrekking De [Regeling administratie- en declaratievoorschriften ZZP-meerzorg Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036119), met kenmerk CA-NR-1551a, wordt met ingang van 1 januari 2016 ingetrokken. 7. Overgangsbepaling De [Regeling administratie en declaratievoorschriften ZZP-meerzorg Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036119), met kenmerk CA-NR-1551a blijft van toepassing op gedragingen (handel"},{"i":19295,"b":"Wet van 27 september 2007 tot implementatie van het kaderbesluit nr. 2005/214/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PbEG L 76) (Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de implementatie van het kaderbesluit nr. 2005/214/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PbEG L 76) noodzaakt tot het stellen van regels voor de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties en voorts dat het wenselijk is een algemeen kader op te stellen waarin toekomstige kaderbesluiten inzake de wederzijdse erkenning van einduitspraken kunnen worden geïmplementeerd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. (begripsbepalingen) In deze wet wordt verstaan onder: - a. rechterlijke uitspraak: een onherroepelijke beslissing van een rechter wegens een strafbaar feit; - b. beschikking: een onherroepelijke beslissing van een bestuurlijke autoriteit wegens een strafbaar feit of een feit dat wordt bestraft als vergrijp tegen de voorschriften betreffende de orde, voor zover tegen de beslissing beroep op een met name in strafzaken bevoegde rechter is opengesteld; - c. uitvaardigende lidstaat: lidstaat van de Europese Unie waarin een rechterlijke uitspraak of beschikking is gewezen; - d. uitvoerende lidstaat: lidstaat van de Europese Unie waaraan een rechterlijke uitspraak of beschikking met het oog op tenuitvoerlegging is of wordt toegezonden; - e. sanctie: een bij rechterlijke uitspraak of beschikking opgelegde straf of maatregel; - f. geldelijke sanctie: sanctie houdend"},{"i":17587,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 oktober 2014, kenmerk 663853-125983-MEVA, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor de financiering van opleidingsplaatsen voor de opleiding tot gezondheidszorg psycholoog, psychiater, psychotherapeut en klinisch psycholoog in een kinder- en jeugd ggz-instelling (Subsidieregeling Opleidingen in een jeugd ggz-instelling 2015–2017) Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **opleideling of arts in opleiding:** natuurlijk persoon die een zorgopleiding volgt; - b. **opleidingsplaats:** capaciteit, uitgedrukt in fulltime-equivalenten (fte), bij een praktijkopleidinginstelling respectievelijk opleidingsinrichting om een opleideling respectievelijk arts in opleiding op te leiden; - c. **instroom:** opleidingsplaatsen, uitgedrukt in fulltime-equivalenten en aantal personen, voor opleidelingen of artsen in opleiding die in het subsidiejaar met een zorgopleiding aanvangen; - d. **doorstroom:** opleidingsplaatsen, uitgedrukt in fulltime-equivalenten, voor opleidelingen of artsen in opleiding die voor aanvang van het subsidiejaar met een zorgopleiding aangevangen zijn; - e. **gerealiseerde opleidingsplaats:** aantal uren, uitgedrukt in fulltime-equivalenten, dat de opleideling of arts in opleiding de zorgopleiding in het subsidiejaar feitelijk heeft gevolgd met inachtneming van de opleidingseisen in de relevante opleidingsregelgeving; - f. **minister:** Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - g. **opleidingsinrichting:** opleidende zorginstelling die door de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) is erkend voor het verzorgen van (een deel van) de opleiding tot psychiater; - h. **praktijkopleidinginstelling:** opleidende zorginstelling of zorgaanbieder die of het samenwerkingsverband van zorginstellingen en/of zorgaanbieders dat is erkend door een registratiecommissie voor het verzorgen van het praktijkgedeelte van de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog, klin"},{"i":17122,"b":"Instellingsbesluit Beoordelingspanel Regeling uitkering chroom-6 Defensie Gelet op [artikel 10a van de Regeling uitkering chroom-6 Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040982&artikel=10a) Besluit Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - **aanvrager:** werknemer, nabestaande of erfgenaam als bedoeld in [artikel 1 van de Uitkeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040982&artikel=1); - **beoordelingspanel:** het panel als bedoeld in [artikel 1 van de Uitkeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040982&artikel=1); - **blootstellingsgroep:** een groep zoals opgenomen in [Bijlage 1 van de Uitkeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040982&bijlage=1); - **minister:** minister van Defensie; - **Uitkeringsregeling:** [Regeling uitkering chroom-6 Defensie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040982); - **werknemer:** de werknemer als bedoeld in [artikel 1 van de Uitkeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040982&artikel=1); - **uitvoerder:** de uitvoerder als bedoeld in [artikel 1 van de Uitkeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040982&artikel=1). Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Beoordelingspanel Uitkeringsregeling chroom-6 Defensie. 2. Het beoordelingspanel heeft tot taak op verzoek van de uitvoerder bindend advies uit te brengen over de vraag of en zo ja in welke blootstellingsgroep de werkzaamheden van de werknemer bij Defensie kunnen worden ingedeeld, de duur van de blootstelling en in welke periode de werknemer is blootgesteld. Artikel 3. Advisering 1. Het beoordelingspanel adviseert op verzoek van de uitvoerder over de blootstelling van de werknemer aan chroom-6 bij Defensie in relatie tot de voorwaarden als bedoeld in [artikel 3, met uitzondering van het eerste lid, van de Uitkeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040982&artikel=3) in de situatie zoals omschreven in [artikel 10a, derde en vierde lid](https://w"},{"i":19148,"b":"Richtlijn voor strafvordering niet opvolgen ambtelijk bevel of gedragsaanwijzing Beschrijving Deze richtlijn ziet zowel op het niet voldoen aan ambtelijke bevelen gegeven op grond van de openbare orde of in het kader van het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten als op het beletten, belemmeren en verijdelen van een ambtshandeling. De richtlijn is ook van toepassing op het overtreden van gebiedsverboden en handelen in strijd met gedragsaanwijzingen ter beëindiging van ernstige overlast, waarbij een verzwaarde recidiveregeling wordt toegepast. Basiscasus/delict Niet voldoen aan ambtelijk bevel of het beletten, belemmeren of verijdelen van een ambtshandeling alleen gepleegd. 1 Let op taakstrafverbod ([art. 22b Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22b)) en of er sprake is van een (zeer actieve) veelpleger of stelselmatige dader. 2 Het betreft hier enkele voorbeelden van gebiedsverboden opgelegd door de burgemeester in verband met ernstige overlastcriminaliteit. Omdat deze verboden worden opgelegd na herhaald plegen van strafbare feiten wordt ingeval van recidive bij dit delict eerder gevangenisstraf geëist. Legenda **Afkortingen** GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf wkn = weken mnd = maanden ovj = officier van justitie 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar **Er is sprake van brand, ongeval of levensbedreigende situaties** Dit heeft in het bijzonder betrekking op situaties, waarbij hulpverlening gegeven moet worden. Bijvoorbeeld het blussen van een brand, (medische) hulpverlening bij ongevallen e.d. Het niet opvolgen van bevelen kan hier leiden tot zeer ernstige gevolgen, zelfs tot levensbedreigende situaties. **Bij oploop, rellen, ongeregeldheden e.d. dagvaarden** Betreft het situaties, waarbij de openbare orde ernstig is verstoord, dan dient dit als strafverzwarend te worden beoordeeld (denk hierbij aan taakstraffen). Er kunnen bedreigende en/of gevaarlijke situaties ontstaan voor zowel de politie als het a"},{"i":17219,"b":"Protocol bij het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand De Regeringen welke dit Protocol hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa, Gelet op het bepaalde in het [Europese Verdrag betreffende sociale en medische bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005096), ondertekend te Parijs op 11 December 1953 (hierna aangeduid als „het Bijstandsverdrag”); Gelet op het bepaalde in het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002), ondertekend te Genève op 28 Juni 1951 (hierna aangeduid als „het Verdrag van Genève”); Verlangende de werking van de bepalingen van het [Bijstandsverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005096) uit te strekken tot vluchtelingen, zoals omschreven in het [Verdrag van Genève](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002), Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Protocol heeft de term „vluchteling” de betekenis, welke daaraan is toegekend in [artikel 1 van het Verdrag van Genève](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002&artikel=1), met dien verstande dat iedere Overeenkomstsluitende Partij ten tijde van de ondertekening of van de bekrachtiging van dit Protocol of van de toetreding hiertoe een verklaring moet afleggen, die aangeeft welke van de betekenissen, vermeld in artikel 1, lid B, van dat Verdrag zij toepast met betrekking tot de verplichtingen uit hoofde van dit Protocol, tenzij bedoelde Partij een dergelijke verklaring reeds heeft afgelegd ten tijde van haar ondertekening of bekrachtiging van [dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001002). Artikel 2 Het bepaalde in de [eerste titel van het Bijstandsverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005096&titeldeel=I) is toepasselijk op vluchtelingen onder dezelfde voorwaarden, die gelden voor de onderdanen van de Partijen bij [dat Verdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005096). Artikel 3 1. Het bepaalde in de [tweede titel van het"},{"i":17623,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 3 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/151875, houdende regels voor het verstrekken van een specifieke uitkering ter stimulering van circulaire en CO2-reducerende maatregelen in de grond-, weg- en waterbouw (Tijdelijke regeling specifieke uitkering duurzame en circulaire infrastructuur) Gelet op [artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), de [artikelen 4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4), en [5, onderdelen a tot en met h, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en [artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **compensabele btw:** verschuldigde omzetbelasting die op grond van de [Wet op het BTW-compensatiefonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013817) in aanmerking komt voor compensatie; - **GWW-werken:** werken binnen de grond-, weg- en waterbouw ten behoeve van het algemeen nut in Nederland; - **minister:** Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **MKI:** milieukostenindicator, zijnde het instrument waarmee de milieueffecten van GWW-werken in een geldbedrag worden uitgedrukt; - **referentieproject:** vergelijkingseenheid voor een GWW-werk waarbij geen innovatieve of duurzame maatregelen worden toegepast; - **uitkering:** specifieke uitkering als bedoeld in [artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=15a); - **verrekenbare btw:** verschuldigde omzetbelasting die op grond van de [Wet op de Omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629) in aanmerking komt voor verrekening; - **TRL:** trl-level zoals gedefinieerd in bijlage 2.1 bij de Mededeling van de Europese Commissie van 26 juni 2012, COM(2"},{"i":17239,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 december 2025, kenmerk 4315397-1091712-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de invoering van budgetbekostiging voor de spoedeisende hulp Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 6 november 2025 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II,** 2025/2026, 29 247, nr. 469) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen om de spoedeisende hulp per 2027 te bekostigen op basis van budgetten; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a). **spoedeisende hulp:** een gespecialiseerde ziekenhuisafdeling voor de eerste opvang, diagnostiek en, indien nodig, behandeling van patiënten met een vraag naar acute zorg, zoals bedoeld in [artikel 1.1, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037262&artikel=1.1); - b). **vast tarief:** tarief als bedoeld in [artikel 50, eerste lid, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50); - c). **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - d). **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geneeskundige zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden, als omschreven bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4). Het gaat hierbij om zorg geleverd op de spoedeisende hulp. Artikel 3. Afbakening Deze aanwijzing is van toepassing op zorg geleverd op een spoedeisende hulp (SEH) en daaronder valt: - a. de aanwezigheid g"},{"i":19011,"b":"Gevangenismaatregel 1999 BES § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - **gesticht:** een huis van bewaring, gevangenis of een door Onze Minister aangewezen inrichting of instelling; - **directeur:** de lokatie-directeur van een gesticht en bij zijn afwezigheid, degene die hem vervangt; - **gedetineerde:** de persoon ingesloten in een gesticht. 2. Dit besluit berust op de artikelen 12, 16, vierde lid, 18, tweede lid, 28, 32a, 37g, 42 en 44, zesde lid, van de Wet beginselen gevangeniswezen BES. Artikel 2 1. De directeur is verantwoordelijk voor het beheer en de regelmatige gang van zaken in het gesticht. 2. De directeur brengt jaarlijks voor 1 maart aan Onze Minister een jaarverslag over het voorgaande jaar uit. Bij dit verslag wordt een jaarrekening gevoegd. 3. De directeur verstrekt Onze Minister te allen tijde alle verlangde inlichtingen. 4. De gestichtsmedewerkers komen de opdrachten van de directeur stipt na. Artikel 3 1. De directeur draagt er zorg voor dat de gedetineerde, onder handhaving van het karakter van de gevangenisstraf of maatregel, tegemoet wordt getreden op een wijze die zijn menselijke waardigheid respecteert. 2. Het verblijf van de gedetineerde in het gesticht wordt mede dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van zijn terugkeer in het maatschappelijk leven. Artikel 4 1. De plaatsing in en overplaatsing naar een gesticht of een afdeling van een gesticht geschieden zoveel mogelijk met inachtneming van het regime dat het meest strookt met de persoonlijkheid van de gedetineerde, waarbij zowel op de duur van de straf of maatregel als op het gedrag en de mogelijkheden tot reclassering van de gedetineerde wordt gelet. 2. De plaatsing in een gesticht geschiedt, tenzij bij of krachtens de Wet beginselen gevangeniswezen BES anders is bepaald, op last van het openbaar ministerie na overleg met de betrokken directeur. 3. Overplaatsing naar een gesticht geschiedt, tenzij bij of krachtens de Wet beginselen gevangeniswezen BES"},{"i":18829,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 28 april 2023 nr. BOACAT2023/016, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies Gelezen het verzoek van de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27) van 15 maart 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Landelijk Parket en de korpschef als bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048250&artikel=2&z=2024-02-23&g=2024-02-23). Artikel 2 Het personeel afkomstig van de krijgsmacht, te werk gesteld bij de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies, Dienst Speciale Interventies, belast met de opsporing van strafbare feiten, is aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot"},{"i":17601,"b":"Subsidieregeling werkzaamheden ten behoeve van rechtsbijstand project Rotterdam 2025 gelet op [artikel 37b, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b), waarin is bepaald dat het bestuur van de Raad ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand subsidie kan verstrekken voor bijzondere doeleinden en projecten, besluit: de volgende regeling vast te stellen Hoofdstuk I. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze subsidieregeling wordt verstaan onder: - a. **de wet:** de [Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368); - b. **de regeling:** onderhavige subsidieregeling; - c. **bestuur:** het bestuur van de Raad, bedoeld in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3); - d. **rechtsbijstandverlener:** de advocaat die ingeschreven is bij de Raad voor Rechtsbijstand en die rechtsbijstand verleent in het kader van het project; - e. **rechtsbijstandverlening:** het verlenen van rechtsbijstand in het kader van het project uitsluitend bestaande uit: - ○. het geven van advies na consultatie door een eerstelijns professional die deelneemt aan het project, of - ○. het deelnemen aan een casusbespreking. - f. **het project:** De werkwijze en het samenwerkingsverband binnen de gemeente Rotterdam tussen de wijkteams, Sociaal Raadslieden en het Juridisch Loket die tot stand is gekomen in het verlengde van de pilot waarvoor eerder de subsidieregeling werkzaamheden ten behoeve van rechtsbijstand pilot Feijenoord1Stcr. 2022, 1907 is vastgesteld; - g. **deelnemers:** de overige bij het project betrokken partijen, te weten de wijkteams in Rotterdam, Sociaal Raadslieden in Rotterdam en het Juridisch Loket vestiging Rotterdam; - h. **rechtzoekende:** klant van een wijkteam, Sociaal Raadslieden of het Juridisch Loket die te maken heeft met zowel sociale- als juridische problematiek; - i. **casusbespreking:** plenaire bespreking tussen de rechtsbijstandverlener en de overige"},{"i":17774,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan inzake sociale zekerheid Het Koninkrijk der Nederlanden en Japan Geleid door de wens hun onderlinge betrekkingen op het gebied van sociale zekerheid te regelen Zijn het volgende overeengekomen: DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. „Nederland”, het Koninkrijk der Nederlanden; - b. de uitdrukking „grondgebied”, wat Japan betreft, het grondgebied van Japan; wat Nederland betreft, het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa; - c. de uitdrukking „onderdaan”, wat Japan betreft, een onderdaan van Japan in de zin van het recht van Japan inzake nationaliteit; wat Nederland betreft, een persoon met de Nederlandse nationaliteit; - d. de uitdrukking „wetgeving”, wat Japan betreft, de wet- en regelgeving van Japan inzake de Japanse pensioenregelingen en de Japanse ziektekostenverzekeringsstelsels omschreven in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003018&deel=I&artikel=2&z=2009-03-01&g=2009-03-01); wat Nederland betreft, de wet- en regelgeving van Nederland inzake de takken van sociale zekerheid omschreven in [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003018&deel=I&artikel=2&z=2009-03-01&g=2009-03-01); - e. de uitdrukking „bevoegde autoriteit”, wat Japan betreft, de ter zake van de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003018&deel=I&artikel=2&z=2009-03-01&g=2009-03-01), omschreven Japanse pensioenregelingen en de Japanse ziektekostenverzekeringsstelsels bevoegde overheidsorganisaties; wat Nederland betreft, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; - f. de uitdrukking „bevoegd orgaan”, wat Japan betreft, de voor de uitvoering van de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003018&deel=I&artikel=2&z=2009-03-01&g=2009-03-01), omschreven Japanse pensioenregelingen en Japanse ziektekostenverzekeringsstelsels vera"},{"i":17069,"b":"Circulaire scholing tijdens uitkering ex Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) Publicatie op internet **Circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers worden uitsluitend bekend gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website www.politiekeambtsdragers.nl. U kunt zich met een RSS-feed of e-mail-attendering abonneren op deze site. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering.** 1. Inleiding Tijdens de uitkeringsperiode van de [Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) (Appa) bestaat voor de uitkeringsgerechtigde recht op scholing. Het kader voor scholing wordt in algemene zin beschreven in de brochure ‘Sollicitatieplicht en outplacement voor politieke ambtsdragers’ (tweede, gewijzigde druk)1https://www.politiekeambtsdragers.nl/publicaties/brochures/2016/12/23/sollicitatieplicht-en-outplacement-voor-politieke-ambtsdragers-2e-gewijzigde-druk; in de paragraaf ‘Welke kosten worden vergoed?’ op blz. 21/22. In de praktijk blijkt er behoefte aan verduidelijking op een aantal punten. In deze circulaire wordt, in aanvulling op genoemde paragraaf van de brochure, op die punten nader ingegaan. Daarbij wordt de volgende opbouw gehanteerd: Verder wordt in §10 de aandacht gevestigd op het instrument Erkenning verworven Competenties (EVC) dat ook tijdens de [Appa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691) kan worden ingezet. In §11 wordt ingegaan op de fiscale aspecten van scholing voor uitkeringsgerechtigden. In §12 tenslotte worden voorbeelden besproken van fictieve scholingsverzoeken. Uitgangspunt van deze circulaire is dat deze kader scheppend is met ruimte voor maatwerk in de praktijk. Juist vanwege de nadruk in het re-integratieplan op het individu van de uitkeringsgerechtigde en zijn of haar afstand tot de arbeidsmarkt, is dat maatwerk vereist. De circulaire beoogt op het gebied van scholingsaanvragen handv"},{"i":18590,"b":"Besluit tot digitale vervanging van papieren archiefbescheiden van het Rijksvastgoedbedrijf, onderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Vervangingsbesluit archiefbescheiden Rijksvastgoedbedrijf 2017) Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Artikel 1 De originele papieren archiefbescheiden die volgens de, bij Koninklijk Besluit vastgestelde Selectielijsten ‘045 Rijkshuisvesting (Stcrt. 24-09-01/184), [046 Voorlichting van de Rijksoverheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022040) (Stcrt. 14-06-2007/112) en [143 Organisatie van de Rijksoverheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018549) (Stcrt. 16-12-05/245)’ voor vernietiging of voor bewaring in aanmerking komen én na routinematige scanning digitaal zijn opgenomen in het documentmanagementsysteem ‘DigiJust’ (FileNet) van het Rijksvastgoedbedrijf, worden overeenkomstig de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041000&artikel=2&z=2018-06-12&g=2018-06-12) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041000&artikel=3&z=2018-06-12&g=2018-06-12) van dit besluit digitaal vervangen. Artikel 2 De digitale vervanging geschiedt volgens de specificaties vastgesteld in het ‘Handboek Digitale Vervanging: archiefbescheiden Rijksvastgoedbedrijf 2017’. Het Handboek ligt ter inzage bij het Rijksvastgoedbedrijf. Artikel 3 De digitale vervanging betreft enkel die papieren archiefbescheiden die sinds 1 juli 2017 zijn ontvangen of opgemaakt, dan wel die zullen worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met tien jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en na het scannen zijn of worden opgenomen in de DigiJust-applicatie van het Rijksvastgoedbedrijf. De papieren exemplaren worden hiermee vervangen door de digitale exemplaren en worden na 4 weken daadwerkelijk vernietigd. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Vervangingsbesluit archiefbescheiden Rijksvastgoedbedrijf 2017. Dit besluit ver"},{"i":18077,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 20 februari 2006, nr. BenC 2006-254M, tot beperking van de openbaarheid van naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Agentschap van het Ministerie van Financiën, 1943–1999 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en gelezen het advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats d.d. 16 december 2005 met het kenmerk C/SA/05/2285; Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsmede op het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen danwel van derden worden, mede gelet op het bepaalde in [artikel 15, vierde lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het Agentschap van het Ministerie van Financiën, 1943–1999 met de inventarisnummers 43, 55 t/m 59, 64, 69 t/m 72, 77, 83 t/m 87, 90 t/m 140, 150, 152, 156 t/m 158, 168, 185, 187 t/m 189, 193, 197, 203, 204, 216, 217, 236 t/m 241, 243 t/m 251, 253 t/m 259, 261, 263 t/m 271, 273 t/m 496, 499 t/m 501, 503, 505, 508 t/m 541, 549, 553 t/m 701, 708 t/m 712, 735 t/m 739 de in het volgende lid genoemde beperkingen gesteld tot 1 januari 2030. Artikel 2 Raadpleging van de in het vorige lid genoemde bescheiden is slechts mogelijk nadat de directeur van het Nationaal Archief daarmee heeft ingestemd. Voor het doen van het verzoek tot instemming wordt gebruikt gemaakt van het door het Nationaal Archief voorgeschreven formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt gepubliceerd."},{"i":18270,"b":"Verkeersbesluit inhoudende een inhaalverbod voor vrachtauto's op diverse autosnelwegen in beheer bij het Rijk **Overwegingen ten aanzien van het besluit** **Vereiste van besluit** Op grond van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 dient een verkeersbesluit te worden genomen voor de plaatsing of verwijdering van de in artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer genoemde verkeerstekens, alsmede voor onderborden, voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd. Op grond artikel 18, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 ben ik bevoegd dit verkeersbesluit te nemen ten aanzien van wegen in beheer bij het Rijk. **Belangenafweging en motivering** De Rijksoverheid streeft naar behoud en verbetering van de bereikbaarheid van internationale en nationale verbindingen over de weg. Om de bereikbaarheid te verbeteren wordt ondermeer ingezet op het intensiever gebruiken/benutten van de bestaande infrastructuur. Eén van de maatregelen waarmee de bereikbaarheid kan worden verhoogd betreft het inhaalverbod voor vrachtauto's. De maatregel dat vrachtauto's gedurende bepaalde tijdvakken op de dag niet mogen inhalen bevordert de doorstroming van alle weggebruikers doordat het aantal verkeersbewegingen wordt verminderd waardoor een rustiger verkeersbeeld ontstaat. Hierdoor wordt de weg beter benut en de kwaliteit van de verkeersafwikkeling verbeterd. Bovendien wordt de kans op ongevallen kleiner waardoor incidentele files afnemen. Momenteel geldt al een inhaalverbod voor vrachtauto's conform mijn verkeersbesluit `Inhaalverbod voor vrachtauto's op diverse autosnelwegen in beheer bij het Rijk', nummer UB2001/11948 van 9 januari 2002. Dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant nr 15 van 22 januari 2002. Eerdere besluiten inhoudende een inhaalverbod zijn bij dit besluit ingetrokken. Een inhaalverbod voor vrachtwagens is alleen op die wegvakken ingesteld waar het een bijdrage levert aan de doorst"},{"i":19340,"b":"Wet van 11 juli 2018, houdende wijziging van de wet van 22 april 1855, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële Departementen (Stb. 1855, 33) en aanpassing van daarmee verband houdende bepalingen in het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht in verband met het aanbrengen van enkele moderniseringen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele moderniseringen aan te brengen in de [wet van 22 april 1855, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële Departementen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001844) (Stb. 1855, 33) en in verband daarmee enkele bepalingen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) aan te passen, in het perspectief van een fundamentele herziening van de wetgeving met betrekking tot ambtsdelicten van leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel IV Op een aanklacht als bedoeld in [artikel 7 van de wet van 22 april 1855, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële Departementen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001844&artikel=7) (Stb. 1855, 33) die is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft het recht zoals dat luidde voor dat tijdstip van toepassing. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en"},{"i":18757,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 13 september 2019 kenmerk 2543384, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Gratiebeleid en uitvoering van het Ministerie van Justitie (1827) 1947–1988 (1999) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d.9 juli 2019, met kenmerk 8269476. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van het Gratiebeleid en uitvoering van het Ministerie van Justitie (1827) 1947–1988 (1999). Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot de datum van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar | | --- | --- | | 5 | 2036 | | 6 | 2026 | | 7 | 2026 | | 8 | 2023 | | 9 | 2025 | | 10 | 2025 | | 11 | 2020 | | 12 | 2025 | | 21 | 2026 | | 22 | 2026 | | 24 | 2072 | | 25 | 2072 | | 26 | 2026 | | 27 | 2026 | | 28 | 2027 | | 29 | 2027 | | 46 | 2043 | | 48 | 2061 | | 50 | 2056 | | 51 | 2069 | | 52 | 2065 | | 54 | 2071 | | 59 | 2024 | | 60 | 2026 | | 61 | 2026 | | 63 | 2026 | | 64 | 2026 | | 65 | 2027 | | 66 | 2028 | | 67 | 2028 | | 68 | 2027 | | 69 | 2027 | | 70 | 2026 | | 71 | 2026 | | 72 | 2026 | | 73 | 2028 | | 74 | 2026 | | 75 | 2026 | | 76 | 2026 | | 77 | 2026 | | 78 | 2028 | | 79 | 2028 | | 80 | 2028 | | 81 | 2029 | | 82 | 2026 | | 83 | 2026 | | 84 | 2026 | | 85 | 2026 | | 86 | 2026 | | 87 | 2026 | | 88 | 2026 | | 89 | 2026 | | 90 | 2026 | | 91 | 2026 | | 92 | 2026 | | 93 | 2026 | | 94 | 2026 | | 95 | 2026 | | 96 | 2026 | | 97 | 2026 | | 98 | 2026 | | 99 | 2026 | | 100 | 2029 | | 101 | 2029 | | 102 | 2029 | | 103 | 2027 | | 104 | 2026 | | 105 | 2029 | | 106 | 2027 | | 107 | 2027 | | 108 | 2027 | | 109 | 2027 | | 110 | 202"},{"i":18622,"b":"Wet van 19 december 1990, houdende een nieuwe regeling voor de schadeloosstelling en onkostenvergoedingen van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een nieuwe regeling te treffen voor de schadeloosstelling en onkostenvergoedingen van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en in verband daarmee de [Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003251) (**Stb.** 1979, 379) te wijzigen: Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1:. Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - -. schadeloosstelling: de schadeloosstelling, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&paragraaf=2&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze wet; - -. kamerlid: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; - -. de voorzitter: de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; - -. de eerste, tweede en overige ondervoorzitters: de eerste, tweede respectievelijk overige ondervoorzitters van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; - -. fractievoorzitter: kamerlid waarvan door de voorzitter is vastgesteld dat dat lid voorzitter is van een fractie, dan wel enig lid is van een fractie; - -. griffier: de griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. 2. Deze wet is niet van toepassing op kamerleden die het ambt van minister of staatssecretaris bekleden. 3. De [artikelen 2 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&paragraaf=2&artikel=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze wet zijn van overeenkomstige toepassing op het kamerlid aan wie ingevolge [artikel X 10 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=X_10) tijdelijk on"},{"i":17076,"b":"Controleprotocol nacalculatie 2021 Wlz-zorgaanbieders Versie 2, maart 2022 Artikel 1. Inleiding De zorgaanbieder verantwoordt in de nacalculatie-opgave 2021 de totaal financieel gerealiseerde productie over 2021, de totaal financiële realisatie overige onderdelen over 2021 en de totaal gerealiseerde lumpsum kwaliteitsbudget verpleeghuiszorg 2021. Als gevolg van het SARS-CoV-2 virus is ook voor het jaar 2021 dit onderdeel van toepassing. Dit onderdeel omvat twee componenten: - −. de vergoeding van doorlopende kosten in fase 4 als gevolg van het SARS-CoV-2 virus; en - −. de financiering van extra personele en materiële kosten die samenhangen met de maatregelen rondom dit virus. De doorlopende kosten in fase 4 als gevolg van het SARS-CoV-2 virus maken deel uit van de totaal financieel gerealiseerde productie over 2021. De extra kosten als gevolg van het SARS-CoV-2 virus maken deel uit van de totaal financiële realisatie overige onderdelen over 2021. De door de zorgaanbieder ingevulde nacalculatie-opgave 2021 bestaat uit het ‘Formulier Langdurige zorg nacalculatie 2021’, met daarin de volgende onderdelen: - −. de totaal financieel gerealiseerde productie over 2021, waaronder de doorlopende kosten als gevolg van het SARS-CoV-2 virus. Er vindt geen accountantscontrole plaats op de doorlopende kosten als gevolg van het SARS-CoV-2 virus. De doorlopende kosten als gevolg van het SARS-CoV-2 virus zijn te beschouwen als ‘andere informatie’; - −. de totaal financiële realisatie overige onderdelen over 2021 (indien van toepassing). De overige onderdelen bestaan uit de Vergoeding van inrichtingskosten bij gedwongen verhuizing, Vergoeding extreme kosten van zorggebonden materiaal en geneesmiddelen, Vergoeding BRMO-uitbraak, de Vergoeding innovatie voor kleinschalige experimenten, de Vergoeding voor niet vrij besteedbare aanvullende inkomsten en de Financiering van extra kosten als gevolg van het SARS-CoV-2 virus; - −. de totaal gerealiseerde lumpsum kwaliteitsbudget verpleeghuiszo"},{"i":19486,"b":"Intrekking Bijdrageregeling schone en lawaai-arme vrachtwagens en bussen Besluit: Artikel 1 De Bijdrageregeling schone en lawaai-arme vrachtwagens en bussen wordt ingetrokken. Artikel 2 Een aanvraag op grond van de Bijdrageregeling schone en lawaai-arme vrachtwagens en bussen die is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling en waarop nog niet onherroepelijk is beslist, wordt beheerst door de Bijdrageregeling schone en lawaai-arme vrachtwagens en bussen zoals die luidde voor dat tijdstip. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1994. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst"},{"i":19385,"b":"Wet van 17 december 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is aanvullende bepalingen op te nemen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) en het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel IIa Het zesde lid van [artikel 36f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=36f) geldt voor schadevergoedingsmaatregelen die zijn opgelegd bij rechterlijke uitspraak waarbij een veroordeling is gevolgd wegens een strafbaar feit, en die onherroepelijk is geworden na inwerkingtreding van deze wet. Artikel III Vervallen Artikel IV Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel V Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel VI Wijzigt de Wet OM-afdoening. Artikel VII Wijzigt deze wet. Artikel VIII Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IX Wijzigt deze wet. Artikel X [Artikel I, onderdeel I, onder 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027053&artikel=I&z=2011-01-01&g=2011-01-01), en [artikel II, onder 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027053&artikel=II&z=2011-01-01&g=2011-01-01), zijn niet van toepassing op strafbare feiten die zijn begaan voor het moment van inwerkingtreding van deze wet. Ten aanzien van die feiten blijft het recht van toepassing zoals het gold voor inwerkingtreding van deze wet. Artikel XI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de ve"},{"i":17327,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 december 2014, kenmerk 694624-130150-WJZ, houdende nadere regels op grond van de Jeugdwet (Regeling Jeugdwet) Gelet op de [artikelen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1), [2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=2.10), [4.3.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.3.1), [5.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=5.3), [7.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.2.5), [7.4.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.4.5), [8.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.1.2), [8.3.1, van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.3.1) en de [artikelen 7.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035779&artikel=7.5.4), [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035779&artikel=8.3), [8.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035779&artikel=8.1.2), [8.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035779&artikel=8.2.2) en [8.2.4 van het Besluit Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035779&artikel=8.2.4); Besluiten: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **aanbieder:** jeugdhulpaanbieder, aanbieder van preventie of gecertificeerde instelling; - –. **algemene risicoanalyse:** een analyse die erop is gericht te bepalen op welke gegevens een materiële controle of een fraudeonderzoek zich zal richten; - –. **Covid-19:** de ziekte veroorzaakt door coronavirus-SARS-CoV-2; - –. **detailcontrole:** onderzoek door het college of door een door het college aangewezen persoon naar bij een aanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot jeugdigen die hun woonplaats hebben in de gemeente waarvoor het desbetreffende college werkzaam is, ten behoeve van materiële controle of fraude-onderzoek; - –."},{"i":18177,"b":"Besluit van 4 juni 1973, houdende de overgang van de dienst van het Kadaster en de Openbare Registers van het Ministerie van Financiën naar het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken d.d. 1 juni 1973, nr. 211556, mede namens Onze Ministers van Financiën, van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van Binnenlandse Zaken; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel Enig I. De Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers gaat, met ingang van de datum van de dagtekening van dit besluit, van het departement van Financiën over naar het departement van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, met dienovereenkomstige wijziging van de taak van beide departementen; II. De personeelsleden van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers gaan met ingang van dezelfde datum over in dienst van het departement van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst, waarvan mededeling zal worden gedaan in de **Staatscourant** en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van Ministers, de Hoge Colleges van Staat, de Gevolmachtigde Ministers van Suriname en van de Nederlandse Antillen en aan de departementen van Algemeen Bestuur."},{"i":17540,"b":"Reglement Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand Gelet op [Artikel 8 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=8); besluit: een voorziening te treffen tot oprichting van een Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand Algemeen: Artikel 1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: - a. **de Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand, het zelfstandig bestuursorgaan dat is ingesteld in [artikel 2, eerste lid van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2); - b. **Eigenaar:** het bestuur dat aan het hoofd staat van de Raad voor Rechtsbijstand, dat wordt genoemd in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=3) en [4 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=4), en Eigenaar is van het Kenniscentrum. - c. **Kenniscentrum:** het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand dat als maatschappelijke opgave heeft via onafhankelijk onderzoek bij te dragen aan het goed functioneren van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand door het beleid en uitvoering te voeden met data, feiten en kennis, en eventuele (dreigende) knelpunten te signaleren en agenderen; - d. **CSO:** de Chief Science Officer die aan het hoofd staat van het Kenniscentrum en het Kenniscentrum vertegenwoordigt; - e. **Wetenschappelijke Kwaliteitsraad:** de raad die periodiek op verzoek van de Chief Science Officer de wetenschappelijk kwaliteit van het programmatisch onderzoek van het Kenniscentrum evalueert en via een visitatie daarover rapporteert; - f. **Programmaraad:** de raad die periodiek het meerjarige programma op themaniveau vaststelt, waarbinnen het programmatisch onderzoek plaatsvindt, het jaarlijkse werkplan vaststelt en een agenderende functie heeft; - g. **Programma:** onderzoeksprogramma op themaniveau dat wordt vastgesteld door de Progr"},{"i":18226,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein rijkshuisvesting vanaf 1945 (Minister van Algemene Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/8); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Algemene Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein rijkshuisvesting over de periode vanaf 1945](onbekend)’ met de daarbij behorende toelichting wordt vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18735,"b":"Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 12 maart 2014, IVenJ491926, tot aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren bij de Inspectie Veiligheid en Justitie (Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Inspectie Veiligheid en Justitie) Gelet op [artikel 57, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=57), [artikel 67 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=67), de [artikelen 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014623&artikel=32) en [33, eerste lid, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014623&artikel=33) en [artikel 73, tweede lid Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=73); Besluit: Artikel 1 Met het toezicht, bedoeld in [artikel 57, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=57), [artikel 65, eerste lid van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=65) en [artikel 71, eerste lid, onder a tot en met c, van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=71), voor zover dat toezicht is opgedragen aan de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, zijn belast de ambtenaren aangesteld bij de Inspectie Veiligheid en Justitie. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in de Staatscourant en werkt terug tot en met 1 januari 2012. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Inspectie Veiligheid en Justitie. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19367,"b":"Wet van 15 april 2025, houdende Voorstel van wet van de leden Timmermans en Bikker tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de invoering van het discriminatoir aspect als strafverzwaringsgrond Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een discriminatoir aspect als strafverzwaringsgrond in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) op te nemen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Onze Minister van Justitie en Veiligheid zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":18928,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 30 november 2021, nr. BOACAT2021/046, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Sportvisserij Fryslân Gelezen het verzoek van Sportvisserij Fryslân van 19 augustus 2021 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parketen de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045988&artikel=2&z=2021-12-08&g=2021-12-08). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar Sportvisserij in dienst van Sportvisserij Fryslân, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, zoals opgenomen in"},{"i":18705,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 november 2012, G&VW/AA/2012/16952 tot vaststelling van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 Gelet op de [artikelen 10:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:5) en [10:7, zesde lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:7); Besluit: Artikel 1. Berekening van de bestuurlijke boete 1. Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=10:5) wordt voor alle overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671)' die als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032353&bijlage=1&z=2022-01-01&g=2022-01-01)bij deze beleidsregel is gevoegd. 2. Bij de toepassing hiervan wordt onderscheid gemaakt tussen: - a. overtredingen waarvoor eerst een waarschuwing wordt gegeven of een eis wordt gesteld en pas in tweede instantie, nadat nogmaals is geconstateerd dat dezelfde of een soortgelijke wettelijke verplichting niet is nageleefd of dat de desbetreffende tekortkoming niet is opgeheven, wordt overgegaan tot het opleggen van een bestuurlijke boete; - b. overtredingen waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt opgelegd, die zijn opgenomen in de ‘Lijst overtredingen waarvoor direct een boete wordt opgelegd’, die als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032353&bijlage=2&z=2022-01-01&g=2022-01-01)bij deze beleidsregel is gevoegd. 3. Van deze beleidsregel zijn uitgezonderd alle overtredingen die als zodanig in de [Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671) zijn aangemerkt en die betrekking hebben op arbeid verricht door personen als bedoeld"},{"i":17692,"b":"Vaststellingsregeling selectielijst handelingen beleidsterrein Welzijn over de periode 1945-1996, Sociale Zaken en Werkgelegenheid Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 oktober 2002, arc-2002.4317/2; Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Welzijn over de periode 1945–1996](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18357,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2010, DBV/IenA/I 3037446, houdende beperking van de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in het archief van het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, over de periode (1910–) 1965–1982 (–1990) Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Besluit: Artikel 1 Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden de in de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029233&artikel=2&z=2010-12-24&g=2010-12-24) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029233&artikel=3&z=2010-12-24&g=2010-12-24) genoemde beperkingen gesteld aan de openbaarheid van de naar het Nationaal Archief over te brengen archiefbescheiden van het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, over de periode (1910–) 1965–1982 (–1990), die zijn opgenomen in de inventaris onder het inventarisnummer, genoemd in kolom 1 van de – als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029233&bijlage=1&z=2010-12-24&g=2010-12-24) – bij deze regeling gevoegde tabel. Deze beperkingen gelden tot 1 januari van het in kolom 2 van vorenbedoelde tabel genoemde jaartal. Artikel 2 Raadpleging van de in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029233&artikel=1&z=2010-12-24&g=2010-12-24) bedoelde archiefbescheiden is slechts mogelijk na ondertekening van het door het Nationaal Archief gehanteerde ‘Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven’, van welk formulier een model – als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029233&bijlage=2&z=2010-12-24&g=2010-12-24) – bij deze regeling is gevoegd. Artikel 3 Het is niet toegestaan reproducties te vervaardigen van archiefbescheiden uit dossiers waarop deze beperkende bepalingen van toepassing zijn, zonder toestemming van de directeur van het Nationaal Archief. De directeur van het Nationaal Arch"},{"i":19238,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Financiën van 18 december 2007, nr. DJZ/BR/1222-07, houdende beperkende maatregelen met het oog op de strijd tegen het terrorisme (Sanctieregeling terrorisme 2007-II) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën; Gelet op Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van 28 september 2001; Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 (2001/930/GBVB) inzake terrorismebestrijding (Pb EG L 344); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 Voor de toepassing van het in deze regeling bepaalde wordt verstaan onder: - a. middelen: activa van welke aard ook, juridische documenten of instrumenten in welke vorm ook, ook elektronisch of digitaal, waaruit eigendom van of een belang in dergelijke activa blijkt, met inbegrip van, doch niet beperkt tot, bankkredieten, reischeques, bankcheques, postwissels, aandelen, obligaties, wissels, kredietbrieven en andere effecten; - b. bevriezing van middelen: het voorkomen van het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren, gebruiken of omgaan met middelen met als gevolg wijzigingen van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken, bestemming, of andere wijzigingen waardoor het gebruik van bedoelde middelen, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk zou worden gemaakt; - c. financiële diensten: alle diensten van financiële aard, waaronder alle verzekeringsdiensten en met verzekeringen verband houdende diensten, en alle bankdiensten en andere financiële diensten, met uitzondering van verzekeringen. Artikel 2 1. Indien personen of organisaties naar het oordeel van de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën behoren tot de"},{"i":18756,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 4 juli 2024, kenmerk 5421000, houdende beperking van de openbaarheid van het archief Gerechtsdeurwaarders 1923–1967 van het Ministerie van Justitie Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 13 juni 2024, met proza-zaaknummer 1361726. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief Gerechtsdeurwaarders. Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot het jaar genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | --- | --- | | 21 | 2032 | 26 | 2032 | | 22 | 2032 | 27 | 2032 | | 23 | 2032 | 28 | 2032 | | 24 | 2032 | 29 | 2032 | | 25 | 2032 | 30 | 2032 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050037&artikel=1&z=2024-07-20&g=2024-07-20) is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksarchivaris. Deze toestemming wordt verleend volgens de bij het Nationaal Archief geldende procedure voor het gebruik van beperkt openbare archieven die bijzondere persoonsgegevens bevatten. Alleen schriftelijke verzoeken tot raadpleging worden in behandeling genomen. De algemene rijksarchivaris kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. Artikel 3 Het vervaardigen van reproducties van documenten geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050037&artikel=1&z=2024-07-20&g=2024-07-20), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke to"},{"i":17536,"b":"Besluit van het bestuur van ZonMw van 21 november 2025 en de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 11 november 2025, kenmerk 2025026005, tot vaststelling van het reglement van de Commissie Onderzoek Passende zorg 2025 (Reglement Commissie Onderzoek Passende Zorg 2025) Gelet op [artikel 4.1, eerste lid, van het Bestuursreglement ZonMw 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042194&artikel=4.1) en [artikel 5.6 van het Bestuursreglement Zorginstituut Nederland 2025](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035079&artikel=5); Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1.1. Begripsbepalingen Dit reglement verstaat onder: - –. **beheersmaatregel:** maatregel ter waarborging van advisering zonder vooringenomenheid; - –. **bestuur van ZonMw:** het bestuur van ZorgOnderzoek Nederland en het bestuur van het domein Medische Wetenschappen van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek; - –. **bureau:** de medewerkers van ZonMw en het Zorginstituut die belast zijn met de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van de commissie; - –. **commissie:** de Commissie Onderzoek Passende Zorg; - –. **kennisvraag:** een onderzoeksvraag gericht op het verkrijgen van toepasbare kennis voor passende zorg; - –. **KPPZ:** het kaderprogramma Passende Zorg; - –. **leden:** de leden van de Commissie Onderzoek Passende Zorg; - –. **Minister van VWS:** de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; - –. **NWO:** de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek als bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004191&artikel=2); - –. **overheidsorganisaties:** Zorginstituut Nederland, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Nederlandse Zorgautoriteit; - –. **persoonlijk belang:** ieder belang dat niet behoort tot de belangen die de commissie uit hoofde van de haar opgedragen taak behoort te behartigen; - –. **projectg"},{"i":19117,"b":"Richtlijn voor strafvordering bedreiging Deze richtlijn heeft betrekking op diverse vormen van bedreiging. Bedreiging mondeling en/of dmv gebaren, alleen gepleegd. 1 Let op het taakstrafverbod ([art. 22b Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22b)) en of er sprake is van een **(zeer actieve) veelpleger of stelselmatige dader** 2 Mede vervolgen voor het wapenbezit 3 Uitgangspunt geldt voor algemene recidive. Betreft de recidive hetzelfde feit (inrijden) dan zal een langere OBM worden gevorderd (maximum 5 jaar). **Legenda** Afkortingen GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf OBM = ontzegging van de rijbevoegdheid ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar Met betrekking tot een aantal delicten, zoals mishandeling, openlijke geweld, vernieling en bedreiging, dient het eventuele feit dat de gepleegde agressieve handeling samenhangt met, of terug te voeren is op een verkeerssituatie, strafverzwarend te worden beoordeeld. Reden voor die verzwaring is enerzijds het risico van escalatie van dergelijke delicten in een overgevoelige situatie, en anderzijds de verhoogde gevaarzetting die agressie in een verkeerssituatie voor andere verkeersdeelnemers doorgaans oplevert. De persoon van het slachtoffer kan resulteren in direct dagvaarden, bijvoorbeeld indien sprake van burgemeester, politicus of overige in [artikel 285 lid 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=285) genoemde personen. Ook de bijzondere omstandigheden van het geval (bijvoorbeeld verweven met georganiseerde criminaliteit waar een ondermijnend effect vanuit gaat) of de situatie, bijvoorbeeld ontruiming van een gebouw, gedwongen verhuizing, onderduiken enz. kunnen nopen tot direct dagvaarden. Voor een toelichting op de andere onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042068)."},{"i":18991,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gevangeniswezen en Terbeschikkingstelling vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 16-08-2006, nr. arc-2006.03029/11); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Gevangeniswezen en Terbeschikkingstelling over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":19204,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 maart 2014, nr. MinBuZa.2014.130895, houdende beperkende maatregelen jegens de Centraal-Afrikaanse Republiek (Sanctieregeling Centraal-Afrikaanse Republiek 2014) Gelet op [Verordening 224/2014](32014R0224) van de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek (Pb 2014, L70); Gelet op Besluit 2013/798/GBVB van de Raad van 23 december 2013 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek (Pb 2013, L51); Gelet op [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [artikel 3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, 5, eerste en tweede lid, 11, eerste lid, en 12 van [Verordening 224/2014](32014R0224) van de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek (Pb 2014, L70). 2. Een verbod als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 5, vierde lid, 6, 7, 8, 9 of 10 van [Verordening 224/2014](32014R0224) van toepassing is. Artikel 2 Vervallen Artikel 3 1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 6, 7, 8, 9, 10, eerste lid, en 11, eerste lid, van [Verordening 224/2014](32014R0224) is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard. 2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 6, 7, 8, 9 en 11 van [Verordening 224/2014](32014R0224) is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen of informatie anders dan van financiële aard. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Sanctieregeling Centraal-Afrikaanse Republiek 2014. Artikel 5 Deze regeling tr"},{"i":18834,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 10 november 2025 nr. BOACAT2025/198, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij GVB Exploitatie B.V Gelezen het verzoek van GVB Exploitatie B.V. van 27 oktober 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012;](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27) Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051761&artikel=2&z=2025-12-30&g=2025-12-30). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van (senior) Handhaver Wet Personenvervoer in dienst van GVB Exploitatie B.V. zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein IV, Openbaar vervoer, zoals opgenomen in de [b"},{"i":18426,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 september 2010, nr. 151932, houdende regels inzake de slacht en vleeskeuring op Bonaire (Regeling slacht- en vleeskeuring Bonaire) Gelet op de [artikelen18.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.2.2),[18.2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.2.4),[18.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.2.9) en [18.2.10avan de Invoeringswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028063&artikel=18.2.10a) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=5), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=6), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=9), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=11), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=15), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=17), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=19), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=21), [23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=23), [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=29), [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=30) en [31 van het Besluit slacht- en vleeskeuring BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028462&artikel=31); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. Hoofdstuk I. Slacht- en vleeskeuring bonaire Afdeling I. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **besluit:** Besluit slacht- en v"},{"i":18745,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 1 september 2022, kenmerk 3938693, houdende beperking van de openbaarheid van de aanvulling op het archief van Directie Personeel en Organisatie van het Ministerie van Justitie 1922–2000 Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d. 18 augustus 2022, met kenmerk zaaknummer 159985. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief Directie Personeel en Organisatie van het Ministerie van Justitie Artikel 1 Gelet op het feit dat in de inventarisnummers genoemd in de eerste kolom bijzondere persoonsgegevens volgens de Algemene Verordening Gegevensbescherming voorkomen zijn deze inventarisnummers met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkt openbaar tot het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummer | Openbaar per 1 januari | Inventarisnummer | Openbaar per 1 januari | | --- | --- | --- | --- | | 2 | 2039 | 120 | 2034 | | 73 | 2043 | 121 | 2051 | | 85 | 2037 | 122 | 2029 | | 86 | 2026 | 123 | 2044 | | 87 | 2043 | 125 | 2048 | | 91 | 2040 | 128 | 2035 | | 93 | 2049 | 131 | 2045 | | 94 | 2026 | 132 | 2032 | | 96 | 2056 | 133 | 2028 | | 97 | 2053 | 136 | 2028 | | 101 | 2030 | 138 | 2032 | | 103 | 2040 | 140 | 2028 | | 104 | 2035 | 141 | 2072 | | 105 | 2059 | 143 | 2037 | | 108 | 2032 | 144 | 2037 | | 115 | 2034 | 145 | 2047 | | 116 | 2034 | 146 | 2047 | | 117 | 2032 | 161 | 2033 | | 118 | 2032 | 314 | 2030 | | 119 | 2034 | 744 | 2043 | Artikel 2 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047137&artikel=1&z=2022-09-14&g=2022-09-14), is, tot openbaarwording, uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke toestemming van de algemene rijksar"},{"i":17566,"b":"Spaarregeling gemoedsbezwaarden Gelet op [artikel 48, eerste en zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=48); Besluiten: Artikel 1 De Rijksbelastingdienst verstrekt aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek een opgave van het bedrag, dat ingevolge[artikel 65, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=65), in samenhang met de [artikelen 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=58) en [60, eerste en tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=60) van een gemoedsbezwaarde aan verhoogde belasting is geheven. Artikel 2 Na ontvangst van de in artikel 1 bedoelde opgave berekent de Sociale verzekeringsbank per gemoedsbezwaarde het bedrag, dat van deze ingevolge [artikel 65, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=65), in samenhang met de [artikelen 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=58) en[60, eerste en tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=60) aan verhoogde belasting is geheven. De Sociale Verzekeringsbank boekt dit bedrag op een per gemoedsbezwaarde aan te leggen spaarrekening. Indien van een echtpaar aan beide echtgenoten een ontheffing als bedoeld in [artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=64), is verleend, wordt, in afwijking van de vorige volzin, het bedrag geboekt op een voor hen gezamenlijk aan te leggen spaarrekening. Artikel 3 1. Indien van een echtpaar aan een van de echtgenoten ontheffing is verleend als bedoeld in [artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745&artikel=64), wordt de echtgenoot, die geen inkomen heeft genoten, indien en voorzover deze recht heeft op een uitkering op grond van de [Algemene Oud"},{"i":17174,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 28 juni 2024, nr. WJZ/ 59343160, houdende regels met betrekking tot de verstrekking van specifieke uitkeringen aan gemeenten in de provincie Groningen en aan de provincie Groningen ten behoeve van activiteiten die verband houden met de uitvoering van de versterkingsopgave en met maatregelen benoemd in de kabinetsreactie op het rapport van de Parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (Meerjarige regeling verstrekking specifieke uitkeringen aardbevingsgebied Groningen 2024–2030) Gelet op [artikel 15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=15a) en [15b van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=15b); Besluit: Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **batch 1.588:** door de Nationaal Coördinator Groningen benoemde batch van 1.588 woningen in de gemeenten waarvoor versterkingsadviezen zijn opgesteld; - **bestuurlijke afspraken:** bestuurlijke afspraken van 6 november 2020 die zijn gemaakt tussen de minister, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en zeven gemeenten in het aardbevingsgebied en de provincie Groningen (Kamerstukken II 2020/21, 33 529, nr. 830); - **Erfgoedprogramma:** programma van de provincie Groningen, de Nationaal Coördinator Groningen, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de aardbevingsgemeenten waarin deze partijen een gezamenlijk erfgoedbeleid formuleren voor het behouden, versterken en doorontwikkelen van het Gronings erfgoed en de gebiedsidentiteit, zowel tijdens als na uitvoering van schadeherstel en de versterkingsopgave; - **gemeente:** één van de gemeenten, genoemd in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049907&artikel=3&z=2025-10-01&g=2025-10-01); - **Minister:** Minister van Economische Zaken en Klimaat; - **mkb-programma:** programma van de provincie Groningen voor ondersteunin"},{"i":19077,"b":"Overeenkomst inzake de administratieve en strafrechtelijke samenwerking op het gebied van de regelingen die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Benelux Economische Unie De Regering van het Koninkrijk België, De Regering van het Groothertogdom Luxemburg, De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, Bezield door de wens om, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Benelux Economische Unie, tussen de drie landen nauwe samenwerking op administratief en gerechtelijk gebied tot stand te brengen; Overwegende dat daartoe moet worden uitgegaan van de beginselen die ten grondslag liggen aan het Verdrag nopens de samenwerking op het stuk van douanen en van accijnzen van 5 september 1952, aan het Verdrag over de samenwerking inzake de regeling van in-, uit- en doorvoer van 16 maart 1961 en aan het Verdrag tot wederzijdse bijstand inzake de heffing van de omzetbelasting, de overdrachttaks en soortgelijke belastingen van 25 mei 1964; Van oordeel dat het, met name met het oog op de afschaffing der administratieve controles aan de Beneluxbinnengrenzen, gewenst is de mogelijkheid te scheppen om het krachtens bovengenoemde Verdragen ingestelde systeem van samenwerking uit te breiden tot alle onderwerpen die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie; Verlangende de administratieve en gerechtelijke samenwerking tussen de drie landen te regelen in één verdrag, dat bestemd is een samenhangend geheel te vormen met de regels, vervat in het [Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001006) van 27 juni 1962 en in het Verdrag inzake de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in strafzaken van 26 september 1968; Gelet op het [Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047) van 3 februari 1958, in het bijzonder op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0005047&arti"},{"i":17435,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 2 december 2024, nr. WJZ/ 79741882, houdende regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen voor de uitvoering van de convenanten visserijontwikkelplan (Regeling specifieke uitkering uitvoering convenant visserijontwikkelplan) Gelet op de [artikelen 2a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2a), en [3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **minister:** Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; - –. **convenant visserijontwikkelplan:** overeenkomst tussen de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, provincies en gemeenten binnen een regio waarin de onderlinge afspraken en de onderdelen van het visserijontwikkelplan zijn beschreven; - –. **regio Hollandse Haringkust:** samenwerkingsverband van provincies Zuid-Holland en Noord-Holland en gemeentes Den Haag, Katwijk en Velsen; - –. **regio Kop van Noord Holland:** samenwerkingsverband van provincie Noord-Holland en gemeentes Hollands Kroon, Texel en Den Helder; - –. **regio Noord-Nederland:** samenwerkingsverband van gemeentes Noardeast-Fryslân, Harlingen en Het Hogeland; - –. **regio Urk:** samenwerkingsverband van provincie Flevoland en gemeente Urk; - –. **regio Zuid-West Nederland:** samenwerkingsverband van provincie Zeeland en gemeentes Goeree-Overflakkee, Schouwen-Duiveland, Noord-Beveland, Reimerswaal, Middelburg, Vlissingen en Tholen; - –. **regiopartner:** provincie of gemeente die partij is bij een convenant visserijontwikkelplan; - –. **regiokassier:** regiopartner die de taak van kassier ten behoeve van de uitvoering van het programmanagement van een convenant visserijontwikkelplan vervult; - –. **uitvoeringsactiviteiten:** activiteiten zoals opgenomen in een convenant visserijontwikkelplan waarvo"},{"i":18751,"b":"Besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 14 juli 2022, kenmerk 2700831, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van de Bijzondere Raad van Cassatie van het Ministerie van Justitie 1945 – 1951 (1986) Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van de Algemene Rijksarchivaris d.d.22 december 2020, met kenmerk Zaaknummer: 100537 en nader overleg met het Nationaal Archief. Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van het archief van de Bijzondere Raad van Cassatie van het Ministerie van Justitie 1945 – 1951 (1986) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot de datum genoemd in de tweede kolom. | Inventaris nummer: | Beperkt openbaar tot 1 jan: | Inventaris nummer: | Beperkt openbaar tot 1 jan: | Inventaris nummer: | Beperkt openbaar tot 1 jan: | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | 11 | 2025 | 53 | 2025 | 98 | 2025 | | 12 | 2025 | 54 | 2025 | 99 | 2025 | | 13 | 2023 | 55 | 2025 | 100 | 2025 | | 14 | 2024 | 56 | 2025 | 101 | 2025 | | 15 | 2025 | 57 | 2025 | 102 | 2025 | | 16 | 2025 | 58 | 2025 | 103 | 2025 | | 17 | 2025 | 67 | 2023 | 104 | 2025 | | 18 | 2025 | 68 | 2023 | 105 | 2025 | | 19 | 2025 | 69 | 2023 | 106 | 2025 | | 26 | 2023 | 70 | 2023 | 107 | 2025 | | 27 | 2023 | 71 | 2023 | 108 | 2025 | | 28 | 2023 | 72 | 2023 | 109 | 2025 | | 29 | 2023 | 73 | 2023 | 110 | 2025 | | 30 | 2023 | 74 | 2023 | 111 | 2025 | | 31 | 2023 | 75 | 2023 | 112 | 2025 | | 32 | 2023 | 76 | 2023 | 113 | 2025 | | 33 | 2024 | 77 | 2023 | 114 | 2025 | | 34 | 2024 | 78 | 2023 | 115 | 2025 | | 35 | 2024 | 79 | 2024 | 116 | 2025 | | 36 | 2024 | 80 | 2024 | 117 | 2025 | | 37 | 2024 | 82 | 2024 | 118 | 2025 | | 38 | 2024 | 83 | 2024 | 119 | 2025 | | 39 | 2024 | 84 |"},{"i":17261,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, OHW-U-3004891, houdende aanwijzing van de vestigingsplaats van de Pensioen- en Uitkeringsraad per 1 januari 2011 Gelet op [artikel 3, tweede lid, van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); Besluit: Te rekenen van 1 januari 2011 is de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3) gevestigd in Leiden. Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":19445,"b":"Besluit van 21 april 1994, houdende het van kracht verklaren voor de gemeenschappelijke Maas in Nederland van het Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 maart 1994, nr. RVR 161819, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de op 6 januari 1993 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot regeling van het scheepvaartverkeer en van de recreatie op de gemeenschappelijke Maas (**Trb.** 1993, 93); Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=4) en [18, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=18); De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 1994, nr. W09.94.0124); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, van 12 april 1994, nr. RVR 172680, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de Nederlandse gedeelten van de gemeenschappelijke Maas is van kracht het Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas, dat, met de daarbij behorende bijlagen, is gevoegd bij dit besluit. Artikel 2 De besluiten van de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 1.22 van het Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas, worden in de **Staatscourant** bekendgemaakt. Artikel 3 Overtreding van de bepalingen van het Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas, met uitzondering van de artikelen 1.00, 1.01, eerste en tweede lid, 1.06, tweede en derde lid, 1.19, eerste lid, 3.01, 3.01**a**, 3.27, derde lid, 3.41, derde lid, 4.01, eerste lid, 5.01, eerste lid, 5.02, eerste lid, 6.01, eerste lid, 6.02, eerste lid, 6.33**a**, vierde lid, en 7.02, derde lid, dan wel overtreding van de aan ontheffingen verbonden voorschriften, vormt een strafbaar feit. Artikel 4 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel 5 Dit bes"},{"i":19358,"b":"Wet van 21 maart 2025 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafrecht BES, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafvordering BES in verband met de uitbreiding van de strafbaarheid voor schadetoebrengende gedragingen ten behoeve van een buitenlandse mogendheid (uitbreiding strafbaarheid spionageactiviteiten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de mogelijkheden om strafrechtelijk op te kunnen treden tegen spionageactiviteiten te verruimen door een afzonderlijke strafbaarstelling te introduceren en de strafmaat van enkele computerdelicten te verhogen indien zij zijn gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid, om zo de belangen van Nederland, zijn bondgenoten en internationale organisaties beter te kunnen beschermen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt het Wetboek van Strafrecht. Artikel II Wijzigt het Wetboek van Strafrecht BES. Artikel III Wijzigt het Wetboek van Strafvordering. Artikel IV Wijzigt het Wetboek van Strafvordering BES. Artikel IVa Onze Minister van Justitie en Veiligheid zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":17175,"b":"MG-Circulaire en Regeling Besluit beheer sociale-huursector Geacht college / Geacht bestuur, Als gevolg van de wijzigingen van het [BBSH](onbekend) zijn corporaties met ingang van het verslagjaar 2001 verplicht de accountant om een mededeling inzake de gegevens in [Bijlage IV bij het BBSH](onbekend) te verzoeken. Daarnaast zijn in het [BBSH](onbekend) op gebied van de verantwoording met betrekking tot rechtmatigheid van handelingen enkele aanpassingen en aanvullingen doorgevoerd, zoals met name de invoering van het zesde prestatieveld 'Wonen en Zorg'. Een en ander heeft, na overleg met zowel het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (CFV), als het NIVRA en enkele grote accountantskantoren, geleid tot aanpassing van het accountantsprotocol. Bijgaand gelieve u zowel de ministeriële regeling (MR) tot wijziging van de in [artikel 29, derde lid, BBSH](onbekend) bedoelde bijlage, als het accountantsprotocol vergezeld van een korte toelichting aan te treffen. Conform de gemaakte afspraak heeft het CFV reeds medio april de accountantskantoren op de hoogte gesteld van bedoelde wijziging. De accountants konden op die wijze vooruitlopend op de inwerkingtreding van bijgevoegde MR reeds gebruik maken van het aangepaste accountantsprotocol. Voor nadere informatie over deze circulaire kunt u terecht bij de Directie Stad en Regio van het Directoraat-Generaal Wonen van het ministerie van VROM. Tel: 070-3393939 Postbus 30941 2500 GX Den Haag interne postcode (IPC) 210. Deze MG-circulaire alsmede de bijbehorende ministeriële regeling en de toelichting daarop, zullen in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18828,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 30 september 2025 nr. BOACAT2025/179, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Eenheid Landelijke Expertise en Operaties of Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies, afdeling meldkamer Gelezen het verzoek van Eenheid Landelijke Expertise en Operaties of Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies van 16 september 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie bij het Landelijk Parket en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051570&artikel=2&z=2025-10-08&g=2025-10-08). Artikel 2 Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van politie, bedoeld in [artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2), en die werkzaam zijn in de functie van generalist meldkamer, senior meldkamer en operationeel expert meldkamer die hun werkgebied hebben in de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties of Eenheid Landelijke Opspori"},{"i":19133,"b":"Richtlijn voor strafvordering inbraak/insluiping in woning Beschrijving Woninginbraken zijn gekwalificeerd als high impact crime. Bij een woninginbraak is de aantasting van de persoonlijke levenssfeer zodanig dat dagvaarden en het vorderen van een gevangenisstraf geïndiceerd is. Basiscasus/delict Inbraak respectievelijk insluiping in een woning gepleegd door één persoon met beperkte recidive. Legenda Bewoner(s) in de woning aanwezig Woninginbraken vallen onder high impact crime. Een inbraak in een woning maakt een grote inbreuk op de privacy van mensen. Het vergroot de kans op confrontatie met de inbrekers en escalatie. Het gevoel van veiligheid wordt nog meer aangetast als de bewoners thuis zijn tijdens een inbraak, dat is meer bedreigend en heeft meer impact en dient daarom van invloed te zijn op de sanctie. Voor een toelichting op de andere onderstreepte begrippen zie de [Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen](onbekend)."},{"i":17723,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging (Financieel Verdrag) Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen: Artikel 1 1. De Bondsrepubliek Duitsland betaalt het Koninkrijk der Nederlanden een bedrag van 280 miljoen DM. 2. Van het in lid 1 genoemde bedrag dient 100 miljoen DM op de dag na de inwerkingtreding van dit Verdrag, 90 miljoen DM een jaar, en 90 miljoen DM twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te worden betaald. Artikel 2 De in artikel 1 genoemde betaling vindt plaats met het oog op: - 1. - a). de nog resterende Nederlandse vorderingen uit hoofde van de bij notawisseling van 19 mei 1952 te 's-Gravenhage tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland gesloten overeenkomst inzake de restitutie van Duitse in Rijksmark luidende effecten; - b). de uitgaven welke Nederlandse publiekrechtelijke lichamen en de N.V. Nederlandsche Spoorwegen tot en met 31 maart 1960 hebben gedaan in de in artikel 4 van het heden ondertekende Grensverdrag aangegeven gebieden; - c). de bijdrage van de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten van de voorgenomen normalisering van de Westerwoldsche Aa (§ 47 van Bijlage A bij het Grensverdrag); - 2. de vorderingen, naar voren gebracht ten behoeve van Nederlanders die om redenen van ras, geloof of wereldbeschouwing getroffen zijn door nationaal-socialistische vervolgingsmaatregelen; - 3. alle tijdens de heden afgesloten onderhandelingen door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden geldend gemaakte aanspraken inzake: - a). alle door Duitse instellingen uitgegeven effecten (met inbegrip van hiervoor uitgegeven certificaten) die tijdens de tweede wereldoorlog uit Nederland zijn weggevoerd en ten aanzien waarvan niet r"},{"i":18642,"b":"Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met het stellen van regels voor het treffen van samenwerkingsvoorzieningen op initiatief van politiekorpsen en voor de informatie- en communicatievoorzieningen van de politie Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de politiekorpsen publiekrechtelijke instrumenten te bieden om de mogelijkheden voor onderlinge samenwerking op het gebied van het beheer te verbeteren, alsmede Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de bevoegdheid te geven regels te stellen over de informatie- en communicatievoorzieningen van de politie teneinde de eenduidige toepassing van deze voorzieningen binnen de politie te bevorderen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Politiewet 1993. Artikel II Wijzigt de Wet financiering decentrale overheden. Artikel III Tot het tijdstip waarop [artikel I, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018261&artikel=I&z=2006-08-01&g=2006-08-01), in werking treedt is [artikel 47a, vijfde lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=47a) van overeenkomstige toepassing op de ambtenaren die werkzaam zijn bij de Organisatie Informatie- en communicatietechnologie OOV, bedoeld in [artikel 53d, vijfde lid, van de Politiewet 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006299&artikel=53d). Artikel IV Alle op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bestaande samenwerkingsverbanden met betrekking tot het beheer van de politie tussen regio's onderling, dan wel tussen regio's en het Rijk of andere rechtspersonen, waarbij een rechtspersoon naar burgerlijk recht is opgericht, dienen uiterlijk twee jaar na dat tijdstip te zijn ontbonden. Artikel V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk"},{"i":17568,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 januari 2022, nr. IENW/BSK-2021/278136, houdende regels voor de verstrekking van een specifieke uitkering in verband met de aanleg en verbetering van openbare havenfaciliteiten op de goederenvervoercorridors Oost en Zuidoost (Specifieke uitkering versterking havenvoorzieningen goederenvervoercorridors Oost en Zuidoost 2022–2026) Gelet op [artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), de [artikelen 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044860&artikel=6), en [7, derde lid, van de Wet mobiliteitsfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044860&artikel=7) en de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=2), [3, eerste lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4) en [5, onderdelen a tot en met i en l, van de Kaderwet Subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en [artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit Subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aansluitende vaarwegen:** vaarwegen die aansluiten op de goederenvervoercorridors of die als alternatief voor de vaarwegen op de goederenvervoercorridors kunnen worden ingezet zoals de vaarwegverbindingen richting de Rotterdamse haven, Noord-Hollandskanaal tot en met Alkmaar, Zaan, Gouwe, Hollandsche IJssel, Nederrijn, Pannerdensch kanaal en de Gelderse IJssel tot en met Zutphen; - **goederenvervoercorridors:** corridor Oost (corridor Rotterdam – Arnhem/Nijmegen – Duitsland, corridor Zuidoost (corridor Rotterdam – Noord-Brabant/Limburg – Duitsland en corridor Zuid (corridor Amsterdam – Rotterdam – Moerdijk – Vlissingen – Terneuzen – Gent); - **haveninitiatief:** een (g"},{"i":18743,"b":"Besluit van 24 December 1925, tot bepaling van den duur der gevangenisstraf als bedoeld in de artikelen 369 en 376, eerste lid, van het nieuwe Wetboek van Strafvordering Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van den 27 November 1925, 2e Afdeeling A., n°. 917; Gezien de [artikelen 369](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=369) en [376, eerste lid, van het nieuwe Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=376); Den Raad van State gehoord (advies van 15 December 1925, n°. 12); Gelet op de nadere voordracht van Onzen voornoemden Minister van 19 December 1925, 2e Afdeeling A., n°. 910; Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen: Artikel 1 De duur der gevangenisstraf als bedoeld in de artikelen 369 en 376, eerste lid, van het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), wordt bepaald op zes maanden. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking tegelijk met het nieuwe [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903). Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State."},{"i":18795,"b":"Besluit Bestuurlijke Boeten Douane De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Dit besluit vervangt en actualiseert het besluit van 24 december 2019, nr. BLKB2011/2611M, Stcrt. 2019, nr. 66181 ([Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Douane](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042999)) in verband met het toevoegen van de boetebepalingen [artikel 9:1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:1a) en [9:1b aan de Algemene douanewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:1b). Daarnaast is [paragraaf 6](onbekend) vervallen. Verder zijn enkele aanpassingen van redactionele aard aangebracht. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1. Reikwijdte Hoofdstuk 2. Verzuimboeten § 2. Verzuimboeten ingevolge de [artikelen 9:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:1), [9:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:2), [9:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:3) en [9:4 Adw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:4) § 3. Verzuimboeten ingevolge [artikel 9:1a Adw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:1a) § 4. Verzuimboeten [artikel 9:1b Adw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:1b) § 5. Verzuimboeten [artikelen 6:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=6:2) en [6:3 Algemeen douanebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024235&artikel=6:3) § 6. Verzuimboeten [artikelen 10:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024291&artikel=10:1), [10:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024291&artikel=10:2), [10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024291&artikel=10:3) en [10:4 Algemene douaneregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024291&artikel=10:4) Hoofdstuk 3. Vergrijpboeten § 7. Vergrijpboeten [artikelen 9:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:1), [9:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023746&artikel=9:2), [9:3](https://wette"},{"i":19089,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 22 augustus 2005, houdende regeling van de werkzaamheden van de Inspectie voor de Sanctietoepassing (Regeling Inspectie voor de Sanctietoepassing) Gelet op [artikel 28 van de Organisatieregeling Ministerie van Justitie 2005](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018331&artikel=28); Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. ISt: de Inspectie voor de Sanctietoepassing; - b. hoofdinspecteur: het hoofd van de ISt; - c. DJI: de Dienst Justitiële Inrichtingen, bedoeld in [artikel 29 van de Organisatieregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030837&artikel=29). Artikel 2. Werkterrein Het werkterrein van de ISt omvat alle tot DJI behorende inrichtingen en landelijke diensten, alle vestigingen van de reclasseringsorganisaties en alle overige plaatsen waar sancties ten uitvoer worden gelegd. Artikel 3. Taak 1. De ISt heeft met betrekking tot het werkterrein, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018686&artikel=2&z=2011-12-20&g=2011-12-20), tot taak: - a. het houden van toezicht op de effectiviteit en kwaliteit van de uitvoering, in het bijzonder op de aspecten bejegening en beveiliging, en het daaraan gerelateerde beleid; - b. het houden van toezicht op de naleving van wet- en regelgeving. 2. Voorts is de ISt belast met de coördinatie en afstemming met andere toezichthouders. 3. De in het eerste en tweede lid genoemde taken kunnen gevraagd en ongevraagd uitgeoefend worden. 4. Uitoefening van de toezichttaken vindt plaats voor zover deze niet door anderen uitgeoefend worden, met uitzondering van de commissies van toezicht bij de inrichtingen van DJI en de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. Artikel 4. Bevoegdheden 1. De ISt is bevoegd tot inzage in alle zakelijke gegevens en bescheiden die voor de vervulling van haar taak van belang zijn en heeft"},{"i":19094,"b":"Regeling straf- en afzonderingscel penitentiaire inrichtingen Gelet op [artikel 24, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=24), en [artikel 55, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=55); Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 12 oktober 1998, nr. 715330/98, Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. wet: de [Penitentiaire beginselenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709); - b. raam: een voorziening waardoor de cyclus van dag en nacht kan worden waargenomen. Paragraaf 2. Voorwaarden Artikel 2 Bij de tenuitvoerlegging van een disciplinaire straf in een strafcel of de tenuitvoerlegging van afzondering in een afzonderingscel geldt het bepaalde in de huisregels van de inrichting waar de straf respectievelijk de afzondering ten uitvoer wordt gelegd, voorzover in deze regeling niet anders is bepaald. Artikel 3 Indien de afzondering, bedoeld in [artikel 24 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=24), - a. in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming, - b. in verband met de ernst van de gedragingen van de gedetineerde, of - c. in verband met de lichamelijke- of geestelijke toestand van de gedetineerde, niet ten uitvoer kan worden gelegd in de verblijfsruimte, bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009709&artikel=16), vindt deze plaats in een afzonderingscel. Artikel 4 De directeur geeft van een plaatsing in een straf- of afzonderingscel onverwijld kennis aan de arts die aan de inrichting is verbonden. De arts of diens vervanger, dan wel in diens opdracht de verpleegkundige, bezoekt de gedetineerde zo spoedig mogelijk in de straf- of afzonderingscel en na de melding, bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de wet,"},{"i":18945,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 10 november 2025 nr. BOACAT2025/196, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Transdev Nederland Mobility Services N.V Gelezen het verzoek van Transdev Nederland Mobility Services N.V. van 7 oktober 2025 en de adviezen van de hoofdofficier van Justitie Parket CVOM en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051762&artikel=2&z=2026-01-07&g=2026-01-07). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van medewerker Service en Veiligheid BOA I en BOA III in dienst van Transdev Nederland Mobility Services N.V. zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I"},{"i":17567,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 december 2025, nr. IENW/BSK-2025/105165, houdende regels voor de verstrekking van een specifieke uitkering in verband met de aanleg en verbetering van openbare havenfaciliteiten op de goederenvervoercorridors Oost, Zuidoost en Zuid of maatregelen gericht op het versterken van multimodaal en duurzaam gebruik van goederenvervoer op de multimodale knooppunten (Regeling specifieke uitkering realisatiepacten bovengemiddelde knooppunten goederenvervoercorridors Oost, Zuidoost en Zuid 2025–2027) [KetenID WGK027873] Gelet op [artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17), de [artikelen 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044860&artikel=6), en [7, derde lid, van de Wet mobiliteitsfonds](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044860&artikel=7) en de [artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=4) en [5, onderdelen a tot en met i en l, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=5) en [artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **bovengemiddelde logistieke multimodale knooppunten op de goederenvervoercorridors:** de zeehavens Amsterdam, Rotterdam, Moerdijk en North Sea Port (fysieke havens Terneuzen en Vlissingen) de bovengemiddelde achterlandknooppunten/binnenhavens Tilburg, Venlo, Sittard/Geleen-Stein, Tiel en Nijmegen; - **de minister:** de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - **gemeenten:** de gemeenten Rotterdam, Tilburg, Venlo, Nijmegen en Tiel; - **goederenvervoercorridors:** corridor Oost (corridor Rotterdam – Arnhem/Nijmegen – Duitsland), corridor Zuidoost (corr"},{"i":19221,"b":"Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 maart 2007, nr. DJZ/BR/1029-06, betreffende bepaalde beperkende maatregelen ten aanzien van Libanon en Syrië (Sanctieregeling Libanon en Syrië 2007) Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op Verordening (EG) nr. 305/2006 van de Raad van de Europese Unie van 21 februari 2006 tot vaststelling van specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die ervan worden verdacht betrokken te zijn bij de moord op de voormalige Libanese premier Rafiq Hariri (Pb EG L 51); Gelet op Verordening (EG) nr. 1412/2006 van de Raad van de Europese Unie van 25 september 2006 betreffende bepaalde beperkende maatregelen ten aanzien van Libanon (Pb EG L 267); Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt nr. 2006/625/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 15 september 2006 betreffende een verbod op de verkoop of levering van wapens en aanverwant materieel en op het verrichten van aanverwante diensten aan entiteiten of personen in Libanon overeenkomstig Resolutie 1701 (2006) van de VN-Veiligheidsraad (Pb EG L 253); Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=2), en [3 van de Sanctiewet 1977](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003296&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 5 van Verordening (EG) nr. 305/2006 van de Raad van de Europese Unie van 21 februari 2006 tot vaststelling van specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die ervan worden verdacht betrokken te zijn bij de moord op de voormalige Libanese premier Rafiq Hariri. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet in gevallen waarin artikel 2, vierde lid, artikel 3, eerste of tweede lid, of artikel 4 van [Verordening (EG) nr. 305/2006](32006R0305) van toepassing is. Artikel 2 1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2 van Verordening (EG"},{"i":17510,"b":"Regeling verplichte publicatie sterftecijfers instellingen voor medisch specialistische zorg Ingevolge [artikel 38, vierde juncto zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38), en [artikel 62, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), juncto [artikel 68 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van informatievoorziening over aangeboden prestaties en diensten met het oog op de doeltreffendheid, juistheid, inzichtelijkheid en vergelijkbaarheid daarvan. Artikel 1. Reikwijdte 1.1. Deze regeling is van toepassing op instellingen voor medisch specialistische zorg als bedoeld in [artikel 1.2, onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=1.2), die geneeskundige zorg, al dan niet in combinatie met chirurgische tandheelkundige hulp van specialistische aard, of verblijf, als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), leveren. 1.2. Deze regeling is niet van toepassing op instellingen voor medisch specialistische zorg, indien en voor zover deze (geriatrische) revalidatiezorg als omschreven bij of krachtens de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) leveren. Artikel 2. Doel van de regeling Het doel van deze regeling is het stellen van voorschriften, voorwaarden en/of beperkingen omtrent de publicatie van sterftecijfers door instellingen genoemd in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041145&artikel=1&z=2018-07-14&g=2018-07-14), een en ander met het oog op de doeltreffendheid, juistheid, inzichtelijkheid en vergelijkbaarheid van de door die instellingen aangeboden prestaties en diensten. Aldus wordt beoogd de sterftecijfers voor (klinisch) medisch specialistische zorg op eenduidige wijze transparant en vergelijkbaar te maken"},{"i":17098,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 juli 2003, IBE/BO-2394100, houdende goedkeuring van de regeling van de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen van 15 april 2003 inzake de instelling van specialismen volgend op het basisberoep van gezondheidszorgpsycholoog Gelet op [artikel 14, eerste en zesde lid, onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=14); Besluit: Artikel 1 De regeling inzake de instelling van specialismen volgend op het basisberoep van gezondheidszorgpsycholoog, vastgesteld door de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen van 15 april 2003, wordt goedgekeurd. Artikel 2 De titels, verbonden aan de specialismen die krachtens de in het eerste lid van bedoelde regeling in het leven zijn geroepen, worden aangemerkt als wettelijk erkende specialistentitels. Dit besluit en de regeling inzake de instelling van specialismen volgend op het basisberoep van gezondheidszorgpsycholoog zullen in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":18336,"b":"Procedureregeling voor de behandeling door de Kamer van wetgevende voorstellen van de Europese Unie in het kader van het parlementair behandelvoorbehoud en in het kader van de toetsing op aspecten van Europese rechtsgrondslag, subsidiariteit en proportionaliteit In de [Rijkswet tot de goedkeuring van het Verdrag van Lissabon](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024257) (Stb. 2008 – 301) (hierna: de Goedkeuringswet) is in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024257&artikel=4) een procedure opgenomen voor het parlementair behandelvoorbehoud. Het uitgangspunt van het behandelvoorbehoud is het versterken c.q. entameren van het politieke debat in de Tweede Kamer over Europese wetgevende voorstellen, teneinde de eigenstandige oordeelsvorming van de Kamer te stimuleren en te faciliteren. In genoemd [artikel 4 van de Goedkeuringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024257&artikel=4) is bepaald dat elk van de beide Kamers der Staten-Generaal binnen twee maanden nadat het een voorstel voor een wetgevingshandeling, als bedoeld in artikel 2 van het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, heeft ontvangen, kan besluiten dat zij het voorstel van zodanig politiek belang acht dat zij over de behandeling daarvan op bijzondere wijze wenst te worden geïnformeerd. De Kamer stelt de regering daarvan schriftelijk in kennis, waarna de regering onverwijld na de mededeling hiervan een parlementair voorbehoud in de EU dient aan te tekenen in het kader van de voor de behandeling van het voorstel te volgen wetgevingsprocedure. Vervolgens zal binnen vier weken nadat de Kamer een parlementair behandelvoorbehoud heeft geplaatst, een overleg plaatsvinden met de regering over het bijzondere politieke belang van het voorstel, waarin tevens afspraken worden gemaakt over de wijze van informatieverstrekking door de regering, over het verloop van de onderhandelingen en van de wetgevingsprocedure en over eventueel vervolgoverleg. De [Goed"},{"i":17524,"b":"Wijziging van de voortgezette toepassing van de Tijdelijke regeling eenmalige uitkering bestrijding regionale wateroverlast, in verband met invoering van het principe van ‘single information en single audit’ (Sisa) Artikel I Bij de voortgezette toepassing, met ingang van 1 januari 2008, van de [Tijdelijke regeling eenmalige uitkering bestrijding regionale wateroverlast](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016409) op voordien reeds verleende uitkeringen, overeenkomstig artikel 18 van die regeling, worden de volgende wijzigingen en afwijkingen in aanmerking genomen. - A. [Artikel 10 van de genoemde regeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016409&artikel=10) wordt toegepast met de volgende wijzigingen: - 1. In het eerste lid wordt in plaats van ‘bedraagt niet meer dan 80%, met een maximum van € 2 miljoen per jaar, van het bedrag van de verleende uitkering’ gelezen: bedraagt niet meer dan 95% van het bedrag van de verleende uitkering. - 2. Het tweede lid wordt als volgt gelezen: 2. Voorschotten worden jaarlijks op aanvraag verleend en worden betaald binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. - 3. Het derde, vierde en vijfde lid worden niet toegepast. - B. Bij de toepassing van [artikel 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016409&artikel=11), wordt in plaats van ‘Indien wijzigingen worden aangebracht in het projectplan of in een uitvoeringsplan’ gelezen: Indien als gevolg van vertraging dan wel anderszins wijzigingen worden aangebracht in het projectplan of in een uitvoeringsplan. - C. Indien de aanvrager van de uitkering een gemeente is, al dan niet optredend mede namens een waterschap, wordt, in afwijking van [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016409&artikel=12), de vaststelling van de uitkering aangevraagd in het jaar na de voltooiing van de activiteiten, waarbij het tweede lid, onderdeel b, en het derde lid buiten toepassing blijven en het vierde lid van overeenkomstige toepassing is. - D. Indien"},{"i":17173,"b":"Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening houdende regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten voor de realisatie van woonruimten voor aandachtsgroepen (Meerjarige regeling specifieke uitkeringen aandachtsgroepen) Gelet op [artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&artikel=17) juncto [artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:23); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aandachtsgroepen:** dak- en thuisloze mensen, mensen met sociale of medische urgentie, statushouders, mensen die uitstromen uit een intramurale situatie, arbeidsmigranten, ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van [Richtlijn 2001/55/EG](32001L0055), woonwagenbewoners en uitwonende studenten; - **bijlage:** bijlage bij deze regeling; - **college:** college van burgemeester en wethouders; - **minister:** Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; - **woonruimte:** ruimte die ter bewoning voor verhuur wordt aangeboden tegen een prijs: - –. die niet hoger ligt dan de bedragen, bedoeld in [artikel 20, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008659&artikel=20); - –. die niet hoger ligt dan de maximaal redelijke aanvangshuurprijs voor die woonruimte op basis van de bij of krachtens [artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10) bepaalde waardering; en - –. waarvan het maximale huurverhogingspercentage bedraagt het bij of krachtens [artikel 10, derde lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014315&artikel=10) vastgestelde maximale huurverhogingspercentage. Artikel 2. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt 1. De minister kan op aanvraag van een college"},{"i":3234,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 7 mei 2024 nr. BOACAT2024/037, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Emmen Gelezen het verzoek van gemeente Emmen van 8 april 2024 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049700&artikel=2&z=2026-05-08&g=2026-05-08). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van gemeente Emmen, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten bu"},{"i":4954,"b":"Mandaatverlening internationale inlichtingenuitwisseling Gelet op [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=5) en [artikel 7 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=7); en Gelet op het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 31 december 1997, nr. [AFZ97/3284M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009293), houdende [mandaatverlening bevoegde autoriteit inzake internationale uitwisseling van inlichtingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009293); Besluit: De Directeur Algemene Fiscale Zaken, De volgende functionarissen aan te wijzen om namens de Staatssecretaris van Financiën besluiten ingevolge [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=5) en [artikel 7 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003954&artikel=7) te nemen: - Het Hoofd en het Plaatsvervangend Hoofd van de Afdeling Wederzijdse Bijstand van de Directie Algemene Fiscale Zaken, - Het Hoofd van Belastingdienst/FIOD, voor besluiten betreffende de inlichtingenuitwisseling inzake de belastingen naar het inkomen, de winst en het vermogen, de heffing van belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en schenkingen, alsmede de omzetbelasting, - Het Hoofd van Belastingdienst/Douane Informatiecentrum, voor besluiten betreffende de inlichtingenuitwisseling inzake de accijns op minerale oliën, de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken en de accijns op tabaksfabrikaten, - Het Hoofd van Belastingdienst/Centrale eenheid Intra Communautaire Transacties, voor besluiten betreffende de inlichtingenuitwisseling ter zake van de omzetbelasting met betrekking tot intracommunautaire transacties. Het Hoofd van Belastingdienst/FIOD, het Hoofd Belastingdienst/Douane Informatiecentrum en het Hoofd Belastingdienst/Centrale eenheid Intra Communautaire Trans"},{"i":79,"b":"Beleidsregel van de Stichting Autoriteit Financiële Markten van 14 april 2009 inzake de tijdige verstrekking van het Uniform Pensioen Overzicht door een pensioenuitvoerder aan een deelnemer (Beleidsregel tijdigheid verstrekking Uniform Pensioen Overzichten) 1. Wettelijk kader Uit hoofde van [artikel 48 van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=48) en [artikel 59 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=59) is de pensioenuitvoerder verplicht de deelnemer aan een pensioenregeling ‘tijdig’ een jaaropgave te verstrekken in de vorm van een Uniform Pensioen Overzicht (UPO). De pensioenuitvoerder dient het UPO jaarlijks te verstrekken, uit hoofde van [artikel 38, eerste lid van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=38) en [49, eerste lid van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=49). De onderstaande beleidsregel is geconsulteerd onder pensioenuitvoerders, brancheorganisaties en overige belanghebbenden in de pensioensector. Dit is een beleidsregel als bedoeld in [artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) (Awb). De bevoegdheid van de AFM tot het vaststellen van deze beleidsregel is gebaseerd op [artikel 4:81, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81). 2. Beleidsregel Deze beleidsregel bepaalt op basis van welk criterium de Autoriteit Financiële Markten tot het oordeel komt of een pensioenuitvoerder voldoet aan de wettelijke eis tot tijdige verstrekking van het UPO. Een pensioenuitvoerder voldoet aan de wettelijke verplichting tot tijdige verstrekking van het jaarlijkse UPO indien de deelnemer het UPO ontvangt zodra mogelijk maar uiterlijk aan het einde van het derde kalenderkwartaal, dus uiterlijk op 30 september. Slotbepalingen De bekendmaking van deze beleidsregel vindt p"},{"i":99,"b":"Beleidsregels verwerking persoonsgegevens gezondheid zieke werknemers Voor u liggen de beleidsregels ‘De zieke werknemer’. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving, nieuwe jurisprudentie en recente onderzoeksrapporten van de Autoriteit Persoonsgegevens is besloten de publicatie ‘De zieke werknemer en privacy’ van februari 2008 te herzien en te actualiseren. De beleidsregels ‘De zieke werknemer’ vervangen dan ook deze oudere publicatie. Met de publicatie van deze beleidsregels biedt de Autoriteit Persoonsgegevens informatie aan werknemers, werkgevers en andere partijen die gegevens over de gezondheid van (zieke) werknemers verwerken. De beleidsregels zijn gebaseerd op nadere invulling van wettelijke regels voor het verwerken van persoonsgegevens, jurisprudentie en algemene normen voor uitwisseling van gegevens over de gezondheid. Daarnaast zijn de normen in deze beleidsregels het uitgangspunt voor de Autoriteit Persoonsgegevens bij het toepassen van handhavende maatregelen. De beleidsregels zijn in een consultatieronde in 2015 aan vertegenwoordigers van betrokken partijen voorgelegd. Het merendeel van de geconsulteerde partijen heeft gereageerd op de consultatieversie van de beleidsregels. Op meerdere plaatsen waaronder de paragraaf over het wettelijk kader en de paragraaf over betrokken partijen bij de ziekteverzuimbegeleiding en re-integratie zijn naar aanleiding van de consultatie wijzigingen aangebracht ten opzichte van de consultatieversie. Overigens hebben niet alle reacties tot wijziging van de beleidsregels geleid bijvoorbeeld omdat deze te algemeen waren of de voorgestelde wijzigingen/geschetste praktijkvoorbeelden niet conform wet- en regelgeving bleken. Een toekomstige werkgever mag geen vragen stellen over de gezondheid van een sollicitant of diens ziekteverzuim in het verleden. (Hoofdstuk 3.1.) Alleen onder strikte voorwaarden mag een werkgever een aanstellingskeuring laten uitvoeren. Een van de voorwaarden is dat de functie bijzondere eisen stelt aan de med"},{"i":122,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 20 augustus 2021, nr. IENW/BSK-2021/127014, houdende aanwijzing van ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 (Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993) Gelet op [artikel 24a van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=24a); BESLUIT: Artikel 1 De ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving, bedoeld in [artikel 24a van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006073&artikel=24a). Artikel 2 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 september 2021. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":136,"b":"Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media houdende het opheffen van de beperking aan de openbaarheid van archiefbescheiden, opgenomen in Archief van de Directie Pensioenen en Wachtgelden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, 1953–1997, nummer toegang 2.04.98 Gelet op [artikel 15, derde lid Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Gelet op het [besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 januari 2011 houdende de beperking van de openbaarheid van het archief betreffende de Directie Pensioenen en Wachtgelden, 1953–1997, ressorterend onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029437) (Staatscourant 2011, 635), Gehoord hebbende de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Besluit: Artikel 1 De beperking die is gesteld aan de openbaarheid van de volgende inventarisnummers wordt opgeheven; 19-147, 150-153. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":137,"b":"Besluit beperking van de openbaarheid van de archieven van de Uitvoeringsinstelling Sociale zekerheid voor Overheid en Onderwijs, bestuurder Arbeidsvoorziening en de Centrale organisatie Werk en Inkomen Gelet op [artikel 15, lid 1, onder a Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), [artikel 10 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=10) en het advies van het Nationaal Archief d.d. 11-06-2015, met kenmerk 15.696 Besluit: Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is het inventarisnummer van het archief van de Uitvoeringsinstelling Sociale zekerheid voor Overheid en Onderwijs beperkt openbaar tot 1 januari van het jaar genoemd in de tweede kolom | Inventarisnummers | Beperkt openbaar tot 1 januari | | --- | --- | | 171a | 2074 | Artikel 2 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers van het archief van bestuurder Arbeidsvoorziening, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot de eerste januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 14 | 2024 | | 15 | 2024 | | 16 | 2024 | | 17 | 2025 | | 18 | 2025 | | 44 | 2025 | | 45 | 2023 | | 46 | 2023 | | 91 | 2025 | | 93 | 2025 | | 94 | 2025 | | 98 | 2025 | | 99 | 2025 | Artikel 3 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers van het archief van Centrale organisatie Werk en Inkomen, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot de eerste januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | | 259 | 2025 | | 262 | 2025 | | 631 | 2019 | | 632 | 2021 | | 633 | 2021 | | 634 | 2021 | | 635 | 2020 | | 637 | 2021 | | 638 | 2021 | | 639 | 2021 | | 640 | 2023 | | 641 | 2023 | | 642 | 2023 | Artikel 4 Raadpleging of gebruik van de archiefbescheiden geborgen onder de inventarisnummers genoemd in de [ar"},{"i":197,"b":"Besluit van De Nederlandsche Bank NV van 20 november 2007, nr. Juza/2007/00681/CLR, tot vaststelling van formulieren ten behoeve van de meldingen, bedoeld in de artikelen 102, eerste lid, en 125, onderdeel b, van de Pensioenwet respectievelijk de meldingen, bedoeld in de artikelen 107, eerste lid, en 25, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit vaststelling meldingsformulieren pensioenfondsen) Na overleg met de representatieve organisaties; Gelet op de [artikelen 102, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=102), en [125, onderdeel b, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=125) respectievelijk de [artikelen 107, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=107), en [25, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=25); Besluit: Artikel 1 De formulieren voor de melding van de oprichting van een pensioenfonds, bedoeld in [artikel 102, eerste lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=102) respectievelijk [artikel 107, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=107) worden vastgesteld: - a. voor bedrijfstakpensioenfondsen: volgens het model van [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022906&bijlage=A&z=2007-11-29&g=2007-11-29) van dit besluit; - b. voor beroepspensioenfondsen: volgens het model van [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022906&bijlage=B&z=2007-11-29&g=2007-11-29) van dit besluit; - c. voor ondernemingspensioenfondsen en niet-verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen: volgens het model van [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022906&bijlage=C&z=2007-11-29&g=2007-11-29) van dit besluit. Artikel 2 1. De melding van de oprichting van een pensioenfonds, bedoeld in [artikel 102, eerste lid, van de Pensioenwet](https://wett"},{"i":199,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Arbeidsverhoudingen 1945 tot heden (Minister van Buitenlandse Zaken) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25-9-2007 , aca-2007.03991/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Arbeidsverhoudingen over de periode 1945 tot heden’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst. Basisselectiedocument overheidspersoneel Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdrager Minister van Buitenlandse Zaken **Project Wegwerken Archief Achterstanden (PWAA)** **Vastgestelde versie, oktober 2007** Lijst van afkortingen ABP: Algemeen burgerlijk pensioenfonds AOP: Adviescommissie overheidspersoneel ARAR: [Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950) Art: Artikel ASIO: (werkgroep) Aard, structuur en inhoud van het overleg Biza: Ministerie van Binnenlandse Zaken BSD: Basisselectiedocument CCGOA: Centrale Commissie voor georganiseerd overleg in ambtenarenzaken COR: Centraal orgaan voor Rijkspersoneelsaangelegenheden DC: Dienstcommissie ESH: Europees Sociaal Handvest ICPR: Interdepartementale Coördinatievergadering Personeelsbeleid Rijksdienst KB: Koninklijk besluit OR: Ondernemingsraad ROP: Raad voor overheidspersoneelsbeleid RIO: Rapport institutioneel onderzoek"},{"i":238,"b":"Circulaire Regeling werkgeversbijdrage kinderopvang rijkspersoneel Aan: de Ministers Hierbij doe ik u toekomen de [Regeling werkgeversbijdrage kinderopvang rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017415) (Staatscourant 10 november 2004, nr. 217). Zoals eerder is meegedeeld, is het overleg met de vakcentrales over een rijksbrede kinderopvangregeling mislukt. Dit heeft ertoe geleid dat de [Regeling werkgeversbijdrage kinderopvang rijkspersoneel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017415) eenzijdig is vastgesteld. Op grond van vorengenoemde regeling heeft de ambtenaar die tevens ouder is, aanspraak op een bijdrage in de door hem of diens partner te betalen kosten van kinderopvang. De bijdrage bedraagt een zesde deel van de aan de ambtenaar of diens partner in rekening gebrachte kosten. Voor ambtenaren met een partner van wie de werkgever niet of in geringe mate bijdraagt in de kosten van kinderopvang geldt een overgangsregeling op grond waarvan tijdelijk een aanvullende bijdrage in de kosten kan worden verstrekt. Deze overgangsregeling geldt ook voor ambtenaren met een partner die geen werkgeversbijdrage ontvangt, omdat deze als zelfstandig ondernemer of freelancer werkzaam is. De aanvullende bijdrage die op grond van de overgangsregeling wordt toegekend bedraagt voor het jaar 2005 maximaal een zesde deel van de door de ambtenaar of diens partner te betalen kosten. Met ingang van 1 januari 2006 wordt de aanvullende bijdrage jaarlijks met een derde deel verminderd, zodat in 2006 nog aanspraak bestaat op een aanvullende bijdrage van twee derde en in 2007 van een derde deel van dit deel van de kosten. Met ingang van 1 januari 2008 vervalt de aanvullende bijdrage. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat niet is afgesproken dat in de IKAP-regeling rijkspersoneel een bepaling zal worden opgenomen die aanspraak geeft op een belastingvrije vergoeding voor een eventueel ontbrekende werkgeversbijdrage. Het is mogelijk dat bonden zullen proberen in het departe"},{"i":253,"b":"Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers De Lid-Staten van de Raad van Europa, die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden, ten einde, met eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de idealen en beginselen, die hun gemeenschappelijk erfdeel zijn, te beschermen en te verwezenlijken, alsmede hun economische en sociale vooruitgang te stimuleren, Overwegende dat de rechtspositie van migrerende werknemers die onderdaan zijn van de Lid-Staten van de Raad van Europa, dient te worden geregeld ten einde hun voor zover mogelijk een behandeling te verzekeren die niet minder gunstig is dan die welke de nationale werknemers van de ontvangende Staat genieten ten aanzien van de levens- en arbeidsomstandigheden, Vastbesloten de maatschappelijke vooruitgang en het welzijn van de migrerende werknemers en hun gezinsleden te bevorderen, Bevestigend dat de rechten en voorrechten die zij aan elkaars onderdanen verlenen, worden toegekend op grond van de grote verbondenheid die krachtens het statuut tussen de Lid-Staten van de Raad van Europa bestaat, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I Artikel 1. Begripsomschrijving 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „migrerende werknemer\" verstaan de onderdaan van een Verdragsluitende Partij die van een andere Verdragsluitende Partij toestemming heeft gekregen om op haar grondgebied te verblijven ten einde aldaar arbeid in loondienst te gaan verrichten. 2. Dit Verdrag is niet van toepassing op: - a. grensarbeiders; - b. kunstenaars, met inbegrip van artiesten op het gebied van variété, cabaret en toneel, alsmede sportlieden die voor een korte tijd te werk worden gesteld en personen die een vrij beroep uitoefenen; - c. zeelieden; - d. personen die een opleiding volgen; - e. seizoenarbeiders; migrerende seizoenarbeiders zijn personen die, als onderdaan van een Verdragslui"},{"i":500,"b":"Verdrag betreffende arbeidsstatistieken De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen op 7 juni 1985 in haar eenenzeventigste Zitting, Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot de herziening van het Verdrag betreffende de statistieken van lonen en arbeidsduur, 1938 (Nr. 63), welk onderwerp als vijfde punt op de agenda van de Zitting voorkomt, Overwegende, dat deze voorstellen de vorm van een internationaal verdrag dienen te krijgen, Neemt heden, de vijfentwintigste juni van het jaar negentienhonderdvijfentachtig het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als het Verdrag betreffende arbeidsstatistieken, 1985: I. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Ieder Lid dat dit Verdrag bekrachtigt, verbindt zich ertoe regelmatig basisstatistieken inzake arbeid te verzamelen, samen te stellen en te publiceren, die, overeenkomstig de middelen waarover dit Lid beschikt, geleidelijk dienen te worden uitgebreid tot de volgende onderwerpen: - (a). de beroepsbevolking, werkgelegenheid, werkloosheid waar van toepassing en zo mogelijk, zichtbare onderbenutting van arbeidskrachten; - (b). de opbouw en de verdeling van de beroepsbevolking, als basis voor een gedetailleerde analyse en als referentiekader; - (c). de gemiddelde inkomsten uit arbeid en de arbeidsduur (feitelijk gewerkte uren of betaalde uren) en, waar passend, de tarieven van uurlonen en de normale arbeidsduur; - (d). loonopbouw en -verdeling; - (e). arbeidskosten; - (f). consumptieprijsindexcijfers; - (g). uitgaven van huishoudens of, waar passend, uitgaven van gezinnen, en zo mogelijk inkomsten van huishoudens of, waar passend, inkomsten van gezinnen; - (h). arbeidsongevallen en, voor zover mogelijk, beroepsziekten; alsmede - (i). arbeidsconflicten. Artikel 2 Bij het uitwerken of herzien van de begrippen, de definities en de methodiek die wordt gehanteerd bi"},{"i":527,"b":"Verdrag betreffende gelijke kansen voor en gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke arbeiders: arbeiders met gezinsverantwoordelijkheden De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau, en aldaar bijeengekomen in haar zevenenzestigste zitting op 3 juni 1981; Gelet op de Verklaring van Philadelphia inzake de doelstellingen van de Internationale Arbeidsorganisatie, waarin wordt erkend dat „alle mensen, ongeacht hun ras, geloof of geslacht, het recht hebben om, in vrijheid en waardigheid, in economische zekerheid en met gelijkheid van kansen, te streven naar materiële vooruitgang en naar geestelijke ontwikkeling\", en Gelet op de bewoordingen van de Verklaring inzake gelijkheid van kansen voor en gelijke behandeling van vrouwelijke arbeiders en van de resolutie inzake een actieplan ter bevordering van de gelijkheid van kansen voor en gelijke behandeling van vrouwelijke arbeiders, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in 1975, en Gelet op de bepalingen van internationale arbeidsovereenkomsten en aanbevelingen, die erop zijn gericht de gelijkheid van kansen voor en gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke arbeiders te verzekeren, met name het [Verdrag en de Aanbeveling betreffende gelijke beloning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004933), 1951, het [Verdrag en de Aanbeveling betreffende discriminatie (arbeid en beroep)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004947), 1958 en [Deel VIII van de Aanbeveling betreffende menselijke hulpbronnen](onbekend), 1975, en Eraan herinnerend dat in het[Verdrag betreffende discriminatie (arbeid en beroep)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004947), 1958, niet uitdrukkelijk aandacht wordt besteed aan onderscheid gemaakt op basis van gezinsverantwoordelijkheid, en overwegende dat te dien aanzien aanvullende normen noodzakelijk zijn, en Gelet op de bewoordingen van de Aanbeveling betreffe"},{"i":528,"b":"Verdrag betreffende gelijkheid van behandeling van vreemde arbeiders en eigen onderdanen voor de ongevallenverzekering VERDRAG BETREFFENDE GELIJKHEID VAN BEHANDELING VAN VREEMDE ARBEIDERS EN EIGEN ONDERDANEN VOOR DE ONGEVALLENVERZEKERING. De Algemeene Conferentie van de Internationale Organisatie van den Arbeid, door den Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 19 Mei 1925 in hare zevende zitting, besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende „gelijkheid van behandeling van vreemde arbeiders en eigen onderdanen voor de ongevallenverzekering”, welk onderwerp het 2de punt vormt van de agenda der zitting en besloten hebbende, dat deze voorstellen den vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden den 5den Juni 1925 het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden het “Verdrag betreffende gelijkheid van behandeling van vreemde arbeiders en eigen onderdanen voor de ongevallenverzekering, 1925”, ter bekrachtiging door de leden van de Internationale Organisatie van den Arbeid, zulks overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie: Artikel 1 1. Ieder Lid van de Internationale Organisatie van den Arbeid, dat dit verdrag bekrachtigt, verbindt zich om de onderdanen van elk ander Lid, dat dit verdrag bekrachtigd heeft, aan wie een ongeval overkomt op zijn grondgebied, en hunne rechtverkrijgenden, met betrekking tot de ongevallenverzekering op denzelfden voet te behandelen als zijn eigen onderdanen. 2. Deze gelijkheid van behandeling zal verzekerd zijn aan vreemde arbeiders en hun rechtverkrijgenden zonder dat daaraan eenige voorwaarde betreffende de woonplaats wordt verbonden; evenwel zullen de maatregelen te nemen met betrekking tot de betalingen, die een Lid of zijn onderdanen krachtens dit beginsel te doen heeft of hebben buiten zijn grondgebied, indien zulks noodig is, vastgesteld worden bij speciale regelingen getroffen tusschen de"},{"i":670,"b":"Besluit van 23 juni 2023, houdende wijziging van het Bezoldigingsbesluit 1998 BES, het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES, het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES, het Besluit rechtspositie korps politie BES en het Dienst- en werktijdenbesluit brandweerkorps BES (formalisering arbeidsvoorwaardenovereenkomst Rijksambtenaren BES 2021–2023) Artikel I. Wijziging van het [Bezoldigingsbesluit 1998 BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028491) Wijzigt het Bezoldigingsbesluit 1998 BES. Artikel II. Wijziging van het [Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693) Wijzigt het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES. Artikel III. Wijziging van het [Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028606) Wijzigt het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES. Artikel IV. Wijziging van het [Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767) Wijzigt het Besluit rechtspositie korps politie BES. Artikel V. Wijziging van het [Dienst- en werktijdenbesluit brandweerkorps BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028723) Wijzigt het Dienst- en werktijdenbesluit brandweerkorps BES. Artikel VI. Overgangsbepaling In afwijking van [artikel 37a, tiende lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=37a) kan een ambtenaar tussen 1 januari 2022 en 1 januari 2023 voor meer dan 36 uur gemiddeld per week worden aangesteld, indien dit in het belang van de dienst is. Het bevoegd gezag zet een aanstelling als bedoeld in de eerste volzin met ingang van 1 januari 2023 om in een aanstelling van gemiddeld 36 uur per week. De bezoldiging van de ambtenaar met een betrekking van meer dan 36 uur per week wordt vastgesteld op de bezoldiging bij een volledige betrekking, vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de noemer 36 is en de teller het aantal voor die ambtenaar geldend"},{"i":675,"b":"Besluit van 18 juni 2012, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES in verband met de invoering van een nieuwe studiefaciliteitenregeling Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 april 2012, nr. 2012-0000166083; Gelet op de [artikelen 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215&artikel=81) en [120a van de Ambtenarenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028215&artikel=120a); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 mei 2012, nr. W04.12.0122/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 mei 2012, nr. 2012-0000281703; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES. Artikel II Wijzigt het Besluit rechtspositie korps politie BES. Artikel III Ten aanzien van studieopdrachten en studiefaciliteiten die aan de ambtenaar door het bevoegde gezag zijn verstrekt voor 1 november 2011 blijven [artikel 72 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028693&artikel=72), onderscheidenlijk de [artikelen 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=89), [91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=91) en [92 van het Besluit rechtspositie korps politie BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028767&artikel=92) zoals die luidden op 31 oktober 2011 van toepassing. Artikel IV Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2011. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":866,"b":"Besluit van 17 juni 2020, houdende vaststelling van het Besluit belasting- en invorderingsrente Artikel 1 1. Het percentage van de belastingrente, bedoeld in [artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=30hb), voor een kalenderjaar is voor de inkomstenbelasting, de erfbelasting, de loonbelasting, de dividendbelasting, de omzetbelasting, de overdrachtsbelasting, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, de accijns, de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, de in [artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007168&artikel=1) genoemde belastingen, de cijns en het oppervlakterecht gelijk aan het percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie die heeft plaatsgevonden vóór 1 november van het aan het betreffende kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, vermeerderd met 3 procentpunt, met dien verstande dat: - a. aanpassing van het percentage, indien nodig, jaarlijks per 1 januari geschiedt; - b. afronding van het percentage plaatsvindt op halve procentpunten; - c. het percentage ten minste 4,5 bedraagt; en - d. aanpassing van het percentage is beperkt tot maximaal 2 procentpunt per wijziging. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor de vennootschapsbelasting, de bronbelasting, de minimumbelasting, de solidariteitsbijdrage en het winstaandeel, met dien verstande dat, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c: - a. het percentage van de herfinancieringsrente wordt vermeerderd met 5,5 procentpunt; en - b. het percentage van de belastingrente ten minste 5,5 bedraagt. 3. Het percentage van de belastingrente dat van toepassing is gedurende een kalenderjaar geldt slechts voor het gedeelte van het rentetijdvak dat valt in dat kalenderjaar. Artikel 2 Het percentage van de invorderingsrente, bedoeld in [artikel 29 van de Invor"},{"i":872,"b":"Besluit Beroep in Belastingzaken **De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.** **Dit besluit actualiseert het Besluit Beroep in Belastingzaken (BBIB) van 7 april 2017, nr. 2017-59142 (** **Stcrt. 2017, 22374** **). De voornaamste wijzigingen zijn: (i) vereenvoudiging van de wijze waarop de rechter de procesmachtiging van de inspecteur kan nagaan; (ii) regeling voor het uitzonderlijke geval dat de inspecteur een wrakingsverzoek nodig vindt; en (iii) vergoeding van wettelijke rente als de vergoeding van griffierecht of proceskosten niet binnen vier weken is uitbetaald (cf. HR 21 december 2018,** **ECLI:NL:HR:2018:2358** **). Voorts zijn diverse actualisaties doorgevoerd en redactionele aanpassingen gedaan, zoals de verwerking van de nieuwe topstructuur van de Belastingdienst.** 1. Algemeen 1.0. Inleiding Wijzigingen kunnen in meerdere paragrafen terugkomen, dit is niet altijd afzonderlijk vermeld. Voorts is de tekst op diverse punten redactioneel aangepast, daarmee is geen beleidswijziging beoogd. 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen 1.2. Procesmachtiging en wraking 1.3. Registratie beroepschriften en verweerschriften 1.4. Bewaking van de gevolgen van de procedure De inspecteur draagt zorg voor de benodigde maatregelen om de gevolgen van een lopende procedure te bewaken in verband met: 2. Beroep bij de rechtbank 2.1. Rechtstreeks beroep 2.1.1. Instemming door de inspecteur 2.1.2. Doorzending van het bezwaarschrift Als de inspecteur instemt met het verzoek om rechtstreeks beroep te mogen instellen, zendt hij het bezwaarschrift, met daarop aangetekend de dagtekening van ontvangst, onverwijld door aan de bevoegde rechter. 2.1.3. Afwijzen van het verzoek Als de inspecteur de zaak niet geschikt acht voor rechtstreeks beroep wijst hij het verzoek af. De inspecteur neemt de afwijzing in de beslissing op het bezwaarschrift op. Behoudens in de gevallen waarin van horen wordt afgezien omdat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk onge"},{"i":1917,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 december 2010, nr. WJZ/250927 (8303), houdende wijziging van de Regeling behandeling bezwaarschriften OCW en intrekking van de Regeling vaste vergoeding voorzitters Commissie voor bezwaarschriften OCW in verband met de opheffing van de Commissie voor bezwaarschriften van het Ministerie van OCW Gelet op [artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13) en [artikel 4, eerste lid, van het Besluit vergoedingen adviescolleges](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=4); Besluit: Artikel I De Commissie voor bezwaarschriften als bedoeld in [artikel 6 van de Regeling behandeling bezwaarschriften OCW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023195&artikel=6) wordt per 1 juni 2011 opgeheven. Artikel II Wijzigt de Regeling vaste vergoeding voorzitters Commissie voor bezwaarschriften OCW. Artikel III Wijzigt de Regeling behandeling bezwaarschriften OCW. Artikel IV De [Regeling vaste vergoeding voorzitters Commissie voor bezwaarschriften OCW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026035) wordt ingetrokken. Artikel V [Artikel 1 van de Regeling vaste vergoeding voorzitters Commissie voor bezwaarschriften OCW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026035&artikel=1), zoals dat artikel luidde op 31 maart 2011, respectievelijk zoals dat luidde op 31 mei 2011, blijft van toepassing met betrekking tot de afhandeling van betalingsverplichtingen die voor 1 april 2011, respectievelijk in het tijdvak van 1 april 2011 tot en met 31 mei 2011, zijn ontstaan. Artikel VI 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van de [artikelen II tot en met IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029365&artikel=II&z=2011-06-01&g=2011-06-01). 2. [Artikel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029365&artikel=II&z=2011-06-01&g=2011-06-01) treedt i"},{"i":1141,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 19 november 2021, houdende de instelling van een bezwaarschriftenadviescommissie ter behandeling van bezwaren tegen besluiten inzake de hersteloperatie toeslagen (Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen) Gelet op [artikel 49e van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=49e); Besluit: Artikel 1. Reikwijdte Deze regeling berust op [artikel 5.2 van de Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=5.2). Artikel 2. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **adviescommissie:** commissie, genoemd in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045876&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **bestuur:** bestuur, genoemd in [artikel 5a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045876&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **minister:** Minister van Financiën; - **ministerie:** Ministerie van Financiën; - **wet:** [Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436). Artikel 3. Instelling en taak 1. Er is een Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen. 2. De adviescommissie heeft tot taak: - a. het adviseren van de Dienst Toeslagen over bezwaren tegen beschikkingen die gegeven zijn op grond van de [artikelen 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.1), [2.4 tot en met 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.4) en [2.9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436&artikel=2.9); - b. het horen van een belanghebbende van een voorgelegd bezwaar, indien dat door de adviescommissie nodig wordt geacht. 3. De adviescommissie brengt in ieder geval geen advies uit over een bezwaar, indien: - a. er naar het oordeel van de Dienst Toeslagen geen sprake is van een rechtsvraag met principiële betekenis voor soortgelijke gevallen en de b"},{"i":12460,"b":"Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 8 januari 2013, nr. 3681777, tot machtiging van de manager van het Expertisecentrum Organisatie en Personeel inzake bezwaar- en beroepsprocedures betreffende personeelsaangelegenheden Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder de manager: de algemeen manager van het Expertisecentrum Organisatie en Personeel, ressorterend onder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. Aan de manager wordt inzake personeelsaangelegenheden machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften, waaronder het ondertekenen van stukken in het kader van bezwaarprocedures, het ondertekenen van verweerschriften in bezwaar- en beroepsprocedures, het instellen van bezwaar bij uitvoeringsorganisaties, het instellen van beroep en hoger beroep bij rechtbanken en de Centrale Raad van Beroep, het vertegenwoordigen van de minister ter zitting, het verdagen van de beslistermijn in bezwaarzaken als bedoeld in [artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) alsmede het doen van mededelingen als bedoeld in [artikel 4:14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:14), [artikel 4:15, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15), en artikel 7:10, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 2. Aan de manager wordt machtiging verleend om bij de behandeling van een geschil inzake personeelsaangelegenheden één of meer personen als medegemachtigde te introduceren. 3. Het instellen van bezwaar, beroep en hoger beroep geschiedt uitsluitend na een daartoe strekkende opdracht. 4. De manager kan voor aangelegenheden als bedoeld in het eerste en tweede lid machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende medewerkers. Artikel 3 De uit dit besluit voor de manager voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op zijn plaatsvervanger."},{"i":1647,"b":"Verordening van het Productschap Tuinbouw van 3 juli 2001, houdende de vaststelling van een bijzondere heffing over de teelt van fruit en champignons voor het jaar 2002 op voorstel van de Sectorcommissie Groenten en Fruit; gelet op [artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=126) en op de [artikelen 14](onbekend), [15](onbekend) en [19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998](onbekend); besluit: § 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de [artikelen 2](onbekend) en [3 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw](onbekend). 2. In deze verordening wordt verstaan onder: | a. | productschap | : | Productschap Tuinbouw; | | --- | --- | --- | --- | | b. | bestuur | : | het bestuur van het productschap; | | c. | voorzitter | : | de voorzitter van het productschap; | | d. | onderneming | : | onderneming waarvoor het productschap is ingesteld; | | e. | ondernemer | : | de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming drijft; | | f. | braakland | : | de gronden die in enig oogstjaar tot en met april van het daarop volgend oogstjaar niet worden beteeld, alsmede niet beteelde gronden, waarop in juli of augustus in enig oogstjaar aardbeien zullen worden geplant en waarvan in het daaropvolgende jaar zal worden geoogst; | | g. | cultuurgrond | : | beteelde grond, braakland, de oppervlakte van de grond die gemoeid is met het gebruik van elk ander groeimedium met behulp waarvan de in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012630&paragraaf=3&artikel=4&z=2002-04-20&g=2002-04-20) genoemde gewassen of producten kunnen worden geteeld, of ten tijde van het tijdvak, bedoeld in de [Regeling Landbouwtelling](onbekend), nog niet beteelde grond waarbij een teelt voor eind augustus wordt ingezet; | | h. | teelt onder glas | : | iedere andere teelt dan die in de open grond; | | i. | gemeten maat | : | de oppervlakte beteelbare grond, i"},{"i":4680,"b":"Instelling Interdepartementale Commissie voor Veiligheid en Rechtshandhaving handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Besluiten: Artikel 1 Er is een Interdepartementale Commissie voor Veiligheid en Rechtshandhaving (ICVR). Artikel 2 1. De commissie is voorportaal van de Raad voor Justitie, Bestuur en Veiligheid voor zover het betreft de voorbereiding van de besluitvorming in die raad over belangrijke wetgeving en beleidsonderwerpen op het terrein van: - a. rechtshandhaving, met inbegrip van criminaliteit; - b. rechtspleging; - c. beheer van de politie; - d. integraal veiligheidsbeleid. 2. De commissie kan overigens desgevraagd of uit eigen beweging adviseren over onderwerpen van algemeen handhavingsbeleid. Artikel 3 De commissie brengt de in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010653&artikel=2&z=1999-08-22&g=1999-08-22) bedoelde adviezen uit aan de Minister van Justitie en de Minister van Binnen-landse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 4 1. Iedere minister wijst een lid en een plaatsvervangend lid aan. Een minister zonder portefeuille kan een lid en een plaatsvervangend lid aanwijzen. 2. De Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties benoemen ieder een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. 3. Het secretariaat van de commissie berust bij het Ministerie van Justitie en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezamenlijk. 4. De commissie kan haar werkwijze en die van het secretariaat regelen. Artikel 5 De commissie evalueert haar functioneren voor 1 januari 2003. Zij brengt het verslag van de evaluatie ter kennis van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties. Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":5828,"b":"Subtaak- en ondermandaatbesluit Directie Communicatie 2022 Gelet op [artikel 26 van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746&artikel=26) en op [artikel 3 van het Ondermandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit SG Defensie 2022](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046552&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **bewindspersoon:** Minister van Defensie of Staatssecretaris van Defensie, afhankelijk van wie het aangaat; - b. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon besluiten te nemen; - c. **volmacht:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten; - d. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2. Organisatie van de Directie Communicatie De directie Communicatie bestaat uit: - a. de sectie Parlement & Beleid; - b. de sectie Krijgsmacht & Operaties; - c. de sectie Newsroom; - d. sectie Strategie en Innovatie; - e. de sectie WOO. Artikel 3. Plaatsvervangend directeur De directeur Communicatie laat zich bij de uitvoering van zijn taken, genoemd in [artikel 7, onder a, van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044746&artikel=7), bijstaan door een plaatsvervangend directeur die is belast met: - 1°. de plaatsvervanging van de directeur Communicatie bij diens afwezigheid. Artikel 3a. Ondermandaat, -volmacht en -machtiging Plv. directeur Communicatie Aan de plv. directeur van de directie Communicatie wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend met betrekking tot de aangelegenheden die ingevolge van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047423&artikel=3&z=2022-11-04&g=2022-11-04) tot zijn werkterrein behoren. Artikel 4. Uitzondering op verleende bevoegdheden De functionaris, bedoeld in [artikel 3a](https://wetten."},{"i":2824,"b":"Beschikking verslag commissie beheer landbouwgronden Gelet op [artikel 30, tweede lid, van de Wet Agrarisch Grondverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003386&artikel=30) (Stb. 1981, 248); Besluit: Artikel 1 1. Het verslag van de commissie beheer landbouwgronden over de werkzaamheden-van het bureau, wordt jaarlijks vóór 1 juli uitgebracht. 2. Het in het eerste lid bedoelde verslag heeft betrekking op de werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar. Artikel 2 1. Het verslag wordt in een vergadering van de commissie vastgesteld. 2. Nadat het verslag is uitgebracht wordt het verschijnen ervan in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 1982 en wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt."},{"i":5765,"b":"Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 7 juli 2021, kenmerk 3222015-1012271-MEVA, houdende regels voor het subsidiëren van opleidingsactiviteiten in verband met de opleiding tot Arts Internationale Gezondheid en Tropengeneeskunde 2021–2026 (Subsidieregeling opleidingsactiviteiten AIGT 2021–2026) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009455&artikel=3) en [artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvrager:** arts in opleiding tot Arts Internationale Gezondheid en Tropengeneeskunde, die is ingeschreven in het betreffende profielregister; - **minister:** Minister voor Medische Zorg; - **opleiding AIGT:** opleiding tot Arts Internationale Gezondheid en Tropengeneeskunde als bedoeld in het Besluit van 25 juni 2020 houdende de aanvullende opleidings-, erkenningseisen voor het profiel internationale gezondheidszorg en tropengeneeskunde van het College Geneeskundig Specialismen; - **opleidingsactiviteiten:** het volgen van het onderdeel ‘Buitenland’ van de opleiding AIGT; - **opleidingsinstituut:** Opleidingsinstituut Internationale Gezondheidzorg en Tropengeneeskunde; - **studiejaar:** het jaar waarin de aanvrager met het onderdeel ‘Buitenland’ van de opleiding AIGT start of is gestart. Artikel 2. Toepasselijkheid [Kaderregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) Op deze regeling is de [Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603) van toepassing, met uitzondering van de [artikelen 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=3.2), [7.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=7.4) en [10.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=10.1). Artikel 3. Subsidiabele activiteiten 1. De minister kan op aanvraag eenmalig een subsidie verstrekken aan de aa"},{"i":5836,"b":"Tarieventabel Handhaving Centraal Bureau voor de Statistiek 2023 Algemeen De wetgever heeft het tot stand komen van betrouwbare en actuele statistieken zo belangrijk geacht, dat het verstrekken van gegevens door ondernemingen, vrije beroepsbeoefenaren, instellingen en rechtspersonen – onder nader bepaalde voorwaarden – wettelijk verplicht is gesteld. Tevens heeft de wetgever daarbij een wettelijke bevoegdheid aan de Directeur-generaal van de Statistiek verleend om in geval van het niet naleven van de responsverplichting een last onder dwangsom en/of bestuurlijke boete op te leggen aan de overtreder ([artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=43) en [51 van de CBS-wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015926&artikel=51)). In deze Tarieventabel Handhaving Centraal Bureau voor de Statistiek (verder: tarieventabel) wordt uitgewerkt hoe deze bevoegdheid wordt uitgeoefend. Het doel van de bestuursrechtelijke handhaving van de responsverplichting (verder: handhaving) is om de volledigheid van de respons binnen de wettelijke inzendtermijn van verplichte statistieken te verhogen. Dit bevordert de tijdigheid en kwaliteit van de CBS statistieken. De uitvoering van handhaving gebeurt door de afdeling handhaving van het CBS (verder: de afdeling). Zowel voor de bestuurlijke boete als de last onder dwangsom geldt dat de hoogte van de boete, respectievelijk de te verbeuren dwangsom, wordt bepaald door een afweging van de aard, ernst en omvang van de overtreding met inachtneming van het wettelijke maximum van de bestuurlijke boete. De tarieventabel geeft voor deze afweging richtlijnen. Door rekening te houden met de omvang van een onderneming, recidive, gebruik te maken van een escalatieladder en rekening te houden met eventuele andere feiten en omstandigheden wordt ervoor gezorgd dat het handhavingsbeleid voldoet aan het evenredigheidsbeginsel. De bestuurlijke sancties die het CBS gebruikt zijn over het algemeen geschikt en noodzakelijk om te bewer"},{"i":3976,"b":"Besluit van 26 januari 1998, houdende vaststelling van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998 Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 4 december 1997, nr. J. 9713365, Directie Juridische Zaken; Gelet op [artikel 3 van de Visserijwet 1963](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002416&artikel=3); De Raad van State gehoord (advies van 17 december 1997, no. W11.97.0777); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 19 januari 1998, No. J. 98360, Directie Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In afwijking in zoverre van [artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringwet Visserijverdrag 1967](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002897&artikel=1) wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken; - b. vissersvaartuig: - 1°. vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van [Verordeningen (EG) nr. 1954/2003](32003R1954) en [(EG) nr. 1224/2009](32009R1224) van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. [2371/2002](32002R2371) en (EG) nr. [639/2004](32004R0639) van de Raad en Besluit [2004/585/EG](32485R2004) van de Raad (PbEU 2013, L 354), dat geldt als Nederlands op grond van [artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringswet Visserijverdrag 1967](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002897&artikel=1), of - 2°. vaartuig dat is uitgerust voor de commerciële exploitatie van vis in het IJsselmeer; - c. eigenaar: natuurlijke of rechtspersoon die de eigendom heeft; - d. visserijregister: het register, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009353&artikel=4&z=2018-01-01&g=2018-01-01). Artikel 2 Vervallen Artikel 3 1. Bij regeling van Onze Minister worden de gemeenten aangewezen die in aanmerkin"},{"i":2800,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, oktober 2011 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand oktober 2011, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,125 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 oktober 2011, doch niet later dan 15 november 2011 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 1,452 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 oktober 2011 en eindigende met 15 november 2011 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=89), is verleden, bedraagt het rentepercentage dat voor de toepassi"},{"i":2880,"b":"Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2005 Overwegende, dat het indexcijfer der CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, per 30 september 2004 afwijkt van het overeenkomstig indexcijfer per 30 september 2003; Gelet op [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9); Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9) wordt vastgesteld op 1,1. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekendgemaakt in de Staatscourant, de Curaçaose Courant en de Landscourant van Aruba. Artikel 3 Deze beschikking treedt in werking op 1 januari 2005. Zij wordt aangehaald als: Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2005."},{"i":3071,"b":"Besluit van 11 december 2008, houdende regels inzake de kwaliteit en integriteit van beëdigde tolken en vertalers (Besluit beëdigde tolken en vertalers) Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 15 juli 2008, nr. 5554808/08/6; Gelet op de [artikelen 2, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=2), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=3), [4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=4), [8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=8), [16, vierde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=16); De Raad van State gehoord (advies van 20 augustus 2008, nr. W03.08.0302/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 4 december 2008, nr. 5576160; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **wet:** de [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704); - b. **commissie:** de commissie beëdigde tolken en vertalers, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2020-07-01&g=2020-07-01); - c. **klachtencommissie:** de klachtencommissie, bedoeld in [artikel 16, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704&artikel=16). Hoofdstuk 2. De commissie beëdigde tolken en vertalers Artikel 2 1. Er is een commissie beëdigde tolken en vertalers. 2. De commissie is belast met de volgende taken: - a. het adviseren over de aanwijzing van onafhankelijke deskundigen als bedoeld in [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&hoofdstuk=4&artikel=8&z=2020-07-01&g=2020-07-01); - b. het adviseren over opleidingen als bedoeld in [artikel 11, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896&hoofdstuk=5&artikel=11&z=2020-07-01&g=2020-07-01); - c. het adviseren over de competenties, ge"},{"i":3233,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 31 oktober 2023 nr. BOACAT2023/078, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Eemsdelta Gelezen het verzoek van de gemeente Eemsdelta van 23 oktober 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048854&artikel=2&z=2024-04-10&g=2024-04-10). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van toezichthouder Publiek domein dienst van de gemeente Eemsdelta en zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de"},{"i":5796,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 28 oktober 2022, nr. WJZ/ 22086636, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat aan strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s van onderzoeksinstituten (Subsidieregeling strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s (SBO)) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **algemene groepsvrijstellingsverordening:** [verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); - **arbeidsovereenkomst:** een arbeidsovereenkomst als bedoeld in [artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=610); - **daadwerkelijke samenwerking:** daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in artikel 2, onderdeel 90, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel h, van het O&O&I-steunkader; - **experimentele ontwikkeling:** experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel k, van het O&O&I-steunkader; - **fundamenteel onderzoek:** fundamenteel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 84, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel n, van het O&O&I-steunkader; - **industrieel onderzoek:** industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel r, van het O&O&I-steunkader; - **kostendrager:** een product dat, of een in economisch opzicht homogene groep van producten die, als voorwerp van calculatie wordt gekozen; - **Minister:** - a. Minister van Economische"},{"i":5743,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 maart 2017, nr. 1074316, houdende regels voor het verstrekken van subsidie aan leraren met onderwijsbevoegdheid om substantiële scholing te bevorderen (Subsidieregeling lerarenbeurs) Gelet op de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2), [4, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4), en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5); BESLUITEN: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **ambulant begeleider:** degene die op of na 1 mei 2012 tewerkgesteld was onderscheidenlijk is in het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs of bij een regionaal expertisecentrum en daarbij ondersteuning bood onderscheidenlijk biedt op een basisschool, speciale school voor basisonderwijs, school voor voortgezet onderwijs, of een opleiding genoemd in [artikel 7.2.2., eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2), bij het begeleiden van leerlingen met fysieke, sociaal-emotionele, cognitieve en/of motorische beperkingen in de vorm van ambulante begeleiding, ofwel op basis van een indicatie in de vorm van leerlinggebonden financiering, ofwel in het kader van preventie of terugplaatsing; - –. **bacheloropleiding:** opleiding als bedoeld in [artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.3a) of een opleiding buiten Nederland maar binnen de Europese Unie of het Koninkrijk der Nederlanden, die vergelijkbaar is met een dergelijke opleiding wat betreft niveau, kwaliteit en afsluitend examen; - –. **basisonderwijs:** basisonderwijs als bedoeld in [artikel 2 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.ove"},{"i":7189,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds beleidsterrein Staatsschuld periode 1945-2003 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 3 februari 2005, nr. arc-2004.01843/2); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Staatsschuld over de periode 1945–2003](onbekend)’. en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":4189,"b":"Besluit van 12 december 2013 tot vaststelling van subsidieplafond 2014 voor de rondes in de regeling projectsubsidies publicaties van de Stichting Nederlands Letterenfonds Gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), Gelet op [artikel 4, zesde lid, Algemeen reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735&artikel=4). Het bestuur besluit: Voor subsidies als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032647&artikel=2) jo [artikel 9, eerste lid, van de Regeling projectsubsidies voor publicaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032647&artikel=9) gelden in 2014 de volgende subsidieplafonds: In totaal € 2.337.500,–."},{"i":6796,"b":"Aanpassing toelage onregelmatige dienst personenchauffeurs en vergoeding privé-ruimte telewerken I. Inleiding/managementinformatie In [artikel 7 van het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst](onbekend) wordt binnenkort een derde lid opgenomen waarin is vermeld dat de in eerste lid vermelde vaste toelage van € 113,45 (f 250,-) voor het werken op onregelmatige uren door personenchauffeurs met een volledige arbeidsduur wordt geïndexeerd. Bij [circulaire](onbekend) van 27 augustus 2001, nr. AD2001/ U75809, is de uitkomst van die indexering voor de periode van 1 juli 1998 tot en met 1 januari 2001 reeds daaraan aangepast. Thans wordt het, in de genoemde [circulaire](onbekend), laatst geldende bedrag van € 279 aangepast aan de salarisontwikkeling per 1 oktober 2001 en per 1 juli 2002. [Artikel 7, vierde lid, van de Raamregeling Telewerken](onbekend) bevat eveneens een indexatie van het bedrag voor vergoeding van de kosten voor gebruik privé-ruimte van € 60 (f 132,22). Ook dit bedrag dient te worden aangepast aan de salarisontwikkeling per 1 oktober 2001 en per 1 juli 2002. II. Besluit personenchauffeurs rijksdienst De vaste toelage voor het werken op onregelmatige uren voor personenchauffeurs met een volledige arbeidsduur, als bepaald in [artikel 7, eerste lid, van het besluit](onbekend) van f 279,00 (= € 126,60) wordt overeenkomstig de algemene wijziging van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel per 1 oktober 2001 en 1 juli 2002 als volgt aangepast: Aan de hand van het bovenstaande kunt u de individuele aanspraak van iedere personenchauffeur, die op de ingangsdatum van deze circulaire een aanstelling heeft als personenchauffeur, afzonderlijk vaststellen. U kunt het met deze aanspraak corresponderende bedrag reeds voorafgaand aan de formalisering van de indexering van de vaste toelage uitbetalen. Daarnaast dient met ingang van 1 mei 2002 over te worden gegaan tot uitbetaling van de vaste vergoeding van € 131,16 per maand en met ingang van 1 juli 2002 van € 131,82"},{"i":4111,"b":"Besluit van 12 april 2000, houdende de toekenning van een vaste beloning aan de (plaatsvervangend) voorzitter en de niet-ambtelijke leden van de commissie, bedoeld in artikel 2 van het Besluit V.W.S.-commissie bezwaarschriften Awb (Besluit vaste beloning V.W.S.-commissie bezwaarschriften Awb) Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 april 2000, kenmerk DWJZ-U-2052757; Gelet op [artikel 3 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=3); Hebben goedgevonden en verstaan: Werkt terug tot en met 1 maart 2000. Artikel 1 Aan de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter en de commissie voor de bezwaarschriften, bedoeld in artikel 3, eerste lid , onderdeel a en b van het Besluit V.W.S.-commissie bezwaarschriften Awb wordt in plaats van een vacatiegeld een vaste beloning ten bedrage van € 658 per zitting toegekend. Artikel 2 Aan de leden van de commissie voor de bezwaarschriften, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit V.W.S.-commissie bezwaarschriften Awb, wordt in plaats van vacatiegeld een vaste beloning van € 545 per zitting toegekend. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 maart 2000. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaste beloning V.W.S-commissie bezwaarschiften Awb. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":13158,"b":"Contributieverordening 2013 Gelet op de [artikelen 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002856&artikel=24), en [30, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002856&artikel=30), Stelt de volgende verordening vast: Artikel 1 De contributie voor de contributiegroepen, bedoeld in [artikel 2 van de Algemene contributieverordening 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031866&artikel=2), bedraagt: - H. openbaar accountant € 1.210 - M. intern accountant en overheidsaccountant € 810 - L. accountant in business € 405 - Z. lid zonder arbeidsinkomen € 155 Artikel 2 Het bedrag van de vermindering, bedoeld in [artikel 6 van de Algemene contributieverordening 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031866&artikel=6), bedraagt: - H. openbaar accountant € 0 - M. intern accountant en overheidsaccountant € 0 - L. accountant in business € 0 - Z. lid zonder arbeidsinkomen € 0 Artikel 3 De korting, bedoeld in [artikel 7 van de Algemene contributieverordening 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031866&artikel=7), wordt vastgesteld op: 0. Artikel 4 Het percentage, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, van de Algemene contributieverordening 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031866&artikel=8), wordt vastgesteld op: 4. Artikel 5 Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013. Artikel 6 Deze verordening wordt aangehaald als: Contributieverordening 2013."},{"i":2053,"b":"Besluit van 30 november 2012 tot aanpassing van diverse besluiten aan de Politiewet 2012 (Aanpassingsbesluit Politiewet 2012) Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 19 september 2011, nr. 570323/11/6; Gelet op de [artikelen 44, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44), en [89 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=89), de [artikelen I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=I) en [IV van de Wet bescherming staatsgeheimen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002074&artikel=IV), de [artikelen 3, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=3), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=22), [28, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=28), en [35 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004581&artikel=35), de [artikelen 18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=18), [124, zesde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=124), [127, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=127), [130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130)[149a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=149a), [163, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=163), en [173, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=173), [artikelen 37ac, eerste lid, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37ac), [artikel 17, derde lid, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17), de [artikelen 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=9), [27b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=27b), [6"},{"i":2095,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 oktober 2017, kenmerk 1223400-167181-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidzorg inzake bekostiging van de postmortale weefselketen 2019 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7): Gezien de brieven van 6 juli 2017 aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake de reactie op het advies van de Gezondheidsraad ‘Naar een duurzame weefselketen’ 2014 (Kamerstukken II 2016/17, 28 140, nr. 100); Na op 6 juli 2017 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen een aanwijzing te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit inzake de bekostiging van de weefselketen (Kamerstukken II 2016/17, 28 140, nr. 99); Gezien de Korte aantekeningen van de vergadering van 12 september 2017 van de commissie Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en de Besluitenlijst van de procedurevergadering van 13 september 2017 van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; Besluit: Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen Artikel 1. definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - –. **beschikbaar:** landelijke beschikbaarheid van uitnameteams, zodanig dat binnen 24 uur na overlijden van de donor gestart wordt met de uitnameprocedure en de uitgenomen weefsels gereed zijn voor transport naar een weefselbank; - –. **beschikbaarheidbijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 56a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56a); - –. **Besluit:** [Besluit beschikbaarheidbijdrage Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031971); - –. **Bijlage:** bijlage behorende bij de [artikelen 2](https://wetten.overheid.n"},{"i":2109,"b":"Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 november 2017, kenmerk 1251427-169794-Z, houdende aanwijzing van de besteedbare middelen ter dekking van de beheerskosten Wlz 2018 (Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018) Gelet op [artikel 4.3 van het Besluit Wfsv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019070&artikel=4.3); Besluit: Artikel 1 De besteedbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) te maken beheerskosten bedragen voor het jaar 2018 € 191,395 miljoen. Artikel 2 Van het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040273&artikel=1&z=2018-01-01&g=2018-01-01) genoemde bedrag is € 76,657 miljoen beschikbaar voor de taken, bedoeld in [artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=4.2.4), € 27,416 miljoen voor de SVB voor de uitvoering van de taak, bedoeld in [artikel 3.3.3, zevende lid, van de Wlz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.3.3) en € 87,322 miljoen voor de overige bij of krachtens die wet geregelde taken van de Wlz-uitvoerders. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzing besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2018. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":7879,"b":"Besluit van 31 mei 2022, houdende toestemming als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder c, van de Bankwet 1998 tot het verrichten van werkzaamheden in verband met de omwisseling van hryvnia voor Oekraïense ontheemden Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 31 mei 2022, nr. 2022-0000151974, directie Financiële Markten; Gelet op [artikel 9, aanhef en onder c, van de Bankwet 1998](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009508&artikel=9); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Aan De Nederlandsche Bank N.V. wordt toestemming verleend om werkzaamheden te verrichten ter uitvoering van de Aanbeveling van de Raad van 19 april 2022 betreffende de omwisseling van hryvnia-biljetten in de valuta van de lidstaten van ontvangst ten behoeve van ontheemden uit Oekraïne (PbEU 2022, C 166). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juni 2022. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 mei 2022, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 juni 2022. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst."},{"i":4489,"b":"Circulaire van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 oktober 2006, inzake Gereinigd gas uit B-hout 1. Inleiding 1.1. Aanleiding In Nederland vindt verbranding van afvalstoffen plaats onder de regelgeving van het [Besluit verbranden afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016460) (Bva) of onder de regelgeving van het [Besluit emissie-eisen stookinstallaties A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004147) en [B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004833) (Bees). Welk Besluit van toepassing is hangt af van de mate van vervuiling van de betreffende afvalstof. Voor wat betreft de beleidsmatige voorkeur voor de verwerking van afvalstoffen is in het LAP per afvalstof een minimum standaard aangegeven. De algemene leidraad is dat als verbranden de voorkeur heeft, vuile afvalstromen onder Bva condities dienen te worden verbrand en schone afvalstoffen, waaronder schone biomassastromen, onder Bees condities dienen te worden verbrand. In de dagelijkse praktijk heeft de indeling naar schoon en minder schoon van vooral biomassastromen voor onduidelijkheid gezorgd qua toewijzing naar verwerkingsregime. Ter verduidelijking is de zogenaamde ‘witte’- en ‘gele’ lijst ontstaan om een ordening tussen schone en vervuilde stromen te verkrijgen. De huidige vorm van de witte- en gele lijst is een voortvloeisel van de circulaire ‘Emissiebeleid voor energiewinning uit biomassa en afval’ van 1 april 2002. Voorgeschakeld aan verbrandings- of stookinstallaties bestaan operationele systemen, en initiatieven, tot het vergassen van B-hout. Het gas dat uit de vergassing wordt verkregen wordt na reiniging ingezet als brandstof in de verbranding- of stookinstallatie. Volgens de huidige reikwijdte van het [Bva](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016460) dient dit gas onder Bva condities te worden verbrand. Aangezien het gas gereinigd wordt tot op het niveau van A-hout bestaat anderzijds de mening dat dit gas als schone brandst"},{"i":3092,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 5 november 2008, nr. WJZ / 8170868, houdende bekendmaking van het via de procedure van veilen verdelen van twee vergunningen voor frequentieruimte ten behoeve van digitale omroep De Staatssecretaris van Economische Zaken, handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Besluit op grond van [artikel 3.3, vijfde en zevende lid, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=3.3) en [artikel 3, eerste en derde lid, van het Frequentiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009997&artikel=3) het volgende: 1. Omvang bekendmakingbesluit Het onderhavige besluit behelst twee elementen: Voorts wordt ter informatie mededeling gedaan van het tijdstip waarop de procedure voor de verdeling aanvangt, alsmede van de uit de ‘[Regeling aanvraagprocedure en veiling gebruiksrechten frequentieruimte voor digitale omroep alsmede vaststelling van een maximum aan te verwerven digitale omroepfrequentieruimte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024730)’ voortvloeiende maximering van de te verwerven digitale omroepfrequentieruimte. 2. Uitgangspunten verdeling frequenties Door middel van een wijziging van het [Nationaal Frequentieplan 2005](onbekend) (hierna: NFP) van 5 november 2008 (Stcrt. 2008, 220) is voor digitale omroep frequentieruimte bestemd. Onder ‘digitale omroep’ worden begrepen innovatieve multimediale omroeptoepassingen zoals mobiele video, datadiensten en het toevoegen van beelden aan radioprogramma’s. Dit is in lijn met technologisch ontwikkelingen en de wens van partijen om deze toepassingen aan te gaan bieden. De vergunninghouder kan zelf kiezen van welke digitale technologie hij gebruik wil maken, mits de in de vergunning vastgelegde maximale storingslimieten in acht worden genomen. Ik wijs erop dat de bestemming voor de onderhavige frequentieruimte in het [NFP](onbekend) pas recentelijk is gewijzigd en nog rechtens aantastbaar is"},{"i":3490,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 oktober 2006, nr. MC-2725263, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de vaststelling van de contracteerruimte 2007 voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als omschreven bij de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614). Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels op. Artikel 2 Voor het jaar 2007 stelt de Nederlandse Zorgautoriteit de totale contracteerruimte en een maximale contracteerruimte per zorgkantoorregio vast voor zorg als bedoeld in [Artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020456&artikel=1&z=2006-10-31&g=2006-10-31). De totale contracteerruimte is het bedrag, exclusief de in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020456&artikel=7&z=2006-10-31&g=2006-10-31) van deze aanwijzing geoormerkte gelden, dat maximaal beschikbaar is voor het maken van de voor toetsing relevante productieafspraken tussen zorgkantoren en zorgaanbieders. De contracteerruimte per zorgkantoorregio is het aan een zorgkantoorregio toegerekende aandeel in de totale contracteerruimte. Artikel 3 De Nederlandse Zorgautoriteit bepaalt de totale contracteerruimte voor het jaar 2007 via eenzelfde systematiek als ook voor de jaren 2005 en 2006 is toegepast door het College tarieven gezondheidszorg op basis van de [Wet tarieven gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003356). De totale contracteerruimte voor 2007 berekent de Nederlandse Zorgautoriteit als volgt: - 1. Startpunt is de som van de totale gehonoreerde productieafspraken in 2006 ten laste van de contracteerruimte 2006 en de niet benutte contracteerruimte over het jaar 2006. - 2. Het bedrag voortvloeiend uit het"},{"i":4259,"b":"Besluit van 16 maart 1993, houdende regels inzake het beschikbaar stellen van bijdragen uit 's Rijks kas met het oog op de kosten die in een politieregio worden gemaakt ter uitvoering van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, nr. 674) Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 24 september 1992, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, nr. PRP 92/U710, en directoraat-generaal Wetgeving, nr. W.311163/93/6; Gelet op [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005911&paragraaf=4&artikel=11&z=1993-04-23&g=1993-04-23) van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (**Stb.** 1991, nr. 674) en [artikel 237**b** van de gemeentewet](onbekend) (**Stb.** 1931, 89); Gezien het advies van de Raad voor de gemeentefinanciën (advies van 30 september 1991, nr. 108910 Rgf 27/80); Gehoord de Commissie voor de gemeentelijke comptabiliteitsvoorschriften (advies van 17 februari 1992, nr. GCV/YA/92/4); De Raad van State gehoord (advies van 22 december 1992, nr. W04.92.0457); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 1 maart 1993, nr. E93/U480, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie; Hebben goedgevonden en verstaan: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; - b. de burgemeester: de burgemeester, bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel; - c. de hoofdofficier: de hoofdofficier van justitie, bedoeld in artikel 1, onder **b**, van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel; - d. de politieregio: de politieregio, bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel; - e. de gemeente: de gemeente waarvan de burgemeester is belast met de taak, bedoeld in artikel 4 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel; - f. het regionaal overlegorgaan: het regi"},{"i":4551,"b":"Continuïteit centrale salarisverwerking en bekostiging Het CASO-systeem is al 35 jaar het salarissysteem voor het onderwijsveld. Het systeem is toegesneden op de regelgeving die voor het onderwijs geldt. Zo zijn er speciale voorzieningen voor het Vervangingsfonds, het Participatiefonds, het Spaarfonds en het Risicofonds. Bovendien verzorgt het systeem de bekostigingsaanvraag in de sector primair onderwijs. Het ministerie van OCenW heeft u met brief FacB/IA/01/17135 geïnformeerd over de beslissing om aan PinkRoccade Public een exclusieve licentie te verstrekken voor het gebruik van de CASO-programmatuur ten behoeve van dienstverlening aan het onderwijsveld. De belangrijkste consequentie hiervan is dat het ministerie vanaf 1 januari 2002 geen dienstverlener meer is voor de centrale salarisverwerking met behulp van de CASO-programmatuur. Om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen is overeengekomen dat PinkRoccade Public de dienstverlening aanbiedt onder voorwaarden die zoveel mogelijk in lijn zijn met de huidige deelnamevoorwaarden. Dit betekent niet dat de instellingen verplicht zijn een overeenkomst met PinkRoccade Public te sluiten. De instellingen bepalen zelf hoe en door wie zij de salarissen laten berekenen. Inmiddels heeft het ministerie met brief FacB/IA/01/29792 de overeenkomst voor deelname aan het CASO-systeem opgezegd. Daarnaast is in Uitleg Gele katern nummer 20 d.d. 12 september 2001 de beleidsregel Vaststelling nieuwe bepalingen en voorwaarden voor deelname aan het CASO-systeem ingetrokken met ingang van 1 januari 2002. Nu het ministerie vanaf 1 januari 2002 geen dienstverlener meer is, moeten de instellingen die op dit moment gebruik maken van deze dienstverlening, een contract sluiten met een dienstverlener. Zonder een contract met een dienstverlener kunnen geen diensten worden verricht ten behoeve van de berekening en betaling van salarissen. De dienstverlening houdt immers onder meer in dat namens de werkgevers salarissen worden berekend"},{"i":2363,"b":"Beleidskader van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 oktober 2023, houdende bijdrageregeling begeleiden van ex-gedetineerden voor wonen en werken 2024 1. Inleiding Sinds 2014 worden gemeenten gestimuleerd bij het opzetten van trajecten voor begeleiding van (ex-)gedetineerde burgers. De aanleiding hiervoor is een aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Van der Staaij, waardoor structureel € 2,5 mln. per jaar beschikbaar is voor gemeenten.1Kamerstukken II 2013/14, nr. 33 750 VI. Per 2023 is de ‘[Bijdrageregeling begeleiden van ex-gedetineerden voor wonen en werken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047603)’ structureel verhoogd tot in totaal € 4,5 mln. Met die regeling kunnen gemeenten extra projecten starten om ex-gedetineerden aan een woning en werk te helpen. In de afgelopen jaren is gebleken dat deze gelden een stimulans zijn voor gemeenten om gezamenlijk of met particuliere organisaties trajecten op het terrein van wonen en werken voor (ex-)gedetineerde burgers op te zetten of te financieren. De onderhavige bijdrageregeling is in lijn met de visie op gevangenisstraffen2Visie op gevangenisstraffen: ‘Recht doen, kansen bieden. Naar effectievere gevangenisstraffen‘, Kamerstukken II 2017/18, 29 279 nr. 439.van juni 2018, waarin de samenwerking tussen DJI en verschillende netwerkpartners een belangrijke plaats inneemt. Eén van die netwerkpartners is de gemeente, die een grote rol heeft bij het op orde krijgen van de vijf basisvoorwaarden voor een succesvolle re-integratie: werk & inkomen, wonen, zorg, identiteitsbewijs en schuldhulpverlening. Ook is bekend dat veel gemeenten al voorafgaand aan een detentie vormen van hulp of ondersteuning bieden en dat zij die hulp of ondersteuning tijdens en na detentie voortzetten. Deze bijdrageregeling is een stimulans voor het realiseren van de ambities uit het bestuurlijk akkoord ‘Kansen bieden voor re-integratie’. In dit akkoord, dat op 1 juli 2019 is ondertekend door de Minister voor Rechtsbescherming, de VNG, de"},{"i":5771,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 oktober 2013, nr. WJZ/560472 (10352), houdende regels voor subsidieverstrekking ter stimulering van praktijkleren en het verrichten van onderzoek (Subsidieregeling praktijkleren) Gelet op [artikel 2.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.7) en de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [10 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=10); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **beroepsopleiding:** beroepsopleiding als bedoeld in [artikel 7.1.2, tweede lid, van de WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.1.2), of [artikel 7.1.2, tweede lid van de WEB BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.1.2); - b. **gerealiseerde praktijkleerplaats:** het aantal weken dat tijdens de praktijkleerplaats daadwerkelijk onderricht in de praktijk van het beroep plaats vindt tot ten hoogste 40 weken per studiejaar gedeeld door 40 voor zover het een beroepsopleiding, het voortgezet speciaal onderwijs of het voortgezet onderwijs betreft, onderscheidenlijk tot ten hoogste 42 weken gedeeld door 42 voor zover het een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft; - c. **gerealiseerde werkleerplaats:** het aantal maanden in een studiejaar dat een promovendus zijn onderzoek verricht of een technologisch ontwerper in opleiding staat ingeschreven bij een universiteit voor zijn opleiding, gedeeld door twaalf en vermenigvuldigd met de totale arbeidsduur van de promovendus of technologisch ontwerper in opleiding in uren per week tot ten hoogste 36 uur gedeeld door 36; - d. **hbo-student:** student die is ingeschreven aan een hoger beroepsopleiding; - e. **KNAW:** Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen, bedoeld in [artikel 1.5, eerste lid, van de WHW](https://wetten"},{"i":2723,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, december 2005 gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit : Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand december 2005, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 3,625 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 december 2005, doch niet later dan 15 januari 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,495 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 december 2005 en eindigende met 15 januari 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overhei"},{"i":4690,"b":"Instellingsbeschikking Commissie-Swart Overwegende, dat het wenselijk is om te onderzoeken of de bepalingen in het [Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903) betreffende Internationale Rechtshulp in het licht van de steeds toenemende behoefte aan internationaal strafrechtelijke samenwerking beantwoorden aan de behoeften van de praktijk; Besluit een Commissie in te stellen met de navolgende taakopdracht: te onderzoeken of, in het licht van de steeds toenemende behoefte aan internationale strafrechtelijke samenwerking: - a. de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering wijziging of aanvulling behoeven met het oog op de rechten van de verdachte en van andere belanghebbenden in of bij een vervolging in Nederland, in gevallen waarin de rechtshulp van andere Staten wordt verlangd; - b. het Wetboek van Strafvordering aanvulling behoeft met bepalingen die waarborgen bevatten voor de rechten van de verdachte en van andere belanghebbenden in gevallen waarin Nederland uitvoering geeft aan verzoeken om rechtshulp van andere Staten. De Commissie dient, indien zij van oordeel is dat het Wetboek van Strafvordering op een der genoemde onderdelen moet worden gewijzigd of aangevuld, voorstellen tot een dergelijke wijziging of aanvulling te formuleren. In de Commissie hebben zitting: - a. als voorzitter: - prof. mr. A. H. J. Swart, hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht aan de Rijksuniversiteit te Utrecht; - b. als leden: De Commissie kan zich wenden tot de onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie ressorterende diensten en instellingen voor het verkrijgen van de inlichtingen die zij behoeft. Van dit besluit, dat zal worden gepubliceerd in de Staatscourant, wordt een afschrift gezonden aan de Algemene Rekenkamer. - mr. F. C. Bakker, rechter in de arrondissementsrechtbank te Haarlem; - te 's-Gravenhage; - mr. P. C. Kortenhorst, arrondissementsofficier van justitie in het arrondissement Amsterdam; - mr. M. G. van der Vegt, korpsc"},{"i":5785,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2008, nr. WJZ/8187136, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten op het terrein van sterktes in innovatie (Subsidieregeling sterktes in innovatie) Gelet op de [artikelen 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [6, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=6), [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=9), [12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=12), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=13), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=15), [17, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), [18, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=18), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=21), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=44),[50, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=50), en [53, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=53); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Vervallen Artikel 1.2 Vervallen Artikel 1.3 Vervallen Artikel 1.4 Vervallen Artikel 1.5 Vervallen Hoofdstuk 1a. Toeslag voor Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag) Artikel 2.1 Vervallen Artikel 2.2 Vervallen Artikel 2.3 Vervallen Artikel 2.4 Vervallen Artikel 2.5 Vervallen Artikel 2.6 Vervallen Artikel 2.7 Vervallen Artikel 2.8 Vervallen Artikel 2.9 Vervallen Artikel 2.10 Vervallen Artikel 2.11 Ve"},{"i":8208,"b":"HERDRUK Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 november 2025, nr. 2025-0000243803, tot het tijdelijk doen van verstrekkingen aan personen in verband met een medische evacuatie uit Gaza (Tijdelijke regeling verstrekkingen medisch evacués Gaza) [KetenID WGK028395] Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [9 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=9); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **begeleider:** persoon die een medisch geëvacueerde begeleidt en gelijktijdig met de medisch geëvacueerde vanuit Gaza tijdelijk naar Nederland is gekomen en door het bevoegde gezag als evacué is geregistreerd; - –. **bevoegd gezag:** de Minister van Buitenlandse Zaken; - –. **medisch geëvacueerde:** persoon die op 30 oktober 2025 vanuit Gaza tijdelijk naar Nederland is gekomen voor een medische behandeling, die op die datum de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en die door het bevoegde gezag als evacué is geregistreerd voor die medische behandeling; - –. **buitengewone kosten:** noodzakelijke, onvermijdbare kosten die in Nederland worden gemaakt en die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de medisch geëvacueerde en begeleider zelf te worden betaald; - –. **SVB:** Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - –. **minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2. Verstrekkingen 1. De medisch geëvacueerde en een begeleider van die geëvacueerde hebben gedurende hun tijdelijk verblijf in Nederland recht op de volgende verstrekkingen: - a. een eenmalige tegemoetkoming voor de aanloopkosten; - b. een wekelijkse toelage voor de aanschaf van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven. 2. De medisch geëvacueerde en diens beg"},{"i":8286,"b":"Wet van 6 juli 2004 tot aanpassing van de Auteurswet 1912, de Wet op de naburige rechten en de Databankenwet ter uitvoering van richtlijn nr. 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PbEG L 167) (Uitvoering richtlijn auteursrecht en naburige rechten in de informatiemaatschappij) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de [Auteurswet 1912](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001886), de [Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921) en de [Databankenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921) moeten worden aangepast aan [richtlijn nr. 2001/29/EG](32001L0029) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van auteursrecht en naburige rechten in de informatiemaatschappij (PbEG L 167); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Auteurswet 1912. Artikel II Wijzigt de Wet op de naburige rechten. Artikel III Wijzigt de Databankenwet. Artikel IIIa Voor zover uitvoerende kunstenaars of fonogrammenproducenten als bedoeld in het op 20 december 1996 te Genève gesloten Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake uitvoeringen en fonogrammen (Trb. 1998, 248) door de vervulling van de op hen toegesneden toepassingscriteria uit dat verdrag rechten kunnen ontlenen aan dat verdrag, kunnen zij aanspraak maken op de daarmee corresponderende rechten uit de [Wet op de naburige rechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005921). Artikel IV Deze wet laat vóór het in [artikel VII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016987&artikel=VII&z=2022-10-01&g=2022-"},{"i":8347,"b":"Administratief Akkoord SNV-programma Bolivia De Nederlandse Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, zijnde de bevoegde Nederlandse autoriteit voor de uitvoering van dit administratief akkoord, hierna te noemen de Nederlandse Partij, en de Boliviaanse Minister van Buitenlandse Betrekkingen, zijnde de bevoegde Boliviaanse autoriteit voor de uitvoering van dit administratief akkoord, hierna te noemen de Boliviaanse Partij, Gelet op de bepalingen van artikel I van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bolivia inzake technische samenwerking, ondertekend te La Paz op 6 september 1989, hierna te noemen de Overeenkomst; zijn het volgende overeengekomen: Artikel I. Het Programma Vervallen Artikel II. De Uitvoerende Autoriteiten Vervallen Artikel III. Uitvoering van het Programma Vervallen Artikel IV. Status van het Nederlandse personeel Vervallen Artikel V. Status van de Nederlandse apparatuur en materialen Vervallen Artikel VI. Rapportage Vervallen Artikel VII. Toezicht Vervallen Artikel VIII. Beslechting van geschillen Vervallen Artikel IX. Inwerkingtreding en duur Vervallen ONDERTEKEND te La Paz op 26 november 1992, in twee originelen, in de Spaanse en in de Nederlandse taal, zijnde de beide teksten gelijkelijk authentiek. **Voor de Nederlandse Minister voor Ontwikkelingssamenwerking** (w.g.) H. C. R. M. PRINCEN Drs. Hein H. C. R. M. Princen Ambassadeur **De Minister van Buitenlandse Betrekkingen van de Republiek Bolivia** (w.g.) LIC. RONALD MACLEAN A. Lic. Ronald Maclean A."},{"i":5798,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 mei 2015, nr. 2015-0000255469, houdende regels voor de subsidiëring van de Stichting verdeling financiële overheidsbijdragen in het werk van de Centrales van Overheids- en Onderwijspersoneel (Subsidieregeling SVO 2015) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, onderdelen d en f, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 11, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=18), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=20) en [24, vijfde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=24); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **de stichting:** de Stichting verdeling financiële overheidsbijdragen in het werk van de Centrales van Overheids- en Onderwijspersoneel; - c. **Centrale:** een van de Centrales van Overheids- en Onderwijspersoneel, bedoeld in [artikel 105, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001950&artikel=105). Artikel 2 1. De minister verstrekt aan de stichting een subsidie met het oog op het subsidiëren van de Centrales ten behoeve van scholings- en vormingswerk, dat de Centrales en de bij hen aangesloten bonden en verenigingen verzorgen teneinde de (aspirant)leden van overlegcommissies de nodige opleiding en vorming te geven om hun taak als zodanig op adequate wijze te kunnen vervullen en ter bestrijding van de kosten voor het bijwonen van vergaderingen van overlegorganen door vertegenwoordigers van deze organisaties. 2. De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. Het boekjaar is"},{"i":4498,"b":"Circulaire inwerktreding Eural-regelgeving Aan de Colleges van gedeputeerde staten van de provincies en de Colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Geacht College, In augustus zijn de AMvB tot intrekking Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen en de Regeling Europese afvalstoffenlijst in ontwerp gepubliceerd. In het ontwerp van de Eural-regelgeving is inwerkingtreding voorzien per 1 januari 2002. Naar aanleiding hiervan hebben vertegenwoordigers van het afvalbedrijfsleven en de provincies om verschillende redenen verzocht de inwerkingtreding van de Eural-regelgeving uit te stellen tot 1 januari 2003. Ik acht een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding gewenst in verband met het verstrijken van de implementatietermijn per 1 januari 2002. Nu ik nog niet beschik over het advies van de Raad van State inzake de ontwerpregelgeving, heb ik besloten dat de [regelgeving inzake de Europese afvalstoffenlijst](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013546) per 1 mei 2002 in werking zal treden. Tot 1 mei 2002 blijven het [Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006271) (BAGA), de Regeling aanwijzing afvalstoffen (RAGA) en het Regeling aanvullende aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (RAAGA) van kracht. Het verzoek tot uitstel van de inwerkingtreding van de Eural is gebaseerd op een aantal door de provincies en bedrijfsleven gesignaleerde knelpunten. Aan de knelpunten wordt grotendeels tegemoet gekomen door: Het overgangsrecht Het overgangsrecht, dat ingaat op de dag dat de Eural-regelgeving in werking treedt, houdt in dat voor bestaande vergunningen tijdelijk nog het oude regime van toepassing is. De overgangsperiode zal worden verlengd van zes naar acht maanden, in casu tot 1 januari 2003. Er kan niet zonder meer een beroep op het overgangsrecht worden gedaan. Om gebruik van het overgangsrecht te kunnen maken, moet kenbaar worden gemaakt dat de noodzakelijke wijzigingen in de vergunningen zullen worden aangebracht"},{"i":3833,"b":"Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging afdeling Bezwaar & Beroep Gezien [artikel 13 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037487&artikel=13) van 15 december 2015, waarbij aan hem mandaat, volmacht en machtiging is verleend voor bevoegdheden in het kader van de afwikkeling van bezwaar- en beroepschriften en mediation; Gelezen de in [artikel 15 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037487&artikel=15) neergelegde toestemming van de voorzitter van het CAK aan de manager van de afdeling Bezwaar & Beroep om voor de bevoegdheden in verband met de behandeling van bezwaren en beroepen, alsmede mediation, ondermandaat te verlenen; Besluit: Artikel 1. definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **het Besluit:** het [Besluit mandaat, volmacht en machtiging CAK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037487) van 15 december 2015. - b. **manager:** de manager van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - c. **senior functionarissen:** de senior functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - d. **functionarissen:** de functionarissen Bezwaar & Beroep van de afdeling Bezwaar & Beroep van het CAK. - e. **mediationvertegenwoordigers:** medewerkers van het CAK die zijn aangewezen om het CAK te vertegenwoordigen in mediation. Artikel 2. behandelen bezwaarschriften De manager verleent ondermandaat, volmacht en machtiging - –. voor het ondertekenen van extern gerichte brieven en andere stukken op het werkterrein van de in [artikel 13 van het Besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037487&artikel=13) bedoelde bezwaarbehandeling; - –. voor het extern mondeling, schriftelijk en elektronisch uitdragen van standpunten en het verstrekken van informatie met betrekking tot de eigen werkzaamheden; - –. voor het vertegenwoordigen van het CAK in mediation in het kader van bezwaarprocedures; aan de senior functionarissen, alsme"},{"i":3024,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Infrastructuur en Milieu en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 maart 2017, nr. WJZ/16037084, houdende aanwijzing van toezichthouders inzake windenergie op zee (Besluit aanwijzing toezichthouders windenergie op zee) Gelet op de [artikelen 26 van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=26), [8.3 van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=8.3), [8:1, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007671&artikel=8:1), [25, eerste lid, onderdeel b, van de Warenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001969&artikel=25) en [24, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=24); Besluiten: Artikel 1 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752) bepaalde zijn belast: - a. de ambtenaren van het Staatstoezicht op de mijnen; - b. de ambtenaren van Rijkswaterstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, voor zover het hun werkterrein betreft. Artikel 2 Wijzigt het Besluit aanwijzing toezichthouders water- en wegbeheer. Artikel 3 Wijzigt de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders windenergie op zee. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":8409,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 27 mei 2019, nr. MinBuZa.2019.3926-31, houdende nadere vaststelling van de onderzoekstaak van de directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie Besluit: Artikel 1. Taakomschrijving De directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie heeft tot taak een bijdrage te leveren aan kennis over de uitvoering en effecten van het Nederlands buitenlands beleid. De directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie voorziet daartoe in onafhankelijke evaluatie van beleid en uitvoering ten aanzien van alle beleidsterreinen binnen het raam van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). Voorts adviseert de directie over de programmering en uitvoering van evaluaties die onder verantwoordelijkheid van beleidsdirecties en posten worden uitgevoerd. Artikel 2. Werkwijze taak De directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie voert haar werkzaamheden uit met inachtneming van het als bijlage bij dit besluit gevoegde protocol. Artikel 3. Intrekken beschikking Het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 1 juli 1977, nr. PLVS/AOR-161082, wordt ingetrokken. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Bijlage. behorende bij [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042267&artikel=2&z=2019-06-06&g=2019-06-06) Protocol van de directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie Taken IOB IOB levert een bijdrage aan kennis over de uitvoering en effecten van het Nederlands buitenlands beleid. IOB voorziet in onafhankelijke evaluatie van beleid en uitvoering ten aanzien van alle beleidsterreinen die vallen binnen de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). Voorts adviseert IOB ten aanzien van de programmering en uitvoering van de evaluaties die onder verantwoordelijkheid van beleidsdirecties en posten vallen. In het licht van dit mandaat heeft IOB de volgende taken: Dit geschiedt door: Waarborg"},{"i":8412,"b":"Besluit van de Raad van de Voedsel - en Landbouworganisatie der Verenigde Naties tot instelling van de Caraïbische Planten beschermingscommissie The Council Having considered: The Resolution adopted by the first Caribbean Plant Protection Conference, held at St. Croix, United States Virgin Islands, on 4-7 August 1965, with regard to the establishment of a Caribbean Plant Protection Commission; The recommendation of the Thirteenth Session of the FAO Conference that the Director-General take steps in consultation with the interested member countries to determine how a commission might be best established to perform the functions specified in the report of the first Caribbean Plant Protection Conference; Such views as were expressed by Member Nations located in the Caribbean Area; The Report of the Committee on Constitutional and Legal Matters (CCLM) on the legal and constitutional implications of the establishement of such a body; Considering further that the establishment of a Plant Protection Commission for the Caribbean Area would promote inter-governmental co-operation in plant quarantine and assist in preventing the introduction of destructive plant pests and diseases into that area; Hereby establishes under Article VI, paragraph 1, of the Constitution of the Organization, a regional commission to be known as the „Caribbean Plant Protection Commission”, the statutes of which shall be as follows: 1 The purpose of the Commission shall be to strengthen intergovernmental co-operation in plant quarantine in the Caribbean area in order to prevent the introduction of destructive plant pests and diseases and to preserve the existing plant resources of that area and to this effect the terms of reference of the Commission shall be to: - (a). Keep under constant review outbreaks and movements of plant pests and diseases of economic importance outside and inside the Caribbean area; - (b). Review the progress made in the control of plant pests and diseases of crops of major i"},{"i":8413,"b":"Besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 28/04/2004 betreffende de voorrechten en immuniteiten die aan ATHENA worden verleend De vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad van de Europese Unie bijeen, Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name op titel V, Overwegende hetgeen volgt: ATHENA is het mechanisme dat bij Besluit 2004/197/GBVB van de Raad is ingesteld voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied. Bepaalde voorrechten en immuniteiten zijn noodzakelijk om, uitsluitend in het belang van de Europese Unie en haar lidstaten, de goede werking van ATHENA te bevorderen. Voor belastingdoeleinden wordt ATHENA door de lidstaten geacht te voldoen aan de criteria voor een vrijstelling krachtens artikel 15, lid 10, van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag en artikel 23, lid 1, van Richtlijn 92/12/EEG van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, Besluiten: Artikel 1 De eigendommen, fondsen en bezittingen die aan ATHENA toebehoren of namens de lidstaten door ATHENA worden beheerd, ongeacht waar deze zich op het grondgebied van de lidstaten bevinden en ongeacht wie deze onder zich heeft, zijn vrijgesteld van huiszoeking, beslaglegging, vordering, verbeurdverklaring en iedere andere vorm van dwangmaatregel van bestuurlijke of gerechtelijke aard. Artikel 2 De archieven van ATHENA zijn onschendbaar. Artikel 3 1. In het kader van zijn officiële activiteiten zijn de bezittingen, inkomsten en andere eigendommen die aan ATHENA toebehoren of namens de lidstaten do"},{"i":3514,"b":"Besluit van 23 januari 1973, ter uitvoering van artikel 1637s, tweede lid, onder c en d, Burgerlijk Wetboek Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Sociale Zaken van 31 augustus 1972, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 422/672. Gelet op [artikel 1637s, tweede lid, onder c en d, van het Burgerlijk Wetboek](onbekend); Gezien het advies van de Sociaal-Economische Raad van 21 april 1972, nr. 4; De Raad van State gehoord (advies van 1 november 1972, nr. 21); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 2 januari 1973, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 652/672 en van 9 januari 1973, Directoraat-Generaal voor Algemene Beleidsaangelegenheden, Directie Bedrijfsorganisatie, Ondernemingsraden en Bezitsvorming, Afdeling Bezitsvorming, No. 60093; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk I. Fondsen Titel 1. Algemeen Artikel 1 1. Een fonds als bedoeld in [artikel 631, derde lid, onder c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=631) is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid. 2. Indien het een fonds betreft ter behartiging van algemene belangen van werknemers of werkgevers in een bedrijfstak gezamenlijk, voldoen de statuten en reglementen aan de voorschriften gesteld in [titel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002868&hoofdstuk=I&titeldeel=2&z=2017-09-23&g=2017-09-23). 3. Indien het een overkoepelend fonds betreft ter behartiging van algemene belangen van werknemers of werkgevers in een of meer bedrijfstakken of in een of meer ondernemingen gezamenlijk, voldoen de statuten en reglementen aan de voorschriften gesteld in [titel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002868&hoofdstuk=I&titeldeel=2&z=2017-09-23&g=2017-09-23), met dien verstande dat in de [artikelen 1c tot en met 1g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002868&hoofdstuk=I&titeldeel=2&artikel=1c&z=2017-09-23&g=2017-09-23) in plaats van «het fonds» telkens wordt gelezen: het ov"},{"i":5759,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 april 2019, nr. 2018-0000176423, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ten behoeve van subsidieonderzoek IPS voor common mental disorders (Subsidieregeling onderzoek IPS voor CMD) Gelet op de [artikelen 32b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32b) en [32d, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=32d) en de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [5 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=5); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **aanvraagtijdvak:** door de Minister vastgesteld tijdvak waarin aanvragen voor subsidie op grond van deze regeling kunnen worden ontvangen; - **College:** het college van burgemeester en wethouders; - **Common mental disorders:** een gediagnosticeerde hoogprevalente psychische stoornis die in beginsel gedurende beperkte tijd, evidence-based in behandeling is bij de specialistische GGZ, voornamelijk in diagnosespecifieke ambulante of poliklinische zorgprogramma’s; - **Dienstbetrekking:** de arbeidsverhouding van de werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen; - **Doelgroep IPS-CMD:** dit betreft klanten: - a. met Common mental disorders; - b. die in behandeling zijn bij een GGZ-instelling in de Specialistische GGZ (SGGZ), waarbij de trajectbegeleider IPS de contactpersoon is om de integratie met zorg te realiseren; - c. die kenbaar hebben gemaakt een wens te hebben om naar betaald werk te worden begeleid; - d. die op het moment dat deze wens geuit wordt niet in dienstbetrekking werkzaam zijn dan wel waarvoor geldt dat de dienstbetrekking een geringe omvang heeft én de klant de wens heeft om te werken in een andere sector/functie dan waarin hij in dienstbetrekking werkzaam is; - **Duur IPS-traject:** de ti"},{"i":4555,"b":"De subsidieregeling regionale transfercentra PO Het bestuur van de Stichting Participatiefonds, Overwegende dat het beperken van de instroom in een werkloosheidsuitkering dienstig is aan dat doel van de stichting, dat ziet op het bieden van waarborgen voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen, Gelet op maatregel 1 van het Sectorplan PO “1500 banen voor leerkrachten primair onderwijs”, inhoudende de totstandkoming van regionale transfercentra primair onderwijs in krimpgebieden/krimpregio’s in Nederland, welke transfercentra tot doel hebben minimaal 600 fte boventalligen in het primair onderwijs te behouden en instroom in de WW te voorkomen door middel van begeleiding van werk naar werk, Gelet op de beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 april 2014 met kenmerk AGSZW/DH/RCSP/2014/502298, op grond waarvan de Minister aan de Stichting Arbeidsmarktplatform Primair Onderwijs als hoofdaanvrager subsidie heeft verleend ten behoeve van het uitvoeren van het sectorplan PO, Gelet op de tussen Stichting Arbeidsmarktplatform PO, Stichting Participatiefonds en Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs gesloten samenwerkingsovereenkomst betreffende de uitvoering van het sectorplan PO, Gelet op [artikel 184, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=184) jo. [artikel 188, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=188) jo. [artikel 187, zesde lid van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=187) alsmede op de [artikelen 170, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=170) jo. [artikel 173, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=173) jo. [artikel 172, zesde lid van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=172), Gelet op het mandaatbesluit van het bestuur van Stichting Participatiefonds van 5 juni 2014, waarbij aan de leden va"},{"i":8726,"b":"Notawisseling nopens de voorrechten en immuniteiten van het Internationale Gerechtshof 's-Gravenhage, den 26sten Juni 1946. Mijnheer de President, Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van het schrijven van Uwe Excellentie d.d. 26 Juni, waarin Zij wel mijn aandacht heeft willen vestigen op de door de Zesde Commissie van de Vergadering der Vereenigde Naties opgestelde resolutie betreffende de aan het Internationale Gerechtshof te verleenen voorrechten en immuniteiten. Ik heb met genoegen vastgesteld, dat Uwe Excellentie wel heeft willen vermelden, dat de besprekingen, welke hebben plaatsgevonden tusschen vertegenwoordigers van het Hof en vertegenwoordigers van mijn Ministerie, waren beheerscht door de uitstekende betrekkingen, die van oudsher hebben bestaan tusschen de internationaalrechtelijke organen eenerzijds en Harer Majesteit's Regeering anderzijds, en ik geef Uwer Excellentie de stellige verzekering, dat ook Harer Majesteit’s Regeering een aangename herinnering bewaart aan de betrekkingen, welke tusschen haar en het Permanente Hof van Internationale Justitie hebben bestaan. Ik stel er prijs op om ingevolge Uwer Excellentie's verzoek te bevestigen, dat de bijlage, gevoegd bij Haar bovengenoemden brief, geheel in overeenstemming is met de tijdens die besprekingen tot stand gebrachte overeenkomst en dat zij volledig de zienswijze van Harer Majesteit's Regeering in dezen weergeeft. Ik waardeer het ten zeerste, dat in het rapport, waarin het Hof zijn aanbevelingen doet met betrekking tot de voorrechten en immuniteiten en waarin het den Secretaris-Generaal der Vereenigde Naties uitnoodigt de Algemeene Vergadering te verzoeken om de tusschen de Nederlandsche Regeering en het Hof tot stand gebrachte regeling goed te keuren, uitdrukkelijk gewag wordt gemaakt van de vrijgevigheid der Nederlandsche tradities in dit opzicht. Onder verwijzing naar de laatste alinea van Uwer Excellentie's meergenoemd schrijven, moge ik bij dezen bevestigen, dat overeengekomen wordt, dat"},{"i":8953,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) betreffende de vestiging te Petten van een inrichting van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het gebied van de Kernenergie De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna genoemd „de Regering”), handelend zowel namens haarzelf als namens het Reactor Centrum Nederland (hierna genoemd „het R.C.N.”), en de Commissie van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna genoemd „de Commissie”); Overwegende dat de Commissie, krachtens [artikel 8 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004033&artikel=8) (hierna genoemd „de Gemeenschap”) na raadpleging van het Wetenschappelijk en Technisch Comité, tot taak heeft een Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie op te richten; Overwegende dat de Regering heeft voorgesteld op haar grondgebied, te weten te Petten, een inrichting van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie te vestigen, dat grenst aan het centrum van het R.C.N.; Overwegende dat de bouw door het R.C.N. van een hoge flux reactor zijn voltooiing nadert; Overwegende dat de Commissie de wens koestert te Petten een inrichting van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek met algemene bevoegdheden op te richten en krachtig te ontwikkelen; Overwegende dat de Regering uitdrukking heeft gegeven aan de wens dat de nationale inspanning op het gebied van de kernenergie hierdoor niet zal worden verminderd en dat zij heeft bevestigd voornemens te zijn het onderzoekprogramma in Nederland te zullen opvoeren, Hebben omtrent de volgende bepalingen overeenstemming bereikt: Artikel 1. – Doel van de overeenkomst 1-1. Op de wijze en onder de voorwaarden aangegeven in artikel 2 stelt de Regering de in Bijlage I bij deze overeenkomst omschreven installaties met het daarbij behorende terrein hetwelk eveneens in Bijlag"},{"i":8965,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek inzake culturele en wetenschappelijke samenwerking De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Portugese Republiek, de wens koesterende de tussen de beide landen bestaande vriendschappelijke betrekkingen te versterken en de kennis van elkaars cultuur te bevorderen en zodoende bij te dragen tot een beter begrip tussen de beide volkeren, zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 De Overeenkomstsluitende Partijen zullen trachten de samenwerking op de gebieden van onderwijs, wetenschap en cultuur in het algemeen te bevorderen. Artikel 2 De Overeenkomstsluitende Partijen zullen de samenwerking tussen de onderscheiden instellingen en organen in de twee landen die verantwoordelijk zijn voor onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, bevorderen. Hiertoe zullen zij de uitwisseling stimuleren van studenten, onderzoekers, wetenschapsbeoefenaren en docenten, alsmede de uitwisseling van documentatie en resultaten van proefnemingen op het gebied van wetenschappelijk onderzoek (met name in het kader van gemeenschappelijke projecten). Ter uitvoering van dit artikel, zal elk van de Partijen aan de onderdanen van de andere Partij de noodzakelijke faciliteiten verlenen inzake binnenkomst en verblijf, zulks overeenkomstig de in elk van beide landen geldende wetten en voorschriften. Artikel 3 De Overeenkomstsluitende Partijen zullen studiebeurzen verlenen aan onderdanen van het andere land voor studie en onderzoek en voor het volgen van beroepsstages. Artikel 4 De Overeenkomstsluitende Partijen hechten groot belang aan het onderwijs van hun taal en cultuur in het andere land. Te dien einde zullen zij alle nodige steun verlenen aan de reeds bestaande leerstoelen, lectoraten en docentschappen en zullen trachten hun aantal uit te breiden als de omstandigheden dit mochten rechtvaardigen. Voorts zullen zij de uitwisseling en samenwerking tussen studenten, wetenschapsbeoefenaren en docenten b"},{"i":9049,"b":"Partnerschapsovereenkomst op het gebied van betrekkingen en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Nieuw-Zeeland, anderzijds De Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd, en het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, lidstaten van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, enerzijds, en Nieuw-Zeeland, anderzijds, hierna „de partijen” genoemd, Overwegende hun gedeelde waarden en hun nauwe historische, politieke, economische en culturele banden, Verheugd over de vooruitgang die is gemaakt bij de ontwikkeling van de onderlinge betrekkingen tot beider voordeel sinds de goedkeuring van de gemeenschappelijke verklaring betreffende de onderlinge betrekkingen en samenwerking tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland van 21 september 2007, Opnieuw bevestigend dat zij zich engageren voor de doelstellingen en beginselen van het [Handvest van de Verenigde Naties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0004143) (het VN-Verdrag) en het versterken van de rol van de Verenigde Naties (VN), Opnieuw bevestigend dat zij sterk gehecht zijn aan de democratische beginselen en de rechten van de mens, vastgelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en andere toepasselijke internationale mensenrechteninstrumenten, alsmede aan de beginselen van de rechtsstaat en goed bestuur, Erkennend dat de Nieuw-Zeelandse regering bijzonder"},{"i":9050,"b":"Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de leden van de Organisatie van Staten in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan, anderzijds de Europese Unie, hierna „de EU” genoemd, en het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, Partijen bij het [Verdrag betreffende de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001507) en het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0001506), hierna „de lidstaten van de Europese Unie” genoemd, en De Europese Unie, hierna gezamenlijk de „EU” genoemd, enerzijds, en De Republiek Angola, Antigua en Barbuda, Het Gemenebest van de Bahama’s, Barbados, Belize, De Republiek Benin, De Republiek Botswana, Burkina Faso, De Republiek Burundi, De Republiek Kaapverdië, De Republiek Kameroen, De Centraal-Afrikaanse Republiek, De Republiek Tsjaad, De Unie Der Comoren, De Republiek Congo, De Cookeilanden, De Republiek Ivoorkust, De Democratische Republiek Congo, De Republiek Djibouti, Het Gemenebest Dominica, De Dominicaanse Republiek, De Staat Eritrea, Het Koninkrijk Eswatini, De Federale Democratische Republiek Ethiopië, De Republiek Fiji, De Republiek Gabon, De Republiek Gambia, De Republiek Ghana, Grenada, De Republiek Guinee, De Republiek Guinee-Bissau, De Coöperatieve Republiek Guyana, De Republiek Haïti, Jamaica, De Republiek Kenia, De Republiek Kiribati, Het Koninkrijk Lesotho, De R"},{"i":9064,"b":"Protocol betreffende een geval van staatloosheid DE GEVOLMACHTIGDEN, die namens hun onderscheidene Regeeringen dit Protocol onderteekenen, Ten einde staatloosheid in een bijzonder geval te voorkomen, ZIJN OMTRENT DE VOLGENDE BEPALINGEN OVEREENGEKOMEN: Artikel 1 In een Staat, waar de nationaliteit niet wordt toegekend ten gevolge van het enkele feit van geboorte op het grondgebied, zal de persoon, die geboren is uit een moeder, die de nationaliteit van dezen Staat bezit, en uit een vader zonder nationaliteit of van onbekende nationaliteit, de nationaliteit van dit land bezitten. Artikel 2 De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, in haar onderlinge betrekkingen met ingang van den datum van inwerkingtreding van dit Protocol de beginselen en regelen, die in bovenstaand artikel zijn nedergelegd, toe te passen. Het nederleggen van bovenbedoelde beginselen en regelen in het Protocol beslist in geenen deele over de vraag of deze beginselen en regelen nu reeds al dan niet deel uitmaken van het internationale recht. Bovendien is het wel verstaan, dat ten aanzien van ieder punt, dat niet valt onder de bovenstaande bepalingen, de beginselen en regelen van het internationale recht van kracht blijven. Artikel 3 Niets in dit Protocol zal inbreuk maken op de bepalingen der verdragen, overeenkomsten of regelingen, die van kracht zijn tusschen de Hooge Verdragsluitende Partijen nopens de nationaliteit of hiermede verband houdende vragen. Artikel 4 Bij het onderteekenen of bekrachtigen van dit Protocol of bij het toetreden hiertoe zal iedere Hooge Verdragsluitende Partij door middel van nadrukkelijke voorbehouden één of meer bepalingen van de artikelen 1 en 5 kunnen uitsluiten. De aldus uitgesloten bepalingen zullen niet aan de Verdragsluitende Partij, die zoodanig voorbehoud heeft gemaakt, kunnen worden tegengeworpen, en ook niet door deze Partij tegen een andere Verdragsluitende Partij kunnen worden ingeroepen. Artikel 5 Indien tusschen de Hooge Verdragsluitende Partijen ee"},{"i":9069,"b":"Protocol bij de Euro-mediterrane Overeenkomst tot instelling van een associatie tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Hongarije, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, De Tsjechische Republiek, Het Koninkrijk Denemarken, De Bondsrepubliek Duitsland, De Republiek Estland, De Helleense Republiek, Het Koninkrijk Spanje, De Franse Republiek, Ierland, De Italiaanse Republiek, De Republiek Cyprus, De Republiek Letland, De Republiek Litouwen, Het Groothertogdom Luxemburg, De Republiek Hongarije, De Republiek Malta, Het Koninkrijk der Nederlanden, De Republiek Oostenrijk, De Republiek Polen, De Portugese Republiek, De Republiek Slovenie, De Slowaakse Republiek, De Republiek Finland, Het Koninkrijk Zweden, Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten van de Europese Gemeenschap’’ genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap’’ genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en het Hasjemitische Koninkrijk Jordanie, hierna „Jordanië’’ genoemd, anderzijds, Overwegende hetgeen volgt: De Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië, anderzijds, hierna „de Euro-mediterrane Overeenkomst’’ genoemd, is op 24 november 1997 in Brussel ondertekend en op 1 mei 2002 in werking getreden; Het Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen"},{"i":9070,"b":"Protocol bij de Euro-Mediterrane Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Hongarije, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië,en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland, (hierna „lidstaten’’ te noemen), vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, (hierna „de Gemeenschappen’’ te noemen), vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, Overwegende dat de Euro-mediterrane overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, hierna „de Euro-mediterrane overeenkomst’’ te noemen, op 20 november 1995 in Brussel is ondertekend en op 1 juni 2000 in werking is getreden, Overwegende dat het Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie en de Akte betreffende de toetredingsvoorwaar"},{"i":9078,"b":"Protocol bij de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Azerbeidzjan, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie Het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „de lidstaten” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „de Gemeenschappen” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie, enerzijds, en de Republiek Azerbeidzjan, anderzijds, hierna voor de toepassing van dit protocol „de partijen” genoemd, Gelet op de bepalingen van het [Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (lidstaten van"},{"i":9086,"b":"Protocol bij de samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System) (GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië en Roemenië tot de Europese Unie de Europese Unie, alsook het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna „lidstaten” genoemd, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, Herinnerend aan de op 9 september 2006 ondertekende en op 1 juli 2016 in werking getreden [Samenwerkingsovereenkomst betreffende een civiel mondiaal satellietnavigatiesysteem (Civil Global Navigation Satellite System) (GNSS) tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds](onbekend) (hierna „de overeenkomst” genoemd), en met name [artikel 18, lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0006545&artikel=18); Gezien de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie op 1 januari 2007 en de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie op 1 juli 2013; Geleid door de wens dat de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië en Roemenië toetreden tot [de overeenkomst](onbekend); Gezien artikel 6, lid 2, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië"},{"i":1411,"b":"Besluit van 20 december 2000, houdende vaststelling van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november 2000, nr. WDB2000/872M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Gelet op de [artikelen 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.5), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.6), [3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.11), [3.83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.83), [3.126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.126), [3.127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.127), [4.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=4.25), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.7), [5.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.22), [5.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.23), [6.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.25), [7.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.6), [10.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.8) en [10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=10.9); De Raad van State gehoord (advies van 13 december 2000, nr. W06.00.0535/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2000, nr. WDB2000/963U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen ([Hoofdstuk 1 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&hoofdstuk=1)) Artikel 1. Reikwijdte en definitie 1. Dit besluit geeft uitvoering aan de [artikelen 1.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=1.7), [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=2.6), [3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011"},{"i":17417,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 april 2021, nr. WJZ/ 21105834, houdende regels voor het verstrekken van eenmalige specifieke uitkeringen in verband met de uitvoering van het Uitvoeringsprogramma Natuur (Regeling specifieke uitkering Programma Natuur) Gelet op [artikel 3 van de Kaderwet nationale EZK- en LNV-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **apparaatskosten:** kosten van provincies en partners, die samenhangen met de regievoering van voorbereiding en uitvoering van het Provinciaal Uitvoeringsprogramma. Deze kosten zijn additioneel aan de reguliere loonkosten en materiële kosten van het eigen provinciale apparaat en worden specifiek voor de uitvoering van het Provinciaal Uitvoeringsprogramma gemaakt; - **categorieën maatregelen:** categorieën van gebiedsgerichte maatregelen die zijn opgenomen in het Uitvoeringsprogramma Natuur, inhoudende: - a. verbetering van de kwaliteit van natuurgebieden (inclusief vitalisering bos); - b. hydrologische verbetering; - c. versnelling van verwerving en optimalisering van de inrichting van natuurgebieden; - d. maatregelen in de overgangszones, inclusief verbinding tussen gebieden; - e. overige kwaliteitsmaatregelen bovenop het Natuurpact (zoals recreatieve zonering of extra inzet op invasieve exoten); - **minister:** Minister voor Natuur en Stikstof; - **Natuurpact:** het door het Rijk en de provincies ondertekend document Natuurpact ontwikkeling en beheer van de natuur in Nederland van 18 september 2013, waarin de ambities met betrekking tot ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland zijn vastgelegd voor de periode tot en met 2027 (Kamerstukken II 2013/14, 33 576, nr. 6); - **partners:** organisaties die in opdracht van de provincie kosten maken voor het uitvoeren van de uitvoeringsactiviteiten; - **Provinciaal Uitvoeringsprogramma:** programma per provincie, waarin staat a"},{"i":9185,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Belgie inzake de Nederlandse Taalunie Het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie; Gelet op [artikel 14, eerste lid, van het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002947&artikel=14) op grond waarvan het Comité van Ministers van de Taalunie regels vaststelt voor de wijze waarop het Algemeen Secretariaat, waaronder de algemeen secretaris, zijn werkzaamheden verricht; Gelet op [artikel 16, eerste lid, van het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0002947&artikel=16) dat de algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie bevoegdheid verleent om de Nederlandse Taalunie te vertegenwoordigen; Overwegende dat de algemeen secretaris in verband met deze bevoegdheid beslissingen neemt in allerlei aangelegenheden, zoals de verstrekking van subsidies, het sluiten van licentieovereenkomsten, uitgavencontracten en andere contracten waartoe de Nederlandse Taalunie zich verbindt, en dat over deze beslissingen geschillen kunnen ontstaan; Besluit: HOOFDSTUK I. HET BEZWAAR Artikel 1 Vervallen Artikel 2 Vervallen Artikel 3 Vervallen HOOFDSTUK II. BEROEP BIJ DE GESCHILLENBESLECHTINGSCOMMISSIE Artikel 4 Vervallen Artikel 5 Vervallen Artikel 6 Vervallen Artikel 7 Vervallen Artikel 8 Vervallen Artikel 9 Vervallen Artikel 10 Vervallen Artikel 11 Vervallen HOOFDSTUK III. SLOTBEPALINGEN Artikel 12 Vervallen Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Vervallen Brussel, 30 oktober 2006 voor Nederland: M. J. A. VAN DER HOEVEN voor Vlaanderen: F. VAN DEN BROUCKE B. ANCIAUX HOOFDSTUK I. HET BEZWAAR HOOFDSTUK II. BEROEP BIJ DE GESCHILLENBESLECHTINGSCOMMISSIE HOOFDSTUK III. SLOTBEPALINGEN"},{"i":9186,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 september 2021, nr. IENW/BSK-2021/108251, houdende regels voor een goede uitvoering van de Wet implementatie EETS-richtlijn (Regeling implementatie EETS-richtlijn) Gelet op [Richtlijn (EU) 2019/520](32019L0520) van het Europees parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer en ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over niet-betaling van wegentol in de Unie (PbEU 2019, L 91) en de [artikelen 5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586&artikel=5), [7, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586&artikel=7), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586&artikel=35) en [40, zevende lid, van de Wet implementatie EETS-richtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586&artikel=40); besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet implementatie EETS-richtlijn in werking treedt. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: - **wet:** [Wet implementatie EETS-richtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586). Hoofdstuk 2. Registratie EETS-aanbieders Artikel 2. (gegevens en bescheiden aanvraag registratie) 1. Bij een aanvraag om een registratie als EETS-aanbieder, [bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045586&artikel=7), worden de volgende gegevens en bescheiden aan de Dienst Wegverkeer verstrekt: - a. een aan de aanvrager toegekend EN ISO 9001-certificaat dat betrekking heeft op het domein van de elektronische tolheffing of een kopie van een gelijkwaardige erkenning met een bewijs van inschrijving van de certificerende instantie en een vergelijking tussen de eisen zoals gesteld in de EN ISO 9001 en de gelijkwaardige erkenning; - b. de EG-verklaring of het EG-certificaat van conformiteit van de interoperab"},{"i":12554,"b":"Besluit van 4 maart 2013, nr. 13.000385 tot regeling van de positie van de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering van Aruba, Curaçao en Sint Maarten Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 februari 2013, 2012-0000711991; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **Onze Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - **het ministerie:** het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 Er is een Vertegenwoordiger van de Nederlandse regering bij de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Bij koninklijk besluit wordt besloten tot het aangaan of wijzigen van een arbeidsovereenkomst met de vertegenwoordiger. Tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt bij koninklijk besluit besloten, tenzij Onze Minister de arbeidsovereenkomst opzegt op grond van [artikel 677 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=677). De vertegenwoordiger maakt deel uit van de organisatie van het ministerie. Artikel 3 De vertegenwoordiger is belast met de volgende taken: - a. het optreden als vertegenwoordiger van de Nederlandse regering bij de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - b. het regelmatig onderhouden van contacten met de onder a genoemde regeringen alsmede met andere autoriteiten in die landen; - c. Onze minister via zijn ministerie op structurele wijze voorzien van informatie over de bestuurlijke, financiële, maatschappelijke en sociaaleconomische ontwikkelingen in Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - d. het gevraagd en ongevraagd adviseren van Onze minister, zijn ministerie en andere ministeries over alles dat betrekking heeft op de relatie tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - e. het voorbereiden en begeleiden van bezoeken van Nederlandse ministers en staatssecretarissen, bestuurders en andere autoriteiten aan Aruba, Curaçao en Sint Maarten; - f. het coördinere"},{"i":9215,"b":"Rijkswet van 3 juli 1991, goedkeuring van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (New York, 18 december 1979) Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge [artikel 91, eerste lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=91) het op 18 december 1979 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op 18 december 1979 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, waarvan de Engelse en Franse tekst zijn geplaatst in Tractatenblad 1980, 146, en waarvan de vertaling in het Nederlands is geplaatst in Tractatenblad 1981, 61, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk. Artikel 2 Goedgekeurd wordt het voornemen over te gaan tot opzegging voor het Koninkrijk van het Verdrag inzake de nationaliteit van de gehuwde vrouw (New York, 20 februari 1957, Trb. 1965, nr. 218). Artikel 3 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze Rijkswet, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de uitvoering voor Nederland van het in artikel 1 genoemde Verdrag. Artikel 4 Deze Rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na heden. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad en het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen alsmede in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwk"},{"i":19251,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 september 2024, nr. 5738472, houdende tijdelijke aanwijzing van de (overige) zittingsplaatsen van twee gerechtshoven als (overige) zittingsplaatsen van een ander gerechtshof als bedoeld in artikel 62a van de Wet op de rechterlijke organisatie, ten behoeve van hogerberoepszaken strafrecht (Tijdelijke aanwijzing gerechtshoven Amsterdam en ’s-Hertogenbosch voor hogerberoepszaken strafrecht van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) Gelet op [artikel 62a van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=62a); Gehoord de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal; BESLUIT Artikel 1 Voor de behandeling in hoger beroep van strafzaken die aanhangig zijn gemaakt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, worden het gerechtshof Amsterdam en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch aangewezen als gerechtshoven waarvan de zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen tijdelijk mede worden aangemerkt als zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, als bedoeld in [artikel 62a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=62a). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2024 en vervalt met ingang van 1 oktober 2027. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke aanwijzing gerechtshoven Amsterdam en ’s-Hertogenbosch voor hogerberoepszaken strafrecht van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd."},{"i":19508,"b":"Overeenkomst van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Costa Rica De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Costa Rica, bezield met de wens de traditionele vriendschapsbanden tussen de beide landen nauwer aan te halen door middel van de handhaving van het beginsel van wederzijdse behandeling als meestbegunstigde natie in onvoorwaardelijke en onbeperkte vorm als grondslag voor de handels- en scheepvaartbetrekkingen, hebben hun Gevolmachtigden benoemd, die, na de uitwisseling van hun respectieve volmachten welke in goede en behoorlijke staat werden bevonden, de volgende artikelen zijn overeengekomen: Artikel I De Overeenkomstsluitende Partijen komen overeen ter zake van de invoer, de uitvoer, de doorvoer en de opslag van goederen onder douaneverband elkander wederkerig de onvoorwaardelijke en onbeperkte behandeling van de meestbegunstigde natie te verlenen voor alles wat betreft de douanerechten en alle bijkomende rechten, heffingen en belastingen, zowel als betreffende de regels, formaliteiten en verplichtingen waaraan de douanehandelingen kunnen zijn onderworpen. Artikel II De produkten van bodem en nijverheid, voortgebracht op het grondgebied van één van de beide Overeenkomstsluitende Partijen, welke worden ingevoerd in het grondgebied van de andere Partij, zullen ter zake van genoemd douaneregiem in geen geval zijn onderworpen aan andere of hogere belastingen, rechten, heffingen en verplichtingen, noch aan bezwarender regels en formaliteiten, dan die waaraan zijn onderworpen of in de toekomst zullen worden onderworpen produkten van dezelfde aard van welk derde land ook. Artikel III De produkten van bodem en nijverheid, voortgebracht op het grondgebied van één van de beide Overeenkomstsluitende Partijen, welke worden uitgevoerd naar het grondgebied van de andere Partij, zullen ter zake van genoemd douaneregiem in geen geval zijn onderworpen aan andere of hogere belastingen, rechten, heffinge"},{"i":9537,"b":"Verdrag nopens de wet welke op alimentatieverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend; Verlangend gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen nopens de wet welke op alimentatieverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is; Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1 De wet van de gewone verblijfplaats van het kind bepaalt, of, in welke mate en van wie het kind onderhoud kan vorderen. In geval van verandering van de gewone verblijfplaats van het kind wordt de wet van de nieuwe gewone verblijfplaats toepasselijk te rekenen van het tijdstip waarop de verandering is ingetreden. Bedoelde wet bepaalt eveneens, wie bevoegd is de onderhoudsvordering in te stellen en binnen welke termijnen dit moet geschieden. Onder „kind\" wordt voor de toepassing van dit Verdrag verstaan elk wettig, niet wettig of geadopteerd kind, dat ongehuwd is en niet de volle leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Artikel 2 In afwijking van het bepaalde in artikel 1 kan ieder der verdragsluitende Staten zijn eigen wet van toepassing verklaren, indien: - a). het verzoek wordt gedaan of de vordering wordt ingesteld bij een autoriteit van die Staat, - b). de persoon van wie onderhoud wordt gevraagd, alsmede het kind de nationaliteit van die Staat bezitten, en - c). de persoon van wie onderhoud wordt gevraagd, zijn gewone verblijfplaats in die Staat heeft. Artikel 3 In tegenstelling tot het hiervoren bepaalde wordt de wet, aangewezen door de nationale regels van internationaal privaatrecht van de aangezochte autoriteit, toegepast in geval de wet van de gewone verblijfplaats van het kind hem elk recht op onderhoud onthoudt. Artikel 4 De door dit Verdrag aangewezen wet kan slechts ter zijde worden gesteld, indien de toepassing van die wet kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van de Staat waartoe de aangezochte autoriteit behoort. Artikel 5 Dit Verdrag is niet van toepassing op onderhoudsverplichtin"},{"i":4338,"b":"Besluit van de directeur van de Dienst Financieel-Economische Integriteit van het Ministerie van Financiën van 9 februari 2026, houdende verlening van ondermandaat, ondermachtiging en ondervolmacht ten behoeve van de handhaving van de Handelsregisterwet 2007 Gelet op [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052101&artikel=2), en [artikel 3, derde lid, van het Mandaatbesluit bestuursrechtelijke handhaving registratie uiteindelijk belanghebbenden Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0052101&artikel=3); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **DFEI:** de Dienst Financieel-Economische Integriteit van het Ministerie van Financiën; - b. **Team UBO:** Team 1 van de Afdeling UBO & EH van de Dienst Financieel-Economische Integriteit; - c. **Hrw 2007:** [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777). Artikel 2 Aan de medewerkers van Team UBO wordt ondermandaat en ondermachtiging verleend voor de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 47a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=47a), [47b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=47b) en [47c van de Hrw 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=47c). Artikel 3 Aan de medewerkers van Team UBO wordt ondermachtiging verleend tot de inzage, bedoeld in [artikel 28, tweede lid, van de Hrw 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777&artikel=28) juncto [artikel 51a, onderdeel b, van het Handelsregisterbesluit 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024067&artikel=51a), alsmede ondervolmacht voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen die verband houden met die inzage. Artikel 4 Aan de medewerkers van Team UBO wordt ondermandaat verleend voor het nemen van besluiten in het kader van de invordering van verbeurde dwangsommen of opgelegde boetes die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 47a](https"},{"i":9631,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake uitlevering De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Canada, Elkanders rechtsinstellingen eerbiedigend en geleid door de wens de samenwerking tussen beide landen bij de bestrijding van de misdaad doeltreffender te maken door een regeling te treffen voor de uitlevering van delinquenten, komen het volgende overeen: Artikel 1. Verplichting tot uitlevering De Verdragsluitende Staten komen overeen aan elkander, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, personen uit te leveren die zich op hun grondgebied bevinden en die worden verdacht van een strafbaar feit of worden gezocht met het oog op de oplegging van een straf of de tenuitvoerlegging van een vonnis door de autoriteiten van de andere Staat. Artikel 2. Uitleveringsdelicten 1. Uitlevering wordt toegestaan voor gedrag dat krachtens het recht van beide Staten een strafbaar feit oplevert dat met gevangenisstraf van meer dan een jaar is bedreigd. Bovendien dient, ingeval een gevangenisstraf of een andere vorm van vrijheidsbeneming is opgelegd door een rechter in de verzoekende Staat, het gedeelte van de straf of maatregel dat nog moet worden ondergaan ten minste zes maanden te bedragen. 2. Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op zowel een gevangenisstraf of een andere vorm van vrijheidsbeneming zoals bedoeld in het eerste lid, als een vermogenssanctie, kan de aangezochte Staat ook uitlevering toestaan voor de tenuitvoerlegging van de vermogenssanctie. 3. Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op een aantal feiten die krachtens het recht van beide Staten strafbaar zijn, doch waarvan enkele niet voldoen aan de overige vereisten van het eerste lid, kan de aangezochte Staat ook uitlevering toestaan voor deze feiten. 4. Een delict kan tot uitlevering leiden, ongeacht of het betrekking heeft op belasting, douane of heffingen, dan wel zuiver fiscaal van aard is. Artikel 3. Uitlevering van onderdanen 1. Ee"},{"i":17771,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand, hierna te noemen de verdragsluitende partijen, Gelet op het belang van een juiste vaststelling van de douanerechten en van het waarborgen van een juiste handhaving door hun douaneadministraties van verboden, beperkingen en controlemaatregelen met betrekking tot bepaalde goederen; Overwegend dat inbreuken op de douanewetgeving schadelijk zijn voor de economische, fiscale, sociale en culturele belangen en de belangen op het gebied van de volksgezondheid, openbare orde en handel van de verdragsluitende partijen; Overwegend dat de illegale grensoverschrijdende handel in wapens, explosieven, chemische, biologische en nucleaire stoffen, bedreigde dier- en plantensoorten, gevaarlijke stoffen alsmede in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren een gevaar voor de samenleving vormt; Overwegend dat automatische en voorafgaande uitwisseling van hoogwaardige informatie het risicobeheer zal versterken en dat dergelijk risicobeheer bijdraagt aan een meer doeltreffende handhaving alsmede aan het vergemakkelijken van de legitieme handel; Erkennend de noodzaak van internationale samenwerking ter zake van aangelegenheden die verband houden met de toepassing en handhaving van hun douanewetgeving; Ervan overtuigd dat het optreden tegen inbreuken op de douanewetgeving doeltreffender kan worden door middel van nauwe samenwerking tussen hun douaneadministraties op basis van wederzijds overeengekomen wettelijke bepalingen; Gelet op de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand, de Verklaring inzake verbetering van douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand (Verklaring van Cyprus) en de Resolutie inzake veiligheid en facilitatie van de internationale logistieke keten, aangenomen door de Internationale Douaneraad, tegenwoordig bekend als de Werelddouaneorganisat"},{"i":12439,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 20 januari 2014 inzake volginnovatie 2013 Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voorzover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de navolgende onderdelen van [artikel 1, derde lid, Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032500&artikel=1): 1.5 Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen (seed capital technostarters); Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen (seed capital technostarters) (Creatieve industrie); 2.1 Subsidieregeling innoveren (Eurostars Projecten); 2.2 Subsidieregeling innoveren (innovatiekredieten) (Klinische ontwikkelingsprojecten); Subsidieregeling innoveren (innovatiekredieten) (Technische ontwikkelingsprojecten); 3.2 Subsidieregeling sterktes in innovatie (internationaal innoveren) (CATRENE-innovatieprojecten); Subsidieregeling sterktes in innovatie (internationaal innoveren) (ITEA2-innovatieprojecten); 3.7 Subsidieregeling sterktes in innovatie (FND haalbaarheidsprojecten); 3.9 Subsidieregeling sterktes in innovatie (FND MKB-innovatieprojecten); 5.7 Subsidieregeling energie en innovatie (aardwarmteproject); 5.7.a Subsidieregeling energie en innovatie (diep aardwarmteproject); 5.10 Subsidieregeling energie en innovatie (Wind op Zee-projecten) (fundamenteel en industrieel wind op zee-project); 5.10a Subsidieregeling energie en innovatie (Wind op Zee-projecten) (experimenteel en demonstratie wind op zee-project); Gelet op de navolgende onderdelen van [artikel 3a, derde lid, Regeling openstelling en subsidieplafonds EZ 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032500&artike"},{"i":9699,"b":"Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek Bangladesh inzake bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en De Regering van de Volksrepubliek Bangladesh, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen, Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun landen te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft, In het besef dat overeenstemming omtrent de aan deze investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: - a. “investeringen\": alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend: - i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen; - ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen; - iii. recht op geld, op andere vermogensbestanddelen of op elke prestatie die economische waarde heeft; - iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, rechten betreffende technische werkwijzen, goodwill en know-how; - v. rechten verleend krachtens het publiekrecht, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen. - b. “onderdanen\" met betrekking tot elk van beide Verdragsluitende Partijen: - i. natuurlijke personen die de nationaliteit van die Verdragsluitende Partij hebben in overeenstemming met haar recht; - ii. onverminderd het bepaalde in iii hier"},{"i":5772,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties van 30 oktober 2023, nr. 2023-0000602558, houdende vaststelling van regels voor subsidiëring van procesondersteuning ten behoeve van de vraagbundeling van duurzame renovatieprojecten (Subsidieregeling procesondersteuning opschaling renovatieprojecten) Gelet op [artikelen 3, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=3), en [4, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019756&artikel=4) en de [artikelen 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=8), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=11), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=14), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=20) en [21, onderdeel h, van het Kaderbesluit BZK-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033530&artikel=21); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **bouwbedrijf:** bedrijf dat in een handelsregister van een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, is ingeschreven in de sectie bouwnijverheid of een vergelijkbare sectie; - –. **de-minimisverordening:** [Verordening (EU) nr. 1407/2013](32013R1407) van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L 352/1), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; - –. **energiebesparende isolatiemaatregel:** isolatiemaatregel genoemd in [artikel 5, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048856&artikel=5&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - –. **huurwoning:** in Nederland gelegen voor verhuur bestemde bestaande woonruimte als bedoeld in [artikel 233 va"},{"i":9837,"b":"Wet van 12 december 2018, houdende regeling van de mogelijke toewijzing van extra zetels voor Nederland in het Europees Parlement Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Europese Raad heeft bepaald dat aan Nederland mogelijk tijdens de zittingsperiode 2019–2024 van het Europees Parlement extra zetels in het Europees Parlement worden toegewezen en dat voor deze toewijzing een eenmalige wettelijke voorziening noodzakelijk is; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Deze wet geldt indien de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie overeenkomstig artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie plaatsvindt in de periode tussen 23 mei 2019 en de dag van de eerste zitting van het Europees Parlement in de periode 2024–2029. Artikel 2 In deze wet wordt verstaan onder: - **extra zetels:** aantal aan Nederland toekomende zetels op grond van het besluit van de Europese Raad ingevolge artikel 14, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie indien het Verenigd Koninkrijk geen lid meer is van de Europese Unie minus het aantal aan Nederland toekomende zetels indien het Verenigd Koninkrijk nog lid is van de Europese Unie. Artikel 3 1. Het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van het Europees Parlement stelt in aanvulling op de vaststelling van de uitslag van de verkiezing van de leden van het Europees Parlement in mei 2019 vast aan welke lijst of lijsten en aan welke kandidaten op die lijst of lijsten de extra zetels toevallen. Deze vaststelling vindt plaats op een bij koninklijk besluit te bepalen datum. De [artikelen H 12, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=H_12), [P 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=P_20), [P 22](https://wetten.over"},{"i":9883,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 17 december 2010, nr. WJZ/10188217, houdende enkele kleine verbeteringen van de Subsidieregeling internationaal excelleren Gelet op de [artikelen 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=2), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=5), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=15), [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=17), [18, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=18), [19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=19), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=21), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=25), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=44), [48, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=48), en [50, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024796&artikel=50); Besluit: Artikel I Wijzigt de Subsidieregeling internationaal excelleren. Artikel II Op aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt, blijft de [Subsidieregeling internationaal excelleren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026983) van toepassing zoals die onmiddellijk voor dat tijdstip luidde. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10011,"b":"Besluit beperkingen openbaarheid archiefbescheiden archieven Raad voor de Luchtvaart en het Bureau Vooronderzoek Ongevallen en Incidenten van de Rijksluchtvaartdienst, 1924–1998 (2000), nummer toegang 2.16.107 Gelet op [artikel 15 eerste lid onder a en b, en tweede lid van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15), Besluit: Tot de volgende beperkingen aan de openbaarheid van de archieven van de Raad voor de Luchtvaart en het Bureau Vooronderzoek Ongevallen en Incidenten van de Rijksluchtvaartdienst, 1924–1998 (2000) Artikel 1 Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot **1 januari** van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Jaar | | --- | --- | | 2904 | 2054 | | 2910 | 2072 | | 2911 | 2071 | Artikel 2 Met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom beperkt openbaar tot **1 januari** van het jaar, genoemd in de tweede kolom. | Inventarisnummers | Jaar | | --- | --- | | 222, 275–277, 283, 285–291, 293–296, 299–304, 1800–1801, 2169, 2171–2175, 2769, 2813 | 2023 | | 223, 281, 292, 297–298, 305–312, 314–315, 317–326, 328–331, 334–335, 337–346, 1802–1805, 2168, 2170, 2176–2178, 2180–2183, 2197, 2770, 2856 | 2024 | | 181, 313, 316, 327, 332–333, 336, 358–377, 1806–1809, 2179, 2199–2203, 2215–2216, 2219, 2222–2224 | 2025 | | 224, 347–357, 378–380, 382–384, 387, 390, 2198, 2204, 2217–2218, 2221, 2226–2227 | 2026 | | 177, 225, 381, 385–386, 388–389, 391, 393–413, 416, 1810–1811, 1813, 1815, 2208–2214, 2220, 2225, 2228, 2230–2231, 2701, 2771–2772 | 2027 | | 226, 392, 415, 417, 420, 422–433, 435–437, 1812, 1814, 1816–1818, 2229, 2237, 2702 | 2028 | | 227, 229, 414, 418–419, 421, 434, 438–448, 455–457, 459–462, 464, 1819, 2205–2207, 2232–2236, 2238–2239, 2844, 2870 | 2029 | | 128–129, 228, 449–454, 458, 463, 465–472, 474–475, 477–480, 484, 494–496, 500, 502, 507–5"},{"i":18606,"b":"Wet van 19 december 2018 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 met het oog op afschaffing van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden (Wet fiscale maatregel rijksmonumenten) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat omzetting van de huidige fiscale aftrek van uitgaven voor monumentenpanden in een niet-fiscale uitgavenregeling een effectievere en doelmatigere inzet van budgettaire middelen mogelijk maakt; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II **[Vervallen]** Artikel III **[Vervallen]** Artikel IV **[Vervallen]** Artikel V Het inkomen uit werk en woning in Nederland, bedoeld in [artikel 7.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.2), het inkomen uit een niet tot het vermogen van een onderneming behorend aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap, bedoeld in [artikel 7.5, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.5), of het voordeel dat een belastingplichtige geniet uit sparen en beleggen in Nederland, bedoeld in [artikel 7.7, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=7.7), wordt met overeenkomstige toepassing van [artikel 6.2 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.2) verminderd met het bedrag van de vóór 1 januari 2019 gedane uitgaven voor monumentenpanden waarvan met overeenkomstige toepassing van [artikel 6.2a van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=6.2a) bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld dat deze uitgaven op enig tijdstip niet in aanmerking zijn genomen en die nog niet eerder in aanmerking zijn genomen. Artikel VI Deze wet tree"},{"i":10114,"b":"Besluit van de directeur-generaal Agro van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 februari 2019, nr. 19054182, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Agro van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2019 (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal Agro van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2019) Gelet op [artikel 10 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging LNV 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041794&artikel=10); Besluit: § 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de directeur-generaal:** de directeur-generaal Agro van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. **de directeuren:** de directeuren en de programmadirecteuren Toekomst Voedselsysteem van het directoraat-generaal Agro van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - c. **de MT-leden:** de leden van het managementteam van een directie met uitzondering de directeur; - d. **de Chief Veterinary Officer:** de Chief Veterinary Officer van het directoraat-generaal Agro van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - e. **deprogrammadirecteur regieorganisatie GLB:** de programmadirecteur Regieorganisatie gemeenschappelijk landbouwbeleid van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - f. **het bedrag:** het bedrag inclusief de verschuldigde omzetbelasting (BTW). § 2. Taakverdeling tussen de directeur-generaal en de onder hem ressorterende medewerkers Artikel 2 Aan de directeur-generaal is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden: - a. onderwerpen die twee of meer directies van zijn dienstonderdeel raken, tenzij daarover tussen de betrokken directeuren overeenstemmin"},{"i":4763,"b":"Wet van 10 maart 2021, houdende regels over het verstrekken van subsidies door de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming en tot intrekking van de Wet Justitie-subsidies (Kaderwet overige JenV-subsidies) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is de [Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121) te vervangen door een nieuwe regeling; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid of Onze Minister voor Rechtsbescherming. Artikel 2 1. Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten die passen in het beleid inzake: - a. bescherming van minderjarigen en adoptie; - b. criminaliteitsbestrijding en -preventie; - c. migratie; - d. openbare orde en veiligheid; - e. rechtspleging en rechtshandhaving; - f. sanctietoepassing en nazorg; - g. slachtofferhulp; - h. terrorismebestrijding en -preventie. 2. Onze Minister kan voorts subsidies verstrekken voor activiteiten op het gebied van de onderwerpen die genoemd zijn in de begrotingsstaat, onderdeel uitgaven en verplichtingen, behorend bij de wet, houdende vaststelling van de begroting van uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor het desbetreffende jaar, of voor een voorafgaand jaar voor zover daarin een beschikking tot subsidieverlening is gegeven. Indien bij de aanvang van enig jaar bedoelde wet nog niet in werking is getreden, wordt tot die inwerkingtreding het voorstel daartoe in aanmerking genomen. Artikel 3 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister kunnen de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt, nader worden"},{"i":10234,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 8 oktober 2012, nr. DJZ/BR-0819/12, tot het verlenen van mandaat en machtiging aan de projectdirecteur FLOW van PriceWaterhouseCoopers met betrekking tot subsidieverlening voor projecten voor Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW) Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 1. Aan de projectdirecteur FLOW van PriceWaterhouseCoopers wordt mandaat en machtiging verleend om namens de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken besluiten te nemen en de daartoe benodigde voorbereidingshandelingen te verrichten met het oog op de toepassing van het [besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 10 mei 2011, nr. DJZ/BR-0457/11, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006, Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029969)1Staatscourant 2011 nr. 8466. 2. Het mandaat strekt zich mede uit tot besluiten op bezwaarschriften voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door de projectdirecteur FLOW van PriceWaterhouseCoopers in mandaat is genomen. Artikel 2 De projectdirecteur FLOW van PriceWaterhouseCoopers kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032094&artikel=1&z=2012-10-18&g=2012-10-18), ondermandaat en machtiging verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen. Artikel 3 De bevoegdheden, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032094&artikel=1&z=2012-10-18&g=2012-10-18), strekken zich uit tot na afloop van de werkingsduur van het besluit, genoemd in artikel 1, eerste lid, voorzover de uitoefening daarvan betrekking heeft op besluiten en handelingen genomen of verricht tijdens die werkingsduur. Artikel 4 Dit besluit tr"},{"i":10235,"b":"Besluit van de secretaris-directeur van de Wetenschappelijke Klimaatraad, nr. 26155688, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging voor het secretariaat van de Wetenschappelijke Klimaatraad Gelet op [artikel 19, eerste lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041776&artikel=19); Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de programmaleiders:** de programmaleiders van de Wetenschappelijke Klimaatraad. - b. **de coördinerend adviseur organisatieontwikkeling:** de coördinerend adviseur organisatieontwikkeling van de Wetenschappelijke Klimaatraad. - c. **WKR:** de Wetenschappelijke Klimaatraad. Artikel 2 Aan de programmaleiders wordt, ieder voor zich, ondermandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op hun werkterrein, met dien verstande dat het aangaan van financiële verplichtingen een bedrag van € 30.000 per verplichting niet te boven gaat. Artikel 3 De coördinerend adviseur organisatieontwikkeling treedt in voorkomende gevallen op als plaatsvervangend secretaris-directeur van de WKR voor zover het aangelegenheden van financiële en/of personele aard betreft. Artikel 4 De uit dit besluit voor een programmaleider voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op de andere programmaleider. Artikel 5 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10297,"b":"Wet van 27 juni 1990, houdende gemeentelijke herindeling van Waterland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling van Waterland te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: § 1. Grenswijzigingen Artikel 1 1. Met ingang van de datum van herindeling worden de gemeenten Broek in Waterland, Ilpendam, Jisp, Katwoude, Landsmeer, Marken, Monnickendam, Wormer en Wijdewormer opgeheven. 2. Met ingang van de datum van herindeling worden de volgende nieuwe gemeenten gevormd: - A. **Waterland**, bestaande uit het gebied van de op te heffen gemeenten Broek in Waterland, Katwoude, Marken, Monnickendam, Ilpendam, behoudens de delen die worden ingedeeld bij de gemeente Purmerend en de nieuw te vormen gemeente Landsmeer, en uit Landsmeer, behoudens het deel dat wordt ingedeeld bij de nieuw te vormen gemeente Landsmeer, een en ander met dien verstande dat de grens van de nieuw te vormen gemeente Waterland komt te lopen als volgt: - 1. Grens met de gemeente Purmerend Vanaf het punt waar het in westelijke richting verlengde van de grens tussen de percelen, kadastraal bekend gemeente Ilpendam, sectie B, nrs. 1083 en 957 de grens tussen de percelen, kadastraal bekend gemeente Ilpendam, sectie B, nrs. 1182 en 1183 raakt, volgt de nieuwe gemeentegrens genoemd verlengde tot het punt waar de grens van de percelen, kadastraal bekend gemeente Ilpendam, sectie B, nrs. 1083, 957 en 1109 tezamen komen, daarbij doorsnijdende de percelen, kadastraal bekend gemeente Ilpendam, sectie B, nrs. 1183 en 1109. Vanaf dit punt volgt de nieuwe gemeentegrens de grens tussen de percelen, kadastraal bekend gemeente Ilpendam, sectie B, nrs. 1083 en 957 en vervolgens het in oostelijke richting verlengde van deze grens tot de bestaande grens tussen de gemeenten Purmerend en"},{"i":10315,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Financiën tot instelling van de baten-lastendienst Rijkswaterstaat Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad; Gelet op [artikel 10, eerste lid van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10); Besluiten: Artikel 1 1. Aan Rijkswaterstaat te ’s-Gravenhage wordt de status van baten-lastendienst als bedoeld in [artikel 10, eerste lid van de Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013891&artikel=10), verleend. 2. De tenaamstelling van de baten-lastendienst komt te luiden: Baten-lastendienst Rijkswaterstaat. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit baten-lastendienst Rijkswaterstaat. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10428,"b":"Overeenkomst inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela, Partij zijnde bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld, Geleid door de wens bij te dragen aan de vooruitgang van de internationale burgerluchtvaart, Geleid door de wens een Overeenkomst te sluiten voor het instellen van luchtdiensten, Zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Tenzij het zinsverband anders vereist, hebben in deze Overeenkomst en de Bijlage daarbij, de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis: - a. „Verdrag\": het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werd opengesteld; deze term omvat mede alle krachtens artikel 90 van dat Verdrag aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of van het Verdrag, aangenomen krachtens de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover die Bijlagen en wijzigingen voor beide Overeenkomstsluitende Partijen in werking zijn getreden of door hen zijn bekrachtigd; - b. „luchtvaartautoriteiten\": voor het Koninkrijk der Nederlanden de Minister van Verkeer en Waterstaat; voor de Republiek Venezuela de Minister van Verkeer en Verbindingen; of in beide gevallen iedere andere persoon of autoriteit die bevoegd is de functies te vervullen die thans door genoemde autoriteiten worden vervuld; - c. „aangewezen luchtvaartmaatschappij\": een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd in overeenstemming met artikel 3 van deze Overeenkomst; - d. „grondgebied\" met betrekking tot een Staat de betekenis die daaraan is toegekend in artikel 2 van het Verdrag; - e. „luchtdienst\", „internationale luchtdienst\", „luchtvaartmaatschappij\" en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden\": onderscheidenlijk de betekenis die daaraan is toegekend in artikel 96 van het Verdrag; - f. „overeengekomen dienst\""},{"i":10466,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Guinee inzake luchtvervoer De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Guinee, hierna te noemen de „Overeenkomstsluitende Partijen”; Geleid door de wens de ontwikkeling van het geregelde luchtvervoer tussen en voorbij hun grondgebieden te bevorderen en de internationale samenwerking op dat gebied in de ruimst mogelijke zin voort te zetten; Geleid door de wens op dat vervoer de beginselen en de bepalingen toe te passen van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, voor ondertekening opengesteld te Chicago op 7 december 1944; Geleid door de wens zo goed mogelijk zorg te dragen voor de veiligheid van de burgerluchtvaartuigen, de passagiers en de bemanningen ervan; Geleid door de wens te komen tot een aanpassing van de Overeenkomst inzake het luchtvervoer tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Guinee, ondertekend te Conakry op 9 maart 1960, Zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlage wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: - a. „het Verdrag”: het op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengestelde Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, waaronder tevens wordt begrepen iedere bijlage en iedere wijziging aanvaard overeenkomstig de artikelen 90 en 94 van bedoeld Verdrag en goedgekeurd door de Overeenkomstsluitende Partijen. - b. „luchtvaartautoriteiten”: wat de Republiek Guinee betreft, het ministerie belast met de burgerluchtvaart en, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister belast met de burgerluchtvaart, of, in beide gevallen, iedere persoon of instelling bevoegd tot het vervullen van de functies die momenteel worden uitgeoefend door bedoeld ministerie of van overeenkomstige functies. - c. „grondgebied”: zoals is omschreven in artikel 2 van het Verdrag. - d. „overeengekome"},{"i":10490,"b":"Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan betreffende luchtdiensten The Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of Japan, Desiring to conclude an agreement for the purpose of establishing and operating air services between and beyond their respective territories, Have accordingly appointed their respective representatives for this purpose, who have agreed as follows: Article 1 For the purpose of the present Agreement, the provisions of the Convention on International Civil Aviation signed at Chicago on December 7, 1944 (hereinafter called „Convention”), which are applicable to the air services established and operated hereunder, shall, in their present terms or as amended in respect of both Contracting Parties in accordance with relevant provisions of the Convention, apply between the Contracting Parties for the duration of the present Agreement. Article 2 1. For the purpose of the present Agreement, unless the text, otherwise provides: - (a). the term „aeronautical authorities” means, in the case of Japan, the Ministry of Transportation and any person or body authorised to perform any functions presently exercised by the said Ministry or similar functions, and, in the case of the Kingdom of the Netherlands, the Director-General of Civil Aviation and any person or body authorised to perform any functions presently exercised by the said Director-General or similar functions; - (b). the term „designated airline” means an airline which one Contracting Party shall have designated by written notification to the other Contracting Party for the operation of air services on the routes specified in such notification, and which has the appropriate operating permission from that other Contracting Party, in accordance with the provisions of Article 4 of the present Agreement; - (c). the term „air service” means any scheduled air service performed by aircraft for the public transport of passengers, cargo or mail; - (d). the term „interna"},{"i":10514,"b":"Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand inzake de verdergaande vermindering van zwavelemissies De Partijen, Vastbesloten het [Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBV0003681) uit te voeren, Verontrust vanwege het feit dat emissies van zwavel en andere luchtverontreinigende stoffen nog altijd over internationale grenzen heen worden meegevoerd en, in daaraan blootgestelde delen van Europa en Noord-Amerika, uitgebreide schade veroorzaken aan de natuurlijke rijkdommen die van vitaal belang zijn voor het milieu en de economie, zoals bossen, cultuurgronden en wateren, en aan materialen, met inbegrip van historische monumenten, en, in bepaalde omstandigheden, schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens, Met het vaste voornemen voorzorgsmaatregelen te treffen teneinde emissies van luchtverontreinigende stoffen voor te zijn, deze te vermijden of tot een minimum terug te brengen en de schadelijke gevolgen ervan te beperken, Ervan overtuigd dat waar sprake is van dreiging van ernstige of onherstelbare schade, het ontbreken van volledige wetenschappelijke zekerheid niet mag worden aangevoerd als reden voor uitstel van bedoelde maatregelen, met dien verstande dat deze voorzorgsmaatregelen met betrekking tot emissies van luchtverontreinigende stoffen kosteneffectief dienen te zijn, Indachtig het feit dat maatregelen ter beheersing van emissies van zwavel en andere luchtverontreinigende stoffen tevens zouden bijdragen tot de bescherming van het kwetsbare arctische milieu, Overwegende dat de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging die tot verzuring van het milieu bijdragen, de verbranding van fossiele brandstoffen voor de opwekking van energie en de belangrijkste technische processen in verschillende takken van de industrie, alsmede het vervoer zijn, die leiden tot emissies van zwavel, stikstofoxiden en andere veron"},{"i":10559,"b":"Regeling bijzondere subsidies waterkeren en waterbeheren Gelet op [artikel 12, tweede en derde lid, van de Wet op de waterkering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007801&artikel=12); Besluit: § 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - a. Minister: de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; - b. plan: een projectbesluit als bedoeld in [artikel 5.44 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=5.44); - c. subsidie: een subsidie voor een maatregel als bedoeld in [artikel 7.23, vijfde lid, van de Waterwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025458&artikel=7.23); - d. werk: een werk ter uitvoering van een projectbesluit als bedoeld in onderdeel b; - e. hoofdingenieur-directeur: de hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Grote Projecten en Onderhoud. § 2. Subsidie Artikel 2. Subsidiabele kosten 1. Een subsidie bestaat uit een vergoeding van de kosten voor voorbereiding en realisatie van een werk, te weten: - a. de kosten van de voorbereiding van het werk inclusief het verkrijgen van de voor de realisatie van het werk benodigde vergunningen, met een maximum van 15 procent van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen raming van de in onderdelen b tot en met i bedoelde kosten; - b. de kosten voor de opruiming van explosieven die door een gemeente worden vergoed; - c. de kosten voortvloeiend uit de voor de realisatie van het werk gesloten overeenkomsten van aanneming en overeenkomsten tot levering van diensten en materialen; - d. de voor het verleggen van kabels en leidingen verschuldigde nadeelcompensatie berekend volgens [bijlage I van de Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010461&bijlage=1); - e. nadeelcompensatie aan derden, anders dan uit hoofde van het in de onderdelen b en d bepaalde, voor zover de beheerder daartoe rechtens gehouden is; - f. de kosten voo"},{"i":10625,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat houdende regels voor het onderscheppen van luchtvaartuigen (Regeling onderschepping luchtvaartuigen) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie; Gelet op [artikel 41, derde lid, van het Luchtverkeersreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005775&artikel=41); Besluit: Artikel 1 Een onderschepping van een burgerluchtvaartuig door een militair luchtvaartuig of een luchtvaartuig dat wordt gebruikt voor politie- of douanediensten wordt uitgevoerd volgens het handboek voor het onderscheppen van burgerluchtvaartuigen van ICAO, doc 9433-AN/926, dat als bijlage is opgenomen bij deze regeling, tenzij anders wordt beslist op grond van de [Regeling bijstand bestrijding luchtvaartterrorisme](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018217). Artikel 2 Een luchtverkeersleider die een wederrechtelijke inmenging signaleert, of gedragingen vaststelt die daarop kunnen wijzen, of andere omstandigheden signaleert die een onderschepping wenselijk maken, informeert terstond zijn supervisor. Deze waarschuwt terstond de Supervisor MilATCC Nieuw Milligen van het Ministerie van Defensie. Artikel 3 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onderschepping luchtvaartuigen. Bijlage Ligt ter inzage bij Ministerie van Verkeer en Waterstaat en bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlage bij deze regeling ligt ter visie bij Ministerie van Verkeer en Waterstaat en bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat. Artikel 1a Deze regeling berust op [artikel 25 van het Besluit luchtverkeer 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035899&artikel=25). Bijlage Ligt ter inzage bij Ministerie van Verkeer en Waterstaat en bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat. Deze regeling zal met de toelichting in de Staat"},{"i":10654,"b":"Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 oktober 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/1166 sector LUV, houdende regels in verband met de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het veilig gebruik van luchthavens en andere terreinen met het oog op de orde en de veiligheid op die luchthavens en terreinen (Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen) Gelet op bijlage 14 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109), de [artikelen 8a.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.1), [8a.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.3), en [8a.51 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8a.51) en [artikel 51 van het Mijnbouwbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014394&artikel=51); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **baan:** een al dan niet verhard gedeelte van de luchthaven, uitsluitend bestemd voor het opstijgen of landen van luchtvaartuigen; - –. **beweging:** een start of een landing met een luchtvaartuig; - –. **CTR:** CTR als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling luchtverkeersdienstverlening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009899&artikel=1); - –. **gemotoriseerd schermvliegtuig:** schermvliegtuig, zijnde een zweeftoestel zonder starre hoofdstructuur dat kan worden gedragen en slechts kan worden gestart en geland door gebruik te maken van de benen van de bestuurder, dat over een motor beschikt; - –. **gyrokopter:** gemotoriseerd luchtvaartuig met rotorbladen, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht kan worden gehouden door aerodynamische reactiekrachten op zijn rotorbladen, waarvan de rotorbladen niet door de motor worden aangedreven; - –. **helikopter:** gemotoriseerd luchtvaartuig met rotorbladen, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht kan worden gehouden door aërodynamische reactiekrachten op zijn"},{"i":10710,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 1 februari 2024, nr. IENW/BSK-2024/5214, houdende tijdelijke regels voor het verlenen van subsidie voor de realisering van walstroomvoorzieningen voor zeeschepen in zeehavens 2024–2026 (Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen klimaat 2024–2026) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid, onder b en e, van de Kaderwet subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032789&artikel=3) en de [artikelen 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=2), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=4), [6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=6), [8, eerste lid en tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=8), [10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=10), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=13), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=19), [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=22), [23, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=23) en [24, eerste, derde en vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036381&artikel=24); BESLUIT: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **AFIR-verordening:** [verordening (EU) 2023/1804](32023R1804) van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van [Richtlijn 2014/94/EU](32014L0094) (PbEU 2023, L 234); - **containerzeeschip:** zeeschip dat uitsluitend is ontworpen voor het vervoer van containers in het ruim en aan dek; - **exploitatiewinst:** winst als bedoeld in artikel 2, negenendertigste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - **hogesnelheidspassagiersvaartuig:** vaartuig als omschreven in hoofdstuk X, voorschrift 1, van"},{"i":10848,"b":"Besluit houdende verlening van mandaat aan het Schadeschap Luchthaven Schiphol van de bevoegdheid op grond van artikel 8.31 van de Wet luchtvaart Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1 De bevoegdheid terzake van de behandeling van en de besluitvorming inzake een aanvraag als bedoeld in [artikel 8.31 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.31), wordt gemandateerd aan de besliscommissie van het Schadeschap Luchthaven Schiphol, bedoeld in [artikel 19 van de Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009989&artikel=19). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 20 februari 2003. Dit besluit vervalt met ingang van het tijdstip waarop overeenkomstig [artikel 25 van de Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009989&artikel=25), het besluit tot wijziging van de genoemde regeling in verband met de overdracht van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 8.31 van de Wet luchtvaart](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&artikel=8.31), aan het algemeen bestuur van het Schadeschap Luchthaven Schiphol, in werking is getreden. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":10918,"b":"Besluit van 12 december 2002 tot wijziging van het Besluit tankstations milieubeheer, het Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen en het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 (financiële zekerheid, keuringsdocumenten en bevoegdgezagorganen) Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 23 januari 2002, nr. MJZ2002004104, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Gelet op de [artikelen 8.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.40), [8.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.41), [8.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.42), [8.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.44) en [21.8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=21.8) en de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=8), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=16), [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=70), [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=72) en [88 van de Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=88); De Raad van State gehoord (advies van 11 juni 2002, nr. W08.02.0041/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 december 2002, nr. MJZ2002097013, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit tankstations milieubeheer. Artikel II Wijzigt het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998. Artikel III Wijzigt het Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen. Artikel IV 1. Gedurende een jaar na inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel G](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014450&artikel=I&z=2004-07-01&g=2004-07-01), blijft KIWA Inspecties BV, gevestigd te Rijswijk, gerechtigd de in het [Besluit tankstations milieubehee"},{"i":10941,"b":"Regeling tot wijziging van de Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001 in verband met onder meer het vervallen van het RPL(G) en het RPL(FB) en met enkele wijzigingen van JAR-FCL Gelet op de [artikelen 5](onbekend), [8, eerste lid](onbekend), [9](onbekend), en [10, tweede lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart](onbekend); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001. Artikel II Met ingang van 1 oktober 2006 dient - a. iedere houder wiens RPL(FB) met ingang van 1 oktober 2004 wordt aangemerkt als een CPL(FB); en - b. ieder, die voor 1 oktober 2004 een opleiding is aangevangen ter verkrijging van het RPL(FB) en deze opleiding uiterlijk 1 januari 2006 heeft afgerond; te beschikken over een bevoegdverklaring RT. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2004. Indien de Staatscourant, waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 29 september 2004, treedt zij in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2004. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat."},{"i":10950,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 24 december 2010, nr. BJZ2010033447, houdende wijziging van de Subsidieregeling milieugerichte technologie (wijziging subsidieprogramma milieu & technologie 2011) Gelet op [artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=15.13); Besluit: Artikel I wijzigt de Subsidieregeling milieugerichte technologie. Artikel II [Paragraaf 2.2 van de Subsidieregeling milieugerichte technologie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016362&paragraaf=2.2), zoals deze laatstelijk luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing op subsidies voor projecten als bedoeld in die paragraaf die voor dat tijdstip zijn aangevraagd. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11031,"b":"Beleidsregel van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 12 april 2024, nr. KO/21697498 tot vaststelling van regels omtrent experimenteren met sectoroverstijgende teambevoegdheden voor 10-14-onderwijs (Beleidsregel vervolg experiment teambevoegdheid 10-14-onderwijs 2024) Gelet op [artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002718&artikel=2), [artikel 4:81 van de Algemene Wet Bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen - **experiment:** experiment teambevoegdheid voor 10-14-onderwijs als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049603&artikel=2&z=2024-08-01&g=2024-08-01); - **10-14-onderwijs:** onderwijs als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049603&artikel=2&z=2024-08-01&g=2024-08-01); - **medezeggenschapsraad:** medezeggenschapsraad of gemeenschappelijke medezeggenschapsraad als bedoeld in de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685&artikel=3) en [4 van de Wet medezeggenschap op scholen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020685&artikel=4); - **minister:** Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs; - **samenwerkende bevoegde gezagsorganen:** samenwerking ten behoeve van 10-14-onderwijs tussen bevoegde gezagsorganen van een of meerdere scholen voor primair en voortgezet onderwijs, met dien verstande dat het bevoegd gezag dat zowel scholen voor primair onderwijs als voor voortgezet onderwijs onder zich heeft, hier ook onder valt; - **samenwerking van scholen:** een of meer scholen voor primair onderwijs en een of meer scholen voor voortgezet onderwijs waarvoor de bevoegde gezagsorganen een samenwerking ten behoeve van 10-14-onderwijs zijn aangegaan; - **school:** school als bedoeld in [artikel 1 van de WEC](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=1), [artikel 1 van de WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1) en [artikel 1."},{"i":11099,"b":"Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 16 januari 2008, nr. DCO/OO-002/08, houdende mandatering van bevoegdheden tot uitvoering van enkele programma’s op het gebied van het Internationaal Onderwijs Gelet op de [artikelen 6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.1), [6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.4) en [6.5 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.5) en [afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 1. Aan de voorzitter van de Stichting Nuffic (Nederlandse Organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs en Onderzoek) wordt mandaat verleend om namens de Minister: - a. besluiten te nemen inzake subsidieverstrekking op grond van de [artikelen 6.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.1)[6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.4) en [6.5 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&artikel=6.5), overeenkomstig het [besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 18 december 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023170), nr. DCO/OO-337/07, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidiering op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 - b. te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld onder a. 2. De voorzitter kan van zijn op grond van het eerste lid gemandateerde bevoegdheid, ondermandaat verlenen aan functionarissen van de stichting Nuffic. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Van dit besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":11100,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 10 december 2013, FM 2013/2174 M, directie Financiële Markten, betreffende het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (Besluit mandaat, volmacht en machtiging Dienst Uitvoering Onderwijs in verband met vakbekwaamheid Wft) Handelende met instemming van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gezien de schriftelijke instemming van de Directeur-Generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs van 3 december 2013; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **centrale examenbank:** centrale examenbank, bedoeld in [artikel 11e van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020421&artikel=11e); - **Directeur-Generaal:** Directeur-Generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs; - **informatiesysteem:** informatiesysteem, bedoeld in [4:9a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:9a); - **Minister:** Minister van Financiën; - **wet:** [Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368). Artikel 2 Aan de Directeur-Generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister: - a. het functionele en technische beheer te voeren over de centrale examenbank; - b. het functionele en technische beheer te voeren over het informatiesysteem inzake beroepskwalificaties; - c. gegevens in en uit het informatiesysteem te verwerken; - d. examens via de centrale examenbank af te nemen; - e. rapportages en beleidsinformatie te verzorgen; - f. het inzagerecht van examinandi te organiseren; - g. diplomarechten vast te stellen; - h. diploma's en certificaten uit te geven; - i. omwisselingen te registreren; - j. examenuitslagen te bepalen, registreren en communiceren; - k. examenleges te innen en beheren; - l. verklaringen van ordentelij"},{"i":12515,"b":"Besluit van 23 juni 2014, houdende nadere regels betreffende de opgave van de hoeveelheid bijdragende olie als bedoeld in artikel 5 van de Wet schadefonds olietankschepen BES Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie, van 7 maart 2014, nr. WJZ / 14034673, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Gelet op de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028246&artikel=5) en [13 van de Wet schadefonds olietankschepen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028246&artikel=13); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 maart 2014, nr. W15.14.0062/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie, van 19 juni 2014, nr. WJZ / 14068700, directie Wetgeving en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. In dit besluit wordt onder wet verstaan: [Wet schadefonds olietankschepen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028246). 2. Bijdragende olie wordt aangemerkt als te zijn ontvangen in de zin van [artikel 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028246&artikel=5) zodra deze, na een aanvoer over zee als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a of b, van het Verdrag, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt opgeslagen. 3. Voor de toepassing van het bij en krachtens [artikel 5, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028246&artikel=5) bepaalde wordt als degene, die in een kalenderjaar bijdragende olie heeft ontvangen, aangemerkt een in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde persoon, die in dat kalenderjaar - a. bijdragende olie in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor zichzelf heeft bewerkt of verwerkt, dan wel heeft doen bewerken of verwerken, dan wel - b. bijdragende olie op de binnenlandse markt heeft verhandeld, voor zover de in"},{"i":11117,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Inspecteur-generaal van het onderwijs van 25 augustus 2O17, nr. WJZ/1245752 (4974369), houdende routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen (Besluit routinematige digitale vervanging archiefbescheiden Inspectie voor het onderwijs) Gelet op: [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=2) en [6 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6); [artikel 26b van de Archiefregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b); de [Regeling Informatiebeheer OCW 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033170); Besluiten: Artikel 1 Over te gaan tot routinematige digitale vervanging van archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen - a. die zullen worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit; - b. volgens de specificaties, vastgelegd in de bij dit besluit horende bijlage ‘handboek routinematige digitale vervanging eDocs’. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit routinematige digitale vervanging archiefbescheiden Inspectie van het onderwijs. Handboek routinematige digitale vervanging eDocs bij de Inspectie van het Onderwijs Vastgesteld op 8 november 2016 te Utrecht. Colofon Organisatie: IvhO Onderdeel: Staf/Recordmanagement Versienummer: 1.0 Contactpersoon: H.C. Vermeulen T 06 2743 7051 h.vermeulen@owinsp.nl Park Voorn 4, Utrecht Auteurs: Dé Engel, Marjo de Vente, Ron Valken en Hans Vermeulen Inhoudsopgave Inleiding [Artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) biedt de zorgdrager de mogelijkheid om ove"},{"i":12430,"b":"Besluit houdende inwilliging AVV-verzoek onderzoek brancheorganisatie Sierteeltproducten 23 maart 2022 nr. 22081376 Gelet op de artikelen 164 en 165 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347) en [paragraaf 5 van de Regeling producenten- en brancheorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035634&paragraaf=5); Gelet op de inhoud van de aanvraag van de brancheorganisatie Sierteeltproducten wordt het verzoek ingewilligd onder het stellen van de hierna genoemde voorschriften en beperkingen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Verordening 1308/2013:** Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. **Brancheorganisatie Sierteeltproducten:** erkende brancheorganisatie Sierteeltproducten; - c. **Programma Onderzoek en Innovatie:** Programma Onderzoek en Innovatie Bloembollen 2022 – 2027, zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046507&bijlage=A&z=2022-04-02&g=2022-04-02) van dit besluit; - d. **Registratieregeling:** Regeling verplichte registratie en gegevensverstrekking BO Sierteeltproducten, zoals opgenomen in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046507&bijlage=B&z=2022-04-02&g=2022-04-02) van dit besluit; - e. **Bijdrageregeling:** Regeling verplichte financiële bijdragen BO Sierteeltproducten, zoals opgenomen in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046507&bijlage=C&z=2022-04-02&g=2022-04-02) van dit beslui"},{"i":11121,"b":"Koninklijk besluit van 4 april 1827, no. 169, betreffende taxa voor akten van permissie en voor diploma van markies Gezien de rapporten van den Hoogen Raad van Adel van den 15 augustus, 23 January en 22 maart jl No 590/136, 44/80 en 122/98 betrekkelijk de noodige aanvullingen in Ons besluit van den 22 February 1821 No 69, waarbij de taxa en Leges bij de afgifte van diplomata van adel zijn geregeld. Gelet op het advies van Onzen Minister van Justitie van den 24 November ll No 50. Gelet op Ons voormeld besluit. Hebben goedgevonden en verstaan bij aanvulling van hetzelve, te bepalen, Artikel 1 dat voor het geval, dat door Ons aan een oudsten zoon mogt worden toegestaan, om reeds gedurende het leven van Zijnen Vader, den titel te voeren, waartoe hij anderzints eerst na het overlijden van dezen geregtigd zoude zijn, en voor het geval, dat door Ons aan een Zoon mogt worden vergund, om bij eenen hem reeds toekomenden titel den naam te voeren met welken Zijn Vader een hoogere titel voert **akten van permissie** bij den Hoogen Raad van Adel opgemaakt in aan de belanghebbenden, tegen betaling eener som van **honderdtwintig guldens** (ƒ 120) leges, voor elke geval zullen worden uitgereikt. Artikel 2 dat wegens taxa van een diploma van **Markies**, zal worden ingevorderd eene som van **achthonderdvijftig guldens** (ƒ 850). En is de Hooge raad van Adel belast met de uitvoering dezes."},{"i":13098,"b":"Besluit zoetstoffen in levensmiddelen BES Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **quantum satis:** het toevoegen van zoetstoffen overeenkomstig goede produktiemethoden in hoeveelheden die niet groter zijn dan voor het beoogde doel nodig is en op voorwaarde dat de consument niet misleid wordt; - b. **gaseosa:** de als zodanig aangeduide waar, welke bestaat uit een niet-alcoholhoudende drank op basis van water, waaraan zijn toegevoegd kooldioxide, zoetstoffen en aroma’s; - c. **snacks:** voorverpakte, gearomatiseerde, gezouten, gedroogde hapjes op basis van zetmeel of (hazel)noten; - d. **«tafelbier», «bière de table» en «table beer»:** de als zodanig aangeduide waar met een extractgehalte van de stamwort van minder dan 6% met uitzondering van «Obergaeriges Einfachbier»; - e. **cyclaamzuur:** cyclaamzuur en de natrium- en calciumzouten daarvan; - f. **saccharine:** saccharine en de natrium-, kalium- en calciumzouten daarvan; - g. **neohesperidine:** neohesperidine dihydrocalchone. Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Warenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028619&artikel=3). Artikel 2 1. Onverminderd andere wettelijke bepalingen mogen zoetstoffen slechts aanwezig zijn in de volgende eet- of drinkwaren: - a. eet- of drinkwaren die uitsluitend bestemd zijn voor de bereiding van een samengestelde eet- of drinkwaar die voldoet aan dit besluit; of - b. samengestelde eet- of drinkwaren: - –. zonder toegevoegde suikers of met verlaagde energiewaarde; - –. bestemd voor een hypocalorisch dieet; en - –. met een verlengde houdbaarheid; met uitzondering van baby- en zuigelingenvoeding. 2. In eet- en drinkwaren zijn slechts zoetstoffen aanwezig met inachtneming van de bijlage. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking de dag na de uitgifte van het Publicatieblad waarin het geplaatst is, en werkt terug tot en met 25 november 2004. Artikel 4 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit zoetstoffen in levensmiddelen"},{"i":11178,"b":"Deelregeling Cultuureducatie met Kwaliteit in het primair onderwijs Fonds voor Cultuurparticipatie 2017–2020 Gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10); Besluit: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **adhesieverklaring:** schriftelijke steunbetuiging van een gemeente of provincie aan het inhoudelijke plan dat past binnen het programma Cultuureducatie met Kwaliteit; - **beleidsprogramma Cultuureducatie met Kwaliteit in het primair onderwijs:** programma geïnitieerd door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bedoeld om de kwaliteit van cultuureducatie in het primair onderwijs door middel van een landelijk samenhangende aanpak te borgen; - **bestuur:** het bestuur van de stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - **coördinerende werkzaamheden:** organisatorische werkzaamheden ten behoeve van de samenwerking tussen deelnemende partners en activiteiten; - **cultuureducatie:** het onderwijs gericht op het bereiken van de kerndoelen binnen het leergebied Kunstzinnige oriëntatie; - **doorgaande leerlijn:** Een leerlijn is een beredeneerde opbouw van tussendoelen en inhouden naar een einddoel. Afhankelijk van de precieze functie, gebruikscontext en doelgroep variëren leerlijnen in de mate waarin implicaties voor verschillende leerplanelementen zijn uitgewerkt. Leerlijnen worden ontwikkeld om meer samenhang en continuïteit door leerjaren heen te geven; - **fonds:** de stichting Fonds voor Cultuurparticipatie; - **gemeenten:** de gemeenten zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling; - **intentieverklaring:** schriftelijke verklaring waarin een gemeente of provincie haar financiële bijdrage vastlegt; - **kerndoelen binnen het leergebied kunstzinnige oriëntatie:** zoals vastgesteld in het [Besluit vernieuwde kerndoelen WPO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018844); - **penvoerder:** een culturele instel"},{"i":11370,"b":"De regeling van het College voor Toetsen en Examens van 22 juni 2020 nummer CvTE-20.01233, houdende vaststelling van de syllabi voor de centrale examens in het vwo, havo en vmbo ten behoeve van het examenjaar 2022, nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi ten behoeve van het examenjaar 2021, tevens preliminaire vaststelling van een syllabus ten behoeve van het examenjaar 2023 (Regeling syllabi centrale examens vo 2022) Gelet op [artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2); Gezien de goedkeuring van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bedoeld in [artikel 2, achtste lid, van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=2), gegeven op 26 juni 2020, kenmerk 885484, Besluit: Artikel 1. Vaststelling syllabi ten behoeve van het examenjaar 2022 Vervallen Artikel 2. Nadere vaststelling van enkele eerder vastgestelde syllabi Vervallen Artikel 3. Preliminaire vaststelling van een syllabus ten behoeve van het examenjaar 2023 Vervallen Artikel 4. Bekendmaking 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De syllabi, bedoeld in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043819&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043819&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043819&artikel=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01), worden bekendgemaakt op www.examenblad.nl. Artikel 5. Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. [Artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043819&artikel=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en de daarbij behorende [bijlagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043819&bijlage=1a&z=2024-01-01&g=2024-01-01) vervallen met ingang van 1 janu"},{"i":13980,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 juni 2018, nr. 8f0daaaa-or1-1.0., tot vaststelling van procedureregels voor het omgaan met een melding van een vermoeden van een misstand bij de AIVD (Procedureregeling met betrekking tot het behandelen van meldingen inzake vermoedens van misstanden AIVD) Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie; Gelet op [paragraaf 7.2.4 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896&sub-paragraaf=7.2.4); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **afdeling klachtbehandeling:** de afdeling klachtbehandeling van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; - b. **AIVD:** Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - c. **BVA:** afdeling beveiligingsambtenaar; - d. **CTIVD:** commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; - e. **diensten:** Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst; - f. **directeur-generaal:** directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst; - g. **gezamenlijke commissie:** een commissie, die is aangewezen door of namens de secretaris-generaal en de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie, die onderzoek verricht naar het vermoeden van een misstand bij een of meer gezamenlijke teams van de AIVD en de MIVD dat door de melder is gemeld; - h. **interne commissie:** een commissie, die is aangewezen door of namens de secretaris-generaal, die onderzoek verricht naar het vermoeden van een misstand dat door de melder is gemeld; - i. **melder:** een ieder die betrokken is of is geweest bij de uitvoering van de [Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039896) of de [Wet veiligheidsonderzoeken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008277) en een melding van een vermoeden van een misstand"},{"i":12432,"b":"Besluit inwilliging AVV-verzoek onderzoeks- en innovatieagenda AVINED Gelet op de artikelen 164 en 165 van [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347) en [paragraaf 5 van de Regeling producenten- en brancheorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035634&paragraaf=5); Gelet op de inhoud van de aanvraag van AVINED wordt het verzoek ingewilligd onder het stellen van de hierna genoemde voorschriften en beperkingen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Verordening 1308/2013:** [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de [Verordeningen (EG) nr. 922/72](31972R0922), [(EEG) nr. 234/79](31979R0234), [(EG) nr. 1037/2001](32001R1037) en [(EG) nr. 1234/2007](32007R1234) van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. **AVINED:** erkende brancheorganisatie Stichting AVINED; - c. **Onderzoeks- en innovatieagenda:** Onderzoeks- en innovatieagenda Nederlandse pluimveesector 2021–2027, zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050831&bijlage=A&z=2021-04-02&g=2021-04-02) van dit besluit; - d. **Registratieregeling:** Regeling verplichte registratie en gegevensverstrekking onderzoeks- en innovatieagenda Nederlandse pluimveesector, zoals opgenomen in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050831&bijlage=B&z=2021-04-02&g=2021-04-02) van dit besluit; - e. **Bijdrageregeling:** Regeling verplichte financiële bijdragen onderzoeks- en innovatieagenda voor de Nederlandse pluimveesector, zoals opgenome"},{"i":13167,"b":"Besluit van de Sociale verzekeringsbank van 13 november 2023 houdende controlevoorschriften als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene kinderbijslagwet (Controlevoorschriften AKW) Gelet op [artikel 16, eerste lid, van de Algemene kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=16); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **de AKW:** de [Algemene Kinderbijslagwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368); - b. **SVB:** de Sociale verzekeringsbank; - c. **kinderbijslag:** kinderbijslag in de zin van [Hoofdstuk III van de AKW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&hoofdstuk=III); - d. **een kind:** een eigen kind, een aangehuwd kind of een pleegkind als bedoeld in [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048929&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2023-11-24&g=2023-11-24), waarvoor kinderbijslag is aangevraagd of dat van invloed is op de hoogte van de kinderbijslag, en ten opzichte waarvan men niet van de verplichting tot het opgeven van wijzigingen is ontslagen; - e. **de partner:** de persoon met wie de aanvrager een huishouden vormt. Artikel 2 1. Dit besluit is van toepassing op: - a. de persoon die kinderbijslag ontvangt of hiervoor in aanmerking wenst te komen; - b. de partner van degene die kinderbijslag ontvangt of hiervoor in aanmerking wenst te komen, mits de partner zelf recht heeft op kinderbijslag, ongeacht of de partner zelf een aanvraag om kinderbijslag heeft ingediend; - c. de persoon aan wie op grond van [artikel 21 AKW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002368&artikel=21) kinderbijslag wordt betaald. 2. Dit besluit is ook van toepassing als de in het eerste lid bedoelde personen of het kind waarvoor kinderbijslag is aangevraagd, buiten Nederland wonen. Hoofdstuk 2. Algemene verplichtingen Artikel 3 1. De in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048929&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2023-11-24&g=2023-11-24)"},{"i":12444,"b":"Besluit van 5 november 2014, houdende regels ter uitvoering van de Jeugdwet (Besluit Jeugdwet) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 5 augustus 2014, registratienummer 547112, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Gelet op de [artikelen 1.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.3), [2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=2.14), [3.4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=3.4), [4.1.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.1.5), [4.1.9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=4.1.9), [6.2.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.2.1), [6.5.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=6.5.1), [7.1.1.2, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.1.1.2), [7.1.2.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.1.2.2), [7.1.4.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.1.4.2), [7.2.8, eerste en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.2.8), [7.4.5, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=7.4.5), [8.2.1, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.2.1), en [8.3.2 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=8.3.2), [4.1.1, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.1.1), [4.2.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.2.3), [4.2.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.2.6), [4.2.12, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362&artikel=4.2.12) en [5.3.1, vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362"},{"i":11383,"b":"Regeling tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten Gelet op de artikelen: [1.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=1.3), [3.10, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=3.10), [4.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=4.12), [5.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=5.6), [7.3, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=7.3), [8.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=8.1), [9.2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=9.2), [9.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=9.4) en [10.9, derde, vierde, zevende en achtste lid, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=10.9), Besluit Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **wet:** [Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438), - **besluit:** [Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012645), - **Minister:** Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hoofdstuk 2. Regeling omtrent aanvraag Artikel 2.1. Formulieren Gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de aanspraak op tegemoetkoming en van de hoogte daarvan, worden door de aanvrager, bedoeld in [artikel 1.3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&artikel=1.3), of diens partner uitsluitend verstrekt door invulling en inlevering van daartoe bestemde door de Minister te verstrekken formulieren. Artikel 2.2. Verstrekking gegevens 1. Indien het betreft een aanvraag van een tegemoetkoming op grond van [hoofdstuk 5 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012438&hoofdstuk=5), doen de aanvrager en diens partner opgave van hun burger"},{"i":12449,"b":"Besluit Korps Mobiele Colonnes 1989 In overeenstemming met de ministers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Overwegende, dat het in verband met de reorganisatie van de rampenbestrijding wenselijk is nieuwe regels vast te stellen met betrekking tot het Korps Mobiele Colonnes; dat het Korps Mobiele Colonnes – dat is opgericht bij koninklijk besluit van 14 november 1955, nr. 41 (Stcrt. 1955, 233) – bij koninklijk besluit van 1 februari 1963, nr. 58 (Stcrt. 1963, 30) met ingang van 1 maart 1963 is opgenomen in de organisatie van de Koninklijke landmacht; dat het Korps Mobiele Colonnes is bestemd om taken te vervullen in het kader van de rampenbestrijding; dat enerzijds de minister van defensie met betrekking tot het Korps Mobiele Colonnes als onderdeel van de krijgsmacht bevoegdheden en verantwoordelijkheden heeft en anderzijds de minister van Binnenlandse Zaken, gelet op zijn verantwoordelijkheid voor de rampenbestrijding, er van verzekerd dient te zijn dat het Korps Mobiele Colonnes doelmatig wordt voorbereid op zijn taak en deze doelmatig zal kunnen vervullen; Besluiten: Functie van het Korps Mobiele Colonnes Artikel 1 Het Korps Mobiele Colonnes is een militaire eenheid, die ressorteert onder de Bevelhebber der landstrijdkrachten, en is bestemd om taken te vervullen in het kader van de rampenbestrijding en in het kader van de drinkwatervoorziening in buitengewone omstandigheden. Artikel 2 Het Korps Mobiele Colonnes is belast met: - a. redding; - b. geneeskundige hulpverlening; - c. gewondentransport; - d. nooddrinkwaterleidingvoorziening; - e. waterzuivering. Taken en bevoegdheden van de minister van Binnenlandse Zaken Artikel 3 De minister van Binnenlandse Zaken stelt in overeenstemming met de minister van Defensie en met inachtneming van het bepaalde in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004647&artikel=9&z=1989-09-21&g=1989-09-21), de hoofdlijnen vast van de organisatie van het Kor"},{"i":12446,"b":"Besluit van 19 maart 1956, houdende de kentekenen van een Nederlands oorlogsvaartuig Op de voordracht van Onze minister van marine, mede namens zijn ambtgenoten van overzeese rijksdelen en van buitenlandse zaken en namens zijn ambtgenoot zonder portefeuille Mr. J. M. A. H. Luns, van 13 januari 1956 no. 422004/385205; Gezien: artikel 2 van het verdrag van 18 oktober 1907 nopens verandering van handelsvaartuigen in oorlogsschepen, zoals dat verdrag onder meer is bekend gemaakt bij Koninklijk besluit van 22 februari 1910 (**Stb.** 73), alsmede artikel 410 van het Nederlandse [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en de daarmede overeenkomende bepalingen van de strafwetgeving in Suriname, in de Nederlandse Antillen en in Nederlands Nieuw-Guinea; De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 21 februari 1956, nr. 31); Gezien het nader rapport van Onze minister van marine, mede namens zijn ambtgenoten van overzeese rijksdelen en van buitenlandse zaken en namens zijn ambtgenoot zonder portefeuille Mr. J. M. A. H. Luns, van 13 maart 1956, nr. 427599/385205; De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onder Nederlands oorlogsvaartuig wordt verstaan elk vaartuig, behorende aan of in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden, dat staat onder bevel van een militair der zeemacht en waarvan de bemanning is onderworpen aan de krijgstucht. Artikel 2 Een Nederlands oorlogsvaartuig voert ter onderscheiding van alle andere onder Nederlandse vlag varende vaartuigen: - a. hetzij de wimpel, te weten een lange, zeer smalle, gespleten scheepsvaan in de kleuren van de Nederlandse vlag; - b. hetzij één der commandovlaggen, zijnde vierkante vlaggen in de kleuren van de Nederlandse vlag, met in de rode baan aan de broekingzijde hetzij twee gekruiste maarschalkstaven, hetzij vier, drie of twee sterren of één ster van dit doek; - c. hetzij de standaard, te weten een vierkante vl"},{"i":11384,"b":"Regeling ter uitvoering van voorschriften onderwijsbevoegdheid niet-Antilliaanse diploma’s BES Besluit: Artikel 1 De verklaring, bedoeld in [artikel 1, vijfde lid, van het Besluit voorschriften onderwijsbevoegdheid niet-Antilliaanse diploma’s BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028646&artikel=1), wordt opgesteld overeenkomstig het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling ter uitvoering van voorschriften onderwijsbevoegdheid niet-Antilliaanse diploma’s BES. Bijlage. behorende bij de Regeling ter uitvoering van voorschriften onderwijsbevoegdheid niet-Antilliaanse diploma’s BES | Gelezen: | | --- | | het verzoek van ...... te .........; | | | | Overwegende: | | dat voor het voortgezet onderwijs in het vak ... geen bewijs van bekwaamheid is aangewezen; gelet op: | | [artikel 36, vierde lid van de Wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=36); | | | | Gezien: | | het advies van de inspectie; | | | | V E R K L A A R T: | | | | dat te rekenen van ..................................... | | | | aan de heer/mevrouw ..............................., | | | | geboren .............. te ............op grond van zijn/haar buiten de voormalige Nederlandse Antillen behaalde getuigschrift/diploma .................................................., behaald aan ..........................., d.d. ....................... de bevoegdheid wordt verleend tot het geven van voortgezet onderwijs in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de/het vak(ken) ........................ aan de in de bijlage, bedoeld in [artikel 36, eerste lid, van de wet voortgezet onderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030284&artikel=36) met de/het codenummer(s) .................. aangeduide soorten van onderwijs. | | | | De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, | Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11890,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 8 april 2026, houdende de aanwijzing van de gegevensuitwisselingsentiteit Energiewet als aangewezen organisatie onder de Wet digitale overheid handelende in overeenstemming met de Minister van Klimaat en Groene Groei, Gelet op [artikel 2, zesde lid, van de Wet digitale overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048156&artikel=2); Besluit: Artikel 1 Als organisatie als bedoeld in [artikel 2, zesde lid, van de Wet digitale overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048156&artikel=2), wordt aangewezen: de gegevensuitwisselingsentiteit, bedoeld in [artikel 4.15, eerste lid, van de Energiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050714&artikel=4.15). Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11385,"b":"Regeling titulatuur hoger onderwijs Artikel 1. Andere toevoeging wetenschappelijk onderwijs Als toevoeging aan de graden Bachelor en Master, verleend na het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht, wordt vastgesteld ”of Laws”. Artikel 1a. Afkorting andere toevoeging wetenschappelijk onderwijs De graden met toevoeging, als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018486&artikel=1&z=2018-12-04&g=2018-12-04), worden als volgt afgekort: - a. Bachelor met de toevoeging ‘of Laws’: LLB; - b. Master met de toevoeging ‘of Laws’: LLM. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling titulatuur hoger onderwijs. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Gelet op: • [artikel 7.10a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.10a) Besluit Artikel 1b. Vaststelling referentielijst internationale herkenbaarheid titulatuur hoger beroepsonderwijs De referentielijst internationale herkenbaarheid titulatuur hoger beroepsonderwijs, bedoeld in [artikel 5a.2, lid 2a, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=5a.2), en de graden met toevoegingen, bedoeld in [artikel 7.19a, lid 3a, van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=7.19a), worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Bijlage. Referentielijst internationale herkenbaarheid titulatuur hoger beroepsonderwijs In deze bijlage worden voor het hoger beroepsonderwijs per onderdeel van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs internationaal herkenbare"},{"i":12431,"b":"Besluit inwilliging AVV-verzoek onderzoek SBK Gelet op de artikelen 164 en 165 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347) en [paragraaf 5 van de Regeling producenten- en brancheorganisaties](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035634&paragraaf=5); Gelet op de inhoud van de aanvraag van SBK wordt het verzoek ingewilligd onder het stellen van de hierna genoemde voorschriften en beperkingen; Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Verordening 1308/2013:** [Verordening (EU) nr. 1308/2013](32013R1308) van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347); - b. **SBK:** erkende brancheorganisatie Stichting Brancheorganisatie Kalversector; - c. **Onderzoeks- en innovatieprogramma:** Programma Onderzoek en Innovatie voor een duurzame kalversector zoals opgenomen in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045624&bijlage=A&z=2021-09-17&g=2021-09-17) van dit besluit; - d. **Registratieregeling:** Regeling verplichte registratie en gegevensverstrekking Programma Onderzoek en Innovatie voor een duurzame kalversector, zoals opgenomen in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045624&bijlage=B&z=2021-09-17&g=2021-09-17) van dit besluit; - e. **Bijdrageregeling:** Regeling verplichte financiële bijdragen Programma Onderzoek en Innovatie voor een duurzame kalversector, zoals opgenomen in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045624&bijlage=C&z=2021-09-17&g=2021-09-17) van dit besluit; - f. **nie"},{"i":12448,"b":"Besluit kleurstoffen in levensmiddelen BES Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **kleurstoffen:** stoffen welke kleur geven of teruggeven aan eet- of drinkwaren, met inbegrip van natuurlijke bestanddelen van eet- of drinkwaren en andere natuurlijke bronnen, die normaliter niet als eet- en drinkwaar worden gebruikt, alsmede preparaten die uit eet- of drinkwaren en ander natuurlijk uitgangsmateriaal verkregen zijn via een fysische of chemische behandeling die resulteert in een selectieve extractie van de kleurstof met betrekking tot de aromatische of voedingsbestanddelen; - b. **quantum satis:** een hoeveelheid kleurstoffen, toegevoegd aan eet- of drinkwaren overeenkomstig goede produktie-methoden, die niet groter is dan voor het beoogde doel nodig is; - c. **onverwerkte eet- of drinkwaar:** een eet- of drinkwaar die geen behandeling heeft ondergaan welke een ingrijpende wijziging veroorzaakt in de oorspronkelijke staat daarvan, met dien verstande dat die eet- of drinkwaar gesneden, verdeeld, uitgebeend, gehakt, geschild, gewassen, gemalen, schoongemaakt, diepgevroren, ingevroren, gekoeld, ontkorst, gedopt, verpakt of niet-verpakt kan zijn. 2. Dit besluit heeft geen betrekking op: - a. gedroogde of geconcentreerde eet- of drinkwaren, en smaakstoffen die wegens de aromatische, smaakgevende of voedingseigenschappen worden gebruikt voor de bereiding van samengestelde eet- en drinkwaren, en die als bijkomend effect kleur geven aan eet- en drinkwaren; - b. kleurstoffen die worden gebruikt voor het kleuren van niet voor menselijke consumptie bestemde oppervlaktelagen van eetwaren. Artikel 1a Dit besluit berust op [artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Warenwet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028619&artikel=3). Artikel 2 Uitsluitend de in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028346&bijlage=1&z=2010-10-10&g=2010-10-10) bedoelde kleurstoffen mogen: - a. worden gebruikt in eet- en drinkwaren; - b. worden gebruikt voor het ter"},{"i":12443,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 30 april 2015 inzake volginnovatie 2015 Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de navolgende onderdelen van [artikel 1, tweede lid, van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035991&artikel=1): Eurostarsprojecten Internationaal innoveren (ITEA3-innovatieprojecten) Innovatiekredieten (Klinische ontwikkelingsprojecten) Innovatiekredieten (Technische ontwikkelingsprojecten) Seed capital technostarters Gelet op [artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005252&artikel=8); Besluit: Artikel 1 1. Op grond van het vorenstaande worden van alle verleende innovatiegelden in het kader van de uitvoering van bovengenoemde regelingen, de gegevens gepubliceerd met betrekking tot: In alle gevallen: - •. Aanvrager/penvoerder; - •. Postcode van aanvrager/penvoerder; - •. Verleend bedrag in euro’s; - •. Jaar van verlening; - •. Programma of regeling (beleidsinstrument op de Rijksbegroting); Voor zover door de aanvrager reeds toestemming is verleend: - •. Projecttitel; - •. Projectomschrijving; - •. Medeaanvragers/Partner(s); - •. Projectvideo; - •. Projectdocumentatie; De gegevens worden niet eerder dan drie weken na de bekendmaking van dit besluit gepubliceerd op website www.volginnovatie.nl en op de website www.rvo.nl. Wanneer binnen die drie weken een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend tot schorsing van het besluit tot openbaarmaking, vindt verstrekking in elk geval niet eerder plaats dan na de rechterlijke uitspraak op genoemd verzoek. 2. De gegevens, b"},{"i":12506,"b":"Besluit van 17 september 1944, houdende vaststelling van het Besluit ontbinding landverraderlijke organisaties Op de voordracht van Onze Ministers voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk, van Algemeene Zaken, van Buitenlandsche Zaken, van Justitie, van Binnenlandsche Zaken, van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, van Financiën, van Oorlog, van Marine, van Waterstaat, van Handel, Nijverheid en Landbouw, van Scheepvaart en Visscherij, van Sociale Zaken, van Koloniën en van Onzen Minister zonder Portefeuille van 14 September 1944, N°. 1621/G 20/AT; Overwegende, dat het dringend noodzakelijk is bijzondere voorzieningen te treffen omtrent de ontbinding van de Nationaal Socialistische Beweging der Nederlanden, alsmede van daaraan verwante en andere nationaalsocialistische en fascistische organisaties; Overwegende, dat zich hier dringende omstandigheden voordoen, waarin de Buitengewone Raad van Advies niet kan worden gehoord; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De Nationaal Socialistische Beweging der Nederlanden, alsmede de daaraan verwante en andere nationaalsocialistische en fascistische organisaties, vermeld op de aan dit besluit toegevoegde lijst, zijn ontbonden. 2. Wij behouden Ons voor binnen achttien maanden na het inwerkingtreden van dit besluit aan deze lijst andere organisaties toe te voegen, waarvan Ons mocht blijken, dat zij eveneens als nationaalsocialistisch of fascistisch moeten worden aangemerkt. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002010&artikel=1&z=1945-12-07&g=1945-12-07) bedoelde organisaties, alsmede alle organisaties, welke het streven van een of meer dier organisaties trachten voort te zetten, worden als vereenigingen strijdig met de openbare orde en mitsdien als bij de wet verboden aangemerkt. Artikel 3 1. Het vermogen der ontbonden organisaties, in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002010&artikel=1&z=1945-12-07&g=1945-12-07) bedoeld, onverschillig of deze al dan niet als rechts"},{"i":12477,"b":"Besluit van 15 november 1982, houdende nadere uitwerking herindeling van een aantal departementale taken Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, dd. 12 november 1982, nr. 325626 en Onze Minister van Binnenlandse Zaken, dd. 12 november 1982, nr. SG82/U175; Overwegende dat onderdeel 7 van Ons Besluit van 4 november 1982, nr. 102 (**Stb.** 613), houdende herindeling van een aantal departementale taken, nadere uitwerking behoeft; Gelet op artikel 86 van de Grondwet; Hebben goedgevonden en verstaan: artikel 1 1. De verplichtingen, voor het voormalige departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, voortvloeiende uit het dienstverband met zijn personeel, alsmede de zorg voor de overige beheersaangelegenheden van dat departement zijn met ingang van 4 november 1982 overgegaan op het departement van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Uiterlijk op 1 januari 1983 zullen deze verplichtingen en deze zorg, voor zover samenhangend met de aangelegenheden op het terrein van de Milieuhygiëne zoals bedoeld in onderdeel 2 van Ons Besluit van 4 november 1982 , nr. 102 (**Stb.** 613), bij Koninklijk besluit worden overgedragen aan het departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 2. Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur stelt tot uiterlijk de in onderdeel 1, tweede volzin genoemde datum aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het personeel ter beschikking, dat deze nodig heeft voor het behartigen van zijn taak op het terrein van het milieubeheer (de milieuhygiëne). 3. ..., secretaris-generaal van het voormalige departement van Volksgezondheid en Milieuhygiëne doet voor 1 januari 1983 voorstellen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken met het oog op de afwikkeling van zaken verband houdende met het bepaalde onder 1 tot en met 4 van Ons Besluit van 4 november 1982, nr. 102 (**Stb.** 613). 4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken stelt in het kader van de in onderdeel 3 van"},{"i":11294,"b":"Regeling examencondities centraal schriftelijk examen en centraal praktisch examen (cspe) 2004 Gelet op: artikel 39 van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.; de regeling Definitieve vaststelling van de examenprogramma's vmbo (Gele katern van Uitleg nr. 13, 17 mei 2000) de regeling Examenprogramma's landbouw en landbouw-breed vmbo (Nederlandse Staatscourant nr. 163, 24 augustus 2000) de regeling Kaders cspe 2004 vmbo (elders in dit Gele katern) Besluit Artikel 1. ICT in het cspe 2004 Voor ieder beroepsgericht programma in het vmbo geldt: - 1. ICT-toepassingen die voor kunnen komen in het cpe BB 2004, kunnen eveneens deel uit maken van het cspe 2004. - 2. Een gedeelte van de vaktheorie kan zowel schriftelijk als met behulp van de computer getoetst worden. Artikel 2. Het examenrooster voor het cspe 2004 1. De begindatum voor het cspe is maandag 5 april 2004. 2. Voor het cspe eindigt het eerste tijdvak op vrijdag 28 mei 2004. 3. Het tweede tijdvak voor het cspe begint op woensdag 9 juni 2004. 4. Voor het cspe eindigt het tweede tijdvak op dinsdag 22 juni 2004. Artikel 3. De beoordeling van het cspe 2004 De bepalingen in de regeling Beoordeling centraal examen (Uitleg Gele katern nr. 18 van 31 juli 2002) zijn onverminderd van toepassing op het cspe. Artikel 4. Bekendmaking Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OCenW-regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling gedaan worden in de staatscourant. Artikel 5. Inwerkingtreding De regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na datum van uitgifte van OCenW-Regelingen, waarin deze mededeling bekend is gemaakt, en werkt terug tot 1 augustus 2003. Artikel 6. Citeertitel De regeling wordt aangehaald als ’Regeling Examencondities cspe 2004’."},{"i":11354,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 augustus 2021, nr. MBO/26721259, houdende vaststelling van de landelijke standaarden voor de kwaliteit van de examens van de beroepsopleidingen (Regeling standaarden examenkwaliteit beroepsonderwijs 2021) Gelet op [artikel 7.4.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.4) en [artikel 7.4.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.4.5); Besluit: Artikel 1. Standaarden examenkwaliteit beroepsopleidingen De landelijke standaarden, bedoeld in [artikel 7.4.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.4.4), worden vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045580&bijlage=1&z=2022-08-01&g=2022-08-01) behorend bij deze regeling. Artikel 2. Standaarden examenkwaliteit beroepsopleidingen BES De landelijke standaarden, bedoeld in [artikel 7.4.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=7.4.5), worden vastgesteld overeenkomstig [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045580&bijlage=2&z=2022-08-01&g=2022-08-01) behorend bij deze regeling. Artikel 3. Intrekking andere regelingen De [Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039422) en de [Regeling standaarden examenkwaliteit mbo BES 2017](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039837) worden ingetrokken. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling standaarden examenkwaliteit WEB. Bijlage 1. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045580&artikel=1&z=2021-09-04&g=2021-09-04) van de Regeling standaarden examenkwaliteit beroepsonderwi"},{"i":11311,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 mei 2009, nr. DL/B/110284, houdende regels voor het verstrekken van subsidie aan leraren met een onderwijsbevoegdheid om substantiële scholing te bevorderen en het verstrekken van subsidie ten behoeve van zij-instromers in het voortgezet onderwijs, het beroepsonderwijs en de educatie om hun onderwijsbevoegdheid te behalen (Regeling lerarenbeurs voor scholing en zij-instroom 2009–2011) Hoofdstuk 1. Algemeen Hoofdstuk 1. Algemeen § 1. Inleidende bepalingen Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten lerarenbeurs Vervallen Artikel 4. Eisen aan de leraar Vervallen Artikel 5. Subsidieplafond lerarenbeurs Vervallen Artikel 6. Subsidiebedrag voor studiekosten Vervallen Artikel 7. Subsidiebedrag voor studieverlof Vervallen § 2. Subsidieaanvraag lerarenbeurs § 3. Subsidieverlening lerarenbeurs § 4. Verplichtingen subsidieontvanger lerarenbeurs § 5. Betaling subsidie lerarenbeurs § 2. Subsidieaanvraag lerarenbeurs Hoofdstuk 3. Zij-instroom Hoofdstuk 4. Wijziging [Tijdelijke regeling lerarenbeurs voor scholing](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024246) Hoofdstuk 5. Slotbepalingen Bijlage 1 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Bijlage 2 Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2009/90 gesteld op 1 januari 2019. Inwerkingtreding voorheen door Stcrt. 2013/9081 gesteld op 1 juli 2017. Artikel 1. Begripsbepalingen Vervallen Artikel 2. Subsidieaanvraag Vervallen Hoofdstuk 2. Lerarenbeurs voor scholing § 1. Inleidende bepalingen Artikel 8. Vereisten subsidieaanvraag lerarenbeurs Vervallen Artikel 9. Termijn indiening aanvraag Vervallen § 3. Subsidieverlening lerarenbeurs Artikel 10. Criteria verdeling lerarenbeurs Vervallen Artikel 11. Weigeringsgronden Vervallen Artikel 12. Termijn beslissing Vervallen § 4. Verplichtingen subsidieontvanger lerarenbeurs Artikel 13. Subsidieverplichting leraar Vervallen Artikel 14. Subsidieverplichting bevoegd gezag Vervallen Artikel"},{"i":11378,"b":"Regeling van het College voor Toetsen en Examens van 26 juni 2017, nummer CvTE-17.01281, houdende vaststelling van de syllabus centraal examen Engels referentieniveau B2 bij centrale examinering in het mbo (Regeling syllabus centraal examen mbo Engels referentieniveau B2) Gelet op [artikel 3 van de Wet College voor toetsen en examens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025364&artikel=3), en [artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027963&artikel=6); Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 6 juli 2017, kenmerk 1221513; Besluit: Artikel 1. Syllabus De syllabus centraal examen mbo Engels referentieniveau B2 wordt vastgesteld zoals opgenomen in de bijlage. Artikel 2. Bekendmaking en inwerkingtreding 1. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. 2. De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039798&artikel=1&z=2017-07-19&g=2017-07-19) genoemde syllabus wordt gepubliceerd op www.examenbladmbo.nl. 3. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling syllabus centraal examen mbo Engels referentieniveau B2. Bijlage Niet opgenomen."},{"i":11346,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 september 2016, nr. MBO/1003504, houdende voorschriften inzake het terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters in de jaren 2017 tot en met 2020 en de regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017) Gelet op de [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=2), [4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5), [artikel 118i, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399&artikel=118i), de [artikelen 8.3.2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.3.2) en [8.3.3, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=8.3.3), [artikel 162c, derde lid, van de Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549&artikel=162c) en de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013111&artikel=1) en [4, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013111&artikel=4); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1.1.1, onderdeel w, subonderdeel 2, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=1.1.1); - b. **contactschool:** door de onderwijsinstellingen in de RMC-regio aangewezen onderwijsinstelling die namens hen optreedt als aanvrager en ontvanger van subsidie op grond van deze regeling; - c. **entreeopleiding:** entreeopleiding als bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https"},{"i":11390,"b":"Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 23 april 2018, nr. IENW/BSK-2018/10392, tot het vaststellen van vacatiegeld voor leden van de commissie van gecommitteerden voor de examens verklaringhouder (Regeling vacatiegeld leden commissie van gecommitteerden voor de examens verklaringhouder) Gelet op [artikel 12, zevende lid, van het Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007513&artikel=12); BESLUIT: Artikel 1 Het vacatiegeld, bedoeld in [artikel 12, zevende lid, van het Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007513&artikel=12), dat leden van de commissie van gecommitteerden voor de examens verklaringhouder ontvangen, voor zover de oorzaak van hun benoeming niet is gelegen in het ambt dat zij bekleden, wordt vastgesteld op € 135,– per examendag waarop een lid als gecommitteerde optreedt. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2018 en werkt terug tot en met 1 januari 2018. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vacatiegeld leden commissie van gecommitteerden voor de examens verklaringhouder. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13919,"b":"Regeling van de Minister van Financiën van 18 december 2019 tot vaststelling van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020 Gelet op [artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3); Gelet op [artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen Artikel 1. Begrippen In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **het ministerie van Financiën:** het kernministerie, de Belastingdienst en de inspectie belastingen, toeslagen en douane; - b. **het kernministerie:** de Generale Thesaurie, het directoraat-generaal Rijksbegroting, het directoraat-generaal Fiscale Zaken, het cluster secretaris-generaal, de regeringscommissaris en het bureau van de belangenbehartiger voor belastingplichtigen en toeslaggerechtigden; - c. **de Belastingdienst:** de directoraten-generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane; - d. **de minister:** de Minister van Financiën; - e. **de staatssecretaris:** de Staatssecretaris van Financiën; - f. **bewindspersoon:** de Minister of de Staatssecretaris van Financiën; - g. **algemene leiding:** de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de thesaurier-generaal; - h. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon besluiten te nemen; - i. **(hoofd)budgethouder:** hoofd van een organisatie-eenheid verantwoordelijk voor het financieel beheer van één of meer budgetten; - j. **bedrijfsvoering:** onderwerpen op de terreinen van personeel en organisatie, informatievoorziening en ict, inkoop, huisvesting, facilitaire zaken en beveiliging; - k. **eigenaar:** degene die oog houdt voor stabiliteit en continuïteit van een organisatie en is verantwoordelijk voor het inrichten en faciliteren van de governancestructuur gebaseerd op het rijksbreed toegepaste"},{"i":12499,"b":"Besluit van de directeur Verbruiksbelastingen, Douane en Internationale aangelegenheden van 31 mei 2023, Nr. 2023-0000122673, houdende ondermandatering van de competentie tot uitvoering van verplichtingen in arbitrageprocedures Gelet op het [besluit van 15 november 2021, nr. 2021-0000226675](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0046042), **Staatscourant** 2021, nr. 47638; Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=4), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=5) en [16 van het Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022&artikel=16) alsmede [artikel 28 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&artikel=28); Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1 Aan de Algemeen directeur Belastingdienst/Grote Ondernemingen wordt ondermandaat verleend tot het uitvoeren van de taak van de bevoegde autoriteit in het kader van te voeren arbitrageprocedures op basis van: - a). regelingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing, al dan niet zoals aangevuld door Deel VI van het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving; - b). het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (90/436/EEG); en - c). de [Wet Fiscale Arbitrage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042409), voor zowel de situatie waarin de bevoegde autoriteiten in een individueel geval een arbitrageprocedure starten en het voldoen aan algemene verplichtingen die voortvloeien uit die regelingen, dat verdrag of die [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0042409). Artikel 2 De Algemeen directeur Belastingdienst/Grote Ondernemingen kan ter zake van de gemandateerde bevoegdhede"},{"i":13971,"b":"Regeling van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie, nrs. EIB99/N85874 en 791049/599/JvD, houdende aanwijzing en regels over het gebruik van het politie-datacommunicatiesysteem Gelet op [artikel 3 eerste en derde lid, van het Besluit beheer regionale politiekorpsen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006560&artikel=3); Besluiten: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Paragraaf 2. Gebruik van het PODACS Artikel 2 1. De politie maakt bij de geautomatiseerde uitwisseling van gegevens door middel van draadgebonden telecommunicatievoorzieningen binnen de eigen organisatie en met de organisaties en instanties die worden genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage, uitsluitend gebruik van het PODACS. 2. Indien de politie door middel van draadgebonden telecommunicatievoorzieningen geautomatiseerd gegevens wil uitwisselen met niet op het PODACS toegelaten derden kan zij: - a). de minister verzoeken de uitwisseling van gegevens door de politie met deze derden via het PODACS toe te staan of; - b). zelf een verbinding met deze derden realiseren onder de voorwaarde dat de verbinding en de hierbij toegepaste apparatuur te allen tijde fysiek gescheiden blijft van het datacommunicatienetwerk van de politie. 3. Indien een verzoek als bedoeld in het tweede lid, onder a, door de minister wordt ingewilligd, wordt de toe te laten organisatie of instantie aan de in de bijlage van deze regeling opgenomen lijst van organisaties en instanties toegevoegd. Artikel 3 In afwijking van [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010770&paragraaf=2&artikel=2&z=2025-09-04&g=2025-09-04), voor zover het betreft de Koninklijke Marechaussee, en in afwijking van [artikel 2, tweede lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010770&paragraaf=2&artikel=2&z=2025-09-04&g=2025-09-04), voor zover het betreft de regionale en gemeentelijke brandweerkorpsen en de ambulancediensten waaraan kr"},{"i":11520,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 29 februari 2024, nr. MBO/44154614, houdende de verlening van mandaat aan de Inspectie van het Onderwijs voor waarschuwingsbesluiten educatieopleidingen Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4); Besluit: Artikel 1. Mandaatverlening Aan de inspecteur-generaal van het onderwijs wordt mandaat verleend om besluiten te nemen als bedoeld in: - a. [artikel 6a.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6a.1.3); - b. [artikel 6a.2.1, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=6a.2.1); - c. [artikel 6.2.2, vierde en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=6.2.2); en - d. [artikel 6.2.2a, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028395&artikel=6.2.2a). Artikel 2. Ondermandatering [Artikel 11 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=11) is op het in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049667&artikel=1&z=2024-05-04&g=2024-05-04) bedoelde mandaat van overeenkomstige toepassing. Voorts wordt aan de inspecteur-generaal van het onderwijs mandaat verleend te beslissen op een tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 ingediend bezwaarschrift, overeenkomstig het bepaalde in [artikel 7, vierde lid, aanhef en onder f, van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&artikel=7). Artikel 3. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaa"},{"i":12441,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 30 september 2015 inzake volginnovatie 2015 II Gelet op [titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=4.2); Gelet op de incidentele subsidieverlening op basis van [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=2) en [artikel 4 van de Kaderwet EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007919&artikel=4), voor zover betrekking hebbend op innovatiegelden; Gelet op de [artikelen 3.2.2, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.2), [3.2.2, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.2.2), [3.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.3.4), [3.3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.3.6), [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.4), [3.4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.8), [3.4.15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.15a) en [3.4.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.4.20), [3.7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.7.2), [3.8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.8.2), [3.9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=3.9.2), [4.2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.9), [4.2.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.23), [4.2.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.44), [4.2.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.58), [4.2.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.65) en [4.2.79 van de Regeling nationale EZ-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035474&artikel=4.2.79); Gelet op [artikel 1, tweede lid, van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2015](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035991&artikel=1): Gelet op [artikel 8"},{"i":11136,"b":"Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Constitutionele Zaken vanaf 1945 (Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 23 april 2007, arc-2007.03707/4); Besluit: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Constitutionele Zaken over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Basisselectiedocument **Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdragers** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Minister van Algemene Zaken Minister van Buitenlandse Zaken Minister van Justitie Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op het beleidsterrein CONSTITUTIONELE ZAKEN 1945– Ontwerp/Versie ter inzage 2007 Lijst van afkortingen AMvB: algemene maatregel van bestuur (groot KB) ARA: Algemeen Rijksarchief AROB: Administratieve Rechtspraak Overheidsbeschikkingen Art.: artikel BiZa: Binnenlandse Zaken (ministerie van) BSD: basisselectiedocument BW: Burgerlijk Wetboek BZK: Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (ministerie van) b&w: burgemeester en wethouders CAS: Centrale Archief Selectiedienst CZW: Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving CZWI: Stafafdeling Constitutionele Zaken, Wetgeving en Internationale Zaken DGOB: Directoraat-generaal Openbaar Bestuur EK: Eerste Kamer (kamerstuk-aanduiding, gevolgd door het vergaderjaar, het kamerstuknummer en het volgnummer binnen het kamerstuk) EG: Europese Gemeenschap ESH: Europees Sociaal Handvest"},{"i":13953,"b":"Wet van 17 december 2025, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2026) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2026 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen aan te brengen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III [**Vervallen**] Artikel IV Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel V Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VI [**Vervallen**] Artikel VII Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel VIII Wijzigt de Wet bronbelasting 2021. Artikel IX Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Artikel X Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Artikel XI Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Artikel XII Wijzigt de Wet belasting zware motorrijtuigen. Artikel XIII Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag. Artikel XIV Wijzigt de Algemene douanewet. Artikel XV 1. [Afdeling 2.3 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=2.3) zoals die luidde voor inwerkingtreding van [artikel I, onderdeel D, van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048252&artikel=I) blijft van toepassing op: - a. de [Wet compensatie wegens selectie aan de poort](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049128); - b. de [Wet hersteloperatie toeslagen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047436); - c. regelingen die zijn gegrond op andere wetten dan een belastingwet als bedoeld in [artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet i"},{"i":11904,"b":"Besluit AVBZ-premie-inkomensgrens 2002 BES Artikel 1 Het bedrag, bedoeld in [artikel 21, zevende lid, van de Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028294&artikel=21) wordt vastgesteld op: 188.173 USD. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit AVBZ-premie-inkomensgrens 2002 BES."},{"i":13731,"b":"Wet van 3 mei 1989, houdende regelen met betrekking tot de openbare registers voor registergoederen, alsmede met betrekking tot het kadaster Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, mede ter uitvoering van [artikel **3.1.2.1**, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=16), nieuwe regelen vast te stellen met betrekking tot de openbare registers voor registergoederen, alsmede met betrekking tot het kadaster (Kadasterwet); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Abusievelijk is dit niet vernummerd tot artikel 16, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: ambtenaar: ambtenaar van de Dienst; authentiek gegeven: in een basisregistratie opgenomen gegeven dat bij wettelijk voorschrift als authentiek is aangemerkt; basisregistratie: verzameling gegevens, waarvan bij wet is bepaald dat deze een basisregistratie vormt; bewaarder: bewaarder als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&hoofdstuk=1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01); brondocument: - 1°. in de openbare registers ingeschreven of anderszins door de Dienst gehouden document, of - 2°. besluit of gewaarmerkt afschrift daarvan; catalogus basisregistratie topografie: catalogus basisregistratie topografie als bedoeld in [artikel 98a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004541&hoofdstuk=6a&artikel=98a&z=2026-01-01&g=2026-01-01); Dienst: Dienst voor het kadaster en de openbare registers als bedoeld in [artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006463&artikel=2); geografisch gegeven: - 1°. in [artikel 98a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":11641,"b":"Wet van 8 maart 2012 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank in verband met het gebruik van het persoonsgebonden nummer bij onder meer de uitwisseling van leer- en begeleidingsgegevens van leerlingen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ten behoeve van een doorlopende leerlijn wenselijk is dat het persoonsgebonden nummer kan worden gebruikt bij de uitwisseling van leer- en begeleidingsgegevens van leerlingen; dat daartoe de [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420), de [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549), de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399), de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) en de [Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006320) dienen te worden gewijzigd; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging [Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420) Wijzigt de Wet op het primair onderwijs. Artikel II. Wijziging [Wet op de expertisecentra](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003549) Wijzigt de Wet op de expertisecentra. Artikel III. Wijziging [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. Artikel IV. Wijziging [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625) Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel V. Wijziging [Wet op het onderwijstoezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013800) Wijzigt de Wet op het"},{"i":13975,"b":"Wet van 28 november 1984, houdende regelen op het gebied van de prijzen van goederen en diensten in buitengewone omstandigheden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de mogelijkheid te openen tot het stellen van regelen op het gebied van de prijzen van goederen en diensten in geval van buitengewone omstandigheden; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: goederen: roerende of onroerende zaken of vermogensrechten; diensten: alle diensten, in de ruimste zin, met inbegrip van de verrichtingen, welke het voorwerp zijn van een verzekerings- of garantieovereenkomst, doch met uitzondering van die, welke het voorwerp zijn van een arbeidsovereenkomst; Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. 2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder prijzen niet verstaan de vergoedingen voor diensten op het gebied van het bankwezen, in de ruimste zin, en van de geld- en kapitaalmarkt, voor zover zij het karakter van een rentevergoeding dragen. Artikel 2 De bij deze wet aan Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat verleende bevoegdheden worden door deze uitgeoefend in overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat. Artikel 3 1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor het gehele land of een gedeelte daarvan de [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003734&artikel=5&z=2019-01-01&g"},{"i":11758,"b":"Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. van 20 november 2008, nr. Tb/2008/01928/wjw, houdende beoordelingscriteria voor goedkeuring van gedragscodes van actuariële organisaties voor de onafhankelijkheid van de waarmerkende actuaris op grond van artikel 148, tweede lid, Pensioenwet en artikel 143, tweede lid, Wet verplichte beroepspensioenregeling (Beleidsregel gedragscode onafhankelijkheid actuariële organisaties) Gelet op [artikel 148, tweede lid, Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=148) en [artikel 143, tweede lid, Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=143); Na overleg met het Actuarieel Genootschap; Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **actuariële organisatie:** actuariële organisatie waartoe de waarmerkende actuaris behoort in de zin van [artikel 148, tweede lid, Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=148) of [artikel 143, tweede lid, Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=143); - b. **DNB:** De Nederlandsche Bank N.V.; - c. **pensioenfonds:** pensioenfonds, bedoeld in [artikel 1, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=1), of beroepspensioenfonds, bedoeld in [artikel 1, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=1), waarvoor de waarmerkende actuaris van een actuariële organisatie de actuariële staten waarmerkt en een actuariële verklaring opstelt. Artikel 2 1. DNB verleent goedkeuring als bedoeld in [artikel 148, tweede lid, van de Pensioenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020809&artikel=148), onderscheidenlijk als bedoeld in [artikel 143, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018831&artikel=143), indien in de in die leden bedoelde gedragscode ten minste bepaalt: - a. dat de actuariële"},{"i":11687,"b":"Algemene bij- en toeslagregeling AOR 2002 Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Per 1 januari 2002 worden de op 31 december 2001 met toepassing van de artikelen 2 tot en met 6 van de Algemene bij- en toeslagbeschikking AOR berekende reeds bestaande uitkeringen vastgesteld op het bedrag van de desbetreffende uitkering in guldens, omgezet in euro's. 2. De uitkeringen, voor zover deze worden genoten buiten het grondgebied van Indonesië, worden aangepast overeenkomstig de normen en voorwaarden waarmee het bedrag, genoemd in [artikel 8, eerste lid, onder b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8) ingevolge [artikel 14 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=14) wordt herzien. Artikel 3 Uitkeringen die na 31 december 2001 worden toegekend, dan wel met toepassing van artikel 42 van de AOR met ingang van een voor deze datum gelegen tijdstip worden herzien, worden als volgt berekend: - a. voor de periode tot 1 januari 2002 wordt de uitkering berekend overeenkomstig de [artikelen 2 tot en met 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013139&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van de tot 1 januari 2002 geldende Algemene bij- en toeslagbeschikking AOR; - b. voor de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2011 wordt de uitkering berekend door het overeenkomstig de onder a genoemde artikelen voor betrokkene berekende bedrag per 31 december 2001, op de in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013139&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), aangegeven wijze vast te stellen en aan te passen overeenkomstig [artikel 2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013139&artikel=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01), zoals dat luidde tot 1 januari 2011; - c. voor de periode vanaf 1 januari 2011 wordt de uitkering berekend door het overeenkomstig de onder b genoemde artikelen voor betrokkene berekende bedrag per 31 december 2010 aa"},{"i":12215,"b":"Besluit van 23 augustus 2016, houdende de instelling van de Erepenning voor Verdiensten jegens Openbare Verzamelingen (Besluit Erepenning voor Verdiensten jegens Openbare Verzamelingen (Museumpenning)) Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 juli 2016, nr. 20160607, Bureau Bestuursondersteuning; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 1. De Erepenning voor Verdiensten jegens Openbare Verzamelingen wordt als blijk van erkentelijkheid uitgereikt aan hen die zich verdienstelijk hebben gemaakt ten opzichte van openbare Nederlandse verzamelingen van wetenschap en kunst, die voor het publiek toegankelijk zijn, met uitzondering van die welke toebehoren aan natuurlijke personen. 2. De Erepenning wordt op voordracht van Onze Minister bij Koninklijk besluit uitgereikt. Artikel 2 De Erepenning, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038457&artikel=1&z=2019-02-09&g=2019-02-09), is met goud of zilver of brons vervaardigd en cirkelrond met een middellijn van 36 millimeter, voorzien van een ronde knop met ring. Zij vertoont aan de voorzijde de naar links gewende beeldenaar van Onze beeltenis met het omschrift «Willem-Alexander Koning der Nederlanden» en aan de keerzijde als omschrift de woorden «voor verdiensten jegens openbare verzamelingen», in het midden is het Rijkswapen geplaatst, alsmede de woorden: Aan, gevolgd door de voorletters en de naam benevens de plaats van uitreiking alsmede de datum van toekenning, een en ander overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde reproductie. Artikel 3 De Erepenning, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038457&artikel=1&z=2019-02-09&g=2019-02-09), wordt op de linkerborst gedragen aan een oranje-moiré lint, met in het midden twee verticale rode biezen van 2 millimeter breed met 3 millimeter onderlinge tussenruimte. Artikel 4 1. Het is aan hen, die met de Erepenning, bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038457&artikel=1&z=201"},{"i":12489,"b":"Besluit van de directeur-generaal Herstelbeleid van 6 februari 2025, nr. 2024-560389, houdende verlening van ondermandaat, volmacht en machtiging betreffende de uitvoering van de Wet open overheid (Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging betreffende de uitvoering van de Wet open overheid op het terrein van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3) en [10:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Gelet op de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050469&artikel=3) en [4 van het Besluit mandaat tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel betreffende de uitvoering van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050469&artikel=4); Besluit: Artikel 1. Begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Awb:** [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537); - b. **Woo-verzoek:** een verzoek om informatie op grond van de [Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045754). Artikel 2. Volmacht en machtiging Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van volmacht en machtiging. Artikel 3. Ondermandaat 1. Aan de programmadirecteur Schulden en de programmadirecteur Herstelbeleid en Parlementaire Zaken van het tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel wordt ondermandaat verleend voor het beslissen op zwaarwegende of politiek-bestuurlijk gevoelige Woo-verzoeken als bedoeld in [artikel 3, eerste lid, van het Besluit mandaat tijdelijke programmadirectoraat-generaal Herstel betreffende de uitvoering van de Wet open overheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050469&artikel=3). 2. De ondergemandateerde is niet bevoegd tot het verlenen van ondermandaat. Artikel 4. Bezwaar en (hoger) beroep 1. Aan de programmadirecteur Schulden word"},{"i":12461,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 september 2012, nr. 2012-0000029879, tot machtiging van de manager van het Expertisecentrum Organisatie en Personeel Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder manager: de algemeen manager van het Expertisecentrum Organisatie en Personeel, ressorterend onder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 2 1. Aan de manager wordt inzake personeelsaangelegenheden machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften, waaronder het ondertekenen van stukken in het kader van bezwaarprocedures, het ondertekenen van verweerschriften in bezwaar- en beroepsprocedures, het instellen van bezwaar bij uitvoeringsorganisaties, het instellen van beroep en hoger beroep bij rechtbanken en de Centrale Raad van Beroep, het vertegenwoordigen van de minister ter zitting, het verdagen van de beslistermijn in bezwaarzaken als bedoeld in [artikel 7:10, derde lid, van deAlgemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) alsmede het doen van mededelingen als bedoeld in [artikel 4:14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:14), [artikel 4:15, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15), en artikel 7:10, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 2. Aan de manager wordt machtiging verleend om bij de behandeling van een geschil inzake personeelsaangelegenheden één of meer personen als medegemachtigde te introduceren. 3. De manager kan voor aangelegenheden als bedoeld in het eerste en tweede lid machtiging verlenen aan de onder hem ressorterende medewerkers. Artikel 3 De uit dit besluit voor de manager voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op zijn plaatsvervanger. Artikel 4 Het krachtens machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, (handtekening) (naam functionaris) (fu"},{"i":11720,"b":"Regeling van het bestuur van de Kansspelautoriteit van 3 september 2024, houdende de beheersregels voor documentaire informatie (Beheerregeling DI Ksa 2024) Gelet op [artikel 14 van het Archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=14), Besluit vast te stellen de navolgende beheerregeling: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen - a. **Afdelingshoofd:** het hoofd van een afdeling binnen Kansspelautoriteit; - b. **Afgesloten archieven:** afgehandelde archieven die in het kader van de selectielijst wachten op vernietiging of overbrenging naar het Nationaal Archief; - c. **CISO:** Chief Information Security Officer; - d. **Conversie:** de omzetting of overzetting van digitale documenten in een ander bestandsformaat; - e. **Coördinator DIV:** een adviseur Bedrijfsvoering die deze specifieke rol in het takenpakket heeft - f. **Documentaire Informatie:** - 1. alle documenten, ongeacht hun vorm, door de Kansspelautoriteit ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd daaronder te berusten; - 2. alle documenten, ongeacht hun vorm, met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen of personen, wier rechten of functies op de Kansspelautoriteit zijn overgegaan; - 3. alle documenten, ongeacht hun vorm, welke als gevolg van overeenkomsten met of beschikkingen van de Kansspelautoriteit in een archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar te berusten; - 4. reproducties, ongeacht vorm, welke bij of krachtens de wet in de plaats zijn gesteld van de onder het eerste, tweede of derde lid bedoelde documenten of welke op grond van [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7) zijn vervaardigd; - g. **Dossier:** verzameling van documenten, ongeacht hun vorm, die bijeen zijn gebracht op grond van een logisch-inhoudelijk verband en in onderlinge samenhang zijn te raadplegen; - h. **Duurzaam informatiebeheer:** informatiebeheer waarbij de toegankelijkheid, authenticitei"},{"i":11737,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 17 mei 2026, nr. 2026-8260 over fiscale maatregelen voor Nederland en Caribisch Nederland naar aanleiding van de energieschok (Beleidsbesluit fiscale maatregelen naar aanleiding van de energieschok) **De Staatssecretaris van Financiën,** **Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 64 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, de Wet inkomstenbelasting BES en de Wet loonbelasting BES;** **Besluit:** 1. Inleiding Op 20 april 2026 heeft het kabinet een pakket maatregelen aangekondigd1Kamerstukken II 2025/26, 36 933, nr. 1. om de koopkracht van huishoudens te ondersteunen en de veerkracht van bedrijven te vergroten vanwege de energieschok die is ontstaan door de situatie in het Midden-Oosten. De fiscale maatregelen uit het pakket worden opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2027 dat op Prinsjesdag 2026 bij de Tweede Kamer wordt ingediend. Om de veerkracht en weerbaarheid van een aantal groepen belastingplichtigen die hard geraakt worden door de hogere brandstofkosten op korte termijn te vergroten, zijn in dit besluit voor een aantal fiscale maatregelen goedkeuringen vooruitlopend op wetgeving opgenomen. Met de goedkeuringen in dit besluit beoogt het kabinet op korte termijn maatregelen te treffen voor de burgers en bedrijven die direct en onverwacht geconfronteerd zijn met een zwaardere financiële last door de stijging van brandstofkosten. De goedkeuringen zijn primair gericht op de groepen belastingplichtigen die de hogere kosten niet of moeilijk kunnen voorkomen omdat zij de kosten maken in verband met het verrichten van werkzaamheden of vanwege de uitoefening van een onderneming. 1.1. Maatregelen Dit besluit bevat voor de volgende maatregelen goedkeuringen vooruitlopend op een wijziging van wetgeving: Voor Caribisch Nederland2In dit b"},{"i":12505,"b":"Besluit ondervolmacht personele aangelegenheden DGABD gelet op [artikel 5.1 van het Mandaatbesluit BZK 2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593&artikel=5.1), Besluit ondervolmacht te verlenen voor personele aangelegenheden binnen het directoraat-generaal Algemene Bestuursdienst (DGABD), zoals vermeld in de bijlage bij dit besluit. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ondervolmacht personele aangelegenheden DGABD. Bijlage | (Onder)mandaat personele aangelegenheden DGABD | wet- en regelgeving | dgABD | directeur | afdelingshoofd | teammanager | opmerkingen | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | | **Organisatie en formatie** | | | | | | | | Optreden als bestuurder in de zin van [WOR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002747) | [Mandaatbesluit BZK](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048593) | X | | | | | | Vaststellen functie(her)waardering | Mandaatbesluit BZK | X | | | | Topformatie (formatieve schalen 16-19) valt onder bevoegdheid sg BZK | | **Begin, voortzetting en einde dienstverband** | | | | | | | | Bespreken en bevestigen arbeidsvoorwaarden, loonvoorstel binnen salarisschaal | Cao Rijk §6.1 / 6.2 | X | X | X | X | Met advies HRM-adviseur | | Sluiten arbeidsovereenkomst (bepaalde of onbepaalde tijd) | Cao Rijk §2.1 / 2.2 | X | X | | | Uitzondering voor topformatie (formatieve schalen 16-19)/MD-doelgroep (leidinggevenden vanaf formatief S14 en specialisten vanaf formatief S15) | | Afnemen eed/belofte | Mandaatbesluit BZK | X | | | | | | Bevorderen naar hogere/andere functie (mits passend binnen formatie) | Cao Rijk §2.2 | X | X | | | Binnen BZK-beleid vrije werkplekken/vacatures | | Wijzigen dienstverband (bepaalde of onbepaalde tijd) | Cao Rijk §2.1 / 2.2 | X | X | | | | | Aanzeggen/bevestigen einde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (langer dan 6 mnd.) | [BW art. 7:668](https://wetten.overheid.nl/"},{"i":12597,"b":"Besluit ter uitvoering van de artikelen 11 en 13 Begrafeniswet BES Artikel 1 De lijken van onvermogenden worden, voor zooveel kerk- of armbestuur of andere instellingen daarvoor niet zorgen, op kosten van de staat begraven op de begraafplaats door den overledene tijdens leven of anders door diens verwanten aan den betrokken ambtenaar van den burgerlijken stand opgegeven; en bijaldien zulks niet mogelijk is of geene opgave geschied is, op de begraafplaats door genoemden ambtenaar bepaald, die daarbij zooveel mogelijk met de godsdienstige gevoelens van den overledene rekening zal houden. Artikel 2 Om in aanmerking te komen voor begraving op kosten van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba leggen de naaste bloedverwanten van de overledene een bewijs van onvermogen over dat is afgegeven door de gezaghebber van het openbaar lichaam. Artikel 3 Het begraven van lijken van personen overleden in inrichtingen, die geheel of gedeeltelijk onder beheer van het openbaar gezag staan, geschiedt door de zorg van het bestuur der betrokken inrichting met inachtneming van de navolgende voorschriften. Artikel 4 Voor zoover er verwanten van den overledene op het betrokken eiland vertoeven, geeft het in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028410&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemd bestuur hun binnen twee uren, indien zij zich in hetzelfde district bevinden en anders zoo spoedig mogelijk, kennis van het feit en van het uur van het overlijden, met opgave van de uren waarop het lijk voor hen te bezichtigen is, alsmede in de gevallen, waarin het lijk hun ter begraving kan worden afgegeven, van de bevoegdheid zulks aan te vragen. Artikel 5 Het is [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028410&artikel=3&z=2010-10-10&g=2010-10-10) genoemd bestuur geeft, zooveel mogelijk binnen twaalf uren na het overlijden, daarvan kennis aan den betrokken ambtenaar van den burgerlijken stand, met opgave van de klasse waarin de overledene in de inrichting ver"},{"i":14418,"b":"Regeling van het Commissariaat voor de Media van 5 november 2013 houdende regels voor de landelijke publieke media-instellingen omtrent ledenvoordelen en ledenwerfactiviteiten als bedoeld in artikel 2.137, eerste lid, van de Mediawet 2008, en omtrent oproepen in het kader van ledenwerving als bedoeld in artikel 2.90 van de Mediawet 2008 (Regeling ledenvoordelen en ledenwerfactiviteiten) gelet op de [artikelen 2.90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.90) en [2.137 van de Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.137); overwegende dat: de Beleidsregels verenigingsactiviteiten van het Commissariaat van 4 december 20071Beleidsregels verenigingsactiviteiten van het Commissariaat van 4 december 2007, **Stcrt. 2007, nr. 247**, p. 109. bepalingen bevatten met betrekking tot ledenvoordelen en ledenwerfactiviteiten; [artikel 6 van het Besluit ontheffing zelfpromotie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022112&artikel=6) van het Commissariaat van 5 juni 20072Besluit ontheffing zelfpromotie van het Commissariaat van 5 juni 2007, **Stcrt. 2007, nr. 117**, p. 17. het beleid van het Commissariaat bevat met betrekking tot oproepen voor ledenwerfactiviteiten in het media-aanbod; in de onderhavige regeling de inhoud van deze twee beleidsregels samenbrengt en op onderdelen verduidelijkt; Besluit: Definities en reikwijdte Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **omroepvereniging:** een vereniging die voldoet aan de eisen genoemd in [artikel 2.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.24), van de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028) en waaraan een erkenning of voorlopige erkenning is verleend op grond van [artikel 2.29 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028&artikel=2.29); - b. **wet:** de [Mediawet 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025028). 2. Deze regeling is voor zover nodig van overeenkomstige toepassing op omroeporganisaties die een aan"},{"i":14285,"b":"Regeling gelijke bepalingen bij hippische wedstrijden Gelet op de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=13) en [19 van de Landbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002252&artikel=19); Gezien het advies van het Landbouwschap; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **paardachtigen:** als huisdier gehouden paarden en ezels of kruisingen daarvan; - **geregistreerde paardachtigen:** paardachtigen die zijn ingeschreven of zijn geregistreerd en in aanmerking komen voor inschrijving in de hoofdsectie van een stamboek, overeenkomstig verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de [Richtlijnen 89/608/EEG](31989L0608) en [90/425/EEG](31990L0425) van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij (‘Fokkerijverordening’) (PbEU 2016, L 171). Artikel 2 De bepalingen voor hippische wedstrijden, met name wedrennen, springconcoursen, dressuurproeven, menproeven en proeven inzake model en gangen, bevatten geen voorschriften die een ongelijke behandeling inhouden tussen paardachtigen die: - a. zijn geregistreerd in Nederland en die zijn geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap; - b. van oorsprong afkomstig zijn uit Nederland en die van oorsprong afkomstig zijn uit een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Degene die een wedstrijd als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005923&artikel=2&z=2019-07-23&g=2019-07-23) organiseert is verplicht, indien de inschrijving voor die wedstrijd van een paardachtige die is geregistreerd in of van oorsprong afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap dan Nederland wordt"},{"i":14290,"b":"Regeling geluidniveaus aan boord van vissersvaartuigen Gelet op [artikel 193b, vierde lid, van het Vissersvaartuigenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004607&artikel=193b); Besluit: § 1. Omschrijvingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. ruimten voor accommodatie: hutten, ziekenverblijven, eetzalen, kombuizen, kantoren en navigatieruimten waaronder stuurhuizen; - b. hulpwerktuigen: alle andere werktuigen dan de voortstuwingswerktuigen die in werking zijn wanneer het vissersvaartuig normaal in de vaart is; - c. geluidniveau-A: het geluidniveau, uitgedrukt in dB(A), dat overeenkomstig de door de Internationale Elektrotechnische Commissie ter zake opgestelde regels is gemeten of berekend; - d. gehoorbeschermingsmiddel: een hulpmiddel dat gedragen wordt om het geluidniveau-A in het gehoororgaan van de drager te verminderen; - e. integrerende geluidniveaumeter: een geluidniveaumeter die ontworpen of aangepast is voor het meten van het niveau van de effectieve A-gewogen geluiddruk; - f. ISO-NR-waarde: de waarde die verkregen wordt door de hoogste NR-kromme van de ISO R 1996-1971 die aan het octaafbandspectrum raakt, te bepalen; - g. geluidhinder: geluid dat kan leiden tot gehoorbeschadiging of dat anderszins schadelijk kan zijn voor de gezondheid of gevaar kan opleveren voor de veiligheid; - h. havenconditie: de toestand waarbij alle werktuigen in bedrijf zijn, behalve die welke uitsluitend voor de voortstuwing van het vissersvaartuig noodzakelijk zijn; - i. geluiddrukniveau: een maat voor het geluidniveau, behorende bij een bepaalde frequentie, op een logaritmische schaal weergegeven door: L = 20log(p/po) dB waarin: - p = de effectieve waarde van de gemeten geluiddruk tussen 20 Hz en 20 kHz, - po = referentiewaarde = 20*10-6 pascal. § 2. Maximaal toelaatbare grenswaarden Artikel 2 In de navolgende ruimten worden de volgende grenswaarden voor geluidniveaus- A niet overschreden: - a. ruimten voor machines, niet doorlopend bemand: 110 dB(A);"},{"i":13421,"b":"Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 juli 2025, nr. NA/52572144, houdende instelling van de Adviescommissie ethische verzoeken CABR inzake beschikbaarstelling van het gedigitaliseerde CABR (Instellingsbesluit Adviescommissie ethische verzoeken CABR) Gelet op [artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Gelet op [artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - •. **algemene rijksarchivaris:** de algemene rijksarchivaris als bedoeld in [26, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=26); - •. **minister:** de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; - •. **Nationaal Archief:** de algemene rijksarchiefbewaarplaats als bedoeld in [artikel 26, eerste lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=26); - •. **rijksarchiefbewaarplaats:** het Nationaal Archief of een rijksarchiefbewaarplaats als bedoeld in [artikel 26, tweede lid, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=26); - •. **tijdelijke voorziening:** de voorziening die is ingericht op de studiezaal van een rijksarchiefbewaarplaats, waarbij het gedigitaliseerde CABR onder voorwaarden via daarvoor bestemde terminals kan worden ingezien. Artikel 2. Instelling en taak Adviescommissie ethische verzoeken CABR Er is een Adviescommissie ethische verzoeken CABR, die tot taak heeft de algemene rijksarchivaris te adviseren over een door hem te nemen beslissing op een verzoek tot het niet beschikbaar stellen van bepaalde scans uit het gedigitaliseerde CABR via de tijdelijke voorziening en via internet indien dit verzoek geheel of gedeeltelijk is gebaseerd op ethische gronden. Artikel 3. Samenstelling Adviescommissie ethische verzoeken CABR, benoeming"},{"i":13418,"b":"Besluit van de Minister van Financiën van 7 april 2023, nr. 80552, houdende instelling van de Adviescommissie Analytics (Instellingsbesluit Adviescommissie Analytics) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **minister:** de Minister van Financiën; - b. **adviescommissie:** de Adviescommissie Analytics, bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048082&artikel=2&z=2023-04-21&g=2023-04-21); - c. **analytics:** data-analyse, algoritmen, risicomodellen en artificiële intelligentie; - d. **Belastingdienst:** het directoraat-generaal Belastingdienst, het directoraat-generaal Douane en het directoraat-generaal Toeslagen. Artikel 2. Instelling en taak 1. Er is een Adviescommissie Analytics. 2. De adviescommissie heeft tot taak ten minste twee keer per jaar, gevraagd en ongevraagd, te adviseren over actuele analyticsvraagstukken met betrekking tot het Ministerie van Financiën, met inbegrip van de Belastingdienst. 3. De adviescommissie kan bij de taakuitoefening deskundigen raadplegen. Artikel 3. Adviezen 1. De adviezen zijn openbaar. 2. Adviezen richten zich met name op: - •. het verbeteren van de beheersing van analytics; - •. borging van rechtvaardige analytics (beschermen van privacy en voorkoming van bias en proxies); - •. concrete situaties waarin bestaande (wettelijke) kaders en richtlijnen van buiten en binnen de Belastingdienst (nog) niet voldoende richting geven; 3. De adviezen van de adviescommissie bevatten een (multidisciplinaire) afweging over het voorgelegde onderwerp, vanuit vijf perspectieven: - 1. sturing en verantwoording; - 2. model en data; - 3. privacy; - 4. IT General Controls (ITGC) en - 5. ethiek. Artikel 4. Samenstelling, benoeming, ontslag 1. De adviescommissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste tien leden en ten hoogste tien"},{"i":13435,"b":"Instelling adviescommissie TENDEM Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Er is een adviescommissie TENDEM die tot taak heeft Novem op haar verzoek te adviseren omtrent aanvragen in het kader van het energieprogramma TENDEM. 2. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste vier en ten hoogste acht andere leden. 3. De voorzitter en de leden worden door de Minister van Economische Zaken voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar. 4. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast. 5. Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag. 6. De Minister van Economische Zaken kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen. 7. In het secretariaat van de commissie wordt door Novem voorzien. 8. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij Novem. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van Novem. Artikel 3 Ter gelegenheid van de instelling van de adviescommissie TENDEM worden, te rekenen vanaf 11 oktober 1999, voor een periode van twee jaar als leden benoemd: - a. ir. J.L. Klei te ’s-Gravenhage, voorzitter; - b. mevr. ing. M.C. Kalf te Velp; - c. ir. T.G. Potma te Kaageiland; - d. ir. E. van Buuren te Beverwijk; - e. ir. J.G. ten Wolde te Naarden; - f. ir. M.A.M. Splinter te Nuenen; - g. prof. ir. G. Honderd te Delft; - h. ir. E. van Andel te Boekelo. Artikel 4 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit adviescommissie TENDEM. Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13419,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 4 februari 2025, nr. 6074718, houdende instelling van de Adviescommissie Centraal Mediatorsregister (Instellingsbesluit Adviescommissie Centraal Mediatorsregister) Gelet op [artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. - Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **commissie:** de Adviescommissie Centraal Mediatorsregister, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050754&artikel=2&z=2025-07-22&g=2025-07-22); - **kwartiermaker:** de Kwartiermaker Centraal Mediatorsregister, bedoeld in [artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0050754&artikel=3&z=2025-07-22&g=2025-07-22); - **minister:** Minister van Justitie en Veiligheid. Artikel 2. - Instelling en taak 1. Er is een Adviescommissie Centraal Mediatorsregister. 2. De commissie heeft tot taak om met het oog op de ontwikkeling van een centraal mediatorsregister advies uit te brengen en haar bevindingen aan de minister te doen toekomen in de vorm van een daartoe strekkend eindverslag over: - a. de wijze waarop het publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan dat het centraal register zal beheren (bestaande) organisaties die kwaliteit normeren, kan betrekken bij de invulling, concretisering en verdere ontwikkeling van kwaliteitsnormen; - b. de door het publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan vorm te geven registratieprocedure voor individuele mediators met daarbij behorende kwaliteitseisen; - c. de door het publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan vorm te geven onderhoudseisen voor individuele mediators om geregistreerd te kunnen blijven; - d. de door het publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan vorm te geven erkenningsprocedure voor private kwaliteitsregisters of kwaliteitsnormerende organisaties; - e. de wijze waarop klacht- en tuchtrecht binnen het publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorg"},{"i":12409,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot instelling van het Team Ondersteuning Participatie in Antillianengemeenten (TOPA) ten behoeve van afrondende werkzaamheden (instellingsbesluit TOPA afrondende werkzaamheden) Gelet op [artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024775&artikel=2); Besluit: Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Minister:** Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **TOPA afrondende werkzaamheden:** het Team Ondersteuning Participatie in Antillianengemeenten voor de periode 1 april 2011 tot en met 31 december 2011; - c. **Antillianengemeenten:** de gemeenten Almere, Amersfoort, Amsterdam, Breda, Capelle a/d IJssel, Dordrecht, Den Haag, Den Helder, Eindhoven, Groningen, Hellevoetsluis, Leeuwarden, Lelystad, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Spijkenisse, Tilburg, Vlaardingen, Vlissingen, Zoetermeer en Zwolle. Artikel 2. Instelling TOPA TOPA afrondende werkzaamheden wordt ingesteld tot en met 31 december 2011. Artikel 3. Doel en taken 1. TOPA afrondende werkzaamheden draagt zorg voor afrondende werkzaamheden. 2. TOPA afrondende werkzaamheden is een onafhankelijk orgaan dat vraaggestuurd werkt op basis van aanvragen voor advies van Antillianengemeenten bij het inbedden van specifiek beleid in generiek beleid. 3. TOPA afrondende werkzaamheden besluit in overleg met de Minister en de betreffende Antillianengemeente waar gewenst ondersteuning te bieden bij de inbedding van specifieke hulpverlening binnen de kaders van het reguliere beleid van gemeenten. Artikel 4. Samenstelling 1. TOPA afrondende werkzaamheden bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vijf leden. 2. De leden van TOPA afrondende werkzaamheden hebben ruime werkervaring en senioriteit, kennis van de werkwijze van Antillianengemeenten en de Antilliaanse gemeenschap, en zijn onafhankelijk jegens beide partijen. 3. Met ingang van 1 april 2011"},{"i":13907,"b":"Opslag en behandeling ontplofbare stoffen en voorwerpen Besluit: Artikel 1 Vastgesteld wordt de in bijlage gevoegde publicatie MP 40-21 Deel 1 Opslag en behandeling ontplofbare stoffen en voorwerpen. Artikel 2 1. Er kan schriftelijk vrijstelling of ontheffing worden verleend van de regels gesteld in de in bijlage gevoegde publicatie. Aan de vrijstelling of ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden. 2. Van een besluit zoals bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan aan de Commandant van het Korps militaire controleurs gevaarlijke stoffen bij de Koninklijke Marechaussee. Een afschrift van het besluit zoals bedoeld in het eerste lid wordt verzonden aan: - a. De commandant van het Korps Militaire Controleurs Gevaarlijke Stoffen; - b. De Inspectie Leefomgeving en Transport van het ministerie Infrastructuur en Waterstaat; - c. De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 3. Aan de senior adviseur Militaire Commissie Gevaarlijke Stoffen wordt mandaat verleend voor het verlenen van en ontheffingen als bedoeld in het eerste lid. 4. Aan de Commandant der Strijdkrachten wordt in geval van militair optreden tijdens operaties mandaat verleend voor het verlenen van vrijstellingen als bedoeld in het eerste lid. 5. Bij afwezigheid of verhindering van de functionaris, bedoeld in het derde of vierde lid treedt een door die functionaris schriftelijk aangewezen plaatsvervanger voor de duur van de afwezigheid of verhindering in diens plaats. Artikel 3 De Commandant en controleurs van het Korps militaire controleurs gevaarlijke stoffen bij de Koninklijke Marechaussee zijn belast met de controle op de naleving van het gestelde in het voorschrift. Artikel 4 De navolgende besluiten en wijzigingen worden ingetrokken: - 1. Het [besluit van de Minister van Defensie van 8 november 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030683), nr. BS2011033308 (Staatscourant 2011 nr. 21309) en het daarmee vastgestelde ‘Voorschrift"},{"i":13883,"b":"Opleidings- en examenreglement vernieuwde beroepsopleiding advocaten, Besluit van de algemene raad van 7 december 2020, houdende de vaststelling van een opleidings- en examenreglement vernieuwde beroepsopleiding advocaten (OER vernieuwde BA) gelet op [artikel 9c van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=9c); gelet op [artikel 3.15, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.15), en [artikel 3.15a, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.15a); Stelt het volgende reglement vast: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingsverordening beroepsopleiding advocaten 2020 in werking treedt (Stcrt. 2020/19758). Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: - **aanbieder van de basistest:** aanbieder van de basistest als bedoeld in [artikel 3.23 van de Verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.23); - **algemene raad:** de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten als bedoeld in [artikel 18 van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=18); - **basistest:** de verplichte test als bedoeld in [artikel 3.14, eerste lid, onderdeel a, van de Verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.14); - **beoordelaar:** degene die door de examencommissie is aangewezen om toetsen af te nemen en/of toetsen te beoordelen; - **beoordeling:** de vaststelling door een beoordelaar of een stagiaire heeft voldaan aan de eisen die voor het behalen van een toets zijn geformuleerd; - **certificaat beroepsopleiding advocaten:** het certificaat beroepsopleiding advocaten als bedoeld in [artikel 3.21 van de Verordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.21); - **cohort** : de groep stagiaires die in maart of september van enig kalenderjaar aan de beroepsopleiding advocaten is begonnen; - **c"},{"i":13917,"b":"Organisatiebesluit BZK 2025 gelet op [artikel 3, tweede lid van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0029514&artikel=3); besluit vast te stellen het navolgende Organisatiebesluit BZK 2025: Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Ministerie:** het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - b. **Minister:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - c. **bewindspersonen:** de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, of de Staatssecretaris Digitalisering en Koninkrijksrelaties of de Staatssecretaris Herstel Groningen, afhankelijk van wie het aangaat; - d. **capaciteitsplan:** schriftelijk stuk waarin de uitwerking van de flexibele organisatiestructuur van een dienstonderdeel wordt vastgelegd evenals de verdeling van de formatie binnen deze structuur; - e. **BZK Kerndepartement:** de Directoraten-Generaal Openbaar Bestuur en Democratische Rechtsstaat, Volkshuisvesting en Bouwen, Koninkrijksrelaties, Digitalisering en Overheidsorganisatie, Ruimtelijke Ordening en de clusters Mensen en Middelen en Bestuursondersteuning. - f. **secretaris-generaal:** de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hoofdstuk 2. Hoofd- en overlegstructuur Artikel 2 1. Het Ministerie bestaat uit de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal en de volgende dienstonderdelen: - a. het directoraat-generaal Openbaar Bestuur en Democratische Rechtsstaat (DGOBDR); - b. het directoraat-generaal Volkshuisvesting en Bouwen (DGVB); - c. het directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening (DGRO); - d. het directoraat-generaal Koninkrijksrelaties (DGKR); - e. het directoraat-generaal Digitalisering en Overheidsorganisatie (DGDOO); - f. het directoraat-generaal Algemene Bestuursdienst (DGABD); - g. het directoraat-generaal Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD); - h. het"},{"i":11903,"b":"Besluit van 30 september 2010, houdende bepalingen omtrent de door de gezaghebbers van Bonaire, Sint Eustatius en Saba te dragen ambtsketen (Besluit ambtsketen gezaghebbers BES) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 september 2010, kenmerk 2010-0000193230, Directoraat-Generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties, Directie Openbaar Bestuur en Democratie; Gelet op [artikel 89 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=89); Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt. Artikel 1 De ambtsketen van de gezaghebber bestaat uit een zilveren ketting met daaraan gehecht een zilveren penning, met aan de ene zijde het wapen van het openbaar lichaam en aan de andere zijde het Rijkswapen. Artikel 2 De gezaghebber draagt de ambtsketen, wanneer hij: - a. de vergaderingen van de eilandsraad voorzit; - b. in geval van brand of verstoring van de openbare orde zich in het openbaar vertoont; - c. krachtens de [artikelen 174 tot en met 180 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142&artikel=174) of enige andere wet in het openbaar bevelen geeft; - d. bij plechtige gelegenheden het openbaar lichaam vertegenwoordigt. Artikel 3 Bij verhindering of ontstentenis van de gezaghebber wordt de ambtsketen in de gevallen, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028713&artikel=2&z=2010-10-10&g=2010-10-10), gedragen door degene die hem vervangt. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de [Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142) in werking treedt. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ambtsketen gezaghebbers BES. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de"},{"i":13434,"b":"Regeling van de Raad voor Rechtsbijstand van 6 augustus 2015, houdende de instelling van de Adviescommissie Talen Wbtv Gezien: De toelichting bij het [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896); Het advies Beheer taallijst van het Kwaliteitsinstituut Wbtv van 22 oktober 2009 besluit de Raad voor Rechtsbijstand met deze regeling vast te stellen de taken, inrichting en werkwijze van de Adviescommissie Talen Wbtv. Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **de commissie:** de Adviescommissie Talen Wbtv - b. **de Raad:** de Raad voor Rechtsbijstand - c. **de Wbtv:** de [Wet beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022704) van 11 oktober 2007 - d. **het Besluit:** het [Besluit beëdigde tolken en vertalers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024896), Staatsblad 2008, nr 555 van 11 december 2008 - e. **het register:** het Register beëdigde tolken en vertalers - f. **de Uitwijklijst:** de Uitwijklijst Wbtv Artikel 2 Er is een onafhankelijke adviescommissie die tot doel heeft om de Raad desgevraagd te adviseren over kwesties rond de talen waarvoor tolken en vertalers in het register kunnen worden ingeschreven of op de Uitwijklijst kunnen worden geplaatst. Artikel 3 - a. De Raad benoemt en ontslaat de leden van de commissie. - b. De commissie telt minimaal twee vaste leden. Per te bespreken taal(groep) worden, indien nodig, een of meer leden met specifieke deskundigheid op het betreffende taalgebied geworven. - c. De Raad zorgt voor de ambtelijke ondersteuning van de commissie. Artikel 4 - a. De leden van de commissie ontvangen vacatiegelden op basis van het [Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025279) van 13 november 2008. - b. De leden ontvangen een vergoeding voor reis- en verblijfkosten overeenkomstig het [Reisbesluit binnenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005889). Artikel 5 - a. Deze regeling treedt in werking m"},{"i":14441,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 18 november 2025, nr. WJZ/102539321, houdende specifieke maatregelen in de bewakingszone in verband met de bestrijding van hoogpathogene aviaire influenza in Geldern, Duitsland (Regeling maatregelen bewakingszone hoogpathogene vogelgriep Geldern, Duitsland 2025) Gelet op de artikelen 64, eerste lid, 65, eerste lid, en 71, eerste lid, van [verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidwetgeving’) (PbEU 2016, L 84), de artikelen 21, eerste lid, 25, eerste lid, 27, eerste en tweede lid, en 42 van gedelegeerde [verordening (EU) 2020/687](32020R0687) van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PbEU 2020, L 174) en de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.2), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.5), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.6), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.7) en [6.3, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3); Besluit: Treedt in werking om 17:52 uur. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **bewakingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051792&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-11-18&g=2025-11-18); - **commercieel gehouden vogels:** pluimvee of in gevangenschap levende vogels die worden gekweekt of gehouden met de bedoeling geld te verdienen; - **hygiëneprotocol:** set praktische hygiëneregels ter bevordering"},{"i":14442,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 18 november 2025, nr. WJZ/102528817, houdende specifieke maatregelen in de bewakingszone in verband met de bestrijding van hoogpathogene aviaire influenza in Goch, Duitsland (Regeling maatregelen bewakingszone hoogpathogene vogelgriep Goch, Duitsland 2025) Gelet op de artikelen 64, eerste lid, 65, eerste lid, en 71, eerste lid, van [verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidwetgeving’) (PbEU 2016, L 84), de artikelen 21, eerste lid, 25, eerste lid, 27, eerste en tweede lid, en 42 van gedelegeerde [verordening (EU) 2020/687](32020R0687) van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PbEU 2020, L 174) en de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.2), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.5), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.6), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.7) en [6.3, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3); Besluit: Treedt in werking om 17:52 uur. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **bewakingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051808&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-11-18&g=2025-11-18); - **commercieel gehouden vogels:** pluimvee of in gevangenschap levende vogels die worden gekweekt of gehouden met de bedoeling geld te verdienen; - **hygiëneprotocol:** set praktische hygiëneregels ter bevordering van de"},{"i":14443,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 18 november 2025, nr. WJZ/102539703, houdende specifieke maatregelen in de bewakingszone in verband met de bestrijding van hoogpathogene aviaire influenza in Kevelaer, Duitsland (Regeling maatregelen bewakingszone hoogpathogene vogelgriep Kevelaer, Duitsland 2025) Gelet op de artikelen 64, eerste lid, 65, eerste lid, en 71, eerste lid, van [verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidwetgeving’) (PbEU 2016, L 84), de artikelen 21, eerste lid, 25, eerste lid, 27, eerste en tweede lid, en 42 van gedelegeerde [verordening (EU) 2020/687](32020R0687) van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van [Verordening (EU) 2016/429](32016R0429) van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PbEU 2020, L 174) en de [artikelen 5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.2), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.4), [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.5), [5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.6), [5.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.7) en [6.3, tweede lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=6.3); Besluit: Treedt in werking om 17:52 uur. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - **bewakingszone:** gebied als bedoeld in [artikel 2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051794&hoofdstuk=1&artikel=2&z=2025-11-18&g=2025-11-18); - **commercieel gehouden vogels:** pluimvee of in gevangenschap levende vogels die worden gekweekt of gehouden met de bedoeling geld te verdienen; - **hygiëneprotocol:** set praktische hygiëneregels ter bevorderin"},{"i":13163,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 november 2017, nr. 2017-0000564880, houdende vaststelling van het Controleprotocol WNT 2017 (Controleprotocol WNT 2017) Gelet op [artikel 1.9, aanhef en onderdeel d, van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.9); Besluit: Artikel 1 Het protocol voor controle door de accountant over het jaar 2017 op de naleving van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) (WNT) en de daarop rustende bepalingen wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Controleprotocol WNT 2017. Bijlage. bij het Controleprotocol WNT 2017 **Inhoudsopgave** 1. Uitgangspunten 1.1. Doelstelling en inkadering protocol De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) (WNT) en de daarop gebaseerde regelgeving normeert de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector. De wet verplicht tevens tot openbaarmaking van de bezoldigingen en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband van alle topfunctionarissen en gewezen topfunctionarissen en daarnaast van niet-topfunctionarissen, indien de bezoldiging het algemeen bezoldigingsmaximum te boven gaat. De [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) schrijft voor welke gegevens WNT-instellingen moeten opnemen in het financieel verslaggevingsdocument. Het is de verantwoordelijkheid van de opsteller van het financiële verslaggevingsdocument om de juiste en volledige gegevens op te nemen. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de accountant om te toetsen dat die gegevens voldoen aan de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249). Dit protocol beschrijft limitatief de werkzaamheden en daarmee de reikwijdte en de"},{"i":13878,"b":"NWO Domeinreglement 2025 1. Inleiding 1.1. Begripsbepalingen In dit domeinreglement wordt verstaan onder: 1.2. Juridische grondslag 1.3. Citeertitel en inwerkingtreding Dit domeinreglement kan worden aangehaald als “NWO Domeinreglement 2025” en treedt in werking op 1 augustus 2025. 1.4. Intrekking oude reglement Het [Domeinreglement 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045730) komt op het moment van inwerkingtreding van dit domeinreglement te vervallen. 2. Het wetenschappelijk werkterrein 2.1. Grenzen wetenschappelijk werkterrein 2.2. Missies van de domeinen 3. Domeinbestuur 3.1. Bevoegdheden domeinbestuur 3.2. Samenstelling domeinbestuur, benoeming en portefeuilleverdeling 3.3. Besluitvorming en vergaderwijze 3.4. Persoonlijke belangen en stemprocedure 4. Directeur van een domein 4.1. Taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden directeur 4.2. Call for proposals Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1, eerste lid, van dit domeinreglement, is de directeur bevoegd om namens het domeinbestuur de tekst van de Call for proposals vast te stellen ten behoeve van de publicatie als bedoeld in [artikel 2.1.2, eerste lid, van de NWO Subsidieregeling 2024](onbekend). 5. Advisering aan het domeinbestuur inzake strategie en beleid 5.1. Adviesraad: Taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden 6. Advisering aan het domeinbestuur inzake het (primaire) subsidieproces 6.1. Commissies belast met de beoordeling van subsidieaanvragen 7. Advisering aan het domeinbestuur inzake onderzoeksprogramma’s 7.1. Voorbereidingscommissie (het opstellen van een programma) 7.2. Programmacommissie (het uitvoeren van programma activiteiten) 8. Stuurgroep 8.1. Taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden"},{"i":14470,"b":"Regeling Model Jaarverslaggeving 2018 CAK 1. Algemeen 1.1. Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de jaarlijkse verantwoordingsplicht van het CAK over de uitvoering van de [Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025003) (Wtcg)1Afgeschaft per 1 januari 2014., de Ouderbijdrage [Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925) (ObJw)2Afgeschaft per 1 januari 2016., de afgifte van Schengen- en Engelstalige verklaringen, de [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614) (AWBZ)3Afgeschaft per 1 januari 2015., de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917) (Wlz), de [Wet maatschappelijke ondersteuning](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035362) (Wmo) en de Compensatieregeling eigen risico (CER)4Afgeschaft per 1 januari 2014. als onderdeel van de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw). Het CAK is belast met het uitvoeren van publiekrechtelijke werkzaamheden. Ook beschrijft dit hoofdstuk welke verantwoordingsdocumenten het CAK jaarlijks moet aanleveren voor de verantwoording over de uitvoering van deze taken bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Het CAK is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het CAK heeft in dit kader te maken met wet- en regelgeving en volgt zover van toepassing de Code Goed Bestuur Publieke Dienstverleners van de Handvestgroep Publiek Verantwoorden van november 20155Zie hiervoor www.publiekverantwoorden.nl.. De [Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030162) (in werking getreden op 14 maart 2015) en de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495) maken hier onderdeel van uit en zijn van toepassing op het CAK. Nadere afspraken tussen het CAK en VWS"},{"i":11790,"b":"Beleidsregel registratie snelle motorboten Gelet op [artikel 8.01, eerste lid, Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=8.01) en de [Regeling registratie snelle motorboten 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008666), alsmede [artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81); Besluit: Artikel 1 De begripsbepalingen van het [Binnenvaartpolitiereglement](onbekend) zijn onverkort van toepassing. Voorts wordt verstaan onder: - **aanvrager:** de natuurlijk- of rechtspersoon die een verzoek indient voor de tenaamstelling van een snelle motorboot. - **inschrijven:** het op naam zetten van een voorgeregistreerde snelle motorboot welke niet eerder geregistreerd is geweest in Nederland. - **loket:** een fysieke en/of digitale locatie waarbij de eigenaar een snelle motorboot kan tenaamstellen. - **overschrijven:** het op naam zetten van een eerder geregistreerde snelle motorboot door een nieuwe eigenaar. - **het register:** het snelle motorboten register. - **tenaamstellen;** het op naam registreren van een snelle motorboot. - **voorregistreren:** de ten behoeve van de registratie opgegeven gegevens van de snelle motorboot. Artikel 2 1. Er is een register voor de registratie van snelle motorboten zoals bedoeld in [art. 8.01, eerste lid, Binnenvaartpolitiereglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003628&artikel=8.01) Dit register wordt aangeduid als het snelle motorbotenregister. 2. De registratie van een snelle motorboot in het register bestaat uit de inschrijving van de snelle motorboot en de tenaamstelling van de snelle motorboot. 3. De opgave van een registratieteken geschiedt door inschrijving van een snelle motorboot in het register. 4. Het registratieteken bestaat uit een combinatie van letters en nummers dan wel een combinatie van één letter en nummers. De eerste letter die wordt gebruikt is de letter Y. 5. Na de tenaamstelling van ee"},{"i":14494,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Justitie tot uitvoering van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Regeling normbedragen voorschotverlening 2009) Gelet op [artikel 35, tweede en vierde lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35); Besluit: Artikel 1 1. Het normbedrag dat geldt voor de bepaling van de hoogte van het voorschot dat in elk kwartaal wordt verstrekt aan door de raad ingeschreven advocaten wordt vastgesteld op € 731,–. 2. Het kwartaalvoorschot bedraagt niet meer dan € 45.200,–. 3. Het kwartaalvoorschot wordt op nihil gesteld, indien minder dan tien toevoegingen zijn afgegeven in de referentieperiode, bedoeld in [artikel 35, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=35). Artikel 2 Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2009. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling normbedragen voorschotverlening 2009. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11396,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 februari 2016, nr. MBO/794457, houdende de vaststelling van het model kwalificatiedossier mbo, het model keuzedeel mbo, inclusief de bij de modellen behorende instructie en het toetsingskader kwalificatiestructuur mbo (Regeling vaststelling modellen kwalificatiedossier en keuzedeel en toetsingskader kwalificatiestructuur mbo 2016) Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken; Gelet op [artikel 7.2.4, zesde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4); Besluit: Artikel 1. Vaststelling van modellen, instructies en toetsingskader 1. Het model voor een kwalificatiedossier wordt vastgesteld op de wijze bedoeld in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037661&bijlage=1&z=2022-08-01&g=2022-08-01) behorende bij deze regeling. 2. Het model voor een keuzedeel wordt vastgesteld op de wijze bedoeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037661&bijlage=2&z=2022-08-01&g=2022-08-01) behorende bij deze regeling. 3. De instructies behorende bij de modellen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden vastgesteld op de wijze bedoeld in [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037661&bijlage=3&z=2022-08-01&g=2022-08-01) behorende bij deze regeling. 4. Het toetsingskader voor de kwalificatiestructuur wordt vastgesteld op de wijze bedoeld in [bijlage 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037661&bijlage=4&z=2022-08-01&g=2022-08-01) behorende bij deze regeling. Artikel 2. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 februari 2016. Artikel 3. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling modellen kwalificatiedossier en keuzedeel en toetsingskader kwalificatiestructuur mbo 2016. Bijlage 1. behorende bij de Regeling vaststelling model"},{"i":14513,"b":"Besluit van de algemene raad van 1 december 2014 tot vaststelling van de regeling op de advocatuur (Regeling op de advocatuur) Gelet op [artikel 4, eerste lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=4), en [artikel 60, tweede lid, van de Advocatenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002093&artikel=60); Gelet op [artikel 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.27), [artikel 2.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.28), [artikel 2.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.29), [artikel 2.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.30), [artikel 2.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.35), [artikel 2.36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=2.36), [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.5), [artikel 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.14), [artikel 3.25, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=3.25), [artikel 4.4, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=4.4), [artikel 4.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=4.8), [artikel 4.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=4.10), [artikel 4.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=4.12), [artikel 4.14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=4.14), [artikel 5.12, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=5.12), [artikel 6.2, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=6.2), [artikel 6.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=6.4), [artikel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=6.6), [artikel 6.16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035981&artikel=6.16), [artikel 6.22, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":14577,"b":"Regeling reiskosten buitenland Nederlands Letterenfonds gelet op de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=10), gelet op het [Algemeen reglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032735), besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - 1. **bestuur:** het bestuur van het Letterenfonds; - 2. **buitenland:** het grondgebied buiten het Europese deel van Nederland; - 3. **buitenlandse organisatie:** een in het buitenland gevestigde literaire of culturele organisatie met volledige rechtsbevoegdheid die mede tot doel heeft de totstandkoming, verspreiding of promotie van internationale literatuur; - 4. **het Letterenfonds:** Stichting Nederlands Letterenfonds; - 5. **publicatie:** een literair werk in boekvorm; - 6. **promotiereis:** een reis in het kader van promotionele activiteiten door een schrijver van oorspronkelijk Nederlands- of Friestalig, literair werk ten behoeve van zijn in vertaling gepubliceerde werk in het buitenland; - 7. **studiereis:** een reis van een Nederlands- of Friestalige schrijver of vertaler ten behoeve van research of deelname aan activiteiten die aantoonbaar te maken hebben met een voorgenomen, door hem te vervaardigen, in boekvorm te verschijnen literair werk; - 8. **uitgave-overeenkomst:** een overeenkomst tussen auteur en uitgeverij betreffende de exploitatierechten op de publicatie waarin minimaal de bepalingen over het royalty-percentage en de licentie zijn overeengekomen, zoals geregeld in het Modelcontract GAU/VvL voor de uitgave van oorspronkelijk Nederlandstalig literair werk respectievelijk de uitgave van een Nederlandstalige literaire vertaling; - 9. **uitgeverij:** een rechtspersoon die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit met als doel onder meer de uitgave van literaire boekwerken. Artikel 2. Toepasselijkheid Deze rege"},{"i":3975,"b":"Besluit van 22 december 2020, houdende regels inzake de registratie van de toeristische verhuur van woonruimte Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 oktober 2020, nr. 2020002225, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Gelet op [artikel 23f, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=23f); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 december 2020, nr. W04.20.0390/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 december 2020, nr. 2020-0000729334, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet tot wijziging van de Huisvestingswet 2014 in verband met de aanpak van ongewenste neveneffecten van toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020/460) in werking treedt. Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **aanvrager:** degene die een registratienummer aanvraagt voor het aanbieden van een woonruimte voor toeristische verhuur als bedoeld in [artikel 23a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=23a) - **identificatiemiddel:** elektronisch middel dat persoonsidentificatiegegevens bevat en gebruikt wordt voor de authenticatie van een natuurlijke persoon, rechtspersoon of onderneming die toegang wenst tot elektronische dienstverlening; - **registratienummer:** registratienummer als bedoeld in [artikel 23a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=23a); - **registratiesysteem:** registratiesysteem als bedoeld in [artikel 23f, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303&artikel=23f); - **wet:** [Huisvestingswet 2014](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035303). Hoofdstuk 2. Het gemeentelijk registratiesysteem Artikel 2 Indien de gemeenteraad toepassin"},{"i":14775,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 22 maart 2013, nr. WJZ / 13037575, houdende vaststelling van de definitieve correcties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het jaar 2012 (Regeling vaststelling definitieve correcties duurzame energieproductie 2012) § 1. Begripsbepaling § 1. Begripsbepaling Artikel 2 De correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom genoemde artikel, worden voor 2012 vastgesteld voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in [artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14), het in de derde kolom genoemde bedrag en voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c van het besluit, het in de vierde kolom genoemde bedrag. | 1 | 2 | 3 | 4 | | --- | --- | --- | --- | | Artikel regeling 2008 | Omschrijving categorie | Correctiebedrag [artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735&artikel=14) | Correctiebedrag, artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c van het besluit | | [Artikel 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566&artikel=3) | Wind op land | € 0,053 per kWh | € 0 per kWh | | [Artikel 9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566&artikel=9) | Zon pv > 0,6 kWp en ≤ 3,5 kWp | € 0,224 per kWh | € 0 per kWh | | [Artikel 15, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566&artikel=15) | AVI | € 0,093 per kWh | € 0 per kWh | | [Artikel 22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566&artikel=22) | Stortgas, AWZI, RWZI | € 0,048 per kWh | € 0 per kWh | | [Artikel 29, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023566&artikel=29) | Biomassa co-vergisting, gft vergisting en thermische conversie | € 0,048 per kWh | € 0 per kWh | | 1 | 2 | 3 | 4 | | --- | --- | --- | --- | | Artikel regeling 2009 | Omschrijving categorie | Correctie"},{"i":14789,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Financiën 27 november 2023, houdende de vaststelling van de gelijkwaardige inspanning van de decentrale overheden inzake het EMU-saldo Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op [artikel 3 van de Wet houdbare overheidsfinanciën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034360&artikel=3); Besluit: Artikel 1. Begrippen De definities van [artikel 1 van de Wet houdbare overheidsfinanciën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034360&artikel=1) zijn van overeenkomstige toepassing op deze regeling. Artikel 2. EMU-norm 2023 Het collectieve aandeel van de decentrale overheden gezamenlijk in het EMU-saldo, bedoeld in [artikel 3, tweede lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034360&artikel=3), wordt voor de jaren 2024 tot en met 2026 vastgesteld op -0,5 procent van het bruto binnenlands product. Artikel 3. Onderverdeling naar overheidslaag Het collectieve aandeel van de decentrale overheden in het EMU-saldo, bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049333&artikel=2&z=2024-02-10&g=2024-02-10), wordt uitgesplitst naar: - a. een aandeel voor de provincies gezamenlijk dat voor 2024 tot en met 2026 wordt vastgesteld -0,10 procent van het bruto binnenlands product; - b. een aandeel voor de gemeenten gezamenlijk dat voor 2024 tot en met 2026 wordt vastgesteld -0,34 procent van het bruto binnenlands product; - c. een aandeel voor de waterschappen gezamenlijk dat dat voor 2024 tot en met 2026 wordt vastgesteld -0,06 procent van het bruto binnenlands product. Artikel 4. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 2024, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij"},{"i":14851,"b":"Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid Gelet op: de [artikelen 58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=58) en [59 van het Algemeen militair ambtenarenreglement](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=59) (AMAR) (Stb. 1982, 279). Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Paragraaf I. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1. Tenzij anders bepaald zijn de begripsomschrijvingen zoals opgenomen in [artikel 54a van het AMAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=54a) op deze regeling van toepassing. 2. Voor de toepassing van deze regeling wordt, voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, verstaan onder: - a. **militair:** de militair als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder c, van het AMAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=1), waaronder mede begrepen hij die is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijke verzorger werkzaam te zijn; - b. **meetperiode:** bij gebruik van continu- of ploegendienstroosters de periode waarvoor het rooster geldt en bij gebruik van andere roosters niet korter dan de periode waarvoor het rooster geldt, doch tenminste één maand; - c. **etmaal:** een tijdsbestek van 24 uur; - d. **dagdeel:** een tijdsbestek van 4 uur; - e. **maximale arbeidsduur:** de arbeidsduur als bedoeld in [artikel 54b, vierde lid, van het AMAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=54b); - f. **ongebruikelijke uren:** de uren gelegen tussen 00.00 en 07.00 uur en tussen 18.00 en 24.00 uur op maandag tot en met vrijdag, alsmede de uren gelegen tussen 00.00 en 24.00 uur op de dagen genoemd in [artikel 57a, eerste en tweede lid, van het AMAR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003482&artikel=57a); - g. **meerdaagse activiteiten:** varen, oefenen en bijzondere inzet die een aaneengesloten periode van langer dan een etmaal beslaan; - h. **oef"},{"i":3322,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 27 juni 2023 nr. BOACAT2023/041, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij gemeente Soest Gelezen het verzoek van de gemeente Soest van 22 juni 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048481&artikel=2&z=2023-10-22&g=2023-10-22). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Soest, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinl"},{"i":3491,"b":"Besluit van 18 juni 1955, houdende uitvoering van artikel 8 van de Instellingswet Productschap voor Bier Op de voordracht van Onze Ministers voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie van 24 Maart 1955, no. B. 2496, Dir. W.J.A., van Economische Zaken van 24 Maart 1955, no. 23479, Dir. W.J.A. en van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 24 Maart 1955, no. J. 1085, Afd. W.J.Z.; Overwegende, dat het wenselijk is te bepalen in welke gevallen Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening voor de toepassing van de [Instellingswet Productschap voor Bier](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002162) (**Stb.** 1954, 530) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104) (**Stb.** 1950, K 22) ten aanzien van het Productschap voor Bier mede als betrokken Minister wordt aangemerkt; Gelet op artikel 8 van eerstgenoemde wet; De Raad van State gehoord (advies van 19 April 1955, no. 49); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers onderscheidenlijk van 13 Juni 1955, no. B. 2638, Dir. W.J.A., van 13 Juni 1955, no. 23480, Dir. W.J.A. en van 13 Juni 1955, no. J. 1086, Afd. W.J.Z.; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de toepassing van de [Instellingswet Productschap voor Bier](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002162) (**Stb.** 1954, 530) en van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=94), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=100), derde lid, en [104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002058&artikel=104) (**Stb.** 1950, K 22) ten aanzien van het Productschap voor Bier wordt Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening mede als betrokken Minister aangemerkt, voor zoveel betr"},{"i":4051,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 8 februari 2026, nr. 2026-1395 over Tabel II bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (Besluit Toelichting Tabel II) **De Staatssecretaris van Financiën,** **Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en Tabel II bij de Wet op de omzetbelasting 1968;** **Besluit:** § 1. Inleiding § 1.1. Algemeen Dit beleidsbesluit gaat in op de toepassing van [Tabel II bij de Wet op de omzetbelasting 1968](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002629&bijlage=II). In Tabel II zijn de leveringen en diensten genoemd waarvoor het btw-nultarief geldt. Door toepassing van het nultarief wordt met name het internationale goederen- en dienstenverkeer niet aan de btw-heffing onderworpen, met als regel dat de btw-plichtige ondernemer ter zake recht heeft op aftrek van voorbelasting. Als zodanig heeft het nultarief een technisch karakter. Het btw-nultarief geldt voor goederen die naar landen buiten de Europese Unie worden uitgevoerd en voor diensten die betrekking hebben op goederen die worden uitgevoerd. Verder is het nultarief van toepassing op de levering van goederen vanuit Nederland naar een andere lidstaat van de Europese Unie (intracommunautaire levering), als zich in de andere lidstaat het belastbare feit van de intracommunautaire verwerving van die goederen voordoet. Dit besluit vervangt en actualiseert het [besluit van 20 december 2023, nr. 2023-22510 (Besluit Toelichting Tabel II)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049298). De belangrijkste wijzigingen zijn als volgt. Tot slot hebben ook redactionele wijzigingen plaatsgevonden. § 1.2. Gebruikte begrippen en afkortingen § 2. Algemene opmerkingen over de toepassing van het nultarief § 2.1. Richtlijnsystematiek versus wettelijke systematiek In de systematiek van de btw-richtlijn is er voor goederen en diensten in het internationale verkeer sprake van een btw-vrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting voo"},{"i":2640,"b":"Beleidsregels van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 juli 2021, nr. 3386950, betreffende de afdracht voor de Nederlandse draf- en rensport uit de totalisator, bedoeld in artikel 23 van de Wet op de kansspelen (Beleidsregels totalisatorafdracht) Gelet op [artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21) en [artikel 25, tweede lid, van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=25); Besluit: Artikel 1 In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - –. **koa-vergunninghouders:** vergunninghouders die weddenschappen op harddrijverijen en paardenrennen op afstand mogen organiseren als bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044773&artikel=2.1); - –. **raad van bestuur:** de raad van bestuur van de kansspelautoriteit, bedoeld in [artikel 33a van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33a); - –. **totalisatorvergunning:** de vergunning, bedoeld in [artikel 23, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=23); - –. **wet:** de [Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469). Artikel 2 1. Ter uitvoering van [artikel 25, eerste lid, onder c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=25) verbindt de raad van bestuur in ieder geval voorschriften aan de totalisatorvergunning met betrekking tot de inhouding van bedragen uit de inleg van weddenschappen op harddrijverijen en paardenrennen alsmede de bestemming daarvan die overeenkomen met hetgeen daarover in de [Regeling kansspelen op afstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044767) is geregeld ten aanzien van koa-vergunninghouders. 2. De raad van bestuur bepaalt dat het besluit waarmee de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, aan de totalisatorvergunning worden verbonden, in werking treedt op 1 oktobe"},{"i":2966,"b":"Besluit van 26 februari 1958, houdende aanwijzing van militairen, behorende tot het reserve-personeel der landmacht, die na een doorlopende werkelijke dienst van vijf jaren de hoedanigheid van reservist in de zin van de Pensioenwet bijzondere groepen reserve-personeel 1956 verkrijgen Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog van 29 november 1957, Directie Militair Personeel, Afdeling Pensioenen, Bezoldigingen en Geneeskundige Voorzieningen, nr. P. 110.531.Q/DG; Gelet op artikel 3 van de Pensioenwet bijzondere groepen reserve-personeel 1956 (Stb. 1957, 37), het Koninklijk besluit van 9 januari 1931, nr. 25, het Besluit verbintenissen luchtvarenden Luchtmacht (Stb. 1952, 471), het Besluit verbintenissen reserve-personeel beneden de rang van tweede-luitenant Landmacht (Stb. 1952, 496), Ons besluit van 27 oktober 1952 (Stb. 539) en het [Besluit verbintenissen gronddienst Luchtmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002158) (Stb. 1954, 518). De Raad van State gehoord (advies van 28 januari 1958, nr. 32); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 19 februari 1958, nr. P. 110.531/1 G; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Voor de militairen, behorende tot het reserve-personeel der landmacht, die vrijwillig verplichtingen hebben aanvaard tot het verrichten van doorlopende werkelijke dienst, als bedoeld in: - a. het Koninklijk besluit van 9 januari 1931, nr. 25; - b. het Besluit verbintenissen luchtvarenden Luchtmacht; - c. het Besluit verbintenissen reserve-personeel beneden de rang van tweede-luitenant Landmacht en op wie Ons besluit van 2 maart 1953 (**Stb.** 92) dan wel Ons besluit van 28 maart 1958 (**Stb.** 168) van toepassing is; - d. Ons besluit van 27 oktober 1952 (**Stb.** 539); - e. het [Besluit verbintenissen gronddienst Luchtmacht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002158), - f. Ons besluit van 18 februari 1961 (**Stb.** 47), wordt de termijn van 2 jaren, genoemd in artikel 1 van de Pensioenwet bijzondere groepen reserve-p"},{"i":14854,"b":"Regeling betreffende de verklaring inzake overeenstemming van interlandelijke adoptie en de verklaring inzake overeenstemming van omzetting van interlandelijke adoptie Gelet op de [artikelen 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009614&artikel=10) en [11, derde lid, van de Wet van 14 mei 1998 tot uitvoering van het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie en, in verband daarmee, wijziging van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen en enige andere wetten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009614&artikel=11) (Stb. 302), Besluit: Artikel 1 De verklaring inzake overeenstemming van interlandelijke adoptie, als bedoeld in artikel 23 van het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (Trb. 1993, 197), wordt door de griffier van het rechterlijk college dat de adoptie heeft uitgesproken opgemaakt op een formulier ingericht overeenkomstig het als [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009831&bijlage=1&z=1998-10-01&g=1998-10-01) aangehechte model (formaat A4 (297 x 210 mm). Artikel 2 De verklaring inzake overeenstemming van omzetting van interlandelijke adoptie, als bedoeld in artikel 23 juncto artikel 27, tweede lid, van het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlan-delijke adoptie (Trb. 1993, 197), wordt door de griffier van het rechterlijk college dat de omzetting heeft uitgesproken opgemaakt op een formulier ingericht overeenkomstig het als [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009831&bijlage=2&z=1998-10-01&g=1998-10-01) aangehechte model (formaat A4 (297 x 210 mm). Artikel 3 Deze regeling treedt in werking op 1 oktober 1998. Bijlage 1. Verklaring inzake overeenstemming van interlandelijke adoptie 1. De"},{"i":14878,"b":"Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **bevoegde plaatselijke autoriteit:** de autoriteit aangeduid in de bij deze regeling behorende [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025770&bijlage=1&z=2025-07-01&g=2025-07-01); - b. **IMO:** de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties; - c. **SOLAS:** het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157), en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen (SOLAS-verdrag); - d. **MARPOL:** het op 2 november 1973 te Londen totstandgekomen Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met protocollen en bijlagen (Trb. 1975, 147 en 1978, 187) (MARPOL-verdrag); - e. **IMDG-Code:** de IMO Code voor het vervoer van verpakte gevaarlijke stoffen over zee (International Maritime Dangerous Goods Code), bedoeld in hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag; - f. **GC-Code:** de bij resolutie A.328(IX) van de Algemene vergadering van de IMO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren (Gas Carrier Code); - g. **IMSBC-Code:** de bij resolutie MSC.268(85) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde Naties aangenomen Internationale Maritieme Code voor het vervoer van vaste lading in bulk (International Maritime Solid Bulk Cargoes Code); - h. **IGC-Code:** de bij resolutie MSC.5(48) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren (International Gas Carrier Code) (van toepassing op tankers gebouwd op of na 1 juli 1986); - i. **BCH-Code:** de bij resolutie MEPC.20(22) van de Mariene Milieucommissie van de IMO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van schepen di"},{"i":18343,"b":"Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor aanpassing van de bedragen van de onkostenvergoedingen van politieke ambtsdragers Gelet op: – [artikel 8, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=8) en [artikel 9, derde lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=9); – [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=10), [artikel 16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=16) en [artikel 18, tweede en derde lid, van de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007402&artikel=18); – [artikel 1, eerste lid, onder de letters a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005966&artikel=1) en [artikel 2, eerste lid, onder de letters a en b, van de Regeling van een vergoeding voor de vice-president van de Raad van State en de staatsraden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005966&artikel=2); – [artikel 2, eerste lid, onder de letters a en b, van de nadere regeling van de rechtspositie van de Nationale ombudsman](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004905&artikel=2); Besluit: Artikel I In de [Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939) worden ingaande 1 januari 2007 de volgende bedragen gewijzigd: a. De bedragen in [artikel 8, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=8), komen te luiden: | Reisafstand | Ingevolge [art. 8 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=8) | Ingevolge [art. 8 lid 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=8) | Ingevolge [art. 8 lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=8) | Ingevolge [art. 8 lid 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004939&artikel=8) | | --- | --- | --- | --- | --- | | 0 km | € | 5.642,90 | € | 11.756,04 | | 10 km | € | 9.311,60 | € | 19.399,17 | |"},{"i":14303,"b":"Regeling van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 12 november 2015, nr. MinBuza-2015.631272, houdende invoering van een vergunningplicht voor uitvoer van en het verlenen van tussenhandeldiensten voor goederen voor tweeërlei gebruik die als bestemming of eindbestemming hebben Irak en die niet zijn genoemd in bijlage I van verordening 428/2009 (Regeling goederen voor tweeërlei gebruik Irak) Gelet op de [artikelen 4 tot en met 6 van de Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=4) en [artikel 4 van het Besluit strategische goederen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024139&artikel=4); Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **CAS-registratienummer:** registratienummer van de Chemical Abstracts Service; - –. **inspecteur:** de directeur-generaal Douane; - –. **wet:** de [Wet strategische diensten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545). Artikel 2 Het is verboden zonder vergunning van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking goederen voor tweeërlei gebruik als bedoeld in de bijlage uit te voeren uit Nederland indien deze als bestemming, met inbegrip van de eindbestemming, Irak hebben. Artikel 3 Het is verboden zonder vergunning van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking een tussenhandeldienst als bedoeld in de [artikelen 4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=4), [5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=5), of [6, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030545&artikel=6) te verlenen voor goederen voor tweeërlei gebruik als bedoeld in de bijlage indien deze als bestemming, met inbegrip van de eindbestemming, Irak hebben. Artikel 4 1. Een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037216&artikel=2&z=2021-09-09&g=2021-09-09) wordt gedaan door de exporteur en ingediend bij d"},{"i":15036,"b":"Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 23 mei 2025 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid NVWA tabak en rookwaren (IB03-SPEC 31, versie 21) Gelet op [artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikel 13 van de Tabaks- en rookwarenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004302&artikel=13), de [artikelen 10, eerste lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=10), en [13a van de Mandaatregeling VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007923&artikel=13a) en het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215); Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel: 1. Onderwerp Het Specifiek interventiebeleid NVWA tabak en rookwaren beschrijft, binnen de kaders van het [Algemeen interventiebeleid NVWA 2024](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) (AIB), de klasseindeling van en de interventies voor de beoordeling van specifieke overtredingen van de wetgeving in het domein tabak en rookwaren. Overtredingen die door de inspecteur/toezichthouder worden waargenomen en die niet in dit IB03-SPEC 31 zijn opgenomen, worden voorgelegd aan de Afdeling Expertise van de Directie Handhaven teneinde een interventie te bepalen. 2. Definities en wettelijke basis 2.1. Definities In aanvulling op de definities en begrippen uit het [AIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049215) gelden de volgende definities: Inspectie: Elke vorm van controle door een inspecteur van de NVWA om na te gaan of de wet- en regelgeving inzake tabak en rookwaren wordt nageleefd. De inspecteur kan, als dit de efficiency van de uit te voeren inspectie ten goede komt, ervoor kiezen om deze van tevoren aan te kondigen. Dit laat onverlet dat de inspecteur ook zonder aankondiging een inspectie kan uitvoeren; Herinspectie: Een inspectie"},{"i":14308,"b":"Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de Staatssecretaris van Fiscaliteit en Belastingdienst van 19 april 2022, nr. IENW/BSK-2022/51234, houdende regels inzake in Nederland gelegen projecten welke in het belang zijn van de bescherming van het milieu (Regeling groenprojecten 2022) Handelende na overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister voor Klimaat en Energie; Gelet op [artikel 5.14, derde lid, onderdeel a, en achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.14); BESLUITEN: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - **accountantsverklaring:** verklaring, afgegeven door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent; - **Algemene Groepsvrijstellingsverordening:** [Verordening (EU) nr. 651/2014](32014R0651) van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); - **bestaand project:** - a. project als bedoeld van de bijlage, met uitzondering van projecten als bedoeld in categorie 5.3, waarvoor ten minste zes maanden voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een groenverklaring wordt ingediend met de uitvoering van de werkzaamheden is aangevangen; - b. project als bedoeld in categorie 1.1 van de bijlage, voor zover het gaat om opengestelde landgoederen als bedoeld in [artikel 7, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001939&artikel=7), dat ten minste zes maanden voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een groenverklaring wordt ingediend reeds voldeed aan een van de projectomschrijvingen in het betreffende onderdeel; - c. project als bedoeld in categorie 5.3 van de bijlage, waarvoor meer dan acht maanden voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een groenverklaring wordt ingediend de hypotheekakte werd gepa"},{"i":2845,"b":"Beschikking wijzigingspercentage levensonderhoud 1994 Overwegende, dat het indexcijfer der lonen, vastgesteld krachtens artikel 402a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, per 30 september 1993 afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer per 30 september 1992; Gelet op artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Besluit: Artikel 1 Het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede bedragen voor levensonderhoud met ingang van 1 januari 1994 worden verhoogd, wordt vastgesteld op 2,5. Artikel 2 Deze beschikking en de daarbij behorende toelichting worden bekend gemaakt in de Staatscourant. Artikel 3 Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking wijzigingpercentage levensonderhoud 1994."},{"i":4408,"b":"Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 11 januari 2024, tot vaststelling van het Bestuursreglement ACM 2024 Gelet op [artikel 4, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=4); Gezien de goedkeuring van de Minister van Economische Zaken en Klimaat; Besluit: Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - b. **ACM-personeel:** het personeel, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=5); - c. **bestuurslid:** een lid van de ACM; - d. **bestuursvoorzitter:** het bestuurslid, tevens voorzitter van de ACM; - e. **raad:** Raad van Advies bedoeld in [artikel 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049735&hoofdstuk=5&artikel=8&z=2024-05-29&g=2024-05-29), van dit besluit; - f. **secretaris:** secretaris van de ACM. Hoofdstuk 2. Het bestuur Artikel 2 1. De bestuursleden geven gezamenlijk leiding aan het ACM-personeel. 2. De bestuursleden maken een evenredige verdeling van werkzaamheden door de aangelegenheden waarover de ACM besluiten moet nemen, te verdelen in portefeuilles voor elk lid, waarbij de bestuursleden elkaar kunnen vervangen. 3. Een bestuurslid is voor de tot zijn portefeuille behorende aangelegenheden het aanspreekpunt voor de directeuren van het ACM-personeel. 4. De ACM benoemt een secretaris. De secretaris maakt deel uit van het ACM-personeel. Artikel 3 1. De bestuursvoorzitter roept de ACM in vergadering bijeen en leidt de vergadering. 2. De bestuursvoorzitter wordt bij zijn afwezigheid vervangen door het langstzittende bestuurslid. Het in dit besluit ten aanzien van de bestuursvoorzitter bepaalde is van overeenkomstige toepassing. Hoo"},{"i":15135,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 februari 2022, 2022-0000055777, tot het tijdelijk doen van verstrekkingen aan gerepatrieerden en evacués ten gevolge van de crisis in Oekraïne in 2022 (Tijdelijke regeling verstrekkingen gerepatrieerden en evacués Oekraïne 2022) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [9 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=9), [artikel 77 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&artikel=77) en [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **alleenstaande minderjarige gerepatrieerde of evacué:** gerepatrieerde of evacué die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en die zonder begeleiding of verzorging van een ouder of voogd is gekomen; - **buitengewone kosten:** noodzakelijke, onvermijdbare kosten die in Nederland worden gemaakt en die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de gerepatrieerde zelf te worden betaald; - **evacué:** de persoon, zijn partner of huwelijkspartner, zijn ouder of stiefouder, zijn kind, stief- of pleegkind, of kleinkind jonger dan 21 jaar, alsmede inwonende familieleden en inwonende personen die een afhankelijkheidsrelatie hebben met de persoon die in verband met de crisis in Oekraïne omstreeks februari en maart 2022 vanuit Oekraïne tijdelijk naar Nederland is gekomen en voorafgaand aan en bij aankomst in Nederland door het bevoegde gezag als evacué is geregistreerd; - **gerepatrieerde:** de Nederlander, zijn partner of huwelijkspartner, zijn ouder of stiefouder, zijn kind, stief- of pleegkind, of kleinkind jonger dan 21 jaar, die in verband met de crisis in Oekraïne omstreeks februari en maart 2022 vanuit Oekraïne tijdelijk naar Ne"},{"i":15136,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 oktober 2024, nr. 2024-000061989, tot het tijdelijk doen van verstrekkingen aan gerepatrieerden ten gevolge van de crisis in Libanon (Tijdelijke regeling verstrekkingen gerepatrieerden Libanon 2024) Gelet op de [artikelen 3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=3), en [9 van de Kaderwet SZW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008754&artikel=9); Besluit: Artikel 1. Definities In deze regeling wordt verstaan onder: - **alleenstaande minderjarige gerepatrieerde:** gerepatrieerde die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en die zonder begeleiding of verzorging van een ouder of voogd is gekomen; - **buitengewone kosten:** noodzakelijke, onvermijdbare kosten die in Nederland worden gemaakt en die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de gerepatrieerde zelf te worden betaald; - **gerepatrieerde:** Nederlander, alsmede zijn partner of huwelijkspartner en zijn kind, stief- of pleegkind jonger dan 18 jaar die geen Nederlander is en gelijktijdig met de Nederlander is ingereisd in Nederland, die in verband met de crisis in Libanon omstreeks oktober of november 2024 vanuit Libanon, tijdelijk naar Nederland is gekomen en na aankomst in Nederland door het bevoegde gezag als evacué is geregistreerd; - **SVB:** Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); - **minister:** de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 2. Verstrekkingen 1. De gerepatrieerde heeft gedurende zijn tijdelijk verblijf in Nederland recht op de volgende verstrekkingen: - a. een eenmalige tegemoetkoming voor de aanloopkosten; - b. een wekelijkse toelage voor de aanschaf van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven. 2. De gerepatrieerde kan gedurende zijn tijdelijke verblijf in Nederland in aanmerking komen v"},{"i":12502,"b":"Besluit van 28 oktober 2021, houdende instelling van het onderscheidingsteken voor trouwe en langdurige dienst brandweer Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 5 oktober 2021, nr. 3545656; Overwegende dat het uitreiken van een onderscheidingsteken voor trouwe en langdurige dienst bijdraagt aan de waardering voor het functioneren van de brandweermedewerker; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - **onderscheidingsteken:** het Onderscheidingsteken voor trouwe en langdurige dienst brandweer, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045853&artikel=3&z=2021-12-01&g=2021-12-01); - **brandweermedewerker:** degene die beroepsmatig of vrijwillig werkzaam is bij: - a. de brandweer, ingesteld en in stand gehouden door een veiligheidsregio als bedoeld in [artikel 10, onder e, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=10); - b. de brandweer in Caribisch Nederland; - c. een bedrijfsbrandweer; - **bedrijfsbrandweer:** de brandweer van een luchthaven of inrichting voor zover deze brandweer ingevolge een regeling met de overheid taken vervult ten behoeve van een van hierboven onder a en b en genoemde brandweren; - **bevoegd gezag:** in Europees Nederland: de voorzitter van de veiligheidsregio; - **in Caribisch Nederland:** de korpsbeheerder van het brandweerkorps Caribisch Nederland; - **inrichting:** - –. een inrichting als bedoeld in [artikel 7.1 van het Besluit veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027844&artikel=7.1) die door het bestuur van de veiligheidsregio is aangewezen om over een bedrijfsbrandweer te beschikken; - –. een inrichting als bedoeld in het Besluit van 8 maart 2016, houdende regels inzake de informatieverschaffing bij en ten behoeve van rampenbestrijding en crisisbeheersing, inzake de bedrijfsbrandweerplicht van inrichtingen, alsmede inzake rampbestrijdingsplannen voor inrichtingen en luchtvaartterreinen"},{"i":12495,"b":"Besluit van de directeur van de concerndirectie Innovatie & Strategie van 3 juli 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan het afdelingshoofd van de afdeling Kennis wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":15241,"b":"Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Gelet op de [artikelen 3.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.31), [3.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.34), [3.36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.36), [3.38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.38) en [3.52 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Deze regeling geeft uitvoering aan de [artikelen 3.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.31), [3.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.34), [3.36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.36), [3.38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.38) en [3.52 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52). 2. Deze regeling verstaat onder wet: [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353). Hoofdstuk 2. Milieu-bedrijfsmiddelen Artikel 2 1. Met betrekking tot milieu-bedrijfsmiddelen als bedoeld in [artikel 3.31, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.31), is willekeurige afschrijving alleen mogelijk indien de aanmelding van de aangegane verplichtingen of gemaakte voortbrengingskosten, bedoeld in [artikel 3.36, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.36) plaatsvindt binnen een termijn van drie maanden. 2. De in het eerste lid bedoelde termijn vangt aan: - a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichting; - b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van het kalenderkwartaal volgend op dat waarin"},{"i":15242,"b":"Regeling van de Minister van Economische Zaken van 30 juni 2015, nr. WJZ/15083277, houdende regels ter uitvoering van de Wet windenergie op zee (Uitvoeringsregeling windenergie op zee) Gelet op de [artikelen 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=14), en [20, derde lid, van de Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752&artikel=20); Besluit: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Regeling windenergie op zee 2015 in werking treedt. Artikel 1 1. Bij de beoordeling of de bouw en exploitatie van een windpark technisch haalbaar is, wordt rekening gehouden met de door de aanvrager overgelegde haalbaarheidsstudie, bedoeld in [artikel 2a, eerste lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023563&artikel=2a) en het door de aanvrager overgelegde projectplan, bedoeld in [artikel 2c, onderdeel d, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023563&artikel=2c). 2. Bij de beoordeling of de bouw en exploitatie van een windpark financieel haalbaar is, wordt rekening gehouden met de door de aanvrager overgelegde haalbaarheidsstudie, bedoeld in [artikel 2a, eerste lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023563&artikel=2a) en de door de aanvrager overgelegde gegevens, bedoeld in [artikel 2c, onderdelen a en b, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023563&artikel=2c). 3. Bij de beoordeling of de bouw van een windpark gestart kan worden binnen vier jaar na de datum waarop de vergunning onherroepelijk is geworden, wordt rekening gehouden met het door de aanvrager verstrekte tijdschema, bedoeld in [artikel 56, vierde lid, onderdeel f, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:"},{"i":15243,"b":"Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 december 2015, kenmerk 808179-144256-WJZ, houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 18, derde lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg en artikel 5.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz (Uitvoeringsregeling Wkkgz) Gelet op [artikel 18, derde lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=18), [artikel 5.5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037262&artikel=5.1) en artikel 6 van [Richtlijn 2002/98/EG](32002L0098) van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong en tot wijziging van [Richtlijn 2001/83/EG](32001L0083) van de Raad (PbEU L 33); Besluit: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: - –. **bereikbaarheidsanalyse:** bereikbaarheidsanalyse als bedoeld in [artikel 8A.4, eerste lid, onderdeel g, van het uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037262&artikel=8a.4); - –. **continuïteitsplan:** plan als bedoeld in [artikel 8A.4, eerste lid, onderdeel h, van het uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037262&artikel=8a.4); - –. **dienstapotheek:** apotheek die in de avond, de nacht en op zondag farmaceutische zorg aanbiedt; - –. **directeur publieke gezondheid:** directeur publieke gezondheid als bedoeld in [artikel 32, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=32); - –. **geschilleninstantie:** geschilleninstantie als bedoeld in [artikel 18 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037173&artikel=18); - –. **GHOR:** GHOR als bedoeld in [artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&arti"},{"i":4948,"b":"Regeling van de Minister van Justitie van 27 mei 2010, nr. DDS5653437, houdende verlening van mandaat en machtiging aan de voorzitter van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven voor verstrekking van subsidies in het kader van de Tijdelijke beleidsregels stimulering preventieve maatregelen woning- en bedrijfsovervallen (Mandaatregeling Tijdelijke beleidsregels stimulering preventieve maatregelen woning- en bedrijfsovervallen) Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), en [10:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Gezien de schriftelijke instemming van de voorzitter van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven van 14 mei 2010, kenmerk SGM2010006432; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven:** de commissie, bedoeld in [artikel 8 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002979&artikel=8); - b. **mandaat:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie besluiten te nemen; - c. **machtiging:** de bevoegdheid om in naam van de Minister van Justitie handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn; - d. **secretaris:** de secretaris van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, tevens hoofd van het secretariaat van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Artikel 2 Aan de voorzitter van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt mandaat en machtiging verleend voor het verstrekken van subsidies op grond van [artikel 34 van de Wet Justitie-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008121&artikel=34) in het kader van de [Tijdelijke beleidsregels stimulering preventieve maatregelen woning- en bedrijfsovervallen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027655) en het afhandelen van zaken die daarmee verband houd"},{"i":2703,"b":"Besluit ondertoezichtstelling overige kapitaalmarktinstellingen Gelet op [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003496&artikel=1&z=1982-05-22&g=1982-05-22) van het Koninklijk besluit van 1 mei 1981 (Stb. 289) tot uitvoering van het bepaalde in artikel 30 van de Wet toezicht kredietwezen met betrekking tot andere kapitaalmarktinstellingen); De Nederlandsche Bank N.V. gehoord; Besluit: Artikel 1 Het Besluit ondertoezichtstelling overige kapitaalmarktinstellingen is niet van toepassing op: - de Nederlandsche Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V.; - de Nederlandsche Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V.; - de Financieringsmaatschappij Industrieel Garantiefonds Amsterdam N.V.; - de Financieringsmaatschappij Industrieel Garantiefonds 's-Gravenhage N.V.; - de N.V. Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij; - de N.V. Industriebank LIOF (Limburgs Instituut voor Ontwikkeling en Financiering); - de Overijsselse Ontwikkelings Maatschappij N.V. Artikel 2 Deze beschikking treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Nederlandsche Staatscourant, waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot 1 juni 1981."},{"i":15279,"b":"Wet van 11 december 2024 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Wet op de economische delicten ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/1114 betreffende cryptoactivamarkten (Uitvoeringswet verordening cryptoactiva) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter uitvoering van [Verordening (EU) 2023/1114](32023R1114) van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van [Verordeningen (EU) nr. 1093/2010](32010R1093) en [(EU) nr. 1095/2010](32010R1095) en [Richtlijnen 2013/36/EU](32013L0036) en [(EU) 2019/1937](32019L1937) (PbEU 2023, L 150); Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet verordening cryptoactiva. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":2945,"b":"Besluit aanwijzing Geschillencommissie Oneerlijke Handelspraktijken Landbouw- en Voedselvoorzieningsketen ex art. 6, eerste lid, Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen Gelet op [artikel 6, eerste lid, van de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045048&artikel=6); Besluit: De Geschillencommissie Oneerlijke Handelspraktijken Landbouw- en Voedselvoorzieningsketen, ondergebracht bij de Stichting Geschillencommissies voor Beroep en Bedrijf, statutair gevestigd te Den Haag, met ingang van 1 januari 2022 aan te wijzen als commissie als bedoeld in [artikel 6, eerste lid, van de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045048&artikel=6), belast met het beslechten van geschillen tussen afnemers en leveranciers inzake de toepassing van de [artikelen 2 tot en met 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045048&artikel=2) van die wet. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":11810,"b":"Beleidsregel uitgifte van abonnee-informatienummers 2024 Gelet op de [artikelen 4:4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:4), [4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) en [4:81 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:81), [artikelen 193c, eerste lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=193c), en [193d, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=193d), [artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950&artikel=4.3), [artikel 3.6b van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698&artikel=3.6b) en [artikel 3.2h, tweede en derde lid, van de Regeling universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016709&artikel=3.2h); Besluit: Artikel 1. – Definities In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - –. **aanprijzingen:** openbare uitingen en andere aanprijzingen als bedoeld in [artikel 3.2h, tweede lid, onderdeel c, van de Rude](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016709&artikel=3.2h); - –. **ACM:** de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in [artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033043&artikel=2); - –. **Bude:** het [Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016698); - –. **Rude:** de [Regeling universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016709). Artikel 2. – Gebruik van het aanvraagformulier 1. De aanvrager van een 18xy-nummer maakt, bij het aanvragen van een 18xy-nummer, gebruik van het aanvraagformulier voor abonnee-informatienummers. 2. De ACM neemt de aanvraag slec"},{"i":12472,"b":"Besluit militair keuringsreglement BES Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **keuring:** een onderzoek naar de geschiktheid danwel ongeschiktheid voor de dienst bij de krijgsmacht; - b. **afwijking:** een aandoening of gebrek als bedoeld in de bij dit besluit behorende [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028409&bijlage=I&z=2010-10-10&g=2010-10-10). Artikel 2 Een keuring omvat: - a. een onderzoek of de opgeroepene voldoet aan de eisen gesteld in de bij dit landsbesluit behorende [bijlage II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028409&bijlage=II&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - b. een onderzoek of de opgeroepene voldoet aan de psychologische eisen gesteld in de bij dit landsbesluit behorende [bijlage III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028409&bijlage=III&z=2010-10-10&g=2010-10-10); - c. een onderzoek of de opgeroepene afwijkingen heeft. Artikel 3 1. Zij die voor de dienstplicht zijn ingeschreven worden ongeschikt verklaard indien zij: - a. een afwijking hebben, waarvan het herstel binnen een jaar, door de aard van de afwijking dan wel door onwilligheid van de ingeschrevene deze te laten behandelen, niet mogelijk wordt geacht; - b. geen afwijking hebben, doch hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid niettemin doet verwachten dat zij niet zullen voldoen aan de eisen van de dienst dan wel niet bestand zullen zijn tegen de belasting van de dienst; - c. niet voldoen aan de eisen, gesteld in de bij dit landsbesluit horende [bijlagen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028409&bijlage=II&z=2010-10-10&g=2010-10-10) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028409&bijlage=III&z=2010-10-10&g=2010-10-10). 2. Onverminderd het bepaalde in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028409&artikel=4&z=2010-10-10&g=2010-10-10) is het bepaalde in het eerste lid mede van toe-passing op degenen die reeds als dienstplichtigen in werkelijke dienst zijn. Artikel 4 Zij die in werkelijke dienst zijn of zijn geweest, kun"},{"i":11394,"b":"Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 9 augustus 2006, nr. TRCJZ/2006/2293, houdende vaststelling eindtermen beroepsonderwijs, overzicht bekostigde beroepsopleidingen en kwalificatieprofielen experimenten op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving Gelet op [artikel 7.2.4, tweede lid en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.4) a en [artikel 2.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=2.1.1) en [artikel 2.2.3, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.2.3); Gezien het voorstel van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven Aequor; Besluit: Artikel 1 1. Voor de beroepsopleidingen opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020144&bijlage=1&z=2006-08-17&g=2006-08-17) behorende bij deze regeling worden voor het studiejaar 2007–2008 in [die bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020144&bijlage=1&z=2006-08-17&g=2006-08-17) vastgesteld: - a. of de beroepsopleiding voor bekostiging in aanmerking komt; - b. de prijsfactor, bedoeld in [artikel 2.2.3, derde lid van het Uitvoeringsbesluit WEB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010646&artikel=2.2.3); - c. welk van de soorten opleidingen, bedoeld in [artikel 7.2.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2) het betreft; - d. de hoogte van de studielast, en - e. de leerweg, bedoeld in [artikel 7.2.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625&artikel=7.2.2) waarin de beroepsopleiding kan worden verzorgd. 2. Voor de beroepsopleidingen opgenomen in [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020144&bijlage=1&z=2006-08-17&g=2006-08-17) behorende bij deze regeling worden voor het studiejaar 2007–2008 in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR00201"},{"i":18113,"b":"Besluit beperking openbaarheid twee dossiers archief Rijksrecherche, (1919) 1940–2007 (toegangsnummer 2.09.130) Gelet op [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15) en het besluit van het Openbaar Ministerie (OM) van 8 maart 2021 (Staatscourant 2021, nr. 24705); Besluit: Artikel 1 De termijn van de openbaarheidsbeperking van de archiefbescheiden onder de inventarisnummers 263 en 290 in het archief van de Rijksrecherche, (1919) 1940–2007 (toegangsnummer 2.09.130) wordt vastgesteld op 100 jaar na geboorte van de jongst betrokken persoon in het betreffende dossier. | Inventarisnummer | Oorspronkelijk beperkt tot 1 januari: | Beperkt openbaar tot 1 januari: | | --- | --- | --- | | 263 | 2063 | 2078 | | 290 | 2064 | 2078 | Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst."},{"i":17363,"b":"Regeling medisch-specialistische zorg Grondslag Gelet op de [artikelen 35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg), alsmede de [Beleidsregel prestaties en tarieven medisch-specialistische zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048138), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vast. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **Add-on** Een overig zorgproduct (ozp), dat uiteen valt in vier categorieën: - •. zorg op de intensive care (ic), uitgedrukt in zorgactiviteiten en behorend bij een dbc-zorgproduct (add-on ic); - •. een limitatief aantal geneesmiddelen (niet zijnde diagnostica) en stollingsfactoren, elk gekoppeld aan een ZI-nummer (add-ongeneesmiddelen en ozp-stollingsfactoren); - •. een aantal specifieke prestaties met aanvullende voorwaarden (add-on overig); - •. een facultatieve prestatie voor medisch-specialistische zorg behorend bij een dbc-zorgproduct (add-on facultatieve prestatie). - b. **AGB-code** Een unieke code die aan de zorgaanbieder, zorgverlener, praktijk en/of instelling wordt toegekend en waarmee de zorgaanbieder, zorgverlener en de praktijk of instelling kan worden geïdentificeerd. De AGB-code is opgebouwd uit acht posities. De eerste twee posities geven de zorgverlenersoort weer (01 = huisartsen, 03 = medisch specialist et cetera). De overige zes posities zijn een volgnummer. - c. **Beslisboom** De beslisboom beschrijft de criteria op grond waarvan een subtraject in combinatie met zorgactiviteiten door een grouper wordt afgeleid tot een dbc-zorgproduct of uitvalproduct. - d. **Dbc-zorgproduct** Een declarabele prestatie die via de beslisboom is afgeleid uit een subtraject met een combinatie van diagnosetypering, zorgvraag"},{"i":18352,"b":"Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 januari 2016, nr. WJZ/717829 (10547), houdende regels over het beheer van de rijkscollectie, de subsidiëring van instellingen met een wettelijke taak tot beheer van collecties en enkele technische aanpassingen (Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen) Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Beheer rijkscollectie Hoofdstuk 2. Beheer rijkscollectie Artikel 4.1. Overgangsbepaling Stichting Panorama Mesdag 1. De Minister verstrekt de subsidie, bedoeld in [artikel 3.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037533&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2025-10-01&g=2025-10-01), voor het eerst voor het kalenderjaar 2026 aan de Stichting Panorama Mesdag. 2. In afwijking van [artikel 3.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037533&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2025-10-01&g=2025-10-01), verstrekt de Minister de subsidie aan de Stichting Panorama Mesdag ten behoeve van het kalenderjaar 2026 vóór 1 november 2025. 3. In afwijking van [artikel 3.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037533&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.5&z=2025-10-01&g=2025-10-01), dient Stichting Panorama Mesdag voor het kalenderjaar 2026 uiterlijk op 1 december 2025 de volgende documenten in bij de Minister: - a. een begroting; en - b. een onderhouds- en investeringsplan als bedoeld in [artikel 3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037533&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=3.7&z=2025-10-01&g=2025-10-01). Artikel 4.2. [Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030544) Wijzigt de Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten. Artikel 4.3. [Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023543&wetgeving) Wijzigt het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008. Artikel 4.4. [Beleidsregel erkenning tot het Nederlands cultureel"},{"i":15412,"b":"Vergoeding leden Adviescommissie duurzame energie Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 1. De voorzitter van de Adviescommissie duurzame energie ontvangt voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 249,58. 2. De andere leden van de Adviescommissie duurzame energie ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 124,79. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van subsidieaanvragen op grond van de [Uitvoeringsregeling BSE-duurzame energie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012623) en [Uitvoeringsregeling BSE-2002 duurzame energie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013568) ontvangt elk lid van de Adviescommissie duurzame energie per tender een vergoeding van € 18,91 per door het betrokken lid behandelde aanvraag. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15413,"b":"Vergoeding werkzaamheden Adviescollege Programma Samenwerking Oost-Europa Gelet op [artikel 1 van het Vacatiegeldenbesluit 1988](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004317&artikel=1); Besluit: Artikel 1 De leden van het Adviescollege Programma Samenwerking Oost-Europa ontvangen voor het bijwonen van een vergadering een vergoeding van € 125,-. Artikel 2 Voor de voorbereidende werkzaamheden in het kader van het beoordelen van programmavoorstellen op grond van het Programma Samenwerking Oost-Europa ontvangen alle leden van het Adviescollege Programma Samenwerking Oost-Europa jaarlijks een vergoeding, die wordt berekend op basis van een uurtarief dat is gebaseerd op salarisschaal 16 van [Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003630&bijlage=B) en op een voorbereidingtijd van 8 uur per vergadering. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":15515,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane en van de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door de directeur-generaal Toeslagen van 17 oktober 2024, nr. 2024-492904, over regels met betrekking tot de kinderopvangtoeslag, de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget (Verzamelbesluit Toeslagen) De Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door de directeur-generaal Toeslagen, 1. Inleiding 2. Gemeenschappelijk beleid voor toeslagen 1. Inleiding 2.1. Matiging van de terugvordering van toeslagen Als sprake is van een terug te vorderen bedrag aan onverschuldigd betaalde toeslagen, ontstaat een betalingsverplichting voor de belanghebbende ter grootte van dit bedrag aan Dienst Toeslagen. Het uitgangspunt in [artikel 26 Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=26) is dat het volledige bedrag aan toeslag dat te veel is betaald of verrekend, wordt teruggevorderd. In dit artikel is echter niet dwingend voorgeschreven dat Dienst Toeslagen altijd het volledige bedrag dat te veel is betaald, van de belanghebbende moet terugvorderen. [Artikel 26, tweede lid, Awir](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018472&artikel=26) bepaalt dat voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, Dienst Toeslagen een lager bedrag kan terugvorderen. 4.1. Overschrijding vermogensgrens door toerekening gezamenlijke grondslag sparen en beleggen 1.2. Wijzigingen besluit Dit besluit is een actualisering van het [besluit van 16 juli 2024, nr. 2024-375539](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049996) (Stcrt. 2024, 23154). Het besluit is op de volgende punten aangepast: Van een onev"},{"i":15549,"b":"Wet van 5 februari 2020 tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Verzamelwet VWS 2020) Artikel I Wijzigt de Geneesmiddelenwet. Artikel II Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet. Artikel III Wijzigt de Jeugdwet. Artikel IV Wijzigt de Wet afbreking zwangerschap. Artikel V Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945. Artikel VI Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet. Artikel VII Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers. Artikel VIII Wijzigt de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Artikel VIIIa Wijzigt de Wet experiment gesloten coffeeshopketen. Artikel IX Wijzigt de Wet foetaal weefsel. Artikel X Wijzigt de Wet geneesmiddelenprijzen. Artikel XI Wijzigt de Wet inzake bloedvoorziening. Artikel XII Wijzigt de Wet langdurige zorg. Artikel XIII Wijzigt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel XIV Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg. Artikel XIVa Wijzigt de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018. Artikel XV Wijzigt de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen. Artikel XVa Wijzigt de Wet medische hulpmiddelen. Artikel XVI Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel XVII Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de zorgtoeslag. Artikel XIX Wijzigt de Wet op het RIVM. Artikel XX Wijzigt de Wet publieke gezondheid. Artikel XXI Wijzigt de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Artikel XXII Wijzigt de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Artikel XXIII Wijzigt de Wet uitvoering antidopingbeleid. Artikel XXIV Wijzigt de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal. Artikel XXV Wijzigt de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Artikel XXVI Wijzigt de Zorgverzekeringswet. Artikel XXVII Wijzigt de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Artikel XXVIII Wijzigt de Wet zorg en dwang psychogeri"},{"i":3406,"b":"Besluit van 1 november 2017, houdende regels inzake de conformiteitsbeoordeling van vaste biomassa voor energietoepassingen door erkende conformiteitsbeoordelingsinstanties (Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Economische Zaken van 14 juli 2017, nr. IENM/BSK-2017/143466, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op [artikel 11a.2 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11a.2) en [artikel 5.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=5.10); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 oktober 2017, nr. W14. 17.0233/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Economische Zaken, van 25 oktober 2017, nr. IENM/BSK-2017/254082, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **accreditatie:** accreditatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, juncto artikel 3 van de verordening; - **beheerseisen:** eisen vastgesteld op grond van [artikel 16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040209&hoofdstuk=3&artikel=16&z=2024-01-01&g=2024-01-01), die een schemabeheerder bij het opstellen of wijzigen van een certificatieschema in acht neemt en die betrekking hebben op de wijze waarop een schema tot stand komt dan wel wordt gewijzigd; - **certificatie:** conformiteitsbeoordeling, uitgevoerd door een conformiteitsbeoordelingsinstantie overeenkomstig het toepasselijke certificatieschema, resulterend in een certificaat; - **certificatieschema:** document waarin beschreven staat op welke wijze en op grond waarvan de conformiteitsbeoordelingsinstantie de certificatie verrich"},{"i":15620,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 juli 2016, 2016-0000163111, houdende vaststelling van de Warenwetregeling drukapparatuur 2016, wijziging van de Warenwetregeling informatie- en rapportagebepalingen SZW-besluiten en wijziging van de Warenwetregeling machines (Warenwetregeling drukapparatuur 2016) Gelet op de [artikelen 16, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038083&artikel=16), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038083&artikel=19), [21, eerste en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038083&artikel=21), [22, eerste, zevende en twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038083&artikel=22), [23, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038083&artikel=23), [26, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038083&artikel=26), [27, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038083&artikel=27), [28, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038083&artikel=28), [31, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038083&artikel=31), [33, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038083&artikel=33), en [35, tweede lid, van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038083&artikel=35); Besluit: Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. **aanwijzingskavel:** een deel van het werkveld drukapparatuur waarvoor een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie of NL-keuringsdienst van gebruikers kan worden aangewezen; - b. **besluit:** [Warenwetbesluit drukapparatuur 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0038083); - c. **bierinstallatie:** een installatie bedoeld voor het tappen van bier bestaande uit een of meer drukvaten, bijbehorende installatieleidingen, onder druk staande appendages en veiligheidsappendages, en waarbij de drukvaten per stuk een maximaal volume (V) hebben van 1.500 liter, de maximaal toelaatbare dru"},{"i":15823,"b":"Wet van 12 mei 2023, houdende wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en enige andere wetten in verband met de invoering van een uniform wettelijk minimumuurloon en enige andere wijzigingen (Wet invoering minimumuurloon) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638) te herzien, teneinde deze wet beter te laten aansluiten bij de huidige arbeidsmarkt waar variatie in arbeidsduur en (intersectorale) mobiliteit gedurende de loopbaan gebruikelijker is geworden en om de handhaafbaarheid van de wet verder te verbeteren en dat als gevolg daarvan ook andere wetten dienen te worden aangepast; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Artikel II Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Artikel III Wijzigt de Participatiewet. Artikel IV Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel V Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel VI Wijzigt de Toeslagenwet. Artikel VII Wijzigt de Ziektewet. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel IX Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel X Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel XI Wijzigt de Algemene nabestaandenwet. Artikel XII Wijzigt de Algemene Ouderdomswet. Artikel XIII Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen. Artikel XIV Wijzigt de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel XV Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel XVI Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel XVII Wijzigt de Wet uitkerin"},{"i":15830,"b":"Wet van 21 december 1995, tot vaststelling van een kader voor regeling van rechten en verplichtingen van overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel ter zake van vrijwillig vervroegd uittreden Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat geldelijke aanspraken en daarmee verband houdende verplichtingen bij vrijwillig vervroegd uittreden, van overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel, de wijze van financiering van die aanspraken en de verdeling van de financieringslasten tussen de overheids-, de onderwijs- en daarmee overeenkomende organisaties en het personeel van die organisaties, kunnen worden geregeld naar privaatrechtelijk model; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Deze wet verstaat onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; - b. sectorwerkgever: Onze Minister, Onze Minister van Defensie, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Onze Minister van Veiligheid en Justitie, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen, respectievelijk voor de sector Rijk, de sector Defensie, de sector Onderwijs en Wetenschappen, de sectoren Rechterlijke Macht en Politie, de sector Gemeenten, de sector Provincies en de sector Waterschappen; - c. centrale: een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008494&artikel=1). - d. partijen: sectorwerkgevers, gezamenlijk of afzonderlijk, ter ene zijde en centrales ter andere zijde; - e. vut-overeenkomst: een schriftelijke overeenkomst, waarmee partijen beogen een regeling te treffen inzake geldelijke aanspraken en daarmee verband houdende v"},{"i":15927,"b":"Wet van 10 september 1986, houdende regelen betreffende de overname van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafrechtelijke beslissingen en de overdracht van de tenuitvoerlegging van Nederlandse strafrechtelijke beslissingen naar het buitenland Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het mede met het oog op de uitvoering door Nederland van het Benelux-verdrag inzake de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in strafzaken van 26 september 1968 (**Trb.** 1969, 9), het [Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen](onbekend) van 28 mei 1970 (**Trb.** 1971, 137), het Europees Verdrag inzake het toezicht op voorwaardelijk veroordeelden of voorwaardelijk in vrijheid gestelden van 30 november 1964 (**Trb.** 1965, 55) en het [Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen](onbekend) van 21 maart 1983 (**Trb.** 1983, 74) wenselijk is te voorzien in een algemene regeling betreffende de overname en overdracht van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen van en aan vreemde Staten, alsmede enkele wetten in verband daarmede te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I Afdeling A. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; Rechterlijke beslissing: een bij vonnis of arrest gewezen rechterlijke beslissing naar aanleiding van een strafbaar feit; Sanctie: elke bij rechterlijke beslissing opgelegde straf, met inbegrip van elke naast of in plaats van een straf opgelegde maatregel; Veroordeelde: degene aan wie een sanctie is opgelegd. 2. Onder rechterlijke beslissing wordt mede begrepen een door een bestuurlijke autoriteit ter zake van een strafbaar feit genomen beslissing, houdende oplegging van een niet tot vrijheidsbeneming strekkende"},{"i":15977,"b":"Wet van 25 mei 1998, houdende regels over tegemoetkoming in de schade en de kosten in geval van overstromingen door zoet water, aardbevingen of andere rampen en zware ongevallen (Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen inzake een tegemoetkoming door het Rijk aan gedupeerden in de schade en de kosten in geval van een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel een andere ramp of een ander zwaar ongeval; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken; - b. overstroming door zoet water: een overstroming die een ramp is als bedoeld in [artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027466&artikel=1) en die inhoudt: - 1°. hoge waterstanden, veroorzaakt door een rivierafvoer met een gemiddelde kans van voorkomen van minder dan 1/50 per jaar, voor zover het gaat om het gedeelte van de Maas waar geen gereglementeerde waterkeringen aanwezig zijn, - 2°. het buiten de oevers treden van andere wateren binnen Nederland waar geen primaire of anderszins gereglementeerde waterkeringen aanwezig zijn, of - 3°. het overlopen of bezwijken van primaire waterkeringen, dan wel het overlopen of bezwijken van anderszins gereglementeerde waterkeringen die binnen een door primaire waterkeringen beschermd gebied liggen, met dien verstande dat het overlopen of bezwijken van primaire waterkeringen langs de Noordzee, de Waddenzee en de Westerschelde tot de stormvloedkeringen in de Nieuwe Waterweg en de Oosterschelde, met inbegrip van deze stormvloedkeringen, en als direct gevolg daarvan het overlopen of bezwijken van andere primaire waterkeri"},{"i":15980,"b":"Wet van 22 december 2021 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met het oog op het tegengaan van enkele mismatches die ontstaan bij de toepassing van het zakelijkheidsbeginsel in de vennootschapsbelasting (Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is fiscale maatregelen te treffen die strekken tot het tegengaan van enkele mismatches die ontstaan bij de toepassing van het zakelijkheidsbeginsel in de vennootschapsbelasting; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel II Wijzigt de Mijnbouwwet. Artikel III Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2022 en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022. Artikel IV Deze wet wordt aangehaald als: Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16010,"b":"Wet van 4 juli 2018 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter uitvoering van Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2015, L 337) (Wet uitvoering verordening SFTR) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het noodzakelijk is regels te stellen ter uitvoering van verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2015, L 337); Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op het financieel toezicht. Artikel II Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel III Deze wet wordt aangehaald als: Wet uitvoering verordening SFTR. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16013,"b":"Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en enige andere wetten (Wet uitwerking autobrief) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen in de sfeer van de autogerelateerde belastingen, in het bijzonder om het fiscale beleid om zuinige auto’s te stimuleren te verbeteren; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel II Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel III Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel IV Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel V Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel VI Vervallen Artikel VII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel VIII Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel IX Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel X Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XI Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel XII Vervallen Artikel XIII Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel XIV Het koninklijk besluit van 23 juni 2011 (Stb. 321) tot wijziging van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 wordt goedgekeurd. Artikel XV Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XVI Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XVII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XVIII Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Artikel XIX 1. Op 1 januari 2013 is [artikel 16b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=16b) van overeenkomstige toepassin"},{"i":16059,"b":"Wet van 11 september 1997 tot verzelfstandiging van Staatsbosbeheer (Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is Staatsbosbeheer te verzelfstandigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: HOOFDSTUK I. ALGEMEEN Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; - b. raad van toezicht: raad van toezicht, bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008904&hoofdstuk=III&paragraaf=1&artikel=4&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - c. raad van advies: raad van advies, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008904&hoofdstuk=III&paragraaf=2&artikel=9&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - d. directeur: directeur, bedoeld in [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008904&hoofdstuk=III&paragraaf=3&artikel=13&z=2020-01-01&g=2020-01-01); - e. object: terrein, gebouw, complex van gebouwen, of water, dan wel een combinatie van één of meer terreinen, gebouwen, complexen van gebouwen of één of meer waters, met bestaande dan wel potentieel aanwezige natuurwetenschappelijke, bosbouwkundige, landschappelijke, recreatieve, archeologische, aardkundige of cultuurhistorische waarden, dan wel met die waarden verband houdende bestaande of potentieel aanwezige educatieve waarden. Artikel 2 1. Er is een Staatsbosbeheer, gevestigd te Driebergen-Rijsenburg in de gemeente Utrechtse Heuvelrug. 2. Staatsbosbeheer bezit rechtspersoonlijkheid. 3. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister, op voordracht van de raad van toezicht, een andere gemeente aanwijzen waar Staatsbosbeheer is gevestigd. HOOFDSTUK II. TAKEN EN DOELSTELLING VAN STAATSBOSBEHEER Artikel 3 1. Staatsbosbeheer is belast met het beheer van"},{"i":16080,"b":"Wet van 23 februari 2022 tot wijziging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 in verband met een wijziging van de verlengingssystematiek en goedkeuring van het Besluit houdende de vierde verlenging van de geldingsduur van bepalingen van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Stb. 2021, 549) (Wet wijziging verlengingssystematiek en goedkeuring vierde verlenging geldingsduur Tijdelijke wet maatregelen covid-19) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is [artikel VIII van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044337&artikel=VIII) te wijzigen teneinde de betrokkenheid van de Staten-Generaal bij de uitvoering van voornoemd artikel te vergroten, alsmede dat het noodzakelijk is ter uitvoering van artikel VIII, vierde lid, van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19, een regeling te treffen inzake de goedkeuring van een krachtens het derde lid van voornoemd artikel vastgesteld koninklijk besluit; Zo is het, dat Wij, met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 01 Wijzigt de Tijdelijke wet maatregelen covid-19. Artikel 1 Het krachtens [artikel VIII, derde lid, van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044337&artikel=VIII) vastgestelde koninklijk besluit houdende de vierde verlenging van de geldingsduur van bepalingen van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Stb. 2021, 549), wordt goedgekeurd. Artikel 2 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. 2. Ten aanzien van een besluit houdende een verlenging van de [Tijdelijke wet maatregelen covid-19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044337) met ingang van 1 maart 2022, blijven het vierde en vijfde lid van [artikel VIII van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19](https://wetten.overheid.nl/jci"},{"i":16174,"b":"Wijzigingsregeling Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (verhoging kosten eerste en tweede onderzoek naar geschiktheid) Gelet op de [artikelen 131, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131), en [134, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=134); Besluit: Artikel I Wijzigt de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid. Artikel II 1. Voor de zaken waarin door het CBR vóór de inwerkingtreding van deze regeling door het CBR een beslissing is genomen als bedoeld in [artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131) bedragen de kosten van het eerste onderzoek € 907,91. 2. Voor de zaken waarin door het CBR vóór de inwerkingtreding van deze regeling door het CBR een beslissing is genomen als bedoeld in [artikel 134, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=134) bedragen de kosten van het tweede onderzoek € 579,24. Artikel III Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":16331,"b":"Wet van 21 april 1994, houdende wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen in verband met aanpassing en uitbreiding van de bepalingen inzake verplichte samenwerking Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de [Wet gemeenschappelijke regelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003740) te wijzigen in verband met aanpassing en uitbreiding van de bepalingen inzake verplichte samenwerking teneinde vrijblijvendheid bij de samenwerking tegen te gaan; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel III Ten aanzien van aanwijzings-, opleggings- en uitnodigingsbesluiten die zijn genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven de regels zoals die gelden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel V Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel VI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16356,"b":"Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met de instelling van de kansspelautoriteit Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels inzake kansspelen te introduceren in verband met de instelling van een kansspelautoriteit; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de kansspelen. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III 1. Indien een vergunning wordt aangevraagd voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing op de behandeling van de aanvraag. 2. Indien een sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. 3. Indien een bezwaar- of beroepschrift is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. 4. Indien deze wet op een andere datum in werking treedt dan op 1 januari, geldt het op het moment van inwerkingtreding resterende aantal maanden van het lopende kalenderjaar als de eerste periode waarover de kansspelheffing ingevolge [artikel 33e van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=33e) naar evenredigheid zal worden geheven. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":16395,"b":"Wet van 29 augustus 1991 tot herziening van de Woningwet Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is mede uit het oogpunt van vereenvoudiging en vermindering van regelgeving, alsmede uit het oogpunt van decentralisatie nieuwe voorschriften te geven omtrent het bouwen en de volkshuisvesting; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: - –. **adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden:** Adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden toegelaten instellingen als bedoeld in [artikel 56a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&hoofdstuk=IV&afdeling=3&paragraaf=6&artikel=56a&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - –. **autoriteit:** Autoriteit woningcorporaties, bedoeld in [artikel 60, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&hoofdstuk=IV&afdeling=5&artikel=60&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - –. **bewoner:** huurder en degene die met instemming van de huurder zijn hoofdverblijf in de woongelegenheid heeft; - –. **bewonerscommissie:** bewonerscommissie als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op het overleg huurders verhuurder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009810&artikel=1); - –. **borgingsvoorziening:** door de Staat der Nederlanden gefaciliteerde voorziening, in het leven geroepen met het oog op het door toegelaten instellingen kunnen aantrekken van leningen; - –. **bouwen:** plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten; - –. **burgerservicenummer:** burgerservicenummer als bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022428&artikel=1); - –. **compensatie:** - a. doo"},{"i":16438,"b":"Aanwijzing van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 8 december 2014, 699321-130782-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg inzake de bekostiging van de langdurige zorg Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 3 november 2014 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) (Kamerstukken II 2014/15, 33 891, nr. 173) Besluit: Artikel 1. werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op zorg als omschreven krachtens of bij de [Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917). Artikel 2. prestaties en tarieven De Nederlandse Zorgautoriteit stelt prestatiebeschrijvingen en vaste tarieven vast. Artikel 3. vereffeningbedrag Daarnaast past de Nederlandse zorgautoriteit ambtshalve een vereffeningbedrag toe als bedoeld in [artikel 56b van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=56b). Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant."},{"i":16622,"b":"Beleidsregel prestaties en tarieven geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) juncto [artikel 6 van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wet marktordening gezondheidszorg (Bub Wmg)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020326&artikel=6), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Gelet op: [artikel 59, aanhef en onder a en b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS met [brief van 14 december 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044560), met kenmerk 1795863-215660-PZo, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. 1. Algemeen 1.1. Begripsbepalingen 1.2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om de tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen op het gebied van de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg. Aan de hand van deze beleidsregel zal de NZa een tariefbeschikking nemen. 1.3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de [Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450). Ook is deze beleidsregel van toepassing op forensische zorg als omschreven bij of krachtens [artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg (Wfz)](https://wetten.o"},{"i":16623,"b":"Beleidsregel prestaties en tarieven gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdeel b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. 1. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) als omschreven bij of krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) (Zvw), niet zijnde generalistische basis-ggz. Dit wordt verder aangeduid als gespecialiseerde ggz. Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1Het betreft hier de handelingen bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub b, nr. 2°, van de Wmg. of werkzaamheden2Het betreft hier de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, aanhef, en sub d, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wmg. op het terrein van de gespecialiseerde ggz, uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van personen, ingeschreven in een register als bedoeld in [artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) (Wet BIG) of door personen als bedoeld in [artikel 34 van de Wet BIG](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=34). 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruikmaakt van haar bevoegdheid om de prestatiebeschrijvingen en tarieven vast te stellen op het gebied van de gespecialiseerde ggz. 3. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: 3.1. acute psychiatrische hulpverlening hulpverlening die deel uitmaakt van de gespecialiseerde ggz en welke gericht is op personen in een crisissituatie waarvan het vermoeden bestaat dat zij een acute psych"},{"i":16624,"b":"Beleidsregel prestaties en tarieven medisch-specialistische zorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Gelet op [artikel 59, onder a en b van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van VWS met brief van 27 juni 2011, met kenmerk MC-U-3070826, brief van 25 juli 2011, met kenmerk MC-U-3073582, brief van 30 augustus 2011, met kenmerk MC-U-3078436 en brief van 26 juni 2012, met kenmerk MC-U-3119631, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), aan de NZa gegeven. Gelet op [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7), heeft de Minister van VWS met brief van 21 mei 2014, met kenmerk 371987-120847-MC en met brief van 29 november 2016, met kenmerk 1051065-157688-MC, ten behoeve van de voorliggende beleidsregel een algemene aanwijzing aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **Add-on** - •. Een overig zorgproduct (ozp), dat uiteenvalt in vier categorieën: - •. zorg op de intensive care (ic), uitgedrukt in zorgactiviteiten en behorend bij een dbc-zorgproduct (add-on IC); - •. een limitatief aantal geneesmiddelen (niet zijnde diagnostica) en stollingsfactoren, elk gekoppeld aan een ZI-nummer (add-on geneesmiddelen en ozp-stollingsfactoren); - •. een aantal specifieke prestaties met aanvullende voorwaarden (add-on overig); - •"},{"i":16625,"b":"Beleidsregel van de raad voor rechtsbijstand over verstrekking van een tijdelijke aanvullende vergoeding voor verleende rechtsbijstand en verrichte mediation in de jaren 2020 en 2021 Gelet op de [artikelen 7, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7), [33e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33e) en [37b van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b); BESLUIT De volgende beleidsregel vast te stellen: Artikel 1. Reikwijdte en werkingsduur van de beleidsregel Deze beleidsregel heeft betrekking op: - a. verleende rechtsbijstand op basis van een in 2020 of 2021 afgegeven toevoeging als bedoeld in [artikel 24, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=24); - b. in 2020 of 2021 verleende rechtsbijstand in een piketzaak; en - c. verrichte mediation op basis van een in 2020 of 2021 afgegeven toevoeging als bedoeld in [artikel 33a van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=33a). Artikel 2. Aanvullende vergoeding 1. Aan een rechtsbijstandverlener of een mediator wordt op aanvraag een subsidie verstrekt van € 10,88 (exclusief omzetbelasting) vermenigvuldigd met het aantal punten, toegekend krachtens het [Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018) of het [Besluit toevoeging mediation](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0025830), voor verleende rechtsbijstand of verrichte mediation als bedoeld in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043005&artikel=1&z=2024-12-31&g=2024-12-31). De subsidie omvat daarnaast de omzetbelasting die is verschuldigd over het in de eerste volzin bedoelde bedrag. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de punten, toegekend op grond van de [artikelen 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011018&artikel=13) en [22 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000](https://"},{"i":16626,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 februari 2020, 2020-0000005710, tot vaststelling van beleidsregels toepassing Wet algemene ouderdomsverzekering BES en Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES Gelet op de [artikelen 7a, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=7a), [8, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=8), en [11, tweede lid, van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459&artikel=11), de en [15 van de Wet algemene weduwen- wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=15) en [artikelen 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387&artikel=11)[artikel 1a van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028533&artikel=1a); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - a. **AOV:** [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) - b. **AWW:** [Wet algemene weduwen- wezenverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028387) Artikel 2. Beoordeling verzekerde jaren [AOV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) op grond van ingezetenschap 1. De RCN-unit SZW stelt bij de beoordeling van het recht op en de hoogte van de uitkering ingevolge de [Wet algemene ouderdomsverzekering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028459) de tijdvakken vast waarin belanghebbende uit hoofde van ingezetenschap geacht wordt verzekerd te zijn geweest. Dit overeenkomstig de gegevens zoals die zijn opgenomen in de bevolkingsadministratie (PIVA). 2. De RCN-unit SZW stelt belanghebbende op diens verzoek in de gelegenheid om ingezetenschap van Bonaire, Sint Eustatius of Saba in afwijking van de gegevens uit PIVA aan te tonen aan de hand van ander bewijsmateriaal. 3. Bewijsstukken die een rol kunnen spelen bij d"},{"i":16631,"b":"Beleidsregel tandheelkundige zorg Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 59, aanhef en onder b, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=59), heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met de brief van 12 juli 2012, met [kenmerk MC-U-3122855](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031816), ten behoeve van voorliggende beleidsregel een aanwijzing op grond van [artikel 7 van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7) aan de NZa gegeven. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **Arbeidskosten praktijkhouder:** Het aandeel van de arbeidskostencomponent in het (maximum) tarief, dat aanbieders van tandheelkundige zorg in rekening mogen brengen. - **Praktijkkostenbestanddeel:** Het aandeel van de praktijkkosten in het (maximum) tarief, dat aanbieders van tandheelkundige zorg in rekening mogen brengen. - **Rekenomzet:** De som van het inkomensbestanddeel en het praktijkkostenbestanddeel. - **Puntwaarde:** De uitkomst van de rekenomzet gedeeld door 100.000 punten. - **Laboratoriumkosten:** De laboratoriumkosten van het externe bacteriologisch laboratoriumonderzoek die specifiek toe te rekenen zijn aan de betreffende prestatie. Bij de prestaties waarbij dit van toepassing kan zijn staat dit in de onderhavige beleidsregel en tariefbeschikking aangegeven met een tweetal sterretjes (**). De laboratoriumkosten dienen per gedeclareerde prestatie gespecificeerd te worden op de nota aan de patiënt en mogen niet hoger zijn dan de door de zorgaanbieder betaalde en/of verschuldigde kosten voor inkoop. De zorgaanbieder is verplicht om op verzoek van de p"},{"i":16640,"b":"Beleidsregel Wlz-zorgaanbieders met tandartspraktijk 2026 Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **eigen cliënt:** een eigen cliënt is een cliënt met een Wlz-indicatie die verblijf en behandeling ontvangt bij een Wlz-zorgaanbieder met een eigen tandartspraktijkruimte. - **externe cliënt:** een externe cliënt is een cliënt met een Wlz-indicatie die verblijf en behandeling ontvangt bij een andere Wlz-zorgaanbieder dan de Wlz-zorgaanbieder met een eigen tandartspraktijkruimte. - **materiaal- en/of techniekkosten:** de kosten van tandtechniek die noodzakelijk zijn voor de behandeling en extra zijn ingekocht door de zorgaanbieder en de kosten van de materialen die specifiek toe te rekenen zijn aan de betreffende prestatie. Hier worden expliciet niet de verbruiksmaterialen bedoeld. Voor overige begrippen die in deze beleidsregel gebruikt worden, maar niet hierboven vermeld staan, wordt verwezen naar de Beleidsregel definities Wlz. Artikel 2. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om Wlz-zorgaanbieders met een eigen tandartspraktijkruimte de mogelijkheid te bieden om de kosten te declareren van: - –. het gebruik van de tandartspraktijkruimte in verband met de behandeling van een externe cliënt door de tandarts; - –. intraveneuze sedatie of narcose voor externe én eigen cliënten. Artikel 3. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op de zorg of dien"},{"i":16642,"b":"Beleidsregel zorg op afroep van de patiënt en zorg geleverd in een inloopkliniek Gelet op [artikel 57, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=57) (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. Gelet op [artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=52), worden tarieven en prestatiebeschrijvingen die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve door de NZa vastgesteld. Artikel 1. Doel van de beleidsregel De doelstelling van de onderhavige beleidsregel is het vaststellen van beleid over de te hanteren prestatiebeschrijvingen en tarieven bij het in rekening brengen van zorg op afroep van de patiënt of van zorg geleverd in een inloopkliniek. Artikel 2. Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op zorg of dienst als omschreven bij of krachtens [artikel 1 sub b onder 2 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=1) (Wmg) voor zover deze wordt geleverd door zorgaanbieders die op grond van [artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251&artikel=3) (Wet BIG), staan ingeschreven als arts en voor zover de NZa voor de voornoemde zorg geen prestatiebeschrijvingen heeft vastgesteld op grond van de [Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078). Artikel 3. Prestatiebeschrijvingen Voor zorgaanbieders die zorg op afroep van de patiënt bieden geldt het volgende: - a. **Inhoud van de prestatie** Het leveren van zorg op afroep van de patiënt, die alle verrichtingen omvat, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende diens gezondheid te bevorderen of te bewaken, in de eigen omgeving van de patiënt. - b. **Begrenzing van de prestati"},{"i":16671,"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2012 Gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), [34, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34) en [artikel 90 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=90), [hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3), de [Regeling risicoverevening 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030863) en de brief van de minister van VWS van 13 januari 2012, kenmerk Z-3099714; Heeft in zijn vergadering van 19 maart 2012 besloten: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. **college:** het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in [artikel 58, eerste lid Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. **zwaarte:** het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. **macroverzekerdenraming:** de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland; - d. **MHK:** meerjarige hoge kosten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel z van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. **FKG GGZ:** FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. **GGZ-kosten lage drempel:** Kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel als bedoeld in [artikel 1, onderdeel x van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - g. **GGZ-kosten hoge drempel:** Kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel als bedoeld in [artikel 1, onderdeel y van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c"},{"i":16672,"b":"Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2013 Gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), [34, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34) en [artikel 90 van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=90), [Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&hoofdstuk=3), de [Regeling risicoverevening 2013](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032525) en de brief van de minister van VWS van 15 januari 2013, kenmerk Z-3150627; Heeft in zijn vergadering van 18 februari 2013 besloten: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - a. **college:** het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in [artikel 58, eerste lid Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=58); - b. **zwaarte:** het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse; - c. **macroverzekerdenraming:** de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland; - d. **MHK** :meerjarige hoge kosten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel z van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - e. **FKG GGZ:** FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - f. **GGZ-kosten lage drempel:** Kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel als bedoeld in [artikel 1, onderdeel x van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - g. **GGZ-kosten hoge drempel:** Kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel als bedoeld in [artikel 1, onderdeel y van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1."},{"i":16679,"b":"Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 8 oktober 2019, kenmerk 2019043230, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2020 (Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2020) gelet op de [artikelen 32, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=32), en [34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=34) en de brief van de Minister van VWS van 8 oktober 2019, kenmerk 1590801-196832-Z; Besluit: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Deze beleidsregels verstaan onder: - **belastingdienstbestand:** het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de Belastingdienst naar inkomen met gepseudonimiseerde adresgegevens voor een peiljaar; - **catastrofebijdrage:** bijdrage als bedoeld in [artikel 33, tweede lid, van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=33); - **continuïteitsbijdrage GGZ:** dat deel van de prestatie continuïteitsbijdrage dat betrekking heeft op de GGZ; - **coronakosten:** kosten voor de op grond van de zorgverzekeringen verzekerde zorg of andere diensten ten gevolge van de coronapandemie; - **coronapandemie:** pandemie ten gevolge van het SARS-CoV-2 virus die een catastrofe is als bedoeld in [artikel 33, eerste lid, van de Zvw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=33); - **COVID-19:** de ziekte die door het virus SARS-CoV-2 veroorzaakt wordt; - **DKG GGZ:** DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in[artikel 1, onderdeel ee, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - **FKG GGZ:** DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in [artikel 1, onderdeel q, van het Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=1); - **jaarstaat:** de jaarstaat, bedoeld in de regeling, bedoeld in [artikel 90 van de wet](https://wette"},{"i":16799,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 januari 2018, 2018-0000002657, tot digitale vervanging archiefbescheiden Ministerie Sociale Zaken en Werkgelegenheid Gelet op [artikel 7 van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=7); Besluit: Artikel 1 Over te gaan tot routinematige digitale vervanging van papieren archiefbescheiden van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid: - a. die: - 1°. zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de werking van dit besluit en in aanmerking komen voor opname in het documentmanagementsysteem Digidoc2; of - 2°. zullen worden ontvangen of opgemaakt vanaf de vervaldatum van de [regeling digitale vervanging archiefbescheiden Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032820) en in aanmerking komen voor opname in het documentmangementsysteem Digidoc2; - b. volgens de specificaties, vastgelegd in het **Handboek digitale vervanging archiefbescheiden Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid systeem Digidoc2** behorende bij dit besluit. Artikel 2 De [regeling digitale vervanging archiefbescheiden Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032820) wordt ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatcourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit digitale vervanging archiefbescheiden Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Handboek digitale vervanging archiefbescheiden Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid systeem Digidoc2 Ligt ter inzage bij bij de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel, afdeling Fysieke en Digitale Werkomgeving van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van het **Handboek digitale vervanging archiefbescheiden Ministerie van"},{"i":19155,"b":"Richtlijn voor strafvordering oplichting Deze richtlijn ziet op de meest voorkomende vormen van oplichting, zoals omschreven in [art 326, lid 1 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=326), waarbij een of meerdere slachtoffers bewogen wordt/worden tot de afgifte van geld of goederen, danwel tot het verlenen van (een) dienst(en). Het gaat daarbij om oplichting al dan niet via internet van burgers of bedrijven, niet van de overheid (verticale fraude). Indien tevens valsheid in geschrift is gepleegd (zoals vaak bij verzekeringsfraude) dient het zwaardere misdrijf van [artikel 225 ev. Wetboek van strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=225) als uitgangspunt te worden genomen en niet de oplichting. Voor online handelsfraude is een aparte tabel. Oplichting van 1 tot 3 slachtoffers door een first offender, alleen gepleegd. (Voor online handelsfraude met meer slachtoffers tabel hieronder gebruiken.) ¹ Let op evt. taakstrafverbod ([art. 22b Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=22b)) en of er sprake is van een (zeer actieve) veelpleger of stelselmatige dader Deze tabel ziet op oplichting in het online handelsverkeer, zoals specifiek omschreven in [art 326e Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=326e) en algemeen omschreven in [art. 326 lid 1 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=326). Daarbij worden via een geautomatiseerd werk goederen verkocht of diensten tegen betaling aangeboden, waarbij beoogd wordt om zonder (volledige) levering de betaling te ontvangen. Online handelsfraude kenmerkt zich door een pluraliteit van feiten waarbij beoogd wordt meerdere slachtoffers te maken. In deze richtlijn is rekening gehouden met de witwascomponent die zich in dit soort zaken veelal voordoet, te weten het incasseren op de eigen rekening / de rekening van een katvanger en het vervolgens overboeken of opnemen van het geld. Daarnaast is rekening gehouden met algemene recidive,"},{"i":18156,"b":"Besluit mandaat, volmacht en machtiging ambtelijke organisatie Tweede Kamer der Staten-Generaal 2024 Overwegende dat het gewenst is nadere regels te stellen ten aanzien van de beslissings- en ondertekeningbevoegdheden bij publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen; Gelet op [titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&titeldeel=10.1), [titel 3 van het Burgerlijk Wetboek 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&titeldeel=3), de [Comptabiliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429) en de [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=6.2), [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=6.3), en [6.4 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=6.4); BESLUIT: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **Griffier:** het ambtelijk hoofd van de ambtelijke organisatie Tweede Kamer der Staten-Generaal; - b. **Directeur:** functionaris zoals bedoeld in [artikel 6.3 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=6.3); - c. **plaatsvervangend Griffier:** de op voordracht van het presidium door de Kamer aangewezen functionaris; - d. **portefeuillehouder:** de Griffier of directeur met onder zich een aantal organisatieonderdelen; - e. **portefeuille:** organisatieonderdelen vallend onder de Griffier dan wel een directeur; - f. **staf:** het team dat rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van een directeur valt en de directeur ondersteunt bij zijn werkzaamheden; - g. **diensthoofd:** leidinggevende rechtstreeks vallend onder een portefeuillehouder; - h. **diensthoofd HR:** diensthoofd van de stafdienst Human Resources; - i. **diensthoofd FEZ:** dienstho"},{"i":18122,"b":"Besluit van 13 december 2010, houdende regels over de aanstelling, bevordering, schorsing en ontslag als buitengewoon agent van politie alsmede over de verlening van opsporingsbevoegdheid en over de eisen van bekwaamheid, geschiktheid en betrouwbaarheid waaraan zij moeten voldoen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit buitengewone agenten van politie BES) Op voordracht van Onze Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 augustus 2010, directie Wetgeving nr. 5665435/10/6; Gelet op [artikel 10, vierde lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=10) en [artikel 184, eerste lid, onder c, en zesde lid van het Wetboek van Strafvordering BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028681&artikel=184); De Raad van State gehoord (advies van 11 oktober 2010, nr. W03.10.0418/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 december 2010, nr. 5676538/10/6; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - a. **politiebevoegdheden:** de bevoegdheden, bedoeld in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=10), juncto [artikel 13 van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=13); - b. **toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden:** de door Onze Minister of, voor wat betreft de buitengewoon agent van politie werkzaam bij de Koninklijke marechaussee de door Onze Minister van Defensie samengestelde toets ter beoordeling van aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden; - c. **toets geweldsbeheersing:** de door Onze Minister of, voor wat betreft de buitengewoon agent van politie werkzaam bij de Koninkli"},{"i":16951,"b":"Besluit uurvergoedingen voor geestelijk verzorgers van de niet klassieke denominaties Overwegende dat bij [besluit van 25 februari 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023649), nr. 5532180/08/DJI, de uurvergoedingen voor geestelijk verzorgers van de niet klassieke denominaties werden vastgesteld; dat gelet op het inmiddels gestegen loon- en prijspeil de desbetreffende bedragen dienen te worden aangepast; Gelet op artikel 6, eerste lid van de Regeling functie-eisen en vergoeding geestelijk verzorgers niet-klassieke denominaties; Besluit: 1. Het [besluit van 25 februari 2008, nr. 55321180/08/DJI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023649), wordt ingetrokken. 2. De uurvergoeding voor de geestelijk verzorgers van de niet-klassieke denominaties bedraagt voor: - –. MBO-opgeleiden : € 29,31 - –. HBO-opgeleiden : € 35,67 - –. WO-opgeleiden : € 42,92. 3. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2009."},{"i":18375,"b":"Regeling financiële ondersteuning fracties en groepen Tweede Kamer 2023 Artikel 1. Definities In deze Regeling wordt verstaan onder: - -. **accountant:** een door het bestuur van de stichting aangewezen registeraccountant of accountant-administratieconsulent als bedoeld in [artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=393); - -. **afscheiding:** het door een of meer leden afgescheiden zijn van een fractie, bedoeld in [artikel 5.2 van het Reglement van Orde](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044975&artikel=5.2), waarbij zij ieder afzonderlijk, of twee of meer leden gezamenlijk als zij dit meedelen aan de Voorzitter, worden beschouwd als een groep; - -. **Auditdienst Rijk** de Auditdienst Rijk, bedoeld in [artikel 1.1 van de Comptabiliteitswet 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039429&artikel=1.1); - -. **bijdrage:** de financiële middelen, berekend overeenkomstig [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049921&artikel=3&z=2024-07-01&g=2024-07-01), die elk kalenderjaar door de Tweede Kamer worden verstrekt aan een stichting ten behoeve van de bij de stichting behorende fractie of groep; - -. **bonuszetel:** de fictieve hele of halve zetel van een fractie, bedoeld in [artikel 3, zesde onderscheidenlijk zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049921&artikel=3&z=2024-07-01&g=2024-07-01), waarmee het zeteltal van de fractie voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, wordt vermeerderd; - -. **controleprotocol:** het controleprotocol, bedoeld in [bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0049921&bijlage=2&z=2024-07-01&g=2024-07-01) bij deze Regeling; - -. **controleverklaring:** de verklaring van een accountant omtrent de verantwoording waarin de accountant verklaart dat de verantwoording in alle van materieel belang zijnde aspecten is opgesteld in overeenstemming met de Regeling; - -. **deling:** een deling van een groep tot twee of meer nieuw"},{"i":19419,"b":"Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 juli 2019, nr. ILT- 2019/41462 over de rol van de beheerder bij de beoordeling van de infrastructuurcompatibiliteit in het kader van de toelating van spoorvoertuigen (Beleidsregel rol beheerder bij voertuigtoelating Spoorwegwet) Gelet op de [artikelen 26f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26f), [26h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26h), [26i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26i) en [26k tot en met 26n van de Spoorwegwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015007&artikel=26k), Besluit Artikel 1. Definities - **eenloketsysteem:** informatie- en communicatiesysteem bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) 2016/796; - **infrastructuurcompatibiliteit:** verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de hoofdspoorweginfrastructuur; - **infrastructuurcompatibiliteitsverklaring:** verklaring waarin de beheerder zijn standpunt geeft op de technische compatibiliteit van het spoorvoertuig met de infrastructuur; - **spoorvoertuig:** voertuig, bestemd voor het verkeer over spoorwegen; - **Spoorwegbureau:** Spoorwegbureau bedoeld in Verordening (EU) 2016/796; - **Uitvoeringsverordening (EU) 2018/ 545:** Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie van 4 april 2018 tot vaststelling van de praktische regelingen voor het proces voor de afgifte van typegoedkeuringen en vergunningen voor spoorvoertuigen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2018, L 90); - **Verordening (EU) 2016/796:** Verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 881/2004](32004R0881) (PbEU 2016 L 138); - **visie:** visie van de beheerder op de technische compatibiliteit van het spoorvoertuig met de infrastructuur; - **voertuigtoelating:** beslissing op een aanvraag als bedoeld in de [a"},{"i":19289,"b":"Wet van 22 april 1855, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële Departementen Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, ter voldoening aan art. 73, in verband met art. 53 der [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840), de strafregtelijke verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële Departementen moet worden geregeld door de wet en die regeling behoort plaats te hebben met inachtneming van art. 159 der [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840); Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 1. Onze Ministers dragen zorg voor de uitvoering van de Grondwet en de andere wetten, voor zover die van de regering afhangt. 2. Zij zijn wegens het niet naleven van deze verplichting verantwoordelijk en in rechte vervolgbaar overeenkomstig de bepalingen in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001844&hoofdstuk=2&z=2018-09-19&g=2018-09-19). Artikel 2 De medeondertekening van wetten en koninklijke besluiten door een of meer ministers of staatssecretarissen wijst de voor die wetten en koninklijke besluiten verantwoordelijke ministers of staatssecretarissen aan. Artikel 3 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - a. **ambtsdelicten:** ambtsmisdrijven of ambtsovertredingen, begaan door een lid van de Staten-Generaal, een minister of een staatssecretaris in die betrekking; - b. **vervolging:** vervolging wegens een ambtsdelict. 2. Onder ambtsdelicten worden mede verstaan strafbare feiten begaan onder een der verzwarende omstandigheden, omschreven in [artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=44). Artikel 4 1. De leden van de Staten-Generaal, Onze ministers en de staatssecretarissen staan, ook na hun aftreden, wegens ambtsdelicten terecht"},{"i":18986,"b":"Besluit van 18 december 2019, houdende regels over de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen) Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 16 oktober 2019, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2725937; Gelet op de [artikelen 493, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=493), [6:1:15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:1:15), [6:2:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:2:9), [6:2:14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:2:14), [6:2:21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:2:21), [6:3:6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:3:6), [6:3:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:3:13), [6:4:8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:4:8), [6:4:19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:4:19), [6:5:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:5:3), [6:6:18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:6:18) en [6:7:8 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=6:7:8) en [artikel 74, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 december 2019, nr. W16.19.0327/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 13 december 2019, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2770068; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - –. **contactpersoon:** degene die handelt namens de instelling of organisatie waar een taakstraf wordt verricht; - –. **gedragsbeïnvloedende maatregel:** de maatregel, bedoeld in [artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overhei"},{"i":18137,"b":"Besluit herindeling met betrekking tot vastgoed defensie Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, d.d. 12 december 2014, kenmerk 3139563; Gelet op [artikel 44 van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=44); Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt met ingang van 1 januari 2015 belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de Dienst Vastgoed Defensie, voor zover deze zorg voor 1 januari 2015 was opgedragen aan Onze Minister van Defensie. Artikel 2 De taken van het ministerie van Defensie en van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd. Artikel 3 De organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de in de [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036180&artikel=1&z=2015-01-24&g=2015-01-24) en [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036180&artikel=2&z=2015-01-24&g=2015-01-24) bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen Onze Minister van Defensie, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 2015, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 2015. Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken en Onze Minister van Defensie, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Hoge Colleges van Staat, de Raad van Ministers, de Gevol"},{"i":17829,"b":"Wet van 23 december 1993, houdende regelen omtrent de door de overheid gefinancierde rechtsbijstand Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede ter uitvoering van [artikel 18, tweede lid, van de Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840&artikel=18), wenselijk is nieuwe wettelijke regels vast te stellen omtrent de verstrekking door de overheid van gefinancierde rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk I. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - **bestuur:** het bestuur, bedoeld in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&hoofdstuk=II&afdeling=1&paragraaf=2&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **inkomen:** het inkomen, zoals berekend ingevolge de [artikelen 34a tot en met 34d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&hoofdstuk=V&afdeling=1&artikel=34a&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - **inkomensgegeven:** inkomensgegeven als bedoeld in [artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=21); - **inspecteur:** de inspecteur, bedoeld in [artikel 2, derde lid, onder b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=2); - **Kaderwet:** de [Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495); - **mediation:** het bemiddelen in een geschil waarbij een neutrale bemiddelingsdeskundige de onderhandelingen tussen de rechtzoekende en zijn wederpartij begeleidt teneinde vanuit hun werkelijke belangen tot gezamenlijk gedragen en voor ieder van hen optimale resultaten te komen; - **mediator:** de mediator als bedoeld in [artikel 33a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:"},{"i":19408,"b":"Aanwijzing loodsplichtige scheepvaartwegen Gelet op [artikel 11, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=11) (Stb. 1988, 352); Besluit: Artikel 1 De scheepvaartwegen, bedoeld in artikel 11, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet (Stb. 1988, 352), zijn: - a. het Friesche Zeegat: het gebied, begrensd door een lijn die loopt van de positie 53° 29'. 2 N 06° 08'. 8 O naar 53° 33'. 0 N 06° 08'. 8 O, vandaar naar 53° 33'. 0 N 05° 57'. 0 O, en vandaar naar 53° 28'. 0 N 05° 57'. 0 O, alsmede het bevaarbare traject vanuit dit gebied over de Waddenzee naar Lauwersoog, alsmede de haven van Lauwersoog; - b. het Stortemelk: de bevaarbare trajecten, binnen het gebied begrensd door een lijn die loopt van de positie 53° 21'. 6 N 05° 12'. 9 O naar 53° 26'. 0 N 05° 12'. 9 O, vandaar naar 53° 24'. 0 N 05° 02'. 4 O, vandaar naar 53° 17'. 8 N 04° 57'. 1 O en vandaar naar 53° 17'. 8 N 05° 03'. 6 O; - c. het Molengat en het Schulpengat: het gebied, begrensd door een lijn die loopt van de positie 52° 59'. 2 N 04° 44'. 0 O, langs de Westkust van Texel naar 53° 03'. 4 N 04° 43'. 2 O, vandaar naar 53° 03'. 4 N 04° 39'. 0 O, vandaar naar 52° 52'. 9 N 04° 38'. 0 O, vandaar naar 52° 52'. 9 N 04° 43'. 0 O, en vandaar langs de kust van Noord-Holland naar 53° 57'. 8 N 04° 44'. 0 O; - d. de aanloop van Scheveningen: het gebied, begrensd door een lijn die loopt van de positie 52° 06'. 2 N 04° 15'. 8 O, naar 52° 07'. 9 N 04° 14'. 6 O, vandaar naar 52° 07'. 7 N 04° 13'. 8 O, vandaar naar 52° 07'. 2 N 04° 12'. 8 O, en vandaar naar 52° 05'. 5 N 04° 15'. 0 O, alsmede de haven van Scheveningen; - e. het Slijkgat: het gebied, begrensd door een lijn die loopt van de positie 51° 48'. 8 N 03° 51'. 9 O, langs de noordkust van Goeree via de Haringvlietsluizen en lang de kust van Voorne naar 51° 53'. 4 N 04° 01'. 9 O, vandaar naar 51° 54'. 6 N 03° 55'. 5 O, en vandaar naar 51° 52'. 0 N 03° 51'. 5 O, alsmede de haven van Stellendam; - f. het Schelde-Ri"},{"i":17688,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst Zorginstituut Nederland vanaf (2014) 2017 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); BESLUITEN: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde Selectielijst van Zorginstituut Nederland vanaf (2014) 2017 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 De [Selectielijst voor de neerslag van het College voor zorgverzekeringen (01-07-1999 – 01-04-2014) en Zorginstituut Nederland (vanaf 01-04-2014)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036615)’, Staatscourant nr. 13106 d.d. 18 mei 2015, wordt afgesloten per 1 januari 2017. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18861,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 9 mei 2023 nr. BOACAT2023/021, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij Leisurelands Exploitatie B.V Gelezen het verzoek van Leisurelands Exploitatie B.V. van 24 april 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048159&artikel=2&z=2023-05-17&g=2023-05-17). Artikel 2 De personen, werkzaam in de functie van regiobeheerder, regiomedewerker of onderhoudsmedewerker in dienst van Leisurelands Exploitatie B.V., zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 3 1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare ruimte, zoals opgenomen in de [bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](onbekend). 2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover n"},{"i":18307,"b":"Klachtenregeling Defensie Gelet op: [Hoofdstuk 2, artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=3) [Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=9) (Awb) Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - a. **klager:** persoon die een klacht indient; - b. **functionaris:** persoon die ten tijde van de gedraging, waarover wordt geklaagd, werkzaam was onder verantwoordelijkheid van de Minister; - c. **aangeklaagde:** functionaris tegen wie de klacht is gericht; - d. **klacht:** uiting van ongenoegen over de wijze waarop een bestuursorgaan dan wel een persoon die werkzaam is onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan zich heeft gedragen; - e. **klacht inzake ongewenst gedrag:** klacht van een functionaris over zelf ondervonden ongewenst gedrag van een andere functionaris dat verband houdt met het verrichten van arbeid en dat ziet op (seksuele) intimidatie, agressie, stalking, pesten, treiteren, discriminatie en/of kwaadspreken; - f. **intimidatie:** verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag waarbij: - –. onderwerping aan dit gedrag (expliciet of impliciet) gehanteerd wordt als voorwaarde of als basis voor beslissingen over de functionaris of; - –. onderwerping aan dit gedrag het werk, de prestatie of de positie van de functionaris redelijkerwijs aantast of heeft aangetast of; - –. dit gedrag de werkomgeving bedreigend, vijandig of onaangenaam maakt; - g. **seksuele intimidatie:** verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd; - h. **agressie:** psychisch of fysiek lastigvallen, bedreigen of aanvallen; - i. **stalking:** het, al dan niet door middel van communicatiemiddelen, bij voortduring bespieden, besluipen, a"},{"i":17352,"b":"Regeling macrobeheersinstrument verpleging en verzorging 2024 Gelet op de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37), [62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=62), [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=68) en [76, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=76) (Wmg), besluit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) tot vaststelling van de navolgende regeling. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder: - **algemeen gegevensbeheer code (AGB-code):** unieke code die aan iedere zorgaanbieder wordt toegekend, waarmee deze kan worden geïdentificeerd. - **Budgettair kader zorg:** door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks vastgesteld macrokader dat de beschikbare middelen per jaar omvat voor een bepaald type zorg. - **doelbedrag:** het totaalbedrag dat door de NZa moet worden teruggehaald bij alle aanbieders van verpleging en verzorging, indien de Minister besluit dat een bedrag moet worden teruggehaald. Dit doelbedrag staat in de realisatiebrief. - **gerealiseerde omzet:** de omzet in 2024 verkregen uit declaratie van de prestaties verpleging en verzorging. - **kaderbrief:** de brief die de NZa in 2023 ontvangt van de Minister, met daarin voor 2024 de macro-omzetgrens. - **macrobeheersinstrument:** instrument waarmee op grond van [artikel 35, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=35), en [artikel 50, tweede lid, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50), ontstane overschrijdingen op het Budgettair kader zorg achteraf kunnen worden geredresseerd. - **macro-omzetgrens:** de bovengrens als bedoeld in [artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van de Wmg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=50). - **Minister:** de Minister van Vo"},{"i":4767,"b":"Wet van 12 maart 1998, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op het terrein van de volksgezondheid (Kaderwet volksgezondheidssubsidies) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de totstandkoming van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht het wenselijk maakt een wettelijk kader te scheppen voor de verstrekking van subsidies op het terrein van de volksgezondheid door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goed vinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 2 Onze Minister kan subsidies en specifieke uitkeringen verstrekken voor activiteiten op het terrein van: - a. de gezondheidsbevordering; - b. de gezondheidsbescherming; - c. de gezondheidszorg; - d. de maatschappelijke zorg, waaronder de jeugdhulp, voor zover van landelijke betekenis; - e. de sport, voor zover van landelijke betekenis. Artikel 3 1. Onverminderd [hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008290&hoofdstuk=3) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister de activiteiten waarvoor een subsidie of een specifieke uitkering kan worden verstrekt nader worden bepaald alsmede andere criteria voor die verstrekking worden vastgesteld. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister kunnen voorts regels worden gesteld met betrekking tot: - a. het bedrag van de subsidie of specifieke uitkering dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald; - b. de aanvraag van de subsidie of specifieke uitkering en de besluitvorming daarover; - c. de voorwaarden waaronder een subsi"},{"i":4233,"b":"Besluit vaststelling subsidieplafonds subsidiëring op grond van Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland, Deelreglement Ontwikkeling, Deelreglement Realisering, Deelreglement Distributie en Deelreglement Filmactiviteiten Gelet op de [Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904), en gelet op artikel 7 van het Algemeen Reglement, artikel 3 van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland, artikelen 3 en 4 van het Deelreglement Ontwikkeling, artikelen 13, 20, 21 en 24 van het Deelreglement Realisering, artikelen 13 en 16 van het Deelreglement Distributie en de artikelen 12 en 22 van het Deelreglement Filmactiviteiten; Besluit: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. Artikel I Het subsidieplafond van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland voor filmproducties voor het kalenderjaar 2026 is € 20.000.000,– (zegge: twintig miljoen euro) verdeeld over vier aanvraagrondes (€ 5.000.000,– (zegge: vijf miljoen euro) per aanvraagronde). Voor de eerste aanvraagronde is € 3.000.000,– (zegge: 3 miljoen euro) extra beschikbaar door de toevoeging van resterende subsidiemiddelen uit 2025. Per aanvraagronde worden als eerste alle internationale coproducties gehonoreerd tot maximaal 70% van het budget. Binnen de geldende subsidieplafonds wordt 65% besteed aan aanvragen voor speelfilm (waaronder lange animatiefilm) en 35% voor documentaires. Artikel II Het subsidieplafond van het Reglement Stimuleringsmaatregel Filmproductie in Nederland voor high end series voor het kalenderjaar 2026 is € 9.500.000,– (zegge: negenmiljoenvijfhonderdduizend euro) verdeeld over drie aanvraagrondes (€ 3.200.000,– (zegge: driemiljoen tweehonderdduizend euro) per aanvraagronde). Voor de eerste aanvraagronde is € 400.000,– (zegge: vierhonderdduizend euro) extra beschikbaar door de toevoeging van resterende subsidiemiddelen uit 2025. Artikel III Het subsidieplafond van het Deelreglement Ontwi"},{"i":4276,"b":"Besluit van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit van 25 november 2014, kenmerk 8727, inzake de verlening van een vergunning tot het organiseren van de SNL-loterij Op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=3) en [5 van de Wet op de kansspelen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002469&artikel=5) (hierna: de wet) en het [Kansspelenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009067) verleent de raad van bestuur van de kansspelautoriteit (hierna: de Kansspelautoriteit) aan de Stichting Samenwerkende Non-profit Loterijen, gevestigd te Tilburg met KvK-nummer 17229423 (hierna: de vergunninghouder), een vergunning voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016. Aan deze vergunning zijn de volgende voorschriften verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving ervan, zowel door hemzelf als door degenen die hij bij het organiseren van de kansspelen inschakelt, hetzij direct, hetzij indirect. A. Bestuursstructuur B. Aangeboden kansspel C. Afdracht ten behoeve van het algemeen belang D. Bescherming van consumenten E. Toezicht en controle F. Rapportage en verslaglegging G. Overig"},{"i":4644,"b":"Besluit van 6 juni 2017 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband met de implementatie van richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PbEU 2014, L 257) (Implementatiebesluit richtlijn betaalrekeningen) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 7 april 2017, 2017-0000070739, directie Financiële Markten; Gelet op [richtlijn 2014/92](32014L0092)/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PbEU 2014, L 257), alsmede de [artikelen 1:80, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:80), [1:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [4:20, eerste en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:20), en [4:25, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:25); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 mei 2017, nr. W06.17.0101/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 30 mei 2017, 2017-0000093551; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel I Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel II Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Artikel III Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip met uitzondering van de [artikelen I, onderdeel F](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039635&artikel=I&z=2017-06-16&g=2017-06-16), en [II, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jc"},{"i":2760,"b":"Beschikking rendementen gesubsidieerde woningbouw, juni 2006 Gelet op artikel 17, vierde lid, van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, en artikel 18, vierde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, en gelet op artikel 31 onderdeel i., op artikel 56, tweede lid, op artikel 57, eerste lid, en op artikel 58, derde lid, van de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, en voorts gelet op artikel 17, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 alsmede gelet op artikel 28b van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987; Besluit: Artikel 1 Voor woningen en voor woongebouwen met een bijzonder karakter, waarvoor een jaarlijkse bijdrage en een bijdrage ineens dan wel een bijdrage ineens op voet van de Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975, de Regeling geldelijke steun huurwoningen in proefgemeenten normkostensysteem 1986, of de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 werden verstrekt, bedraagt het rendement in de maand juni 2006, dat voor de berekening van de dynamische kostprijshuur bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van 10 jaren wordt aangehouden, 4,25 procent. Artikel 2 Voor de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse bijdrage op voet van de berekeningsmethodiek conform de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, met betrekking tot welk de gemeente de datum, bedoeld in artikel 31, onderdeel i. van die regeling, stelt op 16 juni 2006, doch niet later dan 15 juli 2006 bedraagt het gemiddelde verschil, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van die regeling 0,557 procent. Artikel 3 Voor de woningen, ten aanzien waarvan de toelatingsbeschikking voor 1 januari 1992 is afgegeven en waarvan in het tijdvak aanvangende met 16 juni 2006 en eindigende met 15 juli 2006 de notariële akte tot levering, bedoeld in [artikel 89, boek 3, van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR000529"},{"i":4686,"b":"Instellingsbeschikking begeleidingscommissie TNLI In overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Economische Zaken, Overwegende: dat principebesluiten over grote infrastructurele projecten pas moeten worden genomen nadat er een dialoog in de samenleving heeft plaatsgehad; dat in de Perspectievennota voor de grote en de kleine luchtvaart is aangegeven dat het kabinet op basis van de uitkomsten van de dialoog en van nader onderzoek in de Integrale Beleidsvisie een antwoord wil geven op de hoofdvraag of ruimte bieden aan verdere groei van de luchtvaart in Nederland nuttig en noodzakelijk is; dat het Kabinet besloten heeft dit vraagstuk te onderzoeken overeenkomstig de procedure als beschreven in het Kabinetsstandpunt WRR-advies ’Besluiten over Grote Projecten’ (Kamerstukken II, ’95/’96, 24 690, nr. 1). Besluit: Artikel 1 1. Er is een Begeleidingscommissie Toekomstige Nederlandse Luchtvaart Infrastructuur, nader te noemen Commissie. De onafhankelijkheid van de leden van de Commissie is verzekerd. 2. De Commissie wordt voorshands ingesteld voor de duur van het TNLI-project, tot en met het beginselbesluit. 3. De hierna te noemen leden van de Commissie worden benoemd voor de duur van het proces dat moet leiden tot de vaststelling van de projectbeslissing door het Kabinet, nader te noemen Integrale Beleidsvisie. Tot en met de beoogde parlementaire behandeling van de Integrale Beleidsvisie zijn de hierna te noemen leden van de Commissie voor voorkomende werkzaamheden beschikbaar. 4. De Minister van Verkeer en Waterstaat zal in overeenstemming met de andere betrokken ministers de Commissie samenstellen. 5. Verlenging van de in lid 3 genoemde periode van de commissieleden vindt plaats bij afzonderlijk besluit door de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Economische Zaken. Artikel 2 1. De Commissie heef"},{"i":4649,"b":"Besluit van 14 juli 2025 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 ter implementatie van Richtlijn (EU) 2021/2167 inzake kredietservicers en kredietkopers (Implementatiebesluit richtlijn kredietservicers en kredietkopers) Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 19 mei 2025, 2025-0000108038, directie Financiële Markten; Gelet op [Richtlijn (EU) 2021/2167](32021L2167) van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 inzake kredietservicers en kredietkopers en tot wijziging van [Richtlijnen 2008/48/EG](32008L0048) en [2014/17/EU](32014L0017) en de [artikelen 1:81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=1:81), [2:64c, tweede lid](onbekend), [4:11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:11), [4:14, tweede lid, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:14), [4:16, derde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:16), [4:17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020368&artikel=4:17), [4:81d, derde lid](onbekend), [4:81f, zesde lid](onbekend), [4:81h, derde lid](onbekend), en [4:81k, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht](onbekend) en [artikel 15, derde lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041548&artikel=15); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 juli 2025, nr. W06.25.00118/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 11 juli 2025, 2025-0000146343, directie Financiële Markten; Hebben goedgevonden en verstaan: Treedt in werking op het tijdstip waarop de Implementatiewet richtlijn kredietservicers en kredietkopers in werking treedt. Artikel I Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Artikel II Wi"},{"i":4003,"b":"Besluit van 18 november 2010 tot het stellen van nadere regels betreffende het vinden van passende arbeid voor gewezen politieke ambtsdragers en het opleggen van sancties aan gewezen politieke ambtsdragers (Besluit sollicitatieplicht Appa voor gewezen politieke ambtsdragers) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 september 2010, nr. 2010-0000419238; Gelet op de [artikelen 7a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=7a), [7b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=7b), [7c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=7c), [52a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=52a), [52b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=52b), [52c, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=52c), [132a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=132a), [132b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=132b), en [132c, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=132c); De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 oktober 2010, nr. W04.10.0442/I); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 oktober 2010, nr. 2010-0000685028; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **belanghebbende:** belanghebbende als bedoeld in [artikel 7a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=7a), [52a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=52a), of [artikel 132a, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&artikel=132a); - –. **inhouding:** inhouding als bedoeld in [artikel 7c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002691&arti"},{"i":4070,"b":"Besluit van 16 maart 1951, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, en 46 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Financiën en van Sociale Zaken van 18 Januari 1951, afdeling Maatschappelijke Zorg II, bureau 4, No. 30162; Gelet op de artikelen 3 en 46 van de \"[Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032)\" (**Staatsblad** 1947, No. H 313); Gezien de adviezen van de Buitengewone Pensioenraad en de Stichting 1940-1945; De Raad van State gehoord (advies van 6 Februari 1951, No. 26); Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 14 Maart 1951, afdeling Maatschappelijke Zorg II, bureau 4, No. 32430; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: de wet: de [Wet buitengewoon pensioen 1940-1945](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032) (**Stb.** 1986, 575); de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in [artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027660&artikel=3); de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in [hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013060&hoofdstuk=6); pensioen: buitengewoon pensioen te verlenen krachtens de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032); deelnemer: de deelnemer aan het verzet in de zin van [artikel 1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=1), alsmede degene die behoort tot een van de categorieën van personen, bedoeld in artikel 1, tweede lid, der wet; gewezen echtgenote: de vrouw, bedoeld in [artikel 14, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002032&artikel=14); gewezen echtgenoot: de man, bedoeld in [artikel 14, vierde lid, eerste volzin, o"},{"i":4326,"b":"Besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 17 september 2025, nr. 2025-0000514186, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in het kader van de Subsidieregeling Borgstelling MKB-kredieten Aruba, Curaçao en Sint Maarten Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:4), [10:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9); Gezien de schriftelijke instemming van de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken van 15 september 2025, kenmerk 2025-0000557002; BESLUIT: Artikel 1 1. Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend om namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten te nemen in het kader van de [Subsidieregeling Borgstelling MKB-kredieten Aruba, Curaçao en Sint Maarten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051194); 2. Het mandaat, de volmacht en de machtiging, bedoeld in het eerste lid en in [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051559&artikel=3&z=2025-10-04&g=2025-10-04) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0051559&artikel=4&z=2025-10-04&g=2025-10-04), hebben mede betrekking op alle benodigde werkzaamheden ter voorbereiding en ter uitvoering van de besluiten, daaronder begrepen het nemen van besluiten op bezwaarschriften, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt niet door de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in mandaat is genomen, en op het instellen en het voeren van beroep, hoger beroep en voorlopige voorziening procedures. Artikel 2 1. De directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken kan aan de"},{"i":3767,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 20 augustus 2021, kenmerk RWS-2021/24423 tot het mandateren aan de provincie Noord-Brabant van de bevoegdheid tot het door of namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat laten verleggen van kabels en leidingen ten behoeve van de uitvoering van de reconstructie van rijksweg N65 Vught – Haaren Gelet op [afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=10.1.1); Gelet op de uitvoeringsovereenkomst van 15 april 2021 (nr. 4875807) tussen de Staat der Nederlanden en de provincie Noord-Brabant inzake de reconstructie van de N65 Vught – Haaren; Besluit: Artikel 1. Toepassingsbereik Onder mandaat wordt in dit besluit tevens verstaan volmacht en machtiging. Artikel 2. Verlening mandaat 1. Aan gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant wordt mandaat verleend voor de uitoefening van de bevoegdheden die noodzakelijk zijn voor het verleggen van kabels en leidingen voor de reconstructie van de N65 Vugt – Haaren overeenkomstig de volgende wetten en regelingen: - a. de [Nadeelcompensatieregeling inzake het verleggen van kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010461) (Stcrt. 1999, 97); - b. de Overeenkomst inzake verleggen van kabels en leidingen buiten beheersgebied van 10 februari 1999; - c. de Sideletter bij de Overeenkomst 1999; - d. het Uitvoeringsprotocol Schadevergoeding Kabels en Leidingen SKL 01-26 (14 september 2001); - e. de Leidraad uitvoeringsprotocol SKL; - f. de [Telecommunicatiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009950); - g. het Uitvoeringsprotocol Telecom (13 november 2012); en - h. de [Belemmeringenwet privaatrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001936). 2. Het in het eerste lid verleende mandaat omvat tevens het in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat behandelen van bezwaar- en beroepsprocedures en pri"},{"i":3017,"b":"Besluit van de Minister van Economische Zaken van 12 december 2012, nr. WJZ/12375497, tot aanwijzing van toezichthouders voor de Wet dieren Gelet op [artikel 8.1 van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1); Besluit: Artikel 1 1. In dit besluit wordt verstaan onder: - –. **verordening (EG) nr. 1/2005:** Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU 2005, L 3); - –. **verordening (EU) nr. 2019/6:** [Verordening (EU) 2019/6](31906R2019) van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van [Richtlijn 2011/82/EG](32011L0082) (PbEU 2019, L 4); - –. **wet:** [Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250). 2. Dit besluit berust mede op [artikel 5.9, eerste lid, van de Wet dieren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=5.9). Artikel 2 Met het toezicht op de naleving, bedoeld in [artikel 8.1, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=8.1), zijn belast: - a. de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; - b. de ambtenaren van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; - c. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake de douane; - d. de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voor zover het betreft het toezicht op de naleving van: - 1°. de [artikelen 2.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.20), [2.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.20) en [2.25 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030250&artikel=2.25) in samenhang met hoofdstuk VI van verordening (EU) nr. 2019/6; - 2°. artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van [verordening (EU) nr. 2019/6](31906R2019"},{"i":11400,"b":"Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 februari 2004, nr. AV/KO/2004/4719 houdende vaststelling van verantwoordingsformulieren ten behoeve van de Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang (Regeling verantwoordingsformulieren Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang) Gelet op [artikel 56 van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007133&artikel=56); Besluit: Artikel 1 Bij de verantwoording door gemeenten van de uitkeringen gedaan op grond van de Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang gebruikt de gemeente de verantwoordingsformulieren vastgesteld overeenkomstig [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016418&bijlage=1&z=2005-01-29&g=2005-01-29), [1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016418&bijlage=1a&z=2005-01-29&g=2005-01-29), [1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016418&bijlage=1b&z=2005-01-29&g=2005-01-29), [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016418&bijlage=2&z=2005-01-29&g=2005-01-29) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016418&bijlage=3&z=2005-01-29&g=2005-01-29) bij deze regeling. Artikel 2 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verantwoordingsformulieren Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang. Bijlage 1. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016418&artikel=1&z=2004-03-03&g=2004-03-03) Bijlage 1. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016418&artikel=1&z=2005-01-29&g=2005-01-29) Bijlage 1a. behorende bij [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016418&artikel=1&z=2005-01-29&g=2005-01-29) Toelichting bij het verantwoordingsformulier van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang (Rkb) Toelichting bij het verantwoordingsformulier van de Regeling kinderopvang"},{"i":12493,"b":"Besluit van de directeur Opsporing van de directie FIOD van 24 november 2025 houdende ondermandatering van de bevoegdheden op het terrein van Organisatie en Personeel Gelet op de [artikelen 10:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:3), [10:9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:9) en [10:12 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=10:12), de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=19) en [20 van het Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078&artikel=20), [hoofdstukken 5 van het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043027&hoofdstuk=5) en [hoofdstuk 2 van het Organisatiebesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045076&hoofdstuk=2); Besluit: Artikel 1 Aan de afdelingshoofden en de teamleiders binnen de directie FIOD wordt ondermandaat verleend tot het nemen van personele beslissingen ten aanzien van de onder de onder die leidinggevende ressorterende medewerkers, tenzij in het [Mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2020](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043022) en/of het [Mandaatbesluit Directoraten-Generaal Belastingdienst, Toeslagen en Douane 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045078) is bepaald dat de bevoegdheid is voorbehouden aan een andere functionaris. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juni 2025."},{"i":19667,"b":"Wet van 22 maart 2001 tot opneming in de Wet toezicht effectenverkeer 1995 van bepalingen betreffende openbare biedingen op effecten Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de [Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657) bepalingen op te nemen betreffende openbare biedingen op effecten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Artikel II Wijzigt de Wet op de economische delicten. Artikel III 1. [Artikel 6a, eerste en derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=6a) zijn gedurende zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op gedragingen terzake van een openbaar bod dat is aangekondigd voorafgaand aan dat tijdstip. 2. [Artikel 6a, eerste en derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=6a) zijn niet van toepassing op gedragingen terzake van een openbaar bod dat is aangekondigd voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en dat is uitgebracht binnen zes maanden na dat tijdstip. 3. [Artikel 6a, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007657&artikel=6a) is niet van toepassing op een algemene maatregel van bestuur die op dezelfde datum als deze wet in het Staatsblad wordt geplaatst. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":11821,"b":"Beleidsregel vervreemding onroerende zaken Gelet op [artikel 18 van de Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=18), Besluit: Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: - a. **de wet:** [Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906); - b. **College sanering:** College sanering zorginstellingen, genoemd in [artikel 32 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=32); - c. **instelling:** een organisatorisch verband als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onder f, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018906&artikel=1), dat zorg of een andere dienst verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge [artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0035917&artikel=3.1.1) of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in [artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - d. **vervreemden:** het blijvend niet meer voor de instelling gebruiken van gebouwen, terreinen of delen daarvan door middel van verhuren verkopen of aan enig beperkt recht onderwerpen; - e. **gemachtigde:** de gemachtigde als bedoeld in [artikel 8.3 van het Uitvoeringsbesluit Wet toelating zorginstellingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018983&artikel=8.3); - f. **extramuraliseren:** de situatie waarin een instelling voor intramurale zorg ruimte die voor bewoning geschikt is niet langer gebruikt voor intramurale zorg, maar beschikbaar stelt voor verhuur of verkoop aan derden - g. **marktconform:** in overeenstemming met de heersende economische principes en regels van de vrije markt (systeem van vraag en aanbod). - h. **nutsbedrijven:** bedrijven die opereren in een sector die beschouwd wordt als zijnde van openbaar nut in verband met het algemene belang van de producten of diensten die zij leveren en, in verband daarmee, vanuit overheidswege worden geregul"},{"i":12422,"b":"Besluit als bedoeld in artikel 120, eerste lid van de Wet personenvervoer 2000, houdende intrekking van de Aanwijzing ingevolge artikel 39 van de Wet personenvervoer (oud) Gelet op [artikel 120, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011470&artikel=120); Besluit: Artikel 1 Het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 december 1997, houdende aanwijzing ex artikel 39 Wet personenvervoer (Stcrt. 1997, 249), wordt ingetrokken. Artikel 2 De bevoegdheden van ’s-Hertogenbosch, bedoeld in artikel IV van de Wet van 13 november 1997 tot wijziging van de Wet personenvervoer, worden ingetrokken. Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2004. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":13880,"b":"O. en W.-regeling legalisatie handtekeningen Gelet op [artikel 1, tweede lid, van de Wet van 26 juni 1991, houdende regels inzake de heffing van rechten voor de legalisatie van handtekeningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005125&artikel=1) (Stb. 351), Besluit: Artikel 1 Het tarief van de rechten voor het legaliseren van handtekeningen, voorkomend op diploma's, getuigschriften, certificaten, verklaringen en andere daarmee vergelijkbare bewijsstukken die zijn afgegeven door instellingen voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, wordt vastgesteld op € 5,67 per bewijsstuk. Artikel 2 1. Deze regeling wordt bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van die bekendmaking. 2. Van de bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. 3. Deze regeling kan worden aangehaald als ‘O. en W.-regeling legalisatie handtekeningen’."},{"i":11857,"b":"Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 september 2020, nr. 2020-0000036462 houdende vaststelling van beleidsregels inzake de toepassing van de Wet normering topinkomens met ingang van 1 januari 2021 (Beleidsregels WNT 2021) Gelet op [artikel 1.10 van de Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.10); Besluit: Artikel I De als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels zijn voor het jaar 2021 van toepassing op de uitvoering van de [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop berustende bepalingen, daaronder begrepen de uitvoering en handhaving door of namens de ministers van die wet en de daartoe door hen aangewezen ambtenaren. Artikel II Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels WNT 2021. Artikel III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. Bijlage. bij [artikel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044192&artikel=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Beleidsregels WNT 2021 **Beleidsregels WNT 2021** § 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen De [Wet normering topinkomens](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) wordt in deze beleidsregels aangehaald met de afkorting ‘WNT’. Artikel 2. Toepassingsgebied Deze beleidsregels zijn met ingang van 1 januari 2021 van toepassing op de uitvoering van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) en de daarop berustende bepalingen, daaronder begrepen de uitvoering en handhaving door of namens de ministers en bij de uitoefening van toezicht op de naleving van de WNT en de daarop berustende bepalingen door de daartoe door hen aangewezen ambtenaren. § 2. Reikwijdte van de [WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249) Artikel 3. Overheidsverenigingen of -stichtingen Van een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 1.3, eerste lid, onderdeel b, van de WNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032249&artikel=1.3) is onder meer sprake, indien een"},{"i":12424,"b":"Besluit van 10 April 1838, houdende bepaling van het tijdstip waarop de invoering der nieuwe Nederlandsche Wetgeving en de instelling van den Hoogen Raad zal plaats hebben Gezien Ons besluit van den 5den Januarij 1831 (**Staatsblad** n°. 1); Gezien Ons besluit van 24 Februarij 1831 (**Staatsblad** n°. 6); Overwegende dat de door Ons bevolene herziening der Wetboeken van Burgerlijk Regt, van Koophandel, van Burgerlijke Regtsvordering en van Strafvordering, mitsgaders van de wet van den 18den April 1827 (**Staatsblad** n°. 20) op de zamenstelling der Regterlijke Magt en het beleid der Justitie, thans volkomen tot stand is gebragt, en dat mitsdien als nu tot derzelver invoering kan worden overgegaan; Willende het tijdstip bepalen waarop de invoering zal plaats hebben, en tevens willende doen voorbereiden de reglementaire verordeningen, welker opstelling bij onderscheidene besluiten en verordeningen door Ons aan den Hoogen Raad der Nederlanden is opgedragen; Gezien de wet van den 16den Mei 1829 (**Staatsblad** n°. 33); Herzien Ons besluit van den 5den Julij 1830 (**Staatsblad** n°. 41); Op de voordragt van Onzen Minister van Justitie van den 26sten Maart 1838, n°. 45; Hebben besloten en besluiten: Artikel 1 Het Burgerlijk Wetboek, het [Wetboek van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001838), het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, dat van Strafvordering, mitsgaders de wet van den 15den Mei 1829 (**Staatsblad** no. 28), houdende **algemeene bepalingen der Wetgeving van het Koningrijk**, en die van den 18den April 1827 (**Staatsblad** no. 20), op de zamenstelling der Regterlijke Magt en het beleid der Justitie, benevens de wijzigingen en veranderingen in dezelve wetboeken en wetten gemaakt, en eindelijk de wet van den 10den Mei 1837 (**Staatsblad** no. 21), houdende tijdelijke aanvulling der bepalingen omtrent de enkele en bedriegelijke bankbreuk, zullen worden ingevoerd op den 1sten October 1838, en van verbindende kracht zijn met den klokslag van mi"},{"i":19683,"b":"Wijzigingsregeling Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (toevoeging twee nieuwe educatieve maatregelen en aanpassing instroomeisen voor educatieve maatregel gedrag en verkeer), enz Gelet op de [artikelen 130, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=130), [131, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=131), [132, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132a), [132a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=132a), [133, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=133), [134, tweede, derde, zevende en achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=134); BESLUIT: Artikel I Wijzigt de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Artikel II Wijzigt de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009. Artikel III Ten aanzien van gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van deze regeling, blijft de [Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030613) van toepassing, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling. Artikel IV Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2023. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17254,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 juni 2025, kenmerk 4130890-1083737-PZo, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake de voorbereidingen voor de beoogde invoering van budgetbekostiging voor de spoedeisende hulp Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na op 23 april 2025 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (**Kamerstukken II,** 2024/2025, 29 247, nr. 459) als bedoeld in [artikel 8 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=8) over het voornemen om de voorbereidingen te treffen om de spoedeisende hulp per 2027 te bekostigen op basis van budgetten; Besluit: Artikel 1. Definities In deze aanwijzing wordt verstaan onder: - a). **spoedeisende hulp:** een gespecialiseerde ziekenhuisafdeling die 24 uur per dag en 7 dagen per week is geopend voor de eerste opvang, diagnostiek en, indien nodig, behandeling van patiënten met een vraag naar acute zorg, zoals bedoeld in [artikel 1.1, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037262&artikel=1.1); - b). **wet:** [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078); - c). **zorgautoriteit:** Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in [artikel 3 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=3). Artikel 2. Werkingssfeer Deze aanwijzing is van toepassing op geneeskundige zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden, als omschreven bij of krachtens [artikel 2.4 Besluit zorgverzekering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018492&artikel=2.4). Het gaat hierbij om zorg geleverd op de spoedeisende hulp. Artikel 3. Opdracht Deze aanwijzing strekt tot de voorbereiding door de zorgautoriteit van de beoogde invoering van een bekostiging op basis van budgetten per 1 januari 2027, voor zorg als bed"},{"i":17637,"b":"Uitkering aan gemoedsbezwaarden Gelet op [artikel 48, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=48); Besluit: Artikel 1 De uitkering, bedoeld in het [eerste lid van artikel 48 van de Algemene ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=48), wordt niet toegekend dan nadat degene, die aanspraak maakt op die uitkering, tegenover de Sociale verzekeringsbank heeft verklaard, dat hij wegens gemoedsbezwaren geen aanspraak op het ouderdomspensioen krachtens die wet wil maken. Artikel 2 Indien degene, aan wie een uitkering ingevolge het [eerste lid van artikel 48 van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=48) is toegekend, aanspraak maakt op ouderdomspensioen krachtens die wet, wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 17, derde lid, van die wet, de uitkering zo nodig met terugwerkende kracht ingetrokken met ingang van de dag, waarop het ouderdomspensioen ingaat. Artikel 3 In afwijking van [artikel 18 van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=18), wordt na het overlijden van degene, die een uitkering als bedoeld in [artikel 48, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=48) genoot, de overlijdensuitkering, bedoeld in [artikel 18 van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=18), uitbetaald voorzover het saldo van zijn spaarrekening, bedoeld in de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 23 april 1985, nr. [SZ/SV/VV/85/914](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003785) (Stcrt. 87), toereikend is. Artikel 4 In afwijking van het bepaalde in [artikel 24, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002221&artikel=24), wordt, indien de uitkering, bedoeld in het eerste lid van artikel 48 van die wet, ingevo"},{"i":19065,"b":"Besluit van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 25 april 2019, nr. 2516833, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid ressorterende ambtenaren (Mandaatbesluit NCTV Ministerie van Justitie en Veiligheid 2019) Gelet op [artikel 3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041519&artikel=3); Besluit: Artikel 1 1. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid aan de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden die hun portefeuille onderscheidenlijk het secretariaat van de Cyber Security Raad betreffen ondermandaat verleend aan: - a. de directeur Contraterrorisme en Beveiliging Burgerluchtvaart; - b. de directeur Cybersecurity, Weerbaarheid Statelijke Dreigingen en Economische Veiligheid; - c. de directeur Nationale Crisisbeheersing; - d. de directeur Strategie, Analyse Nationale Veiligheid en Bedrijfsvoering; - e. de directeur Bewaken en Beveiligen; - f. de secretaris van de Cyber Security Raad. 2. Van het ingevolge [artikel 1 van het Mandaatbesluit hoofden clusters Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041688&artikel=1) aan de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid verleende ondermandaat wordt ten aanzien van de aangelegenheden bedoeld in [artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het Organisatiebesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040293&artikel=5), ondermandaat verleend aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken. Artikel 2 Als leidinggevende in de zin van paragraaf 1.3 van de CAO Rijk, ten aanzien van de onder hun diensto"},{"i":17969,"b":"Wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Wet op rechterlijke organisatie in verband met het wegnemen van belemmeringen voor gerechten bij het verlenen van onderlinge bijstand in geval van gebrek aan voldoende zittingscapaciteit Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de [Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830) aan te passen in verband met het wegnemen van belemmeringen voor gerechten bij het verlenen van onderlinge bijstand in geval van gebrek aan voldoende zittingscapaciteit; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel II Wijzigt de Beroepswet en de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Artikel III De [artikelen 46a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=46a) en [62a van de Wet op de rechterlijke organisatie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001830&artikel=62a), zoals deze luidden op de dag vóór de datum van inwerkingtreding van [artikel I, onderdelen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044248&artikel=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), van deze wet, blijven van toepassing op een aanwijzing als bedoeld in deze artikelen die vóór de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en C, van deze wet in de Staatscourant is gepubliceerd. Artikel IV Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19141,"b":"Richtlijn voor strafvordering mensenhandel 1. Beschrijving De richtlijn is van toepassing op gevallen van mensenhandel in de zin van [artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=273f), met uitzondering van mensenhandel met het oogmerk van orgaanverwijdering. Voor deze uitzonderlijke vorm van mensenhandel is maatwerk geboden. In deze richtlijn worden de diverse vormen van uitbuiting uitgewerkt (seksuele uitbuiting, dienstbaarheid en arbeidsuitbuiting, criminele uitbuiting en gedwongen bedelarij), alsmede de strafmaat beïnvloedende factoren. Mensenhandel maakt een grove inbreuk op de menselijke waardigheid, persoonlijke vrijheid en de lichamelijke en geestelijke integriteit van slachtoffers. Het delict heeft bovendien een ondermijnend karakter, onder andere door het financiële oogmerk. Mensenhandel heeft hoge prioriteit in de opsporing en vervolging. Deze richtlijn is gericht op verdachten van [artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=273f) (waaronder mede wordt begrepen degenen die voordeeltrekken uit de uitbuiting). Op degenen die seksuele diensten afnemen van slachtoffers van mensenhandel, kunnen tevens de [artikelen 273g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=273g), [245 lid 1 onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=245) en [246 lid 1 onder d van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=246) van toepassing zijn. Voor zover het bij deze bepalingen gaat het om het afnemen van seksuele diensten tegen betaling van minderjarigen, is de [Richtlijn seksueel misbruik van minderjarigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036267) van toepassing. 2. Seksuele uitbuiting Uitganspunt is telkens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor seksuele uitbuiting gepleegd ten aanzien van één slachtoffer, exclusief strafmaat beïnvloedende omstandigheden. Deze factoren zijn opgenom"},{"i":19300,"b":"Wetboek van Strafrecht Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten: Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is een nieuw Wetboek van Strafrecht vast te stellen; Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze, vast te stellen de navolgende bepalingen, welke zullen uitmaken het Wetboek van Strafrecht. Boek Eerste. Algemene bepalingen Titel I. Omvang van de werking van de strafwet Artikel 1 1. Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. 2. Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast. Artikel 2 De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Artikel 3 De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Artikel 4 De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt: - a. aan een van de misdrijven omschreven in de [artikelen 92 tot en met 96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede&titeldeel=I&artikel=92&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [97a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede&titeldeel=I&artikel=97a&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [98 tot en met 98d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede&titeldeel=I&artikel=98&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede&titeldeel=I&artikel=105&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [108 tot en met 110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede&titeldeel=II&artikel=108&z=2026-01-01&g=2026-01-01); - b. aan een van de misdrijven omschreven in de [artikelen 131 tot en met 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":17264,"b":"Regeling administratievoorschriften multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type 2, CVR, COPD) Gelet op [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=37) en [38 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=38) (Wmg); Heeft de volgende regeling vastgesteld: Artikel 1. Algemeen Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders voor zover ze de prestatie Multidisciplinaire zorgverlening voor Diabetes Mellitus type 2 voor personen ≥ 18 jaar (DM type 2),de prestatie Multidisciplinaire zorgverlening voor Cardiovasculair Risicomanagement (CVR) en/of de prestatie Multidisciplinaire zorgverlening voor Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD) leveren. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze regeling, eindigt de tot aan die datum geldende regeling Administratievoorschriften multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type2, CVR) (regeling CV/NR-100.108). Artikel 2. Begripsbepalingen Voor de begripsbepalingen wordt verwezen naar het Declaratievoorschrift multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type 2, CVR, COPD). Artikel 3. Doel De registratie van de gegevens zoals genoemd in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027941&artikel=4&z=2010-07-22&g=2010-07-22) heeft tot doel om de ontwikkelingen van multidisciplinaire zorgvormen voor de chronische aandoeningen DM type 2, CVR en COPD en de daaruit volgende resultaten in de zorgverlening in relatie tot de betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg te kunnen volgen, toetsen en evalueren. Artikel 4. Administratievoorschriften De hoofdcontractant registreert, indien de prestatie multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen (DM type 2, CVR en COPD) in rekening gebracht wordt, naast de in [artikel 36, eerste lid 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=36), aangegeven admin"},{"i":18626,"b":"Wet van 1 maart 1995, houdende wettelijke grondslag wijziging bezoldiging rechterlijke ambtenaren per 1 april 1993 Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat dient te worden voorzien in een wettelijke grondslag voor de wijziging van de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren per 1 april 1993; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I In afwijking van de [Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008365) kan een wijziging in de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren die betrekking heeft op de periode 1 april 1993 tot 1 april 1994 worden aangebracht bij algemene maatregel van bestuur met toepassing van artikel 1, tweede lid, van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren, zoals die gold op 31 maart 1994. Artikel II Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het **Staatsblad** waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1993. Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19414,"b":"Bekendmaking aan de scheepvaart; Instellen maximum vaarsnelheid op de Waddenzee Gelet op [artikel 8 van de Scheepvaartverkeerswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004364&artikel=8) en [artikel 13, van het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006309&artikel=13); Besluit: Artikel 1 Onverminderd het bepaalde in de [Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007331), geldt op de gehele Waddenzee een maximum vaarsnelheid van 20 Km/uur (circa 11 Knopen) voor alle schepen. Artikel 2 De in [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009519&artikel=1&z=2005-02-15&g=2005-02-15) genoemde maximum vaarsnelheid geldt niet op de betonde vaargeulen van: zee naar de havens van Den Helder, Oudeschild en Den Oever via respectievelijk het ’Marsdiep, de Texelstroom en Visjagersgaatje’; Den Helder naar de havens van Kornwerderzand en Harlingen via de ’Texelstroom, Doove Balg en Boontjes’; zee naar de havens van Harlingen via de ’Vliestroom en Blauwe Slenk’; zee naar de haven van Lauwersoog via de ’Zoutkamperlaag’ en de veerbootroutes van en naar de Waddeneilanden; zee naar de scheidingston WA 22/MG 1. Artikel 3 Dit besluit treedt inwerking met ingang van 1 mei 1998. Dit Besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst."},{"i":17255,"b":"Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 juli 2009, nr. CZ/TSZ-2940850, op grond van artikel 7 van de Wet marktordering gezondheidszorg inzake medisch specialistiche zorg 2010 Gelet op [artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078&artikel=7); Na 8 juni 2009 schriftelijk mededeling te hebben gedaan aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2008/09, 29 248, nr. 83); Besluit: Artikel 1 Deze aanwijzing is van toepassing op medisch specialistische zorg, waaronder in deze aanwijzing wordt verstaan zorg als omschreven bij of krachtens in de [Wet marktordening gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020078): voor zover door, of onder verantwoordelijkheid van, medisch specialisten wordt geleverd en waarvoor door de Nederlandse Zorgautoriteit, verder te noemen de zorgautoriteit, prestatiebeschrijvingen zijn of worden vastgesteld in de vorm van diagnose behandeling combinaties en met uitzondering van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in de wet van 2 november 2006 tot wijziging van het tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Stb. 2006, 630). Ter uitvoering van deze aanwijzing stelt de zorgautoriteit regels en beleidsregels vast. Artikel 2 Voor zorg als bedoeld in het vorige artikel wordt per 1 januari 2010 een taakstelling van structureel € 375 miljoen (prijspeil 2008) opgelegd. Artikel 3 Voor de realisatie van de in het vorige artikel vermelde taakstelling gelden de volgende uitgangspunten: Ten behoeve van die taakstelling stelt de zorgautoriteit de tarieven met ingang van 2010 neerwaarts bij; Indien en voorzover de taakstelling met ingang van 2010 door herijking van de ondersteunerscompensatie als bedoeld in [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026346&artikel=4&z=2009-09-07&g=2009-09-07) en doo"},{"i":18659,"b":"Wet van 14 februari 2018 tot wijziging van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Kieswet in verband met de introductie van kiescolleges voor de Eerste Kamer voor de Caribische openbare lichamen ten behoeve van de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de [Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028142) en de [Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627) aan te passen aan de wijziging van de [Grondwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001840) strekkende tot het opnemen van een constitutionele basis voor Caribische openbare lichamen en het regelen van een kiescollege voor de Eerste Kamer en in verband daarmee bepalingen vast te stellen over de instelling en samenstelling van een kiescollege voor de Eerste Kamer in ieder van de openbare lichamen, alsook over de verkiezing van de leden van de kiescolleges en de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer door de leden van de kiescolleges tezamen met de leden van provinciale staten; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Wijzigt de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel II Wijzigt de Kieswet. Artikel III Na de eerste verkiezing van de leden van het kiescollege geschiedt in afwijking van [artikel V 4 van de Kieswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004627&artikel=V_4) het onderzoek van de geloofsbrieven van de benoemde leden van het kiescollege, bedoeld in dat artikel, door die leden. Artikel IV Wijzigt de Wijzigingswet Kieswet (nieuwe staatsrechtelijke positie Bonaire, Sint Eustatius en Saba) (Stb. 2010/347). Artikel V Wijzigt de Wet administratieve rechtspraak BES. Artikel VI Deze wet treedt in"},{"i":18131,"b":"Besluit digitale vervanging papieren archiefbescheiden Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Gelet op [artikel 6 eerste lid van het archiefbesluit 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007748&artikel=6) en [artikel 26b van de Archiefregeling 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027041&artikel=26b) besluit over te gaan tot digitale vervanging van papieren archiefbescheiden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Besluit Artikel 1 De digitale vervanging heeft betrekking op alle archiefbescheiden van het ministerie die: - a. deel uitmaken van de werkprocessen van de bewindspersonen van het ministerie en die, op grond van de geldende selectielijsten voor de daaronder ressorterende organisatieonderdelen, voor vernietiging dan wel voor permanente bewaring in aanmerking komen; - b. zijn ontvangen of opgemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit en die worden ontvangen of opgemaakt in de periode tot en met tien jaar na inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 2 1. De digitale vervanging heeft betrekking op archiefbescheiden die na vervanging worden opgenomen in een document-management-systeem, waarbij; - a. aan de bepalingen zoals die zijn opgenomen in de [Beleidsregel digitale vervanging archiefbescheiden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023395) (stcrt 2008, 21) wordt voldaan; - b. een handboek digitale vervanging is opgesteld dat ter goedkeuring is voorgelegd aan de Chief Information Officer van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 1. De vervangen archiefbescheiden zullen na een periode van 180 dagen daadwerkelijk worden vernietigd; 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de in de bijlage van de Beheerregeling documentaire informatievoorziening Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2014 beschreven categorieën van archiefbescheiden die na vervanging niet zullen worden vernietigd. Artikel 4 Dit besluit treedt in"},{"i":18956,"b":"Besluit van 31 maart 1987, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van artikel 162, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 27 januari 1987, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 030/687; Gelet op [artikel 162, vierde en zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=162); De Raad van State gehoord (advies van 6 maart 1987, nr. W03.87.0049); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 19 maart 1987, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 111/687; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Op de volgende rechtspersonen of organen van rechtspersonen rusten mede de in [artikel 162, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=162) ten aanzien van openbare colleges en ambtenaren omschreven verplichtingen: - 1°. de Stichting Pensioenfonds ABP en het Spoorwegenpensioenfonds; - 2°. de Sociaal-Economische Raad; - 3°. de indicatieorganen, bedoeld in [artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=9a); - 4°. de zorgverzekeraars, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450&artikel=1); - 5°. de rechtspersonen, bedoeld in [artikel 40 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614&artikel=40); - 6°. de keuringsinstellingen, bedoeld in [artikel 87 van de Zaaizaad- en plantgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002541&artikel=87); - 7°. de privaatrechtelijke rechtspersonen, bedoeld in [artikel 8 van de Landbouwkwaliteitswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002755&artikel=8). - 8°. de toegelaten instellingen, bedoeld in [artikel 19 van de Woningwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005181&artikel=19). Artikel 2 Dit besluit treed"},{"i":17670,"b":"Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 19 december 2005, nr. arc-2005.02658/4); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde ‘[selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel over de periode vanaf 1945](onbekend)’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Het BSD vervangt handeling 71 van de selectielijst Adelsbeleid, adelsrecht en decoratiestelsel (Stcrt. 2002, 222). Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende [selectielijst](onbekend) en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":18046,"b":"Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 juli 2009, nr. DDI/ST/reg. 023/2009, houdende beperking van de openbaarheid van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1965–1974 Gelet op [artikel 15, eerste lid, onder a en c, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=15); Besluit: Artikel 1 1. Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn de inventarisnummers, genoemd in de eerste kolom, van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1965–1974, openbaar met ingang van 1 januari van het jaar, genoemd in de tweede kolom: | Inventarisnummer | Openbaar met ingang van 1 januari | | --- | --- | | 1925 | 2045 | | 1926 | 2047 | | 1927 | 2050 | | 1940 | 2038 | | 1941 | 2025 | | 1942 | 2039 | | 1944 | 2032 | | 1945 | 2034 | | 1948 | 2026 | | 1949 | 2028 | | 1951 | 2031 | | 1952 | 2021 | | 1953 | 2015 | | 1954 | 2034 | | 1955 | 2042 | | 1956 | 2041 | | 1958 | 2036 | | 1959 | 2018 | | 1960 | 2037 | | 1961 | 2040 | | 1962 | 2018 | | 1963 | 2018 | | 1964 | 2032 | | 1965 | 2032 | | 1966 | 2035 | | 1967 | 2033 | | 1968 | 2021 | | 1972 | 2044 | | 1973 | 2035 | | 1976 | 2026 | | 1977 | 2038 | | 1978 | 2038 | | 1980 | 2034 | | 1981 | 2027 | | 1985 | 2040 | | 1987 | 2030 | | 1988 | 2039 | | 1989 | 2025 | | 1991 | 2023 | | 1992 | 2021 | | 1993 | 2032 | | 1994 | 2015 | | 1995 | 2028 | | 1996 | 2026 | | 2000 | 2033 | | 2003 | 2029 | | 2004 | 2038 | | 2008 | 2033 | | 2011 | 2018 | | 2013 | 2028 | | 2015 | 2037 | | 2016 | 2027 | | 2017 | 2022 | | 2018 | 2035 | | 2019 | 2035 | | 2021 | 2042 | | 2022 | 2020 | | 2024 | 2021 | | 2026 | 2015 | | 2027 | 2038 | | 2028 | 2040 | | 2030 | 2020 | | 2032 | 2016 | | 2033 | 2021 | | 2035 | 2016 | | 2036 | 2015 | | 2038 | 2024 | | 2039 | 2038 | | 2040 | 2031 | | 2041 | 2040 | | 2042 | 2035 | | 2043 | 2028 | | 2045 | 2026 | | 2047 | 2037 | | 2050 | 2038 | | 2051 | 2035 | | 2052 | 2040 | | 2061 | 2027 | | 2064 | 2022 | | 2065 | 2038 | | 2068 | 2026 | | 2070 | 2031 | |"},{"i":18704,"b":"Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 november 2012, G&VW/AA/2012/16953, tot vaststelling van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving Gelet op de [artikelen 33, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=33), en [34 van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=34); Besluit: Artikel 1. Boeteoplegging 1. In deze beleidsregel wordt onderscheid gemaakt tussen drie typen overtredingen, te weten: - a. een **zware overtreding** (**ZO**), oftewel een overtreding die in de bijlage als **ZO** is aangemerkt en waarvoor direct een boete wordt gegeven; - b. een **overtreding met directe boete** (**ODB**), oftewel een overtreding die in de bijlage als **ODB** is aangemerkt en waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt gegeven; en - c. een overige overtreding (OO), oftewel een overtreding die in de bijlage als OO is aangemerkt en waarvoor eerst een waarschuwing of een kennisgeving van een eis tot naleving wordt gegeven, of een eis tot naleving wordt gesteld, en pas nadat dezelfde of een soortgelijke overtreding opnieuw wordt geconstateerd, wordt overgegaan tot boeteoplegging. 2. Hiernaast geldt in deze beleidsregel als overtreding met directe boete de overtreding die de directe aanleiding is geweest voor een arbeidsongeval als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=9). - a. Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in [artikel 33, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=33), en [artikel 34 van de Arbeidsomstandighedenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010346&artikel=34) worden zeven categorieën normbedragen onderscheiden, te weten: - 1°. het 1e normbedrag € 340; - 2°. het 2e normbedrag € 750; - 3°. het 3e normbedrag € 1500; - 4°. het 4e normbedrag € 3000; - 5°. het 5e normbedrag € 4500; - 6°. het 6e norm"},{"i":18799,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 november 2023 nr. BOACAT2023/074, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Aanhoudings- en ondersteuningseenheid van de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies Gelezen het verzoek van de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27) van 19 oktober 2023 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het Landelijk Parket en de korpschef als bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012; Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, negende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17); de [Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041447); de [Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039766). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048913&artikel=2&z=2024-07-18&g=2024-07-18). Artikel 2 1. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de personen, die geplaatst zijn bij de afdeling Interventie bij de Dienst Speciale Interventies. 2. Als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de vrijwillig ambtenaren van politie be"},{"i":18555,"b":"Wet van 6 december 2006 ter uitvoering van titel 7.5 (Pacht) van het Burgerlijk Wetboek inzake de samenstelling en werkwijze van de grondkamers en de centrale grondkamer (Uitvoeringswet grondkamers) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is tegelijk met het wetsvoorstel tot vaststelling en invoering van [titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](onbekend) onder gelijktijdige intrekking van de [Pachtwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002269) de bepalingen van de [Pachtwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002269) over de samenstelling en werkwijze van de grondkamers en van de Centrale Grondkamer over te hevelen naar een wet tot uitvoering van [titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](onbekend), alsmede enige wetgeving aan te passen aan genoemde titel; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Samenstelling en werkwijze van de grondkamers en van de centrale grondkamer Artikel 1 Er zijn grondkamers, waarvan het rechtsgebied en de standplaats door Ons worden aangewezen. Artikel 2 1. De grondkamer bestaat uit een voorzitter en ten minste vier en ten hoogste twaalf leden. Zij wordt bijgestaan door een secretaris. 2. Er kunnen een plaatsvervangende voorzitter, plaatsvervangende leden en een of meer plaatsvervangende secretarissen worden benoemd. 3. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter of van de plaatsvervangende voorzitter treedt het oudste lid als waarnemend voorzitter op. Artikel 3 1. Wij benoemen en ontslaan de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de leden, de secretaris alsmede de plaatsvervangende leden en de plaatsvervangende secretarissen. 2. De leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor de tijd van vijf jaren. Zij zijn bij hun aftreden opnieuw benoembaar. Op eigen verzoek kunnen zij"},{"i":19415,"b":"Bekendmaking nieuwe en gewijzigde verkeersscheidingsstelsels Gelet op artikel 3, tweede lid, van het Besluit van 7 november 1989, houdende het van toepassing verklaren van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (Stb. 1989, 502), Maakt bekend: De Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), heeft tijdens haar tweeënzeventigste vergadering op 17-26 mei 2000, in overeenstemming met de bepalingen van resolutie A.858(20), een aantal nieuwe en gewijzigde verkeersscheidingsstelsels en daarmee verband houdende routeringsmaatregelen aangenomen, die met ingang van 1 december 2000 om 00.00 uur UTC in werking treden. Het betreft: - 1. `In de aanloop naar Iquique' (gewijzigd stelsel); - 2. `In de aanloop naar Punta Arenas' (gewijzigd stelsel); - 3. `Het in zicht krijgen van en de aanloop naar Paita Bay' (nieuw stelsel); - 4. `In de aanloop naar Puerto Callao' (nieuw stelsel); - 5. `Het in zicht krijgen van en de aanloop naar Puerto San Martin' (nieuw stelsel); - 6. `Het in zicht krijgen van en de aanloop naar Puerto Ilo' (nieuw stelsel); en - 7. `In de wateren bij Chengshan Jiao Promontory' (nieuw stelsel). Deze bekendmaking zal in de Staatscourant worden geplaatst. Bijlage 1. Nieuwe en gewijzigde verkeersscheidingsstelsels en daarmee verband houdende routeringsmaatregelen Referentiekaart: Chileense Hydrografische Dienst 104, 1988 editie. NB: Deze kaart is gebaseerd op Zuid-Amerikaanse Datum 1969 1. Het gewijzigde verkeersscheidingsstelsel in de aanloop naar Iquique bestaat uit: 4 verkeersbanen; en 3 verkeersscheidingszones ertussen 2. De navigatierichting is: Verkeersbanen voor binnenkomst van de haven: met ware peiling respectievelijk 103° en 052° Verkeersbanen voor vertrek uit de haven: met ware peiling respectievelijk 310° en 257° 3. Beschrijving van het gewijzigde verkeersscheidingsstelsel in de aanloop naar Iquique: Bijlage 2. In de aanloop naar Punta Arenas (gewijzigd stelsel) Referentiekaart: Chileens"},{"i":19489,"b":"Keuringsregeling scheepvaart (CAS) bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (Keuringsregeling scheepvaart (CAS)) 1. PREAMBULE 2. DOEL 3. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN 4. ALGEMENE BEPALINGEN 5. TOEPASSING, REIKWIJDTE EN PLANNING 5.1. Toepassing 5.2. Reikwijdte van de keuringsregeling scheepvaart 5.3. Planning 6. VEREISTEN VOOR DE PLANNING VAN INSPECTIES 6.1. Voorbereidingen voor CAS-inspecties 6.2. Documenten voor het inspectieplan 6.3. Documenten aan boord 6.4. Uitvoeren van CAS-inspecties 7. VEREISTEN TEN AANZIEN VAN CAS-INSPECTIES 7.1. Algemeen 7.2. Omvang van algemene en gedetailleerde inspecties 7.3. Omvang van de diktemetingen 8. CRITERIA VOOR GOEDKEURING 9. CAS-INSPECTIERAPPORTEN 10. DEFINITIEF CAS-RAPPORT VOOR DE ADMINISTRATIE 10.1. Toetsing van de CAS-inspectie door de erkende organisatie 10.2. Definitief CAS-rapport voor de Administratie 11. VERIFICATIE VAN DE CAS DOOR DE ADMINISTRATIE 12. HERKEURING VAN SCHEPEN DIE NIET VOLDOEN AAN DE VEREISTEN VAN DE KEURINGSREGELING SCHEEPVAART 13. VERKLARING VAN NALEVING 14. OVERDRACHT VAN INFORMATIE AAN DE ORGANISATIE"},{"i":18881,"b":"Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 april 2018, nr. BOACAT2018/019, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij het team Beveiliging, Bewaking en Vervoer (BB&V) van de rechtbank Amsterdam Gelezen het verzoek van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2018 en de adviezen van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam en de korpschef als bedoeld in [artikel 27 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=27); Gelet op: [artikel 142, eerste lid, aanhef en onder b en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=142); [artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=7); [artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=55b); [artikel 36, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=36), en [artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007013&artikel=41); [artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063&artikel=17). Besluit: Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar: de persoon als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040834&artikel=2&z=2018-10-01&g=2018-10-01). Artikel 2 De personen in dienst van het team BB&V in functie belast met: - a. de uitvoering van de dienst bij de gerechten als bedoeld in [artikel 124, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=124); - b. de werkzaamheden als bedoeld in [artikelen 373](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=373), [391](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=391), [541, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=5"},{"i":17789,"b":"Wet van 30 november 2006 tot wijziging van enige socialeverzekeringswetten en enige andere wetten (Verzamelwet sociale verzekeringen 2007) Hoofdstuk 1. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Artikel I. Wijziging van de [Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004046) Wijzigt de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid. Artikel II. Wijziging van de [Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007891) Wijzigt de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria. Artikel III. Wijziging van de [Werkloosheidswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) Wijzigt de Werkloosheidswet. Artikel IV. Wijziging van de [Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Artikel V. Wijziging van de [Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Artikel VI. Wijziging van de [Wet financiering sociale verzekeringen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017745) Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen. Artikel VII. Wijziging van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004163) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel VIII. Wijziging van de [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004044) Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Artikel IX. Wijzigingvan de [Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWB"},{"i":19490,"b":"Besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 8 oktober 2014, IENM/BSK-2014/161234, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het hoofd van Bureau Sanering Verkeerslawaai en zijn plaatsvervanger voor de uitvoering van de Subsidieregeling sanering verkeerslawaai, de Stimuleringsregeling stille wegdekken en diverse taken in het kader van hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer (Mandaatbesluit Bureau Sanering Verkeerslawaai 2014) Artikel 1 Aan het hoofd van Bureau Sanering Verkeerslawaai en zijn plaatsvervanger worden mandaat en volmacht verleend tot het nemen van besluiten en het sluiten van overeenkomsten in het kader van de uitvoering van de [Subsidieregeling sanering verkeerslawaai](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020731) en de [Regeling sanering verkeerslawaai 2024](onbekend). Artikel 2 Aan het hoofd van Bureau Sanering Verkeerslawaai en zijn plaatsvervanger worden mandaat en volmacht verleend tot: - a. het wijzigen van geluidproductieplafonds op grond van [artikel 11.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.28) of [artikel 11.63 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.63), in het geval deze wijzigingen niet samenhangen met een tracébesluit, voor zover dat is toegestaan op grond van [artikel 3.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247&artikel=3.1), onderscheidenlijk [artikel 3.3, tweede lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247&artikel=3.3); - b. het doen van de mededeling als bedoeld in [artikel 11.36 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.36), voor zover dat is toegestaan op grond van [artikel 3.1, tweede lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043247&artikel=3.1); - c. het vaststellen van een andere termijn, bedoeld in [artikel 11.38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=11.38)"},{"i":18506,"b":"Rijkswet van 28 april 2005 tot instelling van een aansluitende zone van het Koninkrijk (Rijkswet instelling aansluitende zone) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rechtsmacht van het Koninkrijk uit te breiden en daartoe over te gaan tot de instelling van een aansluitende zone, in het bijzonder om inbreuken op voorschriften inzake douane, belastingen, immigratie, volksgezondheid of monumenten te voorkomen alsmede om inbreuken daarop te bestraffen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit grenzen aansluitende zone in werking treedt. Artikel 1 1. Er is een aansluitende zone van het Koninkrijk. 2. De aansluitende zone van het Koninkrijk is het gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee van het Koninkrijk dat zich niet verder uitstrekt dan 24 zeemijlen vanaf de basislijnen, vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten. Artikel 2 De buitengrens van de aansluitende zone wordt vastgesteld bij algemene maatregel van rijksbestuur. Artikel 3 Deze rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor elk van de landen van het Koninkrijk verschillend kan worden vastgesteld. Artikel 4 Deze rijkswet wordt aangehaald als: Rijkswet instelling aansluitende zone. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden."},{"i":19468,"b":"Douaneverdrag inzake de tijdelijke invoer van particuliere wegvoertuigen De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan: - a). De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. - b). onder „voertuigen”, tenzij het zinsverband het tegendeel vereist, alle motorvoertuigen welke voor het vervoer langs de weg worden gebezigd (daaronder begrepen rijwielen met hulpmotor) en aanhangwagens (met het voertuig zelf dan wel afzonderlijk ingevoerd), alsmede de bijbehorende reservedelen, de normale toebehoren en uitrusting, welke te zamen met het voertuig zijn ingevoerd; - c). onder „persoonlijk gebruik” het gebruik voor andere doeleinden dan: 1°. het vervoer van personen tegen betaling, beloning of ander materieel voordeel; 2°. het bedrijfsmatige vervoer van goederen, al dan niet tegen betaling; - d). onder „Bewijs van tijdelijke invoer” het douanedocument blijkens hetwelk voor de rechten en heffingen ter zake van de invoer zekerheid is gesteld dan wel consignatie heeft plaatsgevonden; - e). De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. - f). De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. - g). De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. - h). De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. - h). De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. - i). De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. - j). De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. HOOFDSTUK II. Invoer met vrijstelling van rechten en heffingen ter zake van de invoer en zonder toepassing van invoerverboden en invoerbeperkingen Artikel 2 1. De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. 2. De tekst van de vertaling is niet beschikbaar. Artikel 3 Met vrijstelling van rechten en heffingen ter zake van de invoer en zonder toepassing van invoerverboden en invoerbeperkingen wordt toegelaten de motorbrandstof welke zich bevindt in de normale tanks van de tijdelijk ingevoerde voertuigen, met dien verstande dat als de normale tank"},{"i":18205,"b":"Besluit vaststelling generieke selectielijst informatie politie vanaf 1 januari 2013 Gelet op [artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376&artikel=5); Besluiten: Artikel 1 De bij dit besluit gevoegde selectielijst voor de administratieve neerslag van Nationale Politie over de periode 2013 en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld. Artikel 2 Er worden geen selectielijsten afgesloten en/of ingetrokken Artikel 3 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Selectielijst Gepubliceerd op www.nationaalarchief.nl/waardering-selectie/selectielijsten. De minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst."},{"i":17585,"b":"Regeling van de Minister voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juli 2023 nr. 38037878, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan samenwerkingsverbanden voor onderwijscoalities tijdens de af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp (Subsidieregeling onderwijscoalities af- en ombouw gesloten jeugdhulp) Gelet op de [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=4) en [5 van de Wet overige OCW-subsidies](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009458&artikel=5) en de [artikelen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=1.3) en [2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037603&artikel=2.1); Besluit: Ook gepubliceerd in Stcrt. 2023/19331. Artikel 1. Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - **accommodatie:** bouwkundige voorziening of deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar jeugdhulp wordt verleend door of namens een jeugdhulpaanbieder, als bedoeld in [artikel 1.1 van de Jeugdwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034925&artikel=1.1); - **accommodatie gesloten jeugdhulp:** accommodaties van een instelling gesloten jeugdhulp, genoemd in [Bijlage 1 van de Regeling specifieke uitkering vastgoedtransitie residentiële jeugdhulp 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045673&bijlage=1); - **bovenregionaal expertisenetwerk jeugd:** één van de acht expertisenetwerken jeugd als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling specifieke uitkering randvoorwaardelijke functies jeugdhulp](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0047609&artikel=1); - **bovenregionaal plan:** bovenregionaal plan als bedoeld in [artikel 1 van de Regeling specifieke uitkering vastgoedtransitie residentiële jeugdhulp 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0045673&artikel=1); - **bevoegd gezag:** bevoegd gezag als bedoeld in [artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003420&artikel=1), [artikel 1 va"},{"i":18650,"b":"Wet van 16 september 1993, tot wijziging van de rechterlijke indeling Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de rechterlijke indeling af te stemmen op de provinciale indeling, de indeling in politieregio's en - voor zover deze de provinciegrenzen niet overschrijden - de grenzen van de gemeentelijke samenwerkingsgebieden, en dat het in verband daarmee wenselijk is een nieuw kanton en een nieuw arrondissement Lelystad te stichten; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel II Vervallen Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IV Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Artikel IVA 1. Op de kantonrechters te Harderwijk, Gorinchem en Zuidbroek die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet als zodanig zijn benoemd, blijft artikel 1, onder I, onderscheidenlijk onder K, onderscheidenlijk onder M, van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren van toepassing. 2. Indien het bij koninklijke boodschap van 25 juni 1993 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten (wijziging bezoldigingsstructuur) (23 223), nadat het tot wet is verheven, in werking is getreden, is artikel 1, eerste lid, categorie 8**b**, onderscheidenlijk categorie 8**c** van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren zoals die wet dan luidt, van toepassing op de in het eerste lid bedoelde kantonrechters te Harderwijk, onderscheidenlijk te Gorinchem en Zuidbroek. Artikel V De advocaten en procureurs die kantoor houden in een gemeente die ingevolge deze wet naar een ander arrondissement overgaat, worden door de zorg van de betrokken griffiers ingeschreven bij de rechtbank van het nieuwe arrondissement. Zij blijven"},{"i":18417,"b":"Regeling politieprijzen Besluiten: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 2 1. Er is een politieprijs, bestemd voor een of meer personen of organisaties die op verrassende of dynamische wijze ten voordele van de politie of van de politiële dienstverlening een belangrijke bijdrage hebben geleverd die op langere termijn zijn nut bewijst. 2. Er is een politie-innovatieprijs, bestemd voor een of meer personen binnen de politie-organisatie of voor onderdelen van de politie-organisatie die een bijzonder innovatief project hebben opgezet, een innovatieve publicatie op hun naam hebben staan of grensverleggend werk hebben verricht met betrekking tot de politie of de politiële dienstverlening. 3. De Ministers reiken de prijzen in beginsel jaarlijks uit. 4. Een ieder kan personen, organisaties of onderdelen van de politie-organisatie bij de commissie aanbevelen voor de prijzen. Artikel 3 1. Er is een commissie voor de prijzen. 2. Op basis van de aanbevelingen, bedoeld in [artikel 2, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006229&artikel=2&z=1994-04-01&g=1994-04-01), doet de commissie jaarlijks een voordracht aan de Ministers voor de toekenning van de prijzen. 3. De commissie organiseert de uitreiking van de prijzen. 4. De commissie stelt een reglement van orde vast ten behoeve van haar werkzaamheden. Artikel 4 1. De commissie bestaat uit een, bij voorkeur niet uit de politie-organisatie afkomstige, voorzitter en ten hoogste acht leden, onder wie in ieder geval een korpsbeheerder, een korpschef, een Hoofdofficier van Justitie en voorts vertegenwoordigers van de ministeries van Justitie en van Binnenlandse Zaken. 2. Op voordracht van de zittende commissie benoemen de Ministers de voorzitter en de leden van de commissie voor een periode van ten hoogste vier jaar. Deze termijn kan eenmaal worden verlengd. 3. Het lidmaatschap van de commissie eindigt door: - a. beëindiging van de termijn, genoemd in het tweede lid; - b. vrijwillig aftreden; - c. onthe"},{"i":19008,"b":"Circulaire Intrekking Circulaire Wijziging toepassing Elektronische Detentie Zoals aangegeven in de brief van 8 december 2009 (Kamerstukken II 2009–2010, 32 123 VI, nr. 75) zijn de met elektronische detentie opgedane ervaringen positief en voor mij reden om elektronische detentie een wettelijke basis te geven in de vorm van het wetsvoorstel thuisdetentie. In verband hiermee heb ik besloten de [Circulaire Wijziging toepassing Elektronische Detentie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026566) van 26 oktober 2009, kenmerk 5614792/09/DJI, gepubliceerd in de Staatscourant van 30 oktober 2009, nr. 16442, met ingang van 1 juli 2010 in te trekken. Overgangsbepaling Deze intrekking heeft geen gevolgen voor de personen die op 1 juli 2010 nog hun straf in Elektronische Detentie ondergaan en voor de personen die vóór 1 juli 2010 een oproep van de Penitentiaire inrichting administratief (PIA) hebben ontvangen voor een intake Elektronische Detentie. Voor deze personen wordt de Elektronische Detentie conform de [circulaire](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026566) uitgevoerd. Deze circulaire zal worden gepubliceerd in de Staatscourant en ter inzage worden gelegd in de bibliotheken van de penitentiaire inrichtingen."},{"i":18308,"b":"Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 22 november 2022, nr. 4298431, houdende nadere regels met betrekking tot de behandeling van klachten over gedragingen van ambtenaren van politie van het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba alsmede over gedragingen van buitengewoon agenten van politie en over gedragingen van het personeel van het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Klachtenregeling politie, buitengewone agenten van politie en brandweer BES) Gelet op de [artikelen 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=16), en [17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=17), en [34, eerste lid van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=34); Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: - **algemeen commandant:** degene die op grond van [artikel 27, vijfde lid, van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=27) belast is met de dagelijkse leiding over het brandweerkorps; - **ambtenaar van politie:** ambtenaar van politie, bedoeld in [artikel 3 van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=3); - **brandweerkorps:** brandweerkorps, bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=27); - **buitengewoon agent van politie:** buitengewoon agent van politie, bedoeld in [artikel 10 van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=10); - **klachtencommissie:** commissie als bedoeld in [artikel 16, tweede lid, onder a van de Veiligheidswet BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028586&artikel=16); - **korpsbeheerder politie:** degene bij wie op grond van [artikel 47, derde lid, van de Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028079&artikel=47) het beheer van het politiekorps berust; - **korpsbeheerder brandweer:** degene bij wie op grond van [a"},{"i":19183,"b":"Richtlijn voor strafvordering wapens en munitie Beschrijving Deze richtlijn heeft betrekking op de meest voorkomende misdrijven (en enkele overtredingen) met betrekking tot wapens en munitie. De richtlijn is niet van toepassing op grootschalige in- en uitvoer en handel, dat vergt maatwerk. Basiscasus/delict Een categorie I wapen voorhanden hebben, dragen of overdragen, alleen gepleegd. Basiscasus/delict Een categorie II en III (vuur)wapen voorhanden hebben of overdragen, alleen gepleegd. Basiscasus/delict Een categorie IV wapen dragen of overdragen aan een minderjarige, alleen gepleegd. Basiscasus/delict Munitie voorhanden hebben of overdragen, alleen gepleegd. Basiscasus/delict Voorhanden hebben of overdragen van onderdelen of hulpstukken, alleen gepleegd. Legenda **Afkortingen** GB = Geldboete TS = Taakstraf GS = gevangenisstraf ov = onvoorwaardelijk 5j = recidive binnen 5 jaar 2j = recidive binnen 2 jaar RWM = [Regeling Wapens en Munitie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008800) Bedenkelijke omstandigheden Wapens. De strafmaten in deze richtlijn zijn bepaald aan de hand van de gevaarzetting van het wapen. Indien een wapen onder bedenkelijke omstandigheden wordt aangetroffen vergroot dat de gevaarzetting en wordt dit als strafverzwarend meegewogen. Enkele voorbeelden van bedenkelijke omstandigheden: bij een vuurwapen is munitie aangetroffen die geschikt is om met dat vuurwapen te worden verschoten (én dit is in de telastelegging van het wapenbezit meegenomen) en/of het (vuur)wapen is geladen of voorzien van een geluiddemper. Het (vuur)wapen was onder handbereik in een voertuig of werd in het openbaar, zoals op straat, in een winkel, openbaar gebouw, bij (voetbal)evenement of in het openbaar vervoer gedragen. Vanzelfsprekend valt het gebruik van het wapen bij een ander misdrijf onder deze strafverzwarende factor, maar ook valt te denken aan sterke aanwijzingen dat het wapen is aangeschaft voor het plegen of voorbereiden van een ander (niet ten laste gelegd)"}]